ocr page 1

DE NORM DER WAARHEID IS IN ONS-ZELF.

EEN WIJSG EERIG-T HEOLOGISCHE BESCHOUWING DOOR bu. J. D. BIERENS DE HAAN. ^ ^

I'S- ^ , , quot;i'--

(Shgï.,;,:: . 1

S'-;//--- r';

UITGEGEVEN TE UTRECHT DOOR

C. H. E, BREIJER. MDCCCXCVII

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DE NORM DER WAARHEID IS IN ONS-ZELF.

ocr page 6
ocr page 7

DE NORM DER WAARHEID IS IN ONS-ZELF.

EEN WIJSGEERIG-THEOLOG1SCHE BESCHOUWING

DOOR dR. j. d. bierens de haan. quot;^4 ^4

UITGEGEVEN TE UTRECHT DOOR

C. H. E. BREIJER. MDCCCXCVII

ocr page 8

TYP. ZUID-HOLL. JÏOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ, 'S-GRAVENHAGE.

ocr page 9

VOORREDE,

Grootendeels is deze wijsgeerig-theologische beschouzving in den laatstverleden zvinter door mij te Utrecht en te Leiden voorgelezen. Ik heb aan sommige besprekingen meer uitbreiding gegeven en eenige overwegingen ingelascht, die voor het onmiddelijk gehoor van te weinig tastbaren aard waren.

Daar bij verscheldenen het onderwerp dezer beschouwing belangstelling vinden mocht en de wijsgeerige overwegingen weder meer waardeering ontmoeten dan voorheen — achtte tk dat deze uitgave niet geheel onwelkom wezen zon.

J. D. B. D. H.

Hoogland, Mei 1S97.

ocr page 10
ocr page 11

INHOUD.

Dc vraag naar de waarheid onzer kennis opent een onderzoek naar het kenvermogen des geestes. — Dit onderzoek vereenigt alle afzonderlijke wetenschappen als een commune vinculum scientiarum, en geeft rechtvaardiging aan alle.

De kennende geest (subjekt) in zijn mysterie-karakter; en de kennis als afbeeldsel van den kennenden geest.

De waarheid der zinnenkennis niet bestaande in eenige afbeelding van het gekende voorwerp; het ongelijk van 't naief realisme, of der leer van het onvermogen des geestes om aan den indruk van de werkelijkheid iets te veranderen („tabula rasaquot;).

Subjektiviteit der zinnenkennis.

De gemoedsindruk van het natuurtafreel aan ons-zelf ontleend („de verheven sterrenhemel is in de zielquot;). Het nieuwe anthropocentrisme.

De geloofsdenkbeelden geen „afspiegelingquot; van werkelijkheid. — Hun subjektief karakter toegestemd voor lagere godsdiensten. — De tegengestelde erkenning der oude dogmatiek.

7

ocr page 12

V. De norm der waarheid is in den mensch; maar het empirisch ik is niet de mensch als norm. De mensch heeft een Innerlijk Wezen, zijnde zijn eigen en eigenlijke (transcendente) Zelf.

Door palingenesie wordt de mensch zich-zelf en Zelfbewust. De zelfbewustheid van het Innerlijke Wezen is norm der geloofswaarheid.

Antecipeerende erkenning.

VI. Het geloof, hoewel de idee Gods uit het Innerlijk Wezen is voortgebracht, erkent volgens zedelijk-godsdienstig besluit het Innerlijk Wezen in God gegrond.

Door het Innerlijke Wezen geschapen zijn derhalve de geloofs-Ideeën niet illusie, maar zij hebben Symbolisch karakter.

Ongegronde aanklacht van willekeur; doch vrijheid der individueele karakters in de toeeigening der geloofs-Ideeën.

Er is geen uitwendige autoriteit voor de kennis der waarheid; noch een meedeelbaar kriterium. Geen onderscheiding der waarheid dan door 't zedelijk oordeel der geestelijke persoonlijkheid.

VII. De geloofs-Ideeën na palingenesie door het Innerlijke Wezen geschapen. Het getuigenis der in God levende gemeente als middel tot aanstichting van het palingene-tisch proces.

De Gemeente niet in positief-historischen zin godsdienstig. De Christelijke belijdenis als een verkondiging aangaande de palingenesie. De waarheid der heidensche godsdiensten. De waarheid der kennis is hare mensche-lijkheid.

Aanteekeningen.

8

ocr page 13

I.

Er bestaat een vraag — en een zeer belangwekkende — naar de waarde der kennis in 't algemeen, niet uit oogpunt van eenig te verkrijgen resultaat, maar uit oogpunt der waarheid; n.1.: wij begeeren dat onze kennis waar zij: waarin bestaat de waarheid onzer kennis? Wat beteekent het indien wij onze kennis waar achten? en onder welke voorwaarden wordt aan een bepaald oordeel waarheid toegekend ? i).

Deze vraag naar de waarheid der kennis opent een nieuw onderzoek, immers een onderzoek naar het kenvermogen des geestes; dat is; niet naar de dingen door den geest gekend, maar naar den kennen den geest zelf. En daarenboven beteekent deze vraag een belangstelling in den geest en zijne • werking, welke slechts door kennis van den geest kan bevredigd worden. V/ie zich alleenlijk voor het objekt of het gekende voorwerp interesseert, is tevreden met een studie der aangebrachte en aan onze ervaring en waarneming eiangeboden zaken; en onbedacht op den kennenden geest (het subjekt) 2)

1) Over de bedoeling en inrichting van het onderzoek naar het kenvermogen, zie Aant. i.

2) Over de verhouding der begrippen geest, subjekt, ziel, bewustheid, zie Aant. 2.

9

ocr page 14

vraagt hij niet of 't geen hij heeft begrepen een werkelijkheid betreft die buiten den geest en afzonderlijk van dezen bestaat; maar neemt zulks als vanzelf-sprekend aan.

Eerst wie tot hooger belangstelling kwam en ook den kennenden geest als wonderen werkmeester onzer kennis heeft leeren achten, is in aandacht ontstoken, en uit hoofde zijner belangstelling in den geest ontstaat bij hem de vraag naar de waarheid onzer kennis.

Deze studie dan van het kenvermogen des geestes of van den kennenden geest is een gemeenschappelijk belang voor alle wetenschappen, en een commune vinculum scientiarum: een band die alle wetenschappen bindt.

Het is reeds bij de verschillende studiën zoover dat ieder zich tot eigen vak bepaalt om de te groote uitbreiding van materiaal en vraagpunten der bizondere wetenschappen. Er is vooral tusschen de studie van de natuur aan de ééne en van godsdienst, letteren, recht, enz., aan de andere zijde zoo besliste scheiding, dat de spraken als onderling verward zijn en de simpelste waarheden van de ééne stadie aan den beoefenaar der andere als raadselachtige wijsheid in de ooren klinken.

Er is wrel een gemeenschappelijke band noodig, willen de verscheiden vakken nog op den éénen gemeenschappelijken naam van wetenschap bogen. Een band van direkt religieuzen aard — gelijk voor de middeleeuwsche scholastiek alle weten schuil ging onder het dak éener kerkleer — is niet meer wenschelijk zelfs; en de meening der moderne pozitivisten Comte en Spencer, volgens welke de algemeenste generalisatien der afzonderlijke wetenschappen, de hoofdresultaten of wetten van uitgestrekste gelding, vereenigd moeten worden tot ééne

io

ocr page 15

wetenschap of wijsbegeerte die alle verbindt, is onaannemelijk, omdat de „geestelijkequot; wetenschappen op andere wijze dan die der stoffelijke natuur en met andere methode tot stand komen. De natuurwetten gelden slechts ten deele en met zwakke analogie voor het leven des geestes.

Geen dezer beide scholen, die de uitééngeworpen leden van het geheel onzer kennis onder hare akkolade meenden te vereenigen : kerkelijke scholastiek (roomsch of kalvijnsch) noch het pozitivisme — zijn in staat een geldigen band der wetenschappen te geven. En zoo niet een éénheid der kennis bestond in de studie van het kenvermogen, dan moesten de beoefenaars van de dogmenhistorie aan de rechts-filozofen, en deze aan de moralisten en de moralisten aan de kenners der godsdiensten en aan de aesthetici afscheid geven en zeggen ; wij zullen elkander ontmoeten in gezellig verkeer, politiek, sport, kerk, sociale bemoeiing, filantropie; maar niet in wetenschap; in wetenschap laat ik mij inkluizen en treed niet buiten het bestek van speciale studiën.

En moest het zoo dan ware de wetenschap zeker een nuttig ambacht en dienstig aan de levenspraxis; maar dit kan hare bestemming niet zijn. Of zij ware een bezigheid om bezig te zijn en dus een vergissing waarbij men het middel aannam en tot doel maakte. Een wetenschap beoefenen bm wetenschappelijk bezig te zijn, (daar men nu eenmaal zijn dagen met arbeid van grover en fijner aard moet opvullen) is evenzeer een misvatting als in den trein zitten bm te rijden. En zoo de wetenschappen, geen ouderlingen band hebbende, geïsoleerd worden tot eigen vakdienst, en tenzij om de praxis om niets zijn dan om bezigheid — zoo hebben ze hun reden weg. Maar is er een band aller, dan blijken zij gegrond te

11

ocr page 16

zijn in éénzelfde logische noodzaak en zal deze hare rechtvaardiging wezen.

De studie van den kennenden geest, niet als resultaat uit de verscheiden wetenschappen afgeleid, maar als propaedeuse aan alle voorafgaande, verhoedt dus de wetenschappen dat ze in redelooze bezigheid zouden ontaarden. De vakbeoefenaar, na deze algemeene voorstudie, tot zijn speciale afdeeling der wetenschap komende, arbeidt als uit gehoorzaamheid aan den geest, aan wiens geaardheid en werking hij eerst zijn nadenken heeft gewijd. Wetende van den geest, die het subjekt der kennis is, mag hij als subjekt-zelf, dat is als geestelijk mensch, doen het werk des kennenden geestes.

De koning die zijn werk van wetgeven en rechtspraak vervult is een werkman — hoe edel zijn werk ook zij — wanneer hij niet in zijn koningswaarde de reden zijns werks begroet. Maar zich bewust van de waarde zijner heerschappij, en dan zijn werk als ambtstaak vervullend, zoo is hij niet werkman maar koning. quot;Zoo moet de man van wetenschap, eer hij zijn geestelijk werk uitoefent, zijn onderzoek wijden aan den geest en zijn werkingsaard, het apriori vooraf achtend aan het aposteriori; en hij zal de reden van zijn arbeid erkennen. De belangstelling in het subjekt voorafgaande aan de belangstelling voor het objekt, maakt de speciale wetenschappelijke bemoeiing algemeen-menschelijk en gerechtvaardigd.

De kennende geest heeft voorafgaande rechten op onze belangstelling, want hij is subjekt. Op deze waarheid, dat de geest is subjekt, moet met groote aandacht gelet worden. Dit is het van alles onderscheidene, dat den geest kenmerkt. Subjekt is het tegengestelde van objekt. Objekt is alles wat

12

ocr page 17

inhoud onzer kennis is. Wanneer ik een bosch waarneem, is het bosch objekt en ik ben subjekt. Wanneer ik een mede-mensch waarneem, is de medemensch objekt en ik ben subjekt. De Samaritaan, die den halfdoode aan den weg ontwaart, is subjekt en de halfdoode is voor hem objekt; maar omgekeerd, zoo de halfdoode de oogen opslaat en den Samaritaan ziet, is voor hèm de Samaritaan objekt, terwijl hijzelf subjekt is. Het woordje „ikquot; drukt het subjekt uit; het woordje „zelfquot; duidt het subjekt aan; de derdepersoons-voornaamwoorden beduiden het objekt.

Nu is dit het merkwaardige en onvergetelijk eigene van den geest, dat hij in zijn wezen slechts begrepen kan worden als subjekt; de geest kent, leeft, werkt; dat is: hij is het subjekt der kennis, des levens, der werkingen. Daarin is hij van alles onderscheiden wat (als objekt) gekend wordt. De geest kan eigenlijk niet gekend worden; omdat hetgeen gekend wordt, weder objekt der kennis is. De geest kan slechts kennen; dat is: de werking des kennens van zich doen uitgaan.

Met zijn kennis komt het subjekt in aanraking met een wereld van dingen, stoffelijke voorwerpen, geestelijke toestanden ; maar al kende men al het kenbare, dan nog bleef de geest als subjekt voor zichzelf een raadsel. Immers hij bestaat niet mede tusschen en te midden van de stoffelijke dingen en geestelijke toestanden en werkingen, maar door deze te kennen, bestaat hij buiten ze. Het subjekt bestaat buiten het objekt en, hoe nauwkeurig men het objekt uitspint, analyseert en verstaat; de kennende geest is en blijft buiten dit alles, omdat liet alles inhoud zijner kennis is. De kennende geest is onderscheiden van hetgeen gekend wordt; zooals

13

ocr page 18

degeen die zingt onderscheiden is van hetgeen gezongen wordt en degeen die droomt zich onderscheidt van den droom, welken hij heeft.

Men begrijpt hoe belangrijk deze eenvoudige en toch diepzinnige waarheid is; ja, deze eenvoudigste aller waarheden is de diepzinnigste en meest vergetene, niet alleen door materialisten vergeten, maar door allen, die de wetenschap uitoefen als een bedrijf.

Zoo wij nu zien de orde der stoffelijke en geestelijke natuur en de oorzakelijke samenschakeling, waardoor na den eenen toestand de andere voortkomt; de opklimming van de lagere soorten van levende wezens tot de hoogere en boven allen de mensch staande aan de spits der natuurlijke orde; zoo wij hem zien in zijn geestelijke hoedanigheden en aanleg, zijn karakter-eigenschappen, zijn godsdienst, wetenschap, kunst, en zoo wij een kompleet tafereel maken van zijn innerlijk en uiterlijk levensverloop: dan is dit alles nog maar inhoud of objekt der kennis. Terwijl wij ons deze dingen voorstellen en indenken, zouden wij vergeten, dat wij zelf als kennend subjekt buiten ze staan; daar wij zelf als kennende onderscheiden zijn van hetgeen wij kennen. Ook zoo wij over den mensch spreken, is hij voorwerp der kennis en dus iets anders dan wat wij zijn als kennende wezens zelf. Er blijft altijd een groot raadsel: de kennende geest (het subjekt) kan niet tot voorwerp van kennis gemaakt (geobjektiveerd) worden zonder zijn karakter te verliezen. Wij erkennen hier het ondoorgrondelijke, het blijvende Mysterie van ons Zelf. Al putten wij met onze kennis aarde, hemel en hel ledig, dan nog stonden wij tegenover ons zelf, het kennend subjekt, als tegenover het begin aller raadselen, en bleef onze kennis

14

ocr page 19

onbevredigd. De kennende Mensch, zoo hij maar bij het begin begint, begint met de ^bewuste aanvaarding van het Mysterie; en zoo hij bij het einde eindigt, eindigt hij met al den inhoud van zijn weten in te zien als dekoratief-werk, versierend het gordijn, waarachter het Mysterie waakt.

Het eerste Mysterie voor den mensch is hij-Zelf. In dit Geheim is al zijn kennis ontsprongen en gegrond. Het laatste Mysterie voor den mensch is hij-Zelf; naar de ontsluiering van dit geheim gaat al zijn kennis heen. Alle kennis ziet op het einde en is een vragen van het Begin, dat naar het Einde vraagt; een vragen van den Mensch, die zichzelven zoekt te kennen: wie ben ik, vanwaar kom ik, wat is mijn bestemming? Het dichtsnabije aller raadselen en welks aandoenlijkheid een voortdurende aansporing tot denken is, is de Mensch als kennend Wezen.

