-ocr page 1-

x.*9j6'

■\/

Be les der geseliietós Ier ieerieg vae al wie streeft naar tesetapj.

poort

p,.. \V. Gr. BRTLL,

Oud-Iloogleeraar te Utrecht.

UTRECHT,

K E M IK K amp; ZOON,

(over de Doifikcrk).

1896.

-ocr page 2-

1_

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

-\o.l

Bs les fler pscMcJenis ter leeriiï vai al wie streeft naar lesrscliaiij.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

De les der geschieienis ter leering van al wie streeft naar heerschappij.

DOOK

Dr. W. G. BRILL,

Oud-Hooglceraar ti: Utrechl.

TJ T R E C n T ,

KEMINK amp; ZOON,

(ovnr do Domkerk).

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

-ocr page 8-
-ocr page 9-

DE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING VAN AL WIE STKEEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

I.

Het werk des Scheppers en Wereldbestuurders is blijkbaar een samenbinden van op zich zelf staande elementen tot een organisch geheel. Zoo is, bij voorbeeld, het schoone menschenbeeld uit deeltjes, die men cellen noemt, tot eene eenheid opgebouwd, welke heerschappij over elk harer deelen of leden uitoefent, en zich zelfs, gelijk uit de opgerichte gestalte blijkt, zoo veel doenlijk aan de nedertrekkende en losmakende kracht des aardbodems ontheft. Alle organismen bestaan op dezelfde wijze, en de gevolgtrekking is niet te gewaagd, integendeel zij is noodwendig, dat alle stof, die wij zien, ja onze gansche aarde, waartoe bij den dood ons lichaam wederkeert, weggelegd is om zich eenmaal, wanneer de volheid des tijds gekomen zal zijn, als een groot organisch levend geheel te openbaren. Dat de materie schijnbaar dood is, en de tijd dier openbaring onafzienbaar, doet niets ter zake; wij leven haastig een spanne tijds, en wat wij zich

i

-ocr page 10-

DE LES DEK GESCHIEDENIS TER LEERING

niet zien bewegen, houden wij voor dood; wat wij niet zien komen, meenen wij, zal eeuwig wegblijven.

Evenzoo nu als liet werk des Scheppers in een samenbinden van het uiteenliggende bestaat, merken wij in do geschiedenis der volken, in enkele menschen, genoegzaam door volgers gesteund, een streven op om buiten de perken van eenige bijzondere volksafdeeling, ja buiten de grenzen van het eigen volk uit te gaan en hunne macht uit te breiden: dat zal, meenen zij, den roem en de macht hunner natie verhoogen, het gevaar van vijandelijkheid van buiten afsnijden, orde en vrede in de wereld in onbeperkte mate verbreiden.

Juist dit nu, de poging om allen en alles onder één hoofd te brengen ') is eene daad, waarbij men het den Wereldbestuurder en Schepper tracht na te doen. Zij, die zulks pogen geven gehoor aan eenen drang; zij verrichten Gods werk; hoe zou het ook anders kunnen? zij zijn Gode gelijk, — maar bij die Godegelijkheid wordt het hun ten slotte bang genoeg.

Zoo zien wij van den tijd aan, dat onze kennis van de geschiedenis aanvangt, de beheerschers van het Assy-rische en het Babylonische Rijk het er op toeleggen om hun gebied uit te breiden en de Palaestijnsche volken tot vazalstaten te maken.

2

De Medo-Perzen, bezitters der hoofdstad van Assyrie geworden, erfden van dit Rijk de aanspraak op het wereldgebied. Hoe de Koningen van Perzië, naar hun geloof in den dienst van hunnen God Ahuramazda, voorvechters alles goeds, uitvoerders van Zijnen wil en door

1) Met het Grieksclie woord AnaJcephalaiósis te noemen. Het woord uvcciC£gt;pci^oiiu(roclt;rBoii komt voor Ephes. I : 10.

-ocr page 11-

VAN AL WIE STREEFT NAAK HEERSCHAPPIJ. 3

de genade van dien God der waarheid in staat gesteld om de leugenkoningen te overwinnen en de afdwalende volken onder hunnen herderstaf te brengen, — hoe die Koningen Griekenland hebben willen onderwerpen, ten einde dit zoo beschaafd en edel volk in hun gebied op te nemeu, ja zelfs de kolome der Phoeniciers, den machtigen handelstaat Carthago, te veroveren. — het is algemeen bekend, en evenzeer dat hun gezag te gronde is gericht door eenen vorst, die, zijnen toeleg om de zelfstandige deelen van het volk der Grieken voor één gezag te doen bukken volbracht achtende, aan het hoofd dier Grieken uitging om de Perzische Monarchie ten val te brengen en het Hellenisme over het geheele, nog door geen' westerling bezochte Oosten uit te breiden, als Godenzoon den mythus van God Dionysos meenende te verwezenlijken. Alexander bracht het zoo ver, dat hij zijnen troon in de oude wereldhoofdstad Babyion vestigde. Maar helaas! daar stierf hij in jeugdigen leeftijd, en zijn wereldrijk viel uiteen. Meer clan één zijner opvolgers trachtte nog, ten koste zijner mededingers, de uitééngevallen eenheid te herstellen, doch het een na het ander der uit Alexanders heerschappij gesproten Rijken viel voor het beleid en de wapenen van Rome, hetwelk zich alsnu het wereldgebied in eene vroeger ongekende mate van uitbreiding ten deel zag vallen.

Rome viel op hare beurt, doch met Rome was het streven van volgende aanvoerders der volken niet vervallen. Het Christendom was ingevoerd, en daarmede het denkbeeld van een Rijk, door Christus gesticht, dat alle volken der aarde omvatte en allen als schapen van ééne kudde onder éénen herderstaf moest vergaderen. In beginsel werd dus de eenheid van het menschelijk geslacht aan-

i*

-ocr page 12-

DE LES DER GESCHIEDENIS TE 11 L EK KI NO

genomen, en één hoofd, een keizer, voortzetter van het Eomeinsche wereldrijk, thans op den waren grondslag, moest er zijn. Wel waren er gedurende de middeleeuwen twee keizers, daar er een te Constantinopel was blijven zetelen; ook waren niet alle Christenvorsten gezind eenen Keizer als hun hoofd te erkennen, maar niettemin moesten zij zich als stedehouders van Christus beschouwen, van wiens Rijk het Heilige Roomsche Rijksgebied toch ten slotte de voornaamste vertegenwoordiging uitmaakte. Wel was het verre Aziatische Oosten voor de Christenen als eene onbekende zee van peillooze diepte; d'di in hen leefde de hoop, dat de heerschappij van Christus, aanvankelijk reeds door Priester Joban, het kind der vrome verdichting, uitgeoefend, eenmaal de wereld zou vervullen, gelijk de wateren den hodem der zee bedekken. — En toen nu, als om de voorspelling in den choorzang van Seneca's tragedie Medea waar te maken, de Oceaan aan de vlucht, door 's menschen genie genomen, geene grenzen meer stelde; toen zich eene nieuwe wereld uit Tethys' schoot had opgedaan, en Thule langer niet het eind der aarde heeten kon, — toen werd er ook een vorstengeslacht gevonden, hetwelk het nee plus ultra in zijn schild voerde, als bezitter van een Rijk, aan gene zijde van welks grenzen niets meer gevonden werd. Inderdaad bekleedde het Oostenrijkscbe Huis den hoogsten zetel boven Europa's Koningen, en heetten zijne Vorsten heeren der beide Indiën. In hunne hoop erkenden reeds alle Mogendheden hunne opperheerschappij ; in bunnen waan was Azie, welks Zuid-Oostelijke eilanden zij bereikt hadden, een hun voorbestemde buit.

Zoo scheen het goddelijk werk der vergadering onder één hoofd door eenen mensch tot stand gebracht. Maar

4

-ocr page 13-

VAN AL WIE STREEFT NAAK HEI KSCHAPPIJ.

hoe kort bestond die schijn ! Een monnik wekte onverzoenlijke verdeeldheid in Duitschland zelf, en de voortgang van Luthers denkbeelden deed het Oostenrijksche Huis zijne heerschende stelling verliezen

Karei V en zijr. zoon zijn echter geenzins de laatsten geweest, die gemeend hebben een wereldmonarchie te stichten. Lodewijk XIV heeft zich gevleid de kroon te kunne i winnen , die aan het hoofd van het Oostenrijksche Huis ontvallen was. Maar slechts weinige geslachten na hem is zijn Frankrijk gansch ineengestort. Doch de waan der universeele monarchie is herrezen uit het puin, door Napoleon tot een nieuwen bouw opgericht. Met geen hooger beginsel dan dat van een staatkundig krijgsgezag heeft Napoleon gemeend een alle natiën en werelddeeleu omvattend Rijk te grondvesten, en er zijn er geweest, die met zijne heerschappij een rijk van vrede, in één woord, het Godsrijk gekomen achtten. Een Hollandsch dichter heeft dit in orakeltaal uitgesproken ').

5

Na den val van den Franschen veroveraar schijnt de Europeesche meuschheid verder dan ooit verwijderd van de verwezenlijking eener eenheid onder één uitstekend hoofd. Het Weeiier Congres heeft de zelfstandigheid dei-volken elk ouder zijn hoofd willen verzekeren en een heilig volkenverbond willen stichten. Zelfs de eenhoofdigheid van het Duitsche Kijk heeft die Vorstenraad niet kunnen of willen handhaven. Trouwens de eenheid der Duitsche natie bestond bij de verscheidenheid barer deelen, onafhankelijk van hetgeen de Vorsten al of idet besloten. Doch juist met zulk eene door natuur en geschiedenis tot stand gekomen eenheid vergenoegt zich de waanwijze

1) Bildei'dijk, Üde, Napoleon getiteld.

-ocr page 14-

6 T)E LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

menschelijlce rede niet. Allerlei belemmeringen van den gladden gïing der zaken, veelvuldige neiging der deelen om zich aan de dienstbaarheid van het grooter geheel te onttrekken opmerkend, leidt's menschen betweterij daaruit af, dat er iets bijgeholpen, dat ei1, ten einde den behoorlijken gang der zaken en een achtbaar voorkomen naar huiten te bevorderen, raad geschaft moet worden. De zucht om te maken wat is, om den vorm van hot scheppingswerk Gods na te doen, ligt in 's menschen aard en bestemming. Daaraan kan hij zich niet onttrekken. Dat streven, hem voorgeschreven, is de drijfkracht der geschiedenis : zoo dient de mensch Gods raad op eigen verantwoordelijkheid.

Het Weener Congres zelf, hoezeer deze Vorstenraad voorgaf de verscheidenheid der volken, althans het recht der Vorsten te eerbiedigen, heeft gemeend eene allen bindende idéé van orde en tucht te vestigen: alleenlijk werd daarbij de verscheidenheid der volken tot op zekere hoogte erkend: de schrik voor den allesgelijkmakenden geest van de Omwenteling en van haren zoon Napoleon lag nog te versch in het geheugen. Maar wat ook het Weener Congres gepoogd moge hebben, allerminst heeft het vermocht het heilloos streven te breidelen om onder de leus van een volmaakten staat op aarde de menschheid tot eene alomvattende eenheid te verbinden.

„De Girondijnen,quot; zegt een uitnemend Fransch schrijver, „hebben het eerst in beginsel vastgesteld, dat, zou de vrijheid behouden blijven, men haar over de wereld verbreiden moest. Zij verklaarden, dat alle volken broeders zijn; dat Frankrijk, hetwelk de rechten der natuur heroverd had, zijne roeping zou miskennen, wanneer het zich aan de taak onttrok om de naasten wat het zelf

-ocr page 15-

VAN AL WIE STUKEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

verworven had, mede te doen genieten. De wereld moest vrijgemaakt en met de vrijheid een volmaakte gelukstaat op aarde ingewijd worden.quot;

Ook hier derhalve erkennen wij de leus: alle volken te vergaderen, wel niet onder het hoofd van éénen Vorst, maar onder de heerschappij van denkbeelden, die trouwens wel degelijk aan een geestelijk hoofd gehoorzamen, al zien wij het niet: weldra vindt dat onzichtbnar hoofd zijnen zichtbaren vertegenwoordiger. Juist dat vond de Fransche Omwenteling in Napoleon. In dezen oorlogsman moest het blijken, waarop de edelaardige denkbeelden van dweepers uitloopen: immers op stroorneu bloeds, op naraelooze smarten, op gewetenloozen dwang, op alge-meene verwarring bij gedwongen schijn van eenvormige orde.

Eu die edelaardige denkbeelden der braven onder de omwentelingsmannen strekten almede tot een wanhopig pogen om te maken wat is en was. Of is de menschheid bij alle verscheidenheid van rassen en volken niet uit éénen bloede gesproten? Verstaan de natiën elkander niet in weerwil van het verschil der talen? Bezoeken zij elkander niet over bergketenen en zeeën heen ? Wisselen zij de voortbrengselen niet elk van haren bodem en nijverheid? Dit vredelievend volkenverkeer maakt de ware eenheid uit. — Maar deze wordt niet erkend: de begeerte om meer te hebben, dan men bij vlijt en braafheid onder do hand heeft, verbreekt do harmonie, en ten gevalle eener valsche eenheid , wier verwezenlijking men aan eenen enkelen stoutmnedigen sterveling of aan een gewapend volk dank zal weten, wordt de ware eenheid verstoord.

