-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

H00GDU1TSCH-NEDERLANDSCH

15 N

NEDERLANDSMOOGDUITSCH

W O OEDENBOE K.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

11OOGD UITSC H- NEDER LA N DSC H

EN

NEDEELANDSCH-HOOGDUITSCH

WOORDENBOEK,

KAAK DK BESTE EN NIEUWSTE BRONNEN BE1VERKT.

f RinU07-CA Tf ji COriV. WilCMSNS Ij

^teln^ 1. HoogduitsclTNederlandsch.

B! f?i 0 T C C A N *IJCHE*S

»3*0. F * * T. MIN

V________

ROTTKHDAM, D. BOLLE.

-ocr page 8-

_

[

i

-ocr page 9-

H OOG D UI TSCHNEDEE LA X DSCH

EX

X EDER LAXDSCH-H OOGD UITSC H

WOORDENBOEK,

KAAR DE BESTE EN NIEUWSTE BRONKEN BEWERKT.

1. HoogduitsclKNederlandsch.

■' B!Ri. iOTECA

^IJCHEMS i

t OSgt;ü. F**T. HIM V________

ROTTERDAM,

I). B O L L E.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

YRRKORTING EN.

YERKLA RING

aanw. vnw — aanwijzend voornaamwoord, h

Pronomen demonstrativum. iem.

bedr. ww. = bedrijvend werk woord, Fer- iems.

bum activum. H.

J)olr. vnw. = betrekkelijk voornaamwoord, jem

Pronomen relativum. jemn.

hez. vnw. bezill.elijK voornaamwoord, jemn.

Pronomen possessivum. lidvv.

bijv. =: bijvoeglijk naamwoord, hi- ni.

jecliv. nn.

bijv. en b rr bijvoeglijk naamwoord en bij- ni. h.

woord, i ljectiv und Jdver- m .v.

hium. o

bijw. = bijwoord. Adverbium. nnb.

fi'k. — elkander, einander.

enk. = enkelvoud. Singular. onp. ww

clw. — cfwas, iels.

'iy = figuurlijk, figurlich. onr

gem. — gemeen, niedriy. o. ww. gemeenz. gemeenzaam, fnnriliar.

hnben, hebben.

iemand, jemand.

iemands, jcmflnrfs. Hem, insgelijks, ook. Hem jemand, iemand.

jemand en., iema ml.

jemands. Iemands.

lidwoord, Artikel.

manlijk, masculinum meervoud, Plural.

mei hahen, mil halien. mei sein, mil sein.

onzijdig, ventrum, saclilirh. onbuigbaar, onvoranderliik, indeclinabel.

onpersoonlijk werkw oord,/Vt-hum im persona Ie. onregelmatig, u n rep elm a s : iq onzijdig werkwoord, f'erbum neutruw..


-ocr page 12-

1

vut

(jers. — persoon, Person.

pers. vnw. ~ persoonUik voornaamwoord.

Pronomen, personate. reg. — rcgelmaüg, reijelmdsziij.

telw. = telwoord, Zahlioort. Zahlbei-

wort.

lussch. = tusscbenwerpsel, Inlerjedion.

= v.rouwoliik,/■emmiimm. veroud. — verouderd, all.

voegw. ■— voegwoord. Conjunction. vnw. voornaamwoord. Pronomen.

vollist. in de volkstaal, pöbelhafl.

voorz. ss voorzetsel, l'rtiposition. wed. ww, = wederkeerend werkwoord,

Verbum reflexivum. Z — «ie, sicli

=s zelfstandig naamwoord. Subsi antiv.

— zonder meervoud,oAneF/wr»/.

i. m.

: scfieidi de verschillende van elkander

afwijkende beteekenissen.

- vervangt liet hoofdartikel of liet eersle gedeelte daarvan.

vervangt hel voorafgaande artikel. Het tusschen ( ) geplaatste duidt hy de manlijke zelfstandige naamwoordenden tweeden naamval en liet meervoud, hü de vrouwe-lUke liet meervoud aan en bg de bijvoeglpe naamwoorden den vergrootenden trapen den overtreffenden.

VERKLAPING DliU VERKORTINGEN.

zeirst.


-ocr page 13-

.Sub-

A, {A of A's, mv. A of A's) 0. A, Y.; er weisz weder A noch B davon zu saqen, liij weet er hoe noch ba, niets van; wer Asagt muss auch B sagen, wie A zegt moet ook B zeggen.

Aak, [Aak[e)s, mv. Auke) o., en Aake, (mv. Aken) v. (sooi't van schip op den Ryn), Keulsche aak v.

Aal, [Aul(e)s, mv. Aaie) m. aal, paling m.; cinen - bei/n Schwanz utistreifen,eenc zaak verkeerd aanvatten.

Aal-angel,v. angel, haak m.voorpalingen;

- bustard in. zeeviscli, zeejonker m.-,-baum m., /.. Heckenkirsche; -bcere v., Z. Aluntbeere; -beerstrauchm., Johannisieerstrauch; -be-liallerm.,Z.- haUer;-bockm. zalm m. uit het Thunermeer; - bricke v.,-gabel; -butle v., Z.

- raupe.

Aale, v., Mie.

Aal-eldechse, v. aal-hagedis v.; -eisen o., Z. -slachel.

Aaien, o ww. aalvangen, peuren.

Aal-fang,m. aalvangst v.; -/««(/crm.aalvis-scherm.; -feil o ./..-haut:-P'iszcZ.-pup])e: -fiirmig liUv. en h. aalvormig; -frau v. palingvrouw, pnlingvcrkoopsterv.;-jn()d v.elger, aalgeer m., aalijzer o.;-gebackencso. gebakken aal m.; -griippe v., Z. Schlcim/isch; -grundel v., -gründlimj m. aalgrondel ni.;-/ia(/erm. aalkaar v.; -haul v. aalsvel o.; -kirschey.,Ahl-kirsche; -korb m. palingkorf in., aalkorf m.; -krug m. aalkruik -lager o. holte v., die de paling of aal voor zün winterverblijf maakt; -lege\,.,r/..-wehr; -m«H(TV.slUmvisch,rotvlsch m,; -nest o., -lager; -nelz o., Z. -wate; -\mstele v. palingpastéiv.; -privkey.,'/..-gabel; -puppe v. hos biezen met daaraan verbonden aas om aal te vangen; -quappe v. smeerling, ri\ iergrondel, barbot m.; -quasi v. bos groene takken om aal te vangen; -raupe, -ruppe v. kwabaaljpuilaalm^-rej-scv^Z.-ftor^-sc/itonge v. meeraal, zeeaal m.; -schleichev. aalhagedis v.; -starhei m., Z. -gabel; -steelier m.,Z. -langer,- -slein m. aalsteen m.; -streif(en), -strich in. zwarte streep op den rug der palingen en van sommige paarden; -suppe v. aalsoep, aalmoes o.; -thierchen o., Z. Essig-, R'leisterakhen; -u'ute\. aalnel o., aalwadev.; -loehr v.aalweer v.; -toets, Z. Buitfat; -wurm m.,Z. -thierchen.

Aar, {-(e)s of -en, mv. -e of -en) m. adelaar, arend ni.; -beere, -kirsche v., Z. Elsebeere; -weihe v. wouw m.

Aaron, Z. Aron.

Aas, {Aases, mv. Aeser) o. eten, voeder o.; aas, lokaas, deeg o.; lijk o., dood diero., kreng o.; (fig.) Z. l.uder; -blatter\. kwaadaardige puist, pestbuil v.; -blume v., Z. -pHanze

turat j

a nd ei' ei'üe :

jg Je wee-uwe-giyke ii den

Aasen, o. ww. azon, vreten; (van kinde ren), met bet eten morsen; (van koeien), slordig vreten; lm Grase -, (van het wild), azen; (lig.) slordig te werk gaan; 2. bedr. ww. azen, vreten; afschaven, van het aanhangend vleesch ontdoen.

Aas-fliege, (-«) v. aasvlieg, drekvlieg v.; -Iraszig, -fressend, -fressig hyv. nw. aasvre-tend; -geier m. aasgier m.; -geruch, -gestank m. aaslucht, rotluchtv.; -gierig bijv. en h. be-geerig naar aas; -grube v.vilkuil m.;-hafl,-i(i bijv. en b. aasachtig,lijkachtig; (lig.) Z. husslich, schmutzig; -kcifer in. drekkever ni., krengtor v., doodgraver m.; -kopf m. gevilde dierkop m.; -kriihey. zwarte kraai y.-,-kuhle\.,Z.-grubs; -mücke v., Z. -Hiege; -pflanze v. stinkplantv.; -poeke v., Z. -blatter; -rabe\.,'/.. Rube; -rau-berm. mv. giersoorten; -seite v., Z. Fleischseite; -vogel m. aasvogel m.; -wurm in., Z. Leiehen-wurm.

Ab, voorz. af; II. by w. er af, minder; auf uml -, op en neder.

Abaasen, bedr. ww. afvreten, Z. aasen; wed. ww. sich -, zich met vuil, morsig werk vermoeien.

Abactazen sich), wed. ww. zich uitputten, afmatten door gekerm.

Abackem, bedr. ww. afploegen.

Abanderlich, byv. en b. veranderbaar, wat men veranderen kan; verhuigbaar; -keil v. veranderlijkheid, verbuigbaarheid v.

Abaudern, o. ww. allengs of een weinig veranderen; 2. hedr. ww, een weinig veranderen, verschikken, wijzigen; verhuigen; 3. wed. ww. sich -, veranderen; verbasteren.

Abandon, m. afstand m., overdracht v.

Abandonniren, bedr. ww. afstand doen, overdragen, aliandonneeren.

Ab-ang£ten,-angstigen, bedr. ww. door angst afmatten; door angstig maken afpersen; ■2. wed. ww. sich -. zich door angst kwellen, door angst verteerd worden.

Abarbelten, bedr. ww. door arbeid losmaken, w egwerken, verslijten; voltooien; loswerken; verwijderen; vlot maken; door arbeid afdoen; afmaken; 2. o. ww. ophouden met gisten; 3. wed. ww. sich -, vlot worden; zich met w erken afmatten, afsloven.

Abargem, bedr. ww. zeer ergeren, door ergeren uilputten;door aanhoudend lastig vallen verkrijgen, afdwingen van; 2. wed. ww. sich -, zich dood ergeren; spoedig een einde maken aan zijne ergernis.

Abarnten, Z. abernten.

Abart, v. ontaarde nakomelingschap v., verbasterd ras o.; bastaardsoort; verscheidenheid v

i

A.


-ocr page 14-

ABB

ABB

Abarten, Z. ausarten

Abaschern, lieilr. ww. mcl hede asch alwrijven; 2. wed. ww. (flg.) sic.'; •, zich afsloven.

Ab-asen, -aszen,hedr. ww., V.. ahfressen, abweiden.

Abasten, hedr. ww. snoeien; 2 wed. ww. sich Z. verzweifien.

Abathnien, hédr. ww. wederheetcn,dooi'-gioeien.

Abatzen, hedr. ww . afvreten, afweiden; weghijten.

Abaugeln, hedr. w w. niet het ooghepalon; met het oog zoeken, ontdekken; door een vrien-deiyken Wik verkrijgen.

Abauszeruj hedr. ww.het hozit ontnemen.

AbbacUen, o. w w., m. s. te hard gebakken, hoikorstig worden; m. h. afbakken, ten einde toe hakken; 2. liedr. ww. met hakken afdoen.

Abbacken, hedr. w w. die Di'ichlinic afhakenen, afzetten, de richting met paaltjes aangeven.

Abbaden, o. ww. haden;2. hedr. ww.goed haden, wasschen; met hadon, (door baden) af-wasschcn.

Abbahen, o. ww., Z. biilien.

Abbahren, hedr. ww. van de herrie of draagbaar afnemen.

Abbaken, bedr. ww. ba kens zetten, boeien en tonnen leggen in dt rivier om bet vaarwater aan te w ijzen.

Abbalgen, bedr. w w. de huid aftrekken, villen, de huid afstroopen-, (lig.) afrossen; 2. wed. ww. sic.'' -, zich moede vechten.

Abbalzen, o. ww. opbonden met ritsig zijn; 2. wed. ww. sich door ritsigheid mager worden.

Abbamsen, bedr. ww. uitkloppen.

Abbansen, bedr. ww., abamtstujen.

Abbanuen, bedr. ww. van hekserij, too-verij bevrijden.

Abbarbiren, bedr. ww. afscheren.

Ahbasten, bedr. ww. van den bast ontdoen, afschillen.

Abbau, in. verval o.; de in de diepte gaande mijn vv. de ontginning v. eener mijn, de plaats van ontginning; -ort m., -stelle v. werf \.

Abbauchen, bedr. ww., Z. ablauyen, cin-iveichen.

Abbauen, o. ww. naar heneden graven; 2 bedr. w w. ten einde toe ontginnen-, afbreken; met de opbrengst van bet opbouwen terugbetalen.

Abbauraen, o. ww. van eenen boom vliegen, den boom verlaten.

Abbaumen, bedr. ww. van het getouw nemen, ontrollen, afrollen.

Abbauung, v. afbreken o.; delving, opdelving v.; ophouden o., slaking v. van het werk.

Abbeeren, hedr. ww. ledig plukken, afplakken, aftrossen; risten.

Abbofehlea, bedr. ww., Z abbestellen.

Abbegehren, bedr. ww. vragen van.

Ab'oehaiten, bedr. ww. onr. afhouden, in de hand houden, niet weer opzetten.

Abbeilen, bedr. w w. met de bij I afhouwen.

Abbeiszen, hedr. ww. onr. afbijten, met de tanden afhalen; i. wed. ww. sich eikander iiijten; it. zicii moede hijten; (Hg.) twisten.

Abbeizen, hedr. ww. met sterk w ater amp; wegnemen; doen uithijten; abncbcizle ll'olle, sterfwol v.

Abbeiien, hedr. ww. afblaffen; i. wed. ww. sich zich moede blaffen.

Abben^eln, l)edr. ww. afslaan.

Abbersten, o. ww. onr. losbersten,afher-sten.

x\bberufen, hedr. ww. onr. terugroepen (van een zaakgelasligde); 2. voor eenean-dere, iioogere rechtbank trekken.

Abbestellen, hedr. ww. afbestellen, afzeggen.

Abbeten, hedr. ww. geheel hidden, afhi'l-den; (lig.) op hiddenden toon uitspreken; door bidden uitwisschen; bezweren, door gebeden afwenden.

Abbettein, bedr. ww. afbedelen, door aanhoudend verzoeken en smeeken verkrijgen.

Abbetten sich , wed. w w. zijn J)eil van den muur afzetten, slapen op eenen afstand van; (lig.) niet meer met zijne vrouw slapen.

Abbeuss^ hedr. ww., Z. abbienen.

Abbezahlen, hedr. ww . een gedeelte van iels heialen; geheel a quot;betalen, afdoen.

Abbiegen, hedr. w w. onr. afbuigen, naar eenen kant wenden; vervoegen; 2. o. w w . van den w eg afgaan, een zijpad i nslaan.

Abbieten, o. ww. afdingen; 2. bedr. ww. door afniijnen maken dal iem. geen kooper wordt; van den kansel afkondigen.

Abbild, o. afbeeldsel o., kopie v., beeld o., beeltenis v.

Abbüden, bedr. ww. afbeelden, afschilderen, teekenen; boetseeren, nabootsen; (lig.) voorstellen, afschilderen, beschrijven.

Abbildner, -bildneria, voorsteller, teekenaar, afheelder, vormer m.; schilder, kunstenaar m., kunstenares v., schilderes v.

Abbilduug, v. afbeoldingv.,beeldo.,voorstelling v., portret o., i'.lustratie v.; afleiding v.

Abbimsen, hedr. w w. met puimsteen afwrijven, doen verdw ijnen.

Abbinden, hedr. ww. onr. losmaken, afdoen; ein Kalb-, speren;afbinden, door binden doen afvallen; ein '•'((«.? -, afmaken, hoepels aanleggen; in elk. zetten, opsluiten, afmaken; (Spr.) cinen lUiren -, eene schuld betalen, een heer afdoen.

Abbiss, (-es, mv. -e) m. afbijten o., met de tanden wegnemen, doorsnijden o.; beet m., bete v.; plaatsv. waar bet wild gegraasd heeft; Z. Teufelsabbiss.

Abbitte, v. verzoek o. om vergitfenl.-; -tliun, vergirienisvragenvoor;-i)ric/'m.smeekschrift o.

Abbitten, bedr. w w. onr. vragen ooi ver-gilfenis, zich verontschuldigen bij Iem.; afbidden, aftroonen, door bidden verkrijgen.

Abblttend, bijv. nw. smeekend


-ocr page 15-

ABB 3

ABB

Abbittlich, liijv. nw. vergDfelUk,versclioon-liaar.

Ab'ülanlien, licdr. wquot;\v. weder l)larik ma-ken, polijsten.

Abblasen, lieilr. w\v. onr. wegblazen, af-lilazen-, losbiandeii; o. ww. den aftoclit Wazen; met den jaelithoorn terugroepen, voorde laatste maal blazen.

AbMassen, bodr. ivw., Z. ah-, verschie-s:e)h

Abblatten, bedr. ww. afbladeren; 2.o. ww. de bladeren afeten, bel gebladerte afknagen, opeten.

Abblattern, o. ww. de pokken verliezen, van de pokken genezen.

Abblattern, enlMattern, abblatlen; 2 wed. ww. .sir// scbilferen, afscbilferen.

Abblatterung,-blattung,v. afscbilferen o.; -smillel o. afscbilferingsmiddel o.;-sreclien m. Irepaan m., schedelboor v.

Abbiauen, o. ww. blauw afgeven.

Abblauen, tilauw maken, doorbalen; (tig.) afrossen, boni en blauw slaan.

Abbleiohen, bedr. ww. beboorlijk i)lee-ken; 2. o. v. w., m. h. afbleeken; it. m. s. (van de kleur eoner slof), versebieten, verkleuren; (fig.) verbleeken.

Abbliclien, o. ww. opliouden te flikkeren.

Abblitzen, o. ww. opbonden te bliksemen, ie weerliebten; weigeren, ketsen.

Abblühen, o. ww. zijne bloemen verliezen, uitbloeien.

Abbluten, o. w\v., ambluten; 2. bedr. ww. met zijn bloed uitdelgen.

Abblüthen, o. ww. uitbloeien; 2. bedr. ww. van de bloesems ontdoen.

Abbolinen, bedr. ww. afboonen, de boenen afbalen; 2, boenen, met was boenen, polijsten.

Abbchren, o. ww. afboren. alle vorelscbte gaten horen; 2. bedr. ww. doorboren, boren.

Atboarer, m., Z. lierqbohrer.

Abborgen, bedr. ww. afliorgen, afleenen.

Abbosseln, abbossen, tjcdr. ww, vormen, voorstellen, boetseeren.

Abbrand, m. gewichtsvermindering v., gewiehtsveiiles o. door de gloeiing of smelting.

Abbrandler,m.hij, wiens bave verbrand is.

Abbrassen, bedr. ww. inbalen,de zeilen s'rijken, reven.

Abbraten, bedr. ww. onr. goed braden, gelieel tiraden.

Ac.brauchen, Z. abnülzen..

Abbrauen, o. ww. goed brouwen, afbrou-wen.

Afcbraunen, o. ww. bruin afgeven, de bruine kleur loslaten.

Abbraunen, bedr. ww. geheel bruin maken, goed bruin laten worden.

Abbrausen, o. n w. goed gisten of koken; (fig.; Z. ausbrausen.

Abbrechen, o. ww. onr., m. s. afbreken; m. /i. ophouden; mil jemn. -, breken, kwade vrienden worden; knrz kort afbreken; 2.

bedr. ww. onr. Ohst -, plukken; elm. vom Preise -, afhouden, afkorten, korten, inbonden; elw. übers Knie -, kort enhaastigafdoen; eine /irückc afbreken; ein (dies Sclii/f sloopen; ein lluus -, afbreken, sloopen; das I.tiqer -, opbreken; ein /.dl -. opnemen; das Hier -, in de koelbakken omroeren; einErzla-ner -, openen; :t. wed. ww. sich -, ten einde toe braken, zich door braken afmatten.

Abbreiten, bed. ww. das Kupferblech platter maken, uitrekken, nilplelten

Abbrennun, o. ww. onr. afbranden, door vuur verleerd worden, in de aseh gelegd worden, zijn huis door brand verliezen; dooreenen brand arm gemaakt worden; afgaan, kelsen; spoedig branden; - of ahqebraiml sein, geen geld hebben, slecht bij kas zijn; 2. bedr. ww. afbranden; afsebielen, afsteken; goed branden, uitbranden; das Eisen -, barden, temperen; in tin doopen.

Abbreviatur, abbreviren, Z. Abkür-zung, abkürzen.

Abbringren, bedr. ww. onr. wegnemen, uilhalen, losmaken; (fig.) afleiden, afbrengen.

Abbröclieln, bedr. ww. afbrokkelen, brokkelen, kruimelen; 2. wed. ww. sieftalkrui-melen.

Abbrocken, bedr ww., Z. abbrikkeln.

Abbruch, m. afbreken o.; afbraak ra.; ein Hans auf den - vevkaufen, voor afbraak verknopen; (lig.) (time-, zonder korting, verminde-ringv.; jemn. - lltun, afbreuk doen, benadeelen; sich - lltun, zich berooven van iets. zich zel-ven onrecht aandoen; krenking, verkoriing v.; der Cesundlteil - tlmn, benadeelen; breuk v.; (van een gebouw), afbraak m., overblijfsel o.; losgemaakt erls o.; afgespoeld stuk o. land of dijk.

Abbriichig, bijv. nw. broos; (fig.) nadee-lig, schadelijk; krenkend.

Abbrüben, bedr. ww. broeien.

Abbrüllen, bedr. ww. uitbrullen; afbrul-len; jemn. e/Mi.-,door builen, brullen, scbreeu-v. en iels van iem. verkrijgen; 2. wed. ww. sich -, zich moede brullen of schreeuwen.

Abbrummen, o. ww. brommende heengaan.

Abbrunstcn, o. ww'. ophouden tochtig te z(|n, niet racer tochtig zijn.

Abbrüten, o. ww . niet racer broeden, ophouden te broeden.

Abbuden, o. ww. de kramen afbreken.

Abbügeln, bedr. ww. afstrijken, goedstrij-ken, afpersen; eindigen met strijken.

Abbuhlen, bedr. ww. aftroonen, door vleierij van iem. verkrijgen; alujebultll, uitgeput, verzaakt door buitensporigheid, onmatigheid of onkuisehbeid; 2. wed. ww. sich zijne gezondheid vernietigen door overdaad, losbandigheid, onkuischheid, zijnekrad'.len verliezen.

Abbürden, bedr. ww. zijn last nederleg-gen, nederzetten; Jemn. elw. -, ontlasten van iets.

Abbürsten, bedr. ww. afborstelen, met borstelen wegnemen.


-ocr page 16-

ABD

ABD

Ahbüszen, Mr. ww l)Oetc doen voor, uilwisschen, herstellen door Loete doen.

Abbüszung, v. boele, penitentie, herstelling y. .

Abbuttern, o. ww. afkarnen, ten einde too karnen; es ist noch nicht abgebuttert, de lioter is no? niet gemaakt

Abc, (Jtic of Jbc's, mv. Ahéa! Mies) o. allé, alic, alphabet; ahc-tioek o.; eerste beginselen.

Abc-banU, v. bank voor de eerstbeginnen-don, klapbank v.; (fig.) noch auf der - sitzen, nog in de beginselen zijn; -buck o. abc-boek o.; soort van gestippelde kegel- en porseleinschelp v.; -hnabc m. aanvanger, beginner m.. die nog aan het alic is; -lehrer m. onderwijzer m. der eerstbeginnenden; -nrdnumj v. alphabetische orde v.; -schuier, -schülz m., /.. Abcknube; -tafel v. abcbordje o.; -zahl v. alphabet, 23 vel druks.

Abconterfeïen, Z. abbilden, abmalen.

Abcopiren, Z. abzei(:hnen,abschreiben,ub-malen, nuchzeichnen.

Abdach, o. afdak o., Z. Truufdach.

Abrtacben, bedr. ww., Z. ubdecken; doen glooien, hellen, Z. b'ischcn; -2. wed. ww. sic/i-, (van een land), oploopen, hellen.

Abdaehig, bijv. en b. afbellend, glooiend.

Abdachung, v. helling, glooiing, schuinte v., talud o., dosseering v., Z. Btischung, Ab-hang; steilte, stelle helling v.

Abdammen, bedr. ww. afdammen, van eenen dijk omringen.

Abdatnpfen, o. ww. verdampen, uitdampen.

Abdatnpfen, bedr ww. doen of laten verdampen; door verdamping schelden; Jepfel - lassen, stoven, smoren.

Abc. anhen, o. ww., in. h. den dienst verlaten; afdanken, ontslaan; bei einer Leiche -, den stoet bedanken; -2. bedr. ww. afdanken, ontslaan, bedanken; cin Schi/f -, afdanken, uit de vaart nemen

Abdankung;, v afdanking v., ontslag o.; -sqeld o. betaling v., geld o. voor de lijkrede; -sredcw afscheidsrede v., lijkrede v.; -sschem m. paspoort o., pas, verlofbrief m.

Abdarben (sich etw ), wed. WW. zich zeiven iels onthouden, weigeren, zich heroo-ven van, Z. zich door ontberingen uitputten, verzwakken.

Abdarren, bedr. ww. behoorlijk eesten, afeeslen, eindigen met eesten, Z. abdürren.

Abdeckeln, bedr. ww. het deksel afnemen van.

Abdecken, bedr. ww. das Dach-, het dak afnemen; afdekken, het dak wegnemen; den Tisch -, de tafel, het tafelgoed afnemen; eiii Stuck Fieh -, villen, dooden en in stukken snijden; (tig.) jem -, afrossen, ranselen.

Abdecker, in. vilder m.

Abdeckerei, v. vilderij v., vildershuis o.; villen, aftrekken, doorten o.

Abdeckerleder, o. sterflertor o.

A^deichen, Z. abdammen.

Abderit el, {-n, mv. -n) m. Abderlet, inwoner m. van Abdera-, (tig.) dom, onnoozel mensch, sul m.; -englaube m, blind vertrouwen, Mind geloof ó.; -enstreich m. domme handeling v.

Abderitisch, bijv. nw. (tig.) dom, onnoozel, sulachtig.

Abdication, v. afstand m., vrijw illlge ne-derlegging of opzegging v. van een amtit, waardigheid, recht, vorstelijk gezag.

Abdiciren, o. ww. afstand doen, neder leggen.

Abdicken, o. ww. dik worden; 2. bedr. ww. einen Safl -, laten dik worden, verstijven.

Abdielen, bedr. ww. afschieten, beplanken; eine Slube -, bevloeren; 2. o. ww. man hal ubf/edielt, de vloer is gereed, klaar, de kamer is bevloerd.

Abdieler, m. bevloerder m., die den vloei legt.

Abdienen, Z. abverdienen, ausdienen.

Abdingen, bertr. ww. onr. afdingen; 2. buren van, in huur nemen van.

Abdisputlren, Z. abslreiten.

Abdocken, bertr. ww. uil de pop losmaken.

Abdonnern, bertr. ww. afschieten, lossen; (lig.) mei donderende stem bekendmaken; 2. o. ww. opbourten te donderen.

Abdoppeln, bedr. ww. met dubbelen draad rtoornaaien.

Abdorren,o. ww., Z. aus'lorren; verdorren en afvallen; verdrogen.

Abdorren, bertr. ww. Obst -, rtrogen, goed drogen; die Kuchen -, uilhameren, uil-zggen.

Abdörrofen, m., Z. Fnschberd.

Abdrabt, m. tinspanen m. mv.

Abdrangen, Z. wendrtinyen, ubdringen.

Abdrauen, Z. ubdrohen.

Abdrechseln, bertr. ww. afdraaien, met draaien wegnemen, geheel ronrt maken, afronden; (lig.) abgedrechseü, gemaakt, gezocht.

Abdrehen, bedr. ww . afdraaien, afwringen; einen Schlüssel -, verdraaien; it. Z. abdrechseln; op de draalsehgf vormen.

Abdreschen, bedr. ww. onr. dorsclien, Z. ausdreschen; Uaber -, dorsclien; seine Schuld -, zijne schuld betalen door te dorsclien; (lig.) jem -, iemand duchtig alranselen, afrossen; heimlich -, Z. verabreden.

Abdrieseln, bedr. ww.,/.abfaseln, abfa-sern.

Abdrillen, bedr. ww., Z. abdringen.

Abdringen, bedr. ww. onr. jeinn. etw. -, afdringen, afpersen, aftrochelen, door geweld verkrijgen van, afdwingen.

Abdrohen, bedr. ww. door bedreigingen verkrijgen,

Abdruck, in. afdruk, rtruk m., oplaag v., aftrek m., exemplaar o.; afdruksel o.; trekker, drukker m.

Abdrucken, o. ww., Z. abschmulzen; 2.


-ocr page 17-

ABE

ABE

o

bedr. ww. drukken, afdrukken;e/;ie Karte {rekken; ein Bill doortrekken, overnemen.

Abdrücken, o. ww. vom Ltycr-, afduwen, afdrukken; 2. wed. ww. sich zich uit de voeten maken; 3. bedr. ww. ein Gewehr -, aftrekken, afschieten; Z. ahdnntjen.

Abdruciistange, v. rust v. (\an een schietgeweer).

Abduction, v., Z. alleiding; breuk v.

Abdudeln, bedr. ww. neuriën, half luid zingen, opdreunen.

Abdunkein, bedr. ww. verdonkeren,donker maken.

Abdunsten, o. ww. verdampen.

Abdünsten, bedr. ww. doen verdampen.

Abdünstung, v. verdamping, uitdamping v.; -shad o. damp- of stoombad o.; -shaus o., Z. Gradirhuus.

Apdupfen, bedr. ww. afdrogen, met pluksel reinigen; afvegen.

Abebeuen, bedr. ww. effen-, gelijk maken.

Abecken, bedr. ww. de hoeken afnemen, afboeken; van hoeken voorzien.

Abeggen, bedr. ww. afeggen, met eggen wegnemen.

Abeichen, Z. eichen.

Abeifern (sicb), wed. ww. zich afmatten, vermoeien, uitputten, zich dooden door zich driftig te maken, te ijveren.

Abeiien, o. ww. wegijlen, zich haastig verwijderen.

Abeisen, o. ww. dooien; 2. bedr. ww. van ijs ontdoen, het ijs uithalen, uitscheppen.

Abaimosch, z. Disamkom.

Abend, (-(e) ?, mv.-tf) m. avond m.;(Spr.) es isl noch nicht aller Taqe wij zijn er nog niet, de zaak kan nog veranderen, hij heeft goed lachen, die het laatste lacht; man soil den schonen Ta(i nicht vor dem - lohen, men moet geen hei roepen voor men over den berg is; der heilige -, kerstavond m.; (lig.) Westen o.

Abend-aadacht, v. avondgebeden o. mv.; -v. avondwerk o.; -beluslujumi v. tijdverdrijf o., uitspanning v. voor den avond;-fowwc/i m. avondbezoek o.; -ietrachlunfi v. avondoverdenking v.; -blatl o. avondblad o.; -blume v. nachtschoone \.;-bro(l o. avondbrood, avondeten o.; -ddmmerung v. avondschemering v.; -essen o., Z. -brod; —szeit v. tijd m. voor het avondeten; -fuller m., Z. -vogel; -feier v., Z. -andachl; -naiuj m. avondwandeling v.; -gebet o. avondgebed o.; -gegend v. westelijke streek v.; -gehinte o., Z. -glocke-, -gemalde o. schilderij v. eenen avond voorstellende; -gesang m. avondzang m.; -gesellschaft v. avondgezelschap o., soiree v.; -gesprach o., 'A.-nnterhal-tung; -gewölk o. avondwolken v. mv.; -glanz m. avondglans, glans m. der ondergaande zon; -glocke v. avondklok v., avondgelui o.; -gold o., Z. -glanz; -gotiesdienst m. lof o.,avondgodsdienstoefening v.; -himmel m. westelijk gedeelte o. des hemels; -jagd v. avondjacht,fak-keljacht v.; -kost v., Z., -brod; -kreis m., Z.

-gesellschaft; -kühle v. avondkoelte v.; -land o. avondland, westeiijk land o.; -lander m. bewoners m. mv. van het avondland, westerling m ; i. mv., Z. -völker; -landisch bijv. en b. westelijk; -landschaft v., Z. -gemalde; -lich bijv. nw. van den avond; -licht o., Z. -stern, it. dierenriemslicht o.; -lied c., Z. -gesang; -luft v. avondlucht, koelte v., -lust[barkeit) v., Z. -belustigung; -mahl o. avondmaal,avondeten o.; (in de kerk), avondmaal,nachtmaal o.; communie v.; das — halten,[ar bedieninggaan, hoogtijd houden; —sbrod o. het brood o. by de bediening, gewijde ouwel m., hostiev.;—s/eier v. avondmaalsviering v., communiceering v.; —sg anger, —sgast, - -sgenoss m. avondmaa Iga a-ger m., nachimaalganger, communiant, communicant m.; —sgebel o. gebed o. voor decom-munie, vóór het avondmaal; —skleid o. kleed o. voor de communie; —lied o. lied vóór of bij de communie; —swein m. avondmaals-, com-muniewyn m.; -mahlzeit v. avondmaal o.; -markt m. avondmarkt v., de avond vóór den marktdag; -meer o. westelijk meer v.;-messe, v. vesper v.; -musik v., Z. -stdndchen; -opfer o. avondoffer o.; -pfauenauge o., Z. jSacht-pfauenauge; -punkt m. Westen, wespunt o., waar de zon ondergaat; -regen m. avondregen m.; -roth o. avondrood o.; -schein m., Z. -dammer ung, -roth; -schicht v. werk o., laak v.; -schmaus m. avondfeest o., avondparty v.; -segen m., Z. -gebet; -seite v. westelijke kant m.; -sonne v. avondzon v., ondergaande zon v.; -spaziergang m., Z. -gang; -speise v., Z. -brod; -spiel o. spel o. voorden avond;-j/a/uï-chen o. serenade v., avondmuziek v.; -stern m. avondster v.; -stille v. avondstilte v.; -stilstand m. westelijke, schijnbare stilstand m.; -stunde v. avonduur o.; -tafel v. avondtafel v.; -thaum.avonddauw m.; -tisch m. avondtafel v., avondeten o.; -uhr v. westelijke zonnewijzer m.; -unterhaltung v. avondgesprek, onderhoud o. voor den avond; -viole v., Z. yachtoiole; -vogel m. avondkapel v., uil m.; -völker o. mv. westelijke volken o.; -wdrts bijw. westwaarts; -weite v. avondwijdte, westelijke amplitude v.; -wind m. westenwind, avondwind m.; -wolf m., Z. Uydne; -zechew, Z. -brod;-zeit v. avondtijd;—vertreib m. tijdverdrijf, vermaak o. voor den avond; -zeitung v., Z. -blatt; -ziikel m., Z. -gesellschaft.

Abeateuer, {-teuers, mv. -teuer) o. geval, toeval o., zonderling, vreemd, zeldzaam voorval o.; ontmoeting v., wedervaren o.; gebeurtenis v., avontuur o.

Abenteuerer, -teuerin, avonturier, gelukzoeker m., avonturierster, gelukzoekster v., waaghals m., zwerver m., zwerfster v., landlooper m., landloopster v., geluksridder m., avonturier m., avonturierster v.,intrigant m., vrouw, die van geheimen minnehandel leeft.

Abenteuerig, bijv. en b. avontuurlijk, wonderlijk, zonderling, vol avonturen.

Abenteuerlich, bijv. en b. waagziek, kanslievend, grillig; wonderiyk, avontuurlijk.


-ocr page 18-

ABF

6

ABF

onwaarschijnlijk, zonderling; -keit v. zonderlingheid, grilligheid, buitensporigheid v.

Abenteuern, o. ww. geluk zoeken, op avontuur uitgaan.

Aber, voegw. maar, doch; -doch, dennoch, evenwel, niettegenstaande, echter; nun -, nu; oder-, sonst-,-sonst, of wel, anders; -,-1 maar helaas! 2. hijw. nog; (Spr.) es isl hein Mensch ohne ein -, niemand is volmaakt, ieder heeft zijne gebreken; ich will kcinc -, ik verlang geene maren, geene tegenwerping.

Aberacht, Z. Oberachl.

Aberben, bedr. ww., Z. erben.

Aberglaube, m. bijgeloof o., bijgeloovig-heid, lichtgeloovigheid v.

Aber-glaubig, -glaubiscb, bijv. en b. b y gel o o v i g, 1 i c h t ge 1 oo v i g.

Aberkennen, bedr. ww. onr. door eene uitspraak of een vonnis berooven van; van zijnen eisch afzien.

Aberkennung, v. berooving v. door een vonnis; -siiriheil o. oordeel, vonnis o. tol ontzetting.

Aberklaue, Z. Afterklaue.

Aberiaucb, m. Spaansch knollook o.

Abermalig, bijv. en b. nieuw, ander, tweede, herhaald.

Abermais, hijw. nog eens, andermaal, nogmaals, weder, bij herhaling, op nieuw.

Abern, o. ww. altijd maren, tegenwerpingen hebben, tegenspreken.

Abenxame, m., Z. Schimpfnume.

Abernten, hedr. ww. oogsten, inoogsten; *2. o. ww. ophouden met oogsten, afoogsten.

Aberraute, Z. Kberruule, Slabwurz.

Abersaat, Z. Nachsaal.

Aber-sinn, -sinnig, Z. EUjCnsinn amp;.

Aberthon, m., Z. Slreichfarren.

Aber wille, m., Z. WulcrwUle.

Aberwitz, m., z. m. waanwijsheid v., valsch vernuft o.; ijlhoofdigheid, dwaasheid, raaskalling v.

Aberwitzig, bijv. en b. waanwijs, dwaas, gezocht, buitensporig; suf, suHerig.

Abessen, o. ww. onr. afeten,ophouden te eten; 2. bedr. ww. geheel opeten; leegeten; afknagen; Geld -, vereten.

Abfachen, bedr. ww. planken leggen, in vakken verdoelen; (fig.) verdoelen, lol soorten brengen, schikken.

Abfachein, bedr. ww. afwaaien, met waaien verkoelen.

Abfadein, bedr. ww. afhalen, de haren of vezels afhalen.

Abfadmen, -fadaen, bedr. ww., Z. abfadein.

Abfadnen, bedr. ww. met vademen melen, afvademen.

Abfahen, bedr. ww., Z. abfanqen.

Abfahren, o. ww. onr. vertrekken,op weg gaan; afvaren, zich verwijderen van; ontglijden; (fig.) kurz mil jemn. -, niet veel complimenten, plichtplegingen maken; sterven; •2. bedr. ww. afrijden, verslijten (met rijden,; Pferde -, afrijden, moede rijden; medevoeren, voortspoelen, aanspoelen; einen JVcq -, afleggen, afrijden, berijden; eine Schuld -, met rijden of varen voldoen; das Weygeld -, slui-ken, smokkelen.

Abfahrt, v. afvaart v., vertrek o. verlaten o. dezer wereld v., dood m.; afhelling v., afloop m., atloopen o.; -/lafige v. vlag v., die het vertrek aangeeft; -sijeld o. reisgeld o., reispenning, teerpenning m.; -sschoss m., Z. Jbzufjsyeld; -sschusz m. schot o. voor de afvaart.

Abfaii, m. val m.; verval o.; helling v.; afval o., afsnijdsel o., snippers m.mv., alzaagsel o., afsnijdsel o.; uitschot o.; afvallen o., afvalligheid, desertie v.; in-kommen, in verval geraken, vervallen.

Abfaiien, o. ww. onr. vallen, afvallen; (fig.) afvallen, vervallen, mager worden; vervallen, zakken; afdrijven; (lig.) vonjemn. iem afvallen, zijne partij verlaten; afvallig zijn.

Abfaliig, bijv. en b. afvallig; afvallend, neervallend; (fig.) -e Zwww,interest, die vervalt; tegenstrijdig, afwijkend; afbellend; (Hg.) afvallig.

Abfailigkeit, v. helling v., verval o.

Abfallsröhre, v. alleidpijp v.

Abfaizen, bedr. ww. ifschaven, op den schaafboom van het aanhangend vleesch ontdoen; sponningen, spongen, groeven maken in.

Abfaugen, bedr. ww. onr. vangen; opvangen, stutten, ondersteunen; (lig.) jem. slaan,, afranselen.

Abfarben, o. ww. afgeven; 2. bedr. ww. afverven.

Abfaseln 'sich , wed. ww. rafelen.

Abfasern, o. ww., it. v.ed. ww. sich van zelf uitrafelen, Z. ausliis^ln; 2. bedr. ww., Z. abfadnen.

Abfassen, bedr. ww. vaten, in vaten doen; glad hameren, plat kloppen; (lig.) stellen, opstellen, neerschrijven, vervaardigen.

Abfasser, m. opsteller, schrijver, steller, vervaardiger m.

Abfasten, bedr. ww. door vasten boeten, herstellen, uitwisschen; 2. wed. ww. sicii -, zich verzwakken, uitgeput worden door vasten.

Abfaulen, o. ww. afrotten.

Abfaumen, bedr. ww. afschuimen; (tig.) ein afaefaumler Schalk, sluwe vos,doorslepen gast, looze schalk m.

Abfechten sich), wed. ww. onr. zich vermoeien met vechten, afvechten.

Abfedern, o. ww. rui3n; 2. bedr. ww.van vederen zuiveren; ein lluhn -, Z. rupfen.

Abfegen, bedr. ww. vegen, reinigen, schoonmaken; afstolïen.

Abfeger, -fegerin, afveger m., afveeg-ster v.

Abfeiern, bedr. ww. de schooien vieren; verflauwen, bedaren (van den wind).

Abfeilen, bedr. ww. afvijlen; behoorlijk vijlen.

Abfeilraspel, v. afvijlrasp, vijlrasp v.


-ocr page 19-

ABF

Alt F

7

Abfeimen, liedr. ww., Z. abfaumen.

Abfeinen, hcJr. ww. lijn stampen, ralli-neeren.

Abfenstern, hedr. ww., Z. ausschelten.

Abfertigen, bedr. ww .jem-, afvaardigen, zenden; jem. mil. einem Korh -, iem. wegzenden, een blauwtje lalen loopen; jem. ka hl of hurz afschepen; je ra. hiihmscher H'eise kurz iem. wegzenden, den zak geven, wegjagen; il. Z. ab/inden.

Abfertiger, m. afzender, verzender, expediteur m.

Abfertigung:, v. afvaardiging, afzending v.; (lig.) weigering v.; -sschein m. aangifte van, verklaring v.; tolbriefje, tolbewijs o.

Abfesssln, Z. enlfesseln.

Abfetten, o. ww. het vel afschrappen van; 2. hedr. ww. afvetten, van vetdeelen ontdoen.

Abfeuchten, hedr. ww. de vochtigheid ontnemen; vochtig maken, vochten.

Abfeuern, iiedr. ww. afvuren, afschieten; een schot doen, lossen: abdefeucrl i vuur!; hef vuur doen ophouden;

Abficken, hedr. ww. afwrijven, door wrijving afiK'üien, verslijten.

Abftedeln, hedr. ww. Slückchen -, slecht op de Niool spelen, afkrassen; it. Z. abficken; das Silhcr -, de metaalsliikken wegnemen.

Abfiedern, hedr. ww. das Glas de kanten afbreken; it. Z. abfedern.

Abfiltriren, Z. abseihen.

Abfilzen, Z. aus/il:en.

Abfiaden, bedr. ww. onr. -, tevreden stellen, voldoen, bela!eii; in der minne schikken, 'oi een vergelijk komen; cm Kind -, Z. abscheiden, ablheilen; ï. wed. ww. sich {mil of bei einem zich verstaan met, overeenkomen mei; ir/i werde mich dessweyen bei Utnen -, ik za! hel u betaald zetten, met u afrekenen.

Abfindung, v. schikking, overeenkomst v.; -sfield, -squanturn o., -summe v. lijftocht m., geld o. '.vaarmedc men iemand tevreden stelt.

Abfingem, bedr. ww. op de vingers aftellen, tellen; 2. Z. fimiern.

Abfiunea, bedr. ww. hameren, dun uitslaan; hoeken slaan in; een gat voorboren.

Abfischen, bedr. ww. visschen in, af visschen; 2. eindigen met visschen.

Abfitscheln, Z. abficken.

Abfitzen, bedr. ww. gladmaken met den sprengkwast.

Abfiachen, Z. abdachen.

Abfiammen, bedr. ww. met talk besmeren en dit boven het vuur laten intrekken.

Abflattem, o. ww. Iladderende wegvliegen; i. wed. ww. sich -, zich moede Uadderen.

Abflauen, bedr. ww. afwasscben, spoelen, wasschen.

Abflaufass, o. waschvat o., waschtobbe v.

Abflauherd, m. waschhaard m., wasch-tnfel v.

Abflechten, o. ww. onr. afvlechten,vlechten maken.

Abfiecken, o. ww (van vette verven), vlekken.

Abfledern, bedr. ww. reinigen met den stof bezem.

Abflehen, Z. abbillen.

Abfieischen,bedr. ww. oni\ieezen;vieesc?i afschaven.

Abtieisch-eisen, -messer, o. schaaf-mes o.

Abfliegen, o. ww. onr. wegvliegen; it. Z. abdorren.

Abflieszen, o. ww.onr. afvloeien, alloo-pen, vallen in, zich ontlasten; volgen.

Abflöhen, bedr. ww. afvlooien, vlooien, de vlooien vangen.

Abflöszen, Z. fldszen: it. abrahmen.

Abflöten, bedr. ww. op de Huil spelen.

Abflug, m. (van vogels), voorbij trekken o.

Abflügeln, bedr. ww. van vleugels of vliezen ontdoen.

Abfiuss, m. afvloeien o.; eb, ebbe v.; ontlasting, helling v., alloop m.; pijp v.

Abfoigen, Z. rerfuhjen,

Abfoitern, bedr. ww.afpersen, afdwingen, door folteren verkrijgen.

Abfordern, hedr. ww. jemn. elw. -, vragen aan, eischen van.

Abford e rung, v. terugroeping, vraag v., eisch m.; -sbrief m. brief m. van terugroeping; -srecht o. terugroepingsrecht o.

Abform, v. vorm m.

Abformen, hedr. ww. vormen, in den vorm brengen; afdrukken; van de leest nemen.

Abformleisten, m. zekere schoenmakers-leest v.

Abforschen, bedr. ww., Z. ab fray en.

A'ofragen, bedr. w w. onr. afvragen, door ondervragen of veel vragen verkrijgen; uilhoo-ren; laten opzeggen.

Abfresseo, bedr. ww. afvreten, weg-knagen.

Ablrierea, o. ww.onr. afvriezen ten gevolge van hel afvallen.

Abfröhnen, bedr. ww. door heerendiensten betalen.

Abfuchteln, Z. fuchtein.

Abfügen, bedr. ww. gladmaken,afvoegen.

Abfühlen, bedr. ww. door het gevoel ontdekken.

Abführ-arbeit, v. verfijnen, trekken o.;

-eisen o. trekijzer o.

Abfuhre, \. vervoer o., afvoer m.

Abführen, hedr. ww. vervoeren, afvoeren, wegvoeren, brengen naar; die Schildwache -, atlossen; lig.) van den rechten weg afbrengen, van het pad der deugd afleiden, afbrengen; jemn. Kimden aftroonen; verlijnen, door hel trekijzer halen; eine Schuld-,\oW\oei\, betalen, kwijten; ./ew.-, wegzenden, wegjagen,den zak geven.

Abführer, m. verfijner m.

Abführtiscb, m. Irekbank v.

Abführung, v., Z. abfilhven; -smittel o. purgeermiddel, afdrijvend middel o.; -sweij m. afvoer weg, ontlaster m.


-ocr page 20-

8 ABG — ABG

Aïfüllen, liedr. \vw. afscheppen; Wein-, afliippen, oversteken, ledigen; i. o. ww, ophouden veulens Ie werpen.

Abfurchen, bedr. ww. door eene voor scheiden, afscheiden.

Abfüttern, hedr. ww. voederen, elen seven; liet laatste voeder geven; (lig.) volstoppen, zalmaken, volproppen.

Abgabe, v. overgave, afgifte v., aflevering v.; belasting v., recht o., tol, impost m.,innen, mandaat o.

Abgaben-frei, bijv. nw. vrij van impost, belasting; -freiheit v. vrijdom m., vrijsteliing v. van belasting; -pachter m. pachter m. der inkomsten; -wesen o. belastingstelsel, belastingwezen o.

Atgahren.o. ww. onr. uitgisten, afglsten. niet meer gisten, ophouden met gisten.

Abaang, m. vertrek o., afvaart v.; - rfcr I.eibesfmcht, miskraam, ontijdige geboorte v.; (fig.) debiet o.; - /inden, debiet hebben, veel te doen hebben; - der Kraflc, verzwakking, vermindering, afneming v., sterven o., dood m.; verlies o., afval o., aftrek m., tarra, tara v.; (fig.) in - kommen, afgeschaft worden, in onbruik geraken.

Abgïngig, bijv. en b. gezochl, wat veel altrek \indt; 1. -e IVdsche, versleten linnengoed o,; - werden, verslijten, in onbruik beginnen te geraken, uil de aiode geraken; -e Schriften, ontbrekende, verloren papieren.

Abgangling, m. afvallige m.; it. Z. .Ih-giingsel.

Abgangsel, o. overblijfsel o., afval m., verlies o.

Abgangs-loch, o. opening v. in den bijenkorf; -reclmunci v. tarra rekening v.

Abgarben, bedr. ww., uhqerben.

Abgaten, bedr. ww. uitwieden, wieden.

Abgaukeln, bedr. ww. afgoochelen.

Abgaunern, bedr. ww.jemn. etw. -,door list ontnemen, ontfutselen.

Abseben, o. ww. onr. voorliet laatst geven; i. bedr. ww. onr. afgeven, overgeven, overhandigen; elw. -, zich ontdoen van; eincn Theil von elw. -, afstaan, geven; belasting betalen; es wird nichts -, daarbij zal niets te verdienen vallen; (lig.) jemn. elw. iem. op de vingers tikken; eiio.-, dienen, goed zijn,geschikt zijn lot; eincn li/den -, voor bode dienen; 3. wed. ww. sich mil jemn. -, zich met iem. bemoeien, zich afgeven met.

Abgetot, 0., /,. Jufqebot.

AbgebrRnnt, bijv. nw.. Z. abbrennen.

Abge^rannte, m. en v. bij of zij, wiens (wier) huis is afgebrand.

Abgebranntheit, v. armoede v. ten gevolge van brand; (lig.) gebrek o., armoede v.

Abgebrochen, bijv. nw. afgebroken, gebroken; -heit o. gebrek o. aan samenhang.

Abgedroschen, bijv. nw. afgezaagd, versleten, algemeen bekend, plat; -heit v. versletenheid; afgezaagdheid v.

Abgefeimt, Z. ausqcfeimt.

Alrgefunden, Z. abfinden.

Abgehartet, byv. nw. gehard.

Ahgehen, o. ww. onr., m. s. vertrekken, heengaan, eene plaats verlaten-, von der IVa-ehe -, afgelost worden; vnm JVeqe -, afgaan, verlaten; von jemn-, iem. verlaten, zijne partij verlaten; von seinem Geqensland -, van zijn onderwerp afdwalen, afstappen; von seinem l'orhahen -, zijn plan vaarwel zeggen, opgeven; von seiner Fordcrunq -, afzien; cinem Jutte -, nederieggen, afzien van; vom Preise -, aftrekken, korten; zich losmaken, scheiden, verschieten; die i'ruchl isl ihr abqeqan-C/cf^zij heeft eene miskraam gehad; verminderen, een verlies ondervinden, vermindering of schade lijden; es geht viel ub, er valt veel af; es ueht mir yields dadurrh ub, ik verlies er nieis bij; sich yichls - lussen, zich niets onthouden, zich niets laten ontbreken; verkocht worden, veel verlier hebben; ophouden, eindi-gen, omkomen, overiyden, sterven; das Feuer-/«•s.seii,laten uitgaan; eine Gewohnheil - kissen, in gebruik laten komen; i. bedr. ww. onr. Schuhe -, met gaan verslijten; eincn Platz -, met gaan of loopen meten, alloopen.

Abgeigen, iieilr. ww. op de viool spelen.

Abgeiszeln, bedr. ww. jemn. die Haul -, afgeeseien; jem. -, iem. duchtig ranselen, airossen.

Abgeizen, bedr. ww. seinem Mnnde -, zich zeiven uil gierigheid iets onlbouden, uit den mond sparen; i. wed. ww. sich -, zich door gierigheid ombrengen.

Abgelagert, bijv. nw. cud, belegen.

Al gelben, o. ww. geel maken, de gele kleur afgeven, geel worden, geel maken.

Ahgelebt, bijv. nw. afgeleefd; (lig.) oud, bejaard, versleten; -heil v. afgeleefdheid v., ouderdom m.

Abgeledigt, bijv. nw. ingekort verkort.

Abgelegen, bijv. nw. afgelegen, verwijderd, ver; -er Wein, belegen wijn; -heil v. afgelegenheid, verwijdering v.; eenzame ligging v., afstand m.

Abgeleitet, bijv. nw. afgeleid.

Abgemessen, bijv. nw., Z. abmesscn; -heit v. nauwkeurigheid, regelmatigheid, afgemetenheid, stijfheid v.

Abgeneigt, bijv. en b. ongenegen, die le-genzin, afkeer beeft voor; -heit v. ongenegenheid v., alkeer m.

Abgeordnete,-geordneter,m. afgevaardigde, afgezani, zaakgelastigde, commissaris, gevolmachtigde, gedeputeerde m.

Abgerben, bedr. ww. afrossen, afranselen.

Abgeredet, bijv. nw. afgesproken, overeengekomen;-ermaszed huw. volgens afspraak.

Abgesandte, -gesandter, m. afgezani, afgevaardigde m.

Abgeschieden, bijv. nw., Z. abscheideii; -heit v. afzondering, eenzaamheid v.

Abgesciiliffen, bijv. nw. beleefd, hoffelijk; -heit v. beleefdheid hoft'eHjkbeid v.

Abgeschmackt, bijv. nw., Z. qeschmaeli-los, unschnmckhafl; (lig.) ongerijmd, laf, wal-


-ocr page 21-

A BH

ABG

9

gelijk; -heit v. lafheid, ongerijmdheid, zotheid v.

Abge-schnitten, -schossen.-schwo-renlt;-amp;ehengt;-sotten(-sondertamp;)-spauiit 8c, -stumpft Sc. Z. ab-schneiden,-schieszen, -scliwdren en -schwören, -sehe.i, -sieden, -sondeni, -spannen, -stumpfen.

Abgesandertheit, v. afzondering v.

Abgespannthelt, v. (lig.) verslapping, slapheid, uitputting, matheid v.

Abgestorüen, liijv, nw. afgestorven,dood; -e Farbe, bleek, vale, verschoten kleur; -heit v. gevoelloosheid, zorgeloosheid, lusteloosheid v.

Ahgestumpftheit, (lig.) verzwakking v., stompzinnigheid, geestverstomping v.

Abgetrageaheit, v. versletenheid, slij-ting, slijtage, afneming v. of verval o. ten gevolge van langdurig gebruik.

Abgewahran, bedr. w\v. afsehryven. overdragen, verkoopen.

Abgewahrzettel, m. kwijüngsbrief in., (|uitantie v. voor eene verkochte mijn, Z. Ge-wührschein.

Abgewlnnen, hedr. vvn'. onr. jemn. etiv. afwinnen, winnen van; Thranen -, doen storten.

Atgewöhnen, bedr. ww. jemn. elw. afwennen, de gewoonte c'.oen alleggen; 2. ein Kind Z. entwühnen

Abge-vvöhnung, v. afwennen o., ontwenning v., spenen o.

Abge-wunden, -aogen amp;, -zwungen, Z. ub-winden, -Ziehen, -zwiiiyen.

Abgezogenheit, v. afgetrokkenheid v.

Abgieren, o. w w. in zee steken, het ruime sop kie:;en, weggieren.

Abgieszen,bedr. ww. onr. afgieten, overgieten; eine Fiyur in Blei amp;. -, in lood afgieten, gieten.

Abgieszer, -gieszerin, afgieler m., af-gletster v.

Abgiff, v., Z. .Ibijubc.

Afcgipfeln, bedr. ww. Io|U)i:t,.

Abgittern, bedr. ww. aftralien, door traliën afscheiden.

Abglauz, m. afschijnsel, beeld o.

Abglatten, bedr. ww. elw. -, gladmaken, polijsten; beschaven.

Abgleicben, bedr. ww onr. die Hiiiler -, geiykmaken; eine Maucr -, waterpas maken.

Abgleichfeile, v. vijl v. om gelijk te maken; -slunfie v. hefboom, lichter m.; -zirkel m. passer m.

Abglelchung, v. ajusteering v., geiijk-, elfen maken o.; -swage v. ajusteerschaal v.

Abgleiten, o. ww. onr. afglijden, met glijden vallen; (lig.) van den rechten weg afraken.

Abglimmeu, o. ww. reg. en onr. uitglim-men.

Abglitschen, o. ww., Z. abgleiten.

Abgiühen, o. ww.opbonden te gloeien; i. bedr. ww. gloeien, doorgloeien; H'ein -, heet maken.

Abgott, m. afgod m.; (tig.) lieveling m.

Ahgötter(er), -götterin, afgoden-die-naar m., -dienares v.

Abgötterei, v. afgoderij v.; - treiben, afgoden aanbidden.

Abgöttin, v. vrouwelijk afgodsbeeld o.

Abgöttisch, bijv. en b. afgodisch, hei-densch.

Abgottschlange, v., Z Biesenschlange.

Abgraten, bedr. ww. onr. afgraven, met eene sloot doorsnijden; seine Schuld -, met graven afdoen, verdienen; das Wasser -, afleiden door eene sloot.

Abgraden, bedr. ww. in graden verdeelen.

Abgramen sich , wed. ww. van verdriet, hartzeer verteerd worden.

Abgrasen, bedr. ww. (van vee), afgrazen; het gras afmaaien, Z. abgalen, ausgalen.

Abgreifen, bedr. ww. onr. afgrüpen met lange vingers; i. wed. ww. sirh -, slijten.

Abgrenzen, bedr. ww. de grenzen bepalen, aanwijzen, scheiden.

Abgrund, m. afgrond m., diepte v.

Abgründen, bedr. ww. uitschaven.

Abgrüuen,o. ww. (van boomen),het groen verliezen; it. groen afgeven

Abgucken, bedr. ww. jemn. elw. -, alloe-ren, afkijken; i. wed. ww. sich -, zich moede kijken.

Abgunst, afgunst, wangunst v., mistrouwen o., minachting v.

Abgünstig, bijv. en b. wangunstig, afgunstig.

Abgurgeln, bedr. ww. de keel afsnijden; ein Lied -, gorgelend voordragen.

Abgürten, bedr. ww. den gordel afdoen, ontgorden, afgorden.

Abgnss, m. afgietsel o., gietsel o.; it. Z.

.7 usijuss.

Abgüten, '/.. abfinden.

Abhaaren, bedr. ww., Z abhdren; i. o. ww. verharen, het haar verliezen.

Abhaben, bedr. ww. den Hul -, niet op hebben; tig.) sein Theil -, weg hebben.

Abhacken, bedr. ww. afhakken.

AbhaeUer, m. afhakker, hakker m.

Abhadern, bedr. ww. jemn. elw -, door twisten amp; afpersen.

Abhaften, bedr. ww. loshaken, uithaken, onthaken.

Abhageln, onp. ww. ophouden Ie hagelen; i. bedr. ww. es hat Alles abijehugell, de hagel heeft alles vernield.

Abhagen, bedr. ww door eene haag afscheiden, aftuinen.

Abhagem, o. ww. vermageren, mager worden.

Ab-halieln, -h.aken, bedr. ww. afhaken, met ecnen haak naar beneden halen.

Abha'ftern, bedv. ww. den balsterafdoen.

Abhallen, o. w w., Z. wieder/lallen.

Abhalsen, bedr. ww. den iiais afsnijden, onthalzen; die llunds -, den halsband afdoen; i. wed. ww. einamler -, elk. omhelzen.

Abbalten, o. ww. onr. afhouden: -. bedr. ww. onr. op eenen afstand van zich houden.


-ocr page 22-

ABU

ABl

10

terughouden, beletten te naderen; it. vasthouden; afhouden, verhinderen, verwijderd houden van.

Abh.alter, m. afhoudlouw o.

Abhaltung, v. hinderpaal m., verhinde-rinu, moeilijkheid v., beletsel o.; - luibcn, verhinderd worden.

Abhandein, hedr. ww. behandelen, spreken over, verhandelen, tot stand brengen; verklaren; vereffenen, afhandelen.

Abhanden, hijw. niet bij de hand; vermist, verlegd; -kommen, verloren raken.

Abhandler, m. verhandelaar m.

Abhandiunej, v. verhandeling, dissertatie v., /. Fcrhandlunfj.

Abfcang, m. helling v.

AbhanKen, o. \vw. onr. afhangen, neerhangen; aihangen, hellen, oploopen; verre hangen van; (fig.) afhangen van; -d, afhankelijk.

Abhangen, hedr. ww. afhangen, losmaken, uithangen.

Abhan^ig, bijv. en h. gebogen, hellend; (tig.) -von amp; sein, afhankelijk; sein l'rtheil-machcn von, laten afhangen van.

At-banaling:, m. ondergeschikte m.,afhangeling m. en v.

Abharen, bedr. ww. pellen; ontharen.

Abharlcen, Z. ahreclien.

Abharmen sich , wed. ww. van verdriet verteerd worden.

Abharren, Z. (ibwarlen.

Abharten, bedr. ww. harden; (fig.) zur Arbeit -, verhard worden; die Soldalen gehard maken; i. wed. ww. gehard worden.

Abharzen, bedr. ww. van hars ontdoen.

Abhaschen, Z. erhaschen.

Abhaspein, bedr. ww. -, afhaspe

len; afwinden, ontrollen (het touw); (fig.) eine IIede afroffelen, haastig opdreunen.

Abhaspler. -hasplerin, hij of zij, die afhaspelt.

Ab-haubeln, -hauben, bedr. ww,, Z. abkappen.

Abbauchen, bedr. ww. afblazen, zacht voort blazen.

Abhauen, bedr. ww. onr. afhouwen, al-snijden, afhakken; vellen; (lig.) ranselen, rossen.

Abhaufeln, bedr ww. in kleine hoopen verdeeien.

Abhaufen, bedr. ww. in hoopen verdoelen.

Abbautein, bedr. ww. de vliezen van het vleesch afhalen.

Abbauten, o. ww. ruien, verveeren, verharen; 2. bedr. ww. einen liasen -, het vel afstroopen, Z. abziehen.

Abbebekiste, v., Z. Abimbkisle.

Abbeben, bedr. ww. onr. aftellen, afnemen.

Abhecbeln, bedr. ww. afhekelen.

Abbefteln, bedr. ww. loshaken, losdoen.

Abbeften, bedr. ww. losmaken.

Abheiien, o. ww. genezen en afvallen; 2. hedr. ww. genezen en doen afvallen.

Abbeischen, Z. (ibfordern.

Abbelfen, liedr. ww. onr. jemn. etw. -, helpen in het ontladen, afhelpen; (fig.) herstellen, verhelpen, uit den weg ruimen, opheffen.

Abbellcn, bedr. ww. klaren, verhelderen; 2. wed. ww. sich helder, klaar worden.

Abhenken, Z. nblitin(}en.

Abberzen, bedr. ww. liefkoozen, troetelen.

Abhetzen, bedr. ww. Jlunde -, afjagen; (fig.) jemn. etw. -, door nazetten, vervolgen van iem. verkrijgen; afjagen.

Abbeucbeln, bedr. ww. door huichelarij verkrijgen van.

Abheuern, bedr. ww., Z. übmiethen.

Abheuien, bedr. ww. schreeuwende, huilende voordragen; 2. wed. ww. sich -, zich vermoeien door huilen, schreien, schreeuwen amp;.

Abhexen, bedr. ww. onttooveren, aftoo-veren, wegtooveren.

Abbinkea, o. ww. hinkende heengaan, weghinken

Abhobeln, bedr. ww. afschaven, dunner, gelijk, glad maken met de schaaf; (fig.) polijsten.

Abb old, (met den 15en nv.) /.. abnenehii.

Abholen, bedr. w w. gaan of komen halen, afhalen.

Abboiz, o. het omgehouwene of gevelde hout o., gekapte hoornen m. rav.; sprokkelhout o.

Ahhoizen, bedr. ww. einen fVald -, vellen, omhakken.

Abboizig, bijv. nw. arm aan timmerhout.

Abhorchen, bedr. ww. alluisteren.

Abhören, bedr. ww. at uisteren; die Zeu-qen -, verhooren-, eine Jicchnnnfi -, nazien; die Lection -, overhooren.

Abbub, m. wat boven ligt, wat men van boven afneemt; -kiste v. afschuimer m., werktuig om hel schuim af te nemen.

Abbuld, v. verwijdering v.. afkeer, legen-zin m.

Abbüife, v. geneesmiddel o.

Abbülsen, bedr. ww. Mandel -, kraken; Krbsen -, doppen.

Abbungern, o. ww. verhongeren, van honger sterven; 2. wed. w w. sich -, door gebrek aan voedsel verzwakken, vervallen.

Abbüpfen, o. ww. huppelende heengaan, weg hup pel en

Abhuren (sicbi, wed. ww. zich door hoe re rij v e rz wakken.

Abhiuschen, o. ww. heimelijk heengaan, wegsnappen.

Abbusten, bedr. ww. met hoesten uil-braken; 2. wed. ww. sich-, zich door hoesten vermoeien, moede hoesten, zich afmatten door hoesten.

Abhiitea, bedr. ww. afweiden, laten afgrazen.

Abhütten, o. ww. eene mijn bederven, verwoesten, arm maken.

Abirren, o. ww. verdwalen, afdwalen.


-ocr page 23-

A BK

AUK

II

Abirrung, v. afdwaling, dwaling v.

Abituriënt, (-(c)s, mv. -e) m. Uij, die dc school, do universiteit verlaat.

Abjagen, licdr. ww. afjagen, verjagen van; door vervolgingen vermoeien-, 2. wed. ww. nidi -, zk'li vermoeien met jagen.

Abjammern, bedr. ww. dcjor gejammer, klagen verkrijgen; i. wed. ww. slch -, zicli met klagen verteren.

Abjochen, bedr. ww. het juk ontnemen, afnemen.

Abkiiiben, o. v\ w. opbonden met, niet meer kalven.

Abkalken, bedr. ww bet kalkwatev weder uit de buiden slrijkon.

Abkalten, bedr. ww. verfrisselien; (dg.) kouil maken.

Abkammen, bedr. ww. afkammen, met den kam wegnemen.

Abkampfen, bedr. ww. nemen, bemachtigen; der Erde ontrukken, ontweldigen, imtw oekeren.

Abkanten, bedr. ww. einen Tisch -, af-kanten, afboeken.

Abkanzeln, bedr. ww. elw. van den kansel afkondigen, bekendmaken; jem. van den kansel iemand berispen, doorhalen, beknorren, bekijven.

Abkapiteln, Z. ubkunscl:\

Abkappen, bedr. ww. afkappen; 2. ein Tau -, afkappen, doorhakken; eincn Haam de kruin afbakken; (lig.) je/n. -, iem. bitsant-woorden, bejegenen.

Abkargen, bedr. ww. jemn. elw. -, uit gierigheid onthouden.

Abkarten, bedr. ww. heimelijk overeenkomen, afspreken, samenspannen, bekonkelen.

Abkasteien (sloh), wc;l. v\ w. zicb verzwakken, uitputten door kastijdingen.

Abkauen, bedr. ww. afknagen, knagen.

Abkauf, m. koop, afkoop m.

Abkaufen, bedr. ww. jemn. afkoo-

pen, koopen van; afkoopen, zich vrijkoopen, vrijmaken door geld.

Abkaufer, m., '/.. Kiiufer

Abkauflich, bijv. en b. af Ie koopen, af-koopbaar.

Abkaupeln, bedr. ww. al'ronselon.

Abkehien,bedr.wh. ein Schwein -.kelen, de keel afsnijden.

Abkehren, o. ww, de opdelving van mijnen laten varen; i. bedr. ww. afwenden; afborstelen. afvegen.

Abkehrer, -kehrerin, bij of zij, die afveegt, afstoft, afborstelt, afveger m., afveeg-ster v.

Abkericht, o. afveegsel.opveegselo., vuilnis v.

Abkehr-sohein, -zettel, m. bewijs O. van afstand.

Abkeifen, bedr. ww. onr. door gekijf erlangen; i. wed, ww. sic/! -. zieb vermoeien, uitgeput worden door kijven.

Abkeltem, o, ww. eindigen met persen, afpersen; 2. bedr ww. afpersen, uilpersen.

Abketten, bedr. ww. van den ketting doen, losmaken.

Abkimmen, bedr. ww. afkimmen, de kim afsnijden.

Abkippen, O. ww. afglijden, bet evenwich; verliezen, struikelen; 2. bedr. ww. einenNagel -, den kop afbreken.

Abklafïen, o. ww., /.. klajfen.

Abklaftern, bedr. w w. afvademen, met den vadem afmeten.

Abklagen, bedr. ww. door klagen erlangen.

Abktammern, bedr. ww. afnemen, van de klemhaakjes losmaken.

Abklang, in.weerklank,ecbo, wanklank m.

Abklappen, bedr. ww. nederslaan, neerslaan.

Abklaren, o. ww. beider worden, opklaren; 2. bedr. ww. alklaren.

Ali'ciarung, v. afklaring, zuivering v.; -smiltel, afklarisgs-, zuiveringsmiddel o.

Abklatsch, m. afdruksel, indruksel o.

Abklatschen, bedr. ww. Indrukken, afdrukken; in den vorm werpen; ent Kind met de vlakke hand slaan.

Abklauben, bedr. ww. afkluiven; jiiuk-ken, afplukken, afknijpen.

Abklecken, o. ww. afspatten, afdroppelen.

Abklecksen, bedr. ww. slecht afschrijven, kopieeren.

Abkleiden, bedr, ww. ontkleeden; onl-woelen, loswoelen; afsehielen.

Ahklemmen, bedr. ww. afklemmen.

Atklettern, o. ww. afklauleren.

Abklimpern, bedr. ww. slecht spelen op; eine ('•eitje zagen op.

Abklitacben, /., abklatschen.

Abklopfen, bedr. ww. etu\ -, afkloppen uitkloppen; (fig.) jetn afranselen, duchtig slaan.

Abklören, bedr. ww. de oude kleur afhalen om ereene nieuwe op te brengen.

AbknaUen, o. ww. losbarsten, onlploiren, knallen.

Abknappen, -knapsen, bedr. ww. afknappen; (lig.) jemn. urn l.oltne -, afkniblielcn, beknibhcle:..

Abknattern, Z. ahknistern.

Abknaupeln, bedr. ww. afknabhelcn.

Abknausem, bedr. ww., Z. ahkniiiiiicn.

Abkneifen, bedr. ww. onr. den H'ind aanden wind knijpen; it. einem Schi/fe -, prangen, in den wind komen van.

Abkneipen, bedr. ww. onr. afknijpen, met de nagels, met knijptangen wegnemen.

Abknicken, bedr. w w. afknikken,afknak-ken; einen Hanen -, den hals breken; i. o. ww. dood neervallen.

Abknickern, bedr. ww., Z. nbknausern.

Abknieen, bedr. ww. door knielen ver-slijlen; eine Schuld met knielen boeten.

Abkuistem, bedr. ww, knetterend afzonderen.

Abknopfen, bedr. ww. afknoopen


-ocr page 24-

ABK

ABL

12

Abknüpfen, bedr. ww. ontknoopcn, los-docn, losmaken.

Abkocben, bcdr. ww. afkoken, laten koken; ein abfjekochter Trunk, afkooksel, aftreksel o.

Abkohlen, bedr. ww niet eene houtskool merken, teekenen.

A b li ö hl en, Z. abhütten.

Abkomme, (-/?, mv. -n) m.,7.. Jbkömmlinfj•

Abkommen, o. ww. onr. komen van, zich verwijderen van; (fig.) von etw. zich ontdoen van, afkomen van; afgeschaft worden, uit de mode -, in onbruik geraken; ton seinem Plan -, terugkomen van, laten varen; Ihr werdet so leicht nicht gij zult er zoo gemakkelijk niet afkomen.

Abkommenschaft, v. nakomelingschap v., nakomelingen m. mv.

Abkömraiing, m. nakomeling, afstammeling m.

Abkommniss, o. afwijking v. van den hoofdgang, verlaten gang m.

Abköpfen, bedr. ww. toppen, den top afhakken.

Abköpfer, m. die den kop afslaat.

Abkoppein, bedr. ww. losmaken, afkoppelen.

Abkosen, bedr. ww. door vleierij erlangen.

Abkrahen, bedr. ww. de uren door ge-kraai aankondigen; •!. wed. ww. sich -, zich moede kraaien.

Abkrallen, bedr. ww. met de klauwen wegrukken.

Abkramen, o. ww. de kramen afbreken; 2. bedr. ww. schikken, opredderen.

Abkraxnpen, bedr. ww. einen Hut -, af-toomen.

Abkrampeln, bedr. ww. afkammen.

Abkrankeln, o. ww. kwijnen, wegkwijnen.

Abler ank en, Z. abgrdmen.

Abkratzen, bedr. ww. afkrabben, afschrappen, schaven; ein Stïickchen -, krassen, afzagen, slecht op de viool spelen, af-krassen.

Abkrauten, bfdr. ww. van onkruid reinigen.

Abkreischen, Z. ubschreien.

Abkreisen, o. ww. zich van den gewonen weg verwijderen; i. bedr. ww. eenen kring zetten om, cirkel trekken om, dooreen kring afzonderen.

Abkriechen, o. ww. onr. wegkruipen.

Abkiiegen, bedr. ww. krijgen van, ontvangen, wegkrijgen, wegnemen; veroveren.

Abkritzein, bedr. ww. afroffelen, slecht schrijven.

Abkröscben, bedr. ww. das Oei -, zuiveren.

Abkrümeln, bedr. ww.afkruimelen, kruimelen; 2. wed. ww. sich afbrokkelen, tot kruimels worden.

Abkrümmen,bedr. ww. afbuigen; *2. wed. ww. sich zich krommen, buigen.

Abkrusten, bedr. ww. ontkersten, de korst doen van.

Abkugeln, bedr. ww. laten rollen; (fig) met kogels afwerpen; balloteeren.

Abkülen, o. ww. verkoelen; 2. bedr. ww. afkoelen, verfrisschen; 3. wed. ww. sich -, koel worden,koud worden; (fig.) onverschillig, koel worden, verkoelen.

Abkühler, m., Z. Kdhlfass.

Abkübl-apparat, m. afkoeling v.; -fuss o., Z. Kühlfass; -rinne v. verkoelingskanaal o., koelhuis v.; -trog m. koeltrog m.

Abkühlung, v. verfrissching v.; afkoeling v.; -smitlel o. afkoelingsmiddel o.

Abkümmern, o. ww. door kommer, verdriet mager worden; 2. wed. ww. sich uitteren van verdriet.

Abkünd(ig)en, bedr. ww. afkondigen, bekend maken; de afkondigingen doen.

Abkündigung:, v. afkondiging, bekendmaking v., Z. Lossagung.

Abkunft, v. afkomst, geboorte, familie v., geslacht, ras o.; Z. rergleich.

Abküpfen, bedr. ww. punten, toppen.

Abkürzer, bedr. ww. korten, afkorten; (fig.) verkorten, korter maken, afhouden.

Abkürzei^-kürzerir, (lig.) verkorter m., hij of zij, die een of ander werk verkort.

Abkürzunp:, v. verkorting, afkorting,vermindering, korting v., ra oat o.; -sstrich m. afkortingsstreep v.; -sslücit o. afgeknot stuk o.; -szcichen o. afkortingsteeken o.

Ablachen (sich), wee. ww. zich moede lachen, niet meer kunnen lachen.

Ablactiren, Z. ubsiiugein..

