VAX
schadevergoeding aan arbeiders wegens ongelukken in gevaarlijke bedrijven,
DOOR
LTJDVIG BKAMSm
/. u I 1' H Iquot;. x,
W J. i'HIKME .V- Cil'
-
.....lt;«
VAM
J. «. BIJdESE,
i UuUo Gradu bij de
Ijjnmarkt.
U T K E C M T.
^xw^ocxxx^xocwoooooJ
Wettelijke Regeling
van
schadevergoeding aan arbeiders wegens ongelukken in gevaarlijke bedrijven,
door
LÃÃDVIG BRAMSEN.
De Schrijver van dit opstel, Ludvig Bramsen, lid van het deensche Folkething, heeft veel studie van het onderwerp gemaakt, evenals van sociale wetgeving over het algemeen.
In 1S89 werd hij door de hoogeschool te Kopenhagen met de gouden medaille bekroond voor zijn groot werk âEen uiteenzetting en beoordeeling van de wetgeving in Engeland en Duitschland betreffende arbeiders in fabrieken en werkplaatsenquot;, welk werk op last van het deensche ministerie van Binnenland-sche zaken werd uitgegeven.
Hij heeft het voornaamste aandeel gehad in de bewerking zoowel als verdediging van de onlangs tot stand gekomen deensche wet, waarvan een vertaling hieraan is toegevoegd.
Overtuigd van de juistheid van mijn vriend Bramsen's ideëen heb ik gemeend deze onder de aandacht te moeten brengen van den nederlandschen wetgever en van het nederlandsche publiek.
Carel Henny.
's Clravenhage, Januari 1898.
Een uitbreiding van de verantwoordelijkheid van werkgevers voor ongelukken, ingevolge het gewone recht, werd in Duitschland reeds in 1871 tot stand gebracht ten opzichte van arbeiders in groote fabrieken. De nieuwe wet week hierin af van de gewone wetgeving, dat de werkgevers ook aansprakelijk werden gesteld voor schuld en nalatigheid van hun oevolmach-
ö » ' O
tigden en opzichters, wanneer ongelukken voor de arbeiders daarvan het gevolg- waren. Of er verant-
O O
woordelijkheid bestond en welke schadevergoeding in dit geval moest worden uitgekeerd, zou zoo noodig
O O O
worden uitgemaakt door den gewonen rechter. Daar nu deze wet de arbeiders slechts beschermde in de naar verhouding weinige gevallen, waarin zij schuld bewijzen, terwijl zij zelf de gevolgen van alle andere ongelukken moesten dragen, dus ook van die uit het bedrijf voortvloeiende, werden de processen tusschen arbeiders en werkgevers zeer talrijk. De arbeiders werden immers in zekeren zin door de wet geanimeerd om te beproeven schuld bij den werkgever te bewijzen. De drang om de proef te nemen was des te grooter, daar er in de wet geen grenzen waren aangegeven
6
voor de quot;rootte van clc schadeverLroediW en de ar-
o cgt; o
beider-aanklager in den regel pro deo kon procedeeren. Men kon daarom met recht beweren, dat deze wet van 1871 er niet toe bijdroeg den socialen vrede te bevorderen, door de verhouding tusschen arbeiders en werkgevers te verbeteren. Het bewijs was voor de arbeiders moeilijk te leveren en daarom stonden bovendien de voordeelen voor dezen niet in verhouding tot de uit de wet voortvloeiende moeilijkheden voor de werkgevers. Men richtte dientengevolge in 1878 in den duitschen Rijksdag een verzoek tot de regeering om de wet te herzien. Algemeen werd geloofd, dat een poging zou gedaan worden om den bewijslast over te dragen op den werkgever, die dus zijn onschuld (of dien van zijn plaatsvervanger) zou moeten bewijzen, indien hij vrijgesteld wilde zijn van aansprakelijkheid voor een ongeluk. Hen zoodanige regeling, meende men, zou ten gevolge hebben, dat de eigenlijke be-drijfsongelukken voor een groot gedeelte vergoed zouden moeten worden door de werkgevers â op de zelfde wijze als het geval reeds was bij bedrijfs-ongelukken op spoorwegen, krachtens bijzondere wet.
Inmiddels werd, tengevolge van den aanslag door Nobiling, de socialistenwet aangenomen en reeds bij de uitvaardiging daarvan werden er beloften gedaan tot indiening van een wetsontwerp ter verbetering van den toestand der arbeiders. In zijn troonrede, in Februari i 88 [, beloofde de Keizer den arbeiders â als tegenstelling van de socialistenwet â een grootere
o lt;»
mate van staatszorg dan hun tot hiertoe ten deel was
7
gevallen en tegelijkertijd werd liet eerste wetsontwerp in zake verzekering van arbeiders teyfen ongelukken
O O O
in gevaarlijke industrieën ingediend.
Dit vond echter geen bijval in den voorgestelden vorm en eerst het derde wetsontwerp werd in 1S84 tot wet verheven. Deze duitsche wet van 1884 â die slechts een schakel uitmaakt in de keten van arbeider-verzorgino- daar de wet van verzekering tegen ziekte
O ö 7 O O
daaraan voorafging en de ouderdoms- en invaliditeitswet er op volgde â veranderde den toestand veel radicaler, dan men in 1878 had vermoed. Deze wet stapte over de vraagstukken aangaande schuld, aansprakelijkheid en bewijs heen, in dier voege dat door deze begrippen eenvoudig een streep werd gehaald. Deze stoutmoedige en grootscheepsche duitsche wetgeving gaf in de europeesche staten den stoot tot de behandeling van het vraagstuk, zoowel in de openbare discussie als in de werkzaamheden der wetgeving. Hier te lande (Denemarken) b.v. werd in 11885 de tweede »Commissie voor Arbeidersbelangenquot; benoemd, speciaal om wettelijke verzekering van arbeiders tegen ongelukken voor te bereiden. Hinde 1887 was deze Commissie met haar taak gereed en in 1888 diende de regeering een ontwerp van wet in, dat in hoofdzaak overeenstemde met het voorstel der commissie, welk laatste weder, wat de belangrijkste punten betreft, op het duitsche voorbeeld steunde. Dit ontwerp is niet wet geworden.
Het verdient de opmerkzaamheid van allen, die in het onderwerp belangstellen, ook buiten Denemarken,
8
dat het nieuwe deensche wetsvoorstel, door het Folke-thing in het loopende jaar eenstemmig aangenomen en sedert wet geworden, op een grondslag rust, principieel geheel verschillend van de duitsche wet en dus ook van het vroegere deensche voorstel en van dat van de Commissie voor Arbeidersbelangen. Ook in andere landen â Zweden, België, Frankrijk, Engeland, Italië, Rusland, Finland e. a. â blijkt men ongeneigd te zijn om het voetspoor te volgen van de duitsche wet. Wat is er dan gebeurd, dat deze veranderde stemming kan verklaren ? Waarom verliest het duitsche systeem, dat toch aan zoovele landen de impulsie gaf, terrein in Europa's wetgevenden arbeid? Wat heeft bewerkt, dat de man, die in Duitschland aan het hoofd gesteld werd van de Arbeidersverzekering en die overal
O O
buiten Duitschland propaganda heeft gemaakt voor de beoinselen van de duitsche wet, meer en meer energieke
O 7 O
tegenstanders ontmoet onder de mannen van de wetenschap en de politiek,om zich ten slotte van den strijd terug te trekken?
