ocr page 1

-*amp;■- %gt;-% ■ 'j/

^■. V- '% /lJ- - f^- v M .

MÊIÊÊÊ' '' ft *

***■ tri.»v^

. Hll ■-i^1 vi^

■■-■ '. i , ?V ^ * J-S

if * -rh Y V ^ '^ir- '■

■U4ïhp'-((amp;.Z'tfi-'- \,* *\, '-V - t ' ^. • gt; ■;. -1 -»/. -,

•fc ^iA .f •-^'s gt;-.lt;A *•. quot; ■' ^ . .'^.gt;; ■ ,.-4 ,lt; V-, vlt; -'•-r v • i -. i £ .p

g-sJI^P». . - . •?/-■ »■.-■gt;-' ^ . J»;

11 'quot;■ ■; r v' ^ lej ; ' ■

u i\- ^fT% - ^ vVVL

«'4 •:. ■■,gt;'•■•: ^ .vjquot; ■lt; ,

:p ;'■ ■^■^.;gt;:^.iVïï;;;:; -rgt;J

l=y, ! 6 ?

•' -quot;: rt-' • £,;

/H

quot; vr- ^4

■ ^ v. • m

;..; ..^;, - %:$pi T ■ * «,/ -/ ,. quot;' :. ;,

gt; \ »/,^-■

- - -Si-yiT.. c-ïjf-.,r x\ .,v-

fmm

j-^^j

||SmB

B

A .

quot;. *v;;;- ,. gt; quot; . . a;

11 'quot;■ ■; r v' ^ lej ; ' ■

lipMnf ' ** ^' ,-• »r '-f*- I : * JWi

iPpRp-^X••.■■lt; ^'•'•'VA,-

Ife^aiaMW. '«'T-. ^quot; -.A,-- -•'''*•* quot;• i** ■■lt;■quot;'*'■

1tóf# - j -/ v ^ ^ T, ■ 4 *,

^ ;-Vgt;- . \ -* T*quot;'' th .*.amp; *

M PM VV.Vi/M- t ■f' »? ' 'quot;*N^.^ « ■jrV ^ ' V ' quot;*lt;

;f| gt; X * -- as£ '*•gt; quot; , Jr* •

gt;1 mm^rnmÊÊt-It ^ -ï .. ^ n., gt;.. .■

1 '^mSim-é -r quot;'♦■• quot; i . ■ • ^

1 M$êmÊm^ *- - iy ~ . ^quot; 'f/ 1 lt; . /,-. ^

'8 - % lt; * ■ gt; ' gt; '' r^V

1 iiMiÉi/ quot;• Hrv .quot;. \3h-,St

1.......^#ii ^ lt;-v ^ * ■•., gt; ■ t

5« -f- A gt; . . •.. .'r •• «- *. »gt;

Ë 'ïBMÊMic* ^ ~ v .gt;v.: Ï gt; i ^ v. h *

ifeyêCM.- 'r - ^ -

m '■ v . r quot; 'gt; - . * . J ^ ^quot;

■ lips^Éü v » _ r.' ■v s ■ ■ i *

■-i •' JL ' - V' ■? ^ igt; . /t-, •'

«r ' quot;A'* a • ■• ' rquot; •

-« •.Vm ^.r --- i.fu? ^ ^ • yw

—-i

.r^ , A

1 v

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

PAUL KRUGER EN ZIJN TIJD

if'

asi

DOOR

\ .

.

F. REGINALD STATHAM

ocr page 6
ocr page 7

PAUL KRUGER EN ZIJN TIJD

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11

PAUL KRUGER

EN ZIJN TIJD

MET PORTRET EN SCHETSKAARTJE

DOOR

F. REGINALD STATHAM

L. J. VEEN — AMSTERDAM

gt; /

T

ocr page 12
ocr page 13

HOOFDSTUK I.

De Krugers en de Kaap.

Dat Paul Kruger, de President van de Zuid-Afri-kaansche Republiek, eene in het oog vallende plaats inneemt onder de groote mannen van onzen tijd, wie zal wagen dit te ontkennen? Waarschijnlijk zullen zijne vijanden dit nog eerder toestemmen dan zij, die hem op prijs stellen. Onder zijne aanranders zullen er waarschijnlijk zijn, die iets gevoelen van hetgeen de Etru-rische krijgsknechten in Horatius' dapperheid waardeerden. Titus Herminius en Spurius Lartius waren, vergelijkender wijze gesproken, eigenlijk overtollige grootheden. De ware verdediger van Rome tegen de Etrurische bestormers was Horatius. Hij was het, die de verdediging van de stad leidde, die er al de zwaarte van torste en op hem kwam al de lof van zijne landgenooten en de bitterheid van de vijanden des lands neer. „Had hij niet zoo moedig stand gehoudenquot;, zeiden deze, „dan hadden wij, vóór de dag ten einde was, de stad ingenomen.quot; Ongeveer dezelfde gewaarwording moet de mannen bestormd hebben, die, droomende van plannen tot omverwerping der Zuid-Afrikaansche Republiek, den taaien, onwrikbaren tegenstand ontmoetten van de vaderlandlievende strijders, door Paul Krugers persoonlijkheid bezield. In

ocr page 14

hooge mate zijn het zijne bezielende persoonlijkheid en zijn taai weerstandsvermogen, die Paul Kruger heden ten dage eene plaats verschaffen onder het kleine getal mannen, wier naam en geschiedenis op de lippen zijn van alle beschaafde bewoners der gansche wereld. Het is immers niet te ontkennen dat, indien er op dit oogenblik vijf personen op het wereldrond gevonden worden, wier namen overal het besef opwekken van eene sterke, duidelijk sprekende individualiteit, tot dit vijftal zeer zeker ook de President der Zuid-Afrikaansche Republiek behoort.

Eene dergelijke bekendheid — waarom zouden wij niet zeggen: vermaardheid? —spruit gedeeltelijk voort uit de omstandigheden waaronder iemand geboren wordt en leeft, gedeeltelijk ook uit diens karakter-eigenschappen. Er is eene soort vermaardheid, die weinig met het persoonlijk karakter, eene andere, die even weinig met de omstandigheden te maken heeft. In Europa bestaat een welbekend voorbeeld van de wijze hoe door het erven van een grooten naam en van de verantwoordelijkheid voor de voltooiing van groote daden, allerlei handelingen en uitspraken wereldkundig gemaakt worden, die op zich zelve nauwelijks de aandacht van een gewoon mensch waard zijn. Een ge-erfde groote naam is als een geërfd groot fortuin. Beide brengen den bezitter op eene hoogte, die, zelfs al doet hij niets dan gestadig dalen, hem in de oogen der wereld steeds eene gevierde persoonlijkheid doet blijven. Ontbreken naam en fortuin dan moet bekendheid — laat ons nogmaals zeggen; vermaardheid — verkregen worden door bijzonder geluk of in het oog vallende persoonlijke toewijding. De laatste twintig jaren van Zuid-Afrika's geschiedenis hebben ons een voorbeeld van beide verschaft, want terwijl de wereldvermaardheid van Cecil Rhodes te danken is aan stout geluk, berust die van Paul Kruger op persoonlijke toewijding.

ocr page 15

3

Het is onmogelijk deze vergelijking niet te maken. De loop der gebeurtenissen is zoodanig geweest, dat elk dezer namen onmiddellijk aan den anderen herinnert. Ook moet het als een merkwaardig feit worden toegegeven, dat Zuid-Afrika, waarvan men tot voor twintig jaren nog betrekkelijk weinig had hooren spreken, in dat tijdvak twee van de vijf meest vermaarde personen heeft opgeleverd uit de laatste decaden dezer eeuw. Beiden zijn, als men het zoo zeggen mag, onverwacht uit de duisternis te voorschijn getreden; beiden hebben in het oogvallende karaktertrekken medegebracht om de moeilijkheden, waardoor zij omringd waren, te boven te komen; beiden zijn in hoofdzaken geslaagd en beiden hebben in de bijomstandigheden meermalen schipbreuk geleden. Beiden hebben hunne hartstochtelijke bewonderaars en volgelingen, beiden hunne onbarmhartige critici; ieder hunner vertegenwoordigt een probleem, waarvan de oplossing aan het komende geslacht de meest wijs-geerige belangstelling zal vragen. Evenwel, ziende welk een groot aandeel de publieke opinie in Groot-Brittannië en Europa heeft in de Zuid-Afrikaansche zaken en hoe bekrompen diezelfde publieke opinie oordeelt over den waren aard en den omvang van de macht, door Paul Kruger vertegenwoordigd, mag het geoorloofd heeten ten minste eene poging te doen, om die nader te omschrijven en er zulk een licht op te laten schijnen, als afstraalt van het karakter en het leven van de merkwaardigste persoonlijkheid, die Zuid-Afrika ooit heeft zien geboren worden.

In het jaar 1713 komt de naam Kruger voor de eerste maal voor in de archieven van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie te Kaapstad. Het was een hachelijk jaar in de geschiedenis van de Compagnie en het viel in een hachelijk tijdperk van de geschiedenis der Zuid-Afrikaansche Kolonie. Ook in de ge-

ocr page 16

4

schiedenis van Kaapstad staat dit jaar met zwarte letters geboekt, want voor de eerste maal en vreese-lijker dan ooit, heerschten er de pokken — eene epidemie, welke minstens 20 procent van de Europeesche bevolking wegnam en waardoor de Hottentotten in de onmiddellijke nabijheid bijna geheel uitgeroeid werden. Het was een hachelijk jaar voor de kolonisatie van Zuid-Afrika, omdat in dit jaar hoofdzakelijk de landverhuizing begon, die een blijvenden invloed geoefend heeft op de kolonie. Het is niet mogelijk de lijsten der nieuw-aangekomenen gedurende het tijdperk van 1705—1720 in te kijken, zonder de waarheid te erkennen van het feit, dat Zuid-Afrika gedurende deze jaren verrijkt is door menige familie, die zich tot op den huidigen dag aldaar zeer onderscheiden heeft. Deze landverhuizers behoorden niet, zooals de Hugenoten, die een veertigtal jaren te voren uitgeweken waren, tot eene bepaalde Europeesche natie, noch waren zij door daden van geweld of onmenschelijke handelingen gedwongen geworden een ander vaderland te kiezen. Zij vertegenwoordigden verschillende nationaliteiten — Hollanders, Franschen, Duitschers — en hunne verhuizing vond ongetwijfeld hare oorzaak in den algemeenen, onrustigen toestand, waarin Westelijk Europa toenmaals verkeerde. Een van de natuurlijke kanalen voor landverhuizing lag door Holland, op dat tijdstip de machtigste koloniale mogendheid der wereld, evenals heden ten dage de natuurlijke weg-voor Oostelijk Europa door Engeland leidt. De naam van Jacob Kruger, den stichter of stamvader van de familie Kruger, vindt men op eene lijst, die bijna een Zuid-Afrikaansch adresboek genoemd zou kunnen worden. Men vindt daarop Badenhorst — een naam, die heden ten dage onder de rijkste bewoners van het zuidelijk gedeelte van den Oranje-Vrij staat veelvuldig aangetroffen wordt —; de Beer — thans vertegenwoordigd door een lid van den Eersten Volksraad te

ocr page 17

5

Pretoria —; Bester — een welbekende naam in Natal —•; Blignaut — Staats-secretaris te Bloemfontein —; Bosman - een geacht predikant bij de Nederduitsch Hervormde Gemeente in Transvaal —; Brand — de voorvader van den vermaardsten president van den Vrijstaat —; van Breda — een van de hoofden van de eerste Hollandsche republiek in Natal —; Cornbrink — een naam heden ten dage welbekend te Kaapstad —; Faure — vertegenwoordigd door invloedrijke wijnbouwers in de westelijke provinciën — ; Fick

— wiens naam bewaard is gebleven in Ficksburg, een stad in den Oranje-Vrij staat —; van der Heever — thans een lid van het Kaapsche parlement —; de Jager — Transvaalsche Volksraad —; Klopper — Voorzitter van den Eersten Volksraad te Pretoria —; Maasdorp — een zeer bekende naam aan de Kaapsche rechtbank —; Maritz — de voorvaders van de stichters van Natals hoofdstad —; Meintjes — tweede Volksraad te Pretoria —; van Reenen — een der eigenaars van den beroemden Constantia-wijngaard, dicht bij Kaapstad, terwijl zijn naam ook nog bewaard is gebleven in dien van den pas door de Drakens-bergen tusschen den Vrijstaat en Natal —; van Rooijen

— een naam, die veelvuldig voorkomt in Natal en in Transvaal, op de grenzen van Zululand —; Smit — laatstelijk vice-president van Transvaal —; Steenkamp

— Volksraad Pretoria — ; Nijs — stamvader van de wrelbekende familie van dien naam op de grenzen van Transvaal en Zululand —; Voorster — Volksraad Pretoria —; de Waall — welbekend in de wetgevende vergadering van Kaapland en in Transvaal —. Behalve de bovengenoemde vindt men op deze lijst nog namen als Bronkhorst, Ferreira, Haarhof, van Heerden, de Koek, Krijnouw, Maré, Munnik, van Rens-burg. Roos, van der Spuy, Vermaak, de Vries en meer andere, die in Zuid-Afrika — meer bepaald in de Zuid-Afrikaansche Republiek inheemsch zijn geworden.

ocr page 18

6

Tot dezen merkwaardigen stroom van landverhuizers behoorde ook Jacob Kruger, de stamvader van de familie van dien naam. Hij kwam. op de kust van Zuid-Afrika aan in een tijd, die, in weerwil van plaatselijke rampen, gunstig genoemd mocht worden. De vestiging en ontwikkeling van de Kolonie in de Tafelberg-vallei leidde tot eene trapsgewijze vergrooting van het koloniale gebied en tot eene langzame uitbreiding van beschaving en bestuursmaatregelen, zoowel naar het Oosten als naar het Noorden. Men mag veilig aannemen, dat de vertegenwoordigers van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie niet veel deden om deze beweging te steunen. Hun hoofddoel was de instandhouding van een levensmiddelenstation ten behoeve van de vaart naar Oost-Indië en terug, zoodat het hun zelfs niet aangenaam was hunne verantwoordelijkheid te zien toenemen over een steeds grooter wordend gebied, waarover zij wel gezag doch zeer weinig controle konden oefenen. Hunne houding in dit opzicht kwam inderdaad veel overeen met die van de vroegere militaire gouverneurs van de Kaap de Goede Hoop, nadat deze onder Britsche vlag gekomen was. Kaapstad was een gemakkelijk gelegen en strategisch zeer gewichtig punt, halverwege tusschen Europa en de Oost en aan dit doel moesten alle verdere beschouwingen ondergeschikt blijven. Er zijn aanwijzingen te over om aan te nemen, dat de Regeering van Kaapstad in de eerste helft van de vorige eeuw niet zonder ongenoegen de komst van eene bevolking gadesloeg, toegerust met niet weinig ondernemingsgeest en onafhankelijkheidszin en vrij van al zulke patriotische gevoelens, die Hollanders als van zelf eerbied moesten doen toonen voor Hollandsche wetten en instellingen. Niettemin hield de stroom van landverhuizers aan en toen de streek in de onmiddellijke nabijheid van de Tafelbaai ingenomen was, breidden de nieuw-aangekomenen en hunne afstammelingen

ocr page 19

zich natuurlijk noord- en oostwaarts uit naar de minder bewoonbare districten. Langzaam trokken zij voorwaarts met hunne ossenwagens en hunne voortdurend grooter wordende kudden, totdat zij, toen er drie vierde gedeelten van de achttiende eeuw voorbij waren, in het Noorden de Oranje-rivier bereikt en zich oostwaarts tot waar thans het vriendelijke stadje Colesberg gelegen is, uitgebreid hadden.

Het is zeker merkwaardig dit langzame vooruitschuiven na te gaan, want het werpt een eigenaardig licht op de latere meer algemeene verhuizing noordwaarts, op „de Groote Trekquot; van ongeveer zestig jaar geleden. Men mag gerust aannemen, dat de verplaatsing van de omstreken van Kaapstad tot de oevers van de Oranje-rivier niet zonder taaie volharding en veel moeilijkheden bewerkstelligd is kunnen worden. Het was eene verplaatsing door een grootendeels woest en onherbergzaam land, dat zelfs in de gunstige jaargetijden slechts luttele hoeveelheden gras opleverde voor het vee en waar langdurige perioden van volslagen droogte voorkwamen, terwijl de winters op eene hoogte van drie of vier duizend voet boven de zee dikwijls onbarmhartig streng waren. Behalve aan deze onge-riefelijkheden stonden zij bloot aan alle gevaren, welke een tocht door een bijna onbekend en geheel onbeschaafd land oplevert, en bovendien aan de herhaalde aanvallen van vijanden — Boesmans —, die eene onvergelijkelijke bekwaamheid in het plunderen en vernielen aan den dag legden. Het komt waarlijk niet onwaarschijnlijk voor, dat alleen de stoutmoedigste en onder-nemendste familiën dergelijke pelgrimstochten aangedurfd hebben, en dat dezelfde familiën de aangewezen leiders werden, toen de noodzakelijkheid zich deed gevoelen om nog verder de wildernis in te trekken. .

Dat de familie Kruger tot deze leiders behoorde, is meer dan waarschijnlijk, ja, overtuigend bewezen. Gouverneur van Plettenberg, die van 1774 tot 1785

ocr page 20

dezen post bekleedde, deed in 1778 eene reis naar het district Colesberg, dat toenmaals den uitersten noord-oosthoek van de kolonie uitmaakte. Deze reis, die met ontzaglijke moeielijkheden en ongemakken gepaard ging, werd ondernomen naar aanleiding van een verzoekschrift van de bewoners in dat district, waarbij deze een landdrost en eene kerk vroegen als eerste instellingen, die de beschaving eischt. Het verzoekschrift was naar Kaapstad afgezonden door Jan Kruger, kleinzoon van den stamvader der familie, en droeg behalve diens handteekening nog die van Jan Adrian Venter, Adrian van Jaarsveld, Jan Oosthuizen en een dertigtal andere hoofden van gezinnen, die allen een zeer nederig onderkomen gevonden hadden in dit ultima Thulc van de Zuid-Afrikaansche kolonie. Hoe barbaarsch het klimaat aldaar nu en dan wezen kon, werd den Gouverneur duidelijk door de geraamten van ongeveer drie duizend schapen, die eenige maanden vóór zijn bezoek in een sneeuwstorm omgekomen waren. De ongemakken, voortspruitende uit zulk een onbarmhartig klimaat, waren in hooge mate oorzaak, dat de kolonisten uit dit district de Spartanen van de Kaapkolonie genoemd werden en bekend stonden als buitengewoon strenge en hardnekkige menschen. Behalve van het klimaat leden de kolonisten onophoudelijk van de plundertochten van hunne oude vijanden, de Boesmans, en zij beklaagden zich telkens, dat hunne huisgezinnen noodeloos aan allerlei gevaren blootstonden, wanneer de mannen naar Stellenbosch moesten komen, waar zij als burgers ingeschreven stonden, om hunne jaarlijksche militaire oefeningen te houden. Verstoken van eene kerk en eene rechtbank, de kinderen bovendien van alle onderwijs, was hun lot in geenen deele benijdenswaardig. En toch, hoeveel moeilijkheden en ongemakken zij hadden te overwinnen, hoeveel zij ook misten, deze onversaagde baanbrekers dachten er geen oogenblik aan om naar een meer beschaafd land terug te gaan.

ocr page 21

Het vermoeden is gewettigd, dat onder deze omstandigheden de leden der familie Kruger reeds voor het einde der vorige eeuw als leiders en gezaghebbenden optraden en tot de ondernemendste en stoutmoedigste grensboeren behoorden, en dat zij deze positie verkregen hadden door hunne bekwaamheid om met alle omstandigheden rekening te houden. Gouverneur van Plettenberg, die een van de handigste Hollandsche administrateurs geweest schijnt te zijn, voldeed zooveel als in zijn vermogen was aan hun verzoek, hetgeen hem te gemakkelijker viel, wijl de onderteekenaars een groot gedeelte van de kosten op zich namen. Ook werd van het bezoek van den Gouverneur gebruik gemaakt om de noordelijke en oostelijke grenzen van de kolonie met meer nauwkeurigheid vast te stellen. Ten einde de noord-oostpunt van de kolonie aan te duiden richtte hij de „Plettenberg's bakenquot; op aan den oever van de Zeekoerivier, — daarna gewoonlijk de Plettenberg-rivier genoemd -— eene zijrivier van de Oranjerivier, en het moge ten bewijze strekken van de woestheid van het land, dat tijdens dit bezoek op één dag twintig hippopotames in die rivier gedood werden. Na aldus de noord-oostelijke grens vastgesteld te hebben werd in het Oosten, in overeenstemming met de hoofden der oorlogzuchtige Xosa- of Kafferstammen, de Groote Vischrivier als grenslijn aangenomen. De kaarten van 1795, toen de kolonie onder Britsche vlag kwam, geven deze zelfde grenslijnen aan.

De staatkundige stormen, die tegen het einde van de negentiende eeuw het noordelijk halfrond teisterden, lieten niet na ook hunnen invloed te doen gevoelen op de Kaapkolonie. Misbruiken op administratief gebied veroorzaakten groote ontevredenheid onder de onafhankelijk gezinde kolonisten, die in den opstand van hunne Noord-Amerikaansche broeders een navolgenswaardig voorbeeld meenden te zien. Terwijl in de buitendistricten het gezag en de invloed van de

ocr page 22

10

Compagnie nauwelijks merkbaar waren, werden ze in Kaapstad gehandhaafd op eene wijze en met eene kracht die tot verbittering moest leiden. Niet tevreden met het bewaren van orde, gingen sommige ambtenaren van de Compagnie er toe over zich vaak op bruske wijze te bemoeien met persoonlijke aangelegenheden. Dit misbruik maken van macht bereikte eindelijk het toppunt in het volgende voorval; Zekere Buitendag, beschuldigd van gewelddadigheden ten opzichte van eenige zijner familieleden, werd opgelicht en naar Batavia gezonden. Deze machtsoverschrijding was koren op den molen van hen, die in stilte werkten om eene hervorming in het bestuur in het leven te roepen; maar ook de hoogere autoriteiten keurden deze handeling af, zoodat Buitendag, te Batavia aankomende, onmiddellijk teruggezonden werd, doch op die terugreis stierf.

Deze gebeurtenissen, die aanleiding gaven tot eene ernstige breuk tusschen de vertegenwoordigers van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie en het meer ontwikkelde en onafhankelijke deel der kolonisten, oefenden een vrij belangrijken invloed, toen, eenige jaren later de oorlog tusschen Frankrijk en Engeland er toe leidde dat de Engelschen den afstand van de Zuid-Afrikaansche kolonie aan Groot-Brittannië eischten. Groote verdeeldheid heerschte er op dat tijdstip tusschen de kolonisten onderling. De dwingelandij en de zwakheid der Hollandsche Compagnie deden niet weinig en met verlangen uitzien naar elke verandering, zelfs al kwam men dientengevolge onder het bestuur van eene vreemde mogendheid. Kaapstad werd na een weinig ernstig verzet met een Engelsch garnizoen belegd, zoo het heette om de kolonie te beschermen tegen aanvallen van Fransche zijde, totdat in Holland het oude regeeringsstelsel hersteld zou zijn. Op de kolonisten in de grensdistricten had deze bestuurswijziging al heel weinig invloed. Het Bestuur der Compagnie deed

ocr page 23

11

weinig voor hen en kwam nooit voor hen op en het nieuwe Bestuur had, zoolang het veilig te Kaapstad kon blijven, volstrekt geen lust om wat meer werkzaamheid aan den dag te leggen. Niet voor de geheele kolonie voor goed was overgegaan in het bezit van Groot-Brittannië, begonnen de Britsche bewindvoerders, door een verbitterend autocratisch gezag te oefenen, in dezelfde misslagen te vervallen, waardoor de Hol-landsche Oost-Indische Compagnie zich zoo onbemind gemaakt had.

Worstelend met tallooze moeilijkheden, kalm peinzend over het geliefde denkbeeld van onafhankelijkheid, wachtten de kolonisten in de grensdistricten hun tijd af en sloten zich al nauwer aaneen. Waren de vertegenwoordigers van Engeland minder heerschzuchtig geweest, hadden zij meer aandacht geschonken aan de belangen en de nooden van hen, over wie zij het gezag voerden, welk eene andere geschiedenis zou van Zuid-Afrika geschreven kunnen worden! Maar evenals in de latere jaren van deze eeuw was het ook in het begin. Minachting en onkunde aan de eene zijde, verwekten achterdocht en vervreemding aan de andere en de daaruit voortgevloeide vijandige verhouding leidde tot gebeurtenissen, waarvan de gevolgen even belangrijk als verreikend geweest zijn en nog zijn.

ocr page 24

HOOFDSTUK II. De Krugers en de Trek.

„Geen volk, dat niet van Britsche afkomst is, leverde „ooit zulk voortreffelijk materiaal om samen te smelten „met eerlijke Britsche onderdanen, als de bewoners „van Zuid-Afrika, toen zij door verovering- onder „Britsche heerschappij kwamen.quot;

In deze belangrijke uitspraak van Dr. Theal in zijn uitmuntend en onpartijdig geschreven werk over de geschiedenis van Zuid-Afrika ligt eene der mogelijkheden, die, nadat de Britsche vlag- eene eeuw over dat vasteland gewaaid heeft, nog steeds niet verwezenlijkt is. En thans, in 1898, schijnt deze vervulling verder af dan ooit te voren. De strijd tusschen de macht, door Paul Kruger vertegenwoordigd en die, welke in den jongsten vorm van Britsche aanvalspolitiek doorstraalt, is veel vinniger dan in de dagen van Lord Glenelg- en de verhuizende Boeren, zelfs scherper dan die tusschen Lord Carnarvon en President Burgers. Niet alleen is het antagonisme tusschen beide partijen dieper geworteld, maar de herinnering aan het verleden doet aan weerszijden bitterheid opwellen bij elke vraag-, waarover heden ten dage nog verschil van inzicht bestaat. De forten, die thans Pretoria omringen zijn het natuurlijk gevolg — natuurlijk, d. w. z

ocr page 25

i3

zoolang de staatkunde van het Koloniaal Ministerie te Londen voortgaat op den eenmaal ingeslagen verkeerden weg — van de wijze, waarop in 1835 de beste krachten van de Kaapkolonie uit het Britsch Bestuur verwijderd zijn en van het verzet van Transvaal tegen de Britsche regeering in 1880.

In de levensbeschrijving van de merkwaardige persoon van Paul Kruger vinden wij als vanzelf de geschiedenis van de oorzaken, die een volk, dat uitmuntende eigenschappen bezit om een belangrijken en zeer te waardeeren factor uit te maken van de bevolking van het Britsche Keizerrijk en altijd bereid is om, indien het daartoe maar de toestemming verkrijgen kon, np een zeer vriendschappelijken voet met dat Rijk te staan, tot zulk een waakzaam antagonisme geleid hebben tegen het Britsche ras en de Britsche regeering. De twee hoofdredenen voor dit waakzaam antagonisme zijn niet moeilijk op te sporen. Ze zijn te vinden in de persoonlijke ijdelheid van Britsche staatslieden, die achtereenvolgens invloed geoefend hebben op de koloniale politiek, in de lasterpraatjes, die omtrent het Hollandsche ras — de kolonisten die het land bewoonden toen het onder Britsche heerschappij kwam — bijna zonder ophouden en in massa zijn uitgestrooid en de verkeerde voorstellingen, die men omtrent hen ingang heeft doen vinden. Deze beide oorzaken hebben ontzaglijk veel kwaad gesticht, waaronder Zuid-Afrika nu reeds eene eeuw heeft geleden en voortgaat te lijden. De eene zonder de andere zou wellicht onschadelijk geweest zijn. Zelfs de ijdelheid van den ijdelsten secretaris der kolonie zou den Boeren weinig deren en zelfs de meest vermetele uitvinders van lasterpraatjes zouden schipbreuk lijden, indien hunne lasteringen werden onderzocht door een onpartijdig en kalm hoofd aan het Ministerie van Koloniën. Nu eens waren het zendelingen, die de lasterpraatjes in de wereld brachten.

ocr page 26

14

dan weder ambtenaren, somtijds — niet zoo vaak — journalisten, ook kooplieden, nu en dan speculanten. Hun doel was in alle gevallen bijna hetzelfde, namelijk: het bereiken van het een of ander, waarbij zij persoonlijk betrokken waren. Ook was er eene in het oog- springende gelijksoortigheid in de methoden, welke zij volgden, want hun hoofd wapen was steeds vergif, d. w. z. zij vergiftigden de publieke opinie in Groot-Brittannië met valsche of schromelijk overdreven berichten, op zulk eene wijze dat de traagvoetige tegenspraak van hen, die belasterd waren, te laat kwam om als tegengif eenige uitwerking te kunnen hebben. Door de toepassing van dergelijke middelen is het mogelijk geweest, dat er tusschen rassen, nauw verwant door afkomst, taal en meeningen, een geest van achterdocht en vijandschap is ontstaan, die zelfs bij minstens drie gelegenheden aangewakkerd is tot een openlijken oorlog.

De hoofdgebeurtenis in de latere geschiedenis van Zuid-Afrika heeft voor het eerst, doch op eene eigenaardig krachtige en zichtbare wijze aangetoond hoe sterk het antagonisme was tusschen het Britsch gezag en de Zuid-Afrikaansche kolonisten. Deze gebeurtenis is natuurlijk de exodus van de Boeren, gewoonlijk genoemd: „de Groote Trek.quot; De oorzaken tot en het karakter van dezen uittocht, die van den eersten Januari 1836 af volle vier jaren geduurd heeft, zijn, evenals zooveel Zuid-Afrikaansche aangelegenheden, op onderscheidene wijzen valsch voorgesteld. Op een aantal dezer valsche voorstellingen heeft Dr. ïheal een helder licht laten schijnen, maar het is voldoende hier te verklaren, dat de Groote Trek in geen enkel opzicht een gevolg was van al te groote uitbreiding, dat de vrijmaking van de huisslaven der Kaapsche kolonisten daaraan volstrekt niet ten grondslag lag, noch de wensch om zich te onttrekken aan de breidels, die de wetten van het land aanlegden.

ocr page 27

15

De mannen, die als aanvoerders optraden, hadden een goeden naam en waren zeer vermogend; onder hunne leiding en hun toezicht werd de beweging een uittocht in het groot van eene ordelijke bevolking, die door den drang der omstandigheden, zoowel van staatkundigen als van anderen aard. genoodzaakt werd een nieuw tehuis te zoeken in een land, dat eigenlijk eene onbekende wildernis was. De beweging werd openlijk en na rijp beraad op touw gezet, onder de oogen van de Britsche autoriteiten, die verklaarden geen wettige redenen te hebben om tusschen beide te komen. Vermoedelijk werden de ware oorzaken, die er aanleiding toe gaven, nooit meer naar waarheid en helderder geschetst dan jn een geschrift, in Januari 1837 te Grahamstad openbaar gemaakt door Piet Retief, den talentvollen leider, die niet meer dan twaalf maanden later viel als slachtoffer van den verraderlijken Zulukoning Dingaan. Dit geschrift is ten volle de vermelding waard.

„Wij wanhopen er aanquot;, heet het daarin, „de kolonie te redden van de onheilen, die haar bedreigen van de zijde der landloopende inboorlingen, aan wie wordt toegestaan het land aan alle kanten onveilig te maken; noch zien wij in de toekomst vrede, rust of geluk weggelegd voor onze kinderen in een land, zoo geteisterd door innerlijke twisten en beroeringen.

„Wij beklagen ons over de ernstige verliezen, welke wij geleden hebben door de gedwongen invrijheidstelling van onze slaven en door de ergerlijke wetten, ons te hunnen aanzien opgedrongen.

„Wij beklagen ons over de voortdurende rooftochten van de Kaffers en andere zwarte volksstammen, waaraan wij jaren lang hebben blootgestaan en hoofdzakelijk over den laatsten inval in de kolonie, waardoor de grensdistricten verwoest en een aantal fami-liën uitgemoord of tot den bedelstaf gebracht zijn.

„Wij beklagen ons over den onverdienden laster,

ocr page 28

i6

waaraan wij in Engeland zijn blootgesteld, veelal door hen, die den godsdienst heeten lief te hebben en aan wier getuigenissen geloof geslagen is zonder ons ooit tot een wederwoord de gelegenheid te geven; wij voorzien dat deze vooroordeelen slechts zullen leiden tot den totalen ondergang van het land.quot;

In de volgende paragrafen wordt het voornemen te kennen gegeven „de ware grondbeginselen van vrijheidquot; te handhaven, een ieders rechten te eerbiedigen, doch zich gerechtigd te achten lijf en goed te verdedigen tegen wien ook en met alle ten dienste staande middelen. De eindparagraaf luidt aldus:

„Wij verlaten het vruchtbare land onzer vaderen, waarin wij zulke ontzaglijke verliezen geleden hebben en aan voortdurende plagen en kwellingen blootstaan, om eene onbekende en onzekere toekomst te gemoet te gaan; maar wij gaan heen in het vaste vertrouwen op een barmhartig en alziend God, wien wij altijd zullen vreezen en wiens geboden wij altijd zullen volgen.quot;

Er ligt zooveel waardigheid en vastberadenheid in deze verklaring, dat personen, toegerust met zulke hoedanigheden, geen nadere aanbeveling behoeven. De hooge waarde als historisch document ligt in het feit, dat elke klacht eene overbekende, deugdelijke grief bevat, die op zich zelve beschouwd er ten volle op berekend was de burgers der kolonie alle vertrouwen te ontnemen en hun geluk in de waagschaal te stellen. De landlooperij, waarover zij zich beklaagden, gepaard met ernstige bedreiging van leven en eigendom, was een onvermijdelijk gevolg van de politiek van Lord Glenelg als koloniaal secretaris, lijnrecht tegen de waarschuwingen van Sir Benjamin d'Urban, die Gouverneur van de kolonie en Regeeringscommis-saris was ten tijde van den vreeselijken Kaffer-oorlog, tegen Kerstmis van het jaar 1834 aangevangen met het vermoorden van alle blanken in de grensdistricten

ocr page 29

17

en het verwoesten van de gansche landstreek. Lord Glenelgquot;, wiens persoonlijke afkeer van al wat Boer was, nog versterkt werd door de scheeve voorstellingen van de zendelingen, die hij zeer gunstig gezind was, verdedigde den opstand van de inboorlingen, vernietigde de beschikkingen door Sir Benjamin d'Urban ten bate van de veiligheid der Europeesche bevolking gemaakt, en drukte eigenlijk het zegel van de koninklijke goedkeuring op de plunderingen waaraan de Boeren blootstonden. De geschiedenis van de verliezen, door de vrijmaking van alle slaven geleden, is overbekend; men weet hoe de goed doordachte plannen voor eene trapsgewijze vrijmaking, in de kolonie ontworpen, eenvoudig met ruwe hand ter zijde werden geschoven; hoe de som, bestemd voor vergoeding, nog geen derde bedroeg van de geschatte schade en hoe ook de betaling van die som zoo slecht geregeld was, dat in vele gevallen de slaven-eigenaars niet de minste vergoeding ontvingen. De klacht over den laster aangaande de kolonisten uitgestrooid „in naam van den godsdienstquot;, wordt ten volle gerechtvaardigd door de handelingen van zekere zendelingen, die met Dr. Philip aan het hoofd, de plunderende Kaffers ondersteunden, de beleidvolle, gematigde politiek van Sir Benjamin d'Urban brandmerkten en met veel vertooning twee zoogenaamd bekeerde Kafferhoofden naar Engeland brachten, om aldaar met de boosaardigste lasteringen tot wapen een veldtocht te openen tegen alle Zuid-Afrikaansche kolonisten — Engelsche zoowel als Hollandsche. Wat Dr. Philip toenmaals deed is sedert meermalen herhaald, zooals wij later zullen zien, met niet minder gevaarlijke en tot verbittering leidende gevolgen.

Zoo stonden de zaken, toen in het vroege voorjaar van 1836 de noordwaartsche beweging begon. De trekkers reisden in kleine troepjes, ieder onder hun eigen commandant, en staken allereerst de Oranje-

2

ocr page 30

i8

rivier over. Het eerste troepje, dat uittrok, was betrekkelijk klein. Het bestond uit gezinnen uit het district Albanië, waarvan Grahamstad de hoofdstad is, onder leiding van Louis Triechard, die zijne vrouw en vier kinderen meenam. Ook behoorden tot dit gezelschap de gezinnen van Carel 1 riechard, Hendrik Botha, J. Pretorius, G. Scheepers, H. Strijdom en J. Albrecht. Waarschijnlijk was dit vroegtijdig vertrek van Louis Triechard te wijten aan de omstandigheid, dat er, naar aanleiding van zijne heftige taal tegen het Engelsche gouvernement na den oorlog, eene groote premie op zijne gevangenneming uitgeloofd was. Alvorens de grens overschreden werd, sloot zich een tweede gezelschap bij hen aan onder van Rensburg, waartoe de gezinnen van Bronkhorst, De Wet, van Wijk, Vüjoen, Aucamp en Prins behoorden. Hun tocht duurde lang en liep ongelukkig af. Langzaam voortreizende, bereikten zij eindelijk Zoutpansberg in het noord-oosten ..an Transvaal. Daar scheidden zich de wegen van de beide gezelschappen; dat onder Rensburg zette den tocht voort, doch werd weldra door Kaffers overvallen en uitgemoord, op twee kinderen na, die, zooals later bleek, onder de wilden opgroeiden. Tnechards gezelschap bereikte in April, na tallooze offers aan de koorts gebracht te hebben, de Delagoabaai, waar zij door de Portugeesche autoriteiten gastvrij werden ontvangen. Triechard, de leider, bezweek aldaar tengevolge van de doorgestane ellende en het treurig overschot trok in 1839 over zee naar Natal terug. In 1896 behoorde de kleinzoon van Triechard tot de Transvaalsche bur-g-ers die Delagoabaai bezochten bij gelegenheid van de opening van den spoorweg. Hij werd met dezelfde hartelijkheid ontvangen als zijn grootvader, wiens graf hem door de autoriteiten gewezen werd. ^

Deze beide tochten, die eigenlijk als een beschouwd kunnen worden, werden gevolgd door de groote verhuizing van de bewoners der distneten van de Kaap-

ocr page 31

i9

kolonie naar de onbekende wildernis aan de overzijde van de Oranje-rivier. De tweede trek eischt, zoowel met het oog op het doel van deze beschrijving als wat zijn invloed op de toekomst van de binnenlanden van Zuid-Afrika betreft, eene nauwkeuriger beschouwing. Deze trek ving aan in het district Tarka, gelegen aan de toenmalige oostelijke grens van de kolonie, en stond onder leiding van commandant Andries Hendrik Potgieter, die ons beschreven wordt als „een burger van groot aanzien met een vriendelijk karakter cn gematigde denkbeelden.quot; Het gezelschap, waarvan hij de leiding op zich genomen had, was echter niet geheel afkomstig uit het Tarka-district. Een troepje burgers uit het district Colesberg, dat zooals wij zagen toenmaals de Noordoostelijke punt van de kolonie uitmaakte, stelde zich eveneens onder de bevelen van commandant Potgieter. Tot dit troepje behoorden Carel Cilliers met vrouw en zes kinderen, Jan du Toit en familie, Jan Botha en familie, drie families Kruger, acht families Liebenberg, vier families Brookhuizen, vier families Brit en drie families Van Rensburg. De Cilliers — in den laatsten tijd Cellier geheeten — hebben zich altijd onderscheiden door hunne talenten en hun gevoel voor onafhankelijkheid, terwijl de naam du Toit nog heden ten dage door geheel Zuid-Afrika in bestuurskringen een goeden klank heeft. Wat echter in verband met het doel van deze levensbeschrijving het belangrijkst is, is het feit dat tot eene van de drie families Kruger een jongen van ongeveer tien jaar behoorde, Stephanus. Johannes Paulus Kruger, die thans de plaats bekleedt van President van de Zuid-Afrikaansche Republiek.

De geschiedenis van de familie Kruger in Zuid-Afrika verdient in alle opzichten met belangstelling bestudeerd te worden, want er zijn een aantal familiën van dien naam geweest, wier leden zich allen meer of minder onderscheiden hebben. Het is een feit dat

ocr page 32

20

er niet minder dan vijf familiën of personen van dien naam een tehuis gevonden hebben onder het Zuiderkruis. Zoo bijvoorbeeld Jan Hendrik Kruger uit Hol-stein, die in 1747 naar Zuid-Afrika kwam in dienst van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde, maar alle sporen van zijne familie zijn na 1793 of daaromtrent verloren gegaan. Dan had men William Kruger — of Cruger — uit Keulen, die in 1759 trouwde met Susannah Margaretha Venton. Voorts Jan Kruger van Straalsund, die in 17 7 7 in het huwelijk trad met Elizabeth Venter, een lid van eene familie, die haar stempel heeft gedrukt op de allereerste beschaving van Zuid-Afrika. Eindelijk Hendrik Kruger uit onbekende ouders geboren, doch wiens naam in het midden der vorige eeuw als burger van Draken-stein is ingeschreven. De Kruger echter, in wien Zuid-Afrika het grootste belang stelt, is Jacob Kruger, die in het jaar 1713 naar Zuid-Afrika kwam in dienst van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie. Vermeld dient te worden, dat de Compagnie hare ambtenaren recruteerde uit alle deelen van Europa. Zoo was de stichter van de Zuid-Afrikaansche familie Ferreira afkomstig uit Lissabon; andere ambtenaren, wier naam een goeden klank heeft in de geschiedenis der kolonie, kwamen uit Frankrijk, Zweden en zelfs uit Schotland; terwijl Jacob Kruger, de voorvader van den tegen-woordigen President, een Berlijner was — eene omstandigheid, die zonder twijfel medewerkt om de aandacht te trekken van hen, voor wie het een genot is verhalen op te disschen van Duitsche kuiperijen in Pretoria. Waarschijnlijk was Jacob Kruger de zoon van Frans Kruger — in diens testament staat „Crugerquot; — en Elizabeth Har twigs. Zijne moeder was reeds voor 1720 weduwe en woonde in dat jaar in het kleine stadje Sadenbeck bij Potsdam.

Jacob Kruger, die, zooals uit zijn testament blijkt, in 1686 geboren werd, kwam in 1713 aan de Kaap

ocr page 33

in dienst bij de Compagnie, op een tijdstip waarin het Europeesche element in Zuid-Afrika versterkt werd . door een aantal familiën, wier namen aldaar inheemsch zijn geworden. Terwijl hij nog in dienst was bij de Compagnie, trouwde hij met Johanna Kemp, een jong meisje, in de kolonie geboren, en in 1718 mocht hij zich verheugen in de geboorte van zijn oudsten zoon, Jacob. Ongeveer terzelfder tijd schijnt er iets voorgevallen te zijn, waardoor zijne betrekking tot de Compagnie werd afgebroken, want uit officieele bescheiden blijkt, dat hij tengevolge van het verlies van eene zijner handen niet langer in dienst van de Compagnie kon blijven en hij in 1718 de rechten van burger van de Compagnie vroeg en verkreeg. Vermoedelijk deed hij als zoovele anderen en verzekerde hij zich het eigendomsrecht op eene groote uitgestrektheid woest land buiten de eigenlijke grenzen van de kolonie, al was hij ingeschreven als burger in het district Stellen-bosch, in de buurt van Kaapstad. Na dit tijdstip werd zijn echt nog gezegend met zeven kinderen, die allen trouwden en een gezin kregen. Voor ons is echter het zesde kind, de vierde zoon van belang. Evenals thans nog was het toen onder de Hollandsch sprekende kolonisten de gewoonte op jeugdigen leeftijd te huwen en zoo trouwde Hendrik Kruger, die in 1725 geboren was, reeds in 1746 of '47 met Francina Cloete, eene dochter van eene der meest bekende en aanzienlijkste families in Kaapland. Dit huwelijk kenmerkte zich door groote vruchtbaarheid. Niet minder dan achttien kinderen, jongens en meisjes in ongeveer gelijke verhouding, sproten daaruit voort. Voor ons doel zijn echter alleen de oudste en de tweede zoon, Johannes Jacob, geboren in 1748 en Gerrit, die in 1750 het levenslicht zag, van belang. Johannes Jacob werd de vader van zes kinderen, waarvan Hendrik de oudste was; terwijl Gerrit aan acht kinderen het aanzijn schonk, waarvan het vierde — de tweede zoon — Ste-

ocr page 34

phanus Johannes heette. Op dit tijdstip wordt de familiegeschiedenis van de Krugers bijzonder ingewikkeld, aangezien zij op hoogst eigenaardige wijze is saam-geweven met die van eene andere welbekende Zuid-Afrikaansche familie, de Steenkamps, waarvan thans nog een vertegenwoordiger lid is van den Eersten Volksraad te Pretoria. Beiden, Hendrik en Stephanus Johannes, volle neven, kleinzonen van den stamvader Jacob Kruger, trouwden met leden van de familie Steenkamp: Hendrik in 1790 met Anna Catherina Steenkamp; Stephanus Johannes in 1796 met Sophia Margaretha Steenkamp, eene nicht van Anna Catherina. Bovendien nam zekere Maria Magdalena Putter, die met een Steenkamp gehuwd was in 1780 en na twee jaren weduwe werd, eenige jaren later als tweede echtgenoot Pieter Kruger, ook een kleinzoon van den stamvader Jacob; terwijl in 1810 Catherina Wilhelmina Lavina Steenkamp in het huwelijk trad met Cornelis Kruger, eveneens een loot van den ouden stam.

De afkomst van de voornamen is bij de oude Afrikaander familiën meestal in het voorlaatste geslacht te vinden. Zoo heette Hendrik, de achterkleinzoon van den stamvader der familie naar diens zesden zoon; terwijl Hendriks vader naar den stamvader Johannes Jacob genoemd was en deze naam in Hendriks oudsten zoon teruggevonden wordt. De naam Casper of Kaspar komt veelvuldig voor in de familie Steenkamp en vindt men vereenigd met de namen Jan Hendrik bij den tweeden zoon van meergenoemden Hendrik. Deze Casper was een welvarend man ten tijde van de Groote Trek en gehuwd met een lid van de familie Steyn, waaruit onlangs een president voor den Oranje-Vrij staat gekozen werd. Uit dit huwelijk werd den 1 oden October 1825 Stephanus Johannes Paul te Colesberg geboren. Paul was niet de oudste van het gezin, want hij heeft minstens nog eene zuster gehad, ongeveer zes jaar ouder dan hij, die eenigen tijd geleden gestorven is.

ocr page 35
ocr page 36

24

In de samenvoeging van de drie voornamen schijnt eene beleefdheid te zijn bewezen aan de familiën Kruger en Steenkamp beide. Paul Krugers moeder stierf toen hij nog een kind was, nog vóór de groote verhuizing. Zijn vader overleed in 1852 en werd begraven op eene hoeve op den Magaliesberg in Transvaal, welke hoeve thans aan een van Paul Krugers zonen toebehoort.

De tocht van het gezelschap onder Potgieter is om onderscheidene redenen van het grootste belang, hoofdzakelijk echter wegens de omstandigheid, dat door deze mannen de grondslagen gelegd werden voor de beide Zuid-Afrikaansche republieken. Zij gingen meer geleidelijk voorwaarts en hunne lotgevallen waren meer van invloed op de toekomst dan die van de zoogenaamde voortrekkers onder Triechard en Van Rensburg. Deze schijnen zich gehaast te hebben om de warmere landstreken te bereiken, die thans de Noord-Oostelijke districten vormen van Transvaal. Het gezelschap onder Potgieter stelde zich meer tot taak de hulpbronnen van den Vrijstaat te leeren kennen. Zij namen hun weg over den berg Thaba 'Nchu, een merkwaardige, alleenstaande top, ongeveer veertig mijlen ten oosten van Bloemfontein, de hoofdstad van den Vrijstaat. Voortgaande tot de plek, waar tegenwoordig de stad Winburg in den Vrijstaat gelegen is, aan de Vet-rivier — een stroompje wel bekend als een van de bronnen voor geregelden wateraanvoer naar de mijnen van Johannesburg langs den spoorweg in den Vrijstaat — vonden zij een overblijfsel van den stam der Bataungs, onder hun stamhoofd Makwana, die zijne rechten liet gelden op de geheele landstreek tusschen de Vet- en de Vaalrivier. Zijne rechten daarop werden evenwel betwist door Mozilikatze, het veel machtiger stamhoofd der Matabelen, die nog niet lang geleden deze geheele streek te vuur en te zwaard had verwoest. Makwana zag echter maar al te goed

ocr page 37

25

in, hoeveel waarde een verbond met de nieuw-aange-komenen voor hem hebben kon, zoodat hij op voorwaarde van door de Boeren tegen den gevreesden Mozilikatze beschermd te zullen worden, hun het land tusschen genoemde rivieren afstond met uitzondering van eene kleine strook, bestemd voor zijn eigen stamgenooten.

Zoowel bij deze gelegenheid als bij latere legden de Boeren een vertrouwen aan den dag, dat in geen enkel opzicht gerechtvaardigd was. Eenmaal de afspraak gemaakt, waanden zij zich op het afgestane grondgebied veilig en eenigen hunner staken zelfs de Vaalrivier over en trokken langs den rechteroever voort tot aan de samenvloeiing met de Mooi-rivier, aan welker oever thans het aardige stadje Potchefstroom ligt, dat gedeeltelijk aan Potgieter zijn naam ontleent. Behalve door den noodlottigen tocht van Triechard en Van Rensburg, was de streek ten noorden van de Vaal tot de Limpopo voor de Boeren geheel onbekend. Eenige Engelsche reizigers en kooplieden waren er wel in doorgedrongen, maar hadden altijd zorg gedragen een bezoek te brengen aan de hoofdkraal van Mozilikatze, eenige honderden mijlen oostwaarts van de tegenwoordige stad Zeerust, ten einde hem geschenken aan te bieden. Vermoedelijk zouden de Boeren verstandig gedaan hebben, indien zij dit voorbeeld gevolgd hadden. In Mei 1836 trok een groot gedeelte van het gezelschap onder Potgieter op een ontdekkingstocht uit en bereikte ongeveer het punt waar Triechard eenigen tijd gekampeerd had, in Zoutpansberg-district. Ofschoon zij hun voornemen om een onderzoek naar den weg naar Delagoa-baai in te stellen niet ten uitvoer brachten, zagen en hoorden zij genoeg om de overtuiging op te doen, dat de havens voor de kolonie, welke zij dachten te vestigen in de streek, die thans het middelpunt van Transvaal uitmaakt, groote waarde hadden en veel gemak konden opleveren. Inderdaad

ocr page 38

20

is de bewering niet gewaagd, dat de staatkundige en handelsbetrekkingen tusschen Zuid-Afrika en de De-lagoa-baai dagteekenen van dit bezoek. Den 2dcn September waren zij weder terug in het kamp waar zij hunne reisgenooten achtergelaten hadden en werden bij aankomst met eene ontzettende tijding begroet. De Matabelen, vertoornd over het binnendringen van vreemdelingen in hun land, zonder dat deze de gewone achting aan hun koning bewezen hadden, hadden twee troepjes, die ter jacht getogen waren, overvallen en gedood, eene geheele familie Liebenberg uitgemoord en bijna al het vee van de trekkers meegevoerd.

Het droevig ongeluk, dat eenigen getroffen had, kon gelukkig nog juist bijtijds meegedeeld worden aan de overige kolonisten, die er in slaagden eene sterke overmacht van Matabelen met zware verliezen terug te slaan, nadat deze gedurende zes uren vergeefs getracht hadden zich een weg te banen tusschen de samengekoppelde wagens. Er schijnt geen enkele reden te bestaan om te betwijfelen, dat Paul Kruger, toen een jongen van ongeveer elf jaar, dien strijd meemaakte en op dien leeftijd reeds een werkzaam aandeel had in de verdediging van lijf en goed. Als de vrouwen en meisjes dapper meededen door de geweren aan te nemen en telkens weder te laden, konden de jongens als strijders niet achterblijven.

Door dezen aanval was het den kolonisten duidelijk geworden, dat, wilden zij zich zeiven en hunne familiën tegen dergelijke aanvallen beschermen, zij op hunne verdediging bedacht moesten zijn. Zoodra dan ook de Matabelen teruggetrokken waren, vestigden zij zich op eene plek, thans bekend onder den naam Vechtkop, in den Vrijstaat, gelegen tusschen de Rhenoster- en Wilge-rivieren. Daar plaatsten zij alle wagens, ten getale van ongeveer vijftig, in een kring, bonden ze stevig aan elkaar vast, vulden de openingen met doornstruiken en wachtten in dit „ laagerquot; den nieuwen

ocr page 39

aanval af, die — daarvan waren zij overtuigd — na het gebeurde niet zou uitblijven. In het laatst van October werden zij verwittigd van de nadering van een geheel leger Matabelen. Onmiddellijk trok een gedeelte van de verdedigers den vijand te paard tegemoet. Na op korten afstand een goed gemikt salvo op de aanvallers afgegeven te hebben, waardoor deze een oogenblik tot staan werden gebracht, reden zij terug om hunne geweren te herladen en kwamen dan weer vooruit om dezelfde manoeuvre te herhalen. Door deze taktiek — later bij dergelijke gelegenheden telkens met een gunstigen uitslag bekroond — werden den vijand gedurende diens opmarsch aanzienlijke verliezen toegebracht, terwijl er tijd gewonnen werd om in het laager alles tot de verdediging voor te bereiden. De aanval op het laager kon daardoor echter niet verhinderd worden. Vijf duizend Matabelen, gewoon voor onoverwinlijk gehouden te worden, stormden tegen den versterkten ring op, die door minder dan vijftig vohvassen mannen verdedigd werd. De jongens, en onder hen Paul Kruger, namen hunne plaatsen in tusschen de mannen, terwijl op de vrouwen en meisjes de plicht rustte om de geweren te laden en over te geven. Eene wolk van assegaaien kwam op het laager neer, maar hoe wonderlijk het moge klinken, slechts twee der verdedigers werden getroffen. In minder dan een uur trokken de Matabelen af met een verlies van ruim 150 dooden, maar zij namen al het vee van de kolonisten — 100 paarden, 4600 ossen en meer dan 50000 schapen — met zich mede. Hoewel zij de overwinning behaald hadden, bleven de Boeren in een neteligen toestand achter en ware hun geen hulp verstrekt door de aankomst van een derde gezelschap kolonisten onder commando van Gerrit Maritz — de latere stichter van de Republiek, thans de Kolonie Natal — zonder vee zouden zij aan de grootste ellende ten prooi zijn geweest.

ocr page 40

28

Het ligt niet in de bedoeling langer stil te staan bij al de gevechten, die de stichters van de beide Zuid-Afrikaansche republieken, de grondleggers van de beschaving in het grootste gedeelte van Zaid-Afrika hebben moeten leveren. Voor ons doel is het genoeg, dat wij in staat zijn eene beschrijving te geven van de omstandigheden waaronder en van de kweekschool waarin de jonge Paul Kruger is opgevoed. Deze kweekschool was er ten volle op berekend om hem lichamelijk sterk en gehard te maken en hem uit te rusten met een onwrikbaren moed en eene nimmer falende besluitvaardigheid. Het is moeilijk, behalve door anecdoten, die waarschijnlijk den toets der waarheid niet kunnen doorstaan, een helder beeld te schetsen van Paul Krugers jeugd. Deze anecdoten, waarvan er een aantal voorkomen in Poultney Bigelow's „White Man's Africaquot;, getuigen alle van den moed en de physieke kracht van een man, die thans, zelfs op zijn drieënzeventigste jaar, ontegenzeggelijk, zoowel physiek als moreel, een van de merkwaardigste personen is uit deze eeuw. De geschiedenis van de volgende tien of vijftien jaren, zoowel van den Vrijstaat als van Transvaal, was die van een voortdurenden strijd, gevoerd van maand tot maand en van jaar tot jaar met gevaren en ontberingen van allerlei aard, met wilde volksstammen en somtijds ook met de ambtenaren en de legers van het Britsche gouvernement, dat, gelijk Pharao, berouw had nu het te laat was. Het treurspel bij Dingaans Kraal, toen de dappere Piet Retief en meer dan zestig leden van de eerste Afrikaander familiën verraderlijk werden vermoord; de moorden in Natal; de wraak door de Boeren genomen in den slag bij de Bloedrivier aan de noordelijke grens van Zululand, waarin vier- of vijfhonderd Boeren onder commando van Andries Potgieter den i6den December 1838 twaalf a vijftien duizend Zulus eene volslagen nederlaag toebrachten; de uitbreiding van het Britsche

ocr page 41

29

gezag over de nieuw gestichte republiek Natal met de opgewonden tooneelen welke daarmede gepaard gingen; de annexatie van den Vrijstaat, waarvan het scherpe gevecht van de Boeren tegen de Britsche troepen bij Boomplaats het gevolg was — al deze gebeurtenissen zijn als evenzoovele mijlpalen in het tijdperk tusschen het begin van den „Grooten Trekquot; en de erkenning van de Zuid-Afrikaansche Republiek als een onafhan-kelijken staat in eene oorkonde, bekend onder den naam van de Zandrivier-conventie.

Gedurende dit tijdvak was Paul Krugers leven gelijk aan dat van de jongelingen van zijn leeftijd. De achting, waarin hij bij zijne medeburgers stond, kwam aan het licht door het feit, dat hij reeds op zeventienjarigen leeftijd gekozen werd tot vice-veldkornet in het district, waarin hij woonde, terwijl hij drie jaren later benoemd werd tot veldkornet of garnizoenscommandant, in welke betrekking hij in 1852 aan het hoofd van een commando van 150 man deelnam aan den tocht tegen het stamhoofd Sechell en in het volgende jaar met een dergelijk commando tegen Moutsoia. Als jager doorkruiste hij intusschen geheel Matabeleland tot de Zambezi en het komt niet onwaarschijnlijk voor, dat de kennis, die hij toen van deze landstreek opdeed, hem er toe genoopt heeft zoo gewillig daarvan afstand te doen aan de Chartered Company. Hadden de burgers van Transvaal waarde gehecht aan dat land, zij zouden het in bezit gehad hebben, langen tijd voordat de heeren Rudd en Rhodes er aan dachten met Lo Bengula in onderhandeling te treden. Gedurende al dien tijd en eigenlijk in zijn gansche leven was Paul Kruger, voor zoover bekend is, nooit ziek — al bleef hij niet vrij van koortsen — terwijl zijne interessante avonturen, zoowel in den oorlog als op het jachtveld, tot onderwerp zouden kunnen dienen van een boeienden roman. Toch is hij nooit gewond geweest, al hebben zijne kleederen meermalen de sporen vertoond van

ocr page 42

3°

assagaaien en kogels — eene omstandigheid, die ongetwijfeld bij de inboorlingen het geloof heeft doen ontstaan, dat hij onkwetsbaar was.

