«i
POST- EN TELEGRAAFBEAMBTEN.
'SB
DOOR
J. A. TH. DU IJ N S TEE.
M ' ' â
«feÃP l:#Z - â¢â¢
v.Ã.2quot;;
v.'
M
miamp;s: V-J.
's OjiAVESHAOE.
ï. C,,B. TEN II AG EX.
. ,1891. ;gt; r ;
sfei®fE
^ ' -r
Vak 47
l/i/Wi'-
SCHEHDIM ÃAN ET BRIEVES- EN TELESEIMMEHGEHEIM
DOOK
POST- EN TELEGRAAFBEAMBTEN.
Bibliotheek MIÃERBROEDERS WEERT.
^7 so 9
ill vao let brlevei- ei
DOOR
POST- EN TELEGRAAFBEAMBTEN.
^^caclemiscK ^^roefscKriR
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD
VAX
DOCTOR IN DE RECHTSWETENSCHAP
aan de Rijks-Universiteit te [j-eidcn, OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS
5Vquot; S\. Hoffmann,
Hoogleeraar in de Faculteit de)1 Wis- en Natuurkunde, VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN
op Dinsdag den 27«quot; Januari 1891,
des namiddags te 34uren,
DOOR
JACOBUS ANTOfflUS THEODÃRUS DUIJNSTEE,
-gt;
eebsren te 's (SravenKase.
o o
--r----
^LAN MIJNEN ^/ADEJ^
INHOUD.
Bladz.
Inleiding............. 1.
Hoofdstuk I.
Misdrijven betreffende liet postverkeer. . . 23.
Hoofdstuk II.
Misdrijven tegen het telegraafverkeer . . . 55, Hoofdstuk III.
Medeplichtigheid der post- en telegraaf-
beambten...........84.
t
INLEIDING.
In den acht en twintigsten titel van het 2de boek van ons wetboek van strafrecht wordt eene eeheele
o
rij delicten genoemd, die zonder samenhang, zonder systeem naast elkaar geplaatst zijn. Dit hebben echter alle met elkaar gemeen, dat de dader een ambtenaar of een daarmede gelijk gesteld persoon moet zijn. De rechtsgoederen, die de in dezen titel voorkomende artikels geroepen zijn te beschermen, zijn van de meest verschillende soort; onder deze rechtsgoederen is het post- en telegraafgeheim zeker niet het minste. De artt. 372â375 W. v. S., die de aanranding van dit recht door post- en telegraaf beambten moeten straffen, zijn voor onze eeuw van druk verkeer van uitnemend belang. De eerbiediging van 't brief-
en telegraingeheim is in een handeldrijvend land als het onze eene behoefte, zal de koopman zijne geheime handelsondernemingen niet blootgesteld zien aan de blikken van naijverige mededingers De vrije onbelemmerde wisseling der gedachten door de openbare middelen, die voor het vervoer daarvan bestemd zijn, is een recht, dat met de vrijheid van het individu nauw samenhangt. Alom is men het dan ook eens over het gewicht van wettelijke bepalingen, die dit onvervreemdbare recht van een vrij volk beschermen.
Men ziet dan ook de meest gezaghebbende schrijvers over Staatsrecht dit recht met alle vuur verdedigen. De Bosch Kemper 4) o. a. noemt het geheim der post eene volksvrijheid, die eene waardige plaats inneemt naast de vrijheden van persoon, van woning, van drukpers. Niemand minder dan Thorbecke, zegt, waar hij in zijne Aanteekening 1) aandringt op eene formuleei-ing van dit recht in de Grondwet: â Moet ook niet het geheim der brieven onder bescherming der Grondwet worden gesteld? Gewis behoort het zoo onschendbaar te zijn als iemands woning.quot; âDe â negen mannen verklaren dat het openen of doen
1
') Thorbecke, Aanteekening, 2e Uitgave II, blz. 167.
3
âopenen van iemands brieven, tegen zijn wil, âgeen mindere, ja eene gevaarlijker aanranding is âder bijzondere vrijheid, dan wanneer verklikkers â in zij n huis gezonden worden om zij ne vertrouwe-â lijke gesprekken af te luisteren
Het belang dat hier op 't spel staat, heeft geen kans ooit te verminderen; integendeel het zal steeds grooter worden, naar mate het verkeer onzer geschrevene gedachten aangroeit.
Onze negentiende eeuw heeft niet alleen eene groote uitbreiding en verbetering gezien van de verkeersmiddelen, welke menschen en goederen in staat stellen zich snel en gemakkelijk te verplaatsen; doch stoom en electriciteit wedijveren met elkaar den mensch hunne diensten aan te bieden om zijne gedachten zeker, spoedig en goedkoop aan anderen, die ver van hem verwijderd zijn, mede te deelen.
Onder de middelen tot overbrenging van de gedachte neemt de post voorzeker de voornaamste plaats in, Is hare ontwikkeling in onze eeuw verbazend te noemen, wanneer wij de kleine, lage, oude postkarren vergelijken met de groote ambulante postkantoren in onze internationale treinen; de snelheid van deze wijze van wisseling der gedachten heeft hare natuurlijke grenzen, gelegen in de verkeersmiddelen zelve, waarmede zij plaats
4
heeft. Het was te verwachten, dat voor sommige o-ebeurtenissen in 't leven van den bizonderen
o
persoon, voor meerdere gedurende de werkzaamheid van den handelaar, de post, van welke versnelde vervoersmiddelen ook gebruik makende, niet in staat zou zijn aan de wenschen eener bijna oogenblikkelijke communicatie te voldoen. Er moest dus naar andere middelen tot overbrenging der gedachte worden omgezien.
Aan die behoefte voldeed Claude Chappe voor een deel, toen hij op 't einde der voorgaande eeuw de optische telegraaf uitvond. De groote ontwikkeling van eene snellere mededeeling der gedachten kon evenwel eerst komen na de uitvinding der electro-magnetische telegrafen.
Wheatstone opendein 1837 de rij met de wijzer-telegraaf. Nog in hetzelfde jaar maakte Morse zijne nog veel gebruikte vinding bekend. Caselli volgde in 1855 met de pan-telegraaf, welke evenwel slechts hier en daar werd toegepast. In 1865 kwam Hughes eene groote verbetering brengen met de letterdruktelegraaf, die op 't oogenblik veelal de verouderde Morse-toestellen vervangt.
Een grootere stap in dezelfde richting werd in 1877 door Graham Bell gedaan, toen hij het mogelijk maakte, dat zelfs de uitgesproken gedachte den ander, op grooten afstand verwijderd.
5
kon ter oorc komen. Zijne electrische telephoon onderging sinds dien tijd nog vele technische verbeteringen , o. a. door den microphoon van Edison en Hughes. (1878).
Hoe groot ook het gewicht dezer laatste uitvinding is, de maatschappij heeft evenwel nog altijd voor haar geestelijk verkeer groot belang bij eene goed ingerichte post. Hoe ook de nieuwe communicatie-middelen zich zullen uitbreiden, het is met vrij groote zekerheid te zeggen, dat de post voor alle mededeelingen, waarbij het op uitvoerigheid, goedkoopte en zekerheid aankomt (en dit zijn vooralsnog het grootste aantal) het eenige middel van vervoer blijven zal.
Is de wisseling der gedachten voor de ontwikkeling van een volk onmisbaar, dan moet ook gezorgd worden, dat ze ongestoord kan plaats grijpen en moeten de inbreuken daarop streng gestraft worden.
De Nederlandsche strafwet heeft verschillende artikels, die aan het post- en telegraafgeheim, waarvan het eerste in onze Grondwet erkend is, eene poenale sanctie moeten geven. Beschermt art. 20J het brief- en telegraafgeheim tegen aanranding door den particulier, het zijn uit den aard der zaak de ambtenaren bij die takken van dienst, welke het grootste gevaar voor schending leveren.
6
De artt. 372â375 W. v. Sr. dienen dan ter waarborging van de rechten van het individu tegen aanranding van hen, die met een zeker gezag bekleed zijn, en hebben ten doel de ambtenaren de grenzen te doen eerbiedigen, binnen welke zij hun gezag hebben uit te oefenen. *)
Erkenning van het post- en telegraafgeheim en bestraffing van hen, die dit schonden, is evenwel geen denkbeeld van den laatsten tijd.
Alvorens derhalve tot de behandeling der artt. 372â 37 5 W. v. S. over te gaan, zij het vergund met enkele woorden te vermelden, welke de denkbeelden waren van vroegere tijden omtrent't postgeheim gangbaar, en enkele voorbeelden te geven van de talrijke schendingen daarvan.
Hoewel reeds door den vorm, waarin brieven in de Romeinsche oudheid geschreven werden, een inbreuk op 't geheim gemakkelijk werd gemaakt, vinden Ave in 't Jus Romanum verscheidene plaatsen, waaruit blijkt, dat eene schending gestraft werd. Men erkende een eigendomsrecht van brieven 1) en verbond daaraan de gewone gevolgen, zoodat onttrekking aan de bestemming door de actio furti of de condictio furtiva gestraft werd en het wijzigen.
1
) Lex. 65 § 1. Dig. de acq rer. dom.
7
of het geheel of gedeeltelijk vernietigen daarvan met de Lex Aquilia. ')
Het leenrecht, dat tijdens de kruistochten naast 't Canonieke recht over een groot deel van Europa geldig was, hield eenige bepalingen over ons onderwerp in; de leenman moest bij zijn investituur zweren, dat hij de geheimen zijns leenheers nooit zou openbaren, dat hij de brieven zijns heers nooit zou openen of onderscheppen 1), op straffe van vervallen te worden verklaard uit het leen en wegens felonie vervolgd te worden.
Ook het Canonieke recht schreef strafbepalingen voor tegen opening van brieven 2), het vergunde daarentegen aan echtgenooten, vaders, voogden , leermeesters en geestelijken de brieven te openen van vrouwen, kinderen, minderjarigen, leerlingen, en ondergeschikte geestelijken. 3)
In den tijd evenwel, dat het koningschap in Europa met behulp der burgerij den weerspannigen adel onderdrukt had, en den laatste wederom gebruikt had om de vrijheden en privilegiën der burgerij te fnuiken, zien we, dat verschillende vorsten, die overigens door de verheffing van het
1
â¢-) Lex Feud. L. \ Tit. XVII.
2
) C. 33. X. de off. et pot. jud. deleg. C. 3.X. de crim. falsi.
3
) Otlio, Diss, do co quod justiim est circa lilleras resignatas C. II. § 12. (1721).
8
recht van brievenvervoer tot koninklijk praerogatief niet weinig tot den bloei der posterijen hadden bijgedragen, zich aan het briefgeheim niet veel lieten gelegen liggen. Een der eerste voorbeelden hiervan gaf Lodewijk XL Bij zijn edict van 14 Juli 1464 voerde hij talrijke verbeteringen in 't postwezen in, doch beval tevens aan de post-commiezen en hunnen directeur (den Grandmaitre des couriers de France) om binnen- en buiten-landsche correspondenties te onderzoeken. *) Hoewel wij onder de volgende Fransche koningen herhaalde malen lezen van schendingen van het briefgeheim, omdat geenerlei wettelijke bepaling deze verbood, komt eerst met Mazarin het stelsel van systematische briefopeningen in zwang.
Gedurende de geheele regeering van Lodewijk XIV fungeerde te Parijs het beruchte Cabinet noir, onder bevel van den Lieutenant de Police d'Argensox, waar alle brieven doorgelezen werden. Hetzelfde had plaats onder het bestuur van den Regent en het Ministerie van Kardinaal Dubois. 1) Onder Lodewijk XV hadden de intendant-generaal der posterijen, de luitenant van politie en de ministers van buitenlandsche zaken een bepaald recht alle
1
) Mémoires du due de St. Simon. Ill Ch. LVI.
9
brieven, aan de post ter bezorging toevertrouwd, te openen
Hetgeen echter den koning en zijnen hoogeren ambtenaren vrijstond, werd streng gestraft bij de postambtenaren; zoo bepaalde de ordonnantie van 25 September 1742 galeistraf voor een tijd of voor altijd, alsmede verbanning tegen die postbeambten, die brieven hadden geopend of terug gehouden. Toen ook onder Lodewijk XVI niet geheel en al van die praktijk werd afgezien, verhieven zich al meer en meer stemmen tegen de schending van een recht, dat de Fransche encyclopedisten onder de grondrechten hadden opgenomen , en ten slotte zelfs zoo veelvuldig, dat aan de afgevaardigden tot de Staten-Generaal in hunne cahiers de last werd mede ffegeven zich tejieu de
o (D o
schending van het briefgeheim te verzetten. Toen verschillende feiten in dit zoo woelig tijdvak wederom de algemeene aandacht op dit punt hadden gevestigd, werd bij decreet van 29 Augustus 1790 den ambtenaren der post bij het aanvaarden hunner bediening de eed opgelegd van eerbiediging van het postgeheim, en aan de administratie en de rechtbanken verboden om deze inrichting der posterijen te veranderen. ')
') Zie dit decreet bij Fortüijn. Deel I. hh. 114.
10
Van deze maatregelen was het slechts één stap tot het plaatsen van de onschendbaarheid van het brievengeheim in de constitutie. Door toedoen van Sieyès werd in die van 1791 't volgende artikel opgenomen:
â La constitution garantit comme droits naturels â et civils la liberté a tout homme de parler, quot; d'écrire, d'iraprimer et de publier ses pensees, â sans que les écrits puissent être soumis a aucune â censure ni inspection avant leur publication
Het nieuwe strafwetboek, dat in hetzelfde jaar nog tot stand kwam, bestrafte hem, die doloos een aan de post toevertrouwden brief had geopend en gelezen, met verlies der burgerrechten; de postbeambten , die zich aan hetzelfde hadden schuldig gemaakt of alle ambtenaren, zoowel van de post als van de regeering. die daartoe bevel hadden gegeven, met twee jaar gevangenis
De tijd evenwel, dat deze voor het briefgeheim gunstige wind woei, was helaas! zeer kort.
Hield de conventie zich nog tamelijk wel aan de gegeven voorschriften, de nieuwe Code des délits et des peines van An IV, had bij het oude artikel van den Code van 1791 in art. 638 eene gevaarlijke alinea ingevoegd, luidende: âII n'est â porté par le présent article aucune atteinte a la â surveillance, que le gouvernement peut exercer
11
â sur les lettres venant des pays étrangers ou â destinées pour ces mêmes pays
Onder het Directoire werd het recht van brief-opening door de Regeering wederom uitgebreid.
Napoleon meende èn als tribuun èn als keizer een cabinet noir niet te kunnen missen.
De straffen in den Code Pénal van 1810 waren dan ook aanmerkelijk minder dan in den Code van 1791 en 1795
Toen ook Lodewijk XVIII en Kabel X het briefgeheim telkens schonden, werden de klachten in de Chambre des Deputes zoo talrijk, dat de Regeering van Louis Philippe moest overgaan tot het voorstel eener verzwaring van art. 187 C. P. welke op dit oogenblik nog van kracht is. Het behoeft geen betoog, dat na de gebeurtenissen van 1848 het briefgeheim telkens jxeschonden werd.
o o
Herhaaldelijk hoorde men de klachten in de Chambre des Deputes o. a. van Leroux in 1849 en van den hertog van Chamboed in 1867.
Ook in Duilschland werd het brievengeheim dooide Regeeringen geschonden. Hier hadden de decre-talen der Pausen en de feodale wetgeving nog altijd hunne kracht van wet behouden. Daarenboven
') De Code van 1810 kent het delict alleen als ambtsmisdrijf en straft den delinquent met de zeer lage boelen van IG frs. tot 300 frs.