Wat eindelijk is de reden, dat ook uit Duitschland waarschuwende stemmen opgaan en dat een krachtige tegenstand zich vormt tegen uitbreiding van de wet tot het eigenlijke handwerk? Alvorens hierop te antwoorden is het noodig in het kort de belangrijkste grondslagen nategaan van de duitsche wetten tot verzekering van arbeiders tegen ongelukken.
«_gt; o «rgt;
9
Om geschil te voorkomen over de rechtmatigheid van een ingestelden eisch, heeft â zooals reeds gezegd â de Duitsche wet de begrippen »aansprakelijkheidquot; en »schuldquot; opgeheven. Of er sprake is van ongelukken, uit het bedrijf voortvloeiende, of van zoodanige, waarvan de getroffene door eigen roekeloosheid zelf de ontwijfelbare schuld draagt, het resultaat blijft hetzelfde n.1. verzorging- binnen de grenzen der wet. En
ö cgt; O
is het ongeluk ontstaan door schuld of grove nalatigheid van den werkgever of diens vertegenwoordiger, zoo blijft het gevolg weer hetzelfde, daar de speciale wet het recht van den arbeider op volle schadevergoeding, volgens de gewone wetgeving, heeft opgeheven. De arbeider, die een ongeluk krijgt, omdat hij dronken op den steiger komt en hij, die door den bliksem getroffen is, worden op gelijken voet behandeld als de arbeider die een ongeluk krijgt b.v. door den gebrekkigen toestand van quot;s werkgevers materialen.
o o
Door zoodoende aan de ééne zijde te veel te geven en aan de andere zijde te weinig, heeft men dezelfde rechten op verzorging kunnen vaststellen voor allen, en door deze nivelleering de mogelijkheid van proces buitengesloten, ten einde den weg te banen tot socialen
O «7
vrede.
De verzorgingen geschieden in den vorm van lijfrenten aan de getroffenen of hun nagelaten betrekkingen, daar een uitbetaling van Kapitaal niet aan het sociaal-politieke doel van de wet zoude beantwoorden, immers het kapitaal zou verspild kunnen worden. De lijfrenten heeft men zóó hoog gesteld, dat de arbeiders
IO
bij geheele invaliditeit daardoor alleen voldoende in hun behoeften kunnen voorzien ('1?. van hun verdiensten in het laatst verloopen jaar).
De verzekeraars zijn de werkgevers in het zelfde vak of aanverwante vakken in geheel Duitschland, of ten minste in zeer groote voorgeschreven bonden met gedwongen toetreding vereenigd, met wederzijdsche aansprakelijkheid der leden, waarbij het Duitsche Rijk instaat voor de nakoming van de verplichtingen dezer verzekeringsbonden. De wet bepaalt daarbij, dat de omslagen over de leden der verzekeringsbonden niet zullen plaats hebben volgens de regels der verzekeringstechniek, d.i. door opbrenging van het kapitaal benoo-digd voor de voortgezette uitbetaling van iedere lijfrente ; maar zóó, dat jaarlijks â behalve storting voor een reservefonds - slechts die bedragen door de werkgevers worden uitbetaald, die noodig zijn voor de administratie cu voor het verzorgingsbedrag voor het loopeude jaar. Dit komt dus hierop neer, dat het te betalen bedrag gedurende een lange reeks van jaren (ongeveer 70 jaar) bij hetzelfde aantal verzekerden voortdurend stijgt tot de »evenwichtstoestandquot; is bereikt, dat is tot het aantal nieuwe invaliden wordt opgewogen door het cijfer der jaarlijks overlijdende gepensionneerden. Dit kan ook aldus worden uitgedrukt, dat de toekomst belast wordt met verreweg het grootste gedeelte van de lijfrenten, die het heden verschuldigd wordt, zoodat de komende geslachten de lijfrenten moeten betalen voor de ongelukken van het verleden, terwijl aan het heden een dien overeenkomstige min-
11
dere last wordt opgelegd. Een overzicht van de uitbetaalde bedraden aan ofetroffenen en aan nagelaten betrek-
O ö O
kingen van verongelukten over de jaren 1886â1893 over ongeveer 5 millioen fabrieksarbeiders, alsmede van de door de industrie in het geheel betaalde bedragen (dus ind. administratie en reservefonds) illustreert deze stijging het best, die zooals gezegd, noodwendig moet voortduren gedurende een zeer lange reeks van jaren.
Er werd aan arbeiders en nagelaten betrekkingen
uitgekeerd:
1886......R. M.
1 U 1 11/
5,373,496
8,682,1 73
'2,39«,407 16,570,158 20,619,400 24,414,203 28,015,623
I OO /......
188 8......
188 9......
189 0......
189 1......
189 2......
189 3......
De omslag voor ongelukken-verzekering voor ar-
O c*gt; lt;^gt;
beiders in fabrieken bedroeg in het geheel:
188 6......R. M. 12,231,318
188 7...... » 19,598,096
26,607,853 32,319,388 35,249,726 40,656,341 42o55,gt;44 45,384,2 54
1888
1889
1890 1 891
1892
1893
De administratie-kosten der verbonden, die in 1886
I 2
R. M. 3,130,660 bedroegen, waren in 1893 tot R. M. 5,894,822 gestegen.
Er zijn vele redenen aangevoerd, waarom men in Duitschland het »Omslagsysteemquot; heeft gekozen in |)laats van het »Dekkingsysteemquot;. Men heeft een al te groote kapitaalvorming willen voorkomen; de leeftijd der invaliden kon niet berekend worden naar de «fewone sterftetafels; het omslagfsvsteem maakte het
O O
mogelijk het beginsel in de wet op te nemen, dat verandering in den grezondheidstoestand en in de oreschikt-
O O O
heid t(Jt werken van hen, die een lijfrente genieten, vermeerdering of vermindering van de grootte der lijfrenten ten gevolge zon hebben.
Intusschen werd ook ronduit erkend, dat de wetgever de industrie niet te zwaar wilde belasten, zij het ook ten koste van de toekomst, teneinde de wet doorgevoerd te krijgen.
Wanneer ik nu terugkeer tot de oorzaken van de op zijn minst genomen koele stemming, waarmede van zoo vele zijden de pogingen werden ontvangen om de beginselen van de duitsche wet te doen adopteeren, dan wil ik allereerst opmerken, dat de kritiek van den eersten dag at wakker geweest is (:::), maar nu meer beslist optreedt, gesteund door de resultaten van die wet, zooals de duitsche statistiek die verschaft. Het is
vooral op de lt;nquot;oote Kuropeesche congressen over verzekering tegen ongelukken (Parijs 1S89, Bern 1892, Milaan 1894, Brussel 1897), dat de strijd vóór en tegen werd gestreden.