Het zou echter onmogelijk zijn eene juiste beschrijving van Paul Krugers karakter te geven, zonder een helder licht te laten vallen op zijne streng godsdienstige beginselen. Dat deze beginselen een vorm aangenomen hebben, die beter bekend was in het Engeland van eene eeuw geleden, in het methodistische Engeland, dan in het hedendaagsche, ontneemt ze niets van hunne waarde. Indien Paul Kruger meent onder de bijzondere bescherming te staan van eene bovennatuurlijke macht, hetzelfde is gezegd van John Newton, den vriend van Cowper, die zijne loopbaan begon als kapitein op een slavenschip en eindigde als een achtenswaardig predikant bij eene van Londen's voornaamste kerken. De wereld, de Engelsche wereld vooral, is zoo vol cynisme en scepticisme aan het einde van de negentiende eeuw, dat zij vergeet met waardeering te gewagen van de leiders en voorgangers van den evangelischen godsdienst aan het einde der achttiende, Het geloof kwam tot deze leiders van de evangelische school gewoonlijk eerst na ernstigen, innerlijken strijd, die aan het eind hunne karakters louterde en hunne geestdrift deed ontvlammen. Zoo is het ook met Paul Kruger gegaan. Er brak een tijd aan — hij was toen ongeveer vijfentwintig jaar — waarin de strijd, dien hij met zich zeiven te voeren had — de botsing van nieuwere godsdienstige denkbeelden met het instinct en de hartstochten van een buitengewoon krachtig ontwikkeld man — hem feitelijk naar de wildernis dreef, waarin hij gedurende eenigen tijd verdween, om er als een man met eene innige, ernstige godsdienstige overtuiging uit terug te keeren. Sinds dien tijd heeft hij zich aan deze overtuiging blijven vasthouden, ze in het openbaar opgehelderd en verklaard en iedereen kent in Pretoria het kleine kerkje tegenover de Pre-

ocr page 43

3i

sidentswoning, waarin Paul Kruger bijna eiken Zondag, even welsprekend als ernstig, het licht zijner ervaring laat schijnen op de lessen uit het ecnige boek, waarin hij gaarne leest. Het is noodzakelijk dezen kant van zijn karakter in het oog te houden en zich te herinneren dat, hoe ouderwetsch zijne opvattingen ook mogen schijnen aan de kinderen van het tegenwoordige geslacht, ze hem geleid hebben tot den ernst, die zijn gansche wezen kenmerkt. Het komt niet dikwerf voor, dat waarachtige ernst in godsdienstige zaken samengaat met oprechtheid en bekwaamheid in de politiek, ofschoon Groot-Brittannië in Gladstone een voorbeeld heeft, dat er toe kan meewerken om Paul Krugers karakter beter te leeren waardeeren.

Het tijdstip, waarop Paul Kruger boven zijne medeburgers begon uit te blinken, viel in een overgangstijdperk. De uitgeweken Boeren hadden in 1852, na zestien jaren van onafgebroken strijd en onzekerheid, hunne onafhankelijkheid gewaarborgd gezien door de Zandrivier-conventie; de vervulling van dezen lang gekoesterden wensch werpt een gunstig, helder licht op de laatste dagen van twee voorname leiders — Hendrik Potgieter en Andries Pretorius — die deze in de geschiedenis en voor de beschaving van Zuid-Afrika zoo hoogst belangrijke gebeurtenis hebben voorbereid. Na eenige jaren van bittere vijandschap — apostelen en profeten zijn nooit heel gemakkelijk geweest — eindelijk gevolgd door eene verzoening, stierven deze dappere, volhardende mannen in hetzelfde jaar. Mocht er ooit in Zuid-Afrika nog eens een historieschilder opstaan, dan zou het tooneel aan het sterfbed van Andries Pretorius — de oude, beproefde leider, stervende aan eene ongeneeslijke kwaal, zijne landslieden vermanende toch vóór alles het geloof te behouden en de eensgezindheid te bewaren, terwijl eenige Kafferhoofden zich over hem heenbogen om hem met tranen in de oogen de hand te kussen — een

ocr page 44

32

der dankbaarste onderwerpen voor hem zijn en zijn werk, beter dan alle boeken te zamen, een antwoord geven aan hen, die er altijd op uit zijn een dapper, humaan en recht verlangend volk te belasteren.

ocr page 45

HOOFDSTUK III.

Paul Kruger en de Republiek.

De Zandrivier-conventie, waarbij de onafhankelijkheid van de Zuid-Afrikaansche Republiek werd erkend en gewaarborgd, werd den i7den Januari 1852 geteekend en den i3llen Mei van hetzelfde jaar bekrachtigd. De verdere erkenning van de rechten der uitgeweken Boeren vond twee jaren later plaats, toen het Britsche gouvernement zich geheel uit den Oranje-Vrij staat terugtrok. Het oordeel van het Britsche gouvernement over den algemeenen toestand in Zuid-Afrika werd officieel blootgelegd door den Hertog van Newcastle, toenmaals koloniaal-secretaris, aan de heeren Fraser en Murray, die op den i6dcn Maart 1S54 als vertegenwoordigers van eenige Britsche bewoners van den Vrijstaat, naar Engeland waren gezonden, om protest aan te teekenen tegen het verlaten van het land door de Britten. Volgens den Hertog van Newcastle, wiens oordeel vermoedelijk ook dat was van zijne collega's in het ministerie, had zich het gezag van de Koningin te ver uitgestrekt in Zuid-Afrika. Het was voor Engeland niet mogelijk, verklaarde hij, voortdurend troepen op de been te houden om vooruitgeschoven posten te bezetten en te verdedigen, terwijl het toch eigenlijk slechts Kaapstad en de haven van Tafelbaai wettig gekregenhad.

ocr page 46

34

Het is wel de moeite waard dit officieel uitgesproken oordeel in herinnering- te brengen, vooral omdat het zeven en twintig jaren later, toen het in Zuid-Afrika op den voorgrond gesteld werd, als onverklaarbaar uitgekreten en zelfs als een oproerig denkbeeld gebrandmerkt werd. Het is goed er op te wijzen, dat het volgen van eene dergelijke staatkunde ongeveer overeenkwam met het geven van eene grondwet aan de beide Britsche Koloniën in Zuid-Afrika — de Kaap de Goede Hoop en Natal — eene grondwet, die ongetwijfeld in de gegeven omstandigheden zelfs eene zeer vrijzinnige genoemd mocht worden. Het volgen dezer politiek had bovendien nog andere resultaten, die sommigen ongetwijfeld verwacht hadden. De republieken kregen daardoor de vrijheid om zonder vrees voor tusschenkomst zich zelve te besturen. Maar dit uit den weg ruimen van alle vrees voor tusschenkomst had het gevolg — wellicht volstrekt niet verwacht — dat er tweedracht ontstond in de republieken zelve, hoofdzakelijk in Transvaal. Wilden de republieken eensgezind blijven, dan was er, evenals in latere tijden, drang van buiten noodig. Aan zich zelve overgelaten, zonder de noodzakelijkheid om een gemeenschappelijken vijand van het lijf te houden, kwam er verdeeldheid onder de burgers, stonden persoonlijke voorkeur en familietwisten elke gemeenschappelijke of vaderlandslievende handeling in den weg.

Deze verdeeldheden openbaarden zich op drie verschillende wijzen; ten eerste in de omstandigheid, dat de oude veete tusschen Hendrik Potgieter en Andries Pretorius door hunne nakomelingen werd opgerakeld; dan in de tegenstrijdige belangen van de verschillende districten; eindelijk in twisten over kerkelijke zaken. De burgers van de Lijdenburg- en aangrenzende districten, de oostelijke helft van de Republiek uitmakende, voelden zich volstrekt niet gebonden de inzichten te volgen van de burgers in de westelijke helft.

ocr page 47

35

bestaande uit de districten Potchefstroom en Rustenburg. Terzelfder tijd hadden de omstandigheden eene sterke, ondernemende partij doen ontstaan, die onder leiding van Marthinus Wessels Pretorius, zoon van den Commandant-Generaal Andries Pretorius, de noodzakelijkheid erkende van een krachtig centraal bestuur en van eene hoofdstad, die gemakkelijk bereikbaar zijn zou, zoowel voor de burgers van de oostelijke als van de westelijke helft der Republiek. Met dat doel werden door tusschenkomst van den heer Pretorius twee boerenplaatsen in het centraal gebied aangekocht voor de stichting van de stad Pretoria. De scheuring op godsdienstig terrein kwam in vele opzichten overeen met die op staatkundig gebied, zoodat, om de woorden van Dr. ïhcal te gebruiken: „ do eene partij was voor een eenhoofdig bestuur met ondergeschikte districts-rechtbanken en eene Kerk onafhankelijk van vreemd toezicht; terwijl de andere partij meer gestemd was voor een Wetgevenden Raad per district, een bond voor de verdediging des lands en eene Kerk onder de Kaapsche synode.quot;

Onder de voorstanders van de Pretorius-partij behoorde ook Paul Kruger, vermoedelijk — ten minste tot op zekere hoogte — tot deze keuze gebracht door zijne voorliefde voor eene Kerk, die het meest overeenkwam met zijne krachtig ontwikkelde godsdienstige denkbeelden. Bovendien stelde hij het meeste belang in het district Rustenburg, dat tot het westelijke gedeelte van de Republiek behoorde en op grond van zijne oudste rechten zich ook het recht aanmatigde om den koers te bepalen, waarin de staatkunde van het geheele land zich in de toekomst bewegen moest. Het duurde niet lang of deze verdeeldheid leidde tot ernstige troebelen. Op volksbijeenkomsten, in het eind van 1856 belegd door den heer M. W. Pretorius, Commandant-Generaal in het Potchefstroom-en Rustenburgdistrict, waar deze bijeenkomsten gehouden werden.

ocr page 48

36

verklaarde zich eene groote meerderheid voor het aannemen van eene grondwet. In December van hetzelfde jaar werd te Potchefstroom eene vergadering belegd, waarheen iedere veld-kornet een afgevaardigde zond, ten einde een ontwerp voor eene grondwet samen te stellen. De aangenomen grondwet bepaalde de samenstelling van een wetgevend lichaam, stelde de eischen vast waaraan de leden moesten voldoen, benevens de wijze waarop zij gekozen werden en aftraden. Ook schreef deze grondwet voor dat er een President en een Uitvoerende Raad zouden zijn, benevens één Com-mandant-Generaal, te kiezen door alle burgers van de geheele Republiek; voorts bevatte zij bepalingen voor de verdeeling van de Republiek in districten, voor het heffen van belastingen, voor eene regeling op kerkelijk gebied, voor vrijheid van drukpers, voor de afschaffing der slavernij en bepaalde zij dat alle trac-taten met vreemde mogendheden aan de goedkeuring van den Volksraad moesten onderworpen worden. Op eene volgende vergadering werd Commandant-Generaal Pretorius tot President gekozen en, met het bepaalde doel om de bewoners van het oostelijk gedeelte der Republiek tot verzoening te stemmen, Stephanus Schoeman van Zoutpansberg, die zich eenige jaren te voren verdienstelijk gemaakt had in een oorlog tegen de inboorlingen, tot Commandant-Generaal van de geheele Republiek.

Deze stap tot verzoening miste echter alle uitwerking. De burgers van Zoutpansberg en Lijdenburg wezen met verontwaardiging alle voorstellen van de vergadering te Potchefstroom af en Schoeman weigerde den hem aangeboden post op zich te nemen, ja zelfs stelde hij met eenige bewoners van het oostelijk gedeelte van Transvaal een manifest op, waarin het bestaan van eene grondwet en alles wat daarmede in betrekking stond eenvoudig ontkend werd. Beide partijen stelden alles in het werk, om zich zoo sterk

ocr page 49

37

mogelijk tegen elkander te verzetten. President Pre-torius begaf zich naar Bloemfontein in de hoop de Vrijstaters te kunnen overhalen zich bij Transvaal aan te sluiten, in welk geval de invloed van de ontevredenen paal en perk gesteld zou worden. In-tusschen hadden de bewoners dier districten het oostelijk gedeelte onafhankelijk verklaard onder den naam van Republiek Lijdenburg en bij proclamatie de grenzen daarvan aangegeven. Dit was een stoute stap en de positie van de Schoeman-partij werd nog versterkt door een ernstigen misgreep van President Pretorius bij gelegenheid van zijn bezoek aan Bloemfontein. Niet weinig trotsch op zijn naam en op zijn vader, den overleden Commandant-Generaal Andries Pretorius, zond hij een bode naar het Basuto-opperhoofd Moshesh en liet dezen uitnoodigen naar Bloemfontein te komen. Hevig verbolgen gaf de Vrijstaatsche Volksraad den heer Pretorius en diens gezelschap vier en twintig uren tijd om het land te verlaten, terwijl degenen, die hem en zijne oogmerken hadden willen dienen, van landverraad beschuldigd werden. Als antwoord hierop werd uit Potchefstroom aan Bloemfontein kennis gegeven, dat een Transvaalsch commando den Vrijstaat zou binnendringen, indien deze beschuldiging van landverraad niet binnen acht dagen ingetrokken werd.

Het commando vertrok, Pretorius stelde zich aan het hoofd en tot zijne officieren behoorde commandant Paul Kruger. Het was een eigenaardige toestand, want niet alleen stonden de burgers van de beide republieken vijandig tegenover elkander, maar Commandant-Generaal Schoeman, die het commandantgeneraalschap voor de geheele Republiek geweigerd had, zond een aanbod naar Bloemfontein om den Vrijstaat tegen Pretorius te hulp te komen. De beide commando's stonden den 25stequot; Mei 1857 aan de Rhenoster-rivier, dicht bij de Vaal, tegenover elkander. Aan beide zijden was men eigenlijk onwillig om de

ocr page 50

vijandelijkheden te beginnen, die eene botsingquot; ten gevolge gehad zouden hebben tusschen de leden van dezelfde familiën onderling. Deze toestand werd gelukkig van beide zijden ingezien en zwakker dan hij gemeend had te zullen zijn, zond Pretorius zijn luitenant Paul Kruger met eene parlementaire vlag, om eene samenkomst voor te stellen ten einde tot eene vredelievende oplossing te geraken. Dit voorstel werd zonder bedenking aangenomen. Van beide zijden werden twaalf vertegenwoordigers aangewezen en Paul Kruger, nu in zijn twee en dertigste jaar, behoorde onder de aangewezenen. Er werd een vergelijk getroffen, dat in werkelijkheid veel geleek op een verbond en ofschoon sommige Vrijstaatsche burgers, die hunne voorliefde voor Transvaal wat al te openlijk aan den dag gelegd hadden, zware straffen beliepen, werden deze, op aandringen van eene deputatie van Transvaal, waartoe ook Paul Kruger behoorde, zeer verzacht.

Het jaar 1858 begon met een voorval, dat opnieuw den naam van Paul Kruger naar den voorgrond drong. De Bamapela's, een van de machtigste stammen onder de inboorlingen van het Zoutpansberg-district, beproefden opnieuw, evenals in 1854, hunne krachten tegen de blanke mannen en, zooals reeds zoo menigmaal in Zuid-Afrika, begonnen zij met het vermoorden van eenige Europeanen en het rooven van hunne eigendommen. Onmiddellijk werd eene sterke macht opgeroepen door Commandant-Generaal Schoe-man, die nog steeds in het Lijdenburg- en Zoutpans-berg-district het bevel voerde; terwijl uit het district Rustenburg een commando onder Paul Kruger werd afgezonden, ten einde hulp te bieden bij het ten onder brengen van den gemeenschappelijken vijand. De zwarten hadden zich achter een versterkten heuvel teruggetrokken, die door Paul Krugers commando werd aangevallen en bestormd met verlies van één gesneuvelde en een aantal gewonden. Deze manhaftige

ocr page 51

39

daad maakte een einde aan den opstand, die intusschen leidde tot veel strengere maatregelen tegen den verkoop van geweren en ammunitie aan de inboorlingen. Terwijl de politieke strijdvragen tusschen de oostelijke en westelijke districten nu cenigen tijd hangende bleven, traden de godsdienstige meer en meer op den voorgrond. In hoofdzaak was dit het gevolg van de komst van dominee Postma, predikant bij de Afgescheiden Gereformeerde Gemeente in Holland, welks synode hem inderdaad naar Zuid-Afrika gezonden had, waar hij in November 1858 aankwam en tot leeraar te Rustenburg benoemd werd. Aangezien Rustenburg de woonplaats was van de familie Kruger, kan er geen twijfel bestaan of Paul Kruger heeft grooten invloed geoefend op deze benoeming. Een van de hoofdpunten van verschil tusschen de Nederlandsch Hervormde Kerk en de Afgescheidenen is dat bij laatstgenoemden alleen psalmen gezongen en bijbelteksten gebruikt mcgen worden —- een punt van verschil, dat tot op den huidigen dag is blijven bestaan. In April 1859 werd er eene poging in het werk gesteld om alle verschillen tusschen de beide kerkgenootschappen bij te leggen. Drie maanden later verwierpen echter de voorgangers van de Afgescheidenen elke bemiddeling om tot eene overeenstemming te geraken, verklaarden alleen psalmen en aanhalingen uit de Heilige Schrift te zullen dulden en met de Kaapsche synode niets te maken te willen hebben, zoodat zij eigenlijk geheel onafhankelijk waren. Zoo vormden zich dus in Transvaal twee tegenover elkander staande kerkgenootschappen, waarin van tijd tot tijd het antagonisme, waaruit zij voortsproten, opnieuw werd aangeblazen. De Afgescheidenen, waarvan Paul Kruger altijd een warm voorstander geweest is, verhoovaardigen zich op de grootere zuiverheid hunner leer en staan tegenover de oudere Kerk ongeveer in dezelfde verhouding als de Vrije Kerk in Schotland tegenover de Schotsche Staatskerk.

ocr page 52

4°

De voorvallen gedurende de eerstvolgende jaren waren zooals die verwacht konden worden in een land, waar het sluimerende antagonisme nu en dan afgewisseld werd door meer of minder gelukkig-e pogingen om eenheid te verkrijgen. Zoo begonnen de burgers van Lijdenburg de mogelijkheid in te zien van eene oplossing hunner Republiek in de Zuid-Afrikaansche. Men scheen zelfs tot overeenstemming te zullen komen; reeds werd het einde van de inwendige verdeeldheid als zeker beschouwd, toen persoonlijke veeten en onaangenaamheden aan deze verwachtingen weder den bodem insloegen. Het denkbeeld van eene mogelijke vereeniging van alle republieken — de Vrijstaat, de Zuid-Afrikaansche en de Lijdenburger Republieken — tot één Staat werd in deze dagen meermalen geopperd, doch van buiten weinig aangemoedigd. Sir George Grey, toenmaals Rcgeerings-Commissaris te Kaapstad, gaf zelfs aan eene deputatie Vrijstaters als zijne opinie te kennen, dat indien de republieken zich vereenigden, het Britsche Gouvernement waarschijnlijk de verdragen, volgens welke zij onafhankelijk verklaard waren, zou te niet doen of ze tenminste eene groote wijziging doen ondergaan. Met het oog op het verbeteren van de kansen op zulk eene vereeniging bracht de president Pretorius in i860 een bezoek aan den Vrijstaat. Dit bezoek had echter het vreemdsoortig gevolg, dat Pretorius in den Vrijstaat tot President verkozen werd, als opvolger van Boshof. Onmiddellijk begon zijne populariteit in Transvaal te verminderen. De Transvaalsche burgers, groote waarde hechtende aan de beteekenis van Sir Grey's waarschuwing, betoonden zich hoe langer hoe koeler voor het denkbeeld van eene aaneensluiting met den Vrijstaat, want zij meenden daarin een gevaar te moeten zien voor de verkregen voordeelen door de Zandrivier-conventie. Aan President Pretorius werd in herinnering gebracht, dat bij de in 1857 vastgestelde

ocr page 53

41

grondwet bepaald was, dat de President van de Zuid-Afrikaansche Republiek geen ander ambt bekleeden mocht en hem werd de eisch gesteld van een der beide presidentschappen afstand te doen. Overeenkomstig dezen eisch legde hij het presidentschap over de Zuid-Afrikaansche Republiek neer en vestigde zich als President van den Vrijstaat in Bloemfontein.

Zonder vrees voor tegenspraak kan gezegd worden, dat de twee of drie jaren, volgende op deze gebeurtenis, een der hachelijkste tijdperken vormden in de geschiedenis van Transvaal. Twisten en intriges tusschen personen onderling hadden de oogen doen sluiten voor vaderlandsliefde en het algemeen welzijn. Tengevolge van een allerzonderlingsten samenloop van omstandigheden werd Stephanus Schoeman, die zich thans voordeed als een der ernstigste tegenstanders van Pretorius, tot Staatspresident gekozen. Zooals uit zijne vroegere gedragingen opgemaakt kan worden, was Schoeman iemand van buitengewone bekwaamheden, maar overigens zonder principes of omzichtigheid. Door de uitspraak van eene volksbijeenkomst te Pot-chefstroom was hij tot Staatspresident benoemd en de toen bestaande Volksraad ontbonden. Nauwelijks had Schoeman echter het roer in handen of hij riep den ontbonden Volksraad weder bijeen en met de hulp van de gewapende macht werden vijf leden van den Raad voor de rechtbank gedaagd, wijl het hun plicht geweest was de besluiten van de bijeenkomst te Pot-chefstroom tot uitvoering te brengen. Vier hunner werden tot eene boete van 100 veroordeeld en de vijfde tot ^15.

Dit allerzonderlingste proces verwekte, zooals te begrijpen is, niet weinig opgewondenheid en Schoeman, ziende dat zijn gezag bedreigd werd, verzamelde te Pretoria eenige gewapende commando's om hem in de uitoefening van zijn gezag te steunen.

De toestand was onhoudbaar geworden en alleen

ocr page 54

42

een beslist optreden van iemand, die geen verantwoordelijkheid vreesde, kon verandering brengen. Die man van de daad werd gevonden in Commandant Paul Kruger, die de burgers van Rustenburg opriep en besloot Schoeman uit Pretoria te verjagen en het opperbestuur op betere grondslagen te regelen. Door de tusschenkomst van eenige invloedrijke burgers uit het Pretoria-district werd daarop eene vergadering belegd, die, op verzoek, door Pretorius werd gepresideerd. In deze vergadering werd beslist, dat er, vóór alle dingen, een nieuwen volksraad gekozen zou worden. Zoodra hiertoe was overgegaan, besloot deze Schoeman af te zetten en een President ad interim te benoemen in afwachting van eene definitieve keuze.

Hiermede waren echter de moeilijkheden nog op verre na niet uit den weg geruimd. Schoeman weigerde af te treden en aangezien hij door eene sterke partij gesteund werd, ging hij voort den presidentieelen hamer te voeren. De wereld kreeg alzoo het schandaal te aanschouwen, dat in de Republiek twee regeeringen vijandig tegenover elkander stonden. Nogmaals trad nu Paul Kruger op als handhaver van het recht en het is een merkwaardig getuigenis van zijn overwicht, dat, ofschoon slechts den rang van Commandant bekleedende, twee Commandanten-Generaal — Theu-nis Snij man, die als zoodanig door den Volksraad benoemd was, en Joseph van Dijk, Commandant-Generaal van Lijdenburg — zich vrijwillig onder zijne bevelen schaarden. De eerste stap was Schoeman en zijn aanhang uit Pretoria te verdrijven, Zij trokken zich terug op Potchefstroom, dat onmiddellijk door Paul Kruger met 800 a 1000 man en drie kanonnen ingesloten werd. Schoeman's strijdmacht bestond uit 300 a 400 man met één kanon. Na twee dagen zeer nauw ingesloten geweest te zijn, deed Schoeman een uitval, doch werd met eenige verliezen binnen de stad teruggedreven. Deze uitslag deed hem den moed ver-

ocr page 55

43

liezen, zoodat hij met zijne voornaamste aanhangers de vlucht nam naar den Vrijstaat en Commandant Kruger bezit liet nemen van Potchefstroom. Nauwelijks had Kruger echter de stad verlaten ofSchoeman verscheen opnieuw, thans vastbesloten met zijne aanhangers den strijd tot het uiterste door te zetten.

In dit beslissend oogenblik verscheen er een bemiddelaar in den persoon van President Pretorius, door wiens invloed er onderhandelingen aangeknoopt werden tusschen de strijdende partijen. Alle vonnissen, waarbij boeten, verbeurdverklaring van goederen of verbanning opgelegd waren, werden nietig verklaard; zoodra mogelijk zou er eene keuze plaats hebben van een nieuwen President en alle misdaden, welke met de troebelen in verband stonden, zouden berecht worden door een tot dat doel te benoemen gerechtshof, dat, zoo mogelijk, door den opperrechter van Natal gepresideerd zou worden. Het hof was gereed om zijne zittingen aan te vangen, toen Schoeman nogmaals aan het hoofd van eene gewapende macht te Pretoria verscheen en verklaarde, dat hij de besluiten van het hof niet zou erkennen, indien de leden tot zijne politieke tegenstanders behoorden. Voor de derde maal trad nu Paul Kruger op voor recht en wet. Met een klein getal van zijne Rustenburgers betrok hij op geringen afstand van Pretoria een kamp en riep alle burgers uit de geheele Republiek op om hem te helpen bij het herstellen van de orde — eene uitnoodi-ging, waaraan van alle kanten gevolg gegeven werd. Toen trad hij de stad binnen, slechts door twee ongewapende burgers vergezeld, en verklaarde dat, al verlangde hij geen droppel bloed te vergieten, hij toch vastbesloten was iedereen te dwingen aan de wetten te gehoorzamen.

Paul Kruger's moed en vastberaden optreden hadden het gewenschte gevolg. Schoeman's volgelingen werden bevreesd en boden geen weerstand, toen op

ocr page 56

44

bevel van Kruger eene sterke wacht tegenover het Gouvernementshuis geplaatst werd. Eene week later maakten Schoeman en zijne handlangers gebruik van eene hevige donderbui, om met twee kanonnen en de Staatsvlag te ontsnappen. Dit was eindelijk zijne laatste poging om het oppergezag in handen te krijgen, want, hoewel het vonnis dat over hem uitgesproken werd, luidde: verbanning en verbeurdverklaring zijner goederen, door tusschenkomst van President Pretorius zeer werd verzacht, had hij al zijn prestige verloren en verklaarde de Volksraad hem buiten staat om eenig openbaar ambt te bekleeden. En nu volgde de verkiezing van een President en een Commandant-Generaal, maar de meerderheid van het aantal stemmen was zoo gering, dat de waarnemende President, de heer Van Rensburg, ofschoon hij zelf het grootste aantal op zich vereenigd had, eene nieuwe verkiezing uitschreef. De uitslag van deze stemming leidde tot nog meer troebelen. Ofschoon Rensburg het grootste aantal stemmen bleef behouden — 1106 tegen 1065 op den heer Pretorius, verklaarden een aantal van Rensburgs tegenstanders, dat zij hem niet als President zouden erkennen, omdat er met de stembriefjes geknoeid was.

Nogmaals, nu voor de vierde maal, moest Paul Kruger, thans met groote meerderheid tot Commandant-Generaal verkozen, zich aan het hoofd van de gewapende macht stellen om de orde te handhaven. Ditmaal was hij echter in den aanvang minder gelukkig. Op zijn marsch naar Potchefstroom, waar de vaan des oproers was ontrold door Commandant Jan Viljoen, zag hij zich met zijn troepje van 150 man tegenover eene afdeeling van 800, die den hoogdravenden naam van „het Volkslegerquot; had aangenomen. Krugers troepje werd omsingeld en hij zelf ontsnapte naar den Vrijstaat, terwijl het Volksleger nu ongestoord op Pretoria marcheeren kon. Al heel spoedig had Kruger echter

ocr page 57

45

weder eene macht van 900 a 1000 man om zich verzameld, waarmede hij het Volksleger op den 5den Januari 1864 eene totale nederlaag toebracht. Den volgenden dag verscheen Pretorius weder als bemiddelaar; de wensch om als zoodanig op te treden was te sterker, wijl de verslagen partij grootendeels bestond uit zijne eigene politieke medestanders, die hij niet gaarne vernederd zag, al keurde hij hun gewapend optreden af. Nogmaals had er eene volksbijeenkomst plaats, waarop men tot het besluit kwam eene geheel nieuwe verkiezing te houden, waarbij maatregelen genomen zouden worden om alle geknoei te voorkomen. De uitslag van deze nieuwe verkiezing was beslissend. Van de 2637 uitgebrachte stemmen waren er 1519 op Pretorius en 1118 op Van Rensburg uitg'ebracht. Op den ioden Mei 1864 kwam de Volksraad bijeen en nam Pretorius aan alle leden den voorgeschreven eed af — eene plechtigheid, die voorgoed een einde maakte aan den burgerstrijd, waardoor de vreedzame ontwikkeling van de Republiek gedurende zeven jaren was verstoord. Het lijdt geen twijfel of de moed en de standvastigheid van Paul Kruger hadden den toestand gered, zoodat deze zich, op den betrekkelijk jeugdigen leeftijd van 39 jaar, eene plaats veroverd had in de algemeene achting, die hem na den President de eerste deed zijn in de Republiek. In het overwicht van deze twee krachtige mannen zagen de burgers van de Republiek het vooruitzicht geopend op een gematigd en rechtvaardig bestuur en een waarborg voor het herstel van de openbare orde, die door de vertegenwoordigers van tegen elkander indrui-schende persoonlijke belangen op zulk eene vreeselijke wijze verstoord was geworden.

Het was nauwelijks te verwachten, dat de algemeene belangen van de Republiek niet zouden geschaad zijn door al deze beroeringen. Zwaar werd de schade gevoeld door den burgerstrijd teweeggebracht. Het

ocr page 58

46

geheele financiewezen en de administratie waren in de war. Bovendien had al hetgeen met den burg-eroorlog gepaard was gegaan de Zuid-Afrikaansche Republiek in de achting van hare buren doen dalen, zoodat zelfs de Oranje-Vrijstaat, die zich vroeger zoo gaarne met den noordelijken nabuur vereenigd zou hebben, er nu de voorkeur aan gaf zelfstandig te blijven. Ook had de strijd tusschen de Europeanen onderling een zeer nadeeligen invloed geoefend op de inboorlingen, die in de twisten van de blanken, van hunne meerderen, eene welkome gelegenheid vonden om uit den band te springen. Onderscheidene stammen waren zoo goed als onafhankelijk geworden. Er was geen controle op hen geoefend en zij hadden in verscheidene jaren geen belastingen betaald. Ten gevolge van al deze omstandigheden stiet men bij de pogingen om weder een geregeld bestuur in te voeren, op niet geringen tegenstand. Het Lijdenburger district verkeerde in volslagen wanorde, ten gevolge van een oorlog tusschen twee elkaar vijandige opperhoofden, zoodat de Europeesche bewoners verplicht waren bescherming te zoeken in hunne laagers. Tegen het einde van het jaar 1863 werd uit Pretoria een commando gezonden om deze beide hoofden tot rede te brengen, maar ten gevolge van den opstand van Commandant Viljoen verliep dit commando geheel. Toen nu Pretorius definitief tot President verkozen was, was zijn eerste werk eene sterke krijgsmacht naar het Lijdenburger district te zenden, ten einde met de vredeverstoorders af te rekenen. Terzelfder tijd was echter het vraagstuk opgelost door de Sunzies, die Mapoch, een van de twistende hoofden, aanvielen en met zijn ganschen stam vernietigden, waarna zij geen ander plan koesterden dan den tweeden vechtersbaas, Malewu, hetzelfde lot te doen ondergaan.

Ook de betrekkingen tusschen de Republiek en de Zulu's baarden zorg, ofschoon het geheel onjuist zou

ocr page 59

47

zijn te beweren, dat het in dezen tijd tot bepaalde vijandelijkheden kwam tusschen de Zulu's en de Trans-vaalsche burgers. Panda, die na de totale nederlaag en de vlucht van den verraderlijken Din gaan door de Boeren tot koning van Zululand verheven was, was in geen enkel opzicht de erfgenaam van de zucht naar krijgsroem, die zijne voorgangers aan den dag gelegd hadden. Zoowel in de Zuid-Afrikaansche Republiek als in Natal werd echter in 1856 zekere onrust gewekt door den verwoeden strijd tusschen Cetywayo en Umbulazi, de beide eerzuchtige zonen van Panda. De uitslag van dezen strijd was, dat Cetywayo, reeds bij het leven van zijn vader, de eigenlijke heerscher in Zululand werd. Van tijd tot tijd rezen er wel geschillen over de juiste grenzen tusschen Zululand en de Republiek, maar deze werden van weerszijden op vriendschappelijke wijze uit den weg geruimd. In deze onderhandelingen speelde Paul Kruger in zijne hoedanigheid van Commandant-Generaal eene voorname rol. Het behoud van deze vriendschappelijke betrekkingen tusschen de Zulu's en de Republiek — betrekkingen, die van weerszijden in alle opzichten eervol waren — strekt tot een overtuigend bewijs tegen het telkens weder opgerakeld verdichtsel, dat de burgers van Transvaal in voortdurenden angst leefden voor de legers van den Zulu-koning, die naar wraak dorstte wegens allerlei onrecht hem door de Republiek aangedaan — een verzinsel dat ten tijde van de annexatie van Transvaal zelfs tot een voorwendsel dienen moest. De vriendschappelijke gevoelens van de Zulu's jegens de Republiek werden nooit beter bevestigd dan in 1865, toen Cetywayo zijn leger van de grens van Utrecht liet wegtrekken om te toonen, dat hij geen vijandelijke bedoelingen had en de regeering te Pretoria vrij wilde laten, om de Vrijstaters met eene krijgsmacht te hulp te komen tegen de Basuto's. Deze krijgsmacht, ongeveer duizend man,

ocr page 60

48

stond onder bevel van Paul Kruger en bewees uitstekende diensten, vooral in den slag bij Cathcart's Drift aan de Caledonrivier, waar de Basuto's totaal verslagen werden en een groote hoeveelheid hoornvee, schapen en paarden door de overwinnaars buit gemaakt werd. Had de Transvaalsche krijgsmacht langer in den Vrijstaat kunnen blijven, dan zou zij ongetwijfeld nog belangrijke diensten bewezen hebben. In het Zoutpansbergdistrict eischte de stand der zaken echter de volle aandacht, zoodat de krijgsmacht onder Paul Kruger, na eene maand afwezig geweest te zijn, naar Transvaal teruggeroepen werd.

De moeilijkheden in het Zoutpansbergdistrict hadden twee hoofdoorzaken; twisten tusschen de hoofden der inboorlingen onderling en de tegenwoordigheid van aan lager wal geraakte, ongeregeld levende Europeanen. Vóór de komst der Europeanen was het land telkens aan de hevigste binnenlandsche oorlogen ter prooi geweest, zoodat de oorspronkelijke bewoners bijna geheel uitgeroeid waren. Gelegen in den uitersten noord-oosthoek van de Zuid-Afrikaansche Republiek werd Zoutpansberg de aangewezen wijkplaats van allen, die eenige reden hadden om zich buiten het bereik van de wet te stellen, terwijl hunne handelingen zoo weinig gecontroleerd werden, dat zij hunne levenswijze eigenlijk geheel naar welgevallen konden regelen. Toch ontbraken door hunne tegenwoordigheid de elementen voor de beschaving niet. Het dorp Schoe-mansdal, zoo genoemd naar Stephanus Schoeman en midden tusschen de keerkringen gelegen, was het centrum van den handel in ivoor en struisvederen, door jagers aangebracht, die tot diep in het binnenland doordrongen. Reeds mocht men zich daar beroemen op het bezit van een vrederechter, een vasten predikant, eene kerk en eene parochie, die als het ware eene oase vormde te midden van eene woestijn van regeeringloosheid. In 1864 ontstond er eene hevige

ocr page 61

49

twist tengevolge van het onstuimig gedrag van een onbeduidend stamhoofd, Monene genaamd, die het machtige opperhoofd Umzüa beleedigd had en zijn heil zocht binnen de grenspalen van de Zuid-Afrikaan-sche Republiek.

Als tijdelijke maatregel bezocht President Pretorius in 1864 het district en plaatste Monene, die zich beklaagde wijl zijn leven bedreigd werd door bondge-nooten van Umzila, onder toezicht van den landdrost te Schoemansdal. Het duurde echter niet lang of Monene gaf aanleiding tot nieuwe troebelen. Beschuldigd van eene of andere overtreding ontsnapte hij uit de gevangenis en vond eene wijkplaats bij een der vele stamhoofden. Een ongeregeld troepje Europeanen zette hem na en, bevindende dat hem door een opperhoofd, met name Pago, eene schuilplaats verleend was, vielen zij dezen aan, doodden ongeveer honderd mannen van dien stam en voerden een aantal vrouwen en kinderen, benevens eene groote massa hoornvee als buit mede. Deze strooptocht had ten gevolge dat eenige andere hoofden wraak namen en zooveel verwoestingen aanrichtten, dat toen President Pretorius in November 1865 nogmaals een bezoek bracht aan het district, hij de Europeesche bewoners in laagers vereenigd vond; handel en landbouw stonden stil en een groot aantal huizen in de onmiddellijke nabijheid van Schoemansdal waren platgebrand. President Pretorius en Commandant-Generaal Paul Kruger deden hun uiterste best om den vrede te herstellen, maar vonden bij hun terugkeer te Pretoria de burgers ongeneigd om eene krijgsmacht naar Zoutpansberg te zenden, ten einde aldaar hulp te bieden. Men wilde noch de inboorlingen helpen om hunne onderlinge twisten uit te vechten, noch de zoogenaamde „wildenquot; onder de blanken, die zich zeiven al die lasten op den hals gehaald hadden. De financieele moeilijkheden, waarin de binnenlandsche oneenigheden de Republiek

4

ocr page 62

5°

g-ebracht hadden, waren bovendien een overweg-end bezwaar. In Juni 1866 werd eene oproeping gedaan voor een commando van twaalfhonderd man, maar men slaagde er niet in zelfs maar de helft bijeen te brengen; en toen de twisten tusschen de stamhoofden onderling de Europeesche bevolking van Zoutpansberg uit haar benarden toestand redden, werd het commando spoedig afgedankt.

In het eerste begin van 1867 hadden de inboorlingen zich nogmaals vereenigd tot een algemeenen aanval op de Europeanen en riep President Pretorius onmiddellijk eene krijgsmacht van twee duizend man onder de wapenen. Slechts vijfhonderd gaven er aan de oproeping gehoor en met deze macht rukte de Commandant-Generaal Kruger naar Zoutpansberg op. Hij vond daar den toestand zoo ernstig en de houding van de stamhoofden zoo dreigend, dat hij een dringend beroep deed op de bevolking, om hem met nog 1500 man en eene voldoende hoeveelheid munitie te steunen. Ook dit beroep bleef zonder gevolg. Tot overmaat van ramp werden de Europeanen, die in den aanval op het stamhoofd Pago betrokken en door den landdrost tot het betalen van zware boeten veroordeeld waren, door een troep „wildenquot;, die spotten met alle wetten, uit de gevangenis bevrijd. In deze omstandigheden besloot Kruger, onder goedkeuring van den Krijgsraad, Schoemansdal te verlaten, terwijl het rustige, ordelijke gedeelte van de bevolking met hem mede-trok.

Om dezen terugtocht is Kruger van onderscheidene kanten gelaakt. Het is echter moeilijk uit te maken welken anderen weg hij had moeten inslaan. De macht, waarover hij beschikte, was geheel onvoldoende om de orde te herstellen, want het verzet van de Europeanen tegen het openbaar gezag had veel grootere afmetingen aangenomen en was van veel ernstiger aard dan een vijandig optreden van eenige stam-

ocr page 63

hoofden. Bovendien liep hij, ingeval van tegenspoed, groote kans om van zijn terugtochtsweg afgesneden te worden. Het kan niet ontkend worden, dat het verlaten van Zoutpansberg eene ernstige fout was, maar de verantwoordelijkheid komt op de Republiek, op het geheele volk neer, aangezien men in gebreke bleef den aanvoerder, die er herhaaldelijk om vroeg, voldoende ondersteuning te zenden. Dat Kruger in deze zaak niets deed waardoor hij zich het vertrouwen van de bevolking onwaardig maakte, is duidelijk genoeg' bewezen door de omstandigheid, dat men tien jaar later in hem den meest geschikten persoon zag, om met het Britsche Gouvernement de zaak te bespreken van de geannexeerde Republiek. Eenige maanden later, nadat eindelijk zijne vertoogen in den Volksraad en tot het volk met den uitslag bekroond waren, dat hem eene voldoende macht ter beschikking gesteld was, slaagde hij er in het meest vijandige stamhoofd ten onder te brengen en tevens de geheele ontvolking van het district Zoutpansberg tegen te gaan; terwijl de onderlinge oneenigheden tusschen de andere stamhoofden de veiligheid verzekerde van de Europeanen, die in weerwil van onrust en koortsen op hunne hoeven gebleven waren.

Gedurende de volgende drie, vier jaren had Paul Kruger zitting in meer dan eene commissie voor het vaststellen der grenzen van de Republiek, zoo o. a. in 1869 in die voor het bepalen der grenzen tusschen de Republiek, en de Portugeesche bezittingen in het oosten; in Januari 1870 was hij in gelijke betrekking werkzaam op de grenzen van den Vrijstaat, terwijl hij in de volgende maand een bezoek bracht aan Zululand met het doel ook daar de grenzen nader te regelen. In hetzelfde jaar was hij de ziel van de commissie, welke de opdracht had met het stamhoofd Montsioa een vergelijk te treffen ten aanzien van de westelijke grenzen.

ocr page 64

52

Intusschen ging Zuid-Afrika eene nieuwe toekomst te gemoet. De ontdekking van de diamantvelden in Griqualand had den Britschen staatslieden de oogen geopend en doen inzien, dat de uitspraak van den Hertog van Newcastle in 1854 op eene dwaling berustte, dat Groot-Brittannië veel meer belang had bij Zuid-Afrika dan er in het eenvoudige bezit van Kaapstad en Tafelbaai gelegen was. Deze verandering van inzicht werd het eerst officieel verkondigd in het laatst van 1870 in eenige nota's van Lord Kimberley, waarin hij alle verdere uitbreiding van het gezag der Republieken afkeurde, omdat naar zijn oordeel „de Boeren dientengevolge eene uitmuntende gelegenheid zouden verkrijgen voor hunnen slavenhandel, waarvan onderdrukking van de inboorlingen en verstoring van den vrede het gevolg zouden zijn.quot; Uit de vraag aan wien de diamantvelden, welke omstreeks dezen tijd ontdekt werden, toebehoorden, ontstonden weder grensgeschillen, die beslecht werden door de Keate Award — uitspraak van het scheidsgericht onder voorzitterschap van Robert. William Keate, Luitenant-Gouverneur van Natal — en tengevolge van de ontevredenheid in de Zuid-Afrikaansche Republiek, over de wijze waarop hare belangen behartigd waren door President Pretorius, nam deze zijn ontslag. De heer J. Erasmus, het oudste lid van den Uitvoerenden Raad, werd door den Volksraad als waarnemend President aangewezen, totdat er eene nieuwe verkiezing zou plaats hebben. Een groot aantal Transvaalsche burgers koesterde den wensch om zich te verzekeren van de diensten van den heer Brand, President van den Vrijstaat, en aldus de beide Republieken onder één hoofd te vereenigen. De heer Brand was echter een veel te omzichtig man om eene positie te scheppen, die hem zelf en den Vrijstaat in botsing zou brengen met het Britsche Gouvernement, in wier oogen, zoo redeneerde hij naar aanleiding van Sir George Grey's verklaring van het vorige jaar, de

ocr page 65

53

vereeniging van de Republieken eene bedreiging zou schijnen voor Engeland.

Teleurgesteld door den heer Brand, doch overtuigd dat men een ontwikkeld man aan het hoofd van den Staat moest hebben, lieten de burgers van de Zuid-Afrikaansche Republiek het oog vallen op dominee Thomas Francois Burgers, een Hollandsch predikant, die tot eene der oudste familiën in Zuid-Afrika behoorde en zijne opvoeding in Europa genoten had. Hij was een vrijzinnig man, ook op godsdienstig gebied, en had veel van zich doen spreken door zijn appèl tegen de schorsing in zijn ambt op grond van ketterij. Men zou meenen, dat juist om deze reden Dr. Burgers de laatste persoon zou zijn, in wien de ultra-orthodoxe bevolking van de Republiek een poli-tieken leider zou meenen te zien. Zijne energie, zoowel als zijne groote kennis, hadden echter indruk gemaakt en aangezien men overtuigd was, dat men allereerst een bekwaam man als leider noodig had, stapte men over de godsdienstige bezwaren heen en koos Dr. Burgers met groote meerderheid tot President. Op den eersten Juli 1872 legde hij den eed af en met hem begon een nieuw hoofdstuk in de Transvaalsche geschiedenis, dat bestemd was op de noodlottigste wijze te eindigen.

ocr page 66

HOOFDSTUK IV. Kruger en de annexatie.

De verkiezing van Dr. Burgers tot President van de Zuid-Afrikaansche Republiek was van veel grooter beteekenis dan de meesten zijner kiezers zich waarschijnlijk voorstelden. Door deze keuze trad de Republiek plotseling te voorschijn uit de duisternis, waarin zij sedert de Zandrivierconventie verborgen geweest was, en begon de aandacht te trekken zoowel van Groot-Brittannië als van de andere mogendheden in Europa. Het spreekt wel vanzelf, dat deze meerdere belangstelling grootendeels te danken was aan de ontdekking van de diamantvelden, eene ontdekking, gevolgd door die van goudmijnen in Transvaal. De diamantvelden noopten het Britsche Gouvernement op de verklaring van den Hertog van Newcastle in 1854 terug te komen en zich meer met de Zuid-Afrikaansche zaken te bemoeien, en het was juist in verband met deze grootere activiteit van de Britsche Regeering, dat de nieuw gekozen President aan zijne kiezers trachtte te bewijzen, dat zij zich in hunne keuze niet vergist hadden.

De aard van deze poging kan men zeer duidelijk beschreven vinden in de correspondentie, welke in 1874 gevoerd is geworden tusschen President Burgers

ocr page 67

55

en Sir Henry Barkly, Gouverneur te Kaapstad, naar aanleiding van de Keate Award. Tengevolge van de ontdekking van diamanten langs en dicht bij de Vaal-rivier, werd het hoogst wenschelijk geacht, eerst te Kaapstad en later ook in Londen, dat de districten, waarin diamanten gevonden werden, onder toezicht gesteld zouden worden van de Kaapkolonie, als vertegenwoordigende de sterkste macht in Zuid-Afrika. De moeielijkheid lag echter in de omstandigheid, dat deze districten rechtens behoorden aan den Vrijstaat of aan de Zuid-Afrikaansche Republiek en sinds langen tijd bewoond waren door burgers van deze beide Staten. Men kan echter meer dan één weg inslaan om zijn doel te bereiken. In dit geval meende men tot eene gewenschte oplossing te zullen komen door de omstandigheid, dat een zekere Waterboer, hoofd van den Griqua-stam, oude aanspraken liet gelden, ofschoon eenige jaren te voren door een scheidsgericht was uitgemaakt, dat deze aanspraken onwettig waren. Deze geschiedenis is lang en ingewikkeld, maar de hoofdzaak werd, dat Waterboer zijne aanspraken overdroeg aan het Britsche Gouvernement en dat het Britsche Gouvernement nu voor zich zeiven optrad. Voor zoover de zaak den Vrijstaat aanging-, was het geschil spoedig beslecht, daar het de diamantvelden afstond tegen eene vergoeding van go.ooo pond sterling. De aanspraken van de Zuid-Afrikaansche Republiek werden aan een scheidsgericht onderworpen waarin de heer Keate, de Gouverneur van Natal, de eindbeslissing nam. Het was te wijten aan een verzuim van de Regeering te Pretoria, dat de uitspraak geheel ten nadeele van de Zuid-Afrikaansche Republiek uitviel. De verontwaardiging van de Transvaalsche burgers was dan ook zoo groot, dat de Staatspresident, zooals wij reeds gezien hebben, zijne betrekking neerlegde. De uitspraak, waardoor groote stukken land, die jaren lang door de Boeren bewoond geweest waren, van

ocr page 68

56

Transvaal afg-esneden werden, werd nimmer ten uitvoer gebracht, ofschoon de beslissing- van den heer Keate eenige jaren later — zooals wij zien zullen — weder te berde gebracht werd.

Algemeen was men in de Republiek overtuigd, dat de uitspraak langs eerlijken weg afgewezen moest worden en Dr. Burgers was nog niet lang in functie, toen hij reeds met Sir Henry Barkly over dit punt in correspondentie trad. Het eind-antwoord 1) van President Burgers, gedateerd Augustus 1874, somt met groote bekwaamheid de gronden op, waarop deze overtuiging berust, en wijst o. m. op het gemis aan volmacht van de vertegenwoordigers der Zuid-Afrikaansche Republiek en op de partijdigheid van de scheidsrechters, inzonderheid van den eindscheidsrechter Keate. Het lijvig document is 116 octavo pagina's druks en President Burgers' taal krachtig en helder, al schijnt hij nu en dan wel eens buiten de vormen van de diplomatieke gedachtenwisselingen gegaan te zijn. Van een ruimer standpunt beschouwd wijst President Burgers' geschrift zeer duidelijk op den gespannen voet, waarop de betrekkingen tusschen de Zuid-Afrikaansche Republiek en het Britsche Gouvernement begonnen te staan en de veronderstelling is niet gewaagd, zelfs al waren er geen officieele bescheiden, die haar bevestigen, dat Sir Henry Barkly zich geen bijzondere moeite gegeven heeft, toen noch later, om het Transvaalsche Gouvernement in een gunstig daglicht te stellen bij het Ministerie van Koloniën te Londen.

Dat Transvaal in Dr. Burgers een krachtig hoofd gekregen had, lijdt geen twijfel en was voor het oogenblik voldoende om de burgers tevreden te stellen. Bovendien werden allerlei beschaafde mannen, vooral ook handelslieden, aangetrokken door de vooruitzichten, welke door zijne plannen geopend werden. Burgers

') Als pamflet gedrukt tc Kaapstad in 1874.

ocr page 69

57

had gestudeerd aan de hoogeschool te Utrecht, was zeer ontwikkeld en had een ruimen blik. Zoo begreep hij welk groot economisch belang handel en nijverheid moesten hebben bij een spoorweg en ijverde hij, behalve voor eene goede opvoeding van zijn volk door een goed schoolwezen, voor het bouwen van den spoorweg naar Delagoa-baai, waardoor de Republiek, wat haar handel betrof, onafhankelijk zou worden van de Kaapkolonie en dus van Engeland. Ten einde deze beide plannen te bevorderen ondernam de President tegen het einde van het jaar 1874 eene reis naar Europa, hoofdzakelijk naar Nederland, terwijl Piet Joubert gedurende zijne afwezigheid het Presidentschap zou waarnemen. In Nederland hoopte Dr. Burgers natuurlijk bekwame personen en kapitaal te vinden om aan de Republiek dienstbaar gemaakt te worden. Een der eerste gevolgen van zijn bezoek aan Nederland was, dat hij zich verzekerde van de diensten van Dr. E. J. P. Jorissen, die thans nog lid is van het Hoog Gerechtshof. Dr. Jorissen, die aan de Republiek onschatbare diensten bewezen heeft en wiens onlangs verschenen „ïrans-vaalsche herinneringenquot; een helder licht werpen op de geschiedenis van de Republiek, was eene hooge betrekking bij het onderwijs aangeboden, maar na gewaarschuwd te zijn, dat zijne vrijzinnige godsdienstige opvattingen een struikelblok zouden worden, ging hij over bij de rechterlijke macht en nam de betrekking aan van Staats-procureur, die toevallig vacant was.

De zending van President Burgers naar Nederland scheen voor het oogenblik met succes bekroond te worden. Hij slaagde er in zich van de diensten te verzekeren van een aantal ontwikkelde, beschaafde mannen en eenige voorbereidende maatregelen te treffen voor den aanleg van den spoorweg naar Delagoa-baai, zoodat al heel spoedig eene groote hoeveelheid spoorwegmaterieel naar Lourengo Marques

ocr page 70

5«

afgezonden werd. Er was echter eene zwakke plek in het karakter van den President, zoowel als in zijne positie en beide zouden vroeger of later haren invloed doen gelden. De zwakke plek in zijne positie was een gevolg van de omstandigheid, dat hij hoe langer hoe minder het vertrouwen wist te winnen van de landelijke bevolking, die toenmaals, evenals thans nog, het over-heerschende element vormt in Transvaal. Het is eene van de eigenaardigheden van Zuid-Afrika, dat de bevolking van de steden en die van het platteland elkander bijna niet kennen. De bewoners der steden kunnen zich geen voorstelling maken van de uitgebreidheid der plattelandsbevolking, die in zulk een groot land natuurlijk zeer verspreid woont, en hebben dientengevolge de gewoonte aangenomen te meenen, dat zij het hoofdbestanddeel uitmaken van de bevolking. Zij zouden, vooral in Transvaal, spoedig van dezen waan genezen zijn, indien zij zich eens op de hoogte stelden van de afmetingen der dorpskerken. In schijnbaar onbeteekenende gehuchten vindt men groote, uit eene ruime beurs gebouwde kerken — Heidelberg en Standerton op den weg van Natal naar Johannesburg mogen als voorbeeld daarvan wel allereerst genoemd worden — waarvan een enkel hoekje groot genoeg zou zijn voor de bewoners van het plaatsje zelf, maar die eiken Zondag geheel gevuld zijn met de plattelandsbewoners, die voor het meerendeel groote afstanden moeten afleggen en van alle kanten samenstroomen.

En juist dit contrast, tusschen de meer ontwikkelde en minder orthodoxe minderheid in de steden en de minder ontwikkelde en meer behoudende meerderheid op het land, bracht den President op een dwaalspoor, zooals het later nog menig ander op een dwaalspoor gebracht heeft. De minderheid stoorde zich niet aan zijne onrechtzinnigheid en bewonderde zijne vooruitstrevende plannen ; de meerderheid hechtte weinig aan deze laatste, maar begon zich aan zijne onrechtzinnig-

ocr page 71

59

heid te ergeren en hem dientengevolge te wantrouwen. Dit wantrouwen deed hem langzamerhand de sympathie en den steun verliezen van de landbouwende meerderheid, die begon uit te kijken naar een man — met name Paul Kruger ■— wiens godsdienstige inzichten boven alle verdenking waren en die, ofschoon geen geletterd man, meermalen doorslaande bewijzen gegeven had van bekwaamheid en moed. Tot zoover aangaande de zwakke plek in Dr. Burgers politieke positie. Zijne persoonlijke zwakheid lag in zijn gemis aan de kunst van afwachten, in zijne onhandigheid om tegen den stroom te willen oproeien. Zooals met meer zoogenaamd heetgebakerde, zij 't ook hoogst begaafde menschen het geval is, was hij onderhevig aan buien van ontmoediging en neerslachtigheid, die, wanneer de dingen anders uitkwamen dan hij verwacht had, letterlijk verlammend werkten op zijne wilskracht. Zijn gemis aan rechtzinnigheid bracht mede, dat men hem ook op staatkundig terrein niet volkomen vertrouwde. De kerk, waartoe Paul Kruger behoort, de zuiver Evangelische, gewoonlijk de „Dopper Churchquot; genoemd, had de omstandigheid voor, dat zij alle toezicht of inmenging van buiten afwees en daarom ook alle voorstellen met betrekking tot een administratief verbond met de Nederlandsch Hervormde Kerk in de Kaapkolonie. Vandaar dat, wanneer er vaderlandslievende vragen op het tapijt gebracht werden, hetgeen tengevolge van de houding van het Britsche Gouvernement in de Keate Award ontwijfelbaar het geval was, er onder de meer rechtzinnigen eene neiging ontstond, om hun energieken President niet alleen van ketterij te verdenken, maar zij hem ook aanwreven, dat hij niet voldoende waakte voor de onafhankelijkheid van de Republiek.

Het is noodig deze punten goed in het oog te houden, want zij kunnen behulpzaam zijn om eene verklaring te geven van den stand der zaken, die een

ocr page 72

6o

tweetal jaren later de annexatie in de hand werkte. Het is aan geen twijfel onderhevig-, dat de heer Kruger, wiens bekwaamheid in het beoordeelen van karakters meermalen aan den dag is gekomen, volkomen op de hoogte wTas van de fouten, die den President aankleefden, en van de zwakke plekken in diens politieke positie. Van het oogenblik af, dat Dr. Burgers tot opvolger van Pretorius gekozen was, is de heer Krugers houding tegenover zijn nieuwen chef zoo loyaal mogelijk geweest, ofschoon iemand, nog meer dan hij gewoon om te weten waar hij staan moest, zich wel gekwetst had kunnen voelen, toen men hem voorbijging ter wille van een volslagen vreemdeling. Welke kans hij gehad zou hebben, indien hij in 1872 candidaat gesteld ware tegenover Dr. Burgers, is moeilijk te zeggen. Xaar alle waarschijnlijkheid deelde hij tot op zekere hoogte de algemeene overtuiging, dat er voor het presidentschap een wetenschappelijk ontwikkeld man noodig was, terwijl zijne aangeboren loyauteit, ook bij verschil in godsdienstige opvattingen, hem in de onrechtzinnigheid van den nieuwen President vermoedelijk geen beletsel heeft doen zien, indien deze overigens de gewenschte persoon wTas om het roer van staat in handen te nemen. Het is een feit, dat President Burgers hem hooge achting toedroeg en gewoon was hem te bezigen tot het vervullen van verantwoordelijke opdrachten.

