ocr page 1

H.P.M. va/* d ar H orvt veun o(ft,M BoS

Hiih lt;*a/it.4t. i ^{cf lt;jt Sgt;Mf. CowöUjCi^ »rgt; ^ra/y»^-quot;3^ ' ^ ^Uivo-rf-. lt;£■,» hfoortfquot; amp;K

lt;U^:«. quot;xe .s^/f ujMhs^y. ^jz-k*jL ,'^ LcX «-W

^ Bre-^fc»') v«wv

L.a voiSS' lt;tr-

ocr page 2
ocr page 3

-1 \

\

HET -A-A-JSTIDEEIj,

DAT DE SCHKJKUNDIGhN IN'

Frankiijk, Eiigolaiid, Duitschland 011 Noord- en Zuid-Nederland

Hkbbkn gehad in het tot algemeene erkenning brengen van het

Systeem van Lavoissier

door

Dl'. H, P. M, VA» DER HOEK ÏAN DEN BUS.

Eme m„ d. Gouden M.d.m, b,kroonai prlJ.vr.ag. i,jü[ hit

Genootschap ter bevordering der Natuur-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam.

I

rijksuniversiteit utrecht

1742 1094

A M 8 T E R D A M , ISO.quot;).

ocr page 4
ocr page 5

I N L E I D I N G

Tu het jaar 1*74, het tijdstip waarop Lavoisier zijne theorie in hoofdtrekken aankondigde, heerschte die van het phlogiston, door Be c lier ontworpen, door Sta hl uifcre-werkt, nog in volle kracht.

Volgens dit stelsel bestond verbranding in eene afscheiding en omgekeerd reductie in eene opneming van een eigenaardig beginsel, het vuurbeginsel of „principium quod ignem constituit.quot; Dit beginsel, „phlogistonquot; genaamd, was oen bestanddeel van alle brandbare stoffen, van de' metalen en van vele andere zelfstandigheden en behoorde, krachtens zijne onveranderlijke natuur, met water en aarde tot de elementen.

In weerwil van het onjuiste begrip, dat het vuur en lt;ie brandbaarheid eener zelfstandigheid van een stoffelijk beginsel afhangen, alsmede dat het verbrandingsproces met verlies van stof gepaard gaat, is de phlogistontheorie toch langer dan een eeuw bij alle scheikundigen zeer in aanzien en tevens ook van onberekenbaar nut voor de ontwikkeling der scheikunde zelf geweest. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de omstandigheid, dat zij de eerste scheikundige theorie was, waarin verschillende, oogenschijnlijk uiteenloopende processen — vóór Sta hl zonder eenio-en samenhang of verband — onder één gezichtspunt zijn gebracht, door één hypothese zijn verklaard.

Stahl wees er terecht en met den meesten nadruk op dat in zijne theorie bij alle verbrandings-, oxydatie- en roductieprocessen steeds dezelfde stof, het phlogiston, werkzaam was, onverschillig of zclfstundighcden niet vlam ver-

ocr page 6

II

branden en niets achterlaten, dan wel, of zij zich onder achterlating van een, meestal niet vluchtig, maar vast, kalkachtig of aardachtig product dephlogistiseeren.

Dan, niettegenstaande de phlogistontheorie van vele verschijnselen eene voor dien tijd bevredigende verklaring wist te geven, en haar ontwerper den samenhang dier verschijnselen duidelyk heeft overzien, zij was toch in strijd met de uitkomsten van enkele ook destijds algemeen bekende proeven, o. a.: met die van Boyle (1000) omtrent de vermindering van het luchtvolume bij verkalking in een afgesloten ruimte, met die van Rcy (1(330) omtrent de gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie, eu ten slotte nog met die van Mayow (1G74) aangaande de „particulae nitro-aereae,quot; of dat deel der lucht, dat aan de verbranding deelneemt.

Stahl en zijne tijdgenooten hebben zich echter weinig-om die tegenstrijdigheden bekommerd. Zij hebben er aanvankelijk of niet op gelet, öf ze van geen gewicht geacht voor de theorie.

Eerst toen door het voortreffelijk onderzoek van Black omtrent het koolzuur eu de koolzure alkaliën, door dat van Bay en aangaande de reductie van kwikoxyde zonder de inwerking van koolstof, of eene andere stof, die geacht kon worden phlogiston te bevatten, en eindelijk nog door de ontdekking der van de dampkringslucht verschillende gassen de tegenstrijdigheden vermeerderden, eerst toen zijn de phlogistic! er rekening mede gaan houden en hebben zij naar middelen gezocht om ze op te heffen.

Met de ontdekking der zuurstof en van de samenstelling der dampkringslucht was echter over het lot van het phlogiston beslist. Alle latere theorieën, op dit beginsel gebouwd, hoe vernuftig ook uitgedacht, hoe talentvol ook voorgedragen, hoe meesterlijk ook verdedigd, moesten ten slotte wijken voor die van Lavoisier.

ocr page 7

Ill

De eerste stap m die richting deed deze voortreffelijke natuuronderzoeker in 1772. In eene verhandeling van dat jaar toonde hij aan, dut verbranding en oxydatie met eene opslorping van lucht gepaard gaan, en dat omgekeerd, leductie met gasontwikkeling geschiedt.

loen nu Priestley — en onafhankelijk van dezen ook Scheele in 1774 de zuurstof ontdekte, wist Lavoisier daarvan terstond partij te trekken. Xog in datzelfde jaar bewees hij, dat dit gas de gewichtsvermeerdering veroorzaakt, waarop Rey de aandacht had gevestigd, en dat deel der lucht was, waarop Mayo w had gewezen. Tegelijkertijd knoopte hij hieraan de beschouwing vast, dat verbranding en oxydatie niet bestaan in eene uitstooting van phlogiston, maar in eene verbinding met zuurstof, en wel in dier voege, dat het gewicht van do opgenomen hoeveelheid van dit gas volkomen overeenstemt met de gewichtsvermeerdering der stof na oxydatie.

Hoewel ook Lavoisier evenals Stahl voornamelijk het oog gevestigd hield op de verbrandings- en oxydatie-verschijnselen, bepaalde hij zich toch niet enkel tot dit punt, maar strekte zijn onderzoek ook weldra uit tot andere processen.

Nauwelijks is de betrekking van de zuurstof tot de verbranding vastgesteld, of dit onderzoek wordt gevolgd door dat naar de betrekking van dit gas tot de samenstelling van de oxyden, zuren, zouten en andere lichamen.

Uit de bij de bereiding van zuurstof, volgens de methode van Priestley, afgeleide samenstelling van het kwik-oxyde leidde hij die van alle metaaloxyden af, terwijl uit het ontstaan van de vaste lucht, verkregen door reductie van metaaloxyden met koolstof, het bewijs geput werd, dat koolzuurgas uit koolstof en zuurstof is opgebouwd.

Op de metaaloxyden en het koolzuur volgde het onderzoek naar de samenstelling van de dampkringslucht, van

1*

ocr page 8

IV

bet phospliorzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, zwaveligzuur en de stikstof-zuurstofverbindingen.

Nauwkeurige waarneming en vergelijking van de uitkomsten, verkregen bij de verhitting van kwiksultaat en bij de inwerking van koper en kwik op zwavelzuur en op salpeterzuur, brachten hem geleidelijk tot de overtuiging, dat deze beide zuren respectievelijk hooger geoxydeerd zijn dan zwaveligzuur en de stikstofoxyden.

Na do oxyden en zuren kwamen de zouten aan do beuit. Drie wijzen van zoutvorming waren bekend, namelijk . zoutvorming door verbinding van oxyden met zmen, vaii metalen met geconcentreerde zuren bij verhitting en van motalen met verdunde zuren (zwavelzuur) bij gewone temperatuur.

Van de beide eerste gevallen viel het Lavoisier niet moeielijk eene verklaring te geven; beide berustten opeen verbinding van het oxyde met het zuur. In het eerste ü'eval verbond hot; zuur, zonder eenig tusschenproces, zich rechtstreeks met het oxyde; in het tweede ging oxydatie van het metaal ten koste van een deel der zuurstof van het zuur vooraf. Ten aanzien van het derde geval was hij minder gelukkig. De hierbij vrijkomende waterstot heeft hem — zoolang de samenstelling van het water onbekend was — heel wat hoofdbreken gekost, dat nog toenam, toen de phlogistici in dit gas het zoolang en zoo vurig afgebeden phlogiston meenden te herkennen en in dien vorm met veel succes toepasten. Zoodra echter de samenstelling van het water was vastgesteld, heeft Lavoisier ook die moeilijkheid overwonnen, ook die zoutvorming verklaard.

Ofschoon nu op grond van deze onderzoekingen in zijn stelsel geen plaats voor het phlogiston overbleef, kon toch le rekening met dit beginsel niet worden afgesloten, zoolang avoisicr niet tevens de betrekking tusschen verbran-

ocr page 9

V

fling en rle daarmede gepaard gaande licht- en vuurver-verschijnselen had opgehelderd, eene betrekking die Stahl eveneens met zijn phlogiston had verklaard.

Ook hierin heeft Lavoisier voorzien. Dit vraagstuk, verreweg het moeielijkste, maar tevens het belangrijkste, heeft hij op eene voor dien tijd bevredigende wijze opgelost.

[n zijn verhandeling van 1780 getiteld: „Memoire sur la chaleur, heeft hij met krachtige medewerking van Laplace het verband tusschen die verschijnselen, geheel in overeenstemming met zijne voorstelling van de samenstelling der stof, uiteengezet.

Na vooraf het begrip element in den zin van Boyle's omschrijving op den voorgrond te hebben gesteld en na door tal van proeven te hebben bewezen, dat de som der gewichten van de samenstellende deelen juist overeenstemt met het gewicht der verbinding, kwam hij tot de slotsom: dat de warmte geen gewicht bezit, dat de enkelvoudige lichamen — dus ook de zuurstof — uit een ponderabele materie en eene imponderabele warmtestof zijn samengesteld en ten slotte, dat verbranding bestaat in eene verbinding van de brandstof met dat ponderabele deel dei-zuurstof, terwijl de warmtestof, „la matière de la chaleur, le caloriquequot; onder licht- en vuurverschijnselen te voorschijn treedt.

Deze scheiding tusschen de ponderabilia en imponderabilia, dit losmaken van het verbrandingsverschijnsel van de warmte, dit op den voorgrond stellen van de gewichtsverhouding bij scheikundige verbinding en ontleding, gepaard met het in toepassing brengen van de conceptie van de onvergankelijkheid der stof zijn de hoofdpunten van het

') Lavoisier liet onbeslist of de warmte eene omveegbare stof dan wel een soort van beweging was Lavoisier, Oenvres IL 285.

ocr page 10

VI

stelsel van Lavoisier en tevens de grondslagen van de nieuwe scheikunde.

Dit oordeel wordt door een der meest bevoegde beoordeelaars van Lavoisier bevestigd. „Que ces agents imponderables resident on non, comme il le pensait, dans un tluide particulier, lel que la matière subtile de Descartes, ou bien 1'éther des pbysiciens d'aujourd'hui, il n'en est pas moins vrai que c'est Lavoisier qui a établi par la force de ses conceptions et de ces experiences la separation fondamentale et jusque-la inapercue, ou vaine nent recherchée, entre ces deux ordres de pbénomènes mêlés et confondus par la théorie du phlogistique. C'est préciseraent dans ce sens que Ton doit entendre l'équation de poids établie par lui entre les principes des substances mis en oeuvre, avant et après ces operations, et même entre chacun des corps simples qui y concourent: il en a exclu, sans le dire ex-pressément d'ailleurs, la matière de la chaleur qn'il distin-guait pourtant avec soin dans les pbénomènes. Voila par quelles idéés Lavoisier a constitué la chimie sur ses bases definitivesquot; (1).

De theorie van Lavoisier is nu in het kort in de volgende stellingen samen te vatten :

1°. Verbranding en oxydatie is een verbinding mei zuurstof on geen afscheiding van phlogiston. Verbranding gaat gepaard met licht- en warmteontwikkeling.

2°. Bij verbranding van zwavel, phosphorus, koolstof enz. ontstaan gewoonlijk zuren, bij die van waterstof water; terwijl bij oxydatie van metalen rnetaaloxyden worden gevormd.

3°. Het gewicht van het verbrandings- of onydatie-product is niet alleen grooter dan dat van de gebezigde stof, maar juist gelijk aan de som van de gewichten der samenstellende deelen.

') Berthelot. La Revolution chunique 43.

ocr page 11

Vil

4°. Deze gowiehts ver meerdering is een gevolg van de verbinding met zuurstof.

5°. Dampkringslucht bestaat uit twee gassen: zuurstof en stikstof, die ieder op zichzelf kunnen bestaan, maar met elkander in cene bepaalde verhouding gemengd dampkringslucht vormen.

G0. Lij verbranding en oxydatie wordt slechts zuurstof opgenomen, de stikstof blijft achter.

7°. Lucht, water, metaaloxyden enz. zijn samengestelde stoffen. Metalen, zwavel, phosphorus, koolstof, waterstof, stikstof enz. zijn elementen.

8°. Alle lichamen bezitten warmtestof (calorique). Deze warmtestof bezit geen gewicht.

9°. De bij verbranding vrijkomende warmte is een gevolg van het verschil in warmtecapaciteit tusschen het verbrandingsproduct en de samenstellende deelen.

10°. Gassen bezitten de grootste warmtecapaciteit.

11°. Elementen zijn die lichamen, welke met de tegenwoordige middelen in geen nadere bestanddeelen kunnen worden ontbonden.

Vergelijkt men nu de theorie van Lavoisier met die van St ahl, dan springen terstond de voornaamste verschilpunten in het oog, waarover de strijd zou gevoerd worden.

In de eerste plaats verschillen beide onderzoekers in opvatting van hetgeen bij verbranding, in het algemeen bij oxydatie geschiedt. Lavoisier ziet het wezenlijke van het verschijnsel in het ontstaan van een chemische verbinding, waarbij de lucht actief optreedt, omdat zij materie aan het brandend voorwerp afstaat, waarvan de hoeveelheid uit de gewichtsvermeerdering wordt gevonden. Bij Sta hl juist het omgekeerde. Deze vat het proces als een ontleding op, als een verlies dat de brandstof ondergaat, waarbij de lucht passief blyft, Bij Lavoisier is de ge-

ocr page 12

VIII

wichtsquaestie hoofdzaak, het kenmerkende van het verschijnsel ; do warmteontwikkeling, het vuurverschynsel by-zaak. Bij Sta hl daarentegen is het laatste hoofdzaak, de gewichtsquaestie bijzaak. In de tweede plaats verschillen zij in opvatting van het begrip element. Terwyl Lavoisier met Boyle van een element eischt dat het in tastbaren vorm afgezonderd kan worden, is voor Stahl een element slechts de drager, de personificatie van de een of andere eigenschap der materie.

Daar intusschen de theorie van Lavoisier, evenmin als elke andere, terstond geheel voltooid werd voorgedragen, hadden de phlogistici, partij trekkende van de vele, elkaar snel opvolgende ontdekkingen, ruimschoots gelegenheid, hun stelsel tegenover dat der antiphlogistici te verdedigen. Voet voor voet moest het terrein worden veroverd. Nauwelijks waren nieuwe ontdekkingen bekend of beide partijen pasten ze ieder voor zich op hunne denkbeelden toe. Niet zelden ook gaven de uitkomsten van slecht geleide of gebrekkig uitgevoerde proeven aanleiding tot nieuwe hypothesen, wier bestrijding een vernieuwd onderzoek noodzakelijk maakten.

Moeielijk schijnt het, in dien chaos van denkbeelden, in die zich onophoudelijk afwisselende theorieën den weg te vinden. Houdt men evenwel het oog gevestigd op de hoofdbeginselen. waardoor al die denkbeelden en theorieën worden beheerscht, dan bezit men den draad, die ze allen te samenbindt en wordt het mogelijk orde en regelmaat te ontdekken in datgene, wat oppervlakkig beschouwd, zonder verband, zonder samenhang schijnt te zijn.

Ter beantwoording van de vraag door het Genootschap gesteld, wenschen wij, onder aanwijzing van ieders aandeel, eerst een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder en de middelen waardoor het systeem van Lavoisier zich heeft ontwikkeld, terwijl wij daarna en

ocr page 13

naar aanleiding daarvan zullen beproeven de oorzaak op te sporen, waaraan het te dier zake bestaande verschil tusschen de Engelsche, Fransche, Duitsche en Nederlandsche scheikundigen is toe te schrijven.

Ter bereiking van dit oogmerk zullen wij achtereenvolgens behandelen:

1°. Het antiphlogistische stelsel in betrekking tot het phlogiston en de verschillende phlogistontheorieën.

2°. De belangrijkste proeven en ontdekkingen, die van invloed zijn geweest op de theorie van Lavoisier.

a. De reductie der metaaloxyden zonder phlogiston. Do proef van Ba yen,

h. De ontdekking der verschillende gassen in het algemeen en in hot bizonder die van het koolzuur, de stikstof, de zuurstof en de waterstof. De studie van het koolzuur als voorbereiding tot den val der phlogistontheorie; de zuurstof en de stikstof met het oog op de samenstelling der dampkringslucht; de zuurstof en de waterstof met betrekking tot de samenstelling van het water.

De ontdekking van de samensteliing van het water.

d. De enkelvoudige lichamen. De warmte.

3quot;. Onderzoek naar de oorzaak van het bestaande verschil tusschen de Engelsche, Fransche, Duitsche en Neder-1 andsche scheikundigen in het tot algemeene erkenning brengen van de theorie van Lavoisier.

ocr page 14

1« IT O O F D S T U K.

MKT ANTIPHLOGISTISCHE STELSEL IN BETREKKING TOT HET l'HLOGISTON' EN DK VERSCHILLENDE PHLOGISTONTHEORIEÜN.

Indien wij voor oen oogenblik niet onze gedachten teruggaan tot het jaar 1774, het tijdstip waarop Lavoisier in de Fransche Akademie van Wetenschappen eene proclamatie richtte tot alle scheikundigen van Europa, tot strekking hebbende een wetenschappelijk stelsel te bestrijden, dat langer dan een eeuw algemeen bijval had gevonden, dan kan men zich lichtelijk voorstellen, dat het stelsel, dat hij daarvoor in de plaats stelde, maar dat rechtstreeks tegen het zoolang en met zooveel succes gevolgde indruisch-te, zoowel door het revolutionaire Frankrijk als door het meer behoudende Engeland en Duitschland met zekeren weerzin, met zeker wantrouwen althans, werd ontvangen.

Uit dien hoofde kan het ons dan ook niet verwonderen dat van phlogistische zijde al het mogelijke werd beproefd om den doodelyken stoot, het beginsel van Stahl toegebracht, af te wenden, te keeren. Intusschen zag men spoedig in, dat de phlogistontheorie, zooals die door Stahl was voorgedragen, rechtstreeks in strijd was met de eerste en voornaamste beginselen van het systeem van Lavoisier, namelijk: dat do gewichtsvermeerdering niet toevallig was en de lucht juist zooveel weegbare materie afstond, als de stof na oxydatie in gewicht toenam.

Wenschte men derhalve op grond dier niet langer te joochenen feiten de theorie van Stahl met die van

ocr page 15

Lavoisier in overeenstemming te brengen, dan was wijziging en aanvulling noodzakelijk. Alle phlogistici van naam — geen enkele uitgezonderd — hebben zulks beproefd. .Met alle mogelijke hulpmiddelen hebben zij getracht om de oorspronkelijke theorie zoodanig te wijzigen, dat zij aan de door de antiphlogistici gestelde eischen voldeed.

Onder de gewijzigde phlogistontheorieën, die met dat inzicht zijn ontworpen, komen vooral in aanmerking: de vuurstoftheorie van Ban mé, de zich daarbij aansluitende lichtstoftheorie van Macquer, de licht- en vuurstoftheorie van Gren, de waterstof-phlogistontheorie van Cavendish en Kir wan, alsmede de theorie dei-negatieve zwaarte en de electrische theorie.

Hoewel deze theorieën in vele opzichten omtrent den aard van het phlogiston zelf van elkander afwijken, zoo bestaat er toch in zooverre overeenstemming dat alle, op het bestaan van dit beginsel gegrond, ieder voor zich de bij verbranding en oxydatie opgemerkte gewichtsvermeerdering trachten te verklaren.

Daar echter dit verschil in meening een uitvloeisel is van de kritiek zoowel door antiphlogistici als door phlogistici onderling uitgeoefend, zoo volgt daaruit van zelf, dat men zich, bij het vergelijkend onderzoek naar den invloed der verschillenrlc scheikundigen, op de theorie van Lavoisier uitgeoefend, niet tot de antiphlogistici alléén hebbe te bepoiken, maar dat men dit onderzoek ook moet uitstrekken tot hen, die tot de voorstanders van eenig phlogistisch stelsel behoorden. Eensdeels, omdat deze laatsten zijdelings medewerkten aan den opbouw van dat van Lavoisier, andeideels ook omdat die onderlinge strijd ernstige kritiek en nieuwe proeven van de zijde der antiphlogistici uitlokte, en eindelijk nog, omdat zij zelf niet zelden door nieuwe proeven en ontdekkingen de beginselen der antiphlogistische theorie nader bevestigden. Men denke hier slechts aan het-

ocr page 16

o-oen Priestley, Cavendisli, Selieele. en m. a. daaromtrent hebben geleverd.

De Fransche scheikunrligo Baumé is een der eersten geweest, die de phlogistontheorie met die van Lavoisier in overeenstemming trachtte te brengen. Zijne denkbeelden daaromtrent zijn neergelegd in zijn beroemd werk, getiteld: „Chymie expórimentale et raisonnée, dat, in Frankrijk althans, langen tijd als een der beste werken werd beschouwd en waaraan de groote invloed moet worden toegeschreven, dien de schrijver geruimen tijd op zijne tijd-genooten heeft uitgeoefend.

Uit zijn definitie van hot phlogiston en de daarbij verstrekte toelichting blijkt al dadelijk het standpunt, dat hij ten opzichte van de verbrandingsverschijnselen innam. Het phlogiston is hier niet langer een element, in de beteekenis door S t a h l daaraan gehecht, maar „un principe secondaire, compose de deux elements primitifs qui sont le feu pur et la terre vitrifiable.' Bovendien was de verhouding, waarin ieder van deze elementen in die combinatie optrad, niet standvastig, maar tot in het oneindige afwisselende, zoodat er niet één, maar verschillende soorten van phlogiston bestonden, en wel van het vrije, hot zuiverste vuur af, zonder aarde, tot dat met de grootst mogelijke hoeveelheid.

Ouder al deze soorten was er echter slechts cene de meest volmaakte. „Je réponds encore que le feu peut être fixé par une plus ou moins grande quantité de ierre. Le phlogistique sera d'autant plus pur que ces deux elements seront réunis dans de meilleures proportions, mais dans tons les cas ce sera du phlogistique.quot; 3).

Al naar gelang dit phlogiston nu meer of minder ver-

1) Bau ra é, Chymie Exp. et Eaisonuée. I. 145. '■) Baumé, 1. c. 149.

ocr page 17

4

glaasbare aarde, en dus ook meer of minder elementair vuui bevatte, kon het gemakkelijker een dezer elementen vastleggen, fixeeren of afscheiden. Vandaar de oorzaak waarom verschillende lichamen meer of minder gemakkelijk gephlogistiseerd of gedephlogistiseerd konden worden.

Met dit phlogiston, dat met dat van Sta hl niets dan den naam gemeen had, dat zich als een ware Proteus onder allerlei gedaante vertoonde, dat zich tot alles leende, liet zich ook gemakkelijk alles en dus ook de gewichtsvermeerdering bij oxydatie en verbranding verklaren.

Bij dit proces werd hot phlogiston, het vrije vuur van het metaal uitgedreven, terwijl de achterblijvende kalk zich opnieuw met het elementaire vuur uit het bijgebrachte of uit het aangewende vuur vereenigde, en wel in dier voege dat de opgenomen hoeveelheid grooter was dan die, welke uitgedreven werd. liet eindproduct, hier het oxyde, was dus iu gewicht toegenomen.

Hoewel Baumé het ongebonden vuur, de warmte — zouden wij zeggen — onder de imponderabilia rangschikt, zoo blijkt toch duidelijk, dat deevengemelde oxydatietheorie op de hypothese berust, dat het vuur een stoffelijk beginsel is.

Blijkbaar heeft Baumé deze opmerking voorzien. Want in het hoofdstuk: „Sur Ie feu pur' tracht hij het bewijs te leveren, dat er twee soorten van warmte bestaan; een in gebonden staat met, en een iu vrijen toestand zonder gewicht. Deze laatste vergelijkt hij dan met een vogel „(pu \oltige dans sa cage sans y toucher, il n'augmento point le poids de la cagequot; !). Dit verklaarde hem tevens liet feit waarom Boerhaave geen verschil in gewicht tusschen koude en gloeiende metalen had opgemerkt: „Ce chymiste a trouvé ce feu sam pesanteur parcequ il ne touche pas le métaV' ~j.

') Biiumc, 1. c. 3ü — 5S.

-) üauiuéj 1. e. 150.

ocr page 18

Het duurde niet lang of van verschillende zijden werden ernstige bedenkingen tegen deze zienswijze aangevoerd, waaronder vooral die van eeu onbekenden schrijver van het antwoord op de prijsvraag uitgeschreven door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen te UtrechtJ).

Allereerst wees deze op de tegenstrijdigheid dat er volgens Bau mé verschillende soorten van phlogiston bestonden, een „e/a action' of het vrije, ongebonden vuur, en een „en repos'' of het door aarde gefixeerde phlogiston. Deze verscheidenheid beschouwde hij terecht geheel en al met het begrip grondstof] dat iedere veranderlijkheid uitsluit, in strijd.

') LAnt\voord op de vniiig voorgesteld door liet J'rov. Utrechtsch. üe-uootschap van K misten eu Wetenscbnppeu; Is liet phlogiston een waar beginsel der lichamen enz ?quot; 1)1. V.

Op deze prijsvraag waren twee antwoorden ingekomen. Een van A. P. Nahuys, A. L. M. Phil, et Med. Doctor, Med. Physiol. Chem, et liotan. Professor te Utrecht, aan wieu de dubbele gouden medaille werd toegewezen.

Daar het tweede antwoord niet te bekwamer tijd was ingezonden, had de schrijver er van niet naar den prijs kunnen dingen. Wegens de groote verdiensten dezer verhandeling werd evenwel besloten haar onder de gedrukte verhandelingen op te nemen en den Schrijver onder aanbieding van een gewone medaille ter waarde van twintig ducaten uit te noodigen, zijn naam binnen drie maanden te ontdekken.

Deze heeft evenwel goedgevonden zijn uaani niet bekend te maken, niettegenstaande het verzegeld biljet, niet slechts drie maanden, maar veel langer bewaard bleef'.

Wij hebben reden deze geheimhouding oprecht te betreuren, wijl deze verhandeling met eene uitvoerigheid en zaakkennis is geschreven, die cene vergelijking met de eerste zeer goed kan doorstaan.

Dat ook het Genootschap daarvan overtuigd was, blijkt ondubbelzinnig uit de pogingen door bestuurders aangewend om den schrijver tot bekendmaking van zijn naam over te halen.

Deze heeft de verschillende tegenstrijdigheden, waartoe de theorie van Bau mé aanleiding geeft, en waarop wij hierboven terloops opiuerkzaum waakten, zeer goed doorzien.

ocr page 19

()

In de tweede plaats vestigde hij de aandacht op de teoen-stryd'gheid, dat, terwijl er bij verkalking in hermetisch gesloten vaten geen gewichtsvermeerdering plaats had die bij verkalking in open vaten toegeschreven werd aan eene verbinding van het phlogiston uit het aangewende vuur dat - en nog wel in grooter hoeveelheid — werd opo-e-nomen dan het uitgedrevene.

In de derde plaats ten slotte betoogde hij, dat deze p i ogistontheorie alleen daarom reeds onaannemelijk was omdat zij tot eene onderstelling aanleiding gaf, die Baumó' ze waarschijnlijk met zou durven aanvaarden, en die hierop neerkwam, dat de reductie, volgens de methode van Ba ven eerst dan kon intreden als de verglaasbare aarde door het elementaire vuur van de kwikkalk aangetrokken en door den wand der vaten gedrongen, zich met datelemen-vuur tot phlogiston had verbonden Op grond van deze opmerkingen, nog vermeerderd met die van Xa h u y s ~j, B e r t h o 11 e t en F o u r cr o ya), bleek (e theorie van Ban mé op den duur niet te voldoen. Zij moest het veld ruimen voor de lichtstoftheorie van ^ ac q uer, ofschoon ook deze aanvankelijk eene soortgelijke cus die van Baumé had voorgestaan4).

A olgens die hchtstoftheorie beschouwde hij het phlogiston als een subtiel, onveranderlijk beginsel zonder gewicht als de lichtstof zelf. Hieromtrent schreef hij: „Mais Vil'est prouvé, co mine je crois, que cela 1'est a présent, que la matiere du feu, la plus simple et la plus pure, qui nest que^ la lamière elk même, est capable comme toute autre espece de matière, de se combiner directement dans les

■) Verb. Prov. Utr. Gen. vau Kunsten eu Weteuschappeu. Dl. V. 211. -) Idem.

■') Methode de nomeuclature chiinicjue. 30S.

'j -Macq uer. Kk'meus de cliymie théorique. 1749. Nouv. cd. 1754.

ocr page 20

7

corps composes, il est manifeste, que son union préalable, soit avec Fair, soit avec toute autre espéce de matière particuliere est tout a fait inutile, et supposee sans necessite, je dois done m'en tenir et je m'en tieus a ma première proposition, que le phlogistique nest autre chose, que la matière du leu, la plus simple et la plus pure, fixée direc-tement en qualité de partie composante dans les combi-naisons de beaucoup de corps et singulièrement dans celle de tous les corps combustibles; la pure matière du feu n'étant que celle de la lumière et aucuue des proprietés de la lumière n'indiquant, qu'elle n'est point aussi bien fixable, que tout autre espèce de matière: il n'y a plus ici lien d iudétermim', rien d'obscur, rien de précaire, et nous devons, ITllustre physicien (Button), dont je combats l'opinion, et moi abandonner de bonne grace, lui son alliage du feu avec l'air, ei moi ma combinaison du feu avec une matière inconnue, a laquelle je n avois eu recours que conditionellement, faute, j'en conviens, d'avoir assezréfléchi sur la nature et les proprietés du feu et pour l'avoir confondu avec la chaleur 1).quot;

Met b(;Iiulp van deze phlogistontheorie, waarmede velen zich vereenigden, meende men de bezwaren, tegen het beginsel van Ötahl aangevoerd, het hoofd te kunnen bieden. Fourcroy althans scheen deze theorie zoo voldoende toe, dat hij zich daaromtrent op de volgende wijze verklaarde: „Van nu af heerscht ergeene verdere duisternis in de theorie van het phlogiston. Alle geleerden zijn van de aanwezigheid en de eigenschappen van het licht overtuigd en men moet er zich bijna over verbazen dat het denkbeeld van Macquer zich niet voorlang aan het oog-van andere scheikundigen vertoond, en dat men zelfs den invloed van het licht op scheikundige processen geheel en al uit hot oog verloren heeft. Al hetgeen Macquer des-

1

) Macrjuer, Dictiuumiire lt;le cbymie. 11J. 133.

ocr page 21

aangaande heeft vermeld, moet derhalve ook van het phlogiston verstaan worden; en dit door Stahl gevonden en door alle volgende scheikundigen aangenomen woord, kan dus als gelijkluidend met gefixeerd of verbonden licht beschouwd wordenquot; 1).

Inderdaad, plaatst men zich op het standpunt van Macqiier, dan was er grond voor deze lofspraak. Want als men zich voor eon oogenblik losmaakte van het denkbeeld omtrent de stoffelijke natuur dier lichtstof, — hetgeen Macque r evenwel niet deed — dan kon zij met de warmtestof, de calorique van Lavoisier, op gelijke lijn worden geplaatst en werd het mogelijk om de verbrandings-, oxydatie- en reductie verschijnselen in den zin der anti-phlogistische theorie te verklaren.

Dan, de bijval, die Macquer te beurt viel, was niet onverdeeld. Van verschillende zyden werden bedenkingen in hot midden gebracht.

Kasteleijn en Nahuys waren van oordeel, dat die in sommige lichamen aangenomen lichtstof door geen enkele proef was gestaafd 2). De onbekende Neden. scheikundige achtte haar in stryd met de uitkomsten van sommige proeven en met zichzelf in tegenspraak.

Met de uitkomst van sommige proeven, o.a. met die omtrent de ontbranding van knalgas in hermetisch gesloten vaten zonder gewichtsverlies, terwijl toch bet ontwy-ken der lichtstof gewichtsverlies ten gevolge moest hebben. Met zichzelf in tegenspraak, omdat de lichtstof als element, als onveranderlijke, aan zichzelf gelijk blijvende grondstof,

1

Kasteleijn, Chem. en Phys. Oefeningen. II. 309. Fou rcroy is eerst sedert 17S7 een voorstander van het antiphlogistische stelsel.

2

■) Kasteleijn, Chem. en Phys. Oef. II. 310. Naliuys, Verhandelingen v. h. Prov. Utrechtsch Genootschap. 1)1. V. 2(5.

ocr page 22

9

tegenovergestelde processen, nl. reductie en oxydatie in

het leven riep l).

De theorie van Macquer werd evenwel niet alleen door onze landgenooten, maar ook door Duitsche scheikundigen bestreden. Zoo door Gr en, wiens eigen warmtetheorie met die van Macquer, ten aanzien van de elementaire natuur der lichtstof in strijd en op dien grond alleen reeds onaannemelijk was. „Da es aber erstlich kein Elemental-feuer giebtquot; — zoo schreef deze in zijn bekend handboek -) „sondern jedes Feuer ein zusammengesetztes esen ist, da die blosze Lichtmaterie nicht das Feuer allein ausmacht, wie M acq u e r glaubt; da auch der Stoff der Warme allein kein Leuchten hervorbringt; so sieht man leicht ein, dasz wenn die Chemisten unter Elementarfeuer entweder blosz die gebundene Warmematerie, oder blosz die Lichtmaterie vorstellen, daraus noch nicht begreifiich gemaclit werden kann, wie Feuer, d. h. fVeye Licht-und Warmematerie zugleich beym verbrennen der Körper aus Phlogiston entspiinge .

De voorstelling, welke Scheele van het phlogiston gaf, wijkt weer geheel van die der bovengenoemde scheikundigen af. Deze hield het voor eene elementaire stof, met eigen natuur, die niets met het gebonden vuur gemeen had, maar zich bij zijne ontwikkeling met de zuivere lucht, de vuurlucht, zooals hij deze noemde, onder verspreiding van warmte vereenigde. Warmte was dus volgens bcheele eene uit phlogiston en vuurlucht samengestelde stof. Deze omzetting van phlogiston en vuurlucht in warmte had op de volgende wijze plaats : door vereeniging van het phlogiston met de vuurlucht, werd de laatste zoo fijn verdeeld, zoo subtiel, dat zij haren gasvormigen toestand verliet en dien van warmte aannam. Deze gevormde warmte maakte

!) Verhandelingen van liet Prov. Utr. Gen. Dl. V. 212 ~2b. -) G reu, Haiidbuch der Chemie. I. 3Ü5.

ocr page 23

10

op hare beurt eene nieuwe hoeveelheid phlogiston uit het brandende voorwerp los, dat, na zich op nieuw met vuur-lucht verbomlen te hebben, eerst als stralende warmte en eindelijk als licht te voorschijn trad.

Onder alle chemische theorieën omtrent het verbrandingsproces komt do theorie van S c h e e 1 e aan die van Lavoisier het meest nabij. Zijn phlogiston is het ca lor!que van Lavoisier. Evenals de matière de la chaleur is het phlogiston in alle lichamen aanwezig en op zichzelf onbestaanbaar. Het eenige verschil bestaat slechts hierin, dat bij Scheele de vrijkomende warmte een product is van eene verbinding van het phlogiston met de zuurstof, terwijl zij bij Lavoisier alleen een gevolg is van de vrijkomende latente warmte der zuurstof.

Geheel in overeenstemming met deze opvatting van Scheeleis dan ook de bij de verbrandingafgescheiden stikstof niet gevormd, maar uit den dampkring afgescheiden, terwijl het koolzuur daarentegen een product is, dat bij de verbranding van verschillende lichamen ontstaat

Vergelijkt men beide theorieën met elkaar, dan verdient die van Scheele ongetwijfeld de voorkeur boven die van L a v o i s i e r. Het phlogiston van Scheele vertegenwoordigt hier, ruim opgevat, arbeidsvermogen van plaats, dat, omgezet in arbeidsvermogen van beweging, zich als scheikundige verbindingswarmte openbaart, terwijl het calorique van Lavoisier niets met deze conceptie gemeen heeft en slechts aan het beginsel der latente warmte van Black zijn ontstaan te danken heeft.

De scheikundigen der phlogistische periode nochtans waren niet rijp voor een dergelijke ver strekkende beschouwing, en Scheele stond niet hoog genoog om destijds een overwegenden invloed op zijne tijdgeuooten uit te oefenen. — „Uu-

') Sulieele, Luft und Feuer, 2e Ausgabe. (ireu, Haiidbuch. [.210.

ocr page 24

11

willkürlich bedauert manquot; — schrijft \ olhard — „dass dem armen Scliwedisclien Apotheker die nöthige Klarheit der physikalischen Begriffe mangelt, die wir in so vollen Maasse bei Lavoisier finden, dem noch überdies der erste Mathematiker und Physiker seiner Zeit, der Verfasser der Mécanique céleste als Freund und Mitarbeiter zur 8eite steht.quot;

De theorie van Adair Crawford houdt het midden tusschen die van Scheele en Lavoisier. Ook hier is het phlogiston niet het vuur zelf, maar de oorzaak er van. Zijne werking is tweeledig. Ze is kracht en stof tegelijk. Vooreerst is ze de oorzaak, die de bij verbranding vrijkomende warmte als latende warmte uitdrijft, ten andere is ze een slof, die zich met de van haar latente warmte beroofde zuurstof tot koolzuur verbindt1).

Een der merkwaardigste maar tevens een der zonderlingste theorieën van dien tijd is die van G r e n omtrent de negatieve zwaarte van het phlogiston. Deze theorie, omstreeks 1749—1751 voor het eerst door den Zweedschen scheikundige Scheffer voorgedragen en in 1757 in de Koninklyke Academie te Stokholm verdedigd 2), staat in nauw verband met Gr en's denkbeelden omtrent licht en warmte. Onder warmtestof verstond hij die stof, die zich door hare uitwerking in den vorm van warmte aan ons gevoel, en onder lichtstof die, welke zich in den vorm van licht aan ons gezicht openbaart. Beide stoffen waren enkelvoudig, elementair en positief licht of negatief zwaar.

1

flammation of combustible bodies. Londen 1779. Gren, Handbuch. I, 213.

2

) Scheffer, Vorlesungen §. 269. Abh. der K, Schwed. Acad. 1757. Guy ton de M o r v e a u, Digressions Académiques 1772. Journal de rhys. de TAbbé IW.ier. II. 2S1. 1773. Chem. Ami. II. 67.1784. Kopp, Gesch. der Chemie, lil. 150.

ocr page 25

Met elkanrler verbonden vormden zij het negatief-zware phlogiston, her vuur.

De hypothese van de negatieve zwaarte der lichtstof rust op onderstellingen *), die der warmtestof op de bekende proef van Fordyce1).

Met dit uit negatief-zware stoffen opgebouwde en dus ook op zich zelf negatief-zware phlogiston werden het verbrandingsproces en de daarbij optredende verschijnselen op de volgende wijze uitgelegd en verklaard.T )t i-; • i t begrip volge hier de oorspronkelijke tekst: „Durch die freye Materie der Hitze, die von auszen an den entzünd-lichen Körper angebracht ist, wird das Phlogiston dessel-ben zersetzt und ausgetrieben; so dasz die reine oder atmospharische Luft nun auf dasselbe ihre Anziehungskraft auszern kann. Seine durch den verbrennlichen Körper

o-ebundene Bestandtheile, der Stof des Lichtes und der ~ i

Warme, werden jetzt frey, und zeigen sich unserm Gefühle durch Erwarmung und Erhitzung, und unserm Gesichte durch Leuchten; kurz als Feuer, das nach der verschiedene Beschaf-fenheit des brennenden Körpers bald als Grlühefeuer, bald als Flammenfeuer erscheint. Die reine Luft bindet dabey

1

) Fordyce luid gevonden dat roodafloeieiul goud 2/16J0 minder woog dan dezelfde massa bij gewone temperatuur, alsmede, dat 1700 gram water ua bevriezing '/16 gr. in gewicht was toegenomen, terwijl het oorspronkelijke gewicht weer werd hersteld zoodra het ijs op nieuw gesmolten was. In het eerste en laatste geval was warmte, eene negatief-zware materie, opgenomen, dus was er gewichtsverlies, in het tweede geval daarentegen afgestaan, dus gewichtsvermeerdering.

Crell, Chem. Annalen, 1775 11. 192, 437- 1786. Bd. I. 161. Van de bekende proef van Boerhaave, die het gewicht van koude en gloeiende lichamen onveranderd vond, maakte Gren zich eenvoudig af met de opmerking: Die iiltern Yersucheu mit dem Wilgen glühende Kugeln be-weisen nichts. G re n, Handbuch. I, 192.

2

') Gren, Handbuch der Chemie, I. 201.

ocr page 26

13

aber uun die beyden frey gewordene Stoflfe wieder von neuera zum Phlogiston und wird dadurch phlogistisirt, wobey sie zugleicli auo.b die A\' arme dadurch vermehrt, dasz sie nach Crawford jetzt a!s phlogistisirte Luft die vorige Menge der gebundene Warmematerie nicht mehr binden kami, sondern dieselbe frey laszt. Zum Theil möehte auch unzersetztes Phlogiston beym Yerbrennen au die Luft treten und sie phlogistisiren.

Die Verminderung des Umfangs und des absoluten Ge-wichtes der Luft beym Phlogistisiren, welche Kirwan, u. a. zu der falschen Meynung Anlasz gab, dasz sie sich in Luftsaure verwandele, die doch nur dann bey den phlo-o-istisirten Luft ist, wenn sie der verbrennende schon als

fT) '

einen Bestandtheil in sich bat, und welche La v o i s i e r verleitete, seine Theorie darauf zu bauen. und das Phlogiston zu laugnen, diese Verminderung, sage ich, leite ich ebenfals von dem Beytritte des Phlogistons ab. Denn da der Stoff' der Warme und des Lichtes keine Schwer-kraft, in Vergleichung der übrigen Körper hat, so musz auch das Phlogiston, welches aus beyden zusammengesetzt ist, sie nicht besitzen. Es musz also das Phlogiston, wenn es mit einem schweren Stott'in Verbinding fritt, das absolute Gewicht desselben vermindern, und umgekehrt, es musz dies absolute Gewicht oines Korpers wieder zunehmen, wenn das Phlogiston abgeschieden wird. Wir finden diesz in der That, wie wir in der Folge deutlich sehen werden, durch die auffallendsten Erfahrungen bestiitiget, und jedesmal wiegt der Rückstand beym Yerbrennen einos Körpers oder bey sonstiger Abscheidung des Plogistons daraus mehr, als vorher, da das Phlogiston noch dabey war, vorausgesetzt aber, das dabey nicht andere, wirklich schwere, Be-standtheile mit verflüchtiget oder abgeschieden werden. Die Luft welche bey dem Verbrennen das Phlogiston aufnimmt, musz also auch in ihrera absoluten Gewichte

ocr page 27

14

vermindert werden, da fiber ihre ei gen tliü ml ielie Elastic! tilt nicht vermelirt wird, so ist cs cben so viel als wenn z. JB. vier Theilen der Luft ein Theil entzogen v/ir.1, die nun wegen des Drucks der aüszern Atmosphiire aaf die FI;is-sigkeit, welclie zum Sperren dient, in einem engern Raum zusammengehen. Im Grunde wird also die Materie der Luft beym Phlogistisircn nicht vermindert und es ist 1 e-greiflich, wie die Luft gerade um so viel am Gewicht ab-nehmeii kann, als der Riickstand des verbrannten Körpers, der nichts flüchtiges weiter verliert, als das Phlogiston, am Gewichte zunimmtquot; 'j.

Met deze beschouwingen zijn zijne denkbeelden omtrent de samenstelling der stof in volmaakte overeenstemming. Hem ook iu dit punt, even uitvoerig als ten aanzien van liet phlogiston, te volgen, zyn stelsel in zijn geheelen omvang te ontwikkelen, achten wij voor ons doel niet noodig. Daar zij echter om verschillende redenen niet onvermeld kunnen blijven, laten wij het geheele stelsel naar het voorbeeld van Hildebrandt, eenigszins verkort aan Kaste-leijn ontleend, in eenige stellingen samengevat, hier volden 2).

Ie. Licht- en warmtestof zijn twee verschillende lichamen.

2e. Beide stoffen kunnen zich met elkander vereenigen. Plet verbindingsproduct is phlogiston.

3e. Gewicht is geen noodzakelijke eigenschap van iedere op onze aarde aanwezige slof.

Het is mogelijk, dat de warmtestof als eene op de geheele wereld aanwezige stof geen gewicht bezit. Zij schijnt zelfs negatief zwaar te zijn.

4e. Lichtstof vertoont geen zweem van zwaarte.

5e. Phlogiston is een negatief-zwaar lichaam. Dientenge-

') Gr en, Haudbucli. I. 217—220,

Kasteleyu, Chem. en Phys. Oet'. lil. 53,

ocr page 28

15

volge worden lichamen lichter als zij gephlogistiseerd, zwaarder als zij gedephlogistiseerd worden.

6e. Phlogiston is in bijna alle lichamen aanwezig. Bij verbranding wordt het afgescheiden.

7e. Zuivere aarden, zuiver water en zuivere vuurlucht bezitten geen phlogiston.

8e. Metalen zijn samengesteld uit aarde en phlogiston. 9e. Alle zuren, behalve zoutzuur, bezitten eene groote verwantschap tot phlogiston.

10e. Water is een element. In verbinding met warmtestof is hot vuurlucht (zuurstof).

11e. Vuurlucht is water in gasvormigen toestand. 12e. Yuurlueht bezit groote verwantschap tot phlogiston. 13e. Bij verbranding wordt vuurlucht gephlogistiseerd. 14e. Onedele metalen worden bij voldoende hitte ver kalkt, hunne oxyden worden door verhitting alleen niet gereduceerd. Edele metalen bezitten grooter verwantschap tot phlogiston dan tot vuurlucht. Kwik staat hier tusschen in, 15e. Zwavel en phosphorus bestaan respectievelijk uit vitrioolzuur of phosphoruszuur en phlogiston.

16e. In een gesloten vat, met lucht gevuld, kan slechts een bepaalde hoeveelheid stof verbranden of verkalken.

17e. In vuurlucht kan een grooter hoeveelheid verbrand of verkalkt worden, dan in een gelijke hoeveelheid lucht.

18e. Dampkringslucht en vuurlucht worden bij verbranding of verkalking gephlogistiseerd.

19e. Gephlogistiseerde lucht is absoluut lichter dan dampkringslucht of vuurlucht.

20e. Metaalkalken zijn absoluut zwaarder dan de metalen. 21e. Alle metaalkalken trekken waterdamp tot zich. Bij gloeiing verbindt deze zich met de warmtestof en ontwijkt als vuurlucht.

22e. Yersch bereide, nog warme metaalkalken staan bij

ocr page 29

gloeihitte geen vuurlucht af, omdat zij nog geen waterdamp hebben kunnen aantrekken.

23e. Bij oplossing van metalen in zwavelzuur of zoutzuur ontwijkt brandbare lucht. Deze bestaat uit phlogiston, water, warmtestof en een weinig zuur.

24e. Bij oplossing van metalen in salpeterzuur ontwijkt salpetergas. Dit laatste bestaat uit phlogiston en warmtestof, met salpeterzuur verzadigd.

25e. Brandbare lucht, verkregen door waterdamp over gloeiend ijzer te voeren, bestaat uit phlogiston van het ijzer, waterdamp en warmtestof.

26e. Het water, verkregen bij ontvlamming van een mengsel, bestaande uit brandbare lucht en vuurlucht, is reeds in den gasvormigen toestand in die beide luchten aanwezig.

27e. De vuurlucht uit smeltende salpeter ontstaat door uitdrijving van het wrater door de warmtestof.

Deze theorie, met een aantal proeven en beschouwingen toegelicht, vond veel bijval. In Duitschland vond zij verdedigers in Langsdorff, Hildeb randt. Wieg leb, Trommsdorff en We s t rum b; in Frankrijk in G u y to n de Morveau1), Macquer en de la Metherie; in Engeland in Cavendish, Kirwan en Priestley. Dit neemt echter niet weg, dat in deze phlogistische republiek ieder op zichzelf weer op bepaalde punten met Gren verschilde en eigen meeningen en inzichten voorstond.

Langsdorff meende, dat do lichtstof misschien de positieve, de warmtestof de negatieve zwaartestof was, zoodat beide stoften scheikundig met elkaar verbonden, hare wederkeerige werking ophieven 2). Hi 1 debran d t ver-

') Digressions Académiques ,1772. Journal de Pliys. 1773, II. 281. -) Gren, Journal der Physik. V. 1792.1.49—-54, 247—256, 266—271.

ocr page 30

17

klaarde zich noch vóór, noch tégen dit stelsel, maar bepaalde zich tot een vergelijkend onderzoek tusschen dit en het systeem van Lavoisier, nochtans met een sterke neiging naar liet eerste. Westrumb, ofschoon in hoofdzaak zeer ingenomen met de theorie, kon zich toch niet met de hypothese der negatieve zwaarte vereenigen. Dienaangaande schreef hij den 30en November 1791 aan Gr en: „Jammer slechts dat, hetgeen gij zelf herinnert, de vermeerdering van het absolute gewicht der metaalkalken hier een zoo moeielijk te verklaren zaak blijft en vooreerst zal blijven. Zij is terstond verklaard, als men het phlogiston negatieve zwaarte, of ten minste relatieve lichtheid toekent. Maar, verschoon mijne openhartigheid ! ik kan dit met ge-looven en blijf nog mijn oud gevoelen wegens de waterbevat-ting der kalken aanhangenquot; y). Het standpunt van I romrn s-dorff is ongeveer gelijk aan dat van Hi 1de brandt. Na langen tijd het stolsel van Gren te hebben verdedigd, werd hij ten laatste door verschillende proeven, o.a. door die van van Mons omtrent de reductie van het kwikoxyde en door die van Göttling2) omtrent de verbranding van phosphorus in zuurstof, overtuigd, dat het negatief-zware phlogiston niet in staat is om de quaestie aangaande de gewichtsvermeerdering en de daarmede samenhangende verschijnselen op te lossen. Toch bleef hij, zonder evenwel partij te kiezen, bij het phlogiston volharden, wijl in de theorie van Lavoisier nog te veel punten waren, welke opheldering behoefden. De Fransche en Engelsche scheikundigen verdedigden haar in verband met de waterstof-phlogiston-

') P. J. Kasteleijn, Cliem. en Phys. üet'. 11. 325.

s) Göttling en A. L. Scheier bewezen namelijk, dat bij verbranding van phosphorus in zuurstofgas, geen gephlogistiseerde lucht, maar een luchtledig ontstaat, hetgeen in strijd is met de theorie van Gren. Kasteleijn Chem. en Phys. oef. 111. 237.

ocr page 31

theorie van Kir wan, doch ook hier weer ieder op zijne eigen wijze

Tot de bestryders behoorden vooral: Mayer, Hindenburg, J. A. Scherer en onze landgenooten P. J. Kasteleijn en Aenoae. Eerstgenoemd en bestreden de theorie zoowel in haar geheel als in het bijzonder ten opzichte van de negatieve zwaarte, terwijl Aeneae haar in den vorm van de waterstof-plilogistontheorie aanviel 3). De strijd tusschen Mayer en Hindenburg eenerzijds, Grren en Langsdorff anderzijds bewoog zich op zuiver physisch, die tusschen Hildebrandt en Kasteleijn en Gr en op chemisch gebied.

De strijd tusschen Grren en Mayer liep hoofdzakelijk over de volgende punten. De eerste beschouwde zwaarte en gewicht als twee verschillende, de laatste als twee gelijke grootheden.

Volgens Gren was zwaarte de kracht, die niet ondersteunde lichamen deed vallen; gewicht, de som der zware deelen in een bepaald volume aanwezig3).

Volgens Mayer was zwaarte of gewicht het product van massa en versnelling 4).

Gren betoogde, dat een massa, met een negatief-zware materie verbonden, slechts in absoluut gewicht, in bewegende kiacht, in de som der zware deelen verminderde, doch dat de zwaartekracht — als onafhankelijk van de massa — op zulk een lichaam dezelfde uitwerking had, als wanneer die negatief-zware materie niet aanwezig was, onder voorbehoud echter, dat de positief-zware deelen, de overhand hadden.

!) Lampadius, Kurze Darstel I uiig der vorziigliclisteu Theoriën des Feuers. 1793.

s) Alg. Konst- en Letterbode. 1792. Juli—December.

3) Gren, Journal der l'hysik. I. 208, 371.

4) Gren, 1. c. 1. 359,

ocr page 32

19

Tor toelichting stelde hij het volgende geval. Een massa samengesteld uit 1/10 pond loodkalk en Vjo pond phlogiston zou noch stijffen, noch vallen, omdat de positief-zware de negatief-zware deelen ophieven. Voegde men hieraan een pond loodkalk toe, dan verkreeg de geheele massa wel eene bewegende kracht van één pond, doch zy zou niet sneller en ook niet langzamer vallen dan een pond loodkalk afzonderlijk l). Yerwijderde men uit dit geheel het negatief-zware phlogiston, dan was wel weer opnieuw het gewicht, de bewegende kracht, toegenomen, doch de werking der zwaartekracht dezelfde gebleven als in het voorgaande geval. „Es folgt also nach meiner Theorie nicht1 — zoo besloot hy in tegenspraak met Mayer —- „dasz der Blei-kalk geschwinder falie als das Blei im metallischen Zlist andequot;.

Tegen deze slotsom trad Mayer krachtig op. Met de meeste beslistheid hield hy tegenover Gr en staande, dat de werking der zwaartekracht niet onafhankelijk is van de massa als deze uit deeltjes bestaat, waarop twee krachten in tegengestelden zin werken. Want — zoo betoogde hij ingeval op een massa M, bestaande uit twee deeltjes Q en N, ieder onderscheidenlijk met eene versnelling g en g', twee krachten in dezelfde maar tegengestelde richting werken, dan moet het gewicht uitgedrukt worden door de formule: Q M = Qg—Ng'. Stelde men hierin nu naar het voorbeeld van ören Q = »/10 M, N = V10 M en g = g', dan werd de versnelling Gr van de massa M gelijk aan 4/5 g, hetgeen, in woorden gebracht, beteekende, dat op de massa M een kracht werkte gelijk aan Vs van de oorspronkelijke.

In strijd met de ervaring zou lood dus langzamer vallen

Gr r e n, 1. c. 212.

ocr page 33

20

dan loodkalk Met dit betoog was het pleit ton gunste van Mayer beslecht. Wel trachtte Gren nog vol te houden, dat in de formule van Mayer Gr moest worden

Qo- Ng'

voorgesteld door; G ————, doch ook dit mocht

Q N

niet baten. Onder mededeeling dat Mayer en anderen hem hadden overtuigd, dat zijne laatste formule fout was, nam hij nog in hetzelfde jaar zijne daaruit getrokken slotsom: „Die beschleunigende Kraft eines aas ubsolut leichten and aus schtoerm Bestandtheilen z ma m meng es etzten Karpers ist also urn die Differ enz der beschlemiigenden Krdfte seiner einzelnen Atome vermindertquot; terug 1).

Het denkbeeld der negatieve zwaarte nochtans gaf hij niet prijs, ofschoon hij bekende daarvoor geen nieuwe bewijzen te kunnen aanvoeren2). Dit blijkt o. m. uit het volgende citaat, aan zijn meer gemeld Journal ontleend, door Kasteleijn medegedeeld4-). „Ik betuige, dat ik niet begrijp, hoe alle recensenten van mijn Journal in hunne aankondigingen van hetzelven, voor zoover die onder mijn oog zijn gekomen, hebben kunnen beweren, dat ik het gevoelen wegens de negatieve zwaarte des Phlogistons hebbe herroepen, daar ik nochtans bij mijn pennestrijd met den Heer Mayer hem slechts de formule, hoedanig de negatieve zwaarte des Phlogistons de positieve van andere lichaamsdeelen kunne verminderen, toestond, en de mijne terugnam, maar ik zeide uitdruklijk, dat ik, mij niet ver-moeijende over de verklaring, de stelling: dat het phlogiston, door deszelfs intreding, het gewigt van andere stoffelijke deelen vermindere en dat deszelfs uittreding

1

') quot; 1. c. I. 374.

2

) // 1. c. II. 198, *) quot; 1. c. III. 50, 51.

ocr page 34

21

zulks vermeerdere, als eene ouderviri'lelijke stellingquot; behield. Volgens mijn oordeel, moet men eerst, aleer men mij bondig kan wederleggen, op den weg der ervaarenis door proeven met de pendule, daadlijk bepalen, of stoften van verscheidene gehalten aan phlogiston en warmtestoffe inderdaad even spoedig vallen. Deze proeven zijn geenszins reeds gemaakt, want dio, welke door Huygens, Xewton, Graham, Mai ran en Bouquer, met de pendule zijn in 't werk gesteld en die mij door den Hoogleeraar Hindenburg zijn tegengeworpen, kunnen in het minste iets voor deze stelling bewijzen, hoe onschatbaar zy ook voor 't overige in andere beschouwingen zijn. Indien ze tot bewyzen zullen dienen, dan moeten de onderscheidene pendulen, alleen uit stoften van eenerleijen aard bestaan; en alsdan eerst zou men kunnen bepalen, of pendulen uit phlogistique of niet-phlogistique, met meer of minder brand-stofte beladene stoften, bij gelijke lengte, bij gelijken omtrek en gewigt en by gelijke digtheid, temperatuur en veerkracht der lucht, even spoedig slingeren (schwingen). Voor en aleer dit beslischt is, geloove ik thans zelf niet meer aan den regel, dat alle lichamen op zichzel\e even zwaar zijn of gelijken spoed bij derzelver val hebben, (ook wanneer de tegenstand der lucht niet aanwezig was). Dan, ik had dit zeker niet moeten zeggen, om andermaal niet in de verdenking van eene zeer groote ketterij te komen, van welke ik thans weder zoo taamlijk scheene vrij te zijn, want ook in de natuurkunde heerscht onverdraagzaamheid, zoodra het op voorwerpen van yeloof aankomt, voor 't overige zal ik my wel wagten, my dienaangaande in speculative en enkel theoretische verschillen in te laten, als welken de zaak, van welke hier gesproken wordt, niet kunnen beslisschenquot; *).

!) Kasteleijn, Ckem. et l'hys. Oefeningen. If. 313—313.

ocr page 35

22

Wat hier die theoretische verschillen betreft, zoo bedoelde G r e n daarmede hoogst waarschijnlijk de theorie van Langsdorff, die met behulp eener in alle lichamen aanwezige zwaartestof, bestaande uit eene „verneintequot; eu eene „bejahtequot;, de quaestie trachtte op te lossen. Zonderlinger hypothese dan deze is voorzeker nooit bedacht eu blijkbaar is zij Gr ren, die overigens niet spoedig voor eene theoretische beschouwing terugdeinsde, als zij aan zijne theorie bevorderlijk was, te machtig geweest. In geen enkel opzicht althans heeft hij Langsdorff's hulp aanvaard.

Evenals M a y e r bestreed de bekende wiskundige H i n-d en burg de theorie van Gr ren op wis- en natuurkundige gronden ^ en wel meer in het bijzonder op de drie volgende hoofdpunten :

le. Volgens de proef van Fordyce zijn zoowel de licht- als de warmtestof absoluut lichte lichamen. Het phlogiston, uit de scheikundige vereeniging dezer stoften opgebouwd, moet dientengevolge eveneens een absoluut licht lichaam zijn.

2e. De vermeerdering van het absolute gewicht van ge-dephlogistiseerde lichamen is alleen uit het verlies van phlogiston af te leiden.

3e. De vermindering, zoowel die van het gewicht van het lichaam als die van het volume der lucht bij phlogis-tische processen, is alleen afhankelijk van eene verbinding met phlogiston.

De beide laatste punten bestreed deze op gelijke gron-

1) Orationem quiie in meraoriam Joh. A u g u s t i Ernesti cl. IX. Sept. Aimo IT'JU. liora IX. in Auditorio philosophico habebitur imlicit et ad eaui audiendam iuvitat. G a r o 1 u s F r i e d e r i c u s Hinden-b u r g amplissimi Ordiuis li. t. Uecanus. — Ostenditur calorem et phlogiston non esse materias absolute leves. Een overzicht van dit stuk in llerrabstadt, Bibliothek der ueuesten physisch-cliemischen Literatur. IV. 53.

ocr page 36

23

den als M a y e r eu omtrent het eerste punt betoogde hij, dat de proef van F o r d y c e met betrekking tot het verschil in gewicht tusschen kond en gloeiend goud voor de absolute lichtheid der vuurstof even weinig bewees als die van M a r a t ten aanzien van het gewicht dier stof

Bij de gewichtsbepaling vau lichamen met verschillende temperatuur kwam het naar zijn oordeel voornamelijk op deze twee punten aan; de vermeerdering in volume van het lichaam en de verminderde dichtheid der lucht. De vermeerdering in volume verminderde het gewicht der stof, de verdunning der lucht daarentegen vermeerderde het gewicht der stof.

Stelde men nu het effect, dat de vermeerdering in volume veroorzaakte, = V en dat van de verdunning der lucht = R, dan zou, wanneer volgens de proef van Fordyce V R Was, het gewicht van het lichaam toenemen. Was daarentegen V lt; R, dan zou het verwarmde lichaam minder wegen. AVas ten slotte V — R, dan was het gewicht in beide omstandigheden gelijk.

Eene gelijke redeneering paste hij toe op de tweede oroef van Fordyce omtrent het gewichtsverschil van ijs en water en die van Gouvenain en Chaussier omtrent het gewichtsverschil tusschen bevroren en gesmolten zwavelzuur1). In beide gevallen werd, afgezien van de mogelijkheid, dat zich op de wanden van het koude vat waterdamp verdichtte, de opwaartsche druk van de omringende lucht, tengevolge van de door de tempera tuursverla-ging veroorzaakte vulumevermindering, kleiner en dus het gewicht van het lichaam grooter. Hoewel Hindenburg op deze gronden alleen reeds de theorie der negatieve

1

) Henubstildt, 1. c. IV. 55.

ocr page 37

24

zwaarte verwierp, kon hij toch niet nalaten om er tevens op te wijzen, dat Gr en ton opzichte van sommige algemeen bekende verschijnselen met zichzelf in tegenspraak was, zoo o. a. omtrent .le gelijktijdige gewichts- en volumevermindering der omringende lucht bij oxydatie van metalen. Het eerste verschijnsel was met de theorie in overeenstemming. Het uitgestooten negatief-zware phlogiston verminderde volgens die conceptie inderdaad het o-e-wicht der lucht. Hoe het echter tegelijk eene volume-vermindenng kon veroorzaken, achtte hij onverklaarbaar on de hieromtrent door Gre u gegeven opheldering: dat iet phlogiston tegelijk met de gewichtsverminderiuo- de absolute veerkracht der lucht ophief of verzwakte, was ontoereikend, dewijl deze nieuwe eigenschap van het phio-is-ton al even moeielijk te bewijzen viel, al even onwaar-se ujnhjk was als die der negatieve zwaarte. Onder zulke omstandigheden vond hij hef verkieselijker en logischer om de gewichts vermeerdering bij de verkalking 'uit de toecreding van een zwaar lichaam, 't zij dan zuurstof of vaste lucht, af te leiden, dan haar door niet genoegzaam bewezen onderstellingen te verklaren.

Onze landgenoot Kasteleijn vatte deze quaestie meer van een wijsgeerig standpunt op. Zeer terecht maakte deze de opmerking dat het niet voldoende is om eene theorie te ontwerpen, maar dat ook de gronden, waarop doze steunt, moeten bewezen worden, of althans zoodanig be-hooren te worden gesteld, dat zij in oorzakelijk verband staan niet sommige algeineene beginselen. In de vervulling van dien, op ieder wetenschappelijk man, rustenden plicht^ was Gr e n naar zijn gevoelen te kort geschoten. Want dus eindigt hij: „Als het phlogistische stelsel, zooals iet hier (door Gren) is voorgedragen, juist is, dan moet men kunnen bewijzen, dat warmtestof (calorique) eene negatieve zwaarte heeft, dat jiehtstof (lumière) geen

ocr page 38

2.-)

zwaarte bezit, en dat dienvolgens het phlogiston, als geacht wordende uit beide verbonden te bestaan, insgelijks negatief zwaar is. Want inderdaad, wie kan bevredigd zijn met te zeggen: indien men aanneemt, dat warmtestof negatief

zwaar^is, dan kan men verklaren.....enz. En wat is

men dan niet verplicht enkel op goed geloof te verklarenquot;?1).

J A. Scherer bestreed niet alleen de hypothese der n po-at leve zwaarte, maar ook tevens die, dat het phlogiston eene verbinding van licht- en warmtestof zou zijn. Het eerste punt achtte hij door het gewichtsverschil van kwik vóór en na oxydatie reeds voldoende weerlegd. Omtrent het tweede stelde hij echter, in verband met de proef van B ay en, zeer terecht de vraag; „Sind jene (licht- en warmtestof) die Bestandtheile des Phlogistons, wie können d.e Metalle selbes in der Yerkalkung fahren lassen, da sie mitten im Lichte und Warme, gleichsam in cinem Bade von Phlogiston, sich befindenquot;? Doch wir wollen zoo eindigt hij — „üeber unsere ganzliche ünwissenheit in dem Systeme der transcendentellen Chymie, wofur wir auch weder einigen Hang, weder Sinne, noch Verstand o-enug besitzen, offenherzig gestehen, und jenen in diesen Greheimniszen Eingeweihten diese üntersuchung herzlich o-erne überlassenquot; 2).

quot; Bij de beoordeeling van Scherer's kritiek ten aanzien van ' de reductie van kwikoxyde volgens de methode van Bay en, houde men in het oog, dat Gren deze proef langen tijd met de grootste hardnekkigheid heeft bestreden ■)•

1

Kastel e ij u, Cliem. en Physisclie Oet. Hf- 70. (7. ^ J. A. Scherer: A. P. N a 1, u ij s. Chymisclie Abhaudluug vou der Entstelinnu' des AVnssers, mit Erlauterungen und Zusalzen herausgegebeu.

1790. 172.

2

») Zie liet liootcUtuk over dit onderwerp.

ocr page 39

■26

Hildebrandt, die, naar wij zagen, tot de scheikundigen behoorde, die zich vóór noch tegen een der beide heor-schende stelsels verklaarden, kon zich met dat van Gren niet geheel vereenigen, zoolang hem het feit niet nader was opgehelderd, waarom er bij de verkalking in zuurstof eene luchtledige ruimte, bij die in dampkringslucht ge-phlogistiseerde lucht achterblijft. G re u's betoog, dat de in beide gevallen gevormde gephlogistiseerde lucht in het eerste geval haar veerkracht geheel en in het andere slechts ten deele verloren heeft, achtte hij niet toereikend om dit punt op te helderen, wijl daaruit impliciter volgde, dat er dan verschillende gephlogistiseerde luchten, een mèt en een zónder veerkracht, bestaan. Had Hildebrandt zich in deze geheel van de phlogistische beschouwing kunnen losmaken, dan zouden de verbrandingsproducten hem voorzeker de gewenschte oplossing hebben gegeven, maar ook hij was nog te zeer met de oude theorie inge-nomen om het phlogiston prijs te geven. Dit blijkt vooral uit ziju kritiek op het stelsel van Lavoisier. Om het phlogiston te redden, beriep hij zich op de omstandigheid, dat Lavoisier evengoed als de phlogistici zijn toevlucht nam tot denkbeeldige stoffen, zooals onder anderen tot een zuurvormend beginsel in de zuurstof, waaraan deze het zuur-zijn der zuren toeschreef, terwijl toch de zuurstof, in water opgelost, daaraan geen zure eigenschappen mededeelt.

Ongetwijfeld rust deze redenecring op eene onjuiste voorstelling van den aard en de natuur der zuurstof. Toch is zij goed gevonden en vrij juist. Lavoisier had daartoe trouwens in zooverre althans aanleidina' quot;'eleven

o O O

als hij zuurstof sedert 1778 principe ticidifiant qü principe oxygine, sedert 1781 oxijyène noemde en het zuurstoft/as als eene verbinding daarvan met le calorique beschouwde. In dit verband is dan ook de daaruit door H il d e b ra n dt getrokken slotsom: dat phlogiston als licht on warmte

3*

c

!

ocr page 40

voor onze zintuigen waarneembaar was, terwijl het bestaau van een zuurvormend beginsel in de zuurstof slechts uit de gevolgen kon worden afgeleid, niet van gewicht ontbloot, en quot;zou voorzeker op zijne tegenstanders indruk hebben gemaakt, indien hij langs dezen weg tevens eene voldoende opheldering van de gewichtsvermeerdering had gegeven. Zoolang hij evenwel dit betwiste punt door middel van de negatieve zwaarte van het phlogiston wilde opgelost zien, kon Kasteleijn veilig verklaren: „aangenomen dat de begrippen aangaande het zuur-worden der lichamen phlogistisch en antiphlogitisch van gelijken aard zijn, beiden slechts als even onwaarschijnlijke stellingen kunnen gelden,

dan moet men toch in deze beschouwing toestaan dat de toegekende zwaarte van het oxygcne verre te verkiezen is boven de onderstelde negatieve zwaarte van het phlogiston ).

Een jaar later (1794) toen Hi ld eb randt opnieuw een beschouwing omtrent het phlogistische en antiphlogistische stelsel ten beste gaf, verklaarde hij op grond van Mayer's bewijsvoering, dat het beginsel der negatieve zwaarte ontoereikend was om de gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie te verklaren. Bij zijne bezwaren omtrent de zuurstof bleef hij evenwel volharden ).

i) Kasteleijn. Chera. en Pliys. Oei'. ItL 7S.

•-) liet suliijnt tejrenstrijilig — aldus H i I d e Ij r a n d t iu de Cheui. en Pliys. O et. van K a s t e 1 e ij n. 111. 183—180 — dat liet oxygcne act wezenlijk bestanddeel aller zuren zij, daar het gaz oxygène geen zweem der eigenschappen toont, welke de zuren bezitten. Ieder zuur is zooveel te zurer, boe meer het naar evenredigheid van deszelts andere bestanddeel, oxygene, bezit; waarom is dan niet het bloote gas oxygcnö ten hoogsten zuur, als het geheel niets van de andere storten der zuren bevat.' De gebondene warmtestotte kan immers de zure natuur niet verdelgen,

Kasteleijn merkt hierbij zeer terecht op: quot;Dit vermogen moet men echter, een eeuw lang, aan het phlogiston, in den zin van liet Staliliaansch leerstelsel, hebben toegekend. -Men denke aan het vitrioolzuur in den zwavel: enz.

ocr page 41

Lehalvc dcz^ roclifstreeks togen do liypotliesc dor negatieve zwaarte aangevoerde bewijzen van Mayer, Hindenburg, Sc hor er on Kasteleijn zouden wij ook met vrucht do ontdekking van Bay on. omtrent do roducrie van bot kwikoxyde onkel door verhitting on die omtrent de samenstelling van het water tegen (iron's theorie kunnon aanwenden. Len blik op het ontworpen overzicht ^n dat stelsel in zijn geheel zal ons daarvan gemakkelijk overtuigen '). Daar wij evenwol voornemens zijn do even-genoemde onderwerpen in oen afzonderlijk hoofdstuk te behandelen, moenon wij voorshands te kunnen volstaan met daarheen te verwijzen on wenden ons thans liever eerst tot de waterstof-phlogistontheorie, die in vele opzichten als ' oone wijziging van die van Gren to beschouwen is.

Onder de vele theorieën, door welke men in het laatst der voorgaande eeuw het beginsel van Sta hl in overeenstemming trachtte te brengen mot die van Lavoisier, bekleedt de waterstof-phlog istontheorie van Kir wan eene voorname plaats.

Voorzeker heeft geen der phlogistische stelsels zoovele aanhangers en verdedigers gehad als dit, maar geen heeft ook tevens zooveel bestrijding uitgelokt.

Ofschoon Cavendish het eerst het beginsel dezer theorie heeft voorgedragen, is zij toch in onze wetenschap gewoonlijk, en naar het ons voorkomt terecht, als die van K i c h ar d Kir w a n beschreven, omdat deze haar in onderscheidene geschriften heeft toegelicht, uitgelegd en bevestigd2;.

) /ie bladz 14—16 hiervoor.

2) Experiments „nd Observation, on the specific gravities and attrac live powers ot various saline substances. (17S1).

Verschillende verhandelingen geplaatst in de Phil. Trans. Vol 73 bladz 03 In de Transactions of the Royal Irish Academy en in xiju Essav on phlogiston and the constitutions of acids. (1787).

ocr page 42

99

Tot lt;1« voornaamste voorstanders behooróen C ar on r) i s li'), pi11 er=) en d. 1. MetherW Tot .ie bestrjclers ™» antiptilogistische ^lo: lierthoHct, Gnyton lt;le Morvcau, Fnnrcroy. .\lonSe. Lavoisier ), Ma-. IIVS .J ,r)1 J. A. Se her er e); van plilogiatische zijde.

Gr'en 7), Göttling '), Deimann en 1'aets van To os tl ijk») equot; l»ter, toen K.rw.n reeds ztjne theor.e

W opgegeven ,1791), ^C^».

Sa.ve Baumé, de la Mether.e en Pnestlej ). WiWcingen werden door Wieglebquot;) nagebracht, d.e tJrl, overeenstemming zocht te brengen, met fa ren s theorie der negatieve zwaarte, doch die op ztjn benrt weer bestreden werd door onzen landgenoot Aeneae ~).

Twee punten in deze theorie zijn vooral van belang. Het eerste punt betreft de opmerking van antiph ogis ische zijde aan de phlogistic! onophoudelijk en herhaaldelijk ge-

i) Experiments on factitous air.

21 VhiloWnical Transactions. Vul. 73. pag. 399. ,

) i miosopniL.ii oiwprvations sur la pliysicne

:,) Essay analytinue sur lair pur, pa0. lt;§•

Pte (Ie 1' \1)l)é Ttozier. Aöut. 1781. Janvier 1789.

) Debestrijcling va« Kir w a nquot;s theorie door de bovengenoemde

„■„Lh. sctieikimdigen tr.ft m.n «. in «. »«-*•

] natste werk .» Kir...» «*gt; 'f M M

su,- la constitution des acules «vee ^ ^ e r bearbeidde de

...... »r^t»quot;.........

*v» m

eu Monge de 12c paragraaf.

•-.) Na lm vs, Verband v. b. Prov. Li trecbtseli Gen. D. ^

«j j. a. Sc her er, Cbem. Abb. von der Entstebung des ^nssexs.

') Oren, llandbucb der Cbemie. 1. 211. H- Aljth' I-

f) Kop p, Gescb. der Chemie. 111. 154-158.

quot;) Hollandscbe Maatscb. van Kunsten en AA etenscbappeu......

in-i Kopp, Gescb. der Cbemie. lü. 163.

■i) Kasteleijn, Cbem. en Pbys. Oef. I. 391.

^ Algem. Konst- en Letterbode. 1792. Jnli-December.

ocr page 43

HO

maakt, dat dezen hun phlogiston nimmer hebben kunnen afzonderen en bijgevolg tot staving van hunne theorie de toevlucht namen tot een denkbeeldige stof', wier bestaan men hoogstens uit eukele verschijnselen kon afleiden, terwijl de antiphlogistici daarentegen met behulp van de zuurstof alle verbrandings-, oxydatie- en reductieverschijnselen konden verklaren.

Dat de phlogistic! van de gegrondheid dezer opmerking overtuigd waren, blijkt voldoende uit hunne veelvuldige pogingen om het phlogiston in een of' anderen vorm voor te stellen of af te zonderen.

Zoodra Cavendish nu het beginsel had uitgesproken, dat de brandbare lucht, de waterstof vee! phlogiston bevatte, was de eerste schrede in die richting gedaan. Men behoefde nu nog slechts aan te toonen dat dit gas niet alleen veel phlogiston bevatte, maar dat het die lang gewenschte stof zelf was. Dit bewijs leverde Priestley door zijne reductie van metaaloxyden met waterstof en de vermeende ontwikkeling van dit gas bij verhitting van ijzer 'j.

Het tweede punt geldt de antiphlogistici en betreft de ontwikkeling van waterstofgas bij inwerking van metalen op verdunde zuren, een verschijnsel dat Lavoisier in verband met zijn zuurtheorie onoverkomelijke moeielijk-heden opleverde, en dat hij niet behoorlijk wist toe te lichten of te verklaren, zoolang hem de samenstelling van het water onbekend was.

Dit proces, door Kir wan's theorie zoo uiterst gemakkelijk en eenvoudig te verklaren, is een van de weinige geweest, waarvoor Lavoisier geen oplossing wist, en tevens een van die zeldzame gevallen, die schenen te strooken met de phlogistische beschouwingen. Vandaar

1) IIoll. Maatsch. van Iv. en W. Dl. \X[V. 21—85,

ocr page 44

29

Tot fle voornaamste voorstanders behoorden Cavon disli1), p , j o s 11 c y 2) en d e 1 a M ethcrie»). Tot de bestrijders

V!U1 antiphlocristischo zijde: Berthollct, Guyton de

Morveau, Foureroy, Monge, Lavoisier, ), i a-huvsö) en J. A. Scherer6); van phlogistische zijde: Gren 7), Göttling s), Dei m an n en Paets van Troostwijk9) en later, toen Kir wan reeds zijne theone lia(1 opgegeven (1791), ook Cre 11, Westr uin b, Gmelin, Sao-e Banmé, de la Methene en Priestley ). quot;Wijzigingen werden door Wiegleb») aangebracht, die liaav in overeenstemming zocht te brengen, met Gren s theorie der negatieve zwaarte, doch die op zijn beurt weer bestreden werd door onzen landgenoot Aeneae 1-).

Twee punten in deze theorie zijn vooral van belang. Het eerste punt betreft de opmerking van antiphlogistische zijde aan de phlogistici onophoudelijk en herhaaldelijk ge-

') Experiments on factitous air.

l'hilosopliical Transactions. Vol. 73. pag- 399. , . •

.) Kssiy ,„,1,1«!» -r lm, pu,. p0g. 78. _Oto..t»ns s» U w* etc de l'Abbé Tto/.ier. Aöut. 1781. Janvier 178...

.) De bestrijding van Ki r w a „'s theorie door de bovengenoemde l'iansche scheikundigen treft men aan m de llt;ransche verta va laatste werk van Kirwan onder den titel: Essay snr le phlogistiqne ^ a constitution des acides «vee des notes de M M. Morveau e^ mr Madame Lavoisier. Paris. 1788. Lavoisier bearbeidde de Inleiding en de - 3« en 11« paragraaf- Bertl, « H e t ^ 6 ,

(iuyto n d e M o r v e a u de 1quot;- en 13*, 1' o u r c i o j 1

en Monge de 12-= paragraaf. , , r, m v

Na hu vs, Verhand v. b. Prov. Utrechtseh Gen. Dl. \-J. A. Scherer, Chem. Abb. von der Entstehung des Wassers. ') Gren, llandbuch der Chemie. 1. 211. 11. Abth. I. 13.