12
hadden de wetgevingen der afzonderlijke Staten nog bizondere straf bedreigd b. v. in het Saxisch landrecht was tegen opening van brieven gevangenisstraf van 14 dagen en boeten bedreigd. Gold de schending brieven van den vorst, dan waren de straffen veel hooger.
En toch waren de overtredingen nog zeer talrijk; zelfs brieven aan en van vorsten ontgingen dit lot
o o
niet. Landgraaf Philip van Hessen (1593) liet een brief openen aan den hertog van Brunswijk, en Gustaaf Adolf betichtte in zijne oorlogsverklainng van 1630 den Keizer van opening van een brief, dien hij aan den vorst van Zevenbergen gezonden had.
Op het einde der 17quot; eeuw had het onderscheppen en openen van brieven zulk een omvang bereikt, dat de keurvorsten het geraden vonden in de Josephinische Wahlkapitulatie van 1690 te bepalen, dat de schending van het brievengeheiin als crimen falsi met geeseling en verbanning zou gestraft worden. 1)
De allgemeitie Preusz. Postordnung van 10 Augustus 1712 verbood den beambten op straffe van ontslag uit den dienst brieven of pakketten te openen of in te zien, zelfs wanneer deze door slechte verzegeling van zelf hunne sluiting verloren hadden.
') Cremer. t. a. p. blz. 93.
13
Dat evenwel met deze maatregelen het bestaan van een cabinet noir vereenigbaar was, toont ons 't zwarte cabinet van graaf Brühl en Hofraad von Siepmann in Dresden, welke eene treurige beroemdheid hebben verkregen.
In onze eeuw werden nog krachtige pogingen door de Duitsche wetgevers in 't werk gesteld om het geheim der briefwisseling te verzekeren, vooreerst door het als beginsel te huldigen in de staatsregelingen en het als een deel der onver-vreemdbare rechten van de ingezetenen te erkennen en vervolgans door in de strafwetgeving op de inbreuken daarop gemaakt, straffen te stellen. Zoo stelt de Pruisische constitutie van 1850 ') de eerbiediging van het geheim op den voorgrond en zondert natuurlijkerwijze het gerechtelijke onderzoekingsproces en de buitengewone omstandigheden van oorlog uit. Ook de constituties van andere Duitsche staten hielden de erkenning van dit recht in, en hunne strafwetboeken bepaalden tegen de overtreding daarvan hooge straffen. Bij de vestiging van het Duitsche Rijk was eene algemeen geldende bepaling voor het gansche rijk noodig geworden.
') Art. 33 luidt: Das Bi'iofgeheiranisz ist unverletzlich. Die bei strafgerichtlichen Untersuchungcn und in Kriegsfallon noth-wendigen Eeschrankungen sind durch die Gesetzgebungen fest-zustellen.
14
Het Reichs-Postgesetz van 28 October 1871 (§5) en de Reichs-Telegraphenordn u ng van 21 Juni 1872 (§ 3) erkennen dan ook volkomen 't briefen telegramgeheim. De §§ 299 , 354, 355, 358 van 't Duitsche strafwetboek dienen om daaraan de noodige poenale sanctie te geven.
Nu enkele woorden over ons vaderland, dat door zijne ligging tusschen verschillende groote rijken en door zijne belangen van koophandel en industrie 't grootste belang had bij de veiligheid zijner briefwisseling. De meeste rechtsgeleerden zijn het bij ons eens, dat het briefgeheim een recht is, dat de staat verplicht is te eerbiedigen.
Joost de Damhouder O -wilde eene arbitraire straf door den rechter doen opleggen aan hem, die boosaardig of opzettelijk eens anders brieven leest, opent of doet lezen en openen, onderschept of onder zich houdt. Het misbruik maken van papieren van minderjarigen, cliënten enz. door hunne voogden, advocaten enz. wilde hij strenger gestraft hebben volgens de lex Cornelia de Falsis.
Hugo de Groot 1) noemt onderschepping van
1
) Brief van de Groot aan de Staten van Zeeland, opgenomen in zijn leven door Casper Brandt en Adr. van Cattenburgh. Uitg. i 727 blz. 108.
45
brieven een inbreuk op een natuurrecht, dat elk mensch toekomt om met afwezige vrienden vertrouwelijk te spreken; hij bestempelt met den naam van âonordentelijcke proceduerenquot; het uit-vorschen van gedachten tusschen vaders, moeders, broeders en zusters gewisseld, en vindt het âincivijl ende van quade consequentie aldus te onderzoeken op de domestijcke affaires van anderen.quot;
Het nationale recht had over dit onderwerp het stilzwijgen bewaard. Noch in de crimineele ordan-nanties van Kakel V, noch in die van Filips II wordt van straffen tegen briefopening melding gemaakt. Ook van het recht, dat Hoven en Rechtbanken moet toekomen om een papieronderzoek in te stellen is nergens sprake, en toch geschiedde het weieens door de Baljuwen met ergerlijke willekeur 1); door de Procureurs en Fiskalen-Generaal bij de Hoven alleen met verlof van hunne colleges.
Hoe meer bij ons strafproces van schriftelijke bescheiden gebruik werd gemaakt, des te grooter was het gevaar, dat het ânatuurrechtquot;, waarvan de Groot spreekt, zou geschonden worden. Er was dus eene regeling noodig, die de gevallen waarin 't papieronderzoek mocht plaats hebben en de
') Het geheim der brieven. Acad. Pr. van P. A. v. d. Velden, 1859 blz. 83.
10
voorwaarden daarvan nauwkeurig zou omschrijven.
Een ontwerp van eene strafprocesorde, aan den Thesaurier-Generaal Hop toegeschreven, waarin de gewenschte regeling was opgenomen (1734) kwam evenwel nooit in werking, evenmin als de latere concepten van 1774 en 1776, en de â algemeene manier van procederen in civiele en crimineele zaken van 1799, 't ontiverp van wet omtrent het bewijs van 1804 en het wetboek van rechterlijke instellingen en rechtspleging in het Koninkrijk Holland van 1809. quot;
Volgens de bij het Hof van Holland gangbare praktijk had het â saisissementquot; van papieren plaats door tie commissarissen tot de enquesten, welk saisissement evenwel in zeer weinige gevallen werd bevolen nl. bij gekwetste hoogheid, bij misdadige correspondentie met den vijand, met uitgewekenen en met Roomsch-Katholieken. Daarenboven werden door. de Staten der Provinciën en de stedelijke vroedschappen de advocaten fiscaal en de procureurs-generaal met briefo]%ning belast tegen hen, die voor de rust van provincie of stad gevaarlijk werden geacht (plakaat van 14522) Soms ook onderzochten de vroedschappen de correspondentie zelf, bv. na den moordaanslag op Prins Willem I te Antwerpen *) of zooals in 1618 met
') Motley , The rise of the Dutch Republic. Ed. in i vol. â 1872 biz. 861.
17
de papieren van de Groot te Rotterdam het geval was.
Ook gebeurde het, dat de Staten-Generaal den Raadpensionaris gelastten de in beslag genomen brieven in de vergadering neer te leggen om daar gelezen te worden. 1)
Waarop steunde nu het recht der Staten om briefopening te bevelen ? Eenvoudig daarop, dat de Staten-Generaal en de Staten, die zelfs aan den Hoogen Raad of het Hof van Holland somtijds toestemming tot eene vervolging meenden te kunnen geven, dit tot hun werkkring rekenden, en tot deze opvatting gemakkelijker konden komen bij eene algeheele afwezigheid van eene staatsregeling, die de bevoegdheden van verschillende staatslichamen afbakende.
Voor het bestaan van een cabinet noir zij n geenerlei historische bewijzen tot ons gekomen. Aan den eenen kant was het de ingeboren vrees om de ontwikkeling «van den handel door dergelijke maatregelen te beletten, aan den anderen kant stond de overtuiging bij het beschaafde deel der natie, dat het briefgeheim een onschendbaar recht was; beide waren oorzaak, dat de Regeering van een land, gelegen te midden van andere rijken, die de
') Wagenaar. Vaderl. Gesch. D. IC blz. 223.
2
-18
schending van het briefgeheim herhaaldelijk in praktijk brachten, nooit tot zulke middelen hare toevlucht nam om in het intieme leven barer burgers ingewijd te worden.
Tegen ontrouwe postambtenaren meende de Landsregeering meermalen te moeten opkomen. Het Plakaatboek van 6 December 1646 O behelsde voorzorgen tegen opening, verscheuring of wegneming van brieven; de straf welke op de over treding stond, was die des doods. Hoe meer er evenwel van de post gebruik gemaakt werd, des te grooter werd het gevaar voor briefopening dooide postambtenaren. Geen verbodsbepalingen noch instructiën, zooals in 1752, 1773 en 1794 gegeven waren, konden het brievengeheim beveiligen in een tijd van politieke onlusten, waarin het natuurlijk voor de eene partij van het hoogste belang was achter de geheime kuiperijen van de tegenpartij te komen. In 1803 kwam eindelijk eene gewenschte verandering. De gezamenlijke posterijen werden nationaal verklaard en een besluit van 22 December 1804 verbood het arresteeren, doorzoeken en willekeurig medenemen van de gaande en komende brieven aan een ieder, zoowel privaatpersonen als plaatselijke besturen, justitie en
') Groot Plakaatboek Deel I. Kol. 527, 528.
19
politie, behoudens de bevoegdheid van de rechterlijke macht om inzage te bekomen van de correspondentie van gevangenen en voortvluchtigen.
Niet lang duurde het, of met de komst van het Fransche régime hier te lande, werden ook de denkbeelden van Napoleon over 't briefgeheim in ons land geïmporteerd. Van den 21 November 1806 moesten de brieven, naar Engeland bestemd, aangehouden en opgezonden worden.
Bij de toepasselijkverklaring van de Fransche wetboeken in ons land, werd het briefgeheim beschermd door de in 1810 gewijzigde bepaling van art. 187 van den Code Pénal. Hoewel de Fransche wetgeving bij het herstel onzer onafhankelijkheid het briefgeheim bleef beheerschen, hoort men niet van schending daarvan en ofschoon eerst in 1848 in de Nederlandsche grondwet opgenomen, kunnen we zeggen, dat deze vrijheid bij ons, hoewel ongeschreven, algemeen werd erkend. ')
Thoebecke hechtte echter aan een geschreven voorschrift veel, en het was dan ook zijn invloed, welke daaraan eene plaats in de Grondwet van 1848 verzekerde. Naast de erkenning van het briefgeheim had art. 154 der Grondwet (nu 159) ook nog dit gevolg, dat een ambtenaar, die zich
') Mr. Heemskerk. Praeadvies van 1 Februari 1883 (en behoeve der Nederl. Juristenvereeniging.
20
schuldig maakte aan overtreding van art. 187 C. P. zich nu niet langer op zijne aan zijne superieuren verplichte gehoorzaamheid kon beroepen; want waar de regeering verboden wordt te bevelen, vermag de ambtenaar niet te gehoorzamen. Dat men besloten was zich voortaan aan den meest uitgebreiden zin van art. 154 Gr. te houden, bleek uit de verhandelingen in de 2e Kamer, toen de Regeering in 't ontwerp der postwet (1850) voorstelde de rebutbrieven door postbeambten te doen openen en te vernietigen. Op aandrang van den heer Donker Curtius besloot de Kamer de aanwezigheid en toestemming van den kantonrechter bij deze briefopeningen als vereischte te stellen (13 Maart 1850). Bij de herziening der postwet in 1855 werd nog nader gevolg gegeven aan het voorschrift der Grondwet, toen van de Regeering zelve het voorstel uitging, om ook de opening van op vermoedens van ontduiking van 't staatsmonopolie in beslag genomen en daarna teruggevorderde brieven, op last en onder toezicht van den kantonrechter te doen plaats hebben op eene openbare zitting.
Bestond er wellicht vroeger twijfel of de artt. 187, 378 en 463 C. P. op de ambtenaren bij de eene of andere telegraafonderneming toepasselijk waren, deze twijfel werd door de wet van 7 Maart
21
1852 geheel weggenomen, daar zij aan de zoo even genoemde artikels alle telegraaf-beambten onderwierp.
Met dit al bleef aan den Code pénal onder meer een groot gebrek kleven. De briefopening door particulieren was en bleef straffeloos. De beleedigde kon wel is waar bij den rechter vergoeding eischen voor het nadeel, hem door de lezing, opening, wegneming of verduistering zijner brieven berokkend, doch dit nadeel moest om vergoed te kunnen worden, waardeerbaar zijn. In hoe weinige gevallen evenwel kon men die schade schatten? Bij de invoering van het nieuwe wetboek van Strafrecht is aan dit bezwaar door art. 201 tegemoet gekomen. Dat ook de artt. 372â375 verre de voorkeur verdienen boven art. 187 C. P. zullen wij in den loop der volgende bladzijden zien.
Gaan wij na hetgeen wij bij de behandeling van het briefgeheim zagen, dan kunnen wij over 't algemeen aannemen, dat de schending er van bij een volk op den eenen tijd veelvuldiger gepleegd wordt dan op den andere; tijdelijke omstandigheden, gelijk oproer, oorlog, onderdrukking kunnen daartoe medewerken, maar zoowel de maatschappelijke toestand als de inrichting van het staatsbestuur hebben op het zedelijk bewustzijn vaneen volk een onweerstaanbaren invloed. In absolute
22
monarchiën is cle wil van den vorst de wet -, alles gaat van hem uit, alles buigt zich voor zijnen wil hetzij ten goede of ten kwade; is zulk een regeering despotisch, dan zullen de eigendommen en rechten der onderdanen, en daarmede, als eene der kostbaarste, de vrije wisseling der gedachten van de willekeur des alleènheerschers afhankelijk zijn. In de republieken en constitutioneel monarchieën echter, waar de regeering aan de volksvertegenwoordigingverantwoording schuldig is, zullen briefschendingen dan ook uit den aard der zaak veel minder voorkomen.
HOOFDSTUK 1. Misdrijven betreffende het postverkeer.
|
Oorspronkelijke redactie art, 430. De ambtenaar der posterijen of van eenige andere openbare instelling van vervoer wordt gestraft. 1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien hij een aan de post of aan zoodanige instelling toevertrouwden brief of ander gesloten stuk opzettelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan anderen mededeelt. 2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden, indien hij den inhoud van eene |
Redactie van het wetboek art. 372. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer, die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. |
24
|
aan de post of aan zoodanige instelling toevertrouwde briefkaart of van een ander ongesloten stuk aan anderen opzettelijk mededeelt. Art. 431. De ambtenaar der posterijen of van eenige andere openbare instelling van vervoer wordt gestraft. 1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan de post of aan zoodanige instelling toevertrouwden brief of ander gesloten stuk opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent. 2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien hij eene aan de post of aan zoodanige instelling toe- |
Art. 373. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer, die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of den inhoud wijzigt, of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toeeigen ing gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. |
25
vertrouwde briefkaart of een ander onbesloten stuk opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt , wegmaakt, zich toeeigent of den inhoud
Avijzigt.
Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toe-eigening gestraft met gevangenisstraf van ten
O O
hoogste zes jaren.
De verandering, welke de oorspronkelijke met de bovenstaande correspondeerende artikels van het ontwerp der Staatscommissie gedurende hunne behandeling hebben ondergaan, is niet belangrijk te noemen.
De oorspronkelijke artikels -430 en 431 hebben als artikels 423 en 424 onveranderd ') hunne plaats gevonden in het oorspronkelijk Regeerings-ontwerp, dat den 22e11 Februari 1879 de 2« Kamer bereikte.
