ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

____

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

PETER MAYER

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11

EERSTE DEEL.

BLIJF BIJ ONS, HEER !

Toen iu den aanvang dezer eeuw ons duitsche Vaderland verscheurd en vertrapt onder het geweld van den Corsicaan nederlag, zal wel menig Duitscher hebben gekeken naar Tiet Zuiden, waar in vorige tijden de helden opstonden, en met onvergankelijken roem gekroond gevallen zijn. Wellicht zoudt ook gij, lezer, als zoon dier dagen een dergenen zijn geweest, die vol onmachtige gramschap den geschonden geboortegrond verlieten, met uw verbeelding vluchtend naar Homerus, zonnig heldenland.

Maar wanneer gij waart gegaan naar dat heldenkweekende zonneland, waar in eeuwige schoonheid de rozen staan en de palmen, dan had uw weg u toch eerst geleid door een streek, waarin uw hart óf had gehuiverd van ontzetting of gebeefd van verrukking. Gi; waart dan door een bergland getrokken, zooals er geen heerlijker op aarde te vinden is. Schaduwschemerige kloven, oerwoudwoestenijen op steile hellingen, stilblijde hoogtedalen met bloeiende dorpen, bergpaden met groene bloemrijke weiden, wijd in 't rond, op den achtergrond opstrevend, een rotsenwereld, met nooitgeziene vormen en blinkende ijsschilden, omspoeld door wolken, omzwierd door arenden. Uit die ijswereld gaan loodrecht en zilverblank en zwijgend de waterstroomen naar omlaag, maar aangekomen in de kloven zijn zij grauw als kalk en schreeuwen sinds onberekenbare tijden hun vreesaanjagend lied uit. En ook breede, vriendelijke zonne-eilanden zijn er en zachter

ocr page 12

8

bergen met vruchtbare weiden, vochtige wouden en blinkende meren, waarin zich dikwijls terzelfder plaatse de laurier en de gletscher spiegelt. Zooals reeds is gezegd, omheind is dit land rondom, en waar van buiten uit de groote wereldwegen erheen leiden, daar dreigen de lawines, daar bruisen de trotsche wateren te voorschijn, als wilden zij de bruggen verwoesten, terugdrijven en ver van zich wegspoelen al het vreemde, dat met list of geweld toegang eischt.

En een volk van boeren en herders leeft in deze rotsburgt, arm maar uiterst krachtig, vroom en vroolijk, streng en trouw, dapper en zachtzinnig, in patriarchalen eenvoud en tevreden in oude gewoonten.

Tyrol! Het schoone land Tyrol!

Doch de door morgen- of avondzonnegoud gloeiende ij stoppen van de Alpenwereld rondom wierpen in die dagen hun licht op een volk in dienstbaarheid. Stoutmoedig als zijn gemsen, zijne arenden, trots op zijn heerlijk woesten geboortegrond — en tot knecht gemaakt!

In Insbruck, in het hart des lands, zat de vijand. Een onnatuurlijke vijand van duitschen broederstam, de Beijer. Hem was, in het politiek dobbelspel der grootmachten en door de machtspreuk van den geweldenaar uit Corsica, het land Tyrol ten deel gevallen. Het vrije volk van Tyrol was niet gevraagd of hun dat goed was. Daarom wilden zij ongevraagd een antwoord geven.

Daar achter den Brenner met zijn hindernissen groeten u de zuiderluchten. Nog een griezelige weg langs den schuimenden, ruischenden Eisack door eindelooze kloven. Allengs echter wijken de schaduwen, voor u ligt in gouden zonneschijn a een breed dal met talrijke woonsteden van menschen, vele er van reeds van Italiaanschen bouwtrant, daartusschendoor de weelderige wijngaarden als tuinen beveiligd door grijze steenvallen. De zoon van het noorden ziet voor de eerste maal den abrikozenboom, de zwellende perzik, in het bosch den pronkenden zevenboom. Maar op de hooge, kale bergen, die wijd in het rond de wachters zijn van het dal.

ocr page 13

9

ligt de sneeuw — en het is in de dagen van Augustus,

Midden in het dal, vertrouwelijk neergevleid aan den onbeteugelden vloed, rust de .oude bisschopstad Brixen met hare talrijke kloosters en torens. Statige boerehoeven bedekken de landstreek, op de heuvels staan sloten en oude burgten, in de kloven alleen kluizen, aan de hellingen, dikwijls hoog aan der bergen top, wijzen spitse bedevaartskerktorentjes hemelwaarts. Ingesloten door hunne bergen hebben de bewoners van dit land geleerd, zich hechtend aan hunne torens als de wijnranken aan hunne stokken, hunne blikken opwaarts te richten, en met hunne blikken hun hart. Doch vast staat hun voet op harden grond en om het hemelsch tehuis hunner ziel, vergeten zij niet wat het hunne op aarde is.

Als men van Brixen een half uur zuidelijk is gegaan, staat rechts van den straatweg een herberg. Vrij dicht daarachter stijgt een roestbruine, sterk gespleten rots naar boven, gedeeltelijk berankt met altoosdurend groen. Boven den breed zich uitstrekkenden wand begint het steile bergwoud, dat hoog oprijst tot aan de weiden van den Hilm. Tegenover het huis, links van den heirweg, zijn de met struikgewas begroeide oevers van den Eisack. Achter het water ligt lut breede, aan weiden rijke dal, en aan de andere zijde daarvan, stout zich verheffend, de bergketen van den Plossach. Voor u uit, enkele schreden verwijderd van het huis, komt ter rechterzijde een beekje behendig huppelend naar beneden en een beetje verder staat op de hoogte het kerkje van den heiligen Jacobus. Het huis aan den straatweg met de daarnaastgelegen bedrijfsgebouwen is gebouwd in den stijl der Zuidtyrolsche boere-huizen: steenen muren, één verdieping, een deftige rij ramen en erkers; het halfplatte dakgeraamte is met pannen gedekt. Aan den straatkant zijn door een onbekwame hand en op kinderlijke manier, op den muur tusschen de ramen, twee menschelijke gestalten geschilderd: de eene stelt voor „de Moeder Gods,quot; zooals zij, met gevouwen handen op de aardkloot staande, den kop der slang vertreedt; de andere „de heilige Martinus,quot; die rijdend op een paard met zijn zwaard

ocr page 14

10

zijn mantel in tweeën snijdt, om de afgesneden helft te geven aan een voor hem knielenden halfnaakten edelman. Naar de huisdeur leiden een paar steénen treden, boven den ingang staat de evangeliespreuk: „Heer, blijf bij ons, want het wil avond worden.quot;

Die plaats heet: „Aan de Mahr.quot;

Waarom ik die plek zoo nauwkeurig beschrijf? — omdat ik meen, lezer, dat gij, — naar het zuiden gaande om helden te zoeken — hier halt zult houden voor geruimen tijd.

In dit land, in dit dal en eindelijk met dat huis aan de Mahr, is een drama afgespeeld, welks gelijke slechts zeldzaam zal voorkomen op aarde. De geschiedschrijvers hebben het nauwgezet beschreven in zijn oorzaken, in zijn gevolgen en in zijn bijzonderheden. Tyrol was een Oostenrijksch land en hield zich trouw aan zijn Keizer. Daar kwam Napoleon de Veroveraar en scheurde het land van Oostenrijk los, om het onder 't hem onderdanige Beieren te plaatsen. Men wilde de oude gewoonten en rechten van het bergvolk opheffen, zijn eigenaardigheid vernietigen. Daartegen hebben de Tyrolers zich verzet. De heldenkamp was voorbeeldeloos en nog grooter dan hun zegevieren was hun nederlaag.

Ook de dichter heeft die historie gelezen en haar opwekking heeft nooit meer opgehouden in zijn ziel weerklank te vinden, zij drong steeds weer aan op vertolking in een lied van den heldenstrijd der Tyrolers. Want het was niet een vloekwaardige strijd van aanval en verovering, het was een heilige strijd van verdediging des Vaderlands. En zijn helden zegepraalden niet enkel over den vijand van buiten, zij bedwongen ook den inwendigen vijand — zij waren sterk en in hun recht. Van germaansche heldhaftigheid en trouw zijn zij een heerlijk getuigenis, een voorbeeld voor alle tijden. — Maar zie, toen het lied zich ontplooien wou, vond het de historie op zijn weg. Zij rees zoo geweldig en gebiedend op en daarbij in politieken zin, in haar zuivere aaneenschakeling zoo ongemanierd, dat de dichter — evenals bij alle geschiedkundige stoffen — de profane historie vergeten moest, en

ocr page 15

11

wachten totdat de historie tot sage is geworden. Eerst dan is de tijd gekomen waarop de sage weer geschiedenis wordt.

Ik vertel de mijne reeds nu. 't Moet dikwijls voorkomen, dat de dichter onder de bewerking van revolutionnaire stof zelf revolutionnair wordt, bergen verzet, tijden verschuift, personen en gebeurtenissen verandert. Mocht dit ook hier het geval zijn, dan bedenke men, dat vóór elk spel, alzoo ook voor een treurspel, de kaarten moeten geschud worden.

Onder de Tyrolerhelden heeft de verhaler één bijzonderen voor zich uitgezocht, en rondom hem anderen, en het overige eenvoudig en zooals 't uitviel gegroepeerd, voor alles indachtig aan het algemeen menschelijke, aan de poëtische waarheid.

Het verhaal neemt een aanvang in den tijd, toen Tyrol voor de eerste maal aan Beieren was afgestaan en door dit land in bezit genomen.

HEILIG, HEILIG IS DE HEER NAPOLEON BONAPARTE.

Rondom de tafel in de herberg aan de Mahr zijn een aantal mannen gezeten. Op de tafel ligt een groot heel brood met de bijbehoorende messen, een groote tinnen kruik staat er naast. De mannen doen echter niet alsof zij waren bijeengekomen om te eten en te drinken, 't Zijn louter pootige boerenfiguren in de schilderachtige Tyroler dracht: korte bruine jas met roode of bruine opslagen, kniebroek, witte kousen, lage bandschoenen. Over de roode borstlap de groene of bruinleeren bretels en om het midden een breede leeren gordel. Verscheidene hunner hebben hunne hooge spitse hoeden met snoer en haneveer op. De gezichten zijn door de

ocr page 16

12

zon verbrand, hoekig, behaard, de trekken hard, de oogen vurig. Sommigen zitten bekommerd in gebogen houding, de anderen'' trotsch rechtop. Een paar hebben korte tabakspijpen in de hand, vergeten echter ze naar den mond te brengen, want zij voeren levendig een zacht gesprek, en wie met den mond zwijgt spreekt met de oogen, door te neigen met het hoofd, door de bewegingen der handen: ieder is heel en al bij de zaak, die wel een gewichtige moet wezen.

Terwijl de overigen zaten stond er een rechtop, met zijn vuist op den tafelrand. Dat was een slank, sterk en mooi gebouwd man van veertig jaren omstreeks. Zijn gelaat vertoonde sterke jukbeenderen en een breed voorhoofd. Daarover heen hingen dwars tot op de ronde tamelijk diepliggende oogen een paar roodblonde hairlokken. In die bruine oogen gloeide een zacht, vriendelijk vuur, dat echter dikwerf plotseling uitschoot als een schril groenachtig weerlicht. De neus sprong kloek van onder den voorhoofdshoek te voorschijn en daalde dan in rechte lijn neer naar de ietwat stompe punt boven den zachten naar beide zijden uitgestreken knevel. Als hij zweeg, was de mond stevig dichtgeknepen, als hij sprak, zag men de bovenste rij witte tanden, kin en wangen waren glad geschoren, alleen onder de ooren had hij twee baard-lokjes. De trekken van het door de zon gebruinde gelaat waren zoo, dat men er telkens weer naar kijken moest. Zijne kleeding onderscheidde zich thans van die der anderen daardoor, dat hij geen jas aan had, maar in wijde, echter aan de polsen nauwsluitende hemdsmouwen was. — Voor ons staat Peter Mayr, „de Waard aan de Mahrquot; geheeten.

„Versmaadt toch brood en wijn niet!quot; zei thans deze man met eenigszins gedempte stem tot de anderen, „wij moeten ook om lichaamskracht denken, die zullen wij wel gebruiken kunnen.quot;

Op dat woord greep de oudste hunner het brood en het mes, maakte met de punt het teeken des kruises over het brood, en sneed er, plechtig, als volbracht hij een heilige hcindeling, een stuk af,

ocr page 17

13

Op hetzelfde oogenblik ging de deur open, en toen zij zagen wie naar binnen kwam, was hun verbazing groot. — Wat zou dat beteekenen 1 — Is het thans de tijd voor vastenavondgrappen ? En voor zulk een man?

Hij, die rechtop bij de tafel stond, deed langzaam een paar groote schreden naar den binnenkomende toe en vroeg: „mijnheer de pastoor, hoe moet ik dat begrijpen?quot;

De aangesprokene was een man met een rood gezicht, verstandige oogen, gladde handen en droeg het gewaad van een herder. Aan den eenen voet had hij een grove versleten schoen, de andere was bloot; op zijn rug sleepte hij een mand met kruiden mee, waaruit te voorschijn kwam de roestige steel van een pan, zooals de herders die gewoon zijn bij zich te dragen, ter bereiding hunner kruidensoep. In de hand had hij een langen bergstok.

De haastig ingetredene vroeg zachtjes aan den waard: „is het veilig bij u. Peter ' Goed, sluit dan de deur af.quot;

„Dat durf ik niet doen,quot; antwoordde de waard. „De kerk kunt gij wel sluiten, pastoor, maar de herberg moet open blijven. Is er iets te beraadslagen, dan willen wij naar de opkamer gaan. Kom maar mee, mannen.quot;

Daarop verlieten zij het vertrek en bestegen de houten trap naar de bovenkamer, waar de een na den ander zich op de bank zette.

„Hoe moeten wij dat verstaan ?quot; vroegen zij den pastoor.

„Zoover is het gekomen,quot; zei de gevraagde, en lei zonder gerucht te maken zijne zaken af, „zoover onder deze fransch-beiersche heerschappij, dat uw door paus en keizer aangestelde pastoor vermomd als een schelm moet rondsluipen in zijn gemeente. Zie eens aan, sinds heden morgen ben ik door den vrijmetselaarspaus te München uit mijn ambt ontzet, en moet ik gaan om mij voor den kantonrechter, die mooie mijnheer, te verantwoorden.quot;

„Ga je?quot; vroeg er een.

„'t Komt mij niet in de gedachte. De Beier is mijn Heer niet.quot;

ocr page 18

14

„Verantwoorden zeg je? Waarvoor pastoor?quot;

„Allereerst, omdat wij in onze Kerk op den 25 Juli het feest van den Apostel Jacobus gevierd hebben?quot;

„Wij zullen onzen beschermheilige niet meer vereeren?quot; riepen verscheidene bulderend uit.

„De feestdagen zijn bij de wet afgeschaft,quot; ging de pastoor voort, „ook is het kerkbezoek op werkdagen afgeschaft. Luister eens. Juist een uur geleden is Oswald Klausen naar Brixen gevoerd, omdat de vreemde gerechtsdienaars hem ontmoetten, toen hij in zijn zondagsplunje op den weg was naar de kerk. Vandaag is, zooals je weet, de dag van den heiligen Oswald, en daarom wou hij ter eere van zijn peetheilige in de kerk een paar Onzevaders bidden. Daarvoor zit hij thans in 't cachot.quot;

„Staat het zoo?quot; zei een der mannen; hij zei het bijna fluisterend en stond op van zijn bank.

„Er is nog wel meer,quot; ging de priester voort. „Mannen van de Mahr en van St. Jacobus en van Schalders, ik zeg het u: als 't weer winter wordt en .Kerstmis, wordt er voor ons Tyrolers geen Christus meer geboren.quot;

„Hoe moeten we dat opvatten, pastoor?quot; vroeg de waard aan de Mahr.

„Er mag,quot; antwoordde de pastoor, „geen Rorate meer gehouden worden in den adventstijd, geen dienst meer te middernacht op Kerstmis. Van wege de nachtelijke rust en orde, heet het. Maar ik denk, dat het om iets anders is, de heidenen zijn bang voor christelijke bijeenkomsten. Alle klokgelui is verboden, alle orgelspel en feestgezang. Doodstil moet het worden, alleen de Beiersche adelaar mag krassen op de torens en de vrijmetselaars zullen den antichrist prediken, en die Bonaparte zal het kindeke Jezus sleuren uit de kribbe en laten dooden, hij de nieuwe Herodes. Want die Napoleon wil alleen koning wezen in hemel en op aarde. De 15de Augustus zal de eenige groote feestdag zijn, op welken alle volken van den aardbol op hunne knieën en hunne buiken liggen moeten.quot;

ocr page 19

15

„Op den 15den Augustus,quot; herhaalde een der boeren, „dan geeft hij toch nog iets om onze Lieve Vrouw.quot;

„O boer Rampe!quot; riep de opgewonden pastoor den man toe: „je denkt, omdat het dan Maria Hemelvaart is! Dat is gedaan, beste kerel!quot;

„Mijnheer Bonaparte zal toch niet ter mijner eer den 15den Augustus laten vieren,quot; zei de Mahrwaard een beetje schalks. „Ik meen zoo, omdai die juist mijn verjaardag is.quot;

„Per slot van rekening zijt gij tweelingbroers, jij en die Napoleon!quot; lachte de pastoor luid op.

„Ten eerste ben ik daarvoor twee jaar te oud,quot; zei de waard.

„En ten tweede?quot;

„Had die reeds in zijn moeders lichaam zijn tweelingbroer omgebracht,quot; viel boer Rampe in.

De pastoor ging voort: „Men kan 't zich eigenlijk niet voorstellen, dat die tiran door een vrouw is gebaard. Er is in 't geheel zoo niets zachts en menschelijks aan hem. Maar geboren werd hij toch. Jammer genoeg werd hij geboren en wel juist op Maria Hemelvaartsdag. O verblijdt u toch in het vooruitzicht op den eerstvolgenden hemelvaartsdag, dan zullen de klokken luiden in het gansche land. De vreemde huurlingen zullen ons naar de kerken begeleiden met opgestoken bajonetten, op het altaar zal men katholieke Christenen uitplunderen en de vrome gemeente zal voor zijn beeld zingen; heilig, heilig, heilig is de Heer Napoleon Bonaparte!quot;

Terwijl de pastoor alzoo sprak in gloeienden toorn, waren voor en na allen opgestaan en onrustig geworden. Alleen Peter, de Mahrwaard, had zijn kalmte bewaard.

„Dat is overdreven,quot; zei hij, „er wordt wel veel gebabbeld. Eer zoo iets geschiedt in Tyrol, stroomt nog heel veel water af in de Eisack, Het nieuwbakken evangelie zal ook nog zijn meester vinden. Wij willen eerst eens hooren, wat de bisschoppen zeggen.quot;

„De bisschoppen?quot; vroeg de pastoor, „welke bisschoppen? Denk je dan werkelijk, dat ik in roekeloosheid rondzwalk

ocr page 20

16

als een grappenmaker? Of dat mij hoofd en hart in de schoenen gezonken zijn, zoodat ik in het geheel niet meer weet wat ik moet doen, waar ik bezwaren kan inbrengen en toevlucht vinden? Weet dan: de bisschoppen zijn afgezet, vervolgd. Ook de onze te Brixen is gister naar het gebergte gevlucht. Worden zij gesnapt, dan gaat het hun als den heiligen Vader, dien men in den kerker geworpen heeft.quot;

„Den Paus?quot;

„Niemand is hun te hoog en niemand te gering. Al wat priester is, is vogelvrij.quot;

„Wat doen ze dan, dat men hen vervolgt?quot; riep boer Rampe.

„Niet omdat zij doen, wat zij doen, maar omdat zij zijn, die zij zijn. Daarom worden zij gevangen genomen, zoo niet gedood. Die Bonaparte maakt martelaars, ik zeg het jelui.quot;

„Wat is dat voor een tijd!quot; riep Rampeboer en sloeg de handen in elkaar: „wat hebben wij uitgevoerd, dat God ons zoo verlaten kan?quot;

„ t Is God niet alleen, die ons verlaten heeft!quot; riep er een.

„God en de Keizer, dat zijn toch onze eerste en laatste!quot;

„Het Oostenrijksche huis alleen is onze schuts en beschermer,quot; zei de pastoor, „zooals Tyrol Oostenrijks hart en schild is. Die behooren bijeen, zoolang de bergen bestaan....quot; Hier trilde zijn stem; vol verwachting keken de mannen hem aan. De pastoor zei heel zacht, maar met een heftige beweging der handen: „Op! Op! Wij moeten opstaan!quot;

De waard, die in strakke houding tegen hem over stond, antwoordde kalm: „dat is mijn meening ook.quot;

Toen zwegen zij en stonden somber bij elkaar. Stanker-boer uit Sarns dook weer op de bank neer, leunde met de ellebogen op de tafel en vouwde de handen voor zijn voorhoofd. En hij morde: „hebben wij zoo'n ongeluk verdiend? Wij hebben in vrede arbeidend tusschen onze bergen geleefd, aan den reizenden man herbergzaamheid betoond, den vreemdeling geacht, goede buurschap onderhouden met de Beieren, met de Italianen. En thans zoo vreeselijk neergeworpen.quot;

ocr page 21

17

Driftig bruiste de waard op: „die verdoemde Presburger vrede! Het is niet waar! Het geldt niet! Want de Beieren houden niet wat zij beloofd hebben, zij houden het niet. Mannen, zij houden het niet! — Je kent dat geschrift. Wat staat er in ? Tyrol zal alle titels en rechten hebben als tot dien tijd, en niet anders. Aan de Tyrolers worden geloof en gewoonten gewaarborgd als tot dien tijd, hunne oude vrijheden blijven hun verzekerd als tot dien tijd, en niet anders. De Tyrolers marcheeren niet in vreemde landen, zij zullen de beschermers zijn van hun eigen land, en niet anders. Dat, mannen, staat er in, dat staat in dat geschrift! Gelogen is het, en gelogen, en driemaal gelogen, wat zij beloofd hebben----quot;

Plotseling brak hij af, zijn oog spatte schier gloeiende vonken, maar zijn gelaat was bleek geworden als leem.

„Wij weten het wel,quot; zei thans een oude boer, „zij willen ons tot honden maken. Kwispelstaarten moeten wij voor hen en de Oostenrijksche broeders in de broekspijpen bijten. Ja, als wij maar dom genoeg waren!quot;

„En slecht genoeg!quot; voegde Rampeboer er bij. „Ik zou dien veilen loeder wel eens willen zien!quot;

„Onze vrijheden en rechten!quot; lachte de oude boer, „niet eens onzen naam hebben zij ons gelaten. Wij heeten Zuid-beieren. Er is geen Tyrol meer!quot;

Daarop zei de waard op eens weer heel rustig, zelfs achteloos, „dat willen we eerst nog eens zien, of er geen Tyrol meer is.quot;

„En voor zod'n schandelijke valschheid verlangen ze van ons trouw!quot; hernam boer Rampe. „Die vrede geldt niet. Wij zijn keizerlijk.quot;

„En dat blijven wij!quot; bevestigden de anderen. Alleen de Mahrwaard zweeg, keek somber naar den vloer, en na een poosje mompelde hij nog eenmaal: „dat willen wij eens zien, of er geen Tyrol meer is.quot;

't Was juist op hetzelfde oogenblik, dat er buiten van de straat een dunne schreeuwerige stem kwam.

2

Peter Mayr

ocr page 22

18

„Koopt, wie koopt er?quot; riep zé, „mooie kruisifiksen en kelken! Nieuw en gewijd! De Christus vol genade uit de Jozefskapel voor zesendertig kreuzer! Voor dertig kreuzer baar geld! Christenen, wie koopt er? En een monstrans, drie goudponden weegt hij. Voor vijftig gulden het allerheiligste! Voor vijf en veertig gulden baar geld! 't Is te geef! Meer dan te geef. Voor dien prijs — God, wat ben ik roekeloos! — zullen enlcel de brave Zuiderbeieren, voorheen Tyroiers, het hebben voor dien prijs. De beieren niet! Frankrijk en Compagnie ook niet! Koopt, Christenen, koopt! Wat vandaag niet weggaat, gaat morgen in den smeltkroes! Zonde en schande is 't! En gewijd! Wie koopt er?quot;

't Was een Joodje, dat langs den weg sloop, met in den arm de donkergroene bundel, waaruit tusschen de doek-randen de hand van een kruisbeeld, de spitspunten van een gothiek bewerkten monstrans te voorschijn kwamen.

De boeren in de kamer keken het venster uit, en een van hen, Stanker uit Sarns, een magere gebogen man, wiens hoofd en armen van opgewondenheid beefden, pakte den waard bij den gordel en sprak: „Peter, leen mij een geweer! Dat creatuur moet ik neerschieten.quot;

„Die jood?quot; vroeg de waard. „Die doet toch enkel, wat zijn beroep is. Wat beteekenen voor hem monstrans en kruisifiks? Neen, de Beieren moet je neerschieten, Stanker van Sarns. Der Beieren huid is gedoopt en gezalfd en toch rooven zij de kerken leeg; zij noemen zich katholieke Christenen en verkoopen het kruis aan de Joden. De beieren moet je neerschieten, Stanker van Sarns!quot;

Ze gingen naar buiten en maakten zich gereed om het Joodje zijn waren af te nemen. Deze hief een erbarmelijk geschreeuw aan en liep terug den weg op naar St. Jacob, vanwaar een troep soldaten kwam.

Boer Rampe knikte met het hoofd: „zij zijn er alweer, 't Verwonderde mij al, dat de Jood met z'n negotie zich zoover wagen durfde, maar inderdaad is eindelijk zijn Messias gekomen, die Bonaparte, en die zendt hem ter rechter tijd de

ocr page 23

19

bruingebroekte beschermengelen!quot;

„Mooie beschermengelen, die instee van vleugels lange wapens achter aan de schouders hebben!quot;

„Frans Schockel, 't past niet op die manier over heilige zaken te spreken?quot; berispte een oude boer hem, die dat had gezegd.

„De Beieren zijn voor mij geen heilige zaken en de Joden ook niet,quot; antwoordde Schockel.

„Maar de beschermengelen moeten het zijn, als je niet ook al een nieuwgeloovige bent.quot;

Het Joodje had zich onderwijl verschanst achter de soldaten, die hun spel met hem op allerlei wijze dreven.

De boeren trokken zich weer in huis terug, want er moesten op dezen dag nog gewichtige dingen beraden en een besluit genomen worden. Maar thans kwam aan de achterdeur de koster van St. Jacob aansluipen. Hij had gehoord dat de pastoor in huis was. Men had naar den heer pastoor gevraagd.

„Ik denk dat de Beieren naar hem rondzoeken,quot; zei Frans Schockel.

„Niet de Beieren!quot; beweerde de koster, „dan zou ik wel niet zoo dom zijn en hen helpen zoeken. Ik moet het maar zeggen: Er zijn bedevaartgangers gekomen. Benige vrouwen er onder komen, geloof ik, van den kant van het Pinterdal. Naar hun uiterlijk voorkomen moeten het deftige lui zijn. Heden middag zijn zij aangekomen, 'k Heb ze in de kerk gelaten, ze bidden ijverig; hebben ook reeds iets geofferd, geloof ik. Thans willen zij schielijk hunne zonden uitschudden en morgen, eer zij vertrekken, de heilige mis hooren en dan later met het heilig sacrament bediend worden. Daar waar zij zoover vandaan komen is geen priester. Daar moet je de Beieren voor bedanken, heb ik gezegd, dat daar geen priester is, heb ik gezegd. Die van God verdoemde Beieren! hebben zij geantwoord, en de Beieren vervloeken, dat was geen zonde.quot;

„Het vloeken helpt niets,quot; zei de waard.

„Als ik hun mijnheer de pastoor bezorgen kon,quot; ging de

ocr page 24

20

koster voort, „dan zouden zij heel dankbaar zijn, hebben zij gezegd. 't Is goed, zei ik, 'k wil hem zoeken, misschien vind ik hem. De omgeving onzer kerk is vandaag vrij van gespuis, geloof ik.quot;

„Ik zou het niet vertrouwen,quot; gaf Stanker in bedenking, „juist even te voren is een zwerm Beieren voorbijgetrokken.quot;

De pastoor trad vooruit en verklaarde zich bereid naar de kerk op te stijgen. „Waar geloovige Christenzielen de heilige genademiddelen verlangen, daar zal de priester niet eerst vragen, of dat den vreemdeling behaagt,quot; zei hij, „bijgevolg ga ik dadelijk naar boven.quot;

„En is u eenmaal daar binnen, u en de biechtkinderen, dan sluit ik de deur af,quot; zei de koster geruststellend. „Zoolang ik aanwezig ben, zal onzen gewijden Heer niets geschieden.quot;

„Voor alle gevallen,quot; zei de waard, „is boven op de Mahrwei in de achterste hooihut brood en spek te vinden; ook twee geweren en een volle kruithoorn.quot;

„God vergelde het u!quot; antwoordde de pastoor. „Een beetje vertrouwen op God en veel buskruit, dan komt alles in orde.quot; Hierop vertrok hij in zijn avontuurlijke kleedij met den koster.

De overige mannen bleven nog bijeen in de afgesloten ruimte van des Mahrwaards huis, en de grondgedachte hunner beraadslagingen was: Vertrouw God en houd je kruit droog.

WEES BEREID TOT DEN STRIJD.

Toen de beide mannen dicht in de buurt hunner pastorie kwamen, slopen zij achterom naar de kerk in de Sacristie, waar de pastoor zijn herderskleeding tegen zijn kerkgewaad verwisselen kon. De koster keek in de geheele omgeving rond, en daar hij niets verdachts bespeurde, ging hij naar de

ocr page 25

21

taveerne, waar de bedevaartgangers bij brood en wijn wachtten, en deelde hun mee, dat de pastoor bereid was, hun de biecht af te nemen.

Een oude man en drie deftige matronen waren het die, ver uit het Pinterdal gekomen, uit vromen zin de bedevaart deden naar het beeld van den heiligen Jacobus. Zij waren in gepast donker gewaad met bundels en pelgrimstokken, en om hunne knokige, door de zon verbrande handen hadden zij den rozekrans gewonden. Twee der vrouwen hadden over het gelaat lange sluiers, als kloosterzusters. De oude man had bij zijn aankomst de bestoven laarzen aaneengebonden over den schouder gedragen, om door barvoets loopen zonden te boeten. Zij moesten een zwaren last op hun ziel gebonden hebben, want zij waren heel woordkarig en berouwvol, en toen nu het bericht kwam, dat de pastoor reeds klaar stond, slurpten zij nog gauw de rest van hun wijn op en ijlden naar de kerk.

De priester zat altoos nog zonder ordentelijke voetbeklee-ding, met koorhemd en stola, in den biechtstoel, welks open voorzijde door een blauw voorhangsel bedekt was, en aan welks zijden zich de door houten vlechtwerk getraliede venstertjes bevonden, waardoor de biechteling zich knielend met den gezalfde, die daar binnen zat insteê van God, onderhouden kon. De biechtstoel was van velerlei sieraad voorzien, en er boven hing aan den kerkmuur het beeld van den heiligen Johannes, die eenmaal van de Prager brug geworpen was, omdat hij het biechtgeheim niet verraden wou. In de kerk bewoog verkoelende wierookdamp op en neer, en het schemerde reeds, zoodat men van de altaren en talrijke schilderijen slechts de flauwe omtrekken zag. De roode lamp voor het hoogaltaar flakkerde een weinig, daar zich buiten een wind verhief, die van Etschland kwam' en herhaaldelijk door een vensterreet fluitend binnendrong.

De vier bedevaartgangers gingen, schier sluipend van louter deemoedigheid, in de kerk tusschen de stoelrijen door tot aan den biechtstoel; de oude man liet de vrouwen voor-

ocr page 26

22

gaan. Terwijl de eene bedevaartgangster reeds knielde voor het bidstoelbankje, fluisterden de overigen met elkaar, alsof zij hunne opmerkingen maakten over de rijke en kunstvolle uitmonstering der kerk, over de voorstellingen uit de gewijde geschiedenis, die ofschoon niet duidelijk meer te zien, toch altoos door de bewondering der bedevaartgangers vermochten te wekken.

De eerste biechteling had zonder plichtplegingen absolutie bekomen; met langzame schreden ging zij weg en knielde voor het hoogaltaar, om in den toestand der genade nu aandachtig te bidden. Bij het tweede biechtkind werd de biechtvader hoorbaar; zijne woorden waren op een afstand te verstaan. — ,,lk kan u slechts absolutie geven, wanneer gij als Tyroler het heilig geloof behoudt, zooals onze voorvaderen het altoos hebben gedaan in het Tyroolsche land !quot; De biechteling beloofde het, verkreeg den zegen en knielde daarop eveneens voor het altaar.

Niet zoo gewoon ging het bij de derde. Tegen haar zei de priester een en andermaal: ,,je mot harder spreken, ik versta je niet.quot;

Hierop stak de biechteling zoo luid, dat ook de anderen het hooren konden: „maar mijn geweten. Hoogeerwaarde! Hoe zal ik het daarmee dan hebben? De Oostenrijkers hebben vrede gesloten en het land van Tyrol aan de Beieren afgestaan en de koning van Beieren is thans de van God over ons gestelde overheid. En in Tyrol heet het, dat wij tegen de Beieren moeten opstaan en hen uit het land verdrijven. En thans zegt mij mijn geweten: dat is oproerigheid, de van Gods- en rechtswege gestelde overheid moet gij onderdanig zijn. Nu, Hoogeerwaarde, hoe zal ik dat nakomen?quot;

Daarop antwoordde de priester dan, ook zoo verstaanbaar: „Toen de Farizeërs den Heer verzochten, vragend of zij den keizer de belasting hadden te betalen of niet, antwoordde hij: geef den keizer wat des keizers en Gode wat Gods is. Is daar sprake van een koning? Neen. Alleen van keizer en

ocr page 27

23

God. Ook in ons geval is de zaak zoo zonneklaar, da twijfel daaraan reeds aan goddeloosheid grenst. De van God gestelde overheid zult gij onderdanig zijn. Zeer juist, wie echter is de door God over ons katholieke Christenen gestelde overheid ? Is het de door den goddeloozen oproerling Bonaparte afvallig geworden koning van Beieren? Neen, het is zijne apostolische Majesteit, de keizer van het heilige roomsche rijk. Of wien heb je den eed gezworen? Den koning van Beieren? Neen, dien heb je niet gezworen. En als je het had moeten doen, dan was het een afgedwongen eed geweest, en zoo een geldt niet voor God en geldt niet voor de aardsche wet. Je hebt daarentegen den eed gezworen evenals je voorvaderen aan je rechtmatigen Heer, aan keizer Frans. Wat ons Tyrolers thans van hem scheidt is niet een vrije beslissing, maar geweld. Als de roover je de schapen uit den stal steelt, behooren ze daarom reeds aan hem? Nooit, zij behooren jou, en jouw zaak is het, ze met geweld weer terug te nemen. Ik zeg je: wees bereid tot den strijd!quot;

Daarop antwoordde de biechteling heel moedeloos: „ik begrijp het wel, ik begrijp het, maar wij zijn heel en al machteloos. Het klein; arme Tyrol kan den almachtigen Fransch-man en alle andere groote met hun vereenigde volken geen weerstand bieden. Dat te denken is belachelijk, wij worden vertrapt als een worm.quot;

„O kleingeloovige Christen!quot; riep de biechtvader. „Ook zoo kleinmoedig zijn de jongeren geweest op het scheepje van Petrus, toen de storm opstak; maar de Heer gebood de zee stil te zijn. Maar wij mogen de handen niet in den schoot vouwen. Help uzelf zoo helpt uGod!quot;

,,Dat is alles goed en wel. Hoogeerwaarde, maar hoe het aan te pakken?quot;

„Vrouw, je bent er een, en praat ook zoo,quot; zei de priester en voegde er zachtjes bij: „'t was al voorbereid, en wij zijn niet alleen. Ik zeg het tot je troost. Oostenrijk is met ons. Keizer Frans heeft ons laten zeggen, dat wij zijn lieve Tyrolers zijn en het zullen blijven. Komt het tot een strijd, dan zal

ocr page 28

24

hij er zijn. De aartshertog Johan is reeds in aantocht met een groot leger; alles is afgesproken, zoodra het teeken gegeven is, gaat het er op los. Dan zal ieder Tyroler zijn geweer grijpen en zijn mes. God zelf heeft het bergland Tyrol voor ons opgebouwd tot een onneembare vesting, en wie in dezen heiligen strijd voor God, keizer en vaderland valt, die gaat terstond den hemel in. Vrouw, als je een man hebt, of kinderen, of anderen, waarmee je te doen hebt, zendt ze in den strijd, de Heer zal met hen zijn. Ga zelf mee, draag hun lafenis achterna, laad de geweren, rol steenen naar beneden van de bergen op ds heirwegen, waar de vijand marcheert. Niemand en niemand blijve thuis, deze strijd is verdienstelijker dan alle bedevaarten en alle boetedoeningen. Wie in dezen strijd staat, die heeft geen zonde meer. Vrouw, je knielt thans als arme zondares voor den priester en die spreekt tot je in den naam van God; geen andere boetedoening en verzoening dan deze: wees bereid tot den strijd!quot;

Toen de biechtvader aldus gesproken had, stond het biechtkind haastig op en tegelijkertijd deden dat ook de anderen, die bij het altaar waren, zij kwamen naderbij en zeiden: „wij hebben het gehoord. Zelfs de biechtstoel wordt gebruikt tot opruiing van het volk. Wat hebben wij verder nog te weten noodig, wij voeren het bevel uit.quot;

De pastoor was niet weinig verrast, toen hij in plaats van dc matrones drie wel gewapende vijandelijke politieagenten voor zich zag staan, die hunne vermomming hadden afgeworpen en thans den pastoor uit den biechtstoel sleurden.

„Paap, je bent ons in den val geloopen!quot; lachten zij en bonden zijne handen, „je zult het wel natuurlijk vinden, wanneer we jou en je gelijken doodschieten!quot;

„Ik vind het heel natuurlijk,quot; gaf de pastoor kalm ten antwoord. ,,En jelui moet het wel natuurlijk vinden, dat wij katholieke priesters protesteeren tegen de geweldenarij, die het christelijk geweten zoo grof beleedigt, voor wie niets, ook niets meer heilig is, die hare spionnen op schandelijke wijze naar kerk en biechtstoel zendt, om de dienaren des

ocr page 29

25

Heeren te beloeren. Schiet mij maar neer. Onmachtige krijgsknechten, die enkel het lichaam doodcn kunt, je zult den geest toch niet meester worden, ik zeg het je.quot;

„We zullen je voor den rechter brengen,quot; zei thans het oude mannetje, „vooi hem zul je ons alles vertellen, wat je weet van toebereidselen tot den opstand, van de Oostenrijkers en den aartshertog Johan.quot;

Voor zulke woorden had de priester enkel een meelijdenden lach.

„Je zult scherp ondervraagd worden, zwartrok!quot; zij een der agenten.

„Ik kan 't mij voorstellen,quot; gaf de priester onverschillig ten antwoord.

„Laat dat,quot; zei de grijsaard nu weer, „de man deed wat zijn ambt was. In de kerk, in den biechtstoel mag hij niet anders spreken, de fanatieke Tyrolers zouden hem steenigen. Buiten zijn ambt is het iets anders. Dan is hij mensch en staatsburger, die ook zijn tastbaar voordeel en dat zijns lands niet verwaarloozen zal. Onze Heer is niet enkel machtig, hij is ook welwillend en grootmoedig. Het voorgenomen hoogverraad moet worden aan het licht gebracht. En de zielzorger kan zijne gemeente geen meer christelijken dienst bewijzen, dan wanneer hij een misdaad verijdelt, die zij op het punt staat te begaan.quot;

Toen hief de pastoor opgewonden de gebonden armen naar den spreker op en riep: „beschimp mij niet! Ik ben een Tyroler en gij zult nog ondervinden, wat dat zeggen wil.quot;

Op den toren liet de klok zich hooren met heftig onregel-matigen slag. De koster had het gevaar bemerkt en luidde storm. Toen de dienders met hun vangst de kerk uit wilden, was de deur gesloten. Buiten raasde het alarm der naderende boeren, aan wie de koster van den toren af meedeelde, dat de pastoor door spionnen gevangen genomen was en dat deze samen met den pastoor gelukkig in de kerk opgesloten zaten.

Daar drong een knaap met verwilderde hairen vooruit en

ocr page 30

26

deed met zijn knuppel een slag tegen de kerkdeur. Van binnen werd de slag hevig beantwoord. De deur gaf noch naar de eene noch naar de andere zijde toe, en nu ontspon zich de volgende onderhandeling.

„Doe open in den naam des Konings!quot; schreeuwden zij van binnen.

„Opendoen! Dat zullen we wel zeker niet doen,quot; zeiden ze buiten.

„Als je niet open doet, dan maken wij je pastoor op slag om koud.quot;

„Dan zal je de warme zon nooit meer zien; goedkoop geven wij onzen pastoor niet.quot;

Toen de dienders merkten, dat het gevaar voor hen niet gering was, riepen ze: „als je de deur open maakt en rustig aftrekt, zullen wij je je pastoor laten.quot;

En die buiten waren zeiden; „wij gelooven je niet. Wie vermaskereerd als een comediant in huizen en kerken sluipt, en in ouwewijven rokken kruipt om eerlijke lieden te misleiden, die is een schelm en dien gelooft men niet.quot;

Daarop van binnen: „dat zou toch wat moois wezen, dat de Tyroler geen grap verstond! Doe maar open, wij scheiden als goeie vrinden.quot;

En thans riep de pastoor van binnen: „doet niet open, menschen, ze hebben wapenen en zouden je neersabelen. Mij valt in dezen tijd het sterven niet zwaar en mijn huid is thans vier vijanden waard.quot;

„Wij zullen hem het sterven behoorlijk zuur maken,quot; liet een der dienders daarop volgen.

„Ga je gang maar,quot; riep er een van buiten, „zooals jullie hem, zoo wij jullie!quot;

Middelerwijl had de koster den sleutel uit het torenvenster naar beneden gegooid. Terwijl een der boeren den sleutel in het sleutelgat stak, plaatsten de andere zes of zeven zich dicht bij de deur met hun knuppels en spaden, om terstond naar binnen te dringen, de vijanden af te maken en den pastoor te bevrijden. In hetzelfde oogenblik knalde een schot en de

ocr page 31

27

gebaarde boerenkerel zonk zonder geluid neer tegen den kerkmuur.

Van uit het dal rukten troepen aan. Toen ze dat merkten, dachten de boeren: „wij willen onszelven sparen voor wat beters dan hier neergepoeierd te worden, en de pastoor had toch niets daaraan.quot; Zij ijlden achter de kerk om den berg op nadat er een nog den kerksleutel uit het slot getrokken had. De oprukkende soldaten slingerden den doode ter zijde, braken de deur open, onder het gejuich der „vrome bedevaartgangersquot; gingen binnen, en de waardige pastoor, half nog in herderskleeding en half in kerkelijk gewaad, werd weggesleept om hem te brengen voor het gerecht. De koster keek uit het torenvenster den stoet na en daarop begon hij te luiden, alsof het een lijkstoet was ....

WIJ KAREL DE VIJFDE BIJ DE GRATIE GODS....

In de herberg aan de Mahr heerschte zondagsrust. Peter was niet met de anderen naar de hoogte opgestegen, waar in een verscholen rotskloof op de schijf geschoten werd. Jong en oud wou zich in het schieten oefenen, doch dat was streng verboden, de Beieren hadden alle schietbanen in het Eisackdal en overal in 't rond opgeheven, ze hadden bovendien alle schietgeweren meegenomen, die zij op de Ty-rolerjagers en in de huizen gevonden hadden. Doch wat zich in de moeilijk te bereiken berghoeken verborg en voorbereidde, dat zagen, hoorden en vermoedden zij niet.

Peter, de Mahrwaard, had niet noodig zich eerst nog in het schieten te oefenen. Hij was alzoo na den middagdienst naar huis gegaan en had zich daar op de eerste verdieping terug getrokken in het familievertrek. Een kellnerin kon wel op

ocr page 32

28

de gelagkamer passen; het gewone verkeer langs den straatweg was verminderd, sinds het weer zoo onrustig werd in het land.

Buiten suisde een onweersbui neer. Peter had een vierhoekig kistje te vooischijn gehaald, hij plaatste dat op tafel, zette zich daarvoor in een leeren stoel en zei op een toon van welbehagen: ,,c indelijk kan men zich weer eens thuis gevoelen. In zulke tijden behoort de man ter nauwernood meer aan zijne familie-, nog minder aan zich zelf.quot;

„Ik merk het wel,quot; antwoordde zijn vrouw, die niet ver van hem afzat en een knaapje op haar schoot had. Zij was een mooie, blonde, nog jong uitziende vrouw; haar rond gezicht boog ze over de kleine heen, een menschknopje, dat juist aan 't insluimeren was. Om haar hoofd had zij een gevlochten hairkrans eenvoudig gewonden. Het eenvoudige huisgewaad dat zij aan had, kreeg lichter kleur door een borstdoek van roode wol, dien zij slechts des zondags placht te dragen. Aan de voeten harer moeder zat een klein meisje, uit welks blauwe oogjes niets dan droomerij en zachtheid blikte. Het zat daar rustig en bekeek een ruikertje van blauwe bloemen, die het in het handje hield, en waarover een bruin kevertje liep. Verder op den witgeschuurden vloer hurkte een grootere knaap, juist bezig om van blokjes hout en schoolboeken een vesting te bouwen. Deze keek zijn vader aan, en als hij zag, dat deze een weinig tegen den rug van zijn stoel leunde, vroeg hij: „wil je slapen vader, dan zal ik weggaan?quot;

„Blijf Hans, en bouw verder aan ie kasteel,quot; antwoordde Peter, want hij was blij, eindelijk allen weer eens bijeen te hebben. „Wie weet, hoe gauw het anders wordt.quot; Hij leunde met gesloten oogen een weinig achterover, terwijl zijn vrouw met hare vingers zacht zijn hair streelde, als wou zij den ouden doen insluimeren, zooals zij het den jor.gen had gedaan.

Peter sloeg echter een beetje zijn oogleden op en zsi tot zijn vrouw: „nou, Notburga, wat denk je nou van zoo'n man ? Hij moet kogels gieten en laat zich het hair streelen als een meisje.quot;

„Gun je zeiven dat beetje rust. Peter,quot; antwoordde ze,

ocr page 33

29

zonder verder in te gaan op zijn scherts, „'t gebeurt toch zoo zelden, dat wij je bij ons hebben.quot;

„Van Simson staat geschreven, dat zijn zwakheid in zijn hair stak,quot; zei hij en richtte zich op. Hij sloeg nu den knaap gade bij zijn vestingbouw. Toen Hans daarmee klaar was, en de boeken en blokjes, twee, drie naast elkaar, muren vormden, omgeven van schansen en torens, plaatste hij op de muren een rei grijze steentjes, dat waren de soldaten; achter hen op hoogere tinnen een rei witte keisteentjes, dat waren de ridders. In een hoek der vesting deed hij een blinkend stuk roet, dat uit den schoorsteen gevallen was, dat stelde den burgkapelaan voor. En midden in den burg lei de bouwer een pruim neer.

„Wat moet die voorstellen?quot; vroeg de vader.

„Dat is Katharina,quot; antwoordde de knaap.

„Hij is toch nog heelemaal een kind,quot; lachte de moeder.

„Goddank!quot; zei Peter. „Wie lang kind blijft, blijft ook lang man. — Nou wou ik echter wel eens weten,quot; zei de vader tot den knaap, „wat Katharina in de vesting te doen heeft.quot;

„Die Katharina Maultasche heeft immers op den burg Tyrol gewoond,quot; antwoordde Hans, ,,en onze meester heeft verteld, dat de Beieren in dien tijd Tyrol door Oostenrijk voor geld hebben laten afkoopen. Naderhand hebben zij daarvan spijt gehad en wouen zij het land weer terughebben. Maar Katharina heeft gezegd: „wie ons voor geld verkoopt, die zal de klappen voor niemendal hebben. Daarop heeft zij er op ingehouwen en is Oostenrijksch gebleven.quot;

„Zie je,quot; zei Peter zachtjes tot zijn vrouw, „er is waarheid in het spel.quot;

„Maar het oude kasteel Tyrol zal wel niet van schoolboeken zijn opgebouwd,quot; dacht vrouw Notburga, „ik denk. Hans, dat je de muren weer zult moeten afbreken en uit de bouwsteenen je lessen leeren.quot;

De knaap zette een mistroostig gezicht. Het van buiten leeren van den catechismus was hem al even weinig naar den zin als het zitten op de schoolbank. Met hulpzoekende oogen keek hij naar zijn vader.

ocr page 34

30

„Ja, ik kan je ook niet helpen,quot; zei Peter, „de mensch is een soldaat en de soldaat moet exerceeren. Niet alleen met sabel en geweer, ook met lezen, schrijven en rekenen. De Beieren en Franschen waren wellicht nooit in ons land gekomen, als zij niet beter hadden kunnen lezen, schrijven en rekenen dan wij Tyrolers. 't Is nog niet zoo heel verkeerd, als men zegt, dat wij vestingen van schoolboeken bouwen moeten.quot;

De knaap nam een der boeken en ging naar het venster om zijn opgegeven taak te verrichten. Peter opende zijn kastje. Dat was klein maar stevig in elkander gezet uit bruin hout, had een stalen slot en was op de hoeken sierlijk met koper beslagen. Er bevonden zich schrifturen in, waarin de waard thans begon te snuffelen. Allereerst nam hij er een geel geworden blad uit, vouwde het los en begon halfluid te lezen: „onder den vrijen hemel een vrij huis. Geen vesting en toch een burg: de dakgoot des huizes wal en gracht, die geen vreemdeling gewapend overschrijden mag . . . .quot;

„Wat lees je daar. Peter?quot; vroeg vrouw Notburga.

„Dat is het eigendomsbewijs van mijn ouderlijk huis, de Koolhof op den Ritten,quot; antwoordde Peter, „mijn beste vrouw, in Tyrol was het eens een andere tijd dan tegenwoordig.quot; Hij nam een tweede blad op; „hier is de adelbrief van de Maijrs. Hij werd ons verleend door keizer Karei de Vijfde, in het jaar 1555, Hans kom eens hier, jij kleine boeregraaf! Hier is ons wapen: een leeuw met de hellebaard.quot;

En inderdaad was den kleinen jongen deze zaak van grooter belang dan zijn schoolboek; hij begon den adelbrief te lezen: „Wij Karei de Vijfde, bij de gratie Gods, keizer van het roomsche rijk, ten allen tijde rijksuitbreider, koning van Germanje, Spanje, de beide Siciliën, Jerusalem, Hongarije enz. — bekennen openlijk met dezen brief en doen kond allerwege: ofschoon wij geneigd zijn van een iegelijk onzer en des heiligen rijks onderdanen en getrouwen eer, nut en welzijn te behartigen en te vermeeren, zoo zijn wij toch meer toegenegen hun, die zich jegens ons en het heilige rijk

ocr page 35

31

getrouwer en gewilliger in gehoorzaamheid betoond hebben, met onze keizerlijke genade te begunstigen en begiftigen; en naardien wij nu goedgunstig hebben opgemerkt en overwogen, door welke eerbaarheid, rechtschapenheid, goede zeden, deugd en verstand onze en des rijks lieve en getrouwe gebroeders Hans, Melchior en Caspar Maijr zijn beroemd geworden, ... zoo hebben wij met 'weloverwogen vrijmoedigheid, goeden raad en beste weten de ... . Maijr's, hunne wettige erven en derzelver erven, voor een en alle tijden dit wapen verleend . . . .quot;

De oogen van den kleinen Hans straalden, toen hij dat las, maar die van den Mahrwaard stonden ook niet slaperig, toen hij zijn hand op den schouder zijns zoons lei.

„Nou wil ik toch dadelijk op school den meester vertellen dat wij van adel zijn!quot; riep de kleine.

„Neen, Hans,quot; lachte Peter, „dat heb je niet noodig te zeggen — enkel te bewijzen. En nou kun je weer aan je werk gaan.quot;

De knaap nam zijn boek en ging naar buiten.

De Mahrwaard nam een volgend blad uit het kastje. „Notburga,quot; zei hij, het zijn vrouw voorhoudend, „ken je dat? — Dat is het zware juk, waaronder wij beide zoo hard zuchten,quot; voegde hij er schalks bij, want het was de huwe-lijksacte van Peter Maijr, destijds bezitter van de herberg „In het witte Kruisquot; bij Klausen, en van Notburga Fuchs, wettige dochter van den kunstvaardigen heer Frans Fuchs, orgelmaker en organist te Griest.

Toen Peter het blad omkeerde, zei hij: „mijn goed is jouw goed.quot;

„Dat behoef ik niet allemaal te wetenquot;, antwoordde vrouw Notburga.

,,}e moogt het niet vergeten,quot; hernam Peter, nog meer papieren uit het kastje krijgend: „zie hier is de koopbrief van onze Mahr-herberg. Hij is tot op den laatsten penning betaald. En hier is een schuld van zesentwintig gulden aan den paardenhandelaar Kilian. Hij is in Italië gestorven, zijne

ocr page 36

32

erven ken ik niet, maar als zij zich opdoen, komt hun da geld toe. Het Js het restant voor een gekocht paard, dat dampig was geweest. Wanneer het binnen een jaar herstelde, moet ik volgens mijn belofte zesentwintig gulden nabetalen. Anders is er geen schuld.quot;

„Waarom kom je toch op zulke dingen. Peter?quot; vroeg vrouw Notburga hem.

„Omdat het goed is, vrouw, als je van alles afweet. De tijden zijn onzeker. En nou mot je ook nog even opletten.quot; Hij nam een plat leeren taschje, sloeg het open, en er lag een biljet van duizend gulden in, „Dat is de noodpenning. Ik wil het taschje onder een plank van het dak verbergen en je mot daarbij wezen. Het kastje met de papieren zullen wij buiten in den rotswand metselen.quot;

„Om Godswil, man, staan de zaken dan zóó slim?quot; vroeg vrouw Notburga ontsteld.

Peter lei zijn vinger aan den mond en zei zachtjes: „voor onze vrouwen maken wij er geen geheim meer van. Wij zijn bereid, en wachten nog slechts op eenige berichten.quot;

Zij zweeg. In het benedenvertrek klonk plotseling een schrille, kort afgebroken schreeuw. Vrouw Notburga lei het sluimerende kind in zijn bedje en ging de kamer uit. Hanna, de meid. stond buiten en lachte. „Nee maar, zooals ik nou geschrokken ben,quot; riep ze lachend en wees met beide wijs» ! vingers naar den donkeren hoek van het vertrek. Daar stond, geleund op een langen brandhaak, stokstijf een gestalte, die door de scherpe oogen van vrouw Notburga weldra herkend werd als haar jongen.

„Wat beteekent dat. Hans?quot; vroeg zij scherp.

Hans gaf ten antwoord: „de leeuw met de hellebaard,quot;

ocr page 37

33

GIJ GAAT NAAR DEN WAARD OP „T ZAND.quot;

In dezelfde dagen gebeurde het, dat op een avond voor de herberg aan de Mabr naast de houten plank, waaraan de paarden plachten vastgebonden te worden, een vreemde jonge man zat. Hij had grijze, stoffige kleeren aan en over den schouder een leeren taschje hangen; de laarzen sperden bij de teenen hun muil open, als een paar hongerige krokodillen.

Het gelaat was bleek en ingevallen; aan de volle bruine hairen en het snorretje kon men zien, dat zij verzorgd werden. De vreemdeling zat ineengedoken op een steen en scheen zeer uitgeput.

De kellnerin kwam naar buiten en vroeg, wat hij deed.

De jonge man schudde vermoeid zijn hoofd — hij deed niets.

Toen de waard later de huisdeur sloot, zat de vreemdeling er nog. Daarom ging Peter met de lantaarn naar hem toe en vroeg: „wat is dat met je? Je kunt daar toch niet zitten blijven gedurende den nacht.quot;

De vreemdeling was bij die toespraak uit zijn halven dommel opgeschrikt en keek verbouwereerd naar den man, die hem van die rustplaats verjagen wou.

„Ben je ziek?quot; vroeg de waard.

De vreemdeling schudde het hoofd.

„Waarom ga je niet in huis? We hebben toch bedden. En je moet ook iets eten.quot;

„Ik dank u,quot; antwoordde de jonge man; ,,ik kan ook wel in de open lucht slapen.quot;

„In de open lucht? Dat is thans niet gezond en je lijkt mij ook niet van de sterksten. Ga maar mee in huis.quot;

Na eenige aarzeling bekende de vreemdeling, dat hij niet veel geld bij zich had, waarop de waard lachte, hem bij den arm nam en in de kamer bracht. Daar liet hij hem iets te eten en te drinken voorzetten; de gast nuttigde slechts enkele beten en daarbij vielen hem de oogen schier toe. Peter

Peter Mayr 3

ocr page 38

34

bracht hem in een koele dakkamer, waar een zuiver, hoog-geschud bed stond, plaatste daar de kaarsen op de tafel en zei: „rust nu goed uit. Goeje nacht.quot;

Toen men den volgenden morgen den vreemdeling vroeg, wat hij begeerde voor zijn ontbijt, verlangde hij den waard alleen te kunnen spreken. Hij zag er veel frisscher uit dan den vorigen dag en zei, toen hij voor den Mahrwaard stond: „gerust heb ik heel goed, en ik zou graag mijn wandeltocht nu weer voortzetten, maar ik zit in verlegenheid: betalen kan ik thans niet.quot;

Peter hield zijne armen over de borst gekruist, zooals hij graag deed, keek den jongen man bepaald ernstig aan en zei daarop; „wat denk je dan eigenlijk van mij ? — Om Gods wil, — is dat dan spotternij ? Als vandaag de Heer Jezus bij mij inkeert, om zich op zijn aardschen pelgrimstocht een beetje te versterken en uitrust in mijn huis, moet hij dan bij het heengaan in zijn broekzak tasten, zijn beurs trekken en vragen: waard wat ben ik schuldig? En zal ik mij vijf beiersche groschen laten voortellen ? — Wees niet kinderachtig.quot;

Niet zonder schalksheid antwoordde de vreemdeling: „ik ben echter de Heer Jezus niet en gij zijt een waard aan den weg, waar men gemeenlijk alles eer kan krijgen dan vrij vertering.quot;

„Vanwaar en waarheen gaat de reis, ais ik vragen mag?quot;

De jonge reiziger trok de schouders op: „mij gaat het inderdaad ook niet veel beter dan vele anderen.quot;

„Zet je nog eens neer en vertel mij je omstandigheden. Ik geloof niet dat je op een pleizierreisje zijt.quot;

„Neen waarlijk niet. Mijn naam is Jozef Dörninger, en ik ben een student uit Insbrück. Mijn vader, een burger dier stad, heeft twist gehad met de Franschen; daarop heeft de generaal Dittfurt ons vermogen verbeurd verklaard, zoodat ik mijne studiën niet meer voortzetten kan. Mijn vader wilden zij ophangen, maar schier uit den strop weg heeft boer Spechbocken hem weggevoerd. Thans zijn zij allen, ook een moeder heb ik nog en drie zusters, in het verst verwijderde

ocr page 39

35

deel van het Pitzdal gevlucht. Ik wil naar hen toe.quot;

„Dit is echter de weg niet naar het achterste gedeelte van het Pitzdal,quot; merkte de waard op.

„Ik wil thans naar Bozen.quot;

„Wat moet je dan in Bozen?quot;

Thans draalde de jonge man met zijn antwoord :

„|e wilt er niet mee voor den dag komen,quot; zei Peter, „dan kan ik wel denken wat het is. Te gaat naar den waard van 't Zand.quot;

Dörninger greep zwijgend de hand van den waard; deze reikte hem de rechter en gaf acht op de ligging van den middelvinger. De beide Tyrolers keken elkander vast in de oogen en verstonden elkaar.

„De waard van 't Zand is thans in Bozen, dat heeft vriend Eisenstecker mij geschreven,quot; zei de Mahrwaard. „Alles is gereed, maar het uur is nog niet geslagen. Blijf een paar dagen bij mij, om je te versterken. Dan kun je van hier berichten meenemen voor Hofer. En thans willen wij met elkander ontbijten.quot;

En Jozef Dörninger, de verdreven student, bleef ettelijke dagen in de herberg aan de Mahr. De beide mannen waren, ofschoon ook zonder dat het opviel, veel samen, en het was al gauw, alsof zij elkander hadden liefgekregen. Menig uur sloten zij zich op en bespraken veel achter de gesloten deur. Dörninger had zich gauw geheel hersteld van zijn moeilijke vlucht over het Fitichergebergte en nu bleek, dat hij een hupsche jonge man was. Op een morgen riep hij de meid Hanna en vroeg, waar zijne laarzen waren.

„De schoenmaker stopt de gaten,quot; antwoordde ze, „en ik heb de opdracht om aan je kousen hetzelfde te doen. En de vrouw heeft gezegd, dat je de kleeren van den baas moet aandoen, om de jouwe weer eens te kunnen maken.quot; Daarop pakte ze de kleeren bij mekaar, voor zoover ze niet reeds aan zijn lijf hingen, ging er mee weg en in enkele uren was alles weer heel.

Met de kinderen van zijn gastheer hield de jonge man zich

ocr page 40

36

graag bezig, in het bijzonder met den verstandigen en onder-nemenden Hans. „Hoe oud ben je?quot; vroeg hij dezen eens.

„Twintig!quot; antwoordde de knaap. Dat was de helft te hoog en daarover werd hij door zijn vader in een kras verhoor genomen.

„Hans, waarom heb je dat gezegd?quot;

„Omdat ik geen kind wil wezen, omdat ik tegen de vreemdelingen vechten wil.quot;

„Ik wil zoo iets niet!quot;

„'t Was maar in scherts !quot; zei Dörninger vergoelijkend.

„Met de waarheid mag men niet schertsen,quot; zei de waard afwerend, „en laat me het jou nou ook zeggen, Dörninger, jij bent ook niet geweest zooals het behoort. Je waart op je gewichtigen weg liever verhongerd, dan van een Tyroler voedsel te verlangen. Dat mot je je afwennen, kameraad! Wie voor het vaderland iets doet, die is in elk Tyrolerhuis thuis. In zop'n geval heeft niemand voor zich iets alleen, maar is alles gemeen — versta je?quot;

De tijd kwam, dat Dörninger zijn ranseltje pakken moest voor den verderen tocht naar Bozen. Zijne kaplaarzen hadden bij den schoenmaker een leeren voering gekregen en daartusschen in waren brieven genaaid. — Voor de herberg aan de Mahr stond een voorname koets stil. Een bediende en twee vreemd gekleede vrouwen stegen er uit, zij spraken ook een vreemdsoortig duitsch. De eene was jong, had een heel bleek gezicht en heel zwart hair en levendige oogen. De andere was ouder, meer gewoon en scheen in een ondergeschikte betrekking tot de andere te staan. Zij gingen haastig het huis in, zij waren uitermate opgewonden. Dat was een onmogelijk land! riepen beiden tegelijk, zij waren op reis naar Milaan en nu waren ze onderweg aangevallen. Aangevallen te midden van den diepsten vrede! Minder hare weinige zaken van waarde dan veelmeer hare personen waren in gevaar geweest. Slechts met moeite hadden zij zich door den braven koetsier en de vlugge paarden kunnen redden uit de handen der „hommes dissolus.quot;

ocr page 41

37

„Dat zijn geen Tytolers geweest,quot; zei Peter kortaf.

„Wie het dan anders zouden geweest zijn midden in het land Tyrol?quot;

„Vreemden heerschen er.quot;

„Possible!quot; Mogelijk, dat het geen Tyrolers geweest waren, dacht de jongere vrouw, maat nu moet het blijken, of de Tyrolers werkelijk zoo 'n ridderlijk volk zijn als verteld werd. „Wij zijn hulpelooze vrouwen en verlangen bescherming.quot;

„In mijn huis zult u die hebben,quot; hernam de waard en lichte zijn bruine muts op. „Voor de wegen nemen wij geen verantwoordelijkheid op ons, die behooren tegenwoordig aan de Beieren en Franschen. In zulk een tijd moeten de vrouwlui niet reizen.quot;

„Te midden van den besten, diepsten vrede!quot; zei de vrouw.

De waard trok de schouders op.

„Wat zullen wij doen? mon Dieu!quot; riep de andere en klemde hare vingers ineen.

Nu trad Dörninger naar voren, de gesjeesde student uit Insbrück. Hij maakte zijn buiging en sprak: „Ik reis naar het zuiden. Voor zoover onze weg gemeenschappelijk is wil ik bij u blijven, als u mij een plaats in uw rijtuig geven wilt. U zal niets overkomen. Wordt dat aangenomen ?quot;

De vrouwen bekeken den jongen man een poosje en daarop zei de eene; „bien obiigé! Wij zullen ons zeer verplicht gevoelen.quot;

Dat was afgesproken.

Den eerstvolgenden morgen reisde het gezelschap af. Dörninger nam afscheid van het huis aan de Mahr als een oude vriend, die zich nooit weer zou losmaken van deze menschen. In het laatste oogenblik, toen de beide mannen tegenover elkander stongen, zeiden zij geen woord meer — slechts een stevige, lange handdruk. In de koets was den student een vrij geschikte plaats aangewezen geworden. Eerst had hij zich geplaatst tegenover de oudere dame, later verordende de jongere, met het oog op het grootere gemak voor hare reis-

ocr page 42

38

genoote, dat haar mede-reiziger tegenover haar plaats nam. Dörninger zweeg meest, was ernstig en de reis ging kalm voort.

Te Weidbrück namen zij in „Adlerquot; nachtverblijf. De uitnoodiging tot den maaltijd nam de student van zijne reis-genooten niet aan. 't Was Vrijdag, en hij nam voor zich een vastenmaal. De dames wilden gebraad, maar toen ze dien wensch te kennen gaven, lachte de waard meelijdend, zonder hun een woord waardig te keuren. Zij namen diensvolgens ook vastenspijs. Dörningers bed stond in de kamer naast het slaapvertrek der vrouwen. Op zijn nachttafel lei hij, eer hij slapen ging, een geladen pistool.

Midden in den nacht wekte hem een gil. Een der vrouwen had dien geuit. Dörninger greep het pistool en vloog terstond naar de kamer. De jonge dame zat half gekleed op haar bed. Zij was ontsteld en bekende, dat zij een zwaren droom gehad: had zij had weer de vagebonden ontmoet. — Anders was het niets en de jonge man ging naar zijn kamer terug.

„Je suis calmée,quot; fluisterde de jonge vrouw de oudere toe, „ik weet nu dat hij waakzaam is.quot;

Den volgenden dag werd de jonge dame op den verderen tocht door de wilde, eindeloos lange kloven van den Eisack, genaamd „de Kuntersweg,quot; vertrouwelijker met den ridderlijken reisgenoot. Zij had reeds vroeger verwacht, dat hij naar het doel harer reis, naar de plaats vanwaar zij kwam zou vragen; wijl dat niet was geschied, wijl de Tyroler zich in het geheel niet nieuwsgierig toonde, begon zij hem uit te vragen. Hij antwoordde kort. Daarop ving zij aan, over zich zelve te spreken, 't Was de eerste groote reis, die zij zoo alleen maken moest. Ze was uit Lotharingen, een land dat over den Rhijn lag en tot het glorierijke Frankrijk behoorde. Zij was afkomstig uit een koopmansfamilie, die goederen bezat in Zuid-Frankrijk; zij hield echter van een ongewoon leven en was met een broeder, die officier was, in Beieren's hoofdstad gekomen. Nu was haar broer naar het noorden gecommandeerd, waar het haar niet beviel, daarom

ocr page 43

39

reisde zij naar verwanten in Milano. Dat was echter tegen den wil van haar broeder, die haar gaarne had uitgehuwlijkt aan een Oostenrijkschen generaal. Die generaal was haar echter al te eerwaardig, en daarom ging zij naar Milano. Daar was de vice-koning — ook een Bonaparte. — Toen zij dien naam uitsprak, begon haar oog te gloeien als een dubbel vreugdevuur. Napoleon was een held, zooals de wereld nog niet gezien had. „Quel homme! — Un Dieu en ciel, un roi sur la terre!quot; Eén God in den hemel en één Koning op aarde! V/ie heeft ooit zoo'n stout woord gesproken? Hij verovert de volken, niet om ze te onderdrukken, maar om ze gelukkig te maken. Daarom jubelen de menschen hem toe, waarheen hij zich ook wendt, als den verlosser, en zijne soldaten hebben hem lief met een grenzenloozen hartstocht. De enkele dwazen, die tegen hem zijn, moeten vernietigd worden; hoe gering is zulk een offer in vergelijking met de groote, goddelijke eeuw, die een aanvang nemen zal. Dan zullen er geen slagboomen meer zijn tusschen de landen en geen oorlog tusschen de volken. Eén God in den hemel, één Koning op aarde, en een gelukzalige menschheid!quot;

Verbaasd keek Dörninger de gloeiende spreekster aan.

„Ach, Napoleon Bonaparte!quot; fluisterde nu ook de oudere dame en drukte hare handen op de borst. „Als deze man, deze eenige man zijn zegetocht om de wereld maakt, vrai-ment! dan werp ik mij jubelend voor de raderen van zijn gouden wagen. II serait un plaisir, de mourir sous ses pieds!quot;

,,En u?quot;vroeg Dörninger aan de jongste, „wat zoudt u doen?quot;

„Zonder bedenken hetzelfde, mijnheer!quot; was haar antwoord.

Hij zweeg.

De v/eg was hobbelig. De koetsier en de bediende op den bok werden dikwijls een beetje omhoog gestooten en de knieën der binnenzitten den stieten telkens onwillekeurig tegen elkaar, zoodat Dörninger moeite deed, dat te vermijden. De vrouwen gaven uiting aan haar wrevel over zulke slechte wegen, men kon daaraan weer zien, hoe goed het was, dat dit Tyrol eindelijk eens bij beschaafde landen werd ingelijfd.

ocr page 44

40

Dörninger zweeg.

Herhaaldelijk ontmoetten zij op den weg scharen biddende landlieden. Die droegen roode kerkbanieren voorop, welke zij voor ieder kerkje en ieder kruisje deden neigen. Zij zongen Marialiederen, die met hun ernstige, dikwerf aangrijpende melodieën vreemd klonken tusschen de rotsen der kloof.

Dat gaf de jongere dame eenmaal aanleiding tot de opmerking : ,,een bijgeloovig volk, die Tyrolers! Een verachtelijk volk!quot;

De jonge man schokte achteruit, 't Was hem alsof hij een slag in het gezicht gekregen had. Een poosje nog was hij stil, terwijl de aan zijn hoede toevertrouwde vrouwen den vrijen loop lieten aan haar honende taal. Eindelijk viel hij ze in de rede. Ruw en ongegeneerd zei hij, terwijl zijn oogen begonnen te fonkelen: „Vergun mij op te merken, dat u niet alleen in het rijtuig zit. Het is niet mijne schuld. Een verachtelijk volk! Bijgeloovig, omdat het voor God knielt en niet voor een waanzinnigen avonturier! Ik zeg u dit; menschen, die zingend en biddend door hun land trekken, vallen geen wandelaar aan en geen rijtuig op den weg. Maar vreemden doen dat, vreemden zijn gekomen, Bonapartes knechten, om vrome gebruiken uit te roeien en aller hebzucht op te wekken. Die Tyrolers, ze houden aan hun gewoonten vast, wellicht aan zinneloos bijgeloof ook, maar den leugen kennen zij niet, en het gegeven woord breken zij niet. Maar, als die hooge heeren, die hun eigen land verkocht hebben aan den Corsi-caanschen rooverhoofdman, die in helschen overmoed zijne grenzen overschrijdt en de wereld met gruwel en ellende overstroomt — als die nog langer blind zijn, dan zal ook bij ons de valschheid haar gang gaan; geen bezit zal meer veilig zijn in de kast, geen vrouw voor den woesteling, geen mensch voor het verraad zijns broeders. Weg en vervloekt zal alles zijn wat ons tot heden sterk en rechtschaper. deed blijven — en een volk van ellendelingen zal misdrijf op misdrijf plegen tusschen deze eeuwige bergen! — Napoleon!. Hoe voorbeeldeloos heeft hij Duitschland onteerd! Welk een grenzenloos ongeluk heeft hij gebracht over ons arm Tyrol!quot;

ocr page 45

41

De keel kromp hem dicht, terwijl hij aldus sprak, hij sloeg met beide vuisten in zijn gezicht en stiet een schriüen kreet uit. De beide vrouwen schrokken. Plotseling sprong hij van zijn zitplaats op, hief de gebalde rechtervuist ten hemel en riep: „bij onzen gekruisigden Heiland, de dag der wraak komt!quot;

De vrouwen krompen ineen en kermden: „wij zijn verloren !quot;

Toen Dörninger een beetje tot bedaren gekomen was, keek hij ze met verachtelijke blikken aan en zei bitter lachend: „vreest niets, hoffelijk en vleiend als de Frangosen kan ik niet praten. Maar wat ik beloofd heb, zal ik houden. Gij zijt twee arme vrouwen en in mijne tegenwoordigheid zal u niets kwaads geschieden.quot;

Toen sloegen zij hare oogen neer en de jongste vooral was heimelijk zeer vertoornd over die vernedering. Zij spraken geen woord meer ten nadeele van land en volk. Alles zweeg. Men hoorde niets dan het rollen der raderen, het getrappel der paarden en het geruisch der wilde wateren. Eindelijk kwamen zij te Bozen, in de oude stad op de met wijnbergen beladen gronden der Etsch, waar in zonnige hoekjes reeds de laurier groeit en de palm. De Lotharingsche vrouwen verwonderden zich daarover, en zij hadden thans waarschijnlijk het land geprezen, als haar trots dat toegelaten had.

In Bozen beval Dörninger de reizigsters aan in de hoede van een Tyroler paardenhandelaar, die met zijn wagentje naar Trente reed. Daar zouden de vrouwen reeds landgenooten ontmoeten, aan wie zij zich konden toevertrouwen voor de verdere reis.

Kort en afgemeten gaf Dörninger haar dien raad. En toen hij nog op den kant van den weg stond, deed de jongere dame een schrede naar hem toe en fluisterde aarzelend: „Monsieur!quot;

Hij hoorde het niet.

„Mijnheer!quot; herhaalde zij.

Hij keerde zich om.

ocr page 46

42

Toen zei de dame op schier innigen toon: „vergeef mij! Scheid vriendelijker van ons, want wij zijn u duizendmaal dank verschuldigd.quot;

„Goede reis!quot; antwoordde de jonge man, en zwaaide met zijn hoed haar een laatsten groet toe.

„Nou, wil je mee, dan is het tijd!quot; drong de dikke paardenhandelaar aan. Reeds reed hij vooruit. De vrouwen stegen in haar rijtuig. Jozef Dörninger hoorde het wegrollen, maar hij keek er niet naar. Eerst toen het rollen niet meer hoorbaar was, keek hij in die richting; op den weg lag een dichte stofwolk, anders zag hij niets. Daarop keerde hij zich om met het voornemen om den waard op 't Zand op te zoeken.

VAN HET LUILAKKEN WORDT MEN VERDOEMD MOE.

We zijn weer in het lachende Brixnerdal.

Er lag als een net uitgespreid over de uitgestrekte landelijke vlakte. In ontelbare rijen stonden staken rechtop, daaroverheen lagen staken loodrecht, een eindeloos rasterwerk; daarlangs rankten verticaal en horizontaal de heldergroene wijnranken. De druiven begonnen reeds te blauwen.

Te midden van dit monsternet was, waar anders de krekeltjes sjirpen, het trillen te hooren eener menschelijke stem, zingend in weeke melodieuse tonen, nu eens een helder uitgegooid gejuich — dan weer stil.

Over de streek lag een heete, vioolblauwe zomerhemel, geheel wolkeloos en bewegingloos. Op de hooge bergweiden, uit de spleten der blauwende rotswanden was in dezen tijd van het jaar de laatste sneeuwrest verdwenen; de glasblauwe vlakken tusschen de stijgende wanden waren de gletschers, die door geen zonnegloed op te lossen zijn. De dorpen, die

ocr page 47

43

aan den groenen voet der bergen kleefden, lagen als uitgestorven, de torens, die zoo slank en spits ten hemel streefden, hadden geen gelui in zulke uren, want alles was in rust. Het was de schrille hecte nacht van den vollen zomermiddag.

En in het groene rankennet zong toch iets. Een heel liefelijk schalks lied werd hoorbaar, en al kan het gezang niet worden weergegeven, daar dat opsteeg in de zwoele lucht, de woorden kunnen het wel:

Mijn liefje heeft een kin.

Met een kuiltje er in En ik kan het je niet zeggen Hoe genegen ik je ben,

Hoe genegen, hoe genegen,

Hoe genegen ik je ben.

Je kuiltje, mijn liefje.

Dat is me een pracht;

Ik bid je, o ik bid je.

Op dat kuiltje geef acht;

Op dat kuiltje, je kuiltje.

Op je kuiltje geef toch acht.

Als men dat hoort, wil men eens naderbij zien. 't Was een jonge knaap, die in de schaduw van den wijngaard in 't gras lag. Behalve een wijde blauwe linnen broek en een grof hemd, had hij niets aan 't lijf. Zijn breed gewelfde borst, zijn rond, nog baardeloos gezicht was bruin gekleurd als een wegge, die pas uit den oven komt, het zwarte, wild golvende hair hing in kringelende lokken over zijn voorhoofd, bijna tot op het groote zwartbruine oog, welke wimpers zoo lang en krachtig waren, dat hij er de brutale haarlokken mee kon terugslaan. Hij knipoogde ook aldoor gedurende het gezang. Met de armen als een kussen onder zijn hoofd, het linkerbeen uitgestrekt, het rechter in de knie naar boven getrokken, zoo lag hij daar en trillerde. Naast hem leunde een guitar

ocr page 48

44

tegen een stok, doch het scheen hem te vermoeiend te zijn om met hare snaren zijn zang te begeleiden.

Hij wist wel wie zijn lokzang gold. Dezelfde gold hij, die daar voor de herberg aan de helling van den berg zat. Zij had iets op de knie liggen en daar naaide ze wat aan. Als zij zich toch op dezen Zondag na de kerk geen rust gunde, waarom zou zij dan niet bij hem in den wijnberg komen!

Nu moeten wij haar, die onder de kastanjes zat, ook een beetje van nabij bekijken. Ook zij had niet meer aan dan een blauw jurkje en een wit hemd, dat den boezem lichtelijk omspande; zij had echter geen bruin gezicht, doch een rood-bloeiend, en had geen zwart hair, doch een vlasgeel met rooden weerschijn, dat glad gekamd en gescheiden en naar achteren in een wrong zonder veel sier was saamgebonden. Hare oogen konden aan krieken niet doen denken, veeleer aan frissche, heel frissche vergeet-mij-nietjes. De mond had onder het in 't geheel niet te onbeduidende stompneusje smalle lippen en liet de bovenste rei tanden een beetje zien. Men kon Hanna, de meid uit de herberg, niet bepaald mooi noemen, maar kernfrisch, en in de ronde kin had zij inderdaad het kuiltje.

De knaap onder het wijnloofdak zette zijn gezang voort:

Trouwen ha'k onlangs 'kunt.

Ginds in de stad.

Maar 'k heb 't niet gewild,

'k Had dan geen kuiltje gehad,

Geen kuiltje, geen kuiltje.

Geen kuiltje gehad.

Da's Tone Lotter! —, dacht het meisje bij zichzelve toen ze dat gezang vernam. — Zou ze naar hem toe gaan? Zou ze hem vragen of hij dan geen ander lied kende ter heiliging van den Zondag? 't Was toch wezenlijk ellendig met dien jongen. Dat boemelt in de buurt rond en doet niks, dan met oud blik rammelen en de schelmenliederen zingen. En welke schelmenliederen ? Goddelooze, door en door slechte, dat iemand er de griezel van over den rug gaat, ver

ocr page 49

45

naar beneden! — Maar overigens kan men hem niet vijandig wezen, hij heeft dat nu eenmaal zoo over zich. Men moet het uit hem drijven. Achternaloopen zou men hem! Kun je denken! Dan kon Tone wel zoolang in den wijnberg liggen tot de ranken hem links en rechts over den rug groeien. Eens zal hij ze wel krijgen, de metten, voor zijn lichtzinnigheid, zoodat hij een ordentelijk mensch wordt! God, als die mooie, vroolijke jongen ook nog ordentelijk was! — Dan zou er van hem wel niet veel overschieten voor ons soort, dan zouden de voorname Brixener meisjes hem wel opeten van kop tot staart! Dit kromme ijzer buig ik zelf, zooals ik het hebben wil. Zing maar, Toontje! krijg ik je maar eerst eens onder mijn handen, dan wil ik je behoorlijk terecht zetten!

Zoo waren de gedachten van de ijverige naaister onder de kastanjes. Het denken is haat vrije liefhebberij, maar naaien moet ze. De Zondagmiddag is voor haar, dan kan zij haar kleeren verstellen, versteld draagt men ze langer dan nieuw! Verder had zij te zorgen voor de koeien en schapen in den stal, voor de weide, en als haar dan voor den tuin nog een oogenblikje overblijft, is haar dat aangenaam om vrouw Notburga, die zij graag overal vrijwillig tot hulp is. Boven te Brixen had men eenmaal van de kleine Hanna een kelnerin willen maken. Dat was niet goed geweest bij die loszinnige manslui: als ze een kroes te veel gedronken hebben! Hoe kunnen ze in dezen tijd nog lust hebben in zulke domme dingen! zich met de stekels in het gezicht laten wrijven! dat kan ze niet lijden. Als zij eenmaal een liefste heeft, dan mag hij geen stekelbaard hebben, en onder de wijnranken liggen raag hij ook niet.

Zoo, goed, nou kruipt hij voor den dag. Nou staat hij op. Men kan drie onzevaders, bidden eer hij klaar is met opstaan. Nou, maar hij staat dan nu toch op, en begint zich in de richting der kastanjes te bewegen. Heel lenig gaat hij daar, loopt zelfs. Wie zoo flink van leden is, moest toch iets uitvoeren.

ocr page 50

46

„Hanne, Hanne!quot; riep hij, de zwarte, haar, de blonde tegen, „als je wist, Hanne, als je wist!quot;

„Wat wou je toch, wat mot ik toch weer weten?quot; vroeg de jonge meid.

„Hoe goed men onder den wingerd rusten kan!quot;

„Dat laat zich hooren, rusten! Je zult zeker erg moe geworden zijn van die lange weken luilakken!quot;

„O Hanne, g'loof me!quot; riep hij met opgewekten ernst, „van het rondluieren in de wereld wordt men verdoemd moe.quot;

„Ook nog vloeken er bij, natuurlijk! En je bent vandaag zeker in geen kerk geweest, omdat je je fraaie misliederen onder de druiven zingt.quot;

„O Hanne, Hanne!quot; riep hij vroolijk, „ik kan ze ook wel onder de kastanjes zingen:

En als ik maar durfd'

Zoo gansch naar'm'n zin.

Dan vulde ik je kuiltje Met kussen der min.

Met kussen, met kussen Met kussen der min.

Daarop zweeg Hanna muisstil en naaide en keek stijf op haar naaiwerk, en toen haar garen in den knoop raakte, streek ze het haast toornig met den vinger weer glad.

„Anton!quot; zei ze eindelijk. Ten tweeden male moest zij herhalen „Anton!quot;

„Roep je mij ?quot; vroeg hij.

„Wie anders?quot;

„Ik heet geen Anton, mijn beste Hanne,quot; antwoordde hij. „De naam is te deftig en te vervelend voor een speelman. Als Anton ben ik eenmaal in het water gegooid, sinds mag ik hem niet meer lijden. Ik ben Tonie, de gorgeler Tonie, de blikken-ratel-Tonie — zooals je wilt.quot;

„Laat toch eens ernstig met je praten, Tonie,quot; zei het meisje, „gorgel-Tonie of ratel-Tonie, ik begrijp je niet. Kijk, zoo'n manspersoon! Als ik een manspersoon was zooals jij!quot;

ocr page 51

47

„Nou, wat was er dan beter? Dan zouden nou twee manspersonen onder de kastanjes zitten — wat verder?'

„Als ik een manspersoon was zooals jij!quot;

„Wat deed je dan? Wat wou je dan beter doen dan graag bij de vrouwlui zijn!quot;

„Ja, fluiten!quot; zei ze en naaide.

„Ook muzikant?quot;

„Tone, is er dan in het geheel geen verstandig woord met je te praten!quot;

„Heb je al gehoord, dat de burgtmaagd weer schreit?quot;

„Wat voor een burgtmaagd?quot; vroeg de knaap.

„De burgtmaagd in het oude slot Stein op de Ritten. Altoos, om drie uur 's middags, kun je ze hooren, dan schreit ze hartbrekend.quot;

„Ja, waarom dan?'

„Wie kan 't weten!quot; zei het meisje, en ze zei het met een zucht. „Er gebeurt zeker iets. Dat is al lang zoo geweest, als men de jonkvrouw op het slot Stein heeft hooren schreien, dan is er naderhand altoos iets gebeurd. Toen in 't begin dezer eeuw de Franschen voor 't eerst kwamen, heeft ze ook geschreid. Ja, je lacht!quot;

„Zeker omdat andere lui ook geschreid hebben in dat jaar.quot;

„En vroeger heeft zij jaren lang doorgeschreid, en wat gebeurde? Die Bonaparte heeft den heiligen vader gevangen laten nemen. Voordat in Frankrijk het wilde oproer is uitgebroken, toen ze vele duizenden menschenhoofden zoo maar met die kopmachine hebben laten afslaan, heeft die jonkvrouw ook jammerlijk geschreid. Mijn oom, de smid, heeft het zelf gehoord en dikwijls er van verteld. En nou weer, al sinds een half jaar, en geen raensch weet waarom. Een beteekenis zal 't wel hebben. God weet wat er gebeurt, het is tegenwoordig heel akelig op de wereld.quot;

„Ik zou wel eens willen probeeren om met dat slotdametje een grapje uit te halen.quot;

„Ja, durf het maar eens probeeren. Een geest laat niet met zich spotten.quot;

ocr page 52

48

„Was 't een geest!quot; fluisterde Tonie, „neen, Hanne, dan wil ik liever niet naar het slot gaan. Dan blijf ik liever bij jou.quot;

Hij ging aan hare voeten liggen en keek goedig, aldoor knipoogend naar haar op. Toen gooide zij plotseling haar naaigereedschap weg, sprong van haar plaats op en zei: „ik huiver er van! Schaam je je dan in 't geheel niet Tonie! De vijand staat midden in 't land; en jij, een jonge sterke vent, luiert ledig rond, doet niets dan de vruchten van de boomen snoepen, op de blikken lawaai maken en aan de meisjes denken.quot;

Door zoo'n verwijt was de knaap op 't hoogst verrast.

„Waaraan zal men dan anders denken?quot; vroeg hij.

„Aan de Beieren, jou stoffel! Aan de Franschen! Daar heb je genoeg aan te denken. En met de hand denken, niet precies met het hoofd, of ook met de pen, zooals de stads-heeren. Je mot beter denken, met het geweer in de hand mot je denken.quot;

„Wel zeker, ik zal de lui neerschieten!quot; riep Tonie afwerend. „Ik zal mij blootstellen aan de Beiersche kogels. Dat zou mij leed doen om mijn jong leven. Ze mogen doen wat ze willen, mij gaat het niks an.quot;

Hij schrok schier van den innig toornigen blik, dien Han-na hem thans toeslingerde. Doch slechts een oogenblik was die blik toornig, spoedig werd hij meelijdend. Hem ging het niks an! Het Tyroler land richten zij te gronde en hem gaat het niks an!

