-ocr page 1-

Waar vele millioenen reeds gebleven zijn

EX

Waar vele millioenen nog znllen blijven.

EEN VERZOEKSCHRIFT

AAN

de Tweede Kamer der Staten-Generaal

VAX

G. ROESSINGH VAN 1TERSON.

Oud refemuhtm, Chef ran de (ifdmliny ,Conipiidgt;ilitlt;-it ' hij het dcjKuieiiienf van Justitie te Batavia.

tEIDEK, B. C. VAN DOESBURGH. 1897.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

WAAR VELE MILLIOENEN REEDS GEBLEVEN ZIJN

EX

WAAR VELE MILLIOENEN NOG ZULLEN BLIJVEN.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Waar vele millioenen reeds gebleven zijn

EX

Waar vele millioenen nog znllen blijven.

EEN VERZOEKSCHRIFT

AAN

de Tweede Kamer der Staten-Generaal

VAX

G. ROESSINGH VAN ITERSON.

Oud refeyevdaris, Chef' van dr. (ifdwUny . Colllpfahiliteit,, bij het departement van Justitie tv. Batavia.

leiden- , S. C. VAN DOESBUKGH. 1897.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

The first ami highest ambition a man can have is to do his duty.

Lubbock.

Om aan den Lezer te doen zien lioe mijn pogen om verbetering in het geldelijk beheer in onze O. I. bezittingen te verkrijgen. daar is opgenomen, neem ik hier eerst de recensie over — en wel voor zoover mij bekend is tot op dit oogenblik de eenige — van twee Indische bladen.

Van Dorp's „Maandbladquot; van 1 Juli 1897 schrijft:

Geen leerboek, maar wol oen waaruit ontzaglijk veel te Icoren is, heet: -TVaar vele millioeueu reeds gebleven zijn eu waar vele niillioeneii nog: zullen blijven. Eene hijdraye tot de kennis van het Indisch Staatsbestuur, door G. lioessiuyh eau Iter son, Oud-lieferendaris, Chef van do afdeeling „comptabiliteitquot; bij hot departement van Justitie to Batavia. (Leidon, S. C. vak Doesburgii.) Een werkelijk deskundige is hier aan 't woord on onthult veel, zeer veel, wat gewone monsohen tot-nu-toe onbe-bekend was. Wij vermeten ons in de verste verte niet, over de nioerdore of mindere juistheid zijner beschouwingen een oordeel te vellen. Dat hot geldelijk behoor hier te lande nog altijd „zeer onvoldoende of in 't geheel niet geregeld isquot;, staat bij don schrijver vast en wordt door hom duidelijk aangetoond. Verder behelst dit boek een geheele lijdensgeschiedenis der Knaneiëele regeling in Noderl. Indië. Hier staan werkelijk groote belangen op 't spel en we hopen spoedig te vernemen, dat deskundigen met den schrijver in discussie treden en .... dat wij praktische gevolgen daarvan zullen zien.

Die recensie werd overgenomen in de „Haagsche Courantquot; van 9 September 1897 eu de Redactie van dat blad teekende daarbij aan: „dat de Indische pers nog minder dan de Seder-landsche zich tot dusver gewaagd had aan Vax Itersox's boek over liet Indisch financieel beheer, waarop bovengenoemd „Maandbladquot; nu een uitzondering maakte.quot;

-ocr page 8-

Uit du „Duli-Courantquot; van 7 Augustus IJS1.)? neem ik over:

MWij vestigen de aandacht onzer lezers op de zeer belangwekkende studie van Flaneur in ons derde blad over de brochure van den heer Gr. Roessingii van Tteksox.

Met attentie gelezen, zal men een verlangen gaan gevoelen om do brochure zelf' te lecren kennen en komt aan onzen hooggcachten medewerker do eer toe, op uitnemende wijze propaganda te hebben gemaakt voor de verspreiding dei-kennis van de Indische financiëele mysteriën.quot;

Waar vele iiiillioenen reeds gebleven zijn en waar vele millioenen nog zullen blijven.

Dozc „bijdrage tot do kennis van het Indisch Staatsbestuur, door G. Koessingh van Itekson, oud-referendaris, Chef dor Afdeoling Comj)-tabiliteit bij het Uep. v. Just, te Batavia, uitgegeven bij S. C. v. Doesbukgii te Leiden, is een sensatie makende brochure. Mag men het feitelijk wel een brochure noemen, deze 315 pagina's groote, rainitieuze arbeid, de weldoorvoede vrucht van jaren en nog eens jaren arbeids? Het boek maakt sensatie, zcide ik; neen, het doet meer, het maakt indruk en het feit, dat het nog geen ampele bespreking in onze bladen of tijdschriften heeft uitgelokt, pleit wel voor den schrijver, dien men gelegenheid te over heeft, om voor con man uit cón stuk en geenszins voor een vluchtigen, impressio-nabelen te kort gedancn Max Ilavelaar te houden. Wil men den Heer Roessingh van Itekson bestrijden, dan zal men zich geducht moeten pantseren en proviandeeren en, hoewel reeds vooruit wetende, dat het werk in quaestie zoogenaamd beantwoord zal worden , ben ik toch zeker, dat men de hoofdpunten niet zal kunnen weerleggen. Voor zoover mij dit mogelijk is, met het oog op de plaatsruimte in dit blad, zal ik den inhoud kort omschrijven.

-ocr page 9-

7

Do aanleiding tot doze lijvige brochure is de opmerking van Je Ind. Gids in zako een beknopt artikel over't zelfde onderwerp van den schrijver in do Amsterdammer. Men zeidc toen, het „te wenschon, dat de Heer E. v. I. zijne denkbeelden wat duidelijkerquot;

enz..... Welnu, serves diaud heeft de Heer R v. I. gedacht en

in beschaafden taal zijne denkbeelden ontwikkeld! Hij begint te verhalen, hoe hij in 1867 tot 3e commies bij het Dep. v. Fin. te Batavia bevorderd word, dat hij toen bij den hoer Barkmeyer te werk werd gesteld om den loop der zaken te leeren, dat hem do controle der uitgaven weldra zeer duidelijk werd, doch dat hij omtrent do wijze van ontvangsten controleeren, maar niet wijzer werd en, daarna informoerende, ten antwoord kreeg: „dat daarvoor al heel weiniij voorschriften bestondenquot; en daarbij ook do mododecling: „dat een controle op het grootste gedeelte der ontvangsten ten eenen-male onthrakquot;, het was gewoonte dat de alg. Rekenkamer „datgene wat als ontvangen werd verantwoord, heschouwde als dat wat ont-vangen moest worden en dit dan tegelijkertijd aannam als behoorlijk te zijn verantwoord.'quot;

Wien zou oen dergelijke staat van zaken niet te denken geven ? Welk oprecht dienaar van den staat zou oen dergelijke toestand niet wcnschen te verbeteren? Ook R. v. T. dacht er over en met vrucht zooals uit het latere blijkt.

