IETS OVER DE VOLKENRECHTELIJKE INTERVENTIE.
PEDRUKT BIJ jI )I pltOBN I E f,BIDEN.
Iets over ile VolkeDreclitelpe lüterveötie.
FROEFSCHIRIFT
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
Ifdrtoc iit tk I}trl)t3wctïlt5rl|iilt
AAN DE RIJKS-UNIVEESITEIT TE LEIDEN,
OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS
Mr. P. A. VAN DER LITE,
HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID,
VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op Woensdag G Maart 1895, des namiddags ten 4 ure,
DOOR
jfOHAN ^AUL YAN j^IMBURG JSTIRUM,
GEBOREN TE ZWOLLE.
LEIDEN. â II. KLEYN. 1895.
INLEIDING.
In den nog niet geëindigden oorlog tusschen China en Japan is zeer dikwijls sprake geweest van eene interventie der mogendlieden, al is het tot heden (1 Febr.) daartoe nog niet gekomen. Reeds den 17den October van het vorige jaar berichtte een agentschap te Londen dat het door zijn onderzoek tot de overtuiging was gekomen dat eene interventie van de Enropeesche mogendheden in Japan eene hoogst gevaarlijke beweging tegen do vreemdelingen zoude doen ontstaan.
In het Journal des Débats van 20 October 1894 vernemen wij uit een telegram dat China bereid is te onderhandelen, maar ook niet tegen een langdurigen oorlog-zoude opzien wanneer de vredesvoorwaarden te bezwarend waren; dit duidt dus op eene neiging van dien kant om te trachten door Enropeesche hulp de eischen van Japan zooveel mogelijk te beperken. De
Daily News van 19 Oct. berichtte echter dat het gerucht,
i
2
als zoude de Engelsche ministerraad de mogendheden tot eene interventie uitgenoodigd hebben, onjuist was; liet eenige wat hij gedaan had was de mogendheden uitnoodigen gezamenlijk vredesvoorstellen aan Japan te doen. Waarschijnlijker komt het mij voor dat Engeland's voorstellen schipbreuk' hebben geleden op Dintschland's onwil; dit land toch onderhoudt met Japan uitgebreide handelsbetrekkingen. Hoe dit zij, de Times van 20 Oct. zegt in een artikel over die interventie, dat het volstrekt niet zeker is dat eene tussclienkomst der mogendheden gewenscht zoude zijn; het eenige wat nuttig en rechtmatig zoude wezen ware eene aanbieding van bons ofli ces door de Europeesche mogendheden om de onderhandelingen tot oen goed einde te brengen.
Ook in de binnenlaldsche bladen â voornamelijk do N. li. Ct. â werd deze interventie besproken. Prof. Scin.KtiKi, deed zich in het nummer van 18 Nov. 1894 als een groot voorstander van eene interventie, ten behoeve van China, kennen. Zijn voornaamste argument echter â dat China nooit iets anders begeerd had dan rustig te leven en dus Japan's toerustingen ongemotiveerd waren â is dezer dagen gebleken aan twijfel onderhevig te wezen, en verder vind ik in des hoogleeraars betoog ook geen rec/i/.sgrond waarop eene interventie zoude kunnen steunen. Liever sluit ik mij dan ook aan bij den lieer Pompe
van Meerdervoort, waar hij er op wijst dat men hier hetzelfde geval heelt als in den Fransch-Duitschen oorlog van 1870 en dat dus den Japanners evenveel vrijheid dient te worden gelaten als aan den Europeeschen overwinnaar.
Hoe dit zij, de oorlog van welken ik gewaagde, heeft opnieuw op het vraagstuk der interventie de algemeene aandacht gevestigd en over liet recht en de noodzakelijkheid van dit institnnt strijd uitgelokt. Het worde hieruit verklaard dat illt; besloot voor mijn proefschrift de leer der interventie tot stof to kiezen.
HOOFDSTUK 1.
Even goed als in liet dagelijksch leven tusschen individuen rechten en verplichtingen bestaan, kant men deze ook in de betrekkingen tusschen de volkenrechtelijke personen, de staten. Bij liet bespreken van deze rechten, waartegenover dan evenveel plichten staan, nomen de schrijvers bijna zonder uitzondering eene verdeeling in absolute en relatieve (door toevallige omstandigheden ot toestanden geboren) rechten aan.
Om van deze laatste categorie, als hier van minder belang, niet te spreken, treilen wij onder de eerstgenoemde als voornaamste aan dat op eigen behoud en dat op onafhankelijkheid of souvereiniteit. Tegenover elk recht staat echter eene verplichting en zoo kunnen de staten dus ook niet van hunne rechten gebruik maken zonder tegenover elkaar de op hen rustende verplichtingen na te komen. Maar welke is de sanctie dier rechten on verplichtingen? Do staten hebben geen
5
meerdere die boven hen stuut; een uitperste gezag met de bevoegdheid voor de naleving hunner verplichtingen te waken ontbreekt; op hen alleen rust de taak te be-oordeelen, wat hun te doen of natelaten staat, üe eenige sanctie die bestaat, is de vrees voor represaillemaatregelen. Feitelijk is dus een staat alleen aan zicli-zell' verantwoording schuldig en steeds bevoegd een toestand van vrede te verbreken om tot den oorlog over te gaan; maar hiertegen wordt met recht aangevoerd dat hij dan in een voortdurenden toestand van oorlog zou verkeeren. Op dezen grond kan men dus toch veilig van rechten, al zijn die dan ook niet volkomen, spreken.
De basis van al deze rechten is dan zeker wel dat op zelfbehoud, ja zelfs is dit wellicht een plicht, daar het eene noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan is.
Dit zelfbehoud bestaat echter niet alleen in het zicii handhaven in de stellling die men inneemt, maar even-zeer in den plicht, zich door voortdurende ontwikkeling tot een hooger standpunt op te werken, echter onder de mits, dat het geschiede zonder het recht van een ander aan te tasten. Een der voornaamste middelen, strekkende tot het behoud van den staat, bestaat in het afweren en in het voorkomen van eiken aanval, zoodat men niet alleen het recht moet erkennen zich te verdedigen tegen een aanval die reeds werkelijkheid is ge-
ü
worden, maar evengoed om alle voorzorgsmaatregelen te nemen die een dreigenden aanval zouden kunnen voorkomen. Gewoonlijk echter gaat men in het laatste geval niet tot krasse maatregelen over dan na eerst vriendschappelijke ophelderingen te hebben gevraagd. Evenwel, van het recht om zich in een voldoenden toestand van tegenweer te brengen kan men afstand hebben gedaan, zooals België in 1831, (zie ook de bepalingen van het tractaat van Berlijn, Juli 1878, wat betreft versterkingen bij Samakow). Bij liet nagaan van wat noodig is tot het behoud van den staat, stuit men ook op de vraag, of eene mogendheid het gebied van eene nabuur mag betreden wanneer het grondgebied dezer laatste tot verblijfplaats dient voor personen die tegen baar politieke rust samenspannen; deze quaestie ontmoeten wij echter later nog. Wat het recht op uitbreiding betreft, het gevoelen van Pinheiuo-Fekreira (in de noot bij Vatïkl II p. 388) schijnt het juiste, n.1. dat eene uitbreiding ten koste van het grondgebied van eene naburige mogendheid ongeoorloofd, eene machtsvergrooting echter, uit-sluiiend het gevolg van b. v. eene uitbreiding van den handel of verandering van wetgeving, volkomen rechtmatig is. De vraag of een staat gerechtigd is de rechten die hij zelf bezit ook voor een ander te verdedigen vindt later nog bespreking.
7
liet is hier, dunlvt mij, de plaats een enkel woord te wijden aan het systeem, genaamd het politiek evenwicht, d. i. eene dergelijke verdeeling van macht tusscher. de verschillende staten, dat geen van hen in staat is de onafhankelijkheid van een anderen te vernietigen. Dit wil niet zeggen dat men de bedoeling ooit heeft gehad, zooals Hendrik IV aan 't eind der 10Jo eenw, om aan alle staten een even groot grondgebied toe te kennen; maar om op een zeker oogenblik tusschen een bepaald aantal staten een voldoende evenwicht tot stand te brengen door het verdoelen en samenvoegen der verschillende machten en belangen. Hoewel dit systeem reeds zoo oud is als de wereld, wordt toch gewoonlijk de vrede van Westfalen als de basis van 't politiek evenwicht beschouwd, die een einde maakte aan den overheerschenden invloed van het Oostenrijksche Huis. Weer vinden wij datzelfde streven terug in den vrede van Utrecht, 1713, die aan Lodewijk XlV's veroveringen en heerschzuchtige plannen een einde maakt. Het tractaat van Weenen, 1815, houdt zich aan dezelfde beginselen.
Het hoofdbezwaar dat men tegen dit systeem aanvoelt is, dat het staten behandelt als levenlooze voorwerpen, dus geen rekening houdt met hun ontwikkeling, noch met de bewegingen die hen voortdurend wijzigen. Wat
8
tic bewering aangaat dat mogeiulhedon van den tweeden rang veiliger zijn wanneer dit systeem consequent wordt toegepast dan wanneer zij geplaatst zijn tegenover enkele oppermaditigen, de ondervinding heelt geleerd dat eene vergadering van mogendheden niet meer eerbied heelt voor de onalhankelijkheid van eene kleinere zuster dan een alvermogend alleenheerscher. De voorstanders daarentegen willen geen gebreken zien in liet systeem, wel erkennen zij dat de toepassing dikwerf te wenschen overgelaten heelt. Volgens hen hangt het bestaan van oen staat nu niet zoozeer al' van zijn eigene middelen als van de plaats die hij inneemt in een wél ingericht systeem. Ook is niet iedere machtsuitbreiding van een staat een inbreuk op het politiek evenwicht, raaar slechts die, welke aan eene mogendheid een dergelijk overwicht zoude bezorgen dat zij gevaar oplevert voor de veiligheid en de onafhankelijkheid der andere staten. Daarom moet ook alles op zichzelf beschouwd worden en niet naar een algemeenen regel; zoo kan de verzwakking van een staat die als tegenwicht diende dikwijls veel gevaarlijker zijn dan de uitbreiding van een anderen.
Het beste middel om dit evenwicht te bewaren schijn-; het sluiten van verdragen door mogendheden die dezelfde belangen hebben; dat evenwel ook nog andere
9
middelen zijn aangewend urn tot dit doel te geraken zal later blijken.
Heet liet van den inensch «leguin servi sntnus, liberi ut simusquot;, de vrijheid van den staat is niet op deze wijze beperkt. Het gevolg hiervan is dat hij gerechtigd is zijne bestemming te vervullen zonder eenige inmenging van zijns gelijken, dat hij wetten kan geven en ze toepassen, in het kort alles doen wat hem voor zijn persoonlijk belang noodzakelijk schijnt, zonder eenige vreemde inmenging te dulden. Onafhankelijkheid mi is de vrijheid die vreemde tusschenkomst uitsluit, souvereiniteit is de vrijheid die zich uit door het naar eigen verkiezing regelen van zijn bestuur en zijne organisatie, het zelfstandig kiezen van de middelen, die kunnen strekken tot verhoogde welvaart en verzekering der veiligheid en inwendige orde. In tie middeleeuwen verstond men onder het begrip souvereiniteit, een gezag dat het hoogst in rang-was, onverschillig in welken kring, zoodat er dus ook slechts één souvereine staat bestaan kon, en dat was Duitschland als hoofd der christenheid. Later evenwel, toen de koning van Frankrijk en na hem meerdere andere Europeesche vorsten zich aan dat oppergezag onttrokken en zichzelf ook souverein noemden, ging deze opvatting verloren, waardoor men langzamerhand aan de beide
lu
uitdi'ukkiugen soli voruiii gezag en staatsgezag ééuc be-teekenis ging hechten. Wanneer men de verschillende constituties van den tegenwoordigen tijd raadpleegt dan blijkt dat souverein als een bloote titel beschouwd wordt zonder rechtsgevolgen (Proi. J. de Louter, K.A. v. \\ . '87).
Kan men staatsgezag deliniëeren als ))dat gezag, dat binnen de grenzen van een 'bepaald gebied (reëel) en tegenover de personen tot een bepaald verband behoorend (personeel) als het hoogste optreedt en mitsdien andei o-ezaü uitsluit of beheerschtquot;, het is beter souvereiniteit alleen van hare negatieve zijde te beschouwen en dan
den zin eraan te hechten van onafhankelijkheid, overeenkomende met de persoonlijke vrijheid van den individu.
Wanneer men nu, met het oog op dit onderscheid tusschen staatsgezag en souvereiniteit. eene vergelijking maakt van een bondsstaat met een statenbond, dan ziet men dat de eerste eigen onderdanen en directe wetgevende macht heelt en dus staats karakter bezit, teiwijl de leden dit gezag missen. In den statenbond daarentegen missen de leden ieder voor zich de souvereiniteit, maar behouden 't staatsgezag, daar hun onderdanen slechts regelrecht aan hun eigen wetgeving onderworpen zijn.
Vat men dus souvereiniteit op in den zin die er hierboven aan gehecht wordt, dan is het duidelijk, dat
11
men te doen heei't met een begrip dat niet in het staatsrecht, maar in het volkenrecht thuis behoort. Vandaar dan ook dat iedere staat gerechtigd is den bestaanden regeeringsvonn te wijzigen of door een anderen te vervangen â logische conclusie nit liet voorgaande, doch hoe dikwijls dit principe geschonden is zal later blijken â maar juist daarom, juist omdat het vanzelf spreekt dat democratische hervormingen in een land door naburige vorsten met een zorgelijk oog worden gadegeslagen, is het noodzakelijk het principe voorop te stellen dat elk volk meester is over zijn eigen lot. Hoewel bijna alle schrijvers dit dan ook doen, blijkt toch uit hun redeneeringen dat zij voor hunne eens genomen conclusie terugschrikken en daarom den regel door tal van uitzonderingen waardeloos maken. Zoo o. a de volgende schrij vers.