*) Kopp, Gesch. der Chemie. III. 154—158.

n) Hollandsche Maatsch. van Kunsten en Wetenschappen. Dl. XXIv iquot;) Kopp, Gesch. der Chemie. III. 163.

in asteleijn, Chem. en Phys. Oef. I. 391.

i^ Algem. Komt- en Letterbode. 1792. Juli-December.

ocr page 45

80

maakt, dat dezen hun phlogiston nimmer hebben kunnen afzonderen on bijgevolg tot staving van hunne theorie de toevlucht namen tot een denkbeeldige stof, wier bestaan men hoogstens uit enkele verschynselen kon afleiden, terwijl de antiphlogistici daarentegen met behulp van de zuurstof alle verbrandings-, oxydatie- en reductieverschijnselen konden verklaren.

Dat de phlogistici van de gegrondheid dezer opmerking overtuigd waren, blijkt voldoende uir hunne veelvuldige pogingen om het phlogiston in een of anderen vorm voor te stellen of af te zonderen.

Zoodra Cavendish nu het beginsel had uitgesproken, dat de brandbare lucht, de waterstof vee/phlogiston bevatte, was de eerste schrede in die richting gedaan. Alen behoefde nu nog slechts aan te toonen dat dit gas niet alleen veel phlogiston bevatte, maar dat het die lang gewenschte stof zelf was. Dit bewys leverde Priestley door zijne reductie van metaaloxyden met waterstof en de vermeende ontwikkeling van dit gas bij verhitting van yzer 'j.

Het tweede punt geldt de antiphlogistici en betreft de ontwikkeling van waterstofgas bij inwerking van metalen op verdunde zuren, een verschijnsel dat Lavoisier in verband met zijn zuurtheorie onoverkomelijke moeielijk-heden opleverde, en dat hij niet behoorlijk wist toe te lichten of te verklaren, zoolang hem de samenstelling van het water onbekend was.

Dit proces, door Kirwan's theorie zoo uiterst gemakkelijk en eenvoudig te verklaren, is een van de weinige geweest, waarvoor Lavoisier geen oplossing wist, en tevens een van die zeldzame gevallen, die schenen te strooken met de phlogistische beschouwingen. Vandaar

4 IIoll. Miiatsch. vau lv. en \V. Dl. \KiV. 21 —85,

ocr page 46

waarschijnlijk, dat Lavoisier, die zich gewoonlijk niet in de strijdvragen der phlogistic! mengde, maar rustig aan de voltooiing zijner theorie voortwerkte, ditmaal van die gewoonte is afgeweken en zich ten strijde aangordde om de tegen hein aangevoerde bedenkingen te weerleggen.

quot;Wat het punt in quaestie zelf aangaat, daarvan gaf Kir wan de volgende eenvoudige en vrij aannemelijke verklaring: bij inwerking van verdunde zuren op metalen wordt door de vuurstof der zuren, de waterstof, (het phlogiston) der metalen uitgedreven, terwijl het zuur zich met de metaalaarde van het metaal tot een zout vereenigd. Bij inwerking van geconcentreerde zuren daarentegen ontwijkt geen phlogiston, maar verbindt zich de vrijkomende waterstof met een gedeelte van het aangewende zuur tot een gephlogistiseerd zuur; het zwavelzuur o. a. tot gephlo-oistiseerd zwavelzuur of, naar onze nomenclatuur, tot zwaveligzuur.

De theorie van Kir wan steunt in hoofdzaak op de volgende punten:

1°. Brandbare lucht is de eenige ware grondstof, waarvan do brandbaarheid afhangt en welke in alle dierlijke, plantaardige en minerale stoffen aanwezig is.

2e. Brandbare lucht ontstaat bij verhitting van ijzer en zink, alsmede door inwerking van zuren op metalen.

3C. Brandbare lucht herstelt ijzer-, lood- en kwikoxyde tot metalen, zwavelzuur tot zwavel.

4e. Brandbare lucht is het phlogiston zelf en bevat ubeh zuur, noch aarde, noch eenig ander bestanddeel ; in zuiveren toestand is het steeds aan zichzelf gelijk.

5°. Brandbare lucht kan in vrijen toestand, evenmin als vaste lucht, in vasten vorm bestaan. Op het oogenblik van haar ontstaan neemt zij een veerkrachtige gedaante aan.

Deze theorie, met veel talent voorgedragen en door de voortreffelijkste scheikundigen van dien tijd verdedigd,

ocr page 47

82

scheen aanvankelijk in staat om somtnig-e verschijnselen in phlogistischen zin verklaren.

Op den rlnur echter bleek zij, evenmin als alle voorgaande, aan de verwachting te beantwoorden. De anti-phlogistici Kahnys, Bert hollet, Fon rcro y, Sch e reien Lavoisier bestreden baar voornamelijk op drie pnnfen. Vooreerst op hare tegenstrijdigheid mei do proef van Ba yen, ten andere op de waterstofontwikkeling bij verhitting van metalen en ten slotte op de gewichtsver-meerdering der metalen bij oxydatie waaromtrent K i rwan, Priestley en de la Met her ie hadden verklaard, dat deze een gevolg was van eene verbinding der metaalkalk met het Inchtznur (koolzuur) gevormd dooreene verbinding van het phlogiston — in casu de waterstof — mot de zuurstof der lucht').

liet eerste punt behoefde naar hunne meening geen nader betoog. De reductie der metaaloxyden zonder phlogiston was reeds zoo herhaaldelijk en onomstootelijk bewezen dat daaromtrent geen twijfel meer kon bestaan. Omtrent het tweede punt echter stelden zij een uitvoerig onderzoek in.

Ofschoon zij op grond van de bekende eigenschap van waterstof, om met lucht of zuurstof gemengd, een ontplofbaar mengsel te vormen, reeds vooraf overtuigd waren, dat dit gas het phlogiston niet kon vervangen, wijl iedere verbranding in dat geval of met eene volumevermindering der lucht of, bij eene verbinding van bet uitgestooten phlogiston (de waterstof) met de zuurstof tot koolzuur, met eene ontploffing gepaard moest gaan, meenden zij toch — ook in verband met andere punten van Ki rwan's theorie

') Uren, Jonnial der Pliysik 1. 134. Ohservutions sur lii physique par l'Ahbr Un/.ier, Monlt;re et de la Metherie. Tom. XXXIV. 1789.

ocr page 48

HB

— tevens het positieve bewijs te moeten leveren dat dit quot;•as 5f in geen enkel, of in alle metalen aanwezig was.

De door Priestley en de la Mether ie opgeworpen exceptie, dat die waterstofontwikkeling daarom alleen bij zink en ijzer gelukte, omdat de overige metalen daartoe eene te hooge temperatuur vereischten, dan waarover deze scheikundigen beschikken konden, verwierpen zij. Ten einde hieromtrent echter zekerheid te verkrijgen, verhitte Nahuys alle metalen, uitgenomen goud, platina en zilver in ijzeren buizen, of in opzettelijk daartoe vervaardigde, vuurvaste, aarden kannetjes zoolang, totdat hij de metalen daarin als het ware hoorde koken. Niettegenstaande hij dus bij veel hooger temperatuur experimenteerde dan de la Met her ie, die dezelfde proeven in glazen kolfjes verricht had, werd geen enkele luchtbel opgevangen.

Deze proeven in volmaakte overeenstemming met die van den graaf Morozzo, die tin, (n met die van La voi sier, die lood tot zeer hooge temperatuur, maar in dit opzicht eveneens vruchteloos, hadden verhit, bevestigden dus het feit, dat de metalen bij verhitting geen waterstof, geen phlogiston loslieten. ^

Intusschen was het Lavoisier — en merkwaardiger wijze ook Priestley — gebleken, dat waterstofontwikkeling bij verhitting van ijzer slechts dan plaats heeft, indien men vochtig ijzervijlsel bezigde. Ingeval er dus bij verhitting van metalen waterstof ontweek, dan was dit gas niet afkomstig van het metaal, maar van het water ~).

Door de uitkomsten van deze proeven geleid, kon Na-huys dus gemakkelijk volhouden, dat hij in Kir wans

•) Senuebier, ilecherches sur I'mlluence de la lumuve solaire. 364. Holl. Mantsch. v. Kunsten en Wetenscli. XXIV. 210.

Verh. v. b. Pr. Utr. Gen, v. K. eu . Dl. V. loü.

ocr page 49

:U

Essay on Plilogiston geen bewijzen liacl gevonden, die liet bestaan van het phlogiston eenigszins waarschijnlijk maakten !), en mochten de Fiansche scheikundigen mot het volste recht beweren: „(]un'existe pas de s'az inflammable dans les métauxquot; 1).

Het derde punt, de gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie, werd even uitvoerig behandeld als het voorgaande. Daar dit evenwel ten nauwste met de geschiedenis van de samenstelling van het water samenhangt, mogen wij naar dat hoofdstuk verwijzen. Toch willen wij hieromtrent reeds opmerken, dat Kir wan zelf van de be-teekeuis dezer samenstelling in verband met zijne theorie zoo diep doordrongen was, dat hij haar onmiddellijk prijs gaf, zoodra hij de overtuiging verkreeg, dat het ver-brandingsproduct van waterstof geen koolzuur, maar water was. Dienaangaande schreef hij aan Crell2): „Hoewel de omwentelingen in wijsgeerige stelzelen naar evenredig-heid van minder gewicht zijn, zoo verwekken ze nochtans dikwerf eenige verwondering, voornamelijk als voorige stelzelen te vooren met kracht verdedigt werden. Volgens dezen grond zult gij U wellicht eenigszins kunnen verwonderen, als ik U betuige, dat ik het stelzol van StahI's phlogiston thans hebbe verworpen. Mijn voornaamste grond deswegens is deze, dat ik niet ééne duidelijke beslissende waarneming kenne, door welke men kunne bewijzen, dat de vaste lucht uit levenslucht met phlogiston vereenigt, besta: en zonder dit bewijs,

1

ï) Methode de la nomenclature cliimique pi'oposóe par M. M. de Morvean, Lavoisier, 15erthollet et de Fourcroy. 309. 1787.

2

:i) Crell, Chem. Annalen. 1791. Wij geven hier de Nederlandsehe overzettina' van Ivastelevn, Cliem. en Phys. Oef. 1. 159.

ocr page 50

H'

soliijnt liot mij onmogelijk het aanwezen van hot phlogiston (waterstof) in fle metalen te bewijzen. Kasto-leyn, aan wien wij deze mededeeling ontleenen, voegt daaraan nog toe „dat de inhoud van dit stuk des te belangrijker en der overweging en navolging dubbel waardig is, wijl het uit de pen vloeide van een man, die voorzeker met alle mogelijke nauwkeurigheid en gestrengheid de theorieën van Stahl en Lavoisier onderzocht en beproefd heeft.quot;

\ an phlogistische zijde werd do waterstof-phlogiston-theorie bestreden door ü ren, G ö 111 i n g en onze land-genooten A. P a e t s van T roost w ijken J a n R u d o 1 p h. Dei man.

Dat G r e n deze theorie verwierp, geschiedde eensdeels uit ingenomenheid met zijn eigen theorie, anderdeels ook omdat hij de vorming van luchtzuur, koolzuur of vaste lucht door phlogistoneering van lucht of zuurstof door middel van waterstof ontkende '). Dit laatste punt vooral had zijn wrevel opgewekt, want toen de la Mether ie2) zich veroorloofd had daaromtrent als zijne meening uit te spreken, dat de tegenstanders eigenlijk geen enkele gegronde aanmerking daartegen konden maken, schreef Gren: „Ich dencke allerdings dass sich sehr viel Gründ-liciies gegen diese Erklarung einwenden liesse, weil es blosz Voraussetzung und offenbar falsch ist, dasz aus reiner Luft fixe Luft werde. Aenliche inconsequente Ver-theidigungen haben bisher der Sache des Phlogistons eben am meinesten geschadetquot; 3). Nochtans was het niet op grond van diens voorstelling dat Kir wan zijne theorie

') G r p ii, Hiindbticli der Cliemie. 1. 210.

quot;J Journnl de ])hvsique de FAbbe Ro/ier, J)iscours prcliminaires. Tom XXXIV. 1789.

:') Gren, Jonrmil der Physik. I. 135.

ocr page 51

;{(i

losliet, want ören's opvatting' was, naar wij ter aau-geduider plaatse zagen, zeker veel phantastiseher en dientengevolge veel minder waarschijnlijk dan die van den Engelschen seheikundioe.

O O

Alhoewel Göttling een vrij zonderling standpunt ten opzichte van de theorie van (ïren en Kir wan inneemt, daar hij niei aan het bestaan van het phlogiston geloofde en toch een soortgelijke theorie huldigde, als die welke Gr en later voor zijne theorie der negatieve zwaarte inde plaats stelde, bestreed hij de waterstof-phlogistontheorie toch op vrij wat praktischer gronden dan Gren.

Onder de verschijnselen, die, naar wij zagen, het krachtigst voor de theorie van Kir wan pleitten, behoorden vooral die omtrent de waterstotbntwikkeling bij inwerking van metalen op zuren, behalve op salpeterzuur, en die omtrent de vorming van zwaveldioxyde en salpeterlucht bij verhitting van metalen met geconcentreerd zwavelzuur en salpeterzuur.

Göttling s bestrijding sproot nu inzonderheid voort uit het bekende verschijnsel, dat waterstofgas, in zwavelzuur en in salpeterzuur geleid,geen zwavel-en salpeterluchtoplevert.

Deze feiten, die in ons oog slechts betrekkelijk juist zijn, golden in die dagen als een overwegend bezwaar. Voor Göttling althans waren zij voldoende om de waterstof-phlogistontheorie, in welken vorm ook, te verwerpen ').

De uitvoerige bestrijding van Kirwan's theorie door onze landgenooten R. Dei man en A. J'aets van Troostwijk is beschreven in de door hen beantwoorde en met goud bekroonde prijsvraag, uitgeschreven door de Haarlemsche Maatschappij van Wetenschappen „over de luchtgelijkende vloeistoffenquot; -).

') Kopp, (resell, der Chemie. UI. 154.

■) Ilaarlemsclie Mimtsdinppij van Weteascliappen. Dl. XXIV. I7S7.

ocr page 52

Ofschoon deze voortreffelijke scheikundigen op dat tijdstip nog' niet genoegzaam in liet systeem van Lavoisier waren doorgedrongen om Kir wan's theorie van dat standpunt te beoordeelen, leverde hun onderzoek toch menige belangrijke uitkomst op, zoowel in het algemeen, als in 't bizonder met betrekking tot de waterstof-phlogistontheorie.

In de eerste plaats toonden zij aan, dat er niet één, maar onderscheidene soorten van ontvlambare lucht bestaan, die allen de eigenschap bezitten om metaalkalken te redu-ceeren ; in de tweede plaats bevestigden zij de proeven van Morozzo, Naliuys en Lavoisier omtrent de voorgewende waterstofontwikkeling van metalen bij verhitting. ^

Het eerst vermelde feit, op zich zelf reeds van veel gewicht voor de kennis der gassen, was lijnrecht in strijd met de elementaire natuur van het phlogiston. quot;Want uit de verscheidenheid der ontvlambare luchtsoorten volgde tevens die van het phlogiston. De beteekenis van het tweede feit is reeds hiervoor uiteen gezet. Voor Dei-m a n en Troost w ij k waren deze beide reeds voldoende om de waterstof-phlogistontheorie te veroordeelen.

Omstreeks 1788 waren dus van beide zijden tal van feiten bijeengebracht, die gezamelijk en ieder op zich zelf reeds een der grondbeginselen van Kir wan's theorie omver wierpen. Toch bleef men weerstand bieden en trachtte men, evenals men dat voorheen met het oorspronkelijke stelsel van Stall 1 had gedaan, ook dat van Kir wan zoodanig te wijzigen, dat het in overeenstemming kwam met de veranderde zienswijzen, of oplossing gaf van de betwiste punten.

') Haarl. Mimtscii. v. k. \\. Dl. XXIV. 200—SiM. Vergelijk blad/,, o•.! hiervoor.

ocr page 53

:58

Van Fransche zijde werd zulks beproefd door de la M e t h e r i e, van Duitsche zijde door W i e g' 1 e b.

Het standpunt van d e 1 a Me t h e r i e ten opzichte van K i r w a n 's theorie verdient alleen daarom reeds eene afzonderlyke vermelding, omdat deze na M a c q u e r als een der invloedrijkste Fransche scheikundigen wordt beschouwd.

Zijne denkbeelden daaromtrent vindt men voornamelijk beschreven in zijne verhandeling getiteld : „Essay analytique sur Fair pur etc'' 1) en in de „Discours prélirainairesquot; van het door hem geredigeerde en welbekende Journal de Physique. 2)

Aanvankelijk scheen het alsof de la Mether ie zich geheel met de theorie van Kir wan kon vereenigen. Zijne definitie van het phlogiston als brandbare lucht, aan de eerstgemelde verhandeling ontleend en geheel in overeenstemming met zijne verdere beschouwingen omtrent dit onderwerp, verschilt in geen enkel opzicht met die van Kir wan. Zij luidt: „Je regarde done l'air inflammable cornme une substance sni generis, qui me paroit être le phlogiston de Sta hl, qui n'est point compose des substances salines ou métalliques A'olatilisées, et qui existe tont fonné dans les substances d'oü on les retire, particu-lierement dans les substances métalliquesquot;.

Een paar jaar later is hij evenwel van meeniug veranderd. Wel is nog altijd de waterstof het brandbare beginsel, het phlogiston bij uitnemendheid, maar nu niet meer als „une substance ski lt;jeneris\ integendeel, thans is hot een veranderlijk beginsel, waaromtrent weinig zekerheid bestaat. „En un mot, tout air inflammable contient de l'air pur, puisque, decompose par son Si'jour sur l'eau, on a toujours un residu d'air pur. Get air pur est la base de Fair inflam-

•) Blmlzjjde 7S. 17S5.

quot;) Tom. XXXIV. ly—10. 1789.

ocr page 54

niable et se trouve combine avee une autre substance, qui lui dontie la légèreté, rinHammabilité, etc. et par consequent ne peut otre (jiie la niatiere du feu sous une forme quelconque. Ma is cette substance, quelle qu'elle soit, qui; unie a vee I air pur, forme 1 air intiammable, ne me paroit point être celle, qui, combinée avee Fair pur, forme lair fixe ou air aciile: et c'est en ipioi ma manière de voir diftèie de celle des autres dófenseui's du principe inflammable.quot;

Volgens deze beschouwing is dus waterstof en koolzuur opgebouwd uit brandbare lucht, zuurstof en eene onbekende zelfstandigheid, en wel zoodanig, dat die onbekende zelfstandigheid aan het eerstgenoemde gas de brandbare, aan het koolzuur oe zure eigenschap verleent. Wat dit echter voor een stof is, die met zulke wonderbare eigenschappen is toegerust, daaromtrent blijven wij vrij wel in het onzekere. Hoogstens verneemt men dat het een zeer subtiele zelfstandigheid is, welke dan eens als principe de la chaleiir, dan eens als causticou of eindelijk als carbone wordt aangeduid. I it de onbekendheid van deze stof, voilt;gt;t tevens die van het phlogiston. Het bleef althans twijfelachtig of het ware phlogiston zetelde in die zelfstandigheid, welke met zuivere lucht, vaste lucht of in die, welke met zuivere lucht, brandbare lucht vormde, en eindelijk nog,— en hier treedt het verband met Kirwan's theorie tevoorschijn — of het brandbare lucht zelf is.

Om zich uit deze moeilijkheid te redden, putte de la 31 ether ie, evenals zoovele andere phlogistici van dien tijd, uit de nooit opdrogende bron der wijsbegeerte: ,,üii sent combieu la philosophic est embar-issée,quot; — zoo schrijft hij — en traitant du feu et ses combinaisous, paree que nous ne pouvons saisir cette matière que par la vue de 1 esprit.quot; Hoe dat geestesoog van de la Metherie ingericht was, wagen wij niet te onderzjckcn. Maar dit staat

ocr page 55

40

vast, dat zijne beschouwing eer een stap achterwaarts dun voorwaarts is. Als men haar althans bij die van Gren vergelijkt, bij wien de phantasie eveneens eeue groote rol speelt, dan aarzelen wrij niet diens beschouwing, èn om haar eenheid èu om haar consequentie, boven die van de la Metherie te verkiezen.

Dat de verklaring van de voornaamste verschijnselen betreffende verbranding en oxydatie even willekeurig is als de opvatting van het phlogiston zelf en in menig opzicht van die van Kirwan afwijkt, behoeft niet nader te worden toegelicht. De la Metherie was het overigens onverschillig aan welk systeem, uitgenomen dat van Lavoisier, men de voorkeur gaf. Daaromtrent schrijft hy aan het slot van zijn verhandeling: „Au reste qu'on sous-tienne la doctrine commune des partisans du phlogistique, que l'air pur est change en air fixe dans toutes ces operations, ou qu'on soustiennc mon opinion, il n'est pas moins vrai, que les réponses que nous faisons aux anti-phlogisticiens digt;nnent une solution satisfaisante des experiences qu'ils nous opposent.quot;

Of Kirwan den Franschen phlogisticus voor deze vage, willekeurige behandeling van zijn theorie dankbaar is geweest, of het onwetenschappelyk standpunt van de la Metherie, in zoo hooge mate afwijkende van dat zijner Fransche collega's, aan de waterstof-phlogistontheorie bevorderlijk is geweest, meenen wij te mogen betwijfelen ; eerder zijn wij geneigd het tegendeel te gelooven. Veel bijval heeft deze phlogistontheorie niet kunnen verwerven. Bestrijding heeft zij alleen uitgelokt daar, waar zij verband houdt met de hoofdpunten der antiphlogistische leer, vooral met betrekking tot de samenstelling van het water. Toch mocht zij hier niet onvermeld blijven, omdat wij hieruit het bewijs putten, dat ook in Frankrijk zelf de theorie van La v o isier

heftige tegenkanting vond, alsmede dat de Fransclic phlo-

4

ocr page 56

41

gistici onderling al even verdeeld waren ais die van Duitsch-land. Overigens is het genoegzaam bekend dat de la Metherie nooit tot de antiplilogistische theorie is bekeerd.

ITet standpunt, dat de Duitsehe phlogistieus Wiegieb ten opzichte van Kir wan's theorie innam, is even zonderling als dat van de la Metherie.

Geen der scheikundigen van het laatst der voorgaande eeuw levert evenwel een zoo getrouw beeld van de wisseling der denkbeelden omtrent het phlogiston als deze. Aanvankelijk voorstander van de phlogistontheorie zooals zij door 8tah 1 was voorgedragen, wijzigde Wiegieb zijne voorstelling daaromtrent al naarmate de theorie van Lavoisier meer en meer veld won en de phlogistici nieuwe argumenten aanvoerden om hunne theorie met die van Lavoisier in overeenstemming te brengen.

Evenals voor alle phlogistici zijn ook voor quot;Wiegieb de gewichtsvermeerdering der metalen bij de verkalking en omgekeerd de gewichtsvermindering bij phlogistoncering, alsmede de onmogelijkheid om hot phlogiston af te zonderen, onoverkomelijke bezwaren. Onvermoeid en aanhoudend was men bezig, deze moeilijkheden uit den weg te ruimen. Niet zoodra was eene nieuwe ontdekking gedaan, of zij werd aan alle kanten onderzocht, een nieuw gezichtspunt geopend, of het werd van alle kanten bekeken eu zoo mogelijk ten voordeele van hunne theorie uitgelegd en aangewend. Toch bleek het een ware Sisyphus-arbeid te zijn. Nauwelijks was de steen een eind bergopwaarts gerold, of hij drong met onweerstaanbare kracht naar omlaag. De eene theorie verdrong de andere, de eene kracht hief de andere op.

Zonderling is liet dat de phlogistici er nooit aan gedacht hebben, dat het systeem van Lavoisier, vergeleken bij hunne onophoudelijk afwisselende theorieën, in hoofdzaak ongewijzigd bleef en weerstand bood aan alle schijnbare

ocr page 57

tegenstrijdigheden. Zonderling dat zij niet eer hebben begrepen, dat in deze onveranderlijkheid de kracht dier theorie gelegen was, dat juist hierin quot;het kenmerk eener ware theorie ligt opgesloten. Menigmaal reeds, en weer opnieuw bij het lezen van Wiegleb's werken, werden wij getroffen door het bijna onverklaarbare feit, dat inderdaad voortreffelijke mannen naar de oplossing zochten van verschijnselen, welke reeds op veel eenvoudiger wijze door tal van proeven gestaafd, waren uitgelegd en verklaard. Tot heden gelukte het ons niet, daarvoor eene andere oplossing te vinden dan dien eeuwenlangen invloed der alchemie, misgeboorte van A ris to teles' leerstelsel, en de behoudzucht voor het eeuwenoud begrip, dat de eigenschappen der stof afhankelijk zijn en bepaald worden door een elementair bestanddeel, door een beginsel, dat de verpersoonlijking van die eigenschappen is.

Bij alle phlogistici is die invloed merkbaar. Allen — en niet het minst Wieg leb — hebben in ruime mate aan die zucht geofferd. Achtereenvolgens was hij voorstander van verschillende phlogistontheorieën ; doch op den duur kon geen enkele hem bevredigen.

De oorspronkelijke van Sta hl verwierp hij op grond van de niet genoegzaam opgehelderde aardachtige natuur van het phlogiston; die van Ban mé, omdat het niet bewezen was of de aarde, waarmede het elementaire vuur zich ver-eenigde, glas- of kiezelachtig was ; eveneens die van anderen, waarbij omtrent de natuur van het aardachtig bestanddeel geen uitspraak werd gedaan. „Da ich aberquot; —zoo schrijft hij — „in der Folge alles mit Gelassenheit überlegte, so fülilte ich selbst das Dunkle dieses venneintlich erlauterten Begrifs mehr als zu wohl, das in der besonders specificirten Erde lag, die ich nach ihren eigentlichen Natur zu bestim-men nicht im Stande war. Auch selbst die von mir angeführten Beweise sind mir immer hinkend vorgekommen,

4*

ocr page 58

43

und gleichwol fand icli nirgends bessere Befrieiliguugquot;. 0

Do min of meer overeenkomstige theorieën vuu Macq uer Morveau, Maret en Durand, alsmede die van Scheele, waren evenmin in staat om hem te bevredigen. Deze verwierp hij, omdat ze weer te zeer van het phlogiston van Sta hl afweken.

Geheel in twyfel waaraan zich te houden, beproefde hij of water, met zuurstof verbonden, het phlogiston van Sta hl kon vervangen, maar staakte weldra ook die pogingen. Zoodra hij echter meer in de kennis der luchtsoorten was doorgedrongen, meende hij dat de voorstelling van Buflon, volgens welke het phlogiston als een product van de verbinding der elementen lucht en vuur werd gedacht, niet zooveel van de werkelijkheid afweek als hij eerst had gedacht. Doch, toen hij kort daarna weer vernam, dat Kir w an, Macquer en anderen een soortgelijke theorie verdedigden, met dit verschil nochtans, dat dezen de waterstof in de plaats van de lucht stelden 2), omhelsde hij de waterstof-phlogiston-theorie, thans volkomen overtuigd, „dasz dieses Gas dieser Grnndstof (phlogiston) selbst seiquot;. 3).

Niet lang echter mochten de voorstanders van Kirwan's theorie zich in zyne medewerking verheugen, want weldra wijzigde hy haar zoodanig, dat zy tevens verband hield met het beginsel der negatieve zwaarte.

Zyne denkbeelden dienaangaande, ontleend aan de chemische en physische oefeningen van Kasteleijn, hebben wij, voor zooveel zij op het phlogiston betrekking hebben, in de volgende stellingen samengevat.

1. „In alle brandbare, alsmede in vele niet-brandbare

') C r e 11, Chem. Aim. I. ^lu. 1784. Lelirbegriiïe vom Phlogiston nuf ueue Versuche gegrüudet.

Macquer, Dictioimaire de Cliymie.

Ore 11; Clietn. Anualeu 1. 214. 1784.

ocr page 59

44

lichamen, huisvest cene bizonJere brandbare grondstof, die bij de ontvlamming of bij de verkalking wordt afgescheiden.

2. Deze grondstof kan in zoodanige gevallen inderdaad opgevangen, en derhalve in een afgescheiden toestand tamelijk enkelvoudig, in luchtgedaanto verkregen worden.

3. Deze grondstof is veel lichter dan lucht, derhalve liet allerlichtste van alle zelfstandigheden.

4. Alle met deze grondstof verbonden lichamen verliezen naar evenredigheid van de aanwezige hoeveelheid van die stof een deel van hunne positieve zwaarte, daarentegen worden alle lichamen zwaarder als men ze van die grondstof berooft.

5. Deze grondstof heeft eene groote verwantschap tot de zuivere lucht en veroorzaakt, dat deze, na hare ver-eeniging met die grondstof, in volume vermindert en in gephlogistiseerde lucht verandert.

(J. Deze grondstof, verbonden met water en vuurstof, verschijnt in de gedaante van ontvlambare luchtquot;

In drie punten wijkt dit stelsel van dat van Kirwan af. Vooreerst, dat het phlogiston niet in a//e maar slechts in vele niet-brandbare lichamen werd aangetroffen; ten tweede dat liet niet volkomen, maar slechts tamelijk zuiver kon worden afgescheiden; en ten slotte, dat het de eigenschap bezit om de positieve zwaarte der lichamen te verminderen of te vermeerderen, al naarmate het zich met die lichamen verbindt of zich daarvan afscheidt.

Negatieve zwaarte beteekent hier, dat de brandbare grondstof, het phlogiston, in vergelijking met andere lichamen, ook zelfs met de lucht, geen gewicht bezit of dat zij

'J Kasteleijn, Cliem. en Phys. Oet'. I. 396. Bewijsgronden van het gezuiverde leerbegrip van S t a h 1' s phlogiston en de ongegrondheid van het nieuwe scheikundige leerstelsel van Lavoisier, door den Heer Wieg leb. Apotheker enz., te Langensalza.

ocr page 60

4quot;.

lichter dan alle andere lichamen, ook lichter dan lucht is.

De gronden, waarop dit begrip der negatieve zwaarte stennt, zijn de volgende: ten eerste, dat dc brandbare lucht volgens de onderzoekingen van Cavendish, F on-tana en Kirwan, tien- of twaalfmaal lichter was dan lucht; ten tweede, dat het daarin aanwezige phlogiston, waarvan het gewicht nimmer bepaald was, tevens het gewicht der brandbare lucht moest verminderen; en eindelijk dat het phlogiston, lichter dan lucht zijnde, in 't geheel geen gewicht bezat, omdat ieder lichaam, in de lucht gewogen, steeds zwaarder was dan de lucht zelf. Bijgevolg verminderde of vermeerderde het phlogiston, met andere lichamen, zwaarder dan lucht, vereenigd of daarvan afgescheiden, het gewicht dezer lichamen al naarmate het daarmede verbonden of daarvan werd losgemaakt, en wel op gelijke wijze als dit geschiedt met lichamen, die in water of lucht worden gewogen.

Blijkt uit het bovenstaande reeds genoegzaam, dat Wiegleb het absolute met het soortelijk gewicht verwart, in het voorbeeld, waarmede hij zijne denkbeelden daaromtrent verduidelijkt, komt dit nog sterker uit. „Men wegequot; — zoo stelde hij voor — „een metalen dobbelsteen in water, daarna binde men er met een fijn zyden draadje een stukje kurk aan, en wege het weer op nieuw in water. In weerwil hierbij deszelfs positieve zwaarte door een bijgevoegd lichaam zou vermeerderd worden, zoo zal het nochtans in het water minder wegen dan voorheen, omdat de kurk veel lichter is dan het water.quot;

ITet kostte onzen landgenoot Aeneae ^ weinig moeite om AViegleb's theorie op het punt der negatieve zwaarte te weerleggen.

Na voorop te hebben gesteld, dat uit diens stellingen

Algemeene Korist- en Letterbode. 1702. Juli—December.

ocr page 61

m;

is af te leiden, dat het phlogiston hoewel weinig toch eenig1 o-ewieht bezit, dus door de aarde zal worden aan-

o o

getrokken, en na er op te hebben gewezen, dat het volstrekt geen vereischte is, dat alle lichamen, waarvan do positieve zwaarte bepaald moet worden, zwaarder dan lucht moeten zijn en in de lucht gewogen moeten worden, toonde hij op afdoende wijze aan, dat alle proeven, welke de Duitsche phlogisticus tot staving van zijne theorie had aangevoerd, met behulp van de wet van Archimedes zijn te verklaren.

Of hot onzen landgenoot gelukt is, Wieg leb van zijne dwaling te overtuigen, hebben wij niet kunnen ontdekken en meenen wij te mogen betwijfelen, daar deze met zijne theorie zeer was ingenomen en haar boven alle andere voortreffelijk vond. Niettemin bracht Wiegleb gaarne hulde aan de ongemeen gewichtige ontdekking van L a-voisier zonder welke men, naar hij meende, van zijn eigen voortreffelyk stelsel zou verstoken zijn gebleven, en hoogst waarschijnlijk het oude beperkte stelsel zou zijn blijven aankleven. Gaarne was ook hij erkentelijk voor de vele nauwkeurige, en dikwijls zeer kostbare proeven, die niet weinig tot de ontwikkeling der wetenschap hebben bijgedragen, maar hij vond het te betreuren —• ja zelfs eenigszins berispelijk —dat Lavoisier in zijne dwaling bleef volharden, het „nos sumus lioinines' uit het oog verloor.

Gelukkig heeft Lavoisier zich weinig aan die terechtwijzing gestoord. Gelukkig was hij verstandig genoeg om do vingerwijzing van den Duitschen scheikundige niet te volgen en zijne theorie niet prijs te geven Integendeel, meer dan ooit was hij er op bedacht om de fundamenten van zijn systeem te versterken en te bevestigen. Intusschen schijnt Wiegleb's theorie al even weinig succes te hebben gehad als die van Gr en. Of Aeneae's bestrijding of andere omstandigheden daartoe hebben medegewerkt, willen

ocr page 62

47

wij laten rusten, maar het is eea feit, dat Wiegleb vijf jaar later (1736) in navolging van Gren, deze zoo hoog geprezen theorie der negatieve zwaarte voor de lichtstoftheorie verwisselde.1) Wel een sprekend bewijs dat hij of niet onvoorwaardelijk aan zijne eigen voortreffelyklieid geloofde, 5f dat hij ten opzichte van deze phlogistontheorie al even weinig vast in de schoenen stond als ten opzichte van alle voorgaande.

Behalve de tot hiertoe vermelde theorieën, waarin eene zekere geleidelijke overgang niet valt te ontkennen, mogen wij volledigheidshalve niet in gebreke blijven, om — zij het dan ook kort — de lichttheorie van Gr ren Leon-hardi, Richter, Göttling en Wiegleb, en de elec-trische theorie te bespreken. Op hot oogenblik evenwel dat de eerste werd voorgedragen, was die van Lavoisier reeds algemeen erkend, zoodat zij—- natuurlijk vatbaar voor kritiek — daarop geen invloed heeft uitgeoefend.

Wel beschouwd stemt de lichtstoftheorie bijna in alle opzichten met de antiphlogistische theorie overeen. Het eenige verschil is dit, dat „le calorique, la matière de la chaleurquot; van Lavoisier in Gr ren's theorie vervangen is door licht- en warmtestof beide, en dat de lichtstof hierin het phlogiston vertegenwoordigt.

Yan meer belang is de electrische theorie, ofschoon deze zich nooit tot een in alle opzichten uitgewerkt stelsel heeft ontwikkeld. In verband hiermede zijn vooral de Tlolland-sche scheikundigen: Martinus van Marum, J. R. Deiman enA. Paets van Troostwijk te vermelden. 2)

') Gren, Gnmdrisz der Chemie. Halle 1800 Blad/. 102. 2e verbes-serte Ausg. De eerste uitgave verscheen in 1796.

Behalve de evengenoemde Hollandsche scheikundigen heeft ook V\ eb er getracht de electrische stof' met het phlogiston te vereenzelvigen. J)eze beschouwde het phlogiston te zijn samengesteld uit de electrische stot'

ocr page 63

48

Aanleiding tot deze theorie gaven de bekende proeven van pater lie cc aria, (1758) de Graaf de Milly en Brisson en Cadet omtrent de reductie van metaal-oxyden onder den invloed van sterke electrische ontladingen !) en die van Martinus van Marum (1781) omtrent de inkrimping van een afgesloten volume dampkringlucht, onder dezelfde omstandigheden 2).

Bij deze processen stemden dus de eigenschappen van de electrische stof zoo volmaakt met die van het phlogiston overeen, dat van Marum toen reeds (1781) vermoedde „dut de electrische vonk het phlogiston zelf was of er ten-minste voor het grootste gedeelte uit bestondquot;.

Dit vermoeden werd bij hem zekerheid, toen hij twee jaar later met een battery van 135 Hesschen, met medewerking van Paets van Troostwijk en met inachtneming van alle mogelijke voorzorgen, niet enkel de proeven met lucht van hemzelf, maar ook die van Beccaria met denzelfden uitslag herhaalde.3). Dat van Marum en Troostwijk op grond hiervan er een oogenblik aan gedacht hebben in de electrische stof het middel gevonden te hebben om de phlogiston theorie met die van Lavoisier te verzoenen, is na al het voorafgaande licht verklaarbaar. Met de electrische stof als phlogiston werden, schijnbaar althans, enkele bezwaren tegen dit beginsel aangevoerd uit den weg geruimd; o. a.: die omtrent de afzondering van hetphlogi-

en een aardachtig beginsel. Lampadius, Kur/e Darstellnng der vorzüglichsten ïheorien des Feuers. 144. 1793.

') Dell' electricissimo. 1758. Mem. de 1'Acad. des Sciences. 1775.243. Journal de Physique. IV. 146

') M. van Marum, Geplilogistiseerde en gedeplilogistiseerde luchten. Teylc rs' 2e Genootschap. Dl. I en II. 1781.

:l) Beschrijving van eenp ongemeen groote electrisewrinacliine geplaatst in Teyler's museum te Haarlem en van de proefnemingen met dezelve gedaan. Teyber's 2e Genootscliap. Dl. Hl. 1785.

ocr page 64

49

ston, flic betreffende de volumevermindering der lucht en ten slotte die aangaande de reductie van metaaloxyden volgens Bayen

Vreemd is het, dat deze theorie met zooveel scherpzinnigheid en overtuiging voorgedragen, met zulke uitnemende proeven gestaafd, bijna geheel onopgemerkt is gebleven. In het klassieke werk van Kopp is ze zelfs mot geen enkel woord vermeld. Slechts Gren,2) Kir wan, deLuc, Carradori en Web er hebben op eexi soortgelijke theorie gedoeld, terwijl Wieg leb, zonder er evenwel groote waarde aan te hechten, het wel merkwaardig vond, dat Kir wan het vermoeden had uitgesproken dat, „das Phlogiston in einem vielleicht hundertmal verdünntern Zustande, als entzündbare Luft mit einem starkern Uber-maasse von Feuer die electriBche ^[aterie ausmache 3).

Een enkele maal slechts is de electrische stof als wapen tegen het antiphlogistische stelsel gebezigd. Dit deden Gren, Carradori en de Lnc, toen Deiman en Troostwijk (179()j hadden ontdekt dat water door een

') Hierbij zij nog vernield, dat, J. E. Dei mini (1788quot;) op grond van de overeenkomst tnssclien alle natnurkrachten en ook tusschen organische en anorganisclie verbindingen eene gelijkheid in oorsprong tusschen licht varmte en electriciteit meende te hebben ontdekt. ,1. I!.. Deiman, Verhandeling over de waarschijnlijkheid eener algemeeue hoot'dstoile van welke licht, warmte, electriciteit en magnetische vloeistoffen als v.oo vele bijzondere wijzigingen beschouwd kunnen worden. Algemeen Magazijn van Wetenschappen, Kunst en Smaak. 1788.

-) 1st vielleicht audi die electrische Materie das an die Luft und andere Korper vielleicht nnr schwach gebnndene Phlogiston? Wenig-stens besteht jene doch gewisz aus Licht- und Wilrmematerie, die wir beyde darinn durch uusere Sinne wahmehmen. Die Benennurig Feuer und Phlogiston für die beyden verschiedenen Electrischen Materien ist nacl) meiner gegebenen Erkliirung ganz und gar nicht an wendbar. Gren Handbuch der chemie, I. 220.

quot;) Cr ell, Ann. der Chemie. I. 22(j. 178-1.

ocr page 65

5(1

langdurige en sterke electrische ontleding ontleed wordt. Gren, die zich, naar boven gemeld, een paar jaar te voren nog zoo voorzichtig' en onzeker over do electrische stof had uitgesproken, scheen nu eensklaps licht te zien, waar kort te voren nog tastbare duisternis lieerschtc. Hij bezigde de electriscbe stof nu niet alleen om de uitkomsten der proeven van Deiman omtrent die wateranalyse van zijn phlogis-tiscli standpunt te bestrijden, maar hij ging zelfs zoover om de beide tegengestelde electriciteiten als de gedephlogis-tiseerde en de brandbare lucht voor te stellen

Andere voorstellingen van de electrische stof met betrekking tot het phlogiston hebben wij niet kunnen ontdekken. Tn vergelijking met andere phlogistontheorieën is dus die van de electrische stof als zoodanig zeer beperkt gebleven. Hoogst waarschijnlijk hebben daartoe verschillende omstandigheden bijgedragen. Vooreerst de onvolledige kennis van de electriciteit zelf, ten andere de bedenkingen van de voorstanders en ten slotte de omstandigheid, dat de ontwerpers al zeer spoedig hunne voorstelling terugnamen en tot het antiphlogistische stelsel overgingen.

Aanleiding daartoe gaf de reis van van Marum in ITcSquot;) naar Parijs, waar hij Lavoisier, Monge en Berth o liet leerde kennen en in de geheimen van het laboratorium dezer groote mannen werd ingewijd. Door Lavoisier zelf voorgelicht, kreeg hij een beter inzicht in het antiphlogistische stelsel. Te Haarlem teruggekeerd onderzocht en vergeleek hij beide stelsels, vooral ten opzichte van zyne proeven omtrent de reductie van metaalkalken, op nieuw, en wel met dezen uitslag, dat dat van Lavoisier ten volle werd erkend.2) Dit viel hem des

') Gren, .Tourmil des 1'hysik UiS. 17iH). -J Tey Iers 2e Gen. Dl. IV. 235. 1787.

ocr page 66

te gemakkelijker, omdat hij iu zijne verhandeling over hot phlogiston reeds op een paar verschijnselen was gestuit, die blijkbaar niet zijn electrische phlogistontheorie in strijd waren

Deze verschijnselen betreffen: de geringe volumcver-mindering der zuurstof en de oxydatie der metalen in de lucht onder den invloed van sterke electrische ontladingen.

Omtrent het eerste had hij opgenferkt dat — ingeval de electrische stof werkelijk het phlogiston was of er voor een groot gedeelte uit bestond —- de volumevermindering der zuurstof veel grooter dan ^ gedeelte van het geheel had moeten zijn, aangezien de zuurstof bij phlogistoneering geheel, ot bijna geheel, verdwijnt.1). Ten aanzien van het tweede had hy zicli destijds vergenoegd met de opmerking, dat het vuur eveneens eene tegengestelde werking op de metalen en de oxyden uitoefent, namelijk, beurtelings oxydeerend en reduceerend werkt, al naar gelang de temperatuur hooger of lager is.

Toen Va n M a r u m nu na zijn bezoek te Parijs deze proeven met de toen tot 225 flessehen aangevulde batterij herhaalde, bemerkte hij terstond dat deze beurtelingsche reductie en oxydatie inderdaad slechts van de temperatuur, door do electrische ontlading opgewekt, en van de affiniteit tusschen het metaal en de zuurstof afhankelijk is. Dit punt eenmaal vastgesteld, viel het hem verder niet moeilijk tevens aan te toonen, dat deze processen niet op rekening van het phlogiston mochten worden gesteld, tenzij de phlogis-tiei, in strijd mot den aard dezer stof, aannamen, dat ge-

Alhoewel van Ma rum en Troostwijk in gebreke waren gebleven om deze tegenstrijdigheid, voldoende op te helderen, bemerkten zij toch reeds dat het terugblijvendc deel geen koolzuur was, zooals Priestley beweerde, maar zuurstof, tUe naar de electrische stuf roo/c. (O/.on). Teyler's 2e Gen. III. ITüö. 119.

ocr page 67

lijke oorzaken onf/eljke gevolgen hadden, of met andere woorden; dat liet phlogiston, onder overigens gelijke omstandigheden verschillende uitwerkingen had.

Ten einde echter reeds bij voorbaat de opmerking te voorkomen, dat hij ter verdediging zijner zienswijze nieuwe, onbekende grootheden, affiniteit en temperatuur, invoerde, ondernam hij een reeks van proeven, welke zijn gevoelen omtrent oxydatie en reductie ten volle bevestigden. Daartoe onderzocht hij het gedrag der metalen ouder den invloed der electrische ontlading in gephlogistiseerde lucht, zuurstof en dampkringslucht. De uitslag beantwoordde geheel aan zijne verwachtingen. Bij electrische ontladingen oxydeerden lood, tin en ijzer zich niet in een atmospheer van stikstof, maar wel in zuurstof of lucht. 1 [iermede echter niet tevreden, onderzocht hij ten slotte het gedrag der metalen in water. De toen reeds bekende samenstelling van deze verbinding strekte hem hierbij tot leiddraad. Hij stelde zich namelijk voor, dat de oxydatie der metalen bij sterke electrische ontlading evengoed ten koste van de zuurstof van het water als ten koste van die der lucht kon Q:eschieden. En ook hierin bedroog hij zich niet.

Na vele vergeefsche pogingen toonde hij ten slotte in tegenwoordigheid van de heeren Vriends en Professor Da a men uit Leiden aan, dat de metalen zich onder die omstandigheid in water - en wel in uitgekookt water — onder gelijktijdige ontwikkeling van waterstof oxydeerden.

Deze proef op zich zelf reeds van groote beleekenis ten aanzien van de samenstelling van het water, gaf tevens het phlogiston den genadeslag.

Volgens de phlogistische leer — in welken vorm ook voorgedragen, — bestond oxydatie immers in eene uitstooting of afscheiding van phlogiston, welke afscheiding des te sneller, des te volkomener geschiedde, naarmate de middenstof, waarin dat proces plaats greep, het phlogiston

ocr page 68

53

gemakkelijker opnam. Alle phlugistici nu wareu eenstemmig in hun oordeel, dat water weinig of in 't geheel geen affiniteit tot die stof bezat, bijgevolg geen phlogiston kon opslorpen. Daar liet verschijnsel echter, volgens de evenvermelde proeven van van Ma rum, toch intrad, zoo mocht deze terecht besluiten dat dit oxydatieproces in phlogistischen zin onverklaarbaar was.

Met deze electrische proeven, viel het laatste bolwerk der phlogistici, door hen met groote scherpzinnigheid, met veel beleid en met inspanning van alle krachten verdedigd. Maar wat vermocht dit alles tegen het eenvoudige, en met sprekende proeven gestaafde systeem van Lavoisier, dat hoe langer zoo meer, met nieuwe feiten en ontdekkingen aangevuld, hen noodzaakte, denkbeelden prijs te geven, nog kort geleden als de onomstootelijkste, als de volmaaktste aangeprezen ? En mocht het somtijds al gelukken op grond van nog ten deele onverklaarde processen een wijle stand te houden, dan gebeurde liet niet zelden, dat eigen proeven en ontdekkingen de voorheen verdedigde stelling onhoudbaar maakten. De hypothese der negatieve zwaarte, de waterstof-phlogistontheorie, de theorie der electrische stof in verband met de ontdekking van de samenstelling van het wateren de belangrijke proeven van Van Marum met de groote electriseermachine zijn daarvan een sprekend bewijs. Meermalen wondden zij zich door eigen wapenen, of zagen zij zich gedrongen de van buiten reeds zoo fel bestookte vesting, ten gevolge van onderlinge verdeeldheid, twist en tweedracht, over te geven.

ocr page 69

54

2° 11 OOF D 8 T U K.

Dk bei.angiujkstk puokvkn en ontdekkingen jgt;ik van 1nvloeu zijn geweest ui' ue theorie van lavoisier.

a. Do reductie vlt;ui do metaaloxyden zonder phlogiston. De proef van Bay on.

Raadpleegt men de bekende nota, welke Lavoisier in 1772 der Academie van Wetenschappen aanbood, dan bezit deze in betrekking tot zijne theorie nog geene andere be-teekenis, dan dat hij de reeds lang bekende gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie onder gelijktijdige luchtabsorbtie ook tot andere lichamen als zwavel en phosphorus uitstrekte. In werkelijkheid dus niet meer clan eene herhaling on uitbreiding van de proeven van R e y, Mayow en Halos, en ten aanzien van die van lateien tijd een herhaling van de proeven mot phosphorus van Szathmar, de Smeth en Hann ]).

In hoever hot phlogiston daarbij al of niet werkzaam optrad, liet hij geheel onbeslist. Daarenboven is uit zijne

') til 1771 luid S z ii t li ui a i- aangetoond dat phosphorus, aan de lucht blootgesteld, in gewicht toeneemt. Den 22en November van het/,elfde jaar werden deze proeven door de Hollandsclie Scheikundigen de Smeth en Prot'. llann te Utrecht herhaald met dit gevolg, dat dezen aantoonden dat het gewicht van den phosphorus na zijne ontvlamming ongeveer met Vs quot;as toegenomen.

Men raadplege hierover Dr. J'. de Smeth, Dissertatie de iiere tixo. Ultraj. 1773.

ocr page 70

53

gemakkelijker opiuuu. Alle phlu^istici nu wareu eenstemmig in luin oordeel, flat water weinig of in 't geheel geen affiniteit tot die stof bezat, bijgevolg geen phlogiston kon opslorpen. Daar het verschijnsel echter, volgens de evenvermelde proeven van van Mar urn, toch intrad, zoo mocht deze terecht besluiten dat dit oxydatieproces in phlogistischen zin onverklaarbaar was.

Met dezo electrischc proeven, viel het laatste bolwerk der phlogistic!, door hen met groote scherpzinnigheid, met veel beleid en met inspanning van alle krachten verdedigd. Maar wat vermocht dit alles tegen het eenvoudige, en met sprekende proeven gestaafde systeem van Lavoisier, dat hoe langer zoo meer, met nieuwe feiten en ontdekkingen aangevuld, hen noodzaakte, denkbeelden prijs te geven, nog kort geleden als de onomstootelijkste, als de volmaaktste aangeprezen? En mocht het somtijds al gelukken op grond van nog ten deele onverklaarde processen een wijle stand te houden, dan gebeurde het niet zelden, dat eigen proeven en ontdekkingen de voorheen verdedigde stelling onhoudbaar maakten. De hypothese der negatieve zwaarte, de waterstof-phlogistontheorie, de theorie der elec-trische stof in verband met de ontdekking van de samenstelling van het wateren de belangrijke proeven van Yan Marum met de groote electriseermachine zijn daarvan een sprekend bewijs. Meermalen wondden zij zich door eigen wapenen, of zagen zij zich gedrongen de van buiten reeds zoo fel bestookte vesting, ten gevolge van onderlinge verdeeldheid, twist en tweedracht, over te geven.

ocr page 71

2quot; II O O F D S T U K.

DE BEI.ANGIU.IKSÏE PROEVEN EN ONTDEKKINGEN WIK VAN 1NVLOEU /JJN GEWEEST Ol' IJE ÏHEOllIE VAN LAVOISIEK.

u. De reductie Viiu de metaaloxyden zonder phlogiston. De proef van Ba yen.

Raadpleegt men de bekende nota, welke Lavoisier in 1772 der Academie van Wetenschappen aanbood, dan bezit deze in betrekking tot zijne theorie nog geene andere be-teekenis, dan dat hij de reeds lang bekende gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie onder gelijktijdige luchtabsorbtie ook tot andere lichamen als zwavel en phosphorus uitstrekte. In werkelijkheid dus niet meer dan eene herhaling en uitbreiding van de proeven van Rey, Mayow en Ihiles, en ten aanzien van die van hiteren tyd een herhaling van de proeven met phosphorus van Szathmar, de Smeth en Hann ').

In hoever het phlogiston daarbij al of niet werkzaam optrad, liet hij geheel onbeslist. Daarenboven is uit zijne

') In 1771 had S/at li mar aaiigetooncl dat pliosphoms, aau de luclit blootgesteld, in gewicht toeneemt. Den 22en Novembei- van hetzelfde jaar werden deze proeven door de ILollandsche Scheikundigen de Smeth en Prol', llann te Utrecht herhaald met dit gevolg, dat dezen aantoonden dat het gewicht van den phosphorus na zijne ontvlamming ongeveer met Vf, was toegenomen.

Men raadplege hierover i)r. 1'. dc Smeth, Dissertatio dc tiere-tixo.

Ultraj. 1773.

ocr page 72

beschouwingen daaro.utrent niet met zekerheid af te leiden of de luchtopslorping eene voorwaarde, dan wel eene bijkomeude omstandigheid der verbranding was, alsmede of de lucht in haar geheel, dan wel voor een deel werd geabsorbeerd. In dit opzicht dus een minder juiste waarneming dan die van Mayow, die reeds in 1674 in zijn „tractatus quinque medico-physici, quorum primus agit de sale nitro et spiritu nitro-aereo, secundus de respiratione, tertius de respiratione fetus in utero et ovo, quartus de motu musculari et spiritibus animalibus, ultimus de ra-ehitidequot;1) aantoonde, dat slechts een bepaald deel, de spiritus nitro-aereus der dampkringlucht, bij de verbranding en oxydatie werkzaam was.

ïoen nu Lavoisier in 1774, twee jaar na zyn eerste nota, proefondervindelijk bewees, dat het gewicht der geabsorbeerde lucht vrij nauwkeurig overeenstemde met de gewichtsvermeerdering der metalen na oxydatie en Pierre Bay en in hetzelfde jaar het roode kwikoxyde, de „raercu-rius praecipitatus per sequot; zonder toevoeging van phlogiston reduceerde en daarbij tevens aantoonde, dat het gewicht der opgevangen luchtsoort, welke Priestley gelijktijdig als zuivere lucht beschreef, overeenstemde met het gewichtsverlies van het kwikoxyde, toen, maar ook toen eerst, waven de voornaamste elementen bijeen, welke onder de vaardige hand van Lavoisier tot eene nieuwe ver-brandingstheorie zouden worden verbonden.

Zonder eenigen twijfel bekleedt de proef van Bay en onder dit drietal merkwaardige ontdekkingen eene voorname

') In 1(383 verscheen een Nederlaudsche vertaling van den in 1(581 verschenen nieuwen druk, getiteld; Opera omnia medico-physica tractatibus quinque comprehensa. Editio novissima, liguris aeneis adornata. Hagae-Comituin, apud Arnoldum Leers. Kasteleijn, Cliem. en Pliys. üeteuingeu. 111. 271.

ocr page 73

56

plaats, zoowel wegens hare beteekenis voor de tot op dat tijdstip onaangevochten theorie van Stahl, als wegens de belangrijke gevolgen door B a y e n zelf daaruit afgeleid. Want nog voordat Lavoisier zich omtrent het phlogiston zelf had uitgesproken, of de verbrandings- en oxydatieprocessen als verbindingsprocessen der zuurstof had erkend, ei. eveneens nog voordat Priestley de zuurstof had ontdekt, had Ba yen reeds de groote beteekenis zijner waarneming met betrekking tot de phlogistontheorie doorzien, en begrepen dat deze het middel kon worden om, onafhankelijk van iedere denkbeeldige stof, de oxydatie en de reductie te verklaren. „Ces experiencesquot; —- zoo schreef hij — ') „vont nous détromper. Je ne tiendrai plus le language des disciples de Stahl qui seront forces de restreindre la doctrine sur le phlogistique, ou d'avouer que les précipités mercuriels, dont je parle, no sont pas deschaux métalliques, on enfin qu'il y a des chaux, qui peuvent se réduire sans le concours du phlogistique.quot; En verder; „Les experiences que j ai faites me forcent de conclure que dans la cliaux mercurielle, dont je parle, le mercure doit son état calcaire, non a la perte du phlogistique, qu'il n'a pas essuyé, mais a sa combinaison intime avec le fluide élastique, dont le poids, ajoutc a celui du mercure, est la seconde cause de l'augmentation de pesanteur, qu'on observe dans les précipités, que j'ai soumis a rexamen.quot;

Dat deze proef en de daaraan vastgeknoopte beschouwingen grooten eu overwegenden invloed hebben uitgeoefend op de theorie van Lavoisier, wordt zelfs door de tegenstanders erkend. De la Metherie schroomde niet te verklaren: „C'est cette fameuse experience, qui, quoiqu'on

') Jounuil tie Physique. 1774. 2SS—395.

0

ocr page 74

n'ait pas cité son auteur, a servi de base a toute la nouvelle doctrine. Aussi on pourrait presque appeler cette doctrine le systhne de M. Bayenquot;

Gren, een der heftigste bestrijders dezer proef, erkende: „Diese, bey fier oluie brennbaren Zusatz bewürckten Reducirung des Quecksilberkalkes, entwickelte und zura Yorschein kommende deplilogistisirte Luft und die damit verkniipfte quot;Wiederabnahme des absoluten Gewiekts des wiederhergestellten Queeksilbers ist die Grundfeste und die liauptsachlichste Stütze, worauf sowohl Scheele, als audi Hr. Lavoisier ihre bekannte Theorie des Verbrennens und der Verkalkung baueten.quot; ~)

Deze uitspraak van deze beide gezaghebbende scheikundigen is in vele opzichten zeer juist. In vergelijking met de ontdekking der zuurstof, en met die van Lavoisier ten aanzien van bet verband tusschen de gewichtsvermeer-dering der metalen na oxydatie en de verbruikte lucht, is die van Laven, vooral ook omdat hij tegelijk vaststelde, dat het gewicht van de ontwikkelde zuurstof overeenstemde met het gewichtsverlies van het kwikoxyde, van veel grooter beteekenis voor de antiphlogistische theorie dan de beide andere, hoe groot hare beteekenis, ieder op zichzelf beoordeeld, ook zijn moge.

De ontdekking van Lavoisier en Priestley toch was slechts eene herhaling, ten deele ook eene uitbreiding van die van Boyle, Mayow, Hales en Key. Die van 13 a yen was nieuw en rechtstreeks tegen het phlogiston gericht. Met deze werd het aandeel van het phlogiston bij reductie althans voor goed uitgesloten.

Geen wonder dat een proef van zoo wijde strekking

^ Jounuil da Physique. nS'^K Part. XXXI \. pag. 24. -) (i reu, Hmidlmeii der Ohemie. U, 1SÜ.

ocr page 75

58

een onderwerp werd van eene uitvoerige gedachten wisseling, zoowel tusschen de strijdende partijen, als tusschen de phlogistici onderling. Sommige voorstanders van het phlogiston, met de la Mether ie aan het hoofd, waren ten volle van de moeilijkheid overtuigd om haar in phlogistischen zin te verklaren r). Anderen daarentegen trachtten aanvankelijk hunne tegenstanders te overtuigen, dat zy op een valsche waarneming rustte, totdat zij later, van het tegendeel overtuigd, haar. evenals de overigen, naar phlogistische beginselen beproefden uit te leggen.

Tot de heftigste en hardnekkigste bestrijders van de proef behoort Gren, bijgestaan door de bekende Scheikundigen Westrumb en Trom nis dort. Zijn verzet sproot ten deele voort uit gebrekkige proefnemingen, ton deele ook uit ingenomenheid met zijn oigen stelsel, dat geen reductie in den zin van B a y e n toeliet.

Daar Gren ook in dit opzicht met zijn gezag de toongever was, is het tot recht begrip van de quaestie noodzakelijk zijne denkbeelden aangaande de vorming, samenstelling en ontleding van het kwikoxydo eenigszins nader te ontvouwen.

Gren onderscheidde twee soorten van rood kwikoxyde, nl. het zoogenaamde mercurius praecipitatus ruber en het zoogenaamde mercurius praecipitatus per se. Het eerste werd bereid door verhitting van kwiknitraat, het andere door langdurige verhitting van kwik aan de lucht Het eerste liet zich onder ontwikkeling van gedephlo-gistiseerde lucht bij gloeihitte reducceren, het tweede was, mits versch bereid en nog hevt zijnde, vuurbestendig. „AVonn

') Les partisans du phlogistique,quot; solireet'cl e la M e t li e r i e, quot;lie nieut point la force de cette experience, et je couviens (pie c'est même la senie, qni presente une diftioulté veritable.quot;

Journal de l'hysique. 1789. Part. XXXIV. jiai;'. :52.

5*

ocr page 76

59

der ganz frisch bereitete, noch heisze Quecksilborkalk in einer Retorte in Verbinding mit dem pneumatisch-chemi-schen Apparate ohne brennbaren Zusatz hergcstellt wird, so erhalt man keiae Spur von dephlogistisirter Luft odor sonst etwas Fliissiges ans ihm 1). Had echter ook bij dit laatste zuurstofontwikkeling plaats, dan geschiedde dit alleen ten gevolge van eene verbinding van de warmtestof uit de aangewende warmtebron met het water dat onder of na de bereiding door het kwikoxyde uit de lucht was opgeslorpt.2) Water was dus hierbij onmisbaar.

Van verschillende kanten werden tegen deze zienswijze gewichtige bedenkingen in het midden gebracht. Tot de scheikundigen, die zich hierbij het meest hebben onderscheiden, behooren B e r t h o 11 e t, 3) Van M o n s, S c h e r e r,5) Hermbstadtquot;) en G i r t a n n e r

Berthollet beproefde te bewijzen, dat de zuurstofontwikkeling inderdaad met versch en nog heet kwikoxyde plaats had. Ongelukkiger wijze nam hij de proef met het M. P.s) ruber, waarvan Gr en had toegegeven, dat zuurstofontwikkeling mogelyk was, en waarop hij zich dan ook ter weerlegging van Berthollet beriep. Had G r e n echter de beschrijving van Berthollet's proef met meer aandacht gelezen, dan had hij zich allicht kun-

') Greu, Hundbucli der Chemie. II. 2. 190.

2) G r e ii, 1. c. 194.

;') 15 e r t ii o 11 e t, Annates de Chemie. Tom. Xf. 15.

'J Journal der Physik. 15d. V. 4.

5) Jacquin, Collectanea. T. I\'.

6) Hermbstadt, Bibliothek der neuesteii physisch-chemischen Lile-ratur. 13d. IV. 06.

') Antiphlo^'stisclie Chemie. 73.

quot;) .M. P. = Mercurius pniecipitatus.

ocr page 77

60

nen overtuigen, dat „lu reduction des oxydes de mercure les plus recents et le dégagement d'air vital, ne sont point une suppositionquot; maar een door B e r t li o 11 e t op nieuw bewezen feit. Tevens zou hij bemerkt hebben, dat B e r-thollet met deze proef niet de reductie van het versch bereide en nog heete M. P. ruber beoogde, waarvan Gr en beweerde, dat tot op dat tijdstip geen zoodanige proeven waren genomen Ook zou by gezien hebben, dat deze scheikundige volkomen terecht mocht verklaren; „lei l'oxyde vient d'etre formé immcdiatement avant de se réJuire, il n'a pas eu le contact de l'air; il n'a pu en attirer Thumi-dité et il a éprouvó avant de se réduire, toute la chaleur qu'il a pu supporterquot; z). De proef was inderdaad zoo ingericht, dat twijfel dienaangaande onmogelijk was. Gr en scheen daarvan dan ook wel overtuigd, want, na zich eerst met de onbeduidende opmerking „dat B e r t h o liet hem niet had begrepenquot; van de moeilijkheid te hebben afgemaakt, ontweek hij later de quaestie door eene andere maar geheel van de vorige afwijkende voorstelling, n. 1. deze: dat de zuurstof in dit geval niet afkomstig was van het opgeslorpte water, maar van het aanhangende salpeterzuur1). Gr en's tegenstanders beriepen zich nu wel op Priestley en S c h e e 1 e, doch in dezen stand der quaestie kon een beroep op dezen niet baton, wijl er geen zekerheid bestond, dat het door hen gebezigde kwikoxyde M. P. ruber of per se was geweest. Beiden toch hadden het oxyde niet zelf bereid, maar van elders gekregen

1

) G r e n, Journal der Physik. VI. 30.

ocr page 78

n'ait pas cité son auteur, a servi de base a toute la nouvelle doctrine. Anssi on pourrait presque appeler cette doctrine le système de M. Bayenquot; ').

Gren, een der heftigste bestrijders dezer proef, erkende: „Diese, bey der ohue brennbaren Zusatz bewürckten Reducirung- des Quecksilberkalkes, entwickelte und zutn Yorsclnnn kommende dephlogistisirte Luft und die damit verknüpfte Wiederabnahme des absoluten Gewiekts des wiederhergestellten Quecksilbers ist die Grundfeste und die liauptsachlichste Stütze, worauf sowohl Scheele, als audi Hr. Lavoisier ihre bekannte Theorie des Yerbrennens und der Verkalkung baueten.quot; 3)

Deze uitspraak van deze beide gezaghebbende scheikundigen is in vele opzichten zeer juist. In vergelijking met de ontdekking der zuurstof, en met die van Lavoisier ton aanzien van het verband tusschen de gewichtsvermeer-dering der metalen na oxydatie en de verbruikte lucht, is die van Ba yen, vooral ook omdat hij tegelijk vaststelde, dat het gewicht van de ontwikkelde zuurstof overeenstemde met het gewichtsverlies van het kwikoxyde, van veel grooter beteekenis voor de antiphlogistische theorie dan de beide andere, hoe groot hare beteekenis, ieder op zichzelf beoordeeld, ook zijn moge.

De ontdekking van Lavoisier en Priestley toch was slechts eene herhaling, ten deele ook eeue uitbreiding van die van Boyle, Mayow, Hales en Key. Die van Ba yen was nieuw en rechtstreeks tegen het phlogiston gericht. Met deze werd het aandeel van het phlogiston bij reductie althans voor goed uitgesloten.

Geen wonder dat een proef van zoo wijde strekking

') Journal de Physique. Us''. Part. XXXEV. pag'. 24. -) (i reu, iImulbucii der Oberaie. 11. i. 18'J.

ocr page 79

58

een onderwerp werd van eene uitvoerige gedachten visseling, zoowel tusschen de strijdende partijen, als tusschen de phlogistic! onderling. Sommige voorstanders van het phlogiston, met de la Mether ie aan het hoofd, waren ten volle van de moeilijkheid overtuigd om haar in phlogistischen zin te verklaren1). Anderen daarentegen trachtten aanvan-•jv kelijk hunne tegenstanders te overtuigen, dat zij op een

valschc waarneming rustte, totdat zij later, van het tegendeel overtuigd, haar, evenals de overigen, naar phlogistische beginselen beproefden uit te leggen.

Tot de heftigste en hardnekkigste bestrijders van de proef behoort Gr en, bijgestaan door de bekende Scheikundigen Westrumb en Trommsdort. Zijn verzet sproot ten deele voort uit gebrekkige proefnemingen, ten deele ook uit ingenomenheid met zijn eigen stelsel, dat geen reductie in den zin van B a y e n toeliet.

Daar Gr r e n ook in dit opzicht met zijn gezag de toongever was, is het tot recht begrip van de quaestie noodzakelijk zijne denkbeelden aangaande de vorming, samenstelling en ontleding van het kwikoxyde eenigszins nader te ontvouwen.

Gr en onderscheidde twTee soorten van rood kwikoxyde, nl. het zoorjenaamde mercurlus praecipitalus ruber en het zoogenaamde mercurlus praecipitatus per se. Het eerste werd bereid door verhitting van kwiknitraat, het andere door langdurige verhitting van kwik aan de lucht liet eerste liet zich onder ontwikkeling van gedephlo-gistiseerde lucht bij gloeihitte reduceeren, het tweede was, mits versch bereid en nog heot zijnde, vuurbesteudig. „ Wcnn

') Les partisans du phlogistique,quot; sclireet'tl e la Me tb er ie, »ne nieiit point la force de cette experience, et je conviens (pie e est mume la seule, qni présente nne difticnlté veritable.quot;

Journal de l'hysique. ITS1.). Part. XXXIV. pag. 'M.

ocr page 80

59

der ganz frisch bereitete, noch heisze Quecksilberkalk in einer Retorte in Verbinding mit dem pneurnatisch-chemi-sehen Apparate ohne brennbaren Zusatz hergcstellt wird, so erhiilt man keiae Spur von dephlogistisirter Luft oder sonst etwas Fliissiges aus ilim Had echter ook bij dit laatste zuurstofontwikkeling plaats, dan geschiedde dit alleen ten gevolge van eene verbinding van de warmtestof uit de aangewende warmtebron met het water dat onder of na de bereiding dooi' het kwikoxyde uit de lucht was opgeslorpt.3) Water was dus hierbij onmisbaar.

Van verschillende kanten werden tegen deze zienswijze gewichtige bedenkingen in het midden gebracht. Tot de scheikundigen, die zich hierbij het meest hebben onderscheiden, behooren B e r t ho 11 e t, 3) Van M o n s, S c h e r e r,5) Hermbstadt0) en G i r t a n n e r 7).

Bert hol let beproefde te bewijzen, dat de zuurstofontwikkeling inderdaad met versch en nog heet kwikoxyde plaats had. Ongelukkiger wijze nam hij de proef met het M. P. 8) ruber, waarvan Gr en had toegegeven, dat zuurstofontwikkeling mogelijk was, en waarop hij zich dan ook ter weerlegging van Bert hollet beriep. Had Gren echter de beschrijving van B e r t h o 11 et's proef met meer aandacht gelezen, dan had hij zich allicht kun-

') Greu, llaiidbuch der Chemie. 11. 2. 190.

-') (i r e ii, 1. c. 194.

;l) 15 e r t li o 11 e t, Aunules de Chemie. Tom. Xl. 15.

4) Journal der Physik. Bd. V. 4.

s) Jacquin, Collectanea. T. IV.

6) Hermbstadt, Bibliothek der neuesten physisch-chemischen Lite-ratur. Bd. IV. G6.

') Antiphlo/stische Chemie. 75.

s) -M. I'. — -Mercurius praecipitatiis.

ocr page 81

60

nen overtuigen, dat „la reduction des oxydes de mercure les plus récents et le degagement d'air vital, m so ut point une suppositionquot; maar een door Bert hollet op nieuw bewezen feit. Tevens zou hij bemerkt hebben, dat B e r-thollet met deze proef niet de reductie van het versch bereide en nog heete M. P. ruber beoogde, waarvan Gr on beweerde, dat tot op dat tijdstip geen zoodanige proeven waren genomen Ook zou hy gezien hebben, dat deze scheikundige volkomen terecht mocht verklaren; „lei l'oxyde vient d'etre formé immédiatement avant de se réJuire, il n'a pas eu le contact de l'air; il n'a pu en attirer l'humi-dité et il a éprouvé avant de se réduire, toute la chaleur qu'il a pu supporterquot; 1j. De proef was inderdaad zoo ingericht, dat twijfel dienaangaande onmogelijk was. Gr en scheen daarvan dan ook wel overtuigd, want, na zich eerst met do onbeduidende opmerking „dat Bert hellet hem niet had begrepenquot; van de moeilijkheid te hebben afgemaakt, ontweek hij later de quaestie door eene andere maar geheel van de vorige afwijkende voorstelling, n. 1. deze: dat de zuurstof in dit geval niet afkomstig was van het opgeslorpte water, maar van het aanhangende salpeterzuur2). Gr en's tegenstanders beriepen zich nu wel op Prie s tley en Scheele, doch in dezen stand der quaestie kon een beroep op dezen niet baten, wijl er geen zekerheid bestond, dat het door hen gebezigde kwikoxyde M. P. ruber of per se was geweest. Beiden toch hadden het oxyde niet zelf bereid, maar van elders gekregen 'J.

1

s) Annates de Chemie. XL 15.

2

') Gren, Journal der Physik. VI. 30.

ocr page 82

()1

Na deze mislukte pogingen om Gr r e n tot ander inzicht te brengen, vorderde men, dat hij de proef, waarbij het M. P. per se geen levenslucht afstond, zou herhalen, dewijl eene bevestiging daarvan de geheele theorie van L a v o i s i e r kon omverworpen. In plaats van rechtstreeks aan dien eiscli te voldoen, wendde hij gebrek aan tijd voor. Tegelijkertijd verwees hij echter naar een proef van Wes t r u m b, die hem den 15en Juni van het jaar 1792 had bericht, dat hy met het door hemzelf bereide kwikoxyde geen enkele luchtbel, maar wel water verkregen had l). G r e n was mot deze proef zoo ingenomen en hield haar voor zoo beslissend, dat hij thans niet alleen volhield, dat allen, die beweerden uit zuivere kwikkalk levenslucht te hebben verkregen, het M. P. ruber hadden gebezigd, maar nog sterker, dat het antiphlogistische stelsel hiermede was overwonnen. Hieromtrent schreef hij: „A\ an-neer de Heer Grirtanner in zijne Antiphlogistische Chemie beweert, dat den len Augustus 1774, op welken dag Priestley de gedephlogistiseerde lucht het eerst ontdekte, als de geboortedag van de antiphlogistische chemie te houden is, dan mag hij er thans wel bijvoegen, dat de dag, op welken bevestigd werd, dat de ware, zuivere kwik-zilverkalk geen dephlogistique lucht bij bare reductie op zichzelve levert, de sterfdag van dat stelsel is. De natuur- en scheikundigen, die al te voorbarig aan hetzelve hulde bewezen, mogen thans veilig hun oxygcne1 hijdrogènc en azote naar de prullekraam van hersen-schiimnen verwijzen. Het zal niet ontbreken aan de zoo-

') Zeigen sie den Erfolg dieses meines mm so oft mederhoUen Yer-suche duvch ilir Journal, oder wie es ilmen soust gut diiuclit, auf die gegnerisclien Anzeigen der Herren Berthollet und allen denen an, Welche daran gelegen seyn kann nnd muss. G r e n, Journal der Physik. Tl. 33,

ocr page 83

()2

(lanigen, die, daar zij eenmaal, om de mode te volgen, liet stelsel van hei phlogiston hebben afgezworen, hiertegen uitvluchten zoeken zullen ; met den tijd evenwel zal toch eindelijk eens de waarheid wederom ingang vinden.quot; ')

Gir tanner liet de uitdaging van Gr en niet lang onbeantwoord. Doch in phiats van aan de nitnoodiging gevolg te geven, om, naar aanleiding der proeven van quot;Westrumb, den sterfdag van het antiphlogistische stelsel aan te kondigen, besloot iiij die proeven aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Het gevolg hiervan was, dat hij ze niet in strijd vond met hot stelsel van Lavoisier; integendeel, dat zij dit bevestigden. Deze proeven, nog in hetzelfde jaar in de Algemeeno Literatur-Zeiiung medegedeeld, en meer ten doel hebbende om verklaring van de watervorming te geven, dan oin de reductie van het kwikoxyde te bewijzen, die z. i. geen bewijs meer behoefde, gaven ondubbelzinnig blijk van zijne grondige kennis van het antiphlogistische stelsel ~). Op grond van de langwijlige bereiding van het M. P. per se, welke 10 of 11 maanden vereischte, oordeelde Girtanner het o. a. zeer natuurlijk, dat zich, gedurende dit tijdsverloop, stof in het werktuig, in de kolf en vooral in het bovenste deel, in den langen hals, had verzameld. Dit stof nu, zich telkens bij het uitschudden met het kwikoxyde vermengend, was de oorzaak van de watervorming, en wel in dier voege, dat de bij verhitting vrij komende waterstof van de organische stof zich met de zuurstof van het kwikoxyde tot water vereenigde. „DeHeerGrenquot; — zoo besloot hij op zijne beurt — mag derhalve zonder de minste bedenking zijn positief-zwaar phlogiston aan eene

ï) P. J. Kaateleiju, Chenu en Phys. Oef. II. 330, 3) Intelligenzblatt der Algemeine Literatur-Zeiturig. No. lU5. Aug. 1792. 871. Gr en, Journal der Pliysik. ILL 41ü.

ocr page 84

63

altijd durende vergetelheid overgeven, even zooals hij zich reeds genoodzaakt heeft gezien, zijn negatief-zwaar ■phlogiston te doen. Een zoo vast gegrond stelsel als het anti-phlogistische is, t welk op vele honderden proeven rust, laat zich niet zoo licht door één enkele proef omverwerpenquot;

Welke waarde aan deze uitspraak van Girtanner is te hechten, willen wij voor 't oogenblik in het midden laten. Zonder twijfel was er wel het een en ander op af te dingen. Haar echter, zooals Gren deed, voor „aus der Luft gegriffenquot; te verklaren, was op zijn zachtst geoordeeld voorbarig en niet gemotiveerd. Beter ware het ge-woest, als hij het voorbeeld van Westrum b had gevolgd, dio zicli ook wel van machtspreuken bediende,2) maar tegelijkertijd ook proefondervindelijk bewees, dat de water-vorming in dit geval niet met organisch stof in verband stond.

Om namelijk het invallen van stof te verhinderen, had West rumb bij eene herhaling zijner proeven de punt van de afvoerbuis, drie duim van de opening af, naar heneden omgebogen en dit omyebocien deel ten overvloede in een buisje gestoken. Toen hij nu met dezen toestel op nieuw water verkreeg, achtte hij het bewijs geleverd, dat aan de vorming daarvan geen organisch stof had deelgenomen. Tevens versterkte deze proef zijn gevoelen omtrent de niet-redu-ceerbaarheid van het M. P. per se op nieuw, ofschoon het

') X a s t e 1 e ij n, 1. c. 11. 341.

-) //Getahrlicher fiirs Oxygen, hir die Treue nnd Wahrlieitsliebe Jer Autiplilogistiker hiitte er (Girtanner) nicht reden diirfen. Wo bleiht sie nun diese hocligepriesene Iteinlichkeit, Genauigkeit und Trens im Er/ahlen und Arbeiten. War ihr Oxide (Je Mercure par t'ex nicht in einem Laboratorium, wo Leute wandeln, nicht in einem Kolben mit oH'euer Miindung, sondern in einem geheimen Cabinette und in versiegelten Kolben bereitet?quot; Gren, Journal der Pliys. VI. 119.

ocr page 85

64

hein wel bevreemdde dat de eene partij steeds water en geen zuurstof, de andere juist tegen overgestelde uitkomsten verkreeg.

Dan niet alleen voor Westrum b en Gren, ook voor Hermbstadt — kort te voren tot liet antiphlogistische stelsel bekeerd. ') was Girtanner's verklaring ontoereikend. Intusschen is die, welke Hermbstadt daarvoor in de plaats gaf, n.1. dat het water zyn ontstaan te danken heeft, aan de waterdamp, in de poriën der lucht en in de gebezigde vaten aanwezig, niet veel beter. Verkieslijker was het althans — hetgeen hij kort daarna deed — om het aan hot water, ter afsluiting van den toestel gebezigd, toe te schrijven 1).

Met deze onderstellingen en gezochte verklaringen werd do quaestie intusschen niet opgelost. Integendeel, het gaf aan de tegenstanders nieuwe wapenen in de hand. Dezen merkten terecht op dat mannen, die zeker van hun zaak waren, zich niet van dergelijke oppervlakkige uitvluchten behoorden te bedienen, vermits hun testensjesteld gevoelen

' O O o

dan even weinig vertrouwen inboezemde als het hunne2).

Intusschen bleven de meeningen aangaande dit proces en de daarbij plaatsgrijpende verschijnselen zeer verdeeld.

Schiller in Rotenburg, 3) Trommsdorf te Erfurt3)

1

-) Gren, Journal der Physik. VI. 428.

llermbstiidt had kort voor zijn overgang tot het antiphlogistische stelsel onderscheidene malen in tegenwoordigheid van zijn toehoorders de reductie van kwikoxyde uitgevoerd, zoodat hij voor zichzelf van de mogelijkheid daarvan overtuigd was. (Bibliothek der nenesten physisch-chemischen Literatur. 1792 IV. 06.