Uit de statistiek concludeeren de tegenstanders, dat het wegnemen van de verantwoordelijkheid van werkgevers, zoowel als van arbeiders, in verband met de ofedwongfen verzekering', noodlottig is geweest en dat
lt;quot;gt; O cquot;gt; 1 O
de van te voren uitgesproken vrees in dit opzicht maar al te gegrond is gebleken. Men beroept zich op het stijgende aantal ongelukken in Duitschland en dat er na de inwerkingtreding van de wet jaar op jaar een groote toename heeft plaats gehad valt niet te ontkennen. Wanneer ik mij alleen bepaal tot de statistiek van ongelukken der duitsche industrie â die van den landbouw wijst overigens even ongunstige uitkomsten aan â vind ik liet volgende getal ongelukken, waarvoor schadevergoeding moest worden gegeven (over-
O O ö O \
lijden, blijvende invaliditeit in grootere of kleinere mate, en tijdelijke ongeschiktheid tot werken van langeren duur dan 13 weken):
1886 â 9949 of op 1000 arbeiders
1887 â 15970 » 4,14 » » »
1888 â 18988 » 4,35 » » »
1889 â 22770 » 4,71 » » »
1890 â 27021 » 5,36 » » »
1891 â 28991 » 5,55 » » »
1892 â 29446 » 5,64 » » »
1893 â 32026 » 6,03 » » »
1894 â 33808 » 6,52 s» »
14
Het kan niet anders, zegt de kritiek, dan dat er meer en meer ongelukken moeten plaats vinden, als de wet eenerzijds den arbeiders lijfrenten verschaft, die bij voortdurende invaliditeit dikwijls het loon overschrijden, waarop de arbeider anders kon rekenen, en anderzijds bij den werkgever den prikkel wegneemt, om ongelukken te voorkomen. Immers de persoonlijke aansprakelijkheid van den werkgever heeft plaats gemaakt voor een gedwongen gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, die hij niet duizenden andere werkgevers deelt. Het is tegenover de gedwongen verzekering- van de werkgevers in Duitschland niet van belang
O O
ontbloot, te wijzen op den eisch van engelsche arbeiders, om bij de wet te verbieden, dat de werkgevers de gevolgen hunner wettelijke aansprakelijkheid overdragen aan verzekeringsinstellingen. Onlangs sprak een vertegenwoordiger van de arbeiders in het Lagerhuis, bij de behandeling van het nieuwe engelsche wetsontwerp, de meening uit, »dat het geen verzekering en schadevergoeding
O O ö O
is, die de arbeiders verlangen, maar vermijding van ongelukken en dat de werkgever geen financieel belang bij vermijding heeft, wanneer verzekering is genomenquot;. Nu is zeer zeker een dusdanig verbod niet uitvoerbaar, daar vele industriëelen financieel niet sterk genoeg zijn, om hun eigen assuradeuren te zijn ; maar de gedachte is zeer juist: »hoe grooter het belang, hoe nauwkeuriger het toezichtquot;. Veel zal overigens in dit opzicht kunnen uitgewerkt worden door v r ij-w i 11 i g e, onderlinge verzekering van de werkgevers, met strenge bepalingen omtrent opname en uitsluiting
'5
van leden, maar dat wijdvertakte, gedivoiigen aaneensluitingen, met gemeenschappelijke 'aansprakelijkheid, in een zaak als deze, waar het leven en bloed van menschen geldt, een zeer bedenkelijke organisatie is, dat heb ik altijd beweerd. Een wet, betreffende verzekering van arbeiders tegen ongelukken, waarvan de grondslag een vermeerdering van ongelukken meebrengt, omdat partijen geen belang hebben bij vermijding, daartegen moet men zich beslist verzetten.
Nog in andere opzichten wordt de duitsche wet als mislukt beschouwd. Wat den »Socialen Vredequot; aangaat, dien zij zou bevorderen, is het waar dat processen voor den gewonen rechter tusschen werkgever en arbeider over pensionneering uitgesloten zijn; maar in plaats daarvan is gekomen het appèl bij het scheidsgerecht over de beslissingen van de verzekeringsbonden en appèl van de uitspraken der scheidsgerechten bij het Rijksverzekerings-departement te Berlijn.
Van de gezamenlijke 143,783 beslissingen van de verzekeringsbonden in [lt;895 kwamen er niet minder dan 33,583 voor de scheidsgerechten en van de uitspraken van dezen appelleerden opnieuw 7,806 bij het Departement. Deze cijfers, die op zich zelf welsprekend genoeg zijn, zijn bovendien procentsgewijze gestegen, want in 1S90 kwamen van de 80560 gevallen 14879 voor het scheidsgerecht en 2354 uitspraken van het scheidsg-erecht werden aan de eindbeslissing van het
O O
Departement onderworpen. Dat kan toch niet beschouwd worden als een uiting van socialen vrede.
Van de zaken voor het scheidsgerecht hadden een
16
groot aantal betrekking op vermindering van het lijfrentebedrag, op grond daarvan, dat de gepension-neerden in beteren gezondheidstoestand waren gekomen, dus beter geschikt waren tot werken. De reductie van lijfrenten is dan ook een onderwerp van scherpe kritiek geworden, in verband met afkeuring van het geheele lijfrente-systeem. Dit systeem is in Duitschland op verkeerde sociaal-politieke gronden gehuldigd, in tegenstelling met het b. v. in Iingeland en Rusland en nu laatstelijk ook in Denemarken aangenomen kapitaal-systeem. Jn de lijfrente ligt een aandrang om de handen in den schoot te leggen en om niet te beproeven een nieuwen werkkring te vinden; daarbij bevat de lijfrente een al te groote verzoeking om te huichelen en oneerlijk te zijn ter voorkoming van vermindering of intrekking van de lijfrente. Onlangs las ik een verhandeling in een duitsch vakblad, waarin een eigenaardige ziektetoestand van nerveusen aard beschreven werd, waarvan de oorzaak door de medici toegeschreven werd aan vrees voor vermindering- of intrek-king van zulke lijfrente. Wat het »socialequot; in het Lijfrentenstelsel aangaat, voldoet de uitkomst ook niet aan de bedoeling. Want niet alleen kunnen ook lijfrenten spoedig verspild worden, maar wat erger is, wanneer iemand, die een lijfrente geniet, overlijdt, misschien nadat hij slechts korten tijd de lijfrente heeft genoten, dan zijn de nagelaten betrekkingen zonder eenige hulp .en kunnen het slechts betreuren, dat hun verzorger niet bij het ongeluk omkwam, daar zij in dat geval zelf gepensionneerd zouden zijn. Bij het
i7
kapitaal-systeem zal daarentegen de overledene dikwijls nog het kapitaal in den een of anderen vorm nalaten. In zijn geheel geeft het systeem van lijfrente tot bedragen, welke verschillen in verhouding tot het aantal van de nagelaten betrekkingen van den omgekomen arbeider, aan de duitsche wet het karakter van een wet van armverzorging. Waartoe dit voogdijschap, als men de verzekering tegen ongelukken beschouwt als een recht, als een deel van het arbeidscontract ? Waarom moet het bedrijf schadevergoeding verleenen naar mate van het aantal verzorgden? Werd dit aantal in aanmerking genomen bij het aangaan van het arbeidscontract en het vaststellen van het loon? Neen, in ;t geheel niet! Daarom behoort de schade vergoed in o-
O O O
uitbetaald te worden als kapitaal, want er is geen gegronde reden, om slechts een lijfrente toe te staan, en het bedrag behoort vastgesteld te worden naar verhouding van de waarde van de verloren creLrane
O O O
werkkracht en niet naar verhouding van het aantal der familieleden. (1)
1
Nadat deze verhandeling was geschreven, lees ik in een overgenomen artikel uit âMontan n. Met. Ind. Zeitungquot; over de duitsche wet van verzekering tegen ongelukken, over de lijfrenten de volgende opmerkingen:
âDe «gezamenlijke ervaringen van de verbonden bewijzen, dat de goede wil âbij de arbeiders, om na een geëindigde ziektebehandeling, hun oude werk-âzaamheid voort te zetten, of een nieuwe, die voor hun werkkrachten past, âte beginnen, zeer zeker een grooten knak heeft gekregen. Met naar verhouding âweinig uitzonderingen, zocht ieder persoon, die een ongeluk heeft gehad, en âeenmaal de sociale verzorging heeft leeren kennen, een zóó langdurig en hoog âpensioen te verkrijgen als mogelijk is. Het is treurig, maar het is een feit, âdat de getroffenen, om hun rente te behouden, liever een verminderde werkkracht wenschen te behouden dan volkomen genezen te worden. De verplichting, van tie gepensionneerden om door goeden wil het huiine bij te
2
i8
Met het lijfrente-systeem hangt weder het zou sterk gekritiseerde »Omslag-systeemquot; samen, dat niet alleen schuld op schuld laadt ten laste van het nageslacht, maar dat ook andere misstanden met zich voert. Nieuw opgerichte fabrieken moeten b. v. beginnen met een hypothecaire schuld wegens gedwongen deelname in de verzekering van arbeiders in andere fabrieken, terwijl bij liquidatie van een onderneming de verplichtineen tegenover eig-en arbeiders ten laste, komen van
O O «_gt;
de andere fabrieken.