Nu is het waar dat de mensch een afbeeldsel zijns Zelfs vermag te scheppen, doordat hij zijn eigen geestesaanleg in zijn kennis projekteert en daaruit weder vermag af te leiden — maar dit afbeeldsel zal hem nooit geheel bevredigen en hij zal nooit ten einde zijn met deze schepping zijns beelds. Hetgeen wij weten en verstaan is nooit meer dan „een spiegel, waardoor men in het Aenigma ziet,quot; dat is; een spiegel, die slechts op raadselachtige wijze het beeld terugwerpt, en die het Mysterie niet doorschouwen laat, maar juist in zijn aenigmatisch karakter vertoont. En zoo blijft heden de menschengeest voor zichzelf Aanvang en Einde aller raadselen. Heden: dat is zoolang de mensch aan zijn empirische waarnemingsstof gebonden, deze voorbijgaande waarnemingswereld als onmisbare aanleiding tot zijn wetenschap neemt.

Wij zien heden het „aangezichtquot; der psychische en materieele

IS

ocr page 20

waarnemingswereld. Maar wij zullen het aangezicht aanschouwen eener onvergankelijke wereld, gebouwd niet op het vlak onzer waarneming, maar op het vlak onzer diepst-geestelijke natuur; wij zullen zien de wereld der goddelijke dingen. God aanschouwende.

In het aangezicht der goddelijke wereld zullen wij als in een beteren spiegel ons eigen wezen ontwaren en wij zullen ons Zelf kennen, het Einde der Kennis bereikt hebben in de kennisse Gods, kennende gelijk wij gekend zijn. i) Het raadsel zal zijn weggedaan, maar de Aandoening zal zijn verhoogd. En de kennis des Zelfs, ten Einde gekomen, zal aan de kennisse Gods dienstbaar zijn.

De wijsgeerige navorsching naar het kennend subjekt, dit einde hebbend, is zekerlijk een godsdienstig werk.

Maar nu ben ik in deze beschouwing mijzelf eenigermate voorbij gestreefd. Betoogend de gewenschtheid van een studie over den kennenden geest (subjekt) kwam ik zoo onvoorwaardelijk de tegenstelling uiteen te zetten tusschen de voorwerpen onzer kennis en den kennenden geest zelf, dat als resultaat de onkenbaarheid van laatste bleek. Hoe zullen wij nu ons aangorden tot kennis van het onkenbare! Het is immers geen aansporing tot beoefening eener wijsbegeerte, zoo men te voren meldt, dat het hoogst bestreefde daarvan onbereikbaar is.

Ten antwoord hierop bedenke men dat het onderzoek naar 't kennend subjekt dan ook niet het subjekt in zijn myste-

i; Eerste brief aan de Korinthiers XIII, 12. yap ccpn ol'stottt^ou

èv xhiyij-ztt, tots Se ■zpoa-uTov xfo; TTfoa-uvw 'xpn yivutxai èk (/.epovi; tots Se STTiyvcvroiJ.xi xxiu: xxi èrsyvws-S-^v.

l6

ocr page 21

rieuze wezen, maar in zijn werking betreft; de funktie van het kennen wordt onderzocht en is kenbaar uit haar voortbrengsel; het grondplan der ken-funktie blijkt in de pro-dukten der kennis 'de waarneming, de logische taal, het wetenschappelijk stelsel,) en is door zelfbezinning uit deze af te leiden.

Dit grondplan is de apriorische natuur van het kenvermogen ; apriorisch en aan alle ervaring voorafgaand; en dit zien wij in alle kennis voltrokken. Wie het kenvermogen bestudeert, ziet de lijnen van het grondplan der kennis bij hun oorsprong; voordat ze in de wetenschappen naar Oost en West zijn uitgeworpen.

De kennis-onderzoeker zie hier zijn voorrecht en vooraanzitting ten opzichte der vakbeoefenaars. Hij verhoudt zich tot deze als de mechanikus, die het theoretisch samenstel der machinerieën kent, tot de arbeiders, die de machine als produktie-middel en zonder kennis harer theorie aanvaarden. Hij is de Atlas die de aarde draagt waarop zij werken; zij zijn met het werk bezig waarvan hij oorsprong, methode en einde weet.

En behalve dat het onderzoek naar de ken-funktie niet onmogelijk gemaakt wordt door de bedoelde onkenbaarheid van het (kennend) subjekt — zoo is bovendien het inzicht dat onze kennis in een Mysterie gegrond is een schoon resultaat waarmede al het weten wordt geadeld. Nu komt onze kennis voort als beken uit de maagdelijkheid van een nooit betreden woud.

Zijn velen door vermeende wetenschap trotsch geworden : zij die, niét tevreden met groote hoeveelheden van dekennis, die ten deele is, in volledigheid begeerden te kennen, en dus op het Mysterie als grond des wetens uitkwamen, zijn eer

17

ocr page 22

verwonderd geworden dan hoogmoedig. Gelijk in ouder bedeeling de vreeze des Heeren, zoo is thans de aandacht voor het Mysterie de aanvang der wijsheid — en de vreeze die de Liefde is, is van later.

En mocht vaak de wetenschap buiten het leven staan en in plaats van levende een doode kennis lijken, beter om museums dan om zielen te voeden: dit is niet zoo dengeen die alle weten in het Mysterie van zijns geestes wezen gegrond acht. De uitwendigheid en geesteloosheid der objektieve feiten zijn verdwenen, nu het feitenmateriaal dient om gekonstrueerd te worden tot wetenschap volgens een plan der orde, waarin de kennende geest zijn eigen natuur openbaart; en waarachter de oneindige diepten van het Mysterie vermoed worden: er is eene geestelijke belangstelling mogelijk gemaakt, ook voor het uitwendig maaksel der objektieve feiten.

En zoo in dit plan der orde de begrippen voorkomen van evolutie, groei, oorzakelijk verband der verschijnselen, noodzakelijkheid en doelmatigheid, wording en verwording — dan gelden deze voor ons niet, gelijk voor den naturalist, als objektieve, uitwendige, buiten-geestelijke en geestelijk-indifferente „gewonequot; begrippen, en niet als tegengestelden van onzen eigenbewusten levens-inhoud. Natuur en geschiedenis met deze te interpreteeren is geen „ Entgötterungquot; noch ongeestelijke objektiveering. Maar zij zijn uit den geest voortgebrachte denkwijzen, scheppingen des geestes en dus symbolen van den kennenden geest. Het objektief natuurlijke bestaat niet zonder metafyzischen achtergrond; de ideeën van oorzaak en evolutie beduiden geenszins alleenlijk een volgorde van verschijnselen gelijk de naturalist meent. Maar terwijl oorzaak een band is die slechts tusschen verschijnselen bestaat, en

18

ocr page 23

evolutie een verloop dat de opvolging der verschijnselen karakteriseert — zoo zijn in deze begrippen metafyzische achtergronden geïmpliceerd. De achtergrond der oorzakelijkheid is de transcendente substantie; en de achtergrond der evolutie is de onveranderlijkheid van het Zijnde. Het is niet mogelijk van oorzaak of evolutie te spreken zonder in de beziging der woorden dezen achtergrond te omvatten, i)

Zoo is in de begrippen der empirische wetenschap de natuur van het Mysterie des kennenden geestes als een zich overal vertoonende achtergrond zichtbaar; en in het beeld door de wetenschappen ontworpen herkennen wij de gelaatstrekken van onzen eigen geest.

De vraag naar de waarheid der kennis roept deze studie van den kennenden geest wakker, welke de afzonderlijke wetenschappen tegelijk vereenigt, reden geeft en adelt.

i) Hoe weinig de evoiutie-idee (bijv. in de godsdienstwetenschap) een pre-vilege der naturalisten is, zie Aant. 3.

19

ocr page 24

II.

Onze kennis is derhalve gegrond in het Mysterie van den kennenden geest (het subjekt), zoodat de kennende geest in de wetenschappen zijn eigen natuur ontmoet. In het gekende kennen wij onszelf. Dit besluit ligt onvermijdelijk voor de hand.

In alle kennis ligt een tweeheid van subjekt en objekt , den kennende en het gekende i). Ik zelf, die „kenquot;, vereenig mij met het objekt, dat gekend wordt: nu ontstaat kennis. In het kennen is objekt en subjekt vereenigd. Nu rijst ook aanstonds de vraag: wat is dan het eigenlijke in onze kennis, datgene dat van het objekt is, of datgene dat van het subjekt is? Men ziet hier twee faktoren samenwerken tot een nieuw geheel: wie is de eigenlijke werkmeester? Men ziet den kennenden geest of subjekt en weet dat er een werkelijkheid is die gekend moet worden: waarnaar moet men nu onze kennis waar noemen: naar hetgeen van het objekt komt of naar hetgeen het subjekt eraan geeft ?

De vraag belangt alle kennis in eens. Wat nu geantwoord zal worden, geldt voor de kennis in het algemeen, zoowel zintuiglijke als wetenschappelijke, alsook voor de geloofs-

I) Zie Aant. 4.

20

ocr page 25

kennis. Maar het antwoord is slechts de konsekwentie van de vraag. De kennis-onderzoeker heeft met de vraagstelling tegelijk het antwoord aangewezen. Wij stellen de vraag zoodra wij inzien, dat onze kennis gegrond is in het subjekt; en zoodra wij onze kennis gegrond weten in het subjekt, is ons duidelijk, dat zij waar is, hierin dat zij aan de zuivere geaardheid van het subjekt beantwoordt.

De waarheid der kennis ligt niet hierin, dat zij eenig voorwerp afbeeldt; de norm van waarheid is niet aan het gekende voorwerp (objekt) ontleend; maar hierin is de kennis waar, dat zij beantwoordt aan de zuivere geaardheid van den kennenden geest: de norm van waarheid ligt in het subjekt i).

Deze stelling in alle breedheid uiteenzetten, ware een volledige kennis-theorie sci :'ven; wij beperken ons tot tweeërlei betoog; vooreerst over de waarheid der zinnelijke waarneming, vervolgens over de waarheid der godsdienstige kennis, deze twee nemende voor het geheel.

De waarheid der zinnelijke kennis bestaat hierin, dat zij overeenstemt met de zuivere natuur van het kennend subjekt. Dc populaire opvatting daarentegen acht waarheid de overeenstemming van onze denkbeelden met een of andere werkelijkheid, welke daarin is afgebeeld. Een astronomische wet bijvoorbeeld noemt zij waar, omdat in de werkelijke hemelruimte, deze of die ster zich zóó beweegt als de wet beschrijft

i). In deze beschouwing geven wij, wat de zinnelijke kennis betreft, grootere aandacht aan het subjektief karakter der waarheid dan aan het normatief karakter van het subjekt. Over dezen norm zie nochtans bl. 40. Uit het subjektief karakter der zinnenkennis volgt vanzelf dat haar waarheidsnorm in het subjekt ligt.

21

ocr page 26

en zich zoo bewegen zou al was er geen menschelijke bewustheid, noch eenig wezen van menschelijk geestesmaaksel dat het opmerkte. Als men zegt: de appelboom heeft rooden bloesem, de pereboom witte, dan acht de populaire opvatting deze verklaring voor waar, omdat onafhankelijk van de menschelijke bewustheid , werkelijk de ééne bloesem van roode kleur is, en de andere wit.

Deze opvatting onzer kennis, als beantwoordend aan de werkelijkheid van de voorwerpen, en daarin waar zijnde, noemt men het naief realisme.

En wat voor werk heeft de geest wel te doen volgens het naief realisme? geen ander dan de dingen „afspiegelenquot;. Be geest heeft niets te doen, doch slechts toe te laten, dat er gedaan wordt; door toelaten krijgt hij een weten van de dingen zooals ze zijn. De geaardheid des geestes, zoo wordt gemeend, is tabula rasa, dat is een leeg blad, onbeschreven van eigene natuur en alleenlijk receptief; het eenig vermogen dat hij heeft is om op te nemen wat hem toegevoegd wordt. De indrukken der buitenwereld inkomend door de zintuigen, drukken op dat leege blad de kleur- en klank- en alle gewaarwordingen af; en daarom is de kennis afbeelding in den geest van de werkelijkheid daarbuiten.

De leer van het tabula rasa, reeds bij de Stoa in gang, en in lateren tijd voorgedragen door John Locke, moet voorzeker geringen dunk hebben van den geest, zooals hij is en werkt. De geest moet wel niets aan de indrukken der buitenwereld vermogen toe te doen om ze zoo zuiver af te spiegelen; zijn geaardheid moet „tabula rasaquot; zijn, zonder eigen aanleg, kracht of wezen. Immers, heeft de geest een eigen aanleg, dan doet hij het zijne aan de indrukken der buiten-

ocr page 27

wereld toe; en doet hij dit, dan is er weinig vermoeden, dat wij de buitenwereld kennen zooals deze waarlijk is.

Beslister nog dan Locke heeft in den tijd der Encyclopae-disten de Fransche filozoof Condillac de leer van het onvermogen des geestes ontwikkeld. Condillac ontkent aan den geest alle aktiviteit, alle verwerking der inkomende indrukken tot een eigen beeld, en meent dat logisch oordeel, onderscheiding, vergelijking en alle logische verrichtingen niet anders zijn dan getransformeerde indrukken van buiten op het wit papieren blad onzer ziel overgebracht.

Plomper kan het niet. Maar houdt men vast, dat de waarheid der kennis bestaat in afspiegeling van de gekende voorwerpen , dan heeft men de tabula-rasa-leer als gewenschte voorwaarde tot zijne meening met dankbaarheid te aanvaarden.

Het naïef realisme dient ons in de dagelijksche praktijk en zoekt daarin zijn rechtvaardiging. Het valt ons bij de dagelijksche leefwijze wel zelden in dat het groen der boomen in werkelijkheid geen kleur bevat, en de klank der trompet in werkelijkheid (n.1. in de werkelijkheid die buiten onzen geest is) geen geluid maakt. Het lijkt ook absurd om te zeggen, en toch is het zoo.

De zinnelijke kennis beeldt de dingen der buitenwereld niet af zooals ze in werkelijkheid zijn. De zinnelijke hoedanigheden der voorwerpen als daar zijn kleuren, tinten, klanken, geluiden, smakingen, geuren, tastgewaarwordingen enz., zijn geen eigenschappen van de dingen waaraan wij ze opmerken; maar zijn toestanden onzer eigen ziel. Als wij iets schel, groen, ruig, zoet, geurig, zacht, noemen is het zoo genoemde

ocr page 28

ding noch schel, noch groen, noch ruig, noch zoet, noch geurig, noch zacht in zichzelf; maar onze geest in aanraking gesteld met de werkelijkheid buiten ons brengt zelf deze toestanden voort.