2

) Kasteleijn, Chain, en Piiys. Oef. 11. 378.

3

Gren, Jo.irnal der Physik. VI. 119.

ocr page 86

verkregen, deels gelijke, deels ongelijke uitkorasten als quot;Westrurab. Pechier ^ Hermbstadt, Klaproth en Karsten daarentegen bevestigden de proef van Bay en.

Schiller verrichtte baar herhaaldelijk met zelf vervaardigd kwikoxyde, maar verkreeg slechts één enkde maal zuivere lucht. Trommsdorf deed in tegenwoordigheid van Hecker en Meijer gelijke proeven als We strum b, doch met dit verschil in uitkomst, dat hij noch water, noch zuurstof bekwam. Pechier, van een bezoek aan Gr r e n in Halle te Berlijn teruggekeerd, verrichtte op uit-noodiging van Klaproth met door Br an de te Londen vervaaldigd kwikoxyde, in tegenwoordigheid van Klaproth zelf, van H e r m b s t a d t en den Be r graad K a r s t e n, eveneens dezelfde proeven, doch met dit gevolg, dat het kwikoxyde, onder ontwikkeling van een gas, waarin een glimmende houtspaan op nieuw ontvlamde en een stalen veer verbrandde, volkomen werd gereduceerd, terwijl het gewicht van het opgevangen gas geheel met het gewichtsverlies van het kwikoxyde overeenstemde. Ten einde de meermalen gemaakte opmerking te ontzenuwen, dat men aangaande het van elders verkregen kwikoxyde geen zekerheid had of dit kwikoxyde per se of kwikoxyde ruber was, beschreef hij ten overvloede nauwkeurig de kenmerken, waaraan men beide soorten herkennen kon „le premier présente des cristaux plus gros reguliers compacts et applatis, (Tune couleur foncée, tandis que le second ri offre que des espèces de paillettes cVun rouge oranyéquot;).

Deze overtuigende proeven, door Hermbstadt daar-

i) ilcsultat de deux expérienees sur Ie dugagemeiit du gns oxigune pal' In reduction de l'oxide de Mercure rouge, autrement dit: Mercure préei-pité per se. (G r e u, Journal der Phys. VI, 420).

-} Gren, Journal des l'hys. VI. 121.

ocr page 87

6()

cuboven nog tweemaal, eens met door hemzelf en een andermaal met een door Behrens vervaardigd M. P. per se herhaald, gaven eerstgenoemde aanleiding om de oorzaak op te sporen waaraan het was toe te schrijven, dat West-r u m b en anderen telkens tegengestelde uitkomsten verkregen. Het had namelijk zijn aandacht getrokken, dat We strum b, in weerwil van de even vermelde proeven, beslist bleef volhouden, nooit een enkele luchtbel: welke ook, te hebben gekregen, terwijl hij toch minstens de gewone, in het vat opgesloten lucht had moeten opvangen.

De oorzaak van deze geheel negatieve uitkomst lag, naar H ermbstadt zeer terecht opmerkte, of in den toestel, öf in den proefnemer, of in beide.

Het is niet onwaarschynlijk dat hij ditmaal den spijker op den kop sloeg. W es t rum b toch had kolf en afvoerbuis door middel van op linnen gestreken gips aan elkander gelu-tcerd. H er mb s tad t veronderstelde nu, dat het lutum, zoodra het droog was, niet nauwkeurig aan het glas hechtte, dus lucht doorliet: „ Wenn hier der Gipshitt anf den glatten glasernen Gefassen sich lösen konnte1 so liesse sich denn audi sehr wohl begreifen, warinn hier keine Lx ft auch nicht ein Bliischen zum vorschein ham, ja auch nicht einmal die gemeine Lu ft a us den Gef assen; denn sie musste sich durch das Lutum di-angen.quot;

Deze onvolkomen sluiting van het lutum was tevens oorzaak dat het water of het kwik, ter afsluiting van den toestel gebezigd, na afloop van de proef en bekoeling van den toestel niet in de afvoerbuis omhoog steeg, hetgeen toch moest gebeuren, ook dan, als er bij verhitting van kwikoxyde volgens Westrumb slechts water werd uitgedreven. Was Hermbstadt's onderstelling juist — en daartoe beslaat alle grond — dan was de negatieve uitkomst van West rum b's proeven opgehelderd eu mocht hij ten aanzien van dit punt met recht zijn,, in vele

ocr page 88

67

opzichten, merkwaardig opstel met de woorden sluiten: „ Der Grundpfeiler stehet fest, iind auf ihrn musz das game antiphlogistische Systeem jedem Stunne Trotz bieten

Mocht men na deze overtuigende proeven, door het keurkorps der Duitsche scheikundigen verricht, verwachten, dat het pleit ten voordeele van Bay en was beslecht, dan werd men in die verwachting teleurgesteld en rekende men niet op de spitsvondigheid van Gr en.

Deze, ofschoon erkennende, dat door de gemelde proeven althans feiten tegenover feiten waren gesteld, trachtte door eene allerzonderlingste berekening, welke wij niet nader zullen ontwikkelen, aan te toonen, dat het gewicht van de opgevangen zuurstof niet overeenstemde met het gewichtsverlies van het kwikoxyde. En ten aanzien van de door TIermbstadt, met betrekking tot do proeven van quot;Westrumb gemaakte bedenkingen, bediende hij zich weer van machtspreuken, die, evenmin als de overige die bedenkingen ophieven 1).

Westrumb had, zoo betoogde hij, goene uitvoerige beschrijving zyner proeven gegeven 2), wijl deze het niet de moeite waard achtte, omstandigheden te beschrijven, die niet onmiddellijk met het betoog in verband stonden. In-tusschen in de engte gedreven en gevoelende dat ook hij feiten tegenover feiten moest stellen, herhaalde hy de proeven van Pech ie r, Hermbstadt, Klaproth en Kar sten,

1

-) Een weerlegging der bedenking van G re n omtrent de hoeveelheid vim het ontwikkelde gas, plaatste Hermbstadt in de Annalen van Crell, daar Gren hem zijn stuk, zonderling genoeg, onder voorwendsel van gebrek aan plaatsruimte, terug had gezonden. (Gr e 11, Chem. Annalen. 1793. P. J. K a s t e 1 e ij n Chem. en Phys. Oef. II. 429).

Later erkende Gren evenwel in zijne berekening te hebben gefaald. (Gren, Journal der Phys. VII. 153).

2

) Maar waartoe dan de beschrijving van de omgebogen buis en het lutum?

ocr page 89

68

doch niet met mercurius praecipitatus per se, maar reet aethiops mercurius per se of zwart kwikoxyde, dat bovendien zeer onzuiver was en lood en tin bevatte. De uitkomst hiervan was, dat hij thans gewone lucht en water maar geen zuurstof opving l). Dan, niettegenstaande deze proef zijn gevoelen scheen te bevestigen, verklaarde hij nog in hetzelfde opstel — doch zonder nadere aanduiding der oorzaken — tot andere inzichten te zijn gekomen Aan het slot hiervan lezen wij; „Niettegenstaande ik dus uit de zwarte kwikkalk geen zweem van gedephlogisti-seerde lucht verkreeg, welke ze nochtans volgens het stelsel der oxygenisten had moeten leveren, zoo stem ik thans toe, dat de roode, in het vuur bereide kwikkalk bij de herstelling gedephlogistiseerde lucht leveren kan, doch ik stem niet toe dat ze dezelve op zichzelve levert, maar ik beweer, dat ze die lucht alleen in zoover levert, voor zoover ze water bezit, en dit water tot aan de ffloeiiiiquot;'

' Co

terughoudt:3).

Met deze stelling nam de strijd een andere wending. Had G ren tot nog toe vol gehouden dat het M. P. per se niet op zichzelf door verhitting kon worden hersteld, thans erkende hij dat die reductie op deze wijze mogelijk was, doch onder voorbehoud, dat de zuurstofontwikkeling niet moest worden toegeschreven aan eene ontleding vau het kwikoxyde in kwik en zuurstof, maar aan eene verbinding van warmtestof met water. Bijgevolg eischte hij dat de antiphlogistioi het bewijs zouden leveren, dat deze

') Gren. Jouni. der Phys. VI. 44i.'—446.

-) De meest waarschijnlijke oorzaak is misschien eene verliandeiiiia: van De. Luc. waarin deze beweerde //dasz das Wasser den ponderabeln Theil aller Luftarten und insbesondere das der Lebensluft ausmachen helfequot;. Gren beriep zich ten minste op deze nitspraak. G ren, Journal der Phys. TI. 147. '') P. J. Kastel e ij ii, (Jhem. en Phys. Oef. H. 403.

ocr page 90

61)

reductie zonder tusschenkomst van water kon plaats hebben. Hierin werd hij krachtdadig ondersteund door Trommsdorf. Deze had hem den 1 ()L'n Maart 1793, een beschrijving- van eene reeks proeven gezonden, allen met het doel ondernomen om ten aanzien van dit punt zekerheid te verkrijgen en iederen twijfel op te heften De uitslag daarvan was, dat hij, niettegenstaande Herm-stildt, Klaproth, van Mons, Lam padius en m. a. meermalen hadden aangetoond, dat ook volkomen droog, even goed als vochtig kwikoxydebij verhitting levenslucht ontwikkelen kan 2), volhield, dat geen van allen ooit met droog m-Aamp;rsteeds met icaterhoudend, kwikoxyde hadden geëxperimenteerd, wijl zelfs het versch bereide, nog heete oxyde water opnam, hetzij uit de dampkringslucht onder het wegen, hetzy uit het condensatiewater der niet genoegzaam verhitte retort of uit de in het geheel niet verhitte afvoerbuis. Onwillekeurig is men dit lezende geneigd aan een pas-klaar-maak-methode te denken. Toch is zulks geenszins hot geval. Op grond van een proef, zevenmaal met deuzelfden uitslag herhaald, hield Trommsdorf zich vast overtuigd, dat het water en de warmtestof in dit proces de eenige oorzaken waren van de zuurstofontwikkeling. Hij was zelfs zoo zeker van zijne zaak, dat hij verklaarde geen enkele proef meer te zullen nemen en als scheikundige geheel ongeschikt te zijn als anderen onder dezelfde voorwaarden zuurstof verkregen :j). Toen wij echter lazen hoe de proef, waaraan Trommsdorf die zekerheid ontleende, was ingericht, kwam het ons zeer begrijpelijk voor, dat cr onder

]) Kasteleijn, Clieiu. eu i'liys. Oef. IL 426.

-) van M o u s had liierbij voor de eerste maal kwikoxyde gebezigd, rechtstreeks door verhitting van kwik met zuurstof verkregen. Kasteleijn, 1. c. 119—126.

s) K a s t e 1 e ij n, Chem. en Phys. Oef. II. 437.

ocr page 91

70

zulke omstandigheden geen zuurhtofontwikkeling plaats had. Hij experimenteerde namelijk met kwikoxyde, dat geen kwik-uxyde meer was, dewijl hij het vooraf zoolang gegloeid had totdat het 40 percent in gewicht was afgenomen l). Intus-schen hadden Hermbstadt en Van Mons door nieuwe proeven, kort daarna in het Intelligenzblatt der Alg. Literatur-Zeitung 2), iu het Journal van Gren3) en in de Chem. en Phys. Oefeningen van 1'. J. K as tele ij n ') verschenen, de reductie van het kwikoxyde door verhitting bewezen.

Hermbstadt had namelijk den 3UI1 April 1793 een van Westr u in b ontvangen hoeveelheid kwikoxyde, waaruit deze geen zuurstof had verkregen, onder de noodige voorzorgen met betrekking tot het water, in tegenwoordigheid van den Graaf v o n R h e d e n, Baron v o n H u m b o 1 d t, Professor A bi Ig aard, Prof. Wolff, Prof. Erman, Doctor L a m p e, Apotheker R o s e, R e 11 b e r g, E i m b k e, Struensee, Rourguet en Suersen, en bijgestaan door Klaproth, onder ontwikkeling van zuurstof volkomen gereduceerd5) en kort daarna onder toezicht van Prof. R e h r e n s, R i b b i n i, Wa 11, Prof. A b i 1 g a a r d, den Graaf M o u s s i n - B u s c h k i n. Prof. Iv n a p,

') K a s t e 1 e ij n, Chem. en i'liys. Oef. II. 1-2S.

2) No. tü. 3 April 1793.

:l) .lounuil der Pliys. Bel. VII. 333—3-1-7.

) K a s t e 1 e ij ii, Chem. en Phys. (Jet' II. 433.

■') Kastel eijn, Chem. en I'hys. Oef. II. 13U. Hierbij zij nog vermeld (hit Hermbstadt aan firen, Lichtenberg, Mayer, Crell en Westruinb eene kleine hoeveelheid van zijn kwikoxyde had toegezonden met verzoek om daarmede zijne proeven te herhalen, ten einde langs dezen weg zoo onpartijdig mogelijk omtrent dit punt lot zekerheid t? geraken. ^Intelligenzblatt der Alg. Literatnr-Zeitnng 1793. Nu. 35. ili Maart.

ocr page 92

71

Prof. S i c h, Baron v o n Humboldt, R e 11 b e r g en L a m p a cl i u s met zelf vervaardigd kwikoxyde met deozelfden uitslag herhaald

Onafhankelijk van en bijna gelijktijdig (24 Juni 17!)3) met Hermbstadt had van M o n s dezelfde uitkomst verkregen. Een enkele maal slechts had deze behalve zuurstof ook een druppel water opgevangen 3).

Niettegenstaande deze proeven dus aan de eischen, door G ren gesteld, voldeden en verricht zijn met een nauwkeurigheid, die, voor dien tijd althans, bewonderenswaardig mag heeten, bleef hij volhouden, dat de zuurstofontwikkeling, bij gloeihitte van metaalkalken, slechts dan mogelijk was, voor zooveel deze laatsten wezenlijk water bevatten. Hij beriep zich ten dezen op nieuw op de proeven van Trommsdorf en Westrumb en zelfs op de even-vermelde van v a n M o n s.

Dan, gevoelende dat Hermbstadt en van Mons aan alle redelijke eischen, ten aanzien van de wijze, waarop de proeven genomen moesten worden, hadden voldaan, vorderde hij nu weer dat men de kwikkalk in den uitge-gloeiden toestand, zonder ze te laten bekoelen en lichtrood te laten worden, in een uitgewasemde retort zou reduceeren.

Men ziet licht in dat Gren met dezen eisch nasenoelt;r

o o

het onmogelijke verlangde, wijl de kwikkalk in dien toestand reeds al hare zuurstof heeft afgestaan. Het was echter vruchteloos om hem daarvan te willen overtuigen. Wel stemde hij toe, dat op deze wijze een deel, maar niet het geheel reeds vooraf gereduceerd was.

Doch in plaats van zijne bewering met proeven te staven, zocht hij zijne tegenstanders op nieuw met groote woorden

■) Kasteleijn, 1. c. TIT. 18. :) Kasteleijn, 1. c. 11. 43o—io'J.

ocr page 93

te overbluffen. Een met betrekking tot dit vraagstuk door Hermbstadt gedaan beroep op Klaproth's en Jvirwan's overgang tot het antiphiogistische stelsel, beantwoordde hij op de volgende wijze: „80 ist es mir lacherlich, wenn Herr Hermbstadt in Berlin im Posaunentone, worin er die neue Lehre unter seinen Landsleute predigt, ausruft: Nichts

ist wichtiger für das neue Systeem als gerade der Uebergang eenes Kirwan und Klaproth. 1st das nicht eher die Sprache des Prosenlitenmachers ais des überzeugenden Philosophen? Wollen wir denn in der Wissenschaft erobern oder wollen wir überzeugen? Nur Schwachköpfe und Kinder in der Philosophic schreckt man mit Namen. Tm Rciche der Wahrheit herrscht keine Autoritat und wie kann der Name eines Mannes den Iithum zur Wahrheit umstempeln?quot;

Dat Gr en bij deze kritiek uit het oog verloor, dat ook hij zich meermalen op de proeven en op de uitspraak van Trommsdorf en Westrumb had beroepen, is een punt waarop onze landgenoot K as tele ij n de aandacht vestigde. Ook merkte deze terecht op, dat een beroep cp anderen geen proselietenmakerij of misplaatste zucht naar roem is, maar veelmeer een zeer geoorloofde uiting van bevrediging, welke ieder, die naar waarheid zoekt, ondervindt, als mannen van veelzijdige ontwikkeling zijne theorieën omhelzen. In dien zin achtte deze scheikundige het dan ook eene belangrijke gebeurtenis, dat mannen als Klaproth en Kirwan zich voor de theorie van Lavoisier verklaarden 3). Wat overigens de reductie van hot kwikoxyde zelf betreft, daaromtrent plaatste hij zich aan de zijde van Jleimbstadt en van van Mons. Hij vond hunne pioeven afdoende en den laatsten eisch van Cïren onrede-

1) Gr en, Jounuil der 1'liys. VIL 351.

K;i s iele ij n, ('hem. en l'hys. Oef, Hl. 14.

6

ocr page 94

73

lijk !). Overigens bleef het hem een raadsel, dat in deze aangelegenheid geen beslissing kon genomen worden, en hoe het mogelijk was, dat de uitkomsten van dezelfde proeven zoodanig1 met elkander konden verschillen, zooals het geval was tussehen die van Gr en, AVestrumb en Tromms-d o r f eenerzijds en die van H e r m b s t ü d t, v a n M ons en anderen anderzijds. Ea al hetgeen op dit punt was verricht, bleef er z. i. niets anders over, dan dat G r e n , W e s t r u m b en Trommsdorf erkenden , rdat een sterk gegloeide kwikkalk, nog geheel heet, in een verhitte retort overgebracht, onder de herstelling levenslucht oplevert, of wel, dat de proeven van Hermbstadt enkel verzonnen en de daarbij aanwezigen volstrekt onkundige en onbevoegde waarnemers en getuigen waren -)

Van Mons intusschen, het vruchtelooze zijner pogingen inziende om Gren door redeneering van zijne dwaling te overtuigen en tevens ten volle doordrongen van de bewijskracht in dat watergehalte der kwikkalk opgesloten, omdat het inderdaad zeer moeilijk was de laatste sporen van water daaruit te verdrijven, besloot nogmaals langs den proefondervindelijken weg het bewijs te leveren, dat de reductie van het roode kwikoxyde, onder gelijktijdige ontwikkeling van zuurstof, door hitte alleen en zonder insachm-komst van water plaats heeft.

Daartoe verhitte hij een hoeveelheid rood kwikoxyde zoo lang totdat het zijn roode kleur en zijne zuurstof grooten-deels had verloren en uitwendig op het ,,zwarte halfzure kwikquot; (mercurooxyde) geleek. In dien toestand nog sterker verhit leverde het slechts weinig zuurstof.

Een andere hoeveelheid, eveneens zeer lang verhit, plaatste

!) Kasteleijn, Chem. eu 1'liys. Oet. 1IL 19.

quot;-) 1. c. III. IS.

ocr page 95

74

hij nog roodgloeiend in volkomen droge dampkringslucht of in zuurstof en liet het daarin tot zoover afkoelen als noodig was om zich op nieuw met de zuurstof te kunnen vcreenigen. Daarna op nieuw gegloeid leverde het bijna evenveel zuurstof op als liet gewone roode kwikoxyde.

Een andere hoeveelheid ten slotte, eveneens vooraf'op gelijke wijze uitgegloeid, liet hij in een atmospheer vau stikstof-of koolzuurgas afkoelen. Daarna op nieuw gegloeid ontwikkelde dit evenveel zuurstofgas als uit het eerste gedeelte

0 O

was verkregen. De eerste en derde proef leverden derhalve het bewijs, dat het kwikoxyde, in den door Gr en bedoelden gloeienden toestand, reeds hot grootste gedeelte van zijn zuurstof heeft afgestaan, de tweede, dat de zuurstofontwikkeling volkomen gelukt, indien men het aldus uitgegloeide kwikoxyde in staat stelt, zich op nieuw met de zuurstof te vereenigen zonder nochtans water of waterdamp te kunnen opnemen.

Hoe overtuigend deze proeven op zichzelf ook waren, nog bleef het mogelijk, dat niet alle waterdamp door de gloeihitte was uitgedreven, omdat het uitgegloeide kwikoxyde, ofschoon weinig, nog steeds zuurstofgas ontwikkelde, dat aan achter gebleven water kon worden toequot;'e-

' O.

schreven.

De volgende proeven maakten ook aan deze onderstelling voor goed een einde.

\an Mons verhitte twee gelyke hoeveelheden uitgegloeid kwikoxyde. Een deel werd volkomen droog, een ander, na met een weinig water bevochtigd te zijn, gereduceerd. Het eerste gedeelte leverde evenveel zuurstof als gewoon-lijk, het andere niet alleen dezelfde hoeveelheid water als waarmede het bevochtigd was, maar bovendien minder zuurstof dan het volkomen droge gedeelte. Hiermede was dus het bewijs geleverd dat het water, althans niet op deze wijze, in zuurstof kon worden omgezet.

(j*

ocr page 96

Hermbstadt en Wolf bevestigden deze uitkomst door overeenkomstige proeven. 1)..

Thans behaalde Van Mons eene beslissende zegepraal, en schoon Gren zich ook nu nog niet tot het antiphlo-gistische stelsel bekeerde, erkende hij toch, dat door de proeven en waarnemingen van van Mons eene geheele omkeering in zijne begrippen had plaats gevonden. „Het zijn voornamelijk uwe waarnemingenquot; —zoo schreef hij — „welke, in verbinding met eenige andere proeven, eene volstrekte omkeering in mijne begrippen hebben te weeg gebrachtquot;. ~).

Een maand later berichtte hij vau Mons op nieuw, dat hij zijne beslissende proeven met denzelfden uitslag had herhaald.:J).

Hiermede was de strijd omtrent Ba yen's proef geëindigd. De meeste scheikundigen, door de proeven van van Mons overtuigd, schaarden zich aan de zijde van Lavoisier.

Dat deze Zuid-Nederlandsche scheikundige niet weinig daartoe heeft bijgedragen, wordt ook door den in dit opzicht niet minder verdienstelijken H e r m b s t a d t erkend. Deze toch schreef aan Kasteleyn: „De herstelling van het op zichzelf gecalcineerde kwik, vooral die, welke de lieer van Mons onlangs vermeld en bekend gemaakt heeft, hebben niet weinig tot deze omkeering toegebracht, zoodanig, dat beide partijen thans in de voornaamste leerstellingen overeenkomen, ja dat thans de Heer Gren zelf alle proeven der antiphlogistici, benevens de daarop gebouwde leerstellingen voor juist erkentquot;.4).

^1) Kasteleiju, Cliem. en i'hys. Oef. LLI. 103.

-) Brief van G reu aan J. 1!. van Mons 32 November IT'-'o. Kasteleiju 1. c. III. 171.

:!) idem 27 December 1773. 1. Ui. 177-

■') Kusteleijn, Chem, en Piiys. Oef. III. 179.

ocr page 97

De drie heftigste bestrijders: Gren, Trommsdorf en Westrumb, verklaarden zich overwonnen. Grren en West r umb trachtten nog met hunne licht- en vuurstof-theorie het phlogiston te redden T r o m m s d o r f nam A'ooralsnog eene afwachtende houding aan, maar herriep alvast openlijk zijne vroegere betreffende dit punt gebezigde uitdrukking3) (bladzijde Gi) hiervoor). TT i 1 d e b r a n d t, die voorheen nog aan de reductie der kwikkalk had getwijfeld 3)) verklaarde haar thans bewezen en in phlo-gistischen zin onoplosbaar.

De eenvoudige, maar in hare gevolgen zoo hoogst belangrijke proef, de eenige, die, naar het oordeel dei-meest voortreffelijke phlogistici, voor de phlogistontheorie wezenlijk bezwaar opleverde, had zich ondanks alle tegenwerpingen staande gehouden. De door H a y e n daaruit getrokken slotsom : „que dans la chaux mercurielle le mercure doit sou état calcaire non a la perte du phlogi-stiquequot;, (bladzijde 56 hiervoor), was op eene overtuigende wijze bevestigd en werd door alle scheikundigen beaamd.

') X a s t e 1 e ij ii, 1. c, J[[. Hl—1/0. 276. Journal de Plivsiqne. 1789. 34.

'-) Kasteleijn, Cliem. en i'iiys. Oef. Hf. 275.

Idem. III. 81 en IS-l.

ocr page 98

h. De ontdekking van de verschillende gassen in het algemeen en in 't bijzonder die van het koolzuur, de stikstof, de zuurstof en de waterstof.

De studie van het koolzuur als voorbereiding voor den val der phlogistontheorie; de stikstof en de zuurstof niet het oog op de samenstelling van de dampkringslucht, de waterstof in verband met de samenstelling van het water.

Het feit dat de antiphlogistische theorie, in weerwil van enkele, reeds voorlang bekende hoofdpunten, eerst na de ontdekking der zuurstof en enkele andere gassen is ont-Avorpen, eigenlijk van de ontdekking dezer luchtsoorten afhankelijk is geweest, maakt dit onderdeel van dit hoofdstuk tot een van de belangrijkste deze verhandeling.

En inderdaad, om zich van de beteekenis dezer ontdekkingen voor Lavoisier's stelsel te overtuigen, behoeft men slechts een blik te werpen in de geschiedenis der scheikunde in het algemeen en meer in het bizonder in dat gedeelte, dat als het pneumatische bekend staat, alsook op alles wat te dezer zake in de voorafgaande hoofdstukken is bijeengebracht. In alle daar behandelde onderwerpen, geen uitgezonderd, deed de kennis der gassen steeds haren invloed gevoelen. Zonder deze bleek het volstrekt onmogelijk tot de samenstelling der stoffen door te dringen, tot de verklaiing van het verbrandingsproces te geraken.

Allen, die zich dus met het onderzoek dezer lichamen hebben bezig gehouden, hebben dus ook meer of minder rechtstreeks tot de ontwikkeling van het antiphlogistische stelsel bijgedragen. Hierbij dient echter in het oog te worden gehouden, dat in hunne geschiedenis twee perioden

ocr page 99

78

bestaan, namelijk, die vóór het optreden van Lavoisier, de periode van van Helinont, Boyle, Rey, Mayow, Hales en Moitrel d'Element, en die van Lavoisier zelf, waarin Black, Cavendish, Priestley, Kirwan en meer anderen zich hebben onderscheiden.

Dan, ofschoon ten volle overtuigd van de groote verdiensten, welke 'Je scheikundigen der eerste periode zich op dit gebied hebbea verworven, meenen wij toch, in verband met het door ons beoogde doel, ons te kunnen beperken tot die der laatste, te meer, omdat wij bij de bespreking van ieder gas afzonderlijk telkens gelegenheid zullen vinden om daarbij tevens te vermelden wat reeds was voorafgegaan.

Onder de gassen, die hierbij het meest in aanmerking komen, behooren inzonderheid, die aan hot hoofd van deze afdeeling vermeld.

Het KOOL Z Ü Ü R.

De namen van twee groote mannen zijn aan de geschiedenis van dit gas verbonden. Het zijn die van van ITelmont en Black. Van van Helmont, omdat hij in dit gas een luchtsoort herkende, die in eigenschappen van de dampkringslucht verschilt, van Black, omdat hij door zyn onderzoek omtrent het verband tusschen dit gas en de koolzure alkaliën en alkalische aarden in zekere mate den grond legde voor het antiphlogistische systeem. Hoe groot echter de verdiensten van van Helmont op dit punt ook zyn, toch kan hij niet op gelijke lyu worden geplaatst met Black. Het onderzoek van v. Helmont reikt niet verder, dan tot de erkenning van het koolzuur als zelfstandig gas, dat van Black daarentegen heeft veel wijder strekking. Dit is nagenoeg van denzelfden omvang, van dezelfde beteekenis als dat van Lavoisie? ten op-

ocr page 100

79

ziclite van do zuurstof. Door zijn onderzoek immers stelde deze Schotsche geleerde deze, ook voor de antiphlogistisclie theorie belangrijke punten vast: lc dat de causticiteit der alkaliën en alkalische aarden niet afhangt van eene denkbeeldige stof, van de „igneous particlesquot;, van het phlogiston, maar bepaald wordt door de afwezigheid van een nauwkeurig te omschrijven gas, dat vastgelegd, uitgedreven, verzameld en gewogen kan worden ; 2e dat de plaats van de elementen in het eindproduct niet uitsluitend op rekening van de affiniteit alleen mag worden gesteld.

Bij dit onderzoek werd dus voor de eerste maal met een zuiver phlogistisch begrip gebroken en tevens de groote beteekenis van de gewichtsbepalingen bij scheikundige analysen aan het licht gebracht. Niet minder dan liet eerste is ook dit laatste punt van belang, omdat aan dien factor tot op dien tijd een zeer ondergeschikte rol werd toegekend. AVel hadden verschillende scheikundigen: vanllel-mont, ]gt;oyle, Boerhaave, Glauber — om slechts enkele te noemen — reeds vóór Black in die richting gestuurd, maar geen enkele van hen heeft de groote kracht daarvan zoozeer gevoeld als hij. Bij hen mist men gewoonlijk juist datgene, waarop Black de aandacht vestigde, namelijk, dat er verband bestaat tusschen de quantiteit van het gevormde product en ce gebezigde zelfstandigheid en dat eene gewichtsbepaling als middel kan gebezigd worden om de aan- of afwezigheid van een bestanddeel op te sporen of vast te stellen. Dit behoeft ons niet te zeer te verwonderen, als men bedenkt, dat in vele gevallen een of meer der gevormde producten gasvormig, dus meestal onzichtbaar en bij gebrek aan hulpmiddelen niet te verzamelen waren. Vandaar dat het velen toescheen alsof het lichaam verdween, ophield te bestaan of vernietigd werd. Aan deze voorstelling heeft Black een einde gemaakt. Ook in dit opzicht bezit hij groote verdiensten.

ocr page 101

80

Het onderzcek zelf, dat tot bovengemelde ontdekkingen aanleiding gaf, is beschreven in zijn „Experiments on Magnesia albaquot; (1755).

De eerste van de reeks daarin beschreven proeven heoft betrekking op de affiniteit..

Bij verhitting van een mengsel bestaande uit magnesium carbonaat, ammoniumchloride en water bemerkte hij, dat het eindproduct geheel verschilde van dat, welk hy verkreeg, als hij ecne oplossing van raagnesiumchloride met ammo-niumhydroxyde behandelde. In het eerste geval verkreeg hy magnesiumchloride, in het tweede magnesiiimln-droxyde. In het eerste geval had het zuur het ammonium losae-

o o

laten en zich met het magnesium vereenigd ; in het tweede daarentegen had juist het omgekeerde plaats. De eene chemische werking was dus ten naaste bij de tegenovergestelde van de andere. Naar D 1 a c k's meening was de oorzaak hiervan toe te schrijven aan de omstandigheid, dat de aantrekkende kracht, die er tusschen de verschillende bestanddeelen heerscht, zich niet altijd op dezelfde wijze openbaart. Hier bleek zij afhankelijk te zijn van de temperatuur, wijl het eerste proces bij verhitting, het tweede bij de gewone temperatuur plaats vond. „Tt appears alsoquot; -— zoo schreef hij — „that a gentle heat is capable of overcoming this superiority of attractionquot;. Het tweede onderzoek leverde niet minder belangrijke uitkomsten op. Hier is hot door Hales ontdekte verschijnsel, dut magnesia alba door verhitting in magnesiutnoxyde wordt omgezet, het uitgangspunt.

Met het doel om de oorzaak van deze verandering op te sporen, verhitte hij een bekende hoeveelheid magnesia alba langen tijd op een zeer hooge temperatuur. Toen hij nu na afloop van deze proef vond, dat het zeven twaalfde van zijn gewicht verloren had en zich nog altijd met zuren, maar zonder opbruising, tot een zout vereenigde,

ocr page 102

onderstelde hij dat er een vast, doch vluchtig bestanddeel ontweken was. Zijne pogingen om dit bestanddeel af te zonderen mislukten echter. Hij verkreeg slechts een geringe hoeveelheid water, die volstrekt niet met het gewichtsverlies van de gecalcineerde magnesia alba overeenstemde.

Tweeërlei onderstelling was nu mogelijk: of er was stof vernietigd, of er was een bestanddeel in eenen on-zichtbaren vorm verdwenen.

De eerste onderstelling wees hij echter van de hand; omtrent de tweede stelde hij een uitvoerig onderzoek in.

Daartoe calcineerde hij op nieuw een afgewogen hoeveelheid magnesiumcarbonaat, loste het overschot in zwavelzuur op, praecipiteerde het gevormde zout met potasch en vond, dat het gedroogde magnesiumcarbonaat, zoowel in gewicht als in eigenschappen, met het oorspronkelijke overeenstemde. De uitkomst van deze proeven bracht hem tot de volkomen juiste slotsom, dat het aan het magnesium-oxyde toegevoegde bestanddeel een luchtsoort is en dat die luchtsoort van de potasch afkomstig moet zijn. Het eerste punt achtte hij bewezen door het gewichtsverlies van het gecalcineerde magnesiumcarbonaat; het tweede steunde op het reeds voorlang door Hales ontdekte feit, dat de koolzure alkaliën een luchtsoort bevatten, die met zuren onder opbruising ontwijkt. Om zich hiervan echter nader te overtuigen behandelde hij dezelfde hoeveelheid potasch van de vorige proef op nieuw afzonderlijk met zwavelzuur. Toen hij nu weer vond, dat het gewicht van het gevormde alkalisulfaat volkomen overeenstemde met dat bij de boven gemelde proef verkregen, achtte hij het bewijs geleverd, dat er bij dit proces geen lucht verloren was gegaan, alsmede dat er geen lucht noch met de potasch, noch met het alkalisulfaat was verbonden gebleven, maar zich met het magnesium had vereenigd en daaraan de eigenschappen had meegedeeld, die het magnesiumcarbonaat van het gecalci-

ocr page 103

82

neerde onderscheidt. Ten slotte onderzocht hij het gas zelf door zuren onder opbruising uit potasch, kalk en magnesia verkregen, bevestigde op nieuw, dat het van de gewone lucht verschilt en vond tevens, dat het dezelfde luchtsoort is als die, welke by de gisting van druivensap geboren wordt. Hij noemde het „vaste luchtquot;.

Alle punten in den aanhef van dit artikel vermeld waren dus proefondervindelijk vastgesteld, en wel op zulk eene afdoende en voortreffelijke wijze, dat daaromtrent geen twyfel meer mogelijk was. De gelieele gang van dit in hooge mate wetenschappelijk onderzoek plaatst Black in de voorste rijen der scheikundigen van dien tijd.

Groot was dan ook de indruk, dien dit werk op zijne tijdgenooten maakte. Alle schrijvers van vroegeren en lateren tijd hebben dit erkend. F o u r c r o y schreef in zijn Système des connaissances chimiques: „Les faits remar-quables, observes par ce dernier (Black) sur la difference de ce fluide d'avec 1'air, avec lequel il avait été confondu jusque-lh, firent une grande impression sur l'esprit des chimistes; ils les enga^èrent k examiner attentivement

7 O O

ses propriétés; telle fut l'origine d'une immense revolution, qui a change la face de la science, en agrandissant son domainequot;'). Lavoisier prees hem, in een brief aan de Societeit te Edinburg gericht, als de eerste „qui a réuni et mis en corps de doctrine le phénomène de la fixation de l'air dans les corpsquot; 2), terwijl hij hem later als zijn leermeester vermeldt3). Hoezeer wij ook van heeler hartemet

') Eourcroy, Système des comiaissiinces cliimiques. I. 38.

-) Leth-e a la Socii'ti' d'Edimbourg. 187-1. lï e r t li e 1 o t, La revolution ohimique. 38.

:l) Hoe ter, Tlist. de la cliirnie. II. 360. Robinson, Lectures on the elements of chemistry 11. 219. Zie tevens liet hoofdstuk over de enkel-voiulige lichamen.

De/.e erkenning van 1! 1 a c k's verdiensten van de zijde van L a v o i-

ocr page 104

S8

deze lofreden instemmen, zoo wil het ons toch voorkomen dat Fourcroy en andere tydgenooten in hun oordeel omtrent de verdiensten van Black te eenzijdig zijn geweest. Zyne beteekenis toch ligt niet zoozeer in zijn onderzoek van de vaste lucht zelf, dan wel — en voornamelijk—-in zijne daarbij gevolgde methode, in de erkon-

s : e r is des te opmerkelijker, omdat zij al zeer weinig overeenstemt met het standpunt, dat bij te dier zake tegenover Black innam.

In het historisch overzicht toch dat aan zijn quot;Opuscules physiques et chimiquesquot; voorafgaat, (1774) waarin met groote uitvoerigheid en volledigheid alles wordt vermeld wat sedert van Helmont omtrent de gassen bekend was, worden de proeven van Black omtrent dit punt, en vooral die omtrent de causticiteit der alkaliën, met de meest mogelijke kortheid behandeld, terwijl daarentegen aan Black's tegenstanders de meest mogelijke aandacht wordt geschonken. Vollliard, Die Begriiudimg der Chemie, Kolbe, Journal für prakt. Chemie. 1870. II. 11. Kopp. Gesch. der Chemie. III. 41.

Wat hiervan de oorzaak is, is moeilijk te vatten. Heeft Lavoisier, door B 1 a c k's proeven op den achtergrond te dringen, zichzelf op den voorgrond te willen plaatsen'? 01' was hij ouder de samenstelling van zijne Opuscules niet genoegzaam van de groote strekking van Black's merkwaardige ontdekking doordrongen? Het een zoowel als het andere is mogelijk. Het laatste houden wij echter voor het meest waarschijnlijke. Uit zijn laboratorium-register van 1773 en 1775, blijkt althans dat hij meer geneigd was om zich op het standpunt van M e y e r, dan op dat van B lack te plaatsen.

In dat van 1773 van den 4en Juni lezen wij hieromtrent: //Pour decider tout d'un coup et de manière a ne laisser aucune equivoque si la chaux donuait quelque chose a l'alkali caustique a la fagon de M e y e r, ou si au contraire la chaux lui enlevait quelque chose suivant 1'hypothese an-glaise, j'ay fait 1'expérience snivante.quot; (Berthelot, La Eev. Chini. 244) en in dat van 38 Febr. 1775: //Objection au système de Black. L'alkali chauffé ne devient pas caustique, mais il le devient a vee de la pond re de charbon, ou avec une matière quelconque eontenant du phlogistique. — La terre calcaire perd difficilement sou air lixe dans des vaisseaux fermés, aisément dnns des fourneaux. Ce qu'on explique paree qne la fumée fournit du phlogistique a la terre calcaire. C'est ([ue: le charbon et les matières cluu-bonneuses ue se combinent pas directement avec l'alkali

ocr page 105

84

ning' van het feit, dat luchtsoorten kunnen worden vastgelegd en dat de eigenschappen der stof niet afhankelijk zyn van daaraan toegevoegde qualiteiten. Dit oordeel vinden wij bevestigd door Berth elo t. Deze schrijft: „l'étude de Black et la méthode par laquello il établis-sait la fixation et le depart alternatifs d'un cor])S gazeux, dans le cours de ses experiences, ont sorvi de modèle :i celles de Lavoisier sur l'oxydation des métaux. II en a été le veritable précurseurquot; .... La théoiie du phlo-gistique recevait par la une première atteinte: les change-ments survenus dans les propriétés de la chaux et des alcalis caustiques se trouvant expliqués, non par la presence ou l'absence de eet agent mystérieux, comme on l'avait fait jusque-la, mais par celle d'une maticre chimique déterminée, que l'on pouvait recueillir, peser et transporter d'une combinaison dans une autrequot;

Dat ook de phlogistic! zelf diep doordrongen waren van het groote gewicht van Black's proeven en beschouwingen ten opzichte van hunne theorie, blijkt duidelijk uit de bestrijding, welke zij allerwege ontmoetten. Vooraan in dien strijd stond Meyer te Osnabiück, bijgestaan door bijna alle scheikundigen van Duitschland. Deze scheen aanvankelijk met zijn causticum of acidum pingue als

tixe et la terre onlciiire; nuiis elles lücilitcnt, cuiume elles le lont thuis les reductions iiiét;illi(jues, la separation de Fair qui leur ctait uni.quot;

//Experience: production d'un phlegme insipitle; le verre se fond etc. et l'alcali reste eltervescent.quot; (1. c. 364).

Aan liet eerste citaaat voegt Berthelot de opmerking toe, dat Lavoisier op dat tijdsti]) (1773) nog geen gevestigd oordeel had omtrent de theorie van Black; aan liet tweede dat, //les ell'ets dus a diverses causes sont cont'ondns dans une inrme explication inexactequot;, terwijl wij tevens van oordeel zijn, dat L a vois ie r, ondanks zijne verbraudiugstheorie het phlogiston nog niet geheel had losgelaten.

') Berthelot, La revolution chimique. 1890. 37. Bibliothèqtie scieu-tilique internationale. LX1.\

ocr page 106

85

verpersoonlijking der caustioiteit over Black te zullen zegevieren. Doch deze voorspoed was uiet van langen duur. Reeds in 1769 verkeerde de kans. In dat jaar gaf Jacquin eene verhandeling in 't licht, waarin hij beide stelsels met elkaar vergeleek en ten slotte dat van 13lack door tal van proeven bevestigde.

De wijze waarop dit onderwerp in deze verhandeling is voorgedragen, de klaarheid en scherpzinnigheid waarmede de verschillende denkbeelden zijn toegelicht, alsmede de medegedeelde feiten zelf wierpen op dit belangrijke vraagstuk zulk een helder licht dat het meerendeel der scheikundigen zijn voorbeeld volgden en Meyer's causticum prijs gaven. En toen nu tegelijker tijd of kort daarna door Cavendish, Priestley en anderen nieuwe gassen werden ontdekt, die evenals het koolzuur konden worden, vastgelegd, werd ook dit punt van Black's leerstuk algemeen aangenomen.

De Z ü u r s t o f.

De eerste aanwijzing omtrent het bestaan van de zuurstof, het gas aangewezen om eene zoo belangrijke rol te spelen in de ontwikkeling der scheikunde, zijn wij aan den rondreizenden alchemist Paul us Eek von Sulzbach verschuldigd. Deze bemerkte in November 1489 — (H o e-f e r staat voor de nauwkeurigheid van den datum in) — toen hij lang achtereen eene hoeveelheid zilver-amalgama aan de lucht verhitte, dat dit, door verbinding met een niet nader aangeduiden spiritus, in gewicht toeneemt, alsmede dat diezelfde spiritus zich bij verhitting van rood kwikoxyde ontwikkelt.

Had deze goudmaker zich van gelijke hulpmiddelen

') v- Jiicquin, lioogleeraar in de chpinie en botanie te Weenen,

geboren te Leiden 1727, gestorven te Weenen 1817.

ocr page 107

86

kunnen voorzien, als waarover de scheikundigen in 't laatst der 18e eeuw te beschikken hadden, dan behoeft men zijne phantasie geen geweld te doen om de onderstelling te wagen, dat de verbrandings- en oxydatieverschijn-selen drie eeuwen vroege/ zouden verklaard en opgehelderd zijn, dan nu feitelijk is geschied. Beide proeven zijn volkomen gelijk aan die waarop Lavoisier zijn stelsel bouwde. Aan E c k ontbrak slechts het middel om de zuurstof op te vangen en te verzamelen

Ruim een eeuw later, in 't begin der 17e eeuw, vestigde van 11 elmont de aandacht op het verschijnsel, dat zich bij verhitting van salpeter een gas ontwikkelt, in staat om koolstof met vlam te doen verbranden. Merkwaardig genoeg gaf hij dit gas bijna denzelfden naam als waarmede Schee le in het laatst der 18e eeuw de zuurstof aanduidde. Van Helm on t beschreef dit proces op de volgende wijze ; „Sal petrae similiter liijuescit can-denti igne, frigidum est, et anginarum remedium : adjuncto tarnen carbone utrumqne statim consumitur, et in gas flammeum evolatquot; *).

Geen van alle scheikundigen uit deze eeuw is echter de ontdekking der zuurstof zoo nabij geweest, als do bekende Éngelsche scheikundigen B o y 1 e en M a y o w. Beiden hielden zich overtuigd, dat de lucht een bepaald bestanddeel bevat, waarvan verbranding, ademhaling en gisting afhangen. Boyle noemde deze zelfstandigheid „ Vital snb-stancequot;, Mayow „Spiritus Nitro-aerens'n 3). Geen van

') Hoef er, Hist, de la Chimie. T. 447.

-') v. Helm on t, Ortus med. 423.

Opmerkelijk is liet dat Boyle vermoedde, dat onze landgenoot, C o r ii e 1 i s D rebbel van Alkmaar een geheim bezat om deze //Vital substancequot; te vervaardigen. 13 o y 1 e. Opera Omnia. 140.

ocr page 108

!-W

beidon zijn er echter in geslaagd, dit bestanddeel uit de dampkringslucht of uit eenige andere stof af te zonderen. De oorzaak hiervan is zeer waarschijnlijk te zoeken in de gebrekkige middelen om gassen op te vangen en daarmee te experimenteeren. De toestel, waarvan men zich destijds bij de studie der gassen bediende, bestond gewoonlijk in één vat, dat tegelijk tor ontwikkeling en ter verzameling van hot gas werd gebezigd. Onder den mond van dit vat, gevuld met een verdund zuur en in dezelfde vloeistof omo-e-

O

keerd, bracht men dan een stuk metaal of krijt. Kon deze methode al voor enkele voldoen, voor vele andere gassen was ze onbruikbaar. Verbetering werd hierin gebracht door Halos. In zijn „Vegetable Staticsquot; (1727) beschreef hij oen toestel om gassen te ontwikkelen en te verzamelen, dat later door alle scheikundigen is gebruikt en slechts van liet onze verschilt in de door Priestley daaraan toegevoegde brug. Halos scheidde namelijk de ontwikke-lingsflesch van den ontvanger. Zijn toestel bestond uit een langhalzige retort waarvan de mond tot onder den boven het water ophangen ontvanger reikte.

Dan, hoewel Halos, en door zijne nieuwe en betere methode om mot gassen te oxporimenteorcii, on door zijne belangrijke waarneming omtrent eeno gasontwikkeling bij sterke verhitting van menie 1), de ontdekking van de zuurstof zeer nabij was, heeft hij de eer, daarvan de ontdekker te zijn geweest, aan zijn landgenoot, Priestley moeten afstaan. Niettemin heeft hij met zijn toestel aan de wetenschap grooten dienst bewezen. Black, Cavendish Priestley, Lavoisier, allen, die zich in de pneumatische periode hebben onderscheiden, hebben er zich van bediend. Wel heeft Priestley verbeteringen en vereenvoudigingen

') K o p p, Gescli. der Chwiiin. III. Mml/,. 110

ocr page 109

88

aangebracht, de hoofdzaak echter — de scheiding van ontvanger en ontwikkelingsvat — bleef onaangetast.

In weerwil nu van de omstandigheid, dat omstreeks 1727 de hulpmiddelen aanwezig waren om de natuur- en scheikundige eigenschappen der gassen te bestudeeren, en er reeds feiten bekend waren, die het bestaan van een gas aanduidden, dat bij verbranding, in het algemeen bij oxy-datie, werkzaam is, duurde het bijna nog een halve eeuw eer de zuurstof werd ontdekt. Zoodra echter dit gas door Priestley uit kwikoxyde en menie, door Scheele uit edele metaaloxyden en bruinsteen was afgezonderd, werden zijne eigenschappen en zijne natuur met de grootste zorgvuldigheid onderzocht. In dit opzicht muntten Priestley en Scheele boven alle anderen uit. Geen van allen hebben zulke talrijke en omvangrijke proeven genomen om de eigenschappen en de natuur van dit gas te leeren kennen, als deze beide scheikundigen. En ofschoon beiden het van hun phlogistisch standpunt beschouwden, en ondanks Lavoisie r's overtuigende onderzoekingen bleven beschouwen, hebben zij, en niet Lavoisier, het materieel voor de juiste kennis van de zuurstof bijeengebracht.

In den eersten tijd waren de beschouwingen aangaande dit gas zeer verward en uiteenloopend. Voorgegaan dooide beide ontdekkers, beschouwden de meesten het aanvankelijk als dampkringslucht met weinig of geheel geen phlogiston verbonden. Toen men echter bemerkte, dat verbranding in zuurstof met hooger temperatuur en sneller dan in gewone lucht geschiedt, alsmede dat het verbrandingsproduct in vele gevallen een zuur is, meende men ook deze eigenschappen in hare samenstelling te moeten uitdrukken. Daarom hield Scheele haar voor samengesteld uit warmte, een zuurbeginsel en phlogiston en

') Lul't mul Feiier, 17lt;.)2, ^ 38—31.

ocr page 110

Priestley uit warmte, eeue geringe hoeveelheid phlogiston en salpeterzuur, of een aardachtig beginsel en een element

Deze voorstelling werd weer op nieuw gewijzigd, toen meer en meer bleek, dat de zuurstof bij verbranding en oxydatie geen passieve maar een actieve rol te vervullen heeft, of m. a. w. dat zij de gewichtsvermeerdering dei-stof na oxydatie veroorzaakt. Ten einde ook dit te verklaren werd, behalve de reeds genoemde stoffen, ook water in de samenstelling opgenomen, liet watergehalte der zuurstof heeft inzonderheid Priestley voorgestaan. AVaar-schijnlijk naar aanleiding van de ontdekking der samenstelling van het water en van zijne proeven aangaande de vermeende verandering van water in gephlogistiseerde lucht.

Het phlogiston en het watergehalte lokten ernstige bestrijding uit. liet eerste punt is reeds uitvoerig behandeld, het tweede zal bij de stikstof ter sprake worden gebracht. Het zuur- en aardachtig beginsel verdween ongemerkt tegelijk met het phlogiston.

In weerwil echter dat voorstellingen, als de zoo even gemelde, de ontwikkeling der antiphlogistische theorie eer hebben vertraagd dan bevorderd, blijft toch de ontdekking der zuurstof als zelfstandig gas voor haar van groote be-teekenis. Met deze ontdekking ging die van de samenstelling der dampkringslucht, van oxyden, zuren enz., hand aan hand. Eerst daarna kreeg men een helder inzicht in de verbrandings-, oxydatie- en ademhalingsprocessen, en kon het beginsel van het behoud der stof in toepassing worden gebracht. De op zichzelf reeds zoo verdienstelijke ontdekking van Rutherford (1772), dat de dampkringslucht niet slechts door de uitgeademde gassen bedorven

Kopj), Gesch. der Glieiuit', UI. 212-

ocr page 111

90

wordt, maar reeds op zichzelf een bestanddeel bevat, geheel ongeschikt om de verbranding te onderhouden, m.a.w. de ontdekking der stikstof in de dampkringslucht, werd met die der zuurstof aangevuld.

Het optreden, de vorming van koolzuur bij het ademhalingsproces, — bereids door Black aangetoond, maar tot dusver onopgemerkt gebleven, — werd thans met behulp der zuurstof gemakkelijk verklaard en voerde rechtstreeks tot de, ook in hare gevolgen, zoo merkwaardige ontdekking van de ontwikkeling der zuurstof uit groene plantendeelen, onder den invloed van het zonlicht, door onzen beroemden landgenoot Ingenhousz (1779).

Voor de juiste kennis van de samenstelling van het water, ter verklaring van de gewichtsvermeerdering en het gewichtsverlies bij oxydatie en reductie was — wij zagen het reeds — de ontdekking van dit gas eveneens onmisbaar. In t kort, de ontdekking der zuurstof is de hoeksteen van het antiphlogistische systeem. Priestley en Scheele zijn de mannen, wier namen metonuitwischbare teekens daarin gebeiteld staan.

Hoewel het naar onze meening ontwijfelbaar vaststaat, dat Scheele en Priestley als de eerste ontdekkers van dit gas moeten worden beschouwd, zoo is toch meermalen en ook nog kort geleden twijfel geopperd omtrent den invloed, dien deze ontdekking op Lavoisier zou hebben uitgeoefend, terwijl men het ook wil doen voorkomen, dat Lavoisier ook uit zichzelf en geheel onafhankelijk van die beide scheikundigen tot die ontdekking zou zijn gekomen. Zeer waarschijnlijk heeft de omstandigheid, dat Lavoisier zich ten opzichte van sommige ontdekkingen te zeer op den voorgrond plaatst, die dwaling in de hand gewerkt.

Bij het koolzuur hebben wij er reeds op gewezen, hoe weinig objectief Lavoisier Black's proeven en onder-

ocr page 112

01

zoekingcn met betrekking tot zijn stelsel heeft beoordeeld. Ten opzichte van de ontdekking der zuurstof en die van de samenstelling der lucht gaat hij nog een stap verder, Avijl hij zich mede de eer dier ontdekking toerekent. Daartoe herinneren wij slechts aan zijne besliste verklaring, in zijn „Traité élémentaire de chimiequot;, waar hij omtrent de zuurstof schrijft: „Cet air que M. Priestley, M. Scheele et mot avons découvert a peu pres dans le même tempsquot;, alsmede aan zijne verhandeling „Sur la méthode d'augmenter Taction du feuquot;, waarin hij zicli bijna in gelijken zin uitspreekt; „On peut se rappeler qu'a la séance de Paques (1775), j'annoncai la découverte que j'avais faite quelques mois auparavant avec M. Trudaine dans le laboratoire de Montigny d une nouvelle espèce d'air, alors entièrement inconnue et que nous avions obtenue par la réduction du Mercurius praecipitatus per se. Cet air, que M. Priestley a découvert a, peu prés au même moment que moi, et je crois même avant moi, et qu'il a retire principalement de la combmaison du minium et de plu-sieurs autres substances avec 1'acide nitrique, a ete nomine par lui air déphlogisliquéquot; x).

]Xu zouden wij dit punt veilig kunnen laten rusten, met vele anderen overtuigd, dat Lavoisier in geen enkel opzicht op de eer dier ontdekking aanspraak kan maken, indien niet in den laatsten tijd op nieuw stemmen waren opgegaan, om de beteekenis van Priestley ten deze te verkleinen en om Lavoisier op een voetstuk te plaatsen, dat hem naar onze meening niet toekomt.

AVij herinneren hier aan het oordeel van den bekenden geschiedschrijver Laden burg, die daaromtrent in het jaar 1869 schreef: „Da wird der Sauerstoll' entdeckt. Lavoisier wiederholt die Yersuche Priestley s und

') Mi'iti. de riiciid., 178^,

ocr page 113

!)2

Scheele's; aber durchaus absveicheud sind seine Folge-rungeu von deuen der beiden anderen Chemiker. Er ist vorbereitet auf diese Entdeckung und wenn Priestlejr zugibt, dass er dieselbe nur zufiillig geraacht habc, so müssen wir behaupten, da^s Lavoisier sie im Lauftj seiner Untersuchungen nothivendig hcitte machcu müssenquot; ^).

De laatste zinsnede, waarmede dit citaat eindigt, is kort geleden door den bekenden Franschen scheikundige, Berthelot, lierhaald. Ook deze, ofschoon toestemmende dat Priestley in deze aangelegenheid de prioriteit heeft, houdt het voor zeer waarschijnlijk, dat Lavoisier de zuurstof zou hebben ontdekt, indien hy alleen zich met de oplossing van die quaestie had beziggehouden 3j. Hij verzekert ons, dat Lavoisier sedert Maart 1778 het bestaan van dit gas vermoedde en citeert tot staving daarvan een uittreksel uit eene verhandeling van dien Franschen scheikundige gepubliceerd in het „Journal de Physiquequot; van December 1774, luidende: „Cet air dépouillé de sa partie hxable, (sur les métaux dans la calcination) est en quel-que facon decompose et il m'a paru résulter de cette experience un moyen d'analyser le Huide qui constitue notre atmosphere et d'examiner les principes qui le constituent ...... Je crois être en état d'assurer que Fair aussi

pur que Ton puisse le supposer, dépouillé de toute humi-dité et de toute substance étrangère, loin d'etre un être simple, un élément, comme on le pense communément,

doit être rangé, au contraire...... dans la classe des

mixtes, et peut — être même dans celle des composesquot; Hieruit trekt hy dan verder het besluit, dat Lavoisier

') Ladeuburg, Vortrüge über die Entwicklungsgescliichte der Clie-mie. 25. 1869.

-') Berthelot, La Kcvolution cliimiijue. 57,

h. c. 57. 230.

ocr page 114

93

het eerst het karakter der lucht en hare samenstelling zou hebben herkend, om ten slotte als zijne overtuiging uit te spreken, dat deze waarschijnlijk uit zichzelf er loe zou zijn gekomen om de samenstellende deelen af te zonderen: „s'il avait été seul a courir cette carrière. Mais, au moment oü il publiait ces lignes, le gaz qui communique a Fair sa principale activité, l'oxygène venait d'etre déoouvert, quoique l'auteur n'ait fait connaitro son travail qu'un peu plus tard.quot; i).

Deze uitspraak van deze zoo veelzydig ontwikkelde mannen, uit wier pen reeds zoo menig belangrijk geschrift op scheikundig gebied is gevloeid, is van groot gewicht, en zou, zoo zij onweêrsproken bleef, voor 't minst den indruk achterlaten, alsof de ontdekking van Priestley en Scheel e voor de ontwikkeling van het antiphlo istische systeem van geringer beteekenis is geweest, dan men gewoon is daaraan toe te kennen. Hier, waar het geldt den invloed te leeren kennen, dien de verschillende scheikundigen van Europa op die theorie hebben uitgeoefend, is het zeer zeker noodzakelijk om daaromtrent het noodige licht te doen opgaan. Omtrent een zoo belangrijk punt als de ontdekking van de samenstelling der lucht en de ontdekking van de zuurstof mag geen twijfel bestaan. Aan de noodige bronnen ontbreekt het te dien opzichte niet. Vollhard heeft de uitspraak van Ladenburg, Thorpe die van Berthelot aan een scherpe kritiek onderworpen 1).

Het is opmerkelijk dat zij, wier beoordeeling omtrent den invloed door Priestley, ten gevolge van zijne ont-

1

) quot;Vollhard, Die Begriindung der Chemie dui'ch Lavoisier. J carnal für prakt. Chemie. II. 1870. Thorpe, Chemistry. Nature, September 189Ü.

ocr page 115

!)4

dekkingen uitgeoefend, van cene zekere geringschatting getuigt, daaraan tevens een beschouwing omtrent zijn persoon verbinden, welke geen aanspraak kan maken op juistheid en onpartijdigheid.

Yoor sommigen is zijne verklaring, dat hij de ontdekking der zuurstof aan het toeval verschuldigd is een voldoend bewys om aan zyn proeven eenheid en doel te ontzeggen. Anderen weer meenen, op grond van zyne onafgebroken verdediging van het phlogistische stelsel, dat hem dien wijsgeerigen aanleg, noodig om verschillende ontdekkingen te rangschikken, te generaliseeren en onder één algemeen gezichtspunt te brengen, ontbrak. „La différence est grande entre Black et Priestleyquot; — aldus Chevreul. — „Le premier fut un professeur élégant qui ne publia que deux déconvertes, capitales a la verité; le second composa un grand nombre d'écrits sur les objets les plus différents, la theologie, la métaphysique, la politique, et sur les sciences naturelles d'observation et d'expérience; mais la théologie est la science sérieuse, tandis que les sciences profanes, la physique et la chimie, ne sont pour lui que des distractions.. .. Malheureusement Priestley ne sentait point le besoin de la méthode, ni de la méditation qui en est la conséquence chez tous les grands esprits, après avoir acquis la certitude qu'ils ont découvert la veritéquot; Berthelot gaat in zijn jongste geschrift nog een stap verder. „P r i e s 11 e yquot;, zegt deze, „ennemi de toute théorie et de toute hypothese, ne tira aucune conclusion générale de ses belles découvertes, qu'il se plaisait d'ailleurs, non sans quelque affectation a attribuer au hasard.quot; ~).

Waarheid en verdichting zijn hier op eene zonderlinge

') M. C. Chevreul, Rcsuiuu d'une histoire dp In maticre. 283. ls7S. Bert lie lot, La Revolution chuniijne. tO.

ocr page 116

wijze vermengd. Het is waar, dat Priestley, rret betrekking tot ontdekking van de zuurstof van toeval gewaagt; het is waar, dat hij tot aan zijn dood (1804) de plilogistontheorie heeft verdedigd, maar het is een dwaling, als men het wil doen voorkomen, dat aan zijne proeven slechts toeval en geen bepaald doel ten grondslag ligt, of als men hem als een vijand van iedere theorie voorstelt. Het mag ons verwonderen, dat een zoo buitengewoon scherpzinnig man tot aan zijn dood phlogisticus is gebleven, te meer, wijl hij zichzelf de neiging toeschrijft: „to embrace what is generally called the heterodoxe side of almost every questionquot;, maar dit is nog geen reden om hem die methode en dien wijsgeerigen zin te ontzeggen, die noodig zijn om proeven en ontdekkingen tot een algemeen beginsel terug te brengen.

Van verschillende zijden is tegen een beoordeeling aangaande Priestley als de boven gemelde krachtig geprotesteerd. En inderdaad, het valt niet moeilijk om het tegendeel te bewijzen. Een zoodanige bewering, zegt T h o r p e, geeft ten eenemale een valsch denkbeeld van zijne betee-kenis als wijsgeer. Met een tal van citaten, aan zijne werken ontleend, kan men gemakkelijk aantoonen, dat zijne proeven en onderzoekingen met een geheel ander inzicht zijn ondernomen dan dat, hetwelk Bert hel ot hem toekent. Een enkel citaat moge hier volstaan. „ It is always our endeavour, after making experiments, to generalise the conclusions ice draw from them, and hg this means to form a theonj or system of principles to which all the facts mag be reduced, and hj means of which we mag he able to foretell the result of future experiments^ 1).

^ Thorpe, Chemistry. Satttre, September 1890. Priestley, Experi-inents and Observations.

ocr page 117

96

Twintig jaar vroeger heeft Vol Ih arc] in zijn opstel: „Die Begiündung der Chemie durch Lavoi sierquot;') eveneens het goed recht van Priestley in deze verdedigd. Omtrent het hierboven gemelde gevoelen van Laden burg, zegt deze: „Der (iedankengang des Herrn Laden burg ist sehwer zu fassen. Lavoisier der nicht einen einzigei; vor ihm unbekannten Körper, ja nicht eine neue Eigenschaft irgend eines bekannten Körpers entdeckt hat, der hatte nothwendig die Entdeckung des Sauerstofts machen müssen ! Priestley, dem man die Kenntniss der meisten Gase verdankt, Priestley dessen ganzen Wissenschaft-liche Thiitigkeit ein Entdecker-genie ohne Gleichen be-kundet, dor soli seine Entdeckung dem Zufall verdankenquot;. Met een beroep op D u m a s 2j zet hij verder helder en en klaar uiteen, dat de ontdekking der zuurstof niet beschouwd mag worden als een gevolg van toeval, maar als oen noodzakelijk gevolg van een geheele reeks onderzoekingen, volgens een vooraf beraamd plan, met een bepaald doel ondernomen en ten einde gebracht.

Inderdaad beschouwt men haar in de lijst van dien tijd en in verband met andere onderzoekingen dan blijkt vrij duidelijk, dat het toeval, waarop Priestley doelde, niet in letterlijken zin moet worden opgevat, maar veelmeer als eene uitdrukking van zijn verrassing, dat hij zoo spoedig zijn doel bereikte. Op het tijdstip toch, waarop Priestley de zuurstof vond, zonder er bepaaldelijk naar te zoeken, was hel vrij wel onmogelijk haar bestaan te voorspellen. Destijds had de scheikunde nog niet dien hoogen trap van ontwikkeling bereikt, waarin wij ons thans verheugen. Dij gemis aan keuuis van onderscheidene zelfstandigheden was het niet uitvoerbaar om op eens het

') K o 11) e, Journal für Prakt. Chemie. 1S9Ü. II.

'J) Du ma s, Lemons. lOi. Guvier, lieceuil des éloges historiquea. 1.189.

ocr page 118

97

vermoerlelijk verloop van een proces te overzien. Kunnen wy thans in vele gevallen reeds met vrij groote zekerheid den gang van een scheikundige reactie ontwikkelen, of uit het optreden van bekende producten de samenstelling van een lichaam opbouwen, ten tyde van Priestley was een zoodanig oordeel al even vaag en algemeen als de uitspraak van het Orakel te Delphi. In de meeste gevallen moest men zich tot waarnemen, tot verzamelen bepalen en zich zorgvuldig van iedere gevolgtrekking onthouden, zoolang de feiten niet hadden gesproken. Dit deed Priestley en de ontdekking der zuurstof is de vrucht dier gevolgde methode. Gemakkelijk kan men zich daarvan overtuigen, als men hem voet voor voet in zijne verschillende ontdekkingen volgt.

Toen hij geheel overeenkomstig de proeven van Mayow had gevonden, dat slechts een bepaald deel der lucht in staat is om de verbranding en ademhaling te onderhouden, onderzocht hij eerst, hoe dit zich ten opzichte van andere soortgelijke phlogistische processen gedraagt en vervolgens wat de oorzaak is, dat de aldus bedorven lucht weer hersteld en op nieuw voor de verbranding en ademhaling geschikt wordt. Daartoe plaatste hy den 17en Augustus van het jaar 1771 een groenen tak in een afgesloten hoeveelheid lucht, waarin een kaars was uitgebluscht. Toen hy nu tien dagen later vond, dat een kaars daarin op nieuw blyft voortbranden, oordeelde hij dat die groene tak de bedorven lucht op nieuw geschikt gemaakt heeft om do verbranding te onderhouden. Yoor alle zekerheid echter verdeelde hij op nieuw een nieuwe hoeveelheid bedorven lucht in twee gelijke deelen. Het eene gedeelte liet hij boven water staan; in het andere plaatste hij weer een groenen tak, en vond na eenige dagen, dat een brandende kaars in het eerste gedeelte wordt uitgebluscht, in het laatste gedeelte daarentegen blijft voortbranden.

ocr page 119

!»8

Drie helangryke feiten worden hier dus proefondervindelijk vastgesteld. Vooreerst dat de lucht een samengesteld lichaam is, ten andere, dat slechts een bepaald iloel in staat is om het phlogiston, bij verbranding, ademhaling en rotting afgescheiden, op te nemen en eindelijk, dat de plantengroei de oorzaak is, waardoor het verbroken evenwicht weer wordt hersteld.

Kan men, waar zulke feiten spreken, volhouden dat Priestley „ne tira aucune conclusion générale de ses belles découvertesquot; 1) ? of wel, „qu'il ne sentait point le besoin de la méthode, ni de la meditationquot; 2) ? Is het redelijk om hem in zekeren zin te verwijten, dat hij den plantengroei slechts als de waarschijnlijke oorzaak van de luchtvernieuwing beschouwde ? 3). Ons dunkt juist het tegendeel. Aan alle eischen, welke men aan het natuurkundig onrlerzoek stellen mag, wordt hier voldaan.

Het is waar, Priestley beschouwt al zijne ontdekkingen in het licht van de phlogistische leer. Maar dit kan toch geen reden zijn om hem wijsgeerigen zin en methode te ontzeggen. Byna alle scheikundigen van dien tyd waren die leer toegedaan. Zijn zij daarom als wijsgeer te veroordeelen ? Zijn hunne ontdekkingen daarom van minder gewicht en beteekenis ? Dat Lavoisier boven allen uitmunt, kan, objectief beschouwd, hun waarde niet verminderen.

1

!) Berthelot, Ln Revolution chimique. 40.

2

-) C li e v r e u 1, llesumé d'uiie histoire de la matière. 2S4.

3

) Idem. Omtrent deze ontdekking merkt C h e v r e u 1 op: Eh bien ! la grande découverte est comprise, la certitude nmw/Ke-, il n'y a plus qu'une prohabilité.

J'ai exposé ailleurs tons les details des reclierclies dont le point de depart est l'observation de Priestley, pour que la grande harmonie devint nne vérité scientitique, et pour cela il fallnt rintervention de deux savants: Ingeidiousz et Sennebier.....

ocr page 120

99

Doch, volgen wij Priestley in zijne verdere onderzoekingen. Zoodra hij de boven gemelde eigenschappon der lucht heeft vastgesteld, worden alle hem bekende en nieuw ontdekte gassen op dezelfde eigenschap beproefd. Bijna tegelijker tijd vindt hij in de salpeterlucht (stikstofoxyde) het middel om de deugdelijkheid van de dampkringslucht te onderzoeken.

Op grond van de ervaring, dat vele vaste lichamen bij verhitting een luchtsoort ontwikkelen, onderzocht hij verder alle stoften, die onder zijn bereik komen, of zij bij verhitting gassen opleveren, en de eerste vraag welke hij tot hen richt is deze: of en in hoever zij de verbranding en de ademhaling kunnen onderhouden. „Es ist klarquot;, zegt V o 11 h a r d. „Priestley musste mit Nolhwendigkeit auf die Entdeckung geführt werden, da der Sauerstoft'sich gerade durch die Antwort auf jene Hauptfragen von allon andern Grasen wesentlich unterscheidetquot; x).

Deze ontdekking had dan ook den l611 Augustus 1774 plaats, toen hij bij verhitting van het roode kwikoxyde een luchtsoort verkreeg, die ongeveer viermaal meer salpeterlucht ter verzadiging vereischte dan dampkringslucht, waarin een muis ongeveer viermaal langer leefde dan in gewone lucht, waarin een kaars niet een lange, heldere, lichtgevende vlam brandde en waarin een glimmende

o

houtspaan op nieuw ontvlamde.

Beschouwt men deze ontdekking nu in verband met de voorgaande, dan volgt hieruit dat Priestley iu de zuurstof of, zooals hy haar noemde, in de gedephlogisti-seorde lucht, dat bestandeed van de dampkringslucht moest herkennen, waaraan deze hare eigenschappen ten opzichte van de salpeterlucht (stikstofoxyde), van de ademhalingen

l) Vollliard, Die BegTÜuduiig', u.s.w. ii.

ocr page 121

100

de verbranding ontleent. Met deze wordt tevens eene ge-hcele recks van ontdekkingen afgesloten in wier aaneenschakeling en geregelde opeenvolging tevens liet bewijs ligt opgesloten, dat Priestley, nóch door het blinde toeval is geleid, noch dat het hem aan doorzicht en combinatievermogen heeft ontbroken om zelfs een zoo ingewikkeld probleem als de beteekenis van de lucht in de huishouding der natuur te doorzien en tot oplossing te brengen. Zijne proeven met lucht voerden hem tot de ontdekking van hare samengesteldheid. Waarneming en vergelijking van de verschijnselen in de natuur, deden hem het verband kennen, dat er tusschen de lucht, de ademhaling en den groei der planten bestaat. Zijn talloozc proeven met lucht en luchtsoorten eindelijk, brachten hem tot de ontdekking der zuurstof.

^a deze beschouwing omtrent Priestley in verband met zijne voornaamste ontdekkingen rest ons nog de vraag te beantwoorden, welke beteekenis er te hechten is aan het oordeel van Berthelot, dat Lavoisier, onafhan-kolijk van Priestley, het eerst het karakter der lucht heeft herkend en sedert Maart 1773 het bestaan van de zuurstof vermoedde, alsmede in hoeverre L a v o i s i e r aanspraak kan doen gelden op een geheel zelfstandige ontdekking der zuurstof.

De meening van L a d e u b u r g en Berthelot dat Lavoisier ook uit zichzelf tot die ontdekking zou zijn geraakt, indien hij aan zichzelf was overgelaten geweest, kunnen wij laten rusten. Het is zeer moeilijk, uit te maken of Lavoisier werkelijk daarin geslaagd zou zijn, te meer als blijkt, dat dit niet het geval is geweest, en hij, voor zoover hij daarop toch aanspraak maakt, onder den invloed van Priestley's ontdekkingen heeft gestaan.

De verhandeling, waaruit Berthelot do even gemelde gevolgtrekking omtrent Lavoisier afleidt, staat in ver-

ocr page 122

1.01

band niet een paar proeven door Lavoisier zelf in zijn laboratorium-register opgeteekend.

Onder dagteekening van 2i) Maart 1778 lezen wij daar: J'ai vu avec surprise que le plornb ne se caleinait pas davantage. J'ai commence dos lors a soupconner, que le contact d'un air circulant est nécessaire a la formation de la chaux métallique ; que peut-ctre meme la totalité de l'air que nous respirons n'entrait pas dans les métaux que Ton calcine, mais seulement une portion, qui ne se trouve pas bien abondamment dans una masse donnée d'air; peut-étre encore la couche de chaux qui couvrait la surface du inétal empêchait- elle le contact direct de l'air et arrêtait les progros de la calcination 1).

A7ooreerst merken wij hier op, dat Lavoisier met deze proef en ook met die omtrent de calcinatie van tin, naar welke hij verwijst, geen enkel nieuw gezichtspunt opent. Alles wat wij hier vernemen, was reeds voorlang door Hooke en Mayow ontdekt. Ten andere merken wij op, dat uit een nauwkeurige vergelijking tusschen de voor-loopige mededeeling „sur la calcination de l'étainquot; (door Lavoisier in November 1774 bij de Academie gedeponeerd) en de eigenlijke verhandeling, die is opgenomen in de „Mémoires de l'Academie des Sciencesquot; 3), duidelijk blykt, dat aan het oorspronkelijke stuk essentieele bijvoegingen zijn toegevoegd, voordat het in de verhandelingen der Academie is afgedrukt. Berthelot zelf erkent dit feit. „Une communication sommairequot; — zegt deze — „souvent meme faite de vive voix a une société savante. telle que l'Académie des sciences de Paris, ou la Société royale de Londres, suscitait aussitót des vérifications, des pensées, des

') Berthelot, Lu -Revolution chimimie. 2o6.

2) Mcmoire de 1'Acud. des Science?. 1')77-

ocr page 123

102

experiences nouvelles, qui eu développaient la portee et les consequences. Par un retour qu'on ne saurait blamer, I'auteur primitif, lorsqu'il imprimait son mémoire, Fen-richissait des résultats additionnels et des interpretations postérienres. Aussi est-il fort difficile de faire avec impar-tialité la part de chacim dans cette rapide succession d'inventionsquot;

Nu willen wij gereedehjk toestemmen, dat er tusschen een voorloopige mededeeling en de verhandeling zelf een groot verschil kan bestaan, en dat menige verandering wordt aangebracht, menige bijvoeging wordt ingelascht, voordat oen manuscript wordt afgedrukt, maar dan behoort men toch daar, waar het een prioriteitsrecht geldt, zich aan den datum van het manuscript te houden. Of dit geschied is, zal uit het vervolg blijken. Tot dusverre hebben de boven gemelde berichten slechts betrekking op de samengesteldheid dor dampkringslucht.

Voor de zitting van Paschen 1775 had Lavoisier aan de Academie eene nota overgelegd „Sur la nature du principe qui se combine avec les métaux pendant la calcinationquot;. Deze verhandeling werd gelezen den 8en Augustus 1778. Een daaraan toegevoegde noot meldt, dat de vermelde proeven meer dan een jaar te voren zijn gedaan, maar die met zuurstof, verkregen uit rood kwikoxyde, eerst in de maand November 1774 2).

In deze verhandeling beschrijft Lavoisier de bereiding en eigenschappen der zuurstof a).

') Berlhelot, L:i llcv. cliiui. 58.

3) lu de verhandeling //Sur la méthode d'angmeutei* Faction du l'euquot;, gedrukt in de memoires de 1'Academie van 1182 wordt ten overvloede nog eens aan dien datum herinnerd. Blad/,. 'Jl hiervoor.

Lavoisier, Oeuvres. 11. 123.

ocr page 124

103

In het oorspronkelijke stuk wordt de naam van Priestley niet vermeld. Eerst later, in de daaruit o-etrokken ver-

J 7 O

handeling, wordt deze geciteerd, maar ook dan nog in zoodanig verband, dat het schynt alsof Lavoisier gelijktijdig en onafhankelijk van den Engelschen scheikundige de zuurstof heeft ontdekt.

Uit verschillende omstandigheden blijkt echter dat dit standpunt niet verdedigbaar is.

Met zekerheid kunnen wij bewijzen, dat Lavoisier kennis droeg van al hetgeen Priestley te dien aanzien had verricht. Vooreerst zijn de proeven van Priestley met lucht in de Philosopical Transactions van 1772 gepubliceerd, dus ruim eon jaar vóór die van Lavoisier, waaraan de beschouwing is ontleend, dat hij sedert Maart 1773, het bestaan dor zuurstof vermoedde 1). ïen tweede blijkt uit eene mededeeling van zijn jongsten biograaf, Grimaux, dat Lavoisier door te Londen gevestigde vrienden voortdurend op de hoogte werd gehouden van hetgeen op scheikundig gebied in Engeland voorviel. Deze schrijft: „Un de ses amis, qui habitait Londres, Ma-gelhaens ou Magellan, de la familie du célèbre navigateur, lui envoyait tous les mémoires sur les sciences qui parais-sent en Angleterrc et le tenait au courant des découvertes de Priestleyquot;. Ten slotte weten wij met zekerheid dat L a v o i s i er kort voor den 28°quot; October 1774, den datum van zijn bezoek te Montigny 2), waarop in November de ontdekking der zuurstof zou gevolgd zijn, door Priestley

gt;) Zie bladz. 1)2 van dit hoofdstuk.

-) Uit liet 3e Laboratorium-register van Lavoisier, loopende van 23 Maart 1774 tot 13 Pebruari 1776, blijkt, dat hij op dien datum te Mon-tin-ny was om met zijn vriend Trudaine de proeven van Priestley met zoutzuur- en aunnouiakgas te licrlialen. (Berthelot, La Bóv chi-mitjue. So'.i).

ocr page 125

104

zelf omtrent do bereiding en eigenschappen van dit gas was ingelicht.

Gedurende de geheele maand October van dat jaar toch was Priestley te Parijs. Onderscheidene malen genoot hij, evenals zoo vele andere geleerden, de bekende gastvrijheid van Lavoisier. Van een dezer bijeenkomsten vermeldt Priestley het volgende: „Havhuv

v o I}

made the discovery (of oxygen) some time before I was in Paris, in the year 1774, I mentioned it at the table of Mr. Lavoisier, when most of the philosophical people of the city were present, saying that it was a kind of air in which a candle burns much better than in common air, but I had not then given it any name. At this all the company, and Mr. and Mrs. Lavoisier as much as any, expressed great surprise. I told them 1 had gotten it from pyecipilnte per se and also from red lead. Speaking French very imperfectly, and being little acquainted with the terms of chemistry, I said plombe rouge, wich was not understood till Mr. Macquer said 1 must mean minium1).

Vóór den 28quot;! October 1774 kende Lavoisier dus de ontdekking van Priestley. Dit feit staat vast en is later door geen der aanwezigen op de bijeenkomst ten huize van Lavoisier tegengesproken Integendeel, een van zijn

1

Nature Stept. TS'JO. 451. Thorpe, Essays in Historical Chemistry. 120.

-) In zijne Experiments and Observations (ed. 1790, II. 108) deelt Priestley later nog het volgende mede: Being in Paris in the October toUowing (the August ot 1774) and knowing that there were several very eminent chemists in that place, 1' dit not omit Hie opportunity, by means ot my triend Mr. Magellan, to get an ounce of mercurius calcinatus prepared by Mr. Cadet, of the genuineness of wich there could not possibly be any suspicion; and, at the same time, I frequently niontioued my surprise at the kind of air wich I had got from this preparation to Mr. Lavoisier, Mr. le lioy, and several other philosophers, who honoured me with their notice in that city, and who, I daresay, cannot tail to recollect the circumstancequot;.

ocr page 126

105

tijdgenooten, Fourcroy, do bekende schrijver van Le Sys-tème dos eonnaissances chimiques, beeft dit feit bevestigd. Zonder eenig voorbehoud erkent deze, dat Priestley in Augustus 1774 de zuurstof heeft ontdekt ^).

