ocr page 1

^ /

/1(1/1

Jhr. Mr. A. F. DE 8AV0RMN LOBMAN.

HEEL DE KERK

F, N

HEEL HET VOLK!

»1 i* -

quot;„en j)rotcst tegen het optreden der CjCiefoiniecidcn als partij, en een woord van afscheid aan de Confessioneele X ereenig'ing',

4 .,

v-:,

4 t .

Dp. PH. J. HOEDEMAKER.

SN'kkk. — j. CAM PEN. — 1897.

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

Heel de Kerk en heel het Volk!

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

]\

1759 6622

ocr page 7

Aan

Jhr. Mr. A. F. DE 8AV0RNIN LOKMAN.

HEEL DE KERK

EN

HEEL HET VOLK

c-♦si*--d

Een protest tegen het optreden der Gereformeerden als partij, en een woord van afscheid aan de Confessioneele Vereeniging,

door

i • ^ i

Dn. Ph. J. HOEDEMAKER.

Sneek. — J. CAMPEN. — 1897.

ocr page 8
ocr page 9

Op den 20sten October 1887, heb ik de vrijheid genomen, eene vraag tot U te richten, waarop gij met eene wedervraag hebt geantwoord.

Wat mij destijds schrijven deed is u en velen bekend. Veroorloof mij daarom, met weglating van alle bijzonderheden, alleen die vraag zelve in herinnering te brengen en U tevens te herinneren wat mij noopte, haar in de aula der Vrije Universiteit neer te leggen en achter te laten.

Voor de keuze gesteld of ik bereid was de beginselen fc verloochenen, die ik in de Ned. geloofsbelijdenis had gevonden, deels uitgedrukt, deels m. i. bij wettige gevolgtrekking daaruit afgeleid, en iu het tegenover gestelde geval uiven kring te verlaten. waarbij ik alleen behoorde in de veronderstelling van uwe instemming met deze belijdenis, heb ik het tweede lid van dit düemna gekozen, en voor deze vrijheid den prijs betaald waarvan één termijn werd afgedaan, toen ik mijn verzoek om ontslag uit mijne betrekking als Hoogleeraar aan genoemde stichting had ingediend.

Ik meende, destijds, dat de weg tot de bediening des Woord.-in de Hervormde Kerk voor mij gesloten was. Dit werd mij trouwens telkens, van meer dan eene zijde, verzekerd.

lt;SJlt;Set/j

Jhr. Mr. A. F. DE 8AV0RNIN LOBMAN.

ocr page 10

6

Ik moest dus de overtuiging vasthotiden dat mijn heengaan geen overbodige en willekeurige handeling was, en wilde deze overtuiging u en de uwen niet opdringen, maar mijn eigen recht om haar te bezitten, ook niet door u laten loochenen.

Yan daar mijne vraag. Zij werd gedaan naar aanleiding van den vorm, waarin mijn verzoek, bij de overdracht van het Rectoraat dier inrichting, ter sprake werd gebracht.

Gij had nl. medegedeeld niet waarom ik heenging maar alleen, dat dit heengaan xiet noodzakelijk was geworden, door eenig verschil in belijdenis.

Op eene plaats waar ik niet bij machte was u tegen te spreken hadt g:j, als tijdelijk hoofd der Universiteit, mij eenvoudig beroofd van het eenige, dat mijn besluit om eene vaste positie met een onzekere toekomst te verruilen, in mijn eigen oog en dat van anderen rechtvaardigde. Gij hadt te gelijkertijd mijn doorloopenden strijd tegen de afdwalingen van de leiders der kerkelijke beweging van 1886, verklaard te zijn van nul en geener waarde.

Ik had mij te onderwerpen aan de in dezen kring gangbare meening, en kon dan heengaan, zonder dank of groet, zonder betuiging van leedwezen of zegenbede.

Vandaar mijne vraag: zijn wij één in belijdenis? waarop in kort, dit ongemotiveerd en ontkennend antwoord werd gegeven. Zijn wij één in belijdenis;

gij, die in uwe heden uitgesproken oratie over „de hoogste vrijheidquot; in die en die stukken zijt afgeweken van het eenstemmig gevoelen onzer oude godgeleerden en die, bij monde van uw opvolger, den pas opgetreden Rector, geprezen zijt om den moed, die u had genoopt ze openlijk tegen te spreken;

gij, die de ééne Hervormde Kerk, zooals zij nog altijd voortleeft in het genootschap van dien naam, hebt opgelost in eenen bond van Kerken, contractueel saamgevoegd;

gij, die de abnormale toestanden in die Kerk verklaart uit „eene wilde vermengingquot;; derhalve het gevolg stelt in de plaats van de oorzaak, het ziekteverschijnsel vereenzelvigt met de kwaal;

gij, die de kranke leden van de Kerk niet door het middel, dat God u in zijn Woord heeft gewezen, nl. de tucht, zoekt te

ocr page 11

7

genezen, maar ze ontvlucht en achterlaat, volgens de methode, door de ouders van Klein Duimpje in het bekende sprookje toegepast;

gij, die de aan de Kerk opgedrongen feesturen eerst door uwe onafgebroken medewerking in stand houdt en juridisch bekrachtigt, en ze daarop als de anti-christelijke macht tot het motief van uwe nieuwe afscheiding maakt;

gij, die u niet ontziet met een handjevol geestverwanten hier en daar, eene nieuwe kerkorde in te voeren en om dit te kunnen doen uwe broeders in het geloof afzet omdat zij u op dezen weg niet willen volgen, omdat zij niet bereid zijn zich te onderwerpen aan hetgeen gij, zonder de Kerk te hebben gehoord, en zonder de door mij en anderen gemaakte tegenwerpingen te hebben weerlegd, eenvoudig eigener autoriteit hebt vastgesteld?

ZIJN wij één in belijdenis, gij, die staande onder de reglementen tegen die reglementen hebt gehandeld, niet, omdat zij in strijd waren met God's Woord, t. w. inzake het examen van Houtzagers, maar omdat het u niet behaagde Gods tijd af te wachten;

GIJ, die in allen dezen, niet alleen Kerkrechterlijke maar ook dogmatische dwalingen verraadt, en IK die hier lijnrecht tegenover u sta, en dit thans niet voor het eerst heb uitgesproken: zijn-wij-één-in-belijdenis ?

Deze vraag gold, is het noodig dit te herinneren? niet zoozeer u, als wel den geheelen kring, die in u zijnen woordvoerder had gevonden.

Ik zal de lijdensgeschiedenis van die dagen niet verder in de herinnering terugroepen, maar alleen constateeren, dat de bovengestelde vraag recht had van bestaan, aan alle andere vragen vooraf gaat, feitelijk de geheele wijze van optreden zoowel op staatkundig als op kerkelijk terrein bepaalt en voorts, dat ik evenmin het recht heb aan te nemen, dat mijn antwoord op die vraag afdoende is, als gij het recht hadt dit te ontkennen.

In de brochure, waarin ik u vroeg: zijn wij één in belijdenis? ^ heb ik vooral nadruk gelegd op de trouweloosheid waarmede ik meende bejegend te zijn. Hierop kom ik thans niet terug.

!) Eene ernstige vraag naar aanleiding van mijn aftreden als hoogleeraar aan de Vrije Universiteit door Ph. J. Hoedemaker, Amsterdam, J. H. Kniyt 1887.

ocr page 12

8

Maar, dat ik reeds toen veel dichter bij eene nog juistere, voor mij en heel ons volk wel veel meer verootmoedigende, maar daarom juist meer volkomen afdoende verklaring zoowel van het gewirwar aan de Vrije Universiteit als van de partijschap in de kerk heb gestaan, blijkt o. m. uit het volgende, dat ik de vrijheid neem uit mijne brochure: „Eén in belijdenis?quot; aan te halen.

..De bewering: wij hebben dezelfde belijdenis, derhalve bchooren ..wij kerkelijk te zamen, laat gemakshalve, het kritiekste, hetgeen „op een gegeven oogenblik het eigenlijke punt van verschil is, „buiten rekening.

..Deze quaestie neemt evenwel voor ons, practisch, dezen „vorm aan: Zijn wij beiden, met evenveel recht Hoogleeraren aan ..een Gereformeerde Universiteit? Let wel, ik vraag niet: Kun-„nen wij korter of langer samenwerken, indien een van ons „beiden zijn meening verbergt of verzwijgt, - maar: Zijn de „beide gevoelens vereenigbaar, indien zij u-orden uitgesproken en toegepast? b

..Niemand is bevoegd in dezen tusschen ons als scheidsrechter „op te treden. Wat bewijst dit?

„Dat eene Universiteit, die de belijdenis tot basis heeft, wil „zij niet doen wat der Kerke is, den levenshand met dese Kerk niet „mag verscheuren.quot;

b ..Toen ik mijn verzoek om ontslag indiende, schreef de President-Directeur „mij. ofschoon in de meest quot;welwillende bewoordingen, terug, wat hierop „neerkwam; Deze aanvrage kon niet uitblijven, want uw optreden tegen de „doleerenden te Rotterdam en te Utrecht was, naar mijne innige overtuiging, ,, onvereenigbaar met uw ambt als Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit.

-Vanzelf moest ik toen vragen: of ik z.i., als Hoogleeraar vrij was te doen „en te leeron wat naar mijne overtuiging conform de belijdenis was?

„Het antwoord verwees mij vanzelf naar Art. 2 van onze statuten.(!)

„Nu zijn er nog altijd goede vrienden, die van oordeel zijn, dat ik zeer goed „aan de Universiteit had kunnen arbeiden.

„Ook als ik, om ééne zaak te noemen, optrad in do Nieuwe kerk te Amsterdam ?

„Ook als ik, waar het pas gaf in mijne lessen — en het wekt mijne ver-„bazing hoe dikwerf liet te pas kan komen — tegen de heerschende richting „polemiseerde?

„Laat ons elkander toch niets wijs maken!

„Ik kon blijven, ja, — indien ik mij rustig hield en het anderen niet te „lastig maakte!quot; „Één in belijdenis'quot;, t. a. p. bl. 11.

ocr page 13

9

Het zou niet in mij opkomen uwe aandacht te vragen voor hetgeen reeds een tiental jaren achter ons ligt, indien ik dezer dagen niet opnieuw verplicht was geworden, mij af te scheiden van eenen kring binnen de Hervormde Kerk waartoe ik werd gerekend en mij ook rekende te behooren.

Ik deed dit met hetzelfde doel, t. w. om het beginsel zuiver te houden, maar naar de juist tegenovergestelde aanleiding. In dien kring had ik nl. niet te doen met eene machtige beweging m eene bepaalde richting, waaraan ik mij niet wilde overgeven, en waarvoor ik niet verantwoordelijk wenschte te zijn, maar met hetgeen mij voorkwam, de inconsequentie te zijn van broeders, wier vrijheid om te doen en te laten wat zij goedvonden, door mij steeds is geëerbiedigd, ofschoon met de overtuiging in het hart dat vooral op staatkundig terrein, door hen in praktijk'werd gebracht wat m. i. niet uit het gemeenschappelijk beginsel voortvloeide, maar hier mede in strijd was.

Ik heb dit gedaan, omdat er geen enkele reden bestaat zich bij anderen aantesluiten, indien men, op den duur, alle mogelijke afwijkingen en inconsequenties, in allerlei vorm en uit allerlei oorzaak moet dulden, en hierdoor kracht inboet, zwakheid verraadt, in allerlei valsche en gewrongen posities komt, en voorzoover men zijn beginsel handhaaft, anderen, die, óók prijs stellen op hunne vrijheid, en óók meenen goed te handelen, overlast aandoet.

Er was zeker een uitweg. Ik had dien reeds lang geleden ontdekt.

Indien ik mij nl. niet tevreden had gesteld, met eerbiediging van hetgeen anderen dachten en deden. loaarJieden uit te spreken, maar ook had getracht, die waarheden toe te passen en anderen voor deze toepassing te winnen, zou ik. van zelf. binnen deze kring, of daarnaast, steun hebben gevonden bij allen, die het met j;ir eens waren.

Dan had ik, evenwel, moeten doen wat ik in u en in Kuyper had afgekeurd. Ik had dan beginselen moeten vaststellen, die als regel voor handelingen konden dienen; in overeenstemming met die beginselen een stelsel moeten ontwerpen, waar aan mijne geestverwanten zich hadden te houden, en hun, die niet bereid

ocr page 14

10

waren dat stelsel in praktijk te brengen, moeten beduiden dat

zij hun eigen weg konden gaan. be

Ik had dan, op de eene of de andere wijze eene partij moeten

vormen en in den eenen of anderen vorm als leider moeten optreden. m

Hier ligt voor mij dan ook het onderscheid tusschen de Kerk Cl

en tusschen eene partij. zi

In de Kerk bestaat het recht van hooger beroep van de in- ei

dividuën op den Kerkeraad, van den Kerkeraad op de Classis, van oj de Classis, in nog ruimeren kring op de Synode, in gewichtige

gevallen zelfs op de internationale Synode, en met dit recht ook re de waarborg, dat een eenmaal vastgesteld of heerschend gevoelen aan de Schrift zal worden getoetst.

