DIAGrNOSTIKK VAN ARETAEUS.
ÃEDIAWTIEnANARETAEÃS
IPlROEDPSCHiEtlFT
TER VEIIKRIJGING VAN DR.N GRAAD VAN
pOCTOR IN DE pENEESKUNDE
AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN
OP GEZAG VAN DEN UF.CTOll MAGNIFICUS.
Dr. C. Iv. H OFF M A. IV TV,
IIOOQLEERAAR IN DE FACULTEIT DER WIS- EN NATUURKUNDE ,
VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op Zaterdag 7 Februari 1891, des namiddags te 3 uren,
DOOR
PETER JOHANNES ALBERTUS LEVEDAG-,
GEBOREN TE LEIDEN.
â P. SOMERWIL. 1891.
LEIDEN.
i\i«t mijne ii}oeiler.
DE DIAGNOSTIEK VM A1IKTAEUS.
INLEIDING.
La scicncc do la médecine, si elle ne veut pas ètre rabaissée au rang de metier, doit s'occuper de son histoire et soigner les vieux monuments que les temps passés lui ont légués.
(Littré).
Wij leven in een tijd, dat de uitspraak van een Duitse li geleerde: «Das aechte Wissen ist historisches Wissenquot;, wel is waar algemeen geciteerd maar weinig behartigd wordt. Men begrijpt wel, dat onze positie en onze kennis niet uitsluitend en niet hoofdzakelijk de producten zijn van ons eigen streven, maar dat wij staan op de schouders van ons voorgeslacht, en wel als kinderen op de schouders van een reus. Hoe gemakkelijk valt het ons, die zulk een bevoorrechte positie innemen, meer en
2
verder te zien dan de reus zelve. Maar beantwoordt nu daaraan de historische studie der Medecynen en de nauwkeurigere kennis van de werken van die reuzen, die voor ons met onverdroten ijver en noesten vlijt den grond hebben gelegd voor onze hedendaagsche kennis'? Is het niet een bedroevend feit, dat de historia medi-cinae in ons land dooi' de meesten hoe langer hoe minder beoefend wordt, en zelfs voor velen dreigt geheel in het vergeetboek te geraken? In het midden dezer eeuw werd ten minste aan de Leidsche Hoogeschool aan de studenten in de geneeskunde nog onderwijs gegeven in de geschiedenis hunner wetenschap en wel door Pruys van dei; Hoeven. De wet op het Hooger Onderwijs in 1876 schijnt dit echter als verregaande luxe beschouwd te hebben, althans, aan de Rijksuniversiteiten werd de geschiedenis der geneeskunde leuk weg dood verklaard. Anders dacht Amsterdam er over toen het in 1877 het programma vaststelde voor het onderwijs aan hare Universiteit; daarop prijkt, zij het dan ook allerlaatst, de geschiedenis der geneeskunde en werd aan Israels opgedragen, daarin les te geven. Na zijn dood echter in 1882 weid er zelfs niet aan gedacht zijn
3
plaats aan te vullen. Terecht vraagt Dr. C. E. Daniels:1) Wanneer de grootste mannen in onze wetenschap (Puschman, Billroth, Wünderlich e. a.) het nut van de historische studiën voor de toekomstige geneeskundigen staande houden, hoe komt het dan, dat zich in Nederland in den laatsten tijd geen enkele stem tegen de algeheele verwaarloozing dier studie heeft doen hoorenquot;? Daar zijn er niet weinigen die het gemis aan een leerstoel in de geschiedenis der geneeskunde trachten te vergoelijken met de bewering dat de steeds toenemende uitbreiding die de wetenschap ondergaat, al den beschikbaren tijd en ook het assimilatie-vei'mogen der studenten, zóó geheel in beslag neemt, dat men alles, wat maar eenigsziris gemist kan worden, aan het onvermijdelijk noodzakelijke moet opolleren. Mochten zij zich eens herinneren dat de woorden van Goethe «die Geschichte der Wissenschaft ist die Wissenschaft selbstquot;, ook voor hen geschreven zijn. Hoe lang zal het in Nederland nog tot de pia vota blijven behooren, dat â waar bijna elke Buitenlandsche Universiteit kan wijzen
') Nedcrlaiidscli Tijdschrift voor Geneeskunde, 1 Juni 1889.
4
op een leerstoel in de geschiedenis der Geneeskunde â althans aan eene der Rijksuniversiteiten aan de medici de gelegenheid worde gegeven zich in deze taak van wetenschap te bekwamen, teneinde bekend te worden met onze groote voorgangers. Zoo alleen kan het jongere geslacht leeren hun genie te bewonderen, zich aan hun voorbeeld spiegelen en zoo het kan, hunne voetstappen drukken.
Met trots mag het oude Griekenland ons wijzen op onnavolgbare voorbeelden van dichtkunst, philosophie en kunst; op Homerus, Plato en Aristoteles, maai' niet minder is zijn roem op het gebied der geneeskunde, waar wij de namen vinden van Hippocrates, Aretaeus en Galenüs.
Vreemd voorzeker mag het heeten, dat, terwijl de ödivus pater medicinaequot; overal geroemd en geëerd wordt, en de naam en het aanzien van Galemjs door niemand ooit bestreden werd, slechts weinigen iets weten van den derden in dezen eminenten bond, van den grooten Aretaeus. Van hem toch zegt Hecker ');
') Geschichte der Heilkunde.