President Burgers bleef achttien maanden buitenslands; in April 1876 keerde hij te Pretoria terug. Gedurende zijne afwezigheid waren de betrekkingen tusschen de Zuid-Afrikaansche Republiek en het Brit-sche Gouvernement verre van verbeterd. In den loop van het jaar 1875 begon Lord Carnarvons politiek — eene confederatie der Zuid-Afrikaansche Staten — een meer concreten vorm aan te nemen. De vergeefsche zending van den heer Froude naar Kaapstad volgde, terwijl in Natal, onder leiding en toezicht van Sir

ocr page 73

6i

Garnet Wolseley, stappen werden gedaan ten gunste van Lord Carnarvons plannen. Ook werden, zooals later bekend is geworden, pogingen aangewend om zich in beide Republieken op de hoogte te stellen van de stemming ten opzichte van eene confederatie. Het rapport, dienaangaande over Transvaal uitgebracht, luidde gunstig. Het is aan geen twijfel onderhevig of de agent, aan wien dit onderzoek was opgedragen, heeft zijne gevolgtrekkingen uitsluitend gemaakt uit hetgeen hem in de Transvaalsche steden ter oore kwam, waar men op de hoeken der straten over niets hoorde en nog hoort spreken dan over intriges en persoonlijke grieven. Van de onderstelling uitgaande dat Transvaal wel genegen was om onder Britsche vlag te komen, werd het natuurlijk een heilige plicht de toenmalige Regeering te Pretoria in discrediet te brengen.

Ongeveer op het tijdstip, dat President Burgers terugkeerde, had er eene gebeurtenis plaats, die niet naliet grooten invloed te oefenen, zoowel nu als later. In weerwil van de omstandigheid, dat de heer Piet Joubert gedurende Dr. Burgers' afwezigheid als President opgetreden was, kreeg de heer Kruger, toen er een Vice-President gekozen moest worden, de meeste stemmen. Als bewijs van de toenemende achting, waarin de heer Kruger zich mocht verheugen en van het veldwinnen der grondregelen, welke hij huldigde, was deze keuze ongetwijfeld van groote beteekenis. Een gevolg er van was echter, dat de heer Joubert zich in hooge mate gekrenkt voelde, zich onmiddellijk naar zijne hoeve begaf en gedurende twee jaren buiten alle regeeringszaken bleef. Het is mogelijk dat hierin de aanleiding gevonden kan worden van de ijverzucht, welke in latere jaren tusschen Piet Joubert en Paul Kruger aan het licht moge gekomen zijn.

Het uitbreken van den oorlog met Soekokoeni in 1876 bood eene gunstige gelegenheid aan voor de

ocr page 74

62

ambtenaren van Koloniën in Londen, om, zooals ook werkelijk geschiedde, de algemeene aandacht te vestigen op de toenemende zwakheid van de Zuid-Afri-kaansche Republiek. Zij, die nieuwsgierig zijn naar de werkelijke aanleiding tot dezen oorlog, naar de waarheid omtrent het verloop, kunnen niet beter doen dan het lijvig boekdeel van wijlen Alfred Aylward — „The Transvaal of To-dayquot; — te raadplegen. De heer Aylward, die persoonlijk in deze geheele quaestie betrokken was, beschrijft met vaardige hand en tot in de kleinste bijzonderheden de juiste aanleiding tot den oorlog, de zeden en gewoonten van de betrokken volksstammen en de woeste landstreek, waarin de operaties plaats hadden. Soekokoeni. het hoofd van de Bapedi's, een stam van het ras der Basuto's, heerschte in de woeste bergstreek in het noord-oosten van Transvaal, waar hij eene schuilplaats en bescherming verleende aan de verstrooide overblijfselen van andere stammen, die met de Swazi's krijg gevoerd hadden. Behalve de woestheid van dit district, is het den Europeanen altijd noodlottig geweest tengevolge van de heerschende koortsen, die somtijds geheele fami-liën wegmaaiden en oorzaak waren, dat ook het in de Origstadtvallei langzamerhand ontstane stadje geheel verlaten was.

Evenals in zoo menig conflict tusschen Europeanen en inboorlingen, hadden ook ditmaal kleine oorzaken groote gevolgen. De volgelingen van een onbeduidend hoofd hadden eenigen blanken overlast aangedaan, naar aanleiding van het recht om hout te hakken op eene afgelegen hoeve. De Europeanen beklaagden zich bij den landdrost en deze gelastte de overtreders te arresteeren, maar de beambte, aan wien deze arrestatie werd opgedragen, kwam zijn plicht niet na. Het gevolg was dat de inboorlingen den spot dreven met het openbaar gezag en dat een rapport van deze daad van rebellie, zooals men hun optreden noemde, naar Pretoria

ocr page 75

63

gezonden werd. Al heel spoedig werd het gerucht verspreid, dat deze ongeregeldheden werden aangestookt door Soekokoeni; het voorgevallene nam hoe langer zoo grootere afmetingen aan en de goudzoekers van Pilgrims' Rest riepen, angstig geworden, de bescherming in van de Regeering. De onrust nam, voor zoover Pretoria er in betrokken was, toe tengevolge van een bericht, — later onwaar gebleken, — dat er een zendelingenstation verbrand was en al de daarbij be-hoorende inboorlingen vermoord waren. Hoe ook geneigd om den vrede te bewaren, achtte President Burgers zich toch genoodzaakt de militaire macht te hulp te roepen. Er werd een commando heengezonden, dat echter, na den oproerigen stammen ernstig nadeel toegebracht te hebben, terugtrok uit een land, waar zulke gevaarlijke koortsen heerschten. Dat de inboorlingen wel eene ernstige les gehad hadden, schijnt opgemaakt te mogen worden uit het feit, dat gedurende den terugtocht slechts eenmaal, door eene kleine afdeeling Kaffers, eene poging is gedaan om het commando lastig te vallen.

Deze gebeurtenis, waarvan de bijzonderheden met grooten ijver, zoowel te Kaapstad als te Londen, verkeerd werden voorgesteld, werd aangegrepen om tot bewijs te strekken van de onmacht en de heerschende wanorde in de Transvaalsche Republiek — een toestand, zoo betoogde men, die vroeger of later de Republiek een prooi zou doen worden van de Kaffers en een gevaar opleverde voor de veiligheid en den vrede in geheel Zuid-Afrika. Terzelfder tijd — ook op verdichte rapporten — werd de Regeering van de Republiek beschuldigd de gebruiken van beschaafde natiën geschonden te hebben door het bezigen van ontplofbare kogels. Het was duidelijk, dat menschen wien het eenerzijds aan moed ontbrak, die andererzijds in humane beginselen te kort schoten, niet langer zulk een groot en — naar gemeend werd, afgaande op

ocr page 76

64

valsche en gebrekkige voorstellingen — aantrekkelijk land mochten besturen. Lord Carnarvon zond door bemiddeling van Sir Henry Barkly ernstige waarschuwingen aan de Regeering te Pretoria. Het Britsche Gouvernement legde niet minder bezorgdheid aan den dag voor het welzijn van de Zuid-Afrikaansche Republiek, dan voor het welzijn van geheel Zuid-Afrika, dat in gevaar gebracht werd, ja te gronde zou gaan tengevolge van de onmacht der Transvaalsche burgers om de invallen van de omwonende stammen tegen te gaan. Ook van de financiën van Transvaal werd een treurig beeld opgehangen. Het land, zoo meende men, had geen geld en geen crediet. De banknoten, door het Transvaalsche Gouvernement uitgegeven, waren vijf shilling per pond waard. De handel was feitelijk dood. Bovendien schonden de Boeren voortdurend de Zandrivier-conventie door slaven te houden en daarin handel te drijven.

Welingelichte personen weten dat al deze beweringen, in 1876 zoo vertrouwelijk geuit, achtereenvolgens zijn gelogenstraft; de leugens omtrent den financieelen toestand door een ervaren ambtenaar van de schatkist — Sir W. B. Gurden — toen in 1881 door eene koninklijke commissie de voorwaarden overwogen werden, waarop Transvaal zijne onafhankelijkheid zou terugkrijgen. Aan President Burgers was het te danken, dat al de Staats-banknoten, die ongetwijfeld in waarde gedaald waren, door het Gouvernement in 1874 opgekocht waren tegen 20 shilling per pond sterling; terwijl de beschuldigingen betreffende de slavernij geheel te niet werden gedaan door het feit, dat op het tijdstip der annexatie geen enkele slaaf in vrijheid gesteld behoefde te worden. Het voortdurend verspreiden en volhouden van dergelijke verhalen miste echter zijne uitwerking niet op een publiek, dat — in Groot-Brittannië zoowel als in Zuid-Afrika — geheel verstoken bleef van nauwkeurige inlichtingen en den werkelijken toestand

ocr page 77

65

niet door eigen oogen zien kon. Handelsbelangen lieten bovendien niet na hun invloed op de publieke opinie te doen gelden. Indien, zooals in het algemeen genomen het geval was, de bewoners der Zuid-Afrikaansche steden meenden, dat door Transvaal onder het Britsche gezag te brengen, hetzij dan door een verbond of op andere wijze, de handel zou herleven en zich uitbreiden, dan kan men degenen, die in Engeland tot dezelfde gevolgtrekkingen kwamen, daarover niet hard vallen. Het was immers de plicht van het Ministerie, welks eerste regeeringsdaad geweest was het opkoopen van de aandeelen Suezkanaal, waardoor het een machtigen invloed in Noord-Afrika verkregen had, ook de veiligheid van Zuid-Afrika te verzekeren door zijne beschermende hand over Transvaal uit te strekken.

De drang naar eene beslissing ten aanzien van de Zuid-Afrikaansche Republiek deed zich tegen het einde van het jaar 1876 sterker dan ooit gevoelen. Het is mogelijk, dat Lord Carnarvons verlangen om eenig succes met Transvaal te behalen, werd aangewakkerd door het volkomen mislukken van zijne pogingen om eene confederatie in het leven te roepen; het Ministerie van de Kaapkolonie toch, aan welks hoofd wijlen Sir John Moltens stond, weigerde pertinent op Lord Carnarvons denkbeelden in te gaan. Toch werd er te Londen nog eene conferentie gehouden om, zooals het heette, over het sluiten van een bondgenootschap te raadplegen. Sir Garnet Wolseley presideerde als vertegenwoordiger van de Hooge Regeering, terwijl Natal door drie leden vertegenwoordigd was — Sir Theophilus Shepstone voor de Regeering van Natal en twee kiesgerechtigden van de Wetgevende Macht voor de Europeesche bevolking. Belachelijker en geheimzinniger beraadslaging kan men zich moeilijk denken. Niettemin bestaat er alle reden om aan te nemen, dat uit deze conferentie het

ocr page 78

ÓÉ

denkbeeld is voortgesproten om Transvaal te annexeeren. Een aantal, niet altijd officieele, handelingen deden voorzien wat men in het schild voerde. Het Ministerie van Koloniën putte zich uit in beleefdheden jegens alle Zuid-Afrikaansche kolonisten, die toevallig Engeland bezochten, terwijl tegelijkertijd niets verzuimd werd, om de Regeeringspartij in de Kaapkolonie te versterken en het Engelsche publiek te overtuigen van de noodzakelijkheid, om in Transvaal handelend op te treden. Dit was vooral doorzichtig in de handelingen van wijlen den heer John Patterson, toenmaals vertegenwoordiger van Port Elizabeth in het Kaapsche parlement en in zekeren zin de leider van de oppositie aan de Kaap. De heer Patterson, wiens karakter in sommige opzichten overeenkwam met dat van President Burgers, was een voorstander van een bondgenootschap, waardoor hij vermoedelijk aan het hoofd zou komen van een Ministerie voor de geheele kolonie. Intusschen was de heer Patterson niet ongenegen om Lord Car-narvons plannen in de hand te werken, door de Regeering en de bevolking van Transvaal luide te brandmerken. Als hoofd van eene deputatie van Zuid-Afrikaansche kooplieden, die in October 1876 tot Lord Carnarvon werd toegelaten, droeg hij zorg zeer overdreven verhalen op te disschen over de macht en den schadelijken invloed van Soekokoeni en te verklaren, dat Transvaal letterlijk smeekte onder het Britsch gezag te komen. Het mag als zeker worden aangenomen, dat in de oogen van de bewoners van Port Elizabeth het Transvaalsche Gouvernement eene misdaad beging door den aanleg van den spoorweg naar Delagoa-baai, waardoor de haven van Louren^o Marques eene ernstige mededingster zou worden voor den handel met het binnenland. Lord Carnarvons antwoord aan de deputatie was zeer geruststellend. Hij had nog een regiment naar Zuid-Afrika gezonden en verwachtte veel van den invloed van Sir Theophilus Shepstone,

ocr page 79

6?

die juist op weg was met eene zending naar Pretoria.

Sir Theophilus Shepstone kwam te Pretoria aan op een oogenblik, toen bijna alle gegevens voorhanden waren om zijne zending te doen slagen. Van alle zijden aangevallen en gehekeld door persoonlijke vijanden en inziende hoe deerlijk hij zich vergist had in zijne beoordeeling van de landbouwende bevolking, die de eigenlijke meerderheid uitmaakte, gaf President Burgers den moed verloren. Wat de bewoners der steden betrof — men bedenke ook dat Johannesburg nog niet bestond — nam de stemming ten gunste van het denkbeeld om onder Britsch gezag te komen voortdurend toe. In elk geval meenden de stedelingen, dat als President Burgers niet in staat was den goeden koers te houden, zij alles liever wilden dan onder het bestuur van Paul Kruger komen. De toestand van de Republiek was bovendien zeer verzwakt door het besluit van den Volksraad — een besluit, dat als onwettig geoordeeld en zeer zeker door slechte raadgevers ingegeven was — om de verkiezing van een President uit te stellen tot het volgende jaar. President Burgers had het algemeene vertrouwen verloren en was zoo ontmoedigd, dat hij met een gerust geweten bereid zou zijn gevonden de Republiek aan Engeland over te doen. En toch was de toestand der Republiek volstrekt niet hopeloos. De vreeselijke Soekokoeni had in Januari 1877 vrede verzocht en op voorwaarde, dat hij zijn volk binnen zekere grenzen houden en eene oorlogsschatting van twee duizend stuks hoornvee betalen zou, werd dit verzoek toegestaan. Hoezeer de Boeren Soekokoeni vreesden bleek Sir Theophilus Shepstone bij diens aankomst te Pretoria, toen dat stamhoofd eene klacht bij hem inzond over de Boeren, die twee duizend van zijne manschappen gedood hadden, waaronder veertien leden van zijne eigene familie. De tweede oorlog met Soekokoeni was een gevolg van de misslagen der Britsche ambtenaren gedurende de annexatie.

ocr page 80

68

Geheel afgescheiden van de vraag of het uitstellen van de Presidentskeuze wettig was, was het een grove misslag. Het volk miste dientengevolge de gelegenheid om een oordeel uit te spreken, terwijl een nieuw gekozen President waarschijnlijk in eene veel sterkere positie geplaatst zou zijn geweest. Sommigen hebben Paul Kruger er een verwijt van gemaakt, dat hij zich in zulk een kritiek oogenblik candidaat gesteld heeft, maar er is geen enkele aannemelijke grond voor dit beweren. Ware hij gekozen, te rechter tijd namelijk, dan was de annexatie ongetwijfeld achterwege gebleven. Dezelfde moeilijkheden, die President Burgers tot moedeloosheid en nietsdoen dwongen, zouden een man met zulk een krachtig, doortastend karakter als Paul Kruger gestaald en tot handelen aangezet hebben. Ofschoon de bewoners der steden hem niet begrepen, zou hij de overgroote meerderheid van de burgers achter zich gehad hebben. In dit opzicht is het moeilijk mede te gaan met het oordeel van Dr. Jorissen, die in zijn meer genoemde „Transvaalsche herinneringenquot; beweert, dat er op het tijdstip van de annexatie eigenlijk geen Transvaalsche natie bestond, maar niets dan eene groote menigte Hollandsch sprekende boeren, verspreid over een uitgestrekt gebied, en met eene Engelsch gezinde bevolking van winkeliers en Kaapsche prak-tizijns in de dorpen.

De minderheid van „die winkeliers en praktizijnsquot; behoorde zeer zeker niet tot de Transvaalsche natie, maar het is moeilijk hetzelfde te zeggen van de meerderheid, die uit de landbouwende bevolking gevormd was en in den toestand, zooals die nu eenmaal was, geen leidsman had. Ongetwijfeld heeft de ramp, zooals het verlies van hunne onafhankelijkheid voor hen was, den burgers geleerd zich nauw aaneen te sluiten — een gewoon verschijnsel, wanneer eene natie met degelijke grondbeginselen door een ongeluk getroffen wordt. Maar even onmogelijk als het is iets uit niets te voor-

ocr page 81

69

schijn te roepen, is het onmogelijk aan te nemen, dat vaderlandsliefde alleen uit den drang der omstandigheden geboren wordt. Die deugd was in Transvaal in geen geringe mate voorhanden. De Britsche Regeering vond, zooals Dr. Jorissen schrijft, „eene passieve medewerking in de treurige geneigdheid van den Afrikaner, om Engeland het recht te geven, zich met alles te bemoeien. Tot op den huldigen dag vindt de Afrikaner er niets aanstootelijks in, dat Engeland een land annexeert, b.v. omdat dat land tengevolge van eene tijdelijke geldverlegenheid zijne ambtenaren niet betaalt. . ..quot; Tot zoover Dr. Jorissen.

Het denkbeeld van eene hoogere macht, die alle dingen terecht brengt, mag eenige aantrekkelijkheid hebben voor een vadsig volk, maar in de geschiedenis kan men niets anders lezen dan dat zij, die deze tusschen-komst inriepen, niets oogstten dan berouw over hunne zwakheid. Wat zonderling heeten mag is, dat al de voorgangers in Pretoria, zooals Paul Kruger, Piet Joubert, Christian Joubert en meer anderen, wisten wat er gebeuren zou en geen maatregelen genomen hebben om het te voorkomen. Twee omstandigheden moeten echter hier tegenover gesteld worden, nl.: de handigheid en overredingskracht aan den dag gelegd door Sir Theophilus Shepstone, in zijn omgang met personen en ten tweede: al wat hij beloofde ten aanzien van de toekomstige regeering.

Zooals bekend is had den 12den April 1877 de annexatie plaats; in hoe verre met of zonder medeweten en goedkeuring van Sir Bartle Frere, die den isten Maart uit Engeland in de Kaapkolonie aangekomen was, ligt tot op den huldigen dag nog in het duister. Welke de gevolgen mogen geweest zijn, één gevolg had de annexatie onmiddellijk. Zij plaatste Paul Kruger, zoowel krachtens zijne vorige verdiensten als tengevolge van President Burgers' politieken zelfmoord, aan het hoofd van de meest invloedrijke burgers

ocr page 82

7°

der Republiek. Van dien dag af tot op het huidige oogenblik — 1877 —1898 — is zijn invloed nooit verminderd; integendeel, elke nieuwe moeilijkheid, die zich opdeed — en ze zijn vele en niet licht geweest — heeft zijne positie versterkt en zijne reputatie verhoogd, zoo in als buiten Transvaal. Dit feit is zeer zeker der vermelding waard, want het kan er toe leiden zijn karakter meer te leeren waardeeren dan tot nog toe noodig schijnt geweest te zijn.

Niemand heeft ooit durven twijfelen aan de echtheid van Paul Krugers godsdienstige gevoelens, evenmin als men ooit heeft durven twijfelen aan den ernst op godsdienstig gebied van Evangelische voorgangers als Wesley, Newton en Spurgeon. Dat zijne godsdienstige opvattingen een tachtigtal jaren ten achteren zijn bij het hedendaagsche Engeland, doet niets ter zake en, abstract beschouwd, zijn de godsdienstige opvattingen van tachtig jaar geleden voor menigeen veel beter dan de thans heerschende. Paul Krugers gemis aan opvoeding en het bijgeloof van zijne burgers zijn geliefkoosde onderwerpen voor ongepaste aardigheden van de zijde van hen, die begeerig zijn naar het ïrans-vaalsche gebied. Aangezien er geen logisch verschil bestaat tusschen de leden van den Volksraad te Pretoria, die terugdeinzen voor maatregelen tegen de sprinkhanen, op grond dat ze eene verzoeking zijn van God, en de Engelsche geestelijkheid van vijftig jaar geleden, die zich verzette tegen het gebruik van chloroform in sommige verloskundige gevallen, krachtens eenige duistere woorden in Genesis, mag men met eenig recht het er voor houden, dat de mate van opvoeding getoetst kan worden aan het gebruik, dat men er van 'weet te maken. De heer Kruger schrijft zijn naam op eene wijze, die een handige schrijver doet denken dat het een heel stuk arbeid geweest is; zijn lectuur bepaalt zich tot het eene boek, dat door Engeland bij millioenen verspreid wordt als een onfeilbaar panacee voor de

ocr page 83

7i

kwalen der menschen van alle natiën en tongen. Maar totdat men een man kan vinden met de opleiding van een aartsbisschop of een opperrechter, die met zijne opvoeding kan doen wat Kruger met de zijne gedaan heeft, is het meer dan dwaas te glimlachen over de litteraire onkunde van iemand, die alleen door zijn vastberaden karakter en zijne aangeboren schranderheid minstens eene even hooge plaats inneemt in de achting der gansche wereld, als de grootste en meest vereerde Engelsche staatsman.

Men heeft er meermalen over geklaagd, dat Paul Krugers godsdienstige opvattingen hem kortzichtig maken. Dit moge tot op zekere hoogte waar zijn — iemand met eene krachtige overtuiging is licht geneigd, zijne aandacht te vestigen op ééne klasse van denkbeelden — maar een kortzichtig man gaat gewoonlijk door voor onvrijzinnig en dat is Paul Kruger niet. Integendeel, welke strenge leerstellingen hij er voor zich zeiven op na houdt, niemand is meer dan hij geneigd om anderer overtuiging te eerbiedigen. Er zijn een aantal anecdoten in omloop, die van dezen karaktertrek getuigenis afleggen. Een daarvan, waarvoor Dr. Leyds aansprakelijk is, kan men vinden in Bigelow's quot;White Man's Africaquot;. Het geval betrof Dr. Leyds persoonlijk, die, toen hem eene betrekking wTerd aangeboden in de Zuid-Afrikaansche Republiek, in het midden bracht, dat hij niet tot dezelfde godsdienstige gezindte behoorde als de President. „Uw geloof gaat mij niet aan,quot; was het antwoord, „als gij u maar verdienstelijk weet te maken aan het Land.quot;

Een ander, wellicht nog sprekender voorval wordt door Dr. Jorissen verteld. Toen hij en Paul Kruger, die toen Vice-President was, elkander in 1876 voor het eerst ontmoetten, vroeg deze terstond: „Tot welk geloof behoort u?quot; Dr. Jorissen antwoordde; „Dat zal ik u zeer zeker niet vertellen.quot; — „Weet gij niet,quot; hernam Kruger, „dat een Christen altijd bereid moet

ocr page 84

72

zijn om getuigenis af te leggen van zijn geloof?quot; — „Ja,quot; antwoordde Dr. Jorissen, „aan hen, die het recht hebben er naar te vragen.quot; — „En heb ik dat recht dan niet?quot; — „Neen, ik heb ook niet naar uw geloof gevraagd.quot; — Zij, die dit gesprek gehoord hadden, meenden dat Dr. Jorissen wat onvoorzichtig geweest was. Eenige maanden later evenwel, bracht Dr. Jorissen den Vice-President een bezoek aan diens woning te Rustenburg. Zoodra de heer Kruger hem zag binnenkomen, wendde hij zich tot zijne vrouw en, op Jorissen wijzende, riep hij: „Daar hebt ge nu dien man, die niet wil vertellen van welk geloof hij is!quot;

Eene andere anecdote, eveneens door Dr. Jorissen verteld, kan dienen om aan te toonen hoe zijne verdraagzaamheid hand aan hand gaat met zijne eigene ernstige overtuiging. Op reis naar Engeland zijnde, hield Dr. Jorissen op zekeren avond bij een prachtigen sterrenhemel een gesprek met een zijner vrienden over het ontstaan en den bouw van het Heelal volgens de moderne, wetenschappelijke onderzoekingen. De heer Kruger, die dicht bij hen stond, keerde zich plotseling om en zei: „Neem mij niet kwalijk dat ik u in de reden val, Jorissen; maar als hetgeen gij daar zegt waarheid is, kan ik mijn Bijbel wel overboord gooien.quot;

Er zijn andere anecdoten, die getuigenis afleggen van zijn edelmoedig karakter, zijn innigen afkeer van pretensie, zijn luimige invallen. Zoo vertelt Dr. Leyds, dat bij gelegenheid van een verschil van opinie over de eene of andere administratieve aangelegenheid, de heer Kruger zijn geduld verloor, maar in het midden van den nacht aan de woning van den Staatssecretaris kwam en dezen verzocht, niet meer te denken aan hetgeen hij zich in het vuur van de woordenwisseling had laten ontvallen. Zijn antwoord aan den lerschen pair, die er op pochte dat zijn vader onderkoning geweest was, is eveneens kenmerkend voor zijn karakter.

ocr page 85

73

„Een onderkoning'!quot; riep de President lachend. „Vertel hem dat mijn vader schaapherder was! quot;

Bekend is hetgeen de heer Kruger zeide, toen de bewoners van Johannesburg eene petitie vol klachten indienden aan den Uitvoerenden Raad. „Jawel,quot; zei hij, „dat is net als mijn aap. Ge weet, ik heb er een in den tuin achter mijn huis en verleden, toen wij wat afval verbrandden, kwam hij er te dicht bij en brandde zijn staart, waarop hij mij beet. Zoo doen die lui in Johannesburg ook. Zij brandden den staart bij hunne speculaties en dan komen ze mij bijten.quot;

Dergelijke verhalen, die met twintigtallen vermeerderd zouden kunnen worden, wijzen niet op een zelfzuchtig, bekrompen karakter, wel op een oprecht, doodeenvoudig gemoed en eene mate van humor als aan Abraham Lincoln toegeschreven wordt. Aan deze hoedanigheden paart de heer Kruger zulk een opgewekt humeur, dat menigeen, die er getuige van was, zich er over verbaasd heeft. Het is volstrekt geen bijzonderheid als hij, den corridor naar zijn bureel doorgaande, de kennissen —- somtijds hoogwaardigheids-bekleeders in de Republiek — die hij tegenkomt, met zijn stok een vriendschappelijken ribbestoot toedient. Er wordt zelfs van zeer geloofwaardige zijde verteld, dat hij eens, met een stok in de hand uit zijn bureel komende, iemand, die in de wachtkamer zat, een vrij harden tik op den hoed gaf, meenende een der klerken voor zich te hebben. „Wie is dat?quot; vroeg de geslagene, een zendeling die geheel vreemd was in Pretoria. „Wie dat is?quot; luidde het antwoord. „Wel, dat is de President!quot;

De hoedanigheid, waarvoor de heer Kruger misschien de grootste waardeering verdient, is zijne welgemeende, onwrikbare vaderlandsliefde. Het is moeilijk de hedendaagsche vaderlandsliefde te beschrijven. Bij sommige menschen schijnt die zich te uiten in eenbrandenden, nimmer te verzadigen lust in het annexeeren

ocr page 86

74

van grondgebied onder alle mogelijke en onmogelijke voorwendsels. Dit is echter geen vaderlandsliefde zooals zij, die dit woord het eerst gebruikten, het verstonden. Zij bedoelden daarmede eene onwrikbare, zelfs door den dood niet te verbreken gehechtheid aan den geboortegrond, aan het land der vaderen; eene gehechtheid, sterker naarmate de geschiedenis van het vaderland kon wijzen op veel lijden, veel heldenmoed en veel zelfopoffering. Dien grond te bewaren, ongeschonden te bewaren voor de volgende geslachten, met al de vrijheden en voorrechten, die het eigen en vorige geslachten verworven hadden; vol bezieling tot het besluit te komen: liever geen vaderland dan een land, dat zijn ondergang nabij is — dit zijn eenige deugden, die de ware vaderlandsliefde wakker roept. En deze vaderlandsliefde — blijkbaar in Groot-Brittannië eenigs-zins uit de mode — bezit Paul Kruger. Deze deugd moet hem voortdurend doen stijgen in de achting van de vrije volken, die in vroegere jaren er door aangezet werden tot groote daden, waarvan de herinnering nog steeds levendig blijft. Deze deugd moet hen, die niets kunnen dan twist zoeken, geen hooger doelwit hebben dan zich zeiven en anderen de zakken met sovereigns te vullen en geen ander bedehuis kennen dan de Beurs, met verachting voor zich zeiven vervullen. Bovendien is zulke vaderlandsliefde eene deugd, waarvan de herinnering blijft tot in alle eeuwigheid. 1)

') Aangezien ik geen familiegeschiedenis schrijf, is het voldoende hier te vermelden, dat de heer Kruger de eerste maal trouwde met mejuffrouw Du Plessis. Zij stierf op jeugdigen leeftijd; hem één zoon nalatende, die eveneens spoedig stierf. Later trouwde hij met een tweede lid van dezelfde familie, eene nicht van zijne eerste vrouw, thans nog in leven. Zijn tweede huwelijk is gezegend met zestien kinderen, die bijna allen volwassen zijn. Het aantal zijner kinderen en kleinkinderen bedraagt op het oogenblik 120. De familie Du Plessis is eene der oudste in Zuid-Afrika; de stichter der familie kwam in de zeventiende eeuw naar de Kaap, als heelmeester in dienst van de Hollandsche Oost-Indische Compagnie. De familie is na verwant aan die, waartoe de Kardinaal de Richelieu behoorde, en zelfs wordt beweerd, dat de Zuid-Afrikaansche Du Plessis den oudsten tak der familie vertegenwoordigt.

ocr page 87

HOOFDSTUK V.

Kruger als woordvoerder van het volk.

Hoe men ook moge denken over het optreden van Sir ïheophilus Shepstone, die op voorwaardelijke instructies handelde en de Zuid-Afrikaansche Republiek annexeerde, het lijdt geen twijfel of hij verwachtte van de annexatie zelve een uitslag, geheel verschillend van hetgeen werkelijk volgde. Ook is het niet te loochenen, dat hij een ontzettend waagstuk ondernam, waarvan hij zelf alle verantwoordelijkheid droeg. Zijne geheele toekomstige carrière hing van het te verkrijgen resultaat af. Slaagde hij niet, of leidde zijn optreden tot een conflict tusschen Hollanders en Engelschen, dan zou hij ongetwijfeld door Lord Carnarvon aan den kant zijn gezet, evenals Jameson, na zijn mislukten raid door Chamberlain aan den kant gezet is. Het is ook niet meer dan eerlijk in herinnering te brengen, dat hij zelf inderdaad meende der Zuid-Afrikaansche Republiek met de annexatie een dienst te bewijzen. Niemand minder dan Dr. Jorissen geeft dit toe. Om tot deze overtuiging te komen moet Sir Theophilus Shepstone zijn hart wel in eene eigenaardige richting geleid hebben. Ofschoon in de Kaapkolonie geboren en de Hollandsche taal evengoed machtig als de Engelsche,

ocr page 88

76

was hij jarenlang in Natal het hoofd geweest der Naturellen-administratie en politie. Belast met het handhaven van de orde onder de uitgebreide bevolking — hoofdzakelijk vluchtelingen uit Zululand — was het zijne gewoonte geweest nu eens het eene, dan weder het andere machtige stamhoofd eene poets te spelen en had hij voortdurend het oog gehouden op Cetywayo, als den vertegenwoordiger van een invloed, die op zekeren dag als een springvloed zou komen aanrollen en al zijn werk te niet doen. Zijn geloof in de macht van Cetywayo was even vast als dat in zijne eigene macht om den Zulukoning naar zijne hand te zetten.

Inderdaad steunde het eene zoowel als het andere geloof op losse grondslagen. De kroning van Cetywayo door Sir Theophilus Shepstone, in naam van het Britsche Gouvernement in 1873, had volstrekt niet de uitwerking, die men er van verwacht had. Cetywayo zag in deze plechtigheid blijkbaar niets anders dan eene poging-, om de langdurige vriendschap tusschen de Zulu's en de Regeering te Pretoria te verbreken en begreep zeer goed welke voordeelen er voor hem in gelegen zouden zijn, indien hij verdeeldheid zaaide tusschen beide Gouvernementen. En Sir Theophilus Shepstone, ongetwijfeld onder den invloed van zijn langdurigen omgang met de Zulu's, verkeerde op een dwaalspoor ten aanzien van de vrees, welke er in Transvaal zou bestaan voor een inval van deze wilde horden. Afgescheiden van alle andere getuigenissen verklaren Dr. Theal en de heer Aylward beiden, dat de burgers van de Zuid-Afrikaansche Republiek nooit eenige vrees voor een inval der Zulu's aan den dag gelegd hebben. „De bergstammen,quot; zegt eerstgenoemde, „zouden het geduld en de krachten van een commando burgers kunnen uitputten, maar het Zululeger zou in een paar ontmoetingen verslagen zijn, indien de Boeren maar zorg droegen zich achter goede dekkingen op te stellen.quot; Toegevende dat de Zulu's in hun eigen land

ocr page 89

77

eene geduchte macht vertegenwoordigden, schreef de heer Aylward eenigen tijd vóór het begin van den Zulu-oorlog-, omtrent hunne militaire organisatie: „Juist deze organisatie, met hun roep van onverwinbaarheid, zou hen aan vernietiging prijs geven tegenover een handjevol bereden Transvaalsche Boeren.quot; Niettemin was de politiek van het Britsche Gouvernement van 1877 —1879 gegrond op het geloof in de geduchte kracht van de Zulu's en op de vrees van Transvaal voor dien gevaarlijken buurman en op grond van dit geloof en van het geloof in zijn eigen hooggeschatten invloed op Cetywayo, zinspeelde Sir Theophilus Shep-stone in de conferenties, welke de annexatie voorafgingen, op hetgeen er gebeuren zou, indien hij zijne hand aftrok van de Zulu's. Deze woorden zijn later geloochend, maar Dr. Jorissen zegt in zijne Transvaalsche herinneringen : „Ik heb destijds, in potlood, deze woorden, of liever het geheele onderhoud opgeteekend, staande de vergadering. Ik laat daar of dit dreigement veel invloed heeft uitgeoefend, maar constateer het feit, dat de Vertegenwoordiger van Engeland zich niet heeft geschaamd blanken te dreigen met een aanval van Kaffers, voor een Zuid-Afrikaan een gruwel der gruwelen!quot;

Ofschoon Sir Theophilus Shepstone de plank geheel missloeg, schijnen er toch redenen te bestaan om te gelooven, dat hij te goeder trouw mistastte. Dat hij teleurgesteld was over den gang der zaken na de annexatie, kan zelfs niet in twijfel getrokken worden. Hij had natuurlijk gemeend, dat hij na al de risico van de annexatie op zich genomen te hebben, door het Britsche Gouvernement belast zou worden met het toezicht op de Transvaalsche zaken en in staat gesteld zou worden waar te maken wat hij had toegezegd. Zijn eigen plan was den Volksraad, als naar gewoonte, in Mei bijeen te laten komen, dus eenige weken na de annexatie, met hem als Buitengewoon

ocr page 90

78

President, die volgens de bestaande wetten het land zou regeeren en de burgers beschermen tegen de Kaffers en ook met Engelands hulp tegen tijdelijk geldgebrek. „Ik vrees zeer,quot; schrijft Dr. Jorissen, „als hij dat gedaan had, dat wij politiek verloren zouden geweest zijn.quot; Lord Carnarvon en Sir Bartle Frere waren er echter de mannen niet naar om een inferieur de vrije hand te laten. Zij wenschten eene Imperialistische politiek in Zuid-Afrika in te voeren. Bovendien ondervond de Minister van Koloniën, dat het niet gemakkelijk viel de schatkist over te halen om zich te ontsluiten ten bate van het nieuw verkregen wingewest. Inderdaad kostte het zelfs groote moeite de onkosten vergoed te krijgen van Shepstone's zending, zoodat deze langen tijd afhankelijk was van de beurs van een zijner Natalsche vrienden, met wien hij door zijn huwelijk vermaagschapt was.

Het bleek duidelijk, dat de Britsche Regeering niet in staat was de beloften te vervullen, welke bij de annexatie gedaan waren, en dat de nieuwe Uitvoerende Raad niet bij machte was de moeilijkheden te boven te komen, welke de toestand op financieel en staatkundig terrein medebracht, en het spreekt vanzelf, dat dientengevolge de verontwaardiging over de annexatie hoe langer hoe grooter werd. Het protest, dat de Uitvoerende Raad van de Republiek tegen de annexatie aanteekende — Sir Theophilus Shepstone verzekerde aan Lord Carnarvon, dat dit protest louter voor den vorm was — werd door het volk op eigen initiatief herhaald. Al spoedig werd het besluit genomen eene deputatie naar Engeland te zenden, ten einde de Britsche Regeering te overtuigen, dat aangezien de annexatie geschied was tegen den wil van het volk. Sir Theophilus Shepstone zijne instructies te buiten gegaan was, dat de annexatie dientengevolge eene schending van het volkenrecht was en onmiddellijk herroepen moest worden. De perso-

ocr page 91

79

nen, die voor deze gewichtige zending uitverkozen werden, waren Paul Kruger en Dr. Jorissen, welke laatste ongeveer gedurende een jaar de betrekking van Staatsprokureur waargenomen had. De zending mislukte totaal. Lord Carnarvon, geloof slaande aan de verzekering van Shepstone, dat het protest louter voor den vorm was en het verzet wel zou ophouden, indien men maar flink optrad, verklaarde dat er geen sprake was van herroeping van de annexatie en het voorstel, om door eene volksstemming te laten uitmaken of het volk werkelijk voor de annexatie gestemd was, niet aangenomen kon worden, wijl dit streed met Engelands constitutioneele beginselen. Ook ontving de deputatie aanmoediging noch steun van eenige politieke partij in Engeland. Zelfs de liberalen, met uitzondering van den heer Leonard Courtney, hielden zich schuil en ofschoon ondersteuning werd aangeboden door eenige lersche leden, die er hetzelfde jaar in geslaagd waren belangrijke beperkingen te verkrijgen op Lord Carnarvon's „South Africa Actquot;, meende de deputatie, dat zulke steun meer kwaad dan goed zou doen. Afgescheiden van hunne groote teleurstelling, werden de leden van de deputatie zeer gastvrij ontvangen. Zij brachten Lord Carnarvon een bezoek op diens landgoed High Clere, waar zij in de gelegenheid gesteld werden de weelde en het comfort te leeren kennen, waarmede een pair van Engeland omringd is. In geheel Europa liet zich geen stem hooren ten behoeve van het vertrapte volk. Het Transvaalsche volk ontving de les, dat op deze wereld alleen zij geholpen worden, die de bekwaamheid aan den dag leggen om zich zelve te helpen.

Intusschen was gedurende de afwezigheid van de deputatie de vaderlandsliefde onder de burgers aangewakkerd en hadden zij zich vast aaneengesloten. Het werd dagelijks duidelijker, dat de geheele annexatie op lage voorwendsels was gegrond, terwijl de veront-

ocr page 92

8o

waardiging over het onvervuld blijven van de afgelegde beloften reusachtige afmetingen begon aan te nemen. Om de zaak nog erger te maken, werden er allerlei nieuwe betrekkingen verzonnen voor personen van over de grenzen, voornamelijk uit Natal, hetgeen door de burgers zeer goed werd opgemerkt. Het was zoo helder als glas, dat de Britsche Regeering op afschuwelijke wijze om den tuin geleid was en dus was het de plicht van de burgers maatregelen te nemen om de waarheid aan het licht te brengen. In Januari 1878 werd op eene groote volksvergadering het besluit genomen tot oprichting van een Volks-comité, tot welk besluit alle leiders, die later naam gemaakt hebben, medewerkten. Eenige maanden later — in April 1878 — werd de eerste eigenlijke volksvergadering gehouden op de hoeve Doornfontein, waar nu een der fraaiste voorsteden van Johannesburg verrezen is. Groote verbazing bij de annexeerende regeering. Er was geen macht beschikbaar, die in staat zou kunnen geacht worden een dergelijken toestand te beteugelen; en toch werd er een besluit uitgevaardigd, waarbij de volksvergadering onwettig verklaard werd, maar men stoorde zich daaraan niet. Onder tallooze bewijzen van geestdrift werd daar eene tweede deputatie aangewezen, bestaande uit Paul Kruger, Piet Joubert, die eindelijk weder te voorschijn was gekomen, en den heer Edward Bok, die later Staatssecretaris werd bij de herstelde Republiek; deze deputatie zou nogmaals naar Engeland gaan, thans voorzien van eene memorie met een onnoemelijk aantal handteekeningen, teneinde zwart op wit aan te toonen hoe de meerderheid over de annexatie gestemd was.

De tweede deputatie had niet meer succes dan de eerste. Wel is waar was Lord Carnarvon, tengevolge van verschil van inzichten met zijne collega's in de Oostersche quaestie, uit het Ministerie getreden en was zijne plaats ingenomen door Sir Michael Hicks-Beach,

ocr page 93

8i

die altijd bekend heeft gestaan als een eerlijk man met een goed verstand. De toestand was echter hopeloos. Lord Beaconsfields naam moest verbonden worden aan de toevoeging van een nieuw wingewest aan het groote Keizerrijk. Het lied van den Jingo weerklonk door gansch Brittannië. Elke annexatie was eene schoone daad; grondgebied af te staan, ja, er zelfs maar over te denken, was zich schuldig maken aan eene misdaad. Het is waar, dat onder den invloed van het met zooveel namen geteekende bewijsstuk de liberalen in Engeland zich meer dan in het vorige jaar geneigd toonden aandacht te schenken aan de ver-toogen van de afgevaardigden, maar voor zoover de Regeering er in betrokken was, was het antwoord slechts eene herhaling van dat van het jaar 1S77. De zaak was beslist; er was nu niets meer aan te doen; het was de dure plicht van de leiders het volk terug te houden van stappen, die tot niets goeds konden leiden.

Tegenover dit onwrikbaar non fiossunnts kon de teleurgestelde deputatie niets doen dan de terugreis naar hun land aannemen, ditmaal over Natal. Dereden waarom zij dezen weg namen, lag voor de hand. Sir Bartle Frere was toen in Natal, ten einde de diplomatieke voorbereidingen te treffen voor den Zulu-oorlog-. Het spreekt vanzelf dat zij de gelegenheid waarnamen om eene conferentie met hem te houden, maar ook ditmaal moesten zij ongetroost heengaan. Terzelfder tijd bespraken zij den toestand met Bisschop Colenso, wiens opinie, mogelijk wel tot hunne verbazing, zeer wel met de hunne overeenkwam.

Aangezien zij hunne opdracht ontvangen hadden van het volk, was het noodig aan het volk rapport uit te brengen van hun wedervaren. Hun rapport, uitgebracht op de volksvergadering te Wonderfontein, den ioden Januari 1879, was verre van bemoedigend. De eenige lichtstraal scheen wel de aankondiging, dat Sir Bartle

6

ocr page 94

82

Frerc eerlang een bezoek zou brengen aan Transvaal; misschien zouden er nog middelen te vinden zijn om hem te doordringen van de waarheid. Dienovereenkomstig werd besloten, dat het gansche volk hem te gemoet zou gaan op zijne reis naar Pretoria, ten einde hem te overtuigen, dat zij het Britsche gezag niet konden dulden. Op dat tijdstip werd Sir Bartle Frerc echter in Natal opgehouden, tengevolge van de verpletterende nederlaag van Lord Chelmsford bij Isan-dhlawa op den 2 2stcn Januari — eene ramp, die niet alleen aan de hoop op eene Zuid-Afrikaansche confederatie den bodem insloeg, maar ook een gevoeligen knak gaf aan het Imperialisme, dat het vorige jaar zijn toppunt bereikt had. Zeer korten tijd na dezen ramp ontving Sir Bartle Frere bij monde van Piet Joubert kennis van het verlangen van het Transvaalsche volk om hem onderweg te ontmoeten. Deze kennisgeving deed Sir Bartle Frere onaangenaam aan, want als eenig antwoord beschuldigde hij den heer Joubert oproer te stichten op het oogenblik, dat de Britsche troepen den gemeenschappelijken vijand bestreden.

De verwikkelingen, zoowel politieke als militaire, welke uit de nederlaag van Lord Chelmsford voortsproten, waren oorzaak, dat Sir Bartle Frere zijn vertrek uk Natal moest uitstellen tot het einde van Maart 1879. Intusschen namen de protesteerende burgers al zoodanige maatregelen als hun noodzakelijk voorkwamen om indruk op hem te maken. Van het midden van Maart af waren vier a vijf duizend Boeren ver-eenigd op de hoeve Kleinfontein tusschen Heidelberg en Pretoria. Honderden ossenwagens stonden in regelmatige rijen bijeen en daartusschen waren tenten opgeslagen. Allen waren daar vrijwillig, maar de burgers van elke wijk bijeen, elke wijk onder een veldcornet. Dr. Jorissen, die van Pretoria opgeroepen was om de leiders met zijn raad bij te staan, geeft eene levendige beschrijving van dit tooneel en van

ocr page 95

83

den geest, die het volk bezielde. „Het is onmogelijk,quot; zegt hij in zijne ,Herinneringen', „het groot gewicht van deze bijeenkomst, die het geheele volk vertegenwoordigde en vier weken aanhield, te overschatten. Hier op Kleinfontein werd de eendracht hersteld en de samenwerking getroffen; de onderscheidene partijen, politieke en kerkelijke, kwamen tot het inzicht, dat er iets hoogers was dan deze kleine kringen, dat er een Vaderland was, dat alles en allen omvatte. Juist nu, misschien omdat men het verloren had, begon men het lief te krijgen; en wat men ook als vergoeding aanbood, welke zegeningen ook het Engelsch bewind zou willen aanbieden, men verlangde eenvoudig zichzelf te zijn en vrij gelaten te worden.

De invloed dezer groote bijeenkomst op de burgers, op ons allen, vrienden van de Republiek, was beslissend. Ik zou geneigd zijn te spreken van een ontdekt worden aan ons zeiven, van eene voorafschaduwing der dingen die komen moesten. Dat dit alles zou moeten uitloopen op een oorlog, werd van dien tijd af gevoeld, doorzien en aangenomen.quot;

Dat deze beweging Pretoria, waar kolonel Sir William Lanyon den heer Shepstone vervangen had als administrateur, in rep en roer bracht, is gemakkelijk te begrijpen en toen het kamp een weinig dichter bij Pretoria verplaatst werd, nam de opgewondenheid zoo toe, dat er laagers gevormd en de openbare gebouwen in staat van verdediging gebracht werden. Toch was al dit rumoer noodeloos. Noch de burgers noch hunne aanvoerders waren op dit tijdstip geneigd om tot geweld hunne toevlucht te nemen en mochten de jongeren al eens tot onstuimige daden geprikkeld worden, de ouderen hielden hen in bedwang. Eindelijk kwam vSir Bartle Frere te Heidelberg aan; de reis werd toen nog per muilezelwagen gedaan. Hij begon met zich ongenegen te betoonen om de verzamelde burgers te ontmoeten. Op het bericht echter, dat de

ocr page 96

84

burgers drie weken op hem gewacht hadden en er nu op rekenden hem te ontmoeten, veranderde hij van zienswijze en beloofde hij een bezoek aan het kamp te zullen brengen. Hij bereikte het te paard en Dr. Jorissen beschrijft dien tocht als volgt:

„Men trok de spruit of beek door, die de zuidelijke zijde van het kamp tot grens verstrekte, en reed 20 minuten bijna geheel het laager door, tot aan de tent, waar het Comité vergadering hield. Sir Bartle Frere was aan de rechterzijde van M. W. Pretorius, daarachter de heeren, die den Hoogen Commissaris vergezelden en de leden van het Comité. Aan weerszijden, dicht opeengedrukt, stonden de Boeren, ordelijk, rustig en zonder wapenen; er heerschte een doodelijke stilte.

Zwijgend stapte de stoet door die twee rijen heen; geen hand bewoog zich, geen hoed werd afgenomen, geen teeken van goed- of afkeuring gegeven. Een stilte als van het graf!

Ook de Hooge Commissaris zelf verstijfde. Eerst groette hij naar rechts en links, maar de bijna angstige stilte onder zoovele duizend menschen, greep hem aan, en doodsbleek staarde hij strak voor zich. Een kort onderhoud, door hem zelf ,koud beleefd' genoemd, volgde, waarin eene nadere samenkomst werd bepaald, twee dagen later te houden. Toen reed hij door.quot;

De tweede samenkomst, den i2den April 1879, juist twee jaren na de annexatie, was belangrijker. Sir Bartle Frere, vergezeld door Kolonel J .anyon en eenige ambtenaren en geëscorteerd door eene gewapende macht, kwam van Pretoria, dat slechts eenige mijlen verder lag. Bij den aanvang van de bespreking met het Comité scheen Sir Bartle Frere eene poging te willen doen om te intimideeren. De burgers stonden echter pal en toen nam de bespreking een vriend-schappelijker wending. De Hooge Commissaris bekende eerlijk, dat het verzet tegen de annexatie algemeener

ocr page 97

»5

■\vas dan men hem had doen onderstellen, en uitging, zoo niet van alle, dan toch A an de beste en achtenswaardigste mannen van het Transvaalsche volk. Eene memorie van de burgers, geteekend door M. W. Pre-torius en M. J. Viljoen als voorzitters en W. E. Blok als secretaris, werd hem overhandigd, waarin de burgers hunne bezwaren tegen de annexatie uiteenzetten en verzekerden te zullen medewerken aan de beoogde Zuid-Afrikaansche confederatie, zoodra zij hunne onafhankelijkheid zouden herkregen hebben. Ofschoon Sir Bartle Frere openhartig verklaarde persoonlijk een tegenstander te zijn van het herroepen der annexatie, beloofde hij toch de memorie naar Londen te zullen doen zenden, vergezeld van zijne meening, dat het stuk de volle aandacht van de Regeering verdiende. Er scheen dus nog een straal van hoop overgebleven te zijn, en op grond daarvan braken de burgers binnen drie dagen het kamp op en keerden naar hunne woningen terug.

Het is een betreurenswaardig feit, zoowel met het oog op de gevolgen als op eigen reputatie, dat Sir Bartle Frere's aan den dag gelegde toegeeflijkheid eenvoudig een staatkundige zet was om tijd te winnen. In een schrijven aan het Ministerie van Koloniën, dat daar nog in het archief voorhanden is, gaf hij zijn spijt te kennen geen kanonnen gehad te hebben om de burgers uiteen te jagen; voorts nam hij allerlei maatregelen om de annexatie te bevestigen en veel drukkender te maken door plannen te ontwerpen voor eene bestuursregeling te Pretoria, zoo autocratisch als men er maar eene bedenken kan. Door zijne beloften misleid, bleven de burgers geduldig wachten op een antwoord op hunne memorie. Het eenige antwoord, dat zij ooit ontvingen, bereikte hen tegen het einde van het jaar 1S79, toen Sir Garnet Wolseley in zijne hoedanigheid van Hooge Commissaris voor Zuid-Afrika een bezoek bracht aan Transvaal. Toen en niet eerder

ocr page 98

86

vernamen zij, zooals Sir Garnet Wolseley op theatrale wijze verkondigde, dat Transvaal, zoolang de zon schijnt, Britsch grondgebied blijven zou. Sir Garnet Wolseley had op dat tijdstip de handen vol met het ten onder brengen van denzelfden Soekokoeni, die in 1877 aan de Republiek vrede verzocht en in 1878 met eene Britsche troepenmacht den spot gedreven had. De Engelschen werden bij deze excursie bijgestaan door een sterk contingent inlandsche troepen uit Swa-zieland.

De Boeren en hunne voormannen begonnen nu in te zien, dat er geen herstel van hunne grieven te verwachten was, tenzij men bereid was zich te verzetten met ernstiger wapens dan woorden. Het is waar, dat er nog eenige hoop bestond op eene verandering van Ministerie; mochten de liberalen aan het bewind komen, dan zouden wellicht de uitingen van sympathie, waartoe zij zich, buiten het bewind zijnde, hadden laten verlokken, in daden kunnen worden omgezet. Het was hoofdzakelijk aan deze overweging te danken dat, ofschoon het noodzakelijk geacht werd tot handelen over te gaan, nog alles werd vermeden wat tot conflicten aanleiding zou kunnen geven. In December 1879 werden de burgers tot eene derde samenkomst opgeroepen. Deze bijeenkomst, waaraan de burgers in een zeer opgewonden toestand deelnamen, had plaats op de hoeve, genaamd Luipaards-Vlei dicht bij Paar-dekraal. Op den 16dtn December, den dag, die jaarlijks gevierd werd als de herinneringsdag van de nederlaag van de Zulu's onder Dingaan aan de Bloedrivier in 1838, werd plechtig en eenstemmig het besluit genomen, dat de tijd van memories aan het Engelsche Gouvernement voorbij en er van dergelijke middelen geen hoop meer te verwachten was. „De ambtenaren van Hare Majesteit, de Koningin van Engeland, hebben door hunne onware en valsche voorstellingen de deuren, welke tot het Parlement toegang verleenen, gesloten.

ocr page 99

87

Dit is voor hunne verantwoordelijkheid. Het volk heeft gedaan wat het kon; nog eens en nog eens zou het tot de Koningin van Engeland willen gaan, want het volk gelooft, zoo zeker als de zon schijnt, dat, indien zij, de Koningin van Engeland, en het Engelsche volk wisten dat hier een volk verdrukt wordt, zij het nooit zouden gedoogen. Wij kunnen,quot; zoo eindigt dit besluit, „dus niet meer tot Engeland spreken. Er is niemand die ons antwoordt.quot; Meerdere besluiten volgden en met een plechtigen eed beloofden allen voor hunne onafhankelijkheid te zullen medewerken en de op te treden Regeering te zullen verdedigen tot den dood toe. Den 8sten April 1880 zou dit besluit in werking treden. Tengevolge van onderscheidene oorzaken en voornamelijk omdat nog steeds de hoop gevestigd bleef op een nieuw ministerie in Engeland, hield men zich niet aan dezen datum en had er niets plaats vóór den i6dcn December 1880.

De heeren M. W. Pretorius en J. W. Blok werden aangewezen om een afschrift van dit besluit te overhandigen aan Sir Garnet Wolseley. Deze zending was niet zonder gevaar, want Sir Wolseley liet de beide onderteekenaren onmiddellijk gevangen nemen. Hunne gevangenschap duurde echter niet lang. Juist was Transvaal in telegrafische gemeenschap met Europa gekomen en werd langs dezen weg de eigenmachtige handeling aan het hoofd van het Engelsche Kabinet medegedeeld. Of het nu te danken is geweest aan vermaningen uit Downing Street of aan eene plotselinge wijziging in Sir Wolseley's denkbeelden .... hoe het zij, de gevangenen werden spoedig ontslagen en den heer Pretorlus werd zelfs een zetel aangeboden in den Uitvoerenden Raad, welk aanbod echter niet door hem aangenomen werd. Terzelfder tijd werd in geheel Zuid-Afrika de overtuiging wakker, dat do annexatie van Transvaal eene groote fout en eene onrechtmatige daad geweest was, en dat er, indien er

ocr page 100

88

geen redmiddel gevonden werd, groot gevaar bestond voor het verstoren van den vrede. De zaak van de Transvaalsche Boeren werd met groote warmte verdedigd door de meer onafhankelijke koloniale bladen, terwijl in Pretoria de Hollandsche courant De Volksstem, toenmaals onder redactie van wijlen den heer J. F. Celliers, een hevig bombardement opende tegen het Britsch Bestuur — een bombardement, dat een weinig later leidde tot opheffing van het blad en eene vervolging tegen den redacteur. ')

De zegepraal van de liberalen bij de algemeene verkiezingen in 1880 scheen een gunstig voorteeken te zijn voor de zaak van de Transvaalsche Boeren. Aan de Kaap dreigde evenwel een nieuw gevaar. In weerwil van den ontmoedigenden invloed van de ramp bij Isandhlwana en de oorzaken, die daartoe geleid hadden, was Sir Bartle Frere vastbesloten eene laatste poging te doen om de confederatie door te zetten, hetgeen hem hoofdzakelijk opgedragen was.

Deze poging werd gedaan door middel van het Kaapsche ministerie en het Kaapsche parlement. In Sir John Gordon Sprigg, die toen Premier was, had Sir Bartle Frere een man, dien hij geheel naar zijne hand kon zetten. Het is het lot van Sir John Gordon Sprigg geweest de gewillige, onderdanige dienaar te zijn van verschillende elkaar opvolgende meesters. Gedurende eenige jaren volgde hij het voetspoor van wijlen Saul Solomon, den onafhankelijksten en be-kwaamsten staatsman, dien Zuid-Afrika ooit gekend

') De overheid deed alsof zij met minachting neerzag op do pers. Hierbij doet zich echter het volgende zonderlinge geval voor: Schrijver dezes bewoonde eenige jaren later eene kamer in het huis, waar de Hooge Commissaris gedurende de annexatie geresideerd had. In deze kamer stond een groot houten buffet, waarin vroeger officieele stukken bewaard werden. Het was inwendig verdeeld in vakken, die alle zorgvuldig van eene etiquette voorzien waren. Een daarvan, zes duim in het vierkant, scheen voldoende geweest te zijn voor Sir Garnet Wolseley's telegrammen, terwijl dat, wat voor De Volksstem bestemd was geweest, vier malen deze afmeting had.

ocr page 101

89

heeft. Daarna, in 1S78, kwam hij onder den invloed van Sir Bartle Frere. In 1884, na eenigen tijd buiten betrekking geweest te zijn, werd hij de gedienstige handlanger van den heer Hofmeyr, doch nauwelijks voelde hij den koelen terugslag der oppositie, of hij bracht zijne genegenheid over op Rhodes. Op het voorbeeld van Sir Bartle Frere, stelde hij in 1880 in het Kaapsche parlement eene wet voor, waardoor zijne Regeering gemachtigd werd eene conferentie van Zuid-Afrikaansche Staten uit te schrijven met het doel, nogmaals de vraag te bespreken van eene confederatie. Ook Transvaal was in deze conferentie begrepen en werd uitgenoodigd zich te laten vertegenwoordigen door den Administrateur en den Staatssecretaris, beiden Engelschen. Van de eigenlijke bevolking werd, hoe onverklaarbaar het ook moge schijnen, niet de minste notitie genomen. Aan de nationale leiders in Transvaal werd het duidelijk, dat eenmaal deze maat-regel genomen, hunne zaak hopeloos zou staan. Zij zouden zich voor een fait accompli geplaatst hebben gezien, d. i. voor de bestaande confederatie, en den raad gekregen hebben hun best te doen om zooveel staatkundige vrijheden te verkrijgen als onder de bestaande omstandigheden toegestaan konden worden.