„Ons geboorteland, ons vaderland!quot; kreet ze; zij voelde inwendige steken in de borst.

Thans werd de knaap ook ernstig, zijn gezicht zelfs treurig. „Geboorteland?quot; zei hij. „Ik heb er geen. Als pasgeboren kind ben ik er al uit moeten loepen. Weliswaar op moeders voeten van den kant van het Oetydal. Mijne moeder is voor de kerkdeur te St. Jacob gestorven. Al zijn er nog zoovele klokketorens in Tyrol, niet een heeft er geluid, toen zij mijne moeder begroeven. En naderhand, en naderhand ....

ocr page 53

49

Ach, vort, ik mag er niet aan denken. Hanne!quot; Bijna dreigend sprong hij op en plaatste zich met gebalde vuist voor het jonge meisje: „waarom gun je mij m'n vroolijkheid niet 1 De eenige Godsgave, die mijn is. Dat beetje zingen en musicee-ren! Loop, Hanne, praat niet altoos zoo en laat mij de vreugde, kijk, daar heeft toch geen mensch scha van. Waar alles thans vlucht en schreeuwt en huilt. Er mot toch ook iemand wezen, die een Tyroler liedje zingt. Juist onder het zingen houd ik nog het meest van Tyrol.quot;

En zij, Hanne, greep thans naar zijn vuist, die in een oogwenk zich opende als een zachte hand, en zij sprak heel anders als anders haar aard was: „Tone, zooals nou heb ik het nooit ingezien. Jou arme kerel! Jou arme kerel! en je staat zooveel hooger dan anderen. Anderen moesten den moed opgeven, als ze zoo arm waren als jij. Je moet geen beste jeugd gehad hebben. Vertel mij daar eens van.quot;

„Hanne, 'k wil je wel eens vertellen. Maar vandaag niet, vandaag is het Zondag, vandaag wil ik vroolijk zijn. Hanna laat mij toch mijn vroolijk-zijn!quot;

„Kind Gods!quot; riep ze, „dat wil ik je graag laten. Ik kan 't mezelve ook niet anders denken, als dat God je recht liefhebben mot, omdat Hij je zoo'n opgeruimd hart geschonken heeft, en daarom mot je -Hem ook liefhebben, dan zal Hij je eenmaal nog wat beters geven, dan wat je nou hebt.quot;

„En geloof je, Hanne, dat Hij mij ook eenmaal een lief wijfje geeft?quot;

„Hij zal dat zeker heel graag doen,quot; antwoordde ze, „aan de mannen geeft Hij zoo iets heel graag, maar 't mot er werkelijk een zijn. En hij mot voor God opstaan. Heb je nog niks gehoord van den Antichrist?quot;

„Wat? Wie? De Antichrist? O, ik weet het al, dat is die, die de kerken verwoest en de christenen martelt.quot;

„Hij weet het goed, braaf is ie. Tone, en kijk, daarom gaan jou de Beieren en Franschen ook wat an. Die zijn de Antichrist. Je weet toch, hoe ze onzen lieven pastoor hebben opgevangen en voortgedreven! Hoe ze het zilveren krusifiks

4

Peter Mayr

ocr page 54

50

van het hoogaltaar aan de Joden verkochten! Hoe de Fran-schen boven te St. Barbare zelfs met de heilige hostie den spot gedreven hebben! Je weet het toch! Een schandaal is ie, die daarbij kan toekijken en er niet op loshouwt, de slechtste namen moest men hen in 't gezicht spuwen. Alles wat een broek draagt in Tyrol, moest thans met het geweer uitrukken.quot;

Op die taal antwoordde de stoere Tonie: „jelui vrouwen hebt makkelijk praten. Je merkt er niet veel van, wanneer een soldaat een kogel in 't hoofd krijgt of hem een lange spies gestoken wordt door de borst.quot;

Nauwelijks had de knaap dat gezegd, of daar pakte het jonge ding hem bij de borstplooien van zijn hemd, schudde hem heen en weer en sprak: „Tonie, kijk me an! Kijk me an! Ben ik een mans- of een vrouwspersoon?quot;

„He, he, he,quot; lachte hij en keek haar schalkachtig aan.

„Denk je,quot; ging ze voort, „dat ik thuis blijf en mijn hair kap, terwijl het manvolk tegenover den vijand staat? Wij gaan allen. En als wij vrouwlui geen dorschvlegel en geen geweren meer hebben, 't is me alles eenerlei, dan ruk ik met de mestgreep uit. Ik stel mij voor de kerkdeur op en ren eiken Franschman koud, die naar binnen wil, of een drietal gaten in z'n buik. En als 't ernst wordt, Tonie, en ik vind je in plaats van op het slagveld onder den wijngaard — dan zul je later ook kennis maken met mijn mestvork.quot;

„En als ik op het slagveld sta en Franschen doodschiet? Wat voor loon krijg ik dan later?quot;

„Den hemel, als je gevallen bent?quot;

„En als ik niet gevallen ben?quot;

„Tyrol als vaderland.quot;

Zoo spraken zij met elkaar. En nadat zij zoo gepraat hadden, werd het meisje weer heel weemoedig en zei:

„Kijk, Tone, je hebt geen vaderland, zeg je. En waar is het, je hebt er geen. Zooals je nu bent, tot niks nut, heb je er ook geen. Maar pas op, van den dag af, waarop je voor Tyrol je droppel bloed hebt gegeven, van dien dag af

ocr page 55

51

heb je een vaderland en je zult het blij bespeuren, en met vreugd en trots zul je een Tyroler zijn.quot;

De knaap vleide zich tegen het meisje aan en zei met heel zachte bevende stem: „Haast warm zou men bij je rede worden. De pastoor kan 't zoo niet. Jij bent iets bijzonders, dat heb ik altoos wel bij mezelf gedacht. Hanne, uit liefde voor jou, als 't ernst wordt tegen de vreemdelingen, ga ik mee.quot;

„En ernst wordt her,!quot;

„Ik ga mee,quot; zei Tonie, „als ik nou maar 'n geweer hadiquot;

Hanne stak fluks haar hand in den zak van haar rok, trok er een leeren beurs uit, peuterde de riempjes los en dook er eenige zilveren munten uit op. „Beiersch geld. Juist gister heeft de Mahrwaard het mij gegeven als handgeld voor het eerstvolgend dienstjaar. Ik heb geen Beiersch geld in mijn zak noodig, 't is er net goed voor, dat jij je daarvoor een kogelgeweer koopen ku;at. Neem den rommel.quot;

„Koopen, meen je dat? Een kogelgeweer? Maar als ik nou niet schieten kan!quot;

„Op de wei van den waard in „'t Kruisquot; wordt schijfge-schoten. Ga daarheen en leer het! Leer je 't niet, dan zul je 't van zelf kunnen, als je voor den vijand staat; schieten is geen kunst. — Nou, Tonie, nou kun je gaan.quot;

Nog steeds bleef hij voor haar staan en eindelijk zei hij — heel ingetogen en schuchter zei hij het — terwijl hij onafgebroken keek naar het kuiltje in haar kin: „Hanne! Neem je mij later?quot;

Zij antwoordde: „toon eerst, dat je een man bent, en dan kun je later weer komen vragen.quot;

'T IS EEN FELICITATIE EN IK KRIJG TWEE GROSCHEN.

Voor de herberg zaten eenige Beiersche officieren en dronken wijn. Binnen in de gelagkamer zaten boeren, daarom was de

ocr page 56

52

lucht er voor de heeren te slecht geweest en hadden zij zich een tafel buiten laten dragen onder de kastanjes. Zij waren goed gewapend, hadden behalve de sierlijke sabels ook korte geweren bij zich. De waard zat binnen bij zijn landslui en berichtte, dat in dezen herfst een goede Tyroler wijn zou rijpen. Overal stonden de druiven goed.

„God geve het,quot; zeiden de gasten, want zij begrepen den waard.

Daarop werd deze buitengeroepen. De heeren officieren verlangden met hem te spreken. Peter ging naai buiten, nam zijn kapje af en vroeg: „wat verlangen de heeren?quot;

„Waard, je kunt zaken doen,quot; zoo sprak een der heeren hem aan.

„Daar heb ik niet tegen,quot; antwoordde Peter.

„Je heb een paar groote kamers en een tamelijk goeie wijn. Op den eerstvolgenden Zaterdag willen wij hier een officiersbal geven.quot;

„Op den eerstvolgenden Zaterdag — in mijn huis — een officiersbal — ?quot; herhaalde de waard. Dat was zoo iets nieuws voor hem, dat hij er zich niet goed kon indenken.

„Zorg voor eten en drinken voor zeventig a tachtig personen. Muziek hebben wij besteld. Om zeven uur 's avonds verschijnen de gasten.quot;

Toen zei Peter: „op Zaterdag een bal? Mijne heeren, dat zal wel niet gaan. Sinds dit huis . staat, is daarin op Zaterdag nooit een pas gedanst. Wij katholieke christenen wijden dezen dag aan Ónze Lieve Vrouw. Ook is het vastendag.quot;

„Daar heb je je niet over te bekommeren,quot; snauwde de officier. „Jij hebt het gevraagde te bezorgen, al het andere zullen wij wel verantwoorden.quot; *

De Mahrwaard voelde, hoe het in hem begon te koken, doch hij bleef kalm.

„Dan moeten de heeren naar een anderen waard gaan,quot; zei hij, „'t spijt me, ik kan u niet helpen.quot;

De officieren keken hem een poos sprakeloos aan. „Weerspannig,quot; mompelde eindelijk de kapitein, „alle duivels, dat

ocr page 57

53

willen wij toch eens zien. Waard! Als op den eersten Zaterdag avond klokke zeven niet alles gereed is, dan rookt hier op Zondag een puinhoop!quot;

Peter trok de schouders op.

Op den straatweg naderde een Beiersche postbode, hij ging op den waard af, sloeg zijn lederen tas open en haalde er een brief uit. „Aan den heer Peter Mayr, herbergier aan de Mahr bij Brixen.quot;

Toen Peter den brief in ontvangst nam, wees hij somber op het verbroken en onhandig weer dichtgeplakte zegel. De bode gaf hem een stomp met den schouder. „Ik feliciteer je, zei hij, „en ik krijg twee groschen.quot;

„Waarvoor? De brief is toch aan het afzendkantoor Bozen betaald geworden.quot;

„Ik krijg twee groschen!quot; herhaalde de bode.

Peter wierp hem twee Beiersche groschen toe en keerde zich om. De postbode ving het geld op, onderzocht of het echt was, en draafde zijns weegs.

De kapitein stond op. „Ik wil toch weten, welke correspondentie die Tyrolsche mijnheer voert!quot; Bij die woorden gritste hij den waard het schrijven uit de hand. Peter wou zich verzetten; zij stieten hem terug en verklaarden zich „uit aanmerking der dikwijls voorkomende heimelijke kuiperijenquot; gemachtigd particuliere brieven op te vangen.

„Een brief over zaken is het inderdaad niet,quot; zei de kapitein, toen hij hem had opgevouwen. Snel doorliep hij het schrijven: „familiezaken, een huwelijksgeschiedenis,quot; bromde hij op minachtenden toon en het papier vloog naar zijn eigenaar.

Peter ging in huis, naar de bovenkamer, daar las hij den brief. Daarbij werd het op zijn somber gelaat buitengewoon licht, en toen hij hem ten einde had gebracht, zelfs aandachtig enkele gedeelten herlezen had, zei hij grinnekend in zich zeiven: „de brief is meer dan twee groschen waard.quot;

„Heb je wat nieuws. Peter?quot; vroeg vrouw Notburga, die bezig was in het kabinet.

„Je zult gauw daarvan hooren,quot; antwoordde Peter, „thans

ocr page 58

54

moet ik schielijk naar Brixen. Mocht Griesache, of Eisen-stecken, of een van de anderen komen, zeg dan, dat zij me vinden kunnen in „'t Kruisquot; te Brixen. Mocht ik vandaag niet thuis komen, pas dan op, dat er niemand met licht in den kelder gaat; je weet waar het kruitvaatje staat. Je zult alles te weten komen.quot;

Zijne opgewondenheid was niet gering, maar toen hij de deur uit was, schreed hij met zijn gewonen grooten stap bedaard voort. Aan de Eisackbrug ontmoette hem al de knecht van den waard in „'t Kruisquot; te Brixen met de boodschap, dat de Mahrwaard ijlings komen moest, daar de mannen bijeen waren.

Zij waren samengekomen bij den waard in ,/t Kruisquot; in de tuigkamer van den paardenstal. Zij hadden de lucht al van den brief van den Mahrwaard, de waard in „'t Kruisquot; had uit Bozen enkel de woorden ontvangen: „het nadere bij Mayr, die de huwelijksaankondiging gelijktijdig ontvangen zal.quot;

Het schrijven, dat Peter Mayr had ontvangen, was uit Oostenrijk, geadresseerd aan den kofflehuishouder Nessing in Bozen, wel heel laat daar gekomen en daarop vermenigvuldigd verder gezonden in de dalen van Zuid-Tyrol. De brief luidde aldus:

„Lieve Heer Neef.quot;

„Eindelijk toch heeft de minnaar het besluit genomen binnenkort zijne bruid af te halen. Gister ging ik naar hem toe met het bedroefde schrijven van de bruid. Hij sprong mij vroolijk tegemoet en vroeg, of de bruidsvader niet hier was. Neen, zei ik, en gaf hem den brief. Hij las en schudde wild het hoofd. Wat kan ik er aan doen, zei hij, de.t ik de toestemming tot trouwen tot heden nog niet gekregen heb! Des te meer zal de bruid zich na zoolang wachten en smachten in haar verlossing verheugen. De bruidegom verzocht mij alzoo, den vader der bruid terstond te schrijven en hem samen met zijn lieve broeders in Etschland, in het

ocr page 59

55

Eisackdal en ook dis in het Inndal in te lichten. Heer en Neef, doe uw werk goed, bereid de gasten voor op de bruiloft. Het is de hoogste tijd. De bruidegom zal binnenkort naar Graty gaan, zijne kostbaarheden bijeenpakken en daarna zijn bruid afhalen. Ook zijn volk zal hij meebrengen. Nadere bijzonderheden kan de bruidsvader, de baardige, in Klagenfurt, op het postkantoor te weten komen. Maar zoo gauw mogelijk, en allen inlichten, dat zij hun danskleeren klaar maken. Afkondiging van den preekstoel reeds in de eerste dagen. Nieuws geeft het hier in het geheel niet, als dat de Spanjaarden zouden geslagen zijn. De Franschen zijn toch brave wakkere soldaten. God geve ons bruidspaar geluk en zegen. Doe mijn groetenis aan mijn waarde tante, aan den bruidsvader, aan Peter Jager en aan allen. Peter Jager zal bruidsjonker zijn.

Met broederlijke gevoelens

Villach, Oogstmaand 1809. JOZEF STEGER.

Toen dit schrijven voorgelezen was, ademden de mannen op. Zij hadden het verwacht en begrepen. En zoo'n brief hadden daar ginds voor de Mahrherberg de Beiersche officieren gelezen. Als die eens hadden kunnen weten, wat dat schrijven beteekent! De bruid was het volk van Tyrol; de bruigom was de aartshertog Johann van Oostenrijk; „zijn volk,quot; dat waren de Oostenrijksche troepen; de bruidsvader, de baardige, was Hofer, de waard van Passeier; het bruiloftskleed was de wapenrusting; de afkondiging van den preekstoel was de order tot den aanval; de bruiloft was de overwinning op de Beieren en Franschen; de lieve broeders in Etschland, in het Eisnck- en Inndal, waren de aanvoerders, en Peter Jager eindelijk was Peter Mayr, de waard aan de Mahr.

Familiezaken! had de Beier gezegd. Men kon feiiciteeren en hij kreeg twee groschen! had de postbode geschimpt. Ais er tijd tot lachen geweest was, dan hadden de mannen nu

ocr page 60

56

gelachen. Zij bleven ernstig, doch allen waren in eene feestelijke stemming. Ofschoon sinds weken alles in 't geheim was afgesproken, waren zij er toch niet zeker van, of Oostenrijk het met hen houden zou. Thans wisten zij 't.

Peter stak den brief bij zich en zei: „ik ben bereid. In het Muhr ravijn zijn driehonderd geweren gereed. Kruit en lood is over verschillende plaatsen verdeeld; aanvankelijk vinden wij genoeg in den klovigen bergwand bij de bovenste Stockhut. In het gansche dal van den Eisack, van Sterzing af tot Bozen toe wacht men van uur tot uur op het afgesproken teeken. De Zandwaard zal uitrukken met de Etschdalers en Vintschgauers.

„De Zandwaard gaat morgen over den }aufen,quot; wist de waard uit „'t Kruisquot; te Brixen te berichten. „Het gaat voor en achter den Bremser er tegelijkertijd op los.quot;

„Als nou de Pusterdalers ook maar klaar zijn,quot; zei Griesacher uit Sarns bedenkelijk, „die gaan enkel op bedevaarten uit.quot;

„Door het Pusterdal komen immers de Oostenrijkers,quot; antwoordde de waard van 't Kruis, „die zullen de scharen bedevaartgangers wel meenemen.quot;

„Ik dank stichtelijk voor kameraden, die in plaats van met geweren met gebeden vechten willen,quot; zei Griesacher. „De Pusterdalers willen alles door middel van de beevaart doen.quot;

(,Met bidden alleen richt men niets uit en met geweren alleen ook niet,quot; zei Peter. „De Heiligen en de Tyrolers moeten samengaan.quot;

Thans verhief zich binnen in huis alarm en de waard van ,,'t Kruisquot; werd geroepen. Weldra stond deze in de gelagkamer onder vloekende boeren en tierende Tyrolers. 't Was reeds donker geworden, en de waard deed, alsof hij enkel gekomen was, om de vetkaarsen op te steken.

Er was ruzie ontstaan.

„Als er een Beiersche vrijmetselaar op den kansel staat, ga ik niet naar de kerk,quot; had een boer geroepen, „en door dienders laat ik er mij niet heen drijven.quot;

Daarop de koster van St. Jacob: „als zij onzen pastoor

ocr page 61

57

vermoord hebben dan! dan!quot; Hij hief de gebalde vuisten op.

Een der Beiersche soldaten pakte hem bij den arm en vroeg: „Wat dan? Mijn beste kerkeknecht, je zult morgen de blauwwitte vlag op je kerktoren uitsteken!quot;

„Ik? dat Beiersche vod?quot; vroeg de koster verontwaardigd, „bij de heilige veertig martelaren, liever zet ik den rooden haan op het dak.quot;

„Dat zeg ik ook,quot; riep een houthakkersknecht, „liever onze eigen kerken in brand steken, dan den Antichrist binnen laten.quot;

De soldaat trok den koster bij z'n jaskraag achteruit; „hei, jij zult morgen de blauw-witte vlag op den toren plaatsen. Wij maken met de rebellen kort proces, denk daarom!quot;

„Schiet mij neer!quot; hernam de koster, „schiet mij met je kogel neer, dan kun je mij de Beiersche vlag in de wond steken.quot;

„Koster,quot; kwam een ander, dien men de „bultquot; noemde, „waarom wil je de blauw-witte vlag niet op den toren plaatsen? Die vuile lap verft toch gauw af. Eén flinke regenbui, en wat blauw is wordt zwart, en wat wit is wordt geel; dan heb je weer de Oostenrijksche kleuren.quot;

De Tyrolers lachten, de soldaat teekende echter den koster in zijn zakboekje op.

„Bult,quot; lachte een halfwas knaap, „kijk, wat die glimmert doet! }e wordt vast opgeteekend voor de galg.quot;

Om die spotternij en plagerij waren de aanwezige Beieren kwaad geworden; zij grepen naar de wapens, de Tyrolers naar de stoelen dat de balken er van kraakten. De waard uit „'t Kruisquot; kwam er bij en weldra verschafte hij zooveel rust, dat men zijne woorden kon verstaan. Die woorden waren heel gemoedelijk.

„Altoos twisten en altoos twisten!quot; zei hij, „menschen, je bent niet wijs. Willen wij niet liever vreedzaam met elkander leven, zooals God ons bijeen heeft gevoegd? Wat Beieren? Wat Tyrolers? Landslui zijn wij allen met elkaar, elkander bijstaan willen we, laat ze dan maar komen, de anderen!quot;

Deswege gromden sommige boeren, maar zij werden door de naast hen staande op de teenen getreden.

ocr page 62

58

„Ik vraag je enkel,quot; ging de waard van ,.'t Kruisquot; voort, „wat je thans niet naar den zin is? Vrede hebben wij, orde hebben wij, geld hebben wij. Beter dan thans is het ons nooit gegaan. Ons ontbreekt niets dan de lieve eendracht en die willen wij heden bij een vaatje wijn opwekken.quot;

„Bravo!quot; riepen de Beieren, en alles loste zich op in vroolijkheid. Peter, die aan de deur had gestaan, ging mismoedig naar buiten en zei tot Criesacher: „hij gaat te ver. Zulk een komedie is mij te onnoozel.quot;

„Mahrwaard,quot; zei Griesacher, „dat is heel leep en de Franschen noemen het diplomatie.quot;

„We hebben geen diplomatie noodig. Wij hebben onze vuisten en dat vervelende rondtrekken staat mij niks aan.quot;

Nog op denzelfden avond zou het oogenblik komen, waarin de Tyrolers hunne „diplomatiequot; konden laten varen, 't Was op het uur, dat de menschen op de marktplaats verzameld waren, om voor de beelden der heiligen het Ave Maria te bidden, toen op den straatweg een ruiter kwam aangaloppeeren. Voor „'t Kruisquot; sprong hij van 't paard, vroeg naar Peter Mayr, de waard aan de Mahr, en toen hij zich vergewist had, dat hij voor hem stond, reikte hij hem een brie£ over.

„Wie ben je?quot; vroeg Peter.

„Velen onzer zijn uitgezonden.quot;

„Door wien?quot;

„Door den waard van „'t Zand.quot; Het is tijd!quot;

Enkele minuten later stond iemand op de steenen treden van de markttoren en hield een brandende fakkel, welker rosse rook lichtend uitwoei in den nacht. En een ander las voor de saamgestroomde menigte met luide stem de volgende oproeping:

„Innig geliefde Tyrolers!quot;

„De tijd der verlossing is aangebroken. Wij staan tegen den vijand op. De vreemdelingen hebben onze

ocr page 63

59

vrijheid vernietigd, onze heiligste rechten met voeten getreden. Wij strijden voor den Heer, onzen God, voor onzen keizer Frans, voor ons vaderland Tyrol. Ons vaderland is alles waard. Alles wat de wapens dragen kan, moet gaan. Gelijk onze Heere Jezus zijn bloed vergoten heeft, zoo willen ook wij het geven als het zijn moet, zelfs tot den laatsten droppel toe. Met de hulp van het Allerheiligste Hart van Jezus en de voorbidding der Moeder Gods, gaat het morgen in alle dalen er op los. Wij zullen overwinnen of sterven, een andere uitkomst is er niet. In den naam van God!quot;

ANDREAS HOFER,

Waard van „'t Zandquot; te Passeier.

Op de marktplaats te Brixen verhief zich een juichend oproer. Jonge knapen begonnen helder te jodelen, grijsbaardige mannen omarmden elkaar, vrouwen kusten elkander op de wangen, als ware haar een buitengewoon geluk te beurt gevallen. Weldra marcheerden kolonnen soldaten op. De commandeerenden riepen, dat het volk zich zou verstrooien! Maar het wies in getal van minuut tot minuut. Talrijke pek-lonten flakkerden boven de hoofden der woelende menigte en in haar schijnsel zag men spiesen, bijlen, geweren en andere werktuigen, waarmee het volk opeens gewapend was. Een kapitein, hoog te paard, commandeerde: vuur!, in hetzelfde oogenblik vielen er uit verschillende vensters schoten, de kapitein stortte van zijn paard en de soldaten maakten rechtsomkeert naar de zijde der benedenstadspoort met het doel, om zich daar met hulptroepen te vereenigen en het oproer regelrecht te bedwingen. Van alle torens luidden de klokken, 't Gejoel in de straten was een jubelbeweging, uit alle huizen en hutten drongen gewapende burgers, langs alle straten ijlden groepen boeren, van alle bergen, uit kloven kwamen zij naar beneden, ruwe, toornige mannen, woeste gestalten er onder, menigeen somber grimmig, menigeen ook

ocr page 64

60

met vroolijk gezang. Overal ratelden wagens. Een dof gebruis ging door het gansche uitgestrekte dal.

De waard van „'t Kruisquot; riep zijn knechten en beval hen: „ga ijlings naar boven naar den Kühkogel, den Augenberg, naar den Roch, naar den Flossen en steekt alle houtmijten aan.quot;

Toen het op den Domtoren te Brixen middernacht sloeg, ternauwernood vernomen in de tierende menschenmassa, gingen over de bergtoppen in het Oosten en in het Westen, in het Zuiden en in het Noorden sterren op, die geen sterre-kundige ooit had aangekondigd. In stille roodgouden gloed straalden zij nu eens matter, dan weer helderder. En terzelfder tijd sloegen ook in de nevendalen en in de hooggelegen dalen de stormklokken aan en er begon een zonderlinge dans in het land Tyrol.

IK MOET NAAR HUIS, NAAR TYROL.

In dien nacht reed een krakende wagen van Bozen den Kuntersweg op. Hij was met drie zware paarden bespannen; de voerman in een blauwe kiel ging in zijn hooge, stoffige laarzen loom er naast en knalde met de zweep. In den wagen waren groote, volgeschudde zakken op elkander gestapeld, en op een er van zat onder het rietdek een nog jonge man in priestergewaad. Toen de zon opging, waren zij inKlausen.

Bij den tolboom voor Klausen hield de voerman stil en de Beiersche tolbeambte riep den voerman toe: „wat vervoer je?quot;

„Graan,quot; antwoordde de voerman.

De tolbeambte ontving den accijns, vriendelijk daarbij vragend ; „kun je me niet zeggen, voerman, waarom ze toch vsndaag overal zoo luiden, al van heel vroeg af?quot;

ocr page 65

61

De blauwkiel trok zijn breed, door de zon gebruind gezicht nog meer in de breedte uit en antwoordde: „waarom ze zoo luiden? Ja, omdat er een groot feest komt. Omdat de Kersttnisvroegmis niet meer geoorloofd is, hebben de Tyrolers het feest naai den zomer verlegd.quot;

„Aha, de Napoleonsdag wordt gevierd.quot;

„De Napoleonsdag, dat kan wel zoo zijn,quot; zei de voerman, „en vandaag gaat de octaaf in.quot;

„En daarom, denk je, laten ze overal zoo luiden?quot;

„Zeker, daarom laten ze zoo luiden.quot;

„Wel bedankt.quot;

„Tot je dienst. Hia, bruin!quot;

„Wacht nog even,quot; zei de kommies en greep onderzoekend in de puilende zakken. „Is 't allemaal graan?quot;

„Alles graan.quot;

„Vertel nu eens, voerman, waarom de Eisack vandaag zoo allerlei dingen afvoert. Stroobundels, planken, boomkruinen en hier en daar is het water kalkig. En zaagmeel, wat 'n zaagmeel! Kijk maar eens, man!quot; Hij wees naar den stroom, die in de diepte ruischte.

„Er moet in de bergen vannacht ergens een onweer geweest zijn,quot; antwoordde de voerman. „Dan drijft altoos zoo van allerlei weg.quot;

„Heere God in den hemel, wat is dat dan?quot; riep de kommies, en wees met beide wijsvingers in 't water daar beneden, waar op een voorbijdrijvende balk een rood vlaggetje stak.

De voerman keek naar beneden en zei: „ik kan er geen hoogte van krijgen, 't Is merkwaardig, 't Zal een stuk kinderspeelgoed wezen.quot;

„'t Kan ook zijn,quot; stemde de tolbeambte toe.

„'t Is zoo.quot;

„Dank je wel.quot;

„Tot je dienst. — Hia!quot;

• De tolbeambte liet echter nog altoos niet doorrijden. „Heb je dan zoo'n haast? vroeg hij.

ocr page 66

62

„Dat juist niet,quot; antwoordde de voerman, „ik kan ook nog wel wat rust nemen. Verzuim niks.quot;

„Voerman, wat heb je halverwege onder in den wagen?quot;

„Enkel graan. Uit Italië.quot;

„Heb je niet gehoord, dat er vannacht op den Ritten huizen moeten afgebrand zijn ?quot;

„Wat vertel je al niet, kommies!quot;

„Men heeft beneden uit het dal het vuur gezien.quot;

„Die sacramentsche lui zijn niet achtzaam genoeg met dat nieuwmodische zwaveltuiglquot; knorde de voerman, „alle oogen-blikken hoort men van een brand, sinds die verdoemde zwavelstokken in gebruik gekomen zijn.quot;

„Uit onvoorzichtigheid?quot;

„Niet anders.quot;

„Dank je wel.quot;

„Niet te danken. — Hia!quot;

Zoo trok dat voerwerk eindelijk verder.

Na een poosje keek de voerman om, en aangezien de tolboom reeds buiten het gezicht was, zei hij tot den geestelijke, die op de pakken zat; „daar bij dien tolbaas liep mij de grauwe griezel over de leden! Driemaal heeft hij gevraagd wat ik in de zakken vervoerde. En dan dat betasten! Ik dacht secuur, zoo meteen rukt hij er een los.quot;

„Heb je 'm een beetje voorgelogen?quot; vroeg de priester.

„O foei, wie zou nou liegen! Ik heb graan in de zakken.quot;

„Nou dan!quot;

„Maar,quot; de voerman boog zich fluisterend naar den ander, „maar tweeërlei graan. In de groote zakken tarwegraan. En midden in elke groote zak is een kleine, en daar heb ik salpetergraan in.quot;

„Buskruit!quot;

„Blijf maar zitten, jonge heilige, u overkomt niks. U kunt zelfs tabak rooken, als je wilt, er gaat niks doorheen.quot;

„Waarheen rij je met die kruittoren?quot;

„Naar de Mahr, naar den waard.quot;

ocr page 67

63

„Laat mij dan maar zitten, ik heb een langen weg achter mij en wil ook naar Mahrwaard.quot;

„Dat he'k wel dacht,quot; zei de voerman. „Je bent immers dèn Augustijn, de broer van de waardin.quot;

„Alzoo ken je mij ?quot;

„O lieve God, dacht je dan, da'k je anders dat van mijn kruittoren an je neus gehangen had?quot;

Nou, toen begrepen ze mekaar.

Het verkeer langs dien weg was vandaag opvallend gering; een paar trage koetsen, een paar soldatenvvagens met vloekende blauwbroeken, een kudde vee, anders ontmoetten zij een tijdlang niets. Boerewagens ontbraken bepaald geheel, de hoeven en dorpen van het dal waren als uitgestorven, maar des te drukker was het op de veldwegen, in de zijdalen en op de bergpaden. Het scherpe oog van den voerman merkte het wel, en met van heimelijke begeerte sidderende stem zei hij tegen den priester: „op dezen dans heb ik mij al lang verheugd. Eindelijk vangr. het spel an.quot;

Tegen den middag kwam de graan wagen aan de Mahr. Voor de herberg wou men stilhouden, toen de waardin uit de deur riep: „mijn man is niet thuis en hij laat zeggen, dat het graan naar Mühlbach moet gebracht worden.quot;

De priester klom hier van den wagen af en vroeg: „wat ben ik schuldig voor het meerijden?quot;

„Bid maar een Vaderonsje voor me,quot; antwoordde de voerman, knalde met de zweep en het gevaarte knarste verder.

De waardin stond nog aan de deur, legde haar vlakke hand boven de oogen en keek den vreemdeling aan, die met langzame schreden naar de deur toekwam.

„Jezus Christus, da's Augustijn!quot; riep zij plotseling, maar stond als vastgeworteld op den drempel.

„Wees gegroet, zuster!quot; Met die woorden trad hij op haar toe en gaf haar rustig de hand.

„Noem je dat in Padua zijn?quot; riep ze schier vroolijk. „Of heeft die Bonaparte ook jouw klooster opgeheven?quot;

„Hij heeft het niet opgeheven,quot; hernam de jonge priester.

ocr page 68

64

„maar zuster, men kan niet in den vreemde blijven in dezen tijd. Hoe kan men in den koorstoel zitten en psalmen zingen, als het tehuis zoo toegaat! Ik kon er geen rust meer bij vinden, ik ben hier. Waar is Peter?quot;

„O, Augustijn,quot; zei vrouw Notburga, „sinds gister avond is alles op de been. — Kom toch mee in huis.quot;

Zij bracht hem de trap op naar de huiskamer. „Kinderen,quot; riep zij naar beneden in den hof, „komt gauw hier, de gewijde neef is er.quot;

De kleine Hans was juist in den stal, hij had zijn wit lievelingslam op den arm en had geen tijd thans om het weg te doen; alzoo kwam hij met het dier naar boven. Hij had het lammetje eerst van God en toen nog van zijn vader ten geschenke gekregen, en nou moest het ook zien, wat dat was met dien gewijden neef. Mariannetje was uit den tuin gekomen en had een peer in de hand, aan welker schil men de sporen harer tandjes zag; zij zag met hare mooie, zwarte oogen den knappen geestelijke aan, die in zijn zwart-wit gewaad, met het bruine kortgeknipte haar en zijn fijn gelaat, geheel zonder baard, zoo slank en vriendelijk voor het kleine deerntje stond. Zij spitste reeds den mond, om hem de hand te kussen, maar hij legde zijn zachte hand op haar kopje. Klein Petertje trappelde in bed, balde de kleine vuist, maar niet om Bonaparte er mee te vergruizelen, maar om er met zijn paar witte tandjes in te bijten.

„Drie heb ik er al,quot; zei moeder, „geef hun den zegen, broeder en,quot; voegde ze er zachtjes bij, „bewaar er ook eentje voor het vierde.quot;

„God zij met ons allen? Waren zij maar al groot,quot; sprak de priester terwijl hij zijn leeren tasch op de bank wierp,quot; en nou, Notburga moog je me wat te eten brengen. Van Bozen af heb ik niet meer gebedeld.quot;

Er kan voor een huisvrouw geen grootere vreugde wezen dan zulk een gast te onthalen. Nadat hij zich ferm had versterkt, ging vrouw Notburga voor hem staan, bekeek hem van het hoofd tot de voeten en zei: Nee waarlijk 'k zou

ocr page 69

65

eer gedacht hebben, dat er een rots op ons huis kon vallen, dan dat jij vandaag aan deze tafel zitten zoudt. Hoe zit dat eigenlijk?quot;

„Me dunkt, je beschouwt het als een ongeluk, zuster.quot;

„Hoe kun je dat zeggen. Augustijn! Ik kan 't alleen maar niet gelooven. Als je er maar niet bent van doorgegaan?quot;

„Dat ben ik niet, zuster, maar als ik het was, zou ik het thans kunnen verantwoorden,quot; zei Augustijn. „Onze eigen vader zou mij geroepen hebben, als hij nog in 't leven was geweest. Ja 't is anders geloopen, dan wij gedacht hebben. Men is zoo eenvoudig, zoolang men nog niets weet. Kun je 't je nog herinneren, Notburga, hoe ik op den dag mijner priesterwijding gezegd heb: „ik wil van deze booze wereld niets meer hooren en niets meer zien. Ik wil ook niet staan aan de zijde der strijdende kerk, ik wil enkel lijden met de lijdenden en eens zalig zijn met de triomfeerenden. Heel en al ijdel is de wereld, ik wil den vrede Gods hebben en ik vlucht in een klooster, om geheel bij mijn God te zijn. — Ik weet het nog heel goed, hoe na die woorden je Peter het hoofd heeft geschud en gezegd : „dat was alles heel goed. Augustijn, als je niet reeds nou, maar eerst over veertig jaar zoo spraakt.quot;

„Je bent al van kind af altoos zoo geweest, hernam vrouw Notburga, „zoo droomerig, zoo wereldschuw, zoo op je zelf.quot;

„Mijn wensch was, los te zijn van alle aardsche banden,quot; voer hij voort, alsof hij het verledene wou rechtvaardigen of wel slechts verontschuldigen. „Dat ik ouders en broeders en' zusters zoo heb liefgehad, leek mij zonde; waar zulke banden aanwezig zijn en om een jong menschenhart zoo licht nog andere kunnen geslagen worden, daar kan geen leven in God zijn. Alzoo heb ik den raad gevolgd van een geestelijken vriend mijner ziel, en in Italië mijn lichaam gewillig gebracht binnen de kloostermuren van den heiligen Antonius om het daar te begraven. En ik heb er geen berouw over gehad, zuster geloof dat van me. Ik ben niet ongelukkig geweest gedurende die drie jaren. Ik heb uren genoten in het klooster, vol hemelsche

Peter Mayr 5

ocr page 70

66

zaligheid. Als nu of dan een weergalm uit de verte doordrong binnen die stille muren, een weergalm van der wereld gejammer, dan ben ik zoo ten volle bewust geworden van het heilig asyl-geluk en is het mij geweest als behoorde ik niet meer tot de sterfelijken, maar veeleer reeds onder de gezaligden. Ik kan 't je niet zeggen, zuster, welk een genot het is, in het rijk Gods te leven.quot;

„En hoe meer je zoo spreekt, des te minder kan ik begrijpen, dat je hier bent,quot; zei de zuster.

„Daarop zijn er berichten gekomen,quot; voer broeder Augustijn voort, „die niet weer verwaaien wilden als een zwakke weergalm, die door de muren kwamen als een heete schreeuw en mij wekten als bazuingeschal. Je geboorteland is vernederd! Je volk thuis grijpt toornig naar de wapens, om zijne overoude rechten te heroveren! Toen ondervond ik, hoe mijn aardsch lichaam begon te leven en eene stem riep in mij, luid en luider eiken dag : „ga naar huis! Bij den Vesper riep zij, aan het altaar riep zij: je moet naar huis!quot; — 'k Zocht altoos naar berichten uit Tyrol en steeds onrustiger werden zij. En toen ik op zekeren dag bij de mis de hostie ophief, hoorde ik uit die hostie duidelijk de woorden : Augustijn, ga naar huis! — Toen was er geen houden meer aan me, ik ben neergeknield voor den prior en heb gezegd: „Ik kan niet anders, ik moet naar huis, naar Tyrol!quot; De prior lei mij de hand op het hoofd en zei: „ga dan, mijn zoon. Je bent jong, je behoort thuis in de strijdende kerk en zult daarin God en het heilige geloof dienen. En eens als je moe bent, zul je wel terugkomen. Zoo ben ik dan hier weer thuis! Ik weet niet, hoe het mij te moede is. En nu wil ik weten, waar is je man?quot;

„Bij de geweeruitdeeling in de Muhrkloof!quot;

„Ik wil ook een geweer hebben.quot;

„Buiten in de schuur zijn onder het dak nog twee geweren verstopt. Neem er een van. Wil je ook een andere kleedij ?quot;

„Alleen hoed en schoenen; heel en al wil ik mijn stand niet uittrekken.quot;

Nauwelijks twee uren was de kloosterbroeder in het huis

ocr page 71

67

van een Tyroler, en reeds stond hij toegerust tot den strijd. Thans viel vrouw Notburga hem om den hals, omarmde hem, drukte hem aan haar hart en zei lachend-schreiend: „Augustijn! Zoo graag als nu heb ik je nog nooit mogen lijden. Dat je ons niet verlaten hebt in den nood! — Maar eens moet je uitrusten. Als 't donker wordt kun je hen achterna gaan. Aan de Muhlbacherkloof zullen zij stelling nemen.quot;

't Wondert mij, dat men geen soldaten ziet,quot; zei broeder Augustijn, het venster uitkijkend.

„Zij zijn in den nacht afgemarcheerd, om zich met de Beiersche en Fransche troepen bij Bruneck en Sterzing te vereenigen. Zij zullen niet lang uitblijven en je zult ze vroeg genoeg zien. Maar jij arme vent, hoe zul jij vechten? Je hebt je leven lang geen schietgeweer in de hand gehad.quot;

„Dan wil ik een zwaard nemen,quot; antwoordde hij. In zoo'n tijd kan iedereen het.quot;

„Nou, nog eens, van harte welkom! En ga nou een beetje rusten!quot;

Toen Augustijn zich naar zijn kamer wou begeven voor een korte rust, kwam de jonge stalmaagd Hanna aangeslopen. Eerst kuste zij des geestelijken jasslip, toen zijn hand en eindelijk kwam zij voor den dag met een vriendelijk verzoek. De inheemsche geestelijkheid was geheel verjaagd, daarom kwam zij tot hem; ofschoon hij nog jong was, zou hij toch wel kunnen. Zij had namelijk iets te laten wijden.

„Breng het dan hier,quot; zei Augustijn, die aan een heiligenbeeld of aan een rozenkrans dacht. „Ik zal het wel zegenen.quot;

Hanna ijlde weg en kwam al heel gauw terug met een zware drietandige mestvork.

„Wat zal dat, wat wil je daar nou mee?quot; vroeg de priester.

„Fran^osen doorsteken. En ik verzoek u heel vriendelijk, geestelijke heer, spreek er den zegen over uit.quot;

Bij die woorden plaatste de meid zich stram als een soldaat en plantte den steel op den grond, zoodat de drie tanden hemelwaarts wezen. De priester vouwde de handen, sprak een latijnsch gebed uit en voegde er in het duitsch deze

ocr page 72

68

woorden aan toe: „alzoo zij dit wapen gezegend, dat het kracht bezitte tegen den vijand Gods en van Tyrol, in der heiligste Drieëenigheid!quot;

„Amen!quot; zei de meid, „God vergelde't u, geestelijke heer, nou wil ik daarmee ook wat nuttigs uitrichten.quot; Met die woorden zwaaide zij den mestvork over haar schouder en maakte rechtsomkeert.

En omdat wij nu toch weer bij Hanna zijn aangeland, moeten wij vertellen, hoe zij spoedig daarop bij de waardin in de keuken kwam en haar verzocht dat zij een restje van het middageten mocht brengen naar de kastanjes; daar buiten was een arme, die reeds langer dan een dag niets te eten had gehad.

„Breng hem dan wat er is,quot; zei vrouw Notburga. En de meid nam de hengelmand, deed er een stuk rookvleesch in, een bord groente, een groote snee brood en op aandrang van de waardin ook een halve flesch roode wijn. Dat maal droeg zij naar buiten onder de kastanjes.

Daar zat in het gras de zwartbruine Tonie en wreef met een lap en lijn zand den loop van een geweer. Toen hij Hanna zag aankomen, begon hij te jodelen, en toen hij zag, wat zij bracht, zond hij een gillende jubelkreet omhoog. Het meisje vloog op hem toe, hield hem met platte hand den mond dicht en zei: „de soldaten zijn in de buurt. Wat doe je toch?quot;

„Ik maak het geweer schoon.quot;

„Domoor! Zoo kun je je ziel wel uitwrijven, dan wordt het nog niet glimmend.quot;

„Niet?quot; antwoordde Tonie, „als het niet blinkt bedank ik er voor. De Beiersche geweren glimmen zoo mooi.quot;

„De Tyroler heeft zijn geweer noodig om te schieten en niet om te pronken. Daar heb je wat te eten.quot;

„Dorst heb ik,quot; zei de knaap en greep naar de wiinflesch.

„Als je alleen drinken wilt, kun je niet goed raken, dan zul je den vijand temet dubbeld zien.quot;

„Een er van zal ik toch raken,quot; dacht Tonie.

„'t Zal me genoegen doen.quot;

ocr page 73

69

„Wil je zien, dat ik raak!quot; riep de knaap, lei de geweerkolf tegen zijn wang en mikte op een gier, die als een blaadje. zilver hoog in de blauwe lucht rondvloog. Toornig rukte zij hem het wapen uit de hand: „je zult met je domheden nog alles bederven. Wacht dan toch tot je bij elkander bent. Wil je dan van daag nog opgehangen worden?quot;

Hij schudde het hoofd, zette zich kalm neer en begon te eten, waarbij hij mes en vork versmaadde, daarentegen met vingers en tanden voortreffelijk te werken verstond. Hanna zat naast hem en keek toe, maar zij zei niet, hoe goed het haar deed, dat het hem zoo smaakte. Zij had van zijn eten haast nog grooter genot, dan hijzelf; hij stilde enkel zijn honger, zij haar medelijden. En toen hij verzadigd was, wischte hij met de hemdsmouwen de lippen af, schudde de zwarte manen, keek met zijn vriendelijke, een beetje knippende oogen naar het meisje en zei: „Hanna, nou weet ik wat. Nou vertel ik je, opdat je een groot respect voor mij krijgt, mijn levensgeschiedenis.quot;

„Zeker, juist zoo,quot; antwoordde zij, „nou hebben wij wel tijd voor zulke dwaasheden, je levensgeschiedenis kun je me vertellen, als je oud bent. In de jonkheid heeft de mensch wel wat anders te doen.quot;

„Ja, Hanna, da's waar,quot; zei de knaap heel zacht en strekte de armen uit om haar hals te omvatten.

„Nou, wacht nog een beetje!quot; zei ze, pakte de rommel bijeen en ging naar huis. Tonie bleef zitten. Allengs zonk zijn bovenlijf op 't gras neer en met het gelaat geeuwend naar de kastanjeboomen zong hij op gedempten toon het volgende klaaglied:

Er zijn geen grappen meer,

't Is een domme wereld.

Nou, de nieuwe mode bevalt me niet.

Zingen mag men niet.

Schieten mag men niet.

Deernt'ps kussen mag men niet.

ocr page 74

70

WAAR IS DIE HANS?

't Was een nare dag geweest. Zoo rumoerig ais de voorgaande nacht was voorbijgegaan, zoo stil verliep de dag. In Brixen waren alle bureau's gesloten. Nergens vertoonde zich een ambtenaar. Alleen een dikke gemoedelijke politiedienaar zat op de bank voor zijn woning en zei tot ieder die voorbijging: „Zoo. Nou zijn we dan weer oud-tyrolsch! Mij is 'took goed.quot; Het dal was haast zonder menschen. Zeer opmerkelijk had zich alles in de wouden teruggetrokken. Meer dan een vreemdeling luisterde uit zijn schuilplaats, of in de wouden het schieten nog niet begon, 's Avonds, toen het schemeruur kwam, was in de geheele streek geen huisdeur open. Op vele hofsteden waren de ingangen sterk versperd, zelfs de vensters met latten en balken dichtgespijkerd, en toch scheen er niemand in de huizen te zijn. Zij die niet vertrokken waren, schenen zich wel verscholen te hebben in de achterkamers, in de hoeken van de zolders of in de kelders. De honden waren losgemaakt van hunne kettings, de kudden zoowel als de kinderen en bange vrouwen naar de bergweiden verjaagd.

Ook de herberg aan de Mahr was tijdelijk gesloten geworden. Er meldden zich toch geen bezoekers meer aan, en de enkelen, die nog op den weg waren, ijlden toch voorbij. Het angstigste was nog, dat nergens soldaten of Beiersche patrouilles te zien waren. Menschen, die van den kant der Inn kwamen, wisten echter te vertellen, dat groote troepenmassa's vooruitgeschoven werden in de richting van de Klemme en den Brenner.

Toen het al donker was, sprong van den achtergelegen rotswand de Mahrwaard en sloop van den stal uit door een

ocr page 75

71

achterdeurtje in huis. Hij kwam om, zooals hij zei, zijn geweer te halen.

„Hoe staat het?quot; vroeg zijn vrouw hem.

„Het staat in 't geheel niet meer, het gaat al,quot; antwoordde Peter. „Daarboven aan den rotswand kun je het schieten hooren aan den kant der Eisackkloof. Achter Mittewald zijn zij al aan 't werk. Op den Sterzinger ook, daar staat de waard van „'t Zandquot; met de Passeiers en de Etschdalers. En Frangosen overal, alsof zij uit den grond wiessen. In den nacht zou er een heel regiment doorgetrokken zijn, van den kant van het Etschdal. Met kanonnen. Het kan prettig worden. De Brixendalers staan pal, de Grödners zijn er ook al, met de Fleimsers en die uit het beneden-Pinterdal. Men kan 't haast niet gelooven, dat er zooveel mannen in de bergen zijn. Wij staan bij de Mühlbacher kluis om den inmarsch der keizerlijken te dekken. Zij moeten weldra hier zijn. Den ganschen dag moesten wij de lui tegenhouden, zij konden den tijd niet afwachten. Hé, die frissche lucht. Hoe goed doet ze een mensch. Goddank! Goddank!quot;

„De heilige maagd Maria moge je bijstaan!quot; zei vrouw Notburga, en vouwde de handen: „Peter, ik bid je, wees niet enkel dapper, wees ook verstandig, denk aan je kinderen, aan ons allen.....quot;

„Vrouw,quot; zei hij, „als ik nou met de bijl naar het bosch ging om boomen te vellen, dan kon ik niet kalmer zijn. Ik dacht zelf dat het anders wezen zou. En daarbij zoo iets plechtigs, als bij een heilige sacramentsdagprocessie. Maak je niet bezorgd over mij. Jouw dagtaak is niet geringer dan de mijne. Misschien grooter. Vrouw, behoed het huis, behoed de kinderen. Laat geen hunner buiten de deur voor wij terug zijn. En anders, het kistje is in den bergwand gemetseld, het geld verborgen onder de nok van 't dak, je weet wel waar. 't Is alles geregeld. Alles met de hulp Gods. De kinderen opvoeden in rechtschapenheid en trouw, in waarheidsliefde, en niemand vreezen, uitgenomen God, de Heer. Slapen ze al?quot;

ocr page 76

72

Hij doet toch, alsof hij afscheid nemen wou, dacht vrouw Notburga en omhulde met haar boezelaar haar betraand gelaat. „Ze slapen al.quot;

„Dat ze slapen is me aangenaam,quot; zei hij en ging de kamer binnen. „Zien wil ik ze toch. Afscheid nemen, dat nou juist niet. Maar 't is reeds een zegening, als men zoo'n onschuldig gezichtje ziet.quot;

De drie kinderen lagen elk in zijn wit bedje, en sluimerden zacht. Eerst ging hij naar Hans en maakte over zijn mooi gezichtje een kruisteeken met den duim. De gelaatsuitdrukking van den knaap was trotseerend, alsof hij van vechten droomde. Daarna ging Peter naar den kleinste, die lief als een engeltje in de wieg lag en in den slaap een weinig lachte. Hij boog zich over het kind heen en drukte zacht een kus op het blanke voorhoofdje. Eindelijk kwam Peter bij de kleine Marianne, die met rozig, door zachte lokken omgeven gezichtje schier ernstig neerlag en de handjes over de borst vouwde als ten gebed. Lang stond de nu tot ruwe krijgsman geworden vader voor haar en blikte neer op dat beeld des vredes. Toen overvielen hem innige gedachten. Haar kleine ziel knielt thans voor den almachtigen God en bidt om schuts en bijstand voor vader. Kinderen, ook jelui beveel ik in zijn hoede en bescherming! Toen hij zich neerboog om het meisje te kussen, hief dit slapend de armpjes op, sloeg ze om zijn hals en riep met luide stem: „Vader, vader, blijf bij ons!quot; En zachtjes stamelend voegde zij er aan toe: „onder den palmboom slapen?quot; Daarop zonken de kleine armpjes terug, het kind sluimerde verder.

Reeds vroeger was Augustijn gewekt geworden. Toen hij nu voor zijn zwager stond, was deze niet verrast, hij vond het vanzelfsprekend, dat elk strijdbaar landskind naar huis keerde in zulke dagen. Toen de beide mannen weltoegerust voor haar stonden, stak vrouw Notburga nog een gewijd beeldje in den borstzak van haar man. Zij reikten elkander de hand en toen gingen de beide mannen zonder verder afscheid heen.

ocr page 77

73

't Was reeds laat geworden, de weinige dienstbare huis-genooten waren al lang weggeloopen; alles scheen zich los te maken uit de dagelijksche orde en zich te voegen in de groote buitengewone. Alleen Hanna, de meid, moest nog in huis zijn, die sliep op haar stroo, waarschijnlijk al als een rat. Vrouw Notburga blies het licht uit en wou zich eindelijk ook ter rust begeven. Maar zij vond op haar bed die niet, zij was zoo angstig te moede en zij stond weer op. Zij opende het venster en luisterde, 't Was een zwoele, donkere nacht, gesn ster aan den hemel, op de bergen enkele vur;n. De straten ledig, slechts het eeuwige ruischen van den Eisack door de sidderende lucht, 't Werd haar zoo bang, dat zij met de lantaarn naar de stalkamer sloop, om Hanna te wekken. Maar Hanna was daar niet. Haar bed was onaangeroerd, de koeien in de dompige stal hadden in hare kribben versch voer; de beesten lagen met hangenden kop, keken met groote oogen naar de lantaarn en knarsten onder het herkauwen op de tanden. Alles is weg, alleen vrouw Notburga is met hare kinderen in het huis aan den weg, omgeven door oneindig gevaar.

Ter stilling van haar angst wou zij de kinderen zien. Daarom sloot zij de vensterluiken, stak het licht aan en zette zich neer tusschen de twee bedjes. Hans sliep onrustig en had op het dek de beide vuisten gebald. Marianne lalde meermalen in den droom een halfverstaanbaar woord. Hoe rustig en stil zij anders over dag was, in den slaap placht zij menigmaal luid en duidelijk te spreken, zelfs op vragen te antwoorden, die men haar deed. Over dag, wanneer zij zoo stil daarneer zat, wanneer zij alles goed vond, wanneer zij noch iets verstandigs, noch iets kinderachtigs zei, had men kunnen denken, dat zij wat achterlijk was in ontwikkeling; maar in den slaap zei het meisje dingen, die hoog uitgingen boven de zielesfeer van een vijfjarig kind. Droomend zong zij kerkelijke liederen, zei lange gebeden en spreuken op, die zij nooit kon gehoord hebben, en zei dikwerf woorden, die klonken als een voorspelling en toch eigenlijk niet waren te

ocr page 78

74

verstaan. Zoo kwam vrouw Notburga op de gedachte, dat zij het slapende kind zachtjes vragen kon, wat het einde zou wezen der groote gebeurtenissen, die in Tyrol begonnen te geschieden. Maar zij had toch den moed niet om die gebeurtenissen te bezweren en op zondige wijze de goddelijke voorzienigheid vooruit te loopen. Als God de waarheid bekend maken wou, had Hij ook wel andere middelen om haar te openbaren; de mensch moest zijn heilig raadsbesluit niet willen uitvorschen.

Buiten vernam men het doffe razen van den woesten vloed. Wanneet er woeste onwedersbuien neersloegen in het gebergte, of als in de lente de zuidewind plotseling de sneeuw deed smelten, had de Eisack dikwerf gruwelijk de fundamenten van het huis doen beven en kraken. Hoe hard en onverbiddelijk is de natuur, en toch hoe bedaard, hoe toomloos in vergelijking met woedende menschenmassa's! Reeds één enkele vijandige hand kan in deze tijden van willekeur het huis aan de Mahr doen te niet gaan met al zijn bewoners. De beschermende mannen zijn allen weggegaan.

Luister! Beweegt zich daar de mond niet van het sluimerende meisje! Vrouw Notburga snakt naar een geluid uit menschenmond. 't Fluistert woorden, aanvankelijk lallend, onduidelijk, dan klaar en verstandig. Op gedragen toon spreekt het slapende kind : „bekommerd menschenhart, kom tot mij. Berg u aan mijne borst. Mijn borst is vol genade en liefde. Ik ben de machtige, die den hemel draagt. Ik verlaat u niet. Erbarming heb ik voor den bedroefde, hulp voor den zinkende. Uwe vijanden, waarvoor gij heden siddert, liggen morgen verpletterd voor mijne voeten. Ik ben de Heer. Niets bestaat voor mij, dan het reine ootmoedige hart. Droog uwer oogen tranen en vertrouw op mij. Ik ben uw vaste burgt. Ik ben uw sterke Heer en uw trouwe vriend. Leg alles wat u leed doet in mijne handen, alles wat gij lief hebt aan mijn hart. Ik ben uw erbarmende, liefhebbende God . . .quot;

Zoo sprak het meisje, daarop zweeg het en sluimerde rustig voort. ,

ocr page 79

75

Overweldigd door dien overvloed van troost, zonk vrouw Notburga op de knieën en vrede zonk neer op haar vermoeide ziel.

Toen zij weer ontwaakte, ineengedoken bij het bed van haar kind, was de kaars uitgebrand en door de reten der vensterluiken scheen de heldere dag. In het licht der geopende vensters sloeg Hans het eerst de oogen op. Hij richtte zich haastig overeind, keek in de kamer rond en vroeg: waar is vader? Is vader al weg?quot;

Toen de moeder dat bevestigde, zweeg hij en kleedde zich haastig aan. Hij kreeg de morgensoep, at ze zwijgend en schielijk. Vrouw Notburga keek het venster uit. De reeds hoog aan den hemel staande zon zoog den lichten wolksluier op, een blauwe damp lag over het dal. Langs den straatweg ratelde menige wagen nader, getrokken door snuivende paarden. Aan een dezer wagens ontbrak het vierde wiel, er scheen geen tijd te zijn om er een aan te schaffen, op stroo lag een menschelijk lichaam. Op andere wagens waren de voorwerpen bedekt rnet rijs en mos. Over de velden renden ruiters. Van den kant der Brixenervlakte wiegde een golvende massa soldaten in allerlei kleuren; trompetsignalen scheurden de lucht. Over de plaatsjes Neustift, Vaken en andere dorpen hing een rooklaag en hoog boven bij St. Leonhard stonden verscheidene hofsteden in brand. In de lucht klonk telkens een slag, alsof men een kleed uitslaat, maar door het water-geruisch kon men niet onderscheiden of het kanonschoten waren of iets anders.

Beneden werd er herhaald op de huisdeur geklopt en vreemde stemmen verlangden lawaaierig binnengelaten te worden. Vrouw Notburga sloot de vensterluiken weer, stak een gewijde kaars aan en zei; „kinderen, kniel neer, wij willen bidden.quot;

Zij knielden rond de tafel, zelfs de kleine Peter vouwde zijne handjes en liet ook zijn stemmetje hooren, toen zij luide den rozenkrans begonnen te bidden van de „smartelijke geheimenissen van het lijden en sterven van Jezus.quot; Toen de

ocr page 80

76

rozenkrans ten einde was, bad vrouw Notburga uit een kerkboek luide de litanie voor de stervenden. — „Zij vallen,quot; dacht zij, en hebben geen toespraak, en zij offerde hare gebeden in stille verzuchtingen voor allen „die in dit uur afscheid moeten nemen en treden voor het gericht Gods.quot; — Wie weet voor wien zij bad!

Na de gebeden verricht te hebben, was zij 'weer eenigs-zins getroost en begon zij haar huiselijken arbeid te verrichten. Toen zij daarna keek waar Hans was, om hem te wasschen en te kammen, zag zij hem niet. De kleine Marianne wist, dat de knaap al onder het gebed de deur was uitgegaan. Dadelijk ging de moeder hem na; hij was echter niet in het voorhuis, niet in de keuken, niet op den zolder, niet beneden in de vandaag zoo eenzame gelagkamer — hij was er niet. De achterdeur was ontgrendeld.

Vrouw Notburga schrok wel, doch Marianne, die haar ook wakend tot troost scheen gegeven, sprak het vermoeden uit, dat Hans wel zou zijn gegaan naar Hanna in den stal, om zijn wit lammetje te voeren zooals hij anders ook deed. Inderdaad had de huisvrouw op dien gewichtigen dag de stal en zijn bewoners vergeten. Wie weet, of de meid er al wel is. Het kind zou er aan denken, dat de beesten hun goeden eetlust niet verliezen door menschenslachtingen.

De staldeur stond half open. De koeien rammelden al ongeduldig aan hare ketting, de schapen blaatten. Maar Hanna was er niet en Hans was er ook niet.

„En het witte lammetje is er ook niet!quot; zei Marianne, die mee naar buiten was gekomen.

Vrouw Notburga ijlde door het achterdeurtje naar buiten en het huis om. Zij riep den knaap, zij riep in den boomgaard op den straatweg. Hij antwoordde niet en hij was nergens te zien. — Zou hij het lam naar het bosch gebracht hebben om het te laten grazen? Zouden vreemde lieden in den hof gedrongen zijn, dieven, roovers.....?

„Waar is mijn Hans?quot; gilde ze, als om hulp roepend.

„Hij is vader achterna,quot; zei het meisje plotseling.

ocr page 81

77

„Hij is pappa achterna!quot; riep ook de kleine Peter en zijn stemmetje juichte.

Vader achterna! De moeder wrong de handen; „God in den hemel, welk een tijd!quot;

WIE KOOPT ER LAMMEREN?

Door het dal, waar steeds luider het kruitrumoer weerklonk, wandelde de knaap met het witte lam.

Toen hij op straat, buiten het bereik zijner moeder zich bevond, had hij een oogenblik stil gestaan, om te luisteren. Geschreeuw, geratel, klokgelui, paardengehinnik allerwege. Uit de bovengelegen streek, waar uit de donkere boschkloof de Eisack te voorschijn kwam, vernam men kanongedreun. In die richting ijlde Hans, de kleine zoon van den waard aan de Mahr. Hij boog af van de woelige, in stofgedwarrel gehulde straat en sloeg een veldweg in. Daarop ging met slependen gang een oude man, die op zijn rug in de bruinhouten mars een vracht krusifiksen droeg. De knaap haalde hem spoedig in en hij bekeek de nieuw gesneden beeldjes; zij waren in verschillende grootte voor kerken, zoowel als voor huis en wegwijzers gemaakt, en zorgvuldig geschilderd. Een paar er van hadden om het hoofd zelfs vergulde stralen. De man was uit het Pitzdal, was vreedzaam en vroom met zijn christelijke waar langs verre wegen getrokken, inkeerend

ocr page 82

78

overal. Want er staat geen huis in Tyrol, dat niet zijn krusifiks heeft, buiten, binnen aan de wanden, in de veranda, in den hoek van een tafel, op kruiswegen, op bruggen, aan bronnen en bergpassen, op ongevalplaatsen en voor mooie-uitzichten — overal het kruis, overal de Heer. Zoo waren voor den „Heeregoddragerquot; uit het Pitzdal, waar die beeldjes gesneden werden, de tijden steeds goed geweest — en thans zag hij zichzelven plotseling midden onder de ruwe soldaten. In plaats van te bidden vluchtten zij, in plaats van te prijzen, dat hij met mooie „Heeregodjesquot; kwam, hoonden zij hem, en in plaats van iets te koopen, rukten zij hem eenmaal de mars uit elkaar, gruwelijk schimpend op een „bijgeloovig gespuis,quot; dat uit louter vromigheid de teenen van houten Christussen wegkuste en verraderlijk uit hinderlagen op men-schen schoot. — De oude venter begreep eerst in het geheel niet, wat men bedoelde; toen hij echter niet ver van zich af een fransche ruiter, die rustig kwam aandraven langs den weg, plotseling van zijn paard zag vallen, nadat in het struikgewas een schot gevallen was, begreep hij het wel en mompelde hij in zijn witten baard: „jou geschiedt recht. Heeft iemand je geroepen in het Tyrolerland ?quot;

Dien oude nu haalde de knaap in op den landweg. Terstond riep hij hem toe; „Heeregodkoopman, koop mij mijn lam af!quot;

De oude bleef staan, keek om en als hij den knaap zag, vroeg hij: „zeg kleine, waag jij je buiten bij zulk slecht weer? Waar wil je dan heen met je schapenjong?quot;

„Verkoopen?quot;

„Schapengebraad, thans, nou menschenvleesch zoo goedkoop is? Domme tijd. Hoeveel wil je dan hebben voor je wollen paardje?quot;

„Zooveel dat ik mij een geweer kan koopen,quot; zei de kleine.

„Jij?quot; vroeg de oude en keek hem zoo loerend aan, „wat, heb jij al zoo'n rookbus noodig? Een Christusje geef ik je er voor, dat kun je dan aan je moeder brengen.quot;

„Ik wil een geweer om te schieten,quot; zei de knaap met groote beslistheid en rende den oude vooruit.

ocr page 83

79

Deze schudde het hoofd. Zoo iets was hem toch nog niet overkomen in het land Tyrol, dat men den Heeregod achterstelt bij een schietgeweer.

De knaap kwam tot dicht bij Neustift, waar hij zag, hoe men van den muur van een groot huis juist den Beierschen adelaar afrukte en in een modderpoel smeet. Hij ging naar de herberg „de Duif,quot; waar hij vroeger meermalen met zijn vader geweest was; maar de huisdeur was er gesloten en 'door het raam vroeg een oude vrouw, wat hij wou.

„Wie koopt er lammeren?quot;

„Heb je honger?quot;

„'k Mot een geweer hebben.quot;

„Beste jongen, daar zijn er voor de groote niet genoeg.quot;

De knaap ging door het klaphek weg en trok verder. Het lam blaatte, daarom zette hij het op de groene weide, zoodat het gras kon vreten. Het beestje viel er met ongeduldig bekje op aan. „Maak toch wat voort,quot; drong niettemin de knaap aan, „ik kan je niet lang tijd laten, 't Spijt me erg, dat je vort mot, maar zie je, vader en de gewijde neef en de anderen motten ook vort. Ja, als je een leeuw was, kon ik je goed gebruiken, maar je bent een lam. Je bent veel te goed, mijn arm allerliefst lammetje, veel te goed, jij.quot; Hij liefkoosde het en daarop ging het weer verder.

Bij Schabs kwam hij op den straatweg en kon dien niet meer ontwijken. Op de hellingen stond dicht struikgewas. Een ratelend voertuig haalde hem in. Vier paarden en acht Beieren vervoerden een kanon. Een der soldaten pakte den knaap met het lam, hief ze op, en met de woorden: „dat zijn de rechten!quot; zette hij ze op het kanon, zoodat de kleine Hans, met het geweldige ertsroer tusschen de beenen, formeel daarop reed. — Ook goed, dacht hij bij zich zeiven, bleef bedaard zitten en drukte zijn lieveling met beide armen tegen de borst.

„Nou, jonge Tyroler, rijd je ook op de Beieren los?quot; spotte de soldaat.

„Ja,quot; antwoordde de kleine stug.

ocr page 84

80

„Van wie ben je een zoon, dappere held?quot;

„Van den Mahrwaard.quot;

„Van den Mahrwaard? Den oproermaker? Den rebel?quot; riepen verscheidene soldaten te gelijk.

De knaap zweeg en beet zich op de lippen, 't Was een heel erg woord, dat hem daar ontvallen was! Dat kon een onheil geven, dat had hij gauw begrepen; hij wist te goed, hoezeer zijn vader door de Beieren gehaat werd, en zij schenen niet in het onzekere omtrent hem te verkeeren. Nou zouen ze den zoon gevangen houden en een zwaar losgeld voor hem verlangen. Of zelfs den vader dwingen, om met zijn^ vrijheid het leven zijns kinds te koopen. — O neen! zoo'n leven verlang ik niet. Liever stort ik mij van een rots af.

„Alzoo de zoon van den Mahrwaard!quot; zei de soldaat nog eens. „En nou wou je zeker je vader zoeken, niewaar? En hem een lamsgebraad brengen als zegemaal hè? Ik kan je den weg wijzen, je vader heeft zich vandaag al vroeg bij ons aangemeld, hij zal daar boven zijn bij de overige rebellen, daar boven in de struiken, 't Zal wel zoo wezen, niewaar? Nou, ventje, we zullen 'm wel vinden. Hij zal ons spoedig tegenkomen, hij wil toch de Beieren levend spiesen, niewaar? Een wakkere kerel, je vader. We willen hem ook groote eer bewijzen. Aan den allerhoogsten denneboom, niewaar! Ot vierendeelen, zoodat ze in elk kwartier van Tyrol een stuk van 'm krijgen kunnen, nou?quot;

De knaap knipte bij die toespraak een beetje met de dikke oogwimpers, zweeg, en bleef zitten op het kanon, alsof hij er aan vast gegoten was. Maar klagelijk mèkerde het lam. Het zware raderwerk knarste verder; zij naderden reeds de woudkloof, waar blauwachtige rook opsteeg uit de diepten van de hellingen. Hier en daar kon men de rook zien te voorschijn springen als witte fonteinstralen en daarbij was een geknetter te hooren, alsof alle boomstammen in het woud braken.

„Zie je, jongen, daar gaat het vroolijk toe!quot; zei de spraakzame soldaat tot den knaap, terwijl hij naast hem voortschreed

ocr page 85

81

en evenals de overigen het voertuig snel vooruit trachtte te brengen. Vervolgens zich tot zijn tochtgenooten wendend zei hij: „wat dunk je, kameraden, zullen wij den knappen jongen Tyroler, dien wij bij ons hebben, niet laten omroepen? De heeren struikschutters moeten toch ook eens op ons kanon mikken. Wellicht wil de Mahrwaard het zelf doen, niewaar? Die is toch overal vooran.quot;

Als een katje zoo vlug, sprong de knaap plotseling van het gevaarte op den straatweg, bijkans was hij ontkomen, maar de Beier greep nog zijn arm en zei, hem vasthoudend, heel gemoedelijk: „oho, jongeheer, wij blijven nog samen.quot;

Het lam was door de raderen vermorzeld en zijn rood bloed verfde den stoffigen straatweg. Op hetzelfde oogenblik zonk de spraakzame soldaat ineen, greep met de handen naar zijn hoofd en viel op den grond. De knaap was vrij, doch slechts voor een oogenblik, want reeds grepen twee anderen hem. De overigen van het geleide hadden hunne geweren van de schouders gerukt, maar wisten niet waarop zij mikken zouden, want zij zagen enkel kreupelhout, boomen en steenen, maar geen vijand. Als waanzinnig brandden zij op het struikgewas los, in de richting van plaatsen waar juist weer versche rook uitzweefde.

Zij waren midden in het gevecht. Uit de kloof beneden kwamen Beieren en Franschen aan. Een Beiersch hoofdman gaf het commando: den Mahrwaard vangen! Zij klauterden tegen de hellingen op, velen tuimelden terug in de diepte. Op anderen hadden boeren zich uit schuilhoeken geworpen en zij worstelden met elkaar. Uit een boschje sprongen eenige Tyrolsche schutters op den straatweg en gingen los op het kanon. Ros en ruiter stortten neer, doch daar sprong met loshangenden teugel een roodmantel vooruit en kloofde met zijn sabel het hoofd van den prachtigen landjager, die zijn arm doorschoten had.

De knaap Hans maakte zich de verwarring ten nutte, door langs de helling op te klauteren en daar zag hij aan den kant van den straatweg den vreeselijk toegetakelden boere-

6

Ptter Mayr

ocr page 86

82

schutter. Hij stiet een schrille kreet uit, wierp zich aan de borst van den doode en riep in vreeselijke vertwijfeling: „mijn vader! mijn vader!quot;

Meer dan een der vijandelijke mannen stond een oogenblik stil bij dat hartbrekend tooneel. Eindelijk zei er een, op den verslagene wijzend: „jammer, dien hadden wij levend moeten hebben, 't Is de Mahrwaard.quot;

Weldra heette het onder de troepen: „de rebel is gedood!quot;

Steeds grooter werd het aantal strijders op die plaats. Ter rechterzijde was de steile helling, ter linker het diep neerstortende water. De Franschen onderhielden een onafgebroken heftig geschreeuw, dat door trompetstooten schril doorsneden werd. De Tyrolers mikten achter hunne verschansingen kalm en zwijgend, schier bij elk schot tuimelde een man. De zoon van den Mahrwaard was ontkomen. Behendig als een kat klauterde hij langs den rotswand op tot bij de schutters. Onder de donkere dennen ging de waard van 't Kruis te Brixem op hem af en vroeg bewogen: „is 't waar, wat men vertelt? Je vader . . . .quot;

„Waar is mijn vader?quot; riep de knaap.

„Je zoudt hem zelf hebben zien liggen.quot;

„Neen,quot; antwoordde de knaap, „die was 't niet geweest.quot;

„Je zoudt het toch zelf gezegd hebben!quot;

„Ik heb het maar gezegd. Hij is het niet.quot;

„Hans!quot; riep de waard, „waarom draai je zoo?quot;

,,'k Heb 't gezegd,quot; antwoordde de knaap stuursch, „opdat ze mijn vader niet meer zouden staan naar het leven.quot;

ocr page 87

83

VANDAAG HEBBEN WIJ SCHUTTERDANS.

Nog in den donkeren nacht was Peter met zijn manschappen achter Mühlbach langs den boschrand opgestegen. De vijandelijke troepen waren nabij en schenen welgeordend den bergpas en de Eisackkloof te willen bezetten. Toen de morgen aanbrak vielen de eerste schoten en toen was het, dat broeder Augustijn tot zijn zwager zei: „Peter, ik heb slechts iets aan mijn uitrusting te doen, ik kom je dadelijk achterna.quot; Doch het was iets anders. Hij kon niet verder. Zijn leden beefden en zijn ingewanden kwamen in opstand. Zijne handen waren zoo koud als leem, op zijn voorhoofd stonden groote droppels. De doodsangst! — Laf canaille 1 riep hij zichzelven toe, voorwaarts! ik wil 't. — De geest commandeerde wel, maar het vleesch wilde niet gehoorzamen. Een vreeselijke afschuw ging bevend door heel zijn wezen. Hij leunde tegen een beukestam alsof hij er aan vastgebonden was. — Wat is dat dan toch? vroeg hij zichzelven weer. Ben ik dan ooit bang geweest voor sterven? Heb ik niet gewillig afstand gedaan van deze wereld, mijn lichaam gedood en levend begraven in het klooster? En thans die vervloekte angst! Die levenslustige mannen daar, zij hebben vrouw en kind — vroolijk als naar een schutterfeest gaan zij in den slag. Ben je niet ook een Tyroler? Ben je niet schier trotsch op jezelf hierheen gekomen, om je vaderland te helpen redden?

,,Kom kameraad, 't gaat er al op los!quot; riep een voorbijsnellende boerejongen hem toe. Door de twijgen rook men den prikkelenden kruitdamp.

„Marsch, voorwaarts!quot; schreeuwde broeder Augustijn luid en sprong met geveld geweer schier wild den kruitdamp in.

ocr page 88

84

In de lengte van de kloof, in welker diepte het water sissend bruiste en groef, en de omliggende berghellingen, ontbrandde de strijd. De bij Mühlbach zich steil aan den berg vastklampende sterkte was door de Franschen bezet. Menige dolle waaghals, die, getart door den steeds onzichtbaren vijand, in woedend ongeduld vooruitdrong, tuimelde in den afgrond, die bijna donker was en waaruit voortdurend vochtige nevel opsteeg tengevolge van de door rotsblokken en steenen treden gebroken wateren. Uit de hooggelegen wouden kwamen raven aanvliegen, die krassend over de kloof heen en weer fladderden, alsof zij het wisten, dat in zulke tijden de kogels voor ander wit gegoten waren, of als vermoedden zij, dat hier een weelderige tafel gedekt werd voor de vogelen des hemels.

Uit de dalen kreeg de vijand steeds nieuwe hulptroepen; maar de ruiterij en de kanonnen konden niet recht aan den gang komen, de laatsten moesten veeleer verborgen worden achter rotsen, opdat de Tyrolers ze niet te veel tot mikpunt kiezen zouden. Des te dapperder gedroeg zich het voetvolk; het geweer over den schouder, de sabel in den mond, zoo klauterden de soldaten omhoog van rots tot rots, en als er een naar beneden stortte, vervingen twee anderen zijn plaats. De positie der bergschutters werd van uur tot uur meer omsingeld, zoodat ook die schutters, welke zich 's morgens waren beginnen te vervelen, bij dit „gestadig rondscharrelenquot; thans begonnen op te leven.

Des morgens was er voor de Tyrolers op de andere berghellingen ook nog niet veel te doen geweest: de vijand had in de laagten meer te zorgen gehad voor zichzelf dan voor den aanval, hij was nog geheel in 't onzekere omtrent de sterkte van zijn tegenstander. Menige schutter kon genoegelijk op een steen plaats nemen en, met het geweer tegen het been, een pijpje aansteken. Deze en gene der boerestrijders at het stuk brood, dat hij in zijn ransel had meegebracht. Anderen bracht men van de hofsteden bakken met kool, en speksoep en pannekoeken, spijzen die zij haastig oplepelden of achter struiken verborgen, al naardat zij tijd hadden. Toen het op den Mühl-

ocr page 89

85

bacher toren elf sloeg, zei boer Eberstall, wiens hoeve niet ver van daar lag, dat hij naar huis wou gaan voor 't middagmaal, ,,er was toch voor 't oogenblik zoo niks te doen.quot; En hij ging ook, maar hij had toch enkel tijd voor de koolsoep, want een loo'den hommel soemde docr het venster naar binnen. Het stuk pannekoek pakte hij met de vingers op en snelde naar buiten.

Vijanden in menigte kwamen bij klinkende muziek aan-marcheeren, vol van hoog vertrouwen op de overwinning. De groene weiden waren heelemaal blauw van louter Franschen en een paar malen v/aren tegen de aard- en houtverschansingen groote kanonnen losgevuurd, die de aan zulk getier nog niet gewende boeren meer verschrikt dan beschadigd hadden. Toen nu echter de vijand begon storm te loopen, en tusschen de boomen in 't woud op de hoogten reeds blauwbroeken heen en weer slopen, en van de boeren de een na den ander omviel, riep een jager uit het Punsterdal: ,,'t is uit, menschen, 't is met ons allen gedaan! Met ons allen, als wij niet hoo- -ger in 't gebergte vluchten!quot;

„Hondsvot!quot; schreeuwde Stauler van Starns hem in 't oor. „Vlucht, als je vrees hebt, naar 't gebergte! Laat de hazen je daar bijten!quot;

Na dat geschimp bleef de jager staan, waar hij stond, en schoot bedaard verder, totdat de vijand week.

Er was ook een erg geschonden rossig mannetje, dat ook wou meedoen.

„Wat wil jij daar toch, Veitel?quot; snauwde boer Rampe hem toe. „Jij hebt de geit van den Brixener bisschop weggesto-len, jou hebben wij niet noodig.quot;

„Vandaag betaal ik ze terug!quot; antwoordde het mannetje en wou op een soldaat losbranden. De haan van 't geweer knakte wel, maar het ouwe verroeste ding ging niet af.

„Een dief is niet waard, dat hij meedoet.quot;

„Jouw christelijke leer heb ik niet noodig,quot; gooide Veitel terug, liep de helling af en wou met zijn geweertromp den schedel van een Beier verpletteren. De Beier stak hem over-

ocr page 90

86

hoop. Veitel was een arme daglooner geweest met veel hongerige wurmen. En de gestolen geit, die was nu betaald.

Wel verschanst als in een burgt, had een twaalftal schutt rs uit Brüneck zich achter een aantal rotsblokken, wel verborgen tusschen hazelaarstruiken, genesteld en van daaruit vrij wat verwoesting aangericht. Zij konden heel gemakkelijk laden en bedachtzaam hun man onder schot nemen. Tusschen de takken door gluurden zij omlaag op een kale verhooging van den bodem, waar Beieren op puin en steenen stelling wilden nemen. Die hoogte was een punt, van waaruit den Tyrolers wellicht het vooruitdringen in de kloof kon worden afgesneden. Want de Eisackloof, waardoor uit Starzing hulptroepen komen moesten, vrij te houden, was hier een gewichtige taak. De Brüneckers zagen daarin een goede gelegenheid hunne nieuwe geweren ,,in de schieten.quot;

„Wien zal ik me nu eens uitzoeken?quot; zei de een.

„Ik pak den lakei met de geitensik,quot; zei de ander. Poef!

„Ik neem den voddigen kerel, die geen laarzen meer aan zijn pooten heeft. Wacht een beetje, magere scharminkel, op scherp zand loopt het niet goed barvoets; marsch in de eeuwigheid.quot; Poef!

Weer een ander in den schuilhoek sprak: „daar bij die watergreppel ligt er een die aangeschoten is, die krimpt zich als een regenworm, 'k heb meelijen met 'm.quot;

„Flap, die doet ons niks meer. Hij zou de gezonden zwak maken. Het kruit is duur!quot;

„Als wij niet allen uitroeien,quot; zei er een „dan hadden wij liever niet motten beginnen. En daarom kies ik dien armen duivel en zend hem den hemelschen Vader thuis.quot; Poef!

Door de struiken sloop boer Rampe naderbij. Deze vroeg: „is de Mahrwaard quot;niet bij jelui?quot;

„Die staat met zestig man beneden den bergpas en vult 's vijands broek met lood.quot;

„Heb je geen aanvoerder?quot;

„Wij hebben er geen noodig. Ieder weet, wat hij te doen heeft: Beieren en Fran^osen neerschieten.quot;

ocr page 91

87

„Mijn lieve menschen,quot; zei toen boer Rampe, „daar boven gaat het nog en beetje anders toe, daar boven bij Sterzing ! Wie op den Kosel staat, kan het groote geschut heel goed hooren; boem, boem, boem, boem! Reeds sinds een uur, 't moet er lustig toegaan. De waard van „'t Z^ndquot; is er bij.quot;

„Als je den ander naar beneden jaagt, dan zegene God ons, dan hebben wij den geheelen —quot;

„Wij zullen ze niet verder jagen, denk ik. Als dien hee-ren onze Tyrolergrond zooveel waard is, dan willen wij ze er in stoppen.quot;

„Met Gods hulp!quot; zei boer Rampe.

Zoo babbelden zij in hun rotsburgt en ondertusschen poierden zij den een na den ander neer.

In de kloof had zich zoo'n damp onwikkeld, dat men geen doelwit meer zag. „Zoo,quot; dachten ze, „nou kunnen wij weer rusten, want de Tyroler schiet alleen, wanner hij iets in 't vizier heeft.quot;

„Lus je brandewijn, kameraad?quot; vroeg een der Pusterda-lers aan een haastig naderenden schutter.

„Dank je wel,quot; antwoordde deze, „maar kruit, als je 't hebt!quot;

„Zooveel, dat we den Plossenberg in de lucht konden laten vliegen.quot;

„Hoezee, van daag hebben wij schutterdans!quot; riep de knaap, „en wat mij aangaat, verkoop mijn kleeren, ik ben in den hemel!quot; Daarop laadde hij zijn dubbelloopsgeweer en ging weer aan 't werk. Het geknetter ging in den wijden omtrek zoo regelmatig voort, dat niemand er meer op lette. „En die kruitdamp overal maakt een mensch heelemaal soezerig!quot; merkte een oude Grödendaler op.

Thans kwam van de andere zijde het bericht naar deze: op de weide in het hoogste gedeelte van den bergpas had men menschen noodig. Dadelijk gingen er schutters op weg en klauterden langs woeste wanden in de richting van het naburig oord. Een hunner had twee jonge denneboompjes aan zijn lichaam vastgebonden, een voor de borst en een

ocr page 92

88

tegen de rug, opdat de vijand hem op de kale hellingen die hij bestijgen moest niet opmerken zou. De wandelende boom kwam gelukkig aan den overkant. Een ander schreeuwde onderweg luid: „Jezus Maria, 't is uit!quot; en tuimelde. Hij was de rotsachtige helling afgekolderd, wanneer niet een kameraad met een stouten sprong hem opgevangen had. Zij laafden hem met brandewijn, vroegen nog, of zij nog iets voor hem doen konden, baden een kort gebed voor stervenden voor hem, en toen het gedaan was met hem, dekten zij hem toe met rijshout en snelden verder.

Achter in den bergpas ging het druk toe, daar waren ook al vrouwen uitgerukt. Een aantal boerinnen hadden een hooggeladen voer hooi hierheen getrokken; daarachter verschanste zich nu een aantal schutters met een grooten voorraad kruit. Wan', uit het dal drong, in steeds nieuwe hoopen, de vijand naar boven en schoot naar dat wit met een kanon.

„Patsh!quot; riep een der Tyroolschen, zoo dikwijls er een kogel in 't hooi sloeg en daarin steken bleef. „Ja, ja, de weeke schilden doen hel nu eenmaal altoos veel beter dan de harde, al glimmen zij dan ook niet zoo voornaam.quot; Daarbij brandden de schutters naast en onder langs het voer hooi hunne geweren los en de vijand kwam niet nader. Twee frissche deerntjes jodelden met heldere stemmen achter de hooischans een berglied en toen er een kartets aan kwam zingen, schreeuwde een harernaar beneden; „poef maar toe, wij zijn niet bang voor die beiersche dampknoedels.quot;

Toen echter hun stelling ongunstiger werd, trokken en schoven zij het voer hooi flink verder, en er achter altoos de scherpschutters, bergend den kruitvoorraad, daarbij steeds ladend, mikkend en treffend.

Een uit Ritten was er bij; die zei; „ik heb geen voer hooi noodig, ik heb den Lucasbrief in den zak!quot; en wou zich ongedekt blootstellen aan de vijandelijke kogels. De kameraden hielden hem tegen. Er waren namelijk door Kapucijners gewijde „Lucasbrievenquot; (met gebeden tot den heiligen Lucas en velerlei tooverformules) uitgedeeld, die, zooals daarop gedrukt

ocr page 93

89

stond, iedereen steek- en schotvrij zou maken, die er in oprechtheid op vertrouwde.

- „Ik geloof er niet an,quot; zei er een achter het voer hooi, „Michel van den Riedesberg heeft ook een Lukasbrief in den zak gehad, en toch heeft een kartetskogel hem de hand afgerukt.quot;

„Die zal wel geen waar vertrouwen gehad hebben,quot; antwoordde die uit Ritten, „ik heb 't echter en mij kan niks overkommen.quot; Hij rukte zich van zijn kameraden los, sprong in het vrije veld en schoot op de Beieren naar omlaag, 't Duurde geen minuut, of hij lag lang uitgestrekt op den grond, hij en zijn Lucasbrief.

„De Lucasbrief is goed, maar het voer hooi is beter,quot; merkt een ander op, en wreekte beneden, tusschen de wagenraderen door den gevallen kameraad.

Aan de overzijde stond op een vooruitspringende rots een schutter, die een erg gezwollen wang had.

„Heb je tandpijn. Flip?quot; zei een buurman, hem aansprekend.

„Geweerklappenpijn!' antwoordde hij. „Mijn oude dubbelloopsbus, dat sacramentsche ding, geeft mij telkens een mep, zoo dikwijls ik hem afschiet. Maar ik laat me liever oorvijgen, dan een Fransoos te laten staan!quot; — Poef.

Vlak naast dezen wakkeren schutter zat een oude man, die heel gemoedelijk met zijn geweer speelde, „ik ben klaar,quot; zei hij.

„Hoeveel heb je 'r dan al doen verbleeken, Seppel Auer?quot; vroeg zijn kameraad.

„Ik heb drie laadknechts meegebracht, vier geweren en zes en negentig kogels. En als ik meer dan driemaal gemist heb, wil ik geen deel hebben aan de bemelsche zaligheid.quot;

Een ander beklaagde zichzelven vanwege zijne domheid, dat hij voor de „Fran?osenschieterijquot; zijn wit hemd had aangetrokken; thans durfde hij zijn groen buis niet uittrekken, want dat witte hemd zou hem' gauw verraden achter het struikgewas, 't Was echter erg heet geworden en het zweet liep onzen schutter tappelings over het bruine gelaat. Een

ocr page 94

90

ander weer vloekte, omdat een kartetskogel, die naast hem in een modderplas gevallen was, zijn zondagskleeren met drek had bespat.

„Je krijgt loon naar verdienste!quot; lachte zijn naaste buurman, „wie met de Frangosen te doen heeft, trekt z'n beste kleeren niet an.quot;

Halfwas knapen en vrouwen, die geen geweer hadden om te schieten, verzamelden verschoten kogels, krabden ze uit den grasgrond, staken ze uit de boomstammen en brachten ze de schutters aan. Eenige knapen waren bestendig op weg tusschen eene enge kloof en de schietplaatsen, om in aarden potten en leeren zakken, zelfs in vilthoeden, de strijders drinkwater te brengen.