5
«Aretaeus war ein Arzt, wie die Geschichte wenige kennt; grosz im aulfassen der Natur, einfach im Han-deln und in jeder Beziehung nach Hippocrates gebiidet. Seine Krankheitsbilder sind vollendete Meisterwerke, vielleicht die besten die wir nachzuweisen haben. En voegt Haser daar nog bij '): Das glanzendste der Meteore, welche den reichen Himmel der frühern Kaiserzeit schmücken, ist in aerztlicher Beziehung der Kappodocier Aretaeus. Die Wissenschaft verehrt in ihm einen ihrer Hohenpriester, deren Ruhm sich uur mit dem des Hippocrates vergleicht.quot; Nog grooter lof geeft hem Haller: «Mihi inter veteres medicos excellere videtur, ut eum, omnibus computatis, longe praeferrem Hippocrati, nisi aequum esset considerasse, posteriori aevo Aretaeum vixisse, et potuisse multorum inventis ipsisque Hippo-cratis scriptis frui.quot; (Ad Boerhavii method, discend. Art. Medic). En hoe weinigen kennen de werken van dezen grooten en vooral practischen geleerde, den âsingularis medendi artifex et magisterquot; (Wigan) niettegenstaande ze geschreven zijn in een stijl zoo volko-
') Lehrbuch der Geschichte der niediciu.
6
men en schitterend, dat een man als Joseph Sgaligeu meende daaruit alleen te mogen afleiden dat Aretaeus slechts kon geleefd hebben in een tijd, waarin de Grieksche letterkunde haar hoogste toppunt van bloei bereikt had'?
Het is meer dan waarschijnlijk dat Aretaeus geleetd heeft onder de regeering van Nero ( 50 na Christus). Wij bezitten van hem de volgende geschriften:
I. «Van de oorzaken en kenteekenen der acute en chronische ziektenquot;, vier boeken, de beide eersten handelende over acute, de beide laatsten over chronische ziekten.
II. «Therapie van acute en chronische ziekten,quot; eveneens ingedeeld als hierboven vermeld.
Het meest volledige handschrift dier werken bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Parijs, buitendien zijn er handschriften in de bibliotheken te Oxford, Rome, Florence, Milaan, Napels, Munchen en in 't Eskurial.
De oudste Latijnsche uitgave is die van Junius P. Crasrus, 1552. Van dit werk zegt de scherpzinnige Ermerins: «Talem laborem nostro tempore recte aesti-
7
mare non est facile, quum Crassus e solis codicibus scrilitis, eo tempore Latine Aretaeura ederet, quo nemo quid-quam ad textum Graecum emendandum contulerat,quot; In 1554 verscheen er te Parijs een Grieksche uitgave n.1. die van JACon Coupylus. Daarna volgt de T.atijnsche uitgave van J. Wigan, «qui luit Freindii doctus docti praeceptoris discipulusquot;, Oxford 1723.
In 1731 volgde de uitgave van Herman Boerhaavk, met eene herhaling van den text en de interpretatie van Coupylus en Crassus. Deze uitgave bevat tevens de »Pt. Petiti commentarii in Aretaeumquot;, do »,Tos Sca-ligeri notulaequot; en vele bijzonderheden door Wigan reeds medegedeeld.
In 1828 verscheen dan te Leipzig de uitgaaf van Kühn. Van deze zegt Ermerins «Itaque a Kühnii ipso bic nihil accepimus, nam quae accedunt omnia aliena sunt,quot; toch beschouwt hij het als een voordeel dat de commentaren van Reisk en Bernard als appendix in deze uitgave prijken.
De nieuwste, meest correcte en volledige uitgave verscheen te Utrecht in 1847 «Aretaei Cappadocis quae supersunt recensuit et illustravit Franciscus , Zacharias Ermerins, medicinae Doctor.quot;
8
Als commentatoren verdienen buiten Pktit nog genoemd te worden G. E. Baldinger en Pt. A. Suringar «dissertatie inaugur. histor. medic, de Aretaeo medico diagnostico summo.quot; Lugd. Batav. 1837.
Van Duitsche vertalingen mogen genoemd worden: T. O. Dewez Wien 1790 en 1802. Hans Lociier «Are-taeus aüs Kappadocien Zürich 1847, Dr. A. Mann ))Die ani' uns gekommenen Schriften des Kappadocier Are-taeusquot; Halle 1858.
Met recht mag liet hoogst bevreemdend genoemd worden dat van de oudere schrijvers haast geen enkele gewag maakt van den grooten Cappadocier Aretaeus, en dat zelfs een man als Galenus, de warme bewonderaar der talenten van Hippocrates , als het graf zwijgt over diens evenknie, zelfs den naam van Aretaeus niet noemt als hij de leer der Pneumatici aan een uitvoerige kritiek onderwerpt. Uit dit merkwaardig stilzwijgen trekt Petit eenvoudig de conclusie dat Aretaeus na Galenus (131 na Christus) zou geleefd hebben. Wigan daarentegen stelt de hypothese dat Galenus aan Archigenes
9
de geschriften toekent, die wij weten van A ret aeus afkomstig te zijn. Dequot; eer, uit de werken van Aretaeus zelve te hebben nagegaan, dat hij, al was zijn geest veel te onafhankelijk om er een slaafsch aanhanger van te zijn, toch behoorde tot de school der Pneumatici, komt toe aan Daniël le Ceerc ').
Stichter dezer Pneumatische school was Atiienaeus , uit Attala in [Ciliciën, een der beroemdste artsen die in de eerste eeuw na Christus te Rome leefde. Volgens hem moeten als elementen niet zoozeer worden opgevat vuur, water, aarde en lucht, maar de eigenschappen dezer lichamen: warmte, koude, vocht en droogte, terwijl als vijfde element het wordt aangenomen. Rein en onvermengd, maar daarom ook onzichtbaar en onstoffelijk, bestaat dit ttvsv^x alleen in de ijle lucht, van daaruit echter verspreidt liet zich door de geheele natuur. Al wat leeft is er van doordrongen, wordt er door beheerscht en in stand gehouden. Zoolang het TTvsvfix zonder eenige hindernis zich ongestoord in ons kan voortbewegen, beleeft, voedt en onderhoudt het
') âHistoire de la médecine,quot; Genevo 1696.
