TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN
IN DEN B IJ BEL.
Met een naschrift aan Dr. A, KUYPER,
---»« 0 ® » e .â
Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben.
Jezüs (Ev. Joh. 5; 39.)
UITGEGEVEN DOOR DE
Vereeniging- âDE DAGERAADquot;.
Vier de* herziene driiïx.
AMSTERUA M, 1891,
fit'-
â
11 â
â
22 n
rAc
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN
IN DEN B IJ BEL.
Mef een naschrift aan Dr. A. KUYPER,
,jl (
£â â quot;â quot; A
1
/
ÃITGrEGEVEN DOOR DE
E!3L10Ti-i2EK : NED. HERV. KERK
Vereeniging âDE DAGERAA.Dquot;.
Vierde, herziene druJt,
A M S T E R D A M. 1891,
js - a- gt;
l!
I
VOORWOORD.
Twintig a dertig duizend van de kleinere stukjes «Tegenstrijdige teksten in den Bijbelquot; benevens ruim vijfhonderd van de compleete uitgave zijn thans door Nederland verspreid.
Zij zijn in N. Amerika verschenen in het Duitsck; zij zijn vertaald in het Zweedsch.
Geen Dominé, Pastoor of Rabbi heeft 't noodig geacht te bewijzen, dat wij ongelijk hadden deze teksten als tegenstrijdig naast elkaar te stellen.
Wat de verklaringen aanbelangt gegeven door den Catechiseermeester Pbaeco (waarschijnlijk is dat 's mans beroep) van enkele onzer tegenstrijdige teksten, wij meenen niet daaraan eenige waarde te mogen toekennen. Met kabbalistische uitleggingen, dat zien eigenlijk betee-kent niet zien, dat vier eigenlijk vijf is, en dergelijke meer, houden wij ons niet op.
Alleen dominé Vbendekberg kent betere boekjes op dit gebied. Hij zal ons genoegen doen betere tegenstrijdige teksten te pabliceeren dan de onze.
Wij gelooven dus wel te mogen besluiten, dat de H.H. Dominéés, Pastoors en Rabbi's zich niet in staat achten hun geloof te verdedigen tegen hun geloof, en dat zij dus tegenstrijdigheden gelooven, tegenstrijdigheden prediken, van tegenstrijdigheden leven.
En ook de andere geloovers kunnen zien, waaraan zij zich te houden hebben.
Aan de groote hoeveelheid reeds bestelde exemplaren bemerken we, dat dit boekje zeer in den smaak valt van het publiek, en wij twij-elen niet of deze gewijzigde herdruk zal zijn plicht doen!
Redactie van âDe Dageraadquot;
TEGrES STRIJDIGE TEKSTEN II B£N BIJBEL.
Velen houden deu bijbel nog altijd voor bet onfeilbare âwoord van Godquot; of âde Heilige Schrift? of âde openbaring Gods,quot; en nemen dit boek (of liever deze verzameiing van 66 verschillende boeken) aan tot grondslag en richt-saoer van wat waar is. Er wordt over teksten uit den bijbel gepreekt en gestreden, teksten worden aangehaald om te bewijzen (!) dat deze of die zaak zóó is, en niet anders. -Ta, devromeu willen ons wijsmaken, dat zij alles gelooven wat in dien bijbel staat. Om dit te hunnen doen, zal men wel moeten beginnen met den ge-heelen bijbel te lezen, doch het bleek ons dikwijls, dat men dit gemakshalve oversloeg. âAl de schrift is door God ingegeven,quot; (1 Tim. 3:16) beweren zij, en dus valt er niets op af te dingen.
Voor die velen mogon deze blaadjes aanleiding geven tot eenig nadenken. Vrijdenkers zullen er een hulpmiddel in vinden om bij voorkomende gedachtenwisseling met ouderwetsche christenen veel tijd en moeite uit te winnen.
OMTRENT GOD.
|
Niemand heeft ooit God gezien. Joh. 1 : 18. Denwelkon geen meusch gezien heeft noch zien kan. 1 Tim. 6 ; 16. God is een geest. Joh. 4 : 24. Niet dat iemand den Vader gezien heeft. Joh. 6 : 46. |
Mozes nu en Aamp;bon klommen opwaarts, ook Nadab en Abihtj en zeventig van de oudsten Israëls, en zij zagen den God Israëls, en onder zijne voeten als een werk van safliersteenen, en als de gestaltenis des hemels in zijne klaarheid. Doch hij strekte zijne hand niet tot de afgezonderden der kinderen Israëls, maar zij aten en dronken nadat zij God gezien hadden. Ex. 24 : 9â11. De Heere zeide voorts:.. . . en wanneer ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste dealen zien; maar mijn aangezicht zal niet gezien worden. Ex, 33 : 21, 23. |
teffenstrijdige tkksten in dun bijbel.
4
|
Gij zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien, want mij zal geen mensoh zien en leven. Ex. 33: 20. De Heer dor Heeren, die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensoh gezien heeft noch zien kan. 1 Tim. 6 : 15, 16. Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt. Hand. 7 : 48. Hij breidt het Noorden nit over het woeste; hij hangt de aarde aan een niets. Job 26: 7. Hoor Israël, de Heere onze God is een éénig Heer. Deut. 6 : 4. Alle dingen zijn mogelijk bij God. Mark. 10 : 27. De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gêgeven. Joh. 3 : 35. Zoude zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zoude zien ? spreekt de Heere; vervul ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere. Jer. 23 : 24. De oogen des Heeren zijn aan alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. Spreuken 15 : 3. |
Eu Jacob noemde den naam dier plaatse Pniël, want zeide hij, ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziel is gered geweest. Gen. 32 : 30. Toen zeide Salomo: De Heere heeft gezegd, dat hij in donkerheid zoude wonen. 1 Kou. 8 : 12. Ik heb immers een huis gebouwd u ter woonstede, een vaste plaats tot uwe eeuwige woning. 1 Kon. 8 : 13. De grondvesten des aardrijks zijn des Heeren, en hij heeft de wereld daarop gezet. 1 Sam. 2 : 8. Want drie zijn er die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn een. 1 Joh. 5 : 7. Verg. 1 Cor. 8:6. En hij konde aldaar geen kracht doen. Mark. 6 : 5. En do Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij*? Gen. 3 : 9. Toon kwam de Heere neder om te bezien do stad en den toren, dien de kinderen der menschen bouwden. Gen. 11 : 5. Voorts zeide de Heere; Dewijl het geroep aangaande Sodom en Gomorra groot is, en dewijl hunne zonde zeer zwaar is, zal ik nu afgaan eu bezien, of zij naar het geroep, dat tot mij gekomen is) |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
5
|
God is liefde. . . 1 Joh. 4 ; 8. En de God des vredes zij met li allen. Kom. 15 : 33 De Heer is rechtvaardig in alle zijne wegen en goedertieren in alle zijne werken. Ps. 145 : 17. Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Ps. 103 ; 8. Een rechtvaardig God. Jes. 45 : 21. Zooals uit nevensstp.anden tekst blijkt, belet de goedertierenheid enz. niet, dat God een yeheei volk uitroeit, omdat 0.e voorouders van dat volk 400 jaar vroecjer zich tegen de Joden verdedigd 'hadden. De Heere is aan allen goed, en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werken. Ps. 145 : 9. Eene rechte wage en weegschaal zijn des Heeren. Spr. 16 ; 11 Bekeert u tot den Heere uwen God, want hij is genadig en barmhartig. lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Joël 2 ; 13. Welke wil dat alle menschen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. 1 Tim. 2 : 4. |
het uiterste gedaan hebben; en zoo niet, ik zal het weten. Gen. 18: 20, 21. Want onze God is een verterend vuur. Hebr. 12 : 29. De Heere is een krijgsman. Ex. 15 : 3. Alzoo zegt de Heere der Heir-scharen: ik heb bezocht hetgeen dat Amalek Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg toen hij uit Egypte opkwam; ga nu henen en sla Amalek, eu verban alles wat hij heeft, en verschoon hem niet, maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, vau de kamelen tot de ezelen toe. 1 Sam. 15 : % 3. En de Heere sloeg onder die lieden van Beth-Sémes, omdat zij in de arke des Heeren gezien hadden, ja hij sloeg van den volke zeventig mannen en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk-rouw, omdat, de Heere eenen groo-ten slag onder den volke geslagen had. 1 Sam. 6 : 19. Een ijverig God en een wreker is de Heere, een wreker is de Heere en zeer grimmig; een wreker is de Heere aan zijne weder-partijders, en hij behoudt den toorn zijnen vijanden. Nahum 1 : 2. Zoo ontfermt hij dan wiens hij wil, en verhardt wien hij wil. Rom. 9 : 18. Maar zoo wie zal gelasterd hebben tegon den Heilgen Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid. Mark. 3 : 29. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
6
|
De zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn. Kzech. 18: 20. Maar vrucht des geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Gal. 5: 22. Hij houdt zijnen toorn niet in eeuwigheid, want hij heeft lust in goedertierenheid. Micha 7 : 18. Want de Heer zal niet verstoeten in eeuwigheid. Klaagl. 3: 31. De Heer is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot be-keering komen. 2 Petr. 3 : 3. Valsche lippen zijn den Heere een gruwel. Spr. 12 : 22. Want hij plaagt noch bedroeft de menschenkinderen niet van harte. Klaagl. 3 : 33, Looft den Heer want hij is goed, want zijne goedertierenheid |
Hij heeft hunne oogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart niet verstaan en zij bekeerd worden, en ik hen geueze. Joh. 12 : 40, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen in het derde en in het vierde lid. Ex. 34: 7. Maak de slachting voor zijne kinderen gereed, om hunner vade ren ongerechtigheid. Jes. 14: 21. Toen werd de Geest des Heer en vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten en sloeg van hen dertig man ; en hij nam hun gewaad. Richt. 14: 19. En dezequot; zullen gaan in ds eeuwige pijn. Matth. 25 : 46. De Heere heefc alles gewrocht om zijn zelfs wille, ja ook den goddelooze tot den dag des kwaads. Spr. 16 : 4. Nu dan, zie, de Heere heeft eenen leugengeest in den mond aller dezer uwer profeten gegeven, en de Heere heeft kwaad over u gesproken. 1 Kon. 22 : 23. En de Heer uw God hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zoo zult gij ze ganschelijk verbannen, gij zult geen verbond met hen maken noch |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
7
|
is in eeuwigheid. Looft den God der Goden want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. Ps. 136 : 1, 2. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zoo riep hij: Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Exod. 34 : 6. Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer des persoons is. Hand. 10 : 34. Want er is geen aanneming des persoons bij God. Rem. 2 ; 11. Gcd is geen man dat hij liegen zoude, noch eens menschen kind, dat het hem berouwen zoude. Num. 23 : 19. 1 Sam. 15 ; 29. Want ik, de Heere, worde niet veranderd. Mal. 3 : 6. Jac. 1 : 17. De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver gelouterd in eenon aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Ps. 12 : 7. Alle rede Gods is doorlouterd. Spr. 30 : 5. |