Abladen, bedr. ww. ontlasten ontladen, a (laden.

Ablader, m. allader, wagenlader m.; -lohu m. loon o., kosten m. mv. voor ailading.

Abladung, v. ailading, ontlading, ontlasting v.

Ablage, v., overlegging v. eener rekening; akte v. lot scheiding 7an goederen of boedelscheiding v.; losplaats, uitlaadplaats v., depót o.

Abiager, o. verblijfplaats v., nachtkwartier o., pleisterplaats v.

Abiagern, bedr. ww. nedeiieggen; elders nederleggen; afzonderlijk iegeren; 2. o. ww. afzetten, bezinken; .1 wed. ww. sich -, zijn leger opslaan, zich legeren; (lig.) overslaan, zich vestigen op.

Abiammen, o. ww. ophouden lammeren te werpen.

Ablanden, -landen, o. ww. van land steken, de kust, het strand verlaten, zich er van verwijderen.

Ab-iang, -rnnd, Z. Uinglich, eirund.

Abiangen, Z. errcichen, herubholen.

Ablangen, bedr. ww. einen Slamm -, het scheeve, hobbelige, hoekige van een boom afnemen, hem zagen.

Ablass, {-lusses, mv. -lüsse) m. sluis, afleiding, waterleiding, altapping v., verlaat o.; ohne zonder ophouden, onophoudelijk, zonder tusschenpoozen-, allaat m.


-ocr page 25-

ABL 13

Ablassbrief, m. allaallirlcf m.

Ablasnen, liedr. ww. onr. Wcin-, aflap-ppii; eiti Schiff van de werf, van stapel laten lonpen; einen Teich ledig laten loopen; cin Schloss de veer ontspannen van; Suilen ontspannen; jemn. etw. -,ovcrlaten, verkoopenj afstaan; vom Preise verlagen, verminderen, afkorten, korten; einen Brief an jem. -, zenden, rieliten.adresseeren; 2. o. w\v. onr. von etw.-, ophouden te doen, afwernen, zieli verbeteren; it. laten varen, afstand doen, overlaten.

Ablass-geld, o. geld o. voor aflaten; -handel m., Z. -kram; -hom o. Iioorn m. om de zool af te houden; -jahr o. atlaatjaar, jubile o.; -kram m., -hrumerei v. aflaathandel m., verkoop m. van aflaten; -kramer m. atlaat-krainer m.; -prediger m. atlaatpredlker m.; -predial v. preek v. lietretTende den aflaat, allaatpreck v.; -hiy m. afiaaldag m.

Ahlassung, v., Z. ublastcn.

Ablasswoehe, v. week v. voor eencn aflaat, allaatweek v.

Abiativ, {-es, mv. -e) m. ablalivus, zesde naamval der Latijnsche naamwoorden, nemer, derver m.

Ablatten, bedr. w w. delalten afnemen.

Ablauben, bedr. w \v, de binden afplukken, afbladeren.

Ablauerer, m. afloerder m.

Ablauern, hedr. ww. bespieden, afloeren, door bespieding ontdekken.

Ablauf, m. afloop m.; des Meeres ebbe v.; (fig.) verloop, verstrijken o.; uitloop m., uitwaiering v.;alloopen o., hellingv.

Ablaufen, o. vvw. onr., m. s. uitloopen, afloopen; einen Brief - (assen, verzenden; (fig.) eindigen; qui -, slagen, goed afloopen; schlimm -, tilcl slagen, slecht afloopen; i. bedr. w w. onr. Schufie -, afloopen, verslgton met loopen; jemn. den II'et; -, versperren, afsnijden; eine S'rnszc -, doorloopen, atloopen;jcmH. den Hanrj -, lom. de loef afsteken; 3. wed. ww. sich -, zich vermoeien met loopen; sich ganz -, (van eeno teef), uilgepul worden, mager worden door veel paren.

Ablaufer, m. ledige spoel v., afgeloopen draad m.

Abiauf-rinne, v. spjgat o,;-riihre v. ver-laatpüp v.; -schleuse v. verlaatsluls v.

Ablaugen, bedr. ww. die JVasche-, atloo-gen, doorhalen, ontglomnien; ontschalen;iemn -, lem. duchlig doorhalen, berispen.

Ablaugnen, bedr. w w. loochenen, verloochenen, ontkennen.

AV-iiugner, m. die loochent, ontkent (Sl.

AblaugnuTigseid, m. zuiveringseed m.

Abiauscheu, bedr. ww. afluisteren, vernemen, ontdekken, (door luisteren) bespieden.

Ablausen, bedr. ww. alluizen, van luizen zuiveren; jemn. etw. -, aftrochelen, ontfutselen.

Ablaut, in. verandering van den wortelklank der werkwoorden.

Ablauten, o. ww. den wortelklank amp; veranderen.

Ablauter-fass, o. loutervat o.; -junge m. ertswasscher m ; -kiste v. louterkist v.

Ablautem, bedr. ww. louteren, zuiveren, afdrijven.

Ableben, o. ww. ophouden te leven, sterven.

Ablecken, hedr. ww. aflikken, door likken wegnemen.

Abledcrn, bedr. ww. de huid aftrekken; (fig.) jem. -, afrossen, bont en blauw slaan, roskammnen.

Abledigen, bedr. ww.ein Kapital -, afdoen.

Ableeren, bedr. ww. den Tisch -, ledig maken, afnemen wat er op is; einen Baum -, van zijne vruchten ontdoen.

Ablegat, (-(e)s, mv. -en) m.legaat m. van den Paus.

Ablegefehler, m. drukfout, drukfeil v., verkeerde letter v.

Ablegen, bedr. ww. afleggen, uittrekken; zich ontdoen van; seinen Hut -, afzetten; eine Lust -, nederleggen, nederzetten; die alle Hu ut -, ruien; eine Form -, de gebruikte letters weder in hare vakjes leggen; (fig.1 eine Gewolmheit -, afleggen-, die Kinderschuhe -, ontwassen zijn; einen Besuch -, afleggen, maken-, Xeugniss -,afleggen;seinei'ontiundschaft -, nederleggen; einen Eid -, afleggen, doen; JSetken -. afleggen; die Arbeiter betalen en wegzenden; seine Schuld -, betalen, afdoen, voldoen; -2. o. ww. jongen werpen, magerwor-den; verminderen.

Ableger, m. aflegger m.-, -schnecke v. duizendpoot m.

Abiegespan, m. zotplankje o.

Ablehnen, bedr. ww. einen Stosz -, afwenden; cin Geschenk -, weigeren; Einwilrle -, wederleggen; e'w. von sich -, zich verdedigen, verweren; 2. o. ww. weigeren.

Ablehren, bedr. ww. jemn. c/ic.-,afwennen, alleercn.

Ab'eiem, bedr. ww. ein Slückchen -, op de lier spelen,slecht spelen; (lig.) eine Rede-, eentonig, slecht voordragen, opdreunen.

Ableihen, bedr. ww. onr. jemn. etw. ontleenen, te leen vragen, alleenen.

Ableimen, bedr. ww. de lijm, vogellijm afdoen van de lijmstang.

Ableisten,hedr. ww. van dc leest nemen; einen Eid -, Z. ablegen; sein Versprechen -, houden.

Ableitbar, bijv. nw. afleidbaar, wat afgeleid kan worden.

Ableite-i, hedr. ww. afleiden, afvoeren; ein JVort -, afleiden.

Ableiter, m., Z. Btitz-, Uagel-ubteiter.

Ableitung, v. afleiding, afvoering v., gang in., kanaal o., afgeleid woord o.-, -sgrabcn m. sloot v. tot afvoer van water; -skunst v. woordafleiding v.; -sschirm m. scherm m. met een afleider;-ssi//i»e v. lettergreep v., wegens de afleiding bijgevoegd.

Ablenken, o. ww. zich afbrengen, afwenden; (fig.) zich verwijderen; 2. hedr. ww. vom


-ocr page 26-

ABM

u

ABM

frcr/ a (leiden, verwijderen, afsturen, afdwalen.

Abienkuns, -sangriff, ni. verijdeling v. van zekere oogmerken v.

Ablernen, hedr. ww. leeren van, afzien, afliooren.

Ablerschen, Z. ablorschen.

Able sen, bedr. ww.onr. een vooreen wegnemen, oprapen; clu\ lezen, aflezen, voorlezen; i. wed. ww. sich -, zicii vermoeien met lezen.

Ableser, -leserin, /. Vorleser amp;.

Abieugnen, Z. ahldurjnen.

Abiieferer, m. alleveraar m.

Abliefern, TVaaren alleveren; einen Brief algeven, overgeven.

Ablieferungsschein, m. bewijs o. van gedane allevering, uithelaling, uitlevering, overgave •i:.

Abliegen, o. ww. onr. von fier Slraszc -, verwijderd zijn van,alliggen; (van wijn), blijven liggen en daardoor beter worden;'2. bedr. ww. door liggen of blijven liggen verslijten, verzwakken: sich lt;lie Haare door liggen liet haar verliezen;!! wed. ww. sich -,door te lang blijven liggen verzwakken.

Abiisten, bedr. ww. jemn. ehv. door lisl verkrijgen, erlangen van, aftroclielen;ontdekken.

Ablocken, bedr w w. allokken; (fig.) jemn. Geld -3 geld welen te krijgen, te snappen van, iem. ontlokken.

Ablockern, bedr. ww. den grond losser, luchtiger maken, opwerken.

Ablohnen, bedr. ww. betalen en heenzenden of ontslaan, afbetalen.

Abiörscben, bedr. w w. weinig diep graven, een kleinen pul graven.

Ablöschen, bedr. ww. blusschen, afkoelen; das Feuer uitblusschen, uitdooven; afvegen.

Ablösen, bedr. ww. losmaken; ein Glied

alzelten; (lig.) lossen, aHossen; ein Urlheil

afkoopen, terugtrekken door de rechten te betalen; jemn. -, allossen; 2. wed. ww sich elkander allossen, verbeurten.

Ablöslich, bijv. en b. scheidbaar, gescheiden kunnende worden; ;i(losbaar.

Ablösung, v. afzetting v., Z. ablösen; aflossing v.-, -srecht o. uitkoopingsrecht o.

Ablöthen, bedr. ww losmaken.

Abludern, bedr. w \v., Z. abdecken.

Ablügen, bedr. ww. onv. jemn.elw.-,(\()or leugens bekomen, door leugens aftrochelen; met leugens ontkennen.

Ablugsen, bedr. ww., Z. nblaueni; it. abiisten.

AblUviren, bedr. ww. liet lutum of kleefdeeg wegnemen.

Abmachen, bedr. ww.losmaken,ontdoen, afnemen, ontnemen; (lig.) eine Sac he afmaken, afdoen, eindigen,schikken; eine Schuld -, afdoen, betalen; es ist so nul wie abgemacht, de zaak is zoo goed als geklonken, afgedaan.

Abanagern, Z. vermagern.

Abmahen, bedr. ww. afmaaien.

Abmahien, bedr. w w. afmalen, eindigen met malen.

Abmabnen, bedr. ww. jem. ron etw -, ontraden, afraden.

Abmalieln, Z. abhandeln.

Abmalen, bedr. ww. jem. -, etw. uitschilderen; (fig.) eho. -,schilderen,beschrijven.

Abmargein, bedr. ww., Z. abmergeln.

Abmarlten, bedr. w w . afmerken, afpalen.

Abmarkten, Z.-abdingen.

Abmarsch, m. vertrek o., afmarsch m.

Abmarschiren, o. ww. vertrekken, af-marcheeren, op marsch, op weg gaan, opbreken.

Abmartern, bedr. ww. kwellen, martelen, afmartelen; jemn. etw. Z abplaqeii; •!. wed. ww. sich -, zich kwellen over, zich bemoeilijken,

Abmasz, o. maat, afmeting v.

Abmatten, bedr. ww. afmatten, vermoeien, uitputten, kwellen, luchtigen, kastyden; das Gold mat maken, afmatten; 2. wed. w w. sich -, zich afmatten, zich vermoeien, uitpuilen.

Abmeiern, bedr. w w. jem. -, van zijne boerderij afjagen, uilzetten, uitdrijven.

Abmeiszeln, bedr. w w. afbeitelen, met den beitel wegnemen.

Abmelken, bedr. ww. reg. en onr. afmelken, ophouden te melken.

Abmergeln, bedr. w w uitputten, uitmergelen; Pferde -, mager doen worden.

Abmerken, bedr. w w. jemn. etw. merken, leeren van door de wiiarneminc; jemn. eho. an den Jug en -, aan iems. oogen kunnen zien, in iems. oogen lezen.

Abmessbar, bijv. en b. meetbaar; -keil v. meetbaarheid v.

Abmessen, bedr. ww. onr. meten, afmeten, opmeten, peilen; seine JVorle-, afmeten, wegen; afmeten naar, oordeelen naar.

Abmesser, m. meter, landmeter, waterpasser m.

Abmetzen, bedr. w w. maalloon nemen, scheppen uit, uitscheppen.

Abmiethen, bedr. w w. jemn. elw. -, afhuren, huren van, in huu.- nemen van.

Abmiether, -mietbsrin, huurder m.. huurster v.

Abmildern, Z. mildern.

Abmindern, Z. mini em.

Abmisten, bedr. ww. einen Plaiz-, de mest wegnemen van; den Stall uitmesten, reinigen, schoonmaken.

Abmitteln, bedr. ww. door bemiddeling bijleggen.

Abmodeln, bedr. ww. afbeelden, modeleeren, een model maken van.

Abmoosen, bedr. ww. liet mos afdoen of wegnemen van.

Abmucken, bedr. ww. jem. -, met gelijke munt betalen; jem. luchtig -, duchtig afranselen.

Abmüden, bedr. ww. vermoeien, moede


-ocr page 27-

ABN

ABP

15

maken, Z. ermüden; 2. wed. ww. sich zich vermoeien, zich aftobben.

Abmiiaen, bedr. avw. !)emocilijkcn, vermoeien-, i. wed. ww. sich-, zich moede maken, zich aftobben.

Abmüszigen, bedr. ww. Zeit den tijd nemen; 2. wed. ww. sich etw. of von elw. zich van iet^ ontdoen, losmaken, bevrijden.

Abnagein, bedr. ww. houten nagels slaan in de buitenhuid van het schip.

Abnagan, bedr. ww-afknagen, afkluiven, door knagen ontdoen van.

Abnahen, j)edr. ww. afnaaien, doornaai-en, stikken; cine Schuld -, met naaien voldoen.

Abnabme, v. afnemen, afzetten o., afneming v.; afnemen, zakken o.; vermindering v.; verval o.; verzwahking v.; afzetting v.; in-fieratlienJiO}nmen, in verval komen; (van koopwaren), aftrek m., nering v., vertier, debiet o.

Abnarben, bedr. ww. het haar of de nerf afmaken, afsnijden, afschaven.

Abnarren, bedr. ww. door gekheden,door aardigheden te maken verkrijgen.

Abnascben, bedr. ww. afsnoepen, snoepende afnemen.

Abnaseln, bedr. ww. door den neus sprekende voordragen.

Abneanaen, bedr. ww. onr afnemen van; jemn. die Last -, ontnemen; ein Glied -, afzeilen, afsnijden; den Barl afnemen, afsche-rep; einen Munlel -, afnemen, inkorten, korter maken; jemn. die Larve ontmaskeren; (bij het breien), minderen, nauwer maken; (lig.) jemn. ehr. -, afkoopen, koopen van; it. ontlasten; cxne llechnumi nazien, opnemen; aus elw. -, besluiten, alleiden, opmaken; ein Kalb -, spenen; ■!. o. ww., m. h. afnemen; korter worden; verzwakken, mager worden, vertlauwen, verminderen; vervallen.

Abiielimer, -nehmerin, kooperm., koopster v.

Abaehmsel, o. uitziftsel o.

Abneigen, bedr. ww. den Tisch -, doen overhellen; den ft'ein aftappen, hel grondsop oversteken; (lig.) sich von jemn. minder genegenheid, achting beginnen te koesteren voor, minder belang beginnen Ie stellen in.

Abneigung, v. helling v., uiteenloopen o.; oversteken o., aftapping v.; afkeer m.

Abnicken, bedr. ww. den nekslag geven, doodslaan.

Abnieseln, bedr. ww., Z. ahniilzen.

Abnieten, bedr. ww. losklinken, uitdrijven.

Abnippen, Z. nippen.

Abnorm, hijv. n\v. onregelmatig, afwijkend van, strijilend mol den regel.

Abuormitat, (-en), v. ahvijking, onregelmatigheid, uitzondering v.

Abnotbigen, bedr. . afdwingen, door dwang verkrijgen van, afpersen.

Abnutscheln, -nutschen, absauffen.

Abnutzen, -nivtzea, Imdr. ww.devruch-ien of het nut trekken van; Kloiiler afslijten, hedervea; ein l-'eld -, laten vervallen; i. wed. ww. sich hederven, verslijten; vervallen door het gel irnik.

Aböden, hedr. ww. door het kappen der hoornen kaal maken.

Abohrfeigen, hedr. ww. geducht klappen, oorvijgen geven.

Abonnement, (-(c)s,mv.-e) o.ilnleekening v., ahonnemenl o,

Abonnent, {-en, mv. -en) m. inletkenaar, geabonneerde m.

Abonnlren, o. WW., it. wed. ww. sich-, inteekenen, ahonneeren.

Aïiordnei, hedr. ww. afvaardigen, afzenden, deputeeren; anders scliikken, afhestelien.

Abordner, -ordueriu, afvaardiger m., afvaardigster v.

Aborgeln, hedr. ww. op het orgel spelen; (tig.) luidkeels voordragen, opdreunen.

Abort, m., /.. .Iblritl.

Abortiren, o. ww. voor den tijd haren, eene miskraam hobhen.

Abortiv, (-(c)s, mv. -e) o. middel o. om eene onlijdlge gehoorle te doen plaats hebhen.

Abortus, m., Z. l-chlfieburl.

Abpacbten, bedr. ww. afpachten, pachten van, in pacht nemen van.

Abpacbter, m., Pachlcr.

Abpacken, hedr. ww. afpakken, ontpakken, uitpakken.

Abpaclier, m. ontlader, uilpakker, ont-pakkcr m.

Abpaschen, o. ww., m., h. den laatsteti w orp met de dohhelsteenen doen, afwerpen; m. s. zich heimelijk verwijderen, zich wegpakken.

Abpasssn, bedr. ww. die Zeil -, verdee-len, afpassen, waarnemen; jem. afwachten, bespieden.

Abpatrouilliren, hedr. ww. eine (Jegend -, met patrouilles verkennen.

Abpauken, bedr. ww. jem. Z. «/;;lt;(■«-!ielii.

Abpelnigen, Z. Hhmartern.

Abpeitschcn, hedr. ww. afslaan met eene zweep, met een zweepslag wegnemen; jem. -, duchtig met de zweep slaan, afrossen.

Abpelzen, Z. ahbumsen.

Abpfahlen, hedr. ww. afpalen, met palen merken, door staketsels afsluiten, met baken-stokken afsteken.

Abpfanden, hedr. ww. tot pand nemen, als pand, onderpand houden.

Abpfarrea, hedr. ww. van eene pastorie scheiden.

Abpfeifen, bedr. ww. allluiten, lluiten.

Abpfetzen, Z. abkneifen.

Abpfiöcken, bedr. ww. afpalen, met paaltjes merken, afzetten, begrenzen.

Abpflücken, bedr. vv w. afplukken,aftrekken.

Abpflügen, hedr. ww. met den ploeg afsnijden; jemn. seinen Antheil -, lems. aandeel met eene vore afsteken, aanwijzen; ein Pekl-,


-ocr page 28-

16 ABQ

ABR

afploegen, geheel Loploegen; seine Schuld-, met ploegen afdoen, opwinnen.

Abpicken, liedr. ww. afpikken, door pikken afhalen; afhikken.

Abplacken, hedr. \v\v. door afpersingen, knevelarijen verkrijgen; 2. wed. ww. sich -, zich afmatten, zich afsloven.

Abplagen, hedr. ww. door plagen, plagerijen erlangen, verkrijgen.

Abplatten, hedr. ww. afplatten, plat maken.

Abplatten, hedr. ww. die Wdsche-, strijken. afpletten, glad, effen maken.

Ab.ilattung, v. (der aarde), afplatting, pool v.

Abplatzen, o. ww. maken, dat iels afspringt; 2. hedr. ww. met de hijl merken.

Abplaudem, Z. abschwatzen.

Abplündern, plümlern.

Abpochen, hedr. ww afslaan, afkloppen; (fig.) door hedreigingen verkrijgen.

Abpölen, hedr. ww., ahhuren.

Abponaunen, hedr. ww. ein Lied -, 0|) de bazuin voordragen, met hazuingeschal afkondigen, uitbazuinen.

Ahpragen, hedr. ww. behoorlijk, voldoende stempelen, slaan; afbeelden, indrukken, stempelen.

Abpraiien, o. ww. afstuiten, terugstuiten, terugspringen.

Abprasseln, aiknistern.

Abpredigen, hedr. ww. zich moede prediken.

Abprellen, o. ww., Z. alijiratieU: 2. hedr. ww. doen terugstuilen, doen afstuiten.

Abpreschen, hedr. w w. verwijderen, verjagen; 2. o. ww., m. «. zich schielijk verwijderen, wegsnellen; m. li. ophouden loopsch te zijn.

Abpressen, hedr. ww. afpersen, door persing wegnemen; jemti. elw. afpersen, door afpersingen verkrijgen.

Abpritschen, Z. pHlschen.

Abprotzen, hedr. ww. van de alluit nc-nemen.

Abproaesslren, hedr. ww. door een proces ontnemen.

Abprügeln, hedr. ww met een stok slaan, afrossen.

Abpuffen, hedr. ww. ein 'I'llier -, de huid, het vel afslroopen, villen; (tig.) j'cmn. -, vuistslagen geven, afranselen; cine Pidole afschieten.

Abpufter, m., Z. Jhdecker.

Abpurzeln, o. ww. aftuimelen, afrollen.

Abpusten, hedr. ww. afblazen.

Abputzen, hedr. ww. afpoetsen, poetsen, afvegen, schoonmaken; ein llaus schoonmaken; (lig.) jem. -, doorhalen, berispen.

Abqualea, Z. ubjilcKjen.

Ahquerien, hedr. vvvv. roeren, behoorlijk roeren, afroeren.

Abquetschen, hedr. ww. door kwetsen wegnemen, afknijpen, Z. ahklemmen.

AbquicUbeutol, m. kwikzak m.

Abquiciten, hedr. ww. Gold hel kwik-mengsel scheiden van het goud.

Abra, Abracadabra, (-s, mv. -s) 0. geheimzinnige woorden of teekenen o. mv., onverstaanbare taal v.

Abrackern, wed. ww. sich Z. ahar-beilen.

Abradeln, hedr. ww. met een radje afscheiden; Draht afwinden.

Abradern, hedr. ww. door radbraken afzonderen.

Abralïela, o. ww. afpraten, babbelen, afraffelen.

Abraffeu, hedr. ww. a-frapen, opnemen, oprapen; dus ijeschnittene Getreide -, het afgemaalde graaii hij zwaden vereenigen.

Abraffer, -rafferin, tiij of zij, die het afgemaaide graan by zwaden vereenigt.

Abrafft, (-(e)s) o., z. m. betgeen er op deu molen van koren of meel verdonkeremaand wordt.

Abrabamsbaum, in., Z. Keuschbüuni.

Abrnhmen, hedr. ww.afroomen,den room afscheppen van; uit de lijst nemen, de lijst afnemen van.

Abrainen, Z. abmarken.

Abrande l n, hedr. ww.afranden, randen, den rand afnemen van.

Abranken, hedr. » «. de ranken afnemen van.

Abranzeu, hedr. ww. den ransel afnemen; 2. wed. ww. sich -, zich door rondzwerven vermoeien.

Abrappen, Z. ubralfen.

Abrasen, hedr. ww. de zoden wegnemen van; jemn. elw. -, door een razend gedrag verkrijgen.

Abraspeln, hedr. wv . afraspen,afschrappen, gladmaken.

Abraspen, Z. abrispen.

Abrathen, hedr. ww. onr. afraden, ontraden; jemn. seine Gedanken iems. gedachten raden.

Abrathung, v. het afraden, ontraden o., afrading, ontrading v.; -sschreibe.i o. afradende of ontradende brief m.

Abraubeu, Z. ruubcn.

Abrauchen, o. ww. verdampen, uitdampen.

Abrauchei n, hedr. ww. behoorlijk roeken, afrooken.

Abrauchsohale v. verdampingsschaal, kapel v.

Ahraufen, hedr. ww. afplukken, uittrekken; 2. wed. ww. sich -, elk. bij de haren vatten, plukharen, ravotten.

Abj unm, m. opruiming v. van hei verkochte hout; het ombouwen, vellen; puin o., afval m.

Ab-raumen, -raumen,hedr. ww. elw.-, opruimen, wegruimen; ein Geblinde-, afbreken; dus Feld -, ontginnen, houwbaar maken.

Abraumer,-raumerin, opruimer, oiit-ruimer m., opruimster v.


-ocr page 29-

A BR 17

Aim

Abraupen, bedr ww. van rupsen zuiveren, van rupsennesten ontdoen.

Abrechen, bedr. wvv . alluirken, harken van; opharken.

Abrechling, o. hetgeen er van het uit-gedorsclite koren hoven afgenomen wordt.

Abrechnen, hedr. ww. aftrekken, afrekenen, korten.

Abrechner, m. schuldvereffenaar, af rekenaar, commissaris m.

Abrechnung, v. afrekening, aftrekking v., aftrek m.; -hallen, afrekenen, afrekening houden; -stag m. dag m. van afrekening,traktementsdag m.

Abrechte, t., z. m. verkeerde zijde v. of kant m.

Abrechten, bedr. ww. door het recht verkrijgen, door procedeeren erlangen; door liet recht ontnemen; de grove haren aan de verkeerde zijde wegnemen.

Abrechts, Z. rerkehii

Abrecken, iiedr. ww. heliooriijk rekken, pletten.

Abrede, v., z. m. overeenkomst, afspraak v.; - mil jemn. nehmen of Irc/I'en, afspreken, overeenkomen met; ich bin cs tuchl in -, ik ben het er mede eens.

Abreden, bedr. ww. afspreken, overeenkomen, zich verstaan; jemn. etw. -, ontraden, afraden, afpraten; 2. wed. ww.sicft-. zich vermoeien door veel spreken.

Abregeln, bedr. ww. regelen, afmeten, naar of volgens regelen inrichten.

Abregne-i, o. ww. onp. ophouden te regenen, niet meer regenen; i. hedr. ww. die fllulhen sind abgereijnel, de regen heeft den bloesem afgeslagen.

Abreiden, hedr. ww. onr. a f w rij ven. met wrijven schoonmaken, poetsen, afschuren; die 1'arben -, w rijven, behoorlijk wrijven, ophouden te wrijven; 3. wed. ww. sich -,door wrijven afslijten.

Abrelbebrett, o. tafel v. om de stoffen op te wrijven.

Abreichen, bedr. ww. toereiken, aanreiken, toesteken.

Abreifen, o. ww. goed rüp worden; 2. bedr. ww. de boepels afdoen, ontboepelen.

Abreihec, bedr. ww. afrijgen, losrügen.

Abreise, v., z. m. vertrek o., afreis v.

Abreisen, o. ww. vertrekken, zich verwijderen.

Abreiszen, bedr.ww.onr. etw. aftrekken, afrukken, verbreken, afnemen; ein Haus -,af-hreken; Kleider -, scheuren; (fig.) abgerissen, haveloos, in lompen gekleed; elw. -, teekenen, schetsen; i. o. ww. hreken;ophouden;afscheu-ren.

Abreiszer, m. teekenaar, ontwerper m.

Abreiten, bedr. ww. onr. met rijden verliezen-, einen Plulz -, te paard rijdende opmeten; ein Pferd -, afrijden, afmatten, vermoeien met rijden; 2. o. ww. rijdende vertrekken; 3. wed. w w. sich -, zich vermoeien met te paard rijden.

Abrennen, o. ww. onr. wegrennen, hsrd wegloopen; 2. bedr. ww. eiw. -, met loopon wegnemen, atloopen; jemn. vooruitloopei:; jemn. den H'eg -, tem. den weg versperren; 3. wed. ww. sich -, zich afmatten door hard te ioopen.

Abriohten, bedr. ww. africhten, dressee-ren; recht maken, vormen, devereischte richting geven; (flg.) jem. -, africhten, vormen, opleiden.

Abrichter, m. africhter m., die africht, vormt, opleidt, dresseert.

Abricht-^.mnaer, m. hamer m. om recht te maken; -stab, -slock m. aambeeld of aanbeeld o.; -ica'jen ni. rijtuig o. om de paarden te dresseeren.

Abriechen, bedr. ww. onr. door voel beruiken den geur benemen.

Abriegein, Z. verriegeln.

Abriese(l)n, o. ww. afbrokkelen; it. Z herabrieseln.

Abriffeln, bedr. ww. repelen, afrepeien; (lig.) jem. -, geducht doorhalen, hevig berispen.

Abrinden, bedr. ww. den schors of bast afhalen, villen, ontkorsten.

Abrindern, o. ww. ophouden te bollen, niet meer bollen.

Abrindig, bijv. nw .onlkorst, zonder korst, waarvan de korst losgaat.

Abringe(iin, bedr. ww. losmaken (wat met ringen is vastgemaakt).

Abringen, hedr. ww. onr. door worstelen .bekomen, afwringen; it. Z ausrimjen; 2. wed. ww. sich -, zich door worstelen vermoeien, uitputten, zich moede worstelen.

Abrinnen, o. ww. onr. atloopen, naar heneden ioopen.

Abrispen, o. ww. uit de rist vallen.

Abriss, m. schets v., ontwerp,overzirht o.

Abrltt. m. vertrek, afrijden, wegrijden o.

Abrogiren, hedr. ww. ein Gesetz-, af-scball'en, buiten werking slellen.

Abrogation, v. afschaffing, opheffing v.

Abrohren, hedr. ww. van riet zuiveren, het riet scheppen uit.

Abrollen, o. ww. wegrollen,afrollen, naar het eind rollen; 2. bedr. ww. Pupier-.ontrollen, afrollen; die H'asche -, behoorlijk glad maken, mangelen, kalandeeren.

Abrosten, o. ww. afroesten, door roest verteerd worden.

Abrösten, bedr. ww. behoorlijk roosteren.

Abröthen, o. ww. rood afgeven, de roode kleur los laten, verbleeken; 2. hedr. ww. rood maken.

Abrücien, bedr. ww . afrukken, achteruitgaan, w egschuiven, weghalen; die Zeilen -, een nieuwen regel beginnen; 2. o. ww. plaats maken voor.

Abrudern, o. ww. afroeien, roeien van, zich roeiende van den kant verwijderen.

Ahmf, m., z. m. aankondiging, afkondiging v. (van eene verhevene plaats); 2. terugroeping v.

Abrufen, bedr. ww. onr. etiv.-, afroepen.

2


-ocr page 30-

ABS

ABS

48

luid roepen; die Stundcn voor de laiitslc maal roepen hoe laat liet is-.jem. roepen, afroepen; einen (Jcsandten terugroepen.

Abrufer, -rutcnu, afroeper. omroepenn., atroepster, omroepslcr v.

AbrufscUuss, ni. retraite scliot o. Abrufung, v. afroepen, omroepen o., afroeping, omroeping v.; 2. appel o.

Abriihren, liedr. w\v. Eicv -, doorslaan, roeren, Lolioorlijk roeren.

Abrunden, -runden, liedr. w\v. afronden, rondmaken; rond liij werken; eiiic Figur vlak veiiielfen, opwerken.

Abrundung, v. afronding v.; afronden, afkanten o.

Abrupfen, bedr. vvw. aftrekken, afplukken; villen; (lig.) plukken, lierooven.

Abrupt, l)ijv. en I). plotseling, onverwacht, onverwachts.

Abriisten, bedr. vvw. afbreken, uit elk. nemen.

Abrutschen, o. ww., Z. abgleiten; 2. met een slecht rijtuig, met slechte equipage vertrekken.

Abriitteln, bedr. ww. afschudden, losschudden.

Absabeln, bedr. ww. afhouwen, afsabelen.

Absaclien, o. ww. de zakken wegnemen, nederzetten, alladen; auf einem SI route een stroom afzakken; 2. bedr. ww. ontladen, ontlasten; zakken, in zakken doen.

Absaeu, bedr. ww. onvruchtbaar, schraal maken door gedurig bezaaien; Z. ansden, hc-snen.

Absage, v. tegenbevel o., herroeping v. van een bevel of van eene belofte, opzegging v.; afstand m.; weigering v.

Absagebrief, m. brief m. van opzegging; Z. Fehdcbrief, Kriegserlcldrung.

Absageu, o. ww. jemn. -, kwade vrienden worden, breken met iem.; laten varen, verzaken; einem Lehrer -, laten afzeggen (de les); 2. bedr. ww. elw. terugnemen, herroepen, afzeggen; 3. wed. ww. sich -, zijn w oord terugnemen, terugtreden.

Absagen, bedr. ww. afzagen.

Absabnen, Z. abrahmen.

Absalzen, bedi'. ww. behoorlijk zouten, goed, voldoende zouten, afzouten.

Ab san den, bedr. ww. met zand bestrooien. Absatteln, bedr. ww. ontzadelen, afzadelen; 2. o. ww. van het paard stijgen, afstijgen.

Absatz, m. ophouden, rusten o.; vermindering v. in waarde, ophelling v.; buiten omloop stellen o.; debiet, vertier o., aftrek m.; terras o., aardheuvel m.; (van schoenen), hiel m., hak v.; (van een trap), rust v., portaal o.; (aan riet), knoop m.; nieuwe regel m.; it. af-deeling, paragraaf v.; (in een lied), vers o., couplet o., strophe; (van een mijngang), verandering v. van richting; walgang, rand m., smalle weg m., muizenpad o.

Absatzahle, v. els v., priem m.; -bogen

m. boog m., booggewelf o.; -draM m. hiel-draad, hlelband m.; -holt o. hiel m., luel-hout o.

Absatzig, bijv. nw. gemengd, uit harde en zachte steen bestaande.

Absatz-macher, m., Z. -Schneider; -orl ra. hielels v., hielpriem m.; -pflock m. hielpennetje o.; -quelle v. de plaats waar de koopman zijne waren afzet; -Schneider m. hielsnijder m.; -zweche v. hielpen, hielpin v.

Absauberu, bedr. ww. reinigen, zuiveren, schoonmaken.

Absaufea, bedr. ww. onr. afzuipen, het bovenste afdrinken van; seine Schuld drinken, zuipen voor hetgeen men schuldig was-, 2. wed. ww. sich -, zich dood of ziek zuipen. Absaugelu, bedr. ww. enten, afzuigen. Absaugen, bedr. ww. onr. zuigen, afzuigen; die Mutter -, door zuigen verzwakken.

Absaugen, bedr. ww, behoorlijk zogen, met melk voeden; it. spenen.

Absauïnea (sicb), wed. ww. (w.i. gebr.1 zijn werk laten varen, afbreken, verzuimen. Absauseln, Z. abwehen.

Abscess, {-es, mv. -e) m., Z. Eiterbeule, Gcschwür.

Abschabeeisen, o., Z. Schabeeisen. Abschaben, bedr. ww. afschaven, afras-peii; (lig.) abgeschables Tiich, versleten, kaal; •2. wed. ww. sich -, kaal worden, verslijten; slecht of onvruchtbaar worden.

Abschabsel, o., z. m. afraspsel o., af-schrapsel o., afschaafsel j., snydsel, afknipsel o., snippers ra. mv.

Absohachern, Z. ab'iandeln, abdingen. AbschacSitein, bedr. ww. met schaafgras afvijlen en polijsten.

Abachaffen, bedr. ww. afschaffen; opheffen; seine Bedienlen -, opruimen, ontslaan; Pferde und Wagen van kant doen, zich ontdoen van.

Abschakern, Z. ubscherzen. Abschaleu,bedr. vvw. afschillen, schilicn Abschalmeu, Z. anschalmen. Abscnalschaufel, v. schop v. tel opruiming van stoppels, wortels enz.

Absebarfen, bedr. ww., Z. abschrópfen. die Solden -, aanzetten; das Leder -, afschaven, afsnijden; cin Metser -, slijpen, wetten, scherpen.

Abscbarfmesser. o. scliaafmes o. Abscbarren, bedr. vvw. afkrabben, wegkrabben.

Abscharricbt, -BCbarrsel, o., z.m. af-krahsel o.

Abschatten, be Jr. ww. silhouetteeren, eene silhouet maken van; ctw. -, schetsen.

Abschatzen, bedr. ww. achten, schatten, waardeeren, taxeeren; korten.

Abscbatzer, ra. schatter, taxateur m. Abscbatzig, bijv. nw., Z. verachtlich. Abscbatzung, v. achten o., schatting, waardeering, taxatie v.; korting v.

Abscbauen, bedr. ww., Z. herahschauen: jemn. elw. -, Z. absehen.

-ocr page 31-

ABS

AiiS

19

Abschiufelu, bedr. wvi. afschoffelen, met den schoffel reinigen.

Abschaukeln, hedr. ww. door schommelen losmaken; jein. miiken, dat iem. van den schommel valt; 2. wed. ww. sich zich moede schommelen.

Abschaum, m., z.m. schuim o.; (flg.) hef, heffe v.

Absciiaumen, hedr ww. afschuimen.

Abscheeren, Z. abscheren.

Abscbeiden, hedr. ww. afscheiden, afzonderen, scheiden; Kinder -, hun aandeel in de erfenis uitkeeren; 2. o. ww. onr. afzonderen, zich terugtrekken, scheiden; sterven.

Abschelder, m. hij die het schuim amp; afzondert.

Abschein, m., Abylanz.

Abscbenken, Ijedr. w w.afschenken, vloeistoffen meten.

Abscheren, hedr. ww. onr. scheren, afscheren.

Abscherzen, hedr. ww. door schertsen verkrygen.

Abscheu, m., z.m. afschuw, afkeer, afschrik in., afgrUzen o.

Abscheuchen, Z. verscheuchen.

Abscbeuera, hedr. ww. afschuren.

Abscbeulicb, hijv. en h. afschuwelijk, verfoeilijk, verachtelijk; grof, verschrikkelijk; akelig, afzichtelijk; -heit v. afschuwelijkheid, ijselijkheid.

Abschicbten, Z. schichten; 11. abscheiden.

Abscbickeu, hedr. ww. afzenden, zenden, verzenden, adrésseeren.

Abscbieben, hedr. ww. onr. afschuiven; eine Schuld von sich de schuld van zich afwerpen; ï. o. ww., m. h. den laatsten kegel werpen; (van paarden en rundvee), de melktanden verliezen; (fig.) m. «. zich wegpakken, zijne hiezen pakken.

Abschied, {-(e)s, mv. -e] m. afscheid, vaarwel, vertrek o.; verlofbrief, pas m., paspoort, ontslag o.; vonnis o., oorkonde v., arrest o.; hinter der Thür - nehmen, vertrekken zonder af Ie betalen; -saudienz v. afscheidsgehoor o., afscheidsaudiëntie v.; -suuflrilt in. laatste optreding v.; -sbesuch v. afscheidsbezoek o., afscheidsvisite •i.-,-sbricf m. afscheidsbrief m.; verlofpas, pas m., paspoort o ; -sfeier v. afscheidsfeest o.; -siiehür o., Z. -uudienz; -sgesang m. afscheidslied o.; -sgesuch o. verzoek o. om ontslag; -s'/rusz m. afscheidsgroet m.; -skarte v. afscheidskaartje o.; -skuss m. afscheidskus in.; -smahl o. afscheidsmaal o.; -spredigt v. afscheidspreek v.; -srede v. afscheidsrede v.; -sschmaus m. afscheidsfeest, afscheidsmaal o.; -sstandchen o. afscheids-serenade v.; -sstunde v. afscheidsuur, uur o. van vertrek; -stag m. dag m, van vertrek, dag van ontslag, verlofdag m.; -sihrane v. afscheidstranen v. mv.; -slrunh, -swein in. afscheidsdronk m., afsclieidswijn m.; -swunsch m. afscheidswensch, wensch m. bij het afscheid nemen; -szahre v., Z. -sthrane; -szcil v. tijd m. van bet vertrek.

Abschiefem, bedr. ww. afschilferen; 2. wed. ww. sich -, afschilferen, in schilfers afvallen.

Abscblelen, bedr. ww. jemn. elw. -, afloeren, iem. ter sluik aanzien om iets van hem te leeren.

Abschienen, bedr. ww. ein Rad -, beslaan; ein Dein -, spalken; it. de banden, de spalken afnemen; eine Grube afmeten.

Abscbiener, m. meter, opmeter m. der mijnen.

Abscbieszen, o. ww. onr., m. h. afschieten, voor de laatsle maal schieten, 2, m. s. afstorten; (van doek), verkleuren, afgeven, verschieten; n. bedr. ww. onr. afschieten, lossen, losbranden; jein. in het schieten overtreffen.

Abscbifien, o. ww., in. s. vertrekken (te scheep), van wal steken, onder zeil gaan; 2 bedr. ww. te water, te scheep verzenden, vervoeren.

Abschildern, bedr. ww. afschilderen, uilschilderen, schilderen; (lig.) beschrijven.

Abscbilderung, v. afschildering, schildering v.; (lig.) portret o., beschrijving, schildering v.

Abschindeu, bedr. ww. onr. afvillen, aftrekken; 2. wed. ww. (lig.) sich-, zich afmatten, zich vermoeien door den arbeid.

Abscbirren, bedr. ww. aftuigen.

Abscblacbten, bedr. ww. Z. schlachten.

Abscblacken, bedr. ww. afslakken, onl-slakken.

Abscbiaffen, bedr. ww. verslappen, ontspannen, slapper maken.

Abscblag, m., z.m. het omhouwen, vellen o.; het omgehakte of gevelde o.; de afval van dunne takken bij het kappen van hoornen; alloup m., afwatering, uitwatering v., verlaat o.; klein bijvertrek, kabinet o., alkoof v.; c in en - bekommen, terugstuiten, terugspringen, klutsen; auf -, op rekening; rabat o., korting v., verschil o.; -eiseno., Z, Schmie-deeisen.

Abscblagen, bedr. w.w. onr. ilie IVache met de trom de wacht het toeken geven om uiteen te gaan; ein llett afbreken, wegnemen, uit elk. nemen; eine 11 ruche -, wegbreken, afbreken; den /■'eind -, terugdrijven, afweren; sein Wasser -, wateren, zijn water loozen; (lig.) jemn. etw. -, weigeren, afslaan; eine Müuze -, afdrukken, stempelen; 2. o. ww. afslaan, in prijs verminderen, goedkooper w orden.

Abscblagewisch, m veegwisch m.

Abscblagig, byv. en b., Z. abschlaglich; weigerend.

Abschlaglich, bijv. en b. in vermindering, tot afkorting.

Abscblags-anlelbe, v. leening v. met jaarlüksche allossing; -zuhlunc, v. betaling v. op rekening.

Abscblagtisch, m. neerslaande tafel v., hangoor, keukentafel v.

Abscblammen, bedr. ww. Fisc/ie-, spe-


-ocr page 32-

ABS

ABS

20

nen, den grondigen smaak doen verliezen; rfas Krz wasschen.

Absctalangeln sicb, Z. schlangeln.

Abschlarfen, liedr. ww. afsloffen.

Absctaleichen, o. ww. onr., Z. forlschlei-chen; 2. bedr. ww., Z. ahlisten.

Abachleifen, Ledr. ww. onr. afslüpen, po-lÜsten.tjescnaven^inAfesscr-, afslijpen, scherp maken; Schuhe -, afslijten, verslijten; eine Klimje -, slüpen, wetten, scherpen; (lig.) jem. -, beschaven, beschaafd maken; 2. reg. afslepen, sleden, ein Klcui -, door te laten slepen verslijten

Abscbleifer, m. afslijper, slijper, polijster m.

Abschleifsel, o., z m. afslijpscl o.

Abscbleimen, bedr. ww. van slijm zuiveren; den Zucker zuiveren, afschuimen.

Abschieiszen, bedr. ww., /.. ubnülzen; it. schleiszen.

Abschlemmen, Z. ahschliimmen.

Abschlendern, o.w vv. wegslen teren, slenterend heengaan.

AhschleïsUe r n, bedr. ww . afslingeren, afschudden.

Abscbleppen, bedr. ww. rfw.ter sluik, heimelijk wegnemen; ein Kleid abschlei-fen; 'i. wed. ww. sxch -, zich door het dragen van een zwaren last vermoeien.

Abschlendern, bedr. ww. wegslingeren, afslingeren; 2. o. ww. afspringen.

Abschlicbten, bedr. ww., /.. schlichten.

Abschlieszen, hedr. ww. onr. einen Ge-fungenen -, ontketenen, ontboeien; ein Schloss -, sluiten, afsluiten; l'rieden -.sluiten; 2.wed. ww. sich -, zich afzonderen.

Abseblieszlicb, bijv, en b. beslissend, stellig, bepaald, afdoend.

Abschlingern, hedr. ww. verbrijzelen.

Abschlüpfen, /,. entschlüpfen.

Abschlürfen, bedr. ww. afslurpen, afdrinken.

Abschiuss, m. o. vereffening, afrekening, afbelaling v.; sluiten o., sluiting v.

Absciiraack, m. bedorven smaak m.

Abscbraahen, hedr. ww. versmaden, smaadwoorden zeggen; 2. wed. ww . sich -, zich uitputten in het bezigen van smaadwoorden.

Absdimalern, Z. schmdlern.

Abscbmarotzen, bedr. w w. door tafel-schuimen erlangen.

Abschmatzeujbedr. ww, gedurig kussen, moede kussen.

Ahscbmauson, bedr. ww,, Z. abesxen; t. o, ww, ophouden te eten, te smullen.

AbEchmecken, bedr, ww. door den smaak kennen, proeven, smaken aan; 2, o, ww. een slechten smaak hebben, bedorven zijn.

Abscbmeicbeln, bedr. ww. door vleierijen of liefkoozingen verkrijgen.

Abscbraeiszen, bedr. ww. onr., Z. (ib-iverfen.

Abscbmelzen, bedr. ww , reg, afsmelten, doen smelten en afvallen; Butler-, behoorlijk smelten; 2, o, ww, onr, afsmelten, aHoopen; geheel smelten, wegsmelten,

Absebmieden, bedr, ww, ophouden te smeden, afsmeden.

Abschmieren, hedr, ww, slecht schrijven, afrotfelcn, afschrijven; (fig.) jem.-, afranselen, afrossen; 2. o.ww. afsmeren; 11, /.abschmulzen.

Abscbmierer, m. slecht afschrijver, naschrijver, letterdief m.

Absebmutzeu, o. ww. afgeven, de kleur loslaten.

Abscbnallen, hedr. ww. afgespen,losgespen.

Abscbnappen, o. ww. toespringen; losspringen; plotseling ophouden.

Abschnattern,tiedr.ww. snaterende voordragen.

Abscbneiden, hedr. ww. afsnijden; (fig.) jeinn. den ffef/ -, iem. den weg afsnijden,versperren, den doortocht beletten; ein Musier-, een patroon snijden naar een ander; 2, o.ww., Z. abslechen.

Abscbneider, -scbneiderin, afsnijder m., afsnijdster v.

Abscbneien, onp, ww, ophouden tesneeu-wen,

Abscbaellen, hedr. ww. elw. -, laten opspringen, aftrekken; afschieten; 2. o.ww.vee-ren en springen, afspringen, breken.

Abscbneuzen, bedr. ww. das Licht afsnuiten.

Abschnippe(l)n, bedr. ww, afpunten, punten,

AbECbnipperling, m,, Z, Abschniizel.

Abscbnitfc, m, afgesneden deel, afsnijdsel o.; hoofdstuk o., paragraaf, afdeeling v.; segment o.; cesuur, rusl v

Abscbnittleinj Z, abschniizel.

Abscbnittscbein, m, hoek in. van hel segment.

Abscbmttswiakelj hoek m. van een

segment.

Abscbnitzel, o. afsnijdsel o,, afval m., spanen v. mv.

Absehnltze(l)n, bedr. ww. afsnijden met kleine gedeelten.

Abscbnüren, bedr. ww. losbinden, losmaken, Z. aufschuur en; atbinden; met een touwtje teekenen, merken; 2, o, ww. sich -. zich worgen,

Abschnurren, hedr, ww,, Z, abbettlen; 2, o, ww, wegsnorren,

Absehocken, bedr, ww, bü schokken of zestigtallen lellen, verknopen, afdeden.

AbGchöpfen, bedr. ww. afscheppen; den Hahm de melk afroomen.

Abschoss, m., Z. Abfahrtsgetd, Nacti-steuer; -pllichtig, onderhevig aan belasting wegens vertrek; -recht o,. Z, Abfahrlsrecht.

Absohrasen, bedr. ww. schuin afsnijden, afschaven, overdwars hehakken, schuinen.

Abschrammon, hedr. ww., Z. abschürfen

Abscbrauben, bedr, ww, afschroeven, losschroeven, ,

Abscbrecïiezï, bedr, ww, verschrikken;


-ocr page 33-

ALS

21

ABS

afschrikken; dooriems. vrees, door iems. schrik erlangen; ettv. lieiszes besprenkelen.

Abschrei.be-gebühr,v.,-geld,o.kopieer-loon o.

Abschreiben, bedr. ww. onr. afschrüven, kopieeren, in het net schrijven; die Feder -, verslijten (niet schrijven); seine .Sc/m/lt;Z -,eene schuld afdoen door af te schrijven; emen^M/quot;-trafi -, afschrijven, terugnemen.

Abschreiber, -schreiberin, afschrijver, kopiist m.. afschrijfster v.; letterdief m.

Abscbreiberei, v., z. m. beroep o. van afschrijver, pennelikkerij v.; kopij v.; letterdieverij v.

Abscbreien, bedr. ww. onr. afschreeu-wen, door schreeuwen bekend maken; door schreeuwen vermoeien; jemn. elw. -, door schreeuwen erlangen van; 2. wed. ww.sicA-, zich moede schreeuwen, zich overschreeuwen.

Abschreiten, bedr. ww. onr. met schreden passen, met voetstappen meten, onder het gaan meten; 2. o. ww. (fig.) voti elw. zich verwijderen, heengaan.

Abscbrift, v. afschrift o., kopij v.

Abscbriftlicb, bijv. en b., volgens afschrift; door afschrift.

Abschröpfen, bedr. ww., den IVeizen -, toppen; jemn. Itlul koppen; jemn. door koppen verzwakken, uitputten; (fig.) Z. aus-saugen.

Abscbroke, v., Z. Schrotmeiszel.

Abscbroten, bedr. ww. afrollen; ein Slück Eisen afhakken; rfen Draht afbreken; (van vee), afvreten, afgrazen; eine Quelle atlei-den; einen Gruhen -, de behoorlijke schuinte, het talud geven.

Abschuitern, bedr. ww. van den schouder nemen.

Abscbüppen, Z. abschaufeln.

Abscbuppen, bedr. ww. afschubben, de schubben wegschrappen.

Abschur, v., Z. Schur.

Abscbdifen, bedr. ww. afschaven, afschrappen, schrammen.

Abscburren, o. ww. met een dof geluid zich verwüderen.

Abscliürzen,bedr. ww. vrij laten hangen.

A^jscbucs, val m., ontlasting v.; steile helling v., sprong m.; (van eene kleur), verschieten; verbleeken o., verandering v.

Abscbüssifr, bijv. en b. hellend, afhangend, steil; verschietend.

Abscbüssigkeit, v. helling,glooiing, buiging, schuinte v.

Abscbütteln, bedr. ww. afschudden, afwerpen; jem. iem. duchtig doorhalen, berispen.

Abscbütten, bedr. ww. afschudden, afnemen.

Abscbüttsel, o.door den wind afgeslagen vrucht v.

Abscbützen, bedr. ww. das ÏVasser -, door eene val- of schuifdeur tegenhouden, schutten; *2. o. ww. ophouden.

Abscbwacben, Z. entkrdften.

Abscbwanken, o. ww, zich met wankelende schreden verwijderen.

Abscbwanzeln, bedr. ww., /..abschihei-cheln.

Abacbwaren, o. ww. onr., m. s. afzworen, zweren en afvallen; m. h. ophouden te-zweren.

Abscbwarmen, o. ww., m. h. ophouden te zwermen; m. s. al zwermende zich verwüderen; 2. wed. ww. sich zich door zwermen afmatten.

Abscbwarten, bedr. ww. de zwoord afdoen, afsnyden.

Abscbwarzen, bedr. ww. goed, behoorlijk zwart maken; -2. o. ww. de zwarte kleur afgeven.

Abscbwatzen, bedr. ww. door praten ol gebabbel verkrijgen, aipraten, bepraten.

Abscbwefeln, bedr. ww. ontzwavelen; goed zwavelen, doorzwavelen.

Abscbweif, m. afdwaling, afwijking v.

Abscbweifen, bedr. ww. afspoelen; 2. o. ww. vom JVefj -, zich verwyderen, afdwalen van.

Abscbweifend, bijv. n. uitweidend, wijd-loopig, omslachtig.

Abscbwelgea (sicb), wed. ww.zichuit-putten door zwelgerijen.

Abscbwemmen, bedr. ww. laten drijven, vlotten; e:.n Pferd laten zwemmen, in het wed brengen; die Haute -, reinigen.

Abscbwenden, bedr. ww. verwoesten.

Abscbwealten, bedr. ww. reinigen, door schudden omspoelen; 2. wed. ww. sich zich wenden, zich omkeeren.

Abscbwimmen, o. ww. onr. zich met zwemmen verwyderen, afzwemmen; 2. wed. ww. sich -, zich vermoeien met zwemmen.

Abscbwindeln, bedr. ww. door zwende-laryen verkrijgen, aftroggelen.

Abscbwinden, o. ww. onr. ongevoelig, onmerkbaar of langzamerhand vermageren, verzwakken, uilteren.

Abscbwingen, bedr. ww. onr. afschudden; Flachs -, /. schwuiQen; 2. wed. ww. sich vom Pferde -, afspringen, van het paard springen.

Abscbwirren, o. ww. wegsnorren.

Abscbwitzen, bedr. ww die Haute in den zweetkuil brengen; eine Krankheit -,dooi' zweden genezen van; 2. wed. ww. sich door zweeten verzwakken; m. /t. ophouden te zwee-ten.

A'jscbwören, bedr. ww. einen Eid -, zweren, doen; seinenGlauben afzweren, verzaken; eine Schuld met een eed ontkennen, loochenen.

Abscbwung, m. afzwenking v. van hot paard.

Absegeln, o. ww. onder zeil gaan, vertrekken, uitzeilen; -2. bedr. ww. met zeilen breken, verbrijzelen.

Absebbar, bijv. en b. afzienbaar.

Abseben, bedr. ww. onr. afzien van, de oogen afwenden van; het eind, het uiteinde


-ocr page 34-

22 ABS

ABS

zien van, zien tot aan het eind; (fig.) doordringen, begrijpen, zien, vatten, lieoordeelen; die Gelegcnheit bespieden, afzien;

-, van iem. iets afzien, iets leeren door het te zien doen; 2. o. zelfst. (naar iets), mikken o.; (lig.) doel, plan o., bedoeling v., Inzicht o.;vizier o., kijkliordje o.

Abseide, v., z. m. tloretzijde v., filozel v, llorellint o.

Abseifen, bedr. ww. de zeep afnemen van; Seide met zeep wasschen.

Abseigen, Z. ubseihen.

Abseigem, bedr. ww. loodrecht uithollen; met een dieplood peilen, meten; ophouden met uitwasemen.

Abseihen, bedr. ww. laten doorzeven, doorzijgen, liltreeren; laten uitdruipen, uil-lekken.

Abseihküpe, v., Z. StellbotHch.

Absein, o. ww. onr. afgebroken zijn; weg zijn, verwijderd zijn; af zijn.

Abseite, v. achtergevel m., achterzijde, keerzijde v.

Abselten, bljw. van wege, van den kant van.

Abseitig, bijv. nw. afgelegen, verwijderd, ter zyde, zijdelings(ch).

Abseits,bijw. ter zijde, afgezonderd, in hel bgzonder.

Absendsn, bedr. ww. reg. en onr. afzenden, afvaardigen, zenden, verzenden.

Absender, senderln, afzender m., afzendster v.

Absendvmg, v. afzending, afvaardiging, verzending v.; -slag m. dag m. van verzending, verzenddag m.

Absengen, bedr. ww. afzongen.

Absenken, bedr. ww. afleggen; einen Schacht uilbollen, doorboren.

Absenker, m. aflegger m.

Absent, liijv. nw. afwezig.

Absentiren (slch), wed. ww. zich ver-wljderen.

Absenz, (-en) v. afwezigheid v.; -lisle v., lijst v. der afwezigen.

Absetzbar, bijv. nw. afzetbaar, wat afgezet kan worden.

Abseticisteme, v. ontvanger m.

Absetzen, bedr. ww. nederzetten, neder-leggen; afwerpen; Sleine -, afzetten, slaan; cine Handschrift -, afzeilen, geheel zetlen; ein Wort afbreken; Kleider-,/.ab(lanhen; Waar en -, afzetten, verkoopen; ein Kalb -, spenen; ein Lied -, zetten, op muziek brengen; 2. o. ww., in. h. afgaan, veranderen; (van kleuren), afsteken; tm Heden -, ophouden,stilhouden; 3. onp. ww. es winl Sclildije-,er zullen klappen vallen, uitgedeeld worden.

Absetzer, m. hij, die afzet, nederlegt, verkoopt amp;; verkooper, debiteur m.

Absetz-ferkel, -füllen, -kalb,-lamtn, o. keu, veulen, kalf, lam o. dat gespeend is; -lisch, een disch, waarop men de spijzen zet, die van de tafel komen of die nog op tafel moeien gezel worden.

Absetzung, v.,Z. ahselzen: it. afzetting; rust, pauze v.; -sdeeret, -surtheil o. besluit, vonnis o. tot ontzetting.

Abseyn, Z. absein.

Absicheln, bedr. ww. met den sikkel afmaaien.

Absicht, v. bedoeling v., voornemen, oogmerk, Inzicht, doel o.; in - auf, met. betrekking tot, ten opzichle van.

Abslchtlich, bijv. en b. opzettelgk, met opzet, expres.

Absichtllchlieit, v. bedoeling v., vooraf gemaakt plan, opzet o.

Ah!5icht(s los, b(iv. en b. zonder opzet, zonder oogmerk.

Absickern, Z. absintern.

Absiden, Apsiden, v. mv. keerpunten o. mv. in de loopbaan eener planeet.

Absieben, bedr. ww. afzitten.

AbsiedeJn, o. ww. zich elders metterwoon vestigen.

Absieden, bedr. ww. onr. afkoken, uitkoken.

Absingen, bedr. ww. onr. zingen, afzingen, geheel zingen; 2. o. ww. voor de laatste maal zingen; 3. wed. ww. sich -, zich vermoeien door veel zingen.

Absinken, Z. sinken.

Absintern, o. ww. doorzijpelen, door-zweeten.

Absinth, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Wermulh.

Absitzen, o. ww. onr., m. h. zitten, verwijderd zitten van; it. m. s voïïi Pferde -, van hel paard stijgen, afstijger; i. bedr. ww. onr. eine Schuld -, afdoen door gevangen lezilten; Kleider -, met zitten verslijten.

Absocken, bedr. ww., Z. ablröpfeln.

Absohlen, bedr. ww., Z. abnutzen.

Absold, (-(c)s, mv. -e) ni. overschot o., rest v. van tiet loon van een bediende, dien men weggezonden heeft.

Absolden, bedr. ww. het loon geven en wegzenden.

Absolut, bijv. en b. volstrekt,bepaald, Z. unbeziehlich, unbedingf.

Absolution, v. vrijspraak v., ontslag o. van een schuldige; absolutie, kwijtschelding, vergeving v.

Absolitismus, m. absolulisme,onbeperkt besluur o., onbeperkle alleenheerscbappU v.

Absolutist, {-en, mv. -en) m.aanhanger, voorstander m. van de orbeperktealleenheer-schappij, absolutist m.

Absolutistisch, bijv. nw. onbeperkt, volstrekt; van een absolutist.

Absoiviren, bedr. ww. vrijspreken, vergeven, kwijtschelden.

Absonderbar, bijv en b. scheidbaar.

Absonderlich, bijv. nw. Z. absonderbar.

Absonderlich, bijv. en b, Z. besonder, besonders; 11. seltsam.

Absonderlichkeit, v., Z. Snnderbfirkeit.

Absondern, bedr. ww. schelden,afzonderen; ein lieer -,afzonderen;;! wed. ww.sich -, zich afzonderen, zich afscheiden, scheiden.


-ocr page 35-

ABS

ABS

Absonderung, v. afzondering, afscheiding v., scheiding v., Z. absondern. -sansehen o. aanzien dei' afzonderlijke deden; -sgefiiss o. afzonderingsvat o.; -sorgan, o. orgaan o. voor de afscheiding; -sstrxch ra. scheidingslijn v,, dwarsstreepje o.; -svermugen o. afzonderings-vermogen v.; -szeichen o. scheidteeken o., komma v.

Absonalg, liijv. en 'i. legen dezonneslra-len beschul, niet door de zon verlicht.

Absorbiren, hedr. ww. Inzuigen, opzui gen, opslorpen.

Absorgen (sich), wed. ww. door zorg verleerd worden, zich door zorgen uitputten.

Abspalten, hedr. ww. onr. atspHjten, af-klooven;i. wed. wvv.sicA -,spiyten, scheuren.

Abopangeln, Z. abstechen.

Abspanen, /.. entwöhnen.

Abspannen, hedr. ww. ontspannen, af-spannen^emPislnl -,laten afgaan; diePferde-, afspannen, uitspannen.

Abspaostig, Ijijv. en Ij. ongenegen,ongetrouw, afvallig.

Absparen, hedr. ww. uit spaarzaamheid onthouden.

Abspeisen, Ijeilr. ww. etiv. -, eten, opeten; jein. -, spijzigen, voeden; i. o. ww. het maal eindigen, afeten.

Absperren, hedr. ww., Z. versperren.

Abspiegeln, hedr. ww.afspiegelen,weerkaatsen; -2. wed. ww. sich zich als in een spiegel vertoonen.

Abspielen, hedr. ww. ein Lied -, afspelen, spelen; (Hg.) sich fast die Finger-, ioo-lang spelen lot men de vingers hijna niet meer gebruiken kan; seine Schuld zich door het spel kwijlen van.

Abspieszen, hedr. ww. met eene spiels of vork afhalen.

Abspindeln, hedr. ww. afwinden.

Abspinnen, hedr. ww. afsplnnen; sich fast die Finger -, zoolang spinnen lot men zijne vingers hljna niet racer kan bewegen; eine Schuld -, door spinnen voldoen.

Abspitzeti, hedr. ww. afpunten; aftoppen; rael den hlkhamcr afhouwen.

Absplittern, hedr. ww. afsplinteren; 2. o. ww. afsplinteren, hij splinters afvallen.

Abspötteln, hedr. ww. door spotternijen hekoraen.

Abspotten, Z. abspulleln.

Absprache, v., Z Abrede

Absprechea, hedr. ww. jeinn. etw. -, ontkennen, betwisten; ontnemen, benemen; das l.eben -,ter dood veroordeelen; eine Sache-, Z. besprechen, verabreden; 11. o. ww. über ehv. -, uitspraak doen over, oordeelen over, beslissen omtrent.

Absprechend, bijv. en b. alles heslissend, meesterachtig, aanmatigend.

Absprecber, -sprecherin, man ra., vrouw v., die alles beslist, lnoordeelt, bespreekt amp;.

Abspreeherei, v., z. ra. voorbarig oordeelen o., gewoonte v. om alles te beslissen, te heoordeelen, te bespreken.

Absprecherisch, hljv en h. voorbarig oordeelend, beslissend, aanmatigend.

Absprelzen, hedr. ww. stullen, onderstutten, onderschragen.

Absprengen, hedr. ww. laten springen, doen afspringen; 2. o. ww. hard wegloopen, in alle haast heengaan, wegrennen.

Absprisszen, Z. abstammen.

Abspringen, o. ww. onr. afspringen, springen, terugspringen, terugstuiten; von einer Meining op eenmaal van meening veranderen; -2. wed. ww. sich -, zich moede springen.

Abspritzen, hedr. ww. door spuitenver-wijderen; -2. o. ww., in. s. spatten van; it. m. h. ophouden niet spuiten.

Abspross, m., Z. Abspriisslimj.

Absprossen, Z. abstammen.

Absprössling, ra. afstamraellng,nakome-llng m. en v.; vrucht v., gevolg o.

Abspruch, ra. uitspraak v., vonnis o.

Absprung, Z. Seitensprmg; (lig.) plotselinge verandering v., afdwaling, uitweiding v.

Absprungswinke), nt. uitvalshoek, le-rugkaatsinghoek m.

Abspulen, hedr. ww. afwinden, geheel afwinden.

AV,spuien, hedr. ww. afspoelen, uitspoelen, wasschen, reinigen; (lig.) door spoelen of wasschen verwijderen; die Leber -, drinken.

Abspuier, -spuicrln, hij of zij, die afwindt.

Abspülicbt, Z. SpüHchl; it. Spillwasser.

Abstahlen, hedr. ww. zoo hard maken als staal, verstalen, harden.

Abstamm, ra. ras o., nakomelingschap v.

Abstammeln, hedr. ww. stamelende voordragen.

Abstammen, o. ww. afstammen, gesproten zijn uit; afgeleid zijn.

Abstammen, bedr. ww. van den stam nemen.

Abstammling, m., Z. Abkömmting.

Abstammung, v. afstammen o., afstamming, afkomst v.; afleiding, etymologie v.; -stafel v., Stammtafet.

Abstampeln, abstempeln.

Abstampfen, bedr. ww. etw. -, met don stamper afnemen; door stampen afslijten; stampen, afstampen, behoorlijk stampen.

Abstand, m. afstand m., wydte v.; verschil o.; afstand doen o., afzien o. van.

Abstander, m. bedorven, doode boom ra.

Abstaudig, bijv. nw. vergaan, bedorven, dood.

Abstands-geld, geld o., waarvoor men van zijn recht afziet; -winkel rn. hoek m., onder welken eene planeet van de zon schijnt af te slaan.

Abstappeln, bedr. ww . afstapelen.

Abstatten, bedr. ww. ftesuche brengen, afleggen; Dank dank betuigen, bedanken; seine Schuldigkeit zich kwijlen van zijn


-ocr page 36-

quot;

24 ABS — ABS

piiciit, zync scbuld belaien; doen, afleggen;bo- Abstemius, m. Z. Eiithullsamer, IFein- A'

«ijzen, aandoen. hasser, fVeinvermeider. zijn;

Abstattung, v. - eines llesuchs, bezoek Abstemmen, Z. abslümmen. A

O., Nicile v.; - des Vankes, bedanken o., dank- Abstempelu, bedr. ww. afstempelen. krac

Leiuiging v. Absteppeu, Z. steppen. A'

Abstauben, bedr. ww. afstoffen, hel stof Absterben, o. ww. onr. afsterven, over- kom

afvo?en. _ lijden, sterven, uitsterven; der ffelt -, der A

Absiauber, m. {persoon,stoffer m. werk- wereld afsterven, de wereld vaarwel zeggen; derii

tuig;, stoffer m., stofvarken o. i. o. zelfst. afsterven o., dood m., overlij- Z. .

Abstaupen, Z. ausstdupen. den o. -/'ei/

AbEtecheisen, o. schaafmes, schrapmes Absteuer, v., Z. Ahzuqsgeli. A

snoeiroes o. Absteuem, Z. ahlanden, absloszen. kon

Abstec!ien,l)edr. ww. afsteken; einifaift-, Abstieli, m. afstappen o., aaprikken o.; n

doodsteken, slachten, steken, afsteken; i. uitloop m. voor het gesmolten ijzer;in betoog 2. o

jenti'. -, het in het steken van iem. afwinnen; vallend verschil o. ! it. n

(lig.) de loef afsteken; dus /rasser-.afleiden; Abstieneln, bedr. ww.door schimpscheu- haz(

','e/i/re);!-,aftappen; cire.Vks/o--,afprikken; ten verkrijgen. A

eiii Getiiülde etsen, graveeren; 2. o. ww.,ni. Abstlcken, bedr. ww naborduren, na- sclia

h. (van kleuren), afsteken, verschillen; it. m. stikken. A

s. vom Lande -, afsteken. Abstimmeu, bedr. ww. ontstemmen,ver- A

Abstechcr, m. uitslapje, rgtoertje o. lagen; jem. -, meer stemmen hebben dan een afha

Abstech-grube, v. vorm m., vormgato., ander; afstemmen; 2. o. ww. stemmen, zijne 2. o

afvioeiingspüp v.; -messer, o. mes o. waar- stem uitbrengen; (lig.) oneens zlja, niet over- A

mede de koeien amp; doodgestoken worden;eenstemmen. A

m. afsteekploeg m.; -slachel m. keerstapg v. Abstlmmig, bijv. er. b. ontstemd; (fig.) een

Absteckeisea, o. steekijzer o., ijzeren niet eenstemmig. A

staak m. Abstimmung-, v. stemmen o., stemming cvci

Absiecken, bedr. ww. lossteken, losma- v.; oneenigheid v., verschil o slat

ken; tin Lader-,mei paaltjes afzetten,uitste- Abstiaens, v. onthouding v.

ken. Abstöbern, Z. ubstauben; it. abstnppeln. Sch

Absteckung, v. afsteken, lossteken o., Abs'cochern, bedr. ww. afpeuteren, uit- len,

afsteking v., uitslaan o.; -sleine, -sschnur v. peuteren. £

steeklijn -spfahlm. piketpaal,steekpaal m. AbstSclteln, Z. ablegen, absenken. je/»

Abstehea, o. w w. onr., m. en.f.afstaan Abstoclien, bedr. viw-.,'/,. ablegen; Dienen i

van; (van wijn), bederven; omslaan; (van een -, een nieuwen kort maken voor; 2. o. ww., • len,

boom), dood zün, verdord zijn; m.s.den schuil- ablauben. ver

liock verlaten hebben; (lig.) von eiw.-, afzien Abstoijpeln, bedr. ww. zoeken, afslaan; i

van, laten varen; 2. bedr. ww. jemn., elw. einen Acker -, met moeite nalezen. j wii

afstaan; 3. o.zeUst.atstandni.,verwijderiiigv. Abstosz, in., Z. .Ihsf/lz:-inimnm. schaaf- i

Absteher, m. die afziet van iets, die iets boom nu -eisen o., 7. Schroteisen. 1 ver

afstaat, van iets afstand doet. Abstoszen, bedr. ww.onr. afsloolen;(llg.) j

Abstehlen, bedr. ww. onr. stelen,.afste- afkeer wekken; cincn Itaum bij den grond kei

iCDiiSpr.) dein Helen Goll den Tagluieren, afhakken; einen Stein afhakken, afbikken; ,

digdieven. ein Kulb -, Z. absetzen,- llienen -, dooden;rfie ma

Absteifen, bedr. ww. stutten, schoren, Milchzdhne -, verliezen; eine Schuld -, Z. be-

schragen; behoorlijk stijf maken;rf/c/rasf/ic-, zahlen; JVaareH -, Z. abtelzens S.o. ww.vee- pci

stijven; -2. o. ww., m. s. stijf worden, stijven, ren, terugstooten; 3. wed. ww. sich -, zich -,

Absteigehans, o. pleisterplaats v. afstooten, door veel stooten slijten.

Absteigen, o. ww. onr. afstijgen, afstap- Abstoszend, bijv. en b. afstootend; (lig-) in

pen, uitstappen. afkeer wekkend, terugstootend, koel. eei

Abateigend, liijv. nw. afdalend. Abstoszucg, v. afstooting, terugstuiting tn

Absteige-ouartier, o., -wohnung v. v., afstooten, terugstuiten o.;-sftra/ï v. veer-

pleisterpiaats v., lijdelijk verblijf o. kracht v.; -szeicheno. afstootingsteeken,stac- op

Absteigeru, bedr. ww. jem. -, meer bie- cato o.

den dan. Abstottern, Z. herstutten. ab

Absteinen, bedr. ww. de grenssteenen Abstract, bijv. en b.afgetrokken,abstract; ve

nederzetten; van steenen of puin ontdoen. das -e, het afgetrokkone o. ge

Abitetlcn, bedr. ww. nederzetten, zeilen Abstracien, mv., Z. Tnnspdne. de

op eenigen afstand van; (tig.) afschaffen, doen Afcstractiou, v. afzondering, scheiding,

ophouden. abstractie v.; -en, afgetrokken denkbeelden, v.:

Afcsteilmittel, -stellungsmittel, o. Abstrafen, bedr. ww. afstraffen, kastijmiddel o, om neder te zetten; afscbaflingsmid- den, naar verdienste straffen. af del o. Abstrahiren, bedr. ww. afzonderen; cirtc/t 0.

Absteller,-stellerin, afschaffer m., af- Beffri//'-, vormen;2. o. ww.afzlen, laten varen. s.

schafster v. Abstrahl,m. teruggekaatste lichtstraal m.

-ocr page 37-

ABT

ABS

25

Absfcrahlen, o. ww. afstralen, afgestraald zijn; 2. hedr. ww. afstralen van.

Abstrebekraft, v. middelpuntvliedende kracht v.

Abstreben, hedr. ww. streven om af te komen van het middelpunt.

Abstreich, m., z. m. in in vermindering; -baum m., Z. Slreichbaum; -breit o., Z. Absireicher; -eisen o, Z. Slreichbaum; -feilc v. eene vijl v. om geüjk te maken.

Ai streicben, hedr. ww. onr. door strijken wegnemen, afstrijken, strijken; ein Kind

met roeden slaan; ein Feld -, afstroopen; 2. o. ww., m. fi. ophouden kuit te schieten; it. m. 5. de nestjes verlaten; wegsluipen, het hazenpad kiezen.

Abstreicber, m. schrapper, krabber m., schaafijzer, schaafmes o.

Abstrciffcar, byv. nw. afstroopbaar.

Abstreifen, bedr. ww. afstroopen, villen, afhalen, aftrekken; eine Gefjend alloopen; 2. o. ww. afdwalen; (fig.) zich verwijderen.

Abstreifer, m., Z. Absireicher.

Abstreiten, bedr. ww.onr. dooreen strijd, een twist of een proces ontnemen, betwisten.

Abstricii, m. wat men wegneemt door even met de hand er over of langs te gaan; slak v., vuil, schuim o.; -blei o. schuimlood o.

Abstricken, bedr. ww. afbreien; eine Schuld met breien voldoen; jem. -, afronse-len, rossen; jemn. elw. ontfutselen.

Abstrie^eln, bedr. ww. roskammen; (fig.) jem. -, afrossen, afranselen.

Abströmen, bedr. ww., /./loszen, abspü-len; 2. o. ww. afstroomen, alloopen; (fig.) zich verstrooien, ui tee n gaa j ;.

Abstrossen, bedr. ww. het erts bij lagen winnen.

Abstrus, bijv. en b. duister, moeielijk te verstaan.

Ahstüclse(l)n, bedr. ww. in kleine stukken scheiden.

Abstudiren (sich), wed. ww. zich afmatten, zich vermoeien door veel studeeren.

Abstufen, bedr. ww. uithouwen met trappen, trapswijze uithouwen; (lig.) die Farben -, schakeeren.

Abstufung, v. trappen m., treden v. mv. in de rots-, (lig.) trapsgewijze overgang m.; ineensmelting v., schakeering v.; overgang m., trap of plaats v. eener noot op den notenbalk.

Abstülpen, bedr. ww. einen Hut -, den opgeslagen rand neerlaten.

Ahstumpfen, bedr. ww. slomp maken; abfj est um]) fier Key el, afgeknotte kegel m.; (fig.) verstompen, verzwakken; i. o. ww. zwak,ongevoelig worden; (lig.) stompzinnig,domworden.

Abstumpfunjr, v. afknotting, afstomping v.; (fig.) verstomping, verzwakking v.

Abstiirmen, bedr. ww. door den storm afgerukt, medegesleept worden, afwaaien; 2. o. ww., m. h. ophouden te stormen; (fig.) m. •?. woedend heengaan.