Fen gevolg van het »Omslag-systeemquot; is ook, dat een daarop gebaseerde wet nooit kan worden opgeheven om door een betere te worden vervangen, daalde afwikkeling vele menschengeslachten zou duren, terwijl daarentegen het systeem van uitbetaling van kapitaal â en bij uitzondering â inkoop van een lijfrente voor het kapitaal, het te allen tijde mogelijk maakt de wet te veranderen of op te heffen, daar alles betaald is en er dus niets is af te wikkelen.
Het is niet de bedoeling' hier een gedetailleerde
o o
ontleding te geven van de wet, die het Folkething in 1897 heeft aangenomen. Slechts wil ik, onder ver-
âdragen tot bevordering van herstel van de geschiktheid tot werken, blijft niet al-âleen onvervuld, neen er wordt integendeel door actieven en passieven tegenstand âalles gedaan om het genezingswerk op de lange baan te schuiven of het âvruchteloos te maken. Het streven om lijfrenten te krijgen bewerkt, dat er âoverdreven, gelogen en bedrogen wordt. Waarheidsliefde, oprechtheid, gevoel âvan rechtvaardigheid en nog vele andere goede eigenschappen worden er door âverzwakt, terwijl gemakzucht, begeerlijkheid en huichelarij van jaar tot jaar âtoenemenquot;.
19
wijzing naar het voorgaande, er de aandacht op vestigen, 1°. dat de werkgever daarbij verplicht wordt, voor ieder ongeluk den arbeider, in verband met het irevaar-
O 1 O
lijk bedrijf overkomen, binnen zekere grenzen vergoeding-te betalen, tenzij hij schuld van den arbeider bewijze.
2°. dat de aansprakelijkheid van de arbeiders voor eigen, grove onachtzaamheid daarin gehandhaafd blijft, evenals de persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover de arbeiders van de werkgevers, ingevolge de burgerlijke wetg-evingf, wegens onyelukken, veroorzaakt door schuld
O O 1 O O
of nalatigheid. Voorts is alle gedwongen collectieve werk-
O O O
wever-verzekerine buiteng-esloten, daar de wet in quot;t g-eheel
O O O ' O
geen verzekerings///r/// oplegt, maar alleen eenerzijds den werkgever vrijlaat om zich al of niet te verzekeren bij geautoriseerde verzekeringmaatschappijen of coöperatieve vereenigingen en anderzijds den arbeiders de gelegenheid aanbiedt (door de voorgeschreven aanplakking in de werkplaats) om ervan kennis te nemen in hoeverre en op welke wijze verzekering genomen is. De schadevergoeding bestaat in een kapitaal, dat uitbetaald wordt, waar niet bijzondere omstandigheden de omzetting daarvan in een lijfrente noodzakelijk maken, en de grootte van het kapitaal wordt uitsluitend bepaald naar de waarde van de verloren gegane werkkracht, binnen zekere maxima (3200 gulden bij volle invaliditeit en 2130 gulden aan nagelaten betrekkingen in geval van dood, behalve daggelden van de 14^ week tot en met de 2 7ste week). Daar de schadevergoeding wegens totaal verlies van werkkracht, voor een arbeider in zijn beste jaren ongeveer zal beantwoorden aan de helft
2 *
20
van de waarde dier werkkracht, kan niet volle recht beweerd worden, dat de schade in gelijke mate verdeeld wordt tusschen den werkgever en den arbeider, met vrijheid voor ieder van hen, om zijn deel van de risico over te doen aan de verzekeringsinstelling, waar hij de beste voorwaarden kan bedingen. Wat eindelijk den »socialen vredequot;quot; aangaat, munt de deensche wet boven alle andere wetten over dit onderwerp uit, door alle beslissingen op te dragen aan een Arbeidsraad, waarin ook werkgevers en arbeiders zitting hebben.
o o
Deze arbeidsraad ontvangt de schadevergoedingen van werkgevers en verzekeringsinstellinoen en betaalt deze
O O O
direct uit aan de rechthebbenden, zoodat iedere mogelijkheid van knoeierij, tusschen werkgever en verzekeringsinstelling of met de arbeiders zeiven over de grootte
O O
der schadevergoeding, bij voorbaat is buitengesloten. De werkgever heeft vrijheid om de voordeeligste verzekering uit te zoeken, waardoor bij hem de prikkel ontstaat om veiligheidsmaatregelen te treffen, ten einde
O O '
een lage verzekeringspremie te verkrijgen, of ook de risico zelf te loopen en zijn eigen assuradeur te zijn. Maar wat moet uitbetaald worden aan invaliden en nagelaten betrekkingen, wordt vastgesteld door de openbare autoriteit, den arbeidsraad, waarvan verwacht wordt, dat het een instituut zal worden, dat het vertrouwen heeft zoowel van werkgever als van arbeider en dat tevens een raadsman en hoeder zal zijn van weduwen en weezen.