Niemand als hij verzocht wordt zegge: ik wordt van God verzocht; want God kan niet verzocht wor-hun genadig zijn. Gij zult dan al de volkeren verteren, die de Heer uw God u geven zal; uw oog zal ze niet verschoonen, en gij zult hunne goden niet dienen; wanf, dat zoude u een strik zijn. Deut. 7 : 2, 16. Maar van de steden dezer volken, dien den Heer uw God u ten erve gegeven heeft zult gij niets laten leven, dat adem heeft. Deut. 20 : 16. Maar den ongeloovigen en vrees-achtigen.... is hun deel in den poel die brandt van vuur en zwavel. Openb. 31 : 8. Zoo ontfermt hij zich dan wiens hij wil; en verhardt wien hij wil-Rom. 9 : 18. Vergelijk Romeinen 9 : 11â13, Mal. 1 : 2, 3. Gen. 4 : 4, 5. Toen berouwde het den Heere, dat hij den mensch op de aarde gemaakt had. Gen. 6 : 6, Deut. 32 : 36. Ps. 135:14 enz. En het berouwde den Heere, dat hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. 1 Sam. 15 : 35. Zie ook Ex. 32 : 14 en Jona 3 : 10. Het begin van het woord des Heeren door Hoséa: Ga hemen, neem u eene vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen. Hoséa 1 : 2. Of men leze Ezech. 4 ; 12. !) En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht. Gen. 22 : 1. |
1) Deze tekst wordt Mer fatsoenshalve niet opgAiomen.
TEGEÃiSTIUJDIGrE TEKSTEN IN DEN BIJBEL..
8
den met het kwade, en hij zelf Terzoekt niemand.
.Tac. 1 : 13.
En God zag al wat hij gemaakt Zie, op zijne heiligen zoude hij had, en zie, het was zeer geed. niet yerlrouwen, en de hemelen (ren. 1 : 31. zijn niet zuiver in zijne oogen.
Job 15 ; 15.
DE SCHEPPING.
|
En God zeide: Daar zij licht ! ou daar werd licht. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. Toen was hot avond geweest, eu het was morgen geweest, de eerste dag. Gen. 1: 3, 5. En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar het beeld van God schiep hij hem; man en vrouw schiep hij ze. Gen. 1 : 27. |
God dan maakte de twee groote lichten: bet groote licht tot heerschappij des daags, en het kloin-licht tot heerschappij des nachts, ook de sterren; En God stelde zo in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde, en om te hoerscheu op don dag, en in den nacht, eu om scheiding te maken tusschen het licht en tusschen de duisternis. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag. Gen. 1: 16â19. Ook had de Heere God gesproken; het is niet goed, dat de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. En de Heere God bouwde de ribbe, die hij van Adam genomen had, tot eene vrouw on hij biacht haar tot Adam. Gen. 2: 18, 22. |
Eu God schiep den mensch naar zijn beeld, naar hot beeld van God schiep hij hem.
Gen. 1 : 27.
God is een geest.
Joh. 4: 24.
tegenstrijdige teksten in den bijbel.
9
DE ZONDVLOED.
|
Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje ; maar van het vee, dat niet rein is twee, het mannetje en het wijfje. Gen. 7: 2. En het geschiede in het zeshonderd-en-eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten dier maand, dat de wateren droogden van boven de aarde: toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe, en zie, de aardbodem was gedroogd. Clen. 8: 13. ABEi! En Teeaii leefde zeventig jaren, en gewon Abraham, Xahoh en Ha ran. En de dagen vau Teraü waren twee-honderd-en-vijf jaren, en Tekaii stierf te Haran. Gen. 11: 26, 32. Toen ging hij uit het land der Chaldeërs en woonde in Haran. Eu vandaar nadat zijn vader gestorven was, bracht hij hem over in dit land. Hand. 7 : 4. (Abraham ivas dus toen 205 min 70 = 135 jaar.) |
En gij zult van al wat leeft, van allen vleesche, twee van elk doen in de ark komen. Gen. 6 : 19. Van het reine vee eu van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt, kwamen er twee en twee tot Noacii in den ark, het mannetje en het wijtje, gelijk God ïToacii geboden had. En van alle vleesch, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark. Gen. 7: 8, 9, 15. En in de tweede maand, op den zeven-en-twintigsten dag der maand was de aarde opgedroogd. Gen. 8: 14. Zoo waren alle de dagen van Aü.ur, die hij leefde, negen-honderd jaar en dertig jaar, en hij stierf. Gen. 5: 5. H A M. En Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. Gen. 12 : 4. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
Door het geloof heeft Abkaiiam, Want er is geschreven, dat
als hij verzocht was, IsAük geofferd, Abraham twee zonen had, één uit
en hij die de belofte ontvangen de dienstmaagd, en één uit de vrijë.
had, heeft zijnen eeniggeborene Gal. 4:22. Gen. 16: 15. geofferd.
Heb. 11: 17.
10
|
En ik zal u [Abraham] en uwen zade na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het geheele land KaDaSn, tot eeuwige bezitting; en ik zal hun tot eenen God zijn. Gen. 17; 8. Want zijne [Jakobs] zonen vervoerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, dewelke Abraham met den akker gekocht had tot eene ertbegrafenis van Efhon, den Hethiet. tegenover Mamre. Gen. 50 : 13. En Abraham noemde den naam van die plaats: De Heere zal 't voorzien; waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des Heeren zal 't voorzien worden. Gen. 22: 14. |
En hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, zelfs niet eenen voetstap. Hand. 7: 5. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte . .. met IsAaK en Jakob ... Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende. Heb. 11 : 9â13. En Jakob kwam af in Egypte en stierf, hij zelf en onze vaderen.. En zij werden overgebracht naar Sichem en gelegd in het graf. 'n welk Abraham gekocht had voor eene som gelds van de zonen van Emor, den vader van Sichem. Hand. 7: 15, 16. Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heere. En ik ben Abraham, IsaSk en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met mijnen naam Heere ben ik hun niet bekend geweest. Ex. 7: 1, 2. |
EENIGE GESLACHTS-KEGISTERS.
|
Sem was honderd jaar oud en hij gewon Aupachsad, twee jaren na den vloed. En Abpachsad leefde vijf-en-dertig jaar, en hij gewon Selah. En Selah letfde dertig jaar, en hij gewon Heber. Gen. 11: 10, 12, 14. |
Hebek, de zoon van Sala, den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem. Luk. 3: 35, 36. |
TESENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
11
|
Als uu Esau veertig jaren oud was, nam hij tot vrouw Judith, de dochter van Be6ri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon', den Hethiet. Gen. 26: 34. Zoo ging Esau tot Ismael, en nam zich tot eene vrouw, boven zijne vrouven, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon Abrahams, de zuster van Nebajoth. Gen. 28: 9. Alzoo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch Samuel zeide tot Isaï : de Heere heeft deze niet verkoren. Voorts zeide Samuel tot Isaï: Zijn dit alle de jongelingen? En hij zeide: de kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. 1 Sam. 16: 10, 11. Samen 8 zonen; de achtste was David.) En Kehabeam, had MAaciiA, Absaloxs dochter, liever dan al zijne vrouwen.....En Reha- beaai stelde Abia, den zoon van MaUcha, tot een hoofd, om de overste te zijn over zijne broederen, want het was om hem koning te maken. 2 Kron. 11: 21, 22. David sloeg ook Hadadezeh, â¢den zoon van Rehob, den koning van Zoba, toen hij henentoog om zijne hand te wenden naar de rivier Frath; En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd rui-teren en twintigduizend man te voet. 2 Sam. 8: 3, 4 |
Esau nam zijne vrouwen uit de dochteren Kanaüns; Ada de dochter Eloks den Hethiet, en Aholi-bama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeox, den Heviet; En Basmath de dochter vat Ismael. de zuster van Nebajoth. Gen. 36: 2, 3. En Isaï gewon Eliab, zijnen eerstgeborene, en Abinadab, den tweeden, en Simea, den derden, Nethaneël, den vierden, Eaddai den vijfden, Ozem, den zesden, David, den zevenden. 1 Kron. 2: 13â15. In het achttiende jaar des ko-nings Jerobeams zoo werd Abia koning over Juda. Hij rageerde drie jaren te Jeruzalem en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter übiels van Gibea. 2 Kron. 13: 1. 2. David sloeg ook Hadahezeb den koning van Zoba naar Hamath toe, toen hij henentoog om zijne hand te stellen aan de rivier Frath; En David nam hem duizend wagens af, en zevenduizend ruiters en twintigduizend man to voet. 1 Kron. 18: 3, 4. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
10
|
Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht was, IsAiik geofferd, en hij die de belofte ontvangen had, heeft zijnen eeniggeborene geofferd. Heb. 11 : 17. En ik zal u [Abraham] en uwen zade na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het geheele land KanaUn, tot eeuwige bezitting; en ik zal hun tot eenen God zijn. Gen. 17; 8. Want zijne [Jakohs] zonen vervoerden hem in het land KanaUn, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, dewelke Abraham met den akker gekocht had tot eene ertbegrafenis van Efkon, den Hethiet. tegenover Mamre. Gen. 50 ; 13. En Abraham noemde den naam van die plaats: De Heere zal 't voorzien; waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des Heeren zal 't voorzien worden. Gen. 22; 14. |
Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrijë. Gal. 4: 22. Gen. 16: 15. En hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, zelfs niet eenen voetstap. Hand. 7: 5. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte . .. met IsaSk en Jakob ... Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende. Heb. 11: 9â13. En Jakob kwam af in Egypte en stierf, hij zelf en onze vaderen. En zij werden overgebracht naar Sichem en gelegd in het graf. 't welk Abraham gekocht had voor eene som gelds van de zonen van Emor, den vader van Sichem. Hand. 7: 15, 16. Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heere. En ik ben Abraham, IsAaK en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met mijnen naam Heere ben ik hun niet bekend geweest. |
EENIGE GESLACHTS-EEGISTERS.