En zelfs wanneer het Napoleon en zijnen Franschen te doen mag geweest zijn, om de beschaving, de voorrechten, den geest hunner natie onder do volken van Europa voort

7

-ocr page 16-

DE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

8

te planten, is dit inderdaad een noodeloos werk geweest. Of zou de Fransche geest oin in Europa invloed te oefenen, zooveel bloerlstorting en tirannie noodig gehad hebben, als door Napoleon is aangericht? Is die invloed niet onberekenbaar groot geweest gedurende al de middeleeuwen? Is de Fransche beschaving, de Fransche geleerdheid, zijn de Fransche zeden niet steeds een voorbeeld ter navolging voor de andere natiën geweest? De kennis der Fransche taal en hare keurigste uitspraak werd in die eeuwen door Duitsche edellieden in Frankrijk zelf opgedaan. De voortbrengselen der rijke Fransche letterkunde werden omstreeks de dertiende eeuw aller-wege vertaald of nagevolgd. De Universiteit van Parijs was niet alleen een punt van aantrekking voor al wie dorstte naar wetenschap, maar ook een model ter oprichting van andere Hoogescholen. En in lateren tijd heeft het waarlijk niet aan de zucht ontbroken om Frankrijk na te bootsen, noch aan de geneigdheid om Fransche denkbeelden over te nemen. Duitsche Vorsten legden lusthoven aan naar het model van Versailles; Fransche tooneelstukken werden overal opgevoerd, en Fransche letterkundigen en philosofen vonden overal gretige hoorders. Tot nog toe was de aanvaarding van Fransche denkbeelden eene vrije daad geweest en was zij kalm in het werk gegaan. Maar bijaldien de denkbeelden van het jaar 1789 in Frankrijk zelf zonder stoornis der orde en als in der minne waren verwezenlijkt, en de uitbarsting van haat en wraak geene gruwelen had teweeggebracht, zou Frankrijks invloed op de volken onbegrensd zijn geweest, terwijl hij thans, juist door het streven om hem met de wapenen te verhoogen, grootelijks benadeel ! is. De omwenteling heeft in Frankrijk veel bedorven en de

-ocr page 17-

VAN AL WIE STREEFT XAAR HEEIISCHAPPIJ

natie het goede niet dan door middel van veel kwaads deelachtig doen worden; en evenzoo heeft de herinnering van het gewelddadig optreden van Napoleons legerscharen in onzen tijd tot eene oorlog van weênvraak geleid, die Duitschlands grootheid op Frankrijks vernedering heeft willen grondvesten.

Met geenen held der Oudheid kan men Napoleon juister vergelijken, dan met Alexander den Groote. Gelijk Napoleon met zijne legioenen aan de Fransche idéen in Europa, zoo heeft Alexander aan het hoofd zijner Macedonische phalangen aan de Grieksche denkbeelden in het Oosten ingang verschaft. Daar ging Alexander met geweld brengen wat reeds, almede door zijns vaders toedoen, in Griekenland zelf niet meer in vollen bloei bestond, en zonder geweld zou gekomen zijn , ja aanvankelijk reeds gekomen was. Zonder de macht van den Griekschen geest zou Alexander niets vermocht hebben, en die Grieksche geest had zich ongevoelig reeds in het Oosten verspreid ten gevolge van zijne verhevene waarheid alleen, gelijk hij niet slechts door het wonder van den vrijheidskamp bij Marathon, maar vooral door de zedelijke grootheid en het goddelijk kunstvermogen van Athene aan de wereld geopenbaard was.

Had de Revolutie reeds het goede bedorven, dat de volken van Frankrijk ontvangen hadden en verwachten mochten, de nieuwe omwenteling, ten gevolge van den aanval van Duitschland uitgebroken, heeft thans alle kans van de verbreiding van hetgeen in de Fransche denkbeelden navolgingswaardig was, afgesneden, nu bet communisme en de machteloosheid of medeplichtigheid der Regeering een' toestand heeft doen ontstaan, welke slechts afkeer en meêwarigheid kan inboezemen.

9

-ocr page 18-

])B LES DER GESCHIEDENIS TEE, LEERING

Wat de toeleg der omwentelingsgezinder, en de veroveringszucht van Napoleon heeft opgeleverd, was wel geschikt om aan allo streven naar het dwingen tot nieuwe eenheden, en in het algemeen naar het leggen van den grondslag eener universeele monarchie voor goed den bodem in te slaan. Maar dan zou de menschheid onder hare leiders geen gehoor moeten geven aan de wet der geschiedenis.

Zoo hebben wij dan Duitschlands eenheid tot stand zien brengen. Hoe? Moest Duitschlands eenheid dan eerst tot stand gebracht worden? Spraken allen in de verschillende Duitsche landen dan niet ongevergd dezelfde taal en konden niet allen zich verlustigen aan dezelfde dichters en prozaschrijvers? Welke inniger eenheid is denkbaar? Ja — maar Duitschland was verdeeld in verschillen Ie Staten I — Verbrak dit dan die hoogere eenheid, welke in gemeenschappelijke taal en letterkunde bestaat? Immers neenl Integendeel, de eenheid wordt juist in de verscheidenheid gestaafd: zonder verscheidenheid heeft zelfs de eenheid niets te beduiden. — Maar al die verschillende Staten, waarin Duitschland verdeeld was, gehoorzaamden niet aan een commando, en het behoorde anders te zijn om Duitschland eene groots figuur te doen maken onder de Mogendheden van Europa. Juist zoo! Zij die de opheffing van menige verscheidenheid hebben doorgedreven, en allen aan het ééne commando ondergeschikt hebben gemaakt, hadden geen oog voor de werkelijk bestaande eenheid: deze voldeed hun niet. Niet tevreden met hetgeen was, omdat zij onbekwaam waren het te waardeeren en alleen gevoel hadden voor ijdele, valsche grootheid en stoffelijke macht, wilden zij zelvcn iets maken, en zij hebben niets vermocht dan het be-

10

-ocr page 19-

VAN A Ij WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ. 11

staande, dat trouwens niet volmaakt was, slechts veeleer te bederven dan te verbeteren. De verscheidenheden, wélke te voren eenen uitweg en afleiding vonden in de verschillende Staten, zijn elkander fel bestrijdende partijen geworden, en wat te voren tusschen de verschillende onder-deelen der ééne natie slechts gemis aan overeenstemming heette, niet min of meer goede luim erkend , is thans nu men gedwongen is één beleid te erkennen in onverdrage-lijkheid, ja soms in feilen haat verkeerd.

Maar met dat al heeft Duitschland ontegenzeggelijk aan stoffelijke macht gewonnen. Doch waartoe strekt deze vooral, zoo niet om het Rijk tegenover het buitenland te sterken, en aan zijne Regeering, als in het binnenland, zoo nu ook tegenover het buitenland overmacht te verzekeren? Denken wij ons nu daarbij den ongeloofelijken trots der Duitsche natie, haren dunk dat geene andere haar in wetenschap en degelijkheid te boven gaat, dan begrijpen wij, hoe zij zich de roeping, ja! de verplichting toekent om in de gansclie wereld gezag uit te oefenen. Daartoe moet Duitschland, naar de bezielde woorden van fiere dichters, bet benijde Britannië ten trots, een Oceanisch gebied verwerven om den aardbol als in de armen zijner volkplantingen te omvatten. Kon het Rijk slechts de zelfstandige bestanddeelen van het Germaansche ras, met name Holland met zijne rijke koloniën, in zich opnemen, dan ware reeds dadelijk veel gewonnen. En de Duitschers voeden den waan, dat onze buitenlandsche bezittingen en binnenlandsche havensteden in de hand der Rijksonderdanen meer zouden opleveren dan nu zij aan een volk zijn toevertrouwd, dat aan de stoutmoedigheid en den ondernemingsgeest zijner voorvaderen is ontzonken. Zoo oordeelend, zien zij in de eerste plaats over het

-ocr page 20-

DE LES DKB GESCHIKIlEXIS TEH LEERING

hoofd, dat de Nederlanders immers Duitsch zijn en dus geene Duitschers gemaakt behoeven te worden, en voorts dat Duitschland, jnits het zich niet ijverzuchtig en achterdochtig gedraagt, den onbelemraerden toegang heeft tot al wat Nederland bezit, daar het zich immers niet tegenover het buitenland afsluit. Doch hier doet zich alweder de heillooze voorstelling gelden, die belet in te zien, dat al wat de broeder bezit, het onze is, wanneer wij slechts tot diensten, aan het verlangde geevenredigd en met liefde bewezen, bekwaam en bereid zijn. Wat het eigendom van koloniën slechts opleveren kan, bezaten immers de Duitschers reeds vóór den laatsten tijd. — Elders ') heb ik gewaagd van het belangrijk deel, dat de Duitsche natie heeft aan de inspanning, welke de over^eesche werelden aan Europeesche nijverheid en beschaving onderwerpt. Aan dat groote werk, zeide ik, waren zulke Duitschers dienstbaar, die, onbekommerd om eenig vorstengezag en moedig hunne toekomst op eigen verantwoording nemend, voor hunne verbazende arbeidskracht eenen bodem wisten to vinden in de zeesteden van alle vreemde natiën en op de onontgonnen gronden van Noord- en Zuid-Amerika. — Die zelfgenoegzaamheid van elk der duizenden nederige landverhuizers, merkte ik aan, bracht zonder ophef, bepaaldelijk in enkele streken van Zuid-Araerika. eene colonisatie van Duitse' ers tot stand, waar Fransche onderdanen , hoezeer door een krijgsleger gesteund, niet geslaagd waren post te vatten.

Maar aan die stille triomfen der Duitsche natie in vreemde werelddeelen had men niet genoeg; men klaagde

1) Voorlezingen over de Geschiedenis der Nederlanden, D. IT. St. FF. bi. 58 en 74.

12

-ocr page 21-

VAN AL quot;WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ. 13

dat de Duitscliers onder de vreemdelingen versmolten; dat nergens aan gene zijde van den Oceaan de Duitsche vlag geplant werd en bet Rijk op die wijze niet werd verrijkt of verheerlijkt. Met andere woorden, men nam geen genoegen met het goede, zoo men er geene eer bij inlegde: de schijn moet er bijkomen: dat de leden dei-natie, elk op zich zelf, zich en der menschheid van dienst zijn, wordt niet geteld. En eene Regeering, wier roeping is de natie haar waar belang te doen inzien, blijkbaar die klacht en die geringschatting van hetgeen werkelijk verworven werd, deelend, heeft in den laatsten tij I, niet zonder reeds één en andermaal pijnlijk het hoofd ge-stooten te hebben, met de wapenen van den Staat in de andere werclddeelen kustlanden en eilanden in bezit trachten te nemen. Zoo loopt de Duitsche kolonist gevaar door Duitschlands valsche grootheid bedorven te worden, daar hij, verblind door de glorie, voortaan niet langer steunt op eigen vlijt, maar eischend wat hij te voren slechts wonschte te verdienen, met Duitschlands wereldmacht dreigt, en eenen toon aanslaat, die overal slechts nationalen haat kan voeden. De nijvere Duitscher is gelijk aan Goethe's Dorothea, aan welke, naar het zeggen van den dichter, omdat zij werkzaam is en door haren arbeid in al wat zij behoeft, kan voorzien, de wereld toebehoort. De tegenwoordig in Duitschland heer-schende geest wil zich de wereld doen toebehooren door geweld. Zoo bevorderen voorwaar de beheerschers der Dui;schers de ware kracht hunner onderdanen niet, noch de hoogachting, dij de bevoegdsten der andere natiën hun gaarne toedragen. — Wat had Duitschland door zijne dichters onder de Franschen en Engelsehen, natiën vreemdst van den Duitschen landaard, een aantal geesten veroverd ,

-ocr page 22-

DE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

van welke het genoegzaam zal zijn Mevr. de Staël, Victor Cousin, Carlyle, G. H. Lewes te noemen. Door den bloedigen veroveringskrijg van 1870 is, bepaaldelijk in Frankrijk, de bewondering in onwil verkeerd, en heeft de begeerte om de door Duitscbland aangeboden geestelijke schatten dankbaar te aanvaarden, voor de trouwens niet onvruchtbare zucht om der Üuitscbe wetenschap de palm af te winnen plaats gemaakt.

En bij de aanspraak, door Duitscbland gemaakt, op een overwegend gezag bij de behandeling van de belangen der wereld, ja, op zekere hegemonie onder de volken, komt dat Rijk in botsing met tegenwerking en mededinging.

Want er is een ander Keizerrijk, hetwelk gedachten van wereld monarchie koestert, en dat wel op breeder grondslag en ouder rechtsgrond. Wie denkt hier niet aan Rusland? Den Grieksch Christelijken godsdienst belijdende en aan het hoofd der aanzienlijkste der Mogendheden van deze belijdenis staande, meent de heerscher aller Russen een onverjaard en onverjaarbaar recht te hebben op de hoofdstad van het Oostersch-Romeinsche Rijk, tegenover hetwelk elke Westersche stichting van Kerk of Staat schismatiek geacht moet worden. Is de Czar voor alsnog niet in het bezit van Constantinopel, —■ alle streven moet uitgaan ora in het bezit dier stad te geraken, en daar gezeteld, zich rechtens, en zoo mogelijk feitelijk, heer aller heeren te betoonen.