Op eens hoorde men uit een kreupelbosch roepen: „wie wijn wil, moet hier kommen!quot;

't Was van een herbergier te Mühlbach, die thuis lag van wege de jicht en niet mee kon doen, gekomen : „ze zullen dorst krijgen bij die braadhitte!quot; riep de eenige persoon, die nog in huis was, een gebochelde meid.

„Kun je twintig liter dragen?quot; vroeg hij.

„Ook veertig!quot; zei ze.

„Neem dan het vaatje met veertig! Je mot naar boven door de achterste watersloot.quot;

Zij sloeg het vat in een touwlus, nam het met behulp van een stok over de schouders en sleepte het tegen den berg op. Ze merkte echter gauw, dat ze met het vat er niet door zou komen zonder de opmerkzaamheid der vijanden te trekken ; daarom nam zij onderweg in een grasschuur een voerkorf, deed daar het vat in, overdekte het met versch gras en ging daarop als koehoedster, die een mand met voer draagt, naar boven. Zij moest eenige Beiersche soldaten voorbij, voor wie zij angst gevoelde, ze deed daarom heel onschuldig, zette haar korf af, kreeg uit haar zak een kort pijpje en een tabaks-blaas, stopte het ding en vroeg de soldaten om vuur. Zij lachten de oude meid uit en lieten haar alleen. De oude meid lachte op haar beurt de Beieren uit, stak geen pijp op.

ocr page 95

91

maar begaf zich met haar last weer op weg den berg op. Zij kwam gelukkig boven en hoorde reeds 't gejuich van een schutter; het klonk alsof hij in een schijf het zwarte getroffen had. Beneden op de vlakte tuimelde een fransch officier van 't paard.

Achter de standplaats van verscheidene Tyrolers deed zij haar vat uit de mand, en daar bromde een paardenvlieg er langs heen; 't was echter geen paardenvlieg, maar een kogel, en terstond er op nog een tweede, en zij sloegen in het vat zoodat de wijn met een hooge roode boog er uit spoot. De meid keerde het vat om en stak dadelijk haar vinger in een gat. Zoo stond zij bij het vat, terwijl rondom haar de kogels suisden, en zoo riep ze: „wie wijn wil moet hier kommen.quot;

Eenige kwamen bij haar en lieten de zeldzame bronstraal in hun mond springen. Een der boeren riep van de schiet-hoogte waarop hij stond: ,,'k wou ook wel drinken, maar 'k heb nou geen tijd.quot; Hij was juist bezig met een breekijzer een steen losser te maken, om die naar beneden in de diepte te laten suizen.

Verscheidenen snelden er heen om te helpen en weldra raakte het rotsblok los, sloeg over, begon te rollen en te dansen, beschreef een geweldige boog over de boomtoppen van het dal heen, viel midden onder de vijanden en sloeg in duizend brokken uiteen.

Erg maakten twee anderen het op den top van een rotswand. Daar worstelde een houthakker uit Weidbrück met een reusachtigen Franschman. Zoo vast hadden zij elkander omvat, dat geen van beide van zijn wapen meer gebruik maken kon. Alleen de sneeuwwitte tanden toonde de Franschman aan den gramstorigen blik van den Alpenbewoner. Zoo schoven zij meermalen heen en weer, maar de voeten plantten zij stevig in den zandgrond. Nu en dan hielden zij een oogenblik stil en snoven, om weldra nog woedender zich in te spannen. Het zand stoof op onder hunne voeten en de schoenspijkers van den Tyroler sloegen vonken uit de steenen.

ocr page 96

92

De Franschman poogde met kattevlugheid zijn tegenstander een beentje te wippen, waarop de Tyroler een geweldigen sprong naar den rand der rots deed en met den uitroep: ,,in naam der heilige drievuldigheid!quot; den vijand met zich zeiven meeslingerde in den afgrond.

De vijandelijke legermacht rukte steeds verder en verder vooruit en het gevecht trok al hooger het gebergte in. Heel hoog op een bijna vlakke open ruimte in het woud, waar een Christusbeeld stond, v/aarheen jaarlijks op den dag det kruisverhooging een groot aantal bedevaartgangers plachten op te gaan, hadden vandaag twee halfvolwassen overmoedige meisjes zich vereenigd, om bij de tonen van een trompet, die diep beneden een marsch blies, op de gladde grasvlakte een dansje te maken. En ze wedijverden met elkaar in het optellen der voortreffelijkheden harer liefsten en in het wedden, wie op dezen dag de meeste blauwbroeken zou neerleggen. Daar suisde op eenmaal een kogel door de lucht en een der meisjes stortte neer. Het andere koehoedstertje zond een vreeselijke kreet op naar den gekruisigden Christus, ja in haar vertwijfeling wou zij den heiland naar beneden rukken, opdat hij zou helpen redden. Daar dat vergeefs was, riep zij de stervende toe: „heb berouw over je zondige minnerij, opdat je in den hemel komen moogt!quot;

„Van den leugen — heb ik berouw,quot; stamelde de verbloedende, „'t is niewaar, ik heb er geen gehad. Dat domme gepoch! Bid voor mij, kameraad — ik mot gaan slapen.quot;

„Jesus, die oorlog! die oorlog!quot; jammerde het andere meisje. „Al zegt men ook maar, dat men een soldaat heef:, wordt men al doodgeschoten.quot;

Schreiend ging ze naar beneden naar de schutters; „kun je mij niet gebruiken, mannen?quot;

„Wij kunnen alles gebruiken!quot; riep een der schutters, terwijl zijn geweer knalde, „maak gauw vuur an om kogels te gieten.quot;

Bij het dorp Spinges aan de overzijde hadden zich vele landlieden genesteld. Zij verborgen zich achter de kerkhof-

ocr page 97

93

muur en schoten naar beneden. Steeds krachtiger werd de aanstormende vijand. Van den eenen kant de Franschen, van den anderen de Beieren. De smid van Volters, die bij den muur was met een reusachtige zeis, riep, toen hij die menigte glinsterende bajonnen zag: „men moet dat vervloekte prikkelgras maaien!quot; en sloeg er met zijn zeis woedend op in. Menige halm maaide hij. Toen viel hij zelf.

„Sta op en help ons!quot; riep een oude boer over de graven. Maar de vaderen sliepen en de zonen bleven dleen in den strijd. De Franschen kwamen in een wijden halven cirkel steeds nader; velen klauterden reeds over den kerkhofmuur, en toen er minder sprake meer was van schieten dan van steken, trokken de Tyrolers zich verder in het houtgewas terug. Met een gillend hoera! namen de vijanden het kerkhof. „Zilverwerk!quot; grinnikte een Franschman, en terstond wou een heele troep de kerk binnendringen. Toch bleven zij staan en schrokken. Voor de kerkdeur stond een bleek meisje, dat had een drietandige mestvork in de handen en was gereed om den eersten, die naderde, te doorsteken. Alle overigen van haar landslui waren heengegaan, zij alleen stond daar met saamgeknepen lippen en norsch rollende oogen. Haar hair fladderde in den wind. Maar bewegingloos loerend, als een ten sprong gestrekte tijger, stond zij met haar drietandige vork en keek de krijgslieden strak aan. Deze keken een poosje op haar neer, en toen wendden zij zich hoofdschuddend af.

„Een Tyrolsche maagd van Orleans,quot; zei een van hen. Niet een naderde meer de kerkdeur.

Wij hebben immers dadelijk Hanna, de meid van de Mahr, herkend. Toen de bezetting weer was afgetrokken om de schutters te vervolgen, knielde zij voor de gesloten kerkdeur neer, bad stil een Onze Vader, nam haar vork op den schouder en zocht de strijdgenooten op.

Een weinig ter zijde van de plaats waar men reeds zooveel gaten in de lucht geboord had, vond zij een goede bekende. Toni zat aan den rand van 't woud, trommelde met de vuist op zijn knie en zong, maar niet al te luid:

ocr page 98

94

„Frisch op, frisch op, frisch op Ten strijde in moedigen loop!

Kampt dapper, het geweer ter hand!

Voort 't Vaderland!

Voor Keizer en voor Vaderland!

Verdubbel, broederen, uw schot.

Den vijand zendt uw kogelgroet.

Hij vlucht, hij vlucht! Snel losgebrand.

Voor 't Vaderland!

Voor Keizer en voor Vaderland!

En dan terug naar ons zoetlief Dat, o zoo'n heerlijk kuiltje heeft.

En haar gegeven kus en hand.

Voor 't Vaderland!

Voor Keizer en voor Vaderland!quot;

„O, jou held!quot; riep Hanna den jongen toe. „Zingen kunnen de spreeuwen ook. Schieten zou je!quot;

Daar stond Toontje op en zei met verschrikkelijk moedig gezicht: „heb ik niet geschoten?quot;

„Je hebt wel met het geweer aangelegd, toen je onder de lorken boven stond, 'k Heb van verre naar je staan kijken. Daarstraks heb je angelegd op den zwartbruinen Beier, die beneden bij de bron stond. Maar overgehaald heb je niet.

Hierop zei Toni trouwhartig: „Weet je, Hanna, hij had bij de bron juist zoo heerlijk gedronken. Ik dacht, hij is «dorstig, en onder het drinken mot men de lui met rust laten. En toen hij klaar was en ik schieten wou, was de slechte kerel er op eens niet meer. Maar, als ik die nog eens te pakken krijg!quot; Hij balde de opgeheven vuist.

„Je zou hem toch niks doen,quot; spotte Hanna.

„Ik pak hem bij de oorlellen en trek hem zoolang, tot hij mij belooft, dat ze zullen wegloopen.quot;

ocr page 99

95

„Je bent een dappere!quot; zei de meid en gaf hem met drie vingers een tik tegen den wang.

Hij keek haar heel verdrukt aan en bedelde: o Han, dat is goed geweest. Heb je er niet nog een?quot;

„Verlang er maar niet naar, ventje. Het tweede kon eens een beetje anders uitvallen!quot;

„'t Is toch wat te zeggen, dat de menschen tegenwoordig elkaar zoo graag slaan. Citerslaan moesten ze,quot; merkte hij op. Doch zij trok hem reeds bij zijn mouw met zich voort en zei: „ga gezwind met me mee, hoor je 't niet? daarboven bij de Sandbachhuizen ? Daar gaat 't er scherp op los. Zij hebben ons noodig.quot;

Toen zij over de weide liepen, bespeurde Hanne een blauwbroek, die echter geen muts en geen geweer bij zich had en die met haast en moeite tegen een oude pijnboom opklauterde om zich boven in zijn dichte |ktuin te verbergen. Twee schutters zaten hem na en de een riep naar den boom wijzend: „daar boven zit ie! Schiet 'm naar beneden den Gallischen haan!quot;

„Weg, weg!quot; zei de toegesnelde Hanna, „die doet niks, daar boven. Maar boven bij de Sandbachhuizen. — Toni, er heen, da's net een werkje voor jou. Plaats je met je geweer daar bij den pijnboom, en pas op, dat de Fransoos er niet uitkomt. Als we weeromkommen, nemen wij 'm mee. Kom mannen mij achterna.quot;

Zoo haastte zij zich met de schutters verder en Toni stond op wacht onder den boom. De schelm hokte daar boven tusschen de takken en probeerde zich geheel en al met twijgen te omvlechten. Daarbij liet hij een leeren zak vallen. Toni meende, dat er dukaten in waren, doch 't waren slechts looden kogels. In den beginne gevoelde de knaap zich niet heelemaal op zijn gemak, doch toen hij zag, dat de vijand in den boom zich al dichter en dichter vlocht in een twijgnet en slechts bedacht scheen op zijn veiligheid, werd hij vertrouwelijker en riep naar boven: „Fransoos, waar heb je toch je geweer?quot;

ocr page 100

96

De kerel daar boven antwoordde wel, maar in 't fransch. — En als de vent geen duitsch kent, zal 't hier erg vervelend worden, totdat Hanna van de Sandbachhuizen terugkomt. — Van lieverlee bemerkte Toontje, dat hij van het fransch — waarin de Franschman voortdurend parieerde — toch iets verstond. Er klonk zoo'n beetje duitsch doorheen en dat had er veel van, alsof de Franschman thuis in zijn land geld had, en alsof hij den jongen Tyroler dat geld zenden wou, als deze hem thans liet ontsnappen.

„Vriendje!quot; riep Toni naar boven, „omkoopen laa'n w' ons nie. Zelfs niet met paard en wagen. Maar doodschieten doen we je ook niet. In een wolfskuil plaatsen we je en voeren je met Beieren-Voogdenspek. En als je je daaraan doodgevreten hebt, dan zetten we je op wijngeest en plaatsen je in Insbrück in de school, dan kunnen de Tyrolers van later ook zien, hoe een Franschman er uitzag.quot;

't Was enkel zoo'n beetje voor tijdverdrijf, dat Toni zoo babbelde, en in oorlogstijd moest de landjager nu eenmaal zoo ruw praten — maar in zijn hart meende hij het lang zoo erg niet. Ginds liepen eenige Beieren. Men kon niet goed zien of zij iemand vervolgden, of dat zij op de vlucht waren. „Mijn God,quot; dacht Toni, „nou moest men er eigenlijk op schieten. Bah, laa'n we dat maar nie doen, misschien schiet een ander ze wel dood. Wie me niks doet, dien doe ik ook niks. Ik sta enkel op wacht.quot; Op eens zag hij, toen hij omkeek of hij zijn geweer wel behoorlijk geschouderd had, dat zijn buis bebloed was.

„Ben ik aangeschoten!quot; schreeuwde hij naar boven en zijn geweer viel 'm van schrik bijna uit den arm. Eindelijk bespeurde hij, dat het bloed niet vloeide uit zijn heilig lichaam, maar uit den boom neerdruppelde.

„Bloedt je, Franschman?quot; riep hij, „heb je ook pijn?quot; En toen hij hem boven hoorde jammeren, ging hij voort; „haast je wat, en kom naar beneden. Als een zwijn daarboven uitbloeden, dat zul je niet!quot;

't Kraakte boven in den boom en jammerlijk kreunend

ocr page 101

97

klauterde de man naar beneden: toen hij op den vasten bodem stond, zakte hij ineen en thans zag men het wel, dat het bloed uit zijn been vloeide.

„Arme kerel!quot; zei Tonie, „wacht, we zullen 't dadelijk verhelpen. Je bent wezenlijk doodsbleek in je gezicht. Een soldaat en doodsbleek zijn! Nou niet dadelijk sterven hoor, we zullen 't wel dichtstoppen!quot;

Haastig trok hij de broek op, een zakdoek uit zijn zak en begon de wond te verbinden.

„Toni, wat doe je dan toch?quot; klonk 't achter hem. En daar stond warempel Hanna weer. Die had er zoo iets van vermoed, dat men dien jongen niet met den Franschman alleen moest laten. Toontje schrok, maar in plaats van zich te verdedigen, besloot hij tot den aanval over te gaan. „Is dat ook alweer niet goed?quot; vroeg hij, „ben jullie dan louter beesten geworden ? Die man zal niet eens een gat meer mogen stoppen!quot;

„'t Is zonde en schande, zoo'n soldaat als jij bent,quot; riep Hanna, een verband leggen kun je niet eens; ga weg.quot; Ze drong hem met de ellebogen op zij, trok haar doek van haar borst en verbond met ijver en bezorgdheid, maar daarbij heftig op die verdoemde blauwbroeken smalend, den voet van den Franschen soldaat.

7

Peter Mayr

ocr page 102

98

JE KOMT IN DEN HEMEL, TYROLERS!

Toen broeder Augustijn op den morgen van dienzelfden dag na zijn doodsangst overwonnen te hebben den kruitdamp was ingesneld, zonder op dat oogenblik vriend of vijand te zien, — want het woud was dicht, — hoorde hij uit een nabijzijnde bergkloof eene vrouwenstem. Drie korte gilkreten na elkaar — een kreet om hulp. Haastig de rots omgaande zag Augustijn hoe twee Fransche soldaten een Alpenherderin geweld poogden aan te doen. Hij lei aan, schoot, en een der aangrijpers viel ruggelings in de bedding der beek, zoodat de golven wijd opspattend over zijn hoofd voortbruischten. De tweede wou niet loslaten. Augustijn sprong in de kloof, want hij had maar één schot op zijn geweer gehad. Met de kolf wou hij den Franschen woesteling den schedel inslaan, •doch deze was verdacht op den slag, bukte zich, pakte zijn tegenstander om het middel en nu ving een woeste worsteling aan, oog om oog, tand om tand. Augustijn struikelde en viel neer op de steenen, de Franschman over hem heen, om zijn slachtoffer te wurgen. De jonge priester beval zijn aiel aan God, maar plotseling werd zijn gelaat overstroomd door warm bloed. Want de herderin was van a'chteren den Franschman genaderd en had hem zijn eigen mes zoo diep in den hals gestoken, dat de punt uit zijn hals te voorschijn kwam en de man met een enkelen zucht ter zijde zonk op het puin.

Dat was broeder Augustijns bloeddoop geweest. De doodsangst had plaats gemaakt voor een woeste begeerte, hij zocht de vijanden op, waar zij het dichtst stonden, daar stond ook zijn zwager Peter.

ocr page 103

99

De Mahrwaard had sinds den vroegen morgen in het vuur gestaan. Hij verdedigde dat punt van den bergpas, dat het meest door den vijand omsingeld werd, omdat deze zich met de bezetting van de burgt vereenigen wou. Ongeveer zestig boeren uit Ritten, uit het Grodnerdal, een troep Pfeffers-bergers en eenige burgers van Brixen vormden zijne garde. Andere afdeelingen werden door den waard van „'t Kruisquot; te Brixen, van „de Duifquot; te Naustift, door boer Rampe en anderen aangevoerd. In den 'oop des daags kwam er veel aanloop en alles wou zich plaatsen onder den Mahrward. Deze zei: „Jullie moeten naar den Eisach op den anderen kant. Hier kunnen wij 't alleen af.quot;

Toen de Franschen echter met den stormpas aankwamen en verscheiden kanonnen aanrukten en de lucht heel ongezond begon te worden, kon de roodgebaarde boer zijn mond niet dichthouden, en riep met krassende stem: „de duivel mag daar blijven staan, als wij ons allen laten doodschieten, is Tyrol morgen voor de poes.quot;

't Was een gevaarlijke uitroep, waarnaar meer dan een geluisterd had. Maar daar sprong een jonge strijder, in de linkerhand het geweer, in de rechter een oud richterszwaard, op den rotswand, 't Was broeder Augustijn en hij hield de greep van 't zwaard hoog op, zoodat het leek op een kruis. Zij herkenden den priester en hieven hun hoofd op en hij ving aan van zijn hoogen kansel, omdonderd door 't vijandelijk geschut, met luide stem te spreken:

„Opgelet, Tyrolers! Je komt in den hemel! Voor God, Keizer en Vaderland wakker vooruit! 't Is de heiden, op wien het losgaat, 't Is de antichrist, op wien het losgaat! Wie in dezen heiligen strijd valt, dien valt ten deel de martelaarskroon in het eeuwig leven! Opgelet, Tyrolers, kameraden! Niemand bezit thans huis en hof of ander goed, het behoort aan het vaderland. Niemand heeft vrouw en kind of andere dierbaren, zij zijn kinderen Gods, den Schepper en Verlosser. God bewaart allen, als gij zijn heiligen Naam bewaart. Niemand heeft in dit uur eene zonde, in zulk een strijd zijn allen vergeven.

ocr page 104

100

Tyrolers, denkt aan Jezus' bloed en lijden aan het kruis, en gaat op den vijand los! — Ook van wereldlijke krachten zijn wij niet verlaten.quot; —■ Op dit oogenblik sloeg een kogel in de geweerkolf van den prediker. Hij bemerkte het niet, maar voer voort: „Keizer Frans zendt ons hulp en bijstand. Hij heeft reeds lang een groot leger afgezonden naar Tyrol, het moet weldra hier zijn. Prins Johann rukt van Karinthiën op, hij kan ieder uur hier zijn met zijn dappere soldaten, 't Ware eene schande als wij voor dien tijd verslapten! Weert ze, Tyrolers! Om al wat je lief is! Je komt in den hemel!quot;

„O. wat is die oorlog toch pleizierig!quot; dacht ons Toontje. „Wordt men getroffen, men krijgt den hemel! raakt men je niet, dan krijg je Hanna.quot; — Maar zoo vol vertrouwen was niet iedereen gestemd.

De roodgebaarde boer schoot zijn dubbelloopsgeweer af op een paar den berg opklauterende blauwbroeken. Zij tuimelden naar beneden in het water, de schutter echter wendde zich om naar den veldprediker, zeggend: „jonge pastoor, wat je van den hemel zegt, dat weten wij allen wel. Maar van de Oostenrijkers zien wij nog niets.quot;

„Ze komen! Ze zullen weldra hier wezen! riepen er eenigen. De roodbaard deed een hoogen sprong; men dacht dat het een vreugdesprong was, omdat de Oostenrijkers kwamen — maar hij liet het geweer vallen, balde de vuisten en zakte ineen.

Terwijl verscheidene kameraden het lijk wegruimden en er een plotseling over den doode heenviel, bloedend uit twee wonden, kommandeerde de Mahrwaard zijn Pfeffenbergers: „wij moeten verder naar boven!quot;

Van uit het hooggebergte daalde een breede puingletscher naar beneden, waaruit zware groote rotsblokken omhoog rezen, deels in het puin stekend, deels versch van de wanden losgebroken aan de oppervlakte liggend. Achter zulke steenen kozen de Tyrolers opnieuw stelling en vuurden op den verspreid en groepsgewijze vooruitdringenden vijand. Sommigen wilden ook van daar weer steenen naar beneden wentelen.

ocr page 105

101

doch de Mahrwaard verbood dat. Want dat getirailleer op die puingletscher moest enkel een list zijn, om den vijand op de kale zandvlakte te lokken. Zoodra hij vooruitdrong, weken de schutters snel terug naar de met struikgewas begroeide hellingen en uit zulk een hinderlaag vuurden zij met goed gevolg op de Franschen. Maar zij en de Beieren wiessen als uit den grond op. De Tyrolars moesten nog verder terug en verschansten zich in de drie Sandbachhuizen, die in een groep op de Bühel stonden en met hun bijgebouwen een omvangrijke burgt vormden. Nu waren de schutters op eens timmerlieden en metselaars, zij barrikeerden alle ingangen en schoten uit de vensters, van de daken -naar beneden. Een van de boeren werd van het dak geschoten en toen verschillende kameraden den stervende wilden bijspringen, weerde deze ze met de hand af, stamelend: „ga weg, ga weg. Voor zoo iets is er thans geen tijd. 't Schieten mot 't doen!quot; En zonder klacht blies hij onder de dakgoot den laatsten adem uit.

Augustijn bleef aan de zijde van den Mahrwaard. Niemand laadde flinker en schoot wisser dan de jonge kloosterbroeder. De angst was weg, de lust was weg; zooals de maaier op de weide de halmen neermaait, zooals de houthakker hout velt voor het verhak, dat het dreigende bergwater keeren moet, zoo verrichtte Augustijn zijn werk. Om Peter maakte hij zich menigmaal een weinig beangst; die gaf zich dikwijls veel te veel bloot en meer dan eenmaal had hij zijn zwager met de ellebogen teruggeduwd en gezegd: „Peter, strijd wat achterwaarts!quot; Weldra kregen zij het zoo zwaar, dat zij geen tijd tot laden hadden. Beide, Peter en Augustijn, de Mahrwaard en de veldpastoor, zooals Augustijn werd aangesproken, gaven samen dians zeven laders werk, waaronder ook laadsters waren.

Dikwerf gaf Peter een kort bevel: „meer van den kant der stalvensters, opdat ze ons niet van achteren overvallen! —

Kruit in de loop! — Daar beneden bij de greppel, bl^as^fcol^v witmantel van z'n paard! — Er zijn te weinig venster^^ÓQÏÏ gaten door den wand! — Breng bakken water hier!• AugusSj-Bfj.v STcV* riep menigmaal luid: „volhouden! In den hemel ^öm-. jé,quot;*.;*

4 quot; ' ' . . -r L

ocr page 106

102

De kamers, de keukens, de stallen der Sandbachhuizen waren zoo vol kruitdamp, dat die uit alle vensters en luiken kringelde en de vijand langen tijd geloofde, dat de gebouwen in brand stonden. Maar toen er aldoor wel rook maar geen vlam uitsloeg, liet de Fransche witmantel, dien men niet van 't paard had kunnen blazen, langs een sluipweg de huizengroep van achtereen aansteken.

De Tyrolers waren eenigzins verbluft, toen het vuur plotseling achter hen knetterde, en vlammen snel, langs de muren op, aan de daken lekten.

„Zoo, netjes, nou braden ze voor ons de Martiniganzen! riep een schutter.

De Mahrwaard verzamelde zijne mannen ijlings in den hof en midden tusschen de brandende gebouwen, waar vlammende strooiwisschen de lucht invlogen en de gloeiende asch neerzonk op de zwarte spitshoeden, midden in de scheurende verschansing ontwierp hij een uitvalplan. Velen verborgen zich tusschen muurwerk, anderen daalden af in den kelder, sloegen de azijnvaten stuk om met in azijn gedrenkte lappen, die zij over hun gezicht wierpen, den rookwalm uit hunne longen te houden. Verscheidenen waren nauwelijks te beteugelen, wilden er uit, maar Augustijn zei, dat ook zelfbeheersching mee tot den strijd behoorde en dat het beter was te verstikken in het vuur, dan gevangen te worden genomen. Schande over den Tyroler, die levend in 's vijands handen viel i

De Franschen hadden op het weiland en aan den woudkant staan kijken naar de brandende huizen, ruwe uien getapt en enkel er op gelet, dat geen vluchteling ontkomen kon. Maar niet een vertoonde er zich. Geen schot meer uit de vensters; alleen nog een paar schrille kreten, waarna op de plaats van den brand niets meer te hooren was, dan het knetterende vuur en het doffe gedreun van neerploffende dakgebinten.

Zij zijn allen verbrand, verkoold in hun eigen nest. Nou is 't tijd, dat wij rust nemen en op het vuur onze proviand gereed maken. Zoo dachten de Franschen.

ocr page 107

103

En toen 2ij de wapens hadden afgelegd, de mantels uitspreidden op het gras, de blikken bussen te voorschijn haalden benevens tafelgerei en brandewijnfleschjes en zich op hun gemak zetten na zwaren arbeid — zie, daar sprong van achter brandende puinhopen, uit asch en rook, plotseling een goed geordende zwerm tierende schutters te voorschijn, pif, paf! klonk het, en vlogen met opgeheven kolven op het kamp los. De soldaten hadden nog juist den tijd om op te staan, wie een schot op zijn geweer had schoot het nog af, verder was er niets meer te doen dan te loopen. In weerwil van het gruwelijke gevloek van hun kapitein, in weerwil van de vreeselijke bedreigingen, dat hij de lafaards zou laten neerschieten, vloden zij dalwaarts, dicht op hun hielen de Tyroiers, die hunne geweren nu eenmaal aan de andere zijde probeerden en met de zware kolven er op lossloegen, dat het klonk.

Dit besliste den dag. Op het overige gedeelte der vechtlinie van Mühlbach tot aan den Eisack, hadden de Beieren en Franschen zoo goed als 't ging nog stand gehouden. Onderscheidene hoogten hadden zij genomen, maar waren weer teruggedrongen en behielden met moeite en tegenzin stellingen, die hun toch niets nutter... Zij waren geheel moedeloos geworden tegenover een vijand, die men nooit zag en altoos voelde. En toen zij nu de vluchtenden zagen, die uit de kloven in groote wanorde naar den straatweg ijlden en niet eens tijd vonden, om het zware geschut mee te voeren, dat zij te voren met zoo groote inspanning berg-waarts gesleept hadden, werd er naar geen kommando meer geluisterd, sprong alles uit rand en band, golfde de vijand uit alle kloven als van steun bevrijde bergwateren. Een kleine troep vluchtte in den pas naast de Rienzkloof; al de anderen ijlden naar het vlakke dal.

Van lieverlede werd het op de berghellingen rustiger. Op de woudweide liet de Mahrwaard voor een houten dik bemoste kapel de horens blazen. Daarop kwamen zij allen bijeen, de landverdedigers, de een van boven, de ander van

ocr page 108

104

beneden, velen van dezen en genen kant. Stil en ernstig traden zij aan, ieder met zijn wapen, menigeen zonder hoed, zonder buis of met gescheurde kleeren. Meer dan een bloedde, meer dan een sleepte zich zelf voort en het was, alsof zij zouden ineenzinken, 't Eerste wat er voor hen te doen was, was verbinden en laven. Velen vertelden elkander, wat zij beleefd, wat zij gedaan hadden; anderen zaten op den grasgrond uitgeput en moede, en zwegen.

Uit het gebergte kwam een bode uit de streek van den Brenner, hij had pikhouweel en touw bij zich en den vilt-hoed rondom getooid met alpenplanten. Zijn pad had zeker geloopen over hoog gebergte.

„Hoe gaat 't mannen? Braaf opgepast?quot; Die vraag was zijn begroeting. En daarop: „leef je allen? Is de Mahrwaard er? Ga hier staan en luister. Daar boven bij Sterzingl Heere God in den hemel!quot;

„Hoe staat het?quot; vroeg de Mahrwaard vooruittredend ongeduldig 1quot;

„Goed,quot; zei de bode, „een borrel, als je 'm hebt, daarna • praat ik gemakkelijker.quot;

Reeds hing een met stroo omwonden beker aan zijn lippen.

„Nou, nou ?quot; vroegen de mannen, zich rondom hem dringend.

De bode veegde zich met de mouw den mond af, slokte nog de rest van den borrel door de keel, waarbij hij zijn oogen sloot en zijn'gezicht in rimpels trok, en zei toen: den ander, de waard van „'t Zand.quot;

„Wat is er met hem?quot;

„Dat is een prachtkerel. Op den Moos! Vele honderden Franschen dood en vele duizenden gevangenen!quot;

„Vivat, voor Oostenrijk!quot; klonk het uit honderd kelen.

„En nou,quot; ging de bode voort, „zetten zij de terugwijkenden vijand al over den Brenner achterna en de weard van „'t Zandquot; heeft gezegd, dat de schietknuppel niet eer mag worden uit de hand gelegd, voor dat Insbrück schoongeveegd en er de oude rechtsorde in het land is. Kameraden,

ocr page 109

105

de dag van heden, voor geen tien jaar ruil ik hem.quot;

Velen omarmden elkander met luide vreugdekreten. En een hunner vroeg aan den bode: „maar hoe weet jij toch zooveel als je van het Gamsgebergte komt?quot;

„Daar kom ik in 't geheel niet vandaan!quot; lachte de bode, boog lachend buigend de knieën van-elkaar en klapte in de handen, „dat ik dat touw bij mij heb is maar fopperij, opdat ze me onderweg niet zouden oppakken, 'k Heb =elf meegedaan op den Moos, wat dacht je dan? Nog een slok, asjeblief: ik heb vandaag de mot in de maag gekregen.quot;

De Mahrwaard hief den arm op. Hij wilde stilte. Te Spinges luide de avondklok. De mannen trokken hunne hoeden van 't hoofd, knielden met een, of met beide knieën op het gras en baden met diepe stemmen; „de engel des Heeren boodschapte aan Maria . . .quot;

En in de bergen zonk allengs de avondschemering.

Op 't zelfde uur echter, waarin elk Tyroler juichte van vreugd, verkeerde er een in grooten angst. En 't was een zoo jong, een zoo warm Tyrolerhart: de knaap Hans, des Mahrwaards zoon. Hij was niet meer geweken van den waard van „'t Kruisquot; op de rotsenschans. Aanvankelijk wou hij schieten, maar ieder ander gebruikte zijn geweer zelf, en zoo moest hij er zich in oefenen om handlangersdiensten aan den waard van „'t Kruisquot; te bewijzen. Onafgebroken lei hij de lading voor hem klaar, laadde, waar voor een oogenblik een geweer vrij was, deelde aan de schutters kogels uit en bezorgde zelfs meerdere malen de veldpost van den eenen troep naar den anderen of onderzocht, waar de vijand zich bevond. Hij sloop als een wezel door het kreupelhout, eenmaal zelfs moest hij tusschen de beenen van een dikken Beierschen sergeant-majoor door. Zoo verging de dag en hij was steeds goedsmoeds. Het ging toch zoo lustig toe! Doch toen de strijd ten einde was, werd hij neerslachtig. De vijand had hij wel is waar niet gevreesd, maar nu vreesde hij voor een ander. Had zijn vader hem niet streng opgedragen, zich geen enkele schrede van zijn huis te verwijderen? Was hem niet

ocr page 110

106

steeds ingescherpt altijd zijn moeder gehoorzaam te wezen, niets tegen haar zin te doen ? En nu was hij heimelijk wegge-loopen. Reeds een kleine ongehoorzaamheid placht zijn vader streng te straffen, hoe zou het nu dan zijn ? En moeder in angst en zorg. Zij weet toch van niets. Het lam is ook verdaan. Wat moet dat geven?

In zijn bangheid begon de knaap te snikken. Een zoo dappere, jonge soldaat en huilen! Dat vond de waard van 't „Kruisquot; vreemd. De knaap vertrouwde hem zijn kommer en deze riep uit; „Hansje, Hansje, je bent een pracht van een jongen! Weet je, wat je vader zeggen zal! Die zal je beetpakken en kussen, dat je er van stikt, als ik niet te hulp kom. 'k Wou dat ik er zelf zoo een had, zoo'n lange slungel, als jij bent!quot;

Heel veel gewicht scheen de knaap aan deze veronderstelling niet te hechten, hij keek nog steeds heel droevig uit zijn groote vochtige oogen en zei eindelijk: „neef, doe een goed woord voor me bij mijn vader!

„Welnu kom. Hans, wij willen zelf naar je vader gaan.quot;

De quot;'cg naar zijn vader was juist niet de aangenaamste. Onder weg vonden zij allerlei dingen, die op een anderen tijd groote verbazing zouden gewekt hebben, maar waar zij nu achteloos langs heen gingen. Daar lag een leege leeren tasch, daar een groote spitse vilthoed, ginds een ransel met afgescheurde riemen, verder een Beiersche sabel, een gezengde Fransche mantel, een kruithoorn, een afgebroken meskling, een met scherpe spijkers beslagen boereschoen, een tabakspijp, een rozekrans, een man met een lijkkleur.

De waard van „'t Kruisquot; en de kleine Hans kwamen op het grasveld in 't bosch, waar de kapel stond, juist op het oogenblik toen de mannen knielden en baden. Ook de waard nam zijn breedgeranden hoed van 't hoofd, de knaap kon dat niet doen, omdat hij zijn hoed reeds lang verloren had.

Toen de Mahrwaard daarna menigeen de hand had gedrukt en gezegd had, dat zij nu vreedzaam naar huis moesten gaan en uitslapen, om morgen bijtijds barmhartigheid te bewijzen

ocr page 111

107

aan d dooden, etrad de waard van „'t Kruisquot; op hem toe en zei; „ga je ook naar huis Peter?quot;

„Daar za'k geen tijd voor hebben,quot; antwoordde deze.

„Als je naar huis ging, wist ik gezelschap voor je onderweg. 't Is een goede bekende van je.quot; Onder die woorden schoof hij den knaap naar voren.

De Mahrwaard zag zijn zoon, keek hem streng in 't gezicht en zei met zachte stem ; „heeft je moeder je hierheen gestuurd?quot;

Hans kwam nog verder naar voren, deed een poging de handen als tot bidden te vouwen, lei echter enkel twee vuisten tegen elkaar en bekende, dat hij er heimelijk van door was gegaan, reeds 's morgens.

„Wat wil je hier?quot; vroeg zijn vader.

„Och toe. Vader, laat mij meeblijven bij het Franschen-schieten!quot;

„Hij is goed te gebruiken,quot; viel de waard van „'t Kruisquot; in, „hij heeft mij dapper geholpen — den ganschen dag. En een slimme vechtersbaas is ie, jouw Hans. Een vervloekt slimme! Nou, dat zeg ik je!quot;

Peter richtte zich strak op en zei tot zijn zoon, met een stem zoo dof klinkend als een lawineplof en zoo zwaar als een ijzerklomp: „je bent stilletjes van huis weggeloopen ? En dat trots mijn verbod.quot;

„Niet om u te trotseeren!quot; riep de knaap.

„En je moeder verlaten! En haar folteren met een angst om jou, die je in 't geheel niet waard bent! Hans hoor! In 't vagevuur is geen enkele pijn zoo groot als die je je moeder van daag hebt doen lijden. — ]e keert dadelijk om en gaat-naar huis!quot;

„Wij zullen samen gaan,quot; zei de waard van 't „Kruis.quot;

„Je gaat op 't oogenblik terug, Hans, en je knielt voor je moeder neer!quot;

„Laat mij spreken Peter, je weet nog van niets,quot; hernam de waard van ,,'t Kruisquot; te Brixen. „Ik bedoel, je weet niet, wat er vandaag gedaan is. Wellicht hadden de Beieren je al. Er was een sterke vraag naar je. En men was je al op

ocr page 112

108

't spoor. Wij zelf waren op dat uur niet sterk. Dat ze je niet beet gekregen hebben. Peter, dat hebben ze aan dien jongen te danken! Jouw Hans! Gefopt heeft ie ze, vervloekt prachtig. Om den tuin geleid heeft ie ze. Dien Haze-Steffel, dien ze hebben doodgeschoten —quot;

„Steffel? Wat is er met hem?quot;

„Reeds waren ze je achterna naar den bergpas,, waard van de Mahr. En toen heeft jou zoon den Stof, den mors-dooden Stef met een vreeselijken schreeuw uitgegeven voor jou. Hij was tot onkenbaar toe verminkt, en dat was nou de Mahrwaard! Daarop heeft een vinnige Beier hem met z n geweerkolf de hersens ingeslagen, den Stef. Die heeft hem stilletjes uitgelachen, 't deed nu toch geen pijn meer, hij was al dood. Dat liefdetikje op z'n hersenpan is echter op jou gemunt geweest, mijn beste Peter. De kleine vechtersbaas heeft 't verhoed. Kijk 'm maar an! Hemelsche Vader, wat zou ik ook graag zoo'n prachtstuk van 'n jongen hebben!quot;

Velen keken daarop naar Peter, welk een gezicht hij zetten zou. Maar zijn gezicht werd nog aanmerkelijk donkerder.

Hij stond en zweeg, alsof hij eerst den samenhang zoeken moest. Daarop zei hij tot den knaap: „Ben jij er zóó een! Wij strijden met geweer en mes, jij met den leugen! — Meen je dat onze Heer geen ander middel had, om mij te beschermen, dan jou leugen?quot;

„Vader!quot; smeekte de kleine.

„Zwijg! Nooit wil ik het woord Vader hooren uit een leugenbek!quot;

„Maar wees toch verstandig. Peter!quot; zeiden verschillende mannen bedarend, „een beetje krijgslist zal toch wel geoorloofd wezen. Wij doen 't allen.quot;

„Wat wij doen. dat is oorlog,quot; zei de Mahrwaard. „Hem gaat 't niets an. Kinderen hebben daar niets mee te maken. Kinderen moeten leeren oprecht te wezen, motten weten, dat leugen en bedrog het ongeluk is geworden van Tyrol. Bonaparte heeft gelogen, de Beieren hebben gelogen, en die Ty-roler kinderkop wil ook al liegen. Liegen mag hij, die in 't

ocr page 113

109

ongelijk is. Onze zaak is een eerlijke zaak. Juist die dubbelhartigheid nog, en wij zullen 't waard zijn, dat de Heere God ons verlaat. — En moedwil drijven met een doode, sinds wanneer is dat dan gebruik? Wil je je bezondigen? Zal je gehuil. Hans, oprechter wezen, wanneer 't werkelijk mij eenmaal geldt?quot;

„Vader!quot; riep de knaap.

„Ga nou, kind,quot; voegde Peter er op zachteren toon bij. „Zoodra je iets braafs gedaan hebt, mag je terugkommen. Ga nou!quot;

„Nou, Hans!quot; zei de waard van 't „Kruis,quot; „kom dan maar mee. Wij gaan samen. Wij gaan naar beneden, naar Brixen.quot;

De knaap ging met hem mee. Voor zoover men in de avondschemering kon onderscheiden, waren zijn jonge trekken als versteend door de hardheid zijns vaders, die hij nooit zoo had ondervonden als heden. De lui op de woudwei verstrooiden zich. Peter ging met onderscheidene mannen naar den kant van Mühlbach, om te onderzoeken, hoe het stond, en te bespreken wat dringend noodig was.

ocr page 114

110

PAAP, IK WEET WAT!

In het nachtelijke woud was 't vochtig koud. De boomen strekten zich uit naar den gesternden hemel. Dikwijls kraakte er een tak, dikwijls ritselde het in de twijgen; een uiltje jubelde met korte, schrille stootkreten. In de kloven ruischte het stroomende water, 't Was de gewone woudvrede. Maar in die rust was toch een vreemde onrust. In het dal hinnikte een paard, in het gras der glooiing prevelde hier iemand een Duitsch Onzevader, gromde daar een ander een Franschen vloek. En toch, als men maar van nabij luisterde, was het niets. Omstreeks middernacht ging de maan op. Reeds miste zij meer dan het vierde van hare schijf en toch wierp zij scherpe schaduwen, en toch bracht zij het heidekruid herhaaldelijk aan het glanzen, als zij een sabel of het geelkoperen plaatje van een geweerkolf bescheen. Nu en dan was het, alsof een der zwarte boomschaduwen levend werd en ijlings wegsloop over de ruimte.

Van den boschkant af kwam langzaam een donkere gestalte. Zij leunde op iets. Was 't een kruk of een zwaard? Meermalen stond zij stil, als om te luisteren, dan weer schreed zij levendig heen en weer, dan weer boog zij zich naar den grond en schudde zij aan lichamen. Ze waren levenloos. Was dat daar aan den rotswand geen kreunen? De gestalte snelde er heen, knielde neer, ving aan, met een fleschje te laven, met woorden te troosten, en toch voelde de stervende wellicht niets meer en hoorde niets meer. Tegen een boomstam leunde een Fransch soldaat, die luid den naam van Napoleon vloekte. Toen onze nachtwandelaar bij hem kwam, was de man dood. Ginds bij de wacholderstruik kermde

ocr page 115

Ml

iemand om een slok water, 't Was zijn laatste snik. Toen Augustijn bij hem kwam, ademde hij niet meer.

Ja, 't was broeder Augustijn, die alleen het slagveld rondging. Hij kwam thans op eene weide, waarop verstrooide, groote, vale rotsblokken zich verhieven. Hier had de dood niet gemaaid. Een stervende Franschman deed schietgebedjes tot de h. Madonna. Toen hij den man met het zwaard naderen zag, knarste hij met de tanden: „Maudit Allemand!quot;

„Kan ik u bijstaan?quot; vroeg Augustijn hem.

„Vijand! vijand!quot; kreunde de Franschman, wenkende den naderende, dat hij zich verwijderen zou.

„Ik ken thans geen vijand,quot; zei de geestelijke, boog zich, laafde den stervende met azijn, en sprak hem vriendelijke woorden toe. Nog wou hij hem een weinig oprichten, doch daar vloeide een bloedgolf uit den mond van den soldaat — ook hier bleef niets achter dan een doode.

Zoo schreed Augustijn heen over het slagveld. In de hitte van den strijddag had hij, anderen verdelgend, zich zeiven menige zielewonde toegebracht, die hij thans daarmee verzachten wou, dat hij troost verleende aan allen, die nog troost behoefden. Want het monsterachtige menschenslachten had hem aangegrepen . . .

Op steenachtigen bodem, dicht bij den afgrond, die neerzonk in het ravijn, lag een groote, zwaargebouwde man, een Tyroler; deze wentelde zich heen en weer en beproefde den afgrond te bereiken.

„Wat wil je dan toch?quot; vroeg de priester hem, nadat hij den man een poosje had gadegeslagen.

„'t Is verdoemd, ik kan niet sterven!quot; gromde de man. „Slecht getroffen, in den buik. Een Beiersch hellewicht heeft mijn geweer weggeroofd.quot; Hij zette de hand omhoog: „ga, zwarte, help mij er heen. Je bent toch een paap, hé?quot;

„Je zult nog te helpen zijn. Een verband.quot;

„Dat is er, dat is er. Wat helpt die lap, 't bloedt in den darm. Hel en duivel, ik had me 't sterven voor 't vaderland mooier gedacht.quot;

ocr page 116

112

Hoe smartelijker des te grootscher.quot;

„Meen je?quot; vroeg de gewonde. „Bij mij is 't anders. Sterven voor 't vaderland! Geen sprake er van. 't Sterven van een ellendeling is het, ik zeg het je!quot;

„Ben je dan niet gevallen in den strijd?quot; vroeg broeder Augustijn.

„Ben je 'r een of niet?quot; vroeg de ander loerend. „Een zwarte, bedoel ik. In den nacht zijn allen zwart.quot;

„Ik ben de veldpater.quot;

„Ben je dat? Dan kun je me later ook de biecht afnemen.quot;

„Ik wil het graag doen, als je 't verlangt.quot;

„Nou, daarom niet. Vergeven zal 't me wel wezen. Enkel wat je er bij te zeggen hebt, zou ik graag weten. Zet je. Heb je wat in de flesch? Azijn? Laat me zuipen. Men wordt tamelijk akelig van die buikpijn.quot;

De priester gaf hem een paar slokken brandewijn.

„Brr!quot; liet de gewonde zich schuddend vernemen. „Dat is een Jaufner. De mijne had meer vuur. Ken je me niet, heilige paap? Gauler. De brandewijnstoker Gauler? — En je slaat thans een kruis over je neus? Dan mot je van verre komen. Paap, ik weet wat!quot;

„Heb je iets op je hart, zoo spreek,quot; zei de priester en vleide het borstelige hoofd op zijn schoot.

„Vergeven is het mij al en de duivel is met het gebraad bedrogen,quot; knarste Gauler. „Geen pastoor had 't gekund. Ook geen bisschop. Niets dan 't vaderland heeft 't gedaan. Daarom ben ik gegaan. Ik zou anders de gek geweest zijn, die me doodschieten liet! Dan had je lang kunnen wachten! Slecht is 't vroeger niet geweest, ook de Beieren hebben mijn brandewijn gekocht en meer dan de Tyrolers, Beiersch of Oostenrijksch, dat was mij zand geweest. Maar de helduivel maakte mij bang. In den hemel wil ik kommen. Wie voor 't vaderland valt, dien zijn alle zonden vergeven, alle — zonder bekijken. ïs 't niet zoo? Zeg je 't ook. Ja, dat stemt. Met dien kogel in 't lijf kon ik er ook nog een paar gemeene daden bi; doen. 't Gaf ééne afwassching. 'k Ben echter — tot niets meer

ocr page 117

113

verplicht. Zeg, zwarte, is de kroonluchter er ook wel bij?quot;

„Je hebt zeker koorts.quot;

„En de „Jodengeschiedenis dan?quot;

„Je moest niet zooveel praten!quot; vermaande Augustijn.

„De eenige paap, die niet nieuwsgierig is,quot; voer Gauler voort, „maar geloof me, een ander weet niet, wat ik weet, in den biechtstoel brengt niemand 't. 'k Zou 't 'm ook niet raden. — Nou kan 't geen kwaad meer.quot;

„Als je zoo voortgaat, kan ik je niet verstaan,quot; hernam de priester.

„Gruwen zul j'r van, paap! Maar blij zu' je wezen, dat jij er geen hebben moogt. Met de vrouwlui vangt 't altoos an. Het zelfde kogelronde deerntje. Het Fientje! In de Kerstmis toen. En naast haar stond dèn Gidel, dèn vechtersbaas Gidel, van wien ze eer al een ring gedragen had. Ze trekt 'm niet van 'r vinger af, zegt ze, en ik had 'r 't liefst den vinger uitgetrokken. En in den Kerstnacht wilden ze met elkander naar huis gaan. De kerk vol menschen, en de brutale kerel staat naast haar en van den ijzeren kroonluchter druipt de was op haar rooden halsdoek. Hij krabt die voor haar weg en fluistert, dat ze op zijn plaats moet gaan staan, hij onder den luchter, dat kon hem niks schelen. — Ho, denk ik, als die heete was 'm eens een gat kon branden in z'n valsch hart! Als je dèn 's wat liet passeeren, eer ie met haar kan weggaan! Ik denk 't, en daar komt 't al. Neerknielen — met geweld op de borst slaan — een gekraak en de kroonluchter ligt op den kerkvloer. En dèn Gidel is klaar.quot;

„Ik heb van 't ongeluk gehoord,quot; zei Augustijn, „'t was voor jaren in de St. Margarethakerk.quot;

„Ja, mijn beste, ik kan wat!quot; ging Gauler voort. „Ik ben niet te vertrouwen, 'k Had 't zelf nooit geloofd, dat de duivel zoo gedienstig voor me was. Maar verheugd heeft 't me, toen ik zag, dat ik er een had, die mijn wenschen vervult.quot;

De priester wou opstaan.

„Ja, zwarte, als je nou al opspringt!quot; lachte Gauler heesch, en daarbij wentelde hij zich op den grond als een getrapte

8

Peter Mayr

ocr page 118

114

mol. Daarop bleef hij weer rustig en in scherp uitgestooten keeltonen sprak hij verder: „een ander had dat ook gedaan, als hij 't kon. Wat doet 'n mensch al niet om de vrouwlui: ieder die ik heb opgesnuffeld, heeft weliswaar geen kerkkroon gekost, maar daarentegen geld, verduiveld veel geld. En eenvoudig getrouwd zijn kost al geld, denk je dan eens een vijfvoudig of zevenvoudig, wat weet ik het, zooveel zal 't gemiddeld wel geweest zijn. Bij eenigen, wie ik onderhoud beloofde, heb ik 't wel zoo aangelegd, dat ze uit zich zelf zijn gaan loopen, maar met allemaal ging dat niet. De kinderen verlangen te eten en christelijk opgevoed te worden. Dus luidde het dan: stelen of den Bokspoot roepen. Stelen is niet net en de lui zien 't niet graag, en zonde ook. En 't slimste is nog 't gepakt worden. Dikwijls heb ik 't niet gedaan, of ik most liegen. Pffl! Maar de brandewijn alleen kon alles niet bekostigen. Weet je ? Als het heet: geld inbrengen, dan laat zoo'n helsche staartkerel zich langer bidden dan bij 't kerk-kroonafrukken. Als de mensch geld noodig heeft, is de jood beter dan de duivel.

Beneden in Bozen hebben z'r een gehad. Een schurftige Hebreeër, maar geld! Of ie ook zoo kerkdingen opkocht, heb ik 'm gevraagd. — Waarom niet, as 't wat waard was?— Ik zou denken, dat 't wat waard is, en wat ik je breng, jood, dat brengt geen ander je. — Ik ga naar boven op den Ritten en verkoop drie kruiken brandewijn en 's nachts, terwijl ze er bij zitten en de koster er ook bijzit, steel ik de kerk leeg. Ik breng den jood de heilige hostie: ik weet hoe jullie Israëlieten daarop verkikkerd bent. Speldeprikker, bloeduitzui-ger! Wat geef je? — Nou, pastoor denk je nou zoo'n Hebreeër; een domkop noemt ie me — en schopt me de de deur uit. — O, lieve moeder Gods!quot; viel hij zichzelf in de rede, „wat word ik angstig en benauwd, 't Zweet breekt me aan alle kanten uit. Zou dat al — sterven wezen!quot;

Met krampachtige vingeren omklemde deze onmogelijke man de hand van den geestelijke, als wou hij zeggen: „blijf nog bij me, verlaat me niet, ik ben bang voor mijzelven! — Met

ocr page 119

115

zijn tanden beet hij zich vast in Augustijns kleeren en zoo kermde hij, gefolterd door krampen en pijnen. De priester verkoelde zijn voorhoofd met azijn en allengs werd hij weer rustiger, ,,'t Is wat beter,quot; zeide hij met een zucht van verlichting. ,,Ja paap, ik weet nog wat.quot;

„Zoo spreek, spreek. En waarheid voor Gods rechterstoel.quot;

„Heilige man, ik wou, dat ik een leugenaar was!quot; zuchtte de man. En daarop voer hij op zijn onaangename manier voort te vertellen: „God verdomme je, trotsche Hebreeër! Het beste, wat wij christenen hebben, veracht je? Bij de Tolfererbrug in Rub, waar het kruis staat met den witten Christus, heb ik later de hostie begraven. Ik vind nog wat, jood, dat je koopen wilt. Paschen duurt niet lang meer, en ik weet een kalkbrandersdeerntje, dat ik een jaar vroeger in Biixen ter „vormingquot; heb begeleid. Daar bekommert zich geen menschenziel om, als de vormselgod het niet doet. Heel graag gaat ie met mij naar beneden naar Bozen, omdat ik 'm een blauwe kiel beloofd heb. — Nu, jood, wat zeg je van deze waar? Versche Osterbrunnen! Beneden de veertig Beiersche is er geen sprake van! — Dertig! zegt de jood, voor dertig heeft toch ook Judas uw Heer verkocht. Dat antwoord klonk me aanstonds verdacht maar toch eerst goed, toen hij zei, dat ik een beetje wachten moet, daar hij eerst moet laten wisselen. Onderwijl zendt de valsche vent om de dienaars: maar te nauwernood vond ik nog gelegenheid om weg te kommen in 't gebergte. Sinds dien tijd vertrouw ik geen Hebreeër meer en ik heb vroeger altoos met die lui mogen omgaan. — Maar kijk, paap, van dien tijd af is er 's nachts altoos wat geweest. Zoo dikwijls, als ik juist in m'n eersten slaap was, werd er koud over mijn gezicht geblazen, en als de oude hangklok middernacht moet slaan, ving ze aan te ratelen; verloren, verloren, verloren! — Daarop ben ik naar het Inndal aan den overkant gegaan, ter biecht, 't Heeft niks geholpen, de klok ratelt om twaalf uur aldoor: verloren, verloren!, tot ik op een keer van 't bed spring en 'r met het houweel in stukken sla. — Als 't biechten

ocr page 120

116

nu ook al niet meer helpt, mijnheer de pastoor!quot;....

„Heb je toen ook alles openhartig bekend?quot; vroeg Augustijn.

„Als ik dat wou, ging ik toch liever dadelijk naar 't gerecht,quot; lachte Gauler luid. Een waanzinnig lachen was 't. Hij begon over al zijn leden te beven, terwijl hij het uitschreeuwde in den vreedzamen nacht: Jezus Heer! Verworpen en verloren op de wereld en in eeuwigheid! Slaap noch rust heb ik meer mogen vinden. En toen is 't eens gebeurd, dat ik in 't nachtelijk uur in het Talfererdal de brug voorbij moest, waar het kruis staat met den witten Christus, 't Was een mooie maannacht en alles zoo stil en vredig. Daar gaat mijn hart open en ik denk, nou is 't een nacht der genade, zie nou, dat je in 't gelijk komt met je God. En ik kniel neer en kruip op de knieën over het zand tot bij den kruispaal. En zoo als ik den paal met mijn beide armen omvat en mijn hoofd ophef, om de voeten te kunnen kussen, daarquot; — zijn stem werd dof en kreunend, terwijl hij dat zei — „daar zie ik, hoe de heer Jezus Christus eerst de rechter hand losmaakt van 't kruis en daarna de linker en de heilige voeten, en er afstijgt en langzaam weggaat over de brug en hoe hij aan de overzij op de maanbleeke weide verdwijnt.quot;

Kreunend zocht de man zich met beide handen op te heffen aan de borst van den huiverenden priester: „mag je mij nou ook niet meer lijden, menschenbroeder, zooals Jezus mij niet mag?quot;

Augustijn trok hem zacht aan zijne borst.

„O!quot; fluisterde Gauler, „daar is 't warm. Daar zou ik graag willen rusten.quot; En 't was, alsof hij insluimeren wou. Na een poosje hief hij het hoofd op en vroeg als een kind: „niet waar pastoor, ik ben gered? Ik ben toch gegaan in den kamp voor 't vaderland. Voor hun staat toch de hemel open. Je hebt 't toch gezegd! Zoo troost mij dan toch, paap! Zoo zeg mij dan toch, waar zal ik over een uur zijn ?quot;

De priester troostte hem met zachte woorden. Daar begon Gauler zich weer te wentelen, te rochelen, met beide handen hield hij zich krampachtig vast aan Augustijns jas. Plotseling

ocr page 121

117

schreeuwde hij als in een spotlach: „o verdomde dood...!quot;

Terwijl Augustijn luid bad, richtte de stervende zich stijf op, hoog, ter volle manshoogte — toen knikte hij in een, en zonk neer; levenloos als de steenen en struiken rondom, lag hij uitgestrekt op den grond.

O gij onzalig menschelijk wezen! peinsde Augustijn bij het lijk. Heeft het bloed van Christus u ook verlost? God, het zal toch geen vermetelheid wezen, als de veldprediker u toeroept: in den hemel kom je! — Hij heeft weinig kwaads gedaan maar veel goeds gewild.

MIJN ZWAARD HEEFT EEN KRUIS.

Augustijn schreed verder. Hij liep door een woud, welks stammen tot aan de kruinen onttakt waren; de schaduw dier boomen op den grond leek op naast elkander loopende graven, en in een daarvan lagen twee fransche soldaten, die nog in den dood elkander vast omslingerd hielden.

Daarnevens worstelde er een, koopman Stelzer uit Brixen, met den dood en de vertwijfeling. „Neen, niet sterven! Neen, niet sterven, nog zoo jong!quot; klaagde hij. Doch zóó erg was hij toegetakeld, dat Augustijn voor hem op deze wereld geen heil meer zag. Die man moest zacht worden losgemaakt.

„Broeder,quot; zei hij onder onafgebroken pogingen, om het lijden van den stervende te verzachten: „'k wou dat ik in uw plaats was. Deze onmetelijke ellende, gij hebt ze achter

ocr page 122

118

u. Zie, hoe het leven, waaraan gij zoo hangt, u pijn doet; zie hoe de menschen, die gij liefhebt, elkander vermoorden. Onderliggen of overwinnen, er is geen heil in. Wil je als kreupele lijden en bedelen en veracht wezen tot op je ouden dag? Thans zijt gij bijna over den drempel en wil je weer terug ? Hoe zou ik in uw plaats God danken, dat ik met eere los kwam van deze valsche wereld!quot;

„O, Augustijn, het is zoo hard, wat gij zegt,quot; gaf de stervende ten antwoord. „Ik weet, dat het gedaan is en toch zou ik het nog zoo graag hooren: gij sterft niet, gij wordt weer gezond! Geef mij toch dezen troost, ik smeek er je om!quot;

En terwijl Augustijn tot hem van genezing sprak, sliep hij in ... . Jonge menschen moeten eerst alles leeren, ook het toedienen van troost. Want zelfs den meest gekwelde is een eeuwigheid hemel geringer troost, dan een jaar aarde.

Thans bemerkte Augustijn, hoe de kale boomstammen hier zoo rood waren. Rood als gloeiende stangen, heelemaal naar boven. Toen hij zich omwendde zag hij wel, wat de oorzaak was. Beneden in de diepte waar de kloven der Rienz lagen, steeg een vuurzuil breed en hoog op. Geen luchtdrukking boog haar, ternauwernood dat een weinig zichtbare rook haar verduisterde — in groote, geluidlooze rust steeg de vlamzuil ten hemel.

Aanvankelijk dacht Augustijn aan Mühlbach of aan een ander dorp, dat door den aftrekkenden vijand was in brand gestoken. Allengs kwam hij op de hoogte; in brand stond de bergpas, die overdag zoo met succes door de Franschen was verdedigd geworden en waarin een deel des vijands zich des avonds teruggetrokken had. — De priester schudde het hoofd. Na het Avegelui moest er geen vijandschap meer wezen. De nacht is den Heere.

Augustijn stond lang stil en luisterde of er geen alarm te vernemen was van den kant van den brandenden bergpas. Neen, niets. Plechtig stil steeg de vlam omhoog.

Daarop begaf hij zich naar een open terrein. In 't midden

ocr page 123

119

daarvan was iets, dat een schaduw wierp over de vale vlakte. Op een vermolmden boomstam zat een man, die voorovergebogen het gelaat met de handen bedekte. Zoo onbewegelijk zat hij daar, dat niet te onderscheiden was, 01 hij waakte dan wel droomde. Weelderige lokken vielen over de vingers, die het voorhoofd omspanden, neer. 't Was een fransch soldaat.

Toen Augustijn een poos achter hem had gestaan, lei hij zachtjes zijn hand op den schouder van den rustende en vroeg; „wat heb je?quot;

De ander voer verschrikt in de hoogte en greep naar zijn wapens.

„Ik kom niet als vijand,quot; zei Augustijn.

„Gij hebt een zwaard in de hand,quot; antwoordde de soldaat in tamelijk goed duitsch.

„Mijn zwaard heeft een kruis,quot; hernam de priester kalm ernstig.

„Ga maar voorbij,quot; zei de ander, ,,ik ben niet een dergenen, die gij zoekt.quot;

„Ik zoek menschen,' antwoordde Augustijn met zachte stem, „menschen, die bijstand noodig hebben.quot;

„Ik ben immers een vijand,quot; zei de zittende soldaat. „Kijk mij maar aan, ik ben een dergenen, die zooveel ellende gebracht hebben over uw Tyrol.quot;

„Gaar maar mee,quot; antwoordde Augustijn, „deze modderpoel is geen plaats voor oponthoud.quot;

„Neen,quot; zei de ander, ,,'k mot hier blijven. Ik kan niet vort.quot;

„Ben je gewond ?quot;

„Aan den voet. En ik heb hem gestoken in deze koele leem, om te verhinderen dat hij bloed en pijn doet. Ik ben heelemaal wel, ik wil enkel rusten.quot;

't Was inderdaad zoo. De man had den rechtervoet diep in de modder begraven en den leemachtigen grond rondom stijf er tegen aangedrukt, zoodat het leek alsof hij een berke-stam was, uit den grond opgewassen. Toen de maan hem in 't gezicht scheen, zag Augustijn, dat hij een mooie, baard-looze, blondharige jongeling was, met groote oogen, die zeer

ocr page 124

120

treurig uitkeken in het uitgestrekte, nachtelijke woud.

„Kan ik je een dienst bewijzen?quot; vroeg Augustijn.

„Heb je niet zelf in 't vuur gestaan?quot; vroeg de ander terug.

„Ik heb een beetje meegeholpen.quot;

„Daarboven aan den boschrand, omstreeks het avonduur?quot;

„Ja inderdaad, daar boven ?quot;

„Dan hebt gij mij raak geschoten,quot; zei de soldaat. „Ja, ik ken u wel. Ik heb ook uw zwart gewaad onder schot gehad, maar mijn geweer ketste en toen zendt gij mij iets in mijn voet. 't Is recht zoo, wij hebben 't wel verdiend. Wij hebben ongeluk gebracht over ulieden. Wij, maar niet ik. Geloof mij, ik was liever thuis gebleven.quot;

„Dat neem ik graag van je aan. Welk mensch, die verstand bezit en aan een God gelooft, zal vrijwillig in een vreemd land trekken en een vredelievend volk beoorlogen, dat hem niets gedaan heeft!quot;

„Wij hebben gemoeten. Wij zijn immers zelve Duitschers, in den Elzas. Maar wij hebben gemoeten,quot; mompelde de soldaat en scheen te verzinken in uitputting en droomerij.

„Lieve vriend,quot; zei Augustijn, „ik laat je niet alleen. Je bent in 's vijands land, maar niet onder barbaren.quot;

De ander antwoordde daarop niets, maar zijn schouders begonnen krampachtig te schokken, zijn adem te stokken. —

Wanneer een krijgsman weent!! . . .

„Zoover — zoo ver van huis!quot; snikte hij. „Zoo ver van huis sterven! Mijne moeder! Mijne vrouw!quot;

„Gij zijt uit het Duitsche land ?quot;

„Over den Rhijn ben ik gekomen,quot; antwoordde de soldaat. „Drie uur achter Straatsburg ligt mijn dorp. In een heuvelland, en wijnbergen, en woud.quot;

„Sla je mantel om, 't is koud.quot;

„'t Is heet. Laat me maar. Ach, 'k wou dat ik maar slapen kon! Ik heb daar straks mijn tehuis gezien.quot;

„In den droom! Droom wakend voort, vriend. Vertel mij

ocr page 125

121

van uw moeder, van uw vrouw.quot; Aldus sprak Augustijn, want hij streefde er naar, den armen, verslagen man op te beuren. Hij bood hem zijn veldflesch aan, waaruit de El-zasser dronk.

„Gij zijt goed,quot; zei deze dankbaar, „ik heb wel vernomen dat de Tyrolers goed zijn. Daarom wil ik u verzoeken, dat gij naar mijn huis schrijft, in den Elzas aan mijn vrouw, opdat zij weten, dat ik gestorven ben.quot;

„Heel graag wil ik schrijven, maar niet, hoe gij gestorven zijt, maar hoe gij naar huis zult terugkeeren. Doet uw been pijn?quot;

„Laat den voet in den koelen grond. Daar behoort hij in, en doet geen pijn. Maar naar huis terugkeeren. Dat weet ik beter.quot;

„Welnu rust dan,quot; zei Augustijn innig deelnemend.

„Hebt gij dan ook niet zelf een hart vol zorgen?quot; vroeg de soldaat uit den Elzas. Hebt gij dan nog tijd voor anderen in deze treurige dagen?quot;

„Ik heb wat mij zelf betreft geen zorgen. Ik ben priester. Dat er een heete strijd is tusschen uw en mijn land, moet thans vergeten zijn. Wij zijn elkanders broeder. Ik wil mij bij u neerzetten op dezen stronk en u niet verlaten. Zoo wil onze godsdienst het ook.

„De godsdienst,quot; antwoordde de soldaat, met aarzelende stem. „Ik mag u niet bedotten. Gij hier in Tyrol zijt streng katholiek. Ik behoor tot de evangelische kerk . . .quot;

„Christus strekt aan het kruis twee armen uit,quot; zei Augustijn.

„Een voor u en een voor ons?quot; vroeg de soldaat droo-merig, terwijl hij zijn hoofd liet zinken.

„Leun tegen mijne borst en slaap.quot;

De Elzasser spande zich weer in: „Slapen! Daarvoor zal er geen tijd meer zijn. .— Thuis, daar zullen zij nou zeker slapen en niet vermoeden, hoe het met mij staat.quot;

„Mij dunkt, het heimwee plaagt u meer, dan het lood in het been.quot;

„O, mijnheer, geen mensch is zoo uit zijn huis en land

ocr page 126

122

gerukt, als ik!quot; zei de Elzasser diep treurig. „Vandaag voor vier weken. Ach, wat ben ik toen nog blijde geweest!quot;

„Leun maar tegen mij an, broeder, en vertel.quot;

„Mijn vader, die is vroegtijdig heengegaan,quot; verhaalde de Elzasser, „die slaapt in Egypte. Mijne moeder heeft de zaak gedreven, een kleine wijnbouwerij, waarin men werkt en leeft. Zij was zelf steeds moeilijk ter been en zag verlangend uit naar den tijd. dat zij de taak aan mij kon overgeven. En toen — ik vertel u alles — heb ik er mijne bruid voor durven instaan. Dat lieve meisje! Niemand weet 't. 't Was wel een wonderlijke geschiedenis. Een groote pachter had haar willen nemen, een van den kant der Loire — spreekt geen Duitsch. Geertruid wou haar arme familie verzorgen en ik heb gezegd: als je kunt, Geertruid, doe het dan. Voor vader en moeder zou ze 't wel kunnen moeten, was haar antwoord en zij verloofde zich aan den pachter. Het geheele dorp maakte zich gereed voor het bruiloftsfeest, de pachter is een rijk man en Geertruid gaat haar geluk met stille onderworpenheid tegemoet. Mij verwonderde het, maar dan dacht ik, 't moet toch niet zoo heel moeilijk zijn, een arme knaap te laten loopen en te zitten in een slot, waar veel overvloed is en eer. — In dien tijd had Bonaparte mij motten roepen jquot;

„Vertel straks verder,quot; viel Augustijn hem in de rede, „wij motten nou eerst naar het gewonde been kijken.quot;

„Laat 't toch slapen, 't doet immers geen pijn!quot; riep de soldaat, de grond is heilzaam, dat heb ik dikwijls gehoord. Denk je toch, dat het weer beter wordt?quot;

„'t Kon wel zijn, dat het vreemde kleiverband een gunstige uitwerking had; de jonge geestelijke had in zulke dingen geen ondervinding.

„Heb ja nog geduld?quot; vroeg de jonge Elzasser. „Gij moet alles weten als gij het gansche ongeluk begrijpen v/ilt. Maar 't wordt reeds dag!quot;

„Dat is niet dag, vriend, dat is brand.quot;

„O, die oorlog!quot; zei de jonge Elzasser huiverend.

De priester sloeg den mantel dichter om hem heen en de

ocr page 127

123

soldaat voer voort: ,,de pachter? is zij nog bij hem? — Eens op een avond, kort voor de bruiloft — in het wijngaardprieel — staat zij op eens voor me. Gij kunt u voorstellen, hoe ik schrok. „Frits,quot; zegt ze, en stort zoo meteen voor mij neer op den grond, ,,Frits, 't is heelemaal onmogelijk. Ik kan wel in de steengroeve gaan werken voor mijne ouders — den pachter huwen kan ik niet. Ik heb 'm geschreven, 't is al uit. —quot; Wij hebben ook verder geen woord meer gesproken en den volgenden dag gingen wij samen naar den ambtenaar van den burgerlijken stand. Voornaam is de bruiloft niet geweest. In onzen boomgaard hebben wij het bruiloftsmaal gegeven, een paar verwanten en een met een guitaar. Mijn moeder gelukkig, ook Geertruid's ouders waren vroolijk. Als God wil, zal Hij ook zijn zegen geven, was hun eerste en hun laatste woord. En ik ? En mijn jonge, zachte vrouw ? Haar gestalte met den myrthekrans zij bij mij in mijn laatste oogenblik! Uit wijngaardloof vlocht zij een anderen krans en zet dien plagend schertsend op mijn hoofd. Er worden twee lichten op de tafel geplaatst, omdat het reeds donker werd. Er werd een toast op het bruidspaar gedronken en geklonken met volle glazen. En midden in die vroolijkheid komt mij mijn oude tante in de gedachte, een zuster mijner moeder. Sinds jaren lag zij ziek in haar kamertje. Die zou zich eerst verheugen, als thans de bruidegom met zijn glas in de hand aan haar ziekbed kwam en met haar dronk op haar lang leven. De ouden en zieken leven toch ook graag?quot;

De verhaler zweeg een oogenblik. Toen hij zijn aandoening weer meester was, ging hij voort: „Mijne bruid wou ook nog mee. De weg was wel niet ver, maar donker en steenachtig, en ze moest liever morgen overdag naar haar toegaan. Laat me alleen gaan mijn schat! en binnen tien minuten ben ik weer bij je! Als ik kom, als ik kom, als ik kom weerom, blijf ik, mijn schat, bij jou! Zoo zingend, snel ik door den boomgaard naar het huisje waar tante woont. Juist als ik de straat over wil, marcheert met muziek, een compagnie soldaten voorbij. Hunne fakkels fladderen als oorlogsvaandels, 't Gaat er

ocr page 128

124

weer op los, hoor ik. Er is een bekende van me bij, een schoolmakker, dien ik altoos graag lijden mocht; die arme duivel moest thans ook mee. Ik spring naar hem toe, reik 'm mijn glas: „drink, Giovanni!quot; Hij heft het glas op, zwenkt er mee: „de Keizer leve!quot; en drinkt, en ik drink ook: „de fransche Keizer levequot; — „Bravo, bravo!quot; gilt alles, zoodat het wijd uitgalmde in den nacht; twee soldaten pakken mij bij de armen, nemen mij in hun midden en voort, voort gaat 't in gezwinden pas. Aanvankelijk denk ik aan een grap en zeg, dat ze mij moeten loslaten, dat ik terug wil naar mijn bruiloftsgezelschap. Doch daar lachen zij mij hartelijk om uit; mijn bruiloftsdans die kon ik in Duitschland wel dansen, en nette bruidjes waren er overal. — Wat zal ik nog verder vertellen, het beklemt mij het hart. Ik ben een gevangene geworden, soldaat in de keizerlijke armee. Ook anderen is het zooals mij gegaan, zijn onderweg meegenomen geworden. Bonaparte is een ongeduldig heer en nog in denzelfden nacht zijn wij over den Rijn gemarcheerd. Tot Stuttgart had ik mijn bruiloftsgewaad aan, dik onder 't stof, vochtig van 't zweet. Daar stak men mij in de uniform en alles was voorbij. — Mijn beste Tyroler, kunt gij u zoo iets denken? 't Is mij alsof zij heden, in dit uur nog zitten aan Je tafel in den boomgaard, te wachten op mij.quot;

„Je hebt de uwen toch wel geschreven ?quot; vroeg Augustijn.

„De brieven worden niet bezorgd. Mijn vrouw, mijn moeder zij weten niet wat mij overkomen is, zij zitten nog aan de tafel en wachten ...quot;

„Hun droefheid zal in vreugde veranderd worden,quot; zei de priester.

„Wellicht daarboven. Op aarde niet meer.quot; De jonge soldaat bedekte zijn gelaat met beide handen.

„Wilt gij, arme vriend,quot; hernam Augustijn, met innig toegenegen hart zijn lokken streelend, „wil je den grooten God ook een beetje van je zorgen overlaten? Hij is sterker dan gij, hij draagt ze gemakkelijker.quot;

„Hij zal nog genoeg te doen hebben, om al het onheil, dat

ocr page 129

125

deze bloedhond aanricht, weer goed te maken,quot; antwoordde de Elzasser. Hierop streek hij met de eene hand de andere en mompelde: „wat voel ik me toch vreemd! Wordt dan alles lood ? Wat is dat toch ?quot; Een zacht beven voer door zijn lichaam. „Er is verder niets meer te zeggen,quot; voegde hij er toonloos bij. „Ik bid u, schrijf enkel dit: als soldaat zijn plicht gedaan. In Tyrol gevallen op het veld. In vrede gestorven. En dit, schrijf hun dit ook; een goed mensch bij zich gehad in 't sterven . . . Als ik kom, als ik kom, als ik kom weerom ...quot;

Hij sluimerde. Leunend in Augustijns armen sluimerde hij.

Toen de morgenschemering aanbrak, bemerkte de veld-priester, dat rondom den ingegraven voet bloed uit de modder opwelde. Hij lei den sluimerende zacht tegen den boomstronk, waartegen hij daar straks had geleund, en lichtte zachtjes het been uit den grond. Het bloed hield reeds op te vloeien uit de dubbele wond. En toen het morgenrood begon te lichten, kleurde het de wangen van den krijgsman niet meer. En toen boven den Alpentop van den Grootvenetiër de zon oprees, staarden zijne oogen rustig in haar gloed — want die oogen waren al gebroken.

En in het daglicht zag Augustijn thans de volle schoonheid van den jongen man, die de dood niet uitwischte maar wijdde. — De priester knielde bij het lijk en deed een gebed. Van den toren te Mühlbach klonk het gelui der raorgenklok.

Toen werd het tijd de nieuwe dagtaak te beginnen: de ter aardebestelling der dooden. Ten einde helpers te vinden, steeg hij af naar het dal, waarin nog blauwe schaduw hing. Ter halverhoogte van den berg zweefde een vochtige rook-bank heen en weer, uit de bergpas-huizen steeg een dun, wolkig zuiltje op, in de lucht dreef een vreemde stekende geur. Daar waar Augustijn den hollen weg inboog kwam hem een oude herder te gemoet. Waarschijnlijk was hij wel blij een levend mensch te zien; hij nam gezwind den flaphoed af en kuste den priester de hand.

„Wat zeg je daar nou van, gewijde knaap,quot; zei hij heel

ocr page 130

126

ongegeneerd, „die hebben hun hel bijtijds heet gestookt!quot;

„Wat bedoel je?quot; vroeg Augustijn.

„Wie oud wordt, die beleeft veel,quot; antwoordde de herder, „'k Had 't mijn leven niet geloofd, dat de graven ook brandden. — De Frangosen. Heb je 't nog niet gehoord? Eer zij aftrokken, hebben zij hunne gesneuvelden saamge-bracht in den bergpas en in brand gestoken. — Mensch, 't gaat nou raar toe op de wereld! Geef er acht op!quot;

JIJ SCHURK, DIE DE MENSCHHEID LASTERT, WEES STIL!

In den tijd, toen dit geschiedde, had men te Brixen geen arrestantenlokaal. Alzoo moest men den man, waarvan hier sprake is, naar het kerkhof brengen en opsluiten in de lijk-kamer. 't Was een heel verloopen sinjeur, zijn gewaad bestond uit grauwlinnen met uitgerafelde gaten, leemerig, smerig waar de draden nog hielden. De broek hing enkel nog maar met twee knoopen aan de gescheurde bretel, het geelgrauwe hemd was van voren open, zoodat men de schorskleurige borst zag tot aan den maagkuil toe. De plompe voeten zonder schoenen, met slijkkorsten tusschen de teenen. De ledematen slank en mager, het beenig gelaat geheel baardeloos, ingevallen, leembleek, zomersproetig; de lippen dik, de neus plat, met driehoekige vleugels, de oogen klein, listig loerend, zonder wimpers of wenkbrauwen, het hoofd

ocr page 131

127

met het vosroode verwarde haar ingeklemd tusschen de schouderbeenderen. De armen waren thans op den rug saamgebonden. Deze kerel was overal gezien en nergens thuis. Een arme hutbewoonster in het Grödnerdal had eens beneden uit het Welsche land een vondeling gehaald. Bij den doop was boer Rampe peet geweest. Het kleine beetje dat ze er van had meegebracht was gauw verbruikt, de vrouw stierf, de knaap ging verloren. Boer Rampe had hem als herder op zijn bergwei genomen; de jongen liep weg. In de streek van de Etsch nam hij ergens een vischnet weg en stelde dat in de struiken op. Wanneer dan in den herfst de naar het zuiden trekkende vogels kwamen, verstond hij de kunst die diertjes door nagebootste vogelgeluiden te lokken en in het net te jagen. Dan doodde hij ze en at ze op. Toen de winter kwam, ontstal hij een landpastoor een paar laarzen, werd daarbij betrapt en naar Bozen in arrest gebracht. In arrest vond hij een ouderen makker, die hem leerde, dat stelen niet netjes is, dat de mensch zijn brood op eerlijke wijze moet verdienen; hij onderwees hem in het kaartspel, en hoe men door kunstgrepen moet aanleggen, om zijn geluk in de hand te werken. Ook leerde deze in dat arrest Fabian allerlei goochelaarskunstjes, waardoor men op de jaarmarkten iets verdienen kan. Toen de knaap vrijkwam, oefende hij dergelijke dingen jarenlang uit, nu en dan was hij zoek; als hij later weer terugkwam in de streek bij zijn patroon, boer Rampe en deze hem vroeg, waar hij was geweest, bracht hij altoos vele groeten mee uit Zwitserland, of uit Italië of zelfs uit Hongarije. Doch met die mooie landen bedoelde hij de verschillende gevangenissen, waarin hij was opgesloten geweest te Sterzing, te Bozen, en te Brüneck. Later zwalkte hij rond over de bergweiden en in de wouden, onder de opgerolde jas een uiteengenomen geweer bergend. De jagers maakten jacht op hem, als op een roofdier. Thans was hij gesnapt geworden op het slagveld, terwijl hij juist voornemens was, een dooden soldaat een ring van den vinger te trekken. Toen men hem beet-

ocr page 132

128

pakte, weerde hij zich, en vroeg brutaal, of het dan recht was, dat men zulke dingen van waarde ook mee in het graf wierp! Hij bromde er over, dat men hem waarschijnlijk weer voor een heele week zou inrekenen, en was daarom een beetje erg verbluft, toen er geen sprake was van inrekenen, doch van ophangen.

De oudsten waren te samen gekomen onder den eik, om te beraadslagen, wat met den booswicht geschieden moest, 't Was een in 't land ongehoord geval, men overwoog zus en zoo, aan welk gerecht de arme zondaar moest worden uitgeleverd, en men kon niet tot een besluit komen. Boer Rampe had men bij deze beraadslaging niet uitgenoodigd, men wilde hem de schande besparen zijn petekind te zien als lijkenschender. Boer Rampe kwam echter dien kant uit, trad op den eik toe en zei: „je bent hier bijeen om Fabian.quot;

„Ja, ja,quot; antwoordde Stanker, „'tis hard, je kunt er niks an doen.quot;

„Ik heb gedaan, wat gedaan kon worden om het doopwater en het vormsel niet te doen verloren gaan,quot; zei boer Rampe; „maar 't zal wel zoo wezen, als pater Celestinus eens gezegd heeft: ,,'s menschen levensloop wordt 'm niet aangedoopt, wel angeboren.quot;

„Geboet mot 't worden,quot; zei Stanker.

„Dat denk ik zelf ook,quot; zei boer Rampe, „en in dit geval is het niet zoo moeilijk, een rechtvaardig rechter te zijn.quot;

„Wat is dan je meening, boer Rampe?quot;

„Mijn meening is,quot; antwoordde deze. „dat waar zoovele onschuldigen zijn doodgeschoten, men met den schuldige kort proces mot maken.quot;

„Alzoo ter dood?quot;

„Vooraf reike men hem de heilige sacramenten, opdat van dien kant zijn zaligheid niks in den weg staat.quot;

„En wanneer dan?quot;

„Waar zou hij op wachten? Verkorting van den doodsangst zou ik voor hem verzoeken. Binnen een uur kon het afgeloopen zijn.quot;

ocr page 133

129

„Zoo denken wij er ook over,quot; zeiden zij allen en daarmee was de zaak afgedaan.

Daarna gingen de mannen naar den dom, waar een plechtige dankdienst werd gehouden wegens de bevochten zege. Boer Rampe kon er zijn aandacht niet recht bij bepalen, hij moest altoos weer denken, hoe wonderlijk het toch loopen kan in de wereld, hoe hij als peetoom nu zijn petekind ver-oordeelen moest. Maar is er op 't oogenblik wel een rechter in het land? De Beieren zijn verjaagd, de Oostenrijkers zijn er nog niet weer. Wie moest dan de orde in Tyrol handhaven, wie anders dan de Tyrolers zelf!

Na de godsdienstoefening waren een aantal aanvoerders en strijders bij de Kapucijners genoodigd op een beker wijn. Dat zou niet zoozeer een zegefeest wezen, maar meer een raadsvergadering ter bespreking van de vraag, wat men verder zou doen. Want dat de strijd aan de Eisack en aan de Rienz niet het slot vormden maar veeleer het begin, was aan allen duidelijk. Dat de ontembare wereldveroveraar zich niet zou laten ophouden door een hand vol boeren in zijn buitensporig ondernemen, wist ieder. Die Bonaparte stampt des nachts nieuwe legers uit den grond: hij gebiedt den aardbol. — Maar de Tyrolers hoopten op God en de Oostenrijkers. Iemand met een losse mond snapte er uit, en wel juist op den weg naar het klooster: „de Oostenrijkers mocht men wel lief hebben, maar hopen moet men op God alleen — dat was veiliger.quot;

Die losse mond behoorde aan den hutbewoner Thomas.

„Au!quot; riep Griesacher, als wij naar den wijnkroes gaan, is Thomas er ook bij.quot;

„Waarom niet! Een droppel wijn is eene goede aanvulling.quot;

„Te midden van het geweervuur heeft hij zich niet laten zien.quot;

„Wie?quot;

„Wel, die Thomas.quot;

„Ik? Ik niet in 't vuur?quot; stoof de hutteman op. „Heb ik niet bij Brixens vijver gestaan van 's morgens vroeg tot

Peter Mayr 9

ocr page 134

130

's middags en scherp geschoten! Later begonnen de lummels kartetsen te gooien, en pfustt! vlak in den vijver, dat de modder afschuwelijk opspoot en mijn Zondagspak bevuilde. Toen Jacht ik: weet je wat, de duivel haal ze, ik laat mijn best pak niet bederven, de boeren koopen mij geen nieuw! En 'k ben naar huis gegaan.quot;

„'t Is waar, hij is er bij geweest,quot; bevestigde meer dan een. „En de zestien die ik neergelegd heb, zullen wel een kruik wijn waard zijn,quot; zei Thomas, terwijl hij wees op een blauwen zakdoek, die om den pols van zijn linkerhand gewonden was. „Als 't daar uitstroomt — mot 't daarquot; — op zijn mond wijzend — „bijgevuld worden.quot;

„'t Is in orde Thomas, ga maar mee.quot;

Later zaten zij in het refectorium van het klooster door elkander: de kapucijners in bruine pijen en lange baarden, de boeren, de burgers en de herbergiers der omgeving. De meesten waren goedsmoeds, maar overmoedig niet een. Ook Peter Mayr, de waard aan de Mahr, was er bij. Allerlei menschen waren in de laatste dagen tot hem gekomen om hem te verzoeken te willen raden, ordenen, leiden, en de dooden baarden ternauwernood minder zorg dan de levenden. Sinds het gevecht was hij niet meer thuis geweest. Dat hij gezond was, had hij zijn vrouw door een herder laten zeggen. Dat zijn zwager Augustijn weer thuis was, gaf hem ook rust. Hij zelf behoorde tot de overheid. De lijken moesten begraven worden, de gewonden moesten onder dak en toezicht worden gebracht, de verwoeste bruggen moesten hersteld worden, voor de menschen uit de verbrande huizen moesten hutten worden ingericht. Als Peter uit de verte dikwijls heenkeek naar het blinkende dak van zijn herberg, dan dacht hij: zij staan onder Gods hoede en hier ben ik meer noodig dan daar.

Frans Schockel van Zeilach was eveneens tegenwoordig maar erg vermoeid en moedeloos, wat anders niet lag in den aard van den flinken vierkanten man. Hij was weg geweest om Oostenrijkers te zoeken en had er geen gevonden. Hij

ocr page 135

131

had het halve Puscerdal doorgeloopen tot Toblach toe. In Weliberg had men hem gezegd, dat de Oostenrijksche generaal Castelier in Lienz en Silian reeds kwartier had besteld, maar in Villach was 't ook prettig en de Villacher vrouwen wilden hem niet loslaten. Daarentegen had hij onderweg van anderen gehoord, dat de Brünecker belastinggaarder weer in het land was.

„Dèn Kulber?quot; vroegen verschillende stemmen tegelijk. „Die is immers naar Salzburg en Stier vertrokken, om hulp te zoeken!quot;

„Hij is al weer terug.quot;

„Wat zou hij uitgevoerd hebben?quot;

„Hij zal 't wel vertellen.quot;

„Er is ook verteld, dat hij naar Schatding bij Topan wil gaan, waar thans de hofschat uit Weenen moet bewaard worden. Hij wil geldrreester worden voor Tyrol.quot;

„Geen verwerpelijk werk,quot; zei de hutbewoner Thomas. „Met goud en zilver kan men een beetje gemoedelijker omgaan dan met kruid en lood. Zulke heeren kunnen er ankommen.quot;

„'t Is zóó gelegen,quot; viel Griesacher in, „als wij geen kruit hebben zijn wij verloren, en als wij geen geld hebben zijn wij ook verloren.quot;

De broederportier kwam binnen en berichtte, dat zooeven een Beiersche ruiter was komen aanrijden. De mannen stonden haastig van hunne plaatsen op.

„Zwaait hij een witte vlag?quot; vroeg de waard van „'t Kruis.quot;

„Zwaaien doet hij niet, maar hij stapt de trap op,quot; zei de portier.

„Die komt vrede aanbieden.quot;

„Laten we hem dien geven.quot;

„Als zij het land ruimen tot op den laatsten Beierschen hoefnagel toe, dan zullen wij hun dien geven, anders niet.quot;

Dat woord sprak Peter Mayr.