Vattel 1) stelt 't zooeven geformuleerde principe voorop, maar ontneemt daaraan alle kracht, door er bij te voegen, dat een vreemde mogendheid zich wel bemoeien mag met eene verandering van regeeringsvonn «wanneer zij er toe wordt uitgenoodigd, of als bijzondere redenen er haar toe noodzaken.quot; Het is duidelijk dat deze exceptie alles bederft.
') Vattel, Le druit dos gens, I, 4, § J7.
12
Zuo ook uk Ma kt kn's 1). Hij zegt dat iedere natie het recht lieei't zoowel van souvereiu of auder hoold, als van constitutie te veranderen, maar verloochent dit standpunt weder dooi' het volgende: «men moet toegeven dat er gevallen zijn dat vreemde mogendheden zich tegen dergelijke wijzigingen zouden kunnen verzetten, 'tzij omdat ze iu strijd zijn met rechten die haar in 't bijzonder zijn toegekend, 't zij omdat ze onvereenigbaar zijn met haar eigen veiligheid en behoud.quot;
Evenwel, het is hier nog niet.de plaats ile gevoelens van meerdere schrijvers omtrent dit punt in het licht te stellen, het zooeven geciteerde strekt dan ook alleen ter illustratie van de moeilijkheid gelegen in eene scherpe belijning van de kenmerken van Souvereiniteit.
De eenige restrictie die men aan het recht van souvereiniteit moet stellen, is dat een staat door haar uit te oefenen niet mag treden in de rechten van een ander: zoo zal eene natie b. v. niet behoeven te dulden dat een nabuur tracht haar bevolking tot emigreeren te bewegen.
Eene veelvuldig voorkomende beperking van het recht van souvereiniteit vindt men in de garantie-tractaten.
') G. F. de Marteks Précis du droit des geus moderne de 1'Europe III, 2, § 74.
13
Hiervan geeft Mtt.ovanowitcit de volgende definitie: «Les traités de garantie proprement dits (dat zijn de hier bedoelde, ter onderscheiding van accessoire) sont des traités par lesquels une ou plusieurs puissances s'engagent. soit a respecter, soit a la Ibis a respecter et a faire respecter un certain état de choses concernant la situation internationale on même la situation intérieure d'un on de plusieurs autres Etats.'quot;
Bij deze verdragen treedt de garant in zekere mate op als beschermer van de rechten van den gegaran-deerden staat; toch is dit geen protectoraat aangezien dit verdrag de internationale persoonlijkheid van een staat geheel ongeschonden laat. Het verschil springt trouwens in het oog wanneer' men nagaat, dat eene garantie van meerderen zeer wel, een protectoraat door meer dan een uitgeoefend niet of althans bezwaarlijk zich denken laat.
Onder de verschillende objecten die men garandeeren kan, zooals; neutraliteit, het handhaven van eene regeering, of van zekere rechten voor de burgers, vindt men dan ook de onafhankelijkheid van eene natie herhaaldelijk terug. Van dien aard is b.v. het verdrag van 13 Febr. '32, bevestigd 13 .luli '63, tusschen Frankrijk, Engeland en Fiiisland, waarbij deze mogendheden de onafhankelijkheid van Griekenland waarborgen. Zoo ook de verdragen van
14
30 Maart en 15 April '56 waarbij Oostenrijk, Frankrijk. Engeland, Pruisen, Rusland en Sardinië de onafhankelijkheid van het Ottomanische Rijk garandeeren.
Hoewel deze verdragen do souvereiniteit onaangetast laten verdienen ze toch afkeuring, want eene mogendheid erkent feitelijk alleen niet in staat te zijn haar onafhankelijkheid te doen erkennen.
Grootere beperkingen van de onafhankelijkheid treft men aan in de verschillende verhoudingen van hall-sonvereine en schatplichtige staten of van die welke in oen »Scliutzverludtnisz (droit de protection) staan tegenover een of meerdere andere. Zoo ook de leden \an een bondsstaat en die van een statenbond.
Uit het woord zelf blijkt reeds dat half-souvereine staten een beperkte onafhankelijkheid hebben. Hoewel de uitdrukking eene contradictio in partibus is, daar 't begrip souvereiniteit juist alle afhankelijkheid uitsluit, is zij toch geijkt om daarmede die staten aan te duiden die van haar souvereiniteit, voor zooveel die zich naar buiten openbaart, geheel of gedeeltelijk hebben afstand gedaan. Het recht op eigen inwendig bestuur hebben zij echter steeds, dat om gezanten te zenden daarentegen nooit; evenmin als dat om oorlog te voeren op eigen gelegenheid (zie evenwel Bulgarije in '85 tegen Servië). Wel de bevoegdheid om een zeker soort verdragen te
sluiten zonder goedkeuring van den suzerein. Evenwol, deze verhouding geeft dikwijls tot moeilijkheden aanleiding; b.v. Bulgarije verkeert in een staat van halt-souvereiniteit tegenover de Porte; wanneer nn eene regeering een reclame heeft wegens liet mishandelen van een harer onderdanen op Bulgaarsch gebied, tot wien moet zij zich dan daarmede wonden, tot de Porte of tot Bulgarije ')? m. i. tot het laatste land, aangezien dit onafhankelijk is in zijn binnenlandsch bestuur, maar do opinies der schrijvers zijn hierover verdeeld.
Ho schatplichtigheid van een staat laat haar souvo-reiniteit geheel intact; het is duidelijk wat debeteekenis van dezen toestand is: eene natie heeft zich de hulp van eene andere verworven door daartegenover toe to zeggen, hetzij een jaarlijksche som golds, hetzij haar eigen hulp in geval do boschormendo staat in oorlog mocht geraken.
liet recht van bescherming van een grootoron staal tegenover een kleineren kan eigenlijk slechts bestaan in de bevoegdheid van don beschermer om de onafli ank olijk-beid van den mindere te doen erkennen, terwijl deze dan daartegenover verplicht is in zijne buitonlandscho staatkunde don andor to volgen. Geheel andere verhoudingen
') Calvo 1 § (!!) jfooi't dit voorbeeld.
ifi
laten zich natuurlijk ook denken wanneer omtrent enkele punten van binnenlandsche politiek b. v. bepalingen in het verdrag zijn opgenomen.
Eene hoofdzaak bij deze verdragen echter is dat zij den kleineren staten niet mogen worden opgedrongen, zooals Frankrijk het aan Tunis en Madagascar deed, maar uitsluitend op hun verzoek kunnen worden gesloten, tenzij, zooals in 1815, de groote mogendheden het protectoraat over een land, in dit geval de Ionische eilanden, aan eene grootere natie (Engeland) opdragen.
Geheel anders zijn de toestanden in een bondsstaat en in een statenbond. De leden van beide deze corporaties hebben van een zeker quantum hunner souverei-niteitsrechten afstand gedaan aan bet centraal gezag, hoewel dit quantum in een statenbond geringer zal wezen dan in een bondsstaat. Zoo hebben b. v. de Duitsche Staten ieder voor zich grootendeels het recht om gezanten te hebben behouden, terwijl daarvan bij de leden van den Zwitserschen en den Amerikaanschen bondsstaat geen sprake is. Dat in deze corporatiën het centraal gezag de bevoegdheid heeft zich te mengen in de binnenlandsche aangelegenheden van de leden dier gemeenschap spreekt van zelf, althans voor zoover zij zelf dit recht bij het verdrag hebben gegeven. Tegenover het buitenland wordt een staat als Dnitschland,
47
zijn geheel, door ééne Regeering vertegenwoordigd, hoewel dit niets afdoet aan het recht der leden van dien statenbond om een minister van huitenlandsche zaken te hebben en ieder voor zicli de verdragen te sluiten, die zij wenschen.
In zeker opzicht is ook het feit dat eene mogendheid onzijdig is verklaard eene beperking van haar souve-reiniteit. Immers het staat haar wel is waar vrij alle verdragen te sluiten, die bestemd zijn gedurende vredestijd te werken, doch van alle die welke eerst in tijd van oorlog dienen verwezenlijkt en nagekomen te worden, behoort zij zich ten eenenmale te onthouden.
De verschillende prestaties, 't zij positief, 't zij negatief, waartoe een staat zich bij verdrag verbonden heeft (zooals die om een vreemd leger op zijn grondgebied toe te laten of zijn eigen gewapende macht niet boven eene zekere grens op te voeren), zoude ik met Pradier-Fodéré niet onder de beperkingen der souvereiniteit willen opnemen. Immers wanneer deze verplichtingen uit eigen beweging aanvaard worden en niet tot een al te ver verwijderd tijdstip, dan zijn zij juist het bewijs van de onafhankelijkheid en vrijheid der contracteerende mogendheid.
Voegen wij bij de hier besproken hoofdrechten nog eenige andere, evenzeer van groote beteekenis. zooals
18
dat om handels- en andere verdragen te sluiten, om zichzelf naar eigen welgevallen te besturen en dus eene administratie te hebben zooals men zelf wil; het recht om alle maatregelen te nemen, die men meent dat zouden kunnen strekken tot bevordering van de welvaart en tot wering van 't geen schadelijk lijkt, â dan blijkt voldoende dat het begrip staat onafscheidelijk is van datgene wat men verstaat onder souvereiniteit.
Geene enkele macht heeft dus het recht zich te mengen in de uitoefening dezer rechten door de staten, veel minder dus nog heeft een staat zelf die bevoegdheid.
En toch, wanneer wij eenig tijdperk uit de geschiedenis, welk ook, raadplegen, dan stuiten wij telkens op handelingen der staten, met deze stelling in flagranten strijd. Het nomen generis voor al die inbreuken op de souvereiniteit is zelfs een volkenrechtelijk instituut geworden, onder den titel Interventie. En, hoe wonderlijk het ook schijnen moge, tal van schrijvers hebben zich beijverd telkens weder verschoonende omstandigheden voor die aanrandingen der souvereiniteit bijeen te brengen. Toch komt liet mij wenschelijk voor als principe vast te stellen dat Interventie eene ongeoorloofde handeling is, om dan later, bij het bespreken van eenige speciale gevallen, na te gaan of er niet soms gronden zijn aan te voeren, zwaarwichtig genoeg om die onge-
19
oorloofde daad te verdedigen. Als grondregel echter gelde, dat, in welken vorm eene Interventie zich ook steken moge; hetzij men te doen heeft met een gewelddadig militair optreden, 't zij diplomatieke vertoogen onder schoonklinkende woorden den waren aard der handeling verduisteren, elk optreden van eene mogendheid dat niet overeen te brengen is met den eerbied aan de souvereiniteit van anderen verschuldigd, afkeuring verdient.
HOOFDSTUK II.
Alvorens over te gaan tot het geven van een overzicht der ontwikkeling van de interventie, is het noodig eene definitie van het begrip vast te stellen. Reeds hier wordt men terstond voorbereid op hetgeen bij de verdere behandeling van dit onderwerp te wachten staat, eene groote verscheidenheid van gevoelens bij de verschillende schrijvers. Evenwel, het loont niet de moeite de verschillende omschrijvingen weer te geven, voldoende zij het aan te stippen dat die oneenigheid hoofdzakelijk neerkomt op de quaesties of men alleen interventie heeft in geval van inmenging in de buitenlandsche aangelegenheden van een staat, dan wel ook wanneer eene mogendheid zich in hare binnenlandsche bestuurszaken door vreemde bemoeiing belemmerd ziet. en ten tweede of alle, dan alleen de gewapende interventie dien naam verdient.
M. i. heeft men interventie in ieder geval, waarin
'21
een staat zijn wil aan een anderen staat opdringt.
Wanneer deze definitie juist is, en wij zoeken dan den oorsprong der interventie, dan moet men tot de oudheid teruggaan. Moge immers de aanleidende oorzaak tot den Peleponesischen oorlog de verdrijving der aanzienlijke geslachten uit Epidamnos zijn geweest, de ware reden was, dat de dorische staten, met Sparta aan 't hoofd, zich ongerust maakten over de veroveringen van Perikles. Later vindt men om dezelfde reden Athene verbonden met Sparta tegen Thehe.
Dat de geschiedenis van Rome eene aaneenschakeling van interventies is, eindigende met de geheele onderwerping der zwakkeren, behoeft geen betoog.
In de middeleeuwen is het natuurlijk de Paus, die zich het recht van interventie aanmatigt. Immers wanneer men hem eene macht toekent, grooter dan die van eenig ander vorst en de bevoegdheid alle geschillen die tusschen de christelijke vorsten ontstonden te beslissen, dan is daarmede hem een uitgebreid interventie-recht in de hand gegeven.
De oorzaak der interventies in den tijd tusschen de 16de eeuw en den vrede van Westfalen is te zoeken in het streven om liet politiek evenwicht te handhaven en in de eerste plaats in de zucht der vorsten om voor hun geloofsgenooten voorrechten te bedingen.
22
Wat den jongsteu tijd betreft, een groot deel der interventies na 1789 vindt zijn reden in de Fransclie revolutie. Wat toch is natuurlijker, dan dat de verklaring der conventie, dat zij iedere natie zoude bijstaan, die hare vrijheid wilde veroveren, leidde tot eene nauwere aaneensluiting tusschen de vorsten die den invloed dier revolutionaire denkbeelden vreesden1)? Tengevolge der Fransche revolutie sloten in 1791 Oostenrijk en Pruisen liet verbond te Pilsen, ter verdediging van de belangen der Europeesche vorsten, maar belangrijker congressen zouden volgen. Een der gewichtigste feiten uit liet tijdvak 1815 tot op onzen tijd is de Heilige Alliantie, zonder tusschenkomst van gevolmachtigden gesloten tusschen de koningen van Oostenrijk en van Pruisen en den Tsaar, terwijl later Lodewijk XVIII toetrad. Minder dan een verbond, is deze alliantie als 't ware een regeerings-prograrn van bovengenoemde vorsten, waarin zij hun voornemen blootleggen slechts de voorschriften van den christelijken godsdienst als gedragslijn te nemen. Dat de koning van Engeland tot deze alliantie niet kon toe-
') Dit decreet vau 9 Kov. '92 verklaarde, dat de conventie âaccordera fraternité et secours a tons les peuples qui voudront recrouvrer leur liberté et charge le pouvoir exécutif de donner tmx généraux les ordres nécessaires pour porter secours a ces peuples.quot;
23
treden spreekt van zelf daar elk zijner besluiten liet ministerieele contraseign behoefde.