|
Sem was honderd jaar oud en hij gewon Arpachsad, twee jaren na den vloed. En Abpachsad leefde vijf-en-dertig jaar, en hij gewon Selah. En Selah letfde dertig jaar, en hij gewon Heber. Gen. 11: 10, 12, 14. |
Heber, de zoon van Sala, den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem. Luk. 3: 35, 36. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
11
|
Als uu Esau veertig jaren oud was, uam hij tot vrouw Judith. de dochter van BEeni, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elok, den Hethiet. Gen. 26; 34. Zoo ging Esau tot Ismael, en nam zich tot eene vrouw, boven zijne vrouven, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon Abrahams, de zuster van Nebajoth. Gen. 28: 9. Alzoo liet IsaI zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch Samuel zeide tot Isaï : de Heere heeft deze niet verkoren. Voorts zeide Samuel tot Isaï; Zijn dit alle de jongelingen? En hij zeide: de kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. 1 Sam. 16; 10, 11. Samen 8 zonen; de achtste was David.) En Rehabeam, had MaêIcha, Absalons dochter, liever dan al zijne vrouwen.....En Rehabeam stelde Abia, den zoon van MaScha, tot een hoofd, om de overste te zijn over zijne broederen, want het was om hem koning te maken. 2 Kron. 11; 21, 22. David sloeg ook Hadadezer, den zoon van Rehob, den koning van Zoba, toen hij henentoog om zijne hand te wenden naar de rivier Frath; En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd rui-teren en twintigduizend man te voet. 2 Sam. 8; 3, 4 |
Esau nam zijne vrouwen uit de dochteren Kanaans: Ada de dochter Elons den Hethiet, en Ahcli-bama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeox, den Heviet, En Basmath de dochter van Ismael. de zuster van Nebajoth. Gen. 36; 2, 3. En Isaï gewon Eliab, zijnen eerstgeborene, en Abtnadab, den tweeden, eu Simea, den derden, SETHAN'eël, den vierden, Eaddai deu vijfden, Ozem, den zesden, David, den zevenden. 1 Kron. 2; 13â15. In het achttiende jaar des ko-nings Jerobeams zoo werd Abia koning over Judü. Hij rageerde drie jaren te Jeruzalem en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter Uriels van Gibea. 2 Kron. 13; 1, 2. David sloeg ook Hadarezeu den koning van Zoba naar Hamath toe, toen hij henentoog om zijne hand te stellen aan de rivier Frath; En David nam hem duizeud wagens af, en zevenduizend ruiters en twintigduizend man tc voet. 1 Kron. 18; 3, 4. |
tegenstrijdige teksten in den bijbijl.
12
|
Eu de toom des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israel en hij porde Dated aan tegen hen, zeggende: Ga, tel Israel en Juda. 2 Sam. 24: 1. Ik zal nliedon de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn. Hand. 13 : 34. AA ant ik heb des Heeren wegen gehouden, en beu mijnen God niet goddelooslijk afgegaan. Want al zjjne rechten waren vóór mij, en zijne inzettingen deed ik niet van mij weg. Maar ik was oprecht bij hem, en ik wachtte mij voor mijne ongerechtigheid. Ps. 18: 21â23. Omdat David gedaan hud, dat recht was in de oogen des Heei'en, en uiet geweken was van alles dat hij hem geboden had, alle de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Ubiah den Hethiet. 1 Kon. 15 ; 5. Daarna zond Saul tot Isai, om te zeggeu : Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijne oogen we-vonden. 1 Sam. 1G: 22. |
Tóen stond de Satan op tegen Israël en hij porde David aan, dat hij Israël telde. 1 Kron. 21: 1. Hij voerde ook het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zage, en met ijzeren dorsch-wagens, en met bijlen: en alzoo deed David aau alle de steden der kinderen Ammons. 1 Kron. 20: 3. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar uwe goedertierenheid, om uwer goedheid wille, o Heere. Ps. 25 : 7. Want mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. Ps. 38: 5. loen Saul David zag uitgaan den Philistijn tegemoet, zeido hij tot Abxeii den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abxeii? i Sam. 17: 55. |
WAT MET HET VEE DER EGYPTE NAREN GEBEERDE.
|
Zie, de hand des Heeren zal zijn over uw [Pharao's] vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het kleine vee, door eene zeer zware pestilentie. En de Heer deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf. Ex. 9 : 3, 6. |
Doch het hart van Phaeao werd verzwaard. Toen zeide de Heere tot Mozks en Aaitox: Neemt gijlieden uwe vuisten vol asch uit den oven, en Mozes strooide die naar deu hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren aan de menschen en aan liet vee, Ex. 9 : 7, 8, 10. |
tegenstrijdige teksten in den bijbel.
13
|
En de hagel sloeg in het gan-sche Egypte-land, alles wat op het veld was, van de menschen af tot de beesten toe. Ex. 9 : 25. En de Egyptenaren vervolgden hen en gingen in, achter hen, al de paarden van Phakao, zijne wagens en ruiters in 't midden van de zee. Want als do wateren wederkeerden, zoo bedekten zij de wagens en de ruiters, van het gan-sche heir van Phaeao daar bleef niet één van hen overig. Ex. 14 : 23, 28. GETx' Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijne heupe gesproten, uitgenomen de vrouwen der zonen Jakobs. waren allen zes-en-zestig zielen. En Jozef's zonen, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis Jakobs, die in Egypte kwamen, waren zeventig. Gen. 46 : 26, 27. De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egvpte gewoond hebben, is vierhonderd en dertig jaar. Ex. 12 : 40. Het geschiedde nu in het vier-honderd-tachtigste jaar na den uitgang der kinderen Israels uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk Salomo's over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des Hee-ren bouwde. 1 Kon. 6:1. (480 jaren.) |
En het geschiedde le middernacht, dat de Heer al de eerstgeborenen in Egypte-land sloeg, van den eerstgeborene van Phaeao af.... en alle eerstgeborene der beesten. Ex. 12 : 29. L L EX. En Jozei-' zond henen en ontbood zijnen vader Jakob, en al ; zijn geslacht, bestaande in vijf-en-; zeventig zielen. i Hand. 7 : 14. En Cxod sprak alzóó, dat zijn nageslacht vreemdeling zoude zijn in oen vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren. Hand. 7 : 6. En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn; En daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf hij hun richters, tot op Samuel, den profeet; En van toen aan begeerden zij een koning, en God haf hun Saul den zoon van Kis, een man |
teeenstrijdige teksten in den bijbel.