Bij eene partij bestaan dit recht en deze vrijheid niet. Men o; heeft eenvoudig den leider te volgen. Hoe krachtiger de leiding dan is, hoe meer zij in één hand berust, des te beter.

In 1887 zag ik derhalve niet in, dat het debat met mij over n

de beginselkwesties, als volstrekt nutteloos, in allerlei vormen k en onder allerlei voorgeven, moest worden afgewezen.

Ik zag, destijds, niet in, dat ik, mij aansluitende bij de v

vereeniging van Hooger onderwijs op gereformeerden grondslag, t

die bepaalde belangen op eene bepaalde wijze meende te moeten n behartigen, onder een ander regime kwam te staan; dat het niet

langer de vraag was, of ik iets uitsprak dat waarheid was, dat i( de toets van de Schrift en de belijdenis kon doorstaan, maar of

het wel in het belang was van hetgeen men de goede zaak e

achtte, die waarheid te erkennen zelfs toe te laten, dat zij, d.i. s

het van de meerderheid afwijkend gevoelen onder de aandacht i

kwam van bet publiek? Ik begreep niet, dat een leider op zijn i

standpunt niet naar waarheid mocht vragen. lt;

Maar, nu ik dit inzie heb ik ook u en Kuyper teruggevonden in eene gemeenschappelijke schuld,

in een gemeenschappelijk streven, om ons volk, op den weg, die ons voorkomt het best tot dit doel te leiden, tot God terug te brengen,

in eene gemeenschappelijke ervaring, dat men langs dien weg de schuld en de ellende nog dagelijks grooter maakt.

i

ocr page 15

11

En nu valt ook alleö weg wat nog scheiding tüsschen ons

behoeft te maken.

Doleerenden en Hervormden, Liberalen en Orthodoxen, Gereformeerden en Ethischen, Antirevolutionairen en mannen van de Christelijk-Historische richting, „allen zijn wij afgeweken, te zamen zijn wij onnut gewordenquot;. Zelfs het verschil tusschen de Kerkelijke en de Staatkundige vragen van den dag is in hoogere eenheid opgelost.

Spreek ik in raadselen? Laat mij u dan nog, zoo beknopt mogelijk, mogen zeggen.

1°. Hoe ik tot deze overtuiging kwam.

2°. Wat mij noopt haar in het openbaar uit te spreken, en om dit te doen in dezen bepaalden vorm.

3°. Welke belangen hierbij op het spel staan.

4°. In welken geest en met welke verwachting ik een inzicht, niet door nadenken, maar in den drang der omstandigheden verkregen, aan het oordeel der broederen onderwerp.

Het is eigenlijk overbodig, eene natuurkundige beschrijving van de Confessioneele Vereeniging te leveren, en de positie te teekenen, die ik, als redacteur van de Gereformeerde Kerk, in haar midden inneem.

Men vindt hier precies, wat gij in iedere vereeniging, zelfs in iedere als kerk optredende vereeniging kunt ontdekken.

Saamgebracht door eenzelfde behoefte, schaart men zich rondom eenzelfde banier. Men wordt dus uit den aard der zaak verondersteld, zeer innig aan elkander verbonden te wezen. Later ontdekt men evenwel, dat men door sympathieën of antipathieën, waarvan men zich zeiven soms geen rekenschap weet te geven, maar eigenlijk door de ongelijkvormigheden van de praktijk uit elkander wordt getrokken.

Immers ieder is geroepen onder abnormale omstandigheden te handelen, en die omstandigheden zijn zoo onderscheiden, dat een algemeene regel hiervoor niet kan worden gegeven. Men vermoedt dat deze onder den invloed van Kuyper en gene onder dien van Lobman of een ander staat; deze gaat op zijn dorp met de afgescheidenen in de school en de kiesvereeniging samen, gene verfoeit

ocr page 16

12

dit samengaan als eene gevaarlijke consequentie; de een gaat mee met volksonderwijs of met den schoolraad, een ander met den bond voor Evangelisaties of met het kerkelijk congres. Maar hij, die zich opmaakt om te midden van deze groote verscheidenheid een beginsel uit te spreken, kan dit met alle genoegen doen, indien hij het slechts zóó doet, dat hij zijne medeleden nooit laat gevoelen, dat zij zeer inconsequent zijn. Hij mist trouwens, hiertoe het recht, want hij zou den broeder tot hetzelfde isolement of dezelfde theorie van onthouding moeten veroordeelen waartoe hij zichzelven doemt.

In den abnormalen toestand van onze Kerk en van onzen Staat is hiertegen, zooals reeds gezegd werd, alleen één geneesmiddel, en dat is m. i. erger dan de kwaal.

Hij moet eenen groep vormen, die aan zijn persoon, ten minste in zóóver verbonden is, dat men 'zich met vertrouwen aan zijn leiding overgeeft. Hij moet, m. a. w. een paetij vormen.

In dagen van actie wordt hij zelfs gedwongen dit te doen — of. te doen wat ik thans doe, zich geheel terugtrekken.

Ik behoef u niet te zeggen, dat deze tijd van actie op staatkundig terrein gekomen v*.

Een eigen partij, dus, indien men zich niet öf bij de eene of andere groep wil aansluiten. Anders wordt men of genegeerd, óf geneutraliseerd, óf geutiliseerd.

Verzuimt of weigert men dit te doen, dan komt men ook in tegenspraak met zichzelven. levert hen, die aanvankelijk of geheel voor het beginsel gewonnen waren, over aan concurrenten en spreekt uit: gij behoeft voorshands niet over mij en hetgeen ik zeg te bekommeren.

Men kan een beginsel, wel is waar, niet zoo dadelijk toepassen. Het moet eerst worden uiteengezet en toegelicht. Het moet, vooral wanneer het van gangbare meeningen afwijkt, den tijd hebben om door te werken. Maar in een tijd van actie staat men voor deze vanzelfsprekende waarheid: men mag niet in de praktij]: verloochenen^ wat men als theorie belijdt. Gaat men onder deze omstandigheden voort, die waarheid te zeggen, men wordt

ocr page 17

13

dan ook, en met het volste recht, spoedig herinnerd, dat zeggen niet langer genoeg is.

Laat mij u mogen verzekeren, dat ik dit alles zeer goed heb geweten en ernstig heb overwogen, — maar dan ook te gelijkertijd meêdeelen, icaarom ik op mijn standpunt geene partij kan en teil vormen.

Dat ligt niet aan het feit, dat eene partij formatie een onbegonnen werk zou zijn.

Men heeft hiervoor alleen noodig een eigen beginsel, een aanwijsbaar doel, een goed gekozen naam, een sprekende leus, een duidelijk program, een banier met heldere kleuren, eenige yeest-venccmten, en onder of naast hen eenige aspiranten voor deze en gene betrekkingen, waarover de nieuwe partij, hier of daar, nu of later zal hebben te beschikken.

Wat had mij dan kunnen beletten tot een eigen partij formatie over te gaan?

Het beginsel is eb.

Het is in de Heilige Schrift te vinden en in de Ned. geloofsbelijdenis geformuleerd. Het luidt aldus: het recht van God is ook het recht van de waarheid, en is NIET het recht van de meerderheid.

Met een beginsel zijn wij dus gereed.

Ik zou ook wel een doel kunnen aanwijzen.

Ieder mensch, een idioot uitgezonderd, heeft een oogmerk. Veelal zelfs meer dan één.

Zelfs de christen op reis naar de eeuwigheid kon zich, volgens Bunjan, maar niet van „bijoogmerkquot; ontslaan. Van de wagen aan de voorzijde afgedrongen, vond men hem straks weer achter op dienzelfden wagen gezeten.

Iedere groep van menschen heeft evenzeer een doel, waarop zij afgaan en zij hebben gaarne de handen vrij en den weg open, die naar dat doel schijnt te leiden.

Ik zou zelfs bereid zijn den Staat nog verder vrij te maken van de Kerk, mits de Kerk ook vrij werd van den Staat, de School van het Ongeloof, en de Wetgeving vrij van het Roomsch beginsel: dat de overheid geen zelfstandige belijdenis mag hebben, maar de Kerk heeft te dienen; want dit is puur Roomsch.

ocr page 18

14

Een goede naam is ook niet te versmaden.

Dit punt moet ik evenwel laten rusten, omdat ik hier dadelijk in eenen strijd met de mannen van den kiezersbond zou worden gewikkeld, naar aanleiding van de vraag: of men het recht heeft den naam te kiezen, die het best kan dienen om stemgerechtigden aan onze zijde te brengen?

Deze strijd zou echter spoedig overgaan in eene discussie over deM datum waarop onze historie begint, t. w. of wij haar aanvang na of vóór 1816 hebben te stellen.

Er bestaat, evenwel, eene afdoende reden om het den bond niet lastig te maken, ik zou nl. een praktisch belang schaden, waarvoor ik veel gevoel.

Ik geloof werkelijk, dat het, onder de bestaande omstandigheden in vele gevallen wel zoo veilig is, zijne candidaten te steunen als die van andere groepen, wier wenschen minder gunstig zijn voor de Hervormde Kerk.

Er zijn tijden, waarin de christen geroepen is te handelen in den geest van Jeremia, toen hij een akker binnen de landpalen van Israël te Anahoth kocht, alvorens zelf dit land te verlaten, in den geest ook van koning David, toen hij weigerde de ark des Heeren op zijne vlucht uit Jerusalem mede te nemen, en in den geest van de ware moeder in Salomo's recht, die niet tevreden was met het halve kind.

Zoo staat het ook met de leus, die evenzeer een groot vereischte bij de partijvorming is.

En, een program?

In de dagen waarin ik, nu onlangs, mijn gedragslijn nog niet had vastgesteld, of liever opzag tegen den prijs, dien ik voor mijn isolement zou moeten betalen, heb ik aan mannen, die in het staatsrecht tehuis zijn, en die niet ongenegen waren om over de zaak in kwestie tot een nader overleg te komen, gevraagd eens de grondtrekken van een program te ontwerpen. Maar dat was meer, om te zien, of zij de oorzaak van onze politieke kwalen hadden ontdekt, dan omdat ik, de finesses daargelaten, niet wist wat ik zelf zou verkiezen.

Drie jaren geleden heb ik in een zwak oogenblik, en geprikkeld

ocr page 19

15

door onverdiende beschuldigingen, mijne denkbeelden eens in den vorm van een program neergelegd, dat destijds in meer dan een blad en nog onlangs, in de Nederlander is afgedrukt, met de aanwijzing door cursiveering, van de stellingen waarover verschil tusschen u en mij zou bestaan.

In de binnen eenige dagen uit te geven „beoordeeling van uwe opstellen over Art. 20 van ons programquot; enz. hoop ik dit verschil onder de oogen te zien.

In dat program ligt van zelf ook wel een devies voor de Banier.

En aanhangers?

In onzen tijd? Tegenover Rome? Naast de Commissie van advies? Met Lobman aan het hoofd, dien men, zoolang hij bij de doleerenden blijft, als een paarl beschouwt in een verkeerde schelp! Naast den bond, waarbij men zich aansluit niet om, maar trots het dogmatisch beginsel, dat door zijn program heen gluurt?

Niets gemakkelijker.

Maar, dan had ik niet moeten wachten totdat de confessio-neelen zich links en rechts hadden gegroepeerd.

Ik had u en den bond dan vóór moeten zijn, toen de aandrang tot een zelfstandig optreden met een eigen Anti-revolutionair beginsel zoo sterk was.

Niets gemakkelijker.

Op kerkelijk hervormd gebied is geen actie, maar reactie.

Op dat gebied kan men niets doen en gevoelt men zich zwak, omdat men zelf, meer dan men weet, onder den invloed van Standaard en Heraict, van Doleantie en Methodisme staat.

Op staatkundig terrein is dit anders. Men gevoelt daar persoonlijk zijn eigen gewicht en ook wel zijne verantwoordelijkheid. Men heeft alleen leiding noodig.

Dit laatste is een bezwaar, maar niet onoverkomelijk.