Doch in Constantinopel ontmoet de Czar eene andere aanspraak op het gebied der wereld. De Islam zet zijn pan-islamisme tegen Ruslands panslawisme over. Onver-delgbaar is het geloof van den Moslim, dat zijne leus: geen God dan Allah en Mohammed zijn profeet! het aardrijk veroveren zal, daar de volken, die zich tegen

14

-ocr page 23-

VAN AL WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

die leus verzetten, met hunne kunst en wetenschap, tot oneer van den Allerhoogste, door den Booze begaafd, ten slotte met den Booze de overwonnelingen der ware geloovigen moeten worden. Reeds vóór de verovering van Constantinopel door Mohammed II had Bajazet verklaard, dat hij zijn paard haver zou laten eten op St. Pieters hoogaltaar te Rome. „Ik ben geborenquot; had hij gezegd, „ter verovering der wereld.quot; Doch hij is gesneuveld bij Ancyra in den slag tegen Timur-Lang, die zelf de aanspraak op de overweldiging der geheele wereld had overgenomen van den vreeselijken geweldenaar Dschengis-Khan , wien , Groot-Khan over alle Mongoolsche horden geworden, voorspeld was, dat hij over de gansche aarde zou heerschen.

Ue tegenwoordige hopelooze toestand van Turkije voorspelt wat het Panslawisch Rijk onfeilbaar eenmaal worden zou, zoo het de opvolger werd van het Kalifaat te Constantinopel; want alle gewezen wereldrijken zijn vergaan, en alle toekomstige wereldrijken zullen vergaan. •

Inderdaad, de middelen, door Rusland aangewend, om ten slotte Constantinopel te bemachtigen, bewijzen maar al te zeer, dat, waar de mensch zich onderwindt de formule der Godsregeering tot zijne leus te kiezen, hij niets doet dan een spotbeeld te vertoonen. Of is geweld, met list en bedrog afgewisseld, een godewaardig bedrijf? En gesteld de Czar besteeg eenmaal den Byzantijnschen troon, zou hij, daar gezeten, iets anders zijn dan een armzalig mensch, meer dan ooit aan angsten en zorgen prijs gegeven? Want niemand zal gelooven, dat het lot dier veroveraars, wier afwisselende stichtingen wij voor onzen geest voorbij lieten trekken, het geluk gekend hebben.

15

-ocr page 24-

BE LES DER GESCHIEDENIS TEE, LEERING

11.

Laat ons de bladen der Historie openslaan om hun lot na te gaan!

Daar wij slechts over die veroveraars kunnen spreken, welke hunne rol in liet volle licht der geschiedenis hebben gespeeld en wier leven wij nagenoeg van stap tot stap kunnen nagaan, zoo komt ons Alexander de Groote het eerst onder de aandacht. Ik ga dus billijkerwijze de legende van Cyrus' uiteinde voorbij. Wel is waar laat Xenophon in zijne Cyropaedie hem kalm en vreedzaam sterven, doch daartegen staat het verhaal over, hoe Tomyris, de koningin der Massageten, zijn hoofd in een' zak met menschenbloed zou gedompeld hebben, opdat hij zich nu althans van het bloed verzadigen mocht, waarnaar hij in zijn leven gedorst had. Is, volgens het woord van Solon bij den brandstapel van koning Croesus, niemand vóór zijnen dood gelukkig te noemen, dan mag, waar dat verhaal van Cyrus geldt, deze veroveraar, hoe voorspoedig ook in zijn leven, voorwaar niet geacht worden gelukkig geweest te zijn.

Doch, ons tot feiten bepalend, spreken wij eerst van Alexander.

De moeielijkheden, die zich reeds dadelijk nadat hij zijns vaders troon beklommen en zijns vaders taak aan het hoofd der Grieken aanvaard had, voor hem opdeden; de weigering van zijn legerhoofd Attalus om hem als koning te erkennen; het gevaar, waarin zulk een voorbeeld van gemis aan onderdanigheid en ontzag hem bracht; de nederlaag, door zijne Macedoniers in Klein-Azie geleden , en later nog de poging der ïhebanen om zich aan het Macedonisch gezag te onttrekken, — dit alles zal hem

16

-ocr page 25-

VAN AL WIE STEEEFT NAAE HEEESCHAPP1J. 17

niet te zeer getroffen hebben. Alsnog was liij gansch bezield door den overmoed der jeugd, die groeit in het gevaar en alle bezwaren licht telt, De herinnering aan de zege, niet zonder hem te Chaeronea behaald, en het voorgevoel eener groote toekomst zullen den indruk van dien tegenspoe 1 hebben uitgewischt, en zijne persoonlijke heldendaden reeds bij het eerste treffen met de Perzen en hunne bondgenooten, waar hij aan al wie tegenstand bood, als eene onwederstaanbare Godheid voorkwam , waren wel geschikt om hem de vermoeienissen en zorgen van den veldtocht licht te doen dragen. Maar toen hij eenmaal de taak der verovering van het Perzisch • Rijk voor een goed deel voltooid had, zag hij zich aan angsten ten prooi gegeven, die hein het lot van den vergeten burger benijdenswaardig moesten doen voorkomen, hem het pijidijke van den val, na zoo hoog gestegen te zijn. moesten doen ramen. en het lijden van zooveel natuur-genooten, onder zijn beleid en om den wil zijner eerzucht aan ellende en dood overgeleverd, op het geweten doen wegen. Ik heb het oog op hetgeen hij gevoelen moest, toen hij, na de verwoesting van Persepolis in een' Oos-tersch koning herschapen, de achting en liefde der besten zijner land- en tochtgenooten verloor, zelfs Parmenio, Philotas en Callisthenes tegen hem samenspanden, en hij zijnen ondergang niet anders kon afwenden, dan door de hoofden der samenzwering te vermoorden, en tot afschrik van anderen, Callisthenes, den neef van zijnen leermeester Aristoteles, als een wild dier in een kooi opgesloten, naar Indie mede te sleepen. En bij den tocht door het onherbergzame, heete, dorre kustland tusschen den Indus en den Euphraat, waarbij hij twee derden zijner getrouwen zag wegsterven, kon het wel niet anders, of hij moest

2

-ocr page 26-

18 BE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

zijne heerschzucht bij het gezicht van de ellende zijner medemenschen vervloeken. Naar zijne niet ontveinsde blijdschap, toen de tocht ten einde was, en hij de gelukkige aankomst van de vloot, die op zijnen last de zee tusschen de monden dier bei Je rivieren bevaren had, vernam, kan men den angst, dien hij gedurende de onzekerheid en bij het wegsmelten zijner landmacht had uitgestaan, afmeten. Hoe ijdel moet hem zijn titel van zoon van God Amon, zijne aanspraak op goddelijke afkomst zijn voorgekomen, daar hij zich een zoo zwak, afhankelijk, ellendig mensch moest gevoelen! En ten slotte, wat dunkt u zal in Alexanders gemoed zijn omgegaan, toen hij, te Babyion gezeteld, en het doel zijner onbegrensde eerzucht nagenoeg bereikt hebbende, zich het wereldgebied met het leven voelde ontglippen, en daarbij de gedachte met te onderdrukken was, dat hij zijnen vroegen dood almede aan zijne uitspattingen te wijten had. Wat is de dood een onafwijsbaar prediker van de ijdelheid der menschelijke zaken. Nu hij, hoe onvolkomen ook — want de onvolkomenheid der triomfen en de bittere inmengselen in de zoete teugen der zege had hij reeds genoeg ondervonden, — maar nu hij, hoe onvolkomen dan ook, genot zou gaan smaken van hetgeen hij groots uitgevoerd had; na hij de wereld, zoo het heette, had veroverd, ontzonk hij aan de wereld en aan zich zeiven. Doch, bij dat al, welk een troost zou het hem geweest zijn, zoo hij de overtuiging had mogen koesteren, dat het werk, hetwelk hij verricht had, een blijvende aanwinst voor het menschelijk geslacht zou wezen; dat hij een bestendig Rijk gesticht had, waarin aan de aarde de vrede, die door de eenheid' verzekerd scheen te zullen zijn, en aan de edele levensvormen der Grieken de heerschappij over de volken

-ocr page 27-

VAN 4L WIF, STREEFT NAAll HEEKSCHAPPIJ. 19

beloofd was. — Maar hij stierf zonder eenen zoon te bezitten en zonder bepaalden opvolger te kunnen aanwijzen, en zoo hij op de vraag, aan wieu hij zijn Rijk naliet, het antwoord gaf: „aan den waardigstenquot;, verried dit, dat hij eenen rangstrijd voorzag, waarin zijne stichting kon ondergaan.

En inderdaad het Rijk, door Alexander gesticht, is uiteengevallen. En ware nu maar elk der Vorsten, wien het bezit van een deel te beurt gevallen was, met het zijne voldaan en gezind geweest met den nabuur in vrede te leven, zoo zon de verdeeling, bij welke de nationale verscheidenheden erkend bleven, veeleer een voor- dan een nadeel hebben opgeleverd. Doch door de zucht om alleen alles te hebben, en de eenheid, die eenmaal daar geweest was, te herstellen, werd dan deze, dan gene van Alexanders opvolgers als door een' boozen geest bezeten. Alle Alexanders nabestaanden werden achtereenvolgens het slachtoffer van de heerschzucht der mededingers naar het albeheer, zoo dat er geen enkele van overbleef, die niet een' geweldigen dood onderging. Van zijne opvolgers was het, eerst, Perdikkas, die, tegen Ptolemaeus en Antigonus te velde trekkend, de alleenheershappij hoopte te winnen; toen Antigonus, die door zijne poging om het wereldgebied aan zich en zijnen zoon Demetrius te brengen, Cassander en Lysimachus, Ptolemaeus en Seleucus tegen zich in het harnas jaagde. — Voor Seleucus opende zich in zijnen ouderdom nog het uitzicht, dat hij Alexanders Rijk herstellen zou, toen hij Lysimachus verslagen had en nagenoeg nog slechts Egypte te overwinnen overbleef. Na deze drie gewezen legerhoofden van den groeten Alexander vatte in den geest van Pyrrhus, boe weinig-aanmoedigend de omstandigheden van dezen Prins op

2*

-ocr page 28-

DE LES DEli GESCHIEDENIS TER LEERING

eigen gebied ook waren, ile stoute gedachte post om door veroveringen in Italië en Sicilië zich tot eene ongeëvenaarde hoogte te verheffen, die hein tot den uitstekendsten van alle vorsten kon maken. — Maar wat was het einde van al die heerschzuchtigen ? Zij hadden het zwaard getrokken en allen zijn zij door hot zwaard vergaan. Per-dikkas, na door de voornaamsten zijner onderbevelhebbers verlaten te zijn, werd in zijne tent vermoord. Antigonus sneuvelde in den slag bij Ipsus. Seleucus werd dooi' Ptolemaeus Keraunos alme.le vermoord, en 1'yrrhus kwam ellendig om het leven in den strijd bij eene poging om de stad Argos te bezetten: door een' steen getroffen en van het paard geworpen, werd hij door een' vijandelijk aanvoerder afgemaakt.

Ter vervanging van de monarchiën, uit het Rijk van Alexander ontstaan, was de Romeinsche monarchie in aantocht. De eerste, die zich heeft kunnen vleien, alleen-heerscher in het Oosten geworden, ook in Rome alvermogend te zullen zijn, was Pompejus, niet/.onder goeden grond de Groote bijgenaamd. Hij was als eene allesbe-dwingende Godheid aangestaard, als een wezen, wien zelfs de elementen dienden. Maar de Genius van het Westen, door Caesar vertegenwoordigd , overmocht hem en hij eindigde rampzalig. Toen hij, na de nederlaag bij Pharsalus, in Egypte eene wijkplaats meende te vinden, viel hij door de hand van een moordenaar, op hem afgezonden door het Hof, waar men, uit vrees voor zijnen overwinnaar, hem niet verkoos te ontvangen.

En Caesar — hoe nabij was hij aan de verwezenlijking van het denkbeeld der wereldheerschappij! Wat Pompejus in het Oosten gewonnen had, viel hem, toen hij dezen verslagen had, in den schoot. — le Rome wenschte hij

20

-ocr page 29-

VAN AL WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

geen ander gezag uit te oefenen, dan zich met den geest van Rome scheen te kunnen verdragen. Nog evenwel moest de natie der Parthen, op welke de Oosterlingen, die van een herstel van verloren heerlijkheid droomden, de oogen geslagen hadden, gefnuikt en aan het Oosten in hem. Caesar, de eenige koning, dien zij verwachten mochten, getoond worden. Deswege zou de Senaat hem vóór de aanvaarding van den krijgstocht den koninklijken titel verleenen, toen ook hij door de hand van mannen viel, die in hem eenen tiran uit den weg meenden te ruimen.