14
|
Maar de Syriërs vloden voor Israels aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagenen, en veertigduizend ruite-ren; daartoe sloeg bij Sobach, hunnen krijgsoverste, dat hij aldaar stierf. 2 Sam. 10 ; 18. En Joab gaf de som dos getel-den volks aan den koning: en in Israël waren achthonderdduizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man. 2 Sam. 24 : 9. Doch de koning zeide tot Arauna : Neen, maar ik zal het zekerlijk van u koopen voor den prijs, want ik zal den Heere mijnen God niet offeren brandofferen om niet. Alzoo kocht David den dorschvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen. 2 Sam. 24 : 24. Zoo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij ? 2 Sam. 24: 13. |
Salomo had ook veertigduizend uit den stam Benjamin, veertig jaren; En dezen afgezet hebbende, verwekte hij hun David tot een koning. Hand. 13 : 18â22. (40 -j- 450 -|- 21 jaren van Samuel's reqeering -f- 40 Æ. van Sadl's reg. -J- 40 ;. van David's reg. -j-4 jaren â 595 jaren. Doch de Syriërs vloden voor het aangezicht Israëls, en David versloeg van de Syriërs zevenduizend wagenen, en veertigduizend mannen te voet, daartoe doodde hij Sofach den krijgsoverste. 1 Kron. 19 : 18. En Joab gaf David de som des getelden volks: en gansch Israël was elfhonderd-duizend man die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd-duizend en zeventigduizend man die het zwaard uittrokken. Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des konings woord was Jcae een gruwel. 1 Kron. 21 : 5, 6. En de koning David zeide tot Oenan: Neen, maar ik zal het zekerlijk koopen voor het volle geld, want ik zal voor den Heer niet nemen wat uws is, dat ik een brandoffer om niet offere. En David gaf aan Oenan voor die plaatse zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. 1 Kron. 21 : 24, 25. Eu Gad kwam tot David, en zeide tot hem : Zoo zegt de Heere : Neem u uit: óf drie jaren honger, of, enz. 1 Kron. 21 : 11,12. Ook had Salomo vierduizend |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
15
|
paardenstallen voor zijne wagenen, en twaalfduizend ruiteren. 1 Kon. 4: 26. Want hij vormde twee koperen pilaren, de hoogte des éénen pilaars was achttien el, en een draad van twaalf ellen omving den anderen pilaar... Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des tempels; en den rechter pilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Jachin, cn den linker pilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Boaz. i Kon. 7: 15, 21. Voorts maakte hij de gegoten zee... zij hield tweeduizend bath. 1 Kon. 7 : 22, 26. En Joram werd koning in zijne plaats, in het tweede jaar Jokams, des zoons Josofats, des konings van Juda. 1 Kon- 1: 17. En uit de stad nam hij eenen hoveling, die over do krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen; die in de stad gevonden werden. 2 Kon. 25: 19. Acht jaar was Jojachin oud toen hij koning werd en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem. 2 Kron. 36: 9. Hij (Joram, vader van Ahazia) was tweeëndertig jaar toen hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem, en hij ging henen zonder gemist te worden. 2 Kron. 21 : 20. |
paardenstallen en wagenen en twaalfduizend ruiteren. 2 Kron. 9 : 25. Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf-en-de^tig ellen in lengte, en bet kapiteel dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen... En hij richtte do pilaren op vooraan den tempel, eenen ter rechterhand en eenen ter linkerhand en hij noemde den naam van den rechter Jachin en den naam van den linker Boaz. 2 Kron. 3: 15, 17. Daartoe maakte hij de gegoten zee.. . bevattende vele bathen: zij hield drieduizend. 2 Kron. 4: 2, 5. In het vijfde jaar nu van Joram den zoon van Achab den koning Israels, toen Josafat koning was van Juda, begon Joram de zoon van Josaphat den koning van Juda te regeeren. 2 Kon. 8: 16. En uit de stad nam hij oenen hoveling die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden. Jer. 52: 25. JoJAcmM was achttien jaar oud toen hij koning werd en regeerde drie maanden te Jeruzalem. 2 Kon. 24 : 8. En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia zijnen jongsten zoon koning in zijne plaats. Twee-en-veertig jaar [was Ahazia oud toen hy koning werd. 2 Kron. 22 : 1, 2. Ahazia was alzoo twee jaren onder dan zijn vader. |
tegenstrijdige teksten in den bijbel.
16
|
Twee-eu-twintig jaar was Aiiaza oud toen hij koning werd. 2 Kon. 8 : 26. Dit zijn de kinderen van dat landschap, die Nebukadxezab weggevoerd liad naar Isabel, die uaar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd. Ezra 2.1. Volgt: vers 3 tot 60 de namen der familiën en het aantcd personen, waaruit zij bestaan, t. iv.: 2172-j-372 775 -f 2812 -j- 1254 945 760 642 623 1222--666 -f 2056 454 98 323 --112 223 95 123 56--128 42 743 621 122--223 52 156 1254 320 --725 345 3630 973 1052 1247 1017 74 128 139 392 652 = 29,8 1 8- De kinderen van Auacii, zeven honderd vijf-en-zeventig. Ezra 2:5. De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, tweeduizend achthonderd en twaalf. Ezra 2:6. De kinderen van Zattu, negen, honderd viif en veertig. Ezra 2 .⢠8. enz. |
Twee-en-veertig jaar was Aiiazia oud toen hij koning werd. 2 Kron. 22: 2. Deze gansehe gemeente te zamen was twee-en-veertig c'.uizend driehonderd en zestig = 42£360. Ezra 2 : 64. De kinderen van Abace : zeshonderd twee en vijftig. Neh. 7 : 10. De kinderen van Pahate-Moab van de kindereu van Jestja en Joab tweeduizend achthonderd en achttien. Neh. 7 : 11. De kinderen van Zattu achthonderd vijf en veertig. Neh. 7; 13. enz. |
[Nehemia 7:
31,089.
Een en dertigduizend en negen en tachtig.)
Deze gansehe gemeente te zamen was twee en veertij; duizend driehonderd en zestig (42,360*.
Neh. 7'; 66.
-66:
Noch zich te begeven tot fabelen en oneindige geslachtsrekeningen, welke meer twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Tim. 1: 4.
totaal
DE ONSTERFELIJKHEID
|
als zeker voorgesteld in het Nieuwe Testament. |
wordt in het Oude Testament niet genoemd en dikivijls ontkend, zooals ' de onderstaande teksten aantoonen. |
1EOENSTRIJDIGE TEKSTEN IX DEN BIJBEL.
17
|
En zoo wie zal verlaten hebben buizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. Matth. 19: 29. TV ant indier. de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt. 1 Cor. 15, 16. Want de bazuin zal slaan en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden. 1 Cor. 15 : 52. Verwondert u daar niet over, want de _ ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan. Joh. 5 : 28, 29. En ik zag de dooden, klein en gioot, staande voor God... en zij werden geoordeeld een ieder naar zijne werken. Opcnb. 20 : 12, 13. En deze allen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardige in het eeuwige leven. Matth. 25 : 4G. |
Ia het zweet uws aanschijns znlt gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl j gij daaruit genomen zijt; want gij I zijt stof en gij znlt tot stof we-: derkeeren. Gen. 3: 19. Ben wolk vergaat en vaart henen, alzoo die in hot graf daalt, zal niet weder opkomen. Job 7 : 9. Want de levenden weten dat zij leven zullen, maar de dooden weten niet-met-al. zij hebben ook geen loon meer. Pred. 9: 5. Want wat den kinderen der mensehen wedervaart, dat wedervaart ook den beescen, en eenerlei wedervaart hun heiden: gelijk die sterft, alzoo sterft deze, en zij allen hebben eenerlei adem, en de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene: want allen zijn zij ijdelheid. Zij gaan allen naar ééne plaats; zij zijn allen uit het stof en zij keeron allen weder tot het stof. Wie merkt, dat de adem van de kinderen der menschen opvaart I naar boven en de adem der bees-I ten nederwaarts in de aarde? Pred. 3 : 19â21. |
ONDERGANG DER WERELD.
Het eene geslacht gaat en het 1 De hemel en de aarde zullen andeie geslacht komt, maar de ( voorbijgaan.
aarde staat in eeuwigheid. 0 Mark 13 ⢠31
Pred. 1:4.
' En de aarde en de werken die i daarin zijn, zullen verbranden, 2 Pet. 3 ; 10-
TEGEN 3T11I.I DIG li TEKSTEN IN DEX BIJBEL.
Hij heeft de aarde gegrond op Gij Heer hebt in den beginne hare grondvesten, zij zal nimmer- de aarde gegrond en de hemelen meer noch eeuwiglijk wankelen. zijn werken uwer handen ; dezelve Ps. 104 : 5. zullen vergaan.
Kebr. 1 ; 10, 11.
18
|
ALLER Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle meu-schen, die op den aardbodem waren. Num. 12 : 3. En zij verreisden van Hasmona en legerden zich in Moseroth. En zij verreisden van Moseroth en legerden zich in Bené-Jaakan. En zij verreisden van Bené-Jaakan, en legerden zich in Kor-Gidgad. En zij verreisden van Hor-Gid-dad en legerden zich in Jotbatha. En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona. En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Géber. En zij verreisden van Ezeon-Géber en legerden zich in de Woestijn Zin, dat is Kades. En zij verreisden van Kades en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom. Toen ging de priester Aüron op den berg Hor, naar den mond des Heeren, en stierf aldaar. Num. -53:30â38. |
H A N D E. En Mozes werd grootelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dien oorlog kwamen. En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven'? Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens, en doodt alle vrouw, die door bij-ligging des mans eencn man be-i kend heeft. Doch alle do kinderen van vrou-i welijk geslacht, die de bijligging i des mans niet bekend hebben, laat voor ulieden leven. Num. 31 : 14-18. Eu de kinderen Israels reisden van Beeroth Bené-Jaakan en Mo-1 sera. Aldaar stier! AaBOX en werd aldaar begraven. Vandaar reisden zij naar Gudgod, en van Godgod naar .Tobatha, een land van waterbeken. Deut. 10 : G, 8. |
1 EGENSfKrJDlGE TEKSTEN IX DEN BIJBEL.
39
|
Als zij nu kwamen tot aan Nachoxs dorschvloer, zoo strekte Ãzza zijne hand uit naar de arke Gods en hield ze, want do runderen struikelden. 2 Sam. 6 : 6. Toen zeide Ahazta, de zoon van Achab tot Josaphat : laat mijn knuchteu niet uwe knechten op de schepen varen; maar Josaphat wilde niet. En Josephat ontsliep met zijne vaderen, en werd bij zijne vaderen begraven in de stad zijns vaders Davids. 1 Kou. 22 : 50, 5L |
Toen zij aan den dorschvloer van Kidon gekomen waren, zoo strekte Uzza zijne hand uit om de arke te houden , want de runderen struikelden. '1 Kron. 13 : 9. _ Doch na dezen vergezelschapte zich Josaphat. de koning van Juda, met Ahazia. don koning van Israël, die handelde goddelooslijk in zijn doen. En hij vergezelschapte zich met hem om schepen te maken, om naar Tarsis te gaan: en zij maakten schepen te Ezeon Geber. Maar Ei.iüzeii de zoon van Doda-va, van Maresa, profeteerde tegen Josaphat, zeggende: Omdat gij u mei Ahazia vergezelschapt hebt heeft de Heere uwe werken verscheurd. Alzoo werden de schej^en verbroken, dat zij niet konden naar Tarsis gaan. Daarna ontsliep Josaphat niet zijne vaderen,en werd begraven, em. 2 Kron. 20 : 85â37; 21 : ]. |
J E Z U S.