Toen Aesopus als slaaf werd verkocht, zeide hij tot de omstanders, die zich mot hem onderhielden, terwijl een kooplustige naderde om hem in oogenschouw te nemen „houd toch stil! ziet gij niet, dat die man een meester noodig heeft!quot;

In iedere provincie en in ieder dorp zijn menschen, die een meester noodig hebben, d. i. iemand, die voor hen denkt, spreekt

ocr page 20

16

en handelt, iemand die hun zegt wat zij doen moeten, en die hun d belet flaters te begaan.

Onlangs heeft de Banier en daarop ook uw blad Be Nederlander n

aan het mijne de Gereformeerde Kerk en met name ook aan mij d

eene verdienste toegekend, die ik niet bezit. 0

De aanhaling uit de Banier luidde als volgt: d

..Over de fractie van het weekblad de Gereformeerde Kerk zegt u

..de Banier niet veel. Die fractie wil zich blijkbaar niet in de eerste p

„plaats in de actueele politiek mengen. Voorzoover zij dit doet, o „schijnt zij zich te zullen aansluiten bij de Commissie van Adviesquot;.

Gij hebt er nog liet volgende bijgevoegd: t wjiWij achten deze bescheiden houding een uitnemend teeken.

„In de politiek toch geldt het vooral: eenvormigheid schaadt, z

„schakeeringen zijn noodig; — daarom ... zij er verschillende v „opvatting in bijzaken, — worde de eenheid in de hoofdzaak

..gezocht en verkregen.quot; quot; ï

O

Voor zoover zij dit doet, schijnt zij zich te zullen aansluiten hij a

de Commissie van Advies. o

Wat dit gezegde betreft, ik moet eerlijk zijn, en erkennen, a dat ik mij niet volledig heb uitgedrukt, indien gij dit, en dat zal

wel, in mijn blad hebt gelezen. r

De zaak staat zóó. h

Voor uw streven naar onafhankelijkheid hel) ik alle sympathie. d

Uw tegenzin om mee te varen in democratische richting, r begrijp ik èn in u, èn op zich zelf genomen, volkomen.

Er zijn woorden, over en tegen u, ook in de Tweede Kamer

gesproken, die mij deden tintelen van verontwaardiging. \

Ik heb mij zelfs niet in uw aftreden als hoogleeraar aan de

Vrije Universiteit verheugd en had gaarne gezien, dat het conflict n

binnen den kring, waartoe ik vroeger en gij tot den laatsten tijd be- 1

hoorde, een ander, meer normaal en schriftuurlijk verloop had gehad. p

Mijn standpunt verbiedt mij verder zeer beslist tegen.u partij

te kiezen ten behoeve van anderen, die zich met u precies op h dezelfde lijn bewegen, maar, die wat gelukkiger zijn geweest

in de keuze van een begeerlijke leus, in het opzetten van eene t(

ocr page 21

17

doeltreffende organisatie, en van eenen eerbied afdwingenden naam.

Ik ben daarbij zoo bang voor het stelsel, waaraan ieder moet meedoen, die onder de bestaande grondwet naar de heerschappij dingt, ik acht dit stelsel zoo in strijd met God's Woord en voor ons volksleven zoo gevaarlijk, dat ik het in de toepassing alleen dragelijk vindt, —en dit geldt voor mij, tot op zekere hoogte evengoed op kerkgenootschappeliik als op staatkundig terrein — zoolang er partijen blijven, en zoolang die partijen elkander xcederkeerig dwingen om binnen zekere perken van fatsoen en vrijgevigheid te blijven.

Reden te over om de „Commissie van Adviesquot; niet beslist tegen-tewerken.

Indien ik zeer openhartig moest zijn, zou ik u echter moeten zeggen, dat van alle groepen op staatkundig terrein, de uwe mij wel allerminst aantrekt.

Neen, dan heb ik, het nader aantewijzen beginsel van de Revolutie daargelaten, dat gij met hen gemeen hebt, veel meer op met liet staatkundig stelsel der Liberalen, ik sta hier geheel aan de zijde van de Beaufort, tegenover u en tegenover Kuyper, omdat en voor zoover de Beaufort, alle andere finesses daargelaten, de eenheid van ons volksleven vast houdt.

quot;V erwijder het Jozeflnisme, stel in de plaats van dat algemeen religieuze, dat kleurlooze christendom, boven de geloofsverdeeldheid der Liberalen, het echte, historische, schriftuurlijke christendom onzer belijdenis — en ik ben in mijne opvatting van de roeping der overheid op menig punt Liberaal.

2°. Wat mij noopt dit alles uit te spreken?

Telkens kwam het bij mij op gehoor te geven aan den raad van Thomas Carlyle, die in zijn leven van John Stirling zegt: ..Earnest men, abhorrent of hypocrisy, and speech that has no meaning, are admonished to silence at this sad time, and had better in such a Babel as we have got into for the present perambulate the streets with little or no speech 1)quot;.

b „Mannen die het leven ernstig opvatten, die gruwen van alle geveinsdheid. en van -woorden zonder zin, worden vermaand zich in dezen tijd voi jammer in diepe stilzwijgenheid te hullen, en in het Babel waartoe vrij vervuilen zijn de straten op en neer te wandelen, en zoo weinig mogelijk woorden te verspillenquot;.

O

ocr page 22

18

Maar, het mocht niet.

Zij, die mij in mindere mate hun vertrouwen hebben geschonken, zij, vooral, die mij met hunnen naam en hunnen invloed hebben gesteund, die, naar het licht, hen gegeven, in hoofdtrekken de beginselen zijn toegedaan, waaraan de Gereformeerde Kerk eene uitdrukking zocht te geven ; ook zij, die meenden, dat men zich over mij en mijn beginsel niet had te bekommeren;

zij allen hebben er recht op te weten, wat mij dringt, thans,, alles en allen los te laten, mijzelven onder de verdenking van onvastheid en wispelturigheid te brengen, — in de oogen van alle Nederlanders eene zware, van velen de eenige onvergefelijke zonde - en weder als een Einspanner mijns weegs te gaan, of een hermiet te worden.

Is de positie niet anders dan in 1887!

Lag het eerste nommer van een nieuw theologisch-letterkundig tijdschrift, met een voorwoord van mijne hand niet gereed, om binnen eenige dagen te verschijnen!

Waren er niet juist in de laatste weken, bijzonder moedgevende verschijnselen!

Op deze en dergelijke bedenkingen moet ik wel antwoorden. Ik moet dit ook doen, om geen aanleiding te geven tot verkeerde conclusies, als of ik, om iets te noemen, het niet langer eens zou zijn met de beginselen neergelegd in de statuten, om van andere nog meer hatelijke veronderstellingen te zwijgen.

Niets van dit alles.

Dezelfde reden, die mij noopt terug te trekken, dringt mij, ook

hiervan eene verklaring te geven.

Benevens hetgeen ik reeds hier en daar heb laten doorvloeien moet ik eens uitspreken, welk verschil er eigenlijk tusschen mij en de andere leden der Vereeniging bestaat, de besten, vrees ik,

niet uitgezonderd.

Het is een verschil, dat zeer diep ingrijpt; en dat toch niet kon worden gegrepen, omdat het vrij wel eene zaak des harten is.

Ik zal mijn best doen, het aan te duiden.

Groen van Prinsteren heeft eens gezegd: wij leven feitelijk

ocr page 23

19

in een godsdienstloozen staat. Maar in dien staat zijn christenen, en ik vraag voor hen dat en dat.

Welnu, ditzelve geldt ook van de Kerk, en gij moet mij veroorloven even te vergeten, dat gij niet Hervormd zijt.

Ik ben het hiermede tot op zekere hoogte zelfs eens.

Wij kunnen, dit erken ik, n.1. ten volle, op een gegeven oogenblik, de inrichting evenmin van de Kerk, als van den Staat veranderen, .... en zijn evenwel tot handelen geroepen.

Ik heb hier ook niets tegen en weet zóó goed hoe moeilijk dit is, dat ik mij, reeds om die reden wel zal wachten, een broeder te verdenken of te veroordeelen, die onder zulke omstandigheden iets doet, dat, op zijn standpunt niet geheel correct is, of, dat zelfs schadelijk kan werken. Ik pretendeer ook, niet altijd en in alles consequent te zijn.

Indien iemand mij, bijv. vraagt: hoe kunt gij op uw standpunt lid zijn van volksonderwijs, of een klein bedrag op een collecteboekje van eene Evangelisatie, aangesloten bij ,.den bondquot; invullen? zal ik liefst niet te diep in de kwestie ingaan en mij van de zaak afmaken met te zeggen: wij struikelen allen invelen!

Maar, indien ik nu eens op mijne beurt eene vraag mocht stellen, zou het deze zijn: Gelooft gij dat God Nederland weêr een christenland, Neerlands Overheid een christelijke overheid, Neeiiands Kerk eene welingerichte Kerk kan maken? Misschien, durft men op deze vraag geen ontkennend antwoord géven. Laat mij haar dus anders formuleeren: gelooft gij dat Hij, let wel! niet een mensch, naar een vastgesteld plan, maar Hij, op zijn eigen 'tijd, langs zijn eigen weg dit zal doen? Neen, ook deze vraag is nog niet geheel ter zake. Ik zal haar zóó stellen: wenscht gij dat Hij dit doe; zoudt gij het een zegen achten, indien Hij het deed; zijt gij overtuigd dat wij verloren zijn, indien Hij het niet doet?

Men wenscht dit, in het algemeen gesproken niet.

Men zou de affaire zoo gaarne op den ouden voet voortzetten, en men meent heusch het heel ver te brengen, buiten den weg, dien men zeiven in strijd acht met Gods Woord.

Het ongeloof is op dit punt zoo diep geworteld, dat men iemand die hier tegenover staat zelfs niet bestrijdt.

ocr page 24

En zelfs indien men op deze vraag eens een bevestigend antwoord gaf, zou ik tot mij zeiven moeten zeggen: deze mensch is bezig zichzelven te misleiden! Men denkt, spreekt en handelt anders, indien men zoo iets waarlijk gelooft.

Ik doe hieraan niet langer mede.

Zwijgen wil ik. God kan zijn werk anders en door anderen doen dan door mij, maar ik ben des antwoordens moede geworden. Laat mij nu niet spreken van de Confessioneele broeders, maar tot n; want het geldt hier een gemeenschappelijke schuld.

Indertijd hebt gij naar aanleiding van hetgeen „de Gereformeerde Kerkquot; had geschreven, ik meen in de Nederlander van 30 Jan. 11, uitgesproken, dat gij het tijdverlies zoudt achten stellingen te verkondigen, aan wier toepassing niemand meer gelooft.

Ik geloof er aan.

Duizenden stillen in den lande, die het voorbeeld van Carlyle volgen, gelooven er aan.

Gij moest er aan gelooven, zoolang gij den naam „Gereformeerdquot; hooghoudt en tot eene Kerk behoort, die op deze belijdenis heet

te zijn gebouwd.

Indien er twee wegen waren om te komen tot hetgeen allen begeeren: het algemeen welzijn, de ware vrijheid, den waarachtigen vrede, zou ik niet zoo durven spreken. Er is, echter, slechts één weg, en dat is de weg, in Gods woord en de belijdenis geteekend. Indien sii mij bewijst dat dit niet zoo is, zal ik dadelijk afstand doen van den naam „Gereformeerdquot;, zooals ik bij deze reeds doe, voor zoover hij gedragen wordt door hen, die niet leven uit hetgeen zij belijden.

Mag ik op eenige vruchten van uwe inconsequentie wijzen?

Welaan!

De spraakverwarring neemt toe.

De Kerken zijn tot partijen geworden en die partijen zijn gelijk locomotieven, die elkander op hunne eigen rails voorbij snorren.

Het christendom is eene aanfluiting, het imponeert niet meei.

Het talent regeert. Ieder buigt zich er voor.

Het geloof gaat onder.

In Griekenland zijn de sceptici de sophisten gevolgd!

ocr page 25

21

Een volk, dat meer en meer ziet, dat iedere stelling, hoe dwaas ook, aannemelijk kan worden gemaakt, indien men het slechts goed aanlegt, gelooft niet langer, dat God's Woord een lamp is voor den voet en een licht op het pad.

Indien ik, deze dingen uitsprekende, één mensch meer dan anderen of één groep bovenal te beschuldigen had, zou ik zwijg, u, maar de beschuldiging raakt lutt beginsel, het stelsel.

Onder de heerschappij van dit beginsel meent men, dat men God's eere bedoelt en de waarheid aan zijne zijde heeft. Dit spreekt van zelf. Maar juist daarom kan men, zonder deze hooge belangen te schaden, niet luisteren naar hen, die lijnrecht het tegenover gestelde bewerun. Zij verzwakken de positie. Zij loopen maar in den weg, zij trekken slechts medewerkers af.