Wij weten dit niet slechts uit de kennisleer maar welzeker ook uit de natuurkunde, i) Wanneer wij de kleur groen zien b.v., wordt er niet een groene gewaarwording in onze hersenen verwekt, die zoo maar door onzen geest als in de bewustheid uit de hersenen werd overgenomen; maar er geschiedt een zekere molekulaire verandering, een bewegingswijze der molekulen in de hersenstof; en op die beweging daar reageert onze geest met de gewaarwording „groenquot;. In de hersenen gebeurt niets groens 2) en wie nauwkeurig het hersenwerktuig kon waarnemen, zag niets anders dan een zeer subtiele beweging. En waar komt die- beweging in de hersenen vandaan, waarop onze geest reageert met de gewaarwording „groenquot;? Zij is door zekere bewegingen van buiten n.1. van een hypothetische „middenstofquot; op het zintuig en vandaar op de zenuwdraden overgebracht die in de hersenen uitloopen. En zij komt in laatste instantie van het voorwerp zelf dat wij groen genaamd hebben. Wat is er anders in dat groen genaamde voorwerp, dan een zekere bewegingswijze der molekulen, welke tot in onze hersenen voortgeplant langs middenstof, zintuig, sensorische zenuwen, daar beantwoord wordt met de gewaarwording groen ? Als

1) De kennisleer redeneert van uit het begrip der bewustheid of van het kennen; de natuurkundige redeneering neemt de stoffelijke buitenwereld met het menschelijk lichaam inkluis, zonder bedenking van de kenniswaarde dezer begrippen, als gegeven aan en verkrijgt op induktieve wijze uit de waarneming hare gevolgtrekking.

2) Evenmin als op het netvlies een groene kleur of eenig beeld wordt afgedrukt.

24

ocr page 29

-------

wij nu de voorstelling van een kleur hebben is er in werkelijkheid niets in de buitenwereld dat aan de kleur beantwoordt, dan alleen een bewegingswijze der molekulen. „Groenquot; en „bewegingswijsquot; — dat zijn onvergelijkbare en geheel andersoortige grootheden; daartusschen is voor ons denken geen overeenkomst; de buitenwereld wordt door ons aangezien als een samenstel van kleuren en tinten, en wat geen kleur heeft is voor ons onvoorstelbaar — doch reeds het natuurkundig denken, dat van alle kennis-theorethische zelfbezinning onafhankelijk is, leert onze illusie inzien, zoo wij meenden in ons beeld der buitenwereld een afbeelding of afspiegeling te bezitten van de werkelijkheid.

En wanneer wij nu, met het natuurwetenschappelijk onderzoek niet voldaan, het begrip der beweging nader beschouwen, wat blijkt ons dan ? Immers nu is, van den uitersten zinnen-schijn ontdaan, de ons omringende buitenwereld ons gebleken i als een ingewikkeld samenstel van bewegingen. Maar vermag

ons begrip van beweging een werkelijkheid af te spiegelen, die onafhankelijk van den geest bestaat? Het natuurwetenschappelijk onderzoek neemt de beweging als grondwaarheid aan en laat dus onze vraag onbeantwoord. Maar het onderzoek naar het kenvermogen geeft hier uitsluitsel. Met het oog op de werkelijkheid, die buiten den geest is, mogen wij evenmin zeggen, dat aldaar beweging is, als dat wij zeggen mogen; daar is rust. Beweging (en dus ook rust, die het nulpunt der beweging is) is het resultaat eener zeer samengestelde zienswijs, waarmede onze ziel het tafereel harer wereldopvatting konstrueert.

Om op vluchtige wijze en zonder subtiele spekulatien dit uit te leggen wijzen wij slechts op de twee roemruchte

25

ocr page 30

grootheden, genaamd „ruimtequot; en „tijdquot;. Dat alle beweging een verandering is in de ruimte, en dat alle verandering in den tijd geschiedt, zal niemand vreemd achten te vernemen. Dat derhalve het begrip der beweging als afhankelijk van de begrippen ruimte en tijd moet gedacht worden, en van onze waardeering dezer afhangt wat wij aangaande de waarde van het begrip beweging besluiten, is mede zeer aannemelijk. Nu zijn wij met dè begrippen „ruimtequot; en „tijdquot; aangekomen bij de moeielijkst vatbare inrichting van de ziel. Zij zijn de apriorische „vormenquot; van dcken-funktie, waarin alle werkelijkheid, die buiten is, opgevat wordt; door projektie dezer vormen op gindsche werkelijkheid verkrijgen wij ons wereldbeeld. En al wat wij ons als bewegend voorstellen, wordt derhalve voorgesteld overeenkomstig dc vormen van ons kennen en ook hierin blijkt de waarheid der zinnelijke kennis niet te bestaan in een afbeelden van de dingen der buitenwereld, maar hierin dat, hetgeen buiten ons is, aan hetgeen in ons is wordt geassimileerd.

26

ocr page 31

III.

Men neme deze korte uiteenzetting over de zintuiglijke kennis als voorbeeld van den trant des betoogs, waarmede de subjektiviteit onzer kennis wordt verzekerd. Wij willen nu zien in hoe andere verhouding deze subjektiviteits-leer den mensch als geestelijk wezen tegenover de wereld der dingen stelt en hoe zeer gewijzigden blik zij op de „buitenwereldquot; opent. Want vooreerst blijkt nu de gevoels-indruk der stoffelijke natuur niet van déze, maar van den geest zeiven ontvangen ; en vervolgens blijkt dc mensch een centraler plaats in het heelal te bekleeden dan aan hem is toegekend door de natuurwetenschap sinds de zestiend'-eeuwsche Renaissance. Laat ons zien:

Te allen tijde heeft het natuurtafreel in het menschelijk gemoed aandoeningen gewekt, zoozeer dat ook de zuiverste en diepste gevoelens bij de aanschouwing der natuur zijn. voortgekomen, i) De oude godsdiensten zijn ten bewijze dat ontzag en eerbied, verademing, verwachting, vertrouwen, bewondering, geheimzinnigheid, ontzetting, vrees, schuld, rouw en twijfel zijn opgewekt in de aanschouwing van zeeën en gebergten, licht en duister, jaartijden, hemel en aarde.

i) Over 't natuurgevoel bij de Grieken, zie Aant. 5.

27

ocr page 32

Ook de verhevenste godsdienstige bewustheid, voor welke de onmiddelijke betrekking tussclien natuur en God niet meer bestaat, zal toch op den indruk van het natuurtafereel antwoorden. Een toereikend gevormde mensch gaat niet onbewogen onder den nachtelijken hemel noch aan de eenzame zee, langs den geweldigen bergwand of aan een bloeienden lentegaard voorbij. Alleen de gewoonte kan tijdelijk onvatbaar maken voor den indruk des gemoeds.

Zoo wij nu bedenken dat de kennis niet afbeelding geeft van een buiten onzen geest bestaande werkelijkheid, maar dat onze geest het beeld der dingen uit eigen aanleg ontworpen heeft en zichzelf voorhoudt in de aanschouwing dezer tafereelen — dan blijkt immers het indruk-verwekkende van hemel, zee, berg of gaarde niet in gindsch buiten den geest gelegen voorwerp der aanschouwing maar in den geest zelf te zijn. De verhevenheid van den sterrenhemel is niet in den sterrenhemel, (niet in het onbekende dat wij ons als sterrenhemel voorstellen) maar in ons zelf; de reinheid van het sneeuwgebergte is eene schoone bekoring in ons zelf; de ernst der eenzame zee is een aandoening van ons zelf, naar aanleiding van een werkelijkheid buiten ons, waarvan wij niets weten of kunnen weten dan dat zij bestaat. Maar al wat in de stoffelijke natuur ons onder indruk brengt van lieflijkheid of schoonheid of verhevenheid of heerlijkheid : het is de geest des menschen die zich naar buiten projekteert en zijne ziele-hoedanigheden uitwerpt over die onkenbare en ongenaakbare werkelijkheid daarbuiten, en daarna onder den indruk komt van zijn eigen hoedanigheden, aldus uitgestald, i)

I) Das Nicht-Ich ist das Symbol des Ich, und dient mir zum Selbstvers'landniss des Ich. Novalis, Fragmente vermischten Inhalts (II Aesthetik und Litteratur).

28

ocr page 33

De verheven sterrenhemel is in de ziel, de eenzame zee is in de ziel, het reine sneeuwgebergte is in de ziel, de bloeiende lentegaard is in de ziel.

Dit te zeggen is geen ontluistering en bedoelt niet de waarden te verminderen maar te verplaatsen ; alle waarde is des geestes; en des te heerlijker blijken ons de rijkdommen der ziel. Hoe omvangrijk is de menschelijke bewustheid die al deze dingen in zich bevat! Hoe zeer zinrijk de geest wiens geaardheid geen tabula rasa is; doch hij is kunstenaar en bouwmeester: en het wereldbeeld voor onze oogen is de kostbare stad door den geest gebouwd.

Met de objektiviteitsleer stijgt de bewondering voor het maaksel der menschelijke ziel. De mensch, niet meer wonend in een stoffelijk heelal, woont in de wereld der gedachte en der voorstelling. Zooals in een middeleeuwsche kerk vertoeven wij te midden van symbolieke teekenen. Alles in onze voorstellingswereld: sterregroepen, zonnen, licht en duisternis, beweging en stilstand, is ornamentatie van het ziele-verblijf.

Op deze wijze is het anthropo-centrisme in anderen en in waarachtiger zin dan naar de onkunde der oude volken hersteld, i) en het anthropo-centrisme heeft een groote geestelijke waarde.

Het hoogreikend geestelijk leven der oudheid, de religieuze bewustheid van Israël, de aandacht voor het Mysterie in Egypte, de vereering van de Levende Schoonheid in Griekenland, bestond onder hoede van het toemaalsche denkbeeld dat de aarde het middelpunt des heelals en de mensch het

l) Het anthropo-centrisme der oude volken. Zie Aant. 6.

29

ocr page 34

doel was van het leven der aarde. De Aarde was de plaats waaraan de groote goden hun werk wijdden. Wel waren de menschen voor de goden en brachten offers hun ten believe, maar nog eigenlijker waren de goden voor de menschen, de schutsmachten voor mcnschelijk recht en menschelijk geluk, huisgezin en staat. Streden Jahve's heerscharen niet voor oud-Israël? kampte Kamos niet voor Moab? had Athene hare stad niet lief boven de anderen? Om het platvlak dei-aarde was de gordel der zeeën, de groote Jormungandre van het noorden; de hemel welfde erover, als een stolp die de aarde beschutte. Een aarde zóó overdekt en zóó bewaakt moest wel kostbaar zijn. Groot gevoelde zich de Mensch als uitverkorene.

De natuurwetenschap der Nieuwe Geschiedenis heeft deze astronomische illusie weggegooid; de aarde is geen middelpunt, tenzij voor de beweging van zoo iets onbewoonds als de maan. De woonplaats der menschen is één van een aantal planeten, draaiend om de zon; niet eens de grootste dezer. De zon is niet dienaar, maar beheerscher der aardsche verhoudingen. En dit zonnestelsel, te zamen nog maar zoo'n lokaaltje in het Heelal, zoo onmetelijk, dat de grootste getallen evenzeer boven menschelijk begrip gaan als onmachtig zijn om iets van de werkelijke afmetingen te vertolken. De grootheid doet ons duizelen en wij voelen ons veracht; de onbeduidende afmeting onzer lichamen vernietigt onze waarde; en het geringer aantal sterren, in het zuidelijk halfrond gezien, bewijst dat ons in dit mateloos Heelal slechts een uithoek ter bewoning is gegund.

De natuurwetenschap heeft genoeg gedaan om aan een twijfelende energie de vleugels kort te snijden. De descendentie-

30

ocr page 35

leer is bovendien ingekomen, opdat de mensch zich niet specifiek voortreffelijker rekene dan de infusie-diertjes of de mikroben zijner krankheden.

En deze theorieën zijn geen willekeurige leeren, waaraan wij ons konden onttrekken, maar ze zijn de noodzakelijke gevolgen van een ernstig empirisch onderzoek en logisch denken, beheerscht door de onontkoombare ideeën des tijds. Er is van de dagen van Keppler af een verminderende schatting van den mensch in het natuurwetenschappelijk bewustzijn. Met zooveel wereldkennis immers past slechts de ootmoed en een ootmoed, die niets koninklijks overlaat; van het centrum ziet zich de mensch tot nabij de periferie verdreven; hij ziet zich ook verkleind als door een omgekeerde teleskoop; en in zoo andere verhouding gesteld dan te voren, hoe zou nu nog als in den tijd der gothiek de geestelijke energie floreeren ?

Nochtans, de subjektiviteitsleer, die de waarheid onzer kennis niet in het objekt, maar in het subjekt stelt, oordeelt anders: aanvaardend de resultaten van het natuurwetenschappelijk onderzoek als geldige opvatting van het wereld-geschieden: zoo verklaart zij de geringschatting der menschenwaarde voor absurd. Wie is het die den mensch uit het centrum naar de periferie verdreef, dan: de mensch? Hij zelf heeft zich uit zijn bevoorrechte stelling teruggezet, maar feitelijk is zijn stelling dezelfde gebleven, zoo hij inziet dat hij het is.

Heelal, wereld, zonnestelsel zijn denkbeelden ontleend aan de menschelijke bewustheid zelve. De afgrond van 't wereldgeheel, waarin de mensch zich bijna verpletterd had, is door hemzelf gegraven. Wat kennen wij van afstanden en afmetingen en wereldstelsels en duisternissen en licht, dan.......onze

31

ocr page 36

voorstellingen en begrippen ? Vanwaar ook de maats-eenheid, waarmee wij onze nietigheid meten, dan aan onze eigen gedachte ontleend?

De subjektiviteits-lecr herstelt de menscheriwaarde in de schatting der menschen, door de natuurwetenschap ontijdig verschrikt, en die zichzelf zouden verzaken en in egoïsme vervallen om de klaarblijkende onwaarde der zedelijke onderscheiden (want zelden leert de mensch waren ootmoed uit het betoog zijner kleinheid).

Het anthropo-centrisme te loochenen is voor den mensche-lijken geest dwaasheid; het is de fout der materaliseerende wereldbeschouwing, dat zij den mensch meet naar de afmetingen zijner lichamelijke verschijning, alsof het lichaam niet is voorstellings-komplex van den geest. In eerste instantie is de mensch subjekt, en als subjekt reikt hij zoover zijn kennis en bewustheid zich strekt. Van den geest zeggen wij:

Ster-licht gewelf! — Uitspansel eindeloos!

Wereld van Liefde! — Ruimten zonder naam!

Hoe kan dit wonen in zoo klein lichaam,

In een eng huis, zóó wankelend en broos ?

I) Hoe armelijk is uit het oogpunt der subjektiviteitsleer de meening der naturalisten, uitgedrukt bijv. in quot;The pioneers of Evolution from Thales to Huxley by Edw. Cloddquot;, waar het heet quot;the old theologies of civilised races, useful in their days... no longer suffice... They have no answer to the questions propounded by the growing intelligence of our time. Their place is being slowly but surely and more effectively filled by a theory which interpreting the mighty sum of things, substitutes clear conceptions of unbroken order and relation between phenomena, in place of hazy conceptions of intermittent interferences.quot; Het zwaartepunt der aandacht te verplaatsen naai de verschijnselen en hun onderlinge betrekking, en zulks een waardig surrogaat te achten voor de „oude theologieënquot; (bedoeld is; voor het geloof in den Onzien-lijken God) kan slechts voor den naieven realist, die hetaanvankelijksteresultaat van kennis-onderzoek nog niet heeft bereikt.

ocr page 37

In ruimer, wel gestaafder en edeler zin dan waarin Protagoras 't bedoelde, herhalen wij op grond der subjektiviteits-leer zijne stelling ttxvtwj xpypxrccv psTpov xySpuvrog, de menscheüjke geest is de maatstaf ter waardebepaling aller dingen. De twijfel aan de menschelijke waarde is absurd verklaard.

ocr page 38

N

IV.