|
Gjj mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij-uit tot u te sproken van den patriarch David. Alzoo hij dan een profeet was, en wist dat God hem met eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lende, zooveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zou. Hand. 2:2). 30. |
De geboorte van Jj:zus Christus was nu aldus : Want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. Matt. 1:18. ^^en merke hierbij op, dat volgens de evanc/dicn alleen Jozef Jezus' pl ec/vader vin David afstamt. Dit irordt in den volgenden tekst hewezen. |
Het ^ bock des geslachts van In Lvkas 3 vind'-.n u-ij do vol-Jezus Ohbistus, den zoon Davids. . . . | gende geslachtstafel van Jezus;
TEOENSTUI.ID1GE TEKSTEN IN DEN HIJBEL.
20
|
David. Salomo. Roboam. Abia. Asa. Josaphat. Joram. Ozias. Joathani. Achaz. E/ekias. Manasse. Anion. Josias. Jechonias. Salathiël. Zorababel. Abiud. Eljakim. Azor. Sadok. Achini. Eliud. Eleazar. Mat than. Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus. (Volgens Matth. 1 waren er (lus 27 voorvaderen van David tot aan Jozef, die de vhv.v.a-vader was van Jezus.) Jezus.... de zoon van Jozef, den zoon van Heli. Luk. 3 : 23. {Grootvader: Heli.) Hierin is do liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat C-rod zijnen eeniggeboren zoon gezonden heeft in de wereld. 1 Joh. 4: 9. |
Davi.l. Xathan. Mattatha. Maïnan. Meleas. Eljakim. Jonan. Jozef. Juda. Simeon. Levi. Mat that. Jorim. Eliëzer. Joses. Er. Elmodam. Kosam. Addi. Melchi. Xcri. Salathiël. Zo robabel. Rhesa. Johannas. J ii« la. Jozef. Semeï. Mattathias. Maiitii. Xaggaï. Esli. Xaiim. Amos. Mattathias. Jozef, Jannas. Melchi. Levi. Matthat. Heli. Jozef den vader van Jezus, ,.zoo men meendequot;. (Volgens Luk. 3 waren er 42 voorvaderen van Jozef, Jezus tleeg-vader tot op David.) En Jakob gewon Jozef,denman van Maria, uit welken gsboren is Jezus. Matth. 1 : 16 {Grootvader: Jakob.) En het geschiede., dat Gods zonen de dochleren der menschen aanzagen, dat zij pchoou waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden. Gen. 6: 1, 2. |
TEÃENSTliIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
21
|
Hij dan opgestaan zijnde,1) nam het kindeken en zijne moeder tot zich in den uacht en vertrok naar Egypte en was aldaar tot den dood van Herodes, Matth. 2 ; 14,15. Maar als hij hoorde, dat Akche-laüs in Judea koning was, in de plaats zijns vaders Hekodes, vreesde j hij daarhenen Ie gaan, maar door ! GoJdelijke openbaring vermaand in don droom, is hij vertrokken in de deelen van Galilea. Matth. 2: 22. | Na dezen kwam Jezus en zijne diseipelen in het land van Judea, [ en onthield zich aldaar met hen, en doopte. En Johannes doopte ook. .. Want Johannes was nog niet in ! de gevangenis geworpen. i Joh. 3: 22-24. | (Petkus en Andreas Karen al lang j vroeger bekeerd: zie Joh. 1 : 40â42.) ! Jezus kwam van Nazareth in Galilea en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan. En terstond als hij uit het water opidom, zag hij de hemelen opengaan en den : Geest gelijk een duif op hem nederdalen. En terstond dreef hem de geest uit in de woestijn. En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen. Mark. 1 : 9â13. Geliefden, gelooft niet iederen geest, maar beproeft do geesten of zij uit God zijn ; want veel valsche profeten zijn uitgegaan in do wereld. Hieraan kent gij den Geest Gods : alle geest, die belydt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God. 1 Joh. 4; 1, 2. En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen. En als hij uit het schip gegaan i) Nadat alles voleindigd was, wat naar |
En als zij alles voleindigd hadden wat naar de Wet des Heeven te doen was, keerden zij weder naar Galilea tot hunne stad Nazareth. Luk. 2: 30. En als do dagen harer reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, brachten zij hem te Jeruzalem, opdat zij hem den Heere voorstelden. Luk. 2: 2quot;2. {Men bedenke, dat Jeruzalem in Judea lag.) En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het evangelie van het koninkrijk Gods. Mark. 1: 14. {Hierop volgde do hekeering van Petrus e?i Andreas ; zie vers 16:17.) En op den derden dag [nadat Jezus gedoopt en de heilige geest op hem nedergedaald teas in de gedaante van een duif] was er een bruiloft to Kana in Galilea. . . . En Jezus was ook genood en zijne discipelen, tot do bruiloft. Joh. 2:1,2. {Men herinnere zich, dat aldaar het bekende wonder geschiedde.) En er was in hunne synagoge een inensch mot ecu onreinen geest, en hij riep uit, zeggende: Laat af. wat hebben wij met u te doen, gy Jezus Nazerener? Ik keu u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. Mark. 1: 23, 24. En als hij aan de overzijde was gekomen in het land der Gerge-senen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende ie Wet des Heeren te doen was,... |
tegenstrijoige teksten in uen bijbel.
22
|
was, terstond ontmoette hem uit ! de graven een mensch met een i onreinen geest. En de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen, en de kudde stortte van de steilte af in de zee (er waren er nu omtrent tweeduizend) en versmoorden in de zee. Mark. 5 ; 1,2, 13. En als hij en zijne discipelen 1 en een groote schare van Jericho i uitging, zat de zoon van Timeüs, Baethieus de blinde, aan den weg bedelende. ^ En hoorende dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, gij zoon Davids, ontferm u mijner. Mark. 10: -16, 47. i En gij wilt tot mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben. Joh. 5: 40. {leder kan dus vrijwillig tot Jezus komen. Als nu Jezus te Kapernuüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, en zeggende: Heer, mijn knecht ligt thuis geraakt, en lijdt zware pijnen. Matth. 8: 5, 6. Dit is het woord, dat hij ge- ! zonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus i Christus. Hand. 10 : 36. Vrede op aarde, in de meuschen een welbehagen. Luk. 2: 14. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd : worden. Matth. ó; 9. |
uit de graven... En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen; «n zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee en zij stierven iu het water. Matth. 8: 28, 32. En als zij van Jericho uitgingen is hem een groote schare gevolgd. En zie, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heer, gi] zoon Davibs, ontferm u onzer. Matth. 20: 29, 30. j Niemand kan tot mij komen, tenzij dat do Vader die mij gezonden heeft hem trekko; enDik zal hem opwekken ten uitersten j dage. Joh. 6; -14. Nadat hij nu al zijne woorden voleindigd had ten aanhoore des volks, ging hij in te Kapernaüm. | Een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hom ; zeer waard was, krank zijnde lag op zijn sterven. En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de ouderlingen der Joden, hem \ biddende dat hij wilde komen, en zijnen dienstknecht gezond maken. Luc. 7: 1â3. Meent niet dat ik gekomen beu i om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede fe brengen, maar het zwaard. Matth. 10: 31. Ik ben gekomen om vaur op de aarde te werpen ... Mrent gij dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg ik u, maar zelfs verdeeldheid. Want van nu aan zullen er vijf |
tegenstrijdige teksten in den dijbel.
23
|
Maar ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zi gent ze, die u vervloeken ; doet wel dengenen die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen. Matth. 5 : 44, Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven. Joh. 5: 22. Indien iemand tot mij komt, en niet liaat zijn vader un moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Luk. '14: 26. Bidt, eu u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie klopt, dien zal opengedaan worden. Matth. 7: 7, 8. En God de Heer zal hem den troon van zijnen vader David geven; en hij zal over het huis Jakobs koning zijn in eeuwigheid. Luk. 1: 32, 33. Het boos eu overspelig geslacht verzoekt een teeken ; en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den profeet. En hen verlatende ging hij weg. Matth. 16: 4. |
Toen antwoordden sommigen der schriftgeleerden en pharizeërs, in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee vegen drie. De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; demoeder tegen de dochter, en dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. Luk. 12; 49â53. Gij oordeelt naar het vleesch, ik oordeel niemand. Joh. 8:15. En indieu iemand mijne woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zalig make. Joh. 12: 47. Ben iegelijk die zijnen broeder haat is een doodslager, eu gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 1 Joh. 3: 15. Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zeg ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen. Luk. 13 : 24. Jezus antwooordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Joh. 18: 36. Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. Joh. 1: 11. Gij Israëlietische mannen! hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in 't midden van u, gelijk ook gij zeiven weet. Hand. 2: 22. |
tegenstrijdige teksten in den bijbel.