Uit het bovenstaande blijkt, dat geen van de gewichtige tegenwerpingen, die tegen de duitsche wetten ge-
2 T
rezen zijn, tegen de deensche wet kan worden aangevoerd. De deensche wet heeft tot in elke bijzonderheid streng consequent de leer doorgevoerd, dat het bedrijf zelf, binnen zekere grenzen, de financiëele gevolgen moet dragen van de ongelukken, door dat bedrijf ontstaan, en dat, als een onafscheidelijk deel van het arbeidscontract. De deensche wet doet niet anders dan voort gaan op den weg, door vele werkgevers reeds vrijwillig betreden, waar deze hun arbeiders eenige schadevergoeding na ongevallen verzekeren. Zij stelt bepalingen vast, waardoor zulke schadevergoeding wordt geregeld als een wettelijke verplichting van alle werkgevers, geeft den omvang dier verplichting aan, en verschaft (onder handhaving van de meestmogelijke vrijheid) de machtige medewerking van den Staat voor de vervulling van die verplichting. De deensche wet is geen stuk »Socialreformquot; volgens duitsch begrip, met zijn wonderlijk mengsel van staats voogdij, verdraaiing van rechtsbegrippen en gedwongen liefdadigheidswerk, in het momgewaad van verzekering. De deensche arbeider, in een gevaarlijke industrie werkzaam, kan met opgeheven hoofd de hem door de wet verzekerde schadevergoeding aannemen, want hij ontvangt slechts wat hem toekomt â rechtvaardigheid.
WET
TUT KEliELINC; VAN
Verzekeringquot; van arbeiders tegen de g-e volgen van Ongelukken by bepaalde Werkzaamheden.
Aangamp;nome'ji door hot Lar.dczlT.ing cij oc céhandeli den 2amp;tequot; Jïovember lS9hf.
(Vertaling van Gerrit P. Bakker.)
i. DE VERZEKERING.
S i-
Wanneer een arbeider bij een van de in § 3 genoemde werkgevers door een ongeluk wordt uetroffen, waardoor tijdelijk of voortdurend zijn werkkracht vermindert, is hij, binnen de grenzen en op de wijze, door deze wet bepaald, verzekerd tegen het geleden verlies van werkkracht, wat de bedrijven in 4 A genoemd betreft indien het ongeluk door het bedrijf of door de omstandigheden, waaronder dit wordt uitgeoefend, is veroorzaakt, en wat de werkzaamheden in § 4 B genoemd betreft, indien het ongeluk door de aldaar genoemde bedrijfshulpmiddelen is ontstaan. Veroorzaakt het ongeluk den dood, dan zijn op dezelfde wijze en onder hetzelfde beding de nagelaten betrekkingen van den arbeider verzekerd tegen het geleden verlies door den dood van den verzorger.
Van de verzekering zijn uitgesloten ongelukken, welke de arbeider zelf met opzet of door grove onachtzaamheid veroorzaakt heeft.
De verzekering volgens deze wet omvat ieder, die tegen loon of overeengekomen betaling of als on-
26
bezoldigd leerling (of helper) hier te lande voortdurend of tijdelijk door den werkgever in het technisch-mechanisch gedeelte van het bedrijf is aangesteld, of die voor den werkgever en tewen betaling het toezicht heeft op of de leiding heeft van dit deel van het bedrijf, indien deze betaling het bedrag van 2,400 Kronen per jaar niet overschrijdt.
Laat de arbeider eene weduwe na, dan komt de verzekering volgens deze wet haar ten goede, als het huwelijk vóór het ongeluk is gesloten en het samenleven niet had opgehouden. Laat de arbeider geen weduwe na, die de verzekering ten goede komt, dan valt deze zijnen kinderen ten deel, wier verzorging op hem rustte, of die hij inderdaad verzorgde, toen het ongeluk plaats vond. Laat hij ook deze niet na, dan beslist de in afdeeling II genoemde Raad, of de verzekering anderen ten goede zal komen, die de arbeider verzorgde, toen het ongeluk plaats vond. Deze zelfde bepalingen gelden voor de door vrouwelijke arbeiders nagelaten kinderen, of anderen door haar verzorgd.
Nagelaten betrekkingen, die hun woonplaats niet hier te lande hadden toen het ongeluk plaats vond, hebben geen recht op vergoeding volgens deze wet.
ö Ã'
Op de volgende werkgevers is deze wet van toe a. Zij, die hun beroep maken van een der in ^ 4 A
genoemde werkzaamheden.
/gt; Zij, die gebruik maken van machines van de in § 4 B genoemde soort.
27
c. l )c slaat en gemeenten, wanneer deze arbeiders in dienst hebben voor de in een van de in 4 genoemde werkzaamheden.
Wanneer een arbeid, die onder een van de in S 4 genoemde werkzaamheden valt, ver deeld wordt onder verschillende werkgevers, dan wordt ieder van dezen beschouwd als de werkgever van de arbeiders, die hij loont.
Een onder deze wet vallende werkgever, die de uitvoerinsf van een werk heeft over-genomen, wordt beschouwd als de werkgever ook van die arbeiders, welke hem door den contractant voor de uitvoering zijn overgedragen.
§ 4-
()nder deze wet vallen : . i. Fabriekswerkzaamheden, benevens werkzaamheden in werkplaatsen op de wijze van fabrieken gedreven, voor zoover deze werkzaamheden onderworpen zijn aan het toezicht op fabrieken volgens wet n0 56 van den 12den April 1889, over maatregelen ter voorkoming van ongelukken door het gebruik van machines. Op voorstel van den Raad kan de Minister van Binnenlandsche Zaken door bekendmaking fabrieken en werkplaatsen, op de wijze van fabrieken gedreven, die niet onderworpen zijn aan genoemd toezicht op fabrieken, onder deze wet doen vallen, wanneer geoordeeld
2 8
wordt dat de arbeiders aan bedrijfsongelukken blootgesteld zijn.
2. Werkzaamheden, welke het bereiden van ontplofbare stoffen of voorwerpen ten doel hebben, of waarbij geregeld ontplofbare stoffen gebruikt worden.
3. Steenbrekerijen, kalkbrekerijen, kalkbranderijen, steenhouwerijen, het maken van putten, benevens het verzamelen van ijs.
4*?. Bouwwerken â zoowel op de plaats waar lt;jebouwd wordt in en boven den quot;rond als
O O
in de werkplaatsen voor het hout- en ijzerwerk â bij gebouwen of bouwwerken in aanbouw, afwerking, verbouw of slooping; hiervan worden echter uitgezonderd woonhuizen en gebouwen voor landbouw en veeteelt, bestaande uit niet meer dan één etage en zolder.
ó. Werken voor het onderhouden of verbeteren van de onder a. begrepen gebouwen of bouwwerken ; hiervan worden echter uitgezonderd werkzaamheden, die inwendig worden uitgevoerd zonder hulp van een' steiger, of wat hiermee kan gelijk gesteld worden;
c. schoorsteenvegen en het scheepmakerswerk.
5. Het bouwen of aanleggen van spoorwegen, tramways, wegen, bruggen, dijken, kanalen en sluizen.
ó. Waterbouw-, uitgravings-, ophoogings-, droog-makings- en baggerwerken, het aanleggen
29
van riool- ^as- en waterleiding, het aanleggen, onderhouden en wegnemen van telegraphische-, telefonische- en electrische geleidingen, benevens van bliksemafleiders.
7. Spoorweg-, tramway-, en omnibus-dienst.
8. Laden en lossen van waren benevens pak-huisarbeid.
9. duiken en bergen.
10. werkzaamheden bij wind- en watermolens, gedreven als een zelfstandige tak van bestaan.