Zooals bij doorlezing dezer alliantie blijkt, vindt men ei' geen bepaald doel in omschreven en stond geen middel ten dienste om hem, die zich in strijd met de aangenomen principes gedroeg, te straffen. Dus was een meer practisch verbond noodzakelijk, en weinige jaren later komt dat dan ook in de Eeuwige Alliantie tot stand.
Haar doel was voornamelijk de grenzen, bij het congres van Weenen vastgesteld, te handhaven; [elke revolutionaire beweging tegen te gaan; ieder verzet tegen de bestaande regeeringen te onderdrukken en, ten einde dit doel te verwezenlijken, niet te schromen zich te mengen in de binnenlandsche aangelegenheden van een staat. Ziehier dus voor de eerste maal het principe dat interventie een recht is, met zooveel woorden vastgesteld. Behalve de deelnemers aan de Heilige Alliantie vinden we lüer ook Frankrijk onder de aanhangers van dit grondbeginsel. Op het congres van Aken wordt 't tot stand komen van deze Europeesche rechtbank voorgesteld als ))de voltooiing van het werk des vredes en de bevestiging van het politiek systeem, met de bedoeling de soliditeit ervan te verzekeren.quot;
In '20, '21 en '22 werden dezelfde principes weder te Troppau, Laibach en Verona verkondigd en de eerste
24
gelegenheid zc toe te passen deed zich voor bij liet herstel der Bourbons op den troon van 't koninkrijk Napels, toen de mogendheden zich geroepen achtten de uitgebroken onlusten te bedwingen.
Nesseluode schrijft hierover o. a.; »de vorsten zijn vast besloten nooit eene revolutie, door misdaad tot stand gebracht, te erkennen maar een eind te maken aan de wanorde vol gevaar voor de andere statenquot;. Engeland onthield zicli van deze interventie, zooals lord Castle-reagii verklaarde (1821) omdat «geen enkele regeering meer dan de Engelsche geneigd kan zijn het recht te handhaven van lederen staat, om te intervenieëren, wanneer zijn onmiddellijke veiligheid of zijn essentieëele belangen ernstig bedreigd worden door huishoudelijke handelingen van een anderen staatquot;, maar ook dan alleen. Hij voegt hieraan toe, dat interventie een jus sul generis is, dat in elk voorkomend geval opnieuw en verschillend beoordeeld worden moet. Het volgend jaar sluit Wellington zich bij deze verklaring aan, door als zijn gevoelen kenbaar te maken dat hij het strijdig met 't volkenrecht beschouwde wanneer een regeering zicli met de binnenlandsche aangelegenheden van een anderen staat bemoeide, tenzij 't gold «zaken die de essentiëele belangen van zijner majesteits onderdanen rakenquot;, 't Verst in zijne afkeuring van de principes, vastgesteld op't con-
25
gres van Verona, ging Sir J. Mackintosh, die opmerkte dat wanneer die grondbeginselen juist waren, «Willem III een usurpator, onze voorouders bandieten en zij, die Jan zonder Land de magna charta afdwongen, samenzweerdersquot; waren.
Words! words! zou men van deze uitspraken kunnen zeggen. Immers twee jaren later, in '23, proponeerde Canning eene schikking waarbij Engeland, Frankrijk en de Vereen. Staten aan Spanje het voortdurend bezit van Cuba zouden waarborgen. Of was't geen interventie, toen Engeland in '34 in Portugal en in '56 in Napels tusschen beide kwam? En welken naam moet men geven aan het optreden van 't zelfde land tegenover de Porte en Egypte?
In dezen tijd doet zich voor Europa de moeilijke vraag voor hoe te handelen tegenover de koloniën in de Nieuwe Wereld, die haar onafhankelijkheid gaan opeischen. Het meest van belang voor de studie der interventie in die onafhankelijkheidsoorlogen is de boodschap van den president der Amerikaansche Republiek', uitgesproken den 2 December 1823, later algemeen bekend als de leer van Monroe.
De toestand was deze: het oogenblik scheen aanstaande waarop Spanje en Portugal niet meer in staat zouden wezen hunne kolonies in de macht te houden
26
eu 't was waarschijnlijk dat de verbonden mogendheden hen dan in den strijd zouden bijstaan. Nu was Canning bevreesd dat Frankrijk Cuba zou trachten te verkrijgen en hij proponeerde daarom aan de Regeering der Vereen. Staten dat zij geen van beiden zich eenig deel der Spaansche kolonies zouden toeèigenen. Hierop antwoordde Amerika's minister met 't voorstel om gezamenlijk de onafhankelijkheid der kolonies te erkennen, 't geen Canning evenwel niet aandorst.
In overleg met Jefferson vond Monroe nu het oogenblik voor zijne verklaring gekomen. Deze boodschap dient men in twee gedeelten te splitsen: 1quot;. 't geen gezegd wordt met het oog op eene interventie der mogendheden in den strijd tusschen Spanje en zijn kolonies, en 2°. het gedeelte dat betrekking heeft op het feit dat enkele mogendheden zich beriepen op haar occupatie-recht, om eenige deelen van Amerika op te eischen.
Monroe begint met te verklaren dat de Vereen. Staten er niet aan dachten zich eenig deel van de koloniën toe te eigenen en dat zij zich niet zouden verzetten tegen eenige schikking, welke Spanje daarmede trof; de inmenging van eene andere Europeesche mogendheid zouden ze evenwel niet dulden. Intusschen gaat hij, scherper preciseerend, aldus voort: ))De politiek die wij
27
volgen tegenover Europa, reeds sedert het begin van de oorlogen die dit werelddeel zoolang beroerd hebben, is steeds dezelfde gebleven; zij bestaat daarin dat wij ons nooit mengen in de binnenlandsche aangelegenheden van eenige mogendheid der oude wereld; wij beschouwen elke regeering als wettig, voorzooveel ons betreft, wij vestigen met die regeering vriendschapsbetrekkingen en onderhouden die door eene openhartige en moedige politiek, terwijl wij zonder onderscheid gehoor verleenen aan rechtmatige vertoogen van alle mogendheden en van geen enkele beleedigingen dulden. Maar zoodra het ons vasteland betreft, veranderen de zaken geheel van aanzien, want wanneer de verbonden mogendheden haar politiek stelsel in een of ander deel van Amerika wilden doorvoeren, zoude dat niet kunnen geschieden zonder een dreigend gevaar voor ons geluk en onze rust; geen van haar kan trouwens gelooven dat onze zuidelijke broeders dat zouden aannemen uit vrije beweging, wanneer men hen aan zichzell overliet. Het zou ons insgelijks onmogelijk zijn onverschillig toeschouwer te blijven bij die interventie, onder welken vorm zij ook mocht plaats vinden. Wanneer wij de macht en de hulpmiddelen van Spanje en die der nieuwe Amerikaansche regeeringen beschouwen en den afstand die hen scheidt, is liet duidelijk, dat het Spanje nooit zal gelukken ze te onder-
werpen. De ware politiek der Vereenigde Staten is altijd deze dat zij strijdende partijen aan zich zelve overlaten) in de hoop dat de andere mogendheden dit voorbeeld zullen volgen.quot;
Aan duidelijkheid laat deze verklaring niets te wen-schen over en de juistheid van het standpunt waarop zich de Amerikaansche regeering plaatste valt tn. i. niet te betwisten. Hoewel Pradier-Fodéré zegt dat Monroe zich, door elke interventie der Europeesche mogendheden te verbieden, feitelijk direct mengde in de binnenlandsche aangelegenheden der Zuid-Ameri-kaansche republieken en andere schrijvers zelfs zoo ver gaan te beweren dat deze verklaring op zichzelve de grootste interventie was, schijnt mij dit te ver gezocht. Had de regeering der Vereen. Staten voor zichzelve het recht geëischt de toestanden in die republieken te regelen, dan ware het iets anders geweest, maar nu Monroe zoowel zichzelf als ieder ander dat recht ontzegde, komt mij zijne redeneering zuiver voor.
Lord Brougham, ziende dat eene interventie aan Engeland nooit voordeel zoude opleveren, was de eerste die zijne instemming met de woorden van den president betuigde, daarin weldra dooi' de overige staten gevolgd. Het tweede gedeelte van Monroe's boodschap was aldus geformuleerd: «wij oordeelen deze gelegenheid gunstig
29
om als een principe, waarmede de rechten en belangen der Vereen. Staten samenhangen, te doen kennen, dat het Amerikaansche vasteland tengevolge van den toestand van vrijheid en onafhankelijkheid, dien het heeft weten te verwerven en behouden, voor 't vervolg niet beschouwd kan worden als geschikt ter koloniseering door eenige Europeesche mogendheid.quot; â Hiermede verklaart hij dus 't Europeesch koloniaal systeem niet meer van toepassing-op Amerika en reclameert voor Amerika 't zelfde recht op souvereiniteit dat de andere mogendheden hebben. Toen dan ook in '48 de staat Yucatan geen kans zag de opgestane Indianen ten onder te brengen en bij de Vereen. Staten om hulp kwam aankloppen, verklaarde zich deze bereid, omdat anders wellicht een Europ. mogendheid hare diensten zou willen verleenen, »'t geenquot;, zooals de president verklaarde, «nooit door de Unie geduld worden zoude.quot;
Men moet evenwel met de interpretatie van Monroe's leer voorzichtig zijn en voorop stellen, zooals Lawrence, de commentateur van Wheaton zegt, dat 't nooit zijn bedoeling is geweest Amerika af te sluiten voor de Europeesche staten; alleen is 'tgeen hij zeidetoepasselijk op iederen staat, die 't recht heeft interventie af te wijzen. Ook VVoolsy schrijft: âweerstand bieden aan pogingen, die de Europeesche mogendheden zouden
30
kunnen aanwenden om de constituties dei' staten van het Amerikaansche vasteland te veranderen, dat is billijk en voorzichtig, dat is zich verzetten tegen een noodlottige interventie ; maar iedere maatregel, die verder gaat, zou het systeem billijken der absolute regeeringen, die het initiatief genomen hebben om revoluties met geweld te verstikken.quot; Eene geoorloofde interventie treffen we aan in het optreden van Engeland ten behoeve van Portugal. Nadat in Spanje door het herstel van Ferdinand VI!, met Fransche hulp, in '1823 de absolute monarchie was hersteld, trachtte die regeering ook in Portugal de constitutie afgeschaft te krijgen en ondersteunde daarom den Infant Dom Miguel in zijne pogingen om den troon te bemachtigen. Hierop riep de regeering te Lissabon Engelands hulp in, dat door tractaten verplicht was die te prestoeren en dit in '20 ook deed 1). Deze interventie is met die van Frankrijk in '23 niet te vergelijken, daar Engeland hier volkomen gerechtigd, zelfs eenigermate verplicht was op te treden en niet anders deed dan de bestaande constitutie bevestigen op verzoek van het land zelf. Dat langzamerhand de mogendheden een juister inzicht
') Dit optreden van Engeland is m. i. geene interventie, het valt dan ook niet onder mijne bepaling daarvan. Vele schrijvers halen hot echter aan als oen voorbeeld van geoorloofde interventie (eeno contra-ilictio in partibus) en daarom vindt het hier eene plaats.
31
krijgen in het doel dat eene interventie hebben moet. blijkt uit haar bemoeiingen in zake den Belgischen opstand van '30. Zij traden hier op zonder eenig egoïstisch doel en uitsluitend uit vrees voor eene vernietiging der beide landen en eene verstoring van het evenwicht, die daaruit zoude kunnen voortkomen ').
Maar hier stuit men op de groote rnoeielijkheid om theorie en praktijk in harmonie te brengen. Hoewel CnaTEAUBRiAND zeer hard gevallen is over zijn gevoelen dat interventie niet eene quaestic van recht maar van feiten is, en dat men al dan niet intervenieert naar gelang de belangen van zijn land dit medebrengen, is toch deze uitspraak door de historie bevestigd.
Dat Tsaar Alexander 1 op het congres te Weenen de aandacht der mogendheden, bijeengekomen om de orde in Europa te herstellen, vestigde op den toestand in de Oostersche landen was natuurlijk genoeg. Dat toch dezelfden die zoo te velde trokken tegen den slavenhandel ook hun eigen geloofsgenooten zouden willen beschermen tegen de muzelmannen was waarschijnlijk. Evenwel, de voorslag van den Tsaar om de Christenen onder de collectieve garantie der mogendheden te plaatsen vond geen
1) Dat tooli m. i. dezo interventie rechtens niet te verdedigen is, zal later blijken.
32
bijval. Eerst later, toen Turkije den oorlog tegen Griekenland op barbaarsche wijze voerde, traden Engeland, Frankrijk en Rusland tusschenbeide. Dit was eene interventie werkelijk op raoreele gronden berustend. De oorlog tusschen Turkije en Rusland van '54, waarin zich de mogendheden aan Turkije's zijde plaatsten, had gewichtige gevolgen. Bij den vrede van Parijs toch werd Turkije onderworpen aan de regelen van het volkenrecht en zijn onafhankelijkheid gegarandeerd. Evenwel de artt. 7 en 9 van dit verdrag maken deze onafhankelijkheid tamelijk wel eene illusie, want zoowel 't eerste, dat 't land onder de mogendheden opneemt, als 't laatste, dat de rechtsbetrekkingen der christelijke onderdanen regelt, geven den mogendheden het recht tusschenbeide te komen, wanneer de Porte onwillig of onmachtig mocht blijken hare verplichtingen na te komen.
Wat de latere interventies der mogendheden in Oostersche landen aangaat, 't zij ze aan redenen van godsdienstigen dan van fmantiëelen aard haar ontstaan dankten, juridisch zijn ze geen van alle te verdedigen.