24
|
zeggende: meester! wij wilden van u een teeken zien. Maar hij antwoordde, en zeide tot ben: Het boos en overspelig geslaciil; verzoekt een teeken; en bun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den profeet. Matth. 12: 38, 39. En zijne twaalf discipelen tezamen geroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen. Luk. 9:1. Matth. 10:1, 8. Voorwaar zeg ik u, zoo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga benen van bier derwaarts, en bij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Matth. 17; 20. Jezus zeide tot hem : ik ben de weg, de waarheid en bet leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij. Joh. 14 : 6. En de zaligheid is in geen ander: want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menscben gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. Hand. 4; 12. Uit degenen die gij mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren. Joh. 18 : 9. En ik verordineer u het koninkrijk, gelijkerwijs mijn Vader mij dat verordineerd heeft; |
Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan.... Joh. 20: 30. Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem : Eabbi! wij weten dat gij zijt een leeraar van God gekomen; want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God niet met hem is. Job. 3: 2. En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. ïoen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij bem niet kunnen uitwerpen? En Jezus zeide tot ben: om uws ongeloofs wil. Matth. 17: 18â20. En als bij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen'? En hij zeide tot beu: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan dooi bidden en vasten. Mark. 9 : 28, 29. En Petrus, den mond opendoende zeide: ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer is des persoons; maar dat in elk volk, die hem vreest en gerechtigheid werkt, hem aangenaam is. Hand. 10 : 34, 35. Die gij mij gegeven hebt heb ik bewaard, en niemand uit ben is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis. Joh. 17 :12. En als bij de bete ingedoopt had, gaf hij ze Judas, Simons-zoon, Iskariot. |
tegenstrijdige teksten in den bijbel,
25
|
Opdat gij eet en drinkt aan ' mijno tafel in mijn koninkriik, en zit op troonen, oordeelende de twaalf geslachten IsraOls. Luk. 22 ; 29, 30. En hij zeido tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heett, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die mei hum waren'? Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathak den hoogepriester, en de toonbrooden gegeten beeft, die het niemand geoorloofd is te eten dan de priesteren, en ook gegeven heeft aan dengenen, die met hem waren? Mark. 2:25, 26. Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch kopergeld in uwe gordels; noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf. Matth. 1U ; 9,10. Je/.us antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mijzelven getuig, zoo is nochtans mijn getuigenis waarachtig. . .ik ben 't;, die van mij zeiven getuig.. . Joh. 8 : 14, 18. Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven; doch ik neem seen uetuisenis van eeu menseh. Joh. 5:33, 34. Meent niet, dat ik gekomen beu om de wet of de profeten te ontbinden: ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden en de men-scheu alzoo zal geleerd hebben, die |
En na de bete, toen 'oei' de Satan in hem. Joh. 13 : 26, 27. {Deze tekst sluit alzoo Judas uit.) Toen kwam David te Nob lot den priester Achiuelech... Toen gaf de priester hem dat heilige brood, dewijl daar geen brood was dan de toonbrooden, die van voor het aangezicht des Heeren weggenomen waren... Doch een der zonen van Achimelecii, den zoon van Ahitur. ontkwam, wiens naam was Abjathak. 1 Sam. 21:1; 1 Sam. 22 : 20. En hij gebood hun dat zij niets zouden nemen lot den weg, dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel. Mark. 0:8. Jezus dan antwoordde en zeide tot hen... indien ik van mijzelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig. Joh. 5:19, 31. De Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen; en gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met mij gsweest. Joh. 15 : 26, 27. Zoodan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood, door het lichaam van Christus. Rom. 7 : 4. Hij heeft de vijandschap in zijn vleesch te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden, in inzettingen bestaande. Efezen 2 : 15. Jezus dan zeide wederom tot hen : voorwaar zeg ik u, ik ben de |
tegenstrijdige teksten in den bubül.
26
|
zal de minste genaamd worden in liet koninkrijk der hemelen; maar zoowie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het koninkrijk der hemelen. Matth. 5:17â19. Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Matth. G : 34. Ue Vader heeft den Zoon lief en heeft alle dingen in zijue hand gegeven. Joh. 3 ; 35. En Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op don troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordee-lende de twaalf geslachten Israels. Matth. 19 : 28. Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet: want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 1 Joh. 3 : 9, 6. [Jezus Christus.] die in de gestaltenis Gods zijnde geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. Filipp. 2 : 6. Al wat de Vader heeft is het mijne. Joh. 16 : 15. En als hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. Matth. 27 : 12. |
deur der schapen. Allen, zoovelen als er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars, maar de schapen hebben hen niet gehoord. Joh. 10 : 7, 8. Doch zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisgenooten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongeloovige. 1 Tim. 5:8. Het zitten tot mijne rechter-en tot mijne linkerhand staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden wien het bereid is van mijnen Vader. Matth. 20 : 23. Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalf uitverkoren? en één uit u is een duivel. Joh. 6 : 70. Maar wee dien mensch door wl-ken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest. Mark. 14 -.21. Geen mensch is er, die niet zondigt. 2 Kron. 6 ⢠36. Voorwaar, daar is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. Pred. 7 : 20. Mijn Vader is meerder dan ik. Joh. 14 : 28. Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch do Zoon, dan de Vader. Mark. 13 : 32. De hoogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer. Jezus antwoorde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waaide joden van alle plaatsen te zamen |
tegenstrijdige teksten in den bijbel
27
|
Toeu zeide Pilatus tot hem ; Hoort gij niet hoevele zakeu zij tegen u getuigen? Maar hij antwoordde hem niet op eenig woord, alzoo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. Matth. 27 ; 13, 14. Maar hij zeide; ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij mij kent. Luk. 22 : 34. Joh. 13 : 38. Rn het was omtrent de zesde ure... Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis hem,.. En hij dragende zijn kruis, giug uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuwsch genoemd wordt Golgotha, alwaar zij hem kruisten. Joh. 19 : 14, 15, 17. Eu hetzelve verweten hem ook do moordenaars, die met hem gekruisigd waren. Matth. 27 : 44. |
komen, en in het verborgen heb ik niets gesproken. Joh. 18 : 1« 20. (Jezus beantwoordde ook de verdere vragen; zie verzen 21â23). Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, ea riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de koning der joden? Jezus antwoorde hem. zegt gij dit van u zelven, of hebben 't u anderen van mij gezegd? Joh. 18 r 33, 34. {Zie verder verzen 35â37). Eu Pilatus vraagde hem; Zijt gij de koning der joden? En hij antwoordende zeide tot hem; Gij zegt het. Mark. 15 : 2. Luk. 23 : 3. En hij ging buiten in de voorzaal en de haan kraaide. En de dienstmaagd hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: De;e is een van die. Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileör, en uwe spraak gelijkt. Eu hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen mensch niet, dien gij zegt. En de haan kraaide de tweede maal. Mark. 14:68â72. (Petrus verloochende Jezus driemaal toen de haan ten tweeden male kraaide.) En het was de derde ure en zij kruisigden hem. Mark. 15 : 25. En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde hem, zeggende: indien gij de Christus zijt, verlos u-zelven en ons. Maar de andere antwoordende |
zeggende: Vreest
bestrafte hem.
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN I DEN J3IJEEL.