De deur sprong los en haastig trad de Beiersche ruiter

ocr page 136

132

binnen. Somber keken de mannen hem aan, en hij, de armen uitbreidende riep: „nou?quot;

„Kulber!quot; riepen ze luid.

„Sepp Kulber, de belastinggaarder van Brüneck,quot; zei de aangekomene, „ja, inderdaad, daar ben ik terug.quot;

„En hoe kom je in dat vel?quot; vroeg de waard uit f,'t Kruisquot; te Brixen.quot;

Kulber schoof met zijn vinger op de linkerborst een Beiersche medalje op zij, en toen zag men in de stof een gescheurde plek. „Zie je, door dit gat ben ik in de Beiersche monteering gekomen.quot;

„Hoe bedoel je dat?quot; vroeg de waard uit „het Kruis.quot;

„Laat ik het je vertellen, mannen,quot; antwoordde Kulber, zich neerzettend. „Je hebt 't toch gehoord van Pasz Strub. Daar ben ik geweest bij de groote schermutseling, 't Was echter reeds te laat. Er waren er van ons ook veel te weinig. Daar, bij het Strüshol zijn zij binnengekomen, met groote hoopen, als de sprinkhanen van koning Farao. Ik zit in een bosch en wacht op de achterhoede en zoek in de verte een vurige klepper voor mij uit. Terwijl het donker wordt en de vijand juist even stilhoudt bij eene drinkplaats, schiet ik hem van zijn paard. Daarop trek ik mijn Tyroler-kiel uit, sluip in de monteering van den ruiter, spring op zijn klepper en draaf, draaf de Beieren na, marcheer met hen mee, proviandeer, ben een Beiersche schobbejak geweest — twee dagen lang.quot;

„En niet ontmaskerd geworden? Dat is sterk.quot;

„Voor de Beieren,quot; ging Kulber voort, „ben ik niet bang geweest. Die verkeeren puur van begeerigheid naar overwinning en van hoogmoed in een bestendigen jubelroes, zoodat zij in 't geheel niets meer juist gezien en gehoord hebben. Maar voor de Tyrolerskogels heb ik in mijn Beierschen rok respect gehad. Door het geheele Achen- en Inndal tot Hall toe floot elk oogenblik van rots en uit struik een kogel. Dat zoo'n stuk losgaat op Beiersch doek, dat laat zich begrijpen, maar het zal voor de Tyrolsche huid, die er onder

ocr page 137

133

schuilt wel geen halt maken. Wel verplicht! niets op de wereld zoo gevaarlijk, dan tegenwoordig een Beier te wezen in Tyrol!quot;

Heel wonderlijk zag hij er uit tusschen de boeren en monniken, de kleine, bleeke, zwartoogige Kulber in de Beiersche uniform, die hem te groot was. De haastige, zenuwachtige bewegingen van de armen, van het hoofd, de naar alie kanten vonkenschietende oogen, het gansche wezelachtige, prikkelbare wezen van den man had juist niet veel wat aan een reus deed denken, maar verried een listig, hartstochtelijk gemoed. Er was een beetje Welsch bloed in den man, en toch, wie hem zag en hoorde moest zeggen; een geestdriftiger Tyroler dan Sepp Kulber is er niet. Menigmaal scheen het echter, of zijn haat tegen de Beieren grooter was dan zijn liefde voor Tyrolers. In vroeger tijd had hij in Beieren verkeerd, zou zich daar gemengd hebben in politieke twisten en deswege uit het land gezet zijn. Hij werd daarna belastinggaarder te Brüneck, als zoodanig weer door de Beieren afgezet, en sinds dien tijd wijdde hij zich geheel aan de bevrijding des lands. Menige gevaarlijke zending werd hem opgedragen, en ook thans kwam hij, zooals wij hoorden, van zoo eene terug.

„Drink eerst, en pak daarna je geld uit,quot; riep de waard uit „'t Kruisquot; hem toe.

„Welk geld?quot; vroeg Kulber.

„Dat je gehaald hebt van den Oostenrijkschen staatsschat te Scharding, je hebt toch een zak vol meegebracht?quot;

„Dat geld,quot; zei Kulber, „komt over Stiermarken en Karin-thieën binnen. Castelier zal het brengen met zijn regiment, in honderd zesendertig kisten.quot;

„Aan dat geld geloof ik niet recht,quot; zei de prior en schonk den beker van den aangekomene vol, „drink enkel wijn en spreek waarheid.quot;

Peter, de Mahrwaard, was bij Kulber geschoven en vroeg: „nou, hoe staat het aan de overzij?quot;

Hierop antwoordde Kulber: „inderdaad heel slim, mijn

ocr page 138

134

beste Mahrwaard! Buiten achter Innsbruck vervloekt slim. Allen met mekaar kun je 't je niet voorstellen hoe slim!quot;

„Je doet mij schrikken!quot;

„Meent niet, mannen, dat wij klaar zijn. Jullie met je overwinning hebt hun daarboven alle ongeluk toegeworpen. In Innsbruck heb ik mij opgehouden. Daar hebben ze bij mijn doormarsch juist Dittfurt doodgeschoten.

„Den generaal? Hoezee!quot;

„Die heeft lang genoeg kwaad gebrouwen.quot;

„Voor den krijgsraad?quot;

„Voor den volksraad. Midden in de stad, bij de brug, in het gevecht. Door drie kogels doorboord.quot;

„Hoezee, voor de Innsbruckers!quot;

„Ja, de Innsbruckers, die ging het nou slecht, als de ander er niet was. De Beieren en Frangosen vreezen den waard van „'t Zand.quot; Die rukt tegen de hoofdstad op als een Godsoordeel. Op den Brenner heb ik hem ontmoet met zijn mannen, 't Is een satansche hoop. Hij laat jullie groeten, de order komt morgen en je moet tot nader je gereed houden.quot;

„Dat zijn wij,quot; zei de Mahrwaard. „Ik drink je toe, Kulber, voor de goede boodschap!quot; En daarmeê dronk hij hem toe.

„Toedrinken moog je me, Mahrwaard,quot; zei Kulber, „maar ik heb nog niet gedaan.quot;

De mannen keken hem zwijgend aan.

Kulber ging voort: „dat bij Pasz Strub zooveel vijanden zijn binnengekomen, heb ik jullie gezegd.quot;

„Wij zullen hen met Gods hulp er weer uitkrijgen.quot;

„Heb je al eens iets van Etzel gehoord?quot; vroeg Kulber en keek met vlammende oogen in 't rond, „of iets van den boeddorstigen Soliman, hoe hij in Stiermarken en in Krain en in het Hongaarsche land is te werk gegaan? Mannen, ik zeg je, dat waren lobbessen, goedige lobbessen, in vergelijking met onze vijanden! — Van Pasz Strub tot aan de Inn staat geen dorp, dat niet gebrandschat werd, geen hoeve, die ongeschonden was. Heb je geen noorderlicht gezien 's nachts? Heere God, hoe hoog moeten de bergen zijn, die tusschen

ocr page 139

135

de Inn en de Eisack staan! Nachtenlang heeft men op alle wijzerplaten in het Achendal en in het beneden Inndal kunnen zien hoe laat het was. Geen overwinnend veldheer heeft nog zoovele en zoo groote vreugdevuren ontstoken, als deze dienders van Bonaparte. Waar die langs zijn getrokken, liggen thans roestbruine brandplaatsen. De dalen zijn als uitgestorven; wee hem, die niet vlood naar het hooggebergte.quot;

„Opgesloten?quot;

„Kinderwerk!quot;

„Neergesabeld!quot;

„Heilige God, als ze de weerloozen eenvoudig neergesabeld hadden, hoe grootmoedig zou dat zijn geweest, hoe barmhartig!quot;

„Ze hebben ze onteerd, doodgekitteld, het kind in het moederlijf gewurgd? Zou ik alles kunnen zeggen? Er moet iemand komen, die eers;; de taal vindt, geschikt om te verhalen, wat deze vijand heeft gedaan in ons Tyrol! Zij hebben de mannen bij de voeten aan de boomen gehangen, de vrouwen bij de hairen hoog aan de kerkmuren. In Rattenberg hebben ze een tienjarigen knaap naakt uitgekleed en op den tolboom gebonden — omdat de jongen toch graag schommelde. Bij Kitzbechel hebben ze een oude vrouw de tong uit den hals gerukt, omdat zij die brandstichters voor beulsknechten had uitgescholden. Bij Worgl hebben ze de handen van een voerman, die zijn vracht verdedigen wou, met een ijzeren pen op zijn hoofd vastgenageld —quot;

„Zwijg, schurk, die de menschheid lastert!quot; schreeuwde de Mahrwaard opspringend en de vuist ballend tegen den ver-haler. Deze zweeg en keek verbluft in 't rond, als vragend of hij zich zoo iets moest laten welgevallen.

„Als het waar is!quot; zei de waard van ,, 't Kruisquot; en vouwde de handen.

„Ook goed,quot; zei Kulber en deed alsof hij weg wou gaan.

De prior vatte zijne hand en zei: „zoo niet, zoo is 't niet gemeend. Je zegt wat gebeurd is, daarvoor ben je ginds geweest.quot;

ocr page 140

136

„En daarom heet je Kulber,quot; zei Griesacher sussend.

„Ik wil niet verder spreken,quot; bromde Kulber.

„Alsof je nog meer wist?quot; vroeg boer Rampe beangst.

„Je moet mij vergeven, vriend,quot; zei de Mahrwaard dringend, „kijk, ik wou alleen te kennen geven, dat 't hart me omdraaide in mijn lijf. Vertel in Godsnaam voort.quot;

Kulber verschoof den leuningstoel dat het kletterde, zette zich, dronk, stiet de kroes heftig op de tafel en voer daarop voort; „de stad Schwarz aan de Inn. —quot;

„Aha, Schwarz, dat is een mooie stad,quot; viel Thomas, de hutbewoner in, „ik ben er reeds eens geweest.quot;

„Zij bestaat niet meer,quot; zei Kulber, „twee dagen en drie nachten lang heeft zij gebrand.quot;

„De Beieren?quot;

„De brandhoop is een kerkhof. Velen liggen er onder begraven. En dan die gruwel in de oude, eerwaardige parochiekerk! Welke gruweldaden! In de nevenkapel is een heilige Magdalena, ze hebben op haar borsten geschoten, als op schijven. Onze lieve Vrouw op het hoogaltaar —quot;

Thans lei de prior de hand op den arm des vertellers en zei: Wees indachtig aan deze kloostermuren! Zoo iets hebben ze nog nooit vernomen en moeten zij ook nooit vernemen. Ik kan 't niet aanhooren, niet begrijpen. God de Heer heeft alles gezien! De almachtige rechter!quot;

Om die reden vertelde Kulber niet verder.

Doch nu boog Thomas zich met langen hals ver over de tafel en zei; „ik heb gehoord, dat in de Eisackkloof vijf Beieren gevangen genomen zijn.quot;

„'t Is zoo,quot; antwoordde de waard uit „'t Kruis.quot;

„Waar heb je ze dan?quot;

„Zij zitten in den stadskelder.quot;

„In den kelder der Beieren?quot;

„Op een droogje. Knollen en wortels, als ze toebijten willen.quot;

„Zoo, zoo.quot;

„Wat zei je Thomas?quot;

„Zoo, zoo, heb ik gezegd. Je mot ze niet laten verhon-

ocr page 141

137

geren. Ik meen, we moeten ze netjes sparen voor iets anders.quot;

,,Wat meen je dan, Thomas?quot;

„Ik denk aan dat, wat de belastinggaarder ons verteld heeft. Kameraden! Zullen wij Tyrolers thans niet een beetje voor God spelen?quot;

,,Ik begrijp je al,quot; knikte Kulber.

„Voor God spelen is niet gemakkelijk,quot; zei de Prior.

„Een klein stukje almacht zouden wij, denk ik, nou toch in de hand hebben. God zij geprezen!quot;

„Draai er nu niet omheen, Thomas, maar spreek!quot;

„Afbetaling houden!quot;

„Wraak nemen?quot;

Wraak nemen!quot; zei Thomas.

„Lang zul je leven, kerel!quot; riep Kulber hem toe en dronk.

Een, die tot hiertoe gezwegen had, de oude Stanker, begon thans met het hoofd heen en weer te schudden, waarbij hij in zijn kroes bromde; „goed, goed, die motten er voor boeten. Op die vijf Beieren leggen wij de boete, voor zoover er plaats is. Voor Schwarz levend braden; voor het schijfschieten met ossen vaneen scheuren — niks, niks. Men is er te dom toe. De mensch is te dom, zeg ik, om de martelingen uit te denken die bij dit geval passen.quot;

Thans richtte Peter zich op en zei tot Stanker: „leg er je bij neer, kameraad, zoo iets groots heeft de mensch nooit te berechten. Wij zijn te klein, om te beloonen, en zijn te klein, om te bestraffen. Wij zijn arme zondaars. La::n wij de wraak aan Hem, die de eeuwigheid bezit.quot;

„Mahrwaard, dat moge God je vergelden, dat is christelijk,quot; zei de Prior.

„En verder,quot; vervolgde Peter, „is het ook nog de vraag, of onze vijf Beieren verantwoordelijk zijn voor de wandaden der anderen? — Buiten in Krain huist, zooals men hoort, een schrikbarende moordenaar. Je hebt wel gehoord van dat beest, dat zelfs de graven omwoelt, om doode meisjes het hart uit de borst te snijden, 't Mot een geboren Tyroler zijn. Zijn wij andere Tyrolers verantwoordelijk voor dat ondier?

ocr page 142

138

Stanker, of jij, Thomas, laat je je hangen voor dien landman?quot;

„Wat wil je met de vijf gevangen Beieren doen?quot; vroeg Kulber hem, met moeite zijn zenuwen beheerschend.

„Ik weet een andere wraak. De vijf Beieren, die bij ons zitten, moeten zich schamen.quot;

„Wat motten ze? krijschte Kulber.

„Wij willen hen zóó behandelen, dat zij zich tot in hun botten schamen moeten voor ons Tyrolers, om zich zeiven en voor hun gansche vaderland, 't Zijn gevangen soldaten, wij onderhouden hen, zooals men bedelaars verzorgt, en bij het sluiten van den vrede leveren wij hen heelhuids uit, en dan zal Beieren daarover gaan nadenken. — Dat is mijn meening.quot;

„Dat klopt niet!quot; riep Thomas. „Peter, Peter, je bedoeling is goed, maar de Beieren zijn slecht. Het klopt niet.quot;

't Was een poosje stil, toen voegde de prior er aan toe: „'t Moet toch wel kloppen. Hoor jelui, op 't oogenblik luidt het twaalf, op dit oogenblik bidden duizend en nog eens duizend christenen: Onze Vader vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven . . .quot;

Stil baden zij. Later bij het naar huis gaan bromde Kulber tegen zijn geestverwant Thomas: „'t is mooi praten en gemakkelijk vergeven, als je zelf niets overkomen is en je niks gezien hebt.quot;

„Dat zeg ik ook,quot; fluisterde Thomas.

„Voor de grap zou ik toch graag een aantal stevige knapen bijeen zoeken, die ons helpen om deze Beieren te middernacht aan het keldervenster uit te hangen. Wij van de Eisack zullen toch de lui in het Zillerdal en de stad Schwartz begraven motten. Ik wil er voor zorgen.quot;

ocr page 143

139

OM GODSWIL, ZWAGER, JE BRENGT HEM TOCH MEE.

Dagen lang waren zij in het Brixendal van huis tot huis gegaan, de belastinggaarder Kulber en Peter, de Mahrwaard. Kulber had overal verteld de gruweldaden des vijands en gesproken van de aanstaande komst der Oostenrijkers. „Die Oostenrijkers hebben bij Salzburg een groote overwinning behaald. De groote keizerlijke armee staat reeds bij Lienz ter hulpe van Tyrol!quot; Zulke tijdingen verspreidde Kulber.

Peter keek hem daarbij dikwijls aan en vroeg: „Ben je wel bij je verstand? 't Is immers niet waar!quot;

„Bij ons verstand motten we allen wezen,quot; antwoordde dan de ander, „wij motten de lui anporren, anders slapen zij in. Wij motten hun moed inpompen. Weet jij iets anders? Wees blij dat ik ploeg, als jij zaaien wilt.quot;

Dit laatste was zóó bedoeld, dat Kulber de harten ontsluiten wou voor de beden van den Mahrwaard. Deze ging van huis tot huis, om levensmiddelen, kleeren, wapens en ook geld bijeen te brengen voor beroofden, verongelukten en voor komende dagen. Hij had geluk, en zware wagens kraakten langs de wegen, vele naar geheime magazijnen in verstolen berghoeken in den donkeren nacht.

Eerst toen dit alles in vollen gang was, kon Peter denken aan terugkeer naar zijn huis aan de Mahr. Toen ging hij bij drukkende zonnehitte den straatweg langs naar zijn huis. Over de gansche streek lag de rust na den storm. Was het de rust des vredes, of was het de rust der afmatting? De enkele Beiersche beambten, die nog gebleven waren, ver-

ocr page 144

HO

richtten hun werk en deden, alsof niets geschied was. Toch waren zij werkelijk vriendelijker en inschikkelijker, en gaven geen bevelen, die de bevolking prikkelen konden. Onder de aanvoerders der bevolking was afgesproken, dat in de voorgeschreven ambtszaken niemand zich daartegen verzetten zou, men moest niet van onderen op maar boven af naar verandering streven. En als eerst de kampvechters in het gansche land met het geweer de beslissing hadden gebracht, dan zouden de politieke lui wel omzwenken.

Aan die dingen dacht Peter, toen hij met weitasch en geweer daar heenliep door het dal, om eindelijk zijne familie weer te zien en na zulke woeste dagen weer eens te rusten in den vréde van zijn huis. Reeds van verre zag hij den gevel van zijn huis oprijzen tegen den rooden bergwand. Toen hij, van den straatweg afbuigend, het voetpad over de groene weide insloeg, kwam hem zijn zwager Augustijn tegen. Die had thans alles wat aan een soldaat deed denken weer afgelegd en ging weer in het eenvoudig gewaad van den priester.

Peter schudde hem de hand en vroeg of thuis alles goed was.

„Zoo goed, dat, als je er een kwade vrouw hadt, zij je aan 't verstand zou brengen, dat je nog wel kondt wegblijven, dat in een ordentelijke huishouding de man overbodig is,quot; zei Augustijn op opgewekten toon. „Maar de uwe,quot; voegde hij er bij, „kijkt sinds drie dagen elke minuut het venster uit of je eindelijk kwam ?quot;

„Hoe dat zoo? Heeft z'r een te weinig?quot; vroeg Peter vroolijk.

Augustijn keek den straatweg langs en zei: „is hij nog achter? Op een wagen? Of in de stad?quot;

„Wie?quot;

„Wel, Hans.quot;

„Onze Hans? Hoe zoo?quot;

„Om Gods wil zwager, je brengt hem toch mee?quot;

„Over wien spreek je?quot; vroeg Peter en zijn adem trilde in

ocr page 145

141

zijn keel.

Augustijn bleef nog staan, hield hem bij de hand en zei: ,,o. Peter, als je terug kwaamt zonder den knaap! Als er een ongeluk gebeurd was! Die arme Notburga! Ik zou 't niet kunnen aanzien Iquot;

„Hans is toch thuis!quot; antwoordde Peter, „sinds dagen t'huis. Je weet het toch zelf, hoe ik hem naar huis gestuurd heb.quot;

Augustijn antwoordde: „dan zul je schrikken. De jongen is niet naar huis gekomen.quot;

Toen keek de Mahrwaard sprakeloos voor zich uit.

„Ik heb reeds overal naar hem rondgevraagd en niets vernomen,quot; berichtte Augustijn. „Het heette, dat hij bij jou zou zijn, en de rietsnijder von Ginggen heeft het mij voor zeker verteld, dat hij bij je was geweest in Mühlbach en ook in de stad.quot;

„En het kind was niet thuis?quot; zei Peter naar adem snakkend. Thans kwam ook reeds vrouw Notburga haastig aanvliegen, beide armen uitstrekkend naar hem.

„Peter!quot; jubelde zij hem tegemoet. „Nou krijg je er een. Maar nou een smok die klapt, jou beste brave vent!quot; En ze omarmde hem en pakte hem en kuste hem en lachte er bij en schreide.

Hij, kalm en ernstig, zooals het naar huis keerende strijders past, gaf haar den arm en geleidde haar naar huis. Maar vrouw Notburga draaide telkens het hoofd en keek om, werd onrustig en vroeg eindelijk: „en, Hansje?quot;

„Die — die is er nog niet,quot; antwoordde Peter. Zij kreeg een schok, zij begreep niet recht of dat een antwoord was dan wel een vraag. „Is er nog niet!quot; — Augustijn kwam achteraan en zei niets.

Vrouw Notburga bleef staan, keek haar man strak in 't gezicht en vroeg: „Waar is de knaap?quot;

„— Notburga, dat kon ik jou vragen; heb ik 'm niet bij je thuis gelaten?quot; — Dat zeggen kwam hem in de gedachte; dat hartelooze, onredelijke woord. Hij sprak het echter niet uit.

„Je weet toch, dat hij mij ontloopen is,quot; zei ze, „hij is je

ocr page 146

142

nageloopen, dat weet je toch. Maar, Peter, ik bid je, Hans is toch bij jou?quot;

Hij zag het beven van angst zijner vrouw, hij zag, hoe ze met krijtbleek gezicht en gevouwen handen voor hem stond, alsof zij bad om haar kind. Toen werd 't hem bang te moede, en zei hij: „als hij niet reeds vooruit is, zal hij nakomen. Hij zal in de stad vertoeven met speelmakkers. Ik wil dadelijk omkeeren en hem zoeken.quot;

„Maar als dat zoo is, dan komt hij wel!quot; riep ze, ,,ga maar naar binnen, ga maar in huis, man, je moet wat eten.quot;

Nu kwam ook de kleine Marianne er bij, zij omvatte zijn knie en riep: „Vader! Vader! Vader! Heb je ze geschoten? Heeft Hans er ook een geschoten? Zijn ze allen dood?quot;

En in de kamer greep hij den kleinen Peter uit de wieg; deze schreeuwde wel, van 't plotselinge schrikkend, maar het hielp hem niets, zijn vader drukte hem echt vandaalsch tegen de borst, kuste hem van boven tot onder, wreef zijn baard tegen het teere wangetje en in het witte ponnetje; men kon het niet beter uitdrukken dan zóó: zijn hart was losgebroken van den ketting waaraan hij het zoo angstig vastgelegd had. Maar daarna wenkte hij, dat allen zouden heengaan — hij wilde alleen zijn.

Toen hij alleen was, liep hij het vertrek op en neer, keek alle wanden van het huis aan, alsof hij vragen wou waar is de knaap ? Hij ging staan voor het beeld der Moeder Gods en zei: „Heiligste Moeder van Jezus, bid voor ons ! Hem zal toch geen ongeluk overkomen zijn. In de huizen, waar ik geweest ben, heb ik niets van hem gehoord. Ah ja, de waard uit „'t Kruisquot; zal het wel weten. In handen van den vijand gevallen? Hij niet, hem snappen ze niet. Natuurlijk zouden zij zich wreken op het onschuldige kind. Als zij 't maar eerst hadden! Heeft de belastinggaarder ook niet zoo iets verteld ? In Rattenberg hadden zij een tienjarigen knaap naakt en bloot op den tolboom gehangen. Rattenberg dat is ver van hier. Waarom zou hij juist naar Rattenberg loopen! Er zijn meer tienjarige knapen. De bengel, als hij thuis komt! Hij durft niet goed 't huis komen, natuurlijk. Weet hij dan zoo zeker, dat hij

ocr page 147

143

zal gestraft worden? Weet hij het dan zoo zeker? De waard uit „'t Kruisquot; heeft, bij dat gevecht, reeds zoo partij voor hem getrokken. Hem wil ik het ook zeggen! Wat heeft hij noodig mijn kind te verbergen! — Zalige maagd Maria! laat mij niet zoo in angst blijven!quot;

't Was een wonderlijk gebed, dat de Mahrwaard richtte tot het Moedergodsbeeld. Daarop trok hij de juchtleeren laarzen aan, die hij zoo even pas had uitgetrokken. Hij nam mantel en hoed weer van den muur en ook het geweer. Vervolgens sloop hij naar de achterdeur, hij wou stil daardoor weggaan naar zijn vrienden te Brixen. Bij den Waard in „'t Kruisquot; zou alles opgehelderd worden.

Van den hof uit ging hij nog den stal in, waar Hanna bezig was met de koeien.

„Hanne,quot; zoo sprak hij haar aan, „je bent immers ook boven geweest.quot;

Ze begreep dadelijk, wat hij bedoelde, en gaf ten antwoord: „dat most ik wel, wat dacht je dan, waard? Als ze plan hadden de kerk te plunderen.quot;

„Je hebt braaf gehandeld,quot; zei Peter. „Je weet misschien niks van kleine Hans?quot;

„Mijn God, wat zou ik dan van 'm weten?quot;

„Hanne,quot; zei hij, „ais de vrouw naar me vragen mocht, zeg dan dat ik ijlings weer naar de stad moest.quot;

„Ik kan 't wel denken, je gaat den knaap zoeken,quot; hernam de jonge meid. „Je mot 't me niet kwalijk nemen, maar ik heb me erg verwonderd over 't geen je gezegd hebt. In aanmerking genomen wat je zelf uitvoert, ben je voor den kleinen Hans bijna te streng.quot;

„Wat zeg je?quot;

„Nou kun je je zelf ook wegsturen, waard.quot;

„Hanne, wat praat je raar!quot;

„Je hebt den kleinen weggejaagd, omdat hij de Beieren heeft voorgejokt. Nou ga je zelf heen en jokt de vrouw wat voor.quot;

Een kartets, naast den Mahrwaard ingeslagen, had hem niet

ocr page 148

144

zoo kunnen doen schrikken, als dat woord der eenvoudige meid.

„Je weet heel goed,quot; ging ze voort, „dat de knaap thans niet met speelkameraden aan den gang is in de stad. Een zoo schrander kind, dat zoo an vader en moeder hangt, zal dagen lang niet met speelkameraden omboemelen! Kun je denken! Daar is heel iets anders. God behoede ons. 't Is mij al eer heelemaal niet naar den zin geweest, dat ie niet t huis komt. Je hebt gelijk, waard, ga maar zoeken. Neem anderen daarenboven mee. Als ik klaar ben in den stal, kom ik ook achterna. — 't Is toch bespottelijk, nou jaagt ie met de Beieren ook zijn bloedeigen kind.quot;

Peter waggelde langs den rotswand heen naar den straatweg toe. Thans had hij wat te denken. — Ja, zoo gaat 'tl De mensch moest nederig zijn. Wee hem, dien God bij het woord neemt!

Zijn eerste gang in Brixen was naar den waard in „'t Kruis,quot; die in zijn kamer sliep. Peter liet hem wekken.

„Wat is er?quot; riep de ander opschrikkend uit zijn slaap: „ben je daar al weer?quot;

„Kameraad,quot; zei Peter, „wees niét boos op me, dat ik je wakker schrikte. Ik weet me niet te helpen, mijn jonpen is niet thuis.quot;

„Je Hans?quot;

„Niet meer thuis gekommen sinds den slag.quot;

De waard uit „'t Kruisquot; hoorde er van op.

„Is hij toen, van Waldungen uit, niet met jou gegaan?quot; vroeg Peter.

„Hij is met mij gegaan tot aan de Eisackbrug,quot; vertelde de ander. „Daar heeft hij mij goejen nacht gezegd en hij wou den kortsten weg gaan. Ik heb 'm nog voorgesteld, dat ie met me zou gaan en in mijn huis slapen, waarop hij antwoordde dat ie niet moe was. Ik heb 'm toen ingescherpt, dat hij niet langs den straatweg most gaan, maar den landweg houden. Hij antwoordde dat hij niet bang was. Hij had in 't geheel onderweg geen tien woorden gesproken. Hij moet 't zich erg aangetrokken hebben, wat je tegen 'm gezegd

ocr page 149

145

hebt. Ik heb 'm nog willen opmonteren, maar toen lachte ie op 'n manier, die me niks beviel. Terwijl hij wegsnelde, dacht ik bij mezelf, dat zal wel om de moeder te doen zijn. En nou is hij daar niet? Is je dat ernst, Peter?quot;

„En anders weet je niks van 'm?quot; vroeg Peter dringend.

„Hoe zou ik anders nog iets van 'm weten ? Hij ging den veldweg langs, en ik zag hem door de duisternis weldra niet meer.

„Ze hebben m omgebracht,quot; zei de Mahrwaard.

„Jezus Maria, dat weet je?quot;

„Waarom heb je 't voor me verborgen?quot;

„Wie heeft 't je gezegd?quot;

„Ik kan 't wel denken.quot;

„O zoo, je denkt 't alleen maar!quot; schaterde de waard uit „'t Kruis.quot; „Loop heen: wat praatje? dat is zoo niet.quot;

„Of nog erger — gevangen!quot;

„Ook dat geloof ik niet,quot; antwoordde de waard uit „ t Kruis.quot; „Mij komt het waarschijnlijker voor, dat hij zelf een of ander ondernomen heeft. De jongen bezit eergevoel. Weet je nog, wat je hem gezegd hebt, toen — op de boschwei. Weet je 't nog. Mahrwaard?quot;

„Ik heb gevraagd, hoe hij zijn moeder dien angst kon bezorgen door weg te loopen!quot;

„Je heb 'm gezegd, dat hij moest weggaan, tot straf, omdat ie onwaarheid gesproken had. En eerst als ie iets moois gedaan had, mocht hij terugkomen. — Peter, misschien heeft ie dat onthouden.quot;

De Mahrwaard ademde ruimer. „Je brengt mij in de gedachte — ik had zoo iets gezegd? En je hergeeft mij thans het leven, kameraad. De knaap heeft raijn toornig woord ter harte genomen. Hij zal ergens in den omtrek ronddwalen en zich niet meer naar huis wagen. Hij is zoo kinderlijk. Maar dien troost smaak ik thans, dat hij niet in de macht des vijands is. God zij lof en dank! Iets flinks doen! Iets waarlijk moois doen! Ben ik werkelijk zoo hard geweest, kérel?quot;

„Je bent erg hard geweest. Ik heb niet begrepen, hoe je zoo wezen kunt tegen den jongen.quot;

Peter Mayr 1°

ocr page 150

146

„Wacht maar, hij zal nog tevreden over me zijn,quot; antwoordde Peter neerslachtig, „'t Is toch waar, ik ben hard geweest. Als hij nu maar niet ziek wordt zoo in de open lucht. De nachten zijn al koel. — Zeg, vrind, je zult wel zoo goed zijn en staat me een paar knechten af om mij te helpen zoeken.quot;

Onder dit gesprek was de waard van „'t Kruisquot; opgestaan en had hij zich aangekleed. Thans nam hij stok en geweer en zei; „kom. Peter, we gaan.quot;

Toen het des avonds donker werd, was half Brixen opgeroepen, en ook de bewoners der omliggende hoeven en dorpen, om den knaap te zoeken. Want spoedig was het bekend in de streek: bij den Mahrwaard een kind weg! Niet gestorven, niet begraven — Verloren! Verloren! Wie dat begrijpen kan; een lief, levend kind verloren! — Honderd dooden, gevallen in den slag, lieten veel leed achter, maar dat is niets — niets is dat, ja zelfs goddelijke genade in vergelijking met de onmetelijke smart die er ligt in dat: zijn levend kind verloren te hebben! — In welke gevaren! In welke handen! — Moet ze niet krankzinnig worden, die arme vrouw Notburga?

Maar zij wist het nog niet.

Toen Peter zoo plotseling vertrokken was, had zij terstond gemerkt, dat er iets was. In 't bijzonder, dat er iets was met den knaap. Zij ging naar Augustijn. Deze was haar liefst uit den weg gegaan, maar reeds sprak zij hem aan: „broeder, je weet wat! Er is wat gebeurd! Mijn man is anders zoo niet. Ik smeek je, leg mij niet zoo vreeselijk op de pijnbank met je-mij-willen-sparen. Ik behoef niet ontzien te worden. Ik wil 't weten!quot;

„Je hebt dikwerf gezegd, zuster, dat kinderen eene sidderende vreugde zijn.quot;

„Ga je gang en probeer, wat een vrouw verdragen kan!quot; Bijna hard en toornig klonken die woorden.

Augustijn zei nu echter: „'t is misschien erger dan hij tegen jou bekend heeft, maar het is zeker niet zoo erg als jij je

ocr page 151

147

verbeeldt. — Die Hans ja — wij weten niet — sinds een paar dagen weten wij niet, waar hij is.quot;

„Daar heb je 't,quot; antwoordde ze. „Verloren geraakt. In dezen tijd. Meer is er niet noodig.quot; Heel kalm, haast angstig koel zei ze dat.

„Als je soms je man de schuld woudt geven!quot; hernam Augustijn, — „die gaat er zwaar genoeg onder gebukt, maar hij toont het enkel niet.quot;

„Ik geef niemand schuld. Alleen mij zelve. Hij heeft mij de kinderen toevertrouwd.quot;

„Hij is alleen weg en hij zal alleen terugkomen,quot; zei Augustijn, pogend haar gerust te stellen. „De Beieren! Lieve God, er zijn honderden kinderen, die rondzwalken op wegen en weiden. Hans heeft van z'n vader een strenge berisping gekregen en nou zal hij 't niet wagen om naar huis te kommen. Misschien is er ook een beetje koppigheid bij. Dat gaat voorbij en Zaterdag is hij vóór de vesper weer thuis. Je zult 't zien, zuster.quot;

Of hij zelf geloofde, wat hij daar zei? En of het noodig was haar te troosten? Vrouw Notburga was geheel zich zelve meester. Zij maakte in huis beschikkingen, droeg de verantwoordelijkheid voor het logement op aan de kelnerin Theresa, scherpte Hanna voorzichtigheid in met de twee kinderen, deze zelve beval zij in Gods hoede. Daarop liet zij door den eenigen knecht, die nog aanwezig was, het paard inspannen, en reed weg.

ocr page 152

148

HANNA, EEN GEHEIM: JE BEMINT ME!

In de herberg aan de Mahr ging het thans in het geheel niet vervelend toe. Er waren eenige vroolijke gezellen uit het gebergte, ook een paar Beiersche schrijvers uit Brixem.

Aanvankelijk verdroegen zij elkander tamelijk, want zij keken elkander niet aan. De bergherders spraken over berg-wild en schutterspret en dronken rooden wijn. De Beieren onderhielden zich heel bescheiden zachtjes over politieke aangelegenheden, en wie er in de bisschoppelijke residentie te Brixem hofhonden zou. Castelier of Levèvre, de generaal der Franschen. Ze dronken daarbij eveneens rooden wijn. Maar juist die gelijke smaak in rooden wijn leidde niet tot vereeniging, doch tot verdeeldheid. Want weldra begon die Tyroler wijn in een der berggezellen op de volgende manier te zingen:

O wee, o wee.

De Beiersche armee,

Is door de boeren verslagen.

En met muziek begraven,

O wee!

O jee, o jee,

Zij loopen als een ree.

Zij voelen zich in Tyrol niet thuis.

Zij loopen terug naar moeders huis,

O jee!quot;

Aanvankelijk deden de Beiersche schrijvers, alsof zij het

ocr page 153

149 _

niet hoorden en vingen ook aan, een liedje te jodelen, en wel heel onschuldig van „de drie gezellen, die over den Rhijn trokken.quot; Toen stampten de Tyrolers met hun zware schoenen wat sterker op den vloer. Daarbij raakte er een aan het eksteroog van een schrijver. Auwee! voelde de Beier, maar riep het niet uit, drukte enkel zijn hoed op zijn voorhoofd en dronk wijn. De Tyroler roode is er een, die het met zijn vereerders niet kwaad meent, ook al is hij een Beier, en zoo duurde het niet lang of de Beier zag alles dubbel. En daar hij nu dacht, dat er in plaats van twee Beieren vier hunner aanwezig waren en zij 't met hun vieren er op konden wagen, begon ook hij stemming te maken. De eene partij zoowel als de andere gaf over en weer steken onder water, de oogen schoten steeds feller bliksemstralen, de gezichten werden aldoor rooder, de voorhoofdsaderen werden al dikker, de armen trokken al driftiger, de halzen strekten zich steeds langer vooruit over de tafel, en zoo volgde van zelf, dat ze tegen elkander sloegen — met vuisten en kannen; toen de mooie woorden ophielden, begonnen de daden en vielen de slagen schier geluidloos en heel regelmatig op koppen en ruggen neer, zoodat zij die buiten voorbij gingen hoogstens door het dof alarm op de gedachte komen konden, dat er in de gelagkamer bij den waard aan de Mahr een weefstoel geraas maakte. Doch wat daar geweven werd was de kelnerin Therese niet fijn genoeg, met een schelle angstkreet riep zij alle heiligen om hulp. Deze schenen zich echter in politiezaken niet te willen mengen en lieten ze kalm kloppen. Maar toen een der schrijvers het mes uit zijn zak trok, gilde de kelnerin den stal in: „Hanna, Hanna.quot; En het duurde niet lang, of daar stond Hanna midden in 't vertrek met de drie-tandige stalvork op de hoogte van halfmesten in de handen.

„Hou, sakra!quot; riep ze, met bijna volle mannelijke stem en ferm, „en wie nog een vinger verroert, tegen den ander, dien steek ik neer; wie, is me eenerlei!quot;

„Heisa, dat is zoowaar de heilige met de mestvork,quot; spotte de schrijver. In een oogenblik stak zij hem den hoed van

ocr page 154

150

het hoofd en slingerde dien met de vork de deur uit, „Nog één woord, vlegel, en je vliegt net zoo hem achterna.quot;

De schrijver had niets bijzonders meer te zeggen. Zij gingen stil zitten en fluisterden. Spot- en schimpwoorden fluisterden ze, maar niet zoo luid, dat ze konden verstaan worden.

„Wie 't niet naar den zin is, die kan 't zeggen!quot; riep Hanna. „Er wordt niks meer geschonken, je hebt genoeg gezopen. Allo, de deur uit!quot;

Zonder verzet stonden ze op en vertrokken, de Tyrolers met de Beieren. Hanna versperde alle deuren, keek naar de slapende kinderen en of de vrouw, aan wie de zorg er voor opgedragen was, haar taak behoorlijk waarnam, en ginq toen ook slapen.

Wat de bergherdergezellen deden, kan men denken. Zij gingen huns weegs en lachten. De beide schrijvers voerden op hun breeden straatweg het volgende gesprek:

„Nou eerst zit 't mij dwars in de maag.quot;

„Bij mijn ziel, mij ook.quot;

„Zich door een vrouwspersoon bang te laten maken!quot;

„}a, die furie steekt je overhoop als een slagersknecht het kalf.quot;

,, t Is mij ijskoud over den rug gegaan, zooals die mij aankeek. Een afschuwelijk vrouwspersoon is 't.quot;

„Boven in Spinges mot ze alleen de kerk verdedigd hebben, heel alleen tegen de Franschen.quot;

„Van iemand, die er zoo uit ziet als deze, geloof ik 't.quot;

„Voor haar uitzicht zou ik niet schrikken. Maar de vork!quot;

„Als 't zoover gekomen is dat staldeerns met de vork uitgaan!quot;

„Vrind, ik zeg je da 'k 'r genoeg van heb. 't Is niks prettig meer in Tyrol.quot;

„'t Zijn woeste lui!quot;

„Maar recht hebben ze____quot;

Na eenige oogenblikken fluisterde de ander: „dat zeg je daar zoo maar? Pas op, vrind, dat mag men enkel denken, niet zeggen.quot;

ocr page 155

151

,.Pas op, men zal 't gauw ook zeggen mogen.quot;

Verder spraken ze niet en drentelden lusteloos voort. Na een poosje vingen ze weer aan:

„Toch eigenlijk een verraderlijke bende. Altoos alleen uit hinderlagen te schieten.quot;

„Hoe moeten ze het dan doen? Die handvol boeren in het open veld tegen dien Bonaparte!quot;

„De duivel most 'm halen!quot;

„Wien? dèn — ?quot;

„Den grooten! Een ongeluk is 't voor de geheele wereld, dat niemand de courage heeft? En dat trots de vele kogels, die tegenwoordig gegoten worden!quot;

„Zend jij 'r 'm een!quot;

„Ik hou niet van hangen.quot;

„'t Zou een heldendood zijn, lieve vrind!

„Die jou gegund wordt.quot;

„De heldendood? Vrind, ik hou ook niet van hangen.quot;

„Omdat wij laffe kerels zijn, allen met mekaar, daarom verdienen we hem, dien roover —quot;

Alzoo spraken met elkaar de Beiersche soldaten, 't Was een goede daad van de Eisack, dat hij zoo luid ruischte alsof hij waarschuwend zeggen wou „pst! pst!quot; — Zij gingen de brug over.

Den volgenden morgen, nog eer in St Jacob de Aveklok luidde, was Hanna de meid al weer in den stal; zij hing de handlantaarn met het brandend kaarsje er in aan den daarvoor bestemden haak, en daarop ging zij het voer voor de koeien in den trog doen. En toen het groene gras in den voerbak lag, werd het levend en begon het in vlokken tegen den zolder te vliegen, omhoog gegooid door twee menschelijke beenen. In den voerbak lag de knappe Toni.

Hanna verlangde scherp te weten wat hij daar te maken had!

„Niks,quot; antwoordde de knaap geeuwend, „ik zoek niks.quot;

„Een luilak ben je!quot; riep zij.

„Omdat ik in den nachtelijken slaaptijd te bed lig ? Maar deerne, kijk nou 's, zulke luilakken zijn er vele.quot;

ocr page 156

152

„Een manspersoon, die rondluierd, thans, nou er zooveel te doen is in de wereld.quot;

„Maar, mijn engel, ik zal toch ook wel eens een beetje durven rusten!quot;

„Ja, natuurlijk omdat jij je zoo hebt ingespannen bij den slag!quot;

„Dat zou 'k denken!quot; zei Toni vroolijk. „Anderen pochen al, als ze op één dag vijftig, zestig Franschen neerschieten. Wat mag ik dan wel doen, die er op één dag vele duizenden heb laten loopen!quot;

„Sta dan nou toch op, dat de koeien hun gras vreten kunnen.quot;

„Ja zoo, de koeien,quot; mompelde hij, „Hanna, ja de koeien. Je houdt van dat domme vee meer dan van den armen speelman.quot;

„'t Maakt zich in elk geval nuttiger.quot;

De knaap maakte een mismoedig gebaar en zei diep treurig: „Hanna, mijn ziel, o Hanna! Denk je dan aan niks? zooals ik nou hier in den trog lig, zal ik ook eens in de kist liggen. Later zal jj 't berouwen, dat je zoo hard geweest bent, later zu'j d'r om huilen. — Ja, ja, nou lach je nog, maar dan zul je huilen. Dan — loop heen,quot; hij richtte zich in den trog een weinig op. „Hanna, ik wil je wat zeggen. Nog dichter bij. Wat ik je te zeggen heb mot ik je in 't oor fluisteren, geen mensch mag het hooren, ook geen beest. Denk eens, Hanne, een geheim: jij, — jij bemint me____quot;

„Domheden!quot; riep zij uit.

„Dat kan wel zijn,quot; ging de knaap met de oogen pinkend voort: „heel dom wordt je, doordat je mij lief hebt. — Hanna, doe het laantaarndeurtje dicht, anders blaast de wind het licht uit. — Ja, wat wou ik ook zeggen? Je kunt doen wat je wilt, denken doe je toch aan niks anders dan an den muziekmaker Toni. Ben je bij 't vee, dan denk je altoos: als hij maar niet zoo lui was! Ben je boven bij Spinges, dan denk je: als die Toni nu ook maar dapper meeschoot, dan was 't uit met den vijand, uit en voorbij! Ben je an

ocr page 157

153

't eten, dan denk je: zou Toontje ook wat hebben? En als je slapen gaat, dan droom je: „die lieve Toni, als hij nou eens bij me was!quot;

„Hoe weet je dat dan?quot; voer zij heftig tegen hem uit.

„Dat is makkelijk genoeg,quot; gaf hij ten antwoord en lei zich weer om.

„Wie weet dat, brutale snaak?quot;

„Ik weet het van mijzelf.quot;

„Toni, je vergist je!quot; zei ze, en raapte de verstrooide voervlokken bijeen. „Graag lijden mag ik er al een. Ja, 't is waar, dat ik er een graag mag. Maar ik wil er een, die in den oorlog dapper schieten en in vrede vlijtig arbeiden kan!quot;

„Arbeiden!quot; riep de knaap. „Hanna, wat doe je me toch an te kommen met zulke gedachten ? Ik weet niet wat de lui toch altoos met hun arbeiden willen. Arbeiden is de meest nuttelooze bezigheid, die ik mij kan voorstellen. In den zomer houthakken, dat men er van zweeten, mot en in den winter hout verbranden, dat men er ook van zweeten mot. Wat heb je daaran? Zweeten mot je en anders niks. — Maar jij, Hanna,quot; voegde hij er bij, op het groenvoer wijzend: „geef de koe dan toch hooi in den bak, anders vreet ze me de bróek van 't lijf.quot;

„Hooi!quot; gilde het meisje, zoo schel alsof haar iets had gestoken, „hooi, zeit ie! Nou weet ie niet eens, wat hooi is. Dit is gras, meneer luilak, en geen hooi.quot;

„Gras of hooi, over zoo iets wil ik niet twisten. Dat is een discours voor 't vee.quot;

Hanna wist nou heelemaal niet of ze schreien zou van ergernis of lachen van plebder, dat dit wezen zoo lief was en zoo dom.

„Toni, je bent een deugniet!quot; riep zij boos: „ik pak je op van de schraag.quot;

Hij bleef echter rustig liggen en zei: „O mijn Hanna, wat me 't meest op de wereld verheugt is, dat je zoo goed voor me bent. Als jij zoo met me babbelt, kijk, dan ben ik als in den hemel. — Weet je, hoever ik 't brengen mocht? Weet je hoever?quot;

ocr page 158

154

„Je zou zeker koning van Tyrol willen worden,quot; spotte ze.

„Een Dörcherwagentje en een muilezeltje er voor, waarop men rijden kan. Een fijn bewerkte linnen kap er over. En onder die huif mijn Hanne, en kleine kinderen — een heele boel kleine kinderen. En ik ruiter op den muilezel, vroolijk met de citer, en overal voor de huizen een deuntje opspelen en er bij zingen. En „kreuzerquot; in den hoed, van rechts en van links en van boven. Deerne, dat zou een leventje zijn! — Zoo ver zou ik het willen brengen.quot;

Thans verloor zij haar geduld. „Schamen mot je je — bedeljongen!quot;

Hij hief zijn zwartlokkig hoofd bij dien uitroep op, keek haar met zijn groote frissche oogen trouwhartig aan en zei: „wat is er dan beters, dan bedelen? Wie wat krijgt, die kan er van leven, en wie wat geeft, die komt er voor in den hemel.quot;

„An mijn deur krijg je niks, denk daar om!quot; riep ze, „verhongeren mot je! sterven mot je!quot;

Hij zweeg een poos en zag haar knipoogend aan. Zij begon een gesprek met de koe, zette zich er onder op een melkbankje en begon te melken. Onderwijl zong hij aldus :

Wanneer ik eenmaal sterf, sterf, sterf.

Sla dan op mijn kist.

Dan sta ik weer op.

Ten allen tijd fideel, fideel.

Treurig zijn wil ik niet.

Neen, mijne ziel!

Ben ik eenmaal dood, dood, dood.

Dan motten Tyrolers mij dragen En daarbij op de cither slaan.

Ten allen tijd fideel, fideel.

Treurigheid mag ik niet.

Neen, mijne ziel!

ocr page 159

155

Het ruischen van de melk in den emmer werd langzamerhand een liefelijke begeleiding voor dat gezang en het is niet heelemaal onmogelijk, dat Hanna de spenen een beetje streek naar de maat van dat lied. Maar daarop gaf zij hem het volgende te hooren: „mijn God, Toni, je bent een slecht mensch! Hier in huis het grootste ongeluk, en jij zoo uitgelaten zingen.quot;

„Wat voor een ongeluk?quot; vroeg de knaap en richtte zich in den bak half op.

„Je weet er niks van, dat onze kleine jongen weggeraakt is ?quot;

„Hansje? Dat goudhartige ventje? Dat met het kogelronde gezichtje ?quot;

„De waard en de waardin zijn weg, alle menschen zijn weg, om hem te zoeken. God weet 't. Sinds het gevecht is hij niet meer 't huis gekommen. Bij de Beieren zeggen ze, of bij de Franschen. Gevangen, zeggen ze.quot;

Thans sprong Toni op eens met beide voeten tegelijk uit den bak. Schielijk rukte hij de lantaarn van den haak en lichtte er mee in alle hoeken.

„Wat wil je toch?quot; vroeg zij.

„Mijn geweer!quot;

„Pas op dat het je niet bijt!quot;

„Ah, daar staat 't. 't Is goed. God zij met je, Hanna 1quot;

Zonder een woord meer, de buis over de borst dichtgeknoopt, de vilthoed vol gaten op zijn hoofd geslagen, 't geweer over den schouder geworpen en — vort. — Hanna keek hem na en was totaal stijl van verbazing. — Wat 'n lieve kerel, dacht ze, maar werkelijk van Lotje getikt! Goddeloos van z'n zinnen! Maar is dat wonder ? Als 't iemand werkelijk altoos zoo heel anders gaat, als anderen, dan wordt hij zeker een heel andere, als anderen! Als 't recht was moest Toni niet op de wereld zijn. —

En terwijl ze daar op haar zitblokje zat en nadacht over de wonderlijke redeneeringen, die hij van daag tegen haar gehouden had, en over zijn jongensleven, zooals hij 't haar eens had verteld — vloeide onderwijl ongemerkt uit den emmer het lauwe witte melkstraaltje in het stroo.

ocr page 160

156

En als nu al de melk wegens Toni wegvloeit, kunnen wij toch zelf ook weten, hoe 't eigenlijk met dien jongen is. Hij moest in 't geheel niet op de wereld zijn, als 't recht was? Hoe zit dat toch ? Zijn wij anderen rechtens wel op de wereld ? Ik ken er menigeen, die daartegen in rechten opkomt. Omdat wij nu eenmaal zoover zijn, moet de geschiedenis van 't begin af v.erteld worden. Maar vooraf willen wij Hanna wekken uit hare droomerijen; Hanna, Hanna, de melk! Natuurlijk, je houdt in het geheel niet van 'm, hij is je geheel onverschillig, hij kon wat jou betreft verhongeren, dood gaan! — Hanna, de melk!

ZE WILDEN GEEN VROUW NEMEN DAT BELOOFDEN ZIJ DEN HEMELSCHEN VADER.

Heel achter in het Oetzdal, heel boven bij den gletscher, ligt het dorp Gurgl. De grootere boeren hadden daar van tijd tot tijd niet veel te kauwen, hoeveel minder dan nog de kleinen. 't Is een ramp, als in de familie verscheidene kinderen zijn. En er zijn altoos verscheidene. Dikwerf vergat het vaderland, dat kinderen vooral jongens, zijn grootste rijkdom Zijn. In tijden, zooals omstreeks het jaar 1809, dacht het er aan. Anders had men dat oude boerendorp Gurgl altoos stil laten liggen, heel achter in het hooggelegen dal, en de Gurglerkna-pen had men waarschijnlijk eveneens laten liggen, als zij v/aren blijven liggen. Doch deze zijn allen reeds voor zonsopgang op.

ocr page 161

157

om op hunne moerasvelden en tegen hunne berghellingen als echte Adamszonen in het zweet huns aanschijns naar het karige brood te graven.

Omdat de jongens van Gurgl echte Adamszonen waren, zaten de Eva's hun — wel niet in de ribben — maar toch in den kop, en uit die ruimte zijn zij nu eenmaal bezwaarlijk weg te krijgen. Zelden verging er een maand, dat niet een paartje heel bescheiden aanklopte bij den pastoor, met het vriendelijk verzoek, of hij hen gauw aan elkaar verbinden wou. De pastoor zag van den kant der kerk geen beletsel, moest ze nog prijzen, dat zij van den nood een deugd, van de liefde een sacrament wilden maken, en verbond ze in Godsnaam aan elkander. Maar als het dan met de maatschappelijke toestanden steeds slechter werd, als uit elk boerengoed op zonderlinge manier drie kleine goedjes waren geworden en uit elk oud paar drie paar jongen, of nog meer — begon het den goeden ouden pastoor bedenkelijk voor te komen.

En op zekeren dag na den catechismus, toen hij reeds het amen had uitgesproken, zei hij tot zijne gemeente nog het volgende: en thans heb ik waarlijk nog een zaak van belang, mijn geliefde kinderen. Het ligt mij al lang zwaar op 't hart, en ik moet het u toch eenmaal zeggen, hoe hard het mij ook valt. Kijk, je komt maar altoos door bij mij om het sacrament des huwelijks, en je hebt ook het recht daartoe, en het verheugt me, dat ge u eerzaam paren wilt, en ik geef er graag mijn zegen op. Maar dit kan ik je ook zeggen, volhouden daarmee gaat niet lang meer. Als wij ons zoo vlijtig vermenigvuldigen, ja mijn lieve menschen, dan zullen wij weldra niets meer te eten hebben. Overal zooveel kleine kinderen, dat men het kerkplein er mee kon plaveien. Maar zij komen in het geheel niet hier. Uit de Ringkloven komt sinds den herfst niemand meer in de kerk, wijl ze geen kleeren hebben om aan te trekken en zich thuis in hun stroonest moeten begraven. In Windwang zijn in de vorige week twee kleinen wurme aan uittering gestorven; de heelmeester zegt, dat ze te slecht gevoed zijn geworden. Men kan de ouders ook geen schuld geven, 't zijn allemaal

ocr page 162

158

bedelaars, sinds over de weiden de modderlawine neergestort is. Scharenslijpers Marie is met haar kinderen — ze heeft er al zeven — in het Inndal negotie gaan drijven, maar 't heeft haar niks ingebracht, ze heeft ze in vertwijfeling in het water willen werpen. De twee grootsten heb ik haar daarom afgenomen, men kan zoo iemand waarlijk niet vertrouwen. Zij is dikwijls erg verward. De knaapjes waren al wel te gebruiken om op het vee te passen, als iemand ze nemen wou.quot;

„Hemelsche goedheid!quot; riepen de boeren, „kinderen, wij hebben er zelf genoeg en meer dan wij gebruiken kunnen. Wij weten ons zeiven niet te helpen onder dien grooten zegen Gods.quot;

„Ik weet 't, ik weet 't,quot; zei de pastoor, „en toch komen ze telkens weer, de jongelui, ze willen trouwen. Ik bid je, 't is om gek te worden! Wat zal men zeggen, dat zij nu eenmaal naar raad niet luisteren! Vrij moeten ze hun geboorteland verlaten en in den vreemde een bestaan zoeken; er is geen menschen mogelijkheid dat het thuis verder zoo gaan kan, ik zeg 't je! Als we nog bij elkander konden gaan bedelen, maar dat gaat niet, want niemand heeft iets. En de arme kinderen, die de God van den hemel ons geeft, moeten bij ons in Gurgl omkomen en sterven, of in hun ziel verdorven worden, en wij zijn verantwoordelijk voor hun tijdelijk en eeuwig geluk. Lieve menschen, 't is een echt kruis!quot;

Terwijl hij zoo sprak, had de pastoor de handen gevouwen, de vingers in elkander geklemd, en de toehoorders uitten zuchten de een met den ander. Verder konden zij niets doen. Daarna stonden ze loom op en gingen knorrig naar huis. — Aldus was de toestand in menig hoogdal van Tyrol, in het jaar, voordat de vijand kwam.

Nu verder. Een gevolg van dezen Catechismus te Gurgl in het Oetzdal was, dat op eenige zondagen de jongelieden uit het dal te zamen kwamen en beraadslaagden. Maar niet in de herbergen maakten zij afspraak, doch in hunne hutten of op het open plein onder de uitbottende berkeboomen, want het was lente. Drie zonen van Haunnerhof, een overoud.

ocr page 163

159

vrij boerengoed, waren er bij: 't waren jongelingen van vierentwintig tot dertig jaar, stevig als pijnboomen, maar ook welbespraakt, daar zij vroeger de school hadden bezocht en reeds een beetje hadden rondgekeken in de „wereldquot;, zooals zij het Inndal en de Kintschgau en de Eisack-streek noemden. Om die reden was het dat hun woord gezag had bij de buren, hoe ongehoord ook was, wat zij zeiden.

Landverhuizen, zeiden die drie Haunnerjongens, niet, dan wilden zij liever in hun geboortedal nog eens zoo hard werken en nog eens zou zuinig leven. Trouwen wilden zij wel, maar was het, dat zij thuis geen familie konden onderhouden en dat hunne kinderen naar lichaam en ziel moesten te gronde gaan, dan wilden zij 't liever laten en niet trouwen. Om een vrouw wilden zij niet van vaderland verwisselen. In den jonggezellenstand wilden zij eerbaar leven en blijven op het plekje grond waar zij gelogen waren, en heel vlijtig zijn, totdat God betere tijden beschikte — dan was het immers nog vroeg genoeg.

Zoo spraken zij. Anderen waren eerst over dergelijke voornemens vertoornd. De Haunnerjongens lachten en lachten heel bitter, „'t Is ons waarlijk ook geen genot, dat het zoo is,quot; riepen zij, ,,en wie een beteren raad weet, die geve hem.quot;

Maar niemand gaf er een. Twee of drie trouwlustige knapen verklaarden zich voor landverhuizen, maar toen het er toe komen zou, meenden zij, dat het toch verstandiger was te blijven, en met de vrouwlui te wachten, tot het beter werd. Wat de meisjes er van gezegd hebben, zal men waarschijnlijk niet te weten komen, want het is den man, die deze geschiedenis vertellen moet, niet meegedeeld.

En op zekeren dag dan geschiedde er iets in het dorp Gurgl, zooals er nog nooit geschied was, sinds de wereld bestond.

In hun zondagskleeren waren zij verschenen, de onge-huwden van twintig, dertig tot vijftig jaren, ook nog ouderen. Op hun hooge spitshoeden hadden zij steenbreek- en wijn-ruitruikertjes; ze waren woordkarig en ernstig, alsof zij heden

ocr page 164

160

vonnis moesten vellen over leven en dood. Zoo traden zij paar aan paar voort, de plaats op naar de kerk; bijna vijandig marcheerden zij de vrouwlui voorbij, die bij den kerkhofmuur bijeenstonden en den onheilspellenden optocht beschouwden. En stram en trotsch gingen zij de poort binnen. Zij schreden voort tot bij het hoogaltaar en stelden zich daar op een rij. En toen de dienst geëindigd was en het orgeltje had opgehouden te blazen, ontvingen zij de Communie. Daarop hieven deze mannen, de een zooals de ander, hun rechterarm op en deden luide en eenstemmig eene gelofte. — Zij wilden in hun armoede hun woonplaats niet verlaten. Zoolang de slechte tijden duurden, wilden zij geen vrouw nemen, er geen aanzien, er geen aanroepen, er geen kennen. Daartoe waren zij besloten en dat beloofden zij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.

De pastoor stond in zijn kloosterhemd bij de treden van het altaar en zegende dit verbond, doch — zooals hij later bekende — met sidderen en beven.

Eenige vrouwen, die niet opgewonden wegliepen, maar nog in de kerkstoelen waren blijven zitten, schreiden in hare roode zakdoekjes, en of niet deze of gene op een bank zat, aan wie reeds was beloofd, wat hier aan het altaar zoo gruwelijk plechtig afgezworen werd, dat kon men niet te weten komen. Wel wilden enkelen er zich mee troosten, dat de slechte tijden wel gauw zouden ophouden, en dan verloor deze onbegrijpelijke belofte hare geldigheid. Maar er wordt ook verteld, dat de jonge dames van Gurgl zich ook verbonden hebben en gezworen: later als zij willen, zullen wij niet willen! Want zij voelden zich verraden en verloochend, onridderlijk teruggezet in dezer tijden nood.

Er was alzoo in dit hoogdal een groote tweespalt ontstaan tusschen de jongelingen en de jonge dochters, zoodat zij elkander niet zagen, veel minder samengingen. Onder de jonge mannen droeg niet een meer het roode koord om den hoed, dat een teeken van echtverbintenis was: ieder droeg driemaal om den hoed gewonden het groene koord, dat de

ocr page 165

161

jonggezellen aanwees. Evenzoo hadden de vrouwen geen roode maar groene boezelaarbanden, en zoo was er in Gurgl immer groen te vinden, zoowel in den winter als in den zomer, o£ anders gezegd in 't warme zuiden. In de huizen was het zoo geregeld, dat in de eenen enkel mannen, in de anderen enkel vrouwen woonden, en zoo hoog steeg de afkeer van elkaar, dat op de feestdagen der heiligen van het mannelijk geslacht het vrouwvolk niet in de kerk kwam, en omgekeerd het manvolk niet op de dagen der heilige vrouwen.

Wat de pastoor te Gurgl gevreesd had, gebeurde in lang niet. Geen onecht kind hield men meer ten doop. En zoo dacht hij; wat is dat toch braaf van mijn Gurglluidjes — heel heldhaftig braaf 1 Ik had het niet van hen gedacht, dat zij er toe in staat waren. Menigeen, die meent dat het zijn goed recht is om kir deren in de wereld te roepen, ook als hij ze niet voeden kan, kan daaraan een voorbeeld nemen. — Zoo dacht mijnheer de pastoor. Na eenige jaren was het reeds te merken, dat er minder verwaarloosde kinderen rondkropen in het dal en dat er nog minder op het kerkhof werden gebracht. De mannen schenen er ook heele-maal trotsch op te zijn en de vrouwen wachtten vergeefs op een ommekeer. Maar de pastoor zinspeelde, 't zij op den kansel, 't zij in den biechtstoel, er dikwerf op, en vroeg hoe het haar bekwam. Hij kon haar niet aanzien, ze waren loom, ernstig zooals anders, een beetje droef gestemd, en niet meer zoo heelemaal opgewekt als vroeger.

Maar nu gebeurde het, dat een jonge meid — een Italiaan-sche — in het huis van Unterhüber — de verbazing opwekte der menschen. Reeds sedert drie jaren was zij daar in dienst en in dien tijd niet weggeweest. Nu stond het zoo met haar, dat men van haar vertelde: men moest haar de strookrans op het hoofd zetten en ze met dat sieraad zondags door de kerk rondleiden. De dorpsrechter liet haar bij zich komen en deed haar ernstig de vraag, wie van de jonggezellen te Gurgl zijn belofte jegens haar verbroken had.

„Ja zeker, dat zou ik jou vertellen!quot; lachte de meid.

11

Peter Mayr

ocr page 166

162

En omdat zij hem zoo brutaal in het gezicht gekeken had, dreigde hij haar, dat hij haar in het lijkenhuis zou laten opsluiten. Instee van te lachen begon zij te schreien, maar hem, wiens naam de rechter weten wou, verried zij niet.

Toen vernam Ferdinand Wildauer, een jonge hutbewoner op den Wildwang, dat de dorpsrechter zijn zware hand leggen wou op Sanna en dat de toorn der gansche gemeente zich in een geweldige onweersbui samentrok boven de arme deerne, omdat zij niets verraden wou. Daarom ging hij hooghartig naar den rechter en zei, dat hij het was. — Meer behoefde hij niet te zeggen. De rechter zei daarop: „ik gun je niks slechts, Ferdinand, maar je zult met je achterste lang moeten zitten op de blaren, die je jezelven gebrand hebt.quot; Hij kende het harde boeresoort wel, dat daar op de ijsgrens groeide. In enkele dagen merkte Ferdinand het al, dat de buren zich van hem terugtrokken, niet meer met hem gemeenzaam omgingen onder 't werk en in gezelschap niet meer vroegen, hoe het hem ging, niet meer lachten als hij bij ontmoeting een zijner vroolijke grappen vertelde. Zij wie hij iets schuldig was, vorderden het op, zij wier hulp hij vroeg trokken de schouders op. Niemand verweet hem in het openbaar, dat hij zijn belofte geschonden had, ieder ging hem voorbij. Thans zag hij, dat hij alleen stond. Met zijn zaakje stond het buitendien slecht, de hut stond scheef door den wind en geen spijker in den wand behoorde hem meer toe. Werken en zaken doen was zijn sterke zijde nooit geweest. Omstreeks dezen tijd stierf zijn oude vader: de buren kwamen niet, om zooals gebruikelijk was bij het lijk te waken; zij weigerden de kist te dragen, zoodat Ferdinand die zelf op een slee naar het kerkhof trekken moest. Een paar oude vrouwen stonden bij het graf, anders was er niemand. Toen het graf was dichtgegooid, ging Ferdinand naar den pastoor en gaf deze te kennen, dat 't hem in het Oetzdal te koud geworden was, dat hij zijn bezit wou laten liggen en staan, zooals het lag en stond, dat hij Sanna wou meenemen en met haar in den vreemde trekken, dat hij echter vooraf nog.

ocr page 167

163

hier in de parochiekerk christelijk in den echt wenschte vereenigd te worden.

De pastoor dacht: „'t is jammer voor hem! 't Doet me leed om hem. Maar wat zal hij beginnen in zijn vervallen huisje, als niemand hem helpen wil! Meer dan te gronde gaan kan hij in de buitenwereld ook niet! En de trouwerij zal hij hebben, al was het mij liever geweest, dat hij ze eenige maanden vroeger verlangd had.quot;

Drie dagen later zijn zij vandaar vertrokken. Wat Ferdinand Wildauwer dragen kon van kleeren, huisraad en gereedschap, dat nam hij mee; over 't geen hij achterliet behoefde hij geen hartzeer te hebben. Wat Sanna in een bundeltje onder haar arm droeg, was al haar eigendom. Met die zaken wilden zij in den vreemde een nieuw leven beginnen. Een rood hondje kwispelstaartte hen beiden achterna, een ietwat schuftig on-diertje, Ferdinands laatste huisgenoot. Zijne hangende oorlappen leken franje, tengevolge van de toetakeling door 't bijten der buurhonden. Misschien had hij ook iets uitgevoerd, waarom zij hem niet wilden dulden in Gurgl. Aanvankelijk ging het vroolijk verder. Zi; hadden gehoord van Innsb ück, de mooie, groote stad, veel grooter dan Imst en Laudeck; daarom namen zij den weg naar Innsbrück. De straatweg was hobbelig, Ferdinant floot een deuntje.

Thuis te Gurgl werd terzelfdertijd weinig gefloten en in 't geheel niet gezongen, zoodat de pastoor eens tot zijn vriend, den hoefsmid-paardendokter, zei: „ik weet niet hoe vreemd ze mij voorkomen. Zoo la la.quot;

„Zij missen de muziek,quot; antwoordde de hoefsmid, „zij hebben al sinds langen tijd geen bruiloftsmarsch en geen bruidsdans meer gehoord. En als de Innster heeren bij ons soldaten lichten, dan schaam ik mij. Aan de overzij, in het Pitz-dal, in Stubai, in Passeijer de knapste landjagers, bij ons niks.quot;

„Hebben wij ook geen knapen!quot; riep de pastoor.

„Kijk hun eens in de oogen, pastoor. Mij bevalt het niemendal. Ik denk, je zult ondertusschen niet meer tegen den huwelijken staat prediken.quot; 55

ocr page 168

164

„O dokter, dat doe ik al lang niet meer!quot; zei de zielzorger, „ik zie dat zelf wel. De huwelijke staat werd gauw afgeschaft, daar gingen ze heel gauw toa over. Wij moeten omkeeren. Ook maatschappelijk ziet het er niet best uit, zooals het nu is. De armoede heeft ze ontmoedigd; niemand doet meer dan het strikt noodige. Menige goede akker ligt braak, van de weiden brengen zij de steenen niet meer weg. Hun boeltje willen zij verkoopen, kinderen heeft niemand. Om die reden streven zij niet meer. Vroeger wilden zij 't land uit omdat er te veel, thans niet omdat er te weinig kinderen zijn. Zonder kinderen geen liefde voor 't geboorteland, ik zie 't wel in, dokter.quot;

„Zoo krijgt Ferdinand Wildauer nog gelijk,quot; merkte de ander op.

„Ik durf niet neen zeggen,quot; antwoordde de pastoor. „Maar hij had motten kommen.quot;

„Wij motten hem een goed voorbeeld geven,quot; dacht de hoefsmid, „wij motten zelf trouwen.quot;

„Jij hebt 't al gedaan, dokter.quot;

„Maar jij nog niet, pastoor.quot;

„Spreken wij daar niet over.quot;

„ik wil toch een begin maken,quot; zei de smid. „Mijn zoon. Fransje, is in 't vorig jaar meester geworden. Die heeft al lang zin, maar heel in 't geheim, aan de deerne van Kogelbim. 'k Wil probeeren, dat ie me verlof komt vragen, en mij dan niet lang laten bidden. Jij kunt in den biechstoel een handje helpen, pastoor. Met Gods hulp komen we er wel weer boven op.quot;

Zoo spraken zij af. En zoo was er na langen stilstand weer een bruiloft in het Oetzdal. Bruidleider was de rechter, al het jonge volk was genoodigd, en zoo lustig ging 't er bij toe, dat de jonggezellen en de meisjes bij dozijnen het jawoord gaven.

Sinds dien ging het daar weer, zooals het overal gaat. Een frisch slag van menschen kwam er voor den dag, en als later de waard uit ,,'t Zandquot; te Passeyer kwam, om schutters te zoeken, vond hij ze nergers talrijker en nergens gezonder, dan te Gurgl, in het Oetzdal.

ocr page 169

165

Ferdinand Wildauer en zijn vrouw, Sanna, zijn niet weer teruggekomen. In een steengroeve bij Innsbrück kregen zij een klein kind. Zij lieten het doopen met den mooien naam Anton. Wanneer men dien Anton later vroeg, hoe hij zijn kindsheid en eerste jeugd had doorgebracht, wist hij veel potsierlijks te vertellen. Sinds een rotsblok zijn vader in de steengroeve beide armen verbrijzeld had, gaf 't niets dan muziek en nog eens muziek. Zijn vader kon zoo wondermooi fluiten, zijn moeder had dat ook geieerd, en zoo gingen zij nu in de wijde wereld rond en floten duetten voor de huisdeuren op allerlei wijzen. De kleine zamelde de kreutzers in. Er waren twee soorten van toehoorders, de eene lachte hen uit en gaf een kreutzer, de ander zuchtte over het jammerlijk schouwspel en gaf ook een kreutzer. Eenmaal hadden zij een luchtreis gemaakt door het Oetzdal naar boven tot in den uitersten uithoek. Gurgl stond nog, zooals het gestaan had. Ferdinand ging naar Windwang en stond daar lang voor een bruingerookt muurtje, waartegen roode vlier groeide. Daarop gtng hij weer weg. De kleine Anton zwalkte rond aan de beek, waar verscheidene knapen naar forellen hengelden, wou kennis met hen maken en zei, dat hij eigenlijk ook een Gurgler jongen was. Zij vroegen hem, hoe hij heette.

,,'k Heet Anton!quot; antwoordde hij.

Daarop riepen de knapen: „Antoni, Limoni, niks kon i, L ... . honi!quot; — pakten hem op en wierpen hem in de beek.

Met moeite kroop hij weer op het droge, schudde zich als een natte poedel en liep weg. Weldra kuierde het drietal weer weg, en dat was het bezoek aan hun oude woonplaats geweest. Omdat de knaap van het vaderlandsche water nog door en door nat was, hulde zijn vader hem 's nachts op zijn stalstroo in zijn eigen kleeren, want er streek door de voegen een koude luchtstroom. Doch dit was ook mis. 't Was bij Imst, dat zij Ferdinand den vader in 't ziekenhuis brachten. Moeder Sanna wou zonder hem niet vertrekken, zij bleef in den hof van het ziekenhuis en kloofde hout, opdat men haar zou dulden en toestaan, dat zij haar zieken

ocr page 170

166

man eenmaal daags zag. De kleine Toni — hij wou sinds het bad te Gurgl niet meer Anton heeten — hield zich veel in de katnev van den ouden portier op. Deze had een luit, kon daarop een beetje spelen en leerde die kunst aan den levendigen knaap. Toen de jongen al beter speelde dan de oude, zei deze: „een baas ben je,quot; trok hem bij het oor en schonk hem het instrument.

Toen de vader begraven was, trokken ze verder, de moeder en de zoon. Met het fluiten was 't bij haar gedaan. Uit den grooten wasgelen doek, dien zij om haar bovenlichaam geslagen had, keek een uitgemergeld gezicht met treurige oogen en witte tanden, die van dag tot dag al meer schenen te voorschijn te zwellen uit het wegslinkende vleesch. Toni speelde op de luit en zong er liederen bij, zooals hij ze van zijn vader geleerd had. Zoo gingen zij eenmaal bedelend over den Brenner en dan naar beneden in het Brixenerdal. Daar, op de steenen trap voor de St. Jacobskerk namen zij rust.

„Toontje,quot; zei de moeder tot den knaap, „wil je wel dat lied voor me zingen: „Nou ging ik henen naar de bron?quot;quot; De kleine zette zich op een berkestam, zoodat hij tegelijk kon schommelen, en begon met weeke stem de zeldzame wijs te zingen;

Nou ging ik henen naar de bron.

Dronk echter niet.

Ik zocht daar mijn heetgeliefden schat,

Vond 'm echter niet.

Daar liet ik toen mijn oogen bei'

Om en'om gaan.

Daar zag ik mijn heetgeliefden schat Bij 'n ander staan.

En bij een ander zien staan,

Ach, dat doet pijn.

Behoed' u God, heetgeliefde schat,

'k Mag d'uw' niet zijn.

ocr page 171

167

En onderwijl de knaap dit lied met de hoogst eigenaardige melodie gezongen had, was zijne moeder gestorven op de steenen treden voor de kerkdeur. Aan haar graf werd geen andere stem vernomen dan die van zijn luit en lied; „Nu behoede u God, heetgeliefde schat, u zie ik nooit weer.quot;

Te dien tijd was Toni omstreeks negen jaren oud. En alleen op de wijde wereld!

Alleen ? Hoezoo ? — Menschen genoeg, maar men moet bij hen bedelen.

En zoolang sloeg hij er zich door, bedelend, luierend en honger lijdend, tot hij geworden was de drieste knaap, die geen oorlogvoeren wou, maar hierdoor zijn moed bewees, dat hij om Hanna vrijde, en die thans ook Hanna in den steek gelaten had om op de zoek te gaan naar den vermisten zoon van den Mahrwaard.

WIJ HEBBEN JE NIET NOODIG!

Van hen, die waren uitgetrokken om den knaap te zoeken, kwamen den volgenden dag verscheidenen terug: zij hadden niets gevonden. Anderen keerden den tweeden dag naar huis terug: zij hadden niets gezien. Enkelen kwamen den derden dag en wisten te spreken van allerlei spoor en aanwijzing en vermoeden, waar de zoon van den Mahrwaard zich zou kunnen bevinden, maar eindelijk kwam het uit, dat ook deze niets wisten en heelemaal tevergeefs gedwaald hadder.

ocr page 172

168

Ook vrouw Notburga was weer thuis gekomen. Menigmaal was 't haar onderweg treurig te moede geweest, als zij dacht: terwijl je den eenen zoekt, gaan de anderen verloren. En als er dan menschen kwamen om haar te troosten, vonden zij, dat de waardin noch klaagde noch schreide. Als er sprake was van haar Hans, zei ze niets dan: ,,Zooals God wil!quot; 's Avonds, als alle werk was verricht, als zij met haar beide kinderen het heilige avondlied gezongen had: ,, drie engelen zongen een schoon gezang,quot; knielde zij nog met de kleine Marianne voor het huisaltaar neer en bad een „Onze Vaderquot; voor onzen lieven Hans, van wien wij niet weten, waar hij is of hij bij den grimmigen vijand zwaar moet lijden en stil schreien om vader en moeder, broertje en zusje, of dat zijn arm lief lichaampje verbrijzeld in een afgrond licht, of in den koelen grond slaapt en de onschuldige ziel bij Jezus Christus in den hemel is!quot;

Dergelijke gebeden baden zij tot hun eigen verdriet en tot hun eigen troost, en de kleine Marianne hief hare gevouwen handjes op en hare zachte geloovige oogjes naar het beeld Gods. En zelfs, als het gebed reeds lang uit was, knielde zij zoo nog lang na, bijna als in verrukking, en eenmaal lispelde het meisje in zulke oogenblikken de woorden: ,,ik heb de pilaren der aarde gegrondvest en de zon ontstoken in de oneindigheid des hemels. De storm, die rotsen scheurt, is mijn ademtocht, het ruischen der zee mijn lied. Ik heb de volkeren van den aardbol verwekt als bloemen in Mei; een gloeiende blik van mijn oog, en zij verdampen als dauw. Wat is uw lijden, menschenhart, bij het wee der wereld? Het is niets. Alleen het schreien der moeder om het kind roert mij. Ik kom tot u, vertrouw op mij, ik wil u helpen . . . .quot;

Zoo sprak het kind. Het lispelen ging over in fluisteren, het fluisteren in ademhalen, toen zonk het kopje voorover op de tafel en Marianne sluimerde.

Nog een, één enkele was nog uit op den zoek naar den knaap — Peter de waard. Hij ging bergop, dalaf, hij vroeg rond in alle huizen, hij steeg af in de kloven, hij doorzocht

ocr page 173

169

de wouden, hij waagde zich zelfs in vijandelijke kringen, die zich allengs weer merken lieten. Maar de knaap was nergens en niemand wist van hem af.

Op zekeren dag bevond Peter zich in de kloof bij Weid-bruch plotseling onder de Franschen. Hij begreep niet hoe dat kon. Doch hij deed alsof hij zonder erg was en besprak met een officier het verdwijnen van zijn zoon. De Franschman gaf hem het volgende bescheid: als het kind door Fransche soldaten werd gevonden, werd het zeker naar zijn vader gebracht, zonder dat hem een hair werd gekrenkt: hij gaf daarop parole d'honneur! Maar bij de eerste affaire de beste kreeg de Mahrwaard de heete kogel!

Toen Peter vrij van dien man weet zijns weegs ging, verwonderde hij zich daarover zeer. Was hij dan niet midden onder de Franschen geweest? Hadden zij hem dan niet herkend? Zijn zij dan niet woedend op den Tyroler hoofdman? En zij lieten hem vrij uitgaan. De ridderlijke officier had in hem niet den tegenstander maar den troosteloozen vader gezien. — 't Stemde den bezorgden Mahrwaard tot scherts, dat zulke mannen van eer de vijanden van zijn vaderland moesten zijn.

Eindelijk kwam ook Peter terug in zijn huis aan de Mahr, maar slechts om uit te rusten voor nieuwen strijd, die beloofde grooter te worden, dan de eerste aan den Eisack en den Rienz. De Beiersche regeering vereenigde hare troepen weer, maar bleef toch nog besluit-, wankel- en moedeloos, zij liet in dezen tijd een vleiende oproeping in Tyrol aanplakken, behelzende de vraag; wat de Tyrolers dan toch niet naar den zin was? Zij moesten het maar openhartig zeggen, dan zou men er gaarne aan te gemoet komen, men zou al hun billijke wenschen vervullen, men had achtig voor dit volk, dat zich van oudsher onderscheiden had door rechtschapenheid en trouw!

„]uist, omdat wij trouw zijn, op tegen de Beieren!quot; luidde als antwoord op die lokstem het stekelwoord door Kulber verbreid.

Hofer, de waard van „'t Zandquot; had, tweemaal op een dag.

ocr page 174

170

van den kant van den Brenner, een ijlbode gezonden, met de dringende aanmaning hem ter hulp te komen. In Innsbruck had de vijand zich onlangs genesteld, het gansche dal van de beneden-Inn wemelde van Beieren en Franschen. Maar van alle bergen en uit alle kloven kwamen de boeren en trokken zich te zamen om de voorgelegen hoogten van Innsbruck. De eindbeslissing was nabij, of de Tyrolers in de toekomst zonder God en Vaderland Beiersche knechten zouden zijn, of als vrije mannen leven wilden in hun eerwaardig stamland. Hun veldheer was de Heilige Maagd Maria.

Wat werd het daar opnieuw levendig in het dal van Brixen! Geweldiger dan de eerste maal golfde de beweging omhoog. De waard uit ,,'t Kruisquot; trok ras met een troep vrijwilligers langs den Eisack naar Sterzing. De Mahrwaard snelde naar de streek van den beneden-Eisack en naar het Grödnerdal, om strijders te werven. Vijandelijke soldaten zag men thans nergens, alles scheen zich bij de hoofdarmee aan te sluiten. Zelfs de Beiersche ambtenaren, die reeds in het geheim werkzaam waren geweest, om op het aanstaande feest van Maria Hemelvaart een groot Napoleonsfeest voor te bereiden, waren op eens verdwenen. Er gebeurde nog niets, maar 't was alles zoo vreemd, zoo ongehoord anders als anders. Het was, alsof 't geluid niet meer verstikte in de lucht, maar onverzwakt voortdrong in de verte, zoo hoorde en wist ieder op elke plaats een en hetzelfde en alles, 't Scheen, alsof de menschen vleugels hadden gekregen, zoo waren zij overal; en alsof hunne voorvaderen uit de graven opstonden, zoo talrijk waren zij. Onafgebroken stroomen van krijgers kwamen over van het Pusterdal, van beneden uit het Etshdal, van boven van den Ritten, uit alle de hooggelegen dalen. Jong en oud, gewapend met alle denkbare werktuigen en gereedschappen, met houweelen, hamers, spiesen, knotsen, vuurbaken, roestige zwaarden en blinkende zeisen, met zware stampers en ijzeren staven uit hoogovens en smederijen; ook werp- 'en slingerwerktuigen met pezen en bogen, niet onverdienstelijk bedacht. En over dit bewegen van gevederde hoeden en tegen elkander blikkerende wapens waaiden roode kerk-

ocr page 175

171

vaandels met in den wind fladderende franjes en linten. Pakken, manden, kruiken, zakken, bakken, vaten met levensmiddelen sleepten zij mee of lieten ze door ossen op boerenwagens, postkoetsen en houtkarren achterna brengen. Meer dan een had de mouwen van de lakenjas, die hij over den schouder hangend droeg, toegebonden en zoo voor zich zakken voor levensmiddelen gemaakt. Ook timmer- en smidsgereedschap, ladders, windassen en aambeelden werden meegesleept. Velen van de uittrekkenden reden op zware trekpaarden, anderen joegen achter kalveren, en al maar door brachten vrouwen uit de huizen dingen te voorschijn ter voeding en verweer.

Ook boer Rampe liet zijn vaandel wapperen, doch hij moest in huis nog iets in orde brengen. Hij begaf zich naar de herberg aan de Mahr en vroeg, is Peter er nog? — Neen, die was nog niet terug uit het Grödnerdal. — Hij, boer Rampe, wou goeden raad, hij wist zich zeiven niet te helpen. Hij had in den stadskelder tot heden de vijf gevangen Beieren te bewaren en te voeden gehad, wat zou hij thans met hen aanvangen? 't Werd steeds bezwaarlijker. Zoo dikwerf hij met zijne knechten hun kost naar binnen bracht, verzamelden zich voor de deur allerlei lui, met luid geschreeuw de uitlevering der gevangenen vroegen. In 't bijzonder de zwarte, de belastinggaarder te Bru-neck, die was zoo even op de steenen trap gesprongen en had een rede van brand en bloed gehouden; als elk der Beieren tien koppen had, moesten ze allen worden afgeslagen! Men sprak van het morgenrood der vrijheid; dat waren zoo van die ziellooze spreekwijzen; het echte Tyroler morgenrood der vrijheid was Beiersch bloed, dat den Eisach kleurt! — En de hoorders hadden die rede toegejuicht en als waanzin-ningen geschreeuwd, dat was goed gezegd, zoo moest geschieden. — Wat kon hij nu doen, om het oproer te dempen?

De zwager van den Mahrwaard, de priester Augustijn, was aanwezig. Die zei dat hij het probeeren zou. 't Zou wel niet naar Peters zin zijn.

Hij ging er heen, en toen er bij de eerstvolgende voedering weer veel volk bijeen was, sprak hij hun toe. Omdat

ocr page 176

172

er een beetje van den preektoon in zijn toespraak was, luisterden zij dadelijk. Vijandenbloed, zei hij, was iets heel kostbaars. Men mocht het niet verkwisten aan de eerste de beste opwelling, men moest eene feestelijke gelegenheid afwachten om het te offeren. Die gelegenheid zou spoedig komen, als de overwinnaars huiswaarts keerden. Dan moesten de gevangenen als een dankoffer voor de bevrijding van Tyrol worden ten dood gebracht.

Toen schreeuwde het volk weer, dat was goed gesproken zoo moest het gebeuren.

Als de overwinnaars huiswaarts keeren! Augustijn smeekte in zijn hart zijn God om vergiffenis voor het vermetele woord, waarmee hij de voorzienigheid vooruitliep. Als de overwinnaars naar huis keerden, dan mocht er geen wraak genomen worden, daarvoor zouden de waard van de Mahr, van „'t Kruisquot; en van „'t Zandquot; zorgen. Alzoo was er alweer een onwaarheid gezegd, die Peter zou veroordeeld hebben. Maar, zoo dacht broeder Augustijn, om een groote zonde te verhoeden, kan men wel een kleine begaan.

De Maria-Hemelvaartdag was aangebroken, het werd in de kerken en kloosters naar ouder gewoonte gevierd. De verbannen priesters waren grootendeels weer teruggekeerd, maar de Godshuizen waren leeg ; er waren te veel menschen naar den Brenner getrokken. Er was geen enkele diender, om bisschoppen en dekens te hinderen in de feestviering. „Maria, jonkvrouw rein in hoogen hemeltroon,quot; zongen de christelijke bidders, maar ditmaal kwamen zij niet in stemming. Hunne gedachten waren in de streken waarheen de mannen en jongelingen waren getrokken. Heel eigenaardige geruchten deden de ronde, bleven zelfs buiten de kerkdeuren niet, drongen naar binnen en van oor tot oor. Te Innsbruck op den berg Isel was het wereldgericht, 't Was geen slag, maar slachten. Op den Plosser kon men als de windrichting gunstig was de kanonnen hooren. God zij de stervenden genadig!

Ondertusschen was de Mahrwaard op en neer geklommen

ocr page 177

173

in berg en dal. In boerehoeven, in houthakkershuizen en vis-schershutten had hij ze aangesproken, zelfs in rustigen nacht de menschen gewekt en toegeroepen: „op mannen! 't Gaat er weer op los! Alles mot mee!quot; Velen herkenden hem reeds aan de stem : „Ah, 't is de Mahrwaard!quot; Dien man wilden zij gaarne volgen. Zij maakten zich gereed. Tot aan Sellajoch was Peter opgestegen. Daar vond hij tusschen de steile rotsen een menschenpaar, dat aan het graven van wortels was, met het ijzer daarvoor wroette tusschen het gesteente en daarbij weerkeerig elkander harde woorden vol schimp en hoon toewierp, 't Was de roodhairige kruidenzoeker Zanggl en zijn zwarthairige vrouw. De felste namen schoten haar in, 't was iets ongehoords, zooals dat wezen dien man moest haten. En toen Peter nu naar Zanggl ging en hem werven wou, begon dat wijf jammerlijk te klagen, en haar goeden man liet zij niet doodschieten. Zanggl moest lachen, en tot den Mahrwaard zei hij: „je kunt wel denken, hoe hard het mij valt om weg te gaan! Maar ik ben wel gewoon aan den vijand.quot; Hij gaf zijn vrouw een klappenden zoen, waarop hij haar lieten staan tussch de woeste bergen en ging: „Beierenschieten.quot; Toen zij reeds ver beneden waren, reeds bij de eerste huizen van Santa Maria, keek de kruidenzoeker eens om en maakte zachtjes de opmerking: „Als zij maar meegegaan was! Voor die had de Fransoos ook gesidderd en gebeefd.quot;

Ernstig en zwijgend was het afscheid van anderen. Velen kusten vrouw en kind niet, zeiden niet „God behoede u!quot; uit vrees dat ze week zouden worden. Alsof zij gingen boo-men vellen, zoo gingen zij weg en keken niet weer om.