B. Iedere werkzaamheid, waarbij werktuigen worden gebruikt, welke in beweging gebracht worden door krachtmachines van die soort, dat de werkzaamheden onderworpen zijn aan het toezicht op fabrieken volgens bovengenoemde wet nn 56 van den i2den April 1889 § 11, eerste gedeelte.
Werkgevers en arbeiders kunnen van den Raad de beslissing verlangen, of in eenig bijzonder geval eene werkzaamheid onder deze wet valt. Van deze beslissing kan men in hooger beroep komen bij den Minister van Binnenlandsche Zaken. De termijn van appèl zal zijn 14 dagen, te rekenen van den dag der kennissfevino- van de beslissing.
00 o
Bij alle werkzaamheden, die onder deze wet behooren, moet duidelijke kennisgeving daarvan zijn aangeplakt op een voor alle arbeiders toegankelijke plaats.
I
3°
Wanneer er onder de, in de voorgaande paragrafen genoemde, omstandigheden een ongeluk plaats heeft gehad, heeft de getroffen arbeider recht op de volgende vergoedingen.
1. Heeft het ongeval een algeheele onofeschiktheid
ö O O
tot werken tengevolge, waarvan de duur nog niet te bepalen is, dan komt den getroffene een daggeld toe van het einde der 13lt;,e week na het ongeluk, tot dat de ziektebehandeling is af-geloopen, óf tot de ongeschiktheid tot werken van blijvenden aard wordt verklaard te zijn óf tot de dood mocht zijn ingetreden. Dit daggeld zal, indien en zoo lang volkomen ongeschiktheid tot werken aanwezig is ;!/g van het dagloon van den oretroffene bedrayfen doch niet meer
O O
dan 2 Kr. en niet minder dan i Kr. per dag. Is van het eerste oogenblik af of later slechts vermindering van werkkracht te constateeren, dan zal de vergoeding een in verhouding tot de vermindering berekend gedeelte van het daggeld bedragen, dat de getroffen persoon zou hebben genoten of heeft genoten bij geheele ongeschiktheid tot werken.
2. Heeft het ongeluk een ongeschiktheid tot wer ken veroorzaakt, welke van blijvenden aard wordt verklaard te zijn (invaliditeit) dan komt den getroffene een som gelds toe, die bepaald wordt naar den maatstaf van zijn of haar jaar-
loon, berekend volgens ^ 7. Is de ongeschiktheid tot werken volkomen, dan zal de som gelcis het 6-voudige win het jaarloon bedragen, doch niet minder dan 1,800 Kr, en niet meer dan 4,800 Kr. Is de werkkracht slechts verminderd, dan zal de som gelds een in verhouding tot de ver-minderingf berekend (jedeelte van de som be-
o o
dragen, waarop de arbeider bij algeheel verlies van geschiktheid tot werken recht zou hebben.
Bovendien heeft de getroffene recht op een daggeld, berekend volgens de onder n0 1 genoemde bepalingen, voor een tijd van j 3 weken. Van het aldus berekend bedrag wordt afgetrokken. wat de getroffene reeds als daiweld
⢠5 00
heeft genoten volgens de bepaling onder n0 1.
3. Is overlijden het gevolg van een ongeluk, dan hebben de nagelaten betrekkingen recht op een begrafenisgeld van 50 Kr., en bovendien op een bedrag, berekend volgens onderstaande bepalingen.
Laat de getroffene eene weduwe of over het
o â¢
algemeen één enkelen rechthebbende op de uit-keering na (§ 2) dan heeft deze recht op een bedrag, gelijkstaande met het 4-voudige van het jaarloon des gestorvenen, berekend volgens ^ 7, doch niet minder dan 1,200 Kr. en niet meer dan 3,200 Kr. Zijn er meer rechthebbenden op uitkeering volgens 2, dan bepaalt de Raad, hoe het genoemde bedrag onder dezen moet worden verdeeld.
Ten opzichte van de vaststelling en de uit-
betaling- van de in deze paragraaf vermelde vergoedingen zijn overigens de bepalingen in de
§§ tjâig dezer wet van toepassing.
§ 6-
Heeft een door een ongeluk betroffen arbeider of
O O
hebben de nagelaten betrekkingen van een omgekomen arbeider recht op pensioen of ondersteuning van den Staat, volgens een andere wet, dan vervalt zijn of hun recht op vergoeding volgens deze wet. Hetzelfde geldt voor arbeiders, die bij gemeenten in dienst zijn, wier bestuur, wegens pensioen of ondersteuning voor den door een ongeluk getroffen arbeider of diens nagelaten betrekkingen bepalingen heeft vastgesteld, welke door den Minister van Binnenlandsche Zaken, na tot stand komen van deze wet goedgekeurd zijn.
Ontvangt overigens een door een ongeluk getroffen
O O O O
arbeider of diens nagelaten betrekkingen krachtens bijzondere overeenkomst pensioen, ondersteuning of eenige andere vergoedinof van den werkgever naar aanleiding
O O O
van het ongeluk, dan heeft hij of hebben zij krachtens deze wet slechts recht op het meerdere bedrag, als zulks niet uitdrukkelijk anders is bepaald. Of er een meerder bedrag is en zoo ja, hoe groot dat is, wordt uitgemaakt door den Raad.
§ 7-
Als het jaarloon van den getroffen of omgekomen arbeider wordt gerekend zijn geheele arbeids-verdienste door de werkzaamheden, waarbij het ongeluk
plaats had gedurende het jaar, dat aan den dag van het ongeluk voorafging, daaronder begrepen winstaandeel, vrije woning, vergoeding van huishuur, betalingen in natura, enz. Is hij bij de bedoelde werkzaamheid niet gedurende den geheelen genoemden tijd werkzaam geweest, of was hij werkzaam bij werkzaamheden die volgens haren aard niet het geheele jaar worden uitgeoefend, dan wordt zijn jaarlijksche arbeids-verdienste door den Raad vastgesteld bij wijze van taxatie.
Heeft hij geen loon genoten ot bedroeg het jaarloon minder dan 300 Kronen dan heeft de berekening plaats volgens deze som.
Het dagloon wordt berekend, door de verdienste per jaar te deelen door 300.
§ 8.
De vordering, welke een arbeider of zijn nagelaten betrekkingen toegewezen is volgens bovenstaande be-palingen komt ten laste van den werkgever, tenzij deze tegen de vorderingen is verzekerd bij een volgens § 9 erkende maatschappij. Overeenkomsten tus-schen arbeiders en werkgevers, welke tot doel of gevolg hebben, dat bepalingen dezer wet niet zullen gelden, of de arbeiders naar aanleiding van deze wet een verzekeringspremie of eenig gedeelte daarvan te doen betalen, hebben geen rechtsgeldigheid. De in § 4 voorgeschreven aanplakking moet tevens mededeeling bevatten, in hoeverre en bij welke maatschappij een verzekering is gesloten tegen de vorderingen krachtens deze wet.
34
§ 9-
Om het den werkgevers mogelijk te maken op veilige wijze het risico, verbonden aan de verzekering hunner arbeiders volgens deze wet, over te draden
O 'O
aan eene verzekeringmaatschappij, is de Minister van Binnenlandsche Zaken gemachtigd, om na te kennen gegeven verlangen van de zijde van vereenigingen van werkgevers met onderlinge aansprakelijkheid of van de zijde van naamlooze vennootschappen, dezen al dan niet te erkennen voor het aangaan van zoodanige verzekeringen.