De Transvaalsche leiders waren niet zonder vrienden in de Kaapkolonie en het Kaapsche parlement, hoofdzakelijk bij de partij der oppositie. Met last de hulp van deze vrienden in te roepen en zich daarvan te verzekeren, werden Paul Kruger, Piet Joubert en Dr. Jorissen naar Kaapstad afgevaardigd, waar allen met groote warmte werden ontvangen. Van Kaapstad werd een brief gezonden aan Gladstone, toen Eerste Minister, en de zaak uiteengezet. Het antwoord was heel beleefd, voor zoover de vorm betrof, maar de inhoud bevatte niets dan eene herhaling van het non possuvms van het vorige Ministerie.

Er waren in Transvaal tengevolge van de annexatie

ocr page 102

9°

zooveel rechten verkregen, dat het onmogelijk was die te herroepen. Dit laatste kon echter voor het oogenblik nog wachten. Het hoofddoel van de deputatie was de verwerping in het Kaapsche parlement van het wetsvoorstel, dat zoo strijdig was met de nationale belangen van Transvaal. Bijeenkomsten werden gehouden, waarop besloten werd aan te dringen op herroeping van de annexatie, terwijl eene monsterpetitie met duizenden handteekeningen aan het Parlement overhandigd werd, waarin aangedrongen werd op het handhaven van de rechten der Zuid-Afrikaansche Republiek. Deze pogingen werden met een gunstigen uitslag bekroond. Na een heftig debat over de Confederatie-voorstellen, waarbij de imperialistische politiek van het ministerie Sprigg hevig aangevallen en de verklaring afgelegd werd, dat er geen sprake zijn kon van eene confederatie, zoolang vrije Afrikanen zoo behandeld werden als in Transvaal, trok het ministerie, ten einde eene nederlaag te voorkomen, het wetsontwerp in.

Het einde van dit debat had twee onmiddellijke gevolgen. Het leidde tot terugroeping van Sir Bartle Frere en het bracht de ministers van de Kaap tot een beter besef van hunne plichten jegens andere Zuid-Afrikaansche landen. Een onderhoud had plaats tus-schen Kruger en zijne reisgenooten ter eenre en de beide voornaamste Kaapsche ministers — Sir Gordon Sprigg en Sir Thomas Upington — ter andere zijde. „Wat nu?quot; Deze vraag werd gesteld en voor zoover ze Transvaal gold, luidde het antwoord; de eenige eerlijke en practische weg is vernietiging van de annexatie. „Zoodra dat verkregen is,quot; beloofden de Transvaalsche afgevaardigden, „nemen wij op ons de Republiek tot de confederatie te doen toetreden.quot; Het onderhoud scheen vruchtdragend te zullen worden; de ministers beloofden den korten inhoud naar Engeland te zullen telegrapheeren en de Transvaalsche afge-

ocr page 103

91

vaardigden namen op zich in Kaapstad te blijven tot de ontvangst van het antwoord.

Het is diep te betreuren dat, terwijl het Kaapsche ministerie aldus bereid gevonden werd de vernietiging-van de annexatie op een aannemelijken grondslag voor te bereiden, bij hoogere autoriteiten pogingen in het werk gesteld werden om deze goede bedoelingen te fnuiken. Met eene hardnekkigheid eene betere zaak waardig, en ongetwijfeld vast besloten niet te erkennen dat hij in zijne politiek schipbreuk geleden had, deed Sir Bartle Frere aan het Ministerie van Koloniën mede-deelingen, die geheel bezijden do waarheid waren en de eigenlijke aanleiding geworden zijn van den oorlog, die tegen het einde van datzelfde jaar tusschen Engeland en de ïransvaalsche burgers uitbrak. Volgens deze mededeelingen stonden de kansen voor eene confederatie, in weerwil van den uitslag der stemming in het Kaapsche parlement, beter dan ooit. De heftige taal van de Transvaalsche vertegenwoordigers had wel is waar veel kwaad gedaan, maar zij waren, verschrikt door de gevolgen van hun slecht beleid, bij zijne ministers gekomen, zoo schreef Sir Bartle Frere, om het gebeurde ongedaan te maken, want — de Hooge Commissaris wist dit uit eene zeer geloofwaardige bron — het ïransvaalsche volk wilde niets liever dan eene confederatie. Nog was de waarschuwing hier bijgevoegd, dat met het oog op de aanwezigheid van het groote aantal Engelsche kolonisten in Transvaal, het herroepen van de annexatie onvermijdelijk tot een burgeroorlog moest leiden.

Noodlottiger verklaringen konden niet afgelegd worden, want geen verklaring kon die hoogere autoriteiten meer op een dwaalspoor brengen. En de poging om te misleiden kwam niet van dezen kant alleen. Kolonel Lyanon, als Administrateur te Pretoria, en Sir George Colley, na het vertrek van Sir Garnet Wolseley geroepen tot de betrekking van Hooge

ocr page 104

92

Commissaris voor Zuid-Oost-Afrika, verzekerden beiden het Ministerie van Koloniën, dat het verzet in Transvaal ophield en de belastingen betaald werden — een welkom berieht voor een liberaal ministerie, dat verlangend was de schatkist te ontheffen van verdere betalingen voor de Transvaalsche quaestie. Na de verklaring dat de belastingen betaald werden, werd het ook de plicht van de autoriteiten te Pretoria ze te heffen — met welken uitslag zal in het volgend hoofdstuk vermeld worden.

ocr page 105

HOOFDSTUK VI. Kruger en de oorlog.

Wanneer er groote spanning heerscht in de politieke atmosfeer, is een onbeduidend voorval voldoende om eene uitbarsting te weeg te brengen. Waar het gezag slechts den schijn daarvan heeft, stuit elke poging om het te oefenen bijna zeker op tegenstand. Zoo was het reeds in de dagen van de scheiding der stammen van Juda en Israël. Ware er toen niet zoo'n onnoozele belasting-inner gekomen, dan zou de twist wellicht op hetzelfde standpunt gebleven zijn. De belasting-inner werd gedood en de scheiding, die tot nu toe slechts voorloopig geweest was, werd eene daadzaak.

Een belasting-inner wierp ook de lont in het magazijn van Transvaalsche ontevredenheid. Een zekere Boer, met name Bezuidenhout, afstammeling van den Bezuidenhout, die in de eerste dagen van het Britsche gezag over de Kaapkolonie eene ongelukkige poging tot opstand in het leven geroepen had, weigerde belasting te betalen aan het Engelsche Gouvernement. De landdrost liet zijn wagen en ossen in beslag nemen en naar Potchefstroom vervoeren om publiek verkocht te worden. Maar de landdrost zou teleurgesteld worden, want eene gewapende macht Boeren, onder aanvoering van P. Cronjé, oud-commandant van het district, reed

ocr page 106

94

de stad binnen, belette den verkoop en bracht den wagen en de ossen aan den eigenaar terug.

Deze daad leidde tot een crisis. Het Gouvernement haastte zich eene proclamatie uit te vaardigen, waarin het volk gewaarschuwd werd tegen onwettige handelingen, terwijl de uitlevering geëischt werd van Bezuidenhout, Cronjé en anderen, die in de zaak betrokken waren. Van de zijde der Boeren werd op aanraden van Kruger de volksvergadering, die in de maand Januari belegd zou worden, tegen den 8stcn December bijeengeroepen te Paardekraal.

Voor een man met het waarnemingsvermogen van Paul Kruger was het duidelijk dat het volk nu van geen protesten en memories meer wilde hoeren, maar tot daden verlangde over te gaan. En inderdaad, het volk, dat zich drie jaren lang zoo verwonderlijk geduldig getoond had, kon nu niet langer in toom gehouden worden, maar eischte de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit des vorigen jaars, waarbij verklaard was dat de Republiek en de vroegere Regeering hersteld zouden worden. Hoe de heer Kruger den toestand inzag, blijkt duidelijk uit de woorden, waarmede hij Dr. Jorissen begroette, die zoodra de oproeping tot de volksvergadering te Paardekraal gedaan was, zich uit Pretoria daarheen begaf, ten einde den leiders van de beweging zijne diensten als rechtskundig adviseur aan te bieden. „Mijnheer Jorissen,quot; zei Kruger, „het is klaar.quot;

Op den ioden December 1880 kwam het volkscomité, dat sinds den terugkeer van de tweede deputatie naar Engeland opgericht was en door de burgers beschouwd werd als het vroegere Bestuur te vervangen, onder voorzitterschap van den heer M. W. Pretorius bijeen. Omtrent den geest, die allen bezielde, kon men zich niet vergissen. Allen waren vast besloten, wat het hun ook zou mogen kosten, het reeds genomen besluit ten uitvoer te brengen en de beslissende

ocr page 107

95

stappen te doen, die alleen uitgesteld waren in de hoop, dat een werkelijke oorlogstoestand nog vermeden zou kunnen worden. In den morgen van den 11clen December waren daar te Paardekraal meer dan zeshonderd wagens en binnen twee dagen acht a negen duizend gewapende mannen bijeen. Twee vragen moesten allereerst beantwoord worden: eene Regeering te benoemen en de plaats aan te wijzen waar deze haar zetel zou opslaan. Een volkscomité was een te vaag lichaam om het noodige uitvoerende gezag te oefenen; daarom trad het af en werd de oude Regeering hersteld. Kruger nam zijn ouden zetel als Vice-President weer in; Piet Joubert werd tot Commandant-Generaal gekozen en terwijl Dr. Jorissen de function van staats-procureur weder opnam, werd de heer W. E. Bok tot waarnemend staatssecretaris benoemd.

Het is merkwaardig en leerzaam tevens de zorg op te merken, waarmede de leiders dezer volksbeweging aan eiken stap, dien zij deden, wettigheid verleenden en de mogelijkheid vermeden van later beschuldigd te worden eene beweging te hebben bevorderd, die niet op de volkomen sympathie van het volk aanspraak kon maken. Ten einde den wil van het volk nog beter te leeren kennen, werden een aantal kleine bijeenkomsten gehouden en de burgers van elke wijk vereenigd onder hunne eigene veldcornets. Hoeveel krachtiger konden de leiders optreden, toen uit de besluiten van deze wijkvereenigingen bleek, dat hunne handelingen de algemeene goedkeuring wegdroegen. Ten einde allen rechtmatigen twijfel weg te nemen, werd de Volksraad, die naar het inzicht van de leiders nooit opgehouden had te bestaan, bijeengeroepen tegen Maandag den 13den December. In eene zitting van een enkelen dag bevestigde de Volksraad al hetgeen tot nu toe gedaan was, en bij afwezigheid van een wettig gekozen President, werd de opperste leiding toevertrouwd aan een driemanschap.

ocr page 108

gó

bestaande uit Paul Kruger, Piet Joubert en M. W. Pretorius.

De volgende dag was een Zondag en bracht in dit gewichtig tijdsgewricht, waarin aan een ieder zulk eene groote verantwoordelijkheid was opgedragen, de godsdienstige zijde van het karakter dezer mannen van de daad helder aan het licht. Dr. Jorissen, die zelf tegenwoordig was, geeft het volgende verhaal van hetgeen hij op dien Zondag bijwoonde:

„Tusschen den Zaterdag, toen de eerste beslissende stap gedaan was, en den daaraanvolgenden Maandag kwam de groote rustdag, met diep ontzag door de burgers geëerd. Ik wenschte de stift van een Rembrandt te kunnen hanteeren, om eene teekening te geven van die bonte menigte, grijsaards met vrouw en kinderen, hier en daar op een kampstoel, maar meest op den grond uitgestrekt, tegen de glooiing op, aan de oostzijde van het tegenwoordig monument op Paardekraal. Op den bovensten rand breidde zich eene kleine vlakte uit. Daar stonden de tenten der voormannen. Van boven af had men het uitzicht als op een groot amphitheater. In onregelmatige rijen, naar rechts en links, de duizenden burgers, geduldig wachtende en opziende naar het boven hen, op de uiterste punt der bergvlakte, opgerichte spreekgestoelte. Eene kleine tafel met een bijbel, en daar overheen een lichte tentbeschutting.

„De mannelijke gestalte van Van Warmelo rees op ; eene doodelijke stilte legerde zich over allen. Een gebed, een kerklied. Toen stond de prediker op en las iets voor. 't Was eene uitnoodiging door ons drie maanden vroeger aan de predikanten van alle kerken gezonden, hen oproepende om het volk in de moeie-lijke worsteling, die aanstaande was, bij te staan. Van Warmelo zwaaide die gedrukte uitnoodiging heen en weder, en riep met sterke intonatie, met een stem, die van aandoening trilde: aan zulk een beroep kon ik

ocr page 109

97

geen weerstand bieden; gij hebt mij geroepen, hier ben ik, ik zal met u gaan en staan!quot; ')

De besluiten van het Volkscomité en den Volksraad, inhoudende het herstel van de oude Republikeinsche Regeering, moesten thans afgekondigd worden. Tot dit doel werd eene proclamatie opgemaakt en naar Potchef-stroom gezonden, waar ze gedrukt werd op de werkplaats van een klein stedelijk nieuwsblad, door den heer Izaak van Alphen, thans postmeester-generaal van de Zuid-Afrikaansche Republiek.

Intusschen was tot nog een gewichtigen stap besloten en wel tot geen minderen dan verplaatsing van den zetel van het herstelde Republikeinsche Bestuur naar Heidelberg, een stadje, 40 a 50 mijlen van Pretoria gelegen, op den grooten weg naar Natal. Er bestaat genoegzame reden om aan te nemen, dat deze zeer verstandige stap door Dr. Jorissen aangeraden en door den heer Kruger toegestemd is, vóór het Volkscomité of de Volksraad daarmede in kennis waren gesteld. Door zich naar Heidelberg te verplaatsen, verzekerde men zich onderscheidene voordeelen. Hier bezette men een punt, vanwaar men het geheele land beheerschte, een vast punt tusschen Pretoria en de meest nabijgelegen Engelsche kolonie, Natal. Bovendien moest de Regeering zetelen in eene bekende stad, niet ergens in de wildernis; zij zou zoodoende rijzen in de oogen van de geheele beschaafde wereld.

Op den i4den December ging de Volksvergadering te Paardekraal uiteen en op den i6den begaven zich de voormannen der beweging, aan het hoofd van eene aanzienlijke macht gewapende burgers, naar Heidelberg, waar zij alle openbare gebouwen in beslag namen en met het oog op eene gelijkmatige bescherming van de

*) De tegenwoordigheid van den heer Van Warmelo verdiende te meer waardeering, omdat hij in 1867 een ernstig geschil gehad had met Paul Kruger over het verlaten van het Schoemansdal, waar hij als zendeling gevestigd was.

7

ocr page 110

98

plaats twee laagers betrokken, een ten Noorden en een ten Zuiden van de stad. Het eerste nieuws, dat den Uitvoerenden Raad den volgenden morgen bereikte, was ver van aangenaam. Eene kleine verkenningspatrouille van burgers was in de buurt van Potchef-stroom door Britsche troepen beschoten, zoodat de vijandelijkheden begonnen waren, nog eer de Volkspartij den tijd gehad had zich in verbinding te stellen met de Regeering te Pretoria. Het lijdt geen twijfel of dit was niet overeenkomstig de wenschen van de leiders, want deze rekenden nog steeds op de mogelijkheid van het aanknoopen van onderhandelingen, vóór er een ernstig conflict had plaats gegrepen. Zij steunden daarbij op de wetenschap, dat dit ook de wensch en het doelwit was van hunne Kaapsche vrienden.

Deze verplaatsing naar Heidelberg, gevolgd door de botsing bij Potchefstroom, scheen gedurende eenige dagen aanleiding te zullen geven tot een ernstig verschil van zienswijze tusschen de leden van den Uitvoerenden Raad. Piet Joubert berispte Dr. Jorissen, wijl deze den raad gegeven had om den zetel der Regeering te verplaatsen, en verklaarde onmiddellijk bevel te zullen geven om naar Paardekraal terug te keeren. De heer Kruger daarentegen — en dit voorval wijst op het kenmerkend verschil in de karakters van deze beide mannen — verklaarde te weten waarom hij naar Heidelberg gegaan was en dat hij van plan was er te blijven. „Waren de burgers naar Paardekraal teruggekeerd, hadden zij de zaken maar afgewacht,quot; zegt Dr. Jorissen in zijne meermalen genoemde ,Transvaalsche Herinneringen', „niets zou den heeren te Pretoria aangenamer geweest zijn. „Zij zouden ons twee, drie weken hebben laten praten, om dan in eens een ultimatum te zenden, met eene goed gewapende militaire macht achter zich.quot;

De tijd van afwachten was voorbij. Er was een beslissende stap gedaan en nu was het noodig energiek

ocr page 111

99

op te treden, tot krachtig handelen over te gaan. In weerwil van het wisselen van geweerschoten bij Potchef-stroom, bleven de leiders nog de hoop voeden, dat de oneenigheid met het Britsche Gouvernement terecht ^ou komen zonder een ernstige botsing, die, zooals zij zeer wel wisten, den vrede van geheel Zuid-Afrika in gevaar zou brengen en tot een breuk zou leiden tusschen de Engelsche en Hollandsche bewoners. Tevens was het uit een militair oogpunt onvoorwaardelijk noodig de eigen positie niet te verzwakken. Het operatieplan was eenvoudig genoeg, n.1. alle Britsche garnizoenen in het gansche land in te sluiten en het aankomen van versterkingen te beletten. In den aanvang kwam het er voornamelijk op aan, de concentratie van troepen in Pretoria te verhinderen, want toen het Gouvernement aldaar den ernst van den toestand begon in te zien, trachtte het het garnizoen te versterken door de detachementen uit Lijdenburg, uit het Oosten des lands en uit Standerton, een dorpje ongeveermidden tusschen Heidel-berg en de Natalsche grens gelegen, tot zich te trekken. Het garnizoen van Standerton, den weg naar Pretoria afgesloten vindende door de geduchte macht, welke te Heidelberg bijeengebracht was, keerde terug. Aan Nicolaas Smit, later Vice-President van de Republiek, en Frans Joubert, een bloedverwant van den Commandant-Generaal, was opgedragen de troepen uit Lijdenburg en Standerton te beletten den marsch naar Pretoria voort te zetten. Met eene macht van driehonderd man trokken zij bij maanlicht over de heuvels tot aan de plek, waar de groote weg van Lijdenburg naar Pretoria gesneden wordt door een klein stroompje, bekend onder den naam van Bronkhorst Spruit. Daar naderde de colonne uit Lijdenburg. Onmiddellijk werd haar een parlementair te gemoet gezonden met een brief van den Uitvoerenden Raad te Heidelberg, waarin deze den Commandant verzocht zijn marsch niet te vervolgen vóór de uitslag bekend zou zijn van de onderhandelingen

ocr page 112

IOO

tusschen de hoofden van het Volkscomité en het Britsche Gouvernement. Het antwoord — het eenige dat een soldaat geven kon — luidde: ik heb bevel ontvangen naar Pretoria te gaan en ben van plan dit bevel op te volgen. Onmiddellijk daarop begon het gevecht, dat in minder dan een half uur eindigde met de overgave van hetgeen nog van de Britsche macht overgebleven was! ') De gevolgen waren van het grootste gewicht. Eerstens schudde de uitslag van dit gevecht zoowel het Engelsche Gouvernement als het Engelsche volk wakker uit de meening, dat men het wel gemakkelijk zou klaar spelen met Transvaal, dat de Boeren hunne ontevredenheid alleen lucht gaven in woorden. Een tweede gevolg was dat de Boeren nu meester waren van het geheele land. De garnizoenen van Pretoria, Potchefstroom en Stan-derton waren ingesloten en geheel geïsoleerd; zoo volkomen dat in Pretoria vier weken na den dood van Sir George Collsy weddenschappen werden aangegaan over den juisten datum, waarop hij de stad zou ontzetten. Het eenige gevaar lag in de richting van Natal, vanwaar ongetwijfeld alle pogingen zouden uitgaan om het Britsche gezag te herstellen. Toevallig was de toegang uit Natal gemakkelijk te verdedigen; de hoofdmacht der Boeren nam eene stelling in op Natalsch gebied, om een punt, vanwaar de groote weg beheerscht werd en dat bekend stond onder den naam van Laing's Nek. Sir George Colley, op dat tijdstip Gouverneur en Opperbevelhebber in Natal, begreep dat hij eene poging moest doen om dezen toegang te forceeren. De Britsche troepenmacht, waarmede hij deze poging den 28sten Januari 1881 ondernam, was echter veel te zwak en de stelling der Boeren zoo sterk, hunne schoten waren bovendien zoo juist gericht, dat de aanval met zware

*) Meermalen is dit gevecht bestempeld met den naam van „slachting.quot; Niemand minder dan Sir Evelyn Wood, die men toch zeker niet van partij-digheid of onbevoegdheid beschuldigen zal, heeft verklaard, dat hier een eerlijke strijd is gevoerd.

ocr page 113

IOI

verliezen afgeslagen werd. Intusschen had eene sterke afdeeling burgers eene omtrekkende beweging gemaakt en zich tusschen Sir George Colley's afdeeling en zijne operatiebasis, de stad Newcastle in het Noorden van Natal, geplaatst. Eenige dagen later, bij eene poging om den weg naar Newcastle vrij te maken, werden de Engelschen weder met zware verliezen afgewezen.

Het is niet noodig den verderen loop van de militaire gebeurtenissen in alle bijzonderheden na te gaan; de geschiedenis daarvan is te wel bekend. Het ministerie Gladstone, dat door de valsche rapporten van hooggeplaatste Zuid-Afrikaansche ambtenaren op een dwaalspoor gebracht was, achtte het op hetzelfde tijdstip noodzakelijk versterkingen te zenden en naar middelen uit te zien om de zaak tot een vredelievend einde te brengen. Hoe men in Londen toen over de zaak dacht is duidelijk uiteengezet door Sir M. E. Grant-Duff, die in 1S81 onder-secretaris van Koloniën was, in een artikel, gereed gemaakt om in het Lager Huis uitgesproken te worden en in het dertigste deel van de Fortnightly Review afgedrukt. De quintessens van dit artikel is, dat terwijl volgens de meening van de Britsche Regeering het verzet tegen de annexatie uitging van eene ontevreden minderheid, in werkelijkheid eene groote, vast aaneengesloten meerderheid zich er tegen verzette. Onder zulke omstandigheden moest het voor eene liberale regeering zedelijk onmogelijk geacht worden te trachten een land te veroveren, zonder eerst eene poging te doen tot een vreedzaam modus vivendi. De tegenspoed, door de Engelsche wapenen ondervonden, was niet ernstig genoeg om de onderhandelingen in den weg te staan, noch werd die door de Transvaalsche burgers zoo beslissend beschouwd, dat zij den strijd onvoorwaardelijk wenschten voort te zetten. Inderdaad blijkt uit officieelé documenten dat, ongeveer in het midden van Februari, van de zijde van het ministerie van Koloniën aangeboden is, de grieven van de burgers te onderzoeken, onder

ocr page 114

102

zeker voorbehoud en op eenige voorwaarden, o. m. het uiteengaan van de strijdmacht, welke de burgers op dat oogenblik in het veld hadden.

Deze poging om tot een vasten grondslag voor verdere onderhandelingen te komen, was gevolgd door een wapenstilstand, die in Februari, na Sir George Colley's ongelukkig afgeloopen poging om uit Natal binnen te dringen, stilzwijgend was toegestaan. Gedurende deze geheele periode bleef het door de burgers gekozen Regeerings-Comité te Heidelberg en was met werkzaamheden overkropt, waarin het echter zeer belemmerd werd door het gemis aan communicatie met het buitenland. Brieven voor Transvaal werden door de Kaapsche Regeering naar Kimberley gezonden en bleven daar, want de Kaapsche post verkoos ze niet verder te verzenden. Onder deze omstandigheden bewezen eenige Vrijstaatsche vrienden een grooten dienst aan de Trans-vaalsche burgers door de brieven langs particulieren weg aan hunne adressen in Transvaal te doen bezorgen. Deze Vrijstaatsche vrienden, ofschoon zeer talrijk, voelden zich echter de handen gebonden door de hoogst voorzichtige politiek van den President, den heer Brand, die eenige jaren te voren eene benoeming tot President van Transvaal van de hand gewezen had en thans besloten scheen alles te vermijden wat het Britsche Gouvernement onaangenaam zou kunnen zijn. Inderdaad ging hij zoo ver, in December 1880 aan de Transvaalsche afgevaardigden te verzekeren, dat in de buitengewone zitting van den Volksraad, die in Februari zou plaats hebben, met zijne toestemming de Transvaalsche zaken zelfs niet op het tapijt zouden gebracht worden. Ook hij moest evenwel zwichten voor den drang der omstandigheden. Volksraad en volk van den Vrijstaat waren éénstemmig in hun geestdrift voor de Transvaalsche broeders en de Volksraad nam in de bovenbedoelde zitting een besluit, dat voor de Transvaalsche burgers van groote beteekenis was.

ocr page 115

io3

Te midden van al deze gunstige voorteekenen had er eene gebeurtenis plaats, die dreigde alle verdere onderhandelingen onmogeliik te maken. Er is reden te gelooven, dat Sir George Colley handelde onder den indruk van het vermoeden, dat Sir Evelyn Wood op weg was om hem te vervangen, toen hij in den nacht van Zaterdag, den 26sten Februari 1881, een gedeelte zijner krijgsmacht den steilen bergtop, bekend onder den naam van Amajuba, liet beklimmen, met het doel de stelling van de burgers bij Laing's Nek in den rug te komen.

Toen des Zondagmorgens de dag aanbrak maakte de verschijning van de Britsche troepen in zulk eene overheerschende stelling gedurende eenige oogenblik-ken een verpletterenden indruk in het Boerenkamp. Kruger was afwezig; hij was naar Rustenburg gegaan, naar aanleiding van een bericht, dat in de Noordelijke districten eenige KafFerhoofden onrust stookten. Com-mandant-Generaal Joubert zag het gevaar echter onmiddellijk in en gaf bevel de Engelschen van den top te verdrijven. Een i5otal vrijwilligers boden zich daartoe aan, en hoe zij hunne taak volbrachten behoeft niet in herinnering gebracht te worden. Met zware verliezen, waaronder Generaal Colley zelf, moesten de Engelschen afdeinzen.

Toen de tijding van deze ramp Engeland bereikte, was de verslagenheid natuurlijk groot. Ongetwijfeld was er een oogenblik gekomen, waarin de Engelsche Regeering eene groote mate van zedelijken moed aan den dag moest leggen, om langs een aannemelijken weg, die het geweten en de wetten der menschelijk-heid voorschreven, uit het warnet te geraken, waarin bedrieglijke rapporten haar gebracht hadden. Gelukkig bezat de heer Gladstone dien zedelijken moed. Zonder acht te slaan op de kreten, die uit militaire kringen en van levenmakende leden der parlementaire tegenstanders opgingen, besliste hij dat de nieuw

ocr page 116

I04

ingetreden toestand in geenen deele een einde zou maken aan de onderhandelingen, die sinds eenige weken hangende waren. Als gevolg van dit besluit werd er tien dagen later bij Laing's Nek een wapenstilstand gesloten tusschen Sir Evelyn Wood, als vertegenwoordiger van de Engelsche Regeering en Commandant-Generaal Joubert, vertegenwoordigende Transvaal.

Het bericht van dezen wapenstilstand, den 6den Maart 1881 gesloten te Laing's Nek, bereikte den Uitvoerenden Raad te Heidelberg — een afstand van 130 mijlen — niet voor drie dagen later. De eerste indruk, dien dit bericht op den heer Kruger en zijne naaste omgeving maakte, was ver van gunstig. Kruger zelf was een oogenblik verslagen. Men vreesde dat deze wapenstilstand slechts ten doel had tijd te winnen tot de aankomst van versterkingen, die reeds te Durban ontscheept en op weg naar Newcastle waren. Van het Transvaalsche standpunt gezien, schenen alle voordeelen van een wapenstilstand aan de zijde van de tegenpartij te zijn. Tijd was alles voor hem, terwijl eene verlenging van den strijd voor de Boeren eene rechtstreeksche verzwakking moest opleveren. Deze opvatting van den Uitvoerenden Raad werd ook door de burgers gedeeld, die van het groote nieuws kennis kregen. Evenwel, er werden ook andere overwegingen gemaakt. Twee dingen waren ten minste duidelijk: de gesloten overeenkomst hield als het ware eene erkenning in van de Regeering der Republiek en verried van Engelsche zijde het verlangen naar vrede. Ontegenzeggelijk was er reeds veel gewonnen sedert de vorige Decembermaand, toen de Boeren den schijnbaar hopeloozen strijd waren begonnen. Nu het Gouvernement, dat de burgers, in weerwil van de annexatie, in het land gevestigd hadden, erkend was, was de annexatie, om Dr. Jorissen's woorden te gebruiken: „in beginsel teruggetrokken.quot;

ocr page 117

io5

Aangemoedigd door deze overwegingen, begaven de heer I-Cruger en Dr. Jorissen — deze laatste in zijne hoedanigheid van Staatsprokureur — zich van Heidel-berg naar Laing's Nek, na Commandant Cronjé, die Potchefstroom nog ingesloten hield, bericht gezonden te hebben, dat er een wapenstilstand gesloten was, terwijl hem tevens de maatregelen medegedeeld werden, die getroifen moesten worden om het ingesloten garnizoen van levensmiddelen te voorzien. Een klein oponthoud werd nog veroorzaakt door Krugers wensch, om voor het vertrek van Heidelberg een bezoek te brengen aan de bij Amajuba gevangen genomen Engel-sche officieren, die het verlangen te kennen gegeven hadden aan hem voorgesteld te worden. Zooals veelvuldig voorkomt tegen het einde van den ïransvaal-schen zomer, was het afschuwelijk weer, terwijl een omweg gemaakt moest worden, wijl Standerton nog door Britsche troepen bezet was, De heer Kruger en zijn gezelschap kwamen tengevolge van al dit oponthoud eerst in den avond van den i4dcn Maart — den dag waarop de oorspronkelijk gesloten wapenstilstand zou eindigen — in de buurt van het kamp bij Laing's Nek aan. Aangezien intusschen was overeengekomen den wapenstilstand met vier dagen te verlengen, was alle onrust dienaangaande spoedig verdwenen. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat de heer Kruger met geestdrift door de verzamelde burgers ontvangen werd. Hetgeen echter nog meer zijne aandacht trok was een klein kamp, afgescheiden van het andere, tegen de helling van den Amajuba. Dat was eene afdeeling Vrijstaters, die zich niet hadden laten weerhouden hnnne Transvaalsche stamgenooten te hulp te snellen voor het geval de strijd opnieuw mocht ontbranden. Onder de burgers, die daar verzameld waren om hun goed recht met de wapens te verdedigen, heerschte eene kalme, ernstige stemming, zonder vrees, maar ook zonder eenige grootspraak op de behaalde lauweren.

ocr page 118

io6

Woensdag 16 Maart was aangewezen voor de eerste officieele ontmoeting tusschen de vertegenwoordigers van de strijdende partijen. Tegelijkertijd waren er twee telegrammen ontvangen van Lord Kimberley, toen Staatssecretaris van Koloniën, die de aandacht verdienden. In het eerste telegram, gedateerd 8 Maart, werd amnestie verzekerd en de bereidwilligheid uitgesproken om in onderhandelingen te treden met al zoodanige personen, die daartoe eene wettige volmacht hadden; terwijl er nog in werd medegedeeld, dat de Engelsche Regeering eene Koninklijke Commissie zou benoemen om al de grieven te onderzoeken. Het tweede telegram, gedateerd 12 Maart, noemde de namen van de leden der Koninklijke Commissie en stelde slechts als voorwaarde, dat de Boeren zouden uiteengaan; daarna zou de Commissie overwegen op welke voorwaarden zelfbestuur zou kunnen verleend worden. Verder wenschte het Britsche Gouvernement op het oogenblik niet te gaan. Het verdient de opmerkzaamheid, dat het voorstel om eene Koninklijke Commissie van onderzoek in te stellen reeds drie maanden te voren door Kaapstad was aangeraden en toen door Lord Kimberley als „ontijdigquot; van de hand gewezen was. Of thans, na vier nederlagen, het juiste oogenblik daar was, is eene al te kiesche vraag om te beantwoorden.

Ingevolge de gemaakte schikkingen ontmoetten de vertegenwoordigers van beide partijen elkander midden tusschen de militaire stellingen op Woensdag 16 Maart. Aan Britsche zijde waren Sir Evelyn Wood. Sir Redvers Bulier en de majoors Clarke en Frazer, terwijl Transvaal vertegenwoordigd was door de heeren Kruger, Pretorius en Joubert — het driemanschap dus — en drie leden van den Uitvoerenden Raad, t. w. Christiaan Joubert, Dr. Jorissen en J. Maré. In zijn duidelijk geteekend verhaal van de onderhandelingen geeft Dr. Jorissen eenige interessante teekeningen van de Britsche

ocr page 119

107

vertegenwoordigers; Wood — beleefd, voorkomend, kwikzilverachtig vlug, nu en dan gekscherende met Joubert, even alsof zij samen hunne opleiding genoten hadden in den dienst; Buller — beleefd als een beschaafd man, maar zonder vertrouwelijkheid en niet de minste moeite nemende om zijn ongenoegen te verhelen over den loop van zaken, noch iets van zijne minachting voor den vijand.

De conferentie duurde van tien uur 's morgens tot ongeveer zes uur 's avonds en leverde niet veel meer op dan eene reeks schermutselingen. Een van de hoofdpunten der discussie was de samenstelling van de Koninklijke Commissie. Het standpunt van deEngelschen was, dat, aangezien de Boeren om eene Koninklijke Commissie gevraagd hadden, zij de samenstelling en de opdracht geheel moesten overlaten aan het Ministerie van Koloniën. Van de zijde der Boeren werd intusschen volgehouden, dat, al hadden zij het denkbeeld van eene Commissie geopperd, de bedoeling geweest was, dat van weerszijden commissarissen benoemd zouden worden. Langdurig werden ook de militaire maatregelen besproken alvorens de Boeren zouden kunnen besluiten naar hunne haardsteden terug te keeren; terwijl ook het woord „suzereiniteitquot;, dat in een der telegrammen genoemd was, eene nadere verklaring behoefde. Van twee dingen ontvingen de Transvaalsche vertegenwoordigers echter de vaste overtuiging: ten eerste dat er van de zijde van Engeland oprechte bereidwilligheid was om vrede te sluiten, maar ook dat men zoo weinig mogelijk wilde vaststellen, om zooveel mogelijk aan de Commissie over te laten.

De slotsom van de onderhandeling-en werd aan Lord Kimberley getelegrafeerd en men kwam overeen nogmaals te vergaderen zoodra er een antwoord van Lord Kimberley gekomen was. Intusschen zagenbeidepartijen verlangend uit naar de komst van den heer Brand, die in zijne qualiteit van President van den Vrijstaat reeds

ocr page 120

io8

eenigen tijd bezig was als bemiddelaar op te treden en zoodra hij het bericht van den wapenstilstand ontvangen had, van Bloemfontein naar Newcastle op reis was gegaan. Geen twijfel of de Vrijstaat stelde groot belang in den loop en den uitslag van de onderhandelingen. De bevolking van den Vrijstaat was geheel op de hand van de Transvaalsche burgers, zoodat de Regeering te Bloemfontein zich genoopt had gezien zich volstrekt neutraal te verklaren. President Brand had dienaangaande geruststellende telegrammen aan Lord Kimberley gezonden, maar niettemin hadden de Vrijstaatsche burgers hunne Transvaalsche broeders voorzien van geld, wapens en paarden en zelfs eene afdeeling in het veld gebracht om hulp te bieden. Het kon niet anders of de gemeenschappelijke belangen van de twee Republieken moesten de sympathie van de stamverwante broeders wel wakker roepen.

De dagen gingen voorbij en toen Lord Kimberley's antwoord niet kwam, werd door de militaire aanvoerders overeengekomen den wapenstilstand met drie dagen te verlengen. Eindelijk, Vrijdag den i8den Maart, werd Lord Kimberley's antwoord ontvangen. Wat was de inhoud ?

Het is niet noodzakelijk breedvoerig uit te weiden over het kritieke standpunt, waarop de onderhandelingen thans genaderd waren. In twee publicaties geeft Dr. Jorissen een zoo nauwkeurig en toch zoo scherp ge-teekend verhaal, dat ze zeer zeker de volle aandacht verdienen van hen, die wat meer willen weten van den geest, die de Boeren bezielde. In korte woorden uitgedrukt, was Lord Kimberley's antwoord eene grievende teleurstelling, een slag in het aangezicht van Transvaal. Alles wat de burgers genegen waren toe te geven, werd aangenomen, maar feitelijk aangeboden werd er niets. Alles werd overgelaten aan de beslissing of liever aan het rapport van eene Koninklijke Commissie, waarin alleen de Britsche Regeering vertegenwoordigd

ocr page 121

log

zou zijn en die geen onbeperkte volmacht zou verkrijgen. Ook was er geen tijdstip genoemd, waarop het Britsche Gouvernement de eindbeslissing nemen zou. Geen woord werd er in gerept van een eigen regeering der burgers, terwijl vragen betreffende afstand van grondgebied, Engelsche controle over de naturellen, en meer gewichtige zaken van dien aard aan de Koninklijke Commissie overgelaten werden, wier rapport natuurlijk het maximum zou vaststellen van hetgeen de Britsche Regeering eindelijk zou toegeven. Het zonderlingste punt van het telegram is echter dat, waarin Lord Kimberley den Commandant-Generaal Joubert gunstig gezind verklaart voor den afstand van een stuk grond, waardoor diens eigen huis buiten de grenzen van de Republiek zou komen te liggen. Het is onnoodig te zeggen, dat Joubert daaraan niet dacht, noch ooit gedacht had.

Slechts ééne gewaarwording had zich van de burgers, onder wie de inhoud van Lord Kimberley's antwoord spoedig verspreid was, meester gemaakt. Verontwaardigd, doch vastbesloten beslisten zij, dat deze voorwaarden onaannemelijk waren en zij, liever dan ze aan te nemen, zich wilden dood-vechten. In de tent van Nicolaas Smit, die den bijnaam van „Vechtgeneraalquot; gekregen had, ging menige stem op om zich onmiddellijk tot eene hardnekkige verdediging voor te bereiden; geen enkele ried overgave aan. De strijd moest, tenzij andere voorwaarden gesteld werden, voortgezet worden, voortgezet met de hulp van de burgers van den Vrijstaat, die bereid waren hulp te verleenen. Mochten de vredesonderhandelingen, welke op Maandag, den 2isten Maart, gevoerd zouden worden, tot niets leiden, dan zou daarvan onmiddellijk kennis gegeven worden aan de Vrijstaat-sche leiders, waarvan er eenige aan de discussies deelgenomen hadden. De voorwaarden werden druk in het geheele kamp besproken. Iedereen was van hetzelfde gevoelen: zulke voorwaarden kon men niet aannemen.

ocr page 122

I IO

Het was als een lichtstraal in de duisternis, toen in den namiddag van Zondag 20 Maart President Brand aankwam, na een bezoek gebracht te hebben aan Sir Evelyn Wood. Hij zou wel raad schaffen, meende men. Evenwel, het werd spoedig duidelijk, dat de heer Brand niet inzag hoe kritiek de toestand was. Zijne argumenten waren allen ten gunste van de aangeboden voonvaarden. Zachtmoedigheid en vredelievendheid zouden eindelijk de zege wegdragen. Urenlang werd er gepraat, altoos weder van voren af aan. Laat mij over hetgeen volgde het woord geven aan Dr. Jorissen:

„Het werd laat en stiller in het kamp. De meeste burgers gingen ter rust, of eindigden den Zondag met godsdienstoefeningen en zonden ons de tonen van hun gezang van alle zijden toe. Ook dit verstierf. De maan doopte ons, tenten en wagens, in groepen over de hoogvlakte verspreid, in een bijna gulden licht; de koele avondlucht verfrischte de zware atmosfeer in de tent, waar nu alleen de hoofdleiders bijeen waren en President Brand. Het zal 9 uur des avonds geweest zijn. Wij wanhoopten er aan onzen geëerden gast te overtuigen van den ernst van ons voornemen om den strijd vol te houden ....

„Toen las ik, op verzoek van den heer Kruger, de Derde Proclamatie voor. De President zat links van mij, bij een der hooge kisten waarop het licht was neergezet; om en rondom ons de mannen die grooten-deels allen in den strijd hun leven hadden gewaagd; wij allen hadden trouwens sedert drie maanden getoond dat wij onze woorden konden waar maken. Ik geloof niet, dat daar iemand was, die niet begreep, dat wij over de toekomst niet alleen van ons zeiven, maar van Zuid-Afrika beraadslaagden. Ik las met eene zachte, diepe stem ; ik wilde elk woord doen doordringen ; was het niet als met ons hartebloed geschreven? Men kon een speld hooren vallen. Bij het eind beurde Brand het naar beneden gezonken hoofd op;

ocr page 123

111

de anders hem zoo eigen gejaagdheid was weg. Stil sprak hij, meer voor zich zelf heen dan tot ons het woord richtende: „Daar beware ons God voor!quot;

Deze „Derde Proclamatiequot;, die nooit het licht gezien had dan in Dr. Jorissen's boek, was opgesteld in den tijd, verstreken tusschen de ontvangst van Lord Kim-berley's onvoldoende boodschap en de boven beschreven beraadslaging. Het is een merkwaardig, krachtig' gesteld stuk, waarin de geschiedenis van de gevoerde onderhandelingen verhaald, de redenen opgesomd worden, waarom de gestelde voorwaarden niet aangenomen kunnen worden, en een beroep gedaan wordt op alle Afrikaners in Zuid-Afrika om de Transvaalsche burgers bij te staan in den onvermijdelijk schijnenden strijd. Met aanhaling van de beroemd geworden woorden van Willem van Oranje in 1572: „Liever een bedorven land dan geen land,quot; eindigt de Proclamatie met deze woorden: „Wij zeggen: indien gij ons land hebben wilt, neemt het, maar over onze lijken en over de puinhoopen van have en goed.quot;

Deze laatste zinsnede was het, die zulk een diepen indruk maakte op President Brand, dat hij den volgenden morgen den generaal Wood nogmaals een bezoek bracht, ten einde nog voor het begin van de onderhandelingen een onderhoud met hem te hebben. De positie door de leiders der nationale beweging ingenomen was duidelijk aangegeven; de burgers konden niet uiteengaan en de wapens neerleggen dan op de volgende voorwaarden: dat er, in plaats van beloften en verzekeringen, bij onderlinge overeenkomst grondslagen voor den vrede gelegd en daarbij het richtsnoer en de werkkring bepaald zouden worden voor de later te benoemen Koninklijke Commissie, in welk geval de burgers van hunnen eisch afzagen om daarin te worden vertegenwoordigd. Bovendien wilden de burgers geen stuk van hun grondgebied afstaan: het Transvaal, dat Engeland terug gaf, moest het-

ocr page 124

I 12

zelfde Transvaal zijn, dat in 1877 geannexeerd werd.

Toen beide partijen in den voormiddag van den 21sten Maart bijeen waren, begonnen de onderhandelingen opnieuw en werden stap voor stap geleid in de door de Transvaalsche burgers gewenschte richting. Binnen zes maanden zou het land aan de eigenaars teruggegeven worden; een Britsch resident zou in Pretoria zijn zetel opslaan om de Britsche belangen te beschermen en de gemeenschap te onderhouden tusschen de Republiek en de Regeering van Hare Majesteit, ten einde, zooals generaal Wood openhartig vertelde aan de vertegenwoordigers der burgers, het Engelsche publiek tevreden te stellen ten aanzien van de belangen der naturellen ; terwijl de quaestie van afstand van eenig grondgebied aan de beslissing van de Koninklijke Commissie overgelaten moest worden, met het oog op de politiek in Lord Kimberley's vroegere telegrammen ontwikkeld. Nog een laatste knoop moest ontward worden. De Transvaalsche vertegenwoordigers, met name Dr. Jorissen, drongen er op aan een en ander op te nemen in een protocol, dat door beide partijen geteekend zou worden. Van Britsche zijde werd dit onnoodig geacht en Sir Evelyn Wood was er meer dan half in geslaagd den Commandant-Generaal Joubert tot zijne overtuiging over te halen. Een afzonderlijk onderhoud tusschen Kruger, Joubert en Jorissen leidde tot meer eensgezindheid onder de Transvaalsche vertegenwoordigers. Reeds was een ordonnans aangewezen om naar het Engelsche kamp te rijden en naar Engeland te telegrafeeren, dat de wapenstilstand verlengd was, toen Kruger opstond, den ordonnans deed wachten en aan Sir Evelyn Wood den wensch van de Transvaalsche vertegenwoordigers liet meedeelen, wel is waar een weinig brusk maar overigens zoo duidelijk, dat hij niet misverstaan kon worden. Kalm werd nu de zaak nogmaals uiteengezet; terwijl ook President Brand zich in het gesprek mengde en zich verklaarde ten gunste

ocr page 125

ii3

van een door beide partijen geteekend document. Het pleit — zoo gewichtig voor Transvaal — was gewonnen. Een stuk werd opgemaakt en geteekend. Nog eenige dagen waren voldoende voor de ontvangst van de goedkeuring van de Britsche Regeering en voor het wisselen van beleefdheden, grootendeels welgemeend, tusschen de wederzijdsche aanvoerders.

Het gewenschte einde was daar. Zevenhonderd burgers waren drie maanden geleden naar Heidelberg afgereden om de grenzen te beschermen. Vier duizend burgers — zoo was de macht der Boeren toegenomen — reden nu naar huis, het kamp bij den Nek overlatende aan de geschiedenis.

S

ocr page 126

HOOFDSTUK VIL

Kruger en de Conventies.

Hoewel de vredesvoorwaarden nu vastgesteld waren, moest er nog veel gebeuren eer Transvaal weder geheel gebracht was onder zijne oorspronkelijke bezitters. Ofschoon de werkkring van de voorgestelde Koninklijke Commissie eene groote wijziging had ondergaan, bleef het benoemen en uitzenden daarvan in Downing Street een idéé fixe. Den 5den April 1881 werden Sir Hercules Robinson, Sir J. H. de Villiers en Sir Evelyn Wood inderdaad in commissie benoemd, ten einde een volledig onderzoek in te stellen naar alles wat betrekking had op de Transvaalsche zaken en het Transvaalsche grondgebied, overeenkomstig de uit Londen ontvangen of nog te ontvangen instructies.

Deze instructies, van officieele zijde openbaar gemaakt, kunnen uitstekend dienen om den geest aan te duiden, welke in Downing Street heerschte ten aanzien van den ingetreden toestand. Na eene recapitulatie van de te Laing's Nek overeengekomen voorwaarden, werden in de instructie onderscheidene zaken opgesomd, waarin de Regeering van Hare Majesteit hare eigene inzichten had. Zoo o. a.: de vaststelling van een grenslijn in het gebied bekend uit de Keate Award; de betaling van de openbare schulden van het wingewest; de erkenning

ocr page 127

quot;5

van alle wettige handelingen van het Gouvernement gedurende de Britsche bezetting.

„Volkomen vrijheid van handelen,quot; werd er bijgevoegd, „zal aan de Transvaalsche Regeering toegestaan worden, voor zoover die handelingen niet strijdig zijn met de rechten van den Suzerein. De uitdrukking Suzereiniteit,quot; verklaarde Lord Kimberley verder, „is gekozen, omdat daarin het eenvoudigst de superioriteit wordt aangegeven over een Staat, die zich zelve geheel onafhankelijk regeert, onder voorbehoud van controle door den Suzerein over eenige bepaaldelijk genoemde zaken.quot; Daar is in deze redactie een duidelijke grens aangegeven voor de door het Britsche Gouvernement te oefenen controle en deze duidelijke grens was later niet van belang ontbloot.

Langdurige besprekingen hadden plaats over de wen-schelijkheid, om groote stukken af te staan van het grondgebied der Zuid-Afrikaansche Republiek, ten tijde van de annexatie.

Het is niet zoo heel onvermakelijk te lezen, dat als argument voor de afscheiding van de districten Wak-kerstroom en L'trecht — het zuidelijkste deel van de Republiek — Lord Kimberley staande hield, dat door zulk eene afscheiding de gevaarlijke grensgeschillen tusschen de Boeren en de Zulu's voorkomen zouden worden, die in de eerste plaats aanleiding hadden gegeven tot den grooten Zulu-oorlog.

Neemt men nu in aanmerking dat de uitspraak in zake de grens-quaestie gevallen was ten gunste van de Zulu's en dat terzelfder tijd ongeveer, Engeland ten koste van vijf millioen pond sterling aan het oude Koninkrijk der Zulu's een einde gemaakt had, dan is het niet gemakkelijk het bovenstaande te lezen, zonder Lord Kimberley van een luimigen inval te verdenken. Een aantal artikelen in de instructie waren gewijd aan de bescherming van de belangen der inboorlingen. Zoutpansberg, meende Lord Kimberley, moest aan de inboorlingen blijven, waardoor — dit was het argument voor deze schik-

ocr page 128

116

king — het Engelsche Gouvernement minder vaak genoodzaakt zou worden zich met de binnenlandsche zaken van het land te bemoeien. De verklaring betreffende het houden van slaven, opgenomen in de Zand-rivier-Conventie, moest nog eens bevestigd worden. Eindelijk was men van oordeel dat de oude naam „Zuid-Afrikaansche Republiekquot; vervangen moest worden door dien van „Transvaalsche Staatquot;.

Deze instructie zal men niet gemakkelijk begrijpen, tenzij men zich herinnert, dat de liberale partij in het Lagerhuis, evenals het beeld in Nebucadnezars droom, uit verschillende bestanddeelen is samengesteld, die volstrekt niet met elkander in overeenstemming zijn. De geheele liberale partij — daarover bestaat geen twijfel — was tegen elke poging om Transvaal te heroveren, en dit gevoelen was onmiskenbaar uitgedrukt in de instructie van Generaal Wood bij het sluiten van den vrede te Laing's Nek. Op het oogenblik echter dat dit voornemen ten uitvoer gebracht zou worden, begon de meest eischende fractie van de liberale partij haar invloed te doen gelden. Deze fractie zou de philanthropische of humanitaire fractie genoemd kunnen worden — de fractie, die zich zelve beschouwt als de bijzondere draagster van de beginselen, welke ongeveer vijftig jaren voor den Transvaalschen Onafhankelijkheidsoorlog geleid hebben tot afschaffing der slavernij. In hunne zorg voor de Zuid-Afrikaansche inboorlingen en nog steeds gebukt gaande onder het gewicht van de bij overlevering bekende geruchten van Hollandsche onrechtvaardigheden en wreedheden, stelde deze fractie — van het oogenblik af dat de vrede bij Laing's Nek geteekend was — het zich ten plicht, maatregelen te nemen tegen een, naar haar inzicht, al te liberale behandeling van de Transvaalsche burgers. Vrede moest er zijn — dat stond vast; maar de voorwaarden moesten tot de geringste afmetingen teruggebracht worden. Liberale bladen in Lon-

ocr page 129

lï?

den, die tot op den dag' van het sluiten van den vrede gepleit hadden tegen de gewelddadige onderwerping van het onwillige volk, sloegen plotseling eene nieuwe richting in en bezigden al hunne hulpmiddelen om de vrijheden, welke aan de Transvaalsche Republiek verleend zouden worden, te beknibbelen. Kortom, gehoorzamende aan de eischen van deze eigenaardige fractie in het Lagerhuis en niet lettende op het aantal stemmen, dat deze fractie vertegenwoordigde, deed het Ministerie van Koloniën, in plaats van eerst met verstand na te gaan wat men aan Transvaal verplicht was, zijn best om de voorwaarden, waarop de Republiek hersteld zou worden, tot een minimum terug te brengen.

Het is moeilijk te zeggen wat er gebeurd zou zijn, als de leden van de Koninklijke Commissie kleingeestige menschen geweest waren. Gelukkig was Sir Hercules Robinson iemand met een groot gezond verstand en een onafhankelijk karakter, terwijl Sir J. H. de Villiers een helder hoofd, veel rechtskennis en eene bijna ongeëvenaarde ondervinding van Zuid-Afrikaan-sche toestanden bezat. Sir Evelyn Wood had zijn eigen rol te spelen — eene rol, die hem bij meer dan eene gelegenheid in conflict bracht met zijne medecommissarissen. Er kan weinig twijfel over bestaan — en van zijn soldaten-standpunt was dat geene schande — of Sir Evelyn Wood zou het liefst een toestand in het leven geroepen hebben, die tot vernieuwing van de vijandelijkheden aanleiding had gegeven. Hadden de besluiten van de Koninklijke Commissie onaannemelijk genoeg gemaakt kunnen worden, zoodat de Volksraad geweigerd had de conventie, waarin zij opgenomen werden, goed te keuren, dan was Groot-Brittannië vrij geweest den oorlog met al de ten dienste staande middelen te hervatten. Zooals de verhoudingen thans waren, stelden de ondervinding van Sir J. H. de Villiers en het gezond verstand van Sir Hercules Robinson in alle moei-

ocr page 130

118

lijke gevallen Sir Evelyn Wood in de minderheid.

De Koninklijke Commissie begon haren arbeid in Mei 1881 te Newcastie in Natal en bracht dien in Augustus van hetzelfde jaar te Pretoria ten einde. Den derden Augustus werd het document, dat bekend staat als de Pretoria-Conventie, door beide partijen geteekend. Oorspronkelijk was bepaald, dat de zittingen van den aanvang af te Pretoria zouden plaats hebben, maar deze regeling was afgestuit op de vrees, dat in verband met de wanorde, die nog in het land heerschte, het verblijf der Commissie in Pretoria tot ongeregeldheden aanleiding zou kunnen geven. Al heel spoedig bleek het verblijf houden te Newcastle tot veel tijdverlies aanleiding te geven. Herhaaldelijk kwam het voor, dat de Commissie bestuursambtenaren of andere personen, die te Pretoria verblijf hielden, wenschte te hooren en aangezien de rust in het land op geen enkele wijze verstoord bleek te worden, besloot de Commissie naar Pretoria te verhuizen, waar zij in het midden van Juni hare eerste zitting hield. De verslagen van deze zittingen, welke aan het Parlement zijn overgelegd, doen duidelijk aan het licht komen: 1e de oprechtheid en het gezond verstand van Sir Hercules Robinson en Sir J. H. de Villiers; 2e de vijandige gezindheid van Sir Evelyn Wood tegen de Transvaalsche burgers; 3e de oprechtheid en eerlijkheid van de leiders der vaderlandslievende beweging. De Commissie had eene groote verscheidenheid van vragen te beantwoorden, zooals: de grootte van de vergoeding — indien er vergoeding gegeven moest worden — aan die Engelschen, welke het land wenschten te verlaten; de taak van den Britschen resident; de bescherming van de belangen der naturellen ; het vaststellen van de grenzen van het grondgebied bedoeld in de Keate Award; de voorgestelde afstand van grondgebied in het oostelijk gedeelte van de Republiek; eindelijk de financieele verplichtingen van het land. De vraag betreffende het afstaan van

ocr page 131

lig

grondgebied was spoedig opgelost. De meerderheid in de Commissie — Sir Robinson en Sir de Villiers — was er sterk tegen gekant en van het tegengestelde gevoelen van Sir Evelyn Wood werd geen notitie genomen. Wat de Keate Award betrof, ofschoon reeds in 1870 bekend gemaakt, had men zich tot de annexatie in 1877 nooit daarnaar gedragen en sedert had Engeland die uitspraak kalm geïgnoreerd. Wat den financieelen toestand van de Republiek aanging, verdient de merkwaardige nota omtrent dit onderwerp, van Sir W. B. Gurdon, assistent-commissaris voor financiën, den grootsten lof en is nog steeds waard met aandacht gelezen te worden, vooral om de navolgende regelen:

„Men zal uit het voorgaande dus ontwaren, dat de meermalen uitgesproken bewering als zou het Britsche Gouvernement in de schatkist van Transvaal een halve kroon gevonden en de financiën in bloeienden toestand achtergelaten hebben, niet volkomen waar is; het is bovendien te betreuren, dat deze bewering uitgesproken is in bewoordingen, waardoor de Transvaalsche burgers onnoodig gekwetst zijn door mannen, wier ambtelijke positie hen in staat gesteld moet hebben om nauwkeurig' van de Transvaalsche financiën op de hoogte te wezen. Transvaal had op het oogenblik van de annexatie, evenals bijna elk land ter wereld, schuld; maar ofschoon de toestand des lands in vele opzichten verbetering had ondergaan, de schuld is gedurende het Britsche beheer niet afgelost.quot; ')

Aldus werd een bij herhaling opgewarmd verdichtsel op officieele wijze weersproken.