Het onderdrukken der Christenen door de Porte was zeker onrechtmatig, maar bleef daarom niet minder eene zuiver binnenlandsche aangelegenheid, die geen enkele mogendheid het recht gaf zich er mede te bemoeien. De gelijkenis die zij met de joden-vervolging in Rusland
33
hoeft, is clan ook zeer groot; en toch waren alle mogendheden bereid de Porte op haar plicht te wijzen en deed zich geen enkele op, die deze taak tegenover den Tsaar aller Russen wilde op zich nemen. Dat dit alleen daaraan te danken zoude zijn dat het rechtsgevoel in die jaren zulke vorderingen heeft gemaakt, is moeielijk aan te nemen; maar de Porte was zwak en de Tsaar zou zich met alle macht tegen de minste inmenging verzetten. Toch geloof ik dat in zaken als de oostersche quaestie geen spraak mag wezen van «fiat jus, pereat mundusquot;. Stelt men zich op dit standpunt, dan is het gedrag der mogendheden tegenover Turkije nooit te verdedigen; maar m. i. treft men hier een geval aan, waar men zich veilig op het »noodrechtquot; beroepen mag.
Wanneer men de stelling dat de wereld er niet is om het recht maar het recht om de wereld, consequent doorvoert, dan moet men er toe komen zulk een nood-recht te erkennen.
Zoo sprak reeds Cicero: «salus populi suprema lexquot;' en zoo geeft Jiiering in zijn «Der Zweck im Rechtquot; eenige voorbeelden, tot welke bedenkelijkheden een respecteeren der wetten waar daardoor het staatsbelang in gevaar zoude komen, leiden zoude. En even goed als dit in het privaatrecht geldt, is het van toepassing op het volkenrecht. Men moet de bevoegdheid
3
34
deiquot; mogendheden erkennen om onder zekere omstandigheden af te wijken van het geschreven recht en te handelen zooals zij meenen dat hun gemeenschappelijk helang dit mede brengt. De groote moeielijkheid die zich hierbij voordoet, is juist te beoordeelen, wanneer liet oogenhlik aangebroken is waarop men een geschreven rechtsregel mag overtreden. En dit moet ieder voor ^zichzelf beoordeelen; slechts een regel valt er voor te stollen dat men niet alleen mag handelen volgens't nood-recht, maar dit ook moet doen, terwijl het ook alleen dan mag, wanneer 't moet.
Of men ook in het volkenrecht liet noodrecht zoude kunnen codificeeren zooals dit in 't privaatrecht geschied is, dit komt mij zeer dubieus voor.
ITet bloote feit dat in 't tractaat van Parijs de regelen van het volkenrecht op Turkije toepasselijk worden verklaard, is niet voldoende die üostersche natie met de Arische volken gelijk te stellen. En dat de mogend lieden van datzelfde gevoelen waren blijkt uit art. 9, dat lei-tel ijk eene doorloopende interventie vestigt. En door de tusschenkomst is dien volken reeds zooveel goed gedaan, terwijl ook de toekomst op dit gebied nog vruchtbaar kan zijn. dat men geneigd wordt, zooal niet het optreden in kwestie voor rechtmatig te verklaren, dan toch van eene tegenovergestelde uitspraak zich te
onthouden. Eene godsdienstige interventie vinden wij in de aanwezigheid der Fransche troepen te Rome, totdat zij in 1860 verdwenen. Twee jaren later was de Itali-aansche regeering niet in staat de troepenaanhangers van Garibaldi in toom te houden, zoodat in I8G8 op verzoek van den Paus een Fransch leger weer naar Rome overstak en daar tot den oorlog van 1870 bleef.
Deze interventie verhinderde de uitvoering van het voornemen om den Paus zijne wereldlijke macht te ontnemen en wanneer men den toestand van Italië in dien tijd in liet oog houdt, dan is dit m. i. meer een verbond dat Frankrijk mot het hoofd der kerk sloot, dan eene inmenging in andermans zaken, en dus gerechtvaardigd.
Het blijkt dus alras dat het gemakkelijker is interventie in principe af te keuren, dan elk voorkomend geval op zichzelf Ie veroordeelen. Althans de gevallen die ik hier even aanstipte om ze later uitvoeriger te behandelen, zijn, uitgenomen die welke een uitvloeisel waren van de congressen van Laibach en Verona, voortgekomen uit eene gezonde opvatting der mogendheden van haren plicht.
Maar ook voorbeelden van het tegendeel staan ons ten dienste.
Een ander dan veroordeelend vonnis toch is niet
36
mogelijk over de Fransch-Engelsche interventie in de finantiëele aangelegenheden van Egypte. Lord Pal-ifERSTON drukte zicli zoo juist uit, toeu hij zeide (1848). »Wanneer men zijn geld toevertrouwt aan eene vreemde regeering, teekent op eene leening door zulk eene i egec-ring uitgeschreven, dan steekt men zich in eene gewone finantiëele speculatie, men moet dan ook even goed op de insolvabiliteit van dien staat als van ieder paiticuliei voorbereid zijnquot;. Wanneer dit waar is, en m. i. kan dit niet twijfelachtig zijn, dan is daarmede ook het optreden der vertegenwoordigers van de schuldeischers van Egypte in 1870 veroordeeld.
Geen ander oordeel kan men over hebben voor de, in een volgend hoofdstuk nader te bespreken, interventies in La Plata en Mexico. Hoewel het optreden in laatstgenoemd land van Frankrijk aanvankelijk vellicht te verdedigen zijn zou, werd het toch ten eenenmale afkeu-renwaardig toen Napoleon zijne inmenging zoover uitstrekte dat hij de kroon aan Maximiliaan aanbood. Trouwens: vele schrijvers zijn het over dit punt eens en indien men de historie dier interventie aandachtig leest, springt haar onrechtmatigheid in het oog.
HOOFDSTUK 111.
Het 1'eit, hetwelk wij bij de bespreking van interventie aantrolïen, dat eene mogendheid zich mengt in de zaken van eene andere, vinden wij terug bij bons offices en mediatie. Hoe verschilt evenwel de rol welke zij in het eerste geval vervult bij die welke haar in het laatstbedoelde ten deel valt. De interveniënt randt de onafhankelijkheid van een ander aan, de mediateur laat ze volstrekt ongeschonden, zijn taak bepaalt zich tot het aanbieden van hulp of het verleenen er van op verzoek. Het onderscheid tusschen bons offices en mediatie schijnt mij moeilijk te vinden, in ieder geval zijn ze beide zeer goed in ééne definitie te omvatten, n.1. als het optreden van eene mogendheid, die hare hulp verleent om internationale quaesties van eene bevriende natie tot een goed einde te brengen, door de onderhandelingen tusschen de oneenigen te vergemakkelijken, of deze, wanneer ze afgebroken zijn, weer te doen aan-
38
knoopen. Dat het op zich nemen van deze taak even gued spontaan kan zijn als het gevolg van een daartoe strekkend verzoek is evident. Ook door eene voorafgaande overeenkomst kunnen twee mogendheden zich verbonden hebben hare eventueel voorkomende geschillen aan de mediatie van een derde te onderwerpen. Een historisch leit, dat eenigszins hierop gelijkt, is een protokol uit het congres van Parijs van 1850, waarin de wensch geuit wordt, dat de staten waartusschen in het vervolg oneenigheid mocht ontstaan, alvorens de wapens op te vatten, eerst, voorzooveel de omstandigheden dit gedoogen, de mediatie van eene bevriende mogendheid zullen inroepen. Uit deze woorden zelve blijkt reeds voldoende, dat men hier met geen contract te doen heeft, en toch haastte men zich er bij te voegen dat hierdoor in geenen deele wordt te kort gedaan aan de vrijheid van iederen staat om zich te gedragen zooals hij wilde, en dus 't voorafgegane geheel waardeloos te maken. Toen dan ook Engeland in 1870 bij Frankrijk met een beroep op dat protocol er op aandrong dat het de mediatie van een derde zou aannemen, liet dit land, bij de afwijzing van dit aanbod, niet na naar zijn volkomen vrijheid om naar goeddunken te handelen te verwijzen.
Ofschoon het te ver zoude voeren eene afzonderlijke plaats aan de arbitrage hier in te ruimen, schijnt hot
39
toch noodig mot een enkel woord het hoofdverschil tusschen de rol van den mediateur en dien van den arbiter aan te geven. Dit komt hierop neer dat de mediateur nooit als rechter optreedt, terwijl dit jidst de bedoeling is van hem die de functie van arbiter op zich neemt. Het gevolg hiervan is, dat de partijen die mediatie ingeroepen hebben niet verplicht zijn zich bij de beslissingen van den derde neer te leggen, dus juist het omgekeerde van hetgeen men zich voorstelt van de decisie van den arbiter. Een voorbeeld aan de geschiedenis ontleend moge ter illustratie van dit onderscheid dienen. In 1844 had de sultan van Marocco Spanje beleedigd, niet alleen door zijne verplichtingen volstrekt te negeeren, maar daarenboven door liet beleedigen van de Spaansche vlag. Ten einde een oorlog te voorkomen, boden Frankrijk en Engeland beide hun bemiddeling aan, en wel in den vorm van arbitrage. Het spreekt van zelf dat Spanje zoude getoond hebben het niet nauw te nemen met 't bewaken zijner eer, wanneer het aanbod was aangenomen. Zeer terecht wees daarom de Regeering deze bemiddeling van de hand, maar nam later de mediatie van Frankrijk aan.
Zeer rijk aan voorbeelden van mediatie is de historie niet, een der meest recente dateert van het jaar 1885. Tusschen Spanje en Duitschland was eene quaestie ont-
40
staan over den eigendom van het eiland Yap, behoorende tot de Carolinen. Een Duitsch kommandant had namelijk de vlag van zijn land op dat eiland geplant, juist eenige uren voor de landing der bemanning van een Spaansch oorlogschip, dat met dezelfde bedoeling reeds geruimen tijd in die streek vertoefde. Terstond reclameerde de Regeering van Madrid te Berlijn en daar Bismarck verklaarde dat hij er niet aan dacht Spaansche eilanden te annexeeren, besloot men deze quaestie door mediatie te laten beslissen. Op voorstel van üuitschland koos men den Paus, die zich begrijpelijkerwijze haastte de rol die in de middeleeuwen zijn voorgangers plachten te vervullen aan te nemen. Het geschil werd ten gunste van Spanje beslist.
Dat men in dit geval mediatie koos, komt mij onlogisch voor; immers geen van beide partijen was voornemens tegen de Pauselijke beslissing in verzet te komen en dus was hier arbitrage op haar plaats geweest.
liet vreedzame karakter der mediatie is dus duidelijk genoeg en hierdoor ook haar hoofdverschil met de interventie. Immers deze laatste kan aanvankelijk ook zeer goed van vredelievenden aard zijn geweest, maar het is steeds mogelijk dat zij tot vijandelijkheden leidt. De mediateur daarentegen moet, wanneer hij eene zuivere opvatting van zijn rol heeft, inzien, dat het hem nimmer
41
geoorloofd kan wezen naar hot zwaard te grijpen. Daarom komt het inij dan ook voor, dat de uitdrukking âgewapende rnediatiequot; niet op juistheid kan bogen. Hieronder pleegt men te verstaan de casuspositie dat de mediateur van den beginne af verklaart zijne beslissing desnoods met de wapens in de vuist te zullen doordrijven. Maar lioe men hierin anders kan zien dan eene zuivere interventie, ontgaat mij.
Men behoeft nog niet te gelooven aan het succes dei-pogingen van hen die trachten den oorlog voor goed te doen verdwijnen, om een open oog te hebben voor het groote belang van eiken stap in die richting gedaan Zoo begrepen het ook de mogendheden, die de Congo-acte onderteekenden. In de eerste artt. dier acte worden eenige principes voor de deelnemende regeeringen vastgesteld, en art. 8 bepaalt dat de internationale scheepvaartcommissie haar bons offices zid verleenen in geval moeielijkheden over de toepassing dier grondbeginselen ontstaan.
Dat zij van oordeel zijn dat alle quaesties zoo mogelijk op vreedzame wijze moeten worden uit den weg geruimd, toonen de hooge contraheerende partijen, door in art. 12 te bepalen, dat wanneer een van haar in geschil mocht geraken, zij verplicht zal zijn de bemiddeling van eene bevriende mogendheid in te roepen.
Evenals dus alle schrijvers er op aandringen dat voor het vervolg van het gevaarlijke wapen interventie zoo min mogelijk gebruik gemaakt moge worden, toonen zich de mogendheden geneigd, waar zulks geschieden kan, een vreedzamen weg te bewandelen. Het ware dan ook gewenscht, dat in de toekomst alle staten, ter dekking hunner verantwoordelijkheid, alvorens zich in een oorlog te wikkelen, bij hun geschillen steeds eerst de mediatic van een derde inriepen.
H 0 O F D S T U K 1 V.
C'est une eonséquence manifeste de Ia libeitó et de 1'indépendance des nations que toutes sont en droit de se gouverner comme elles le jugent a propos et qu'aucune n'a Ie moindre droit de se mêler au gouvernement d'une autre.quot;
Dat dit ware en eenvoudige principe de gedragslijn van den staatsman niet bepaalt, laat zich verklaren, doch, waren slechts alle schrijvers van dit gevoelen geweest, dan zoude het nooit zoolang hebben kunnen duren vóór de algemeene opinie zich tegen het principe van interventie verklaarde.
Uit echter is de groote fout van meest alle auteurs, dat zij wel voorgeven principieel tegenstanders van de interventie te wezen, maar ieder op zijn beurt talrijke uitzonderingsgevallen aannemen.
Slechts één schrijver ontmoette ik, die consequent is in zijne afkeuring der interventie, nl. Pièdelièvre, die alleen
u
dan aan een staat dit recht toekent, wanneer een land verdeeld is in twee partijen, die beide de hulp van deze inroepen. Zells om de redenen, die reeds Hugo de Groot als geldig beschouwde, zooals onmenschelijke wreedheden, oorlog tegen roovers die vreemdelingen vermoorden e. a., wil hij niet van zijn stelsel afwijken.
Al ging niemand in zijne theorie zoover als CnaïEAU-uuiand, toch toonden de meeste staatslieden door hun daden het eens te zijn met zijne verklaring: »L'inter-vention on In non-intervention est une puórilité absolu-tiste ou libérale dont aucune tête puissante ne s'ernba-rassera, on intervient ou l'on n'intervient pas selon les exigences du pays.quot;
Tusschen het uiterste van dezen staatsman en dat van Pièdelièvre staan alle auteurs: in de een gaat meer, de ander minder ver in het opsommen der omstandigheden, waaronder interventie geoorloofd is, geen van allen durft het aan een regel zonder uitzonderingen te stellen.