1) Do kleine wijziging in deze artikels van «hooyiitcius» in «ten hoogsto) kan nauwelijks eene wijziging heeten.
20
In beide artikelen wordt gesproken van misdrijven der postambtenaren. Beide worden in twee deelen gesplitst, waarvan het eerste spreekt over gesloten stukken (met de daarin gesloten voor-werpen), terwijl het tweede deel over ongesloten stukken handelt.
Beide artikels dienden volgens de Memorie van Toelichting, om het recht in art. 154 Grondwet (tegenwoordig art. 159) geformuleerd, te beschermen , en om andere misdrijven, die de postambtenaar kan begaan, te beteugelen.
In de afdeelingen der Tweede Kamer vonden al dadelijk de aanvangswoorden der beide artikelen tegenstand. âDe ambtenaar der poster ij'én of van eenige andere openbare instelling van ver voer'quot; moest vervangen worden door â de ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer'' Was toch de post ook geene openbare instelling van vervoer1? De oorspronkelijke redactie was blijkbaar niets anders dan de overname van de redactie art. 154 (159) Grondwet. En in dit laatste artikel is óf âpostquot; óf -âopenbare instelling van vervoer''' overbodig, zegt Prof. Buus. 1)
Van deze redactiewijziging was een natuurlijk gevolg, dat de woorden âaan de post ofquot; bij beide artikels konden vervallen.
*) Buus. Grondwet II blz. 415.
27
Voor â opzettelijk opent'' zou verder â opzettelijk en wederrechtelijk opent'quot;'' in de plaats moeten komen. Immers de bevoegdheid kon den ambtenaren gegeven worden aan de justitie mededeeling te doen van den inhoud van aan de post toevertrouwde brieven, of daarvan inzage te nemen.
Het grootste verzet vond evenwel het geheele n0. 2 van art. 423. Wat beteekende toch de openbaarmaking van den inhoud van stukken, als briefkaarten enz., die uit den aard der zaak dooiden vorm, waarin ze gedaan waren, openbaar zijn?
De Regeering meende aan deze wenken te moeten gehoor geven en nog eenige kleine taalkundige wijzingen te moeten aanbrengen, die aan den Minister (evenwel niet in zijne kwaliteit als zoodanig) door Prof. de Vkies waren aanbevolen: â mededeelt'''' moest namelijk â hekend maaktquot; worden, âaan anderen'''' zou worden vervangen door â aan een anderquot;. Ook de mededeeling aan één enkel persoon moest strafbaar zijn. Daarenboven bestond de mogelijkheid, dat wanneer âmededeeltquot; onveranderd bleef, de ambtenaar, die het stuk aan een ander liet lezen, voor dat feit straffeloos bleef.
De invoeging van het woord âpakketquot; had plaats met het oog op de eventueele invoering der pakketpost.
Behalve de reeds zoo even genoemde wijzigingen,
28
wilde de Tweede Kamer nog een paar veranderingen in art. 424. Vooreerst wilde zij ook in dit artikel wijziging van â opzettelijkquot; in â opzettelijk en wederrechtelijk doch deze wijziging vond gegronden tegenstand bij den Minister. Daar op âopzettelijk'''' â aan een ander dan den rechthebbende quot; volgde, kon âloederrechteUjkquot; gerust wegblijven. âZoodra de afgifte wederrechtelijk plaats heeft,â aldus 's ministers antwoord â, bijv. waar zij had behooren te geschieden aan de justitie, is deze en niet meer de geadresseerde de rechthebbendequot; Dan in het tweede lid van hetzelfde artikel werd strafbaar gesteld het wijzigen van den inhoud enz. van eene briefkaart of van een ongesloten stuk; waarom werd hetzelfde delict niet strafbaar gesteld wanneer het object een brief gold, zoo vroeg men in de af-deelingen. De Commissie van Rapporteurs stelde daarom voor de beide nummers saam te trekken onder het hoogste maximum en dus te lezen : âmet gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart of ander gesloten stuk opzettelijk en loederrechteUjk afgeeft, vernietigt, ivegmaakt, zich toeeigent, den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent.quot; De Regeering gaf ook, met een enkele uitzondering, die wij zoo dadelijk zullen bespreken, hierin aan 't verlangen der
'29
Commissie toe en nam onder de objecten ook â pakketquot; op. Bij het laatste lid van het artikel stelde de Commissie eene strafverzwaring tot 9 jaren voor. De waarde, die gestolen kan worden. kan toch zeer groot zijn en de omstandigheden zijn daarenboven meestal zeer verzwarend. Met deze wijziging kon de Regeering evenwel niet medegaan met 't oog op andere artikelen bv. art. 397 (nu 359).
ïegen de door de Commissie voorgestelde wijziging had Prof. de Vries bezwaren geopperd.
Door het plaatsen van âden inhoud wijzigtquot; naast âvernietigt, wegmaakt enz.quot; beging zij een taalkundige fout. De geheele zin wordt nl. beheerscht door den accusatief âeen vertrouwden brief enz.quot; Dat is het object van âafgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent.quot; Nu kan niet op eens een andere accusatief volgen, of dit lid moet eerst van het overige worden afgescheiden.
De twee leden van den zin moesten dus gescheiden worden en hiertoe zou 't woordje âo/quot; het best kunnen dienen. Men behoorde dus te schrijven; âof den inhoud wijzigtquot;.quot;
Aan deze opmerking werd gehoor gegeven. Het aldus gewijzigde ontwerp werd door de Kamers aangenomen en is geworden de artt. 372 en 373 van het tegenwoordige wetboek.
30
Na deze uiteenzetting van de geschiedenis onzer artikelen zullen wij overgaan tot eene systematische behandeling. Daartoe zullen wij eerst de subjecten en de objecten der artt. 372 en 373 bespreken om daarna op de overige elementen onze aandacht te vestigen.
A. Subjecten dan van de delicten, in de artt. 372 en 373 genoemd, zijn: ambtenaren en meer in het bijzonder ambtenaren van eenige openbare instelling van vervoer. Hierin ligt het eerste en zeer gewichtige onderscheid met art. J87 C. P., dat eene strafbepaling behelst tesen alle ambtenaren , die het geheim van brieven schenden, terwijl het geen vereischte is, dat die ambtenaren aan eene inrichting van vervoer zijn geëmployeerd.
Breekt dus b v. een burgemeester opzettelijk een aan de post toevertrouwden brief open, dan viel hij steeds in de termen van art. 187 C P., evenwel niet onder onze artt. 372 en 373. Uit den tekst van deze artikelen blijkt verder, en de Memorie van Toelichting zegt het nog eens uitdrukkelijk '), dat alle ambtenaren eener open-
') Memorie van toelichting O. O. op 430, 431 Uitg. Belin-fante, blz. 250.
Intusschen blijkt uit de bewoordingen van het artikel duidelijk, dat alle ambtenaren van het postwezen hier op ééne lijn zijn ' gesteld, onverschillig of zij al dan niet met de zorg voor den
31
bare instelling van vervoer volgens deze artikels strafbaar zijn, onverschillig of lum speciaal de behandeling, verzending of bezorging van den brief enz. is opgedragen.
Het toevertrouwen geschiedt aan de gansche administratie als collectieve éénheid. Alle ambtenaren zijn verplicht het brievengeheim te bewaren, alle ambtenaren zijn op dezelfde wijze in de gelegenheid zich aan dat geheim te vergrijpen. Den particulier is het om het even of het delict wordt gepleegd door een ambtenaar met de behandeling belast of door diens collega's, wien door hunne positie eene schending van het geheim gemakkelijk wordt gemaakt.
âHet is reeds voMoende, zegt Hülschneu 1), dat
â de postambtenaar tot de zending toegang heeft
âwegens zijne ambtelijke positie, want de wet
âvordert niet, [ook niet bij ons] dat zij aan hem
rlt; ter behandeling of bezorging toevertrouwd is,
brief of het pakket of het ongesloten stuk bijzonder waren belast en het uit dien hoofde onder zich hadden. Het toevertrougt;#n, waarvan art. 154 der grondwet spreekt, geschiedt aan de postadministratie als collectieve éénheid.
Ieder, die dit vertrouwen schendt, is gelijkelijk strafbaar; en de gewone onderscheiding tusschen diefstal en verduistering geldt voor dit ambtsmisdrijf niet.
â 1) Hülschner das gemeine Deutsche Strafr. IIer Bd. 11quot; Abt. blz. 1092 § 326. Eveneens Oppenhof Komm. N. 4 op § 354. von Puchelt Komm. nquot;. 1 op § 354. Oi.shausen § 354 n0. 2, *
32
â docli aan de post [bij ons de openbare instelling âvan vervoer] in het algemeen.quot;
Zij, die eene beperktere opvatting van ambtenaar van eene openbai-e instelling van vervoer huldigen 1), verdedigen deze door voorop te stellen, wat in het Duitsche artikel evenals in het onze, ontbreekt, dat nl. aan dien ambtenaar de brief enz. moet toevertrouwd zijn.
â Nach seiner Ueberschrift, zegt Meves , umfaszt â der Abschnitt 28 (ambtsmisdrijven) nur dieje-â nigen strafbaren Handlungen welche in Ausübung â oder in Veranlassung der Ausübung des Amtes âbegangen werden. Von diesem Gesichtspunkte â ausgehend kann nicht sowohl jeder Postbeamte, â sondern nur derjenige als Subject der in den âbeiden §§ bedrohten Vergehen auftreten, der â zu dem betreffenden Gegenstande in ein amtliches âVerhaltnisz getreten ist, mit ihm also dienstlich âzu schaffen hat.quot;
Het laatste is evenwel niet in den tekst van ons artikel te vinden. Met welk recht zouden wij dan de grenzen dezer ambtsdelicten zooveel nauwer trekken, terwijl de utiliteit medebrengt, dat alle ambtenaren, die door hunne positie gemakkelijk
1) Meves: Hoi.tzendorff's Handb. des Deutschen Strafrechts, Band III § 1003.
33
in staat zijn het briefgeheim te schenden, daaronder vallen? Wij weten dus nu, dat alle ambtenaren van eene openbare instelling van vervoer subjecten van het delict kunnen zijn.
Doch wie zijn ambtenaren van eene openbare instelling van vervoer?
Met â openbare instelling van vervoerquot; wordt hoofdzakelijk âde postquot; bedoeld. Immers volgens art. 1. der postwet van 12 April 1850 heeft de staat een monopolie voor het vervoeren van â gesloten of ongesloten brieven of pakketten, papieren bevattende, van de eene plaats naar de andere, tegen het genot van vracht.quot; Op dezen algemeenen regel bestaan slechts geringe uitzonderingen. In art. 26 nl. derzelfde wet worden, als buiten het monopolie vallend, genoemd; âalle brieven of pakketten, waarvan het gewicht vijf Nederlandsche oneen of daarboven bedraagt; de papieren betrekkelijk de onderneming van den vervoerder, en de adressen of facturen, behoorende bij de goederen, die tevens vervoerd worden.quot; Dat de Regeeringr evenwel uit-
O O
sluitend dacht aan de post, blijkt hieruit, dat eerst in het gewijzigd ontwerp der Regeering het woord âpakketquot; in beide artikels van het strafwetboek werd ingelascht met het oog op de invoering eener â Pakketpost.quot;
Het openen, inzien, vernietigen, wregmaken enz.
3
34
van een aan eene openbare instelling van vervoer toevertrouwd pakket kon toch reeds plaats hebben voor de invoering der pakketpost. Had de Regeering ook aan andere middelen van vervoer gedacht, dan had het woord âpakketquot; ook in eerste lezing niet mogen ontbreken. Of beteekent âopenbare instelling van] vervoerquot; alleen dat middel, dat door het openbaar gezag is ingesteld? Zouden wij tot deze conclusie komen, en de taalkundige beteekenis dier woorden levert daarvoor eenigen grond, dan is ook het openen van alle brieven, waarvan het gewicht 5 Ned. oneen overtreft , of van alle facturen behoorende bij goederen, niet strafbaar volgens de artt. 372 en 373.
En moet ook de koopman, die zijn goed met de een of andere spoorwegmaatschappij verzendt, geene zekerheid hebben, dat de begeleidende facturen niet door de spoorwegbeambten worden opengebroken en verduisterd, en dat dus zijn geheim niet aan kooplieden concurrenten ter oore komt?
Tot deze opvatting komt ook Mr. C. B. de la Faille in zijn academisch proefschrift 1), waar hij zegt; â Onder de uitdrukking â ambtenaar van â eenige openbare instelling van vervoer valt bv.
') Strafbare schending van geheimen. â¢1884 blz. 94.
35
âeen expediteur, geëmplooijeerd bij van Gend en âLoos. Opent dus deze persoon een brief, welke â aan die instelling is toevertrouwd, zoo is op hem âart. 372 van toepassingquot;,
B. Nu eenige woorden over het object van het misdrijf. In art. 372 lezen wij; ,,een aan zoodanige âinstelling toevertrouwden brief, gesloten stuk of â pakketquot;.
Vooreerst wat is een brief? Brief is elke aan een bepaald persoon gerichte sehriftelijke mede-deeling in open of gesloten vorm; zegt Olshausen 1). Daaronder vallen zoowel postwissels als brief-kaarten, zeggen geuër 2) en von Liszï 3). Bijna in dezelfde bewoordingen spreekt Oppenhoff 4): âBrief im Sinne des § ist jede statt des mündlichen âVerkehrs an eine bestimmte Person gerichtete â schriftliche Mittheilung, mag dieselbe in geschlos-â sener oder offner Form geschehen, mag sie die â Unterschrift des Absenders tragen oder nicht.quot;
HaLSCHNER 5) denkt daarover evenwel anders en mijns inziens terecht: âDie Handlung besteht in dem Eröffnen eines Briefes oder Packetes. Dies
1
) Blz. 1283 Ausg. 1889.
2
5) Geuêr II 200.
3
) Von Liszt III6 Ausg. S. 571 n0. 47.
4
) Oppenhoff § 354 N0. 4 Ausg. 1888 S. 861.
5
) HaLSCHNER. Das gemeine Deutsche Strafrecht 2quot; Bd. 2C Abt.
6
1887 blz. 4092 S 326.
30
setzt ein Versclilusz voraus unci es kann daruin bei einer Streif oder Kreuzbandsendung, die nicht verschlossen ist, damit der Postbehörde von dem Inhalte Kenntnisz nehmen kann , nicht vorkommen.
Ook Oppenhoff O zegt; Das Evoffnen setzt einen Verschlusz voraus; sonach kann von einem straf baren âEröffnenquot; bei Streif oder Kreuzbandsendun-gen keine Rede sein.
Dat in art. 372 van ons wetboek met brief eene gesloten, schriftelijke mededeeling wordt bedoeld, blijkt vooreerst uit de plaatsing van âbriefquot; naast âgesloten stuk of pakket.quot; Hoe zou het mogelijk zijn een brief te openen, wanneer die brief niet gesloten is? Het was juist op dien grond, dat de Commissie van Rapporteurs het tweede lid 'rm het oude artikel 430 (oorspronkelijk ontwerp) wilde vervallen zien, waarin het mededeelen van een ongesloten stuk strafbaar werd gesteld. Stukken die zooals ongesloten brieven of zendingen onder kruisband uit den aard der zaak openbaar zijn, ten minste voor opening door de postambtenaren moeten ingericht zijn, moeten straffeloos geopend en doorgezien kunnen worden.
Art. 372 spreekt dus alleen over gesloten stukken; anders is het met art. 373, waar het
') Oppenhoff § 354 Nquot;. 6.