De Pretoria-Conventie werd op den 3den Augustus geteekend en ter bekrachtiging aan een Volksraad gezonden, die onmiddellijk gekozen zou worden. Voor dezen laatsten stap was drie maanden tijd toegestaan; terwijl bepaald was dat de Conventie van nul en geener

') Blauw Boek C — 3114.

ocr page 132

I 20

waarde beschouwd zou worden, indien zij den 3dei1 November 1881 niet bekrachtigd was. De bepalingen van de Conventie konden den leden van het Driemanschap niet voldoen, en toen zij ze aan den Volksraad aanboden, deden zij ook geen poging om hunne ontevredenheid te verbergen. „Wij kunnen ons niet vleien,quot; zei de heer Kruger in zijne hoedanigheid van Vice-President, „met de hoop, dat de Conventie u in al hare onderdeelen zal bevredigen. Zij heeft ook ons niet bevredigd, maar wij wagen het u de verzekering te geven, dat wij haar geteekend hebben in de overtuiging, dat in de gegeven omstandigheden ware liefde voor ons vaderland en bezorgdheid voor het welzijn van Zuid-Afrika van ons eischten onze handteekening aan deze Conventie niet te onthouden.quot; De besprekingen in den Volksraad toonden aan dat Krugers woorden welgekozen waren. Onderscheidene punten van de Conventie lieten de leden van den Volksraad geheel onvoldaan. Hoofdzakelijk waren het de volgende punten, die tot tegenwerpingen aanleiding gaven: i0. in de vredesvoorwaarden, geteekend bij Laing's Nek, wordt den Suzerein het toezicht gelaten over de betrekkingen met vreemde mogendheden, terwijl de Conventie spreekt van het „regelenquot; dier betrekkingen ; 20. het standpunt waarop de resident zich te plaatsen had, die volgens de Conventie kon tusschenbeide komen in sommige gevallen, het inwendig bestuur betreffende, in stede van eenvoudig den Suzerein te vertegenwoordigen; en 30. de betaling door de Republiek van schulden, die wellicht niet eens bestonden. Onmiddellijk werden omtrent deze punten telegrafisch inlichtingen gevraagd aan den heer Gladstone, wien de Transvaalsche burgers nog steeds innig dankbaar zijn, als de bewerker van hunne herstelde onafhankelijkheid. Het antwoord, dat ontvangen werd, bevatte geen onmiddellijke concessies, ofschoon de hoop op herziening in de toekomst bleef bestaan, indien bij

ocr page 133

12 1

ondervinding bleek, dat de Conventie niet voldeed. Met deze verzekering achtten de leden van den Volksraad zich verplicht voorloopig genoegen te nemen, ongetwijfeld in het nemen van dit besluit bijgestaan door den raad van vrienden in Zuid-Afrika, die begrepen, dat de Engelsche Regeering, de publieke opinie in Engeland in aanmerking nemende, niet verder gaan kon dan in de Pretoria-Conventie was uitgedrukt. De Raad bekrachtigde de Conventie om redenen, welke in het bekrachtigingsbesluit verklaard worden. „Deze redenen,quot; zoo luidt het daarin, „durft de Raad, zonder eenig voorbehoud, aan de geheele wereld openbaren. Ze kunnen in het kort samengevoegd worden, als volgt; „De Raad deinst terug voor hernieuwd bloedvergieten tusschen rassen, die geroepen zijn samen te werken en elkander achting toe te dragen; de Raad deinst terug voor hernieuwde tweespalt tusschen de hoofdvertegenwoordigers van het blanke ras in Zuid-Afrika, waardoor de welvaart van alle landen en koloniën in Zuid-Afrika ondermijnd wordt.quot;

Waren deze beweegredenen ernstig gemeend? Ongetwijfeld. Het gevoel van eene Zuid-Afrikaansche nationaliteit heeft altijd gewoond en woont nog in deze pioniers van orde en beschaving. Zoowel door afstamming als door de geschiedenis verbonden aan al wat Afrikaner heet, zoo in den Vrijstaat als in de beide Britsche koloniën, hebben zij steeds de kracht gevoeld van de gemeenschap, daar waar zij hetzelfde doelwit voor oogen en dezelfde gevaren te overwinnen hebben. Het spreekt vanzelf, dat er een nauwere aaneensluiting bestaat tusschen de Afrikaners van Transvaal, den Vrijstaat en Natal, dan tusschen de Transvaalsche Afrikaners en die van de Kaapkolonie, want die van Transvaal, den Vrijstaat en Natal zijn allen loten van denzelfden stam — van de trekboeren — die deelnamen aan de „Groote Trekquot; in 1836. De Vrijstaatsche burgers boden materieele hulp, zooals wij gezien hebben, aan de strijdende Trans-

ocr page 134

122

valers in 1880—-81 en waren tot veel krachtdadiger hulp bereid geweest, indien dit noodig ware gebleken; want het is een bekend feit, dat in Natal de sympathie van de Hollandsche bevolking zich niet tot woorden bepaalde.1) Toen er, zooals wij later zien zullen, oneenigheid ontstond tusschen eenige Kaapsche Afrikaners en hunne stamverwanten in de Zuid-Afrikaansche Republiek, kon men de oorzaak vinden in de aanwezigheid van zekere bijzondere invloeden, die, voor zoover de Kaapsche Afrikaners er in betrokken waren, thans hunne kracht verloren hebben.

De Pretoria-Conventie was dus in beproeving — eene Conventie, die voor wijziging vatbaar was, indien zij bleek niet te voldoen. Het duurde niet lang of de gebreken kwamen aan het licht. Het eerste twistpunt betrof het aannemen door de Regeering van Pretoria van den ouden naam: Zuid-Afrikaansche Republiek. Eene scherpe nota van den Staatssecretaris aan den Hoogen Commissaris, die den Suzerein vertegenwoordigde, hield in dat, overeenkomstig de Conventie, de titel Zuid-Afrikaansche Republiek had opgehouden te bestaan en vervangen was door „Transvaalsche Staat.quot; Deze naamsverandering was een ernstige grief in de oogen van de Transvaalsche burgers, die daarin meenden te zien, dat zij dan toch eigenlijk een gedeelte van hunne onafhankelijkheid ingeboet hadden. Bovendien leverde het bezigen van den naam „Transvaalsche Staatquot; in stede van „Zuid-Afrikaansche Republiekquot; voor het Britsch Gouvernement in geen enkel opzicht eenig voordeel op, tenzij Lord Kimberley's zin voor symmetrie gestreeld moge zijn geworden door de

^ Na den raid van Jameson verschafte de houding van de Hollanders in Natal menig angstig oogenblik aan de Natalsche Regeering, zoodat deze, naar uit officieele documenten blijkt, een verzoek richtte tot den Transvaalschen Uitvoerenden Raad om zijn invloed te gebruiken tot het in bedwang houden van de Natalsche Boeren.

ocr page 135

123

gelijkluidendheid met Oranje-Vrijstaat. Ongetwijfeld had het bezigen van dien naam ten doel in de Pretoria-Conventie van 1881 duidelijk te doen uitkomen in hoever de door de Zandrivier-Conventie in 1852 gewaarborgde vrijheid beperkt was. De Regeering te Pretoria bestreed de juistheid van deze opvatting met de Pretoria-Conventie zelve, waarin, hetzij dan bij vergissing of niet, duidelijk geschreven stond, dat het land „here-in-afterquot; — niet „here afterquot; bekend zou zijn als de „Transvaalsche Staatquot;.

Ook de bepalingen betreffende de houding tegenover vreemde mogendheden gaven spoedig aanleiding tot wrijving en onrust. Het Ministerie van Koloniën meende zich het recht te mogen aanmatigen de betrekkingen met vreemde mogendheden voor de Republiek te „regelenquot; in plaats van er eenvoudig „het toezicht op te mogen houdenquot;, en eischte dat de bepalingen van de Pretoria-Conventie stipt zouden nagekomen en alle onderhandelingen tusschen de Regeering te Pretoria en het Buitenland gevoerd zouden worden door Britsche gezanten of consulaire ambtenaren. Men begrijpt gemakkelijk dat het Gouvernement te Pretoria te dien opzichte in geenen deele te gemoet gekomen werd. Een eigenaardig geval deed zich te dezer zake voor, toen het Gouvernement te Pretoria het wenschelijk achtte met de Portugeesche Regeering te Delagoabaai in correspondentie te treden. De weg, welken deze correspondentie moest afleggen, was als volgt; van de Transvaalsche Regeering naar den Britschen Resident te Pretoria; van den Britschen Resident naar den Hoogen Commissaris in Kaapstad; van den Hoogen Commissaris naar het Ministerie van Koloniën te Londen ; van het Ministerie van Koloniën naar Buitenlandsche Zaken; van Buitenlandsche Zaken naar den Portugeeschen Gezant te Londen; van den Portugeeschen Gezant naar de Portugeesche Regeering te Lissabon; van Lissabon naar Delagoabaai — en

ocr page 136

124

denzelfden weg terug. Zulk een langdradigheid werkte verlammend en was tevens vernederend. Terwijl het Britsche Gouvernement zich zoo gestreng hield aan de controle op de betrekkingen met vreemde mogendheden, gaf het, noch bood het eenig voorrecht in ruil daarvoor aan. De rechten van den Suzerein werden nauwgezet gehandhaafd, maar de verantwoordelijkheid, welke de Suzereiniteit oplegde, werd eenvoudig voorbijgezien. Hoe is het mogelijk geweest, heeft een hooggeplaatst Fransch ambtenaar — Monsieur Desjardins — gevraagd, dat een Staat protectoraat oefent zonder iets te doen in het voordeel van het geprotectoreerde land ? Deze vraag is ook heden ten dage niet van belangrijkheid ontbloot.

Wrijving ontstond bovendien tengevolge van de woelingen der inboorlingen op de westelijke grenzen, waar, in weerwil van de protesten bij de Koninklijke Commissie ingebracht, de schaduw van de Keate Award aan eene grensregeling, die den vrede verzekerd zou hebben, in den weg had gestaan. Over het geheel werd er van de Keate Award, die, tot uitvoering gebracht, de Republiek van een aanzienlijk, door Europeanen bewoond stuk grondgebied beroofd zou hebben, geen notitie genomen. Toen de annexeerende Regeering de hoogste macht vertegenwoordigde, wilde het van geen vermindering van grondgebied weten en het zou natuurlijk moeilijk, zoo niet onmogelijk geweest zijn op de herstelde Republiek aanspraken te laten gelden, die onder het Britsch gezag niet erkend waren. Niettemin werden, waar dat mogelijk was, stukken van het grondgebied der Republiek afgeknipt, waarvan het gevolg was, dat inlandsche hoofden, die binnen de Transvaalsche grenzen wenschten te wonen, er buiten werden gehouden en bloot stonden aan de aanvallen van erfvijanden, die voordeel trachten te trekken uit hun isolement. Gedurende het gansche jaar 1882 waren deze toestanden het onderwerp van bittere klachten uit

ocr page 137

125

Downing Street tegen de Regeering te Pretoria, wier taak nog bemoeilijkt werd door machtige stammen in het Noorden, die tegen haar opgezet werden. Het stamhoofd Mapoch, wiens sterkte den weg van Pretoria naar Lijdenburg beheerschte, kwam in opstand en kon eerst na maandenlangen, harden strijd ten onder gebracht worden. Deze oorlog met Mapoch had bovendien ook indirecten invloed op den algemeenen toestand, want hoe de wenschelijkheid ook ingezien werd eene deputatie naar Engeland te zenden, ten einde te trachten alle oorzaken voor misverstand weg te nemen, meende men hiertoe niet te moeten overgaan voor de oorlog met Mapoch geëindigd was.

In den aanvang van 1883 hadden er echter twee gebeurtenissen plaats, die krachtig hielpen om tot eene oplossing van alle moeielijkheden met Engeland te komen. In Transvaal was de heer Kruger met groote meerderheid tot President gekozen: 3431 stemmen tegen 1171 op den Commandant-Generaal Joubert. Dat de heer Kruger gekozen zou worden was reeds lang eene uitgemaakte zaak. De invloed, dien hij verkregen had, en zijne niet genoeg te waardeeren, vaderlandslievende diensten aan zijn land maakten hem den meest gewenschten candidaat. Een oogenblik dachten sommigen er nog over den heer J. G. Kotzé, den Hoofd-rechter van de Republiek als derden kandidaat te stellen, maar de heer Kotzé was zoo verstandig dit aanbod van de hand te wijzen. Terzelfder tijd ongeveer had er in Engeland eene gewichtige verandering plaats. Lord Derby, die zich in 1878 uit het Ministerie-Beacons-field teruggetrokken had, nam zitting in het Kabinet-Gladstone en verving Lord Kimberley als Minister van Koloniën, terwijl aan dezen de betrekking van Secretaris van Staat voor Indië werd opgedragen. Als Secretaris van Staat voor Koloniën heeft Lord Derby aan veel kritiek blootgestaan. Toen hij de verantwoordelijkheid voor de Koloniale zaken op zich nam, beschreef de

ocr page 138

126

Times hem als een „koudwater-machine.quot; Uit Kaapland trof hem de beschuldiging van de Britsche belangen verwaarloosd te hebben, door Duitschland te veroorloven den voet in Zuid-West-Afrika te zetten. Afgaande op alles wat later voorviel, schijnt er reden te over te zijn om aan te nemen, dat eene „koudwater-machinequot; aan het Ministerie van Koloniën te Londen nog zoo heel slecht niet is. Welke tekortkomingen Lord Derby echter gehad moge hebben, één ding kan men hem niet ontzeggen. Hij bezat eene grondige kennis van de grondregels en de praktijk van de staatkunde. Hij begreep dat verdragen en conventies ten doel hebben tot overeenstemming te komen en niet tot voortdurende twisten aanleiding te moeten geven. Ook begreep hij dat diplomatieke onderhandelingen op beleefden toon gevoerd moeten worden.

Daarom, vertrouwende op hetgeen bij het bekrachtigen van de Pretoria-Conventie voorgespiegeld was, en in de meening dat Lord Derby handelbaarder zou bevonden worden dan Lord Kimberley, nam de Uitvoerende Raad, op aandringen van den heer Kruger, maatregelen om den weg te bereiden voor nog eene deputatie naar Engeland. In het voorjaar van 1883 begaf Dr. Jorissen zich naar Londen, met opdracht poolshoogte te nemen en zich te vergewissen of de Britsche Regeering bereid werd gevonden eene wijziging van de bestaande Conventie te bespreken. Dr. Jorissen bevond dat de stemming over het geheel ten gunste was van de inzichten van de Transvaalsche Regeering en deelde per telegraaf aan den Uitvoerenden Raad mede, dat Lord Derby genegen was eene deputatie in Londen te ontvangen. Intusschen had de Volksraad, onafhankelijk van Dr. Jorissens inlichtingen, een besluit genomen waarvan de hoofdinhoud luidde, dat de tijd voor het herzien van de Pretoria-Conventie nu aangebroken was, terwijl de Regeering gemachtigd werd de noodige

ocr page 139

127

stappen te doen om zich van die herziening te verzekeren. 1)

Lord Derby's toestemming om zulk eene deputatie te ontvangen was dus eigenlijk vooruitgeloopen en er werd bepaald, dat de deputatie, bestaande uit de hee-ren Kruger, S. J. du Toit en N. J. Smit, in het eerste begin van November te Londen zou zijn.

De keuze van deze deputatie schijnt wel eenige verklaring te behoeven. Dat President Kruger er toe zou behooren, was duidelijk; ook de keuze van den heer Smit, die zich in de Vrijheidsoorlog zeer verdienstelijk gemaakt had en toen reeds, of wellicht een weinig later, tot Vice-President benoemd was, mag begrijpelijk genoemd worden. Hoe men er echter toe gekomen is den heer S. J. du Toit in die commissie te benoemen, is nog steeds een raadsel. Op dat tijdstip bekleedde hij de, uit een politiek oogpunt namelijk, niet zeer gewichtige betrekking van Superintendant van Onderwijs in Transvaal, eene betrekking, waarvan hij de plichten te hooi en te gras en dan nog op geheel onvoldoende wijze waarnam. Hij was niet zoo bijzonder bekend in Transvaal, noch genoot hij daar een overmatig vertrouwen. Sommigen hadden zelfs wantrouwen tegen hem opgevat naar aanleiding van de houding, door hem, in de Kaapkolonie zijnde, tegen Transvaal aangenomen in zake de geschillen, welke in 1889 en 91 rezen uit de eerste Swazieland-Conventie. Het heeft bijna den schijn gehad of de heer du Toit met eenig doel, dat vreemd was aan het hoofddoel van de deputatie, zich in eene positie gewerkt heeft, waarvoor hij volstrekt niet berekend was.

De deputatie kwam in de eerste week van Novem-

1

) In zijne „Transvaalsche Herinneringenquot; schrijft Dr. Jorissen, dat hij in Juli 1883 in staat was te seinen dat de Britsche Regeering bereid was afgevaardigden te ontvangen. Het besluit van den Volksraad is gedateerd van Juni, maar het komt onwaarschijnlijk voor dat zulk een besluit zonder grond genomen zou zijn.

ocr page 140

128

ber 1883 te Londen aan en stelde Lord Derby, op diens verzoek, een stuk ter hand, waarin zij hare wen-schen duidelijk uiteenzette. Dit stuk — Blauw Boek C 3Q14, pag. 2—5 — bevat de hoofdbezwaren tegen de Pretoria-Conventie in haar geheel en bovendien eene opsomming van punten, waarop die Conventie minder geschikt in de toepassing gebleken was. Allereerst werd er op gewezen dat de Pretoria-Conventie niet was de uitslag van eene vrije onderhandeling tusschen twee partijen, maar „een eenzijdig document door eene Koninklijke Commissie in elkander gezetquot;, waarin de Transvaalsche burgers niet vertegenwoordigd waren; dat van de zijde der Transvaalsche burgers op onderscheidene punten objecties gemaakt waren, waaraan de leden der Commissie niet de minste aandacht geschonken hadden ; dat de Conventie op onderscheidene punten eene schending was van de voorwaarden, waarop de voorloopige vrede bij Laing's Nek gesloten was; dat de Conventie een tijdelijk karakter scheen te dragen; dat zij door den Volksraad, onder protest en alleen om verder bloedvergieten te voorkomen, bekrachtigd was; eindelijk dat de ondervinding gedurende twee jaren geleerd had dat de objecties op goede grondslagen berustten. Voorts werd aangevoerd dat de Conventie hoofdzakelijk onpractisch gebleken was: i0. ten aanzien van de westelijke grenzen; 20. ten aanzien van de Suzereine rechten van Hare Majesteit; 30. ten aanzien van de aan de Transvaalsche Regeering opgelegde verplichting om alle maatregelen, de belangen der inboorlingen betreffende, aan de goedkeuring van Hare Majesteit te onderwerpen; en eindelijk ten aanzien van de financieele lasten aan de Republiek opgelegd. De vaststelling van de westelijke grenzen had onder de Kafferstammen verdeeldheid gezaaid; het toezicht van den Suzerein op de betrekkingen met vreemde mogendheden had het onderhouden dier betrekkingen zeer omslachtig gemaakt en

ocr page 141

129

de gelegenheid geopend tot het stelen van vee op de grenzen; terwijl de verplichting om aan Harer Majes-teits Regeering alle maatregelen te onderwerpen, die betrekking hadden op de belangen der inboorlingen, eene enorme macht stelde in de handen van de stammen, welke tot oproer geneigd waren. Al deze moeilijkheden en objecties in aanmerking genomen, sprak de deputatie de verwachting uit, dat de Pretoria-Conventie in overeenstemming gebracht zou worden met de grondbeginselen van het internationale recht; dat Groot-Brittanië en Transvaal gebracht zouden worden in de verhouding van twee contracteerende partijen; dat de grenzen zoodanig gewijzigd zouden worden als noodig was om rust en orde te verzekeren; dat de Zuid-Afrikaansche Republiek bevrijd zou worden van de haar aangelegde breidels, die haar in hare betrekkingen met de Kafferstammen op hare grenzen beletten de maatregelen te nemen, welke de measchehjk-heid en de wensch om den vrede te bewaren, voorschreven ; eindelijk dat de Republiek ontslagen zou worden van de verantwoordelijkheid voor schulden, welke gedurende de annexatie aangegaan waren.

Het antwoord op deze voorstellen was van het ïrans-vaalsche standpunt gezien geheel onvoldoende; vooral viel hun Lord Derby's weigering tegen om aan de Zand-Rivier-Conventie van 1852 eenige bindende kracht toe te kennen. Het zou vervelend worden de gevolgde correspondentie verder na te gaan. Wat echter onze aandacht niet mag ontgaan is het feit dat de deputatie, onmiddellijk bij hare aankomst in Engeland, tot het voorwerp gemaakt van een ijverigen veldtocht van de zijde van een deel van het publiek, dat zich zeiven altijd beschouwt als de aangewezen advocaten voor de rechten der inboorlingen van Zuid-Afrika en als de aangewezen vijanden van het Hollandsche ras. Het was inderdaad eene herhaling van de campagne, door Dr. Philip in 1835 0P touw gezet tegen de Hollandsche

9

ocr page 142

13°

bevolking van de Kaap-Kolonie. Op den i7den November, ongeveer veertien dagen na de aankomst van de deputatie in Londen, werd er eene reusachtige meeting gehouden in Mansion House onder voorzitterschap van den Lord Mayor — den lateren Alderman Sir Robert Towler, Lid van het Parlement — met het doel den arbeid van de deputatie te benadeelen en hoofdzakelijk te beletten, dat de westelijke grenzen van Transvaal herzien zouden worden, zooals de Transvaalsche afgevaardigden noodzakelijk achtten voor het handhaven van vrede en rust. De voornaamste sprekers op deze meeting waren behalve de Graaf van Shaftesbury, de heer W. E. Forster, de Eerwaarde John Mackenzie, Sir Henry Barkly en Sir T. Fowell Buxton. Alle oude lasterpraatjes over de Hollandsche bevolking van Zuid-Afrika werden verfraaid en verfijnd ter tafel gebracht, terwijl de Bechuana-hoofden, die door de zendelingen in bescherming waren genomen, beschreven werden als voorbeelden van alle Christelijke en burgerdeugden. Hetgeen aan deze meeting een bepaald vervolgend karakter gaf was de omstandigheid, dat de voorzitter al zijn invloed, als Lord Mayor èn als lid van het Parlement, gebruikt had om te voorkomen, dat er eenige openbare vijandelijkheid aan den dag gelegd zou worden tegen eene deputatie, die met eene vrienschappelijke opdracht en op uitnoodiging van Harer Majesteits Regeering Engeland bezocht. ')

De invloed van deze meeting en van de parlementaire en openbare macht, die zij vertegenwoordigde, is van het begin tot het einde in Lord Derby's correspondentie merkbaar, ofschoon deze correspondentie van beide zijden op den hoffelijksten toon is gevoerd. De meeting en de macht, die er achter zat, vertegenwoor-

Men leze het rapport van de meeting, gepubliceerd door de „Aborigines Protection Societyquot; (vereeniging tot bescherming van de oorspronkelijke bewoners) in 1884 in eene brochure getiteld: „De Bechuana's, de Kaapkolonie en Transvaal,quot;

ocr page 143

i3i

digden een factor, die niet over het hoofd gezien kon worden. Lord Derby zelf, hij moge dan een koudwa-termachine geweest zijn, kon in het gezicht van die macht niet tot eene beslissing komen. Van hier zijn herhaald verzoek, dat de quaestie van de westelijke grenzen zou uitgemaakt worden alvorens eenig ander punt in discussie gebracht werd. Al wat der Zuid-Afrikaansche Republiek is aangewreven, is geschied op losse geruchten, op lasterlijke beschuldigingen ten gevolge van onwetendheid en overgeërfd vooroordeel en gesteund door valsche voorstellingen, van officieele en niet-officieele zijde, in sommige gevallen voortspruitende uit eene al te levendige verbeeldingskracht en in andere gevallen uit het beredeneerde plan om te misleiden. En welke voordeelen verzekerde deze agitatie aan hen, die de zoogenaamde protege's heetten ? Geen enkel. Bechuanaland is bij de Kaapkolonie ingelijfd. De hoofden, die in Mansion House zoo in de hoogte gestoken waren, zijn van de aarde weggevaagd door krachten, officieele en industrieele, onder de schaduw van de Britsche vlag. De Republiek, die op zulk eene ergerlijke wijze gebrandmerkt werd, staat er geheel buiten en heeft, nu het bureau van Transvaal-belaste-ring van de zendelingen op de speculanten is overgegaan, in de laatste twee jaren doorslaande bewijzen gegeven van hare bekwaamheid, om hare eigene belangen en hare onafhankelijkheid te beschermen tegen arglistige intrige en georganiseerde aanvallen.

In weerwil van de agitatie door het zendelingencomité in het leven geroepen, slaagde de Transvaalsche deputatie er toch in belangrijke concessies te verkrijgen. Eén ding echter — en het is goed zich dat altijd te herinneren — bleef de Britsche Regeering standvastig weigeren, n.1. de nieuwe Conventie te erkennen als eene overeenkomst tusschen twee gelijkstaande con-tracteerende partijen. Het is niet meer dan rechtvaardig deze omstandigheid in het oog te houden, want wat

ocr page 144

132

ook de praktische uitslag van de voorzieningen der Londensche Conventie geweest moge zijn, theoretisch kan men haar niet anders dan eenzijdig noemen. In een ontwerp-verdrag, dat aan Lord Derby's goedkeuring onderworpen werd, eischen de Transvaalsche afgevaardigden het opnemen van het principe van arbitrage, voor het geval er eenig misverstand mocht ontstaan over de juiste opvatting van de Conventie. Ofschoon er geen stellige weigering van de Britsche Regeering op dezen eisch gevolgd is, bestaat er ook nergens eenig bewijs van eene toestemming. Of het rechtvaardig en slim is de arbitrage te weigeren; of de verhoudingen niet van dien aard zijn dat ze een beroep op arbiters eischen en rechtvaardigen in geval van oneenigheid; of er zich inderdaad niet reeds een geval heeft voorgedaan, waarin men tot arbitrage zijne toevlucht heeft genomen — dit zijn vragen, die geheel op zich zelve staan. Het is een feit, dat er in de Londensche Conventie geen woord gerept wordt van eene overeenkomst tot arbitrage, terwijl in de correspondentie wel degelijk voorkomt, dat een voorstel daartoe door de Britsche Regeering van de hand gewezen is. Hoe billijk ook, hoezeer ook steunende op een zedelijk recht, het recht om arbiters te benoemen is in de Londensche Conventie niet beslist erkend.

Ook de quaestie van de Suzereiniteit bleef nog aan twijfel onderhevig. Uit het oogpunt der praktijk beschouwd komt men tot de overtuiging dat, indien er uithoofde van de Pretoria-Conventie eene Suzereiniteit bestond, deze opgehouden heeft te bestaan toen de Londensche Conventie in werking trad. Het hoofdverschil tusschen beide Conventies is, dat in de Londensche bijna al de macht, welke het Britsche Gouvernement zich bij de Pretoria-Conventie voorbehouden had, ingetrokken werd. Het recht, om troepen door het land te vervoeren, werd ingetrokken. De macht van den Britschen Resident werd teruggebracht binnen de

ocr page 145

133

grenzen van het ambt eens consuls. Elk recht om zich met het inwendig bestuur der Republiek te bemoeien was opgeheven. De Republiek is volkomen vrij in hare diplomatieke correspondentie met vreemde mogendheden en in het aanstellen van vertegenwoordigers aan buitenlandsche hoven. Het eenige spoor van Brit-sche controle is nog te vinden in de bepaling, vervat in Art. 4 der Londensche Conventie, dat Transvaal verplicht is aan de goedkeuring en ter „volmakingquot; aan de Britsche Regeering te onderwerpen alle verdragen met vreemde Staten, waarbij de Britsche Regeering echter alleen dan haar veto mag uitspreken, indien eenig verdrag in strijd zou zijn met de Britsche belangen in Zuid-Afrika of elders.

Er kan niet de minste twijfel bestaan of men verkeerde van het oogenblik af, waarop de Londensche Conventie geteekend is, tot ongeveer een jaar na den raid van Jameson, van weerszijden in de meening dat de Suzereiniteit opgeheven was. Het krachtigste argument ten gunste van het voortbestaan schijnt te liggen in de omstandigheid, dat ofschoon de artikelen van de Pretoria Conventie vervangen werden door die van de Londensche Conventie, de inleiding van de Pretoria Conventie, waarin op de eene of andere wijze naar de Suzereiniteit verwezen wordt, niet vernietigd is door de vervanging der artikelen. Van den anderen kant moet veel afhankelijk gesteld worden van de verklaring door de Britsche vertegenwoordigers van de Suzereiniteit gegeven, toen de voorwaarden van den vrede bij Laing's Nek besproken werden. De aantee-keningen van deze onderhandelingen bevatten de volgende zinsneden: „Generaal Wood stelde voor in de omschrijving van de Suzereiniteit in te lasschen, dat de Suzerein het recht zou hebben troepen te vervoeren door den vazal-staat, indien de omstandigheden dit eischten. De vertegenwoordigers der Boeren stemden dit gereedelijk toe, maar op de opmerking van Dr.

ocr page 146

134

Jorissen, dat het een gebruikelijk prerogatief is van den Suzerein, werd met algemeene stemmen besloten het er uit te laten.quot; 1)

In weerwil van dit besluit werd het recht van troepenvervoer door den Suzerein met opzet in het tweede artikel van de Pretoria Conventie 2) opgenomen, om uit de Londensche Conventie geheel te verdwijnen. Spreekt het nu niet vanzelf, dat als bij Laing's Nek van weerszijden is aangenomen dat het een prerogatief van den Suzerein is, troepen te mogen vervoeren door den Vazalstaat, dat het opzettelijk achterwege laten van dit recht ook het verdwijnen van de Suzereiniteit in zich sluit, zelfs al verwijst de inleiding van de Pretoria Conventie naar eene Suzereiniteit en al strekt die inleiding zich indirect ook over de Londensche Conventie uit? De eenige vraag is: „Wat verstaat men door Suzereiniteit? Wat sluit die in?quot; — Blijkt het nu uit de inzichten van internationale rechtskundigen, dat de voorwaarden waaronder de Zuid-Afrikaansche Republiek bestaat, niet die zijn, welke gebruikelijk zijn voor een Staat onder Suzereiniteit, dan heeft de Suzereiniteit van Groot Brittannië over de Zuid-Afrikaansche Republiek opgehouden te bestaan en maken zij, die deze Suzereiniteit willen handhaven, zich schuldig aan eene grove diplomatieke fout.

In weerwil van het ophitsen der publieke meening en niettegenstaande sommige belangrijke punten nog duidelijker omschrijving behoefden, hadden de heer Kruger en zijne mede-afgevaardigden, zooals reeds gezegd is, alle reden om tevreden te zijn over den uitslag der onderhandelingen. Wat hun misschien wel de grootste voldoening gaf was de ontdekking, dat zij onder het regiment van Lord Derby niet alleen met

1

Blauwboek C—3114 bladz. 54. ') idem bladz. 39.

ocr page 147

135

groote hoffelijkheid behandeld werden, maar dat uit al diens doen en laten duidelijk de wensch bleek, een duurzame verhouding in het leven te roepen, die beide partijen zou kunnen voldoen. De eenvoudige omstandigheid dat de Londensche Conventie in tweevoud is opgemaakt — in het Hollandsch en in het Engelsch — vormt een in het oogloopend contrast met de wijze, waarop de Pretoria Conventie behandeld is geworden; terwijl de beleefdheid van Lord Derby, om, ofschoon de bekrachtiging van de Conventie nog hangende was, den afgevaardigden volle vrijheid te verleenen. om met het buitenland te onderhandelen, zeer op prijs werd gesteld. Deze onderhandelingen hadden hoofdzakelijk betrekking op den spoorweg naar Delagoabaai en ter betere bereiking van hun doel brachten de Transvaalsche afgevaardigden bezoeken aan Holland en Lissabon, gepaard met een uitstapje naar Berlijn. De ernst waarmede de heer Kruger de spoorwegpolitiek van President Burgers voortzette, pleit op bewonderenswaardige wijze voor zijn ruimen blik op 's lands welvaart en toekomst, welk getuigenis nog meer waarde verkrijgt door de pogingen, in het geheim te Kaapstad in het werk gesteld, om den Volksraad over te halen te verklaren, dat de oorspronkelijke concessie voor den spoorweg vervallen is.

De Transvaalsche Deputatie kwam in het begin van Maart 1884 in den Haag aan, nadat de Londensche Conventie den 27sten Februari geteekend was. Hunne ontvangst getuigde van groote sympathie. Na een kort verblijf in de residentie werd de reis voortgezet naar Amsterdam, waar hun eene luisterrijke ontvangst bereid was, terwijl de aanwezigheid aan het station van eene weerbaarheidsvereeniging en het ontplooien van talrijke Transvaalsche vlaggen niet weinig levendigheid aanbracht en zichtbaar indruk maakte. Eene officieele receptie bij den Burgemeester volgde; ook werd o. m. een bezoek gebracht aan de brandweer, waarbij Generaal

ocr page 148

136

Smit den goeden naam van Transvaal als het land der goede schutters ophield, door bij de beproeving van een nieuw toestel om menschen te redden, een pijl, waaraan een touw verbonden was, door het dakvenster van een der naburige woningen te schieten. Een tocht door Noord-Nederland, bezoeken aan Antwerpen en Rotterdam en het boven vermelde uitstapje naar Berlijn, waar zij op de meest hartelijke wijze ontvangen werden door Keizer Wilhelm I, strekte zoowel om Transvaal meer bekend te doen worden in Europa, als om de deputatie belangrijke indrukken van Europa mede te geven. Ook Parijs, waar den afgevaardigden een diner werd aangeboden onder presidium van Ferdinand de Lesseps, werd niet vergeten. Het bezoek aan Lissabon, waarbij de afgevaardigden vergezeld werden door de heeren Beelaerts van Blokland en Maarschalk — laatstgenoemde was een der grootste aandeelhouders in den Delagoa-spoorweg — was bijna geheel aan de zaken gewijd. Het doel van het bezoek was, zoo mogelijk eene overeenkomst te sluiten met de Portugeesche Regeering of met kolonel McMurdo, concessionaris van het Portugeesche gedeelte van den Delagoabaai-spoor-weg, opdat de Transvaalsche Regeering de handen vrij zou krijgen om den spoorweg in eigenland te verlengen. Bovendien was het wenschelijk eenige wijzigingen te brengen in het handelstractaat, door President Burgers in 1875 met Portugal gesloten; hoofdzakelijk om eenige artikelen van dat tractaat te verlengen voor den geheelen duur van de concessie voor den Delagoabaai-spoorweg.

Den 17 den Mei, na een verblijf van tien dagen te Lissabon, kon de heer Kruger de nieuwe artikelen van het Handelsverdrag teekenen en had hij de toezegging verkregen, om indien Kolonel McMurdo weigerde tot eene billijke regeling te komen omtrent een doorloopend spoorwegtarief, het Transvaalsche Gouvernement zelf eene concessie zou kunnen aangaan voor den aanleg

ocr page 149

•37

en de exploitatie van een spoorweg van Lourengo Marques naar de grens van de Republiek. Men kan veilig aannemen dat beide stukken gewichtige diensten hebben bewezen, want al zijn ze niet gebruikt behoeven te worden, ze hebben zeker niet nagelaten een heilzamen druk te oefenen op Kolonel McMurdo. Het is in verband met later gevolgde besprekingen van belang er hier op te wijzen, dat het Handelsverdrag eindigt, zoodra de concessie voor den spoorweg herroepen mocht worden.

Nog een gevolg van het bezoek aan Holland mag niet onvermeld blijven, nl. dat de heer Kruger zich voor de Republiek verzekerde van de diensten, om te beginnen als Staatsprokureur, van Dr. Leyds, die toen juist te Amsterdam den doctorsgraad behaald had. Deze keuze is door den uitslag ten volle gerechtvaardigd. Gedurende bijna veertien jaar is Dr. Leyds de trouwe en onvermoeide dienaar geweest van de Republiek en, al mag hij vijanden hebben, niemand heeft zeker ooit getwijfeld aan de deugdelijkheid en oprechtheid zijner adviezen.

ocr page 150

HOOFDSTUK VUL Kruger en de goudvelden.

Het sluiten van de Londensche conventie, waarbij aan Transvaal de afschaffing gewaarborgd werd van voorwaarden en verhoudingen, welke even zoovele hinderpalen voor zijne ontwikkeling gebleken waren, ging gepaard met voorvallen, waarvan toen een ruim gebruik gemaakt werd en nog wordt om de vooroordeelen tegen de Regeering van de Republiek levendig te houden. Deze voorvallen vonden een oorzaak in de onoordeelkundige grensverandering in het Westen en in de regeeringloosheid, waardoor Zululand geteisterd werd ten gevolge van de politieke misgrepen van de Regeering van Natal. In beide gevallen droegen de voorvallen een volkomen gelijksoortig karakter. Twistende stammen of gedeelten van stammen namen de diensten aan van Transvaalsche burgers of van Engelsche onderdanen en boden hoeven aan in betaling. Op de westelijke grens was op zeer onoordeelkundige wijze een stuk land, toebehoorende aan het stamhoofd Massouw, van de Republiek afgesneden, zoodat dit stamhoofd nu bloot lag aan de aanvallen van zijn ouden vijand Mankoroane, die de onderscheiding genoot van in de bijzondere gunst te deelen van het zendelingenstation

ocr page 151

139

onder leiding van den Eerw. John Mackenzie. Aangezien Massouw reeds sinds vele jaren een bondgenoot geweest was van de Republiek, had hij ongetwijfeld recht op de bijzondere bescherming der Regeering te Pretoria. Deze bescherming kon echter niet verleend worden zonder dat de ïransvaalsche Regeering gevaar liep zich te steken in zaken buiten hare grenzen. Massouw verzekerde zich echter van de hulp van een aantal burgers, die dicht bij de grens woonden, en versloeg Mankoroane met deze hulp geheel. De Europeanen kregen hoeven op het grondgebied van dat opperhoofd en stichtten de Republiek Stellaland met de hoofdstad Vrijburg.

Op de grenzen tusschen Transvaal en Zululand had bijna hetzelfde plaats. Tengevolge van de onoordeelkundige politiek van de Natalsche Regeering ten aanzien van Zululand, was dit land gedurende een jaar ongeveer ter prooi aan regeeringloosheid en hevigen strijd. Hoofden en stammen, die trouw gebleven waren aan Cetyvvayo als vertegenwoordiger van het geslacht Chaka, werden voortdurend vervolgd door Usibepu, die, ofschoon dit geheel en al onwaardig, zich verheugde in de sympathie en den steun van het Gouvernement van Natal. Cetywayo, uit zijn land verdreven, eenige maanden na zijn herstel op den troon, stierf in de voor hem zoo ongewone gevangenschap en de hoofden van zijne partij, handelende in naam van Cetywayo's zoon, Dinizulu, riepen de hulp in van de bij de grenzen wonende Transvaalsche burgers en boden een groot aantal hoeven aan als belooning voor de te bewijzen diensten. Dit aanbod werd aangenomen en onder aanvoering van den heer Lucas Meyer — thans lid van den Eersten Volksraad te Pretoria — trok eene sterke afdeeling Boeren Zululand binnen. Hun tocht beantwoordde volkomen aan het doel. Usibepu werd in een geregeld gevecht verslagen en moest vluchten, zoodat voor het oogenblik de rust in Zululand hersteld was. De Boeren, in het bezit gesteld van

ocr page 152

140

de hun beloofde hoeven, stichtten een kleinen Staat onder den naam van Nieuwe Republiek, waarin spoedig eene hoofdstad verrees. Vrijheid genaamd.

Al deze voorvallen in Zululand werden door de Brit-sche Regeering met volmaakte onverschilligheid vernomen. De Zulu's, voornamelijk de aanhangers van Cetywayo's opvolger, stonden in een slechten reuk, zoowel bij de Regeering van Natal als bij het Ministerie van Koloniën. Zij hadden in Engeland geen vrienden; in Natal daarentegen werkzame en invloedrijke vijanden. Vandaar dat niemand er zich iets van aantrok, nu hun een stuk van hun grondgebied afgenomen werd. Integendeel, het werd waarschijnlijk beschouwd als eene gerechte straf voor hunne misdaad om de hulp van Transvaal in te roepen, waarbij, weinig tijd later, de Nieuwe Republiek werd ingelijfd. Op de westelijke grens van Transvaal was de stand van zaken anders. Het Kafiferhoofd Mankoroane was de gunsteling van de macht, die in 1883 de openbare meeting in Mansion House belegd had en grooten invloed op het Ministerie van Koloniën oefende. De heer Mackenzie, die zulk een overdreven lof verkondigd had van Mankoroane tegenover het Engelsche publiek, was in eene officieele betrekking geplaatst ten opzichte van Bechuanaland. Terwijl men dus het optreden van de Boeren in Zululand zwijgend had toegestaan, was er geen taal grof genoeg om de stichters van Stellaland te veroordeelen. Struikroovers en vrijbuiters waren zoo ongeveer de zachtste benamingen, die op hen toepasselijk werden verklaard, terwijl het Transvaalsche Gouvernement openlijk, ofschoon niet officieel, beschuldigd werd van zijne grenzen uit te breiden met de hulp van deze buiten de wet levende avonturiers. Zoo groot was de verontwaardiging, dat zelfs Sir Hercules Robinson, de Hooge Commissaris, anders zulk een omzichtig en verstandig man, er door op een dwaalspoor gebracht werd en, de maatregelen van de Kaapsche Ministers om de

ocr page 153

I4i

moeilijkheid op te lossen, tegenwerkende, zich liet verleiden tot het goedkeuren van stappen, waarover hij na korten tijd berouw gevoelde. De toestand werd nog ingewikkelder door de agitatie in eenige steden van de Kaap-kolonie tengevolge van het ontstaan eener vereeniging — de Empire Leaguequot;, door den heer J. W. Leonard, voormalig Minister, in het leven geroepen. Van den anderen kant werd de toestand ingewikkelder gemaakt door de handeling van een Trans-vaalsch ambtenaar — met name de Superintendant van Onderwijs, de heer S. J. du Toit — die de vlag der Republiek plantte buiten de grenzen van Transvaal. Deze willekeurige daad werd terstond te niet gedaan door de verantwoordelijke ambtenaren in Pretoria, maar toch, te zamen met de agitatie in de Kaapkolonie, maakte het in Engeland den indruk, dat eenig militair vertoon op de westelijke grens van Transvaal noodzakelijk was en dientengevolge werd er eene expeditie naar Bechuanaland op touw gezet onder bevel van den Generaal Sir Charles Warren.

Sir Charles Warren kwam tegen het einde van 1884 aan de Kaap aan. Op dat tijdstip was het echter aan Sir Hercules Robinson en het gematigde gedeelte van de bevolking van Zuid-Afrika duidelijk geworden, dat de politiek, welke uit de Warren-expeditie sprak, door de groote meerderheid van de kolonisten ten strengste werd afgekeurd en dat elke poging om de Boeren, die zich in Stellaland gevestigd hadden, te verdrijven of twist te zoeken met de Zuid-Afrikaansche Republiek in hooge mate onpopulair was. Twee oorzaken waren daarvoor te vinden; ten eerste werd de ware toestand in Bechuanaland veel beter doorzien in Zuid-Afrika dan in Engeland; ten tweede bestond er ernstige tegenkanting ten aanzien van de vestiging van een zende-lingenpost van Regeeringswege en met eene zekere officieele verantwoordelijkheid. De eerste uiting van ontevredenheid was merkbaar in den drang, welke

ocr page 154

142

op den heer Mackenzie geoefend werd, een drang, zoo sterk, dat hem geen andere uitweg overbleef dan het voor hem gecreëerde ambt op te geven. Het tweede zichtbare gevolg was het zoo spoedig mogelijk ontbinden van Sir Charles Warren's expeditie. Om den schijn op te houden bezocht zij Bechuanaland en vond daar alles in de volmaaktste orde en rust, terwijl het Keizerlijk Secretariaat den Hoogen Commissaris verzekerde, dat de Kolonisten in Stellaland zeer achtenswaardige menschen waren. Geen poging hoegenaamd werd er gedaan om hen te storen in hunne bezigheden op hunne hoeven, en na eene samenkomst met den heer Kruger, waarvan geen officieel rapport is opgemaakt, en eene dwaze, totaal mislukte poging om een zekeren heer Niekirk 1) te vervolgen, als beschuldigd van twee jaren te voren een Engelschman vermoord te hebben, verliet Sir Charles Warren Zuid-Afrika om Hoofdcommissaris te Londen te worden. Eindelijk werd Bechuanaland eene Britsche Kolonie, welker Regeering al heel spoedig genoodzaakt was dezelfde hoofden tot onderwerping te brengen, voor wier belangen met zooveel geestdrift was opgekomen in de meeting in Mansion House.

Een nieuwe dageraad scheen voor Zuid-Afrika te zullen aanbreken — een tijd van voorspoed, ingeleid door twee jaren van depressie op handelsgebied; een tijd van strijd, ingeleid door de schijnbaar met goeden uitslag bekroonde grondlegging van de Zuid-Afrikaan-sche eenheid. Zoowel de voorspoed als de strijd sproten voort uit de ontdekking van de rijke goudmijnen aan Witwatersrand, maar de voorspoed openbaarde zich vóór den strijd.

Te midden van de depressie op handelsgebied ontwikkelde zich een zin voor Zuid-Afrikaansche eenheid

*) De heer van Niekirk, die nog niet lang geleden als Commissaris van Politie te Johannesburg overleed, behoorde tot de beste type van Trans-vaalsche burgers en werd door allen, die hem kenden, geacht.

ocr page 155

143

en nationaliteit zooals men vijf of zes jaren te voren nauwelijks had kunnen voorzien. De Afrikaner Bond was de achterdocht, waarmede hij eerst was aangezien, te boven gekomen en erkend als een wettige en machtige factor in Zuid-Afrikaansche aangelegenheden, steeds met het doel voor oogen eene zuivere Zuid-Afrikaan-sche staatkunde te huldigen zonder het wettig en constitutioneel gezag van de Keizerlijke Regeering een oogenblik te kort te doen. Vrijmoedig erkenden de kolonisten van Engelsche afkomst het gewicht en den invloed van de Hollandsch sprekende bevolking en verblijdden zich bij de gedachte aan eene vereeni-ging der onderscheidene rassen ter bereiking van een waardig einddoel. Men voelde en geloofde dat de Engelsche bemoeiingen in Zuid-Afrikaansche zaken ten einde waren en de Zuid-Afrikaansche Staten vrij zouden zijn om gezamenlijk te arbeiden aan eene rijke, nationale toekomst. Als wilde men uiting geven aan de erkenning van dezen gelukkigen loop der dingen, werd het hoofd van den Afrikaner Bond, de heer Hofmeyr, die bij gelegenheid van het jubilee der Koningin in 1887 Engeland bezocht, overal verwelkomd als de vertegenwoordiger van een groot Zuid-Afrikaansch ideaal en als een getrouw burger van eene Britsche kolonie. Ook de toenemende invloed en populariteit van den heer Kruger scheen in geen enkel opzicht in strijd met het beginsel, gelegen in het bezoek van den heer Hofmeyr aan Engeland. Sinds het sluiten van de Londensche Conventie was alles pour le micux tusschen Londen en Pretoria. Eene in alle opzichten vriendschappelijke verhouding, die zelfs de herinnering aan vroegere geschillen wegwischte, scheen in het leven geroepen te zijn en de herkiezing van den heer Kruger in 1888, met 4483 tegen 834 stemmen op den heer Piet Joubert, scheen zoowel eene rechtmatige erkenning van zijne den lande bewezen diensten als een waarborg voor den voortdurenden bloei der Repu-

ocr page 156

144

bliek. Inderdaad, voor het eerst na de vestiging der Republieken scheen de lang gedroomde Zuid-Afri-kaansche eenheid een bepaalden vorm aan te nemen.

Intusschen had de ontdekking van de goudaders te Witwatersrand een activiteit doen ontwikkelen op handelsgebied, veel grooter dan de ontdekking van de diamantvelden, vijftien of zestien jaar te voren. De invoer en de inkomsten der beide Britsche koloniën namen hand over hand toe. Spoorwegen, die zich zelve nauwelijks hadden kunnen bedruipen, werden rente-gevend. De nieuwe kolonie te Johannesburg, zooals men de zich met reusachtige snelheid ontwikkelende stad noemde, verving het reeds kwijnende Kimberley als middelpunt van Zuid-Afrikaansche verwachtingen. De deur van Zuid-Afrika stond gasvrij open voor iedereen, onverschillig van welke nationaliteit, die door de hoop op fortuin er heengetrokken werd. Noch in de Republiek noch daarbuiten kwam het in iemand op, dat er zich moeilijkheden zouden kunnen voordoen bij het overschrijden der grenzen. De burgers van de Republiek waren bloedverwanten van de trouwe Afrikaners van de Kaapkolonie en Natal zoowel als van de vriendelijke Afrikaners in den Oranje-Vrijstaat. De Regeering stond op den meest vertrouwelijken voet met die van het Britsche Keizerrijk. Hare hoofdambtenaren waren mannen van naam. De wetgeving was op dezelfde leest geschoeid als die van het overige Zuid-Afrika. Er was geen enkele reden waarom de Zuid-Afrikaansche Republiek geen tehuis zou worden voor lieden van allerlei nationaliteit, die, met ondernemingsgeest bezield, gaarne zouden leven onder de Regeering en de wetten van de Republiek.

De Transvaalsche Regeering deed daarom geen poging om den stroom van landverhuizers te keeren. Evenals de Oranje-Vrij staat was zij bereid hen welkom te heeten, zoolang de onafhankelijkheid van de Republiek daardoor niet in gevaar kwam. Gedurende de

ocr page 157

'45

beide eerstvolgende jaren ging alles uitstekend. De nieuw aangekomenen hadden het veel te druk met de exploitatie van de goudmijnen en met het speculceren op nieuwe mijnen, om veel aandacht te schenken aan hunne positie in het land of om de handelingen der Regeering aan critiek te onderwerpen. De ambtenaren muntten allen uit in beleefdheid, zoodat er geen enkele klacht werd gehoord of geuit. Zij, die het laatst kwamen, waren niet het minst gelukkig in hunne spe-culatiën. Kon men geen goudmijnen vinden, dan werden ze maar verzonnen. Aandeelen te krijgen van een pond tegen betaling van tien shillings en ze aan de markt te brengen tegen 20 of 30 shilling per stuk, werd het ideaal. De fabelachtigste verhalen over de opbrengst der mijnen deden de rondte en de zwen-delarij ging zoo ver, dat op sommige plekken mijngangen gegraven waren, terwijl er geen spoor van goud aanwezig was. Dit spelletje kon echter niet lang duren. In het laatst van 1S88 stond de aandeelenmarkt op springen en eer het jaar 1889 half ten einde was, waren de verliezen door speculatie en de teleurstellingen tengevolge van den oneerlijken handel zoo groot, dat het vermoeden veld won dat er iets niet in orde was bij de Transvaalsche Regeering.

Het kan niet betwijfeld worden of Johannesburg was op dit oogenblik een hachelijk tijdperk ingetreden. Het was voor haar eene quaestie van to be or not to be. Er was nog nauwelijks eene poging gedaan om ook het verstand eens te raadplegen. De exploitatie van de goudmijnen kostte enorme sommen, terwijl het hoe langer hoe duidelijker werd, dat men zich van allerlei had voorgespiegeld, dat in het rijk der sagen thuis behoorde, en de hoop om voordeel te behalen hoe langer hoe geringer werd. Intusschen bereikten de prijzen der allereerste levensbehoeften eene ongekende hoogte. Bijna alle bouwmaterialen en de meeste consumptie-artikelen moesten van de overzijde der zee

10

ocr page 158

146

aangevoerd worden, hetzij door de Kaapkolonie of door Natal; in het eerste geval per spoortrein tot Kimberley, in het andere tot Ladysmith. Tusschen deze eindstations en de nieuwe stad Johannesburg lag een afstand van twee- a driehonderd mijlen, die voor het vervoer van koopwaren met ossenwagens afgelegd moest worden. Een buitengewoon droge winter hield in 1889 nog langen tijd aan na den datum, waarop gewoonlijk de voorjaarsregens een aanvang nemen. Het gras langs de wegen, waarvan de trekossen moeten leven, verdween bijna geheel. Elke week, eiken dag werden de bezwaren, aan het vervoer verbonden, grooter. In Johannesburg begon men voor hongersnood te vreezen, welke vrees nog verhoogd werd door de handelingen van gewetenlooze speculanten, die hun best deden de prijzen door het vormen van combinaties en syndicaten te doen stijgen. Uit Johannesburg ging een kreet op voor den aanlegquot; van een spoorweg en bij afwezigheid van iemand, wien men het gemis daarvan verwijten kon, beschuldigde men de Regeering der Zuid-Afri-kaansche Republiek van dien aanleg uit te stellen en te verhinderen. Geen beschuldiging kon onrechtvaardiger zijn, want met eene gaping van ongeveer 250 kilometer tusschen Johannesburg en de eindstations van de koloniale lijnen, zou het aanleggen van spoorwegen in Transvaal weinig nut afgeworpen hebben. De Regeering te Pretoria was der bevolking van Johannesburg integendeel zeer genegen en trof alle maatregelen, waartoe zij in staat was, om den toestand te verbeteren. Zij zond aan alle Zuid-Afrikaansche Regeeringen eene uitnoodiging om met haar in hare gebeden om regen te smeeken en, wat practischer was, loofde premiën uit aan de vrachtrijders, die het eerst met hunne wagens in Johannesburg zouden aankomen. Gelukkig viel er regen vóór de toestand het hachelijkste stadium had bereikt. Johannesburg was van hongersnood gered en de groote meerderheid der

ocr page 159

'47

inwoners roemden het optreden van de Regeering zeer.

In den aanvang van het jaar 1890 was de markt voor aandeelen in de goudmijnen zeer gedrukt, terwijl de maandelijksche opbrengst weinig kans op verbetering aantoonde. Evenals de heer Krugers aap, die uit onvoorzichtigheid zijn staart brandde, begon het minst verstandige gedeelte der bevolking van het goud-mijnen-centrum de schuld van de toenemende depressie op de Republiek te werpen.

Geruchten — meerendeels zeer overdreven — van komplotten en revolutionaire bewegingen begonnen tot de naburige staten door te dringen. Een schijn van waarheid scheen echter aan deze geruchten gegeven te worden door een voorval, dat plaats had in Maart 1890, bij gelegenheid van Krugers eerste bezoek aan Johannesburg op uitnoodiging van de Regeering der stad. Over het geheel liep het bezoek kalm af. De heer Kruger werd als Hoofd van de Regeering hartelijk ontvangen en zelfs de omstandigheid, dat bij zijne aankomst van een der balcons „God save the Queenquot; gezongen werd, kon nog worden geweten aan het feit, dat men onbekend was met het ïransvaal-sche volkslied en toch uiting aan zijne vreugde wilde geven. Later op den avond echter, hetzij bij toeval of met opzet, verdween plotseling de Transvaalsche vlag van den stok voor het gouvernementsgebouw.

Het bericht van dit voorval deed onmiddellijk de rondte door de Republiek en verwekte de grootste opgewondenheid en verontwaardiging onder de burgers, die met de herinnering aan de annexatie nog betrekkelijk versch in het geheugen, moeilijk te overtuigen waren, dat er geen nieuwe aanslag op hunne onafhankelijkheid op het touw gezet werd. De heer Kruger behandelde de zaak echter met bewonderenswaardige kalmte en op hoogst oordeelkundige wijze. Met groote moeite hield hij zijne burgers, die zich in hooge mate gevoelig betoonden, in toom en verklaarde.

ocr page 160

148

dat geen achtenswaardig burger van Johannesburg tot zulk eene handeling in staat en de poging om tweedracht te zaaien daarom slechts uitgegaan kon zijn van eenige onverantwoordelijke personen, die waarschijnlijk onder den invloed van sterken drank waren geweest. Hij vervolgde zijne reis, om, zooals afgesproken was, den nieuwen Hoogen Commissaris, Sir Henry Loch, te ontmoeten op eene plaats dicht bij de Transvaalsche grens, en toen hij eenige weken later te Pretoria terugkeerde, nam hij zoo spoedig mogelijk de gelegenheid waar om zijn oordeel over het voorgevallene in het openbaar uit te spreken, 't Was alles het gevolg van het „vele drinken,quot; waarvan sommige Johannesburgers de gewoonte aangenomen hadden, verklaarde hij, en hij was niet voornemens de achtenswaardige burgerij van de goudstad verantwoordelijk te stellen voor iets, waaraan zij onschuldig waren.

De oprechtheid van deze meening en van het besluit van den heer Kruger, als de invloedrijkste factor van de Regeering, om op de meest vrijzinnige wijze rekening te houden met de nieuwe toestanden in de Republiek, kwam helder aan het licht, toen in Mei van hetzelfde jaar de Volksraad zijne eerste zitting hield. Gewichtige maatregelen, alle bestemd om direct de toestanden in het goudmijn-district te verbeteren, werden aan het oordeel van den Volksraad onderworpen. Deze maatregelen hadden ten doel: i0. den onmiddel-lijken aanleg van spoorwegen; 20. eene zeer heilzame verbetering van de bestaande goudwetten; en 30. het begin van eene wetgeving, waardoor de vreemdelingen, die zich binnen de grenzen van de Republiek vestigden, belangstelling moesten krijgen voor den staatkundigen toestand van het land. Het voorstel tot aanleg van nieuwe spoorwegen werd door den Volksraad met toejuichingen ontvangen en aangenomen, terwijl de plannen zoo opgemaakt waren, dat men ten spoedigste

ocr page 161

149

eene verbinding kon verwachten met het spoorwegennet in de Kaapkolonie. Met groote meerderheid nam de Volksraad voorts de verbeteringen op de Goudwet aan, ontworpen door de voornaamste belanghebbenden in de mijnen te Johannesburg. ïoen eindelijk het voorstel ter tafel gebracht werd om aan de nieuwe bevolking eenige staatkundige voorrechten te verschaffen, o. m. door het benoemen van een Tweeden Volksraad, werd door eenige oudere leden verzet aangeteekend naar aanleiding van hetgeen twee of drie maanden te voren in Johannesburg was voorgevallen. Deze tegenkanting vond echter warme bestrijding van de zijde van den heer Kruger, die met kracht betoogde, dat het hoogst onrechtvaardig zou zijn allen te laten lijden voor het vergrijp van enkelen. Het voorstel tot samenstelling van een Tweeden Volksraad, waarvan de leden op een ietwat liberaler grondslag gekozen zouden worden, werd dan ook aangenomen. Later is er over geklaagd dat deze meerdere vrijheid eene illusie gebleken was tengevolge van de wijze, waarop de macht van den Tweeden Volksraad beperkt was geworden. Men dient echter in het oog te houden dat in alle landen hervorming op wetgevend gebied trapsgewijze ingevoerd werden en dat het voorstel, door den Volksraad in 1890 aangenomen, door den heer Kruger verdedigd was als een eerste stap op den weg der hervormingen, die verhinderd en onmogelijk zijn geworden tengevolge van de feiten, waarvan de beschrijving thans volgt. Bovendien mag niet voorbijgezien worden dat zoowel de Uitvoerende als de Volksraad voor deze hervormingen warme dankbetuigingen ontvingen van de Johannes-burger „Chamber of Minesquot;, vertegenwoordigende de groote massa van de bevolking van Johannesburg ').