Absturz, m. val m.; afgrond m., steilte v.

Abstürzen, bedr. ww. nederstorten, afwerpen; sich den Hals met naar beneden vallen den hals breken; 2. o. ww. afvallen, zich nederstorten in.

Abstutzen, bedr. ww. afpunten, korten; einen Baum -, toppen; abgeitulzf, afgeknot, afgestompt, gekort.

Abstiitzen, bedr. ww.. Z. abspreizen.

Absucben, bedr. ww. afzoeken; ein Feld -, doorzoeken.

Absud, (-(e).?) m., z. m. afkoken, afkooksel o.

Afcsudeln, Z. absmieren.

Absumpfen. bedr. ww. een moerassigen grond, een moeras droogmaken.

Absurd, bijv. nw. ongerijmd, zot, belachelijk, bespottelijk.

Absurditat, v. ongerijmdheid, belachelijkheid, zotheid v.

Absüszeu, bedr. ww. zoeten, zoetmaken, suikeren

Abt, {Abl[e)s, mv. Aeble) m. abt m.; den - reilen lassen, de rol van de klos laten loo-pen; wie der - smjl, so anlworten die M One he, zoo de heer, zoo de knecht; -shut m. mijter m.; -switrde v. waardigheid v. van abt.

Abtafeln, Z. abspeisen (o. ww.).

Abtafeln, Z. tdfeln.

Abtalteln, bedr. ww. aftakelen, onttakelen, aftuigen.

Abtaazea, o. ww., m. s. dansende heengaan, wegdansen; it. m. h. een dans eindigen, afdansen; 2. bedr. ww. al dansende wegnemen, bederven, verslijten; 3. wed. ww. sich zich met dansen vermoeien, afmatten.

Abtaucben, o. ww. onderduiken; 2. bedr. ww. onderdompelen, indompelen; it. door onderdompeling schoonmaken.

Abtaumelen, ü. ww. aftuimelen.

Abtausjcb, m. ruiling, afruiling v.

AbtauEcben, bedr. ww. door ruiling verkrijgen.

Abtei, {-en) v. abdij v.

Abteiiicb, bijv. nw. wat den ab!, de abdis, de abdij aangaat.

Abteufen, bedr. ww. uithollen, dieper maken.

Abteufer, m. mijnwerker, bergwerker m.

Abtbauen, o. ww. afdooien, ontdooien; i. bedr. ww. de oppervlakte doen smelten, afdooien.

Abtbei!, m., Z. Antheil.

Abtbeilen, l)edr. ww. afdeelen, rangschikken in klassen; seine Kinder-, Z. abscJieideu; 2. o. ww., de erfenis verdoelen, den boedel scheiden.

Abtbeili?:, bijv. in bezit van een deel.

Abtbeiligen, bedr. ww. in het bezit stellen van een aandeel, van een lijftocht.

Abtbeilung, v. afdeeling, verdeeling,schei-dingv., klassificalie v., onderdeel,hoofdstuko.; -szeichen o. afdeelingsteeken,d warsstreepje o.

Abtbun, bedr. ww. onr. afdoen, afnemen, afleggen; einen Streit -, afmaken, eindigen, ten einde brengen, afdoen; abgeihan, afgedaan.


-ocr page 38-

26 ABT

ABU

ten pinde geliracht; afmaken, doorten, Ier dood brengen, terechtstellen; 2. o. ww. zich losmaken, ontdoen.

Abtiigen, Z. tilgen.

Aebtlich, Z. ableilich.'

Aebtin, Aebtissin, Ahtissin, abdis V.

Abtoben, Z. nusfoben.

Abtödten, bcdr. ww. doen sterven; (lig.) onderdrukken, uitdooven.

Abtorkeiu, o. ww., Z. ablaumeln.

Abtrab, m. detachement o., afgezonden of afgescheiden troep m.

Abtraben, o. ww. wegdraven, in een draf w eggaan.

Abtrag, m. het overschot van de tafel, Z. Ahhuh; betaling, voldoening v., lerughelalen, voldoen o.; cüns m., grondpacht v.; schadevergoeding, schadeloosstelling v.; opbrengst v.

Abtragen, bedr. ww. onr. afdragen, afbreken, [oplireken; den Tisch -, afnemen; den i'alkcn -, temmen; die Schuld -, betalen; ein Kleid -, afdragen, verslijten; 2. wed. ww. sich -, versleten, afgedragen worden.

Abtragverkaufer, m. crallonnenr m.

Abtrampeln, bedr, ww. door trappelen verwijderen; 2. o. ww. zich trappelende verwijderen.

Abtranken, bedr. ww. behoorlijk laten drinken.

Abtrappeln, Z. abtrampeln.

Ahtrauern, o. ww. lichten rouw dragen; it. Z. austrauern; 2. wed. ww. sich -, door droefheid verleerd worden.

Abtraufeln, /.. ablriefen, ablriipfeln.

Abtreibe-bier, o. bier o. na den afloop van den arbeid; -herd. /.. 1'reibeherd; -lohn m. loon o. voor afdrijven; -millet o. afdrijvend middel o.; -ofen, -torf m. afdrijvers-oven m., -turf m.

Abtreibeu, bedr. ww. onr. den Feind -, terugdrijven; uildrijven, ontzetten; die Leibes-frucht -, afdrgven; afdrijven, zuiveren, lonteren, kapelleeren; Pferde -, afdrijven, afrijden; ein abgelriebenes l'fcrd, uitgemergeld, afgewerkt; 2. o. ww. afdrijven.

Abtrelber, m. zuiveraar, afdrijver, lou-tcraar m.; -lohn m., Z. Jbtreibelnhn.

Abtreibunir, v. zuiveren, louteren, afdrijven o., zuivering, loutering v.; afdrijving v.

Abtreimen, bedr ww. losmaken, lostornen; (lig.) scheiden, afscheuren.

Abtrennbar, -trennlich, bijv. en b. scheidbaar.

Abtreten, o. ww. onr. aftreden, terug-treden; it. sterven; ron etw. -, afzien van, laten varen; bei jemn. -, afstappen bij; 2. liedr. ww. aflreden, alloopen-, (lig.) jemn., etw. -, afstaan; sein Amt -, nederleggen; einen Zins -, overdragen.

Abtretbar, bijv. nw. vervreemdbaar.

Abtreter, m. die afstand doel, overlaat amp;; 11. voetkleed, vloerkleed o.

Abtreugeu, o. ww.drogen,droog worden.

Abtrieb, vellen van hout o.; ontzei o., ontzetting v.; -schlag m. gedeelte van het bosch, waar boomen geveld worden; -sreeht o. recht om zijn vee op vreemde velden te drijven.

Abtrlefen, o. ww. afdruipen, aflekken, lekken; (lig.) es wird dabei etw. für ihn -, er zal voor hem wel wat afvallen, overschieten.

Abtrift, v., z. m. drijfrecht o.; afdrijving, drift v., afvallen o.

Abtmiern, bedr. ww. met eene trillende stem zingen, neurien; 2. o. ww. neuriënde heengaan.

Abtrinlcen, bedr. ww. afdrinken; jent. -, meer drinken dan een ander, iem. in het drinken overlreffen; eine Schuld -, zich met drinken betaling verschaffen.

AbtrippelQ, o. ww. wegtrippelen, weg-dribbelen.

Abtrittj m. heengaan o.; dood m.; intrek m.; (lig.) afzien van, laten varen o.: trede v., atlred m.; rus!, v.; heimelijk gemak, sekreet o.; de struiken die een gejaagd hert neder treedt; -sgeld o. geld o. waarvoor men afziet van; -sgrube v. sekreetput, beerput v.; -smerk-mal o. spoor o.; -spredigt v., Z. Abzugs-pre-digt: -sraumer m. sckreelmimer m.

Abtrocknen, bcdr. ww. afdrogen; afvegen; 2. o. ww. drogen, Z. austrocknen, ver-trocknen.

Abtrollen, o. ww. zich verwijderen.

Abtrommeln, bedr. ww. aftrommelen; afroffelen; it. Z. austrimmetn; 2. o. ww. den aftocht slaan; ophoudei Ie trommelen.

A',ti oia-ïion, bedr. ww. in blokken houwen.

Abtrompeten, bedr. ww. op de trompet blazen.

Abtropf-bank, y. lekbank, aanrechtbank v.; -breit o. lekplank v.; -knrb m. druipkorf m., druipmand v.; -trog m. lekzak m.

Abtröpfeln, -tropfen, o. ww. afdroppelen, afdruipen, doorzijgen; 2. bedr. ww. doen afdruipen, afdroppelen.

Abtrotzen, bedr. ww. afpersen.

Abtrümmern, o. ww. in stukken vallen; 2. bedr. ww. aan stukken slaan, afslaan.

Abtrumpfen.liedr. ww.aftroeven;jewin. zijn vet geven.

Abtrünnig, bijv. en b. oproerig, afvallig, ontrouw.

Abtrünnigkeit, v., z.m. afvallen, over-loopen o., desertie v.; afval m.; verzaken o., verzaking v.

Abtruppen, o. ww. bij troepen vertrekken.

Abtummeln, wei. ww. sich -, zich door haasten en reppen vermoeien, aftobben.

Abtünchon, bedt. ww. afwillen.

Abtupfen, Z. abdupfen.

Abtuschen, bedr. ww. met zwart krijt of Ooslindischen inkt teekenen.

Abtuten, bedr. ww. loeiende voordragen, door toeten bekend maken; 2. o. ww. ophouden met loeten.

Abundanz, v. overvloed m.

Aburtheilen, bedr. ww door een vonnis


-ocr page 39-

ABW

27

ABW

ontzetten uit, ontnemen, 2. o. ww een eindvonnis uitsprekcD.

Aburtheln, Z. ahurtfieilen.

Abusiv, bijv. en b., Z. missbrauchlich.

Abvertlienen, hedr. \vw. met werken verdienen; einc Schuld eene schuld met werken voldoen, aanverdienen.

Abverlangen, Z. verlangen, oifordern.

Abvieren, liedr. ww vierkant maken; vieren; (lig.) polijsten; abtjevierl, listig, slim, geslepen.

Abvisiren, Z. absehen,abaugeln; schiilzen.

Abwachen (sich), wed. ww. zich door waken uitputten.

Ahwachsen, o. ww. onr.,m. s. afgroeien; 2. m. h. ophouden te groeien.

Abwac'.ieïn, hedr. ww. afschudden, afwikkelen-, afrossen; i. o. ww., Z. ahwatscheln.

Abwape, v., z.m. verschil o. tusschen hoogte en diepte (door waterpassen gevonden).

AbwageTsiasten, m. kast v. waarin afgewogen wordt.

Ahwagen, hodr. ww. reg. onr. afwegen, Z. wtigen; waterpassen nivelleeron; seine H'orle afmeten, afwegen; das Abgewogene, het afgewogene, het gewogene o.

Ab vager, m. afweger, waterpasser, nl-velleur m.

Ab-waiung, v. waterpassen o., waterpassing, nivelleering v.; -skunst v., Abwayekunst v. nivelieerkunst v.

Aburallien, hedr. ww. afwalken, afpersen-, (fig.) jein. afrossen, afranselen.

Abwalzen, hedr. ww. afwalsen; 2. wed. ww. sich -, zich door veel walsen vermoeien.

Abwa'zen, hedr. ww. afwentelen, wegrollen, voortrollen; elu\ von sich van den hals schuiven, van zich afwenden.

Abwa'.zung, v. overgang m., overerving v. van een recht.

A'?wair sen, z, nbprïuieln.

Abwandelbar, /. wnmlelbnr.

Abwandeln, Z. umwandel».

Abwandern, o. ww. heengaan, vertrekken; 2. wed. ww. sich zich door veel loepen of reizen vermoeien.

Abwandlung-, v. vervoeging, verbuiging, buiging v.

Abwanken, o. ww. wankelend heengaan.

Abwarmen, hedr. ww. goed, behoorlijk warmen, heet maken.

Abwarnen, hedr. ww.waarschuwen voor, afraden, ontraden.

Abwarten, hedr. ww. afwachten, wachten op; einen Kranken -, oppassen, verplegen; sein[em) 4ml(e) -, waarnemen.

Ahwarts, bijw. naar beneden, benedenwaarts-, ter zijde; - (lieszen, afvloeien; strom-, stroomafwaarts naar beneden; -gekehrf, afgewend; - hangen, stelten, scheef.

Abwasche, v., Z. Abwaschen.

Abwascben, hedr. ww. onr. afwasschen, met wasschen afslijten; eine Schuld -, met wasschen betalen; (tig.) reinigen, zuiveren.

Abwasch-fass, -wasser, o.,Z. ffasch-becken, -schüssel, -wasser.

Abwassern, hedr. ww aftappen, het water laten atloopen; weeken, laten weeken.

Abwatscbeln, o. ww. wankelend heengaan.

Abweben, bedr. ww. afweven.

Abwechsel,m.disconto o.;ruilhandel,wis-selhandel m.; afwisseling v.

Abwecbseln, o. ww. afwisselen, veranderen; elk. beurtelings opvolgen; veranderen; 2. bedr. ww. inwisselen; die Hrache -, Z. ab-liisen.

Abwechselnd, bijv. en h. afwisselend, veranderlijk, ongestadig; beurtelingsch, beurtelings.

Abwechs(e)luiig, v. vernndering, afwisseling v.; verscheidenheid, variatiev.;-SM)eise, bijw. beurtelings, afwisselend.

ATïwedeln, bedr. ww. afwaaien, afslaan met den waaier.

Ahw eg, m. zijweg, verkeerde weg, dwaalweg m.

Abwegig-, bijv. nw. zijwegen hebbende.

Abwegs, bijw. van den weg af.

Abwegsam, bijv. en b, afgelegen; doorsneden van zijwegen.

Abweben, hedr. ww. etw. -, afwaaien, afblazen; 2. onp. ww. es hat ab'jeweht; de storm beeft opgehouden, is bedaard.

Ahwebr, v., Z. Gegenwehr, Widerstand.

Abwehren, bedr. ww. afweren, terugdrijven-, verjagen, wegjagen; einen Stosz -, afweren, pareeren; (tig.) afwenden, beletten, verhinderen.

Abwehr-graben, m. sloot v. om (het vee) af ie weren;-miWcf,o. afwerend middel o.

Abwelche», o. ww. weeken, afweeken;-2. bedr. ww. weeken, losweeken; tiehoorlijk wecken; 3. o. ww. onr. afwijken, afdwalen; verwijderen van, afdwalen; verschillen.

Abweichend, bijv. en h. afwijkend;onregelmatig, verschillend.

Abweichungs-isoiupass, m.afwijkingskompas o.; -Itreis m. kring m. \an afwijking; -tafel v. tafel v. der afw ijkingen.

Abweidea, bedr. ww. afweiden, afgrazen; laten afgrazen.

Abweifon, bedr. ww. afhaspelen, afw inden.

Abweifeblecb, o. een zekere vorm ui.

Abweinen, bedr. ww. door weenen ver-krijgen;met tranen boeten; 2. wed. ww. sich -, zich moede schreien of weenen.

Abweis, m. afwijzing, weigering v.

Abweisen, bedr. ww. onr. afwijzen, verstoeten, weigeren; afschepen; den l'eind -, terugdrijven.

Abweiszen, hedr. ww. afwitten, behoorlijk witten; 2. o. ww. wit afgeven.

Abwelse-stein, -stock, m., Z. Rad-stliszer.

Abweisung, v., Z. abweisen; -sbescheid m. weigering v.; weigerend antwoord o.; -sspruch m. weigering, afwü'ing v.


-ocr page 40-

ABW

ABZ

Abweito, T. afstand m., wijdte, verwijde-ring v.

.ihvvelken, bedr. ww. verdrogen; 3. o. ww. verwelken.

Abwend'-ar, bijv. nw. afwendbaar, te ver'uinderen, tc voorkomen.

Abwc-mdbarkeit, v. atwendbaarheid o.

Abv« enden, bedr. ww. rcg. en onr.eiw.-afwenden, afweren; (flg.) afwenden, voorkomen, verhoeden, afleiden, afhouden; 2. wed. ww. sich von jemn. iem. verlaten, zichont-Iretken aan.

Abwendi^, ij ij v. nw. afkeerig, afvallig; - mac/ien, afkeerig maken, vervreemden.

Abwendlich. Z. (ibwtHldbüV.

Abwerfen, bedr. ww. onr. afwerpen, afgooien; den Reitei' Z. absetz6n;das Ccweih -, verliezen; eine ilruche wegnemen, afbreken; jen. meer oogen worpen dan; opbrengen;

1. o. ww. (van dieren), jongen werpen en ophouden te werpen; 3. wed. ww.sic/tmiljemn.

oneonlg worden, twist krijgen.

Abwerfe-gabeljV. een werktuigo.,waarmede in de hoogovens de sinlols van den haard weggenomen worden; -ofcn, ni. zuiveringsoven m.

AbwertUen, Z. abivürdigen.

Ahwesen, o., Z. .-Ibwesenheit.

Ab'-vesen-ï, bijv. en b. afwezend; (lig.) afgetrokken, verstrooid.

Abwesenlieit, v. afwezigheid, afwezend-heid v.; verstrooidheid, gedachteloosheid v.

Abwesenheitsvormund, m. toeziende voogd, voogd m. voor een afwezigen persoon.

Ab-.vetten, bedr. ww. winnen door eene weddenschap.

Abweitern, o. ww. ophouden met on-weoren; (lig.) ophouden mot razen en schelden;

2. bedr. ww. eine Schwelle -, scliuin afkanten; abrjeioetlert, door wind cn weer gehard.

Atxvetzen, bedr. ww. afwetten; eiiiMes-sermet wetten afslijten, afwetten.

Abwichsen, bedr. ww. behoorlijk poetsen, afpoetsen-, afranselen, afrossen.

AbwicUelbar, bijv. nw. afwindbaar, af-wikkelbaar

Abwickeln, Ledr. ww. afwinden, afwikkelen.

Abwiegeln, bedr. ww. terugbrengen, le-rughouden.

Abwiegen, Z. ubwüQetl.

Ahwimmern, bedr. ww. door kennen verkrijgen.

Abwimpeln, bedr. ww. den wimpel afnemen van.

Abwlnde, o., Z. Gurnwin.de.

Abwinden, bedr. ww. afwinden; aflaten door middel van een katrol; 2. wed. ww. sich -, atloopen.

Abwiuder, -winderia, afwinder m., af-windster v., hij, zij, 'tie afwindt.

Abwinken, bedr. ww. het hoofd schudden ten teeken van weigering.

Ab-.vinseln, Z. ubwimmern

At;wirbelu, bedr. ww. afslaan;loswerve-len, losdraaien; ein Stuckchen -, roBo'.end voordragen; zingen, kweelen.

Abwirken, i)edr. ww. denTeiq -, behoorlijk kneden, afkneden; 7'ac/i -, afweven; die Haul-, afstroopen, aftrekken.

Abwirren, Z. enlwirren.

Abwiscben, bedr. ww. afvvisschen, afvegen; uitvlakken, uitvegen; 2. o. ww. wegsluipen.

Abwlscher, Z. Ifischer.

AbwiscUluinpen, m. wrijllap,wrijfdoek, vaatdoek m.

Aawischtuch, droogdoek, stofdoek m.

Abwittem, onp. ww. es hut abgewiltert. het onwoder is voorbij; 2. o. ww. door het weer afvallen, verweeren; 3. bedr. ww., Z. ubmerken.

Abwitzeln, bedr. ww. op spitsvondige wijze loochenen.

Ahwitzen, -wltzlgen, Z. wilzigen.

Abwogen, o. ww. zich golvende verwijderen.

Abvs'Ohnan, o. ww. op eenigen afstand wonen; 2. bedr. ww. eine Schuld -, door bewoning van een hui? zidi belalingverscliatfen voor;eiH Ximmer door wonen bosctuidigen.

Abwollen, bedr. ww. afwollen, de wol afwerken van.

Abwuchern, bedr. ww. door woeker ontnemen; ontwoekeren.

Abwuchs, m. misvorming v.

Abwürdigen, bedquot;, ww. verlagen in waarde; jem. vernederen,verlagen;afzeUen.

Abwurf, m. afwerpen o., opbrengst v.; afval ro., uitschot o.

Abwürfcln, bedr. ww. afdobbelen;j'c»!.-, Z. abwerfen.

Abwiirfig, l)ijv. iiw. ein -es fferd, dat gaarne afwerpt

Abwürgen, bedr. ww. den hals omdraaien, w urgen of worgen; verstikken, onderdrukken.

Abwuraeln, bedr. ww. ontwortelen.

Abwürzen, bedr. ww., behoorlijk kruiden; (fig.) jem. -, doorbalen.

Abwüthen, Z. auswiUheu.

Abzockern, bedr. ww., Z. abpfltyien.

A'czahlen, bed. ww. afbetalen, betalen, voldoen; doorbalen, hekelen.

A'-zaklen, bedr. ww. aftellen; al lellende afnemen.

Absahmen, Z. zdhmen.

Ahzahnon, o. ww., m. h. de laatste tanden krijgen ; 2 bedr. ww. ein Rad -, geheel aftanden.

Abzanken, bedr. ww. jenm. etw. -, door twisten of knorren verkrijgen; 2. wed. ww. sich -, zich moede Ivwslen, knorren.

Abaapfen,bedr. wv.aftappen; (lig.) jcinn.-, geld afhalen, afzetten.

Abzapfer, m. trokar m.

Abzappeln sicQ), wed. ww. zich moede spartelen, wegspartelen.

Abzasern, Z. ahfasern.

Abzaubern, bedr. ww. onttooveren; (tig.) door zijne aangename manieren verkrijgen.


-ocr page 41-

ACG

ABZ

29'

Ahzaumeajliodr. ww aftoomen; 2. o. ww., Z. abschirren, absatleln.

AbzKunen, bedr. ww. omtuinen, door ccnc of ccn hek schcUXcn-, jemn. elw. door verplaatsing der haag ontnemen.

Abzausen, bedr. ww. aftrekken; 2. wed. ww. sich met elk. plukharen.

Abzechen, Z. ahlrinken.

Abzehnten, bedr. ww. tienden, tienden heffen van; 2. o. ww. tienoen betalen.

Abzehren, hedr. ww.afeten; eine .Schuld -, Z. aftessen, abtrinken; it. uitteren, doen vermageren; 2.0. ww., m. s. mager worden, vermageren; 3. wed. ww. sich uitgeput worden, verzwakken.

Abzeichen,o. kenteeken, ondersci.eidings-teeken o.

Abzeichnen, hod r. ww. afbakenen; af-teekenen, nateekenen; merken teckenen.

Abzerren, bedr. ww. aftrekken,losrukken.

Ahzetteln, bedr. ww. den geschoren ketting van een weefsel afnemen.

Abzeug, o., z. m., Ahgang, Ah [all

Abzieh-apparat, m., Z. Jbziehzeufj; -blase v. distilleerketel m.; -ftOf/e;i m. ver-schoonblad, vel o.; -burste v. de horstel ra. waarmede een proefblad afgeklopt wordt; -eisen o. trekijzer o.

Abzlehen, hedr. ww. onr. aftrekken; seinen Hut -, afnemen; jetnn. die lluul -, aftrekken, villen; ein Betl van zijn overtrek ontdoen; liohnen -, afhalen; ein Gewehr-, aftrekken, afschieten; Jf'ein-, aftappen; 11. auf Flaschen -, bottelen; cinen Teich -, aftappen, ontnemen; jem. -, afleiden,afwenden;afkorten, aftrekken, afhouden, korten; in Gedunken afzonderen, scheiden; ahgctonene negrifle, afgetrokken, abstract; jrcingeist -, bij her-huling dislitleeren; die GUille -, laten atloopen; cinen Hogen -, trekken, aftrekken, drukken; eincn Kupferslich -, afdrukken; gladmaken, gladvülen; Gewiekte -, ijken; Schermesser op den riem aanzetten; Felle-, afschaven; alleggers van wijnstokken poten; 2. o. ww., m. s. heengaan, aftrekken, oprukken, vluchten; son der H'ache -, aft rekken, afgelost worden; (fig.) leer onverrichterzake heengaan; den dienst verlaten; 3. wed. ww. sich vim der fVelt -, de wereld vaarwel zeggen, zich aan de wereld onttrekken; aigezogen, afgetrokken, abstract; eenzaam; sich -, afgeven, /.. ab-schwdrzen.

Abzieher, m. aftrekkende, buitenwaarts-trekkende spier v.

Abzieh-feile, v. vijl v. om gelijk te maken; -/Inschew distilleerkolf v., trekflesch v.; -klinge v., Z. Xmjklinge; -kolben m. distilleerketel m.; -leder o. aanzetriem m.; -muskei rn. aftrekkende spier v.; -p/lug m. draincerptoeg m.; -presse v. pers v. voor de proeven; -riemen m., Z. Abziehleder; -stein m. oliesteen ra.

Abzleh-zaV., v. aftrekker m.; -teug o. distilleertoestel o.

Abztelen, bedr. ww. elw. -, doelen op,

bedoelen, op hor oog hebben, beoogen; 2. o ww. mikken, doei :i.

Ahzimm :rii, bedr. ww. aftimmeren,klaar timmeren.

AbzlrkeV.i^ bedr. w w. met den passer afmeten; (fig.) seine Hnndtungen -, afmeten, rijpelijk overwegen.

Abzischen, o. ww. sissende verdwijnen.

Abzittern, o. ww. sidderend afvallen.

Abzitzen, absaugen.

Abzollen, bedr. ww. naar duimen afdee-len; (fig.) Z. abs'.atten.

Abzotteln, bedr. ww., Z. abzauseii; 2. o ww. zicli met logge schreden verwijderen.

Abzucbt, v., Z. Abzugsggraben; groot? PÜP v., trechter, gieter m.; trekgat, zulggat. windgat o.; (van dieren), Z. Zucht.

Abzüchfcigen, Z. züchtigen.

Abzucken, bedr. ww. neerhalen.

Abzug, m. vertrek o., aftocht ra., aftrekken o.; rookgat o.; aftrek m., korting v.; proefblad o.; alloop m., gooi, pup. buis v.; 'aan geweren), trekker, drukker m.

Abziigiioh, bijw. na aftrek van.

o., lokvogel m.;

Abzngs-bissen, m.

-blech o. plaatje o. platina, waarin de trekker zich bevindt; -boijen in. proefblad o., proef v.; -burste v., Z. Abziehbiirste; -flugge v., Z. Ab-fahrtsflugge; -freiheil v. rechl o. om zonder betaling èene plaats te verlaten;-j/e/fi o. aftrekking v., aftrek m.; -graben m. tochtsloot v.; -loch o. gat o. waar liet water heenloopt; -predigt v. afscheidspreek v.; -recht o. recht om belasting te vorderen van vertrekkendom. -ritme, -röhre v. goot v., riool o., alloop m.; -schlacke v. melaalslakken v. mv., metaalschuim o.; -schnalte v. drukkertje, lichtertje o., dat door het minuutrad wordt opgeheven; -ziegcl ra. uitdrogingssteen ra.

Abzupfen, bedr. ww. afnemen, aftrokken, afknijpen, afplukken.

Abzwacken, bedr. ww., Z. abzwicken; (fig.) afknibbeien.

Abzvfangen, bedr. ww., Z. abzwingen.

Abzwccken, o. ww. nuf elw. -, (loeien op, beoogen; 2. bedr. ww. elw. -, op liet oog, in het oog hebben, beoogen.

Abzwicken, bedr. ww. afknijpen; (fig.) ontnemen, ontfutselen.

Abzwiebeln, bedr. ww. uitschelden; afranselen.

Abz-Vingen, bedr. ww. onr. afdwingen door geweld, dwang verkrijgen; afpersen.

Abzwirnen, bedr. ww. losdraaien.

Acacie, (-») v., Z. Schotendorn.

Academie, (-«) v., Z. Akademie.

Acajou-baum, -hclz, -nuss, Z. Maha-goni.

Accent, (-s, mv. -e) o. accent, geluid o.; uitspraak v.; toonteeken o.

Accentuation, v. wijze v. van accen-tueeren.

Acceatuiren, bedr. ww. accentueeren, den toon, nadruk leggen op.

Acceptab .!, Z. annehmlich, anneltmbuhr.


-ocr page 42-

AG II

Accreditiv, (-(e)s, mv. -e) o. kredietbrief, geloofsbrief m.

Accurat, byv. en b. nauwgezet, nauwkeurig, juist, stipt.

Accuratesse, v. nauwgezetheid, nauwkeurigheid, juistheid, stiptheid v.

Accusativ, (-s, mv. -e) ra. vierde naamval m., accusativus m.

Acii! tussch. ach! och! o! oei! ai!

Achat, (-s, mv. -e) m. agaat m. en o.; -artig, -ahnlich byv. en b. agaatachtig; -brcc-cie v., Z. Trainmerachal; -duttel v. purpersteen m.; -Iiult;jel v. stuk agaat o.; -tnnhle v. agaatmuien m.; -onyx m.agaat-onyx m.;-sclilei-fer m. agaatslijper in.; -luie v. kinklioren m. Achaten, bijv. nvv. agaten, van agaat. Achel, (-n) v., Z. Grame.

Achen, Z. achzen.

Achillenkraut, o. duizendblad o. Achillesflechse, v. achillespees v. Acïiromatischj bijv. en b. kleurloos, achromatisch.

AcUse, (-n)v. as v., spil v.; auf der, zur of za - führen, per as, met wagens vervoe-

Achsel, (-n) v. schouder, oksel m.; (lig.) auf beiden -n Wasser traficn, de buig naar den wind hangen; etw.auf dieleichle- nehmen, licht tellen, geringschatten; jem. uber die -ansehen, met minachting aanzien; die -n zuc-ken, de schouders ophalen; die -n hangen lassen. niet wel gemutst zgn.

Acüsei-ader, v. schouderader \.-,-bando. schouderband m., epaulet v.; -bein o. schouderbeen o.; -blume v. in de bladoksels groeiende bloem v.;-r/ruse v, .ichouderklier \'.-,-tli:ck v., Z. Achselstilck; -yelenk o. schouderge-vvricht o.; -gestank m. okselreuk ra.; -iirubc v. oksel m., schouder-, okselholte v.; -haar o. okseibaar o.; -hemd o. hemd o. zonder mouwen; -hiihlew, Z. -{/rube,- -knochen 111., 7.-bein; -naht v. scboudernaad m.; -neme v. schouder-zenuw v.; -pulsuder of -schlagader v. scbou-der-, polsader \.-,-quusti'\. schouderkwast in.; -ranke v. hechtrank v.; -röhre v., Z. Achsel-bein,- -seil 0. draagriem m.; -schnur \. vangsnoer 0.; -slandig bijv. nw. okseistandig; -slreif m. hand,' lint 0. aan den schouder; -trager m. buichclaar m.; -trdqerei v. huichelarij v.; -troddel v schouderkwast, troetel m.; -zucken 0. schouder ophalen 0.

Achsen-arm, m. asarin m.; -band 0. as-beugel in.; -blech 0. asstootplaat v.; -bolzen in. asbout m.; -einschnitt ra. asinzinking v.; -eisen 0. asscbeen v.; -fiinnUj bijv. nw. asvor-mig; -fiigung v. draaigewricht 0.; -fuller 0. aslijf 0.; -geld 0. wagengeld, tolgeld u.\-nagel m. luns v.; -neiging v. schuinte, belling v.; -pfanne v. asplaat in.; -rinu m. asarmmuts v.; -scheibe v. asschüf v.; -schemel m. asdek-stuk 0.; -schenkel m., Z, Achsenblech; -sc.hmiere v., Z. IVagenschmiere; -stosz m. Z. Achsenblech.

Achs-linie, (-n) v. aslijn v.; -punkl 0. as-punt 0., pool v.; -strich m. middellijn v.

AGG

30

Acceptaut, , -i'ii, mv. —en) m. aannemer, acceptant m.

Acceptation, v. aanneming, acceptatie v. Acceptations-blanco, o. onbeperkt kro-iliet o.; -buch o. acccptatielioek o.; -credit o. open krediet, blanco-krediet o.; -qescliiifte o, mv. \oorscliot o., waarvoor men niet gedekt is; deficit, tekort o.

Accaptilation, v. gewaande quitantie v.; betaling v. eener schuldvordering zonder qui-tantie. , .

Acceptiren, Ijedr. ww. aannemen, betalen, accepteeren.

Acceptirung, v., Z. Annahme.

Access, (-es, mv. —(') in., Z. Zutritt. Accessist, (-en, mv. -en) m. die toegang beeft tot, of zitting in eene rechtbank. Accessit, (-s, mv. -e) o., Z. Nebenpreis. Accessorium, {-viuMS, mv. —Tien) o., Zube/itir, Heiwerk.

Accidentalien, o. mv. bijbehoorende bepalingen v. mv. ....

Accideuz, {-denzes, mv. -ilenzien) 0. buitenkansje, bijvalletje u.-,-arbeil v. tebulswerk o.; -arbeüer, -drucker m. die tegen vast dag-of'weekloon werkt, drukt amp;.

Accis-amt, o. accünskantoor, belastingkantoor o.; -hur bijv. nvv. belastbaar; -beam-terf-bedienter m. ambtenaar, kommies m. bij de belastingen of accijnzen.

Acclse, (Amen) v. accijns m. belasting v., recht o. op eetwaren; accijns-, belastingkantoor o.

Accis-eiunahme, v. het ontvangen ol innen o. der accijnzen of belastingen, inning v.; -einnehmer in. ontvanger m. der amp;; -(rei bijv en 1gt;. vrij van accijns of belasting, onbelast; -frei heit v. vrijstelling v., vrijdom m. van -schreiber ra., Z. -beamier; -stube v., Z. Accisamt; -zettel in. accijns-, belastingbiljet o.

Acclamatiou, v., Z. 111. lïllt bij acclll-matie.

Acclimatisiren, bedr. ww. jem. aan het klimaat gewennen; *2. wed. ww. sich -, zich accliinatiseercn; ergens aarden, Z. ein-bürqern.

Accolade, {-7i) v., Z. Klammer. Accommortation, v., Z. Nachgiehigkcit. Accommodiren, hedr. ww. sorteeren; wed. ww. sich Z. sich fügen.

Accompagnement, accompagniren,

Z. Hegleitmig, beqleiten.

Accord, {-{e)s, mv. -e) m. overeenkomst v. verdrag o.; akkoord o., samenklank m.

Accordiren, hedr. ww. toestaan; 2. o. ww. overeenkomen, eene schikking maken, eene overeenkomst treffen, accordeeren.

Accouchement, (-s, mv. -e) o., Z. Enl-bindung. „ „ , ,

Accoucheur, (—s,iiiv.-c) m., Z. Gehurts-helfer.

Accouchiren, Z. entbinden. Accreditiren, hedr. ww., Z. beylaubigen; krediet openen voor.

-ocr page 43-

ACH

ACH

Acht, zelfst. en telw. acht v. (of 8);cs sind ihrer acht, zü zijn met huu iichton.

II. AcM(e), (mv. Jchten) v. hel getalmerk 8, iels dal den vorm van eenc 8 heeft; (lig.) eine lange eene lange Lijs.

Acht, v., z. m. - geben, acht geven, opletten; aus der - lassen, vergelen, veronachtzamen; in - nehmen, in achl nemen; sich in -nehmen, zich in achl nemen, op zijne hoede zijn; vor jemn.yVor elw. sich in- nehmen, zich wachten voor.

Acht, v., z. m. verbanning v., ban in.; jem. | in die - erklciren, thun, iem. in den ban doen, i verbannen.

Aecht, bijv.en h.echl, zuiver,onvervalschl; ; -er Freund, ware vriend m.; -es Kind, echt, 1 wettig.

Achtaugig, bijv. nw. achtoogig.

Achtbar, bijv. nw. achtbaar, eerwaardig, achtingswaardig; -keil v. achtbaarheid, eerwaardigheid v.

Achtbatzner, m. eenc munt ter waarde van acht.

Achi-beinig, bijv, en b. achtbeenig; -blul-lerig bgv. en li. achtbladerig; -blumig bij\. nw. dat acht bloemen heeft; -eckig bijv. cn h. achthoekig.

Achie, v. achl v., een cijfer.

Acht ejhaib, bijv. nw. achthalf.

Acht-ecli, o. achthoek m.

Ac'atel, (-s, mv. Jchlel) o. achtste o., achtste noot v.; -form, -grösze \. octavo o.; -kreis m. octant v.; -note v. achtste noot v.; -pause v. achtste rust v.; -schein m. stand m. van twee hemellichamen, waarbij «Ü 43° van elk. verwijderd zyn; -tukt m. achtste maat v.

Ach'celii, bedr. ww. in acht deelen verdeden.

Achten, o. ww. auf seine Jrbeit letten, opmerkzaam zyn op; -2. bedr. ww. ilie Gcsdze -, eerbiedigen; einen Verlust nicht -, achten, rekenen, waardeeren; es fur cine Ehre -, het voor eene eer houden; jem. -, achten, eerbiedigen; l). wed. ww. sich -, zich gedragen.

Aecbten, bedr. ww. verbannen, in den rijksban doen; '2. natürliche Kinder -, wettigen, als echt erkennen.

Achtender, m. achtjarig hert o.

Achtens, bgw. ten achtste.

Achtenstaude, v., Z. Altich.

Achtenswerth, bijv. nw. achtingswaardig, eerbiedwaardig, eerwaardig.

Achter, (-s, mv. Jchter] m. achtponder m.; Z. Achtender, Acht; gedaante v., vorm m. van eene 8; wijn m. van het jaar 8.

Aechter,'-s\ mv. Aechter} m.verbanner m.

Achterlei, bgv. en b. achterlei, van acht soorten.

Acht-fach, -faltig, bijv. en b. achtvoudig; -fiicherig bijv. nw. achtlobbig; -finge-rig bijv. nw. met achl vingers; -/lach o. achtvlak o.; -flachid bgv. nw. achtvlakkig; -füszig bijv. nw., Z. -beinuj; it. van acht voel lang.

Acht-geber, -haber, -haberin, hij, zij die achl geeft.

Aechthelt, v. echtheid v.; wettigheid v., zuiverheid v.

Acht-hundert, bgv. nw. onb. achlhon-derd; -hundertel o. achthonderdste o.; -hun-dertste zelfst. en bgv. nw. de, het achthonderdste o.; -jahrig bijv. nw.achtjarig; -kantig bgv. nw. achtkant, achtkantig; -klang m., Z. Octave.

Achtlos, bgv. en b. achteloos, onoplettend. Achtlosigkelt, v. onoplettendheid, achteloosheid v.

Acht-mal, bgw. achtmaal; -matig bijv. nw. dat achtmaal herhaald wordt; -mdnnerig bijv. nw. achthelmig; -monalig bijv. nw. van acht maanden; -utonallich bijv. nw.omdeacht maanden plaats hebbende; acht maanden oud; -pfdiuler m. achtponder m.; -pfundig bijv. en b. van acht pond.

Acbtsam, bijv en h. oplettend, zorgvuldig, nauwlettend;-/ceii v. oplettendheid, zorgvuldigheid. zorg, nauwlettendheid v. Achtsaulig, bijv. nw. met acht zuilen. Achts-brief, m., Z. Aechtungsbrief; -er-klarung verbanning v., verbannen o.

Achit-selt, achtvlak o.; -seitig bijv. en b. achtzijdig, achtkantig; -spdltig bijv. nw. in acht deelen gespleten; -spdnnig bijv. en b. — er '/.ug, span van acht paarden; -s/raft/iffbijv. en h. achtstralig; -stündig bgv. nw. van achl uren; -stündlich bgv. en b. um de acht uren plaats hehbondc; -stündner m. mijnwerkerm., die acht uren werkt; zandlooper in. die acht uren loopt; -silbig bijv. en b aebttettergropig; -tdglich liiiv. en li. om de achtdagen, eenmaal in acht dagen; -tagsuhr v. horloge, uurwerk o., dat eenmaal in de acht dagen afloopt;-theil m., Z. Achtel; -theilig bijv. nw. uit acht deelen bestaande; -ton m., Z. Octane.

Achtung, v., z. m. achting, oplettendheid, zorg v., ontzag o., eerbied m., onderscheiding v., aanzien o.; dein Geselz - cerscha/fen, de wet doen eerbiedigen;

ontzagwekkend, ontzag inboezemend.

Achtungs-bezeigung, v. bewijs o. van achting, eerbied amp;; - los bijv. en b. oneerbiedig, zonder eerbied of achting, onoplettend; -mangel m. gebrek aan achting amp;; -voll bijv. en b. eerbiedig; -werth bgv. en b. eerbiedwaardig, achtingswaardig; -widrig bijv. en b. oneerliiedig; -wiirdig, Z. uchtuugswerth.

Acht-weiberig, bijv. nw. aciitstijlig; -mei-berigkeit v. acht stampertjes hebben; -winke-lig bijv. en b. achthoekig; -wiichenthchbijv. en h. om de acht weken, alle acht weken plaats hebbende; -toOchig bijv. en b. van acht weken; -zdhnig bijv. nw. achttandig.

Achtzehn, telw. achttien (18); -ender m. hert o., dat achttien einden heeft aan de horens; -erlei bijv. on b. achttienderlei; -pfün-der m, achttienponder m.; -punk! m. Onzes-Lioven-Heershaantje o. met achttien stippen; -te zelfsl. en bijv. nw. achttiende; -tens byw. ten achttiende; -tropf m., Z. -pinkt.

Achtzeilig, bijv. en b. achtregelig, van acht regels.


-ocr page 44-

32 ACK — ACQ

Achtzig, lelw. lachtig;-erm. wijn m.van die v. veldleeuwerik m,; -lohn ni. ploeg- Acq

liet jaai' 80; -er, -erin, man in., vrouw v. van loon o.; -mdhre v. oud, sleclit ploegpaard o,; jjeeVl

80 jaren; -ste zelfsl. en bUv. nw. tachtigste; -Wmann m. akkerman, landbouwer, land- Act

-s.'e( o. tachtigste gedeelte o.;-s(ens IjUw. ten man m.; -manrtChen o., Z. Bachslelze;-masz y Ha)|

tachtigste. o. akkerraaat v.;-n!aut,Z. FcMmausv.;-mei- Actl

AecUzen, o. ww. zuchten, zuchten slaken, (if, Z. Wuhlmetde; -niesse'- a. kunstploeg in.; i

Ackelei, (-n) v. akolei, klokjeshloem v. -minze v. akker-, paardemunt v.;lt. Z.^aer- Aci,

Acker, (Ackers, mv. Jecker) in. akkerm., nept;-mist m. mest, bemesting v.;-mo/m m. j ^andve

land, veld o.; -altester m. oudste m. van een klaproos, korenroos v.; -milnze v., Z. Acker- s o p.(k (

akkergilde; -amlorn m. akker-hennepnetel v.; minze. | 0'. -ma

-arbeit v. landliouwen, akkerwerk o.j -bacil- Ackern, hedr. ww. ploegen; (fig.) newer- k

to), Z. Sichelkraut; -bar bp. en h. bebouw- ken; das Meer -, doorploegen, doorklieven; |

baar; -bau m. landbouw, akkerbouw m.; (lig ) zwaar werken, zwoegen. |n

-bauend byv. nw. landbouwend, akkerbou- Acker-nelkengras, w itte weegbree v.; -stücke

wend; -baugeriith o., Z. Jckergerilth; -bau- -nep( m. wilde honigbloem v.;-nesse/v.doove | Actl

gescllsehafl v. landbouw maatschappij v.; -bau- nelel v.; -nuss v., Z. Erdnuss; -ohmkrau; o. jej.

kunde v. landbouwkunde v.; -baukumlig bijv. wilde leeuwevoet in.; -pferd o. ploegpaard, Acti

nw. landiiouwkundig;-i/ouec m. landbouwer, werkpaard o.; -rain m., Z. Haiti; -rand m. aandeel

boer m.;-i)ausc/iri/'/s/c//er m. hij, die werken zoom, kant m. van ecu akker; -raule \., /.- v. op n

schrijn over den land-of akkerbouw;-ööu/j'ef- Erdrauch; -recht o. recht, voorrecht o.;-7quot;eic/i Acti

benrfbijv.nw.land-ofakkerliouwdrüvend;-i)(m- bpv. nw. rijk in akkers; -rdivj m., Z. Uede- -e)m.c

wissenschaft v. kennis v. van den landbouw, rich; -ried o. moerassige plaats v. op een gj^e v

landbouwkunde v.; -beere Z. Brombeere; akker;-rierff/ras o. akkerrietgras o.;-rifij/ei- v v00|

-beet m. deel o. van een akker tusschen twee blumey. goudsbloem v.; -rosspolei ni., Z. .-in- -besitzi

voren; -besleliang v. bebuuwliig v., bebouwen dom; -rosssclnoanz m., Z. Schaftheu; -ruhr- grootte

o. van een akker; -bohne v., /..Satibohne; krant o. wolgras, wrangkruld u.; -sulal m.. v.|n a;1

-buch o., Z. Laijerbuch; -burger m.burgerm., Z. Feldlattich; -suuerampfer ra. wilde zuring pilaal

die ook landbouwer is, builchman m.; -ilill o. v.; -schnabelkraut o ooievaarsbek m.; -sctiolle -abschi

vclddille v.; -distel v., Z. Schartc, Seharlen- v. aardkluit v.; -schwarzkummel m. veiuko- oll(iei;

krant; -drossel v. akkermeerle v.; -ehrenpreis mijn m.; -schwertel m., Z. Siegwurz; -sen/ m. „me v

m.veldeereprijsv.;-cic/(e/v.,Z. Erdnuss;-erde wilde mosterd m.; -sinau m., Z. -olunhraut; fcapilai

v. teelaarde, pootaarde, mestaarde v.; -faden- -spurge!, -spergel m. veldspurrie v.; -stein- nniatsc

kraut o., 7. jekerruhrkraut; -feld o.ye\i o., samen m. steenkru d, parelkruld o.-,-slem- ni. acti

akker m.; -filzkraut o., Z. Ackerrahrkraul; kraul o., 7.. jlckerwaldmeisler; -steuer v. be- |n .trlj

-fteischblume v., Z. Ackerku!iweizen;-fruu v. lasting v. op'de akkers-,-lt;«s ni., Z. Frohniaij; m .

vrouw van een landbouwer; — mantel m., Z. -theit o. deel o. eens akkers; -Irespe v. wilde |a.u. nl

-ohmkraut; -[rohndienst m., -frohne v. leen- haver, herrik, dolik v.; -uinsatz m. ruiling v. / _si

mansdienst m.; -/«c/isw/iwajiz in. akkervos- vaneenenakker;il.Z. A'«ppc;wiWiSc7ii;^,it.Z. m

sestaart m.; -furche v. akkervoor v.; -galley. Ackerumschtag;-umsihtug m. vcranderingvan v -specui

onvruchtbare streek \. in een akker; -ganse- (H.v.) grasland in korenveldii;-tielio. ploegvee 0

distel v. akkerganzedistel v.; -gauchheil ia. o.;-rio/e v. veidvioollje o.;-rof/e/m., Z.^eW- ui. in

wilde latuw v.; -gaul m. ploegpaard o.-. -geld laufer; -vogt m., 7.. Flurschiltze; opzichter ui. /

o. akkerhuur, landbuur v., bouw loon o.; -ge- over de landerUen; -wage v. vorenmeter m.; Act

riith o., —schaft v. landbouwgereedschap o., -waldmeister m. akkerwal- of woudmeester sj^i 0

landbouw werktuigen o. rav.; -gericht o. ak- in.; -watze v. kluitenbreker, rol m.; -weg in. Act

kergcrecht o.; -tjeschirr o., Z. Ackergerülh; akkerweg, weg ra. door het veld; -werbel in., mv _e

-geselt o. akkerwet v.; -gilde v., Z. Acker- Z. Maulwurfsgrille; -lüerk o. akkerwerk o., Act

innung; --jrindkraut o. akkerschnrftkruid o.; boerderij v.; -werkzeug o., I.. Ackergerdth; j aandee

-huhnenfusz m. akkerhanevoet m.; -hof in., -wesm o , Z. Arkerbvu; -ivitsv v. akker ui., dn* Ac(.

Z. Bauerffu/,--/ioMer,-/iotarferni. wilde vlier tot weiland gebezigd word!;-tt'inde v. veld- ACt

v.; -holz o. kreupelhoul, struikhout o.; -hum- winde v.; -wurm m., Z. Engerling; -wurz v., Zeilwo

kraut of -gras o. gehorende veidadder m.; Z. Kalmus, Bluheurz; -zeil v. werküjd. tijd handel

-hulin o., Z. Rebhuhn; -innung v. akkergilde, m. om te bouwen, te ploegen; -zins m. akker | schuld

landbouwersgilde v.; -junge in. ploegdrijver huur v., akkertins ;n.;-ijoieie/v veldajuia m. Act

in.; -kamille v. veldkamllle v.; -kunnenkraut Ackerer, m., Z. Aekermann o. bcdr

o. veldpaardestaart ra.; -klee m. veldklaver A Conto, m. a conto o., op rekening. woord

v.; -klelle v. wilde of klitkervel y.-,-knecht A Costi, a costi, len uwent, in uwe ct

m. landbouwerskneclit m.; -knoblamh m. stad. 3 gen, hc

knollook o.; -kohl m. Z. Hainkohl, Hederich; Acqulriren, bedr. ww. verwerven, ver- Act

-krdhe v. veldkraai v.; -kraut o., Z. Bach- krijgen. Act

bange; -krebs m., Z. Erdgrille; -kuhweizen Acquisition, v. verkrijging v.; het ver- Act

m. koetarwe, wilde tarw e v.; -kutjimelo.uk- worvene, aanwinst v. m. gril

kerhaani m.; -land o., Z. Ackerfehl; -tattich Acquit, i-s. mv. -e), o. kwijtbrief m.,qui- Act

m. wilde of veldlatuw v.; -lehne v. heuveltje tantie v.; eerste stoot, uitstoot m.; per Ij; • slein.

o. op een akker; -leine v. pioegzee! o.; -Ier- taald, voldaan, ontvangen. Ad,

-ocr page 45-

AED

AD

Acquittiren, bedr. ww. voldoen, quilan-tie geven; voor voldaan teckcnen.

Act, {-{e)s, mv. -en) in. tooneel, bedrijf o.; Z, Hanillunu.

Acte, (Acten) v., Z. Ferhandlumj; it. Ur-kunde, Beschluss.

Acten, v. mv. Ijewysstukken, prolocollcn, bandvesten o., oorkonden v.,akten v.; -fasciltel o. pak o., bundel m. aklen;-kammer v. arcbief o.; -mdszuj bijv. en b.\olgens de rechtsgeldige stukken of akten; -schreiber m. kopiist van akten; -schmierer in. pennelikker m^-sc/jra/ifc m. kast v. waarin de aklen bewaard worden; -slacke o. mv. bewijsslukken o. mv.

Acteur, (-S, mv. -e) m., Z. Schuuspie-ler.

Actie, (Jctien) v. aandeel o., bewijs o. van aandeel, actie v.; Xontinal-, aandeel o., actie v. op naam.

Actien-abschnitt, -antiieil, (-(ö)s, mv. -e) m. coupon m.,dividend o.; -ausgebunsi v. uitgifte v. der acties of aandeelen; -bank s, bank ; v. voor aandeelen; -bcsitz ra. bezit o. van amp;;

-besllzev in., Z. -inhaber; -betragm.lieAvag o., i grootte v. van amp;; -brief m. aandeel, bewijs o. van aandeel; -capital o. genootscbappelijk kapitaal o. der aandeelhouders; -coupon in., Z. -absclmitt; -cours m. koers m. der aandeelen op de beurs; -creirunij v. bet uilgeven o., uitgifte v. van amp;; -fonds m. genootschappelijk kapitaal o. in amp;; -gesellschafl v. vereenlging, maatscbappü v. van aandeelhouders; -handel in. actiehandel m.; -handler m. handelaar m. in aclies; -inhaber ra. aandeel-, actie-houder m.; -rndkler m. makelaar in amp;, wisselhandelaar ra.; -promesse v. promesse v.; -reiter in., Z. -spieler; -schein in., Z. -brief; -schtoindel in. actiewoede v.; -siteculunl m., Z. -spieier; -speculalion v. wisselspel o.; -spiel o. wissel-' spel o., speculatie v.; -spieler m. handelaar m. in aandeelen, speculant m.; -urkunde v., Z. -brief; -verein m., Z. -gesellschafl.

Action, v. handeling v.; gevecht; gebarenspel o.

Actionalquot;, mv. -e). Actionist, {-en, \ mv. -en) m., Z. jdieninhuber.

Actioniren, bedr. ww. betaling zoeken in aandeelen.

Acfciv, bijv. nw. Z. thiiltg.

Activ, bijv. nw. werkend, actief; ein -es Zeilworl, Z, Aclivuni; -handel ra. ultxoer-■ handel ra.; -schulden v. mv. werkelijke, active i schuld n v. mv.

Activ(um), {-tiv{um)s, rav. -tice at-tiva) o. bedrijvend, overgankeliik of transitief werk-j woord o.; (mv. Jcliva) ActivschuMen.

Activvermogen, o. bezitting v., vermo-I gen, hezil, actief o.

Actrice, i-ri) v., Z. Schauspielerin.

Actrischen, o. tooneelspeelstertje o.

Actuar;ius), {-ur{iu)s,\n\.-arien ol -are) ni. grillier m.

Actynolith., (-en, mv. -en) m.,'/.. Slrahl-stein.

Ad, Latynsch voorz. ad absunlum filhren.

van ongerijmdheid overtuigeii;nrf libitum,naar verkiezing.

Adagio, bijv. nw. langzaam, adagio; 2. o. zelfst.een muziekstuk van eene langzame maal.

Adam m. Adam ra,; der alle -,deerfzonde v.; -sapfel m. adamsappel ra.;strottenhoofd o.; -sfeigc v. adamsvijg v.; -sbaum ra. adamsvijgeboom m.; -sholz o. adamsbout o.; -skind o.. -ssohn ra. adamskind, menschenkind o.,

zwak en zinnelyk mensch ra.

Adaquat, byv. nw., Z. angemessen.

Addiren, bedr. ww. optellen, samentellen, samenvoegen.

Addition, v. optelling, samentelling, samenvoeging, additie v.; Z. Zusatz.

Ade, tussch. vaarwel! adieu!

Adebar(bar;, {-s, mv. -e) ra. in Noord-üuilschland de naam van den ooievaar.

Adel, (mv. -n) v. (Prov.) nagclzweer v.,

fijt v.

Adel, m.. z. m. adel, adelstand m.; in den - erheben, Z. adehi, verheven iieid, waar

digheid v.; -bauer m. heereboer ra.; -bursche m. adelborst, cadet in.; -dorf o. heerlijkheid v.; -esche v., Z. I'ogelbeerbaum; m. edel-visch m.; -herrisch bijv. en b. arislocralisch; -herrschaf t v. adel heerschappij, adelregeering, aristocratie v.;—sfreund ra. aanhanger m. van de regeering der adellijken, aristocraat m.; -hof m., Z. Edelhof.

Ad(e)lig, bijv. en b. adellijk, edel, van adel.

Ad(e)lig!ieit, v., Z. Adelschafl.

Adeiing, {-{e)s, mv. -e) ra. edelman, page m,; een zijn stand onwaardig edelman.

Aedellt, {-en, rav. -en) m. peuldragende planl v.

Actellos, bijv. en b.. Z. unadelig, unedel.

Adeln, bedr. ww. adelen, tot' of in den adelstand verheffen, een adeiiykeu titel ver-leenen; (lig.) veredelen, verhellen.

Adels-brief, m. brief in. van adeldom;

-buch o. adelsboek o.

Adel-schaft, v.,-atani ra.adeldom,adelstand ni., adel ra.; alle adellijke personen te zamen; -slolz ra. adellijke trotschheid v., adeltrots in.; -such! v. zucht v.om van adel tezijn; -süchtig bijv. nw. die de begeerte beeft ora lot don adelstand verheven te worden; -thum o.

adel m.; adellijke misbruiken of vooroordee-len o. rav.; -thü/nelei, -tMimler, -Ihümlich, -Ihiimeln, Z. Adelsuchl, udelsüchiig.

Adept, {-en, rav. -en) m. die in geheime kunsten ingewijd is, goudmaker, alehimistm.

Ader, {Adem) v. ader v.;f/oWt'«e-, gulden-adervloed m., aambeien v. rav.; zur—lassen,

jemii. eine - ö/fnen, sehlagen, aderlalen, laten;

er hat keine - von seinen: lruler,b\j aardt niets naar zijn vader; in jeücr -, van top tot teen; kanalen o. voor den omloop van andere vochten, Z. Mileh -, Wasser-ader; (in hout enz.), ader, laag v., Z. Brunnen-, Erz-,

Gold-, )rasser- ^-binde v iaiiiiwiiri/zv tel m.; -bruch m. aderbre-ufv. , „ „ ^ «

Aederchen, o. verki kle@el•' • val O. quot; , . • r- ■ , . ■


! quot;TECi-

r

-ocr page 46-

ADV

ADL

u

létiet in.; -iveibclicn u. wijfjesarend m.; -zanoe i. tang v. om de zijg- ol' crtskoekeu uit te ha-

Ader-förmi^:, liijv. en 1). adervorinig;-flt!-tlecht o. adcrvlccht v., adernet o.; -neschwutst v. adergezwel o.; -hirul v., -hdutdien o. ader- !en.

vites o.; -hauistaar m. soort van grauwe staar Acllifr, Z. adclig. v.; -iff büv. on 1). geaderd, aderig o.; -hnoten,

-hnnpf in. aderspat v , adergezwel o.; -tos in-aderlating, lating v.; —bauschcheu o. wond-doekje, compres o.; —bedien o. aderlatings-bekken o.; —hinde o. laatband in.; —eisen o

koker m. mot lancetten; —teil v. lijd m., die geschikt is voor de aderlating; -litsse v., /,. -lass; -lasser m. aderlater, chirurgijn, heelmeester m.; bloedaftapper m.

Ad(e)rig-(riclit), Aeiejrig-iricht), bijv. nw. aderen liebbend, geaderd.

Aedurlein, o., Z. Aederchen.

Aderlos, bijv. nw. aderloos, zonderaderen.

Adern, adem, lieilr. ww. aderen, vlammen, van aderen of vlammen voorzien; ein llihl -, de aderen doen uitkomen.

Aderngebaude, o. adergestel, aderstel-sol o.

aderlatingspriein m.; —geriith o. aderlatings- miraal m.; die -in v. admiraalsvrouw v.; -ildl toestel o.; —lircuz n. kruisje of toeken o., dat v. admiraliteit v.; —sgericht o. admiraiilcits-de dagen aanw ijst, die gunstig zijn voor de reebtbank v.; —srechte o. mv. admiraliteitsaderlatingen; -kuust v.aderlaten o.-—luncetle rocbte.i o. mv.; -schaft v. admiraalschap o. —sclmeiiper m. lancet o.; —werkzeug o. Admirals-brief, m. geleibrief, convooi-

l)rief, seinbrief m.; -flaime v. admiraalsvlagv., -galeere v. admiraalschip o.; -schi/f o. admiraal (schip) o.

Admiriren, Z. bewundern.

Admiration, v., Z. Bewundcrun'J.

Admission, v., Z. Zulassung.

Admittirea, Z. zulassen.

Admoniren, Z. ennahnen.

Admonition, v.,Z. Ermahnunfi, Würnung.

Adonis, Adonis; een schoon man; -blume v. adonisbloem v.; -rose v., -rösdten o. adonis-roos \.

Adonisch, bijv. nw. -er l'ers, adonisch

band o.; -reich bijv. nw . aderrijk, vol aderen; -rippifi bijv. nw. geribd; -sdilurj m. aderslag, polsslag m..

-sdiwamm m., Z. Monjelscliwaniiu: -.slruny m., Z. -uelledit; -wasser o., Z. Blutwasser.

Adhasion, v. adhesie, aanklevingskracht v.; (flg.) toestemming v., biival m.

Adhasiv, bijv. mv. aanklevend.

Adjtctiv, (-.s, mv. -e) o. bijvoeglijk iiaam-woerd o.

Adjudication, v. vrijspraak, locwijzing, toekenning v.

Adjudiciren, bedr. ww. toewijzen, toekennen.

Adjunct, {-[cjs, mv.-c) m.ambtsmetgezel, helper, adjunct m.

Adjungiren, bedr. ww. toevoegen.

Adjustiren, bedr ww. regelen, ijken

Ader-presse, \. aderpers , schroefver- vers o.

Adoption, v. aiinncming v. lol kind. Adoptiren, bedr. ww. als kind aannemen, ui.; —niesscr o. pols-slagmeter m.; erkennen.

' Adoptiv, bij\. nw. aangenomen, erkend;

-kind o., -sohn m., -todder v., -valer m. aangenomen kind o.,-zoon m.,-dochter v., pleegkind o., pleegzoon ni., pleegdochter v., pleeef-vader m.

Adressant, {-en, mv. -en) in., -santin v afzender in., afzendster v.

Adressat, {-en, mv. -en) in., -satin v geadresseerde m. en v.

Adress-buch, o., Z. -kalender; -bureau, -comploir o. adreskanloor, bureau o.; -kalender m. adresboek o.

Adresse, (-«) o. adres o., plaats v. van bestemming.

Adrcssiren, bedr. ww. adresseeren, rieh-

Adrittura, bijv. rechtstreeks, direct.

Adstr; ngiren, bedr. ww. samentrekken.

Advent, m., z. m. advent m.; -sprediger m. prediker m., d e op de Zondagen van den advent predikt; -teil v. lyd van den advent.

Adverbialiscii, bijv. en b. bijwoordelijk.

Adverb ium , {-verb{iuin)s, mv. -verbien, -verbe) o. bijwoord o.

Advis-boot, o. postschip, adviesjacht o.; -brief m. advies jrief m.

Advlsiren, .lodr. w «'. berichten, advizee-

Adjustirwage, v., Z. .■ibylcichunyswagc. ten, zenden aan.

Adjutant, {-en, mv. -en) ui. adjudant m.

Adler, {.Idlers, mv. .Idler) m. arend, adelaar m.; (lig.) einen dop\ielten - mudien, in bed rug legen rug liggen;-u/()i/ic/i,-arfiffbUv. en b. arendachtig; -auye o. arendsoog o.; (lig.) adelaarsblik m.; -duijig bijv. nw. met arends-oogoii; -blkk m. (lig.) adelaarsblik ia.;-blu»ie v.; Z. Akelei; -eule v. groole hertog, uil m.; -fillip m. arendsvlerk, arendsvleugel m.;-fisch Z. Meerfisch; -(jeier m., Z. Ifeiszkopf; -holz b. nrendsbout, paradijshout o.; —bcium

in. aloëboom, paradijsboomo.;-ft/«uev.arcnds- ren.

klauw in.; -kraut o. gewoon varenkruid o.; Advocat, {-en mv. -en) m. advocaat ;n .

-nase v. haviksneus m.; -sa/s o., /..Steinsalz; pleitbezorger, rechtsgeleerde m.

-saumfarn o., Z. -kraut; -schnell bijv. en b. Advocaten-amt,o.ambt o. van advocaat,

zoo snel als een arend; -schnelle v. adelaars- advocaalschap o.; -(jebuhren v. bezoldiging v.

snelheid v.; -sdiwdrze v., Z. Rabenschwiirze; van een advocaat; -knijf, -slreich m. advoca-

scliwiHge v., Z. -fHtig,- -stein m.arendsstoen, tenstreek m.; -stand betrekking v., stand m.

Adïmnistration, v., Z. VerwaUumj. Administrator, (stralors, mv. -slrato-ren) ra., /.. Ferwalter.

Admiiiistriren, bedr. w\v., Z. verwallen. Admiral, (-.v, mv. -rale en -rale) in. ad-

-ocr page 47-

AFT

AEF

•^5

van advocttiit; ile advocaten !e zamen; -vor-steher m. deken ;n. der advocaten.

Advocatur, v. waardigheid v., ambt o., bediening v. van advocaat.

Advociren. o. \vw. liet ambt van advocaat uitoefenen, advocaat zijn.

A er o-ly ii am ik, v. luclitrtrukkingsleer v.; -yraph m. lucbtbeschrüver -ijruplne v. luchtbeschrijving v.; -lilh m. luchtsteen, me-teoorsteon, aëruiiet m.; -'oij m. lucbtkumtige in.; -loqie v. iuchtleer, luililkennis w,-meter m. luchtmeter, aëromeler m.; -/«e/ciev.lucht-meetkunst, luchtkennis v.; -naut m. luchtreiziger m.; -imutil! v. luchtreiskunst \.-,-stat ni. luchtbol m.; -slatil: v. luclit-ovcnwichts-leer v.; -statisch bijv. nw. wat tot den luchtbol behoort, er up betrekking beeft.

Aeffchen, o. aapje o., kleine aap, /.. .■lire.

Ji.Se, (-/), mv. -nj aapm.; naiiper,Z. .Yac/i-(i/rer; een leelijk, dom, ijilel menscb;je fiSher ihiss der - steifil, je mehr er seinen Uintern zeiijt, als apen hooge klimmen willen, dan ziet men eerst hun naakte bilieii;rfen-)i {die Kalze) im Sackc kmfen, de kat in den zak koopen; - feil haben, Z. Maula/fen.

Affect, {-(c)s, mv. -c of-c«)o.aandoening, gemoedsbeweging, neiging v., hartstocht m.

Affectation, v. gemaaktheid, gekunsteld-liL'id v.

Affection, v. gonegenhold, geliechtheidv.; -spreis m. denkbeeldige « aarde v., gedachte prijs in.

Affecttren, bedr. cn o. \vw. nadoen, na-apen; pronken met.

Affectirfcj by v. nw. gemaakl. gekunsteld, gezocht; -es IVesen, gemaaktheid v.

Asffen, tiedr. ww. nailpen; foppen, bedriegen, voor den gek houden, den spot drijven met.

Affea-art, v. apensoort v.; -uriUj liyv. en 1). aapachtig; -buum m. ijzeriioutboom m.; -hezoar m., Z. -steiii; -hitd o., Z. -qesichf; -brodbuum m. a pen broodboom m.; -fisch m., Z. Meeru/le; -friUze v., -(jesieht o. apengezicht o.; -r/eschleclil o. apengeslacht o.. vierhandige dieren o. mv.; -Imfl, '/..-miisziij; -jucUe v. apenrokje o.; -liönig m. apenkoning m.; -iiebe v. apenliefde v.; -masziq hijv. en 1). op de wijze der apen; -miene v. apengezicht o.; -muse v. banaanboom, pisangboom m.; -nase v. apenneus m.; -nasif/ b(jv. nw. met een apen-neus; -/losse v. H|)ciikuurv.; -schfidet m. apen-schedel, apenkop m.; -scltwunz m. apenstaart ui.; (tig.) verwaand, gemaakt menschm.; -seil o. apentouw o.; (tig.) Z. SarrenscU; -spiel o. apenspel o.; -sprumj m. apensprong in.; -slein m. aapsteen, bezoarsteen m.; -ianz m. apendans m.; -topf m., Z. Topfbaum; -weibellen o. wijfjesaap m., meerkat v.; -werl; o., Z. -spiel; -wurm m. huidvvorm m.

Aeffer, m., -ferin, v. bespotter m., be-spotster v.

Aefferei, v. aperij v.; spotternij v.; it. bedriegerij v.

Afliciren, Ikdr. ww. aanraken, aandoen, treffen.

Aeffin, l-nen) v. wijfjesaap m., meerkat v

AfBnitat. (-en) v. overeenkomst, verwantschap, gemeenschap, affiniteit v.

Affner, Afner, {.l/fners, mv. .l/fiter) m , Z. Rieilkamin.

A ff o dill, m., /.. m.aifodil v.; -li He v. wortel -lel iev.,dagschoonev.; -warz v. aOfodilworst ï-

Afholder, m., Z. JVasserhoUunder; -wurz v., Z. .l/fodilheurz.

Affront^ (-.v, mv. -e) m. smaad m., belee-diging v.

Affrös, bijv. en b. arschuweiyk.

After, (Afters, mv. After) o. afval m., afsnijdsel o.; Z. -kom.

After, m. achterste o., aars m.

After, voorz. na. valsch, nageboolsl, bijgevoegd, achter; -udvoeut m. advocaat m. van geringe bekwaamheid; -utubuster m. ondoorschijnend albast o.; -anwult m. onderprocureur m.; -arzt m. kwakzalver m.; -belehnter m. achierleenman m.-.-belelinunn v. achterleen o.; -beredsamkeil v. valsche welsprekendheid v.; -biene v. ongevleugelde sluipwesp v.; -bier o. nabier o.; -blalf, -bliUtchen o. sleelblad o.; —laus v. onechte bladlnis v.; -bliitlerig bijv. nw. dat steelbladen heeft; -blui/luss m. aambeien, spenen v.; -hremse v. brems, paarde-vlieg v.; -biirde v. nageboorte v.; -burge, -bury-schufl v, tweede borg m.; -Christ m. valsche Christen m.; -chrislenltiuin u. oncehi christendom o.; -ehrysotith m. vulkanische chrysoliet m.; -darm m. endeldarm m.; -diamant m. glasachtig kwarts o.; -dolde v. onechte bloeistaat m.; -druline v. onvol wasseno bij v.; -drusz-ling m. bonte agaal m.; -rinsetziuuj v. substitutie, onderschuiving v.; -erbe m. ondergeschoven erfgenaam in.; -erbsatzunq v., Z. -einselzung; -erz o„ '/.. After; -falie v., Z. -gefdtle; -fallte m., Z. SeunUidter; -finne v velvin v.; -IIint m. met kafkstof vermengd kwarls o.; -flosse, -flossfeder v., Z. -finne: -flünel m. pluimpje o. aan het vleugelbeen; -füsze m. mv. valsche poolen m. mv.; -gü7ns m. gemeen met schorl vermengd kwarls o.; -geburt v., Z. -biirde; -gefiille o. vergaderbak m.; -gelehrsamkeil v. schyngeleerdheid v.; -ge-/e/ir/erm. schijngeleerde m.;-gerinne o. kanaal o., dat den afval van het gestampte erls ontvangt;-f/ac/ii/r o.,Z. llinlergesehirr; -gewiichs o, knoopgezwel o,; -glaube m. verkeerd geloof o.; -gneis o. schiefermika o.; -gold o. onecht, valsch goud o.; -graben m. kanaal o. naarden vergaderbak; -granit m. onecht graniet o.; -grusting m. gemeen, met kwarls vermengd veldspaath o.; -Iiahnenkdmme m. mv., Z. -gewdchs; -hase m., '/.. Ilalbkaninchen; -hau-feu m. samengeboople afval m.; -/;««. o. nahooi o., Z .Wichgras; -holz o. sprokkelhout o.; -hom o. onecht hoorn o.; —slein m. onechte hoornsteen m.; -hummel v., 7. -drolme; -Jungfcr v. onechte vlinder m.; -kameel o. Peruaansche kameel m.; -kaninchen o., Z. ilalbknninclteii; -kegel m. nagenoeg


-ocr page 48-

AllM

AFT

kegelvormig lichaam o.; -kegelfurmir/ l)ijv. en b. naar de kogelvormige gedaante zweemend; -kiel m. kielbalk m.; -kind o, kind o., dat na hel maken van hel testament geboren is; onecht kindo.;-/f/ouev. achterklauwm.; -kohlen v. mv. koolstof o.; -toinig m.onwettige koning in.; -kom o. achterlating o.; -kornling m.sye-niet in.; -kriliker m. tiediller, viller m.; -kry-slnll m. onecht kristal o.; -kucjel v. langwerpig rond lichaam o.; -kwjelichl hijv. en h. holrond-aclitig; -kunst v. schijnkunst v.; —richter 111. onbevoegde kunstrechter m.; -luufer m. die den afval opzamelt; -to/er o. afval m. van leer; -lehen o. achterleen o.; —sherr, —herr ni. achterleenheer m.; —smann, —trdfier m. achter-leenman m.; —spflichtiq bijv. n\v. leenplichtig van een achterleenmaii; —sverliiillniss o. ach-terbeleening v.; -lehrcr ra. landman, boer m., die niets bezit; -lehre v. valsche leer v.; -lelirer bi. verkondiger eener valsche leer v.; -meld o. nameet o.; -mteWiev. onderhuur v.; -mieths-mann m. huurder m. (die van een anderen huurder iets huurt); -mooso.zeegras, w iero.; -murk m. met schoort en granaat vermengd kwarts o.; -muskei m. spier v. van den endeldarm; -niederscltlag 111. verkeerde afstorting v.; -oflnunq v. opening v. van den endeldarm; -pacht m. onderpacht v.; -pachter,-pachter m. die van een anderen pachter in pacht neemt; -pubst in.onwettige paus m.; -porphyr m. kleiachtig portier o.; -raupe v. onechte rups v.; -raupentmlter m. sluipwesp v.; -rede v., Z yerluuinduttfi; -reden,'/..verliiumden; -reder m., Z. Perldumder; -redner m. gewaande redenaar m.; -reirn m. onecht rijm o.; -rente v. interest m. van interest; -rüsselkafer m. rol-kever m.; -sabbat, -sonnlag m. dag ra. na den sabbat; it.eerslesabbalm.na Paschen;-sc/mnze v., Z. Feldschame; -schirm m., —tjerechtifi-keil v. heschermingsrecht o., dal door dén eigenlijken beschermer aan een ander wordt opgedragen; -schlacke v. tweemaal beproefde slakken v. mv.; -schlari m., Z. Jbraum; -schmetterling m., /.. l-'rühlingslliege; -schiirl m. bolsteen m.; -siedel, -siedelein o. gedeelte o. van een leen; -siedeln o. ww. een deel van een leen bezitten; -siedler m. die een deel van een leen bezit; it. Z. -lehensmami; -silber o. onecht zilver o., Z. Kalzensilber: -solm m. nageboren zoon m.; -spinne v. langpoot m.; -sprache v. onzuivere taal v., laster in.; -slein m. onechte steen m.; -stuck o. achterstuk o.; -Ihrdne v., Z. -drohnc; -tochter v. nageboren dochter \\;-topas m. onechte topaas in.; -vasall m. achteiieenman m.; -verehrer m, gewaande vereerder m.; -verehrung v. valsche vereering v.; -verhiir o. voorgewend verhoor o.;-bw-miether m. verhuurder m. uit de tweede hand; -venniethung v. onderhuur v.; -vielarm m. bloempoliep v.; -weise m. schijnwijze m.; -weisheit v. schijnwijsheid v.; -well v., Z. Nachwelt; -wespe v., Z. ScMupfwespe; -wind m. achterwind in.; -wissenschaft v. schijn-wetenschap v.; -mitz m., /.. Aberwitz; -wurm jn. aarsworm, spoelworm m.; -zaget, -zegel m., Z. Abraum; -zeidler m. pachter m. dor bijenteelt uit de tweede hand; -zins m. interest van interest, samengestelde interest m.; -zwanfj in., Z. Sluhlzwang.

Aga, (-s, mv. -s) m.aga,bevelhebber, overste in. liij de Turken.

Ag(a)laster, Ag(e)laster, v., Z. Ulster.

A gat, Z. Achat.

Age, (-ii) v. baard m., stoppels m. mv.

Agende, (-«) v. aanleekcn-, zak-, klad-boekje o., agenda v.; formulierboek o.

Agent, {-en, mv. -en) m. zaakgelastigde, agent 111.; proviandmeester in.; -engebü'iren v. mv. loon o. voor de zaakwaarneming,provisie v.; -schaft, -ur v. agentschap o., agentuur v.

AggregKt, (-(c)s, mv. -e) o. ophoopsel, samenhoopsel, aggregaat o.

Aegide, v., z, ni. schild o. van Jupiter; (fig.) bescherming, beschutting v.

A^io. o. agio, opgeld o.; wisselkoers ni., premie v.

Agiotage, v. actiehandel m.,wisselspel o.

Agioteur, (-s, mv. -e) 111. actiehandelaar, beursspeculant, agioteur ra.

Agiotireii, o. w w. den actiehandel dryven, met geld of wissels woekeren, speculeeren.

Agiren, o. ww. bandelen, spelen, voorstellen.

Agitator, (-s, mv. -en) ni.,Z. .iufwiegler, fVülder.

Atslei, Z. Akelei.

Agnat, {-en, mv. -en) m. bloedverwant ni. van vaders zijde.