Hetgeen wij aangaande de zinnelijke kennis zeiden geldt ook voor de geestelijke: de waarheid der kennis is niet in de „afspiegelingquot; van eene werkelijkheid buiten ons. Onze geloofsdenkbeelden zijn waar, niet omdat ze als portretten zijn, naar de geestelijke werkelijkheden buiten ons vervaardigd en in onzen geest overgebracht. Er is geen direkte betrekking tusschen een geloofsdenkbeeld en de werkelijkheid die daarmeê is aangeduid. Wanneer wij een voorwerp, bijv. een doornstruik aanschouwen, dan meenen wij gewoonlijk in dit waarnemingsbeeld een direkte afbeelding te hebben van dien doornstruik, daar groeiende. Doch ons bleek in onze voorafgaande overweging dat dit het geval niet is; maar de werkelijkheid nabij ons doet ons op dergelijke wijze aan, dat wij uit ons z el f het waarnemingsbeeld konstrueeren. Onze eigen psychische natuur staat tusschen de werkelijkheid en het waarnemingsbeeld in.

Zoo nu is de geloofs-kennis ook. De direkte „afspiegelingquot; van ecnige goddelijke werkelijkheid is even ondenkbaar als de afspiegeling van eenige zinnelijke werkelijkheid. De denkbeelden staan evenmin zelfstandig tegenover de onzienlijke als tegenover de zichtbare dingen als waren ze spiegels waarin de mensch van terzijde de dingen buiten hem zag weerkaatst.

34

ocr page 39

Ons inenschelijk wezen staat tusschen de werkelijkheid die in onze geloofsdenkbeelden aangeduid wordt en deze denkbeelden zelf in. De betrekking tusschen deze en de bedoelde werkelijkheid is slechts een indirekte. Een direkte betrekking kan er zijn tusschen ons persoonlijk wezen zelf, en de geestelijke werkelijkheid, maar deze betrekking is (men vergunne de onmisbare beeldspraak) aan den binnenkant van ons wezen, terwijl de denkbeelden aan den buitenkant zijn. Laatste kunnen niet anders dan uit ons zelf worden voortgebracht en houden het kenmerk van hun oorsprong, gelijk het voortbrengsel den aard zijns voortbrengers toont. Niet zooals een schildersleerling die een voorwerp nabeeldt, maar zooals een kunstenaar schept uit zijn innerlijke aandoening: zoo zijn de geloofsdenkbeelden uit ons zelf geschapen.

Zijn de geloofsdenkbeelden uit ons zelf voortgebracht en kunnen ze dus niet vergeleken worden met een geestelijke werkelijkheid buiten ons, om te weten of ze waar zijn — dan is de norm der waarheid in ons; niet in het objekt dat aangeduid wordt, maar in het subjekt dat aanduidt, niet in de werkelijkheid buiten ons maar in den mensch zelf. De mensch is het subjekt; de norm der geloofswaarheid is in den mensch, en is derhalve niet anders dan onze zuivere geestelijke natuur zelve, waarvan de geloofsdenkbeelden logisch bewijs leveren; en deze zijn waar indien zij aan dien norm in ons, dat is: aan die zuivere geestelijke natuur beantwoorden.

En daar de geloofsdenkbeelden even als alle denkbeelden door ons zijn \ oortgebracht zoo verstaan wij onder dit „beantwoordenquot; dat de geloofsdenkbeelden waar zijn indien zij met noodwendigheid uit ons geestelijke wezen zijn voortgebracht.

35

ocr page 40

Dat deze opvatting — al moest men ook hare psychologische juistheid huldigen — door velen als „bodemloos subjekti-vismequot; zal verworpen worden is waarschijnlijk. Het „subjektiefquot; karakter der denkbeelden staat voor velen gelijk met hun onwaarheid; althans zoolang de beteekenis van het woord subjekt nog niet rijpelijk is overwogen.

Het „subjektiefquot; karakter der godsdienstige denkbeelden zal men al licht erkennen waar het lagere godsdiensten geldt, omdat de zichtbaarste zijde van de menschelijke natuur in deze naar voren komt; n.1. de zinnelijke verbeelding en het affektieve gevoel. Het is al zeer duidelijk dat bijvoorbeeld de lokalisatie der godsdienstige idealen een voortbrengsel is der menschelijke natuur, welke kwalijk de werkelijke toedracht der geestelijke dingen vermag af te spiegelen, i) En deze lokalisatie is toch voor de lager-godsdienstige bewustheid vanzelfsprekend. De oud-Germaan plaatste zijn hemel-voorstel'ing in het schemerachtige Noorden en telde van Walhall's zalen de vijfhonderdveertig poorten. De Grieksche Olympus is een nog konkreter gelokaliseerd hemelbeeld, omdat hier zelfs de vaagheid van het halfbepaalde vervangen is door de precieze plaatsaanwijzing van een allen bekenden berg. Dat Israel's godsdienst het Zions- en naderhand het Tempel-dogma bevatte, al werd deze lokalisatie des geestcs nog zoo vergeestelijkt, en dat met de opheffing van dit dogma („noch te Jeruzalem noch op dezen bergquot; Evangelie van Johannes, IV, 21) tevens Israöls godsdienst verviel, is zeer treffend. 2) Sterker

1) Wij bedoelen niet dat het fetisisnie (volgens 't welk aan bepaalde voorwerpen bepaalde psychische werkingen zijn verbonden) alle waarheid mist, maar dat het alle zedelijke of geestelijke waarheid mist.

2) Zie Aant. 7.

36

ocr page 41

nog is de lokalisatie der godheid in het afgodsbeeld een bewijs van het overwicht der zinnelijke verbeelding in de lagere godsdiensten.

En nevens deze erkent men dc affektieve gevoelens: afkeer, voorkeur, spijt, wrevel, zinnelijk welbehagen, in de godsdiensten getheomorfizecrd, als teeken dat hier de denkbeelden voortgebracht zijn uit de menschelijke natuur en dat zij niet afspiegeling van de werkelijkheid der goddelijke dingen zijn.

Maar wat menigeen voor lagere godsdiensten in welke hij geen waarheid erkent, zal toegeven: het „subjektiefquot; karakter der godsdienstige denkbeelden, dat zal men ontkennen waar het eigen geloof betreft. Nochtans, eigen geloof — waarin wij ons der waarheid bewust zijn — raadplegend, zoo blijkt ons evenzeer de mensch (het menschelijk subjekt) als schepper en maatstaf der waarheid te gelden. Wij nemen het begrip „menschquot; slechts niet in dien populairen zin, waarin men zich voor fouten verontschuldigt met de spreuk „vergissen is menschelijkquot; en waarin men de afkeurlijke eigenschappen van zwakheid en onmacht samenvat.

Het „subjektquot;, dat is de mensch, heeft ook een hooger waarde en beduidt voor de geloofskennis evenzeer de zuiver-geestelijke natuur als het voor de zinnenkennis de zinnelijke natuur beduidt.

De mensch als geestelijk wezen is norm der geloofswaarheid.

De dogmatiek van vroegere theologen, behandeld met de methode der middeleeuwsche kerkleeraars, heeft zeker aan zoodanige opvatting der geloofswaarheid niet gedacht. Het is merkwaardig zoo vrijmoedig zij spekuleert over de gewei-

37

ocr page 42

digst geestelijke dingen; in de leer der Triniteit bijv. rekent zij de verhoudingen uit tusschen de drie personen; waarin zij elkander gelijk, waarin zij onderscheiden zijn; en welke de werkingen zijn der drie in onderlinge verhouding. In de leer der eigenschappen Gods en der Schepping, Voorzienigheid, Fraedestinatie en reprobatie, weet zij het wezen en de werken Gods met een alle aandoening moordende nauwgezetheid te bepalen. En hier zou nog niet alles tegen zijn, indien men erkende te zoeken naar een noodwendig-menschelijke beschrijving der Mysteriën waarmeê onze geest in aanraking gesteld is; maar neen; had de scholasticus een nieuw begrip gevonden of een nieuwe begripsonderscheiding gemaakt, waardoor het onverstane hem verstaanbaarder werd: dan moest aan deze begripsonderscheiding ook een werkelijkheid in he'; wezen Gods beantwoorden; een werkelijkheid buiten den menschelijken geest en onafhankelijk van on;:e menschelijke bewustheid zóó zijnde.

Maar laat ons eens indenken dat in waarheid het wezen Gods beantwoordt aan ónze begripsdetails! Met hoe groote ontzetting zouden wij dan onze begrippen ter gedachte nemen. Zoo werkelijk het wezen Gods werd afgebeeld met de ontdekkingen der analyseerende logika, clan zouden wij tot i.i wanhopige nauwkeurigheid, ja tot in een onnoemlijk getal van decimalen nauwkeurig ons moeten afsloven om onze begrippen te vergelijken en te ontleden, want; Gods wezen was er mee gemoeid, i)

i) De Gereformeerde dogmatiek is om haar kennis-theoretische fout in blijvend kontlikt met het moderne bewustzijn; met het naïêf realisme is zij tegelijk veroordeeld; de naïeve natuur-wetenschap en Gereformeerde dogmatiek beide veronderstellen dat hare denkbeelden afspiegeling zijn van met de denkbeelden overéénkomstige

38

ocr page 43

Maar juister dogmatiek bestreeft naar aanleg der menschelijke natuur uit te drukken 't geen de mensche-geest heeft ondervonden in aanraking met de wereld Goc's: de norm der waarheid is in den mensch.

werkelijkheden, en dat het logisch verband een werkelijkheidsverband narekent. De dogma's worden waar geacht afzonderlijk van den menschengeest uit welken zij zijn geweld. Van daar een stereotypeering der leerstellingen en een aandacht voor logische analysen die denken doet aan den dienst van steenen goden. De kennistheoretische fout stelt deze dogmatiek buiten de geestelijke belangen onzes tijds.

39

ocr page 44

V.

Bevat de mensch den norm der waarheid in zich, dan is hij normatieve of normale mensch; maatstaf der waarheid. En dat wij geenszins bedoelen de empirische bewustheid der individuëele personen normaal te achten behoeft nauwelijks gezegd. Het is maar de vraag: hoe moet het subjekt (de mensch) bepaald worden, dat zijn norm-karakter blijkt?

Deze vraag doet zich ook voor bij de zinnenkennis. De norm der waarheid van de zinnenkennis ligt in de zinnelijke mensch-natuur; wij zullen te dezer plaats niet breed overwegen om de juiste uitdrukking voor de zinnelijke normaliteit te bepleiten; slechts twee aanwijzingen: de direkt zinnelijke indruk (groen, hard, zout) bevat geen normaliteit, maar wel het uitgesproken oordeel („deze weide is groenquot;);

en: de norm in deze is te vinden in het gemiddelde van twee faktoren: het oordeel van de getal-meerderheid der individuëele menschen en der meerderheid in zinnelijke fijnvoeligheid var. den fijnstbewerktuigden enkele. Deze twee faktoren zijn in onderlinge betrekking de vertegenwoordigers van het normale subjekt der zinnelijke kennis; zij vertegenwoordigen onze zinnelijke natuur.

Ingrijpender is de vraag naar de bepaling van het subjekt als norm van de waarheid der geestelijke kennis. De empirische

40

ocr page 45

mensch, de menscli zooals hij in de vergankelijke toestanden zijns levens blijkt, is geenszins normaal. Op de inkongruëntie van empirischen mensch en normaal subjekt blijven wij met nadruk wijzen.

De mensch is „ empirisch ikquot; als samengesteld uit een som van eindige en vergankelijke „empirischequot; toestanden: begeerten, voorstellingen, denkingen, stemmingen; ook religieuze stemmingen, ook goede bestrevingen; zij alle vormen den mensch als empirisch ik. Dit empirisch subjekt is deelnemend in de sfeer dezer wereld, en ligt onder het oordeel dat over deze wereld gaat en volgens 't welk de dingen dezer wereld in zichzelf geen innerlijk bestand hebben, geen eeuwigheid maar vergankelijkheid, en geen volkomenheid maar zij hebben de zonde. Want de zonde is niet een bepaalde neiging of streving of gezindheid; maar de zonde is de hoedanigheid van het vergankelijke, en is déze gesteldheid der menschen dat ze niet in God zijn, maar in de wereld. Bepaalde neigingen of strevingen zijn slechts uitingen of blijken van dezen toestand. Nu kan hierin het normale niet zijn. Het normale is het Eeuwige dat zijn aangezicht zet tegen den Tijd.

Maar het empirisch ik is niet de geheele mensch; het is het vergankelijke kleed waarin het bovenzinnelijke Wezen des Menschen is gehuld. Er is in den mensch een dieper grond dan de wisselende toestanden. En van dezen dieperen grond gaan werkingen uit naar de sfeer van het bewuste leven heen, dat in opvolgende toestanden henenglijdt. Het Innerlijke Wezen des menschen heeft een eigen aard, en nu bedoelen wij met Innerlijke Wezen niet de inwendige struktuur, of de innerlijke ervaringen of geestelijke behoeften, niet iets dat meervoudig kan uitgedrukt worden; maar een metafysische

■

41

ocr page 46

realiteit; het javergankelijk Individuum dat elke mensch naar zijn geestelijke natuur is.

De innerlijke toestanden, het geestelijk leven — want alle leven is een veelheid van toestanden, die elkaar opvolgen — heeft eigen aard als betrokken op en vastgehouden door dit Innerlijk Wezen. Het naturalisme in spencerschen trant acht ten onrechte de geestelijke toestanden uit de zinnelijke voortgegroeid, alsof de geestelijke ingewikkelder komplikaties waren van 't zelfde dat in de zinnelijke toestanden elemen-teere gedaante heeft. Dit naturalisme weet niet dat de geestelijke toestanden op een andere werkelijkheid zijn betrokken dan de zinnelijke; de werkelijkheid van het Innerlijke Wezen. En achtende dat de aanpassing aan uitwendige omgeving de drijfkracht is, waardoor het geestelijke zich u.t het zinnelijke ontwikkelt, miskent het de waarheid, dat de uitwendige omgeving de aanleiding is, waardoor de geestelijke ideeën in den loop der tijden van uiterlijk aanschijn veranderen („evolutiequot;); maar dat het geestelijke nooit in verschikking en aanpassing aan het uitwendige bestaat. Hoezeer in verband met de omgeving zich ontwikkelend, zoo geschiedt de spontane vlucht der geestelijke ideeën steeds als protest tegen de omgeving; de groote geesten geven het tastbaarste bewijs dezer stelling, zij zijn opbouwers door te verbreken.

Deze waarheid beduidt dat er een kracht des menschen is niet uit de empirische sfeer der uitwendige omgeving of der daarin passende levenstoestanden ontsprongen; maar uit een innerlijken aard welke slechts denkbaar is zoo de Mensch een boven-zinnelijk i) Innerlijk Wezen heeft.

i) Trans-empirisch, trans-scendentaal.

ocr page 47

Wij kunnen deze waarheid nog nader bepalen: heeft de mensch een bovenzinnelijk Wezen, dan is hetgeen hij bovenzinnelijks heeft zijn eigen Innerlijk Wezen zelf. Het hoogste dat een mensch kan worden is dat hij zich Zelf wordt. Zelfverloochening, zelf-verzaking, zelf-kruisiging is Zelf-wording. Het empirische ik of zelf, dat ten onrechte in de christelijke dogmatiek als het eigenlijke zelf wordt genomen, is niet de mensch-Zelf. Het ik dat onttroond moet worden, en dat onder de zonde zijnde als hoofdsom der gode-vijandige krachten wordt misprezen, is geenszins het ware Ik, en is eigenlijk geen „ikquot; omdat het een som van toestanden is en niet een Individuum. Als een mensch geworden is tot geestelijke persoonlijkheid is hij geenszins uit zich Zelf gekeerd, geenszins Uebermensch geworden noch aan zijn waarlijke wezen ontstegen. Als de mensch nieuwe schepping, kaine ktisis, is geworden, dan is hij geen nieuw wezen dat te voren niet bestond; maar het nieuwe is de daad waardoor zijn Zelf aan hem is geopenbaard; nieuw is de afscheuring der nevelen zijner bewustheid, waardoor hij als door een apokalupsis zich Zelf is komen te aanschouwen als niet dezer wereld doch der wereld Gods toebehoorende.