Na deze reeks van geweldenaren, die aan een' geweldigen dood zijn gekomen, waarhij men nog Mithridates kan voegen, die na aan Rome de wereldheerschappij betwist te hebben, in zijn eigen zwaard viel, — treedt Augustus op. Antonius, die, almede van het bedwongen Oosten uitgaande, de wereld had willen verheeren, was door hem overwonnen en tot zelfmoord gedreven. En nu was in uitgebreider mate dan immer aan eenigen mensch vóór hem de wereld aan hem onderworpen, — en toch is hij, tot een kalm bewind gekomen, een' natuurlijken dood gestorven. Voorzeker heeft hij zich hij uitstek wijs gedragen. Maar ook moet men hier in aanmerking nemen, dat hij heeft mogen oogsten, wat Caesar gezaaid had. Het voorbeeld, door dezen gegeven, het denkbeeld, door dezen in praktijk gebracht, had hij slechts stipt te volgen en van de misslagen zijner tegenpartijders een geschikt gebruik te maken. om te slagen. Voorts kan men zeggen, dat van de veroveraars en heerschers, die wij tot nog toe genoemd hebben, niet één voor eene edele zaak is gestorven , behalve Caesar alleen. Alexander de Groote is van uitputting bezweken; al de overigen zijn de slachtoffers van hunne eerzucht, Antonius bovendien van zijne

21

-ocr page 30-

DE LES DKB GESCHIEDENIS TE li LEK RING

zinnelijkheid geweest. Caesar alleen had gehandeld voor iets grooters dan eigen grootheid. In de geschiedenis nu wordt het telkens bewaarheid, dat de dood, voor eene groote zaak geleden, dier zaak ten goede komt. Zoo genoot dan Augustus de bate van Caesars dood. De tijd, waarin Home noodwendig eene monarchie worden moest, was gekomen, en Augustus was een monarch, een wereldveroveraar, zooals de wereld ten slotte kon verdragen. Hij was, als het wnre, liet resultaat van de ontwikkeling des Romeinschen Staatswezens, een vrucht van dien in de aarde gewortelden boom.

De keizers, Augustus' opvolgers, meenden geene veroveringen meer te behoeven te maken. Zij achtten de wereld en de geschiedenis tot haar doel gekomen, en moesten althans den gewonnen toestand als den hoogst bereikbaren staat, als de goddelijke voleindiging der eeuwen zelve aannemen, zoo zeer dat zij al degenen, die den bestaanden staat van zaken niet als zoodanig bleken te erkennen, dienden te vervolgen als schuldig aan verzet tegen de ordening Gods, een vergrijp, dat slechts uit betweterij of kwaadwilligheid kon voortvloeien. Doch hoe moesten zij gedurig hun waarheidsgevoel verkrachten bij den aanblik der werkelijkheid, bij de ervaring hoe oneindig veel aan de onderworpenheid binnen en buiten de grenzen, tot in hunne onmiddellijke omgeving toe, ontbrak. Is do eisch om het onvolkoinene goed te heeten of goea te be-hooren te maken, eenen oprechten en wijzen mensch gesteld , wel geschikt hem geluk te laten smaken ? De stemming en het gedrag reeds van den eersten opvolger van Augustus is het onwedersprekelijkst antwoord op deze vraag. De wijsste onder de keizers, als men Marcus Aurelius zoo noemen mag, zocht, terwijl hij plichtshalve

22

-ocr page 31-

VAN AL WIE STBEEFT NAAR HEEBSCHA1M IJ. 23

de Christenen vervolgde, zijn heul in de Stoïsche wijsbegeerte, die voorwaar van een Romeisch wereldrijk geene kennis draagt, en van de onderscheiden keizers heeft zich de een waanzinnig, de ander laag zinnelijk of opzettelijk ijdel aangesteld, üe hoogste waardigheid op aarde benevelde hunne hersenen of dwong hen hun gevoel in de zinnelijkheid te verdooven. Do verstandigsten onder hen hebben zich de waarheid niet ontveinsd en hun heil in de oefening der plichten van een eerlijk ambtenaar of bekwaam legerhoofd gezocht.

Ten slotte, toen do volken van rondom de grenzen overschreden en op Romeinschen bodem nieuwe Rijken stichtten, moest het Rijk ondervinden, dat het niet eeuwig van duur was. Toch was er te Rome een geestelijk Opperhoofd, hetwelk, het stoute denkbeeld van de rijkseenheid der „bew ondequot; aarde niet opgevende, al die van buiten aangekomen bestanddeelen onder zijn opzicht begreep te moeten en te kunnen opnemen. Rome zou het „eeuwige Romequot; blijven, üt was het vierde wereldrijk van Daniel, waarin men het Romeinsche Ilijk erkend had, niet als het laatste voorspeld? Dus werd de eenheid als een historisch feit verwerkelijkt geacht, en het bestaan gesteld van eenen toestand, tot bestendigen voortduur bestemd, waarbinnen alleen het ware doel der mensch-heid te vinden was, zoodat getuchtigd moest worden wie er zich niet mede verdroeg, en de volken, die buiten waren, liefst door overreding, maar des noods met geweld tot de eenheid onder het ééne Hoofd toegebracht moesten worden. Dus werden ketters vervolgd, natiën in haar geheel met de wapenen aan het gezag der kerk onderworpen , en dat niet bloot als aan het gezag eener geestelijke macht, die met het geloof der belijders genoegen

-ocr page 32-

24 DE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

neemt, zonder de voorwaarde der erkentenis van wereldsche vormen te eischen. Integendeel, de aardsche Staat, mits gewijd door den Paus cn zelf den Paus onderdanig, moest als geheiligd en met het zegel der eeuwigheid gemerkt beschouwd worden. Volgens deze leer, moest de Kerk zelve een wereldlijk grondgebied bezitten ten bewijze dat de hemelsche orde de op dezen aardschen bodem gevestigde kerk tot grondslag en voorwaarde heeft, engeene aardsche Mogendheid zich, behoudens haar eeuwig heil, aan haar onttrekken mag.

Had het oude Rome zich door de volken van buiten overstelpt gezien, in de elfde eeuw bedreigde het nieuwe Rome een gelijk gevaar, toen uit het Oosten do mare kwam van de veroveringen, door den Turkschen stam der Seldschukken in Westelijk Azie gemaakt, en hoe liet Heilige Land in hunne handen was gevallen.

Had de ijver van Paus Gregorius VH het zedelijk bederf der Kerk gestuit, thans moesten ook de veroveringen der Turken met mannenmoed gekeerd, en het door die gruwelijke natie aan de Christenheid ontroofde gebied herwonnen worden. Godfried van Bouillon werd de veroveraar van Jeruzalem. Maar logenstraft zijn lot, als zoodanig, ons oordeel dat veroveraars rampzalig zijn? Hij zocht geen eigen roem; hij diende met den gewenschten uitslag de schoonste taak. Zoo iemand moest hij bij zijne daden zich gelukkig gevoelen.

Beschouwen wij echter zijne ervaringen van wat naderbij, zoo zullen wij anders oordeelen.

Zoo de vrome Godfried in gemoede gemeend heeft, dat hij Gods werk ging werken, hoe spoedig heeft hij moeten ondervinden, dat wat onder zijn bevel verricht en in

-ocr page 33-

VAN AL WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ. 25

weerwil van zijne hevelen bedreven werd. onmogelijk geacht kon worden ter eere Gods te strekken en de zaak van den zachtmoedigen Heiland te dienen. Al dadelijk moest hij, om den overtocht naar Palaestina mogelijk te maken, toegeven, dat de opperste leenheer van het te veroveren land niet de Westersche Keizer of de Paus heeten zou, maar de Keizer van het Oostersch-Romeinsche Rijk, wiens trouweloosheid hij later maar al te zeer ondervond. Het vreeselijk lijden en het ellendig wegsterven of sneuvelen zijner krijgsscharen kon hij zich des noods getroosten door het geloof, hetwelk trouwens beter bij het door hem bestreden Mohammedanisme dan bij het Christendom past. dat de dood in den heiligen krijg met den hemel beloond werd; maar kon hij de gedachte levendig houden, dat men voor Christus streed, waar hij zijne onderbevelhebbers, eenen Boudewijn, zijn' eigen broeder, eenen Bohemund van Tarente, op het veroveren van eigen vorstendommen bedacht, de zoo hoog noodige eenheid van het krijgsbeleid in de waagschaal zag stellen? En vooral kon hij anders dan met de grievendste smart en de diepste beschaming het bloedbad aanschouwen, dooide volgelingen van het Kruis bij de inneming van Jeruzalem en van het tooneel van Jezus' marteldood aangericht? Mag hij daarbij wellicht gedacht hebben, als andere krijgsbevelhebbers: dat moet er zoo mede door; dat zijn de noodwendige wegen Gods: is dan zoodanig Gods beschikking, zoo geschiede Zijn wil! — Doch was Godfried inderdaad vroom en Christelijk gezind, zoo heeft hij moeten gevoelen, dat wie zoo redeneert, zich aan blasphemie schuldig rnaakt, en dat die bede: Uw wil geschiede! in den mond past van den lijder, en niet in dien van dezulken, die anderen doen lijden en zeiven triomfeeren! —

-ocr page 34-

DE LES DKR GESCHIEDENIS TER LEERING

Hoe dit zijniemand voorzeker zal ijdel genoeg zijn om zich te kunnen voorstellen, dat deze veroveraar van Jeruzalem en van het Heilige Land gelukkig is geweest. Slechts om ééne reden mag men hem gelukkig noemen, - en dat is, omdat hij, na de voldoening van de zegepraal, bij Askalon op den Sultan van Egypte behaald, spoedig door den dood aan het tooneel van zijne heillooze verovering is ontrukt.

En mocht het Hoofd van het wereldlijk-geestelijk, en het Hoofd van het gewijd-wereldlijk gebied, mochten Paus en Keizer zich als handhavers der, zoo het heette, voor Christus veroverde wereld gelukkig gevoelen? Naarmate de taak aan die beide Hoofden voorgesteld, gewichtiger, en het elk der beiden voorgespiegeld ideaal minder bereikbaar was, naar diezelfde mate zullen zij, hoe ernstiger van geest en hoe edeler van hart zij waren, steeds meer geleden hebben onder het drukkend gevoel der wanverhouding tusschen de werkelijkheid en de voorgestelde taak. En hoe zullen zij vooral elk het hopelooze eener eenigs-zins toereikende verwezenlijking der idéé, die zij voorstellen moesten, gevoeld hebben, wanneer zij elkander bestreden, in den ban deden en verdreven? Inderdaad, wat, dunkt u, moet in den geest van den oprechten Stedehouder van Christus omgaan, waar hij zich door wereldsche menschen, door ijdele pracht omgeven, en zich gedwongen ziet onwaardige werktuigen te gebruiken, machteloos om de boosheid , zelfs in de onmiddellijke nabijheid van zijnen zetel, bij zijne aanzienlijkste beambten, met eenige vrucht te bestrijden! Hoe moeten de beste Pausen zich steeds bezwaard gevoeld hebben, wanneer zij aan die tallooze onbekeerde volken dachten, aan gansche heidensche wereld-deelen, en daartegen hunne zwakke pogingen om iets

26

-ocr page 35-

VAN A Ij WIE STREEFT NA AH HEEBSCHAPPIJ.

daarop af te winnen in rekening brachten ! Wat moeten zij verduurd hebben bij het schouwspel van de scheuring in de Kerk en liet krachtig protest der edelsten en meest bevoegden onder hare leden! En stellen wij ons het gevoel der Keizers voor van het Heilige Koomsche Kijk der Duitsche natie I De machtigste van alle Vorsten, de Koning van Frankrijk althans erkende hen niet boven zich, en alzoo was hun verplicht gezag steeds eene onvervulde en onvervulbare eisch. En binnen de grenzen van hun eigen Duitschland welk een onvermogen om gehoorzaamheid af te dwingen! Welke zwakke middelen in hunne hand I Met welke onverantwoordelijke inwilligingen of vaak vruchteloos verderfstichtend geweld moesten zij zich een' zweem van macht verschaffen I Hoe menig Keizer heeft een' tegenkeizer tegen zich zien opkomen, en zag zich hierdoor alle zelfstandigheid ontvallen. Een Keizer toch, die eenquot; tegenkeizer tegenover zich had, kon slechts door toe te geven en gunst te verleenen hen, die zijne zijde hielden, aan zich verhonden houden I

En den afdoenden troost kon Keizer of Paus kwalijk vinden. Immers konden zij het Christelijk geloof niet in de volle mate laten gelden, daar een zachtmoedig verduren, en geenszins wereldsche machtsoefening, de eisch is des Christelijken geloofs. Bijaldien zij zulk een geloof gekoesterd hadden, zouden zij hun vermoeiend pogen wel hebben mogen staken en hunne waardigheid afleggen. En hadden zij maar de geheele waardigheid metéén kunnen afschaffen! Duitschland had vorsten genoeg, die niets liever wenschten dan onafhankelijk te zijn, en er waren bisschoppen en generaals van geestelijke Orden genoeg om der Pauselijke Curie het bewind uit de handen te nemen. De Jezuiten, machtig en bekwaam genoeg om de Kerk te