Agnes, v. Agnes v.; een eenvoudig jong meisje; een jong schaap o.

Agnus Dei, o. L; m Gods.

Agonie, v., Z. Todeskamf, Todesangst.

Agrafle, (-«) v., . Spange.

Agrarisch, bijv. i;w. op de verdeeling der akkers betrekking hebbende; das -e Gesetz, akkerwei v.

Agrlcultur, v., Z. Ackerbau.

Agronom, {-en, mv. -en) m. landbouwkundige ra.

Agronomie, v. landbouwkunde v.

Agui k.e, v., Z. Gurkc.

Ah: tusscb. o! och! ha! ach! oei! ai!

Aha, tussch. ha, ha!, zoo, zoo!

Ahl, {-{e)s, mv. -o) in., '/.. Able.

Ahi-baum, in., Z. lleckenkirschbaum -beere v., Z. Alantbeere.

Able, (-«) v. els v., priem m.

Ahi(eu)-förmig, bijv. nw. elsvonnig; -handler, -macher, -schmied in. elzenmaker, elzenvcrkooper m.; -heft o. hecht o. van eene els.

Ahlkirsche, v., Z. Traubenkirsche; llec-kenkirsche; I'auibeere.

Ah-.», (-en), v. aam, okshoofd, val, mud o., peil o.

Ahmen, bedr. ww.eiM Faw-,peilen,rooien, melen, ijken.

Ahmer, {-s, mv. Ahmer) m. peiler, wijnroeier, ijker, meter m.

Ahmig, bijv. nw. een aam bevattende.


-ocr page 49-

AEII

ALA

37

Ahming, y. peilen O.

Ahn, (-(e)6' en -en,m\. -cn) m. en v. grootvader m., grootmoeder v.; mv. Ahnen, voorouders, voorvaderen.

Ahnd, Ahadig, bijw. Z. sehnsüchtig,leid, tv eh.

Ahnden, l)edr. ww. einen Schimpf-, wreken; eine reraehuny-, straffen; elw. - vermoeden, Z. ahnen.

Ahn dung, v. bestraffing v.; it. '/..Jhnung.

Ahne, Z. Ahn.

Aehnein, o. ww. een weinig gelijken op, overeenkomst hebben met.

Ahnen, bedr. ww. vermoeden, een voorgevoel hebben van; *2. onp. ww. es aknel mir, ïk hel) er een voorgevoel van.

Ahn-frau, v. grootmoeder, stammoeder v.; -herr m. grootvader, stamvader m.; -mutter v., Z. -frau; -vafer m. stamvader, eerste vader m.

Ahnen-probe, v. bewijs o. van adeldom; -recht o. recht o. van adel; -sfolz m., Z. Jdelsiolz; -2. bijv. en b. trotscb op zijne afkomst; -tafel v., Z. Geschlechtstafel, Stamm-baum; -2fl/j/v.aantal kwartieren o.mv.vanadel.

Aehniich, bijv. en b. gelijkend, overeenkomstig, gelijk; nabijkomend; verwant; zulk, zoodanig, dergelijk.

Aehnlichen, o. ww. gelijken; *2. bedr. ww. doen gelijken op, overeenkomstig maken met.

Aehnlichkeit, v. overeenkomst, gelijkenis v.; verwantschap v.; -sbeweis m. bewijs o. volgende uit de overeenkomst; -sfjeseiz o. wet v. der overeenkomst; -sgrund m. bewijsgrond m., getrokken uit de overeenkomst; -sregely. regel m. van overeenkomst.

Ahnung, v. voorgevoel, vermoeden o.; -slcraft v., -vermogen o. eigenschap v., vermogen o. om de toekomst te voorspellen.

Ahnuagslosjbijv. en b. zonder voorgevoel, zonder te vermoeden.

Ahnungsvoll, bijv. en b. vervuld met hot voorgevoel, met de gedachte aan de toekomst.

Ahorn, (-(e).9, mv. -e] Of Ahornbaum, m. ahorn m.

Ahornen, bijv. nw. van ahornhout, ahornen.

Ahorn laus, v. ahornluis v.; -zucker m. ahornsuiker v.

Aehre, {-n) v. aar, korenaar v.; korenaar-verband o.

Aehren, o. ww. korenaren nalezen; 2.wed. ww. sich-, aren krijgen; .1 bedr. wrw. ploegen.

Aehren-fisch, m. aarvisch m., zeeaar v.; -förmig bijv,, en b. aarvormig; -es Graukup-fererz o., Z. -graupen; -frucht v. korrel m.; -gehund o. voederstroo o.; -graupen v. mv. zilverachtige mergel m.; -kranz m. krans m. van korenaren; -lese v., -lesen o. arenlezen o.; -leser m., -leserin v. arenlezer m., arenleze-res v.; -reich bijv. nw. rijk in aren; -sieh o. zeef v.; -spitze v., Z. Granne; -stcin m. steen-vlas o. in korenaren; moedersteen m.; zwaar spaath o.; -iveiderich m. hloe Ikruid o.

Aehrig, bijv. en b. dat aren heeft.

Ai, tussch. hei! ai!

Aï, (-.9, mv. -e) m., Z. laulthier.

Aiche, aichen, amp;, Z. Eiche, eichen.

Aien, bedr. ww. van kinderen), aaien, streelen, liefkoozen.

Akademie, {-n) v. academie v., hooge-school v.; teekenstudie, schilderschool v.

Alcademilser, {-mikers, mv. -miker) in academielid o.; leerling m. eener hoogeschool.

Akademisch, bijv. en b. academisch, de academiën betreffend.

Akademist (-en, mv. -en) m. academist, leerling m. der academie.

Akanth, (-(e).s, mv.-c) m. berenklauw m

Akazie, {-n) v., nhsuxm, m.,Z. Schot en-dor n.

Akelei, v., z. m. akolei v.

Akoluth, {-en, mv. -en) m. ondergeeste-lijke, acoliet m.

Akrobat,(-crt, mv.-en) m.koordedanserm.

Akrostichon, {-slichons, mv. -stichen) o., Z. JSamendichl.

Akustik, v. gehoorleer, toon-of klankleer v., acustiek v.

Akustisch, bijv. nw. wat overeenkomstig de acustiek is.

Alaaf, tussch. hoezee! vivat!

Alabaster, m. albast o.; -bild o. albasten beeld o.; -hand v. hand v. zoo blank als albast; -bruch m. albastgroef v.

Alabasterer, {-sterers, mv. -sterer) m. albastwerker m.

Alabastsrgyps, m. albastgips o.

Aiabastem, bijv. en b. albasten, van albast; wit, blank.

Alabastersalbe, v. albastzalf v.

Alabdaga, m., Z. Erd-, Spring-hase.

Alant, (-(c)6-, mv. -e) m. alant, alants-wortel m.; -beere v. zwarte aalbes v.; -beer-strauch m. zwarte-aalbesseboom m.; -bier o. aalbessenbier o.; -blecke v. eene soort van karper met twee rijen zwarte stippen; -öl o. alantolie v.; -wein m. alantwijn m.; kikker-vischje o.

Alarm, {-{e)s, mv. -e) m. alarm o., wapen-, hulp-, nood-, brandkreet m., ontsteltenis v.; -wort o. oorlogskreet m.

Alarmiren, bedr. ww. alarm maken, slaan; in opschudding brengen.

Alarmist, {-en, mv. -en) m. rustverstoorder m.

Alaun, {-{e)s, mv. -e) m. aluin v.; -arlig bijv. en b. aluinachtig; -bad o. aluinbad o.; -bcreiler m., Z. -sieder; -bergwerk o. aluinmijn v.; -blumen v. mv.aiulubloemv.;-ö?Munp v. aluinvorming v.; -bruch m., Z. -bergwerk; -bruhe v., Z. -beize.

Alaunen, bedr. ww. aluinen, inaluindoo-pen.

Alaun-erde, v. aluinaarde v.; -erz o. aluinerts o., -federweisz o. vederaluin v.;-f/ar bijv. en b. wat in aluin is doorgehaald; -gerst m. aluingeest m.; -gerber in. zeembereiderra., die het leer door aluin haalt; -grube v., Z -bergwerk; -hallig bijv. nw. aluinhoudend;


-ocr page 50-

ALF

ALL

38

-hok o. aluinlioul o.; -halley.aluin-koker^v.

Alannicht, liijv. en li. dut naar aluin smaakt, aluinachlig.

Alaunlg, bijv. n\v. aluinhoudend, aluin-achtig.

Alaun-liessel, m. aluinkelel m.;-fticsm. alninkies o.; -louije v. aluinloos v.; -leder o. in aluin doorgehaald leer o.; -mehl o., Z. -ilumcn; -miner,-muiter y., '/.. -erz;-pfanne v., /,. -kessel; -quelle v. aluinliron v.; -schiefer m. aluinlievaltend lei o.; -sieder m. aluinkoker in.; -siederei v., Z. -Mile; -slein m. aluinsleen m.; -«wsser o. aluinwater o.;-werk o., Z. -hiltte; -zuckcr m. aluinsuikerv.;aluin-liroodjo o.

Albaster, Z. Alahustcr.

Albatros, m.. /.. KriegsschiHvogel.

Alba, AVbe, y., Z, Chorhemd.

Aib(e), (Allien) v. weide y. in het lioogge-hergte.

Albe, v., Z. H'eiszpappel; AWule; Eltele; ecne wille koe.

Albeln, o. w w.(van l)ijen),slap,kracliteloos worden.

Aelheln, o. w\v., Z. jndeln.

Aelber, (-s, mv. Jeiber) m., Aelberjn, v., Z. Setme, Sennerin.

Alberbaum, in., Z. Tl eiszpappel.

Albem, o. ww. gekheden, zotheden doen of zeggen; it. dartelen.

Albem, iiijv. en 1). kinderachtig, zot, on-noozel, laf.

Albernhelt, v. dwaasheid, zotheid v.

Albino, (-.v, mv. -s) m., Z. Kukerlak, H'eiszünrj.

Albit,' {-{e)s, mv. -c] m. witte schorl m.

Alb-kraut, o., Z. IT'usserdost; -linri m., Z. Ukelei; -schoss m., Z. Domerstein.

Alhling, (-(e).«, mv. -c) m., Z. Alhule.

Albule, (-?i) v.eene blei v., witvisch m.

Album, (-s, mv. -s) o. album, herinneringsboek o., portefeuille v.

Alchemille v., Z. JJiwenfusZ; Sinau.

Alchen en Aelchen, o. jonge of kleine aal v.

Alchimie, v. alchimie, gondmakovskunst v.

Alchimist, {-en, mv. -en) m.goudmaker, alchimist m.

Alchlmistlsch, bijv. en b. wat tol de alchimie behoort of daarop betrekking heeft.

Aldermaim, (-(c)s, mv. -manner) m., Z. J Hermann.

Ale, (-s) o., z. m. eene soort van Engelscb bier, aie o.

Alert. byv. mv. vlug, Hink, lluks.

Alexandriner, [-driners, mv. -driner) m. alexandrijn in.

Alexandrinisch, bijv. nw. alexandrünsch.

Aifc.nz, (-(e)s, mv. -e) m. zot, dwaas, nar m.; 2. o. beuzelingen, nietigheden, vodderijen v. mv.

Alfanzen, Z. albem o. ww.

Alfanzer, (-fanzers, mv. -fanzer) m. die zotheden uitkraamt, zich met beuzelingen bezig houdt.

Alfanzerei, [-en) v., Z. Albernheü.

Alge, (-n) v. zeegras, zeewier o.

Algebra, v. algebra, letterrekening, stelkunst v.

Algebraïsch, bijv. nw. algebraisch.

Algebraist, (-en, mv. -en) m. stelkundige, algebraist m.

Alikant(e), (-kanl{e)s, mv. -kante) ra. alikantwijn m.

Alimentation, v. voeding, verpleging v.

Alimente^ 0. mv. geld o. voor de voeding, kostgeld o.

Alimentiren, bedr. ww. voeden, te eten geven, onderhouden.

Alinea, (-s, mv. -s) o. begin van een nieuwen regel.

Alk, (-es, mv. -e) m. voetgans v.

Alkali, o . Z. Laugensalz.

Alkalisch, bijv. n«., Z. lauqensalziej, lau-(jcnhafl.

Aikalisiren, bedr. ww . uitloogen, alkali seeren.

Alkertr.es, m , z. m. of -confect, o. met

kermes of purperkorrels gekleurde drank m.

Alkohol, m., z. m. alcohol m.

Alkohoüsch. bijv. nw. alcohol bevattend.

Alkoholislren, bedr. ww. mei wijngeest of alcohol vermengen; alcoholiseeren.

Arioholislrung1, v. alcohol-ofwijngeest-vorming, alcoholiseering v.

Alkoran, (-.v. mv.-e) m.koran,alkoran m.

Alkov, (-(c).s, mv. -c). Alkoven, (-«, mv. ni., Alkove, (-n) v. slaapvertrekje,

alkoof v.

ah, o., z.m. liet heelal o.; ihr-, het dler-baarste wat zij heeft, haar alles o.

au, [aller, alle, alfes) bijv. nw. al, alle, al de, al het: Alle jrell. Alles, iedereen; loas in aller Jl'elt dachten Sie, duss ich amp;? maar lieve hemel! wat dachl gij dan ?; Alles in AHem sein, onmisbaar zijn; er ist mein Eins und mein Alles, mijn grootste schat; Alle vnd Jede, elk en een iegelijk; ohne allen /.weifel, zonder eenigen, den minsten twijfel; alle Au-genlilicke, ieder oogenblik; alle zehn Jahre, om de tien jaren; er war in Rom und wo all, en waar niet nog al meer.

All(e), bijw. sein l'ermönen -marken, geheel opmaken, verteren, verkwisten; der Wein isl -, al de wijn is op, er is geen w ijn meer; 2. Z. eben (bijw.); 3. Z. uberdlt:-aner-kamt bijv. nw . algemeen erkend; -angenhlick-hch bijv. en b. ieder oogenblik; -barmherzig iiyv. nw.albarmharhg; -behemcheml hijv. nw. albesturend; -beherrscherm. albestuurder m.; -bekannt bijv. nw. algemeen bekend; -belehenel bijv. nw. die alles bezielt; -beleuchlend bijv. nw. die alles verlicht; -beliebl bijv. nw. algemeen bemind; -belnhnend bijv. nw. die alles beloont; -beneidel bijv. nw die door iedereen benijd wordl; -bereits, Z. bcreits, schon; -be-setiger ni. ((lod), bron v. van alle zaligheid, van alle geluk; -(ijuiuw/eri bijv.nw. algemeen bewonderd; -bezaubernd hijv. nw. die of dat iedereen verrukt; -du bijv. en b. aldaar, daar.


-ocr page 51-

ALL

ALL

39

op die plaats; -dieweil, - dort, weil, dort 'Allee, {-n) v. laan v., gang m.

Allegat, (-(c)s, iiiv. -e) o. aangehaalde plaals v., citaat o.

Allegation, v. aanhaling v. cenor plaats.

Ailegiren, liedr. ww. aanhalen, citeeren.

Allegorie, (-n) v. zinnebeeldige voorstelling, allegorie v.

Allegorist, (-en, mv, -en) m. iem., die gaarne zinnebeelden gebruikt, allegorist m.

Allegretto, bijw. tamelijk ras; i. o. een muziekstuk van een tamelijk vlug tempo.

Allegro, bijw. ras, sobielijk, vlug; 2. o. zelfst. een muziekstuk van een vluggen gang.

AUeigen, bijv. en b. cijnsvrij.

Aneiu(e), bijv. en b. aileen: zonder gezel-scbap; zonder hulp; das iceis: ich schon van zelf; in der Weltganz - .ifetion, geene familiebetrekkingen hebben; - leben, aileen, ongehuwd zijn; cinzifj uml ceniir en alleen, enkel en alleen; 2.v()egw.maar,eehter,evenwel.

Aiiein-besitz, m. onverdeeld bezil o.; -friede m. afzonderlijke vrede m.; -(jespriich o. alleenspraak v.; -fiewalt o.onbeperkte,sou-vereine macht v.; -handel m. alleenhandel m.; -handier m. alleenhandelaar m.; -herr, -herr-scher ni. alleenheersdier m.; -herrschaft v. alleenheerschappij, onheperkle macht v.

Alleinig, bijv. en h. alleen, uitsluitend.

Alleinrede, v., Z. -qesprach; -(jesawj m. solo v.; -sawjer m. solozanger m.; -spiel o. solo v.; -spieler m. solospeler m.; -ver Muf er m., Z. -handler.

Alleluja, Z. Halleluja.

Aiiemal, bijw. telkens, altijd, immer, steeds, gestadig.

Allen-fais, bijw. soms, mogelijk; -fallsiy bijw., Z. elwaitj.

Allenthalben, bijw. allerwegen, overal.

Ail-^ntsclzeidend, bijv. n w. alles beslissend; -erbarmend bijv. nw. Z. -bnrmherzkj; -erbarmer m. albarrahariige m.

Allerbest, bijv. en b. allerbest; um -en, het allerbest.

Alierchristllclist, bijv. nw. aüerchriste-iljkst.

Allerdings, bijw. voorzeker, zonder twijfel, stellig, bepaald.

AUe-durcWauchtigst, bijv. nw. aller-doorluchtigst.

Ailererst, bijv. en 'i. allereerst, het eerst van allen.

Aller-getreuest, -glaubigst, bijv. nw. allergetrouwst; -gnadujst bijv. en b. zeer genadig.

Alï.erhalter, m. albeboeder m.

AUerhand, bijv. nw. allerlei, allerhande.

Allerheiligen,mv. Allerbeiligen(feest)o.; -holz o. blauw bout, bloedhoul o.

Allerheiligst, bijv. nw .allerheiligst; (van een tempel), het heiligederheiligen;Z. Hostie.

AUerhöchst, liijv. en b. allerhoogst.

Allerlei, bijv. en b., Z. allerhand; 2. o. zelfst. allerhande dingen, mengelmoeso.;buls-pot, poespas m.

Alierietzt, bijv. en b. allerlaatst.

Allerliebst, bijv. en b. allerliefst; it. bekoorlijk, verrukkend.

Aliermannsharnisch, m. oncelite nardus m.

Aller-xaaszen, bijw. in - wie, geheel en al zooals; ii ■ viillig, (janz; i. voegw., Z. weil; -meisi bij .ei. h. meestal;—e«s,om —en, vooral, bovenal; -mchst bijv. nw. allernaast; bijv.. dichtstbij; it. Z. soehen; -neuest bgv. nw. allernieuwst; -sc!ilechf{e)sl l)uv. nw. aller-slechtsl, ergst;-scWimms( büv.nw.allerslimst, allerslechtst; -schijnst bijv. nw. allerschoonst; -seitig bijv. en b. van alle kanten; -seits bijw. allerwegen-, ich empfehle mich —, ik groet het gebeele gezelschap; -unterthdn igsl bijv. en b. allerondordanigst, allernederigst; -warts, Z. ilberaU; -wegen, Z. allswege; -weise.it bijv. nw. allerwijst, liet wijste; -wettsbilrger m. wereldburger, kosmopoliet m.; -iretlbürcer-sclialt v. wereldburgerschap o.; -wellsfreund m. allemansvriend m.

Allesamt, bijv. nw. al, alle of alles te zanien, gezamenlijk.

Ailawege, bijw. ten allen tijde, op alle plaatsen, overal, allerwegen.

Aliezeifc, bijw. altijd, steeds, immer, ten allen tijde.

All-gebietend, bijv. nw. algebiedend; -gegenwart v. alomtegenwoordigheid v.; -ge-qenwiirtig bijv. en b. overal, alomtegenwoordig; -getiebl, -geschdtzt bijv. nw. door iedereen bemind, geacht;-gemach byw .langzamerhand; -gemein bijv. en b. aan allen gemeen, alles omvattend; im —en, in het algemeen; —ma(7ie»).,algemeen maken; —hei! v.algemeen-beidv.; it. /.Gemeinheit; —sat: m. spreuk v.; —sprartie v.algemcene taal v.;-jenjijsom byv. en b. algenoegzaam; -heit v. algenoegheid v.; -gerecht byv. en b. allerrechtvaardigst; -gericht o. laatste oordeel O; -gesang m. kooro.; -geuxilt v., Z. Jllmacht; it. onweerstaanbare kracht v.; -gewaltig bijv. nw., Z. -machtig; -gtauhen m. ka'hoiicismo o.; -gldubig bijv. en b. katholiek, calholick; -gniidig bijv. en b. zeer genadig; -güHerei v. pantheïsme o.;-9öY-terer m. phanliieïst m.; -guitig bijv. en b. algemeen geldig; -gut o. véldspinazie v.; -giife v. oneindige, of opperste goedheid v.; -gülig bijv. en b. algoedig; -heil o. middel o. tegen alle kwalen; -heil v. algemeenheid v.; -herr-schafl v. algemeene heerschappij v.; -hier bijw. hier, alhier; -hiireml bijv. nw. alhoorenil; -jiilirlich bijv. en b. jaarlijksch, jaarlijks.

Allianz, (-en) v. verbond,bondgenootschap o., alliantie v.

Aliiirt, bijv. nw. verbonden, geallieerd; die -en, de verbondene mogendheden, de geallieerden ni. mv.

Alliteration, v. alliteratie v., Z. Stabreim.

Alliteriren, o. ww. -de l'erse, verzen, waarin de alliteratie gebezigd is.

Al'-macber, m. albescbikker m.; -macht v. almacht v.; -machtig bijv. en b. almachtig; -mcihlig bijv. en b. allengs, langzamerhand.


-ocr page 52-

ALM

40

ALR

'gt;rap?g(}\\,\}»-.-man(l,-mnn!te\.,7..Gemeindegul--monattich liijv. en 1gt;. maandelijkse!), tnaande-I(jks; -nachllich bijv. en li. wat lederen nacht gebeurt.

AUod, (-(e)s, mv. -e) o., Z. jlllodialf/iU.

Allodial, jiijv. nw. «let leenroerig, elgen-erfeiijk, aiiodiaal; -erhc m. die een atiodiaal goed geërfd heeft; -fiut o. allodiaalgoed o.-, -schuld v. aiiodlale schuld v.

Aliodig, tijjv. nw. erf- en eigendomme-lijk.

Allopath, (-en, mv. -en), -pathiker,

{-lhikers,m\.-thiker) m. allopaat ni., geneesheer m., die de allopathie voorslaat; -palhic v, allopathie; -palhist m., Z. -path: -palhisch liijv. en i). wat tot de allopathiehehoort,allo-pathiseh.

AU-scbrecken, m. panische schrik m.; -trhrcibekunsl v. algemeen schrift o.; -schend hüv.cn h.atziend; -«dï/f/tiijv. nw.alzijdig; hljw. in alle opzichte»;—keil v. alzijdigheid v.; -se-lijl hijv. en 1). oneindig gelukkig, zalig;-si'«)»/-lich hijv. en 1). wat leder uur plaats heeft; -liigiq hijv. en b. dagelljksch, dagelijks, aite-daagsch; -tiiglich iiijv. en h. ailedaagseh; (fig.) gewoon; —keil v. algemeenheid, alledaagsch-heid; it. gemeenheid \.

Alltags-diohter, m. gewoon, ailedaagseh dichter m.; -qeschwtilz o. gewoon, onbeduidend gebabbel o.; -qesichl o. ailedaagseh, gewoon of onbeduidend gezicht o.; -kleul o., -hut, -rock m. (alle)daagsche jas v. amp;; -wilz m. alledaagsehe aardigheid v.

All-umfassend, bijv. en b. alomvattend: -voter m. algemeene vader m.; -verbreitet bijv. en b. overal verspreid; -rerlnirqunq v. solidaire borgtocht m.;-verchrt bijv. nw. door iedereen geëerd; -rersiihner m. alverzoener m.; -wallend bijv. en b. alheslurend, albestie-rend; -weise bijv. en b. alwijs; -weisheil v. opperste, oneindige wijsheid v.; -wissend biiv. en li. alwetend; -wissenheil v. ahvelendhold v.; -wisser m. die alles wil weten; -wo./.wo; -wiichenllich bijv. en b. wekeiyksch,wekelijks; -~ei( bijw., allezei't; -:u, -zu viel, -zu sehr huw. te veel, al te veel, al te zeer; -zugicich, -zumal bijw. ai te maal, gezamenlijk.

Alm, (-c) v.,

Almanach, mv. -e) o. almanak m.

Almoseu, -s, mv. .4lmosen) o. aalmoes, liefdegift v.

Almosen-amt, o. aalmoezenierschap o.; liefdadigheidsgesticht o.; -brod o. aalmoe-zenbrood, gebedeld brood o.; -brudee m., -Iienoss; -büchse v. doos of bus v. voor de armen; -einneltmer m. die de liefdegiften inza-raell; -neld o. geld o. voor aalmoezen; -(jenoss m. bedelmakker, bedeelde in.; -/rosse v.armenkas v,; -kasten m. armbus, bus v. voordo armen; -pftene v., Z. -ami; -pltec/er m. aalmoezenier, armenvader m.; -snrtcZ m. armenzakje o.; -sammler, -summlerin, hij, zij, die aalmoezen ophaalt; -sammlunn v. het ophalen of inzamelen o. van bet armengeld; -stock m.armbus v.

Almosenier, (-s, mv. -e) ni. aalmoezenier m.

Al-Numero, bijw. ten getale van, in getal.

Aloe, (-)i) v. aloë v., it. Z. -harz; paradijsboom m. van Amboina; Z. Adlerhnlz, -auszug m aftreksel o. van aloe; -harz v. aloëbars o. en t.; -hnlz o, aloëhout o.; -lal-wenje v. likkepot m., die aloë bevat; -pillenv. mv. aloëpillen v. mv.

Aïonge, (-») v. papierstrook m., die ge-plakl is aan een wissel, dien men wil overdragen of endosseeren, terwijl de rugreedsvol is met endossementen; -perrüke v. pruik t.

Alose, (-n) v. elft ra.

•AtPj i-(c)s, mv. -e) ni. -driioken o., z. m. nachtmerrie v.; (van paarden),bevangenheid v.

Alp(e), (mv. -en) v. welde v.; 2. Alpen v. mv. Alpen v. mv.; bergen.

Aipeln, o. ww. op de bergen wonen.

Alpen, o. ww., Z. alpeln.

Alpen-ampfer, m. bergzuringv.;-te/sam m., Z. Rosenlorbeer; -biirlapp in. wolfsklauw m., slangenmos o,; -bcifusz m. bijvoet of alsem m. der Alpen; -bewohner m. bewoner m dor Alpen, bergbewoner m.; -birke v. dwergberk m.; -bockkSfer ra. stcenbokslor v.; -fölire v. pijnboom ra, van de Alpen; -forelle v.eene forelsoort in de meren van Zwltserliuul;-f/an-sel m. berenoor o. dLT Alpen; -hahnenfusz m. bergranonkel v.; -liickenkirsche v. kerseboom der Alpen; -herde v. kudde v. van de Alpen-, -hirt m., Z. Senne; -hof \n. koestal m. op de Alpen; -horn, Z. A'.phorn; -hullaitich m. alpenhoefblad o.; -johonnisbeere v. aalbessestruik m. op de Alpen; -kiefer m. pijnboom m.;-fr/ec m. hergklaver v.; -kraut o. alpenkruid o.; -maus, -ratte v., Z. Munnelthier; -molm m. bergslaapbol ra.; -pasi m. pas m. over de Alpen; -p/lanze v. bergplant, plant v. van de Alpen; -rabe ra. alpenraaf v.; -sate o. zwavelzure magnesia v.; -svhartew hergschaarkruid o.; -schnee ra. Alpensneeuw v.; -simu o. lecu-wenvoet ra. van de Alpen; -strandldufer m. hergstrandlooper m.; -volk o, alpenvolk o., bewoners ra. mv. dor Alpen;-zücjcricA ra. weegbree v. der Alpen.

Alper, (-s, rav. Jlper) m., Z. Senne.

Alp-hahn, ra., Z. Auerhnhn: -Anreo.horen m. der alpenherders; it. bergkruin v., -kraut o. hennepbladerlgleverkruido.;-mann-chen o. aardmannetje 0., dwerg m.; -meierm. koeherder m. op de Vlpen; -ranken v. mv., Z. JSachlschalten; -rauch m.}/..Erdraucli;-raute v., Z. Slabwurz; -rose v., Z. /tosenlorbeer; -schoss, -stein m., Z. Donnerslein; -volk o., Z. Alpcmolk; -zopf m., Z. JVcichselzopf.

Alphabet, mv. -e) o. alphabet, abc o.-, das fjcmze - hindurch, van A tot Z, van begin lol einde.

Aïphabetisch, bijv. en b. alphabetlsch.

Alphabetiseren, o. ww. aljdiabetlsch rangschikken.

Aclpier, (-s mv. Aelpler) m., Z. Senne.

Alraun, (-(^s, mv. -e) m. alruinv.,alruin-wortel m.


-ocr page 53-

AEL

ALT

41

Alraune, of Alrune, (-«, mv. -n) ni

een kleine vaak geluk aanbrengende geest; it.v. waarzegster bij de oude Germanen.

Als, voegw. dan, als; er anlwortete nichts \ darauf, - dass, hij antwoordde daarop niet anders dan dat; -Freund, als vriend; -Mann verkleulet, in een man verkleed; erist zuver-i nïinftig, - dass, dan dat; -ob, -wenn, alsof; -bald, alsobald, bijw., Z. sofileich; sobald als,--dann bijw. dan; und en lan?

Alse, {-n) v., Z. A lose.

Also, voegw. bijgevolg, dus, alzoo, derhalve; 2. bijw. zoo, zoodanig, Z. so; -bald, Z. I sogleich; -fort, Z. so fori, soyleich.

Aister, (-«) v., Z. Eist er.

Alt, {-{e)s, mv. -e) m. alt,altstem,tweede | slem v.

Alt, {aller, altest) bijv. en b. oud, bejaard; : ouderwetsch, antiek; afgedragen.

Aitan, {-{e)s, mv. -e) m. plat o., galerij v.; it. balkon o.

Altar, (-{e)s, mv. Alt'are) m. altaar o.; -bekleidunfj v., Z. -decke,- -blatl o., Z.-ye-• malde; -busze v. boete v., die men geknield voor het altaar floei; -decke v. altaarblad o.; -diener m., Z. Messdicner; -fjelandero.altaarhek o.; -gemalde o. altaarstuk o.; -gerdihe, -geschirre o. mv. altaargereedschap o.; -him-mel m. altaarverhemelte o.

Altarist, {-en, mv. -en) m., Z. Mess diener.

Altar-iterze, v. altaarkaars -hnabc m. koorknaap m.; -Iehen o. altaarleen o.; -leuch-ter m. altaarkandelaar m.; -mannm.,Z. Mess-diener; -stuck o., Z. -gemalde; -tisch m. altaartafel v.; -luch o. altaardoek m.; -wand v., Z. -blalt.

Alt-backen, bijv. en b. oudbakken; bevaren; -banm m., Z. Traubenkirsche; -binder m. lapkuiper m.; -deulsch bijv. en b.oud-Duilsch.

Al te, (-/?, mv. -n) m. en v. oude man m., oude vrouw v., oude m. en v.; grijsaard m.; unsere -n, onze voorouders m. mv.; de oude volkeren; 2. das -.oudezaak v.;ouderwelsclieo.

Aeite, v., z. m. (van broodamp;),ouderdom m.

Aeitein, o. ww. beginnen oud te worden.

Alten,o.ww.,m..s. en /?.oud worden,oud zijn.

Alter, i-s, mv. Alter) o. ouderdom,leeftijd m.; langdurigheid v.,anciënniteit v.; eeuw v.; vor - s, oudtijds, vroeger; ron -slier, van oudsher.

Aeiter, bijv. n\v. (vergr. tr. van all).

Alteration, v. verandering, verergering v.; ontsteltenis v.

Alteriren, bedr. ww. veranderen, bederven; 2. wed. ww. sich -,schrikken.ontstellen.

Aeiteriich, bijv. en b. ouderlyk,vaderlijk,, moederlijk.

Aeitermann, m. overste, deken m. van een gilde; alderman m.

Aeiter-inann, {-mannes, mv. -manner of -leule) m. oudste m., Z. Altermann; -mutter v. overgrootmoeder v.

Aitem, o. ww. oud worden.

Aeitern, m. mv. ouders m. mv., vader on moeder; -los bijv. nw. ouderloos; -losigkeit v.

ouderloosheid v.; -mord m. oudermoord nv; -miirder, -mor der in, oudermoordenaar m., oudermoorder m.;

Alternative, (-n) v., Z. Zwiewahl.

Alters-erlass, m. vrijstelling v. wegens den ouderdom; -folge v. anciënniteit v.;-f/enosf m. van denzelfden leeftijd; -halher bijv. met betrekking of wegens den leeftijd; -reife v., z. m., Z. Mannbarkeit; -sehwach bijv. nw. zwak van ouderdom; -schwdche v. zwakheid v. van ouderdom, afgeleefdheid v.

Aelteste, bijv. nw. (overtr. tr. van alt) / alt; 2. m. (van een geleerd genootschap), oudste, overste, deken m.

Alterthum, {-thums, mv. -timmer) o. oudheid v.

Alterthümelei, v. liefde v. voor oudheden; voorliefde v. voor het voorvaderlijke.

Alterthümler, {-Ihümlers, mv. -thümler) m. liefhebber, verzamelaar m. van,handelaar m. in oudheden.

Alterthümiich, bijv. en b. ouderwetsch, Gothisch.

Altertburas-forsclier, m. oudheidkenner, archeoloog m.; -forsehung v. oudheid-studie v.; -gesellschaft v. oudheidkundig genootschap o.-. -handler m. koopman, handelaar m. in oudheden; -kenner m., Z. -forscher,--kunde v. oudheidkunde, archeologie w,-stuck o. ouderwetsch stuk o., antikiteit v.

Aeltervater, m. overgrootvader m.

Altfiiciier, m. schoenlapper m.

Altfiöte, v. altfluit v.

Alt frankiscb, bijv. nw. oud-Frankisch; verouderd, ouderwetsch; -fürstlich bijv. nw. van een oud vorstenhuis; -geige v., Z. Brat-sche; -geselt m. oudste knecht m.; -gewandIer m., Z. Trödlev; -gldubig bijv. en b. rechtzinnig, orthodox; -handler m. handelaar m. in oudheden.

Althéa, v. witte maluwe v.

Altheastaude, {-standen) v., Z. iïibisch.

Alt-beit, v., Z. Aelie; -herkömmlich bijv. en b. van de oudheid, ouderwets(ch);-^e?Tm., Z. Altermann; -hiebig bijv. nw. -es Holz o. houtgewas o. van meer dan zestig jaren.

Altist, {-en, mv. -en) m. alt(isl) m.

Alt-jagdbar, bijv. nw. meer dan acht jaar oud; -klug bijv. en b. waanwijs; -knecht m. meesterknecht m.; -krieger m. oudstrijder, veteraan m.; -lehrig bijv. nw. Z. rechtlehrig.

Aeltlich, bijv. nw. oudachtig.

Alt-mannsliraut, o. een zeker gewas; -meister m., Z. Altermann; -modisch bijv. en b. ouderwetsch, uil de mode; -mutter v., Z. Groszmuiter; -römisch bijv. en b. oud Ko-meinsch, oudroomsch; -slinger m. alt (zanger) m.; -sclmster m., Z. Schuhflicker; -stadt v. oude gedeelle o. van eene stad v.; -stimme v. alt, altstem v.- -teslamenthch bijv. nw. van, in, volgens het Oude Testament; -voter m.. Z. Groszvater; Stammvater; Erzvater; -vdte-risch bijv. en b., /.-frankisch; -vdlerlich bijv. en b. voorvaderlijk; -vordern m. mv., Z. ror-fahren; -loeibersommer m. nazomer, oudewij-


-ocr page 54-

AMP

42

AME

vcnzotncr m.; herfstdraden m. mv.; -weibisch bijv. en 1). oudevrouwachlig.

Alumnat, (-s, mv. -e) o. school v., waar de kweekelingcn tevens vrije kost en inwoning genieten.

Alumnus, (-nu.c, mv. -no/) ni. seminarist m.

Am, (voor: an dcm), aan, op, bij.tegen de, den, het; - Sonntage, des Zondags; - Leben, in leven; - erslen, het eerst; - beulen, hel best; - meisten, - wenigsten, het meest, hel minst.

Amalgam(a)', mv. -namen) o.

amalgama, metaalmengsel o. met kwik.

Amalgamiren, hedr. ww . kwik met een ander metaal vermengen.

Amaranth, {-{{■).v, mv. -e) m. of Ama-ranthe, (-n) v. amarant v ; -en bijv. mv. amaranten; -farbey. amarantkteur v.; -farbtg hijv. nw. amarantkleurig; -ïu/jjcv. klaproosv.

Anoare'.le, (-«) v. morel v.; -nbaum m. morellehoom m.

Amazone, (-«) v. amazone v.;-n/I«.«s m. Amazononrivier v.; -nhnfer m. amazonekever m.; -nkleid o. amazonekieed o.; -nland o. land o. der amazonen; -nslein m. amazonensteen m.; -nlrachl v. amazonekleeding v., amazonekleed o.

Ambarre, (-») v. stapelplaats, losplaats v. van koopwaren in Rusland.

AmbRssade, (-n) v. gezantschap o.

Ambassadeur, (-s, mv. -e) in. gezant, ambassadeur m.

Am be, (-«) v., a. Zweilrelfer.

Amber, m., z.m. amber m.;-ahorn,-baum ai. amherlioom, amberaborn m.; -dufl,-geruch m. ambergeur m.; -/iseh, -fresxer m. potviseh m,; -holz o. amberboui o.; -liruul o. driekoningskruid o.; it. amherkruid o.; -Icunel v., /,. Bisamkugel; -kilgelchcn o. amberbloem v.; -salz o. amberzout o ; -scltwalhew amberzwa-iuw v.; -sluude v., -sirauch m. amlieivlruik m

Ambition, v. eerzucht, ambitie v.

Ambosz, [-es, mv. -c) m. aambeeld of aanbeeld o.; -halm v. aanbeeldvlak o.

Amboszehen, o. klein aanbeeld o.

Ambosz-fusz, m. voel m. van bet aanbeeld; -schenkel m. aanbeeldbeen o.; -schmied m. vuurwerker m.; -stockm aanbeeldblok o.

Ambra, o., /.. -hint v. amberpeer v.

Ambrosia, v. ambrosia, godenspijs v.; (lig.) lekkernij v.

Ambrosianisch, bijv. en b. van den 11. Ambrosius; -er I.obgeseng, Te Deum o., lofzang Te Deum.

AmbroEienkraut, o. ambrosiekruid, go-denkruid o.

Ambrosisch, bijv. en b. van ambrosia; -duftend bijv. nw. naar ambrosia riekend.

Ambulanz, (-en) v veldhospitaal ü.

Ameisehen, o. kleine mier v., miertje o.

Amelse, (-«) v. mier v.

Amelsen-bad, o. mierenbad o.; -har m, miereneter m.,mieren- of kleinste beer m.; -ei o. mierenet o.; -fuchs m.groote miereneter m.; -haufe m. mierenhoop m., mierennesto.;-(;eis( m. op mieren overgehaalde wijngeest m.; -ja ger m., Z. -bar; -jungfer v. juffertje o.; -krie-chcn, -laufen, Z. -schauder; -larve v. pop v.

van eene mier; -Wwe m. mierenleeuw m.; -lil o. mierenolie v.; -sauer bijv. nw. -es Sak, mierenzuurzoul o.; -snure v. miereuzuur o.; -schauder m. jeuking v. der huid; -stein ni miersteen m.; -gt;car:e v. eene soort van wrat v. in de handpalmen en voetzolen.

Ameislein, o., Z. y/meischen.

Amel-Uorn, o. spelt v.;-mc/i/o.,Z. A'föfi-f v z mehl. U-weibel

Amen! amen! het z\\ zoo; ich spreche • Ami (lazu, ik stem er in loe, ik beaam het. iicdieni

Amethyst, {-{c)s, mv. -e) m. amethistm.: ^aardi -farbifi hijv. nw. amethislkleurig; -fluss m.. .SWege onechte amethisl m.; v.halfdoorschy-1 da l'asi

nende amethist m.;-;)/?an2:ev.amethislp!ant\. zaken, Amiant, (-(e)s, mv. -c) m. amiant m.. ring v'. steenvlas o. i,uis o

Ammann,(-wö?i» (e)5,mv. -manne of -man- nlinist ■ner) m. amhtman, amman, schout, districts- Aer commissaris m.; -(iml o. waardigheid v., post m. van ambtman, ambtmanschap o. Am

Amme, (-??) v. voedster,min, zoogmoeder v. uitoefc Ammei, {-s, mv. -e) in. heerenkomijn o.; Am

In suil juw, d ter m man; -man;

Am men 1

v.; -o

verse1

pon a

ambts

zienei

m. lx

fördei

richt

m. bi

gen;

-hewi

tant

gobiei

liode

brief,

gilde;

-brüc

col leg

-dien

dien a

-c.hr c

is-, -c

m.; -

v., in

bijv.

waar

l)evolt;

-same m. heerenkomijnzaad o.

Am meister, m. raadsheer, schepen m. iielast

Ammen-kost, v. minnekost m.; -lohn m. jiuis 0 minneloon o.; -manche)} o. kindersprookje o.; ambts -milch v. voedstermelk, minnemelk v.; -pflcoe hoidsp v. verzorging, verpleging v. door eene min;

-stuhc v. kinderkamer v.

Ammer, {-n) v. geelvink, weduwaal nu morel v.

Ammoniak, m. ammoniak m.; -alisch,

-hallig bijv. nw. ammoniakachtig; -(jummi 0. ammoniakgom v.; -salz 0. ammoniakzout 0.

Ammociit, [-en, mv. -cn) m., Z. Ammons-horn.

Ammonium, {-s) o. ammonium 0.

Ammons-born, o., -schnecke, v. ammonshoren m., ammoniet m.

Amnestie, {-n) v. kwijtschelding v. van straf, amnestie quot;s.

Amnestiren, hedr. ww. amnestie verlee-nen, straf kwijtschelden.

Amome, v., AmÖmlein, 0., z. m. stecn-eppe v.

Amor, Amoretten, Z. LiehesqoU.

Amortisation, {-en) v. afkoop m.,uitdel-ging v.van renten; schulddelging, amortisatie v.; -skasse v., -sfonds m., -sehein m. kas v.,

fonds 0., biljet 0 van schulddelging, amortisatie-kas v., -fonds 0.

Amort-iren. -isiren, bedr. ww. (schulden, renten amp;) delgen, afkoopen, vernietigen.

Ampel, (-«) v., Z. Lampe.

Ampter, {-s m., z. m. zuring v., Z. 5auer-ampfev; -baum m. zuringboom m.; -kraul 0.

lange zuring v.; -/aws v.zuringluisv.;-5a(^er m. zuringkever m.

Amphibie, (-n) v. tweeslachtig dier o.. amphibie v.

Ami

o. trap: araphitl Amv vorm v Ams tie V.; 1 Am) toeren. Ami

Amphibienhaft, bijv. nw. tweeslachtig.

| amhtel


-ocr page 55-

AMT

AMT

43

Amphitheater, {-theaters, mv. -theiitcr) o. trapsgewijs opklinimendo schouwplaats y., amplti theater o.

Amphitheatralisch, hijv. nw. wat den vorm van een amphitheater heeft.

Amputation, (-cti) v. afzetting, amputatie v.; afzetten, aniputeeren o.

Amputiren, liedr. ww. afzetten, ampu-tocren.

Amsei, (-n) v. nieerlc or merel v.; -heere T., Z. Kreuzheere; -fisrli m., Z. Meerfisch; -weihchen o. wijfjesmeerle v

Amt, {Jml {e)s, mv. Aemter) o. amht o., Iliediening, betrekking v., lieroep o., post m., waardigheid v.; dienst m., hediening v.; von -menen, amhtshalve; was dcines -es nicht ist, {dt laste deinen Forwitz, liemoei ii niet met znken, die u niet aangaan; hestuur o., regeering v., rechthank v., kantongereclit o., reclil-liuis o., haiie v., kantoor, hureau o. van administratieve colleges; hnhe -, mis v.

Aemtchen, o. amhtje, postje, haantje o.

Amtei, (-en) v., Z. Jmthaus.

Am ten, o. ww. eene bediening, een lieroep 6 uitoefenen.

Amt-frau, v.,Z. -mdnnui - -/'rei hijv. en h. I amhtcloos; -führcnd hijv. nw. mei een amht lieiast of hekleed; -haxts o. rechthuis, stad-iuiis o.: -leule, -mam; -lieh hijv. nw. van . ambtswegen, ambtshalve; -liehe Person, overheidspersoon m.; -los bijv. en b., Z. -frei; -losKjkeil v. amliteloosheid v.; -mann m. bal-i iuw ,'drosl, kantonrechter, schout, burgemees-: ter m.; -mannin v. vrouw v van den ambtman; -mannsc/ia/ïv. waardigheid \. van ambt-' man; -meisier m., '/. Obermeister.

Amts-alter, o. tijd m. gedurende welken ; men een ambt heefl bekleed, anciënniteit : v.; -ansehen o. aanzien o, dat een ambt amp; i verschaft; -antrill in. aanvaarding v. van een anibl amp;; -arbeil v., -geschafte o. mv. ambtsbezigheden v. mv.; -aufseher m. opziener m. over een baljuw schap amp;; -bauer m. hoer m. uil een baljuwschap amp;; -be-i flirderiinriv. bevordering v. in hel ambt;-ic-; richt in. bericht o. van ambtswegen;-iieicfte/d : m. liesluit o., uitspraak v. van ambtswe-| sen; -beseizunfi v. begeving v. van een ambt; -bewerber m. candidaat. adspirant, sollici-! bint m. naar een ambt; -bezii-k o. ambls-i gebied o.; -blaft o. ofticioel blad o.; -bnle m. Iiode van den ambtman ik; -brief m. diensl-lirief, brief m., bevattende de wetten van een gilde; -bruder m. ambtsbroeder, collega m.; -hrilderlich bijv. en b. in vriendschap, als goede collega's; -hucli o. ambtsboek, protocol o.; -diener m. dienaar van den schout, gerechtsdienaar m.; -dorf o. dorpo. in een drostambt; -ehre v. eer v., die aan een ambt verbonden is; -eid m. ambtseed m.; -eifer m. dienstijver m.; - einkilnfte v. m\.,-erlrag m. bezoldiging v., inkomen o. aan een ambt verhonden;-fdlnq bijv. nw. bevoegd, bekwaam om een ambt waar te nemen; -fahiakeii v. geschiktheid, bevoegdheid v. tot bei waarnemen van een ambt; -fohje v. opvolging v. in een ambt; ii. rang m. der posten of ambten onderling; -fol-f/er m. opvolger m. in een ambt; -frohne, -fuhre v. werkzaamheden v. mv., vracht v., die men verplicht is voor de gemeente of voor den ambtman te verrichten, te doen; -führung v. beheer o. van een ambt; -gang m., Z. He-s'haftsgang; -gebaude o., Z. -haiis; -gebiih-ren v. mv., Z. Sporteln, -pflicht; -ciefatlc v. mv., Z. Sportehi; -gehütfe ni. helper m. van een ambtenaar; -gehiltfenstelle v. plaats, betrekking v. van helper eens ambtenaars amp;; -genoss m. ambtgenoot, collega m.; -genossen-schaft v. ambtgenootschap o.; -gericht o. rechtbank v., rechtliuis, stadhuis o.; -geschafte o. mv. ambtsbezigheden v. mv.; -gesicht o. deftig, ernstig gelaat van een ambtenaar in functie; -gewalt v. gezag o.; -handlung v. handeling, daad v. krachtens een ambt verricht; -hnupt-mam m. opperschout, landvooid m.;—schafl v. waardigheid v. van landvoogd, opperschout; -heifer m., Z. -gehMfe; -hnheit v. domeinkamer v.; -kanzlei v. kanselarij v. van het drostambt amp;; -ketter m. adininislralcur m. van de gelden van een baljuwschap amp;; -ketterei v, gebied o.van een administrateur van \;-kteid o., -kteidung v. ambtsgewaad o.; -knecht m. dienaar m. van den schoutamp;,bodem.;-tossen mv. kosten m. mv. van beheer; uitgaven v. mv. van een gilde; -tade v. kas v. van den schout; -teken o. leen o., dat van een baljuwschap atbankelijk is; -maszig bijv. en h. olli-eieel, krachtens het ambt; -meister m. gilde-meester m.; -miene v.,Z. -gesicht: -nachfotge v.. Z. -fotge; -name m. naam, titel m. van een ambt; -ordnung v. reglement o. van orde bij een baljuwschap; -papiere o. mv. otliciëeie stukken; -person v. ambtspersoon m.; -pfanne v. groole koperen ketel m.; -pftege v. beheer o., administratie v. van de inkomsten vaneene gemeente; -pfleger m. ontvanger m.; -pflicht v. ambtsplicht;by v. en b.aml.tspliclilig; -physikus m. geneesheer m. over een district; -probe v. staallje o. erts; -protokolt o. ambts-prolocol o ; -rang m. rang m. aan eenig ambt verbonden; -ratli m. ambtsraad m.; -rechnung v. rekening v. over de plaatselijke geldmiddelen; -reiney. ambtsreis \.:-reitcrm. gerechtsdienaar m. te paard; -richter m. kantonrecb-ler m.; -rock in., Z. -kteid; -rotte, v., Z. GH-debrief, Innuiigshrief; -sache v. ambtszaak v.; -sass m. gemeentelid o., bewoner in. van een district; -siissig bijv. nw. lol eene gemeente of een kanton beboorende; -scha/fner m., Z. -ketter; -schildtein o. borsllap m eens booge-priesters; -schloss o. kasteel, slot o. van een drosl; -scltösser m. gemeenteontvanger m.; -schreiben o. amhtsschrijven o.; -schreiber m. schrijver,griflier m.van een drostambt;-sc/irci-berei v. kantooro. van een ontvanger; -schrift v. oflicieel gesclirift o.; -schriftenstube v. grif-lie v.; -schultheisz m schout,burgemeester m.; -schuliheiizerei v. burgemeesterschap o.; stadhuis, rechtliuis o.; -siegel v. baljuwzegel o.; -sohte v. waler o. voor de beambten in eene

m.; -ja--krie-. pop v. m.; -SI ;s Sah, iuur 0.; iein in. Ill -RTilt

. h'rufl-. )reclie ■ gt; ■


-ocr page 56-

ANA

44

AN B

zoutziederij; -sorge v. zorg, bemoeiing v. aan een ambt verhonden; -sladl v. stad v., die lol een baljuwschap behoort; -sleuer v. belasting

in een baljuwschap; -sluhe v. zetel m., kantoor o., van den baljuw; -tag m. zitting-dag in een drostamhl; -thdtigkeit v. uitoefening v. der aan een ambt verhonden werkzaamheden; -titel m.. /. -name; -tracht v. ambtsgewaad o.; -unterthan m.,Z. -sass,- -ver-anderunfi v. verandering v. van ambt; -ver-lassung v. verlaten o. van cene betrekking, nederlegging v. van een ambt; -verlust m. verlies o. van een ambt; -verrichlung v. ambtsbezigheid v.; -vertreter m. plaatsvervanger m.; -verwal!er m. bestuurder m. van een ambi; -verwalterei v. waardigheid v. of post m. van beheerder; it. departement, rechtsgebied o. van een baljuwschap; it. het huis waarin de baljuw zijn kantoor houdt; -ver-w ei sung v. cassatie v.; -verweser m., Z. -ver-io al ter-, -verweser ei v., Z. -verwalterei; -vogt m. baljuw, ambtsvoogd m.,/. -diener; -vogiei v. rechtsgebied o. van een baljuw; it. huis o. van een baljuw amp;; -vogteilich bijv. en b. be-boorende lol, onderworpen aan den baljuw amp;; -mappen o. ambtswapen o.; -wechsel m. afwisseling v. van beheer; -wurde v. ambts-gt;vaardigheid v.

Amuiett, {-{e)s, mv. -e) o. amulet o.

An, voor/, (met den 3n nv., wanneer hel cene rust en met den 4n als het eene beweging aanduidt), aan, by, tegen, naar, op; - die Thure geiten, naar of buiten de deur gaan;

- seiner Stelle, in zijne plaats; - einem Orte, op eene plaats; Mann - Mann, man tegen man;

- den 11 aar en fassen, bij het haar grijpen;

- der Na se herumfu'iren, bij den neus leiden, foppen; - Krücken gehen, op krukken gaan;

- etnem Sonnlage, op een Zondag; die Schuld liegt - ihm, hel is zijne schuld; die Sache -sich, de zaak oj) zich zelve; - Leib and Seele krank, ziek naar lichaam en ziel; - jemn. gul

jegens iem.handelen; es isf - dem,\iel is waar; it. es ist - don, dass sie amp;, zij staat op hel punt om; - sechs IFagen, ongeveer, nagenoeg, omtrent, bijna-, -2. bijw. Gluck -, welkom aan land!; von nun -, van nu af; van hier - bis dort kin, van hier tot daar; oben-, boven, bovenaan; unten-, beneden; Himmel -, naar den hemel; Berg -, omhoog; bis oben -, tol boven toe.

Anaaszen, -aszen, bedr. ww. met aas lokken.

Anabaptismus, m. leer v. der wederdoo-pers.

Anabaptist, (-en, mv.-en) m. wederdoo-per m.

Anacardiengt;gt;aum, m., Z. Nierenbaum.

Anacboret, {-en, mv. -en) m. kluizenaar, eremiet m.

Anacboretisch, bijv. nw. en b. wat een kluizenaar betreft.

Anacbronismus, m. foul v. in de tijdrekening, anachronisme o.

Anagramm, (-(e)s, mv. -e) o. letterverwisseling v., wisselwoord, anagram o.

Anagrammatiscb, bijv. en b wat het anagram betreft of daarop gelijkt.

Anagrammenmacber, m. anagrammen-maker m.

Anaitreontiscb, bijv. en b. anakreon-lisch, lief, leeder, aanvallig.

Anaiekten, o. mv. uilgelezen stukken o. mv., bloemlezing v.

Analog, bijv. nw., Z. analogisch.

Analogie, v. overeenkomst, gelijkenis v.

Analogisch, bijv. en b. overeenkomstig, gelijkend.

Anaiyse,(-«) v. ontleding,ontbinding,analyse v.

Analysiren, bedr. ww. ontleden, ontbinden, ontwikkelen.

Anaiytik, v. ontleedkunde v.

Analytiker, {-tikers, mv. -tiker, m. ana-lytiker, kenner m., der analyse, ontleedkundige m.

Analytisch, bijv. en b. ontledend, ontbindend, analytisch.

Anauas^ v. (onb.) ananas v.; -apfel m., -birne, -erdbeere v. ananaas-appel m., -peer, -aardbezie v.; -vogel m., Z. Colibri.

Anankern, he Jr. ww. ankeren, vastleggen, meren, vaslhechten, vaslkrammen.

Anapast, {-{c)s, mv. -e) m. versvoet m. van twee korte en eene lange lettergreep, op-springer m.

Anapastiscb, bijv. en b. wat een opspringenden versvoet aangaat of daartoe behoor!.

Anarchie, . regeeringloosheid, anarchie, bandeloosheid v.

Anarcbisch, bijv. en b. regeeringloos, wetteloos.

Anarchist, {-en mv. -en) m. aanhanger, voorstander, bewerker m. van regeeringloosheid.

Anarten, ww. eigen worden; angeartet? Tug end, ingeboren, ingeschapen.

Anathem(a), (-them{a)s, mv. -theme) o. kerkban, banvloek m.

Anathmen, bedr. ww., Z. anhauchen.

Anatom, {-en,m\.-en) m. ontleedkundige, anatoom m.

Anato.-nie, v. ontleedkunde, -kunst, anatomie v.

Anatomiker, {-mikers, mv. -miker) m., Z. Anatom.

Anatomiren, 'jedr. ww. ontleden, nauvr-keurig onderzoeken.

Anatomisch, bijv. en b. ontleedkundig, anatomisch.

Anatomist, [-en, mv. -en) m., '/..Anatom.

Anatzen, bedr. ww. beginnen te etsen, Z. anaaszen.

Anaugein, bedr. ww. oogjes geven,leeder aanzien, toelonken.

Anbacken, o. ww. onr. an etw. -, aanbakken; (fig.) vastzitten; 2. bedr. ww. stevig vastmaken, kleven aan.

Anbahnen, bedr. ww. einen li'eg -, banen; (fig.) etw. -, Z. einleiten.


-ocr page 57-

ANIJ

ANB

Anballen (sich), wed. \vw. (van dc sneeuw), in klompen blijven kleven aan.

Anbannen, bedr. ww. aantooveren, door betoovering berokkenen.

Anbau, m. (van onbebouwde velden),ont-ginnen o., bebouwing, ontginning v.; fvan eeue slad), aanbouw m.; bügebouwde o.

Anbaueu,bedr.ww.ontginnen,beginnen te bebouwen; Kom -,bouwen; Jig.) vine Kunst aankweeken; ein liaus un e nen Berg bouwen tegen; 2. wed. ww. sich zich vestigen.

Anbauer, m. ontginner. aankweeker; it. volkplanter, kolonist m.

Aubaulich, bijv. en b. wat ontgind of bebouwd kan worden.

Anbefehien, iiedr. ww. onr., Z. befehlcn; empfehlen.

Anbeginn, in., z. ra. begin o.

Anbehalten, iKidr. ww. onr. aanhouden, niet uittrekken.

Anbei, bijw., /. hiebei, zugleich.

Anbeiszen, bedr. ww. onr. beginnen te bijten, aanbijten; bijten in; 2. o. ww. beginnen te eten, aanvallen, aanbijten; 3. wed. ww. sich -, zich met de tanden aanhechten.

Anbelangr, Z. Beirejf.

Anbelaugen, bedr. ww., Z. bel re/feu.

Anbeifem, bedr. ww., Z. anbellen.

AnbeHen, bedr. ww. jem. -, aanblaffen; (fig.) schreeuwen, keffen tegen.

Anbequexnen^ bedr. ww., Z. (inpassen; 2. wed. ww sich -, Z. sich bequemen.

Auberaumen, bedr. ww. bepalen, vaststellen.

Anberegfc, bijv. nw. gemeld, genoemd, bovengenoemd.

Anberg, in. hoogte v. aan den voet eens bergs.

Anbeten, bedr. ww. aanbidden,goddelijke eer bewijzen.

Anbeter, -beterin, aanbidder m., aanbidster v.

AnbetracLt, Z. Betracht.

Anbetreffen. bedr. ww., Z. betreffen.

Anbettein, bedr. ww. bedelend aanspreken; (lig.) lastig vallen; 2. wed. ww. sich bei jemn. -, zich aan iem. opdringen.

Anbeiung, v. aanbidding v., eeredienst m., aanbidden o.; -swerlh, -swürdifj i)lj\. nw. aanbiddelijk, aanbiddenswaardig.

Aubeaieien, iiedr. ww.. Z. anheraumen.

Anbiegen, bedr. ww. onr. krommen, buigen naar en vastmaken; bijvoegen, insluiten.

Anbieten, bedr. ww. onr. aanbieden, ten geschenke geven; eine Schlacht -, uildagen tot; F rieden -, aanbieden; 2. o. w»v. het eerste bod doen; 3. wed. ww. sich zich aanbieden.

Anbieter, -bieterin, aanbieder m.,aan-biedster v., die het eerste bod doet.

Ai.b;iden, bedr. ww. door opvoeding en onderwijs mededeelen; sich eiw. -, zich door oefening eigen maken.

Anbinde-bloci:, m. (Zeew.) ezelshoofd o.; -kalb o. gespeend kalf o.

Anbinden, bedr. w w. onr. aanbinden, vastbinden; een geschenk geven; (fig.) einen Baren -,schulden maken;Liebesverhdltniss -, aanknoopen; 2. o. ww. mit aller fVelt twist zoeken; kurz amjebunden sein, kort van stof, opvliegend zijn; II. o. zelfst. ein Narr zum lolt zum -, te gek om los te loopen.

Anbiss, ra. beet, hap m.;aanbijten o., eerste beet ra., Z. Imbiss; lokaas, aas o.; -kraut o., Z. Teufelsabbiss.

Anbiasen, bedr. ww. onr. blazen op,naar, tegen; das Feuer -, aanblazen; (fig.) Z. anfa-chen,- einen heiszen Bissen blazen ora af te koelen; eine Flute beginnen te blazen op; das neue Jahr -, met trompetgeschal aankondigen.

Anbiassen, bedr. ww. (van de maan), bleek maken.

Anblatt, o. oblie v.

A?ablattexi, bedr. ww. samenvoegen.

Anbiauen, bedr. ww., Z. blduen.

Anbiecken, bedr. ww. aangrünzen, de tanden laten zien.

Anbleichen, bedr. ww. (van de maan), bleek maken.

Anblenden, bedr. ww. jem verblinden.

Anblick, m. blik, aanblik in., gezicht o.; schouwspel o.; bei ihrem op het zien van haar.

Anbiicken, bedr. ww. aanzien, een blik werpen op.

Anblinken, -blinzeln, bedr. WW.jem. -T aanblikken, knipoogen tegen, toelonken.

Anbützen, bedr. ww. toornig aanzien; jemn. mit dem Spiegel -, lichtstralen op iem. laten vallen.

Anblöcken, bedr. ww. aanblaten, blaten tegen; (fig.) Z. anfahren, anschreien.

Anblüme/j, bedr. ww., Z. besden.

Anbobren, bedr. ww. beginnen te boren in; ein Fass -, aanboren; (fig.) jem. urn (leid zoeken te leenen.

Anboiren, bedr. ww. met nagels of bouten vastmaken aan, verbinden.

Ancorden, bedr. ww., Z. entern.

Anborsten, o. ww. de stekels, de borstels opsteken.

Anboszeln, bedr. ww. den Flachs -, in bossen binden.

Anbofc, o. aanbod o.; it. eerste bod o.; 2. Z. Gebot, liefehI.

Anbraixd, m., Z. anbrennen.

Aiibranden, o. ww., Z. anslurmen.

Anbrassen, bedr. ww. aanbrassen.

Anbrafcen, o. ww. beginnen te braden.

Anbrausen, bedr. ww. bruisen tegen, aanbruisen.

AxibrecbeTJ, bedr. ww. onr. aansnijden, beginnen te snijden van; aanbreken; ei/w Fla-sche -, open trekken; ein Fass -, aansteken; (fig.) Z. anbruchifj; mit -dem Tage, met het aanbreken van den dag; die '/.eü bricht an, komt, nadert.

Anbreiten, bedr. ww. uillcggen op den dorschvloer.


-ocr page 58-

AND

AND

46

Anbrenncn, bwlr. ww. rog. cn our. «in Licht aansteken, onlsteken; iloen ontvhim-)nen; eineu Pfahl de punt afbranden van; Jjranilinerken; i. o. ww. onr., in. s. ontvlammen, vuur vatten; aanbranden; (li),'.) verhit worden,ontvlammen; uiuiebi-anni sein,verliefd zijn; it. te veel gedronken hebben.

Anoringbar, bijv. nw. wat verkocht kan worden, geschikt is voor den verkoop; dienstig, bruikbaar.

AnbrlugegeUl, o. aanbrenggeld o. Anbringen, bedr. ww. onr. aanbrengen; (lig.) plaatsen; JVaaren verkoopen; eine Tociiter -, aan den man brengen; etw. (jut -, goed ie pas brengen-, sein Geld -, plaatsen, beleggen; berichten, blootleggen, voorstellen; bijbrengen, aanhalen; bei Gerichte -.aangeven, aanklagen.

Anbringer, -bringerin, aanbrenger, aanklager m., aanbrengster, aanklaagster v.; voedlngs-buis, -pijp v.

Anbringerei, v. aantijging, verklikkerij v. AnbrocUen, bedr. ww., Z. broeken, ein-brocken.

Anbrucb, m. de plaats waar iels gebroken is. de breuk v.; AnbriXeUe de eersie stukken o. niv., die men uil eene mijn gehaald heeft; it nieuw ontdekte laag v.; (fig.) z. m.

- des Tar;cs, aanbreken o. van den dag, dageraad m., begin; vallen o.; begin o. van verruiten. bederf o.; huidziekte v.

Anbrüchig, bijv. en h. aangestoken, door bederf aangetast; - werden, beginnen te bederven; -e Sclmfe, schapen o. mv. bij welke zich de huidziekte vertoont; (lig.) /.. venlorheii; -keit v. verrotten, bederf o., verrotting, bedorvenheid o.

Anbrdhen, bedr. ww. met kokend water overgieten.

Anbriillcn, bedr. ww. aanbrullen, brullen legen; (lig.) schreeuwen tegen.

Anbrummeu, bedr. ww. brommen tegen; ioegrauwen, toesnauwen.

Anbrüten, bedr. ww. beginnen te broeden. Anbiirgern (sich), wed. ww.. /.. ansie-dein.

Anbürsten, bedr. ww. gladborstelen, opstrijken.

Aabuschen (sich), wed. ww. (van vogels), op de struiken vallen.

Anchore, (-») v., Z. Ahorn.

Anchove, (-n) v. ansjovis v. Anclennetat, v., z. m. anciënniteit n. And, bljw., Z. Ahnd.

Andacbt, (-en) v. oplettendheid v.; seine

- verrichten, zijn gebed doen; seine - hutten, de kerk bezoeken; zijn godsdienst waarnemen.

Andacbtelei, (-n) v. schijnvroomheid v., overdreven, geveinsde godsvrucht v.; kwezelarij v.

Andacbteln, o. ww. den vrome spelen ui .uithangen; -d, huichelachtig, schijnheilig, kwezelachtig.

Andachtig, bijv. en b. aandachtig, godvruchtig, vroom.

Andaclitler, -dacbtlerin, schtjllheilige, huichelaar, kwezelaar m., kwezelaarster, huichelaarster v., schijnvrome m. en v.

Andachtleriscb, bijv. en b. kwezelachtig, schijnheilig.

Andacht-los, bijv. en b. onoplettend,zonder aandacht of godsvrucht; -tosir/keit v. onoplettendheid, ongodsdienstigheid v.; -sbitd o. heiligenbeeld o.; -sbuch o. stichtelijk boek o.; -seifer m. godsdienstijver m.; -sstunde v. biduur o.; -sitbunf/en v. mv. gebeden o. mv., godvruchtige oefeningen v. mv.; -siwtl, Z. nn-ddehtig.

Andal, o., Z. .Intlial.

Andammen, bedr. ww. indijken. Andammern, o. ww., Z. diimmern. Andante, bijv. en I). andante, zeer langzaam; 2. o. zelfsl. muziekstuk o. van eene langzame maat.

Aadauern, o. ww., Z. duuern, wiihren. Andecken, o. ww. beginnen met dekken; een couvert bijvoegen.

Andenken, o. aandenken o., herinnering, gedachtenis v.,souvenir o.; infrischem -, versch in het geheugen; ilas - eines lleiliijen feiern, de gedachtenis van een heilige vieren; mein Munn setirjen -s, mijn man zaliger, mijn overleden man; zum - an diesen Taij, ter herinnering aan; ins - zurückrufen, in hel geheugen terugroepen.

Ander, (der, die, das Ait-lerc of Andre] bijv. nw. ander; eins in das -e [iereclinel,Aour elkander, gemiddeld; ein Jalrr ins -, bet eene jaar voor en hel andere na; einer utn den -n, beurtelings; um (ten -n Tan, or.i den anderen dag; eines und dus -e, het een na het ander; verschillend, anders; dic-e Seit \ (van laken), do andere, verkeerde kant; -« Sinnes werden. van meening veranderen.

Aenderbar, bijv. nw. veranderlijk, veranderbaar.

Aenderei,v. veelvuldige, nutlelooze veranderingen v. mv.; zucht v. om te veranderen.

Aendergescliwisterkind, o., Z. Ge-schwisterkind.

Acndern, bedr. ww. veranderen, verwisselen, wijzigen; ich kam es niihl -, ik kan er niels aan veranderen; i. wed. ww. s/c/i-, veranderen, verbeteren; ;t. o. ww. veranderen.

Andern-falls, bijv. nw., Z. sonst. wi-drujenfutts; -theils bijw. ar.derdeels, In de tweede plaats.

Anders, bijw. anders, verschillend,opeene andere wijze; sich - besinncn, van meenii ? veranderen; wenn -, voegw . tenzij dat. Indien namelijk; -denkend bift. nw andersdenkend.

Ander-seitig, bijv. nw., '/,. (icijenseititi: -seils bijw. \an den andereu kanl.

Anderst, bijw., Z. anders.

Anderswo, bijw. elders, ergens anders. Anders-wodurcb, bijw. door eene andere plaats; -woher bijw. van elders, naar eene andere plaats.

Anciert-halb, bijv. nw. anderhalf; -fialhiq bijv. en Ij. lot elkander staande als 1 lot U.


-ocr page 59-

ANE — ANF 47

Aenderungc, v. verandering, afwisseling, wijziging v.; verbetering, correctie v.

Ander-warts, bijv. n\v., Z. anderswo, an-derswohin; -wiirliri bijv. en b. van eene andere plaats, van een anderen kant; -weitig,/. sonstUj, fern er.

Andeuten, bedr. ww. aanduiden, aanwijzen; jeinn. einen Befchl -, bedeuten.

Andeixter, m., /.. Geschlechtswort.

Andicliten, bedr. ww. jernn. elw. -, toe-diclUen, aanwrijven.

Andieaen, bedr. ww., anmelden.

Andingen, bedr. ww. onr./A. anbedingen, eindingen.

Andoanern, bedr. ww. met eene donderende slem aanspreken

And or n, ill. andoren m.

Andörren, o. ww. aandrogen.

Andrang, m., z. m. aandrang m., ophoo-ping v.; toevloed, oploop m.

Andrangsn, bedr.w w. Jcm. undie ff and-, dringen, drukken tegen; 2. wed. ww. sich -, dringen tegen; it. opdringen.

Aadreas-tereuz, o. St. Andries-kruis o.; It. - of -krant o. SI. Andrieskruld o.; -orden m. orde v. van St. Andries; -tay m. St. An-dries m.

Andrechseln, bedr. ww. aandraaien; op de draaibank vormen; jemn. eine Xase Z. andrshen.

Andrehen, bedr. ww door draaiing verbinden aan; Z. anschrauben; (lig.) jemn. eine Xase -, iem. foppen, voorden gek houden.

Andreschen, o. ww. onr. begi nnen te dorschen.

Andrillen, bedr. ww., Z. andrehen.

Andringen, o. w w. onr. auf jem. -, aandringen, indringen; auf den F eind -, aandringen, indringen op; opdringen.

Andringücb, bijv. en b. dringend, Z. zu-dringlich.

Andringlichkeit, v., Z. Zadrinylichkeit.

Androgen, bedr. w w. dreigen met, bedreigen; 2. o. ww. dreigen.

Andruck, m. aandrukken, tegendrukken o.; verbeterblad o.

Andruckexi, bedr. ww. bijdrukken,drukken achter.

Andrücken, bedr. ww. aandrukken,drukken of duwen tegen.

Anduften, bedr. ww. jem. -, Z. beduflen.

AndunkcJin, o. ww. beginnen duister te worden.

Andunsten, bedr. ww. zich als een damp aanhechten aan.

Andnrch, bijw., Z. dadurch, hiedurch.

Anecdote, v., Z. Anekdote.

Aneifern, bedr. ww. aanvuren, aanmoedigen, aansporen.

Aneignen, bedr. ww. zich iets toeeigenen, toeschrijven; jemn. etw. -, maken, dat iem. iets eigen wordt; *2. wed. ww. sich eigen worden met iets.

Aneinander, bijw,. /.. einander; -fügumi t., Z. ZmammenfuQuni]; -yrlinzen o. ww.aan eik. grenzen; -granzend bijv. nw.aangrenzent:; -grdnzumj v. grens, aangrenzing v.; -hangend bijv. nw., Z. zusammenhdngend.

Anekdote, (-??) v. anekdote v.

Anek-dotenartig, -dotiscli, bijv. en b. naar eene anekdote gelijkend.

Anekeln, bedr. ww. jem. -, iem. afkeer inboezemen, doen walgen; 2. onp. ww. es ekelt mich an, het walgt mij.

Anemone, {-n) v. windroos, windbloem v.

Anempfeblen, bedr. ww., Z. empfehlen.

An-erbe, m., -erblicb, bijv. nw., Z. Erbc, erblich.

Anerben, bedr. ww., Z. erbeii; angcerbt, geërfd, aangeboren.

Anerbieten, bedr. ww. onr., Z. anbieten.

Anerkennbar, bijv. nw. aanneembaar.

Anerkennen, bedr. ww. onr. erkennen-, einen Wechsel -, aannemen, accepteeren.

Aaerkenntniss, o. waarneming v.; zelfbewustzijn o.

Anerkennung, v. erkentenis, bekentenis v.; -sgeld v. erkenningsgeld o.; -sschein m. bewijs, biljet o. van erkenning, erkenningsbiljet o.

Anerscbaffen, bedr. ww. onr. bij of door schepping geven; 2. bijv. nw. ingeboren, ingeschapen, aangeboren.

Anerwogen, voegw., Z. in Betracht.

Anerziehen, bedr. ww. onr. jem. -, Z. auf er Ziehen, er Ziehen; jemn. etw. -, door opvoeding mededeelen.

Aneurisma, {-rismas, mv. -rismen) o. slagadergezwel o., slagaderbreuk v.

Anfabeln, bedr. ww., Z. andichten.

Anfacheln, l»edr. ww. jem. -, aanwaaien, met den waaier de lucht naar iem. bewegen.

Anfacbea, bedr. ww. das Feuer -, aanblazen; (lig.) aanblazen, aanstoken; dewZoni-, ontsteken, aanhitsen.

Anfachern, bedr. ww., Z. anfacheln.

Aufadein, bedr. ww. aanrijgen.

Anfabrbar, bijv. nw. genaakbaar.

Anfabren, bedr. ww. onr. etw. -, aanvoeren, aan rijden; (fig.) jem. uitvallen, uitvaren tegen; i. o. ww. in een rijtuig of niet een schip aankO!nen,aunrijden,aanvaren; an etw. rijden of varen tegen; aan het werk gaan,zich in de mijn begeven.

Anfahrschacht.m.gang rn.,pul m.,waardoor de mijnwerkers in de mijn gaan.

Anfahrt, v. landingv.; nadering, aankomst v.; afdalen o. in de mijn.

Anfall, m. val m., vallen o. tegen; instorting v., instorten o.; (van goederen), erfenis, nalatenschap v.; aanval m., bestorming v.; stutten, schoren in. mv. van een gewelf; hoen-derrek, vogelstokje o.

Anfallen, bedr. ww. onr. aanvallen, aantasten, aanranden, te lijf gaan, op bel lijf vallen; ein Land -, een inval doen in; 2. o. ww., m. s. an die Wand -, vallen tegen; ton deel vallen; (van vogels), neervliegen op.

Anfai;ig, bijv. uw, ten deel vallend; -e Cuter, aangeërfd; anstecliend.


-ocr page 60-

ANF

48

ANF

Anfails-geld, o. successiegekl o.; -recht o. successierechl o., Z. Erbrecht.

Anfalschen, J)edr. ww., Z. andichlen.

Anfang, m. begin o., aanvang: m.; oorsprong m., wording v.; debuut o.; (grond)begin-selen o. mv.; seinen - nehmen, beginnen, ontspruiten; aller - isl sckwer, alle beginselen zijn moeielijk.

Anfangen, bedr. ww., o. ww. en onp. ww. onr. beginnen, een begin maken, een aanvang maken; eiw. -, ondernemen, opzetten; es zu hoch inzetten; es wieder -, wo man es (jelas-sen hal, zijn ouden sleur volgen.

Anfanger, -fangerin, beginner,aanvanger m.; oorzaak v.; eerstbeginnende, nieuweling m. en v.

Anfangüch, bijv. en b. aanvankelijk,eerst, in bet eerst, in bel begin.

Anfangios, bijv. nw. zonder begin, van eeuwigheid,

Anfrings, bUw. in het begin, in hel eerst.