Dit is de palingenes ie, dat de bewuste aandacht verplaatst is; het zwaartepunt der aandacht wordt verplaatst uit de sfeer der empirische toestanden, uit de eigen genoegens, stemmingen, begeerten, zonden, deugden, behoeften, lusten, droefheden en uit de doeleinden dezer wereld, grover of verfijnder; en wordt overgeplaatst naar het Innerlijk Wezen dat hij nu kent als beeld Gods en door 't welk hij God kent. De palingenesie is de ontdekking van het in God zijnde Zelf der menschen, en dat aanvangt te leven nu het als

43

ocr page 48

zijnde ontdekt is. Geen ontdekking maakt hetgeen nog niet is, maar ontsluit het Zijnde; en de mensch van zijn zinlijke (empirische) gedaante ingekeerd in zijn waarlijk wezen en van zijn voorbijgaande in zijn waarachtige natuur, ontdekt zijn Zelf gelijk hij zonder het te weten van den aanvang af in God geweest is. Nu wordt het Innerlijke Wezen in den mensch zei f-b e w u s t.

De zelf-bewustheid van het Innerlijk Wezen is des menschen zuiver-geestelijke natuur en Norm der geloofswaarheid.

Maar hoewel elke mensch innerlijk Norm is, zoo wordt hij eerst normaal (normatief) en wordt zijn denken wetgevend door de palingenesie; hij moet worden wat hij var. wezen uit is; het zwaartepunt van zijn bewuste leven moet verplaatst worden. Het Innerlijk Wezen in God zijnde, moet zich daarvan bewust worden.

En deze bewust-wording is een zedelijke heils-volvoering; het is geen logische konkluzie. De palingenesie is de zedelijk-godsdienstige Inwijding in ons eigenlijke Wezen, dat in Gods liefde is besloten. „De menschquot; of het „Innerlijke Wezenquot; of „het Zelfquot; is geen abstractum; men kan niet er toe kon-kludeeren volgens de substantie-kategorie, zoodat men het Innerlijke Wezen opvatte als substantieëelen grond of drager van de empirische toestanden en uit deze besloot tot het bestaan van een Innerlijk Wezen. Op deze wijze zou het Innerlijk Wezen in dezelfde verhouding gedacht moeten worden tot de empirische toestanden, als het abstractum „ de stof gedacht wordt in verhouding tot de stoffelijke verschijnselen. En dit is geenszins zoo.

44

ocr page 49

De erkenning van het Innerlijke Wezen in ons is een zedelijk postulaat en men kan slechts in der waarheid tot deze erkenning komen door de reëele verplaatsing van 't zwaartepunt der bewustheid van de empirische sfeer naar het Innerlijk te ondergaan. Maar men kan ook voorloopig en bij vooruitgrijping antecipeerend voorzien. En omdat een mensch, zoolang hij in deze empirische levenssfeer vertoeft nooit geheeliijk zichzelf wordt, maar het zedelijk heilsproces zijn voortdurenden voortgang heeft, daarom is alle zedelijke geloofskennis eenigermate antecipeerend. De mensch weet dat zijn God-geschapen Wezen ongeschonden is, maar evenzeer is het zedelijk heilsproces der bewustwording nog niet voltooid en hij weet dat zijn innerlijk Zelf in God is, maar evenzeer leeft hij nog slechts ten deele in God.

Nu vermag hij te antecipeeren. De heilswcrking (palingenesie) is van teleologisch karakter; zij is eene doel werking waarvan het kenmerkelijke is dat het weten aangaande het doei voorafgaat aan de bereiking. Dit is met alle doelwerking het geval, in de organische natuur evenals elders; men noemt een organisme een teleologisch produkt omdat een ideüele voorteekening (d.i. onbewuste voorstelling van de voltooide organische inrichting) aan de fyziologische werkingen voorafgaat , die het organisme voortbrengen. In het zedelijke leven evenzoo: men weet het einde vóór het is bereikt; zoo slechts het proces der heilsverkrijging begonnen zij, heeft de mensch van het voorgeteekende ideaal der voltooiïng de kennis in zijn ziel.

Tot antecipatie heeft de mensch alleenlijk dan geen recht wanneer hij het proces der heilswerking nog niet in zich begonnen vindt, of wanneer hij, staande aan den aanvang,

45

ocr page 50

zonder middel van het doorgangsproces meent de voltooiing deelachtig te kunnen zijn. Maar vindt hij het begonnen dan is hij zich bewust geworden van zijn Innerlijke Wezen en in deze wassende bewustheid normale mensch wordende, vermag hij te erkennen; de norm der waarheid is in mij.

Hebben wij nu het begrip van subjekt bepaald in zijn norm-karakter, dan volgt natuurlijk dat de waarheid onzer geloofsdenkbeelden hierin bestaat dat zij in overeenstemming zijn met of beantwoorden aan het zoodanig subjekt; en wij zeiden reeds dat deze overeenstemming of beantwoording bestaat in het noodwendig voortgebracht zijn. Geloofsdenkbeelden zijn waar, indien ze met zedelijke noodwendigheid uit het normale subjekt zijn voortgebracht, i) De Mensch, aldus opgevat, oordeelt juist in alle dingen. 2)

1) Van wege het Innerlijk Wezen is noodwendigheid van zelf zedelijke nood-wendigheid.

2) Hij is de beradene van welken Aristoteles verklaart (Eth. Nic. III, 6) ó lt;T7rovdxioQ yup éxccGra y.pivei 'oprws.

46

ocr page 51

VI.

De tegenspraak die deze stelling te duchten heeft is als volgt: van ouds heeft men waarheid opgevat als overeenstemming der denkbeelden met hun voorwerp. Wij meenden dat onze geloofsdenkbeelden nu ook waar zijn als afbeelding van (of overeenstemming met) de werkelijkheid Gods. Maar zijn ze waar omdat ze uitdrukking of schepping zijn van ons eigen wezen, dan zijn ze illuzie; dichterlijke fantazieën, verzinsels van vernuft en gemoed, schimbeelden waarmee een onwetend hart zich troost of waarin een ziel hare grondelooze verwachtingen uitspreekt, maar illuzie; „subjektiefquot; zijnde stellen ze ons niet in betrekking met de „ objektieve quot; werkelijkheid Gods.

Aldus de tegenspraak.

Men bedenke daartegen dat de mensch uit zijn geestelijken aanleg denkbeelden van de goddelijke dingen voortbrengend, nu zichzelf kent als in de goddelijke dingen gegrond. Er heeft een omzetting plaats, want terwijl de psychologische toedracht van opvolging en veroorzaking der denkbeelden dusdanig is dat de mensch uit zichzelf tot God besluit (n.1. uit zichzelf de idee Gods schept) zoo gaat hij nu in zijn zedelijk godsdienstige bewustheid aan God allen voorrang toekennen en gaat zelfs uit God tot zichzelf besluiten, immers

47

ocr page 52

hij acht zichzelf in God gegrond. De psychologische prioriteit welke de mensch heeft als schepper vóór zijn denkbeelden als door hem geschapen, wordt omgezet in een logische of ideeële prioriteit van den inhoud der denkbeelden boven den geest die ze schiep, i) De menschegeest erkent nu zichzelf volgens zedelijk-godsdienstig besluit als in God gegrond; en in deze zedelijk-godsdienstige erkenning weet hij de uit hem zelf voortgewelde geloofskennis als gevrijwaard voor illuzie.

Het gegrond zijn in God volgens deze zedelijk-godsdienstige erkenning wordt opgevat als niet in den tijd. De psychologische prioriteit van den oorsprong der denkbeelden vóór de denkbeelden zelf wordt als een betrekking in den tijd gedacht; maar de prioriteit Gods boven des menschen geest is een tijdelooze betrekking en daarom slechts door zedelijk-godsdienstig inzicht te erkennen, geenszins door een neutraal verstandsbesluit vast te stellen. De empirische psychologie betrekt onder hare beschouwing oorsprong en karakter der denkbeelden, maar weet niet van een metafyzische verhouding tusschen het kennend subjekt en zijn inhouden, en een deduktieve metafyzika vermag wel uit aangenomen hoofdstellingen andere denkbeelden op logische wijze af te leiden, maar de aanvaarding der hoofdstellingen zelve (i. c dat God prioriteit heeft boven den enkelen menschegeest) is buiten logisch bereik en alleen door geloof verkrijgbaar.

i) Plet geloof heeft de idee Gods als uitgangspunt; het Geloof ziet vnnGod uit de wereld aan en stelt de daad Gods in de wereld als gegeven aanvangspunt zijner ideeën; maar de theologie als godsdienst-wetenschap is antliropo-logisch; zij heeft de idee des menschen als uitgangspunt; van uit de idee Gods is0geen wetenschap denkbaar; dogmatiek als wetenschap is een contradictio in adjecto.

48

ocr page 53

Maar wel vermag de logische analyse van het kenvermogen plaats te laten voor de geloofserkenning der prioriteit Gods. De logische zelfbezinning leidt — gelijk ons bleek — tot het inzicht van het mysterie-wezen van den geest als kennend subjekt. En met dit aanvaarden van het subjekt is mede logisch recht verkregen voor een kennis-type waarin het subjekt zich zelf handhaaft; het zedelijk-religieuze inzicht is daarmêe gevrijwaard tegen de miskenning des verstands.

Nu is dan wat wij „omzettingquot; noemden, n.1. dit inzicht van ideëele prioriteit Gods niettegenstaande de psychologische prioriteit des menschen, een zedelijk-godsdienstig besluit; evenzeer slechts door zedelijk inzicht te verstaan, als met zedelijk-godsdienstige noodwendigheid gesteld. Het wezen onzes geestes handhaaft en betoont zich zelf in deze erkenning ; zoodat de erkenning der prioriteit Gods met dezelfde zedelijke noodwendigheid geschiedt, als waarmede de geloofs-denkbeelden uit den menschelijken geest voortkwamen. De prioriteit Gods te erkennen is niet anders dan eene erkenning van de werkelijkheid der goddelijke dingen ; n.1. dat zij niet voortbrengsels zijn onzer gedachten; maar dat zij afgezien van onzen geest een eigen bestaan hebben, i) 'Deze erkenning is het wezen

i) Geeft het geloof zedelijk recht tot de erkenning van de realiteit der inhouden onzer geloofskennis, dan wordt toch daarmede geen recht verschaft om de denkbeelden „ afbeeldsels quot; of „ afspiegelingen quot; te achten van de goddelijke dingen. Deze erkenning zou wezen een vertroebeling van de psychologische toedracht met ontologisch inzicht. Afbeelden of afspiegelen is een psychologische uitdrukking, beteekend het d i r e k t e verband tusschen het denkbeeld en de werkelijkheid, welke men in het denkbeeld meent aan te duiden; psychologisch valt echter geen ander verband te konstateeren dan tusschen denkbeeld en subjekt; en het geloof, een innerlijke betrekking ziende tusschen subjekt (kennenden geest) en de geestelijke wereld vermag geen psychologische waarheden te veranderen en geen andere betrekking tusschen het denkbeeld en de werkelijkheid der geestelijke dingen te erkennen dan door-bemiddeling van den menschengeest.

4

49

ocr page 54

des geloofs (fides qua creditur). Het aannemen van God en de dingen Gods als werkelijk is de zedelijke geloofsdaad bij uitnemendheid. Op onmiddelijke wijze en niet als een voorbedacht besluit (— „omzettingquot; noemen wij slechts het geloofsbesluit vergeleken met de psychologische toedracht —) neemt het geloof de werkelijkheid der dingen Gods aan ; fVr/y Sf irfJTi: Trpayftxrcov ky.syyjjq ou fiXsTrspsyuv (Brief aan de Hebreërs XI, i). De onzienlijke dingen, God, Koninkrijk Gods, enz. zijn inhouden onzer geloofsdenkbeelden; dat deze denkbeelden werkelijkheid beduiden is door geen verstands-besluit uit te maken; maar in de erkenning dezer werkelijkheid bestaat het geloof.

Wanneer dan de mensch zijn eigen Innerlijk Wezen gegrond weet in de wereld Gods, dan zal hij in zijn geloofsdenkbeelden , door ze op zich zelf te betrekken de goddelijke dingen herkennen. i) De kunstenaar aanschouwt in zijn werk zichzelf, maar door zijn werk op zichzelf te betrekken herkent hij daarin het Ideaal dat hij niet als maaksel zijner inbeelding maar als werkelijkheid weet, en als eene werkelijkheid om welke zijn leven zin verkrijgt. Zóó de geloovige: in God gegrond zijnde herkent hij de dingen Gods in zijn geloofskennis en herkent ze door bemiddeling zijns zelfs.

In zoodanige bemiddelde verhouding tot de werkelijkheid der goddelijke dingen zijn de geloofsdenkbeelden Symbolen. Een symbool is een gedachtebeeld, waarin de geest de werkelijkheid herkent, waarin hij zelf zijn grond heeft. De geest verstaat den zin des symbools uit eigen intuitie. Herkennen is nooit een onmiddelijke aanschouwing; maar de

I) Zie Aant. S.

So

ocr page 55

onmiddelijke aanschouwing wekt gedachten op aan het afwezige, en dan heeft men in het onmiddelijk aanschouwde het afwezige herkend. Zoo is 't wanneer iemand een lang vergeten vriend wederziende, in het nu aanschouwde uiterlijk aan de vroegere gestalte (het afwezige naar den tijd) wordt herinnerd. Dan is het door bemiddeling van de aanschouwing dat de vroegere gestalte wordt herkend. Zoo is ook het symbool een gedachtebeeld , waarin de geest herkent 't geen voor de onmiddelijke aanschouwing niet openligt. Het symbool is niet der aanschouwing maar des geloofs. Het middellijk karakter der symbolen bestaat hierin dat de kennende geest (beeldsprakig gezegd) tusschen de werkelijkheid Gods waarvan hij deel uitmaakt en het gedachtebeeld instaat, zoodat de goddelijke dingen niet anders gekend kunnen worden dan in gedachtebeelden , welke de geest uit zich zelf heeft voortgebracht naar aanleiding der werkingen uit de goddelijke wereld ontvangen.

Wij willen deze toedracht in beeld voorstellen ;

In een vertrek werpt de zon hare lichtstralen binnen, en deze treffen het kristallen prisma dat, gehangen aan een luchter, nu de stralen vangt en door zich heen latend, ze in verscheiden kleuren uitwerpt tegen den kamerwand. De zon is de wereld der goddelijke dingen, de lichtstralen zijn de uitgaande werkingen of openbaring Gods; de menschegeest is het prisma, de kamerwand is de menschelijke gedachtenwereld.

De kleuren kunnen niet door de zon op den wand geworpen worden dan door middel van het prisma; het prisma kan geen kleuren op den wand werpen, zonder licht der zon.