Is dat niet de verklaring van de eigenaardige polemiek, die in de laatste jaren vooral, in zwang is gekomen?

Met eene partij, met een partijhoofd kan men nog handelen, maar met de waarheid tont seul, ganscheiijk niet.

Daarom bekommert men zich weinig om de belijdenis, en om de Heilige schrift ganscheiijk niet, ofschoon men beide met den mond roemt.

En daarom eer ik u, omdat gij, ten minste, den waarheidszin betoond en den moed gehad hebt in uwe artikelen over Art. 36 der belijdenis, dit artikel onder de oogen te zien, en daarvan eene uitlegging te geven, die u, misschien ook anderen bevredigt.

Of deze uitlegging de juiste is, het staat niet aan mij, aan u of aan de Commissie op het Convent van Middelburg aangewezen, maar alleen aan de wettig saamgestelde en op wettige wijze saamgekomen Synode van de Gereformeerde kerk, wel te onderscheiden van de Hervormde kerk, in hare tegenwoordige samenstelling gedacht1) hierover een oordeel te vellen.

') Do tegenstellingen xijn tegenwoordig door den vloek van)'et partijwezen zóó vervalscht, dat men straks zal moeten ophouden iets te quot;eggen en zich in ..diepe stilzwijgendheidquot; zal hebben to hullen.

Terwijl ik bijv. uwe waarheidsliefde recht Iaat wedervaren en u zelfs van harte dank, (al weer niet om mijnent-, maar om uwentwil) d't gij tenminste mijn „programquot; van drie jaren geleden, onder de oogen van uwe lezers hebt gebracht mag ik nier vergoten, dat dit todanken is aanG-od'sGenade,en niet

ocr page 26

3n. Het laatst gezegde brengt mij, evenwel, rechtstreeks tot het belang, dat mij de pen deed opnemen.

Sprak ik hierboven van „belandenquot;? Ik heb mij dan verkeerd uitgedrukt. Er is voor u en voor mij slechts één, d. i. een evenmin Hervormd als doleerend, een evenmin Kerkelijk als staatkundig, maar een zuiver Christelijk, Protestantsch, Nationaal, belang, het belang, dat Da Costa zingen deed:

„Zij zullen het niet hebben,

Het oude Nederland!quot;

Mag ik dat belang bij u bepleiten?

Maar, ik moet dan ingaan tegen de Kevolutie, de Proteus, de Kameleon 1) der Revolutie.

Ik moet dan tot de anti-revolutionairen zeggen; Gij moet ophouden de Revolutie te bestrijden, maar gij moet u van haar bekeeren; en tot de christelijk-Historischen: gij zijt in beginsel Roomsch. Ik moet dan ingaan tegen een psalmzingende en palmemvuivende menigte, die optrekt onder de banier „Onze hulpe is in den naam des Heerenlquot; en haar zeggen: Gij verraadt land en volk, gij verloochent uw Koning en onteerfc den naam van uw God, terwijl gij meent Hem te dienen! .... En ik moet dat doen, terwijl er heusch geen guillotine noodig is om m j af te maken, wetende, dat een tuoord dit kan doen, en het allerbeste dat mij kan overkomen zal wezen : te worden doodgezwegen.

Maar God heeft het mij doen zien en daarom moet ik het zeggen. Ten minste eens, wellicht voor het laatst. Ik kan het ten minste 'zeggen, zonder iemand te compromitteeren, want ook daartoe heb ik mij zeiven losgemaakt.

1

^Proteus we 5 de godheid, die men het vermogen toeschreef allerlei gedaanten aan te nemen. Kameleon is een hagedis waaraan men weleer het vermogen toeschreef van kleur te veranderen.

ocr page 27

23

Op den lston April 1.1. hield ik eene lezing in Excelsior over Rome en den Godsdienst, de laatste van een reeks over Rome en de Kunst, de Philantropie, de Zending, de Schrift en den Staat.

In de korte improvisatie waarmede ik besloot, sprak ik ook, terloops, over de Protestantsche beweging in ons volks-leven, hoe nood zakelijk en verklaarbaar zij was......en tevens, hoe ijdel, omdat

Rome de Tweede Earner niet meer noodig heeft; aangezien het van den Modernen Staat reeds alles verkreeg, wat het behoeft om vooruit te kunnen schuifelen; omdat de Staat haar dogma belijdt: christus heeft in de xvide eeuw Zijne Kerk niet gereformeerd ! Omdat het vrij mag leeren, dat Zijn stedehouder in Rome zit. Omdat met die belijdenis een Kerkbegrip gepaard gaat, dat joden en Roomschen en Gereformeerde christenen op één lijn stelt, en een schole der Wetenschap, waar geen plaats is voor het geloof als zoodanig, zelfs niet in de Theologie.

Toen noemde ik het Liberalisme, niet alleen van Thorbecke, maar ook van de Liberale Unie, Rome's bondgenoot.

Maar daarop zag ik mij in den geest verplaatst in het Paleis voor Volksvlijt, alwaar op dienzelfden avond aan Dr. Kuyper eene niet onverdiende hulde werd gebracht.

Ik sprak niet uit, wat ik dacht. Even daarna viel mijn oog evenwel op het feestnummer van de Standaard en op eene daarin voorkomende uitdrukking, waarin de hoofdredacteur zijn staatkundig beginsel met de hem eigen helderheid op deze wijze heeft geformuleerd: „Gelijk recht voor allen is in de verwarring- van ons Staatsleven de eisch, waarin alle richtingen elkaar ontmoeten kunnenquot;.

Al was ik niet opgegaan, met de schare die hem daar omstuwde, ik wist, evengoed alsof ik er geweest was, dat hij hiermede alles, wat ginds gesproken is, had herleid tot zijne meest eenvoudige en meest ware uitdrukking.

Ik ben bereid, de stelling dat DIT het beginsel, én van de Revolutie, én van Rome, én van alle tyrannie is, tegenover wien ook, te verdedigen.

Maar, er is eene andere vraag, die dichterbij op onzen weg ligt.

Deze.

ocr page 28

24

Hoe ia het mogelijk, dat Èeginsel onder psalmagezang, afgewisseld met applaus als Xeeiiands- verlosser, te huldigen?

Om dezelfde reden, waarom; de valsche Messias altijd wordt en zal worden toegejuicht.

Dat beginsel is in dienst van den godsdienst gesteld. In dit doel ligt het kort begrip van de hedendaagsche antirevolutionaire leer, en de grond van haar recht zich rtw^'-revolutionair te noemen, en her dundoek met het ,.Soli Deo gloriaquot; te laten wapperen. ')

En nu ligt voor mij juist in dit feit het afdoend beletsel om de bespreking verder voort te zetten.

Immers eene nadere toelichting van dit doel, zou ons dadelijk doen stuiten op het verschil, in de allereerste plaats, van kerkelijk standpunt.

Ik moet dit thans nog vermijden en zoek dus ook hiervoor ■ie uitdrukking in iets. dat die ..gelijk recht voor allen zoekende richtingenquot; met elkander gemeen hebben.

Mag ik daarom uwe aandacht vestigen op een program, dat, wellicht aan uwe aandacht ontsnapt is, maar dat ook als een model van helderheid en daarbij van openhartigheid kan worden beschêuwd.

Ik bedoel het volgende, dat dezer dagen in de nieuwsbladen werd vermeld.

„Een nieuwe partij. In een te Assen gehouden vergadering van ..kiesgerechtigde onderofficieren van het garnizoen aldaar (pl. nu ,.100) is in beginsel aangenomen, zich niet bij een der kiesver-..eenigingen of partijen aan te sluiten, doch den candidaar te „kiezen, door wien „de belangen der onderofficierenquot; het meest ..zullen worden behartigd.quot;

Het beginsel, dat men „recht voor allenquot; „pleegt te noemen, kan men derhalve, ook zóó vertolken : „macht .... en voordeel voor mij en de mijnen'

Die onderofficieren te Assen waren wezenlijk nog zoo dom niet.

Jammer, dat zij, die, zooals Dr. Kuyper, terecht, heeft opgemerkt, in dit ééne punt samentreffen, juist daarom in alle

„Gode alleen zij d' eer!quot;

ocr page 29

andere punten met elkander in botsing moeten geraken, eenvoudig omdat zij lateenloopende en tegenstrijdige belangen voorstaan!

De minister Van Houten schijnt hiervan iets te hebben gevoeld, toen hij op den 6den September 1896 in de Kamer verklaarde : „deze dag beeindigt de kieswetstrijd, maar opent de stembusstrijdquot;.

Wij beginnen hier reeds iets van te beleven.

Dit heeft zelfs uit hefc oogpunt waaruit ik de zaken beschouw een onmiskenbaar voordeel; iedere partij moet zijn wachtwoord doen hooren, ten einde zijne geestverwanten saamtebrengen.

Zeker. ALLE richtingen ontmoeten elkander in dit beginsel, dat heeft Dr, Xnyper naar waarheid gezegd. De ontmoeting is dan ook allerhartelijkst!

Prof. AV. P. L. A. Molengraaff roept in de Gids: Tegen clerical e aanmatiging worde één front gemaakt!quot;

quot;Wij weten dus hoe de Liberalen dit ..recht voor allenquot; opvatten, nl. als een uitstekend middel, om al wat liberaal is zóó te vereenigen, dat het clericalisnie gekeerd wordt.

Op hun standpunt kunnen wij hun hierin geen ongelijk geven en de mogelijkheid is zelfs niet uitgesloten, dat ook enkele Gereformeerden, zich tot een soort vreemdenlegioen, of. zoo als Dr. Kuyper het met groote scherpzinnigheid zou noemen ..een liberalistisch hulpcorpsquot; der Liberalen lieten vormen.

Indien het ooit zóóver mocht komen belooft Nederland dan ook voor de gezamenlijke „clericalenquot; een Eldorado te worden.

Wat de Koomschen betreft, zij hebben reeds van pret geschaterd, omdat de Protestanten verrast zijn, de veer zoo gaaf te vinden, die Rome in staat heeft gesteld zich, evenals de duivel in het bekende doosje, waarmede onze kinderen zich vermaken, zich in een enge ruimte te laten samendringen, en haar nu ook in staatstelt zich in hare voile lengte te vertoonen. Het dekseltje dat haar onder hield, heeft de Revolutie iets verder losgelaten.

En de Anti-Revolutionairen ? laat mij alleen mogen zeggen, dat zij het punt nog niet hebben bereikt, door den apostel Paulus in 1 Cor. 1 : 12 aangewezen, toen hij wenschte, dat de Corinthiërs „samengevoegd zouden zijn in éénen zin en in één gevoelenquot;.

ocr page 30

26

Voorzeker!.... indien de „kerkenquot; slechts wilden vergeten, dat zij tegenstrijdige belangen hebben, zou hier nog wel eenige kracht te ontplooien zijn. Maar, dan zouden zij alles en alles voorbijziende, evenals een recruut, in het gelid, de kin omhoog, alleen naar dat ééne punt moeten staren, door u en anderen zoo dikwerf gewezen — het gevaar, dat ons van de zijde dei-

radicalen bedreigt. - En zou Dr. Kuyper daaraan meedoen ?---

Maar, gesteld eens, dat men van deze zijde het doel had bereikt, dan zou de strijd aan de orde komen, — — _ omtrent de verdeeling der winst. Dit ééne zou men verkregen hebben, dat de

liberalen er onder raakten, —--- dat het duiveltje in het doosje

zich wat moest inbinden,---en dat met de meerderheid de

macht, en met de macht de heerschappij in uw geest en in uw belang werd uitgeoefend.

Ik doe hier niet aan mede.

De Kevolutie heeft het gezag verplaatst van G-od naar den mensch, van het kerkelijk naar het politiek terrein, van het zedelijk overwicht dat de waarheid op de conscientiën uitoefent, naar het stemmental. Het beginsel van „recht voor allenquot; koestert in zijn boezem de slang der onderdrukking, — en geeft zooals de prototype van den modelstaat, die iedere partij zich ten doel stelt, aan allen op één na, aanleiding om met Mr. Eoland te kjagen: „O vrijheid! vrijheid! wat al gruwelen worden er in uw naam bedreven!quot;

De dwang ligt niet alleen in het stelsel der liberalen, hij is ook niet eene eigenaardigheid van Dr. Kuyper, maar is onafscheidelijk van het doel, om anderen en allen de zegeningen deelachtig te maken, die men zelf zoekt te bereiken.

Dit zijn echter, zoo gij wilt, bijzaken. Met tact en talent is er wel eenig schijnsucces te behalen, en kan men, indien men niet te openhartig is, anderen wei eens een voordeeltje afhandig maken. Rome is zelfs dankbaar voor eene plaats op eene Secretarie.