27

-ocr page 36-

BE LES DER GESCHIEDENIS TEK LEERING

28

besturen, zouden aan de Pauselijke familie in der tijd gaarne liet wereldlijk bewind van den Kerkelijken Staat erfelijk hebben gelaten. Doch aan eene afschaffing van de bestaande keizerlijke of pauselijke waardigheid mocht zelfs niet gedacht worden, daar de enkele persoon, die tijdelijk de waardigheid bekleedde, de idéé, welke hij aanvaard had te vertegenwoordigen, niet in het verledene veroordeelen en voor de toekomst verraden mocht. — Alzoo wie Paus of middeleeuwsch Keizer was, kon het niet wezen, dan onder voorwaarde, dat hij als zoodanig, aan zijne wereldsche waardigheid geketend, geen volmaakt Christen zou zijn. Geen wonder, dat sommige in zekeren zin eerlijke Pausen den last, die op hun geweten moest drukken, in gemoede niet aanvaardend, zich bloot wereldsch vorst gevoeld en niet geschroomd hebben in wereldsche genietingen te deelen, noch teruggedeinsd zijn voor de middelen der aardsche staatkunde, tot roof en moord toe. — \an een Christen Keizer, die zijne waardigheid afgelegd heeft, biedt de geschiedenis een voorbeeld. Het is dat van den Keizer uit het Huis Habsburg, die der verwezenlijking der Universeele Monarchie het naast bij is gekomen. Kareis afstand van het bewind bewijst, hoe het staatsbeleid te zwaar kan vallen. — In de Romeinsche geschiedenis hebben wij twee voorbeelden van afgelegd staatsgezag: het een van een waar veroveraar. Caesars voorlooper, Sylla; het ander van Keizer Diocleti inus, die betuigd heeft, dat hij eerst van den dag aan dat hij zijn ontslag had genomen, begonnen was te leven. Maar heeft Karei de V de zorg van het Christenrijk buiten de kloostermuren van San-Yuste en uit zijnen geest kunnen bannen? Immers neen! De wereld laat hen niet los, die zij in de boeien geklonken heeft, welke zij voor hoofden van

-ocr page 37-

VAN AL WIE STKEEFÏ NAAR HEERSCHAPPIJ. 29

Dynastiën smeedt. Of bleef Kareis opvolger niet met het zwaarste deel der taak belast, en kon de Vader zijn hart £van dien Vorst aftrekken? Was het te verantwoorden het beheer der wereldomvattende belangen geheel uit de hand te geven? Bij de onmogelijkheid om de verantwoordelijkheid der grootheid en de angsten der regeering bij onoverkomelijke moeilijkheden af te schudden, is het maar al te natuurlijk, dat Karei V ook na zijnen afstand met de zorg voor zijne Rijken bezwaard is gebleven. — Van een' Paus, die vrijwillig is afgetreden, is er, voor zoo veel mij bekend is, geen voorbeeld. Om zulk eenen stap mogelijk te maken, zijn de Pausen al te zeer door personen en belangen omstrikt, en al te zeer de dienaren van een onverbiddelijk stelsel.

Zetten wij de beschouwing van het lot der veroveraars in de latere tijden voort, zoo denken wij het eerst aan Lodewijk XIV, al heeft hij op verre na niet alles veroverd wat hij zich vermelen had te begeeren. Dezen Vorst is het inderdaad gegeven geweest eenigermate de eeuw van Augustus te doen herleven. Hij had dan ook met Augustus gemeen, dat hij heeft mogen maaien wat zijn voorzaat gezaaid had. Die voorzaat was Hendrik IV. Deze vorst had inderdaad een nieuw Frankrijk ingewijd, daar hij het beginsel van de Unie der Vereenigde Provinciën zoo veel mogelijk op zijn Koningrijk toepaste, en - het begrip van een burgerschap gelden deed, hetwelk bestaan kon onafhankelijk, ik zeg niet, van het godsdienstig geloof, maar van de Kerk, tot welke men betuigde te behooren. Hoogst onvolkomen is dit beginsel in Frankrijk gehuldigd, en ten slotte is het er verloochend geweest; maar toch heeft dit land aan hetzelve de vlucht te danken gehad, die het, na de hegemonie, één tijd

-ocr page 38-

30 1)E LES DKR GESCHIEDENIS TER LEEKING

lang door Spanje bezeten, in Europa heeft genomen. Gelijk de Romeinsche Republiek in Augustus na Caesar de rijpe vrucht harer ontwikkeling heeft geleverd, zoo heeft het Fransche Koningschap na Hendrik IV zijn toppunt bestegen, en even als Caesars geweldige dood het resultaat zijner daden verzekerd heeft, zoo heeft ook de moord van Hendrik IV bij velen het gevoel van verplichting levendig gehouden om de beginselen, die hij vertegenwoordigd had, niet aan zijne vijanden prijs te geven. Zoo verklaart het zich, dat Lodevvijk XIV op eene glansrijke regeering heeft kunnen bogen. Maar is hij daarom bestendig gelukkig geweest? Ja, gelukkig is hij geweest, zoo lang als ieder mensch gelukkig kan zijn, die in gunstige omstandigheden en met open zin voor de schoonheid eene gezonde jeugd geniet. In onbekrompen staat is in dien leeftijd ieder een koning, en wat deze jonge Koning meer bezat dan ieder jonge mensch, was of lastige staatsbemoeiing of ijdele praal, die den hoogmoed prikkelen mag, maar niets toebrengt tot liet geluk. Doch was Lodewijk XIV in lateren leeftijd gelukkig, als hij de stem van zijn geweten, soms door zijne geestelijke Vaders verlevendigd, moest smoren, opdat het hem de ongeregeldheden van zijn huiselijk leven niet pijnlijk mocht doen gevoelen? Was hij gelukkig bij zijne zegepralen op het slagveld, ik zeg niet, als hij bedacht, hoe veel bloed van landgenooten ze kostten (want dat leert de krijgsroem licht tellen, naar het schijnt), maar wanneer hij gedwongen was te erkennen, dat zijn land verarmd en uitgeput werd; dat hij slechts door allerlei bedciegelijke vonden aan de gelden komen kon, die, tot den oorlog aangewend, het meerendeel der ingezetenen ellendig maakten en liet land in onaf losbare schulden dompelden? Was hij gelukkig,

-ocr page 39-

VAN AL WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

wanneer hij voor den vreemdeling en den onderdaan veinzen moest voordeden behaald te hehben, waar hij gevoelde inschikkelijkheid van den buitenlandschen tegenstander te behoeven? Was hij gelukkig, wanneer hij zich onverdiende lofverheffingen moest laten welgevallen van zijne afhankelijke dienaren, die niet wilden verraden dat zij de werkelijke ellende doorzagen? Wanneer hij dus in een' dampkring van leugen ademen moest? Was hij gelukkig, toen hij den droom van zijn leven verijdeld zag en moest erkennen, geslagen te zijn in den strijd, die had moeten strekken om door de onderwerping der ver-eeiiigde Nederlanden zich bekwaam te toonen om te verrichten wat Spanje had verloren, en alzoo zich onbetwist en voor goed de hegemonie in Europa te beurt te zien vallen? Was hij gelukkig, toen hij zelfs den gehaten Willem, Prins van Oranje, als Koning van Groot-Britannie en Ierland moest erkennen, en ten slotte Mevrouw de Maintenon klagend uitzag naar iemand, die Frankrijk

verlossen mocht van de „hooghartigheid der Hollandersquot;____

Doch genoeg! Zoo weinig degelijk is de orde van zaken geweest, door Lodewijk XIV gevestigd, dat, terwijl het stelsel door Keizer Augustus ingewijd, eeuwen heeft stand gehouden, aan de i-egeering van Lodewijk een groot aandeel toekomt in de schuld, die het gansche Fransche koningschap, slechts zeventig jaren later, in eene alge-meene schipbreuk heeft doen ondergaan.

Immers door tegen het oude regeeringstelsel opgekomen denkbeelden is het, dat de omwenteling is ontstaan. Die denkbeelden hebben eene nieuwe kracht aan de Euro-peesche menschheid bijgezet; doch in Frankrijk zijn zij uit den band gesprongen, en in den waan van wat volmaakts te stichten, hebben aldaar de revolutionairen al het be-

31

-ocr page 40-

DE LES DER GESCHIEDENIS TER LEERING

staande, ook het heilrijke en onmisbare, onder de voet gehaald.

Dus is er een man noodig geweest, die het versraetene weder heeft moeten oprapen en verzamelen. Die man is Napoleon. In hem treffen wij een' nieuwen veroveraar aan, ja, eenen, die gewaand heeft de Universeele Monarchie met de hand te kunnen grijpen. Doch is hij daarbij gelukkig geweest? Ja, als men den dronken man gelukkig kan achten: slechts in zoo ver en zoo lang als bij Bonaparte de iocs der behaalde zegepralen en der verworven vorstengrootheid werkte, mag hij zich gelukkig gevoeld hebben; maar hoe verried, zelfs in de dagen zijns ongehoorden voorspoeds, zijne opstuivende drift en heftigheid, dat de stemming en voorwaarde des geluks nist in hem was, en dat hij, in plaats van algemeen doorliefde te veroveren en door liefde gelukkig te maken en gelukkig te zijn, slechts het aan sommigen eer ten vloek als ten zegen geschonken vermogen bezat om de men-schen te overrompelen en mede te sleepen, de boozen door schrik, de ijdelen door bewondering, en slechts dezulken, die eene macht boven zich begeerlijk vinden, door liefde, hoe kwalijk ook beantwoord. En hoe bitter heeft Napoleon zijn met geweld geoefend gezag en zijne zegepralen moeten bezuren! Wie zal zeggen wat in hem is omgegaan bij den jammerlijken terugtocht uit Rusland, toen hij zijne tienduizenden aan namelooze ellende ten prooi moest achterlaten. Terwijl hij naar zijne hoofdstad terugijlde, onzeker hoe hij het daar vinden zou, mochten de achtergelatenen zich, zoo mogelijk en voor de meesten was het onmogelijk, aan het geopend graf, — want dat was Rusland voor hen geworden — trachten te ontworstelen. Eene legermacht, als daarbij verloren ging.

32

-ocr page 41-

VAN AL WIE STREEPT NAAR HEERSCHAPl'tJ.

kon Bonaparte evenmin als den verbeurden dunk van onoverwinnelijkheid terugbekoraen. En toch gaf hij het niet op. Maar to Leipzig stiet hij wederom hot hoofd, entoen hij, als een schim van hetgeen iüj geweest was, uit Elba in het paleis der Tuileriën terug was gekomen, moest hij eerst zijn staatkundig verleden verloochenen en daarop zijne krijgsmacht en krijgsroem te Waterloo voor goed verloren zien gaan. Zou tegen dien bitteren teug al de zoetheid van den bedwelmenden drank van vroeger in aanmerking hebben kunnen komen ? Vele tirannen hebben zich eenen geweldigen dood berokkend, maar Napoleon, op St. Helena gebannen, is feller gestraft, gedwongen om, nimmer door zijne gedachten met rust gelaten, zijne grootheid te overleven.

Is alzoo het lot der veroveraars alles behalve benijdenswaardig te achten, hoe betreurenswaardig zijn de gevolgen niet, die hun optreden heeft voor de veroverden, ja zelfs voor hen, die hunne veroveringen inedemaken, maar ze met bloed moeten betalen! Doch wat de o.er-wonnelingen aangaat, steeds berooven de geweldenaars hen van de zedelijke kracht en de verheffende bewustheid hun eigen meester te zijn. Gemeenlijk eischen zij van hen afstand van genoten vrijdommen en leggen bun zware lasten op om hen hunne eigene vernedering te doen bekostigen. Maar ook dan wanneer de veroveraars, althans door sommigen als bevrijders worden ingehaald en geacht worden van vernederende banden te verlossen, leert spoedig de ondervinding, dat iedere omwenteling duur te staan komt en betaald moet worden met geld en met bloed, en dat vrijheid, van den vreemde aangenomen, onteerende slavernij medebrengt.

En niet alleen dadelijke verovering, reeds de bij eenige

3

33

-ocr page 42-

DE LES DER (iESCHIRDENIS TER LEERING

34

Mogendheid, veelal op goeden grond, vermoede zucht om veroveringen te maken, is eene bron van onrust, dwang en druk. De bedreigde natie, aan wie hare onafhankelijkheid lief is, ziet zich verplicht zich tegen het verwachte geweld te wapenen en wordt zoo doende afgeleid van vruchtbare en waardiger bemoeiingen, ja! daartoe buiten staat gesteld. Vooral wanneer mededingende Mogendheden aanranding van elkander te duchten meenen te hebben, worden de tegen elkander aangekante volken tot de onge-hoordste inspanning van het vernuft tot uitvinding van gedurig vernielender oorlogswerktuigen in vollen vrede geprikkeld, en tot de opbrengst van gedurig ondragelijker oorlogslasten gedwongen. Heerlijke betrachting voorwaar van de den bestuurderen voorgestelde taak om hunne onderdanen menschelijk te regeeren I De landzaten te wapenen met de middelen om eener andere natie nadeel en ondergang toe te brengen en hare krachtigste mannen te moorden, — is er onmenschelijker bedrijf denkbaar? Daarbij heeft de Regeering in hare onderdanen alleen het dier in het oog. Menschelijke wapenen zijn eerfiglijk de rede en het recht. Geen inensch moet begeeren iets ter wereld te winnen anders dan door de stem des .gezonden verstands en der billijkheid. Zelfs de handen gebruikt de menscb niet dan tot nuttige werkzaamheid. Het dier, daarentegen, gebruikt geene andere bewijsgrqjiden dan slachttanden eu klauwen. Wel nu, wat zijn zwaarden en geschut anders dan oneindig verderfelijker werkende moordtuigen? — En vóór dat dierlijk geweld wordt gebruikt, moet gemeenlijk eerst het duivelsch wapen van leugen en bedrog worden aangewend om de Regeering, die men belaagt, in slaap te wiegen en haar ongenoegzaam voorbereid te kunnen aanvallen. Inderdaad men staat versteld over

-ocr page 43-

VAN AL WIE STREEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

het oordeel, waaraan de menschheid onderworpen is, dat er niet ééne Mogendheid gevonden wordt, die, verontwaardigd over de rol, welke zij te spelen heeft, het waagt om afstand te doen van zulk een dierlijk bestaan, en eenmaal het recht om mensch te zijn af te kondigen, en, sterk in haar gevoel van menschenadel, de ontbloote borst aan den moordlust van den heei schzuchlige of wraakgierige aan te bieden en hem te tarten om lafhartig beroover van een' weerlooze, en ten volle onmensch te zijn. Dan mocht men toch verwachten, dat den mededinger de wapenen uit de handen zouden vallen. — Maar neen! de menschheid kan niet ontkomen aan haar oordeel: daartoe zou er eene Mogendheid op aarde gevonden moeten worden met een volkomen zui er volksgeweten , — en zulk eene bestaat er niet.