Was Lavoisier dus werkelijk de ontdekker van dit gas, hadden zijne tijdgenooten en medearbeiders de overtuiging gekoesterd, dat de proeven te Montigny oorspronkelijk waren, zij zouden ongetwijfeld niet geaarzeld hebben om zijne rechten op dit punt te verdedigen. Voor t minst zouden zij niet hebben gerust, voor en aleer zij alle gegevens hadden bijeengebracht, welke als bewijs konden dienen voor het feit, dat Lavoisier deze ontdekking op het spoor was. Noch hot een, noch het ander is geschied. Alle bescheiden, die op de ontdekking der zuurstof betrekking hebben, zijn, naar wij meenen, bekend. Tn geen enkel ander gi schrift van dien tijd, dan in die van zijn eigen hand, wordt Lavoisier als de ontdekker van dit gas vermeld. Dat men desniettemin, met verkleining van Priestley's verdiensten, die van Lavoisier tracht to verhoogen, is historisch niet verdedigbaar en voor zijn roem onnoodig. Lavoisier heeft de zuurstof niet ontdekt; dit deden Priestley on Scheele.

De s t i k s t o r.

Met betrekking tot de antiphlogistisehe theorie staat het tweede bestanddeel der dampkringslucht, de stikstof, ver ten achter bij de zuurstof. In tegenstelling met de laatste gassoort heeft de eerste, de zoogenaamde gephlogistiseerde lucht nagenoeg niet rechtstreeks invloed ten gunste van het antiphlogistisehe stelsel uitgeoefend, integendeel, zijne ontwikkeling eer belemmerd dan bevorderd. Alleen voor

'-) Fourcroy, Syslt'tne degt; comwissauces cliiuikjues. T. 140.

ocr page 127

lOG

zoovei' er dooi' de juiste kennis van haren aard en van hare natuur een einde werd gemaakt aan de onjuiste voorstelling, dat dampkringslucht bij de verbranding, oxydatie eu ademhaling, door uitstooting van phlogiston werd ge-phlogistiseerd en als gephlogistiseerde of bedorven lucht achterbleef, hoeft zij werkelijk tot de bevestiging en volmaking der antiphlogistische beschouwingen bijgedragen.

Dit gas, wegens enkele van de gewone lucht afwijkende eigenschappen, reeds door Mayow (1 (i (ill) naast dc spiritus nitro-aereas in de dampkringslucht vermoed, toen deze het daaruit door middel van verbranding van koolstof en absorptie van het gevormde koolzuur afzonderde; door Boy le (1674) daarin eveneens naast de vital substance opgemerkt, maar niet nader aangeduid; door 11 a w k s b e e (1710) eindelijk op nieuw onderzocht, toen deze het met behulp van gloeiende metalen uit lucht verkreeg; dit gas werd eerst in 1772 door Rutherford als een eigenaardige, van de lucht verschillende luchtsoort beschreven. Ongeschikt echter om de verbranding en de ademhaling te onderhouden, werd het in don eersten tijd niet zelden met die gassen verward, welke deze eigenschap met de stikstof gemeen hebben. Vandaar dat Priestley lucht, verkregen door het branden van een kaars, door do ademhaling, door de rotting van plantaardige en dierlijke zelfstandigheden, en lucht, verkregen door de inwerking van een mengsel van zwavel en ijzer op dampkringslucht, alsmede kolendamp, brandbare lucht en meer andere gassen als gephlogistiseerde lucht, als stikstof, aanduidde.

quot;Wat hare samenstelling betreft, beschouwde men haar gewoonlijk opgebouwd uit dampkringslucht of gedephlo-gistiseerde lucht, zuur en phlogiston. Het laatste veroorzaakte dan, naar gelang van de hoeveelheid en van do zuiverheid, hare brandbaarheid of hare onbrandbaarheid. Vandaar dat koolzuur en kooloxyde, stikstof en waterstof

8*

ocr page 128

107

tot de bedorven of gcplilogistiseerde luclit werden gerekend. Ook de antiphlogistici en zelfs ook Lavoisier (1774) rangschikten de stikstof onder de samengestelde lichamen, nochtans zonder nadere aanduiding van hare bestanddeelen.

Deze verwarring nam niet eer een einde, dan nadat Cavendish (178-1) de betrekking der stikstof tot het salpeterzuur en de overige stikstof-zuurstofverbindingen, en Bert hollet (1785) die tot de ammonia hadden vastgesteld.

Tusschen de evenvermelde producten en de erkenning der stikstof als zelfstandig, enkelvoudig gas, bestaat een innig verband, zoodat men het eene niet kan leeren kennen zonder tevens acht te slaan op het andere. Zij, die dus de kennis van de eerstgenoemde stoffen hebben voorbereid, hebben tevens tot die van de stikstof, zij het dan niet rechtstreeks, bijgedragen.

Ten aanzien van het salpeterzuur en de verschillende stikstofoxyden heeft inzonderheid Cavendish zich verdienstelijk gemaakt. Naar aanleiding van, en in verband met de proeven van Lavoisier omtrent de samenstelling van het salpeterzuur, deed hij in 1781 de in hare gevolgen zoo merkwaardige ontdekking, dat een mengsel van stikstof en zuurstof onder den invloed van langdurige en sterke electrische ontladingen in het evengemelde zuur veranderde.

Op grond van deze proef werd niet alleen de aanwezigheid van de zuurstof in het salpeterzuur, kort te voran (1776) door Lavoisier1) aangetoond, bevestigd, maar tevens ook die der stikstof bewezen. Tegelijkertijd gaf zy hot middel aan de haud om de samenstelling van het reeds voorlang bekende, maar eerst door Priestley nader be-

r) K o p p, (JesL-li. der Chem. UI. 231.

ocr page 129

108

selireven stlkstofdioxyde en de overige stikstof-zuurstofverbindingen te leeren kennen 1). Ten slotte moclit uit de kennis dier verbindingen rechtstreeks het besluit worden getrokken, dat de stikstof, de gephlogistiseerde lucht uit de dampkringslucht, wegens hare verbindingen mot de zuurstof, geheel en al van de overige gephlogistiseerde luchten verschilde en mitsdien als een zelfstandige gassoort behoorde te worden beschouwd.

De ontdekking van de samenstelling van hot ammoniakgas kwam deze zienswijze nader bevestigen. In het jaar 1785 — dus éen jaar na de boven gemelde proef van Cavendish — stelde B e r t h o 11 e t, eveneens naar aanleiding eener proef van Priestley, door middel van de electriciteit, vrij nauwkeurig de samenstelling van dit gas vast. Vooraf echter had Priestley (1774) op de aanwezigheid der waterstof en S c h e e 1 e (1777) op die der stikstof als samenstellend deel gewezen. Daarenboven had de eerste eene bereidingswijze uit salmoniak met gebluschte kalk en de eigenschappen van dit gas beschreven, alsmede de volume-vermeerdering onder den invloed van sterke electrische ontladingen vastgesteld. Doch al werd nu voor hot oogenblik de zelfstandigheid der stikstof vrij algemeen erkend, de onzekerheid omtrent hare enkelvoudigheid bleef voortduren. Eenigermate was dit door de antiphlogistici, zelfs door L a v o i s i e r, in do hand gewerkt. Al naar gelang van hot standpunt der phlogistic! beschouwden zij de stikstof dan eens als dampkringslucht of gedephlogistiseeide lucht, met phlogiston overladen (P r i e s 11 e y), dan eens als met phlogiston oververzadigd koolzuurgas (W a t t, Volt a), dan weer als gephlogistiseerd salpeterzuur (Cavendish, Scheel e, B e r g m a n n).

1

) 1. c. 232 en 233.

ocr page 130

10!)

Al rlczc voorstellingen op hot phlogiston gegrond, moesten echter langzamerhand worden prijsgegeven. Het was dus voor velen een uitkomst, toen AVestrumb in 1785 de stelling uitsprak : stikstof bestaat uit eene verbinding van-water met zuurstof. Om meer dan eene reden vond deze voorstelling veel bijval. Vooreerst omdat zij — zij 't dan ook slechts schijnbaar — door proeven werd gestaafd, ten andere omdat zij volkomen overeenstemde met die van vele phlogistic! omtrent de samenstelling van de waterstof en de zuurstof met betrekking tot het water en eindelijk omdat velen in die vermeende omzetting op nieuw eene bevestiging zagen van de phlogiston theorie. Het was dus geenszins van belang ontbloot om deze onderstelling, door vele voortreffelijke scheikundigen toegelicht, nader te onderzoeken en op de proef te stellen, daar zij, juist zijnde, niet alleen een geheelen ommekeer in de theorie der gassen, maar ook in de antiphlogistische theorie kon te voorschijn roepen. Aanleiding tot die hypothese gaf een proef van Priestley. Deze had reeds in 1774 opgemerkt, dat waterdamp, door gloeiende aarden buizen gevoerd, stikstof te voorschijn bracht. Toen nu West r u m b 3) en A c h a r d ') in 178;) deze proef met gelijken uitslag herhaalden, knoopten zij daaraan de evenvermelde slotsom vast, waarin zij door Volta4), Trommsdorf5j, Wiegleb0), Wurzer7),

') Volgens sommigen lileef water, ook na de ontdekking zijner samenstelling, eene enkelvoudige slot' en als zoodanig in alle gassen aanwezig.

quot;) Crell, üeitriigen zn den Chem. Ann. 1. 35, en (Ire II, Cliem. Ann. 1785. II. JOÜ.

•■') Crell, Chem. Ann. 1785. 30 , 387, 522.

4) Crell, 1. c. 839.

5) K o p p, Gesclüelite der Chem. III. 217.

6) Crell, Chem. Ann. I. 1798.

Crell, 1. c. I. 1799. 249—258. Ann. de Chimie. XXIX. 225-236.

ocr page 131

110

Scheelo'), Gren2) en Girtanner3) werden gevolgd Het bleek echter spoedig, dat dit besluit op eene gedeeltelijk onvolledige waarneming rustte. Priestley (1783) had bereids zijne dwaling erkend4). Onze landgenoot Nahuys (1789) had er reeds op gewezen, dat water nimmer in lucht kon veranderen 5), terwijl von Hau ch (1793) weldra aantoonde, dat de proef slechts dan gelukte, als men aarden of niet-hermetisch gesloten buizen bezigde Niettemin bleef men volhouden: 1°. dat de aard der stof, waaruit de buizen vervaardigd waren, niet den geringsten invloed uitoefende; 2°. dat er op natuurkundige gronden geen lucht hoegenaamd, noch in aarden, noch in andere buizen kon binnendringen, waarin waterdamp verhit en uitgedreven werd; 3°. dat do stikstof uitsluitend van den waterdamp afkomstig was, wijl hare vorming terstond ophield, zoodra de toevoer van waterdamp werd afgesloten.

Dit was het standpunt der quaestie, toen de zoogenaamde Hollandsche Scheikundigen Dei m an, Pa e t s van Tro os t-wijk en Lauweren burg (1798) zich in den strijd mengden . Dezen zagen terstond in, dat de hoedanigheid der bij de proef gebezigde buizen eigenlijk het geheele vraagstuk beheerschte. Waren deze buizen poreus, dan was het onder zekere omstandigheden zeer wel mogelijk, dat er

C rell, 1. c. 1. 229-291.

-) Gren, Lehrbucli der Cliemie. I. 241.

:') Scherer's Jounial. VI. ^ 203.

Journal de Phys, 178:3. Tom. 1. pag'. 4(jö.

6) A. 1'. Nahuys, Chymische Abhandlung von der Entstelumg des Wassers von J. A. Sclierer. 93, 1789.

quot;j Kopp, Greschiclite der Chemie, lil. 217.

') Ueber den Ursprung der titickluft beim durchtreibeu der Wasser-dunste durch eitie glüheude Köhre. Crell, Chemische Amudeii. I. 1/98.

ocr page 132

107

tot de bcilorvcn of gcphlogistiseerde lucht werden gerekend. Ook de antiphlogistici en zelfs ook Lavoisier (1774) rangschikten de stikstof onder de samengestelde lichamen, nochtans zonder nadere aanduiding van hare bestanddcelen.

Deze verwarring nam niet eer een einde, dan nadat Cavendish (178-1:) de betrekking der stikstof tot het salpeterzuur en de overige stikstof-zuurstofverbindingen, en Bert hollet (1785) die tot de ammonia hadden vastgesteld.

Tusschen de evenvermelde producten en de erkenning der stikstof als zelfstandig, enkelvoudig gas, bestaat een innig verband, zoodat men het eene niet kan leeren kennen zonder tevens acht te slaan op het andere. Zij, die dus de kennis van de eerstgenoemde stoffen hebben voorbereid, hebben tevens tot die van de stikstof, zij het dan niet rechtstreeks, bijgedragen.

Ten aanzien van het salpeterzuur en de verschillende stikstofoxyden heeft inzonderheid Cavendish zich verdienstelijk gemaakt. Naar aanleiding van, en in verband met de proeven van Lavoisier omtrent de samenstelling van het salpeterzuur, deed hij in 1781 de in hare gevolgen zoo merkwaardige ontdekking, dat een mengsel van stikstof en zuurstof onder den invloed van langdurige en sterke electrische ontladingen in het evengemelde zuur veranderde.

Op grond van deze proef werd niet alleen de aanwezigheid van de zuurstof in het salpeterzuur, kort te voren (1776) door Lavoisier1) aangetoond, bevestigd, maar-tevens ook die der stikstof bewezen. Tegelijkertijd gaf zy hot middel aan de hand om de samenstelling van het reeds voorlang bekende, maar eerst door Priestley nader bc-

K o p p, (Jeseh. der Chem. 111. 231.

ocr page 133

1.08

schreven stlkstofdioxyde en de overige stikstof-zuurstof-verbindingen te leeren kennen l). Ten slotte mocht uit de kennis dier verbindingen rechtstreeks het besluit worden getrokken, dat de stikstof, de gephlogistiseerde lucht uit de dampkringslucht, wegens hare verbindingen met de zuurstof', geheel en al van de overige gephlogistiseerde luchten verschilde en mitsdien als een zelfstandige gassoort behoorde te worden beschouwd.

De ontdekking van de samenstelling van het ammoniakgas kwam deze zienswijze nader bevestigen. Tn het jaar 1785 — dus een jaar na de boven gemelde proef van Cavendish — stelde B e r t h o 11 e t, eveneens naar aanleiding ecner proef van P r i e s 11 e y, door middel van de electriciteit, vrij nauwkeurig de samenstelling van dit gas vast. Vooraf echter had Priestley (1774) op de aanwezigheid der waterstof en S c h e e 1 e (1777) op die der stikstof als samenstellend deel gewezen. Daarenboven had de eerste eene bereidingswijze uit salmoniak met gebluschte kalk en de eigenschappen van dit gas beschreven, alsmede de volume-vermeerdering onder den invloed van sterke electrische ontladingen vastgesteld. Doch al werd nu voor hot oogenblik de zelfstandigheid der stikstof vrij algemeen erkend, de onzekerheid omtrent hare enkelvoudigheid bleef voortduren. Eenigermate was dit door de antiphlogistici, zelfs door L a v o i s i e r, in de hand gewerkt. Al naar gelang van het standpunt der phlogistic! beschouwden zij de stikstof dan eens als dampkringslucht of gedephlogistiseerde lucht, met phlogiston overladen (P r i e s 11 e y), dan eens als met phlogiston oververzadigd koolzuurgas (W a t t. Volt a), dan weer als gephlogistiseerd salpeterzuur (Cavendish, S c h e e 1 e, B e r g m a n n).

') 1. c. 232 en 233.

ocr page 134

KM)

Al deze voorstellingen op het phlogiston gegrond, moesten echter langzamerhand worden prijsgegeven. Het was dus voor velen een uitkomst, toen quot;Westrumb in 1785 de stelling uitsprak : stikstof bestaat uit eene verbinding van water met zuurstof. Om meer dan eene reden vond deze voorstelling veel bijval. Vooreerst omdat zij — zij 't dan ook slechts schijnbaar — door proeven werd gestaafd, ten andere omdat zij volkomen overeenstemde met die van vele phlogistici omtrent de samenstelling van de waterstof en de zuurstof met betrekking tot het water ]), en eindelijk omdat velen in die vermeende omzetting op nieuw eene bevestiging zagen van de phlogistontheorie. Het was dus geenszins van belang ontbloot om deze onderstelling, door vele voortreffelijke scheikundigen toegelicht, nader te onderzoeken en op de proef te stellen, daar zij, juist zijnde, niet alleen een geheelen ommekeer in de theorie der gassen, maar ook in de antiphlogistische theorie kon te voorschijn roepen. Aanleiding tot die hypothese gaf een proef van Priestley. Deze had reeds in 1774 opgemerkt, dat waterdamp, door gloeiende aarden buizen gevoerd, stikstof te voorschijn bracht. Toen nu West r u m b 1) en A c h a r d quot;) in 1785 deze proef met gelijken uitslag herhaalden, knoopten zij daaraan de evenvermelde slotsom vast, waarin zij door Volta2), T r ommsdorf3;, AViegleb11), Wurzer'),

1

^ C r e 11, Tieitragen zu den Cliein. Ann. I. 35, en lire 11, Oliem. Ann. 1ÏS5. II. 499.

2

) Cr ell, 1. e. 839.

3

^ K o p p, Gescliidite der ('hem. III. 217.

ocr page 135

S c h e e 1 o '), G r e n 1) en Girt a n nor 2) werden gevolgd. Het bleek echter spoedig, dat dit besluit op eene gedeeltelijk onvolledige waarneming rustte. Priestley (1783) had bereids zijne dwaling erkend3). Onze landgenoot Nahuys (1789) had er reeds op gewezen, dat water nimmer in lucht kou veranderen 0), terwijl von Hauch (1793) weldra aantoonde, dat de proef slechts dan gelukte, als men aarden of uiet-hermetisch gesloten buizen bezigde Niettemin bleef men volhouden: 1°. dat de aard der stof, waaruit de buizen vervaardigd waren, niet den geringsten invloed uitoefende; 2°. dat er op natuurkundige gronden geen lucht hoegenaamd, noch in aarden, noch in andere buizen kon binnendringen, waarin waterdamp verhit en uitgedreven werd; 3°. dat de stikstof uitsluitend van den waterdamp afkomstig was, wijl hare vorming terstond ophield, zoodra de toevoer van waterdamp werd afgesloten.

Dit was het standpunt der quaestie, toen de zoogenaamde Hollandsche Scheikundigen D eim an, P a e t s van Tr o os t-wijk en Lauweren burg (1798) zich in den strijd mengden . Dozen zagen terstond in, dat de hoedanigheid der bij de proef gebezigde buizen eigenlijk het geheele vraagstuk beheerschte. Waren deze buizen poreus, dan was het onder zekere omstandigheden zeer wel mogelijk, dat er

1

-ji Gren, Lelirbucli der Chemie. I. 241.

2

) Scherer's Journal. W. § 2U3.

3

) Journal de Phys, 1783. Tom. I. pag. 4(ja.

ocr page 136

in weerwil van den gelijktijdig daardoor gedreven en verhitten waterdamp, lucht door de wanden binnendrong. Want werden zoodanige buizen slechts gedeeltelijk (in het midden bijvoorbeeld) verhit, dan ontstond er, ten gevolge van den zich condenseerenden waterdamp, in het koudere gedeelte eene luchtverdunde ruimte, die het binnendringen van lucht toeliet. Deze luchtstroom nu regelde zich geheel naar den toevoer van den waterdamp. Werd deze afgesloten, dan hield ook de luchtstroom op, zoodra het evenwicht binnen en buiten de buis hersteld was, om terstond weer in te treden als waterdamp werd aangevoerd. Waren de buizen daarentegen niet poreus, dan had geen enkel van deze verschijnselen plaats. Ten einde nu hunne opvatting te staven, moest bewezen worden: vooreerst, dat de proef slechts met poreuze, niet-luchtdichte buizen gelukte, ten tweede, dat er bij 't gebruik van onverglaasde aarden buizen inderdaad lucht van buiten door den wand drong en eindelijk, dat W i eg 1 e b geen hermetisch gesloten, glazen of metalen buizen had gebezigd. Daartoe bezigden zij een toestel, bestaande uit een glazen buis, zoodanig, en luchtdicht, aan een aarden buis bevestigd, dat beurtelings een der beide deelen kon worden verhit. Gloeide nu slechts het glazen gedeelte van den toestel, dan werd waterdamp opgevangen, gloeide daarentegen het aarden gedeelte, dan kon stikstof en koolzuur in den ontvanger worden aangetoond. Eene andere proef, waarbij de aarden buis omgeven was van een glazen mantel, zoodat de buitenlucht tot de binnenste buis geen toegang had, leverde eveneens on veranderden waterdamp. Zoodra echter de buitenste buis — de glazen mantel — gesprongen was, ontstonden er terstond luchtbellen van stikstof.

Deze proeven door de Hollandsche scheikundigen meermalen met gelijken uitslag herhaald, bevestigden ten volle hunne onderstelling, dat de stikstof, door Westrumb,

ocr page 137

112

Wiegl eb en anderen vei kregen, van de dampkringsluclit uit de onmiddellijke omgeving der gloeiende buizen afkomstig was en door de poreuse buis binnendrong. Toen Wi eg-leb niettemin, ondanks deze proeven, zijne meening omtrent de omzetting van waterdamp in stikstof bleef volhouden en tevens opmerkte, dat er by de voormelde inrichting van de proeven der Hollandsche scheikundigen in geen geval stikstof, maar dampkringsluclit moest ontstaan, wisten dezen die nieuwe moeielijkheid op eene even eenvoudige als overtuigende wijze uit den weg te ruimen.

Het optreden van stikstof in plaats van dampkringslucht schreven zij toe aan de omstandigheid, dat do lucht in de omgeving der gloeiende buis door het kolenvuur van hare zuurstof werd beroofd, zoodat geen lucht, maar de overblijvende stikstof benevens eenig koolzuur, door verbranding der kolen gevormd, binnendrong. Dit werd bevestigd door een proef waarbij zij na opeenvolgende verhitting, afkoeling en nieuwe verhitting van de buis in dezelfde volgorde stikstof, dampkringslucht en ten slotte weer stikstof opvingen. De hierbij verkregen dampkringslucht was gedurende de afkoeling de buis binnengedrongen.

In weerwil van deze afdoende proeven en ondanks het heldere betoog bleek men van verschillende zijden niet overtuigd. W u r ze r ^ (i 799) en Girt a n n e r ^ (1800) althans bonden den strijd op nieuw aan en trachtten door nieuwe proeven en beschouwingen de hypothese omtrent die omzetting van waterdamp in stikstof meer klem bij te zetten. Wurzer bezigde daartoe koperen bollen, waarin hij naar

') Annates de Cliimie T. XXiX N. 87, 225—23ü. Experiences nou velles sur la p rótend na conversion de l'eau en gaz azote. Crell's Cliem. An-inden. 1799. I. j 24-9—258. Nidiern Untersuchung iiber die Verwaudlung des Wassers in titickUift. S ch er er's Journal. VJ. Untersuchung oh der Salpeterlut't eaj eiufacher oder ein zusaininengezelzer Korper sei. jj 203.

ocr page 138

welgevallen water kon laten druppelen. Evenals Wi egleb verkreeg hij stikstof. Zoodra de Hollandsche scheikundigen ook van deze proeven hadden kennis genomen, vervaardigden zij een dergelijken, maar veel eenvoudiger toestel, bestaande uit een koperen bol, waaraan twee buizen luchtdicht gesoldeerd waren. De eene diende om het water druppelsgewyze in de bol te doen toetreden, de andere om de gevormde gassen of dampen af te voeren 1). In strijd met Wurzer verkregen zij waterdamp en geen stikstof. Ten einde echter niet telkens te worden lastig gevallen met de uitkomsten van gebrekkig uitgevoerde proeven, alsmede uit een zeer verklaarbare zucht om den strijd te eindigen, besloten zij hunne proeven nogmaals te herhalen en de daaraan vastgeknoopte beschouwingen op de proef te stellen. Ditmaal maakten zij gebruik van een voor dien tijd zeer kostbaren, maar tevens hoogst doelmatigen toestel. Een aarden buis, door een glazen buis omgeven, stond in verband met liet ontwikkelingsapparaat van den waterdamp, terwijl de buitenste verbonden was met een gashouder 2). Zoodra de buizen in een oven de gloeihitte hadden bereikt, werd door de binnenste waterdamp, door de buitenste, achtereenvolgens waterstof, lucht, koolzuur en stikstof gedreven. Geheel in overeenstemming met hunne vorige proeven konden zij telkens aan het uiteinde der binnenste buis dat gas opvangen, dat uit den gashouder door de buitenste gedreven werd. Rechtstreeks was dus op nieuw bewezen, dat er geen waterdamp in stikstof, noch in eenige andere luchtsoort kon worden omgezet.

1

) De toestel is afgebeeld in: quot;De Nedei'l. sclieik. van het laatst der voorgaande eeuw door Dr. H. P. M. v. d. Hom v. d. Bosquot;.

2

) Deze toestel ia afgebeeld in Scherer's Journal, IV. § 3—27.

ocr page 139

t 14

Tegen deze sprekende en overtuigende proeven was Wnrzer niet bestand en bleken G i r t a n n e r's pogingen, met betrekking tot zijne nieuwe hypothese omtrent de samenstelling der stikstof, gansch ijdel te zyn ').

De byval, welke onzen landgenooten te beurt viel, was onvermengd. Sedert dat oogenblik werd niet alleen de enkelvoudigheid der stikstof nagenoeg algemeen erkend, maar ook voor goed een einde gemaakt aan de nog veelvuldig verdedigde voorstelling, dat water tot de bestand-deelen der gassen behoorde.

Nog was de strijd omtrent eene mogelijke omzetting van water in stikstof in vollen gang, toen G ö 111 i n g, hoogleeraar te Jena, in 17i»4 onder den titel van; „Beitragen zur Berichtigung der antiphlogistische Theoriequot; eene reeks proeven beschreef, waarmede hij L a v o i s i e r's theorie meende te kunnen omverwerpen en eene andere daarvoor in de plaats te kunnen stellen. Maar wat Göttling als eene verbetering beschouwde, was in werkelijkheid niets anders dan eene gewijzigde phlogistontheorie, die wij als de „lichtstoftheoriequot; liebben leeren kennen. Aanleiding daartoe gaven een paar proeven met phosphorus.

Uit het verschijnsel toch dat phosphorus, onder gewone omstandigheden van temperatuur en drukking, in zuurstof niet licht en uit het vermeende, dat dit in zuivere stikstof onder gelijke omstandigheden wel plaats vond, alsmede dat ze in stikstof of waterstof, na toevoeging van eene geringe hoeveelheid zuurstof, en omgekeerd in zuurstof na toevoeging van stikstof of waterstof reeds bij een temperatuur van 10° R. begon te lichten, terwijl dit in zuivere zuurstof eerst bij 22° R. een aanvang nam, had Göttling het

!) Volgens Girtii nner bestond stikstof evenals water uit waterstof en zuurstof, maar met minder zuurstof. So he re r's Journal. VI. § 203.

ocr page 140

besluit getrokken, dat het eerste minder gescliikt was om de verbranding te bevorderen dan het laatste en dienovereenkomstig, dat liet eerste uit zuurstof en warmtestof, het laatste uit zuurstof en lichtstof was opgebouwd. Deze proeven en de tegenstrijdigheden, waartoe zij aanleiding gaven, waren wel geschikt om indruk te maken, te meer omdat de antiphlogistici reeds meermalen hunne verbazing over dat niet lichten van phosphorus in zuurstof hadden te kennen gegeven. Opheldering was dus zeer gewenscht.

Het zijn vooral Fourcroy en Va uq nel in, die zich reeds 15 jaar met proeven aangaande het gedrag van phosphorus in zuurstof, chloor en stikstof bezig hielden, die zich daaromtrent verdienstelijk hebben gemaakt Door eene reeks van uiterst zorgvuldig genomen proeven, waarbij zij het gedrag van den phosphorus bij verschillende temperaturen in zuurstofgas en dampkringslucht, alsmede in stikstof, waterstof, koolzuur, ammoniak, zvvavelig-zuur, zoutzuur en stikstofdioxyde2) onderzochten, bewezen zij achtereenvolgens : dat verbranding van phosphorus uitsluitend van de aanwezigheid van zuurstof en van een paalde temperatuur afhangt, dat het lichten eveneens als een langzaam verbrandingsproces, als eene verbinding met zuurstof, moet worden beschouwd, dat phosphorus niet verbrandt, nóch in duister licht, tenzij ze ten opzichte van de beide eerstgenoemde gassen — zuurstof en dampkrings-

1) P. van Werkhoven. Nieuwe Chemische en Phvsisehe Oefeningen. 1. 173—203.

-) Opmerking verdient, dat Fourcroy (1788), de reolitstreeksclie ontvlamming van phosphorus in het destijds nog niet algemeen bekende, maar wel afgezonderde chloor, toeschreef aan den meer samengedrongen toestand, waarin zich tie zuurstof in het oververauurd zoutzuur gas of' het chloor bevond. Van Werkhoven, Nieuwe Ohem. en Phys. OeF. I. 178.

ocr page 141

11(5

lucht — con zekere temperatuur en ten opzichte van de laatstgenoemde gassen bovendien. nog in aanraking is met, zij het dan ook met geringe hoeveelheden, zuurstof.

Voor het door Gottling waargenomen verschijnsel was dus geen andere verklaring mogelijk dan deze, dat hij met onzuivere, zunrstofhoudende stikstof had geëxperimenteerd. Een krachtig: bewijs voor dit laatste was vooral gelegen in het feit, dat de phosphorus terstond begon te lichten, zoodra eene kleine hoeveelheid zuurstof of dampkringslucht aan de laatstgenoemde gassen werd toegevoegd, doch ophield, als de toegevoegde hoeveelheid verbruikt was, terwijl het verschijnsel tevens gepaard ging met eene vermindering van het toegevoegde zuurstofvolume en de vorming van eenig phosphorzuur of phosphorigzuur

Met betrekking tot het tweede punt: — het lichten van phosphorus in waterstof en in stikstof met weinig zuurstof bij een temperatuur van 10° li. — waren zij van oordeel, dat de verklaring daarvan gezocht moest worden in den toestand, waarin de phosphorus zich op het oogenblik, dat het lichten aanvangt, bevindt. Zij stelden zich namelijk voor, dat evenals temperatuursverhooging of vermindering van drukking in het algemeen de samenhang der deeltjes van een lichaam vermindert, ook toevoeging van deze stoffen — hier waterstof of stikstof -—■ de samenhang der phosphordeeltjes verminderde en dienovereenkomstig den phosphorus in denzelfden toestand bracht als bij 20° R. Deze in vele opzichten merkwaardige proeven en beschouwingen werden bijna gelijktijdig aangevuld en uitgebreid door het bekende onderzoek van van Marum ter verkla-

i) Fourcroy eu Vauquelin en niet Fisscher, zooals Wiirtz in zijne Dictionnaire de Clüiiiie beweert, hebben liet allereerst bewezen, dat zuurstof voor het lichten van phosphorus in waterstof, stikstof onz. onmisbaar is.

ocr page 142

117

ring van het verschijnsel aangaande de ontbranding van phosphorus onder de klok eener luchtpomp, zoodra de lucht tot beneden een duim kwikdruk io verdund

Men stelle zich de verbazing van dezen antiphlogisticus voor, toen hij, de verbranding van den phosphorus in zuurstof willende herhalen, bemerkte, dat de phosphorus niet alleen begon te lichten, maar ook verbrandde, zoodra de zuurstof tot boven genoemde spanning was teruggebracht, terwijl brandende voorwerpen daarin werden uitgebluscht. Oogenschijnlijk toch was deze uitkomst geheel in strijd met de theorie, waarvan hij de verdediging met zoo goed gevolg op zich had genomen. Van Ma rum was echter geenszins een man om een eenmaal gevestigde overtuiging bij den eersten den besten tegenspoed onmiddellijk prijs te geven, integendeel, het prikkelde tot verzet. Daarenboven was hij een te voortreffelijk experimentator, en een te scherpzinnig waarnemer, om geen nader onderzoek in te stellen naar een zoo zonderling en van zijne gewone begrippen afwijkend verschijnsel. Xa eenige overweging en verdere proefneming vond hij dan ook weldra, „dat het zich uit het Lavoisieriaansche leerstelsel zeer duidelijk liet verklaren'.

Oorspronkelijk had het verschijnsel zich geopenbaard, als het boveneinde van het pijpje phosphorus met een met harspoeder bestrooid katoenen lapje was omwonden. Zonder dit bleef het achterwege. Aanstonds was hij er op bedacht om te onderzoeken welken invloed de katoen en de hars beide, of een van beide uitoefenden. De uitslag daarvan was, dat slechts de katoen voor het welslagen der proef onmisbaar bleek te zijn.

') 1'. J. kasteleijn, Chem. en liiys. Oef. 111. :21(J—2(54. 12 Maart 1894. Het verbranden van pliospliorus in liet zoogeuaainde ijdel der luchtpomp, onlangs waargenomen door Dr. .M, van Miu nm.

ocr page 143

118

Dit punt vastgesteld zijnde, lag volgens van Marum de verklaring voor de hand. Zij rustte op de slechte warmtegeleiding van -wollen en katoenen stoffen, of zooals hij het in de taal der wetenschap van dien tijd uitdrukte, op de tegenwerking, die het calorique door dergelijke stoffen ondervindt, en op de snelle verdamping van phosphorus in eene luehtverdunde ruimte, dus ook in zuurstof met geringer spanning, dan in die onder gewone drukking. De toelichting, welke hij hierbij verstrekte, komt in hoofdzaak op het volgende neer: ïsaarmate de spanning van de zuurstof dooi' de werking der luchtpomp vermindert, verdampt er meer phosphorus of worden er meer phosphordeeltjes losgemaakt. Deze, wegens hunne fijnere verdeeling, zich gemakkelijk met de zuurstof ver-eenigende, maken daaruit het calorique los, dat zich in de klok verspreidt en op zijne beurt aanvankelijk het lichten veroorzaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den phosphorus echter wordt deze verspreiding der warmtestof door de katoen belemmerd, dientengevolge hoopt zij zich daar zoodanig op, dat de phosphorus eerst sterker begint te lichten en eindelijk ontbrandt. Hoewel deze verklaring hem voorkwam, volkomen met de hem bekende eigenschappen van de warmtestof en van den phosphorus overeen te stemmen, trachtte hij haar ook voor het oog zichtbaar te maken.

Daartoe beproefde hij aan te toonen, dat de warmtegraad, nabij de oppervlakte van den met katoen omwonden phosphorus, grooter is op het oogenblik, waarop hij het meeste licht verspreidt, dan bij het begin der proef, en zijn hoogste punt bereikt, als hij ontvlamt. Te dien einde verbond hij de katoen met den bol van een zeer kleinen thermometer en zag nu werkelijk, dat de temperatuur, op het oogenblik waarop het licht het sterkst was, van 46° tot 76° steeg en bij de ontvlamming zoo hoog werd dat de thermometer sprong. Ka aan deze proef nog een andere te hebben toegrevoeo'd

■*quot; O O 7

ocr page 144

119

waarbij werd aangetoond, dat do phosphorus zich onder die omstandigneden tot phosphorzuur oxydeerde, meende hij het bewijs te hebben geleverd, dat het verschijnsel niet met het stelsel van Lavoisier in strijd was.

Ofschoon wij hier niet in eene beoordeeling wensclien te treden of de door van Mar urn gegeven verklaring wel de eenige juiste is, wijl bij dit proces nog andere omstandigheden — misschien de werking van ozon — in het spel zijn J), meenen wij toch te mogen vaststellen, dat zij voor dien tijd alleszins voldoende was om, in verband met de proeven van F o u r c r o y en V a u q u e 1 i n, de door G ö 111 i n g opgeworpen quaestie te weerleggen en de enkelvoudigheid der stikstof te bevestigen.

') Y a ii M a r u m zelf zegt hieromtrent: //Er is eeue tweede omstandigheid, die, naar mijn inzien, de ontvlamming in dit geval bevordert: hieromtrent zal ik mijne gedachten mededeelen, wanneer ik dezelve nader zal beproefd hebbenquot;, kasteleijn, Chem. en Phys. Oef. III. 260.

ocr page 145

120

c. Het wateren de ontdekking van zijne samenstelling'.

Vormt do ontdekking der zuurstof den grondslag van de antiphlogistische theorie, die van de samenstelling van het water bevestigt, voltooit haar. Zij is een onmisbare schakel in het stelsel van Lavoisier. Zonder haar immers was eene afdoende weerlegging van sommige phlo-gistische theorieën, inzonderheid van die van Kir wan, onmogelijk, zonder haar bleef eene voldoende verklaring van de inwerking van metalen op verdunde zuren in antiphlogistischen zin uitgesloten. Om echter de betee-kenis dezer ontdekking in haren vollen omvang te loeren kennen, is het in de eerste plaats noodig te weten, welke ontdekkingen daaraan zijn voorafgaan, in de tweede plaats, hoè en door wélke proeven die samenstelling is bewezen, en ten slotte op welke wijze men er eindelijk in geslaagd is om de tegenpartij daarvan te overtuigen.

Tot omstreeks 1780 hield men het water nog algemeen voor eene enkelvoudige stof, welke met de toenmalige middelen in geen nadere bestanddeelen kon worden gescheideu. De uitspraak van twee der voornaamste scheikundigen van dien tijd, Baumé en Macquer, is daaromtrent niet in 't minst twijfelachtig. Baumé verklaarde in het le deel van zijne „Chymie expérimentale et raisonnóe(1773 bladz. 70) „l'eau est une substance liquide, transparante, saus couleur, sans odeur et sans saveur, lorsqu'elle est par-faitement pure. Elle est un élément primiüf, indestructible, inalterable dans toutes les operations de la chymiequot;. Macquer gaf in de 2e uitgaaf van zijn „Dictionnaire de chimiequot;, (1778. I. 352), eene bijna gelijkluidende beschrijving. Dan, ofschoon ook doze het water beschouwde als eene „substance inalterable et indestructiblequot; scheen hij tot twijfelen geneigd. Want onmiddellijk liet

9

ocr page 146

121

hij daarop volgen: „du moins jusqu' a présent il n'y a aueune experience connue, de laquelle ou puisse eonclure, (jue l'eau peut être décoraposéequot;.

iS'iet altijd echter is die onveranderlijke natuur van liet water aangenomen. De aardachtige zelfstandigheid, die zelfs het meest zuivere water na herhaalde destillatie en volkomen verdamping in zuivere vaten achterlaat, gaf aanleiding tot de onderstelling, dat hot geheel in aarde kon worden omgezet.

Knkele der grieksche [ihilosophen,— waaronder Thales van Mi le te — en later van Hel munt, Boy le, Uur ricinus, Géofroy, Wallerius, El Ier en Mar gg raff hebben de.ie meening verdedigd. Boer h a a v e 3) en P o 11 hebben baar echter bestreden, terwijl eindelijk Lavoisier, Schee le, Fontana, von Dalberg en ni.a. in 't laatst der iSe eeuw proefondervindelijk aantoonden, dat het na volkomen verdamping achterblijvende overschot niet van het water, maar van het vat afkomstig is, waarin de verdamping geschiedt.

Behalve aan deze omzetting van water in aarde, heeft men eveneens langen tijd aan een omzetting van water in lucht geloofd. De in de lucht aanwezige waterdamp en de verandering van water in stoom gaven rechtstreeks aanleiding tot deze onderstelling. Zoo meende PI in i us, dat de wolken door verdikking der lucht ontstonden cn omgekeerd, dat lucht door verdunning van water gevormd werd. Volgens Paracelsus bestond lucht uit water en vuur.

') Hierbij merken wij op, diit Boerluiave zijne leerlingen reeds opmerk-zaain had gemaakt, dat bij de verbranding van alcohol in een metalen vat, van boven niet een glazen klok gesloten, vochtige, n:iar beneden loo-pende strepen ontstonden, die niet uit verdampten, op nieuw verdichten alcohol bestonden, maar den smaak van zuiver water hadden. Boerluiave jLlem. Chem. 331.

ocr page 147

122

Onderscheidene natuurkundigen van dien en lateren tijd hebben deze meeningen gedeeld. Newton (1701) beschouwde de lucht als een in vele opzichten met water overeenstemmende stof'. Later, na de ontdekking der verschillende gassoorten en de vorming van water bij verbranding van waterstofgas ut' andere brandbare gassen beperkte men ziel» niet langer tot eene verandering van water in lucht, maar men hield ook eene omzetting van water in andere gassen voor mogelijk. De nadrukkelijke verklaring van J. I!, van He lm o n t daaromtrent, dat „noyt water en was tot lucht, noch lucht tot water gekeerdquot; ') scheen geheel vergeten. Toen Priestley dan ook in 1TS| van Cavendish bericht out vino; omtrent de vonninquot;' van

O O

water door verbranding van phlogiston (II) in gedephlo-giseerde lucht, greep bij gretig deze gelegenlieid aan om daaruit die vermeende omzetting van water in lucht tc bewijzen Vele scheikundigen van dien tijd. waaronder ook Watt, ü r e n en L a v o i s i e r, waren toen van hetzelfde gevoelen.

Watt schreef althans in 1TS4 : „for many years 1 have entertained an opinion, that air was a moditication of water. This opinion arose from a discovery, that the latent heat contained in steam diminishes in proportion as the sensible heat of the water, from which it was produced, increases'13) Grren wijdde in zijn leerboek een geheel hoofdstuk aan dit onderwerp ), terwyl eindelijk Lavoisier en onderscheidene zijner medeleden der Konink-

') V a u Hel m o n t, Dageraad ofte nieuwe opkomst ciet- geneeskoust. 65. -) Experiments relating to phlogiston and the seeming conversion of water in air. Phil. Trans. I7?3. M/.

') Phil. Trans. 17S4. bladü. 'ó'ib.

(ire ii, Hanclbuch der Chemie. Verwandlung des Wassers in Luft. 1. 238.

0*

ocr page 148

123

lijlce Akiidetnie van Wetenschappen te Parijs zic^li aanvankelijk zeer beslist in den geest vau Priestley over deze verandering uitlieten. Dit blijkt o. a. uit hun antwoord aan Blagden (1783) op zijne mededeeling van de proeven van Cavendish, Watt en Priestley aangaande de vorming van water, luidende: „dasz sie schon otwas von flieóen Versuchen gehort batten und vorziichlich dasz Priestley sie wiederholt batte. Sie zweifel ten zwargar nicht, dasz solchergestalt eine ansehnliche Menge Wasser niögte erhalten werden können: aber sie hielten sicb über-zeugt, dasz sie keinesweges dein (jewicht nahe kame, das die beyden angewandten Luftarten gehabt batten; des-halb ware jenes nicht anzusehen, als das aus den zwei Luftarten gebildete oder erzeugte Wasser; sondern es ware vor-lic.r in den. Luftarten enthalten and dam it verhuilden gewesen, und wiirde nur wahrend der Verhrennung abyesetzV' '■). Lavoisier heeft echter nog in hetzelfde jaar deze meening herroepen. In betrekking tot de kennis der gassen was dus de ontdekking van de samengestelde natuur van het water eveneens van groot gewicht. Met deze kennis toegerust kon eerst met vrucht de vermeende overeenkomst tusschen waterdamp en gassen bestreden en de aard en de natuur dier lichamen nauwkeuriger worden omschreven. Hoe ingrijpend en belangrijk de ontdekking van de zuurstof ook zij ten opzichte van de verbrandingsverschijuselen, ten opzichte van de kennis van de samenstelling van het water bekleedt zij slechts de tweede plaats. Hiervoor is de ontdekking van de waterstof van veel grooter beteekenis. Zonder deze was het onmogelijk om tot de kennis dier samenstelling te geraken. En ofschoon de zuurstof als samenstellend deel natuurlijk niet kon worden gemist, houden wij ons overtuigd, dat

!) Crell, Uhem. Aim. 1786. Bd. I. 58. Briet'e vou Hrn. Dr. Blagden in Loudon au den lleraussreber,

O

ocr page 149

men met deze alieen nog geruimen tijd aan de enkelvoudigheid van het water zou hebben geloofd. In zekeren zin waren de eigenschappen van het water — althans in de eerste periode — in strijd met de antiphlogistische theorie, die geen andere verbrandingsproducten kende dan metaal-oxyden en zuren. Zoolang dus niet door feiten was bewezen, dat er elementaire stoften bestonden, die door verbinding met zuurstof andere lichamen dan metaaloxyden of zuren opleverden, zoolang bleef de ontdekking der zuurstof ten aanzien van de samenstelling van hei water van geen beteekenis. Deze opvatting wordt door de geschiedenis bevestigd. Is het niet opmerkelijk, dat de samengestelde natuur van het water eerst tien jaren na de ontdekking der zuurstof — en nog wel door phlogistic) van grooten naam en groot gezag — werd ontdekt en dat al dien tijd niet het minst aan de enkelvoudigheid van het water is getwijfeld? Is het geen sprekend bewijs voor onze opvatting, dat juist Priestley, Scheele en zelfs Lavoisier — zooals wij oven te voren opmerkten — onder de eersten beiiooren, die aan de ontdekking van Cavendish geen geloof hechten ? Is het niet in hooge mate bevreemdend, dat geen van de ontdekkers der zuurstof, noch Lavoisier, ooit acht schijnen te hebben geslagen op de vorming van water bij verbranding van organische, waterstof houdende stoften ? Is het verder niet opmerkelijk, dat Ma cquer (1775)en Si gaud de Lafond, de la Metherie1) en Warltire2), de

') .l'iii fait brul er (17S1) eet air contre une glacé, et j'ai eu des goiitt.es il'eau. M. Macquer avoit. eu les mêines résnltats; iiuiis il ne dit pas s'il nvoit fait passer son air inflammable par l ean, au lien dans men pro-i*,c.d(', il na en aucnn contact avec elle. Journal de Phys. 1782. lom. XIX. 16. Versie lijk K o p p, Entdeckung der Zusammeusetzung des Wassers. 251.

-) Warltire heeft dit aan Priestley medegedeeld in een brief d.d. 18 April 1781. Wavjltire sebreef: »1 have fired air(luchtknalgas)

ocr page 150

eerste seheikundigen, die het optreden van water bij ver-brandinff van waterstof bespeurden, aan goheele andere oorzaken voor deze watervonning hebben gedacht, dan aan een verbinding van waterstof met zuurstof? Want, ofschoon Macquerin zijne „Dictionnaire de Chimiequot; omstreeks 1778 schreef: „Je me suis assure aussi, en interposant une soucoupe de poreelaine blanche dans lafiamme du gaz inflammable brülant tranquillement a Forifice d'une bouteille, quecette flamme n'est accompagnée d'aucune fumée fuligineuse; car l'endroit de la soucoupe, que léchoit la flamme, est rest»' parfaitement blanc; il s'est trouvé seulement mouillé de gouttelettes assez sensibles, d'une liqueur blanche commo de l'ean, et qui nous a paru en effet n'être que de Venn fnrequot;, zoo volgt daaruit nog niet, dat hij daarbij aan een verbinding van waterstof met zuurstof heeft gedacht. In hetzelfde standaardwerk toch had hij zijne stelling; „Teau est une substance inalterable et indestructiblequot; laten voorafgaan ?). Wat voor Macquer geldt, is ook van toepassing op de la Metherie, die van Macquer's proef niet alleen geinige was, maar haar bovendien nog op eene andere1 wijze uitvoerde. Deze wist zich niet beter uit de verlegenheid te redden, dan door een in alle metalen aanwezig, waterachtig beginsel „principe aquenx'quot; aan te nemen -). Het sterkste bewijs voor onze opvatting is echter het feit dat juist Cavendish, de ontdekker der waterstof, tevens aantoonde, dat hef water onder de samengestelde lichamen

in g-lnss vessels since I snw you venture to do it, and have observed, as you did, that tliougli the glass was clean and dry before, yet, after tiring the nir, it became dewy, and was lined with a sooty substancequot;, 1' r i e s t-ley, Exp. and Obs. with a continuation of the observations on air. Vol. II. Birmingham 1781.

J) Macquer, Dictionnaire de Chimie. ie cd, I. pag. SSS en S'gt;2.

') Journal de physique. Tom. MX. 16, 1) e la Metherie had de waterstof vervaardigd doov verhitting van voclitig ij/ervijlsel.

ocr page 151

behoorde gerangschikt te worden, liet een was een noodzakelijk gevolg van hot ander. Na de erkenning van do waterstof als phlogiston kon immers een onderzoek naar haar gedrag ten opzichte van de gedephlogistiseerde lucht niet uitblijvon, en dit to minder, omdat het wen-schelijk was om de even vermelde proeven van Macqner, Warltire en de la Mether ie tot klaarheid te brengen. Tot recht begrip van de geschiedenis van het water is het dns noodig om aan do ontdekking zijner samenstelling een kort overzicht van die der waterstof te laten voorafgaan.

Volgens de onderzoekingen van den geschiedschrijver Hermann Kopp, beschreven in zyne „Ansichten über die Aufgabe der Chemiequot; (bladz. 241), zou het gas, dat zulk een grooten invloed op de kennis van de samenstelling van het water uitoefende, het allereerst in de le helft der lTe eeuw door Turqnet de May erne zyn waargenomen '). Deze bericht althans, dat het oplossen van ijzer in zwavelzuur gepaard gaat met de ontwikkeling van een onaangenaam ruikend en brandbaar product ■). Toen nu Glauber kort daarna in zijn „Furni novi philoso-phiciquot; 3) schreef: Solvire dünn laminirten Stahl in einem recti hei rten Spiritu Salis, so bekomst du eine süsse und griine Solu.ion, welche übel nach Sulphure reuchtquot;, dan bedoelde hij met deze naar „Sfiilj-ihare ruikende, groene oplossing klaarblijkelijk de zioli daarbij ontwikkelende, onzuivere waterstof, liet is echter twijfelachtig of hij mot dien reuk naar zwavel een gasvormig product op het oog had, daar iiij, in at wijking van zijn voor-

') lloefer vermeltll echter in zijne «rHistoire 'le la ( liimie' (^tl. bind/. IC)) dat Paracelsus reeds van eene ontwikkeling van gas, bij de inwerking van ij/.er op verdund zwavelzuur, heeft gewag g-emaakl. Zie lueruver ook Kopp, Ansichten über die Aufgabe der Chemie, blz. 2-11, noot

'■J 'l' urq ii e t de May e rup, Opera Medica. '). K o pp,.\usiuhteii. 212.

quot;) [. bladz. 4'J.

ocr page 152

ganger, nodi Vitn do brandbaarheid, noch van eenige opborreling ot opbruising melding maakt. Niettemin, zijne beschrijving stond geheel op zichzelf, want die van Tnrquet de May erne was hem zeer waarschijnlijk geheel onbekend, wijl diens werken eerst in het begin der 18e eeuw zijn uitgegeven Eenigszins uitvoeriger bericht aangaande dit gas gaf Boyle 2). Deze vulde de proef van Glauber aan met de ontdekking, dat de daar beschreven, stinkende zwavel tot de brandbare luchtsoorten behoorde. Of Boyle daarbij aan eene overeenkomst tus-schen de brandbare lucht, verkregen uit zoutzuur en die verkregen nit verdund zwavelzuur en ijzer, waarvan de bereidingswijze hem ook bekend was, heeft gedacht, is niet waarschijnlijk on blijkt ook niet uit hetgeen zijne tijdge-nooten, Bechor, Mayow en m. a. daaromtrent hebben bekend gemaakt. Eerst in 1700 erlangen wij daaromtrent zekerheid. In eene even uitvoerige als met zorg bewerkte verhandeling, waarin niet alleen alle verschijnselen zijn vermeld, welke bij de proef zijn waar te nemen, maar waarin ook allo voorzorgen, daarbij in acht te nemen, zijn opgenomen, stelde de Fransche scheikundige N i c. Le-mery liet leit vast, dat men bij dit proces even goed zwavelzuur als zoutzuur, maar geen salpeterzuur mocht aanwenden. — „Que les esprits acidos de sel, de soulfre ot d'alun produisent dans cette operation le même etfet que 1 esprit de vitriol. Mais Tosprit de nitre, ny 1'eau forto, ny oxitont point de fulminationquot; De reeds bekende eigenschappen van dit gas vermeerderde hij met die om met lucht gemengd en aangestoken te ontploffen.

'j ivojjp, Ansichten, •M:.',

-j Boyle, New exp. touching thn reliition between Ihmic :inil li',quot;,:!. n History ot the air. I(j92.

i) Mémoires de l Acadeinie des Sciences, 17quot;quot;. bl.-id/. lül,

ocr page 153

128

JS'a Lemery sehijut hut onderzoek te zijn gestaakt. Tot 176r» althans is weinig belangrijks aan het reeds bekende omtrent dit gas toegevoegd. Toen Cavendish in dat jaar echter het onderzoek weer opvatte, erkende hij in de waterstof eene geheel op zichzelf staande gassoort, voegde aan de reeds bekende nog de bereidingswijze met behulp van zink en tin toe, bepaalde vrij nauwkeurig haar soortelijk gewicht ten opzichte van de lucht, alsmede de hoeveelheden van dit gas, die zich bij inwerking van de verschillende metalen op de genoemde zuren ontwikkelen ').

De waterstof, op de zoo oven gemelde wijze verkregen, is langen tijd met andere brandbare gassen verward. Op grond van enkele daarmede overeenkomstige eigenschappen meenden sommigen, dat er slechts één brandbaar gas bestond, terwijl anderen aannamen, dat er meerdere bestonden. Dit verschil in opvatting aangaande het bestaan van slechts één of meer brandbare luchtsoorten ging tevens gepaard met een verschil in meening ten aanzien van hare samenstelling. Maar hoe uiteenloopend de meeningen ook waren ten opzichte der overige samenstellende deelen, ten opzichte van het phlogiston was men eenstemmig van oordeel, dat de brandbare lucht uit metalen veel van deze stof bevatte, of er voor het grootste gedeelte uit bestond.

De eerste onderzoekers van de waterstof hebben zich reeds in dien geest daarover uitgelaten, indien wij althans onder het beginsel, dat zij zwavel noemden, hetzelfde te verstaan hebben als hetgeen later door Stahl phlogiston is genoemd. Eene onderstelling trouwens, die ons niet te gewaagd schijnt, omdat, althans in 't begin der 17e eeuw, de meeste scheikundigen met „zwavelquot; of met „zwavelachtig beginselquot; hetzelfde bedoelden als later Sta li 1 met

l) Caveuilish, Exp. oh factitLoua iiir.

ocr page 154

120

„phlogistonquot; en Cavendish met „inflammable airquot;. Dat mi doze zoogenoemde zwavel — in easu de waterstof — hij de inwerking van metalen op verdund zwavelzuur in de lucht ontweek, geloofde Tnrquet de May erne, beschouwde Boy le als mogelijk en was voor Lemery een onomstootelijk feit „La troisième ost qu'il faut néoes-sairementquot;, schreef deze Inatste, „que lesoulfre, qui s'exalte en vapeur et qui s'entlame, vient uniquement dela limailie de for, ear rean, ny l esprit de vitriol, et prineipalement le plus fort, eomme celui que jquot;ai employé, n'ont rien de siilfiireiiXj n v d'infiannnable, mais le fer oontient beaueoup de soulfrequot;.

Ook iu de 18e eeuw bleef het gevoelen overheerschend, dat bij de oplossing van zink in zwavelzuur en in zoutzuur liet brandbare gedeelte van het metaal zich in den vorm van een brandbaren damp afzonderde. In den aanvang der antiphlogistische periode is men daarvan echter eenigszins afgeweken. Enkelen oordeelden toen, dat het hierbij ten leele vrijkomende phlogiston zich met een deel van hei zuur tot een vluchtigen, brandbaren damp vereenigde. De eigenlijke ontdekker van de waterstof. Cavendish, heeft deze afwijking van de oorspronkelijke voorstelling nadrukkelijk bestreden en tevens den grond gelegd van het beginsel, dat het bij die scheikundige processen vrijkomende phlogiston het element waterstof is. In zijn „Experiments on factitious air' lezen wij daaromtrent het volgende: „lt seems likely from hence, that, when either of the above-mentioned metallic substances are dissolved in spirit ot .salt, or in diluted vitriolic acid, their phlogiston Hies oil', without having its nature changed by the acid, and forms the, inflammable air, but that, when they are dis-

•) Ansichten iiber die Aufgabe der Clieiuie. 245. Mém. de

I' Vciid. des Sciences. 1700. 101,

ocr page 155

solved ia the nitrous acid, or united by heat to the vitriolic acid, their phlogiston unites to part of the acid used for their solution, and llies off with it in fumes, the phlogiston losing its infiamraable property by the union. But as to the imflammable air, produced by dissolving these substances in spirit of salt or in diluted vitriolic acid, there is a great reason to think, that it does not contain any of the acid in its composition, not onlv because it scorns to be just the same whichsoever ot these acids it is produced bv ; but also because there is an inflammable air, seemingly much of the same kind as this, produced from animal substances in putrefaction, and from vegetable substances in distillation : though there can be no reason to suppose, that this kind of iutiamma-blc air owes it production to any acidquot; l).

Voor Cavendish was de waterstof dus eene steeds aan zichzelf gelijkblijvende, onveranderlijke grondstof, het phlogiston.

Dit punt, eenmaal aangenomen, bracht onder de phlogistic! een algeheelen omkeer te weeg. Dc mecsten hebben zich beijverd om het phlogiston in dezen nieuwen vorm op hunne denkbeelden toe te passen. Dat hierbij inzonderheid haar gedrag ten opzichte van de verschillende luchtsoorten werd onderzocht, kan geen verwondering wekken, als men bedenkt, dat deze proeven tusschen 1770—-ITsO, in de pneumatische periode zijn genomen.

Ten aanzien nu van dit punt had Cavendish bereids in 1766 aangetoond, dat de meestal bij ontbranding van waterstof volgende ontploffing slechts dan alleen geschiedt, als dit gas in een bepaalde verhouding met lucht is gemengd. Kort na de ontdekking der zuurstof beschreef Schede de vermindering, welke het volume van een

') l'hilosophu'nl trausaorious. l'/OG. 141—11:5.

ocr page 156

UM

zoodanig gasmengsel, als door f'avendish bedoeld, na de ontploffing ondergaat. Priestley bemerkte, dat die ontploffing veel heviger, is als men daartoe zunrsiof in plaats van lucht bezigt, en het hevigst, als die beide gassen in de ons bekende verhouding zijn gemengd. \ oltatoonde aan, dat de ontbranding even goed door een electrische vonk als door een brandend voorwerp kan geschieden, en in verband met de evengemelde proef van Scheele, dat het totale volume na de ontploffing geheel verdwijnt, als men daartoe een mengsel van waterslof en zuurstof in de door Priestley aangegeven verhouding, aanwendt. Deze proeven en ontdekkingen, omstreeks 1777 vrij algemeen bekend, hadden de ontdekking van de samengestelde natuur van het water genoegzaam voorbereid. Toch verliepen er nog een viertal jaren, voordat dit gewichtige feit werd bewezen. Verschillende omstandigheden werkten daartoe samen, waaronder niet het minst die, welke uit de eigenaardige inzichten van phlogistic! en van antiphlogistici, omtrent de verbranding en de verbrandingsproducten, voortvloeiden, alsook uit die, welke een gevolg waren van de proefneming zelve.

Aangaande het eerste punt merken wij op, dat geen der scheikundigen, aan wie het optreden van water bij verbranding van waterstof bekend was, dit als een verbrandingsproduct van dit gas hebben beschouwd, en omtrent liet tweede punt, dat, zoolang de ontploffing van lucht-of gewoon knalgas boven water of in de lucht plaats had, het ontstaan van water, als product der verbranding, niet met zekerheid kon worden vastgesteld.

Volta schijnt dit bezwaar te hebben gevoeld, want in denzelfden brief, waarin hij Priestley de geheele verdwijning van knalgas na het overspringen van de electrische vonk mededeelde, schreef hij tevens, dat hij voornemens was een onderzoek naar het verbrandingsproduct in

ocr page 157

132

te stellen en daarbij kwik in plaats van water ter afsluiting van het mengsel te zullen gebruiken: „par ce moyen' — schreef liij —quot; je parviendrai a pouvoir examiner le pré«ipité, ou Huide, ou solide de sel ou de terre qui s'atta-cliera aux parois du verre ou ii la surface du mercure ').

De uitkomst dezer proeven heeft Volta echter nooit medegedeeld en de aanwijzing zelf schijnt weinig bijval tc hebben gevonden, want zij, die later deze proeven herhaalden, bezigden daartoe gewoonlijk geen door kwik afgesloten buizen, maar gesloten, glazen of metalen vaten, waarin zij eenigo malen achtereen knalgas lieten ontploffen. De electrische vonk bewees hierbij echter voortrctfe-lijke diensten, zij was zelfs in zekere mate onmisbaar. Met dit hulpmiddel toch werd het mogelijk om knalgas in eene van de lucht afgesloten ruimte te verbranden en zoodoende het verbrandingproduct voor het onderzoek toegankelijk te maken. Op dit standpunt bleef inderdaad dan ook niets meer te doen over dan te onderzoeken wat er van het knalgas na de ontplotting geworden was. Dit onderzoek door Volta aangekondigd, is eerst door Ca v e n-dish uitgevoerd en tot een goed einde gebracht. Deze, en niet Lavoisier, ofschoon hij zich aanvankelijk op dat standpunt plaatste, heeft het eerst uit die proef het besluit getrokken dat water geen element maar een verbinding is en bij verbranding van waterstof ontstaat. In den laatsteu tijd is zulks uit onderscheidene briefwisselingen en verhandelingen omtrent dit onderwerp ondubbelzinnig gebleken. Men raadplege dienaangaande slechts den reeds vermelden brief van Blagden aan Crell 2), dien van Laplace aan de Luc :3), alsmede eene verhandeling

!) Journal de i'liya. XIII. 286.

=) Zie black. 123 hiervoor.

3) Muirhead, Correspondence of the late James Watt on his discovers' of the theory of the composition, of water (pag. 41). Laplace had nanis-

ocr page 158

] 33

van Lavoisier, voorkomende in de „Memoires do l'Aca-démie des Sciencesquot;' van 1781 1) en in het „Journal de Physiquequot; 2), en eindelijk nog de verhandeling van Cavendish zelf. In die van Lavoisier staat duidelijk, dat Cavendish reeds twee jaren te voren (1781) de ontdekking aan Priestley had medegedeeld, toen hij (Lavoisier) haar als de zijne aan de Academie van Wetenschappen voorlegde, en in die van Cavendish, dat zijn proeven omtrent dit onderwerp inderdaad in 1781 zijn genomen. Le daarop betrekking hebbende zin luidt aldus: „AH the foregoing experiments on the explosion of inharamable air, with common and dephlogisticated airs, except those which relate to the cause of the acid found in the water, were made in the summer of the year 1781 and were mentioned by me to Dr. Priestleyquot; :i). Hoewel uit dit alles blijkt,

lijk geschreven: //Nous avous rópctc ces demiers jours (~1 Juni L7'-'o), Mr. Lavoisier er inoi, ilevaut Mr. lUagden et plusieurs autres per-souiiesj Texpcrieuce de Mr. Ca vend is li sur la conversion en eau des airs déphlogistiqucs et iuHammables par leur combustion

») Mémoires de l'Acad. des Sciences 1781. impr. 1781. lt;108. Ce l'u( le 24 .luin 17S3 que nous lunes cette experience, Mr. Laplace et uioi en ])rcscnce lie M. M. le l! oi, V ande rmonde, de plusieursuutres acadi!mi-cicns cl de M. lilagdcn, aujourd'liui secrétaire de la Socicté royale de Londres. Ce dernier nous apprit que M. Cavendish avail déja éssayc ii Londres, de Ijruler de l'air inllamniablc dans des vaisseaux lermés, et mi'il a\ait obtenu une quantité d eau tres sensible.

Will. 453. Lès rannée 1777, dans mie suite d'expériences faites cu coinmun par M. Lavoisier et M. liucquel, ils s'étaient appercus qu'en brulant de grandes quautités d'air inflammable, obtenu de la dissolution du l'er par l'acide vitriolique, il ne se lormait aucune portion, ui d'air ii\e, ni d'aucun autre acide quelcorique. M. C a v e n d is li a fait la mème remarque en Angleterre et il a de plus observe, en operant dans des vaisseaux secs. qu'il se déposait sur les parois une portion d'hnmldltc sensible.

;i) Met die «i'oregolug experimentsquot; bedoelde Cavendish zijne proeven met mengsels van dampkringslucht ot' zuurstol met ontvlambare lucht en wel die, waarbij „almost all the inllaminable air and about one fifth

ocr page 159

• lat Ca von dish als tie eerste ontdekker van do samon gestolde natuur van hot water behoort to worden vermeld, zoo volgt daaruit nog niet, dat dozo ontdekking, oven belangrijk op zielizolt' als in hare gevolgen, zich aaiivankelijk (in JT'Sl) verder uitstrekte dan tot het feit, dat water voortaan van de lijst der elementen moest worden geschrapt. Want, schoon hij zich overtuigd hield, dat de waterstof'en do zuurstof tot de samenstellende deeleu daarvan behooren, vindt men iu zijn mededeoüngeu vóór 178:5 toch niets met zekerheid omtrent de juiste samenstelling van het water opgeteekend, evenmin of het uitsluitend uit waterstol en zuurstof is opgebouwd 'j. Dit gedeelte van het vraagstuk heeft hij eerst twee jaar later, in het voorjaar van 1783, maar toen tegelijk met Watt, tot klaarheid gebracht 2).

Watt namelijk, Priestley's proeven omtrent de vermeende verandering van water in lucht herhalende, ontdekte omstreeks de tweede helft van April van 17.s;):J), dat brandbare en gedephlogistisecrde lucht zich met hevigheid,

dI the common air ure tunicil iu pure water ', alsook die waarbij //almost the whole ol' inllaiumable air and dejihlogistieated air is converted in pure waterquot;. Philosophical Transactions for ITSt. 119. K o p p, Entd. der Zn-sauinieusetzui-j; des Wassers 25-J—r-'öS). Wat de openljaariiiaking van hel feit betrel't nij nog' opgemerkt, dat de proeven van Lavoisier eu Laplace, iu tegenwoordigheid van Blagdeu en meerdere leden der Academie genomen, den 25 Juni HbS ter kennis van de Academie van Wetenschappen werden gebracht, terwijl die van Cavendish eerst den 15 Januari 17S4 in de Ho val Society werden gelezen. Waarschijnlijk is dit de oorzaak, dat sommigen Lavoisier als den eersten ontdekker van de samengestelde natuur van het water hebben vermeld.

!) Men raadplege zijne verhandeling: Experiments on air in de l'hil. Trans. 1784, alsmede den brief van Blagdeu aan (J r e 11 in C r e 1 I's Chem. anti. Bd. 1 ö'J.

2) Kopp, 1. e. 203. Phil. Trans. 1784.

3) Watt's brief aan Black bij Muirhead. 18. Kopp, Entdeckunir der Zusammensetzung des W assers. 261.

ocr page 160

135

on onder ontwikkeling- van eene aanzienlijke hoeveelheid warmte, met elkander tot water vereenigen. Deze uitkomst voerde hem tot het besluit, dat „pure inflammable air is phlogiston itself. Dephlogisticated air is water deprived of its phlogiston, and united to latent heat. Water is dephlogisticated air deprived of part of its latent lieat, and united to a large dose of phlogiston

In de tweede helft van April 1783 heeft W a tt dus inderdaad de samenstelling van het water uitgesproken. Uit oen briefwisseling van Watt met Black, (21 April 17.S3) Hamilton, (22 April) de Luc, (2f) April) Fry (28 April) en eindelijk ook met Priestley (2(1 April 1783) is dit overtuigend gebleken1). In zijn brief aan Priestley had hij zelfs verzocht om zijne daaromtrent opgestelde verhandeling in de Royal Society voor te lezen. Deze lezing heeft echter, wegens de gewijzigde beschouwingen van l'ricstley aangaande de vermeende omzetting van water in lucht beschouwingen, die met Watts onderzoek in liet nauwste verband staan niet plaats gehad Niettemin blijkt uit eene latere briefwisseling in de maand Mei van datzelfde jaar, op nieuw tusschen Priestley, de Luc en Black eenerzijds en Watt anderzijds, over datzelfde onderwerp gevoerd, dat hij (Watt) zijne meening omtrent de samenstelling van het water blijft volhouden 2). In een brief van 23 Juni aan Black gericht, worJt zulks nogmaals herhaald3) en ten slotte met eene uitvoerige uiteonzet-

1

2) Kopp, 1. c. 26-i—2(57.

2

) Kopp, 1. c- 268.

3

) Watt, Correspondence, Composition of Water. 31. Nature, Sept, 1890. 453.

ocr page 161

136

ting- van zijne denkbeelden daaromtrent, den 23rquot; November aan de Luc gezonden, besloten1).

Middelerwijl hadden ook anderen van de proeven van Watt kennis genomen. Priestley althans had den laatsten brief van Watt, dien van Mei, aan onderscheidene leden van de Royal Society ter lezing gegeven en eindelijk aan den voorzitter daarvan overhandigd 2).

Dat Watt, op grond van deze talrijke mededeelingen. dus werkelijk in het. voorjaar van 1783 de samenstelling van bet water beeft vastgesteld, kan niet worden tegengesproken. ()t hij echter in dit opzicht de eerste is geweest, is twijfelachtig. Op hetzelfde tijdstip immers heeft Cavendish hetzelfde gedaan. Blagden althans bericht, dat Cavendish hem en enkele van zijne beste vrienden in het voorjaar van 1783 als uitslag van een reeks onderzoekingen met waterstot en zuurstof had medegedeeld: „that dephlo-gisticated air is reality nothing but dephlogisticated water, or water deprived of its phlogiston; or in other words, that water consists of dephlogisticated air united to phlogiston, and that inflammable air is either pure phlogiston, as Dr. Priestley and Mr. Kir wan suppose, or else water united to phlogiston'' 3).

Uit dit historisch overzicht blijkt vooreerst duidelijk, dat Cavendish het allereerst in 1781 de samengestelde natuur van het water heeft vastgesteld en ten andere, dat Cavendish en Watt nagenoeg tegelijk in het voorjaar van 1783 hebben aangetoond, dat waterstof en zuurstof de beide eenige bestanddeelen daarvan zijn.

Doch, zoo het thans een uitgemaakte zaak is, dat beiden het eerst de samenstelling van dit natuurproduct hebben

') Nature. Sept. 18'JO. 452.

2) Kopp, Entd. der Zusammensetzung des Wassers. 268.

■') Nature, Sept. 1890. Bladz. 452. Thorpe, Chemistry. K opp, I.e. 26'J.

10

ocr page 162

137

vastgesteld, dan moet men bij de beoordeeling van dit feit niet uit het oog verliezen, dat Watt hierbij zeer waarschijnlijk onder Cavendish' invloed heeft gestaan. Uit de zeer uitvoerige studie van H. Kopp en Thorpe over dit onderwerp !) blijkt althans met voldoende zekerheid, dat Watt, door tusschenkomst van Priestley, voortdurend op de hoogte werd gehouden van alles wat te dier zake door den te Londen gevestigden Cavendish werd verricht, hetgeen des te gemakkelijker kon geschieden, nademaal Priestley en Watt, beiden te Birmingham wonende, aanhoudend met elkander in aanraking kwamen, terwijl Priestley en Cavendish met elkander eene levendige briefwisseling onderhielden. De invloed hier-Viin is iliin ook duidelijk uit att's en Priestley's onderzoekingen van dien tijd merkbaar2). Afgezien echter van deze omstandigheden, staat dit punt vast: dat Lavoisier en Laplace den 24 Juni 1783— den dag, waarop zij aan de leden der Academie van Wetenschappen het proefondervindelijk bewijs voorlegden, dat water hel ver-brandingsproduct der waterstof is en mitsdien uit waterstof en zuurstof is opgebouwd — slechts herhaalden, wat reeds door de Engelsche scheikundigen was bewezen. Heteenige onderscheid is dit, dat zij dit proces volgens de nomenclatuur der antiphlogistici beschreven. Door echter dc proeven van Watt en Cavendish met geen enkel woord te vermelden, namen zij zeer ten onrechte den schijn aan, alsof zij de ontdekkers dier samenstelling zijn geweest. Met meer recht dan Lavoisier en Laplace, zou de Fransche scheikundige Monge zich de eer dier ontdekking mogen toeeigenen, wijl deze in hetzelfde jaar (Juni—Juli 1783) geheel op zichzelf en onafhanke-

') Kupp, Eutd. dei Zusammeusetv.. iles Wassers. Thorpe, Nature Sept. 18110.

-) Kopp, Eutd. der Zusammeusete. des Wassers. 3üo.

ocr page 163

lijk van een ieder had gevonden, dat door verbranding van ontvlambare lucht in gedephlogistiseerde lucht water wordt gevormd, waarvan het gewicht met dat der gebezigde gassen overeenstemde.

Dan, hoewel Lavoisier en Lap 1 acc de voorafgaande ontdekkingen van Cavendish en Watt hebben verzwegen, wij kunnen toch moeielijk aannemen, dat zij dit opzettelijk hebben gedaan. Eer zijn wij geneigd te gelooven, dat zij de juiste kennis dier samenstelling afhankelijk stelden van de antiphlogistisehe uomenclatuur en eerst dan het bewijs geleverd achtten, als die samenstelling naar hun spraakgebruik werd voorgesteld.

Na de uitvoerige en zakelijke behandeling van dit onderwerp door H. ivo pp zou men echter mogen verwachten, dat de strijd over deze aangelegenheid gesloten, het onderweqi zou zijn uitgeput. Dit is echter geenszins het geval. Ook dit punt heeft Berthelot, in „La Revolution (.'himnpiequot; op nieuw ter sprake gebracht *).

In dit geschrift tracht deze niet slechts te bewijzen, dat Lavoisier door zijne methode van onderzoek, door den loop zijner denkbeelden, door zijn scheikundig systeem op deze ontdekking was aangewezen, maar wat meer is, dat hij „fut tout d'abord k seal qui vit clairement ef qui osa annoncer publiquetnent le car acte re exact et /'importance de la formation clc Veau dans la combustion de /7///-drogène: les autres savants étaient tro[) engages dans les liens des anciennes theories pour avoir une conception décidée a eet égardquot; '-).

Onbillijker oordeel is voorzeker nooit geveld, grooter onrecht is Cavendish3) nooit aangedaan, grooter mis-

') La Revolution Chituique. IS'-1.

quot;-) Bei-thelot, La Kuvolutiou Chimujue. 117.

:') Het aandeel van Watt wordt zoo goed als tot niets herleid; hiervan

10*

ocr page 164

13il

keuniug- van verdiensten is den ontdekker van de samengestelde natuur van liet water nooit te beurt gevallen.

Geheel liet voorafgaande onderzoek van Cavendish zou zonder beteekenis zijn, wijl hij te zeer verward was in de draden van oude theorieën um een gevestigd denkbeeld omtrent dit punt te hebben. „Lavoisierquot;, roept Berthelut triomplmntelijk uit: „osa lo premier dire le mut décisif, dans une séance publique de l'Académie des Sciences: eest d hu qiidpiicirtieiit le merite d civuii' fixe hi science sur cette question capitate de la composition de Veau' ').

Op deze voorstelling, op deze uitlegging van de geschiedenis van dit onderwerp kan noch mag men het stilzwijgen bewaren. Bijna onmiddellijk na de verschijning van dit geschrift heeft Thorpe2) in de zitting van de liiitish Association van den 4llou September I NIK) daartegen krachtig geprotesteerd en de aanspraken van Cavendish verdedigd.

Uit de onderzoeking van La vo i s i e r zelf toont Thor po met groote helderheid aan, dat deze vóór, noch op het tijdstip, waarop C a v e n d i s b zijne onderzoekingen omtrent de samenstelling van het water in ruimen kring verspreidde, (voorjaar 178)5) geenszins er aan dacht, zelfs niet vermoedde, dat het verbrandingsproduct van waterstof water is. Ten einde zich daarvan te overtuigen behoeft men Herthelot in zijne historische ontwikkeling van dit onderwerp slechts op den voet te volgen.

wordt alleen gezegd: L:i g Loire de \V atl est grande et legitime, dans un autre domaine, inais il ne semlile pas avoir rieu a réclamer iciquot;. Berthelot, 1. 126.

ij 1. e. 126.

2) Nature, September 1SÜ0, 44CJ. Het boek van Berthelot is in Juni verschenen.

ocr page 165

140

lu Maart 1774 schreef Lavoisier in zijn laboratorium-register „.T'étais persuade que rinflammation de Fair inflammable n'était autre chose quune fixation d'une portion de 1'air de l'atmosph^re, une decomposition d'air, et que le dégagement de matière du feu ponvait hi en venir du principe inflammable de Vair, (jui se sé.parait de la par-tie fixe Dans ce cas, dans toute inflammation d'air il devrait y avoir augmentation de poids. Pour m'en assurer, jay mis dans un matras de l'aoide vitriolique, affaibli convenablement; j'ay pesé le matras dans eet état et j'y ai ajouté une quantité connue de limaille de fer. La dissolution s'est faite avec mouvement et chaleur. J'ay ap-proché une chandelle, ii y a eu détonnation. Mais pendant tout le temps de la dissolution, il v a eu diminution de poids; il est resté une flamme h'gère qui a continué au haut du col du matras, jusqu'a ce que la dissolution fut entièrement achevée et cela n'a pas empêché (ju'il n'y eüt continuellement une diminution progressive dont le total a monté a 39 grainsquot; 1).

B e r t h e 1 o t zelf merkt hierbij op, dat Lavoisier hier zichzelf tegenspreekt. Volgens die beschrijving splitst de lucht zich in een vast gedeelte, eu in een ontvlambaar gedeelte, dat zich tijdens de verbranding met de waterstof^) vereenigt, en een product doet ontstaan, waarvan het gewicht, dat van de aangewende lucht overtreft. De uitkomst van de proef is evenwel geheel in strijd met die beschouwing. In plaats van gewichtsvermeerdering is er gewichtsverlies. Het gewichtsverlies is hier natuurlijk het gewicht van het gevormde water, dat, als damp opgestegen, aan de waarneming van La vo i s i er ontsnapte.

1

^ Hertbelot, La Ik-v. Chim. 11L. 250.

ocr page 166

141

Den Sstcn April van het volgende jaar (1775) trachtte Lavoisier — altijd volgens Berthelot te ontdekken, wat er van do waterstof na de verbranding geworden was. Een onderzoek, dat bij (B e r t b e 1 o t) in liooge mate merkwaardig vindt, omdat bet bier een poging o-eldt om bet verbrandingsproduct van dit element op te

sporen. .

Ongetwijfeld zouden wij deze opvatting deelen, indien

bet werkelijk bleek, dat Lavoisier een ernstige poging met dat doel had gedaan. Naar onze meening is zulks evenwel niet bet geval. Het laboratorium-register van dien datum, waaraan Vgt; e r t h e 1 o t die onderstelling ontleent, bevat bet volgende:

„Du 8 Avril 1775 V. 80. Air inflammable; sa combustion, dans les vaisseaux fermés (sur lean, mf-b' d'air

avec bougie, produit une explosion).

11 parait que l'air inflammable ne brfile qu en proportion de l'air commun qu on y introduit.

En introduisant la bougie plusieurs fois, il brulerait en

entier; alors que resterait-il?

F. 87. Air inflammable acéteux (fer et air acéteux). Le même que par zinc et acide vitriolique.

La ressemblar.ee de ces deux airs inflammables est si grande que je serai tres tenté de soupconner que le vi-naigre distillé contient de 1'acide vitriolique et que peut-être est-ce avec eet acide que les vinaigriers de Paris font

leur vinaigrequot; ').