Wat onderlinge maatschappijen betreft bestaat de erkenning in het goedkeuren van de regelementen, welke de noodige waarborgen moeten bevatten voor de vervulling door de leden van op hen rustende solidaire verplichtingen.
Erkenning van naamlooze vennootschappen is onderworpen aan de door den Minister van Binnenlandsche Zaken, ten opzichte van elk hunner afzonderlijk, te stellen voorwaarden.
Van iedere erkenning zal openbaarmaking geschieden in de Staatscourant. De erkenninlt;r kan ingetrokken
c!gt; O
worden door den Minister, van welke intrekking openbaarmaking op dezelfde wijze plaats vindt.
§ 10.
Wanneer een getroffene zijn recht op vergoeding krachtens deze wet wil doen gelden, moet hij zich zoo spoedig mogelijk na het ongeluk door een arts laten
onderzoeken en zich daarna aan die quot;feneeskundiVe behandeling onderwerpen, welke noodig- geoordeeld wordt. Wordt dit nagelaten of werkt de g-etroffene de genezing tegen met veronachtzaming van de voorschriften van den geneesheer, dan verliest hij geheel of gedeeltelijk zijn recht op vordering, naar omstandigheden .
De werkgever of hij, die anders volgens deze wet voor de vergoeding aansprakelijk is, is gerechtigd den getroffene onder toezicht van een yfeneeskunditre
O ö O
te stellen.
Sn-
1 )c vorderingen, welke den arbeider of zijn nagelaten betrekkingen krachtens deze wet toegekend wor-
o
den, kunnen niet overgedragen noch verpand worden en daarop kan geen beslag worden gelegd door derden.
Heeft de werkgever tegen de vorderingen geen verzekering gesloten bij een maatschappij, dan zijn deze vorderingen bevoorrechte schulden, in rangf vol-
ö ⢠O
gende op de geprivilegeerde vorderingen genoemd in 13 van de Faillissement-Wet en kunnen zij van
wege den Raad geïnd worden bij executie.
§ 12-
Wanneer een arbeider of zijn nagelaten betrekkin-tren een vorderinof inofesteld of een som sjelds ont-
O O
vangen hebben krachtens de bepalingen dezer wet,
36
hebben zij daardoor afstand gedaan van het recht om tezelfder tijd of later op grond van hetzelfde ongeluk een rechtsvordering in te stellen tegen den werkgever of anderen op grond van de geldende bepalingen van de burgerlijke wet betreffende aansprakelijkheid wegens het door schuld of nalatigheid toebrengen van schade.
O O
Wanneer een door een ongeluk getroffen arbeider of diens nagelaten betrekkingen een rechtsvorderinlt;r
O O
liebben ingesteld tegen een werkgever of tegen anderen op grond van de genoemde bepalingen zal hij of zullen zij niet tegelijkertijd noch later zich kunnen beroepen op deze wet of de beslissing van den Raad kunnen inroepen, tenzij de Raad, na zich op de hoogte gesteld te hebben van de bijzonderheden der rechtszaak, op yedaan verzoek daarin toestemt.
O
Indien de Raad, wanneer de zaak daarvoor gebracht is, aanleiding vindt om schriftelijk den getroffen arbeider of diens nagelaten betrekkingen mede te deelen, dat er volgens oordeel van den Raad termen bestaan om den werkgever of anderen op grond van de burgerlijke wet gerechtelijk voor schadevergoeding aan te spreken, zal daarentegen een op die wijze ingestelde en toegewezen rechtsvordering- niet verhinderen, dat de geïnteresseerden later een vordering op grond van deze wet kunnen instellen, voor zoover hun vordering door den gewonen Rechter niet is toegewezen
O ö lt;_gt;
tot gelijk of hooger bedrag dan dat hetwelk de Raad hun indertijd heeft toegekend op grond van £ 5 dezer wet. De eischer zal in zulk geval kosteloos kunnen procédé eren door bemiddeling van den Raad.
II.
DE RAAD IX ZAKE ARBEIDERSVERZEKERING.
Voor de regeling van de toestanden, welke door deze wet ontstaan, wordt een Raad in zake Arbeiders-Verzekering opgericht.
Deze Raad, die haar zetel in Kopenhagen heeft, maar welks werkkring- het wheele land omvat, be-
O ö
staat uit een door den Koning benoemden voorzitter, twee door den Koning benoemde leden (waarvan één geneeskundige), twee werkgevers en twee arbeiders, behoorende tot de werkzaamheden, welke onder deze wet vallen. Bovendien kunnen de inspecteur over de ziekenkassen en de fabrieksinspecteurs door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan den Raad toegevoegd worden. De twee werkgevers worden door den Minister van Binnenlandsche Zaken gekozen.
De twee arbeiders worden gekozen door het college beschreven in de Wet over erkende ziekenkassen, van den i2den April 1892 ^ 24, 3e gedeelte.
Voor de twee werkgevers en de twee arbeiders worden plaatsvervangers gekozen.
De zittingstijd van alle 7 leden zal telkens 6 jaar zijn. Van de werkgevers en arbeiders, die de eerste maal verkozen worden, treden echter één werkgever en één arbeider, door loting te bepalen, na verloop van 3 jaren af.
Alle leden en de toeirevoeofde leden van den Raad
O O
genieten een jaarlijksche belooning. De plaatsvervangers genieten een daggeld voor iederen dag, waarop zij vergaderen. De leden en toegevoegde leden van den Raad krijgen vergoeding voor reiskosten naar en van de plaats van vergadering, volgens hunne dooiden voorzitter yoedgfekeurde rekening. De Raad voor-
ö lt;quot;gt; O»
ziet zich van de noodiye ofeneeskundiore en kantoor-
O O O
hulp. De voor den Raad benoodigde uitgaven worden door den Staat gedragen.
De nadere bepalingen betreffende de regeling van werkzaamheden van den Raad worden door den Minister van Binnenlandsche Zaken op voordracht van den Raad vastgesteld.
S H-
Elk ongeluk bij de onder deze wet behoorende werkzaamheden, waarvan aangenomen kan worden, da', het een vordering op grond van deze wet ten gevolge zal hebben, moet door den werkgever of door dengene, die hem op het oogenblik van het ongeluk vertegenwoordigt, zoo spoedig mogelijk en ten laatste binnen verloop van 8 dagen aan den Raad worden medegedeeld. In de mededeelinlt;gt;- zal zoo nauwkeurD
O O lt; '
mogelijk opgenomen worden:
1. De oorzaak van het ongeluk en de bijzondere omstandigheden waaronder het plaats had.
2. De toestand van den getroffene en de tijd, welke verliep tusschen het intreden van het ongeluk en de eerste geneeskundige behandeling.
39
3- Op welke plaats de getroffene behandeld wordt en door welken geneeskundige.
4. Of de getroffene lid is van een ziekenkas en zoo ja, van welke.
5. Of de werkgever den getroffene heeft verzekerd en zoo ja, bij welke maatschappij.
De mededeelinof moet verlt;rezeld quot;quot;aan van een at-
O OO
test van den behandelenden geneeskundige, hetgeen door den werkgever betaald wordt.