III.

Maar levert de Geschiedenis dan werkelijk geene andere voorbeelden op dan van veroveraars, met hunne groote slagzwaarden uitgegaan om volken te onderwerpen en van de aarde den vrede te nemen, met honger en pest in hun gevolg? zijn er dan geen voorbeelden van verzet tegen het bestaan der veroveraars? Ja! de Geschiedenis levert ze. Er zijn volken geweest, die, bezield door den goeden geest eens grooten mans, tegen de onderwerping van de volken der aarde aan het gezag van eenen Nimrod of Philips n, aan de heerschappij eener Mogendheid, — zij mocht Babel of Egypte, Spanje of Frankrijk heeten , moedig zijn opgekomen en bij monde van profeten of handhavers en leeraars van menschen- en volkenrecht zijn blijven getuigen. Hier heb ik, behoef ik het te zeggen? liet volk van Israel

3*

35

-ocr page 44-

DE LES DEK GESCHIEDENIS TE11 DEEKING

36

en dat van Nederland op het oog. Is er duidelijker getuigenis tegen de Wereldmonarchie dan de overlevering van den toren van Babel, opgericht tegen de verspreiding der volkeren, een gevaarte met haren top in den vermeenden hemel, maar van uit den werkelijken hemel verijdeld? Is er een forscher daad denkbaar dan die van Mozes, die met zijn volk aan de voor alle zelfstandigheid doodelijke handen van Egypte ontkomt in de woestijn? Toen dat volk zich ten slotte toch een bewoonbaar oord op aarde had moeten verschaffen en h(t een koningrijk, den anderen volken gelijk, had gesticht, zijn er profeten opgestaan, die de wereldsche machten latende voor hetgeen zij waren en haar de vervulling der taak, door den God der Goden haar opgelegd, gunnende, van een gewonnen rijk, van eeiv' gevestigden eeuwigen troon, en tegenover den kortstondigen dag eens aardschen heerschors van een' Grooten Dag des Heeren gewaagden. — En r.iet alleen het woord der profeten, ook de lotgevallen zelve der Israelieten predikten en prediken tot nu toe de be-teekenis van dit volk als getuige tegen de Wereldmonarchie. Hoe zou het denkbeeld eener de wereld omvattende heerschappij , anders dan opgevat in den zin dier profeten, bij een volk zijn opgekomen, dat nauwelijks zelf tot eenheid geraakt, weder in twee Rijken uitéén viel? En toen het eene dier beide Rijken door Assyrie was verdelgd, en ia eenen Hiskia en Josia het denkbeeld post kon vatten om, alsnu door geen ijverzuchtig broedervolk belemmerd , in Palaestina eene krachtige eenheid te vormen, tegen Assyrie en Chaldaea bestand, — toen was de tijd nabij dat van het Israëlitische volk de hoofden en allen, die door eenig aanzien uitstaken, uit hun land naar Babel werden gebannen.

-ocr page 45-

VAN AL WIE STREEFT NAAK HEERSCHAPPIJ.

Naar Palaestina teruggekeerd, konden de Joden aan zelfstandige tot de natie zelve belioorende gebieders niet dan gedurende een korten tijd gehoorzamen; Perzen, Grieken, Romeinen volgden elkander met hun gezag over hen op, en toch bleef het Joodsche volk zijne eigenaardige beteekenis in die mate behouden, dat het tegen de Romeinsche overheersching wrokkend Oosten de Joden als den voorpost ter bestrijding van Rome, en Jeruzalem als de bakermat van den verwachten koninklijken bestrijder en overwinnaar der Romeinen beschouwde. Was vroeger in Judaea de hoop gekoesterd om op den val van Assyrie of Babyion aanzien en hoog gezag in de wereld te gronden, thans liet zich bij de Joodsche natie de veel omvattender verwachting gelden om, aan het hoofd der Oos-tersche volken opgetrokken , opvolgster te worden in de Wereldheerschappij. Doch de valsche opvatting van het door de profeten verkondigd Messiasrijk, de ijdele poging om den aard en de bestemming van Israel te verkrachten, strafte zich ditmaal niet door tijdelijke ballingschap, maar door verstrooiing der natie over de geheele aarde.

Zoo is het volk Israel in zijn lot een onwedersprekelijk getuige tegen de Universeele Monarchie: want niet zoo als andere volken, na staat en land verloren te hebben en een vreemd volk op zijn' bodem gevestigd te hebben gezien, is het spoorloos verdwenen, maar het behoudt onder do vreemdste natiën in de verste oorden der aarde zijn onuitwischbaar karakter en bestaat als natie voort. Dit mag wel een onloochenbaar bewijs geacht worden van volksverband zonder stoffelijke verbinding, van vaderlandsliefde zonder eigen grond, van eenheid in weerwil der uiterste verstrooiing, in één woord van de vergadering der verstrooide leden onder één hoofd, wezenlijk en wer-

37

-ocr page 46-

DE LÈS DE It (iESCHIEDENIS TER LEEUIN'G

kelijk ten spijt van nimmer eindende verdeeldheid en ter beschaming van de ijdele en toch voorbestemde pogingen der menschen om hier eene zichtbare eenheid te stichten.

Men heeft het gevoelen van sommigen als bekrompen bespot, die van een Nederlandsch Israel hebben gesproken. Dwaas is het echter niet iets in ons volk te ontdekken, hetwelk liet tot een tegenbeeld van Israel maakt! Buiten het bereik van dien spot staat al vast de jeugdige Vonr'el, die als toepassing op zijn Pascha uf de verlossing der kinderen Israels uit Eyijple eene dichterlijke vergelijking heeft geleverd van die verlossing met de vrijwording der Vereenigdle Nederlandsche Provinciën. En wij op onze beurt schrijven aan onze natie eene lotsbedeeling toe, welke haar, niet ongelijk aan Israel, tot een levend protest gemaakt heeft tegen de Universeele Monarchie. Of is het te miskennen, dat de beide Mogendheden, die in de nieuwere geschiedenis naar de wereldheerschappij gestreefd hebben, menschelijkenvijze gesproken, haar doel bereikt zouden hebl en. zoo zij niet in Nederland eenen tegenstand gevonden hadden , die haar streven ten slotte verijdeld heeft. De staatslieden, die in den oorlog tegen Spanje aan het hoofd der natie stonden, spraken het met eigen woord uit, dat zij de Universeele Monarchie door de Christennatien bestreden wenschten te zien. De vijandelijkheid van Philips II heeft het gevolg gehad, dat Hollanders, als het ware uit hun eigen land verdreven, zich over de aarde tot het verste Oosten toe hebben verstrooid, niet evenwel om hun land te verliezen, maar om de kern der natie op den bodem, dien zij van ouds bezaten , tot den tegenstand tegen de Monarchie te versterken. Kn Willem III bracht met hetzelfde doel, den tegenweer tegen de vestiging eener alleenheerschappij in

38

-ocr page 47-

VAX AL WIE STREEFT NAAR HKEHSCHAPPU.

de Christenheid, het machtig verbond tegen Lodewijk XIV, tot stand. — En waar de Calvinistische drijvers, niet ongelijk aan de Joodsche zeloten uit de eerste eeuw na Christus, van eene onderwerping der geheele Christenheid aan hun nieuw symbool droomden, en noch binnen-landschen oorlog ontzagen, noch staatkundige kronkelpaden schuwden, om tot de verwezenlijking van dien droom te geraken, daar is dit dweepziek streven eerst door de Staatsolie Regeering gebreideld, en daarna door l'rins Maurits ingeperkt, zoodat het op de buitenlandsche staatkunde der Republiek nimmer van blijvenden invloed is geweest. Oldenbarnevelt is gevallen als slachtoffer van zijn geloof aan Nederlands verplichting om tegenstand te bieden aan alles wat de met zoo schitterenden uitslag bestreden macht in eenquot; anderen vorm scheen te willen vernieuwen.

Eu evenzeer is Nederland door zijne lotsbede •ling belet geworden om ook met bloot wereldsche inzichten naar heerschappij over andere natiën te streven. Wanneer de Nederlanden vereenigd, als aanvankelijk onder het Huis van Bourgon lie, hadden mogen blijven; wanneer de droom van Philips den Goede en Karei den Stoute verwezenlijkt en een Bourgondisch of Gallo-Belgisch Koningrijk gesticht had kunnen worden, machtig genoeg om met de taak ter verdrijving van den Turk belast te worden» wie kan zeggen hoe ver zich die macht over Frankrijk en het heilige Roomsche Rijk, jal over ganscii Europa zou hebben kunnen uitbreiden. Maar neen I Even als het Joodsche volk in de twee Rijken, Juda en Israel, is uitééngevallen, zoo is Nederland in tweeën gedeeld: van de zeventien Provinciën zijn slechts zeven zelfstandig gebleven en strijdvaardig geweest om meer dan twee eeuwen lang 's volks bestem-

39

-ocr page 48-

DE LES HEK GESCHIEDENIS TER LEERING

ming te vervullen. En toen op nieuw, thans geen dweepzuchtige go ^dienstijver, maar een niet minder dweepzuchtige vrijheidsroes zich van de hoofden in onze Republiek had meester gemaakt, om nevens de Franschen de wereld te winnen, — toen is die met de roeping der natie zoo strijdige waan gestraft, daar zij door den zelfzuchtigen bondgenoot, als het ware, tot balling gemaakt werd in eigen land.

Het Congres van Weenen lieeft alle Nederlanden weder verecnigd , en het denkbeel 1 van een herlevend Bourgondisch Rijk bleef niet uit; ja! de toenmalige Regeering is niet vreemd gebleven aan de gedachte dat de woelingen der antiklerikale en antibourbonsche elementen in Frankrijk het gevolg konden hebben van de keuze eens opperhoofds, die Nederlands vorstengeslacht tot eene kwalijk te berekenen macht zou hebben opgevoerd. Doch wederom neen! De ommekeer in Frankrijk heeft juist tot eene nieuwe scheiding der Nederlanden in twee deelen geleid. Noord-Nederland moet eene kleine natie blijven, doch van groote beteekenis wegens de stille werking van een beginsel, hetwelk ons volk meer door zijne lotgevallen en de bescheidenheid van zijn optreden, dan door betooning van kracht vertegenwoordigt, al is het ook dat het deswegens aan de kleinachting der groote natiën is blootgesteld, en niet minder aardden smaad van eigen landgenooten, aan wier dunk van grootheid de geest der ingezetenen niet beantwoordt.

IV.