Hoe B e r t b e 1 o t bierin eene poging ziet om liet verbrandingsproduct van waterstofgas in den vorm van water te leeren kennen, is ons onbegrijpelijk. Wij zien er mets anders in dan eene proeve om de waterstof, lang veiiifbi

1 j La Re vol. i'him., iJB'T, 2158.

ocr page 167

142

lende wegen verkregen, met elkander te vergelijken en een onderzoek in te stellen naar liet zuur, dat bij de verbranding van waterstof ontstaat. Een onderzoek, dat trouwens zeer gewettigd was, omdat men destijds — en volgens boven gemeld citaat ook Lavoisier — nog vrij algemeen van oordeel was, dat de soort van ontvlambare lucht, door inwerking van metalen on zuren verkregen, afhing

O L ~ 1 O

van het aangewende zuur. Overigens paste watervorming bij verbranding van waterstof zoo weinig in het stelsel van Lavoisier, dat hij daaraan zeer waarschijnlijk niet heeft gedacht). Zijne proeven met Bucqnet (1TT7) en die met Gingembre (1TS1) bevestigen dit gevoelen. Die met Bucqnet hadden ten doel zekerheid te verkrijgen of het verbrandingsproduct der waterstof, volgens B u c q u e t koolzuur of volgens L a v o i s i e r zwavelzuur of zwaveligzuur was. Die met Gingembre zijn gedaan met hot doel oin de negatieve uitkomsten van het onderzoek met Bucqnet op de proef te stellen. Toen aan L a v o i s i e r hierbij echter op nieuw bleek, dat er geen zuur, welk ook, ontstond, gaf liij zijne verbazing daarover in de volgende woorden te kennen: „Ces résultats me surprirent d'autant plus, que j'avais antérienrement reconnu que, dans toute combustion, il se formait un acide, que eet acide était I'acide vitriolique, si l'on brnlait du soufre, l'acide phosphorique, si Ton biïilait du phosphore, l'air lixe si l'on brülait du charbon, et que l'analogie m'avait porté invinciblement a conclure que la combustion de

') Volgens dir stelsel was iotler verbrandingsprodiict nou zuur, en mis-scliien wel koolzuur, omdat dit bij de verbranding van zoo menige brandstof optrad. (Men vergelijke: R e r t li e I o t, I.a Hér. Chimiqiie, 233. Bert helot zelf schrijft hieromtrent: //Mais (Lavoisier) trop imbu de la théorie ijne tout produit hrtilé derait être un acide. il s'attacha surtout a trouver l'air tix,e.quot; L. c. 111.

ocr page 168

143

1'air inflammable devait également produire un acide.quot;

Uit deze aaneenschakeling van proeven blijkt naar onze meening niets meer, dan dat Lavoisier, door zyne verbrandingstheorie op een dwaalspoor gebracht, er slechts op bedacht was om een of ander zuur, maar geenszins om water als verbrandingsproduct van de ontvlambare lucht te ontdekken. Had hij daaromtrent eenig vermoeden gekoesterd, ware dit het einddoel zijner proeven geweest, dan had hij voorzeker uit de betrekkelijk aanzienlijke hoeveelheid water, welke by de verschillende proeven te voorschijn kwam, het juiste spoor moeten ontdekken. Doch Lavoisier's gedachten werden zoodanig in beslag genomen door de overtuiging, dat verbranding met zuur-vorming gepaard ging, dat iiij geen oog had voor andere verschijnselen.

rWhat was it then, that put him on the right trackquot; vraagt Thorpe? En het antwoord is: de onderzoekingen van Cavendish, welke sedert het voorjaar van 1783 in ruimen kring bekend waren -). Uit deze, en deze alleen, heeft Lavoisier geput, toen hij den 25sten .Juni 1783 in de openbare zitting van de Academie van Wetenschappen het volgende deed opteekenen: „M. M. Lavoisier et de Laplace out annoncé, quils avaient dernière-ineut répété en presence de plusieurs membres de 1'Académie la combustion de l'air combustible combiné avec de l'air déphlogistiqué; ils out opéré sur soixante pintes environ de ces airs et la combustion ii été faite dans un vaisseau ferme: le résultat a été de l'eau tres pure.' quot;).

') Kop j», Entd. dei' Ziisumnien^et/.miir des Wassers. '253, i'rt.

') Nature. Sept. 1890. 452.

Berthelot, La Kév, Chim. 113,

ocr page 169

144

Gold het hier de vraag wie de samenstelling van het water, het eerst in het openbaar, in een erkend wetenschappelijk genootschap bekend maakte, dan kan hot antwoord niet anders luiden: Lavoisier. Maar het is hier niet de quaestie, wie haar het eerst in eene openbare vor-eeniging uitsprak, — dit hangt van allerlei omstandigheden af — maaralleen, wie het eerst de samenstelling van het water vaststelde en bekend maakte. En dit deed Cavendish. Deze — en waarschynlijk ook Monge — hebben Lavoisier den weg gewezen. Ook dit blijkt nit het verdere verloop van zijn onderzoek.

Naar boven gemeld, dag teekenen de laatste proeven van Lavoisier met ontvlambare lucht van 1781. Sedert dat tijdstip tot 1783 zijn die proeven gestaakt. Te vergeefs — zegt Thorpe—zoekt men in het laboratoria ^-register den draad, welke de proeven en beschouwingen van 1781 met die van 1783 verbindt. „There ia absolutely nothing oti the subject mil it in the eight volumequot; (loopende van 25 Maart 1783 tot Februari 17S4) dat ons daaromtrent eenige aanwijzing doet. In dit deel lezen wij, dat Lavoisier den 24 Juni 1783,—• dugt;lt; daags vóór de evengemelde zitting van de Academie van Wetenschappen — in tegenwoordigheid van verschillende geleerden, door verbranding van waterstof in zuurstof, water heeft verkregen. De tekst van dit stuk luidt woordelijk aldus: „on a combine dans une cloche, en présence de M M. Blagdenquot;), du (illisible), de Laplace, Van der-monde, de Fourcroy, Mens nier. Legend re, de l'air dt'phlogistiqué et (1(3 l'air inflammable, tiiv du fer par l'acide vitriolique, etc...... on peut ('valuer a .'i gros la quantity d'eau; on aurait dn retirer 1 once 1 gros 12 grains

') Nature. Sept. 1890. bladz. 153.

-') Wij (iniler^trepeu.

ocr page 170

14;quot;)

d'eau. Ainsi il faut supposer une perte de deux tiers de rair ou qu'il y ait perte de poidsquot; 1).

Twee lioogst belangrijke gevolgtrekkingen zijn hieruit af te leiden. Vooreerst, dat Lavoisier na 1781 geen enkele proef meer heeft genomen om het verbrandingsproduet van de waterstof te leeren kennen, ten andere, dat Blagden, dezelfde die Lavoisier met de proeven van Cavendish bekend maakte, bij deze proef tegenwoordig wras. Mocht er dus nog twijfel bestaan of Blagden werkelijk vooraf den uitslag van Cavendish' onderzoek te dezer zake aan Lavoisier heeft medegedeeld, dan wordt deze hier voor goed opgeheven en tevens het bewijs geleverd, dat Lavoisier reeds voor den 24 Juni 1783 omtrent de samenstelling van het water was ingelicht.

Met deze gegevens is geen andere uitlegging mogelijk. Wij blijven dan ook, ondanks de bewering van lierthel ot: dat de 25e Juni 1783 moet beschouwd worden als „la première date certaine de publication, c'est-a-dire constatée par des documents authentiques, dans l'histoire de la décou-verte de la composition de reauquot;'2), volhouden, dat Lavoi-sier ten opzichte van de samenstelling van het water geen andere verdienste bezit, dan deze, dat hij de eerste was, die deze samenstelling in de hedendaagsche nomenclatuur overbracht. Dit laatste schynt ook ten slotte het gevoelen te zijn van Eer the lot. Want in het verweerschrift, dat hij naar aanleiding van Thorpe's redevoering in de British Assosiation in het licht gaf, vinden wij niet andere woorden nagenoeg hetzelfde vermeld ^)-

Na deze uitvoerige uiteenzetting van de verschillende

^ Berthelot, Lu llév. Cliim, 2«:».

-) B e r 1 h e 1 o (, I. c. II0.

:i) Revue Scientifiqne. (llevue rose) T. \ 1.V I. N. 17. 1890. 511.

Mais ici encore, si Lavoisier n'esl pas riuventeur principal des faits, c'est lui qui a le mérite incontestable d'avnir ótalili 1'interprétation eer-

ocr page 171

UC)

feiten met betrekking tot deze ontdekking, blijft nog ('én punt ter behandeling over. Het is namelyk dit. Tn li^t evengemelde verweerschrift beschuldigt Ber the i o t iM.i g-den, opzettelijk Cfivendish' handschrift le hebben ver-vnlscht om daaruit des te krachtiger bewijzen te putton voor zijn oordeel omtrent de prioriteitsquaestie.

Hier, waar hot een onderzoek geldt naar het aandeel, dat de scheikundigen hebben gehad in het tot algemeene erkenning brengen van het systeem van Lavoisier, mag oen zoo zware beschuldiging niet onweersproken blijven, wijl deze, als zij onwaar is^ niet alk-en op hlagden een onverdiende blaam werpt, maar ook de verdiensten van Cavendish verkleint.

De beschuldiging van Berth clot geven wij hier woordelijk terug. „./'«/ exposé aiHcuvs tont ces fa da. ct je u ai mille Intention de reprendre pay le détail une polemique., drja épnisée dn tonjis de Ijovoisier, et oil M. 1 hovpe se home d reproduin' les ini/ndations injnstifiables de IJ la (/den, ejui poussn la passion jiisiju a interpoler et falsifier apres conp, de sa propre main, les mémoires nianu-scrits de Cavendish, pour y faire voir des arguments favorahles n ces accusationsquot; ').

Dat Thorpe, de volijverige verdediger van Priestly en Cavendish, op deze, in zekeren zin ook hem treffende beschuldiging, het antwoord niet schuldig is gebleven, laat zich gemakkelijk voorstellen. In een, in zeer waardigen toon gesteld, artikel3) heeft hij de tot Blagden gerichte, beschuldiging terug gewezen.

(«ine .lei plirnmucnes, ilcharrassre des ohseuvités ihi plilogisUijue, auqtiel Caveiulish parnit êire demeiiré fidéle jusqu'aa jour do sa mort.

i) L. o. 514.

Naturo. fi November 1890.

ocr page 172

i4lt;

•Na nogmaals kort, maar zakelijk, te hebben aangetoond, dat Lavoisier reeds voor 24 Juni 178H omtrent de proeven van Cavendish was ingelicht, alsmede dat Lavoisier, Laplace, noch iemand van de toen aanwezigen ooit tegen den inhoud van Blagden's brief aan Crell hebben geprotesteerd, bewijst hij ten slotte, dat de geïncrimineerde, ingelaschte volzin in Cavendish's verhandeling „wax inserted with Cavendish' knowledye and consent, and by his assistant and amanuensis, who happened to he the very man, who had a persona! knowledge of the facts ^). Tevens toont hij aan, dat eene handelwijze als die, welke Berthelot Blagden toedicht, geheel in tegenspraak is met diens karakter en hoedanigheden. Engelsche en Fransche tijdgenooten: Sir Joseph Banks, Dr. Johnson, Laplace, ( uvier, Berthollet, Benjamin Delessert roemden om strijd zijn karakter en hoedanigheden; zij waren trotsch op zijne vriendschap. Den 2(gt; Alaart 1820 stierf Blagden ten huize van BerthoII et te Aiceuil. Jomard schreef in de Moniteur van 22 September van dat jaar een kort levensbericht, waarin hij zijne groote nederigheid en zielenadel blootlegt en getuigt, • lat geen zijner landgenooten aan den arbeid en de ontdekkingen van Frankrijk meer recht heeft doen wedervaren dan Blagden; dat geen enkele meer tot de voortreffelijke verstandhouding heeft bijgedragen, welke gedurende dezes laatste jaren van zijn leven tusschen Engelsche en Fransche

M Deze volzin luidt: During rlic last summer, also, a friend of mine gave some account ol rliem (the experiments) to M. Lavoisier, as well as of the conclusion (hvawu from them .... But at that time, so' far was M. Lavoisier from thinking any such opinion warranted that, till he was prevailed upon to repeat the experiment himself, he found some difficulty in believing that nearly the whole of the two airs could he converted into water. Nature 0 Nov. 1890.

ocr page 173

148

geleerden heeft geheerscht, dan iiij. Bij uiterste wilsbeschikking vermaakte hij aau Berthollet, aan de dochter van Madame Cu vier en aan die van Rum ford ieder lOOU pond, aan Laplace !U0 pond om een ring te koopen.

Met dergelijke onbewezen beschuldigingen treft Ber-thelot dus niet alleen Blagden, maar ook zijn eigen landgenooten. „Would he have us believequot; — schrijft Thorpe aan het slot van zijn artikel — „that men like Berthollet, Cuvier en Laplace would extend their friendschip to, and receive pecuniary benetits from one, whom they believed had foully stabbed their compatriot in the back ?quot; 1).

Er bestaan nog verscheidene brieven, tusschen Berthollet en Blagden gewisseld. In een van deze, van 19 Maart 1785, schreef Berthollet, dat men in den laat-sten tijd te Parijs zich druk bezighield met de schooue ontdekking van Cavendish omtrent de samenstelling van water, en dat Lavoisier zich onledig hield de proef met de grootste nauwkeurigheid te herhalen, en wel in dier voege, dat hij — oin de vorming van salpeterzuur te voorkomen — zuurstof in waterstof liet branden.

Uit deze briefwisseling blijkt dus op nieuw, dat Berthollet — die verondersteld kan worden de verschillende feiten te kennen — Lavoisier niet als de wezenlijke ontdekker van de samenstelling van het water beschouwde.

In verband met deze wel bewezen feiten wil het ons toeschijnen, dat Berthelot in zijne beoordeeling omtrent de verdiensten van Lavoisier, ten aanzien vanditpunt, te ver is gegaan, of wel, dat hij andere en betere bewijzen

') Nature 6 November 189Ü.

ocr page 174

1 1!)

zal moeten aanvoeren om zijne gevoelen te staven, dan dio welke hij tot nu bijeen bracht. Zoolang- dit niet is geschied, meenen wij ons standpunt te kunnen blijven handhaven.

Vatten wij ten slotte het voorafgaande kort samen dan onderscheiden wij in den loop dezer ontdekking twee belangrijke perioden : vooreerst die, waarin het water van de lijst der elementaire stollen wordt geschrapt, de periode, waarin vooral ('a ven dish zich heeft ouderscheiden, ten andere die, waarin de samenstellende deeleu door Cavendish en Watt volgens de phlogistische nomenclatuur en door Lavoisier volgens de antiphlogistische nomenclatuur worden vastgesteld en beschreven. Hiermede is het onderwerp echter niet afgehandeld. Op de even genoemde volgt een derde, niet minder belangrijke periode, n.l. die, waarin de samenstelling van hei; water door nieuwe proeven bevestigd en tegenover de phlogistici verdedigd wordt. Ook hierin zijn nog een paar belangrijke feiten te vermelden.

Nauwelijks hadden de antiphlogistici zich bij monde van Lavoisier omtrent de samenstelling van het water verklaard, en menige belangrijke gevolgtrekking, in betrekking tot hunne theorie, daaruit afgeleid — waaronder inzonderheid die van Laplace aangaande de ontwikkeling van waterstof bij inwerking van metalen op zuren — of van phlogistische zijde werden tal van bedenkingen tegen deze voorstelling opgeworpen, deels ten gevolge van onjuiste waarnemingen of gebrekkig uitgevoerde proeven, deels ten gevolge van phlogistische beschouwingen, of wel van beide tegelijk.

Deze bedenkingen waren tweeërlei; sommigen, ofschoon erkennende, dat er bij verbranding van waterstof inderdaad water gevormd werd, meenden het optreden daarvan aan het als zoodanig in die gassen aanwezige water te moeten toeschrijven. Anderen daarentegen, waren van gevoelen.

ocr page 175

150

dat bij dit proces geen water, raaar salpeterzuur of' koolzuur, of in het algemeen eene zure vloeistof ontstond.

In den eersten tijd althans vloeiden beide meeningen voort uit de omstandigheid, dat het gewicht vau het gevormde water niet volkomen overeenstemde met het gewicht der gebezigde gassen, of uit het uog steeds heer-schende begrip, dat water tot de enkelvoudige stoffen behoorde, alsmede uit liet feit, dat er bij de ontploffing van het knalgas door de electrische vonk een zure vloeistof werd gevormd.

Al naar gelang van liet standpunt, waarop de phlogis-tiei zich plaatsten, ot van het punt dat zij bestreden, liepen hunne beschouwingen uiteen. Het meerendeel, zich aansluitende bij de waterstof-phlogiston theorie van Kir wan, beschouwde het water steeds als zoodanig in de gassen aanwezig. Te dien aanzien beriepen zij zicli op onderscheidene, maar onderling zeer uiteenloopeude proeven of beschouwingen. /00 trachtte de la Met her ie uit den vochtigheidstoestand van lucht en andere gassoorten bij een bepaalde temperatuur, of uit het ontstaan van een vloeistof bij verbinding van gassen, of van gasvormige producten niet vaste lichamen, de praeëxistentie van water in alle gassoorten af te leiden. Anderen daarentegen, waaronder Priestley, Deiman, Pae t s van T roos t wij k, Four-c r0 y, K1 ap r01 h en Ki r wa n, steunende op het feit — of liever op het vermeende feit — dat ijzer, bij genoegzame verhitting, eene kleine hoeveelheid waterstof ontwikkelde, zagen daarin het middel om de analyse van water met behulp van gloeiend ijzer in phlogistischen zin te verklaren, en wel in dier voege, dat het water, het phlogiston van het ijzer substitueerend, zich daarmede ver-cenigde en het phlogiston in den vorm van brandbare lucht uitdreef.

Sommigen weer beschouwden het synthetisch en ana-

ocr page 176

151

lytisch bewijs van Lavoisier niet afdoende of in strijd met de affiniteit van de verschillende lichamen onderling:

Op dien grond o.a. bestreed de la Mether ie de analytische proef, inzonderheid wegens de negatieve uitkomsten niet ijzer on phosphorus, welke stoffen, in weerwil van limine groote verwantschap tot zuurstof, het water bij de gewone temperatuur niet ontleeden, het laatste zelfs niet bij kookhitte.

Ditzelfde bezwaar gold ook bij Dei man en Paets van Troostwijk 1j ten aanzien van het feit, dat knalgas, niettegenstaande de groote verwantschap van waterstof tot zuurstof, moet aangestoken worden.

Kiet altijd echter steunden hunne tegenwerpingen op zulke juiste, of althans op zulke schijnbaar juiste waarnemingen van goed geslaagde en goed uitgevoerde proeven. Menigmaal bleek het geloof sterker dan de leer, en meende men te zien, wat men zoo gaarne geloofde waar te zijn. Menigmaal ook moesten bespiegelingen aanvullen, waar de proef hen in den steek lier. Zoo meende de la Mether ie, op grond van de uitkomst eener proef, waarbij waterstof, na verloop van twee maanden, uit een gesloten Hesch nagenoeg geheel verdwenen was, te kunnen volhouden, dat volkomen zuivere zuurstof en waterstof — na haar water te hebben afgescheiden — zich geheel als de warmtestof gedragen en als zoodanig door den wand dei2 vaten naar buiten ontsnapten 3).

Eveneens was, zooals wij zagen, een slecht uitgevoerde of onjuist verklaarde proef oorzaak, dat Wes t r u m b water

1

) Haarlemsche Maatschappij van Wetenschappen. Dl. XXIV. 1787.

2

!) üutleding vau waterdamp door gloeiend ijzer. Journ. de Pliys. 1784. Mei.

3

) Journal de phys. 1787. II.

ocr page 177

152

gTootondeels als van zuurstof beroofde dampkriugsluclit of gephlogistiseerde lucht boscliouwrle

Dat Gr en het vraagstuk in verband met de negatievo zwaarte van bet phlogiston trachtte op te lossen, is ons reeds bij de behandeling dier theorie gebleken3). Ook deze scheikundige schaarde zich aan de zijde van hen, die de praeëxis-tentie van het water in dc brandbare lucht aannamen3).

Intusschen bleef men van antiphlogistische zijde niet in gebreke deze beschouwingen te weerleggen en, voor zoover ilit niet reeds door verschillende scheikundigen in betrekking tot de theorie van Gr en, de la Met her ie. Kir wan en Priestley had plaats gehad, beproefde A. P. Nah uy s nogmaals, iu de meermalen geciteerde verhandeling: „De aquae onyuie ex hasibas aëris purl et iiijUoiimahil'iii'' meer in 't byzonder de gerezen moeilijkheden, ten aanzien van dit punt, uit den weg te ruimen. Vooral omtrent die, welke dc la Met her ie had opgeworpen, toonde hij proefondervindelijk aan, dat volkomen droge zuurstof en waterstof bij verbranding eene hoeveelheid water opleveren, waarvan het gewicht met dat der gebezigde gassen overeenstemt, alsmede dat in gesloten en met waterstof of zuurstof gevulde Hesschen, ook na vijf maanden, geen merkbare hoeveelheid gas verdwenen was. En met betrekking tot de opmerking, dat phosphorus, in weerwil van zijne groote affiniteit tot zuurstof, het water noch bij de gewone temperatuur, noch bij kookhitte ontleedt, of dat knalgas aangestoken moet worden, merkte hij terecht op, dat de affiniteit van verschillende lichamen o.m. afhankelijk is van de temperatuur.

Aangaande de opmerking van Westrumb beriep hij

J) Zie bladz. 109 hiervoor.

-) Bladzijde 11—28 hiervoor.

'') Gren, Handlntcli der Chemie. II. 2e Abth. 1-55.

11

ocr page 178

153

zicli op het bekende feit, dat water, hoe hoog ook verhit, nimmer in lucht verandert, alsmede op de proeven van Priestley, die vroeger, evenals quot;SVestrumb, van oordeel was,, dat waterdamp, door gloeiende buizen strijkende, in lucht werd omgezet, doch later tot de overtuiging kwam, dat dio lucht slechts do door de buizen gedrongen dampkringslucht was

Het krachtigste wapen ter bestrijding van de samenstelling van bet water was echter liet optreden van oen weinig salpeterzuur, bij zijne vorming uit knalgas door middel van de electrische vonk. Vooreerst, omdat Cavendish, Priestley, Monge, Lavoisier, in 't kort alle in de geschiedenis van het water bekende scheikundigen, dit salpeterzuur niet konden loochenen, ten andere, omdat het met het beginsel in strijd was en ten slotte, omdat de phlogistici uit het ontstaan van dit zuur een krachtig bewijs putten voor de juistheid van hunne theorie. Dit laatste punt was vooral van gewicht. l)e phlogistici toch meenden niet enkel, dat een zuur een voornaam bestanddeel der luchtsoorten was, maar ook, dat hare eigenschappen van de wijzigingen van, of van de vereeniging mèt een zuur afhankelijk waren. Houdt men hierbij in betoog, dat de zuurheid — op haar beurt weer van het phlogiston afhankelijk — slechts dan merkbaar was. als de luchtsoort daarvan eene beperkte hoeveelheid bezat, maar onmerkbaar werd, zoodia do lucht van het phlogiston beroofd of er mede oververzadigd was, dan was het optreden van het salpeterzuur in phlogistischen zin gemakkelijk verklaarbaar. Immers, zuurstof, gedephlo-gistiseerde lucht, bezat in het geheel geen phlogiston, waterstof daarentegen een aanzienlijke hoeveelheid, of was het phlogiston zelf. Hij vereeniging dezer beide gassen nu trad het zuur onder gelijktijdige atscheiding van het,inde

ocr page 179

15 J

beido luchtsoorten, praeöxisteerende water to voorscliijn. Deze inderdaad vernuftige verklaring van Ik t onstuan van een in antiphlogistischeu zin vooralsnog onverklaarbaar product, door den invloedrijken Priestley op den voorgrond gesteld, gold bij een groot aantal phlogistioi als het moest atdoondo bewijs voor do enkelvoudigheid van het water.

Het baatte dan ook weinig, ulquot; men al synUiotisch on analytisch de samenstelling van het water bevestigde, of Cavendish en B e r t h o 11 o t al antwoordden, dat die zuurvorming vermoedelijk van eenige in het knalgas aanwezige stikstol at hing, zooals later inderdaad door eeno vanwege de Academie van Wetenschappen te Parijs (1 TOO) benoemde commissie, samengesteld uit de Heeren Lavoisier, Brisson, Me us nier en Laplace werd bevestigd. Evenmin gelukte het F o u r c r o y, Va u q u e 1 i n en S e g u i n hen te overtuigen, toon zij proefondervindelijk bewezen, dat dit salpeterzuur niet optrad, als do verbranding van de waterstof langzaam geschiedde'). Men verlangde meer afdoende bewijzen oor men zijn gevoelen prijs gat. Inzonderheid eischte men een verbinding van de samenstellende dooien tot water zonder bijproducten en eeno ontleding in zijne beide bestanddeelon zonder medewerking van metalen of dergelijke stoffen.

Aan dien dubbelen eisch werd op eeno even merkwaardige als afdoende wijze door de Hollandsche scheikundigen, D e i m a n en P a e t s v a n T r o o s t w ij k, voldaan. Door één enkele proef maakten dezen een einde aan al het twistgeschrijf.

liet is zeer waarschijnlijk, datde meergemelde proeven van M a r t i n u s v a n M a r u m en A d r i a a n P a o t s

') ^111- ,lü 'los iScicnces, lïJMi. Aiiuales df Cliimic

VIII. 330. IX. 30.

IP

ocr page 180

155

v an Troost w ij k') aangaande de reductie van motaal-oxyden en de oxydatie van metalen in het algemeen, en in 't bijzonder die, aangaande de oxydatie van metalen onder water door sterke electrische ontladingen onder gelijktijdige ontwikkeling van waterstof, tot deze lioogstmerk-waardige en voor onze landgenooten zoo in alle opzichten roemvolle ontdekking aanleiding hebben gegeven.

Zoodra toch met de laatste proef — ofschoon met een ander doel ondernomen — de samenstelling van het water op nieuw was bevestigd, lag het dunkt ons, voor de hand, de ontleding van het water, zonder eenig ander hulpmiddel dan de electriciteit, te beproeven. Dit blijkt ook duidelijk uit den aanhef, waarmede zij dit onderzoek inleidden: „En nous occupant en commun avec M. C u t h b e r s o n, qui nous a beaucoup aides «lans tons les cours de ces experiences, et avec qui nous partageons tres volontiers cette découverte, a éprouver les effets de la commotion électrique sur différentes substances, it nous vint duns F esprit cV éprouver aiissl ces eff ets sur l eau -).

Aan een herhaling van proeven of aan toeval behoeft

dus hier niet te worden gedacht. Vooreerst, omdat Troost-av ij k Y a n M a r u m steeds bij zijne scheikundige proeven ter zijde stond, ten andere, omdat zij gouddraad als metalen geleiders bezigden, een metaal, waarvan bekend was, dat hot zich langs dien weg niet liet verkalken.

Hebben deze Hollandsche scheikundigen zich werkelijk voorgesteld, het water op deze wijze te ontleden, dan zijn zij in die verwachting niet teleurgesteld; hun proef is met een o-iinstigen uitslag bekroond. De 'ocide bestanddeeien

i) Men raadplege hieromtrent blad/.. 51—53 hiervoor en Dei man en Troostwijk; //La decomposition et rccomposition de lean par 1 rlectn-cit('. (Journal de Phys. XXXV. 178(.gt;. 360 378).

Journal de Physique. NXW. IISH. 373.

ocr page 181

156

van liet water werden tegelijk in vrijen staat afgezonderd en op nieuw tot water zonder bijproducten vereenigd.

Aan den eisch van de phlogistici was dus voldaan.

De toestel, welke zij bij die proef bezigden, was hoogst eenvoudig. Zij bestond uit een met water gevulde en in water geplaatste buis, waarin twee gouden draden zoodanig waren aangebracht, dat hunne uiteinden aan de eene zijde gemakkelyk met de geleiders eener electriseermachine waren te verbinden, en aan de andere zijde dicht genoeg bij elkander geplaatst waren om eene electrische ontlading mogelijk te maken.

Herhaalde malen achtereen werd nu water door sterke electrische ontladingen in zijne bestanddeelen ontbonden. Zoodra zich echter in liet boveneinde van de buis zooveel gas verzameld had, dat de daar aangebrachte draad niet meer in het water reikte, volgde er een ontploffing en vulde de buis zich op nieuw en bijna geheel met water.

Deze uitkomsten, beschouwd in verband met de vele synthetische en analytische proeven omtrent de samenstelling van het water, leidden Dciman en Troostwijk tot de volkomen juiste gevolgtrekking: vooreerst, dat er een gas-mengsel was gevormd en ten andere, dat dit uit waterstof en zuurstof bestond, wijl ontploffing, onder verschijnselen als die, welke zy hadden waargenomen, slechts in een mengsel van die beide gassen mogelijk was.

Het was hun evenwel niet genoeg de samenstelling van dit natuurproduct op eene geheel nieuwe en voor hen volkomen overtuigende wijze te hebben bewezen, als pasbekeerde phlogistici waren zij er tevens op bedacht, de van die zyde te wachten bedenkingen het hoofd te bieden. Zij waren trouwens geen mannen om een vraagstuk, welk ook, niet van alle kanten te bezien.

Het was namelijk te verwachten, dat dc phlogistici de zuurstof, met betrekking tot haar ontstaan, aan dc steeds

ocr page 182

Km

in liet water aanwezige lucht zouden toesclnijvon, terwijl zij ten opzichte van de waterstof, de electrische stof, als phlogiston of als phlogistonhoudeude stof, ter verdediging' hunner zienswijze zouden te hulp roepen.

Te dien einde experimenteerden I), en T. met water, vooraf met behulp van de luchtpomp van alle lucht beroofd, en onderzochten het gedrag van de electrische stof ten opzichte van zwavelzuur en salpeterzuur. De bij dit laatste proces verkregen zuurstof leverde voldoende waarborg op, dat de electrische stof noch met phlogiston, noch met eenige soortgelijke stof verband hield, wijl zij in dat geval, volgens de theorie, vitrioolzure lucht of salpeterlucht in plaats van zuurstof hadden moeten opvangen.

Het geheel vatten zii ten slotte samen in de volgende stellingen:

lste. „Kous avons obtenu de l'air inflammable, seule espèce d'air, qui est combustible et de l'air vital, seule espèce d'air, qui peut servir a la combustion.

2(le. Nous n'avons obtenu que ces deux airs; ce point est prouvé par la disparition totale du produit a la der-nière inflammation.

3^. L'air inflammable a été réellement produit par l'eau ; si l'electricité avoit quelqu' autre part a la formation des airs obtenus, elle n'auroit pas fourni dans les mOmes cir-constances deux espèces d'air, tellement différentes que le sont l'air inflammable et l'air vital.

Elle n'auroit pas, dans les mêmes circonstances, dégagé des acides de l air vital, sans mélange d'air iuHammable. (Je dernier n'est done du qu' a l'eau.

4iIr. L'air vital est également produit par la decomposition de l'eau. S'il avoit été du a quelque portion d'air, contenue dans l'eau, cette portion n'auroit été que de l'air commuu, qui ue consiste d'air vital qu' en partie.

Li' résidu ne seroit done pas diminué dans les inilam-

ocr page 183

i:,s

mations successives: il n'avoit jamais pu disparcitre totalement.

^ 5de. En dernier lieu, commo l'air, obtenu de 1'eau par ] électricité, est un mélange d'air inflammable et d'air vital et comme 1 inflammation feit rentrer ee produit dans l'etat d'eau, ces mêmes experiences servent également a démon-trer la theorie proposée sur la nature de l'eau par voie de synthese que par voie d'analyse.

Elles font voir conséquemment, que la portion d'acide, qu on a presque toujours obtenue conjointement avee de l'eau dans la combustion ordinaire d'un mélange d'air inflammable et d air vital, et qui a fourni aux adversaires de cette theorie une grande objection contre elle, comme nous avons déja indiqué ci-dessus, ne pent étre considérée que comme 1111 produit accidentel, qui no peut pas ren verser la justesse des consequences qu'on h tirées de cette experiencequot; 1).

Deze verhandeling, door Deiman en Troostwij k aan de la Mot her ie ter plaatsing in zijn tijdschrift aangeboden en in andere tijdschriften, o. a.: in het meergemelde van Gr en2), in de Annales de Chimie3) en in dat van Crell 'j geheel of gedeeltelijk overgenomen, werd weldra algemeen bekend. Onze landgenooten hadden met hunne proeven een succes als aan nog weinigen in die periode is te beurt gevallen.

Vele beroemde phlogistici toch vonden die proeven zoo afdoende, zoo overtuigend, dat zij niet aarzelden de zoolang en met zooveel klem verdedigde phlogistontheorie prijs te geven, terwijl zij, die in weerwil daarvan aan de oude

O Journal de physique. XXXV. 3C9—378. 1789.

2) Greu, Journal der Physik. 11. 139.

■') Aim. de (Jliimie. V. 276—280,

4) Gliem. Auniileu. 1790. lid. 11. Si. 10. 291_299

ocr page 184

159

voorstelling bleven vasthouden, zooals de la Methene, Gr en l) en enkele anderen toch moesten erkennen, dat de proeven .juist en, met betrekking tot de ontleding van het water in waterstof en zuurstof, zoo allergewichtigst waren, dat zij verdienden te worden voortgezet en van alle zijden

te worden onderzocht-).

In 't kort: in de voor onze landgenooten meest vleiende bewoordingen stroomden van alle kanten berichten toe, waarin hunne verdiensten, ten aanzien van dit punt, ten volle werden erkend. A.an M a r t i n u s van M a r u m werd gemeld, dat Kir wan. Black en de Sa assure de leer van Lavoisier geheel hadden aangenomen Glirtanner vond de proeven zoo beslissend, dat zij „de ongeloovigsten moesten overtuigen en inderdaad reeds velen overtuigd haddenquot;'•) In de Konst- en Letterbode van 1791 N0. 159, werd er met nadruk op gewezen, „dat de vele 'afdoende proeven van Dei man en Troostwij k met betrekking tot de samenstelling vari het water, in Engeland, Duitschland en Frankrijk met doorgaans gelukkigen uitslag herhaald, er niet weinig toe bijgebracht hebben om de twijfelaars en bestrijders van de nieuwe leer der Fransche Academisten te overtuigenquot;. DeabbéLibes, professor in de wijsbegeerte aan liet Collége Royal te

') Oren, .Tournal der Physik. IT'-'O.

//Ik hel)quot; — zoo schreef de la Me Uier ie aan L. lt; rell — eeue

/eer gewichtige verhiindeliug van de Heeren Paets van Troost w ijk en Doctor De i man ontvangen, hoedanig men water in ontvlambare en /uivere lucht door middel van de electrische vonk kan ontleden. Zoodanige allergewichtigste proeven verdienen verder voortgezet en van alle zijden beschouwd te worden.quot; P. .1. Ka stel pijn, Chemische pn Physrsche Oefpningen. Dl. 1, 363.

•') Alg. Konst- en Letterbode. 1791, X0. 13'.).

') Neue Clieiu. Nomenclatur fiir die Dentschc Sprache. Vorrede. Berlin, 1791.

ocr page 185

160

Toulouse schreef: „si quelques-uus out jeté des niiages sur cette importante verité, les experiences de M.M. Van Troostwijk et Dei man, publiées en Novombre 1789, sont bien propres les dissiperquot; Fonrcroy sprak den 16den Decemi)er van liet jaar 1796 in bet „Insti-tut de Francequot; met groote ingenomenheid over hunuo proeven en plaatste hen op gelijke lijn met de beste waarnemers van dien tijd. „Ties ingénieuses recherches dos chvmistes Hollandais sur le gas oh'fiant sont du petit nombre de celles (|ui fouraissent do nouvelles vues. Elles tiendront ainsi que celles qu'on leur doit drja sur la déconi-jtontion et récomposltion de Vean jiar Velectricité, sur les sulfures alkalins et métalliques, etc. un rang distingue dans la cliyniie pneumatique, aux progrès de laquelle ils ont attaché la gloire de leurs travaux et de leurs décou-vertesquot;1). lgt;e wijze waarop Giobert2) de verdediging dier proeven tegenover Car rad or i') op zich nam, is niet minder eervol voor onze landgenooten dan het getuigenis van zoovele anderen, die in latercn tija de beteekenis daarvan in het licht hebben gesteld 3).

Met deze proeven was het pleit in antiphlogistischen zin beslecht. Geen hypothesen, van welken aard ook,

1

-) .1. C. Doornik, Johan Uvulolf .Deiman geilacht. Amsterdam L808. Dr. H. P. M. van der Horn v. d. Pos, //Johan. I!. Deimanquot; Album der Natuur, en de //Nederlandsche Sflieikiiudigen in hot laatst, ilcr voorgaande eeuw'quot;.

2

:;) Mriu. de 1quot;Académie des Sciences de Turin. 17(-H)—1791. 299. :i42.

3

') Bouillon la (rrange, Cours de Chymie. Fonrcroy, Système des L'onnaissances Chimiques. Thomson, A systeme ot' chymistry.

ocr page 186

un

noch rlie van de Luc, omtrent het phlogiston en de „distinctieve ingredientenquot; der gassen1), noch die van G ren3) en Carradori3), volgens welke de gedephlogistiseerde en ontvlambare lucht ieder een der beide tegeno-estelde elec-

O O

triciteiten tot grondstof bezat, waren in staat om de samenstelling van liet water te weerleggen, om de ontwikkeling van het antiphlogistische stelsel ook maar eeniger-mate tegen te houden. Met Cavendish'ontdekking werden alle moeilijkheden van de nieuwe verbrandingstheorie overwonnen.

d. DE ENKELVOUDIGE LICHAMEN. I»E WARMTE.

Tn iiot stelsel, dat Lavoisier bestreed, werd vooral ,ü,'olet op de bij verbranding optredende licht- en vnnrver-schijnselen. Wilde hij dus zijn stelsel de plaats van dat van Sta hl zien innemen dan moest ook van deze verschijnselen in antiphlogistischen zin rekenschap worden gegeven. Dat Lavoisier hiervan diep doordrongen was, blykt wel uit dit feit, dat zijne beroemde „Traité elementaire de Chimie,quot; een werk dat voortaan bij de beoefening der scheikunde als handleiding moest dienen, aanvangt met zijne beschouwingen over de verbinding van „Ie caIoriqiie\ met andere lichamen en met die over „les flaides aeriformesquot;.

De oorzaak waarom dit werk juist met dit onderdeel van zijne theorie begint, een onderdeel, dat van het proefondervindelijk standpunt tot het minst geslaagde moet wor-

J) Journal de Phys. IL 179U. 144. Lettre de M. de Luc sur la nature de l'eau, du phlogistique, des acides et des airs. Volgens de Luc waren alle gassen uit water, vuur en een distinctief ingredient opgebouwd.

-) Gren, Journal der Physik. II. 138. 1790.

'') Ann. di Cliim. van 1). Brugnatelli. I. F. v. \^ erkhovpn, Niemve Chein. en Pliys. Oef. I 133.

ocr page 187

1G2

den gerekend, ligt waarschijnlijk in de omstandigheid, dat de verklaring der phlogistic! en antiphlogistici van de licht- en vuurverschijnselen een van de voornaamste verschilpunten is tusschen S t a h 1 en Lavoisier.

By Stahl toch zetelt de vuurstof, de warmtestof, inliet brandbare lichaam zelf, bij Lavoisier daarentegen in de zuurstof. Bij Stahl wordt bij iedere verbranding vuurstof-uitgedreven, terwijl er een product achterblijft, dat, in weerwil van dit verlies, meer weegt dan de oorspronkelijke brandstof; bij de antiphlogistici daarentegen wordt zuurstof, onder afscheiding van hare onweegbare warmtestof,

^ O;

opgenomen en is het gewicht van het verbrandingsproduct juist gelijk aan do som der gewichten van de brandstof en de zuurstof te samen. Bij 8 ta h 1 hangt de hoedanigheid, de aard van de stof, grootendeels af van een grooter of kleiner gehalte aan vuurstof of aan phlogiston, terwijl „Ie calorique ' van Lavoisier slechts den aggregatietoestand bepaalt.

De voorstelling van Lavoisier omtrent de natuur der warmte staat in het nauwste verband met zijn geheele stelsel, in het bijzonder met zijn elementen-leer.

quot;Volgens Lavoisier ontleende iedere, niet nader te ontleden stof haren aard, hare hoedanigheid, aan zichzelf en niet aan de aan- of afwezigheid van een of andere materie.

I it de verschillende ontdekkingen was met voldoende zekerheid gebleken, dat met de elementen-leer van Aristoteles en ook met die van de alchimisten — in zekeren zin niet meer dan eene wijziging van die der Grriek-sche wysgeeren — moest worden gebroken. De ontdekking van liet bestaan van verschillende gassen had eeu einde gemaakt aan het denkbeeld, dat er slechts ééne luchtsoort, do dampkringslucht, bestond, waarvan de overige gassen slechts even zoovele wijzigingen waren. De dampkringslucht zelf, tot op Lavoisier als een enkelvoudig lichaam

ocr page 188

163

beschouwd, was gebleken uit een mengsel van twee verschillende gassen te bestaan. De voorstelling, dat water, als grondstof in alle vloeistoffen aanwezig, de vloeibaarheid daarvan uitmaakte, had afgedaan, sedert aangetoond was, dat dit zoogenaamde element uit waterstof en zuurstof is opgebouwd. Het element aarde was, wegens de tallooze vormen, waarin het zich voordeed, reeds lan^ onbemerkt uit

7 O O

de rij der elementen geschrapt. Een gelijk lot hadden de elementen der alchimisten ondergaan. Het vuur, het phlogiston alleen had zich staande gehouden.

In een stelsel evenwel, waaraan ten grondslag lag het beginsel, dat iedere stoffelijke verandering door maat of gewicht kon worden aangetoond, was geen plaats voor eene ponderabele vuurstof als draagster der brandbaarheid, en dit te minder, omdat haar bestaan niet kon worden aangetoond, slechts de vrucht was der verbeelding.

/ O

In het stelsel van Lavoisier Avas elk proces, dat gepaard ging met eene verandering van den aard der stof, het gevolg van een verlies of winst aan stof, dat met de weegschaal kon worden bepaald. Hieromtrent schreef hij: „Uien ne se crée, ni dans les operations de l'art, ni dans celles de la nature, et l'on peut poser en principe que dans toute operation, il ny a une égale quantité de matière avant et après l'opération; que la qualité et la quantité des principes est la même et qu'il n'y a que des change-ments, que des modifications. C'est sur ce principe qu'est fondé tont l'art de faire des expériences en chimie, on est obligé de supposer dans toutes une veritable égalité ou equation entre les principes des corps qu'on examine et ceux qu'on en retire par 1'analysequot; Twee voor de scheikunde onmisbare begrippen zijn hieruit af te leiden.

!) CEuvres de Lavoisier, l, pag. 101.

ocr page 189

1(14

Vooreerst het begrip, dat de warmtestof aan deze gewichtsverhouding geen deel neemt, ten andere, dat de hoeveelheid en hoedanigheid der stof in de verbinding hoegenaamd geene verandering ondergaat, hetgeen naar onze opvatting beteekent, dat de enkelvoudige lichamen steeds met onveranderlijk gewicht in dezelfde verbinding voorkomen of daaruit worden afgescheiden.

Het een was een gevolg van het ander. Uit de gelijkheid in gewicht van twee of meer stoffen, voor en na de wisselwerking, volgde, behalve de imponderabiliteit van de warmtestof, de onveranderlijkheid in gewicht van de samenstellende deelen van eenzelfde verbinding en hieruit ten slotte het bestaan van de elementen zelf.

Het onderzoek naar de enkelvoudige lichamen was voor Lavoisier dan ook even belangrijk als dat naar de ina-tière do la chaleur. Zijn blik is aanhoudend op deze beide punten gericht. Vandaar zijne bijzondere voorliefde voor de scheikundige analyse. De synthese bezigt liij slechts om do analyse te bevestigen.

In het meer gemelde „Traitéquot; vindt men daaromtrent het volgende opgeteekend : „La chimic, en soumettant a des experiences les divers corps de la nature, a pour oh jet de les decomposer et de se mettre en étui d'examiner séparément les dijférentes substances (jnl entrent dans leur composilion.

La chimie niarche done vers son hut et vers sa perfection en dirisant, suhdivisant et résuhdivisant encore et nous hjnorons qnel sera le ferme de ses succesquot;

Alhoewel de lijst der elementen van Lavoisier niet overeenstemt met de onze, en de licht- en vuurverschijn-selen aan andere oorzaken moeten worden toegeschreven, dan aan die, welke hij daarbij vooropstelde, zoo waren beide

') Traite' dp cltimie, II, l'.il. 2c eil.

ocr page 190

16.*)

voorstellingen toch voor dien tijd voldoende. Daarenboven vormen zij het uitgangspunt van onze tegenwoordige beschouwing. Dan, evenals bij zoovele andere punten van liet antiphlogistische stelsel, is Lavoisier ook in dit opzicht van het onderzoek en de medewerking van anderen afhankelijk geweest, liet is evenwel uitsluitend zijn werk, het materiaal, dat opgestapeld lag cn nog werd aangebracht, te hebben verzameld en gerangschikt en do algemeene wet te hebben gevonden, die aan de verschillende feiten ten grondslag lag.

Omtrent zijn begrip van element kunnen wij opmerken, dat dit reeds lang vóór hem in denzelfdeu zin door Bo y le was uitgesproken. Het is echter niet voldoende, een begrip voorop te stellen; het behoort ook aan de werkelijkheid te worden getoetst. Om hiertoe te geraken, was een grondige kennis noodig van den aard der stof zelf, van de gassen en van de natuur der warmte.

In het begin der 17e eeuw was men, na de tallooze mislukte transmutaties van de alchimisten, vrij wel overtuigd, dat de metalen up zichzelf onveranderlijk waren en onveranderd van de eene verbinding in de andere overgingen, doch ten opzichte van alle andere lichamen, vooral van de brandbare, welke gasvormige producten leveren, zooals: zwavel, phosphorus, koolstof, enz. kon dit begrip eerst doordringen, toen men de verschillende gassen onderling en van de dampkringslucht had leeren onderscheiden.

De ontdekking van het koolzuur, de zuurstof, de stikstof, de waterstof en moer andere gassen; de ontdekking van de reductie der metaaloxyden zonder phlogiston; dekennis van de samenstelling van de dampkringslucht, van het koolzuur, van het water, van de oxyden cn zuren, en eindelijk nog de ontdekking van het gewichtige feit, dat gassen, onder ontwikkeling van warmte, den vasten of vloeibaren toestand kunnen aannemen, als zij met andere

ocr page 191

166

lichamen in verbinding' treden; al deze gewichtige feiten zijn onmisbare schakels van het antiphlogstische stelsel in het algemeen en van do elementen-leer van Lavoisier in het bijzonder. Het aandeel van de scheikundigen van Europa, vooral dat van S c h ee 1 e, P r i e s 11 e y, Ca v e n d i sh, Black, de Hollandsche Scheikundigen en Bay en, in het bijeenbrengen van dit materiaal, hebben wij in de vorige hoofdstukken uitvoerig1 uiteengezet.

O O

Ten aanzien van het tweede punt; de licht- en vuur-verschijnselen, geldt dezelfde opmerking als bij het eerste. Ook hier hebben anderen veel en belangrijk materiaal aangevoerd. Men zal dit gemakkelijk inzien, als men overweegt, dat Lavoisier's warmtetheorie rust op het begrip van latente en soortelijke warmte. En daar de verborgen of latente warmte liet allereerst bij de gassen is waargenomen, zoo volgt daaruit, dat deze weer afhankelijk is van de kennis dier gassen zelf en van de rol, welke zij bij scheikundige processen te vervullen hebben.

Zoolang men niet wist, dat er verschillende gassen bestaan en dat deze, terwijl zij zich met andere lichamen vereenigen, onder warmteontwikkeling den vasten en vloeibaren toestand kunnen aannemen, of, naar het spraakgebruik dier dagen, kunnen worden vastgelegd en daarna weer in hunnen oorspronkelijken toestand kunnen worden afgescheiden, zoolang was een afdoende bestrijding van de vuurstof- van de phlogistonlheorie onmogelijk, zoolang bleef de. bekende proef van Boerhaave, met betrekking tot de on weegbaarheid dor warmte, voor de scheikunde althans zonder beteekenis. Behalve Lavoisier, zijn nog twee namen onafscheidelijk aan dit belangrijke hoofdstuk dor antiphlogistische theorie verbonden, n.1.: die van Black, den ontdekker van de latente warmte en die van Laplace, den man, die Lavoisier bij zijne proefnemingen ten opzichte van dit gedeelte der theorie terzijde stond, do

ocr page 192

LOT

theorie hielp opbouwen, zoo hij zelf niet ilaarvmi de ontwerper is geweest ').

Het aandeel van Black bestaat in de ontdekking dei-latente warmte, doch deze staat niet op zichzelf, maar houdt weer ten nauwste verband met zijne theorie van de alkaliën. „Es ist sicherlieh kein Zufallquot;quot; -schrijft V oil hard terecht „dass der namliche Black, welcher in dor fixen Luft das erste Beispiel einer Luftart, die leste krystalli-nische Gestalt anzunehmen vermag, kennen gelehrt hatte, auch die latente Wiirme entdeckte. Denn das Verstilnd-niss der Fixation einer Luft und der Fortexistenz dieser Luft in der starren Form hangt aufs Innigste zusammen mit der Vorstellung, dass die feste, Hüssige oder gasfor-mige Gestalt nicht wesentliche Eigenschaft eines bestimrn-ten Körpers ist, dass vielmehr der jeweilige Aggregat-zustand von einem grosseren oder geriugeren Warmegehalt abhangt. Indem so die gasfönnigen Stofte als Verbinduu-gen an sich fester Körper mit Wiirme erschienen, verlor der wunderbare A'organg der Fixation einer Luftart und deren Fortexistenz in starrer Verbinding das Wunderbare und UnbegreiHiche, ward verstaadlich, und mit andern chemischen Verbindungen, der Vereinigung von Schwefel mit Metallen z. B. vergleichbarquot; 1).

De opvatting van Vol 1 hard is volkomen juist. Black's ontdekking van de latente warmte is niet de vrucht van

1

-) Vollhard, Die Begründung der Chemie. Journal f pract. Chemie. 11 1S70. 20,

ocr page 193

168

toeval, maar een gevolg- van zyne proeven met de alkaliën en alkalische aarden in verband met het koolzuur.

Uit het feit, dat kalksteen en magnesia alba bij gloeiing geen vunrstof opnemen, maar daarentegen koolzuur afstaan, rees vanzelf de vraag, welke rol liet vuur in dit proces te vervullen heeft. Antwoord hierop gaf zyne warmtetheorie. Al zeer spoedig, na het boven gemelde onderzoek omtrent de alkaliën, kwam hij dan ook, na tal van proeven en overwegingen, tot het besluit, dat elk lichaam by verandering van aggregatietoestand eene hoeveelheid warmte opneemt of afstaat al naar gelang het van den vasten in den vloeibaren eu eindelyk in den gasvormigen toestand overgaat, en omgekeerd. Hierbij deed hij tevens uitkomen , dat, in het eerste geval, de temperatuur van de stof, in weerwil van de opgenomen warmte, niet stijgt, in het tweede niet daalt, alsmede dat de warmte, in het eerste geval op-o-enomen, in het tweede geval in dezelfde hoeveelheid weer

c? 7 O

te voorschijn komt. Opmerkelijk is het, dat Black, ondanks deze zoo voortreffelijke theorie, toch in zijne dwaling omtrent de stoffelijke natuur der warmte bleef volharden. Men moet echter den natuuronderzoeker niet uitsluitend beoordeelen naar zijne fouten, maar naar de door hem vastgestelde waarheden. De meeste dwalingen zijn trouwens gewoonlijk niet van hem, maar van zijn voorgangers afkomstig. Als hij er dus eenige overboord werpt, is er reeds veel gewonnen. In geen geval mag men hem hard vallen, als hij ze niet alle afschudt. Zoo is het ook met Black ten opzichte van de stoffelijkheid der warmte. Deze hypothese was een erfstuk zijner voorgangers. De toenmalige toestand van deu geest liet niet toe er zich van te ontdoen. In weerwil daarvan is het eene erroote

o

verdienste van Black, dat hij, meer dan een zijner tijdgenooten, er toe heeft bijgedragen om de warmte te idealiseereu en daardoor zijne opvolgers in staat heeft

12

ocr page 194

169

gesteld om haar eerst gewicht en daarna zelfs geheel en al stoffelijk bestaan te ontzeggen. Was zij eenmaal uit de rij der stoffen verdreven, dan was de weg gebaand om haar overgang in andere bewegingsvormen na te speuren en het begrip van onvernietigbaarheid, reeds op de materie toegepast, ook tot de onstoffelijke oorzaak van alle verandering (energie) uit te strekken. Zoolang de warmte echter als stof werd opgevat, zij het dan ook onweegbaar, zoolang was het onmogelijk zich een voorstelling te vormen van haar raadselachtig verdwijnen (latent worden) en op nieuw te voorschijn komen, en in de verschijnselen, die met haar samenhangen, iets onveranderlijks, iets onvergankelijks te bespeuren. Toch moést in die richting worden gestuurd. In dit opzicht deed Black eene belangrijke schrede voorwaarts. „Ohne sich vielleicht dei-weitere Tendenz seiner Arbeiten bewust zu sein, unter-srrub er die Lehre von der materiellen quot;Wanne, welche er

o '

halten zu wollen seinen, denn durch seine Vertheidigung der latenten Warme lehrte er, dass ihre Bewegungen fort-dauerend nicht nur einige unsrer Sinne, sondern alle tau-schen, und dass unsrer Verstand mis lehrt, die Warme sei nicht verloren gegangen, wenn unser Gefühl uns zu dein Glauben leitet, sie sei verloren gegangen. Hier haben wir scheinbare Zerstörbarkeit und wirklichc Unzerstörbarkeit. Zu behaupten, dass ein Körper Warme aufnehme, ohne dass seine Temperatur sich erhöhe, hiess den Verstand das Gefühl zurecht weisen lassen und seinen Eindrücken Trots bieten. Es war ein kühner und schoner Widersinn, dessen Aufstellung sowoiil Muth als Einsicht erforderte, und dessen Annahme eine Epoche des Denkens bezeichnet, denn es war ein gewaltiger Schritt znr Idealisirung der Materie zur Kraftquot; '). Doch de warmtetheorie van Black baande niet

') Buckle, Gescliichte der Civilisation in Engliiud. Deutscii von A mold Kuge. 6ste Ausgabe. 2er lid. bladz. 478, 481,

ocr page 195

170

alloeu den weg tot liet beginsel van het behoud van arbeidsvermogen, maar vereenigd met die omtrent de cansticiteit der alkaliën legde zij tevens den grondslag van het anti-phlogistische systeem.

In zijn onderzoek omtrent de cansticiteit der alkaliën bewees hij proefondervindelijk, dat de aard eener stof van eene verbinding met andere lichamen afhangt, wier aan- of afwezigheid door liet gewicht kan worden vastgesteld. Met de theorie van de latente warmte stelde hij het beginsel vast, dat de warmte, het vuur, slechts den aggregatietoe-stand bepaalt.

Afgezien nog van het gewicht dezer ontdekkingen is ook het onderzoek zelf zeer leerzaam. De methode is geheel gelijk aan die, welke later Lavoisier omtrent de verbranding en oxydatie volgde. B 1 a c k 's onderzoek had een gelijk verloop. Verschillende geschiedschrijvers van vroe-geren en lateren tijd hebben zulks beaamd. Alleen Lavoisier schijnt er niet toe te hebben kunnen besluiten om Black's verdiensten in het openhaar te erkennen; integendeel, veeleer schaarde hij zich aan de zijde van diens tegenstanders Van den anderen kant is het weer des te vreemder, dat Lavoisier hem in een particulieren brief als zijn meester huldigde. Den 14(lRU Juli 1790 schreef liij aan Black: „J'apprends avec une joie inexpri-mable que vou5 voulez bien attacher quelque mérite aux idees que j'ai professées le premier contre Ia doctrine du phlogistique. Plus confiant dans vos idees que dans les miennes propres, accoutumé a vous regarder comme raon maitre, j'étais en defiance contre moi-même, taut que je me suis écarté, sans votre aveu, de la route que vous avez

'j Dr. E. von Meyer, Geschichte der Cliemie. ISS'.t. 10U. Vollluird, 1. c. 31.

12*

ocr page 196

171

si gloricuscment suivie. A otro approbation, monsieur, dis-sipc mes inquietudes et me donne un nouveau courage. Je nc serai content jusqu'a ce que les circonstances me permettent do vous aller porter moi-même lo témoignage de mon admiration, et de me ranger au nombre de vos disciples. La revolution qui s'opère en Irance devant naturellement reudre inutiles une partie de ccux attachés a I'ancienne administration, il est possible que je jouisse du plaisir de la libertc, et le premier usage que j'en ferai, sera oe voyager, et suiiout on A.ngleterre et a Eidimbouig, pour vous y voir, pour vous entendre et piofiter ne vos

lecons et de vos conseilsquot;

Hoe Lavoisier den inhoud van dezen brief in overeenstemming heeft gebracht met zijne houding in het twistgeding tusschen Black en Meyer te Osnabrück omtrent het koolzuur, is ons tot heden niet duidelijk geworden. Hoe dit ook zy, vrij algemeen is men er thans van doordrongen, dat B 1 a c k's proeven, B 1 a c k's methode van onderzoek aan Lavoisier tot model hebben gediend, ten richtsnoer zijn geweest. Uit het vergelijkend onderzoek naar de be-teekenis en de verdiensten van de scheikundigen uit het laatst der vorige eeuw is zulks ten opzichte van den Schot-schen geleerde ten volle gebleken.

Hoe for noemt de ontdekking van de latente warmte, „la pierre angulaire de 1'edifice de Lavoisier, de la théorie de la combustionquot; 1). Volgens A. Bauer „bildet Black's Eutdeckuug den eigentlichen Beginn eines neuen

Abschnittes unserer Wissenschaft......In wenigen Decen-

nien führte diese Methode der Forschung schlieszlich unter Lavoisier's geistvoller Führung zur Inauguration des

1

) Ho eter, Hist, de la Chimie. II. 358.

ocr page 197

172

Zeitalters der quantitativen Forschungquot; Liebig scbetst zijne verdienste in dit opzicht in de volgende bewoordingen : „Black's meisterhafte Untersuchungen legten den ersten Grund zur antiphlogistischen Chemie. Der Fundamentalver-such Lavoisier's, die Verkalkung und Wiederherstellung des rothen Quecksilberoxyds, und die Aufsaugung und Entwickelung eines Bestandthcils der Luft wahrend dieser Processe, ist nur eine Nachahmung der Versuche Black's über den Kalk and die Alkaliën. Als Black nachwies, dasz der atzende Kalk, wenn er an der Luft liegt, in mil-den Kalk übergeht, indem er an Gewicht zunimmt; als er zeigte, dasz diese Gewichtszunahme von der Aufnahme eines Gases (der Kohlensaure) aus der Luit herrührte, welches durch llitze wieder ausgetrieben werden konnte; als er zeigte, dasz die Gewichtsvermehrung dein Gewichte der aufgenommenen Gases entsprach, da begann die Epoche der quantitativen Untersuchung. Das phlogiston verlor seine Bedeutung, au die Stelle der Idee trat ein testgegliedertes Band von Thatsachenquot;1). „Die gleichen Principienquot; — zegt Volhard— „welche in der Arbeit B1 ack's über die Causticitat sich aussprechen, auf die Verbrennungserschei-nungen angewondet, führten zur Oxydationstheorie ; diese ist nichts anderes als eine Entwikklnng der B lack'schen Lehre von der latente Warmequot;....3; Berthelot ten slotte verklaart in „La Revolution Chimiquequot; : „L'étude de BI ac k et la méthode par laquelle il établissait la fixation et le depart alternatifs d'un corps gazeux dans le cours de ses experiences ont servi dc modèle u celles de La vo isier sur l'oxyda-tion des metaux. II eu a été le veritable précurseur

1

) V o 1 h a r d, 1. c. 31.

Berthelot, La licv. Chim. IS'JO. 37.

ocr page 198

173

De geschiedenis van de ontdekking der latente warmte is in 't kort de volgende. Ten tijde (1754—1760) dat Black zich met die onderzoekingen bezighield, was de standvastigheid van het kook- en smelpunt van water bekend. Eene verklaring daarvan was evenwel nog niet gegeven. Dit werd eerst mogelijk, toen Black en tegelijker tijd d g L uc ontdekten, dat de temperatuur van een mengsel van water en ijs niet de gemiddelde temperatuur van de beide samenstellende deelen aanneemt, zoolang er nog smeltend ijs aanwezig is. De oorzaak hiervan was volgens Black gelegen in de omstandigheid, dat het ijs al de warmte noodig heeft om van den vasten in den vloeibaren toestand ie veranderen.

Uit de verklaring van de standvastigheid van het smeltpunt volgde tevens die van liet kookpunt. De temperatuur van kokend water kon niet stijgen, omdat alle warmte werd verbruikt om het water in damp te veranderen.

In zijne „Lectures on Chemistryquot; (I. 119—157) drukt Black zich daaromtrent ongeveer in de volgende bewoordingen uit: Het smeltend ijs neemt zeer veel warmte in zich op, doch deze warmte heeft slechts de strekking om het ijs in water te veranderen. Dit water is evenwel niet warmer dan het ijs te voren was. Er wordt dus eene hoeveelheid warmte of warmtestof— gelijkstaande met die om een gelijke hoeveelheid water (62° R.) in temperatuur te doen stijgen — alleen verbruikt om het ijs vloeibaar te maken. Deze warmte schijnt bovendien door het smeltende ijs opgeslorpt en in het gevormde water zoo verborgen te zijn, dat de thermometer haar niet kan aanwijzen. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij kokend water. De door het water opgeslorpte warmte wordt ook hier slechts gebezigd om het water in damp te veranderen.

De Luc, die, zooals boven gezegd is, tegelijker tijd met

ocr page 199

174

Black deze verschijnselen bestudeerde, gaf, evenmin als deze, zijne waarnemingen terstond in liet licht. Die van de Luc, in 1762 aan de Academie van Wetenschappen overhandigd, verschenen in 1772 te Parijs in druk, onder den titel van: „Recherches sur les inolifications de l'at-raosphèrequot;. Die van Black werden eerst in 1779 door Adair Crawford ^ bekend. Intusschen had Wilcke (1772) nog oinvangiijker onderzoekingen omtrent hetzelfde onderwerp gedaan en in de verhandelingen van liet Koninklijk Zw eedsch Genootschap van quot;Wetenschappen het licht doen zien. Deze vond niet alleen den regel van Black bevestigd, maar ook, dat verschillende lichamen, bij gelijke verwarming, verschillende warmtehoeveelheden opslorpen ~).

Sedert 1779 zagen tal van verhandelingen omtrent de natuur der warmte het licht3), terwijl van eene groote me-

]) Ad air Crawford, Exp. and Observations on animal heat and the inflamination of combustible bodies. 177'.).

2) 11 o b i n s o ii vermeldt, dat U i 1 ck e door een Zweedsch edelman, die in 1770 de proeven van Black gezien had, daaromtrent was ingelicht.

Wile k e zelf verhaalt, dat Klingenstjeriia hem op het denkbeeld heeft gebracht. Hob in son, Lectures on the elements of chemistry. 1803.

Kongl. Svensk. Vetensk. Acad. Handlingar lid. 11. tör ilret 17S1. bladzijde 49—70.

:l) Sclieele, Von der Liift und dem Peuer. 177'.'.

Lavoisier, Mémoire de la combiuaison du feu avec les fluides cva-porables etc. Mi'm. de I'Acad. 1777. bind/,. 120—432.

Mcmoire sur quelques fluides qu'on pent obteuir dans I'ctat iieriforme a un degiv de chaleur jieu superieur a la temperature moyenne de la terre.

Mem. de I'Acad. 1780 bladz. 335—343. L a p 1 a c e en Lavoisier, Mcmoire sur la chaleur. Mem. de 1 Acad. 1780. bladz. 355-—408.

Marat, Découvertes sur le feu, Vclectiicitc et la lumicre. 177«. Recherches physiques sur le teu. 1780.

11 o]) ton. Essay on tire 1781.

Bes eke, Leber Eleuieutarteuer und 1'hlogiston, ais Uranfange der Kürperwelt insbesoiidere über electrische Materie. Leipziger Magaziu zur

ocr page 200

175

nigte stoffen de latente en soortelijke warmte werd vastgesteld. Aanvankelijk paste men de mengingsmethode toe, gegrond op de bepaling van de temperatuursverandering van het mengsel. Zij werd vervangen door de methode van Laplace en Lavoisier, die bij eene standvastige temperatuur (0°), de hoeveelheid water, door de smelting

Naturkunde und Oeconomie. llerausgegeben von Leske 1780. St. 2. bladz. 162—192.

Kaf, De calore atque calorico diss. Magontiae. IT'-l/.

Baad er, Vom Wiirmestoll. Wien und Leipzig 1780. 4quot;.

K e y n i e r, Du feu et de ([iielques-uns de ses priucipaux eft'ets. Lau-saime. Paris 1787. 8U.

Berlin gh ieri, Esarae della teoria del calore del Crawford. Pisa. 1787. 4quot;.

Carradojii, La teoria del calore. Imreuze. 12. Bd. I. II. 1789. Hennb-stiidt, Bibliothek der neuesten physiscli-chemisclien Literatur. lil. 28.

L e S e m e 1 i er, Examen pliysico-chimique des principes de l'air et du feu. Amsterdam et Paris. 1788.

Dn Tast a la Serre, La théorie du feu. Avignon. 1788. Jos. Weber, üeber das Feuer. Landshut. 1788. 8quot;.

1) e L u c. Lettres physiques et morales sur les montagnes et sur l'his-toire de la terre et de 1'homme. a la Have 1778. Edition retouchée, aug-mentée; la Haye et Paris I- TV. 1780. .lourn. de phys. XXXV[[, 179U. 54—71.

M. A. Piet et, Essais de physique sur le feu. 1790. Hennbstiidt, Bibliothek. III. 297.

Lampadius, Kur/.e Darstellung der vorzüchlichsten Theoriën des Feners. 1793.

P.Pre vost, Recherches physico-mechaniques sur la chaleur. Genève. 1792.

Gardini, De electrici ignis natura diss. Mantua. 1.792.

S e g u i n, Obs. gén. sur le calorique et ses différens eifets, et refl. sur la théorie de M. M. Black, Crawford, Lavoisier et La place. Ann. de Chimie. 1789. bladz. 148—241 en 1790. bladz. 201- 271.

Langsdorf, Phys.-math. Abh. über Gegenstande der Warmelehre Marburg. 1796.

Ga dol in, Diss, de theoria oaloris corporum specifici. 1784.

Dei ra an, Verhandeling over de waarschijnlijkheid eener algeraeene hoofdstoffe van welke het licht, de warmte, electriciteit en magnetische

ocr page 201

176

van ijs ontstaan, bepaalden Hun ijscalorimeter gaf veel nauwkeurio-er uitkomsten dan men tot heden had verkregen. Het ijs, bij de proef gebezigd, beschutten zij voor de warmtestraling buiten den toestel met een mantel van sneeuw, eene voorzorg welke noodig bleek te zijn, omdat sommige proeven twintig uren duurden.

Op deze wyze bepaalden zij de soortelyke warmte van verschillende lichamen en vooral de hoeveelheid warmte vrijkomende bij de verbranding van koolstof, waterstof, phosphorus en die bij de ontploffing van salpeter met koolstof en zwavel. Het hierbij opgemerkte verschil in de hoeveelheid warmte, die zich bij verbinding van verschillende lichamen met eene gelijke ge wichtshoe veelheid zuurstof ontwikkelt, schreven zij toe aan de omstandigheid, dat een deel van de in de zuurstof praeëxisteerende latente warmte met het verbrandingsproduct vereenigd bleef.

Deze nog onjuiste opvatting van de warmteontwikkeling

vloeistoffen als zoovele bizondere wijzigingen bescliouwd kunnen worden. Algemeen Magaaijn van Wetenschappen, Kunst en Smaak. 1788.

Behalve deze verhandelingen vindt men nog stnkken over hetzelfde onderwerp in de jaargangen van het Journal de physique van 1781, 1783 en 1788, naar volgorde van Magellan, Hassenfratz, Marivetz, E o m (' de l'I s 1 e en S o y c o u r t, alsmede in de Phil. Transactions van 1781 van Fordyce en in Cr ell's Neueste Entd. in der Chemie van 1784 van Scopoli eu Volta.

!) Seguin meldt hieromtrent het volgende: Je dois cependant observer que M. Wilke (Wileke) avoit eu, avant les physiciens frangois, ridue d'eraployer la fonte de la ueige, pour mesurer le calorique, degagé des corps pendant leur refroidissement d'un certain nombre de degres; raais la diftieulté de receuillir I'eau forim'e; le temps considerable que les corps emploient ainsi a perdre une partie de leur calorique; la chaleur que la ueige relt;;oit, dans cet intervalle, de ratmosphcre et des autre? corps euvi-ronnants, toutes ces raisons Font force d'abandonner ce moyen, et de recou-rir a la méthode des melanges. M. M. Lavoisier et Laplace ne con-naissoient points les travaux de M. Wilke a I'iustant oü ils out public leur mémoire.

ocr page 202

177

bij scheikundige processen treedt nergens duidelijker aan het licht dan in hunne onderzoekingen aangaande de ontploffing van koolstof met salpeter, eene stof, die zuurstof in den vasten toestand bevat. Dan, hoe dit ook zij, de evengemelde beschouwingen omtrent latente en soortelijke warmte leidden van zelf tot andere inzichten omtrent de natuur der warmte en den aggregatietoestand der lichamen, dan tot op dat tijdstip door de phlogistici waren gehuldigd.

Volgens Lavoisier was de aggregatietoestand der lichamen niet langer afhankelijk van de aan- of afwezigheid eener in die lichamen aanwezige stof, waaraan deze dien toestand ontleenden, — maar alleen van de in die lichamen aanwezige warmte; of met andere woorden: die toestand werd geheel beheerscht door eenen bepaalden evenwichtstoestand tusschen de aantrekkende kracht der deeltjes onderling en de afstootende kracht van de warmtestof. Hieraan knoopte zich van zelfde vraag vast of de warmte als eene vloeistof, dan wel als eene kracht moest worden opgevat.

Om het woord vloeistof, op de warmte toegepast, te verklaren, vergeleek Lavoisier haar met water, dat, in verschillende houtsoorten binnen gedrongen, deze doet opzwellen en haar gewicht vermeerdert. Dezelfde betrekking, welke cr bestond tusschen water on hout, bestond in zekere mate ook tusschen warmtestof en alle andere lichamen. Evenals het verschil in capaciteit voor water afhangt van de houtsoort, evenzoo werd het verschil in capaciteit voor warmtestof beheerscht door de soort en de hoedanigheid van de stof in het algemeen. En evenals het water in de natuur als vrij, aanhangend en gebonden water optreedt, evenzoo kon er vrije, aanhangende en gebonden warmtestof bestaan.

Onder vrije warmtestof verstond hy die, welke in t o-eheel niet met ecnig lichaam vereenigd is, onder aanhan-

ocr page 203

178

wende die, welke vereischt wordt om verschillende lichamen

O /

van gelijk gewicht eene gelijke teraperaluursverhooging te doen ondergaan en onder gebonden warmte ten slotte die, welke in de lichamen, ten gevolge van verwantschap of aantrekking opgesloten, een deel van hunne zelfstandigheid uitmaakt.

Volgons deze denkbeelden, in hoofdzaak met die van Black overeensiemmende, die eveneens vrije en gebonden (latente) warmte onderscheidde, was dc warmtestof in alle, in de natuur aanwezige lichamen verspreid en maakte zij deel uit van de verbindingen.

De warmte als kracht, als beweging opgevat, had do gewaarwording, het gevoel voor warmte tot uitgangspunt. Zonder bewoging was volgens Lavoisier geen gewaarwording mogelijk. De gewaarwording van warmte was een gevolg van de onzichtbare beweging der kleine deeltjes, waaruit de stof was opgebouwd. Hieromtrent schreef hy: „D'autres physiciens pensent que la chaleur n'est que le résultat d?un mouvement insensible des molecules de la matiere. On sait que les corps, même les plus denses, sont lemplis d'un grand nombre de pores on de petits

vides......quot;. „Ces espaces vides laissent a leur parties

insensibles la liberté d'osciller dans tous les sens et il est naturel de penser que ces parties sont dans une agitation continuelle, qui, si elle augmente jusqu'a un certain point, peut les désunir et decomposer les corps : c'est ce mouvement intestin qui, suivant les physiciens, dont nous parions, constitue la chaleurquot; ^

Hoe voortreffelijk deze laatste beschouwing omtrent de natuur der warmte ook zy, toch wil het ons voorkomen, dat Lavoisier omstreeks 1780 geen gevestigde overtuiging had of de warmte onder de stoffelijke lichamen

') Oeuvres. II. 385.

ocr page 204

179

zonder gewicht, dan wol onder de onstoffelijke beginselen, onder de krachten, behoorde te worden gerangschikt.

Eenerzijds is men geneigd het er voor te houden, dat hy de warmte als eene kracht, als eene beweging, opvatte, anderzijds wordt men er toe gedrongen te geiooven, dat hij de warmte als een stoffelijk beginsel beschouwde. In de toepassing heeft de eerste opvatting ongetwijfeld de overhand. Dit neemt echter niet weg, dat de laatste, naar onze meening, met meer voorliefde, met scherper omschrijving en meer op eigen verantwoording en eigen gezag dan de eerste wordt gehuldigd. Want overal, waar de warmte als beweging wordt voorgesteld, wordt meestal, tot staving zijner denkbeelden, het gevoelen van anderen vermeld ; o. a.: „D'autres physiciens pensent que la chaleur n'est que le rósultat d'un mouvement insensible des molecules de la matière.quot; Of „C'est ce mouvement intestin qui, suivant les physicibus dont nous parions, constitue la chaleurquot; Daartegen neemt hij overal, waar de warmte als vloeistof'wordt voorgesteld, de geheele verantwoordelijkheid op zich. Dit gevoelen wordt ook door anderen gedeeld. „Non seule-nientquot; — schrijft Berthelot — „ii s'attache d'une facon absolue a la matérialité de la chaleur, envisagée comme élément constituant des gaz ; mais il suppose encore, en 1777, qu'il existe des fluides plus subtils que les gaz, moins que le calorique, capables de pénétrer les pores de certaines substances avec plus ou moins de facilité: tels seraient a ses yeux, les fluides magnétiques et élec-triquesquot; quot;).

In zijn „Traité élémentairequot;, in 1789, zes jaar na zijne verhandeling „Sur la Chaleurquot; verschenen, brak hij even-

') Oeuvres. II. 285.

■) Berthelot, La Ruvolutiou Cliimiqup. 97.

ocr page 205

180

eens eon lans voor de stoffelijke natuur dor warmte. Van den aggregatietoestand der lichamen sprekende, zegt hij: „II est difficile de coneevoir cos phénomènes sans admettre qu'ils sont l'effet d' une substance réelle et materièlle, d'une fhiide très-subtil qui s'insinue a travers les molecules de tous les corps et qui les écarté.quot; (bladz. 4). En vorder: „Nous avons en consequence désigné la cause de la chaleur le fluide éminemment élastiquo qui la produit, par le nom Calorique. Indépendamment de ce que cette expression remplit notre objet dans le système, que nous avons adopté, elle a encore un autre avantage, c'est de pouvoir s'adopter a toutee sortes d'opinions; puisque rigou-reusement parlant, nous ne sommes pas même obliges de supposer (pie le calorique soit une matièro réelle; il suffit, commo on le sentira mieux par la lecture de ce qui va suivre, que ce soit une cause repulsive qui écarté les molecules de la matière, et on peut ainsi en envisager les effets d'une maniore abstracte et mathématiquequot; (bladzijde 56).

Alhoewel het op grond van beide aanhalingen niet te loochenen is, dat Lavoisier's denkbeelden ten opzichte van dit onderwerp nog die vastheid en klaarheid missen, waarmede hij gewoon was zich uit te drukken, blijkt toch uit zijne onderzoekingen, dat hij er van overtuigd was, dat de warmtestof geen gewicht bezat. Het is echter opmerkelijk dat hij, de man van het experiment, zijne handleiding begon met de behandeling van een onderwerp, waaromtrent nog onzekerheid bestond en dat door geen overtuigende proefnemingen was gestaafd.

Dan, hoe dit ook zij, mot behulp van deze warmtetheorie is Lavoisier er toch in geslaagd eene voor dien tijd aannemelijke verklaring van do warmteverschijiisolen bij verbranding, oxydatio on ademhaling to geven. Uit de ondorstolling, dat allo lichamen — dus ook de gassen —-

ocr page 206

181

eeue samenatelling- waren van eene vaste grond stol' met warmtestof leidde hij af, dat verbranding, enz. bestond in de verbinding van die vaste bestanddeelen onderling, terwijl de warmte — nu niet langer noodig om do zuurstof in den gasvormigen toestand te houden — in den vorm van vuur, licht of warmte vrij kwam '). En daar verder het gewicht van het verbrandingsproduct overeenstemde met de som van de gewichten der brandstof en van het zoogenaamde vaste deel der zuurstof, zoo volgde daaruit, dat de warmtestof — stoffelijk of onstoffelijk — tot de imponderabilia behoorde. Verbranding werd dus een verplaatsingsverschijnsel. De ponderabele brandstof verplaatste de imponderabele warmtestof.3).

Deze conceptie bracht een algeheelen omkeer te weeg in de tot dusver gevolgde beschouwingen der phlogistici. Verbranding was volgens Lavoisier niet langer uitstooting van vuurstof, van phlogiston, integendeel, losmaking van de warmtestof der zuurstof. Verbranding was geen vernietiging van brandstof, integendeel, verbinding met zuurstof tot een nieuw lichaam. De licht- en vuurverschijnselen ontstonden niet door uitdrijving van vuurstof uit het brandende voorwerp, maar uit de in de zuurstof aanwezige warmtestof.

Dat deze denkbeelden omtrent warmte en vuur, van ons tegenwoordig standpunt althans, verre te verkiezen zijn boven die der phlogistici, uitvoerig in het hoofdstuk over hot phlogiston behandeld, behoeft geen nader betoog. Dit neemt echter niet weg, dat de phlogistici daartegen gegronde bedenkingen hadden. Zij merkten terecht op, dat de onweegbare, maar toch stoffelijke warmte al even onverklaarbaar was als hun phlogiston.

') Ouder nlle liclmmon bevatten de gassen de meeste warmtestof. ;;) Oeuvres (.•ompli'tes. II. 32'J.

ocr page 207

182

Doch niet enkel de opmerkingen van phlogistisehe zijde, maar ook Lavoisier's eigen onzekerheid, omtrent de al of niet stoffelijke natuur der warmte, zijn weinig bevorderlijk geweest om zijne denkbeelden op dit punt spoedig ingang te doen vinden.