Maar in dat beginsel zoowel als in dit doel liggen de verloochening van de belijdenis: ik geloof eene heilige, algemeene christelijke Kerk. Met die verloochening is tevens gegeven de verbreking van alle eenheid op kerkelijk en staatkundig terrein,

\

ocr page 31

de Synodale orgardsatie van 1816, de afscheiding van 1S34, de-Doleantie van 1886, het anfci-semitisme en het anti-papisme hielen elders, de scheur tusschen Kuyper en Lehman, en het voorstel van het recht op de minderheden met nieuwe verwarring, nieuwe scheuring en nieuwe verbreking van familie- en broeder- en vriendenbanden in het verschiet.

En het kon zoo anders. De weg tot de verlossing is zóó eenvoudig. Terugkeer tot God en zijn Woord!

Hoe gemakkelijk.

Zoo gemakkelijk als het geloof.

Hiertoe is niets noodig dan het opgeven van eigen inzicht.

Maar, wat er toe noodig is, geen rnensch kan het beioerlcen, mijn woord allerminst; en niemand kan het zichzelven geven, want niemand haalt vrij willig een streep door zij n verleden; ik heb dit ook niet gedaan, God i.s mij te machtig geworden. En niemand gaat in eigen kracht dien dood in, waarin het leven te vinden is.

Het beginsel van de Revolutie is: recht voor allen, niet door de handhaving van Gods recht, maar door de handhaving van de dwaling en van het ongeloof: Elck wat wils! Zoolang de kerk en in die kerk de belijdenis, en in die belijdenis de Heilige Schrift, en in die Schrift de Christus Gods daar stond, ongewapend, zonder dwangmiddelen, zonder de macht en zonder wensch

— ik spreek van die kerk in haren meest gezuiverden vorm — om te regeeren, of eenig voordeel voor zichzelve of voor hare leden te bejagen, met het recht om die waarheid niet alleen op haar eigen terrein te belijden, maar ook te brengen tot vorst en volk met gezag, wel te verstaan, het gezag der waarheid, kon de Revolutie niet opkomen.

Die Kerk moest eerst worden verloochend en toen worden teruggebracht . . . maar ontmand, maar geboeid aan een mensche-lijken regel, die nooit zou kunnen worden toegepast; Art. XI Alg. Regl. de leer der Kerk — maar zonder het beroep op GodsWoord.

De Kerk was er wel, maar, voor een deel onzichtbaar geworden

— een genootschap.

— Hoevele genootschappen belieft u te hebben? Er kunnen

ocr page 32

28

een onbepaald aantal van die inrichtingen bestaan. Men kan ze ook „Kerkelijke kassenquot; noemen ....

O! schande over ons Christen volk, dat eerst zonder protest deze tyrannie van den Staat heeft geduld, en toen dien smaad, die machteloosheid, die vernedering, die wilde vermenging, dat alles wat hiermede over haar kwam of in haar bestendigd werd. tot eenen grond heeft gemaakt om haar te verlaten.

quot;W ij zullen zuchten onder de tyrannie van den Modernen Staat, zoolang de belijders der waarheid het beginsel niet vek-loochexex, waarin alle richtingen, al zijn zij nog zoo tegen Gods Wooixl, elkander ontmoeten.

De Anti-revolutionaire richting aanvaardt, dat beginsel. Zij heeft zelf geene notie van liet onschriftuurlijke, hierin gelegen.

Z/j duldt dat de Kerk, die Christus gesticht heeft en waarvan Christus het Hoofd is, op ééne lijn wordt gesteld met het Jodendom.

iSeen, in stee van liet besef, dat HIER de wortel ligt van de ellende in Kerk en Staat beide, komen de scheiding en de doleantie, ieder op eene andere wijze, om het werk der Revolutie te voltooien. Zij bestrijden quasi eene Staatskerk. Maar het beginsel waarop zij zich beroepen en waarmede zij werkt, stelt Rome in staat met haab beginsel te opereeren. Onze vaderen hebben tot haar gezegd: omdat gij onder een Hoofd staat, dat zich de heerschappij aanmatigt over de wereld, dat bij machte is ieder vrij te spreken van de verplichting, die op den Staatsburger rust, omdat gij een stelsel belijdt, dat consciëntiedwang en erger tot een kenmerkend leerstuk heeft, mogen xcij n niet de vrije hand laten. Maar zij, die onder hunne zonen nog het meest anti-papistisch zijn, komen niet met dit eenig afdoend waarlijk christelijk beginsel voor den dag. Xeen, zij gebruiken dit anti-papisme om stemme», ie tvinnen en mannen in de Tweede Kamer te brengen, die wanneer zij daar zijn nog niets, kunnen uitvoeren, aangezien het stelsel der Revolutie hun dit belet.

Alsof Rome zich om ons verdeeld Protestantisme had te bekommeren!

Alsof de winst, die Rome bejaagt, thans voornamelijk door de wetgeving komt!

ocr page 33

29

Alsof Rome niet vooruit schoof met iedere post, die zij bezet, met allen invloed dien zij wint?

Dat de Staat op dit revolutie-beginsel gebouwd, machteloos is tegen Rome, hebben de nieuwe Bisdommen in de dagen van Thorbecke, hebben ook de Meiwetten in Duitschland bewezen!

Een Gereformeerd mensch is in dien zin evenmin anti-papis-tisch als hij anti-joodsch is.

Dit is het treurspel, dat we zien afspelen in den Staat.

Het wordt ook opgevoerd in de Kerk.

Gods weg om die Kerk zuiver te houden of te zuiveren is zoo eenvoudig, en ligt zoo voor de hand!

Het is de weg van de tucht, uitgeoefend eerst door en over de de opzieners van eenzelfde gemeente, dan indien het noodig is en tot bescherming van de vrijheid der individuen wordt gevraagd, door de opzieners der genabuurde kerken, en straks in steeds ruimeren kring, tot dat de meening, die men uitspreekt ..op de maniere van Dordtquot;, is getoetst en onderzocht; ja zelfs, krachtens de eenheid van heel de Kerk ook in andere landen, waar het gewicht van de zaak dit meebrengt, op een internationale samenkomst.

Daar hebt gij de waarborg voor de meest volledige vrijheid, die onder menschen denkbaar is. De vrijheid van een groep om zich aan de Kerk op te dringen, of om andere groepen naar eigen meening te eeren en te weren, mag ex kan op hen deuk

niet bestaan..

En toch zal het eerst gezegde, zoo God het niet verhoedt, in de Hervormde Kerk worden vertoond. De minderheden wenschen de partijorganisatie te brengen in en op te dringen aan de Kerk.

Het andere is in de Vrije Universiteit en ook in de Doleantie tot openbaring gekomen.

( Geen recht voor allen, slechts voor de enkele, voor de bovendrijvende richting, dat is de toepassing van het beginsel, dat de Kerk van haar karakter berooft, en hiervoor do partijschap in de plaats stelt.

Van het oogenblik af waarop ik dit zag, heb ik u en Dr. Kuyper in mijn hart vrijgesproken. Gij hebt de waarheid niet aan het

ocr page 34

80

woord laten komen, maar dat waart gij niet, dat is het stelsel dat ons volk ten gronde richt, dat ook u later uit de Universiteit heeft verdrongen, dat medestanders in tegenstanders verandert, en ons volk ten gronde richt.

Ook ik ben tegen beter weten in, op dien weg meegegaan.

Het ideaal was zoo schoon, zoo grootsch .... heel het volk te dienen door middel van de wetenschap die op den wortel stoelde der Heil. Schrift!

Terwijl ik het beginsel der Revolutie bestrijd, weet ik zeer goed, dat het Gereformeerd beginsel nooit een zuivere uitdrukking in een eigen staatsrecht en in eene juiste grensbepaling tusschen den werkkring van den Staat en dien van de kerk heeft gevonden. De klachten van onze Godgeleerden bewijzen het. De Remon-strantsche en Ceasaropapistische geest der magistraten heeft het niet geduld.

De Juridische Faculteit van de Vrije Universiteit, zoo hoopte ik, zou studie maken van de beginselen, en van de geschiedenis! Dat ideaal loas ook schoon, en de zaak zelve niet verkeerd.

Het verkeerde, het zondige lag alleen hierin, dat mer... om daartoe te komen, de Kerk voorbijliep, en haar nood voorbijzag.

De Reformatie van kerk en volk zou verkregen worden niet door de tucht-, en om tot die tucht te komen, niet door de verwijdering van hetgeen in de tegenwoordige, genootschappelijke inrichting verkeerd is, en tot die verwijdering niet door de bestrijding der Revolutie in haar beginsel. Die weg was te omslachtig! Neen! De candidaten van de Vrije Universiteit zouden het doen. Eene enkele formule „de drie formulieren enz. op de maniere van Dordtquot; .... en men was kant en klaar.

Gij weet wat er van geworden is, en vermoedt, wat er van worden zal.

Ik eindig. God heeft mij geroepen in het midden der gemeente zijn Woord te bedienen.

Dit te doen is mijn lust en mijn leven, dit te doen met alles wat verder tot die bediening behoort:

Hij had mij in dit werk in ruime mate en boven verdienste gezegend.

ocr page 35

31

En ik heb den weg, waarop Hij mij had gebracht, eigenmachtig verlaten.

Het lag niet aan de Vrije Universiteit als zoodanig, het lag

aan de meening, dat men kon nalaten te zoeken..... neen zelfs

te hegeeren, dat de Kerk weder zichzelve zou zijn, het lag aan de meening dat men nu een surrogaat had voor de tucht, d. i. van den plicht dien God voor de voeten had gelegd.

Ik zie het nu.

Ik heb het weer ondervonden in de Confessioneele Yereeniging.

Hoe ik tot haar kwam, het doet er nu niet toe.

Ik had geleerd. Er stond, nog juister geformuleerd, eene belijdenis in de statuten op papier. Zij was èn voor de-abnormale toestanden van het oogenblik berekend, en gaf tevens het ideaal te zien, waarop men moest aanwerken. Uit die belijdenis was zelfs het staatkundig beginsel getrokken, dat de Kevolutie naar de hart ader stak.

Evenmin als in den kring van de Vrije Universiteit waren, wel is waar, alle leden van het zuivere beginsel doordrongen. Niet allen hadden het doorgedacht. Het was bij allen nog geen vleesch

en bloed geworden. Maar,.....er zou studie van de beginselen

worden gemaakt, ieder verschil zou nauwkeurg in de afdeelingen, op predikantenconferenties en door geschriften worden overwogen.....

Ja wel! Zoodanige Vereeniging kan in den abnormalen toestand, waarin de Kerk verkeert, geen kracht uitoefenen, geen eenheid vormen, of zij moet een partij in haar midden aan het woord laten komen.

Dat ligt niet aan de beginselen van cle Vereeniging, zij heeft eenvoudig de waarheid in hare statuten uitgesproken.

Met die waarheid blijf ik het eens.

Het ligt aan de verwachting om langs dezen weg te bewerken, dat de oogen open gingen voor de ware oorzaak van de ellende, waarin wij verkeeren, en voor het middel tot herstel.

De oorzaak mag ik hier aanwijzen.

Het middel tot herstel weet God.

Ik kan alleen zeggen dat het in diepe verootmoediging is te zoeken, en dat die verootmoediging bij de belijders der waarheid moet beginnen!

ocr page 36

Indien het mij gelukt is u te doen zien, dat mijn uittreden uit de Confessioneele Yereeniging niet eene op zich zelf staande handeling, maar veeleer de consequentie is waartoe het inzicht, dat ik jaren en jaren geleden had, mij reeds in 1887 had moeten brengen, is het doel van dit schrijven bereikt.

Ik heb niet geschreven, in de hoop u of iemand tot bekeering te brengen. Men kan, eene waarheid eenvoudig alleen opnemen, voor zoover zij in het stelsel past; dat men zich onder allerlei invloeden heeft gevormd, dat samenhangt met de persoonlijkheid en de levenservaring en met allerlei vezelen verbonden is aan het verleden, ook van ons geslacht.

Hot is God's werk u of mij, of wie ook, hiertoe te brengen.

Maar, ik heb geschreven in de vaste overtuiging, dat het mij gegeven was, het punt aan te wijzen waar kerkelijke en staatkundige dwalingen en verschillen samentreffen.

De bescheidenheid verbiedt mij over uw kerkelijk standpunt te spreken. Maar, dit mag ik, immers wel zeggen, dat zelfs de Gereformeerden in de Hervormde Kerk, behept zijn met hetgeen ik de fout en de zonde van de doleantie, acht.