De openbaring geschiedt nimmer onmiddelijk in eene buiten de menschelijke persoonlijkheid om meegedeelde kennis; maar middellijk door het prisma der persoonlijkheid heen. Degeen

Si

ocr page 56

die in de kamer vertoevend de kleuren aanschouwt ziet deze vóór zich, en weet het licht achter zich. In de toedracht der geestelijke dingen is wel niet voor en achter, maar er is uitwendig en innerlijk. De denkbeelden zijn veruitwendigd, geobjektiveerd, van uit het binnenste geprojekteerd in de sfeer van het objektief-meedeelbare; zooals de kleuren geworpen zijn uit het prisma naar het wandvlak vóór ons. Maar de wereld der geestelijke dingen is innerlijk in ons; het Koninkrijk Gods is binnen in ulieden (intra, niet inter); gij moest door uzelf heenzien, met retrogressieve aanschouwing om de geestelijke wereld waarvan uw wezen deel uitmaakt naakt en geopend met uw blik te bereiken.

Bij zoodanige toedracht zijn de geloofsdenkbeelden symbolen; de geloofskennis is symbolische kennis; en hare waarheid bestaat hierin dat zij werkelijk uit ons Innerlijk Wezen is voortgebracht en geschapen. Losgemaakt van ons eigen en eigenlijk wezen zouden dogma's fikties zijn der rede of der fantazie; op zich-zelf gezet, al of niet in het verband van een onderling stelsel, zijn ze uit de lucht gegrepen illuzien. Maar deze afhankelijkheid van ons Innerlijk Wezen, dat in de wereld Gods zich gegrond weet, sluit illuzie uit. En daar dit „zich gegrond weten in de wereld Godsquot; eene zedelijke geloofserkenning is, zoo is ook alleenlijk voor ze del ij ke geloofsbewustheid te bewijzen dat de geloofskennis niet illuzioneel is.

Zoo nu door geloofsbesluit het illuzioneel karakter der geloofskennis weersproken is — zoo kan men met nog een ander bezwaar aankomen tegen onze stelling dat de kennis waar is als voortgebracht door het subjekt. Immers elk subjekt

52

ocr page 57

staat niet slechts tegenover het objekt (bezwaar der illuz.:e), maar elk subjekt staat ook tegenover het mede-subjekt. „ Wanneer de geloofskennis een stelsel is va;i geopenbaarde waarheden en dus gelijke logische geldigheid hebbend voor allen die haar openbarings-karakter aannemen; of wanneer de geloofskennis een stelsel van kerkleer is, uitwendig gezaghebbend voor alle lidmaten — dan is zij eerst recht gevrijwaard voor willekeur; dan weten wij wat wij gelooven moeten en bezitten geloofsdenkbeelden veilig en vast bewaard als goudstukken in de' hand van een voorzichtig mensch; in t algemeen: zoo een uitwendige autoriteit, welke ook, te verkrijgen zij, is onze geloofskennis gewaarborgd tegen willekeur; maar zoo de norm der waarheid in het subjekt ligt, dan is onze geloofskennis aan alle willekeur der individualiteiten ten buit.quot; Aldus het bezwaar.

Voor zoover dit bezwaar onjuist is, is het reeds weerlegd door onze beschrijving van het subjekt der geloofskennis, als niet met het „empirisch ikquot; gelijk te achten. De willekeur der individualiteiten komt alleenlijk uit de empirische verschijning voort. Willekeurig is de verschijningssfeer, voor zoover zij niet als symbool eener grondelijke waarheid gelden kan, en dus aan zichzelf is overgelaten. In der menschen meeningen en handelingen vinden wij de willekeur, wanneer zij staan onder de heerschappij der atfektieve gevoelens, voorbijgaande en zin-aandoende begeerten, waarin de grillige voorkeur der individualiteiten is gevestigd. Maar indien ernstige zin en diepe overtuiging meeningen of handelingen beheerscht spreken wij van willekeur niet, daar wij in zoodanige meening of handeling nu ook een grond zien, dieper gelegen dan de empirische sfeer. Waar deze grond — des menschen Innerlijk Wezen zelf —

53

ocr page 58

zich openbaart is geen willekeur maar zedelijke noodwendigheid.

Dit is wel zeker; en toch is het bezwaar hiermede slechts ten deele weerlegd. Dat onze geloofskennis niet illuzioneel is kon eerder worden toegestemd omdat men een middelijke betrekking van ons bewuste leven met de dingen Gods kan aannemen; doch in het onderscheid der verscheiden belijdenissen blijkt de willekeur, als het vrije vermogen der individuen om de geloofsideeën naar eigen keus te beschrijven en te verklaren.

Maar zekerlijk blijft deze vrijheid als een psychologische noodzaak, waar men ook den norm der waarheid gelegen acht, in den mensch zelf of in een uitwendige autoriteit; en het is slechts een vraag van utiliteit, niet van waarheid zoo men overweegt öf de uitwendige autoriteit niet verkieslijk is boven de inwendige om de willekeur van het individualisme tegen te gaan; terwijl niet de utiliteit maar de waarheid ons moet ter harte gaan.

De geestelijke mensch woont in deze waarnemings-wereld en neemt met affektieve gevoelens deel aan haar; immers al is zijn zinnelijke natuur niet meer de beheerschende macht over zijn leven en ligt het zwaartepunt zijner bewustheid niet meer in deze zinnen-sfeer, zoo heeft hij vooralsnog zijn aftektief bestaan niet afgelegd. Maar bovendien is de waarnemings-wereld de bouwstof voor het symbool waarmede hij van de geestelijke dingen spreekt. Symbolisch is de geloofskennis omdat wij zinnelijke bestaansvormen noodig hebben om ons de geestelijke werkelijkheid in te denken. De aardsche voorstellingen en begrippen als van oorzakelijkheid (Gods werkingen) en van staatsregeering (Koninkrijk Gods) en van doeleinden (Gods leidingen) deze uit den tijd gegrepen en op de Eeuwigheid

54

ocr page 59

aangewende kennis-elementen zijn onmisbaar voor de symbolisch geestelijke kennis, voortgebracht uit het Innerlijk Wezen. En evenzoo blijft er zeker recht bestaan voor de eigenaardige individualiteit der bizondere karakters om in verband met hun voorstellings-verbindingen, en meest in relief komende denkbeelden en gevoelingen de geloofs-Ideeën zich toe te eigenen.

Wat velen begeeren: zuiverheid, de verplichting om op dezelfde wijze zich de geloofs-Ideecn toe te eigenen, is behalve een psychologische fout ook, moreel geoordeeld, een begeerte uit de vreesachtigheid van het klein-geloof en dus uit de affektieve natuur.

Nu is er zekerlijk geen uitwendig kenmerk of meedeelbaar kriterium om te weten wat in de geloofskennis waar zij en wat willekeurig. Wij kunnen niet anders geestelijke waarheid beoordeelen dan door de intuitie onzer geestelijke persoonlijkheid, en door kracht van ons eigenlijke wezen. Een uitwendig kriterium voor de waarheid ware wel begeerlijk voor het verstandelijk gemak en ook voor de praktijk van kerk-in-richting en maatschappelijke organisatie der gemeente. Maar het is ten bewijze der hoogheid van het geestelijke dat aan het geestelijke leven de utiliteit geen aanpassing vindt. Men kan niet anders bekennen of eenige godsdienstige leering waar zij dan door zelf geestelijke mensch te worden. Zoo iemand wil Gods wil doen, zegt Christus, die zal bekennen of mijne leering uit God zij; dat is: zoo iemand een geestelijke persoonlijkheid geworden is, zijnde in den wille Gods: die zal de waarheid eener geloofsleering kunnen inzien. Het kriterium is slechts op innerlijke wijze mogelijk.

Er is geen ander bewijs voor de waarheid des geloofs dan

55

ocr page 60

het ondervindingsbevvijs desgenen die, geestelijke persoonlijkheid zijnde, zijn innerlijk wezen in zijn geloofskenning vindt beantwoord.

Zeker is deze uitkomst onvoldoende niet alleen voor de maatschappelijk-godsdienstige levenspraxis; maar ook voor de direkt-moreele behoefte der meesten. In de samenleving en in 't verloop der zedelijke opvoeding wordt vereischt dat men een godsdienstige overtuiging hebbe, voordat het zedelijk heilsproces der palingenesie aan de ziel zijne werking begonnen zij. En ook de meeste menschen — de onverschilligen niet medegerekend — wenschen voor de rust des gemoeds en voor een bouwvast in hunne gedragingen en voor een regel tot levensopvatting een godsdienstige overtuiging langs den korteren weg dan van zedelijke verdieping te ontvangen. De tijd noch het vertrouwen is hun eigen om af te wachten; en zij grijpen liever in plaats van een zedelijk gegroeide overtuiging naar het surrogaat der godsdienstige kerkelijke- of partij-meening en verbergen hun gemis van diepte achter des te grooter beslistheid; en het oordeel der meesten volgens 't welk „ beslistheidquot; overtuiging is, komt hen te stade. Voor zoodanige waarheids-kennis is een uitwendig kriterium der waarheid begeerlijk. Nochtans zoo men de kennis der waarheid als een zedelijk bezit aanmerkt, dan heeft onze leer waarbij alle uitwendige autoriteit gemisr wordt niets vreemds. En zoo alleenlijk zedelijke ondervindings-weg tot de kennis der waarheid geleidt, dan zal wie dit inziet om geen utilitcitsreden hoe dringend en edel ook tot het aannemen eener uitwendige autoriteit in geloofszaken zich in staat voelen.

Noch het wassend ongeloof onzer dagen — gelijk in elk

56

ocr page 61

tijdperk de uitdrukking der vreesachtigen luidt, — noch de ongeschiktheid der groote meerderheid tot zelfstandig oordeel of de nood der tijden, noch eenige klem van redenen wettigen de zucht naar een verstandelijke zekerheid, in plaats van de zedelijke geloofs-overtuiging door palingenetische levensverdieping te winnen.

57

ocr page 62

VII.

Zijn dus de geloofs-Ideeön of symbolen uit het Innerlijk Wezen geschapen — niet ontsprongen uit zinnelijke willekeur, noch aangegeven of geoordeeld door autoriteit — maar geschapen na het palingenetisch proces der bewustwording: zoo is een middel tot aanstichting van het proces der palin-genesie aannemelijk, en een middel dat aan de zuiver zedelijke natuur van het heilsproces niet te kort doet; namelijk het uitgesproken getuigenis der in God levende gemeente.

„De Gemeentequot; is de gemeenschap der menschen niet in hun tijdelijk maar in hun eeuwige samenzijn, en niet naar hun empirische zijde, maar naar hun diepst-innerlijke zijde verbonden. De diepst-innerlijke natuur der verscheiden individuen is van willekeurige onderscheiden vrij, en hoewel gecne eenvormigheid te dezen opzichte kan aangenomen worden, alsof in de gemeente der vereenigde Innerlijk-levenden allen een onverscheiden droef-eenstemmig aangezicht vertoonden, — zoo valt hier toch een samenstemming aller aan te nemen, omdat het Innerlijk Wezen een onverbroken en ongedeerde Gods-schepping is, en alle menschen, van het Innerlijk bewust in God een zijn, en slechts in de empirische wereld verschillend.

58

ocr page 63

Deze gemeente draagt niet eenig epitheton tot pozitieve kenschetsing, daar zulke toevoeging haar innerlijke, eeuwige natuur vertroebelen zou met een empirisch kenmerk. Zij is niet Christelijk, noch Boedhistisch, noch Islamistisch, zij is niet in bepaalden, pozitief-historischen zin godsdienstig; zij is slechts godsdienstig, d. i.: zij is innerlijk. Haar leven is het eenig innerlijke dat bestaat, geenszins een abstraktie veralgemeend uit de bestaande pozitieve godsdiensten maar is het leven. De menschen levend in hun innerlijke, waarlijk menschelijke wezen zijn in onderlinge gemeenschap: zij zijn in de gemeente en hebben God lief. Het is slechts een zaak van werkelijkheid.

Nu heeft deze gemeente een uiterlijke zijde, naar de empirische wereld toegekeerd; zooals de eeuwigheid eene zijde heeft toegekeerd naar den tijd; in de empirische historische sfeer dezer wereld spreekt zij de ideeën uit die haar levensinhoud zijn. Deze uitspraak is het „getuigenis der gemeentequot;, Het vernemen van dit getuigenis is voor den mensch middel om tot het heilsproces der palingenesie te komen ; vernemende moet hij de zedelijke waarheid dier uitgesproken ideeën ondervinden, welke waarheids-ondervinding de palingenesie of verplaatsing der aandacht van de uiterlijke levenssfeer naar de Innerlijke Werkelijkheid is.

Maar het middel, hier beschreven, is in de empirische sfeer dezer wereld, en moet verneembaar zijn voordat de palingenesie, waartoe het middel strekt, voltrokken wordt; het getuigenis der gemeente, is in de sfeer de'zer wereld uitgesproken, anders zou het geen middel zijn. En nu komen de godsdienstige belijdenissen aanspraak maken om het getuigenis der gemeente te zijn; en zij kunnen niet anders hun

59

ocr page 64

aanspraak waar maken, dan aan de personen die door dit middel zichzelf tot de heilsvolvoering der palingenesie gekomen weten. En ook slechts aan de personen kan een bepaalde godsdienstige belijdenis door ondervinding bewijzen dat zij hoewel van andere belijdenis verschillend, niet willekeurig is maar in den dienst van de palingenesie onmisbaar.

De univerzeel-Christelijke belijdenis — een partikularistische die tot partij- of bizondere kerkvorming aanleiding geeft komt niet in aanmerking wegens overwicht van wereldsche bedoeling — aanknoopend aan de zedelijke waarheid der palingenesie i) wil niet anders dan deze bekend maken als daad Gods op twee onderling on-losmakelijke manieren; vooreerst in de individuëele menschen te volvoeren; vervolgens (en dit is het centrale punt) als representatief-symbolisch in de (empirische-socieële) sfeer dézer wereld heilrijk volbracht en openbaar gemaakt in den gekruisten en opgewekten Christus. „God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende.quot; Aldus gaat de christelijke belijdenis tot de wereld en uit hare overwinning slechts kan voor de wereld hare waarheid blijken, welke in onze persoonlijke harten verzekerd is.

Doch men bedenke dat de waarheid eiker belijdenis niet ontkomt aan den eisch dat de norm der geloofskennis innerlijk zij ; gelijk de belijdenis van Christus als in wien de daad Gods der wereldverzoening openbaar is, geen waarheid hebben zou, zoo zij niet ontleend ware aan en gegrond in den inner-lijken aard van het menschlijk wezen, gelijk dit in aanraking komt met de empirische levenssfeer. De erkenning van den

i) De erkenning van liet Innerlijk Wezen en van de noodzaak der palingenesie.

60

ocr page 65

Christus zou geen waarheid bevatten, indien ons wezen er niet van te voren op wachtte. De norm der waarheid is binnen in ons, ook voor beoordeeling eener bepaalde belijdenis.