Zijn er derhalve natiën, die krachtens hare bestemming tegen de vergadering onder één hoofd, door aardsch geweld

40

-ocr page 49-

VAN AL WIK HTKEEFT NAAR HEEBSCHAPPIJ. 41

en wereldsche middelen tot stand gebracht, getuigen, — ook de zedelijke natuur, het gemoed der bijzondere personen getuigt tegen de overheersching der eene natie over de andere, tegen de onderwerping eener natie aan vreemde heerschappij. De liefde tot zijn land wordt. naar een algemeen zeggen, een' ieder aangeboren. Zoo men dit stelt, schrijft men den mensch van nature eene zeer verheven zedelijkheid toe. — In de miskenning der volksonderscheidenheden , alsof deze slechts dienden om de heerschers in staat te stellen de volken, door hunne wederkeerige ijverzucht te voeden , te zekerder in bedwang te houden, hebben wij eene der openbaringen te erkennen van de zucht om op den ondergang der oude eene verdachte nieuwe orde te doen verrijzen. Ook zijn er geesten, die de vaderlandsliefde als eenen zelfzuchtigen hartstocht, :ds een bekrompen zwak beschouwen, dat ons de liefde tot de menschheid en hoogere wereldbelangen over het hoof doet zien. Liever erkennen wij in de vaderlandsliefde het bewijs van een gemoed, hetwelk den staat, dien de mensch zich zeiven niet gegeven heeft, eerbiedigt en zich niet in dwazen waan daarboven of daarbuiten denkt; zij is de gezindheid van den mensch, die het bestaan eens Hoogeren erkent, welke hein vrijmachtig geplaatst heeft waar hij staan moet; zij is de uitspraak der natuur, die den mensch leert datgene wat hij ter beantwoording aan zijne roeping behoeft, op de hem aangewezen pliiats te vinden, voor lief te nemen wat hem daar gegund is, en lief te hebben wien hij daar ontmoet. Vaderlandsliefde is alzoo het teeken, dat de voorwaarde der hoogste meuschendeugd niet ten eenen male ontbreekt. Vaderlandsliefde is»dankbare waardeering van het voorrecht dat wij in ons geboorteland te huis zijn en aldaar alles

-ocr page 50-

DE LES DEK GESCH1KÜENIS TER LEElilNG

bezitten, eer en goelt;1 en gunst bij God en menschen. Vaderlaiulsliefde is erkentenis der eenheid van onzen persoon met het voor- en het nageslacht, de erkentenis derhalve dat onze natie een geheel, een lichaam is, waarvan de individuen leden zijn, en bijgevolg de erkentenis van een bestaan en voortbestaan in eene boven dit tijdelijke verhevene sfeer. Vaderlandsliefde is louter piëteit, die den individu onderschikt aan eene hoogere macht, waarin hij zijn ware wezen erkent en waarvoor hij zijn lager bestaan kan veil hebben bij de zekerheid dat hij het leven wint door dit leven te verliezen. Hoe gruwelijk derhalve de waan, die het vaderland leert versmaden ter wille eener zoo geheeten humanitaire idéé, welke, om een paar voorbeelden aan te voeren, Hollanders in 1795 verleid heeft om Franschen in te halen, en Franscheti na 1870 verleiden zou om Duitsche onvergenoesrden aan te

O O

halen. Hoe bedroevend de vermeende noodwendigheid om ter liefde van eene Algemeene Kerk, en in de naaste plaats in het staatkundig belang van haar Hoofd te Rome, de stem der vaderlandsliefde te smoren, gelijk in 183^ in het belang van den Paus, die de vriendschap van den Czar noodig had, ten nadeele der Polen geschied is.

Maar de naam der vaderlandsliefde mag niet misbruikt worden, gelijk daar geschiedt waar de onderdaan den man, die de zichtbare vorm van het gansche vaderland nag heeten, alleen daarom aanhangt, omdat hij in hem hot werktuig ter bevrediging zijner partij- of roemzucht ziet. Zoo wordt de vorst of aanvoerder een voorwendsel om het vaderland te verraden. Ook wordt de vaderlandsliefde niet gediend door een streven, dat wij bepaaldelijk in onze dagen hebben waargenomen, het streven van Vorsten en alles vermogende Staatsdienaren om onder de leus van

42

-ocr page 51-

VAN All WIE STREEFT NAAtt HEEKSCHAPP1J.

een zoogenaamd nationaliteitsbeginsel verschillenfle volken, die geacht worden oorspronkelijk tot ééne nationaliteit of tot één ras te behooren, dan ook onder één opperbewind te vereenigen. Die agglomeratie van volken (dezen naam gaf Napoleon III aan de zaak) heeft de strekking om het land, waarover de toongever het bewind voert, sterk te maken, in de eerste plaats, tegen een volkengroep van ander ras; zij lokt bij gevolg één wedstrijd uit wie het meest in de wereld zal gelden. Reeds als zoodanig is die vergadering van door den band van oorspronkelijke afkomst verbonden volken onder één hoofd bedenkelijk, — maar leidt bovendien het streven van den aanvoerder tot herstel der oorspronkelijke eenheid niet min of meer tot geweld tegen de zwakkere, zelfstandig geworden of aan ander gezag ondergeschikt geraakte Staten van een' gegeven groep? Voorzeker. Ijverzucht, onwillekeurige onver-dragelijkheid is vaak grooter tusschen naties van gelijk, dan van verschillend ras, en zoo eene zwakkere of kleinere natie prijs stelt op het bestuur van hare eigen zaken, en het beleid niet aan eenen aanmatigenden nabuur prijs verlangt te geven; zoo zij hare eer daarmede acht te verbeuren, en den plicht, haar door eeuwen van eervol, soms roemrijk bestaan opgelegd, te verzaken, — zal dan zulk eener natie door dwang aan het verstand gebracht wordi.-n, dat zij zich lot een omvattender verband te voegen heeft? Dit ware een huichelachtige vorm van roekelooze verovering

Ook is het er verre van daan, dat de inhoud en omvang van eenigen Staat slechts bepaald wordt door de gemeenschappelijkheid van nationaliteit of ras der ingezetenen. Het Rijk, hetwelk sinds de middeleeuwen geacht wordt het nauwst aanééngesloten Geheel te vormen, te weten

43

-ocr page 52-

BE LES DEB GESCHIEDENIS TEK LEERING

Frankrijk, bestaat niettemin uit de vereeniging van-de uiteenloopendste elementen der Europeesche menschheid , uit Iheren, Gallen, Duitschers, Vlamingen. — De Staaf is een voortbrengsel van den vrijen geest en va-i de gemeenschappelijke daden van een' groep Stammen, gemeenlijk van verschillenden oorsprong. De Staat is een kunst-produkt en als zoodanig boven het werk der natuur verheven. Het natuurlijke is de stof, waarvan de geest een kunstwerk maakt. Zal dat werk verstoord mogen worden ten gevalle van een denkbeeld, hetwelk zijnen grond heelt in de heerschzucht van een' opgeworpen brorder? De vaderlandsliefde hoeft niet de min of meer verwijderde eenheid van ras met eenig volk, maar den Staat, in welken men tot het genot van dezelfde eer en rechten vereenigd is, tot grondslag. Zoo ver is het er vandaan, dat de vaderlandsliefde bij de samensmelting met eenen anderen Staat tot éénen groep gediend zou zijn.

V.

Wij hebben in de Geschiedenis bij enkele beheerschers der volken, alsmede bij eenen soms in een volk heer-scheuden geest een streven opgemerkt om zich over een grooter geheel, ja! zoo mogelijk, over geheel de wereld uit te breiden. Wij hebben doen zien, hoe de veroveraars daarbij evenmin gelukkig zijn als gelukkig maken.

Is dan de menschheid prijs gegeven aan eenen voort-durenden arbeid, die tot niets dan teleurstelling en jammer leidt? Wie gevoelt niet, dat op deze vraag een troosteloos toestemmend antwoord volgen moet, of dat men troost moet zoeken in het geloof aan eene alles verzoenende eeuwigheid. Dit doen wij, als wij erkennen, dat door

44

-ocr page 53-

VAN AL WIK SÏHKEFT NAAR HEERSCHAPPIJ.

dien arbeid der volken onder hunne drijvers de ontwikkeling tot stand komt, die wel geen' eindelijk volmaakten of maar beteren toestand op aarde aanbrengt (hetgeen trouwens een schrale troost zijn zou voor alle voorgaande geslachten), maar der volmaakte in hooger sfeer bestaande wereld burgers toevoert.

Des menschen bedrijf, het streven ook van volken en van heerschers der volken is beeld en gelijkenis van liet scheppingswerk Go.Is, die uit zijnen ten grondslag gelegden schat telkens een gedeelte uitverkiest en voor den dag doet komen, om het zijnen tijd uit te laten dienen en het dan in zijne heerlijkheid op te nemen. De werelddwingers , die als morgensterren geblonken hebben en hun van den aanvang aan voorbestemd aandeel aan het beheer over den weggelegden schat hebben gehad, evenzeer als de roemloos ten grave dalende schare, laten waar zij naar gindsche wereld verhuizen, zwijgende schimmen achter. Het tooneel, dat de Geschiedenis ons aanbiedt, is vergankelijke schijn: wij menschen zijn schimmen, en wat wij ervaren en verrichten, is een droom; maar de handeling dezes drooms is de voorwaarde 'an de wording van zich zelfstandig gevoelende wezens in den schoot des Oneindigen. Wat hier beneden voorvalt, is in bijzondere kringen en in telkens grooter omvang beeld der vergadering onder één hoofd, die de vorm der Schepping is. Of zien wij het niet voor onze oogeu, hoe zich wel dezelfde vorm herhaalt, maar steeds op grooter schaal op omvattender gebied ? Eerst speelt het drama der geschiedenis voor ons voornamelijk om het bekken der Middellandsche Zee. Wat er in de afgelegen oorden van Azie of andere werelddeelen geschied mag zijn, is voorzeker niet minder belangrijk geweest, maar het was alstoen eene wereld op zich zelve,

45

-ocr page 54-

DK LES DER (lESCHIKDENIS TEK LEEliING

zonder met deze onze wereld tot één vergaderd te zijn. Maar wat zien v/ij thans na den tocht van Alexander den Groote en het wereldrijk van Rome? Europa is in verschillende Rijken verdeeld, maar de scheidsmuren tusschen de onderling verst afgelegen volken zijn gevallen. China en Japan het binnenland van Afrika, gansch Amerika, de eilanden des Oceaans zijn in onzen gezichtskring opgenomen; gezamenlijk zijn de on lerling verdeelde en juist daarom met elkander wedijverende volken van Europa aan het werk om de aarde met al hare volken te omspannen. Het groote beeld der eindeiijke vergadering onder één hoofd ontrolt zich voor onzen blik. Er bruist een ontzaggelijke stroom, als van vele wateren, die alles in zich opneemt en met zich medesleept. Waarheen? Gelijk de beperkte plaatselijke vergaderingen tot nog toe allen vergaan zijn, zoo spoedt de algemeene Vergadering insgelijks ten afgrond, maar om in en uit den val door den grooten en eenigen Heer der Schepping eu den-Geschiedenis opgeheven te worden ten hemel. De val is opstanding; de dood is ten leven en ter verheerlijking. Of zou men meenen, dat er geene of wel eene andere oplossing is aan het wereldraadsel ? Dit schijnbestaan , dit beeld en deze gelijkenis is afschaduwing van een waar wezen; wij zijn schaduwen, maar schaduwen bestaan niet zonder lichaam: een afschijnsel onderstelteen wezen, waarvan het afstraalt. Wij droomen, doch op dezen slaap volgt ontwaken; wat wij , onder den ijzeren scepter onzer aardsche heerschers en drijvers vergaderd, ervaren, waarborgt de werkelijkheid der algemeene vergadering van alles en allen tot een onvergankelijk Rijk onder een' oneindig goedertieren Heer.

Dat hebben de profeten van ouds, dat de schrijvers

46

-ocr page 55-

VAN AL WIE STEEEPT NAAR HEERSCHAPPIJ.

van onzen Bijbel geweten; dat hebben ook dezulken genoegzaam erkend, die profeten onder de volken genoemd mogen worden, de stichters en handhavers der godsdiensten: er zouden geene godsdiensten bestaan, zoo die wetenschap niet bij vroegere geslachten bestaan had, door de edelsten en besten geleerd. Jammer maar, dat geen mensch die wetenschap in de vormen en beelden ook der hijbelsche geschiedenissen kan vinden, tenzij hij haar zelf reeds te voren, ten minste voorgevoelend, bezitte: slechts hem, die heeft, wordt gegeven. Eu in onzen tijd zijn de onderzoekingen te zeer op het stoffelijke en de oogen te zeer op het uitwendige en toevallige gericht, dan dan dat men de eeuwige voorwaarde des bestaans en de kern der dingen zou erkennen. Men onderwerpt, als het ware, de Almacht aan de proef van een dynamometer, en berekent de dagteekening van eeuwige woorden: wat behoeft in twijfel getrokken te worden, of eens gebeurd is wat in den grond der dingen steeds gebeurt; wat doet er toe, wanneer of door wien gesproken is, wat hemel en aarde steeds verkondigen? — Jammer bovenal, dat zij, die de godsdienst voorstaan, haar vaak misbruiken en misduiden: misbruiken tot schijn veroveringen in de aardsche sfeer; misduiden bij gemis van het ware inzicht, eene misduiding zoo groot, dat de bijbelsche voorstellingen onzinnig of ergerlijk moeten voorkomen.

Hoe dit zij, dezen staat der geesten moeten wij met al wat ons in dit, ondermaansche bedroeft, ons getroosten. Immers is reeds hier, nevens al de vergangelijke, onheil-barende veroveringen, die de geschiedenis van ons geslacht oplevert, eene werkelijke verovering der wereld ten volkomenen troost mogelijk.

47

-ocr page 56-

DE LES DEll GBSCHIl'DENIS ÏER LEERING

VI.

Waar is die verovering te vin len? Niet in deelgonopt-schap aan de groote gebeurtenissen dezer wereld, noch in de behartiging der helangen van Gemeenten en Staten: Zulke bemoeiingen kunnen, wanneer men daarbij zeldzaam voorspoedig is, eenige voldoening .'tan de roemzucht geven; maar behandelt men de openbare zaak waarlijk goed en groot, alsdan heeft men er geen ander genot van dan van de vervulling eener dure verplichting: dan toch neemt men voor zich geene eer aan van de gezegende toepassing van eene kracht, die men zichzelven niet gegeven heeft, en van beginselen, die men zelf niet heeft uitgevonden, — en daarna blijft het hart smachten naar verpoozing en ware bevrediging. Neen! Genot van hetgeen men bezit, een genot waarboven men niets wenscht, zoodar, men inderdaad alles heeft, — dat genot bestaat alleen dan en daar, waar wij vrede hebben bij den vrede rondom ons in de natuur en in den kring der onzen.