Ook in Nederland had do rekening met Indië, die maar steeds uitbleef, de aandacht getrokken en een naar zoggen zeer bekwaam man, de Heer P. H. B. Motké, werd met een staf gezonden tot „het instellen van een onderzoek naar en voor verbetering van het tinancieel beheerquot;. Helaas stierf de Heer Motké op Java en toon werd do hem toegevoegde rijksambtenaar, de Hoor J. E Sprexoeu v. Eyk , tijdelijk tot hoofd-inspecteur van Financiën benoemd. Dit was in '73. In quot;74 en '75 komt de heer S. v. E., die het oude comptabele beheer slecht vond, met verbeteringen aan, en nu betoogt do Heer R., dat die verbeteringen niet voldoende en zelfs geen verbeteringen doch complicaties zijn gebleken, die hot beheer nog vorwikkelder ou foutiever hebben gemaakt; vooral do controle op de ontvangsten bleef nog steeds niet afdoende. De Heer R. was intusschen referendaris geworden en ging in 1879 met twee jarig verlof naar Nederland, hij werd toen op zijn verzoek bij het Min. v. Kol. gedetacheerd, en werkte daar aan de ontworpen nieuwe voorschriften gedurende twee jaar en 8 maanden en keerde toen naar Indië terug, „Daar begintquot;, zoo schrijft hij kort en zonder

-ocr page 10-

8

omhaal „mijn lijdonsgeschicdonisquot;. Uit dc nauwkeurige beschrijving dienaangaande, blijkt ons alleen, dat deze vcrdiensteljjke ambtenaar op -I-Ijarigen leeftijd, in 't genot van een uitstekende gezondheid zijn — ontslag kreeg, — omdat zooals de G. G. dit aan den heer Beküsjia, die voor II. v. I's. belang opkwam, zeide: hij dat aan Van Vleuten beloofd had??

Bovendien werd hem door den tegenwoordigen G. G. kort geleden meegedeeld dat hij niet meer in 's lands dienst zou kunnen worden opgenomen.

Kan zoo iets bestaan, vraagt men zich af en sluit zich aan bij de waardige woorden van den schrijver, die zich afvraagt: „wanneer hot ontslag van ambtenaren in N. J . bij de wet geregeld zal worden

In 1890 schroef toen de Heer K. v. I. een artikel in de Ind. Gids, getiteld: „de voorschriften tot uitvoering v. een gedeelte v. d. Indische comptabiliteitswet zooals zij zijn en zooals zij wezen moeten.quot;

Dat die voorschriften voor critiek vatbaar waren , was reeds gebleken door het feit der uitgave van andere geschriften, zooals van don Hoer A. J. W. Van Delden in 1875 eu in'79 van den Heer Mekern, inspecteur der financiën, die, om uit do vele aanhalingen een ken-schetsenden greep te doen, schrijft: „Maar wat moet men zeggen van die andere boekhouding, bij welk artikel het kasmomoriaal der alg. ontvangers — het kasboek, hel hoek der kassiers — is afgeschaft!

Dan behandelt schrijver een merkwaardig artikel in de Indische Gids van 1885, getiteld: „kas-tekorten en geldelijk wanbeheer.quot;

Dat er in Indië vroeger gruwbaarlijk gestolen werd, bewijst reeds de strenge proclamatie van 4 Febr. 1810, door Daendels uitgevaardigd , doch het feit dat er slechts bij toeval, en nooit door hot controle systeem zelve, nu en dan slechts, en dan meestal flinke bedragen als verduisterd worden gevonden, ondanks die z. g. inspecteurs , wijst zelfs voor den oningewijden lezer op een ernstigen toestand. Wel vermeerderde men het inspectie-personeel, maar hot schijnt mij na aandachtige lezing van de daarvoor aangevoerde motieven en bewijzen zeker, dat de inspectie niet kan deugen, daar de boekhouding van dien aard is, dat ze gelegenheid geeft ontvangen posten voorloopig achter te houden.

Een voorbeeld: Een inspect, van Fin. had met den Heer v. d, Kemp een onderhoud en verzekerde hem, dat een kashouder eventueele tekorten niet zou kunnen verbergen. Een paar maanden later bleek in een der pas door den spreker geïnspecteerde kassen een aaii-zienlijk tekort! De inspecteurs zeggen zeiven „dat zij niet onver-

-ocr page 11-

9

wachts lamnen inspectcercn, omdat dc boekhouding bij dc kassen zooveel van hen vordert.quot; Ziedaar weer een duidelijk Feit, dat voor do gegrondheid van de klachten des Heeren K. v. !. pleit. Ileerschr er werkelijk geen wanbeheer, wanneer de ministerieele memorie van toelichting, in Nov. 1884 wordt ingediend, ten einde hot slot van do Indische rekening van 1874 vast te stellen! r1 Dat dc inspectie (ik durf dit gerust aan den lezer overlaten, ot' ik bevoegd ben als leek zulks te zeggen) niet deugt, blijkt b. v. uit liet verdwijnen en te kort bevinden van 45000 H. te Buitenzorg, een paar maanden na do inspectie.

In kernachtige, krasse bewoordingen spreekt de schrijver zijn oordeel over die dingen uit, waar hij zegt; Ja 't is verklaarbaar, omdat dc boekhouding, als dit woord hier gebezigd mag worden, naar de voorstellen van den heer Sprengek vax Eyk zoo fraai is ingericht, dat bijvoorbeeld de practisehe inspecteur Mekekk vier of vijf dagen noodig had, om het werkelijk kas saldo te constateeren!

Nog een sterk feit is de ontdekking van een te kort van füSb'l, 8 dagen na het „uitstekend in orde bevinden der boekenquot;, alweder mogelijk door het gebrek aan controle op de ontvangsten, daar o. a. vóór dien datum /'2709,99 was ontvangen, die nog niet in de boeken waren verhandeld.

Dat die slechte controle reeds lang bij de 2(; Kamer bekend is, blijkt uit een verslag der commissie van Rapporteurs van 18 Fobr. 1887, luidende: liet bevreemding zag men, dat de Regeering geheel onbeantwoord liet de opmerking der Rekenkamer, dat de niet boeking van een aan den alg. ontvanger te Soerabaija gezonden bedrag van /'12000, niettegenstaande eigenhandige quitantie, bij hot Dop. v. Fin. niet onopgemerkt had mogen blijven. Dat de inspecteurs niet naar behooren de inning der belasting-vorderingen nagaan, (wat dan ook min of meer onnoodig schijnt, daar de aan-geslagenen recht van redres hebben) bewijst ten overvloede het adres dor Malangsche koffieplanters hij monde van C. J. Koen, die do belasting der verponding betr. de Malangsche koffielanden „geheel willekeurigquot; noemt.