Op den Maria-Hemelvaartsdag woonde de Mahrwaard in het kerkje te St. Peter de mis bij. 't Was zijn geboortedag; hij vierde dien tegelijk met Bonaparte. Zijn gebed was hartstochtelijK. Boven het altaar stond geschreven: „Heer, niet mijn wil, uw wil geschiede!quot; De Mahrwaard zag vluchtig dien text, maar keek er niet weer naar. God mocht eens willen, dat Tyrol weer Beiersch werd. De Tyroler wil dat

ocr page 178

174

niet. Liever sterven. „Heere God!quot; bad Peter, terwijl zijne opgeheven en gevouwen handen beefden, „om uw Naams wil, verlaat ons niet, help ons overwinnen, vernietig den vijand, aan onze zijde is het recht. O Heer der Heerscharen, ik bid u, verhoor mij om den wil van uw heilig kruis!quot; — Maar 't was geen gelukkig uur voor hem. Op eens schoot hem in: ook in Beieren zijn nog kerken, ook daar knielen soldaten, hunne vrouwen, hunne kinderen voor het altaar en richten tot den God der Heerscharen hetzelfde gebed: laat ons overwinnen, vernietig den vijand! — En zoowel daar als hier zijn zij des Heeren. — Schier moedeloos kwam de Mahrwaard het kerkje uit. Kort en stuursch riep hij zijne mannen, die rondom de herberg een weinig gerust hadden, toe, dat zij verder moesten.

Met een ijzersterken troep mannen, bereid alles te wagen, kwam de Mahrwaard in het Brixenerdal aan. Die uit het Grödnerdal zijn kerels als van staal en steen. In ijlmarschen wou hij met hen de hoofdstad ter hulp snellen. Aan de brug Mitterwald bereikte hem een snel rijdende bode van den waard uit „'t Zand.quot; c

„Is de Mahrwaard bij jelui?quot; riep deze den troep toe.

„Die staat hier, wat wil je van hem?quot; vroeg Peter.

„Je kunt omkeeren,quot; riep de bode. „'t Is uit. De ander laat zeggen: wij hebben je niet noodig.quot;

En weg sprong de bode op zijn snuivend ros.

ocr page 179

175

PETER JE MOT KOMMEN EN HELPEN ONS REGEEREN!

„Wij hebben je nietnoodig. 't Is uit!quot; Wat beteekent dat? Is alles verloren? Ofeengroote overwinning? Vredesluiting? Of enkel een trotsche weigering, omdat ze zoo laat komen ? Het Grödnerdal ligt ver af, zijn bergen zijn hoog. 't Was een barre marsch geweest voor den Mahrwaard. En thans afgewezen? — Na lang aarzelen, en nadat hij van eenige renboden hetzelfde had gehoord, keerde hij mismoedig om en terug naar de Mahr. Afgewezen bij de groote worsteling om het vaderland! Peter Mayr had er in deze dagen zeker nog geen voorgevoel van, dat hij met zich zeiven nog een veel geweldiger helden-strijd zou hebben te doorworstelen. .— Voor ditmaal was 't voorbij, maar zijn manschappen hield hij bijeen.

Daar kwamen de berichten al. De menschen waren schier buiten adem van vreugde. Zij wisten ongelooflijke dingen te berichten. Vol kracht en frischheid kwamen de meesten terug, vol vroolijkheid ook zulken, die verwonderd op hun stroobos in hun karren lagen. Peter keek er zoo wat onverschillig naar en luisterde, en als zij iets buitengewoon grootsch vertelden, meesmuilde hij; „en ik ben er niet bij geweest.quot;

Nauwelijks was hij alleen, of hij berispte zich zeiven wegens dergelijke gedachten. — Verheug u toch, zei hij zichzelven, dat het geschied is, zonder dat gij nog eenmaal je handen met bloed moest bezoedelen ! Of worden zegepralen behaald opdat de helden daarmeê kunnen pronken? Neen, om den wil des vaderlandsch worden zij bevochten en ieder moest zijn God ootmoedig danken, die zonder strijd den vrede wint.

ocr page 180

176

Vrouw Notburga lette op ieder woord, dat in de gelagkamer gesproken werd. Haar hart vloeide over van blijdschap, en toch snakte ze naar een boodschap, die niet kwam. Alles sprak van zegepraal en overwinning; van een knaap, die gevonden was en wellicht ook bij de helden was geweest, sprak niemand. De vreugde deelde zij eerlijk met allen, met haar leed moest zij alleen zien klaar te komen. De naam Hans kwam niet meer over hare lippen.

Drie naar Kiausen terugkeerende schutters liepen bij den Mahrwaard aan. De een had een verbonden arm. De ander een doorschoten hoed, de derde had niets dan een grooten dorst. Deze zei tot den waard, dat hij hem een brief moest overhandigen.

,,Aan wien?quot;

,,Aan den Mahrwaard Peter Mayr.quot;

,,Van waar?quot;

.,Uit Innsbruck.quot;

,,Dat verwonderd me,quot; zei Peter.

„Van den minister,quot; hernam de bode en haalde uit zijn borstzak langzaam en bedachtzaam een brief te voorschijn,

„Van den minister? Loop heen, fop je s'gelijken, alsof er te Innsbruck ministers waren!quot;

„Nou lees eerst maar eens.quot;

Het schrijven luidde duidelijk: „in handen van Peter Mayr, de waard aan de Mahr bij Brixen,quot; en was van Jozef Dör-ninger. — „Ah, Dörninger! Die laat ook eens van zich hooren! Die is thans te Innsbruck! Mag ik je wel een fooi geven?quot; vroeg de waard aan de drie mannen, terwijl ze naar binnen gingen.

„Nou ja! Een maat zal de brief wel waard zijn.quot;

Toen ze bij de tafel zaten en welgemoed den beker aanspraken, was Peter naar zijn kamer gegaan, om daar rustig den brief te lezen.

Hij luidde aldus:

ocr page 181

177

Waarde kameraad!

Je moogt mij wel voor ondankbaar houden, nu ik je sinds weken niet geschreven heb, niet sinds wij uit elkander gingen voor je huisdeur. En je hadt mij destijds in mijn verlegenheid toch zooveel goedheid bewezen als de eene broeder den andere niet bewijzen kan, ofschoon ik je vreemd was en je niet kondt weten met wien je te doen hadt.

Doch ik denk, dat je dat verzuim zult verontschuldigen, omdat je heel goed weet, dat het thans geen tijd is om te schrijven; wij hebben wel wat anders te doen. Maar nu moet het toch gebeuren, en ik wil je bedanken, beste Peter, zooals nog niemand tot Innsbruck toe en over den Brenner in je vriendelijk huisje aan de Mahr je bedankt heeft.

Vriend! Wie had dat gedacht! Nog heden kan ik het niet gelooven en ben bang van uur tot uur voor het plotseling ontwaken uit dien wonderlijken droom. Dat wij overwonnen hebben, zul je zeker wel gehoord hebben, zelf heb je daartoe sterk bijgedragen. Maar hoe groot de winst is, dat kun je nog niet weten, dat weten ook hier de minsten nog, en zelfs Andreas Hofer heeft er geen vermoeden van, wat hij heeft ten uitvoer gebracht, wat hij thans beteekent. Andreas Hofer! Deze naam staat met onuitwischbaar schrift te lezen in de bergen, zoolang er een Tyrol is, en een Tyrol zal er zijn, zoolang de wereld bestaat, dat kan men gerust zeggen na 't geen zijn volk heeft gedaan.

Den slag kan ik je niet beschrijven, die moet je je laten vertellen, in warme woorden door iemand die hem heeft bijgewoond, en die je in 't gezicht kan zien.

Peter Mayr.

12

ocr page 182

178

terwijl hij vertelt. Wel drie dagen heeft het geduurd Half Tyrol was bijeen op den berg Insél, en de andere helft was bezig om van alle zijden op te rukken. Buskruit en lood in overvloed, niets ontbrak ons, allerminst kurassen. Ieder individu was een held. Ik had het niet kunnen gelooven, dat een eenvoudig boerenvolk zooveel geestdrift toonen kon voor vaderland en vrijheid. Voor het heilige Geloof! Dat hebben zij het hardst geroepen. De grootste kracht schuilt in het geloof, dat is thans weer gebleken.

In den beginne was 't een aangrijpen uit een hinderlaag van den vijand, die in grooten getale in en om de stad gelegerd was. Maar hij wou niet voor den dag komen. Dat begon vervelend te worden, en zoo braken de lui onder geschreeuw en gejuich te voorschijn uit struikgewas en woud, zich stortend in open strijd, in 't gevecht man tegen man. Eerst schrikten wij, toen wij den loggen boer met den geoefenden soldaat in een open gevecht zagen, maar onze mannen worstelden als leeuwen. Er was ook geen regel vastgesteld voor den veldslag. Ieder deed wat hij wou en versloeg Beieren en Franschen zoolang tot de vijand week, of hij zelf dood was. De vijand maakte een groot lawaai, maar een Beiersch kanon deed niet veel meer, dan een Tyroler schutter. Wij moeten rouw dragen om vele honderden Tyrolers, maar vele duizenden is het getal gevallen vijanden. De met roem beladen soldaten van den wereldveroveraar tegen een simpel bergvolk, 't is zonder voorbeeld. Maar 't was één, mijn vriend! In ons midden hadden wij drie heerlijke mannen! Ja, slechts drie bijzonderen noem ik. Je kent ze alle drie. Jozef Speckbacher, de boer te Judenstein bij Hall — hij zegt, dat hij je kent — hij is slim als een. vos en wild als een tijger. Men dacht, dat er een reus uit den tijd der oude Germanen was opgestaan, zoo sloeg hij er met de geweerkolf op los. En een veldheerskop

ocr page 183

179

dat ie heeft! Maar aanvoeren alleen was hem niet genoeg, hij deed overal zelf mee; een boer, zei hij, moet overal zijn eigen beste knecht zijn,quot;; en dorsch-vlegelde daarbij los op de Beiersche en Fransche schedels, 'k Heb het tweemalen zelf gezien, hoe hij midden in een rot blauwbroeken stond; goeje nacht, Seppel, dacht ik, met jou is 't gedaan, maar toen ik het gedacht had, was hij er al door heen, niet achterwaarts, maar voorwaarts. Speckbacher blijft ook leven in Tyrol. Dan dèn Haspinger! Kunt gij je dien kleinen Kapucijner goed anders denken als op den kansel? Vriend, op het strijdros maakt hij nog beter figuur! In de eene hand het kruis, in de andere het zwaard, te midden der strijdenden aanblazende woorden Gods roepend, in 't heetst van 't gevecht. En eindelijk de derde, de Papeier waard van „'t Zandquot;, Andreas! Dat is een man van erts! Zij volgen hem, waarheen hij wil. Zoo stevig, zoo flink en daarbij zoo eenvoudig als een kind. Voor alles is het te danken aan zijn verstandige toebereidselen sinds maanden, zijne verbindingen en in stilte getroffen maatregelen, zijn onwrikbaar geloof aan het recht van Tyrol en op den eeuwigen advocaat van het recht in den hemel. O, wat vermag een eenig man met een sterken wil en een trouw hart uit te werken! Midden in den slag, bij 't gevaar van nederlaag en onder den jubel der overwinning zagen zij naar Andreas op als tot een God. Men had kunnen aannemen, dat de aartsengel Michael zijn gestalte had aangenomen. Daarbij is hij heel needrig, en noemt zich een heel onwaardig werktuig in de hand Gods. Toen op den dag van Maria-Hemelvaart de vijand was teruggeworpen, verslagen en vernietigd -— niemand die er bij geweest is zal ooit het uur vergeten, — Hofer neerknielde, zonken ook Haspinger en Speckbacher op de knieën en baden zij luid een Onze-Vader. Rondom de hooge bergen, aan

ocr page 184

180

onze voeten de bevrijde hoofdstad, boven onze hoofden de blauwe zonnehemel — en dan lag het heldenvolk ootmoedig op de knieën voor den Heer der heirscharen. Zelfs gevangen vijanden, waaronder Lutheranen en Heidenen, \ielen ter aarde en baden mee, zoo werden zij door hun gevoel overmeesterd. Van de vijanden waren alleen de gevangenen, gewonden en dooden bij ons, alle anderen waren in wilde vlucht het Inndal af naar Beieren afgetrokken. — En daarop de intocht in de stad! Onder 't gelui aller klokken, onder krijgsmuziek en alpenhoorngeblaas, onder gejuich en hoezeegeroep zijn wij ons schoone Innsbruck binnengetrokken! Welk een vreugdedrukte der bewoners, welk een gejubel uit de vensters! Welk een veelkleurige bloemengroet, een omhelzen en luid lachen en hardop schreien! O vriend, welk een feest! Zoo hebben wij den Napoleonsdag gevierd!

„Ze willen Hofer geleiden naar den keizerlijken burgt, maar hij snijdt uit. Dat past niet! zegt hij, en gaat naar zijn stamlocaal. „In den Adelaar.quot; Door het raam heeft hij toen eenige woorden gezegd tot het verzamelde volk, omdat het telkens weer verlangde hem te zien. Er ontstond toen een onbeschrijfelijk gejubel, en overal hoorde men, niet maar in scherts, neen in vollen ernst: Andreas moet graaf van Tyrol worden ! Die mot ons regeeren, wijl de Oostenrijkers zich toch niet om ons bekommeren. En Andreas mot op den burgt! Ik verklaar het je plechtig; met geweld hebben ze hem uit het logement naar het keizerlijk slot gebracht, dien dorpsherbergier, dien paardenkooper uit het Passeierdal. Thans zijn de afgedankte Oostenrijksche ambtenaren er weer, en die zeggen het ook, dat Hofer er de man voor is, om de orde te herstellen in het land en dat hij onderwijl gerust 't gezag kan opnemen. Zoozeer drongen allen op hem aan, dat hij heimelijk wou vluchten, toen pater Haspinger en Speckbacher

ocr page 185

181

en andere kameraden hem tegemoet voerden: Zoo'n needrigheid zou de drommel halen, thans, nu de vreemde meesters waren weggejaagd, was het zijn schuldige plicht, zelf orde te scheppen in het land. Hij moest nou geen bloodaard zijn. Toen sloeg hij met de vlakke hand op de tafel en riep: „Wel sacrament! Dan wilikcornmandeeren!quot;

Zoo is 't gegaan en nu zitten wij op den burgt. Ik ben er ook bij. 't Is al netjes uitgemaakt, wat ieder van ons te doen heeft. Precies is 't wel niet zoo, maar zoo ongeveer toch, als ik zeg: Andreas is vorst, de Kapucijner is minister van kerk en school, Speckbacher is minister van oorlog, andere hoofden hebben ook hooge plaatsen, en ik — als je me den naam ook al niet wilt geven van kanselier van Tyrol, met „algemeen secretarisquot; doe je mij toch niet te veel eer aan. In waarheid ben ik de schrijver van den kommandant, want hij zelf staat niet op al te besten voet met die kunst.

Bij tijd en wijl zullen de Oostenrijkers ons toch wel komen aflossen, tot zoolang moeten wij regeeren, daar helpt niets aan. En daarom hebben wij nog meer mannen noodig en Hofer wil diensvolgens de meest betrouwenswaardige mannen des lands bijeen hebben. Zoo kom ik eindelijk tot de hoofdzaak van dit schrijven. Andreas Hofer, de kommandant van Tyrol, laat u. Peter Mayr, de waard aan de Mahr, door mij uit-noodigen, om naar Innsbruck te komen. Peter. Je herberg moet je onderwijl laten liggen en staan, zooals de anderen het ook doen, en je moet bedenken, dat thans ieder aan zijn land behoort, en aan niemand anders. En je moet komen Peter en ons helpen regeeren. Wij hebben de soep opgeschept, zegt Hofer, wij moeten ze ook opeten. Wij moeten thans vast staan. Als ze nog eens weer een inval deden, dan zouden wij naderhand — neen met Gods hulp zullen wij ons staande houden, en eindelijk zullen zij zich toch wel eens vertoonen, de zwartgelen.

ocr page 186

182

„Kom alzoo heel spoedig, al het verdere zult gij dan zelf hier hooren en zien. Ik besluit dit schrijven onder opzien tot God, die onze bijstand is. En vol dankbaarheid groet jou, je echtvriendin en je kinderen.

Je trouwe vriend JOSEPH DöRNINGER.

Innsbruck, Augustus 1809.

Toen Peter dien brief gelezen had, ging hij eenige keeren de kamer op en neer. Alle aderen en zenuwen trilden in hem, maar wat zijn persoon betrof, behoefde hij geen langen bedenktijd. Slechts zooveel tijd als men noodig heeft, om met een pennemes de ganzeschacht te punten en te probeeren, of de inkt niet is verdroogd, had hij noodig om te overleggen, wat hij antwoorden zou. En hij antwoordde het volgende, hier woordelijk weergegeven:

Aan den Heer Jozef Dörninger, tegenwoordig dienstbaar bij Andreas Hofer, kommandant van Tyrol, te Innsbruck.

„Beste Jozef Dörninger,quot;

'k Moet mijn brief aanvangen met dankzegging aan God den almachtige, dat 't zoo gekomen is. De rechte woorden kan ik weliswaar niet vinden, zooals het mij om 't hart is, en met het schrijven gaat het mij niet veel beter dan onzen kommandant te 's Bruck, wien ik vriendelijke groeten zend. Wat mij zeker tot op mijn sterfbed spijten zal is, dat ik er niet bij ben geweest op den berg Insel. Ik kon van Gröben niet vroeger terugkomen met de schutters, wij zijn al wel op weg geweest naar jelui, dat wil zeggen, wij waren niet meer noodig, en hebben terug gemoeten. Nou heb ik in Innsbruck niets meer te doen, en helpen regeeien kan

ocr page 187

183

ik niet. Andreas had 't ook niet motten annemen, maar hij zal 't wel in orde brengen. In ons dal zijn de Beieren en Francosen als weggeblazen en is alles weer bij 't oude, Gode zij dank. Thans komen van den kant van Karinthie de Oostenrijkers ook aangerukt, zooals men hoort. Als Hofer nou de Oostenrijkers eens mocht laten zeggen, wat hij mij en de Grödners per post gezonden heeft! 't Heeft ons wel erg gekrenkt. Maar. Gode zij dank, dat het zoo geloopen is, wij mogen ons niet bezondigen.

In mijne familie is een ongeluk voorgevallen, dat ons zeer ter harte gaat, ofschoan het niets is in vergelijking met dat, wat tegenwoordig zoo vele menschen verduren moeten. Mijn God, vele ouders hebben hunne veelbelovende zonen verloren in den oorlog. Sinds het gevecht bij Mühlbach zijn wij onzen oudsten zoon Hans, met wien gij voortdurend aan 't pijlschieten waart, kwijt en wij hebben hem niet kunnen terugvinden. Als wij ten minste de zekerheid maar hadden, dat hij dood is. Maar zoo in de verbeelding: wie weet hoe 't hem gaat, wat hij lijden moet. Dat is het allerergste !

Nu, terwille van het groote geluk, dat Tyrol is weervaren, willen wij ter wille Gods onze smart offeren. Maar mijne familie verlaat ik thans niet, gif zult al licht beteren vinden en mij gemakkelijk missen kunnen. Beste Jozeph, wij verheugen ons zeer over je en laten je allen zeer groeten.

Je oprecht toegenegen vrind.

PETER MAYR.

ocr page 188

184

WAAR WIL DAT HEEN?

In wolken naderde de wagen. Maar 't waren slechts stofwolken van den straatweg en het was • een erbarmelijke bedelaarswagen. Hij kwam aanratelen van den kant van Klausen; hij was bespannen met een schuinhoekigen ezel en een rood borstelhairigen man, die bijna schier door midden gebogen was tot een rechten hoek, omdat hij zijn bovenlichaam horizontaal moest voorover buigen om met hulp van den grijzen kameraad het voertuig vooruit te brengen. De wagen had twee raderen met heel dunne spaken en zonder ijzeren banden, hij was overdekt met een erg geflikt, verweert zeil. Onder de huif hurkte een door de zon gebruinde vrouw, die noch gekleed noch naakt was. Een vijggroene beddeken had zij schilderachtig om haar lijf geslagen. Rond deze vrouw bewogen zich, onder lappen en maïsstroo, allerlei wezens, als kleine kinderen, vosroode dashonden en een langstaartaap, die zich met de kinderen onderhield, in dier voege, dat hij ze bij de verwarde hairen trok en zij hem met gekrijsch bij z'n staart heen en weer sleurden.

Toen dat voertuig de herberg aan de Mahr naderde en werd opgemerkt door Hanna de meid, riep deze uit: „hè, nou most Toni hier wezen! Dat was net iets voor Toni! Zulk een kasteel wil hij ook altoos hebben.quot; Zij wierp haar voergreep weg, veegde zich met den boezelaar de vochtige grassprietjes van de handen, scharrelde in haar rokzak rond, vond echter niets, dan een half uitgedroogde broodkorst. Daarmee ging zij naar den wagen, waaruit reeds alle handen

ocr page 189

185

zich strekten, en zeide: ,,ik heb anders niks, arme lui; wil je met deze broodkorst tevreden zijn!quot; Zij wierp de korst naar binnen en in het nest ontstond daarover een heftig getwist; de aap greep het brood weg, wipte er mee op het zeil, waar hij het schommelend met allerlei grimassen opat. De kinderen in het nest jammerden, de op hunne pooten getrapte honden jankten, het bruine wijf keef en de beide ongelijke rossen voor aan den wagen dropen van 't zweet en trokken vergeefs aan.

„Mijn God!quot; dacht Hanna bij zich zelve, „en zoo zou Toni het ook willen hebben!quot;

De vrouw was vlug uit den wagen op den straatweg gesprongen, waarbij de afhangende deken door het stof slierde; barvoets deed zij een paar stappen naar Hanna toe en greep naar hare hand.

„Wat wil je dan?quot; vroeg Hanna.

De vrouw verzekerde, dat zij onmogelijk voorbij kon rijden, zonder haar het geluk te voorspellen, dat haar hoogstwaarschijnlijk wachtte.

„Mij — een geluk?quot; lachte het meisje, „ik weet niet, wat ik met een geluk zou moeten doen, 't gaat mij immers goed. Domheden!quot; Maar in 't volgend oogenblik stemde ze toe, men moet alles probeeren in de wereld.

„Zeg me dan maar waar. Maar gauw, lang heb ik geen tijd.quot;

„Ho, hott, oude beer!quot; schreeuwde de landloopster den roodbaardigen toe, waarop het voertuig geheel bleef stilstaan.

„Welke?quot; vroeg Hanna, hare handen strekkend.

„Als je getrouwd bent, is het de rechter.quot;

't Meisje gaf de linker.

't Wijf begon nu aan de binnenzijde de lijnen te bekijken.

„'t Schrift is duidelijk,quot; mompelde ze daarbij, „bij den wijsvinger buigt zij zich sterk en verdeelt zich, verdeelt zich tweemaal. Niet gauw zal men zulk een hartelijn zien!quot;

„Staat 't misschien niet goed?quot; vroeg het meisje, niet geheel zonder spanning.

ocr page 190

186

„God ja, veelmaals goed staat 't, veelmaals goed,quot; verzekerde het wijf met snel uitgestooten woorden; „dat kleine beetje verdriet daar, dat wisschen we uit.quot; Zij streek met haar vleezige hand er herhaaldelijk over heen. „In geldzaken mot 't wezen. Je hebt vast heel veel?quot;

„Geld heb ik niks,quot; lachte Hanna.

„Dan is 't liefde,quot; zei de landloopster, erg gewichtig doend.

„Er wacht je een groote zorg. Je allerliefste!quot;

„Nou, wat is 'r met die?quot; vroeg het meisje vroolijk.

„Hij verkeert in een gevaar.quot;

Hanna keek luisterend op: „in een gevaar? In welk gevaar ?quot;

„Dat kan ik niet goed onderscheiden. De leverlijn loopt er tusschen. Een goed hart heb je. Tweemaal vertakt zij zich. Binnen kort zul je een groote vreugde beleven.quot;

„Wat je alles weet! Wat voor een?quot;

„Van je allerliefste!quot;

„Als je dan zoo alles van m'n allerliefste weet, vertel me dan ook eens, waar hij is, die allerliefste?quot;

„Kijk hier heen!quot; mompelde de vrouw, en ging onderwijl met den wijsvinger op de handpalm rond, zooals zij doen, die bij het lezen met den wijsvinger langs de regels schuiven, „kijk hierheen, juist op den duimwortel houdt deze lijn op. Hij kan niet ver van je weg zijn. Met z'n gedachten is ie bij je.quot;

„Ik zou willen weten waar ie anders is?quot;

,,Dat ligt in nevel,quot; antwoordde de landloopster. ,,Om dat duidelijker te maken motten we 'r een Lievevrouwdaalder op leggen.quot;

„'t Is genoeg,quot; zei Hanna, „wist ik nou maar wat ik je geven moest.quot;

Het wijf tikte met den vinger op den rooden borstdoek van Hanna: „dat daar. Voor de wurmen. Hu ... 't is 's nachts al koud.quot;

— Een goed hart, dat kwam uit. 't Meisje trok snel den

ocr page 191

187

/

doek van de schouders en gaf hem aan de bedelares. Daarop ging zij weer aan haar werk op het grasveld.

— Zulk waarzeggen, dacht ze in 't gras kijkend, is toch ook voor iets goed. Nou heeft ze mijn doek. 't Is de wurmpjes gegund. Bij den duimwortel blijft de lijn steken, en de lanterfanter is niet te vinden. Op de geheele hand niet. Waar mag hij dan wel verdwaald wezen. Hij is gaan zoeken; nou kan men hem gaan zoeken. Dat wil zeggen, wie 'm hebben wil. Ik niet, mijnentwege mag hij ronddwar-relen, waar hij wil. De Frangosen doen 'ra niks, dèn niet. Zóólang is ie reeds lang niet meer uitgebleven, 't Is best mogelijk dat ie ergens in 't gebergte afgerold is en blijven liggen. Net iets voor hem. Hij is er dom genoeg toe. Hansje wou ie zoeken, 't Is ore te lachen, 't Eene kleine kind het andere. Hemelsche vader, zoo goed als een schootkindje heeft die jongen iemand noodig die op hem past. 't Doet me dikwijls leed, dat ik hem zoo sterk mot dringen. Toen ik daar straks dien bedelwagen zag ankommen, heb ik heilig geloofd, hij is er voorgespannen of zit er in. Dat zou'en we eens gezien hebben, dan had ik hem gewaarzegd, en ook met de vlakke hand. Och ja, misschien rijden we allen nog eens op de vagebondenkar. Wie weet, hoe het nog eens wordt in de wereld: 't brandt overal, mij staat 't in 't geheel niet an. Als die Toni er nou maar was! Dat wil zeggen, niet die Toni, wat gaat mij die domme jongen an. Hans — als die maar thuis was! 't Hart der vrouw bloedt om hem en zij zegt niks. Dat ie nou in 't geheel niet te voorschijn komt, dat Hansje . . .

Zulke dingen bedacht Hanna kijkend in 't gras.

Uit de hoofdstad en uit de andere streken des lands kwam onderwijl de eene goede tijding na de andere, de menschen kwamen weer terug van de slagvelden en de menschen kwamen te voorschijn uit hunne schuilhoeken. Zelfs de pastoor van St. Jacob zat weer in zijn pastorie, en vertelde van zijn gevangenschap, waarbij hij op het „gehangen wordenquot; .wachtte, menig grappig stukje. — Zoo goed als de laatste

ocr page 192

188

weken, had hij 't zijn leven lang niet gehad. De Beiersche overste Hoizel was een echte barbaar, die had alle katholieke priesters, die hij opvangen kon, samengebracht en in een klooster beneden Trente laten opsluiten. Natuurlijk driemaal ingesloten en eenvoudig bewaard. En eiken avond was de overste gekomen, om zich persoonlijk te overtuigen, of zijne strenge bevelen streng werden nagekomen. Met zijn sleepsabel had hij helsch alarm gemaakt op den steenen vloer, zijne grijze oogen had hij vreeselijk wild laten rondrollen, zijn krijgshaftige snorrebaard had hij met beide handen zoo vreeselijk toornig, ter weerszij uitgehaald, — waarop hij zich kletterend en lawaaimakend bij de gevangenen zette en den halven nacht dapper met hen gepimpeld had. Landpastoors weten allerhand vroolijke geschiedenisjes; de overste liet ze vertellen en grinnikte van de pret, bracht er zelf nu en dan ook een te voorschijn, waarbij hij echter meest de ladder, en bijna altoos het torentje, dat wil zeggen, de klepel vergat, zoodat de arme gevangenen niet wisten, wanneer zij lachen moesten, totdat hij eindelijk zelf door een heesche lachkreet het teeken daartoe gaf. Daarbij rookte hij uit plompe pijpen een ellendige tabak en allen moesten meerooken, 't geen een gunste moest beteekenen, maar door de gevangenen als een verscherping van hun arrest werd beschouwd. En eens op een avond, na een warmen dag, toen zij zich weer zoo redelijk verkwikten, deelde de overste aan de priesters mee, dat er hoop was op een spoedige verlossing. In het leger werd toch het bevei verwacht, dat alle hoogverraders — de priesterschap (hier boog bij) natuurlijk voorop — zouden gehangen worden. De geestelijke heeren moeten toen een beetje twijfelend gekeken hebben, maar de overste had zijn hardvochtigheid nog doen stijgen. De gewijde heeren, had hij gezegd, gingen als martelaars rechtstreeks naar den hemel. Maar dien verdienden zij in 't geheel niet, zij keken al te graag diep in den beker, van de twee Godsgaven, zuurkool en rookvleesch, hadden zij 't laatste opgegeten en 't eerste grootendeels laten staan. Ook andere vertrouwelijke mede-

ocr page 193

189

deelingen had hij afgeluisterd, in 't kort, hij kon hen niet waardig achten, den martelaarsdood te sterven, en daarom had hij hen doen bijeenbrengen binnen de stevige kloostermuren, opdat hun later de gelegenheid niet zou benomen zijn, zich te beteren en als oude, zoo mogelijk heel oude zondaars te sterven. De gevangenen vonden, dat dit de beste ui was, die de overste ooit had getapt. — En toen daarop de overwinning der Tyrolers bekend werd, lachte de oude houwdegen in zijn vuist en eer hij zelf aftrok met zijne troepen, verdreef hij — zooals eenmaal keizer Jozef, maar alleen veel geweldiger — de priesters uit het klooster, balde op den openbaren weg de vuist achter hen en bromde; „je zult nog an mij denken, papen!quot; De alzoo verdrevenen keerden naar hunne parochies terug en zullen — op die manier besloot de pastor van St. Jacob zijn verhaal — den ouden overste Hoizel met zijn mislukte geestigheden en zijn goed hart hun leven lang wel niet vergeten.

Omstreeks 't begin van den herfst, kwam er uit Innsbruck een tweede brief aan Peter Mayr. Weer was hij van den lijfschrijver van den kommandant van Tyrol, en zijn inhoud luidde aldus;

Beste Kameraad!

Wij zijn door het vele bloedvergieten wel een beetje verhard, zooals je je denken kunt, maar dat ongeluk met je zoon heeft ons toch getroffen, en de kommandant heeft zonder verwijl bevel gegeven aan alle ambtenaren en patrouilles naar den knaap te zoeken.

Dat je thans niet naar ons toe wilt komen, is vooreerst een onding. Je hebt nood en gevaar met ons gedeeld, je moet ook de eer met ons hebben. Want eer is hier in overvloed, maar we hebben er niet veel tijd voor. Wij moeten hier werken als de o— had ik

ocr page 194

190

haast gezegd. Altemaal regeeringsbeschouwingen, en je ziet, dat ik ook al enkel „wijquot; schrijf, zooals de hooge mijnheeren. Maar je moet toch eens zien, hoe de heeren ministers en andere hovelingen in den Keizer-burgt tusschen goud, marmer en zijde rondstappen in hunne onbeholpen leeren kniebroeken en bergschoenen. En als er hooge raadsvergadering is, dan zitten zij rondom de groene tafel in hun opgestroopte hemdsmouwen, met het pijpje onder de knevels; de redeneeringen zijn wel somtijds een beetje onbehouwen, maar in den grond der zaak zoo verstandig als van gestudeerden. Hebben ze tijd, zoo wordt er kaart gespeeld, gejodeld of geravot, waarbij juist de krachtigsten vallen, omdat de gladde bodem, die reeds vele krassen telt, zoo verraderlijk is. Een paar wil naar huis, maar wij hebben ze noodig. Het is ongeloofelijk, wat het Beiersch bestuur overal den boel in de war heeft gestuurd, veel tijd zal 't kosten, eer wij geheel op orde zijn. Andreas blijft dezelfde, niet enkel het licht, ook den neus snuit hij nog met de vingers. E^es avonds zitten wij op houten stoelen bijeen, die Hofer uit het logement heeft laten halen, omdat de weeke zijden zetels niet te gebruiken zijn; wij praten over alles en nog wat, vertellen spookgeschiedenissen, en eer wij slapen gaan, wordt de rozekrans gebeden of een stichtelijk lied gezongen, waarbij God waarschijnlijk niet zoozeer op stemmen als op de bedoeling let. Men wou den kommandant in een Oostenrijksche generaalsuniform steken, maar hij is niet uit zijn leerenpak te krijgen. Hij gaat in de herberg eten en zijn geheele hofstaat kost het land dagelijks nog geen heelen gulden. Maar 't regeeren kan hij, dat 't een lust is en je zult ook al wel zijn „zandwaardtwintigstuiverstukquot; gezien hebben. Hofer zegt, dat dit dwaasheden zijn, hij wil niet zijn portret, maar den keizerlijken adelaar er op hebben. Alle aangelegenheden komen rechtstreeks

ocr page 195

191

bij hem, hij heeft niet veel heen en weer gestuur en schrijverij noodig, doch doet het kort af. Gestreng is hij tegen liederlijkheid en zucht naar genot, die in de stad sluipen wil, en de Innsbruckers schimpen al op de „paardenkoopersdynastiequot;; zij mogen geen comedie spelen en geen bals geven; Hofer zegt, dat het daarvoor thans geen weer is; 't is verstandiger kloek te arbeiden en te sparen en vlijtig te bidden, 't Kan wel zijn, dat hij gelijk heeft. Oude Oostenrijksche ambtenaren, die er nog rondloopen, zouden ook graag spotten met den „paardenkooperkoningquot;, maar ze durven niet goed. Kritiseeren is veelal gemakkelijker, dan zelf doen.

Ik moet je ook nog schrijven, dat thans mijne ouders uit het Betzdal, waar zij kommervolle dagen doorbrachten, teruggekeerd rijn in hun voorouderlijk burgerhuis in Innsbruck, zoodat ik mijn dierbaren en mijn oud tehuis terug heb. Allen komen thans weer terug, ook zulken, die ons in den nood verlaten hebben en naar Karinthie, Stiermaken en Weenen gegaan zijn, om, zooals ze zeiden, te gaan zien, of de Oostenrijkers niet eens verschijnen zouden. Thans, nu 't ons goed gaat, vinden zij hun geboorteland prompt terug. De Oostenrijkers zijn nu werkelijk gekomen. Twee zijden heeren in een mooi rijtuig! Zij hebben Hofer een gouden keten gebracht, om om te hangen. Keizer Frans heeft dien gezonden. Maar er verder niets bij laten zeggen, wat Oostenrijk in de toekomst met ons doen wil. Geen woordje. Hofer is daarom over dat geschenk eer boos dan blij, en vraagt: „wat beteekent dat.quot; Er zijn ook lui, die hem slechten raad geven en zeggen: de Oostenrijkers schijnen zich aan Tyrol niet veel meer gelegen te laten liggen, daarom moeten wij toestemmen in de losmaking en Hofer erfelijk vorst des lands maken. Diergelijke redeneeringen kunnen hem gruwelijk woest maken, gister zei hij: „Keizer Frans kan slecht

ocr page 196

192

ingelicht zijn, maar hij houdt van ons en verlaten doet bij ons niet, en als er nog iemand over losmaken spreekt. Iaat ik hem doodschieten!quot; Wij hopen heel gauw het bestuur in Oostenrijks handen te kunnen overgeven, alzoo dat ieder weer kan terugkeeren naar zijn haard en leven als vreedzaam burger. Maar toch, als ik aan 't nadenken kom, wordt 't mij toch een beetje bang te moede.

Een ander maal meer. Tot zoolang adé, jelui hartelijke lui met mekaar, en bewaar het aandenken aan uw

JOZEF DöRNINGER.

Lijfschrijver van den Kommandant van Tyrol.

JE WEET DAT NIEUWTJE NIET?!

De kleine zwarte man was nog altoos te zien in en om Brixen; hem dreef ook niets, om naar Brüneck terug te keeren, de belastinggaarders hadden in deze dagen bijzonder weinig te doen. Van des te meer beteekenis kon zijne tegenwoordigheid in het Eisackdal zijn.

Toen op zekeren zondagmorgen de Mahrwaard opging naar de Jacobskerk, sloot Kulber zich bij hem aan en vroeg: ,,heb je gehoord, wat ze den Beierschen rentmeester te Hall hebben gedaan?quot;

„Hall is hier ver van daan,quot; zei Peter.

ocr page 197

193

„Je weet het dus niet. Die fijne rentmeester heeft vroeger overal rondgeschreeuwd: Als de Tyrolers de weldaden der Beiersche regeering niet wilden erkennen, dan waren zij vee en zouden zij nog eenmaal hooi vreten.quot;

„Hooi vreten doet de Tyroler niet,quot; antwoordde Peter.

„Maar de Beier vreet 't wel!quot; lachte Kulber en klapte in de handen. „Ze hebben dien rentmeester de vorige week in een stal opgesloten, naast een ezel aan een voerbak gebonden en hooi voor hem neergeschud.'quot;

„Geen onverdienstelijke grap,quot; dacht de Mahrwaard.

„Een grap is het in 't geheel niet,quot; riep de belastinggaarder, „grappen maken doen wij met dien Beier niet. Die mijnheer de rentmeester smeekte toen ook heel netjes een meelijdenden stalknecht zoolang, totdat die het hooi met azijn en olie had toebereid.quot;

„Dan mot ie lang aan den ketting gelegen hebben.quot;

„Misschien toch nog in 't geheel niet zoolang, als jelui eerwaardige opperhoofden de vijf Beieren mest in den stadskelder.quot;

De Mahrwaard zweeg.

„Zeg eens, Mayr,quot; voer de zwarte voort, „waar denk je an ?quot;

„Aan de hooiruif!quot;

„Doe nou maar niet zoo. Je weet heel goed, van wie thans sprake is. Frisch je geheugen eens op. Die vijf gevangen Beieren, wat motten we met hen aanvangen?quot;

„Loslaten en vortjagen,quot; antwoordde Peter.

Kulber bleef staan, keek den waard aan en zei heel zacht: „ben je niet wijs, waard! Loslaten! Vortjagen! Alsof 't een paar hongerige appeldieven waren!quot; Aangezien Peter door wou gaan, pakte Kulber hem bij zijn buispand: „nog een woord. Peter! Eén pleizier zul je de lui toch gunnen in ruil voor de ongehoorde offers, die het land heeft gebracht vanwege die van God verdoemde Beieren. Eén pleizier, een enkel! — Neen, Mahrwaard, uitleveren zullen wij deze gevangenen niet; wij willen met hen ook niets inlossen, wij zullen ook zoo alles krijgen.quot;

peter Msyr. 13

ocr page 198

194

„Misschien 'Was er ook een brave Tyroler voor te krijgen.quot;

„Wij zullen ook zoo alles krijgen, ik zeg 't je.quot;

„Alzoo, wat wou men met hen doen?quot;

Kulber zei daarop niets, maar tastte met zijn linkerhand schielijk rond zijn hals. Peter deed, alsof hij dat niet verstond, ontblootte zijn hoofd, streek zijn hair over zijn voorhoofd glad naar beneden, maakte met zijn duim het kruisteeken en ging de kerk binnen. Ook Kulber ging naar binnen en plaatste zich naast het hoofdaltaar.

De Mahrwaard kon echter vandaag niet bidden, en bijna midden onder de bediening der mis greep hij zijn hoed van den spijker en sloop achter anderen duikend weg. Hij snelde rechtstreeks naar den waard in „'t Kruisquot; te Brixen, bij wien in dezen tijd een aantal oudsten en leidslieden bijna altoos bijeen waren. „Is er al weer onraad!quot; riep de waard van „'t Kruisquot; den opgewonden Peter toe. „De brand is toch gebluscht!quot;

„Ja, hij is gebluscht,quot; zei de Mahrwaard, „maar het aansteken mot ophouden, anders geeft 't toch nog een ongeluk.quot;

„Hoe mot ik dat begrijpen. Peter?quot;

„Als de vijand verslagen is, motten we geen haat meer koesteren, motten we vrede maken. Mijn meening is, dat wij de gevangenen naar huis zenden.quot;

„Dan zul je ze ook een geleide meê motten geven, anders worden ze onderweg vermoord,quot; zeide Griesacher.

„Er is al gezorgd,quot; zei de Mahrwaard, „zij zullen Tyroler boerekleeren aantrekken, dan overkomt hun niks.quot;

Beide keurden dat goed. En alzoo gingen zij, terwijl hei volk nog in de kerk was, met begeleiding naar den stadskelder.

De vijf gevangen soldaten zagen er niet erg verhongerd uit, alleen hun baard, blond en rood, woekerde erg wild op hunne goedmoedige Duitsche gezichten. Wijselijk hadden zij de plichten en rechten des huizes onder elkander verdeeld. De een bewaarde de orde en had tot taak des morgens de stroozakken in orde te brengen; de andere was over 't eten

ocr page 199

195

gesteld en zette de hun gebrachte groentesoep met de lepels klaar; de andere zorgde voor afleiding en tijdverdrijf door vertelseltjes, grappen, raadsels en gezelschapsspelen; de vierde speelde voor kalender, d. w. z. hij moest goed onthouden hoeveel dagen en weken zij zaten en wanneer het zondag was. Want zij hadden zich voorgenomen, op dien dag niet te vloeken. Nu was het echter merkwaardig, dat in het kot de week geen zondag had. Tot troost beweerde de kalender: God zou als verstandig man tusschen vloeken en bidden, naar hij hoopte, geen groot onderscheid maken, het vloeken was toch het gebed der voerlieden en soldaten. De vijfde eindelijk had eiken morgen en ook overdag bezigheden te verrichten, die niet voorkomen op die manier, als de mensch vrij mag rondloopen.

Men zegt, dat de Beieren 't in hun kerker niet zoo erg vervelend hadden; men hoorde hoe zij vierregelige liederen zongen — buiten aan de Isar en aan de Lech hebben zij precies dezelfde, als hier aan de Inn en de Eisack — men hoorde hoe zij onder het zingen met hunne vuisten de maat op de leege vaten sloegen. Leed deed het hun, dat die vaten een zoo mooien diepen toon gaven, en dat was de eenige wreedheid der Tyrolers, dat zij de Beieren leege vaten tot gezelschap gegeven padden. Des te vaderlijker wilde men zorgen voor hun zieleheil. Men had hun een gebedenboek gegeven, maar daarmee wisten de gevangenen niets aan te vangen, totdat een hunner, waarschijnlijk hij die voor de afleiding zorgen moest, op de gedachte kwam, om de bladeren los te maken en met houtskoolmerken er speelkaarten van te maken. In zoover leden ze dus geen zielenood. Ook thans hokten ze juist bijeen om een rechtopgezet vat en maakten een spelletje.

De mannen traden binnen en keken somber naar dat tijdverdrijf.

„Is dat jullie kerkgang?quot; vroeg Griesacher.

„Is 't vandaag dan zondag?quot; riepen de Beieren en slingerden verschrikt de kaarten weg. „Wat of een christen

ocr page 200

196

mensch zich kan vergissen in 't cachot — dat verdoemde tuig!quot;

„Zwijg maar,quot; zei Griesacher, „jullie is voor je goddeloos bedrijf geen dag te goed en geen dag te slecht.quot;

De ernst, waarmee de mannen voor hen stonden, scheen de gevangenen een beetje ongezellig, daarom zwegen zij. Maar daarop trad de waard uit „'t Kruisquot; naar voren en zei zacht en langzaam tot de gevangenen: „as 't nou eens an 't sterven toe was!quot;

Die toespraak kon de ongezellige stemming niet verminderen. Een paar waren er opgesprongen en hadden bleeke gezichten gekregen.

De Mahrwaard plaatste zich voor hen en sprak: „je zult weten, hoe je land- en strijdgenooten hebben huisgehouden in Tyrol. Je zult zelve wel niet veel goeds van ons verwachten. Dit land heeft reeds menigen vijand gezien, maar zoo erg als jullie Beieren heeft niemand het gemaakt.quot;

Van de vijf traden thans twee vlashairige reuzen vooruit en een ervan sprak met zachte, haastige stem: „Heere Jezus, wij zijn ja toch geen Beieren niet, versta me toch goed, mijn beste, wij tweeën zijn uit Saksenland. Als je ooit naar Dreesden komt, wees dan toch zoo goed en vraag asjeblief naar meester Kuiper, mijnheer Gotthold Grase, Frederiksstraat, hoek links, twee trappen hoog. Ieder kind kan 't u zeggen, en die daar, mijn beste kameraad —quot;

„Je bent Saksers!quot; viel Peter hem in de rede, „dan zou ik wel willen weten, wat jou Tyrol aangaat? Wat: hebben Tyrolers jullie Saksers gedaan, dat in verbond met onzen grimmigsten vijand ons overvalt? — Zwijg! — en ga nou. Gaat allen met elkander en vertel thuis van het wilde volk der bergen, van 't welk gij alles hebt willen verwoesten en uitroeien, wat het sinds overoude tijden aan eer en goed bezeten heeft. Gevangenen van dit volk zijt gij geweest in die dagen, terwijl elders in datzelfde land je genooten ongehoorde gruwelen bedreven hebben. En de Tyrolers hebben je niet opgeknoopt aan de hoogste boomen hunner wouden.

ocr page 201

197

neen, ze hebben je vrijheid gegeven en bescherming verleend ten einde terug te kunnen keeren naar huis. — Het eenvoudige gewaad van het volk, dat gij zoo hard hebt vervolgd, moet je veiligheid geven. Binnen een paar uur zal dat gewaad hier wezen en van avond, als het donker wordt, zal de deur openstaan. Wij willen in vrede scheiden, willen u ter afscheid nog een raad geven; denkt aan uwe voorvaderen en laat je door den Corsicaanschen booswicht niet meer als honden ophitsen tegen je eigen stamverwanten. Nou zijn wij klaar, God zij met je!quot;

Zoo sprak de Mahrwaard en daarop waren de mannen, zoo ernstig als zij gekomen waren, huns weegs gegaan, de deur nog eenmaal achter zich sluitend.

„Dat „van denzelfden stamquot; had je niet motten zeggen,quot; merkte onderweg de waard van „'t Kruisquot; tegen Peter op, „'t mag wel zoo staan in 't Nieuwsblad, maar waar is 't niet, de Beieren en Tyrolers zijn nooit van één stam geweest.quot;

„Van één stam waren ze weJ zoo wat,quot; zei thans boer Rampe, „maar één van zin zijn ze niet. Ik hoor, dat de Beieren zelfs ook het katholieke geloof moeten hebben.quot;

„O dwaas!quot; riep Griesacher. „Geloof zus, geloof zoo! Dén Bonaparte heeft ook het katholieke geloof en zet toch den paus gevangen en vermoordt toch de volken. Het geloof zonder werken is dood en de broederstam zonder broederzin is onzin — God moge 't me vergeven!quot;

„Menschen,quot; vermaande thans de Mahrwaard, „praat nou niet zooveel en denk na, wat er te doen is. 't Komt mij voor, dat er weer iets is, wat niet wezen moest.quot;

De gevangenen zijn denzelfden avond weggeslopen langs de eenzaamste, onherbergzaamste wegen naar hun ver verwijderd vaderland. Of ze 't allen gelukkig bereikt hebben, kan niet worden meegedeeld want niemand heeft zich verder om hen bekommerd. Alleen Kulber had in de „vluchtquot; der Beieren iets van hoogverraad willen zien. Maar 't was thans geen tijd zich over te geven aan het uitpluizen van dergelijke zaken, er was wel wat anders te doen. Op zekeren dag.

ocr page 202

198

terwijl Kulber waakzaam rondliep langs straten en wegen, steeds speurend, of niet eindelijk Oostenrijksche soldaten kwamen aanrukken, kwamen de oudsten in den domhof bijeen, als 't ware rond den machtigen schutsheer, de hemelsche Vader.

„Er zal iets gebeuren en wij moeten God bidden, om zijn bijstand,quot; oordeelde boer Rampe.

Een der domheeren antwoordde daarop: „voordat wij Hem bidden om het toekomende, betaamt het. Hem te danken voor het verledene.quot;

En thans werd besloten, een groot kerkelijk-feest te vieren, 't Zou plaats vinden op Allerheiligen; een dankfeest voor de bevrijding des lands van het gehate juk der Beieren. Er zou een buitengewoon plechtige kerkdienst gehouden worden, zoo glansrijk als kerk en volk het maar vermochten te vieren. Alle klokken, die meê hadden opgeroepen tot opstand, zouden thans plechtige vredeklanken doen klinken; alle vaandels, die de strijders waren vooruitgezweefd en door kogels waren doorboord, zouden nu uitwaaien boven de hoofden der biddende scharen, en het kruit, dat was overgebleven zou nu uit mortieren en snaphanen poffen en knetteren.

„Het kruit moesten wij niet verpoffen!quot; zei de Mahrwaard. Meer dan een keek hem van terzijde aan. Verpoffen noemt hij het, wat ter meerdere eere Gods buldert! Het feestplan der bijna vroolijk gestemde mannen luidde verder: het middenpunt van het feest zou, ofschoon het gansche land er aan deelneemt, Brixem zijn, de bisschopstad. Zij moest met haar bloemen en banieren er uitzien als een reuzerozenbouquet door lint omwonden. De lange weg, dien de processie nemen zou, moest geheel met denneplanken worden belegd. Aan beide zijden eindelooze reien van in den grond gestoken denne- en lorke-vlaggepalen, kruidend de lucht met hun harsachtigen geur. Op verschillende plaatsen zouden op de bergweiden en velden hooge altaren worden opgericht, met standbeelden en schilderijen, met tapijten en gordijnen, met talrijke lichten en alles omslingerende kransen, en de plek

ocr page 203

m

om i'ecfer aftaar öiöest éérï meer van rozen zijn, die fiet zuiderr nog levert in najaarsdagen. De vorstbisschop zou langs dien weg het Allerheiligste dragen van altaar tot altaar en het daarop plaatsen, opdat het volk daarvoor kon knielen en bidden. Gezang en muziek moest klinken door het gansche dal en allen moesten vroolijk, vroolijk, vroolijk zingen. En ook de er-op-volgende Allerzielendag moest een feest worden ter verheerlijking der gevallen helden. Dan moesten óp de hoogste tinnen der bergen groote vuren branden, en ieder moest op de graven vroolijk zijn in God, en niemand in het gansche land mocht op dien dag gebrek hebben of zonder troost blijven. Evenals men eens de vaantjes, die opriepen tot den opstand liet omlaag glijden langs den Eisack, zoo moesten op Allerzielendag pek-lonten en flonkerende lampen in 't nachtelijk uur voortglijden langs den stroom, opdat vuur en water God zouden loven evenals de menschen.

Elk der mannen stelde iets bijzonders voor het feest voor. Stanker kwam zelfs voor den dag met den op de openbare markt gebraden os en met de uit de marktfontein springende wijnbron. De oude adellijke geslachten van Tyrol hadden ook zoo gedaan bij bijzonder feestelijke gelegenheden, maar een aanleiding zoo grenzeloos vroolijk, als ditmaal, was er nog nooit geweest.

De feestplannenmakers werden een weinig gestoord. Terwijl buiten een bode haastig voorbijreed, vroeg plotseling een schelle stem door het venster naar binnen, of zij niet gauw klaar waren met hun dank- en jubeldag ? Zoo ja, dan zou er een ander komen en het woord vragen, 't Was de zwarte belastinggaarder, die met uitgespreide beenen, de armen op den rug, daarbuiten op den grond stond en met een merkwaardig verwrongen gezicht opkeek naar het raam.

„Je bent stumpers in het pretmaken!quot; riep Kulber. „Dat mot hooger op! Wij motten den Schlern of den Ortler, of zoo een, aan de stijlste en 't verst in 't gezicht vallende zijde glad slijpen, zoodat hij van den voet tot aan den top op een marmeren wand gelijkt. En weet je wat wij op dien

ocr page 204

200

tnarmeren wand schrijven? Op dien wand moeten wij in gouden letters, die elk duizend vademen hoog zijn. den heiligen naam Napoleon schrijven!quot;

De leden der feestcommissie keken elkander aan. Wat moest dat nou beduiden ? Had hij zijn verstand verloren ?

Daar kwam Kulber reeds de trappen op en de deur binnen. Altoos nog de handen op den rug en den breedgeranden hoed op het hoofd. Hij groette niemand, zelfs niet den aanwezigen vorstbisschop. Zijn gezicht was vaal, zijn klein oog flonkerde erg angstwekkend.

„Het nieuws!quot; stiet hij met moeite, als had hij erge kramp, uit, „het nieuws weet je niet!quot;

„Nieuws? Wat voor nieuws?quot;

„Vrede!quot; riep Kulber.

„Geloofd zij God!quot; zei de vorstbisschop.

Kulber trok de hand, waarin hij een staatscourant hield, van zijn rug weg en zei, het hun voorhoudend: — „Vredesluiting !quot;

„Eindelijk!quot;

„Tusschen Oostenrijk en Beieren!quot;

„God, de almachtige, zij geloofd!quot; zeiden onderscheidene mannen en drukten elkander de hand. „Alzoo is de tijd der beproeving voorbij. Leve onze koning Frans!quot;

De zwarte belastinggaarder riep niet mee. Stijf als een boomstronk, door het bliksemvuur gespaard, stond hij midden in de zaal. En toen het rustiger geworden was, zei hij kalm en bijna fluisterend: „Tyrol is door Oostenrijk voor eeuwig aan Beieren afgestaan!quot;

Thans gaven de mannen acht op wat hij zei.

Kulber las uit het blad voor; „In den naam van Z. M. Keizer Frans I van Oostenrijk en in naam van Z. M. Koning Maximiliaan Jozef I van Beieren, is Tyrol door Oostenrijk voor altoos aan Beieren afgestaan.quot;

De mannen, die nog zaten, stonden langzaam op. Strak, sprakeloos, doodsbleek als heusche lijken, stonden zij daar..— — Peter de Mahrwaard wankelde eindelijk tastend naar een

ocr page 205

201

venster, alsof hij zocht naar een houvast, naar lucht, naar licht. Want donker werd het, een vonkengedwarrel kringelde voor zijne oogen.

TWEEDE DEEL.

ONRECHT LIJDEN IS ZONDE.

„Goed is 'tquot; zei de doodsgraver, en wierp de laatste schoppen aarde op een graf. „Daar onder ligt er weer een. Meer menschen dan regenwormen — onder dit grasveld. En welke menschen! Louter jonge, sterke mannen. Sterk, gezond, sterk! Zoo nou, nou kan die Bonaparte niet meer aan hen komen. Maar jammer is 't van die knappe menschen! Eiken dag één, die sterft aan zijn wond. Alsof zij vergiftigd waren, die Welschelooden kogelondieren. Wie weet 't! Men kan niet weten! En alles wegens dien van Godvervloekten oorlog om land. Zij moesten 'tmaar laten, aan die Beieren, dit Tyrol, 't is toch al een oude scherf, waaraan van onderen en van boven een stuk ontbreekt. Laat ze zich zat vreten aan de steenen noedels, die overal verspreid liggen, zoodat er niets meer groeien wil. Om zoo'n onland de menschen vermoorden! 't Is 't domste wat men doen kan. — Zoo, 't laatste liefdeklopje is er op! Zoo!quot; Daarbij kletste

ocr page 206

202

hij met de vlakke schop een paar maal op het grafheuveltje.

Achter den kerkhofmuur leunde een oude herder. Op zijn rug een bundel, in zijn arm een lange staf, in den mond een korte pijp, die reeds lang niet meer scheen te branden en alleen uit vergeetachtigheid er in was blijven hangen. Om den zeer breedgeranden hoed had hij een dikken krans van blauwe gentiaan- en andere Alpenkruiden gewonden, want hij dreef zijn kudde van de bergwei naar huis. De bontgevlekte koeien slenterden met hun halsklokken bedaard huns weegs. De herder leunde met de borst tegen den muur, om te kunnen vragen, wien de doodgraver weer in Gods wieg had gelegd.

De doodgraver gaf het bovenstaande ten antwoord, dat eigenlijk geen antwoord was.

„Ben je dan geen Tyroler?quot; vroeg de oude herder.

„Ik? Hoe zoo? Wat dan anders?quot;

„Omdat je de Beieren onze steennoedels laten wilt, en de geheele oude potscherf Tyrol.quot;

,J,rgt;op heen,quot; biomde de doodgraver, „'t ontbrak ons onder de Beieren ook an niks. Meer geld, dan onder de Oostenrijkers 1quot;

„Misschien voor jou. Omdat ze meer menschen vermoord hebben.quot;

„Als de Beieren ons zoo graag hebben, en de Oostenrijkers willen ons liever niet.quot;

„Wie zegt dat dan.quot;

„Hebben zij ons niet in den steek gelaten? Hebben wij niet alles alleen motten doen? En toen wij eigens alles klaar hadden, hebben zij ons weggeschonken. En zulke menschen zullen wij aan de rokspanden hangen ? Ik zeg al maar weer, 't is jammer van de menschen!quot;

„Laat ze maar tijd, de Oostenrijkers zullen ons wel te hulp komen, 'k Heb juist weer gehoord, dat Kasteller reeds met een zesspan door het Pinterdal omlaag komt.quot;

„Ja, met zes slakken allicht! In Brüneck zijn zij al geweest, daar hebben zij de kassen meegenomen en zijn weer teruggekeerd.quot;

„Kom, kom,quot; berispte de herder, „'t zal wel niet alles zoo

ocr page 207

203

wezen als je denkt. Er wordt veel gepraat, wat niet waar is, en 't is ons ongeluk dat wij alles gelooven.quot;

„Kerel, je zult me den muur nog omdrukken met je stier-borst!quot; snauwde de doodgraver. „Jij, die zoo juist uit 't gebergte komt, je zult 't zeker beter weten, 't Is zeker ook niet waar, dat de Beieren weer verschenen zijn en dat er van lieverlee nog meerderen hunner binnenrukken in de betrekkingen, de burgten en kloosters; 't is zeker ook niet waar, dat Innsbruck alweer Beiersch en Fransch is! Wel zeker, bergjodeler, dat is alles niet waar!quot;

„'t Is erg, dat het waar is 1quot;

„'t Is integendeel niet waar, dat onze aanvoerders en schutters allen verjaagd zijn; dat de kommandant van Tyrol heeft motten vluchten, 'k geloof tot hoog in 't bergijs, en Speckbacher ook, en de anderen, en dat het hoofd van den waard van „'t Zandquot; beter betaald wordt, dan twee paar Pimgauer hengsten, aan hem die het brengt, op den romp, of in een zak, 't is eenerlei; Nee, nee, dat is alles niet waar!quot;

Met een minachtend gebaar stiet hij de spade in den grond, zoodat zij er rechtop in bleef staan, vervolgens nam hij den -tabakszak die aan den gordel-riem op zijn rug hing en stak daaruit een pruim in zijn mond.

,.Hoor eens, doodgraver, gezellig is 't bij jou niet,quot; zei de herder geheel mismoedig. „Niet omdat je de lui begraaft, maar omdat je Tyrol begraaft.quot;

„Ik Tyrol begraven? Wat redeneer je grappig!quot;

„Als je vertwijfelt, is dat zooveel als begraven. Dat de vijand bij hoopen terugkeert, ziet men natuurlijk wel. Dat de helden op de vlucht zijn, hoort men. Maar dat doet ons toch reeds lang niet meer schrikken! Wat je daar straks gezegd hebt, is toch gelogen, de Tyroler laat zich niet wegschenken en verschacheren. Wij weren ons, beste!quot;

„Nog eens?quot;

„Nog eens. Hebben anderen ons niet noodig, des te beter, dan behooren wij aan onszelven. Pas maar eens op, wij nemen onszelven weer terug! De eerste keer hebben wij ze

ocr page 208

204

er uitgejaagd, maar nou, als 't nou weer losgaat, krijg je ze allemaal, allemaal 1 'k Heb zevenenzestig jaar op mijn pokkei, mijn waarde, maar ik doe ook mee. 't Geweer kan ik nog dragen.quot;

„Doe jij wat je wilt,quot; hernam de doodgraver, „Oostenrijker of Beier, in 't eind behoor je mij toch allen toe — allen met mekaar —quot;

Zooals deze doodgraver en deze herder, was na het onzalige sluiten van den vrede, geheel Tyrol oneenig. Twee partijen stonden tegenover elkander: de doodgraverspartij, die zich dof en moedeloos schikken wou, en de herderspartij die bereid was tot nieuwen strijd tot het uiterste. Deze partij was aanvankelijk de kleinste geweest, maar wies thans dag voor dag. Die tot haar behoorden werkten zonder oponthoud, maar heimelijk. Terwijl zij zich naar het uiterlijk schenen te schikken, terwijl op de kansels zelfs luide de plicht der onderdanen jegens „de wettige regeeringquot; gepredikt werd, kookte er in de harten een woeste moed, die zich ter nau-wernood intoomen liet.

Rusteloos was Kulber. In de bergherbergen maakte hij de boere-jongelingen dronken en wierf ze voor de landsverdediging. Hij vormde heimelijk rondom zich eene garde, hij verstond de kunst overal wapenen en ander oorlogstuig bijeen te brengen en zijn eerste zoowel als zijn laatste woord was: Oostenrijk wil het. Oostenrijk komt ons te hulp.

Middelerwijl stroomden door alle passen vijanden Noord-Tyrol binnen, meer en altoos meer en allerwege werd er van ambtswegen op de „rebellenquot; jacht gemaakt. In het Inndal had men bereids een paar aanvoerders der boeren gegrepen en dadelijk naar krijgsrecht doodgeschoten. Men vertelde van Speckbacher, dat hij zich in een rotshol in de Zillerdaler Alpen verstopt had; Hofers spoor was men een tijdlang geheel kwijt, tot men hoorde, dat hij zich in het Oitzdaler hooggebergte ophield. Van Haspinger, Dörninger en anderen wist men in 't geheel niets. Waren zij op de vlucht? Of in gevangenschap? Of dood?

ocr page 209

205

De waard van „'t Kruisquot; te Brixen, boer Rampe, Gries-acher bevonden zich in dien tijd veel op hun bergweide, ofschoon het daarboven al winterachtig begon te worden. Ook den Mahrwaard beduidde men, dat hij niet in zijn in wijden kring besproken huis aan den straatweg moest blijven zitten, maar tijdelijk een afgelegener streek opzoeken.

„Waarom dan toch?quot; had Peter op dat voorstel geantwoord. „Ik heb niets verkeerds gedaan. Zoolang er openbare oorlog was, heb ik mij geweerd, en als het vrede is, zal ik ook vrede geven. Wat geschied is, betreur ik en des Keizers wil eer ik thans evenals voorheen, 'k Wil mij om dien handel in werelden verder niet meer bekommeren.quot;

„Maar zij zullen zich wel om u bekommeren, mijn waarde!quot; gaf de voorzichtige buurman hem in bedenking, „ze zullen je doodschieten!quot;

„Wat mij betreft,quot; zei Peter opbruisend, „bestaat er geen Tyrol meer, dan is er ook geen Tyroler meer noodig.quot;

Op zekeren dag, toen zij juist aan het middagmaal zaten. Peter, zijn vrouw en de kleine Marianne, kwam Kulber binnen.

„Rookvleesch en pannekoek, als je trek hebtlquot; Met die woorden noodigde Peter den binnengekomene uit en ruimde hem aan de tafel eene plaats in.

„Dank je wel,quot; zei Kulber, „hoe men thans nog aan eten denken kan, begrijp ik niet.quot;

„Mijn God!quot; antwoordde vrouw Notburga, „wat zal men dan doen! Eten mot 'n mensch toch wat.quot;

„Ik heb geen trek,quot; mompelde de zwarte belastinggaarder. „Wat een verandering in korten tijd!quot;

„Je zult toch wel niet gemeend hebben, dat de boeren zouden blijven zitten in den Keizerburgt te Innsbruck,quot; zei Peter, terwijl hij een stuk van den pannekoek sneed.

„Maar dat zij om een leugen wegloopen!quot; schreeuwde Kulber. „Of geloof jij ook, dat de vrede gesloten is, dat wij Tyrolers door Oostenrijk aan Beieren zijn toegeworpen?quot;

Peter lei de vork uit de hand en antwoordde zacht: „Kulber, je hebt het toch zelf verteld.quot;

ocr page 210

206

„Van 't papier heb ik 't voorgelezen en de Beieren hebben het laten drukken en 't is alles valsch!quot;

„Heb je niet gezien, dat ook in de stad de keizerlijke kennisgeving is aangeplakt?quot;

„Ook vervalscht. Alles gelogen! gelogen! gelogen! Wij zijn op helsche manier verraden, mijn beste Mahrwaard!quot;

Peter schoof den houten lepel weg, thans was ook zijn eetlust weg.

„Nou is 't dan nog eens, op leven en dood!quot; zei Kulber.

De Mahrwaard bedekte zijn gelaat met beide handen: „o God in den hemel, welk een tijd beleven wij !quot;

„Peter, ik ben om jou hier!quot;

„Laat me met vreê,quot; antwoordde de waard en wendde zich af. „Ik wil er niks meer van hooren of zien. Dat vree-selijke moorden en branden! Jezus! Maria! Liever alle onrecht dulden, dan nog eens beginnen.quot;

Kulber zweeg een oogenblik, daarop lei hij den Mahrwaard de hand op den schouder: „Peter, ik ken je in 't geheel niet meer. Onrecht dulden! Weet, kameraad, onrecht dulden is zonde! Onrecht moet men dapper afweren ook als men zelf daarbij te gronde gaat. — Wij motten opstaan, en jij mot voorop. Peter!quot;

„Neen!quot; riep de waard en sprong op.

„Jij mot voorop,quot; herhaalde Kulber bedaard. „Daar helpt niks an, jij bent de man er toe. Jij hebt het hart en jij hebt het vertrouwen. Op jouw oproep staan in een paar dagen duizend schutters klaar. Dus Mahrwaard, wees een Tyroler!quot;

Peter stond zwijgend voor hem. — Onrecht dulden is

zonde! Een Tyroler!--De Mahrwaard hief reeds zijn

hand op. In hetzelfde oogenblik stiet de kleine Marianne een gil uit.

„Kind, wat heb je, wat heb je!quot; riep de moeder ontsteld.

„Dat schot!quot; schreeuwde het meisje.

„Dat schot? Wat voor een schot? Wat denk je toch, Marianne?quot;

Het kind schoof naar haar vader toe, omstrengelde met

ocr page 211

207

beide atmen zijn hals, borg' het blonde kopje aan zijn borst en snikte; „vader, blijf bij ons!quot;

„'t Gaat haar niet anders als ons,quot; zei vrouw Notburga, „het vele schieten telkens weer heeft ons allemaal schrikachtig gemaakt.quot;

„Alzoo!quot; drong Kulber aan met nog steeds toegestoken hand.

Nu werd Peter heftig en riep: „doe jullie wat je wilt, ik blijf thuis!quot;

„Dit antwoord neem ik niet an.quot;

„Wil je anders nog iets? Niet? Dan heb ik liefst, dat je gaat.quot;

Zoo sprak de Mahrwaard en Kulber ging, zonder een enkel woord meer te zeggen, het huis uit.

Peter herademde, 't Was alzoo voorbij. Hij had zijn man gestaan. Men kan nu eenmaal op de wereld niet doen, zooals men wil. En voor zijn familie leven, is ook een plicht. Zij moeten berusten in 't geen is, 't is alles vergeefs. — Zoo wee was 't hem om het hart geworden.

Op denzelfden namiddag versterkte hij zich nog. Er kwamen drie Fransche ordonnansen aanrijden. Zij hielden voor de herberg stil, stegen echter niet van hunne paarden, maar lieten den waard bij zich roepen. De rossen stampten op den grond en snoven, de ruiters deden niet minder onvriendelijk, een hunner liet zich op allerlei manier woest uit, maar men verstond het niet. Slechts één enkel woord verstond Peter, ofschoon het geen duitsch was, hij had het echter maar al te dikwijls gehoord: contributie! De andere ruiter sprak-meer verstaanbaar. De Mahrwaard, Peter Mayr, had als een der aanzienlijken dezer streek, binnen drie dagen twee honderd voer hooi en tachtig stuks slachtvee te leveren, weigering kostte hem zijn kop.

De waard boog heel kalm, even alsof de eisch een kleinigheid was. Daarop draafden zij verder, zoodat het stof opwolkte onder de klinkende hoeven. Peter keek hen na en dacht: 't kost enkel mijn kop. Wie zou thans die Frangosen

ocr page 212

208

levensmiddelen leveren! En zelfs wanneer ze in overvloed aanwezig waren, de heeren kregen toch geen halm en geen bete, zij krijgen niks, niks niemendal dan den kop, en daarmee punctum!

Denzelfden avond was er eene vergadering in de zaal van het Domhof. Zij ontwierpen een nieuw lichtingsplan. De Mahrwaard verscheen niet, men beklaagde zich over de toenemende moedeloosheid.

„Wij zullen den moed wel weer wekken,quot; zei een domheer.

Buiten weerklonken trompetstooten. Een Beiersch officier eischte op de open markt de uitlevering van alle wapens.

„Alle wapens! zei een boer onnadenkend door het raam heen naar buiten. „Neem de rotsblokken van heel Tyrol, neem ze maar!quot;

„Wie het bevel van Z. M. den Koning niet op stel en sprong nakomt,quot; riep de buiten staande officier, „wordt behandeld als rebel! Wat dat beteekent, weet ieder.quot;

„Dat zouden wij ons laten welgevallen!quot; schreeuwden onderscheidenen in de zaal en drongen met gebalde vuisten naar de ramen. Slechts met moeite konden de meer bezon-nenen de driftigsten weerhouden.

„Vermetelheid is even erg als moedeloosheid,quot; zei de domheer. „Met moed worden kleine overwinningen verkregen, de grootere verkrijgt men met verstand, de grootste door geduld. Levert hun het geweer uit, maar behoudt het kruis. Ga heen en roep daartoe allen op.quot; —

En op den morgen, toen het volk samenstroomde op de wijde Domplaats voor de groote processie, meldden de Franschen zich aan bij den waard.

Hanna de meid kwam en vroeg scherp, wat zij wilden.

Of de waard t'huis was?

„O mijn lieve tijd, de waard!quot; riep Hanna, „hoe kan de waard nou thuis zijn. als hij naar Etshland gereden is om wijn te koopen!quot;

Of zij de waardin was ?

„Nou zeker, die ben ik. Wat mot je toch?quot;

ocr page 213

209

Waai de contributie was?

„Welsch versta ik niet.quot;

Waar het hooi en het slachtvee was?

„Het hooi is onmiddellijk daarbuiten op de weiden en het vee loopt overal rond, je kunt het dadelijk bijeenvangen.quot;

Of ze wist dat de v/aard z'n kop verloor?

„Mijn God, wie verliest er tegenwoordig niet zijn kop!quot;

De heeren keken elkander aan. Daar zal niet veel aan te doen zijn, het huis is leeg en dat vrouwspersoon is schrikkelijk dom. — Bij geluk was de behoefte aan de contributie niet al te dringend, wij) de troepen door een nieuwe wending der gebeurtenissen niet opmarcheerden naar de Eisack, maar den weg naar Meran en over den Jaufen nemen wilden. Wellicht hing het uitstel van de executie ook samen met een merkwaardig gerucht. Het heette ,dat Bonaparte den Tyrolers had laten zeggen: als de Tyrolers liever niet Beiersch wilden worden, dan moesten zij zich aansluiten bij hun zuidelijke naburen, de Italianen en Fransch worden. Alzoo betoonde men zich op zekere manier mild jegens het volk. In 't kort, de executie trok bedaard af, nadat de heeren zich vooraf een kroes wijn hadden laten geven. Tot groote verwondering van de meid betaalden ze den wijn. Zij raakte het blinkende zilvergeld niet aan, maar liet het op de tafel liggen, tot vrouw Notburga met de kinderen thuis kwam uit de kerk.

14

Peter Mayr

ocr page 214

210

HEI DAAR! WIJ DOEN OOK WONDEREN!

Ver boven in het Firnbachdal stond op een door water ombruisten heuvel destijds een bedevaartskerk. Wij noemen ze: „bij 't heilige kruisquot;. Deze kerk glansde met haar hooge gevelmuren en hare twee torens uit in het Alpendal, zij was ver het land in bekend en bezocht als een plaats van bijzondere genade. De muren der kerk, de sacristie en de vestibule waren behangen met beschilderde borden, voorstellende de wonderen, die aan mismaakten en zware zieken, aan verongelukten en aan personen in doodsgevaar door de kracht van „het heilige kruisquot; waren bewezen.

In een bijzonder vertrek, voorzien van zwaar getraliede vensters en een ijzeren deur, bevond zich eene verzameling oude wapens, schietgeweer, verroeste zwaarden en speren en dergelijke, door zegevierende strijders hier geofferd uit dankbaarheid en tot een eeuwig aandenken. In den loop des tijds was dat vertrek alzoo een soort tuighuis geworden. De kerk was van binnen niet naar volksgebruik overladen met altaren, standbeelden, vaandels en prulwerk. Buiten de vermelde herinneringsborden rezen enkel de beeldzuilen der twaalf Apostelen op: in een zijkapel was een overoud, schier zwart schilderwerk op goudgrond, voorstellend de Hemelkoningin, en op het hoofdaltaar een beeld van de h, keizerin Helena. Boven de altaartafel stond, in een kastje van marmer, een eenvoudig kruis van zwart hout. Midden in dit kruis was een smal, ter nauwernood een duim lang, schijnbaar geheel verweerd stukje ingelegd -— een splinter van het werkelijke kruis, waaraan Christus op Golgotha gestorven was. Dat met een verguld hekje voorzien marmeren kastje bleef meestal gesloten, maar

ocr page 215

211

daarmee niet tegelijkertijd de genadebron; geloovige harten, die vol liefde en hoop kwamen, gingen van hun lijden verlost of ten minste vertroost van daar. Op hooge feestdagen werd het heilige kleinood den volke vertoond; maar de ondervinding leerde, dat de beweldadiging der vromen eene reinere was, [als zij de reliquie niet met lichamelijke oogen aanschouwden, doch met die des harten.

Vooral in dagen van algemeenen nood, van besmettelijke ziekten, overstroomingen en vijandelijk gevaar nam het volk zijne toevlucht tot het heilige kruis. Omdat het oord vooral in oorlogstijd werd opgezocht en omdat daar menige bond tot bescherming en hulp was gesloten geworden, had men in vroeger jaren boven den ingang dezer bedevaartskerk de woorden geschreven: God, keizer en vaderland!

Op dat Godshuis zinspeelde de domheer te Brixen. toen hij zei: ze moesten den vijand de geweren maar uitleveren, ze hadden toch nog het kruis. En naar dat Godshuis werd nu zelfs in het dal van de Inn en van de Etsh, van de Eisack en nog verder, een boet- en bidprocessie voorgeschreven. Anders trokken zulke optochten onder mortiergepof uit, ditmaal ging zij stil van Brixen weg en elke aansluitende weg bracht nieuwe scharen aan, die zich met de hoofdmacht ver-eenigden. 't Was een bidderstoet, zooals het land er ter nauwer-nood ooit een had gezien. Lui die niets te doen hadden, schatten het aantal bedevaartgangers zoo op omstreeks zes tot tienduizend! De straatweg was veel te smal, de menschen-stroom vloeide breed uit over weide- en akkergronden. Bij enge passen en bruggen kwam er opstopping, zoodat honderden hun weg langs steile hellingen of barvoets door het water namen. Elk der deelnemende parochieën had een kerkvaandel meê gezonden, dat aan een hoogen stok boven de hoofden uitwoei. De priesters waren niet te tellen, vanaf den jongen priester in kale doorschijnende talaar tot aan den prelaat met den gouden keten. De vrouwen droegen donkere boetgewaden, de jonge meisjes zagen er uit als sprookjesherderinnen, voor 't meeren-deel waren zij in 't wit, hadden frissche rozemarijnkransen in

ocr page 216

i

212

't hair, en het vermoeden ligt voor de hand, dat menige jonge meid onder het soepele linnen een scherpe boetgordel droeg, zooals oud gebruik het voorschreef. De lichamelijke genietingen stonden in zulk een tijd niet hoog in waarde, het lichaam was bestemd gehard te worden voor den strijd. Opvallend was bij dezen kruistocht het groot aantal mannen, die met lange staven — bundels levensmiddelen — op den rug, ernstig voortstapten. De Beiersche beambten, die overal weer de vroegere posten hadden bezet, vonden zoo'n samenrotting wel eenigszins bedenkelijk, maar daar zij geen wapens zagen en daar zij in opdracht hadden jegens het volk in godsdienstige dingen verdraagzamer te zijn dan voor den opstand, lieten zij hen gaan. Bovendien was er nabij Brixen, op den Klockelau, een afdee-ling Fransche soldaten gelegerd. Deze gaven de ambtenaren het noodige zelfvertrouwen.

Peter, de Mahrwaard, en broeder Augustijn hadden bij het Stollkruis buiten de stad afscheid genomen van vrouw en zuster. Welgemoed keerde vrouw Notburga naar de Mahr terug, want zij had vertrouwen op God, en dat deze bedevaartstocht een bijzondere beteekenis had, wist zij. Of hij een bedetocht was of een vlucht of anders. Peter moest meê, want dat er gevaar dreigde, lag in de lucht.

Alzoo bewoog zich het biddende leger door de lang gestrekte dalen naar het ver gelegen oord der genade, waar ieder naar zijn behoefte troost en raad hoopte te vinden. Een van de ijverigste leiders van den tocht was Kulber, de belastinggaarder, met treffende woorden wist hij onderweg het Tyroler volksbewustzijn te versterken en den haat tegen de vreemde indringers te doen opvlammen. Hij vergeleek deze bedevaart met de middeneeuwsche kruistochten, en het kon wel gebeuren, dat zij met het kruis uittrokken en met het kruis terugkeerden!

De priesters hadden zich niet afgezonderd, maar gingen verstrooid onder de menigte, opwekking en moed insprekend, waar het noodig was. Velen, wier voeten kapot waren gegaan, wier kracht en geestdrift onder de moeiten der reis dreigden te verlammen, beklaagden zich over den langen weg.

:|vïl::

11 li

i';

,11

j

I

ff 1 I 1

!k

ocr page 217

213

Had men dan niet eene andere meer nabijgelegen bedevaartskerk kunnen kiezen? 't Zij de Moeder-Gods bij de drie bronnen, 't zij onze Lieve-Vrouw op het groene plein, 't zij de bedevaartskerk van den heiligen Franciscus, 't zij de wonder-kapel van het rooskleurige Bloed, 't zij de kerk van den patroon des lands. Jozef — deze allen en vele andere stonden veel naderbij en konden op mirakel na mirakel bogen: waarom nu juist die verre, bezwaarlijke, dure reis naar de Kruiskerk!

Augustijn zei, dergelijke klachten vernemend : „hoe langer de weg, hoe grooter de genade.quot;

}a, zelfs over de duurte morden velen, die bereid waren hun leven voor het vaderland te offeren en die het reeds op het spel gezet hadden. De boer geeft liever zijn bloed dan zijn geld. Maar hoeveel geld zal er niet noodig zijn voor dat, wat de leidslieden in hun schild voeren! Als de lui hun beurs moesten ontlasten, zelfs van de laatste groschen, dan moest er wel een bijzonder wonder gebeuren.

Peter, de Mahrwaard, liep met zijn langen staf en met zijn zwaren bundel — hij droeg ook de levensmiddelen voor zijn zwager en voor een oude tante, die achteraan hompelde — steeds een weinig terzijde van den tros en had den breedge-randen hoed d ep over zijn gelaat getrokken. Men weet niet, of hij in gebed verzonken was, dan of hij ongestoord wou zijn; maar hij zelf wist het wel. Bidden deed hij niet, hij was zoo zonderling te moede, 't was hem zoo angstig en bang om het hart. De anderen zongen en baden zoo luid, hij kon niet bidden. Wij zijn geen Tyrolers meer, wij zijn verhandeld aan de Beieren! Dergelijke gedachten woelden om in zijn brein en wilden dat niet verlaten, 't Was geen toorn meer, enkel eindelooze bitterheid, en die deed meer pijn dan krachtige, gloeiende toorn. Wat was er overgebleven van al dat volhouden en offeren en strijden als deze bedevaart naar het Heilige Kruis, om Gods hulp af te smee-ken voor de kameraden, die zich bevonden op een gevaarlijke vlucht! keerden zij terug, dan zouden zij zich vereenigen, maar niet meer, om den vijand te verjagen, doch om

ocr page 218

214

zelve 't land te verlaten en in de wijde wereld een nieuw vaderland te zoeken.

— Onrecht is zonde!

Peter wendde zich haastig om. Had daar niemand achter hem zoo geroepen? Maar er was toch niemand. Alleen een oud mannetje met lange witte hairen, die in den wind fladderden, terwijl de oude vilthoed aan een snoer achter op zijn rug bungelde. Dat mannetje hompelde hem haastig achterna en riep met schelle, kortademige stem: „niet zoo haastig, niet zoo haastig, Mahrwaard, ik wil ook mee. Wij gaan samen weer op het Bairnvellen los, hé! En jij wordt onze kaptein, hé?!quot;

„Domheden,quot; bromde Peter, „denk thans aan bidden!quot;

„Zeker is 't, Mahrwaard! En prettig wordt 't weer, wij zijn allen bereid.quot;

De Mahrwaard wendde zich zijwaarts af en deed, alsof hij een losgeraakten schoenriem moest vastbinden. De oude wou op hem wachten, maar hij zei: „ga jij maar vooruit, Seppel, ik zal wel achterna komen.quot;

De oude ging weliswaar vooruit, maar in zijn plaats kwam er een ander, de zwarte Kulber. Die had op dezen bedevaartstocht ook een zwart gewaad aan en een witte das om, zoodat men hem ook voor een geestelijke had kunnen houden. Ook was hij glad geschoren, zoodat zijne oogen nog donkerder gloeiden in het bleeke gezicht.

„Verstop je, zooveel je wilt, ik krijg je toch!quot; zoo sprak hij den Mahrwaard aan.

„Wie verstopt zich?quot; antwoordde deze. „Wie mij noodig heeft, zal mij altoos wel weten te vinden.quot;

„Dikwijls stuur je iemand, die je noodig heeft, toch je deur uit!quot; zei Kulber, zinspelend op zijn bezoek aan Peters huis. „En om die reden. Peter, spreek ik je op de openbare straat aan, daar kun je mij de deur niet uitsturen.quot;

„De straat is van iedereen,quot; was het antwoord.

„En zij leidt naar de kerk van het Heilige Kruis,quot; zei Kulber zacht. „Je weet toch alles ? Je weet toch.

ocr page 219

215

waarom wij allen' op weg zijn naar het Heilig Kruis.quot;

„Omdat wij daar bidden willen.quot;

„Bidden kunnen wij ook, maar dat is de hoofdzaak niet,quot; zei Kulber, terwijl hij den waard bij den arm nam en op den straatweg met hem voortschreed, maar langzaam, om den stoet niet in te halen. „Ja, waard, wij zullen daar ook de mooie geweren en goede zwaarden bekijken, die ze daar geofferd hebben. En ook de andere wapens. Je weet wel, dat er onder de kerk ruime gewelven zijn, ik geloof dat men ze voor grafkelders gebouwd heeft. Thans zijn zij vol geweren, spiessen, messen en wat men zooal meer noodig heeft. Voor meer dan duizend man moet er voorraad zijn. Die dingen gaan wij afhalen. En daarom gaan wij er heen.quot;

Peter rukte zijn arm los en zei; „wat vertel je daar?quot;

„En jij kiest voor jou de fijnste officierssabel.quot;

„Ik raak niks an!quot; riep Peter. „Ik zeg 't je voor de laatste keer, Kulber, Iaat me met vree.quot;

De ander zei: „Peter, je bent laf geworden.quot;

„Ik wil geen verrader zijn!quot;

„Verrader ben je, als je niet meedoet!quot;

De waard bleef staan, keek Kulber strak aan en zei: „ik zal niet meedoen.quot;

Zoo gingen die twee mannen van elkander. Kulber mengde zich weer onder de menigte. Peter hield zich ter zijde, met een onstuimig hart. Hij dacht aan terugkeer, maar wilde toch den bedevaartstocht niet afbreken, en hij hoopte op troost en verlichting aan de plek der goddelijke genade. —

Waar de kruisvaarders een kerk voorbij kwamen, plachten zij stil te houden en hun groet te brengen. Op een avond bereikten zij de woudkerk van den H. Franciscus. Die stond eenzaam in een dichtbegroeid dal; achter haar en door muren er mee vereenigd stond een kloostergebouw, stil en half vervallen. Elzenstruiken wiessen uit de venstermuren. In een der nog onderhouden kamers ontdekten rondsnuffelende bedevaartgangers een mageren, bleeken Franciscaner. Die huisde daar pip de kerk te verzorgen fin alles om hem heen zag er

ocr page 220

216

armelijk uit. Van den kerkmuur viel broksgewijs de kalk zoo af, dat de ongevoegde verweerde steenen er door heen staarden; aan de zuidzijde waren de cijfers van een zonnewijzer geschilderd, maar de wijzer ontbrak. Tusschen de steenen van den ingang wies het mos. Boven de spitsboog der deur stond erg verbleekt de spreuk: „mensch, uw vaderland is de hemel.quot;

Verderop stonden aan de donkere berghellingen eenige kruizen en schuren. Daarvoor strekte zich een ruime grasvlakte uit, waarop de bedevaartgangers zich neerzetten. Want hier dachten zij te overnachten. Den volgenden morgen vroeg zou het dan verder gaan, om 's avonds eindelijk aan het doel te komen: het kruis van den Verlosser. Wel was vandaar door een voerman slechte tijding gekomen. Beieren zouden een raam uit de kerk gebroken en de bijeengebrachte wapenen weggenomen hebben. Maar toen Kulber dat hoorde, riep hij uit: „dat is niet waar!quot; en de voerman antwoordde daarop bedaard: „nou, dan is het niet waar. Ik heb 't ook alleen maar gehoord.quot; Er werd verder niet over gesproken en zij begonnen zich op de weide plaatsen uit te zoeken.

Toen op den straatweg de eerste bedevaartgangers zichtbaar waren geworden, had de Franciscaner terstond de uitgezakte kerkdeur zoover het ging opengezet, op het schemerige altaar het „eeuwige lichtquot; aangestoken, de houten met ijzer beslagen offerbus bij den ingang geplaats en was begonnen het klokje te luiden. Toen eenige bedevaarters nader kwamen, ijlde hij door een achterpoortje naar zijne cel, waar hij, knielend voor een doodshoofd, gevonden werd.