De feiten die meest alle auteurs bespreken, ten einde na te gaan of daarin wettige reden tot interventie kan zijn gelegen, zijn:
1°. Grove schennis van het volkenrecht door een staat. â Met name wordt deze omstandigheid genoemd door Pradier-Fodérk, maar uit de woorden van IIeffter.
Geffcken, Wheaton, Hai.t. e. a. moet men opmaken dat ook zij in flit geval eene interventie gerechtvaardigd oordeelon.
2quot;. Wanneer een burgeroorlog in een naburigen staat is uitgebroken.
ITier moet men onderscheiden. Hall o-eeft in dit sieval nooit oen recht van interventie, omdat z. i. de partij die de hulp van een ander inroept, daardoor bewijst alléén niet in staat te zijn de overwinning te behalen en zich dus niet mag uitgeven voor de vertegenwoordigster van den volkswil. G. F. ni-: Martens daarentegen kent hot recht toe die partij bij te staan, van welke men oordeelt dat zij in liet gelijk is.
PRAniER-FoDÃRÃ wil alleen dan van interventie in een burgeroorlog weten wanneer beide partijen ze vragen. Hij verwerpt het gevoelen van de Mautexs, door te beweren, dat eene partij, die de hulp van een vreemde inroept, zich schuldig maakt aan hoogverraad en dat eene regeering, die hetzelfde doet, daartoe nooit gerechtigd kan wezen, aangezien ze dan zelve de souvo-reiniteit krenkt.
3n. Het wijzigen der constitutie dooi- eene mogendheid. Meffter wijst er op, dat reeds toen koning Otto gedwongen werd Griekenland te verlaten, geen staat aan interventie dacht, en ook het grootste deel der schrijvers
40
erkennen hier geen recht tot interventie; de tegenovergestelde meening is dan ook verouderd. Anders wordt het, wanneer door eene dergelijke wijziging reeds verkregen rechten van derden worden gekrenkt, zooals b.v. wanneer eene verandering in de troonsopvolging wordt gemaakt, die medebrengt dat de vorst van een naburig rijk. die anders tot den troon geroepen zou worden, nu uitgesloten wordt. Al wordt niet door allen dit geval ipsis verbis besproken, tocli mag men veilig concludeeren, uit hunne algemeeno definitie van rechtmatige interventie, dat ook Gkffckkn.Wueaïon' en Carxazza-Amari hier van het beginsel van non-Interventie afwijken; terwijl ook Hall, Walker, De Martens en Klit.er van Heffter's gevoelen zijn.
4°. Een dubieus geval hoeft men wanneer eene mogendheid een eind wenscht te maken aan een doelloozen oorlog. Zoo schrikt IIeffter, die in principe hier wel een recht tot interventie wil erkennen, terug voor de gevolgen die daaraan zouden kunnen verbonden zijn, daar men alles naar de omstandigheden moet beoordeelen en het te gevaarlijk is een beginsel voor alle gevallen vast te stellen. Rolin-Jaeqüemyns is wel voorstander van interventie in dit geval, maar alleen van eene collectieve, al treedt dan ook één land als vertegenwoordiger van Europa op.
47
5». Wanneer een volk onder vreemde heerschappij zucht, of eene partij in een staat onderdrukt wordt, ziet Pradier-Fodkré geene interventie in het optreden eener mogendheid ten gunste van dat volk of die partij, maar een verdrag met haar gesloten, dus eene alliantie gelijk aan die welke men met een van twee oorlogvoerende landen sluit. Heffter, die dit wel als interventie beschouwt, erkent ze als rechtmatig. Geffckex vindt dit zeer twijfelachtig en geeft in geen geval het recht met die hulp verder te gaan dan hij, die ze inriep, wil.
0quot;. Ingeval van tyrannic, of wanneer een vorst wettige redenen tot misnoegen geeft, wil Vattel dat men ten behoeve van zijn volk interveniëere. Pradier-Fodêré weigert dit recht te erkennen, want, zoo redeneert Iiij m. i. volkomen juist, zoolang een vorst macht genoeg heeft despotisch te regeeren, moet er nog eene belangrijke partij in den staat zijn, die hem steunt. Ook Halt. wil bier van interventie niet weten. Toch zoude men zich de omstandigheden zoo kunnen denken dat hier een interventie-recht geboren werd; nl. wanneer die vorst op zijn troon gebonden wordt door de hulp van eene vreemde mogendheid; hier 1 iceft men dan te doen met
7°. contra-interventie, die door ongeveer alle schrijvers wordt toegelaten.
8n. P.ij vele interventies was bet recht op zelfbehoud
48
de reden of liet pretext. Hali, bespreekt dit vrij uitvoerig en doet uitkomen dat eene interventie geoorloofd is in alle gevallen waaruit de handelingen eener regeering nadeel dreigt, maar niet wanneer het gevaar uitsluitend daarin gezien wordt dat in een naburigen staat een regeeringsvorm bestaat, waarvan men vreest dat hij in liet eigen land aanhangers vinden en daardoor tot onlusten aanleiding geven zal. Zoolang die naburige staat geen propaganda maakt voor zijn staatsinstellingen dient men zicli van actief optreden te onthouden. Zeer dikwijls werd ter vergelijking met een staat, die dooi- eene revolutie wordt beroerd, het voorbeeld aangehaald van hem die liet vuur, dat in zijn buurman's huis is uitgebroken, tracht te blusschen uit vrees voor zijn eigen goederen. Geffcken verwerpt deze redeneering geheel. Ook Bivuntschu wil van interventie in dit geval niet weten, men moet dan maar propaganda maken voor zijn eigen staatsinstellingen. Evenmin is Carnazza-Amaui een voorstander van het onderdrukken eener revolutie met buitenlandsch geweld en wel omdat toch na het vertrek der vreemde legers de schijnbare rust weder verstoord worden zal. Het decreet der nationale conventie van 9 Nov. 1792. verklarende dat de conventie «recordera fraternité et secours a tons les peuples qui voudront recouvrer leur liberté et charge Ie pouvoir exécutif de
49
donner aux généranx les ordres nécessaires pour porter secours a ces peuplesquot; was echter zelf zonder twijfel een daad van interventie.
0n. Wanneer ééne aanleiding dikwijls wederkeert in de geschiedenis der interventie, dan is het de verstoring van het evenwicht, en het is niet te verwonderen, dat de meeste schrijvers er voor terugschrikken, hier onho-paaldelijk het principe van non-interventie te handhaven. Het meerendeel, o. a. Chateaubriano, Wheaton, Kluber. Pradier-Fodéré, erkennen in dit geval uitdrukkelijk het recht van interventie; anderen, zooals Funck Rrentano en Sorel, Hall en meerderen, noemen het geval niet afzonderlijk, maar daar zij evenals Dr. van Rotteck steeds interventie geoorloofd achten wanneer de noodzakelijkheid er toe dwingt, zullen zij ook geacht moeten worden eene interventie in dit geval te billijken. Heffter wil, wanneer men ziet aankomen dat een staat zal trachten zich de oppermacht te verwerven, â bijv. doordien hij bijzonder groote krijgstoerustingen maakt of andere verontrustende handelingen pleegt, â tractaten gesloten zien tusschen hen, die zich bedreigd achten.
10. Hoe naijverig de mogendheden tegenover elkander steeds mogen geweest zijn, in het beschermen van den christelijken godsdienst, voornamelijk tegen de muzelmannen, gingen zij flikwijls samen. ï)e schrijvers kunnen
4
50
zich over het algemeen wel vereenigen met deze interventie ten behoeve van geloofsgenooten, ofschoon anderen, zooals Carnazza-Amari, ook hier de kerk van den staat gescheiden willen houden. Heffter keurt in principe deze interventie af, maar houdt ze voor gerechtvaardigd tegenover muzelmansche volken, daar die steeds allerlei hervormingen belooven, doch hun beloften nooit ten uitvoer brengen. Chateaubrand wil van deze interventie niet weten.
I-P. Wheaton en Phiumore, evenals De Groot, Pasquale, Fioke en Roun-J., keuren het goed, dat de mogendheden tusschenbeide komen om te verhinderen dat de wetten der menschelijkheid verkracht worden of een oorlog op te barbaarsche wijze wordt gevoerd. Velen noemen dit geval niet, maar het schijnt mij niet te gewaagd te veronderstellen, dat zij gaarne dit geval zouden beschouwd hebben als een, waar de noodzakelijkheid tot tusschenbeide komen dwingt. Immers,â pledet.ikvre. FüNCK BrENTANO, Dr. von PiOTTECK CU Calvo niet te na gesproken, â allen nemen aan, dat eene interventie, die noodzakelijk is, ook gerechtvaardigd is, en aangezien dat begrip noodzakelijkheid door geen van hen voldoende gedefiniëerd wordt, hebben wij zeker het recht, daaronder een geval als dit te rekenen.
12°. Een niet betwist rechtmatige interventie is die
51
waartoe men gedwongen wordt door garantie-tractaten. Verscheiden schrijvers noemen dit geval zelfs niet, waaruit men zoude kunnen alleiden dat zij van oordeel zijn dat er in zoo'n geval geen sprake van interventie is. Hoewel men ook kan redeneeren: het sluiten van een garantie-tractaat is op zichzelf eene krenking dersouve-reiniteit van dat land, dat b. v. zijne constitutie laat garandeeren en wanneer het er nu toe komt de bedoeling van dit verdrag te verwezenlijken, krenkt de garant dus de souvereiniteit van zijn beschermeling, zij het ook met diens goedvinden, en hebben wij dus interventie, zoo meen ik toch dat hier van geene interventie sprake is; deze casus positie valt dan ook niet onder mijne definitie. Wel zoude ik het sluiten van garantie-tractaten, die aan vreemdelingen in een staat zekere publieke of private rechten garandeeren, interventie willen noemen met dien verstande dat, wanneer hun niet meer rechten worden gewaarborgd dan de onderdanen zelf ook genieten, ami interventie niet gedacht kan worden, aangezien men dan juist de souvereiniteit van dat land erkent.
10. Evenmin als in het voorgaande geval vindt de interventie bestrijding, die strekt om een staat te dwingen zijne plichten na te komen of een anders rechten te erkennen. Walker, de Martens, Heffter, Hall en vele anderen geven uitdrukkelijk in dit geval een recht tot
52
interventie, velen hunner zelfs zonder eene, toch noodzakelijke, beperking.
Ik heb het oog op de verplichtingen van een staat tegenover zijn schuldeischers, en daarom is wellicht het woord beperking niet op zijn plaats, aangezien het hier niet plichten tegenover een staat qua talis maar een verbonden zijn aan diens onderdanen geldt. Maar al te dikwijls echter is dit onderscheid door de staatslieden uit het oog verloren. Lord Palmerston drukte het beginsel, dat in zulke gevallen voorzitten moest, zeer juist uit in Januari 1848: «Wanneer men zijn kapitalen aan vreemde regeeringen toevertrouwt, inschrijft op eene leening, door een vreemden staat uitgeschreven, dan steekt men zicli in eene fmantiëele speculatie. De risico, die aan elke operatie van dien aard verbonden is, loopt men ook bij iedere inschrijving op eene staatsleening. De geldschieters moeten de mogelijkheid voorzien van onvermogen, zoowel bij een Staat, als bij een eenvoudig particulierquot;. Hiermede is dan ook elke interventie in fmantiëele aangelegenheden veroordeeld.
14°. Een curieus geval stelt Arntz in een brief aan Rolin-Jaecquemyns. Hij neemt aan dat een staat, midden in Europa gelegen, geen spoorwegen in zijn gebied wilde toelaten, of zijne misdadigers verbrandde, en meent, dat hieruit blijkt de onmisbaarheid van interventie in
53
surnrnige gevallen. Rolin-Jaecquemyns antwoordt hierop dat hij eene collectieve interventie in dit geval volkomen gebillijkt zoude vinden; mij komt het echter voor, dat men hier een geval voorhanden vindt, waarin recht voor noodrecht wijken moet. Brentano, die nooit interventie wil dan waar de noodzakelijkheid er toe dwingt, en dan het oorlogsrecht ingetreden acht, zoude waarschijnlijk hier die noodzakelijkheid aanwezig oordeelen.
Bij het nagaan van de verschillende hiergenoemde gevallen kwam de naam van Calvo in het geheel niet ter sprake en dat wel omdat hij, terugschrikkend voor de moeilijkheid die het geven van een beginsel in deze quaestie meebrengt, van oordeel is dat het vraagstuk moet worden overgebracht naar, en opgelost op het gebied der feiten.
Sir William Harcourt liet zich over interventie in het algemeen als volgt uit: »1 do not disparage intervention. It is a high and summary procedure, which may sometimes snatch a remedy beyond the reach of law. It must be admitted, that in the case of intervention as in that of revolution, its essence is its illegality and its justification its success.quot;
Uit het bovenstaande overzicht blijkt hoe moeilijk het is een vasten regel voor interventie te stellen; het feit dat niet twee der schrijvers het met elkander eens
54
zijn, schijnt Calvo gelijk te geven, die zich van de theoretische zijde der quaestie afmaakt en haar geiieel overbrengt naar het gebied der praktijk. Evenmin als hij geloof ik dat men het recht heeft iedere interventie, die de geschiedenis ons aanwijst af te keuren; er kunnen zich omstandigheden van allerlei aard hebben voorgedaan die haar rechtvaardigden. Wil men een regel stellen, dan zal het dunkt mij deze moeten zijn: er bestaat geen recht van interventie, maar nood breekt wet.
Beantwoorden nu, om ons tot deze eeuw te bepalen, de voornaamste gevallen waarin in dat tijdvak van interventie bleek, aan den aldus omschreven regel ? Ik stel mij voor die vraag na te gaan door op eenige dier gevallen het licht te laten vallen.
HOOFDSTUK V.