De heer Koen, die ca 14 plantages administreert, heeft toch dunkt mij ook recht van spreken. Op bl. 74 begint de heer R. v. I. uit een te zetten hoe hij , op zoover ik het beoordeelen kan meer prachtische wjjze dc boekhouding der inkomsten en uitgaven zou wenschen geregeld te zien, een boekhouding, die aan de eischen voldoen kan, m. i. daar er volgens schrijver aan ontbreekt 1quot;. vol-

-ocr page 12-

10

doende controle op dc ontvangsten plus nog een 4-tal zaken van belang, door R. v. I. gestipuleerd. Keeds noemde ik het factum dat er 4 a 5 dagen voor een kas opname noodig waren als uitvloeisel van deze gecompliceerde en toch onvolledige boekhouding; bij dc oude boekhouding was bij resolutie van 21 Maart 1820 o. a. vastgesteld dat het Memoriaal „dayeljks met dubbele lijn moest worden afgesloten'''' en dat „voor het afsluiten van den dag het montant dor gezamentlijke posten zal worden gesommeerd en dit montant benevens het getal der posten aan den voet van den laatstcn post worden vermeld en door den ontvanger worden gc-teekend.quot; Dit moge nu ouderwetsch zijn, het was m. i eenvoudiger on boter, daar men later ingeschoven of nageboekte posten hierdoor dadelijk kon herkennen en — de fraude ^bewijzenquot;, iets wat, (ook weer door tal van voorbeelden gestaafd) door den schrijver bewezen is, dikwijls onmogelijk te blijken onder het thans door den hoer S. v. E. ontworpen on ingevoerde systeem.

Uit authentieke bescheiden bewijst schrijver tevens hoe slecht do inspectie beantwoordt aan den eisch; o. a. door do eigen woorden van den inspecteur van Fin. II. C. Maükesbrecher , onder eedo afgelegd: dat de inspectie van 's lands kassen alleen mogelijk is, voor zoover de hoeken der dig. ontvangers de inspecteerende ambtenaren daartoe in staat stellen ra. a. w. dus een inspectie van hetgeen getoond gelieft te worden door do H. H. ontvangers, zonder meer!

Dat dit geen inspectie is kan trouwens een kind begrijpen, dunkt mij.

Ken ambtenaar, die opkomt voor z^n belasterde collega's in een protest in do Soerabaja Courant verwijt een der inspecteurs zijn „woergalooze onachtzaamheidquot; en „totale* onkundequot; en zegt ten slotte: Zoli' wist ge zeer goed, dat ge van dergelijke zaken geen flauw begrip hadt. De aangevallene, Dr. de Koo, die dc accoord bevonden kas op Bangka (aan welk beheer letterlijk alles heelt ontbroken) inspecteerde, weerlegde noch beantwoordde dezen uitval, doch zeide alleen — dat men hem aan den kaak wenschte te stellen — (hetgeen maar al te juist was), doch te vergeefsch zoekt men eenig argument voor een bestrijding.

Door dergeljjke doeltreffende, naakte facta, maakt de schrijver het ook voor hen die niet in comptabiliteit doorkneed zijn mogelijk om tot zich zclven te zeggen: Wat men ook hier tegen in moge brengen, die man zegt ware dingen. Te recht m.i. zegt de Redactie van den Indische Gids in het nummer van Nov. 1890 bl. 2289 „Ligt

-ocr page 13-

11

do „verklaring van do animositeit tegen den heer E. v. 1 soms „hierin, dat het werk, door hem aangevallen, een vrucht is der „hervormende talenten van den heer Si-kexgee van Eyk, die „zooveel jaren het tinaneiëel beheer en zijn beheerders Inel't „beheerscht y! Ook hierin, dat hij herhaaldelijk het gevoelen heot't „uitgesproken, dat de ambtelijke wereld zeer Icon worden vereen-„voudigd en het hcirlegor inspecteurs en adjunct-inspecteurs var. „Financiën met hun traetement on reis- en verblijfkosten geheel „nutteloos is;quot;'

Tot zoover het boste der Indische Tijdschriften.

De schrijver vervolgt op bl. 119 de reeks door hem samengestelde artikelen over de comptabiliteitswet, met de gedachten-wisseling tusschon hem en den oud-insp. v. Fin. in N. I. den hoer Boumax waarin deze o. a. verhaalt dat hem een kasopname niet gelukte, doordien daarvoor noodige stukken door den secretaris dei-residentie Japara, niet werden afgestaan; ik zou dit eerder als een bewijs te meer willen aanzien voor het onvolledige van het systeem; verder geeft hij een critiek op de voorgestelde voorschriften van den heer K. v. I. De details dier bestrijding kan ik niet allen opnoemen, genoog zij het te vermelden dat het beschaafd geschreven stuk van den heer Boujian in geheel in li. v. I 's werk wordt opgenomen en deze het zich daarna tot taak heeft gestold den heer B. van repliek te dienen, die ik voor zeer afdoende aanzie, te meer daar do heer B. de hoofdzaak alweer zelf erkent n. 1, dat bij niet verantwoording in de boeken, het hoogst moeilijk is te bewijzen, dat do ontvangers zelf diefstal hebben gepleegd.quot; De schrijver heeft roods vroeger aangetoond, dat die bewijzen door zijn systeem, wel, on nog wel dadelijk te leveren zijn. Onjuist is ook des hoeren Boüman's bewering, dat men van die onmacht den H. H. inspecteurs een verwijt moet maken, de lieer 1{. v. 1. zegt, dat do H. II. insp. dio leemten onder de aandacht der regeering hadden moeten brengen. Ook in do vrees van den heer B., dat ontvangers afgeknipte, ter viseering aangeboden „strooken'', (oen onderdeel van R. v. I's systeem) zouden ontvreemden, vergist hij zich, zooals s. hom aantoont. Op een paar andere punten ontzeilt en ontwijkt de heer B m. i. do quaestie en mijn indruk is, dat de Heer R. v. I. hem op allo punten schaakmat zet.

Het blijkt verder dat van het verzoek van R. v. I. in 1888 aan Z. M. den Koning gericht, om bevoegde onpartijdige personen in staat te stellen en daarover rapport uit te brengen, blijkbaar geen

-ocr page 14-

notitie is genomen, Jat 2quot;. in 1889 door hem eon nota over dit onderwerp aan do Ministers van Koloniën Keuciiesiüs on Mackay , word overhandigd, welke eveneens genegeerd werd.