Er bestaat dus voldoende grond voor de bewering, dat tegen het midden van het jaar 1890 zoowel de

*) Zie het rapport van de Chamber of Mines over 1890.

ocr page 162

I50

Transvaalsche Volksraad als de Uitvoerende Raad, handelende onder den invloed van Paul Kruger, met geen andere dan vriendschappelijke gevoelens bezield waren voor de nieuwe bevolking en hun best deden om hare positie niet alleen dragelijk te maken, maar ook om haar tot tevredenheid te stemmen. Intusschen had de Regeering reeds in het begin van het jaar getoond hare aandacht te wijden aan de algemeene belangen van den Rand door maatregelen te nemen, waardoor in den eerstvolgenden winter toestanden zouden voorkomen worden, als hongersnood en dergelijke, welke den winter van 1889 gekenmerkt hadden. Ten einde alle combinaties en syndicaten in zake levensbenoodig-heden onmogelijk te maken, liet de Regeering groote ladingen Australisch meel inslaan, ten einde dit in geval van nood tot hare beschikking te hebben. Ter wille van dezen welberaden stap werd de Regeering schandelijk gehekeld in nieuwsbladen, waarin de belangen werden voorgestaan van kapitalisten, die gehoopt hadden hun voordeel te doen ten koste van de groote massa der bevolking. Dit was echter niet anders te verwachten.

ocr page 163

HOOFDSTUK IX. Kruger en Rhodes.

Ongeveer in het midden van het jaar 1890 berustten de betrekkingen tusschen de goudzoekende en handeldrijvende bevolking van Johannesburg en de Regeering te Pretoria op onderling vertrouwen en was zelfs hartelijk te noemen. Het voorgevallene met de vlag, ver van tot vijandschap aanleiding gegeven te hebben, had eerder eene vriendschappelijke verhouding ten gevolge gehad, want terwijl de meerderheid der Johan-nesburger bevolking zich gehaast had de handeling af te keuren, waren de Uitvoerende en de Volksraad er op uit geweest door het aannemen van onderscheidene besluiten hun vertrouwen uit te drukken in de bedoelingen en de plannen van de meerderheid der Johan-nesburger bevolking. In een of twee wijken was wel is waar de meening geuit, dat het opbrengen van belasting gepaard moest gaan met het recht van vertegenwoordiging in de Regeering, maar degenen, van wie deze meening uitging, waren niet alleen buiten aanraking met den algemeenen geest in Johannesburg, maar gaven blijk van eene gansch verkeerde opvatting van de geheele verhouding. In de eerste plaats was en is nog directe belasting bijna onbekend in Transvaal en de bewoner, die uit onwetendheid of uit

ocr page 164

'5^

vergeetachtigheid verzuimde de onbeduidende directe belasting, als daar geheven werd, te betalen, werd in den regel daartoe niet gedwongen. In de tweede plaats was de vraag, of de inwonende uitlanders belasting moesten betalen, eene zaak van internationaal recht en niet maar een huishoudelijke maatregel. Licentiën van onderzoek en gouddelvers-licentiën werden alleen op aanvrage verstrekt, zoodat die als een persoonlijk privilegie golden en als zoodanig betaald moesten worden. Invoerrechten, die in de Kaapkolonie en Natal de voornaamste bron van inkomsten vormen, werden door alle verbruikers gezamenlijk opgebracht. Hieruit volgt dat de quaestie van vertegenwoordiging bijna geheel afgescheiden was van de belasting-quaestie; en wat de naturalisatie betrof, er waren er zeer weinig, die het verlangen te kennen gaven om hunne oorspronkelijke nationaliteit af te zweren, en bovendien werd daardoor al zeer weinig voordeel behaald.

Terwijl er dus van weerszijden een vriendschappelijke, vertrouwelijke toon heerschte, werden burgers en uitlanders plotseling wakker geschud door het feit, dat de betrekkingen tusschen het Gouvernement te Pretoria en het Britsche Gouvernement gespannen werden en dat door laatstgenoemde Regeering op beslisten toon eischen gesteld werden, waaraan eerstgenoemde moeilijk kon voldoen. Het stellen van deze eischen ging gepaard met de aankomst te Kaapstad van een nieuwen Hoogen Commissaris, nadat deze plaats langen tijd onvervuld gebleven was, en van de benoeming tot Premier in de Kaapkolonie van den heer Cecil Rhodes. De onderlinge verhouding was van dien aard dat de heer Cecil Rhodes eigenlijk de vertegenwoordiger en uitvoerder van de Imperialistische politiek in Zuid-Afrika werd, ofschoon Sir Henry Loch, de Hooge Commissaris, die officieel vertegenwoordigde. De opinie van de meerderheid in de Kaapkolonie beheerschte de Zuid-Afrikaansche politiek van het

ocr page 165

153

Imperialistische Gouvernement en aangezien de heer Rhodes in zijne qualiteit van Premier vermoedelijk de meerderheid in de Kaapkolonie vertegenwoordigde, was hij, nog afgescheiden van den persoonlijken invloed, dien hij in Londen verkregen had, in staat om door den Hoogen Commissaris de politiek in eene Imperialistische richting te doen leiden. Bovendien was de heer Rhodes, als voorzitter van de machtige corporatie, bekend onder den naam van De Beers, en als contro-leerend agent van de Chartered Company in staat om een machtigen persoonlijken invloed te oefenen, zoowel in Engeland als in Zuid-Afrika. Het zou inderdaad moeilijk zijn zich eene gevaarlijker concentratie van macht voor te stellen, in één persoon. Moeilijk ook zou men zich iemand kunnen voorstellen, die er gewe-tenloozer gebruik van gemaakt zou hebben.

Het eerste artikel van de geloofsbelijdenis van den heer Rhodes in dit tijdsgewricht was het welslagen en de bevestiging van de onderneming in het binnenland, waarvoor de Britsch-Zuid-Afrikaansche Compagnie een koninklijk charter verkregen had. Ter bereiking van dit doel was het noodzakelijk voor hem den politieken steun te verkrijgen van eene meerderheid van Kaap-sche kolonisten, niet alleen om de kolonie aan zijne zijde te krijgen, maar ook om aan het Ministerie van Koloniën te Londen eene koloniale staatkunde voor te schrijven. Ten einde bovendien vasten grond onder de voeten te krijgen moest de Transvaalsche Regeering overgehaald of gedwongen worden eene hoogst gewichtige wijziging toe te staan in de Londensche Conventie. In het 4e artikel van deze Conventie werd der Transvaalsche Regeering, die zonder toestemming van Engeland geen verdragen mocht sluiten met de Kafferstammen in het Oosten en Westen, volkomen vrijheid gelaten ten aanzien van de stammen in het Noorden. Wilde echter de Chartered Company in staat zijn hare operatien in Machonaland ongestoord voort te zetten.

ocr page 166

154

dan was het noodig den noordelijken uitweg van Transvaal te sluiten. In verband met deze zaak begaf de heer Kruger zich in het begin van Maart 1890 naar een plaatsje, bekend onder den naam v.an Veer-tienstroom, dicht bij de grens tusschen Transvaal en Griqualand West — thans ingelijfd bij de Kaapkolonie — ten einde Sir Henry Loch te ontmoeten. Wat daar behandeld is geworden, is nooit volledig bekend gemaakt. Dat de conferentie hoofdzakelijk ten doel had den noordelijken uitweg voor Transvaal af te sluiten, mag opgemaakt worden uit de omstandigheid, dat de heer Rhodes, ofschoon toen nog geen Premier, er bij tegenwoordig was. Het was noodzakelijk den heer Kruger het vooruitzicht te openen op eene vergoeding. Indien Transvaal genegen was af te zien van den uitweg naar het Noorden, zooals de Londensche Conventie zich uitdrukt, wat kon het dan daarvoor in de plaats krijgen? Geen twijfel of het vooruitzicht werd geopend op eene inlijving bij de Republiek van Swaziland, dat de Transvaalsche Regeering reeds langen tijd gewenscht had te bezitten. Zooals elke kaart aanwijst behoort Swaziland aardrijkskundig tot de Zuid-Afri-kaansche Republiek, terwijl de noodzakelijkheid om het onder eene beschaafde heerschappij te plaatsen, ruimschoots gebleken is. Bovendien is het aan geen twijfel onderhevig of deze inlijving bij Transvaal is aanbevolen door een Britsch Commissaris — Sir Francis de Winter — die het land vroeger dan den boven vermelden datum bezocht had.

Wat er feitelijk verhandeld moge zijn op de con-, ferentie te Veertienstroom, het is zeker, dat de heer Kruger te Pretoria terugkeerde in de overtuiging, dat de wenschen van Transvaal ten aanzien van Swaziland wezenlijk te gemoet gekomen zouden worden. Geen wonder, dat dit vooruitzicht zoowel den heer Kruger als den Volksraad in eene stemming bracht, welke gunstig afstraalde op de maatregelen in het

ocr page 167

155

belang van de Uitlanders. Terwijl aldus de zaken eene wending namen ten gunste van eene vriendschappelijke verhouding, ging er als 't ware een schok door het geheele land, toen men tot de ontdekking kwam, dat de Keizerlijke Regeering plotseling eene in het oog loopende vijandige houding tegen Transvaal had aangenomen en aan de Republiek alle rechten op Swaziland ontzegd werden, tenzij de door den heer Rhodes gestelde eischen onmiddellijk aangenomen werden. Het werd al spoedig bekend, dat er stappen gedaan waren om in Natal eene politiemacht te orga-niseeren om Swaziland te bezetten, voor het geval de gestelde voorwaarden werden afgeslagen, terwijl de besliste en blijkbaar vijandig gestelde weigering van den Hoogen Commissaris op het verzoek van Transvaal, om een Commissaris naar Londen te zenden ter bespreking van de aangelegenheid, den toestand maar al te duidelijk schetste. Het toppunt werd bereikt, toen majoor Sapte, Militair secretaris van Sir Henry Loch, met eene spoedzending te Pretoria aankwam, bij zich hebbende den korten inhoud van eene Conventie, welke de Transvaalsche Regeering en de Volksraad onmiddellijk aan te nemen en te bekrachtigen hadden, op straffe van de verbeuring van alle reeds officieel erkende rechten op Swaziland. Deze Conventie hield twee eischen aan de Transvaalsche Regeering in — ten eerste, afstand te doen van het vooruitzicht op uitbreiding in noordelijke richting, zooals bij de Londensche Conventie overeengekomen was; ten tweede, afstand te doen van de onafhankelijkheid op handelsgebied door toe te treden tot de overeenkomst, een tweetal jaren te voren gesloten door de Kaapkolonie en den Oranje-Vrijstaat.

Het mag openlijk gezegd worden, dat er op het vernemen van deze eischen een kreet van verontwaardiging opging, zoowel in den Volksraad als daarbuiten. Men zag onmiddellijk in dat niet de Keizerlijke

ocr page 168

156

Regeering zulk een dwang oplegde aan Transvaal, maar dat men te doen had met de politiek van Cecil Rhodes, vertegenwoordigende de Chartered Company èn de Kaapkolonie. De Chartered Company had er natuurlijk belang bij ruim baan te maken voor hare plannen in het Noorden, waarbij zij zich van elke mededinging wenschte te ontdoen en de Transvaalsche Regeering wilde gebruiken als politie-agent langs de Limpopo-rivier. De Kaapkolonie was belanghebbende, daar zij zich den vrijen invoer van koloniale wijnen en andere dranken in Transvaal wilde verzekeren, maar voornamelijk was het haar te doen door middel van Transvaal een knip te zetten op den neus van de ondernemende kolonie Natal, die tot groot nadeel van de handelsbelangen van de Kaap, het had durven bestaan in eene vrijzinnige fiskale politiek te volharden.

De eerste opwelling in de Transvaalsche Regeeringen den Volksraad was de uit Kaapstad gedane eischen kortweg af te wijzen, te meer wijl het duidelijk was dat er onder den dekmantel van eene Imperialistische politiek uit louter eigenbelang een aanval gedaan werd op de commercieele onafhankelijkheid van de Republiek. Wat, van het Transvaalsche standpunt gezien, het aanbod nog onaannemelijker maakte was, dat in de voorgestelde Conventie aan de Chartered Company allerlei voordeelen gewaarborgd werden, terwijl Transvaal ten opzichte van Swaziland genoegen moest nemen met de vaag gestelde belofte, om onder zekere voorwaarden de quaestie binnen drie jaren opnieuw in behandeling te nemen. Het is onnoodig de besprekingen en onderhandelingen, die volgden, in den breede na te gaan, of dieper door te dringen in de aanleiding tot het eenigszins geheimzinnig bezoek aan de Transvaalsche hoofdstad van den heer Hofmeyr, wiens doel — zooals zijne vrienden verklaard hebben — niets anders was dan te trachten een oorlog te voorkomen, waarvoor niet de minste aanleiding bestond.

ocr page 169

157

Genoeg — het zoogenaamde Swaziland-tractaat werd geteekend en bekrachtigd met dien verstande echter, dat dc behandeling van de artikelen, de handelsovereenkomst betreffende, uitgesteld zou worden. Het gevolg van een en ander was echter, dat de Trans-vaalsche Regeering, die, meenende op den meest vriend-schappelijken voet met Groot-Brittannië te staan, bereid was geweest de belangen van de nieuwe bevolking in elk opzicht en op edelmoedige wijze te gemoet te komen, zich thans verplicht zag eene verdedigende houding aan te nemen tegen een vijand, die in Zuid-Afrika huisde en blijkbaar gesteund werd door een gedeelte van de Afrikaner bevolking.

Het is noodig dat deze feiten niet alleen besproken en begrepen, maar ook zorgvuldig in het geheugen geprent worden, want zij geven den sleutel voor de gansche politieke geschiedenis van Zuid-Afrika in de laatste zeven of acht jaren. Vóór het midden van 1890 bestond er geen wezenlijke vijandschap tusschen de Transvaalsche Regeering en de burgers van Johannesburg, noch ontbrak er iets aan de goede verstandhouding tusschen de Engelsche en de Transvaalsche Regeering. In het midden van 1890 echter vond het Transvaalsche Gouvernement zich plotseling verplicht eene verdedigende houding aan te nemen tegen de vijandschap van den heer Rhodes, die, ongelukkig genoeg, door zijne verhouding tot Londen en Kaapstad in staat was zijne vijandschap op de Keizerlijke Regeering over te brengen. Duidelijk kwam deze vijandige houding aan het licht in het volgende jaar — 1891 — bij de „trek-quaestie.quot; In het begin van genoemd jaar begon er eene beweging onder de Boeren uit de Kaapkolonie, uit Oranje-Vrijstaat en Transvaal, om gebruik makende van eene concessie, verkregen van eenige onafhankelijke hoofden in Mashonaland, de Limpopo over te trekken en aldaar een eigen republiek te stichten. In het algemeen bestonden er in Zuid-Afrika

ocr page 170

158

geene bezwaren tegen dit plan. De Natal Mercury, een door en door Engelsch blad, ging zelfs zoo ver van als zijne meening te zeggen, dat de rechten van de Chartered Company geen jota geldiger waren dan die, welke de „trekkersquot; door bovengenoemde concessie verkregen hadden. Nogmaals echter nam de Hooge Commissaris, eigenlijk optredende als agent van de Chartered Company, eene dreigende houding aan tegen Transvaal. Met verkrachting van alle rechtsbeginselen werd de Transvaalsche Regeering verantwoordelijk gesteld, niet alleen voor de handelingen harer eigene burgers, maar ook voor die van de Vrij-staters en Kaapsche kolonisten, die zich bij de noord-waartsche beweging zouden wenschen aan te sluiten. Ter wille van het behoud van den vrede vaardigde de heer Kruger eene proclamatie uit, die, om een daarna historisch geworden uitdrukking te bezigen, „den trek smoorde.quot; Met het oogmerk den toestand te verkennen, reisden een zeker aantal van de zoogenaamde „trekkersquot;, waaronder de heer van Soelen, een welgesteld inwoner van Ladybrand, een klein plaatsje in den Vrijstaat, met hunne wagens naar de Limpopo. Er werd echter geen poging gedaan om de rivier over te trekken, maar de „trekkersquot; stelden zich tevreden met te constateeren, dat hunne aanwezigheid in Mas-honaland door de Chartered Company niet gewenscht werd. Hadden de Kaapsche Afrikaners in 1884 der Imperialistische politiek in Bechuanaland een „tot hiertoe en niet verder!quot; toegeroepen, in 1891 waren zij in vele gevallen Transvaal bitter vijandig gezind. Het was volstrekt geen uitzondering Kaapsche Afrikaners, die in de Zuid-Afrikaansche Republiek woonden, uitdrukkingen te hooren bezigen, als: „Wij zouden nu Warren niet meer tegenhouden!quot; In societeiten te Pretoria leidde deze vijandige gezindheid in enkele gevallen bijna tot geweldpleging. De waarheid is, dat de heer Rhodes den Kaapschen Afrikaners op handige wijze

ocr page 171

159

had doen gelooven, dat hunne gansche toekomst samenhing met het welslagen der Chartered Company in het openstellen van Mashonaland en Matabeleland en dat Krnger en de Volksraad te Pretoria vijanden waren, die hun den weg trachtten te versperren. Ook werd toen de krachtige oppositie van Transvaal tegen het plan, om het te dwingen zich aan te sluiten bij het Handelsverdrag tusschen de Kaapkolonie en den Vrijstaat, op onbillijke wijze gewroken door het tegenwerken van zijne landbouwbelangen. Men had gehoopt, als Transvaal gedwongen kon worden tot dit verdrag, Kaapsche wijnen en likeuren, die reeds ontzaglijke voordeden genoten in de kolonie, vrij van rechten in Transvaal te kunnen invoeren. Bovendien werd op sluwe wijze aangevoerd, dat, indien Transvaal maar gedwongen kon worden zich bij het Handelsverdrag aan te sluiten. Natal genoodzaakt zou worden het voorbeeld te volgen en tevens af te stappen van het lage invoertarief, waardoor de kleine kolonie een geduchte tegenstandster van de grootere was ten opzichte van den handel met Transvaal. Kortom, het in de Kaapkolonie opgemaakte plan, om den handel van Transvaal te fnuiken, mislukte. De heer Rhodes zou reeds tevreden geweest zijn, indien hij zich van de sympathie der Afrikaners had kunnen verzekeren, door in Transvaal eene vrije markt te openen voor Kaapsche wijnen en likeuren en een einde te maken aan de mededinging op handelsgebied van Natal. Aangezien dit echter onmogelijk bleek, liet hij dit plan varen en stelde zich tevreden met de overeenkomst, waarbij niet alleen de noordelijke uitgang voor Transvaal afgesloten werd, maar ook der Transvaalsche Regeering de verplichting werd opgelegd anderen te beletten de sfeer der operatiën van de Chartered Company binnen te dringen.

De vijandschap tusschen de Transvaalsche burgers en de Kaapsche Afrikaners is vooral waard ten sprake

ocr page 172

i6o

gebracht te worden, naar aanleiding van den roep, die meermalen over den heer Rhodes is uitgegaan, als zou hij alles in het werk gesteld hebben om eene vriendschappelijke samenwerking te bevorderen tusschen Hollanders en Engelschen in Zuid-Afrika. Geen roep heeft ooit meer allen redelijken grond gemist. Geheel afgezien van de vriendschappelijke verhouding der beide rassen vóór 1887, het is eene onbetwistbare waarheid, dat in dit jaar beide met blindheid geslagen schenen voor politieke en alle andere doeleinden. De heer Rhodes heeft tweedracht gezaaid in stede van samenwerking bevorderd. En niet alleen tusschen de Hollandsche en Engelsche rassen. Hij is er in geslaagd — ten minste gedurende eenigen tijd — tweedracht te zaaien tusschen de Hollanders in Zuid-Afrika onderling, hij heeft de eene partij opgezet tegen de andere. Hieraan is een einde gekomen na de onthullingen ten gevolge van Jameson's raid, toen de Kaapsche Afrikaners tot hunne verbazing en afschuw ontdekten, dat de heer Rhodes hen schromelijk bedrogen en door hen te bedriegen getracht had hen te gebruiken, om hunne aanverwanten in de Zuid-Afrikaansche Republiek te benadeelen. Het kenschetst de macht van den heer Rhodes als een invloed, waardoor tweedracht gezaaid en geen harmonie bevorderd is, dat dezelfde gebeurtenis, die de eensgezindheid herstelde tusschen de Hollanders in Zuid-Afrika, het antagonisme deed toenemen, dat, dank zij den heer Rhodes, tusschen de Hollandsche en Britsche rassen ontstaan was.

Het is van het grootste belang goed te begrijpen welke uitwerking de verschijning van den heer Rhodes in 1890 had als vertegenwoordiger van eene nieuwe Zuid-Afri-kaansche macht. De vijandige houding, welke door zijne tusschenkomst, zoowel door de Keizerlijke Regeering als door de Kaapkolonie tegen de Zuid-Afrikaansche Republiek aangenomen werd, noodzaakte de Republiek hare

ocr page 173

i6i

politiek van vertrouwen te laten varen en voortdurend op hare hoede te zijn. Hoe groot Cecil Rhodes' macht was, steunende op Londen en Kaapstad beide, werd even goed begrepen als zijne ingekankerde vijandschap. Tegen zulk een gevaarlijken vijand, die bovendien over zooveel hulpmiddelen beschikken kon, moest de grootste waakzaamheid in acht genomen worden.

Voor een zoo scherpzinnig en ervaren man als Paul Kruger was het duidelijk welke gevaren dreigden en zoo werd het zijn dagelijksche, vaderlandslievende plicht de wacht te houden op alle hoeken van de vesting, die de Onafhankelijkheid der Republiek heette. Wijziging in de handelspolitiek kon de onafhankelijkheid eenerzijds in gevaar brengen; terwijl anderzijds het toestaan van politieke voorrechten een gevaar opleverde. Een waakzame, ondernemende vijand hield buiten de poorten de wacht; het was duidelijk, dat daarbinnen de grootste waakzaamheid betracht moest worden. De ervaringen van de laatste zeven a acht jaren hebben op het gelaat van den heer Kruger eene uitdrukking van vastberadenheid en waakzaamheid gelegd, die reeds zoo menigeen, wien de gelegenheid geschonken werd hem te ontmoeten, getroffen heeft. Van het midden van 1890 tot op den huldigen dag moet men zich den toestand van Transvaal aldus voorstellen : de heer Rhodes steeds loerende op eene gelegenheid om de onafhankelijkheid der Republiek aan te randen ; de heer Kruger op zijne hoede om haar te verdedigen; de heer Rhodes beschikkende over onuitputtelijke geldmiddelen en, zoo noodig, over alle hulpbronnen van het Britsche Rijk; terwijl de heer Kruger slechts rekenen kan op de rechtvaardigheid van zijne zaak en op de buksen zijner vaderlandslievende burgers.

Het was volstrekt niet plotseling, dat er zichtbaar verband ontstond tusschen de vijandschap van den heer Rhodes en het optreden van eenige Johannes-burgers, die langzamerhand de rol van politieke her-

ocr page 174

102

vormers op zich begonnen te nemen. Er moest met groote omzichtigheid te werk worden gegaan, vooral in de jaren 92—95, toen in Engeland een liberaal ministerie aan het bewind was. Niettemin begon iedereen te begrijpen, dat er eene sterke, tot aanvallen dringende macht verscholen was achter de belangen van de Johannesburger kapitalisten — eene macht, die slechts op eene gunstige gelegenheid wachtte om zich op den voorgrond te stellen. Ook was er nog een andere reden om een vijandelijk optreden tegen te houden — de noodzakelijkheid nl. voor de Kaapsche kolonisten, om van den steun der Transvaalsche Regeering gebruik te maken in den wedijver met Natal ten opzichte van den invoerhandel op Johannesburg. Om deze reden werden, in weerwil van de wrijving tusschen Pretoria en Kaapstad, in het begin van 91, naar aanleiding van den „trekquot;, uit Kaapstad pogingen in het werk gesteld, om de Regeering te Pretoria over te halen tot het verhaasten van den aanleg van den spoorweg, die Johannesburg met Kaapstad moest verbinden. Ware Paul Kruger zoo vijandig gezind geweest tegen de Kaapkolonie, als hem is toegedicht, hij zou redenen te over hebben kunnen vinden om allerlei hinderpalen in den weg te leggen. Zijn ruime blik op de belangen van Johannesburg en het besef van de noodzakelijkheid, om zoo spoedig mogelijk eene spoorwegverbinding tusschen den Rand en de zeekust te verkrijgen, deden hem echter gewillig ingaan op dit plan en toetreden tot eene overeenkomst, die de Kaapkolonie in staat stelde binnen negen maanden na het teekenen van het besluit hare treinen tot Johannesburg te laten loepen. Gedurende eenigen tijd werd Transvaal schijnbaar met rust gelaten, maar de veldtocht, in het geheim gevoerd, was niet geëindigd; evenmin als de waakzaamheid van Paul Kruger verminderd was. Inderdaad bleek het spoedig, dat de schijnbare vrede slechts diende om zich voor te bereiden tot een meerbeslissenden aanval.

ocr page 175

HOOFDSTUK X. Kruger en de „hervormers,quot;

De jaren 1892 en 93 gingen, voor wat het antagonisme tusschen Transvaal en de Kaapkolonie betrof, vrij rustig voorbij. Twee geldige redenen waren daarvoor te vinden. In de eerste plaats werd de Kaapsche Regeering, waarvan Cecil Rhodes het hoofd was, zoozeer in beslag genomen door den aanleg van den spoorweg naar Johannesburg, dat zij zich getroostte gedurende dien tijd in de meest vriendschappelijke verhouding met Transvaal te leven. Er bestond nog altijd het gevaar, dat bij het ontstaan van verwikkelingen van welken aard dan ook, de Transvaalsche Regeering niet alleen de verlenging van den spoorweg tot Johannesburg kon uitstellen, maar door het begunstigen van de Natalsche plannen voor den aanleg van een spoorweg naar den Rand, de Kaapkolonie kon berooven van de voordeelen, welke zij zou behalen, indien zij den handel met Johannesburg bijna geheel tot zich trok. Immers, ofschoon Durban, de haven van Natal, veel dichter bij Johannesburg ligt dan eenige haven van de Kaapkolonie, de langere weg zou verkozen worden, indien deze geheel per spoor kon afgelegd worden. Hoeveel voordeel de Kaapkolonie genoot gedurende het korte tijdsbestek, waarin het haar

ocr page 176

164

gelukte het grootste gedeelte van den Johannesburger handel tot zich te trekken, kan opgemaakt worden uit het feit dat, terwijl in i8Sq — dus vóór de verlenging van de Kaapsche lijn — de Nationale spoorwegmaatschappij een dividend uitkeerde van 7f procent over de volgestorte aandeelen, het gemiddelde procent over de jaren 1892—94 — dus na de verlenging van de Kaapsche lijn — niet meer dan 2f bedroeg.

Behalve door den wensch om de Kolonie onder de voordeeligste voorwaarden met een spoorweg bevoorrecht te zien, werd de heer Rhodes in 1892 en 93 beziggehouden door zijne ondernemingen in het binnenland en had hij dus voor het oogenblik geen tijd om zich veel in te laten met Transvaal. Dat het plan om een ernstigen aanval op Transvaal te doen nooit is opgegeven, lijdt geen twijfel. In het geheim werden daartoe de voorbereidingen getroffen, waarbij personen betrokken waren, die later eene voorname plaats innamen onder de Johannesburger „hervormers.quot; Het moge al van tijd tot tijd ontkend zijn, het kan toch niet in twijfel getrokken worden of in 1893 is reeds de quaestie besproken om geldelijken steun te verlee-nen aan den Transvaalschen Nationalen Bond. Ook is men tot eene beslissing gekomen en indien men niet het verwachte gevolg heeft gehad, is de schuld daarvan hoofdzakelijk te zoeken in de vrees, dat het Liberale Ministerie, dat toen te Londen op het kussen zat, er vermoedelijk niet mede ingenomen is geweest. Bovendien was er nog eene andere reden om zich voor-loopig kalm te houden. In het begin van 1893 moest in Transvaal de Presidentsverkiezing plaats hebben en men leefde in de hoop, dat de heer Kruger het veld zou moeten ruimen voor den heer P. Joubert. Men kende het onbuigzame, onafhankelijke karakter van den heer Kruger maar al te goed, terwijl het aan den anderen kant waarschijnlijk was, dat de heer Joubert, welke voornemens hij ook mocht hebben, weder, even-

ocr page 177

I65

als bij gelegenheid van de onderhandelingen met Generaal Wood in 1881, blijken zou zoo kneedbaar als was te zijn in de handen van menschen, die hem onder hun invloed zouden weten te krijgen. Indien er thans uit Johannesburg iets tegen de Regeering te Pretoria werd ondernomen, zou de heer Kruger zonder eenigen twijfel herkozen worden, want het besef, dat er gevaar dreigde, zou de groote meerderheid der burgers den man doen kiezen, op wien zij in alle omstandigheden konden vertrouwen. Hielden daarentegen de uitlanders zich rustig, dan konden wellicht onaangenaamheden in eigen boezem den heer Joubert betere kansen verschaffen. Toevallig was er eene quaestie aanhangig, die, indien er maar de noodige belangrijkheid aan toegedicht werd, zeer geschikt was om verdeeldheid te doen ontstaan, nl. de quaestie van de betrekkingen tusschen de beide Hollandsche kerken, de Gereformeerde Kerk en de zoogenaamde Dopper-Kerk. Het geschil had reeds van weerszijden tot scherpe woorden aanleiding gegeven, wijl er eene quaestie van kerkelijk grondbezit aan verbonden was. De heer Joubert vond steun bij de Gereformeerden, terwijl de aanhangers van den heer Kruger meer onder de onafhankelijke Calvinisten te vinden waren. Dat de tegenstanders van den heer Kruger niet te vergeefs op den invloed van dit kerkelijk geschil gerekend hadden, bleek bij de verkiezing — 7881 stemmen op den heer Kruger en 7009 op Commandant-Generaal Joubert. Er ontstond over deze verkiezing een bittere strijd, veel overeenkomst hebbende met den twist tusschen Van Rensburg en Pretorius in 1863. Onmiddellijk werd een gestreng onderzoek bevolen, waarvan de uitslag was, dat de heer Kruger voor de derde maal op wettige wijze tot President gekozen was.

Het jaar 1893 kenmerkte zich door voorvallen, die niet zonder invloed bleven op de latere gebeurtenissen. Een van de gewichtigste was het bezoek, door den

ocr page 178

166

heer Kruger aan Natal gebracht, waar hij sinds het jaar 1878 niet geweest was. Het bezoek werd gebracht op eene dringende uitnoodiging van de Regeering van Natal naar aanleiding van een besluit van de Wetgevende Macht. Van het oogenblik af, dat de goudvelden aan Witwatersrand ontdekt waren, had Natal eene directe spoorwegverbinding gewenscht met Johannesburg. Deze wensch was niet meer dan natuurlijk, wijl de afstand van Johannesburg tot Durban, hoewel grooter dan tot de Delagoabaai, aanmerkelijk kleiner was dan de kortste weg naar een der havens van de Kaapkolonie. Maar al sprak geographisch alles voor den ondernemingsgeest der kolonie, historisch waren er ernstige bezwaren uit den weg te ruimen. De burgers van Transvaal konden niet vergeten, dat de annexatie-politiek in 1877 van Natal was uitgegaan. Zij wantrouwden Natal daarom en elke toenadering werd te Pretoria met achterdocht aanvaard. Een blijk van dit wantrouwen werd gegeven in 1890, toen men den heer Kruger in het oor blies, dat het bevorderlijk voor de vriendschap zou zijn, indien de Regeering te Pretoria kon besluiten het Gouvernement van Natal geluk te wenschen met de uitbreiding van den spoorweg tot de rijke kolenvelden bij Dundee, een plaatsje niet ver van Rorke's Drift. Dundee lag evenwel aanmerkelijk dichter bij de Transvaalsche grens dan Lady-smith en de beide Regeeringen waren een tweetal jaren te voren overeengekomen, dat Natal zijne spoorwegen niet verder zou uitstrekken dan Ladysmith, zonder toestemming van de Transvaalsche Regeering. Op deze afspraak was dus geen acht geslagen en toen er nu sprake was van een gelukwensch aan de Natal-sche Regeering, beschouwde de heer Kruger het verlengen van den spoorweg tot Dundee als eene handeling in strijd met de afspraak. „Hebben wij,quot; vroeg hij, „Natal niet verzocht zijne spoorwegen niet verder uit te breiden dan tot Ladysmith? Zoo ja, dan heeft de

ocr page 179

167

Natalsche Regeering door den spoorweg tot Dundee te verlengen, zich niet aan de afspraak gehouden en zouden wij verkeerd doen als wij haar geluk wenschten.quot;

Het bezoek, door Paul Kruger in 1893 aan Natal gebracht, werd niettemin met succes bekroond. Natal was juist ontworsteld aan hare halve afhankelijkheid van het Ministerie van Koloniën, die van 1857 afhad geduurd. Van beide zijden werd de grootste hartelijkheid aan den dag gelegd; de Natalsche politici, doordrongen van de wenschelijkheid om zich eene directe spoorweggemeenschap met Johannesburg te verzekeren ; de heer Kruger de mogelijkheid of wenschelijkheid voor oogen houdende om van Natal gebruik te maken in de oneenigheid met het Kaapsche Gouvernement. Onmiddellijke gevolgen had het bezoek niet, tot groote teleurstelling van de Natalsche Kolonisten, die er zich over beklaagden, dat zij wel voor den heer Kruger „gepijptquot; hadden, maar dat hij niet had willen dansen. Niet lang daarna echter meenden de Natalsche politici reden te hebben om te gelooven, dat hunne pogingen om indruk te maken op den heer Kruger de gewenschte uitwerking niet hadden gemist, want in het voorjaar van 1894 werd tusschen Transvaal en Natal eene overeenkomst aangegaan, waarbij Natal gemachtigd werd onmiddellijk over te gaan tot het verlengen van den spoorweg tot Johannesburg. Bij het opmaken van deze overeenkomst was de Transvaalsche Regeering onherroepelijk verplicht hare aandacht te wijden aan den invloed, welke dientengevolge op de commercieelo vooruitzichten van den Delagoabaai-spoorweg geoefend zou worden, zoodat de overeenkomst eenige volzinnen bevatte, waarbij de prijzen geregeld en het vervoer verdeeld werden. Deze volzinnen waren van groote waarde voor de praktijk, want de lijn van Delagoabaai over Pretoria naar Johannesburg, die gedurende de laatste jaren met vele moeilijkheden te worstelen gehad had in de door koortsen geteisterde landstreek, naderde hare voltooiing.

ocr page 180

i68

De bekrachtiging- van de overeenkomst tot verlenging van den Natalschen spoorweg, samengaande met de naderende voltooiing van de lijn van Delagoabaai stemde de hoofdstad van de Kaapkolonie niet vroolijk, want men had aldaar altijd gehoopt, dat de Kaapsche lijnen het monopolie van den Johannesburger handel zouden behouden. Men behoefde er zich dus niet over te verbazen, dat de vijandige houding van de Kaapkolonie in 1894 een meer bepaalden vorm aannam. In 1871 had de Kaapkolonie staande gehouden, dat zij, als de machtigste Staat van Zuid-Afrika, in het bezit gesteld moest worden van de diamantvelden van Griqualand-West. In 1894 begon de Kaapkolonie te eischen, dat zij, als de Staat met de grootste openbare schuld, in staat gesteld moest worden de voordeeligste voorwaarden in spoorwegzaken te treffen met de Zuid-Afrikaansche Republiek.

De gebeurtenissen in 1894 zijn voornamelijk de vermelding waard, omdat zij dienen kunnen om aan te toonen, hoe plaatselijk de belangen en eischen waren, die, dank zij den invloed door den heer Rhodes verkregen, in Engeland voorgesteld werden als van groote beteekenis voor het Rijk. De hoofdinzet van des heeren Rhodes' spel komt in een later tijdstip aan het licht. Voorloopig was hem slechts de noodzakelijkheid opgelegd zich in de Kaapkolonie populair te maken, dan kon hij ook zeker zijn van den steun der Keizerlijke Regeering; zonder dien steun zou hij ernstig in gevaar verkeerd hebben verstooten en uitgeworpen te worden. De tijd was dus aangebroken voor de Kaapsche Regeering, door Rhodes vertegenwoordigd, om nieuwe klachten te laten hooren tegen de Zuid-Afrikaansche Republiek. Het karakter van deze klachten kwam eerst aan het licht, toen in het laatst van 1894 de heer Laing, Commissaris van Openbare Werken in de tweede Rhodes-Administratie, te Pretoria het voorstel deed, dat Transvaal eene regeling

ocr page 181

ióq

zou maken voor een „omslagquot; van de ontvangsten uit het vervoer van den Rand, zoodanig dat de Kaapkolonie daarvan 50 procent zou ontvangen, terwijl Natal en Delagoabaai de rest gelijkelijk zouden deelen. Dit voorstel, zooals gemakkelijk te begrijpen is, ingediend met het doel der mededingende lijnen van Durban en Delagoabaai eene vlieg af te vangen, werd als ongerijmd terstond verworpen. Het bedoelde immers niet meer of minder dan de aangewezen handelswegen naar Johannesburg te benadeelen ten voordeele van andere lijnen, die gemiddeld 100 K.m. langer waren dan de lijn van Delagoabaai. Men heeft aangevoerd, dat de Kaapkolonie op edelmoediger wijze had te gemoet gekomen moeten worden, omdat zij meer dan twintig millioen pond geofferd had voor de spoorweggemeenschap met Johannesburg. Dit argument mist echter alle beteekenis. De grootste uitgaven, door de Kaapkolonie voor de exploitatie van spoorwegen gedaan, kwamen aan de diamant-industrie van Kim-berley ten goede. De Kaapkolonie verschafte niet meer dan drie millioen pond voor den Johannesburger spoorweg en het grootste gedeelte daarvan is nog terugbetaald door den Oranje Vrijstaat, toen deze in 1897 het gedeelte van den spoorweg overnam, dat over zijn grondgebied loopt.

Terzelfder tijd herhaalde de heer Rhodes, bij gelegenheid van een bezoek aan Pretoria, den eisch oorspronkelijk in 1890 gedaan, dat Transvaal zou toetreden tot het Handelsverdrag tusschen de Kaapkolonie en den Vrijstaat. Het mag niet verzwegen worden, dat deze vraag niet in betrekking stond tot de goud-industrie. Ware Transvaal toegetreden, dan zou Natal genoodzaakt zijn geworden zijne vrije handelspolitiek te laten varen en het veel hoogere tarief te aanvaarden, dat door de Handelsvereeniging was aangenomen. Alle concurrentie voor den handel op Johannesburg zou uitgesloten zijn, met het gevolg dat de levensbehoeften

ocr page 182

17°

voor alle bewoners van den Rand enorm zouden gestegen zijn. Het Transvaalsche Gouvernement vatte de beteekenis van het voorstel van den heer Rhodes zeer goed en zag in dat het aannemen er van trouwbreuk zou zijn tegenover Natal. Het weigerde daarom toe te treden, overtuigd zich met deze weigering den toorn van het Kaapsche Gouvernement of liever van Cecil Rhodes op den hals te halen.

De veldtocht tegen de Zuid-Afrikaansche Republiek was nu, in de laatste helft van 1894, in vollen gang. De Transvaalsche Nationale Vereeniging had opgehouden eene onschuldige debatingclub \.e zijn, die deijdelheid moest streelen van opkomende politici in Johannesburg, en was veranderd in een werkzaam agentschap voor het bevorderen van ontevredenheid in Transvaal en voor de verbreiding van valsche of misleidende verhalen daarbuiten. De groote firma's, die zich eerst achteraf hadden gehouden, begonnen groot belang te stellen in hare werkzaamheden. Het is mogelijk, dat men binnen een niet al te langen tijd eene verandering in het Engelsche Ministerie verwachtte en er dan voor eene onderneming tegen Transvaal op meer medewerking te rekenen viel. Ongeveer in dezen tijd schreef de heer Lionel Phillips, de meest werkzame vertegenwoordiger van de firma Eckstein amp; Co., zijn vermaarden brief, waarin hij de wenschelijkheid betoogde van een maatregel tot „verbeteringquot; l) van den Volksraad en in scherpe bewoordingen zinspeelde op eene algemeene wapening van de uitlanders. Elke gelegenheid, ieder voorval werd met ijver aangegrepen om de Regeering te Pretoria te ondermijnen en in do oogen van de wereld te verkleinen. De weerspannigheid van een Kafferhoofd, Malaboch genaamd, deed de noodzakelijkheid geboren worden om een commando

J) Het is niet onmogelijk dat de heer Lionel Phillips met „improvementquot;' bedoeld heeft „beschaving.quot; VERT.

ocr page 183

i7i

burgers onder de wapenen te roepen ten einde hem tot de orde te dwingen. Onder degenen, die voor den militairen dienst werden opgeroepen, behoorden een groot aantal Engelsche onderdanen. Het kan onmogelijk op eerlijke gronden in twijfel getrokken worden of de Transvaalsche Regeering daartoe het recht bezat. In deze omstandigheid is in het i5lt;ie artikel van de Londensche Conventie voorzien, dat luidt: „alle personen, inboorlingen uitgezonderd, die hun domicilie in de Republiek gevestigd hebben tusschen 12 April 1877 en 8 Augustus 1881 — d. i. gedurende de periode van annexatie — en die zich binnen 12 maanden na laatstgenoemden datum bij den Britschen Resident als zoodanig hebben doen inschrijven, worden voor altijd vrijgesteld van gedwongen militairen dienst.quot; Behalve deze uitzondering en nog enkele andere is iedereen verplicht te dienen. De Britsche Regeering had, zooals andere buitenlandsche regeeringen gedaan hebben, eene bijzondere overeenkomst kunnen sluiten, ten einde de Britsche onderdanen van den militairen dienst vrij te stellen. Deze voorzorg is echter om de eene of andere reden achterwege gebleven.

Voor de expeditie tegen Malaboch waren meer dan honderd Britsche onderdanen opgeroepen. De groote meerderheid volgde deze oproeping, trok gewillig mede, genoot van het buitenleven en ontving vergoeding voor hare diensten. Een vijftal, aldus „gecommandeerde,quot; zooals de gewone uitdrukking luidt, weigerde te gaan; zij werden in arrest gesteld en vormden het middelpunt van veel geraas en opgewondenheid, bewerkt door personen, die, zooals later bleek, noch in de maatschappij, noch in de koopmanswereld hoog in aanzien waren. Zij slaagden er echter in zulk eene rustverstorende demonstratie op touw te zetten, bij gelegenheid van de komst van Sir Henry Loch te Pretoria, aan wien in verband met Swaziland eene politieke zending was opgedragen, dat de heer Kruger met zijne burgers de grootste moeite had om te beletten, dat de vrede ernstig

ocr page 184

172

verstoord zou worden. Bij deze gelegenheid, evenals bij die met het vlag-incident in 1890, weigerde Paul Kruger de handelingen van een paar stokebranden te beschouwen als de uiting van een meening van velen. Hoe het zij, eene noodlottige wending werd ter nauwer-nood voorkomen, en zou waarschijnlijk niet uitgebleven zijn, indien Sir Henry Loch zich niet had laten overhalen af te stappen van het plan om ook Johannesburg te bezoeken, waar reeds groote toebereidselen voor zijne ontvangst gemaakt waren. Wat de demonstratie tegen de Transvaalsche Regeering te Pretoria betreft zijn twee dingen zeker. Ten eerste liet Sir Henry Loch er zich geheel door op een dwaalspoor brengen; ten tweede misten ze de sympathie van alle achtenswaardige en aansprakelijke vreemde bewoners. De einduitslag van de bespreking over de zaak van het „commandeerenquot; was, dat de Transvaalsche Regeering bereidwillig toetrad tot eene overeenkomst, om de Britsche onderdanen in do toekomst vrij te stellen van militaire diensten.

Eenige maanden later in hetzelfde jaar werd de Zuid-Afrikaansche Republiek door een nieuw en geduchter gevaar bedreigd. De snel naderende voltooiing van den Delagoabaai-spoorweg, gepaard met den aanleg van den spoorweg naar Natal en de verwerping van het voorstel om de inkomsten „om te slaan,quot; deden den heer Rhodes en diens collega's de wenschelijkheid inzien, om den gang van zaken in hun voordeel te regelen door den een of anderen contra-maatregel in den geest van een coup d'état. Sedert 1891 had de Chartered Company getracht de Portugeezen te storen in het rustig bezit van hunne koloniën op de oostkust van Afrika. Reeds in het begin van dat jaar was eene poging gedaan om uit eene haven van de Kaapkolonie wapens te smokkelen binnen het Portugeesche grondgebied, met het doel om een opstand te bewerken van de inboorlingen tegen het Portugeesch gezag; terwijl eene geheime expeditie tegen de havenstad Beira alleen

ocr page 185

173

mislukte tengevolge van de weinige voortvarendheid van den agent aan wien ze opgedragen was. Tegen het einde van 1894 werden met opzet berichten verspreid over plannen van de Chartered Company, om te trachten de haven en de kolonie aan de Delagoabaai te koopen of op eene andere wijze in haar bezit te krijgen. Het is duidelijk dat als deze plannen gelukt waren, alle moeite en kosten, die Transvaal zich getroost heeft om een uitweg naar zee te krijgen, vergeefsch zouden zijn geweest. Of de Chartered Company de bezittingen aan de Delagoabaai ooit zal krijgen en dan zal kunnen behouden, mag echter betwijfeld worden. Zij kon echter hopen zulke voordeelen te verkrijgen, dat zij in staat zou zijn de Portugeesche Regeering te dwingen tot concessies, die de gunstige verhoudingen, waarin Transvaal tot Delagoabaai stond, zouden neutraliseeren en aldus de onafhankelijkheid op handelsgebied, met den aanleg van den Delagoabaai-spoorweg beoogd, doen schipbreuk lijden. Op welke wijze deze plannen van de Chartered Company — men sloeg er geloof aan — ten uitvoer gebracht moesten worden, was vooralsnog niet duidelijk. Transvaal voelde echter de noodzakelijkheid om daartegen op zijne hoede te zijn. De middelen daartoe werden gevonden in het belang, dat Duitschland voor zijn handel stelde in de lijn Delagoabaai—^Johannesburg. Het vermoeden is zelfs gewettigd, dat de Duitsche Consul-Generaal te Pretoria belang had bij den toestand, zoowel met het oog op het Duitsche Gouvernement als ten behoeve van de Zuid-Afrikaansche Republiek. Hoe 't zij, de tusschenkomst van Duitschland, dat een paar oorlogschepen naar Delagoabaai zond, redde den toestand voor de Republiek. Eene wisseling van diplomatieke nota's tusschen Duitschland en Engeland volgde, waarvan het resultaat was, dat onderling besloten werd, voor zoover Portugal betrof, het status quo aan Delagoabaai te handhaven.

Men mag over deze tusschenkomst van Duitschland^

ocr page 186

174

in zijn eigen belang en in dat van Transvaal, niet klagen als over eene onbetamelijke, onwettige daad. In stede van te klagen over Duitschland moesten de burgers van het Britsche Rijk het liever diep betreuren, dat de op niets gegronde vijandschap van de Britsche Regeering — vijandschap door den heer Rhodes zorgvuldig aangewakkerd — Transvaal genoodzaakt heeft hulp en steun te zoeken bij een vreemden Staat. Hadde Groot-Brittannië zijn schijn-protectoraat over de Zuid-Afrikaansche Republiek goed opgevat en ingezien, dat het daarmede niet alleen rechten verkreeg maar ook eene groote verantwoordelijkheid op zich laadde; had de Britsche Regeering hare positie zoodanig opgevat, dat de Republiek bij haar hulp en bescherming kon vinden tegen vreemde indringers, dan zouden de omstandigheden geheel anders geweest zijn. Het ongeluk was toen — en dat schijnt het nog te zijn — dat de Britsche Regeering zich liet vertegenwoordigen en leiden door eene kleine groep gelukzoekers, die alleen hun eigenbelang voor oogen hebben en, optredende als uitbreiders van het Rijk, alle kritiek ontloopen, waaraan anders de ware oorsprong hunner handelingen zeker onderworpen zou worden. Ook is het ongetwijfeld te betreuren dat het gejuich over het diplomatiek succes van Duitschland zoo lang aanhield en men niet bedacht, dat hiermede de zaak van de burgers en van de Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek, die openlijk door Duitschland gesteund werden, benadeeld konden worden; dat de geest, welke te Pretoria heerschte bij gelegenheid van Keizer Wilhelms geboortedag in Januari 1895, niet berekend was om de verhouding tusschen Londen en Pretoria hartelijker te maken. Alles wat toen gesproken en geschreven is, moge volkomen waar geweest zijn, het is somtijds wel eens goede politiek wat terughoudend te zijn en niet alles te zeggen wat men denkt. Ware deze gulden regel in Januari 1895 te Pretoria toegepast — de opmerking geldt meer de

ocr page 187

175

Duitsche ambtenaren dan die van de Zuid-Afrikaansche Republiek — dan zou de Duitsche tusschenkomst 12 maanden later den heer Rhodes niet zulke schoone en krachtdadige middelen aan de hand hebben gedaan, om de publieke opinie in Engeland op een dwaalspoor te brengen ten opzichte van zijne eigene verkeerdheden.

Naarmate het jaar 1895 vorderde bleek het dengenen, die den toestand nauwgezet gadesloegen, dat er een of anderen coup op touw gezet werd tegen de onafhankelijkheid van de Republiek. De taal in de nieuwsbladen van Kaapstad en Johannesburg, die de belangen van den heer Rhodes voorstonden, werd hoe langer hoe dreigender, terwijl — en dit was in het oogvallend — de Cape Times, die, hoewel imperialistisch, steeds onzijdig gebleven was, openlijk optrad als raadgever en steun in Rhodes' zaak. De feestelijkheden in het begin van Juli, ter viering van de opening van den Delagoabaai-spoorweg, verschaften de gelegenheid tot het wisselen van beleefdheden tusschen de onderscheidene Zuid-Afrikaansche Regeeringen, zoowel als tusschen den Uitvoerenden Raad te Pretoria en het Koloniaal Ministerie; maar, helaas, werd deze plechtigheid bijna onmiddellijk gevolgd door eene verandering in het Ministerie te Londen zooals de tegenstanders van Transvaal gehoopt hadden. Een Tory-ministerie kwam aan het bewind, met het gevolg, voor zoover het Ministerie van Koloniën betrof, dat de hoffelijke, ervaren staatsman, de Marquis of Ripon, plaats moest maken voor den onstuimigen, veranderlijken Chamberlain. De ketel, waarin de samenzwering maar niet aan het koken gebracht had kunnen worden, begon nu plotseling over te koken. De klachten uit Johannesburg weerklonken luider dan ooit, terwijl van Paul Kruger en zijne Regeering onophoudelijk en zonder eenigen schroom de meest scheeve voorstellingen gegeven werden.

Een voorwendsel tot het in het leven roepen van

ocr page 188

176

eene diplomatieke crisis was spoedig gevonden in een geschil tusschen de Kaapkolonie en Transvaal over spoorwegprijzen. De geschiedenis van deze quaestie verdient nauwgezet nagegaan te worden. Toen in het einde van het jaar 1891 de Kaapsche Regeering met Transvaal eene overeenkomst sloot betreffende de verlenging van den spoorweg naar Johannesburg, werden tegelijkertijd doorloopende prijzen bepaald, die gedurende drie jaren geldig zouden blijven. In Pretoria was men van meening — en zeer terecht — dat aan het einde van deze drie jaren de lijn Delagoabaai zoover gereed zou zijn, dat eene herziening van de doorloopende prijzen voor het geheele net noodzakelijk zou blijken. Dat de Kaapsche ministers intusschen de hoop voedden, dat de Delagoabaai-spoorweg nimmer voltooid zou worden, is aan geen twijfel onderhevig, ja, zelfs is er reden te over om aan te nemen, dat zij hun best deden, om de voltooiing in den weg te staan door in Europa te laten verspreiden, dat de financiën zeer slecht stonden. De quintessens van de overeenkomst tusschen de Kaapsche Regeering en de Trans-vaalsche spoorwegmaatschappij was, dat doorloopende prijzen met onderling goedvinden van de beide spoorwegmaatschappijen geregeld zouden worden. Plotseling gaf de Kaapsche Regeering — vermoedelijk om zich te wreken over de verwerping van den voorgestelden „omslagquot; — kennis, dat zij op haar eigen net de prijzen voor het vervoer van sommige goederen aanmerkelijk verminderd had. De Transvaalsche spoorwegmaatschappij nam terstond maatregelen om zich tegen deze willekeurige handeling te verdedigen en verhoogde, met toestemming van de Regeering te Pretoria, de prijzen op haar gedeelte van de lijn zoo, dat deze over het geheele traject dezelfde bleven. Groote verontwaardiging over dezen stap, vooral bij personen, die niet op de hoogte waren van den toestand. Men kon toch moeilijk verwachten, dat de Transvaalsche spoor-

ocr page 189

177

wegmaatschappij stil zou zitten en de Kaapsche Regeering haar gang maar laten gaan, zonder een poging te doen om zich te verdedigen. Wat aan hunne handeling iets boosaardigs gaf, was, dat zij met het oog op het korte traject, dat van de lijn Kaapstad—^Johannesburg over Transvaalsch grondgebied liep, genoodzaakt waren de vracht per ton en per mijl op enorme wijze te verhoogen, opdat het doorloopend tarief op dezelfde hoogte als vroeger zou blijven.

De tariefstrijd had dus een aanvang genomen en al heel spoedig trachtte de Kaapsche Regeering de Trans-vaalsche spoorwegmaatschappij te fnuiken door volstrekt geen gebruik te maken van het Transvaalsche traject. De Kaapsche lijn liep tot de Vaalrivier, de grens tus-schen den Vrijstaat en Transvaal. Van de Vaalrivier tot Johannesburg had de spoorweg eene lengte van 52 mijlen, terwijl de afstand voor ossenwagens niet meer dan dertig mijlen bedroeg. De Kaapsche Regeering liet daarom de goederen aan den Vrijstaatschen oever van de Vaalrivier ontladen en met ossenwagens over de rivier naar Johannesburg brengen. 1) De Transvaalsche Regeering beantwoordde deze daad door kennis te geven, dat de doorwaadbare plaatsen in de rivier op een nader te bepalen datum afgesloten zouden zijn.

Dit nu was de geheele omvang en beteekenis van het geschil over de waadbare plaatsen, dat in de oogen van de Britsche nieuwsbladenlezers zulke ontzettende afmetingen aannam. In werkelijkheid kon men zich geen ellendiger gekibbel bedenken, ofschoon het opmerkelijk is, dat in het bij het Parlement ingediende

1

2

ocr page 190

178

Blauwboek (C—8474) waarin deze quaestie behandeld wordt, de ware aanleiding zooveel mogelijk verborgen wordt gehouden. Waarschijnlijk was zelfs Lord Ros-moed niet volledig op de hoogte van de quaestie, maar wat ging dat hen aan, die er op uit waren de Keizerlijke Regeering in een ernstig conflict te brengen met de Zuid-Afrikaansche Republiek! De ijver, waarmede de heer Rliodus deze gelegenheid dienstbaar trachtte te maken aan zijne plannen, komt duidelijk aan het licht, indien men de datums vergelijkt van de openbaar gemaakte correspondentie. De depêche van den Britschen gezant in Pretoria, waarbij hij de afsluiting van de waadbare plaatsen aankondigt, is gedateerd 29 Augustus en kan niet vóór in den namiddag van 1 September aangekomen zijn. Toch had de heer W. P, Schreiner, Advocaat-Generaal aan de Kaap, den 3den September reeds een stuk in optima forma opgesteld, inhoudende i0., dat de Transvaalsche Uitvoerende Raad niet het recht had toegangen af te sluiten, die eenmaal geopend geweest waren; 20. dat de proclamatie betreffende het afsluiten der waadbare plaatsen eene schending inhield van de Londensche Conventie, omdat er onderscheid in werd gemaakt tusschen koloniale waren en goederen van overzee. Toen de heer Schreiner in 1897 als getuige optrad voor het Zuid-Afrikaansche Comité, verklaarde hij dat er sedert ernstige twijfel bij hem gerezen was aangaande de juistheid van zijne inzichten in 1895, en waarschijnlijk kan men in zijn belang niets beters aannemen, dan dat hij in 1895 200 geheel onder den invloed was van den heer Rhodes, dat hij alles wettig vond wat mijnheer Rhodes beliefde wettig te vinden. Dat de raadslieden van de Kroon te Londen ernstigen twijfel opperden over deze quaestie, kan uit de offici-eele stukken gemakkelijk bewezen worden, maar een afschrift van hunne opinie is niet openbaar gemaakt, want de heer Chamberlain hechtte er zoo weinig aan.

ocr page 191

179

dat hij zich liever bij elke handeling tegen Transvaal beriep op de doorslaande bewijzen van onvriendelijkheid van de Transvaalsche Regeering 1).