De groote beteekenis van het stelsel van Lavoisier is nochtans minder te zoeken in zijne warmtetheorie, in zijne verklaring van het warmteverschijnsel bij de verbranding, dan wel in de juiste omschrijving en toepassing van het begrip, element en in het op den voorgrond plaatsen van de gewichtsverhoudingen bij scheikundige processen. Toch is het verklaren van de bijverschijnselen, het losmaken van de stoffelijke verandering van de warmte bij verbranding, ook daarom van belang, omdat het, door omkeering van de oude leer, voor Lavoisier's tijdgenooten het meestin het oogloopende kenmerk was en ook, omdat het is het uit-muigspunt van de moderne beschouwing-. Ware aan La vo i-

Dol o

sier dan ook de tijd gelaten om kennis te nemen van do op dit punt zoo hoogst belangrijke ontdekking der „Holhmd-sche Scheikundigenquot; ') omtrent het branden van metalen in zwaveldamp zonder tusschenkomst van zuurstof, voorzeker zou deze hem hebben geleerd, dat niet enkel verbinding met zuurstof, maar iedere scheikundige verbinding met warmtewerking gepaard gaat. Dan, op het tijdstip waarop

!) ])e proeven der nollaudsclie Sclieikimdigen, welke wij hier bedoelen, zijn die omtrent de ontbranding vau een mengsel van zwavel en metalen bij afwezigheid van zuurstof. Men vindt ze beschreven in de Chemische en l'iiysische Oeleningen van 1'. J. Kasteleijn. III. H7—Ifil. en in de Recherches l'hysico-Chyiniques. Troisième Cahier 17'-11, uitgegeven dooide Hollandsche Scheikundigen: Deiman, i'aets van Troostwijk, Nieuwland, Bondt en Lauwerenburg. l)c titel luidt: Experiences sur rinflamraation du mélange de sonire et de métanx sans la presence de Foxygène. De hierbij optredende licht- en vuurverschijnseleu trachtten ook zij uit de latente en soortelijke warmte te verklaren.

ocr page 208

183

deze ontdekking bekend werd, bad de revolutie reeds aan Lavoisier's wetenschappel ijken arbeid een einde gemaakt.

Wij mogen echter dit hoofdstuk over de warmte niet eindigen zonder met een enkel woord op eene beschouwing van O d i i n g, C r u m B r o w n en A n d rows te hebben gewezen '), ten doel hebbende, het bestaande verschil tusschen phlogistic! en antiphlogistici o[) dit punt op te heffen.

Deze geleerden zijn van oordeel, dat de phlogistic! der 17e eeuw aan phlogiston hetzelfde begrip .hechtten als wij aan potentieele energie. Odling noemt het zelfs eene groote dwaling, het beginsel van het behoud van arbeidsvermogen als een geestesproduct van onzen tijd te beschouwen. Volgens hem heeft Becher reeds hetzelfde begrip — zij 't dan ook onder een anderen naam — uitgesproken.

Daargelaten nu of Becher's phlogiston werkelijk met onze potentieele energie gelijk staat, hetgeen te betwijfelen is, dan staat daartegenover, dat deze conceptie tijdens de phlogiston-periode geheel verloren is gegaan. Alle phlo-gistici hebben zich het phlogiston als iets stoffelijks voorgesteld, naar hetwelk zij rusteloos zochten en dat zij eindelijk in de waterstof meenden gevonden te hebben. De phlogistici, die hierop eenigermate eene uitzondering maken, zijn Scheele en Adair Crawford 1). Dezen

1

) Zie. bladz. '.I—li.

ocr page 209

184

lecfdon echter ongeveer een eeuw na Bccher. Óf zij evenwel aan potentieele en actueelo energie dachten, nis zij van phlogiston spraken, is in verband met hunne ge-heele theorie niet waarschijnlijk. Hoogstens kan worden toegegeven, dat zij aan een in het phlogiston verborgen, latent vermogen dachten, dat de eigenschap bezat, om met de vuurlucht veremigd warmte voort te brengen.

De opmerking van Wa t s o n te ('ambridge (17()0 1 Tól)), door Odling als een bewijs voor zijne opvatting aangehaald, dat men hem evengoed kon opdragen een handvol magnetisme uit magneetijzer af te zonderen als phlogiston uit brandstoffen, bewijst niets. Vooreerst, omdat volstrekt niet bewezen is, dat Watson zich het magnetisme als een kracht heeft voorgesteld, en ton andere, omdat magnetisme en phlogiston volstrekt niet met elkander te vergelijken zijn. Het eerste doet zich als een afstootende en aantrekkende kracht, het laatste, het phlogiston, deed zich als licht of vuur kennen. Evenmin kunnen wij ons met do vergelijking van Od ling tusscheu Bccher en Black vereenigen, als deze zegt: „Doch liiltte atich Bccher an cin materielles Phlogiston gedacht, so dart' mis das nicht gegen seine hohen Verdienste blind machen; Black hiittc sich Warme als Stoff vorgestellt — becintraclitigt dies sein Verdienst, die latente Warme bcobachtet und erklait zu habenquot;? ^

Wat hier van Black gezegd wordt, is volkomen juist. Ondanks zijn vasthouden aan de stoffelijke natuur der warmte, ontdekte hij de latente warmte; maar dit geeft nog geen recht om daaruit af te leiden, dat Bccher met het phlogiston, ten opzichte van de potentieele energie, hetzelfde standpunt inneemt.

Black heeft de warmte in hare verborgenste schuii-

') Odlin 1. c.

ocr page 210

185

hoeken opgespoord en aan liet licht gebracht, haar bestaan, hare aanwezigheid bewezen daar, waar zij niet werd vermoed. Dit k.m van Becher ten opzichte van liet phlogiston niet worden gezegd.

Het is dan ook niet voldoende, te verklaren: „de phlo-gistiei verstonden onder verbrande lichamen die, welke hunne potentieele kracht om warmte te ontwikkelen verloren hebbenquot; 1), maar men moet het ook bewijzen. En dit juist is niet geschied.

Nergens is ons gebleken, dat de phlogistici zich de reductie — het omgekeerde van de verbranding — zonder tusschenkomst van een stoffelijk beginsel hebben voorgesteld. Integendeel, juist die processen, welke aan de werking van phlogiston werden toegeschreven, maar later bleken zonder diens tusschenkomst te kunnen geschieden2), hebben aan de heftigste bestrijding blootgestaan. Had men ooit aan phlogiston als potentieele energie gedacht, hoe gemakkelijk ware het dan geweest, ze hier in dien vorm toe te passen; hoe lichtelijk zou men dan hebben ingezien, dat phlogiston en warmte in wezen hetzelfde waren. De strijd ware geëindigd. Doch blijkbaar heeft niemand daaraan ooit gedacht. Want in stede van vriendschap te sluiten, stonden phlogiston en warmte vijandiger tegenover elkander dan ooit. De proef van Bay en en Black's theorie van de causticiteit der alkaliën hebben heel wat pennen in beweging gebracht. Ondanks al onzen eerbied voor de ontwerpers der phlogistontheorie kunnen wij ons met eene dergelijke reconstructie van de geschiedenis to hunnen opzichte niet vereenigen.

Vergelijkt men ten slotte de theorie van Sta hl en die

1

O d 1 i Tig, 1. c.

2

-) lleductie van kwikoxyde door verliitting. Black's proeven met alkaliën.

ocr page 211

1S6

van Lavoisier ouk ten opzichte van do in dit hoofdstuk behandelde punten met elkaar, dan blijkt opnieuw, dat ook hier zich alles beweegt om het verbrandingsproces en de daarbij optredende licht- en vuurverschijnseleij. Wat de phlogistici met hun phlogiston meenden te bereiken, heeft Lavoisier met de warmtestof beproefd. Geen van beiden zijn geslaagd. Lavoisier heeft echter op Stahl dit voor, dat hij meer rekening hield met het begrip element en met dat omtrent het behoud der stof, alsmede dat hij, behalve eene plausibele verklaring van de licht- en vuurver-schijnselen, tevens het vraagstuk van do gewichtsvermeer-dering en het aandeel van de zuurstof der lucht bij de verbranding tot oplossing bracht, hetgeen Stahl en zijne volgelingen te vergeefs hebben beproefd.

13*

ocr page 212

1ST

3e TI O O F D S T U K.

Onder/,oek xa.vb de oor./,aak van het bestaanok vkusciiil tus-

SCHEN DE ENGELSCHE, DU1TSCHE, VBAXSCIIB EN NEDEBLANDSCHE SCHEIKUNDIGEN IN 1IRT TOT AI.CEMEENE ERKENNING 1UIENOEN VAN HET SVSTEUM VAN L A V U I S I E I!.

„Toui óvcnemeiit ost soumis ii hi loi du temps ot de Fespace. La raison ne le conooit (ju'en le rappor tan t au point de l'espace oü il s'est accompli et au point du temps qui l'a vu se produirequot; De ontwikkeling van het anti-phlogistische stelsel door Lavoisier, het aandeel door de scheikundigen van Europa daarin genomen, de strijd tussehen de phlogistici en antiphlogistici onderling wordt, evenals iedere belangrijke gebeurtenis, beheerscht door den tijd waarin en de plaats waar zij voorviel.

Zal de geschiedschrijver zich dus een juist oordeel kunnen vormen aangaande de oorzaken, welke deze of gene gebeurtenis hebben voorbereid of door welke zij werd tegengehouden, dan zal hij met de evengemelde omstandigheden van tijd en plaats rekening moeten houden. Deze kennis toch zal hem in staat stellen, met helderen blik, onbevooroordeeld den toestand te overzien, en de oorzaken op te sporen, welke tot de overeenstemming ot wel tot het verschil hebben geleid.

Langs dezen weg hopen ook wij, na de aanwijzing van ieders aandeel, de verklaring te vinden van het verschil

') Didon, Jesus Christ. 1*91. 70.

ocr page 213

isS

en de overeenkomst, die er tu3s;di3n de sclieikunriigen va.i Frankrijk, Engeland, Duitschland en Zuid- en Noord-Nederland bestaan in hot tot algemeene erkenning breiigon van het stelsel van Lavoisier.

Voordat wij echter tot dit eigenlijke onderzoek overgaan, willen wij, in korte trekken, de punten van verschil en overeenkomst aanwijzen en liet standpunt aangeven, waarop de scheikundigen van die landen destijds stonden. De in de voorafgaande hoofdstukken behandelde onderwerpen zullen ons daarbij tot richtsnoer dienen.

Al aanstonds nieenen wij te kunnen vaststellen, dat er tusschen de scheikundigen van Engeland en Duitschland

O o

eenerzyds, en die van Frankrijk en Nederland anderzijds, ten opzichte van het door beu ingenomen standpunt menig punt van overeenkomst bestaat. Dj eersten hebben voornamelijk als phlogistic!, de laatslen als anti-phlogistici tot de ontwikkeling en bevestiging van Lavoisier's theorie bijgedragen.

Aan het hoofd der scheikundigen van Engeland staan: Black, Priestley, Cavendish en Kir wan. Aan de spits van die van Duitschland vindt men: Gr en, Wieg leb, Wnrzer, Westrumb, ïrommsdorf, Hildebrandt, Klaproth, Jfermbstiidt, S diere r en (ii rtanner ').

Niettegenstaande al deze scheikundigen tot de bekwaam-sten behoorden, wisten zij zich toch niet eer van de phlo-gistische beschouwing los te maken, dan nadat Lavoi-sitr en ziju staf over alle moeilijkheden hadden gezegevierd. behoudens enkele uitzonderingen hebben zij dan ook alleen in phlogistischen zin invloed uitgeoefend. Doch, ofschoon overeenstemmend in richting, bestaat er toch een

') De bekwaamstt' van alle Duitsclie sclieiknndigen in ile plilogistisclie periode is Marggraf. Hij liield zieli echter buiten den strijd.

ocr page 214

189

aanzienlijk verschil in do wijze, waarop ieder van hen daartoe heeft bijgedragen. Want, in weerwil van hunne langdurige bestrijding en hunne vasthoudendheid aan het phlogiston, hebben de Engelsche toch, wegens de talrijke ontdekkingen, moer dan alle andere phlogistici er toe bijgedragen om het stelsel van Lavoisier voor te bereiden en te ontwikkelen. Engeland is de bakermat van het antiphlogistische stelsel. En ofschoon van Helmont de vader van de zoogenaamde pneumatische scheikunde is, zoo vindt men toch bier hare beste beoefenaren. Flier liggen de fundamenten van liet moderne gebouw. Bij de behandeling van bijna alle in de vorige hoofdstukken genoemde onderwerpen nemen de Engelsche scheikundigen eene voorname plaats in. Hun aandeel is bijna zonder uitzondering positief, in vooruitstrevenden zin. Iedere ontdekking is een onmisbare schakel in L a v o is i er's systeem'). En daar, waar zij zich tegenover hom plaatsen, zijn hunne beschouwingen zoo grondig, zoo doordacht, dat zij de anti-phlogistici noodzaakten daarmede rekening te houden ?).

De Duitsche scheikundigen zijn meestal in negatieven zin werkzaam geweest. Hun aandeel reikt gewoonlijk-uiet verder, dan dat zij door hunne aanhoudende oppositie en door hunne menigvuldig afwisselende denkbeelden telkens nieuwe proeven en nieuwe onderzoekingen uitlokten, waarvan echter de uitkomsten meestal niet hnnne beschouwingen en theorieën, maar wel die van Lavoisier versterkten of bevestigden3). Nieuwe ge-

') Ue ontdekking van verscliillende gassen, üe samenstelling van liet water. De latente warmte. De bijtende alkaliën.

L') Bestrijding van Kirwan's waterstof-phlogistontheorie door Lavoisier, Hert hollet e. a.

Bestrijding van de theorie van Gr en omtrent de negatieve zwaarte van liet phlogiston door Mayer en anderen.

ocr page 215

1 go

zichtspunten hebbon zij niet geopenrl. Het is waar, dat enkelen, o.a.: He r ni b s t ad t, Girtanner, Klaproth, Scherer en Hi 1 deb ra nd t zich eindelijk als ijverige voorstanders van de nieuwe leer opwierpen, doch dit kan ook van de Engelsche scheikundigen, Black cn Kir wan, worden gezegd Op het tijdstip waarop dat evenwel geschiedde, hadden de voornaamste scheikundigen van Europa roeds het stelsel van Lavoisier omhelsd. Niettemin is hei; een opmerkelijk feit, dut Hermbstüdt, Girtanner en Scherer er niet voor zijn teruggedeinsd om de verdediging van het antiphlogistische stelsel op zich te nemen in een tijd, (omstreeks 1790) toen de phlogistische richting in Duitschland nog den scepter voerde.

J. A. Scherer, leerling van den Ween er hoogleeraar K J. Jaqui n 1) verklaarde zicli het allereerst voor de theorie van Lavoisier in zijn „Serutinium hypotheseos principii inflammabilisquot;2) en bijna tegelykertyd in zijne „Chymische Abhandlung vun der Entstehung des Wassers aus der Verbindung der Grundstoffe der reinen und brenn-baren Luftquot;3). Hermbstildt's aandeel in de ontwik-

1

-) N. J. .laquiu, in 1727 te Leiden geboren, later in 17fi8 lioog-leeraar aan de Universiteit te Weenen, waar liij in 1817 is gestorven, onderhield eene levendige briefwisseling met Lavoisier. Hij was een warm voorstander van Black's leor aangaande de causticiteit en verdedigde diens inzichten tegen Meyer te Osnabriick en den hoogleeraal' Kranz te Weenen. A. Bauer, Chemie und Alchymie in Oesterreich 1883. bladz. 75.

2

3) Hermbstildt, Bibliothek der neuesten physisch-chemischen Lite-ratur. IV. 04.

3

4) Deze verhandeling is een vertaling van A. P. Nahuys' quot;De aquae origine ex basibus aëris puri et inflammabilisquot;. Traj. ;id llhen. 1789. Zie ook het hoofdstuk: /'De samenstelling van het waterquot;.

ocr page 216

19]

kelina' van het autiplilogistische stelsel bestaat voornamelijk in rle onpartijdige mededeeling van de verschillende ontdekkingen op phlogistisch en antiphlogistisch gebied In 1789 schaarde hij zich aan de zijde van Lavoisier en nam van dat oogenblik de verdediging van diens theorie op zich2]. Eerst gaf hij een overzicht van Lavoisier's Traité élémentaire de Chimie 3) en kort daarop eene Duit-sche vertaling van het geheele werk J). Bijna gelijktijdig verscheen Girtanner's Neue chemische Nomenklatur für die deutsche Sprachealsmede zijne Anfangsgründe der antiphlogistischen Chemie

Ongetwijfeld hebben deze ilrie mannen door dezo geschriften een invloed ten goede op de verspreiding dér nieuwe denkbeelden uitgeoefend. Of die invloed zich evenwel ook buiten de grenzen van hun vaderland heeft doen gevoelen, is ons niet gebleken. Hun aandeel in de ontwikkeling van het antiphlogistische systeem hlijtt beperkt tor de verdediging en verspreiding daarvan in eigen kring. Nieuwe ontdekkingen, die het stelsel vooruit brachten, hebben wij niet leeren kennen. In dit opzicht verschillen zij dus van hun Kngelsche collega's.

In Enge'and vinden wij eene krachtige, aaneengesloten

') 11 ermbstiidt, 'liibliothek der ueuesten cliemisoli-pliysischen, jnetal-hirgiselieii, teclmologischen und plulrmaceuiisclieti Literutur 4 13(1. Berlin bey Aug. My leus 17SS—17115.

-J I'hysikaliscli-clieniisclie A ersuche mid Ueobaclituugeu. 1)1. II. bind/. 151)—11)G von S. 1'. 11 ermbstiidt, Berlin bey Vie weg. lie nubs ti'ult, liibliotbek. Ill, 135.

■') lie r m bs 1 iid t, Bibliotliek. 11. 284.

'') Des Hrn. Lavoisier System der antiplilpgistiselien ebeinie. Berlin bey Nieobri 1792. II ermbstiidt, Bibliotliek. IV. 25G.

■') Berlin bey linger 1791. Hermbstiidt, Bibliotliek. IV. 3.

'■) (quot;b ristopli (lirtauner, Anfangsgründe der antiplilogistisclien Chemie. Berlin bey L nger 1793. Hermbstiidt, Bibliotliek. IV. 357.

ocr page 217

in-2

partij, die door tul van ontdekkingen, allo door prooven gestaafd, het systeem van Lavoisier helpt opbouwen, of door het opstellen van nieuwe en, voor dien tijd, zeer aannemelijke theorieën, de Fransche antiphlogistici to!: een vernieuwd onderzoek aanspoort. In Duitschland daarentegen een groote, maar onderling zeer verdeelde meerderheid, waarvan de leden ieder voor zich, en naar eigen inzichten aan het phlogiston vasthouden, zonder nieuwe gezichtspunten te openen, geschikt om een eenigszins duur-zamen en belangrijken invloed op hunne tegenstanders te oefenen. Eene kleine minderheid slechts, die zich de verdediging van het antiphlogistische stelsel tot taak had gesteld, doch daarmede eerst aanving, toon Lavoisier reeds vrij algemeen over zijne tegenstanders had gezegevierd. Bij de Engelsche scheikundigen een rusteloos streven om langs proefondervindelijken weg het eenmaal ingenomen standpunt te handhaven, totdat zij ten slotte, door eigen onderzoek van hunne dwaling overtuigd, even krachtig voor de nieuwe leer opkwamen als zij haar voorheen bestreden hadden1). Hun geheele optreden en hunne manier van onderzoeken dragen, zelfs bij hen, die tot het einde toe aan het phlogiston getrouw blijven, een echt wetenschappelijk stempel, dat gunstig afsteekt bij dat van de Duitsche scheikundigen. Hier vindt men geen aaneengesloten partij, maar gren-zenlooze verdeeldheid. Ingenomenheid met eigene denkbeel-

') Kivwau sclireef aan Uertliollet, een van de bestrijders van zijn verweerschrift, „Au essay on phlogiston and the constitution of acids 1781) '. Enfin je niets bas les amies et j'abandonne le phlogistiquequot;'. (Grimaux, Lavoisier. 1S8S. 121). Black schreef aau Lavoisier naar aanleiding van diens „Traitequot;: quot;Je cherche a faire coitiprendre ames clèves les principes et les explications du nouveau système que vous ave/, si henreusement inventé et je commence a leur reconnnauder comnie plus sini|)le, plus aisc, mieux soutenu ))ar les faits (pie Vancien systèmeG ri-ni a n x, La v o i sier. 135.

ocr page 218

1 !i;;

den is oorzaak, dat ieder zijn eigen phlog'istontheorie, in-tussclieu geheel afwijkend van die van S ta hl, op den voorgrond tracht te plaatsen. In stede van liet experiment, van de inductieve methode, vindt men wijsg-eerige beschouwingen, aprioristische meeningen, welke slechts dienen om het gemis aan grondige kennis aan te vullen, of te bemantelen. Gemeenlijk stelt men zich te vreden met op de vondsten van anderen hunne theoretische beschouwingen toe te passen of wel men tracht door eindelooze redeneering de uitkomst daarvan zoodanig te veranderen, dat zij pasklaar worden voor hunne theorieën. Het phlogiston in allerlei vormen beheerscht allen en alles, en wee hem, die zich verstoutte dat afgodsbeeld neer te halen, of zijn luister te verzwakken. Er behoorde waarlijk moed toe om in Duitschland als voorstander van de nieuwe leer op te treden. Kenschetsend dienaangaande is de wijze, waarop Hermbstiidt en Scherer het antiphlogistische stelsel inleiden. In het hierboven vermelde overzicht van Lavoisier's Traité dringt de eerste bij zijne landgenooten aan van dit belangrijke werk kennis te nemen, „weil die darin bekannt ge-machten Thatsachen, für meine Landsleute, so neu ah loichtig sind und sich auf eine ganz neue Lehre grimden, die jetzt sehr viel Aufsehen erregt, die in Dentschland viel-leicht nnr halb bekannt id, und auf welche man daher nm so begieriger seyn musz, sie von einem Lavoisier vortriigen zu horenquot; Aan de vertaling van hetzelfde werk gaat eene voorrede vooraf, waarin hij in zekere mate voor zoo een stout bestaan, om daarvan een Duitsche bewerking uit te geven, zijn verontschuldiging aanbiedt. „Da ich selbst Uebersetzer und Herausgeber binquot; — schrijft hij — „so mag ich über den Werth dieses werks nicht entscheiden. Aber bey aller Unparteylichkeit kann ich es

') ![erml)st.iult, lïililiollu'k. Tl. 281'.

ocr page 219

194

jedem denkenden Chemiker empfehlen, die nicht hey ra Alten bleiben, sondern sich ouch inn die nenen Fortschritle der Wissenschaft behümmern will, vorzüchlieh der das antiphlo-gistisclien System kennen lernen willquot;. Scherper nog is zijn wel versneden pen als hij Girtanner's „Anfangs-gründe des antiphlogist. Systemquot; aanbeveelt. Klaarblijkelijk vindt hij tegenover de spitsvondigheden der phlogistiei een krachtiger, zelfbewuster optreden gepast. „Zwar wird es ihm so wenig wie mir an Neidern mangelen, die alles gern mit ihrem Phlogiston versengen, und in ein Nichts auf-lösen mochten, was nicht phlogistisch ist. Aber Herr Dr. (xirtanner wird so wie ich mit Geduld abwarten, was die Zeit lehret; und denn haben wir hoftentlich das gerechte Tergnügen, die Rene mit an zu sehen, mit welcher die Phlogistiker ihr Steckenferd verlassenquot; 3).

Scherer laat zich geheel in den zelfden geest uit. Deze noemt het een waagstuk om in 1790 op Duitschen bodem het phlogiston te bestrijden, daar niemand, naar zijn weten, moed genoeg bezat om de oude leer te verwerpenquot;').

Onder zulke omstandigheden was een vruchtbare bestrijding van het phlogistische stelsel moeilijk denkbaar. Wat vermochten ook die enkelen, die zieh verzetten, tegen zooveel vooroordeel en vooringenomenheid? 1 let phlogiston behield dan ook. ondanks hun verzet, de overhand en heerschte oppermachtig in I Hiitschland, totdat Klaproth met zijn gezag tusschen beiden kwam en aan dien toestand een einde maakte. Eerst nadat deze in 1792 in de Academie van Wetenschappen te Eerlijn het stelsel van Eavoi sier had aanbevolen en verdedigd, volgden langzamerhand meer

') Hernibstildt, lübliotliek. IV'. 250.

2) llermbstüdt, Bibliutbek. IV. 257.

■') J. A. Scherer, //A. Naliuys, Cliyiuisciic Abli. von der des Wassers. VVieu IT'-'d. Vurredn rilquot;.

ocr page 220

lOü

anderen, waarondev in 1793 ook Alex ander von Humboldt

Het standpunt der Fransche en Hollandsche scheikundigen wijkt in menig opzicht af van dat der Engelsche en Duitsche. Een van de voornaamste verschilpunten is wel dit, dat die van Engeland en Duitschland slechts zijdelings, die van Frankrijk en Nederland meestal rechtstreeks aan de ontwikkeling van de antiphlogistische theorie hebben bijgedragen.

Dc scheikundigen van Frankrijk waren in twee partijen verdeeld. De groote meerderheid, waaronder Ba yen, Laplace, M e u s n i e r, M o n g e, B c r t h o 11 e t, F o u r c r o y, Van quel in, Guy ton de Morveau, koos de zijde van Lavoisier. Eene kleine minderheid, n;ct delaMethe-rie, M acq uer en Ban mé aan 't hoofd, koos partij voor Sta hl. Het optreden van de Fransche antiphlogistici dagieekent van het jaar 1785, want ook in Frankryk zelf vond Lavoisier aanvankelijk weinig instemming. In de tien eerste jaren (1775—1785) stond hij nagenoeg mot zijne beschouwingen alleen. Slechts enkele wiskundigen van de Academie van Wetenschappen: Laplace, Cousin en van der Monde, die Lavoisier reeds bij zijne eerste onderzoekingen met raad en daad hadden bijgestaan, waren de eersten om zijne theorie te verdedigen ~). Met de ontdekking van de samenstelling van het water was evenwel het keerpunt bereikt. Dit feit maakte voor goed een einde aan de weifelende houding van vele Fransche phlogistici, die evenals zooveel andere beproefd hadden

') Meyer, Geseli. der ('lieinie. 18811. 111.

-) Fouroroy sclireef: «De 1777 h 1785 miilgrc les graiuls eltorts et les nombreiix mémoires de Lavoisier, il ctuit bien verituMnnent senl dans sou opinion snr rexclusive influence de 1'air dans les operations naturellesquot;. (Grimaux, Lavoisier, 133).

ocr page 221

J 9()

de denkbeeldou van Lavoisier mot die omtrent hot phlogiston in overoenstemming te brengen.

Bert hol let was de eerste, die zich bij Lavoisier aansloot. Den 6en Augustus 1785 legde hij in de Academie van Wetenschappen de verklaring af, dat hij het antiphlo-gistische stelsel had omhelsd. Spoedig daarop volgden Fourcroy (1787), Gruyton de Morveau (1787), Mon-ge (1787), Me usn ier (1787) Ch a p tal (1787), S eg ui u en Vauquelin (1790)1).

Met deze keurbende werd de strijd tegen het phlogiston voortgezet en ten einde gebracht. Eer vijf jaren waren verstreken, was de antiphlogistische theorie in Frankrijk vry algemeen aangenomen. De proeven van Lavoisier werden herzien, uitgebreid en aangevuld.

In vereeniging met Lavoisier ontwierpen Guy ton de Morveau, Berthollet en Fourcro y, geheel in overeenstemming met de nieuwe leer. een scheikundige nomenclatuur 2). Dit hoogst belangrijke werk, in het I loogduitseh, Engelsch, Spaansch en Italiaansch vertaald, verschafte hun ruimschoots gelegenheid hunne denkbeelden nauwkeurig en volledig uit te drukken en in wijden kring bekend te maken. Tegelijkertijd richtten zij onder den naam „ Aai na-les de Chimiequot; een nieuw tijdschrift op.

Met dit tijdschrift, spoedig algemeen bekend, werden zij onafhankelijk van het bekende Journal de Physique van de la Met her ie. dat het orgaan was van de tegenpartij.

1

-) Bertbelot, T.a l'x'v. Cliim. 119, 110. Grimaux, Lavoisier, 46. 123.

2

s) Methode de nomenclature chhuique propose'e par M. M. Morveau, Lavoisier, Berthollet et de Fourcroy, 17S7.

ocr page 222

197

Daarenboven hield Funi c roy in Je „Jardin des Plantasquot; openbare voordrachten, waarin hij door zijne buitengewone welsprekenheid met ongemeen gevolg de antiphlogistische theorie voor eene schare van buitenlandsche geleerden ontwikkelde ^1). Doch de kroon op het werk zette La voi sier met zijn „Traite élémentaire de Chimiequot; (1789), eene handleiding, waarin voor de eerste maal de scheikundige wetenschap zonder tusschenkomst van het phlogiston werd verklaard. , Le succes en fut énormequot; — schrijft Uri maux — „on s'empressa de le traduire a l'étranger; les modestes professeurs qui y trouvaient un procédé simple et facile d'exposition Fadoptèrent avec enthousiasme. De tous les cótés, les felicitations arrivèrent a l'illustre maitre qui pouvait enfin jouir de sou triomphe. Le Traité élémentaire marque la séparation definitive entre la chimie de Stahl et la chimie actuelle. Ecrit moins de vingt ans après le livre de Baumé2) il en diffère tellement par les idéés et le langage chimique qn'il semble qu'un siècle se soit écoulé entre les deux; a peine aujourd'hui pouvons-nous lire le premier, il nous est étranger par ses tliéories surannées, la forme de son raisonnnement, sa nomenclature, sa classification, tandis que le traité de Lavoisier nous semble écrit d'liier; — il est notre contemporain. Sauf quelques résistances obstinées d'un genie de Priestley ou d'hommes médiocres comme Baumé, des ce moment la théorie pneuraatique a conquis le monde savantquot;

!) W hewell, Gescliiciitc der imluctivcu Wissciisclmftcti. HF. 156. Veitnlinf van Litti'ow. 1 lioiuson, j 1! gt;i. oi Cliouiistry. II. KiU, zeg't: de aaudrynu' van mannen en vrouwen was zoo groot dat lu't tweemaal noodig was om de gehoorzaal te vergrooten. Zie ook Cuvier, iöloges. li. 1'J.

■) Euiim6, La cliymie expérimentale et raisotmee 177ö.

*) G r i ia a u x, Lavoisier. 1^5.

ocr page 223

108

Van I7cS9 af mag men dus hot stelsel van Lavoisier in Frankrijk mIs gevestigd beschouwen. Do invloerl van M aequo r en do la Metherie word gaanclowog miiKler. Hunne tegenwerpingen werden bij gemis aan genü3gzame bewijskracht meer en meer op den achtergrond gedrongen. Toch kon Macqu er, wegens zijnen on verklaarbaren atkcer van gewicht en maat, er niet toe besluiten om van stelsel te veranderen. Do la Metherie bleef mot enkele anderen het phlogiston naar hot gewijzigde stelsel van Kir wan verdedigen, ook zelfs nog, toen zich de laatste na do grondige weerlegging van zijne theorie door Lavoisier, Laplace, Monge, Berth ol lot, Gnyton do Mor-veau en Fourcroy, overwonnen had verklaard1).

De llollandscho scheikundigen vertoonen in menig opzicht eene moikwaardigo overeenkomst met die van Frankrijk. Deze, reeds vroegtijdig onder de vanen van Lavoisier geschaard, behooron tot zijne beste kampvechters. Hunne verhandelingen ter verklaring of ter verduidelijking van zijn systeem werden tot do voortreffelijkste gerekend. Hunne oorspronkelijke en even doeltreffende proeven maakten menigmaal een einde aan allo twistgeschrijf en verzekerden aan hunne partij eene beslissende zegenpraal. ïsTa die van Frankrijk zijn van Ma rum, Xahuys, de zoogenaamde „Hollandsche Scheikundigenquot;: Deiman, Paets van Troostwijk, Bondt, L au wer en b urg on N i e u w-land alsmede Ka stoïcijn en Aoneae de eerste scheikundigen, die het stelsel van Lavoisier hebben gevolgd.

Onmiddellijk na zijn terugkeer uit Parijs, (1787) waarheen van Marum zich, aangetrokken door de opzienbarende voordrachten der Fransche scheikundigen, begeven had, verklaart hij zich voor het antiphlogistische stelsel.

') Zie bladz. 192

ocr page 224

1 T.I

Noj;1 in hetzelfde jaur plaatst liij als aanhangsel op het 4« deel van Teyler's 2e Genootschap eene uiteenzetting van Lavoisier's theorie, vergelijkt haar met die van het phlogiston, (in aarzelt niet om do eerstgenoemde bij zijne landgenooten aan te bevelen. „Dit geschriftquot;' — schrijft Bosscha —- „is het eerste bondige betoog van hot nieuwe stelsel in zijn geheel. De ontdekkingen van Lavoisier werden zoo bijeengebracht, dat zij met onafwijsbare overtuigingskracht tot de erkenning van Lavoisier's stellingen leidden, een meesterstuk van klaarheid en thans nog treffend door de bcdachtznamhcid, waarmede de voorstellingen, ilie nog bewijs behoeven, onderscheiden worden van de feiten van waarnemingquot;1). A. P. N a h u y s beantwoordt de prijsvraag, uitgeschreven door liet Provinciaal Utrechtseh Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, (1-T87) omtrent de vraag of het phlogiston een waar beginsel is der lichamen. In deze verhandeling onderwerpt hij de verschillende phlogistontheorieën aan eene scherpe kritiek, vergelijkt ze met die van Lavoisier en komt dan geheel zelfstandig tot de slotsom, dat de antiphlogistische theorie verreweg boven die der phlo-gistici te verkiezen is. Stuk voor stuk worden de verschillende proeven der phlogistici onderzocht, getoetst aan die van de Fransche scheikundigen en ten slotte met een reeks stellingen, aan hen en aan eigen onderzoek ontleend, weerlegd. Kort daarna (1789) legt hij opnieuw getuigenis af van zijne gevestigd oordeel omtrent het antiphlogistische stelsel.

In zijne verhandeling „de aquae origine ex basibus aëris puri et inflammabilisquot;, hetzelfde geschrift waardoor He r m b s t a d t en S c h e r e r voor de nieuwe theorie

!) Handelingen van het le Natuur- en Geneeskundig Congres IS87. bladz. 73.

ocr page 225

200

werden gewonnen, toont h'j met groote klaarheid aan, dat de samenstelling van dit natuurproduct het systeem van Lavoisier ten volle bevestigt.

Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat zeer zeker in niet geringe mate pleit voor de scherpzinnigheid en ne scheikundige kennis van onze landgenooten, dat zij, nog vóór het verschijnen van Lavoisier's Traité, in een kort, maar zakelijk overzicht de hoofdbeginselen zijner theorie wisten weer te geven, en wel op zoodanige wijze, dat van dat oogenblik het antiphlogistische stelsel in ons land voor goed gevestigd was. Het voorbeeld van v a n M a r u m en N a h u y s werd door alle scheikundigen van naam gevolgd. In de voorste rijen bevinden zich de zoogenaamde „Hollandsche Scheikundigenquot;. Hun aandeel beperkt zich echter niet enkel tot verdediging, ook aan-vallcnderwijzo zijn zij opgetreden. Aanvankelijk als phlogistic), als bestrijder t van verschillende phlogistontheorieën, later als medestrijders van Lavoisier, wiens theorie z;j door menige sprekende proef, door menige belangrijke ontdekking hebben toegelicht.

O O

De electrische proeven van van Marum met betrekking tot het phlogiston, die aangaande de reductie en de oxydatie van verschillende metalen in lucht en in water, die omtrent de verbranding van phosphorus in het zoogenaamde luchtledige en eindelijk die met betrekking tot de condensatie van gassen '), kenmerken hem als geoefend waarnemer, als beproefd experimentator. De meergerneldo, door Nahuys beantwoorde prijsvraag over het phlogiston, alsmede d ie van D e i m a n en Pacts v a a T r oost w ij k

i) Toestel om de wetten der d;impgt;piiiiiiiiii; jian (,e tooneu. Toestel om de siimendrukbiuirheid vnn ainnionuikgas te bewijzen, üosselia, Over het leven en de weiken van vau Maruiu. Album der Natuur. Jaargaiur 18S8, ].

14

ocr page 226

201

bevatten een aaneenschakeling van welgeslaagde proetne-niinquot;cn.

nnmie proeven ter bestrijding van K i r w a n s waterstol-phlogistontheorie, vooral ten aanzien van de voor deze zoo hoogst belangrijke punten : de waterstofontwikkcling bij verhitting van metalen en liet bestaan van slechts ééne soort van ontvlambare lucht, zijn meesterstukken van experimenteerkunst en kunnen wedijveren met het beste wat daaromtrent is geleverd. Men wijze ons toch proeven aan meer afdoende dan die van N a h u y s ter weerlegging van het eerste punt1); men toone ons een degelijker en omvangrijker onderzoek dan dat van Dei man en Laets van Troostwijk ter bestrijding van het tweede vj. Dit onderzoek trof de theorie in het hart. Met de voorgewende waterstofontwikkeling en met het voorgewende bestaan van slechts ééne soort van ontvlambare lucht, identiek met het phlogiston, stond of viel Kir wans theorie.

Door wie is de theorie der negatieve zwaarte bondiger en eenvoudiger weerlegd dan door K.as t e 1 e ij n en A e n ea e r Waar vindt men ten slotte sprekender proeven dan die van van Mons met betrekking tot de reductie van het kwikoxyde? En daar, waar onze landgenooten het auti-phlogistische stelsel met nieuwe ontdekkingen verrijkten en aanvulden, daar wisten zij dit te doen met zulke fiftaie en doeltreiiende proeven, dat hun daaromtrent, zoowel van voor- als van tegenstanders, een welverdiende hulde te beurt viel.

De proeven van de „Hollandsche Scheikundigen ' omtrent de samenstelling van het water, omtrent de enkelvoudigheid der stikstof, het branden van metalen in zwaveldamp, om niet te spreken van hunne ontdekking van' heï

M '/,ip bltidz. 33 hiervoor. - //ie IiIm!;'., '■gt;1 liiervoor.

ocr page 227

202

iiethyleen '), mogen onder de best geslaagde van dien tijd worden gerangschikt en staan in nauwkeurigheid en uitvoerigheid in geen enkel opzicht achter bij die van do Fransche en Engelsche scheikundigen.

Doch niet alleen hebben onze landgeuooten zich beijverd om langs proofondervindelijken weg het gebied der pneumatische scheikunde, en meer in het algemeen de leer van Lavoisier uit te breiden en tot algemeene erkenning te brengen, ook door tal van geschril'ten van eigen hand en door voordrachten in liunno genootschappen hebben zij daartoe medegewerkt.

Dei man schetste de verdiensten van Lavoisier2). Nieuw land zette het antiphlogistische stelsel uiteen 3). Troostwijk '), van Bar ne veld en Nahuys behandelden de samenstelling van het water 0). F. J. Kas te 1 e ij n trad op als redacteur van het rijdschrift ,,Chemische en Fhysische Oefeningen'quot;7) en F. van Werkhoven van co

') De '/Holliuidsclie Stiheikmidigeuquot; ondei-zocliteu liet stikstofinouoxyds eu liet aetliyleen en bepaalden er de samenstelling van. I'echen-lies pliysico-cliyniiqnes. Secoud Cahier 179;!. Crell, Ghein. Ann. 15(1. If. 1705.

2) De verdiensten van Anton Lavoisier geschetst. Redevoering in liet Genootscliap //Concordia et Libertatequot; te Amsterdam. Nieuwe scheikundige bibliotheek. 4 stukken te Amsterdam bij de Wed. Doll.

(De redevoering alleen bevindt /.inh in de bibliotheek te Leiden).

3) P. Nieuw land. Schets van hel .scheikuiidig stelsel van Lavoisier. A iiisterdani 17CJ0.

*) Algemeen Magazijn vau Wetenschappen, knust eu Smaak. IV. Dl. II. 17'JO.

■') De samenstelling van het water proefondervindelijk verklaard. Voorlezing iu Felix Mentis. Algeni. koust- en Letterbode. V'. 17S pag. 173. Vailerhuidsche I.etteroef. N'u. !). 55!H(.

quot;) N a li ii ij s, 11 et nieermaleii aangehaalde geschrift //de aquae origine etc.quot;quot;

') Leiden bij Houkoop en van Tiffelen. o dealen 8°. 17'.):) L/'H; hel derde deel tevens met iiiedewerl.in-. van ,\. Boud t en .Lit. D e i m a u.

14*

ocr page 228

208

„Niouwe Clieimsche en Physische Oofciiiagcnquot; De „Hol-landsche Scheikundigenquot; gaven in het Fransch de „Recherches physico-chyniiqii 's uit1), waarvan later ecne Hollandsche bewerking, aangevuld met de in dien tusschentijd gemaakte ontdekkingen, onder den titel: „Verzameling van Natuur-en Scheikundige Verhandelingen''2) het licht zag. N. C. de F r e m e r y en P. v a n W e r k h o v e n vertaalden het Traité élémentaire van Lavoisier3). Op deze wijze trachtten onze landgenooten in het gemis van een eigen orgaan te voorzien. Dat hunne tijdschriften, wat omvang en inhoud betreft, niet met die van Frankrijk, Engeland en Duitsch-land kunnen vergeleken worden, is zeer begrijpelijk. De Nederlandsche taal, waarin zij geschreven zijn, was een beletsel voor de buitenlanders om er hunne stukken in te plaatsen; het beperkte debiet maakte de uitgave zeer kostbaar. Toch pleit hot niet weinig voor de belangrijkheid van den inhoud der stukken, dat zij, met nog tal van andere, in de buitenlandsche tijdschriften werden opgenomen 4).

1

) Onder redactie van J. R. Weiman, A. i'aets van Troost-w ij k, 1'. N i e n \v 1 a n d en N. B o n d t, bij L a u r e n t v a n H u 1 s t. o cahiers. 1792—l?!»!. Hierin komen voor; Mcmoire sur la nature des sulf'ures alkalins ou l'oies de soufre. Mumoire sur la nature de l'oxide gazeux rt'azote, nonnnr par l'riestley: O a •/. nitreux déphlogistiqué. Experiences sur rinflnmination du mélange de soufre et de métaux saus la presence de roxygèue. Dit laatste stuk met medewerking van A. L a u w e r e n b u r g.

2

) Amsterdam bij W. H o 1 t r o p 1799.

3

) Grondbeginselen der Scheikunde door Lavoisier, uit het Fransch vertaald, met aanmerkingen en bijvoegselen vermeerderd. Utrecht bij v a n P a d d e n b u r g e n Zoon 1SU0.

4

) Crell. Chem. Annalen. S c h e r e r's Jourual. G ren, Journal der Phys. Ann. de Chimie, enz.

ocr page 229

204

Behalve deze punten van overeenkomst en verscliil tus-schen de Eno-elsche en Duitscho scheikundigen eenerzijds en dié van Frankrijk en Nederland anderzijds zijn er no»1 andere, welke vermelding verdienen.

De ontwikkeling van het antiphlogistische steisel eischte niet alleen bekwame proefnemers, maar ook doelmatige en eenvoudige toestellen, waarmede de grondbeginselen van dat stelsel konden worden bewezen.

Het „simplex sigillum veriquot; van Boerhaave bleek ook hier van kracht. In den strijd om een stelsel, geheel berustende op maat en gewicht, kon hij alleen zich van de overwinning verzekerd houden, die aan het talent van proef-nemen tevens de gave paarde om eenvoudige en weinig kostbare toestellen te verzinnen en gereed te maken.

Vasthoudende aan onze meergemelde opvatting, dat ook de phlogistici — zij het dan ook niet rechtstreeks — tot de algemeene erkenning van de antiphl. theorie hebben bijgedragen, wil het ons voorkomen, dat de Engelsche, Fransche en llollandsche scheikundigen, met betrekking tot dit punt, eveneens in menig opzicht met elkander overeenstemmen.

Bij hen vindt men hot talent om door doelmatige proeven een denkbeeld te verduidelijken, bij hen vindt mende voor den proefnemer zoo onmisbare kennis van het materiaal en het vernuft om toestellen uit te denken en op te bouwen, ten einde bepaalde natuurverschijnselen voor oogen te stellen. Door het bezit van deze voor don scheikundige onmisbare eigenschappen onderscheiden de Franschen, Engel-schen en Nederlanders zich in de pneumatische periode zeer zeker van de Duitschers. Dit wil echter niet zesden,

O O 7

dat Duitschland in hot laatst der voorgaande eeuw geen enkel voortreft'elijken scheikundige heeft voortgebracht, evengoed met het experiment vertrouwd als anderen, integendeel, wij hebben allen eerbied voor mannen als;

ocr page 230

•in.quot;»

JVI a r ggraf, Ac h avd, K 1 a p ro t h en Her in bs tad t. Maar hunne verdiensten zijn meer van bijzonderen, dan wel van algemeenen aard. Hun onderzoek bepaalde zich gemeenlijk tot een of ander onderdeel der praktijk. Zelden namen zij deel aan de groote strijdvragen van den dag, welke tot doel hadden de wetenschap als wetenschap vooruit te brengen. In het algemeen, en bijzonder in de proefondervindelijke wetenschappen, staan zij in het laatst der vorige en in liet begin van deze eeuw bij andere landen achter. Terwijl Frankrijk, Engeland en Nederland door streng aan de proefondervindelijke methode vast te houden, door het uitvinden van betere hulpmiddelen, door toepassing van de natuurkunde bij het scheikundig onderzoek de wetenschap vooruit brengen, blijft Duischland voor het meerendeel bij het oude volharden ').

De vasthoudendheid van de Duitsche scheikundigen aan het phlogiston is zoowel een gevolg van hun gebrekkige methode van onderzoek, als van hunne algomeene geestesrichting. Hun betoog berust menigmaal zoowel op slecht uitgevoerde proeven, als op verouderde denkbeelden. Het standpunt van Gr en en'andere toongevers in Duitschland, ten opzichte van de verschillende phlogistontheorieën, van de reductie van het kwikoxyde en andere onderwerpen strekken hiervan tot bewijs. Op het gebied der pneumatische schciknnde hebben zij deze wetenschap eer tegengehouden, dan met nieuwe ontdekkingen verrijkt. In den strijd tusschen Black en Meyer, omtrent de causticiteit der alkaliën, schaart bijna geheel Duitschland zich aan de zijde van den laatste, /ij missen de voor de ontwikkeling

1) Tliiitsnche ist, dusz Deutsclilimd g'egen das Ende dos zweiten Jalii'-xeliemls dieses Jiilirluiuderts in der Pliege der expevimentalen Wissen-sidiat'teii hi titer anderen Landern znriick geblieben war. Hoffmann, rlicm. Krriuueningen ans der Berliner \ ergüngeuheit, 1882. 27.

ocr page 231

■206

eener wetcnscliap, onmisbare gave om uit enkele, proefondervindelijk bewezen gioiulbeginselen eene nieuwe theorie op te bouwen. En als zij dit doen, (Grren's theorie dei-negatieve zwaarte) clan is een van de voornaamste beginselen met een van de eerste natuurwetten in strijd.

Bij de Engelsche, Fransehc en quot;Nederlandsehe scheikundigen valt juist het tegenovergestelde waar te nemen. Behalve dat deze beter wisten te generaliseeren, stond bij hen de kunst van proefnemen op zeer hoogen trap. Black, Priestley, Cavendish, Kirwan, Watt, Lavoisier, Laplace, Monge, Ber tholle t, Guy t on de Mor v eau. Men snier, Fourcroy, van Ma rum, Nahuys, van INEons, Dei man, Pa ets van Troostwijk, en m. a. zijn in hooge mate met liet expei'iment vertrouwd. Tn het uitdenken van nieuwe toestellen vinden zij huns gelijken niet, en bij de vervaardiging er van laat hun vernuft hen nooit in den steek. De meest samengestelde verschijnselen worden steeds proefondervindelijk bewezen en verklaard. In zekeren zin is aan iedere belangrijke ontdekking een toestel van eigen vinding verbonden. Niets ontgaat aan hun blik. Van alle omstandigheden weten zij partij te trekken. In de toepassing van de verschillende hulpmiddelen: de balans, den thermometer, den calorimeter, het brandglas, de electriciteit staan zij bovenaan.

Doch, zoo wij de Fransche scheikundigen, ten opzichte van dit punt, tegelijk met de Engelsche en Nederlandsehe scheikundigen vermelden, dan geschiedt dit nochtans onder voorbehoud, dat do eerste wel boven de Duitschers maar niet boven of naast de Engelschen en onze landgenooten behooren geplaatst te worden. Meestal toch zijn het proeven van Engelschen of Nederlanders — met eigen toestellen verricht, — welke eene belangrijke ontdekking voorbereiden of ten slotte den doorslag geven. In hunne handen berust gemeenlijk het experimentum crucis. Bijna

ocr page 232

207

alle pneumatische toestellen zijn door Engelschen uitgedacht. Black, Priestley, Cavendish en Watt1) zijn de ontwerpers er van.

Van Mar u ni, om niet te spreken van Nahuys en de zoogenaamde „Hullandsche Scheikundigenquot;1), die zoo meni-o-on toestel ontwierpen om hunne proeven toe te lichten, ver-vinff de omslachtio-e en kostbare toestellen, welke Lavoi-

o o

sier bezigde om zijne grondproeven te bewijzen, door meer eenvoudige. En hij deed dit met zoo goeden uitslag, dat zij gewoonlijk nagemaakt of uit Haarlem werden ontboden. Scherer schreef daaromtrent: „Der unermüdete Verfasser liefert hier das Resultat vieljahriger piactischen Unteifcuchungen über die bequemere und zweckmilssigere Eiarichtnng soldier Apparate, welche vorzüchlich zu Versnellen, die Ilauptsatze der nenere Theorie Lavoisier's theils zu bestatigen, theils deutlicher zu entwikkeln, dienen. Bei genauere Prüfung der hier gelieferten Beschreibungen wird man das grosze Talent zu bewundern veranlaszt werden, mit welchen er die gröszte Genauigkeit mit der über-raschendsten Simplicitiit und besonders Bequemlichkeit in die Hehandlung bei den angegebenen Apparaten, zu vereini-gen weissquot;2). In dit opzicht is van Ma rum door geen van zijne tijdgenooten geëvenaard. De meeste van die toestellen zijn beschreven in zijn verhandeling, getiteld: „Description de quelques appareils chimiques nouveaux et perfectionnés de la Fondation Teyleriennequot; 3j.

Vatten wij ten slotte in 't kort samen, wat door de scheikundigen van de meergemelde landen ten opzichte van

') Mcu raadplege de voorgaande hoofdstukken.

Sclierer's Journal I. 693.

') Haarlem. Teyler's 2 e genootschap lï'.tS. So here r's Journal T—-AI. Gren's Journal der Physik. V. § 154—13G. Algeni. kunst- en Letterbode 1791. Nquot;. 182. 301. 1792. N0. 190. 51—58.

ocr page 233

208

de gestelde vraag is verricht, dan meenen wij liet volgende eindoordeel to mogen uitspreken. Duitschland heeft noch theoretisch, noch praktisch rechtstreeks tot do ontwikkeling van Lavoisier's stelsel bijdr.igen. Zijn aandeel strekt zich niet verder uit dan voor zoover het, door het opstellen van verschillende phlogistontheorieën, de voorstanders van de nieuwe leer tot een herhaald en vernieuwd onderzoek aanspoorde om het eenmaal veroverde terrein te behouden. Gedurende den geheelen, door Lavoisier en zijne aanhangers, gevoerden strijd kan het nagenoeg geen enkel scheikundige aanwijzen, die op eenige wijze rechtstreeks aan den opbouw van het nieuwe stelsel heeft medegewerkt. Eerst laat — en dan nog door weinigen —- is de antiphlogistisclie theorie in Duitschland erkend.

De Engelsche scheikundigen, schoon, evenals die van Duitschland eerst op het einde der periode voor de ver-brandingstheoiie van Lavoisier gewonnen, hebben door tal van ontdekkingen, alle even zoovele onmisbare schakels in den keten vormend, daarvan den grondslag helpen Iconen, althans veel tot hare ontwikkeling bijgedragen.

CO ' *'

Hierdoor onderscheiden zij zich te cenenmale van de Duit-sche phlogistici. Daarenboven hebben zij door hunne phlogistontheorieën, scherper gesteld, beter doordacht en door sprekender proeven toegelicht dan die van de Duitschers, hunne tegenstanders gedwongen ze te onderzoeken en op de proef te stellen.

Meermalen hebben zij — schoon onwetend — op hunne ontdekkingstochten het antiphlogistische gebied betreden. Doch, wegens hunne ingenomenheid met het phlogiston, gingen zij de gezichtspunten van het nieuwe landschap ongemerkt voorbij, of wel, zij wisten, bij gebrek aan doorzicht en wijsgeerigen zin, uit de alleenstaande merkwaardigheden geen nieuw geheel samen te stellen.

Frankrijk en Nederland mogen in menig opzicht met

ocr page 234

•201)

elkander worden gelijk gesteld. De scheikundigen van deze landen behooren onder de eersten, die de theorie van Lavoisier hebben verdedigd. En zij deden dit met overtuiging, op eclit wetenschappelijke wijze. Do inductieve methode van onderzoek had bij hen reeds een hoogo.n trap van volkomenheid bereikt. Ieder onderdeel van do nieuwe loer was vooraf langs proefondervindelijken weg vastgesteld.

Met de Engelsche scheikundigen zijn zij in quot;t bezit van die talenten, welke voor den beoefenaar der proefondervindelijke wetenschap onmisbaar zijn. Vernuft en scherpzinnigheid gaan gepaard met practischen zin en geoefendheid in het proefnemen. Daarbij bezitten zij de gave van combineeren eu generaliseeren, die den waarnemer tot wijsgeer stempelt.

Wat is de oorzaak van dit verschil en van die overeenkomst'? Welke omstandigheden hebben daarop invloed uitgeoefend ?

Ter beantwoording dezer vragen zullen wij achtereenvolgens Duitschland, Engeland, Erankrijk en Nederland behandelen.

UUIÏSCIILAND.

De scheikundigen van dit land staan, zooals uit de vorige hoofdstukken genoegzaam blijkt, ten opzichte van de ontwikkeling der scheikunde in de 18c eeuw, uit een zuiver wetenschappelijk oogpunt beschouwd, achter by de overige landen in de prijsvraag aangegeven.

Verschillende omstandigheden zijn hierop van invloed geweest.

Do algemeene toestand van dit land op natuurweten-tenschappelyk gebied m de eerste helft der achttiende eeuw.

ocr page 235

210

en zelfs nog in de periode van Lavoisier, was, ondanks de roemrijke regcering' van Frederik den G r oo ten, ondanks diens persoonlijk aandeel in de opbeuring van kunsten en wetenschappen nit hun staat van verval, niet gunstig voor eene zelfstandige natuurstudie.

o O

De achterlijkheid openbaarde zich echter niet alleen ( [) natuurwetenschappelijk, maar ook op politiek en letterkundig gebied

He oorzaak van dit feit wortelt zoowel iit den alge-nieenen toestand van de 18® eeuw, als in dien van de daaraan voorafgaande periode.

De stilstand, of liever de achteruitgang, op intellectueel gebied begint reeds kort na de reformatie. Op deze voor geheel Europa zoo diep ingrijpende gebeurtenis volgde voor Duitschland eene periode van voortdurenden teruggang, die tot Frederik den Grooten aanhield. „Deutsch-landquot; — zegt Hettner — „das durch seine welterlösende, That so eben noch ganz Europa erschüttert und gelautert batte, versank rasch und unaufhaltsam, und ward nicht bloss in seiner politischen Machtstellung, sondern audi in

i) Onckeu, Alg. Gescli. III. 5. bladz. 856.

Weim aiicli vielfache Streitigkeiteu damals die drei groszen Machte des europaisclieu \\resteiis — Fraiiki-eicli, England, Holland— sclüedcn; sie waren doch wieder durcii eine gewisse Geineinsamkeit des Xultur/nstan-des veibunden. J'rankreicli, Holland und England erscliieneu bereits als die liauptsiiL-lilichsten Trager der Civilisation und ilires rortschrittes. In na-tionaler mul staatliclier Entwickelung, in Ansbildung des Verkehrs und gewerbüchen Lebens, in Eiille des Wolilslande- und der Macht, in gei~ti-ger Bildung und Schöpferkraft waren sie dein gesammten iibrigen Europa weit vorausgeeilt. Fast eiu Jahrhandert hindurcl) sclieiuen die Eortscliritte der Kulturgeschichte von der politischen uad socialen Weiterentwicke-Imig dieser Westuiiiehte, von ihren Gesetzgebern, Staatsmiinuern, Pliilo-so))]ieii und Dichtern, von ihrer Vertassungs- und Verwaltungsweise ab-zuiiangen, nm so eifriger nur kampften sie unter einauder inn den \ orrang! - Diintacli.luud aiuml divsvu cirai hdndeni noch hei wvitchi iio.cft,

ocr page 236

211

seiner geistigen Bildung die Beute und iler IIoliu der F remdenquot;

Voorzeker lieeft het uitsluitend theologisch karakter der reformatie veel daartoe bij gedragen. De hoofdoorzaak van dien noodlottigen achteruitgang ligt evenwel in den ge-heelen maatschappelijkeu en politieken toestand.

De op het verdrag van Pas san gevolgde, algemeene godsdienstvrede, (1555) ten koste van veel strijd verkregen, bracht Duitschland niet de rust, waaraan het zoo groote behoefte had. Het Duitsche volksleven was inwendig te diep geschokt om gemakkelijk den evenwichtstoestand te herwinnen. De toch reeds zoo losse band der Duitsche rijkseenheid was bijna geheel verbroken en had plaats gemaakt voor een niet minder knellenden, dien eener geheele afhankelijkheid van enkele vorsten.

De hervormers, overtuigd, dat het welslagen van hunne zaak tegenover den Keizer alleen van de gunst en de medewerking der vorsten afhing, hadden met miskenning van het volkskarakter, doch in overeenstemming met de godsdienstige begrippen, welke slechts onderworpenheid en gehoorzaamheid eischlen, al hunnen invloed aangewend om de macht dier vorsten te versterken en uit te breiden.

Het opkomend absolutisme der kleine staten, won op deze wijze meer en meer veld. Heel wat jammer en ellende is door dweepzucht en blinden geloofsijver over Duitschland gebracht. Want, toen de protestantsche vorsten, in hun opstand tegen den Keizer, door den nood gedrongen, de hulp van den Koning van Frankrijk inriepen — welke hun onder deze vernederende voorwaarde verleend werd, dat hij als rijksvicaris Metz, Toul, Verdun en Kamerrijk in bezit mocht nemen — toen waren „landesverratherischen Bündnis-

•) Hettner, Gescli. iler ileutsolieii Literatur im achtzelinten Jalirlnin-dert. Rrstes Bucli. bladz. 2,

ocr page 237

212

sen Thor uiul Thüre geötfnet und kei no wichtige deutscho Angelegenheit wurde mehr entschieden ohne die raubsüch-tigc Einmischung auswiirtiger Machtequot; ').

Omler den druk van dozen allertreurigsten toestand bewoog de Duitsche volksgeest zicli bijna uitsluitend op kerkelijk en godsdienstig gebied, en wel met cene heftigheid en hartstochtelijkheid, die weinig van die der eerste tijden der reformatie verschilt, zoo zij ze al niet overtreft.

Met verwaarloozing van alles wat een volk groot en krachtig maakt, den geest op nieuwe banen voert, viel het ten prooi van kleingeestige, theologische haarklooverijen en overdreven orthodoxie. „Zu derselben Zeit, da die Eng-lander, Franzosen und Is'iedoililnder um bürgerliche Freiheit, um Volksthum und Staatsthum kampften, regte sich iin Deutschen Hasz und Begcisterung nur, wo es sieli um Sieg oder Niederlage seiner Kirchenpartei handeltequot; 2).

Onder deze heillooze, godsdienstige twisten werd de wetenschap vernietigd. Terwijl alle andere volken door cene frissche, aanwakkerende koelte der geestesvrijheid werden verkwikt, ging Duitschland meer en meer achteruit. Elke stroom, welke een nieuw leven met zich voerde, werd reeds aan zijnen oorsprong gestuit. „Nirgend crschien der ver-knöcherte Dogmatismus bornirter als bei den Deutsclien Protestantenquot; — schrijft Lange —„unci vor allen Dingen hatten die Ndturwisseiischaften einen sehweren Standquot; 3).

De protestantsche geestelijkheid verzette zich teg( n de invoering van den verbeterden gregoriaanschen kalender, alleen reeds daarom, omdat de verbetering van de katholieke kerk uitging. Naar het oordeel van den Tübingschen

') Hettner, 1. c. blad/,. 4.

2) Karl A. Men/, el, Neuere Deutschen Gesch. Vorrede. IV.

3) Lange, Gesch. des Materialismixs. 1,316.

ocr page 238

Senaat van 24 November löSS kon Christus niet met Belial en den Antichrist samen gaan. Ke ppl e r werd den 25 Sept. 1G12 door het Consistorie van Stuttgart aangeschreven ; „dasz er seino fürwitzige Natur bezahmc nnd sich aller Dinge nach Gottes Wort reguliren und dem ITerrn Cliris-tus sein Testament und Kirch mit seinen unnöthigen Sub-tilitiiten, Skrnpel und Glossen unverwirret lassen sollequot;. ]Melancuton's reactie voor een gezuiverde leer van Aristotcles vcrvoei'do deze epigonen tot eene onvordraag-zaamhoid, die aan de duistere tijden der middeleeuwen duet denken Keppler werd niet gefolterd, maar toch van do eene plaats naar de andere verjaagd. Voor zulke mannen was destijds in Duitschland geen plaats. Kiets is dan ook gemakkelijker verklaarbaar, waarom niemand er aan dacht om onder zulke omstandigheden don begonnen arbeid voort te zetten. Overal heerschte kleingeestige critiek, nergens krachtige, bezielende ontwikkeling.

Aan de moedertaal zelve bleef deze ellende niet gespaard. Naarmate het karakter van de reformatie verloren gingen het nationaliteitsgevoel verzwakte, kreeg liet latijn weelde overhand. Op de school werd die taal verplichtend gesteld, en de jeugd reeds vroegtijdig in het latjjn spreken geoefend. Met deze verloochening van de moedertaal ging tegelijkertijd die levenswekkende kracht verloren, die op elk gebied de zelfstandigheid van een volk waarborgt.

Toen andere nieuwe talen reeds tot volle ontwikkeling-waren gekomen, had het Duitsch, wel is waar in woorden en wendingen van het dagelijksch leven, maar geenszins als voertui0- der gedachten, in betrekking tut de afgetrukken begrippen van wijsbegeerte en zedeleer, zijne vuile rijpheid bereikt-).

'j L n n g e. 'ie-ch. des Miiteralisuius. !. 310. ol7. 11 e i t u e r, I.e. 9. -) Leibuitz' Deutsche Si'liriften vou (j uhmuer. 1. 110.

ocr page 239

214

Angst wek ken fl was de toekomst, die Duitschland onder zulke o nis tand iü'lieden tegemoet snelde, toen in 1618 de dertigjarige oorlog uitbrak. Deze, uit godsdienstige onver-draagzaandieid geboren, en aanvankelijk tot Duitschland beperkt, ontwikkelde zich langzamerhand tot een strijd om den voorrang tusschen de Oostenrijksche dynastie en enkele Duitsche vorsten. Geheel Europa werd ten slotte in dien strijd gewikkeld. Aan de eene zijde streden Spanjaarden, Italianen en Kroaten, aan de andere, Denen, Zweden en Fransclien, aan beide zijden Duitschors. Duitschland, door vreemd krijgsvolk overstroomd, zag zich ten slotte overgegeven aan de tuchteloosheid der krijgsbenden, wier eenige drijfveer was, ten koste van anderen te leven.

Jammerlijk is de toestand als in I Ws de vrede wordt gesloten, liet land is ontvolkt en verwoest. De luister der vrije en machtige steden, eens de middelpunten van handel en verkeer, is verdwenen. Zeden en gewoonten zijn door het woeste soldatenleven, door den dikwijls wanhopisren strijd om het dagelijksche brood, door bandeloosheid verwilderd en verbasterd. De Duitsche eenheid - reeds bij het verdrag van Passau op losse schroeven staande — is thans, geheel verbrokkeld, ineengestort. Duitschland hield op in werkelijkheid Dnitschland te zijn: niets dan de naam was overgebleven. De meer dan driehonderd, op eigen hand regeeronde vorsten, wier lijfspreuk was: „Tch bin Kaiser in meinem Lande,quot;''J leefden als woekerplanten ten koste van het geheel. En deze keizertjes hebben Duitschland aan den afgrond gebracht. Het verlokkende voorbeeld van Lodewijk XIV, „Le roi soleil'', vond algemeen navolging. Maar, maakte het absolutisme van dezen vorst het volk — zij het dan ook eenzijdig — groot en krachtig, in Duitschland geschiedde juist het tegendeel. Uier ontbrak

') H 11 ii e r, 1. c, 18.

ocr page 240

to eenenmale die erlole on bezielende drijfveer, welke een volk tot groote daden aanspoort. Aan dc ceiie zijde vond men despotisme en adeltrots, aan de andere oogendienerij en burgelijke bekrompeiiluMil. Men gruwt er van, schrijft 11 ottne r, als men de geschiedenis van de toenmalige vorsten ontrolt. Maar men gruwt niet minder van de lag? kruiperij van het volk, als men leest, dat een beschaafd en ontwikkeld man, de componist M a t th eso n, aan den landgraaf Ernst laid wig van Hessen een compositie opdraagt met de woorden: „ Wenn Gott nicht Cott ware, wer xollte billujer Gott sein ah Ew. llochfiirslliche Durch-laucJit ?quot;

Met do dwingelandij der vorsten, die hot volk ontzenuwt, gaat die van den godsdienst liani aan hand. De bloedige, dertigjarige strijd heeft onk in dit opzicht do gemoederen niet in 't minst verzacht, of tot vrede geneigd. Te vergeefs prediken enkelen verdraagzaamheid en verzoening. Lutherschen en gereformeerden staan nog even vijandig tegenover elkaar als voorheen. Het is niet genoog, dat men elkaar verkettert, men betwist elkaar zelfs don naam van Christen.

Mei de wijsbegeerte is het allertreurigst gestold. Terwijl Frankrijk, Engeland en Holland scherpzinnige denkers voortbrachten, z. a. Montaigne, Hay le, Descartes, B a c o, H o b b e s, L o ck e en S p i no z a, woekerde in Duitsch-land eeno pedante scholastiek. Leibnitz is de eerste wijsgeer van boteekonis.

Op het gebied der natuurwetenschappen is het niet boter dan op dat der wijsbegeerte. In den tijd, toen elders Galilei, Newton. Boyle, Pascal en Huygens uitblonken, vindt men in Duitschland geen enkele natuuronderzoeker, die met de evengenoemden te vergelijken is.

') Jl e 11 n c r, 1. c. 30.

ocr page 241

210

De ruwheid, de genotzucht, de zucht naar ijdel vertoon der vorsten, c'e onderdanigheid, willeloosheid en bekrompen godsdienstige opvatting van het volk, waren alle zoovele oorzaken, die een zelfstandig wijsgeerig denken in den weg stonden. Leerstellige godsdienst was voor de meesteu het middelpunt van al hun doen en laten. Van de vrije en zelfstandige beoefening der wetenschappen, het ideaal der humanisten, was slechts de naam overgebleven. Aan de universiteiten bezette een steeds ruwer geslacht leerstoel en banken. J)e hoogleeraren maakten zich aan allerlei bandeloosheden, zelfs aan misdaden schuldig. Onder de studenten heerschte nog altijd de tuchteloosheid, het brutale geweld van liet soldatenleven. Diefstal werd als een „Hotter Streichquot; beschouwd Doch, in weerwil van deze loodzwaar drukkende atmospheer, welke allen dreigde te verstikken, was de kiem, die het nieuwe leven herbergt, niet gedood. Zij sluimerde slechts, zij wachtte slechts op eene gunstige gelegenheid om zich te ontwikkelen. De tijd was niet meer veraf, dat betere en zachtere dagen zouden aanbreken. Blijde, hoopvolle voorteckenen vertoonden zich aan den horizon van de 1 b'- eeuw en voorspelden eene betere toekomst. De geest van reactie, die zich reeds lang in Engeland deed gelden, de gisting, welke in Frankrijk voortdurend in hevigheid toenam, bleef op Duitschland niet geheel zonder invloed.

Op politiek gebied wekte liet voorbeeld van Pruisen, allengs onder de regeering van den grooteu Keurvorst tot een krachtigeu staat ontwikkeld, onder zijn zoon tot een koninkrijk verheven, andere staten tot navolging, l'ufen-dor t en Thomasi us hadden zich aangegord om betere en ruimere begrippen omtrent natuur- en volkenrecht te verspreiden. De wijsbegeerte van Descartes won lang-

') II e 11 ii e r, 1. c. 2.ï.

ocr page 242

zanicrhand on ondanks allou tegenstand veld. Bayle en do tijdschriften van LeClerc en Basnage werden vooral door den adel gelezen. De wijsbegeerte van Bacon, Hob-bes, Herbert van Cherbury en Blount is — zooals uit zijne geschriften blijkt — bij Leibnitz blijven nawerken. Spinoza vond zooveel waardeering, dat hem zelfs een professoraat te Heidelberg werd aangeboden, dat hij echter niet aannam. Locke en zijne school vonden in Duitschland een gunstig onthaal. Hunne werken werden niet alleen in het oorspronkelijke, maar ook door ver-talingen en uittreksels in tijdschriften meer bekend.

In deze periode ontvouwde 8 t a li 1 zijne phlogistontheo-rie. Dan, nog altijd naderde de menigte deze groote denkers slechts schoorvoetend. Nog altijd was de tegenweer geducht. Met hartstochtelijken ijver was men bezig om het slechts spaarzaam hier en daar opschietend zaad als onkruid uit te roeien of onschadelijk te maken. De evengemelde uitnoodiging aan Spinoza (11)73) ging, ondanks de verzekering van de grootst mogelijke vrijheid, vergezeld van den wensch, dat hij haar niet tot ondermijning van het godsdienstig geloof zou misbruiken. Het bezit van het boekje van den meest invloedrijken spinozist, F reder ik AVil-helm Stosch, getiteld; Concordia rationis et fidei, sive Harmonia philosophiae moralis et religionis Christianae (Amstelodami 1692) werd by lijfstraf of op boete van 500 Th. verboden. Leibnitz werd, in weerwil van zijne populariteit, door het volk te Hannover de „Löweaix' genoemd. Bij zijne begrafenis (lTi6) volgde geen geestelijke de lijkbaar. Dat Locke eene minder heftige, meer welwillende beoordeeling te beurt viel, is misschien toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij op wijsgeerig en godsdienstig gebied den Duitschen geest meer nabij kwam dan Descartes en Spinoza. Hij brak niet met den bestaandcn godsdienst. Hij ontwikkelde slechts ia duidelijke.

ocr page 243

2 lis

wetenschappelijke termen, wat reeds iu veler gemoed opgesloten lag-.

In deze periode trad Leibnitz op. (Iroot is de invloed, dien deze wijsgeer op den Duitschen geest heeft uitgeoefend. „Alle nachfolgeuden Bestrebungen der deutsclieu Aufklarungskampfe sind fast insgesammt von Leibnitz hervorgerufen oder doch durcli ihn bedingtquot; Toch heeft hjj, met uitzondering van de wiskunde, op natuurwetenschappelijk gebied geen blij venden invloed uitgeoefend. Gedeeltelijk is dit toe te schrijven aan de tijdsomstandigheden, gedeeltelijk aan zijn karakter en inteliectueele ontwikkeling. Zijn dichterlijke en idealistische natuur voerde hem telkens iu eene richting, die inet de inductieve niet vereenigbaar is. /iju rustelooze geest, aanhoudend op nieuwe veroveringen gericht, gunde hem geen tijd om een pas ontdekt gebied behoorlijk tc verkennen en tot eene blijvende woonplaats geschikt te maken. Met de hem eigen onstuimigheid streefde hij meestal zichzell voorbij en meende hij de \nicht reeds te kunnen plukken, voordat zij gerijpt is, zelfs nog voordat zij zicii gezet heeft. Iu zijn zucht om toch maar spoedig tot het doel te geraken, zocht hij de gunst der vorsten te verwerven, zonder daarbij te overwegen, dat alleen datgene blijvend, duurzaam is, wat zicli uit eigen kracht, langs den natuurlijken weg een plaats verovert. In zijne wijsbegeerte sloot hij zich bij Bacon en Descartes aan, maar gewijzigd naar den stand van de toenmalige wetenschap en in overeenstemming met zijne godsdienstige overtuiging. Als idealist stond hij lijnrecht tegenover Locke. Meermalen vergelijkt hij zich in die opzicht met Plato. Evenals deze is hij voorstander van do leer, dat alle menschelijke kennis haren oorsprong vindt in aangeboren begrippen, alsmede dat de geheele wereld met

'j JieUiioi'j (jtick, der Lil. 1, c. 117,

ocr page 244

219

oen vast doel is ingericht. Zijne kracht, maar ook zijne zwakheid ligt in het streven oin de wetenschap met de toenmalige godsdienstige opvatting in overeenstemming te brengen. Hieraan heeft Leibnitz zijne groote popnlari-teit en zijnen invloed te danken. Zijn idealisme paste zoo volmaakt in den Duitschen geest, dat het nog lang daarna, zelfs tot bij Schelling ui 11 egel is blijven nawerken. Maar dit is ook tevens een der oorzaken, waarom hij noch in Engeland, noch in Frankrijk, noch in Nederland ooit veel aanhang heeft gevonden en waarom Duitschland op het gebied der inductieve wetenschappen bij de evengemelde landen tot in het begin van deze eeuw is ten achter gebleven. ,, Aber man kann alle Segnungen der neueren deatschen Philosophic anerkennen und doch von Grund des Herzen bedauern, dasz Leibnitz den langsamen, aber sichern Weg des auf die sinnliche Erfah-rung gestützten Denkens, d. h. den Weg der Induction und, um einen von Göthe bei anderer Gelegenheit gebrauchten Ausdruck anzuwenden, den (rlauben au die fünf Sinne verliesz. Alles Unheil was namentlich in der Naturwissen-schaft aus der Annahme der bewuszten ZweckbegriflFe, d. h. aus der Frage nach dem warum, statt nach dem wie, entstanden ist, ist lediglich auf Lei b nitz zurückzuführen'' Doch, zoo Leibnitz er niet in geslaagd is, zich eene blijvende plaats in de natuurwetenschappen te verzekeren, dan wil dit niet zeggen, dat hem de groote beteekenis daarvan niet helder voor den geest stond, integendeel, quot;'een zijner voorgangers is daarvan zoo diep doordrongen als hij. Dit blijkt vooral uit de op wetenschappelijk gebied zoo belangrijke gebeurtenis van de door hem opgerichte „Sociëteit van Wetenschappenquot;, die hij naar het voorbeeld van die te Parijs en Londen in het leven riep, en wier werk-

1) llettnei-, 1. c. 12'.).

ocr page 245

220

kring, naar hij zich voorstelde, zich tot alle takken van wetenschap behoorde uit te strekken '). Waren rie tijdsomstandigheden gunstig, was de Intellectueele bodem genoegzaam voorbereid geweest om het uitgestrooide zaad to doen kiemen en wortel ie doen schieten, men kan er zeker van zijn, dat de heilzame gevolgen van eene vereeniging van de beste intellectueele krachten niet zou zijn uitgebleven. Maar noch het een, noch het ander was het geval. De Societeit, in 1700 onder zijn voorzitterschap opgericht, is ver beneden de verwachtingen gebleven. De eerste 10 jaren gingen met allerlei voorbereidende maatregelen verloren en toen eindelijk in 1710 de installatie der leden plaats had, geschiedde deze plechtigheid zonder dat Leibnitz daarbij tegenwoordig was, zonder dat hij daartoe zelfs eene uitnoodiging had ontvangen 3). Doch ook na dat tijdstip is de Societeit voor de wetenschap weinig vruchtbaar geweest. Blijkbaar heeft zij niet aan het doel beantwoord, dat Leibnitz zich daarvan had voorgesteld. Al spoedig toch ontstond naast het bestaande een nieuw gezelschap, dat zich eveneens de beoefening der wetenschap in haar vollen omvang tot taak stelde en tevens de boste krachten van het bestaande onder hare leden tolde. Dit gezelschap mocht zich in den bijzonderon steun van F reder ik den Grooten verheugen3). Op do eigonlijko Societeit werd nauwelijks acht moor geslagen. Doch, daar

') E. Eösler, Sitzuugberichten dor Wiener Acail. 185(1. ]V1. Lt. 367. Hettner, 1. c. 114.

quot;^) Hot ma uu, Chemisclie Erinueruiigen aus der Berliner Yergiingen-lieit. 1882. 511.

O Hiertoe behoorden S c li m e t tan, Po de wils, Bo reke, G ol t/, S ti 11 e, Sweerts, Bielefeld, Jordan, Pott, Murggraf, Lieberkiilni, l'.uler, .larriges, Formey. Aanvankelijk vereenigden zij zich bij Schniettan ot Borcke, later op het paleis, waar de Koning eene zaal ter linimer beschikking stelde, llanke, Prenszischer Geschichte. ikl. V. 37(1,

ocr page 246

deze over de fondsen en eigendommen beschikte, wist Schmettau den Koning over te halen de beide gezelschappen ineen te smelten en tot een Academie van Wetenschappen te hervormen (1743). De commissie, daartoe benoemd, arbeidde met zooveel spoed, dat deze Academie reeds den 23 Jan. 1744 onder den titel van „Académie des Sciences et des Belles Lettres de Prussequot; werd geopend. Met deze instelling is het keerpunt bereikt. Sedert dat cogenblik trachtte Duitschland zich in Europa een plaats op wetenschappelijk gebied te veroveren. Doch niet terstond werd dit dool bereikt. Er verliep nog bijna een eenw voordat het met de overige Staten op dit terrein op gelijke lijn kon worden geplaatst. De naweeën van vroeger deden zich nog lang gevoelen. Wel was Duitschland uitgeziekt, herstellende, doch de krachten keerden eerst langzaam teniquot;'. Vooral in dit stadium trad F red er ik de Groote handelend op. Eenig in hun soort zijn de geneesmiddelen, die werden toegediend om Duitschland uit zijn intellectueel verval op te heffen. Eenerzijds wist hij, met achterstelling van zijne moedertaal en van alles wat op letterkundig gebied werd voortgebracht, den Duitschen geest tot verzet te prikkelen; anderzijds trachtte hij, door zich met vreemden te omringen of aan ziju persoon te verbinden, het Duitsche volk door hun voorbeeld, door hunne ontwikkeling, door hunne wijsbegeerte op andere, dan de tot nu toe gevolgde banen te voeren. Fransche geleerden, eensdeels door opheffing van het Edict van Xantes naar Ber-lijn uitgeweken, anderdeels door den Koning aan zijn hof geroepen, spelen in dit verjongingsproces een hoofdrol. Kenmerkend in dit opzicht is het feit, dat men zich ge-ruimen tijd aan het hof van P reder ik kon ophouden zonder een Duitsch wooid te hooren'). Ifet Fransch was

^ Knuke, i. c. 280.

ocr page 247

de taal der beschaafden en ontwikkelden en wel dermate, dat Voltai re, kort 1111 zijne komst aan het hof te Berlyn, schreef; „Ik ben hier in Frankrijk. Men spreekt hier onze taal. Het Duitsch is voor paarden en soldaten. Men heeft het slechts op reis noodigquot; 1). Niet minder kenschetsend is ook het feit, dat een Dnitsche Academie van Wetenschappen een Franschen titel droeg, dat bare gedenkschriften in die taal zijn gesteld en dat Mau per tuis, de bekende Fransche geleerde, inet terzijdestelling van de curatoren, aan wie aanvankelijk bet beheer en de voordracht-van nieuwe leden was opgedragen, tot voorzitter voor het leven werd benoemd met onbeperkte volmacht om alle aangelegenheden te regelen, en dat de Duitschers zich zonder tegenspraak aan diens leiding onderwierpen 3). Doch treffender nog dan dit alles ter kenschetsing van den toen-maligen toestand is, hetgeen F red er ik aan M irabeau (ITSti), op diens vraag: „pourquoi le César des Germains n'en a-t-il pas été l'Auguste? Pourquoi Frédéric le Grand nquot;a-t-il pas daigné s'associer a la gloire de la revolution littéraire, opéree de son temps, la hater, la féconder au feu de sou génie et de sa puissancequot;? antwoordde: „ququot;aurais-je pu faire en faveur des gens de lettres allemands, qui leur valut mieux le bien que je leur ai fait en ne m'occupant pas d eux, en ne lisant pas leurs livresquot; ?3).