De toestand van Turkije was in 1839 verre van rooskleurig; aan de eene zijde bedreigd door Rusland, dat niets liever wilde dan een protectoraat over het Otto-mannische rijk, aan den anderen kant door Mehemet Ali, den pacha van Egypte, scheen geen andere uitkomst mogelijk dan de tusschenkomst der mogendheden. Van doze was Engeland het meest tot interventie geneigd, aangezien het vreesde dat door eene overwinning van Mehemet Ali zijn handelsbelangen ernstig bedreigd zouden worden; Frankrijk daarentegen wilde alles aan het wapengel uk overlaten.
Het gevolg der besprekingen tusschen de mogendheden was, dat Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen in 1840 een verdrag sloten, waarbij zij verklaarden het verzoek om hulp van de Porte in te willigen, ten einde de onafhankelijkheid van Turkije te waarborgen en
56
daardoor den Europeeschen vrede. De contraheerende partijen beloofden hierbij, dat zij Meiiemkt Ali zouden verhinderen tegen Constantinopel op te trekken, wanneer de sultan hun dat verzocht. Deze laatste toeyoeging bederft alles. Immers de mogendheden interveniëeren hier ten behoeve van den Europeeschen vrede en om verder bloedvergieten te voorkomen. Nemen wij voor een oogenblik aan dat hare tusschenkomst op deze gronden gerechtvaardigd was, dan had juist de luatstc zinsnede nooit geschreven mogen worden. Immers deze doet de interventie afhangen van den wil van den sultan, terwijl zij eenige regels te voren gemotiveerd wordt door de begeerte voor het algemeen welzijn van Europa te waken, twee motieven geheel met elkaar in strijd. Maar liever dan deze interventie goed te keuren, sluit ik mij aan bij Frankrijk's gevoelen, dat men alles had moeten overlaten aan het zwaard. Evenals dezer dagen (Januari 1895) Duitschland antwoordde op Engeland's voorstel, om Japan te verhinderen naar Peking op te rukken: wij eiscben voor Japan hetzelfde recht, dat wij in 1870 voor onszelf vroegen: men late het overwinnend leger den weg naar de hoofdstad vrij, zoo ook ware het de plicht der mogendheden in 1840 geweest, af te wachten welke de uitslag van den oorlog tusschen den pacha en zijn suzerein zoude zijn om daarna, werden door de
57
voorstellen van den overwlnmuu- Turkije's oaafliaukelijk-lieid en Europa's rust bedreigd, handelend tusschenbeide te treden.
Rusland, over zijn succes in de collectieve intei'ventie van 1840 volstrekt niet tevreden, had reeds voortdurend, dooi- onophoudelijke agitatie in tie Donau-provincies, getracht zijn invloed te versterken. Het onvermijdelijk gevolg was de oorlog met Turkije die in 1854 uitbrak. Dat Engeland en Erankrijk dezen oorlog met leede oogen zagen ontbranden, sprak van zelf; liet was toch niet twijfelachtig aan welke zijde de overwinning zoude zijn en de gevolgen van Ruslands suprematie waren niet te overzien. Vandaar de gewapende interventie van deze beide landen, later gevolgd door Sardinië, ten behoeve van Turkije, liet verloop van dezen oorlog na te gaan is overbodig, hij eindigde met den vrede van Parijs in 1850 en met een voor de Porte hoogst gewichtig tractaat! niet zoozeer omdat de mogendheden (hieronder ook Pruisen) verklaren tie onafhankelijkheid van het Ottoma-nische rijk te erkennen, als wel om het eerste gedeelte van art. \ 11, bij hetwelk de mogendheden verklaren dat de Mooge Porte is toegelaten tot het Europeesch «concertquot; en het daaropvolgend art. VIII. Ten einde gebeurtenissen als die van 1854 te voorkomen in de toekomst, wordt hierbij den mogendheden die dit tractaat teekenen, de
58
verplichting opgelegd om, bij het opkomen van een misverstand dat haar goede verhouding tot de Porte in gevaar zoude kunnen brengen, aan de andere mogendheden de gelegenheid te geven, alvorens tot de wapenen haar toevlucht te nemen, door mediatie zulk een uiterste te voorkomen.
Naast art. VII is art. IX van liet meeste gewicht:
»Z. K. M. de Sultan, na in zijn voortdurende zorg voor het welzijn zijner onderdanen een Firman (d. i. de Hatti-lloumayoun van 185G) te hebben uitgevaardigd, die hun lot verbetert zonder onderscheid van godsdienst of ras en zijn edelmoedige voornemens tegenover de christelijke bevolking van zijn Keizerrijk doet blijken, wenscht nog een bewijs van zijne gevoelens in dat opzicht te geven en heeft besloten aan de Overeenkomende Partijen genoemde Firman mede te deelen, vrijwillig ontstaan door zijn souvereinen wil.
De Overeenkomende Partijen erkennen de groote waarde van deze mededeeling. Het is welverstaan, dat zij in geen geval genoemden mogendheden het recht kan geven zich, hetzij gemeenschappelijk, hetzij afzonderlijk, te mengen in de betrekkingen van Z. K. M. den Sultan met zijne onderdanen, noch in het binnenlandsch bestuur van zijn Rijk.quot;
Behalve de neutralisatie van de Zwarte Zee en de
erkenning van Servië's iidministratieve onat'Iuuikelijkheid, is in dit tractaat nog gewichtig art. 29 dat do Porte verbiedt voortaan gewapend in het vorstendom te inter-veniëeren zonder vergunning der mogendheden.
Evenwel: het groote gewicht van dit tractaat blijft gelegen in art. 9.
Wanneer men in het oog houdt, dat de ilatti-lloumayoim, waarop in dit art. 9 gedoeld wordt, was opgesteld onder medewerking der mogendheden, en talrijke diep ingrijpende hervormingen invoerde, zooals godsdienstige vrijheid en gelijkheid, goede regeling dei-rechtspraak, goed fmantiëel beheer, het gebruiken dei-belastingen voor nuttige werken en meerdere, dan blijkt het gewicht van dit art. ten duidelijkste. Hierdoor toch wordt art. 9 ten naasten bij een contract, tusschen de Porte aan de eene en de mogendheden aan de andere zijde. En al doen deze uitdrukkelijk afstand van haar recht om in de binnenlandsche administratie zich te mengen, het is duidelijk dat zij toch het recht hebben de Porte tot liet nakomen harer beloften te dwingen. Hierdoor wordt dus feitelijk een recht tot voortdurende interventie erkend.
Zoo heeft dus het optreden der mogendheden in 1854, eigenlijk geene interventie maar eenvoudig eene oorlogsverklaring aan Rusland, voor Turkije's zelfstandigheid
60
zeei' nadeelige gevolgen gehad. Dat deze upvalting van art. 9 van het tractuat van Parijs ook die der mogendheden was, bewezen deze door hare linantiëele interventie in J859.
Frankrijk en Engeland hadden bij het uitbreken van den Krirnoorlog in 1855 eene leening van 125 uiillioen l'rancs, door de Porte gesloten, gegarandeerd. Daar het üttomannische Rijk zijne verplichtingen, die hieruit voortvloeiden. niet nakwam, besloten de beide mogendheden eene commissie in te stellen, voor een gedeelte uit Fransche en Engelsche gedelegeerden bestaande, om te trachten maatregelen te treffen, waardoor de orde in het fmantiëel beheer zou worden hersteld. Deze poging echter leidde tut niets. Daar de tegenwerking der Turksche regeering belette iets tot stand te brengen, namen de Europeesche leden in 1800 reeds weder hun ontslag.
Nu deze interventie zich bepaald heeft tot het pogen van Frankrijk en Engeland om de Turksche finantiën uit haren deplorabelen toestand op te heffen, is ertegen haar rechtmatigheid niets aan te voeren.
De snoodheden, in 1800 tegen de Syrische Christenen begaan dooi' de omwonende Muzelmansche bevolking, aangemoedigd door de onverschilligheid der Turksche ambtenaren, deden in Europa een kreet van afgrijzen opgaan.
61
De mogendheden besloten te interveniëeren en droegen deze taak op aan den Keizer van Frankrijk als hun vertegenwoordiger. Deze zond eene legermacht naar Syrië, om de orde te herstellen, die er bleef tot het volgende jaar, na alvorens eene geheele reorganisatie van het he-stunr bedongen te hebben volgens een ontwerp, door eene internationale commissie saamgesteld.
Ofschoon de schijn ook hier weder gered werd, â de Sultan noodigde namelijk den Franschen Keizer uit een leger te zenden met de volgende woorden: Z.M. de Sultan 't bloedvergieten willende doen ophouden en zijn vast besluit willende doen kennen om orde en vrede te handhaven onder de volken onder zijne souvereiniteit, en de mogendheden hunne bemiddeling hebbende aangeboden etc.quot; â is het toch evident dat wij hier een geval van interventie voor ons hebben. En wel van ongeoorloofde, jure althans. ITet komt mij echter voor, dat hier van toepassing is, hetgeen ik boven van noodrecht zcide: immers Turkije bleek öf niet in staat, of onwillig te wezen de gruwelen te verhinderen, en daardoor werd m. i. voor de christelijke mogendheden het recht geboren, zelve die taak op zich te nemen.
Weder was in 1875 do Sultan genoodzaakt de hem aangeboden hulp van Duitschland, Rusland, Oostenrijk,
02
Frankrijk en Italië aan te nemen ter demping van den opstand in Bosnië en Herzegowina. De onderhandelingen, aangeknoopt met de opstandelingen, leidden tot geen resultaat door hun wantrouwen tegen Turkije. Hierop besloten Oostenrijk, Duitschland en Rusland gezamenlijk hunne opinie uit te drukken in eene nota, opgesteld door Graaf Anbrassy. Deze wijst er op, dat de toestand van reaeeringloosheid in deze provinciën noodzakelijk de
o o
Europeesche mogendheden met bezorgdheid moet vervullen, aangezien daardoor haar handel en nijverheid ernstig werden bedreigd. Ilij betoogt verder, dat tot nu toe de mogendheden Iiaar gedrag hebben laten leiden door hot streven zoo weinig mogelijk den schijn aan te nemen, als wilden zij zich in de binnenlandsche aangelegenbeden der Porto mengen, doch dat tbans het oogen-blik gekomen is van politiek te veranderen. Hij eischt ton slotte, dat de Porto zich plechtig verbinde, nu niet meer tegenover baar christelijke onderdanen doch tegenover de mogendheden zelve, zoodat »si les snjets chrétiens de la Turquie n'obtenaient pas dès a présent la forme de garantie qu'ils sernblent réclamer, ils trouvassent une sécurité relative dans le fait même que les réformes octroyées seraient reconnues indispensables par les Puissances et que la Porto aurait pris 1'engagement de les inettre a execution.quot;
63
Hierop antwoordt de Porte in liet begin van 18701net de belofte van eenige belangrijke hervormingen, o. a. godsdienst-vrijheid; de opstandelingen evenwel weigeren hiermede genoegen te nemen en eischen eene verdergaande garantie van Europa, waarop de strijd weder ontbrandt. De vertegenwoordigers der mogendheden zien nu in dat zij andere maatregelen moeten treffen en besluiten aan de Porte voor te stellen een wapenstilstand te sluiten van twee maanden, gedurende welken tijd men zal trachten de opgestane stammen te bevredigen Verliep deze tijd zonder dat de pogingen der mogendheden met een goeden uitslag bekroond werden, dan zouden zij op andere wegen de maatregelen tot stand zien te brengen die noodig waren in het belang van den Euro-peeschen vrede
Eerst was Engeland niet geneigd met de overige mogendheden samen te werken, bewerende dat een dor-gelijk optreden te kort zou doen aan de souvereiniteit van Turkije. Een ijdele uitdrukking voorwaar! 't Kwam er immers juist op aan, dat Turkije die souvereiniteit niet wist te doen gelden, want dat 't hier een geval van interventie gold, dat zag Lord T)et!HY zeer juist in. Van het eerste oogenblik af toch was liet interventie, al trachtten de mogendheden het den naam van mediatie te seven, bemiddeling immers van een vreemde tnsscheu
64
een vorst en zijn onderdanen, randt de sonvereiniteit ten sterkste aan.
Het volgend jaar. dat de moordtooneelen in Bulgarije medebracht, zonde Engeland's gedragslijn veranderen. Gladstone, die «Bulgarian Horrorsquot; schreef, stelde zich met T.ord John Russell, Lord Granville, Hartington en anderen aan liet hoofd eener beweging om collectieve interventie uit te lokken.
Den 28sten September 4876 brengen de mogendheden bij monde van Sir Henri Elliott, den Britschen ambassadeur, hunne eischen ter kennis van de Porte. Deze houden onder meer in. dat de Porte zicli tegenover de mofiendheden verbindt aan Bosnië en Herzegowina eene administratieve autonomie toe te staan en de administratie in Bulgarije te hervormen. Ten overvloede deelen lt;le mogendheden nog mede dat zij volstrekt geene vermeerdering van grondgebied, noch eenige inmenging in de binnenlandsche aangelegenheden der Porte beoogden.
De Turksche Regeering ziet zich genoodzaakt deze voorwaarden aan te nemen en in December 1876 komen de vertegenwoordigers der mogendheden te Constanti-nopel bijeen, zonder dat een afgevaardigde der Turksche regeering wordt toegelaten. Nadat de Europeesche gevolmachtigden het over de noodzakelijke hervormingen
waren eens geworden, lieten zij hun eischen aan de Porte weten. Door den tegenstand van vertegenwoordigers dier regeering was liet onmogelijk tot een resultaat te komen, waarop de gedelegeerden Constantinopel verlieten.