De kerk was in weinige oogenblikken vol menschen en de plaats er voor en het grasveld tot beneden aan den straatweg was vol menschen, waarvan het eene deel luid bad en het andere zong, zoodat er een dooreengegons van stemmen was, waaruit niemand iets kon verstaan, 't Was ook niet voor menschen. De Heer verstaat alles. Zij plaatsten hunne banieren tegen den kerkmuur, tegen de kloosterruïne, tegen de boomen en velen maakten dadelijk hunne toebereidselers

ocr page 221

217

voor de nachtrust op het grasveld. Reeds begon het te schemeren, toen jongelui op de plaats hout begonnen bijeen te brengen om vuur te maken. Vervolgens maakten zij fakkels en lonten en trokken daarmeê in lange rijen naar de kerk, welker muur bij zoo zeldzame verlichting droevig glansde.

„Daar is 't ook wel mooi,quot; zeiden eenigen tegen elkander, „daar is 't ook wel mooi; ik ga niet verder meer, bidden kan men daar ook.quot;

Zij die naar de kerk van den H. Franciscus opgingen, verhieven gezamenlijk hun heldere stemmen in het volgende gezang:

„De dag is verdwenen.

De nacht is er reeds.

Goede nacht, o Maria,

Blijf eeuwig bij mij.

«•gt;

O Moeder uws Zones,

O reinste Jonkvrouw Van den troon uws hemels Zie neder op ons.

Wij zijn arme zondaars.

Wij schreien tot u.

Laat, Moeder, u vinden En rusten bij u.

De dag is verdwenen.

De nacht is nabij.

Geef ook aan de dooden De eeuwige rust.quot;

Nauwelijks waren de zwaarmoedige tonen van dit lied weggestorven, of op het balkon van het klooster werd de Franciscaner zichtbaar. Hij was thans niet meer bleek, zijn mager gezicht gloeide haast blauwrood tot aan het hooge zich in de

ocr page 222

218

kaalheid van den kruin verliezend voorhoofd. Hij hief de beide armen op en begon op preektoon te spreker!:

„Lieve Katholieke Christenen!

Geloofd zij het goddelijke hart van Jezus en Maria!quot;

De menigte werd opmerkzaam, de een fluisterde den ander toe, stil te zijn en de monnik ging voort:

Broeders in Christus !

„Gij trekt als pelgrims den verren weg langs naar de kérk, genaamd „het heilig kruisquot;, om daar voor het vaderland te bidden. Maar ik zeg jelui menschen, jelui vaderland is in den hemel. Bekommert je niet om aardsche eer en goed, want dat is alles ijdel. Vergiet geen broederbloed voor een nietige aardkluit, die gij op aarde je vaderland noemt. Menschen, je vaderland is de hemel. Lijdt alle leed en alle onrecht, dat door Gods toelating booze menschen je aandoen, met geduld en ootmoed, opdat je gekroond wordt met de kroon des eeuwigen levens. Stelt de redding van het land Tyrol in Gods handen, redt jullie zielen, het jongste gericht is niet verre meer! De Heer heeft het beschikt, dat gij op je reis naar de eeuwigheid rust op deze heilige plek, zooals Jacob gerust heeft te Bethel. Ook onze kruisdragende Heiland heeft hier gerust bij deze kerk, die gewijd is aan den H. Franciscus. Laat je, lieve Christenen, eer de sluimer je oogen sluit, een wonder vertellen, dat gescheid is aan deze plaats.quot;

Eenige pelgrins waren onder die woorden van den Fran-

ocr page 223

219

ciscaner onrustig geworden, in 't bijzonder Kulber wou reeds zijn stem verheffen en den spreker in de rede vallen. Maar het katholieke volk van Tyrol valt geen priester in de rede, hij mag zeggen, wat hij wil. En de Franciscaner zei toch niets nieuws, hij sprak slechts met grooter vuur dan anderen het doen, en hij wou nu een wonder vertellen! De menigte drong naar den spreker op, en deze voer, met de armen levendig zijne woorden begeleidend, aldus voort:

„Toen voor eenige eeuwen de kruisvaarders uit het heilige land het stukje van het echte kruis van Christus naar Rome hadden gebracht, opdat hef daar door den H. vader gewijd worden zou, heeft een vrome graaf van Tyrol dat heilige stukje voor zich van den Paus gevraagd en met het oog op zijn bijzondere verdiensten ook gekregen. Daarop heeft de graaf ver boven in het Firnbachdal, waar zijn' stamburgt gestaan heeft, een prachtvolle kerk laten bouwen, waarin de h. relikwie van het echte hout van het kruis zou worden bewaard. Drie priesters hebben later de reliquie naar ons land gebracht en naar de nieuwe kerk, ver boven in het Firnbachdal. In den laatsten nacht der reis hebben de drie priesters hier gerust, hier in het klooster van den H. Franciscus, die in zijne handen de drie lidteekenen der wonden van Christus heeft. Maar ziet, lieve christenen, toen zij den eerstvolgenden dag boven bij de nieuwe kerk gekomen zijn, hebben zij het heilige stukje hout niet bij zich gehad. In groote angst zijn zij haastiglijk omgekeerd, denkende, dat zij het hier konden vergeten hebben, en dat was zoo, het stukje werd gevonden in den tabernakel op het hoogaltaar in onze kerk. Daaruit hebben zij het plechtig weggenomen en met nauwgezetheid naar de nieuwe kerk gebracht. En desalniettemin, o wonder boven wonder! den volgenden morgen hebben zij dat heilige daar weer niet bij zich gehad, maar was het opnieuw in onze Franciscanerkerk, in den tabernakel. Dat is zoo driemaal gegaan. En toen zij er zich goed en wel van overtuigd hadden, dat het stukje h. hout niet in de nieuwe pronkerige kerk wou blijven, maar onze kerk, de kerk die hier staat, tot zijn gebenedijde woonplaats

ocr page 224

220

verkozen had, hebben zij zelve een kruis gemaakt, daarin een stukje van een Alpeneik gelegd en dat genoemd de splinter van het kruis onzes Heeren Jezus Christus . . .

„Zul je zwijgen 1quot; riep thans een krachtige stem uit de menigte, „ je lastert God!quot;

De Franciscaner liet zich door dien brutalen uitroep niet in de war brengen, hij boog zich ver voorover en schreeuwde met alle kracht: „het waarachtige stuk kruishout is bij ons in de Franciscanerkerk! quot;

„God vergeve het je!quot; riep de stem uit het volk van zooeven; de menschen konden hunne verbazing ternauwernood meester worden.

„Armzalige leek daar beneden!quot; schreeuwde de monnik, „het waarachtige kruishout is bij ons, en het is bij ons, en het is driemaal en liet is eeuwig bij ons!quot;

Thans trad, met de ellebogen zich een weg banende, de jonge pater Augustijn naar voren, en zich wendende tot den ijverzuchtigen Franciscaner, zei hij op hoogst ernstigen toon: „geen leek is het, die thans voor u staat en van u rekenschap vordert, maar een katholiek priester, wiens waardigheid gij aantast. In schuimbekkende jaloerschheid lastert gij de kerk van het H. Kruis en hare reliquie, wier echtheid door tallooze wonderen bewezen is.quot;

„Wij doen ook wonderen!quot; antwoordde de monnik op zijn kloosterbalkon, „en net zulke goede wonderen als elders, en wellicht betere wonderen! Hei daar! Als de bedevaartgangers ons maar niet voorbijgaan, en als zij maar bij ons inkeeren en vlijtig bidden en hunne vrome offers brengen, zooals zij het elders doen, dan zul je wel eens zien! Doet toch je oogen eens open, lieve christenen, en ziet, hoe armzalig het er bij ons uitziet: de eerwaardige broeders verdwenen, het klooster vervallen, de kerk verwoest, en ik, de eenige, die hier moet blijven zitten, leef van milde gaven, die dikwerf lorrig genoeg zijn! Hoe zouden dan wonderen kunnen geschieden ? Ja, fluiten zal men je laten, en het h. stukje hout.....quot;

ocr page 225

221

„Haalt hem naar beneden!quot; beval thans een domheer uit Brixen, „haalt hem gauw naar beneden, hij is ziek, hij spreekt wartaal.quot;

„Bezopen is ie!quot; riepen verschillende stemmen en lachterj.

Maar Augustijn zei: „hij is noch ziek noch dronken. Uit hem spreekt de zelfzucht.quot;

De Franciscaner, dien men niet van zijn balkon kon krijgen, stiet met de vuisten de lucht in en schreeuwde: „is God niet overal? Ja? Waarom zou hij dan hier niet zijn? Waarom juist hier niet in de kerk van den H. Franciscus? Heidenen, die je bent! En als Hij hier is, waarom zal Hij dan hier niet evengoed wonderen doen, als op plaatsen, waar men drukte maakt! An jelui ligt de schuld, als er niks gebeurt. Het geloof ontbreekt je, en als je in den waan verkeert, dat daarboven alleen Het Ware is en hier bij den H. Franciscus niet, dan ben je vervloekte heidenen!quot;

Thans sloeg zijn stem over, zoodat hij niet verder spreken kon. Waarop Augustijn zei: „wee, als het zoover komt met den godsdienst, dat men de heiligste dingen tot koopwaar maakt. Dan heeft God ons verlaten!quot;

Doch nu was de zwarte Kulber er ook bij! hij plaatste zich in het schijnsel der fakkels met uitgebreide armen en riep; Juist zoo! Goed zoo! God mot ons verlaten, opdat wij leeren onszei ven te helpen! Ik zeg het je, als het zoo staat, nut ons het stukje van het echte kruis niks. Ik weet een ander kruis, Tyrolers, een kruis, dat ons redt in onzen vree-selijken nood. Het kruis aan het zwaard! Laat thans dat getwist over wonderen en maakt je niet slap met bidden. De vrouwen motten bidden. De mannen motten op den vijand los. In de kerk van het H. Kruis zijn de wapenen. Op, mannen, voor ons is er thans geen rust!quot;

Deze woorden waren door Kulber zoo hartstochtelijk woest geuit, dat er een akelige opgewondenheid en beweging ontstond. Sommigen murmereerden nog over broeder Augustijn, dat hij zoo ruw tegen den eerwaardigen Franciscaner was uitgevaren. De anderen waren gekant tegen den belasting-

ocr page 226

222

gaarder, die als een vrijmetselaar gesproken had. Weer anderen dachten, dat het nu juist het beste was, pelgrimstaf en rozekrans weg te werpen en naar huis te gaan, de stichting was nu buitendien naar den duivel, alles met mekaarquot; Maar mannen van beneden en van boven schoolden met haaste^bijeen en waren het hierin eens: Kulber heeft gelijk!

Alzoo ontstond er onder de menigte getwist en gescheld, gespot en' gegrien, en wijl er vele moedeloozen onder waren en zulken,'~ wien dat rondtrekken voor hun goede geld niet behaagde, :Won 'de partij van den Franciscaner aanhangers. Zij moesten zich derhalve van de zwaardpartij menig hard woord laten welgevallen, zelfs dat van „valsche Judasquot;, maar zij trokken zich daarvan niets aan, maar zeiden, dat zij geduldig leden om des heiligen geloofs wil. En onder zulk een onstichtelijke gisting onder de menigte ging de koster met het schellezakje rond. De Franciscanerpartij gaf om den tegenstander te trotseeren dubbel; de tegenstanders wilden toonen, dat zij zich niet ter wille van een paar, gemeen behandelen lieten en gaven ook dubbel. De koster bad glimlachend in zijn vroom hart: „Franciscus, Franciscus, nou hou je je goed. Je doet een wonder!quot;

Kulber had uit de groote schare der kruisvaarders een aantal krachtige mannen geworven, met welke hij den volgenden morgen naar de kruiskerk optrok. Onderweg vertoefden zij in dorpen en hoeven en wapenden zich met geweren en snaphanen. Het gerucht bevestigde zich, dat de kruiskerk belegerd werd door Beiersche soldaten. Toen de boeren naderden, schoten de soldaten uit de vensters en de torengaten.

De boeren trokken zich snel in de nabijgelegen groeven terug en hielden daar krijgsraad.

„De kerk in brand steken!quot; ried Kulber.

De mannen ontstelden. Boer Rampe antwoordde: „dit huis Gods in brand steken, mijn beste Kulber, dat doen wij niet. Wegens die paar mannetjes het heilige kruis-splintertje verbranden, dat zou het domste wezen, wat wij doen konden.

ocr page 227

223

Onze Heer God mot onze beste kameraad zijn, en dien nou ook nog beleedigen!? Neen, dat doen wij in het geheel niet!quot;

Kulber bleef er bij; den vijand in de kerk opsluiten en die aansteken.

„Aangenomen!quot; zei Stanker, „als wij er eerst dien houtsplinter uitkrijgen.quot;

En weldra ontspon zich tusschen een Tyroler, die voor de kerk stond, en een Beier, die door het raam keek, de volgende onderhandeling. De bezetting der kerk zou toestaan, dat een priester naar binnen ging, het allerheiligste van het altaar nam en het vandaar wegdroeg; dan zouden de boeren aftrekken, anders echter niet. Het heiligste wilden zij er uit hebben, daarna konden de anderen met de kerk doen, wat zij wilden.

De Beieren stemden daarin toe, maar de boeren moesten op een behoorlijken afstand blijven.

Terwijl uit alle vensters geweerloopen dreigden, ging een priester, door Stanker begeleid, die in een lantaarn licht droeg, de kerk binnen. De deur werd geopend, tusschen de soldaten door schreden zij naar het altaar, namen de heilige reliquieën er uit en droegen ze plechtig weg. Vele soldaten knielden neer, toen ze met het heiligste voorbij kwamen; andere spotten met de „paperei.quot;

De priester schreed met zijn kostelijk bezit de deur uit.

Terwijl de opmerkzaamheid der Beieren op den geestelijke was gericht, had een der boeren een ladder tegen de kerk geplaatst en brandende tonder onder de dakschilden gelegd. De bezetting in de kerk merkte het vuur eerst op, toen de rook neerstreek langs de vensters, zoodat binnen langs de witte wanden schaduwen vlogen. De Beleren drongen vloekend naar buiten. Kulber kommandeerde, dat men van de steengroeven uit door schieten den vijand in de kerk moest terugdrijven, waartegen de boeren zich verzetten .— zij wilden het huis Gods niet maken tot een moordenaarshol. De Beieren waren heel blij, heelhuids aan het gevaar te ontsnappen, het kerkdak stortte krakend in, de wapenkelders bleven onbeschadigd in handen der Tyrolers.

ocr page 228

224

Nog lang brandden dien nacht de torenspitsen als twee reuzefakkels en Stanker beweerde, dat hij zijn leven lang zoo'n bijzondere bedevaart niet had meegemaakt. In stee van aflaten brachten zij geweren, knotsen, sabels en spiesen mee naar huis en Kulber maakte alles klaar voor een frisschen dans.

Middelerwijl had de aanhang der Franciscaners beneden in de oude kloosterkerk zijn gebeden verricht. De pater hield ter eere der gasten des morgens een zeer lange mis, en een zeer roerende prediking, was bij het afnemen der biecht heel mild en vergevensgezind en trachtte op elke manier zijn kerk in het beste licht te stellen.

Deze bekeerlingen waren op den terugweg eenstemmig van meening: of wij keizerlijk zijn of koninklijk, is alles eenerlei, als wij maar in den hemel komen.

Toen allen reeds waren teruggekeerd in hunne huizen en hutten, om op de gewone alledaagsche manier verder te leven onder vreemde heerschappij; toen ook die mannen schijnbaar zich schikten, die werkelijk boven bij de kruiskerk waren geweest, — was de Mahrwaard er niet. Hij was voor de laatste maal gezien geworden op den dollen avond voor de Franciscanerkerk. Sinds wist niemand iets van hem. De waard uit „'t Kruisquot; te Brixen uitte een troostrijk vermoeden. Hij dacht dat die geschiedenis Peter té dom geworden was en dat hij zich midden in den nacht, terwijl de anderen sliepen, op weg had begeven naar Karinthie, om de Oostenrijkers op te zoeken. Na eenige dagen zou hij met de armee opdagen, en dan zouden de Beieren nog eens weer zien, dat het gat naar buiten veel gemakkelijker te vinden was dan naar binnen.

De Beiersche ambtenaren, wien zulke redenaties ter oore kwamen, lachten er over en dachten: de Tyroler leeuw heeft hazevoeten gekregen.

Hanna had ook hare gedachten en op zekeren dag, toen zij aan de bron stond en wachtte, tot de tobbe vol was en in dat oogenblik de waardin voorbij kwam, sprak ze deze aan; ,,zeg, vrouw, wat denk je er van? Hoe is dat toch bij

ocr page 229

225

ons in huis? Alle manslui gaan vort en geen een komt terug!quot;

En vrouw Notburga antwoordde: ,,ik bid, zooveel ik maar kan. Maar tegenwoordig wordt het me haast te veel, alles wat er op mij neerkomt. Goed zal 't echter wel zijn, dat hij zich schuil houdt.quot;

„Niet vertsagen, vrouw!quot; zei de meid gauw. „Zij kommen wel terug. Alle drie kommen ze weer thuis.quot;

„Alle drie?quot;

„Alle twee, wil ik zeggen, vrouw, de groote en de kleine. Houden wij maar vol met bidden. De rozekrans tn de mestvork! Daarop kun je je verlaten als op een manskerel.quot;

En ze stapte met haar watervat naar den stal. — En al kostte het heel Innsbruck, ik babbel er op los, dacht Hanna; men mot ze opmonteren, in deze tegenwoordige omstandigheden mot ze niet zooveel hartzeer hebben. O God, o God, die manspersonen!

PETER, OP ]OU VERTROUWEN WE, VERLAAT ONS NIET!

Dat Peter op den bedevaartsweg naar het „H. Kruisquot; bezwaard was van hart, dar. weten wij reeds. En dat het door de woordenwisseling met Kulber niet lichter geworden was, dat weten wij ook. En dat het optreden voor de Franciskaner-kerk de zaak nog erger had gemaakt, dat kunnen wij denken. Zijn weedom was zoo brandend en woest, dat hij voortliep het nachtdonkere woud in en daar zijne beide vuisten tegen het voorhoofd slaande kermde: 't is niet mogelijk! — Hij had in het gebed troost willen zoeken, thans was ook dat hem belet. Zijne armen strekten zich verlangend uit naar

Peter Mayr 15

ocr page 230

226

wapenen, maar hij mocht geen hoogverrader worden. Hij had gekampt, maar deze doeilooze worstelingen waren dan toch evenzeer rebellie en moord geweest! Niet waar? De arme waard aan de Mahr moest het ondervinden, dat een krachtige daad en een teeder geweten met elkander niet kunnen samengaan. Sinds het land vrede had gesloten, had hij den oorlog in zijn hart.

Tot aan deze zware dagen toe had hij de priesters aangemerkt als de verkondigers van trouw aan den Keizer, van liefde voor het vaderland en van oorlogsmoed om Godswil. En thans had hij eene stem hooren zeggen, dat men om den wil der aardsche dingen geen hand verroeren moest, dat men de geduldige knecht van vreemde tyrannen moest zijn, met niets, in 't geheel niets in het oog dan een beter hiernamaals. Thans kwam hij tot zichzelven, thans werd het hem klaar: als die geest doordringt, dan is alles verloren.

Door zulke gedachten gejaagd ijlde hij dieper de bosschen in. 't Was een donkere kloof tusschen overhangende rotsen, die hij doorging. De maan aan den hemel werd door wolkenflarden omhuld of door het bosch bedekt. In de oude boomkruinen suisde en bruiste de wind. De sparren en pijn-boomen stonden strak, maar de jonge lariksen bogen zich ruischend neer en hunne dorre naalden vlogen den wandelaar tegen de brandende wangen. Waar wilde hij heen? Daaraan dacht hij niet, slechts altoos verder en opwaarts het gebergte in. Hij ging over verbleekt ruw gesteente, hij wrong zich tusschen bosch en kromhout door, hij klom langs rotsrimpels op en zoo ging hij den ganschen nacht. Moe werd hij niet. Doch toen in eene hooge rotswoestenij de morgenzon over hem opging, bleef hij staan, voer met de hand langs zijn nat voorhoofd en vroeg zich af, wat is dat ? — Hij bespeurde iets als beschaamdheid daarover, dat hij zoo planloos en onzinnig ronddwaalde, en zie, heel onverwacht vond hij er een verstandige reden voor: hij zocht Hofer, of Speckbacher, of eenig anderen vluchteling, wellicht kon hij dien van nut zijn. — Aldus ging hij verder en verder en keek niet om,

ocr page 231

227

en hij ging over puin en over ijs, en hij daalde in een geheel vreemd oord af, kwam dan weer bergopwaarts op een weide, wankelde voort in de richting eener lege, vervallen hut, waar hij op stroo en mos neerzonk.

Toen Peter wakker werd, wist hij noch hoelang hij geslapen had, noch waar hij was, noch wat hij wilde. Hij stond voor de hut lang en stijf als een boomstronk. Eerst bezon hij er zich op, of hij de Mahrwaard was uit de herberg bij Brixen. Of was hij een bende-hoofdman? Was hij voor de Beieren gevlucht? — Neen, dat niet, dat niet, voor mijn eigen landslui ben ik gevlucht. Wat wil ik hier nu? De bergspitsen rondom zijn met sneeuw bedekt, 't is reeds laat in den herfst. Wel schijnt de zon, maar de rijp heeft alle gras doen verdorren tusschen de steenen. Rijp ligt overal waar schaduw is, de bron draagt ijskorsten, — Hoe zou het den waard uit „'t Zandquot; gaan? Ik zou er iets liefs voor willen geven, als ik wist, in welk gebergte ik ben. Van alle bergen, die daar staan, heb ik er nog nooit een gezien. Waar zijn de groote dalen, dat men er niet een van ziet? Enkel uit de diepte opstijgend woud, blauw van verte. — Dat het zoo heelemaal dood kan zijn in zoo n gebergte! Mijn vrouw, mijn kinderen beneden in de valsche wereld. Waren zij hier boven, ik zou wortels voor hen graven uit de sneeuw, raven schieten uit de lucht. Alleen, opdat ze geen onderdanen wezen zouden van die leugenhonden! — Zou dat de Schlern wezen, die daar zoo stijf en donker opstijgt uit de witte velden! O landgenoot, als ik je levend maken kon, dat je dat gebroed vergruisdet, het vreemde en het — andere. En daar! Uitgestrekte ijsvelden! Zouden dat de Stubaier wezen ? Of de Oetsthaler Ferner? O mijn leven, wat is dat mooi! Fernerland, gij oorspronkelijk eigenland Tyrol, u veroveren ze nooit. Wij vluchten tot u naar boven, liever in ijs dan daar beneden ....

Zoo joegen de gedachten elkaar in het hoofd van den man die de wereld ontvluchtte, dien de gebeurtenissen der

ocr page 232

228

allerlaatste tijden zoo zeer hadden geschokt en beangst. Thans zat hij op een steen, blikte ver weg in het zonnige Alpenland, zoo groot en schoon, dat zijns gelijken nergens te vinden is. — Hij weende. — Toen werd het hem lichter om het hart. Hij dacht er niet over, of hij daar blijven, en niet of hij verder zou gaan, geheel gedachteloos bracht hij de hut in orde, zoodat men er des noods in wonen kon. Hij maakte van dunne eiken brandhout, sloeg vuur met staal uit steen, haalde uit zijn bedevaartsbundel voedsel te voorschijn, die voor verscheidene dagen toereikend was.

Alzoo bleef Peter in de Alpenhut. Het weer was mild en lauw en den volgenden morgen hing er nevel met fijnen regen, als midden in den zomertijd. Alle rijp was gesmolten en tusschen de mosgrijze stomphoekige steenen ontsproot het gras. De Mahrwaard slenterde tusschen rotsblokken, bergwanden en akkermaalsbosschen rond, kwam hier aan een afgrond waar hij niet verder kon, omdat de helling zich in bodemloozen nevel verloor, kwam daar aan een wand, waar hij ook niet verder kon, omdat hij loodrecht opsteeg in den beweeglijken nevel. Er bevond zich daar eene zacht glooiende bergweide, maar daar ging hij niet over, want van dien kant was hij gekomen. Daarop kwam de vroege avond w?sr, hij keerde terug in zijn hut, maakte vuur, gaf zich aan sombere gedachten over, en wist niet wat hij wou of zou.

Want iemand, die zijn leven tot heden als waard aan een levendigen straatweg heeft doorgebracht, is gansch onbeholpen in de eenzaamheid; bij zulke menschen wordt de gedachte eerst klaar en bruikbaar in het oogenblik, waarin het voor toehoorders in woorden kan worden omgezet. Zonder het omkleedsel van het woord zijn hunne gedachten aan spookgestalten gelijk, die erg kunnen misleiden. Een mensch, aan beweeglijken arbeid gewoon, moest niet soezen.

Herhaaldelijk las hij in zijn gebedenboek plaatsen uit de h. schrift, die hem tegenklonken als stemmeh uit den tijd zijner jeugd, toen hij in school en kerk zulke spreuken zingen en zeggen moest.

ocr page 233

229

Op een langen avond, terwijl buiten de regen ruischte en op verscheidene plaar.sen in de vervallen Alpenhut de droppels neerkletsten, dacht Peter: 'k heb dikwijls gedacht, dat ik graag eens door 't h. land zou willen reizen. Thans zou ik het graag doen. Die uitgedroogde Franciscaner heeft mijn geloof verduiveld in flarden gepreekt, ik mot het weer opflik-ken. In den h. stal te Bethlehem, bij den Jordaanstroom, op den berg Tabor en op den Calvarienberg zou het wel weer beter worden. En als het juist is, dat elk mensch bij het graf zijns Heeren een bijzondere genade vragen mag — ik zou bidden voor Tyrol ....

En in den daaropvolgenden nacht was zijn ziel een bedevaartsgangster naar het Oosten. Hij deed niet de heidensche plaatsen aan der Grieken, der Romeinen, der Egyptenaren, zooals andere reizigers plegen te doen; hij voer langs blauwe zonnige wateren rechtstreeks naar de stranden, waarachter de Libanon zich verheft. Hij vond in den stal Bethlehems de Krib, waarin het Jezuskind gelegen had. De Mahrwaard zonk op de knieën en begon zoo innig te bidden, zoo zalig te snikken — dat de man, die thans in de Alpenhut voor den slaper stond, niet wist, wat daar plaats had.

Kulber! Deze was niet tevreden geweest met zijn jongste succes beneden in het dal; hij had den Mahrwaard gezocht en zoo lang gezocht, tot hij nu voor hem stond; daar in dit eenzame gebergte, lag onder vervallen dak de vermiste uitgeput, in den slaap nog opgewonden en snikkend. Toen Kulber den avond te voren beneden van den bergrug uit door den regensluier het licht had gezien, had hij zijne schreden naar boven gericht. Met een vreugdekreet wilde de hartstochtelijke man den vondeling wekken, maar hij bedacht zich toch, en bij het schijnsel der verglimmende haardkolen zag hij stil op hem neer. Maar die scherpe blik wekte den sluimerende, hij opende de oogen, richtte zich op, en stiet vol schrik met heesche stem de woorden uit: „wie is daar? Wie is daar?quot;

„Mahrwaard,quot; zei Kulber op vertrouwelijken toon, diens

ocr page 234

230

hand zoekend. „Ik ben 't, je vriend Kulber, ken je mij niet?quot;

Peter verhief zich zwijgend van zijn leger, keek door de half openstaande deur uit in den nacht, wreef zich het voorhoofd, trad daarop naar den haard, om aan zijn vuur een lichtspaan aan te blazen.

„Kulber,quot; mompelde hij eindelijk en wreef zich telkens weêr het voorhoofd. „Wat wil je van me? Je weet het immers, je weet het immers!quot;

In plaats van daarop te antwoorden, vroeg de genoemde: „hebben ze je vervolgd, dat men je hierboven in de wildernis zoeken mot?quot;

„Wie heeft mij te zoeken?quot; zei Peter, de brandende houtspaan houdend in de bevende hand. — „Ach, vriend,quot; voegde hij er weeker bij: „ik ben ruw, wees niet boos op mij. Je hadt alleen op een ander uur bij mij motten kommen. Mijn levenlang heb ik mij niet zoo wel gevoeld als in dit uur, en gij verstoort dat alles.quot;

„Heb je zoo lekker geslapen?quot;

„O God, die droom!quot;

„Ben je misschien er juist bij geweest, toen zij dien Bonaparte te Innsbruck aan den stadhuistoren ophingen? In dat genoegen zou ik je waarlijk niet graag gestoord mogen hebben.quot;

„Mensch, wat babbel je,quot; zei Peter, „ik ga naar 't heilige land.quot;

„Ah, wat zwetst jij daar! Ons heilige land is Tyrol.quot;

„Ik kan er niks an doen, ik mot vort,quot; zei Peter. „Eerstens dat groote ongeluk en tweedens die Franciscaner.quot;

Dat hoorende lachte Kulber luid: „die krankzinnige monnik! Wie neemt nou zulke dingen ernstig!quot;

„Neem jij den godsdienst niet ernstig? Ik zeg je, ik heb et genoeg van. Ik reis naar het heilige land.quot;

„Wat wil je daar dan?quot; lachte Kulber. „Neen, neen,kameraad, ik lach niet om je geloof, ik lach alleen maar om je eenvoud. De Franciscaner, zeg je. Ik zeg je, dat het H. land meer doet, dan de Franciscaner. Als je je kinderlijke voorstellingen uit de H. Schrift teniet wilt doen, ga dan haastig

ocr page 235

231

naar het H. land. Inplaats van sporen van Christus vindt gij er knibbelende heidenen en twistende secten. Alles vuilheid, zelfzucht, schacheraars, het land kaal, eenzaam, vol roevers, alles en elk ding anders, als jij 't je denkt volgens je bijbel; eerst kort geleden vernam ik het van een kapucijner uit Bozen, die daar geweest is. Ga er maar heen, Peter, bedelaar tot in 't diepst van je bloedend hart kom je weer thuis.quot;

De Mahrwaard wendde zich af, en daarop weer tot Kulber en sprak: „Kulber, je bent slecht. Weet je dat zoo zeker, praat dan die reis mij op andere manier uit het hoofd. Heb jij al geen christelijken troost noodig, een ander misschien toch wel. Waarom alles zoo gruwzaam te verwoesten, dat is een duivelswerk, versta je!quot;

„Mahrwaard,quot; zei daarop Kulber, „bedrieg je zelf niet, gij zijt het immers niet, wat je nou wezen wilt, je bent het van natuur uit niet, enkel uit verslagenheid komt je dat zoo voor, maar je bent er geen, je bent geen huichelaar!quot;

„Dat niet,quot; mompelde Peter, „zoo een ben ik niet!quot;

„Alzoo, wees weer de verstandige man, die je waart en luister naar mij. Vergeefs wil ik niet tot je opgeklommen zijn in dit woest gebergte. Wellicht is het toch ook iets christelijks, wat mij weer tot je drijft, en je moogt me wegzenden zooals je wilt, 't is voor God, keizer en vaderland, — dus wijk ik niet. Je bent een voorbeeld geweest van beleid en dapperheid in den strijd en hebt de groote overwinning mee bevochten. En nou wil je den Heere God en het vaderland en ons allen werkelijk ontrouw worden? Neen, neen. Peter, dat mag niet gebeuren, ze roepen je, de Brixeners, de Gröd-ners, de Sterzingers, allen roepen ze je!quot; Hij pakte hem bij den arm: „Peter, je mot meê!quot;

„Laat dat,quot; zei de Mahrwaard, beproevend zich los te maken, „ik heb mijn best gedaan en het is alles uit.quot;

„Uit? Wie zegt dat dan? Thans, mijn vrind, begint het eerst goed!quot; riep Kulber. Zijne armen trilden, in zijne oogen gloeiden roode en groene vonken. „Bij de Kruiskerk is opnieuw het besluit genomen. Was je 'r maar bijgeweest, je hadt ge-

ocr page 236

Ill

zien, hoe wij daar de Beieren verjaagd hebbèïi. Een goed begin, alles is vol geestdrift. Het gaat, kameraad, het gaat beter dan de eerste keer. Hofer komt ook, Speckbacher heeft ons hetzelfde laten zeggen. Johann Gruber, Eisenstecker, Thalguter met hun volk, zij zijn allen bereid. De onzen wachten nog alleen op jou.quot;

„Hofer ook?quot; vroeg Peter, „het heette, dat hij in 't woest gebergte is.quot;

„Heb je gehoord, dat hij gauw in de handen der Fran-schen zou gekomen zijn?quot;

„Nou, dat was niet kwaad!quot;

„Hij was verraden door een boerenknecht!quot;

„Dat is niet waar!quot; riep de Mahrwaard, „geen Tyroler verraadt den waard uit „'t Zand.quot;

„Op den Dürnrug. Een herdersknaap, zoo zegt men, zou hem in 't laatste oogenblik nog gered hebben. En nou komt hij naar beneden en doet weer mee. En jij komt ook, je mot. Peter, je mot! Ik laat je hand niet meer los, je bent ons aller hoop, verlaat ons niet! Zie, de Pinterdalers zijn allen opgekomen, de Karintheërs rukken aan en hebben bij Lienz glorierijk slag geleverd. Groote buit. In het bovenste gedeelte van het Inndal hebben de boeren een Beiersch regiment teruggeworpen en bij de tweeduizend man zijn door de boeren gevangen genomen. En dan mot ik je nog iets zeggen, ook de Zwitsers en de Spanjaarden hebben laten weten, dat zij komen. In het Zillerdal is aan een herdersdeerntje op een bergwei de Moeder Gods verschenen, driemalen achtereen, en die heeft gezegd: eer zeven zaterdagen voorbij zijn, is mijn geliefd land Tyrol weer vrij. — Het gaat, kameraad, het gaat!quot;

„Je zult honger hebben,quot; zei Peter, op het overschot van zijn brood wijzend, „neem dat voor 't oogenblik voor lief.quot;

„Ik laat je hand niet meer los.quot;

„Dringen kun je iemand! En duivelsch dringen ook,quot; antwoordde de Mahrwaard. „Maar meegaan doe ik nou

ocr page 237

233

niet. Ik wil er nog eens over denken, ik wil er me eerst nog op beslapen.quot;

„Nog eens op beslapen?quot; riep Kulber bijna verontwaardigd. „Hoelang wil je dan nog slapen? Terwijl boven aan de Inn alles vol vijanden is. Alle dagen rukt er een nieuw regiment van Kufstein naar boven. Held Bèfer wil reeds over den Brenner.quot;

„Held Bèfer? Wie is dat dan?quot;

„Dat is de Fransche generaal die gezegd heeft, dat de wegen ten behoeve der Fransche ruiterij met geknevelde Tyrolers moeten geplaveid worden! Ja, mijn vrind, dat is dezelfde, en jij wilt slapen!quot;

„Morgenvroeg willen wij daarover verder spreken. Leg je thans neer.quot; Na die woorden zei de Mahrwaard niets meer. Hij wierp zich op zijn leger. Den ander bleef niets over dan zich ook neer te leggen, en nu lagen zij naast elkander op het vuile stroo, beiden zwegen, geen van beide sliep.

Toen het een weinig begon te schemeren, stond Kulber reeds overeind en opende de deur naar buiten, 't Was een heldere morgen en roodgoud steeg de dag op over de kimmen der Tauerbergen.

„Mahrwaard! 't is tijd!quot; riep Kulber.

„Welnu, ga naar beneden. Ik wil vandaag nog eenmaal met mijzelven te rade gaan. Ik wil met mijzelven spreken, kan het zijn, dan kom ik morgen achterna.quot;

„Je hand daarop, kameraad!quot;

De Mahrwaard reikte hem de hand.

„'t Is een zuivere zaak,quot; zei Kulber met krachtigen handslag. „Peter Mayr, wij zijn gereed en wachten slechts op u!quot;

Na korten tijd was de Mahrwaard weer alleen op den eenzamen Alp.

Thans ligt hij versmachtend op een kouden steen ....

Toen Peter zag, dat hij weer alleen was, werd 't hem licht en vrij om het hart. Hij ging naar buiten en verwonderde zich over den blijden mildwarmen dag, die het uitgestrekte bergpanorama hulde in een doorzilverden sluier van

ocr page 238

234

licht, zooals midden in den zomer. Alleen op de Stubaier lag blauwige schaduw, want daarboven stond een wolkengevaarte, gelijkende op een roestbruine draak met vreeselijke vleermuisvlerken. De kluizenaar luisterde, of er niets te hooren was. Geen luchtje bewoog zich, geen vogel piepte, geen steentje ruischte in 't rollen, geen mensch- of diergeluid klonk er en van de duizend kerktorens in het land woei geen enkele klokketoon op naar de hoogtewoestenij. De menschen mochten 't niet hebben gedaan. God had den vrede gesloten. De draak had zich allengs teruggetrokken naar den kant der Oetsdalalpen en was een andere geworden. De wolk zag er thans uit als een ros en ruiter, en de ruiter droeg een helm met gouden randen. Peter dacht aan den h. ridder George, ook aan den h. ruiter Martinus, wiens schilderij aan den wand van zijn huis hing en die vereerd werd als schutspatroon tegen den vijand. — Thans was er een speling in de lucht, alsof uit het hoofd van den ruiter een flikkerend punt te voorschijn gesprongen was; dat punt beschreef langzaam een wijden boog, stond daarop een poos bewegenloos aan het firmament en verdween allengs in een kloof door stijle rotsvertakkingen gevormd, en die gevuld was met sneeuw en ijs en puin. 't Kon een adelaar geweest zijn, maar in de kloof was de vogel niet meer te zien. Maar er was een heel zacht kniesteren verneembaar door de dunne lucht, alsof het zand regende.

Peter luisterde, het regengeluid werd duidelijker, levendiger, verneembaar haast 'als 't weeromgeruisch van een Waterbeek. Nu zag de beschouwer met zijn werkelijk oog, hoe in de kloof de puin en sneeuwhelling in beweging raakte. De sneeuwvlakken scheurden, over de ijsmassa's trilden in zigzag zwarte lijnen, zij barstten, de steenhoopen kringelden als golven op eene zee en nu werd alles, alles levend, en vloeide traag en log naar da diepte af. De steenbodem, waarop Peter stond, beefde van het dof gedreun, dat de onmetelijke massa's der kloof veroorzaakten, door het neerstorten in den afgrond. Uit den krullenden sneeuwstroom wervelde het zand op.

ocr page 239

235

groote ijs- en rotsblokken werden geslingerd de lucht in, waar zij onder vuurontladingen uit elkander sloegen; alsof al die massa's vloeibaar waren geworden, borrelden en schuimden zij, brulden zij in heete branding omlaag tot in den schemerenden afgrond, waarin geen oog ze meer volgen kon. Nog lang en vreeselijk dreunde de donder tusschen de wanden en rezen stofwolken uit de diepte op. Vreemdsoortige vogels schoten door de lucht, botsend tegen de hellingen, vruchteloos fladderend met geknotte vleugels op den grond, angstig schreeuwend, tot zij bewegingloos bleven liggen — Eindelijk was alles weer stil geworden. Slechts een buitengewoon grootbruin breukvlak bleef er over van de geweldige gebeurtenis.

Peter had een Mahre 1) zien neerstorten, zooals er in de Alpen na het smelten der sneeuw of na regendagen somwijlen losgaan, rotsburgten doen springen, wouden wegvegen, beddingen dichten, zoodat het water een anderen loop neemt of zich opstuwt tot een meer — God zij genadig de menschen, die thans in de kloof waren, dacht Peter, zij zijn gestorven en begraven; wee, als dat laatste geschiedde voor het eerste! — Ook mijn huis, dacht hij verder, staat bij zulk een puinberg, die van Pfeffersberg naar beneden gekomen is, en die, ofschoon thans weer groen en met bosch bedekt, de Mahr heet tot op den huidigen dag. Zoo'n Mahr! Ter juister plaats en ter juister tijd kan zoo'n Mahr veel doen! Ze deed veel meer dan honderd schutters! ....

En toen Peter daar zoo eenzaam stond in de leege eenzaamheid, te midden van de angstwekkende woestheid der natuur, hoorde hij heel plotseling en dicht achter zich een schelle menschenstem. Zij kwam van een kleinen rotswand, en daar stond een knaap, met de handen in de zakken van zijn flodderende broek, opgeruimd op de wijd uitgespreide beenen schommelend, heen en weer. Hij trillerde en zong een oud lied:

1

Bergval.

ocr page 240

236

Hoe prettig is 't des zomers Al op de groene wei,

Als alle vogels zingen In dartle levensvreugd,

Als alle haantjes kraaien.

En elke koekoek roept.

Als alle meisjes lokken De jongens bij zich in.

Hoe prettig is 't des winters.

Als 't stil word op de wei.

En slechts een enkele herder Nog zoekt een herderin.

Dien zou ik daad'lijk zeggen.

Zoek maar, zij is niet hier.

Doch door een kleinen jongen Ben ik gezonden u.

Thans sprong de jongen van de rots af, ging dicht naar den Mahrwaard toe, zoo dicht, dat deze het wit in zijn oogen zag en hem ook meende te herkennen. En hier gaf hij, als ter eere van zijn toehoorder, nog een coupletje tot slot:

„Het is een mooie jongen.

Het is een brave man.

Hij heeft den vrienden goed reeds.

Den vijand leed gedaan.

Thans ligt hij te versmachten

Op eenen koelen steen.

En laat door mij je roepen

Om hem ter hulp te zijn.quot;

Thans zweeg de zanger en stond rustig, alsof hij afwachten wou, wat de man zou doen.

De Mahrwaard zag hem aan en zei: „jij bent, geloof ik, de speelman, de jodeler Toni!quot;

„Ja, zeker!quot; knikte de knaap met het bruine gezicht en de zwarte lokken.

ocr page 241

237

„Van wien de lui zeggen, dat hij een deugniet is!quot;

„Och kom!quot; zei de knaap.

„Hoe kom je nou op dezen berg?quot;

„Waarschijnlijk net zoo als jij.quot;

„Maar wat wil je daar boven?quot;

„Ik? Bedelenquot;.

„Aan de onbewoonde hutten?quot;

„En bij de rijke waarden, die hier op de bergvlakte zoo'n beetje staan rond te kijken.quot;

„Dat zal de moeite wel niet loonen,quot; antwoordde de waard.

„In enkele hutten is nog wel wat,quot; zei Toontje, terwijl hij het rechterbeen in de hoogte hief en met het linker een paar sprongen deed: „bijvoorbeeld, daar beneden in de moshutten zitten eenige weggeloopen Beieren. Die vertrouwen zich nog niet daar beneden en weten er heelemaal nog niks van dat ze weer heeren in 't land zijn, en ik heb 't hun ook niet gezegd. Die hebben mij wat gegeven. En jij mot ons ook wat geven.quot;

„Wat kan ik je dan geven ?quot; vroeg dn Mahrwaard.

„Waf je wilt, waard, ons is alles goed, en nog 't liefst was ons een oud huis, omdat 't koud is. Mijn zieke kameraad heeft geen bedekking.quot;

„Je zieke kameraad?quot;

„Zeker.quot;

„Waar is ie dan?quot;

„Ja, mijn waarde, dien heb ik goed verstopt!quot; glimlachte Toni, „maar als je zoet bent, heer waard, dan wil ik hem aan jou verraden. Luister eens heel goed!quot; En daarop deed de knaap de volgende beschrijving: „als je daar ginds rugwaarts gaat over den wal, waar de grijze steenen zijn, en als je naar beneden gaat tusschen het kreupelhout, tot je niet verder kunt, omdat je aan een afgrond staat, dan kun je blijven staan. Als je echter niet wilt blijven staan, maar liever links gaat tot aan het voetpad en daar langs naar beneden klimt, dan kom je op een weide uit, die rondom van koppen en wanden omgeven is. Daar is het heel mooi.

ocr page 242

238

Daar staan ook twee hutten, waarin des zomers herderinnen zijn. De eene hut is nou stevig dichtgemaakt, van de andere hebben wij de deur uitgebroken en alles, wat er in is, eigenmachtig tot het onze gemaakt.quot;

„Loop heen met zulke vertelseltjes!quot;

„Vreeselijke roovers, mijn beste waard. Maar wij moeten wel, anders was hij me gestorven.quot;

„Wie?quot;

„Mijn kameraad! Omdat hij zoo vreeselijk gevallen is, toen de Franschen hem over den steenheuvel wierpen.quot;

Thans keerde de waard zich belangstellend naar den knaap om en zei: „Ik begrijp je verhaal niet.quot;

„Dan kun je meegaan en zien,quot; dacht Toontje. „Wij zijn met ons beiden buitendien mooi verlaten, en als hij niet heel gauw sterk genoeg is om naar beneden te gaan, dekt de sneeuw ons toe. Later in 't voorjaar twee morsdoode lijken.quot;

De waard werd onder die redenaties alles behalve op zijn gemak, hij ging in zijn arme hut, nam het overschot van zijn voedsel, en ging met den knaap mee. Zij namen precies den weg, dien Toni beschreven had, en na een poosje kwamen zij ook beneden bij de twee hutten op de ingesloten bergwei.

Toen ze nog ongeveer vijftig pas van de eene verwijderd waren, stond Toontje stil en zei tot zijn geleide: „je moogt nou echter niet binnen, hij zou erg kunnen schrikken. Niet, dat hij schrikachtig is voor den vijand, dat niet; ik denk, als het weer om dèn Hofer te doen was, verscheurde hij de Franschen met z'n tanden.quot;

„Hofer?quot; vroeg Peter, „is er iets met den waard van 't Zand?quot;

„Zeker. Dien hadden ze al in den knapzak, als hij niet tusschenbeide gekomen was.quot;

„Hij? Wie dan toch? Spreek dan toch duidelijk!quot;

„Nou, hij,quot; antwoordde de knaap, „hij, die daar binnen ligt. Dat is er ook zoo een, zoo'n vagebond. Overal met de neus er bij, waar 't er op losgaat en overal de heeren sol-

ocr page 243

239

oaten tusschen de beenen door en alleen niet naar huis* Daarna heel netjes dat ongeluk met den vrede en Hofer aan den haal. Wij loopen ook; in 't hooggebergte most 't op eens zoo best zijn. Onderweg komt hij, over wien ik spreek en die nou daar binnen ligt, dezelfde, in het logement op den Dürnjoch. Hola, daar gaat 't lustig toe, daar zijn Fran?osen! Maar er is ook een roodharige satan, een uit de streek, die spionneert. Die laat zich ducaten in de hand stoppen en die fluistert die Welschen iets toe, en mijn kameraad hoort, dat er gesproken wordt over den waard uit „'t Zandquot;. Hij hurkt achter de kachel, hij, dezelfde van wien ik spreek — snijdt een beetje aan een stokje en spitst onderwijl zijn ooren om te verstaan, wat de roodharige zei. Hofer was te voren in een herberg geweest en geen kwartier daarna door het lariksen-bosch naar boven gegaan. Daar moest hij achter een kolen-branderij zijn gaan liggen, want hij was, had hij gezegd, sinds twee dagen en nachten zonder slaap geweest en zonder een brok brood. Dat had de rooie zoo brommig weg verteld en daarop betaalden de Frangosen hun gelag en maakten zich klaar om weg te gaan. Maar hij daar achter de kachel gauw als een wezel de achterdeur uit en naar boven door het woud, op den kolenrook af, en gauw is ie bij de hut waar de waard uit „'t Zandquot; zich juist op de mijt wil neerleggen.

— Kaptein, de Fran?osen kommen! Hofer hoort 't, zonder bedenken, vort.quot;

„Is hij toch ontkomen?quot; vroeg de Mahrwaard.

„Zeker.quot;

„God zij lof en dank!quot;

„'t Heeft niet lang geduurd, of de Welschen waren er al en staken de spiesen door de deur der hut naar binnen. Dèn, waarover ik spreek, — hij is nog aardig jong en klein, wil hun tusschen de beenen door; ze pakken 'm bij de kraag en vragen: waar die Andrea Hofer was? — Ja die is er net niet. — Of hij hem had opgejaagd? — Dat kon wel zijn.

— Daarop hebben zij hem, over wien ik spreek, bij de voeten genomen, hebben hem meegesleept, door het woud

ocr page 244

240

naar beneden, hebben hem over een rotswand gegooid. Beneden aan den voet is hij blijven liggen, Mahrv/aard, en nou weet je 't.quot;

„Blijven liggen?quot;

„Ja zeker, wel blijven liggen,quot; antwoordde de knaap, en met zijn verhaal voortgaande zei hij: „als ik op dienzelfden dag een groschen geld in mijn zak had gehad, was dat een onheil geweest. Dan was ik in de herberg gegaan om wat te eten en niet naar boven in het bosch gegaan om bramen te zoeken. Maar omdat ik geen geld heb ga ik bramen zoeken. En toen vind ik 'm juist liggen, heel en al verbrijzeld op den grond, en hij wou juist sterven. Ik herkende hem dadelijk op 't eerste gezicht — en sedert dat oogenblik zijn wij bij elkander. Eerst in de herberg verbonden en verkwikt, daarna zouen we den berg over naar ons dal, maar onderweg werd ie weer zwak. 'k Wou met 'm terugkeeren naar de herberg, maar ik zie reeds van verre rook opstijgen en dat brandt; de Fran^osen hadden 't angestoken. Wat kan de arme waard ons nou helpen! Bij den brandstapel hebben wij niks te doen, en zijn weldra verder, ik ben met den zieke verdwaald geraakt in 't gebergte en alle engelen heb ik hooren zingen. Mahrwaard, die kunnen 't nog beter dan Toontje de jodeler! Ten laatste hebben wij deze kooi hier gevonden en zijn er in gebleven. — Ik zal nou binnengaan in onze residentie; jij komt me gauw achterna, maar je mot niet al te groote oogen opzetten, er zijn mooiere paleizen op de wereld.quot;

Wat zijn dat toch voor geschiedenissen! dacht de Mahrwaard, toen hij zoo voor de half in den grond weggezonken hut stond op de tusschen de bergen zoo vreedzaam liggende wei. Hoe zonderling 't ook was, toch vermoedde hij nog niets; hij dacht aan Hofer. Ik geloof wel, dat zij hem be-spionneeren, de blauwbroeken. Nou, misschien komt hij hun nog eens vanzelf tegen, maar zoo, dat, ter afwisseling, zij weer eens loopen.

„Nou kon hij binnen kommen!quot; riep Toontje uit de hut-

ocr page 245

241

deur. Peter trad aarzelend binnen en vond — in droog hooi goeddeels begraven — zijn zoontje Hans. — Hij was het! Hij was het! Dat lieve gezichtje. Maar heel smal en bleek en op het voorhoofd een schram.

Vader en zoon keken elkaar enkel maar aan, zwijgend en ernstig. Peter wreef zich eerst de oogen uit, omdat hij meende, dat hij, door uit het schelle licht plotseling in de donkere hut te treden, verblind was geworden en dat nu een drogbeeld den spot met hem dreef.

Toontje trad met deftigheid er tusschen: „Mahrwaard, de geschiedenis ken je, en daar ligt nou de held!quot;

De Mahrwaard was nog altoos sprakeloos en wie er nu van vader of zoon het eerste woord sprak, dat was de laatste.

,,Ik zou wel gekommen zijn, vader,quot; zei hij heel bedaard, „als ik maar niet zoo moe geworden was? Hoe is het met moeder?quot;

Nu kon Peter zich niet meer inhouden, boog zich heen over den knaap, nam zijn blond kopje tusschen zijn handen en kuste hem met bepaald toornige hartstochtelijkheid de wangen. De knaap liet dat rustig gaan, en daarop haalde hij diep adem en zei op smeekenden toon: „vader! — niet waar, nou ben je weer goed op me?...quot;

„Kind!quot; riep de Mahrwaard uit, „je weet niet, je weet niet, welk een pijn je ons gedaan hebt! O jou boos, hardvochtig kind!quot;

„Ja, ja, heel juist, de Frangosen mogen 'm ook niet!quot; merkte Toontje op.

„Dèn Hofer? Dèn waard van „'t Zandquot; heb je weggeholpen?quot; zei de vader, „dat was jij, jij? God de Almachtige moge je zegenen, jou, mijn dapper, mijn trouw kind!quot;

Hij wist zich niet te beheerschen. De knaap trok uit het hooi zijn hand te voorschijn, zij was verbonden met een oude pluimmuts, streelde zijns vaders hoofd en zei: „nou ben ik al beter, nou gaan wij gauw naar huis.quot;

Zoo heel eenvoudig ging dat niet, want toen de kleine zich wou opheffen, kraakten zijne beenderen en hij viel met een zucht weer terug op zijn hooibed.

De Mahrwaard moest de beide kameraden alleen achter-

16

Peter Mayr

ocr page 246

242

laten in het hooge gebergte. Hij zelf ijlde, zoo snel zijne voeten hem konden dragen, naar het Eisackdal. Hij liep een dag en een nacht en kon onderweg niets anders denken dan: o wonder, nou hebben wij onzen Hans weerom. Die speelman! geen goed woord heb ik tegen hem gezegd, en hij heeft zich toch zoo braaf gedragen jegens den knaap.

't Was al bijna morgen, toen de Mahrwaard zijn huis bereikte. Om vrouw Notburga in zijn stormachtige vreugde niet te verschrikken, klopte hij aan de deur van den stal. Eerst na zijn herhaald kloppen hoorde hij binnen Hanna zeggen: „Jezes Christes, nou staat zeker de deugniet daar!quot;

De waard vermoedde dadelijk, wien ze bedoelen kon, en riep daarom: „heb nog wat geduld, Hanna, hij komt morgen. Vandaag ben ik het en je mot zoo goed wezen en maak mijn vrouw wakker, maar heel zachtjes.quot;

„Zachtjes?quot; lachte de meid: „dan wordt ze niet vroolijk.quot;

„Ik bedoel niet te heftig, opdat zij niet schrikt. En je mot haar zeggen, dat ze zich gereed mot maken, dat er een paar goede bekenden in aantocht zijn, Hanna! Onze Hans is weer voor den dag gekommen. Denk eens aan, de kleine vechtersbaas heeft Andreas Hofer op zijn vlucht voor de Franschen gered. En die Toni, die muzikant, die deugniet.quot;

„Nou, nou, waard, ga voort, ga voort!quot;

„Die heeft onzen Hans weer gered, 't is als een sprookje, het is niet te gelooven.quot;

Hij wist niet hoe hij met weinig woorden alles zeggen zou. Hanna sloop van vreugde schreiend in hare kleeren, liep uit den stal naar de huisdeur en begon uit al haar macht te rukken en te roepen, om vrouw Notburga „heel zachtjes en zonder haar verschrikt te maken,quot; het bericht te brengen.

En alzoo begon na lange rouw een drievoudige vreugdedag in het huis aan de Mahr. Peter gunde zich nauwelijks twee uur rust, toen ging hij met nog een paar sterke buren op weg naar het hooge gebergte, om den knaap en zijn trouwen makker te halen en te brengen in het ouderlijk dal.

ocr page 247

243

PETER, IK HEB JE HAND ER OP!

In de herberg aan de Mahr waren geen toebereidselen gemaakt, om de gelukkige thuiskomst van den vermiste met een vreugdefeest te vieren, dat ging zoo van zelf. Alle buren en vrienden waren verschenen, zoodat het huis haast de gasten niet kon bevatten. Zij dronken gemeenschappelijk uit groote kannen den rooden Tyrolerwijn, die om dezen tijd des jaars op z'n best is, en Peter zat welgemoed onder hen. Hij kende den tijd niet, dat hij zoo welgemoed geweest was, als van daag, en weer nam hij zich voor, van nu af geheel voor zijn gezin te leven. Zijn plan was, de herberg aan den straatweg er aan te geven, boven op den Ritten, zijn oude woonplaats, een boeregoed te koopen, te planten, te bouwen, vee te fokken en zelfstandig te worden op der vaderen grond. — Misschien, dat hij van daag voor 't laatst gezellig met vrienden samen was in de herberg.

Den kleinen Hans moesten ze in zijn bed de lieve v/oordjes zeggen, die zich nu eenmaal niet lieten terugdringen. De held, die Hofer gered had! Die zijn jong, gezond lichaam had moeten offeren voor den vader van Tyrol! — De vrouwen waren in 't geheel niet van hem af te houden, ze moesten hem pakken en liefkozen, totdat hij met de armen een heel wrevelige beweging maakte, die zeggen wou: laat me met rust!

Vrouw Notburga zat nevens hem en keek hem aan met een gezicht vol trots en vol moederzorg en wees de grootste loftuitingen nederig af. De dokter had verzekerd, dat de hoofdzaak spoedig weer in orde zou wezen, zoodat de knaap ten minste

ocr page 248

244

met een stok weer zou kunnen loopen. 't Was een kreupele meer uit den vrijheidskrijg, en een heel jonge!

In een heel andere glorie zwom bij het feest de knappe zwartlokkige jodeler Toni. Vooreerst at en dronk die dapper, in de tweede plaats had hij zijn blikken instrument bij de hand, en zoodra zij begonnen zijn braafheid te prijzen, begon hij bombarie te maken. In verlangen naar vroolijk citherspel bij opgewekt gezang, zwierven zijne zwarte oogen in de kamer rond en zochten iets.

't Zelfde echter, wat de zwarte oogen zochten, gluurde uit het voorhuis door de kier der deur naar binnen. Hanna de meid had op dezen dag in zich zelve alleen zooveel hemelsche blijdschap, als alle anderen samen. Slecht om één ding schaamde ze zich tot diep in den grond toe. Alle aanwezigen hadden hun halffeestplunje aan en waren behoorlijk gelaarsd: maar Toontje zat daar in zijn vaalgrijs en versleten buisje en had niet eens schoenen aan de voeten. Hij zag er waarachtig uit, alsof hij zoo van zijn ideaal, de bedelkar, afgesprongen was. En toch had hij de driestheid, met zijn rood gezicht ieder en elkeen toe te lachen! Maar dat moest hij zich nog afwennen, hij moest nog behoorlijk afgeborsteld worden, eer men zich met hem op het kerkplein wagen kon. 't Was ongehoord, wat hij er thans weer uitflapte.

Toontje liet zijn oogen knippen en zong:

„O zoo'n zoet wit kerntje

Als mijn liefzoet deerntje,

Is er op heel de wereld niet.

En dat lieve duifje

Wordt gauw mijn braaf wijfje.

Ik geef 't voor lijf en leven niet weg!

— Schrum schrum, zidi zum —

Ik geef 't voor lijf en leven niet weg!quot;

Dat was aardig, maar 'twas nog aardiger geweest, als het gezang niet ruw was gestoord geworden. Verscheidene man-

ocr page 249

245

nen traden ras de kamer in, en daaronder ook de zwarte belastinggaarder.

„Is 't nou vastenavond?quot; riep Kulber, den waard met de oogen strak aanziende. „Mahrwaard, stuur de speellui en de vrouwlui weg, wij verlangen 't.quot;

Peter stond van zijn stoel op en antwoordde: „dat zal toch mijn recht wezen.quot;

„Peter Mayr!quot; zei Kulber, „wil je je beschaamd laten maken door je tienjarigen zoon?quot;

„Hoezoo?quot;

„Die kan woord houden.quot;

„Z'n woord houden zullen we ook nog kunnen,quot; antwoordde de Mahrwaard.

„Jegens mij heb je je woord niet gehouden!quot; zei Kulber zachtjes, maar met sterken nadruk.

„Kulber!quot; riep de v/aard en richtte zich daarbij recht op.

„Wij hebben je geroepen in den nood, je zit bij de drinkkroes en bent niet gekommen, zooals je mij beloofd hadt.quot;

„Ik heb je niks beloofd!quot;

„Boven in het gebergte! Peter, ik heb je hand er op!quot; zei Kulber.

„Daar weet ik niks van. Bij 't afscheid heb ik je wel de hand gegeven,quot; antwoordde Peter.

„Je hadt ze er mij op gegeven, dat je komen zoudt!quot;

„Als het kon, heb ik gezegd.quot;

„Neen, niet als het kon!quot; riep Kulber hartstochtelijk, „daar heb ik niks van gehoord. Je hebt er mij de hand op gegeven, dat je komen zoudt en met ons ten strijde trekken!quot;

Alles was stil en keek den Mahrwaard aan. Deze spreidde zijne armen uit elkaar in half horizontale richting en zei: „Zoo waar er een God in den hemel is, ik weet er niets van. Maar ik heb sinds dien dag veel beleefd, men kan zoo iets vergeten. Als jij 't zegt, kameraad, dan geloof ik je. Als ik 't beloofd heb, doe ik het ook, en als je nou mijnentwege hier zijt, zoo ga ik met je mee.quot;

„God zij dank,quot; zeiden de mannen tot elkaar, „hij gaat met

ocr page 250

246

ons mee.quot; Zij drongen op hem aan, om zijne hand te vatten: „wij wisten het wel, Mahrwaard, dat je ons niet verlaten zoudt. Je moet onze aanvoerder zijn!quot;

„Ik ga mee, omdat ik mot, maar aanvoerder wil ik nooit wezen,quot; antwoordde Peter.

„Onze aanvoerder mot je wezen. De verantwoording dragen wij allen, maar volgen willen wij jou alleen. De anderen zeggen ook zoo. Je bent al verkozen, je kunt dus niet meer weigeren. Peter, denk aan den bergpas, toen! Met jou en naast jou zullen wij den helschen sakra er wel weer uitgooien. Maar 't is de hoogste tijd, achter den Brenner is alles al vol, meer Frangosen dan boomen. De leeuw Bèfer richt zich als een kat voor den sprong, 't Is de hoogste tijd.quot;

Peter keerde zich om naar de tafel: „drinkt uit, mannen, wie mee wil — wij gaan!quot;

Kulber was vergenoegd en dacht: met de plompe waarheid richt ik het heele jaar niet zooveel uit, als met een beetje politiek in een half uur. Nou kan 't er op losgaan.

Een kwartier later was het leeg en stil in de herberg aan de Mahr. Vrouw Notburga zat in gepeins bij hare kinderen. Hans verzekerde, dat hij aan handen noch aan voeten, noch aan eenige andere kranke plek pijn voelde en dat hij er bij wou wezen tegen de Fran?osen. Intusschen ging het hem niet veel beter, dan boven in 't gebergte; als hij zich wou oprichten, zonk hij met een pijnlijke zucht weer terug. Dan schimpte hij op den slechten dokter, die hem nog niet gezond gemaakt had. Zijn zusje Marianne verliet zijn bed in 't geheel niet, zij sprak hem zacht toe en streelde met de zachte handjes zijn blond haar en keek daarbij heel eerbiedig naar den weergevonden Hans, die zoo groote dingen had gedaan en zoovele gevaren doorstaan. Hij was haar thans veel dierbaarder, dan het heel kleine Petertje, dat nog niets meldenswaard had uitgevoerd dan melkdrinken en vingerkluiven.

In den daaropvolgenden nacht gebeurde het, dat iemand op de staldeur terdege volhardend klopte en fluisterde en

ocr page 251

247

eindelijk ook zuchtte, en dat daar achter ook volhardend niemand zich hooren liet. Toen dat zoo een poosje geduurd had, werd het voor de deur stil, doch aan de andere zij, waar een raampje was, begon buiten eene angstige en bedrukte mannenstem, zachtjes aldus te zingen:

„Ik heb je zoo bemind,

En ik heb je willen vrijen.

En nou zou ik treurig Sterven met m'n liefde.

Dat kan toch niet zijn,

'k Heb je bemind trouw en rein,

'k Was ja altoos bij jou.

Als je ver weg waart van mij.

En al ben je nog zoo wreed.

Ik mag je toch graag Zooals niemand op aard Kan houen van jou.

En dat ik jou, mijn deern.

Zoo innig heb bemind.

Dat zul je, als ik dood ben,

Pas recht goed verstaan.quot;

Ah — thans ging het raampje los. Op zacht knorrenden toon zei het meisje er doorheen: „hou je toch stil! Dat domme zingen altoos! — Hoe je 'r altoos weer ankomt, dat wou ik wel eens weten.quot;

„Dat weet ik heelemaal zelf niet,quot; zei de zanger, „zij vallen mij meestal zoo maar in.quot;

„En is 't je werkelijk ernstig met zoo iets?quot; vroeg ze.

„O Heere nee,quot; antwoordde hij, „men zingt zoo maar wat.quot;

„Dat je iemand nou zelfs des nachts niet met vreê kunt laten!quot;

„Ja, dat begrijp ik zelf ook niet,quot; zei Toontje — „maar ditmaal is 't iets belangrijks. Ik kom afscheid van je nemen.quot;

ocr page 252

248

Hij leunde tegen den muur en stak haar zijn hand door het venster toe.

„En je bent pas terug,quot; fluisterde Hanna, „dat wil zeggen, je wilt met de mannen vort en daar heb je gelijk an. Naar 't slagveld, jij, dappere ridder, opdat je weer een Fransch-man — kunt laten drinken an de bron.quot;

„Begin je al weer,quot; fluisterde hij nu werkelijk verslagen, „'k ben ter nauwernood bij je, of je begint al weer. 't Is verstandiger dat ik wegga, ik heb nergens meer plei-zier in.quot;

„Waarom dan. Toni?quot;

„Nou, zoo maar.quot;

„Malle jongen, je zult toch wel weten, waarom!quot;

„Weten doe ik 't wel.quot;

„Maar je wilt 't mij niet zeggen?quot;

„}e weet 't heel goed zelf.quot;

„Zoo min als de koestaart de kerkklok luidt, weet ik er iets van.quot;

„Je kunt 't toch wel denken.quot;

„Ik ben niet zoo knap, als jij.quot;

„En ik ben niet zoo dapper, als jij,quot; zei de knaap bitter, „ik heb geen lui doodgeschoten, heb met de mestvork geen Fran^osen verjaagd, zelfs heb ik dèn Bonaparte niet eens gevangen genomen en ook den waard van ,,'t Zandquot; niet helpen vluchten.quot;

„Nou, en wat verder?quot;

„En daarom mag je me niet lijden.quot;

Zoo, dat had Hanna gehoord en begrepen. Zij kraste een beetje met haar nagels op de ruiten, alsof daarop iets onbehoorlijks kleefde, en daarna mompelde ze tegen het kozijn: „ja, dit mot ik zeggen, mooi vind ik het juist niet, dat je voor geen groschen uitgevoerd hebt in dezen tijd, waarin zelfs de schooljongens hun heldenstukjes kunnen aanwijzen. Alleen is er maar, dat men 't jou niet zoo zwaar kan toerekenen. En dan, dat je den kleinen Hans hebt opgezocht —quot;

„Wat meen je, Hanna?quot;

ocr page 253

249

„Malle jongen, kom dan dichter bij, als je anders niets verstaat!quot;

Hij was al niet ver weg, thans boog hij zich en stak zijn hoofd door het raampje.

„Wat denk je dan eigenlijk?quot; vroeg Hanna hem. „Jij niks ik niks — waarop zouen we dan samen trouwen?quot;

De knaap keek verschrikt op. Daarover spreekt zij? Zelf begint zij daarover? Dat staat goed.

„Zeker wel, als wij niks hebben,quot; antwoordde hij verlegen, „maar kijk, als wij niet samen trouwen, hebben we toch ook niks.quot;

„Ze laten ons in 't geheel niet trouwen!quot; Gemelijk stiet het meisje die woorden uit.

„Daarom,quot; antwoordde hierop de knaap bedaard, „daarom, dat zij ons niet laten trouwen, wil ik nou juist nog niet te water gaan; als wij allebei mekaar graag hebben, ben ik al tevreden.quot;

„Graag hebben? Hoe meen je dat?quot;

„Nou ja, graag hebben. Net zoo graag hebben, als twee verliefde lui elkaar graag hebben.quot;

„Kerel?quot; stoof Hanna op, „je bent toch door en door bedorven. Wacht, ik zal je hebben!quot; Toornig pakte ze hem bij de haren, de knaap kreunde, kermde, gaf aan haar trekken eindelijk toe, ruk, ruk, door 't venster — en plomp! daar ligt hij binnen op het stalstroo voor hare voeten.

In het eerste oogenblik was hij door de verrassing over deze onvoorziene lotswending niet in staat tot bezinning te komen. Bovendien was het donker. Zij echter wist in weerwil daarvan hem wel te vinden, om dien lichtzinnigen loeder eens heel exemplaarlijk te straffen. Hem bij de beide ooren pakkend, met de vuisten zijn hoofd beukend, hijgde ze: „ja, mijn mooi spitsboefje! Zoo had ik je al lang graag onder mijn vuisten gehad! Zooals jij 't gemaakt hebt, is het een beetje al te erg geweest. RondbengeLn langs alle huizen en bedelen. God weet, waarom al niet! Later weer neerliggen onder struiken en hooihoopen bij nacht! Dan weer vort.

ocr page 254

250

niks laten hooren, later met gescheurde lappen in de herberg zitten en de oogen uitkegelen naar allerlei vrouwlui, dat het zonde en schande is .... 1quot;

„Au, au, au!quot; jammerde Toni, want ze had op zijn teenen getrapt.

„Ja, au, au, zul je nog genoeg kermen, als je eenmaal in de hel bent!quot; zei ze tandenknarsend. „Maar omdat, omdat — wacht maar, je zult er om denken!quot; Bij die woorden trok zij hem naar zich toe, „jou slecht mensch, jij! Jij! Jij I Schan-daleuse mooie lieve kerel, jij! Zoo'n brave kameraad voor Hansje zijn! Wees 't voor mij ook. Toni, miserabele harte-schat, wees 't ook voor mij! Van mij ben je! Heelemaal van mij!quot; En zij drukte zijn hoofd met beide handen aan haar boezem en drukte hem met alle macht tegen zich aan, zoodat hem en haar de adem verging.

Zoo ontzettend is de jonge speelman bestraft geworden voor zijne misdaden. — Of het een heel afschrikkend exemplaar van straf was? In elk geval heeft hij het ter harte genomen.

Toen den volgenden morgen de zon opging, zat de knaap op een peppel, zooals zij aan den straatweg staan en tril-lerde het volgende liedje:

„Ze heeft hair, zacht als zijd'

En een hals, zoo wit als krijt.

En het frissche, heldere oogje lacht Als was 't van lucht en hemel bedacht. En wangetjes heeft ze als morgenrood Als over de bergwei de zon opgaat.

Als ^e lacht komt om haar lieve tnond,

In haar wangetjes overal, kogelrond Een alleraardigst kuiltje te staan.

Alsof een draaier 't daarin had gedaan.

En ze heeft een borstje rond en rein Gelijk eene witte marmersteen.

En ze heeft een hartje vol warm bloed.

ocr page 255

251

Dat haar keursje 'r haast van barsten moet

En als zij staat aan mijne knie.

En ik haar witte tandjes zie.

En 't tongespitsje kijkt er door

Dan gaat geheel mijn hart te loor.

Dan gaf ik hemelrijk en leven

Als ik haar mocht een kusje geven.quot;

Zoo zong hij boven in den peppel, die aan den straatweg stond. Is 't mogelijk, dat iemand zich zooveel kennis toeëigent in één nacht?

MIJN VREUGDE IS OP DE GROENE ALPENWEI.

Op de marktplaats te Brixen had een Beiersche Commissaris laten bekend maken: geen samenscholing! Na vijf uur 'savonds geen herberg open! De laatste wapens uitleveren, zelfs niet uitgenomen de zakmessen uit de leeren scheden! — Het antwoord daarop was, dat Kulber van de hoogte af een paar kanonskogels poffen liet op het huis, waarin de Beiersche autoriteit gezeteld was. Toen zweeg deze en de Tyrolers verheimlijkten niets meer.

Zuid-Tyrol stond gereed voor een nieuwen strijd. Weldra kwam schaar op schaar in beweging in de richting der nauwe kloven van den boven-Eisack. De jongen vooruit, de ouden achterop. „Een beetje doen wij toch ook nog,quot; zei een der laatsten, „als er genoeg van ons zijn. Twee ouden maken samen één jongen.quot;

In verschillende tuinen van het dal begonnen in deze late

ocr page 256

252

najaarsdagen de heesters groen te worden, zooals anders in Mei. Een leliestengel ontplooide een witte kelk. Heel eenzame teekenen, die gewichtige dingen konden aanduiden. Boven aan de Schlern in de Saiservlakten begonnen de klokken weer aan te slaan; 't waren de onderaardsche klokken eener in oude tijden verzonken stad, die altoos luidden, wanneer een groote gebeurtenis aanstaande was. Op ontoegankelijke rotsen hoorde men gedraaf en gehinnik van paarden. Van den hemel vielen hier en daar heldere bloeddroppels neer. In eene kerk op den Ritter zag men heiligenbeelden schreien. In zekeren nacht steeg van den toren van St. Jacob een hooge blauwige zuil op, die zich naar boven toespitste als een vlammend zwaard. Op de graven van gesneuvelde Tyrolers dansten dikwerf roode vlammetjes en in het woud bij Mühlbach zou een herder gezien hebben, dat uit mos- en grasdek vleesch-looze armen met kromme vingers zich bloot woelden en zich naar hem uitstrekten.

Dergelijke verschijnselen en geruchten van verschijnselen, die in 't bijzonder Kulber met ijver in omloop wist te brengen, brachten de bevolking in een groote opgewondenheid, en alles, wat maar een wapen torsen kon, kwam te voorschijn en bood zich' als strijder aan. En het bleek weer, hoe onuitputtelijk dit land was in wapens en strijders. Dat klonk en ratelde en kreet weer door de dalen als weleer en van de Beiersche beambten en veldwachters waagde niemand zich buiten.

Peter Mayr voerde bevel over het zonderlinge leger. Geen woord was verder daarover gesproken, hij gaf orders en allen gehoorzaamden hem — den overwinnaar van Mühlbach.

Toen de beweging aan 't rollen kwam, had hij gezegd: „voorshands zullen wij weinig schutters noodig hebben, dat wil zeggen, als wij flink zijn en het warme weer aanhoudt. Maar timmerlieden, wilgenbinders, touwslagers, zooveel als er te krijgen zijn, en houthakkers met bijlen en polderjongens met schoppen, hoe meer, hoe beter!quot;

Zij verstonden den kaptein niet, maar zouden hem spoedig verstaan.

ocr page 257

253

Tegen den Brenner op, achter Oberau, strekt zich door het gebergte in slangewindingen een urenlange, vreeselijke enge kloof uit. De Eisack graaft er zich suizend en bruisend doorheen, tot hoog op de bruine rotsen bespattend met zijn wit schuim. Machtige steenblokken, afgebroken of door den stroom naar beneden gewenteld, liggen in het water, omrand door de woedende, gravende, bulderende golven. Menig overmoedig boompje heeft in mossige spleten post gevat op de zacht trillende rots, angstig spreidt het zijne wortels uit tot in het water, geen zonnestraal valt het ten deel, noch in den winter, noch in den zomer, en dikwerf staat het enkel nog als ontschorste, beenkleurige stronk te midden der woedende elementen. Oerwoudstammen zijn van de hellingen neergestort en verrotten aan de oevers, terwijl het water hun dooreenge-warde takken bespoelt. Naast den Eisack moet langs bergwand en door wildernis zich zoo goed mogelijk houden, het pad dat het noorden met het zuiden verbindt. Wat moet het zich wenden en bukken, bescheiden uitwijken voor den wilden stroom en toch weer zacht vleiend zich naast hem vleien, om verder te komen. Hier en daar heeft het zijn goed recht in den rotsgrond gehouwen en het met machtige zuilen en pilaren gesteund. Op andere plaatsen heeft het met reusachtige steenblokken op den vloed terrein veroverd, het met voorwallen en leuningen beschut! Maar dat alles is slechts voor een dag gewrocht. Komt de Eisack op zekeren dag gepantserd en hoogbeladen met stammen, stronken en rotsbrokken, dan stort het menschenwerk krakend ineen en de golven wisschen en wasschen in enkele minuten alle sporen van jarenlange arbeid uit.

Op beide zijden van de enge kloof stijgen gedeeltelijk de rotsen loodrecht of terrasgewijze, gedeeltelijk.de schraal be-boschte steile hellingen, gedeeltelijk in woeste vormen de puinlagen omhoog, zich verheffend en opbouwend tot aan de hoogste Alpentoppen in het gebied der gletschers. En niet alleen door het water dat hen onderwoelt wordt de straatweg bedreigd, maar ook door zandstormen, lawines en

ocr page 258

254

bergstortingen, die gevaar aankondigend in de hoogte hangen. Als de Eisack eens even zijn donderend ademhalen wou inhouden en luisteren, dan zou hij wel het ritselen en brokkelen hooren boven in de hellingen. Niet alleen de steen door de gemsen losgetrapt springt omlaag, maar ook de door het ijs losgewoelde rots! Niet alleen de door sneeuw en regen doorweekte puinmassa's kunnen aan 't roetschen komen, ook de door het vermolmen der wortels van gestorven boomen en struiken los geworden aarde. Langs den ganschen weg zijn ze aan wanden, boomstammen en palen gehecht, de borden, die herinneren aan ongeluk en dood, den wandelaar plotseling daar ter plaatse overvallen.

En door deze woestenij gaat de straatweg van Noord-naar Zuid-Tyrol, de weg van Duitschland naar het land, waar de citroenen bloeien, waarheen langs denzelfden weg legers, kooplieden, vorsten en dichters gegaan waren. Zij was de eenige ravijnpoort ver in 't rond en deze weg kon nu de vijandelijke troepen wachten, die eiken dag met vernietigende overmacht naar beneden konden stroomen van den Brennerpas.

Het voor het jaargetijde schier angstbarende mooie en lauwe weêr hield aan. Peter Mayr had zijne mannen naar de enge kloven van de Eisack geleid, en na veel rondklimmen verdeeld op de hellingen en rotsterrassen en hun zonderlinge bevelen gegeven. Zij moesten nu juist niet achter heesters met geladen geweren loeren op den aanrukkenden vijand, of rotsblokken en boomstammen klaar maken ter neerstorting op de marcheerende troepen, ook dat moesten zij hier en daar wel doen, maar de hoofdzaak was ditmaal iets anders.

Daar, waar tegenover een overhangenden wand aan den linker uitgewoelden Eisackoever de straatweg een heel eind voortloopt onder een steile, spaarzaam met elzen begroeide helling in de richting eener smalle brug, daar, waar hoog boven deze helling klovige wanden rijzen, in welker plooien puinhoopen en steenbrokken verzameld zijn, op armen grond

ocr page 259

255

ook enkele boomstammen staan — daar riep de Mahrwaard zijn mannen aan 't werk. Daar hoogop moesten zij boomen vellen en splijten, ze dwars aan de hellingen leggen, met wilgenteenen aan de uiteinden bij elkander binden, en zoo moest een pad worden aangelegd langs de steile helling. Met touwen werd dit vele vademen lange pad zoo bevestigd, dat het als 't ware een hangbrug was. Hooger boven in de spleten waren de draagtouwen op bepaalde plaatsen zorgvuldig bevestigd en bij elk strakgespannen touw werd een man met een bijl geposteerd. Dat was het eerste, en de verdere bestellingen van den Mahrwaard verstonden ze al beter.

Peter beval, dat men zou beginnen met voorzichtige belasting van het lange hangpad met puin, steenen en rotsblokken. En zoo vingen zeventig hunner aan, daar boven te graven, los te maken en de massa's te stapelen op het pad. Zij werkten snel dag en nacht, beneden bespeurde men niets, want de heesterbosschen verborgen het werk en het water overstemde elk ander geluid. Ieder werkte met groeten ijver, want Kulber, die boven bij Mittelwald de wacht hield, zond onophoudelijk door boden bericht: de vijand is al in Sterzing en rukt steeds nader. De waard uit „'t Kruisquot; te Brixen, boer Rampe, Griesacher, Stauker formeerden steeds de linie der werkers. Zelve hanteerden zij ook bijl en houweel. Griesacher en Frans Schockel keken anders elkaar niet vriendelijk aan: een strijd over een landgrens had vele jaren geleden hen tot vijanden gemaakt, de strijd was sinds lang gerechtelijk beslist, maar zij konden dien nog niet vergeten en koesterden in 't geheim tegen elkander wrok in 't hart. Thans, voor 't vaderland, werkten zij eendrachtig naast elkaar, en toen Griesacher Frans bij het losser maken van een rotsblok zijn hulp had verleend, stak Frans hem de rechterhand toe en zei; „buurman, wij willen weer goed wezen met mekaar, als 't je goed is, willen we van nou af weer goed wezen met mekaar.quot;

En Griesacher was 't best.

Zoo dikwerf als de mannen van hun werk opkeken, was

ocr page 260

256

hun blik naar beneden in de kloof gericht; er viel daar nog niets op te merken, en 200 kon de Mahrwaard voortvaren, met aldoor meer op de brug te laten opstapelen, zoodat zij hier en daar reeds naderden tot aan de loodrechte wanden. — En eindelijk was het werk zoover, dat hij tot zijn zwager Augustijn, die in een boerekiel bij hem groef en hakte, zei: „nou kunnen ze kommen!quot;

Augustijn had priesterrok en kruis afgelegd. Thans had niemand meer een toespraak noodig of een aansporing, thans wist ieder wat hij te doen had, wat er gebeuren moest.

Augustijn antwoordde slechts: „als Kulber niet weer overdrijft, zullen wij niet lang hebben te wachten.quot;

Peter keek opmerkzaam naar de lucht en zei zachtjes; „als het weer helder blijft, wordt 't koud van nacht.quot;

Augustijn antwoordde; „ik ben zoo warm in de borst, dat ik boven- en onderkleeren zou willen uitgooien.quot;

„Maar nou geen vorst!quot; voegde Peter er bij: „tien jaren lang mogen meinachtvorsten den wijnstok vernielen in Tyrol, maar nou geen vorst! quot;

En toen het avond werd, begon de weeke losse modder hard te worden, zoodat 't klonk als men er met de schoen of spade op sloeg. Nu eerst begreep Augustijn Peters angst voor vorst. Maar den volgenden dag was de warme zon er weer en van den Ritten kwam een lauwvochtige wind over.

De Mahrwaard was veldheer en niets dan dat. Niet meer gedwongen, maar uit vrijen wil, uit begeerte en lust. Men hoorde geen ander woord van hem dan wat betrekking had op strijd en verweer, 's Nachts, als hij in zijn loden kleeding gewikkeld tusschen steenblokken lag, met rijshout gedekt, dacht hij nieuwe plannen uit, om in verband met natuurkrachten den vijand te verzwakken of te vernietigen. Begon het te dagen, dan ging hij reeds weer rond langs de hellingen, om na te zien of alles in orde was. In 't bijzonder lette hij op de talrijke, strakgespannen touwen, en den mannen, die op zekeren afstand van elkander bij beurtwisseling dag en nacht boven bij de verankering waren opgesteld, scherpte hij telkens

ocr page 261

257

weer in, op een afgesproken teeken allen tegelijk hun touw door te hakken. Dat teeken v/as het volgende: eerst van den kant der vooruitspringende rots met de herdersfluit de aanvang der melodie: „mijn vreugde is op de groene bergwei!quot; dat beteekende: alles klaar. Daarop na een kleine pauze drie snel op elkander volgende geweerschoten en de luide kreet: „in naam der allerheiligste Drievuldigheid!quot;

Alzoo waren zij gereed en loerden.

En op een morgen, toen de liefelijke zonneschijn de bergtoppen verheerlijkte en de vochtige blauwe damp in de kloven hing en er een vriendelijke adem ging door de gansche natuur, begon op de hellingen de laatste bloeiende gentiaan zachtjes te beven. En daar kwam haastig een man uit de diepte naar boven die fluisterend riep: „ze komen!quot;

't Scheen een oogenblik, alsof de struiken en steenen levend werden hoog aan de berghelling, hier en daar sloop een gestalte voorbij, hier en daar een half onderdrukt geluid — dan was het weer stil, eenzaam en stijf stond daar de berg, zooals hij altoos gestaan had. In de diepte ruischte het water.

Hoog ver, waar de Eisackkloof zich kromt, steeg achter de glooiing van den berg rook op. In Mittelwald brandden de huizen. Terzelfdertijd dat men dat zag, werden de eerste ruiters zichtbaar op den witten straatweg. Zij schenen te rijden in een gemakkelijk tempo, waarschijnlijk zich den noodigen tijd gunnend tot beschouwing der romantische omgeving. Of wilden zij in herinnering aan de landsgebruikelijke vechtwijze liever in groote geslotene troepen de kloof passeeren en zich alzoo er voor verzamelen? De ruiters werden weldra gevolgd doordichtere drommen, die, zoover de straatweg te overzien was, in eindeloozen stroom achteraan kwamen. Waar maar een zonnestraal op de troepen viel, glansde een bont kleurenspel van blauw, rood, geel en wit, en de wapens bliksemden van schitterende vonken. Er was nog niets te hooren, dan het eeuwige doffe suizen van het water, en op het gedeelte van den straatweg, dat onder de verborgen hangbrug zich bevond, bewoog zich voetganger noch voertuig.

17

Peter Mayr

ocr page 262

258

Doch zie, een kleine kar met de gebruikelijke huif, 200 een als de jonge speelman Toni voor zich verlangde, rolde rustig er langs in de richting van den Brenner naar Brixen. In de berrie draafde een muilezel onbezorgd verder en er achter liep een zwart hondje heen en weer, en verdreef zich den tijd met de verwelkende waaierbladeren van het nieskruid, dat aan den weg stond en waarnaar het telkens hapte of er iets anders tegen deed. Dat die dingen zoo aardig waaierden, als het dier ze met de pooien vangen wou, scheen het bijzonder te vermaken. Dit voertuig deed nu juist niet, alsof het op de wilde vlucht was voor den aanrukkenden vijand. Ja, onder de huif klonk zelfs een heldere muziek van twee klarinetten, welks klank vroolijk door de rotsen werd herhaald. Reizende muzikanten, die, zich gelukkig gevoelend in hun nietszijn, zich gedrongen voelden op dezen zoo lieflijken herfstmorgen God en de schoone wereld ter eer een deuntje te spelen.

Peter keek van zijn hoogen post neer op die reizende menschen, die zoo argeloos en vroolijk huns weegs gingen. — Hij had aan den muur eener dorpskapel eens een schilderij gezien, waarop hoogmoedig louter geraamten met het zwaard omgord, met helmen, kronen en bisschopsmutsen gedekt te paard reden. Schoone, verleidelijke vrouwen, den schuimenden beker biedend, dwergen met zakken vol goud en allerhande andere verlustiging volgden den stoet, en heel achteraan een gesluierde gestalte, die 't gebaar maakte van wegveging van alle die heerlijkheid als spinnewebben met den bezem. Maar den doodenstoet vooruit gingen dansende muzikanten, die hen lokten naar een door rozen bedekten afgrond. •— Aan die schilderij moest Peter thans denken.

De kar was beneden om de vooruit springende rots heengebogen naar het dal. Op hetzelfde oogenblik werden in de kloof de eerste troepen zichtbaar, voetvolk, ruiterij en zwaar geschut. Voor zoover reeds te zien was, waren het Fran-schen, bij wie zich ook een troep Beieren en Saksers aansloot, 't Was een verschrikkelijk groote hoop. Herhaaldelijk roffelden de trommels, daartusschen schetterden de trompetten.

ocr page 263

259

Ook paardengehinnik en wagengeratel was reeds verneembaar. Boven den troep uit woeien aan bijna onzichtbare stokken vele vaandels.

Tamelijk snel bewoog de stoet zich voorwaarts. De Mahr-waard stond hoog op zijn rotswand, zoo vast en stijf als een beeld van erts. Nog eenmaal had hij zijn hoofd naar beide zijden gewend, nog een laatsten onderzoekenden blik gericht op de hangende reuzenbrug, naar de mannen die op hun post stonden. Er had dezen morgen nog geen geweerschot geknald in deze streek. Met vol vertrouwen marcheert de vijand op en reeds zijn de troepen op het gedeelte van den straatweg, dat ligt onder het bereik der hangende brug.