37
object is een brief, briefkaart, stuk of pakket. Klaarblijkelijk zijn hiermede alle zendingen bedoeld, die men aan eenige openbare instelling van vervoer kan toevertrouwen. Wanneer is echter een stuk aan zulk eene instelling toevertrouwd, en wanneer kan men zeggen, dat de verantwoordelijkheid van zulk eene instelling ophoudt?
Dat zulk een stuk aan de geheele instelling als collectieve eenheid en niet aan een enkelen ambtenaar wordt toevertrouwd, zeiden wij reeds.
De toestand van toevertrouwd zijn aan die instelling begint met de afgifte aan het post- of expeditiekantoor, het werpen in de bus, of het afgeven van het koopmansgoed, waaraan de factuur is gehecht, en eindigt met de aflevering aan den geadresseerde of aan de justitie, die volgens de wet in zijne plaats rechthebbende wordt; en bij de onbestelbare zendingen met de teruggifte aan den afzender of de vernietiging volgens de wet.
Terwijl dus aan den eenen kant de afgifte van brief of pakket aan een beambte, ten einde de zending aan zijne instelling te doen toevertrouwen, ja zelfs gedurende den tijd, dat deze beambte zijne ambtsbezigheden uitoefent, nog niet de werking heeft het object het karakter te geven van eene aan eene openbare instelling van vervoer toevertrouwde zending, is aan den anderen kant
38
de aflevering door die instelling aan den beambte ter bezorging aan het adres nog niet in staat aan de zending dit karakter te ontnemen. ')
Het woord âtoevertrouwdquot; maakt straffeloos de postdirectie, die om de eerlijkheid van zijne beambten op den proef te stellen hen brieven of pakketten doet verzenden met een gefingeerd adres, en die daarna opent. 1)
Het maakt evenwel wederom strafbaar den postbeambte , die een aan hem zelf geadresseerden brief opent, voordat deze hem door de administratie is afgegeven. De postbeambte kan bovendien een brief, dien hij zelf schreef, wegnemen, wanneer hij zich dien toeeigent zonder op de formaliteiten te letten, die in het art. 24. van het Kon. Besl. van 28 Juni 1850 gegeven worden.
O. Nu wij de subjecten en objecten van het delict hebben nagegaan, blijft de handeling nog ter bespreking over.
In art. 372 vinden we als zoodanig vermeld: âhet opzettelijk en wederrechtelijk openen, daar-âvan inzage nemen of den inhoud aan een ander âbekend maken.quot;
1
) Reichsgericht I 12 Jan. 1880 (E I 61.)
39
In de vroegere redactie van het artikel vinden wij alleen het opzettelijk openen enz. â Wederrechtelijkquot; werd ingevoegd, omdat de bevoegdheid kan gegeven worden, aan de justitie mededeeling te doen van den inhoud van aan de post of andere instellingen toevertrouwde brieven, of daarvan inzage te nemen.
Zoolang dus zulk eene wetsbepaling niet aanwezig is , is elk opzettelijk openen enz. tevens wederrechtelij k.
Het begrip â openenstelt voorop, dat de zending eene zekere sluiting had, welke deze stempelt tot eene, welke niet voor ieder bestemd is. Hoe deze sluiting gemaakt is en of deze werkelijk voldoende is, is evenmin van gewicht, als dat het noodig is, dat de sluiting geschonden zij. De onvolkomenheid van de sluiting sluit de strafbaarheid niet uit. *) Met het openen is reeds het delict volbracht; het inzien van den inhoud of het bekend maken daarvan is onnoodig. Deze twee laatste feiten leveren wederom een delictum sui generis op, wanneer b. v. de opening door een ander geschied is en de ambtenaar van de openbare instelling van vervoer inzage neemt of den inhoud bekend maakt.
') Oppeshoff § 354 nquot;. G. Meves I. c. blz. 1004,
40
Over de redactiewijziging van âmededeeltquot; in âbekendmaaktquot; spraken wij hiervoren. In art. 373 zien wij als strafbare handeling aangemerkt: â het opzettelijk afgeven aan een ander dan den rechthebbende, vernietigen, wegmaken, zich toeeigenen of den inhoud wijzigen of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeëigenen.quot;
Hier was het woord â wederrechtelijkquot; overbodig, omdat het afgeven aan een ander dan den rechthebbende altijd wederrechtelijk moet zijn.
Wie is evenwel rechthebbende? Rechthebbende is: 1°. de geadresseerde en dat nl. in alle gevallen, dat de zending haar adres heeft kunnen bereiken en niet door hem geweigerd is.
2°. de afzender. Volgens art. 24 kon. besl. van 28 Juni 1850 Stbl. 34. ter uitvoering van de wet van 12 April 1850 Stbl. 15 tot vaststelling van het briefport en tot regeling der aangelegenheden van de brievenposterij, hebben de afzenders het recht hunnen brief vóór de verzending terug te vorderen, mits zij het bewijs leveren, dat de brief van hen afkomstig was. Dit bewijs kan bestaan in de overlegging van een volledig afschrift van het opschrift des biiefs door dezelfde hand geschreven , en vergezeld van een afdruk van het zeo-el, waar-
o O 1
mede, of van eene opgave omtrent de wijze, waarop de brief gesloten is, ten einde het eene tegen het
41
andere te kunnen vergelijken. Blijft er na die vergelijking nog onzekerheid over, doch bestaat er geene aanleiding om de gegrondheid der aanspraak van den verzoeker in twijfel te trekken, dan geschiedt de opening van den briefin tegenwoordigheid van de postbeambten , die bevoegd zijn zich de naam-teekening van den schrijver des briefs te doen vertoo-nen alvorens die wordt teruggegeven. Is de persoon van den vrager (zegt verder art. 26) den postbeambten onbekend, dan geschiedt de afgifte eerst, nadat deze zich van de identiteit des persoons overtuigd hebben. Aan het verzoek der afzenders om brieven, die reeds verzonden zijn, doch om de een of andere reden niet hebben kunnen worden uitjwjreven 0f besteld, terug te erlangen of daar-aan eene andere bestemming te geven, wordt zooveel mogelijk gevolg gegeven. Het staat vervolgens (art. 23 wet van 1850) iedereen vrij om brieven of andere voorwerpen te weigeren, mits dat dadelijk bij de bestelling geschiede, en er niet door een uiterlijk teeken blijke, dat de geadresseerde van den inhoud heeft kennis genomen. De geweigerde en de om de een of andere reden onbestelbare postzendingen worden aan de afzenders, voor zoover deze bekend zijn, teruggezonden; de overige zendingen worden om de 14 dagen aan het Hoofd-
O O
bestuur opgezonden. Die, waarvan de geadresseer-
42
den onbekend zijn, worden in de plaatsen van afzending op lijsten ingeschreven en publiek gemaakt. Na verloop van 6 maanden worden alle onbestelde brieven vernietigd, behalve die, welke waarde bevatten. Deze vernietiging heeft plaats onder toezicht en op last van den kantonrechter op eene openbare zitting. Bij onbestelbaai-heid wegens weigering of onbekend adres van facturen of brief-pakken, waarvan de verzending door andere instellingen van vervoer mogelijk is, blijkt de afzender uit den vrachtbrief. Art. 60 van het kon. besl. van 9 Januari 1876 Stbl. n0. 7. regelt de wijze van handelen in gevallen, waarin de regelmatige aflevering van goederen, die op de spoorwegen vervoerd worden, verhinderd is.
3°. de Justitie.
Over het geval, dat de kantonrechter de vernietiging gelast, hadden wij het reeds.
Dat aan de mogelijkheid van oene inbeslagneming door de Justitie in de postkantoren gedacht werd, bewijst de slotregel van art. 159 on^r Grondwet â behalve op last des rechters in de gevallen in de wet omschrevenquot;.
Ook in de postwet van 12 April 1850, lezen wij in art. 24 lid 1; â Er kan geen beslag gelegd â worden op brieven of pakketten , die zich op de â postkantoren of daarbuiten, doch onder bewaring
43
â van ambtenaren of bedienden der postadministratie âin hunne ambts- of dienstbetrekking, bevinden, â behoudens de voorschrifen van het wetboek van â strafvordering
Geeft nu het wetboek van strafvordering de voorschriften, waarvan de genoemde artikels spreken ?
Zeer betwist is het of papieronderzoek bij derden mag plaats vinden 1). Bij de huiszoeking, welke de rechter-commissaris vollt;rens art 110 Sv. mag instellen bij dringende noodzakelijkheid zonder en anders met verlof van de rechtbank in de woning van den beklaagde, waarin het misdrijf gepleegd is, in herbergen, koffiehuizen en andere openbare plaatsen, kan hij evenwel alleen met uitdrukkelijke toestemming van de rechtbank een onderzoek instellen naar geschriften en papieren. Over de bevoegdheid om in andere localiteiten papieronderzoek te bewerkstelligen wordt evenwel srezwesren. Wel kunnen de eerste woorden van
o o
art. Ill (âIn alle gevallen eener huiszoekingquot;) op meerdere gelegenheden wijzen, doch waar de wet niet, zooals art. 159 Gr. en art. 24 der postwet vereischen, uitdrukkelijk de opsomming van de
*) Zie hierover Mr. A. de Pinto in Themis VIII 339 en Mr. A. A. de Pinto. Handleiding biz. 198 nool a en Liz. 695, die tevens eenige literatuur vermeldt.
44
uitzonderingen op het algeineene principe van briefgeheim bevat, daar blijft ook het algemeene denkbeeld van art. 159 Grondwet onaangetast. Waar die bevoegdheid der justitie dus nergens is omschreven, bestaat zij ook niet.
De Regeering had reeds vroeger eene wettelijke regeling beloofd bij het brengen van de wijzigingen en aanvullingen in het wetboek van strafvordering 1), doch tot nog toe heeft zij hare beloften niet gestand gedaan.
Nu nog een enkel woord over de plaatsing van het woord âopzettelijk.quot; Daar dit zich bevindt vóór: âaan een ander dan den rechthebbende afgeeft enz.'', moet het opzet van den dader gericht zijn op het afgeven aan een niet rechthebbende. Hij moet dus afgeven, wetende, dat de ander niet gerechtigd was. Geeft hij dus aan niet-rechthebbende af, terwijl hij gelooft, dat deze rechthebbende was, dan valt hij niet onder het artikel.
âVernietigenquot; kan geheel of gedeeltelijk geschieden. Wanneer de beambte een blad van den brief heeft vernietigd en het andere weer in de enveloppe heeft gestoken, dan maakt hij zich schuldig aan overtreding van art. 373. âWegmaken quot;
') Rapport aan den Koning ad art. 371 Strafrecht. Smiut, G. v. W. v. Strafr. Doel 3 IjIz. 85.
45
is zoowel tijdelijk als voor goed wegmaken. Dieses Entziehen braucht kein bleibendes zu sein, zegt Oppenhoff, ') ein zeitweilig Vorentlialten genügt, selbst wenn es nicht geschah um den rechtzeitigen Eingang des Briefes beim Adressaten zu verhin-dernquot; Al bereikt ook later de brief of kaart of pakket hunne bestemming, art. 373 eischt alleen een onttrekken, een wegnemen aan de openbare instelling van vervoer.
Als reden tot strafverzwaring noemt het laatste lid van art 373 het hebben van geldswaarde van het voorwerp, dat in den brief of in het pakket is besloten en dat de ambtenaar zich toeeigent. Hierover vinden wij een eigenaardig arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 December 1888, Weekblad 566G, in een appèlzaak, waarin de Rechtbank in diezelfde stad op 30 October 1888 uitspraak had gedaan. De delinquent was bij dit laatste vonnis schuldig verklaard aan het als ambtenaar opzettelijk wijzigen van een aan de post toevertrouwd geldswaardig stuk, en veroordeeld tot eene gevano-enisstraf van 2 maanden en in de
o o
kosten. Hij had nl. als beëedigd brievengaarder te E. den 20en Februari 1888 een postwissel van Æ 100 ter verzending ontvangen en voor de ontvangst der
') Oppenhoff §354 n°. 7: Geijer S. 200. Meves l.c. 1004. von Liszt He A§ 179 n0. 46 blz. 571.
46
f 100 eene quitantie afgegeven, welke hij evenwel naliet overeenkomstig zijne instructie in den stok van zijn register in te schrijven, evenals hij daarna verzuimde Avissel en geld en begeleidende adres-brief per eerstvolgende postgelegenheid naar den Bosch op te zenden.
Daarop had hij den 16 Maart 1888, om deze fraude niet te doen uitkomen den wissel in den stok van het register ingeschreven als op dien dag gestort en daarna verzonden. Om dit nu niet te doen uitkomen, had hij den datum van storting op de wisselstrook uitgewischt (welke strook niet tot controle dient en niets afdoet tot de meerdere of mindere geldswaarde van het stuk) en door dien van den 16quot; Maart vervangen. De rechtbank had in de wijziging van die strook eene wijziging van een geldswaardig stuk gezien en het delict laten vallen onder de verzwarende bepaling van art. 373 lid 2. Het Hof nam evenwel de qualificatie van het misdrijf niet over, doch veroordeelde den delinquent volgens art. 373 lid 1.
Zoowel aan de Rechtbank als aan het Hof was het evenwel ontgaan 1), dat de toepassing van de zwaardere straf van het tweede lid alleen te pas
1
De inzender van het arrest in het Weekblad 5066 maakt er evenwel opmerkzaam op.
47
komt bij het âtoeeigenen'' van een geldswaardig stuk of voorwerp.
Wanneer nu, zooals hier 't geval was, de ambtenaar het stuk of den inhoud daarvan wijzigt, al is dit stuk ook geldswaardig, dan doet de vraag of het stuk geldswaarde heeft niets af.
Zien wij nu, hoe de bescherming van het brie-vengeheim in het buitenland door de strafwetboeken geregeld wordt, alleen wat betreft de -schending door ambtenaren.
Het brievengeheim wordt in den Code Pénal beschermd door art. 187, luidende:
â ïoute suppression, toute ouverture de lettres, â confiées a la poste, commise ou facilitée par un â fonctionnaire ou un agent du Gouvernement ou â de l'administration des postes. sera puni d'une â amende de seize francs a cinq cents francs et â d'un emprisonnement de trois mois a cinq ans.
â Le coupable sera de plus interdit de toute â fonction ou emploi public pendant cinq ans au â moins et dix ans au plus.quot;
De Code plaatst het misdrijf in de paragraaf tot opschrift voerende âDes abus d' autorité contre les particuliersquot; en in den titel, die de misdrijven van ambtenaren bevat. Het ziet echter niet alleen
48
op postambtenaren of ambtenaren van eene openbare instelling van vervoer, doch op alle ambtenaren, een onderscheid met onze artikels, waai- p we reeds in het begin van het hoofdstuk gewezen hebben.
Het is volgens art. 187 C. P. volstrekt niet noodig, dat de ambtenaar gehandeld heeft â dans 1' exercice de ses fonctionsquot;, zooals dat bv. in art 186 C. P. gevorderd wordt. Ook als een dei-personen in art. 187 genoemd, zich buiten zijne bediening aan opening van een brief schuldig maakt, valt hij in de termen der strafwet.
Uit het woord âouverturequot; volgt, dat het misdrijf bestaat. zoodra de brief is geopend, zonder dat het noodig is, dat zijn inhoud zij gelezen.
Om onder het artikel te vallen is â opzetquot; noodior, .Arglistquot; wordt volstrekt niet vereischt.
~ T) o
Chauveau en Hélie 1) willen ook bij dit misdrijf den dader slechts gestraft zien, zoo hij handelt â sciemment et avec vine intention frauduleusequot; , want zeggen zij â â il s' agit d'un délit moral qui se compose du fait et de 1' intentionquot;.