28
|
Eu Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg ik u, heden zult gij mot mil in bet paradijs ziju. Luk. 23: 43. Eu ter negender ure riep Jezus : mijn God. miju God, waarom hebt | sni mii verlaten! Mark. 15: 34. Eu zij stolden boven ziju hoofd zijne beschuldiging geschreven; | Deze is Jezus, de Koning der Joden. Matth. 27 : 37. Deze is de Koning der Joden. Luk. 23 : 38. De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op don sabbat, dewijl het de voorbereiding was, (want die dag dos sabbats was groot), baden Pilatus, dat hunne beenen zouden gebroken on zij weggenomen worden. Do krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de beenon des eersten en des anderen die met hem gekruist was. Joh. 19: 31, 32. Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van dou walvisch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart dei-aarde. Matth. 12 : 40 Dat de Christus lijden moest, en dat hij do eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zoude verkondigou aan dit volk en aan de heidenen. Haud. 26 : 23. Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden. Openb. 1: 5. |
gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? Luk. 23: 39, 40. Jezus zeide haar: Eaak my niet aan, want ik bon nog niet opgevaren tot mijnen Vader. Joh. 20: 17. Ik en de Vader zijn één. Joh. 10: 30. Want in hem woout al de volheid der Godheid lichamelijk. Koloss. 2: 9. En bet opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven : De Koning der Joden. Mark. 15: 26. Jezus de Fazarener, de Koning der Joden. Joh. 19: 19. En als het nu avond was geworden, dewijl het do voorbereiding was, welke is de voorsabbat, kwam Jozef die van Ariinathea was, een aanzienlijk raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods was verwachtende eu zich verstoutende ging hij in tot Pilatus eu begeerde het lichaam van Jezus. En Pilatus verwonderde zich dat hij alreeds gestorven was. Mark, 15: 42â44. En laat na den sabbat als hot begon te lichten tegen dou eersten dag dor week, kwam Mama Mag-ualexa eu de andere Maui a om het graf te bezien.... Hij is hier niet, waut hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Matth. 28: 1, 6. Van vrijdagavond tot zondegmor-gen is maar ééii dag en ticee nachten. En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den Heeke aau? en zeide: Heeke mijn God ! laat toch de ziel van dit kind in hem wederkeoren. En de Heehe verhoorde do stem van Elia; eu de ziel kwam in hem, dat het weder levend werd. 1 Kon. 17: 21, 22. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
20
|
Toon ging da11 00lc andere discipel er in, die het eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde; want zij wisten nog de Schrift niet, dat hij van de dooden moest opstaan. Joh. 20: 8, 9. Volgens Jon. 20: 8, 9, wisten, de discipelen, niet dat Jezus uit de dooden moest opstaan, en toch had hij het hen zelve meermalen verteld. En in 't graf ingegaan zijnde, zagen zij eau jongeling zitten ter rechterzijde, hekleed inet een wit lang kleed en werden verbaasd. Mark. 16 : 5. {\'err/. ook Matth. 28: 2.) En zij, haastoiijknitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. Mark. 16: 8. Blijft gij in de stad Jeruzalem. Luk. '24 : 29. [Jezus] beval hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de beloften des Vaders. Hand. 1 : 4. â Jezus voer ten hemel van Bethanië (Luk. 24 : 50, 51); van den Olijfberg (Hand. 1 : 9. 12); van een huis |
En als hij dit gezegd had, riep hij met grooto stem: Dazarus kom uit. En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten niet grafdoeken. Joh. 11: 43, 44: vergelijk ook 2 Kon. 4: 32â43; Luk. 7: 12-15. Eu als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen hij eerst aan Maiita Magdalexa, uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. Deze boodschapte het dengenen, die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. Mark. 16 : 9, 10. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft, als hij nog in Galiléa was, zeggende: de Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden en ten derden dage weder opstaan. Lnk. 24: 6â8. (Yergelijk Matth. 20: 19 ; 27: 63, 64; Mark. 8: 31; 10: 31; Luk. 18: 32-84.) Als zij dan weende, bukte zij in het graf, en zag twee engelen in witte kleederen zitten, één aan het hoofd en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. Joh. 20: 12. Verg. Lnk. 24: 4. En zij werden indachtig aan zijne woorden. En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij deze dingen aan de elve en aan ai de anderen. ' Luk. 24 : S. 9. En do elf discipelen zijn henen-gegaan naar Galiléa, naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had. Matth. 28 : 16. |
TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IX DSN BIJBEL.
Alzoo voor Elia met een on weder ten hemel. 2 Kon. 2 : 11.
Hexoch dan wandelde met God; en hij was uiet meer, want God nam hem weg. Gen. 5 : 24.
Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien.
Hebr. 11 : 5.
En dit zeide hij van den Geest, denwelken ontvangen zouden, wie in hem gelooven ; want de Heilige Geesl was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.
Joh. 7 : 39.
Na dezen openbaarde Jezus zich-zelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias.
Dit was nu de ,derde maal, dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van de doodon opgewekt was. Joh 21 ; 1, 14.
En laat na den Sabbat, als het begon te lichten tegen den eersten dag der week, kwam Maeia Mag-dalena en do andere Maria om hst graf te bezien.... En als zij henen-gingen om zijne discipelen te boodschappen, zie, JEzusis liaarontmoot, zeggende: Wees gegroet. En zij tot hem komende, grepen zijne voeten en aanbaden hem.
Matth. 28 : 1, 9.
Jezus had zich reeds vertoond: le aan Maria Magdalena ; 2e aan de beide Maria's: 3c aan de beide discipelen die naarEmmausQiatien(h\ik.'ï^ : 13,15); 4e aan Petnis (Luk. 24 : 34) aan de elve (Luk. 24 : 33, 36; 5e aan de tien (Joh. 20 : 24 ; 6e nog-eens aan de elve (Joh. 20 : 26); 7e aai de âtwaalve (!) (1 Kor. 15 : 5); 8e mis-: seinen ook aan da vijfhonderd broeders â te gelijk; 9 e aan Jacolms en 10e aan ' alle apostelen (1 Kor. 15: 6, 7).
(1) Hos kon er sprake zijn van «de tsvaalv,,quot; nalat Jüdas zich verworjid had of zich door een val van het leven had beroofd ?
30
in Jeruzalem (Mark. 16 : -J4,19j; en naar het schijnt in Galiléa (Matth. 28 ; 16â20).
En uiemaud is opgevaren in den hemel, dan die nedergebomen is, namelijk- de Zoon des menschen, die in den hemel is.
Joh. 3 : 13.
En hij [Johannes de Dooper] zal met den Heiligen Geest vervuld worden ook van den moederschoot af. Luk. 1 : 15.
En Elisabeth werd vervuld met den Heiligen Geest
Luk. 1 : 41.
En Zachaeias zijn vader werd vervuld met den Heiligen Geest en profeteerde. Luk. 1 : 67.
( Vergelijk Luk. 2 : 25â27.)
Jezus zeide tot haar: Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader.
Joh. 20 : 17.
TEGENSTKIJÃIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
DE APOSTELEN.
|
Deze dau [Judas] heeft verworven een akker door het loon der ongerechtigheid, en voorover gevallen zijnde is midden opgeborsten, en al zijne ingewanden zijn uitgestort. Hand. 1. 18. Patjlusquot; heheering op den weg naar Damaskus. En de mannen, die met hem onderweg reisden stonden verbaasd, hoorende wel de stem, maar niemand ziende. Hand. 9:7. Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer des porsoons is. Hand. 10: 34. Want er is geen aanneming des persoons bij God. Eom. 2: 11. En gij zult overgeleverd worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden en zij zullen er sommigen uit u dooden. Luk. 21 ; 16. Gaat dan henen, onderwijst al de volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Matth, 28: '19. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Mark; 16: 16. Eu zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem dooden mochten; doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door |
En als hij [Judas] zijn zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en henengaande verworgde zich zeiven. En de over-priesters kochten daarmede den akker. Matth 27: 5â7. Paülus' bélceering. Maar de stem desgenen, die tot mij sprak, hoorden zij niet. Hand. 22: 9. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat bet voornemen Gods, dat naar de verkiezing is vastbleve... zoo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen. Gelijk geschreven is: Jakob heb ik liefgehad, en Esati heb ik gehaat. Rom. 9 : 11â13. Zoo ontfermt hij zich dan wiens hij wil, en verhardt wien hij wil. Rom. 9: 18. Mal. 1 : 2, 3-Gen. 4: 4, 5. Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. Luk. 21: 18. Ik dank God dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Chrispus en Gajus. Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijnen naam gedoopt heb. 1 Kor. 1: 11, 15. Maar wanneer hel Gode behaagd heeft. . . zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het evangelie onder de heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik terstond |
tegenstrijdige teksten in den bijbel.
32
|
tien muur, hem aflatende in eeu mand. Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij do discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet goloovende dat hij een discipel was. Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hnn hoe hij op don weg den Heer gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damaskns vrijmoedig gesproken had, in den naam van Jezus. En hij was met hen, ingaande en uitgaande te Jeruzalem. Hand. 9 : 24â28. Ziet toe, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt ten allen tijde het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen. Ie Brief van Padlus aan do Thess. 5 : 15. De liefde is langmoedig, zij is goedertieren. Zij handelt niet ongeschikt, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad. 1 Padlus aan de Kor. 13 : 4, 5. |
1 niet to rade gegaan met vleesch en bloed, en ben niet wedergegaan naar Jornzalem tot degenen, die 1 vóór mij apostelen waren, maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Daraaskus. Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus to bezoeken, en ik bleef bij hom vijftien dagen en zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus don broeder des Hoeren. Hetgeen nu dat ik u schrijf, zie, ik getuig voor G-od dat ik niet lieg. Gal. 1 : 15â20. Onder welke is Htjieneüs én Alexander, die ik den Satan overgegeven heb, opdat zij zouden loeren niet meer te lasteren. 'I Paulus aan Tim. 1 : 20. Alexander de kopersmid heeft mij veoi kwaads betoond; do Hoor vergelde hom naar zijne werken. 2 Paulus aan Tim. 4 : 14. |
ZEDELEER.