10
ons lichaam; wordt de verdeeling er van verhinderd, waarbij het calidum ac frigidum, siccum ac humidum een groote rol spelen, dan ontstaan ziekten of de dood.
Dat Aretaeus deze leer was toegedaan blijkt voldoende uit zijn geschriften : Zoo lezen wij in het hoofdstuk DTrsp) TSTayou,quot; ') dat deze ziekte het meest in den winter en bij grijzen voorkomt, en wordt daarvoor als rede opgegeven ))de frigiditas siccitasque senectutis quae mortis etiam natura estquot;. Vrouwen zijn voor tetanus meer vatbaar dan mannen «omdat zij van kouder natuur zijn,quot; ze hebben echter ook meer kans op herstel «quia humidiores suntquot; 1). Sprekende over «anginaquot; zegt Aretaeus : de oorzaak dezer ziekte schijnt mij toe te berusten op bederf der ingeademde lucht, die een te hooge graad van warmte en droogte verkregen heeft.quot; Als de oorzaak van «asthmaquot; wordt de vochtige koude der long genoemd, terwijl wij in het hoofdstuk over icterus volgens de classieke vertaling van Ermerins o. a. liet volgende vermeld vinden : ^
1
) De Causa acut. morb. liber I cap. VII.
11
Valentissimus etiam est ad gignenduin icterurn, totius corporis habitus, quia jam in toto homine subest causa. 1(1 autem eiusmodi est; ubique inest calor, ubique Immorum procreatio ac secretio, in aliis quidem partibus alia, sed singulis sua sibi propria; in carne sudoris, in oculis lacrimarum, in articulis naribusque nmci, in anribus ceruminis. Itaque si in singulis Ins operibus quasi delassetur calor, ipse in acre quoddam atque igneum immutatur, humoresque omnes in bilem abeuntquot;. Het verwijt intusscben van Galenus, waar hij (sprekende over Agathinus, Magnus, Herodotus, Archi-genes, allen medici uit de Pneumatische school) zegt: «Pneumaticos non tarn re rum inventores fuisse quam verborumquot; kan Aretaeus niet trefïen; want al schikt hij zich ook in zijne beschouwingen herhaaldelijk naar hunne theorie, hij weet deze toch van zich af te schudden waar hij meende dat ze hem op een dwaalspoor moest voeren. Dan roept hij, om een of ander ziekteverschijnsel te verklaren, zijne door moeitevol en scherpzinnig eigen onderzoek verkregen anatomische kennis te hulp, en doet ons vaak verbaasd staan over de uitgebreidheid van zijn weten. Zoo was hem van de longen,
die hij vergelijkt bij een spons «buigzaam en glibberigquot; bekend dat zij ongevoelig zijn. en hieraan schrijft iiij het toe dat de mensch juist hij longbloeding, »die toc-h de gevaarlijkste alle)' bloedingen is, niet aan het leven vertwijfelt, zelfs niet wanneer het reeds tot de uiterste gekomen isquot;. »lk voor mij â lezen wij in het hoofdstuk igt;-sp) x'tpxTss xvxyxyyj:quot;â ') hen van oordeel dat de reden hiervan te zoeken is in de ongevoeligheid der long; want menschen die ook maar weinig pijn hebben vreezen den dood zeer, en bij hen is de vrees grooter dan de kwaal; voelen zij echter geen pijn, dan vreezen zij den dood niet, ook niet bij het grootste gevaar, in ilit geval is de kwaal grooter dan de vrees.
In ile Inleiding van zijne bekende diagnostiek herinnert EiCKiioiiST aan het woord van Hippocuates nyjyx y.èpcs yjvsïifxxi r-zj: tswj: ir/xi ri ^â¢j'/X'rSrxi 7y.C7rsr/\ en noemt hij eiken arts, wien de methoden van onderzoek aan liet ziekbed niet in succnm et sanguinem zijn overgegaan, een beklagenswaardigen stumper. De diagno-
') Do causa aeut morb. lil)cr II, uap. 2.
13
stische hulpmiddelen, aan natuur- en scheikunde ontleend. die ons bij het onderzoek onzer zieken ten dienste staan, waren aan onze voorgangers geheel onbekend, waar het echter het onderzoek met het ongewapend oog (inspectie) of niet de tastende hand (palpatio) gold, hadden zij het door zorgvuldige oefening dezer natuurlijke hulpmiddelen tot een verbazingwekkende hoogte gebracht. Zoo worden de ziektebeelden ons door Are-taeus geschetst, gelijk hij ze zelf bij tal van lijders heeft waargenomen. Niets ontgaat aan zijn scherpen blik. en telkens tracht hij zich rekenschap te geven van hetgeen wordt waargenomen. Bij het vermelden der ziekte verschijnselen is hij steeds kort en bondig; alles wordt der natuur getrouw, zonder eenig eITect bejag, nauwkeurig beschreven. Wij zullen trachten dit uit zijn geschriften aan te toonen.
Welk modern handboek geeft ons eeu beter beeld van den phithisicus?1) «De holle oogen staan glanzend en vonkelen, de neus is spits en schraal, het gezicht mat bleek, blauwachtig, roode kleurtjes op de wangen. De dunne lippen zijn vast aan de tanden gedrukt, als bij
') De causa cbron. morb lib. 1 cap. 8.