Aan liet mislukken hunner pogingen hebben de mogendheden evenveel schuld als de Porte; geen enkele onder haar die hierop de diplomatieke betrekkingen afbrak, behalve Rusland. Gortschakoff, de Russische kanselier, verzocht den anderen mogendheden, hem mede te deelen wat zij van plan waren te doen en toen de antwoorden alle negatief bleken te zijn, verklaarde de Tsaar in 1877 aan Turkije den oorlog. En volkomen terecht; Rusland neemt liier alléén verder de taak op zich, die de mogendheden hadden ondernomen toen zij zicli te Constantinopel in eene conferentie vereenigden. Dat zij tot die interventie recht hadden in dit bijzondere geval behoeft geen nader betoog. Wil men dat recht niet erkennen op grond dat de Sultan zelf zoo dikwijls hare tusschenkomst inriep, niemand zal zich hier verzetten tegen een beroep op het noodrecht. Daarom was de Tsaar in zijn recht, toen hij zeide, 10 Nov. 1870, te Moscou: «Wanneer ik zie dat wij niet werkelijk garantie krijgen voor de uitvoering van wat wij gerechtigd zijn
GO
van de Porte te eischen, zal ik alléén hanclelen'' '), Toch is het gedrag van Rusland in deze omstandigheden dikwijls scherp gecritiseerd, en dit bewoog F. Martens2) eene verdediging van de Russische politiek te schrijven, waarin hij aantoont, dat zijn land het recht had zich als vertegenwoordiger van Europa te heschouwen. Steeds noodigde het de andere mogendheden uit met hem samen te werken. Hij bewijst verder uit geheime stukken dat reeds in 1829 Nesselrode van meening was, dat 't beter zou zijn wanneer Turkije bleef bestaan en dat in geen geval Rusland alleen liet moest doen vallen.
De Russisch-Turksche oorlog eindigt met den vrede van San-Stefano in Maart 1878. De voornaamste artt. van dit vredesverdrag behelzen: de erkenning der onafhankelijkheid van Rumenië en Servië, van een onafhankelijk vorstendom Bulgarije en de invoering in Bosnië en Herzegowina van de hervormingen, door de conferentie te Constantinopel aangegeven Voorts wordt de bescherming der Russische geestelijken, pelgrims en monniken opgedragen aan hun eigen consulaat.
') Rolin-Jacquemijns. R. D. L, Pebv. 1877.
â ') Etude historique sur 1« politique russe dans la question d'Orient. R. D. L, 1877.
07
Niets natuurlijker dan dat ook de mogendheden, ondanks haar werkeloosheid, toen het er op aankwam Turkije tot hervormingen te dwingen, nu haar recht deden gelden om gekend te worden in de vredesvoorwaarden tusschen Turkije en hun vertegenwoordiger Rusland. En dit land verzette zich tegen dien eisch niet. Den Irlden Juni 1878 werd het congres van Berlijn geopend, waar zich bevonden de gemachtigden van Duitschland, Oostenrijk, Rusland. Frankrijk, Engeland, Italië en Turkije. Hun taak was het, alle artt. van liet vredesverdrag van San Stefano na te gaan en, zoo noodig, wijzigingen aan te brengen. In het tractaat van Herlijn van 13 Juli 1878 moeten we dus de verhouding zoeken die op het oogenblik tusschen de Porto en de Europeesche mogendheden bestaat.
Wel kreeg Turkije een gedeelte van zijn grondgebied dat. bij 't verdrag van San Stefano, onder den naam Bulgarije tot een afzonderlijk vorstendom was verheven, terug, maar toch moest het aanzien dat de provincie Oost-Rumeliö eene vrij groote autonomie verwierf. Het tractaat van Berlijn is te uitvoerig om het hier in zijn geheel te bespreken, het zij genoeg te verwijzen naar het belangrijk art. 02, waar de Porte zich verbindt den belijders van alle godsdiensten volledige vrijheid en gelijke burgerlijke en politieke rechten toe te kennen. Uitdruk-
08
kelijk bepaalt art 04, dat alle bepalingen van 't tractaat van Parijs van kracht blijven, voor zoover ze niet worden vervallen verklaard.
Zooals te verwachten was, bleek Ruslands invloed in 't nieuwe vorstendom Bulgarije zeer groot, reeds de benoeming van Alexander van Battenberg was voornamelijk het gevolg van Ruslands goede gezindheid jegens dien prins. Zelfs werd aan een Russischen generaal opgedragen eene constitutie voor het vorstendom te maken, die wel in 4881 door eene nationale vervangen, doch twee jaren later weer hersteld werd.
Tn den herfst van 1885 brak te Philippopel eene revolutie uit en werd de Turksche regeeringscommissaris aldaar gevangen gezet. Oost-Rumelië verklaarde zich één met Bulgarije en bood Alf xander de kroon aan. Tot zijn ongeluk nam deze de hem aangeboden waardigheid aan en begaf zich naar Philippopel. De Porte, zich niet in staat ziende de omwenteling te onderdrukken, roept de interventie der mogendheden in. Hulp verschaften deze echter niet, wel den goeden raad te trachten den status quo ante te herstellen, terwijl zij den Prins uit-noodigden naar Bulgarije terug te keeren. De oorlog dien Servië hierop aan Bulgarije verklaart, had ten gevolge, dat de Unie meer en meer bevestigd werd. De Sultan
00
acht hut oogenblik gekomen om met den Prins zeli' te onderhandelen en sluit in het begin van 1880 een verdrag met hem, waarbij de Unie als een louter personeele wordt erkend en Alexander voor telkens vijfjaar gouverneur van Oost-Rumelië wordt. Weldra echter zoude Prins Alexander het moeten boeten dat hij gehandeld had zonder voorkennis van Rusland. Kort na het bijeenkomen der nieuwe Sobranje, wordt hij in Augustus 1880 door eenige samenzweerders opgelicht en over de grenzen gevoerd, terwijl de voorloopige regeering te Sophia den Tsaar de geheele onderwerping van Bulgarije beloolde. I Iet leger echter weigerde de nieuwe regeering te erkennen en riep den Prins terug, die dan ook kort hierop te Sophia wederkeerde. Onderweg was zijn lot echter reeds beslist; hij had den Tsaar telegrafisch om goedkeuring-zijner handelingen verzocht en deze antwoordde op eene wijze, waaruit Alexander bleek dat hij afstand moest doen. Toen Rusland dan ook verzekerde, dat het er niet aan dacht zich te mengen in de binnenlandsche aangelegenheden van Bulgarije, verklaarde de vorst dat hij niet langer in zijn land kon blijven, daar de Tsaar het niet wilde. Hij stelde den 7den September 1886 een regentschap onder Stamhui.off aan en verliet het land. Hoe het vorstendom hierna eenige maanden zuchtte onder de ijzeren hand van generaal Kaulbars, tot eindelijk in
70
Juni 1889 Prins Fkuiunand vim Kubui'g de hetn aiuige-bodcn Wiiardigiieiil vuu vorst van Ikilgarije aamuuu, is bekend. Wei wilde in 1888 Rusland dezen Prins nog niet erkennen, en wist het de Porte tot eene depêche te bewegen, waarin deze weigerde hem als wettig vorst te beschouwen, doch tot nu toe heeft l1 eruinand zich, ondanks deze bezwaren, weten te handhaven.
Deze interventie van Rusland, of liever die van den Tsaar persoonlijk, in de aangelegenheden van Bulgarije, is blijkbaar ten eenemnale ongerechtvaardigd. De schrijver van een anonyinen brief in »Le Nord aan Rüi.in-Jaecqukmyns, trachtte haar te verdedigen op grond dat iiidgarije geen staat en Alexander van Battenberg een werktuig in Engelands handen was.
De ongegrondheid van deze bewering is duidelijk: Rusland zelf had den prins tot vorst verheven, en daarmede de verplichting op zich genomen zijne souvereini-teit te eerbiedigen. En moge liet waar zijn dat Griekenland trachtte van de revolutie te Philippopel te proüteeren, voor den Tsaar was daardoor liet recht nog niet geboren, om zich tegen de Unie van Bulgarije en Rumelic te verzetten. Ook door Oostenrijk evenwel is het vorstendom stiefmoederlijk behandeld. Servië verklaart den oorlog en niemand verzet zich hiertegen, doch als Bulgarije blijkt sterker te wezen, wordt Prins Alexander bevolen
71
ile v ij am lel ijk heden te staken, onder bedreiging dat anders Servië zal worden geholpen. Dit moge politiek zijn, eerlijk is zulk een gedrag stellig niet.
Nu dezer dagen alle couranten weer bericliten brengen over wreedheden in Armenië gepleegd, mag wel eens worden herinnerd dat Europa zelf schuld is aan deze bedroevende feiten. Art. 61 van het tractaat van Berlijn luidt: De Verhevene Porto verbindt zich zonder verder uitstel de verbeteringen en hervormingen in te voeren, die geëischt worden door de locale behoeften in do provincies bewoond door de Armeniërs, en hun veiligheid te verzekeren tegen de Circassiërs en Kurden. liet zal periodiek de maatregelen, genomen om dit doel te verwezenlijken, doen weten aan de mogendheden, die het toezicht zullen houden op haar toepassing.quot;
Duidelijker kan het niet; het recht van controle wordt hier stellig aan de mogendheden gegeven, doch tevens nemen deze hiermede de verplichting op zich te zorgen dat doeltrelïendu verbeteringen worden ingevoerd. En toch ontkende Salisbury tegenover lord Caunarvün in 1886, dat Engeland hierdoor eenige verplichting had, hoewel hij tegenover mejulTrouw Trotteu, die zich over de slechte behandeling der Christenen beklaagde, erkende dat hij het recht had zich met die zaken te bemoeien.
72
Evenwel, hier gaan recht en verplichting samen en in de talrijke vergaderingen in Engeland gehouden om te protesteeren tegen de Armenische wreedheden, had men wèl gedaan de schuld ervan voor een groot deel op eigen schouders te laden. Maar Engeland's belangen waren niet direct betrokken bij die noodzakelijke hervormingen en dus zweeg het.
tl O U F 1) S T U K VI
Zagen wij in de vorige blatlzijdca dat de daar behandelde interventies, althans groutendeels, gereciitvaai'digd rnogen heeten, geheel anders moeten de inmengingen der Kuro-peesche mogendheden in Amerika beoordeeld worden. Wat de eerste dezer betreft, de interventie aan den Rio de Ja Plata had het volgende verloop.
De vertegenwoordiger van Frankrijk in Argentinië, Rogeu, lichtte in 1838 tot de regeering van dat land scherp geformuleerde klachten over zoogenaamd onrechtvaardige behandeling zijner landgenooten, o. a. eischte hij hun vrijstelling van den militairen dienst. De regee-ring van Louis-l'mr.ui'pe, die in het nauw gebracht was door de oppositie in de binnenlandsche politiek, zag hierin eene schoone gelegenheid, do aandacht van de hangende quaesties af te leiden en ze op de zaken van den La Plata te vestigen. Intusschen was Roger naar Montevideo uitgeweken en ontving daar de tijding dat
74
aan admiraal Lkulanc was gelast hom te omlersteunen, waarop hij upiiicuw zijne elschen deed kennen aan Rosas, den dictator van Argentinië. Hoewel Roger in 1831) vervangen werd door een anderen consul, had dit in de politiek van Frankrijk tegenover de Zuid-Amerikaansche republiek geen veranderingen ten gevolge; zelfs wist hij het verbond tot stand te brengen tnssclien de Fransche troepen, den Uruguayschen generaal Riveua en de uitgeweken A rgentijnen
Dat de Vereenigde Staten ongaarne Frankrijk zoo zagen optretlen spreekt van zelf en zij droegen dan ook admiraal Nicholson op zijne bemiddeling aan te bieden. Argentinië was gaarne bereid deze te aanvaarden en verklaarde dat liet den Franschen onderdanen, in die republiek gevestigd, dezelfde rechten zoude toekennen als aan alle andere nationaliteiten. De Fransche consul daarentegen verklaarde, dat hij van onderhandelingen, op deze wijze gevoerd, niets wilde weten, stellig verwachtende dat Frankrijk hierna den oorlog zou verklaren. Hiervan gebeurde echter niets, maar in 1840 werd plotseling aan de verwikkelingen een einde gemaakt door de komst van admiraal Mask au die met Rosas een verdrag sloot waarin de hangende geschillen werden opgelost.
Wat was dus het einde van deze interventie? Roger is nooit door zijne Regeering gedesavoueerd, zoodat deze het
75
met liL'in eeii« tnuest schijuon, tueu hij Rosas verweet clat deze liet volkenrecht schond en de beginselen der mensche-lijkheid verkrachtte enâ nauwelijks twee jaar later knoopt 1' rank rijk met dj.enzelfden Rosas onderhandelingen aan, die tot een vrede leiden, waardoor de Fransche onderdanen overgelaten worden aan de clementie van het Argentijnsch bewind.
Trouwens de reden der interventie was niet te hil-lijken; eene regeering heelt niet liet recht meer voorrechten voor haar onderdanen te eischen, dan de bewoners van het land, waar zij zich gevestigd hebben, zelve genieten. Intusschen, slechts schijnbaar had Frankrijk van zijne plannen algezien zich te mengen in de bin-nenlandsche aangelegenheden van 't Amerikaansche vasteland.
Nadat Rosas, tengevolge van den vrede met Frankrijk de handen weer had vrijgekregen, haastte hij zich den oorlog te verklaren aan Uruguay en zijn ouden bondgenoot Ouiük weder president dier Republiek te maken en gelukte liet hern dezen als zoodanig te doen erkennen. De keizer van Brazilië eischte hier teiien-
o
over Rosas medewerking om de provincie Rio Grande do Sul tot rust te brengen. Onbegrijpelijker wij ze weigert Rosas dit laatste en vervalt daardoor het geheele tractaat. Terstond verandert nu ook de houding der Braziliaansche
70
Regeering, bevreesd dat bet Rosas' bedoeling was, eerst UrugLiay en daarna Rio Grande bij Argentinië te voegen, en zendt zij den burggraaf d'Abrantes naar Frankrijk en Engeland om bun interventie in te roepen.
Twee gevolmacbtigden werden door deze beide landen gezonden om te onderhandelen met Rosas, deze is daartoe eebter niet genegen, zoodat zij Ruenos-Ayres weder verlaten en de blokkade van de havens dier republiek gesloten verklaren. Rosas begint zicb hierna meer tot transigeeren bereid te toonen, met liet gevolg dat de Engelsche troepen worden teruggeroepen.