Duidelijk bewijst schrijver door het geval van de gestolen /' 120Ü0, op 31 Dee. '74 naar Soerabaia verzonden, te toetsen aan zijn systeem, dat volgens dat stelsel het bedrog aan het eind der maand had moeten worden ontdekt en wederom dient hem een authentiek gezegde van Minister Mackay.

„/gt;lt;; contróle, welke de Volksverteyenivoordiying uitoefent is zeer zeker onvoldoende, maar daarom behoeft zij noch niet door een Minister bespottelijk gemaakt te wordenquot;, als grond.

Hot cursief gedeelte is teekenend, de laatste zinsnede ontlokt mij de opmerking: Als iets bespottelijk gemaakt kan worden, geelt hot daar reden toe. De schrijver vermeldt, dat hij er officieel op gewezen hooft, dat zij die zijne voorschriften officieel onderzochten en afkeurden, door die voorschriften zouden getroffen worden en derhalve geen onpartijdige beoordeelaars waren, hetgeen alweer juist is. Van oen van de meerderheid der Rekenkamer afwijkend advies, dat afkeurend voor het stelsel S. v. E. klonk, werd yeen melding gemaakt.

Als het waar is, dat het systeem van den hoer R v. I. goed is en daardoor fraudes ontdekt kunnen worden en daardoor vermeden, geeft het onderstaande, dan derhalre weggeworpen geld te denken: Gestolen uit do landskassen gedurende 15 jaren . . /'1,000,000

Kosten van berechtiging dier diefstallen.....„ 500,000

Traktementen insps., adj. iiispquot;. over dat tijdvijk . . „ 1,500,000 reiskosten van insps. adj insp\ over dat tijdvak . . „ 1,500,000

ƒ4,500,000

,Men weet, dat de controle niet deugt! Uit het verslag van de Comm. t. Voorbereiding over het onderzoek v. d. rek. v. ontvangsten en uitg. voor N. T. dienstjaar 1879, voorkomende bij het Verslag der Handel, v. d. Tweede Kamer 1890—1891, licht ik:

i; 4: „nog meer dan do comptabiliteitswet zelve, kwam het voor, dat oen deel der voorschriften, tot hare uitvoering strekkende, in 't bizonder die op de ontvangsten en hot kasbeheer, wijziging behoeven.quot;

2quot;. In hot voorloopig verslag over 1872 staat o. a. ook.

„De uitbreiding v. h. inspectieporsoneel in '76 en '79 bracht een vermeerdering van traktementen mee van niet minder dan een ton gouds, waarbij nog heel wat reiskosten komen, hetgeen ook op

-ocr page 15-

13

verlofstraktcmentoii en pensioenen g-oen geringen invloed heeft.quot;

Ik teeken hierbij aan, dat de administratie der Britsch Indische finantiën over een bevolking, acht maal grooter dan ons gebied goedkoope.r is en de verantwoording van elk dienstjaar geregeld geschiedt. Waarom dan deze toestand een dag langer te laten voortbestaan y Als dus heer R, v. I's denkbeelden ter zjjde worden gelegd, waarom dan dat systeem niet bestudeerd, deze feiten spreken dan toch ?

Wie weet of er geen gunstige adviezen zouden komen op dit stolsel of dat van den heer R v. 1., indien, b. v. door slechts voorloopig alleen diens stelsel van boekhouding aan te nemen en hot inspecteurs-wezen gewijzigd te behouden, deze 11 H. daardoor behouden bleven, voorloopig ten minste en hun arbeid lichter maar tevens loonender werd b. v. door de rhans onmogelijk geachte, plotslt;;U)iye inspecties ?

Een, den indruk van vluchtige behandeling der zaak gevende, bespreking des Heeren Mr. P. Brooshooft, wordt door don Hoer R. v. I. eveneens opgenomen en daarna weerlegd, evenals sommige beweringen van den Hoer Jhr. W. de Kock, die ik verder niet behoef te bespreken. Aan het slot daarvan komt schrijver tot deze, m. i. logische slotsom: (pag. 209) „dat, wanneer do voorschriften op de controle der ontvangsten onvoldoende zijn, dan de departementen van algemeen bestuur en de alg. Rekenkamer die daarmede eveneens moeten werken, monnikenarbeid verrichten.quot;

Bepaald amusant, als 't onderwerp zoo ernstig niet ware, is de staalharde verdediging van li. v. I. tegenover oen anoniem aanvaller in do hul. Gids van 1891 , waarbij hij het apprecieert, dat do on bekende, (in wien hij meent de 4quot; inspecteur van finantiïii te zien; de andere 3 hadden hom reeds vruchteloos gepoogd uit hot zadel te lichten, hetgeen wel toevallig is) niets dan onjuistheden aanhaalt om hem af te tuigen.

Uit het voorloopig verslag voor de begrooting van N. Iridic 1893. ziet men, dat daar „opnieuw door verscheidene leden op beperking van het aantal inspecteurs wordt aangedrongenquot;, hetgeen weder voor R. v. I.'s ideeën pleiten zou.

Dat zelfs de inspectie niet altijd bij machte schjjnt een z. g. ontdekt tekort eenvoudig vast te stollen wordt aangetoond door de verdwijning van Wenmnk (thans ongestoord te Calcutta van zijn renten lovend) want hot te kort, dat eerst op H 3000 geschat was, bleek later nog oventjes tl 8000 hoogor! Dit werd nog wel door een particulier ontdekt ter elfder ure. Do Soerahaia Cf. schrijft naar aanleiding van dat

-ocr page 16-

14

feit: Noen, slechts één naam is er die past voor het finaneieëlo beleid in N. 1., en die naam is „Verrottingquot;'. Het is een kenmerkend geval, dat do twee laatste ontvangers van successierechten te Batavia (N.B.) belangrijke bedragen wisten te verduisteren, terwijl dat langen tijd onontdekt bleef, een geval dat alweder het controle systeem en dat der boekhouding veroordeelt.