14
een lachende. De hals is lang en slank, de stem heesch. liet geheele lichaam is vermagerd en verdord, de armen en beenen zijn atropliisch, de vingers zijn knokkerig, de nagels gekromd «wegens atropine van het vet weefsel.quot; Van de horsten zijn slechts de tepels zichtbaar. De ribben kan men tellen en hun insertie zoowel aan de wervelkolom als aan het borstbeen zien , de intercostaalruimten zijn ingezonken, concaaf, de proc. spinosi der wervels duidelijk zichtbaar «wegens atropine der spieren aan weerszijde.quot; De schouderbladen zijn over hun geheele uitgebreidheid zichtbaar âgelijk de vleugels der vogels.quot; liet nacht zweet en de koorts «die tegen den avond toeneemt en zich oven lag in de ingewanden schuil houdt,quot; zijn hem evengoed bekend als de sedes nocturnae, die hij prognostisch infaust noemt. Maar ook op het sputum wordt gelet en beschreven als: wit-geel, groen-wit, plat of rond, vast en taai of los en vloeibaar, reukloos of stinkend. In het hoofdstuk over Diabetes de caus. et sign, chron. morb. lib. II cap. 2 schrijft hij: «de lijders hebben een onleschbaren dorst, zij drinken en wateren zeer veel, intnsschen is de quantiteit der geloosde urine groo-ter dan do hoeveellioid vloeistof die gedronken wordt.
15
Bij de beschrijving der Pleuritis vermeldt Aret.veus ') de bij deze lijders vaak voorkomende passive ligging en wel op de zieke zijde «omdat dan de Pleura in rust blijft.quot;
In het hoofdstuk over Manie «quae est alienatio mentis diuturna, sine febrequot;, wijst hij op het verschil tus-schen hallucinatie en illusie.
Merkwaardig juist mag vooral de beschrijving van den Epilepticus genoemd worden1), waarvan Boerhave zegt: «Aretaeus in hac descriptione valde singularis est.quot; Na gewezen te hebben op de symptomen die doorloopend aanwezig zijn gaat hij over tot de beschrijving van den aanval en schetst daarbij vooral de aura sensoria en sensitiva in scherpe korte trekken. «Voor de oogen verspreidt zich een glans van heldere of gemengde kleuren gelijk aan een regenboog die zich plotseliny uilspaniy Sommigen voelen suizingen in de ooren. anderen hebben onaangename walgelijke reuk gewaarwordingen. Bij deze patienten zit de oorzaak in het hoofd. Bij anderen
1
) Do causa ct sign, acufc. morb. lib. I, cap. 5.
De causa et sign, chron. morb. lib. I; cap 4.
16
begint de storrn in de periphere zenuwen en gaat van daar naar het centrum. Zij, die reeds meer een aanval doorstaan hebben, roepen, zoodra zij liet in de vingers ol' eenig ander lichaamsdeel voelen aankomen, de hulp hunner omgeving in, die er trouwens reeds aan gewend is. Ook trekken en knijpen zij zelfs aan de aangedane ledematen âalsof zij de ziekte er zoo uit wilden wegsleurenquot;, eu zoo voorkomen zij soms den aanval voor eenen dag. [Iet plotseling bewusteloos neervallen met een schreeuw, de tonische en clonische krampen, hot verdraaien der oogen, het stuk bijten der tong, de met bloederig schuim bedekte mond, de ontstelde gelaatstrekken, de bleeke en bij langere duur cyanotische gelaatskleur, dc gezwollen lialsvenen, alles wordt nauwkeurig vermeld. Ook let hij op den pols en beschrijft hem als «snel en klein bij den aanvang, groot, traag en langzaam bij het einde, altijd onregelmatigquot;.
Wanneer de storm zich gelegd heeft, klagen de arme lijders over hoofdpijn; zij zijn vermoeid, versufd, bleek, mistroostig en terneer geslagen van schaamte over hunne ziekte. Blijft het lijden voortbestaan zoo voert de lijder een jammerlijk leven vol smaad en schande. Ook tijdens
17
de intervallen is idj moedeloos en menschenschmv, het geheugen gaat verloren en het verstand «zoodat zij niets dan wartaal sprekenquot; De insania epileptica was dus eveneens aan Aretaeus bekend.
Aan het einde van dit hooldstuk, waai' hij spreekt over den oorsprong der ziekte, levert Aretaeus ons het bewijs hoe ook de groote mannen der oudheid hebben toegegeven aan de echt menschelijke neiging om te trachten zich eene voorstelling te vormen van liet wezen van alle dingen, zelfs van die, die zij slechts hall'kenden of misschien slechts vermoedden : âDeze ziekte wordt nok «de heiligequot; genoemd, misschien draagt zij dezen naam om de hevigheid van het lijden â want al wat groot is is heilig â of omdat de genezing niet door den rnensch, maar alleen door de Goden kan worden aangebracht, of omdat men gelooft dat een daemon in den Epilepticus huist, of om al deze redenen te zamenquot;.
Uitmuntende door juistheid, en bewijzend dat hij de ziektebeelden schetst zooals hij ze zelf heeft waargenomen, is de beschrijving der Peripneumonie'), waar-
') Do causa ct sign. acut. morb. lib. II cap. L
18
aan eeue beschouwing over de Physiologie van de longen en het hart voorafgaat.
»A 1 wat leeft, heeft, om te kunnen voortbestaan, behoefte aan twee dingen: voeding en lucht, het meest noodige echter is de lucht, want wordt een mensch van deze afgesloten, dan houdt hij het niet lang uit, maar sterft spoedig. Het begin der respiratieorganen is de neus, dan volgt de trachea (aspera arteria), het hoofdorgaan echter is de long, die door de borstkast beschermd en beschut wordt. De longen omvatten de bron der respiratie, want in hun midden ligt een warm ingewand : het hart, waarvan leven en respiratie uitgaat. Door het hart wordt de long verwarmd, en zoo het verlangen in haar opgewekt, koude lucht tot zich te trekkenquot;.