Laat mij, ten minste de overtuiging uitspieken, dat God ze, eerlang, evenals in 1886, op het keerpunt der wegen zal plaatsen, ze evenals in 1887 voor de keuze zal stellen: of zij zichzelven

een brevet van getrouwheid willen uitreiken.....en zich dan

aan de oordeelen Gods zullen zoeken te onttrekken, dan wel, of zij zullen inzien, dat de schuld van de bestaande verwarring, in de eerste plaats, bij henzelven is te zoeken.

Die overtuiging rust o. m. op dezen grond.

Zoolang er in de Hervormde Kerk een recht der meerderheid is, zoolang men daar ten minste in dat recht zijne sterkte zoekt, bestaat er ongetwijfeld ook een recht der minderheden. Het vindt een bondgenoot niet alleen in de Synode, maar ook in het eigenbelang van al wat in de Kerk onderdrukt is, en zal evenals in 1886, straks eene steun vinden in de openbare meening van ons vrijheidlievend en vervolging hatend volk.

Er is een weg van ontkoming. Slechts één.

Indien men iedere indeeling naar partijen kan laten varen

ocr page 37

88

indien men zich oji een ..zuiver Gereformeerd kerkelijk standpunt kan plaatsen, indien men bereid is eenvoudig van deze waarheid uit te gaan: AVij zijn het onderling niet eens omtrent de belijdenis, zelfs niet ten aanzien van de Schrift, wij zijn in één woord hopeloos verdeeld, „Avij keeren ons een iegelijk naar zijnen wegquot;, sommiger' zijn zeer var afgeweken, en er zijn schijnbaar geringe afwijkingen, die rampzalige gevolgen hebben, wij moeten niemand zoeken te verdringen of te verdrijven, maar eenvoudig terug gaan naar het begin van den weg, waarvan het einde zal zijn; de belijdende kerk, die, als uitdrukking van hare eenheid, hare belijdenis heeft, maar die belijdenis onderzocht, gehandhaafd, vernieuwd, ja dan, en dan

alleen is er hoop voor nederland.

In de gevangenpoort te 's-Gravenhage toont men den bezoeker, een plank met twee gaten op zoodanigen afstand van elkander aangebracht dat de twee kijvende vrouwen, om wier halzen de plank zich sloot, en wier hoofden boven die gaten uitstaken elkander geen kwaad konden doen, hoe lang het haar ook behaagde elkander uit te schelden. Het eigenaardige van deze inrichting bestond, evenwel hierin, dat het voedsel haar tot levensonderhoud verstrekt, op deze plank zóó was geplaatst, dat het buiten beider bereik was, maar dat zij het elkander konden toedienen.

Het komt mij voor, dat wij hier het beeld hebben van den toestand waarin wij verkeeren.

Zoolang wij als Kerken, partijen en richtingen tegenover elkander staan, — geen hoop!

Hoop alleen, wanneer wij beginnen elkanders recht en welzijn te zoeken.

Hooggeachte Heer en Broeder,

Uw Div. Broeder in xto.

Pu. J. HOEDEMAKER.

Amsterdam, 10 April 1897. ,

'6

ocr page 38

34

P. S. Op voorloopige medeJpling aau hot hoofdbestuur dat en wuafom ik ophield tot de vereeniging te behooren, ontving ik het volgend antwoord:

Amsterdam, 10 April 1897.

Den WelEeno. ZeerGel. Heer

Dr. Ph. J. HOEDEMAKER,

Alhier.

WelEenv. ZeerGel. Heer.

Het Hoofdbestuur der Confessioneele heeft mij opgedragen U de ontvangst te berichten, van uwe geachte letteren dd. 7 dezer, van welker inhoud gezegd Hoofdbestuur goede nota nam, en U tevens mede te doelen, dat de Algemeene Thesaurier, ds. H. Malcomesius, U de, nog bij ZWelEcrw. in depót zijnde ƒ 100.— voor de evangelisatie Blijham zal terugzenden.

Ik heb de eer met de meeste hoogachting en heil-biddend te verblijven,

Uw il'w.

J. C. HEESTERMAN.

Secretaris van 't Hoofdbestuur dei' Confessioneele Vereeniging.

Hiermede vervalt voor mij de noodzakelijkheid, om het broederlijk schrijven aan het Hoofdbestuur openbaar te maken, dat ik reeds in gereedheid had.

Ik had, echter ook geschreven aan het meermalen genoemd Comité, vooral ook om te wijzen op de beteekenis van het tijdschrift dat eerstdaagsch stond te verschijnen, te doen uitkomen hoe noodig het was, dat die verschijning, vooral thans in verband met mijn genomen besluit niet werd vertraagd, den vorm aan te geven waarin mijn voorwoord kon worden opgenomen, en mij tot krachtige medewerking bereid verklaard, enz.

Een antwoord van het Comité, tegelijkertijd met dat van het

ocr page 39

Hoofdbestuur ontvangen, bevat een verzoek, dat de vrees verraadt alsof ik nu den gedragslijn zou verlaten, die, ik steeds heb gevolgd, om mij in de oogen van bet publiek solidair te stellen met hen tot wien ik werd gerekend, en mijzelven rekende te behooren.

Die vrees is, inderdaad, in hen, die mij niet genoeg blijken te kennen, zeer verklaarbaar.

Men heeft, blijkbaar, gedacht aan een schrijven zooals dat van October 1886 aan het comité gericht, om te vragen: zijn wij het wel eens? Mogen wij elkander wel in den weg staan? Voor dat schrijven bestond eenige aanleiding in het feit dat twee leden van het comité zonder hunne medeleden hierin te kennen, een eigen blad gingen uitgeven dat naast „de Gereformeerde kerkquot; zou staan, gevoegd bij het feit, dat een ander lid van het Comité zijn ontslag als zoodanig had genomen, omdat de Geref. Kerk had durven zeggen, dat het Kerkelijk Congres niet Kerkelijk was, noch in reglementairen noch in confessioneelen zin.

Indien de broeders mij gekend hadden zouden zij geweten hebben, dat dit juist mijne groote zonde is geweest medestanders in het verborgen scherp te critiseeren, maar in het openbaar voor zoover ik meende het te mogen doen, de hand boven het hoofd te houden. Dwaas, die ik, destijds, was!

Ik stelde ken hierdoor slechts in de gelegenheid het publick in overeenstemming met dien dooi- mij gegeven indruk te bewerken, en, toen ik deze dingen moede uitriep „indien gij dit niet staakt, dan dwingt gij mij over private bescheiden te beschikken!quot; mij op de kaak te stellen als iemand, die verraad aan de vriendschap had gepleegd!

De broeders hadden hun verzoek moeken terughouden, want wat ik, vroeger gedaan heb moet ik blijven doen. Daarom ben ik liever niet solidair met anderen, maar mijzelven.

Men veroorlove mij alleen schuld te bekennen, dat ik niet vroeger gedaan heb, wat ik nu doe.

Omdat ik in den kerkeraad tegenover de partij van actie zou hebben gestaan, weigerde ik candidaat te zijn, voor he* ouderlingschap, — maar liet ik toe, dat men mij kerkmeester maakte.

ocr page 40

36

Toen Dr. Kuyper zich als ouderling had laten benoemen, wilde ik niet langer kerkmeester zijn, maar heb tevens allo burengerucht vermeden, door mij met der woon naar Breukelen te hegeven. Toen uwe „wedervraagquot; mij noopte uit private correspondentie en aanteekeningen uit de notulen van vergaderingen het noodige tot zelfverdediging bij te brengen, liet ik de brochure „Ter wille van de waarheidquot; die reeds geannonceerd en de bijlagen uitgenomen, afgedrukt was, achterwege, omdat zij mij voorkwam in strijd te zijn met broedertrouw en christenplicht.

Toen het voorloopig Provinciaal Comité der Confess. Ver. in Groningen, door den plotselingen dood van een lid en het vertrok der andere leden, van het bestuur uit elkander was gerukt, vervulde ik, evenwel, mijne belofte in do vergadering van dat comité gedaan, om jaarlijks /100 bijeen te brengen tot dat liet renteloos voorschot waarmede het Evangelisatiegebouw te Blijham werd opgericht, geheel zou zijn afbetaald.

Toen het mij noodig bleek, dat het gebouw te Blijham op naam van de Vereeniging zou staan, deed ik het voorstel aan het bestuur het renteloos voorschot vour zoover het nog niet was afbetaald, persoonlijk over te nemen.

AItemaal verkeerde handelingen, waarvoor ik zwaar heb geboet. Maar nu hoop ik mijn leven ook te beteren.

liet schrijven aan het Comité blijft achterwege. Üe inzameling voor de Evangeliesatle te Blijham wordt, tegelijkertijd door mij gestaakt. O En hiermede blijf ik,

Uw Dw. Broeder :

Ph. j. hoedemaker.

1i Ik gevoel niot alleen geen roeping Evangelisatie te drijven op eigen handj maar ben ook in beginsel togen de Evangelisatie, die niet door predikanten maar door oon vaste Evangelist wordt bediend.

ocr page 41

Q/can

het Bestuur der Gonfessioneele Vereeniging,

Afdeeling te Amsterdam.

''yv/r/r(£/jïorr/r

De mededeeling, dat ik heb opgehouden lid van de Gonfessioneele Vereeniging te zijn, en, bijgevolg niet langer de voorzitter kan wezen van hare Amsterdamsche Afdeeling, zal bij n niet alleen bevreemding wekken, maar ook eene vraag doen opkomen, waarop gij licht een onjuist antwoord zoudt kunnen geven.

Ik ben u dus eene verklaring schuldig van hetgeen mij tot dezen stap heeft geleid.

Te meer omdat ik zeer goed weet, dat mijn uittreden vele leden dor vereeniging en voorstanders van hare beginselen moet ontmoedigen of ontstemmen, en hare tegenstanders, voorzoover zij iets hiervan te weten komen, eenig leedvermaak zal verschaffen.

Ik ten minste heb aangenomen dat dit, al wordt het door mij anders bedoeld, de natuurlijke uitwerking van mijne handeling zou zijn, en ben zoo hierdoor als door mijne vrees voor burengerucht, geruimen tijd teruggehouden van hetgeen ik lang geler.ii had moeten en ook willen doen.

Zij, die onder u lezers van de Gereformeerde ^TtrA'zijn, kunnen weten, dat ik reeds meer dan twee jaren geleden, toen Ds. Felix ophield zijne belangrijke brieven voor dit blad te leveren, vrij duidelijk heb uitgesproken, dat ik nu den tijd gekomen achtte om ook mijnen arbeid te staken.

ocr page 42

88

Deze kennisgeving was toen zeer ernstig gemeend en stond in verband met de aanleiding tot en het doel van mijne buiten-ambtelijke werkzaamheid. Andere broeders waren overtuigd, en ten deele, meende ook ik, duidelijk te zien, dat ik bij de oprichting van de Vrije Universiteit mijn ambt, en bij de uitgave van de Gereformeerde Kerk mijne pen in dienst moest stellen van de beginselen, die ik voorstond. Hoe noode ik dit deed, weet mijne naaste omgeving.

Maar, ik zou, waarschijnlijk noch het een noch het ander hebben gedaan, indien ik, bij wijze van voorbehoud, als laatste termijn van medewerking niet gesteld had, in het eerstgenoemde geval, de mogelijkheid om een plaatsvervanger te vinden, in het tweede het wegvallen van mijne mederedacteurs.

Laat mij u nu alleen mogen zeggen, dat de geheels geschiedenis van mijne verhouding tot de Confessioneele vereeniging en „de Gereformeerde Kerkquot; in de laatste jaren ééne doorloopende poging is geweest mij zeiven terug te trekken zonder éclat te maken.

Het is mij, evenwel, gegaan, zooals het ieder zondaar gaat, die op eene goedkoope manier van zijne verkeerdheden wil afkomen. Ik heb mij zeiven steeds dieper in mijne ellende ingewerkt en moet nu toch den prijs betalen, die mij eerst voorkwam te hoog te zijn.

Er is niets anders op.

Moet ik, voor de tweede maal, vroegere medestanders tot tegenstanders maken, — liefst deed ik het niet, maar ik heb bet er voor over1), — ongaarne zou ik evenwel zien, dat de goede zaak op eenigerlei wijze hier door werd geschaad. Dit laat ik evenwel God over, en heb mij alleen uit te spreken zoo als ik bij deze doe,

Gij vraagt of ik, en in welk opzicht ik dan van gevoelen ben veranderd?

In geen enkel opzicht.

Of ik het dan soms niet met de leden van het hoofdbestuur kon vinden?

1

) Door den dood lot het leven. Intee-rede naar aanleiding van Joh. 12:25, uitgesproken 12 Maart 1890 in dó' Nieuwe Kerk te Amsterdam door Dr. Ph. J. Hoedemaker.

ocr page 43

8!)