Anfanga-bucbstabe, m. eerste letter, kapitale letter, hoofdletter v.; -alied o. eerste lid o.; -(jrund (eerste) beginselen -linie v. eerste iijn v.; -punlU m. punt o. van begin, uitgangspunt o.; eerste beginselen o. mv.; -schule v. kinderschool, lagere school \.\-vers m. eerste vers o.; -zeile v. eerste regel m.

Aufarben, bedr. ww., Z. anstreichen; (fig.) Z. beschonigen.

Anfassen, bedr. ww. aanvatten; aanpakken, aannemen; beginnen; Ferlen -, aanrijgen.

Anftiucben, bedr. ww. (van dieren), aanblazen.

Anfaulen, o. ww. aansteken, aangestoken worden, beginnen te verrotten.

Anfeciitbar, byv. nw. betwistbaar.

Anfechten, bedr. ww. onr. aanvallen, bestrijden; (van den duivel), aanvechten, bekoren; overvallen, verontrusten, kwellen; ï/-s' ficht i/in an:\ wat Scheelt hem ?

Anfecbtung, v. aanranding, bestrijding v., betwisten o.; verzoeking, bekoring v.

Anfeilen, bedr. ww. beginnen te vijlen, aanvijlen.

Anfeilschen, bedr. ww. te koop aanbieden; naar iels beginnen te dingen.

Anfeindea, bedr. ww. vijandig bejegenen; jem. -, haat toedragen.

Anfeindung, v. vyandschap v., haat, afkeer m.

Anfersen, bedr. ww. etw. -, met de hielen tegen aanstaan.

Antertigeu, bedr. ww., Z. verferligen; it. zu schi eken.

Anfesseln, bedr. ww. boeien, ketenen; met ketenen vastmaken, vastleggen.

Anfetten, bedr. ww. vet ma ken, vet doen in.

Anfeucbten, bedr. w w. aanvochten,vochtig, nat maken, natten; die Er de -, begieten; Earben-, met water aanmaken.

Anfeucbter, m. \ och Ier m.

Anfeiicbt-grube, v. weekkuip m., nelbakje,vochlbakje o.bij de papiermakers; -pinsel m. penseel o. om le vergulden.

Anfeuchtung, v. bevochtiging, besproeiing v., nat maken o.; -syrube v., Z. Anfeucht-grube.

Anfeuern, bedr. ww. aanstoken; (fig.) aanstoken, aanvuren, aanmoedigen, aansporen, aanhitsen; eine liakele -,Tdn kruit voorzien; •2. o. ww. beginnen te vuren.

Anfeuerung, v. opstoken o.; (tig.) prikkeling, aanhitsing; aansporing, aanmoediging v.; -szeug o. pankruit, knalpoeder o.

Anfilzen, bedr. ww. een hoed met vilt voeren.

Anfirnissen, bedr. ww., Z. fir nissen.

Anfiammen, bedr. ww. Pfdhle unten -, de punt in het vuur harden; -2. o. ww. ontvlammen.

Anfiattern, o. ww. an elm. -, fladderen tegen.

Anflechten, bedr. ww. onr. vlechten, aan-vlechten.

Anflecken, bedr. w w., Z. flecken.

Anflehen, bedr. ww. smeeken;aanroepen, vurig bidden tot.

Anfieber, -fiehcrin, smeekeling m. en v., smeeker m., smeekster v.

Anfietschen, bedr. ww aangrijnzen, grijnzend lachen; Z anblecken.

Anflicken, bedr. ww. aannaaien, aanlappen, aanzetten; 2. wed. ww. (lig.) sich anza-flicken such en, zich indringen.

Anfliegen, o. ww. onr. aanvliegen, vliegende naderen; (fig.) die Krankheit isl ihm wie angellogen, is hem als hel ware aangewaaid, op het lijf gegooid; es flieijl ihm [ihn) Alles un, alles waait hem aar-, hij leert alles zonder moeite; angejlogenes A/^schilferig; -es llolz, van zelf opkomend hout.

Anflieszen, o. ww. onr. loopen,stroomen, vlieten langs, besproeien, bespoe en; (van bel water), wassen, hoogcr worden.

Anflöszen, bedr. ww. llolz -, doen vlotten, aanspoelen; Land -, aanspoelen, aanslibben.

Anflöszung, v. aanspoeling, aanslibbing v., aanspoelen, aanslibben o.; -srechl o. recht o. op aangeslibd land.

Anfluchen,bedr. ww. kwaad lloewenschen, vloeken.

Anflug, m. aanvliegen o., vlucht v. naar of tegen; opslag m., jong kreupelhout o.; aan steen vastzittend erts o.; ea - von llfilhe, roode tint v.; (lig.) zweem m., aandoening v., lichte aanval m.

Anfluss, m. aanvloeien, aanslibben; aangeslibd land o., aanwas m.; An- und Abjluss des Meer es, eb en vloed.

Anflüstern, bedr. ww. fluisterend aanspreken.

Anfluthen, o. ww. an elw. -, aanvloeien, stroomen of vloeien tegen.

Aufo(r)dern, bedr. ww.. Z. fordern.

Anforderung, v. eisch m., aanspraak v.; - mach en auf, aanspraak maken oi).

Anformen, bedr. ww. vormen, op den. vorm brengen.


-ocr page 61-

ANG

AISG

49

Anfrage, v. luiiiv rang, aanvrage v.;onderzoek o.; (Spr.) ei'u - üeis:t Xiemand, vragen slaat (iedereen) mij.

Anfragen, bedr. w\v. aanvragen, navragen, informeeren.

Anfressen, bedr. a\ w. oer. beginnen te vreten van; (van gift), invreten; 2. wed. ww. sich -, zich dik vreten.

Anfressend, bijv. n\v. bijlend, invretend.

Anfrieren, o. ww. onr. un etw. -, ergens aan vast vriezen.

Aufrischeu, bedr. ww. ververscheii; opwekken, aanwakkeren; aanhitsen; 2. wed. ww. sich -, Z. erfrischen, erquicken.

Aulrischer, in. gieler, ververscher m.

Anfriscb-t'euer, o. ververschingsvuur o.; -ijefass o. ververschingsvat o.; -ofen m. ver-versehingsoven m.; -schlacken v. mv. melaal-slakken \. mv.

Anfuge, v. bijvoegsel, aanhangsel o., i)y-lage v.

Anfügen, bedr. ww. aanvoegen, bij voegen, samenvoegen; melden, berichten.

Anfühien, bedr. ww. bevoelen, belasten, aanraken; *2. wed. ww. dieses Tuck full 11 sich zurl an, is zacht in of op het gevoel.

AufuUr, Z. Zufuh)-.

Anführbar, bijv. nw. aan te voeren; -keil

aanvoerbaarheid.

Anführen, bedr. ww. aanvoeren, aanhalen, clteeren; ein lieer -, aanvoeren, het bevel voeren over; leiden, vormen, leeren, onderwijzen; beet hebben, bedriegen, foppen.

Autuhrer, -fiihrerin, aanvoerder, bevelhebber m., opperhoofd o., directeur, hoofdman m., aanvoerster, direct rice, hoofdvrouw v.; leiderm., hoofd o.; -ei v. misleiding v.; Z. Be-lru{ie)\i; -stelle bevelhebberscliap, opperbevel o.

Auführung, v. aanvoering v, aanhaling \., citaat o.; onderwijs o., onderrichting v.; bedriegerij v.; -szeichen o. aanhalingsteeken o.

Anfülleu, bedr. ww. aanvullen, vullen; 2. wed. ww. sich -, zich opvullen; zich volproppen.

Anfunkeln, bedr. ww. aanvonkelen, verblinden; schitteren.

Anfurt, i-en) landingsplaats v., kade, werf

Anfuszen, o. ww. den \oet zetten op, nederzetten.

Angabe, gt;. gedeeltelijke betaling v in goederen; plan, ontwerp o., leekening v.; aanklacht, aangifte v.; opgaaf, verklaring, declaratie v ; -(jeld o. handgeld o., handgift v.; -zeiicl m. aangiftbiljet o.

Angabein, bedr. ww. aan de vorksteken; (hg.) zich meester maken van.

Angc.ffen, bedr. ww. aangapen; jern. met open mond aanstaren.

Angaiïer, -gafferin, aangaper m., aan-gaapsler v.

Angahnen, bedr. \s\n. geeuwend aanzien, aangapen, geopend zijn.

An^atven^ bedr, ww. tol gade geven.

Angebaude, o., Z. Anhau.

Angebeiie, o., z.m. geblaf,blafleno. tegen.

Angeben, bedr. ww. onr. jemn. neue Kleider -, geven om aan te doen, aantrekken; sein f'ermögen -, declareeren, aangifte doen van; einen Dieb -, aanklagende/wen Kamen opgeven, zeggen; sein Spiel -, opgeven; den Ton -, den toon geven of aangeven; ein Gehande -, een plan maken van; eine Zeich-nunfj -, ontwerpen, schetsen; {tig.) jemn. etw. -, iem. iets ingeven, wijsmaken; 2. o. ww. voordoen, beweren; 3. wed. ww. zich melden;.sir/? zu etw. Z. erbieten.

Angebcr, -geberin, aangever, ontwerper m., aangeefster v.; aanklager, verklikker, berichtgever m., aanklaagster, berichtgeefster v.

Angeberei, v. verklikkerij v.

Arigebinde,o. (verjarings)geschenk,feestgeschenk o.

Aagebiich, bijv. en b. aan te geven, volgens de opgave; gewaand; -er Maszen, zoo als opgegeven is.

Angeboren, bijv. nw. aangeboren, ingeschapen, natuurlijk.

Angebot, o. aanbod, eerste bod o.

Angedeihen, o. ww. onr. - lassen, schenken, doen geworden, verleenen, vergunnen, toestaan.

Angedenken, o., Z. Andenken.

Angebange, -gehangsel,o. aanhangsel, bijvoegsel, toevoegsel o.; amulet o.

Angebangt, bijv. nw. bijgevoegd, loege-voegd.

Angebaufe, o., z. m. ophoopsel, samen-hoopsel, aggregaat o.

Angeben, bedr. w w. onr. jem. gaan tol, zich richten tot; etw. -, beginnen; jem. -, betreffen, raken; was (jehl mich das an?, wat gaat het mij aan? w al raakt het mij ?; -d, be-lrellende, wat dat aangaat; 2. o. ww. beginnen; gaan, mogelijk, uitvoerbaar, geoorloofd zijn; das fjeht nicht an, dat gaat niet; aangaan, ontvlammen; beginnen te bederven.

Angebeuds, bijw. in bel eerst, aanvankelijk.

Angebeuke, o., Z. Angehamje.

Angebören, o. v,\\.jeiun. -,toebehooren, zijn van; verwant zijn met.

Angebörig, bijv. nw. loebehoorend; -2. {-e, die -en) m. en v. bloedverwant; onder-hoorige m. en

Angeifern, bedr. ww . aanzeevereii; (Hg ; belasteren, betichten.

Angel, {Anyein) v. duim m., har \ spil, as, pool v.; ring, bout m.; (Spr.) zwischen Thur und Angel sleeken, i[i de klem zitten; angei, hengel m., slift v., Z. Fuszangel: \an bijen), Z. Stachel.

Angelangeu, o. ww., Z. unkommen.

Angelband, o. hengsel o.

Angela, o. handgeld o.; godspenning in • voorschol o.

Angeldratb, m., Z. An(fjelhiLken.

Angelegen, bijs. uw . sich elw. - san hu-


-ocr page 62-

50 ANG — ANG

soi, zich geleden laten liggen aan, iel^ ter harte nemen; -heit v. aangelegenheid, zaak v., belang o.

Angelegentlich, bijv. en I). vurig, drin-gend; belangrijk, gewichtig.

Angeler, m. hengelaar in.; kemphaan, zeepauw m.

Angei-fisch, m., Z. Slaclielrochc; -/ischer ra., Z. Anfjelei'; -fisclicrci v. visschen o. met den hengei; -fiirmiQ bijv. en !). angelvonnig; -haken m. haak, angel, hoek m.

Angelika, Z. Enyelwurz.

Augei-kork, m. dobber m.; -leinc hengelsnoer o.;-locke v. kleine krul v.aan de slapen; -macher m. krullenmaker m.; -mans v., Z. Spitzmans; -mund m., Z. Gerberhuum.

Angein, hedr. \v\v. hengelen, met den hengel visschen; •!. o. \vn. (lig.) nach ehr. streven, haken naar.

Aageloben, bedr. w w.jetnn. elw. -,plec! -tig beloven, zweren.

Angelober, m. die plechtig belooft.

Angelöbniss, u.. Z. .tmjelobund.

Angeio tuug. belofte, gelofte, verbintenis v.

Augeiotte, (-«) v., Z. i-nijeloUe.

Angei-platz, m. hengelpiaats v.; -pwihi m. aspunt o.; -ruthe v. hengelroede \ -scliilf o. smak v., hengelschip o., hoeker m.-.-srhmir \. angelsnoer o.; -slamie v., Z. -rulhe; -slem m. poolster v.; -weit bijw. wijd, wagenwijd.

Angelus, ra. angelus in.

Angemessen, bijv. n\v. met den 3en nv. en b. passend,evenredig, heaniwoordendeaan; -heit v. betamelijkheid,gepastheid,evenredigheid v.

Angenehm, bijv. en 1). aangenaam, bevallig, innemend, welkom, gew ild, gezocht.

Angenommen, bijv. nw. aangenomen, geveinsd, gemaakt, ondersteld, hypothetisch.

Anger, {Ancfers, mv. Anqer) m. onbebouwd, met gras begroeid land o.; -blume v. madeliefje o.; -kraut o., Z. fVegelritt; -recht o. weidereebt o.

Aengerling, {-{e)s, mv. -6') m., Z. ICnuer-linfj.

Angeschiepp, {-(e)s, mv. -e) o. kimkiel, hodemversterking v.

Angesehen, bijv. nw. geacht, aanzienlijk; - sein, in aanzien zijn, invloed hebben; -2. voegw. dew ijl, aangezien, vermits.

Augesesöen, bijv. nw., Z. ansitzeii; an-sassifj.

Angesicht, o. gezicht, aangezicht o.\jem. von - kennen, van aanzien; im - des, der, Z. aniiesichts.

Angesichts, bijw. in het aangezicht; in tegenwoordigheid; voor, ten aanhoore van.

Angestammt, bijv. nw., Z. awjeboren.

Angewage, o. zware plank v. van eiken hout; plaat, eiken plaat v.

Angewandt, bijv. nw., Z. anwenden.

Angewöhnen, bedr. ww. wennen, gewoon doen worden, aanwennen; 2. wed. ww. sich -, zich aanwennen.

Ansewoiinaeit, v. gewoonte v., Z. Ge-

wohnheit.

Angewöhnung, v. aanwennen o., gewoonte v.

Angieren, bedr. w w. met gretige oogen aanzien.

Angiesrsen, bedr. w w . onr. gieten tegen; begieten; dieses Kleid silzt wie anrjefiosseu, zit als aan het lijf gegoten; jem. -, lasteren. An gift, v., Z. Amjahe, Anrjeld.

Angirreu, beur. ww. aankirren. Anglaazen, bedr. ww.zijn lichtglans verspreiden over.

Angleichea. bedr. ww. onr. overeenbrengen, gelijkvormig maken.

Angieiten, o. ww. glijden tegen, aanglij-den.

Aagler, (-.v, mv. Anfjler) m., Z. Angeler. Angiicanisch, bijv. en b. Angiicaansch, Kngelsch.

Anglicanismus, m. Angiicanisme o. Anglicismus, {-cismus, mv. -cismen) m. anglicisme o., eigenheid v. van de Engelsche taal.

Anglimmen, o. ww. onr. aanglimmen, ontvlammen; losbranden, ontbranden.

Angiisiren, bedr. w w. verengelschen-, (van paarden), kortstaarten, angliseeren.

Angloman, {-en, mv. -en) in. Angloman, navolger m. van al wat Engelsch is.

Anglomanie, v. overdreven voorliefde v. voor al wat Kngelsch is, ang omanie v.

Anglotzea, bedr. ww. aanstaren, met groole oogen aankijken.

Angiühen, o. w w . rood beginne» te w orden (in het vuur); ontgloeien; gloeiend zijn.

Angora-katze, Vngoorsche kat v.; -ziege Angoorsche geit v.

Angrauzen, o. ww., Z. arjjrenzen. Angreifbar, bijv. nw. aantastbaar, voor aantasting, aanranding of bestrijding vatbaar.

Angreifen, bedr. ww . onr. aangrijpen; betasten. bevoelen; vatten, gevangen nemen; aanvallen, aanranden; jems. Ehre -, aantasten; jems. Grilnde -, bestrijden, betwisten, zich verzetten tegen; elw. -, beginnen, ondernemen, aanpakken, aangrijpen; fre.ndes Gul -, zich meester maken van, toeeigenen; die lirusl -, aandoen; die Auijen -, aandoen, bederven-, 11. wed. ww . sich zich inspannen, kosten maken, zijne beurs aanspreken; veel geld uitgeven, groote onkosten maken.

Angreifer, m. aanvaller, aanrander m., de aanvallende partij v.

Angreiflsch, bijv. en 1). (van zaken), gewild; (van ijersonen), diefachtig.

Angreiflich, hijv. nw. dat zich laat aangrijpen, aanpakken.

Aogreazen, o. ww. (in elw. —, grenzen aan, heienden; -(/, nahurig, aangrenzend, he-lendend.

Angrenzer, m., /.. Grenznachbnr. Angriff, m. gevoel o., last m.; gijzeling \.; eisch m., vordering v.; aanval m.; (lig.) be-strijding v.; tong of schoot v.; begin o'; Z.


-ocr page 63-

A Nil

51

Grill; -sounamss o. oflonsief verbond o.; -skrieg in. aanvallende oorlog in.; -sschritt m. slonnpas in.; -swa/fe o. wapen o. tol den aanval; -sweise bijv. aanvallenderwijze.

üngrinsen, bedr. \v\v. aangrenzen, grijnzende aanzien.

Aagruazen, bedr. ww. aanknorren; (fig.) toesnauwen. •

Angst, (Aeimsle) v. angst, bezorgdheid v., nood in., vrees, benauwdheid v. gt; Angst, bijv. nw. mir isl ik ben bang,

ik vrees; jcmu. - machen, iem. bang maken, vrees, schrik aanjagen; ihncu isl - und bange, zij zijn zeer bevreesd, benauwd.

Aengsten, bedr. ww. angstig maken, beangstigen; i. wed. ww. sich zich angstig of beangst maken.

Angster, {Jngsters, mv. Angsler) m. penning m.; Ilesch v.

Angsc-fieber, o. koorts v. van benauwdheid: -geheul, -ueschrei o. angstgeschreeuw, -gehuil o.; -haft bijw., Z. angstlich.

Aengstig, bijv. nw., Z. dngsllich.

Aenguti^en, angsten, bedr. ww. angst ol vrees aanjagen, kwellen, pijnigen.

Aengsilicli, bijv. en !gt;. beangst, ongerust, bevreesd; i. bijw. overdreven kleingeestig.

Aengstlichkeit, v. ongerustheid, verlegenheid v.; kleingeestige bezorgdheid, be-krompene nauwgezetheid v.

Angst-manu, m., Z. Scharf'richier; -ruf in., Z. -(leschrei; -schweisz m. angstzweet o.; -voll bijv. en b. vol angst, vrees of bezorgdheid.

Angacken, bedr. ww. aankijken. Z. an-

sehen.

Angürten, bedr. ww. aangorden.

Angus3, m. aangegoten stuk o.

Auhaben, bedr. ww. onr. dragen, aan het lijf hebben, aanhebben; jemn. clw. winnen van; jemn. etw. - wollen, twist zoeken met.

Anhncken, bedr. ww. beginnen te hakken, aanhakken.

Anbaften, o. ww. aanhechten, plakken.

Antiageln, onp. ww. es hal angehageli, de hagel is gevallen op, Is geslagen tegen.

Anhaken, bedr. ww. aanhaken, aanhan-,gen (aan een haak); *2. wed. ww. sich blijven haken; zich aanklampen; enteren.

An-aakeln, bedr. ww. me! haakjes aanhechten, aanhaken; 2. wed. ww., Z. sich an-hahen.

Vnhalftern, bedr. w w. halsteren, den f halster aandoen.

Anliaisea, bedr. w w. koppelen, het halslouw aandoen.

Anbalt, m., z. m. handvatsel; aanhouden, vasthouden o.; einen - machen, stilhouden, opiiouden; -spunkf m. steunpunt o.; balt, station o.; -sum !)ijv. en b., Z. beharvheh; -sell o. touw o. om aan te houden; -werh o., Z. Bremswerk.

Anhalten, bedr. ww. onr. houden tegen; jein. -, aanhouden, vasthouden, gevangen nemen; in beslag nemen; jein. zu etw. -, aanhouden, gewennen; zum liezahlen -, aanhouden, aandringen; 2. o. ww., m. h. aanhouden, voortduren, voortgaan, volhouden, volharden; an einem Or te -, blijven, stilhouden; um etw. -, vragen, verzoeken, aanhouden, sollicitoeren; 3. wed. ww. sich an emem Ba urn -, zich houden, vasthouden, vastklemmen aan; (lig. vertrouwen; II. o. zelfst. - um etw., vraag v., verzoek o.; aanhouden o.; - in der Arbeit, volharding v.

Anbaitend, bijv. nw. klevend, samentrekkend; durend, aanhoudend, bestendig.

Anhalter, m. houder, aanhouder m., houvast o., steun, beddekwast m.; (Spr.) der gewinnt, de aanhouder wint.

x\nhaltsam, bijv. nw., Z. anhaitend.

Anbaltsamkeit, v. volharding, vlijt ijver m.

Anbanmeru, bedr. ww. vastbamereii. aankloppen.

Anbang, m. aanhangsel, toevoegsel, bijvoegsel, supplement o.; bijlage v.; partij v., aanhang m., partijgangers, aanhangers m. mv.; sein -gefallt mir nicht, zijne omgeving v.,zyn gezelschap o.

Anbange - Sc, V.. Aufhange - amp;.

Anbangen, o. ww. onr. aanhangen, hangen; verkleefd zijn aan; geneigd zijn tot, behept zijn met; es hangt ihm an, dat is hem aangeboren; '2. o. zelfst. adhesie, aanklevingskracht v.

x\nbangen, bedr. ww. ophangen, aanhaken, vastbinden; (Spr.) derKatze die Schelle

de kat de bel aandoen; einem Brief etw. bijvoegen bij; jemn. cine Kr ank heil -, iem. besmetten met; jemn. einen Schimp f -, eene smet aanw rijven, iem. bezwalken, beschuldigen; jemn. eine Part ie -, aansmeren, laten verliezen; eins iem. eene poets spelen, beet nemen; quot;2. wed. ww. sich ergens aan blijven hangen of haken; (Mg.) zich hechten, zich verbinden aan.

Anhaugend, byv nw. aanhangend, aanklevend.

Anhanger, - hatigerin, partijganger, volgeling, aanhanger in., volgelinge, aanhangster v.; Z. ^lmjehange.

Anhangig, bijv. en b. aanhangend, wet gemakkelijk blijft haken; aanhangig.

Anhanglich, bijv. en b. verkleefd, zeer gehecht aan; -heit v. verkleefdheid, gehechl-heid, verknochtheid v.

Anbangsei, o., Z. Angehange, Anhang, Zugabe.

Aiiharken, bedr. ww., Z. anrechen.

Anhas.jen, -haspen, bedr. w w. aanhaken.

Anhauch, m., z. m. aanademing, aanblazing, inblazing v.

Anhauchen, i)edr. ww. aanwaaien, ademen tegen.

Anhauen. bedr. ww. onr. aanbouwen, aanslaan; beginnen Ie vellen; einen Ochsen slachten.


-ocr page 64-

52 ANI - ANK

Anaa felu, bedr. ww. op]iuogen, aan-aarden.

Anhaufen, licdr. \\\\ , unhaufelti; op-ziimelen, ophoopen, opstapelen; J. wed. ww. sich toenemen, vermeerderen.

Anhaufer, m. opeenslapelaar, ophouper; schraper, vrek m.

Auha-^fung-, v. aanhooping, ophooping, verzameling, vermeerdering v.

Anheben, hedr. ww. aantillen, aanliellen; einen Gesang nanhellen,beginnen-, 2.o. ww. beginnen.

Aniieber, m., Z. Anfiinuer.

Anhefcen, bedr. w w. bevestigen; loeha-ken, vasthaken; aannaaien, aan elk. zetten; aanplakken; jein. an* Kreuz hechten aan; (lig.) Z. anlmnyen.

Anheilen, bedr. ww. die Nase aanzetten, aanheelen, beelen; -2. o. ww. die Nuse isl ihm wieder aiujeheill, weder vastgegroeid, aangehecht.

Anlieim, büw.,-fallen, ten deel, teheurt vallen; - stellen, Ier beschikking overlaten.

Anheimeln, bedr. w w. aan de geboorteplaats, bel vaderland, herinneren.

Anlieisc'aig, bijv.en b.aansprakelijk, verplicht, verbonden; - machen, beloven.

Auhelfen, o. w w. onr. helpen, bi'bulp-zaam zijn, doen slagen.

Anhsuken, bedr. w w., Z. anhünnen.

Auher, auhero, bijv\., Z. her, hieher.

Anhetzen, bedr. ww. aanhitsen, aandrijven; jein. ijeijen jein. -, opzetten, opstoken, opruien.

Auhetzer, -lietzerin, opruier, twiststo-ker m., oproermaakster, twiststookster v.

Anhetzei-ïi, v., Z. Anltelzuiuj.

Anhencbeln, bedr. w w. jemn. elw. -, huichelachtig toeschrijven, toedichten; lini-cbelen.

Anheuleu, bedr. w«. aanhuilen, huilen tegen.

Anhexen, bedr. ww., Z. anzaubern.

Anhieb, begin o. van hel bouwen of vellen.

Anhohe, v. boogie, verhevenheid v.

Anholeu. bedr. w w . aanhalen, intrekken, inhalen; ophalen.

Anhörea, bedr. ww . aanhooren, luisteren naar; mnn hörl es ihm an, dass er amp;, men hoort, herkent of bemerkt aan zijne stem; •2. wed. ww. das hörl sichschon ««, dal klinkl schoon of aangenaam.

Auhörung, v. verhoor, aanhooren o.

Anhoseu (sich., wed. ww. zijne bruek aantrekken.

Anhüpfen, o. ww. au cltr. -, liuppelend naderen, iianhuppeleu, aanspringen; op liet lijf springen.

Anhusten, bedr. w w. in het gezicht hoesten, hoesten naar iem.

AcU, {-(e)s, mv. -e) m., Z. indiijopllauze.

Arlraal-.sch, liij\. nu., '/.. Ihierisch.

Aiiiuie, -gummi, o. hars o. en v., ani-magom v., vloedhars o. en v.

Animireu, bedr. « w. opw ekken, aanmoedigen, aansporen.

Animos, bijv. n\v., /.erregt^aufgebracht.

Ani.-nositat, v., Z. Leidenschafllichkeit.

Anis, (-es, mv. -e) m. anijs m.; -apfel m. anijsappel m.; -balsam m. anijsbalsem m., anljszall' v.; -iuu m. anijsteelt v.;-f)ra)!nlt;!Oein m. anijswater o., anisette v.; -brod o. anys-brood, anijsbeschuitje o.; -kom o. anijszaad o.; -öi' o. anijsolie v.; -zucher m. anijssuiker v., suikererwten v. mv.

Aujageu, bedr. ww. beginnen te jagen; aanjagen,aanMtsen;2.o. \\ \\. angejwjt kommen, kuiiien aanjagen, aansnellen.

Anjagshirsch, m. bert o., hetwelk dient om aan te jagen.

An jetzo, -itzo, -itzt, bijw., 7.. jelzt.

Anjociieu, bedr. ww. in het juk spannen, het juk aandoen.

Afkammen, bedr. ww. aankammen-, neer-kammen, kammen.

Ankampfeu, o. ww. gegen e/w.-,bestrijden, zich verzetten tegen, zich aankanten legen.

Ankarren, bedr. ww. met de kar aanvoeren of aanbrengen.

Aakartea, bedr. ww. (in het kaarlspel), geven; (fig.) aanleggen, maken.

Aniinaf, m. aankoop, inkoop, koop m.

Aulaufen, bedr. ww. koopen,aankoopen, zich aanschaHen; 2. wed. ww. sich -, zich vaste goederen koopen.

Aoké, '-») v. vormplaat v.; Z.Rheinankc; Huiter; Z. ÏSuckcn.

Aniiehi-ea, bedr. ww. aanvegen; vegen naar of tegen.

Au^eiien, bedr. w w . mot pinnen, bouten vastmaken.

Anker, (-s, mv. Anker) m. anker o.; var - liegen, voor anker liggen; (fig.) der - mei-ner Uo/Tnung, dal, waarop mijne hoop gebouwd is; em - in der Noth, een toeverlaat m.; houvast o.

Auker-ar:a, m. ankerarm in.; -auge o. ankeroog o.; -balken m. ankerhalk m.

Anï-erben, o. ww. beginnen te kerven, insnijdingen te maken; 2. bedr. ww. aankerven, door kerfjes merken.

Auker-Mume, v. ankerbloem v.;-l)0jev. ankerboei \.; -seit o. ankerlouw o.; -fest bijv, en h. ankervast, zeer vast; -fliege v., -ftugel m. ankertand, ankervleugel m.; -flinnig bij\. en b. ankervornwg; -fütlerurui v.ankervoenng v.,ai.kerkussen o.; -grand .n. ankergro id m., -plaats v.; -haken m. ankerhaak m.; -hals m. ankerhals m.; -hdnde v. mv., Z. -jliege; -haspel m. ankerspil,gangspil v.; -helm m., Z. -ruthe; -holz o., /.. -stock; -kreuz o. anker-kruis o.; -krüeke v., Z. -stock; -kugel v. an-kervumbal rn.; -liicher o. mv. kluisgaten o.; -los bij\. nw. van het anker los, ankerloos.

Anüern, o. ww. hei anker werpen, anko-ren, mei ankers bevestigen; (Hg.) nachelw.-, hunkeren naar.

Anlier-piaquot;; z, :n., Z. Jnkergrund; -redd o. recht o. oia ergens te ankeren; -ring m.


-ocr page 65-

ANK 53

ANK

ankerring m.; -rührung v. ankervocring v.; -ruthe v., -schaft v. anker-schacht v., -schaft v.; -schavfel v., Z. -/liege; -scheuer v., Z. -fillterung; -schmieil ui. ankers.uid ra.; -schmiede v. ankcrsmcdcrij v.; -schuh m. ankerschoen m.; -seil o. ankerlouw o.,ankerkabel m.; -stamje v. ankerslang v., Z. -rulhe,--slich ra. ankerknoop ra.; -stock m. ankerstok m.; -lau o. kabel ra., ankerlouw o.; —liimte v. kahelslengle v.; -wachter m., Z. -boje; -winde v. kaapstander ra., ankerspil v.; -zeichen o. ankerhoei v.; -zo/1 ra. ankeigeld o.; -zunfl v. gilde o. der scheepslimnierlieden.

Anketteln, bedr. \vw. aanketenen, met ketlingjes bovesligen; met den keltingsleek vereenigen.

Anketten, bedr. \vw. aan den kettingleg-gen; sich an Jem. zich nauw aan icm. aansluiten.

Anlteuchen, bedr. ww. hijRend aanzien of aanspreken; 2. o. ww. - ol unrjekeucht kommen, hijgende naderen.

Ankind, o. aangenomen kind o. nkinilen, bedr. ww. als kind aannemen.

An} inder, -tlnderin, hij, zij, die een kind aanneemt.

Ankiurtnng, v. aannemingv. van een kind.

Ankirren, bedr. ww., Z. iinkamp;rnen, un-locken.

Ankitten, bedr. ww. aanlijmen;cementen, bepleisteren.

Anklaffen, bedr. ww., /.. anhellen.

Anklagbar, bijv. mv. aan Ie klagen.

Anklage, v. aanklachl, beschuldiging v., aanklagen o.; knaging, w roeging v.;-«de v. akle v. van beschuldiging.

Anïclagen, bedr. ww. aanklagen,beschuldigen, aanbrengen.

AnUager, -klagerln, beschuldlger,aan-klager m., beschuldigster, aanklaagster v.

Auiiaeerisch, bijv. nw. beschuldigach-tig, verklikachtig.

Anklage-schrift, v., Z. Klaijeschrift; -stand m. staat ra. van beschuldiging.

Anklammein, bedr. w w. aanklampen, aanhechten; 2. wed. ww. sich an etw. -, zich aan iets vastklampen, vaslkleramen; sich un ein Schijf-, een schip enteren.

Ankiang, m. eerste klank m.; akkoord o.; klinken o.,inioonzetling v.,uitoneeren o.;—/inden, weerklank vinden.

Ankleben, bedr. ww. plakken tegen,doen kleven aan, aanplakken; 2. o. ww. houden, kleven aan, vastkleven; jemn. -, /. anhamjen.

Anklecksen, bedr. ww. bespatien, besmetten, bezoedelen; e/Hc.l/rt«er-,aanstrijken.

Ankleiben, bedr. ww., Z. ankleljcn.

Ankieiüeglas, o. toiletspiegel ra.

Ank'.eideu, bedr. ww kleeden, aanklee-den; 2. wed. ww. sich -, zich kleeden, zich aankleeden.

Ankleldezimmer, o. kleedkamer v.

Ankleistern, bedr. ww. plakken, aanplakken.

Anklenanien.bedr.w w. aandrukken tegen.

AnlU'ngelt», o. ww. aannellon, aanschei-icn; bei jemn. polsen; 2. bedr. ww. jem. voor of om iemand schellen.

Anklmgen, o. ww. onr. beginnen te klinken, geluid geven; een akkoord vormen-, bg-val vinden, Z. Jnklanq; 2. bedr. ww. die Glaser aanslooten, klinken.

AnU3opfen, bedr. w w. aanhechten, vastmaken, aanstampen; 2. o. ww. an die Th ure-, aankloppen, kloppen tegen; den pols voelen.

Ank opfer,-lilopferin, aanklopper,klopper m., klopsler v.; klopper, hamer m.

Ankiopf. ing, m. klopper m., ring m.

Anlvnarlen, bedr. ww. door het klappen met de zweep aandrijven.

Anicnebeln, bedr. ww. knevelen, boeien.

Anlaieipen, bedr. ww. onr. den Teiff kneden; ehn. krtijpen, nijpen; 2. wed. ww. sich zich hechten, zich vastknijpen.

Anituöpfen, bedr. ww. aanknoopen, met knoopen verbinden.

Anknüplen, bedr. w. an elw. vast-knoopen, met een knoop verbinden; aanknoopen; beginnen.

AnknvpfungTj v. band m. »amp; ter aanknooping; aanknooping v., aanknoopen o.; -spunkt m. punt o. van aanhechting.

Anknurren, bedr. w w. aanbrommen,aan-knorren, knorren legen; (fig.) knorrend aanspreken.

Anködern, bedr. ww. van aas voorzien; einen Frosch -, als aas bevestigen; (fig.) Z. an lokken.

Ankommen, o. ww. onr. aankomen, naderen, in aantocht zijnjtóbe/ -, {jut -, slecht of kwalijk, goed ontvangen, onthaald worden; da kam ich schon an, daar trof ik het niet, liep ik leelijk tegen aan; 2. onp. ww. es kam mich eine F arch t an, ik werd van vrees aangegrepen; es auf dus (Jlück - lassen, de fortuin of hel geluk beproeven; bei allem kommt es viel auf das Glïick an, er hangt in alles veel af van het geluk, het is te doen amp;: es knmmf mir viel darauf an, er is mij veel aan gelegen, ik stel er veel prijs op; es kommt mir nicht darauf an, dat kan mij niet scheien, dat is mij onverschillig; 3. bedr. ww. overvallen, overrompelen.

Ankömmlich, bijv. nw. genaakbaar.

Ankömmling. m. aankomeling, nieuweling m.

Anköpfcn bedr. ww. den kop aanmaken, den kop bevestigen.

Ankoppeln, bedr. ww. koppelen,aankoppelen, te zamen vastbinden.

Ankörnen, bedr. ww. f'Öijel -, met korrels lokken, aanlokken; (fig.)je/».-, aanlokken.

Aukrailen, bedr. ww. met de klauwen grijpen; 2. wed. ww. sich zich met de klauwen vasthechten.

Ankrutzen, bedr. en o. ww. krabben op, aankrabben.

Ankreiden, bedr. ww. aankrijten, met krijt aanteekenen.

Ankreischen, bedr. ww., Z. anschrcien.


-ocr page 66-

ANL

A XL

54.

Ankriechen, o. ww. - of (inffekrochcn kommen, aankruipen, kruipende naderen.

Ankritzein, l)e(lr. ww., /.. nnkratzeii.

Ankünden, bpdr. ww. Z. ankilmliqen.

Ankündieen, bedr. ww. aankondigen, aanzeggen; den Krieq -, -verklaren.

Anknndigend, iiijv. nw. aankondigend, verklarend.

Ankündigung, v. aankondiging, verklaring v.; -sschreiben o. liriet m. van aankondiging; dagvaarding v.

Ankünrtiger, (-s, mv. .Inkiindiger) m aankondiger, aanzegger m.

Ankunft, v.. z. m. aankomst, komst v.; -sort m. plaats v. van aankomst.

Auküusteln, bedr. ww. kunstmatig verbinden; (tig.) veinzen.

Ankuppeln, bedr. ww. koppelen, aankoppelen.

Anicütten, bedr. ww ., /. ankilten.

AniacheJn, bedr. w w.jem. toelaclion, aaniaehen, iacbend of glimiacbeiul aanzien.

Anlachen, bedr. ww.jem.-,iaehendaanzien, toelacben, aanlacben; '2. o. zellst.lacbm.

Anlage, (-n) v. aanhangsel, bijvoegsel o., bijlage v., aanwas m., Z. ylii/luss,- kolfwang v.; inleg m., kapitaal o.; ontwerp, plan o., schels v.; (tig.) aanleg m., vatbaarheid v., talent., genie o.; vestiging, oprichting v.

Anlallen, bedr. w w.staineleml aanspreken.

Anlandbar, hüv. en h. genaakbaar, waar men landen kan.

Anlande, (-«) v. landingsplaats v.. haven v.

Anlauden, -landen, o. ww. aanlanden, landen, aan wal stappen; 2. bedr. w w. naar het land of naar de kust sturen.

Anlangen, o. ww. aankomen; i. bedr. ww. belrenen; was Urn wat hem aan

gaat of betreft.

Aniangen, bedr. ww. verlengen, een stuk zetten aan.

Anlangung, v. verlenging, verlengen o.; -sstiick o. verlengstuk o.

Anlaschen,bedr. ww. Büumc -,deschors afsnijden of insnijden, merken; Schuhelappen.

Ani.ass, {-lasses, mv. -lasse) m. (van het water), inlating v.; voorkomen o., schijn m.; gelegenheid, reden, beweegreden, aanleiding v.; einen - vom /.aun brechen, zonder reden aanleiding nemen.

Aniassen, bedr. ww. onr. aanlaten, niet uittrekken; die Hunde -, loslaten; einen Teich -, water laten loopen in; die Metalle -, ontlaten, laten uitgloeien, frisschen; jem, Xibcl hart, rauh -, slecht ontvangen, hardaanspre-ken; i. wed. ww. die Suche liisst sich out, schlecht an, de zaak gaat goed, slecht; dieser Knabe Idsst sich ijul an, belooft voel; es liisst sich an, alsob es regnen tvolile, het ziet naar regen, het schijnt, dat bet zal gaan regenen; der Ganfi tdssl sich (jut an, belooft veel.

Anlatschen, o. ww. of angetalscht kommen, aansukkelen, sukkelend naderen.

Anlauf, m. aanloop m., loopje o., vaart v., loop m.; firoszen - ron Belllern hahen, veel aanloop, last m. hebben van; er hat immer groszen -, er zijn altijd veel menschen bij hem, hij heeft altijd grooten aanloop, toeloop, toevloed m.; (van eene zuil), opiooping v.; ,van een gewelf); begin o.; (van een kanon),mondstuk o.

Aniaufen, bedr. ww. om. jem. umetw.-, lastig vallen, overloopen, kwellen; -2. o. ww. beginnen te loopen, een loep, een loopje, eene vaart of een aanloop nemen; mit dein Kopf an die IVand -, loopen tegen, stooten tegen; (tig.) \lbel, schlecht -, kwalijk of slecht te land komen, een langen neus halen; jem. - lassen, lem. in een strik laten loopen; (van spiegels),beslaan,beschimmelen;vloeien; roesten; (van beken), wassen, zwellen; (van de voeten), opzwellen, zwellen; (van schulden), vermeerderen, oploopen.

Anlaufern, bedr. ww., Z. ansillen.

Aniaut, m. eerste letter v.

Aniauten, o. ww. beginnen.

Aniauten, bedr. ww. met luien hekend maken; 2. o. ww. bei jem». -, aanschellen.

Anlegen, bedr. w w. leggen tegen, bij, aan. stellen, plaatsen tegen; ein AT)»/-, aan de horst leggen; llolz -, aanleggen, op het vuur leggen; Feuer-, aanleggen,aann:aken;eiB Kleid aantrekken, aandoen; Trauer -, rouwr aannemen; Fesseln -, iem. ketens, boeien aanleggen; einem Kinde einen Xaum -, in toom houden, korthouden; einen llund vastleggen; das Gewehr -,aanleggen;./Hes anfielent, alles is er op aange.egd of ingericht; ein Plan -, overeenkomen, beratnen; Hand de hand aan liet werk slaan; an sirh seIhst die Hand -, zich van kant maken, een zelfmoord begaan; Geld -, plaatsen,inleggcn,uitzetten; die Wand hel want aanleggen, aanslaan; ein Pass -, van hoepelsvoorzien; Schalen -, oprichten, vestigen, beginnen, openen; eine Stadt -, stichten; einen Hom an -, ontwerpen; ein Schijf op stapel zei ten; jem. mil. Steuern -, iem. belastingen opleggen, aanslaan; er isl hoch angelegt, hij is hoog aangeslagen; i. o. ww., Z. anlande.n; esmitjemn.-, met iem. twist zoeken; 3. wed. ww. sich -, leunen tegen; sich setbst -, zich zeiven schatten, zijne eigene bijdrage bepalen; i. onp.w w . es lefit sich bei ihm an, hij wordt dik.

Anleger, -legerin, In eggerm.,lnlegster v., aanlegger, oprichter, stichter m., stichtster, oprichtster v.

Anlege-schloss, o. hangslot o.; -span m. koolhontje o.; -steij in. forraaatwil o., rondhout o.

Anlehen, o. leen o.,leening,geldopneming v.; leenen, geleende o.

Anlehne, v., Z. Lehne

Anlehnenj bedr. ww. zetfen, plaatsen legen, doen leunen tegen; die Thüre -, aanzetten; *2. wed. ww. sich -, leunen tegen.

Anlehnwand, v. rugmuur, steunmuur, achtergevel ra.


É

-ocr page 67-

ANM

ANM

55

Anlehren, bedr. ww. leeren,onderwijzen, onderrichten; cinen Knahen in de leer nemen.

Anleihe, v. leening, ontleening v.

Anieihen, bedr. ww. leenen van, ontlee-nen, opnemen.

Anieiher, -leiheriu, leener m., leenster v., opnemer m.

Anieimen, bedr. ww. lijmen, aan elk. lijmen.

Anleite, {-leiten), v. gerechtelijk onderzoek o.

Anleiten, bedr. ww. leiden, voeren naar; dig.) jcm. -, geleiden, onderwijzen, onderrichten.

Anleiter, m. aanleider m., onderwijzer, gids m., oorzaak v,

Anieitung, v. (fig.) aanleiding, oorzaak; onderrichting v., onderwijs o.; methode, wijze v., gids m., handleiding v.

Anieniien, bedr. ww. richten, laten gaan, sturen naar.

Anierneo, bedr. ww., Z. erlernen.

Anieuciiten, bedr. ww. in hel aangezicht lichten.

Auiiebeln, bedr. ww. verliefd aanzien, lielkoozen; *2. wed. ww. sich elk. verlield aanzien olquot; aankijken.

Anliegen, o. ww. onr., m. //. au der Wand -, liggen tegen, raken aan; (van klee-ren), passen, om het lichaam sluiten; 2. (tig.) m. .9. ter harte ^aaii; jemn. -, verzoeken, hidden, smeeken om; yord noordwaarts stevenen.

Aniiegen, o. aanliggen o., ligging tegen, grens v.; 2. {-lierjens, mv. -lieden) o. (lig.) moeite, zorg v., kommer m., verdriet o.; -heit v. aangelegenheid v.

Aniispeln, bedr. ww. lispelend aanspreken, aanlispelen.

Anioben, bedr. ww., /. anpreiseii; /.an-(jeloben.

Aniocken, bedr. ww. aanlokken, lokken; (lig.) verleiden, verlokken, omkoopen, uitnoo-digen, uitlokken.

Aniocker, -lockerin, behaagzieke of kokette man m. en vrouw v.

Anlocicung, v., -smittel, o. aanloksel o., aantrekkelijkheid v.; aas c.

Anlodern, bedr. ww. doen ontvlammen; (tig.) die Ehre -, doen ontvlammen, opwekken; 2. o. ww. ontvlammen, vuur vatten, aangaan.

Anlöthen, bedr. ww. aansoldeeren, sol-deeren.

Aniudern, bedr. ww. aanlokken, met aas aanlokken.

Aniugen, bedr. ww., Z. ansehen.

Anlügen, bedr. ww. onr. leugens wijs maken; beliegen; jemn. etw. -, ten laste leggen, toedichten.

Aniüstem, bedr. ww. gretig, met begee-rige oogen aanzien, den lust opwekken.

Anmachien, bedr. ww. aanmaken, aanbinden; Feuer -, aanmaken; Farben aanmaken, aanmengen; Speisen -, toebereiden, kruiden, aanmaken; den Wein-, aanmengen, vervalschen; .jemn. etw. -, Z. weismachen; 2. wed. ww. sich -, Z.sich zudrmien,einschmei-chein.

Anraachtigen (sich), wed. ww., 7.. sich hemdchlUjen.

Amnfihnen, bedr. ww., Z. ermahnen; aanmanen, uitnoodigen, verzoeken; manen, betaling vragen.

Anmahmmg, v. aanmaning, waarschuwing, opéisching v., manen o.; -sschreiben o., Z. Mahnschreiben.

Anmaien, bedr. ww. schilderen oj) of legen, beschilderen, verven;einer Fiqur Heine-, aanschilderen.

Anmarsch, m. nadering v., aantocht m.

Anmarschiren, o. ww. oprukken, aanrukken, opmarcheeren, voorttrekken naar.

Aumaschen, bedr. ww. Xe!:e -, aanrijgen, samenrijgen.

Anmaszen, bedr. w w. aanmatigen, ver-oorlooven; toeëigenen, aanspraak maken op; sich - etw. zu tliun, zich vermeten.

Anmaszend, bijv. nw. aanmatigend,verwaand, vermetel.

Anmasziich, bijv. en b. voorgewend; Z. ami eb lich; Z. anmaszend; -keil v.. Z. Anma-szung.

Anmasten, bedr. masten; '2. wed.

ww. sic!' -, dik worden, zich vetmesten.

Anmaszung, v. aanmatiging v., voorgewend recht o.; verwaandheid v.; -sfieist m. geestPm. van aanmatiging; -svoll bijv. en b. vol hoogmoed, aa nmat igi ng.

Anrr-auern, bedr. ww. bijmelselen; metselen tegen.

Anmaulen, bedr. w w. w rokken, pruilen, een leelijk gezicht zetten tegen.

Anraauen, anmiauen, Z. anmauzen.

Anmauzen, bedr. ww. mauwen tegen, aanmauwen.

Anraelden, bedr. w w . melden, aankondigen, doen weten, mededeelen, aanmelden, aandienen.

Anvnenge, (-n) v., Z. Gentmye.

Anmengen, bedr. aanmengen, onder elk. mengen; vermengen.

Anmerkebuch, o. aanleekenboek, register; memoriaal o.

Anmerken, bedr. ww. opteekenen, merken, opschrijven, aanteekenen, aanzien; sich etw. - lassen, laten blijken, laten merken; 2. o. ww. opmerken.

Anmerker, -merkerin, aanmerker m., aanmerkster v., uitlegger, verklaarder, commentator m.

Anmerklich, bijv. en b. aanmerkelijk, merkbaar; it. Z. ammerkungswerth.

Anmerkung, v. aanmerking, bemerking v.; aanteekening v., nota v.

Anmerkungs werth, -würdig, bijv. nw. merkw aardig,bemerkenswaardig, opmerkenswaardig.

Anmessen, bedr. w w. onr. aanmeten, de


-ocr page 68-

ANN

56

ANP

maat nemen; (fig.) doen overeenstemmen, in overeenstemming brengen.

Anmischen, bedr. w\v., Z. (inmengen; vermischcn.

Anmit, Z. hiermit.

Anmurren, bedr. ww. morren ofknorren tegen, beknorren, grommen legen.

Anmuth, v., z. m. aangenaamheid, bevalligheid, bekoorlijkheid v.; vriendelijkheid, lieftalligheid v.; schoonheid, liefelijkheid,aangenaamheid v.

Amnuthen, bedr. ww., Z. zumulhcn; behagen, bekoren.

Anmuthig:, bijv. en b. aangenaam, bekoorlijk, liefelijk, bevallig, streelend; -keit v., Z. Anmuth.

Anmutb-los, bijv. en b. onbevallig, zonder aangenaamheid, zonder bevalligheid, zonder bekoorlijkheid; -reich, -uoll bijv. en b.,Z. anmuthirj.

Anucideln, bedr. ww. aannaaien.

Annagelu, bedr. ww. aanspijkeren, aannagelen, vastspijkeren, vastnagelen.

Amiagen, bedr. ww. beginnen te knagen aan, knagen.

Anuahen, bedr. ww. naaien, aannaaien; einen Block een blok hechten, aanslaan.

Annahern, bedr. ww. naderbij brengen of plaatsen; 2. o. ww. en wed. ww. sich -, naderen.

Annahemd. bijv. nw. benaderend.

Annaberu g, v. nadering, aannadering v.; benadering v.; -w/raöe/iin. naderingsgracht v.; -skraft v. middelpuntzoekende kracht v.

Annahme, v., z. m. aanneming v., toelating v., goedkeuring v., acceptatie v.

Annalen, v. mv. jaarboeken, annalen o. mv.

Annalist, {-en, mv. -en), Annalen-schreiber, m. schrijver m. van jaarboeken.

Annassen^ bedr. ww. bevochtigen, vochtig maken.

Annaten, mv. annaat, jaargeld, recht o. voor de uitgevaardigde benoemingsbullen.

Annebst, Z. nebst.

Annectiren, bedr. ww. aanhechten, bijvoegen, annexeeren.

Annehmbar, bijv. nw., -keit, v., Z. (in-nehmlich amp;.

Annebraen, bedr. ww. onr. aannemen, aanvaarden; Besuche -, ontvangen; einen Aaftrad zich belasten met, accepteeren, hono-reeren; (van zaken), zich verec-nigen, zich vermengen; einen Bedienten -, aannemen, in dienst nemen, huren; einen Knaben -, aannemen, zorgen voor, zich belasten met; zudna-den -, in genade of gunst aannemen; einen Wechsel -, aannemen, accepteeren; toestemmen in, goedkeuren, inwilligen, laten ge'den; einen Befehl -, volgen, zich onderwerpen aan; etw. fur bekannt -, als bekend onderstellen, v( or bekend houden; eine RelUjion -, aannemen, omhelzen, toegedaan worden; die Fdhrte -, (van den hond), ontdekken; den Hund -, (van het wilde zwijn), zich verdedigen, zich verweren; i. wed. ww. sich einer Sache -, behartigen, zich bemoeien met, zich belasten mei, zorg dragen voor; sich jems. Sache -, aantrekken.

Annebmer, -nehmerin, aannemer, ontvanger m., acceptant m.

Annebmiich, bijv. en b.aannemelijk,aanneembaar, redelijk; Z. anfienehm.

Annebmlichkeit, v. aannemelijkheid v., voordeel o.; aangenaamheid, bevalligheid v., het streelende o.

Anneigen, bedr. ww. etw. an die IVand-, buigen naar; 2. wed. ww. sich -, genegen worden, geneigd worden.

Annestein, bedr. ww. nestelen, met een nestel bevestigen, aannestelen.

Annetzen. bedr. ww., Z. netzen,benetzen.

Anniclten, bed1-, ww. toeknikken.

Anniete-a, bedr. ww. an etw. met nieten bevestigen, aankiinken, aannieten.

Annisten, bedr. ww. zijn nest maken aan, houwen tegen.

Annocb, liijw., Z. noch.

Annuitat,(-lt;?/?) v. jaarlijksche allossing v., annuïteit v.

Annuliation, v. vernietiging, ophelTmg, omverwerping v.

Aunuiiiren, bedr. ww. vernietigen, opheffen, omverwerpen, ongeldig verklaren, an-nulleeren.

Annuilirung, v. ophefllng, vernietiging v.; -sclausel v. ophefTende bepaling v.

Anöhren, bedr. ww. een oor of ooren aanzetten.

Anölen, bedr. ww. oliën, 'net olie bestrijken.

Anomalie, (-/?) v. onregelmatigheid, uitzondering, anomalie v.

Anomaliscb, bijv. en b. onregelmatig,afwijkend. anomaal.

Anomalistisch, bijv. nw. anomalis-tisch.

AnonymCiHch), bijv. en Iï. onbekend, ongenoemd, anoniem.

Anonymus, m. onbekende, ongenoemde, anonymus m.

Anordnen, bedr. ww. bevelen, gebieden, regelen; samenslellen, inricliten, schikken; einen Tay -, vaststellen; eine Auflaue -, ondernemen; ein Gedicht -, vervaardigen, maken, op louw zetten.

Anor nor, m. inrichter, insteller, regelaar, opzichter, vervaardigd m.

Anordnung, v. bevel o., instelling v., schikking, samenstelling, vervaardiging v., regeling, inrichting.

Anorganisch, bijv. en b. onbewerktuigd, anorganisch.

Anpackon, bedr. ww. aanpakken, vatten, grijpen, aanvallen, aanranden, overvallen; toebijten.

Anpanpen, bedr. ww., Z. ankleben, an-k lei stern.

Anpassen, bedr. ww. pas maken, passen; overeenbrengen met, geschikt maken voor; Z. anproben; 2. o. ww. passen, goed sluiten.


-ocr page 69-

ANR

ANP

57

Anpassend, passlicb, bijv. nw. juist, passend, pas.

Anpatschen, o. ww. - of anqepatscht kommen, aanklolsen, spattend naderen.

Anpechen, Z. anpichen.

Anpeitschen, bedr. ww., Z. anhauen.

Anpfahi, m. hoogste stut, schoor m.eener galerij.

Anpfahien, bedr. ww. fVeinstiicke aan palen hinden, opbinden; je»?.-, spietsen; (/ie Er de -, door palen tegenhouden.

Anpfeifen, bedr. ww. onr. jem. -, toefluiten.

Anpflanzen, !;quot;dr. ww. vastpinnen; die Leinwand met pinnen aanspannen.

Anpflanzer, mv. Anpflanzer) m.

planter, volkplanter, kolonist m.

Anpflöclten, bedr. ww. met pinnen bevestigen, aanpinnen.

Anpfliigen, bedr. ww. beginnen te ploegen; 2. o. ww. aanploegen; an efw. -, ploegen legen.

An^fropfen, bedr. ww. ein Rein aan-enten; den Maqen volproppen; 2. wed. ww. sich -, zich volstoppen.

Anpicben, bedr. ww. aanpekken, vast-pekken; met pek hechten; 2.o. ww. aankleven.

Anpicben, bedr. ww. aanpikken; oppikken; bikken.

Anpinsein, bedr. ww. beschilderen, verven, besmeren.

Anpissen, bedr. ww. bepissen, wateren tegen.

Anpiacken, bedr. ww. aanplakken; Bdu-me merken.

Aupiirren, bedr. ww. aanschreeuwen, aanhuilen, schreeuwen tegen.

Anplatzen, o. ww., Z. anlaschen.

Anp1u?npen, o. ww. aanplompen,aanplof-fen, zwaar of plottend nedervallen op.

Anpocben, o. ww. kloppen, aankloppen, kloppen tegen.

Anpoltern, o. ww. aanbonzen; - ofange-polferl kommen, met veel gebulder naderen.

Anposaunen, bedr. ww. uitbazuinen, met veel ophef bekend maken.

Anpcschen, bedr. ww., Z. ankörnen.

Anpiagen, bedr. ww indrukken, aan-stempelen

Anprallen, o. ww. aanbotsen, springen tegen; (van schepen), aanvaren.

Anpredigen, bedr. ww. eene preek houden voor, jemih cfm. -, aanpraten.

Anpreisen, bedr. ww. onr. aanbevelen, aanprijzen; roemen, ophef maken van.

Anprellen, bedr. ww. werpen tegen; 2. o. ww., Z. anprallen.

Anpressen, bedr. ww.aandrukken,drukken tegen.

Anproben, -probiren, bedr. ww. aanpassen.

Aapudern, bedr. ww., Z. pudern.

Aupumoern, b dr. ww., Z. anplumpen.

Aapunkten, bedr. ww. aanstippen, met puntjes aanteekonen; punteeren.

Anputz, m., z. m. tooi, opschik m., kleeding v.

Anputzen, bedr. ww. tooien-, 2. wed. ww. sich -, zich tooien, opsieren, zich netjes aan-kleeden.

Anqual-men, bedr. ww., Z. anrauchen.

Anquetscben, bedr. ww., Z. anpr es sen.

Aaquickeo, bedr. ww. verkwikken, met kwikzilver vermengen.

Anquickung. v. vermenging v. met kwik; -sfass o. vermengingsvato.; -shiitfe \.y-swerk o. werkplaats v. voor het verkwikken.

Anracken, bedr. ww. aanrakken, opzetten, bijzetten.

Anrainen, bedr. ww., Z. anqrenzen.

Anrammen, bedr. ww. aanheien, aan-rammen.

x\iiranken, bedr. ww. aanbinden, opbinden; 2. wed. ww. sich -, zich aanhechten door de ranken; opklimmen tegen.

Anraspeln, bedr. ww. raspen, beginnen te raspen van.

Anrassein, o. ww. - of angerasselt kommen, aanrammelen, met gerammel, met geratel naderen.

Anratb, m., Z. Anrathunq.

Aaratben, bedr. ww. onr. aanraden,aanbevelen.

Anraucbers, be '.r. ww. berooken, aanroo-ken; rook naar iem. tooblazen; eine Pfeife -, aansteken; doorrooken.

Anraucbern, bedr. ww. doen rieken, geurig maken, bewierooken; IVürste een weinig roeken.

Aarau^nen, bedr. w w. wegruimen,opruimen tegen, schikken tegen.

Anrauscben, o. ww. - of angerauscht kommen, aanruischen, geraas maken, met geraas of gedruis naderen.

Anrecben, budr. ww. aanharken, bijhar-ken, opzamelen, bijeenzamelen.

Anrecbnen, bedr. ww. aanrekenen,in rekening brengen, toerekenen; (fig.) toeschrijven, wijten, te last leggen; aanschrijven; ophef maken van.

Anrede, v. aanspraak v.; toespraak, redevoering v.; -fall m. vocativus m.,N ijfde naamval m.

Anreden, bedr. ww. Jcm. -, aanspreken, toespreken, eene toespraak houden, eene redevoering houden; aanpreeken, aanpraten.

Anrege, (-/?) v., Z. Anregung.

Anregen, bedr. ww. doen ontstaan, opwekken, bewegen, aanzetten, overhalen; eine Sache even aanroeren, melding maken van; eine F rage -, uitlokken; anger eg ter Maszen, op bovengenoemde wijze.

Anreger, (-5, mv. Anreger) m. opstoker, opwekker m.

Anregnen, onp. ww. aa n regenen; t'S r eg net an die Fenster an, het regent legen deglazen.

Anregung, v. opwekking, melding v.; voordracht v., voorstel o. ter beraadslaging, motie v.; etw. in - bring en, aanhalen, opwekken.


-ocr page 70-

ANR

Anreiben, bcdr. ww. aanwrijven; bijwrij-ven; '2. o. ww. beginnen Ie wrijven.

Anreichern, bedr. ww. Erze veredelen.

Anreicher-arbeit, v. veredelen o.; -ofcn m. hoogoven m.; -schlacken v. mv. melaal-slakken v. mv., schuim o. van liet veredelde melaal; -sfein m. ruwsteen m.

Anreichlech, (-(e).9, mv. -e) o. veredeld erts o.

Anreiben, bedr. ww. aanrijgen; rijden aan; *2. wed. ww. sich volgen, zich voegen bij; volgen uit

Anreibnadel, v. rijgnaald v.

Anreiszen, bedr. ww. onr. inscheuren, beginnen Ie scheuren; eincn Acker -, voorde eerste maal omploegen; Buume met het ritsijzer merken; Palrone -, afritsen; die Za-pfen merken; 2. wed. ww. sich zich een weinig bedrinken.

Anreiszer, (-.v, mv. Anreiszer) m. rits-ijzer o.

Anreiten, bedr. ww. onr. aanrijden, beginnen te berijden; jem. -, aanrijden op, te paard aanvallen; •!. o. ww. of aimeriilen kommen, rijdende naderen; bei jemn. -, afstappen bij; rijden tegen.

Anreiz, m. prikkel m.; neiging zur Sünde, verzoeking v.; bekoorlijkheid v.

Anreizen, bedr. ww. aanzetten, opwekken, aansporen, verlokken.

Anreizeni, bijv. nw. prikkelend, opwekkend, bekoorlijk, aanlokkelijk.

Anreizung:, v. opwekking, aansporing, verleiding v.; Z. Reiz; -smittel o., Z. Reiz-m ill el.

Anrennen, bedr. ww. aanrennen, aanloo-pen tegen, aanvallen; (lig.) lastig vallen; *2. o. ww. of amjerannt kommen, toesnellen, aanhollen; an elw. -, loopen legen; Mig.) het hoofd stooten.

Anricbt(e)-banlt, V.,Z. -liscfl; -kunst V. de kunst v. om een maal te bereiden, aan te rechten en op te dienen; -loffel m., -schüssel v. lepel, schotel m. om de spijzen te bereiden of op te doen; -tisch m. aanrechttatel, aanrecht bank v.

Anrichten, bedr. ww. toebereiden, aanrechten, gereed maken, opdoen; für jem. -, opdoen, klaar zetten (het eten); veroorzaken; aanleiding geven lot, aanrichten; liolz -, Z. zuhauen; F ar ben -, gereed maken; jem. onderwijzen, onderrichten.

Anricbter, m. aanrechter m.; beproever, toetser, keurder, essaveur m.; Z. Jnricht-lö/fel.

Anriechen, bedr. ww. beruiken; door den reuk waarnemen; den reuk aandoen, rieken.

Anriemen, bedr. ww. met riemen vastmaken.

Anringeln, bedr. ww. met ringetjes bevestigen; '2. o. ww. kronkelend naderen.

Anringen, bedr. ww. onr., Z. anrmjebi; 2. o. ww., Z. ankdmpfen.

Anrinnen, o. ww., Z. anflieszcn.

Anritt, (-(e).v) m., z. m. aanrit m., nadering v. te paard; aanval m.; voor de eerste maal te paard rijden o.

Anritzen, bedr. ww. aanritsen, ritsen; met het ritsijzer merken.

Anrolien. bedr. ww. aanrollen, rollen tegen; (van honden), aanblallen; i. o. ww. -of anqerollt kommen, aanrollen, rollend naderen.

Anrosten, o. ww. aanroesten; vastroesten; beginnen Ie roesten.

Anröthein, bedr. ww. met rood krijt merken, teekenen.

Anrötben, bedr. ww. rood kleuren; met rood krijt of rooden inkt aanschrappen; un-(jerothel, rosachtig; an'jerölhel aussehen, verhit uitzien; 2. wed. ww., Z. errölhen.

Anrotten, bedr. ww. lAiml klaar maken, bewerken.

Anrüchig;, bijv. nw. in een kwaden reuk staande, berucht; -keil v. kwade naam m., beruchtheid n.

Anrüchtïg, bijv. nw., Z. anriichifi.

Anrücken, bedr. ww. nader bij-schuiven, trekken; i. o. ww. naderen, aanrukken, voortrukken, bijschuiven, opschuiven.

Anrudem, o. ww. aan roeien, roeien naar; roeien tegen.

Anrnf, m. aanroeping v., toeroepen o.; wachtwoord o.

Anrufen. bedr. ww. onr. aanroepen, toeroepen; jems. Iliilfe -, iems. hulp inroepen, afsmeeken; ein höheres Gerichf -, appellee-ren; 2. o. ww. bei jemn. /.. vorsprechen.

Anrufer, {-s, mv. Anrufcr) m. die aanroept of inroept; appellant m.

Anrufuug, v. aanroeping, inroeping v.; appel, beroep o.; -sqerichl o., Z. Appellalions-(jerichl; -sschrifl v. verzoek o. om appel.

Anrühïneri, bedr. ww., Z. anpreisen.

Anrühren, bedr. ww., Z. henihren; Kier -, al roerende onder de spijs mengen; Salul aanmaken; er haf mir den Jfrei angeriihrl, hij heeft mij die kool gestoofd.

Anrülpsen, bedr. ww., Z. rülpsen.

Anrampeln, bedr. ww. met gestommel loopen tegen; Z. anschnauzen.

Anrupfen, o. ww. beginnen te plukken; beginnen te vreten.

Anruszen, bedr. ww. met roet bedekken.

Ans, (voor an das), aan het, aan de, aan den; ans Licht brinfien, aan den dag brengen, Z. an.

Ansa?.t, v., z. m., bezaaiing v.

Ansacken, o. ww. de zakken vullen; 2. wed. ww. sicfi -, zich vol eten.

Ansaen, bedr. ww. bezaaien, beginnen te zaaien op.

Ansage, v. kennisgeving, aankondiging v.; voorstel o., onderwerp o., dat aan eene beraadslaging onderworpen wordt.

Ansagen, bedr. ww. aankondigen, aanzeggen; melden, roemen; e'en Krieg -, verklaren; te kennen geven, Z. anzeigen.

Ansagen, bedr. ww.beginnen te zagen van.


-ocr page 71-

ANS

ANS

59

Ansage-posten, m., Z. Meldunyshaus, -zette! m. convocatiebriefje o.

Ansager, mv. JnscKjer) m. hij, die aanzegt, bekend maakt, uifnoodigt, aanzegger in.

Ansalben, hedr. gt;vw., Z. unschmieren, belrWjcn.

Ansaizen, bedr. ww. een weinig zouten.

Ansammeln, bedr. \v\v. bijeenzamelen, opeenlioopen; *2. w ed. w w. sich -, zich verzamelen; vermeerderen, aangroeien. ,

Ansassig. bijv. on b. gehuisvest, woonachtig, gedomicilieerd.

AnsassigUeit, v. hoedanigheid v., staat m. van iem., die op cene plaats gevestigd is.

Ansatz, m. het aangezette, bijvoegsel o.; aanwas m.; verlengstuk o.; kulasband m.; scheg v.; (van eene tafel), verlengstuk, aangehecht stuk, uitschuifblad o ; aanzetsel, aan-brandsel o.: (fig.) ein - zur Schwarmerei, aanleg m.; de?' - einer Rechnung, het opzetten van eene som; de aanslag m.; Z. .In-lauf; Z. JnijriU'; -gröszc v. ditïerentiaal-grootheid v.; -prcis m. aanslag m, schatting, taxatie v.; -rechnung v. d i tie rent i aal-rekening v.

Ansauern, bedr. ww., Z. einsamrn.

Ansaufen, bedr. ww. sich einen Rausch -, zich dronken drinken; i. wed. ww. sich -, zich bezuipen, zich dronken drinken.

Ansaufen, bedr. ww. reg. en o. ww. onr. Pumpe aan den gang maken, aanmaken; 2. o. ww. beginnen te luigen; U. wed. ww. sich -, (van bloedzuigers), vatten, zich hechten; it. zich dikzuigen.

Ansauseln, bedr. ww. aanwaaien; 2. een weinig dronken maken.

Ansausen, bedr. ww. aanwaaien.

Anscbaben. bedr. ww. aanschaven, beginnen te schaven aan.

Anschachteln, bedr. ww. een weinig met schuurbiezen wrijven.

Anschaffen, bedr. ww. aanschaffen, verschaffen, voorzien van, aankoopen;slt;c// ctw. -, zich aanschaffen, koopen, opdoen; Bedientc -, in diëtist nemen.

AnschKffer, (-.v, mv. Jnscliaffer) m.aan-schafler, verschaffer m.

Anschaften, bedr. ww. van eene schacht of schaft voorzien, aanschaften; Stief el n voorschoenen.

Anschalen, bedr. wrvv. beginnen te schillen, aanschillen.

Anschalmen, bedr. ww., Z. aniuschen.

Anschanzen, bedr. ww. aan het werk zetten.

Anscharen (sich), o. ww. zich vereenigen, in elk. loopen.

Anscharfen, bedr. ww., Z. anspitzen.

Anscharren, bedr. ww. aankrabben, naar toe krabben; (fig.) bijeenschrapen.

Anscbaudem, bedr. ww. doen huiveren.

Anscbauen, bedr. ww. aanzien, aanschouwen, bezien; 2. o. ww. voorkomen.

Anscbaueud, Z. anschanlich, beschauend.

Anschauer, (-.v, mv. Anschauer) m. aanschouwer, toeschouwer m.

Anscbauern, bedr. ww., Z. anschai1.-dcrn.

Anscbaufein, bedr. ww. aanschoffelen, bijeenschoffelen.

Anscbaulich, bijv. en b. aanschouwelijk; duidelijk, helder.

Anscbauiicbkeit,v.aa nschouwelijkheid, duidelijkheid v.

Anscbauvns, v. aanschouwing v., zien, gezicht, aanschouwen o.; blik m., beschouwing, gewaarwording v., bewustzijn o.; -she-qri/j' m., -serkennlniss v. begrip o., kennis v., door aanschouwing verkregen; -svermögen o. aanschouwingsvermogen o.; -sweise v. wijze v. van zien; -swerlh, -swürdiy bijv. en b. bezienswaardig.

Anscbein, m., z. m. schijn m.; nach dem - urthcilen, naar den schijn oordeelen.

Anscbeinen, bedr. ww. onr. beschijnen, schijnen op; 2. o. ww. verschijnen, schijnen, het voorkomen hebben van.

Anscbeinend, bijv. en b. schijnbaar, in schijn.

Anscbellen, o. ww. aanschellen.

Anscbenken, bedr. ww. opentrekken en inschenken.

Anscbere, (-«) v. schering v., weversketting m.

Anscberen, o. ww. scheren, de draden voor het weefsel in orde leggen; ein Tau -, spinnen; beginnen te scheren.

Anscberpfabi, m. touwslagersrek o.

Anscbicbteii, bedr. ww. slichten.

Anscbicken (sicb^, wed. ww. zich gereed maken-, doen vermoeden-, zich schikken, zich voegen; 2. bedr. ww., Z. veranstalten.

Anscbieben, bedr. ww. onr. aanschuiven, schuiven naar; 2. o. ww. den eersten bal hebben, beginnen te werpen.

Anscbieber, m. verlengstuk, aanzetstuk, verlengsel o.

Anscbiebsel, o. toevoegsel, bijvoegsel, appendix, supplement o.

Anscbielen, bedr. ww. scheel aanzien, zijdelings aanzien; jemn. etw. -, iem. met iets betichten.

Anscbienen, bedr. ww., Z. beschienen.

Anscbieszen, bedr. ww. ein JVild -, met een geweerschot treffen; (fig.) anqeschos-scn sein, verliefd zijn; it. een weinig dronken zijn; ein F est met schieten aankondigen; eine F lint e -, beproeven; einen Aermet -, aanschieten, aannaaien; II. o. ww., m. h. het eerst schieten, beginnen te schieten; an etw. -, schieten tegen; 2. m. s. uf angeschossen kommen, aansnellen, aanschieten; 2« Krystaltev -, kristal liseeren.

Anscbiesz-fass, o. bekken o. voor de kristallisatie; -pinset m. goudpenseel o., goudkwast m. voor vergulders.

Anscbiffen, bedr. ww. te water, met schepen aanvoeren; 2. o. ww. ans Land naderen, landen; varen tegen, aanvaren.


-ocr page 72-

60 ANS — A NS

Anachilden, bedr. ww. met een schild enten.

Anschimmein, o. ww. beginnen te (he)-schimmelen.

Anschimmern, bedr. ww. licht verspreiden op.

Anschirren, bedr. ww. optuigen, hel tuig aanleggen.

Ansciiia^, m. aanslaan o., aanslag in.; (van een dijk), dat gedeelte o. waar het water legen slaat; einen leichten - haben, gemakkelijk toetsen; manier v. van aanslaan; kolf v. van het geweer; (lig.) im -e sein, jetnn. einen Possen zu spielen, op hel punt zijn; (van eene klok), slag, eerste slag m.; (van honden), geblaf o.; (van golven), geklots o.; aanplakbiljet o., affiche, plakkaat o.; im - sein, (ten verkoop) aangeplakt zijn; (van een gebouw), bestek, ontwerp o.; schatting, waardeering v., taxatie v., tarief o.; in - brimjen, rekenen, in rekening brengen; plan, voornemen, ontwerp o.; fjeheimcr -, aanslag m., kom plot o., samenzwering v.

Anscblage-brett, o. schoolbord, zwart bord o.; -eisen o. aanslag- of kruisbeitel m.; -holz o. babbelaar, klikspaan m.

Aaschiagen, bedr. ww. onr. aanslaan, slaan tegen; in de keep, op de pees van een boog leggen; das Gewehr -, aanleggen; die Tonne vullen, iaden; Bdume -, met een hamerslag merken; f»g.) die Hand an etw. -, de hand aan iets, aan het werk slaan; ein Schloss -, aanspijkeren, aannagelen; eme f'er-ordnung -, aanplakken; (jerichtlich zum f'er-kaafe aanslaan; einen Strumpf -, beginnen, opzetten; ein Seil splitsen; ein Kleid -, rijgen; das Tuch op het raam spannen; die Seoel aanslaan; Feuer slaan; einen Ton

aanslaan, beginnen te spelen; Mobel -, prijzen, waardeeren, schatten, taxeeren; 2.o. ww. an etw. slaan tegen, stoolen tegen; den bal aanraken, uitslaan, het eerst slaan; (van vogels), beginnen te Huilen, te slaan; (van honden), beginnen Ie blaffen; (van een geneesmiddel), werken, helpen; angeschlayenes übst, gekneusd, geblutst.

Anschlager, m. vuiler m.; (van een klavier), wippertje o.; lichter m. der hamertjes in een uurwerk.

Anschlag-fadea. m. hechtdraad m.; -fdu-stel m. breekhamer m.

Anschlagig, bijv. nw. ondernemend; geschikt, handig.

Anschlag-llneal^ o. teekenhaak, schrijf-haak m.; -nadel v. sponningspeld v. of tengel tje o.; -rad o. slagrad o.

Anschias-ïvinkei, m. gedekte winkelhaak m.; -zetiel m. aankondigingsbiljet o., alliche o.

Anschiammen, bedr. ww. aanslibben; •2. wed. ww. sich door aanslibbing gevormd worden.

Anscblarfen, o. ww., Z. anschlurren.

Anscbleichen, o. ww. onr. of anfieschlichen kommen, langzaam naderen, aansluipen.

Anschlcifen, bedr. ww. onr. beginnen te slijpen, aanslijpen; 2. bedr. ww. reg. aanslee-pen; aanknoopen.

Anschlemmen, bedr. ww., Z. anschiammen.

Anschiendern, o. ww. of angeschlendert kommen, aanslenteren.

Anschieaïiern, bedr. ww., Z. anschleu-dern.

Anscti'eppen, bedr. ww. aansleepen.

Anschleudern, bedr. ww. slingeren naar, tegen.

Anscbiicbten, bedr. ww. schikken, stellen, plaatsen tegen; opstapelen; slichten; met lijm bestrijken.

Anschiiclien, bedr. ww., Z.an chldmmen.

Anscblieszen, bedr. ww. onr. aansluiten, aanhechten; an Keilen -, ketenen; vereenigen, zich voegen bij; 2. o. ww. aansluiten; 3. wed. ww. zich aansluiten bij, zich vereenigen met.