Na er op gewezen te hebben dat, wanneer alleen de long ontstoken is de lijder geen pijn heeft, doch dat deze eerst dan optreedt, wanneer de pleura aan het ontstekingsproces deelneemt , beschrijft hij de zittende houding, die den patient het liefst is, als zijnde de gemakkelijkste voor het ademen. «Peripneumonia, pulmonis inllammatio est cum acuta febre: in qua pee-
19
to ris subest gravitas, sed quae dolore vacat, si solus inllammatur pulmo. Is enim natura sua doloris expers est, quoniam illius substantiae raritas quaedam inest lanae assimilis; arteriae vero per eum disseminantui' asperae cartiliginosae, eaeque etiam doloris immunes; musculos numquam; nerves tantum exiguos babet atque teuues, qui motui ipsius inserviunt, et haec quidem vera causa est, cur dolorern pulmo non percipiat. Sed ei membrana aJiqua ex iis, per quas pulmo pectori aduectitur, cum eo inllammetur, accedit etiam dolorquot;
Als man van de praktijk grijpt hij onmiddelijk naar den pols «in het begin zeer frequent, groot leeg; neemt de ziekte een ongunstige wending, dan klein, zeer snel en onregelmatig.quot; Van het sputum wordt gezegd, dat het vaak zeer moeilijk wordt opgebracht en verschillend van kleur is «schuimend, gallig of' roodachtig van bijgemengd bloed.quot;
Het duidelijkst bewijs van systematisch onderzoek levei't ons Aretaeus bij de beschrijving van Ascites: ') «Deze ziekte is niet alleen afzichtelijk, maar ook zeer
') De causa et sign, ehrou. morb. iiber II cap. 1.
â¢20
ernstig; want slechts weinigen genezen volkomen en dan meer door toeval en geluk en dooi' de hulp der Goden dan door menschelijke kunst. Bij den lijder aan ascites zien wij den buik gezwollen en de voeten oede-mateus; het gezicht, de armen en alle overige deelen zijn mager. Ook scrotum en praeputium zijn gezwollen en de geheele penis wordt krom tengevolge der ongelijke aansameling van vocht. Alen kan het opgehoopte water ook voelen, wanneer men de hand in de llank legt en de vloeistof in beweging brengt, zoodat ze naar de andere zijde verplaatst wordt; ook door liggingsverau-dering ontstaat deze lluctuatie. Men kan de in beweging gebracht zijnde vloeistof ook door het gehoor onderscheiden (succussie). Sprekende over het verschil tus-schen Tympanites en Ascites zegt hij verder; wanneer men met de hand op den buik klopt, hoort men in het eerste geval een luiden trommeltoon.quot; Van dit kloppen gewaagt Aretaeus ook nog in het hoofdstuk over tetanus, waar hij zegt: «het Epigastrium is gespannen en geeft uls men daarop klopt een helderen toonquot;. Onwillekeurig zijn wij geneigd, dit lezende, to denken aan den genialen Auenbrugger, wiens «inventum novumquot; â door den
verdienstelijken Corvisart aan de vergetelheid ontrukt â misschien tocli niet zoo geheel nieuw was. Nil novi sub sole!
Vóór Aretaeus werd de Elephantiasis door niemand ooit beschreven, en van al die oudere schrijvers die later hunne krachten aan die beschrijving waagden (Arcuigenes , Avicenna, Prosper Alpinus), kan niemand het hij hem halen. Hieruit blijkt wel dat de meester zelf steeds de les in praktijk bracht door hem aan anderen gegeven: «Het is niet voldoende voor den medicus te letten op datgene wat anderen voor ons hebben waargenomen, zelf moet hij waarnemen, en zellstandig onderzoekenquot; '). Aretaeus noemt deze ziekte eigentlijk 2). «Het is eene geweldige, niet te genezen ziekte, die zeker den dood met zich voert. De ontwikkeling geschiedt sluipend met gevoel van loomte, moeiheid, slaperigheid en constipatie: aan de oppervlakte van het lichaam is dan nog niets te zien, docli in de ingewanden gloeit reeds de verbolgen ziektekiem en de
') Di curatione acut. morb. lib. 11 cap. 11. 2) Di cans, ot sig. chrou. morb. lib. II cap. 13.
22
mensch is onherroepelijk verloren, want jnist op dit tijdstip wordt uit zorgeloosheid en nalatigheid verzuimd de reddende hulp van een geneesheer in te roepen.quot; De verandering der huid wordt aldus beschreven: Nu ontwikkelen zich over het geheele lichaam dicht bij elkaar staande doch niet conllueerende dikke ruwe knobbels, de daartusschen gelegen verdikte huid is gerimpeld en vol kloven en scheuren «als de huid van een olifant.quot; Meestal vallen overal de haren uit, het hoofdhaar wordt vroegtijdig wit, het hoofd geheel kaal. De pols is klein en traag âals sleepte hij zich met groote moeite door taaie modder voort.quot; De tong ziet en voelt ruw en is bedekt met hoornachtige papeitjes. De wangen worden rood en gezwollen, de oogen staan mat en hebben een doffen metaalglans , de wenkbrauwen treden sterk te voorschijn. De gerimpelde huid in de buitenooghoek-streek wordt sterk naar omlaag getrokken, zoodat hij de oogen bedekt, âals bij toornige leeuwen,quot; daarom noemt men de ziekte ook «leontiasisquot;. Het aangezicht van den lijder doet echter niet alleen denken aan den olifant en den leeuw, maar ook aan de schrikbrengende duistere nacht. De neus, die sterk naar voren springt is inet zwarte hob-
23