De Waarheid der kennis is hare menschelijkheid; zoo moet dan ook overal waar menschelijkheid is geestelijke, ware kennis gevonden worden, al zij 't in nog zoo geringe maat. Zoo moeten dan ook bij de lager beschaafde volkeren waar het innerlijke leven slaapt, toch als in verwarden droom gronddenkbeelden van de ware kennis zijn voortgebracht. Al heeft de zinnelijk-aftektieve zienswijs gezag over de geestelijke: doordat het menschelijke ook daar is, zal het ook daar blijken. En zekerlijk berusten de overeenkomsten tusschen de hoogere godsdiensten en het Christendom — welke overeenkomsten men meestal op historische wijze heeft zoeken te verklaren — hierop dat ook in déze, Boeddhisme, Islam, Parsisme, Graecisme, Israël de menschelijke persoonlijkheid gestreefd heeft de zinnelijk-aftektieve levenssfeer door te dringen en tot uiting te komen. In elke grondzakelijke overeenstemming dei-godsdiensten hebben wij een vreugdeteeken van hetzelfde Hart des menschen dat naar God roept, i) Tertullianus' spreuk „Anima naturaliter Christianaquot; is vooral in omgekeerde begripsorde waar: het Christelijke is niet iets buiten de orde aan de diepere natuur der ziel toegevoegd; het legt alle bizonderheid af voor den wezelijken aanleg des geestes; en alle godsdiensten zijn godsdienstig, of zijn waar voorzoover ook in deze een bloei is uit de wortel der menschelijke persoonlijkheid voortgekomen.

i) Over het pozitieve standpunt der waardeering, zie Aant. 9.

6l

ocr page 66

Alle kennis is gegrond in het Mysterie van het Subjekt. De norm der waarheid is in het subjekt bevat, hetzij der zinnelijke kennis waarmee de mensch het uitwendig en tijdelijk verblijf zijns levens bouwt; hetzij der geestelijke kennis of der symbolische geloofs-Ideeën. Als schepper der geestelijke kennis noemden wij het Subjekt Innerlijk Wezen. Naarmate het Innerlijke Wezen den menschen openbaar wordt is het Koninkrijk der Waarheid nabij. Waarheid is menschelijk-heid en de mensch als Innerlijk Wezen is in God.

62

ocr page 67

AANTEEKENINGEN.

ocr page 68

WÊ'

;

ocr page 69

Aant. I.

Uit gewoon-wetenschappelijk oogpunt acht men de kennis (dat is in dit geval: wetenschappelijke theorieën of resultaten) waar, indien een zekere groep van verschijnselen door zoodanige theorie als onder een algemeen oorzakelijk verband of wet zijn samengevoegd en nu uit deze wet verklaard, dat is, begrepen worden. De waarde eener theorie is dan daarin gelegen dat zij ons het verband der verschijnselen leert verstaan.

Indien de verschijnselen van materieele natuur zijn, dan acht men (wetenschappelijk) dit oorzakelijk verband op het gebied der materieele natuur gelegen; en zoo de verschijnselen van psychische natuur zijn, acht men het verband evenzoo van psychischen aard. Hierbij komt de tegenstelling tusschen onze bewustheid en de werkelijkheid der bedoelde verschijnselen (welke in onze bewustheid zijnde toch geacht worden als daarbuiten) geenszins ter sprake.

Maar bij de studie van het kenvermogen wordt juist op die tegenstelling aangehouden. De tegenstelling tusschen subjekt of kennenden geest en objekt of gekend en buiten den geest gedacht voorwerp, is gemaakt; in hoever vermag nu het subjekt door zijn kennis het buiten den geest geachte objekt te benaderen? Wat is de waarheid der kennis uit oogpunt van het objekt dat men gekend acht ?

Deze vraag nu is de vraag naar den aard van het kenvermogen

5

65

ocr page 70

(kennend subjekt) en vereischt een onderzoek daarvan. De waarheid die aan onze kennis eigen is, en zooals zij eigen is aan onze kennis, moet gegrond zijn in het kenvermogen zelf. Het onderzoek naar de waarheid der kennis bestaat dus in onderzoek naar den ken-nenden geest.

Dit onderzoek is ingericht volgens deze vraagpunten ; I. Hoedanig is de apriorische geaardheid van de ken-funktie des

geestes ?

a. welke zijn de grondgestalten der logische funktie? (abstraktie, begripvorming, oordeel, klassifikatie, induktie , syllogisme.)

b. welke is de in deze gestalten blijkende logische grond-aanleg des geestes ?

c. welke zijn de apriorische hoedanigheden aller kennis en voor den logischen aanleg des geestes als een onverbrekelijk vormenschema gereed liggend? (ruimte, tijd, kategorieën.)

II. Wat is uit deze apriorische geaardheid van het kenvermogen

af te leiden:

a. als voorwaarde waaronder de kennende geest aan zijn oordeelen geldigheid moet verkenen (kriteriura);

b. betreffende de kenwaarde van het geldig geachte oordeel; d. i. de waarde voor kennis van een werkelijkheid buiten het bewustzijn ?

Aant. II.

De verhouding der begrippen geest, ziel, subjekt is moeilijk te bepalen. Het spraakgebruik heeft hier een verwarring gesticht waaraan men zich nauwlijks onttrekken kan. Elk dezer woorden worde gebezigd in bepaald opzicht. Van subjekt wordt gesproken ten opzichte van het objekt. Een zaak heet objekt in de hoedanigheid van gekend te worden, onverschillig of zij (bijv. wanneer een mensch deze „zaakquot; was) op ander oogenblik in aanmerking kwam om

66

ocr page 71

subjekt te heeten: als voorwerp van kennis is zij objekt. Subiekt is dus degeen die de bewustzijnsakte verricht.

De geest heet subjekt voor zoover hij in de hoedanigheid van kennend of bewust wezen beschouwd wordt; d. i. voor zoover hij in tegenstelling met het gekende voorwerp of met den bewustzijnsinhoud wordt gedacht.

Geest en ziel zijn aldus onderscheiden dat geest is een aktivum en ziel is nooit aktief; wanneer wij bedoelen den grond der werkingen, spreken wij van geest. De geest is de individueele éénheid, het eigenlijke bovenzinlijke individuum in den mensch; en daar in de sfeer der psychische en uitwendige natuur geen aktiviteit is, doch slechts opvolging van verschijnselen, is de geest hét deel des menschen dat, buiten het natuur-gebeuren staande, door den dood niet kan getroffen worden. Wij spreken van geest-elijk leven bedoelend die innerlijke gebeurtenissen waarin wij meer bepaald de teekenen van dit wezen ontwaren.

^De term „zielquot; is een kollektief-naam; niet in zichzelf één noch ondeelbaar is zij, maar bevat alle innerlijke toestanden en is de som yan deze. Er bestaat in deze toestanden geen andere eenheid dan door betrekking op den geest. Ziel is derhalve niet noodzakelijk individueel gekenmerkt, evenmin als het begrip „som van toestandenquot; een individualiteit beduidt. Men kan spreken van kollek-tieve ziel, dier-ziel, plant-ziel, wereldziel, en bedoelt dan zekere sommen van psychische toestanden in de verscheiden orden van het organische leven aanwezig. Allereerst komen bij den term „ zielquot; de emotioneele toestanden (aandoeningen en begeerten) in aanmerking; en van het representatieve leven (voorstellen, verbeelden, denken) valt bizonderlijk de kennis-daad (het syllogistisch of induktief besluit, de tegenstelling, geldig-verklaring) als akte des aktieven geestes buiten de zielesfeer.

Maar behalve eene som van toestanden duidt de term „zielquot;, de geaardheid of aanleg van des menschen denk-werkzaamheid tian,

67

ocr page 72

volgens welke de indrukken worden verwerkt tot kennis-voortbrengsels. Deze aanleg, ontsprongen uit den geest, is geen aktivum, maar is de inrichting of apriorische vorm van des geestes werking j en hoewel geenszins afzonderlijk van den geest bestaande als zelfstandige toestand (zooals het web der spin afzonderlijk van de spin bestaat uit welke het is voortgebracht; en zooals ook bepaalde ziele-toestanden, stemmingen, voorstellingen een zeker eigen bestaan verkrijgen en een zekere zelfstandigheid tegenover het geesteswezen zelf) — zoo is toch dit apriorische vormen-schema van 's geestes werkingswijs onderscheiden van den geest zelf, en een potentieel bestaande moule waarin de geest de inkomende indrukken of primordiale ziele-toestanden tot kennis-geheelen verwerkt.

Dit apriori nu, en dus ook de ziel, voor zoover zij daarvoor als benaming dient, kan subjekt geheeten worden als tegengesteld aan het objekt, daarin opgenomen; in gelijk opzicht kan ook de terra bewustheid subjekt heeten. Wanneer wij nu zeggen bijv.: „de sterrenhemel is in de zielquot; wil dit beteekenen dat ons voorstellingsbeeld „sterrenhemelquot; gekonstruöerd is volgens en bevat in dezen aanleg des geestes, en tevens de gevoelsstemmingen daarbij opgewekt, toestanden onzer ziel zijn en van binnen ontsprongen. In tegenstelling met geest beduidt dus ziel niet het onsterfelijke wezen, maar zijn levens-vorm.

Aant. III.

„Het objektief-natuurüjke bestaat niet, maar alle evolutie enz. gelijk alle lijnenplan der orde van geschiedenis en natuur is symbool van den geest en alleen verstaanbaar zoo. daarin de kennende geest zijn eigen werk aanschouwt.quot; Men ziet hieruit dat de evolutietheorie ten onrechte van naturalistische zijde aangeboden wordt als een theorie tot objektief-natuurlijke verklaring der stoftelijke, organische, bezielde en geestelijke wereldgeschiedenis. De evolutie-theorie

68

ocr page 73

is een methode van ordening onzer kennis; evolutie staat dus wat objek-tiviteit betreft geenszins op dezelfde lijn als de onmiddelijke ervarings-voonverpen, die hoezeer inhoud des geestes, dan toch het onrnid-delijkst naar aanleiding van het x der buitenwereld zijn verkregen. Moet de stof der empirie op objektief-natuurlijke wijze beschreven worden, dan mag men niet verder gaan dan op grond der ervaring de waarneembare kauzale verbintenissen tot algemeene kauzale regelen generalizeeren, geldend voor het gebied dier speciale waarnemingen. Het oorzaak-begrip is een louter formeel betrekkingsbegrip onzer bewustheid en is zuiver idee-loos, terwijl het evolutiebegrip de geschiedenis en natuur interpreteert met behulp der idee en met behulp der in de idee bevatte waardeering, (Verg. mijn opstel „de wereldleer in Spinoza's Ebticaquot; Hoofdst. I, 3 Tweem. Tijdschr. Mrt. '97.)

Ten onrechte wordt dus ook van apologetisch-christelijke zijde de evolutie-idee verworpen voor interpretatie der godsdienst-geschiedenis als zou daarmee het naturalisme met vlag en wimpel zijn binnengehaald. Het onrechtvaardig diskrediet der evolutie-idee komt vanwege de toeöigening van dezen naam door de engelsche pozitivisten, die met hun evolutie-leer zedelijkheid en godsdienst in de biologie invoeren en de waarde en zelfstandigheid van het innerlijke leven ontkennen.

Maar de toepassing der evolutie-idee in de geschiedenis van godsdienst en zedelijkheid bedoelt het gegeven materiaal van godsdienstige denkbeelden en uitingen dusdanig in tijdsorde te regelen dat het idieetin-leven eens volks zichtbaar wordt als zijnde i n b e-weging en in verband met zijn sociale en politieke geschiedenis. De evolutie-leer wil in verband met eens volks levens-omstandigheden het verloop zijner innerlijke geschiedenis duidelijk maken. Zij wil de innerlijke waarden geenszins uit de uitwendige geschiedenis verklaren. De godsdienstige ideeën, waarde-oordeelen, en de beschouwing van natuur en leven en van eigen verleden wijzigen

69

ocr page 74

zich in verband met de uitwendige geschiedenis; laatste is de aanleiding waarbij de mensch zich bewust wordt van zijn innerlijken inhoud ; 't zij door overeenstemming met of door verzet tegen het uiterlijk. Deze wijziging is de geschiedenis, haar in hoofdkarakter te beschrijven bedoelt de evolutie-leer; de innerlijke waarde der ideeën, wordt daarbij in volle maat van lengte, breedte en hoogte erkend; het is geenzins de bedoeling om iets te verminderen maaide bedoeling is om beter te verstaan.

De evolutie-leer, gelijk wij hier bedoelen, en die met het engelsch evolutionisme niets heeft uit te staan, laat volle ruimte voor het innerlijke leven der persoonlijkheden; zij erkent de onberekenbaarheid en het Mysterie van het innerlijk en loochent geenszins het wonder (de aanwending van onbekende psychische krachten tot wijziging der effekten van het gewone natuur-geschieden) als uitingswijze van het individu en zijner kracht, evenmin in Indië als in Egypte als in Israël. Maar zij behoeft met het wonder niet te rekenen omdat dit geen invloed heeft op de geschiedenis, dat is op de wijziging der godsdienstig-zedelijke ideeën. De erkenning van den eigen aard en het eigen recht des innerlijken levens der individuen beteekent dat de evolutie-leer het hart der ideeën rekent te liggen buiten de geschiedenis ; de ideeën-zelve zijn mysteriën van innerlijke waarachtigheid en in deze laat zij het openbaringskarakter ten volle gelden. Openbaring is de aanraking Gods met 's menschen innerlijke AVezen.

Indien men van apologetisch-christelijke zijde meer gelet had op de doel-erkenning gelijk in de evolutie-idee is bevat, had men het idealistisch karakter der evolutie-leer beter verstaan; het streven om de grootere waarden te verminderen door ze uit kleinere af te leiden (gelijk de meeste Darwinisten de waarde van den mensch verminderd achten door zijn dierlijke afkomst, in plaats van de waarde van het dier verhoogd te achten) is aan de evolutie-leer niet eigen; maar zij erkent in den vroeg-historischen aanvang der

70

ocr page 75

ideeën teleologisch deEelfde zedelij k-godsdienstige realiteit aanwezig, waarvan men in lateren tijd pas de volle maat zal verstaan; zooals in 't ruw metaal het edele zuiver aanwezig is al ziet men bet in vuilen staat. Evolutie wil zeggen: het historisch proces der bewustwording waardoor in verloop van tijd de besten eens volks verstaan leeren wat van den aanvang af in de volksbewustheid Is opgesloten geweest.

Dat de evolutie-idee in haar teleologische natuur de erkenning impliceert van een buiten alle geschieden (d. i. buiten den tijd en dus in eeuwigheid) blijvende geestelijke werkelijkheid, werd door ons op kennis-theoretische wijze verklaard met de uitspraak: alle evolutie is symbool van den geest en alleen verstaanbaar zoo daarin de kennende geest zijn eigen werk (en door zijn eigen werk heen zijn eigen eeuwig wezen) aanschouwt.

Aant. IV.

In alle kennis ligt een tweeheid van subjekt en objekt, en alle kennis impliceert de erkenning dat subjektiviteit en objektiviteit (de werkelijkheid van het subjekt en de werkelijkheid van het ob-jektieve) gelijkelijk bestaan. Ten onrechte meent men dat de subjektiviteitsleer die de waarheid der kennis in het subjekt gelegen acht, het bestaan van een objektieve, dat is buiten den geest zijnde, werkelijkheid, loochenen moet. Reeds tegen Kant werd opgemerkt dat hij geen recht had het Ding an sich als bestaande aan te nemen. Het is waar dat elk bepaald voorstellings- of denk-voorwerp niet tot eenig ander bewijs van werkelijkheid dienen kan dan om te bewijzen de werkelijkheid van het subjekt. Het werkelijk bestaan buiten den geest kan niet aan eenig bepaald voorwerp noch aan eenige toedracht of bewegings-wijze, noch aan eenige algemeene inrichting der natuur worden toegekend. Want deze alle zijn pro-dukten onzer geestes-verrichtingen.