Do Heer 11. v. I. ontkent verder, dat de Inspecteurs beter voor de behoorlijke inning dor belastingen (zie hierboven het adres Kooit c. s.) kunnen zorgen, dan 4, 5 of 6 residenten over heteelfdc grond-ycbiecl, gesteund door assistent-residenten en controleurs. De commissie van rapporteurs, de H.H. Levysohn Norjian, Mees, Ckejier, van Nunex en Kielstra, toekende over het minder worden der werkzaamheid van gewestel. bestuur juist aan ,,dat vele aan hen opgedragen werkzaamheden o. a. door beperking der cultures en door aanstelling van rechtsgeleerde presidenten van landraden aanmerkelijk waren verminderd en hot geen bezwaar zou opleveren hen, evenals vroeger mot de volledige controle op hot kasbeheer te belasten.'' Dit strijdt togen de bewering, dat die hoofden te veel overladen zouden zijn mot andere bezigheden on pleit dus weer, ijualitate qua, voor ideeën als van don hoer K. v. I., die op blz. 249 uitroept: „Noen dat (zwijgen over zijn idee) kan en mag het niet doen, daar waar in Nederland door Mr. N. G. Pif.rsox de belastingen voor een groot deel der natio, zijn verzwaard, door den Min. v. Kol. de gelegenheid in Indiö wordt opengesteld, om uit de landkassen zooveel te ontvreemden als men maar wil, moestal zonder dat dit kan worden ontdekt of, dat bij ontdekking, de kashouders bij gebrek aan bewijs moeten worden vrijgesproken, terwijl, werden de door mij ontworpen voorschriften ingevoerd, die toestanden dadelijk zouden ophouden.quot;

Do schrijver is voorts nieuwsgierig, of de Alg. Kekenkamer van de thans door den hoer R. v. I. collectief uitgegeven opmerkingen en door hem genoemde onregelmatigheden notitie zal nemen, waartoe zij, luidens art. 79, (dat gelast de vermelding van allo ontdekte onregelmatigheden in bestaande verordeningen enz.) genoodzaakt is, vooral nu twee cardinale punten van do door schrijver genoemde gebreken reeds door de Indische regeering zijn erkend.

Ten bewijze dat hij niet alleen staat in zijne afkeurende critiek, haalt schrijver nog een gezegde van den heer Sol aan, luidende „dat de wijze waarop aan de comptab. wet uitvoering is gegeven, aan den staat vele millioenen heeft gekost.quot;

De opsomming der baten, die do heer Sprenoer v. Eyk, Borman

-ocr page 17-

15

on Jhr. W. H. W. de Kook hebben getrokken uit de staatsruif, is het minst aangename gedeelte van hot werk, het drukt een gevoel van (zeer goed begrijpelijke) spijtigheid uit doch juist omdat het overige zoo zaakrijk nobel en klaar werd bewerkt, ontsiert dit en de triade over den G. G. van Rees het werk van den overigens zoo humanen auteur. Dat het kruiwagen en protectie systeem in het laatste deel van het werk wordt gegispt, is eerder te verdedigen.

Roessisgh v. Iteusox laakt het, dat vier opvolgende Ministers v. K. en de vertegenwoordiging van het Nederlandsche volk deze toestanden zoo gelaten hebben en noemt met name hen, die van dit alles op do hoogte zijn, hetgeen hij bewijst.

Nog bespreekt hjj hot beklagenswaardig geval Haaxjian, z. i. een slachtoffer van slechte controle systeem en liet geval van do vermiste / 151.200, 2 maanden na don heer lloxio's benoeming tot ontvanger te Batavia door dezen ontdekt, welke ontvreemding zoo naïf is in z'n werk gegaan, dat men er bijna om lachen zoude.

Na nog te hebben gewezen op do vrij haatzuchtige vorderingen van den heer v. Dorssen, voor zijne diensten als „onderzooker nopens de mogelijkheid van bezuiniging in de Indische huishouding en op de slechte waar, die het Kijk, waar het rijksbenoodigdhoden koopt, wordt in de hand gestopt, eindigt de schrijver, na voldoende te hebben aangetoond, dat hij door verschillende (allen door hem genoemde) omstandigheden gedwongen werd het geschrevene onder do algemeene aandacht te brengen; hij vermeent daardoor eenvoudig zijn plicht te hebben gedaan.

De indruk die deze brochure op den man van gevoel maakt is ontegenzeggelijk groot. Men gevoelt, dat de Hoer vak Iteusox iemand is, die met voor onkreukbare rechtvaardigheid strijdenden geest zicli gedrukt gevoelt door het besef, dat er in de hoogere bureaucratie van die machten zijn, waar tegen alleen de pen en de openbaarheid iets, en dan nog weinig, vermogen; daardoor en vooral door den steeds vormelijken toon, ademt uit dit dorre boek van cijfers een waas van melancholie, haast even aandoenlijk als do woeste en hartstochtelijke taal van een Douwes Dekker.

Of zijne ideeën zooveel beter zijn dan die van den Heer S. v. E. kan il: niet beoordeelen, ik geloof het echter stellig, want ik ben getroffen door den kalmen toon van overreding, door do overstelnende massa bewijzen en nog eens bewijzen die de hooggeachte schrijver

-ocr page 18-

1(5

aanvoert in zijn doorwrocht pleidooi, eerder geschreven ten dienste van het Nederlandsche volk dan om eigen leed uit te schreien aan de borst der publiciteit.

Flaneur.

Die recensie werd in 't kort overgenomen in de „Telegraaf van 29 September 1897, Avond-editie.

-ocr page 19-

Aan

df Tweede Kamer day Staten-Gmeraal

Geeft met verschuldigden eerbied te kennen G. Roessixgii vax Itersox, gepensionneerd Oost-Indisch ambtenaar, wonende te 's Gravenliage;

dat, na in 1SG7 te zijn benoemd tot 3en Commies bij hot departement van Financiën tc Batavia, hij in die betrekking-al spoedig op de hoogte geraakte van den toestand van liet geldelijk beheer in onze Oost-Indische bezittingen en daarover sedert steeds zijn aandacht hoeft laten gaan;

dat de slechte toestand van dat beheer ook in Nederland niet onopgemerkt bleef daar, in 1872 , eenige rijks-ambtenaren naar Indië werden gezonden, zoo het heette „ter verbetering van hot financiëel beheer aldaarquot;;

dat, adressant niet weinig verwonderd was toon, als resultaat van die opdracht, verscheen het gouvernements-besluit van 10 December 1873 n0. 6 met de daarbij vastgestelde „Voorschriften van de Algemeene Ontvangers en Hulp-Ordon-nateursquot; daar hem al dadelijk bleek, dat do ontwerper van die voorschriften — de lieer J. P. Spkexger van Eljk — o. m. geheel had over het hoofd gezien do grootste fout in de tot dusverre toegepast zijnde voorschriften nl. het ontbreken van een afdoende controle op de ontvangsten;

dat hierdoor alleen reeds liet voeren van een goed geldelijk beheer nog steeds niet mogelijk zou zijn, maar de reeds genoemde voorschriften en hunne aanvullingen bevatten nog zooveel gebreken meer, dat adressant, sedert opgeklommen tot referendaris, in 1S79. na aankomst in Nederland met een tweejarig verlof, zich toen dadelijk aan het werk zette tot het ontwerpen van voorschriften, waarbij aan al de hem

-ocr page 20-

18

als cliol' van con comptabilitcits-afdeeling gebleken gebreken zou worden te gemoet gekomen. Hierin werd hij in 1880 welwillend gesteund door den toenmaligen Minister van Koloniën , Mr. W. Baron Van Goltstkin , die hem daarvoor toen bij zijn Ministerie detacheerde;

dat hiervan hot gevolg was, dat in de maand Mei 1883 die betere voorschriften werden ingeleverd en adressant weder naar Tndië terugkeerde.