belige knobbels bedekt, de lippen zijn dik, gezwollen, lijkkleurig. De tanden zijn wel niet wit, maar schijnen zoo omdat de omgeving zoo donker van kleur is. De ooren zijn blamv-rood, ingescheurd , gezwollen, en daarom schijnbaar grooter dan normaal. Neemt nu de kwaal steeds meer toe, zoo gaan alle knobbels in ettering over en aan wangen, kin. vingers en knieën ontwikkelen zich ongeneesbare stinkende zweren, die langzaam over het gebeele lichaam voortkruipen. Soms sterven nous, vingers, voeten, geslachtsdeelen geheel af, want de dood maakt geen einde aan het ellendig bestaan van den vreeselijk gepijnigden lijder, voordat de ledematen door de ziekte stuk voor stuk vernietigd zijn: «Wiezou nu dergelijke lijders niet vermijden, zelfs als het een vader, zoon of broeder betrof. Want vrees voor besmetting bestaat er steeds en om deze rede isoleert menigeen zijn naaste verwanten en beste vrienden in de woestijn of op de bergen.quot;
Wij hebben reeds vroeger er op gewezen, hoe bij de besi'lirijving zijner ziektebeelden de Anatomische kennis
24
van Aretakus vaak o[) den voorgrond treedt. Als voorbeeld haalden wij reeds aan de beschrijving der Haemoptoë en der Peripneumonie, waar hij herhaaldelijk op de ongevoeligheid der long wijst en deze langs anatomischen weg tracht te verklaren. In het hoofdstuk over de chronische ziekten der miltquot; ') lezen wij; Soms ligt de milt geheel bewegelijk in den buik en laat zich naar alle zijden verschuivenquot;, waaruit blijkt dat de »lien mobilisquot; hem bekend was. De beschouwing over nierziekten -) begint met de beschrijving der nieren «klierachtige organen die dienen om de urine uit het bloed af te scheiden.quot; Deze beschrijving is even juist als kort en bondig, zelfs de tubuli Bellini zijn aan zijne aandacht niet ontsnapt, want hij zegt: «op doorsnede ziet men kleine zeefvor-mige kanaaltjes met nauwen hals, dienende om de urine te laten doorsikkeren.quot; Ten onrechte beweert Dr. Lociier in zijn monographie «Aretaeus aus Kappadociënquot; â waarin hij den schrijver achtereenvolgens schetst als anatoom, ] ihysioloog, chirurg, patholoog en therapeut â
') Dc caus. et sign, chron. morb. lib. I cap. 14. 2) De eaus. et sign, chron. morb. lib. II cap 3.
'25
lt;lat de meening v:m Hippocrates, als zonden de slagaderen lucht, de aderen bloed bevatten, doorAuETAKUS zoude gedeeld zijn. Duidelijk toch schrijft hij: ') âDe bloeding is ook verschillend al naar gelang het bloed uit een arterie of uit een vena vloeit; het veneuse bloed is zwart, dik en stolt spoediger, de bloeding is gemakkelijker te stelpen; komt het bloed uit een arterie dan ziet het dun en helder rood, het gevaar is dangrooter, want de pulsaties der arterie onderhouden de bloeding, terwijl de wond zich niet kan sluiten wegens de voortdurende beweging.quot; Bij de beschrijving der dysenterie 2), wier veelvuldig samengaan met leverabcessen wordt aan-geteekend, vermeldt hij de verschillende soorten van nlcera in den darm, hunne zitplaats en hun invloed op het aspect der defbecatie. âZijn de zweren oppervlakkig dan is het darmslijmvlies afgeschaafi 1 en deze excoriaties zijn ongevaarlijk omdat zij ilen darmwand niet laedeeren. Hebben zij hunne zitplaats in de dunne darmen dan zijn de faeces dun, groen, gallig, zonder bijzonderen
') Do eaus. et sign. acut. morb. lib. 11 cap. 2. '-) Do caus. et sign, chron. morb. lib. 11 cap. 9.
26
stank, de excrementen uit den dikken darm zijn dan saffraanachtig en stinkend, met onverteerde spijsresten gemengd. Zijn de zweren dieper en nemen ze steeds in omvang toe, waarbij kleine bloedvaten worden aangevreten en bloeding volgt, zoo veroorzaken ze vaak den dood. In de faeces vindt men dan vaak dikke mot slijm gemengde vleeschkleurige bloedcoagula en geheele stukken afgeschaafd darmslijmvlies, vooral wanneer de zweren in hot onderste gedeelte van den dikken darm zetelen. Ook vindt men in don darm soms zweren met opgeworpen, ruwe calleuse randen âgelijk de knoesten in het houtquot;; deze genezen zeer moeiolijk, en heeft er zich een litteeken gevormd, zoo kan dit bij do minste aanleiding weer scheuren.quot;
Dat het voor den mensch veel gemakkelijker is door eigen streven tot buitengewoon verrassende uitkomsten te geraken, dan overgeerfde vooroordeelen van zich af te worpen bewijst ons Aretaeus in zijne beschouwingen over den uterus en zijn kwalen 1). Op het voetspoor zijner voorgangers houdt hij de baarmoeder der vrouw voor
') Du causa et sign. acut. morb. lib. II, cap. 11.
27
een soort onrustig dier, dat uit eigen beweging kan kruipen waarheen het wil (prolapsus, globus hystericus), en dat door aangename reukmiddelen kan worden aangelokt en door slecht riekende stoffen (asa foetida) op de vlucht gejaagd. En hoelang heeft deze potsierlijke opvatting zich niet staande gehouden?
Verrassend daarentegen in hooge mate, en bewijzend dat hij in neurologische kennis zijn tijd ver vooruit was, is hetgeen wij lezen in het hoofdstuk nrrsp) Trxpx/.-jrrsvs ') «Gelijke oorzaken brengen in de natuur slechts dan gelijke werking te weeg, wanneer de voorwerpen waarop de oorzaken inwerken gelijk zijn. Indien nu bijv. de meninx spinalis is aangedaan, dan wordt de gelijknamige zijde van het lichaam verlamd, de rechterzijde zoo de oorzaak rechts, de linkerzijde zoo de oorzaak links gelegen is. Zetelt echter de kwaal in de hersenen, zoo wordt van de rechter hersenhelft de linker- en van de linker- de rechter lichaamshelft verlamd. De reden hiervan ligt in de kruising der zenuwen: want de zenuwen die van de rechter hersenhelft uitgaan, loopen niet in
') Do causa ot sign, chron. morb. lib. I, cap. 7.