Voorzeker heeft het wetenscbappelijk verkeer met de Fransche wijsgeeren, die zich onder Frederi k's regeering te Berlijn verzamelden, en de kennismaking met hunne

') Oncken, Dus Zeitalter Friedrichs des Groszeu. I. 505.

llanke, 1. c. 379. Na Maupertuis is d'Alembert verscheidene malen, doch vruchteloos, met hetzelfde doel nitgenoodigd. Hettner, Gesch. der französischen Literatur. ;! IS.

■') J)e Mirabeau, Monarchie prussienne. 1. 206/7. Oncken, Das Zeitalter Friedrichs des Groszen. II. 849.

ocr page 248

geestesproducten veel tot de ontwikkeling van de wetenschap in Duitschland bijgedragen Ongetwijfeld werd met do oprichting van de Academie van Wetenschappen een stap in de goede richting gedaan. De steun, uitgaande van cone goed geordende vereeniging van geleerden, wier streven het is de wetenschap vrij van alle plaatselijke en persoonlijke invloeden, alleen om haarzelf' to beoefenen — te allen tijde niet gering te achten — was vooral in die dagen van veel belang. Dit blijkt o. a. uit de omstandigheid, dat. in Frankrijk en Engeland alle belangrijke ontdekkingen met betrekking tot de theorie van Lavoisier of tot die van Sta hl in de Académie des Sciences of in de Royal Society werden voorgelezen en besproken, dat in ons land verschillende wetenschappelijke genootschappen werden opgericht 1j en de scheikundigen zich tot een gezelschap van „Hollandsche Scheikundigenquot; vereenigden onder wier naam zoo menig belangrijk stuk is verschenen. Dat ook de oprichting van de Berlijnsche Academie van quot;Wetenschappen een belangrijk feit was in de geschiedenis der wetenschappen van Duitschland is later ondubbelzinnig gebleken.

Doch, evenmin als uit het fundament onmiddellijk het gebouw omhoog rijst, of een jonge plant onmiddellijk in haar vollen wasdom prijkt, evenmin mag men verwachten,

1

Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, 17Ö2; Provinciaal Ütrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, 1773; Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg, 17C5; Teyler's Genootschap te Haarlem, 1778; Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, 1769; Genootschap «Concordia et Libertatequot; te Amsterdam.

ocr page 249

•224

flat de jeugdige stichting reeds terstond haar volle kracht zou ontwikkelen. Er verliep dan ook nog geruime tijd eer liet Duitsehe intellect zich geheel van die oude en knellende banden van voogdijschap en autoriteitsgeloof had losgemaakt, waarin het zoolang gezucht had. De wonden, in vroeger tijd geslagen, waren ter nauwernood hersteld. De bloedige oorlogen, de theologische geest en de daarmede gepaard gaande voogdij van kerk en regeering, hadden de beste krachten van eene vrije en zelfstandige beoefening der wetenschap vervreemd. De inductieve, de analytische methode van onderzoek was in de periode, aan La vo isier voorafgaande, in Duitschland nagenoeg nog geheel onbekend; de deductieve, de synthetische daarentegen, meer in overeenstemming met den toenmaiigen toestand, heerschle nagenoeg nog onbeperkt. Hieraan is het dan ook goeddeels toe te schrijven, dat, toen in de 18e eeuw verschillende invloeden eene groote intellectueele beweging in het leven riepen, deze beweging voor Duitschland wel nieuw was in de o-evoben, maar niet nieuw in de methode van onder-

o (J 7

zoek. Er werd een nieuwe gezichtskring geopend, men hield op met theologiseeren en bespiegelen, men maakte zich los van de voogdij, doch de geest had te lang in het gareel geloopen om reeds terstond van de vrijheid te kunnen genieten. Slechts uiterst langzaam schreed Duitschland voorwaarts. Vergeleken bij Engeland, Frankrijk en Holland verkeerde het intellectueel nog in de kindsheid. „Wissenschaftlich ist das achtzehnte Jahrhundert das Zcit-alter der deutschen Aufklarungquot; — zegt Hettner — „die Befreiung vom Buchsstaben, oder um mit Kant zu reden, der Ausgang des Menschen aus seiner selbstver-schuldeten Unmündigkeitquot; 1). Hierin ligt naar onze mee-nino- de oorzaak van het verschil tusschen de Duitsehe

o

^ Hettner, Gescli. der deutschen Literatur, l('s Bucli. 2,

ocr page 250

scheikundigen en die van (ie overige landen van West-Europa vóór en tijdens La voisier. De theorie van Stahl, hoe verdienstelijk op zichzelf, hoe belangrijk ook voor de ontwikkeling der scheikunde als zelfstandige wetenschap, is goeddeels de vrucht der deductieve, die van Lavoisier die der inductieve methode.

Stahl bouwde zijn theorie op een aprioristisch beginsel, op een idee, besloot uit het algemeone tot het bijzondere, daalde van het abstracte tot het concrete af. Lavoisier daarentegen volgde den tegenovergestelden weg. Uit het bijzondere klom hij op tot het algemeene, uit het kleine volgde het groote, uit het concrete, uit het ■waarneembare volgde het abstracte. Lavoisier handelde inductief, analytisch, Stahl deductief, synthetisch. Deze methode heerschte in Duitschland nagenoeg nog onbeperkt gedurende de geheele autiphiogistische periode van hot laatst der voorgaande eeuw. Tegenover de methode van generalisee-ren van Lavoisier, tegenover de wijze waarop deze uit de verschijnselen nieuwe wetten afleidt en deze wetten op de proef stelt, aan andere waarnemingen toetst, staat de deductie en de bekrompen geest van behoud der Duitschers. Deze dreef er hen toe om aan de vooropgestelde beginselen vast te houden en de verschijnselen zoodanig te verwringen, dat zij in hun stelsel van begrippen pasten. Tegenover de scherp belijnde, proefondervindelijk bewezen stellingen van Lavoisier plaatsten zij wijsgeerige beschouwingen, nieuwe hypothesen om hot eenmaal ingenomen standpunt te handhaven. J3ij Gren, Wiegleb, West-r u m b, T r o m m s d o r f, G i r t a n n e r, G ö 111 i n g, H i 1 d e-brandt, Meyer en nog vele anderen treedt dit ten opzichte van de verschillende hoofdpunten van de autiphiogistische theorie telkens aan het licht.

Als Lavoisier zijn stelsel door onverwachte wendingen of verschijnselen bedreigd zag, was hij, met behoud

ocr page 251

22(1

van het aangenomen standpunt, er aanstonds op bedacht om er de oorzaak van op te sporen en rustte hij niet voordat liij haar gevonden had. Zoo bijvoorbeeld ten opzichte van de waterstof-phlogistontheorie. Do Duitschers daarentegen vonden er volstrekt geen bezwaar in een bedreigde stelling te verlaten en eene andere in te nemen, zoodra deze beter aan hun oogmerk voldeed. Zoo o. a. (xren en Wiogleb — om slechts enkelen te noemen --ten opzichte van de verschillende phlogistontheorieën, ten opzichte van de proef van Ba yen, ten opzichte van de samenstelling van water en andere punten. Hun geheele optreden kenmerkte zich nog door dien conservatieven geest van vroeger, door oeno zekere vrees om zich op nieuwe paden te bewogen. Eono afspiegeling daarvan zien wij in hunne ingenomenheid met het phlogiston, die zelfs zoo sterk was, dat Wolff1) daarin een grond tor hunner verontschuldiging vindt. „Es war ein vaterlamlisches Gut, welches sie vortheidigtenquot;' — schrijft hij. — „Die Lehro vom Brennstoff war von einem Deutschen aufgestollt, und dadurch in der Chemie eine Revolution hervorgebracht worden, die in ihren AYirkungon nicht weniger grosz und umfassond war, als die neuore von den Antiphlogistikern angokündigte. Mehrcre von Deutschlands Chemikern hatten die Lehro vom Phlogiston so innig mit ihron Ansichten (Ihomischer Thatsachen verwebt, hatten durch ihre Versucho vermeintlich zur Bestiitigung dersolben beygetragen, verdankten ihr ein Theil iliros Rulims, diese sollton diesen thouor erworbenen Besitz, der für sie so ohrenvoll war, aufgoben, und von dem Range der Lehrer zu dein der Lernonden herabstoigenquot;'2). Dienzelfden conservatieven geest

') 1lt; r i e d r i c li o 11 f. Dr. uiul Prof. am konigl. .Toach. G-ymna sium zu Berlin. 1803.

*) 1' ried rich o 1 f t, Annalen der Gheniiselie Literatur. ISO-j. 15(1. i. Heft 3. bladz. Ill en IV.

ocr page 252

scheikundigen en flie van de overige landen van West-Europa vóór en tijdens Lavoisier. De theorie van S t a h 1, hoe verdienstelijk op zichzelf, hoe belangrijk ook voor de ontwikkeling der scheikunde als zelfstandige wetenschap, is goeddeels de vrucht der deductieve, die van Lavoisier die der inductieve methode.

Stahl bouwde zijn iheorie op een aprioristisch beginsel, op een idee, besloot uit het algemeene tot het bijzondere, daalde van het abstracte tot het concrete af. Lavoisier daarentegen volgde den tegenovergestelden weg. Uit het bijzondere klom hij op tot het algemeene, uit het kleine volgde het groote, uit het concrete, uit het waarneembare volgde het abstracte. Lavoisier handelde inductief, analytisch, Stahl deductief, synthetisch. Deze methode heerschte in Duitschland nagenoeg nog onbeperkt gedurende de geheele antiphlogistische periode van het laatst der voorgaande eeuw. Tegenover de methode van generalisee-ren van Lavoisier, tegenover de wijze waarop deze uit de verschijnselen nieuwe wetten afleidt en deze wetten op de proef stelt, aan andere waarnemingen toetst, staat de deductie en de bekrompen geest van behoud der Duitschers. Deze dreef er hen toe om aan de vooropgestelde beginselen vast te houden en de verschijnselen zoodanig te verwringen, dat zij in hun stelsel van begrippen pasten. Tegenover de scherp belynde, proefondervindelijk bewezen stellingen van Lavoisier plaatsten zij wijsgeerige beschouwingen, nieuwe hypothesen om het eenmaal ingenomen standpunt te handhaven. By Gren, Wieg leb, Wesl-r u m b, T r o m m s d o r f, G i r t a n n e r, G ö 111 i n g, H i 1 d e-brandt, Meyer en nog vele anderen treedt dit ten opzichte van de verschillende hoofdpunten van de antiphlogistische theorie telkens aan het licht.

Als Lavoisier zyn stelsel door onverwachte wendingen of verschijnselen bedreigd zag, was hij, met behoud

ocr page 253

22(1

van liet aangenomen standpunt, er aanstonds op bedacht om er de oorzaak van op te sporen en rustte hij niet voordat hij haar gevonden had. Zoo hijvoorbeeld ten opzichte van de waterstof-phlogistontheorie. De Duitschers daarentegen vonden er volstrekt geen bezwaar in een bedreigde stelling te verlaten en eene andere in te nemen, zoodra deze beter aan hun oogmerk voldeed. Zoo o. a. (jren en Wiegleb — om slechts enkelen te noemen -■ ten opzichte van de verschillende phlogistontheorieën, ten opzichte van de proef van Bay en, ten opzichte van de samenstelling van water en andere punten. Hun geheele optreden kenmerkte zich nog door dien conservatieven geest van vroeger, door eene zekere vrees om zich op nieuwe paden te bewegen. Eene afspiegeling daarvan zien wij in hunne ingenomenheid met het phlogiston, die zelfs zoo sterk was, dnt Wolff1) daarin een grond ter hunner verontschuldiging vindt. „Es war ein vaterlandisehes Gut, welches sie vertheidigtenquot; — schrijft hij. — „Die Lehro vom Brennstoff war von einem Deutschen aufgestellt, nnd dadnrch in der Chemie eine Revolution hervorgebracht worden, die in ihren AVirkungen nicht weniger s^rosz nnd nmfassend war, als die neuere von den Antiphlogistikern angekündigte. Mehrere von Deutschlands Chemikern hatten die Lehre vom Phlogiston so innig mit ihren Ansichten Chemischer Thatsachen verwebt, hatten dnrch ilire Versuche vermeintlicli zur Bestatigung derselben beygetragen, verdankten ihr ein Tiieil ilires Ruhms, diese sollten dieseu theuer erworbenen Besitz, der für sie so ehrenvoll war, anfgeben, und von dem Range der Lehrer zu dein der Lernenden herabsteigenquot;'2). Dienzelfden conservatieven geest

') F r i e cl r i c li A\ o 111, Dr. uud Prof. am Koin'gl. .loacli. Gyiiiua simti zu Berlin. 1803.

■-quot;) 1' r i e (I rich quot;Wolff, Annalen der Chemisclie Literalnr. 180:3. J?(l. i. Heft 3. bladz. Ill en IV.

ocr page 254

22.')

scheikundigen en die van de overige landen van West-Europa vóór en tijdens Lavoisier. De theorie van Stahl, hoe verdienstelijk op zichzelf, hoe belangrijk ook voor de ontwikkeling der scheikunde als zelfstandige wetenschap, is goeddeels de vrucht der deductieve, die van Lavoisier die der inductieve methode.

Stahl bouwde zijn theorie op een aprioristisch beginsel, op een idee, besloot uit het algemeene tot het bijzondere, daalde van het abstracte tot het concrete af. Lavoisier daarentegen volgde den tegenovergestelden weg. Uit het bijzondere klom hij op tot het algemeene, uit het kleine volgde het groote, uit het concrete, uit het waarneembare volgde het abstracte. Lavoisier handelde inductief, analytisch, Stall 1 deductief, synthetisch. Deze methode heerschte in Duitschland nagenoeg nog onbeperkt gedurende de geheelc antiphlogistische periode van het laatst der voorgaande eeuw. Tegenover de methode van generalisee-ren van Lavoisier, tegenover de wijze waarop deze uit de verschijnselen nieuwe wetten afleidt en deze wetten op de proef stelt, aan andere waarnemingen toetst, staat de deductie en de bekrompen geest van behoud der Duitschers. Deze dreef er hen toe om aan de vooropgestelde beginselen vast te houden en de verschijnselen zoodanig te verwringen, dat zij in hun stelsel van begrippen pasten. Tegenover de scherp belijnde, proefondervindelijk bewezen stellingen van Lavoisier plaatsten zij wijsgeerige beschouwingen, nieuwe hypothesen om het eenmaal ingenomen standpunt te handhaven. JJy Gren, Wiegleb, Wesl-r u m b, T r o m m s d o r f, G i r t a n n e r, G ö 111 i n g, H i 1 d e-brandt, Meyer en nog vele anderen treedt dit ten opzichte van de verschillende hoofdpunten ,tl'n de antiphlogistische theorie telkens aan het licht.

Als Lavoisier zijn stelsel door onverwachte wendingen of verschijnselen bedreigd zag, was hij, met behoud

ocr page 255

22(i

van liet aangenomen standpunt, er aanstonds op bedacht om er de oorzaak van op te sporen en rustte hij niet voordat hij haai' gevonden had. Zoo bijvoorbeeld ten opzichte van de waterstof-phlogiston theorie. De Dnitschers daarentegen vonden er volstrekt geen bezwaar in een bedreigde stelling te verlaten en eene andere in te nemen, zoodra deze beter aan hun oogmerk voldeed. Zoo o. a. Gr en en Wiegleb — om slechts enkelen te noemen --ten opzichte van de verschillende pblogistontheorieën, ten opzichte van de proef van Bay en, ten opzichte van de samenstelling van water en andere punten. Hun geheele optreden kenmerkte zich nog door dien conservatieven geest van vroeger, door eene zekere vrees om zich op nieuwe paden te bewegen. Eene afspiegeling daarvan zien wij in hnnr.e ingenomenheid met het phlogiston, die zelfs zoo sterk was, dat Wolff1) daarin oen grond ter hunner verontschuldiging vindt. „Es war ein vaterlandisches (int, welches sic vertheidigtenquot; —- schrijft hij. — „Die Lehre vom Brennstoff war von einem Deutschen aufgestellt, und dadurch in der Chemie eine Revolution hervorgebracht worden, die in ihren quot;Wirkungen nicht weniger grosz und umfassend war, als die neuere von den Antiphlogistikern angekündigte. Mehrere von Deutschlands Chemikern batten die Lehre vom Phlogiston so innig mit ihren Ansichten Chemischer Thatsachen verwebt. batten durch ihre Versuche vermeintlicli zur Bestatigung derselben beygetragen, verdankten ihr ein Theil ihres Ruhms, diese sollten diesen theuer erworbenen Besitz, der für sie so ehrenvoll war, aufgeben, und von dein Range der Lehrer zu dein der Lernenden herabsteigen '2). Dienzelfden conservatieven geest

') F ried rich Vi oli't', Dr. und Prof. am Konigl. .loacli. Gymiici siimi zu Berlin. 180:3.

-') 1'r i e rl ric li o 1 (t', Annalen der Clipniischc Literatur. 1S0;3. ,15(1. ]. Heft 3. hl adz. Ill en IV.

ocr page 256

227

moeneu wij ook te ontdekken ia de iniskeuuiug, welke aan die weinigen te beurt viel, die het waagden de antiphio-gistische leer bij hunne landgenooten in te voeren, alsmede in de omstandigheid, dat de Duitsche scheikundioen inliet

O ' ~

algemeen zich zoo weinig moeite gaven om de theorie van Lavoisier te bestudeeren'). Ook is de oude zucht tot theologiseeren en bespiegelen nog geenszins uitgedoofd. Dit blijkt uit menig geschrift in die periode verschenen, alsmede uit de voorliefde, waarmede de alchemie nog door velen, waaronder overigens zeer begaafde en hoog ontwikkelde mannen, beoefend werd. Wij wijzen hier op Besek e's Entwurf eines Systems der transzendentellen Chemie 1787 -) en op een „Schutzschrift für die Lehre .lesu und die Ge-wislieit der Auferstehung von den Todten, wio auch dasz Christus seinen Jüngern beym Abendrnahl den Stein der Weisen zu essen und zu trinken gegeben, den Potentaten, und üeistlichen aller Christlichen Gemeinen zur Einsicht vorgelegtquot; (1792) :i).

In het eerste geschrift, dat ons in menig opzicht aan de Luc's theorieën herinnert, worden alle lichamen voorgesteld uit twee elementaire zelfstandigheden te zijn samen-

') Zie blad/,. 11)3 en 194 hiervoor. Black schreef liet toe aan gewoonte, die den geest van de meeste menschen beheerscht en hen de grootste ongerijmdheden voor waar doet honden. 11 e r m bs t ii d t liiblio-Ihek der nenesten ])hysisch-cliemischen Literatur. IV. 201.

-) Leipzig in der Miillerschen Handlung 1787. 11 e r m b s t ii d t leverde liiero]) eene scherpe, veroordeelende critiek. Herin bstüdt Bildiothek. LI. bladz. 131.

'■') 1. C. Leipzig u. Frankfurt 17''2. Naar het oordeel van den cn. bekenden schrijver zou de mensch het laatst van alle schepselen geschapen zijn, opdat iiij de vermogens van de drie natuurrijken in zicli zou kunnen vereenigen en dus niet uit zuurstof, maar uit Min-adamach, uit eene ruwe goud- en zilveraarde of uit zwavel, zout cn kwik zou zijn samengesteld, en meer dergelijke onzin. 1'. J. Kasteleyn, Chemische en Physische Oefeningen. II. 2!)1.

ocr page 257

o-esteld, n.1.: de elementaire vuur- eu de elementaire plilo-giston-zelfstandigheid. Het laatste is een mystisch-chemisch product, dat eigenlijk in de alchemistische periode te huis behoort, waarin theologie en chemie op eene allerzonderlingste wijze door elkaar worden gehaspeld, en dat onze landgenoot Kasteleyu onder den titel van vScheilcundilt;je razernijquot; aan de kaak stelde.

En wat de alchemie betreft, deze is in de 18e eeuw in Duitschland nog zeer in aanzien. Böttger en Caetano speelden aan de hoven van Frederi k 1, Frederik quot;Willem I en August II nog een grooten rol. Hertog-Er nst August van Saksen, (1703—174S) Hertog Karei van Brunswijk-Wolfenbüttel (stichter van het (quot;ollegium Carolinum) en de Keurvorst Johan Phi 1 i p van Trier (1761) waren allen nog ijverige alchemisten. Leibnitz, wiens wijsbegeerte zich tegen de alchemie verzette, kon desondanks haar niet verloochenen De bekende geleerden Sommering en Fors ter waren als leden van den rozenkruisersbond te Kassei (1780) zoodanig in de strikken van de alchemie verward, dat men de hulp van onzen landgenoot, Petrus Camper, wilde inroepen om Sommering' daaruit te verlossen. Gröthe las met Frau-lein von Klettenberg (1768 —1770) hermetische geschriften van Basilius Valentin us en Paracelsus, alsmede Wel ling's Opus mago-cabbalisticum et theoso-phicum en de Aurea catena Homeri. Deze mystieke geest is nog duidelijk in zijn „Faustquot; merkbaar. Het is zelfs aan redelijken twijfel onderhevig of Fred er ik de Groot e, — in weerwil van zijne verklaring, dat hij haar voor eene ziekte hield — zich niet met alchemie onledig hield3). Dit vertrouwen in de hermetische kunst, deze mystieke

') gt; c h in icd c r, Gescliiclite dor Aichejnie, l lö.

-) llernumu kopp, l)ic' Alchemie. J. loS—112. 11. 13, 8(1, S7.

ocr page 258

geest, dit geloof aan de mêtaalveredcling, deze voorliefde tot theologiseeren en bespiegelen zijn een gevolg van Duit-sclie toestanden. Al deze uitingen van den geest zijn een bewijs te meer voor ons oordeel, dat do Duitschers in de 2e helft der 18e eeuw in het algemeen niet genoegzaam waren voorbereid, niet hoog genoeg waren ontwikkeld om zich met zuiver wetenschappelijke vraagstukken bozig te houden. Zij bevestigen tevens, wat wij als de waarschijnlijke oorzaken van Duitschlands vasthoudendheid aan liet phlogiston en van zijn langdurig verzet tegen de antiphlo-gistische theorie hebben aangevoerd. Tegelijkertijd kunnen zij tot nadere opheldering dienen van dit merkwaardige feit, dat Duitschland in het laatst der ISe eeuw, in weerwil van uitnemende scheikundia-en. als: Marö'trraf

0 / O O ï

Hermbstadt, Klaproth en rn. a., aan wie wij opliet gebied der analytische en toegepaste scheikunde veel ver-schuldigd zijn, zoo weinig up dat der algcmecne, der theoretische chemie heeft voortgebracht ').

K N li K 1. A N II.

Wenden wij ons na deze beschouwing omtrent do oorzaken, die er toe geleid hebben, dat Duitschland's aandeel in het tot algemeene erkenning brengen van hot antiphlo-gistische stelsel slechts gering bleef, thans tot Engeland, Frankrijk en Nederland.

Ons allereerst tot Engeland bepalende, hebben wij hier het vraagstuk op te lossen, waarom dit volk, ondanks zijne vroegtijdige geestesontwikkeling, in weerwil van zijne roote vernuften van vroeger eu later tijd, trots zijn roemrijk verleden op natuurwetenschappelijk gebied, voortlevende in de namen van Boy le, llooke, Wren, Hal es,

') Gesuhiciile der Cliemie vuu i)r. K. vuu ileyer. 188'J. biudz. 143.

ocr page 259

Mayow, Harvey on bovenal van Newton, ondanks de buitengemeen groote experinienteele bekwaamheid en scherpzinnigheid van Priestley, Watt, Cavendish, Black en K i r w a n en niettegenstaande dezen dt voornaamste bouwstolt'en voor het antiphlogistische stelsel hebben bijeengebracht, waarom, in weerwil van dit alles, de Engelsche scheikundigen eerst te elfder ure tot Lavoisier's theorie zijn toegetreden. Lag de oorzaak hiervan bij de scheikundigen van Duitschland goeddeels in den algemeenen maatschappelijken en intellectueelen toestand, op die van Engeland moeten andere invloeden hebben gewerkt. lieeds in de 2e helft der 17e eeuw stond Engeland op het gebied der natuurwetenschappen en dat der wijsbegeerte aan de spits van alle andere volken van Europa, terwijl het in den strijd om vrijheid en recht, om zelfstandigheid en ontwikkeling zich in de voorste gelederen bevond.

De wijsbegeerte van Bacon, gegrond op waarneming en ervaring en de groote ontdekkingen van Newton hadden op het gebied der natuurwetenschappen eene geheele omwenteling te voorschijn geroepen. Boyle, een dei-scheppers van de proefondervindelijke natuurkunde, had reeds feiten ontdekt en belangrijke beschouwingen geleverd, die het antiphlogistische stelsel hebben voorbereid. De Eegalis ïSocietas Londini pro scientia naturali promovenda (gesticht 15 Juli 10(32), beter bekend als de „Royal Societyquot;, voortgesproten uit „Tiie invisible Collegequot; (Boyle, Willi, ens, Wallis) was het middelpunt van wetenschappelijk verkeer. De beoefening der natuurwetenschappen was hier hoofddoel; het experiment het middel om tot dat doel te geraken. Dit nieuwe arbeidsveld, toenmaals nog geheel braak liggend '), werd van dat oogenblik met grooten ijver

i) Thomson vermeldt in zijne quot;History of the Uoyal Societyquot;, dat proetuemeu ten tijde van hare oprichting', zoo ongewoon wus, dat hot

ocr page 260

2:51

on toewijding ontgonnen. De ontdekkingsgeest hierdoor opgewekt, de lust tot natuuronderzoek hierdoor aangewakkerd, was tot alle standen der maatschappij doorgedrongen. Karei II liad in Whitehall een scheikundig laboratorium ; Ward, bisschop van Salisbury, Wilkens, bisschop van ('hester, Thomas Sprat, later bisschop van Rochester, de opperrechter Jlale, de lord-zegelbewaarder Guildford waren verdienstelijke schrijvers voor de natuurwetenschappen. Het behoorde tot den goeden toon, dat heeren en dames over luchtpompen en telescopen, over scheikunde en magnetisme spraken. Scheepvaart, landbouw, artsenijkunde, in 't kort, alle op liet dagelijksch leven betrekking hebbende wetenschappen trokken de algemeene aandacht, werden vlijtig beoefend ').

Het is waar, dat de zuivere wetenschap hiermede zeer waarschijnlijk maar weinig gebaat werd — daartoe toch behoort meer dan dilletantisme — dit neemt echter niet weg, dat die liefde voor de natuurwetenschappen, onder de regeering van Karei II geboren en onder die van den roemrijken AVillem 111 uitgebreid en bevestigd, aan den bespiegelenden geest, vóór dien een karaktertrek van het Hngelsche volk, gevoelig afbreuk deed. Sedert dien wijst alles op een versterking van het besluit om oude begrippen aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. De twijfelzucht van Boyle sloeg ook op anderen over ~).

In het laatst der 17e eeuw waren dus de omstandigheden in Engeland heel wat gunstiger voor de vrije en zelfstandige beoefening der natuurwetenschappen, en zeker niet het

moeilijk was daarvoor iu Londen arbeiders le vinden. J5 it c k 1 e, (resell, der Civilisation in England. I. le Abtli. o21. (Vertaling van Huge).

') llettner, Geseli. der Kng. Lit. 1. l'J. ;5e Anll.

-) Hurk le, Geseli. der Civilissilioii 1, le Alitli. SiO, :531, 338.

ocr page 261

•232

niiiist voor- natuur- cn scheikunde, die meer dan alle andere op proefnemingen berusten, dan in de overige staten van het vasteland. De bodem was alleszins voorbereid en gereed oin het uitgestrooide zaad te doen ontkiemen, wortel te doen schieten.

Vinden wij in dit feit aan den eenen kant de verklaring van de oorzaak, waarom Engeland een zoo hoogen rang in de scheikundige wetenschap der 18tlc eeuw inneemt, waarom eigenlijk de Engelschen de voornaamste bouwstoften voor liet antiphlogistische stelsel iiebben aangebracht, van den anderen kant blijven wij voor het vraagstuk staan, waarom zij, die reeds zulk een hoogte hadden bereikt, niet verder zijn gegaan, waarom zij de klove niet hebben weten te overbruggen, die het phlogistische stelsel van het antiphlogistische scheidt. Daarvoor moeten dus oorzaken bestaan en wel andere dan die, welke wij in Duitschland leerden kennen.

Deze oorzaken zijn, naar onze meening, de afgezonderde liïg'ins', het karakter van liet Engelsche volk in het alge-

o o O 7 o o

meen en meer in liet bijzonder dat van de personen zelf, die aan de groote beweging op scheikundig gebied hebben deelgenomen *), alsmede de Schotsche geest, die in veleop-zichten van dien dor Engelschen verschilde.

Slaan wij, om dit gevoelen te staven, nogmaals een blik op hetgeen achter ons ligt. Meermalen hebben wij er ree Is do aandacht op gevestigd, dat het phlogistische stelsel van Sta hl, als het eerste wetenschappelijk stelsel, nog den geheelen gedachtengang van de scheikundigen der lSclc eeuw 1 eheerschte. Schreven wij dit bij de Duitschers toe aan hunne behoudzucht, aan hunne tneerendeels deductk-ve methode van

!) Hettner, üesuli. der Eraiiz. Lit. 542.

16

ocr page 262

283

onderzoek, aan hunne voorliefde, waarmede zij „ein vater-landisches Gutquot; verdedigden, aan hunnen begrijpelylten tegenzin om „von dem Range der Lehrer zu dem der Lernendenquot; at' te dalen bij de Engelschen zijn geen van deze omstandigheden aanwezig. Zij hadden geen vamp;der-landsch goed te verdedigen. Veeleer waren zij door hunne ontdekkingen op de antiphlo^istisolie theorie voorbereid. In de hoofdstukken over de gassen en over de saraenstellino-

0 O

van het water hebben wij op de groote beteekenis van de daar beschreven ontdekkingen van Black, Priestleyen Cavendish voor het stelsel van Lavoisier gewezen. Daar ter plaatse hebben wij doen uitkomen, dat ook zij bij hunne onderzoekingen de inductieve methode volgden, dat er verband en samenhang in hunne experimenten bestaat. En toch zijn de Engelschen ondanks dit alles halverwege blijven staan.

Het behoeft naar onze meenino creen uitvoerig- betoom

o o o O 5

dat de afgezonderde ligging, de eerste oorzaak, die wij ter verklaring van dit feit aanvoerden, daarop van invloed is geweest.

Mochten de denkbeelden van hunne groote wijsgeeren al tot het vasteland doordringen, het omgekeerde was veel minder het geval. Mochten de groote denkers van Europa zich al beijveren om hunne werken te lezen, bij die van Engeland ontmoeten wij tot op zekere hoogte het tegendeel. De weinige moeite, die zij zich gaven om de geschriften van andere volken van Europa in het oorspronkelijke te lezen, belette hun dikwijls om den inhoud daarvan in zich op te nemen, zich van den geest daarvan te doordringen. Gewoonlijk lazen zij niet veel meer, dan wat in hun eigen taal was geschreven of vertaald tot hen kwam. Eene

l) Friedr. Wolff, Ann. der Chem. Lileratur, Jid. I, Einl. HI u. IV.

ocr page 263

234

merkwaardige bevestiging1 van dit gevoelen vinden wij in het feit, dat Pri es 11 e y, tijdens zijn verblijf te Parijs, zelf erkent, dat hij rle Fransche taal niet volkomen machtig was 1).

In zeden en gewoonten van andere volken verschillend — en tot op zekere hoogte ook thans nog behoudend — viel het hun moeilijk zich in andere omstandigheden te verplaatsen, zich in de gewoonte van anderen te schikken, zich in de gedachten van anderen in te denken 3).

Van alle scheikundigen, die het voorrecht hadden monde-li ng met Lavoisier en zijn staf van gedachten te wisselen, zijn Priestley en Watt de eenige, die onbekeerd huiswaarts keerden.

Eene andere omstandigheid, mede een gevolg van de afgezonderde ligging, kan evenmin zonder invloed zijn gebleven. Het is namelijk het geringe verkeer, dat er tus-schen het vasteland van Europa cn Engeland bestond. Tot op het midden der voorgaande eeuw werd Engeland zelden door vreemden bezocht3). In de lGcle eeuw was liet wel is waar onder den Eugelschen adel mode geworden buitenslands te gaan, doch bij dien van het vasteland was het geenszins gei ruik om in Engeland te reizen. In de 17dt! eeuw breidde die gewoonte zich langzamerhand meer uit, maar ook toen bleef' het tegenbezoek tot die weinigen beperkt, die door bijzondere omstandigheden daartoe verplicht waren. Nog in den aanvang der regeering van George III (17(50—1820) be-

!) Thorpe, Essays in Historical Cliemistry. 130.

'-) Lange, Gescli. des .Materia!ismus.

•') Uiul weim wir noch hinzutïigen, class England wegen seiner insular® Lage bis zur Alitte des vorigen Jahrhunderts selten von Fremden besuclit wurde, so wird es einleuchtend, dass wir in unsrer Entwicklung ais Nation weniger als irgend eine andre durch die zwei duellen der Einmischuug, luunlich die Macht der Eegierung und den Kintluss der Frenulen, be-heliiyt worden sind. Buckle, Gesch. der Civilisation in England. I. 200.

16*

ocr page 264

235

schouwde men het als eene groote bijzoiKjerheicl als eene vrouw vn u deftigen stand Engeland bezocht1).

Terwijl dus de inwoners der groote steden van Frankrijk, Italië, Nederland en Duitscliland zicli langzamerhand aan vreemden gewenden en onmerkbaar onder hun invloed geraakten, waren er in Engeland eene menigte steden, waar geen vreemdeling ooit een voet zette. Zelfs bewoners van Londen konden oud worden, zonder ooit een vreemdeling, natuurlijk buiten die, welke tot de verschillende gezantschappen behoorden, gezien ie hebben. Buckle bestrijdt dan ook de meening van sommigen 2), dat het nationale karakter der Engelsehen, na de Restauratie door Karei II, langzamerhand onder Fransclien invloed zou zijn geraakt. Naar zijn oordeel is zulks onjuist. Alleen op de omgeving van het Engelsche Hot' heeft die invloed zich doen gevoelen, maar toch ook weer niet in die mate, dat daarvan eenigen terugslag op het intellectueele en indu-strieele deel der bevolking merkbaar was. Toen ter rijde, noch later hebben de groote Engelsche vernuften ouder Fransclien invloed gestaan, ook zelfs niet, toen, in tegenstelling met de voorafgaande periode, Fransohe geleerden naar Engeland stroomden om de zeden, gewoonten, taal, letterkunde, wijsbegeerte en staatkunde te bestudeeren 3j. In allerlei omstandigheden bleven zij hunne eigene denkbeelden getrouw, die in menig opzicht van die der fijngevoelige Fransclien verschilden, hun misschien onaangenaam waren, maar althans de verdienste bezaten oorspronkelijk te zijn.

ij Dutens, Mém. cl'un Voyageur. I. 217. Mem. de Mad. Genlis. YlII. 241.

-) Ijiickle, 1. c. I. 201. Onue, Lite ot'Oiven, 2S8. Maliou, llist. of England. LI. 211.

^ Kene uitzondering hierop is misschien Dryden. W. Scott, Lite ot' Dryden. Hettner, Gesch. der Engl Literatur. 1. 'J5. Buckle, 1. c. 1. 2e Abth. 193.

ocr page 265

236

Alles wat de Engelschen aan de Franschen hebben ontleend, betreft alleen sommige zeden en gewoonten, maar geen zoodanig beginsel, dat op den duur op het lot van een volk invloed kan uitoefenen. Bij de Franschen valt juist het omgekeerde waar Ie nemen. Dezen hebben niet alleen menige belangrijke instelling aan Engeland te danken, maar zij stonden ook in betrekking tot de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd onder Engelschen invloed. „Ihre Revolution von 1789 wurde — zegt Buckle — wie dies bekannt genug ist, zu Wege gebracht oder genauer ge-nommen hauptsachlich angestiftet duich einige grosse Manner, deren Werke una dann deren Reden das Yolk zum Widerstande aufregten; aber es ist weniger bekannt und doch ganz gewiss, dass diese grossen Yolkslührer in England die Philosophic und die Principien lernten, (lurch deren Yerptianzung nach ihrem Yaterlande so schreckliche und doch so heilsame Folgen hervorgebracht wurdenquot;

Een tweede punt, dat eveneens van grooten invloed is geweest, is het karakter, de nationale geest van het Engel-sche volk. Taine schildert ons dien geest en tevens het verschil tusschen de Engelschen en Franschen in de volgende woorden: „Des theories analogues out plusieurs fois traversé l'imagination des hoinines, et des theories analogues la traverseront encore plus d une iois. En tout temps

i) Buckle, 1. c. J. 203 en 1. 2e Abtli. 206. Men vergelijke liierointreut: Voltaire, Oeuvres. XXVI, 37. Lettre VUL Sur les Anglais. XL. 105— 109. LI. 137, 390. LEV. 29S, 392. LVI. 102, 163, 195, 196, 270. LVII. 500. LVIII. 128, 267. L1X. 265, 361. LX. 501. LXl. 43, 73, 129, 140, 474, 475. LXII. 343, 379, 392. LX1II. 128, 146, 190, 196, 226, 237, 415. LX1V. 36, 96, 269. LXVL 93, 159. LXVII. 353, 484. Le lilanc. Lettres cruii Praucuis. I. 210. Montesquieu, Oeuvres. Esprit des lois. IX. Chap. V. 264 en V. Chap. XIX. 225. Notes sur l'Angleterre. 632. De Stael, Consideration sur la revolution. III. 261. Grosley, lour to London. 1. 16, 17. Al deze werken zijn ook door Buckle aangehaald.

ocr page 266

237

et on tout pays, il suffit qu'un changement considerable s'inli'oduise dans la conception de la nature humaine, pour que, par centre coup, on voie aussitót 1'utopie et la décou-verte germer sur les territoires de la politique et de la religion. Mais cela ne suffit pas pour que la doctrine nouvelle se propage, ni surtout pour que, de la speculation, elle passe Èi l'application. Née en Angleterre, la plii-iosophie du dix-huitième siècle n'a pu S3 développer en Angleterre; la fièvre de demolition et de reconstruction y est restée superficielle et momentanée. Déisme, athéisme, materialisme, scepticisme, idéologie, théorie du retour a la nature, proclamation des droits de I homme, toutes les témerités de Bolingbroke, Collins, Toland, T i n d a 1 et M a n d e v i 11 e, toutes les hardiesses de H u m e. Hartley, James Mill et Bentham, toutes les doctrines révolutionnaires y ont été des plantas de serre, écloses ca et la dans les cabinets isolés de quelques pen-seurs: h l'air libre, elles ont avorté, après une courte florai-son, sous la concurrence trop forte de l'antique végétation a qui dé ja le sol appartenait. Au contraire, en France Ia graine importée d'Angleterre végète et pullule avec une vigueur extraordinaire. Dès la Régence, elle est en fleurquot; i).

De toestanden, zooals Taine ze ons hier schildert, zijn het gevolg van verschillende omstandigheden. Eensdeels komen zij op rekening van het teruggetrokken karakter der Engelschen, anderdeels op rekening van het feit, dat Engeland zich te zeer in eene eenzijdige richting, die dei-praktijk en der staatkunde, bewoog om veel aandacht aan de nieuwe gezichtspunten in de natuurwetenschappen te schenken.

Ten aanzien van het eerste punt merken wij nog op.

') laine, Les origiues de la France Comtemporaine. IV. 3311.

ocr page 267

238

dat er tusschen de Fransche en de Engelsche natuurkundigen in de 18de eeuw een zeer groot verschil is waar te nemen ten opzichte van het onderlinge verkeer dier mannen zelf en ten opzichte van de algemeene erkenning, welke den natuurwetenschappen van de zijde van liet publick ten deel viel.

Terwijl de Fransche natuuronderzoekers het als eene groote onderscheiding beschouwden om in beschaafde en toongevende kringen op te treden, waar zij trouwens met open armen weiden ontvangen, trokken die van Engeland zich in hun studeervertrek terug en traden slechis dan in het openbaar op, als er eene of andere politieke quaestie aan de orde was. „Quand uu homme chez nous'', — schrijft Stendhal — „se met a faire des livres, on le considère comme renoncant également a la société des gens qui gou-vernent et des gens qui riemquot;1), üe Engelsche geleerden stonden eigenlijk builen de gewone samenleving. Zy vormden op zichzelf een eigen kring.

Dezen karaktertrek vinden wij in hunne werken terug. De inhoud is dikwijls moeilijk verstaanbaar, de gedachten-gang afgetrokken en niet altyd gemakkelijk te doorzien. Men mist bij hen die sierlijkheid van stijl, die verscheidenheid van vorm, die aan de Franschen in zoo hooge mate eigen vaardigheid, om zelfs de moeilijkste onderwerpen voor iedereen verstaanbaar en toegankelyk te maken. Vandaar dat hunne geschriften slechts door geleerden werden gelezen en dat hun denkbeelden tot dien engen kring beperkt bleven.

Behalve de omstandigheden in de vorige bladzijden, als de vermoedelijke oorzaken ter verklaring van het bestaande verschil in verband met ons onderwerp, aangevoerd, wen-

1

Stcndliiil, Home, Naples et Florence. 377. (llccit du colonel Forsyth) T ai ne, 1. c. 333.

ocr page 268

239

sehen wij ook nog de aanrlacht to vestigen op het het verschil in geestesrichting tusschen Engeland en Schotland in de IS'10 oeuw. Dit verschil, waarop Buckle bijzonder den nadruk legt, bestaat voor Schotland, in tegenstelling met Engeland, in de deductieve richting en in den theologischen geest. In de ISquot;10 eeuw had die geestesrichting Schotland zoodanig overmeesterd, dat geen der voortreffelijkste geleerden geacht wordt in staat te zijn zich daaraan te onttrekken. In dit feit vindt Buckle den sleutel tot de geschiedenis van Schotland in de lSde eeuw en de verklaring van sommige omstandigheden, die anders onverklaarbaar schijnen, o. a. van de intellectueele verwantschap tusschen Duitschland en Schotland, twee overigens zoo uiteenloo-pende volken, en van de deductieve richting, welke in Schotland, in tegenstelling met Engeland en Frankrijk, steeds is blijven heerschen

Ofschoon wij geenszins willen ontkennen, dat die geestesrichting bestond en op de algemeene ontwikkeling van invloed is geweest, zoo wil het ons toch voorkomen, dat Buckle ten aanzien van Black te ver gaat, als hij zegt: „Black's Geist gehorte zu einer Klasse, die im 18. Jahr-hundert in Schottland fast allgcmein war, in England aber kaum angetroffen wurde, und die wirin Erinanglung eines bessern Wortes die deductive nennen miissen, obgleich wir vollstandig zugeben, dass selbst die allerdeductivsten Geisten einen bedeutenden Antheil an der Induction haben, denn selbst die gemeinsten Geschafte des alltaglichen Lebens iiessen sich onhe Induction nicht verrichten. Aber zum

') Dort ist man immer deductiv gebliebeu ; selbst die originellsten Denker waren nnfahig, sicli von der allgemeinen Eichtung frei zu machen und salm sicli gezwungeu eine Metliotle anzunelimen, welche die Zoit ge-lieiligt hatte uud welclie mit allen Vorstellungen des Nationalgeistes ver-floeliten war. Buckle, 1. e. II. 407, 409.

ocr page 269

240

Zweck wissenschaftlicher Eintheilung dürfen wir sagen, ein Mann oder ein Zeitalter sei deductiv, vvenn sein Lieblings-vorfahren ein Schliessen aus Principien ist, statt ein Schlies-sen auf sie, nnd wenn eine Richtung verhanden ist, den Werth einschlagiger Erfaiu ung zu unterschatzen. D^ss dies der Fall des berühmten Entdeckers der latenten Warme war, haben wir sowohl aus dein Wesen seiner Entdeckung, als aus dein ausdrücklichen Zeugnisse seines Freundes und Schillers gesehen. Und eine weitere Bestatigung können wir in dem ümstande finden, dass er nach dein Aufstellen seiner grossen Idee nicht etwa eine lange lieihc mühsamer Experimente anstellte, urn sie in ihren verschiednen Zweigen zn bestatigen, sondern Folgrungen aus ihr nach dem all-gemeincn Maximen der Dialektik vorzog und sie zu ihren logischen Conseqnenzen fortführte, statt sie in Regionen zu verfolgen, wo die Sinne sie entweder bestatigen oder wiederlegen könnten' Naar ons oordeel is het eigenaaardige van de natuurwetenschappelijke methode hierin gelegen, dat inductie de grondslag is en dat men later na het generaliseeren, dus deductiet werken, tot de inductie terugkeert om zich te overtuigen, dat men niet te vroeg deductief werd. Deze methode ligt niet alleen ten grondslag aan Black's onderzoek omtrent de causticileit der alkaliën, maar ook aan zijne ontdekking van de latente warmte, al heeft het dan ook den schijn, alsof hij, door zijne warmtetheorie reeds zes jaar achtereen voor te dragen -) alvorens de daarop

i) Buckle, Gesch. der Civilisation in England. 11. 483, iS-t. -) //1 beganquot; — schrijft ülack aan Watt — //to give the doctrine ot latent heat in my lectures at Glasgow iu the Winter 1757—1758, which, I believe, was tbc iirst winter of my lecturing there; or if 1 did not give it that winter, 1 certainly gave it in the 175S—175(J; and 1 have delivered it every year since that time in my winterlectures, which 1 continued to give at Glasgow until winter 1700—1707, when 1 began to lecture in Edinburgh.quot; (Muirhead's Lite of Watt. London 1859, bladz. 3U3).

ocr page 270

241

betrekking hebbende proeven te doen, uitsluitend deductief is te werk gegaan. Bij nadere beschouwing blijkt het dan ook slechts schijn en geen werkelijkheid te zijn. In het vorige hoofdstuk hebben wij uitvoerig aangetoond, dat de ontdekking der latente warmte niet op zichzelf staat, maar wortelt in zijn onderzoek aaugaande de causticiteit der alkaliën1). De deductie was dus alleszins geoorloofd. Anderen hebben juist hetzelfde gedaan. Lavoisier is twintig jaar later ten aanzien van het verbrandingsverschijnsel denzeldon weg ingeslagen. Hij is Black nagevolgd, maar daarom zal niemand hem toch onder de bespiegelaars rangschikken. Dat Black ten slotte zes jaar noodig had om die theorie door bewijzende proefnemingen te bevestigen, is vermoedelijk toe te schryven aan de vele moeilijkheden, die destijds moesten worden overwonnen om toestellen uit te denken en daarmede proeven te nemen, welke genoegzame bewijskracht bezaten.

Onze meening, dat Black niet al te veel onder den invloed van den Schotschen geest heeft gestaan en dat Buckle dien invloed, althans ten opzichte van dezen Schotschen geleerde, overschat, wordt bovendien bevestigd door het vroeger vermelde feit, dat Black een van de eerste Britsche scheikundigen is geweest, die het stelsel van Lavoisier heeft erkend en voorgedragen, terwijl daarentegen de eigenlijke Engelsche scheikundigen, Priestley en Cavendish, tot aan hun dood het phlogiston zijn getrouw gebleven 2). Doch dit feit bevestigt niet alleen onze zienswijze, maar het is tevens een krachtig

1

') Bladz. Iö7—17U hiervoor.

2

) Eaadpleeg hieromtrent ook bladz. 102 611 H ermbstadt, Bibliothek. u. s. w. IV. 200, alsmede //Annales de Chimiequot;, Mars 1791. 235—236. Copie d'une lettre de M. Joseph liliick a M. Lavoisier.

In dezen brief erkende Black ten volle en /onder eenig voorbehoud.

ocr page 271

242

bewijs voor ods gevoelen, dat Black inderdaad beter dan de evengenoemde scheikundigen op liet stelsel van La v o i s i e r was voorbereid. Ons scliynt het dan ook juister toe om, ter verklaring van het bestaande verschil tusschen de Engelsclie en Fransche scheikundigen meer den nadruk te leggen op de geographiscfce ligging, het teruggetrokken karakter der Engelschen in het algemeen, op den nationalen geest, die zicli weinig bekommerde om hetgeen elders op wetenschappelijk gebied voorviel en op het vrij beperkt verkeer der geleerden onderling, dan wel, althans voor zoover Black betreft, op den in Schotland heerschenden geest der I8e eeuw. len opzichte van de scheikundige wetenschap kunnen de Schotten de vergelijking met de Engelschen zeer goed doorstaan.

Ten slotte nog deze meer algemeene opmerking.

In de geschiedenis der exacte wetenschappen begint met Newton eene nieuwe periode. Het is echter algemeen bekend, dat de wijsbegeerte van dezen ongeëvenaarden natuuronderzoeker, van dezen baanbreker op natuurwetenschappelijk gebied, in Engeland in de eerste dertig jaren na het verschijnen van diens Principia mathematica Piii-losophiae naturalis, nagenoeg geen bijval vond.

In weerwil van de omstandigheid, dat evengenoemd werk op kosten van de Royal Society was gedrukt en uitgegeven, bleef de wijsbegeerte van Descartes nog oppermachtig aan de universiteiten van Engeland heerschen. Te Cambridge gebruikte men een, door liohault uitliet latijn vertaald handboek, geheel op Cartesiaansche leest geschoeid. Daarentegen vond de natuurbeschouwing van Newton in Schotland aan de universiteiten St. Andreas

dat het stelsel van Lavoisier op de zorgvuldigst en nauwkeurigst geno-inen proeven steunde en daarmede iu volkomen overeenstemming is.

ocr page 272

243

en Edinburgh in Jacob cn David Gregory warme voorstanders ^).

Ook in dit opzicht is Schotland dus Engeland voor geweest, ook hierin kan het de vergelijking met Engeland zeer wel doorstaan. Deze vroegtijdige bekendheid met Newton's lee/' is zonder twijfel eveneens een van de oorzaken, waarom Black nog vóór de Engelsche scheikundigen het stelsel van Lavoisier heeft aanvaard.

Doch. ofschoon deze algemeene omstandigheden ongetwijfeld grooten invloed hebben uitgeoefend, zoo mogen wij daarbij de bijzondere, die van meer intiemen aard, niet over het hoofd zien, Hieronder rangschikken wij vooreerst de bijzondere omstandigheden, waarin de hoofdpersonen verkeerden of verkeerd hebben, en ten tweede het persoonlijk karakter van B1 ack. Cavendish en Priestley.

Wat het eerste punt betreft, zoo komt het ons zeer aannemelijk voor, dat, bij die talrijke ontdekkingen, die wij aan de Engelschen verschuldigd zijn en die elkander in een kort tijdsbestek opvolgden, de gedachten telkens werden afgeleid, niet op een bepaald punt gevestigd bleven, te zeer door de nieuwheid der verschijnselen werden in beslag genomen om de algemeene wet, die aan al die verschijnselen ten grondslag ligt, te ontdekken. Treffend juist heeft Deiman, een van de kunstigste scheikundigen uit die periode, dien toestand geteekend: „En misschienquot; — zoo sprak deze — „was onder dit twisten der scheikundigen het licht, 't welk Venei en Black aan den natuur-

O /

kundigen gezichtseinder hadden opgestoken, wederom geheel uitgebluscht indien niet de beroemde Priestley den draad der ontdekking had opgevat, en eene geheel nieuwe loopbaan der belangrijkste nasporingen had geopend.quot;

„De bekendmaking van zyne gedane proefnemingen wekte

'j Heller, üeschiclite tier l'hysik. II. 271.

ocr page 273

244

op nieuw do aandacht der scheikundigen up; de proeven, waarop hij dezelve vestigde, waren zto geheel nieuw, de verschijnselen zoo. treffend, de uitzichten zoo belangrijk, dat men zien als om strijd beijverde, het aangewezen spoor van Priestley te volgen en zijne gedane proeven op verschillende wijzen te herhalen.quot;

„Men stapelde proeven op proeven, men verlustigde zich met de fraaiheid der verschijnselen, welke dezelve opleverden, doe/i man squot;heen in de kennis van de wezenlijke waarde der ontdekkingen zelve, en de betrekking, welke dezelve op de tot hiertoe aangenomen schei!, undige grondstellingen had, geene vorderingen te maken. Integendeel, het scheen, alsof de geest, door zoovele nieuwe en treffende verschijnselen bedwelmd, in ecne geheel nieuwe wereld verplaatst was l).

„Men zag ais het ware groote veranderingen in de scheikunde tegemoet, men voelde nu en dan de zwakheid van het aangenomen leerstelsel, doch men was beducht voor de gevolgen, en dus trachtte men zoo goed mogelijk alle deze nieuwe ontdekkingen volgens het Stahliaansche leerstelsel te verklarenquot;2).

Ten opzichte van het tweede punt vestigen wij de aandacht op het feit, dat Black en vooral Cavendish zich te zeer in eigen kring terug trokken, zich te veel tot eigen ontdek kina-en beperkten, te weinig acht sloegen op hetgeen elders over dezelfde onderwerpen, als die, welke zij in onderzoek hadden genomen, werd gedaan.

Black, opgevoed in de phlogistische leer, te zeer ingenomen met het stelselmatig, afgerond geheel, dat ook S tab I's theorie bezit, nam te weinig kennis van hetgeen op scheikundig gebied in Frankrijk voorviel. Daarom bleef hij,

') Wij ouderstreepen.

-) lledevoering over cle verdiensten vuil Anion Lorenz Liivoisier, voorgelezen in liet genootschap Concordia et Libertate, door J. li. JJ ei man. Med. Docter.

ocr page 274

245

ondunks zijne groote ontdekkingen, het phlogiston getrouw. Eerst op lateren leeftijd, toen hij Lavoisier op het reeds voorlang duor hem bestreden pad ontmoette, kwam hij tot de overtuiging, dat het geheele verbrandingsverschijnsel op hetzelfde beginsel berust, als reeds door hem, ten opzichte van de alkaliën, was vastgesteld. Maar ook toen eerst werd hij voor de nieuwe theorie gewonnen.

Cavenriish' teruggetrokkenheid, afgezonderde leefwijze en vooringenomenheid met de waterstof phlogistontheorie, zijn eigen geestespro lucf, de eenige theorie, die aan La voi-sier moeite veroorzaakte, zijn ongetwijfeld niet te miskennen oorzaken om zijne vasthoudendheid aan de phlogistontheorie te verklaren.

Priestley's veel bewogen leven staat in scherpe tegenstelling met het kalme, uitsluitend aan de wetenschap gewijde van B1 ac k en Ca v en di s h. Ofschoon als natuuronderzoeker en experimentator beroemd, doch oorspronkelijk tot geestelijke bestemd ^ en als zoodanig opgevoed, heeft hij zich nooit geheel van die theologische opleiding kunnen losmaken. Met zijn vurig karakter wierp hij zich telkens in den strijd in de Engelsche Kerk gevoerd. Hare onverdraagzaamheid kwam onophoudelijk in botsing met zijn vrijen, orderzoekenden geest. D'e kerkelijke twisten leidden zijne gedachten af, of voerden hem op andere, aan hel natuuronderzoek geheel vreemde, banen. Had Priestley met zijn groot ontdekkersgenie eene andere opleiding genoten, had hij onder andere omstandigheden en maatschappelijke toestanden verkeerd, hoe lichtelijk ware de ontdekker der gassen, van de samenstell.ng van de dampkringslucht, van de rol, velke de zuurstof in do natuur vervult, hoe lichtelijk ware deze man, die zoovele bouwstoffen voor de antiplilogistische theorie verzamelde, ook tevens haar bouwmeester geworden.

') Thorpe, Chemistry. Nature, IS'JÜ.

ocr page 275

246

Dut dit niet is geschied, dat hij deze eer aan Lavoisier moest afstaan, is goeddeels — zoo niet geheel — toe te schrijven aan de boven gemelde omstandigheden.

ï 11 A N K li, IJ K

Na aldus de oorzaken te hobbeu opgespoord, waardoor het standpunt der Duitsche en Engelsehe scheikundigen ten opzichte van de theorie van Lavoisier kan worden verklaard, wenden wij ons thans tot Frankrijk en Nederland.

Volgen wij daarbij denzelfden weg, tot dusverre bij dit gedeelte van ons onderzoek voor Duitschland en Eno'oland ino-e-slagen, zoo mogen wij verwachten ook hier den draad te zullen vinden, welke ons in staat stelt tot den oorsprong-van het verschil door te drina'en.

o

Bepalen wij ons eerst tot Frankrijk. Het is een onbetwistbaar feit; in de 18de eeuw staat dit land, met betrekking tot de natuurwetenschappen, aan het hoofd, van alle overige staten van Europa. De bloeitijd echter begint eerst met het regentschap. De periode, die daaraan voorafgaat, is eene periode van stilstand, zoo al niet van achteruitgang. De regeering van Lodowijk XIV was, ondanks do macht en den luister, welke van diens troon afstraalden, m weerwil van de macht en het aanzien, waartoe 1 rank rijk onder diens bestuur was gekomen, niet cunstiquot;-

1 ' O O

voor eene vrije en zelfstandige beoefening der wetenschappen in het algemeen, nog veel minder voor de natuurwetenschappen in het bijzonder. Het eenvormig, alles voor zich opeischende despotisme van dien heerscher, zijn streng kerkelijk en autokratisch optreden, zijne bevoorrechting van do hoogere, zijne onderdrukking van do lagere standen, zyn onleschbare dorst naar roem en eer, niet voor het algemeen, maar voor zichzelf, al deze eigenschappen iiielden de algemeene geestesontwikkeling tegen, stonden vijandig

ocr page 276

247

tegenover de vrijheid, welke de studie van de wijsbegeerte vereischt, Wcire*i onvereenis?')Rtir met eene zelfstandige beoefening der nlt;ituurweteiischtip5 en veroorloofden haren dienaren niet om uit den engen en voorgeschreven kring te treden, waarvan de koning liet middelpunt was. liet bekende: „l'état c'est moiquot; kenschetst den geheelen toestand.

Met den dood van den ,.roi soleilquot; trad echter een nieuw tijdperk in. De toestand veranderde met één slag. Op de dwingelandy volgde eene omkeering, welke, even plotseling als geweldig, in de nieuwe geschiedenis zonder gelijke is

Zoodra het volk vernam, dat de koning denlaatsten adem had uitgeblazen, was het haast waanzinnig van vreugde1). Vrijheid, zelfbewustzijn hernamen hunne rechten. Kunsten en wetenschappen, voorheen door scherpzinnige denkers, Descartes, G a s s e n d i. Pascal, F e r m a t, M e r-senne, Key en m. a. beoefend, doch onder de

1

L'annonce de la mort du grand roi ne produisit cliez le peuple qu'une explosion de joie. (Sismondi, Histoire des 1quot;ramjais. XXVil. 220). Le jour des obsèques de Louis XIV, on établit des guinguettes sur le chemin de Saint-Denis. ^ oltaire, (|ue la curiositc avait nieiie aux funérailles du souverain, vit ilaus ces guinguettes le peu])le ivre de vin et de joie de la mort de Louis XIV. (D u v er n e t. Vie de ^ oltaire. 39; de Tocquevi 11 e, Eegne de Louis XV. 1. 18). Die Kunde von Hinsclieiden des Konigs erregte überall die unverliolilenste .Frende. Jenes Gescblecbt, welches die Segnungen seiner Eegierung empfunden, war langst vor ibm ins Grab gesunken; die Lebenden kannten nur den Druck und das Ungliick der letzlen Jalire. Hettner, Gesch. der Efanz. Lit. 22.

ocr page 277

248

regeering van den zonnekoning eenzijdig ontwikkeld, zoo al niet onderdrukt, hernamen in korten tijd de plaats, die haar van rechtswege toekwamen De geest, verlost van despotisme en willekeur, verhief zich bijna plotseling tot een ongekende hoogte. D,)or geheel Frankrijk ging een nieuwe, levenwekkende stroom.

Deze plotselinge omkeer gaat gepaard met en is ook goeddeels een gevolg van een gebeurtenis, die, zooals Lange vermeldt „für die philosophische Denkweise der Gebil-deten so wichtig wurde, wie für die socialen und politischen Schicksale der Nationen; der plötzlich und in intensivster Weise sich entfaltende Geistesverkehr zwischen Frankreich und England'2y\

Zoolang do Fransche natie, door de pracht en de praal van het hof verblind, door den roe:» des Konings betoo-verd, vergat of over het hoofd zag met welke offers die praal en dat aanzien werden gekocht en in hare ijdelheid en zelfgenoegzaamheid met minachting op eene in hunne oogen barbaarsche beschaving van Engeland neerzag, waar, in een tijdsverloop van veertig j;iren, een koning op het schavot stierf en een ander onttroond werd, zoolang was nagenoeg alle verkeer tusschen Frankrijk en Engeland

') Laoretelle, Dix-huitième siucle. II. 10. La fnmce, après avoir fourni Descartes et Pascal eut pendant quelque temps a envier aux nations i'trangères la gloire de produire des géuies civateurs dans les sciences. Oncken, Das Zeitalter Ludwigs des Vierzehnten, 177. Buckle, 1. c. 1. 2e Abth. 168—176. Cuvier, Progrès des Sciences, I. 30. Cnvier, van Rey sprekende, zegt; Son écrit ctait tombé dans l'oubli le plus profond. II y avait plus de quarante ans que Becher avait presente sa nouvelle theorie, développée après par Stahl, il y avait encore plus long temps que les experiences de Boyle sur la cliimie pneumatique avaient étu publiées et cependant rien de tout cela n'eutrait encore dans l'enseigne-meut general de la cliimie, du moins en France. (Cuvier, Hist, des Sciences, II. 330).

2) Lange, Gesoli. des Materialismus. I. 300.

17

ocr page 278

249

verbroken. Buckle twijfelt er aan, of er op het eind van de 17° eeuw, op letterkundig of op wetenschappelijk gebied, in Frankrijk vijf personen waren, die Engelsch verstonden Men had een afkeer van Engeland, het boezemde vrees in. „Bien que les intéréts politiques aient souvent rapprocbé le cabinet de Versailles et celui de Lnndres; bien que le mariage de la soeur de Charles II avec le frère de Louis XIV, et plus tard le long exil du roi Jacques, aient dü amcner en France des idees anglaises, on n'en trouve aucune trace dans notre litté-rature. C'est que la communication était entre les deux cours et non pas entre les deux pays. Les beaux esprits de France semblaient se garder de l'Angleterre comrae dune contrée barbare2).

Toen echter met het klimmen van de jaren des Konings de glans afnam, daarentegen de nood en de druk stegen, terwijl de klachten en grieven, voorheen gesmoord, steeds luider en luider weerklonken, toen ontwaakte tevens de gedachte bij enkelen, dat de natie door hare onderwerping aan het absolutisme zich op eene gevaarlijke helling bevond. In dien stond wendde Frankrijk het oog naar de overzijde van het kanaal, naar het land der vrijheid. Hot verkeer tusschen beide landen word hersteld. Frankrijk's grootste denkers gingen thans naar Engeland, bestudeerden de Engel-sche taal- en letterkunde, de staatkunde en de wijsbegeerte, beijverden zich om de zeden, gewoonten en gebruiken van het Engelsche volk te leeren kennen en keerden van daar met een schat van nieuwe indrukken en denkbeelden naar hun land teruw.

O

Onder dezen treffen wij aan : B u f f o n, B r i s s o t, B r o u s-sonuet. Con da mine, Del isle, El ie d e B oa u mo n t,

') Buckle, 1. c. I. 3e Abtli. 193,

-) Villemuiu, Cours de la littérature au 18e fnèele. 111. 333.

ocr page 279

250

Grournay, Hel vet ins, Jussieu, Lalande, Lafayette, Lar ch e r, L'H éritier, Montesquieu,Ma up er-tuis, Morellet, Mirabeaii,Nollet,Rayiia],Roland, Rousseau, S é g u r, S u a r d, V o 11 a i r e en meer anderen De invloed van de Engelsche wijsbegeerte, staatkunde, letterkunde en natuurwetenschappen op die van Frankrijk is in de werken van bijna alle groote schrijvers en redenaars van het laatst der 18e eeuw merkbaar. Het is een van de belangrijkste factoren, waardoor zich de algemeene toestand laat verklaren. Voltaire enMaupertuis waren eigenlijk de eersten, die de philosophic van Newton in verstaanbare taal in Frankrijk bekend maakten, waar zij weldra in de plaats trad van die van Descartes. Manper tuis (1732) schreef namelijk twee verhandelingen: „Sur les lois de 1'at-tractionquot; en „Sur la figure des astresquot;, waarin hij zich geheel op het standpunt van Newton plaatste. Voltaire schreef zes jaar later zijne Elements de la philosophie de Newton, waarin het geheele stelsel met buitengewone klaarheid werd uiteengezet1). Do wijsbegeerte van Locke, eveneens door Maupertuis en Vol t ai re aanbevolen, vond algemeen bijval. Rousseau putte daaruit een goed deel van zijne denkbeelden over staatkunde en opvoeding, terwijl Condillac daarin de stof vond voor zijn „Essai sur l'origine des connaissances humainesquot; en zijn „Traité des Systèmesquot; 2). Montesquieu was in zijne geschriften en redevoeringen steeds vol bewondering voor Engeland3'). Buffon leerde niet alleen Engelsch, maar

17*

1

) W h ewel I, tJesch. der Ind. U isseusch. 11. 220. 221. V i 11 e m a i n Cours de littcriiture frangaise au 18e Siècle. II. 8'.)—Ü2. Hettner, Gsscli. des f'ruiiz. Literatur ira ISen Jahrliumiert (J3.

2

) Hettner, 1. u 373. Villemain. 1. c. 1. 83.

3

) li e 11 u e r, 1. c. 252.

ocr page 280

251

zijne eerste pennevrucht was een vertaling van Ne\vton's Traité des fluxions en van Ha les' Statique des Végetaux Zoowel op het gebied dor wijsbegeerte als op dat der letterkunde stond Diderot onder Engelschen invloed. Hij was een vurig bewonderaar van Richardson1). Menige beschouwing van Helvetius, neergelegd in zijn werk „Do i'espritquot;, is ontleend aan Mandeville. Herhaaldelijk beroept hij zich op Locke. Bacon's werken, vroeger weinig bekend, werden in het Fransch vertaald. D'A 1 ember t erkent zelf in zijn „Discours préliminairequot;, een van zijn meest bekende philosopliische werken, Bacon te zijn gevolgd. Ten opzichte van de leer van 's meuschen kenvermogen steunde hij,evenals al zijne tijdgenooten,op Bacon en Locke. Alle menschelijke kennis leidt hy uitsluitend af uit de zinnelijke waarneming 2). Adam Sm i th's Theory of moral Sentiment werd in een tijdsverloop van slechts 34 jaar duiemaal, en door verschillende personen, in het Fransch vertaald. De meeste werken van Hol bach zijn vertalingen van Engelsche schrijvers3). In 't kort, in de 18de eeuw sprak en schreef elke beschaafde en ontwikkelde Franschman Engelsch. En zoo het moeilijk was om in het laatst van de 17de eeuw in Frankrijk iemand te vinden, die Engelsch verstond, even moeilijk was het om in de tweede helft van de 18de eeuw een ontwikkeld Franschman aan te wijzen, die deze taal niet machtig was 4). Mannen van zeer verschillenden smaak, met zeer uiteen-loopende gevoelens en van allerlei richting schenen opeens van de noodzakelijkheid overtuigd om eene literatuur te

1

-) H e 11 ii e r, 1. c. 333.

2

■') II e 11 n e r, 1. c. 3-i9.

3

) Men vindt eene groote lijst in de Biogr. LTniverselle. XX. 463—466.

4

) Buckle, 1. c. I. 2e Abtli. 197.

ocr page 281

252

bestudeeren, waaraan zij voorheen ternauwernood gedacht hadden 1). De Engelsche taal was in zeer korten tijd tot den rang van de taal der geleerden verheven 3).

Dit intollectneele verkeer met Engeland is voor Frankrijk van groote beteekenis geweest. Het is een van de belangrijkste factoren ter verklaring van het met betrekking tot ons onderwerp bestaande verschil tusschen die beide landen in de periode van La v oi s i e r.

In de 18de eeuw vonden Frankrijk's meest begaafden, meest ontwikkelden in Engeland terug, wat zij onder de regeering van Lodewijk XIV verloren hadden, wat zij toen althans misten. Hier hoorden zij staatkundige en godsdienstige aangelegenheden bespreken met een vrijmoedigheid, die zij nergens in Europa hadden aangetroffen. Hier hoorden zij in het openbaar onderwerpen behandelen, die in Frankrijk niemand dorst aan te roeren. Hier leerden zij de groote vrijheid kennen, die het Engelsche volk op staatkundig gebied genoot en welke het veroorloofde elke regeeringsdaad in het openbaar te beoordeelen. Met groote ingenomenheid werden Engelsche toestanden geschetst en overgenomen. Voltaire was vol bewondering over de Engelschen, die „zeggen wat zij denkenquot;3). Montesquieu roemde liet als het land der vrijheid bij uitnemendheid. „L'Angleterre est a présent le plus libre pays qui soit au monde, je n'en accepte aucune républi-

') Buckle, 1. c. I. 2e Abtli. 197—201 geeft eene lijst van 155 mimen van geleerden uit alle takken van weteusc|iap, die Engelsch verstonden.

-j Nous avons mis depuis peu leur langue au rang des langues savantes, les femmes inöine 1' apprennent, et ont renoncc a l1 Italien pour étudier celle de ce peuple philosoplie. Le Blanc, Lettres. 11. 465.

:l) Qlie j'aime la hardiesse anglaise! que j'aime les gens qui disent i;e qu'il pensent. Oeuvres de Voltaire. XL. 105—109. Buckle, I.e. I. 2e Abth.. 206.

ocr page 282

25H

quequot;1). Hclvetius beschreef het als een land „oü chaque citoyen a part au maniement des affaires générales, on tout horame d'esprit peut éclairer le public sur ses véritables intérétsquot; a).

Deze liefde tot de vrijheid en zelfstandigheid, die zoo duidelijk uit deze aanhalingen spreekt, en welke deze vrijheidlievende mannen in hun land trachtten over te planten, kwam natuurlijk in botsing met de regeerende klasse, wier geest, het heerschen gewoon, niet de geringste tegenspraak duldde.

De strijd hierop volgend is een strijd op leven en dood. Aanvankelijk scheen het, alsof de'oude geest zou zegevieren. Velen althans, die op eenig gebied hebben uitgemunt, wier denkbeelden hun tijd overleefd hebben, zijn bedreigd of gestraft met verbeurdverklaring van goederen, met gevangenis, verbanning of geldboeten. Behalve velen van minderen rang) tolt men hieronder Beau marehais, Ber-ruyez. La Harpe, Linguet, d'Alembert, Diderot, Duclos, Freret, ITelvetius, Bougeant, Buffon, Mably, Mar m on tel, Montesquieu, Mercier, Mo-rellet, Raynal, Rousseau, Suard, Thomas en Voltaire 2).

Maar hier baatte geen tegenstand. Het zaad door Engeland uitgestrooid, schoot op, ontwikkelde en vermenigvuldigde zich — schrijft Taine — „avec une vigueur extraordinaire. Com-me une espèce favorisée par le sol et le climat, elle envahit tous les terrains, elle accapare 1'air et le jour pour elle seule et souffre a peine sous son ombre quelqnes avortons d'une espèce

1

') Oeuvres completes de Montesquieu. Notes sur l'Angleterre. 1866, II. 444.

2

J) Buckle, 1. c. 2e Abth. 208.

ocr page 283

254

ennemie, un survivant d'une flore acienno comme Rollin, un specimen d'une flore excentrique comme Saint-Martin. Par ses grands arbres, par ses taillis serrés, par rinnombrable armee de ses broussailles et de ses basses plantes, par Vo 1 ta i re, Montesquieu, Rousseau, Diderot, d'Ai em bert et Buff on, par Duclos, M ably, Co nd i 11 ac, T u r go t, B eau m arch ai s, Bernard in de Saint-Pierre, Bar-thélemy et Thomas par la foule de ses journalistes, de ses compilateurs et de ses causeurs, par Tclite et la populace de la philosophic, de la science et de la littérature, elle occupe l'académie, le theatre, les salons et la conversation.

Toutes les hautes têtes du siècle sont ses rejetons, et parmi celles ei, quelqnes-unes sont au nombre des plus hautes qu' ait produites i' espèce humainequot;

In de tweede helft van de 1.8de eeuw begint een nieuw tijdperk. Op dat, waarin de uit Engeland overgebrachte wijsbegeerte den boventoon voerde, volgt een tijdvak van meer zelfbewust en zelfstandig optreden. Alles, waarover men in de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV had nagedacht en wat onder het regentschap was voorbereid, kwam in de tweede helft der 18de eeuw tot volle ontwikkeling. Van het voorgaande onderscheidt zich dit tijdperk door eene zeer sterk op den voorgrond tredend materialisme. Aan hot hoofd van deze richting stonden Diderot en de Encyclopedisten. De wijsbegeerte van Condillac, uitsluitend op de zinnelijke waarneming gebouwd, trad in de plaats van die van Locke. Zij werd uitgangspunt van aller natuurbeschouwing. De exacte wetenschappen traden meer dan ooit op den voorgrond. Theologie en metaphysica werdén natuurwetenschap, letterkunde en wijsbegeerte traden in haren dienst.

Bijna alle groote schrijvers en redenaars zijn tevens

*) Taine, Les origiues de la Erance Contemporaine. IV. 330.

ocr page 284

255

beoefenaars van de wiskunde, natuurkunde en natuurweten-schappen. A oltaire verklaarde niet alleen de pliilosophie van ISewton maar hield zich ook theoretisch en praktisch mot natuurkunde bezig. Aan de Academie van Wetenschappen zond hij verhandelingen: „Sur la mesure de la force motrice, en „Sur la nature et la propagation de la cha-leurquot;. In zijn laboratorium te Circy had hij alle, toenmaals bij de schei- en natuurkunde gebruikelijke werktuigen en toestellen. Eigenhandig deel hij proeven betreffende de terugkaatsing van het licht en de ge wichtsver meerdering der metalen na oxydatie. Fontenelle was een uitnemend wiskundige. Montesquieu las in de „ Académie de Bordeaux ' verhandelingen over het mechanisme van den echo en over de werking van do nieren. Hij ontleedde kikvorschen, onderzocht den invloed van warmte en koude op levend weefsel, en publiceerde onderscheidene waarnemingen omtrent planten endieren. Rousseau volgde de scheikundige voorlezingen van Roue 11e, legde zich op de plantkunde toe en trachtte zich van de beginselen van alle wetenschappen te doordringen om zijn „Emilequot; te schrijven. Diderot was scheikundige!), wiskundige, kunstcriticus en technicus. D Alem bert nam onder de wiskundigen een eerste plaats in. Buffon vertaalde niet alleen Newton en Ilales, maar was tevens beurtelings aardrijkskundige, geoloog, anatoom en opticus. Condi llae schreef over rekenkunde, stelkunde, mechanica en astronomie1), Mau per tuis, Condorcet en Lalande waren wiskundigen, natuurkundigen, sterrekundigen; d'Holbach, La me ttri e. Ca ba n i s waren scheikundigen, naturalisten, physiologen en geneeskundigen. Grooten en kleinen, meesters en leerlingen, ge-

' O 7 o

leerden en dilettanten, allen putten uit de levende bron

1

) La Langue des calculs. Art de raisonner.

ocr page 285

die voor hen ontsprong Later namen ook vrouwen aan deze algemeene beweging deel. In hot boudoir (]er Parij-sclie dames von 1 men naast een klein altaar, am do weldadigheid, of aan de vriendschap toegewijd, woordenboeken van de natuurlijke historie en verhandelingen over natuur-en scheikunde. Zij lieten zich niet meer uitschilderen ids godinnen op wolken zwevende, maar gezeten in een laboratorium, omringd door verschillende natuur- en scheikundige werktuigen5). L)o markiezin de Nesle, de gravin de Brac a s, de gravin d e P o n s, de markiezin d e Po 1 i g-nac waren in het laboratorium van Rouel 1 e getuige van diens proeven omtrent de smelting en de vervluchtiging van diamant. De voorlezingen over scheikunde van Fo u r-croy werden door vele dames gevolgd1)1 In de salons vormden zich gezelschappen van twintig tot vijfentwintig perso.ien, die een cursus over scheikunde, natuurkunde, mineralogie en plantkunde volgden. De Hertogin d u C h a-telêt beantwoordde oen prijsvraag over het vuur. Zij was de eerste, die er op wees, dat de verschiliende stralen van het licht ook verschillen ten opzichten van hun warmte-gevend vermogen ■1'). Sommigen hanteerden zelfs het lancet en het ontleedmes0). Mllie. Lavoisier was haar man in zijn laboratorium behulpzaam eu vertaalde onderscheidene scheikundige werken van Priestley, C a v e n d i s h, Henry en K i r w a n 0). /ij was zelfs zoo zeer in de

1

) G r i m a u x, L a v o i s i e r. 119, ) 2'.). T a i n e, I. c. 37'.), 380.

ocr page 286

257

scheikunde ervaren, zoo diep in de denkbeelden van haar echtgenoot doorgedrongen, dat zij met vrucht de phlogistici bestreed. Door inildel van briefwisseling wist zij de Saussure, den bekenden geleerde, voor het antiphiogisti-sche stelsel te winnen

Diep ingrijpend was de uitwerking van deze intellectueele beweging voor Frankrijk, voor geheel Europa. Overal deed zij haren invloed gevoelen. Hare beteekenis, hare kracht ligt evenwel minder in de oorspronkelijkheid of in het aantal der nieuwe denkbeelden en onderzoekingen, dan wel in de klaarheid, in de zekerheid en beslistheid, waarmede eene gedachte werd uitgesproken of eeiic ontdekking werd toegelicht. Ook is haar invloed niet altijd toe te schrijven aan den streng wetenschappelijken inhoud der werken, maar meer aan de veelzijdige ontwikkeling der schrijvers, aan de geestdrift, waarmede zij hunne denkbeelden ver

in October 1787 bezocht, sclireef omtrent haar: Mme. Lavoisier nous avait prépare un déjeuner anglais au thé et au café; mais la meilleure partie de son repas, c était, sans contredit, sa conversation, soit sur l'Essai sur le phlOjjistique de M. K i r w a n, qu'elle est en train de traduire, soit sur d'autres sujets qu'une femme de sens, travaillant dans le laboratoire de son mari, sait si bien rendre intéressants. (G r i m a u x, L a v o i s i e r. 42, 43).