Ihikele vage geruchten uitgezonderd, hoorde deze van die voorschriften verder niets meer waarom hij , toen weder dagelijks in do gelegenheid zijnde om op te merken, hoe slecht de toegepast wordende voorschriften nog werkten, maar ook om aan den sedert 11 April 1884 opgetreden Gouverneur-Generaal van Sederlandsch-Indië, den beer O. van Rees, te doen zien, wat hij ter verkrijging van een goed geldelijk beheer had verricht, zich bij request van 7 Augustus 188G tot dien Landvoogd wendde met liet verzoek hem te willen vergunnen de daarvoor ontworpen voorschriften, door middel van do pers, openbaar te maken;

dat hem hierop bij besluit van 7 Mei 1887 nu 4/c werd te kennen gegeven, dat, „aangezien bovenvermelde voorschriften behoorden tot de archieven van het Ministerie van Koloniën, de Gouverneur-Generaal tot publiceering daarvan geen machtiging kon verleenen.quot;

Daar de heer Sprexoer van Euk , de auteur van de toegepast wordende, door adressant afgekeurde voorschriften, toen Minister van Koloniën was, wendde deze geene verdere pogingen aan om die machtiging van hem of door zijn tusscheu-komst te verkrijgen. Hij wachtte tot zich eene gelegenheid zoude voordoen om den slechten toestand van dat geldelijk beheer op andere wijze onder Hooger aandacht te brengen en deze deed zicii spoedig voor. daar in April 1888 bekend werd, dat do hoor G. H. Pannekoek — gelijktijdig mot en onder dezelfde omstandigheden als adressant, zijne loopbaan

-ocr page 21-

19

bij het Indisch gouvernement begonnen — eervol ontslag bid verzocht, als president van de Algemeene Rekenkamer in Ncd-Indië;

dat adressant bij request van ïJ Mei 1888 zich dan ook wendde tot Zijne Majesteit don Koning waarbij hij, onder mcdedeeling, dat en waarom door hem betere voorschriften tot gedeeltelijke uitvoering dor Comptabiliteits-wct waren ontworpen on lioo hot met die voorschriften was gegaan liet verzoek dood , de noodige bevelen te willen geven, die voorschriften te doen onderwerpen aan het oordcel van deskundige en onpartijdige personen en, zoo ze inderdaad mochten blijken beter te zijn, dan de thans vigeerende, boni. adressant, alsdan te bonoomen tot president van de Algemeene Rekenkamer in Ked.-Indië en hem op die wijze in do gelegenheid to stellen. zorg te dragen. dat die voorschriften niet alleen zouden worden ingevoerd. maar ook naar behooren zouden worden toegepast.

Niettegenstaande Mr. L. W. C. Keuchexius den Hen April 1888 als Minister van Koloniën was opgetreden, werd — ten minste voor zoover mij bekend — nooit een onderzoek gelast en word bij Koninklijk besluit van 15 Juli 1888 de heer J. A. van Durssex benoemd tot president van genoemde Rekenkamer,

Deze mijne pogingen om een zoo noodig goed geldelijk beheer ingevoerd te krijgen, maakten op de Indische autoriteiten oen geheel anderen indruk, dan mocht verwacht worden, daar, terwijl noch als ambtenaar, noch als mensch iets op mij viel aan te merken en met een diensttijd van pas 23 jaren, men mij daarop dwong 's lands dienst te verlaten en een daarna op aanraden van genoemden Minister van Koloniën „Keuchejuüsquot; ingediend verzoek, om wederopname bij die dienst voor inwilliging niet vatbaar word verklaard.

Ook zijne opvolgers do hoeren Mrs. A. E. Baron MacKAY, W. K. Baron tan Dedem en J. H. Bergsma wilden in deze

-ocr page 22-

20

niots ter verbetering doen, waarom adressant toen is overgegaan tot het voor de pers samenvoegen en daar waar noodig aanvullen van zijne sedert September 1890 verschenen geschriften over bedoelde aangelegenheid.

Dat werk heeft in het laatst van de maand April dezes jaars het licht gezien onder den titel — Waar vele millioenen reeds gebleven zijn en waar vele millioenen nog zullen blijven. Eenc bijdrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuur — en wordt een exemplaar er van, üwo Kamer hierbij beleefd aangeboden.

Zij kan daaruit zien, blz. 7, hoe en door wien ik reeds in September 18G7 werd op de hoogte gebracht van de grootste fout in geldelijk beheer van onze O.-I. bezittingen en hoe door het afsterven van den heer Motké , in 1872 uitgezonden om verbeteringen in dat beheer te brengen, die opdracht toen overging op den heer Sprenger vax Ei.ik die daarvoor toen andere en naar zijn oordeel betere voorschriften ontwierp.

Hoe, bij het invoeren van die voorschriften, het aan adressant dadelijk bleek, dat genoemde groote fout door dien ontwerper niet was verbeterd, blz. 12, en deze zelfs het voorschrift dat vóór dien de ontvangers dwong om dat, wat zij ontvingen, ook als zoodanig te verantwoorden, niet eens had voorgenomen, blz. 9G, waardoor, en adressant gaf de bewijzen daarvoor op blz. 57 tot 66 aan, de toestand geheel hetzelfde was gebleven of eigenlijk nog erger was geworden, daar verdachten meestal moesten worden vrijgesproken en het zelfs zoover gekomen is, dat een Kashouder een geconstateerd tekort eenvoudig bijpaste en niet eens werd vervolgd, neen, als zoodanig bleef gehandhaafd , blz. 275.

Hij toonde verder op blz. 103 aan dat het beweerd verminderen van tekorten sedert de invoering van de voorschriften van den heer Sprenger vam Eijk niet was te wijten aan die voorschriften, maar aan de omstandigheid. dat deze hot ecnig bestaand middel om ze nog te ontdekken had geelideerd;

-ocr page 23-

dat verder voor de algemeene ontvangers een Kasboek was voorgeschreven, dat zelfs niet aan do geringste eischen van een goed Kasboek voldeed, blz 74, terwijl liij geheel had vergeten aan te geven:

1°. een register, voor het boeken der ontvangsten bij de departementen van algemeen bestuur;

2°. een dito voor liet boeken van de ontvangsten en uitgaven van de „Mutatien van Geldquot;;

3°. een dito voor die van de „Rekening met Derdenquot; en 4quot;. een dito voor die van de „Rekening met het Ministerie van Koloniënquot;;

Natuurlijk met de noodige voorschriften daarop.