28
rechte lijn tot aan de peripheri, maar spoedig nadat ze de hersenen verlaten hebben, gaan ze op de tegenover gestelde zijde over en kruisen zich met die der linkerzijde in den vorm van een X- Ook het onderling verband tnsschen motorische en sensibele zenuwen wordt door Aretaeus beter dan door Hippocrates beaamd, en als iiij er op wijst hoe door motorische vezelen op de sensibele bewegende kracht wordt overgebracht, is hij een der grondleggers van het imposante gebouw, dat de zenuwphysiologen in den jongsten tijd met koen beleid hebben opgericht.
Uit het bovenstaande kan ons inziens voldoende blijken, dat Aretaeus was een observator x-jrcltla.y.To:, dat bij tal van lijders nauwkeurig heeft waargenomen en systematisch onderzocht, dat hij gewoon was alle door bem opgemerkte ziekteverschijnselen nauwkeurig, in allen eenvoud en der natuur getrouw te beschrijven. Maar er is meer:
1. Worden de symptomen steeds beschreven in de volgorde waarop zij zich plegen voor te doen. Zoo bijv.
29
schrijft hij in het hoofdstuk over asthma '): »!lt; en teekenen dat de aanval nadert, zijn: gevoel van zwaarte in de borst, onbehagen, kortademigheid, heeschheid. hoesten, oprispen, 's nachts slapeloosheid en gevoel van hitte. De beginnende aanval kenmerkt zich door het rood worden iler wangen, het uitpuilen der oogen, als hij iemand die gewurgd wordt. Do lijders snurken, hebben een zachte, lispelende stem, een groot verlangen naar veel koude lucht, zij nemen een zittende houding aan en openen den mond zoo wijd mogelijk «alsof zij alle beschikbare lucht wilden inademen.quot; Het gezicht is met uitzondering der wangen bleek, het voorhoofd en de streek der sleutelbeenderen met zweet bedekt, Voortdurend worden de lijders geplaagd door een hevigen hoest, waarbij moeilijk en weinig geexpectoreerd wordt. Het sputum is dun. taai, schuimend. De pols is klein, dikwijls onregelmatig, intermitteerend. Zelden volgt de dood, als bij epilepsie, door verstikking. Neigt de aanval tot genezing, zoo wordt de hoest minder, de expectoratie rijkelijk, de respiratie vrijer en het sissen en piepen op
') Do caus. ot sig-n. chron. morb. lil). I, cap. 11.
30
de borst houdt op. Zoo ontkomen de lijders wel is waai', den dood, de sporen der ziekte dragen zij echter, ook buiten den aanval steeds met zich.
Dezelfde nauwkeurigheid frappeert ons in het hoofdstuk over Heus Na er op gewezen te hebben hoe ophooping van faeces, rheuma, trauma en vooral een beklemd rakende scrotaalbreuk aanleiding tot tie ziekte kunnen geven, gaat hij aldus voort: Bij een lichte graad van Heus klagen de lijders over knijpende pijnen en borrelende geluiden in den buik, terwijl zij veel last hebben van looze brakingen die echter geen verlichting brengen. Neeral het lijden toe, zoo wordt van af de plaats der beklemming alles naar boven gedreven en uitgebraakt; de patient wordt bleek en koud over het geheele lichaam, klaagt over hevigen dorst en ondragelijke pijnen. Nadert de dood, dan breekt overal liet koude zweet uit, de stem wordt heesch en zwak en terwijl de pols uiterst klein, zwak en onregelmatig wordt, worden voortdurend faecale massa's uitgebraakt.
11. Bij het opnoemen der symptomen maakt Aretaktjs
') Do caus. ot sign, chron. morb. lib. I, cap. 11.
31
niet alleen onderscheid tusschen primaire, en zulke die niet noodzakelijk tot de ziekte behooren, doch secundair, accidenteel zijn, maar ook de idiopathische en sympatische symptomen worden van elkaar gescheiden. Zoo houdt hij pathognomomisch voor Phrenitis de voortdurende koorts: «Phreniticis i'ebres continuae inhaerent oi TrvpsTcï), quaeque non longas
remissiones (sTrmsmxc sed breves et obscuras levationes (â /.ov^iTpobi;) recipiantquot; '). Bij de beschrijving der lu-sania wijst hij er op hoe de koorts steeds accidenteel is; »nam si quando accedit etiam febris, eo, non ut insaniae propria, sed ex allo aiiquo casu inciditquot;-). Van sympathische symptomen gewaagt Hippocrates zoo goed als nooit, Aretaeus wijst er herhaaldelijk op.
hi het hoofdstuk over de ziekten van liet Colon lezen wij: Nieren en blaas worden mede aangedaan, er treedt pijn in deze organen op, zonder dat de kwaal er ia zetelt; nog verwonderlijker is het, dat die pijn ook plotseling in de testikels en Cremasteren kan uitstralen.
') âDc curatione acut.quot; morb. lib. 1 cap. 1. -) De caus. ot sign, chron. morb. lib. I cap. 6.
«Aan vele artsen is liet verband tusschen deze deelen niet bekend, sommigen sneden zelfs de Cremasteren weiï, in de meening dat daarin de bron van het lijden zat: deze pijnen zijn echter sympatisch.quot; Ook in het hoofdstuk over Tetanus wordt er op gewezen hoe de pijn, die oorspronkelijk zetelt in spieren en pezen, sympathisch over het geheele lichaam uitstraalt «quoniam omnes partes iis, 'quae primo adfectae sunt, consentiunt. Bij den lijder aan calculus vesicae worden de tenesmi'), de prurigo ad anum en de pijnlijke erecties, langs sym-pathischen weg verklaard «nam prope se invieem jacent anus et vesica, quorum uno adfecto et alterum adficiatur necesse est.