De hoofdzaak was intusschen niet of er voldoende of onvoldoende aanleiding was om krachtig op te treden, maar wel de ijver waarmede de heer Rhodes met het Ministerie achter zich de gelegenheid opzocht, om Groot Brittannië en de Zuid-Afrikaansche Republiek tegen elkander op te hitsen. Daar moest het heen, want brak er een oorlog uit tusschen beide Staten en eindigde deze, zooals te verwachten was, met de nederlaag van de Zuid-Afrikaansche Republiek, dan zouden de Londensche Conventie en wat nog van de Pretoria-Conventie overgebleven was, opgehouden hebben te bestaan. Dat de heer Rhodes dit einddoel voor oogen had, toen hij den heer Schreiner overhaalde om dat zoogenaamde wettige stuk op te maken, toen hij zijne collega's overhaalde om met hem de belofte af te leggen de onkosten van een oorlog met de Keizerlijke Regeering te zullen deelen en toen hij eindelijk den heer Chamberlain verzekerde, dat eene meerderheid in het Kaapsche Parlement zijne voorstellen zou ondersteunen 2) — daarover kan geen twijfel bestaan. De eenige verontschuldiging voor de collega's van den heer Rhodes is, dat zij allen bijzonder volgzame menschen waren, die hij geheel naar zijne hand kon zetten. Dat zij zich ten opzichte van hunne eigene handelingen niet op hun gemak voelden, blijkt uit het verzoek om het telegram, waarbij zij op zich namen de helft der kosten van eene expeditie tegen Transvaal te zullen dragen, als eene mededeeling van ver-trouwelijken aard te beschouwen. Wat den heer Chamberlain betreft is het moeilijk te beslissen waarover men zich het meest moet verbazen, over de

*) Blauwboek C—8474, N0. 13. 9) Item C—8474, N0. 17.

ocr page 192

i So

lichtvaardigheid waarmede hij, nauwelijks drie maanden Minister, bereid was Zuid-Afrika in vuur en vlam te zetten, of over de behendigheid, waarmade hij hetgeen er in zijne ziel omging voor zijne naaste omgeving wist te verbergen. In de eerste dagen van November 1895 was de heer Chamberlain in onderhandeling met het Kaapsche Ministerie over het deelen van de onkosten van een oorlog met Transvaal — op den 6cle'gt; November, in een toost aan een feestmaal gegeven door den Agent-Generaal van Natal — dat ingeval van een oorlog onherstelbaar geruïneerd zou worden — sprak de heer Chamberlain over niets dan broederlijke eensgezindheid en scheidsrechterlijke uitspraken.

In antwoord op hetgeen zoowel te Londen als te Kaapstad als een ultimatum beschouwd werd, verbond de Transvaalsche Regeering zich geen verdere stappen te doen ten opzichte van het afsluiten der waadbare plaatsen, zonder de Britsche Regeering te raadplegen. Pretoria kon deze concessie gemakkelijk doen, ziende dat, zelfs te midden van de oorlogstoebereidselen, de Kaapsche Regeering deelnam aan eene te Pretoria gehouden conferentie met het doel maatregelen te bespreken. die in de toekomst misverstanden konden voorkomen. De onmiddellijke aanleiding om de Zuid-Afrikaansche Republiek te dwingen was alzoo aan Rhodes' hand ontglipt. Maar hij had meer kaarten om uit te spelen. Twee weken later — 20 November 1895 — werd de Zuid-Afrikaansche wereld opgeschrikt door eene toespraak van den heer Lionel Phillips, in zijne qualiteit van Voorzitter van de Johannesburger Chamber of Mines, — eene toespraak waarin hij in buitensporige termen wees op al de grieven van de uitlanders in Transvaal en zeer duidelijk zinspeelde op strenge maatregelen, welke genomen zouden worden om zich van een herstel dier grieven te verzekeren.

De Rhodesia-campagne tegen Transvaal was nu eene andere phase ingetreden. Het doel was hetzelfde, al-

ocr page 193

i8i

leen de middelen waren veranderd. Indien de Republiek niet ten val gebracht kon worden, indien het monopolie van de goudvelden — Rhodes' eenig doel — niet verkregen kon worden door een open aanval van buiten, dan moest het doel bereikt worden door opstand van binnen. De groote kapitalisten sloten zich bij elkander aan, met de heeren Rhodes en Beit als middenpunt; zij zouden de middelen verschaffen voor een oorlog-. Er moesten geweren en andere wapenen ingevoerd, levensmiddelen en paarden aangekocht, manschappen in dienst gesteld en betaald worden. Al deze zaken kostten geld en dat geld werd uitgegeven met eene vrijheid, waarvan in het openbaar getuigenis werd afgelegd. De toespraak van den heer Lionel Phillips was het sein om het nieuwe spel te beginnen. Hoe goed en in welk een wijden kring de toestand begrepen werd, kwam tot openbaarheid door het dreigend artikel in de Thimes, geschreven onder den invloed van des heeren Lionel Phillips' toespraak en door de aankomst in Zuid-Afrika van speciale teekenaars en correspondenten, die uit Engeland gezonden waren om tegenwoordig te zijn bij „de begrafenisquot; van de Zuid-Afrikaansche Republiek.

De agitatie tegen de Republiek ging in hoofdzaak uit van de Transvaalsche Nationale Unie, die, zoodra het oogenblik tot handelen aangebroken scheen, weder in het leven was geroepen en wier President was de heer Charles Leonard, de rechtsgeleerde raadsman van de meeste groote kapitalisten. In zyne hoedanigheid van President was het zijne taak de manifesten op te maken, waarin de Johannesburgers hunne grieven uiteenzetten. Dat Johannesburg grieven had, was buiten twijfel, maar de manifesten van den heer Leonard somden die niet op en ook waren de bestaande grieven niet het gevolg van eenige daad of slechte administratie der Republikeinsche Regeering. Johannesburg kon zich ernstig beklagen over den geheel onvoldoen-

ocr page 194

i82

den toevoer van water, over buitensporig hooge huurprijzen, over de hooge rekeningen der advocaten, over het lage zedelijk standpunt van de gansche gemeente, over de wijze, waarop mannen, die millioenen daar ter plaatse verdiend hadden, nalieten ook maar een stuiver te besteden aan de verfraaiing der stad en voor openbare werken. De gebrekkige en onvoldoende toevoer van water beteekende veel meer dan gebrek aan water; het beteekende typhus in den zomer en, tengevolge van het stof dat opgejaagd werd, longontsteking in den winter. De Transvaaische Regeering was daarvoor echter niet verantwoordelijk te stellen. De waterleiding was in handen van een monopolie van Kaap-sche kapitalisten, die zich eenvoudig vetmestten ten koste van de inwoners van Johannesburg. De buitensporige huurprijzen waren het gevolg, gedeeltelijk van omvangrijke bouwspeculaties en overigens van de omstandigheid, dat alle bouwmaterialen, weinig waarde doch veel gewicht vertegenwoordigende, met den spoortrein of met ossenwagens honderden mijlen ver vervoerd moesten worden. De hooge rekeningen van de advocaten waren een gevolg van de onverschilligheid voor geld van de mijnmaatschappijen in de aanhangige rechtsgedingen; terwijl het laag zedelijk standpunt niet anders was dan hetgeen verwacht kon worden, waar de hoofdleiders verschillende nationaliteiten vertegenwoordigden, somtijds van twijfelachtige afkomst waren en alles ondergeschikt maakten aan den wensch om geld te verdienen. Tengevolge van dit lage zedelijk standpunt zenden alle ouders, die dat doen kunnen, ook nu nog, hunne kinderen naar elders — naar Na-tal, den Vrijstaat of de Kaapkolonie — om opgevoed te worden. Van deze grieven was echter geen sprake in de manifesten van de Transvaaische Nationale Unie, die alleen opgesteld werden om een opstand te rechtvaardigen. En om eene goede reden. De opstand was een opstand van kapitalisten en de Voorzitter van de

ocr page 195

183

Nationale Unie was een notaris, die alle goede zaakjes van de kapitalisten in handen had.

De grieven in de manifesten opgesomd, verdienen echter evenzeer de aandacht. Ze liepen over het dyna-mietmonopolie, de steenkolenprijzen, spoorwegtarieven in het algemeen, de directe belasting, de directe belasting op de mijn-industrie en over de houding van de Regeering tegen deze industrie in het algemeen. Het is niet mogelijk de dynamiet-quaestie te bespreken, afgescheiden van het feit, dat de agitatie daardoor te weeg gebracht in Johannesburg eigenlijk niet anders was dan een strijd tusschen twee monopolies — dat van de firma Nobel en dat hetwelk door de ïrans-vaalsche Regeering aan de dynamietmaatschappij verleend was. Dat de genoemde firma van haar monopolie, zoolang het haar vergund was, op onbarmhartige wijze gebruik maakte, is buiten allen twijfel; de prijs van één kist bleef te Baberton ,£7 en 10 sh. In 1894, het jaar waarop de ïransvaalsche Nationale Unie hare beschuldigingen tegen de Regeering inbracht, was de prijs door de Dynamietmaatschappij gesteld op 85 a 87 shillings per kist. Men vergete echter niet dat de agent van de firma Nobel in 1890 aan de Johannes-burger Chamber of Mines voorgesteld had den prijs van het dynamiet gedurende vijfjaren te bepalen op £ 5 per kist, bij hoeveelheden van niet minder dan honderd kisten te gelijk, welk aanbod eene concessie heette, aan de mijn-industrie gedaan. Meer nog: in 1894 beval de heer Lionel Philips, als voorzitter van het Comité van de Chamber of Mines, de oprichting van eene dynamietmaatschappij aan, waarvan demijnmaatschappijen aandeelhouders zouden zijn; bovendien zou de prijs gesteld worden op 90 shillings per kist, totdat gedurende drie jaren een dividend zou uitgekeerd zijn van io0/o. Toegestaan dus dat de dynamietprijs lager kon zijn, het is eene dwaasheid te onderstellen, dat deze prijs een grief moest worden, ten tijde van het opmaken van

ocr page 196

184

het manifest door de Nationale Unie. Men kan deze zaak van een gansch anderen kant bekijken. Gedurende zijne candidatuur voor het Presidentschap had de heer Kruger meermalen verklaard, dat het dynamietmonopolie een gevaar inhield voor de veiligheid van het land. Het is niet moeilijk de bedoeling zijner woorden te gissen, als men zich herinnert, dat de dynamietmaat-schappij tevens buskruit invoert en dat meer dan eens in de geschiedenis van Zuid-Afrika de invoer van munitie in de Republieken op willökeurige wijze door Engeland verboden is. Ook schijnt het niet zoo heel zonderling te onderstellen, dat de strijd tegen het dynamietmonopolie meer was dan een eenvoudig geschil over den dynamietprijs.

Dan was er eene klacht over de kolenprijzen. Steenkool is aan den Rand zoo goedkoop als ergens ter wereld. De prijs aan de groeve is ongeveer 10 shillings per ton, waarbij komt eene belasting aan den Staat van 10/o of i penning per ton, terwijl, al kost het vervoer per spoortrein 3 stuivers per ton en per mijl, de kosten aan de mijn niet hooger zijn dan 15 sh. per ton, welken prijs de Regeering ook betaalt voor de steenkolen, die op hare spoorwegen gebruikt worden.

De geschiedenis en de oorzaak van de hooge tarieven op de Transvaalsche spoorwegen tusschen de Vaalrivier en Johannesburg zijn reeds eerder beschreven. Indien echter spoorwegprijzen beschouwd worden als eene belasting op de goud-industrie, dan zijn de koloniën Natal en Kaap de Goede Hoop evenzeer te laken als de Transvaalsche spoorwegen, want dank zij den Johannesburger handel, hebben zij honderdduizenden verdiend boven de som, welke benoodigd was om interest aan hunne aandeelhouders te betalen. Bovendien lette men wel op de zeer gewichtige omstandigheid, dat de doorloopende tarieven op de lijn Johannesburg — Delagoabaai veel hooger gesteld zijn geworden dan noodig was geweest, om de Kaapkolonie de voordeden

ocr page 197

185

te onthouden van den Johannesburger handel. Waren op den Delagoabaai-spoorweg dezelfde milde tarieven toegepast als op de lijn Johannesburg — Kaapstad, dan zou het geheele vervoer van de Kaapsche spoorwegen op die naar Delagoa-baai overgebracht zijn.

Ook de klacht over de Transvaalsche tarieven van uit- en invoerende rechten is eene nadere beschouwing waard, aangezien het thans algemeen erkend is, dat die tarieven volstrekt niet drukkend zijn en inderdaad gunstig afsteken bij die van de Kaapkolonie en van de meeste Britsche bezittingen. De uitlanders mogen de klacht uiten dat zij het leeuwenaandeel in die rechten betalen, het antwoord kan eenvoudig dit zijn: de uitlanders gebruiken ook het leeuwenaandeel van de geïmporteerde goederen. De klacht over de belastingen, zoowel de directe-persoonlijke als de directe, welke op de mijn-industrie drukt, kan het best in cijfers in het licht gesteld worden. Eerstgenoemde belasting bedroeg in 1894 de som van £ 28.292, alzoo ongeveer 11 shilling per hoofd en per jaar van de geheele bevolking van Johannesburg en ongeveer 4 sh. 6 stuivers per hoofd over de geheele bevolking van de Republiek, terwijl hierbij nog in aanmerking genomen dient te worden, dat een aantal uitlanders in het geheel niet meebetalen. Ook de belasting op de mijn-industrie kan in cijfers aanschouwelijk voorgesteld worden. In 1894 bedroeg de nominale waarde van het kapitaal, dat in de Transvaalsche goudvelden gestoken was, £ 37.500000 terwijl de marktwaarde dit cijfer nog overtrof. In dat jaar brachten de delvers-licentiën en de licentiën van onderzoek £ 185.711 op; de delvers-licentiën alleen £ 43.462. Het bedrag vertegenwoordigde dus 0.49quot;/o van het nominale kapitaal, dat van de delvers-licentiën alleen slechts o. i20/o. In 1894 hedroeg de geheele uitvoer van de mijnen aan den Rand 2.024 164 onzen, voor een bedrag — ad 70 sh. per ons — van £ 7.370058. Voegt men bij deze waarde nog onge-

ocr page 198

i86

veer 92000 onzen van de Kaapsche goudvelden, dan komt men tot eene totale goudopbrengst voor eene waarde van £ 7.406574 — een cijfer, dat niet ver van het ware verwijderd kan zijn, want er is in dat jaar van de Kaapsche havens uitgevoerd voor een waarde van £ 370058. Aangezien alleen productieve velden delvers-licentiën betalen, bedroeg de eenige directe-belasting van deze hoeveelheid £ 43.465, of o.$80lo van de jaarlijksche opbrengst. Is het wel mogelijk, zou men vragen, de belasting nog lager te stellen? In onderscheidene Britsche bezittingen, zoo, b.v. in Rhodesia, waar 50% betaald wordt, is ze veel hooger. In Canada wordt volgens de laatste regeling io0/o belasting geheven. En toch is de wereld uitgenoodigd geworden om kennis te nemen van de afpersingen, waaraan de Transvaalsche Regeering zich schuldig maakt!

Overgaande tot de klacht over de algemeene houding van de Regeering te Pretoria tegenover de mijn-in-dustrie, wordt in herinnering gebracht, dat er in 1890 van de Chamber of Mines, als vertegenwoordigers van deze industrie, eene hartelijke dankbetuiging uitging voor hetgeen de Regeering voor deze industrie had gedaan. Uit de rapporten van de Chamber of Mines van 1894 en 95 straalt dezelfde dankbaarheid door, in flagranten strijd met den inhoud van het manifest der Transvaalsche Unie. Hier valt iets op te merken: Het manifest klaagt over de concessies; toch komt op bladz. 141 van het rapport van de Chamber of Mines over 1894 eene passage voor, waarin als het oordeel van de Kamer wordt uitgesproken, dat krachtens de besluiten van den Volksraad de „periode der concessies als afgesloten beschouwd mag worden;quot; terwijl op bladz. 18 van het rapport over 1895 vermeld is, dat in het afgeloopen jaar geen verzoeken om concessies ingediend werden. Het schijnt dus dat de Volksraad alles toestemde wat de Chamber of Mines ge-

ocr page 199

18?

vraagd had, betreffende het werken op Zondag; ') de reglementen op den arbeid, door de Chamber ontworpen, zonder eenige wijziging goedkeurde; 2) voldoende bepalingen maakte betreffende den verkoop van drank aan inboorlingen; 3) maatregelen nam om te voorkomen, dat de inboorlingen op hun weg naar de mijnen aangerand en beroofd werden; 4) de aanbeveling van de Chamber opvolgde ten opzichte van het codificeeren van de goudwet; 5) patenten, waartegen de Chamber bezwaren had, aanhield of weigerde; {i) in overeenstemming met de Chamber handelde ten opzichte van het cyaan-monopolie; 7) op de eerste aanvrage eene commissie benoemde om klachten over openvallen plaatsen bij den mijnarbeid te onderzoeken; 8) en na het indienen van eene nota door de Chamber of Mines eene voorgestelde belasting op steenkolen verminderde van 2'/2 tot i0/o. 9) Ook hield het manifest van de Nationale Unie eene klacht in over de salarissen van de rechters, maar het vergat dat de Volksraad reeds tot het besluit gekomen was om naar aanleiding van eene nota van de Chamber of Mines de salarissen met vijftig procent te ver-hoogen. 10)

Hetgeen hier aangehaald is kan een ieder elk oogen-blik lezen en moest voldoende zijn om een ieder, wien het hart op de rechte plaats zit, te overtuigen, dat niets belachelijker en meer ongegrond is dan de beschuldiging van vijandige gezindheid tegen de mijnindustrie, zooals vóór den raid van Jameson meermalen tegen de Regeering van de Zuid-Afrikaansche Republiek en tegen den heer Kruger in het bijzonder is ingebracht. Het verslag hier boven gegeven spreekt in hoofdzaak over het jaar 1895 — het jaar, waarin volgens de heeren Lionel Phillips en Charles Leonard, de verdrukking en verwaarloozing van de mijnindustrie

1—10) Rapport van de Chamber of Mines over 1895.

ocr page 200

■ 188

zoo in het oogloopend was, dat alleen van een gewapende n opstand, gepaard met een militairen inval, hulp verwacht kon worden. De waarheid is echter dat, vertrouwende op de voorafgegane pogingen om de openbare meening in Groot-Brittannië voor hunne zaak te winnen, de revolutionaire partij haar manifest samenstelde met even weinig nauwgezetheid als zij bij het opmaken van het prospectus eener nieuwe mijnmaat-schappij aan den dag gelegd zouden hebben.

Er zijn nog twee of drie quaesties, die eenigszins op zich zelve staan en in enkele woorden onder de aandacht gebracht dienen te worden. Zoo b.v. de taalquaestie. Deze quaestie zou, aan zich zelve overgelaten, ook zich zelve op de meest natuurlijke wijze regelen, maar, tot een onderwerp van geschil gemaakt, eene bron worden van eindeloos geharrewar en verbittering. Niemand kan den burgers van Transvaal euvel duiden, dat zij met ijver waken voor het behoud van hunne moedertaal. Elk volk, dat zijne vrijheid liefheeft, doet evenzoo. Aan den anderen kant kan niemand ontkennen, dat de Engelsclie taal meer en meer in gebruik komt, vooral bij het opkomend geslacht; dat zelfs kinderen, uit Hollandsche ouders geboren, de voorkeur geven aan de Engelsche taal, wanneer zij onder elkander zijn. Voor zoover het openbaar leven aangaat, kan geen bewoner van de Zuid-Afrikaansche Republiek reden tot klagen hebben over stoornis door het gebruik van de Hollandsche taal in officieele stukken of op de bureaux. Overal wordt Engelsch verstaan en gesproken en zelfs op het ïransvaalsche spoorwegnet zal men op de verst afgelegen stations een beleefden, Engelsch sprekenden chef vinden. Op de klacht, dat de Trans-vaalsche Regeering te nauwgezet is ten opzichte van het gebruik van de officieele taal, kan men het niet te weerspreken antwoord vinden in de omstandigheid, dat gedurende het tijdperk der annexatie de Hollandsche taal — toen de taal van negentiende der bevolking —

ocr page 201

iSg

gewoonlijk niet erkend werd. Het is eene gevoels-quaestie, die nimmer zal nalaten zich te uiten, zoodra er maar eenige grond is om te vermoeden dat er een aanval beraamd wordt op de Hollandsche taal. Zoolang men echter toont de officieele taal te willen behouden, zal de Transvaalsche Regeering daarentegen de oogen sluiten voor het gebruik van de Engelsche taal, indien dit gemak kan opleveren, zoo b. v. bij de rechtspraak, in officieele aankondigingen, enz. Wordt in deze quaes-tie alle gevoeligheid gespaard, dan zullen de moeilijkheden in de praktijk weldra verdwenen zijn.

Het spreekt van zelf dat met de quaestie van de taal die van de opvoeding hand aan hand gaat. Welke taal moet bij het onderricht op den voorgrond staan? Zoodra de taal wordt of is geworden eene quaestie van gevoel, kan het geen verbazing wekken, indien dit gevoel op den voorgrond treedt bij de regeling van het onderwijs. De Transvaalsche burgers hebben door de omstandigheden geleerd, dat hunne taal innig samenhangt met hunne onafhankelijkheid. Dit is wel niet noodzakelijk, maar het geloof dat het wel zoo is, is in Europa altijd geëerbiedigd geworden door de vrienden der vrijheid. De wijze waarop de Britsche Regeering in onderscheidene Zuid-Afrikaansche landen opgetreden is, heeft te dien aanzien, ongelukkig genoeg, weinig vertrouwen gewekt. Zooals reeds vermeld is, werd gedurende het annexatie-tijdperk de Hollandsche taal in Transvaal eenvoudig ter zijde gesteld door de Engelsche ambtenaren, behalve wanneer zij een Hollandsch nieuwsblad wilden vervolgen wegens ophitsing. In de Kaapkolonie is de Hollandsche taal nog steeds de heerschende, — ja, in de straten van Kaapstad hoort men meer Hollandsch spreken dan in die van Bloemfontein, de hoofdstad van den Vrijstaat.

Toch was in de Kaapkolonie, reeds enkele jaren na de vestiging van een verantwoordelijk Gouvernement, de Hollandsche taal zoo geheel in den ban gedaan.

ocr page 202

i go

dat de telegraafkantoren alleen Engelsche depêches wilden overseinen en niet vóór 1882 of daaromtrent kon een Hollandsch lid zijne eigene taal bezigen in het Kaapsche Parlement. Het schijnt daarom wel eenigs-zins huichelachtig de Transvaalsche Regeering te laken, wijl zij zich gehecht toont aan de taal van haar eigen land. Toch leidt deze gehechtheid niet tot het verbieden of uitsluiten van de Engelsche taal. Een bewijs daarvan wordt geleverd in de bepalingen betreffende de Staatssubsidie aan de scholen, waar ook vreemde talen onderwezen worden — hoofdzakelijk Engelsch natuurlijk —, welke scholen de subsidie kunnen verkrijgen, indien er maar een zeker aantal uren per week aan de Hollandsche taal besteed worden. Het spreekt van zelf dat de Transvaalsche bepalingen van wijder strekking zijn kunnen dan die van den Vrijstaat, want het aantal vreemdelingen is in Transvaal percentsgewijze veel grooter. Het Transvaalsche Gouvernement ziet dat zeer juist in. Zoodra dat Gouvernement zich verzekerd achten kan, dat er geen pogingen meer aangewend worden tegen de onafhankelijk van den Staat, zal ongetwijfeld de ijver, waarmede het de landstaal verdedigt, wel wat verslappen. Intusschen kan men, hoe daarover ook gebazeld is geworden, niet zeggen dat het onderwijs in Transvaal slecht is. Eene in 1896 te Johannesburg gehouden telling — waarvan de uitslag niet algemeen voldoening verschaft heeft — toonde aan, dat terwijl van 13.391 Europeesche kinderen beneden 15 jaar, er 6992 konden lezen noch schrijven. 6439 van deze analphabeten hun vierden geboortedag en dus den schoolleeftijd nog niet bereikt hadden. Er bleef dus slechts een getal van 553 analphabeten of 4.13 procent van het geheele aantal kinderen over.

Onder de beschuldigingen, welke den heer Kruger naar het hoofd geworpen worden, behoort ook, dat alle pogingen van de uitlanders om een zelfbestuur in te stellen, afstuiten op eene weigering van de Re-

ocr page 203

igi

geering. Laat ons, het stemrecht buiten beschouwing latende, eens zien of deze beschuldiging waarheid bevat. Het is een feit, dat Johannesburg, van het uur van zijn ontstaan af, een Gemeentebestuur heeft gehad onder den naam van Gezondheids-comité, waarvan de leden door de huisvaders en de voorzitter door de leden gekozen werden. De heer Hancock, die gedurende zeven jaren den voorzitterszetel innam, is Britsch onderdaan en geboren Engelschman. Totdat dit Comité vervangen werd door een nieuw gemeentebestuur, oefende het al de functiën uit van een Stedelijken Raad en hief o. a. in 1894 eene belasting op de waarde van eigendommen, ter som van £ 132000. 1) Het kan niet betwijfeld worden of het Gezondheids-Comité een lichaam was, dat levensvatbaarheid bezat, daar het in 1894 en 95 hevigen strijd voerde — niet met de Regeering, waarmede het steeds op den besten voet verkeerde — maar met de Waterleidingmaatschappij, die de groote kapitalisten achter zich had.

En nu het stemrecht. De berg onzin, welke daarover gesproken en geschreven is, -— met opzet, want men kan moeilijk aannemen dat de schrijvers en sprekers zoo onwetend waren als zij beweren te zijn — door de vijanden van de Zuid-Afrikaansche Republiek, is verbazingwekkend. De hoofdzaak in de quaestie is, dat de Zuid-Afrikaansche Republiek is een vreemde Staat en dat nauwelijks een enkele uitlander eenigen lust betoond heeft zijne eigene nationaliteit vaarwel te zeggen of zich bij de ambtenaren van zijn district te laten inschrijven. Van dit hoofdpunt wordt eenvoudig geen notitie genomen. Wel heeft men, de waarheid

1

Dit is een van de gevallen, waarin het bestuur van den heer Kruger aan de vreemdelingen toestond wat zij behoefden en wel onder een naam, waar de bevolking niets tegen ken Lebben. Op dezelfde wijze verschafte hij hun een spoorweg langs de mijnen, onder den naam van „tram.quot; Ware de Regeering van den heer Kruger gezind geweest zooals men haar meermalen voorstelt, dan zou zij ongetwijfeld den tegenovergt stelden weg ingeslagen hebben.

ocr page 204

192

naar den achtergrond dringende, stoutweg beweerd, dat indien de Engelschen en de Hollanders in de Kaapkolonie gelijke rechten hebben, die in de Zuid-Afrikaansche Republiek eveneens gelijke rechten konden doen gelden. Zij die dit argument bezigen, zijn zich volkomen bewust, dat het niet de minste waarde heeft; zij weten zeer goed, dat hier geen quaestie bestaat over nationaliteit, maar wel eene van internationaal recht en het is te vreezen, dat zij dit waardelooze argument met opzet gebruiken om in Engeland het vooroordeel tegen Transvaal aan te wakkeren. Er zijn mannen van Britsche afkomst — deheeren Loveday en Frank Watkins — die zitting hebben in den Transvaalschen Wetgevenden Raad en voor wien nooit eenige uitzondering is gemaakt. Zij zitten daar wijl zij wettig bevoegd zijn als genaturaliseerde inwoners. Wat de quaestie in het algemeen betreft is het onmogelijk het antwoord over het hoofd te zien, gegeven door den heer Hofmeyr, hoofd van de Bondsafdeeling in de Kaapkolonie, toen hem een paar jaar voor Jameson's raid door een vertegenwoordiger van de Westminster Gazette gevraagd werd, of het stemrecht spoedig toegestaan zou worden in Transvaal: „'t Is wel mogelijk,quot; antwoordde de heer Hofmeyr, „wellicht na vijf jaren genaturaliseerd te zijn zooals Frankrijk, Amerika en andere landen eischen; maar de bepaalde tijd zal geheel verstreken moeten zijn. Ik moet openhartig bekennen niet in te zien hoe men verwachten kan stemgerechtigd burger in eenig land te worden, zonder dat land trouw te zweren. Men moest geen pogingen meer doen om zulke dubbelzinnige verhoudingen door te drijven.quot; Deze opvatting van de zaak, die — en dit is van belang — geuit werd in een tijd, toen de Bondsafdeeling het beheer van Rhodes steunde, moet iedereen, die gezond verstand bezit, begrijpen. Indien werkelijk de uitlanders in Transvaal ernstig naar politieke rechten verlangden, zouden zij

ocr page 205

193

daarvan doen blijken door naturalisatie aan te vragen. Deze aanvragen komen echter niet dan sporadisch voor, hoofdzakelijk omdat de uitlanders zooveel prac-tische voordeelen genieten, dat de naturalisatie hun overbodig toeschijnt. Er is geen beroep of betrekking waarnaar de uitlander niet veilig kan meedingen; in geen enkel opzicht is hij een onbevoegde, waar het practische zaken geldt. Waarom zouden dan vele uitlanders — zoo niet de meerderheid — die vermoedelijk te eeniger tijd naar hun eigen land terugkeeren, zich het leven lastig maken met verzoeken om genaturaliseerd te worden?

Mogelijk wordt beweerd, dat het verkrijgen van naturalisatie bemoeilijkt, in elk geval zoo weinig aangemoedigd wordt. Zeker; in de laatste vijf of zes jaren heeft de Volksraad nieuwe voorwaarden vastgesteld, sommige zelfs zeer bindende, voor het verkrijgen van politieke rechten door de uitlanders. Maar wat is de aanleiding tot deze politiek? In 1890, toen de Tweede Volksraad werd ingesteld, ging de heer Kru-ger van het denkbeeld uit, dat men hiermede in twee richtingen een goeden invloed zou oefenen: dat de oudere burgers er nu langzamerhand aan gewend zouden raken zonder eenige achterdocht de nieuw-aange-komenen in de wetgevende macht vertegenwoordigd te zien en dat deze meer vertrouwen zouden gaan stellen in de oudere burgers. De concessies, toen gedaan, waren het begin van eene hervorming, zooals in geen land ooit anders dan trapsgewijze ingevoerd is. Op dat tijdstip stelden deze concessies bijna iedereen in den lande tevreden. Nauwelijks echter waren ze toegestaan of de Regeering kwam tot het besef, dat de Republiek in den heer Rhodes een vijand had, wiens richting en invloed, zoowel in Zuid-Afrika als in Groot-Brittannië, haar noopten tot eene uiterst voorzichtige staatkunde. Wetende wat de heer Rhodes in Kirriberley ten uitvoer gebracht had—hoe hij, door

13

ocr page 206

194

een plan tot samensmelting van onderscheidene mijnen, de staatkundige vrijheid uitgewischt en de meerderheid der stemgerechtigden tot eenvoudige slaven van De Beers gemaakt had — besefte het Transvaalsche Gouvernement de mogelijkheid, dat een zelfde politiek in Johannesburg den boventoon zou voeren. Van den uitlander, als op zich zelf staande persoon, vrij om naar zijne eigene overtuiging te handelen, zou geen verzet uitgaan. Het was echter meer dan duidelijk dat bij het aannemen van eene politiek met samensmelting der mijnen op den voorgrond — eene politiek, die in Johannesburg reeds evenveel aanhangers telde als in Kimberley vóór de eindzegepraal van De Beers — zich een reusachtig en autocratisch lichaam zou vormen in de gemeenschap, onder welks invloed, door middel van industrieelen en commercieelen dwang, alle kiezers in Johannesburg met gebonden handen en voeten zouden overgeleverd zijn aan de bestuurders van de combinatie. Welke geest den boventoon zou voeren werd duidelijk bij Jameson's raid, toen de mijnwerkers van de invloedrijkste maatschappijen, mannen, die zich over niets te beklagen hadden in de Zuid-Afrikaansche Republiek, het bevel kregen de wapens tegen haar op te vatten, met bedreiging van ontslag en verbeuring van loon.

Tegen deze mogelijkheid, of liever waarschijnlijkheid voelde de Transvaalsche Regeering zich genoodzaakt de Republiek te beschermen. De beperkende bepalingen op het verkrijgen van stemrecht veroorzaakten eene ontzaglijke consternatie buiten de vestingwerken. Op deze wijze bleef de geheele vraag van het kiesrecht onbeslist; de ordelijke welgezinde menigte leed schade door de verwarring stokende, inhalige minderheid. Zoodra deze minderheid weerloos gemaakt is, zoodra net duidelijk wordt, dat noch de Regeering noch het volk van Groot-Brittannië steun willen verleenen aan hen, die door middel van bedrog en omkooping in het groot den goeden naam van dit land bezoedelden, door

ocr page 207

195

het den smet aan te wrijven van internationale misdaden, zal de noodzakelijkheid voor eene zuiver defensieve staatkunde van de zijde der Zuid-Afrikaansche Republiek verdwijnen en de hinderpalen, die de uitlanders op den weg naar het kiesrecht nog te overwinnen hebben, zullen een voor een opgeruimd worden. 1)

1

) In dit hoofdstuk is geen melding gemaakt van de petitie uit Johannesburg, zoogenaamd 38000 handteekeningen bevattende, ingediend aan den Volksraad in 1875. Deze petitie was echter vervalscht. Ze was even goed een bewijs van opgeblazenheid als de beweerde aanwezigheid van 25000 geweren, terwijl er niet meer dan 2000 voorhanden waren. Men behoeft slechts in aanmerking te nemen, dat bij de volkstelling in het volgende jaar gehouden, Johannesburg niet meer dan 26000 meerderjarige mannelijke ingezetenen telde, om tot het besluit te komen, dat het getal 38000 een aantal verdachte handteekeningen bevatte. Indien een dergelijke petitie aan het Lagerhuis was ingediend, zouden de indieners vermoedelijk een strenge berisping van den rechter ontvangen hebben.

ocr page 208

HOOFDSTUK IX. Kruger en de raid.

Bij de beschouwing en bespreking van Jameson's raid komen als inleiding twee vragen voor, waarop het wenschelijk is een kort antwoord te vinden.

i0. Wist de heer Rhodes dat de raid zou plaats hebben ?

2°. Welk doel werd met den raid beoogd?

Wat betreft de eerste vraag is het duidelijk, dat aan geen enkele verklaring van den heer Rhodes eenige waarde gehecht kan worden, omdat hetgeen de heer Rhodes op het eene oogenblik onvoorwaardelijk ontkent, op een ander tijdstip grif door hem wordt toegestemd. In het begin van 1896 machtigde hij den heer Chamberlain te verklaren, dat hij — de heer Rhodes — geheel op de hoogte was van den raid zelf en van de maatregelen waardoor die mogelijk gemaakt had kunnen worden. Toen hij in 1897 als getuige verscheen voor het Zuid-Afrikaansche Comité, gaf hij volkomen toe wat de heer Chamberlain gemachtigd had te ontkennen. In beide gevallen waren, zoowel de ontkenning als de erkenning behoorlijk overwogen en het gemis aan overeenstemming tusschen die beide maakt elk getuigenis van den heer Rhodes onaannemelijk.

Uit eene aandachtige beschouwing der feiten moet

ocr page 209

197

men tot een besluit komen. Er zijn er twee, geheel afgescheiden van hetgeen de heer Rhodes voor het Zuid-Afrikaansche Comité erkend heeft:

i0. De heer Rhodes was van te voren reeds in het bezit van den vervalschten brief, waarin Dr. Jameson uitgenoodigd werd Johannesburg te hulp te komen.

20. Niet alleen deed de heer Rhodes, toen de tijding van diens oprukken Kaapstad bereikte, niets om Dr. Jameson tegen te houden, maar hij deed zijn best om hem te steunen door het zenden van berichten te vertragen.

Deze beide omstandigheden zijn niet in overeenstemming te brengen met het denkbeeld, dat Dr. Jameson oprukte zonder een bevel van den heer Rhodes en tegen diens wenschen in. Maar er is meer: Toen zich het eerste bericht van Dr. Jameson's inval verspreidde, riep de Uitvoerende Raad de hulp in van den Vrijstaat en de waarnemende President van dien Staat — de heer Blignant — antwoordde reeds uit eene vertrouwbare bron vernomen te hebben, dat de bereden politie van de Chartered Company, uit Mashonaland, „langs een korteren weg door Transvaal terugkeerde.quot; Hetzelfde verhaal is ongeveer op hetzelfde tijdstip gedaan aan een hooggeplaatst ambtenaar in Kaapstad en aan een achtenswaardig burger van Pretoria. De zegsman van laatstgenoemde was een Tranvaalsch burger, goed bekend in Bechuanaland en Mashonaland. 1)

Wat was, wat kan het doel geweest zijn van het rondstrooien van dit praatje op minstens drie plaatsen te gelijk, die verscheidene honderden mijlen van elkander verwijderd zijn? De bedoeling was duidelijk. Men wilde Dr. Jameson tijd geven, den Transvaalschen

1

) Dr. Jorissen, die op dit tijdstip in voortdurende aanraking was met den Transvaalschen Uitvoerenden Raad, staat in zijne „Herinneringenquot; voor de waarheid van deze feiten in.

ocr page 210

igS

Uitvoerenden Raad in het onzekere laten, ten einde het nemen van maatregelen tegen den inval uit te stellen. Alles hing er van af, dat Dr. Jameson ongestoord Johannesburg bereikte en daar de handen wapende van de oproermakers, wier wankelmoedigheid een ernstig gevaar opleverde voor de tenuitvoerlegging van de plannen van den heer Rhodes. Is het te gelooven, dat deze aannemelijke verklaring van Dr. Jameson's tocht, geheel berekend om diens onderneming te bevorderen, haar weg zou gevonden hebben naar drie plaatsen te gelijk, tenzij uitgestrooid of bekrachtigd door den waren bewerker en bestuurder van den veldtocht tegen de onafhankelijkheid van Transvaal? Zij, die een open oog hebben voor al deze feiten en voor de wijze waarop de heer Rhodes zich zeiven tegenspreekt, zullen moeilijk de overtuiging van zich kunnen afschudden, dat indien Dr. Jameson den heer Rhodes een kool gestoofd heeft, de heer Rhodes zelf het vuur heeft gestookt.

En wat was nu het doel van den inval ? In de eerste plaats is het meer dan waarschijnlijk dat, ware de inval gelukt, d. w. z. had Dr. Jameson ongestoord Johannesburg kunnen bereiken, zijne daad de handen gewapend zóu hebben van de „hervormersquot; en de positie van de Transvaalsche Regeering verzwakt zou zijn geworden. Met geweren kan men niet alle vragen in de wereld oplossen, maar toch kan men zich wel overtuigd houden, dat de flinke, krachtdadige tegenstand, dien Dr. Jameson ondervond en die den verraderlijken toeleg volkomen deed mislukken, aan Transvaal een geducht moreel en diplomatiek voordeel verschafte. Was er geen weerstand geboden of waren de burgers minder beleidvol en met minder succes opgetreden, dan zou, met goedkeuring van de geheele beschaafde wereld, de tusschen-komst van Engeland onvermijdelijk zijn geworden. Commandant Cronje redde dus eigenlijk met zijne gewapende burgers de Republiek.

ocr page 211

199

En wat zou het gevolg zijn geweest van die tusschen-komst ? Op deze vraag kan men het antwoord vinden door acht te slaan op hetgeen de he^r Chamberlain met zooveel ijver trachtte door te zetten, in weerwil van Dr. Jameson's snelle en totale nederlaag. Dat de heer Chamberlain handelde op aanstoken van den heer Rhodes kan niet betwijfeld worden. Welke de geheime betrekkingen tusschen hen mogen geweest zijn of nog zijn, er bestaan betrekkingen tusschen hen — dat is zoo duidelijk als glas. Toen de heer Chamberlain zijne depêche van den 6den Februari 1S96 zond, waarin hij den raad gaf Johannesburg en het omliggende district tot een zelfstandigen Staat te maken, met erkenning van een zoogenaamd oppertoezicht van de Transvaalsche Regeering, handelde hij geheel onder den invloed van den heer Rhodes. Het komt zelfs moeilijk voor te gelooven, dat de heer Rhodes niet geraadpleegd is over den inhoud dezer depêche, omdat hij dienzelfden dag een onderhoud had met den heer Chamberlain. Ware zulk eene verandering tot stand gekomen, dan zou de heer Rhodes al heel spoedig hetzelfde standpunt hebben ingenomen tegenover Johannesburg, dat hij sedert de ineensmelting van de diamantmijnen ten aanzien van Kimberley ingenomen heeft. Evenals de De Beers diamantmijnen-maatschappij, zou de Consolidated Gold-fields te Johannesburg de verschillende goudmijn-maatschappijen verzwolgen hebben. De Rand zou een zelfbestuur gekregen hebben, ongetwijfeld, maar het zou een zelfbestuur geworden zijn op de grondslagen van dat te Kimberley, waar de groote meerderheid der stemgerechtigden heeft te kiezen tusschen gehoorzamen aan de bevelen van De Beers en kort en bondig ontslagen te worden uit hunne betrekking; terwijl winkeliers en dergelijke personen, die naar politieke onafhankelijkheid streven, hunne zaken zien verkwijnen. Onder zulke voorwaarden zou een zelfbestuur van Johannesburg geleid hebben tot voordeel van enkele

ocr page 212

200

millionnairs, maar tot groot nadeel van de groote meerderheid der bevolking, die, zooals van zelf spreekt, doodsbang is \'oor eene verwisseling van het bestuur van den heer Kruger en den Volksraad, met den hiel van den heer Rhodes en diens mede-millionnairs. De heer Rhodes zou dan het oppertoezicht hebben over de geheele diamant- en goudmijn-industrie in Zuid-Afrika — een prijs, waarvoor de inzet van een kwart millioen om eene revolutie te bewerken, gerust gewaagd mocht worden.

Hun, die bekend zijn met de toestanden te Kimberley, behoeft men al deze dingen niet te vertellen. Alleen omdat in Engeland zoo weinig menschen bekend zijn met de ware toestanden te Kimberley, wordt de heer Rhodes daar zoo weinig begrepen; daarom schrijft men zijne handelingen toe aan belangstelling in het Rijk en in den vooruitgang, eene eigenschap, die hem zeer zeker nuttig is in het spel dat hij speelt, maar waarvan in zijn karakter geen spoor te vinden is. Ten einde de waarheid voor het publiek te verbloemen, zijn allerlei theorieën en verklaringen over Jameson's raid ten beste gegeven, theorieën, die alle van elkander verschilden en, aan eene eerlijke critiek onderworpen, alle even ongeloofwaardig schenen. Het denkbeeld van een onafhankelijk zelfbestuur voor het Johannesburger district, door den heer Chamberlain na den raid geopperd, was niets anders dan het doel van den raid en zou ten uitvoer gebracht zijn, indien de raid gelukt was. Geen vrees voor Duitsche tusschenkomst, geen eerbied voor de belangen van Groot-Brittannië, geen medelijden voor de „verdruktequot; uitlanders waren de drijfveeren van den heer Rhodes. Ze waren eenvoudig hooge kaarten in zijn spel. Kon men zich op de hoogte stellen van de inzichten der groote massa van de Johannesburger bevolking, men zou tot de overtuiging komen, dat de heer Rhodes eerder gevreesd wordt dan de heer Kruger en de Volksraad. Men zorgt

ocr page 213

echter wel dat de inzichten der bevolking niet bekend worden. De heer Rhodes en zijne mede-millionnairs hebben veel te danken aan de nieuwsbladen in Zuid-Afrika; zij kunnen de telegraaf geheel onder hun invloed brengen; zij zijn rijk genoeg om telkens, wanneer het hun goeddunkt, van Zuid-Afrika naar Europa over te steken en zich in gemeenschap te stellen met de regeeringspersonen in het Vereenigd Koninkrijk. Allen hebben dezelfde belangen, d. w. z. het vermeerderen van hun eigen rijkdom; het spreekt dus van zelf, dat zij elkander met raad en daad steunen — zelfs de heer Beit doet daaraan mede — wanneer de gelegenheid zich aanbiedt om op de plannen van den heer Rhodes in te gaan.

Nu wij dus eenigermate bekend zijn met het doel van den inval en weten wie er de verantwoordelijkheid van dragen, kunnen wij de geschiedenis er van beschrijven zooals die te Pretoria is opgeteekend. Er kan geen twijfel bestaan of de handelingen van de Trans-vaalsche Nationale Unie in Johannesburg, gedurende de maand December 1895, veroorzaakte eenige bezorgdheid in de Regeeringskringen te Pretoria. Niettemin volbracht de heer Kruger zijne gewone reis door de Republiek, ditmaal een bezoek brengende aan de zuidoostelijke districten, grenzende aan Swaziland. Even vóór Kerstmis keerde hij in de hoofdstad terug. Dat hij volkomen op de hoogte was van de beweging in Johannesburg, bleek uit zijn antwoord aan een bezorgd burger, die naar den toestand informeerde; „men moet wachten tot de schildpad den kop uit zijne schaal steekt, dan kan men dien afslaan.quot; Maar ook de heer Kruger voorzag niet op welke wijze de crisis zou losbarsten. Terwijl de Regeering haar volle aandacht wijdde aan de meeting van de Nationale Unie, die den 6den Januari 1896 uitgeschreven was, bereikte haar plotseling de tijding van den inval. Op den 31 sten December 1895 brachten eenige voorname burgers

ocr page 214

202

van Pretoria een bezoek aan den heer Kruger en den Uitvoerenden Raad, ten einde er bij de Regeering op aan te dringen voorzorgsmaatregelen te nemen en de quaestie der hervormingen ernstig te overwegen, er bijvoegende dat naar hunne meening de grieven der Johannesburgers niet zoo fictief waren. Terwijl men nog praatte komt de heer Joubert haastig binnen en vertelt telegrammen ontvangen te hebben, waarin hem bericht wordt, dat Britsche troepen bij Malmani de grenzen zijn overgetrokken. Hoe ongelooflijk dit bericht ook luidde, het werd maar al te spoedig bevestigd. Reeds was Jameson goed en wel op marsch naar Johannesburg en er was nog juist tijd genoeg, om in allerijl de noodige bevelen te geven tot het verzamelen van de noodige macht om hem in zijn voortgang te stuiten; terwijl noch de heer Kruger noch een der leden van den Uitvoerenden Raad zich om den tuin lieten leiden door het verhaal, dat uit Bloemfontein tot hen kwam, als zou de politie van de Chartered Company eenvoudig den korteren weg door Transvaal nemen om Mashonaland te bereiken. De vrees werd opgewekt dat naast den inval in het Westen een aanval uit het Noorden beraamd zou worden op Pretoria zelf — eene vrees, die, zooals uit later buit gemaakte documenten gebleken is, volstrekt niet van grond ontbloot was. Om deze reden werd besloten voorloopig de artillerie, waarvan de Republiek niet al te goed voorzien was, ter beschikking te houden en maar voorloopig vertrouwen te stellen op de buksen van de burgers, om Jameson een tot hiertoe en niet verder toe te roepen.

Hoe weinig tijd tot voorbereiding beschikbaar was, kan afgeleid worden uit de handelingen van het commando, dat uit Potchefstroom oprukte. Het bericht van den inval bereikte Potchefstroom, dat ongeveer tachtig mijlen ten zuid-westen van Johannesburg ligt, ongeveer terzelfder tijd als Pretoria — d. w. z. in den

ocr page 215

203

morgen van Donderdag den 31 sten December 18Q5. In den avond van dienzelfden dag verlieten 87 man Potchefstroom, onder bevel van den veldcornet, aangezien de commandant van het district, de heer P. Cronje, zich reeds naar het punt begeven had, waar men den invaller zou trachten tegen te houden. Het detachement had het bevel ontvangen zich aan te sluiten bij den troep van Commandant Cronje, maar dit bleek reeds niet meer mogelijk. De burgers hadden eene stelling ingenomen op den weg, die van de westelijke grens naar Johannesburg voerde, dicht bij Krugersdorp. Ten zuiden van den weg stonden de burgers van Krugersdorp onder commando van Potgieter, terwijl ten noorden eene afdeeling onder Commandant Malan stelling genomen had. Commandant Cronje bevond zich met zijne afdeeling ook ten noorden van den weg, maar eenigszins meer naar het westen, zoodat de Potchef-stroomers, om zich bij Commandant Cronje te voegen, verplicht zouden zijn geweest den weg over te steken, om de stelling van Commandant Malan heen te gaan en daarna westwaarts af te buigen. De vijand was echter reeds in aantocht, zoodat er geen tijd was om deze beweging ten uitvoer te brengen en de Potchef-stroomers bevel ontvingen zich ten zuiden van den weg bij Commandant Potgieter aan te sluiten. Op dat oogenblik was de geheele macht 400 man sterk.

Het gevecht begon — de rapporten dienaangaande zijn gelijkluidend — met het openen van het artillerievuur van de zijde van Jameson op de stelling der burgers. Eerst werd Malans stelling beschoten en daarna kwam die van Potgieter aan de beurt. Deze kannonnade duurde tot ongeveer vier uur en had niet de minste uitwerking, want de burgers lagen geheel gedekt achter rotsblokken en heuvels zonder een schot terug te doen. Toen het artillerievuur ophield en de aanvallers en tirailleur begonnen te naderen, gaven de burgers echter van hunne aanwezigheid blijk. De

ocr page 216

204

aanval werd gestuit en Jamesons mannen trokken terug met verlies van een groot aantal paarden en eenige gewonde soldaten. Nu begonnen de Maxims te spelen, maar zonder eenige uitwerking. De aanvallers poogden daarna den rechter vleugel van de burgers te omtrekken, maar deze poging werd door Commandant Cronje doorzien en krachtdadig belet. Nu brak er een eenigszins hachelijk oogenblik aan. Een 12 ponder werd in batterij gebracht aan de zuidzijde van den weg, zoodat de stelling, door Malans afdeeling ingenomen, in de lengte bestreken werd. Bij deze gelegenheid werden een aantal paarden van de burgers gedood, terwijl een inboorling, die ze vasthield, een been werd afgeschoten. Weldra had echter eene afdeeling van Potgieters mannen een kleinen heuvel bereikt, vanwaar zij het artillerievuur spoedig tot zwijgen brachten.

Het was duidelijk, dat de aanvallers er niet in zouden slagen door Krugersdorp naar Johannesburg op te rukken. Ook de aanvoerders schenen hiervan overtuigd te worden, want na eenig beraad wendde de geheele macht zich naar het Zuiden. Onmiddelijk maakte Commandant Cronje zich gereed om de aanvallers te volgen. Met zijne eigene afdeeling, waarbij zich eenige mannen van Malan aansloten, trok hij zuidwaarts in evenwijdige richting met den vijand, terwijl hij Potgieters afdeeling met de rest van Malans manschappen achterliet om de stelling bij Krugersdorp vast te houden. Een donkere nacht en aanhoudende motregen volgde; de mannen, die in de stelling ten westen van Krugersdorp achtergelaten waren, maakten het zich zoo gemakkelijk mogelijk in hunne mantels van waterproof; Cronje en zijn detachement bleven voeling houden met de steeds voortmarcheerende, vermoeide colonne van de aanranders. Gedurende den nacht geleidde Cronje zijn zoon, die ernstig gewond was, naar het hospitaal te Krugersdorp. Deze daad was wel natuurlijk maar niet heel voorzichtig, want gedurende zijne afwezigheid werd

ocr page 217

20,5

eene fout begaan, die bijna ten gevolge gehad had. dat de aanvallers de stelling van den verdediger omtrokken. Cronje, wiens aangeboren militaire talenten bij beide ontmoetingen de beslissing aanbrachten, veranderde echter onmiddellijk van taktiek. Terwijl hij Potgieter en Malan beval eene stelling in te nemen ten zuiden van Doornkop, volgde hij Jamesons colonne met de overigen, hield haar gedurende den nacht voortdurend in beweging en, achter haar aangaande, nam hij in den morgen eene stelling ten zuiden van haar in.

Nu was het critieke oogenblik aangebroken. De aanranders, uitgeput van vermoeienis, ontvingen geen hulp van Johannesburg, zooals hun, naar zij meenden, beloofd was; verzwakt door de verliezen van den vorigen dag en belemmerd door het gemis aan paarden, zagen zij in dat zij de opdracht, welke hun in den vervalschten brief van het Hervormings-Comité was opgedragen, niet konden vervullen. De burgers hadden intusschen voortdurend versterkingen gekregen, zoodat er nu niet minder dan twee duizend strijders in de onmiddellijke nabijheid waren, waarvan er echter niet meer dan vijfhonderd aan de beslissing deelnamen. Bovendien had Cronje's taktiek de aanvallers in een strik gelokt, waaruit zij niet konden ontkomen zonder eene bestorming van de stelling, die door honderden gedekt liggende scherpschutters bezet was. En werkelijk waagde Jamesons troepje den aanval. Zij marcheerden op, de stormpas werd geblazen en voort ging het, tegen de hoogte op, zoo hard als zij konden loopen. Tot vierhonderd — driehonderd -— tweehonderd yards — eindelijk tot honderd yards lieten de burgers hen naderen, maar toen nam het vuren in front en op beide flanken een aanvang. In het volgende oogenblik lagen reeds dertig man tegen den grond. In weerwil van deze verliezen herstelden zij zich en rukten opnieuw voorwaarts. Te vergeefs! De tweede aanval werd even krachtdadig afgeslagen als de eerste, en de geheele

ocr page 218

2o6

aanvalscolonne trok terug naar de hoeve van een zekeren Brink. Toen begon eene nieuwe acte in dit drama. Nu de vrees voor een aanval op Pretoria ongegrond bleek, had men de artillerie doen oprukken naar de plaats des gevechts. Een 12 ponder en een maxim openden nu het vuur op de hoeve, waarop al spoedig iets wits zichtbaar werd, te onduidelijk echter om als eene parlementaire vlag herkend te worden. Eenige oogenblikken later werden echter meer witte vlaggen zichtbaar, waarop aan beide zijden het schieten gestaakt werd. Eenige onderhandelingen volgden en al heel spoedig daarna werd Dr. Jameson met zijne officieren en zijne manschappen onder een sterk geleide van burgers naar Pretoria gebracht en als gevangenen overgeleverd aan de Transvaalsche Regeering.

Intusschen gaven de toestanden te Johannesburg een mengsel te aanschouwen van een huiselijk treurspel en een revolutionair kluchtspel. Er was onder de revolutionairen niemand, bij wien eene gedachte opkwam aan al de ellende en gevaren, waaraan men de gezinnen van ordelijke, vredelievende inwoners blootgesteld had. Bovendien was er niemand onder hen, die ook maar een greintje lust gevoelde om zijn eigen leven te wagen in een twist met Transvaalsche Burgers. De geheele revolutie was niet anders dan eene kluchtige voorstelling ten bate van eene of andere Britsche gallerij. Een bepaald onderwerp voor eene schilderij was er niet; alleen zou eene voorstelling gegeven kunnen zijn van een alge-meenen toestand van revolutie. Van het eerste oogen-blik af was de voorwaarde gesteld dat, zoodra er eenige kans op of aanwijzing van een conflict zou ontstaan, de Hooge Commissaris — in de telegrammen van de revolutionairen „Voorzitterquot; genoemd — zich onmiddellijk van Kaapstad naar Johannesburg zou begeven ten einde bloedvergieten te voorkomen. Voor eene tegemoetkoming van vijftien a twintig shillings daags kon men zooveel manschappen krijgen als men

ocr page 219

207

wilde, om met een geweer gewapend de rol te spelen van een leger van opstandelingen. *)

Voor de vrouwen en kinderen, die moesten vluchten om niet in ongelegenheid te komen, was de zaak ver van grappig. Wat deze ongelukkige slachtoffers der champagne-drinkers van de Rand-club geleden hebben is niet te beschrijven. Verlaten woningen, opgeofferde levens, verloren kinderen, ondermijnde gestellen tengevolge van uitputting en verdriet — dat waren de gevolgen, waarmede de rijke aanstokers van eene dolzinnige revolutie de vrouwen en kinderen bedreigden, die zij op theatralen toon beloofden te beschermen. Men heeft later medelijden gehad met de wijze, waarop die zoogenaamde hervormers gedurende hunne gevangenschap behandeld werden, maar het kwam in geen hunner op, dat de ongemakken, welke zij te verduren hadden, niets was dan eene straf voor al de ellende, welke zij berokkend hadden aan de vrouwen en kinderen — Britsche vrouwen en kinderen voor het meerendeel — van Johannesburg.

Groot was de consternatie te Johannesburg, toen het bericht van Jamesons nadering de in een opgeschroefder, gemoedstoestand verkeerende hervormers bereikte. Had men zelfs maar met een schijn van waarheid naar Engeland kunnen telegrafeeren, dat er in de straten van Johannesburg gevochten werd; ware er maar een conflict ontstaan tusschen een paar zwetsende rechtbeschermers en een Transvaalschen politieagent, waarbij deze genoodzaakt was geworden van zijne revolver gebruik te maken, dan had men het doel reeds bereikt. Eén enkel pistoolschot zou langs den kabel gemakkelijk tot een schrikbewind vergroot zijn geworden. Ongelukkig had de Transvaalsche Regeering echter alle

1) Nog niet lang geleden deed de Johannesburger correspondent van de Daily News een aardig verhaal dienaangaande. Een mijnwerker werd gevraagd waarom hij met een geweer liep. „Verd . .. d als ik het weetquot;, antwoordde hij, „maar ik verdien er een pond per dag mee!quot;

ocr page 220

2o8

politie opzettelijk verwijderd, ten einde in geen enkel opzicht aanstoot te geven.