De bedoeling kan hier volgens onze ineening weinis afdoen. Het motief, dat den ambtenaar tot het feit dreef, hetzij nieuwsgierigheid, hetzij het
') Chauveau et Hélie: Traité de droit criminel.
49
oogmerk om te benadeelen, doet niets ter zake. Het feit alleen van de opzettelijke âouverturequot; is voldoende om op hem de straf van art. 187 toe te passen.
Verder bestond er in Frankrijk twijfel, of ambtenaren, die zich aan schending van het postgeheim schuldig maakten, zich konden beroepen op hunne verplichte gehoorzaamheid aan bevelen van hoogerhand, op eene â obeissance hiéarchique quot;.
Is art. 187 C P. ook toepasselijk, als het oogmerk niet is geweest een brief te verduisteren of te openen, maar het zich daarin bevindende te ontvreemden? Bij arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden van 4 November 1845 (van der Honert IX nquot;. 478** 115) is uitgemaakt, dat dit als eenvoudige diefstal moet worden aangemerkt, en dat dus art. 187 C. P. in dezen niet van toepassing is.
De Code Pénal Beige bepaalt in art. 149: âSera â puni 'd un emprisonnement de quinze jours a deux â mois et d' une amende de vingt-six francs a cinq â cents francs tout fonctionnaire ou agent du â Gouvernement, tout employé du service des postes â et des télégraphes, qui aura ouvert ou supprimé â des lettres, confiées a la poste, des depêches
50
â télegraphiques ou qui en aura facilite l ouver-âture ou la suppression.quot;
Dit artikel staat in het strafwetboek onder de â atteintes portées aux droits garantis par la constitution.quot;
Wat den inhoud betreft, verschilt het al zeer weinig met art. 187 C. P. Zooals men reeds zoo lang gewenscht had, werden in dit Belgische artikel ook de telegraaf beambten opgenomen. Art. 149 C. P. Beige bevat daarentegen niet de bijkomende straf van ontzetting van het recht om een openbaar ambt te bekleeden, dat wel in den Gode Pénal staat.
In het Duitsche Strafgesetzbuch beschermt art. 354 't briefgeheim, waar dit door postambtenaren kan geschonden worden. § 354 luidt: â Ein Post-beamter, welcher die der Post anvertrauten Briefe oder Packete in anderen als den im Gesetze vorge-sehenen Fallen eröffnet oder unterdrückt oder einem anderen wissentlich eine solche Handlung gestattet, oder ihm dabei wissentlich Hülfe leistet, wird mit Gefangnisz nicht unter drei Monaten bestraft.quot;
Dit éene artikel vat samen wat wij in de artt. 372, 373 en 375 geregeld hebben.
Hoewel het artikel alleen van brieven en pakketten spreekt, vallen ook postkaarten, gesloten
51
stukken en postwissels onder het artikel. Zooals wij reeds zagen, vatten over het algemeen alle Duitsche criminalisten genoemde de stukken onder den term â brievenquot; samen. Een brief is bij hen elke schriftelijke mededeeling in tegenstelling van de mondelinge.
Ook in de omschrijving van de handeling, die het delict uitmaakt, is het Duitsche wetboek sober. Het spreekt van âeröffnenquot; en âunterdrückenquot; evenals de Code Pénal van âouverturequot; en âsuppression.quot; âUnterdrückenquot; is; jede Entziehung aus dem Postverkehr, z. B. die bewuszte Ausantwor-tung an einem Unberechtigten. Het wijzigen van een postwissel door den beambte zal dus in Duitsch-land niet als een delictum sui generis beschouwd worden. Wat bij ons door âwederrechtelijkquot; wordt uitgedrukt, wordt in het Duitsche artikel bedoeld met âin anderen als den im Gesetze vorgesehenen Fallen.quot; Onder Gesetz moet men dan verstaan: die Reichs- oder Landesgesetzliche Vorschriften und Reglementen.
Over het âeinem anderen wissentlich eine solche Handlung gestatten, oder ihm dabei wissentlich Hülfe leisten, spreken wij bij de behandeling van ons art. 375.
52
In het nieuwe Italiaansche strafwetboek van 30 Juni 1889, dat den 1quot; Januari 1890 in werking is getreden, vinden wij één enkel artikel tegen het schenden van het brieven- en telegramgeheim door ambtenaren van de post en telegraphie.
In den titolo II van 't libro II âdei delitti contro la liberta,quot; vinden wij in Capo V âdei delitti contro Tinviolabilita dei segretiquot; art. 162, waarvan
de inhoud luidt;
â Chiunque, essendo addetto al servizio delle â poste o dei telegrafi e abusando di tale qualita, â s'impossessa di una lettera, di un piego, di un â telegramma o di altra corrispondenza non chiusa, â overro l'apre, se chiusa, per conoscerne il conte-ânuto, o la consegna o ne palesa l'esistenza e il â contenuto ad altri, che non sia il destinatario, é â punito con la reclusione da uno a trenta mesi. âAlla stessa pena quot;soggiace colui che, essendo addetlo al servizio delle poste o dei telegrafi e
T) #
âabusando di tale qualita, sopprime una corns-â pondenza epistolare o telegrafica.
âSe alcuno dei fatti preveduti nel presente âarticolo cagioni nocumento, la reclusione é da âsei a quattro anni, e vi é aggiunta la multa da â lire cento a cinquemila.quot;
In het eerste lid van dit artikel wordt straf bedreigd tegen den ambtenaar der post- of tele-
53
graphic, die misbruik makende van zijne macht als zoodanig, zich een brief, een pakket, een telegram of andere ongesloten correspondentie toeeigent, of wel deze opent, wanneer ze gesloten zijn, ten einde van den inhoud kennis te nemen, of deze afgeeft of het bestaan of den inhoud er van onthult aan een ander dan den rechthebbende. In het tweede lid wordt met dezelfde straf gestraft de ambtenaar, die eene schriftelijke of telegraphische correspondentie terughoudt.
Hebben de feiten in dit artikel genoemd zegt het derde lid, schade veroorzaakt, dan is de straf zwaarder.
De strafbare handelingen zijn dus: 1quot;. 't zich toeeigenen;
2°. het openen, ten einde den inhoud daarvan te kennen;
3°. het afgeven aan een niet-rechthebbende;
4°. het bestaan of den inhoud aan een niet-rechthebbende bekend makan:
5°. het terughouden.
De objecten van het delict zijn 1°. een brief;
2°. een pakket;
3°. een telegram;
4°. ongesloten correspondentie.
Hoewel het Italiaansche strafwetboek hierover veel vollediger is dan de Fransche en Duitsehe,
54
zoo staat het echter in volledigheid toch achter bij het Nederlandsche, bv. het wijzigen van den inhoud van een brief of telegram is volgens het Italiaansche artikel niet strafbaar maar wel volgens het onze.
Op één voordeel van het Italiaansche artikel boven het Hollandsche dient echter gewezen te worden. In het eerste nl. is alleen de ambtenaar strafbaar, abusando cli tale qualita = misbruik makende van zijne hoedanigheid, terwijl onder onze artikels ook de ambtenaar valt in een tijd, dat hij zijne functies niet vervult. Van den ambtenaar , die bv, 's nachts in een postkantoor inbreekt en daar een der delicten pleegt, welke onze artikels en het Italiaansche noemen, kan men toch moeilijk zeggen, dat zijne functies hem het misdrijf gemakkelijker maakten. Onder onze artikels valt hij , niet echter onder het Italiaansche.
HOOFDSTUK II. Misdrijven tegen het telegraafverkeer.
|
Oorspronkelijke redactie art. 432. De ambtenaar der telegraphie of eenig ander met het toezicht op of den dienst van eene ten openbaren nutte gebezigde tele-graafinrichtinquot;: belast O O persoon wordt gestraft: lquot;. met o-evanorenis- O O straf van ten hoogste een jaar en zes maanden , indien hij den inhoud van een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toe- O O vertrouwd bericht opzettelijk aan een ander mededeelt of een tele gram opzettelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander mededeelt. |
Redactie van het wetboek art. 374. De ambtenaar der telegraphie of eenig ander persoon, belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten algemeene nutte gebezigde telegraafin-i ichting wordt gestraft; 1°. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden , indien hij den inhoud van een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toe- D o vertrouwd bericht opzettelijk en_ wederrechtelijk aan een ander bekend maakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk opent. daarvan inzage neemt |
56
|
2°. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt of den inhoud wijzigt. |
of den inhoud aan een ander bekend maakt. 2°. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt , wegmaakt, zich toeeigent of den inhoud wijzigt. |
De bewaring van het telegramgeheim heeft op het gebied der telegraphie hetzelfde gewicht en dezelfde beteeken is, als op het gebied van het postverkeer de bewaring van het briefgeheim. Post en telegraphie, beide kunnen voor het publiek slechts dan eene groote waarde hebben, wanneer de volle en onverbrekelijke zekerheid gegeven wordt, dat het brief- en telegramgeheim in alle strengheid gehouden wordt. Men kan met groote zekerheid zeggen, dat onder het publiek de bezorgdheid voor de schending van het telegramgeheim veel grooter is, dan de vrees voor schending van het brieven-
57
geheim; want de postambtenaar, wanneer hij niet den brief opent, hoort van den inhoud niets, terwij l de telegraaf beambte van den inhoud van elk telegram kennis krijgt, en uit nieuwsgierigheid, praatziekte, gemakkelijk er toe kan gebracht worden zijne kennis te misbruiken tot ongeoorloofde verspreiding van het telegram.
Bescherming van het telegramgeheim was dus nog meer noodig dan dat der post. Het internationale tractaat van Weenen van 21 Juli 1868 zegt dan ook in § 5: âSie (de Hooge contracteerende Partijen) verpflichten sich alle nothwendigen Masz-regain zu ergreifen, um das Geheimnisz der Depe-schen und deren gehorige Besorgung zu sichern.quot;
Nederland had dien wenk niet meer noodig, want in navolging van art. 5 1) der Fransche wet van 29 November 1850, bepaalde art. 10 van de wet van 7 Maart 1852 Stbl. n0. 48 tot i'egeling der gemeenschap door electro-magnetische telegrafen: â De straffen, bedreigd in de artt. 187 en 378 van het strafwetboek, zijn toepasselijk op de personen, die, in hunne betrekking tot een telegraaf, zich schuldiif fremaakt hebben aan de terughouding of
O C5 O O
opening van telegraphische berigten en aan het
') Art. 5. Tont fonctionnaire public, qui viole le secret de Ia correspondance télégraphiijue, est puni des peines portees en l'article 187 du Code Pénal.
58
openbaar maken van de geheimen, in zulke berigten vervat.quot;
Dat dit artikel die bescherming aan het telegram-: geheim niet geeft, welke onze artikels 374 en 375 daaraan geven, zullen we zoo straks zien.
De Staatscommissie tot samenstelling van een wetboek van Strafrecht nam de schending van het telegramgeheim op in art. 432, dat onveranderd in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp als art. 425 werd overgenomen. De redactiewijzigingen door de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer daarin voorgesteld waren slechts gering. Vooreerst had men aanmerking op den aanhef van het artikel; âof eenig ander enz. belast persoon.quot; Deze constructie van den zin was te zwaar, ook volgens Prof. de Vries, doordien de woorden âeenig anderquot; te ver van âpersoonquot;' afstonden, en de tusschenstaande bepalingen het verband tusschen die beide te veel verbraken. De zin liet zich gemakkelijk aldus herstellen: âDe ambtenaar der telegraphie of eenig ander persoon belast met enz. âVervolgens drong men ook hier, evenals bij de artt. 423 en 424 en om dezelfde redenen, aan op verandering van opzettelijkquot; in âopzettelijk en wederrechtelijk.quot;
In het tweede lid, zoo meende men, bestond
') Smidt. Gesch. v. h. wetb. v. Slrafr. deel III. bh 90.
59
er geen enkel motief om niet onder de strafbare handelingen â zich toeeigentquot; op te nemen, zooals in het vorige artikel. Het belang van toe-eigening kon toch bij telegrammen evenzeer als bij briefkaarten bestaan.
Aan deze opmerkingen gaf de minister bereidwillig gevolg evenzeer als aan de wenken, hem door Prof. de Vries gegeven, nl. âmededeeltquot; moest ook hier â bekend maaktquot; worden; daarenboven werd âten openbaren nuttequot; gewijzigd in âten algemeenen nuttequot;, omdat hier het woord openhaar gebruikt werd in geen van de vier be-teekenissen, die de Hoogleeraar opgaf, en welke dat woord hebben kon. Het aldus gewijzigde artikel werd art. 372 van het gewijzigd regeerings-ontwerp en art. 374 van ons strafwetboek.
Gaan wij ook nu wederom de elementen van het artikel na en bespreken wij vooreerst.
A het subject:
â De ambtenaar der telegraphic of eenig ander persoon, belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telegraaf inrichting
Over den â ambtenaar der telegraphic quot; kan geen verschil van opvatting bestaan. Het is duidelijk, dat hiermede bedoeld zijn alle ambtenaren, die met het aannemen, overseinen en bezorgen van tele-
60
grammen over de lijnen van den Rijkstelegraaf belast zijn, en die ambtenaren, die op de voor-gaanden moeten toezicht houden. Het is geheel onverschillig of deze ambtenaren tijdelijk of voor goed daarmede belast zijn. Even zoo goed de bijzondere estafette als de gewone ambtenaar valt onder het artikel. Wat de tweede categorie personen betreft, welke art. 374 noemt, daarover zegt de Memorie van toelichting het volgende: door de uitdrukking â eene ten openbaren nutte gebezigde telegraafinrichtingquot; heeft men den strijd willen voorkomen, waartoe de bewoordingen der duitsche wet aanleiding hebben gegeven.quot;
Welke is nu de strijd over de bewoordingen der Duitscbe wet?
In § 355 van dat wetboek lezen wij o. a. â andere mit der Beaufsichtigung und Bedienung einer zu öffentlichen Zwecken dienenden Telegraphenanstalt betraute Personenquot; Die â öffentlichen Zweckequot; zegt Oppenhoff, ') welchen die Telegraphen An-stalt dient, brauchen keine öffentlichen Tele-graphenzwecke zu sein; der § ist also nicht auf solche Anstalten zu beschranken, welche dein Publikum zur Beförderung von Depeschen yugiing-lich sind, vielmehr gehören auch solche hierher, welche bei einer (fiir die allgemeine Benutzung
1) Oppenhoff. Strafgeretzbuch § 317 nquot;. 2.
öl
bestimmten) Privateisenbahn zur Regelung des Dienstes gebraucht werden.
Nog verder dan Oppenhoff gaat Pucfielt, 1) die naast de telegraafinrichtingen van den staat en van de spoorwegen ook alle privaatinrichtingen plaatst, die niet geheel alleen voor privaatdoeleinden bestemd zijn.
HaLSCiiNEU 2} zegt: Oeffentlichen Zwecken dienen nicht nur die der Benutzung durch das Pnblikum gewidmeten, sondern auch andere, welche in öffentlichen Angelegenheiten von den Behörden und Bearaten des Staates und der Communen benutzt werden.
Voor eene min of meer wijde opvatting van eene â zu öffentlichen Zwecken dienende Anstaltquot; spreken ook Meves 3) en Olshausen 4). Daartegenover staan Dambach, JSchafeu 5) en von schwarze 6)
De eerste 7) zegt, sprekende over § 355: Auch dieser Paragraph hat daher augenscheinlich nur
1
') Puciielt, Das Slrafgesetzbuch Kom. blz. 318.
2
!)HaLSCIlNER, d gem. ü. strafr. ller Bd. IIe Abt. blz. 650.