Mede werd vergeten de „Begrooting van Uitgavenquot; en de „Raming der Middelenquot; zoodanig te wijzigen, dat die voor de toen reeds lang toegepast wordende werkwijze ter hunner bewaking geschikt zou zijn, blz. 90.

Hier staat tegenover, dat die ontwerper verbetering aanbracht door invoering:

1°. van liet „Memoriaal van Inkomstenquot;, waardoor een toezicht op wat te vorderen bleef, mogelijk werd.

De voorschriften op dat Memoriaal zijn echter verre van voldoende, blz. 72.

2,'. van de Staten Comptabiliteit nquot; 9 en 10 die het mogelijk maken om, bij hot doen van voorstellen die uitgaven ten gevolge kunnen hebben, rekening te houden met don stand van het betrokken begrootings-artikel.

Ook weder met de opmerking, dat de voorschriften daarop onvoldoende zijn, blz '81.

3quot;. van eene regeling der bevoegdheid van de hoofden van Algemeen en die van Gewestelijk Bestuur tot het doen van handelingen, die uitgaven ten last van den lande ten gevolge kunnen hebbon , blz. 89.

Ziedaar de verbeteringen door den heer Sprexger van Ei.tk aangebracht.

-ocr page 24-

22

Hij was verder do schepper van een twaalftal inspecteurs van Financien. zoo liet heette. om den directeur van Financien cn do hoofden van Gewestelijk Bestuur bij te staan in het toezicht op de invordering der belastingen en op de administratie der Kassen, terwijl hot eerste voor hen onmogelijk is, blz. 69, en zij tot hot tweede niet in staat zijn, blz. 57 en 74.

Hij wist verder de Algemeene Rekenkamer in Ned. Indië zoo te hervormen, dat dat College inplaats van voorschriften met bedoelde grove gebreken dadelijk tinaal af te keuren, die zonder eenig bezwaar te maken sedert heeft toegepast;

dat adressant, on dit toekende hij hierboven ook reeds aan, tijdens hij zich met verlof in Europa bevond dadelijk is begonnen met het ontwerpen van betere voorschriften. waarin hij al spoedig daarop door den toenmaligen Minister van Koloniën werd to gemoet gekomen door eene plaatsing bij zijn Ministerie.

Bij die in de maand April 1883 ingeleverde nieuwe voorschriften gaf hij voor een gedeelte der ontvangsten dezelfde controle aan. die hier in Nederland proefhoudend is gebleken en waarvan de toepassing in Indië zeker nog minder bezwaren zou opleveren, terwijl hij voor hol andere gedeelte der ontvangsten, namelijk het behoorlijk verantwoorden van betaalde bolastingpenningen enz, ook eene controle ontwierp, die, mot bot geringe aantal Europeanen aldaar. in de toepassing geen bezwaar zou opleveren.

Verder ontwierp hij eon kasboek, dat aan alle eischen van een goed kasboek voldoet; en regelde verder bovengenoemde grove en vele niet genoemde kleinere gebreken.

Had men die voorschriften toen willen invoeren. dan was het inspecteeren der kassen door de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur dan regel geworden, daar deze dan in staat waren geweest dit spoedig en goed te doen, terwijl do betrekking van inspecteur van Financiën, als geheel onnoodig, had kunnen zijn opgeheven.

-ocr page 25-

Die voorschriften werden echter op grond van het rapport vuu den toenmaligen directeur van Financiën, Dr. de Roo, bk. 237 en van de niet langer onafhankelijke Rekenkamer in Ned.-Indië, blz. 208 en 267, onder een lateren Minister gedeponeerd en mijn pogen om zo ingevoerd of' ten minste onderzocht te krijgen, leidde, zooals hierboven ook reeds werd aangeteekond. tot een eervol ontslag uit 's lands dienst;

dat mijn streven om tot een goed geldelijk beheer te geraken en dat in den aanvang door een Minister van Koloniën werd gesteund, op boven omschreven wijze eindigde, is niet te begrijpen, maar wordt duidelijk, wanneer men eenmaal weet, dat nog steeds niet voldaan is aan het voorschrift, vervat in artikel 49 van het Regeerings-Eeglement luidende: „Behoudens de uitzonderingen bij dir reglement bepaald, worden de ambtenaren benoemd. ontslagen en op pensioen gesteld door den Gouverneur-Generaal, overeenkomstig regels bij algemeen verordening gesteld.quot;

Blijkens de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 31 Augustus jl., Tweede Blad, behandelde de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in hare vergadering van Maandag 30 Augustus, te voren te Zwolle gehouden, de rechtsverhouding van den staat tot zijne ambtenaren en is toen de gestelde vraag; „Moet de toepassing van tuchtmiddelen. van ongevraagde verplaatsing en van ontslag alleen kunnen geschieden overeenkomstig de uitslag van een behoorlijken rechtsgang?quot; met „Jaquot; beantwoord en nu hoop ik. dat voor de Indische ambtenaren ook spoedig de tijd moge aanbreken, dat uitvoering worde gegeven aan bedoeld voorschrift van het Regeerings-Reglement en dat dan daarmede te gelijker tijd een einde komen aan de treurige behandeling, waaraan maar al te dikwijls die ambtenaren daar blootstaan.

Maar ook een tweede verbeterino- is dringend noodia; en wel

r» o o

deze, dat het Koninklijk besluit van 30 December 1882 n0. 2 (Staatsblad 1883 n0. 33) zoo spoedig mogelijk worde ingetrokken.

-ocr page 26-

Lgt;4

Dut Koninklijk besluit, uitgelokt ondor liet motief „achterstand bijwerkenquot;, blz. 265, en de machtiging inhoudende, tot het aanstellen van tijdelijke leden der Indische Rekenkamer door den Gouverneur-Generaal, zoo noodig onder nadere goedkeuring des Konings. is eenig en alleen do oorzaak geweest, dat dat college, daardoor niet langer „Koninklijkquot; maar sedert afhankelijk van den Landvoogd, ten gevolge van dien, steods heeft gezwegen over den slechten toestand, hierboven omschreven, en comptabiliteits-voorschriften heeft toegepast, die reeds van het oogenblik, dat zij werden ingevoerd als geheel onvoldoende werden gebrandmerkt. Zie blz. 17 en 19.

Die door de Indische Rekenkamer aangenomen houding moet ook de aanleiding geweest zijn, dat 9 Mei 1893 de toenmalige minister van Koloniën, Baron van Dedem op een door Uwe Kamer gestelde; vraag do verklaring aflegde, „dat adressants critiek en zijne voorschriften waren bevonden geen waarde te hebben en dat de bestaande voorschriften werden geoordeeld geen aanvulling of verbetering te vereischenquot;, blz. 242.