In den morgen van Donderdag, den 31 sten December 1895, terwijl de Transvaalsche burgers zich in de richting van de westelijke grenzen spoedden om den indringer tegen te houden, gaf het Hervormings-Comité, de bewerkers van deze schandelijke revolutie, ijlings eene „plechtige verklaringquot; uit, zooals een hunner medestanders hun opstel noemde. De Secretaris van het Comité,, handelende op „hoog bevelquot;, deelde in het openbaar mede, dat het Comité geheel onkundig was van den inval op Transvaalsch grondgebied, terwijl de Johannesburger Star tot hunne hulp toesnelde met de verklaring „niets te hebben geweten van, noch eenige sympathie te hebben voor het binnentrekken van de Republiek door eene gewapende macht uit Bechuana-landquot; en ontkende „in het geheim betrokken te zijn geweest.quot; Er schijnt weinig verstand vereischt te worden om deze verklaring in overeenstemming te brengen met den brief aan Dr. Jameson, maar toch is verstand alleen niet voldoende voor die taak. De waarheid schijnt te zijn, dat het bedrog in de lucht zat. De heer Rhodes bedroog zijne collega's; de Keizerlijke Secretaris den Hoogen Commissaris; het Hervormings-Comité bedroog zijne aanhangers en trachtte de Regeering te Pretoria te bedriegen.

Intusschen waren de Regeeringsambtenaren te Kaapstad zoowel als te Pretoria bezig te overwegen, hoe het aangestoken vuur het best te blusschen zou zijn. De Hooge Commissaris, Lord Rosmaed, bevond zich in eene uiterst moeilijke positie. Zijn vertrouwde helper, de Keizerlijke Secretaris, had hem met open oogen bedrogen; de Premier weigerde alle hulp en verweet hem de tweedracht, in Johannesburg gezaaid. Ware de heer Hofmeyr niet te hulp gesneld — hetgeen de heer Rhodes hem zeer kwalijk heeft genomen — dan zou Lord Rosmaed ongetwijfeld niet geweten hebben

ocr page 221

2og

hoe zich uit dezen neteligen toestand te redden. Zijne proclamatie en zijne bevelen waren door Dr. Jameson met de grootste minachting overtreden en Dr. Jameson's troepje was het noodlot tegemoet gevoerd; de Hooge Commissaris kon nu maar één ding doen. Wetende hoeveel achting de heer Kruger hem toedroeg, en steunende op het gezag van zijne hooge positie, kon hij aanbieden naar Pretoria te gaan, zijn invloed gebruiken om den vrede te herstellen en werkzaam zijn in het belang van hen, die, zooals Lord Rosmead wist eer hij vertrok, met hun onzinnig avontuur hun leven in de waagschaal gesteld hadden. Men moet twee dingen wel in acht nemen ten aanzien van Lord Rosmead's tusschenkomst. Ten eerste was zijne tus-schenkomst door de Transvaalsche Regeering niet gevraagd. Ook werd zij niet aangeboden in antwoord op eene uitnoodiging van het Hervormings-Comité. Het lijdt geen twijfel of er waren dergelijke uitnoodi-gingen gedaan, maar Lord Rosmead handelde niet onder den invloed daarvan. Zijne tusschenkomst werd aangeboden uit een besef van verantwoordelijkheid als de eerste vertegenwoordiger van de Britsche Regeering in Zuid-Afrika en ingevolge den emstigen, humanen wensch om bloedvergieten te voorkomen. Zijn aanbod om tusschenbeide te komen is gedaan en aangenomen vóór de overgave van Jameson. Toen het bericht van de overgave kwam, toen,men zich bewust werd dat het leven van Jameson, van zijne officieren en manschappen in handen was van de Transvaalsche Regeering, en toen men eveneens inzag, dat de dwaze poging om in Johannesburg een opstand te bewerken, de bewoners van die stad in eene hoogst gevaarlijke positie gebracht had, toen werd de wenschelijkheid van Lord Rosmead's tegenwoordigheid in Pretoria sterk gevoeld. Het aanbod was gedaan en op hartelijke, vriendschappelijke wijze aangenomen, zoodat Lord Rosmead den 2den Januari 1896 vertrok.

14

ocr page 222

2 IO

De Johannesburger hervormers konden in hun eigen vet gaar smoren, terwijl zij eenerzijds alles in het werk stelden om de mannen, wien zij wapens in de handen gegeven hadden, te beletten daarvan gebruik te maken en aan den anderen kant trachtten, met behulp van den Hoogen Commissaris, de Regeering van Pretoria op een dwaalspoor te brengen. Intusschen was deze Regeering, terwijl de Hooge Commissaris op weg was naar Pretoria, bezig te trachten tot eene beslissing te komen omtrent de wijze waarop zij te werk moest gaan met Dr. Jameson en diens mannen. Paul Kruger had te dien aanzien reeds eene gevestigde overtuiging en zijn besluit om de gevangenen over te geven aan de Engelsche Regeering was door hen, die hij in vertrouwen genomen had, goedgekeurd. Volgens Dr. Jorissen in zijne „Transvaalsche Herinneringenquot; werd hierin beslist op Zaterdag den 4den Januari, den dag, waarop de Hooge Commissaris Pretoria bereikte. Men achtte het echter wenschelijk deze beslissing nog eenigen tijd geheim te houden, om twee redenen; ten eerste omdat de Regeering geenszins den indruk wilde geven, alsof zij Johannesburg als 't ware afkocht en vooral ook, omdat de burgers eerst geraadpleegd moesten worden. De eerste samenkomst met den Hoogen Commissaris, wiens gezondheid veel te wenschen overliet, had plaats op Maandag, den 6lt;ien Januari. Lord Rosmead begon zijn afkeur uit te spreken over den inval, maar kwam al spoedig op de quaestie van de gewenschte hervormingen. De heer Kruger bracht hem echter terstond onder het oog, dat op het oogen-blik niets kon besproken worden dan de maatregelen om bloedvergieten te voorkomen. Johannesburg moest de wapens overgeven. De volgende discussie is door Dr. Jorissen, die er bij tegenwoordig was, opge-teekend:

De Hooge Commissaris: „Ja; maar op welke voorwaarden?quot;

ocr page 223

2 I I

De heer Kruger: „Onvoorwaardelijk.quot;

De Hooge Commissaris; „Dan vrees ik dat zij ze niet zullen overleveren.quot;

De heer Kruger: „Dan zal ik ze gaan halen.quot;

Lord Rosmead deed zijn best om den heer Kruger tot andere gedachten te brengen, maar te vergeefs. Johannesburg moest onvoorwaardelijk en binnen vierentwintig uren de wapens overleveren.

De mededeeling van deze beslissing deed het Her-vormings-Comité eindelijk de schellen van de oogen vallen en wees hun de plaats aan waar zij staan moesten. Tot het oogenblik toe waarop hun deze beslissing ter oore kwam, hadden zij gemeend den toestand te beheerschen en, met behulp van den Hoogen Commissaris, aan de Transvaalsche Regeering de wet te kunnen voorschrijven. Het was wel vernederend voor hen tot de ontdekking te moeten komen, dat de omstandigheden geheel omgekeerd waren en dat, in weerwil van de hulp van den Hoogen Commissaris, de Transvaalsche Regeering hun een ultimatum stelde. Later heeft men er een draai aan weten te geven en gezegd, dat het zwaarst wegende argument om de gestelde voorwaarden aan te nemen de wensch was, om Jameson en zijne mannen het leven te redden. Ongetwijfeld was het natuurlijk en te verontschuldigen, dat men eene daad, die in waarheid het gevolg was van het besef van onmacht en zwakheid toeschreef aan een gevoel van naastenliefde. De hoofden der Hervormers wisten zeer goed — al schijnen anderen dit niet geweten te hebben — dat zij onmachtig waren om de meerderheid der manschappen, die zich aangeboden hadden om dienst te nemen, te wapenen; ook wisten zij zeer goed, dat, indien het tot een conflict kwam, zij niet de geringste kans hadden om de gewapende burgermacht, die in de buurt van Johannesburg verzameld was, te verslaan.

Dat de Transvaalsche Regeering de zaak ernstig opnam, werd hun duidelijk, toen zij vernamen dat de

ocr page 224

212

Transvaalsche Spoorwegmaatschappij de instructie ontvangen had treinen gereed te houden om allen, die zulks wenschten, uit Johannesburg te vervoeren, de vrouwen en kinderen het eerst. Ook de dappersten konden in zulke omstandigheden niet anders doen dan het hoofd in den schoot leggen. Het werd inderdaad tijd, dat de revolutie-gezinden, die sinds eenige weken in eene soort zinsbegoocheling geleefd hadden, den vasten grond van het gezond verstand weer onder de voeten kregen. De wapens werden overgeleverd; de crisis was voorbij en Johannesburg liet geen oogenblik verloren gaan om tot het alledaagsche leven terug te keeren. Op Woensdag, den 8sten Januari traden de ontwapende brigades aan, werden betaald voor de diensten van de afgeloopen week — gemiddeld 15 a 20 shillings per dag en per hoofd — werden ontslagen en ontvingen de aanzegging, dat ieder hunner nog dienzelfden dag tot zijne gewone bezigheden moest terugkeeren. De revolutie was begraven.

Ofschoon de heer Kruger door zijn kordaat optreden de ontwapening van Johannesburg binnen den kortst mogelijken tijd bewerkstelligd had, stond hij nu voor de moeilijkheid, dat zijne handelingen volstrekt niet in den smaak vielen van de burgers. De militaire Commandanten, als vertegenwoordigers van de mannen, die hun leven gewaagd hadden bij het afslaan van den verraderlijken aanval op 's Lands onafhankelijkheid, moesten nu in kennis gesteld worden met de beslissing ten aanzien van de gevangenen. Hartstochtelijk verdedigde de heer Kruger het genomen besluit, waaraan, zooals hij zeide, zuiver politieke bedoelingen ten grondslag lagen. Kwamen de gevangenen voor de rechtbank der Zuid-Afrikaansche Republiek, dan, zoo verklaarde hij, zouden zij onherroepelijk ter dood veroordeeld worden „en,quot; voegde hij er bij, „ik zou hun geen gratie verleenen.quot; Men moest, vervolgde hij, de toekomst voor oogen houden. Indien het doodvonnis vol-

ocr page 225

213

trokken werd zou er een onherstelbare breuk ontstaan tusschen de Regeering en de duizenden Engelschen in het land. Werden daarentegen Dr. Jameson en zijne mannen aan Engeland overgegeven, dan zou Engeland genoodzaakt worden zelf recht over hen te spreken en Transvaal zou de sympathie verwerven van de geheele beschaafde wereld.

Men kan het den verzamelden Commandanten niet euvel duiden, dat zij bij de eerste voorstelling van de zaak warm protesteerden. Zoo krachtig was het verzet, dat Paul Kruger vier uren achtereen letterlijk moest worstelen om zijne meening ingang te doen vinden; zelfs aan het einde van die vier uren waren zij nog niet overtuigd. Toen namen de beide afgevaardigden van den Vrijstaat, de heeren Klijnveld en Fischer, het woord, vroegen verlof een enkel woord te zeggen en spraken de Commandanten in aangrijpende taal toe. En eindelijk zegevierden het gezond verstand en de humaniteit en werd besloten de zaak in handen te laten van den heer Kruger en Dr. Jorissen. Het mag niet onopgemerkt blijven, dat dit voorstel gedaan werd door den heer Schalk Burger, toenmaals lid van den Uitvoerenden Raad, die toegaf zelf volstrekt niet overtuigd te zijn. De beslissing werd medegedeeld aan den Hoogen Commissaris, die er zeer mede ingenomen en zichtbaar getroffen was door zooveel edelmoedigheid van de zijde der ïransvaalsche Regeering. Het is wel zonderling, dat alleen eenige schrijvers in nieuwsbladen en tijdschriften den Hoogen Commissaris veroordeelden wegens het aannemen van deze beslissing; zij waren overtuigd dat, indien Jameson gefusilleerd was, er meer gegronde aanleiding bestaan had voor strijd tusschen Groot-Brittannië en de Zuid-Afrikaansche Republiek.

De blufpolitiek van de Johannesburger hervormers kwam nu op hunne eigene hoofden neer. Met de bedoeling om de Regeering te Pretoria schrik aan te jagen, hadden zij uitgestrooid in het bezit te zijn van 25000

ocr page 226

214

geweren en een half dozijn maxims. Het spreekt van zelf dat de Regeering- er op stond dat al deze wapens ingeleverd zouden worden en, toen ze niet opdaagden, weigerde te erkennen dat de voorwaarden, die door de Hervormers aangenomen waren, werden nagekomen. Inderdaad bevonden de Hervormers zich in dezelfde verlegenheid als eene maatschappij, die een gloeiend prospectus heeft uitgegeven en tot de ontdekking komt, dat het publiek wacht op de vervulling van hare toezeggingen. Het vermoeden, dat men met haar trachtte te spelen, en de ontdekking van den oorsprong en de vertakkingen van de samenzwering dwongen de Transvaalsche Regeering de proclamatie van den gden Januari uit te vaardigen, waarbij amnestie verleend werd aan allen, die aan de Johannesburger betooging deelgenomen hadden, met uitzondering van alle personen en lichamen, van wie mocht blijken dat zij de hoofdmisdadigers, leiders, aanstokers of bewerkers van de troebelen geweest waren. Zoodanige personen, heette het verder, zouden zich te verantwoorden hebben voor de wettige en bevoegde rechtbank van de Republiek. Deze proclamatie werd gevolgd door de inhechtenisneming en opzending naar Pretoria van de leden van het Hervormings-Comité, ten getale van vierenzestig. Dat zij het verblijf in het cachot te Pretoria niet in alle opzichten aangenaam vonden, kan veilig aangenomen worden, maar zonder twijfel kwamen zij tot de overtuiging, dat hij, die kaatst, den bal verwachten moet. Zij hadden een roekeloos spel gespeeld en, alles wel beschouwd, was hunne straf niet al te zwaar.

Getrouw aan zijn gedrag bij vorige gelegenheden deed de heer Kruger weder zijn best om onderscheid te maken tusschen de enkelen en de menigte — de enkelen, die in het geheim een aanslag op touw gezet hadden tegen de Republiek; de menigte, die misleid en bedrogen was.

Met dit doel gaf hij de vermaard geworden procla-

ocr page 227

215

matie van den ioclen Januari 1896 uit, met advies en consent van den Uitvoerenden Raad gericht tot alle inwoners van Johannesburg. Na zijn dank uitgesproken te hebben dat de „verachtelijke en verraderlijkequot; inval teruggeslagen en de onafhankelijkheid der Republiek gered was door de kloekmoedigheid en dapperheid zijner burgers, gaat hij aldus voort;

„De personen, die schuldig aan dit misdrijf zijn, moeten natuurlijk volgens de wet gestraft worden, d. w. z. terechtstaan voor het Hooggerechtshof en eene jury. Maar er zijn duizenden misleid en bedrogen geworden en het is mij duidelijk gebleken, dat er zelfs onder de zoogenaamde leiders der beweging velen zijn, die men heeft bedrogen.

„Een klein aantal listige mannen binnen en buiten het land hebben de arme ingezetenen van Johannesburg en omgeving kunstmatig opgestookt, onder den schijn voor politieke rechten te strijden, dag aan dag als het ware opgehitst, en toen zij in hunnen waanzin meenden, dat het oogenblik gekomen was, hebben zij een Dr. Jameson de grenzen der Republiek doen overtrekken.

„Hebben zij zich zeiven ooit afgevraagd, waaraan zij U blootstelden?

„Ik huiver bij de gedachte wat bloedbad aangericht zou kunnen zijn, indien niet eene genadige Voorzienigheid U en mijne burgers had behoed. Ik spreek niet van de aangerichte geldelijke schade.

„Nu wend ik mij met vol vertrouwen tot U: sterkt nu de handen der Regeering en werkt met haar samen om deze Republiek te maken tot een land, waar alle nationaliteiten broederlijk samenwonen.

„Maanden en maanden heb ik beraamd welke veranderingen en verbeteringen in het staatsbestuur wen-schelijk zouden geacht kunnen worden; maar de gruwzame opstokerij, vooral ook van de pers, heeft mij teruggehouden. Dezelfde mannen, die nu in het

ocr page 228

2l6

openbaar als leiders zijn opgetreden, hebben van mij verbeteringen geëischt op een toon en op een wijze, die zij in hun eigen vaderland, uit vrees voor de strafwet, niet zouden gewaagd hebben aan te slaan of te volgen. Daardoor werd het mij en mijnen burgers, de stichters dezer Republiek, onmogelijk gemaakt hunne ruwe voorstellen in overweging te nemen.

„Het is mijn plan in de eerste gewone zitting van den Volksraad een voorstel van wet te doen, waarbij een stadsraad, met een burgemeester aan het hoofd, van Johannesburg wordt benoemd, waaraan het geheele gemeentelijke beheer der stad zal worden toevertrouwd.

„Naar alle constitutioneele beginselen zou zulk een stadsraad door rechtstreeksche keuze der ingezetenen moeten worden benoemd.

„Ik vraag U met ernst, legt de hand op het hart en beantwoordt mij deze vraag: „kan en mag ik, na het gebeurde, dat aan de Volksvertegenwoordiging voorstellen?quot; Wat ik zelf op die vraag antwoord is dit: „Ik weet dat er duizenden in Johannesburg en omgeving zijn, aan wie ik met vertrouwen die rechtstreeksche keuze kan toevertrouwen. Ingezetenen van Johannesburg, maakt het nu der Regeering mogelijk om voor den Volksraad op te treden met de leuze: vergeten en vergeven. God behoede land en volk!quot; 1)

Was deze proclamatie in overeenstemming met de feiten? Was zij oprecht gemeend?

Op de eerste vraag moet een bevestigend antwoord gegeven worden. De beweging in Johannesburg vond haar oorsprong niet in het volk. Ze was aan het volk opgedrongen door een uiterst kleinen kring oproermakers, die op eigen voordeel bedacht waren en over onbeperkte geldmiddelen konden beschikken om een schijn van ontevredenheid op te wekken, die in werkelijkheid niet bestond. De mijnwerkers, die gedwongen

*) Overgenomen uit Dr. Jorissen's „Transvaalsche Herinneringen.quot;

ocr page 229

217

werden om de wapens op te nemen, op straffe van ontslag en verbeuring- van loon; de mannen van allerlei slag, die voor een loon van 15 tot 20 shillings per dag door de straten moesten paradeeren - deze voorbeelden verschaffen genoeg materiaal om de beteekenis van de beweging in het ware licht te stellen. Het is aan geen twijfel onderhevig dat Paul Kruger volkomen in zijn recht was om te verklaren, dat er zelfs onder de zoogenaamde leiders der beweging velen waren, die men bedrogen had. Geen gering aantal van hen, die op de lijst van het Hervormings-Comitè stonden, waren letterlijk tegen hun wil geprest en gedreigd met verbanning, indien de revolutie mocht gelukken.

Maar was de proclamatie oprecht gemeend ? Drukte ze werkelijk uit wat Paul Kruger en de Uitvoerende Raad gevoelden?

Ook hierover kan niet de minste twijfel bestaan. De heer Kruger meende en voelde alles wat hij zeide. En waarom scheen hij dan eenige weken na het uitvaardigen van de proclamatie terug te krabbelen en nogmaals de Johannesburger bevolking met achterdocht aan te zien?

De verklaring van deze schijnbare verandering in zijne houding kan men vinden in de archieven van het Engelsche Ministerie van Koloniën. Tegen het einde van Januari 1896 heeft de heer Chamberlain niets dan lof geoogst van alle partijen in Groot-Brittannië. Hij is geprezen voor zijn kordaat optreden op het oogenblik van den inval; hij is geprezen voor zijn vaderlandslievend antwoord op het ongelukkige telegram van den Duitschen Keizer — een telegram dat koren was op den molen van de vijanden van Transvaal en der Transvaalsche Regeering den grootsten ondienst bewees. Dat de lof in het eerste geval meer verdiend was dan in het tweede, mag betwist worden; niettemin meenden zelfs zij, die voor de Zuid-Afrikaan-sche Republiek de meeste sympathie koesterden, iets

ocr page 230

2 I 8

daarin te zien, dat veel geleek op eene opgedrongen bescherming door eene vreemde mogendheid. Het is wel mogelijk dat de heer Chamberlain, evenals een speculant, die twee gelukkige slagen gemaakt heeft, een weinig bedorven is geworden door den lof, die hem is toegezwaaid. Hoe het zij, in een onbewaakt oogenblik stelde hij den brief op van den 6den Februari 1896, waarin hij het voorstel deed tot de geheele afscheiding van het Johannesburger district van de Zuid-Afrikaansche Republiek. Terwijl de inval en de samenzwering, waarvan die inval deel uitmaakte, ellendig mislukt waren, haastte de heer Chamberlain zich inderdaad om maatregelen aan te raden, die het gevolg zouden geweest zijn van het welslagen der samenzwering. Of deze brief geschreven is op aandringen van den heer Rhodes, dan wel of hij, alvorens verzonden te worden, aan het oordeel van den heer Rhodes onderworpen is geworden, zijn vragen, die niet met zekerheid beantwoord kunnen worden; maar het is, om er het minste van te zeggen, zeer zeker in het oogvallend, dat de heer Chamberlain op denzelfden dag eene samenkomst gehad heeft met den heer Rhodes, alvorens deze weder in de schemering van Zuid-Afrika verdween. Voorts mag niet onopgemerkt blijven, dat de heer Chamberlain, dezen brief schrijvende, handelde tegen het advies van Lord Rosmead, den meest ervaren Hoogen Commissaris, die ooit de Britsche Regeering in Zuid-Afrika vertegenwoordigd heeft. Lord Rosmead wist maar al te goed, dat geen oogenblik ongelukkiger gekozen kon zijn, om der Transvaalsche Regeering met hervormingsplannen aan boord te komen en had zijn oordeel daarover ook aan den heer Chamberlain medegedeeld. Na een misdadigen aanval op de onafhankelijkheid der Republiek afgewezen te hebben, na de voorbeeldelooze grootmoedigheid waarmede de bedrijvers van die misdaad waren behandeld, belangrijke concessiën te eischen van de Transvaalsche Regeering,

ocr page 231

2 19

dat was, zelfs al hadden alle beschuldigingen tegen die Regeering waarheid bevat, eenvoudig onbeschaamd. Niet tevreden echter met één misslag, beging de heer Chamberlain onmiddellijk een tweede. Hij deelde den inhoud van zijne nota telegrafisch aan anderen mede, nog' eer de Transvaalsche Regeering de nota ontvangen had. De uitslag was te verwachten. Innige verontwaardiging in Pretoria; nogmaals begon de achterdocht het hoofd op te steken, terwijl zelfs de uitlanders in Johannesburg ernstig verzet aanteekenden tegen voorstellen, die, tengevolge van de wijze waarop ze gedaan werden, alleen konden strekken om hunne zaak te bederven en, al werden ze aangenomen, hen met gebonden handen en voeten zouden overleveren aan de kapitalisten. Het hielp weinig, dat de heer Chamberlain de nota introk, toen hij tot de ontdekking kwam van de ontvangst, die haar ten deel was gevallen. De misstap was gedaan. De goede verstandhouding tus-schen Pretoria en Johannesburg, ontstaan na den inval, was in gevaar gebracht. De heer Kruger had met veel moeite den steen der verzoening tegen den heuvel op gesleept — de heer Chamberlain liet hem uit brooddronkenheid er weer afrollen.

De toestanden werden hoe langer hoe ingewikkelder; tegenstrijdige machten waren aan het werk getogen. Er bestond van vele zijden eene neiging om de hoofdpunten van het vraagstuk ter zijde te schuiven en in plaats van ze op te lossen in troebel water te visschen. De heer Chamberlain was verlangend om tegenover de natie de man van de daad te zijn in het Kabinet; de Kaapsche Regeering was tuk op buit, d.w.z. op commercieele of fiskale voordeelen. Bovendien gaf een misverstand aanleiding tot eenige verbittering. Verlangende dat de heer Kruger een bezoek zou brengen aan Engeland, stelde het Kaapsche Ministerie voor, dat de heer Kruger uitgenoodigd zou worden in Londen te komen. Met eene gedienstigheid, die zijn aanzien

ocr page 232

220

moeilijk kon verhoogen, gaf het verder den raad den Hoofdrechter van Transvaal, den heer Kotzé te verzoeken den heer Kruger te vergezellen, terwijl het de zonderlinge verantwoordelijkheid op ;;ich nam om de verzekering te geven, dat de heer Kruger zou komen, indien hij uitgenoodigd werd. De uitnoodiging werd gezonden, maar, tot grooten spijt van den heer Chamberlain, niet aangenomen. De heer Kruger had zich natuurlijk te dien opzichte nooit uitgelaten, en, afgescheiden van alle andere overwegingen, was hij van oordeel dat zijne diensten in Pretoria meer noodig waren dan in Engeland. De toestanden waren van een aard, dat er maar zeer weinig noodig was om de gemoederen in vuur en vlam te zetten, zoodat ieder oogenblik Paul Krugers tact en vastberadenheid noodig zouden kunnen blijken, om on-gewenschte politieke strijdvragen te beslechten. In weerwil van zijn afkeer voor Europeesche hoofdsteden zou Paul Kruger ongetwijfeld de uitnoodiging om naar Engeland te komen, aangenomen hebben, indien hij dit wenschelijk of noodzakelijk geoordeeld had. Het scheen hem echter toe, dat een bezoek aan Engeland noch noodzakelijk noch wenschelijk was. Zooals men weet moet hij gezegd hebben: „De Britsche Regeering noodigt mij alleen uit wanneer zij iets van mij noodig heeft.quot; Hij was bang in Londen verleid te worden tot het doen van concessies, die na rijpe overweging noch door den Volkraad, noch door hem zeiven goedgekeurd konden worden. Bovendien was er nog eene andere geduchte hinderpaal te overwinnen. De President van de Zuid-Afrikaansche Republiek mag het land niet verlaten zonder toestemming van den Volksraad en deze zou, in hare ijverige zorg voor de belangen van de Republiek, den President niet toestaan te vertrekken, alvorens men overeenstemming verkregen had betreffende de onderwerpen, die met de Engelsche Regeering besproken zouden worden. Op dit punt

ocr page 233

22 I

stuitte het voorstel eindelijk af; de heer Chamberlain was in den aanvang op een dwaalspoor geleid en de weigering veroorzaakte eene onaangename gewaarwording in Downingstreet, maar dit was niet de schuld van Paul Kruger.

Het volgende voorval in deze aan gebeurtenissen zoo rijke geschiedenis was het verhoor van het „Her-vormings-Comité,quot; dat op den 24sten April 1896 geopend werd voor den Rechter Gregorowski. Er zijn zooveel onjuiste voorstellen gegeven van de heeren Gre-gorowski's benoeming tot Rechter, dat eenige woorden tot verklaring daarvan noodig schijnen. De oudste leden van de Transvaalsche Rechtbank — de Hoofdrechter, Rechter Jorissen en Rechter Ameshoff — hadden een werkzaam aandeel genomen in de beraadslagingen van den Uitvoerenden Raad in de eerste tijdstippen van de crisis. Zonder twijfel zou er aanleiding tot opmerkingen geweest zijn, indien een hunner aangewezen was om de gevangenen te verhooren, terwijl het ook niet onbedenkelijk scheen zulk eene ernstige zaak in handen te stellen van de jongste rechters. De heer Gregorowski, een Engelsch advocaat, die met lof zijne examens afgelegd had, was eenigen tijd Rechter in den Vrijstaat geweest, maar had onlangs de balie verlaten en de betrekking van Staatsprocureur op zich genomen. De heer Gregorowski heeft in Zuid-Afrika altijd bekend gestaan als een gentleman, als een geleerd en beschaafd man; eene voorstelling van hem te geven — zooals geschied is — als van iemand die dorstte naar het bloed der uitlanders, zou eenvoudig belachelijk zijn, indien het niet zoo uitermate boosaardig was.

De positie, waarin de heer Gregorowski zich geplaatst zag, was de volgende: Hij had voor zich een aantal vreemdelingen, die allen, in meerdere of mindere mate schuldig verklaard waren betrokken te zijn geweest in eene samenzwering tegen de Regeering en ver-

ocr page 234

222

moedelijk ook tegen de onafhankelijkheid van de Republiek, terwijl bij de pogingen tot uitvoering een troep onverantwoordelijke roovers — in wettigen zin waren Dr. Jameson's volgelingen niets anders — over de grenzen gebracht was, hetgeen tot het verlies van een groot aantal menschenlevens had kunnen leiden. Het zou moeielijk zijn eene grover politieke misdaad te bedenken, terwijl het overleg, waarmede alles was voorbereid, scherp in het oog viel bij het openbaar maken van de in beslag genomen cijfertelegrammen. Als rechter in zulk eene ernstige zaak had Mr. Grego-rowski eenvoudig te handelen op den indruk, dien hij zelf van de omstandigheden kreeg, en straffen op te leggen overeenkomstig dien indruk. 1) Hij had volstrekt niet in overweging te nemen wat de Transvaalsche Uitvoerende Raad wenschte of de Zuid-Afrikaansche „menquot; dacht. Hij had zich eenvoudig te houden aan de wet. Wilde de Uitvoerende Raad zijne vonnissen later wijzigen, dat was de zaak van den Raad — niet van hem. Wat de opgelegde boeten betreft, een ieder zal moeten toestaan dat het eene dwaasheid geweest zou zijn die anders dan op een hoog cijfer te bepalen. Mannen, die een kwart millioen kunnen uitgeven om eene revolutie in het leven te roepen, hebben geen reden zich te beklagen dat zij, bij mislukking, een vijftig of honderdduizend pond meer hebben te offeren om hunne handlangers voor gevangenschap te vrijwaren. Wat de hoofdvonnissen betreft, niemand, die ook maar de geringste kennis bezat van land en volk, heeft een oogenblik gemeend, dat ze ten uitvoer gelegd zouden worden. Niettemin bleef de vermindering uit ten gevolge van het feit, dat enkele leden van den Uitvoerenden Raad zich eenigen tijd bleven verzetten,

*) Een opzienbarend verhaal heeft de rondte gedaan over het feit, dat de verdedigers, de beschuldiging erkennende, handelden in geheime verstandhouding met de vervolgers. Dit verhaal is echter lijnrecht tegengesproken door den heer Wessels, den hoofd verdediger.

ocr page 235

223

wijl zij het niet eens waren met de humane beginselen en aanbevelingen van den President. Zelfs werd door deze tegenstanders van zachtmoedig recht geopperd, dat in 1896 vier Britsche onderdanen zouden opgehangen worden, om wraak te nemen over de doodstraf, die in 1812 bij Slaagter's Nek op vijf Hollanders was toegepast. „Keurt gij die daad bij Slaagter's Nek goed?quot; vroeg de heer Kruger. „Waarom vraagt gij mij dan dat voorbeeld te volgen?quot;

Met de fiatteering der vonnissen te Pretoria was, voor zoover de Zuid-Afrikaansche Republiek er in betrokken was, de zaak van Jameson's raid beëindigd. De politieke gevangenen schaamden zich niet hunne opwachting te komen maken aan de woning van den President, om dezen voor zijne zachtmoedigheid dank te zeggen; het vertrouwen tusschen Pretoria en Johannesburg begon te herleven, terwijl een weinig later het onpartijdige vonnis over Dr. Jameson en zijne onderaanvoerders door de Engelsche rechtbank uitgesproken, een kalmeerenden invloed teweegbracht. De belangstelling was daarna verlegd naar Londen en de toestand tot op het tijdstip, dat Paul Kruger voor de vierde maal tot het hooge ambt van President der Zuid-Afrikaansche Republiek geroepen zou worden, werd hoofdzakelijk beheerscht door gebeurtenissen, die plaats hadden, en besluiten, die genomen werden in den klassieken kring van eene halve mijl om den toren van Westminster.

ocr page 236

HOOFDSTUK XII. Kruger herkozen.

De vierde verkiezing van Paul Kruger door eene overstelpende meerderheid heeft natuurlijk een diepen indruk gemaakt in Zuid-Afrika, in Groot-Brittannië, in heel de wereld. De indruk was te dieper ten gevolge van de verklaringen, halsstarrig volgehouden, dat zijne populariteit afnam en de vooruitstrevende partij onder de Transvaalsche burgers zoodanig in aantal toegenomen was, dat de heer Kruger, zoo al niet geslagen, dan toch met eene onbeduidende meerderheid herkozen zou worden. Ver van daar heeft de heer Kruger een veel groot er aantal stemmen op zich vereenigd dan ooit te voren; heeft hij eene verpletterende meerderheid behaald.

In dezen verkiezingsstrijd is de geduchtste tegenstander van den heer Kruger geweest de heer Schalk Burger, een betrekkelijk jonge man, doch een hoogst bekwaam man, die nog niet lang te voren voor de eerste maal in het openbaar was opgetreden als lid van den Uitvoerenden Raad. Meer handelende onder een indruk dan na rijp beraad, was de heer Schalk er zonder veel moeite toe gebracht te gelooven, dat hij bestemd was om eene verzoening te weeg te brengen tusschen de oude en de nieuwe ingezetenen van de

ocr page 237

225

Republiek. Gevleid door de beleefdheden, welke hij ontving van een of twee der voornaamste Johannes-burger kapitalisten, ging hij gewillig in hun vaarwater mede, zonder zich eens af te vragen in hoe ver hunne inzichten gegrond waren op eigenbelang, noch zich te overtuigen of deze inzichten wel aannemelijk waren voor de groote massa van de kiezers. Ongetwijfeld had hij vele dingen in zijn voordeel. Nieuwsbladen, eigendom van de kapitalisten, welke vroeger den heer Kruger gesteund hadden, deserteerden van hunne oude vlag en zongen den lof van den heer Schalk Burger. In bijna alle deelcn van Zuid-Afrika was de meerderheid hem genegen, de meerderheid, die er toe gebracht was in hem den erkenden leider te zien van eene „vooruitstrevende Boerenpartijquot;, die eene meerderheid heette te vormen in de Republiek. De uitslag rechtvaardigde deze inzichten in geenen deele. De stemmen op den heer Kruger uitgebracht stonden tot die op den heer Schalk Burger als vier tot een, zoodat de positie van eerstgenoemde sterker was dan ooit en aan de wereld geopenbaard werd, dat, indien er al eene vooruitstrevende partij in Transvaal bestond, deze óf zeer gering in aanzien was, óf in de herkiezing van den heer Kruger den besten waarborg zag voor de verwezenlijking harer denkbeelden.

Voor hen, die het karakter van den heer Kruger en de overheerschende beginselen van de burgerbevolking van nabij kenden, was deze uitslag volstrekt geen verrassing. Welke gebreken of zwakheden den Transvaalschen burger ook aankleven, in één ding is hij onfeilbaar sterk, nl. in de waarde, die hij hecht aan zijne politieke onafhankelijkheid. De heer Kruger heeft als een trouwe wachter altijd pal gestaan voor die onafhankelijkheid en juist op het tijdstip van de laatste Presidentsverkiezing werd de onafhankelijkheid van de Republiek openlijk bedreigd — daarom verwierf Paul Kruger zulk eene groote meerderheid. Bij

15

ocr page 238

de vorige verkiezing, in 1893, was het gevaar van buiten zoo goed als verdwenen; plaatselijke geschilpunten beheerschten toen in hooge mato de kiezers, zoodat de heer Kruger slechts met eene geringe meerderheid de overhand behaalde op den heer Piet Joubert. Jameson's inval en de ernstige bedreiging van de onafhankelijkheid der Republiek waren op zich zelf reeds voldoende om de herkiezing te waarborgen van den President, die geworsteld had en overwonnen. De raid en Jameson's nederlaag hadden den weg geopend voor het herstel van eene uitnemende gezindheid tusschen de Britsche Regeering en Transvaal, indien er aan het Ministerie van Koloniën te Londen maar een staatsman de teugels in handen gehad had, in staat om voordeel te trekken van de aangeboden gelegenheid — in staat om de invloeden door den raid teweeggebracht te neutraliseeren, en nadruk te leggen op de mogelijkheid van overeenstemming tusschen Pretoria en Westminster, zooals die vele jaren achtereen had bestaan. Ongelukkig voor Zuid-Afrika, maar wellicht nog ongelukkiger voor Groot-Brittannië, beschikte het Ministerie van Koloniën over zulk een staatsman niet. Integendeel stonden de Zuid-Afrikaansche zaken onder het toezicht van een regeeringspersoon, die zich gemengd had in de plannen van de bitterste en openlijk erkende vijanden van de Zuid-Afrikaansche Republiek en thans het net, waarin hij geraakt was, moeilijk kon ontwarren; een staatsman die in zijn eigen belang genoodzaakt was mede te gaan met de ultra-Imperialisten; een staatsman, die uitging van het denkbeeld dat eene heerschzuchtige, ongemanierde wijze van gezag oefenen het beste wapen is in de diplomatieke wapenkamer. Zooals boven reeds gezegd is maakte Jameson's raid de herkiezing van den heer Kruger zeker; de heer Chamberlain en diens nota's verzekerden den heer Kruger eene overstelpende, voorbeeldelooze meerderheid.

Het verhoor en de schuldigverklaring van Dr. Jameson

ocr page 239

227

en zijne officieren heeft ongetwijfeld een gunstigen invloed geoefend op de betrekkingen tusschen Londen en Pretoria. Men zag dat de Britsche Regeering trouw aan haar woord wilde zijn; dat Groot-Brittannië een land was, waarin recht en wet niet op zijde gesteld konden worden ter bevordering van persoonlijke belangen. Hoeveel vertrouwen echter ook opgewekt kon worden door het vonnis van de Rechtbank, het werd eenvoudig weggevaagd door hetgeen er voorviel bij het Parlementaire onderzoek. De leden van dat Comité verdienen een woord van lof, omdat zij niettegenstaande de moeilijkheden, die men hun in den weg legde, gereed zijn gekomen met een rapport. Zonder twijfel komt het Comité daarvoor een woord van lof toe, ofschoon het te voorzien was, dat de moeilijkheden overkomelijk zouden geweest zijn, indien Chamberlain niet vooruit besloten had het rapport zoo spoedig mogelijk ter zijde te leggen. Waarom werden het Comité zooveel moeilijkheden in den weg gelegd; wat was de aard van deze moeilijkheden — deze vragen zijn even duister als de Dreyfus-quaestie. De een of andere geheimzinnige invloed bond de handen en verzegelde de lippen van elk lid en voornamelijk van de leden, die in het Lagerhuis op de banken der oppositie hun zetel hadden. Wat was dan toch het geheim? Wie moest er gered of beschermd worden? Indien alleen Chamberlain daarvoor in de termen viel, was het te begrijpen dat de Regeeringspartij hem steunde, maar onbegrijpelijk, ja, onmogelijk te begrijpen is het, dat de officieele vertegenwoordigers van de liberale partij hunne hulp verleenden tot hetzelfde doel. Moest er een koningschap beschermd, of eene vreemde mogendheid tevreden gesteld worden? Namen er hooggeplaatste personen in Engeland deel aan de plannen van Rhodes ? Moest den Keizer van Duitschland diens telegram aan de Transvaalsche Regeering vergolden worden? Wie zal op al deze vragen antwoorden? De

ocr page 240

228

wereld kan slechts afgaan op de feiten, die bekend worden. Deze feiten zijn echter duidelijk genoeg en veelbeteekenend genoeg.

Het eerste feit, dat duidelijk en openbaar genoeg was, is dat het Comité zich op zeer ongrondwettige wijze vrees liet aanjagen door de Kroon. Dit was eene waarheid, al mag men het tegenspreken dat zulks direct plaats had. In hoe ver de Troonopvolger beschouwd kan worden als de vertegenwoordiger van de Kroon hangt van allerlei omstandigheden af. Somtijds — wanneer de Troonopvolger b. v. nog een kind is — zou het onzinnig zijn het bestaan van zulk eene vertegenwoordiging zelfs uit te spreken. Is de Troonopvolger echter, volgens den gewonen loop der dingen, op het punt van zelf de Regeering te aanvaarden en is hij reeds belast met allerlei maatschappelijke functiën, die eigenlijk aan de Kroon toebehooren, dan verandert de quaestie. Deze maatschappelijke functiën oefenen een ontzaglijken invloed op hen, en op de familieleden van hen, die als politieke leiders optreden, want geen politieke leider zal gaarne eene persoonlijke veete uitlokken met den aanstaanden Souverein. In dit licht moet de in het oog loopende tusschenkomst beschouwd worden van den Britschen Troonopvolger ten behoeve van den hoofdaanlegger — zooals deze zelf bekend heeft — in eene misdaad, waarvoor zijne handlangers vervolgd en gevangen gezet werden. Zoowel overwegingen van staatsbelang als van persoonlijk belang en vooral het feit, dat men in het rapport zijn naam met dien van Cecil Rhodes in één adem noemde, hadden den Troonopvolger moeten weerhouden om de kamer, waar het Comité vergaderde, binnen te treden. In plaats daarvan werd de wereld onthaald op het verbazingwekkende schouwspel, dat de Troonopvolger op in het oog loopende wijze en in het openbaar de hand schudde van een Britsch onderdaan, die schaamteloos genoeg was te bekennen de hoofddader te zijn in eene ernstige internationale misdaad.

ocr page 241

229

Het aldus geïntimideerde Comité, overtuigd dat de heer Rhodes onder bescherming stond van de Kroon, was langzamerhand een paskwil geworden. Men stond zelfs toe dat de heer Rhodes het Comité in lachen deed uitbarsten. Men liet hem onbeperkte vrijheid om lachverwekkende, doch verkeerde voorstellingen te geven van het gebeurde. Men noodigde hem zelfs uit Transvaal te belasteren. Zij bedankten hem voor zijne beleefdheid om wel voor hen te willen verschijnen, op een toon zoo nederig als die van een onderdaan tegen zijn keizer. Toen het Comité echter te doen kreeg met de personen, die de handlangers en de dupes van Rhodes geweest waren, zooals Sir Graham Bower, de Keizerlijke Secretaris, veranderde de houding. Hen had men in stukken willen scheuren, als zondebokken van Rhodes. Inderdaad, het Comité was er zoo ver van af een Comité van onderzoek te zijn over de handelingen van Engelsche onderdanen, dat het er zelfs toe overging beschuldigingen in te brengen tegen de Transvaalsche Regeering. De leden van het Johannesburger Hervormings-Comité hadden volle vrijheid om den President der Republiek te belasteren, den President, wiens tact en grootmoedigheid Zuid-Afrika gered hadden van verwoesting door een rassen-oorlog.

Het licht, dat van de handelingen van het Comité naar buiten afstraalde, is zeer juist beschreven door een Fransch journalist, den heer Edgard Roels, die met eene speciale zending van Le Temps een bezoek heeft gebracht aan Transvaal; „Het zou moeilijk zijnquot;, zegt hij, „eene meer geschikte combinatie te vinden, om de schuldigen en verborgen medeplichtigen op te sporen, dan in dit Comité van Engelsche Parlementsleden en staatslieden, waarin de beschuldigden aanklagers werden van het land, welks rechten zij geschonden hadden.quot; 1)

*) Autour des mines d'Or du Transvaal. Par Edgar Roels. 1897.

ocr page 242

230

Van den anderen kant werd, toen het Comité den eenigen onafhankelijken getuige — den heer Schrei-ner — voor zich had, geen poging ongebruikt gelaten, om door kruisverhooren en bangmakerij zijn getuigenis te verdraaien tot eene beschuldiging aan het adres van de Transvaalsche Regeering. Over het schandaal van de weigering om de overlegging te eischen, of zelfs te vragen, van zekere telegrammen behoeft niet meer uitgeweid te worden. Het toppunt van schandaal werd bereikt, toen in het debat over het rapport, dat het Comité met veel moeite opgemaakt had, de Staatssecretaris van Koloniën het rapport, dat hij zelf onderteekend had, geheel overboord gooide door te verklaren, dat de eer van den heer Cecil Rhodes op geenerlei wijze was aangerand door zijne samenzweringen en bedriegerijen, gevolgd door een luidruchtig handgeklap van Chamberlain's bewonderaars, ongetwijfeld een betaalde troep claqueurs, opdat de protesten gesmoord zouden worden, zelfs van de voorstanders der Regeering.

Het doet goed te kunnen erkennen dat deze handelingen in geenen deele de goedkeuring wegdroegen van de gansche natie. Integendeel, ze hebben walging opgewekt bij de eerlijke leden van beide politieke partijen en alleen de blinde aanbidding van de godheid, die partij-discipline heet, was oorzaak dat een verontwaardigd protest achterwege bleef. Toch bleven de gevolgen niet achterwege. Ten eerste heeft het zedelijk prestige van Groot-Brittannië ernstig geleden in de oogen van de gansche beschaafde wereld. Voorts hebben de officieele leiders van de liberale partij het vertrouwen verloren bij het Engelsche volk. Eindelijk — en dit is een niet minder ernstig gevolg, dat nog andere, misschien rampspoedige gevolgen na zich sleepen kan — heeft het besluit van de Britsche Regeering, hoofdzakelijk vertegenwoordigd door den Staatssecretaris van Koloniën, om zich te vereenzelvigen met de handelingen en plannen van de erkende en openlijk

ocr page 243

231

optredende vijanden van de Zuid-Afrikaansche Republiek, in dit land haat en wantrouwen gezaaid, die niet zullen verdwijnen zoolang de heer Chamberlain het toezicht blijft houden op de Zuid-Afrikaansche zaken. De Transvaalsche Regeering is gegispt omdat zij wapens invoert en forten bouwt; maar de heer Chamberlain heeft zijn uiterste best gedaan om deze beide maatregelen te rechtvaardigen. De Transvaalsche Regeering is in de Engelsche pers beschuldigd zich te wapenen tegen haar „Suzerein.quot; Maar de „Suzereinquot; heeft, dank zij den heer Chamberlain, het wantrouwen in het leven geroepen, dat tot die wapening aanleiding geeft. En het zijn niet alleen de handelingen van het Zuid-Afrika-comité, dat tot dit wantrouwen aanleiding gegeven heeft. Er is wantrouwden opgewekt door de nota's van den heer Chamberlain; door zijne weigering om betwiste onderdeelen van de Londensche conventie aan eene of andere scheidsrechterlijke uitspraak te onderwerpen ; door zijn voortdurend afkeuren van alles wat op technisch gebied in Transvaal tot stand komt; door zijn beleedigend en heerschzuchtig vasthouden aan de Britsche suzereiniteit — eene suzereiniteit, die op onbillijke wijze rechten eischt en alle daarmede gepaarde verantwoordelijkheid ontkent.

Al deze dingen te zamen hebben een gespannen toestand in het leven geroepen, die, ofschoon noch de heer Kruger noch de Transvaalsche Regeering er verantwoordelijk voor is, als een dreigend onweder hangt boven zijn vierde Presidentschap. Op het oogen-blik waarop deze regels geschreven worden, is Zuid-Afrika nader aan eene onoverkomelijke ramp dan ooit te voren. De omstandigheid dat deze gespannen toestand is voorzien als het natuurlijk gevolg van den steun, door de Keizerlijke Regeering aan Rhodes gegeven, in weerwil van diens tallooze bekentenissen, maakt die spanning niet minder ernstig. Het is misschien een schrijver wel toegestaan zijn eigen woorden te herhalen, geschreven

ocr page 244

232

in de eerste weken van 1897, vóór het Zuid-Afrika-comité zijne werkzaamheden had aangevangen. Ze waren de volgende:

„Het is onmogelijk dat die misdaad — Rhodes nogmaals te laten optreden als Zuid-Afrikaansch dictator — weder begaan zal worden. Zoo ja, dan zullen de daaruit volgende rampen verschrikkelijk zijn. De vrede van gansch Zuid-Afrika hangt aan een zijden draad. Verbittering en achterdocht zullen tot in de donkerste hoeken doordringen. De rassenhaat zal overal uitbreken en tot vijandelijkheden leiden, waardoor het barbarisme bevorderd zal worden en vroeg of laat een van de vreeselijkste verdelgingsoorlogen zal uitbreken van den nieuweren tijd. Deze mannen, die gij Boeren noemt, die gij uitlacht om gebreken, welke de oppervlakte raken, zijn gesteld op hun onafhankelijk volksbestaan. Zij hebben hunne gebreken, ongetwijfeld; maar laat hen strijden voor hunne onafhankelijkheid, dan zullen zij dezelfde volharding, dezelfde dapperheid aan den dag leggen als hunne voorouders, de Hugenoten, die alles wat zij bezaten opofferden voor de vrijheid van godsdienst en van gedachte, en als de Nederlanders, die de zege behaalden op de legers van de groote Europeesche mogendheden in de i7de eeuw. Gij zult deze mannen, die den overheerschenden factor uitmaken in Zuid-Afrika, vinden in Transvaal, den Vrijstaat, de Kaapkolonie, in Natal, nauw verbonden door de onverbreekbare banden van bloed en nationaliteit, die blijven bestaan in weerwil van steeds toenemende verdrukking en van den loop der jaren. Komt het tot uitersten, dan is de zaak van één hunner, de zaak van allen te zamen en als zij de Keizerlijke Regeering zich zien vastklampen aan den man, die in hunne en aller oogen niets is dan een ongestrafte boosdoener, dan zullen zij zich tegenover de Britsche Reering scharen met doffen haat en wantrouwen in het hart. De mogelijkheid dat dit gebeuren kan is niet uitgesloten en mocht

ocr page 245

233

het gebeuren, dan zal Zuid-Afrika geldelijk en commercieel te gronde gaan of zich vrij vecht en.quot; ')

De beschrijving, in de eerste dagen van 1897 gegeven, dreigt reeds in 1898 werkelijkheid te worden. De Britsche Regeering, buigende voor invloeden even geheimzinnig als ze boosaardig moeten zijn, schijnt vastbesloten haar geloof in Zuid-Afrika op te hangen aan den man, die door de groote meerderheid der Europeanen in Zuid-Afrika, en om goede redenen, beschouwd wordt als een ongestraft rondloopenden boosdoener. De verwoestende rassenkrijg, die in den aanvang van 1897 mogelijk scheen, is in 1898 meer dan waarschijnlijk geworden — men kan moeilijk zeggen „zeker,quot; want er kan altijd in het laatste oogen-blik nog iets tusschenbeide komen, dat het dreigend onweder doet aftrekken. De kenteekenen van de nabijheid dezer ramp zijn niettemin voortdurend om ons heen — in de verschijning in Engeland van agenten, wier opdracht is de openbare meening hoe langer hoe verder op een dwaalspoor te brengen, ofschoon het publiek wel verzadigd moet zijn van verkeerde voorstellingen betreffende den toestand in Zuid-Afrika; in de in het oogloopende samenspanning tusschen hooggeplaatste ambtenaren in Pretoria en de eerste dagbladen in Londen, ten einde onrust te verspreiden op handelsgebied; in het voortdurend doch onopgemerkt zenden van versterkingen naar Zuid-Afrika. In 1898 mag het gezegd worden, zooals het in 1897 gezegd is, dat indien het conflict, dat nu nog dreigt, losbarst, Zuid-Afrika zal ophouden een deel uit te maken van het Britsche Keizerrijk of te gronde gaan. Beide Britsche koloniën zullen geldelijk en commercieel vernietigd worden. De eeuwige haat tusschen de beide Europeesche hoofd-nationaliteiten zal de hernieuwing van den voorspoed onmogelijk maken. Zij, die zoo

*) „South-Africa as it isquot; pag. 308.

ocr page 246

234

lichtvaardig spreken over het dwingen van Transvaal door kracht van wapenen, moeten nog eens den inhoud lezen van de „derde Proclamatiequot; bij Laing's Nek uitgevaardigd in 1881 : „Beter een verwoest land dan geen landquot; ; dat was het grondbeginsel van die Proclamatie en dat zal het grondbeginsel zijn, indien de heer Chamberlain er in slaagt den strijd te doen ontbranden, dien hij schijnt te zoeken. Wat de toestand zoo uiterst gevaarlijk maakt, is dat hij zich in zijne laatste nota's zelf den terugweg heeft afgesneden. Hij heeft feitelijk verhinderd — het schijnt zelfs met opzet — de toevlucht te nemen tot diplomatieke besprekingen. Dat eene dergelijke politiek in den smaak valt van wereldstedelijke nieuwsbladen, die dorsten naar bloed, is begrijpelijk; niettemin is dit eene politiek, die, wijl zij gegrond is op onrecht en op verwoesting en ellende uitloopt, alleen misdadig genoemd kan worden.

Dit is de donkere zijde van de schilderij op het oogenblik dat de heer Kruger zijn vierde termijn als President intreedt. Er is echter nog licht. De hoop bestaat nog dat zijn takt, zijn staag beleid, zijne onafgebroken waakzaamheid er in slagen zullen de dreigende verwoesting af te wenden, totdat zelfs de ijver van zijne vijanden verslapt en de publieke opinie in Engeland teruggaat naar haar normaal standpunt. Indien de heer Kruger hierin mag slagen, dan zal hij aan Zuid-Afrika niet alleen, maar ook aan het Britsche Rijk een dienst bewezen hebben, ver verheven boven alle dankbaarheid; een dienst, welke meer en meer zal worden erkend, naar mate de geslachten elkander opvolgen. Hetzij zijn leven en zijne loopbaan mogen eindigen in rampspoed of in vrede, er zullen weinig mannen uit deze eeuw door die van de volgende met meer achting en waardeering besproken worden dan Paul Kruger.

EINDE.

ocr page 247

INHOUD.

HOOFDSTUK. BLADZ.

I. DE KRUGERS EN DE KAAP....................I

II. DE KRUGERS EN DE TREK.........12

III. PAUL KRUGER EN DE REPUBLIEK................33

IV. KRUGER EN DE ANNEXATIE....................54

V. KRUGER ALS WOORDVOERDER VAN HET VOLK . . 75

VI. KRUGER EN DE OORLOG........................93

VII. KRUGER EN DE CONVENTIES........II4

vin. KRUGER EN DE GOUDVELDEN.........138

IX. KRUGER EN RHODES........ ... 151

X. KRUGER EN DE HERVORMERS........163

XI. KRUGER EN DE „RAIDquot;...........IQÓ

XII. KRUGER HERKOZEN............224

ocr page 248
ocr page 249
ocr page 250

Bij L. J. VEEN te Amsterdam verscheen:

Fridtjof Nansen door W. BROUWER. Met 24 illustraties. Prijs /1.10 ing.; /1.50 geb.

Thomas Alva Edison door W. BROUWER. Met 11 illustraties. Prijs/1.10 ing.; /1.50 geb.

OLIVE SCHREINER, Op een Hoeve in Zuid-Africa. Prijs/2.50 ing.; /2.90 geb.

OLIVE SCHREINER, Peter Halket van Mashona-land. Prijs/1.75 ing.; /2.25 geb.

FRANS NETSCHER, Olive Schreiner en Peter Halket van Mashonaland. Prijs / 0.10.

ocr page 251
ocr page 252

rSl'

j |

:.CI

m

ocr page 253
ocr page 254

■ 7

PJ

gd

BS

1

- ' • • ^ : -' '/ r

'V -» '

. »lt;• N ,gt; ■

1

o ■. • •gt;••■• r

O -.....;'s-i

■ e %'j Mi

r't)

.; ' A' 'j! f

* 1, ; v'!

■ . -f .. .. ' ■,gt; ii gt; lt; J^vV';■.■■.;amp;■; - _i ■ '

■4 v.

I

■'* . quot;W-K - iv r* • ■ v / - -' * • ' lt;;■ , ,

■ A

/ r • ^vgt;

V, * lt; ■ ■ *- .

*' gt; - gt;

c ' v » :; ,4» O

' 4 ■ . «' ^ v ^

r-.^- * ;■ ' » '- t

• ■ quot;TVv ' ■ ' • '

' f ' * ' gt; ^ ** * f

HL' quot; T's* i ; * V;. J s

* • - ■• ■ -ni. Vf .■ yïv. .4 ^

• • ■ ■-• ■•, .quot;■ i*: v;w-;

l ' ' .quot; '■••v',:' ' '• •■.''• ■.'•-■ v- l

■quot;, ■' •.■,.', •■'''• - ■{: W=i

, - ■ 'V gt; . . - .V - * • .4 *

v.- -gt; w. . ''V - ^^*31

f V gt;' t ^

,vv-v V-

J. quot;■ ■»■' * - J! V .c * quot;f ^...»■ ,-!(?• 1

■ gt; •% f , ■ .,-r ■ \tpi:5i5pïi

/■ V. ' • v - /quot; V,' .' Él

^ X '•- ■lt;•;-VM, rr . . -\o«: ■ ,-s '3 Él

v -♦- ^ •» lt; -'V;•?• 'v mtoiil

; ^ .-V S . quot;.J ^ f (- V Iffffl

•». '\i vi • Aquot; f i : ■ ' 'quot;V-TX gt; #

( .5?f^r ■•, ',y-quot; •quot;'v ^SStf®ïiSl

. • _ %■ . •gt;■- ____gt;^ gt; lt; - -f J'iyHS:4tó :)^M=!S'lif:

Rj

QN

s

r - »wquot; f, %••' ■.■ 'O x -i* ■ -ƒ- Vv vtó-

■■ «» .-V. '*-#■? •- s •- . ■%-' , F j s if l

•»gt;, vi s Aquot; „Hf i : ■ - 'quot;V-T, gt; #

? ^7.: ',. --% * gt;*- ■.■■/ '.*

r 0» •■ $'■* vlt; 1 h » ^ , a, «* • :•'!«;'wv^v.-rvV-gt;.v5 .1 ^i-

jI* • J ^ • KW i fj^•■* « : . , ■'. v r, . WV;*^ ..s •H]t

«BL-wquot; hl-ik ^ vdp v • \ - , 1 ' y p|

gt; -■amp;■ 1 •'

y*quot;

- ' f t

; ■lt; V; V ■, - ..- ■ * r -./J. \m

k. \^. v /• o%. vj 11

^ .f - - . • • •

^....................^.......^ ■ gf«yi

' 3 . J j'

l \i ^ s . *• -♦'V'

4 f ■ ■■i . ^ • .. - -^K

amp; :*gt; ^

-• A -. , - ■ ^ i

\ .. •

:........'f.........F.........................T......-:....................------............--.—-Jfci.

~ , ~' x;

v*. ■ 1 ^

f •••: ■ ■ . --•■ ;J m