AnscHlingen, bedr. ww. onr. aanstrikken, vaststrikken; 2. wed. ww. zich aansluiten bij.

Anscblitzen, bedr. ww. beginnen te kloo-ven, te splijten; inscheuren.

Anscbios^ea, o. ww. onp. hagelen tegen, aanhagelen.

Anschlurfen, o. ww., 7.. anschlurren.

Ansc'alurren, o. ww. op sloffen en sleepvoetende naderen.

Anschluss, m. het sluiL'n o., sluiting v.; aansluiting v., bijvoegsel o.; ingesloten brief m.; -balm v. zijtak m.

Anscbmacatea, bedr. ww. met een smachtend oog aanzien.

Anschmavichsn, bedr. ww., Z. anrau-chen; 2. o. ww. vastzitten.

Anscbjneclten, bedr. ww. proeven aan, door den smaak herkennen; 2. o. ww. (van honden), de lucht hebben van.

Anschmcicheln (sich), bedr. ww. vleiend aanspreken; 2. wed. ww. sich -, zich door vleierijen zoeken in le dringen.

Anschmeiszon, bedr. ww. onr., Z. unieer f en ; beschmeiszen.

Anschmeizen, bedr. ww. reg. aansmel-ten; 2. o. ww. onr. beginnen te smelten; It. zich onder het smelten verbinden met.

Anschmettem, bedr. ww.smijten,smakken tegen.

Anschmieden, bedr. ww. aansmeden, vastsmeden; Jem. -, ketenen, boeien; (tig.) ancjeschmiedet, verslaafd.

Anschmiegen, bedr. ww. aanpassen; 2. wed. ww. zich vlijen tegen; (tig.) sich jemn. of anjem. -, zich schikker, zich voegen naar.

Anschmiegsam, bljv. en 1). buigzaam, volgzaam.

Anschtaieren, bedr. ww. aansmeren; ein Zimmer -, aanstrijken, jekladden; aansmeren, teduur verkoopen;bedriegen; 2. wed. ww. sich -, zich bemind maken, zich indringen.

Anscbminken, bedr. ww., Z. schminken; (fig.) Z. anheucheln.


-ocr page 73-

ANS — ANS M

Anrichmollen, bcdi. ww. jem. pruilen legen, pruilend aanzien.

Anschmückeu, bedr. vv,.,Z.sc}imücken.

Anscbmutzen, bedr. ww., Z. heschmu-Izen.

Anschnallen, bedr ww.aangespen, vast-gespen; (lig.) angeschmllt sein, innig verbonden zyn aan.

Anschnarche»!, bedr. ww. snorken tegen, aansnorken; (fig.) jem. -, Z. anfahren.

Auschnarren, bedr. ww., Z. anschnar-chen (fig.).

Anschnauben, o. ww. - of anyeschnaubï kommen, aansnuiven, hijgende naderen; 2. bedr. ww., Z. anfahren (fig.).

An^chnp.uzen, bedr. ww., Z. anfahren (tig-).

Aasclineidemesser, o. voorsnijmes o.

Anschneile i, bedr. w w . onr. aansnijden, beginnen tc snijden van; snijden in, sng-den op.

Anschneien, onp. ww. sneeuwen tegen.

Anschnellen, bedr. ww. aanw erpen, knippen tegen; i. o. ww., Z. anprellen.

Anscbniegeln (sicb), wed. ww. zich opschikken, zich opdirken.

Anacbnitt^ in. eerste snede v.; aansnijden, opensnyden o.; (op den kerfstok), kerf v.; (fig.) toerekenen o.; afrekening v.; -boyen m. staal m. van het dagwerk der mijnwerkers; -ouch o. boek o., waarin de arbeid der mijnwerkers wordt aangeteekend.

Anscbnitzeln, bedr. ww. snijden aan, insnijdingen maken op.

Ansobnüffeln, bedr. ww., Z. beschnüf-feln.

Auscbnüren, bedr. w w.aansnoeren,vastsnoeren. Z. anreihen.

Anscbiiurrsn, bedr. w w. jem. -, Z anfahren.

Anschobern, bedr. ww. ophoopen tegen, aanviyen.

Anscböaen (sicb), wed. w w., Z. an-

schnieqeln.

Auscboppen, bedr. ww. aanstampende vullen.

Anscbove, (-«) v., Z. Sardelle.

Aaschrauben, bedr ww. aanschroeven, mot schroeven bevestigen aan; (fig.) het mes op de keel zetten, dwingen.

Anscbrecken, bedr. w w. schrik aanjagen, opjagen.

Anscbreiben, bedr. ww. onr. eine Feder -, beginnen te schryven met; aanschrijven, opschrijven, aanleekenen, nolceren; (fig.) bei jemn. wohl amjesckrieben sein, bij iem. in een goed blaadje, in iems. gunst staan.

Aascbreiber, (-.s, mv. Anschreiber) m. aanteekenaar, aanschryver, markeur m.

Anscbreibetafelj v. aanteekenboekje, leilje o.

Aascbreien, bedr. ww. onr. aanroepen; schreeuwende spreken tot; (van den nacht-Avacht), roepen; ein Schiff -, praaien.

Ausc ireitea, o. w w . onr., m. s. of amje-schritten kommen, aanstappen, stappen naar; it. m. h. den eersten stap, de eerste schrede doen of zetten.

Anscbrote, (-«) v. zelfkant m.

Anscbrotea, bedr. ww. van zelfkant voorzien; ein Fass aanrollen.

Anscbub, {-(e)s, mv. ~c) m. eerste worp m.; (aan eene tafel), schuifblad o., aangeschoven blad o.

Anscbu'ien, bedr. ww. Stiefeln voorschoenen; Pfahle -, aanschoenen; jem. -, iem. de schoenen aantrekken.

Anscbuldigea, bedr. w w. beschuldigen van, te last leggen.

An^cbuppen, bedr. ww., Z. anschieben, ans toszen.

Anscbüppen, bedr. ww., Z. anschaufeln.

Aascbür, {-en) v., Z. slnschere,

Anscbüren, bedr. w w. das Feuer -, aanstoken, oppoken; (fig.) die Liebe -, aanwakkeren.

Anscbürer, {-s, mv. Anschürer, pook m.; (fig.) aanstoker, opruier m.

Auschuss, m. eerste schot o.; proefschot o.; raken, verwonden o.; it. plaats v., waar hef w ild geraakt is; (van water), verval o.; zinking v., rheumatisme o.; - der Kryslalle, vorming,kristallisatie v.; Jnschiisse mv. kristallen o. mv.; -fass o.,Z -trog; -linien v. mv. uilgangsiynen v. mv.; -trog m. kristalliseer-bak m.

Anscbutt, {-{e)s] m., z. m. -scbütte,

v., z m. aanslibbing, aansiyking, aanspoeling v.

Anschütten, bedr. ww. aanw erpen, aan-strooien, strooien tegen; vullen met; Z. tu-schüiten.

Anscbützen, bedr. ww. das Wasser-. aflaten, schutten.

Anscbwammen,bedr. w w .,Z. anschwem-men.

Anscbwaageru, bedr. ww. bevruchten, bezwangeren, vruchtbaar maken; doorwee-ken; verzadigen, satureeren.

Anscbwaaken, o. ww. of angeschwunkt kammen, wankelend naderen.

Anscbwanzela, o. w w . of angeschwiin-zelt kommen, kwispelstaartend naderen; ;fig.) vleien, flikflooien.

Aascbwarmen, o. ww., m. h. beginnen te zwermen, voor de eerste maal een zwerm vormen; it. m. s. of angeschwdrmt kommen, komen aanzwermen.

Anscbwarzen, bedr. ww. zwarten, zwart maken; (fig.) jem. belasteren.

Anscbwarzer, -^cbwarzerin, kwaadspreker, lasteraar m., kwaadspreekster, lasteraarster v.

Aascb-.v.i.tzea, bedr. w w . aanpraten, iem. door praten overhalen om te nemen of te koopen.

Anscbweben, o. ww. zwevend naderen.

Anichüvefein, bedr. w w., Z. schwefeln.

An^cbwtif, m. scheerdraden m. mv.

Anbcbweiten, bedr. ww. scheren, de


-ocr page 74-

üi! ANS — ANS

scheerdraden spannen; -2. o. wvv. zwervend nader komen.

Anschweif-rabmen, in. scheerraam o.; -wile v. scheerspoel v.

Anschwe-;szen. bedr. ww. vastwellen, aan wellen, aansmeden; jm. ketenen, boeien, In de boeien slaan.

Anschvireiien, bedr. ww. doen wassen, doen zwellen; den Ton harder, voller doen worden; 2. o. ww. onr. zwellen, opzwellen, dik worden; (lig.) aangroeien.

AnschwemTnen, bedr. ww. Uolz -, aan-vlotten; aanspoelen.

Anschwemmung:, vlotten o.; aanspoeling v., de aangespoelde grond m.;-sreclilo. strandrecht o.

Anschwimmen, o. ww. onr. aanzwemmen, aanlanden, aanspoelen.

Anschwirren, o. ww. aansnorren, snorrend vliegen tegen.

Anscawöden, bedr. ww. h'elle kalken.

Ansegeln, o. ww. aanzeilen, stooten op. Ansehen, bedr. ww. onr. aanzien,aankijken, bezien; über die Schuit er of Jchseln -, met minachling neerzien op; in aanmerking nemen; ein Paar Thaler nichl niet om geven, ontzien; jemn. eiw. int Gesirhf aan iem. zien; man sieht ihm wuhl an, was er isf, men kan wel aan hem zien, wal hij is; amiesehen sein, in aanzien zijn, invloed hebben; fur of als etw. beschouw en, aanzien voor, houden; es isl auf midi amjesehen, men heeft het op mij gemunt; i. o. ww. sieh mal an, kijk eens, kijk eens aan!;wed. ww. es sieht sieh an, het schijnt.

Ansehen, o. zelfst. dein - nach, oogen-scliijnlijk, van aanzien; schijn m., voorkomen o., uitzicht, uiterlijk o.; aanzien, gewicht, belang o.; gezag o., invloed m.. overwicht o.

Ansehnlicb, bijv. en b. aanzien Mjk, voornaam, gewichtig; talrijk, achtingswaardig; belangrijk, aanmerkelijk.

Ansehung, v. in - seiner, ten zijnen opzichte.

Anseifen, bedr. ww., Z. einseifen. Anseiieu, bedr. ww. het touw aandoen. Ansengen, bedr. ww. een weinig zengen. Ansetz-blatt, o. aanzetblad o.; -blech o. zuiverblik o.

Ansetzen, bedr. ww. zetten tegen, op of aan; die Feder -, op het papier zetten; den Honen -, den strijkstok op de snaren brengen; die Sjtornen -, aanzetten, sporen; (fig.) alle Hebei -, alle pogingen aanwenden; BlulUjel -, zetten; die IVand. -, aanhalen; Tinle -, bereiden; jem. zum lieamlen -, aanstellen; einen Tag -, vaststellen, bepalen; 2. o. ww., m. h. een aanloop nemen; beginnen te loopen; (fig.) pogingen doen, beproeven, beginnen,beginnen te zetten; (van fruit), zich tot vruchten zetten; (van erts), voortloopen; (van schoren), houden; 3. wed. ww. sieh gaan zitten bij, naast, aan; Z. niederlassen.

Ansetzer, (-9. niv. Ansetzer) m., Z. Treib-

eisen.

Ansetz- spiel, O dominospel o.; -stück o. verlengstuk o.

Ansicht, {-en) v. gezicht, inzicht, aanzien o., beschouwing v.,onderzoek o.; zur opbe-ziens, ter bezichtiging; (fig.) meiner - nach, volgens mijn oordeel, gevoelen; in -, ten opzichte van.

Ansichtig. (met den 2en en ien nv) bijv. en Ij. - lom/e/ê, gewaar worden, in het gezicht krijgen.

Ansiclits-seite, v. voorzijde v., frontispies o.; -tafel v. label v.; -zeichnunq v., Z. Aufriss, Prospect.

Ansiclcern, o. ww., Z. ansintern. Ansiedel; {-s,mv. Jnsiedet) o., Z. Slamni-(jut, Bauerfiul.

Ansxedelei, {-en) v. volkplanting, kolonie v.

Ansied»ln(sicb), wed. ww. zich nederzetten, zich (metterwoon) vestigen.

Ansleden, bedr. ww. onr. Zeiuje -, afkoken; Erz -, verslakken.

Ansiedler, (-.9, mv. Ansiedler) m. volkplanter, kolonist, planter m.

Ansiegeln, bedr. ww. toelakken, verzegelen; it. vastzegelen.

Ansiilea, bedr. ww. aanbinden, aan den riem bevestigen.

Ansin^en, bedr. ww. onr. zijn gezang richten tol, zingen voor, ter eere van.

Ansinken, o. ww. onr. zich laten zakken tegen.

Ansinnen, bedr. ww. onr. eischen; Z. zumutheu; i. o. zelfst. verb ngen o., eisch m., vordering v.

Ansintern, o. ww. zich als druipsteen aanzetten.

Ansitz, {-es, mv. -e) m. de plaats waar men gaat zitten om het wildaf te wachten; bezit o.; -arbeil v. opening v. van eene mijn, het openen o., eerste opgraving v.

Ansitzen, o. ww. onr. zitten tegen, aan; houden, vastzitten aan; anr/esessen sein, gevestigd, woonachtig zijn; beginnen.

Ansitzer, {-s, mv. Ansilzer) m. mijnwerker m., die begint te delven.

Ansonst, bijw., Z. soiut.

Anspalten, bedr. ww beginnen te kloo-ven; -2. o. w w. onr. begi nnen te bersten, te scheuren of te splijten.

Anspangen, bedr. ww. toehaken, vasthaken.

Anspann, m., Z. Gesp ami; Vorspann. Anspannen, bedr. ww. spannen; alle seine Krafte -, inspanne i; die Pferde -, aanspannen, voorspannen.

Anapanner, i-s, mv. Anspdnner) m. boer m., die paarden of trekossen heeft en daarmede zijne vroondiensten verricht; paarden-boer m.; -fjul o. boerenplaats v., waarop trekbeesten kunnen gehouden worden; leengoed o., dat onderhevig is aan vroondiensten door middel van trekbeesten.


-ocr page 75-

ANS — ANS 63

Anspeien, bedr. w\v. onr. spuwen legen, bespuwen.

An spellen, bedr. ww. aanspannen, spannen.

Ansperren isichi, wed. ww. zich schrap zetten.

Anspiciten, bedr. ww. vullen, opvullen, stoppen; einen Bissen de vork zetten In; (fig.) jem. /. unlwien.

Anspiei,o. eerste slag, zet, stoot m.; eerste optreden, debuut o.

Anspieien, bedr. ww. cine F ar be -, opspelen, spelen, in hetspel brengen; einen Ball-, raken; sein Instrument-, probeeren;2.o.ww., m. h. beginnen te spelen, eerst spelen; (fig.) auf etw. -, op iets zinspelen;m. s. spelend, dartelend naderen.

Anspieler, (-.9, mv. Anspieler) m. degene, die begint met spelen, die eerst speelt.

Anspieszen, bedr. ww. aan het spit steken; spietsen, aan de spies rijgen.

Anspinnen, bedr. w w. onr. beginnen te spinnen, aanspinnen; (lig.) ontwerpen, smeden, brouwen; 2. wed. ww., enlspinnen.

Anspitzen, bedr. ww. aanpunten, aanscherpen, splitsen; 2. wed. ww. sich -, Z. bespit zen.

Anspiittern, bedr. ww. doen splinteren, in splinters doen springen; 2. o. ww. beginnen te splinteren.

Ansplitzcn^ bedr. ww., Z. anspitzen. Anspornea, bedr. ww. aansporen, de sporen geven; aanzetten, opwekken. Anspötteln, bedr. w w., Z. bespötteln. Anspracbe, v. aanspraak v., toespraak v.; toon m. van een instrument; recht o.; (veroud.) - machen auf etw.. Z. Ansftruch. Ansprechzimmer, o.,/. Sprachzimmer. Ansprechen, bedr. ww. onr. aanspreken, toespreken; ein Schi/fpvüa'ieu; um etw. aanspreken, vragen, verzoeken; ./em. far todt verklaren; etw. als Betrua -, aanzien, houden voor; aanspraak maken op; indruk maken op; 2. o. ww. (van muziekinstrumenten), klinken.

Ansprecher, (-.v, mv Jnsprecher) m. aanklager, beschuldiger, eischer m. Anspreiten, nedr. ww. spreiden tegen. Knspreizen, bedr. ww.onderstutten,stutten; 2. wed. ww. sich -, zich met de voeten ergens tegen zetten, zich schrap zetten tegen.

Ansprenden, bedr. ww. beginnen te laten springen, doen springen tegen; besprenkelen, besprengen; jem. -, aanvallen; 2. o. ww. aanspringen, in galop naderen, toespringen, galoppeeren naar.

Anspringen, bedr. ww. aanvallen; 2. o. ww. onr., m. s. aanloopen, toesnellen, springen tegen; beginnen te springen, te bersten; it. m. h. beginnen te loopen,den eersten sprong doen.

Anspritzen,bedr. ww. bespatten, besprengen, besprenkelen, bespuiten.

Anspruch, m. aanspraak recht o.; eisch m.; - an of auf etw. mac/^'w, aanspraak maken op; etw. in - nehmen, vorderen, zich toeëigenen; das Iterz in - nehmen, boeien, innemen.

Ansp rüchig, bijv. en b. betwistbaar, wat betwist, teruggevorderd, teruggeëischt kan worden.

Ansprücbler, (-.v, mv. .Insprüchler) m., Z. Anspruchmacher.

Anspruch-los, bijv. en b. zedig, zonder aanmatiging; -losigkeil v. zedigheid, bescheidenheid v.; -macher m. die aanspraakt maakt op, adspirant m.; -reich, -voll bijv. en b. aanmatigend, vol aanmatiging.

Anspruchsklase, \. gerechtelijke eisch m. om in zijne aanspraken gehandhaafd te worden.

-insprudein, o. ww. aanborrelen, borrelen tegen.

Anspriihen, bedr. ww. aanspatten,spatten tegen.

Ansprung, m. aanspringen o.,sprong m.; aanval m.; Z. Milchschorf.

Anspucken, bedr. ww., Z. anspeien.

Anspüien, bedr. ww . besproeien, bespoelen; Z. an (los zen, anschwemmen.

Anstabelu, bedr. ww. aan stokjes binden.

Anstacbeln, bedr. ww. aansteken; aanzetten, aansporen.

Anstahieu, bedr. ww. verstalen.

Anstait, {-en), v. schikking, voorbereiding v., toebereidsel o., maatregel m.; werk o., inrichting v., gesticht o., school v., instituut o.

Anstammein, bedr. ww. stamelend aanspreken.

Anstammen, o. ww. van denzelfden stam, stamverwant zijn; andestamml, aangeboren, overgeërfd.

Anstammen, bedr. ww., Z. anstemmen.

Anstampren, bedr. ww. aanstampen, aankloppen, bevestigen tegen.

Anstand, m. plaats v. waar de jager het wild staat op te wachten; kapitaal o., waarmede men eene zaak begint; uitstel o.; im -sein, uitgesteld zijn; twijfel m.,aarzeling,zwarigheid v.; ohnc -,zonder bedenking;- nehmen an etw., om iets zwarigheid maken; schuld v., betamelijkheid, welvoeglykheid v., goede vormen in. mv., fatsoen o.

Anstandig, bijv. en b. welvoeglijk, betamelijk, fatsoenlijk, gepast; jemn. - sein, bevallen, aanstaan.

Anstandigkeit, v., z. m. welvoeglijkheid, betamelijkheid, fatsoenlijkheid, welgemanierdheid v.

Anstands-brief, wellevcndheidsbrief; schutsbrief m.; -voll bijv. uw. vol wellevendheid, deftigheid, waardigheid; -widrifi bijv. nw. strijdig met de welvoeglijkheid, onfatsoenlijk.

Austangeln, bedr. ww. opbinden, aan staken binden.

Aastapein, bedr. ww. opstapelen legen; 2. o. ww. met hoog opgeheven beenen, met trotsche schreden naderen.


-ocr page 76-

ANS

ANS

(34

Anstarken, lii'dr w w. stüven,doorhalen. AnsteUig, bip. en b. Leliendi^, knap, be- A:

Anstarren, bedr. wvv. aanstaren, strak kwaam. onbe

aanzien. Ansteilung, v. ambl o., aanstelling, be- A:

A us tat t, vüorz. (met den 2cii, zelden met diening, betrekking v., post m. -nah

den 3en nv.),iii (de) plaats van, voor; a.-voegw. Aastemmen, bedr. w\\. zetten tegen; ü. A

in plaats van. wed. vvw. sich -, leunen tegen, zich schrap spre

Anstauben, Z. unstuuben. zetten; (lig.) zich verzetten. A:

Ansta^ben, bedr. vvw. bestuiven; 2. o. Ansterben, o. \v\\. om. toevallen, aan- op, 1

vvw. aanstuiven, als stof aanvliegen. vallen (door erfenis). a:

Anstauchen, bedr. vvw. klaarleggen; Ansteuern, bedr. v\ w. aansturen; sturen land

stremmen. naar. A

Anstaunen, bedr. \v\v. met verwonde- Anstich m. (van fruit, door insecten), span

ring, verbazing aanzien. steek m.; opensteken o. A

Anstaunens-werth,-würdig, byv. en Ansticheln, bedr. vvw. steken geven; 2. krat

b. verwonderlijk, bewonderenswaardig. o. vvw. toespelingen maken. A

Austauner, -staunerin, bewonderaar Ansticlïen, bedr. ww. stikken aan, door 2. o.

m., bewonderaarster v., aangaper m., aan- stikken verbinden. A

gaapster Anstiefeln, bedr. w w. van laarzen voor- unsl

Anstechen, bedr. ww. onr. aansteken, zien, laarzen aantrekken; 2. o. ww. gelaarsd a

insteken; de vork, het mes amp; steken in; ein naderen; 3. wed. w w. skh zijne laarzen terii

Faxs H eiu -, de kraan insteken; rficP«m;)e-, aantrekken. _ A

aan den gang maken; (lig.) jem. iem. uil- Anstieren, bedr. ww., Z. anslarren. glad

hooren; angeslochen sein, aangeseholen zjjn, Anstiften, bedr. ww. veroorzaken, ver- a

te veel gedronken hebben; 2. o. vvw. aan- wekken; ein Complolt -, smedeii^ci/i. zu clw. best

stappen; mil clw. met iels voor den dag -, aanzetten, opruien. aans

komen. Anstifter, -stifterin,stichter,aanzetter ik u

Ansteck-armel.m.,/.. roriirmel;-bohrer m., slichlster, aanzetster oorzaak onl- w

m. handboor, kelderboor werper m., ontwerpster v.; aanstoker; brand- /.. «

Ansteckegift, u., Z. AnstcckuiKjsgifl. stichter m., brandstichlster v. a

Ansteckeu, bedr. wvv. einen BrutenAnstimmeu, bedr. w w. ei«/.fed-, aan- klail

aan bet spit steken; einen Ring -, aandoen, bellen, inloneeren; die Veige -, stemmen, be- a

aan den vinger steken; ein Band -, met spel- ginnen te spelen op; (lig.) Klunen klachten a

den bevestigen; ein Licht -, aansteken; ein aanheffen; 2. o. vvw. inzetten, beginnen. hors

llausIn brand steken; jem.-, besmetten. Anstlnken, bedr. wvv. onr. aanstinken. a

Austecker, (-s, mv. Anstecker) m. aan- Anstocken, bedr. ww., Z. ansluhcln. lan^

steekblad o. Austöhnen, bedr. w \i. stenen legen. A

Ansteckuag, v. besnïelting v.; -syifl o., Anstolperu, o. ww struikelen tegen; strij

-slo/l m. miasma o., smelstof aanstrompelen. lege

Anamp;tehen, o. vvw. onr., m. A. en s. aan- Anstopfen, bedr. ww. aansloppen, stop- A

staan, raken aan, staan bU; mil -, medebei- pen, vullen, volstoppen; 2. wed. « w. sich unsl

pen; jemn. -, passen, voegen, behagen, beval- volgestopt worden. lusp

Ie», aanstaan; duren; aarzelen, twüfelen; «m Anstören, bedr. vvw., Z. ani-eizen, ««- non.

cliu. -, Z. anhallen; in dienst treden. sliflen. A

Anstelfen, bedr. ww. aanstyven,eenwei- Anstosz, m. -nn ol wfeto'c/w., schok, gees

nig stijven; 2. wed. w w. sich an ehc. -, stoot m. tegen; beweging v.; (dg.) schandaal a

unstemmen. o., ergernis aanstoot m.; aanval m.; (van besl

Anste-.geu, c. ww, onr. opstijgen, rijzen; zaken), moeielijkheid v.; (aan brood), binnen-,

(van bet water), wassen; (van een kapitaal), kruim-zijde v.; (aan eene lafel), aansteek- o.,

aangroeien; met groote schreden naderen. blad o.; (van fruit), kneuzing, beschadiging (lig.

Anotelien, bedr. ww. an elm. stellen, \.; -bulten, -eisen, Z. Stisz-Uolzen, -eisen. a

plaatsen tegen; Arheiter -, aannemen, in Anstoszen, bedr. ww. onr. stooten, aan- slrt

dienst nemen; jem. -, aanstellen; /.euiien -, stooten; stooten tegen; klinken; den Herd , a

voorbrengen, omkoopen; eine Luslburiceil Z. anslampfeii; aansteken, samenvoegen; die l'ft

regelen, voorbereiden; ein jVu/i/-,aanrichten, Jugd -, Z. unblasen; 2. o. w vv., m. h. stooten A

geven-,ein Unglüclc-,\eroor7.iikcii;eineKlage-, tegen; aanslooten, klinken; im lieden -, stut- £

indienen, instellen; 2. wed. w w . sich -, zich teren, hakkelen, stamden; bei jemn. -, aan- mei

plaatsen, zich slellen of zetten legen; (lig.) slool geven; (van huisen), grenzen aan, he- (ins-

sich - als o(i, zich aanstellen alsof, doen alsof, lenden. £

veinzen; sich nis ein Kun--, zicb als een gek Anstoszer, (-», nis. Ansloszer) m., Z gew

aanstellen, gedragen; s/c/i bocmc/ihi-, den heer Grcmnuchbuv. *

spelen. Anstcszig, liijv. nw. (van een paard), dat leni

Aiisteiler, {-s, mv. Anslcller) m. aanstel- licht aansloot ol struikell; (van 1, uil), ge- /

Ier m., die aanstelt, benoeml; 11. die regell, kneusd; (lig.) slootend, aanstoot gevend, on leni

aanriebl, geeft, beveelt, bescliikt. welvoeglijk, scbandalig; wanklinkend: wan ^

Anstéllerei, v., Z. Ziererei, Ueuchclei. luidend; ergelijk. dot

-ocr page 77-

ANT

ANS

as

Anstöszigkeit, v. onwelvoeglijkheid, onljetanielijktieid, ergernis v.

Anstosz kolben, m., Z. Stoszkolben; -nuht v, uilornaiid m.; -schiene v. stootseheen v.

Anstottern, Ijedr. \v\v. stotterend aanspreken.

Anstrahien, bedr. ww. stralen werpen op, liestralen.

Anstranden, bedr. ww., Z. stranden; an-lunden.

Anstranden, bedr. ww. voorspannen, inspannen, unstrengen.

Anstrebekraft, v. middelpuntzoekende kracht v.

Anstrebcn, hedr. ww. streven, trachten; 2. o. ww. streven; yenen etw. zich verzetten.

Anstiecken, hedr. ww,, Z. ausspannen; unstrengen.

Anstreiche, v., z. m. pleistering, hepleis-tering v.; 2. Sclminhe.

Anstreicheln, hedr. ww. met de hand glad strijken.

Anstreiohen, hedr. ww. onr. hestrijken, besmeren; etw. -, verven, heschllderen; (lig.) aanstrepen; (fig.) das wilt ich dir dat zal ik u hetaald zetten; '2. o. ww. langs strijken; :i, wed. w w. sich -, hianketteii; sich anjemn. -, Z. anschmienen; sich bei jemn.-,Z.insinuiren.

Anstreicher, (-s, mv. Anstreicher) m. kladschilder, hekladder m.

Anstreiclierei, v. geklad o., kladderij v.

Anstreichpinsel, m. aanstrijk-kwast of horstel m.

Anstreifen, o. ww. an etw. -, strijken langs, even aanraken; (lig.) zweemen naar.

Anstreiten, hedr. ww. onr. jemn. etw. -, strijdend opdringen; etw. of jem. strijden tegen.

Anstrengen, hedr. w w . ein Pferd -, Z. unstruiujen; Arbexter -, aanzetten,aansporen; inspannen; 2. wed. ww. sich zich inspannen.

Anstrengung, v.. poging v., (van den geest), inspanning, vermoeienis v.

Anstreuen, hedr. ww. strooien tegen; bestrooien.

Anstrich, ni., z.m. aanstrijken, bestrijken o., aanstrijking v.; spoor o. (in den dauw); (lig.) schijn, zweem in., voorkomen o.

Anstricheln, hedr. ww. etw. met streepjes merken.

Anstricken, bedr. ww. aanbreien; cin l'l'erd vastbinden.

Anstriegeln, bedr. ww. roskammen.

Anströmen, o. ww. aanstroomen; stroü-men tegen; (lig.) toestroomen, toesnellen; Z. anschwemmen, anjlöszen.

Austrudeln, o. ww. dwarrelende, met gewoel naderen.

Anstückeln, -stücken, bedr. ww. verlengen, een stuk aanzetten, aanlasschen.

Anstücksel, (-.v, mv. Anstücksel) o. verlengstuk o., lasch v.

Anstudiren, bedr. ww. sich etw. -, zich door studeeren eigen maken.

Anstülpen, bedr. ww. nieuwe kapp1;'! aan laarzen zetten.

Anstürmen, o. ww., an cine Festurig hestonnen; aanstormen, aanbonzen.

Ansturz, m., z.m. (van vijanden), aanval m,; (van water), aandrang m.

Anstürzen, o. ww. an die Wand storten tegen; haastig aankomen; auf jemn. aanvallen; 2. hedr. ww. werpen tegen.

Anstutzeu, bedr. ww. aanstooten; die Gliiser -, Z anstoszen; jem. of etw. -, verlegen, verbaasd, met verwondering aanzien; 2. o. ww. pronkende naderen.

Austützen, bedr. ww. die Füsze -, zetten tegen; einen Baum -, onderstutten, stutten; 2. wed. ww. sich -, leunen teren.

Ansuchen, o. ww. aanzoek doen, verzoeken, solliciteeren.

Aasucher, -sucherin, verzoeker m., verzoekster v., sollicitant m., sollicitante v.

Ansuchung, v. aanzoeken, verzoeken, requestreeren, aanzoek, verzoek, request o.; vordering v., eisch m., aanmaning v.; -sschrei-ben of Ansuchsschreiben o. request, verzoekschrift, smeekschrift o.

Ansud, (-(e)s, mv. -e) m. opkoken, uitkoken o. der wol voor het verven.

Ausudeln, bedr. ww. kladden tegen; it. Z. besudeln.

Ansummen, o. WW. of wed. WW. sich

aangroeien, vermeerderen, toenemen; 2. o. ww.. m. s. aangonzen.

Ausüszen, bedr. ww, aanzoeten, zoet maken, verzoeten.

Ansumsen, bedr. en o. ww. aangonzen.

Ansurren, bedr. en^o. ww,, Z. ansumsen.

Antagonist {-en, mv. -en) m, tegenstrever, dwarshoomer m., tegenpartij v., vijand, antagonist m.

Antakeln,bedr, ww, oplaltelen, uitrusten.

Antak e ler, {-s, mv. Antakeler) m. ta-kelaar m.

Antanzen, o. ww,, m. /(, den dans beginnen; m s. aandansen, dansend naderen; an etw. -, dansen tegen; 2. wed, ww, sich sine Krankheit -, zich met dansen op den hals halen.

Antappen, bedr. ww, etw. -, aanraken, lomp aangrijpen; 2, o, ww, met logge of wankelende schreden naderen.

Autassen, hedr. ww. dus Geheide - ,0]) hoopen leggen,

Antast, (-(e)s) ra., z.m. recht o. om een misdadiger in hechtenis te nemen,

Antasten, bedr. w,w, betasten, aanraken; aanvallen, aanranden; bestrijden; einen l'or-rath -, aanspreken,

Antauchen, hedr, ww. indoopen,

Antaumeln, o. ww. aantuimelen, tuimelen tegen.

Antecanaera, v, antichambre ■.„Z- f'or-zimrner.

Antecedent, (-(e)s), mv. -e of -iem o. dat voorafgegaan is, antecedent o.

Antecessor (-s, mv. -en) iu,, Z. Vw ganger, Korfahr.


-ocr page 78-

ANT

ANT

66

Antediluvianisch, bijv. nw., Z. VOV-siind/lutlilich.

Anteufeln, bedr. ww. jem. 7..anreizeu, aufwier/eln.

Anthauen, o. ww. beginnen Ie dooien.

Antheeren, bedr. ww., theeren.

Antheil, m. en o. aandeel o.; der betreffende deel of aandeel o. in winst en verlies; aandeel m.; gelag o.; (lig.) lülloclit m., apanage o.; - an eiw. huben, deel heblien in; aandeel lielilien in; - nehmcn, deel nemen, belang stellen in.

Antheil-haber, m., /.. Theilhaber; -mii-scifi bijv. en b. volgens ieders aandeel; -neh-munrj v., Z. Theilnahme; -sschein m., -seer-schretbunq v. -szettel in. actie v., aandeel, be-wüs o. van aandeel.

Anthologie, (-n) v. bloemlezing v.

Anthracit, -tracolitj ( Cl', mv. -ch) m., Z. Kohletiblende.

Anthraconit, (-en, mv. -en) ill., Z. Koh-lenblende.

Anthropolit, {-en, mv. -en) m. versteend licbaam 0., versteende beenderen 0. mv.

Anthropologie,v. anl b ropologie, menseh-kunde v.

Anthropophag, (-en, mv. -en) m. men-scbeneter m.

Anthun, bedr. ww. onr. aandoen, aantrekken; jem»?. Verdruss -, aandoen, berokkenen; einem Miidrhen Gewalt -, een meisje aanranden, verkrachten; Wm mir die Lxebean, doe mij het pleizier; es jemn. belooveren, beheksen; einen llnfen -, aandoen, landen in; 2. wed. ww. sich -, zich kleeden.

Antibarbarus.m.onb., Z. Sprachreinigcr.

Antichambre, (mv.-s)v.,Z. rorzimmer.

Antichamhriren, o.ww. lang moeten wachten eer men ter audiëntie gelaten wordt.

Antichrist, (-s en -en, mv. -en) m. antichrist m.

Anticipando, bijw. vooruit; -(be)zuhluii!] v. vooruitbetaling v.

Anticipation, v., Z. J'nrweiinnltme.

Anticipiren, bedr. ww.,Z. vonoeQnehmen, vnrgreifen.

Anticlien, bedr. ww. even met de toppen der vingers aanraken.

Antiefen, 0. ww. peilen, het dieplood 0. uitwerpen.

Antik, bijv. en b. antiek, oud, aloud, ou-denvets(cb).

Antike, v. kunstwerk 0. der oudheid, antieke v.

Antilope, (-n) v., Himchziegc.

Antikritik, (-en) v. antikritiek v.

Antimonhaltig, bijv. nw. spiesgla(n)s houdend, spiesglas bevattend.

Antimon(ial)isch, bijv. nw. spiesglanzig.

Antimonicbt, bijv. nw. antimonig;-SOK-res Snlz, antimonigzuur-zout 0.

Antimonium, 0. spiesglans, spiesglas 0., antimonie v.

Antimon-legirung,v. spiesglansverbinding v.; -oxyd, -oxydul 0. spiesglansoxyde 0.;

-sauer bijv. nw., -saures Salz, spiesglans-zuur-zout 0.; -sdure v. antimoniumzuur 0.

Antlpatist, {-en, mv. -en) m. vijand m. van het pausdom m.

Antipathie, v. natuuriyke afkeer, tegenzin m., antipathie v.

Antipode, i-n, mv. -n) m tegenvoeter, tegenvoeteling, antipode m.

Antippen, bedr. ww., Z. antieken.

Antiquar, (-(e)s, mv. -en) m. oudheidkenner, oudheidvorscher m.; it. handelaar m. in oudheden; Z. liüchertrödler.

Antiquariat, (-(e)s, mv. -e) m. verzameling v., winkel m. van oude boeken.

Antiqua'-schrift), v. Romeinsche karakters 0. mv., Romeinsche letter v.

Antiquiren, bedr. ww. als verouderd op-helfen.

Antiquirt,bijv. nw. afgeschaft, opgeheven.

Antiquitat, (-en) v. oudheid v.; ouder-wetsch voorwerp 0.; —handler, —kenner, —summier m. handelaar in, koopman in, verzamelaar m. van oudheden; oudheidkenner, oudheidvorscher m.

Antithese, (-n) v. tegenstelling v.

Antlitz, (-es, mv. -e) 0. aangezicht, gezicht, gelaat 0.

Antoben, 0. ww. met groot geraas naderen; aandondeven.

Antöncn, 0. ww. beginnen te klinken; i. bedr. w w .jem. -, zich hoorbaar maken hij lem.

Antonius-feuer, 0. antonlesvuur 0., belroos v.; -kreuz 0. St. Antoniuskruk v

Antorkeln, 0. ww. waggelend naderen.

Antosen, u. ww. mei geraas naderen.

Antraben, 0. ww. aandraven, op een draf(je) naderen.

Antrag, {-trag{e)s, mv. -trage) in. aanbod, voorslel 0., voorslag m., voorstelling \ .; motie v.; aanzoek 0.

Antragen, bedr. ww. onr. aandragen, aanbrengen; jemn. elw. -, aanbieden; sich einem Madehen -, een meisje ten huwelijk vragen; •2. 0. ww. een voorstel doen, voorstellen, aandringen.

Antragsrecht, 0. recht 0., bevoegdheid v. tot hel doen van voorste len 0.

Antragsteller, ra. voorsteller m.

Antrallern, 0. ww. Z. antrillern.

Antrampe,l)n, 0. ww. trappelend naderen.

Antrappen, 0. ww. aanstappen, aantrap-pelen.

Antrauen, bedr. ww. huwen, trouwen; uithuwen, uithuwelijken; 2. wed. ww. sich jemn. -, Z. amertraucn; trouwen met, Z. sich verheirathen

Antrauern, 0. ww. treurig aanzien.

Antraufeln, -traufen, 0. ww. auf etw. -, droppelen, druipen, lekken op; 2 bedr. ww. laten droppelen.

Antraumen, bedr. ww. ten onrechte toeschrijven; zich inbeelden te bezitten.

Antreffen, 0. ww. onr. an etw. , raken, stooten tegen; 2. bedr. ww. aantreffen, onl-


-ocr page 79-

ANW 07

ANT

ins- moeten, vinden; betrappen, ontdekken; etw. I. Z. hetreffen.

m. Antreibeholz, o. eerste hout o. voor de

zuivering der metalen door middel van de ;en- kapel.

Antreiben, iiedr. ww. onr. aandrijven, ter, voortdrijven; stuwen naar; Holz -, doen drü-ven tegen; Eis -, kruien; (tig.) jem. zu etw. -, aansporen, aanzetten;jenm den Hu! -, inslaan; eid- ■gt;. o. ww., m. s. drijven naar, aanspoelen, aan-m. drijven; m. h. beginnen te kiemen, uit te loo-pen; 3. wed. ww. die Heifen treilen sich an, me- de hoepels gaan vaster zitten.

Antreiber, m. aandrijver, drijver m. ka- Antreten, bedr.ww. onr. aantreden, vast-

treden; eine Reise -, aannemen, aanvaarden, op- beginnen; ein neues Juhr -, intreden; ein Amt -, aanvaarden; die Hei/ierunn -, aan de en. regeering komen; einen Eid -, eeii eed doen; Ier- einen Heureis -, voor waar aannemen; 2. o. ter, ww. an etw. -, zich dicht bij Iets plaatsen; er- (van soldaten), aantreden; bei jemn. -, aan-

ler, gaan, aanloopen; (lig.) Z. anbrecheti; in dienst treden.

Antrleb, m. aansporing, opwekking, aan-ge- hitsing v.; aus eiqenem -, uit eigen beweging;

Z. Andrang, AnfaU. de- Antrinkc-n, o. ww. onr. het eerst drin

ken; einen Itnusch, sieh zich dronken drin-; 2. ken; -2. hedr. ww. jem. -, door toebrengen

3111. dronken maken.

)(!|- Antrippeln, o. ww. trippelend of dribbe

lend naderen.

i. Antritt, {-(e)s, mv. -e) m. eerste schrede

v., eerste stap, pas of tred m.; (lig.) begin o., een aanvaarding v.; (van eene trap), aantrede,

eerste trede v.; -saudienz v., -geliör o. eerste an- audiëntie v., eerste gehoor o.; -sqeldo. intree-

v.; geld o., intree, entrée v,; -spredigt v. intree-

preek v.; -srede v. intrec-redévoering v.; an- -srolle v. eerste rol v.; -sschmaus m. maaltijd tem in. bij hel aanvaarden van een ambt.

en; Antrocknen, o. ww. beginnen te drogen;

an- aandrogen.

Antrödeln, o. ww. aandrentelen. 1 v. Antrollen, o. ww. met kleine schreden

dravende naderen.

Antrommeln, o. ww. beginnen te trommelen; au etw. op iets trommelen, kloppen; de- 2. bedr. ww., Z. austrommeln.

Antrompeteu, bedr. ww. jem. -, troni-np. petten tegen; met trompetgeschal aankondi

gen.

en; Antropfen, -tröpfeln, o. ww. aandrop-

ich pelen, droppelen op, lekken op

irh Autrotten, o. ww., Z. antraben.

Antrotzen, bedr. ww. jem. iem. tergend, uittartend aanzien. tw. Antupfen, -tüpfen, o. ww., Z. antieken.

w. Antuschen, bedr.ww. met Oostindlscben

inkt opwerken.

oe- Antuten, bedr. ww. door getoet bekend

maken; blazen.

en, Antvogel, m., Z. Ente.

nl- Antwort, (-en) v. antwoord, bescheid o.;

- qeben, ertheilen, antwoorden, (Spr.) wie die Frage, so die -, zooals de vraag is, zoo ook het antwoord; keine - ist aueh eine die zwijgt stemt toe.

Antworten, o. ww. antwoorden, antwoord geven, hervatten, hernemen.

Antworter, m. antwoorder,verdedigerm.

Antwortgesang, m. kerkelijke beurtzang m., responsorium o.

Antwortlich, bijv. nw. tot antwoord, als antwoord dienende.

Antwort-sehrelben, o. brief m.,die een antwoord bevat; -schrift v. verweerschrift, verdedigingsgeschrift o.

Anüben, bedr. ww. door oefening verkrijgen.

Anverlangen, bedr. ww., Z. verlangen.

Anvermahlen, liedr. ww., Z. vermdhlen.

Anversuchen, bedr. ww. beproeven, aanpassen.

Anvertrauen, bedr. ww. toevertrouwen, aanvertrouwen,vertrouwen;overlaten; i. wed. ww. sich jemn. -, vertrouwen stellen in, zicb aanvertrouwen.

Anverwandt, bijv. nw. verwant met; die -en, bloedverwanten, aanverwanten, naast-bestaanden mv.; -schaft v. bloedverwantschap, verwantschap, maagschap v.

Anvettern, bedr. ww. als neef of bloedverwant aanspreken, begroeten; 2. wed. ww. sich -, zich als lid van de familie opdringen.

Anwachs, m., z. m. wassen o.; toenemen o.; vermeerdering, toeneming v., aangroei m.; aanwas m., Z. Anspülung.

Anwachsen, o. ww. onr. an elw. -, aangroeien, groeien aan; (van paarden), dampig zijn; (van boomen), hoog, groot, dik worden; toenemen, vermeerderen; (van het water), wassen; (bis) zu einer bedeutenden Uöhe opklimmen.

Anwachs-, Anwactasungsrecht, 0., Z. Anflöszungsrecht.

Anwackeln, o. ww. aanwaggelen, waggelend naderen.

Anwallen, o. ww. aangolvon, aanstroo-men; (lig.) in menigte aankomen; in processie naderen.

Anwalt, {-(e)s, mv. -walte en -ivalte) m. ad vocaal,procureur,gevolmachtigde m.--schalt v. volmacht v.; —sgebUhren v. mv. rechten o. mv., bezoldiging v. eens procureurs; leges v. mv.

Anwalzen, o. ww., m, h. beginnen te walsen; it. m. s. beginnen te rollen; i. bedr. ww. vastrotlen, met eene rol gelijk maken.

Anwalzen, bedr. ww. rollen, wentelen tegen, aanrollen.

Anwand, v. grens v., Z. Rain.

Anwandeln, o. ww. aanwandelen, langzaam naderen; 2. onp. ww. bekruipen, overvallen.

Anwander, (-s, mv. Anwiinder) m. eigenaar m. van den aangrenzenden akker amp;.

Anwandern, o. ww. aankomen, naderen; (fig-) Indruisen, Z. verstoszen.


-ocr page 80-

ANW

ANW

«8

A

Anwaudlunp, v. aanval ra., aanmaning, werven, in dienst nemen; overhalen, zoeken a

vermaning v.; vlaag v. te winnen; -2. o. ww. urn ein Miidchen -, aan- -heg

Anwandsrechtj o. recht o. om op den zoek doen, ten huweiyk vragen. 'WOl

akker van den huurman met den ploeg te Anwerber, (-s, mv. Anwerber) m. vrüer, /

lieeren, minnaar m.; Z. Bewerber, Werber. e

Anwanken, o. ww. aanwaggelen, wag- Anwerden, o. ww. onr. eine II'aare wo(

gelend naderen; an elw. -, waggelen tegen. verkoopen, kwijt raken, plaatsen; seine Tochler A

Anwarmen, hedr. ww. warm maken; he- aan den man hrengen. A

ginnen te stoken. Anwerfen, hedr. ww. onr. werpen naar; len,

Anwarten, o. ww. wachten op, uitzien die Aermel -, ansetzeti; sich ein Kleid /

nyar in haast aantrekken, aanschieten; 2. o. ww. teil

Anwarter, -warterin, iiij of zij die uit- eerst werpen. /

zicht of aanspraak heeft op een post ingeval Anwesen, (-s) o., z. m. woonplaats v.,. pen

'f van openvalling, expectant m. verhitjf o.; hezitting v., goed o. jem

Anwartschaft, v. aanspraak v., uitzicht Anwesend, hijv. nw. tegenwoordig, aan- jen

o. op een post. wezlg. i

Anwartschaft er, m., Z. Anwarter. Anwesenheit, v., z.m. tegenwoordigheid, 1

Anwartschaftlich, h(jv. en h. beloofd, aanwezigheid, bijwoning v. 1

wat iem. toegezegd is. Anwettern, o. ww. donderen op; gewei- loo

Anwartschafts-brief, ra., -patent, o. dig hard kloppen op. i

brief m., patent o. waardoor iem. een ambt Auwetzen, bedr. ww., Z. anschleifen. i

wordt beloofd. Aawichsea, hedr. ww. met schoensmeer, i

Anwasche, v., z. ra. (van ertsen), was- was, politoersel besmeren. lee

schen o., wassching v. Anwickeln, bedr. ww. vastwikkelen. i

Anwasohen, bedr. ww. beginnen te was- Anwidern, o. ww. walgen, tegenstaan; ice

schen. - w'w. elw. -, eene walg hebben van j

Anwassern, bedr. ww. hesproeien, he- iets. v.;

gieten, bevochtigen; met water aanmengen. Anwiehern, bedr. ww. aanbinniken, hin- nis

Anwatschela, bedr. ww., Z. anwackeln. niken tegen. ilig

Anwehen, bedr. ww. weven aan, aanwe- Anwimmelu, o. ww. wemelend naderen. tee

Vl,n Auwimmern, heer. ww. aankennen, o.;

Anwedeln. bedr. ww. jem. -, met een kennend aanspreken. rai

slolïer aanwaaien; (van honden), kwispel- Anwiuken, hedr. ivw. wenken, toewen-

staarten voor. ken. ric

Anweg, ra. weg ra., die naar boven voert. Anwlnseln, bedr. ww. jem. Z. anwim- cla

Anwehen, bedr. ww. waaien tegen; aan- mern. -,

waaien; voortstuwen tegen;S. o. ww. besmet- Aawirbeln, bedr. ww. toewervelen; i. o. 2.

ten ' ww. dwarrelend naderen. vei

Anweichen, hedr.w w . aanweeken, week Anwirken, bedr. ww., Z. unweben. ,

maken Anwischen, bedr. ww. aansmeren, aan- kl:

Anweinen, bedr. ww. aanscbreien, schrei- strijken.

ende aanzien. Anwispern, bedr. w \\. toefluisteren; in-

Anweisebank, v. girobank v. fluisteren.

Anweisen, hedr. w w. onr. aanwijzen; op- Anwittern, bedr. ww. beruiken, besnuf- tri

geven, voorschrijven; lalen trekken; aanwij- telen; •gt;. o. ww. amiewitterles Erz,Z. aafliegen.

zinquot; inlichting geven, onderwijzen, voorschry- Anwogen, o. ww. golvend naderen.

ven, bevelen. Anwohnen, o. ww. wonen bij, dicht bij sla

Anweiser, (-s, mv. Anweiser) m. aanwü- wonen; i. Z. beiwohneii. wt

zerm.,wieeeneassignatieafgeeft,assignantm. Anwohner, m. nabuur in.; die woont

Anweisung, v. aanwijzing, assignatie v.; naby. scl

onderwijs o., handleiding v.; -sbuch o. band- Anwuchs, m aanwas, in., toeneming v.; sle

leiding v.; -szellel ra. assignatie v., hewUs- jong hout o.; uitwas ra.

(briefje) o. Anwuadern, bedr. ww., Z. anataujun. eii

An weiszen, hedr. ww., Z. weiszen. Anwünschen, bedr. ww. toewenscben; dr

Anweikeu, o. ww,beginnente verwelken, wenschen te hebben.

Anwendbar, bijv. en b. toepasselijk; Anwurf, m. aanwerpen o., eerste worp lei

bruikbaar- -keil v. toepasselijkheid, bruik- ra.; it. het aangeworpene o.; aanspoeling v.; vo

baarheid v. pleisterkalk v.; aangezet stuk o.; zwaaikoU m., tei

' knwenden, bedr. ww. reg. en onr. aan- Z. Anlraij; -schliissel m. arm m. van de dii

wenden, gebruiken, besteden; toepassen. zwaaikolf. ru

Anwendung, v. aanwending, toepassing Anwürfeln, o. ww. eerst werpen; wer 3.

v., gebruik o.; - finden auf, toegepast (kun- pen tegen. de

neiii worden in. Anwürflg, bijv. nw. de geschiktheid Le-

Anwendlich. bijv. nw., Z. anwendbar. zittende, om iets op louw te zetten, aau deo lo

Anwerben, bedr. ww. onr. aanwerven, gang te maken.

-ocr page 81-

ANZ

69

ANZ

Anwtiriren, hedr. ww. vast aanhalen.

Aawurzeln, o. ww. Inwortelen, wortel 'herinnen Ie schieten; 2. wed. ww. sich wortel schieten.

Anwürzen, hedr. ww., Z. würzen.

Anwüthen.bedr. ww. overvallen; S.o.ww. woedend naderen, aanstormen.

Anzahl, v. aantal, getal o., hoeveelheid v.

Anzablen, hedr. ww. herinnen te betalen, betalen op rekening.

Anzahien, o. ww beginnen Ie tellen, aantellen.

Anzapfen, bedr. ww. ein l-ass aanlappen, aansteken; (lig.) vrage.i, ter leen vragen; jein. -, iem. het water aftappen; (lig.) aanvallen, hekelen-, jem. trachten uit te hooren.

Anzappeln, o. ww. spartelend naderen.

Anzaubem, bedr. ww. aantooveren.

Anzaumen, bedr. ww. toornen, met den loom vastbinden.

Anzechen (sich),bedr. ww., Z. anlrinken.

Anzehren, bedr. ww., Z. anfressen.

Anzeichen, o. teeken, voorteeken o.; aan-leekening v.; onderkennlngsteeken o.

Anzeichnen, bedr. ww. aanteekenen, op-leekenen, noteeren.

Anzeige, (-n) v. aanklacht, aanbrenging v.; aangifte, declaratie v.; bekendmaking, kennisgeving, mededeeling v.; hciluiden o.,aankondiging, advertentie v., bericht o.; teeken, ken-teeken, voorteeken o.; -amt o. adreskantoor

0.; -hlnlt o. advertentieblad o., krant of courant v.

Anzeigen, bedr. ww. bekend maken, berichten, aankondigen; aangifte doen van, dc-clareeren; einen Dieh -, aanklagen; ein Schilt -, seinen; aantoonen; voorzeggen, voorspellen;

1. wed. ww. sich -, zich te kennen geven, verraden.

Anzeiger, -zeigerin, aanklager m., aanklaagster v., aanwijzer m.; Z. Jnzeiijeblalt.

Auzeigeweise, v. aantoonende wijze v.

Anzeigung, v., Z. .Inzeige.

Anzerren, bedr. ww. met geweld aantrekken.

Anzettel, m., Z. . 1 'if:uq.

Anzetteln, bedr. ww. das Ceweie -, inslaan, inschieten, scheren; (lig.) smeden, ontwerpen.

Anzettler, -zettlerin, scheerder in., scheerster v.; (lig.) ontwerper m., ontwerpster v.

Anziehcn, bedr. ww. onr. aantrekken; ein Seil -, aanhalen; eine Sc/mrafteaandraaien; den Jthem -, inhouden; das IVasser -, inzuigen; (fig.) jem. -, hekoren; sich etw. -, ter harte nemen; eine .Stelle -, aanhalen, aanvoeren, citeercn; aankwoeken; fokken; planten; 5. o. ww., m. h. beginnen te trekken; in dienst treden; voor den dag komen-, m. s. aanrukken, in aantocht zijn, naderen, aanrukken; .1. wed. ww. sich -, zich kleeden, zijne kleederen aantrekken, aandoen.

Anziebend, bijv. en I). aantrekkelijk, aanlokkend, boeiend, belangwekkend.

Anzieher, (-s, mv. Amieher) m. werktuig o. om iets aan te trekken, Z. Handschul;--, Sliefelhaken, Schühlölfel, aantrekkende spier v.

Anziehschliissel, m., Z. Schrauben-schlüssel.

Anziehung, v. aantrekking v.; -stsraft v. aantrekkingskracht v.; -hreis m. grens v. van aantrekking; -s/os bijv. en b. wat geene aantrekkelijkheid bezit.

Anzielen, Z. abzielen.

Anzielung, v., /,. Zweck.

Anzirpen, bedr. ww. sjilpend aanspreken.

Anzischeln, bedr. ww. toefluisteren.

Anzittern, o. ww. sidderend naderen.

Anzischen, bedr. ww'. aansissen.

Anzotteln, o. ww. met logge schreden naderen.

Anzucht, [Anzüchttf) v. aankweeken o., aankweeking v., fokken o. fokkerij v.; i. Z. Abzuchl.

Anzucken, bedr. ww. door een ruk met de leidsels aan den gang maken.

Anzuckern, bedr. ww. suikeren, met suiker bestrooien.

Anzug, m. kleeding v., kleederen o. mv.; nadering, aannadering v., aantocht m.; in dienst treding v.; de eerste zet m.;aanfokking v.; aanhaling v., citaat o.; aangifte, declaratie v.; aantrekken o.; -sqeld o. geld o., dat men betaalt bij zijne vestiging in eene plaats; -sgeschenk o. geschenk o. by zijne aankomst; -spredigt v., -srede v., Z. Antritls-predigi, -rede; -slag m. dag m. waarop men in dienst treedt.

Anzügig, bijv. nw., Z. anziehend.

Anzügler, (-s, mv. Anzüqler) m. die naar eene plaats komt, om zich daar metterwoon te vestigen.

Anzüglich, bijv. en I). aantrekkelijk, boeiend, bekoorlijk; bijtend, beleedigend.

Anzüglichkeit, v. bevalligheid, bekoorlijkheid v.; beieedigende aanmerkingen v. mv.. hatelijkheid v.

Anzünden, bedr. ww. ein Licht -, aansteken, ontsteken; ein llnus -, in brand steken; i. wed. ww. sich -, Z. sich entzünden.

Anzünder, (-s, mv. Amünder) m. aansteker, lantaarnopsteker; brandstichter m.

Anzupfen, bedr. ww. aan het kleed trekken.

Anzürnen, bedr. ww. toornig uitvaren tegen.

Anzwackcn, bedr. ww, met woorden plagen; etw. -, aanpakken, om er iets van af te nemen; aantasten.

Anzwangen, bedr. ww. met geweld aantrekken.

Anzwecken, bedr. ww. aanpinnen, vastpinnen.

Anzweifeln, bedr. WW., Z. bezweifeln.

Anzwelgen (sich1, wed. ww., Z. an-schtieszen.

Anzwicken, bedr. ww. met de nüptang aanhalen, spannen; (fig.) Z. necken.


-ocr page 82-

APO

70

APF

Anzwirnen, l)edr. ww. aanbinden, aandraaien; ein Unijlück Z. anstiflen.

Anzmingen, liedr. ww. onr., Z. aufzwin-gen.

Anzwitschem, liedr. ww. kweelen, sjilpen, aansjilpen.

Aeolipil, (-en, mv.-en) ni.,Z. Wimlkuyel.

Aeolisch, l)ijv. nw. Aeoliscli.

Aeolus, m. Aeolus m.-^eo/sftar/'ev. windharp v.

Aeone, v. lange tud m., ceuwiglieid v.

Aorist us , (-ristus of -rists, mv. -riste) m. verledene tijd m.

Apanage, (-n) v. lyflocht m., apanage o.

Apanaglren, bedr. ww. een i ij [toch! geven, met een apanage begiftigen.

Apart, byw. afzonderlijk, apart.

Apart, {-(e)s, mv. -e) m. Z. Abtritl.

Apartement, (-(c)-v, mv.-e) o. Z.Zimmer.

Apathie,v. gevoelloosheid, lusteloosheid v.

Apathisch, byv. en b. gevoelloos, zorgeloos, lusteloos.

Apatit, {-{e)s, mv. -en) m. natuurlijke phosphoorzure kalksteen, apatiet m.

Apergu, (-s) o,, z. m. overzicht o.; vluchtige schets v.

Apertur, v., z. m. opening, ledige ruimte v.

Apfel, (Apfels, mv. Jepl'el) m. appel m.; (Spr.) der - liillt nicht weit vom Stamm, de zoon aardt naar zyn vader; ein -, der runzelt, fault nicht bahl, krakende wagens duren het langst; -üther m. appelether m.; -baum m. appelboom m.; -bdumeu bijv. nw. appelhouten; -bein o., Z. Backenhein-, -bohrer m. appelboor v.; -brecher m., Z. Ohstbrecher; -brei m. appelmoes o.; -dor» m. wilde appelboom m.; -essig in. appelazgn m.;-förmig bijv. en b. appelvormig; -garten m. appelboomgaard m.; -gebackenes o. appelgebak o.; -grau bijv. en b. appelgrauw; -griebs, -gröbs m. klokhuis o. van een appel; -grün byv. en b. appelgroen; -kern m. appelpit v.;-ATa^rtmo., m. appelbroodje, appeltaartje o.; -kreuz o. appelkruis o.; -kuchen m. appeltaart v.; -küch-lein o. appeltaartje o.; -kürbissm. appelpompoen m.; -most m. appeldrank, appelwijn ra.; -musz m., Z. -brei.

Apfeln aich , wed. ww. met witte en gryze wolkjes bedekt worden.

Apfel-pfanne, v. appelpan v.; -pflaume v. appelpruim v.; -pommade v. appelpomade v.; -quitte v. kweeappel m.; -quittenbaum m. kweeappelboom m.; -raupe v. ringrups v.; -rund byv. en b. appelrond; -saft ra. appelsap o.; -saffie v. appelzaif v,; -sauer byv. en b. appelzuur; -sdure v. appelzuur o.; -schale v. appelschil v.; -schater m. appelschiller m.; -scheibe\.,-scheibcheno. appelschyf m.,appel-schyfje o.; -schimmel ra. appelschimmel m.; -schnecke v. jachthorentje o.; -schnitt m., -schnitte v., -schnitz m. snede v. van een appel, appelschyfje o.; -sine v. sinaasappel m.; -sinenbaum m. sinaasappelboom m ; -stamm m. appelboomstam m.; -staudey., -strauch ra. lage appelboom m.; -stecherm. appelsteker m.;

-stiel ra. appelsteel m.; -straubey., Z. -kilch-lein; -torte v.appeltaartv.; -tvein, Aepfeliuein m. appelwijn m.; -wickler m., Z. -raupe.

Aphelium, (-Hums, mv. -lid en -Hen) 0. zonsafstand ra., apheliura o.

Aphoristisch, byv. en b. Z. abgerissen.

Aphorism, (-en, mv. -en) in. kernspreuk, korte stelling v., aphorisme o.

Apiapfel, (-apfels, mv. -lipfel) ra. apia-appel m.

Apodictisch, ligv. en b. onwederlegbaar, ontegenzegiyk.

Apogaum, (-gdums, ra. -gaen) o. aard-verte v., apogeüm o.

Apokalypse, v. Openbaring v.

Apokryph, -isch, byv. en b. duister, raadselachtig, apocrief.

Apoll(o), (-s) ra. Apollo ra.

Apologet, (-en, mv. -en) m. verdediger, voorspreker ra.

Apologetisch, byv. en b. verdedigend, voorsprekend.

Apologie, (-») v. verdediging,voorspraak, apologie v.

Apoplectisch, bijv. nw. door eene beroerte verlamd; lot beroerten behoorende.

Apoplexie, (-«) v. beroerte v.

Apostasie, (-«) v. afvalligheid, geloofsverzaking v.

Apostat, (-en, mv, -en) m. afvallige; ge-loofsverzaker ra.

Apostel, {—s, mv. Apostel) ra. apostel m., verkondiger ra.; -amt o. apostelambt, apostelschap o.; -brief m. apostolische brief ra.; -ge-schichte v. de Handelingen der Apostelen; -schaft v. apostelschap o,; -tag ra. (feest)dag ra., feest o. van een Apostel.

Apostolisch, byv. en b. apostolisch.

Apostroph, (-s, mv. -e en -en) in. af-kappings- of weglatingsteken o.

Atrostrophe, (-n) v. aanspraak v.

Apostrophiren, bedr. ww. met afkap-pingsteekens voorzien; aanspreken.

Apotheke, (-n) v. apotheek v., arlsenij-winkel ra.; artsenybereidingskunst v.

Apotheker, -thekerin, m. apotheker ra., apothekersvrouw v.; -birn v. apothekers peer v.; -buch o. receptboek, apothekershandboek o.; -büchse v. apothek^rsdoos v.; -garten ra. plantentuin, kruidtuin m.; -gehülfe, -geselt m. apothekersbediende ra.; -gewicht o. apothekers-, medicinaal gewicht o.; -gras o., Quecken; -dunst v. apMhekerskunst, artsenij-bereidkunst v.; -lehrling ra. apothekersieer-ling ra.; -pfund o. apothekers-, raedicinaal pond o.; -rechnung v. apothekers-rekening v.; -schierling m., Z. Wusserschierting in.; -schwamm m., Z, Jadeschivamm; -taxe v, prüs m, waarvoor de artsenijen verkrijgbaar moeten zijn; -iopfm. apothekerspot ra.; -waa-ren v. mv. apothekerswaren v. mv., geneesmiddelen o. mv.; -wissenschaft v. artsenyieer, kennis v. der artsenijen.

Apotheose, (-n) v. vergoding, vergoddc-tyking, apotheose v.


-ocr page 83-

APR

71

ARB

Apparat, (-(6)«, mv. -e) m. toestel m.

Appell, m., z. m. oproeping, afroeping v. der namen, appèl o.

Appellant, {-en, mv. -en) m. appellant m., die eene zaak voor eene hoogere reclit-liank brengt.

Appellat, (-en, mv. -en) m. gedaagde m. in hooger beroep.

Appellation, {-en) v. hooger beroep, appél o.

Appellations-gericht, o., -hof m. bol

o. van appèl, rechtbank v. waarvoor eene zaak gebracht wordt in hooger beroep; -klage v. aanklacht v. in hooger beroep; -ralh m. raadsheer m. bij hel bof van appél; -schrift v. verzoekschrift, request o. om appèl.

Appellatlv(um), {-liv{um)s, mv. -tiva, -live en -liven) o. gemeen naamwoord o.

Appelliren, o. wvv. appel leeren, eene zaak voor eene hoogere rechtbank brengen.

Appendix, (-es, mv, -e) m. bijvoegsel, aanhangsel, appendix o.

Appetit, (-(e)s, mv. -e) m. eellust m.

Appetitlich, bijv. en h. wat den eetlust opwekt, lekker, smakelijk.

Appich, m., /,. Eppich.

Applaudiren, bedr. en 0. wvv. toejuichen, applaudisseeren.

Applaus, {-es, mv. -e) m. toejuiching v., handgeklap, applaudissement o,

Appiioatur, {-en) v. vingerzetting, appli-catuur v.

Appiiciren, bedr. ww. aanwenden, toe-n; 2. wed. ww. sich -, zich op iels toe

passen;

Application, {-en) v. aanwending, toepassing V.; vlijt v.

Appointwechsel, m. wissel m. voor bet bedrag van het tekort eener som.

Apport, tussch. breng bier! i. zelfst. {-{e)s, mv. -e) o. roep m. tot honden.

Apportiren, bedr. ww. terugbrengen, aanbrengen, apporteeren.

Apposition, {-en) v. verklarend bijvoegsel o., bijstelling v., apposilie v.

Apprehension, {-en) V. bezorgdheid v.; gewaarwording v.

Apprehensiv, bijv. nw. bezorgd.

Appretiren, bedr. ww. opmaken, opwerken.

Approbation, {-en) v. goedkeuring, toestemming v.

Approbiren, bedr. ww. goedkeuren, toe-slemmen.

Approximation, (-en) v, toenadering v.

Approximativ, bijv. nw. benaderend.

Aprikose, (-n) v. abrikoos v.

Aprikosen-baum, m. abrikozeboom m.; -kern m. abrikoze-steen m.,pit v.; -p fir sich m. perzik, abrikoos v.

Abrlkös-chen, -lein, o. abrikoosje o.

April l), {-s, mv. -e) m. April m.;jem. in (((en) - schicken, führen, iem. beet nemen, voor gek laten loopen; -blume v. witle boterbloem, windroos v.; -emjlück o. onbestendig geluk o.; -enhafl bijv. en b., welterwen-disch; -enliebe v. ongestadige liefde v.; -ennarr m. Aprilgek m.; -enregen m. Aprilregen m ; -schwamm m. kampernoelie v.; -enweller o Aprilweer o.; (tig.) onbestendig weer o.

Apslden, v. mv. de beide keerpunten o. mv. in de loopbaan eener planeet; -linie v. absiden-lijn, groolsle as v. der planeetbaan.

Apyrite, :(-n, mv. -n) m. roode schorl m.

Aquaduct, (-(e)s, mv. -e en -en) in. waterleiding v.

Aquamarin, bijv. nw. zeegroen; 2 {-{e)s, mv. -e) o. zeegroene edelsteen m.; -schorl, Z. Beryll.

Aquarell, {-(e)s, mv. -e) o., -malerei v. schilderen o. met, schilderij v. in waterverf.

Aquatoffana, v. giftwater 0.

Aequator, ra.equator ra., middellijn, evennachtslijn v.

Aequatorial, bijv. nw. equatoriaal.

Aquavit, (-(e)s, mv. -e) o. brandewijn ra.

Aequiiibrist, (-en, mv. -en) ra. koorde-danser m.

Aequilibrium, (-s) o., z. m. evenwicht o.

Aequinoctial, Injv. en b equinoctiaal, wat tot den equator hehoorl;-/i«icv. equator m., middellijn v.

Aequinoctium, {-s) 0., z. m. dag- en nachtevening v.

Aequivalent. bijv. nw. gelijkwaardig; 2. zelfst. {-{e*s, mv. -e) o. gelijke waarde v., equivalent o.; vergoeding v.

Aequivok, bijv. en b. dubbelzinnig.

AequivoUe, (-n) v. dubbelzinnigheid v.

Aera, v. jaartelling, tijdrekening v.

Araber, (-.s, mv. Araher) m. man ra. en paard uit Arable.

Arabeske, (-«) v. Arabisch béejdhouw-of schilderwerk o., arabeske v.

Arabisch, bijv. nw. Arabisch, van Arable; vreemd, onverstaanbaar.

Arak, (-(e)s, mv. -e) ra. arak m.

Araometer, m. vochtmeter, areometer m.

Araometrie, (-n) v. leer v. van de vocht-meting, vochtweging v.

Aerar ium), {-rar{ium)s, mv. -rare) o. schatkist, thesaurie v.

Aerarialvermögen.o, openbare fondsen, eltecten o. mv.

Arbeit, (-en) v. arbeid m., werk o.; bezigheid, verrichting v.; ambacht o.; bewerking, bearbeiding,fatsoen o.; (van wijn. bier) gisten o.; (Spr.) wie die -, so der Luim, loon naar werken.

Arbeiten, o. w w ., arbeiden, werken, bezig zijn; (van eene vrouw in barendsnood), in arbeid zijn; werken, gisten; rijzen; 2. bedr. ww. dresseeren; afbeulen.

Arbeiter, -beiterin, arbeider, werkman, arbeidsman ra., arbeidster, werkster v.; -bank v. werkbank v.; -verein o. arbeidersvereeni-ging v.

Arbeitsam, bijv. en b. arbeidzaam, werkzaam, vlijtig, üverig.

Arbeitsameise, v. werkmier V.


-ocr page 84-

ARG

72

ARG

Arbeitsamkeit, v. arbeidzaamheid, vlyt v,, ijver m.

Arbeits-anstalt, v., Z. -haus; -hank v. werkbank v.; -beutel m. werkzak m.; -biene v. werkbij v.; -buch o: zakboekje o.

Arbeitsel, {-seis) o., z. m. knoeiwerk, broddelwerk o.

Arbeits-fahig, bijv. en b. in staat om te werken; -feinil m. vijand m. van werken; -frnu v. werkster v,; -freund m. vriend m. van werken; -geber m. hij, die werk seeft; -haus o. werkhuis o., werkplaats, fabriek v.; verbeterhuis, huls o. van verbetering; -hammer v. werkkamer, werkplaats v.; -kaslchen o. werkdoosje o.; -hnrh m., -körbchen o. werkmandje, werkdoosje o.; -Inhn m. werkloon, arbeidsloon o.; -mam m. werkman, dagloo-ner, arbeider m.; -ort m., 7.. -hammer; -snal m. werkzaal v.; -scheu bijv. en 1). lui, traag; -scheue v. afkeer m. van den arbeid; -srhuic v. werkschoot, industrieschool v.; -stube v. werkkamer; studeerkamer v.; -stuwh v. werkuur o.; -laq m. werkdag m.: -tasche v., -beutel; -lisrh m. werktafel v., werkbank v.; -unfiihifi bijv. en b. niet bekwaam, niet in staat tot werken, ongeschikt voorden arbeid; -rout m., Z. Meister; -voll bijv. en b. moeilijk; werkzaam; -zeit v. werktijd m.; -zeuy o. gereedschap o.; -zimmer o., Z. -slube.

Arben, v., Z. Zirhelmiss.

Arbitrage, v. bemiddeling, schcidsrech-lerlijke uitspraak v.; arbitrage v.

Arbitralspruch, m. scheidsrechterlijke uitspraak v.

Arbitriren, bedr. en o. ww. de waarde van geld en wissels berekenen.

Arbuse, (-n) v., Z H'assermelono.

Arcade, (-n) v. boogvormige opening v., boog m., arcade v.

Arcamim, {-canums,m\. -canen o!-cana) o. geheim o., geheimenis v.; geheim geneesmiddel o.

Archaismus, {-mus, mv. -men) m. verouderd woord o., oude vorm m.

Archaïstisch, bgv. nw. verouderd.

Archaolog, {-en, mv. -en) m. oudheidkenner m.

Archaologie, v. oudheidkunde v.

Archaologisch, bijv. en b. oudheidkundig, verouderd.

Arche, (-n) v. doos, kast v.; ark, bondskist v.; orgelkist v.; schutsluis v.; INoachs-ark v.

Archi-diacon(us), m. aartsdeken m.; -iliaconal o. aartsdekenschap o.; -mandril m. archimendriet m.

Architect, {-en, mv. -en) m. bouwmeester, bouwkundige, architect m.

Architectonisch, bijv. nw. bouwkundig, bouwkunstig, wal bouwkunde betreft.

Architectur, v. bouwkunde, bouwkunst, bouworde v., bouwtrant m.

Architrav, (-(«).?, mv. -e) o. hoofdbalk, bintbalk m., architraaf o.

Archiv, {-{e)s, mv. -e) o. archief o.

Archivalisch, bijv. en b. tot een archief behoorende, Z. urkundlich.

Archivar, (-s, mv. -e) m. bewaarder, opzichter m. der oorkonden, archivaris m.

Archont, {-en, mv. -en) m. archont m.

Aere, {-n) v., Z. Hausflur.

Areal, {-{e)s, mv. -e) o., Z. Flachenraum.

Areka-baum, m. arekaboom m.; -nuss v. arekanoot v.; -palme v. arekapalm v.

Arena, (mv. -s) v., Z. Kampfplalz.

Areometer, m.vochtmeter, vocht weger m.

Arg, {tin/er, drgst) bijv. en b. slecht, erg, kwaadwillig, kwaadaardig, boos; ich meine es nicht so - mil dir. ik meen het zoo kwaad niet met u; es ist mir -, het spijt mij zeer; 2. o. zelfst. das -e, ein -es, kwaad o.; ohne -, zonder erg, boos opzet.

Argali, (-s, mv. -en) o. muffeldier o.

Argemonröslein, o. doornachtige slaapbol m., wilde papaver v.

Aerger, (vergr. Ir. van arfl) bijv. en b. erger, slechter.

Aerger, m., z. m. ergernis v., toorn m., spijt v., verdriet o,

Aergerhaft, bijv. nw. plaagachtlg.

Aergerlich, bijv. en b. verdrietig, gemelijk, korzelig; aanstoolel jk, ergerlijk.

Aergern, bedr. ww. ergeren, verdriet veroorzaken, boos doen worden; 2. wed. ww. sich über of au etw. -, zich ergeren over, boos, verontwaardigd worden over; sirlt an jemn. of über jem. -, zich ergeren over, 3. onp. ww. es drgert mich, het spijt mij zeer.

Aergerniss, {-cs, mv. -e) o. ergernis v., aanstoot m., schandaal o.; 2. spüt v., toorn m., verdriet o.

Arggesinnt, bijv. nw. kwalijk gezind.

Arg-heit, v. boosheid, slechtheid v.; -herzie/ bijv. en b., Z. boshaft; -list v., z. m. arglistigheid v.; -listig bijv. en b. arglistig, be-drlegelijk; -listigheit v., Z. -list; -Ins bijv. en b. argeloos; onschuldig, onnoozel, eenvoudig; -losigkeit v. argeloosheid, onnoozelheid, oprechtheid v.

Aergste, bijv. en b. overtr. Ir. van arg.

Argument, {-{e)s, mv. -e) o. bewijsgrond m., betoog, bewijs o.

Argumentation, {-en) v. bewijsvoering v., betoog o., betoogtrant m.

Argumentiren, o. ww. betoogen, bewijzen, bewijsvoeren.

Arg-willig, bijv. en boosaardig, kwaadwillig; -willigkeit v. kwaadwilligheid, boosaardigheid, kwade trouw v.

Argwohn, (-(e)s) m., z. m. argwaan m., verdenking, achterdocht v.; wantrouwen o.

Argwohnen, -wöhnen, bedr. ww. verdenken, verdacht houden, argwanen, wantrouwen, verdenking of kwaad vermoeden opvatten.

Argwöhnig, bijv. nw. argwaan verwekkend; ergdenkend.