') Vous triomphés de mes doutes. Madame,-du moins sur le phlogisti-que, principal objet dë l'intéressant ouvrage dont vous m'avés fait l'lion-neur de menvoyer un exemplaire. J'étois autrefois grand admirateur de Sta hl, c'est dans ses ouvrages que j'ai puisé ma première notion sur la chymie, et les objections que Ton avoit élevées contre sa doctrine n'avoient point encore opéré sur moi nne conviction parfaite. Mais les preventions les plus fortes doivent céder a la force de raisonnements de M. Lavoisier et de ses savants amis. Lorsque je compare la clarté et la j ustesse de leurs arguments avec la confuson et le vague qui régnent dans les objections de M. Kirwan, je ne puis pas in'empêcher de penser que malgré la nettetc et la precision avec laquelle vous avés rendu ses idéés, rhonneur que vous lui avés fait. Madame, dc le traduire aura été funeste a sa reputation etc. (Lettre de Saussure a Mmt Lavoisier, datée de Geneve, le 7 jSovembre 178SJ. Grimaux, 1. c. 44.

ocr page 287

'258

kondigden. Voor alles zochten zij naar waarheid. En deze in de sierlijkste en tevens in de eenvoudigste voniien voor te dragen, voor iedereen toegankelijk te maken, wj's hun eenig streven. Hierdoor werden de nieuwe denkbeelden niet alleen het eigendom van een min of meer gesloten kring van geleerden, of van de hooggeplaatsten, van de meest bevoorrechten op maatschappelijk gebied, maar ook van de massa, van de lagere, van de minder bevoorrechte standen van het volk. Dat „solche allgeraein-faszliche und unmittelbar in das Leben eingreifende Popu-larphiiosophcnquot; l) Frankrijk destijds op wetenschappelijk gebied aan de spits van geheel Europa brachten, wordt door verschillende schrijvers erkend. Doch, behalve deze omstandigheden, hoe belangrijk ook, hebben ook nog andere daartoe bijgedragen. Vooreerst het algemeen gebruik der Fransche taal als wereldtaal, ten 'andere dat, wat wij het intellect der Fransche geleerden willen noemen, namelijk: hunne logische gedachtengang, hunne inductieve methode gepaard met eeue geoorloofde deductie, hunne bijzondere voorliefde voor natuuronderzoek, hunne uitgebreide kennis, hunne gemeenschappelijke arbeid en omgang, en eindelijk hun stijl en hunne welsprekendheid.

Vooral de beide laatste punten zijn van belang. Niet alleen, omdat zy zich hierdoor van de Engelschen en Duit-schers onderscheidden, maar omdat ook hierdoor wordt verklaard, wat wij hiervoor reeds met een enkel woord aanstipten, waarom de Franschen de Engelschen, hunne leermeesters, zijn voorbygestreefd 2).

Jozeph de Maistre schreef' hieromtrent dan ook:

') H e 11 ii e r, 1. o. 513.

2) Hettuer schrijft dienaangaande: Die Engliinder waren theils durch die scliwere Hires Inlialts und ihrer Darstelluug uur den engsteu Gelelirten-kreisen zuganglich, theils waren sie durch ihre insularische Abgeschiedenheit und durch die damals noch geringe Yerbreitung ihrer Sprache vereinsamt

ocr page 288

259.

„CVst par l'art de la parole qu'on règne sur les hommes; la masse des hommes, coutinuelloment repoussée chi sanctuaire des sciences par le style dur et le goüt detestable des ouvrages seientifiques, ne résiste pas aux seductions du style et de la méthode francaisequot; Dit woord hebben de Fransche geleerden in praktijk gebracht. De welsprekendheid toegepast op de ernstigste onderwerpen en hot talent om alles duidelijk voor te stellen, zijn de middelen, waarvan zij zich hebben bediend, otn hunne denkbeelden te verspreiden. „Point de livre alors qui ne soit écrit pour des gens du monde et meme pour des famines du mondequot; — schrijft Taine — en licht dit met tal van voorbeelden toe2). Voltaire schreef zijne „Métaphysiquequot; en zijn „Essai sur les moeursquot; voor Mme. du Chatelêt, Rousseau zijn „Emilequot; voor Mquot;ie. d'Épinay. Condillae schreef zijn „Traité des sensationsquot; naar de denkbeelden van MlleFerrand en gaf aan jonge meisjes inlichting om zijne „Logiquequot; te lezen. Een van de diepzinnigste werken van Diderot is eene samenspraak tusschen Mlle de 1'Esp i-nasse met d'Ale in bert en Bordeu3). Zijne brieven over blinden, dooven en stommen zijn geheel of gedeeltelijk aan vrouwen gericht.

In dit opzicht spelen ook de zoogenaamde salonseen groote rol.

iiiul duller in ilirer Wirkung in die lireite und Weite eniplindlicli beciii-tnichtigt. Die französischeu Schrittsteller liatten eine giinstigere stellung. llu gewandtes, geistreielies, glanzsücbtiges Wesen war unerschöpllich iu der Maunichtaltigkeit uucl Aiimutli der Fonnen, uniibertreflicli iu der Kuust, audi das schwerste verlockeud A i len uahe /u legen, ihre ïS])rac!ie war Weltspraehequot;. Hettner. I.e. 542.

') Oeuvres iiiudites. 8. 11.

) T a i u e, 1. c. 331.

:') Taine, 1. c. 333.

Hettner, 1. c. 2b3—2^9.

ocr page 289

260

Bijna alle gescliriften werden vóór de openbaarmaking in een salon gelezen en besproken. Deze gewoonte was zoo sterk, dal zij voortduurde tot op het einde van 1789. De redevoering, die men voornemens was in de Nationale Vergadering te houden, werd vooraf aan de dames voorgelezen.

Onder zulke gewoonten was het volstrekt niet vreemd, dat de geleerden tevens menschen voor de samenleving waren, die in alle kringen, niet alleen werden toegelaten, maar er zelfs gaarne werden gezien. „Parmi les maisons oü l'on dine, il n'y en a pas qui n'ait son philosophe en titre, un peu plus tard son économiste, son savantquot; 1). Door hunne briefwisselingen en verhandelingen kan men ze op den voet volgen van salon tot salon, van kasteel tot kasteel. Aan het hoofd van die salons stonden meestal dames, ofschoon ook enkele bekende schrijvers, zooals H o 1 b a c h en H e 1 v e t i u s, uitnemende gastheeren waren. In het salon van Mme. Tencin, de moeder van d'Ale mber t, verkeerden vooral F o n t e n e 1 1 e, M a r i v a u x, Montesquieu en Bolingbroke, terwijl men in dat van Mme. G e o f f r i n wekelijks d'A 1 e m b e r t, R a y-n a 1, H e 1 v e t i u s. Gr a 1 i a n i, M a r m o n t e 1, en dikwijls ook Diderot, aantrof. De gastvrijheid van M111?. L a v o i s i e r was algemeen bekend. Voltaire vond men te Cirey bij Mrae. du C h a t e 1 ê t, 11 o u s s e a u bij Mme. d' É p i n a y en bij M. de Luxembour g. Barthéle m y kon men bij de hertogin d e C h o i s e u i 1, T h o m a s, M armontel en Gr i b b o n bij Mme e c-ker ontmoeten. De Encyclopedisten kwamen bij II o 1-bach, bij Mme Geoffrin en bij Mme de Lespinasse. Hooggeplaatste personen hielden zich met wetenschappelijke onderzoekingen onledig. Het laboratorium van L a-

') Taiue, 1. c. 333.

ocr page 290

-61

v o i s i e r was meermalen do verzamelplaats i). Ten slotte ontmoette men al die geleerden „a 1'Academie francaise oü chaque élu nouveau vient faire parade de style et recevoir de la société polie son brevet de maitre dans 1 art de discourirquot; In al die bijeenkomsten werden op het gebied van taal en stijl aan schrijvers en redenaars hooge eischen gesteld. Een eerste vereischte echter was, zich duidelijk, voor iedereen verstaanbaar, uit te drukken. Kamergeleerden, begraven onder folianten, verdiept in overpeinzingen, alleen aangehoord door hunne leerlingen of gelezen door mannen van wetenschap, werden niet geduld. Schrijvers, als Kant „qui se fait une langue a part, attend que le publique l'apprenne, et ne sort de la chambre, oü il traivaille, que pour aller dans la salie, oü il fait ses coursquot; vonden in Frankrijk geen gehoor. Vandaar dat mannen als : d'A 1 e m b e r t, B u f f o n, Montesquieu, Gondii lac buiten hunne wis- en natuurkundige of philosophische studiën zich ook op taal-, letterkunde en kunst toelegden. In deze vrije en algemeene beoefening der weienschap vindt menden sleutel van deze periode. Hieraan is die ruime en snelle verspreiding van de Fransehe wijsbegeerte der 18e eeuw toe te schrijven. „En ceci consiste leur plus grande gloire, la philosophic leur doit son entree dans le monde. lis l'ont retirée du cabinet, du cénacle et de l'école pour 1'introduire dans la société et dans la conversationquot; 3;.

') On y voyait aussi les grands seigneurs qui partageaient le gout de 1'époque pour les sciences: le due de La E oc h e fa u c o u ld, qui avait etudie la foruiatiou du salpêtre dans les terrains de son dornaine de la Koe he (j i. 3 o n , le due de C li a u 1 n e s, connu par ses recherches sur Fair fixe des cuves de brassenrs; le due d'A y e n, president de 1 Academie. (G r i nr a u x, Lavoisie r. 46X quot;) 1 a i ii e, 1. c. o3o.

a) Taiiie, 1. c. 334.

ocr page 291

262

Het zijn deze toestanden, die de geheele periode van Lavoisier beheerschten, die in alles zichtbaar zijn en waardoor Frankrijk zich te eonenmale van Duitschland en Eng-eland onderscheidt. Bijna onbeperkte vrijheid op het gebied van kunsten en wetenschappen ; rusteloos streven om zich van oude en verouderde begrippen los te maken, om alle verschijnselen der natuur aan het experiment te toetsen en in nauwkeurig omschreven wetten teformuleeren ; grondige beoefening van wis- en natuurkunde en aanverwante wetenschappen, ten einde het geheel beter te kunnen overzien en het verband te begrijpen, dat alle natuurverschijnselen te zamenbindt; welsprekendheid, meesterschap over de taal om de gedachten te vertolken ; openbare behandeling van iedere nieuwe, zich aan den geest opdringende gedachte; onderlinge samenwerking van de groote vernuften, die Frankrijk destijds bezat; levendige belangstelling van de zijde van het publiek ; erkenning van verdiensten van hen, die de wetenschap met nieuwe ontdekkingen verrijkten; dit zijn de voornaamste factoren, welke op Lavoisier en zijn staf hun invloed deden gelden, en zich overal lieten gevoelen. Hierdoor wordt tevens verklaard, waarom do scheikundigen van Frankrijk — enkele uitgezonderd — zich zoo spoedig bij Lavoisier hebben aangesloten.

Op Lavoisier zelf, op zijn leven, op zijne methode van onderzoek, op de ontwikkeling zijner denkbeelden is do invloed van den hierboven geschetsten toestand zeer goed merkbaar.

Zijne eerste opleiding, zijne voorbereidende studiën zijn doortrokken van den encyclopedischen geest dier dagen. Voordat Lavoisier zich meer uitsluitend aan de scheikunde wijdde, had hij alle takken van wetenschap door-loopen. Met den geleerden Abbé de la Caille had hij wis- en sterrenkunde, niet Bernard de J u s s i e u

ocr page 292

263

plantkunde beoefend. Geut tar d had hem onderwezen in mineralogie en geologie. Bij R o u e 11 e had hij, met vele andere Encyclope listen, zich op de scheiknnde toegelegd. Letterkunde, reclitsgeleerdheid, meteorologie, anatomie waren hem niet vreemd gebleven '). Zijne vroegere letterkundige opleiding had hem geleerd zich op eeno sierlijke en nauwkeurige wijze uit te drukken. Hij verzuimde aeene gelegenheid om de quot;-roote beteekenis daarvan in

O O O O

het licht te stellen. In zijn Traité élémentaire lezen wij : „toute science physique est nécessairement fortnée de trois choses : la série des faits, qui constituent la science; les idéés qui les rappellent; les mots qui les expriment. Le mot doit faire naitre I'idée; 1'idée doit peindre le fait. Ce sont trois empreintes, d'une mé me cachet, et comme ce sont les mots qui conservent l^s idéés et qui les transmet-tent, il eu résulte qu:on ne peut perfectionner le laugage sans perfection nor la science, ni la science sans le langage. (Traité élémentaire de Chimie 2e éd. Disc. pré!. VI). Mais enfin les sciences ont fait des progrès paree que les philosophes out mieux observé et qu'ils ont mis dans leur langage la précision et l'exactitude qu'ils avoient mises dans leurs observationsquot;. (Disc. prél. XXXII). Herhaaldelijk kan men zich overtuigen, hoezeer hij de waarde van het experiment bij het natuuronderzoek op prijs stelde. Met groote opofferingen zijnerzijds werden kostbare werktuigen voor verschillende proeven samengesteld. Werktuigkundigen werden aangemoedigd, dikwijls uit eigen middelen ondersteund, als de kosten van eenig werktuig hunne krachten le boven gingen. Hij achite zich gelukkig tot de ontwikkeling van dit kunstvak te hebben bijgedragen, te meer, omdat Frankrijk in dit opzicht, tot op dat tijdstip, van Engeland afhing 2).

!) G r i m ii u x, Lavoisier. 4 e» 3.

-) L a v o i s i e i- encourageait de sa bourse et de ses conseils les con-

ocr page 293

264

Zich vrij te maken van veroiiderdo beschouwingen on voorstellingen was voor hein eene dringende behoefte. Voor de ontwikkeling der natuurwetenschap kende hij geen beteren weg dan dien, welke, door waarnemen en proefnemen, van het bekende tot het onbekende leidt In dit opzicht was hij een warm voorstander van de wijsbegeerte van den Abbé de Condillac. In zijn Traité élémentaire de Chimie, een werk dat geacht kan worden zijn stelsel, zijne methode te bevatten, worden de denkbeelden van dezen Franschen wijsgeer meermalen, en met groote instemming, aangehaald. „C'est en m'occupant de ce travail, que j'ai mieux sonti que je ne l'avois encore fait jusqu'alors, l'évi-

structeurs d'iustmments. 11 óhüt heureux d'avoir coutribuc, par ses en-couragements, a clévelopper en France l'art de la constrnctiou des appa-reils de précision. (r r i m a u x, L a v o i s i e r. 47, 48.

') 11 n'est douc pas étonnant ([ue dans les sciences physiijues en general, on ait souvent suppose au lieu de conclure, (pie les suppositious transmises d'age en ilge, soient devenues de plus en plus imposautes par le poids des autorités qu'elles out acquises, et qu'elles ayent eiiKu cté adoptées et regardees comme des vérités fondamentales, même par de très-bons esprits. Le seul moyeu de prévenir ces écarts consiste ïi snp-primer ou au inoins a siraplilier autant qu il est possible le raisonuement, qui est de nous et qui seul peut nous égarer, a le mettre continnellement a l'épreuve de Texpérience; a ne conserver que les faits, qui ne sont que des données de la nature, et qui ne peuvent nous tromper; a ue ebercber la vér ito que dans renchainenient naturel des experiences et des observations, de la même manière que les Mathématiciens parviennent a la solution d'un problcine par le simple arrangement des données, et en reduisant le raisonnement a des operations si simples, a des juge-ments si courts, q\i ils ne perdent jamais de vue l'evidence qui leur sert de guide. Convaineu de ces vérités je me suis impose la loi de ne procéder jamais que du connu a 1'inconnu, de ne déduire aucune consé-quence qui ue derive imui(:diatement des expériences et des observations, et d'encliatner les fidts et les vérités cliimiques dans l'ordre le plus pro-pre a en laciliter i'intelligence aux commeiKjans. (Traité élémentaire de Cliimie. 2e éd. Discours prél. X. \I).

18

ocr page 294

265

(knee des principes qui ont été posés par l'Abbe d e Condi 11 ac dans sa Logique ot clans quelqtiequot;! autres de ses ouvragesquot; TTij was vast overtuigd, dat ook de scheikunde volgens diens beginselen, volgens diens methode van onderzoek moet worden beoefend 3). Het „nihil est mi intellectu quod non prins fuerit in sensuquot;, de spreuk, die zijn leermeester, Ron el le, op de meest in het oog mallende plaats van zijn laboratorium had doen neerschrijven, achtte hij in hooge mate op haar toepasselijk. Op het oordeel van anderen stelde hij hoogen prijs. Alles wat met zijn stelsel in verband stond, werd in het openbaar behandeld. De uitkomst van geen enkel onderzoek is Oi'it aan de „Academie des Sciences voorgelegd zonder dat de daarop betrekking hebbende proeven vooraf, in tegenwoordigheid van verschillende geleerden en invloedrijke personen, waren herhaald, besproken en beredeneerd3). /ijn huis, zijne werkplaats was het voornaamste wetenschappelijke middelpunt van Parijs. Eenmaal per week kwamen daar zijne vrienden, zoowel voor- als tegenstanders, bijeen. Men ontmoette er Macq uer, Darcet, Bucquet, Cadet de Gassicourt, Berthollet, Vandermon-de. Cousin, Lagrange, Monge, Guy ton de Mor-veau. Men snier, Ban mé, Corn et te, Trudainede

') Lavoisier, Traite ók'mentaire. V.

-) Je tenuinerai ce discours préliminaire en transcrivant littéralement quelques passages de M. l'Abbe de Coudillac qui me paroissent pein-dre avec beaucoup de vcrité l'état oü ctoit la Ciiimie dans des temps trcs-rapprochés du notre. //An lieu d'observer les choses que nous vou-hous comioitre, uous avons voulu les imaginer. üe supposition fausse en supposition fausse, nous nous sommes égare's parmi une multitude d eireurs, etc. La voisier, Iraité élémentaire. XXX

ƒ) s 11 voulalt monteer uue experience nouvelle et importante, il adres-sait des invitations spéciales et réunissait a sa table les grands seigneurs et roturiers. (Grimaux, Lavoisier. 49).

ocr page 295

266

Montigny en meer anderen1). Tal van vreemde geleerden kwamen hem daar bezoeken, waren getuigen van zijne belangwekkende proeven. Men zag er Arthur Young, Blagden, Priestley, Tennant, Watt, Franklin, Fontan a. Land rian a. Jaeq ui n, Ingenhousz en v an Marum. Behalve deze samenkomsten onderhield hij eene uitgebreide briefwisseling met vele buitenlandsche geleerden. Daar, waar zijn krachten te kort schoten, riep liij de hulp van anderen in. Menig belangrijk vraagstuk is onder voorlichting en medewerking van anderen tot oplossing gebracht. Menige belangrijke ontdekking is de vrucht van deze samenwerking en gedachtenwisseling 2). Dat Lavoisier onder zulke omstandigheden, en van nature toch reeds zoo hoog begaafd, al zijn tijdgenooten moest voorbijstreven, wie zal het betwijfelen? In zijn persoon waren al die eigenschappen aanwezig, die den hervormer doen kennen. Aan zijn genie; aan zijne algemeene kennis, in het bijzonder die van de natuur- en wiskunde; aan zijnen wijsgeerigen aanleg; aan zijne warme en onverdeelde belangstelling in de wetenschap ; aan zijn onwrikbaar vertrouwen op het experiment ; aan zijn dagelijkschen omgang met mannen van talent en wetenschap en aan de intel-lectueele beweging, die in het laatst der voorgaande eeuw

') C'était pour lui mi jour de Ijonheur, quelques amis éclairés, quelquea jeuues gens tiers d'etre admis ii rhonneur de coöpérer a ses experiences, se réunissaiont dès le matin dans le laboratoire etc. G r imau x, Lavoisier. t4.

2) Si quel(|uefois il a pu m'écliapper d'adopter, sans les citer, les experiences ou les opinions de M. B e rt li o 11 e t, de M. d e F o u r c r o y, de M. de la Place, de M. Monge et de ceux en general qui out adoptc les mêmes principes (|ue moi, c'est (jue l'liabitude de vivre ensemble, de nous cominuniquer nos idees, uos observations, notre manière de voir, a établi entre uous mie sorte de eomnmnaute d'opinions dans laquelle il uous est souvent difficile a uous mêmes de distinguer ce ([ui nous appartieut plus particulierement. Traite élémentaire de Chiniie. 2e ód. Disc. |)rél. XXVlil

18*

ocr page 296

267

door Frankrijk ging, is het toe te schriiven, dat Lavoisier beter dan anderen, zelfs beter dan zij, die als practische scheikundigen boven hem stonden, orde wist te brengen in den chaotischen toestand, door de snol opeenvolgende ontdekkingen in het leven geroepen. Hierdoor wordt verklaard, waarom hij, ofschoon meestal van de ontdekkingen van anderen afhankelijk, toch steeds, door een gelukkige aaneenschakeling der feiten, de algemeene wet wist op te sporen, die daaraan ten grondslag lag; waarom hij uit zoovele wegen telkens dien wist te kiezen, die rechtstreeks tot het einddoel voerde, en waarom hij nooit afdwaalde, ook zelfs dan niet, als zijne proeven eere andere uitkomst gaven/ Jan hij verwachtte of eene, die hij nog niet wist te verklaren i). Kortom aan de vereeniging van zoovele uitnemende eigenschappen in één persoon en aan eene zeldzaam merkwaardige samenloop van omstandigheden is het toe te schrijven, dat Frankrijk in het laatst der voorgaande eeuw aan het hoofd stond van de scheikundige wetenschap. De geest van den tijd was in alles doorgedrongen en Lavoisier blies door zijn genie allen den tijdgeest in.

N O O R D- E N Z ü I D-N E D E R L A N D.

Bij de samenstelling van de punten van overeenkomst en verschil tusschen de scheikundigen, in de prijsvraag aangeduid, hebben wij doen uitkomen, dat die van de Nederlanden in vele opzichten met die van Frankrijk overeenstemmen.

Deze overeenstemming hebben wij voornamelijk gevonden in hunne methode van onderzoek, in hunne wijze van zien, in hunne onderlinge samenwerking, in hunne vaardigheid

Berthelot heeft dit in zijn overzicht en toelichtiug van cle lo groote laboratorium-registers van Lavoisier uitvoerig uiteengezet.

ocr page 297

26S

in het proefrtenien pn in hun talent om doelmatige toestei-len te ontwerpen en samen te stellen. Voorts hebben wij er op gewezen, dat zij bijna gelijktijdig met de Fransche, althans nog vóór de Engelsche en Duitsche scheikundigen, het stelsel van Lavoisier hadden aangenomen, düt zij van dien stonde af met menige belangrijke ontdekking verrijkten, of althans met menige welgeslaagde en bewijzende proefneming hielpen bevestigen. Tevens hebben wij er de aandacht op gevestigd, dat hunne onderzoekingen in hunne phlogistische periode — ofschoon niet van Jiegroote beteeke-nis als \an de l-iiigelschen toch het kenmerk dragen van oorspronkelijkheid, nauwkeurigheid, onpartijdigheid en objectiviteit, eigenscliappen die wij ook in liuoge mate bij de Fransche scheikundigen aantreffen.

Welke zijn nu de oorzaken, die tot dit inderdaad hooge standpunt aanleiding gaven?

Ons beperkend tot de eeuw, onmiddellijk aan Lavoisier voorafgaande, zullen wij ter beantwoording dezer viaag eeist oen ondeizoek instellen naai'de meer algemeene daarna naar de meer bijzondere omstandigheden, die geacht mogen worden daarop invloed le hebben uitgeoefend.

Slaan wij het geschiedboek van de ontwikkeling der natuurwetenschappen in ons land op, dan wordt rle aandacht allereerst getroffen door het feit, dat de zin voor kunsten en wetenschappen, die zich reeds in het begin dei-zeventiende eeuw openbaarde, weldra tot een hoogen trap van bloei geraakte. Hadden voorheen de zuidelijke Nederlanden, met betrekking tot de natuui wetenschappen, de noordelijke gewesten overlmflcn, na de uitroeping van de republiek werd het Zuiden — onder Spaunsch bestuur en invloed blijvend — door het Noorden ingehaald en weldra overvleugeld. Tot de voornaamste omstandigheden, die daarop invloed hebben kunnen uitoefenen, behooren voor-

ocr page 298

269

namelijk de macht en het aanzien, waartoe de Noord-Nederlandsche gewesten geraakten en de steeds klimmende welvaart der burgerij. Met de uitbreiding van het gezag, en den steeds toenemenden bloei ging de ontwikkeling der weienschappen hand aan hand. Tusschen de verschillende steden ontstond een edele wedstrijd om den voorrang op wetenschappelijk gebied. Allervvege werden Hooge-en Illu-stre scholen, Athenaea en Latijnsche scholen opgericht en onderhouden. Tal van geleerden daar werkzaam of in den loop der jaren daar gevormd, deden het aanzien der Republiek, ook in dit opzicht, naar buiten toenemen. De oprichting van de Leidsche hoogeschool (1575) had daartoe den eersten stoot gegeven. Op deze volgden weldra meer andere. Eer tien jaren verloopen waren, werd die te Franeker, in 1600 die te Harderwijk, in 1614 die te Groningen en in 1636 die te Utrecht gesticht, terwijl in 1632 te Amsterdam een Athenaeum werd gevestigd. In Deventer, Middelburg en Dordrecht vond men daarenboven zoogenaamde Illustre scholen. Men zou ons kunnen tegenwerpen, dat het nut van deze instellingen, met haar bij uitstek klassiek en theologisch karakter, in den eerst# lijd, voor de natuurwetenschappen gering is gewei st, dit neemt echter niet weg, dat deze middelpunten van beschaving toch de wetenschap in het algemeen bevorderd hebben. Men denke hierby slechts aan eenige beroemde mannen van de Leidsche Academie, te weten: aan de le Boë Sylvius, aan de beide Sn el liussen, vader en zoon, aan van Schoot en, den leermeester van Jan de Witt en Chr. Huygens. aan Senguerdius, aan Bernard de Volder, den leermeester van Boerhaave, en nog zoovele anderen, die op een of ander gebied hebben uitgemunt.

De wetenschap troonde echter niet enkel binnen de muren dezer universiteiten en scholen, ook daarbuiten had zij haren zetel opgeslagen. Ook hier werd zij gediend

ocr page 299

270

en geëerd. Ook hier harl zij hare hoogepriesters en dienaren. Wij herinneren slechts aan Jan Baptist van H e 1 ni o u t, den eersten Zuid-Nederlandschen scheikundige, die met de elementenleer van Aristoteles dorst te breken, den vurigen bestryder van de Galenische geneeswijze, den schrijver van de „Dageraad ofte nieuwe opkomst der geneeskonst in verborgen grondregulen der naturequot;; aan Simon Stevin, den vorstelijken boekhouder, die, ondanks de heerschende voorliefde voor de klassieke talen, zijne wetenschappelijke werken in het Ne-derlandsch schreef „om dattet in de Duytsche tael deurgaens al versaemliek is wat ons ontmoetquot;1); aan Christiaan Huygens, den ontdekker van den ring van Saturn us en vau de nevelvlek van Orion, den uitvinder van de slinger-

' o

uurwerken en van de onrust der horloges, den ontwerper van de vibratietheorie van het licht2); aan Jan Swam 111 er da m, den uitnemenden anatoom, den voorlooper van Lamarck en Darwin, den geoefenden waarnemer, die de identiteit van het leven bij dieren en planten vermoedde3); aan An-

1

') Capelle, Bijdragen tot de gescliiedenis der wetenschappen en letteren in Nederland. 54.

2

) E. Lommel, die in 1890 de verhandeling over het licht van Huygens in het Hoogduitsch vertaalde, zegt van deze verhandeling: //Den herrlichsten Zweig in dem reichen wissenschaftlichen Jtuhmeskranze unseres Huygens bildet uustreitig die //Ablumdlung iiher das Lichtquot;. Uiese schrift allein wiirde ihrem Urheber seinen Platz nnter den l'hysikern ersten Kanges fiir alle Zeiten gesichert haben, auch w'enn nichts weiter von ihm bekannt geworden warequot;, üstwald, Klassiker der exacten Wissenschaften. N0. ^0 bladz. 100.

3

) Tout l'ouvrage de Swam m er dam a un résultat general: c'est la comparaison du développement des animaux avec le dcveloppement des plantes. 11 inontre surtout qu'a partir de l'oeuf jusqu'i l'état parfait, il se développe chez les insectes des organes qui préexistaient en enx. Ce fait particulier; que la metamorphose n'est qu'un développement; que la ditl'c-rence entre les insectes et les animaux plus élevés dans I'cchelle ne consiste

ocr page 300

271

tliony van Leeuwenhoek, den ontdekker van de microscopische wezens.

Het werk, in de 17do eeuw begonnen, werd in de 18lle op waardige wijze voortgezet. Voor onzen geest verrijst een man als B o e r h a a v e, de stichter van Europa's eerste geneeskundige school, de veelzijdig ontwikkelde natuuronderzoeker, de wydvermaarde leermeester, een van de meest encyclopedische vernuften der IS11® eeuw; als 'sGravesande, de schepper van de mathematische en van de experimen-teele physica hier te lande de uitnemende wiskundige, de ontwerper van verschillende natuurkundige instrumenten, de groote vereerder van Newton, wiens wijsbegeerte hij zóó voortreffelijk in haren geheelen omvang ontwikkelde, dat zy niet alleen in ons vaderland, maar ook daarbuiten, in Duitschland, zelfs in Engeland, beter bekend werd en waaromtrent Voltaire hem kwam raadplegen1); als Petrus van Musschenbroek, de groote werktuigkundige, de samensteller van den pyrometer,

1

) De verhandeling is getiteld: Phygices Elenienta Mathematica expai i-mentis confirmata, sive lutrodnctio ad rhilosophiam Kewtonianamquot;. Van dit werk bestaan twee vertalingen in hei Engelsch en twee in het Kranscli. Engelman had ook een Hollandsche vertaling willen leveren, maar ze is onvoltooid gebleven, dewijl ze geen genoegzamen aftrek vond; de kennis van het Latijn was toen nog te algemeen verspreid. P. L. Rijke, Levensschets van W. J. quot;s (i ravesande. Album der Natuur. 187!'.

ocr page 301

272

de uitvinder van de Leidsche flesch, de schrijver van liet eerste populaire handboek der proefondervindelijke natuurkunde in de Nederlandsche taal als Jan Hendrik van S wind en, de opvolger van A n t. Brug mans; als Petrus Camper, de groote anatoom; als Van Ma rum, N a h u y s, N i e u w 1 a n d, D e i m a n, T roos t w ij k en nog vele anderen, die, ieder op zyn gebied, op waardige wijze de voetstappen drukten van hunne groote voorgangers, de wetenschap vooruit brachten en een school stichtten, waarin onze Hollandsche scheikundigen gedurende de periode van Lavoisier werkzaam waren.

Dit hooge standpunt nu, dat de Nederlanden, en vooral Noord-Nederland, in het tijdperk, onmiddellijk aan dat van Lavoisier voorafgaande, innamen en ook gedurende die periode handhaafden, is niet enkel het gevolg van een toevallige uitnemende vertegenwoordiging dei-wetenschap, maar ook van de toemalige maatschappelijke en politieke toestanden.

Gedurende de langdurige worsteling met Spanje was reeds in het begin van de IT6 eeuw eene nieuwe en betere perio:1e aangebroken. In dien harden strijd om het bestaan, telkens met afwisselend geluk gevoerd, waarin moed en volharding ten slotte de zege behaalden, had Nederland niet slechts eigen kracht leeren kennen, maar ook op eigen

Voltaire schreef aan i'red e r ik den G ro o t en, destijds nog kroonprins: //Je suis iei dans uue ville ou Boerhaave dun cotc et's ü ra vesaude de Taut re, attirent qnatre ou cinq cent ctrangersquot;. (lt; Kuvres. J oin. Xll). En aan T li i r i o t; //.Ie suis venu a Ley de consulter le docteur li o e r-h a a v e sur ma santé et s G r a v e s a n ci e sitr Ut Philoftopfiiv de Ntwlou. (L c. Tom. Xll. 272). Alen raadplege liierointrent ook C a u e 11 e, Bijdragen enz 2'J 1. en H ol la u d's Koem van C o 11 o t D' E s c n ry. Vil, 30.

i) Dit werk is getiteld : Beginsels der Natuurkunde ten dienste der landgenooten. 1730. De 2C druk verscheen 1739. Bierens de liaan, Bi'jliographie Neerlaudaise.

ocr page 302

278

kracht leerea vertrouwen. Heldenmoed en doodsverachting, zoo herhaaldelijk, öf in den strijd, óf op de ontdekkingstochten op de proef gesteld, hadden het zelfvertrouwen bevestigd, den ondernemingsgeest aangewakkerd, de krachten gestaald, den geest gescherpt.

In de 17de eeuw bereikte Nederland het toppunt van bloei en grootheid. Doch, ofschoon roem, eer, aanzien en rijkdom ons van alle kanten toestroomden, de Republiek tot een der machtigste staten van Europa behoorde, hadden onze voorvaderen toch nimmer het doel uit het ooe verloren, waarvoor de strijd was aangevangen. Zoowel in dagen van druk als van weelde, in de hitte van den strijd of rustende op de lauweren bleef het oog op de vrijheid, op het zelfstandig volksbestaan gevestigd. Dit bleef hec doel van aller streven. Dit is de spil, waarom zich onze geschiedenis beweegt. Dit is de oorsprong van dat roemrijk verleden. Want een volk. dat vrij wilde zijn op staatkundig en godsdienstig gebied, moest ook vrijheid, zelfstandigheid en onafhankelijkheid eischen op dat der wetenschap1). En dat het niet bij eischen bleef, maar dat men dit inderdaad voortreffelijk beginsel ook in praktijk bracht, blijkt uit het feit, dat Nederland een toevluchtsoord werd voor velen, die geen vrede hadden met de in hun land heerschende richting en wereldbeschouwing, of wier denkbeelden niet strookten met die der bovenliggende partij 2).

Aan drie van de grootste wijsgeeren van Europa, ü a 11-

1

1) Men raadplege hieromtrent ook G. Simon s, Eedevoering over het roemrijk tijdvak onzer Vaderlandsche Gescli, Jaarboek v. h. Kou. Nederl, Instituut. 1847. bladz. 61.

2

er een land in de wereld waar men vrijer is, waar men geruster slaapt, waar men minder gevaren te vreezen heeftquot;quot;? (Thomas, Éloge de Descartes). Wij citeeren uit v a n K a m p e n, Gesch. der Xeder-landsche letteren en wetenschappen 1. oU6.

ocr page 303

274

lei, Descartes en Locke, weid door het gnstvnjo en vrijheidlievende Nederland bescherming aangeboden l). In weerwil dat de wijsbegeerte van Descartes met (je theologische richting hier te lande moeilijk vereemgbaar was en aanleiding gat' tot vinnigen strijd, schreef hij toch hier zyue voornaamste werken. Tal van Franschen, door de opheffing van het edict van Nantes (1G85) naar hier uitgeweken, weiden met open armen ontvangen. Hieronder treffen wij aan: Jean Leclerc, hoogleeraar te Amsterdam en redacteur van „La Bibliotèque L niverselle ; Pierre Bayle, leeraar te Rotterdam, schrijver van de „Dictionnaire historique et critiquequot;, en stichter van het tijdschrift „Nouvelles de la république des lettresquot;; Tisso t van Patot, hoogleeraar in de wiskunde te Deventer; Bas n age, Saurin en later Lamettrie, een ijverig leerling van Boerhaave en schrijver van „l'Homme machine . Pen slotte is hot algemeen bekend, dat werken, elders verboden, hier werden gedrukt en van hieruit werden verspreid. Zoo werd de evenvermelde „Dageraad' van van Hel-mont, ondanks een daarin voorkomende critiek op het boek '„Genesisquot;', in I06O te Rotterdam uitgegeven 2). De uitgave van N e w 1 o n 's Elements de la philosophie, in Frankrijk verboden, geschiedde in Nederland3). Htt beruchte „FHomme machinequot; van Lamettrie verscheen te Leiden ') (1748) en Hoi bach's Système de la nature ou des lois du monde physique et du monde moral, te Amsterdam quot;). (1770.)

') Aan Galilei beloofde men eene eervolle rust en een onbezorgde ouderdom, doch hij zag tegen de verre reis en het noordelijk klimaat op. \an Kampen, 1. c. I. 3U3. G. Simons, 1. c. 73.

-) J. B. van Hel mout, Dageraad enz. 03.

3) Lange, Gesch. des Matenalisiuus 1. 301.

■') Lange, 1. c 1. 3:32.

5) Lang e, 1. c. 1. 361.

ocr page 304

275

De mtellectueele beweging, die het verkeer met de boven gemelde geleerden — in levensbeschouwing en wijsbegeerte in zoo menig opzicht met de onze verschillend — en liet lezen van hen no werken veroorzaakte, gaf wel is waar, in den eersten tijd, aanleiding tot heftigen strijd, maar desondanks bleef de persoonlijke vrijheid onaangetast. Want, ofschoon het van bekrompenheid en onverdraagzaamheid getuigt, dat openbare bespreking van de Cartesiaausche wijsbegeerte, tengevolge van den daardoor ontstanen twist tusschen de hoogieeraren ouderlingen tnsschen deze en de studenten, verboden werd l) of dat de curatoren van de Leidsche Hoogeschool het geraden achtten om hunnen ambtgenooten, den burgemeesters, te verzoeken bij de Staten van Holland te bewerken, dat de Opera Posthuma van Spinoza of zooals zij het uitdrukten — van den in kwaden reuk staanden joodschen wijsgeer, B. de Spinoza, \oor verderfelijk verklaard en verbrand zouden worden2), vertoefde Descartes hier toch meer dan twintig jaren 3) en kon Spinoza in volkomen veiligheid zijn wijsgee-rig onderzoek voortzetten. En wat de critiek zelf betreft, waaraan de wijsbegeerte van deze mannen blootstond' zij hierbij nog opgemerkt, dat zij bijna uitsluitend van theo-

) Siegenbeek, trescli. der Leidsclie Hoogeschool. I. 163. 175 198. 208.

^ ') Siegenb eek, üesch. der Leidsche Hoogeschool. 1. 232. Suriu-ar tijdschrift voor Geneeskunde. II. 39. 6 Juni 1876. De Curateurs en burgemeesters in ervaring gekomen wesende, dat met den druck werden -ve-meen gemaakt ,1e Open, Posthuma van Spinoza, inhoudende vele seer schadelijke, goddeloose en heterodoxe stellingen ende conclusiën, bequaein om de gelieele Christelijke religie te subverteeren, ende voor eenvou-( ige mensdien den weg te banen tot het absoluut atheismus enz verbeken aan Burgemeesters, dut alle exemplaren, die daarvan mogten zijn

op de ignomnueuste wijze, als van een goddeloos en heterodox tractaat mogen worden verbrand.

■') \ a n K a m p e n, Gesch. der Nedl. Letteren en Wetenschappen. I. 30(5.

ocr page 305

276

logen uitging; de natuuronderzoekers hebben zicb niet in dien strijd gemengd. Deze arbeidden rustig voort, vast overtuigd, dat met oude begrippen en voorstellingen moest worden gebroken. Alleen de wijze, waarop zij hunne ontdekkingen mededeelden, herinnert aan bestaanden strijd. Zij waren bedachtzaam en voorzichtig in hunne voorstellingen en uitdrukkingen. Zij wilden niemand met opzet kwetsen. Niettemin, zij zeiden wat zij dachten, wat zij hadden waargenomen. Tan Helmont schreef omtrent het bijbel-sche scheppingsverhaal: „Men bevindt hier dat de schep-pinge des hemels, der aerden en des waeters, was voor den dagh, en niet en is gereeckent onder de scheppinge der sester daegen: waerover nochtans Godt behaegt heeft te rusten den sevenden, die ten opzicht van de scheppinge des hemels, en der aerden schijnt by ons, en staet om bereeckent te wesen voor den achtsten dagh. Maer wy moeten ons verstandt bevangen tot onderdaenigheyt des geloofsquot; Simon S te vin was in zijne geschriften vóór-noch tegenstander van het stelsel van Cope rn i e us, „toch hield hij het voor zich persoonlijk voor zoo waar, dat hij er minder eene nieuwe vinding inzag, dan een terugvinden der volkomen kennis, die vroeger, in een idealen voortijd, het eigendom der menschen geweest wasquot; 2). Chris tiaan Hnygens wist, in weerwil van den tegenstand, dien Copernicus' stelsel nog altijd ondervond, den grootsten wachter en den ring van Sat urn us te ontdekken. Terecht zegt Busken Huet: „het aan de Leidsche universiteits-bibliotheek door hem gelegateerd

') J. B. van Helmont, Dageraad ofte nieuwe opkomst der geuees-konst. Naeranus te Rotterdam. 1G60. bladz. 60.

-) Buskeu Huet, Het Laud van Kembraud. II. quot;2. 47. Capelle, Bijdragen tot de gesch. der Wetenschappen eu Letteren iu Nederland. 1. 62.

ocr page 306

275

De intellectueele beweging-, die het verkeer met de hoven gemelde geleerden — in levensbeschouwing en wijsbegeerte in zoo menig opzicht met de onze verschillend — en liet lezen van hunno werken veroorzaakte, gaf wel is waai, in den eersten tijd, aanleiding tot heftigen strijd, maar desondanks bleef de persoonlijke vrijheid onaangetast. Want, ofschoon het van bekrompenheid en onverdraagzaamheid getuigt, dat openbare bespreking van de Cartesiaausche wijsbegeerte, tengevolge van den daardoor ontstanen twist tusschen de hoogleeraren onderling en tnsschen deze en de studenten, verboden werd ') of dat de curatoren van de Leidsche Hoogeschool het geraden achtten om hunnen ambtgenooten, den burgemeesters, te verzoeken bij de Staten van Holland te bewerken, dat de Opera Posthuma van Spinoza — of zooals zij het uitdrukten — van den in kwaden reuk staandeu joodschen wijsgeer, B. de Spinoza, \ooi \ei dei fel ijk verklaard en verbrand zouden worden2), vertoefde Descartes hier toch meer dan twintig jaren 3) en kon Spinoza in volkomen veiligheid zijn wijsgee-rig onderzoek voortzetten. En wat de critiek zelf betreft, waaraan de wijsbegeerte van deze mannen blootstond' zij hierbij nog opgemerkt, dat zij bijna uitsluitend van theo-

, Siegenbeek, Gescli. der Leidsche iloooeschool I. 163 175 198.208. '

2) S ie gen Ij eek, Gesch. der Leidsche Hoogeschool. 1. 232. Surinu-ar Tijdschrift voor Geneeskunde. U. 39. 6 Juni 1876. JJe Curateurs en burgemeesters m ervaring gekomen vvesende, dat met den druck werden «-e-meen gemaakt de Opera Posthuma van Spinoza, inhoudende vele seer schadelijke, goddeioose en heterodoxe stellingen ende conclusiën, bequaem om de geheele Christelijke religie te subverteeren, ende voor eenvoudige menschen den weg te banen tot het absoluut atheismus enz verzoeken aan Burgemeesters, dat alle exemplaren, die daarvan mogten zijn op de ignomimeaste wijze, als van een goddeloos en heterodox tractaat mogen worden verbrand.

■') V a n K a m p e n, Gesch. der Nedl. Letteren en Wetenschappen. I. 306,

ocr page 307

27()

logen uitvinquot;'; de natuuronderzoekers hebben zich aiot in

o c n ;

dien strijd gemengd. Deze arbeidden rustig voort, vast overtuigd, dat met oude begrippen en voorstellingen moest worden gebroken. Alleen de wijze, waarop zij hunne ontdekkingen mededeelden, herinnert aan bestaanden strijd. Zij waren bedachtzaam en voorzichtig in hunne voorstellingen en uitdrukkingen. Zij wilden niemand met opzet kwetsen. Niettemin, zij zeiden wat zij dachten, wat zij hadden waargenomen. Yan Helmont schreef omtreut het bijbel-sche scheppingsverhaal; „Men bevindt hier dat de schep-pinge des hemels, der aerden en des waeters, was voor den dagh, en niet en is gereeckent onder de scheppinge der sester daegen: waerover nochtans Godt behaegt heeft te rusten den sevenden, die ten opzicht van de scheppinge des hemels, en der aerden schijnt by ons, en staet om bereeckent te wesen voor den achtsten dagh. Maer wy moeten ons verstandt bevangen tot onderdaenigheyt des geloofsquot; Simon S te vin was in zijne geschriften vóór-noch tegenstander van het stelsel van Cope rn i cus, „toch hield hij het voor zich persoonlijk voor zoo waar, dat hij er minder eene nieuwe vinding inzag, dan een terugvinden der volkomen kennis, die vroeger, in een idealen voortijd, het eigendom der mensehen geweest wasquot; 2). Christiaan Huygens wist, in weerwil van den tegenstand, dien Copernicus' stelsel nog altijd ondervond, den grootsten wachter en den ring van Sat urn us te ontdekken. Terecht zegt Busken Huet: „het aan de Leidsche universiteits-bibliotheek door hem gelegateerd

') J. B. van Helmont, Dageraad ofte nieuwe opkomst iler geuees-konst. Naeranus te Ilotterdam. 1660. bladz, 60.

^ Busken Huet, Het Land van Rembrand. II. 3. 47. Capelle, Bijdragen tot de gesch. der Wetenscliappen en Letteren in Nederland. 1. 62.

ocr page 308

planetarium is eene dagteekeriing. Even kinderachtig als heden ten dage dit toestel schijnt, vrucht van Huygens' eigen hande-arbeid, tven belangrijk wordt het, wanneer men het beschouwt als een hoofdstuk uit de geschiedenis der beschaving in ons landquot;1). Hoewel Swammerdam in alles den vinger Gods zag2), was deze voor hem toch geen beletsel om met grenzenloos geduld lucht, water, aarde, land, veld, boscli, duin, enz. te doorzoeken en daarin „meer, sekers en waaragtigsquot; te ontdekken „dan de bekende schrijvers van alle de eeuwen te samenquot; 3), of wel om uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een vlinder de overeenkomst af te leiden, niet alleen met het „aangroeyen der andere dieren, maar ook met het uytpuylen ende knoppen der planten ende bloemen, dat we tegen het algerneene gevoelen Iclarelyk bevinden, deselve niet verwonderlyker als eenige andere verwisselingen, ofte de genoemde verandering der planten te wesenquot;3).

Een ander, nog sterker bewijs voor onze stelling, dat de natuurwetenschappen weinig van dien theologischen geest te lijden hebben gehad, is, dat Boerhaave wel zijne loopbaan als predikant gesloten zag, omdat hij onder verdenking van spinozisme lag, maar niet die als geneesheer en natuurkundige, en bovendien, dat hij tot hoogleeraar werd benoemd, ondanks het feit, dat hij aanvankelijk tot de school van Descartes behoorde0). Dezelfde onderscheiding viel 's Grra vesan d e te beurt, niettegenstaande hij zeer tegen den zin van onverdraagzame geestelijken zijn

1

') Busken Hu el, Het Land van Rembrand. 11. 2. 51.

2

'') 1? o er li a a v e, Leven van S w a m in e r d a m.

3

) Bybel der Natuure. 5.

) B o e r li a a v e, Dispulatio iuauguralis de dislinctioue mentis a corpore.

ocr page 309

278

eigen denkbeelden had van f!e zedelijke vrijheid en onder de wijsgeeren het meest Locke waardeerde1).

Toen nu in het begin der 18de eeuw zich tal van nieuwe denkbeelden uit Frankrijk over Europa verspreidden, Aron-den deze hier in het land der vrijheid, met zijne liefde voor de wetenschap en door zijne betrekking met de vele Fransche uitgewekenen 3), een geschikt en goed voorbereid terrein ter ontwikkeling-.

o

Hier meer, daar minder is daarvan een goed zichtbaar spoor achtergelaten. In zeden, gewoonten en levensbeschouwing volgde men Frankrijk na. Evenals daar trad ook hier de natuurwetenschap uit den kring, waarin ze tot nog toe uitsluitend hare beoefenaren vond 3). De Fransche lectuur, waarmede Nederland werd overstroomd, deed wel is waar aan den eenen kant eenigermate en voor een wijle afbreuk aan den oud-Hollandschen eenvoud en degelijkheid, zij verruimde echter aan den anderen kant den blik, verbreedde den horizon onzer kennis, kweekte belangstelling voor de natuurwetenschappen, ook in die kringen, waar zij nog niet was doorgedrongen, en bracht ten slotte meerdere vrijheid in de bekrompen wereldbeschou-

'l Collo t d'Escury, Holland's Roem. V. 334.

-) De invloed der Fransche uitgewekenen acht van Kampen zoo groot, dat hij hierin de verklaring vindt van het staatkundig raadsel, hoe Holland, na een bijna onafgebroken veertigjarigen strijd met Frankrijk, (1672—1713) waarin tweemaal 's lands bestaan op het spel stond, en haat tegen Frankrijk de algemeene leus was, na een vijfentwintigjarig verbond met Engeland, waarin beide Inndeu onder verschillende titels één vorst, Willem ILI, erkenden, zulk een overdreveue gehechtheid aan de Fransche letterkunde betoonde, en de Engelsche, welke toen het toppunt van haren luister bereikte, nauwelijks bij name kende. (Van Kampen, Gesch. der Nederlandsche letteren en wetenschappen. I. 311).

3) Privaat-personen legden kostbare bibliotheken of nahiur-historische verzamelingen aan. Jonge dames kortten zich den tijd met het microscoop.

ocr page 310

27'J

wing der theologen. De tegenstanders van de nieuwe denkbeelden legden allengs hei; hoofd in den schoot of verzoenden er zich mede. De strijd tusschen voor- en teamen-

*' O

standers van de cartesiaansche wijsbegeerte verminderde langzamerhand in hevigheid. In het algemeen, maar vooral in de beoefening der natuurwetenschappen, in het bijzonder van de schei-, natuur- en sterrenkunde, is die nieuwe richting zichtbaar. De natuurbeschouwing van Newton, in zijn eigen geboorteland betrekkelijk nog weinig bekend, vond hier warme voorstanrlers en uitgebreide toepassino-.

Onder de natuurkundigen, die het meest daartoe hebben bijgedragen, behooren ; Boer h a a ve, 's G r a ve s an d e, M u s s c h e n b r o e k en later ook Lulofs, P. Nieuwland, ^an Ma rum, Van S win den en meer andere, in do geschiedenis der natuurwetenschappen bekende, personen. B o e r h a a v e, sGrravesande en M u s s c li e n b r o e k omhelsden haar niet alleen, maar droegen haar ook openlijk voor !).

Op dien hechten grondslag, ten deele reeds in de eeuw gelegd, rees nu langzamerhand bet gebouw omhoog, dat een sieraad is geworden van de daarop volgende. En naarmate de muren omhoog stegen, het gebouw scherper werd belijnd, nam de belangstelling toe, werd de deelneming in het werk grooter en algemeener. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. De nog steeds klimmende weivaart der burgerij 2) schiep de mogelijkheid om naar het voorbeeld van Frankrijk, wier invloed na den Utrechtschen vrede nog toenam, zich

') Boerhaave, Oratio de comparando certo in pliysicis. 1715.'s Graves au de, lutroductio ad Philosophiam Newtonianam. 1731. Mus-sche iibroek, Heginsels der Natuurkunde. 173ü.

-) De stand der Hollandsclie scimldbrieveii was destijds llü procent. Van Kampen, Cresoh. der Nederl. letteren en wetenschappen 11. So.

ocr page 311

280

ook op de beoefening der natuurwetenschappen toe te leggen. De luister, welke destijds van de Leidsche universiteit afstraalde, trok aller aandacht tot zich I)e talrijke en verrassende ontdekkingen op het gebied der eiectriciteit en der scheikunde prikkelden bovendien de weetgierigheid dermate, ,dat zij tot nieuwe onderzoekingen aanspoorden of althans belangstelling en medewerking in ruimen kring opwekten. En wil men het bewijs? men leze de werken van deze voortreffelijke mannen: „Nooit heeft menquot; — zoo luidt het in de voorrede van M usschenbroek's Beginsels der Natuurkunde — „in liet vereenigd Nederland meer liefhebbers der Natuurkunde ontmoet, dan in onzen tegen-woordigen tyd; want niet alleen bloeit deeze wetenschap onder de meeste Greleerden, maar ook by veele voornaame Kooplieden en menschen van allerlei rant/ on waardigheidquot; 1). Kenmerkend voor dien lijd is ook het feit, dat Mus-sch en broek in de Introductio ad Philosophiam natura-lem met groote ingenomenheid vermeldt, dat zijne echtge-noote hem bij zijne electrische proeven en onderzoekingen behulpzaam was2). Doch het sterkste bewijs van de snelle vooruitgang der natuurwetenschappen in ons land, in dien tijd, is wel dit, dat, terwijl in 1721 de Hollandsche vertaling van '0 G ra vesande's leerboek, wegens te geringen aftrek, onvoltooid bleef, Musschen broek, vijftien jaar later, op veler aandrang zich genoopt zag, een oorspronkelijk werk over natuurkunde, de meer gemelde „Be-

19

1

-) P. van Mussclienbroek, Beginsels der Natuurkunde, 2e druk, Leyden 173Ü, waar by gevoegd is eene beschryving der onlangs uitgevonden luchtpompen met liaar gebruik tot veele proefnemingen door J. v. M. — (Jan van -Musschenbroek).

2

) Vol. I. 316. Fideliter me in iis experimentis adjuvit.

ocr page 312

281

ginselsquot;, in het Nederlanclsch te schrijven en dat dit werk binnen drie jaar herdrukt werd. Het is om diezelfde reden, dat Allamand1) van Boerhaave's Elementa Chemiae een Fransche vertaling bewerkte, dat P. Nienwrland en J. R. Dei man zich later gedrongen voelden om in eene populaire verhandeling het stelsel van Lavoisier te verklaren 2), dat Kas t e leij n 3)en van Werkhoven3) elk een Nederlandsch tijdschrift oprichtten, waarin schei- en natuurkundige onderwerpen werden besproken, en eindelyk, dat ook andere ISTederlandsche tijdschriften zich daarvoor beschikbaar stelden 4). De oprichting en instandhouding van onderscheidene geleerde genootschappen5) is aan dezelfde omstandigheden toe te schrijven. Zij voorzagen in eene behoefte.

Dat deze begeerte naar kennis van de natuur niet voort-

1

1) Allamand, Élemens de clmnie par Boerhave. (1744).

2

1 P. J. kasteleijn. Chemische en Physische Oefeningen. (1793).

3

*) P. van Werkhoven, Nieuwe Chemische en Physische Oefeningen, (1793).

4

) Hedendaagsche Vaderlandsche Letteroefeningen. Algemeene Konsten Letterbode. Algemeen Magazijn van Wetenschap, Konst en Smaak. (1788).

5

) J)e Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem is opgericht in 175-3; het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1773; het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg in 1705; Teylers 2e Genootschap te Haarlem in 1778; het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte te Rotterdam in 1709; het Genootschap „Concordia et Libertatequot; te Amsterdam in het jaar . . . ?

ocr page 313

282

sproot uit nieuwsgierigheid en liefhebberij, maar inderdaad uit liefde voor de wetenschap zelve, kan blijken uit het persoonlijk aandeel of den stoffelijken steun van hen, die in engeren zin niet tot den kring van geleerden behoorden.

Allen te vermelden, die zich hieromtrent, in dien tijd, op een of andere wijze verdienstelijk hebben gemaakt, is een onbegonnen werk. Bepalen wij ons daarom tot enkelen, die zich bijzonder hebben onderscheiden, o. a. : Jan van Musschenbroek, den bekwamen, en vindingrijken instrumentmaker, den man, die, enkel op mondelinge opgaven van 's G r a v e s a n d e, alle, door dezen ontworpen toestellen, zóó voortreffelijk wist samen te stellen, dat zij destijds niet alleen aan het doel beantwoordden, maar ook nog in onzen tijd voldoen en door geene andere van nieuwere constructie zijn vervangen1); George Clifford, den vriend en beschermer van Linnaeus; Cunaeus den Leidschen dilettant, wiens naam aan de geschiedenis van de ontdekking der Leidsche tlesch verbonden blijft; Pie ter Teyler van der Hulst, den stichter van de naar hein genoemdeHaarlemsche inrichting; Hendrik en Thomas Hope, Hendrik en Petrus Muil man, Petrus de S m e t h en W i 11 e m S i x, de warme vereerders van het Am-sterdamsche Gezelschap van „Hollandsche Scheikundigen '2)

19*

1

) P. L. Eijke, Levenschets vau 's Gravesande. Album der Natuur 1879. blz. 77. De werktuigen van 's Gravesande zijn nog te Leiden voorhanden.

2

) Aan de uitgave van de meer gemelde Recherches Physico-Chymiques laten de „Hollandsche Scheikundigenquot; de volgende opdracht aan de boven genoemde heeren voorafgaan;

Messieurs!

Nous vous oftrons les prémices d'un travail entrepris sous vos auspices, et soutenu par vos secours. S' il est juge pouvoir contribuer en quelque chose aux progrcs des sciences utiles, c'est a votre zcle pour ces sciences qu'on en sera redevable.

ocr page 314

283

en eindelijk den „primus inter paresquot;, Adriaan Paets van Troostwijk, den Amsterdamsehen koopman, den man, die zich van dilettant tot een degelijk en zelfstandig waarnemer wist te ontwikkelen, wiens hulp en voorlichting onophoudelijk werd ingeroepen, den vriend en zeer gewaardeerden medewerker van Dei man en van Mar urn.

De ontwikkeling der natuurwetenschappen, in het bijzonder der scheikunde, wortelde echter niet enkel in de vrijheidsliefde, zelfstandigheid en onafhankelijkheid, maar vond tevens haar steunpunt in den toenmaligen toestand der scheikunde zelf, alsmede in den aard en het karakter van

het Nederlandsche volk.

In het begin der 18de eeuw bestond onder de beoefenaars der chemie nog tweeërlei richting. De eene behoorde tot de school van de le Boë Sylvius, die aan de scheikunde eene overwegende rol toekende als toepassing op de geneeskunde, de andere tot die van Boerhaave, die met alleen de dwaalbegrippen der chemiatrische school bestreed, maar wien het bij die studie allereerst en voornamelijk te doen was om het zuiver weten en die in den geest van Boyle de chemie als zelfstandige wetenschap beoefende1). Evenals in eiken anderen tak van wetenschap, volgde Boerhaave zijn eigen weg. Niet alleen op geneeskundig, ook op scheikundig gebied was hij het met Stahl oneens. Hij behoort tot de weinigen, die zich niet bij de phlogistici aansloten. De phlogistontheorie schijnt hem al zeer weinig belangstelling te hebben ingeboezemd. In zijne Elementa Chemiae gaat hij Stahl en zijn theorie met een paar woorden voorbij, terwijl Boyle er. van Hel mout uitvoerig worden besproken.

Voor een man als Boerhaave, behoeft ons dit met te zeer te verbazen. Voor hem, die een afkeer had van diep-

1

Oratio de Chemia suos errores expurgante. Elementa Chemiae,

ocr page 315

284

zinnige redeneeringen en theoretische beschouwingen, die verschillende dwalingen langs proefondervindelijken weg bestreed en een warm voorstander was van de inductieve methode, bevatte de theorie van S ta h 1 zeer zeker te veel punten, welke door geen bewijzende proefnemingen waren gestaafd, of — wat nog klemmender is — die hij in strijd achtte met zijn eigen voortreffelijke beschouwingen en waarnemingen over het vuur. Da gevolgen hiervan zijn niet uitgebleven. In Nederland heeft do phlogiston theorie nooit recht gebloeid. Van den eenen kant was daarvoor Boerhaave's gezag en invloed te groot, van den anderen kant kan men veilig aannemen, dat hij de stof op het punt der verbrandingsleer en der warmte voor dien tijd genoegzaam had uitgeput, zoodat daaromtrent vooreerst geen nieuwe gezichtspunten waren te verwachten. Op dien grond is het dus zeer verklaarbaar, dat men, in afwachting van betere tijden, het quaestieuse punt liever liet rusten, dan zich in beschouwingen te verdiepen, welke niet proefondervindelijk waren te bewijzen. En werkelijk, op Boerhaave volgt een tijdperk van rust, dat eerst met de zoogenaamde pneumatische periode eindigt. Toen echter door de ontdekkingen van Black, Priestley, Scheele en Cavendish tal van nieuwe gezichtspunten werden geopend, stonden de Nederlanders weer in de voorste ryen en deden zij zich, èn in karakter, èn in aanleg, on in methode op nieuw weer kennen als leerlingen van Boerhaave.

Karakter en aanleg spiegelen zich af in hunne sobere, maar nauwkeurige wijze van voorsteilen, in hun afkeer van afgetrokken en diepzinnige beschouwingen. Hun methode leeren wy kennen uit de nauwkeurigheid, waarmede zij hunne proeven verrichtten en uit de juistheid en onbevangenheid, waarmede zij daaruit gevolgtrekkingen afleidden.

ocr page 316

285

Bij de behandeling van de verschillende onderwerpen is herhaaldelijk aan het licht getreden, datde Engelschen, ten opzichte van het aantal proeven, alle anderen in de schaduw stelden. De beteekenis van een experimentator hangt echter niet af van het aantal, maar wel van den aard zijner proeven. Alleen hij, die ze zoodanig weet te nemen, dat zij antwoord geven op een scherp gestelde vraag, en die uit eene reeks van proeven, juist die weet te kiezen, welke aan het oogmerk voldoet, kan aanspraak maken op den naam van wetenschappelijk waarnemer. Van dit standpunt beschouwd, is het niet twijfelachtig aan wie de eerepalra moet worden uitgereikt. Als proefnemers in laatstgemelden zin behooren de Hollandsche scheikundigen onmiddellijk naast die van Frankrijk te worden geplaatst. Hunne beteekenis voor de theorie van Lavoisier ligt dan ook minder in het aantal proeven — ofschoon dit nog altijd een eerbiedwaardig cijfer bereikt — dan wel in het talent om ze zoodanig in te richten, dat ze beslissend waren. Wel waren zij eenigszins langzaam in hunne beweging, doch zij stonden nooit stil, nog veel minder behoefden zij op hunne schreden terug te keeren. Met iederen stap brachten zij de wetenschap vooruit. Geen enkele van onze natuuronderzoekers maakt daarop uitzondering. Aan het talent van proefnemen paarden zy niet enkel het vernuft om doelmatige toestellen uit te denken, maar ook om ze te vervaardigen. Men denke hierbij al wederom aan Swam-m er dam, die zelf zijn glazen toestellen blies, zijne mesjes vervaardigde, waarmede hij zoo menig insect ontleedde; aan van Leeuwenhoek, die zelf zijne vergrootglazen sleep, waarmede hij de wereld der microscopische wezens ontdekte; aan Chr. Huygens, die reeds als jongeling aan de draaibank stond; aan Boerhaave, 'sGrave-sande, de beide van Musschenbroeken en ook aan van Marum,.Nabuys, van Mons en de „Hollandsche

ocr page 317

c28()

Scheikundigenquot;, die, naar wij hierboven zagen, zelf hunne toestellen maakten, welke zoo voortreffelijk waren, dat zij nagemaakt of ontboden werden en waarmede zij zulke overtuigende on sprekende proeven verrichtten. Behalve die vaardigheid en geoefendheid beschikten zij over eene kennis van het materiaal, die hen alle moeilijkheden deed overwinnen. „Nooit staan hunne handen verkeerd, zij weten zich met de eenvoudigste hulpmiddelen te redden en daarvan wetenschappelijke instrumenten te maken. Zij weten met de zaag te boren en met de boor te zagen, met het mes te schiijven en met de pen te snijdenquot;1). Hun geduld en volharding waren onuitputtelijk. En indien — zooals Buffon zegt — geduld genie is, dan waren zij in dit opzicht niet misdeeld. Zij ruftten niet voordat het onderwerp, dat zij in onderzoek hadden genomen, tot een goed einde was gebracht. Wij herinneren hier aan de bekende proeven van Boerhaave omtrent de vermeende transmutatie van kwik; aan die van van Mons betreffende de reductie van het kwikoxyde; aan die van van Marum omtrent het lichten van phosphorus in eene luchtverdunde ruimte en aangaande de reductie van metaaloxyden door middel van electrische ontladingen 2); aan die van de „Hollandsche Scheikundigenquot; :

1

!) Handelingen van liet le Natuur- en Geneesk. Congres, gehouden te Amsterdam op 30 Sept. en 1 Oct. 1887. Haarlem, 1888. bladz. 23. (Openingsrede van Prof. B. J. Stokvis).

2

van liet le Ned. Natuur- eu Geneesk. Congres. 1. c. bladz. 71.

ocr page 318

287

Deiman, Paets van Troostwijk, Nieuwland, Bondt en Lauwerenburg met betrekking tot de ontleding van water door de electrisclie vonk, de enkelvoudigheid der stikstof en meer andere proeven. Hun ijver grenst aan het ongeloofelijke. Als wij nagaan, wat een klein aantal mannen, in een tijdsbestek van slechts twintig jaren, heeft tot stand gebracht, dan wordt verklaarbaar, waarom „devreemdelingenquot;— zooals Jeronimo de Bosch in zijn lofrede op D e i m a n aangaande het Gezelschap der „Hollandsche Scheikundigenquot; vermeldt — „dit Gezelschap, bestaande uit: J. R. Dei man, A. Paets van Troostwijk, P. Nieuwland, N. Bondt en A. Lauwerenburg, beschouwd hebben als eene groote Maatschappij van Natuurkundigen, waarvan zij begeerden medeleden te worden, niet kunnende denken, dat zulke uitgezochte stukken, niet dan nieuwe en onbekende proefnemingen behelzende, de vrucht van den arbeid kon zijn van zoo weinig personenquot; 1).

Doch, al verbaasden zij de wereld door hunne kennis, toch bleven zij eenvoudig en bescheiden. Met weinig wooiden, nog liever door een proef, antwoordden zij op gemaaakte bedenkingen. ïsooit was het hun te veel om een onderzoek weer van meet af te beginnen. Altijd hadden zij tijd en gaarne brachten zij een geldelijk otter, als het hun geliefkoosde wetenschap gold. Liet de proef hen in den steek, dan wisten zij geduld te oefenen en betere tijden af te wachten. Toen Boerhaave een oordeel velde

1

) Jeroniino de 1'osc'n. Tjofrede op J. 11. Deim:in, uitgesproken in liet Genootschap Concordia et Libertate, 2l.) Maart 1SÜ8. blad:;. 21. H. V. M. van den Horn v. d. Bos, De Nederlandsche Sclieikundigen in liet laatst der voorgaande eeuw. J. E. Doornik, JanKud. Deiman gedacht in eene redevoering voorgelezen in eu uitgegeven door de Am-iterdamsche afdeeling der Holl. Maatschappij van fraaije Kousten en Wetenschappen. 1S08.

ocr page 319

288

over de alchemie, schreef hij: „Ubicunque Alchemistas capio, video ipsos simplicissimam veritatem nudissimis verbis tlescribere nee fallere, nee errare. Qnando igitur ad ilia loca parvenero, ubi percipere nequeo, quid velint, cur falsi arguam eos, qui in arte se longe praestantiores dede-runt me ipsoquot;?1) Toen van Marum de theorie van Lavoisier uiteenzette, wist hij zeer goed, dat diens warmtetheorie het zwakke punt is. Daarom plaatste hij haar achteraan en niet, zooals Lavoisier deed, vooraan.

Opgevoed in de school van Newton, wars van bespiegelen op natuurkundig gebied en toegerust met de onmisbare eigenschappen van den experimentator, stelden zy vertrouwen in de proef. Zij lieten zich nooit in de war brengen, ook dan niet als eene proef andere uitkomsten opleverde, dan zij hadden verwacht. Treffend komt dit uit bij de reeds meer gemelde proeven van van Marum, maar nog meer — en dit is vooral van belang, omdat het rechtstreeks de verbrandingstheorie van Lavoisier geldt — bij de proeven van de „Hollandsche Scheikundigenquot; omtrent het branden van metalen in zwaveldamp. In weerwil dat dit verschijnsel rechtstreeks in strijd was met de antiphlogistische verbrandingstheorie, volgens welke licht- en vuurverschijnselen alleen bij verbinding met zuurstof konden te voorschijn treden, en in weerwil van het scherpe wapen, dat de tegenstanders daaruit smeedden eu tegen hen keerden, hielden zij vol, dat aan deze verbranding hetzelfde beginsel ten grondslag lag als aan die in zuurstof2).

Zij waren echter niet enkel practici bij uitnemendheid, pok in andere opzichten stonden zij zeer hoog. Hun kennis

') Elemeuta Chemiae. Lugd. 1733.

-) Zie hierover: H. P. M. v. cl. Hom v. d. Bos, De Nederl. Schei-kuudigèu van het laatst der voorgaande eeuw. G7—74,

ocr page 320

289

bleef niet beperkt tot het vak, dat zij beoefenden, maar strekte zich ook tot andere uit. Bovendien bezaten zij een meesterschap over de taal, eene belezenheid en eene uitgebreide kennis, welke die van de Fransche wijsgeeren nabij komen.

Huygen s, Boerhaave, 's Graves ande, Muss ch en-broek, van Marum, Ingenhousz, Nieuvvland en Dei man — om slechts enkelen te noemen — verbazen ons door hunne veelzijdigheid. Huygensen Boerhaave omvatten het geheele gebied der natuurwetenschappen. Boerhaave was geneeskundige, scheikundige, plantkundige en bespiegelend wijsgeer. 'sG rave san de was rechtsgeleerde, letterkundige en later hoogleeraar in de wis-, natuur- en sterrenkunde, in de logica en metaphysica M u s s c h e n-broek „bearbeitete das ganze Gebiet der Naturlehre itn weitensten Umfange und gewann hierdurch dieser quot;Wissenschaft eine Menge Verehrer, wie denn auch der reiche Schatz der durch ilim mitgetheilten Thatsachen, die Haupt-grundlage der meisten Werken über die Physik bildet, welche im achtzelmten Jahrhundert erschienen sind1). Van Marum was zoowel practisch als theoretisch in de schei- en natuurkunde ervaren. Ingenhousz, de ontdekker van de ademhaling der planten3), was geneesheer, scheikundige en physioloog. Nieuwland was mathematicus, astronoom, letterkundige en dichter tevens2), terwijl Deiman, behalve als practiseerend geneesiieer, zich ook als

1

) M. Treub, Ingenhousz. Gids. 1880. III. 498.

2

A) J. H. van Swinden, Lijkrede op Pieter Nieuwland op 24 December 1794 uitgesproken te Amsterdam in de Maatschappij //Felix Meritisquot;.

ocr page 321

290

scheikundige en bespiegelend wijsgeer heeft onderscheiden 1).

Daar ecliter de ontwikkeling van een volk niei enkel afhangt van zyn aard en karakter, maar ook van de plaats, waar het leeft en van de omgeving, waarin het is gevormd, zal, ter volledige beoordeeling van bet standpunt der Hollandsche scheikundigen, ook met deze factoren rekening moeten worden gehouden. Dit is te meer noodzakelyk, omdat Holland, een klein land, in sommige opzichten it! ongunstiger omstandigheden verkeerde, dan Engeland, Frankrijk en Duitschland. Een volk toch, dat slechts eene kleine plaats op de kaart van Europa inneemt en wiens taal tot het land zelf beperkt blijft, heeft zonder twijfel met veel meer bezwaren, met veel grooter moeilijkheden te worstelen, dan dat, hetwelk over eene veel grootere oppervlakte gebied voert en wiens taal ook buiten de grenzen van dat gebied wordt gesproken. Voor het laatste vloeien de verschillende bronnen veel milder, dan voor het eerste. Doch ook hierin hebben de Hollandsche scheikundigen voorzien. Dank zij hunne energie, is het hun gelukt ook deze belemmering uit den weg te ruimen, zich een toestand te scheppen, die hen ook in dit opzicht onafhankelijk maakte van anderen en van hunne eigen omgeving. Hiertoe werkte eene omstandigheid mede, die te allen tijde voor ons land van groote beteekenis is geweest.

') J. E. Doornik getuigde dienaangaande: Dezelfde man, die eenmaal de nagedachtenis, de verdiensten van den onsterfelijken La voi sier konde huldigen, omdat hij met de leer van denzelven ten volle bekend was, diezelfde man, dankbaar voor het licht, dat Kant ontstoken had, wilde aan de waereld een bewijs dezer dankbaarheid geven, en rigtte dat gedenkteeken op, (over de strekking en den geest der critische wijsbegeerte 1S05) waardoor hij ook zijnen roem, als wijsgeer, vestigde. (J. E. Doornik, J. 11. Deiman gedacht in eene redevoering, voorgelezen in en uitgegeven door de Amsterdainsche afdeeling van de Holl. Maatsch. van fraaije Konsten en Wetenschappen. 1S08. 43.

ocr page 322

291

De stoffelijke welvaart, die Holland in de 17« en 18e eeuw genoot, en welke — naar wij zagen — op zichzelf reeds aan de wetenschap ten goede kwam, de hooge rang, die het onder de Staten van Europa innam, waren zonder twijfel voor een goed deel het gevolg van onzen uitgebrei-den handel. Zal echter de handel bloeien, in omvang toenemen, dan is het een allereerst vereischte, dat de handeldrijvende natie met die, waarmede zij in betrekking staat, een onafgebroken verkeer onderhoudt, ten einde uit hare zeden en gewoonten de behoeften te leeren kennen of wel om nieuwe bronnen op te sporen. Dit verkeer legt echter weer nieuwe lasten en verplichtingen op, stelt weer nieuwe eischen. Het vordert namelijk een uitgebreide taalkennis en een meer dan gewone kennis van het land en het

volk zelf.

Voor een volk als het onze nu, wiens taal aan de grenzen ophoudt en dat omgeven is door andere, die zijne taal niet kennen, daaraan ook geene behoefte gevoelen, is het een gebiedende noodzakelijkheid — zal het niet bij andere achterblijven, — om zich op de kennis van vreemde talen toe te leggen, ten einde zich door eigen onderzoek en aanschouwing op de hoogte te kunnen stellen van alles, wat elders voorvalt en den handel of het bedrijf tot voordeel kan strekken. Dit hebben ook onze voorvaderen begrepen. Noch in het een, noch in het andere zijn zij te kort geschoten. Hun kracht hebben zij niet gezocht in afzondering. Integendeel, zij vertoonden zich overal, zij knoopten overal betrekkingen aan. En gold het hun handel of bedrijf, dan kon — schoon innig aan huis en hof gehecht — niets hen weerhouden; dan trokken zij overal heen, dan was geen reis te vermoeiend, geen volkjiun te vreemd of te verwijderd, geen taal hun te onbekend; dan

deden zij zich op nieuw weer kennen als zonen van het land,

dat een Heemskerk, een Barends, een Van Noord,

ocr page 323

292

een Houtman, een Koen en nog zoovele andere, voortreffelijke mannen voortbracht ; dan kenden zij geen vrees, dan wisten zy van geen vermoeienis, dan telden zij geen bezwaren, maar dan drongen zij overal door en, waar zij kwamen, slaagden zij.

Dat de geleerden hiervan den terugslag ondervonden, laat zich gemakkelijk begrijpen. Ook bij hen vindt men diezelfde eigenschappen terug. Ook zij staan onder den invloed van dezen zoo specifiek Plollandschen toestand. Van jongs af met vreemde talen vertrouwd, aan reizen en trekken en omgang met vreemden gewend, bezaten zij eene onafhankelijkheid, een gemakkelijkheid van beweging, een „savoir vivrequot;, waardoor zij zich nergens vreemd, maar terstond overal tehuis gevoelden. Te midden van den handel groot gebracht, zat de koopmansnatuur ook hun in het bloed. Zij wisten best, wat volharding en ondernemingsgeest vermogen. Zij begrepen zeer goed, dat er door wagen ook te winnen valt en dat het aanknoopen en onderhouden van betrekkingen met vreemde volken, dat voor hun handel zulke rijke vruchten afwierp, ook voor de vooruitgang der wetenschap onmisbaar is. Zij waren diep doordrongen van het gewicht om een onderzoek aan de bron zelf te beginnen. Daarom bleven ook zij niet tehuis, integendeel, zij trokken onophoudelijk her- en derwaarts om te verzamelen, te onderzoeken en te vergelijken. In hun woonplaats teruggekeerd, zetten zij het onderzoek voort en verbaasden den vreemdeling, zoowel door hun meesterschap over de taal, als door de veelzijdigheid hunner ontwikkeling en de oorsponkelijkheid hunner gedachten. Menige trek uit hun leven kan dit bevestigen, menige bladzijde uit hunne werken strekke daarvan tot bewijs.

Boerhaave hield eene uitgebreide briefwisseling met alle beroemdheden van Frankrijk, Engeland, Duitschland

ocr page 324

293

en Zwitserland. 'sGrravesande stond ook als letterkundige hoog aangeschreven. In die hoedanigheid maakte hij als eerste secretaris deel uit van het buitengewoon gezantschap, naar Engeland gezonden, om de Staten-Generaal bij de kroningsplechtigheid van George I te vertegenwoordigen Musschenbroek verstond Fransch, Hoogduitsch en Italiaansch, bekleedde het hoogleeraarsarnbt te Duisburg 1) en ondernam na zijne promotie eene wetenschappelijke reis om in Londen de lessen in de physica van Desa guliers bij te wonen en Newton's leer te bestudeeren, tot wier verspreiding hij later, evenzeer als 's Gravesande, heeft bijgedragen2). Ingenhousz leefde geruimen tijd in Engeland, ging in de glansperiode van Lavoisier naar Parijs en werd op lateren leeftijd lijfarts van Maria The res ia. Van Marum schreef zijne verhandelingen, behalve in hot Nederlandsch, ook in het Fransch en hield na zijn bezoek te Parijs briefwisseling met Lavoisier. Dei man, studeerde en promoveerde te Halle en gaf later met de overige „Tlollandsche Scheikundigenquot; „de Recherches Physico-Chimiquesquot; uit. Nieuwland's talent om vreemde talen te leeren, is algemeen bekend. Hij verstond niet alleen de Latijnsche en Griekache taal volkomen, maar correspondeerde tevens met het grootste gemak in het Fransch, Hoogduitsch, Engelsch en Italiaansch ^*). K as tele ij n en Van Werkhoven, redigeerden elk een Hol-

1

) De groote Keurvorst stichtte hier in 1653 eene Universiteit, die in 1818 werd opgeheven.

2

) Suringar, 1. c. II. 275.

lt;) Van Swinden verzekert, dat Nieuwland, in weerwil dat hij die talen niet had bestudeerd, ook Zweedsch, Spaansch en Portugeesch verstond. (Van Swinden Lijkrede op Pieter Nieuwland. 133).

ocr page 325

294

landsch tijdschrift, waarin verschillende stukken, uit bui-tenlandsche geschriften overgenomen, voorkomen. Het verslag, dat van S wind en „le savant Hollandaisquot; met Aeneae, door de Bataafsche Republiek naar Parys afgevaardigd, ter vaststelling van een algemeen stelsel van Maten en Gewichten, aan het Instituut van Kunsten en Wetenschappen en later aan het Wetgevend Lichaam uitbracht, werd door zijne medeleden geroemd als „un modèle de la perfection dans l'art d'expliquer leur travaux, de les faire comprendre móme aux personnes, qui n'ont point spécialement cultivé les sciencesquot;1). De Fremery en van Werkhoven gaven eene Hollandsche vertaling van Lavoisier's Traité élémentaire de chimie in het licht.

Maken wij ten slotte, met betrekking tot de scheikundigen van de landen in de prijsvraag aangeduid, voor die van Nederland de balans op, dan is het aanzienlijk batig slot, dat in ons voordeel geboekt staat, uitsluitend toe te schrijven aan de boven vermelde eigenschappen en toestanden. Zeer zeker vond men ook elders enkele of meer van dergelijke toestanden en eigenschappen terug, maar nöch in Duitschland, noch in Engeland vindt men zulk een onafgebroken en harmonisch geheel als hier on in Frankrijk.

Van de Duitsche scheikundigen onderscheidden die van Nederland zich door grooter zelfstandigheid, onafhankelijkheid en vrijheid; van de Engelschen en Duitschers door uitgebreider kennis van vreemde talen, door veelzijdiger ontwikkeling, door grooter belangstelling in alles, wat elders op wetenschappelijk gebied voorviel. Met de Fran-schen daarentegen kwamen zij overeen in scherpzinnigheid,

') Het verslag is in liot Fransch gesteld. Album der Natuur. Je au Henri van Swindeu door P. v. Geer, 1881. bldz. 19.

ocr page 326