Met de leden van het comité tot verspreiding van de beginselen der Confessioneele Vereen, kon ik het zeker vinden. En, ik stel er prijs op zeer duidelijk uit te spreken, dat ofschoon du sympathie voor de Gereformeerde Kerk en haar hoofdredacteur, uit den aard der zaak in omgekeerde reden moet zijn geweest tot de sympathie voor hen die hunne staatkundige belijdenis in „Ons Programquot; vinden, en ofschoon hierdoor, uit den aard der zaak ieders doen en laten eonigermate moet worden bepaald, de wederzijdsche toegevendheid in de Confessioneele Vereeniging zoo groot was, dat het nooit tot een conflict is gekomen.

Ik ben het tijdperk waarin men zegt: indien men niet opgescheept ware geweest met Evangelist A, of indien broeder B wat meer activiteit had betoond, of indien Dominé C niet juist een beroep had gekregen, of indien correspondent D niet zoo traag was geweest in het antwoorden, enz enz. zou alles anders zijn gegaan, reeds lang voorbij.

Het is mij al lang duidelijk geweest, dat. de Heere God niet medewrocht. Dat is in allerlei te zien geweest.

Mijn heengaan is evengoed eene verlossing voor de broeders van de Confess. Vereen, als voor mij. Indien men zegt, dat zij te weinig geestdrift hadden, mag men niet vergeten dat dit uit het geheel van den kerkelijken toestand kan worden verklaard.

Waarom het mij dan te doen is? In één woord gezegd, om waarheid.

In mijzelven, in u, in de Vereeniging.

In mijzelven.

Ik behoor, inderdaad, niet tot de groep mannen, die in onderscheiding van andere groepen in de Kerk als „Gereformeerdenquot; worden aangediend, nl. niet tot die groep als zoodanig.

Ik ben het met hart en ziel eens met de belijdenis en tracht uit God's Woord en naar die belijdenis te handelen.

Ik wensch met God's Volk te leven en te sterven, en heb niet noodig mijzelven één oogenblik te bedenken, wanneer men mij vraagt: Hier hebt gij den beschaafden, methodistischen, onbe-lijnden, met den tijd meègaanden Christen, en daar naast staat een bokrompen, onhebbelijk, ouderwetsch, met vele vooroordeelen bezet.

ocr page 44

40

maar toch innig vroom man, de type van oen afgescheidene uit ile dagen van 1834; tot wien van dezo beiden gaat uw hart uit? Er is eon spreekwoord: het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en ik behoor ongetwijfeld bij den man, die het verdacht vindt, dat ik de waarheid, waarom het ons beiden to doen is, anders uitdruk, als hij dit van zijn jeugd af gewend is geweest.

Maar, ik behoor zeer zeker niet bij hen, die zich in een ong kringetje opsluiten, die zich, om „de verbreking van Jozefquot; niet bekommeren, die onder den invloed van de beginselen der doleantie staan. En ik wensch ook niet langer tot hen gerekend te worden.

Ik ben eenvoudig oen rnenscJi. die de belijdenis zal blijven beamen, zoolang hij niet overtuigd is, dat zij op dit of dat punt afwijkt van het Woord, waaraan hij zich gebonden gevoelt;

een christen, dio zich éón weet met allen, die uit on naar de waarheid leven, ja voorzoover zij dit doen, ook mot bon, die „den God der vaderen zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des Heiligdomsquot; 2 Cron. 30 : 18, 19;

een Hervormde, die in den abnormalen toestand waarin do kerk verkeert, niet de allergeringste aanleiding vindt om haar te verlaten, veeleer het tegenovergestelde, maar, die geleerd heeft, dat er groote Sectarissen zijn binnen die Kerk en onder allo partijen, en dat er ook broeders zijn buiten die Kork, wier beginsel consequent toegepast hen tot ons zou brengen, maar die door een indertijd genomen verkeerd besluit of door aan weerszijden bestaande eenzijdigheden, gebreken en zonden van ons gescheiden zijn;

en een predikant, die meer dan ooit zijne roeping gevoelt, waarlijk te zijn wat God hem gemaakt hooft, en in deze roeping, in hot midden dezer gemeente, getrouw wenscht te worden bevonden.

2°. Waarheid in de afdeeling.

Tot de Confessionoele Vereeniging trad ik too oenig en alleen, omdat ik hoopte, dat de belijders der waarheid in dezen kring tot het onderzoek van de Schrift, van de belijdenis en do geschiedenis zouden komen; omdat ik begreep, dat het broodnoodig was de oorzaken to loeren kennen, waaruit de afscheiding, de

ocr page 45

il

doleantie en het conflict waren voortgekomen, helder in te zien waarin dit alles den toets van het woord niet kon doorstaan, en de Gereformeerde beginselen vast te stellen die in de kerk, den .staat, de maatschappij en het huisgezin moesten worden toegepast

Onder dit hoofd valt zeer zeker ook het onderzoek van de Ned. geloofsbelijd. en van de vijf artikelen tegen de Remonstranten.

Ik heb de leden van de afdeeling dan ook te danken voor de belangstelling, waarmede zij mij hebben aangehoord, zoo dikwerf ik onder hen optrad, om eene uitlegging van een'of ander dezer artikelen te geven.

Maar, ik heb al te duidelijk gevoeld, dat de besprekingen, die hierhoiten lagen en de Vereeniging zelve of de Kerkelijke zaken betroffen, voor velen een vervelend aanhangsel waren, dat zij zich noode lieten welgevallen.

Zij waren de onsmakelijke schil, die men op den koop toenam, en zoo spoedig mogelijk wegwierp.

Ik had evengoed eene lidmatencatechisatie of eene serie lezingen kunnen houden.

Onder mijne ambtgenooten waren er, die met groote trouw, ter vergadering plachten te komen, en wanneer ik liet doorschemeren, dat het mij verlegen maakte het woord zoo alleen te hebben, hun best deden mij te doen vergeten, dat dit eene valsche positie was.

Dit is hun echter niet gelukt.

Ik had altijd het gevoel van een winkelier, die door een gezeten en goedhartig burger, zijn buurman, terzijde wordt gestaan, om dat deze zoo vriendelijk is, aan het verzoek te voldoen toezicht op de affaire te helpen houden.

Dat gaat op den duur niet.

Laat ons de zaak omkeeren.

Wil men de afdeeling van de Confessioneele Vereeniging hebben niet als mijne private liefhebberij, maar als iets dat van de leden uitgaat, en door hunne voorgangers geheel wordt bestuurd, men kan altijd op mij rekenen, om misschien veel beter en veel trouwer dan tot nu toe het geval was, als dienaar, gast, genoodigde, of

b Dit denkbeeld is uitvoerig toegelicht in de roeping der G-ereformeerden in de Hervormde Kerk. Dr. Ph. J. Hoedemaker, Amsterdam, J. H. Kruyt.

ocr page 46

42

hoe men het noemen wil, te behandelen wat men van mij verlangt.

3°. Waarheid in de Vereeniging en in de Kerk.

Voor de uiteenzetting van hetgeen onder dit hoofd te huis behoort, moet ik u verwijzen naar mijnen brief aan Jhr. Mr. de Savornin Lohman.

Iets wil ik hier evenwel aan toevoegen.

De broeders weten, en anders hooren zij het nu, dat ik sedert dertig jaren, bij toeneming zoowel in kerkelijke aangelegenheden a!s in de staatkunde, een geheel ander inzicht heb gehad clan andere zich evenals ik. Gereformeerd achtende en noemende broeders.

Ik ben namelijk van oordeel, dat de oorzaak van onze ellende even duidelijk is aan te wijzen als het middel tot herstel, en dat de groote fout van die broeders hierin is gelegen, dat zij met hehovd van hetgeen met het woord God's in strijd is, herstel of eefoematie zochten en nog zoeken op eenen weg, die daartoe nooit kan leiden.

quot;Wenschen zij eene nadere verklaring van hetgeen ik hier uitspreek, zij hebben mij eenvoudig rekenschap van deze mijne overtuiging te vragen.

quot;Wat ik hen zal zeggen is evenwel, met allerlei meeningen in strijd, die in hunnen kring nog altijd gangbaar zijn. De wederzijdsche verhouding tusschen mij en hen is dus vrij wel dezelfde als vóór 1886. Het onderscheid tusschen het toen en het nu ligt in het feit, dat de Gereformeerden toen de macht in handen hadden en nu in de minderheid zijn.

Maar sedert 1886 heb ik een en ander door bittere ervaüng geleerd.

Deze valsche positie mag ik mij niet langer ter wille van de goede zaak getroosten. Het is een martelaarschap dat niemand eischt, niemand waardeert en niemand eenig goed doet, terwijl het niet alleen mij zeiven en mijn ambt, maar ook de waarheid schaadt.

Ik zou hier in bijzonderheden moeten treden en wenschtedit te vermijden.

Bij wijze van voorbeeld het volgende.

Een uwer kwam tot mij om advies. Wat te doen, indien hij

ocr page 47

43

eens als ouderling zitting moest nemen bij Berlage? Dit was de vraag.

En het antwoord?

„Ik zou u aanraden subiet over te gaan tot de afgescheiden gemeente. Indien gij in den jare 1897, meer dan tien jaren na de doleantie het A. B. C. van alle gezond kerkelijk leven nog niet hebt geleerd, ga dan gerust in één tempo, waar gij anders toen in vier tempo's zult zijn.

„Gij zijt ouderling niet waar? G-oed zoo! En Ds. Berlage is predikant van uwe gemeente? Niet afgezet? Niet geschorst? G-ij hebt hem nooit op eenige ketterij betrapt? Uitnemend! Wel nu, neem uw bijbel en vraag wat de roeping van een ouderling is! ... . Doe dat en gij zult leven!quot;

En toen kwamen de ,.ja maarsquot; waarop ik de antwoorden hier niet zal geven. Zelfs een ouderling, en een confessioneel ouderling, heeft veel te leeren en veel afteleeren.

Een ander voorbeeld.

Van twee zijden wordt mij, eenige maanden geleden gevraagd: of ik te Utrecht was geweest, om eenige leiding te geven aan de kerkelijke beweging in verband met het kiescollege?

Ik? Te Utrecht? om de Gereformeerden als partij te helpen organiseeren? In het kiescollege! dat product van de Revolutie toegepast op Christus' kerk! dat noodzakelijk- kwaad, waarvan ik nog altijd niet weet of de nadeelen de voordeelen niet overtreffen, maar waarvan ik zeker weet, dat het de gemeente in vijandelijke legercorpsen heeft verscheurd en nu de basis van operatie levert voor de tvrannie van de minderheid over een belijdende meerderheid, die naar Gods woord toenscht te leven?

Bij onderzoek kwam het uit, ik was te Utrecht geweest, en gezien bij Dr. de Limit van Wijngaarden. Men had mij echter niet naar alles wat ik tien jaar lang heb geschreven, maar naar den regel: „met wien men verkeert, wordt men geëerdquot;, beoordeeld, geoordeeld en gesignaleerd.

Deze dingen moeten ophouden en voor goed.

Hebben de broeders wel eens hooren spreken over een boek, getiteld „Vragensmoedequot; ? In de laatste maanden is het door velen gelezen en besproken.

ocr page 48

-w

Zij vinden daar personen en karakters geteekend van heden-daagsche christenen, die aan politiek doen, zich in het hoofd hebben gezet, dat zij rechtzinnig zijn, en zich calvinisten noemen, en meenen, dat zij zonder verdrukkingen kunnen ingaan in het Koningrijk Gods. Dit verhaal wordt vrij algemeen voor eene correcte uitdrukking gehouden van het geloofsleven.

Men vindt daar, bijv. een creatuur Huberta genaamd, die 's avonds onder een kruis van marmer knielt, terwijl „de beeltenis van Calvijn, als zegenend op haar neerzietquot;, als de onverbiddelijke, geheel consequente antirevolutionaire geteekend 1).

Is het niet genoeg, dat men elkander vereet en verbijt, maar moet men nog het oor en hart van de kinderen onzer eeuw, die dezelfde nooden hebben als wij, voor het Evangelie sluiten?

Hoe door en door onwaar de beschouwing van het Calvinisme, in dit boek ook zij, het karakterbeeld van vele zich noemende Calvinisten, is, hier, maar al te waar.

De lezing van dit boek is niet zonder invloed geweest op mijn genomen besluit.

Er is evenwel nog meer.

Wij staan weêr voor een Kerkelijk conflict.

Nog in dezen zomer.