Tot eenig resultaat kwam men evenwel niet en evenmin gelukte dit in de twee volgende zendingen van Frankrijk en Engeland. Toen deze landen dan ook besloten ten vierden male de onderhandelingen te doen voeren door andere zaakgelastigden, werd dezen opgedragen direet met generaal Ãribe te onderhandelen, zonder de regeering van Montevideo daarin te kennen. In bet begin was Okidk wel tot onderhandelen bereid, maar door liet staken van Rosas mislukte de schikking weder; Fngeland vond het nu een goed oogenblik om zich uit deze netelige kwestie terug te trekken en sloot een afzonderlijk verdrag met Argentinië in bet laatst van 1848.
üe Fransche Regeering, bierdoor genoodzaakt de in-
77
terventie alleen dooi- te zetten, wilde maar al te gaarne liet voorbeeld van Engeland volgen en zond dus ten vijfden male een vertegenwoordiger, admiraal Leprédour, die dan ook in 1850 een verdrag met Argentinië sloot.
Wat was nu liet resultaat dezer interventie? Men kan zich niet genoeg verbazen over een dergelijk optreden van twee Enropeesche groote mogendheden. De overmoed van een Fransch vertegenwoordiger geeft dit land een gewenschte reden om zich quasi-verontwaardigd te toonen over eene gefingeerde mishandeling zijner onderdanen en daardoor de oppositie in zijn parlement tot zwijgen tc brengen. En wat is het resultaat? Nul; het oorspronkelijke doel wordt geheel uit het oog verloren en men eindigt met hem, dien men eerst onwaardig noemde te regeoren, als wettig dictator te erkennen.
l'it een juridisch oogpunt zoude deze interventie dan ook geen belang hebben, ware het niet dat zij een zoo betreurenswaardig antecedent vormde voor later, in casu de interventie van Mexico.
Dezelfde verschijnselen, die wij in het vorig overzicht ontmoetten, treffen wij in deze interventie aan; ook hier hebben de mogendheden zich niet aan het recht gestoord.
De aanleiding tot deze interventie was. dat eenige
78
Spaanschc, Fransclic en Engelse!ie onderdanen ten tijde der Mexikaansche omwentelingen te lijden hadden gehad van mishandelingen en plunderingen.
Deze feiten waren de aanleiding tot de conventie van Londen van R1 October ISfil, hij welke de drie mogendheden »se tronvant placées â zooals liet in den aanbel' der conventie luidt â par la conduite abritraire et vexatoire des autorités de la République du Mexiqne, dans la nécessité d'exiger une protection plus efficace pour les pcrsonnes et les propriétés de leurs sujetsquot;, beraadslaagden over de wijze' waarop zij daarvoor geldelijke schadeloosstelling zouden kunnen krijgen.
Tn deze overeenkomst drongen zij er bij Mexico op aan gehoor te verleenen aan de talrijke klachten en verklaarden alles in het werk te zullen stellen om de eiscben hunner onderdanen ingewilligd te krijgen; uitdrukkelijk voegden zij er bij geen verkrijging van grondgebied. noch tusschenkomst in de binnenlandsche aan-«elegenheden van Mexico te beoogen. Het ware doel dezer interventie zoude echter weldra blijken. De mogendheden noodigden namelijk Amerika uit zich als vierde bij haar aan te sluiten, doch dit land weigerde, onder aanbieding evenwel van de hulp van zijn minister in Mexico om de schadevergoeding te regelen. Dit laatste aanbod werd door de mogendheden afgeslagen.
omdat zij zich met eene geldelijke vergoeding niet tevreden konden stellen, maar ook voor hot vervolg waarborgen eischten voor eene rechtvaardige behandelinu harer
o
onderdanen. Het bevel van den Franschen minister van bnitenlandsche zaken aan den commandant van het Fransche eskader in de golf van Mexico, om iedere beweging te steunen die z. i. een betere behandeling der vreemdelingen tot gevolg zoude hebben, duidt er evenzeer op dat de mogendheden wel degelijk van plan waren een Regeeringsvorm naar haren zin in te voeren. Fn daar Frankrijk het grootste woord sprak in deze aangelegenheid, kon die regeeringsvorm wel geen andere wezen dan de monarchie. Inderdaad blijkt dan ook uit een brief van Napoleon aan generaal Forey dat dit zijn bedoeling was ').
Ueeds kort na de conventie van Londen deed zich eene verwikkeling voor. De Amerikaansche Secretaris van Staat Seward brengt in eene nota den mogendheden in herinnering, dat de Vereenigde Staten er zeer veel belang bij hebben dat geen Enropeesche staat zich van een deel van het Mexicaansche grondgebied meester maakt en verder dat de Vereenigde Staten groote sympathie hebben voor de Mexicaansche Republiek.
') Calvo § 197.
so
Vee] grooter moeielijkheden zouden zicli echter voor Frankrijk voordoen. Tn het begin van '18G2 (19 Febr.) werd de preliminaire conventie van Soledad geteekend door de vertegenwoordigers der vier landen om te strekken tot grondslag voor latere onderhandelingen. Deze conventie werd echter noch te Parijs noch in de heide andere residenties goedgekeurd, waarop de Fransche troepen openlijk de monarchale partij in Mexico begonnen te steunen.
Het gevolg hiervan was dat de Spaansche en Engelscho troepen weer naar Europa vertrokken onder voorwendsel dat Frankrijk handelde in strijd met de conventie van Londen. Nu de Fransche expeditie de handen vrij had, was president Juarez weldra gedwongen van het bewind afstand te doen en werd de kroon aangeboden aan Maximiuaax van Oostenrijk. Voor zijn vertrek naar zijn nieuw land verbond deze zich een Fransch legercorps te onderhouden, dat geleidelijk verminderd zou worden en tegemoet te komen aan de klachten die tot de interventie geleid hadden.
De houding van de Amerikaansche regeering was zeer correct; in een blief van 1864 zet Seward uiteen, dat de Vereen. Staten er niet aan denken de nieuwe monarchie te erkennen, maar dat zij ook nog geen reden zien tusschenbeide te komen in den oorlog tusschen
81
Frankrijk en de Mexicaansche republiek. Napoleon liet hierop antwoorden dat de erkenning van de monarchie dooide Vereen. Staten hem voldoende waarborg zonde wezen en hij dan de Fransche troepen zou laten terugkeeren.
Amerika's president weigerde hierop in te gaan en zelfs in 1865 een agent van Maximiltaan als Mexicaansch consul te erkennen, bewerende dat voor de Vereen. Staten niets anders bestond dan de republiek Mexico. Het volgend jaar benoemde Maximiliaan twee Franschen, tot de expeditie behoorende, tot ministers van oorlog en finantien. Hierin zag Seward een reden om Napoleon's vertegenwoordiger te Washington onder het oog te brengen dat de goede verstandhouding tusschen beide mogendheden dreigde verstoord te worden door deze benoeming, daar die scheen te duiden op een uitgesteld vertrek der Fransche troepen. Het volgend jaar was Napoleon dan ook gedwongen zijne expeditionaire macht terug te roepen, terwijl hij tevens een vertrouwde zond om te trachten Maximiliaan over te halen afstand te doen en tegelijk met de Fransche troepen te vertrekken. Men weet dat hij weigerde en kent de tragische wijze waarop zijne korte regeering eindigde 1).
Het is hier niet de plaats om na te gaan of schade
') Men zie hierover Ernest Loxtet; 1'Empire do Maximilien par p. graülot.
82
door particulieren geleden, ooit een recht tot interventie kan geven, maar in ieder geval is het niet de gewoonte der mogendheden in zulk een geval tot dit middel hunne toevlucht te nemen. En daarom is ook deze interventie, die zich van een eisch tot vergoeding als pretext bediende, in hooge mate afkeurenswaardig. Trouwens, wanneer de bewering van Sir W. Harcourt juist is, dat de rechtmatigheid eener interventie in haar succès ligt, dan is deze veroordeeld. Nauwelijks hadden de Fransche troepen toch den rug gekeerd, of Napoleon's protégé werd door zijn volk vermoord en aan schadevergoeding werd niet meer gedacht.
Ofschoon van minder belang voor de geschiedenis, verdient toch de interventie der mogendheden in den strijd tusschen België en Nederland in 1830 de aandacht uit juridisch oogpunt. Het is toch zeer moeilijk uit te maken, waarom de mogendheden zich hier tot tusschen-komst geroepen voelden. Maar hetzij ze hiertoe reden vonden in hare begeerte om een verderfelijken oorlog te eindigen, hetzij bezorgdheid voor het verbreken van 't evenwich t haar er toe leidde, gerechtigd tot interventie waren ze m. i. stellig niet. Men kon de Belgen op dat oogenblik
83
niet als een volk beschonwen, zij waren eenvoudig de oproerige onderdanen van Koning Willem I en niemand had het recht tusschenbeide te komen in den strijd tusschen dien vorst en een deel van zijn volk. Ofschoon dus de mogendheden haar optreden met succes bekroond zagen, schijnt het mij jure niet te verdedigen.
Uit het bovenstaande overzicht van de voornaamste interventies van deze eeuw ziet men dus, dat ze op het door mij ingenomen standpunt geen van alle te billijken zijn, behalve die tegenover Muzelmansche volken.
BESLUIT.
In de vorige bladzijden heb ik getracht uiteen te zetten, boe het volkenrechtelijk instituut der interventie van de vroegste tijden tot aan onze dagen een zeer groote rol in de wereldgeschiedenis heeft gespeeld, boe eerst sedert bet begin dezer eeuw eenige twijfel aan zijn rechtmatigheid is ontstaan, en hoe, door den invloed der schrijvers, de algemeene opinie zich zeer stellig voor het principe van non-interventie heeft moeten verklaren. Tevens echter vond ik gelegenheid er op te wijzen hoe gemakkelijk het is een principe te stellen, doch hoe bezwaarlijk het in de praktijk nooit ontrouw te worden. Men beeft dan ook gezien dat alle auteurs voorop stellen, dat zij tegenstanders der interventie zijn, om ten slotte, door de historie biertoe genoopt, vele uitzonderingen op hun regel toe te laten. Piedelièvre maakt eene uitzondering, hoe gaarne zoude ik niet zeggen eene loffelijke, maar 't komt mij voor, dat dit adjectief
85
hier eenigszins misplaatst zoude wezen. Vergeten we toch niet, dat het voor iemand in zijne studeerkamer zeer eenvoudig is alle interventiën, zoowel theoretisch als practisch, steeds af te keuren, maar of de staatsman, die eene leer in praktijk moet brengen, zich ooit op Piedelièvre's standpunt zoude kunnen handhaven, valt stellig te betwijfelen. De beste gedragslijn, die eene mogendheid volgen kan, is om alvorens over te gaan tot intervenieeren, de mediatie, arbitrage of bons offices van een onzijdigen derde in te roepen; doen er zich omstandig-lieden voor, waar dit onmogelijk is, zonder te kort te doen aan eigen eer, dan is het oogenblik gekomen waarop bet oorlogsrecht de plaats van het gewone recht inneemt, in welk geval zeker het mindere, de interventie, geoorloofd is.
Uit de geschiedenis der voornaamste interventies in deze eeuw meen ik aangetoond te hebben, dat in normale omstandigheden geene interventie te billijken valt. Met eerste gedeelte van dit laatste hoofdstuk toont echter tevens aan dat men voor de verhouding der beschaafde mogendheden tegenover Muzehnansche volkeren eene uitzondering moet maken. Dit alles leidt mij dan ook tot de conclusie: Er bestaat geen recht van interventie, maar nood breekt wet.
STELLINGEN.
STELLINGEN.
STELLINGEN.
T.
Er bestaat geen reeht van interventie, maar nood breekt wet.
II.
Het verwerpen door de Tweede Kamer van uitgaven op de begrooting die door de wet zijn voorgeschreven, is onwettig.
III.
Als eed voor de leden tier Provinciale Staten geldt die van art. 129 Grondwet, niet die van art. 71 Prov. wet.
9ü
IV.
Onder de «wettenquot; van wier uitvoering in de artt. 126 en 127 Gemeentewet sprake is, behoort ook de Gemeentewet zelve.
V.
Wanneer in den gemeenteraad de stemmen staken over een voorstel tot verdaging van zeker aan de orde gesteld onderwerp, geldt niet art. 50 lid 2 Gem.wet, maar is het voorstel dadelijk als niet aangenomen te beschouwen.
VI.
Wanneer rechtsvermoeden van overlijden verklaard is, behoorde de overgebleven echtgenoot vrij te zijn om een nieuw huwelijk aan te gaan.
VIL
Ten onrechte keurt Opzoomer de bepaling in art. 804 B. W. «gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en waardequot; af.
91
Vlll.
De opsteller heeft niet den eigendom van de door hem gestelde gebouwen.
IX.
Ten onrechte zien sommigen in de laatste woorden van art. 1279 B. W. «of indienquot; etc. een geval van mora.
X.
Hij het kort geding voor den president der rechtbank behooren partijen dooi' procureurs vertegenwoordigd te zijn.
XI.
Ãok de handelingen van den verzekerde zijn daden van koophandel.
92
XIL
De rechtbank kan aan een bevoegd advocaat niet het recht ontzeggen als verdediger op te treden in een strafzaak waarin hij door het openbaar ministerie als getuige is gedagvaard.
XIII.
In art. 180 1quot;. W. v. Str. beteekenen de woorden «schuldig aanquot; meer dan «veroordeeld wegensquot;.
XIV.
Ten onrechte sprak de rechtbank te 's Gravenhage een beklaagde vrij van de hem ten laste gelegde bedelarij omdat bleek dat niet op het «Pleinquot; â zooals de dagvaarding vermeldde â maar op het «Oranjepleinquot; was gebedeld.
XV.
Art. 177 Wetb. van Strafr. stelt den eisch, dat de dader wist dat het door hem van den ambtenaar verlangde is in strijd met diens plicht.
93
XVI.
Ten onrechte geven Inst. II1. § 35 aan den b. f. possessor van een fundus den eigendom der vruchten «pro cura el culturaquot;.
XVIL
Ter regeling der handelsbetrekkingen met het buitenland verdient het systeem van handelstractaten do voorkeur boven dat van autonome tarieven.