|
Gij zult uwen naaste niet be-driegolijk verdrukken, noch boroo-von. Lev. 19 : 13. Gij zult niet doodslaan. Exod. 20 : 13. |
Maar elke vrouw zal van hare geburen en van de waardin haars hnizes eischen zilveren vaten on gouden vaten on kleederen: die zult gijlieden op uwe zonen en op uwe dochteren leggen, en zult Egypte berooven. Exod. 8 : 22. Alzoo zegt de Heore de God Israels: Eon ieder doe zijn zwaard aan zijne heup ; gaat dóór en keert weder van poort tot poort in het leger en een iegelijk doode zijnen broeder, on elk zijnen vriend, en elk zijnen naaste. Exod. 32 : 27. |
TEGENSTUIJDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
33
|
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden. Exod. 20 : 12. Een iegelijk die zijn broeder haat is een doodslager, eu gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 1 Joh. 3 : 15. Gij zult niet begeereu uws naasten vrouw. Exod. 20 : 17. Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Exod. 20:4. Welgelukzalig is de mensch die wijsheid vindt, en de mensch die verstandigheid voortbrengt. Spreuken 3: 13. De wijsheid is het voornaamste : verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uwe bezit-ting. Spreuken 4:7. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom. Ps. 92 : 13. Den rechtvaardige zal geen leed wedervaren. Spr. 12 : 21 Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. Jac. 5 : IC Beter is oen weinig met gerechtigheid dan de veelheid der inkomsten zonder recht. Spr. 16 : 8. |
Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet ziin. Luk. 14 : 2G En de Heer zeide fcot mij: Ga wederom henen, bemin eene vrouw, die, bemind zijnde van [haren] vriend, nogtans overspel doet. Hosea 3:1. Gij zult ook twee cherubs van goud maken, van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. Ex. 25: 18. âCherubs''' zijn engelen, zooals men weet. Want in veel wijsheid is veel vordiet, en die de wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart. Pred. 1: 18. Want er is geschreven ; Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstan-di^en zal ik te-niet maken. I Kor. 1 : 19 De rechtvaardige komt om, en daar is niemand die het ter harte neemt. Jes. 57 :1. Eenerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddelooze. Pred. 9: 2. Waarom leven de goddeloozen en worden oud, ja worden geweldig in vermogen ? Jac. 21 : 7 Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Kom. 3: 10. Weest niet al te rechtvaardig, noch hondt u zelven voor al te wijs. Pred. 7 : 16. |
3
tegenstrijdige teksten in den bijbel
M
|
Een iegelijk die in hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft hem niel gekend. Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft ia hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 1 Joh. 3: 6, 9. De daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. Eom. 2, 13. Alle ziele zij den machten over baar gesteld onderworpen, want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd : alzoo dat wie zich tegen de macht stelt, de ordonnantie Gods wederstaat. Kom. 13: 1, 2. Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan. Rom. 2: 12. En al ware het dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. Paulus in zijn eersten brief aan de Oor. 18: 2. Doch dengeen die niet werkt, maar gelooft in hem, die den god-delooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid, gelijk ook david den inensch zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken. Kom. 4. : 5, 6. Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roe-me. Efez. 2 : 8, 9. |
Geen mensch is er die niet zoa digt. 2 Kron. 6 : 36. Voorwaar, daar is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt. Pred. 7: 20. Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zoo verleiden wij ons zelve en de waarheid is in ons niet. 1 Joh. 1: 8. Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden. Kom. 3: 20. Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding. Kom. 4 : 15. Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. Paulus in zijn brief aan de Gal. 1: 9. Wat uuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en heeft de werken niet? Kan dat gsloofhem zalig maken? Alzoo ook het geloof, indien het de werken niot heeft, is bij zichzelf dood. .. Ziet gij dan nu, dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof? Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzóó is ook het geloof zonder de werken dood. Jac. 2 : 14, 17, 24, 26. |
TISGENSTRUDIGK TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
35
|
Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten. Maar ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doe wel degenen die u haten, en bidt voor degenen die u geweld doen, en die u vervolgen. Matth. 5 : 43, 44. Maar indien het eene doodelijke schade zal zijn, zoo znlt gij geven ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voot, brand voor brand, wonde voor wonde. Exod. 21: 23â25. Leid ons niet in verzoeking. Matth. 6; 13. Zijt dan alle meusehelijke ordening onderdanig. 1 Pet. 2: 13. (Zie ook Rom. 13 : 1 en 2.) Het [de wet] is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten in alle uwe woningen. Lev. 23: 14, 21, 31. 41. Want velen zijn geroepen maar weinigen zijn uitverkoren. Matth. 20: 16; 22 : 14. Want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door denzelven ingaan; Want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven ') Vele zoogen. âcliristenenquot; meenen, Matth. 5: 43 schijnt Jezus op Lbvii willekeurig bij: en uweti vijand zult gij h niet voor. |
Gij zult niet wreken, noch loom behouden tegen de kinderen uvvs volks; maar gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. Lev. 19 : 18 1). En ik \de Heer] zal zegenen die ! u zegenen, en vervloeken die u vervloekt. Genes. 12 : 3. Gij hebt gehoord dat gezegd is; Oog om oog, en tand om tand. Maar ik zeg n, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe. Matth. 5 ; 38, Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt. Jac. 1: 2. Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. Hand. 5: 29. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet. Rom. 7 : 6. De Heere is aan allen goed en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werken. Ps. 145 : 9. Want er is geschreven : Ik leef zegt de Heer; voor mij zal alle knie zich buigen en alle tong zal God belyden. Rom. 14: 11. Bekeert n tot den Heeren uwe God; want hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Joel 2 : 13. iit Jezus dit liet eevst gezeg.! heeft. In :cs 19 : 18 te zinspelen, maar voegt ei-'en. Deze woorden komen in Lbvitico s |
|
36 leidt, eu weinigen die denzelven vinden. Matth. 7 ; 13, 14; Luc. 13; 23, 24. Zie den wijn niet aan als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijne kleur geeft, als hjj regt opgaat; in zijn einde zal hij als eene slang bijten, en steken als eene adder, Speuken 23 : 31, 3'2. De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig, en alwie daarin dwaalt zal niet wijs zijn. Spreuken 20 : 1. Wio geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Mark. 16: 16. En deze zullen gaan in de eeuwige pijn. Matth. 25 : 46 En zij zullen gepijnigd worden dag on nacht in alle eeuwigheid. Openb. 20 : 10. En de rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht. Openb. 14: 11. |
En geef dat geld voor alles wat uwe ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn en voor sterken drank, en voor alles wat uwe ziel van n begeeren zal, eu eet aldaar voor het aangezicht van den Heer uwen God, en wees vroolijk gij en uw huis. Dent. 14 : 26. Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. 1 Kor. 11 : 25. Welke wil dat alle menschen zalig worden. 1 Tim. 2; 4. De Heer is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigeu verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen. 2 Petr. 3 : 9. TEGENSTRIJDIGE TEKSTEN IN DEN mJJJüX. |
De lozer wijte hot niet aan óns, dat wij met de bijbelplaatsen gehandeld hebben, zooals wij in vorenstaande bladen hebben gedaan. Dat er in de 66 bijbelteksten (de zoogenaamde âapocryphoquot; boeken hebben wij buiten rekening gelaten) tegenstrijdigheden voorkomen, is, zal menigeen denken, de eenvoudigste zaak van de wereld. Die boeken toch zijn door zeer verschillende personen in verschillende tijden en
TEGENSTRIJDIGE TEKSTÃN IN DEN BIJBEL.
onder verschillende omstandigheden geschreren, zij zijn van zeer onderscheiden aard: is het eene een geschiedverhaal, het andere is eene lierzang, een wijsgeerig stelsel, een scheppingsplan, een tooneelstuk (Job, Hooglied), een bruiloftslied (Ps. 45), een leerdicht (Ps. 119) een natuurbeschouwing ^Ps. 104) enz. enz. hoe zou daarin in alle pi.'iiten overeenstemming kunnen heerschen ?
En toch preekt men bet volk voor, dat de bijbel één boek is, waarin het God behaagd beeft, zich aan den mensch te loeren kennen, te openbaren.
âImmers van tweeën één: óf in de Schrift hebben we âgeopenbaarde waarheid, öf wel eene geopenbaarde waarheid is er niet.'' (Dr. A. Kuypek, Uit het woord 2de serie, l846 bundel, blz. 96.) Elders heet het in hetzeltde werk: â Wat nu do Heilige Schrift ons ouderwijzen zal, zij daarbij geheel aan den Heiligen Geest overgelaten. Bij ons kan maar één ding onvoorwaardelijk, één besluit onomstootelijk vaststaan) t. w. dat ons het Amen uit de ziel zal komen, op elke openbaring die het God geliefd heeft ons te doen. Vast dat we niet wringen zullen om krom te buigen wat recht is, en niet tornen zullen, om los te rijgen, wat vast is, noch ook in den trant der koopers op de markt handel zullen drijven in hot heilige 1) om of te overvragen óf af te dingen, als kon ooit God iets schieten laten van zijn hoogheilig Wezen, om aan ons bekrompen denken genoegdoening te verscbatfen; maar dat we, integendeel, onzen mond het zwijgen zullen opleggen en, zonder ooit ons denken te verkrachten of een tegenstelling te verzwijgen, die metterdaad voor ons bestaat, openlijk onbewinpcld en ootmoedig dat denken gebieden zullen, nooit de hoogere autoriteit te loochenen van het denken Gods'' {Uit het woord, blz. 257).
Interessant zou het voor ons zijn, zoo Dr. K. eens de goedheid had aan te tooneu, hoe de bovenstaande teksten, waarin wij gepoogd hebben geen tegenstelling te verzwijgen, die metterdaad voor ons bestaat,quot; (om m«t Dr. Kuïper te spreken) met elkander
37
1
') Kan dit een zinspeling zijn op hooge dominees-traktementen? (Red. Dacj.)
TEGENSTUIIDIGE TEKSTEN IN DEN BIJBEL.
in overeenstemming to brengen zijn. Hoe de christenen en joden âzonder ooit hun dcnleen te verkrachtenquot; (zooals dezelfde Dr. Kuypsr ook durft beweren, zie boven (geloof kunnen hechten aan de meest tegenstrijdige dingen, die in den bijbel voorkomen. Hoe zij kunnen gelooven, dat Grod zulke tegenstrijdige zaken als onomstoote-lijke waarheden kan âingegevenquot; hebben.
En onze moderne tegenstanders (of . . . geestverwanten, wat moeten wij zeggen?), ook zij schijnen, zoo geen goddelijke, dan toch een zeer bijzondere waarde aan de bijbelboeken toe te kennen, een geheel andere waarde bijvoorbeeld dan aan Vondel's Gijsbrecht van Aemstel, aan Multatuli's Minnebrieven of aan Spinoza's werken. Om iets te noemen : uit geen dezer werken wordt gepreekt of gecatechiseerd.
38
BiBLiOTHSSK NED. HERV. KERK
22 C 16
BISLIOTHBEK f NED. HERV. KERK