71

ocr page 76

Wanneer wij echter spreken van objektieve werkelijkheid is niet bedoeld eenig waarnemings- of voorstellings- of denk-objekt als inhoud der bewustheid; en zij is niet te beschrijven nóch als som, noch als oorzaak, nóch als substantieele grond der objekten, omdat wij niet van de bepaalde objekten tot het bestaan der objektieve werkelijkheid besluiten; maar wij besluiten daartoe van wege de subjektiviteit, d. i. van uit den aard der bewustheid zelve.

Alle bewustheid is gekenmerkt door het tweeledig karakter van feit en inhoud. Alle denken stelt iets dat gedacht wordt; hetgeen gedacht wordt kan niet ident geacht worden mèt noch een onderdeel geacht worden van het denkende; het feit der voorstelling kan niet ident geacht worden met haar inhoud. Het menschelijk denken, zichzelf ontledend, moet erkennen de gelijkwaardigheid of het tegelijk-bestaan van tweeërlei primordiale , in alle bewustheidsakte blijkende werkelijkheid. Het subjekt is de eene, het andere dan 't sujjekt, of de „objektieve werkelijkheid buiten den geestquot;, is de andere werkelijkheid. Naar aanleiding van laatste vormt de geest zijn waarnemingen enz.

Aant. V.

Men meent gewoonlijk dat de aanschouwing der natuurtafereelen bij den Griek geen gevoelens opwekte omdat deze zich onmiddelijk een konkrete menschelijk-goddelijke gestalte in het natuurtafreel verbeeldde, zoodat hem het direkte natuurgevoel ontging in het zoeken naar den god. Ook de renaissance-kunst heeft zich-zelf vaak den natuur-indruk benomen door de allegorische verbeelding; begrijpelijk daar zij een Romaansch produkt is en de Rcmaansche volken niet in liet direkte natuursentiment leven. En zeker is het direkte natuur-gevoel der germaansche volken, zooals reeds in Walter von der Vogelweide en in vele strofen van den Reinaert, in Goethe maar meer in Keats en Shelley, meer nog in Richard

72

ocr page 77

Wagner en heerlijkst in Gorters Mei uiting vindt—zeker is ait sentiment den Grieken vreemd geweest. Nochtans is ook in Griekenland de natuur gevoeld zonder de mythologische verbeelding, al zij het niet in die mate van innigheid als der natuur-stemming bij den Germaan. Wanneer een mensch voor zij n vreugden of smarten weerklank zoekt bij de natuur, kan men een direkten indruk van deze veronderstellen; op het oogenblik zijner gevoels-aandoeningen wil hij slechts gevoelen — wendt zich tot de natuur om direkt medegevoel, en deed zuks niet, zoo hij door haar niet met direkte gevoelens werd aangedaan. Odysseus, turend over de zee aan het eiland der godin, Ajax (in Sofokles drama) de stroomen en zeegrotten aanroepend om te deelen in zijn nood; Tiresias verkondigend dat de zeeboezem en de Cithaeron instemmen zal met Oedipus' jam-mergeklaag — zijn eenige argumenten voor onze bewering (Verg. Ltlbker die Sophokl. Theol. u. Eth. Kiel '55 2te Hlft. I, 3. Der Mensch u. die Natur.)

Aant. VI.

,, Het anthropocentrisine in anderen en waarachtiger zin dan naar de onkunde der oude volken hersteld.quot; In het centrale punt der oude wereldbeschouwing staat niet zoozeer de mensch als hev menschelijk belang. De belangen der menschen regeeren het heelal. Dit is de wereld dienstbaar gemaakt aan een koningschap van 't kleine ik. Spinoza beschrijft dit anthropocentrisme in het Appendix van 't Eerste Deel der Ethica: „De menschen doen alles om doeleinden en wel om het nut dat zij bestreven. Vandaar dat zij van hetgeen geschiedt altijd de doeleinden begeeren te weten, en tevreden zijn zoodra ze die hebben verstaan. Kunnen ze nu deze niet te vernemen krijgen dan blijft hun slechts over tot zichzelf te gaan en te zinnen op de doeleinden door welke zij tot dergelijke daden plegen bewogen te worden; en zoo beoordeelen zij noodzakelijk naar eigen karakter het karakter van het andere. Daar ze verder in en buiten zichzelf

73

ocr page 78

niet weinig middelen vinden, die bijdragen tot de verkrijging van hun nut, bijv. oogen om te zien, tanden om te kauwen, planten en dieren tot voedsel, de zon om licht te geven, de zee om visschen voort te brengen enz., zoo is het gekomen dat ze alle dingen der natuur beschouwen als middelen tot hun nut geschapen. En daar zij die middelen wel door henzelf tot aanwending gevonden, maar niet door henzelf aldus geschapen wisten, geloofden zij daarom dat er iemand anders was, die deze middelen tot hun nut had ingesteld. Want nadat zij deze zaken als middelen beschouwden konden zij niet gelooven dat deze zichzelf hadden gemaakt; maar zij moesten wel besluiten dat evenals 't geval was bij de middelen die zij zichzelf bereid hadden, zoo ook hier iemand of eenige beheerschers der natuur met menschelijke vrijheid begiftigd, alle dingen voor hen hadden verzorgd, en ten hunnen nutte alles hadden gemaakt.quot;

Dit anthropocentrisme van de egoïstische doelbeooging is terecht door de natuurwetenschap omvergeworpen en zal door geen kennisleer hersteld worden. Dat deze leer ook in haar populaire gevolgen zou uitgeroeid zijn meenen wij niet. En dat het anthropocentrisme der oude volken den onadel dezer konklusies bewust geweten heeft, evenmin.

Aant. VIL

„ Sommige koningen trachtten wel in weerwil van het wereldlijk gezag hunner betrekking het geloof aan eene bestemming boven het aardsche volksbestaan te redden, maar wanneer zij Jeruzalem tot het symbool van het aardsche vaderland maakten, en Sion met de stad, die eeuwige fondamenten heeft, den tempel met de hemelwoning Gods gelijkstelden, hechtten zij zich slechts te beslister aan het aardsche en vergankelijke. De koning, die in dien toeleg het grondigst te werk is gegaan, heeft juist door zich tegen Pharao Nekoh te verzetten, zijn rijk onherroepelijk ten ondergang doen neigen.quot; W. G. Brill, Het Ware Evangelie, VL (Het ware wezen

74

ocr page 79

van den godsdienst). Gelijk zeer vele dezer artikelen zoo is ook dit zeer geschikt ten bewijze dat het Christelijk bewustzijn andere dan de traditioneele opvattingen van Israels historie verdragen kan.

Aant. VIII.

„De goddelijke dingen herkennenquot; — dit is ook de grondgedachte der platonische filozofie; de goddelijke dingen zijn de Ideeën, en daar er een punt van vereeniging is, hoe dan ook, tusschen de zinnelijke voorwerpen en de Ideeën, is het mogelijk bij waarneming der voorwerpen aan de Ideeën indachtig te worden. Dit kan te eer daar de mensch eenmaal de Ideeën gezien heeft in het tijdvak zijner praeëxistentie, en thans rondwandelend door de aardsche afbeeldingen, in staat is zich te herinneren hetgeen hij eenmaal zag. Begrijpen is zich herinneren; het is dit dat men in het thans waargenomen onvolmaakte door herinnering herkent de Volkomene Idee, eenmaal gezien.

Het is hier de vraag: waarop valt bij dit Platonisch herkennen de meeste nadruk; op het kennen of op het herinneren? Indien deze platonische leer van het begrijpen afstamt van de sokratische „ vroedvrouw quot;-methode (volgens welke het begrijpen, d. i. de definitie, door de dialektische overweging ontlokt wordt aan onzen geest, die het begrijp reeds onbewust in de ziel droeg) moet het platonisch begrijpen meer een herinneren dan een kennen genaamd worden. Het kennen zou beteekenen dat in de zinnelijke voorwerpen een zoozeer gelijkende afbeelding van de Idee was, dat het inzicht in de Idee meer uit de overeenkomst van zinnelijk voorwerp met deze, dan uit een bizondere hoedanigheid der ziel afstamde; het herinneren daarentegen, in dit verband benadrukt, bedoelt dat de ziel uit haar bizondere hoedanigheid en door zich bewust te worden van haar verleden, bij de geringe aanleiding van 't waarnemen der voorwerpen de in haar zelve bevangen kennis der Ideeën voortbrengt.

In laatsten zin bedoeld, heeft de platonische gedachte verwant-

75

ocr page 80

niet weinig middelen vinden, die bijdragen tot de verkrijging van hun nut, bijv. oogen om te zien, tanden om te kauwen, planten en dieren tot voedsel, de zon om licht te geven , de zee om visschen voort te brengen enz., zoo is het gekomen dat ze alle dingen der natuur beschouwen als middelen tot hun nut geschapen. En daar zij die middelen wel door henzelf tot aanwending gevonden, maar niet door henzelf aldus geschapen wisten, geloofden zij daarom dat er iemand anders was, die deze middelen tot hun nut had ingesteld. Want nadat zij deze zaken als middelen beschouwden konden zij niet gelooven dat deze zichzelf hadden gemaakt; maar zij moesten wel besluiten dat evenals 't geval was bij de middelen die zij zichzelf bereid hadden, zoo ook hier iemand of eenige beheerschers der natuur met menschelijke vrijheid begiftigd, alle dingen voor hen hadden verzorgd, en ten hunnen nutte alles hadden gemaakt.quot;

Dit anthropocentrisme van de egoïstische doelbeooging is terecht door de natuurwetenschap omvergeworpen en zal door geen kennisleer hersteld worden. Dat deze leer ook in haar populaire gevolgen zou uitgeroeid zijn meenen wij niet. En dat het anthropocentrisme der oude volken den onadel dezer konklusies bewust geweten heeft, evenmin.

Aant. VII.

„ Sommige koningen trachtten wel in weerwil van het wereldlijk gezag hunner betrekking het geloof aan eene bestemming boven het aardsche volksbestaan te redden, maar wanneer zij Jeruzalem tot het symbool van het aardsche vaderland maakten, en Sion met de stad, die eeuwige fondamenten heeft, den tempel met de hemelwoning Gods gelijkstelden, hechtten zij zich slechts te beslister aan het aardsche en vergankelijke. De koning, die in dien toeleg het grondigst te werk is gegaan, heeft juist door zich tegen Pharao Nekoh te verzetten, zijn rijk onherroepelijk ten ondergang doen neigen.quot; W. G. Brill, Het Ware Evangelie, VL (Het ware wezen

74

ocr page 81

van den godsdienst). Gelijk zeer vele dezer artikelen zoo is ook dit zeer geschikt ten bewijze dat het Christelijk bewustzijn andere dan de traditioneele opvattingen van Israels historie verdragen kan.

Aant. VUL

„De goddelijke dingen herkennenquot; — dit is ook de grondgedachte der platonische filozofie; de goddelijke dingen zijn de Ideeën, en daar er een punt van vereeniging is, hoe dan ook, tusschen de zinnelijke voorwerpen en de Ideeën, is het mogelijk bij waarneming der voorwerpen aan de Ideeën indachtig te worden. Dit kan te eer daar de raensch eenmaal de Ideeën gezien heeft in het tijdvak zijner praeëxistentie, en thans rondwandelend door de aardsche afbeeldingen, in staat is zich te herinneren hetgeen hij eenmaal zag. Begrijpen is zich herinneren ; het is dit dat men in het thans waargenomen onvolmaakte door herinnering herkent de Volkomene Idee, eenmaal gezien.

Het is hier de vraag: waarop valt bij dit Platonisch herkennen de meeste nadruk: op het kennen of op het herinneren? Indien deze platonische leer van het begrijpen afstamt van de sokratische „vroedvrouw quot;-methode (volgens welke het begrijpen, d. i. de definitie, door de dialektische overweging ontlokt wordt aan onzen geest, die het begrijp reeds onbewust in de ziel droeg) moet het platonisch begrijpen meer een herinneren dan een kennen genaamd worden. Het kennen zou beteekenen dat in de zinnelijke voorwerpen een zoozeer gelijkende afbeelding van de Idee was, dat het inzicht in de Idee meer uit de overeenkomst van zinnelijk voorwerp met deze, dan uit een bizondere hoedanigheid der ziel afstamde; het herinneren daarentegen, in dit verband benadrukt, bedoelt dat de ziel uit haar bizondere hoedanigheid en door zich bewust te worden van haar verleden, bij de geringe aanleiding van 't waarnemen der voorwerpen de in haar zelve bevangen kennis der Ideeën voortbrengt.

In laatsten zin bedoeld, heeft de platonische gedachte verwant-

75

ocr page 82

schap met hetgeen door ons bepleit werd aangaande het herkennen der goddelijke dingen. Niet in de zinnelijke waarnemingsbeelden (als volgens Plato's leer) maar in de geloofsdenkbeelden herkent de mensch de goddelijke dingen door tot zichzelf in te keeren (Plato: herinneren) dat is door ze te betrekken op zijn eigen wezen. De geest herkent zichzelf en daarmeê de werkelijkheid die hij in zich draagt dat is: in welke hij is gegrond.

Aant. IX.

Het pozitieve standpunt der waardeering. Men treft echter meestentijds de menschen op het negatieve standpunt staande. Inliet bewustzijn der meeste christenen is het heidendom iets vijandigs; en nu bedoelen wij niet het heidendom in zijn afzichtelijke vormen , maar in zijn schoonste gestalte. De ideeën van „heidenschequot; denkers, Indisch, Grieksch, Chineesch, neemt men meestentijds tegengesteld aan eigen geloofsbewustheid. De overeenkomsten tusschen Boeddhistische denkbeelden en Christelijke acht men gaarne gevaarlijk voor de zelfstandigheid van het Christendom. De ideefin van wijs-geeren, die niet in de Christelijke belijdenis staan, acht men als vanzelf verwerpelijk. Namen als van Spinoza en Kant prikkelen vele „Christenenquot; als vanzelf tot tegenspraak. Deze vooroordeelen komen voort uit het onjuist defensief karakter der kerk-belijdenis. Verre van de Paulinische spreuk te verstaan „alles is het uwe en gij zijt van Christusquot; wijst men liever het heerlijkste als „gevaarlijkquot; af en meent zich te moeten verdedigen. In plaats van de wereld in liefde te omvatten betoont men zich wereld-vijandig. Het zwak geloof, zich niet bestand voelend tegen de wereld, stoot haar af en miskent hoe heerlijke waarheid in de wereld ligt uitgespreid. Dit is het negatieve standpunt der waardeering; en dat het van grootsche gezindheid en ruime liefde getuigt zal niemand zeggen. Hoe anders zag Vinet de litteratuur van zijn tijd! De

76

ocr page 83

ethiek in Spinoza's Ethica is een doordacht voorbeeld van het positieve standpunt der waardeering. In de studiën van den overleden Prof. W. G. Brill blijkt deze positieve waardeering op bladzij aan bladzij. Brill zag zijn verheven geloof in de „heidenschequot; denkbeelden uitgedrukt. Verg. W. G. Brill, Geestelijke Nalatenschap (Leiden '96) bl. 72 vvg. getiteld: Denkbeelden met de heilige Schrijvers overeenkomstig, bij Heidensche Schrijvers voorkomende, en bl. 222. Verg. ook Prof. Gunnings Goethes Faust bl. 6 e. a.

77

ocr page 84
ocr page 85
ocr page 86

■

ocr page 87