Daarbij echter, wie zal het ontkennen? moet de natuur zelve in een gezond lichaam dienstbaar en behulpzaam zijn. En nimmer treft alles om dit te bewerken zoo volkomen samen als bij het kind. Der kinderen, zegt de Schrift, is het koningrijk der hemelen, welks afbeelding op aarde de veroveraars en de dweepers zoeken. Het kind, waar het waarlijk kind is, leeft werkelijk opgenomen en gedragen in en door de kracht, die de gansche wereld van rondom beweegt. Erkent het kind perken voor zijn recht? Kent zijn vertrouwen grenzen? Beweegt zich het kind dan niet in eene wereld, die hem behoort, waarin hij heer is, als had hij haar veroverd? Waarlijk

48

-ocr page 57-

VAN AL WIE STREEFT NAAK HBEKSCHAPPIJ. 49

het kind beschaamt de volwassenen, en de heeren der volken, de veroveraars, mogen de kinderen wel met naijver beschouwen.

Maar de kindsheid gaat spoedig voorbij. Dan evenwel blijft nog de jeugd en in de jeugd de liefde. Het is geen onbedacht woord, dat Schiller spreekt, waar hij van den tijd iler jeugdige liefde zegt: alsdan zien de jongeling en de maagd den hemel open Wanneer wij, aan de perken van ons eigen leven onttogen, in een ander leven opgegaan zijn, en, ons zeiven gestorven, ons in een wezen tegenover ons voelen herleven, dan is de hemel werkelijk open; leven na gestorven te zijn, gestorven aan eigen onvolkomenheid, eeuwig leven: iets anders is de hemel niet. En wie den hemel is binnengegaan, zou hij nog het rijk der aarde begeeren, of liever: heeft hij niet juist het bezit eener verheerlijkte aarde er bij?

Doch — geen dichters behoeven het ons te zeggen, ook de tijd der liefde vergaat, en wij blijven dor na de jeugd, en bedaagd na de kindsheid over. Waar alsdan troost te vinden? Het antwoord luidt: in het Geloof! Het geloof, dat zich ook daar betuigt, waar de jeugdige natuur niet meer medewerkt en geene gunstige omstandigheden ons behulpzaam zijn, ja! waar ramp en nood en dood dreigen en treffen. Het geloof, waarvan getuigd wordt, dat het de overwinning is, die de wereld overwint. — Er zijn er, die het geloof met hunne sarcasmen vervolgen, het eene domheid en eene laagheid achten. Welk een misverstand! Het geloof is erkentenis van hetgeen het heelal verkondigt; het geloof is het verinogen om te zien wat men blind moet zijn om niet te zien, en doof om niet te hooren. Geloof is vertrouwen, en vertrouwen is zich verlaten op eene macht tegenover ons, en wat is

-ocr page 58-

DE LES DEU GESCHIKDENIS TER LEERING

50

natuurlijker, wat noodwendiger, dan zich te verlaten op de macht, die de wereld beheerscht. Ons op ons zelf verlaten , —- wij willen het, en nieenen het te kunnen, maar wij vermogen het niet. Ons zeiven te helpen, het is ons niet gegeven: niets hebben wij, dan hetgeen wij ieder oogenblik ontvangen. — Maar bij dat onvoorwaardelijk vertrouwen zouden wij immers ons zeiven verliezen? Neen, voorwaar! beproef het, en gij ondervindt, dat, als gij ophoudt op u zeiven te vertrouwen en. ganschelijk van u zeiven afziende, alles gewonnen geeft, of gij dan niet van stonde aan alles wint en alles u toestroomt. — In uwe scholen hebt gij geleerd, dat de aarde wentelt en zich rusteloos beweegt; u is ingeprent, dat gij in het zweet uws aanschijns uw brood moet eten. Beide is waar, doch waar is het ook, dat zich het blijvende, onbewegelijke, dat zich de eeuwige sabbatsrust te midden der rustelooze beweging en der vergankelijkheid betuigt. Of zie slechts de schepping aan, hoe de natuur zich voor uwe oogen onbewegelijk uitbreidt; hoe de aarde vast staat; hoe het brood, als het ware uit de aarde uitschiet, en de schoot der aarde niet ophoudt bloem en vrucht te baren. Wel nu, de natuur liegt niet; zij is het beeld eener onbedriegelijke waarheid. — Maar nemen wij dan in die natuur geene stoornissen waar? Grijpen er geene verwoestingen plaats? Voorzeker! Die verbreking der rust en der orde in de natuur verontrust ons en kwetst ons gevoel. Doch het is omdat ons oog niet ver genoeg reikt om in de schijnbare verwarring de orde, waartoe zij strekt, voltooid te zien; anders zou het tooneel, hetwelk de verstoorde elementen in het betrekkelijk groote aanbieden, ons blijken een proces te zijn, gelijk aan dat wat ook in den schoot der rustig werkende natuurkrachten onzichtbaar in het

-ocr page 59-

VAN AL WIE SÏKEEFT NAAR HEERSCHAPPIJ. Til

p betrekkelijk kleine omgaat. Aan ons beperkt standpunt)

If aan de grenzen van onze zintuigen ligt de schuld, dat

i, wij de orde in de natuur soms verstoord achten,

it Doch hoe vertroostend die blik op de natuur ook wezen

ij moge, de wereld gaat voorbij, de schoonheid der natuur

k (al verstoren geene geweldige omkeeringen hare orde in

i, ous oog) taant, verflenst, veroudert, sterft. Om daarbij,

ij om bij onze smartelijke ervaringen den moed te behouden,

n is er nog een ander geloof noodig , dan hetwelk de kinds-

it heid en de liefde kenmerkt, en de aanblik der stille natuur

n ons biedt. Hier nu komt ons het Woord Gods te stade,

n . hetwelk trouwens geene andere dingen predikt dan wat de

st Natuur, dat is, hemel en aarde, en wat het kinderlijk gevoel

h en het menscheuhart prediken; dat woord, hetwelk geen

,t uitvindsel is, geene verdichte fabel van menschen , die wat

s- zij spraken, zonder het rechte inzicht in het wezen der dingen, uit hunnen duisteren zin puttend, samen dichtten,

k Wat de Bijbel loert, is onloochenbare physische realiteit,

s De leer des Bijbels drukt uit wat in de wereld, in hare

e wording en in de natuur der dingen bestaat; zij onder-

e richt ons, dat het streven der wereld veroveraars ijdel is,

b en de wereld veroverd is en wordt door de kracht Gods

3 zelve, ons verschenen in Christus. Christus mocht van

? zich zeiven getuigen: ik heb de wereld overwonnen. Maar

3 hoe ? Hij zou ze hebben kunnen overwinnen op de wijze

t dier geweldenaren: meermalen heeft zijue natie hem als koning aan haar hoofd willen plaatsen om, met de Joden

3 en het gansche Oosten achter zich, tegen Rome op de verovering der wereld uit te gaan; maar den Verzoeker,

i die hem de Koningrijken der aarde aanbood mits hij voor

t hem knielde, heeft hij afgewezen: hij verklaarde, dat zijn

t Koningrijk niet is van hier. Hij heeft geleden en lijdend

-ocr page 60-

52 DE LES DEK GESCHIEDENIS TER LEERING

bewezen, dat geen lijden, geen dood en dus ook geene zonde, waarvan de cloo;l de bezoldiging is, den Zoon des menschen, den raensch, van het bezit van alle dingen uitsluit; dat fle wereld voor den mensch en de mensch voor den hemel gewonnen is; dat in weerwil van alle leed alles ten goede volbracht is, en de verzoening, de terugkeer der wereld tot God, voltrokken is. De verovering der wereld, de vergadering onder één hoofd, de onderwerping van alle volken aan éénen Heer heeft plaats gegrepen en grijpt voortdurend plaats. De geweldenaren rooven het Koningrijk der hemelen; maar voor Christus is de inbezitneming van het Rijk geen roo/quot;: hij heeft het in bezit: want hij is één met de eenige Macht, die het heelal regeert: hem is alle macht gegeven in hemel en op aarde, en één met hem is alles het onze.

Dus is er geen grond voor onrustige bemoeiingen ten einde iets uit te richten of uitwendige banden te verbreken of van buiten opgelegd juk af te schudden: zij die Christus kennen, zijn volkomen vrijgemaakt, en in hunne nederigheid heerschen zij met hem. Maar daarentegen is er alle grond voor volkomen berusting, alle grond om kalm te zijn tegenover de wereldgebeurtenissen, stil te blijven op de plaats, waar men zich gesteld vindt: verlieten wij die plaats, zoo zouden wij verklaren, dat wij elders waarheid en geluk konden vinden, terwijl toch op elke plaats God met zijne waarheid en zegen nabij, en elke plaats, waar wij staan, in zooverre heilige grond is.

Doch staat deze stemming gelijk met werkelooshei 1 ? Verre van daar! Het geloof, dat alles wat geschiedt, goed is, en, is het kwaad in onze oogen, zoodat wij er onder lijden, toch tot eene heerlijke uitkomst strekt, dit

-ocr page 61-

VAX A Ij WIR STREEFT NAAR HEEBSCHAPPU.

geloof geeft ons vrede, en het rust ons toe met zulk eene vaardigheid tot arbeiden, dat wij de handen dadelijk aan het werk slaan en in de behartiging der belangen van gezin en maatschappij ons medewerkers Gods betoonen. Wie werkeloos bleef, zou verraden, dat hij niet werkelijk aan eene door de volmaakte Goedheid bestuurde wereld geloofde.

Zoo de veroveraars een gebrekkig beeld te aanschouwen geven van de vergadering onder één hoofd , die de vorm is der schepping Gods, — up hunne beurt en wijze ver-toonen de geloovigen een streven om de wereld te veroveren. Zij doen het door als zendelingen naar de verste volken uit te gaan, of boden derwaarts af te vaardigen met het woord des vredes in het bloed des kruises van Christus op de lippen. Ook deze arbeid is slechts een beeld van het wezen, dat door God zeiven wordt gewerkt. Doch hebben onze zendelingen het woord des vredes niet bloot op de lippen, maar klaar voor huu verstand en warm in het hut; komen zij tot heidenen en Mohammedanen niet om hen door hunne prediking te redden, maar om hen als geredden te bejegenen , dan mogen ook zij zich medewerkers Gods achten en zien zij vrucht op hunne werkzaamheid. — In vroeger tijd traentten l'ortugeezen en Hollanders, genen de verbreiding der Roumsch-katholieke, dezen die der Calvinistisch-Gereformeerde leer met de vestiging van hun gezag, ook met de wapenen, te verbinden. Dit bracht eene vermenging mede van godsdienst en staatsmacht en was het gevolg van den waan, dat ook voor eene Kerk veroveringen te maken waren, terwijl toch de heilige, aigemeene, Christelijke Kerk een voorwerp is en blijft van geloof; de Kerk is de vereeniging dergenen , die volstrekt gelooven, dat alles volbracht is,

53

-ocr page 62-

1)E LES DEK GESCHIEDISNIS TKR LEEKINC

dat Christus in de gansche wereld, ook zonder toedoen van bijzondere boden, gepredikt wordt; dat de heidenen door de geopende poort des hemels ingaan, daar God zelf, zonder hulp van menschen te behoeven, alle menschen, ja de gansche Schepping, roept en verkiest om in dit moment des levens, op dit punt van overgang, door deze krisis heen, overgebracht te worden tot een eeuwig leven en tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

Slechts van het Christendom, dus begrepen, is de ver-eeniging van het menschdom onder zijn één onzichtbaar hoofd te hopen. Maar zal de boosheid der menschen de algemeene verbroedering niet verhinderen ? Men zou het zeggen, wanneer men niet alleen den naijver en den haat tusschen Europeesche natiën gadeslaat; maar vooral, wanneer men opmerkt, hoe ruw en fel de leden des talrijksten volks van den aardbodem, de Chineezen, door de Noordamerikanen en de Australiërs geweerd worden. De markies Tseng verklaart van zijn eigen volk; „de Chineezen zijn nimmer een aanvallend ras geweest: China wordt niet verteerd door dien dorst naar veroveringen, die andere natiën kenmerktquot; — Zij begeven zich naar oorden, waar zij, arbeid en sober loon voor werk kunnen vinden, en waar hun arbeid dan ook werkelijk onmisbaar is, en, na eenig vermogen bespaard te hebben , keeren zij naar hun land terug Maar zie! de blanke werkman , ten gevolge zijner mindere arbeidzaamheid en hoogere aanspraak door den Chineeschen arbeider overvleugeld, komt in verzet en wordt door zijne aanzienlijke stamgenooten, die op zijne stem bij de verkiezingen jaclit maken gesteund. Vandaar uitsluiting van den Chinees tegen de trouw van traktaten in.

In weerwil van diergelijke verschijnselen zal er voor-

54

-ocr page 63-

VAN AL WIE STKEEI'T NAAH HEERSCHAPPIJ.

55

zeker in den loop der eeuwen eene stoffelijke, uitwendige vereeniging van alle volken der aarde plaats grijpen; maaide ware eenheid des menschdoms blijft tot aan de voleinding der eeuwen een voorwerp van het geloof aan het op aarde ongeziene en onzichtbare.

-ocr page 64-
-ocr page 65-

/

-ocr page 66-
-ocr page 67-
-ocr page 68-