En wat deedt men den 50quot; dierzelfde maand in Indië ? Men vulde daar op dien datum die voorschriften juist wel aan en zij werden den 1«quot; October d. a. v. daar ook gewijzigd.

Twintig jaar lang hadden dus Algemeene Rekenkamer en directeur van Financiën met geheel onvoldoende voorschriften het geldelijk beheer in Indië gedreven en de hen ingevoerde aanvulling en wijziging van die voorschriften hebben nog maar zeer weinig verbetering aangebracht, blz. 262, terwijl voor een verbetering van de verder hierboven voorgegeven gebreken nog niets is gedaan.

En dat er ook wel niets aan gedaan zal worden blijkt uit liet volgende:

Het in 1895 gewijzigd artikel 79 van de comptabiliteits-wet wordt thans gelezen:

„Jaarlijks vóór of op 1 April zendt de Algemeene Rekenkamer in Nederland aan ons en die in ïJederlandsch Indië

-ocr page 27-

nan don Gouvurnciir-Gencraal een volledig verslag van hare werkzaamheden over het afgeloopen jaar. waarin tevens worden vermeld allo ontdekte onregelmatigheden en afwijkingen van bestaande verordeningen en de maatregelen, welke zij in hot belang- van liet beheer der geldmiddelen wensehelijk achten.

Het verslag v:in de Algemeene Rekenkamer in Xederlandseh-Indië wordt door den Gouverneur-Generaal met do noodige toelichtingen zoo spoedig mogelijk aan den Minister van Koloniën gezonden. Daarna worden beide verslagen onverwijld door ons aan de Staten-Generaal medegedeeld.quot;

Do verslagen over hot jaar 1895 nu zijn bij schrijven van 2 Juni jl. üwe Kamer aangeboden — zie zitting 1896- 1897, 215 — en bevatten over al de door mij genoemde gebreken en onregelmatigheden in het geldelijk beheer.....geen woord!

In mijn genoemd werk schreef ik reeds omtrent deze aangelegenheid op blz. 286:

„Na al hetgeen ik hierboven aanvoerde zal zeker wel niemand meer willen beweren, dat het geldelijk beheer in Indië goed geregeld is.

Nu artikel 79 van de gewijzigde C. W. de rekenkamer daartoe dwingt, zal ook zij dit misschien erkennen, maar ook zeer mogelijk is hot dat. met den steun, die dat college van alle kanten, maar vooral van de Regeering in Nederland mocht ondervinden, het niet zoo gemakkelijk daartoe zal overgaan.

Het komt mij ten minste voor, dat het dat college veel moet kosten, om nu aan te geven, dat de voorschriften, waarmede liet 22 jaar heeft gewerkt, zeer onvoldoende zijn en daardoor stilzwijgend verklaren niet alleen dat liet niet aan zijne roeping-heeft voldaan, en de lands belangen waarvoor het in de eerste plaats had te waken, heeft ten achter gesteld uitsluitend om die van den heer Spebuger van Eijk hoog te houden. maar tevens dat, met die houding voor oogen, het den directeuren van Financiën in de eerste plaats, verder de overige chefs dei-departementen van algemeen bestuur en een aantal mindere

-ocr page 28-

26

ambtenaren heeft gemakkelijk gemaakt liet daarin flink ter zijde te staan.

Daar verder enz.quot;

Wat ik toen vermoedde is nu waarheid geworden In liet nu uitgebracht. zooeven genoemd verslag van de Indische Rekenkamer is van onregelmatighedfen in het geldelijk beheer zelfs geen sprake, en dit, niettegenstaande door mij toch reeds lang afdoende is aangetoond, dat dat beheer daar nog altijd schandelijk slecht is.

Mag een dergelijke toestand nog langer worden bestendigd en wordt het geen tijd, dat Uwe Kamer als het college geroepen, om mede te regeeren, maar daar waar noodig ook de Regeering te controleeren , daaraan eens paal en perk stelle?

Üie vraag kan alleen toestemmend worden beantwoord en daarom wendt adressant zich tot Uwe Kamer met het verzoek:

Dat zij een onderzoek provoceeren naar alles door hem en zijne bovenaangehaalde bijdrage tot de kennis van het Indisch staatsbestuur aangetoond . om, wanneer dat onderzoek zal zjju afgeloopen de vraag te overwegen:

1quot;. Of zij het nog langer mag gedoogen, dat nog steeds niillioenen uit de kassen in Nederlandseh-Iudië verdwijnen alleen door slechte voorschriften, terwijl goede voorschriften, die dit verder onmogelijk zouden maken door adressant reeds in 1888 bij het Ministerie van Koloniën zijn ingeleverd, waar zij, op grond van aangegeven redenen, zijn ter zijde gelegd ?

O O

2quot;. Of zij er nog langer in mag berusten dat wordt voortgegaan met liet aanstellen van inspecteurs van Financiën. die den lande jaarlijks, alleen aan tractementen en reiskosten zeker op meer dan twee ton gouds te staan komen, terwijl die inspecteurs, behalve dat zij bovenbedoelden slechten toestand nooit onder Hooger aandacht hebben gebracht, voor

-ocr page 29-

27

geon van do liun opgedragen werkzaamhoden noodig zijn.

Zie o. m. blz. 70 tot 72, 80 en 98.

Dat Uwe Kamer verder als Haar oordeel uitspreke dat alle termen aanwezig zijn om:

1°. zoo spoedig mogelijk gevolg te geven aan het voorschrift van artikel 49 van het Regeerings-reglement on hot ontslag van de Indische ambtenaars bij wet te regelen.

De op blz. 16, 272 tot 275, 277 en 298 tot 305 aangehaalde feiten toonen de groote noodzakelijkheid daarvan ten volle aan.

2° in hot midden latende welke maatregelen zullen behoo-ron te worden getroffen tegenover do Indische Rekenkamer, in zake hare houding hot geldelijk beheer aldaar betreffende — den Minister van Koloniën uit te noodigen niet intrekking-van het Koninklijk besluit van 30 December 1882 nIJ 2 (Indisch Staatsblad 1883 nquot;, 33) — waartoe oen voorstel zeker gaarne zal worden ingewilligd — die Rekenkamer op nieuw to verheffen tot oen „Koninklijkquot; en daardoor weder onafhankelijk college.

V Gravp.nhaye, den 12ll(!I1 October 1897.

't Welk doende enz. (get.) Gr. Roessinöu va.\ Iterson.

-ocr page 30-

- .--.quot;vV wtwraMMjiiraM

mSmism

nsBnrasn ■ I IIMliKi

mmSk

WÊÊÊÊ

m^m

...^JrS

«wsssm

B

■Hgm..,-

JÊiÊÊÊtëtM. I

.

-ocr page 31-
-ocr page 32-

---

'

,

.

■ia : :

,

- ■ ' . , : ' quot; ;

___

_