Peter Mayr haalt uit den binnenzak van zijn jekker een houten fluit, zooals de herders hebben, zet dien aan zijn mond en blaast het lied: „Mijn vreugde is op de groene Alpenwei!quot;

IN DEN NAAM DER ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID - LOS !

Een Beiersch officier, die met zijn vendel uit de Donau-landen naar Tyrol was opgeroepen en zich op den Brenner bij de Franschen had aangesloten om met hen te marcheeren naar het zuiden, heeft van dezen morgen in den Eisackkloof een bericht gegeven.

't Was, — zoo vertelt hij — aanvankelijk van de kwartieren af een vroolijke wandeling, meer van handwerksgezellen dan van soldaten. Later liet de generaal zoo iets van: geef-acht kommandeeren. 'k Verstond dat niet. Ik vond de Tyro-

ocr page 264

260

Iers in 't geheel niet zoo erg als zij werden afgeschilderd; van Kufïstein af tot hier aan den Eisack toe had ik ter nauwernood een geweerschot gehoord. Vroeger zouden zij uit hinderlagen op argelooze soldaten gevuurd hebben, wat de wreedheid mijner landgenooten wel niet verontschuldigen, maar toch verklaren laatquot; Dit bergvolk geloofde werkelijk keizer en paus in den rug te hebben; het sluiten van den vrede had hen beter ingelicht, thans is het rustig en schikt zich, en zal erkennen, dat wij niet als vijanden in 't land gekomen zijn maar als vrienden. Wie zou ook als vijand willen binnenrukken in dit eeuwig mooi land! — Ik had mijn knecht met de paarden vooruit laten gaan, ik was iets achter den troep teruggebleven, om mij aan de beschouwing van deze onbeschrijfelijk grootsche streek over te geven. Zoo iets had ik tot nu toe niet gezien. Die buitengewone bergmassa's, dat kristalheldere woedende water en die breede, vlakke met alle zekerheid door de wildernis loopende weg!

Op een stillere plek gekomen, waar de kloof zich verwijdt en de stroom vlakker over bruin zand spoelt, hoorde ik hoog boven mij fluit spelen; 't was een zoo liefelijke melodie, dat ik de muts wel had willen afnemen, om den Alpenbewoner, die zoo speelde, maar dien ik niet zag, te groeten. Daarop stond ik stil, liet nog voetvolk en ruiterij mij voorbij marcheeren, totdat ik de laatste was en in alle kalmte de idyllische stemming zoo recht genieten kon. — En zoo daar staarde hoorde ik boven op den berg iemand duidelijk roepen: „Steffel, mag ik nog niet afhakken?quot; En een andere stem verder op antwoordde: „neen.quot; Toen werd het mij opeens erg onaangenaam te moede en ik begon te marcheeren, den troep acaterna, die dicht opeen gedrongen in de zich weer vernauwende kloof voorttrok. Plotseling hoog boven drie schoten en een gil-kreet; „in den naam der heiligste Drievuldigheid — los? — — — En thans gebeurde iets, dat mij het merg in mijn gebeente doet huiveren, zoo dikwerf ik er aan denk.

De geheele steile berghelling voor mij werd levend, van beneden naar boven maakte zich een geweldige lawine los

ocr page 265

261

en schoof onder onbeschrijfelijk gedonder en gekraak naar omlaag. Steenen, puin, boomstammen, grond, een woeste in al haar deelen draaiende, splinters, brokstukken omhoog werpende, afgrijselijk levende massa kwam naar beneden. En daartusschen en daaronder en daaroverheen rotsblokken 200 groot als huizen, aanvankelijk met de lawine traag glijdend, daarop overtuimelend en in hooge hoogsprongen neersuizend in de diepte. Dat alles zie ik heden nog; toen sloot ik de oogen; overal een onophoudelijk knetteren, kraken, knarsen, alsof de bergen instortten — daarop niets meer.

Toen ik — zoo bericht de Beiersche officier — weer tot mij zeiven kwam, was het doodstil, het water ruischte niet eens; het stond als een lange, zwarte poel. Voor mij, waar de lawine neergekomen was, steeg een wolk van stof op. Toen deze allengs verdween, zag ik onderscheidene soldaten handenwringend, sprakeloos van schrik wegsnellen. Maar de anderen, de duizend anderen! — De geheele groote troep was verdwenen, verpletterd, onder puinhoopen begraven. Want er was geen straatweg meer en er was geen rivier meer. Een afgrijselijke puinheuvel lag daar in doodsche rust, al had die daar sinds de schepping zoo gelegen. Er staken rotsblokken uit, en de witte basten van gebroken boomstammen. Aan den rand van dezen heuvel, tusschen het gewirwar van brokstukken — trillende menschelijke ledematen, steunende soldaten, rochelende paarden, wier pooten zich soms nog trappelend uitstrekten naar omhoog. Eenige weinige kameraden konden wij uitgraven, er uittrekken, maar zij stierven onder onze handen. Hooger steeg het opstuwende water en daarin dreef een woestenij van steenen, boomstammen, takken, verscheurde wortels, en daartusschen beklemd en verscheurd soldatenmantels, laarzen, ransels, paardetuigen, paardekoppen, losgescheurde armen, beenen en geheele lichamen, gedeeltelijk overal tusschen hangend, gedeeltelijk in bloederige poelen zacht op en neerglijdend. Wij waren oude soldaten, die in heete gevechten gestaan en de verwoesting van menige vesting meebeleefd hadden — maar

ocr page 266

262

zoo iets afschuwelijks, zoo iets ongehoord afschuwelijks als hier, had niemand nog aanschouwd.

Toen wij in zoover onze bezinning herkregen, dat wij het ongeluk in het gelaat konden zien, rees weldra het vermoeden in ons, dat die bergstorting menschenwerk was. Alle vreeselijke Tyrolerdaden der laatste maanden herleefden in onze herinnering, en alle herhaald en vereenigd in deze verwoesting, in dezen duizendvoudigen moord. Ja, moord op anderhalfduizend dappere soldaten, die zich eindelijk verheugend in den vrede argeloos voortmarcheerden, mannen van liefhebbende vrouwen, zonen van bekommerde moeders! 't Was me of een snijdende kramp door mijn ziel ging, zoodat de nagels mijner handen zich groeven in het eigen vleesch van wraaklust, om dien moord aan die voorbeeldelooze moordenaarsbende te wreken naar waarde.

Een paar scherpe oogen meenden hoog boven langs de bergwanden mannen te hebben zien wegsluipen; ik zag er geen, maar dacht aan de geheimzinnige teekens en roepstemmen, die ik onmiskenbaar voor de gebeurtenis vernomen had. — Dat wij overgeblevenen hier niets meer te doen hadden, was spoedig en licht in te zien. De dooden konden niet eens begraven worden. Wij zagen nog, hoe de afgedamde Eisack zich vrij maakte, hoe hij den puinheuvel doorbrak, zoodat onder zijn branden en wervelen alles nog eens levend werd, alleen de dooden niet, hoe alles zich verzettend, weerstrevend, omver buitelend voortbewoog — een drijvend kerkhof, zooals de wereld er nog geen gezien had.

Wij besloten, zoo ras mogelijk naar de hoofdstad terug te ijlen, Sterzing, en Gossensasz — wij namen er geen rust, wij zagen er, evenals in alle menschenwoningen onderweg, niets in dan moordholen. Waar wij ons sterk genoeg gevoelden, namen wij wat wij noodig hadden. Ik had nu juist in rooven geen lust, maar ik was beneden bij den Eisack dorstig geworden, dorstig naar Tyrolerbloed.

Achter de hoogten van den Brenner stieten wij op Fransche en Beiersche troepen en drie generaals. Wij vertelden wat

ocr page 267

263

in de Éisackkloven gebeurd was en dat onder de dooden vele officieren waren, daaronder ook de maarschalk Lefèbre, hier te lande genoemd de Leeuw Bèer.

Alzoo openbare rebellie! Onder den vrijen hemel werd op de bergweide een groote krijgsraad gehouden. Eenparig werd de eed gezworen: dit volk moet worden gebracht tot volslagen onmacht. Een hooge prijs werd gesteld op de hoofden der aanvoerders, en alle leidslieden moesten worden gedood.

Onzalige wereld! alzoo besluit de beschrijving van den Beierschen officier. Wanneer men in den aardbol boren ging om bloedbronnen te vinden, zouden overal heldere stralen te voorschijn springen, maar in dit Tyrol een fontein, springend tot aan de wolken! — —

De vrijheidskampers hadden er ternauwernood een vermoeden van wat zij met hun ongehoorde daad in de Éisackkloven hadden teweeggebracht. Zij waren naderhand zelve geschrokken, toen het gevolg van hun werk zoo gruwzaam heerlijk voor hunne oogen lag. Velen vermochten echter nauwelijks hun jubeltoon in te houden, daar zij dachten, dat door de vernietiging dezer troepen de macht des vijands gebroken was en zij zelve weer heeren waren in 't land. De Mahrwaard klom heel alleen en zonderling gestemd langs de berghellingen rond. Toen Griesacher hem van verre toeriep: „nou Peter, wat zeg je er van ? Wat 'n vreugde!quot; maakte hij met de hand een afwerend gebaar en zei niets. Zijn anders donker gebruind gïlaat zag bleek. „Zij moesten naar huis gaan!quot; liet hij de menschen zeggen en daarop zocht hij ook weg te komen uit dit vreeselijk oord.

Al vroeger, dan de schutters terugkeerden in het dal van Brixen, wisten de menschen daar, wat boven geschied was. Des voormiddags had men bij helderen hemel van den kant der Éisackkloven een lang aanhoudend donderen gehoord. Het was niet als het kraken van zwaar geschut, niet als de ontploffing van een kruitvat, het was als het neerrollen van een groote „Mahrquot;. 1) Omstreeks den middag werd het Eisack-

1

BergstorU«g

ocr page 268

264

quot;water helder en dun, zoodat de forellen bp 'enkel zand kwispelstaartten en daarna met hun blanke buiken daarop bleven liggen. Plotseling echter zwol de stroom weer, dikke vuile golven kwamen, stammen en wortels voerde hij aan en wapens en uitrustingstukken en doode Beieren en Franschen.

De menschen keken elkander aan en zeiden: „dat is dan het dagwerk van den Mahrwaard!quot;

En toen de mannen met hun schoppen en houweelen terugkwamen uit de kloven, bevestigden zij het en voegden er bij: „nou zal er rust zijn.quot;

In het dichte struikgewas slopen echter gestalten rond, die wel reden hadden, de opgewonden zonen des lands uit den weg te gaan. Zij zochten uit de streek weg te komen en waar onderscheidenen tegelijk hier of daar een enkelen Tyroler ontmoetten, maakten zij zich gauw uit de voeten.

Peter was geheel alleen zijns weegs gegaan. Toen hij tegen den avond langs de met bosch bedekte bergglooiing liep, die van het dorp Barhn langs een hekwerk naar de Mahr gaat, kwam hij bij een steenen kruiszuil. Deze stond bij een dat hek welig omslingerende hagedoorn en droeg een beeld, voorstellende de kroning van de Koningin des hemels. Bovenaan zweeft de duif van den H. Geest, aan de eene zijde, op wolken troonend God de Vader, aan de andere zijde, God de Zoon met het kruis. Tusschen hen in de Maagd, wie zij, elk met eene hand, de kroon boven het hoofd houden. De houding der Jonkvrouw, die op de maansikkel staat en nederig de handen vouwt, is van heilige bevalligheid. — Peter bleef er voor staan, liet zijn verweermiddelen, geweer en bijl, op den grond glijden en knielde voor het beeld neer. Met saamgewrongen handen, met bevende stem sprak hij bijna luid de woorden: „Maria, Maria, gij ziet toch nog vriendelijk op mij neer. Bid voor hen. Geef hun de eeuwige zaligheid, allen, die heden zijn gaan slapen. Barmhartige Moeder, het heeft zoo motten wezen! Niet uit snood begeeren is het geschied, niet uit wraaklust. Vreeselijke noodweer, gij weet het. Zij hebben ons willen ontnemen

ocr page 269

265

ons geboorteland en ons geloof, maar zij die gestorven zijn, niet eigenwillig. Bid voor hen. En voor mij, gij goddelijke Moeder van Jezus, neem dezen last van mijne ziel. In den naam der allerheiligste Drievuldigheid, die ik aangeroepen heb! Zooals ik thans voor u in uwe afbeelding kniel. God Vader, Zoon en H. Geest, zoo zal ik eens voor uw gericht staan. O heilige, sterke, eeuwige God, verdoem mij niet!quot;

Na dat gebed stond de Mahrwaard weer op. Het begon reeds te schemeren. Juist toen hij zich wou omkeeren, valt zijn blik plotseling op een menschenhoofd, dat tusschen kruiszuil en doornstruik hem tegengrijnst. Een bleek menschenhoofd met zwart hair en baard en strakke oogen.

„Kulberlquot; riep de Mahrwaard.

Maar het hoofd bewoog zich niet, de trekken bleven strak, en het hoofd was zonder romp en stak op een met bloed beloopen hekkepaal.

Zoo had Peter zijn makker, werver en dringer, teruggezien. Kermend van schrik en afschuw tuimelde hij langs den weg. Later, toen hij reeds het lichtschijnsel door de vensters van zijn huis zag, bleef hij staan, om zijn zwoegende borst op adem te laten komen, en vroeg zichzelven af; waarom ben je dan door dezen eenen doode zoo ontsteld? Je hebt er toch van daag vele honderden gezien! —

Daarop trad hij zijn huis binnen, plaatste de bijl in een hoek, hing het geweer aan den wand. Vrouw Notburga stond met beklemd gemoed voor hem en keek hem aan.

„Zoo!quot; zei hij tot haar, „vrouw, thans is't heilige avond. Nou is 't genoeg.quot;

AAN JE HUISDEUR KUN JE T LEZEN____

Weinige dagen later was het winter geworden. Alle velden en wegen vol sneeuw, alle daken en takken bedekt met

ocr page 270

266

sneeuw, en onophoudelijk viel zij in teere vlokken neer uit den grauwen hemel. De heesters aan den Eisack, door sneeuw belast en gebogen, hingen als treurwilgen over het water. Peter kon niet uitzien. Hij kon de rivier niet meer zien en des nachts sloot hij de vensterluiken, opdat hij haar geruisch niet meer hooren zou. Eens sprong hij op uit zijn slaap, wekte met een luiden kreet vrouw Notburga, rukte de kinderen uit hun bed en riep: „naar buiten, naar buiten! De Mahr komt. Hoor je het kraken niet! De Mahr komt!quot;

Zijne vrouw trok hem terug, streek hem met haar warme hand het verwarde hair uit het voorhoofd en kalmeerde hem. 't Was toch zoo stil in huis en er omheen.

Peter zei verder niets en lei zich weer neer.

In het dal was het 's winters eenzaam. De menschen vervulden hunne dagelijksche bezigheden, doch de vrede, dien zij in de Eisackkloof gedacht hadden te verzekeren, bleef nog uit. In de allereerste plaats was hij niet in hunzelven, ieder had voorgevoelens, angstwekkende verschijningen, maar zij spraken er niet van. De straatweg door de kloof was weer hersteld; de inheemsche bevolking had het niet gedaan. Er gingen weer reizigers en postwagens heen en weer, ofschoon niet zoo geregeld als anders. Een postwagen uit het Zuiden bracht twee brieven aan den Mahrwaard. De een was van een vriend uit Bozen met de aanmaning, om zich zonder uitstel door de vlucht te redden. Dat begreep Peter niet ? Vluchten ? Voor wien? — De tweede brief droeg den poststempel van Meran, maar was heel anders geschreven. Maande de eerste aan tot vluchten, de tweede vertelde, hoe het op de vlucht toegaat. Deze brief was van niemand anders, dan van den „Landssecretarisquot; Dörninger. Hij was met potlood op slecht papier geschreven en luidde aldus:

Waarde Kameraad!

„'Wat is er al niet gebeurd, sinds ik je niet meer geschreven heb! Alles voorbij, alles vergeefs geweest!

ocr page 271

267

Wij zijn vluchtelingen en leven als opgejaagde dieren. Ik schrijf je deze regels in een met ijs gestoffeerde rotskloof; hoe het oord heet, durf ik aan het papier niet eens toevertrouwen. Hoe stijf van de vorst de vingers zijn, toont het schrift. Morgen zullen wij weer elders zijn, waar, dat weet ik niet, weet Hofer niet, weet God alleen. Reeds eenmaal hebben ze Andreas bij een hair gehad. Op den Dürnjoch. Een boereknaap heeft het hem nog bijtijds meegedeeld, zoodat hij de beulsknechten ontloopen is. Ook zijne familie is thans hem achterna gekomen. Wat wij sinds Innsbruck hebben doorgemaakt, is niet te zeggen. Het lichamelijke was nog het minste. Maar die droefheid van den waard van „'t Zand!quot; Dat alles en alles verloren zou zijn! Het heet, dat ze weer willen beginnen, maar Hofer zegt, dat hij niet meer meedoet. Aanvankelijk heeft hij het niet willen gelooven, dat wij verraden waren en is met de Passeiers er op ingegaan. Dat heeft weer een schip vol menschen gekost en toen Speckbacher de vredes-oorkonde bracht, schreide Hofer als een kind. Thans denkt hij en laat je zeggen, dat je je niet moet laten verleiden, om nog eens naar de wapens te grijpen, 't is alles leugen en bedrog en de heele lorreboel is geen droppel bloed van een braven Tyroler waard. Hij laat het ook de anderen schrijven. Dat op Hofers hoofd een bloedprijs van vijftienhonderd goudguldens gesteld is, zul je al wel weten. Wij anderen zijn billijker ge-prijst, maar toch altoos nog respectabel. Het helpt hun niets, 't is ons thans zoo heet gemaakt, dat wij het hoog boven in de koudste streken heel goed uithouden. In het Passeierdal hebben wij vrienden, die ons van het allernoodzakelijkste voorzien.

Dat moet ik je nog vertellen, dat ik laatst als Grödner schaapherder verkleed in Welschland geweest ben, om te onderzoeken, welk uitzicht er daar is voor vluchtelingen. Bonapartes broer, die te Milaan zetelt, heeft

ocr page 272

268

daarin een woordje mee te praten en in Italië heet het overal: de Tyroler oproerlingen worden zonder barmhartigheid doodgeschoten. Als een curiosum deel ik je mee, dat ik daar beneden de schoone Frangaise heb weergezien, die ik in den verloopen zomer, als je je dat nog herinnert, door den Kuntersweg heb begeleid, 't Was in een tuin te Verona, zij herkende mij en vloog broeiwarm op mij toe, omdat ze dacht, dat ik in zoo n vermomming haar was nageloopen. Ik heb haar in die meening gelaten en door haar menige mededeeling gekregen, hoe slecht het met ons staat. Daarop weer weg. En sinds dien tijd heb ik een dom heimwee.

De waard van „'t Zandquot; laat je groeten en je moet verstandig wezen en je nergens inmengen en je ook om ons niet bekommeren. Het zal geschieden, zooals God wil, maar ik zeg, het kan nog tot een gruwzamen dans komen. In geluk en lijden hartelijk getrouw.quot;

JOZËF DORNINGER.

De Mahrwaard schoof den brief, toen hij hem gelezen had, langzaam in zijn zak en mompelde: „zij weten nog van niets.quot;

Omstreeks dien tijd vatte Peter het besluit, om na nieuwjaar zijn herberg te sluiten; hij wou geen menschen meer zien. De dagelijksche bezigheden liet hij door zijn vrouw bezorgen, hij zat het liefst in de opkamer bij zijne kinderen. Het stoeien en lachen der kinderen deed hem goed, hun gebabbel was balsem voor hem, en toch luisterde hij niet naar wat ze babbelden, zijne gedachten waren elders. Hans was in zoover hersteld, dat hij met twee krukjes in de kamer kon rondgaan, maar hij speelde niet met broertje en zusje, hij was stil als zijn vader. Maar terwijl Peters oog kommer te lezen gaf, vonkte in het oog van den knaap moed en trots.

Het scheen den Mahrwaard te kalmeeren en te verkwikken, als hij uitkeek in het winterlandschap, in het levendig sneeuw-gedwarre), een zeldzaam iets in dit dal. Dwars over den straat-

ocr page 273

269

weg hoopten de sneeuwmassa's zich op tot heuvels, zoodat de wagens dreigden te blijven steken. De winter is ook een goede kameraad, dacht Peter.

Maar hij vergiste zich. De sneeuw had in 't geheel geen oponthoud veroorzaakt. Het dal, de zijdalen en alle streken, waaruit beticht kwam, waren al weer door Franschen en Beieren bezet. In overgroote massa's waren zij weer gekomen van alle kanten; alle vestingen, passen, kerkplaatsen, ambtswoningen, straatwegen, hoeven, bruggen, accijnshuisjes waren door gewapende soldaten bezet. Als in den nacht was dat volbracht, het sneeuwgedwarrel had hun oprukken niet verhinderd, slechts omhuld. Thans liet Oostenrijk eindelijk ook van zich hoeren, het liet door omroepers bekend maken, dat Tyrol behoorde tot het Koninkrijk Beieren, en zich had te onderwerpen aan zijn rechtmatigen regent. — Alles was bovenmate treurig gestemd.

En thans drong broeder Augustijn, die zijn priesterkleeding weer droeg en wiens woord iets beteekende, er bij zijn zwager op aan, dat hij zich zou terugtrekken naar een veilige plaats.

„Je bedoelt, dat ik vluchten mot,quot; zei de Mahrwaard.

„Ja, Peter, dat mot je,quot; antwoordde Augustijn. „Waren ze niet in dwaling geraakt, doordat ze je verward hebben met Kulber, dan hadden ze je al. Geloof me, 't is een jacht het geheele land door op de aanvoerders in de Eisackkloven. De waard uit „'t Kruisquot;, Stanker en alle anderen zijn vort; maar de grootste navraag geldt jou. Voor eenige dagen waren nog maar duizend goudguldens op je hoofd gesteld, nou zijn 't er al tweeduizend. In Brixen is het aangeplakt, in Klausen, in Mühlbach, aan alle kerktorens en posthuizen van het Eisack-dal, overal sta je opgeschreven. De lui praten er overal van!quot;

„De lui praten graag veel,quot; antwoordde Peter, „zoo erg zal 't wel niet zijn.quot;

Daar kwam Hans op zijn krukken binnenstrompelen en riep; „Vader, ze hebben buiten aan de huisdeur een rood plakkaat gespijkerd. Tweeduizend goudguldens voor den hoofdaanvoerder van de Eisackkloven!quot;

ocr page 274

270

„Dat is fraai,quot; zei Augustijn, „Peter, je kunt op je eigen huisdeur lezen, wat je de Beieren waard bent!quot;

„Alzoo maken ze toch ernst met me?quot; vroeg de Mahr-waard verrast.

„Je moet Hofers voorbeeld volgen,quot; antwoordde zijn zwager levendig. „Om die rede is onder den Schrotthorn, in den rotswand, een zomerverblijf voor je gereed gemaakt. Een halfuur van den boer aldaar, hooger op in 't woud. Die boer weet er al van en zal je verzorgen. Later, zoodra het weer het toelaat, mot je de bergen over.quot;

„En mijne vrouw? En mijne kinderen?quot;

„Zwager,quot; zei Augustijn en vatte zijn hand, al draag ik het priesterkleed, een beetje man ben ik toch ook nog. Ik keer eerst naar het klooster terug, als alles in orde is, hoe dan ook. Ik blijf in je huis en zal de uwen bewaken, zoo goed als een mensch dat maar kan doen, het meeste zal wel is waar de Heere God motten doen. En zij zijn veiliger, als je vort bent, geloof dat maar. Maar je mot onmiddellijk gaan, ik zeg 't je!quot;

Toen het avond werd en Peter het zijn vrouw wou mede-deelen, dat hij weg moest, kwam deze hem al t; gemoet met mantel, knapzak, stok en geweer. Zij had alles al gereed gemaakt, sprak hem liefderijk toe, hij moest ook nou nog een held wezen, waar het gold: zich zeiven te redden voor de zijnen.

Peter keek haar aan en zei zacht: „wanneer komt jou tijd?quot;

„Man!quot; riep ze, „voor dien tijd ben je er al lang weer! De Beieren zullen wel afkoelen, anders is er voor hen geen leven hier, dat zullen zij wel inzien. En denk toch aan den keizer. Denk je dan, dat hij zijn getrouwe mannen zal verlaten? Wij hebben zoolang geduld gehad, wij motten 't nou in de laatste ©ogenblikken ook niet opgeven. Als 't op z'n ergst kwam — maar het komt zoover niet, ik zeg 't maar zoo — dan kun je net zoo zeker op pardon rekenen als de waard van „'t Zand.quot; Heere Christus, of ze moesten alle

ocr page 275

271

mannen in 't land doodschieten. En dat doen ze niet en later kom je te voorschijn en dan hebben we elkaar weer en dan geven we niks meer om 's wereld loop. Zoo doen wij, Peter, en ga nou in Godsnaam. Neem nou geen afscheid van de kinderen, 't is toch maar om een paar dagen te doen. Pas echter goed op je gezondheid. Vuurslag en alles vind je in den knapzak. Ga nou, mijn Peter. Wacht, een kruis mot ik toch nog over je slaan!quot;

Met den duim der rechterhand maakte zij over zijn gezicht het teeken des kruises. Daarop keken zij elkaar nog eenmaal in de oogen en toen ging hij weg — heel alleen. Buiten woedde een stormnacht.

Toen de Mahrwaard weg was, leide vrouw Notburga haar hoofd tegen de borst haars broeders en zuchtte: „Augustijn, ik kan je niet zeggen, hoe ik te moede ben!quot; en liet aan haar lang ingehouden schreien vrijen loop.

In het dal ving de voltrekking van het noodlot aan.

Dagen lang waren soldaten bezig geweest, om uit den Eisack doode kameraden of stukken van hen te halen en te begraven. Boven aan de uitmonding der kloof werd een groot rouwfeest voorbereid, waarvoor ieder Tyroler mijlenver uit den weg ging. 't Was de lijkplechtigheid van den Maarschalk, die in de kloof meê te gronde was gegaan; zij werd heel plechtig gevierd. In de dalen, op de bergen, zoover het oog reikte, brandden de dorpen, de hoeven, de hutten. Boven de stad Brixen stegen twee groote vuurzuilen op, die den Decembernacht maakten tot een rozerooden dag. Half waanzinnig dwaalden de menschen in de straten rond en elke borst voelde een vijandelijk geweer op zich gericht.

Onafgebroken loerden nacht en dag dienders op den aanstichter der vreeselijke bergstorting in de kloof, 't Heette nu, dat de eigenlijke raddraaier een deftig man was met rossig haar, hij was, zooals bijna alle hoofden van den opstand, een boerewaard, en werd door de bevolking verborgen.

Ook het huis van den Mahrwaard was in dien rooden

ocr page 276

272

nacht beginnen te branden, achter in den stal, maar Hanna de meid was er gauw met een tobbe water bij en onder den uitroep; „ik heb geen nachtlicht noodig, slapen en de pokke! krabben kan een mensch ook in 't donker!quot; bluschte zij het opvlammende vuurtje.

FOPPEN, FOPPEN, BEIEREN FOPPEN!

In den St. Nicolaasnacht werden de bewoners van de herberg aan de Mahr onvriendelijk uit den slaap gewekt. Onder dreunend gehamer op de deur begeerde men toegang. Zoowel de ingang aan den straat- als die aan den hofkant was door soldaten bezet. Hun die toegang eischten werd de deur terstond geopend, zij drongen binnen in de gelagkamer, in de keuken, in de opkamer en andere vertrekken, in den kelder en de meidenkamers, zij drongen met walmende lonten in de stallen, doorsnuffelden kisten en kasten, staken met hunne spiesen in het voorradig veevoeder, rukten in den hof de hoopen brandhout uit elkaar, zoodat de blokken wijd wegvlogen over den bevrozen grond, in 't kort, zij keerden alles het onderste boven. Alle vertrekken waren vol fakkel-rook. De bewoners waren in de mangelkamer naast de keuken met mekaar opgesloten en bewaakt geworden. De kinderen huilden, Hanna de meid riep al maar door, als ze nou haar mestvork maar had, zij zou die schelmen wel in hun buik schrijven, dat men vreedzame menschen 's nachts met rust moest laten! Broeder Augustijn zocht ze gerust te stellen; het was heel natuurlijk, zei hij zoo luid, dat men het buiten hooren kon, het sprak vanzelf dat ook het huis van den Mahrwaard doorzocht werd; voor dien onzaligen oproermaker moest helaas! nu eenmaal elk huis in Tyrol boeten.

ocr page 277

273

't was te wenschen, dat men den misdadiger nu maar had, dan kon er rust komen! — Vrouw Notburga was zich zelve meester; zij zat op een bankje, met den kleinen Peter op haar schoot, en in haar hart had zij een dankzegging, dat hij, die zij zoo verwoed belaagden, in veiligheid was.

Na een uur, toen de indringers de vruchteloosheid van hun overval hadden ingezien, trokken drie Beiersche dienders Hanna uit de kamer en vroegen haar scherp; „waar is de waard?quot;

„Ja, juist zoo!quot; gaf zij brutaal ten antwoord.

„Je weet, waar hij is!quot;

„Nou, zeker weet ik 't.quot;

„Waar is de waard?quot;

„In zijn vel.quot;

„Je wordt op de plaats doorstoken, als je niet zegt, waar hij is!quot;

„Gekken!quot; lachte de meid, ,,als de levende Hanna 't je al niet zegt, dan zegt de dooie 't nog minder.quot;

„Domme eend!quot; bromden zij, gaven haar een stomp, dat ze tegen den wand rolde, en gingen razend en vloekend weg.

„Onnoozele kerels,quot; lachte de meid nu hardop „ik zou den waard verraden! Dat is een beleediging. 't Liefst zou ik hen nu nog naloopen met de mestvork!quot;

De bewoners van het huis hadden tot aan den morgen meer dan genoeg te doen, om de aangestichte verwarring een beetje te verhelpen. De meid doorzocht alle bergplaatsen van het voer, om te zien of niet hier of daar een glimmende vlok van de lonten voortgloeide en onheil stichten kon.

En op den daarop volgenden zondagmiddag zat Hanna in haar donker stalkamertje en naaide, 't Was daar een beetje vorstig. Vrouw Notburga had haar dan ook laten zeggen, dat ze met haar naaimand in de warme kamer komen zou. Maar de meid bleef buiten, 't Waren manskieeren, waaraan ze flikte, en het gevraag voor welken broeder ze nu zoo zorgzaam bezig was, kon haar bespaard blijven. Bovendien was in dat stalkamertje Toontje aanwezig. Men zag enkel

18

Peter Mayr

ocr page 278

274

zijn driest hoofd met de woeste haren, al het andere stak diep in het hooi en bleef daarin ook nog steken, toen de lappen al lang op zijn broek zaten.

„Nou pas je er behoorlijk op, nou is 't weer nieuw!quot; zei Hanna, en wierp hem de aan alle kanten gelapte broek toe.

Heden zong de speelman niet, hij was heelemaal neerslachtig, bijna bedroefd, zoodat de meid dacht: „er is vandaag wat met 'm, vandaag mot ik goed voor hem wezen.quot; Daarop haalde zij uit haar mand schaar en kam te voorschijn en zei; „nou heb ik juist tijd voor schapenscheren. Tegen Kerstmis mot men jou toch je haarbos kortwieken.quot;

„Oho!quot; antwoordde de knaap, „mijn koningskroon, die laat ik mij niet ontnemen. Of koop je een andere pelsmuts voor me, nou in den winter?quot;

„Da's waar,quot; antwoordde ze, „je hersens konden bevriezen, dat zou jammer wezen! Nou, kom hier, roskammen wil ik het nou toch eens, jouw ravenkleurig haar.quot;

„Waarom wil je mijn ravenkleurig haar roskammen?quot;

„Omdat het, mijn mooie jongen, zoo smoezelig is, jou ravenkleurig hair. En als je nou een nieuw pak aan hebt en een uitgewasschen hemd, dan mot je ook netjes gekamd wezen. Dan kun je daarna onder de menschen gaan.quot;

„Om dan de mooie meisjes gemakkelijker te krijgen, hè?quot; vroeg hij langs zijn neus heen.

„Zeker daarom, leelijke jongen!quot;

„Woel met je vingers maar zoo voort door m'n haar, dat heb ik graag,quot; zei Toontje en sloot heel welbehagelijk zijn oogen, terwijl zij in zijn lokken woelde, en in zware verzoeking kwam, de vingers te krommen en te trekken aan zijn haar. In plaats daarvan zei ze hem plagend; „maai je snor mot toch gekortwiekt worden!quot; want die had hij nog niet.

Over zijn haarwerk liet hij zich heden echter verder niet uit, daarentegen deed hij plotseling de vraag: „Zeg, Hanna, is het waar, dat ik in mijn slaap praat?quot;

„In je slaap praten? Malle kwibus, hoe zou ik dat weten?quot;

„Ja zoo, zeker niet. Je hebt me nooit zien slapen. En ik

ocr page 279

275

heb mijzelven ook nooit zien slapen. Maar anderen zeggen 't. Ze zeggen dat ik hardop praat in mijn slaap, en allerlei dingen uitflap, en het is, zeggen ze, dikwijls grappig te hooren, wat ik er alzoo uitflap. En het domste is, dat ik 'r niks van weet.quot;

„Je zult van binnen vast niet meer plaats hebben voor alles,quot; dacht Hanna, „Omdat je overdag je valschheden verzwijgt, motte ze er 's nachts uit.quot;

„Dat is 't!quot; gaf de knaap aanstonds toe, „en nou durf ik in 't geheel niet meer te slapen. Alleen al niet meer.quot;

„Ik verzoek je nou ernstig. Toni, houd nou eens met dat domme gepraat op. Men is niet altoos daarvoor gestemd.quot;

„Dat is niet zoo dom als je meent, Hanna,quot; zei Toontje schier ruw, „ik ben ook niet voor domme praat gestemd en jouw gekriewel aldoor, dat heb ik niet noodig. Laat me eenmaal uitspreken. Wat weet jij er van 1 Op de strootassen en in de stallen, waar ik slaap ! Hoe licht kon 't gebeuren, dat iemand mij beluistert.quot;

„Toen hij zweeg vroeg zij hem: „heb je uitgepraat? Nou, da's ook de moeite waard hoor.quot;

Zonder acht te slaan op haar spotternij, lag hij daar met halfgesloten oogen en gaf zich schijnbaar met welbehagen aan haar kamlust over. Op eens zei hij: „wat zeg jij van den grooten rooien brief, die daar buiten aan de huisdeur hangt?quot;

„Waar dat van die tweeduizend goudgulden op straat?quot;

Zacht voegde Toni er bij: „die goudguldens kon ik verdienen.quot;

Het hoofd, dat op haar schoot lag, vloog thans het hooi in, zoo heftig slingerde zij het van zich weg. Zij was geheel stijf van ontzetting. Hij bleef kalm liggen op het hooi en sprak zacht voort: „'s avonds, toen de waard weg is gegaan, heeft de geestelijke heer hem gezegd, waar hij heen moest gaan en waar hij zich verschuilen most, opdat z'm niet zouen vinden, en ik heb achter de deur, omdat het buiten zoo stormde —quot;

„Geluisterd heb je?quot; kreet ze.

ocr page 280

276

„Maar Jezes, ik kon er toch niks an doen, dat ik die paar woorden gehoord heb, met een stoppeltrekker had ik mij de ooren wel willen laten uittrekken.quot;

Nu pas begreep het meisje hem.

„Je weet, waar de waard zich verstopt heeft?quot; vroeg ze.

„Hanna, ik kan er niks tegen doen.quot;

„En je praat in je slaap?quot;

„Daar kan ik ook niks tegen doen!quot;

„Dan zal men je motten doodslaan.quot;

De speelman scheen daartegen geen bedenking te hebben, eerst na een poosje maakte hij heel bescheiden de opmerking: „ik weet ook nog wel een ander middel.quot;

„Dat je op sprong naar Amerika verhuist, waar geen mensch je verstaat.quot;

„Dat doe ik niet.quot;

„Of dat je nooit slaapt!quot;

„Hanna, dat wil ik probeeren,quot; sprak hij bereidwillig. „Zoolang als 't gaat, wil ik het uithouden. Maar als het 't een of anderen tijd niet gaat, en als ik het niet meer kan uithouden, heelemaal niet meer en in Gods naam niet meer, en ik mot toch slapen — dan —quot;

„Mijn God, wat zul je dan doen?quot;

„Dan — kijk, dan kan ik hier kommen daar in den stal en mij een beetje neerleggen op het hooi en slapen. En als ik dan begin te babbelen, geef je mij gauw een op mijn mond.quot;

Zij dacht een poosje na, plukte aan een bosje hooi en dacht na, greep daarop de weggeworpen broek, keerde die om en om, als wou zij zich nog eenmaal overtuigen, dat er geen gat of sleet meer aan was, slaakte eindelijk een zucht en zei: „'t is toch een echt kruis! Wat dat met jelui manslui voor een kruis is, dat kan men in 't geheel niet zeggen. — Natuurlijk, als er geen ander middel is, dan zu.' je daar in den stal motten slapen.quot;

„'t Zal wel 't verstandigste zijn,quot; dacht hij. „Ook dat je indezen onzekeren tijd een manspersoon in de nabijheid hebt.quot;

„Maak je daar niet ongerust over. Toontje. Daar zal je

ocr page 281

Ill

niks overkomen. Kom maar, als je werkelijk slaap hebt. Ik sluit je goed in den stal op, ga naar de waardin, ga daar slapen op de bank, en 's morgens, als je bij de koeien hebt uitgeslapen en uitgepraat, laat ik je weer loopen.quot;

„Ik zal zeker kommen,quot; zei de knaap, „wij zullen later wel zien hoe 't mot. ' —

Op een der eerstvolgende dagen liep de fraaie speelman, zijn lier aan den groenen band over de schouders dragend, den straatweg langs. Zoo prachtig had hij in langen tijd er niet uitgezien, van 't hoofd tot de voeten, als thans. Zelfs had hij schoenen aan de voeten; dat het vrouwenschoenen waren, bespeurde niemand dan zijne teenen, die, aan de vrijheid gewoon, zich zeker aan deze drukkende omstandigheden terstond weer souden ontworsteld hebben, als niet de sneeuw zoo helsch koud was geweest. Het zindelijk gelapte buis — 't was een reeds voor jaar en dag gedragen — had nu ook een zak met stevigen bodem gekregen, waarin een stuk brood zat. Van achter had dit buis twee pandjes, die bij iedere schrede de ronding streelden, die met haar veelkleurige ver-stellappen er uitzag, als de oostelijke helft van de globe in het Brixener bisschoppelijk paleis. In de zwarte pelsmuts — de den speelman aangeboren koningskroon — stak een ravenveer flink rechtop, en het door de winterkou roode gezicht was schier tot aan den neus door den opgeslagen buiskraag bedekt. Die in de Mahrherberg had dat zoo verordend: „netjes den mond dichthouden, Toontje! De lucht is tegenwoordig ongezond!quot;

De jonge speelman wou naar een neef in het Alfersdal, wiens huis door de Franschen verbrand was; hij had een liedje van „God vertrouwen en zelfopbouwenquot; in het hoofd, misschien wou de neef er vriendelijk acht op geven; een andere brandbijdrage kon Toontje niet geven.

Toen hij, al een beetje hinkend, het dorp Alveien naderde, dat zoo vriendelijk aan de berghelling ligt en door de brand-schatters nog grootendeels verschoond was geworden, ging in de hooggelegen herberg, links van den weg, een venster-

ocr page 282

278

vleugel open, waardoor de roode kop van den waard naar buiten riep: „waarheen, muzikant? Mot je niet een beetje rusten en voor ons spelen?quot;

Dat liet de vroolijke knaap zich geen twee keer zeggen; een kroes roode zou hij ook niet versmaden voor de verdere reis. Hij trappelde voor den drempel der deur de sneeuw van de schoenen en trad de gelagkamer binnen. Daar was vroolijk volk en bijtende tabakswalm. De speelman had de deurklink nog in de hand, toen hij al weer omkeeren wou, want in de kamer zaten naar zijn zin te veel Beieren: ambte naren en zelfs soldaten. Maar de waard kwam al met den kroes aan en een vroolijke roodhaar trok hem naar de naast-bijstaande tafel. Een speelman! En een die zoo allerlei schelmsche liedjes kent! Men kende hem wel en de waard mocht wel denken: als zij een gezellig liedje hooren, drinken ze ook mijn zuren wijn op. Toontje stelde zijn lierkast met haast teedere bezorgdheid tegen de muurbank bij den haard en nam zonder verderen omslag plaats. Drinken, ja dat wou hij, maar spelen en zingen, dat wou hij voor zulke gasten niet.

Toen hij echter gedronken had, eenmaal, tweemaal, en met speelmansteugen, en toen zij zoo erg indringerig werden en hem vleiend omringden om hun iets ten beste te geven, dacht hij even na, greep naar zijn instrument, tokkelde een beetje op de snaren en schroefde ze op of neer, ze stemmend, schraapte de keel en begon op een kindermelodie het volgende te zingen:

„Duister, duister, lorilorgen,

's Nachts houdt zich de zon verborgen.

Draagt een nevelsluier bij dag.

Daar ze volstrekt geen Beieren mag.

Geen Beieren.quot;

De Beieren klapten in de handen en zeiden, dat hij er nou eens flink er een geven most op de Tyrolers. De zanger ging voort:

ocr page 283

279

„Windje, windje, zonnig blijde Komt de Mei, groen wordt de weide.

Maar geen grashalm die er leeft.

Waar een Beier gezeten heeft.

Een Beier!quot;

De waard was bang, dat de gemoedelijke stemming mocht bedorven worden, want hij was een dergenen, die probeeren zich goed te houden en niets te laten merken, wat niet alleen wijs, maar ook verstandig is. Hij maakte er daarom den speelman opmerkzaam op, dat hij een beetje heesch was en liever moest drinken dan zingen.

Toontje bleef bedaard zitten en toen het begon te schemeren, begaven de gasten zich naar het extra kamertje. Een der Beiersche beambten deed alsof hij iets in de nabijheid van den muzikant te doen had, lei hem zijn arm stijf om den nek, wreef hem met zijn bakkebaard tegen den wang en zei boeren latend; „Kereltje, je blijft bij ons, je mot ons wat voorzingen van je „schat.quot;

„Heeft ie er een?quot; vroeg een ander, een knipoogende eenoog, zijn kleine, kortgeknipte blondkop uitstrekkend naar den speelman.

De een strekte zijn arm met de vlakke hand uit net alsof hij den aardigen knaap er op wou laten zien en zei: „en zoo een zou geen liefje hebben!quot;

„Misschien is zijn lief wel bevroren, wijl hij zoo ijskoud rondkijkt.quot;

„Dat geloof ik niet,quot; zei weer een ander, „op de Mahr aan de overzijde schijnt de zon warmer, als aan dezen schaduwkant.quot;

„Laat ze babbelen,quot; lachte thans een dik blondgebaard heer op welwillenden toon. Deze was ook al een weinig aangeschoten en noodigde Toni uit, zich naast hem neer te zetten bij den warmen haard. „Laat ze maar praten, ieder zal toch wel z'n liefje mogen hebben, niet?quot;

„Dat denk ik ook wel,quot; antwoordde Toontje en zette zich naast den vriendelijken mijnheer. Het ging hem, zooals menig

ocr page 284

280

ander ook, als hij eenmaal bij de wijnkan zat. Dat gebeurde ook zeldzaam genoeg.

„Je hebt je een extra braaf en bij de hand meisje uitgezocht, ik weet 't wel,quot; zei de blondgsbaarde, hem dichter naderend, „ik heb 't mij laten vertellen, hoe zij boven bij Springs met de stalvork gestaan heeft. Alle achting, hoor! Sapprement, dat is een gewikste, die moeten wij soldaat maken, dadelijk tot korporaal, of zelfs tot sergeant. Alle achting, zeg ik! Een die zoo voor haar vaderland staat! Daar gaat niks af! Voor eiken dapperen Tyroler respect, maar vooral en allereerst voor zoo'n Tyrolerin! Alle achting, nog eens! Iedere held is mij heilig, ik maak daarin geen onderscheid, of ie Andreas Hofer heet of Jozef Speckbacher of anders, da's mij 'tzelfde. — Laat je niet verdrogen, speelman!quot; zoo praatte de gebaarde Beier en schoof hem den beker onder den neus, „Drinken mot je! Op je gezondheid! Op de mijne ook, als je wilt! Je kent mij toch ? De nieuwe stadsrechter te Brixen! Alle achting! Niet zoo erg, als zijn ambt! Als je mij op je bruiloft wilt noodigen, dan kijk ik graag eens onder de lieve bruidjes rond. Daarin maak ik geen onderscheid.quot;

„Trouwen doen we niet,quot; antwoordde Toni.

„Aha! Fransch gebruik in Tyrol! Alle achting! Daar gaat niks af.quot;

„Anders wel,quot; verbeterde de speelman haastig zijn opvatting, „maar de Mahrwaard zegt altoos: „voor oorlogvoeren en voor trouwen is geld noodig.quot;

De stadsrechter, zooals hij zich noemde, lachte hardop, sloeg den knaap met de hand op de knie en riep; „je bent een ferme kerel!quot;

„En ik zeg toch,quot; voegde Toni er thans moedig bij, „wij hebben zonder geld oorlog gevoerd en wij kunnen zonder geld trouwen. Misschien waag ik 't!quot;

„Ja zeker,quot; zei de stadsrechter, die nu weer ernstig en heel welwillend was, „wat kan een mensch er an doen, dat ie geen geld heeft. Mot ie daarom ook geen plezier hebben? Dat was te gek. Mot hij zich daarom door den eersten den besten

ocr page 285

281

lummel het meisje laten vvegvisschen? Dat was te gek. Jonge man, lang zul je leven!quot;

Hij hief zijn kroes hoog. Toni hief ook den zijne, maar in 't geheel niet hoog, want heel kleinmoedig klonk zijn gezegde; „maar ze wil niet zonder geld.quot;

Beiden stieten aan en dronken tot den bodem. Toen de stadsrechter zijn kroes had neergezet en met beide handen zijn snor afdroogde, riep hij brouwend: „dat was wat mooi s! Zoo'n kapitale knaap, en geen geld! Pak an! Geld genoeg, op straat ligt het! Daar gaat niks af!quot;

„Het is waar, voor mij ligt het op de straat.quot;

„Heel in ernst ook!quot;

Onderscheidene pimpelaars hadden met schreeuwerige stem een loflied aangeheven op Tyrol, „op 't nieuwe vaderland!quot; en werden daarbij erg opgewonden.

„Zie je nou wel,quot; zei de stadsrechter tot Toni, „kijk die Beieren nu eens goed an, of zij zoo erg zijn!quot;

„En ik zing weer liever het lied van het oude vaderland,quot; antwoordde de knaap openhartig. „God, wat vlogen daarbij dikwijls de kreutzers op de straat.quot;

Uit dank voor dat verstandige woord kreeg hij des rechters breede hand op zijn schouder: „satansjongen, je bevalt me! Wat? Toni heet je? Hoor eens. Toni, als ik de Mahrwaard was, dan wou ik je gelukkig maken. Jou en haar, met je beide! Daar gaat niks af! Hij moet je in je huishouding zetten, die Mahrwaard: vraag 'r hem maar om, als hij terugkomt van de wijnkooperij.quot;

„Van 't wijnkoopen, de Mahrwaard ?quot; vroeg de knaap haastig, bond echter dadelijk in en zei: „o ja, jawel. Wijnkoopen.quot;

Thans pakte de gebaarde Beier met schier krampachtige vingers den knaap bij den arm, en zei vlak aan zijn oor: „neen, mijn vriend, op den wijnkoop is de Mahrwaard niet uitgegaan.quot;

„Ik weet 't niet,quot; antwoordde Toni.

De stadsrechter dreigde schalksch met den vinger: „spitsboef, je weet 't wel!quot;

ocr page 286

282

„Wat gaat mij de Mahrwaard an!quot;

„Je gaat bij hem aan huis uit en in.quot;

„Omdat 't een herberg is.quot;

„Is die ook achter in het stroohok?quot; vroeg de Beier. „Loop heen, leeperd, houd je maar niet zoo dom en wees verstandig. Waarom zou je dat mooie geld door een ander laten verdienen! Uit komt 't toch. Ook als de lui van den Mahrwaard en jij met hen jelui muilen met zeven zegels verzegelt, binnen drie dagen komt 't uit, daar gaat niks af! Maar de arme kerel kan voor dien tijd in zijn sluiphoek bevroren zijn. Kom speelman, denk om je voordeel en wees verstandig.quot;

„Ik ben wel verstandig !quot; antwoordde Toontje en zette een onnoozel gezicht.

„Neem alzoo de tweeduizend goudguldens en laat den Mahrwaard niet bevriezen.quot;

„'t Is verstandiger te bevriezen, dan te stikken,quot; dacht Toni en duidde met een beweging van zijn hand een strop om zijn hals aan.

„Hoe zoo?quot; stoof de stadsrechter op: „wie zegt dat? — Je schijnt niet te weten, dat volgens het laatste decreet uit München de koning de Tyrolerhelden een onderscheiding wil verleenen. En hij heeft gelijk. Waren zij den keizer trouw en dapper, zij zullen 't ook den koning zijn. Hij heeft heelemaal gelijk. Held is held! Alle achting, hoor! Daar gaat niks af! En zoo goed als Andreas Hofer, die zichzelven heeft aangemeld, thans Beiersch majoor is, zoo goed zal de Mahrwaard binnen eenige dagen overste of luitenant-kolonel zijn.quot;

„Heeft Hofer zich zeiven aangemeld?quot; vroeg de speelman.

„Kameraden!quot; riep de nieuwe stadsrechter van. Brixen tot de andere drinkebroers, „majoor Hofer staat immers tegenwoordig in Innsbruck?quot;

„Neen,quot; schreeuwde de eenoogige terug, „majoor Hofer rukt met twee compagniën langs den Ëisack af, om den Mahrwaard gevangen te nemen.quot;

„Hoor je 't!quot; pochte de stadsrechter tegen den knaap en schoof zoo mogelijk nog dichter naar hem toe. „Wees ver-

ocr page 287

283

standig, Toontje, en kijk me an. Kijk me eens behoorlijk an, opdat je weet, hoe je beste vriend er uitziet.quot;

De speelman deed zijn groote oogen heel wijd open, keek den baardigen sluwlonkenden Dikbast aan en zei toen heel bedaard: „dank u wel, nou weet ik 't.quot;

„Raap 't op! Raap 't op!quot; ging de Beier aan het oor van den knaap zacht en levendig voort. „De koning heeft buitendien geld genoeg, laat 't hem niet weer opsteken. Dat was te dom! Je kunt 't veel beter gebruiken, raap 't op! — De Mahrwaard, dien Peter Mayr! Om zijnent wil, om jouwent wil. Toni wees een brave Tyroler en zeg, waar hij is.quot;

De sluwe Toni had zich al lang vermaakt met de komedie die ze daar voor hem speelden. Maar dat ze hem voor zoo dom hielden, hinderde hem. Zij hadden wel is waar gedronken, maar gedronken had hij ook en nou wou hij toch eens zien, waar het zat, in den wijn of in den kop. Hij wou ze 'r laten inloopen, over en over er laten inloopen. Naar den Mahrwaard vragen ze. Bedankt voor de navraag, de Mahrwaard is in 't hooge gebergte. — De heilige beschermengel zal hem beveiligen onder den Schrotthorn in het rotshol! En de heeren Beieren zullen daarom in de tegenovergestelde richting een bergmarsch maken, zullen een beetje achter den Hochkofel naar beneden gluren. — Zoo dacht Toontje in 't geheim.

„Bedenk je niet lang en wees verstandig!quot; zei de Beier, hem de breede hand toestekend.

„Mijnentwege!quot; riep de speelman uit en schopte zijn lier verachtelijk over de bank heen, evenals of hij genoeg had van zulk bedelspul. „Als tegenwoordig ieder op zijn voordeel bedacht is, waarom zal ik dan alleen een dwaas wezen ? Ik zeg 't.',,

„Een kus krijg je, heerlijke jongen, brave kerel!quot; riep de stadsrechter en sloeg beide armen om hem heen. En toen het oor van den dikken Beier zoo heel dicht aan het oor van den jongen Tyroler was, fluisterde deze er in: „de Mahrwaard is aan de overzijde achter den Hochkofel, in de Roszgrot!quot;

De Beier trok op eens zijn hoofd terug en vroeg op eens schier streng; „Kun je 'm ons wijzen?quot;

ocr page 288

284

„'k Weet zelf den weg niet!quot; antwoordde de speelman met verdoemd ernstige bedaardheid, „ik geloof, beneden bij Nafen beginnen en over St. Magdalena, Meer kan ik niet zeggen, wijl ik daar nooit geweest ben. Ik weet alleen, dat hij zich in de Roszgrot ophoudt, achter den Hochkofel.quot;

„Je zult met ons mee, speelman!quot;

„Waarom niet?quot; antwoordde Toni, „als je mij dragen wilt! Omdat ik de jicht in den voet heb, ai sinds een week. Je heb 't gezien, hoe ik hinken mot!quot; En bij zichzelven: „God zegen je, Hanna, dat je schoen mij zoo knelt! Hoe kon een mensch anders op zoo'n mooien leugen kommen!quot;

De dikke Beier stond op, wat leniger dan men van hem zou gedacht hebben, knoopte zijn mantel dicht, en de overige gasten deden 't hem schielijk na. In weinige minuten was de gelagkamer leeg, alleen de arme, jichtachtige speelman zat nog in den hoek van den haard en hield zijn hand voor het oolijk lachende gezicht. Voor hem stond de waard, een kleine dikke man met rood gladgeschoren rond gezicht en een heel klein neusje er in. Hij had grijze oogjes, daarmee staarde hij thans schrikbarend wild den knaap aan en balde daarbij de dikke vuisten.

„Speelman!quot; zei hij eindelijk met zijn dunne keelstem, waarbij hij met zijn hoofd wiegelde: „speelman! wat heb je nou uitgehaald ? — Als je nou wat uitgehaald hadt, dan kwam je me niet levend uit dit vertrek!quot;

Zachtjes trok Toontje zijn lier naar zich toe, begon te tokkelen en zong ;

„Foppen, foppen. Beieren foppen.

Vat oprollen, hoenders plokken,

Krabb'len op den Kosel rond,

Stooten zich den schedel blond.

De Beieren!quot;

Thans begreep de waard, en wie op dit oogenblik buiten voorbij wa? gegaan, had in de herberg het hevige gekakel

ocr page 289

285

van een hen kunnen hooren. 't Was echter het gelach van den waard.

„Wat ben jij!quot; riep hij door zijn lachen heen, „wat ben jij een slimme, Tonie! Dat had ik jou niet angezien, hoor! 't Is heelemaal niet waar, wat je hun op den mouw hebt gespeld? Aartsspitsboef, die je bent! Wil je nog wijn, speelman? Je kunt van daag hier blijven, als je wilt, en eten en drinken, zooveel als je lust. Maar is 't zeker. Toni? Is ie zeker niet boven in de Roszgrot?quot;

„Hij denkt er niet an.quot;

„Waar dan wel?quot;

„Wou je dat weten?quot;

„Mij kon je dat wel toevertrouwen!quot;

„Zelfs niet, al sneed je me den kop af.quot;

„je hebt gelijk, speelman.quot;

„Als je wat te eten hebt, waard, lust ik wel wat.quot;

„'t Komt dadelijk, 't komt dade!ijk. We zullen mekaar goed gezelschap houden, wij samen. Daarna tappen we een lekkere beker uit het vat.quot;

„Maar hier blijven mag ik niet.quot;

„Potstauzend, waarom dan niet.quot;

„Ja, ik dank je zeer,quot; zei de jonge speelman. „In Alfersdal doe ik vandaag toch niks. 'k Ga naar huis. Je mot weten, ik heb nou m'n eigen slaapstee.quot; Dat zeggende stond hij op, de lier tokkelend.

ocr page 290

286

MAHRWAARD, IK ZOU NIET GRAAG IN JE VEL STEKEN!

De Mahrwaard had op zijn vlucht in nacht en nevel gelukkig den bedoelden bergwand bereikt. De schuur, die zich tusschen de rotsen in het kleine boschrijke en dik besneeuwde hoogdal bevond, was in der haast door de boeren zoover in orde gebracht, dat een mensch desnoods er een paar weken in leven kon. Er was geen gebrek aan een ruw gemetselden vuurhaard, aan brandhout, aan brood en wild, niet aan hooi, om zich neer te leggen. Zelfs waren er eenige eikeblokken voorhanden en snijwerktuigen, opdat de vluchteling zich bezigheid verschaffen kon. Over dag was het erg koud in de donkere ruimte, want stoken en koken durfde de kluizenaar pas, als het avond werd en de opstijgende rook niet den verrader spelen kon.

Maar in weerwil van alle voorzichtigheid zou het verblijf in dit verborgen oord niet lang duren. Reeds in den vierden nacht van zijn verblijf in de schuur bemerkte Peter, dat beneden bij het een halfuur verwijderde huisje van den hutbewoner de waakhond onafgebroken blafte, wat in de voorbijgaande nachten niet was gebeurd. Kort na middernacht waren daar een paar geweerschoten gevallen. De Mahrwaard vermoedde niets goeds, hij maakte zich ijlings gereed, bond sneeuwsporen onder zijn zolen, hing den knapzak over zijn rug met het geweer en vluchtte naar een hooger gedeelte van het gebergte. Aanvankelijk ging het nog zoo tamelijk over de sneeuw: toen de morgen aanbrak, was hij reeds op den harden grond. Hier kon hij op de bevroren sneeuw bij

ocr page 291

287

eenige oplettendheid gemakkelijker voortkomen dan in den zomer over den kleverigen bodem. Peter dacht aan de hut, waarin hij eenige weken geleden een schuilplaats gevonden had. Maar hoe kwam hij daar?

Omstreeks den middag, toen hij rustte en rondkeek over het verblindende panorama der hooge bergen, en naar beneden in de dalen, die met roestbruinen nevel waren gevuld, bemerkte hij tot zijn schrik een zwarte kogel, die uit de diepte over de sneeuwvelden zich in zijn richting voortbewoog. Peter ijlde verder en bereikte eenige uren later de Plaukhorn, een oord, dat hij van vroeger kende en waar ettelijke Alpenhutten hadden gestaan. De hutten bestonden nu niet meer, maar de door het vuur gebruinde muur van een kookhaard stak uit de sneeuw op. Afgebrand. De Mahr-waard liep verder, niettegenstaande zijn kracht was uitgeput, hij moest de hutten van de Oberthalwei zien te bereiken. Maar ook hier vond hij slechts plaatsen van brand.

— Dat wil zeggen: hier omkomen, verder kan ik niet meer. Met deze gedachte zette hij zich neer op de sneeuw. Daar kwam de helling langs die zwarte kogel heel langzaam naar hem toezweven. — In Godsnaam, zij zullen mij hebben! zei hij, zich in zijn lot schikkend. Maar weldra bleek, dat die zwarte kogel geen vervolger was, maar dat daaronder een oude kleine Tyroler boer kwam aanzuchten. 't Was een groote bal, die hij, de kleine oude, droeg en die hem daar straks geheel bedekt had, zoodat het scheen alsof hij alleen over de sneeuwvlakte voortgleed. Een hutbewoner uit Schalders met een breedgeranden hoed en een mager mollen-gezichtje; hij werd genoemd Gungn Mösel en stond bekend als een heel vrijmoedig man.

„Hè-op-kom-op — waarom wil je mij ombrengen, Mahr-waard ?quot; riep de oude blazend den vluchteling toe. „Aldoor heb ik geschreeuwd. Waard, wacht, ik kan je niet meer volgen! Maar rennen als een berghaas. Dat je voor de dienders wegloopt, die al in je vorige schuilplaats zijn, mot men wel vergeven, maar dat je hart voor mij oude kerel in de

ocr page 292

288

schoenen zinkt, dat is erg. Halt-halt — deken en spek heb ik hier.quot;

Omdat het al wat donkerder werd over de uitgestrekte sneeuwhoopen, gingen de beide mannen naar den rotswand, zochten een onderkomen en kropen in een spleet, die door de sneeuw als door een voorwal stevig gesloten was. Daar brachten zij den nacht door.

Den eerstvolgenden morgen beraadslaagden zij, wat nu aan te vangen. De kleine Gungn Mösel moest daarbij aldoor zoo hoog naar den grooten Mahrwaard opzien, dat hij deswege heel verdrietig werd en den grooten man van bovenaf begon te behandelen. „Zoo groot wezen dat is ook niet best!quot; zei Gungn Mösel door zijn neus, „achting heb ik altoos voor je gehad, omdat je overigens een brave kerel bent, maar extra graag heb ik je nooit mogen lijden. Nou leg je ie toe, wat weet ik 't, op de heldenrol. Anderen hebben ook wat gedaan, geen haan kraait er naar. Maar de Mahrwaard 'k vraag je om verschooning, ik ben oprecht.quot;

Ja, dat wist Peter al lang, dat Gungn Mösel er altoos op uit was, de menschen iets onaangenaams in 't gezicht te zeggen, wat echter niet verhinderde, dat hij in den roep stond, het met iedereen goed te meenen.

„Mahrwaard, ik zou niet graag in jouw vel steken,quot; ging Mösel op zijn gewone eenigszins slepende spreekmanier voort: „je zult nooit veel goeds genieten op de wereld. Zoo'n geweten! Je hebt toch veel menschen omgebracht. De arme zielen van de lui in de Eisackkloof zullen je ook plagen, dat kan 't denken, 'k Wil voor je bidden, je zult 't noodig hebben.quot;

„Je kunt iemand maar heel best troosten!quot; lachte de Mahrwaard ruw.

„Je mot me vergeven, ik spreek zooals ik denk.quot;

„Dat je me met pels en loden achterna gekomen zijt, zal ik nooit vergeten,quot; zei de Mahrwaard.

„Denk je, dat ik 't graag gedaan heb?quot; schreeuwde de oude met een scherp stemmetje, „zoover gaat de naastenliefde

ocr page 293

289

niet, dat ik vluchtelingen mijn spek nazeul. Ik ben gezonden door de anderen. Ze hebben mij tot oppasser gemaakt, de rakkers, beneden bij Stadl, dat de dienders je niet hebben kunnen besluipen. Ik ben daarbij bevroren als een ijskegel. Alsof het leven van ons soort minder waard was, dan dat van een ander. Maar ik heb geen verdienste noodig. En jij mot nou naar Passeier verhuizen, zoodat ik weer naar huis kan gaan.quot;

Den berg over naar Passeier. Dat was een verre, in den winter ternauwernood begaanbare weg, maar des te veiliger voor de vervolgers. De Mahrwaard bond zijn zaken bijeen, om zich op marsch te begeven. Onderwijl vroeg hij aan Mösel, of hij geen tijding van zijn huis had.

„Niks!quot; riep de oude. „'t Zal al mooi zijn, als 't nog staat, je huis. Gister was er weer erg veel rook rondom Brixen. Zekers weet ik niks. — Maar maak, maak toch, kerel, dat je verder komt.quot;

„Je kunt gerust heengaan, Mösel,quot; zei Peter. „Ik zal ook alleen wel verder kommen. Neem een stuk spek mee op den terugweg.quot;

„Houd jij je spek zelf maar, je zult 't wel noodig hebben, je bent al zoo mager als een hout,quot; zei de oude en ging daarop heen.

De Mahrwaard herademde bepaald, toen hij weer alleen was. Die Gungn Mösel is, dacht hij, toch een beetje erg oprecht. Ik zou, bij zijn waarheidsliefde voor niks instaan, wanneer de speurhonden hem naar den Mahrwaard vroegen. En als men 't wel beschouwt, heeft hij gelijk: er is voor een armen duivel zelden gelegenheid, iets te verdienen. Maar ik wil mij liever in veiligheid brengen. Thans in 's vijands handen vallen, dat ware hun 't aangenaamste! Ze konden dan met mij alles het land afpersen wat zij verlangden. Die grap gunnen wij hun niet.

Toen Mösel uit zijn gezichtsveld verdwenen was, veranderde Peter van richting. Hij ging niet naar het Jaufnerjod en niet naar het Passeiergebergte, maar links ging hij over

Peler Mayr 19

ocr page 294

290

de verte hoogten heen naar den Ritten. Dat bericht omtrent den rook in het land van Brixen had hem erg ongerust gemaakt. Een hevig verlangen, om, ware het ook maar uit de verte, zijn huis te zien, bekroop hem. Hij kuierde trots velerlei bezwaren over het gebergte en naar beneden, totdat hij van den boschrijken Pfeffersberg omlaag kon zien op de Mahr. Zijn huis stond vredig onder den rotswand.

In zijn buiszak had hij verschillende schrifturen gestoken, die hem beangstigden en die hij toch ook niet graag vernietigen wou. 't Waren bieven van andere boerenaanvoerders, daaronder ook een van Dörninger. Nu het gevaar nader kwam, leed het verbranden geen uitstel meer, wat hij in een houthakkershut dan ook deed. Daarop steeg hij af in het dal. Aan gene zijde van de buurt Balthurns stond een onbewoonde hut, welker eene dakzijde reeds zoo kapot was, dat de sparren overal bloot lagen. Door zulk een gat kroop Peter naar binnen en door een met lappen slecht toegestopt venstertje keek hij uit, naar den kant der Mahr. Om door het venster te kunnen zien, moest hij op een hoop stroo knielen, dien tegen den wand lag, en daarbij bespeurde hij onder dat stroo zoo iets als een levend lichaam. In een oogenblik boorde een verwilderde boerekop door het stroo heen. „Mahrwaard!quot; riep hij, „ben jij 't? Om allerheiligen wil bid ik je, verraad mij niet!quot;

,,Dat is zoo waarde „Kerseboom!quot; zei Peter, zoeken ze jou ook?quot;

„Al sinds twee dagen lig ik in dezen stroohoop. Boven in Schaunders heb ik een Welschlander gedood, die juist met brandstichten bezig was. Dat is den heeren niet naar den zin en nou willen ze mij een beetje hangen. Ginder heeft er een door de gaten in 't dak naar binnen gekeken. Ik wou naar het Talfererdal oversteken, maar de gansche Ritten mot vol speurhonden zijn,quot;

„God zij met je. Een stuk brood en een brok spek kan ik je hier laten. Verder mot ik op mezelf letten,quot; zei de Mahrwaard en spoedig daarop ijlde hij buiten door het woud naar Klausen. Als de Ritten bezet is, dan moet hij naar de over-

ocr page 295

291

zijde, naar den kant van Muperzzo, van daar is Karinthie te bereiken. — Dat was thans zijn reisplan. Op eens zag hij zich in de nabijhejd van Fransche soldaten, die in de bosschen omzwierven. De Mahrwaard liet zijn bundel, dien hij sinds het bezoek van Mösel mee te sleepen had, zachtjes op den grond glijden, stond in zijn bruin gewaad tusschen bruine pijnboomstammen en bleef onbewegelijk daar staan tot aan de avondschemering. Meer dan eens waren de speurders slechts enkele schreden van hem af, zij gluurden gestadig tusschen de stammen door, bemerkten hem echter niet, want hij stond 200 stil als een boomstronk.

Toen de duisternis ingetreden was, stak hij de Eisack over en ging door het enge Villnofzerdal opwaarts naar het woeste gebergte. De enkele woudbewoners, die hem tegenkwamen, konden hem voor een verhuizenden daglooner houden .Waar het betredep pad ophield, veegde hij met een dennetak, die hij achter zich voorttrok, de sporen zijner voeten in de sneeuw weg, zoodat het leek, alsof een boer rijshout van den berg naar beneden had getrokken. Hij had vertrouwen, want wijd en zijd was hier niets dan een wildernis en de eenzame winter. Was hij maar eerst aan de overzijde in de Witte Bergen, dan kon hij hopen Midden-Oostenrijk te bereiken.

Overdag lag hij ergens in een bosch- of Alpenhut, in de sterheldere nachten marcheerde hij. Op zekeren dag kwam Peter, nog voor hij den te overschrijden bergrug had bereikt, in een rotswig, ingesloten tusschen wanden en nergens een plek tot rusten biedend. Hij klauterde tegen den terrasvor-migen, gedeeltelijk van sneeuw vrijen wand naar boven, om zich neer te leggen in een rotsspleet. Daar vond hij eene kloof in den berg, een tamelijk groot hol, welks ingang door ijskegels als 't ware' afgerasterd was. Peter brak met de geweerkolf dat rasterwerk stuk, totdat hij er zich doorheen wringen kon. Daar binnen was het tamelijk droog, maar geheel donker en de voetstappen weerklonken er als in een groot gewelf. De bodem was ruw en piekerig, doch de lucht was er niet 200 koud als er buiten, waarom Peter besloot

ocr page 296

294

over 't geheel streng zijn, en toch hadden de Bozeners achting voor hem. omdat hij altoos ook rechtvaardig was. Hij had reeds verscheidene van zijn eigen soldaten laten doodschieten, die op afgelegen hoeven geplunderd hadden. Maar ook een Terlaner herbergier had hij op stel en sprong aan een noteboom laten ophangen, omdat hij voor eenige Fran-schen een slecht drankje gemengd had.

„'t Is alles goed,quot; zei vrouw Notburga. „Alleen geen onrecht. Dat is 't verschrikkelijkste wat er is op de wereld.quot;

Op die manier werd er aan tafel gesproken. Daartusschen door keef Hanna dikwijls een beetje tegen Toni, maar liet zich niet tweemaal aanmanen, als vrouw Notburga haar aanspoorde, bij het toetasten in den schotel ook haar buurman niet te vergeten.

„O neen, vrouw waardin, die vergeet ze niet!quot; viel de knaap haar in de rede, maar daar had hij er een onder tegen zijn beenen; ze droeg, helaas! schoenen met wat al te groote spijkers.

De kleine Marianne wou liever dan vreeswekkende sol-datengeschiedenissen iets hooren van het kroesharige Christuskind, een wensch, waaraan door den geestelijken heer Neef volgaarne werd voldaan. Hans was ernstig en stil; misschien had hij toch liever zich tot de krijgszaken bepaald dan bij den lieven Jezus. Voor ditmaal stelde hij er zich mee tevreden met mes en vork het Kerst-Lammetje te ontleden.

Toen het gebraden spek met het bruin gesmoorde zwoerd kwam en in kruidenwijn gedoopte broodjes als toespijs verschenen, zei de knaap; „wat zou vader nou eten?quot;

Daarop antwoordde niemand een woord, vrouw Notburga lei zachtjes de vork uit de hand en ging naar de andere kamer.

Om toch iets te zeggen, zei de meid toen: „dat is wel een rampzalig jaar geweest. Wat zal 't wezen, als 't weer Kerstmis wordt?quot;

„Dan zal 't wel weer prettiger wezen,quot; dacht Toontje en raakte met zijn schoenspits eventjes haar schoen aan.

ocr page 297

295

„God geve 't!quot; zei ze en gaf hem een behoorlijken trap op zijn teen en terug.

De overigen merkten niets van die kleine schermutseling, die onder de tafel werd afgespeeld, en broeder Augustijn sprak zijn vroom vertrouwen uit, dat God zijn Tyrolers niet voor langen tijd zou kunnen verlaten.

Toen het maal afgeloopen en het gemeenschappelijk gebed was uitgesproken, ging elk naar vrouw Notburga, om naar gewoonte haar te bedanken voor het christelijke maal. Hanna en Toontje waren de laatsten. Toen zij weer naar buiten wilden, wenkte de waardin met de hand en zei; „blijf nog even hier, jelui met je tweeën, ik heb nog een paar woorden met je te spreken.quot;

Daarbij deed ze de deur dicht en ging naar de tafel. De beide jongelui stonden onbewegelijk en Hanna keek met een vreeselijk verstoord gezicht naar den knaap.

„Ik weet, mijn beste jongelui, hoe het met jullie staat,quot; begon vrouw Notburga, „en dat is in zoover geen ongeluk. Als twee jongelui veel van elkander houden dan motten ze trouw en braaf zich verbinden en verlangen naar den heiligen echtelijken staat. Elk vlijtig en arbeidzaam, dat mot zoo: nou, Hanna ken ik wel zooveel en zij heeft ook gespaard loon bij ons liggen; en de muzikant'enstand zal nu ook wel niet iets slechts zijn.quot;

„God zegen je, vrouw moeder!quot; viel Toontje haar in de rede, erg gelukkig dat iemand eindelijk eens een goed woord over had voor zijn bedrijf.

„Iedere stand is eerwaardig,quot; ging de waardin voort, „wanneer men er braaf en eerlijk in leeft. Omdat het vak van speelman niet toereikend is voor een huwelijk, mag men 't alleen als een bijbaantje beschouwen. Zoover is alles goed. Maar iets anders is niet goed, jongelui! Dat je tegenwoordig telkens samenkomsten hebt in den stal, dat kan ik niet dulden, dat mag niet zijn, dat mag van nu af niet meer gebeuren, dat zeg ik je!quot;

Hanna trilde over haar gansche lichaam en bromde iets.

ocr page 298

296

alsof Toni had te beginnen. Deze stond heel ootmoedig en keek naar den vloer, waaraan niets te zien was dan dat hij heel blank en -rein was.

„Al is de heer des huizes er niet,quot; zei vrouw Notburga, „het mot in eere blijven, daarvoor sta ik. Je hebt later nog tijd genoeg om samen te komen en zult daar wel naar verlangen, denk ik! Heel lang zal 't met Gods hulp niet meer duren. In Bahrn is, naar ik heb gehoord, een plaatsje leeg, dat kunt je wel pachten. Allebei dapper werken, dan hebt je geen dienstlui noodig, en als Toni dan in den vasten-avondtijd eens met de lier uitgaat, zal deswege de hemel wel niet invallen. Een klein beetje bijverdienste zal in de huishouding goed te gebruiken zijn. Later het plaatsje met vlijt en Gods zegen tot je eigendom te maken, zal ook wel geen onmogelijkheid zijn.quot;

Nadat de waardin zoo gesproken had, hief Hanna natuurlijk de tip van haar boezelaar een beetje op en antwoordde heel bescheiden: „dat is gemakkelijk gezegd, beste vrouw moeder, het plaatsje pachten! 'k Weet heilig niet, hoe dat gaan zou!quot;

Vrouw Notburga trok de tafella los, nam een in leer gebonden gebedenboek er uit en nam daar een beschreven vel papier uit.

„Toni,quot; zei ze zacht, „heeft eene kleine zaak. Al is 't ook niet veel. Gods zegen zal er zeker op rusten. Daarom, dat hij in het hooggebergte zoo braaf en in-getrouw onzen armen Hans heeft bijgestaan, terwijl het kind anders zeker had motten omkommen, heeft mijn man Toni een kleine som gelds beschreven. Twee honderd gulden zijn 't, daarmee, dacht ik, kun je wat aanvangen.quot;

Thans ging 't op een handenkussen, ze verdrongen daarbij elkaar, maar vrouw Notburga trok hare handen haastig terug en voegde er nog bij: „al zijn wij ook niet rijk, 't gaat ons toch niet slecht, en je kunt 't met een goed geweten aannemen, daar jij, Hanna, ons ook sinds zeven jaren vlijtig gediend hebt. — Het geld kun je krijgen, zoodra je begint, beginnen kun je, zoodra je wilt; 'k mot 't alleen een paar

ocr page 299

297

weken vooruit weten, om een andere meid.quot;

„Vrouw moeder,quot; zei daarop Toontje, ,,ik denk dat vrouw moeder dadelijk naar een andere uitkijkt, wij beginnen subiet.quot;

Hanna wou al met een gepaste reden antwoord geven, maar de waardin zei nog: „ik wensch je in het huwelijk geen ander geluk, als wat ik zelf heb gevonden met mijn man. Meer kan ik niet zeggen. De almachtige God voere hem gelukkig weer bij mij thuis.quot;

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, toen buiten op straat een buitengewone onrust merkbaar werd. Een gedempt alarm, een af- en aanloopen van menschen, een uittrekken van alle hoofden in de richting der brug. Vrouw Notburga opende een venster, om te zien, wat er was. De menschen fluisterden en weken achteruit.

„Wat is er dan?quot; vroeg de waardin naar beneden.

„Ze hebben er weer een gesnapt!quot; antwoordde iemand naar boven. En een schelle stem schreeuwde: „ze hebben 'm. Den Mahrwaard hebben ze !quot;

DE KRIJGSRAAD VAN Z. M. DEN KEIZER DER FRANSCHEN.

Wel een heelen nacht en een halven dag waren zij met hem op weg geweest uit het gebergte naar beneden. Langs den ruischenden Alfer hadden zij hun weg genomen, en,

ocr page 300

298

eindelijk in het dal gekomen, recht op Brixen aan. Onderweg hadden zich in de buurtschappen bezettingsmanschappen aangesloten aan den optocht, om een mogelijk oproer onder de boeren te voorkomen. Het Beiersche gerecht te Brixen had nog vastgesteld, dat de gevangen vluchteling werkelijk was Peter Mayr, de waard van de Mahr, die den bergval in de Eisackkloof had gemaakt. Alzoo gezwind met hem voort naar Bozen.

Zoo moest de stoet des Mahrwaards huis voorbij. Van daar uit zag men eerst den troep zwaargewapende soldaten, minstens zestig man, die in gezwinden pas langs den straatweg kwamen. Vooraan op een hoog paard een officier. Toen deze den opgewonden volkshoop zag, die zich voor des Mahrwaards huis verzameld had, riep hij schetterend; „plaats daar! Plaats voor den rebel!quot;

De geweren rinkelden, de sabels flikkerden, de lui weken terug. Thans kwamen zij naderbij en in hun midden de Mahr-waard. Hij stak boven de soldaten uit, ofschoon hij ging met gebogen hoofd. De spitse, verweerde vilthoed zat hem zoo scheef op z'n hoofd, dat men wel merken kon, dat hij haar niet zelf op zijn hoofd had gezet. Haar en baard warm lang en verwilderd, ijs en geronnen bloed hingen er aan. Het gelaat van den anders zoo frisschen en krachtigen man was ingevallen en hartontroerend bleek. Eenmaal, tweemaal werd zijn gelaat getrokken naar het huis, waarlangs zij marcheerden. Daarop keek hij naar den grond, niet stug, maar onderworpen. Zijne handen, op den rug gebonden, waren blauw door de kou en de strakke binding. Om den breeden leeren gordel, zoowel als om den hals waren touwen geknoopt, waaraan twee mannen, hem geleidden en welker lussen elk oogenblik konden worden dichtgetrokken. Het korte bruine buis was op tal van plaatsen gescheurd, een mouw was met bloed bevlekt, teeken dat hij zich niet vrijwillig had overgegeven.

De omstanders fluisterden thans verschrikt en beangst onder elkaar: „waar slepen z'm heen?quot; — „Naar Bozen.quot; — „Dan is 't met hem gedaan.quot; Ook verdiepten zij zich in veronder-

ocr page 301

299

stellingen, waar en onder welke omstandigheden hij mocht gegrepen zijn. Op eens werd het bekend: „ze hebben hem ontdekt achter den Hochkofel, in de Roszgrot hebben z'm gevangen genomen!quot;

Dat hoorde de speelman, die aan de huisdeur stond. Hij hoorde het en werd zoo bleek als een lijk.

„Wat? Wat hebben zij gezeid?quot; Hij vroeg 't den naastbij staande op een toon, alsof zijn keel werd toegesnoerd.

„Ah, daar staat ie, die 'm verraden heeft!quot; riepen thans verschillende personen en wezen met den vinger naar Toni; „die heeft 't gedaan!quot;

Thans snelde vrouw Notburga op den officier toe en wierp zich voor hem op de knieën met de bede, dat men den gevangene een uur zou laten rusten in zijn huis.

„Neem afscheid van 'tn!quot; was het bescheid.

De vrouw wierp zich aan de borst van den geboeide en in diepe smart riep zij uit: „zoo zien wij elkander terug!quot; Zij trok haar borstdoek af en reinigde daarmee zijn gezicht. „O arme man!quot; zei ze op den toon der innigste goedheid en hartelijkheid, zooals men tot een kind of een stervende spreekt: „mijn arme man! Hoe is dat zoo gekomen!quot;

„Ik wou oversteken naar Karinthië,quot; gaf hij ten antwoord. Boven op den Hochkofel wou ik wat rusten — daar hebben ze mij geva igen.quot;

„Och dat wij nou zoo ongelukkig worden moeten!quot; klaagde vrouw Notburga, uitbrekende in luid geween. „Wat heb je dan toch gedaan, dat niet je plicht is geweest en dat anderen ook niet gedaan hebben! Wat willen ze dan met je? Jezus, wat willen ze dan met je ?quot;

Peter zei daarop geen woord. Oneindig bedroefd keek hij haar aan. Zij was op den grond gezonken en omspande krampachtig zijne knieën. Toen riep de Mahrwaard: „vrouw, kijk daarheen op!quot; Zijn oog richtte zich stralend naar den hemel.

De omstanders kermden van medelijden, zelfs de soldaten waren bewogen, de paarden trappelden ongeduldig op den

ocr page 302

300

harden straatweg. Peter wendde zijn hoofd naar zijn huis, die hij zocht — ze waren niet te zien.

Hij boog zich neer: „leef wel Notburga. En de kinderen...quot;

Dat woord vermocht hij ternauwernood uit te brengen.

„Voorwaarts!quot; kommandeerde de kapitein. Op hetzelfde oogenblik sprong met woeste sprongen de jonge speelman uit de menigte naar voren en met een mergdoordringenden kreet wierp hij zich voor den Mahrwaard neer.

„Trap mij dood!quot; riep hij krijschend, „trap mij dood als een giftslang.quot;

„Toni!quot; zei de Mahrwaard, „wees niet kinderachtig.quot;

„Ik heb je verraden 1quot;

„Wat zeg je?quot;

„Ik heb je verraden!quot;

Peter lachte treurig en zei: „dat is niet wel mogelijk, geen mensch heeft geweten, waar ik ging. God alleen heeft het gezien.quot;

„Luister naar me, Mahrwaard, luister naar me!quot; riep de knaap met lippen die van opgewondenheid beefden: „In de herberg te Albeins. Ze hebben mij gevraagd en gevraagd, en ik most 't weten en ik zou 't zeggen. Toen dacht ik: hij is in den rotsmuur, maar zij laten mij eerder geen rust, ik mot ze foppen. In de gedachte komt mij den Hochkofel en de Roszgrot, en daar is hij, zeg ik. — Jesus, hemelsche Vader, en daar is ie geweest!quot;

Schreiend drukte de knaap zijn gelaat in de sneeuw.

Toen de Mahrwaard hard: „Toni, had je gezwegen, over wat je niet wist, of de waarheid gezegd volgens je weten — dan ging ik thans niet dezen weg.quot;

„Voorwaarts!quot; donderde het kommando. De geknevelde werd door de dienders naar voren gesleurd en verder ging het naar Bozen.

De arme speelman bleef liggen aan den kant van den weg; een uit de menigte sprong op hem toe en gaf hem schoppen op hoofd en rug. Toni liet hen begaan en bleef liggen.

Toen de troep met Peter Klausen naderde, was het al

ocr page 303

301

donker en Peter tot omvallens toe vermoeid. Het grootste deel van het geleide verdween hier, vier of zes soldaten met den kapitein bleven bij hem. In de buurtschap namen zij een boerewagen, wierpen den geknevelde er op, bonden hem vast aan den ijzeren ring en dekten hem toe met een ouden ledermantel, en zoo reed Peter Mayr, de boerenkapitein, langs den huiveringwekkenden Kunterweg. Hij lag op den rug, zoodat zijn gelaat naar den sterrenhemel gekeerd was. Aan beide zijden verhieven zich de donkere steilten, in de diepte bruiste de Eisack. — Dat water deed hem denken aan allerlei. Aan het nettenvlechten en vischvangen in zijn kinderjaren; aan het herdersleven op de bergweiden; aan het meisje dat eens aan den oever van de Eisack had gezeten, de voeten in het water liet hangen en met vlijtige hand de notenkleurige haarstrengen gevlochten had om het hoofd. Toen hij plotseling achter haar stond, die jonge man, was zij zoo geschrokken, dat zij opsprong en door den stroom waadde naar den anderen oever. Midden in 't water glitste zij uit, viel en werd meegevoerd door den stroom. De jonge man sprong haar na, trok haar aan den oever — en dat meisje werd later vrouw Notburga, dat was geweest bij de weiden, waar de Eisack stroomt in de Etsch. —

Maar nog andere dingen herinnerde dat woeste watergebruis.

De kunstmatige bergstorting en de anderhalfduizend men-schen... Hier waren zij naar beneden voortgerold, de dooden, zooals thans de wagen voortrolde, naar de stad Bozen, naar — den krijgsraad.

De rotsspitsen van den Rozengarten glansden koud en rood in de opgaande zon, toen de wagen, steeds omringd door de waakzame dienders, door de stadspoort ratelde en tusschen de luifels der hooge huizen heen de nauwe straten in. Sprakeloos bleven de menschen staan, als zij hoorden: dat was dèn Peter Mayr, de Mahrwaard van Brixen, die de groote bergstorting had tot stand gebracht in de Eisackkloof. Peter begroef zijn gezicht in het stroo, hij wou niet naar de menschen kijken; hij had menigen goeden bekende in deze stad. Hij hoorde het, dat iemand zei: „God, de man is al dood!quot;

ocr page 304

302

De wagen rolde voort en eindelijk op de donkere binnenplaats van een huis, op een burgt gelijkend. De muren waren een vadem dik, de vensters zwaar getralied, de deuren met ijzer beslagen, en overal schildwachten met opgestoken pieken.

Dat was de leenvesting Sancta Afra. Peter werd uit den wagen getild, door lange gangen heen naar een kelderachtig vertrek geleid en daar van zijne boeien bevrijd. Hij voelde geen hand meer aan zijne armen, de vingers waren stijf en donkerblauw en als afgestorven, de beenen waren 'm als hout en hij kon ternauwernood recht staan op den vloer. Men zette hem eten voor en een kroes wijn, hij raakte niets aan, maar lei zich op de bos stroo en zonk weldra in slaap.

Uit een liefelijken droom, die hem thuis met de kinderen in den bloeienden tuin had laten spelen, werd hij ruw wakker geschud. Hij moest zich klaar maken, hij zou voor den generaal gebracht worden.

Peter trok de schouders op, hij was immers klaar. Hij wist heel goed, wat dat beteekende: voor den generaal. Dat was de Fransche graaf Baraguay, van wien het heette, dat hij in zijn wapen het devies had laten schrijven: „vonnis rechtvaardig, ook al stort aarde en hemel in!quot; En boosdoeners waren in de oogen der Franschen immers alle Tyrolers.

Toen Peter over de markt naar de rechtbank geleid werd, luidde op den toren der stadsparochiekerk de klok. Markt-bezoekers ontblootten het hoofd, de geboeide kon zijn hoed niet afnemen, doch bad stil voor zich het „Ave Maria.''

't Was een heerenhuis, waarheen de Mahrwaard werd gebracht. De breede steenen trap was aan beide zijden bedekt met roodgespikkelde marmeren borstweringen en sneeuwwitte steenen beelden uit den ouden heidentijd. De vleugeldeur, die thans openging, was vriendelijk wit geschilderd en evenzoo wit waren de wanden van de heldere en ruime zaal, waar de gevangene moest binnentreden. De vensternissen, de kozijns en de wandomlijstingen waren weelderig versierd met gouden lijsten en guitig gedraaid krulwerk. De zoldering was beschilderd : bonte jongelingen-, vrouwen- en engelengestalten, met

ocr page 305

303

rozeguirlandes spelend in vroolijken dans. Uit de muren staken gouden armluchters, onderlangs stonden roodzijden rustbanken en zetels, daarvoor lichtkleuiige tafels op gebogen pooten en daarop groote bloemenvazen, waarin zelfs frissche roode en witte rozen waren geplaatst. De ingelegde vloer was zoo glad en glanzend, dat men daarin de geheele zaal, met al wat er in was, omgekeerd weerspiegeld zag. — Zoo was het vertrek, waarin de arme boerewaard thans zijn lot afwachtte.