Op den weg waarop de Gereformeerden, als kerkelijke groep zich bevinden, ligt in een zeer denkbaar geval slechts de keuze tusschen deze twee: afscheiding of toepassing van het eigen beginsel der Modernen, het z. g. recht der minderheden ten bate van hanne geestverwanten.

Er is een derde.

Maar, dat behoort tehuis in een geheel ander stelsel, dat ik beknoptheidshalve het mijne noem.

Licht men het daaruit zooals de doleerenden dit in '86 hebben

1

) quot;Wie „Vragensmoedequot; las, bestelle toch, subiet, „Gouden Hartenquot;, uitgegeven bij Bredee te Botterdam.

De schrijver van dit uit het Engelsch vertaald werk moge zelf buiten den engeren kring der geloovigen staan, hij heeft Gods Kinderen ontmoet en in hunne gebreken, maar ook in hun in- en uitwendig leven leeren kennen.

ocr page 49

45

gedaan, na vooraf hunnen werj ten einde te hebben afgeloqpen, dan wordt het een vloek en vermeerdert het de verwarring.

Dikwerf', zeer dikwerf heeft mij, als ik in de Gereformeerde Kerk uiteenzette, langs welken weg de Kerk kon worden vrijgemaakt, de vrees bekropen, nu niet dat men mij weer voor een onvast man zou houden, die bevreesd was voor de toepassing van beginselen, die hij zei ven had verkondigd — dat zijn wij vrijwel te boven gekomen — maar dat het verkeerd, zondig en zelfs gevaarlijk was den wecj ter verlossing te wijzen, aan hen, die Gods weg niet bewandelen, er zelfs niet naar vragen.

Ik moet er tusschen uit.

Om des beginsels wil

Geen nieuwe wijn in oude lederen zakken!

Daarom onttrek ik mij aan do groep, otn bij de waarheid te blijven, die God mij heeft doen zien.

Do broeders zullen hoop ik begrijpen, dat ik mot dit alles niet hen persoonlijk op hot oog heb, hen die ik veeleer voor zooveel en velerlei heb te danken.

Maar ik wensch niet ten tweeden male Voorzienigheid te spelen, en mij voortaan te houden aan den plicht, dien Hij voor mijne voeten heeft gelegd. Anders zou ik zonder het te willen, een soort leider zijn van hen, die toch, eigenlijk, uit een geheel ander beginsel leven.

Ulo die. dienaar m hr. in Christus Pu. J. IIOEDEMAKER.

P.S. Men zegt, dat onze zuster, de vrouw, de beminnenswaardige gewoonte heeft een postscriptum aan haar schrijven toe tevoegen. Ik heb zelf wel eens hooren beweren, dat dit P.S. soms bijzonderheden bevat, die voor haar niet van belang zijn ontbloot.

Bovenstaand schrijven, in verband met den brief aan den lieer de Savornin Lohman, nog eens overlezende, hol) ik tot mijn leedwezen eeno loomte daarin ontdekt dio, ik alleen door een P.S. weet aantevullen,

ocr page 50

4«

Men kan soms aan een vriend zeggen, wat het publiek zeer goed mag hooren en ook noodig moet weten, maar, dat men zoo niet aan een ex-Minister schrijft, of in eene officieele mededeeling ten beste geeft.

In de beide onuitgegeven brieven, die bestemd waren met het schrijven aan u en de Heer L. een geheel te vormen kwam ook een en ander voor, dat als een opheldering mag worden aangemerkt, van hetgeen nu wellicht voor deze of gene niet al te duidelijk is.

Op één punt mag ik in deze staat van zaken zelfs niet berusten.

Mijne confessioneèle broeders gaan nl. in mijn oog, op kerkelijk terrein, aan hetzelfde euvel mank, dat ik, blijkens het schrijven aan den Heer de Savornin Lohman in Dr. Kuyper en in heel de antirevolutionaire partij, heb aangewezen.

Wij leven nu sedert 179.5, zelfs nog na 1815 en 1852 onder | de heerschappij van de revolutie. Die revolutie is de macht, die ons zoowel in de Kerk als in den Staat regeert. De afgescheiden | Kerken zijn er voor gezwicht even goed als de Herv. Kerk. quot;Wat i meer zegt, de afscheiding en de doleantie zijn, in den grond, daaruit 1 ontstaan.

Ik zeg: die revolutie regeert, zij doet dit, evenwel, onder de leus recht voor allen! en, in stèe van te zien, dat dit een beginsel lis, waardoor aller recht wordt en moet worden gekrenkt, hebben jwij, die onszelven belijders der waarheid, en wettige erfgenamen van de Gereformeerde vaderen noemen, om de kans, ons in dat beginsel aangeboden, dat wij door de toepassing van dit beginsel ook eens machtig zouden worden, alsmede, om het oogenblikkelijk vooedeel, hierdoor veroverd of bedongen, onze belijdenis in de praktijk verloochend.

Ook in de Keek.

Ziet! toen, de revolutie de Kerk, die, inderdaad, eene, zooals alles wat in de zondige 'werkelijkheid treedt, gebrekkige en door velerlei onzichtbaar gemaakte of gehouden, openharing van Christ us lichaam is, tot een genootschap heelt gemaakt, lag er tusschen die Kerk en den Staat, dit verschil.

De Staat had zich in beginsel geheel van de Kerk losgemaakt.

ocr page 51

47

Maar, in de Kerk werd het goed recht van de belijdmis en van hen die mochten ivenschen zich op haar te beroepen, of die hoopten, dat zij nog eens tot eere zou komen, in het bekende artikel XI erkend.

Toen het evenwel daarna bleek, dat men aan dit artikel, in de praktijk, niet zoo veel had, als men wel zou wenschen, aangezien geen enkele dwaling hierdoor werd geweerd, en de tyrannie van het liberalisme in vele gemeenten zeer zwaar was, heeft die zelfde Revolutie, waaraan wij de vervorming van de Kerk tot een genootschap danken, Indve besteld bij zeker Art. 13 waardoor wij onze kiescolleges en door die kiescolleges vele orthodoxe dominees, ouderlingen en diakenen, hebben verkregen.

Gij hebt hiermede ontvangen wat uw hart begeert, gij hebt zelfs meer gekregen dan gij van eene „Synodequot;, die nog niet „omquot; was had durven verwachten, bijv. vrijheid om geene gezangen te laten zingen, vrijheid om een attest voor uwe kinderen te eischen, indien ze elders werden aangenomen, en dergelijke zegeningen meer. Maar, nu diezelfde Synode u zegt; weest nu eens royaal! geeft uwe moderne vrienden nu ook eens ruimte om te blijven bestaan, want heusch! gij zijt bezig ze te verdringen! .... Komt, schikt wat op! „nu protesteert gij hiertegen, mi blijkt het, dat alle kerkelijke bewustheid onder u nog niet verloren is, nu roept gij wraak over dit voorstel, om de minderheden als zoodanig „rechtenquot; te verschaffen, en spreekt gij reeds onomwonden uit „indien dat gebeurt, moeten wij de Hervormde Kerk verlaten!quot;

Of allen die dit zeggen, het ook zullen doen, is eene vraag waarop ik liefst geen antwoord geef.

Of dit de aangewezen en de eenige uitkomst zou wezen, laat ik, evenzeer in het midden. Het is de eenige uitkomst, die velen uwer zien, laat mij er bijvoegen, de eenige, die gij op uw standpunt kunt zien, of moogt aanvaarden.

Ik zou, daarbij, niet gaarne beweren, dat alle Gereformeerden nog op uw standpunt staan, d. w. z. zich nog vasthouden aan de waarheid: de belijdenis is in onze Kerk nog nooit ui) wet-tue wijze afgeschaft.

ocr page 52

48

Derhalve moeten wij ile hoop voeden, dat zij nog eens zal worden geaandhaafd!quot;

Integendeel, ik vrees met eene groote vreeze, dat menigeen onder hen zal worden gevonden, die de Kerkelijke vereenigingen binnen „het genootschapquot; zoo erg niet zullen vinden.

Vergeet niet, dat de Heraut in de kringen, die ik op het oog heb, zeer veel invloed heeft.

Mag ik, in het voorbijgaan, uwe aandacht vestigen op een leader in de voorlaatste Heraut. Dit stuk heeft de verdienste, dat het volkomen waar is.

T O E N A D E R I N G.

Niet genoeg kan er voor gedankt worden, dat er allengs meer toenadering begint te komen tusschen de Gereformeerde predikanten in en buiten de j\Ted. Herv. kerk.

Het kon niet anders, of de felle strijd van voor tien jaar moest een tijdlang een breuke geven.

Dat was menschelijk.

Zij, die in de Fed. Herv. kerk nog de Gereformeerde belijdenis omhoog hielden, hadden andere beschouwingen, andere overleggingen, andere belangen dan zij die dat in de Gereformeerde kerken zelve deden.

Ook had de harde vervolging eon tijdlang den moed gebluscht.

Men kon zich met roeren of verroeren of de Classicale Besturen dreigden, en dit maakte dat men zich stil hield.

Maar die dagen der verbittering gaan nu allengs voorbij.

Met name onder de jongere predikanten komt meer onderzoek, meer kennis, meer inzicht. (!)

Ze beginnen de Gereformeerde beginselen weer te verstaan, (!) Zij zijn anderes geestes dan de oudere collega's, die almeer den strijd hebben opgegeven.

Er ontwaakt bij hen liefde voor wat ook ons heilig is, en al trekken ze nog niet onze conclusiën, ja, al is voorshands nog zekere neiging aanwezig, om onze conclusiën als reeds vooruit geoordeeld te beschouwen, toch werkt er in hen een geest, die .zoekende is. om oen uitweg en uitgang te vinden, bij den notoi-

ocr page 53

49

ren strijd die ook voor iiuu besot' en hun consciëntie al mee tusschen den feitelijken toestand in de Ned. Herv. kerk, en de beginselen die hun al meer lief werden, ontbrand is......

Ze zoeken de Gereformeerde literatuur weer op.

De Heraut, eerst afgezegd, wordt weer besteld, èn gewaardeerd

Kortom, er is een kentering.

Een duidelijke overgang van opinie.

Er komt een andere neiging op.

Dit nu stellen we op hoogen prijs. We waardeeren het. We danken er voor.

Onzerzijds treden we deze broederen met vertrouwen en met broederlijke openhartigheid tegemoet. En we zullen ons wel wachten, hen aanstonds met den eisch aan te klampen, dat ze dan ook tot ons moeten overkomen.

Meer nog, we hopen van harte, dat in alle steden en dorpen, de leden der Gereformeerde kerken, vergetende wat achter ons ligt, en minder het kerkelijk verschil, dan de eenheid van geest, streven en bedoelen op den voorgrond plaatsende, de hun toegestoken hand niet zullen afslaan.

Vóór alle ding is nu noodig, dat we weer de eenheid van beginsel kracht doen erlangen, en alzoo de verspreide Gereformeerde krachten weer verzamelen.

Welnu, zoo zeker het water een waterpas vindt, zóó zeker moet „het Kerkbegripquot; van do Bruna's en van zoo velen, die ik nog zou kunnen noemen, tot eene verdere verwoesting van onze Kerk leiden. Daarbij: de uitersten raken elkander.

Maar, indien deze voorspelling bewaarheid wordt, zal dat doodeenvoudig aan u te wijten zijn.

Gij maakt niet alleen gebruik van het recht der meerderheid, waardoor gij de minderheid van den kansel on uit de Kerkeraad verdringt, maar gij aanvaardt het beginsel der revolutie waaraan gij dezen zegen dankt.... mei gaarne, dat weet ik wel; in uw hart geeft gij l)s. Huedemaker gelijk, indien gij maar niet met zijn, d. w. z. het Lieve fur meer d Kerkelijk beginsel behoeft te werken, want ujj kunt er niets meè beginnen.

ocr page 54

50

quot;Welnu, hoort mijne profetie: Anderen zullen eene merkwaardige toepassing van datzelfde beginsel maken, en u leeren naar dat beginsel, het recht der minderheid te eerbiedigen. Maar uwe Kerk gaat er mede. Dat helft gij heel goed ingezien.

Indien gij slechts mocht inzien dat de kwestie in de Kerk en den Staat precies gelijk staat, dat men in beide gevallen onder de bekoring van de Revolutie is geraakt en dat uw eenige hoop op redding gelegen is in het innemen van het zuiver, Gereformeerd, Kerkelijk beginsel, dat naar ik hoop, door mijn isolement nog wat meer dan tot hier toe in het licht zal vallen!

Uw toeg. Broeder in xto,

Ph. J. HOEDEMAKER.

Amsterdam, 16 April 1897.

JS'tP'rtP

ocr page 55
ocr page 56
ocr page 57