3
) Meves. Holtz. Ilandb. III blz. 1002.
4
*) Olshausen Komm. z. ü. S. § 317 n0. 3.
5
) Schaper. Holtz. Handb. III 894.
6
e) von Schwarze, Komm. z. D. S. § 317 n°. 4.
7
) Dambach. Das Telegrapben. Strafr. Gericbtssaal 4871 blz. 225.
62
solche Telegraphen-Anstalten im Auge weiehen. überhaupt Depeschen vorn Publikum zur Beför-derung anvertraut werden und nur solche Tele-graphen kennen a's âöifentliehen Zwecken dienendquot; angesehen werden.
Dezen strijd heeft de commissie tot samenstelling van het strafwetboek door hare redactie willen vermijden. Om het niet twijfelachtig te doen zijn, dat de spoorwegbeambte van een station, waar geen particuliere depêches worden aangenomen , ook onder het artikel valt, wanneer hij zijne diensttelegrammen of de rijks- en bijzondere telegrammen, die hij ter doorseining ontvangt, vervalscht enz., spreekt het artikel van âeenig ander persoon belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telegraafinrichting.quot;
Buiten het artikel valt dus alleen de beambte van eene geheel private inrichting, die alleen ten nutte van een bijzonder persoon, of eene bijzondere inrichting is opgericht.
Mr. J. van Gigch ') meent evenwel, dat de redactie van ons artikel den strijd niet heeft opgelost.
Immers â zegt hij â wanneer het Duitsche strafwetboek spreekt van telegrafen, tot openbare
') Mr. J. van Gigch. «Telegraaf en telephoon in verband met ons wetboek van strafrecht.quot; Tijdschr. v. Str. deel III blz. 231.
03
doeleinden bestemd, en daarbij de vraag ontstaat, wat men onder âopenbare doeleindenquot; te begrijpen heeft, dan herleeft voor het Nederlandsche recht, diezelfde vraag ten aanzien van de daar gekozen
o o
uitdrukking âten algemeenen of openbaren nuttequot;'
Hoewel eene Memorie van toelichting nooit als officiëele interpretatie kan gebruikt worden, staat hier echter voorop, dat wij weten, dat de wetgever met de uitdrukking âten algemeenen nuttequot; bedoeld heeft eene zoo ruim mogelijke uitdrukking te gebruiken, die ook de ambtenaren omvat van eene inrichting, waar geene particuliere depêches worden aangenomen en bezorgd, doch welke telegrammen verzenden, die op de een of andere wijze ten algemeene nutte strekken.
De meening van den schrijver, dat iedere telegraaf, die niet uitsluitend bestemd is om de bijzondere belangen van enkele personen te bevorderen, maar door welker werking het publiek belang op welke wijze ook wrordt gediend, een telegraaf ten algemeenen nutte is, is volkomen juist en m. i. de eenige, welke men naar aanleiding van art. 374 kan opmaken, want het is, zooals ook de schrijver verder betoogt, volstrekt niet ondenkbaar, dat een ambtenaar, die een spoorweg- of gemeentelijke telegraaf bedient, een bericht aan een ander bekend maakt of er den inhoud van wijzigt.
64
B Als objecten van het delict vinden wij in beide leden van bet artikel tweeërlei 1° een aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericbt 2o een telegram.
De telegraafinrichtingen zijn bestemd een schriftelijk origineel stuk van het station van aangifte met behulp der electriciteit naar het station van bestemming zoodanig over te brengen, dat de inhoud van het origineel op het toestel van het station van aankomst in teekens wordt gereproduceerd, zóó dat verder deze teekens door den beambte ontcijferd en in woorden geredigeerd worden en dan ten slotte deze redactie aan den geadresseerde wordt overgeleverd. Deze wijze van overseinen geschiedt wel is waar hoofdzakelijk bij het Morse-toestel, hetwelk nog tot dit oogenblik hoofdzakelijk in Nederland in gebruik is-, het kost evenwel niet veel moeite met geringe wijzigingen het bovenstaande ook op de met het Hugbes-toe-stel overgebrachte berichten toepasselijk te maken.
Het karakteristieke van het Hughestoestel bestaat daarin, dat dit de ontcijfering door den beambte overbodig maakt, daar door middel van eigenaardige (op de wijze eener piano samengestelde) toetsen, die door den beambte van het station van verzending in beweging worden gebracht en met eene gelijksoortige inrichting aan het station van aan-
65
komst correspondeeren, op een aan 't laatste toestel vastgehechte over een rol loopende papierstrook, de inhoud van het opgegeven telegram wordt afgedrukt. Deze afdruk wordt dan op het formulier op de daartoe bestemde plaats opgeplakt en vormt dan in dezen vorm het telegram. Hij telegrammen met het Morsetoestel overgebracht hebben wij dus 1°. het door den afzender geschrevene bericht, 2°. het door het toestel aan het station van aankomst en tevens aan dat van verzending opgenomen teekentelegram *), 3quot;. het door den telegrafist aan het station van aankomst in letters overgeschreven telegram.
Bij overseining met Hughestoestellen krijgen wij slechts twee vormen van het bericht nl.
1°. de door den afzender geschrevene copie, 2°. de op de stations van verzending en van aankomst door het toestel zelf op de papierstrook afgedrukte letters.
Ons artikel nu spreekt van 2 vormen: 1°. van een bericht, 2quot;. van een telegram. Onder âberichtquot; moet men dan verstaan het door den afzender
') Wel gebeurt het, dat de telegrafist geheel alleen op het gehoor naar de geluiden, die de aan het toestel verbonden Morseklapper (sounder) maakt, het telegram in eens in letters opteekent, dit neemt niet weg, dat de toestellen aan de stations van verzending en van ontvangst geheel mechanisch de ontvangen teekens niet blauwe inkt op de papierstrook afdrukken.
5
66
aan den ambtenaar ter hand gestelde stuk, zoo zegt te recht de memorie van toelichting. De definitie, die zij evenwel van telegram geeft, is volgens mijne meening onjuist. âHet stuk, zoo zegt zij, *) dat na het overseinen aan den geadresseerde moet afgeleverd worden, is in overeenstemming met de gebruikelijke spreekwijze, door telegram aangeduidquot;.
Zooeven zagen wij, dat nog een derde vorm meestal tusschen het bericht en het telegram in bovenbedoelden zin inligt bij de berichten, die met Morsetoestellen worden overgeseind, nl. het aan het station van aankomst door het toestel zelf opgeteekende teekenschrift (streepjes met meerdere of mindere lengte, afgewisseld door puntjes). Is dit teekenschrift, dat toch waarlijk niet voor den geadresseerde bestemd is, nu geen telegram en moet de bescherming van het artikel ook niet over dezen vorm uitgebreid worden? Klaarblijkelijk heeft de Regeering in hare memorie aan dien vorm niet gedacht, en dit is toch de vorm, waarin de meeste wijzigingen kunnen gebracht worden, daar niets gemakkelijker is dan van een streepje een kruisje of van twee korte streepjes een lang te maken.
') Uitgave Belinfante blz. 251.
07
Evenwel niettegenstaande de Memorie van toelichting eene beperkte opvatting van het woord huldigt, kan men onder â telegramquot; ook dien vorm brengen.
Meves *) zegt van het Duitsche artikel, waarin alleen van â Depeschequot; gesproken wordt. Es musz hier deshalb der Begriff â Depeschequot; im weitesten Sinne aufgefast und unter ihn sowohl die Urschrift, wie die in telegraphische Zeichen überti-agene Abschrift und endlich audi die Aus-fertigung der Depesche gebracht werden. Hij-kent derhalve de 3 vormen, waarin het telegraphisch bericht kan voorkomen en begrijpt alle drie onder 't woord â Depesche quot; Meves wordt in zijne meening door alle groote criminalisten gevolgd. Oppenhoff 1) zegt o. a. dat het woord âDepeschequot; sonach nicht auf die übergebene Urschrift mag beperkt worden doch auch vielmehr umfaszt die telegraphische Uebermitteluno; und die demniichstijce Ausfertiffuno;.
o ö o o
Von ScHWARZE 2), GEVER3), OlSHAUSEN , Dam-bacii, allen zijn het met Meves opvatting eens. Het is derhalve niet te gewaagd om onder het woord â telegramquot; te verstaan. 1°. het teeken- of letterschrift, dat zoowel aan het station van af-
1
Oppenhoff, Das Strafgesetzbnch § 355 n0. 2 blz. 862.
2
Von Schwabze. Konimentar § 355 n0. 3.
3
Geïer II 200.
08
zendinsr als aan dat van ontvangst dooi* het toe-
o o
stel op de papierstrook wordt afgedrukt en 2° het ter bezorging gereed gemaakte telegram.
O. Als derde punt van bespreking blijven de andere elementen van het artikel over. Het artikel is in twee gedeelten verdeeld, waarvan het eerste feiten inhoudt, welke in strafbaarheid veel lager staan dan die, welke in het tweede deel vermeld worden. Het eerste deel correspondeert geheel met den inhoud van art. 372 , terwijl het tweede deel met art. 373 overeenkomt, alleen met dit kleine verschil, dat in het tweede deel, moeilijk het zich toeeigenen van een in een telegram gesloten voorwerp strafbaar kon worden gesteld en dus daarin dan ook niet voorkomt.
Gaan we de strafbare handelingen in het eerste deel genoemd na, dan zien wij , dat de ambtenaar zich in de eerste plaats aan het â berichtquot; d, i de copie kan te buiten gaan Evenals wij dit bij den brief of het pakket enz. zagen, wordt ook hier de mededeeling, die overgeseind moet worden, toevertrouwd aan de gansche instelling als eenheid. Ook hier verlangt Meves 1), dat de beambte speciaal met de zorg voor het bericht moet belast zijn; in die opvatting echter staat hij vrij wel alleen.
') Meves. Holtz. Handb. III 1003.
69
Toevertrouwd is het bericht van het oogenblik dat de aanbieding heeft plaats gehad (als deze ten minste niet gevolgd is door eene weigering volgens art. 8 der wet van 7 Maart 1852) tot op het oogenblik, dat het telegram zijne bestemming heeft bereikt en het ontvangbewijs is afgeteekend.
Wat het âberichtquot; betreft, bepaalt het artikel alleen, dat de ambtenaar zich schuldig moet maken aan opzettelijke en wederrechtelijke bekendmaking om strafbaar te zijn. Wederrechtelijk is deze bekendmaking, zoodra een derde, hetzij autoriteit of bijzonder persoon, geen recht heeft den inhoud van het telegram te leeren kennen. Kan daarom de beambte met een beroep op zijn plicht om te zwijgen, hem volgens art. 2 van het reglement voor den dienst van den Rijkstelegraaf opgelegd en door zijn ambtseed bekrachtigd, elke inlichting over den inhoud van het telegram weigeren, wanneer deze door den rechter wordt verlangd, en is hij bevoegd de inzage van het schriftelijk stuk, dat hij ter overseining ontving, te weigeren? Hetzelfde artikel 2 spreekt wel van eene uitzondering voor mededeelingen aan â bevoegde personenquot;, doch wie zijn deze personen? Nergens zullen we deze genoemd vinden. De telegraafambtenaar, die geroepen wordt tot het geven van getuigerds, zal zich zelf op grond van art. 163
70
strafvordering daarvan kunnen verschoonen. Dit verbod van bekendmaking van het bericht is niet tot een bepaalden tijd beperkt, het houdt niet op met de aflevering van het telegram, doch het blijft voortdurend op den telegrafist drukken.
Wat beteekent de inhoud van een bericht of telegram? Daartoe behoort, zegt von Schwarze,1) zelfs het opgeven van het adres aan een ander. âZu dem Inhalte gehort auch der Absendungsort, vervolgt Dambach, 2) der Name des Absenders und der Name der Adressaten. Es kann daher keinem Zweifel unterliegen, dasz auch derjenige Beamte nach § 355 zu bestrafen ist, welcher dritten Personen unbefugt mittheilt, aus welchem Ort oderfur welche Adressaten Depeschen eingegangen sind.' Ook Oppenhoff 3) strekt het begrip âinhoudquot; uit over alle woorden in het telegram vervat.
Wat het opzet betreft, zoo wordt hier evenmin als in de voorgaande artikels het motief, de bedoeling om te benadeelen gevorderd. Het opzet moet eenvoudig gericht zijn op het openen, op het bekendmaken, vernietio-en enz. Het bezorgen
o o
van een voordeel voor zich zelf is hoosstens een grond tot het opleggen van een zwaardere straf. *)
1
') von Schwarze. Kornm. z. DS^b. Sen Aufl. 1884 blz. QSO'
2
) Dambach. Tel. Str. Gericlitss. XXT1I Llz. 290.
3
) Oppenhoff, d. Slrgesetzb f d. D. R. § .335 n0. 4 blz. 863.
*) Meves. IIoltz. Handb. III 1007.
71
In het eerste lid van het artikel wordt strafbaar gesteld 1°. het opzettelijk en wederrechtelijk openen, 2°. het inzage nemen, 3°. het bekendmaken.
Om een telegram te openen is het een eerste vereischte, dat het gesloten is De sluiting verkrijgt het telegram eerst op het laatste oogenblik. Vóór dien tijd kunnen dus de ambtenaren niet openen.
De mogelijkheid tot het begaan van dit misdrijf begint dus eerst op het oogenblik der sluiting.
Hoe deze sluiting is, volkomen of onvolkomen, doet niets ter zake.
Ook het wederrechtelijk inzage nemen is niet altijd mogelijk. Al de ambtenaren, die in de seinkamers worden toegelaten volgens art. 3 van het reglement voor den dienst van den Rijkstelegraaf, kunnen nooit wederrechtelijk inzage nemen. Dit kan eerst gebeuren, wanneer het telegram gesloten is en ter bezorging is toevertrouwd aun de bestellers. Zoolang dus reglement of andere administratieve regeling het mogelijk maakt, dat de ambtenaar in de te behandelen of behandeld wordende telegrammen inzage heeft, is eene wederrechtelijke inzage onmogelijk. 1)
') Tijdons de telegrammen worden aangeboden, overgeseind, opgenomen en ter aflevering gereed gemaakt. zegt eene andere regeling, eenigzins in strijd met het genoemde a-t. 3, is aan alle beambten, die niet voor de behandeling der telegrammen zijn aangewezen , inzage en kennisneming uitdrukkelijk ontzegd.
72
Anders is het gesteld met de mededeelingen aan derden. Hadden wij zcweven eene strafbepaling tegen den beambte, die het èmcA# bekend maakt, hier wordt gestraft iedere ambtenaar, die iets, al is het ook nog zoo weinig, uit de beide vormen, waarin het telegram onder de bewerking kan voorkomen, bekend maakt aan derden, onverschillig of hij door de behandeling inzage heeft gehad in den inhoud of dat hij op eene andere wijze daartoe toegang heeft verkregen. Hieronder valt dus in de eerste plaats de ambtenaar, die met het overseinen van het teeken- of letterschrift is belast. Vervolgens de ambtenaar, welke het letterschrift opplakt of teekenschrift overschrijft. Daarenboven de besteller en de ambtenaar, die tot de seinkamer toegang hebbende, den inhoud van de teeken- of letterstrooken of van het gereed gemaakte telegram aan derden bekend maakt.
In het tweede lid van het artikel vinden wij als strafbare handelingen opgenoemd 1° het afgeven aan een ander dan den rechthebbende; 2°. het vernietigen; 3°. het wegmaken; 4°. het toeeigenen; 5quot;. het wijzigen van den inhoud van het bericht of telegram.