In de zaal waren vele Fransche officieren aanwezig, allen in groot tenue: de meesten met hooge laarzen, witte broeken en rokken, met blauwe sjerpen licht om het lijf geslagen: aan de zijde den degen met sierlijk gevest, aan de schouders zware gouden kwasten. Maar ook andere uniformen waren er, en meer dan een droeg een kruis, een vonkelende ster. Zij hadden de steken afgezet. Er waren grijsaards onder met ijsbaarden en kale schedels, er waren deftige mannen met keurig gedraaide snorren. En een onder hen was van niet groote maar ineengedrongen gestalte, goed doorvoed baardeloos gezicht, dat in het oog viel door den gebogen neus en de roode vooruitspringende kin. Onder de erg borstelige wenkbrauwen bliksemden een paar grijze oogen, waarmee hij levendig in 't rond keek.

Het nog donkere haar van het achterhoofd was naar voren gelegd. De geheele verschijning was waardig en jeugdig tegelijk. Op de borst droeg deze man talrijke eereteekenen, waaronder een groote ster.

Dat was de opper-generaal, graaf Baraguay, die wegens zijne strengheid in Tyrol de „Welsche Leeuwquot; genoemd werd. Toch waren er menschen, die wilden weten, dat deze leeuw niet iedereen verscheurde, en men vertelde van hem menige trek van menschelijke goedheid.

Toen de Mahrwaard in de zaal gebracht werd, trad de generaal hem haastig eenige schreden tegemoet en keek hem vorschend aan. Daarop keerde hij zich om, trad terug naar de overige officieren en zei in het Fransch: „dat is alzoo dat monster? Ik had mij eene andere voorstelling van dien man gemaakt.quot;

ocr page 306

304

Zonder een antwoord af te wachten, schreed hij eenmaal, met de handen op den rug, door de zaal en weer terug, en zei daarop tegen de officieren: „mijne heeren, is het dringend?quot;

Er antwoordde een, dat er geen tijd te verliezen was.

De generaal beval op zachten, haastigen toon, dat men den gevangene de boeien zou afnemen. Toen dat geschied was, kon Peter eerst zijn hoed afzetten; hij deed het en streek met de vlakke hand het haar over het voorhoofd neer; hij deed dat met kalme betooning van eerbied, alsof hij voor zijn pastoor stond. Weldra begon de generaal zelf in de duitsche taal. Hij zei de woorden op kalmen, maar scherpen en beslisten toon:

„Wie zijt gij, hoe heet gij ?quot;

Peter stond recht, alleen een beetje zijn hoofd voorover buigend, keek den generaal open in het gelaat en antwoordde niet luid maar duidelijk, zonder zichtbare zenuwachtigheid en zonder stugheid: „Ik heet Peter Mayr, ben de waard aan de Mahr — bij Brixen.quot;

„Hoe oud?quot;

„Twee en veertig jaar.quot;

De generaal maakte weer zijn marsch door de zaal en mompelde: „dat is jong, mon Dieu, dat is nog jong!quot; Daarop tot den gevangene: „hebt gij familie?quot;

„Een vrouw en drie kinderen.quot;

Weer een gang door de zaal. Toen voor den Mahr waard stram blijvende staan: „Gij waart al gedurende den zomer-opstand onder de rebellen?quot;

„Heer,quot; antwoordde Peter, „rebellen zijn wij niet. 't Was oorlog, wij zijn opgekomen voor onzen keizer, voor ons land.quot;

„Bien. Ik geef dat toe. In dien tijd. Gij hebt bij de Mühl-bacherkloof een gevecht geleverd?quot;

„Ia.quot;

„En hij heeft zich dapper daarin gedragen. Ik acht den man ook in den vijand. „Wat echter later?quot;

De gevangene zweeg.

„Later volgde de definitieve sluiting van den vrede, en

ocr page 307

305

het land was onlangs bezet door den rechtmatigen Heer, Z. M. den Koning der Beieren. De oproermakers waren gevlucht, het land kwam tot rust, niet waar?quot;

Peter zweeg.

„Later op zekeren dag.quot; voer de generaal voort, „toen uit het noorden Fransche en Beiersche troepen marcheerden naar Italië, stortte in het enge dal, de Eisackkloof genaamd, een groote bergval neer en doodde omstreeks vijftienhonderd man.quot;

Peter stond rustig en zweeg.

„Vijftienhonderd man!quot; herhaalde de generaal nadrukkelijk. „Brave soldaten! Ook familievaders! Niet als vijanden trokken zij door het land, maar als vrienden en beschermers. Van uit een hinderlaag verraderlijk gedood!quot;

Met doordringenden blik zag hij den aangeklaagde aan. Deze bewoog zelfs de wimpers niet.

„Meer dan een vriend,quot; ging de generaal voort, „heb ik verloren bij dezen voorbeeldeloozen sluipmoord. — Gij zwijgt. Weet gij van de zaak?quot;

„Ja,quot; zei Peter.

„Wat denk je, is die bergval toevallig geweest?quot;

Na eenig aarzelen antwoordde de Mahrwaard: „dat geloof ik niet.quot;

„Rebellen hebben dien voorbereid! Ditmaal zult gij mij het woord rebellen vergunnen! — Peter Mayr! Wist gij van de voorbereiding ?''

„Ja,quot; antwoordde Peter.

„Waart gij er bij?quot;

„Ja.quot;

„Waart gij een der raddraaiers ? '

„Ik kan het niet loochenen.quot;

„Misschien wel de hoofdaanvoerder?quot;

Peter zweeg.

„Weet gij ook wie aanvankelijk het plan voor een dergelijke bergstorting ontworpen had ? En in het bijzonder voor deze bergstorting, met de bedoeling, om vele honderden

20

Peter Mayr

ocr page 308

306

menschen verraderlijk te dooden? — Spreek op, wie heeft het plan bedacht, geleid, uitgevoerd?quot;

Peter stond onbeweeglijk en zweeg.

De generaal nam een naast hem staanden officier papieren uit de hand en zei: „hier staat alles op beschreven. Wij hebben tienvoudige getuigenis.quot;

„Zij is niet noodig,quot; zei Peter.

„Alzoo stemt gij toe, Peter Mayr, dat gij dien bergval hebt bedacht en laten uitvoeren?quot;

Thans hief Peter langzaam zijn hoofd op en zei: „ja.quot;

Onder de officieren, die het verhoor opmerkzaam gevolgd waren, onstond beweging. De generaal schreed weer door de zaal, nog harder dan straks. Plotseling wendde hij zich weer tot den aangeklaagde met luide stem: „En hebt gij, toen gij dat deedt, de gevolgen berekend?quot;

Peter knikte.

„Let wel op wat gij zegt. Hebt gij de gansche verwoesting in al haar omvang werkelijk van te voren voor oogen gehad?quot;

En Peter antwoordde: „ik heb ze bedacht, gewenscht, verwacht.quot;

Toornig stampte de generaal met zijn voet op den grond, zoodat die dreunde.

Na eenige oogenblikken van diepe stilte, haalde de Fransche veldheer diep adem en sprak daarop weer, met zacht bevende stem: „Peter Mayr! Gij hebt ook een menschelijk hart in de borst. Gij hebt toch vrouw en kinderen en ook nog wel andere menschen, die je lief zijn. Heb je nooit angst gevoeld, als er een in gevaar verkeerde? Als zij door hunne daden nameloos leed zouden teweegbrengen, is dan uw hart niet in opstand gekomen?quot;

„Toch wel, toch wel!quot; mompelde Peter.

„Was dat hart dan een vervloekte keisteen in die dagen?quot;

„Heer, 't was oorlog!quot; antwoordde de gevangene.

„Te weerga, oorlog!quot; riep de generaal, weer sterk met den voet op den vloer stampend: „vrede was 't! Door de volken verlangde, door Keizer en Koning bezegelde vrede.

ocr page 309

307

Gezegende tijden zouden weerkeeren. De koning der Beieren begon zijn gunst aan het land te toonen, de oude zeden en wetten van uw graafschap zouden weer tot hun recht komen. Uwe oude vrijheden waren opnieuw verzekerd, uw vaderlijk geloof was veilig, voor de opstandelingen was eene alge-meene amnestie in uitzicht gesteld, overal en overal ontkiemde de lieve gulden vrede, dien zelfs ik, een oude soldaat, na al die ellende. God weet 't, met vreugde begroette. — En toen geschiedde die ongehoorde daad. Alles sprong weer uit rand en band en met één slag, door de eigen landzonen toegebracht, werd het arme land Tyrol oneindig veel dieper in het verderf gestort dan het ooit door een vijand geschiedde. — Peter Mayr! Gij staat voor ons als de verpersoonlijkte opstand. Gij zult ternauwernood een schemering van hoop mee naar binnen hebben gebracht in dit huis.quot;

De aangeklaagde stond daar met gebogen hoofd.

De generaal zei: „Tyrol moest u langzaam dood steenigen. Wij zullen het genadiger maken.quot;

En Peter bleef stijf onbewegelijk staan. De verschillende aanwezige officieren hebben het later verteld, dat zij een vreemde beklemming hadden gevoeld, toen zij den Tyroler boer zoo hulpeloos en zoo berouwloos en zoo ongebroken voor zich zagen staan.

De generaal vroeg daarop afgemeten en op doffen toon: „aangeklaagde, hebt gij nog iets tot uwe verdediging aan te voeren?quot;

De gevangene schudde het hoofd.

„Gij hebt niets te zeggen.quot;

De generaal keerde zich naar de officieren. Een hunner scheen de opdracht gehad te hebben den aangeklaagde in rechten te vertegenwoordigen want hij zei: „na wat wij gehoord hebben is alle verdediging nutteloos. De aangeklaagde toch doet zelf daarvan afstand.quot;

Hierop sprak de generaal gedurende een heel korten tijd in het Fransch met de officieren, daarop traden dezen terug. De generaal, graaf Baraguay, bleef midden in de zaal staan.

ocr page 310

308

trok zijn degen, en dien op den grond plaatsend, sprak hij met luide plechtige stem: „Peter Mayr, herbergier aan de Mahr bij Brixen in Tyrol, is overtuigd geworden en erkent, dat hij na sluiting van den vrede met voorbedachten rade en klare bedoeling, de bergstorting in de Eisackkloven, waarbij vijftienhonderd soldaten om het leven kwamen, heeft bedacht en uitgevoerd. De krijgsraad van Z. M. den Keizer van Frankrijk veroordeelt den rebel Peter Mayr tot den dood door den kogel.quot;

IK GA NAAR DEN GENERAAL!

Alzoo was geschied omstreeks Kersttijd in het land Tyrol. Maar wat te Bozen geschiedde, was nog onbekend aan de Mahr.

Op denzelfden dag, waarop zij den Mahrwaard voorbij zijn huis geleid hadden, lag de jonge speelman aan den kant van den straatweg in de sneeuw. En toen de lui al waren afgetrokken, om in hunne huizen de nieuwe gebeurtenis te bespreken, en het reeds donker was geworden en de winter-nevels blauwden in het dal, lag Toontje nog altoos aan den kant van den straatweg in de sneeuw.

Toen kwam Hanna het huis, dat in de diepste treurigheid verzonken lag, uit, om hem naar binnen te geleiden. Twee schreden van hem af bleef zij staan, maakte een langen hals en keek. Handen en hoofd waren in de sneeuw gedompeld. — Als hij eens! dacht ze. Als hij eens zoo gelukkig geweest

ocr page 311

309

was, dat hij nti vergeten was! — Daarop pakte ze hem bij den arm, rukte hem omhoog en sleepte hem naar den stal. Wijl het daar warm was en hij toegedekt lag met haar bedde-goed, begon hij te huiveren. Zijn geheele lichaam schudde, hij balde de vuisten, zijn tanden klapperden en hij riep hooguit: „Hanna, waarom heb je me niet laten liggen? Voor mij rest er niks meer!quot;

Zoodra het meisje gehoord had: de speelman heeft het verblijf van den Mahrwaard verraden, had ze wel dadelijk begrepen: dat is uit domheid geschied! Slecht is ie niet. — Maar die domheid — dat had ze zich voorgenomen — wou ze hem eens behoorlijk inpeperen! Een liedje wou ze voor hem zingen, zooals geen speelman nog ooit gezongen, zooals Toontje er nooit een gehoord had! Zij wou doen, zooals zij geloofde en er van overtuigd was, dat hij het verraad om de tweeduizend goudguldens had gepleegd; ze wou hem een Judas en een Herodes noemen en hem in 't gezicht schreeuwen, dat alle Beieren en Fran?osen samen niet zoo ingemeen waren, als dit door en door valsche speelmannetje met zijn huichelaarsgezicht. — En nu, toen de knaap daar voor haar lag, gebroken en krachteloos en zijn doodsbleek gelaat van zijn zielesmart sprak, vergat ze geheel al en haar mooie voornemens, bracht ze geen enkel -woord er uit. Geduldig en zwijgend begon ze hem te verplegen.

Maar reeds te middernacht stond Toni op van het hem gewezen bed, en zonder een woord te spreken, klauterde hij de ladder op naar den dakzolder, waar hij zich neerwierp op het wilde stroo. Herinnerde hij zich, dat vrouw Notburga ■het samenzijn in den stal verboden had? Of hield hij zich zeiven niet meer voor waardig, om in Hanna's nabijheid te zijn?

Toen het meisje den volgenden morgen ging zien, hoe het met hem stond, sliep hij rustig. Zij stond nevens hem in de donkere ruimte, overwoog, of een mensch met een boos geweten, zoo sluimeren kon, vouwde daarop hare handen en bad een „Onze Vader,quot; in de hoop, dat zijn schutsengel hem

ocr page 312

310

in den droom troosten mocht. Dat zij zelve die engel wezen kon, — wanneer kwam dat een trotsche vrouw in de gedachte ? Toen de knaap ontwaakte en treurig rondom zich keek, was zij ruw en zei hem geen goed woord.

Maar hij zei een keer: „Hanna,quot; zei hij, en hief de smalle hand een weinig op, alsof hij die bij eenige toenadering harerzijds, haar die reiken wou; „Hanna, je bent goed voor mij geweest in dezen korten tijd van mijn leven. Maar nou mot je mij geheel vergeten. Je mot mij niet vervloeken, Hanna, alleen maar vergeten, alsof alle wateren over mij waren heengestroomd.

Zij reikte niet naar zijn hand, zij wierp toornig de schooven stroo heen en weer, alsof zij noodzakelijk orde brengen moest in de schuur.

„Als ik jouw raad had gevolgd, Hanna,quot; ging de knaap geheel verslagen voort, „en als ik vlijtig gearbeid had, en niet zoo in de herbergen om — dan had 't niet kunnen gebeuren En dat de duivel mij zoo bij den neus heeft gehad!quot;

Zij deed, alsof haar wat de knaap zei niets aanging en wierp de schooven door elkander. En hem was 't er om te doen, hare stem nog eenmaal te hooren. „Hanna,quot; zti hij heel gedwee, „zijn ze er nog niet geweest? Hebben zij niet al naar mij gevraagd? — Niet? — Dan ga ik hen tegemoet.quot; Hij stond schielijk op en schudde de stroohalmen van zijne kleeren.

„Wie wil je tegemoet gaan?quot; vroeg ze bits. »

„De Tyroler schutters. Misschien is er een dadelijk zoo barmhartig, dat... .quot;

Schielijk klom hij den ladder af naar den stal. Beneden bij de deur stond een ambtsbode, die met zijn Beiersche sabel rinkelde.

„Ze hebben me al,quot; mompelde Toni en bleef midden in den stal staan.

„Ik zoek den speelman Toni,quot; snauwde de bode onder zijn knevel weg.

„Maak geen drukte, hier ben ik,quot; antwoordde de knaap en ging hem te gemoet.

ocr page 313

311

„Ja, ja,quot; bromde de bode. Toni monsterend met wantrouwenden blik: „hier ben ik! Dat is licht gezegd en dat kan ieder zeggen. Ik mot een bewijs verzoeken!quot;

„O, sul!quot; riep Hanna, die ook al naar beneden gekomen was, „bewijs, dat is toch om te lachen.quot;

„Ik mot het bewijs hebben, anders helpt 't niet.quot;

„Als hij zegt, dat hij 't is,quot; riep zij bij den voerbak staande, „dan zal dat toch wel zoo zijn. Voor den speelman Toni geeft zich nou wel niemand uit, die 't niet is!quot;

„Wie weet!quot; dacht de bode, met één oog knippend, „als 't om geld is! — Op het bodenloon zul je wel niet karig zijn, hoop ik, speelman. Zoo'n som brengt je niet gauw iemand weer. Behalve jij zegt 't ons ook Andrè Hofer. Als je waarachtig de speelman bent.quot;

„Ik wil je 'r dadelijk een voorspelen!quot; riep de plotseling weer herlevende knaap, „Wat wil je toch ?quot;

„Naar 't gerecht mot je!quot; zei de bode.

„Daarvoor heb ik jou niet noodig.quot;

„Om je geld te halen.quot;

„Welk geld?quot;

„De tweeduizend goudguldens.quot;

Dat woord te hooren maakte den knaap razend; hij stoof door den stal van den eenen hoek naar den anderen; tegen den muur stond de gedrietande vork met den langen steel, hij greep hem en liep er mee op den bode toe. Toen deze den vork zag in de handen van den van woede schuimbekkenden jongeling, ijlde hij, zoo snel als zijne voeten hem dragen konden, over den hof, de vork snorde hem achterna en vloog in het hek, waarin hij steken bleef. De bode liep den straatweg op en dien langs naar den kant van het veiligheid biedende Brixen.

Hanna had van haar achtergrond het tooneel gezien. Toen nu Toontje strak van woede als een boom bleef staan, juist in de houding waarin hij den vork had weggeslingerd, trad zij op hem toe en de armen in de zijden zettend, zei ze: „nou heb ik gezien, dat je ook van de mestgreep gebruik maken kunt.quot;

ocr page 314

312

De knaap kon nog altoos niet tot bedaren komen. Geen Fransoos had hem ooit zoo in oproer gemaakt als deze allergrootste vijand — het Judasloon.

„Toni,quot; zei Hanna, „'t zij zooals 't wil, wij willen nou goeje kameraden met mekander zijn.quot;

Het huis van den Mahrwaafd was in die dagen van den morgen tot den avond vol bezoekers. Uit den geheelen omtrek kwamen de menschen bijeen, om bij een beker wijn urenlang te zitten en te rooken; zij hoopten iets te vernemen aangaande den waard, maar ieder vermeed om er over te spreken, vrouw Notburga liet zich in het geheel niet zien. De geestelijke heer Augustijn vertoonde zich dikwijls en verdiepte zich onder zacht gesprek met de buren in veronderstellingen, wat er gebeuren zou.

„Als 't de waard van „'t Zandquot; was,quot; dacht Stanker bij zoo'n gelegenheid, „ja dan zou ik geen broeksknoop durven verwedden! Maar Peter komt terug. Eerstens kunnen ze 't 'm niet bewijzen, en tweedens is 't voor den Keizer geschied, en derdens mot er uitgevaardigd zijn, dat er niemand meer ter dood gebracht zal worden.quot;

„Als 't waar is! antwoordde boer Rampe twijfelend. „Ik vrees, dat de Fransche generaal te Bozen zich zijn kameraad, den leeuw Bèfer, goed zal laten betalen.quot;

„Op alle manieren,quot; zei Stanker, „willen wij onderwijl het oog over zijn herberg houden, zoodat er niks te loor gaat. En mocht hij lang uitblijven, zijne familie laten wij niet aan haar lot over.quot;

Vrouw Notburga bezorgde de keuken, waakte over de kinderen, handhaafde de orde onder haar volk. In haar gemoed stond naast de donkere kommer de heldere vroolijke hoop. — Wat konden zij hem maken! Als men iemand, die in den oorlog menschen gedood heeft, wou ter dood brengen, dan ook dèn Bonaparte. Peter had enkel zijn plicht gedaan. — Daar bleef zij bij.

Toen gebeurde het eens, dat broeder Augustijn terugkwam van de mis, die hij in den stadsdom gewoon was te

ocr page 315

313

lezen, gramstorig rondliep en zijn zuster ontweek. Dat viel haar dadelijk op, en toen hij naar zijn kamer ging, ging zij hem na.

„Augustijn,quot; zei ze, „'t lijkt me vandaag niet goed met je. Er is iets, je weet wat!quot;

De priester weerde haar met de hand onwillig af: „men moest in het geheel geen acht er op slaan, 't waren enkel geruchten.quot;

„Broeder,quot; zei vrouw Notburga en drukte hare handen tegen de borst: „weet je iets van 'm, zeg het dan.quot;

Augustijn was bij de tafel gaan zitten, met zijn eene elleboog leunde hij er op, met de andere hand greep hij den rand, alsof hij dien wou ombuigen. De tafel beefde een weinig.

„De generaal Baraguay moet streng geweest zijn,quot; mompelde hij.

Vrouw Notburga bewoog zich niet.

„Het vonnis — moet uitgesproken zijn,quot; zei haar broeder heel plotseling. „Het is zeker niet waar, ofschoon de menschen in de stad over niets anders spreken.quot; Hij greep met beide handen naar zijn das alsof hij die losser maken wou. „'t Is beter, Notburga, dat je 't van mij verneemt dan van anderen, die het altoos nog veel erger en van één leugen er negen maken. — Ze zeggen — ter dood . . .quot;

„Dat is zeker niet waar!quot; lachte vrouw Notburga hardop. Maar daarop was zij stil. Zij ging naar hare kamer en na korten tijd kwam zij, in haar zondagsche kleeren, er weer uit.

„Wat doe je, zuster?quot;

„Ik ga naar Bozen.quot;

Daar kwamen de menschen al. Daar kwam de waard uit „'t Kruisquot; te Brixen, daar kwam Moser van Bergl, daar kwam meer dan een vluchteling uit zijn schuilhoek te voorschijn, de pastoor van St. Jacob kwam, andere geestelijken kwamen, zelfs ambtenaren uit de stad, om met vrouw Notburga te raadplegen.

Raad had ze echter niet noodig, oordeelde de waardin, zij wist heel goed, wat er te doen was. Zij ging naar Bozen

ocr page 316

314

en zou zich werpen voor de voeten van den generaal.

Dat was onmogelijk, zeiden verscheidene bezoekers, eer liet de H. Petrus Lucifer den hemel binnen, eer de Welsche Leeuw een smeekende Tyroler liet voor zich komen.

Zij antwoordde: „ik ga maar den generaal!quot;

Thans schraapte de schrijver van de houtvesterij, een Beier, de keel en bracht het volgende voor den dag: „ik ken hem niet van nabij, dèn generaal Baragnay, maar naar wat men zoo van hem hoort, mot ie niet een der slechtsten zijn. Ik weet alleen, dat zijne vrouw eene Duitsche is, eene duitsche adelijke dame, die hij heel net behandelen mot, naar men hoort. En iemand, die zijn vrouw goed behandelt, is overigens ook geen spitsboef. Zijn vrouw mot bij hem zijn, in Bozen, en nou dacht ik zoo, dat 't het verstandigste was, als de Mahrwaardin met die vrouw wou praten.quot;

„Dat is goed bedacht!quot; zeiden de boeren en knikten met het hoofd.

De pastoor van St. Jacob kwam ook met een idée. Die was bekend met eene mevrouw Giovanelli, en van die wist hij, dat zij eene goede vriendin is van mevrouw de Generaalsche, en van die. moest de Mahrwaardin een aanbevelingsbrief hebben, om voorgelaten te worden. „Door zoo'n zijdeurtje komt men binnen.quot;

Zoo werd er overlegd en vrouw Notburga was heel frisch en monter geworden. Haar Peter zou wel weer gauw thuis zijn. Tegen den avond van denzelfden dag had de pastoor ook al den aanbevelingsbrief van de in de beurt van Klausen wonende mevrouw von Giovanelli in handen en de paarden van den waard in „t. Kruisquot; stonden met de koets voor des Mahrwaards huis.

Notburga was gereed. De herberg had zij gesloten, voor het overige de kleine huishouding aan Hanna overgegeven. Zij mèt den kleinen Peter op haar schoot, naast haar Marianne en Hans, tegen haar over broeder Augustijn, allen welverzorgd in warme kleeren en mutsen, zoo zaten zij in de gesloten koets, en zoo reden zij onder een hartgrondig „in Godsnaamquot; weg.

ocr page 317

315

Ter zelfdertijd had ook Toni vernomen, hoe het met den Mahrwaard stond, en dat de vrouw met de kinderen naar Bozen reed, om voor den veroordeelde een voetval te doen. Wel had hij van den schoenmaker Achel vernomen, dat een doode niet meer levend kon worden gemaakt en een door de Frangosen veroordeelde zoo vee! als dood was, maar dezen verschrikkelijken schoenmaker wierp hij een stok voor de voeten. Daarop raapte hij dien weer op en liep naar het huis van den Mahrwaard.

„Ik moet meê naar Bozen!quot; riep hij, de deur binnen-strompelend.

,,Het rijtuig is ei! weggereden,quot; heette het.

„En al mot ik mij de voeten afloopen tot aan de knieën, ik wil toch naar den generaal!quot;

Had de waardin weinig toebereidselen gemaakt voor de reis. Toontje maakte er in het geheel geen. Met zijn lier aan de zijde en een stok in de hand ging hij op weg. Flink en frisch weer, alsof hij naar een bruiloft moest, ging de jonge speelman den straatweg op naar Bozen.

Schier verbluft van verbazing was Hanna, de meid. Juist, nou hij onder haar opperbestuur een beetje den heer had kunnen spelen in huis, liep hij weg. En geen mondkost op reis van haar en geen: „God behoede jequot; voor haar — juist, alsof hij alleen voor zich zelf bestond! Zij wenschte hem niets kwaads, maar als hij onderweg verhongert en bevriest en bij stikdonkeren nacht in ^ den bruisenden Eisack valt, krijgt hij zijn verdiende loon!

ocr page 318

316

O EDELE VROUW. WEES ONZE VOORSPRAAK.

Wat was de weg lang en wat was de nacht lang! Het rijtuig stootte en rammelde, de kinderen sluimerden. Als uit een venster waarlangs men reed een lichtstraal in het rijtuig viel. zag men hunne vredige gezichtjes. Vrouw Notburga bekeek ze en zei tot Augustijn: „Goede God, welk een goedheid voor de kinderen! Zij slapen.quot;

„Deze kinderen zijn mijn troost,quot; antwoordde de priester. ..Als ik op de kinderen zie, dan word ik geheel hoopvol, dan weet ik zeker, dat wij geluk zullen hebben.quot;

Omdat zij zeiven den slaap niet konden vinden, voerden zij nu en dan voorbereidende gesprekken, of de geestelijke haalde spreuken aan uit de H. Schrift, die het beangste hart moesten sterken.

Na eene kleine eeuwigheid — en toch hoe kort was alles toen 't voorbij was — kwamen onze reizigers in Bozen aan. 't Was een nevelige voormiddag, doch de lucht was zacht als lentelucht en vrouw Notburga stond verbaasd, toen zij na langen tijd tegen de rotshellingen de altoos groene laurier zag. In dit haar eens zoo eigen en thans zoo vreemd dal had Notburga haar Peter voor de eerste maal gezien, hoe zou thans het weerzien zijn?

In de straten der stad kon het rijtuig ter nauwernood vooruit komen, er was een groote drukte, de menschen stroomden haastig in ééne richting. Ook troepjes Fransche soldaten draafden er tusschen, de menigte scheidend. Herhaaldelijk vernam men uit het dof gemompel des volks de schelle kreet: „rebel, rebel!quot;

„Wat beteekent dat?quot; vroeg Notburga verbleekend. Broeder

ocr page 319

317

Augustijn stak zijn hoofd door het portier en vroeg: „wat is hier?quot;

„De rebel wordt weggeleid,quot; heette het. „Eindelijk hebben zij hem. Hoog boven in het Passeiergebergte heeft hij zijn residentie gehad, de kommandant van Tyrol! Nou gaat ie naar een vesting in Welschlandlquot;

Over Hofer werd gesproken? En Tyrolers waren het. die zoo spraken? Neen, 't zijn buitenlanders, 't moeten buitenlanders zijn! In zoo'n stad zijn allerhande lui.

Hans was al lang wakker geweest. En toen er nu verteld werd, dat Hofer werd opgebracht, sprong hij uit het rijtuig en riep luidkeels om een geweer. Slechts met moeite kon de knaap worden neergezet, bracht Augustijn hem aan het verstand, dat 't hier geen Dürnjoch was, dat Hofer door een geheel regiment soldaten werd omringd en bewaakt en . dat de redding lag in Gods hand.

Toen zij het logement binnenreden en op het binnenplein uitstegen, voerden twee mannen, die aan de deur stonden, het volgende gesprek:

„Welk een spektakel!quot;

„Als er vandaag al zoo'n opwinding in de stad is, nu men enkel den een in een gesloten rijtuig er door voert, wat zal 't dan morgen geven?quot;

„Wordt morgen 't lot van den Mahrwaard beslist?quot;

Augustijn hoorde dat en ving terstond met den huisknecht een luidruchtig gesprek aan. De broeder wou voor de zuster dat gesprek overschreeuwen.

Uitgeput kwam vrouw Notburga in de haar aangewezen kamer, maar zij gunde zich geen rust. De woning van den Franschen Opperbevelhebber, generaal graaf Baraguay, was spoedig uitgevorscht, en zoodra de waardin hare kinderen warme soep had voorgezet en zijzelve daarvan een paar lepels had genoten, gingen zij op weg, om hun werk aan te vangen.

Voor de buitenpoort van het paleis schreed een Fransch soldaat met het geweer op den schouder op en neer. Die man

ocr page 320

318

was met zijn vosgele, borstelige baard, met zijn koperen neus en met zijn onvriendelijke rollende kalfsoogen een heel havelooze baas. Het tonachtige hoofddeksel met de Napoleonsroos en de wapenrusting, waarvan hij rondom voorzien was, gaven zoowel als zijn hoekige en stokkige gestalte den man een martiaal voorkomen.

„Wij wilden verzoeken,quot; zoo sprak Augustijn den schildwacht beleefd, maar op onhandige manier aan, „wanneer wij bij Mevrouw de gravin Baraguay zouden kunnen worden aangediend?quot;

„Werda?quot; schreeuwde de soldaat.

„Eene ongelukkige familie. Om Godswil, wij verzoeken ...quot;

„Terrrug!quot; grauwde de soldaat in slecht Duitsch.

„Wij hebben een aanbevelingsbrief aan Mevrouw de gravin!quot;

„Gaat me niks an!quot;

„Aan een priester mag toch het binnengaan niet geweigerd worden!quot;

„Terrrug!quot;

„Heb toch medelijden met deze arme kinderen.quot;

Thans maakte de soldaat een helsch lawaai met zijn sabel en rukte het geweer van den schouder. De kleine Marianne verborg haar gezichtje vol schrik in moeders rok; maar Hans stond als een beeld van ijzer, niet ongenegen om met dat ondier aan te binden. Zij trokken zich troosteloos onder een groep kastanjeboomen terug en overlegden, wat nu te doen.

Toen zij terug wilden keeren naar hun logement, om den kofRebrander Nessing, die een goede bekende van Peter was en dezen bij den opstand menige gewichtige boodschap had gebracht, om raad te vragen, ontmoetten zij midden op straat Toni. Op een ezel draafde hij daarheen, met een ravenveer in het hair en aan zijn zij de lier. Hij zette een opgewekt gezicht,

„Speelman!quot; riep Augustijn, „hoe kom jij zoo hier?quot;

„Op dezen!quot; antwoordde de knaap en gaf grauwtje een ridderslag met de vlakke hand.

ocr page 321

319

„Hoe ben je aan dat dier gekomen?quot;

„Geleend. Stond voor een huis te Schrambach gespannen voor een bedelwagen bij een voerbak, bibberde van de kou, de eigenaars binnen in de kamer. Wacht ezeltje, ik maak je warm! Uitgespannen, er op gaan zitten — stapper-de-stap, naar de stad Bozen. Nou gaan we met elkaar naar generaal Baraguay's z'n huis. Waar is dat?quot;

„Daar ginds met den hoektoren. Je komt 'r niet binnen.quot;

„Gewijde Heer,quot; zei Toontje, „ik kom wel binnen, ik ken een mooi liedje van Bonaparte.quot;

„Ik bid je. Toni, bederf ons niet alles!quot; smeekte vrouw Notburga.

„Vrouw waardin!quot; antwoordde de ruiter op zijn ezel, „vertrouw op God en de muzikanten.quot;

„Beproef het daar eens met den schildwacht,quot; riep Augustijn.

„Dien zingen wij wat voor!quot; antwoordde de speelman en draafde verder tot voor de poort. Tien pas van het monster stond hij stil, nam zijn lier van zijne zijde en tjingelde er eens op. — Thans wou de gramstorige soldaat eens zien, wat dat voor een zonderling ruiter was. En toen hij zoo'n beetje gekeken had, keek hij nog meer en wreef zich de oogen en keek heel grimmig al door en zei eindelijk met een keelstem door zijn lompigen snor heen: „diable, is dat niet de jonge man van den pijnboom bij Mühlbach, die mij heeft verbonden het geblesseerde been? — Zijn we 't, jonge heer?quot; riep hij hem toe.

Toontje lachte er om, dat hij nou op eens weer Welsch verstond. „Wat? Is dat een slechte Fransoos of geen goede Duitscher?quot;

„Van elk een halve,quot; antwoordde de soldaat en blies. „Een uit den Elzas. En jij bent de brave jongen, die mij heeft gepardonneerd bij den slag van Mühlbach?quot;

„Als jij dezelfde bent, die ik bij de Mühlbacher batailje heb laten loopen, dan klopt 't.quot;

„Redder! Kom af van je ezel. Dan zul je hebben een baiser!quot;

ocr page 322

320

„Heb er geen noodig, mijnheer schildwacht,quot; zei de speelman, „maar een ander plezier kun je me doen. Kijk, daar ginds staat een geestelijk heer en eene vrouw met drie kinderen. Brave lui! Die moet je binnenlaten bij mevrouw de gravin.quot;

„Mijnentwege,quot; bromde soldaat, „als de schildwacht ze doorlaat.quot;

„Maar die ben jij toch!quot;

„Ah nou,quot; antwoordde de Elzasser. „De schildwacht staat daar binnen op het plein. Ik sta maar voor plezier op wacht omdat ik groot respect heb voor den generaal.quot;

De speelman wenkte zijne luidjes. Zij kwamen haastig en gingen naar binnen. Over hunne hoofden heen riep de Elzasser door de poort den hof in : „bon ami! laat passeeren!quot; En onze vrienden stegen ongehinderd de trappen op.

Toontje was niet mee binnengereden. Eerst wou hij eens zien, wat zij konden uitrichten. Richtten zij niets uit, dan trad hij op.

De requestranten dwaalden een poosje door de lange gangen van het gebouw rond. Vrouw Notburga droeg den jongsten knaap op haar arm, Marianne hield haar bij den rok vast. Hans hinkte naast zijn oom voort. Niemand zei een woord. Eindelijk kwamen zij in een helder vertrek, waar in een breede haard een vuur knapte en verschillende vrouwspersonen druk bezig waren om rauw vleesch te kloppen met houten hamers, vogels te plukken en groenten te wasschen.

Of zij niet de genade zouden mogen genieten, om bij de waarde Mevrouw te worden toegelaten?

Als zij kippen, visch of anders iets te verkoopen hadden!

„Voor zaken zijn wij niet hier,quot; zei de geestelijke, „voor gewichtiger dingen. Zij hadden ook een brief af te geven.quot;

Op dat oogenblik kwam een mooie, deftige vrouw binnen; uit een zijkamer komend, had zij het korte gesprek gehoord. Zij droeg een zwart, eenvoudig, maar voornaam geknipt gewaad, dat behalve een schitterende speld aan den hals geen enkele versiering bezat. Zij droeg het nootbruine haar glad

ocr page 323

321

gestreken, het gelaat was een weinig bleek; vriendelijk vroeg zij den priester, waarmeê zij hun van dienst kon zijn. 't Was de gravin.

„Wij hebben dit geschrift te overreiken aan Mevrouw de Gravin Baraguay.quot; Met die woorden reikte Augustijn buigend den brief.

,,Ah, van mijn lieve Giovanelli!quot; riep de gravin met blijde verrassing uit, toen zij het schrift zag.

Toen de brief gelezen was, wierp zij een blik op vrouw Notburga en de kinderen.

„Ga met mij mee, arme menschen,quot; zei ze daarop en haar stem klonk niet vroolijk meer. Zij bracht ze in een heldere kamer, die met blauwe gordijnen en bonte tapijten versierd was. Vrouw Notburga kon zich niet meer houden, deed met haar kind een schrede vooruit en zonk snikkend voor de dame op haar knieën neer.

„O mijn God, neen!quot; zei deze afwerend, pogende de

I schreiende moeder op te richten. „Knielen doen we voor God alleen!quot;

gt; „Tot u ben ik gekomen — van ver — als mijn eenige

hoop!quot; stamelde vrouw Notburga.

„Ach, die vreeselijke oorlog!quot; zuchtte de gravin en wrong de handen, „die vreeselijke oorlog!quot; •

„Mijn man — —!quot;

„Ik weet het, goeie vrouw, mijn vriendin heeft mij alles geschreven.quot;

„Hij is niet schuldig, o God in den hemel, hij is niet schuldig!quot; kreet vrouw Notburga luid.

De kinderen begonnen te schreien. Zij wiegde den kleinen Peter in hare armen, zeggend; „wees zoet, kindje, wees zoet, jou geschiedt niks.quot;

„Zijn dat zijne kinderen?quot; vroeg de gravin. „Hoeveel heb je 'tlquot;

„Deze drie, en de vierde —quot;

De gravin begreep haar. Zij keerde zich om en ging naar een aangrenzend vertrek. In de kamer was het heel stil, de

Peter Mayr 21

ocr page 324

322

kinderen luisterden naar voorbijtrekkende militaire muziek. Toen de dame weer terugkwam, waren hare vriendelijke oogen rood. De ongelukkigen moestén gaan zitten op blauwzijden stoelen; de gravin zette zich tegenover vrouw Not-burga en begon kalm en liefdevol met haar te spreken. Zij liet zich alles meedeelen, en de waardin vertelde van de gebeurtenissen in het Eisackdal, van haar man, en verzweeg niet zijn aarzeling om zich te belasten met het kommando. den dwang die hem aangedaan werd, de wanhopige toebereidselen en de daad in de Eisackkloof. Zij sprak over zijn vlucht en de gevangenneming, over de geruchten, dat hij ter dood veroordeeld was, vertelde hoe zij het besluit had genomen om de reis te doen, om voor hem genade te smeeken en hoe zij nu nog slechts bouwde op twee helpsters: op de moeder Gods en op de lieve mevrouw de gravin.

Deze stak haar beide handen toe en vroeg: „wat kan ik voor je doen?quot;

„Alles, Mevrouw, alles. Het staat in de macht van mijnheer, uw echtgenoot.

„Ach, dat zal helaas! niet meer zoo zijn, beste vrouw,quot; zei de gravin.

„Ja, wel!quot; riep vrouw Notburga hartstochtelijk, „op Mijnheer den generaal komt het aan, heel alleen op hem, men heeft mij alles verteld. Hij kan hem laten dooden, hij kan hem vrijlaten.quot;

„Ja, zeker, voor eenige dagen had mijn man veel kunnen doen. Maar thans heeft, meen ikquot; — zij aarzelde om het woord uit te spreken en zei zacht — „de krijgsraad heeft reeds uitspraak gedaan.quot;

„De generaal kan de uitspraak veranderen!quot; zei vrouw Notburga, met de oogen vol tranen. „En hij doet 't, als er maar een voorbidster is. — Als mijn man wegens iets schuldig is, dan ben ik het, ik heb hem aangezet tot verweer, mijn God, toen de vijand kwam! 't Ging om ons heilig geloof, wij liepen gevaar het vrije geboorteland onzer kinderen te verliezen! Een slecht man, heb ik gezegd, die zich dan nog

ocr page 325

323

niet verweert!quot; — En deswegen te worden ter dood gebracht als een schelm!quot; — Wederom zonk zij op haar knieën: „o, edele vrouw! gij zijt goed en wij behoeven allen met elkander een barmhartigen Vader in den hemel! Wees onze voorbidster bij uw strengen heer generaal. Hij is toch ook soldaat en de oorlog is een rollende kogel, God moge hem behoeden, dat niet eenmaal evenzoo gemikt wordt op zijn borst —quot;

„Zwijg!quot; viel de gravin haar in de rede.

„Ik vraag vergiffenis, ik ben zoo beangst, ik weet niet meer wat ik zeg.quot;

De gravin staarde voor zich uit, alsof zij nadacht over het vinden van een uitweg. De kleine Peter wees met de vingertjes naar de portretten, die in vergulde lijsten aan den wand hingen en zei; „Ata! Ata!quot; Marianne hield hare vingers in den mond en keek oplettend naar de lange zijden japon der vreemde vrouw, en Hans vertrapte een gelen tijgerkop, die in het voetkleed was ingeweven.

„Vergeven!quot; zei de gravin bij zichzelve. „Wij hebben elkander niets te vergeven! Of toch wel ? Eerder gij ons dan wij u. Gij Tyrolers zijt 'm niet begonnen, dezen vreeselijken oorlog, dien ik reeds duizendmaal verwenscht heb. God in den hemel verhoede het, dat een droppel bloed vergoten worde, waar ik het kan voorkomen — Lieve vrouw, wat in mijn macht staat, dat zal geschieden; als het menschen mogelijk is hem te redden, dan zult gij hem weerom hebben. — Zuster,quot; voegde zij er zachtjes aan toe, „je bent toch mijne zuster. Ik ben — in dezelfde omstandigheden als gij...quot;

„God moge het loonen, edele Mevrouw, aan u, aan uw man, aan uwe kinderen!quot;

„Misschien toch,quot; zei de gravin opstaande. „Wie zulk een vast vertrouwen heeft, moet daarin niet beschaamd worden. Gij moet zelve met den generaal spreken, ik wil dat in orde brengen. Misschien is 't toch mogelijk, dat gij binnenkort allen met elkander gelukkig naar huis kunt gaan. Thans moed, zuster. Wees vroolijk, kinderen, het middagmaal zal je thans wel smaken.quot;

ocr page 326

324

Spoedig na dit onderhoud zaten onze luidjes uit het Mahr-waardshuis in een aangenaam verwarrad vertrekje van hetzelfde huis en deden zich te goed aan spijs en drank, die de gravin hun liet voordienen. Ze had nog tot vrouw Notburga gezegd: „bereid je er maar op voor, dat je later met de kinderen bij ons komen moet!quot; De kleinen tastten duchtig toe en Hans toonde voortdurend zijne dapperheid ook met mes en vork. Aan de kinderen was gezegd geworden, dat zij weldra hun vader zouden zien. Augustijn had den kleinen Peter ter verzorging op zijn schoot. Nadat hij op de audientie zoo heelemaal overbodig was geweest, wou hij zich ten minste op deze manier nuttig maken. In zich zeiven kon hij in het groote vertrouwen der vrouwen niet deelen, hij wist zelf niet recht waarom.

Vrouw Notburga gebruikte bijna niets, zij was verzadigd van louter zaligheid. Zij vouwde hare handen in den schoot, en een- en andermaal zei ze: „Wat zijn er toch nog goede menschen op de wereld!quot;

Beneden voor het raam klonk de scherpe toon van een lier, klonk een frisch gezang van „den held Napoleon Bonaparte.quot;

„Toni!quot; zei broeder Augustijn lachend, „die is nu juist niet erg gelukkig; vooreerst staat hij voor 't verkeerde raam, ten tweede heeft hij niets te eten.quot;

GENERAAL DER FRANSCHEN, GEEF ONS ONZEN VADER!

Toen op dienzelfden dag generaal graaf Baraguay naar huis kwam, was hij slecht geluimd. „Dat verdoemde krijgsbedrijf!quot; zei hij, en verder niets, en at zwijgend en onver-

ocr page 327

325

genoegd zijn maal. Zijne gemalin droeg er zorg voor, dat zijn beker niet leeg stond. De generaal dronk graag roode-Magdalena, zooals hij aan gene zijde van Bozen op de zonnige berghellingen wast, en heden dronk hij — zonder het zelf te merken — er een heele flesch van. Dat stemde hem ongemerkt een weinig prettiger en de gravin deed ook zóó onbevangen vroolijk, dat het sombere soldatengezicht allengs opklaarde. Na den maaltijd trok hij zijn rok uit en in zijn zuivere hemdsmouwen lei hij zich op de rustbank neer.

Zijne vrouw maakte als gewoonlijk eigenhandig het met zilver beslagen tabakspijpje voor hem klaar, stak het aan, waarbij zij zelve de eerste trekjes er uit deed en stak hem toen de pijp in zijn mond. Daarna zette zij zich naast zijn hoofd op een stoel en begon met zachte hand zijn hoofd te streelen, wat hem altoos zeer behaagde, 't Soldatenleven is hard en ruw. Hoe weldadig werkt dan de vriendelijke vrouwenhand op het heete voorhoofd, waarachter altoosdoor belegeringen, ijlmarschen, overrompelingen en veldslagen elkander verdringen.

„Komt er nu nog niet haast een eind aan?quot; vroeg de gravin als ter loops.

„Met Tyrol zijn wij klaar,quot; antwoordde de generaal. „Met een paar rebellen moet nog afgerekend en dan punctum.quot;

„Altoos nog?quot; vroeg ze, „altoos nog?quot;

„Neem me niet kwalijk, Elisabeth, dit is geen discours voor jou. Jij moet nou vroolijk zijn.quot;

„Vroolijk zijn!quot; antwoordde zij en zuchtte. „Hoe kan men vroolijk zijn, wanneer men niets meer hoort dan schieten?quot;

„Wat praat je toch, lieve? }e bent hier toch beschut tegen alle alarm.quot;

„Ik hoor het dag en nacht,quot; zei ze. „Louis, je weet niet wat ik lijd.quot;

De generaal richtte zich haastig op en keek haar bezorgd aan.

„Jij slaapt 's nachts zoo goed,quot; ging ze voort, „en ik dank God, dat geen akelige droomen je verontrusten. Maar ik —quot;

„Je doet me schrikken, vrouw, ben je ziek?quot;

ocr page 328

326

Toen viel zij hem om den hals en riep luid snikkend; „als ik jou maar niet verlies, jij mijn alles!quot;

„Elisabeth, wat moet dat? Hoe kom je op zoo iets? Neen, je bent alleen zenuwachtig — je toestand. Deze onrustige dagen zullen eindelijk wel voorbijgaan, en dan, je weet het, vraag ik mijn ontslag, en gaan wij naar ons landgoed. Ik wil ook eens in vrede van mijn leven genieten.quot;

„Als je wist! . . . .quot; snikte zij.

„Wat weten? wat, wat?quot;

„Dat ze je wegbrengen. Dat ze je wegbrengen, nacht voor nacht naar de strafplaats — voor mijn oogen. Gebonden, geslagen sta je daar. De trommels roffelen. Je kijkt nog naar mij, naar ons kind . . . .quot; Zij verborg haar hoofd aan zijne borst, omknelde hem hartstochtelijk en smeekte: „neen, mijn Louis, o, dat niet, o niet sterven.quot;

Hij zocht haar te kalmeeren.

„Ik weet het wel.quot; vervolgde zij, „dat gij onschuldig zijt, gij hebt enkel je soldatenplicht gedaan, ter wille van den Keizer, en om je vaderland te beschermen en je familie. }e hadt vele vijanden vernietigd, eindelijk werd je zelf gevangen genomen en onmiddellijk ter dood veroordeeld.quot;

De generaal kreeg een schok; „spreek je over mij, vrouw ?quot; vroeg hij, „of over — over dien boerewaard te Brixen, die—quot;

„Die zal worden doodgeschoten. Ja, mijn hart, ik weet van hem af, hij is mij in de gedachte dag en nacht, en 't kan wel zijn, dat hij het is, die mij die knellende droomen bezorgt. — Louis! — Is 't dan noodzakelijk dat hij sterft?quot;

De generaal stond op, schreed haastig door de kamer en zei: „die man is een rebel. Hij heeft den vrede geschonden.

„Hij heeft een vrouw — drie kinderen . . . .quot;

„Ik weet 't, ik weet 't!quot;

„Zij zijn uit Brixen gekomen. Zij willen naar je toe, zij willen je smeeken om zijn leven.quot;

„Ik wil ze niet zien.quot;

Zij wachtte even, eer zij dus voortging; „mijn lieve man. Denk eens na, duizenden, die in dezen tijd schuldigen ge-

ocr page 329

327

worden zijn, 'even. Waarom zou de onschuldige sterven?quot;

De generaal antwoordde daarop: „duizenden, die onschuldig waren, hebben in dezen tijd hun leven moeten laten, en de schuldige zou vrij uitgaan ?quot;

„Ik geloof,quot; zei de gravin zacht, „dat God alleen kan weten, wie schuldig is in den oorlog.quot;

„Hij heeft den vrede gebroken,quot; zei den generaal kort en hard.

„Dat mag zoo zijn, maar wij, dat wil zeggen, de vijand, die in Tyrol gevallen is, heeft hem het eerst geschonden.quot;

„Ik bid je, Elisabeth, breng mij niet in tweestrijd!quot; riep de generaal opgewonden; „ik heb zelf met den man te doen. Ik stem toe, hij is een sympathiek man, ik heb nog niemand gezien, die zijn lot zoo fier verdroeg als deze Peter Mayr. Niet een duimbreed zonk hij ineen, toen zijn vonnis hem werd aangekondigd. Rechtop en waardig, alsof hij de rechter was, en wij de veroordeelden waren, schreed hij door de zaal. —■ Maar wie kan het veranderen!' t Is gedaan.quot;

Zij had niet kwaad haar kans berekend. De gravin had reeds van te voren met haar kamermeisje afspraak gemaakt omtrent een door haar te geven teeken en thans kwam vrouw Notburga met hare kinderen de deur in en wierp zich voor den generaal op de knieën. Zij kon geen woord uitbrengen, in de armen haar kind houdend, vouwde zij de handen bevend over haar gansche lichaam. Marianne keek met haar groote oogen echt kinderlijk naar den geduchten Heer op: de knaap stond er stuursch bij, alsof hij zeggen wou: „generaal der Frangosen, geef ons onzen vader!quot;

Een oogenblik zag de veldheer sprakeloos op die groep neer, daarna zei hij met ruwe stem: „als 't kan, zal het geschieden. Ga.quot;

Zonder een enkel woord gesproken te hebben, wankelde vrouw Notburga de deur uit. De generaal was boos. Zwijgend liep hij de kamer op en neer. Hij had zich laten overrompelen. Reeds zoo sterk was hij innerlijk gewonnen geworden, dat hij niet eens haar verzoek had afgewacht. Maar

ocr page 330

328

nu zei hij tot zijne vrouw: „Elisabeth, dat had je me kunnen besparen, je weet dat ik geen vrouw kan zien schreien. Ik zou een woordbreker kunnen worden, om den wil van zulke menschen. Heb ik iets gezegd? Ik wil niets gezegd hebben.quot;

Smeekend stond ze voor hem: „Louis, je hebt een goed hart. Om des lieven vredes wil, dien ook wij van God smeeken voor ons kind, — geef hem de vrijheid!quot;

„Om des vredes wil den vredebreker begenadigen!quot; lachte de graaf, zich ergerend over zijn eigen weekhartigheid.

„Ook altoos en altoos weer datzelfdè. Heeft die boer het dan kunnen weten, dat te Weenen de vrede gesloten was?quot;

De generaal keerde zich schielijk naar haar om; „wat zeg je? Niet kunnen weten? Niet kunnen weten? — Vrouw, dat is een gedachte. Peter Mayr is nog te redden.quot;

Vrouw Notburga genoot op dienzelfden middag de gelukkigste uren haars levens. De gravin had haar terstond laten weten, dat zij gerust kon. zijn — de zaak was zoo goed als gewonnen. Zij zou haar man reeds den volgenden dag kunnen zien.

In haar geluk deelde ook een oude bekende, die zij op straat hadden ontmoet. Jozef Dörninger. Hij was vermagerd tot een geraamte, en wat hij te vertellen had wierp een zware schaduw op het vriendelijk licht dat glansde in het hart der waardin. Dörninger verhaalde het lijden der vluchtelingen en Hofers gevangenneming. Hoog boven in het gebergte hadden zij weken lang in een slechte hut gewoond. Daarop waren zij verraden geworden door een geldgierig mensch en door de Franschen overvallen. „Geen smeeking van Hofers vrouw en kinderen had geholpen. Andreas had hun nog met de hand gewenkt hun gejammer te staken en zich geduldig overgegeven. Hij moest naar Welschland en 't zag er slecht voor hem uit. Hij hoopte nog altijd op den Keizer, dat groote kind.quot; — Dit en nog veel meer vertelde Dörninger, ook hoe zij hem tot aan Meran toe mee hadden voortgedreven, maar zich verder om hem niet

ocr page 331

329

bekommerd hadden. Zoo dwaalde hij thans rond zonder rust of duur en dacht, dat hij Andreas achterna moest naar Welschland.

Met het oog op Hofers lot gevoelde vrouw Notburga de wending in hare omstandigheden dubbel diep, zij ging naar de kerk, die op het groote plein staat, en beleed haar dank in tranen.

Was deze vrouw nu reeds zoo vroolijk, hoe blij moest ons Toontje dan wel niet zijn! Hij had ook te eten en te drinken gekregen, hij en zijn andere helft, de ezel. Met dezen gevoelde hij zich een. De prachtige rit van Schrambach hierheen stond hem voortdurend voor den geest; de ruiter had zelfs onderweg op den rug van grauwtje een poosje geslapen, terwijl dat onverdroten voortmarcheerde, slechts bij waterkuipen, die zijne herbergen waren, hield hij zich een oogenblikje op.

„Mijn allerliefste gezel, ik laat je nooit weer gaan!quot; fluisterde de knaap hem eens in 't fraaie oor, terwijl hij zijne armen om den hals des ezels sloeg; doch plotseling kwam hem daarbij in de gedachte, dat de grauwe vriend hem niet toebehoorde, dat hij hem maar geleend had, dat hij hem ongevraagd van de kar had losgemaakt en meegenomen, eigenlijk een beetje gestolen had.

Daarom zei hij nu tot zijn grauwtje: „broertje, laat je niet gemeen behandelen! Zoover is het nog niet met je gekomen, dat je je mot laten stelen. Ik wil voor je eer zorg dragen. Je zult geen gestolen ravengoed zijn. Ik wil je fatsoenlijk koopen. Ik heb immers geld, al mot ik het eerst nog krijgen. Thans, nou ik toch eindelijk met mijn lier het hart van den Fran?osen-generaal week gezongen heb, zoodat hij den Mahr-waard weer loepen laat, nou gaat het mij later goed. Dan koop ik je net als de graaf zijn arabisch rijpaard, zoodat ik op je rijden kan naar mijn Hanna. O, die Hanna 1 Dat is er een, die mot je leeren kennen!

„Een heel, een heel fin deerntje Een heel, heel lieve schat,

ocr page 332

330

Een heel, een heel rood wangje.

Een handje, o, zoo zacht.

Een heel, een heel vroom lammetje.

En opgewekt gezind.

Niet een weet, wat een engel is.

Die Hanna-mijn niet kent 1quot;

De ezel balkte luid. Dat was hem een beetje te kras. Ook gevoelde hij zich in den omtrek van Brixen niet vreemd.

„IK WIL MIJN LEVEN NIET KOOPEN DOOR EEN LEUGEN!quot;

Het vertrek was een gewitte kamer met wormstekigen vloer en twee diepe, getraliede vensters, die uitzagen op een winterschen, kalen tuin. Een groene kachel, waarin het houtvuur knapte, een stroobed met blauwe deken, een tafel, waarop schrijfgereedschap, een kruik wijn stond en een gebedenboek lag, voorts een ouderwetsche beschoten deur, die gegrendeld was. 't Scheen nu juist geen heel zware gevangenis te wezen, waarin de Mahrwaard op dezen dag gebracht was, ofschoon buiten de deur een paar kerels als boomen stonden, die dikwerf rammelden met hunne sabels en hunne geweerkolven ruw op den grond stieten.

Peter Mayr zat aan tafel en schreef een brief. En toen de brief geschreven, gevouwen, verzegeld en van een adres voorzien was: aan de eerzame vrouw Notburga Mayr, waardin aan de Mahr bij Brixen — haalde hij diep adem en zei: „Goddank, met de wereld heb ik afgerekend.quot;

Zijn gelaat vertoonde een trek van diepen ernst, maar eigenlijk treurig was het evenmin als zijn overig voorkomen.

ocr page 333

331

Zijn haar en baard waren met een zekere zorgvuldigheid gekamd, zijn böeregewaad was netjes in orde. Hij was in zijn hemdsmouwen, want de kachel straalde rijkelijk warmte uit. Tusschen de ramen aan den muur hing een klein houten krusifiks. Peter ging er naar toe en vroeg zacht: „niet waar, mijn Jezus, gij zult mij bijstaan tot aan mijn laatste oogenblik ?quot;

Thans deed iemand van buiten de deur open, zij rammelde en knarste niet erg. Toen Peter den cipier zag, zei hij: „'t Is goed, dat gij komt. Wees zoo goed te willen zorgen, dat deze brief op het postkantoor komt, daaraan ligtmij veel gelegen.quot;

„Dat zal zeker gebeuren,quot; antwoordde de gevangenbewaarder, „er is daar een heer, die met je wil spreken.quot;

Voor de deur stond een deftig gekleed man met grijzen, kortgeknipten baard, die de armen uitbreidde en riep: „nou, Mahrwaard, ken je mij nog?quot;

Peter deed een stap vooruit en schudde het hoofd.

„En wij hebben zoo dikwerf bij elkaar gezeten in vroolijk gezelschap te Klausen, te Brixen, ook aan de Mahr!quot;

„Ik herinner het mij al,quot; antwoordde Peter bedaard „gij zult doctor Voltolini wezen.quot;

De aangekomene kwam het vertrek in; nadat de kerkermeester naar buiten was gegaan en zorgvuldig de deur achter zich gegrendeld had, zette hij zich zonder komplimenten aan tafel en zei tot den gevangene: „Ja Mahrwaard, wij beide zijn in vroolijkheid bij elkander geweest en het is ook niks treurigs, wat mij heden tot je voert.quot;

Peter keek hem aan en zei: „mijn lieve vriend, waar ik heden ben is niets vroolijks en niets treurigs meer. Je weet toch, hoe het staat.quot;

„Het vonnis kan opgeheven worden,quot; zei doctor Voltolini. „Laat mij rustig spreken. Er is bij je veroordeeling een verzuim tegen den vorm gepleegd. Ook is verder onderzoek noodig. Gij komt nog eens voor den krijgsraad. De zaak staat gunstiger dan je denkt. Mahrwaard, 't staat veel gunstiger.quot;

Peter hoorde verrast op.

„Je hebt vrienden, van wien je niets weet,quot; ging de doctor

ocr page 334

332

voort. „Ik ben geroepen geworden om je belangen te behartigen en kom je mededeelen, dat je morgenvroeg nog eenmaal zult verhoord worden. Men heeft er te weinig op gelet, dat je bij de geschiedenis in de Eisackkloof het feit, dat de vrede gesloten geworden was, volkomen onbekend geweest is.quot;

„Dat is niet zoo,quot; antwoordde Peter, „mij is het sluiten van den vrede heel goed bekend geweest.quot;

„Of, kon toch onbekend geweest zijn,quot; ging de doctor voort. „Er hebben in die dagen zooveel menschen niets geweten van de verschillende bekendmakingen, of ten minste aan den vrede niet gelooft. Nog heden zijn er menschen, die er aan twijfelen.quot;

„'t Is aan alle muurhoeken aangeplakt geworden,quot; zei Peter, „'t Is mogelijk dat men het niet gelooft heeft, maar de publicaties heeft men gezien en gehoord en gelezen.quot;

„Kort en goed, je zult morgen ondervraagd worden, of je bij de daad, waarvoor je veroordeeld bent, bekend zijt geweest met de staking der vijandelijkheden en de overgave van Tyrol.quot;

„Dien omslag begrijp ik niet.quot;

„Heb je er geen kennis van gedragen, verkeerde je in den waan, dat je nog het recht verdedigdet van Oostenrijk en van Tyrol, evenals bij vroegere gevechten, dan zal de zaak anders staan. Dan wordt gij niet behandeld als rebel.quot;

Peter keek den doctor met verwondering in het gezicht.

„Gij moet alzoo,quot; ging de doctor voort, „morgen voor den krijgsraad kalm uiteenzetten, dat je van het sluiten van den vrede en zijn gevolgen niets hebt geweten, dat je destijds in het gebergte waart, dat je enkel gehoord hebt, dat de vijand terugkwam en dat je je met de natuurlijke wapenen, die een bergvolk bezit, opnieuw ter afweer had voorbereid. En het had je in 't geheel niet in de gedachte kunnen komen, dat in je patriotische daad een misdaad schuilen kon. Als je zoo spreekt, ben je gered.quot;

Daarop vroeg de Mahrwaard; „wie bemoeit er zich toch meê? Wie zendt u? Wie bejegent mij toch zoo grievend in mijn laatste uur, dat hij mij aanraadt een leugenaar te worden?quot;

„Maar beste vriend, wees toch verstandig,quot; zei de advocaat.

ocr page 335

333

„Leugenaar, waarom dan? Je kondt toch waarlijk niet weten, wat de hooge heeren in Weenen besloten; weten wij dan nu, of vrede beteekent dat wat de diplomaten zoo noemen?quot;

Peter stelde zich in stramme houding voor den doctor en zei: „dat zijn-spitsvondigheden. Doctor Voltolini, ik zeg je, dat ik het geweten heb.quot;

De advocaat stond op, deed een paar schreden door het vertrek, zette zich toen weer neer, trok zenuwachtig met de armen, met de vingers en sprak met gedwongen kalmte: „Peter, je begrijpt me niet. Geweten of in je zeiven gedacht kun je het hebben, of geloofd, dat je het wist; mijn God, wat weet de mensch dan eigenlijk! Hij gelooft zooveel te weten, wat hij niet weet. Ze zullen je daarop ook geen eed laten doen; ze zullen je eenvoudig vragen: „Peter Mayr, heb je het geweten ? En je zult eenvoudig antwoorden: neen, ik heb het niet geweten.quot;

„En dat zal ik niet antwoorden,quot; zei Peter, „ik zeg de waarheid.quot;

„Je bent een dwaas!quot; riep de ander opspringend. „Is de vijand waar geweest tegen ons? In den oorlog, mijn waarde, geldt niet de waarheid, maar de list. Was niet je eigen aanvoeren en doen een keten van listen, van af den strijd bij Mühlbach tot in het Eisackdal?quot;

„Die vergelijking gaat niet op,quot; antwoordde Peter. „Toen was het oorlog, thans is het vrede. Toenmaals gold 't land, thans geldt het enkel mij alleen en thans mot ik het met mij zeiven uitmaken. En of gij het zijt, doctor, of een ander, die mij deze groote goedheid wilt betoonen, ik bedank er voor, ik bedank er duizendmaal voor, maar aannemen kan ik ze niet.quot;

„Dat zou ondankbaar wezen. Dat zou tergend ondankbaar wezen!quot; riep de doctor.

Daarop zei Peter: „vraag mij of ik het erken als een dwaling, wat ik gedaan heb, ik zal ja zeggen. Vraag mij, of ik er berouw over heb, ik zal ja zeggen. Vraag mij of ik thans onderdaan wil wezen van dezen nieuwen Heer en de wandaad boeten naar mijn vermogen, ik zal misschien ja zeggen.

ocr page 336

334

Maar verlang niet van mij, dat ik liegen zal. Ik kan het niet en ik wil het niet. Ik wil mijn leven niet koopen met een leugen!quot;

Toen zei de doctor niets meer, maar hij dacht; „hij is opgewonden, ik wil hem alleen laten en later terugkomen. Ziet hij maar eerst zijne vrouw en zijne kinderen terug, dan zal hij wel tot andere gedachten komen. Het sterven is bitterder, dan hij op dit oogenblik nog weet.quot;

Hij zei enkel nog; „Mahrwaard, alzoo wil je werkelijk je zeiven te gronde richten?quot;

„Ik heb het liefst, dat gij gaat,quot; antwoordde Peter. Daarop klopte Dr. Voltolini op de deur tot zij openging en hij ging naar buiten in het volle licht.

Hij ging naar het logement, waar Peter's familie vertoefde. Reeds vroeger had hij zich voorgesteld als de door den generaal aangestelde pleitbezorger van Peter.

De familie van den Mahrwaard had een schemerdonkere dakkamer gekregen, want het logement was vol, ook van menschen die gekomen waren om een terechtstelling bij te wonen.

Toen vrouw Notburga den doctor komen zag, riep zij hem reeds tegemoet; „hoe hebt u hem gevonden? Is hij gezond? Hoe ziet hij er uit? Was hij erg verheugd?quot;

„'t Gaat moeielijker dan men denken zou,quot; zei de doctor. „Zeg mij eens, Mahrwaardin, is je man niet soms een beetje eigenzinnig?quot;

„Eigenzinnig, hoe bedoel je dat?quot; vroeg de vrouw op haar beurt. „Als hij eens iets voor juist heeft erkend, ja, dan heeft hij zijn eigen wil, waarvan hij niet gemakkelijk afwijkt. Als dat nu eigenzinnigheid is! Als er sprake is van billijkheid, dan geloof ik niet, dat er een meegaander mensch wezen kan, dan mijn man. 'k Heb hem dikwijls gezegd; „je laat je veel te veel op den kop zitten, steek 'm wat beter op.quot;

„Vandaag houdt hij hem goed hoog, vrouw Mayr,quot; zei de doctor.

„Wat bedoelt u?quot; vroeg zij.

„Hij doet het niet!quot;

„Hij doet het niet?quot;

ocr page 337

335

„Hij zegt, dat hij zijn leven niet wil koopen met een leugen.''

Vrouw Notburga ontstelde een weinig.

„Ik heb weten te bewerken, dat gij reeds heden naar hem toe moogt,quot; zei de doctor. „Ik geloof, dat gij dadelijk gaan moet en hem aan het verstand moet brengen, dat hij om Godswil verstandig moet zijn.quot;

„Kinderen!quot; riep vrouw Notburga, „wij gaan naar vader!quot;

Een kwartier later waren zij bij hem. 't Was al donker. Peter herkende de binnentredenden niet zoo dadelijk, waarop de kleine Marianne 't eerst schuchter naar hem toeging, hem de handjes toestak en met haar zacht stemmetje zei: „dag vader, nou benne we allemaal al bij je.quot;

Toen hij nu zag, wie er gekomen waren, begonnen zijne knieën te beven, maar wat er in hem omging, merkte men niet uit dat, wat hij thans heel bedaard zei: „ben je hierheen gekommen? Die lange weg?quot;

„Peter!quot; riep vrouw Notburga en vloog aan zijne borst. „Je bent nog van ons, wij verlaten je niet.quot;

„'t Was toch beter geweest —quot;

„Je gaat met ons naar huis!quot; zei ze, „morgen word je vrij, zie je, ik weet alles. Kijk toch je kinderen an, zie, hoe God ons weer samenbrengt. Het had anders kunnen kommen, arme man, wat heb je veel geleden! — Peter, waarom spreek je niet?quot;

Toen zei hij; „ik had reeds met alles afgedaan en ik heb jullie al geschreven. Ik heb je verzocht, mijn trouwe vrouw, ook in de andere wereld de mijne te wezen. Wat is 't dan noodig dat wij zooveel afscheid nemen van, elkaar.quot;

„Heb je nog zulke gedachten, man, en toch weet je, dat alles in orde komt,quot; zei ze. „Je zegt enkel die paar woorden.quot;

„Welke paar woorden?quot;

„Dat je niks geweten hebt.quot;

Ontsteltenis rees in hem: „Jij ook!quot; mompelde hij.

„Ik neem het op mijn verantwoording!quot; riep ze.

Peter keek haar aan.

„Notburga,quot; zei hij, je weet in het geheel niet, wat de leugen is en je wilt 'm op je verantwoording nemen. Maar

ocr page 338

336

3eg het den kinderen, dat de leugen een valsche vriend is; wie hij heden schijnbaar redt, brengt hij morgen om. Niets haat ik zoo woest. Van af den helschen leugen van de slang in het paradijs tot den kinderachtigen leugen toe van den speelman Toni in de herberg te Albeins heeft hij niets dan ongeluk gesticht. Wat heeft zooveel ellende gebracht over Tyrol? Bonaparte heeft gelogen, de Beieren hebben gelogen, onze eigen souverein heeft zijn woord niet gehouden, heeft ons aan ons lot overgelaten in den grootsten nood. Door de wapenen zijn wij niet te gronde gegaan, door den leugen zijn wij te gronde gegaan. En ik zou dien thans erkennen, met bloed en leven heiligen, voor God en wereld zeggen: „zie, ik hou het met den leugen?quot; — Neen, mijn beste vrouw en kinderen, gij zijt mijn alles, mijn alles op aarde, maar tot dien prijs kan ik niet bij je blijven. Ik zeg het je, ik wil liever met de waarheid sterven dan met den leugen leven.quot;

Er was een wonderlijke glans in zijn oog, terwijl hij zoo sprak, er lag over geheel zijn persoonlijkheid een verhevenheid die vrouw Notburga deed beven en waarover zij verrukt was.

Desniettemin zei ze thans tot hare kinderen; „kniel voor je vader en smeek hem, dat hij bij ons blijve!quot;

Toen zei Hans: „Moeder! Als vader nou niet liegen wil!quot;

Peter drukte met beide armen de kinderen aan zijne borst, zeggende: „ik dank je toch, dat je gekomen bent. Ik zegen je. Ik schrijf in dit uur in je hart: heb de waarheid lief. — Misschien zal men eens tot je zeggen: wees niet dwaas, de waarheid heeft je vader gedood. Antwoordt daarop enkel: beter de dood dan de leugen. Denkt er aan, wie je dat gezegd heeft.quot;

Daarop kuste hij de kinderen, drukte ze vurig tegen zijn borst, schoof ze toen van zich af en zei: „laat me nou alleen en wandel je eigen weg.quot;

„Zoo niet. Peter!quot; riep vrouw Notburga heftig; „morgen zien wij elkander weer en gaan samen naar huis. Je doet het, ik weet het zeker.quot;

Toen zijn zij van hem weggegaan.

ocr page 339

337

Den ganschen daarop volgenden nacht bad vrouw Notburga. De kinderen sliepen ook in dezen nacht hun zoeten kinder-slaap, alleen Marianne sprak een keer in den droom. Tweemaal stamelde zij: „waar de palmboom staat . . .!quot; en toen haar moeder luisterde, was zij stil.

Op den volgenden morgen bevond de Mahrwaardin zich door bemiddeling der Generaalske tijdig in een vertrek naast de zaal, die bestemd was voor het laatste verhoor van haar man. Aan den ingang had gravin Elisabeth haar toegefluisterd: „Wees goedsmoeds, zuster, het wordt hem gemakkelijk gemaakt.quot;

Er kwam leven in de zaal, officieren, waaronder de generaal, eenige heeren van de civiele rechtbank en doctor Voltolini waren verschenen en eindelijk werd de gevangene voorgebracht.

Zij begonnen te spreken. Eerst werd plechtig verklaard, dat het vonnis, geveld over den rebel, gehandhaafd werd. Daarop werd uiteengezet, dat het echter niet uitgemaakt was, of men hier wel met een rebel te doen had, en dat derhalve een nieuw onderzoek werd ingesteld. De generaal sprak wel zelf niet, maar een ander Fransch officier bracht bezwaren in tegen het Beiersch bestuur in Tyrol, en betoogde, dat de opstandelingen in menig opzicht in hun recht waren geweest en dat het voor Zuid-Tyrol thans eigenlijk het verstandigst was, teneinde aan het Beiersch bestuur te ontkomen, zich in vereeniging met Italië aan te sluiten aan de groote natie, die alle volken broederlijk in de armen sloot en opvoerde tot welstand, macht en roem.

Met de Italianen? — Wat was dat voor een geluid? — Peter deed, alsof hij het in het geheel niet hoorde. En nu trad doctor Voltolini op. Hij hield een rede, die bijna hartstochtelijk was en er op berekend scheen te zijn, niet zoozeer de rechters, als veeleer den aangeklaagde om te praten. Hij vroeg, hoe cavaliers, zooals de heeren officieren toch waren, zoo lichtzinnig oordeel vellen konden over een man, die voor zijn vaderland in den waren zin des woords een held geweest was ? En of zij dan niet gedacht hadden aan zijn familie, aan die onbeschermde vrouw, aan die onverzorgde kinderen, die veracht en slecht worden, te gronde gaan kunnen, als

22

Peter Mayr

ocr page 340

338

het hoofd der familie wordt ter dood gebracht? Of zij niet gedacht hadden aan de schande en den smaad, als die lieve, onschuldige kinderen eenmaal hooren moesten; jullie vader heeft als rebel zijn leven geëindigd op het schavot? — „Als rebel!quot; riep de verdediger uit. „Wie heeft dan onderzocht of Peter als rebel gehandeld heeft ? Hij is onschuldiger, dan hij zelf gelooft. Hij heeft van niets geweten. — Mijne Heeren! Als gij mij heden vraagt: is de vrede werkelijk gesloten, behoort Tyrol rechtmatig aan Beieren, en is dat de wil van Oostenrijk, dan moet ik antwoorden: ik weet het niet. En als gij voor mijne oogen het vredestractaat ontrolt en ik de onderteekeningen lees, dan zal ik moeten zeggen: ik kan het niet gelooven en ik weet het niet. Na alles wat er geschied is, wat beloofd was, wat het land gedaan had, is de plotselinge prijsgeving er van geheel ondenkbaar. Het kan — ik vraag zeer om verschooning — alles enkel een list des vijands zijn — ik geloof er niet aan en weet het niet. En zelfs als ik zien moest, hoe dat land ontruimd en overgegeven werd, moest ik de vuist tegen het hoofd slaan en uitroepen: het is zelfbedrog, in mijne door het ongeluk zoo verhitte hersens hebben zich ziekelijke voorstellingen gevormd, inderdaad echter geloof ik niets, en weet ik niets en ik kan niets weten. Ik ben een eenvoudig mensch die van politiek niets begrijpt, en wat ik gedaan heb, heb ik gedaan niet uit haat of nijd tegen iemand, maar alleen voor de vrijheid van Tyrol, en als ik mijzelven voorpraten wou: ik heb het verstaan en ik heb het geweten, dan was ik onwaar tegen mijne rechters en tegen mij zeiven. — Zoo, mijne Heeren, moest ik, was ik aangeklaagde, spreken en iets anders kan ook Peter met goed geweten niet zeggen.quot;

Nadat de verdediger alzoo gesproken had, trad de generaal naar voren en sprak op luiden toon: „Aangeklaagde! Maak uzelven niet tot een slachtoffer van zelfbedrog, ik herinner, dat het uw leven, het welzijn uwer familie geldt. Ik doe u nu de beslissende vraag: Hebt gij bij uw daad in de Eisack-kloof enkel gehandeld in geloof aan uw goed recht?quot;

ocr page 341

339

quot;Ja-quot;

„Dacht gij dat het nog oorlog was?quot;

Peter zweeg.

„En hebt gij niet geweten, dat de vrede reeds gesloten was?quot; Peter hief langzaam zijn hoofd op en sprak: „ik heb het geweten, dat is de waarheid en anders kan ik niet zeggen.quot; In het zijvertrek hoorde men een gillenden kreet. De veroordeelde werd weggevoerd.

Aan den avond van denzelfden dag, toen Peter weer in de gevangenis zat, verlangde hij naar zijn zwager. Augustijn verscheen aarzelend, want hij zag op tegen zulk een ontmoeting met den geliefden man, die den volgenden dag zou worden ter dood gebracht. Toen hij binnenkwam ging Peter hem heel ongedwongen tegemoet en vroeg naar Notburga. Augustijn verzweeg, dat zij sedert haar ineenzakken bij het verhoor in een slaap op onmacht lijkend lag, hij zei slechts, dat zij zich nu moesten gereedmaken voor de terugreis.

„Doe dat Augustijn, doe dat,quot; zei Peter, „reis heden nog. Morgen hebt gij in Bozen niets te doen.quot;

Augustijn zat voor hem als in gedachten verloren. Eindelijk zei hij, slechts met moeite de stem uit de keel dwingend: ,,'t liefst zou ik met je gaan. Niet, alsof ook mij het lot toekwam van zoo n rebel, neen, ik wou alleen maar van deze wereld weg, een zoo schoonen dood zou ik willen sterven — voor de waarheid sterven . . . .quot;

„Leef voor haar,quot; antwoordde Peter. „Gij hebt den kansel, den biechtstoel, het sterfbed. Dan hebben wij thans niet noo-dig afscheid van elkander te nemen. Slechts dit eene,quot; voegde hij er bij, „ik zou nog graag weten, hoe het met de anderen gaat.quot;

„Van de meesten weet men nog niets,quot; antwoordde Augustijn. „En waar men van hen iets weet, is 't niets goeds. Den waard van ,,'t Zandquot; hebben ze voor eenige dagen naar Welschland gevoerd. Men hoort, dat zijn vonnis al geveld is.quot;

„En 't is?quot;

„Het gaat hem als u,quot; zei de jonge priester.

ocr page 342

340

„Goed, dan heb ik dadelijk gezelschap op de reis naar de eeuwigheid.quot;

„Peter, 't zal een heele processie wezen,quot; zei Augustijn, „en ik denk, dat gij voor God de eerste en de grootste ween zult.quot;

„God zij mij genadig, ik boet voor mijne zonden. Ik sterf, omdat ik gedood heb. — Mijn beste broeder Augustijn, heb dank voor alles, wat je voor mij en de mijnen geweest bent. Zeg dat ook aan mijne andere vrienden, en als ik iemand eenig leed gedaan heb, dan vraag ik vergiffenis. — En nou — laat me alleen, ik wil in dezen nacht nog wat nadenken over de ellende op deze wereld, opdat het sterven mij wat gemakkelijker voorkomt. — Beloof me alleen één ding tot mijn troost. Augustijn. Morgen — bespaar je dat. Blijf bij hen. — Ga naar huis . . . .quot;

De priester was voor Peter op de knieën gezonken en wou hem de hand kussen; Peter wendde zich heftig af en zei geen woord meer.

In den daaropvolgenden nacht tei de veroordeelde zich niet meer op zijn strooleger. Hij zat aan tafel, en las bij het droeve schijnsel eener lamp een poos uit het stichtelijk boek. Daarop begon hij strak voor zich uit te staren. Herhaaldelijk schrikte hij op en keek naar het venster, alsof hij zien wou, of de dag haast aanbrak.

Plotseling vernam hij buiten voor het venster een zacht geklank. 't Was getokkel van 6naren, en een jeugdige, in-wee-moedige stem zong:

O, Mahrwaard van den straatweg. Vaarwel, vaar eeuwig wel,

Mijn hart kan het niet vatten. Dat het u afstaan zal, Den wreeden dood des helden Voor waarheid wilt gij sterven In 't trouwe land Tyrol.

ocr page 343

341

Daarop kwam een morgen met winterig koud licht. Er stond geen wolkje aan den hemel en toch was het niet zonnig helder; een droefblauwe nevelsluier lag over 't dal, waarin de huizen en de boschaadjes en de bouwvallen en de bergen wegdoezelden. Buiten achter de stad Bozen, glooit uit het enge dal van de Talfer een geduchte breede puin-en zandhelling omlaag. Midden in fijn wit zand liggen stomp-kantige steenen en rotsblokken.

Op dat puinvlak gingen thans eenige officieren heen en weer, alsof zij den grond wilden onder- of een bepaalde plaats uitzoeken. Een hunner had een zwarte staaf in de hand, en daar boven, waar een effen zandvlak lag tusschen twee rotsblokken, stak hij de staaf in den grond. Daarop verwijderden zij zich.

In de stad was het reeds sinds den vroegen morgen ongewoon levendig. De menschen liepen niet met hun gewonen stap, zij ijlden, zij haastten zich. Menigeen liep zelfs, zonder misschien te weten waarheen. Bij de stadspoort naar den kant der Talferbrug stonden twee burgers. Ook deze waren misschien niet blijven staan, als niet elk hunner zich in den winkel een glaasje brandewijn ha'd laten inschenken, „tot maagwarmingquot; zei de een, „tot hartsterkingquot; de ander.

Op dien morgen hadden de menschen neiging bij die poort post te vatten, doch schildwachten dreven van tijd tot tijd de ophooping met groot geschreeuw uiteen. Maar van onze twee burgers had de een de wacht een paar glaasjes „snapsquot; aangeboden „tot stemsterkingquot;, en zoo bleven zij ongehinderd op hun standplaats.

Een der burgers keek naar de torenklok en zei: „acht uur. Nou mot ie gauw kommen.quot;

„Als de generaal hem nog op 't laatste oogenblik pardonneert?quot;

„Ik wensch 't hem toe. Maar 't zou mij spijten, als ik voor niemendal zoo vroeg uit het warme bed gekomen was.quot;

„Misschien is 't hem toch eindelijk duidelijk geworden, dat hij niets geweten heeft. Ik had hem toch voor verstandiger gehouden

ocr page 344

342

„Geduld maar, vrind! Als hij eerst maar buiten staat en de zwarte snaphanen op zich gericht ziet, zal hij wel anders spreken. Ja, mijn beste, het sterven is bitter!quot;

„Hoe dikwijls is „meesterquot; dan al gestorven?quot; Met die woorden mengde zich een die naast hen stond, in hun gesprek en klopte daarbij den spreker op den schouder, „hoe dikwijls al, als je dat zoo goed weet?quot;

„Dat zul jij me niet leeren!quot; stoof de ander op. „Leer jij het broekenmaken ordentelijk, als je een tailleur wilt wezen! Fran^osenlikker!quot; 't Zou waarschijnlijk een vechtpartij geworden zijn, toen iemand plotseling uitriep: „daar zijn de Oostenrijkers! Daar zijn de Oostenrijkers!quot;

Alles stoof op en zette de halzen naar den kant van een zijstraatje, waar een bende rondtrekkende Kroaten en Slo-waken met fluit en doedelzak muziek maakten. Hij, die dat geroepen had, moest zich ijlings uit de voeten maken, anders was zijn gemeene geestigheid hem slecht opgebroken. Thans begon op den toren een klokje te luiden.

„Nu, de doodvogel zingt al!quot; fluisterde er een, „nou zullen ze gauw met hem hier zijn.quot;

Alles kwam opnieuw ih beweging. Eene opgewonden men-schenmenigte drong door de smalle lange straat vooruit. Dof tromgeroffel werd hoorbaar en kwam nader; een troep Welsche soldaten marcheerde door en te midden daarvan de arme zondaar.

Hij was in zijn Tyroler gewaad, 't hoofd bloot. Die hem vroeger gezien hadden, herkenden hem terstond weer; hij was in 't geheel niets veranderd. Hij stapte rechtop voort en keek recht voor zich uit op den weg, slechts een-, tweemalen was eenige trekking om zijne oogen merkbaar. Zijn gelaat was bleek en kalm, de lippen hield hij onder de blonde snor gesloten. De handen waren gebonden met een zwarten riem en aan dezen riem hield een soldaat, die links van hem liep, hem vast. Aan zijn rechterzijde liep een Kapucijner in bruine pij met langen zwarten baard en het kapje op het geschoren hoofd. Deze hield een houten krucifiks in de hand

ocr page 345

343

en prevelde gebeden. Zoo werd Peter Mayr naar de strafplaats geleid. Hij stak uit boven hen, die hem omringden. Toen de menschen die gestalte zagen, verstomde elk geluid in hun mond. Velen verbleekten en weken eerbiedig terug.

De stoet trok de stadspoort uit. Toen de vrije uitgestrekte streek, door geen muur beperkt, daar voor hem lag, met hare blauwe bergen en door den dunnen nevel zelfs een zonnig schijnsel voer, hief Peter eenmaal zijn hoofd op en keed rond. Het klokje luidde bestendig, de trommels roffelden al door. De stoet marcheerde nog steeds verder, bijna tot aan de brug. Daar klonk het kommando: „rechts!quot; De stoet verliet den straatweg en bewoog zich voort dwars over het puin. De volksmenigte wou achtemastroomen, maar werd door soldaten, die daar in lang gelid waren opgesteld, teruggehouden.

Daar boven verhief zich tusschen twee rotsblokken op wit zand een zwarte staaf. Peter ontdekte haar en begon te beven — hij wankelde. Men bleef staan en gebood hem zich op een steen neer te zetten. Er stonden groote droppels op zijn voorhoofd, men laafde hem met azijn, hij sloeg zijne oogen op naar den priester — 't was een blik vol van oneindigen doodsangst.

De Kapucijner gaf hem het krusiflks in de hand en zei: „denk aan Jezus, uw Verlosser.quot;

Peter nam het kruis, drukte het aan den mond. Daarop knikte hij, 't was al beter, en stond op.

Thans ging hij kalm en geheel rechtop verder. Soldaten struikelden over het puin. Peter schreed rustig voort en wankelde niet meer. Zij brachten hem bij de plek, waar de staaf stond, daar aangekomen maakten zij halt. De trommels hadden opgehouden te roffelen, de soldaten vormden een groot halfrond en te midden daarvan plaatsten zich twaaf man met gevelde geweren.

De soldaat, die naast hem had geloopen, maakte den riem los en trad achteruit, zoodat de arme zondaar en de Kapucijner geheel alleen stonden in het halfrond op het terrein. Een officier las nog eenmaal het vonnis voor, brak de staaf stuk en wierp de stukken voor de voeten van den veroordeelde.

ocr page 346

344

Peter stond kalm, de priester bad zachtjes. Toen nu alle toebereidselen gemaakt waren, zoodat het kommando tot volvoering van het vonnis kon gegeven worden, keerde Peter zich naar den geestelijke, om dezen het krusifiks terug te geven.

De kapucijner nam het niet aan doch sprak: „gij moet het in de hand houden, de afbeelding van onzen Heer.quot;

„Ze zouden het kunnen raken,quot; zei Peter, gaf het kruis terug en de priester stak het bij zich.

Toen men hem blinddoeken wou, maakte hij een smeekend gebaar, dat niet te doen; alzoo deden zij 't niet. Hij verhief zijn blik naar de bergtoppen, liet hem weer zakken en keek toen vast en zeker naar de soldaten, die ongeveer vijftien schreden van hem af met hunne geweren gereed stonden. De priester kuste hem en trad achteruit. Dat alles geschiedde zonder geluid.

De officier wendde zijn brieschend paard en kommandeerde: geweer op; De geweren verhieven zich kletterend en werden lijnrecht op den veroordeedle gericht. Deze stond als een zuil van metaal.

„Vuur 1quot;

De geweren bliksemden, knalden, de rook vloog in de lucht. Peter Mayr zonk op zijne knieën. In die houding bleef hij een paar seconden en het was alsof hij zijne hand wou brengen aan zijne borst — daarop zonk hij neer op het witte zand.

Toen alles gedaan was, kwam hoog op een schimmel een ruiter aanrennen, 't Was de generaal. Hij steeg van het paard, schreed op den doode toe en bedekte hem met zijn eigen mantel. Daarop wendde hij zich tot zijne officieren en gaf het volgende bevel: „twee man waken hier tot aan zonsondergang. Draagt hem dan naar boven naar den rand van den berg, waar de palmboom staat. Begraaf hem daar in den grond van zijn vaderland.quot;

En alzoo is geschied.

EINDE.

ocr page 347
ocr page 348
ocr page 349