Argwöhnisch, bijv. nwr. wantrouwend, achterdochtig; -wöhnigkeit v.. Z. Jrgivohn: -wohnlos bijv, en b. zonder achterdocht, zon-


-ocr page 85-

ARM

73

ARR

hief ,ler argwaan; -wohnlossigkeil v. gerustheid v.;

goed vertrouwen o.

op- Argus, m. Argus; gestippelde hagedis v.;

pauwfazant m.; -auge o. Argusoog; waak-'• znam oog o.

Arie, {-n) v. aria v., air o. 'W- Ariette, (-n) v. klein air o.

s V. Arios, hijv.en h. naarde wijze van een air.

Ariatarch, (-s, mv. -e) A ristarchus; streng kunstrechter m. m. Arlstarchisch, byv. en b. naarde wijze

'rg, van een streng kunstrechter of heoordeel-

'ine aar m.

iad Aristokrat, {-en, mv. -en) m. aristo-

'er; craat m.

-, Aristokratie, v. aristocratie v.

Aristokratisch, Stijv. en 1). aristocratisch.

i p- Aristotellker, (-likers, mv. -liken m.

aanhanger m. van dc leer van Aristoteles. h. Aristotelisch, hijv. nw. overeenkomstig

met ile leer van Aristoteles. m., Arithmetik, v. rekenkunde, rekenkunst v.

Arithmetiker, {-tikers, mv. -likcr) m. rekenkundige, rekenaar m. ie- Arithmetisch, hijv. en I). rekenkundig,

rekenkunstig.

3r- Arkadien, (-s) o. Arkadië o.; land o. van

w. Inndelük geluk.

os, Arkadisch, hijv. nw., idyllisch.

/!'■ Arkebusade, (-n) v. dood m. door mid-

w. del van den kogel, fusileeren o.

Arkehusier, (-s, mv. -e) m.soldaat m. v., met eene huks gewapend,

n., Arkehusierer, m., Z. Arkehusier.

Arktisch, hijv. en h., /. nrirdlirh. Ariekin, m., 7.. Harlekin.

Arlesheere, (-n) v. lotushes, hezie v.; g- -nbiium m. lotusboom m.

•e- Arm, (armer, armst) bijv. en h. arm, be

en hoeflig; (lig.) bekrompen, onnoozel.

g; Ann, {-(e)s, mv. -e) m. arm m.; tak m.;

p- (aan een wagen), tang, disseltang v.

Armader, v. armader v.

Armiidni, (-(c)s, mv. -e) m. schildvarken, id gordeldier o.

Armarterle, v. slagader v. in den arm. •g Armatur, v. wapening, uitrusting v.

Arm-band, o. armband m.; -hein o. arm-ij- heen o.; -heiifie, -hieqe v. elleboog m.; -hinde

v. armband ni.; -blulailer v. armhloedader v.; 1- -hruch m. armbreuk v.; -hrust v. armborst v.;

s- —marher m. armhorstmaker m.; —.ichïUze

m. boogschutter m., die Ti\el eene armborst i-, schiet; -spanner m. hoogspanner m.

Aerm-chen, -lein, o. armpje 0. r- Arme, (der, die), (-n, mv. -n) de arme

i- (man of vrouw).

i- Armee, (-») v. leger o.; -herichl m. legcr-

hericht o., I)ulletln o.

Aermel, (-s, mv. Aermel) m. (aan klee-ren), mouw v.; (lig.) jemn. ebv. auf den - hin-I, den, op de mouw spelden, wijsmaken; -auf-

schlag m. opslag m. 0|i de mouw; -ansschnilt m. ronde uilsnijding v. van de mouw.

Aermelig, bijv. nw. met mouwen.

Aermel-kleid, o. kleed o. met mouwen-, -leibchen, -mieder o. lijfje, keursje o. met mouwen; -loch o., Z. Armloch; -mantel m. mantel m. met mouwen; -musier o. patroon o. van de mouw; -schnitt m. snee, snede v. der mouw.

Arraen-anstalt, v. armeninrichting v., gesticht o. voor de armen; -anwalt in. armen-advocaat m.; -aufseher m. armbestuurder m.; -aufsichl v. armbestuur o.; -hecken o. armen-schaat v.; -blichse, -rasse v. armenbus, armenkas v.

Armende, o. boveneinde o. van het handbeen.

Armen-eid, m. eed m. wegens armoede; -geld o. armengeld o.; -gesetz o. armenwet v.; -haus o. armhuis o.; -kasse v. armenbus, armenkas v.; -kasten m., Z. -stock, -kasse: -ordnung v. reglement o. omtrent de armen; -p/lege v. armenverzorging v.; armbestuur o.; -pjlèger m. armenverzorger m.; -recht o. ar-menrecht o.; -ring m., Z. Armring; -sache v. armenzaak v.; -schule v. armschool of armenschool v.; -schiller m. leerling m. van de armenschool; -spital o. ziekenhuis o. voor de armen; -steuer v. belasting v. tot onderhoud der armen; -stock m. armenblok o., armenbus v.; -fase v., Z. -steuer; -verpflegung v. armenverzorging v.; —sanstnlt v., -nnstalt; -verwalter m. opzichter m. der liefdadigheidsgestichten; -verwaltung v. bestuur o. der inrichtingen voor armen; -rngt m. armbestuurder m.; -wesen o. armenwezen, armwezen o.

Arm-feile, v. groote vlerkante ijzervijl v.; -tliiche v. armvlakte v.; -fiirmig bijv. en b. armvormig; -fustier m. armvoeler m.; -ge-tlecht o. armvlecht v.; -geige v., Z. Bratsche; -gelenk o. gewricht o., gewrichtsverbinding v. van den arm; -geschmeide o. armsleraad o.; -handschuh m., Z. -s/nek; -hemd o. hemd o. met mouwen; -hoeker o. de uitstrekkende spier v. van den voorarm; -höhle v. armoksel, oksel m.; -holz o., Z. KrispelholZ; -hut m. platte hoed m.; klak v.

Arraillarsphare, v. armillairsfeer v.

Armiren, bedr. ww. wapenen, van wapenen voorzien; ein Schi/f -, uitrusten.

Arm-kissen, o., Z. -polster; -korh m. hengselmand v.; -leder o. armband m.; -lehne v. armleuning v.; -leuchter m. armblaker m.; waterhalm m.

Aermtich, bijv. en b. armoedig, ellendig, armzalig; -keil v. armoede, ellende v.

Aermling, m. overmouw, morsmouw v.

Arm-locb, o. armsgat o.; -los bijv. nw. zonder armen, armloos; -muskei m. armspier v.; -mnlch m. zeenimf, meermin, sirene v.; -nerve m. armzenuw v.; -polsier o. armkus-sen o.; -polyp m. armpolyp m.; -pulsader v. armpolsader v.; -ring m. armring m.; (aan een wagen), tang, disseltang v.; -röhre v., Z. -hein; -sdule v. handpaal m. op den weg; -schiene v. armstuk o., armleuning v.; arm-spalk v.;-schlinge v., Z. -hinde; -schloss o. slot


-ocr page 86-

74 ARS

o. van een armband; -schmuck m. armsieraad Arsenikalisch, bijv. nw. arsenikachtig. (Sp

0.; -schnaUe v. gesp m. van een armband. Arsenik-blnmen, v. mv., -blüthe, v. gesl

Armsdick, büv. en b. zoo dik als een arm. arsenikbloemen v. mv.; -huiler v. arsenik- A

Armsdicke, v. armsdikte v. boter v.; -erz o. arsenikerts o.; -hallig bijv. apo

Armoeiig, bijv. en b. armzalig, ellendig, en b. wat arsenik bevat; -kalk m. arsenik- lier

ongelukkig; armoedig; -keit v. armoede, el- kalk v.; -kies m. arsenikkles in.; -könig m. kei

lende v. metaalacbtigffiiesglans o.,arsenikm.;-leber v. /

Arm-sesael, m. armstoel, leunstoel m.; arseniklevcr v.; -leqirumi v. arsenikverbin- mei

-spanne v. armband m.; -spindel v. spaakbeen ding v.; -ijl o. arsenikolie v.; -rubin in. arse- i

o.; -stüch o. armstuk o; It. Z. -schienc; -stuhl nikrobijn m.; -salz o. arsenikzout o.;-sawer o.;

m., Z. -sessel. bijv. nw. met arsenikzuur verbonden; -siiure m.

Armuth, v. armoede v.; onnoozelbeid v.; v. arsenikzuur o.; -silber o. arsenikzilver o.; sm

de armen m. en v. mv.; -seiri. m. eed m. om- -ivasserslo/fgas o. met arsenik vermengd wa- kei

trent züne armoede; -sscltein m. of -szeugniss terstofgas o. gei

o. bewijs o. van onvermogen. Art, iArten) v. wezen o., aard m., natuur, gei

Armvene, (-«) v. armader v. wijze v. van zijn; manier, wüze v. van ban- mii

Arm-zierath, -zierde, v., Z. -schmuck. delen; soort v., aard m., ras 0.; (Spr.) - lassl mi

Aernte, (-n) v., Z. Ernte. nicht ton -, de appel valt niet ver van den dn

Arolsbeere, (-») v., Z. Arlesheere. stam; a«s der - schlagen, ontaarden; klasse v., ar'.

Aroma), (-rom(o)s, mv. -rome,-romas geslacht o.; bewerking, omwerking v. wijze v. cht

of -romata) o. aangename reuk, geur m. Art-acker, m. omgeploegd land o.; -bar arl

Aromatisch, bijv. nw. geurig, welriekend, bijv. en 1)., Z. urhar: -heijriff 111 soortbegrip o. ne

kruidig, specerljaebtig. Aertelu, Z. arlen. ap

Aromatisiren, bedr. ww. geurig, wel- Arten, o. ww. aarden, gelijken; goed uit- bel

riekend maken, kruiden. komen, gedijen; 2. bedr. ww. vormen, schep- mi

Aron, (-s, mv. -s) m. arum v.; -szwurzel pen; li. wed. ww . sich -, den aard van iels poi

\. arumswortel m. aannemen. -si

Arquebusier, m., /., .-Irkebusier. Arterie, {-li) v. polsader, slagader v. \oi

Arrak, m., Z. .Irak. Arteriell, bijv. nw. slagaderlijk, de slag- scl

Arrest, (-(«)«, mv. -e) m. gevangenzet- aderen belretlende. er

ting, inhechtenisneming,verzekerdehewaring Arteriös, bijv. nw., Z. arleriell. -u

\ arrest o., beslag, embargo o.; -timmer o. Artesisch, bijv. nv'. Artesisch. o.

politiekamer v. Arthaft, bijv. nw., Z. artbar. -u

Arrestant, {-en. niv. -en) in., Z.. i'erhaf- Articulation, (-en; o. gew richtsverbin- ar

tele, Gefanejene. ding v., gewricht o.; samenvatting, ineenval- v.

Arrestation, (-en) v. gevangenneming, ting v. van twee of meer stukken; duidelljk-

gevangenzetting, aanhouding v., arrest o. held v. in de uitspraak. ne

Arrestiren, arretiren, bedr. WW., Z. Articuliren, bedr. vn. zuiver en juist be

eerhaften. uitspreken, artlculeeren; in al de bijzonderbe- ne

Arriviren, o. ww., Z. ankommen; ■gt;. wed. den voordragen.

ww. sich -, Z. sich zutraqen. Artic, bijv. en 1). (in samenstellingen), dal ge

Arrogant, bijv. nw., Z. unmaszlich. aardt naar, gelijkt np, Z. Gyps-, Glas-; aar-

Arroganz, v., 7.. Anmaszlichkeit. dig, lief, bevallig, welgemanierd; net, sierlijk;

Arrondiren, bedr. ww., Z. abrunden. zoel, ordentelijk, beleefd. dn

Arrondissement, (-s, mv. -e) o., Z. Artigkeit, v. aanvalligheid, zoetheid, bo- o.

sJbrmdung; arrondissement o. minnclükheid v.; aangenaamheid v.; beleefd-

Arsch, (Arsches, mv. Aersche) m. aars m., held, aardigheid v.; voorkomendheid, botlelük- bo

kont v., achterste, gat o., billen v. mv.; -bac- held v.; -en v. mv. aardigheden v. mv.; vlei-

ken v. mv. billen v. m.; -füszlein o. kleine ende woorden, komplimenten o. mv. w

duikelaar m.; -gewdchs o. gezwel o., wrat v. Artikel, (-s, mv. Artikel) m. lidwoord o.;

(op het achterste). (van een verdrag), artikel o., bepaling v.; (van

Arschine, (-n) v. Russische ellemaat — eene rekening), post m., artikel o.; punt, ge- vi

-\ centimeters. deeite o., artikel o.; -sbrief m., Z. Innungs-

Arsch-kerbe,v. bilnaad m.;-Mcro. aars- brief, Gitdebrief; artikelbrief, lastbrief m.; Vi

leer o. der mijnwerkers. -weise bijw., Z. punktweise.

Aerschlings, bijw., Z. rïtcklings. Artillerie, v. geschut 0. met wat tot zijne V(

Arsch-loch, o. aarsgat o.; -made v. aars- bediening behoort, artillerie v.; -park m. ar- st

made v.; -pauker, -preller m. britser, plak- tilleriepark o.; -schule v. artillerieschool v.;

voerder m.; -seil o. aarstouw o.; -wisch m. -train m. artillerietrein m Ie

aarswisch in. Artillerist, (-en, mv. -en) m. kanonnier.

Arsenal, (-(e)i, mv. -e) o. tuighuis, ar- artillerist m. v-

senaal o. Artischoke, (-n) v. artisjok v.; -nbart h

Arsenig, bijv. nw. arsenikachtig. m. baard m. of haar o. van de artisjok; -stuhl

Arsenik, m.,z. m. arsenik ra., arsenicum, m. stoel m. van eene artisjok.

rattenkruit o. Ari(e)nel, v. artsenij v., geneesmiddel o.; £

ARZ

-ocr page 87-

AES

ASP

75

ilig- (Spr.) - is/ rjatgenfrei, de dokiers mogen on- Aeachel, m. fijn koball o.

e, v. gestraft iem. om het leven brengen. Aschen-ahnUch, hgv, nw. aschachlig;

enlk- Arz(e)nei-bereltergt; m. artsenijbereider, -bad m. ascbbad 0.; -iehaHer o,, Z. -fall;

liijv. apotheker m.; -bereitung(skunst) v. artsenij- -blaser m., Z. -ziehe7-; -hleich b(iv. nw. bleek

enik- liereidkunde v.; -buch o. artsengboek, apothe- als asch; -brenner m. aschbrander m.; -bi-oü

iff quot;gt;■ kershandboek o.;-(lüc/we v. apothekersdoos v. o., Z. -kuchen; -brödel m. asscbepoetser m.,

'jer v. Arz(e)neien,o. ww. geneesmiddelen inne- asscbepoetster v.; -ente v. tafeleend v.; -fall

rbiii- men; 2. bedr.ww. artsenij voorschrijven,geven. m. aschbak, aschhaard m., asebgat o.; -farbe

arse- Arz:e)nel-formel, v recept, voorschrift v. aschkleur v.; -fass o. aschvat, aschton v.;

•auer o.; -gelehrsamkeit v. geneeskumle v.; -geruch -frau v. aschvrouw v.; -funke m. vonk v. in

'dure m. arisenijreuk m.; -geschmack m. artsenij- de asch; -grube v. aschkuil m.; -handler m.

ir o.; smaak m.; -glas o. artsenijflesch v., apothe- aschman m.; -haufe m aschhoop m.; -herd

wa- kersfleschje o.; -gotl m. Esculaap, god m. der m., Z. -fall; -kammcr v. aschkamer v.; -ka-

geneeskunde; -göttin v. Hygiea, godin v. der sten m. aschklst v.; -kern m. aschbloem v.;

luur, geneeskunde; -handel m. handel m. in genees- -kraul o. aschkruid o., aschpiant v.; -krug

ban- middelen; -handler m. koopman in genees- m. aschkruik, urne v., aschpot m.; -kuchen

lasst middelen; -handlang v. apotheek v.; -kast- m. asclikoek tn., aschbrood o.; -lauge v., Z.

i den dien o. artsenijkistje o.; -kraftig bijv. nw., Z. Lauge; -loch o., Z. -fall; -meise v. poelmees

se v., arzneilich; -kraut o. geneeskruid o.;-ftUff»/- v.; -ofen m. aschoven m.; -pflanze v., Z.

ze v. ; chen o., Z. Pille; -kunde, -kunst, -lehre v, -kraut.- -salt o. sodazout, loogzout o., put-

-bar artsenijkunde, artsenijkunst, geneeskunde, ge- asch v.; -schweler m., Z. -brenner; -stiiber

'ip o. neeskunst v.; -laden m. artsenüwinkel m., m. asscbepoetster v.; -topf m., Z. -krug;

apotheek v.; -lich bijv. en b. lot de artsenij -tuch o. loogdoek, ascbloogdoek m.; -zieher

uit- beboorende, medicinaal; -mittel o. genees- m. edele schorl, trip m.

liep- middel o.; -pflanze v., Z. -kraut; -pulver 0. Ascher, {-s, mv. Ascher) m. ombervlsch;

iets poeder, poeier o.; -schrank m. arlsenijkasl v.; m.; -mitlwoch m. aschwoensdag, aschdag m.

-staff m. artsenijstof v.; -taxe v. tarief o. Aescber, m., z. m. kalkv.;-/'asso.,-r/rulie

\oor artsenijen; -trank m. drankje o.; -ver- v. looikuip, kalkkuip v.; -satz m. aschbed o.;

gt;lag- : schreibung v. recept o.; -verstandig bijv. en b. -stange v. aschslok m.; -tuch o., Z. Aschtuch.

ervaren in de geneeskunde, artsenijkundig; Aeschericht, ascheri^, bijv. en b. tis-

-waare, apothekerswaar, drogerij v.; -wesen schlg, aschachtig.

o. al wat betrekking heeft op de geneeskunde; Aeschern, bedr. ww. in asch doen ver-

-wissenschaft, v. geneeskunde, geneeskunst, branden, tot asch verteren; asch ulldeelen;

bin- artsenijkunde, artsenijbereidkunde v.; -zette! sich - lassen, een kruisje gaan balen; ploten,

vat- v. recept o.; etiquette v. in kalk en asch koken; IVdsche Z. langen;

lijk- Arzt, (-es, mv. Aerzte) m. geneesheer, ge- i. wed. ww. sich -, Z. abdschern.

neeskundlge,dokter, arts m.;-jeftiiAraj v. mv. Asch-farbe, v., -farbig, Z. Aschen-

uist bezoldiging v., loon, salaris o van den ge- farbe amp;; -grau bijv. en b. ascligrauw; -huhn

rhe- neesheer o., Z. Wasserratte.

Aerztlich, bijv. nw, den geneesheer en de Aschicht, bijv. en b. aschachtig, asschig.

dal geneeskunde betreffende; geneeskundig. Asch-kasten, m., Z. Aschenkasten; -kern

aar- As, o., Z. Ass; a mol, as v. m., Z. Aschenkern; -knecht m. aschhereider

lük; Asant, (-{e)s, mv. -e) m. stinkender -, ra., knecht m. voor de asch; -krahe v., Z.

duivelsdrek m.; wohlriechender -, benzoehars NebeJkrdhc; -kuchen m., Z. Topf kuch en;

he- o. en v. -lauch, Aeschtauch m. sjalotte v., Lauch,

efd- Asbest, (-(c)s, mv. -e) m. steenvlas, as- Schnilttauch; -lerche v. aschgrauwe leeuwe-

lük- best o.; amlant o.; -korkm. asbestkurk o. rik m.; -Inch o., Z. Aschenloch; -meise v., Z.

'lei- Ascaride, (-n) v. aarsworm, endeldarms- Aschenmeise; -wurz v., Z. Diplan; -zinn o.

worm m. bismuth o.

1 o.; Ascese, v. beoefening v. der asceliek. Aesculap, [-{e)s, mv. -e) m. Esculaap;

van Ascet, {-en, mv. -en) m. boeteling, streng geneesheer, dokier, arts m.

ge- vroom menscb m. Aesen, aszen, bedr. en o. ww., Z. aasen.

'igs- Ascetik, v. de leer v. omtrent bet doen Aspe, (-«) v., Z. Espe; eene soort van

m.; van boete, asceliek. karper in Zweden.

Ascetiker, {-s, mv. Ascetiker) ra. schrij- Aspect, {-{e)s, mv. -een -en) aanblik m.;

Üne ver m. van geschriften over ascetlek, van onderlinge stand m. der planeten; voorteeken,

ar- stichtelijke werken. vooruitzicht o.

v.; Ascetisch, bijv. en b. streng vroom, stich- Aespen, bijv. nw., Z. espen.

lelijk, tot boetedoening opwekkend. Asper, (-,?, mv. Asper) m. asper m.. Turkier, Asch, {Ascites, mv. Aeschei m. pan, test scbe zilvermunt ~ f 0,05.

v., pot in.; (in Beieren), een vaartuig voor Aes^ern, bedr. ww., Z. qualen, abhetzen.

'art het vervoer van zout; -blei o., Z. fVismuth. Asphalt, (-(e)s, mv. -e) o. asphalt, joden-

uht Asche, (-«) v. asch v.; stof o. pek o.; bitumineuse kalk v.

Ae«cl\agt;dbaj Yi aillllliriig^lL-aratierm Z. Asphaltisch, bijv. nw. asphalt-, joden-

o.; Esche. Jp pek-aebtig.

r B5EMJ0T-CA \

I mm. WUCHSHS |

-ocr page 88-

7ti AST

ATE

Asphodil^), {-{e)s, mv. -e) o.,Z. AffodiU.

Aspirant, (-en, mv. -en) m. adspirant, ^andidnat m.

Aapirata, v., Z. Ilauchlaut.

Aspiration, (-en) v. aanademing, aanblazing v.

Aspiriren, bedr. ww. aanademcn, aanblazen; 2. o. ww. naar iels staan, trachten te verwerven.

Ass, {-es, mv. Asse) m. aas o.; korrel v.; apothekers {?rein, aas o.

Asz, o., Z. Jas.

Assecuranz, {-en) v. verzekering, assurantie v.; -bureau, -comptoir o. assurantiekantoor o.; -conto o. assurantie-rekening v.; -(jericht o., -kammer v. assurantiegerecht, assurantiekamer v.; -makier m. makelaar m. in assurantiën;-/vramfev.assurantie-premiev.

Assecurat, {-en, mv. -en) m. verzekerde, geassureerde m.

Assecurirbar, bijv. nw. verzekerbaar.

Assecuriren, bedr. ww. verzekeren, as-sureeren.

Assei, (—7i) v. gewone pissebed v.; -raupe v. pissebed-rups v.; -srhnecke v. helmslak v.

Assemblee, {-n) v., Z. Gesellschaft.

Aszen of aszen, o. ww. of wed. ww. sich -, azen, weiden, grazen; 2. bedr. ww. met aas visschen.

Assertion, (-») v., Z. Behaupiuncf.

Assertorisch, bijv. nw., Z. bestimmt.

Assessor, mv. -«'») m. bijzitter, eerste ambtshelper m. eens rechters, assessor m.

Assientist, {-en, mv. -en) m. aandeelhouder m. in de actiën der assiën tomaat schappij.

Assignant, {-en, mv. -en) m., /. Anweiser.

Assignate, {-n) v. assignatie v.

Assignatar, -tarin, hij of zij, op wien (wie) eene assignatie wordt afgegeven.

Assignation, {-en) v., Z. A nw ei sunn.

Assigniren, bedr. ww., Z. anweisen.

Assimilation, (-en) v. vereenzelving v.

Assimiliren, bedr. ww. vereenzelvigen, opnemen en zich vereenigen.

Assisen, v. mv. zittingen v. mv. van een lijfstraffelijk gerechtshof; -fierichl o., -hof m. gerechtshof o. voor lijfstraffelijke misdaden.

Assistent, {-en, mv. -en) m.,Z. Gehülfe.

Association, v., Z. Ferbimlung, Genos-senschaft.

Assocüren, bedr. ww. tot deelgenoot aannemen, associëeren; 2. wed. ww. sich mit jemn. -, zich verbinden, zich associëeren, een deelgenootschap aangaan.

Assonanz, {-en) v. onvolkomen gelijkheid v. van klank in den uitgang der woorden, halfrijm, onvolkomen rijm o.

Assortiment, {-{e)s, mv. -e) o. voorraad m. van waren van dezelfde soort, assortiment o.

Assortiren, bedr. ww. naar soorten schikken, uitzoeken, sorteeren.

Ast, {-es, mv. Aeste) m. tak, boomtak m.; zijtak m.; (in hout), kwast, knoest m.; bult, bochel m.

Aestchen, -lein, o. takje, boomtakje o.

Asten, asten (sich), wed. ww. takjes krijgen.

Aster, (-s, mv. .-l.tler) m. stcrrebloem, aster v.

Aest'e'rich, (-(e)s, mv. -e) m. en o. plaveisel o., vloer m.

Asthenisch, hijv. en b. krachteloos.

Asterit, {-en, mv. -en) m. versteende zeester v.

Asteroid, {-en, mv. -en) m. Asteroïde v.

Aesthetik, v. sclioonlieidsleer, aesthe-ticav.

Aesthetiker, {-tikers, mv. -tilter) m. een in de schoonheidsleer ervaren man m.

Aesthetisch,l)ijv. nw. aesthetisih; smaakvol, schoon.

Aesthetisiren, o. ww. de aeslhetica he-oefenen; over het schoone redekavelen.

Asthma, o. aamborstigheid, kortademigheid v.

Aesthraatiker, {-tikers, mv. -liker) m. aamborstige m.

Asthmatiscb, hljv. nw. aamborstig, kortademig.

Astholz, o. takbout o.

Aestig, bijv. en b. takkig,knoeslig,kwastig.

Aestimiren, bedr. ww., Z. achatzen.

Aestlieh, bijv. nw., Z. Mig.

Ast-knorren, m. kv?ast, knoest m.; -krdhe v., Z. Sehelkriihe; -krewz o. getakt kruis o.

Aestling, {-{e)s, mv. -e) m. takkcling m.

Ast-loch, o. gat o. in eene plank, ontstaan door een kwast; -los bijv. en b. zonder takken; (van eene plank), zonder kwasten; -moos o. takkig aardmos o.; -slanilig bijv. nw. tak-standig; -voll bgv. en n. getakt, kwaslig, knoestig; -werk o. takken m. mv.

Astrallampe,v.astrasllainp, sterrelampv.

Astroit, Z. Asterit.

Astrolatrie, v., Z. Sterndienst.

Astrolith, m., Z. Asterit.

Astrolabium, {—Inbiums, mv. -labien) o. graadboog, sterrenhoogtemeter, hoekmeter m., astrolabium o.

AstroloK, {-en, mv. -en) m. sterrenwichelaar, sterrenwaarzegger, sterrenkijker, astroloog m.

Astrologie, v. sterrenwichelarij, astrologie v.

Astrologisch, bijv en b. op de sterrenwichelarij amp; gegrond »f daartoe behoorend, astrologisch.

Astronom, {-en, ir.v. -en) m. slcrrenkun-dige m.

Astronomie, v. sterrenkunde, astronomie v.

Astronomisch, bjv. en b. sterrenkundig, de sterrenkunde betretlende.

Asyl. (-(e)s, mv. -e) o. vrijplaat», wijkplaats v.; toevluchtsoord o.

Atacamit, {-{e)s, mv. -e) m. zoutzuur; koperzand o.

Atelier, (onb.) o. werkplaats v. van een kunstenaar; het personeel o. daar werkzaam.


-ocr page 89-

ATO

AU

77

Atheist, (-en, inv. -en) m. godloochenaar, godverzaker, atheïst m.

Atheisterei, v. godlooehening, godverzaking v., atheïsme o.

Atheïstisch, lgt;yv. en 1). godloochenend, godverzakend, atheïstisch.

Athem, m., z. m. adem m.; auszer - sein, bullen adem zyn; -bur hijv. en h. inademhaar; -barkeil v. Inaderahaarheid v.; -holen o. ademhaling v.; -los hüv. en b. bulten adem, ademloos, hijgend; ademloos, dood, levenloos; -lu-sigkeit v. zware, moeielyke ademhaling v.; -zuf) m. ademtocht m.; ademhaling v.; -zümj-lein o. buig v.

Aether, m. aether, ether m.; zeer lijne lucht of vloeistof.

Aetherisch, bgv. en b. etherachtig, tol de bovenlucht behoorend; (tig.) hemelsch, zuiver, rein.

Aetherlsiren, hedr. ww. bedwelmen met ether.

Aether-sauer, bijv. nw. etherzuur; -saure v. etherzuur o.

Athiet, [-en, mv. -en) m. kampvechter, worstelaar, attileet m.

Athlethisch, bijv. en b. naar kampvechters wyze, sterk gespierd.

Athmen, o. ww. ademen, adem balen; (lig.) (van den wind), blazen, waaien; -2. bedr. ww. inademen; ffohlyeriiche -, verspreiden; it. Z. athmen.

Aethmeu, bedr. ww. door verhitting van vocht ontdoen.

Athmlg, bgv. nw., Z herzschluchtig.

Athmung, v. ademhaling v., ademen o.; -sfahig b(iv. nw. geschikt om in te ademen; -sgerduseh o. geruis o. dat men bij de ademhaling maakt; -swerkzeuge o. mv. ademba-lingswerktuigen o. mv.

Aëtlt, m., Z. Adlerslein, Klupperstein, Eisenniere.

Atlas, (-lasses, mv. -lasse, zelden Allan-ten) m. Atlas m.; balk- of bintdrager m.; zuil v. in menschen gestalte; verzameling v. van kaarten, atlas \.; atlas, satün o.

Atlos-apfel, in. atlasappel m.; -art v. soort van satijn; -artm büv. en b. gesatineerd, satynachtig; -bami o. satijnlint o.; -birne v. atlaspeer v.; -boden m. gekoperde grond m. als van satyn; -erz o. atlaserts o.; -formal o. atlasformaat o.; -i/tanz m. satijnglans, atlasglans m.; -i/rund m., -boden; -slreifen m. atlasstreop, satgnstreep v.; -tapete v. gesatineerd papier o.; -weber, -werker in. atlaswever, satijnwever, satijnwerker m.

Atlassen, bijv. nw. satynen.

Atmometer, m. verdumpingsmeter m.

Atmosphare, v. dampkring m.

Atmospharisch, bgv. nw. den dampkring betreffend, daartoe behoorend.

Atom. (-(e)s, mv. -e) o. kleinste, ondeelbaar deel o. van een lichaam, atoom o.

Atomea*ahalich, bgv. nw. als een atuom, overeenkomstig met atomen; -fiewlcht o. gewicht o. der atomeu; -lehre v., Z. Aiomismus.

Atomismus, m. onb. leer v. der atom.s-ten, atomisme.

Atomist, (-en, mv. -en) m. voorstander, aanhanger m. van het atomisme, atomist m.

Atomistisch, hyv. nw. atomistisch.

Atomistik, v., Z. Atomismus.

Atonie, v. verslapping, slapheid v.

Atramentsteiu, in. vitrioolsteen, inktsteen m.

Attachement, o., Z. Anhdnglkhkeit.

Attachiren, wed. ww. sich -, zich hechten.

Attacke, (-n) v., Z. Angnff.

Attackiren, bedr. ww., Z. angreifen.

Atte, Aette, Aetti, (in de kindertaal), vader.

Attent, bijv. nw., Z. aufmerksam.

Attentat, (-(c)s, mv. -e) o. misdadige onderneming v.; aanranding v. van iems. leven.

Attentat.l)er, (-tatit)ers, mv. -latterj m. misdadiger m.

Attestat, (-(e)s, mv. -e) m. getuigschrift, attest o.

Attestiren, bedr. ww. schriftelijk getuigenis afleggen, een attest geven.

Attich, (-(e)s) in., z. m. wilde vlier v.j -been v. vlierbes v.; -gesetz o. vliersiroop, vliersoep v.

Attilia, (-s, mv. -.v) m. eene soort van korte jas v.

Attisch, hyv. en b. Attisch, Atheenscb.

Attitude, (~n) v. bestudeerde, veelbetee-kenende houding v.

Attraction, v., Z. Anziehung.

Attrihut, (-(lt;!)«, mv. -e) o. boedanigheid, eigenschap v., attribuut, kenteeken, kenmerk o., gezegde o.

Attribu-tiv, -tivisch, byv. nw. bijgevoegd, op de wijze van bijstelling.

Aetzbar, bijv. nv\. etsbaar; -barkeil v. etsbaarheid v.; brandkracht v., etsend vermogen o.; -bitd o. etsteekening, ets v.; -breit o. etsplank, etsdoos v.; -druek ra. proefdruk . eener geëtste plaat.

Atzel, (-«) v. pruik v., prulkebol ra., '/.. Ulster, Asset.

Aetzen, bedr. ww., Z. azen; etsen, doen uitbijten; branden, doodbranden.

Aetzer, (-s, rav. Aelzer) ra. graveur m. In koper.

Aetz-grund, in. etsgrond m.; -krafl v. bijtend vermogen o.; -kunst v. etsknnst v.; -taugé v. etsloog v.; -millet u. brandmid lel o.: -nailel v. etsnaald v.; -natron o. brandende soda v.; -iiluttc v. etsplaat v.; -pulver o. bijtend poeder o.; -slein m. etssteen, brandsteen in.; -slo/r m. etsstof, bytende stof v.; -subliinal o. bylend sublimaat o.

Aetzung, v. eten, voeder, lokaas o.; eising \., etsen o.; branding v., branden o.: ets v.

Atzuug, v. eten, voeder, lokaas o.

Aetzwasser, o. etswater, sterkwater o.

Au! Au weh! tussch. o! ocb! ach! au! oei! o wee!

Au, v., Z. Aae.


-ocr page 90-

78 AUF — AUF

Anch, voegw. ook, nog, evenzoo, eveneens; Auf bahen, bedr. ww. open bellen.

zelfs; ofschoon. Aufbahren, bedr. ww. op de draagbaar deren

Auction, {-en) v. veiling v., verkooping v. plaalsen. av

bij opbod. Auf ballen, bedr. ww. in balen doen; uit kleur

Auctionator,(-.v,mv.-en) m.,/.Ausrufer. de balen doen, opstapelen. At

Audienz, {-en) v. gehoor o., audiëntie v.; Auf bau, m., z. m. opbouw m. ken;

-uericht o. rechtszitting v.; -saai m.,-zimmer Aufbauen, bedr. ww. ophouwen. ren),

o. audiëntiezaal, gehoorzaal v. Aufbaumeln (slch), wed. ww. (van ai

Auditor, (-s, mv. -en) m. toehoorder, aan- hazen), op de achterpooten gaan zitten. ziels'

hoorder, hoorder m. Auf baumen, o. ww. op een boom sprin- ai

Auditor, Auditeur, m. auditeur m. gen, klauteren. opzie

Auditoriat, (-s, mv.-e) o. auditeurschap, Aufbaumen, hedr. ww. den Aufzwj -, zien

waardigheid v. van auditeur. op den boom brengen; Z. baumen,■ 2. wed. ww. Ai

Auditorium, {-riums, mv. -rien) o. ge- sich -, te voorschijn komen. Ai

hoor o., toehoorders m. mv.; gehoorzaal v. Aufbauachen, bedr. ww. opblazen; 2. o. trui

Aue, (-li) v. vlakte, vruchtliare weide, ww. opzwellen. A

landouw, dreef v., Z. Flur. Aufbausen, Z. aufbauschen. A

Auer-geflügel, o., -habn, m. boschhaan, Auf bauung, v. opbouw m. demi

woerhaan m.; -heme v., -huhn o. boschhen, Aufbeben, o. ww. bevend opvliegen; aan- A

woerhen v.; -kalb o. wild kalf o.; -kuh v. gedaan, bewogen worden. spro

wilde koe, bergkoe v.; -ochs in. wilde stier, Auf befinden (sich), wed. ww, onr. op stoo

bergstier m. zyn, staan. A

Auf, voorz. (met den 3n naamval als het Aufbebalten, bedr. ww. onr. ophouden. 1 ren,

eene rust of een handelen op eene plaats, met niet afnemen; bewaren, overhouden. A

den In wanneer het eene richting of eene be- Aufbeiszen, bedr. ww. onr. openbijten; A

weging naar eene plaats te kennen geeft), op, ynsse kraken. A

naar, door, voor; - jem. zünicn, op lem. boos Auf beizen, bedr. ww., Z. au filtzen, vras

zijn; es (leht - zwei Vhr, het is zoo even een einatzen. amp;

uur geslagen; - den Abend, tegen den avond; Aufbekommen, bedr. ww. onr. opkrij- slei bis - Ostem, tot Paschen; - ein Mal, op eens, gen, tot taak bekomen.

eensklaps; ciii Gulden - die l'crson, \)cr hoofd; Aufbelfem, bedr. ww. jem. -, wakker £

- dus Essen, na bel eten; Alle bis - Einen, keffen. j een allen op één na; - einen /.wj, met ééne teug; Auf bellen, bedr. ww. jem. -, wakker /

- jeden Eall, in eik geval; - diese Arl, op die blaffen; 2. o. ww. hard blaffen. / manier, op die wijze; -s Aeuszersle, ten ui- Auf bereiten, liedr. ww. bereiden, gereed bra terste; -s Beste, het best, het allerbest; -der maken. i Suite des amp;, van den kant van; sich - ilicipile Auf bersten, o. ww. onr. openbersten, vei Seite neigen, naar den goeden kant overhellen; splijten; openspringen; 2. b?dr. ww. doen her- i was hal das - sich, wat beduidt dat, wat sten, klooven, splijlen. brc steekt daar in?; - der Steile, dadelijk, oogen- Aufbetten, bedr. ww. opmaken, opslaan. j blikkeiyk, onmiddellijk; bis -, tot op, builen, Aufbewahren, bedr. ww. elw. -, bewa- opl behalve, uitgezonderd; - immer, voor altijd, ren, overhouden; achterhouden, wegstoppen. dri voor immer; - Ehre: op mijne eer! op mijn Aufbewahrung. v., Z. aufbewahren;

woord! 2. bijw. nerq-, opwaarts, omhoog; -sort, -splalz m. bewaarplaats v. bn

SI mm-, stroomopwaarts; von Jwjend -, van AufbicUen, bedr. ww., Z. aufpicken. op

de jeugd af; von unten -, van beneden naar Aufbiegen, bedr. ww. onr. in de hoogte op boven; - sein, op zijn, staan; (van de deur), buigen, opbulgen; openbuigen.

open staan, geopend zijn; - und nieder qehen, Aufbieten, bedr. ww. onr. oproepen, le vo op en neer gaan; 3. tussch. op! opgepast! wapen roepen; (lig.) inspannen; te baat ne-

wakker! kom aan! 4. - dass, voegw. opdat, men; Ferlobte -, een huwelijk afkondigen; em ge

ten einde. Pfand -, gerechtelijk opzeggen. ijz

Aufackern, bedr. ww. Münzen -, ruw Aufbindeu, lieilr. ww, onr. ctw. -, opbin- ei

maken; ein Eeld -, omploegen. den, binden op; jemn. etw. -, op de mouw oi

Aufangeln, bedr. ww., Z. angeln. spelden, wijsmaken; etw. Zngebnndenes-, los- w Aufarbeiten, bedr. ww. opwerken, ge- maken, ontbinden.

bruiken; eine Thilr -, openwerken; wondwer- Aufblaben, bedr. ww. opblazen; 2. wed. ic ken, met veel werken openhalen-, pogingen ww. sich -, zich opbla;:en; (lig.) zich verhoo-

doen om op te staan; 2. o. w w. zijn werk af- vaardigen. zi

maken, voltooien. Aufblasen, bedr. ww. onr. opblazen; (lig.) g

Aufathmen, o. ww. weer ademen; wie- aufgeblasen, opgeblazen, verwaand, hoogmoe- b

der -, weer lucht scheppen. dig; Z. aufwehen; das Feuer -, aanblazen; s

Aufatzen, bedr. ww. graveeren, etsen op; ein Slückchen -, blazen; jem. wakker bla- 1

ein Geschwur -, openbranden. zen; 2. o. ww. op de trompet amp; blazen; 3. wed. li

Aufbacken, bedr. ww. onr. nog eens bak- ww. sich -, zich opblazen; (fig.) trotsch, hoog- (i

ken, ophakken, Z. verbacken. moedig worden. v

-ocr page 91-

AUF

79

Auf blattern, lifiir ww. ein Buch l)la-ir derende opslaan; eine Rose openbladeren.

Aufblauen, l:edr. ww. etw. de blauwe kleur van iels opfrisschen.

Aufbleiben, o. ww. onr. opblijven, waken; blijven staan; wakker blijven-, {van deuren), open blijven.

AufblicU, m. blik m. naar boven; (lig.) zielsvcrliefflng v.

Aufblicken, o. ww. bet oog opbellen, opzien; opflikkeren; 2. bed- ww. door aanzien openen.

Auf blinlien, o. ww. opHikkeren. Aufblitzen, o. ww. opflikkeren, (van kruit), ontvlammen.

Aufblühen, o. ww ontluiken; ontwaken. Aufbluten, o. ww. (van wonden), bloedend openbreken.

Auf boclien, o. ww. (van paarden), bokke-sprongen maken; (van een scliip), stampen, |) stoolen.

Aufbohren, bedr. ww. opboren; openbo-i. ren, losboren.

Aufbojen, bedr. ww. lichten, vlot maken. Auf boizen, bedr. ww. op elk. stapelen. Aufborgen, bedr. ww. ieenen; ter leen vragen.

Auf borger, -borgerin, leener m., leen-sler v.

Auf bot. (-(e)s, mv. -e) o., Z. Aufgebot. Aufbranden, o. WW. oprijzen, zich als eene branding verhellen.

Auf brassen, bedr. ww. opbrassen. Aufbraten, bedr. ww. opbraden, opnieuw braden.

Aufbrauchen, bedr. ww. opgebruiken, verbruiken, opmaken.

Aufbrauen, bedr. ww. (Jas Malz -, op-brouwen-, den Thee -, kokend water gieten op.

Aufbrausen, o. ww. opbruisen, bruisend opkomen; gisten; (fig.) (ileich -, opvliegen, driltig worden, opvliegend zijn.

Auf breehen, bedr. ww. onr. etw. openbreken-, 2. o. ww. openspringen, losbarsten; opengaan,doorbreken;(van ijs),losgaan,kruien; op weg gaan, oprukken.

Auf breiten, bedr. ww. uitspreiden, ontvouwen.

Aufbrennen, bedr. ww. onr. opbranden, geheel verhranden;lnbranden,meteen gloeiend ijzer merken-, jèrnn. eins -, een slag geven; eiti h'ass uitzwavelen; 2. o. ww. schielijk ontvlammen, opbranden; opvliegen; 3. wed. ww. sich (van koilie), opbruisen.

Auf bringen, bedr. ww. onr. maken, dat iets openkomUrfen Hul -, opkrggen; das Garn -, Z. auf Ziehen; Wild -, opjagen; 3. Geld -, zich verschaflen; Truppen -, op de been brengen; Beweise -, bijbrengen; teein TVort uitbrengen, zeggen, inbrengen; die Knslen -, bestrijden; ein Schi/f kapen, opbrengen; einen Dieb -, gevankelijk binnenbrengen; jem. -, boos maken; einen Kranken-, opknappen; A'in-der opkweeken, opvoeden-, eine Sille invoeren; ein Gerücht in omloop brengen.

Aufbringer, (-s, mv. Aufltringer) m. op-brenger, veroveraar m.

Auf broeken, bedr. ww. brokkelen, op-brokkelen.

Aufbrodeln, bedr. ww., Z. aufwallen.

Aufbruch, (-(e)s) m., z. m. openbreken o.; opbreken, uitrukken, oprukken, vertrek o.; on' w eien o.-, ingewanden o. mv.

Auf brücken, bedr. ww. in den vorm van eene brug opbouwen.

Aufbrummen, bedr. ww. jemn. etw. -, toesnauwen.

Aufbrüaten, bedr. ww. einen Orhsen de borst opensnijden; 2. wed. ww. sich -, Z. trüslen.

Auf buckeln, bedr. ww. op den rug laden.

Aufbücken (sich), wed. WW. sich -, zich na het hukken weer oprichten.

Aufbuden, bedr. ww. de kramen weer opslaan.

Aufbügeln, bedr. ww. opstrijken.

Aufbühnen, bedr. ww. onderstutten.

Auf bund, m. opgebonden haar o., vlecht v.

Aufbürden, bedr. ww. opleggen, opdragen; belasten met; (lig.) te last leggen.

Aufbürsten, bedr. ww. opborstelen.

Aufdachen, bedr. ww. meteen dak voorzien; 2. wed. ww. sich -, steil oploopen.

Aufdamen, bedr. ww. dam maken.

Aufdammen, bedr. ww. door het opwerpen van een dam doon wassen.

Aufdammern, o. ww. (van den dag), beginnen aan Ie breken, aankomen; ontwaken, dommelig wakker worden.

Aufdanken, o. ww. zum Himmel zijn dank laten opgaan.

Aufdampfen, o. ww. zich als damp ver-beffen, als damp opstijgen, verdampen; 2. bedr. ww. Tabak -, opdampen, oprooken.

Aufdauern, o. ww. opblijven.

Aufdeckeln, bedr. ww. het deksel alne-men van.

Aufdecken, bedr. ww. spreiden; den Tisch -, Z. decketi; etw. -, blootleggen, aan den dag brengen.

Aufdeicben, bedr. ww. ophoogen.

Aufdenken, bedr. ww. onr., Z. erdenkeiu 2. o. ww. naar hooger streven,

Aufdichten, bedr. ww., Z. andichten.

Aufdienen, bedr. ww., Z. aufwarteti; auflrac/en.

Aufdinge-brief, m. leerbriet m.; -geld o. leergeld o.

Aufdingen, bedr. ww. onr. in de leer nemen.

Aufdocken, bedr. ww. Getreide -, in bossen overeind zetten; Leinen -, opschieten.

Aufdonnern, o. ww. donderend opstijgen; 2. bedr. ww., aufschrecken; 3. wed. ww. sich zich opdirken,

Aufdoppeln, bedr. ww. met een dubbelen draad aannaaien.

Aufdörren, bedr. ww. drogen.

Aufdrangen, bedr. ww. eine Thür-, open-dringen, openduwen; jemn. seine Meinung -,


-ocr page 92-

AUF

80

opdringen; 3. wed. ww, sich jemn. zich opdringen.

Aufdrechseln.ljedr. ww., Z. verdrechseln.

Aufdrehen, Ledr. ww. opdraaien; opendraaien; jemn. elw. Z. weismachen.

Aufdreschen, Ledr. WW. onr. opdor-sciien, in slukken dorscben; (lig.) er geducht opslaan.

Aufdringen, hedr. ww. onr. opdringen, noodzaken, overhalen om aan le nemen; 2. o. ww . naar hoven dringen; 3. wed. ww . sich zich opdringen.

Aufdrlnglich, 11ij\. cn I). opdringend, las-lig; -keil v. opdringen o.

Aufdruck, m. opdrukken o.; hel opge-drukte o.

Aufdrucken, Ledr. ww. opdrukken, indrukken, drukken op; door drukken opmaken.

Aufdriicken, hedr. ww. drukken op; ein CiesdnvUr opendrukken.

Aufducken, o. ww., Z. auftauchen.

Aufdudeln, hedr. w w. opdreunen.

Aufdukea, Ledr. ww., Z. uuftuchen.

Aufdunkein, o. ww. donker worden.

Aufdunseu, hedr. en o. w w. opvullen, doeu opzwellen.

Aufduneteu, o. ww. als damp opslijgen, opdampen.

Aufdupfen, Ledr. ww. aandrukken, opdrukken, met eeu cumpres wegnemen.

Aufeggen,Ledr. ww. opeggen; open eggen.

Aufeinander, hijv. en. h. de een oj) den ander, de of het eeue op (na) de (het) andere, op een, op, na elkander; -fulye v. opvolging, rij, reeks v.; -(oltjeml hijv. nw. opvolgend, achtereenvolgende.

Aufeisen, Ledr. ww. het ijs openslaan; 2. o. ww., Z. auflhauen.

Aufenhlatt, u. keelkruid o.

Aufenthalt, (-(e)s) m., z. m. verLlijf 0.; verhiüfplaats; schuilplaats v.; w onii.g v., ver-Liijl o.; oponthoud o., vertraging v.; -skarte v. veriofkaart v.; -sort in. verhiüfplaats v.

Auferbauen, hedr. ww. ophouwen, slichten.

Auferben, Ledr. ww. door erfenis doen geworden.

Auferlegen, Ledr. ww., Z. au/legen.

Aufernahren, Ledr. ww., Z. ernahren, uufziehen.

Auferstehen, o. ww. onr. (van de doo-den), opstaan.

Aulerstehung, v. opstanding v.; -smann in. opstandingsman, lijkendief m.

Auferwachen, o. ww., Z. uufwuchcn, erwachen.

Auferwecken, hedr. ww. uil den doode opwekken.

Aulerwreckung, v. opwekking v. uil den duode.

Auferziehen, hedr. ww. onr. opvoeden, groothrengen.

Aufessen, hedr. ww. onr. opeten, verteren.

Auffacheu, hedr, ww., Z. anfachen.

Auffadeln, -fadmen, hedr. WW. l'erlen -, aanrijgen; ein (Jewebe -, losrafelen; rijgen, oprijgen.

Aufiahren, hedr. ww. onr. openrüden; oprijden, langs rijden; ein Feld -, heginnen te hewerken; 2. o. ww. auf und ub fuhren, op en neer rijden; (van mijnwerkers), uil de mijn naar hoven komen; (van een schip), op den grond varen; gen Himmel opvaren ten hemel; «»« dem Schlafe -, plotseling ontwaken-, im '/.urn -, opvliegen; (van deuren, ramen), openspringen.

Auf-fahrerisch, -fahrig, hijv. nw. op-loopend, opvliegend, driftig.

Auffahrt, v. opril m., oprijden, opvaren o.; Christi -, Christus hemelvaart v.; aanvaarden o. van een goed.

Auffallen, hedr. ww. onr. openvallen, met vallen doen openspringjii; een gat vallen in; 2. o. ww. auf elw. -, vallen op, neervallen op; jemn. -, treilen, in hel oog vallen.

Aufïallen(d)held, v. vreemd, in het oog loopend ding, u. gewoonte, mauler \.

Auf-fallig, -falleud, 1 jij\ nw. treilend, in Let oog loopend.

Auffalligkeit, v., '/.. Aulfaltenheil.

Aftalten, Ledr. ww. losvouwen, ontvouwen; opvouwen.

Auftangeglas, o. ohjeclief glas u.

Auffangen, Ledr. ww. onr. vangen, opvangen; einen Slosz -, afweren, pareeren; Briefe -, onderscLeppen; den Anker laten hangen; toevallig vernemen; fine lirunkheit opdoen, krijgen.

Auffarhen, Ijedr. ww. opverven, de kleur opfrisschen.

Auftasen, -faseln Ledr. ww., Z. au/fa-sern.

Auffasern, Ledr. ww. uitrafelen; 2. wed. ww. sich -, uitrafelen.

Auftassen, Ledr. ww . oprapen, opnemen; Pei len -, aanrijgen; elw. Flieszendes op-Viingeii; (lig.) Legrijpen, vallen, opvatten.

AKfiassung, v. opvatting, hevatling, w ijze v. van beschouwen; -skrafl v., Z. l-'ussumjs-kraft.

Auffegen, Ledr. ww in de hoogte vegen, opvegen.

Auffeilen, Ledr. ww. vijlen op; openvijlen.

Aufteuchten, hedr ww. opnieuw vochten, aanvochten.

Auffiedeln, Ledr. ww. slecht (op de viool) spelen; 2. o. ww. krassen, slecht spelen (op de viool).

Auffinden, hedr. ww. vinden, ontdekken.

AufBrnissen, Ledr. ww. opvernissen, weder vernissen.

Auffisciien, hedr. ww. opvisschen.

Auffitzen, Ledr. ww. uil de war maken, ontwarren.

Aufflackern, o. ww., Z. uulUtdeni.

Aufflammen, o. ww. ontvlammen, opvlammen; 2. Ledr. ww., Z. cnljlummen.

Autdatteru, o. ww. oplladderen, omhoog fladderen.


-ocr page 93-

AUF 81

AUF

'erlc.n Auffleehten, bedr. ww. opvlechtcn, toe-

Ügcn, vlecüten.

Aufflehen, o. ww. zu Golt smeeken tot. i; op- Auffliegen, o. ww. onr. opvliegen, om

üii Ie hoog vliegen; opslügen-, (van schepen), in de n, op lucht springen; (van eene onderneming), te myn niet gaan; openvliegen. gt; den Aufflicken, Ledr. w'w. oplappen

II he- Aufflimmern, o. ww. opllikkeren, flikke-

iken; rend opstijgen.

nen), Aufflittern, bedr. ww., Z. aufputzen.

Aufflöszen, bedr. ww. opvlotten. . op- Aufflöten, bedr. ww. ein Slückchen

Duiten; jem. wakker fluiten. ;n o.; Aufflug, m. vlucht v., opvliegen o.

,'aar- Auffluthen, o. ww., Z. aufwallen.

Auffo r;dern, bedr. ww. zum Tanz Hen, uitnoodigen, engageeren; oproepen, interpel-allen leeren; eine Festung -, opeischen;jemj. Schulz i-^al- -, inroepen.

i, Auffördern, bedr. ww. die Sohlc -, in de

l oog lekkast brengen.

Anfforderung/v.uitnoodiging opeisching, lend, aanmaning v.; -sschreihen o. oproepingsbrief m., sommatie v.

Anfformen, bedr. ww. einen Hut op sou- den vorm brengen.

Auffressen, bedr. ww. onr. opvreten, verslinden; (lig.) vernielen, verdelgen; open-op- vreten.

jreii; Auffrieren, o. ww. onr., Z. anfrierert;

aten aufthauen.

nl -, Auffrischen. bedr. ww. opfrisschen, ver-

frisschen, ophalen, opfrlsschen, verlevendigen; .leur opknappen; (ilaser opnieuw inschenken;

(tig.) vernieuw en, opwekken, verlevendigen; u//(i- jem. zu etw. aanzetten, aanmoedigen; 2. o.

ww., m. s. (van den w ind),opkomen, opsteken, wed. Aufführhar, bijv. nw. opvoerbaar.

Auffiihren, bedr. w w. opvoeren, invoeren; nen; ein Getüude -, opt rekken, ophalen; ilie Schild-

op- wache -, op den post brengen; ein Luslspiel

opvoeren, vertoonen, spelen; 2. wed.ww. sic/i-, lijze zich gedragen, zich aanstellen.

iitji- Aufführung, v. opbouw m., opbouwing v.;

opvoering, voorstelling v.; gedrag o. gen, Auffüllen, bedr. ww. (van een dijk), op-

hoogen; (van eene sloot), dempen, aanvullen, len. Auffunkeln.o. ww. fonkelen, opllonkeren.

och- Auffurchen, bedr. wvv. voren trekken in.

Anfiuszcn, o. ww. op den grond treden, ooi) Auffuitern, bedr. ww. bekleeden (van

(op schepen), Z. boien.

Auflütterxi, bedr. ww. ein A'a/b -, mesten. ten; Püijel -, opkweeken. sen, Aufgate, v. opgaaf, opgave v., voorstel o.;

taak v., werk o.; opstel o., thema v., les v.; ; (fig.) bezigheid v., last m. len, Aufgabein, bedr. w w . met de vork opne

men; (lig.) opsporen, ontdekken, opduikelen.

Aufgaflen, o. ww. nach elw. -, in de op- hoogte gapen naar.

Aufgahr.en, o. ww. luid geeuwen; open-oog gaan.

Aufgahren, Z. uufgdren

Aufgang, m., z. m. opengaan o.; (van he'. zaad), opkomen o.; opgang m., opgaan o.; plaats waar men naar boven gaat, opklimming v.; vertering, uitgaaf v.

Aufgaren, o. w w. onr., m. h. en s. omhoog gisten, opbruisen, rijzen-, (fig.) oproerig worden, opstaan.

Aufgattern, bedr. ww., Z. auflreiben, aufgabein (tig.).

Aufgebeu, bedr. ww. onr, in den oven doen; einen Brief op de post doen; das Essen Z. auftragen; eine Sache -, opgeven, laten varen, afstand doen van; alle Hoffnung -, opgeven; den (Jeist -, den geest geven, sterven; einen Balt opgooien; jemn. elw. tot taak geven, gelasten.

Aufgebleten, bedr. ww., Z. nufbieten.

Aufgeblasen, bijv. nw. opgeblazen, verwaand; -heü v. opgeblazenheid, verwaandheid v.

Aufgebot, o. oproeping v., Z. Ileerbann: ban m., opgeroepen krijgslieden m. niv.; afkondiging v. van een bruidspaar.

Aufgebung, v. opgaaf v., afstand m., afzien van o.

Aufgedlnge, o,, Z. Aufdingegetd.

Aufgedunseu, bijv. nw. opgezwollen, hoogdravend; -heit v. gezwollenheid v.; (lig.) hoogdravendheid v.

Aufgehen, o. ww. onr., m. s. naar boven gaan, oploopen; auf und daion gehen, weg-loopen; zetten; (van deeg), rijzen; (van rook), opstijgen, rijzen; (van zaad), opkomen; (van de zon), opgaan; (lig.) es geht mir eine Jh-nung auf, een voorgevoel ontwaakt in mU; (van deuren), opengaan; (van een naad), losgaan; smelten, opengaan; openvallen, vacant worden; (fig.) die Jugen gehen mir auf über die Sache, nu zie ik de zaak in haar waar licht, nu begin ik de zaak te begrijpen; sich die Füsze wond, stuk loopen; (in het rekenen), opgaan; inl-euer -, verteerd worden; in Buuch -, verdwijnen; mein Geld gehl auf, raakt op.

Aufgeien, bedr. ww. die Segel opgeien.

Autgeier, (-s, mv. Aufgeier) in. bram-zeils-valblok o.

Aufgeigen, bedr. ww. op de viool spelen; jem. -, door spelen wakker maken; i. o. w vv. op de viool spelen.

AufpeUlart, bijv. nw. (lig.) verlicht.

Aufgeld, o. opgeld, agio o.; handgeld «.

Aufgelegt, bijv. nw., Z. auflegen,- (lig.) zu e/tc. - sein, lust hebben; er ist nicht gut -, in geen goede luim; -heit v. geneigdheid v., lust m., goede luim v.

Aufgeraumt, bijv. nw., Z. aufruumen; (Hg.) welgemutsl, vroolijk, opgeruimd; -heit v. opgeruimdheid, goede luim, vroolijkheid \.

Aufgewaltigen, bedr. ww. einen ein-gestürzten Schacht -, weder openen, opruimen.

Aufgewecbt, bijv. nw., Z. aufwecken; wakker, levendig; vlug; -heit v. opgewektheid, levendigheid v.


-ocr page 94-

AUF

AUF

82

Aufgieszen, bedr. \vw. onr. gieten op, opgieten.

Afgleszer, (-s, mv. Aufgieszer) m. op-gieter m.

Aufgleszlöffel, m. gietlepel m.

Aufsleszung, v. opgieling, ingieting v.; Z. Aufquss.

Aufgift, v., Z. Geuiiihrleislunfi.

Aufgipfeln(sich), wed. w\v. ten top stijgen.

Aufglanzen, licdr. \vw., Z. ylanzen. i Aufgleiten, o. ww., Z. qleilen.

Aufglimmen, o. ww., / glimmen.

Aufglütten, iiedr. ww. oppolüsten, nog eens polusten. ,

Aufelühen.o. ww. opgloeien, weder gaan doen opengaan; 2. o. ww. opademen.

iri0pien Aufhauen, liediquot;. ww. onr. hts -, open

gloeien.

Aufgraben, bedr. ww. onr. opgraven, /.. ausgraben, eiwjraien.

Aufgrapsen, bedr. ww. haastig oprapen.

Aufgrasen, bedr. ww. opgrazen, afgrazen.

Aufgreifen, bedr. ww. onr. opnemen, oprapen, Z. iiulfnnqcn.

Aufgrübeln, bedr. ww. opkrabben, openkrabben.

Aufgrünen, o. ww. groen worden, beginnen Ie groenen; (fig.) herboren worden.

Aufgründen, bedr,

frisschen.

Aufgürten, bedr gorden, ontgorden; 2. wed. w w. sich -, zich ontgorden.

ww. den grond op-w w. das Kleid -, op-

Jufgieszen; aftreksel.

Aufguss, m.,

afgietsel o.; -thierchen o. infusiediertje o.

Aufhaben, bedr. ww. onr. den Hut -, op het hoofd hebben; eine .-Irbeit -, te doen heb-

hakken; wond slaan; klooven; 2. o. ww. slaan, beuken.

Aufhaufeln, bedr. ww. ophoopen, aan-hoogen.

Aufhaufen, bedr. ww. ophoopen, opstapelen.

Aufhebe-binde, v. drflagl)t\nd m. van het

scrotum; -muskei m. opbellende spier v.

Aufheben, bedr. ww. onr. opheffen, opnemen, oplillen; overeind komen; oprichten; (fig.) den Kopf -, trotsch zijn; elw. fürjem. -, bewaren, bergen, wegstoppen; rtic Delagemng -, een einde maken aan, opheffen; einen Contract -, vernietigen; (Spr.) aufgeschoben ist nicht aufgehoben, lan.j: borgen is geen kwijtschelden; einen liruch -, lot geheelen herleiden; 2. o. ww. mit jemn. -, breken, alle verkeer staken.

Aufheben, (-hebens) o., z.m. opbellen, oprapen o.; bewaring v.; oplichting, alschaf-

ben; die .Swnpe-, opgegeten hebben; (ten Munrf ting, afbreking v.; herleiding v.; viel-s von

' ' ' 1 -i... ..i, ■«•/«ui t\T\},r\r A 'ln

open houden.

Anfhacken, bedr. ww. ophakken, openhakken; (van hoenders), open pikken, oppikken.

Auf hafteln, Z. aufhefteln.

Auf haften, Z. au fheften.

Aufhakeln, bedr. ww. openhaken, loshaken.

Aufhaken, bedr. ww. openhaken, loshaken; met een baak opnemen, vasthaken.

Auf hallen, o. ww., Z. hallen.

Aufhalsen, bedr. ww. jemn. elw. -, Z. aufbxirden.

Aufhalt, m., z. m. ophoudings-, stilhou-dingswijze v.; (van een paard), halte v., stilstand m.; 2. Z. Jufenthalt.

Auf halten, bedr. ww. onr. openhouden,

et)c. machen, veel ophef maken van.

Aufheber (-s, mv. Jufheber) m. opheffende spier v.; wegnemer, werkman m., die de bladen van de vilten neemt in papierfabrieken.

Aufhebung, v. opheffing, bewaring, in hechtenis neming, afschaffing v.; -sgericht o. hof o. van cassatie.

Aufhefteln, bedr. ww. loshaken.

Aufheften, bedr. ww. opschorten, op-hechlen; (lig.) Z. aufhangen (lig.).

Aufheltern, bedr. ww. opklaren, ver-vrooiyken; 2. wed. ww. sich opklaren, zich vervroolijken.

Aufheften, o. ww. onr. iem. ophelpen; (fig.) jemn. -, bijstaan, ondersteunen, helpen. Auf heifer, (-s, mv. Jufhelfer) m. die

ophouden; 2. wed. ww. sich -, zich ophouden, iem. helpt om op Ie staan, helper, voorthel-

zich afgeven met, vertoeven; sich auf dem perm. ,._____

I anric -, wonen; sich üher jcilL. -. zich be- Aufhellen, bedr. ww. vei helderen, verklagen over. lichten, ophelderen; 2. wed. ww. sich (van

Aufhalter, (-5, mv. Aufhallcr) m. (van het weer), ophelderen, opklaren,

hel paardentuig), broek v.; ophouder m., torn- Auf henkeo, bedr. ww. hangen,ophangen.

tou0 Auf herzen, bedr. ww. met iiefkoozingen

Aufhange-band, o. ligament o.; -linden m. droogzolder in -, -muskei ni. schortspier v.

Aufhangen, bedr. ww. ophangen, hangen; (lig.) jemn. cine Liige -, wijsmaken.

Auf hangsel, (-s, mv. Jufhangsel) 0. lus v., oog o. om er iels aan op te hangen.

Aufharken, bedr. ww. met de hark oplichten; die Pfade -, opharken.

Aufharten, bedr. ww. vastdraaien.

Aufhaschen, bedr. ww. opvangen-, (lig.) opsnappen.

AufhaspelUj bedr. ww. opwinden, op-haspelen; 2. wed. ww. sich -, zich niet moeite oprichten, weer overeind krabbelen.

Aufhauchen, bedr. ww. dooraanademing

Aufhaminern, bedr. ww. etw. -, open- wakker maken.

hameren; jemn. -, opkloppen, wakker hameren, Z. aufnarjeln.

Aufhetzen, hedr. ww. opjagen, aanhitsen; l'olk -, tot oproer aanzetten, opruien.

-ocr page 95-

AUF 83

ien Aufhetzer, (-s, mv. Aafhetzer) m. op- Anfkeltern, bedr. ww. op de pers bren-

r v. stoker, opruier m. gen; alles persen.

an- Auf hetzerei, v., Z. ylufhelzung. Auf kerben, bedr. ww., Z. ankerben.

Auf hetzerisch, bijv. nw. onruststokend. Auf ketzern, bedr. ww. met wiggen ope-

lus Aufhetzung, v. ophitsing, aanhitsing, nen, splijten.

opruiing, aanstoking v. Auf kippen, o. ww. wippen, kantelen; 2.

up. Aufheulen, bedr. ww. luidkeels builen; bedr. ww. een weinig opwippen; den ylnker -,

Uem. door gehuil wakker maken. kippen.

Aufbilfe, v., Z. Aufhiilfe. Aaf kitten, bedr. ww. met stopverf vast-

ig.) Auf bissen, bedr. ww. ophijschen. maken op.

Auf hoeken, bedr. ww. op den rug ne- Auf klaffen, o. ww., m. h. luid blaffen;

op- men; (lig.) verdragen, lijden-, 2. o. ww. op m. s. opengaan, zich openen.

!ite iems. rug klimmen. Aufklaftern, beilr. ww. aan vamen zet-

Aufhoekspiel, o. bok, bok! sta vast! ten, opslapelen.

jng Auf boffen, o. ww. versehrikt opspringen. Auf klagen, o. ww. zijne klachten ver-

Aufböben, bedr. ww. ophoogen. beffen tot.

en- Anfbolen, bedr. ww. ophalen, optrekken, Aufklammern, bedr. ww., Z. anklam-

an, aan boord halen; das Schitf -, loefwuarts mem.

wenden. Auf klappe, v. opgeslagen klep v.

an- Aufholer, (s, m\. Aufholer) m. takels Auf klappen, bedr. ww. de neerhangende

m. mv., hijschtouw o. bladen opslaan, opzetten; openslaan; einen

;ta- Aufborcben, o. ww. aandachtig luiste- Hut -, de randen opzetten; jein. -, opkloppen,

ren; hoch -, groote ooren opzetten. wakker kleppen.

het Aufborcber, (-s, mv. Jufhorcher) m. Aufklaren, bedr. ww. opklaren, helder

luisteraar, luistervink m. maken; (lig.) ophelderen, verlichten; 2. wed.

0p. Auf hören, o. ww. luisteren, Z. nufhor- ww. sich -, ophelderen, opklaren; (van een

len; 'dien; mil elw. ophouden, uitschelden. geheim), ontdekt worden.

!, J Aufbören, o. staking v.; ohne -, zonder Aufklarer, (-s, mv. Aufklürer) m.ver-

unij ophouden, voortdurend. lichter m.

70?)'_ Auf bucken, Z. uufhocken. Aufklarerei, v. overdreven zucht v. om

jsl Aufbülfe, v., z. m. hulp v., steun, bij- verlichting te verspreiden.

fijt- Island m. Auf klarer Is cb, b;j v. n w., Z. aufklaru nlt;i*~

ler. Aufbüllen, bedr. ww., Z. enthüHen. süchtig.

Anfbüpfen, o. ww. opspringen, opvlie- Auifklarung,v.opklarlng,opheldering,ver-

gen. lichting v.; -ssuchl v. zucht v. om ware ken-

Auf busten, o. ww. luid hoesten; 2. bedr. nis te verspreiden; -ssuchtig byv.nw. vervuld

haf- ww. met boeslen ophalen; jon. lom. wak- met de zucht om verlichting te verspreiden.

vnn ker hoesten. Auf klatscben, bedr. ww. die l'lüiiel -,

Aufjagen, bedr. wrw., Z. aufhetzen; (dg.) met gedruis uitspreiden; 2. o. ww. met ge-

ficf- jem. -, opjagen, voortjagen; ein Schi/f inha- plas vallen op.

die len, bereiken. Auf klauben, bedr. ww. oprapen; (lig.)

ne,.. Aufjammern, o. ww. lulde jammeren, opsporen, opzoeken; einen Knolen -, lospeu-

luide klagen. teren.

in Aufjaucbzen, o. ww. luide juichen; door Aufkleben, bedr. ww. kleven, plakken

'it o. gejuich opwekken. op; 2. o. ww., Z. ankleben.

Aufjocben, bedr. ww. jemn. elw. -, iem. Auf klecken, -klecksen, bedr. ww. op-

iets opladen, op de schouders leggen. kladden.

0p. Auf kammen, bedr. ww. opkammen. Auf kleiben, bedr. ww., Z. aufkleben.

Auf kappen, bedr. ww. de kap opzetten. Aufklelstern,bedr.ww. opplakken, vast-

ver. Aufkarren, bedr. ww., Z. au/laden. plakken.

zich Auf katten, -katzen, bedr. ww. den Aufklemmen, bedr. ww. opzetten, vast-

Anker -, opkatten, onder de kraan halen. zetten.

pen; Aufkauen, bedr. ww. openkauwen. Aufklettern, bedr. ww., Z. klellern. pen. Aufkauf, m. opkoop m., opkooping v. Auf klimmen, bedr. ww.onr.,Z.Aquot;/i»imeH. die Aufkaufen, bedr. ww. opkoopen. Auf klingen, o. ww. onr., Z. erklinger. hel- Auf kaufer,-kauferin, opkooper m., op- Aufklingeln, bedr. ww. opbellen, wakkoopster v. ker bellen.

ver- Aufkegeln, bedr. ww. opstapelen; 2. o. Aufklinken, bedr. ww. de klink oplieb-

(van ww- de kegels opzetten. ten; 2. o. ww. zich openen.

Auf kehren, bedr. ww. opvegen, wegve- Aufklopfen,hedr. ww.openkloppen open-

igen. Een'gt; openbuigen. slaan; jem. -, opkloppen, wakker kloppen, ngen Aufkebricbt, o., z. m., Z. Auskehrichl, Aufknabbern, bedr. ww. elw. -, open-

Gekratz. knabbelen; opeten.

ihit- Auf keimen, o. ww. kiemen, ontluiken, Aufknacken, bedr. ww. openkraken,

.n opkomen. kraken.

AÜF

-ocr page 96-

84 AUF

AUF

Anf knallen, bedr. ww. jemn. eins Z. aufbremen; 2. o. ww. met een slag open vliegen.

Aufknarren, bedr. ww. jem. met een ratel wakker maken; 2. o. ww. knarsend, krakend opengaan.

Auffcnaneln, Z. entkndueln.

Aufknebeln, bedr. ww. vastknevelen, opbinden; etw. losmaken.

Aufkneipen, bedr. ww. openknüpen.

Aufknicken, bedr. ww. met een knap openen; S. o. ww. met een knap opengaan.

Aufkui(e)en) bedr. ww. van het knielen opslaan.

Anfltnirschen, bedr, ww. met de tanden knarsende openbijten; 2. o. ww. met de tanden knarsen

Auf knittern, o. ww. knetterend in de hoogte vliegen.

Aufknöpfen, bedr. ww. losknoopen, ont-knoopen; 2. wed. ww. sic/i losgeknoopt worden, ontknoopen.

Aufknoten, bedr. ww. losmaken; das Haar -, in een knoop opbinden.

Auf knüpfen, bedr. ww. die llnnre op-knoopen; einen Dieb Z. aufhangen; losknoopen, ontknoopen.

Aufkochen, bedr. ww. opkoken: 2. 0. ww ., m. h. opkoken, zacht koken; (tig.) m. i., Z. aufbrausen.

Auf kommen, o. v-'W. onr, opkomen, omhoog komen; groeien, groot worden; ontstaan, in zwang komen; zgne krachten terugkrijgen; vooruitkomen, boven op komen; foelen; allengs opengaan;ï.o. zelfst. nw. herstelling, terugkomst v. der gezondheid; opkomst, fortuin o.; oorsprong v., begin o.

Aufkömmling, m. iem. die van arm ryk geworden is, parvenu m.

Aufkönnen, o. ww. onr. kunnen opstaan, zich kunnen oprichten.

Aufköpfen, bedr. ww. den kop op de speld slaan.

Auf koppeln, bedr. ww. loskoppelen, losmaken, Z. ankoppeln.

Aufhosen, bedr. ww. door liefkoozen wakker maken.

Aufkrachen, o. ww. luid kraken; met gekraak opengaan.

Aufkrahen, bedr. ww door gekraai wekken; 2. o. ww. luid kraaien.

Aufkralleu, bedr. ww. met de klauwen grijpen; openklauwen, openkrabben.

Aufkramen, bedr. ww., Z. aufhiumen.

Aufkrampeln, bedr. ww. opkramen, op-kaarden.

Auf krampen, bedr. ww. oploomen, op-huigen.

Auf kratzen, bedr. ww. openkrabben, op-schrappen; Tuck -, noppen; (lig.) verlevendigen; siecbl op de viool spelen, krassen; 2. wed. ww. siclt -, zich (de huid) openhalen, openkrabben.

Aufkratzer, (-s, mv. Jufkralzer) m. op-krasser m.

Aufkrauseln, -kraumen, bedr. ww. opkrullen, krullen.

Aufkreiden, Z. ankreiden.

AufkreiBchen, o. ww. luide krUschen, gillen; 2. bedr. ww. jem. -, iem. wakker schreeuwen.

Aufkrelsen, o. ww. auf- und abkreisen, In een cirkel op en neer gaan.

Aufkreuzen, o. ww. opwaarts, heen en weer varen.

Aufkrleehen, o. ww. opkruipen, naar boven kruipen.

Auf kriegen, bedr. ww. opkrUgen, open kunnen krygen; te doen krijgen; jem. -, tot iets bewegen.

Aufkrlmpen, o. ww. tegen de zon in-loopen, krimpen.

Aufkrüramen, bedr. ww. omhoog buigen, naar de boogie buigen.

Aufkünden, -kundlgen, bedr. ww. die Mielhe -, de huur opzeggen; it. seinem Herrn -, den dienst opzeggen; afzeggen; opeischen, terugvragen; die Frcundschaft voor geëindigd verklaren, opzeggen.

Aufkündigung, v., Z. aufkündipen; -sbrief m. brief m. van opzegging; -szeit v. tijd m., termUn m. van opzegging.

Aufkunft, v., Z. Aufkommen, Ertrag.

Aufkünsteln, Z. ankünsteln.

Aufküssen, bedr. ww. wegkussen, open kussen; jem. -, wakker kussen.

Auflachen, o. ww. schaterend lachen; door lachen doen opengaan; jem. -, door gelach wakker maken.

Aufladen, bedr. ww. onr. opladen; jem. unterutei/s -, opnemen, in den wagen nemen; jemn. etw. belasten met, opdragen, opleggen.

Auflader, (-s, mv. Auflader) m. oplader m.

Auflage, v. het opgelegde, collecte, wat erop de schaal gelegd wordt; belasting, schatting v.; eisch, last m.; vergadering, bijeenkomst v.; (van een boek), oplage v., druk m.; (fig.) herhaling v.; onderlaag v., onderlegger m.

Auflagern, o. ww liggen op.

Auflangen, bedr. ww. opgeven, oplangen, opreiken.

Auflanger, (-s, mv. Aujlanger) m. oprei-ker, oplanger m.; stutsteker m.

Auflappen, bedr. ww., Z. auUlicken, aufschurfen.

Auflassbrief, m. bewijs o. van overlating.