De bescheiden man, die zoo zeer boven al zijn tijd-genooten uitstak door zijn diagnostisch talent, was ook dooi' en door practisch, steeds gewoon, zelfstandig er handelend aan het ziekbed op te treden. Zoo vertelt hij ons in de beschrijving der abscessen in borst- en buik-
') De caus. et sign, chrou. morb. lib. II cap. 4.
33
holte:1) Eens opende ik een absces aan het colon ter rechterzijde, naast de lever, en kon ik mij overtuigen hoe gedurende meerdere dagen niet alleen dooi' de gemaakte wond, maar ook langs nieren en blaas veel etter wegvloeide, waarna de patient genasquot;. Terecht zegt Wigan sprekende over Aretaeus : «propria experientia praecepta sua confirmat, singularis idem medendi artifex et magister.quot; Bij de therapie der Lethargie2) roemt hij de werking van het semen sinapis, inwendig gebruikt: valens etiam ad humectandum alvum et ad expellandos flatus. «Hiervan â zegt hij â heb ik mij persoonlijk overtuigd bij een patient die dit middel op mijn aanraden gebruikte,quot; want â voegt hij er onmiddellijk bij â ))de ervaring-is wel een goede leerschool, maar men moet ook zelf proeven nemen, want wie al te vreesachtig is, kan geen ervaring op doen.quot; En van die ervarenheid aan het ziekbed getuigt wel hetgeen hij schrijft in de inleiding van het boek over chronische ziekten: «Hier komt de degelijkheid en bekwaamheid tot zijn recht van den arts, die
') De caus. ct sigu. chrcm. morb. lib. 1 cap. 9. â !) Do curat, acut. morb. lib. I cap. 2.
34
de kunst verstaat kalm en bedaard te blijven, zijne handelwijze naar de omstandigheden te regelen, den zieke kleine gerieven, die onschadelijk zijn, te veroorloven, en hem moed en troost in te spreken; maar ook de lijder moet moed houden en met den geneesheer tegen de ziekte worstelen.quot; Ten slotte nog als bewijs van zijne humaniteit de woorden die Aretaeus neerschreef aan het einde van het hoofdstuk over tetanus: «Dat is een verschrikkelijk lijden, treurig om aan te zien en niet te genezen, zoodat de wensch der naaste familieleden, dat de dood toch spoedig verlossing mocht brengen van pijn en smart, te rechtvaardigen is. De ontboden geneesheer vermag niets om het leven te redden, niets om tie pijn te verminderen, niets om de misvorming der gekromde ledematen op te hellen. Den zieke kan hij niet helpen, hij kan slechts medelijden met hem gevoelen en hem beklagen, en dat is voor den medicus een groot verdriet.quot;
t'
S T E Xj Ui i isr O- E isr_
\
STELLINGEN.
i.
liet ware wenschelijk dat minstens aan eene der Rijks-universiteiten in ons land aan de studenten in de Geneeskunde onderwijs werd gegeven in de geschiedenis hunner wetenschap.
11.
Zoolang kennis der Psychiatrie voor het Artsexamen niet verplichtend gesteld is, is het af te keuren dat ieder medicus bevoegd is eene verklaring van krankzinnigheid af te geven
38
111.
De behandeling van lijders aan tuberculose volgens de methode van Koen kan tot nog toe slechts als een klinisch experiment beschouwd worden; lt;leze behandeling dient met groote bedachtzaamheid te geschieden en dan nog alleen in zieken inrichtingen, waar de lijders voortdurend onder controle staan.
IV.
De proeven van Goldscueider en Bi.ix hebben overtuigend bewezen, dat de leer der specifieke energien op den temperatuurzin geheel van toepassing is.
V.
De methoden ter bepaling der sensibiliteits-afwijkingen zijn niet voldoende.
VI.
Delirium tremens behandele men zonder toediening van alcoholica.
39
VII.
Iedere raad in de verloskundige therapie gegeven, die strijdt met het beginsel, zoo conservatief mogelijk te zijn, is af te keuren.
VIII.
Uolc bij een normale partus is een liclite cliloroform-narcose vaak wenschelijk.
IX.
De methode van Treur tot het opwekken van partus praematurus is te omslachtig om in de praktijk die van Krause te kunnen verdringen.
X.
Bij den tegenwoordigen stand der operatieve chirurgie verdient de sectio caesarea ruimere toepassing.
XI.
Keratitis phlyctaenulosa behandele men met Calomel.
M)
XII.
In vele gevallen van glaucoma is het in( h uppelen van een oplossing van Sulplms Ezeiini te verkiezen boven Iridectomie.
XIII.
Sectio alta met opvolgende blaasnaad is de methode volgens welke in de meeste gevallen steenen en vreemde voorwerpen uit de blaas van mannelijke personen moeten verwijderd worden.
XIV.
De behandeling van distorsies en de nabehandeling van luxaties en gewrichtsfracturen geschiede niet door massage maar door elastische inwikkeling.
XV.
Het epitheton durum, toegevoegd aan het woord ulcus, waar men spreekt van een venerisch effect, is niet voldoende om aan te duiden, dat dit een syphilitisch effect is.
41
XVI.
Een acute monarthritis, waaraan geen trauma ten grondslag ligt of polyarthritis is voorafgegaan, berust bijna steeds op blennorrhoea urethrae.
XVTT.
Op physiologische gronden moet liet toedienen van ainylacca aan kindei'en gedurende de eerste levensweken worden ontraden.
XVIII.
Het is dringend noodzakelijk, dat het Geneeskundig Staatstoezicht op het onbevoegd uitoefenen der Grenees-kunde versclierpt worde.
XIX.
De toegang tot de Academie worde voor den aanstaanden arts slechts opengesteld langs den weg Aan eindexamen Iloogere Burgerschool of Gymnasium.