Alle vijf de handelingen hebben dit gemeen, dat zij altijd wederrechtelijk bedreven worden, het woord âwederrechtelijkquot; was daarom hier overbodig.
73
Vervolgens stelt hier de wetgever bericht naast telegram, zoodat noodzakelijk alle vormen, waarin eene telegraphische mededeeling zich kan voordoen, object zijn.
Vooreerst over het afgeven aan een ander dan den rechthebbende enkele woorden.
Rechthebbende op een telegram is;
1°. de geadresseerde of zijn gemachtigde.
2°. de afzender, wanneer het telegram onbestelbaar is.
Deze wordt daarvan onderricht. Ook in het ge-val, dat de geadresseerde weigert het telegram te ontvangen, voorts ook als een aangeboden telegram wordt ingetrokken. Is het telegram reeds verzonden , dan kan de aanhouding nog bij een afzonderlijk telegram worden beproefd. De afzender krijgt alsdan van het kantoor van bestemming mededeeling
O O
van de al of niet bestelling. Ook bij storing in den dienst ontvangt de afzender zijn telegram terug evenals bij weigering tot aanneming.
3°. de justitie.
In aansluiting aan hetgeen wij bij het postgeheim zagen valt nog op te merken, dat eene regeling voor den inwendigen dienst den Procureur-Generaal van het Gerechtshof, den Officier van Justitie, den Rechter-Commissaris en zelfs den Commissaris van Politie bevoegd houden tot
74
kennisneming, mits zij zich schriftelijk aanmelden.
Het behoeft geen verder betoog, dat toch eene wet de uitzonderingen op het geheim zou moeten bevatten, die evenwel niet te vinden is.
In de tweeds plaats wordt in het tweede lid van het artikel strafbaar gesteld het vernietigen, d. i. zoowel geheel als gedeeltelijk vernietigen âWegmakenquot;. Daaronder is niet begrepen de weigering der overbrenging van telegrammen, wanneer de inhoud daarvan in strijd wordt geoordeeld met de wetten des lands, de publieke orde of de veiligheid van den staat volgens art. 22 van het Reglement, goedgekeurd bij Kon. Besl. van 16 Maart 1880 Stbl. 32.
Bij het âzich toeeigenenquot; bestaat eendaadsche samenloop met diefstal of verduistering. Het was daarom noodig den ambtenaar zeker niet minder te straffen, dan wanneer hij wegens diefstal of verduistering zou zijn veroordeeld.
Ten laatste wordt in dit artikel strafbaar gesteld het opzettelijk wijzigen van den inhoud.
De wijziging van den inhoud van een telegram of bericht kan op verschillende wijzen plaats hebben. Ten eerste kan de valschheid gepleegd worden in het bericht, of het is mogelijk, dat de telegraphist bij het afseinen wijzigingen maakt; vervolgens kan het telegraphisch bericht verminkt
75
worden overgeseind, ten laatste kan de ambtenaar, die het letter- of teekenschrift opplakt of overschijft opzettelijk verkeerd overschrijven of opplakken.
â Verfiilschungquot; einer Depesche, zegt Oppen hoff !), ist jede Aenderung ihres Wort-Inhalts, sobald sie mit dem Bewusztsein geschieht, dasz dadurch möglicher Weise der Sinn derselben für den Adressaten eine Alterirung erfahren könnte. Het spreekt van zelf, dat deze handelingen alleen strafbaar zijn, wanneer zij opzettelijk zijn gepleegd. â Wederrechtelijk quot; behoeven deze handelingen niet uitdrukkelijk genoemd te worden , daar het niet te verwachten is, dat eene wettelijke bepaling ooit den telegrafist het wijzigen van een telegram als plicht zal opleggen.
Wanneer de strafbare handeling in het wijzigen van het door den afzender geschreven bericht bestaat, dan kan hierin eendaadsche samenloop plaats hebben met valschheid in geschriften van art. 225. wanneer althans uit het geschrift eenig recht, een verbintenis of eene bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van een feit te dienen, en als uit het gebruik daarvan eenig nadeel kan ontstaan.
') Opi'enhoff d. D. Strgb. § 355 nquot;. 3. Zie ook Meves llollz Handb. 1005, Dambach Gericlitssaal XXIII 285. Olshausen. Koram. blz. 1283.
76
Het bericht van den afzender kan in tallooze gevallen tot bewijs van een feit dienen.
Hoe was de regeling der bescherming van het telegraafgeheim onder vigueur van den Code Pénal ?
De wet van 7 Maart 1852 Stbl. 48 tot regeling
O O
der gemeenschap door Electro-magnetische telegrafen bepaalt in art. 10; De straffen, bedreigd in de artt. 187 en 378 van het strafwetboek zijn toepasselijk op de personen, die, in hunne betrekking tot een telegraaf, zich schuldig gemaakt hebben aan de terughouding of opening van tele-graphische berigten en aan het openbaar maken van de geheimen, in zulke berigten vervat.
Art. 463 van het strafwetboek is toepasselijk op overtredingen, krachtens de tegenwoordige wet strafbaar.
Over art. 187 C. P. hadden wij het hiervoren.
AVat art. 378 betreft, had de verwijzing daai*naar gereedelijk kunnen worden gemist, daar de in art. 10 genoemde personen *) behooren tot de âautres pevsonnes dépositaires, par état ou profession,
') Zie over de vraag, welke de personen zijn bij art 378 C. P. bedoeld en welke hunne verplichting is, wanneer zij voor don rechter worden geroepen, om getuigenis af te leggen, Königs-wartar, Bijdr. XII. biz. 39C en vlgd.
77
des secrets, qu'on leur confiequot;, zoodat ook dit artikel van den C. P. toepasselijk zou zijn, zonder de uitdrukkelijke bepaling van art. 10 der wet van 1852. Dit artikel straft in dit geval den telegraaf beambte, die door zijn staat of beroep kennis draagt van geheimen, welke hem toevertrouwd zijn, wanneer hij deze geheimen openbaart, met eene gevangenis van één tot zes maanden, eene straf dus, welke niet te vergelijken is met die van art, 374.
De strafverlichtende bepaling van art. 463 C. P. zou toepasselijk zijn op alle overtredingen, krachtens de tegenwoordige wet strafbaar.
Ook de Code Pénal Beige straft het misdrijf, waarover wij 't hebben, in art. 150: âCeux, qui dépositaires des depêches télégraphiques, en auront révélé l'existence ou le contenu, hors le cas ou ils sont appelés a rendre témoignage en justice et celui ou la loi les oblige a faire connaitre l'existence ou le contenu de ces dépêches, seront con-damnés a un emprisonnement de quinze jours a six mois et a une amende de vingt-six francs a cinq cents francs.
Gestraft wordt hier alleen het bekend maken van bestaan of inhoud buiten de gevallen,
78
dat de ambtenaar voor den rechter w ordt geroepen. Hier wordt dus aan den rechter de bevoegdheid gegeven den ambtenaar over bestaan en inhoud van het telegram te ondervragen. Het vorige artikel 149 bedreigt eene geringe straf tegen den â fonctionnaire ou agent du gouvernement, tout employé du service des télégraphes, qui ouvert ou supprime des télégrammesalsmede dien ambtenaar, die een ander daarbij behulpzaam is.
Wat âouvert ou supprimequot; beteekent, zagen wij bij do behandeling van art. 187 C. P. Ook over den â fonctionnaire ou agent du gouvernement â hadden -wij het hiervoren. De bijvoeging â employé du service des télégraphesquot; schijnt op andere telegrafen, dan die van den staat te zion.
Vervalsching van een telegram wordt in dezen Code strafbaar gesteld in art 211, luidende. Les fonctionnaires, employés et préposés d'un service télégraphique, qui auront commis un faux dans 1'exercice de leurs fonctions, en fabriquant ou en falsifiant des dépêches télégraphiques, serontpunis etc.
Ook hier zijn het de ambtenaren van welken telegraphischen dienst ook. Niet alleen het wijzigen, doch ook het opmaken, het verzinnen van een telegram wordt hier gestraft. Hierin is de Belgische wet de Nederlandsche vooruit, die dit misdrijf
79
als ainbtsimsdriji niet kent. Bij ons zal deze handeling onder valscheid in geschriften moeten vallen, mits natuurlijk aan de overige vereischten van art. 225 zal voldaan zijn.
In Duitschland werd de schending van het depêchengeheim vóór de invoering van het Rijksstrafwetboek slechts disciplinair gestraft; thans echter heeft dat wetboek ook eene bepaling hierover, welke echter, zooals Dambach zegt, eine entschieden miszglückte ist.
§ 355 van dat wetboek luidt: â Telegraphen-Beambte oder andere mit der â Beaufsichtigung und Bedienung einer zu offent-â lichen Zwecken dienenden Telegraphen-Anstalt â betraute Personen , welche die einer Telegraphen-â Anstalt an vertrauten Depeschen verfalschen oder in â anderen als in den im Gesetze vorgesehenen Fiillen â eröffnen oder unterdrücken, oder von ihrera Inhalte â Dritte rechtswidrig benachrichtigen, oder einem â Anderen wissentlich eine solche Handlunggestatten â oder ihm dabei wissentlich Hülfe leisten, werden â mit Gefangnisz nicht unter drei Monaten bestraft.quot;
Vooral met het oog op het â eröifnen oder unterdrücken in anderen als in den im Gesetze vorgesehenen Fiillen en het von ihrem Inhalte
80
Dritte rechtswidrig benachrichtigenquot; noemde Dam-bach de bepaling van § 355 eine entschieden raiszgliickte.
â Es wird namlicb bestraft, zoo zegt hij , a die Eröffnung oder Unterdrückung van Depeschen in allen Fallen, in welchen diese Erüftnung oder Unterdrückung nicht im Gesetze vorgesehen ist; dagegen wird h die unbefugte Benachrichtigung von dem Inhalte einer Depesche nur dann bestraft, wenn diese Benachrichtigung rechtswidrig erfolgt is.
Es wird daher die Eröffnung oder Unterdrückung einer Depesche in weit zahlreicheren Fallen bestraft als die unbefugte Mittheilung des Inhalts einer Depesche an dritte Personen.
Demi der Telegraphen-Beamte, welcher eine Depesche eröffnet oder unterdrückt, unterliegt der Strafe des § 355, sobald er nicht nachweisen kann, dasz seine Handlung durch ein Gesetz gestattet ist, wahrend der Beamte, welcher dritten Personen von dem Inhalte einer Depesche Mittheilung macht, straflos bleibt, sobald nur die Mittheilung keine rechtswidrige war, sollte auch die Befugnisz zur Mittheilung sich nicht auf ein Gesetz, sondern auf administrative, im Landesrecht begründete, Anordnungen der Behörden gründen.
Es ist nun aber von vorn herein nicht einzusehen, warum die Eröffnung oder Unterdrückung einer
81
Depesche nach anderen rechtlichen Grundsatzen behandelt werden soil, als die unbefugte Mit-theilung des Inhalts der Depesche an dritte Personen. Es stehon diese Handlungen auf vollkommen slci-
D O
cher Stufe, und es kann namentlich nicht etwa behauptet werden, dasz die Eröffnung einer Depesche strenger geahndet werden müsse, als die Mitthei-lung des Inhalts derselben an dritte Personen. Es kann vielmehr durch die unbefugte Mittheiluno-
D O
des Inhalts oft ein weit gröszerer Schaden für die Betheiligten entstehen, als dadurch dasz der Beamte die Depesche eröffnet, für sich allein von ihrem Inhalte Kenntnisz nimmt und dieselbe alsdann wieder verschlieszt.
Ook de uitdrukking â in den im Gesetze vorge-sehenen Fallenquot; kan tot moeilijkheden leiden, omdat de rechterlijke bevoegdheid om van de telegraaf-beambten opening van telegrammen te verlangen, aan verdachten gericht, slechts in enkele Duitsche Staten op wetten steunt, in de meeste echter op gewoonterecht of gerechtspraktijk. Nu zullen, volgens Dambach, de telegraaf beambten voortaan moeten onderzoeken of er een dusdanige wet is; en is zij er niet, dan zullen zij opening moeten weigeren; daarom ware het beter geweest, als ook voor het âopenen of terughoudenquot; die' Rechtswidrigkeit vereischt was geworden.
82
Over den strijd, welken de uitdrukking eine zu öffentlichen Zwecken dienende Telegraphen-Amstalt heeft uitgelokt, spraken wij hiervoren.
In dit artikel wordt strafbaar gesteld het â ver-falschenquot;, waaronder alle opzettelijke inhoudsver-andering moet begrepen worden. Het vervalschen behoeft niet uit een winzuchtig oogmerk te geschieden; evenmin is het noodig, dat de afzender eenig nadeel heeft ondervonden. Onder âinhoudquot; verstaat men alle woorden van het opgegeven bericht. Ook hier staat evenals in het artikel tot bescherming van het brievengeheim â eröffnen en unterdrückenquot; naast elkaar. Daarenboven is de bekendmaking aan derden evenals bij ons strafbaar. In het Duitsche artikel is evenwel niet het nemen van inzage van ons artikel opgenomen, evenmin als het afgeven aan een niet-rechthebbende. Onder â unterdrückenquot; zou men dan ons â vernietigen, wegmaken en zich toeeigenenquot; kunnen rangschikken. In den aanhef van § 355 staat voorts nog â oder andere met der Beaufsichtigung und Bedienung u.s. w.quot; Von Liszt zegt hiervan ; Das Gesetz sagt hier inkorrekt unci statt des einzig richtigen oder. Ook Olshausen beschouwt het als â eine inkorrekte Fassung, welche nicht im Sinne des Gesetzes liegen wirdquot;.
Het âeinem Anderen wissentlich eine solche
83
Handlung gestatten oder ihin dabei wissentlich Hülfe leistenquot;, bespreken wij in het volgende hoofdstuk.
Het Italiaansche strafwetboek behandelt de bescherming van het telegraafgeheim in het artikel over het brievengeheim, dat wij in het vorige hoofdstuk bespraken.
HOOFDSTUK III. Medeplichtigheid der post- en telegraaf beambten.
|
Oorspronkelijke redactie art. 433. De ambtenaar der posterijen of van eenige andere openbare instelling van vervoer of der telegraphic of eenig ander in art. 432 bedoeld persoon, die toelaat, dat iemand een der in de artikelen 430-432 vermelde feiten pleegt of hem daarbij opzetteliik hulp verleent , wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld. |
Redactie van het wetboek art. 375. De ambtenaar van eenige openbare instelling: van vervoer of der telegraphic of eenig ander in art. 374 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat, dat een ander een der in de artikelen 372-374 vermelde feiten pleegt of dien ander als mede-]) licht ine terzijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld. |
De redactie van de Staatscommissie werd onveranderd door de Regeering overgenomen in art. 426. De wijzigingen, die het artikel later onder-
85
ging, zijn van zeer ondergeschikten aard. Om redenen, die wij vroeger bespraken, werd hier evenals in art. 372 en 373 de uitdrukking â ambtenaar der posterijen of van eenige andere openbare instelling van vervoerquot; eenvoudig vervangen door â ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoerquot;. Het woord âiemandquot; in het oorspronkelyk Regeeringsontwerp werd om reden van meerdere duidelijkheid gewijzigd in â een anderquot;.
Daarom moest ook het woord â hemquot;, dat een regel verder voorkomt, â dien anderquot; worden.