De Raad heeft het recht van den werkgever, van den arbeider en van andere bij het ongeluk betrokken personen, waaronder van den behandelenden geneeskundige, alle inlichtingen te verlangen en in te winnen naar aanleiding van het ongeluk, en om te vorderen, dat de getroffene zich onderwerpe aan een geneeskundig onderzoek, evenals om verhooren af te nemen en daarvan proces-verbaal op te maken.
§ 15-
Wanneer de mededeeling ingevolge ^ [4 aantoont, dat de werkgever een verzekering heeft gesloten bij een erkende maatschappij, treedt deze in plaats van den werkgever als partij op bij de behandeling en beslissingen der zaak. Bestaat er wen verzekering of is
lt;!gt; O lt;-gt;
die gesloten bij een maatschappij, welke niet erkend is, dan is de werkgever de persoon met wien de zaak behandeld wordt en tot wien de uitspraak gericht wordt.
£ 16.
De Raad, na alle noodige inlichtingen ontvangen te hebben en de erkende verzekeringmaatschappij of
4°
den werkgever benevens andere betroffen personen gelegenheid gegeven te hebben zich op de hoogte te stellen van de bekomen inlichtingen en ook hun oordeel over de zaak uit te spreken, beslist ten spoedigste aangaande de volgende vraagpunten :
a. Of een aangemeld geval recht op vergoeding
geeft krachtens deze wet.
ó. Of die feiten aanwezig zijn, welke volgens s 5
den aard der vergoeding bepalen.
c. Hoe groot de vergoedingen zijn, waarop de arbeider of zijn nagelaten betrekkingen recht hebben, voor zoover niet de bepalingen van ^ i 7 van toepassing zijn.
Voor deze uitspraken wordt de tegenwoordigheid van minstens 5 stemgerechtigde leden of plaatsvervangers vereischt. Een beslissing is alleen dan genomen, wanneer minstens 4 leden er voor stemmen.
Veroorloven de omstandigheden nog niet een beslissing omtrent het onder letter ó. genoemde vraagpunt te nemen, dan geeit de Raad eene voor-loopige beschikking en geeft daarbij die bevelen, welke de omstandigheden eischen, in overeenstemming met de re^elino- van werkzaamheden van den Raad.
O ö
Heeft de Raad verzuimd de voorgeschreven wijze van behandeling in acht te nemen, dan kunnen tegen de bovengenoemde uitspraken bezwaren ingediend worden bij den Minister van Binnenlandsche Zaken, die de genomen beslissingen kan opheffen en de zaak op nieuw ter behandeling en beslissing naar den Raad kan verwijzen.
4i
Buiten dit «reval kan men ter zake van de onder
O
letter a genoemde uitspraak in hooger beroep komen bij den Minister van Binnenlandsche Zaken ; terwijl ter zake van de onder letter b en c genoemde uitspraken geen hooger beroep toegelaten is.
De termijn van beroep is 14 dagen van den dag der kennisgeving van de uitspraak.
De door den Raad vastgestelde bedragen (letter c) kunnen later door den Raad noch verlaagd noch ver-hoogd worden.
§ 17-
De vaststelling van het in i; 5 omschreven daggeld geschiedt door overeenkomst tusschen de betrokken personen. Wordt een overeenkomst niet verkregen, dan geschiedt de vaststelling op verzoek van een der partijen door den Raad. Deze kan dan, wanneer de overeenkomst ten quot;gevolge van onwil van een der
O O
partijen achterwege blijft, deze een boete opleggen van ten hoogste 25 Kr. in de kas van den Raad te storten.
De grootte van andere vergoedingen kan niet het onderwerp uitmaken van een rechtsgeldige overeenkomst tusschen werkgever en arbeider, maar moet in alle gevallen door den Raad vastgesteld worden.
S 18.
1 )e som gelds, welke door beslissing van den Raad voor meerdere of mindere mate van invaliditeit is vastgesteld, kan de belanghebbende, wanneer deze
42
een man is, die ten volle 30 jaar, maar nog geen 55 jaar oud is, naar eigen keuze uitbetaald of omgezet krijgen in een lijfrente. Voor mannen, die jonger of ouder zijn dan bovenvermeld, is de Raad gerechtigd een lijfrente te koopen, zelfs al zou de belanghebbende eene uitbetaling verkiezen. Wanneer de Raad met het oog op den zielstoestand van een invalide van meening is, dat de uitbetaling van de som niet raadzaam moet geacht worden, dan zal, van welken leeftijd de belanghebbende ook is, een lijfrente gekocht worden.
De som gelds, welke aan vrouwen en minderjarige personen toegekend wordt, komt hun of den betrokken personen ten goede op de wijze, als de Raad zal oordeelen het meest doeltreffend te zijn.
De Raad kan den werkgever of de verzekerine-
«-5 O
maatschappij opleggen den getroffene of de nagelaten betrekkingen voorschot uit te betalen op de toegewezen som gelds, indien de uitbetaling daarvan om een of andere reden uitgesteld is.
§ 19-
De Raad geeft dengene, die tot betaling verplicht is, kennis van de grootte van het bedrag wegens blijvende ongeschiktheid tot werken of wegens overlijden door den Raad aan een arbeider of diens nagelaten betrekkingen toegekend.
Dit bedrag moet den Raad, binnen 14 dagen na de kennisgeving, tegen bewijs van ontvangst, uitbetaald worden. Daarna geschiedt onmiddellijk de uitbetaling
43
volgens 18 van het kapitaalbeclrag' aan de recht-hebbenden tegen bewijs van ontvangst, terwijl lijfrente-bedragen door de maatschappij, van welke de lijfrente gekocht is, aan de rechthebbenden direct worden uitbetaald, op de wijze als door den Raad in ieder bijzonder geval zal worden bepaald, waarvan hun dooiden Raad bericht cjesfeven zal worden.
O O
Daggelden worden altijd aan de rechthebbenden direct uitbetaald. Op dezelfde wijze worden de be-grafenisgelden uitbetaald.
ï? 20.
De Raad zendt jaarlijks een verslag over zijn werkzaamheden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. Daarin zal ieder geval, hetwelk den Raad voorgelegd is, afzonderlijk opgenomen en de genomen beslissing worden vermeld. Het verslag, dat gedrukt en aan de Volksvertegenwoordiging medegedeeld zal worden, zal te koop zijn voor een door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen, geringen prijs.
§ 2I-
Het niet nakomen van de bij § 4 dezer wet, laatste gedeelte, § 8, 2e gedeelte en ^ 14, ie gedeelte, vastgestelde verplichtingen, of van de door den Raad volgens § 16, 3de gedeelte voorgeschreven bevelen, wordt gestraft met boeten van ten hoogste 200 Kr. De zaken worden door den Raad in het openbaar behandeld, op de wijze als die, welke voor den Politierechter komen.
1
44
S 2 2
Deze wet, die niet verbindende is voor de Faroer, treedt in werking één jaar na hare bekendmaking in de Staatscourant. Evenwel zullen de bepalingen, die betrekking hebben op de samenstelling en inrichting van den Raad, vóór dat tijdstip in werking kunnen treden, volgens beslissing van den Minister van Binnen-landsche Zaken.