Voorts sprak het oorspronkelijk artikel niet van âopzettelijk toelatenquot;, doch alleen van âtoelatenquot;, dat evenwel door de commissie in denzelfden zin bedoeld was, daar culpose medeplichtigheid on-mbgelijk is. O
De laatste wijziging, die het artikel onderging en waarop de commissie van Rapporteurs uitdrukkelijk gewezen had, was die van âopzettelijk hulp verleentquot; in âals medeplichtige ter zijde staatquot;. Er was volstrekt geen reden, zoo zeide men, om hier slechts één soort van medeplichtigheid te noemen. Elke medeplichtigheid wordt hier tot delictum sui generis verheven.
Op aanraden van Prof. de Vries , werd door den Minister in 't gewijzigd ontwerp achter het ') Holtzemlorlf, Handb. IT. 379.
86
woord âpersoonquot; een komma geplaatst, zoowel voor de duidelijkheid als voor de juiste afdeeling van den zin.
In art. 426 (ons art. 375), zegt de Memorie van toelichting, wordt het daar omschreven feit, zoowel ten aanzien van postbeambten als van ambtenaren der telegraphic, in navolging van de § § 354 en 355 van het Duitsche strafwetboek, aan de gewone regelen van medeplichtigheid onttrokken.
Kan dit op het oogenblik nog van art. 375 gezegd worden? Volgens mijne bescheidene meening niet, want een van beide, of in ons artikel is de uitdrukking âopzettelijk toelaatquot; overbodig, of het artikel straft meer dan de medeplichtigheid als delictum sui generis.
Lezen wij art. 48 n0. 2 van ons strafwetboek dan zien wij, dat de wet onder â medeplichtigenquot; o. a. verstaat hen, die opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van het misdrijf.
Hieronder zou nu met geringe moeite *) het opzettelijk toelaten te brengen zijn.
Echter is er nog eene tweede mogelijkheid, nl. dat het artikel, zooals het voor ons ligt, juist is
') Ook de Minister was in zijn antwoord aan de commissie van Rapporteurs van deze meening. Zie Smidt, Welb. van Strafr. op art. 54, nu 44.
87
geredigeerd en â opzettelijk toelatenquot; niet valt onder de medeplichtigheid. In dit geval evenwel is de Memorie van toelichting onjuist, waar zij zegt, dat art. 375 ten doel heeft die ambtenaren aan de gewone bepalingen der medeplichtigheid te onttrekken. Het â opzettelijk toelaten'' beteekent dan niet âopzettelijk de gelegenheid verschaffenen voor deze opvatting is veel te zeggen.
Welk is dan het onderscheid tusschen âopzettelijk toelatenquot; en âopzettelijk de gelegenheid verschaffen quot; ?
Door het âtoelatenquot;, dat later in âopzettelijk toelatenquot; is veranderd, hebben de samenstellers slechts eene vertaling willen geven van het zoowel in § 354 als in § 355 van het Duitsche strafwetboek voorkomende â gestatten
Dat de ontwerpers geheel de Duitsche terminologie hieromtrent hebben willen volgen, blijkt ook hieruit, dat zij de Duitsche uitdrukking âwissent-lich Hiilfe leisten quot; vertaald hebben door â opzettelijk hulp verleenenquot;. Trouwens zij zijn er dan ook rond voor uitgekomen in de Memorie van toelichting, dat de Duitsche artikels hun tot voorbeeld gediend hebben. Valt nu het Duitsche â wis-sentlich gestattenquot; onder een van de vormen der medeplichtigheid'? Köstlin ') verstaat onder âwis-
') Köstlin, System, blz. 294.
88
sentlich gestattenquot; niet alleen het dolose niet-verhinderen van een misdrijf, doch rekent daaronder ook, als iemand â die nicht-Anzeige eines Ver-brechens fiir den Fall, dasz es begangen sein werde, zum Voraus zusagtquot;. Zijne opvatting wordt echter door weinigen gedeeld. Geijer ') beperkt dit begrip; âEs gibt allerdings auch eine negative, d. h. eine dui'ch blosze Unterlassungen begangene Beihülfe, die aber sehr wohl von der bloszen Nichthinde runquot;: eines Verbrechens unterschieden werden musz. Soil in einem (dolosen) Unthatig-bleiben Beihülfe zu einem Verbrechen liegen, so musz jenes Nichthandeln in einem Causalzusam-menhano; mit dem Verbrechen stehen, so dasz eine wirkliche Förderung des letzteren eingetreten ist. Dies ist nur ausnahmsweise der Fall, nament-lich wenn ein Unthiitigbleiben trotz des Vorhan-denseins von Verhaltnissen besonders verpflichten-der Art stattfindet. Da unter einer solchen Voraussetzung die begründete Erwartung besteht, dasz der Unthatigbleibende viebnehr thatig sein werde und in dieser Erwartung anderweitige Vor-kehrungen gegen das Verbrechen unterlassen werden, die ein Hindernisz gegen dessen Ausführung ge-bildet hiitten, so liegt in jedem dolosen Nichthandeln allerdings ein Beseitigen von Hindernissen
») Geyer, H.H. II. 392.
89
des Verbrechens, mithin ein wirkliches Fördern desselben
Wanneer bv. een politieagent, die tot bewaking van eene bankinstelling aangewezen is, zijn plicïit verzuimt, opdat een dief gemakkelijk daar kan stelen, dan is dit negatieve medeplichtigheid. Geen negatieve medeplichtigheid kan men dus noemen het eenvoudig niet verhinderen van een delict, wanneer men wenscht, dat het delict moge gepleegd worden. Om den ambtenaar, die een delict toelaat, als medeplichtige aan te zien, moet het uitgemaakt zijn, dat zijn ambtsplicht hem opdraagt tegen dat delict te waken.
Rust nu op den postambtenaar of telegrafist de verplichting uit zijne betrekking om te waken tegen inbreuk door anderen op het brief- en telegram-geheim? In geen enkel Reglement zien wij dien ambtenaar dezen plicht opleggen. Hij schendt dus zijnen ambtsplicht niet, wanneer hij willens en wetens toelaat, dat een ander post- of telegraaf-beambte misdrijven pleegt. Zijne handeling zou dus niet onder negatieve medeplichtigheid kunnen vallen, en daarom straffeloos zijn, wanneer niet art. 375 daartegen straf bedreigd had. Heeft dus de wet-
O O
gever niet zonder noodzakelijkheid het â opzettelijk toelatenquot; in dit artikel naast de medeplichtigheid strafbaar gesteld, dan is ook de Memorie van toe-
00
lichting onjuist, welke alleen zegt de medeplich-tigeid van den ambtenaar als een delictum sui generis te straffen. Onjuist was het ook om van medeplichtigheid te spreken, en dan als tweede strafbare handeling alleen de âopzettelijke hulpquot; te noemen.
In de Duitsche artikels kon men met âwissentlich Hülfe leistenquot; (waarvan waarschijnlijk de âopzettelijke hulpquot; de vertaling is) volstaan.
Immers § 49 van het Duitsche strafwetboek zegt; âAls Gehülfe wird bestraft, wer dem Thater zur Begehung des Verbrechens oder Vergehens durch Rath und That wissentlich Hülfe jreleistet hatquot;. Bij ons wordt de medeplichtigheid nauwkeurig omschreven en volgens ons artikel is het opzettelijk hulp verleenen slechts een deel der medeplichtigheid.
Onze meening vindt ook haren steun in hetgeen de Commissie van Rapporteurs op art. 44 (toen art. 54) zeide: â De passieve compliciteit is geene medeplichtigheid in den zin der wet en moet dit in den regel ook niet wezen. Alleen voor ambtenaren is er grond voor gelijkstelling met de daad zelve in de omstandigheid, dat de arvhtenaar met hijzonder vertrouwen is begunstigd en een deel van het staatsgezag bekleedtquot;.
De Minister meende evenwel de â passieve hulpquot;
91
onder de medeplichtigheid te inoeteu rangschikken â want degeen, die toelaat, verschaft opzettelijk tot het plegen van het misdrijf de gelegenheidquot;. Zeer duidelijk komt het uit in het daarop volgende mondeling overleg van de Commissie van Rapporteurs met den Minister, dat zij Geijers opinie deelde. De Commissie merkte daarbij op, dat passieve compliciteit wel medeplichtigheid kan, doch niet behoefde te zijn. Art 426 wordt uitdrukkelijk als voorbeeld daarvan genoemd.
Uit het bovenstaande volgt dus 1°. dat de Memorie van toelichting zeer ten onrechte zegt, dat in art. 375 alleen bijzondere regelen voor eene bepaalde medeplichtigheid gegeven worden; 2°. dat het negatieve toelaten alleen medeplichtigheid kan opleveren, wanneer het de plicht van den ambtenaar was te waken, dat een feit niet gebeurde. Hier, waar men naar dezen plicht vergeefs zou zoeken, beteekent dus âtoelatenquot; niet âde gelegenheid gevenquot; van art. 48. Art. 375 noemt uitdrukkelijk het toelaten, omdat het zonder deze woorden straffeloos zou zijn. De fout, die het ontwerp der commissie daarenboven bevatte door in plaats van de geheele medeplichtigheid slechts een deel daarvan strafbaar te stellen, is waarschijnlijk te wijten aan eene te slaafsche navolging eener Duitsche bepaling, die evenwel in
92
de Duitsche wet volkomen recht van bestaan had.
Art. 375 dient dus om den medeplichtige en hem, die toelaat, dat een ander het feit pleegt geheel als den dader zeiven te straffen.
Dit is geheel in overeenstemming met de leer van den Code Pénal: ,, Les complices d un crime ou d'un délit seront punis de la mêine peine que les auteurs mêmes de cc crime ou de ce délit, sauf les cas oü la loi en aurait disposé autrementquot;.
Het nieuwe strafwetboek echter leert in art. 49 lid 1, dat het maximum der hoofdstraffen, op het misdrijf gesteld, bij medeplichtigheid met een derde verminderd wordt, terwijl art. 44 bepaalt; âIndien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt, of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken, dan kan de straf met een derde worden verhoogdquot;.
Art. 375 nu behelst eene afwijking van die leer, daar de hier omschreven feiten, wat de medeplichtigheid betreft, in navolging van de § § 354 en 355 van het Duitsche Strafwetboek, aan de gewone regelen van medeplichtigheid worden onttrokken, en de ambtenaar hier niet gestraft wordt met H x | = ^ van de straf van hem, met wien hij medeplichtig is, doch evenals
93
die derde kan gestraft worden. Waarom geschiedt dit en wordt in dit geval de medeplichtigheid tot een delictum sui generis gemaakt? Omdat het niet past den ambtenaaar, die een derde de gelegenheid verschaft het hier bedoelde misdrijf te plegen, eene mindere straf op te leggen, dan dien derde. Hij, de ambtenaar, is en blijft de hoofdschuldige, en mag niet lichter gestraft worden, omdat hij nog daarenboven een derde in het ongeluk stort.
In het nieuwe Italiaansche strafwetboek heeft men geen bijzondere regelen vastgesteld voor de medeplichtigheid van post- en telegraafbeambten aan schending van het brieven- of telegrammen-geheim, maar gelden de algemeene bepalingen van titel VI van het eerste boek, welke tot opschrift heeft: âDeelneming van meerdere personen aan een zelfde strafbaar feitquot;.
STELLINGEN.
i.
Onder de uitdrukking â openbare instelling van vervoerquot; in de artt. 372 en 373 Sw. is niet enkel te verstaan die instelling, die door het openbaar gezag is ingesteld, maar tevens elke bijzondere onderneming, die volgens de postwet tot het vervoer van brieven gerechtigd is.
II.
Iedere telegraafinrichting, die niet uitsluitend bestemd is de bijzondere belangen van enkele personen te bevorderen, maar door welker werking het publiek belang op welke wijze ook gediend wordt, is eene telegraafinrichting ten algemeenen nutte.
96
III.
Onder âtelegramquot; is niet alleen te verstaan het stuk, dat aan den geadresseerde of diens gemachtigde wordt afgeleverd, maar ook het teeken- of
O o
letterschrift, dat èn aan het station van afzending èn aan dat van ontvangst door het toestel op de papierstrook wordt afgedrukt.
IV.
Het â opzettelijk toelaten quot; waarvan art. 375 Strafr. spreekt, is niet in medeplichtigheid begrepen, maar staat er naast.
V.
Te recht besliste het Hof te 's Hage bij arrest van 25 Mei 1889, W. v. h. li. n0. 5731, dat eene veroordeeling op grond van art. 157 n0. 1 Str. niet kan worden uitgesproken, wanneer in de dagvaarding niet is te laste gelegd, dat van de brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
VI.
Bij vernietiging in cassatie van een arrest of vonnis, op grond dat de uitspraak zou berusten op een onwettig of onvoldoend bewijsmiddel, moet er geen verwijzing naar een anderen rechter, maar
97
rechtspraak ten principale door den Hoogen Raad plaats hebben.
VIL
Wanneer aanstaande echtgenooten bij huwelijksche voorwaarden in strijd handelen met art. 197 B. W., ontstaat er bij voltrekking van het huwelijk van rechtswege algeheele gemeenschap.
VIII.
De ouderlijke macht blijft, wat den persoon des minderjarigen betreft, bestaan voor den langstlevende der ouders,, ook al is hij geen voogd.
IX.
De bepaling van art. 445 B. W. is irrationeel.
X.
Ook als eene getrouwde vrouw onder curatele is gesteld, moet er een toeziende curator worden benoemd.
XL
In de gevallen van art. 885 B. W. wordt men niet van rechtswege van eene nalatenschap uitgesloten, maar wordt er een vonnis van onwaardig-verklaring vereischt.
98
XII.
Bij den genus-koop ging Jure Romano het gevaar op den kooper over, wanneer de verkooper aan zijne verplichtingen had voldaan of de kooper in. mora accipiendi verkeerde.
XIII.
Een afzonderlijk Wetboek van Koophandel is niet noodig.
XIV.
De betrokkene blijft door zijne acceptatie niet jegens den houder verplicht tot betaling van het beloop van den wisselbrief, als later blijkt, dat de handteekening van den trekker valsch was.
XV.
De afstand van het schip volgens art. 321 W. v. K. is slechts eene formaliteit, waarbij men verklaart het schip aan den crediteur ter executie over te geven.
XVI.
Van de actie tot ontbinding eener overeenkomst, welke eene waarde van minder dan Æ200 ten onderwerp heeft, is de kantonrechter niet bevoegd kennis te nemen.
99
XVII.
Het slot van art. 158 B. R. maakt de bepaling voor liet niet stellen van zekerheid irrationeel.
XVIIL
Eene andere regeling omtrent het dragen van de kosten van het proces ware wenschelijk.
XIX.
Art. 10 van de Grondwet had in verband met art. 11 ook gewijzigd moeten worden-
XX.
De rechter is bevoegd de toepassing eener plaatselijke verordening te weigeren wegens strijd met de wet.
XXI.
Art. 196 van de Grondwet had moeten luiden: Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging en in dit artikel geene verandering worden gebracht.
XXII.
De poenale sanctie van art. 65 van de Grondwet ontbreekt in het strafwetboek.
100
XXIII.
Art. 10 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht is in de opsomming der gevallen, waarin de tijdelijke
gevangenisstraf wordt uitgebreid tot 20 jaren, on
â¢Ã c
volledig.
XXIV.
In elk concreet geval van concursus realis zal de rechter bij alternatieve strafbedreiging ^ vooi ieder misdrijf op zich zelf de straf kunnen kiezen die hem het geschikst voorkomt, en eerst dan zal blijken of hij met gelijksoortige dan wel me gelijksoortige straffen te doen heeft.
XXV.
In art. 64 Strafwetboek had ook â de afwezige opgenoemd moeten worden.
XXVI.
Particulier initiatief is in Nederland onvoldoende om tot eene deugdelijke arbeiders-verzekering tegen ziekten en ongelukken te geraken.