Auflass°n, bedr. ww. laten opstaan; den Hul op het hooft' laten zitten; die Thüre -, open laten; eine Grube -, niet verder bewerken; ein Lehen -, afstand doen van.

Auflasslg-, bijv. en b. - werden, verlaten, opgegeven worden.

Auflasten, bedr. ww., Z. au/laden.

Auflau(e)rer, (-s, mv. Au/lau{e]rer) m. spion, verspieder ra.

Auflauern, o. ww. bespieden, loeren op.


-ocr page 97-

AUF

AUF

85

Auflauf, m. oploop, samenloop m.; rumoer, alarm o.; oploopen, vermeerderen o.; wassen o.

Aullaufen.liedr. ww, onr.openloopen; lirz -, in den oven doen; -2. o. ww. oploopen, in de boogte loopen; (van rivieren), wassen; oploopen, vermeerderen; dik worden, opzwellen; (van liet deeg), ruzen; (van schepen), stranden; eine Grube isl aufgelaulen, Z. auflassu/.

Auflaufer, (-s,mv. Aujldv.fer) ra. die eris en kolen voor den oven aandraagt; scheepsjongen m.

Auflauacben, bedr. ww. afluisteren; i. _ o. ww. luisteren.

Auflauten, bedr. ww. jem. -, door luiden wakker maken.

Aaflaviren, o. ww. al laveerende opvaren.

Aufleben, o. ww. herleven; 2. bedr. ww. opvrooiyken, opfrisschen.

Auflecken, bedr. ww. oplikken, snoepen.

Auflegebrettchen, o. plankje o. waarop de verver de kleuren probeert.

Aufleeen, bedr. ww. opleggen; Fett Z. mselzen; (van hoornen), takken krijgen; einen Eid -, opleggen, eischen; ein Buch -, drukken; Karten -, openleggen, blootleggen; 2. wed. ww. sich -, zich verzetten.

Auflegestift, m. beitel ra., stift v. der vuursteensnyders.

Aaflehnen, bedr. ww. doen rusten, leunen; i. wed. ww. sich -, leunen tegen; (tig.) zitli verzetten.

Aufleichtern, bedr. ww. gedwee, mak maken.

Auflelern, hedr. ww. opdreunen.

Aufieihen, o., -leiher, m., Z. borgen. Borger.

Aufleimen, hedr. ww. vastiymen, plakken op; i. o. ww., of wed. ww. sich -, losgaan, loslaten.

Aufleinea, bedr. ww. ophangen, op touwtjes hangen.

Auflesea, bedr. ww. onr. nalezen, oplezen; opzamelen.

Auflicbteu, bedr. ww. 'ophalen, lichten; lt;van de zon), alles verlichten.

Aufliegen, o. w w. onr. liggen op, rusten op; ï. wed. ww. sich -, zich door.iggen.

Auflocken, hedr. ww., Z. aul'krausein; naar boven lokken.

Auflockem, hedr. ww. die Erde omwoelen, opwoeien; ein Belt -, opschudden.

Auflodern, o. ww. opvlammen; vlam vatten, vuur vatten.

Auflöfïein, hedr. ww. met den lepel opnemen, opeten.

Auflösbar, byv. en b. oplosbaar; -keil v. oplosbaarheid v.

Auflösamittei, o. oplossend middel o.

Auflösen, bedr. ww. ontbinden, losmaken; (lig.) eine Jufgabe oplossen; ein Rath-set -, oplossen, raden; eine l'erbindung -, ontbinden, verbreken; ein Heer -, afdanken; auf-gelOst iverden, sterven; i. wed. ww. sich zich oplossen, zich ontbinden, smelten.

Auflöslich, -kelt, Z. au/lösbar Auflösung, v. oplossing v., ontbinding, scheiding v.; rust v.; dood m., overiyden o.; ontleding, analyse v.

Auflösunga -fabig, bijv. en b. oplosbaar; -fahigheit v. oplosbaarheid v.; -kraft v. oplossingskracht v.; -kunst v. analyse v.; -mit-tel o. oplossingsmiddel o.; -wort o. (van een raadsel), het woord o.; -zeichen o. herstel-lingsteeken o.

Auflötben, bedr. ww. soldeeren op; los-soldeeren.

Auflüften, bedr. ww., Z. auflüpfen, aus-tüften.

Auflugen, o. ww. opkijken.

Aujlügen, bedr. ww. onr. wysmaken,diets maken, Z. andichten.

Auflümmeln (sich), wed. ww. ongemanierd leunen, zwaar leunen op.

Auflüpfen, bedr. ww. een weinig oplichten, opbeuren.

Aufmacben, bedr. ww. openmaken, openen, losmaken; die llaare -, opmaken; leggen, zetten op; 2. wed. ww. sich -, opstaan; op weg gaan; sich zu ctw. -, zich gereed maken voor; sich -, (van den wind), opzetten, opsteken.

Aufmablen, hedr.ww. opmalen, vermalen. Aufmabnen, bedr. ww., Z. aufinuntern; it. uufbieten; it. aulfordern.

Aufmalen, bedr. ww. opschilderen, met schilderen gebruiken.

Aufraarsch, m. opmarcheeren, optrekken o.

Aufmarscbiren, o. ww. opmarcheeren; zich in slagorde scharen.

Aufmarschlinie, v. richtingslinie v. Aufmasz, o. overmaat, toegift v. Auf masten, bedr. ww., Z. masten. Aufmauern, bedr. ww. opmetselen, met metselen gebruiken.

Aufmeiszeln, bedr. ww. etw. -, openhei-telen-, beitelen op.

Aufmengen, hedr. ww., Z. mengen, vermengen.

Aufmengsel, (-s, mv. Aufmengsel) o., Z. Gemengsel.

Aufnxerken, o. ww. oplettend zyn, letten op; i. bedr. \yw., '/..aufzeichnen,aufschreiben.

Aufmerken, (-s) o., z. m. opmerken o., oplettendheid v.

Auf merker, (-s, mv. Jufmerker) m., Z. Zuhorer; 3. Uorcher.

Aufraerksam, byv. en b. opmerkzaam, oplettend; -keil v. opmerkzaamheid, oplettendheid v.

Aufmessen, bedr. ww. das Kom -, meten en op den zolder brengen; Z. zumessen; (tig.) jemn. eine Tracht Schlage -, iem. een pak slaag geven.

Anfmieten, bedr. ww., Z. schobern. Aufmiscben, bedr. w w . vermengen en aanvullen; die Karten -, weer doorschudden.

Aufmodeln, bedr. ww. weer In zyn fatsoen brengen.


-ocr page 98-

86 AUF — AUF

Aufmodern, bedr. ww., Z. hüQfievn. verspieder m.; aardtor v., loopkever m. A\

A uf munt er ii, bedr. ww. opwekken, aan- Aufpauken, bedr. ww. met pauken voor- looi

sporen, aanmoedigen. dragen. Ai

Aufmünzen, bedr. ww. vermunten, ge- Aufpeitschen, liedr. ww. doorzweepsia- versi

bruiken om te munten. gen doen opstaan; wond slaan. ww.

Aufmüssen, o. ww moeten opslaan; Aufpendem, bedr. ww. met de penterla- A' open, geopend ipoeten worden. lie ophalen. Ion; Aufmustern, /. (nifpuizen, üufmnrtern. Aufpfahlen, bedr. ww. aan palen vast- At Aufmutzen, bedr. ww. einen Fehler niakon, op een paal steken. druk ophalen, verwijlen, vergroolen. Aufpfeifen, bedr. of o. ww. onr. fluiten. Ai Aufnageln, bedr. ww. opspijkeren, opna- op de Huil spelen; jem. met (luiten wakker Ai gelen. maken. opra Aufnagen, bedr. w w. openknagen, op- Aufpflanzen, bedr. ww. planten op, plaat- 1 w knagen. sen op, planten. opsti Aufnahen, bedr. ww. naaien op, opnaaien, Aufpflastern, bedr. ww. als pleislerstry- A vernaaien; wond naaien. ken en kleven op. a-Aufnaher, (-s, mv. Jufndher) m. inslag Aufpflegen, bedr. ww. opkweeken, A m., oprijgsel o. Aufpflöcken, bedr. ww. oppinnen, vast- rank Aufnahme, v., z. m. toelaling, opname, pinnen. A ontvangst v.; die Heiterkeit tier -, Z. Julfas- Aufpflügen, bedr. ww. opploegen. a sung; opneming, leening v., opnemen o.; op- Aufpfropfen, bedr. ww. enlen op. ken; komst v., bloei, vooruitgang, bijval m.; in - Aufpichen, bedr. ww. oppekken, vast- rooi kommen,gerathen, slagen,gelukken; in-brin- pekken. A gen, in zwang brengen, doen slagen. Aufpicken, bedr. ww. open pikken, op- mak Aufnahmeschein, m. bewijs 0. van in- pikken. A scbryving op de rol. Aufplatten, bedr. ww., Z. aufbügeln. son, Aufnahnas-fahig, b(jv. nw. in slaat om Aufplatzeu, o. w w. open bersten; (van a opgenomen, aangenomen, toegelaten te wor- kruit), ontploffen, opspringen. kno den; fahigkeit v. annnemelijkheid, aanneem- Aufplatzen, bedr. ww. laten bersten, la- A baarheid v.; -wilrdig bijv. nw. aannemings- ten opspringen, gen: waardig. Aufplaudern, bedr. ww. jemn. etw, -, Z. uitv Aufnahren, bedr. ww., Z. aufZiehen. aufschwatzen. A Aufnaschen, bedr. w w . opsnoepen; it. Z. Aufpiumpon, o. ww. neerploffen, neer- wei vernaschen. plompen. nuu Aufnehmen, bedr. ww. onr. opnemen, Aufpochen,bedr.ww.openkloppen-Jem.-, .1 oprapen, oplichten; elw. {in sich) -, opnemen, opkloppen, wakker kleppen; -2. o. ww. bewe- god ontvangen; aannemen; Geld -, opnemen, lee- ging maken, kloppen. ü nen; ein Prolokoll-, opmaken-, sineGegend-, Aufpoltern, bedr. ww. jem. -, wakker len, opmelen; den Flar.hs -, in bossen hinden; ein stommelen. ^ Gut -, in bewaring nemen; (van dieren), drach- Aufpragen, bedr. ww. stempelen op, af- £ tig worden; 2. wed. ww. sich oprijzen. drukken op; vermunten. rek Aufniesen, o. ww. luide niezen. Aufprallen,o. ww.opspringen,opensprin- afrt Aufnesteln, bedr. ww., Z. aufhinden. gen, terugspringen. l Aufnieten, liedr. ww. vastklinken. Aufrasseln, o. ww. opknetteren, open- ups Aufnöthigen, bedr. ww. jemn. elw. knetteren. ^ opdringen. Aufprassen, bedr. ww., Z. verprassen. von Aufnutzen, Z. ausnutzen. Aufprellen, bedr ww. opwerpen, doen wv Aufopfern, bedr. ww. offeren, opofferen; opspringen. v. i 2. wed. ww. sich -, zich opofferen, Aufpressen, bedr. ww. etw. -, oppersen; j Avifordnen, Z, ordnen. elw. -, open persen, opendrukken; Alles -, i Auforgelu, bedr, ww, ei)! Lied -, luid- uitpersen, sc/i keels opdreunen. Aufprobireo.bedr.ww.oppassen,passen, / Aufpacken, bedr. ww. boven op pakken, Aufprotzen, bedr. ww.opdeaffuitzetten. gai opladen; openmaken, ontpakken; 2. o. ww.op- Aufprudeln, bedr. ww,, Z. aufwnllen. oppakken, zich wegpakken, heengaan. Aufprügeln, bedr. ww. opslaan, door

Aufpaimen, wed. ww. sich -, omhoog slaan doen opslaan. op'

palmen. Aufpudern, bedr. ww. oppoeieren,oppoe-

Aufpappeln, Z. aufpappen. deren. lei

Aufpappen, bedr. ww. ein Kind -, met Aufpulfen, bedr. ww. opzetten, dollen; lel

pap groot brengen; verwennen, vertroetelen; ï. o. ww. poffen op.

Z. aufkleislern. Aufpumpeo, liedr. ww., Z. pumpen. Xi

Aufpassen, bedr. ww. oppassen, probee- Aufpumpern, (i. ww. a\if etv}.-, pnmpen all

ren; 2. o. ww. oppassen, zich in acht nemen; op, bonzen op; 2. bedr. ww. jem. -, wakker nu

jemn. iem. afwachten; it. loeren op. pompen.

Aufpasser, (-s, mv.-ylufpasser) m. spion, Aufpusten, bedr. ww.,Z. au/'-, anblasen. bo

-ocr page 99-

AUF

AUF

87

m. Aufputz, m. versieren o., optooiing v.;

voor- looi m., sieraad o.

Aufputzen, bctlr. ww. optooien,opsieren, jpsla- versieren; den Hut glad strijken; *2. wed.

ww. sich zich tooien.

^erta- Aufquelien, o. ww.onr. opborrelen,zwel

len; *2. bedr. ww. doen zwellen.

vast- Aufquetschen, bedr. ww. A'ttjse-,open-

drukken.

liten, Aufradeln, bedr. ww. opwinden.

ikker Aufraffen, bedr. ww. schielijk opnemen,

oprapen; Leute -, samenrapen, verzamelen; ►laat- wed. ww. sich -, zich oprichten, spoedig

opstaan; it. zijne zaken w eer in orde brengen, stry- Aufragen, bedr. ww., Z. emporragen.

Aufranken, o. ww. naar boven ranken.

Aufrankend,bijv. nw. klimmend, omhoog-vast- rankend, opgroeiend.

Aufrasseln, o. ww. open rammelen.

Aufrauchen, bedr. ww. oprooken,verroo-ken; *2. o. ww., m. li. rooken; it. m. s. zich in vast- rook verhclfen, als rook opstijgen.

Aufrauchern, beur. ww. verbruiken,op-, op- maken.

Anfrauhen, bedr. wrw. opkrassen,oppoet-n. sen, opborstelen.

(van Aufrauher, (-.9, mv. Aufrauher) m. op-

krasser m. der weefsels. n, la- Aufraumen, bedr. ww. opruimen, her

gen; -2. o. ww. opruimen,opredderen;mit etw. -, Z. uitverkoopen; doorsteken.

Aufraumer, {-s, mv. Jufniumer) m. leer- werktuig o., waarmede men do gaten grooter maakt.

■m.-y Aufrauschen, o. ww. opruischen, met

ewe- gedruis omhoog gaan.

Aufrriuspem, bedr. ww. opgeven, opha-kker len, uitwerpen.

Aufrechen, bedr. ww. opharken. ), af- Aufrechneu, bedr. ww. verrekenen; toe

rekenen, op iems. rekening stellen; *2. o. ww. prin- afrekenen.

Aufrecht, bijv. en b. rechtop, overeind, pen- opslaand.

Aufrecbt-erhalten, bedr. ww. handha-en. ven; staande houden, ondersteunen; 2. wed.

[ioen ww. sic/i zich slaande houden;-(er)/iaWwnflf

v. instandhouding v. 'sen; Aufreciien, bedr. wrw.opsteken,opzetten.

Aufi-eden, bedr. ww., Z. aufhelsen, auf-schwatzen.

sen. Aufregen, bedr. ww. doen opvliegen; das

Hen. (janze Hans -, in beweging brengen; n. opwekken, aanzetten, aanhitsen, opruien,

loor Autreeer, (-.v, mv. Aufreyer) m. opruier,

opwekker, aanhitser m. poe- Aufregung, v. opschudding, drift, verbit

tering v.; 2. aanhitsing, opwekking y.^-smil-ITen; tel o. opwekkend middel o.

Aufreiben, bedr. ww. openwrijven; ein Zimmer opwrijven, schoonmaken, vegen; ipen alle Farben -, opwrijven, door wrijving op-Lker maken.

Aufreiber, {-.v, mv. Jufreiber) m. fluiten. boor v., kneder m.

Aufrelhen, bedr. ww. aanrijgen, oprij-gen.

Aufreiszen, bedr. ww. onr. openscheuren, openrukken, openrijten;wegrukken,wegnemen; das Pilaster -, de straat opnemen,opbreken; ein Gebdude den opstand afteeke-nen van; 2. o. ww. splijten,scheuren, bersten; opengaan, openspringen; 3. wed. ww. opvliegen, boos worden.

Aufreiten, bedr. ww. onr. openrijden,met berijden de huid doordrukken; '2. o. ww. voor iem. oprijden; 3. wed. ww. sich zich blik ryden.

Aufreizen, bedr. ww. opwekken, aanzetten, aansporen.

Aufreizer, {-s, mv. Aufreizer) m. opwekker, aanhitser m.

Anfrennen, bedr. ww. openrennen, open-loopen; opensteken; 2. o. ww.oploopen, stranden.

Aufrichten, bedr. ww. oprichten, opsteken, opbeuren; jem. -, opbeuren, troosten; oprichten, slichten; 2. wed. ww. s/c/j-,opstaan, overeind gaan zitten.

Aufrichtig, bijv. en b. oprecht, openhar-lig, ongeveinsd; -keit v. oprechtheid, openhartigheid, ongeveinsdheid v.

Aufrichtung, v. oprichting v.; stellen o. (tig.) inrichting, oprichting, vestiging v.; op-beuringo., troost m.;-sgerdth,-zeu(j o.scheepswant, takelwerk o.

Aufriechen, bedr. ww. onr. den reuk ophalen.

Aufriegeln, bedr. ww. ontgrendelen.

Aufringeln, bedr. ww. ontkrullen; 2. wed. ww. sich opkrullen.

Aufringcen sich), wed. ww. naar boven worstelen, zich ontworstelen; die Heinde open, stuk wringen.

Aufriss, mv. -e) m. (van een ge

bouw), opstand m., schels v.; (van eene vesting), plan, ontwerp o., leekening v.

Aufritzen, bedr. ww. openrijten,schrammen, openhalen; doen springen.

Aufroiieu, bedr. ww. oprollen; sich die llaare -, in krullen zetten;ontrollen, afrollen; 2. o. ww. opgerold zyn.

Aufrosten, o. ww., m. h. en s. door den roest zich zetten op.

Aufrücken, bedr. ww. etw. -, omhoog halen, ophalen; jemn. etw. -, voor de voelen werpen, verwijten; 2. o. ww. opschuiven, bevorderd worden.

Aufrudern, bedr. ww. auf etw. -, roeien legen, oproeien, vaslroeien.

Aufruf, m., z. m. oproeping v.

Aufrufen, bedr. ww. oproepen, dagvaarden; uitnoodigen, verzoeken; 2. o. ww., Z. ausrufen.

Aufruhen, bedr. ww. rusten op, liggen op.

Aufruhr, (-(e).9, mv. -e) m. oproer o., opstand m., oploop m., opschudding v., gewoel, tumult o.

Aufruhr-acte, v., -gesetz, o. wet v. tegen samenscholingen.


-ocr page 100-

AUF

88

AUF

Aufrfihreu, bedr. ww. etw. oproeren, omroeren; To/fc tot oproer opwekken, aanzetten.

Aufrührer, (-s, mv. Jufrilhrer) m. oproermaker, oproerstichter m.; -in v. oproer-maakster v.

Aufrtihreriscb, byv. uwaufrilhrisch.

Aufruhrgeist, m. geest m. van oproerigheid,

Aufrührisch, bijv. en 1). oproerig, tot oproer aanzettend, muitziek.

Aufruhrstifter, m. oproermaker, oproerstichter m.

Aufruhrsüchtig, hyv. en h. oproerig, muitziek.

Aufrunzeln, Z. entrunzeln.

Aufrupfen, liedr. ww. opstrijken, glad stryken.

Aufrüsten, bedr. ww. steigeren, Z. iu-rilsfen.

Aufrüttein, hedr. ww. wakker schudden; weer te herde brengen; 2. openscbudden.

Aufsabeln, bedr. ww., Z. (iuflMum,au[-schneiden.

Aufsacken, bedr. ww. j'mn. etw. -, opleggen, belasten, beladen met.

Aufsamp;en, bedr. ww., Z. siien.

Aufsagen, bedr. ww. opzeggen; cincn Kauf herroepen, opzeggen, verbreken.

Aufsagen, bedr. ww. etw. -, openzagen, opzagen.

Aufsalzen, bedr. ww. nog eens zouten; zouten.

Aufaammeln, bedr. ww. opzamelen, oprapen, inzamelen, verzamelen.

Aufsaiumler, (-s, mv. Aufsammler) m., Z. Summier.

Aufaaszig, bijv. nw., Z. aufsiitzig.

Aufsattcin, bedr. ww. zadelen, opzadelen.

Aufsatz, m. het opgezette, wat op iels anders gjplaats is, kap v., kop m., kapiteel o,; servies o.; oplegselo.; kapsel omrekening,nota v., gescbrirt, opstel o.

Aufsatzig, bijv. nw. vijandig, vergramd, weerspannig, k(.ppig; -keit v. haat, wrok m., koppigheid v.

Aufsauherer, (-s, mv. Aufsduberer) m. opruimer, wegvoerder m.

Aufsaubern, bjdr. ww. opruimen, wegvoeren, schoonmaken.

Aufsaugen, bedr. ww. onr. openzuigen, wond zuigen; Z. einsaugen.

Aufsaugen, bedr. ww. zogende groot brengen, opvoeden.

Aufachaben, bedr. ww. schaven op;open schaven.

Aufschallen, o. ww., Z. erschallen.

Aufschanzen, bedr. ww. als oeneschans ophoogen, ophoopen.

Aufscharfen, hedr. ww. ein Thier -, open snijden; Z. aufschrammen; eine Klinge -, opnieuw scherpen.

Aufscharren, bedr. ww. uitkrabbcn,open-krabhen, opkrabben; Z. zusammenscharren.

Aufschauderu, o. ww. huiverend opspringen.

Aufschaueu, o. ww. opzien, de oogen opslaan; oppassen, op zijne hoede zyn, acht geven.

Aufschauer, (-s, mv. Au(schauer) m., Z. Au fseher.

Aufschauem, o. ww. huiveren, rillen.

Aufschaufeln, bedr. ww. opscheppen, op de schop nemen.

Aufschaukeln, bedr. ww. in de hoogte schommelen.

Aufscheinen, o. ww. onr. schijnen op.

Aufschaumen, o. ww7. schuimen,opbruisen; (fig.) Z. aufbrausen.

Aufschellen, bedr. ww. jem. -, opschellen, opbellen, wakker bellen.

Aufschenken, bedr. ww. toewerpen, opgeven.

Aufscberen, hedr. ww. scheren,spannen; riie Taue -, in orde legger., opschieten.

Aufscheucheu, bedr. ww. schuw maken, opjagen, verschrikken.

Aufscheuern, bedr. ww. oppoetsen; open-schuren.

Aufschichten, bedr. ww. opstapelen; 2. wed. ww. (van bergen), sich -, bij lagen hoo-ger worden.

Aufschieben, bedr. ww. openschuiven, in de hoogte schuiven; eine Reise -, verschuiven, uitstellen; (Spr.) aufgesrlioben int nichl aufqelioben, borgen is geen kwijtschelden.

Aufschieb(e)ring, m. (vaneeneparaplu), ring m.

Aufschiebfenster, o., Z. Schiebfenster.

Aufschieblingj m. opgeschoten jonge boom m.

Aufschieszen, bedr. ww. open schieten; ein Tau -, opschieten; alles Pulver -, Z. rer-schieszen; 2. o. ww. eensklaps opvliegen; (van planten), opschieten, schielijk opgroeien, plotseling opkomen.

AufscMffen, o. ww., Z. auffahren.

Aufschimmern, o. WW., Z. aufleuchten.

Aufschmden, bedr. ww. of wed. ww. sich -, zich schrammen, schaven.

Aufschirren, bedr. ww., Z. anschirren.

Aufschlabbern, bedr. ww.,Z. aufschlap-pern.

Aufschlacken, o. ww. geheel schuim worden.

Aufschlag, m. opslag, jong hout o.; (in de muziek), opslag in., (Heelk.) omslag m., pap v.; opening v.; (van waren), opslaan, in prijs stijgen o.; Z. Sleuer, Au/luiie, Accise.

Aufsc ilageholz, o. opslag-pershout o.

Anfschlagen, bedr. ww. onr. opslaan, omslaan; ein Gelachler -, luidkeels beginnen te lachen; jem. -, Z. aufpruneln; openslaan, opslaan; ein llufeisen -, op den hoef vastmaken; einen Schuh -, op de leest spijkeren; i. o. ww. (van eene lom), opspringen; (van zaad), opkomen; (van een vlam), opstijgen; (van den prijs), hooger worden; (van eene deur), openslaan, slaan op, tegen; (van vogels), slaan, zingen.


-ocr page 101-

AUF 89

AUF

Aufschlager, (-s, mv. Aufschlaqer) m. ontvanger m. der accijnzen, Z. Accis-Ein-nehmer.

Aufschlage-Bchaufel, v. schepbord 0. aan een bovenslagrad; -tisch m. hangtafel v.; -wasser o. water o. dat het rad in beweging brengt.

Aufschlammen, bedr. ww. opspoelen; eine Röhre uitbaggeren; 2. wed. ww. sich zich in modder oplossen, Z. verprassen.

Aufschiaugelufsichi, wed. ww. naar boven kronkelen.

Aufsctalappe(r)n, bedr. ww. opslobberen.

Aufschleiern, bedr. ww. ontsluieren,den sluier oplichten.

Aufsehleifen, bedr. ww. onr. opslüpen, openslUpen; -2. bedr. ww. opslepen, slepen op.

Aufschleiszen, bedr. ww., Z. aufschli-tien.

Aufschleppen, bedr. ww. ein Schijf -, /.. doeken.

Aufschleudem, bedr. ww. opslingeren, omhoog slingeren.

Aufschlichten, bedr. ww., Z. aufschich-len.

Aufschlieszen, bedr. ww. ontsluiten, openen; (lig.) sein iiers-.onlsluiten,blootleggen; ein RMsel -, ophelderen, verklaren; 2. wed. ww. sich -, losgaan, zich ontsluiten, opengaan.

Aufschlieszer, (-s, mv. Jufschlieszer) m. ontsluiter, custos m.

Aufschlingen, bedr. ww. elw. Z. ver-schlimten; das Gewirre losmaken, uit de war maken; 2. wed. ww. sich -, losgaan; omhoog kronkelen.

Aufscbiitzen, bedr. ww. openscheuren, inscheuren; kloovcn, spiyten.

Aufschiucbzen, o. ww. luid snikken.

Aufschlucken,bedr. ww., Z. verschtucken.

Aufschlürfen, bedr. ww. opslorpen.

Aufschluss, m. ontsluiting, opening v.; (Hg.) opheldering, inlichting, verklaring v.

Aufachmachten, o. ww. smachtend opzien.

Aufschmausen, bedr. ww. opsmullen;

sein VermOfien -, opmaken, verkwisten.

Aufschmeicheln, bedt. ww. door vleiende woorden doen aannemen; 2. wed. ww. sich -, zich met vleierijen indringen hij, opdringen aan.

Aufschmeiszen, bedr. ww. onr., Z. auf-locrfen.

Aufschmelzen, bedr. ww. door smelting openmaken; opsmelten, versmelten; 2. o. ww. onr., Z. zerschmelzen.

Aufschmettern, bedr. ww. met geweld doen openspringen.

Aufschmieden, bedr. ww. smeden op, door smeden verbinden, Z. verschmiedcn.

Aufschmieren, bedr. ww. opsmeren,versmeren.

AufscUmücken, bedr. ww. versieren, opsmukken, tooien.

Aufschnabeln, bedr. ww., Z. aufpieken, aufessen.

Aufachnallen, bedr. ww. opgespen, aangespen; losgespen, ontgespen.

Aufschnappen, bedr. ww. ophappen; (flg.) toevallig vernemen; i. o. ww. opwippen; hankeroet gaan.

Aufschnapper, m., Z, Aufpasser, Lau-scher.

Aufschneiden,bedr. ww.onr.aansnijden, aanteekenen-, ein Buch -, opensnijden; Drod-, Z. anschneiden; i. o. ww. (lig.) snoeven, zwetsen, pochen, opsnijden.

Aufschneider, m. schatter m., snoever, pocher, grootspreker, zwetser m.

Anfachnelderei, v. grootspraak, snoeverij, pochery v.

Aufschneiderisch, bijv. en b. snoevend, pochend, zwetsend.

Aufaohneiteln, bedr. ww. opsnoeien.

Aufachnellen, bedr. ww. etw. opwerpen, doen opspringen; 2. o. ww. opvliegen; 3. wed. ww. sich -, opvliegen, opspringen.

Aufschniegeln, bedr. ww. opschikken, opdirken.

Auf-gchnipfeln, -schnippeln, bedr. ww. versnipperen, aan snippers snijden.

Aufschnippen, bedr. ww. wegknippen; 2. o. ww. opwippen, Z. aufschnellev.

Aufschnltt, m. eerste snede v. en de afgesneden kant m.; snede, insnijding v.

Aufschmtzeln, -schnitzen, bedr. WW. snijden op, insnijden.

Aufscbnobern^schnopern.-schnup-pern, Z. aufschnuffeln.

AufschnuSeln, bedr. ww. opsnuffelen, opsporen.

Aufschnupfen, bedr. ww. in den neus ophalen; opsnuiven, met snuiven verteren.

Aufschnüren, bedr. ww. vastsnoeren, vastbinden op; losrijgen.

Aufschnurren. o. ww. snorrend opspringen; driftig opvliegen.

Aufschobern, bedr. ww. aan hoopen zetten, ophoopen.

Aufschobling, m., Z. Aufschiehling, Traufhaken.

Aufschöpfen, bedr. ww. opscheppen.

Aufschossen, o. ww., Z. aufschieszen o. ww.

Aufachössling, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Schiissling; (lig.) opgeschoten jong mensch; 2. Z. Emporkö m m ling.

Aufschrammen, bedr. ww. openschram-men.

Aufschrauken, bedr. ww. kruiselings op elk. stapelen.

Aufschrauben, bedr. ww. reg. en onr. vastschroeven, schroeven op; etw. ^opschroeven, omhoog schroeven; (lig.) verhoogen.

Aufschrecken, bedr. ww. door schrik opjagen; plotseling wakker maken; 2. o. ww. onr. verschrikt opspringen.

Aufscbrel, m. gil, doordringende kreet m.


-ocr page 102-

AUF

AUF

90

Aufschreiben, bedr. ww. opschryven, opteekenen, op schrift brengen.

Aufschreien, bedr. ww. onr. wakker schreeuwen; 2. o. ww. een schreeuw geven, gillen.

Aufschreiten, bedr. ww. onr. naar boven stappen.

Aufschrift, v. opschrift, adres o.; titel m.; inscriptie v.

Aufscbrinden, o. ww., Z. aufspring en, au fbersten.

Aufscliritt, m. opklimming v.

Aufschroten, bedr. ww. oprollen, rollen op; emen Y/w/quot;-,uitsnijden; opboren,ophakken.

Aufschroter, {-s, inv. Juf schrot er) m. slagboor v.

Aufschrunden, Z. aufschrinden.

Aufschub, m. uitstel o., vertraging, opschorting v.; - sur t heil o. vonnis o. tot schorsing, tot uitstel.

Aufschübling, m., Z. Aufschiehlinq.

Aufschüppen, bedr. ww., Z. aufschau-feln.

Aufschüren, bedr. ww. opstoken, opporren.

Aufschürfen, bedr. ww., Z. aufschar f en.

Aufschürzen, Z. schürzen.

Aufschüssein, bedr. ww. jemn. -, op-disschen; onthalen.

Aufschüttein, bedr. ww. schudden, opschudden, doorschudden; jein. -, wakker schudden.

Aufscliütten, bedr. ww. aanhoogen, op-hoogen; ophoopen; Kom in den tremel doen.

Aufschüttern, bedr. ww. doen beven; 2. o. ww. bevend opvliegen.

Aufschützen, bedr. ww. opschutten, opstuwen.

Aufschwammen, Z. aufschwemmen.

Aufschwanken, o. ww. auf - und ah-schwanken, op en neder waggelen.

Aufschwanzen, bedr. ww. ein Pferd -, den staart opbinden; *2. wed. ww. sich -, den staart opzetten.

Aufschwarmen, Z. schwürmen.

Aufschwarzen, bedr. ww. eijien Hut -, opnieuw zwart verven; *2. wed. ww. sich jemn. indringen bij.

Aufschwatzen, bedr. ww., Z. anschwa-tzen.

Aufschweben, o. ww. omhoog zweven.

Anfscbwefeln, bedr. ww. opzwavelen.

Aufschweifen, bedr. ww., Z. aufschwanzen, scheren.

Aufscbweifzen, bedr. ww., Z. an-schweiszen.

Aufschwelgen, bedr. ww., Z.verschwel-gen.

Aufschwellen, bedr. ww. doen opzwellen; *2. o.ww. onr. zwellen, opzwellen; wassen.

Aufschwemme, {-n) v. sleepgat o., landingsplaats v.

Aufschwemmen, bedr. ww., Z. an-schwemmen; etw. -, van het bezinksel scheiden, laten atloopen.

Aufschwingenfsich), bedr. ww. onr. in de hoogte zwaaien, hoog opheffen; 2 wed. ww, sich -, zich verheffen, eene vlucht nemen.

Aufschwören, bedr. ww. den eed van leenman zweren; 2. o. ww. den bij de aanvaarding eener betrekking voorgeschreven eed zweren.

Aufscbwirren, o. ww. gonzend opvliegen; snorrend in de hoogte vliegen.

Aufscbwung, m. vlucht v.; (lig.) verheffing v.

Aufsegeln, o. ww. opzeilen, zeilen op; de rivier opzeilen, opvaren.

Aufsehen. o. ww. onr. opzien, de oogen opheffen; bewaken; auf einen .Ua/m-, uitzien naar, wachten op; 2. o. zelfst. viel - machen, veel opzien baren; ruchtbaarheid, opspraak, beweging v.

Aufseher, mv. Aufseher) m. opzichter, opziener, inspecteur m.; -ami o., -schaft, -stelle v. post m., ambt o., betrekking v. van opziener amp;.

Aufsein, o. ww. op zijn, staan, opgestaan zijn; waken; wohl -, zich bevinden, varen; openzijn, openstaan; verbruikt zijn.

Aufsetzen, bedr. ww. zetten op; (fig.) r/ew Kopf -, een kop loonen; einen Hul amp; opzetten; Jlörner -, nieu we horens krijgen; das Essen -, op tafel brengen, opdienen-, einen Kessel -, over (het vuur) hangen; Farben -, Z. auftrayen; Lappen -, opzetten; (van hoornen), IIolz -, Z. trnbtn; den Anker -, Z. auf-penleni; etw. schriftlich -, opschrift brengen, opschrijven; eine Rechnung -, opzetten om uit te werken; einen Prediger -, installeeren; sich {im Bell) -, zich oprichten,overeind gaan zitten; Garben -, opstapelen; ein Pass in elk. zetten; Kegel -, opzetten; den Schweif-, opbinden; eine Dame kappen; sich -, zijn haar opmaken; 2. o. ww. nieuwe horens krijgen; (van paarden), Z. koppen,- it. steigeren; (van mannelijke dieren), Z. bespringen; (van bergwerkers), schoften.

Aufsenden, Z. send en.

Aufsenken, Z. senken.

Aufsetzer, (-*, mv. Aufsetzer) m. opzetter m.; (van paarden), Z. Kopper-, -in,\. kapster v.

Aufsetz-mauer,v. aanzetmuur m^-r^/c v. verlengpüp, lospijp v.; -stunde v. schoftuur o.

Aufseufzen, o. ww. zuchten, luide zuchten.

Aufsicbt, v., z. m. opzicht o., toezicht, bestuur o., leiding v.

Aufsieden, bedr. wrw. reg.enonr. Silber-, wit maken; opkoken; (lig.) opknappen, opfris-schen en smakelijk maken; 2. o. ww. opborrelen, opbruisen.

Aufsiegein, bedr. ww. oplakken, lakken op; eine Plasche -, Z. entsiegeln.

Aufsingen, bedr. ww. onr. jem. -, met zingen wakker maken; Worlc-, zingend opzeggen; i. o. ww. luid zingen; voorzingen bij het heien amp;.


-ocr page 103-

AÜF

AUF

91

1 r' in Anfsiti, m., z. m. opzitten o. Aufspulen, liedr. ww. opklossen, op klos-

ww. Aufsltzen, o, ww. onr., m. h. opzitten, sen winden, opspoelen.

'• leggen, zitten op; (van een schip), vastzitten; Aufspülen, o. ww. aanspoelen,opspoelen

van im ISctt overeind zitten; 2. m. s. gaan zit- Anfspuler, -spulerin, opklosser m., op-

ui,n- ten; te paard stijgen. klosster v.

even Aufsitz-geld, o. geschenk o. bij de eerste Aufspunden, -spüiiden, iiedr. ww. de

ryies; -slange v. rek, hoenderrek o. spon uitnemen.

v'ilt;!- Aufsorren, bedr. ww. ophyschen, op- Aufapüren, bedr. ww. opsporen, trach-

sjorren. ten te vinden.

her- Aufspahen, bedr. ww., Z. erspühen. Aufstacheln, bedr. ww., Z. anspieszen,

Aufspalten, bedr. ww. splijten, klooven; anfachen.

P;1'6 •gt;. wed. ww. sich bersten, splijten. Aufstaffeln, bedr. ww. opstapelen.

Aufspannen,l(edr.wv. opspannen, span- Aufstaffiren, bedr. ww., Z. ausstaffiren.

'gen non. aiie serjei _,iille zeilen bijzetten; it. (lig.) Aufstalien, bedr. ww. slallen, opstallen.

z'en hemel en aarde bewegen; opbeuren, bemoe- Aufstammein, Z. slammeln.

hen, digen; Wasser -, Z. stauen. Aufstammen, bedr. ww., Z. aufstemmen.

;I:|^ Aufsparen, bedr. ww. opsparen, bespa- Aufstampfen, bedr.ww. vaststampenop;

ren, overhouden; wegleggen, bewaren voor. 2. o. ww. mil den Fusze -, trappen, stampen

ie'1quot; Aufspeichern, bedr. ww. op den zolder Anfstand, l,-stand{e)s, mv. -stande) m.

,u/'' opslaan, ophoopen. einen - machen, bet eerst opstaan; (van bet

van Aufspeilern, bedr.ww. met pinnen uil- volk), opstand m., oproero., tumult o.; bericht

spannen. o. van de gesteldheid eener mijn.

fan Aufspeisen, bedr. ww. opelen, geheel Aufstand-ig, -isch, bijv. nw. die -en,

'■en; opelen. de opstandelingen.

Anfspellen, bedr. ww., Z. aufspalten. Aufstangeln, o. ww. opschieten, door-

Aufsperren, bedr. ww. die Thüre -, schieten; 2. wed. WW. sic/i an etIV. -, er te-

0Pquot; openzetten, geheel openzetten; das Maul -, gen opgroeien.

gapen; die Jugeti opensperren,grooteoogen Aufstapeln, bedr. ww. opstapelen, op-

quot;en opzetten. hoopen; 2. o. ww. naar boven stappen.

quot; Aufspielen, bedr. ww. spelen; 2. o. ww. Aufstarkdi, bedr. ww. met stijfsel op-

l('quot;- zum Tame spelen, opspelen. maken.

luf- Aufspieszen, bedr. ww. opspielsen, ste- Aufstarren, o. ww. stijf overeind staan;

ren, tcn) opnemen, oppikken; aan het spit steken, zum Himmel -, naar den hemel staren,

om Aufspindeln, bedr. ww. op de spil doen. Aufstauben, Z. aufslauten.

en; Aufspinnen, bedr. ww. onr. opsplnnen, Aufstauben, bedr. ww. opblazen; 2. o.

igt;an alles spinnen; zich met spinnen openhalen. ww. zich als stof verbefTen, opstuiven.

, in Aufspitzen, bedr. ww. spitsen, opzetten; Aufstaubern, bedr. ww. doen opstuiven,

f -gt; (fig.) luisteren. opjagen.

«•Un Aufsplittern, o. ww. in splinters opvlie- Aufstauchen, bedr. ww. inslaan, dikker

rij- gen. en korter maken; den l-'luchs -, te drogen

'en; Aufspomen, Z. anspornen. leggen, spreiden; das fVasser -, stuiten en

• an Aufsprechen, bedr. ww. onr., Z. be- doen rijzen.

sprechen. Aufstauen, bedr. ww. Wasserauf-

Aufspreizen, bedr. ww. uitspreiden; wijd slaucheti; (lig.) oploopen, opvoeren.

openen; 2. wed. w w. sieft-, zich opblazen. Aufstechen, bedr. ww. onr. opsteken,

ot- Aufsprengen, bedr. ww. met geweld omhoog steken; (flg.) (Jescftrt/ïe, C/tenien-, Z.

ap- openen; doen openspringen; einen Hirsch -, aufgabeln; ein Geschwiir -, doorsteken; eine

uit zijn leger jagen; Wasser -, sprenkelen op. Platte -, ophalen; die llalsen und Scholen

'ire Aufsprieszen, o. ww. uitspruiten, ont- losmaken, vieren; Wild door den palrgs-

ift- luiken. hond opjagen; 2. o. ww. dicht bei dein Winde

Aufspringen, o. ww onr., openspringen; -, zoo dicht mogelijk onder den wind gaan;

;b- opspringen,opvliegen; springen,barsten, splij- wed. ww. sich krom trekken, krom ge-

ten, scheuren. bogen worden.

hl. Aufspritzen, o. ww. in de hoogte spat- Aufstecken, bedr. ww. vaststeken, op-

ten, springen; 2. bedr. ww. opspuiten, om- spelden; (fig.) etw. als Ziel -, ten doel slellen;

hoog spuiten. (tig.) jemn. ein Lichl -, doen opgaan; voeder

is- Aufsprossen,bedr. ww., Z. aufsprieszen. geven; opgeven; nalaten; viel bei etw. -, win-

'r- Aufsprössling, {-{e)s, mv. -e) m., Z. nen, verdienen.

Aufschlissliruj. Aufstehen, o. ww. onr., m. ft. en m. s.

en Aufsprult;ieln,o. ww. opborrelen,opzwel- openstaan; (van de tanden),au/ïiVa/en,-om-

len-, (tig.) driftig worden. hoog staan; 2. alleen m. s. opstaan, oprüzen;

iet Aufsorung, m. sprong, sprong m, om- herstellen; (van viseh), zich aan de opper-

'P- hoog; openspringen o. vlakte van het water vertoonen; (van wol),

iii.i Aufspucken,bedr. ww. spuwen op, spou- krullen; (van groote mannen), opstaan, ver-

W'en op. schynen; zich verzetten.

-ocr page 104-

92 AUF

AUF

Aufsteifen, bedr. ww. opstijven; fVasche stijven, doorhalen.

Aufsteigen, o. ww. onr. opstijgen; opklimmen, opstijgen, zich verhellen; (tig.) {van hoop), opkomen, ontwaken; (van spijzen), Z. aufstoszen.

Aufsteig eiriemen, m. kwast, riem m., om het opstijgen achter aan het rijtuig gemakkelijk te maken.

Aufstellen, liedr. ww. stellen, plaatsen, zetten op, opzetten; Bücher rangschikken, In orde zetten; Truppen -, in rij en gelid plaatsen; JVachpoalen -, uitzetten; fVaaren -, uilstallen; (lig.) Beweise -, aanbrengen, bijbrengen; sich -, Z. aufstallcn.

Aufstetluag, v. stelling, plaatsing v., stellen, plaatsen o.; bijbrengen o.; (van waren), uitstalling v., uitstallen o.; (van boeken), rangschikking, regeling v., in orde zetten o.; -splatz ra. plaats v. voor huurrijtuigen

Aufstemmen, bedr. ww. leunen op, zetten op; i. wed. ww. sich -, zich oprichten.

Aufstempeln, bedr. ww. stempelen, op-stempelen.

Aufsteppen, bedr. ww. opstikken, stikken op.

Aufsteuern, bedr. ww., au/lehnen; i. o. ww. opwaarts sturen, naar boven varen. Aufsticken, bedr ww. borduren op. Aufstieben, o. ww. onr. van den grond opvliegen; opstuiven, opvliegen.

Aufstiften, bedr. ww. aanzetten,opruien. Aufstimmen, bedr. ww. den toon hoo-ger stellen.

Aufstöbern, bedr. ww. opjagen; opwoeien; (lig.) opwekken; opstommelen, opduikelen. Aufstöhnen, o. ww. luide stenen, zuchten. Aufstöpfeln, Z. aufstöpseln, Aufatöpseln, bedr. ww. ontkurken, opentrekken.

Aufstören, bedr. ww. opjagen; door geraas wakker maken, in den slaap storen; verstoren; opstoken, oprakelen.

Aufstoszen, bedr. ww. onr. openstooten; (lig.) alle Thüren alle zeilen bijzetten; Wild opjagen; 2. o. ww., m. h. den grond, opwoeien; it. m. s. stooten tegen, aanvaren; (lig.) gebeuren, overkomen; ontmoeten; (van spijzen), opbreken, oprispen; (van wijn), bederven, zuur worden.

Aufstöszig, bijv. nw. bedorven, zuur geworden.

Aufstrablen, o. ww. schitterend opgaan, stralen schieten.

Aufstrampen, bedr. ww., Z. slrampfen. Aufatrampfel.l)n, bedr. ww., Z. slrampfen.

Aufstrauben, o. ww. borstelig zijn, omhoog staan.

Aufstrauben, bedr. ww. opstrijken, omhoog strijken; 2. o. ww. ijzen, ontroeren.

Aufatreben, o. ww. opwaarts streven; (lig.) naar hoogere dingen streven.

Aufstrecken, bedr. ww. omhoog strekken.

Aufstreich, openbare verknoping v. bij opbod, veiling v.

Aufstreichelsen, o. opstrijkijzer o. Aufstreichen, bedr. ww. onr. smeren, opsmeren; opstrijken.

Aufstreifea, bedr. ww. die Jermel-, op-stroopen; Bohnen -, afhalen; ï. o. ww. aan den grond raken, sleepen; 3. wed. ww. sich schrammen, openhalen.

Aufstreuen, bedr. ww. strooien op. Aufstrlch, m. opstrijken o.; ophaal, opslag m. met, den maatstok.

Aufstricken, bedr. ww. eine Masche opnemen; die Wolie opbreien.

Aufstriegeln, bedr. ww. opstrijken, omhoog strijken, opkammen; 2. wed. ww. si'cA-, zich opschikken, zich opdirken.

Aufströmen, o. ww. naar boven stroomen.

Aufstufen, bedr. ww. trapsgewijze ver-hoogen; 2. o. ww. trapsgewijze opklimmen.

Aufstülpen, bedr. ww. opslaan, opstroo-pen; (tig.) eine aufgestiilpte iSase, een wipneus m.

Anfstürmen, bedr. ww. openstormen, met geweld openen, inslaan; 2. o. ww. opvliegen, naar boven stormen.

Aufs tiir zen, bedr. ww. in haast opzetten; 2. o. ww. auf elw. -, nederstorten op; opvlie-gen.

Aufstutzeu, bedr. ww. einen Hut Z. aufstülpen; den Knebeibart -, opstrijken; etw. -, opsieren, opsmukken; (lig.) verfraaien, opsieren; 2. o. ww. vreemd opzien.

Aufstutzeu, bedr. ww. zetten op, leunen op; stutten; 2. wed. ww. sich -, leunen op. Aufstützig, bijv. nw. ziek (van vee). Aufsuchen, bedr. ww. opzoeken, zoeken naar, opsporen.

Aufsummen, o. ww. luid gonzen; gonzend opvliegen; 2. wed. ww. sich -, oploopen, toenemen.

Aufsiiszeu, bedr. ww. met zoet water begieten.

Auftafeln, bedr. ww. in de vouwen leggen; die Speisen -, Z. auftischen.

Auftagen. bedr. ww. aan den dag brengen; 2. o. WW., Z. au/leuchten.

Auftakein, bedr. ww. optakelen, optuigen; j«m. -, opsieren, opdirken.

Auftaljen, bedr. ww. optaliën, aan een takel ophijschen.

Auftanzen, bedr. ww. Sr hu he -, aan stukken dansen, opendansen; 2. o. ww. opdan-sen, vóór iem. dansen.

Auftappen, o.ww. metzw are voeten stappen; in de hoogte grijpen.

Auftaasen, bedr. ww. optassen. Auftaucheu, o. ww. opduiken, boven komen; (fig.) ontstaan, ontwaken.

Auftaumeln, o. ww. tuimelend opstaan. Aufteufeln, bedr. ww. (onaangenamen) Uist nnlp^ffftn

Aufthauen, bedr. ww. den Fluss van \js ontdoen, ontdooien; 2. o. ww. ontdooien.


-ocr page 105-

AUF

93

AUF

t. bij Aufthellen, bedr. ww. zoo verdeden, dat

er geene rest overblijft.

Aufthun, bedr. ww. onr. einen Hut-, op-iren, zetten; einen Hasen opjagen; Thüre ope

nen; die Augen open doen, ontsluiten; den , op- Arrest -, opheffen; ein Fest -. aanleggen; ein

aan Bündniss -, aangaan; 2. wed. ww. sic/i-,zlch

h openen; (van een post), vacant worden; zich

vertoonen.

Aufthürmen, bedr. ww. ophoopen,opsta-op- pelen, samenboopen; i. wed. ww. sich-, zicb

verbellen; aufgethürmt, getopt, ie -, Auftiefen, bedr. ww:. diepen, boislaan.

Auftief-hammer, m. diephamer m.; om- -meiszei, ra. drijfbeitel ra. ■Ji -, Auftippen, bedr. ww. optippen.

Auftischen, bedr. ww. die Speisen -, op-roo- brengen, op tafel brengen; jem. -, onthalen,

opdisschen.

ver- Auftoben, o. w w*., m. h. en s., woedend

n. opstaan, beginnen te woeden, te razen,

roo- Auftönen, bedr. ww., Z. ertönen.

vip- Auftorkeln, bedr. WW., Z. auftaumeln.

Auftorneu, bedr. ww., Z. aufdrehen. aen, Auftosen. o. ww., Z. aufbrausen.

lie- Auftrag, {-lrag{e)s, mv. -trage) m. laag

v., opbrengen o.; opdracht, overdracht v.; last ten; ra,, commissie v.

lie- Auftragehölzlein, o. verguldselplankje o.

Auftragen, bedr. ww. onr. omboog dra-, Z. gen, naar boven dragen; opvoeren; Kleider -,

Hw. afdragen; Farben -, opleggen, opbrengen;

op- Speisen -, opbrengen, op tafel zetten; jemn.

etw. -, opdragen, in last geven, opleggen; 2. nen o. ww. dik maken.

). Auftrager, (-s, rav. Aujtrdger) ra. opdra-

ger ra.; coraraittant ra. ken AuftragB-beaorger, m. zaakwaarnemer,

makelaar ra.; -handel m. commissiehandel ra., ;on- raakelarU v.

len, Auftrampeln, Z. auftrampen.

Auftrarapen, o. ww. starapen op, trap-iter pen op; S. bedr. ww. openstampen, opentrap-

pen.

leg- Auftrappen, Z. auftrampen (ï).

Auftrlt;iufe(l)n, bedr. ww. opdroppelen, en- laten droppelen op; 2. o. ww. afdroppelen,

droppelen op.

iui- Auftraufen, o. WW. Z. auftrdufeln.

Auftrecken, bedr. ww. ophalen, optrek-een ken.

Auftrecker, (-s, mv. Au(trecher) m. hij, aan die vuil ophaalt in de mijnen,

an- Auftreffen, bedr. ww. onr. opvinden, uit

bed vinden.

ap- Auftreiben, bedr. ww. onr. aandrijven;

einen Gang -, openbreken; den Acker Z. aufbrechen; den Leib -, doen opzwellen; das ko- Glas -, Z. ausbauchen; J'ïf/wrem-,drijven op;

jem. -,opjagen, geene rust laten ; etw. -, op-an. loepen, bijeenbrengen; 2. o. ww. gistend op

en) rUzen, opzwellen; drijven op.

Auftrennen, bedr. ww:. lostornen, van Auftreten, bedr ww. onr. opentrappen,

a. optrappen, vasüreden; sich den Fusz -, open,

wond trappen; I. o. ww. opstijgen; op l.et tooneel komen, optreden; (lig.) gegen jem. -, tegen iem. optreden, zich verzetten, zich verklaren tegen, opkomen.

Anftrlefen, o. WW. onr., Z. auftrdufeln.

Auftrlft(v.,z.m. omgewerkte,omgeploegde akker m.

Auftrinken, bedr. ww. onr. das Wasser -, opnemen, opdrogen; allen voorraad opdrinken.

Auftrltt, m. optreden o., gang m.;, optreding v.; tooneel o.; optrede v., stoep ra., op-tred m.; -bank v. treebank v., aardverhoogliig v. achter de borstwering.

Auftrocknen, bedr. ww. opdrogen; 2. o. ww. opdrogen, droog worden.

Auftrommeln, tiedr. ww. jem -, optrommelen, wakker trommelen; den Bruch -, Z. auftreiben; 2. o. ww. de trom slaan voor.

Aul trompet en, bedr. ww. jem. -, met de trompet wakker maken; op de trompet blazen.

Auftropfe(l)nlbedr. ww.,Z. auftrdufeln.

Auftrotzen, Z. Irotzen.

Auftrumpfen, o. ww. troef spelen; (fig.) geducht de meening zeggen, troeven.

Auftuchen, bedr. ww. opvouwen, in de vouwen leggen.

Auftünchen, bedr. ww. opnieuw witten.

Auftunken, bedr. ww. opsoppen.

Auftupfen, bedr. ww., Z. auftippen.

Auftuschen, bedr. ww. opwasschen met Oostindischen inkt.

AufwacUen, o. ww. wakker worden, ontwaken, opstaan.

Aufwachsen, o. ww. onr. opgroeien, groot worden, opwassen.

Aufwagen, bedr. ww. reg. en onr. verge-lüken; rükelük betalen, vergoeden.

Aufwahlen, bedr, ww. opspelen.

Aufwall, m., z. ra. opwelling, opbruising v.

Aufwallen, bedr. ww. Torf op hoopen zetten, opstapelen, opwellen; (lig.) in oproer brengen; 4. o. ww. opkoken; (lig.) opbruisen.

Aufwallen, bedr.ww. doen opwellen, opkoken.

Aufwallung, v. opwelling, opbruising, aandoening v.

Aufwalzen, bedr. ww.op de rol brengen.

Aufwaizen, bedr. ww. opwaarts rolljn, omhoog rollen, rollen op; (lig.) Z. aufbürden.

Aufwand, (-(e)s) m. z. m. uitgaaf v.; weelde, verkwisting v.; kusten m. mv., verbruik o.; ten toon spreiding v.; -sgesetz o. wet v. ter beteugeling der weelde.

Aufwandeln, bedr. ww. die Hostie -. ter aanbidding omhoog houden; 2. o. ww. opwaarts wandelen.

Auf-vanken, o. ww. m. s. en m. h. wandelend opstaan.

Aufwarmen, bedr. ww. opwarmen, weer warm maken, weer opwekken; einen ll'itz -, herhalen; einen Ertrunkenen -, door verwarming weer bijbrengen.


fj

-ocr page 106-

AUF

AÜF

94

Aufwarte-geld, o., -lohn, ra. kosten m, neus ra.; J. wed. ww. (van hout),sic/i zich

buigen, zich krommen; sich zum KOnig -, als koning opwerpen.

Aufwerfer, ra. die opwerpt; mol ra. Aufwerfhammer, m. opwerphamer m. Aufwlchsen, bedr. ww. met was opstrijken, omhoog strijken; (fig.) Z. aufputzen.

Aufwlckeln, bedr. ww. opwinden; d\e Haare -, in papillotten zetten; Papier-,open-rollen; ein Kind -, uit de windsels doen.

Aufwiegelei, v., z. m. opruiing, muiterij v.

Aufwiegcln, bedr. ww. opwekken, opruien, oproerig maken, in opstand brengen; jem. -, Z. aufhelzen.

Aufwiegen, bedr. ww. onr. overtreffen, de overhand hebben, meer waard zün, opwegen, even goed of geldend zijn.

Aufwiegier, (-s, mv. Jufwiegler) m. opruier, oproermaker ra.

Aufwieglerisch, byv. en b. opruiend, rauitziek, oproerig.

Aufwiehern, o. ww. luid hinniken. Anfwimmern, o. ww. luid kermen. Aufwindeln, bedr. ww. ein Kind -, uit de windsels doen.

Aufwinden, bedr ww. opwinden; eine Last -, ophijschen, omboog winden; Anker Z. lichten.

Aufwlnder, (-s, mv, Jnfwinder) m. opwinder ra„ voorwiel o. aan de spinmachine. Aufwinseln, o. ww. luid kernen. Aufwippen, bedr. ww, opwippen, Aufwlrbeln, bedr. ww. ein Fenster -, door bel omdraaien viin den wervel openen; 2, o, ww, dwarrelend opstijgen,

Aufwirken, bedr, ww, das Cam -, Z, verwirken; den Hirsch -, hel vel aftrekken, afhalen.

Aufwirren, bedr, ww. ontwarren, uit do war raaken.

Aufwischen, bedr. ww. opvegen, opwis-schen.

Aufwischerj-wischlumpen, m. wrijf-

lap, vaatdoek, wisscher m.

Aufwlttem, bedr. ww. ruiken, door den reuk ontdekken.

Aufwogen, o. ww. (van de zee), zich in golven verhellen; (lig.) opwellen. Aufwolben, bedr. ww., Z. wolben. Aufwolken (sich), wed. ww. als eene wolk opstijgen, zich verheffen.

Aufwollen, o, ww, willen opstaan, zich willen verheffen.

Aufwuchern, o ww. welig opschieten, grooleiljks vermeerderen.

Aufwucha, m. aanwas ra. Aufwuchten, bedr. ww., Z. aufwdgen, Aufwüblen, bedr. ww. opwoeien, opwroeten, van onderen opwoeien; (fig.) das Herz -, ontroeren.

Aufwurf, ra. werpen o. op; opgeworpen aarde v.; it. Z. Bewurf.

Aufzahlen, bedr. ww. lellen, opnoemen, opsommen, toelellen.

mv. van bediening; it.waakgeld. waakloon o.

Aufwarten, o. ww. bedienen-, (van honden), op de achterpooten gaan zitten; (flg.) jemn. zijne opwachting maken bü; jemn. mH etiv. aanbieden; dienen.

Aufwarter, (-«, mv. Jufwdrter) in. bediende, oppasser m.; -in v., Z. Kellnerin.

Aufwarts, bijw. opwaarts, omhoog, tegen stroom, stroomopwaarts.

Aufwartsam, byv. en b. dienstvaardig, nauwgezet in bet bedienen.

Aufwartung, v. bediening v.; opwachting v.

Aufwasch, {-wasches, mv. -wdsche) m., -wasche, (-n) v. gebruikt vaatwerk o., dat gewasschen moet worden.

Aufwaschen, bedr. ww. onr. wasschen, met een natten doek opnemen, opwasschen, verbruiken raet wasschen; sich die lldnde -, open of stuk wasschen.

Aufwascherin, v. vatenwaschster v. Aufwasch-fass, o., Z. -kilbel; -frau v., Jufwascheritt; -kilbel m. waschvat o.voor vaatwerk; -mand v., Z. Jufwdscherin; -platz m gootsteen m.

Aufvraschwasser, o. vaat-, spoelwater o.

Aufwasser, o. water o. op het ijs, over-geioopen water o.

Aufweben, bedr. ww. opweven, verbruiken met weven; een weefsel losmaken; weven op.

Aufwechsel, m. opgeld, agio o. Aufwechseln, licdr.ww.,Z. einwechseln. Aufwechsler, ra, wisselhandelaar m. Aufweclien, bedr. ww. jein. -, wekken, wakker maken; vom Todc -, opwekken; (lig.) opwekken, aanwakkeren.

Aufwecker, m. opwekker m.;Z. Wecker. Aufweg, ra. weg ra. naar boven. Aufwehen, bedr. ww. doen opwaaien; einen Funken -, aanblazen; eine Thiire -, openwaaien; 2. o. ww. opvliegen, openwaaien;

Aufweichen, bedr. ww. week maken, wecken, openweeken; 2. o. ww. week worden. Aufweifen, bedr. ww., Z. aufhaspeln. Aufweinen, o. ww. beginnen te weenen, te schreien; zu Gotl -, weenend opzien tot.

Aufweis, (-es, mv. -e) ra. flecjen -, tegen, op vertoon o.

Aufweisen, bedr. ww. onr. vertoonen, overleggen.

Aufweiszen, bedr. ww. opwitten, nog eens witten.

Aufwellen, bedr. ww. oprollen, Z. auf-wdUen.

Aufwendeu, liedr. ww. reg. en onr. naar boven wenden, sturen; Mühe aanwenden, besteden.

Aufwerfen, bedr. ww. onr. opengooien; eine Karle -, uitspelen, openleggen; eine Frage -, opwerpen; ein liedenken opperen; zum Kuiser -, benoemen; einen Ball -, in de hoogte werpen; tine aufgeworfene Kase, wip-

-ocr page 107-

AUG

ich Aufzahler, m. oplellcr, upsoramer m.

Aufzainen, bedr. WW. in gelijke hoopen opstapelen.

Aufzappeln, zappeln. n. Aufzaubern, beilr. ww. door eene too-

rg- verspreuk openen; als door looverkracht in liet geheugen roepen; jemn. elw. an-die zaubern.

en- Aufzaumen, bedr.ww. opbinden, optuigen.

Aufzauneu, Z. aufzainen. ui- Aufzechen, bedr. ww. verdrinken.

Aufzehren, bedr. ww. opteren, verteren, op- verbruiken; verkwisten, en; Aufzeichnen, bedr. ww. opteekenen,

aanteekenen, noteeren, opschryven. en, Aufzeichnunfj, v., /,. aufzeichnen; -sbuch

ve- o. aanteekenboek, notitieboekje o.

Aufzeigen, bedr. ww., Z. aufweisen. Dp- Aufzerren, bedr. ww., Z. aufreiszen.

Aufzetteln, bedr. ww. op den grond uit nd, elkaar spreiden, losmaken.

Aufzeugen, o. ww. als getuige optreden; •2. bedr. ww., Z. zeufjen.

Aufziehbrücke, v.,Z. Zafibrücke. uit Aufzieben, bedr. ww. onr. oplrekken,

ophalen; die Sclileuse-,open7.eUen-,eine Flange ine -, opliijsctien; Dukaten wegen of zü het • -, juiste gewicht hebben; eine Schleife -, los-doen; eine Flasche -, opentrekken; eine rhure op- openen; ./emu. -, open doen: eine» Rieqel -,

!. openschuiven-, eine Uhr -, opwinden-, ilas Ge-

vehr -, overhalen; eine Saite opzeilen, opspannen; eine Landkarle -, opplakken; eine •Miene -, aannemen; Seufzer -, slaken; en; das MelalWlech -, langs den rand ullkloppen;

zuih Tanzeuitnoodigen; ïVitere-, opkwee-Z. ken; Kinder opvoeden; jem. -, voor den gek en, houden, den spot drijven met; jem. mit ehv.

plagen, beetnemen; 3. wed. ww. sich ko-de men opzeilen; 3. o. ww. (van soldalen), op-marcheeren, op wacht gaan; voor den dag 'is- komen, verschijnen; mit etw. -, voor den dag

komen; (van een onweer), komen opzetten Üf- Aufzie-ier, m. optrekkende spier v.

Aufzieherel, v. plagerij, spotternij v. len Aufzieherisch, byv. nw. plaagziek.

Aufzieh-haken, m., Z. Tackel haken; in -hammer m. trekhamer m.; -toch o. sleutelgat o.; -seil o., Z. Lenkxeil

Aufzieren, bedr. ww., Z. aufputzen. ine Aafziraraern, bedr. ww. opslaan; (lig.)

oprichten, bouwen, ich Aufzlschen, o. ww. omhoog sissen.

Aufzittern, o. ww. sidderend oprijzen, en, opvliegen.

Aufzuclit, Z. Anzucht.

Aufzuckeu, o. ww. met sluiptrekkingen ■i., opvliegen; (van den bliksem), flikkeren,

jp- Aufzug, m. optocht, stoet, trein m., pro-

ias cessie v.; uiterlijk voorkomen o., kleeding v.;

(van een looneelstuk), akte v., bedrijf o.; op-jen gehaalde o.; werktuig o. om lasten op te til

len; (van een gebouw), Z. Aufriss; schering en, v.; broeisel o.; -brücke v.. Z. Zuijbrucke;

-stjeld o. sluisgeld o.. bruggegeld o.

Aufzüglicb, buv. en b. oponmouu veroorzakend.

Aufzupfen, bedr. ww. losmaken.

Aufzwangen, bedr. ww. met geweld opzetten, met geweld openen.

Aufzwecken, bedr. ww. vastpennen, oppennen.

Aufzwlcken, bedr. ww. openknijpen; Z. aufzwecken.

Aufzwlagen, bedr. ww. onr. opdringen, noodzaken om aan te nemen, beklemmen.

Aug-apfel, m. oogappel m.; (tig.) iieve-liug m. -bolzen m. oogbout m.

Auge, (-s, mv. -«) o. oog o.; aller -n auf sich Ziehen, ieders attentie trekken; das lieqt vor -,dat kan men zien; er war seinemfater wie aus dem - qeschnitten, hij geleek sprekend op-, jemn. etw. aufs - drücken, omkoopen; die -H zudrücken, door de vingers zien; jemn. den L'aumen aufs - setzen, kort houden; (Spr.) das passl wie die Faust aufs -, dat past als een tang op een varken; aus den -n, aus dem Sinn; uit het oog, uit bet hart; it. oog, gezicht, zien o.

Aeugetn, bedr. ww. enten, inenten; i. Z. liebduqeln.

Augen, o. ww., Z. sehen.

Augen-achat, ra. oogagaat ra.-, -achse v. oogas v.; -ader v. oogader v.; -arznei v., Z. -mittel; -arzt ra. oorarts m.; -bad o. bad o. voor de oogen; -balsam m. oogbalsem ra.; -be-ben o. schittering v. van hel oog; -beschrei-bunci v. beschrijving der oogen; -betruq ra. gezichtsbedrog o.; -bitd o. beeld, gezichtsbeeld o.; -hinde doek ra. op de oogen-, blinddoek ra.; -blende v., Z. -leder; -bliek ra. blik ra. van hel oog; (lig.) oogenblik o. en ra.; in einem —, in een oogenblik, in een oogwenk; —lich bijw. oogenbllkkelijk, dadelijk, aanstonds^. bijw. op bet oogenblik; it. elk oogenblik; —s bijw., Z. —lich; -blinzen o., Z be-ben; -bliide, -bltidigkeit v. zwakheid v. der oogen, kortzichtigheid v.; -boqen ra. oogring in., iris v ; -braue, -braune v. wenkbrauw v.; -braunbogen m. wenkbrauwsboog ra.; —musket, —runzier ra. wenkbrauwspier v.; -bruch ra., Z. -r or fall; -butler v. talkachlig oog-voebt o.; leepoogigheid y.-,-clavier o., Z. Far-benclamer; -cur v. genezing der oogen; -decke v. oogvlies o.; -deckel m. ooglap ra.; it. Z. -lied, -teder; -diener m. oogendienaar, vleier m.; -dienerei v., -dienst m. geveinsde dienst-vaardigheid v.; -drüse v., Z. Thrdnendrüse; -dunkelheit v. gezichtsverzwakking v.; - ent-zundunq v. oogontsteking v.; -fdlliri, -keil v., Z. -scheinlich -farbe v. kleur v. van hel oog; -feil o. oogvlies o.; staar v.; -feuch-tUjkeit v. vochligheid der oogen; -fisch m. oogvisch ra.; -fistel v. ooglislel v.; -fleeken m. vlek v. op het oog-, -flüqet m. nagel of vleugel ra. op hel hoornvlies van het oog; -fluss in. leepoogigheid v.; -fOrmig bijv. en b. oog-vormig, oogachlig; -geschwutst v. ooggezwel o.; -qewachs o. uitwas o. by of op het oog; -(jewiilk o. wolkje o. op hel hoornvlies van


-ocr page 108-

AUG

96

AUS

het oog; -glas o. oogglas o., bril m.; -grube v, kuil m. Loven do oogen; -haul v., -hautchen o. oogvlies o.; parel v.; -heilanstalt v. inrichting v. voor de genezing van de oogen; -höhlc v. oogholte v.; -holz o. ooghout o.; -hammer v. oogkast v.; -kilzel m. kitteling, prikkeling v. der oogen; -klappe v., Z. -leder; -knochen m., Z. Hackenbein; -knorpel m. dun kraak-beentje o. tusschen de huid en het bindvlies van ieder ooglid; -knolen in. zenuwknoop in. in bet oog; -koraUey. oogkoraal o.; -krank-hexi v. oogziekte v.; -kruut o., Z. FAnbeere, Schellkraut; -krehs m. oogkanker m.; -kreix m. oogkring m.; -leder o. oogleer o., oogklep v.; -lehre v. oogenleerv.;-/«irfeno.,Z,-ftra«ft-heit; -licht o. licht o. der oogen;-/i(e)rf o. ooglid o.; -loch o. ooggat o.; -los bijv. nw. zonder oogen, blind;-/«si v., Z. -weide; -mal o., Z. -flecken; —mannor in. oogmarmer o.; -masz o. oogmaat v., meten o. op liet oog; -mauslein o., Z. -muskei; -merk o. oogmerk, doel, inzicht o.; -miltel o. oogmiddel o.;-mu«-kel m. oogspier v.; -nagel m. oognagelvlies o.; -nerom.,Z. Sehenerve; - nicht {s) o., zinkkalk v., spodium o.; -paar o. oogenpaar o.; -per-pendikel m catbetus m.; -pferd m., Z. -6e-ben; -pulver u. oogpoeier o.; -punkt o. oogpunt, gezichtspunt o.; -reiz m. prikkeling v. van het oog; -ring m., Z. -hogen; -rinnen o. tranenvloed m., oogtraning v.; -roche v., Z. Spiegelroche; -rOthe v, oogenrood o.-,-salbe v. oogzalf v.; -schade m.oogkwaal v.; -scheinm. oogenscbijn m., -scheinlich liijv. en b. oogen-schijnlijk, klaarblijkelijk, zichtbaar; —kext klaarblijkelijkheid, waarschijnlijkheid v.; -sche-re v. oogschaar v.; -schieszer m. waterjuffertje o.; -schirm m. oogenscherm o.; -schleim m., -schmalz o., Z. -butler; -schmaus m., Z. -weide; -schmerz m. oogpijn v.; -schwache t. oogzwakte v.; -schwinden o. wegtering v. van bel oog; -sperrer, -spiegel m. oogspiegel m.; -spiel o. knipoogen o.; -spross m. uitspruitsel o aan het gewei van een bert; -siein m. oogsteen m., kattenoog o.; -stern ra. oogappel m., iris v.; -tauschung v., Z. -betrug; -triefen o. leepoogigheid v.; -triefig bijv. n\v., triefaugig; -trost m. oogentroost m.;-ïer-dunktung v. verduistering v. der oogen; -vor-fall m. gezichtsverzwakking v.; -warze v. oogwrat v.; -wasser o. oogwater o.; -we/i o. oogpijn v.; -weide v. genol o. voor de oogen, verrukkelijk gezicht o.; -weisz o. oogwit o.; -weite v. oogwijdte, gezichtswijdte v.; -ivelle v., Z. -achse; -wimper, m. ooghaartje o.; -wink m. oogwenk m.; -winkel m. ooghoek, gezichtshoek m.; -winken o. knipoogen o.; -wolklein o.,-gewülk; -wonne\-weide; -wurzet v. wortel m. van den leeuwentand; -zalm v. oogtand m.; -zeuge m. ooggetuige m. en v.; -zeugniss o. verklaring van een ooggetuige; -zirkel m., Z. -bogen.

Aug-geschwür, o. witte oogvlek v., zweertje o. op bet oogvlies; -hautchen o. oogvlies o.

Augicht, bijv. nw. oogacbtig.

Augig, Aeugig, bijv. en b. met oogen, oogen hebbend; met gaten.

Augit, (-(c)s, mv. -e) m. augiet m., oiyf-blende v.

Aug-krampf, m. oogkramp v.

Aeuglein, o. oogje, klein oog o.

Augment, {-(e)s, mv. -e) o. bijvoeging v.

Augur, {-gurs, mv. -gum) m. vogelwichelaar m.

Auguriren, o. ww. voorspellen.

Augurium, (-riums, mv. -rien) o. voorspelling v.

August, August (doopnaam); August, {-{e)s, mv, -e) m. Augustus m.; -apfel m., St. Jans-appel, appel m. zonder pit; -birn v. vroege peer v.; -eiche v. steeneik m.; -haber m. vroege haver v.; -hopfen m. vroege hopv.

Augustlner, (-i, mv. Augustiner) m. Augustijner m. (monnik); -birn v. Augustijnerpeer v.; -barfilszer m. Augustijner barre-voeter m.; -in v. Augustijner non v.; -klostcr o. Augustijner klooster o.; -mönch m., Z. Ju-gustiner; -mme v., Z. Augustinerin; -orden m. orde van St. Augustinus.

August-klrsche, v. augustuskers, morel v.; -pjlaume v. groene of koningpruim v.; -schein m. nieuwe maan In Augustus.

Aug-vorfall, m. uitpuilen o. des oogappels; -schwinden o. dof worden o. des oogappels.

Auhirsch, Aueuhirscb, m. landbert 0.

Aurecht, o. weiderecht o.

Aurikel, (-n) v. berenoor o., auricula o.

Aurln, (-(e)s, mv -e) m., Z. Tuusend-güldenkraut, Gnadenkraut.

Auriplgment, (- 'c)s, mv. -e) o. opere-ment, geel zwavel-arsenik m.

Aurora, v., Z. Morgenrothe; -farbe V. aurorakleur v.

Aus, voorz. (met den 3en nv.) uit, van; - Erfahrung, bij,door ondervinding; - diesem Grunde, om die reden; - guter Absicht, met eene goede bedoeling; von Grund van top tot teen: von Uaus - arm, van arme ouders afkomstig; Jahr -, Jahr ein, jaar in, jaar uit, van jaar tot jaar; 2,bljw. uit, op; die Zeil ist de tijd is om, voorbij; der H'ein ist -, de wijn Is op; es ist - mit ihm, bet is met hem gedaan.

Ausachzen, o. ww. ophouden met zuchten; zuchtend spreken

Ausackern, bedr. ww. uitploegen, uitbouwen; 2. o. ww. ophouden met ploegen.

Ausadern, bedr. ww. de aderen snijden uit.

Ausalpen, o. ww. ophouden zich met veehouderij op de hergen af te geven.

Ausangstigen, bedr. ww., Z. abangsli-gen; 2. wed. ww. sich -,een einde maken aan zijne benauwdheid.

Ausantworten, bedr. wvr.,Z. ausliefern, übergeben.

Ausarbeiten bedr. ww. afwerken, uitwerken; 2. o. ww. uitwerken, uitgisten; :i. wed. ww. sich -, zich vormen.

Ausargern (sich), wed. ww. zijne er-


-ocr page 109-

AUS

AUS

97

gernis luid te kunnen ge^en; 2. bedr. ww. dood ergeren.

Auaart, v., Ausartung.

Ausarten, o. ww. ontaarden, verbasteren.

Ausartuns, v. ontaarding, verbastering, bastaardsoort v.

Ausasten, bedr. ww. uitsnoeien, uitdunnen; 2. o. ww. in takken uitioopen.

Ausathmen, bedr. ww. uitademen, uitblazen; seine Seela den geest geven, sterven; 2. o. ww. overlijden, sterven; 3. wed. ww. sic/i uitblazen, Z. sich erholen.

Ausatzen, bedr. ww. uitbijten, wegbijten.

Ausbabbeln, bedr. ww., Z. uusplaudern.

Ausbacken, bedr. ww. onr. gaarbakken; ein ausqebuckener Kerl, geslepen, uitgeslapen vent; Fische bet vet uithakken; 2. o. ww. eindigen niet bakken.

Ausbadcn, o. ww. eindigen, ophouden te baden; 2. bedr. ww. elw. - mllssen, bet gelag moeten betalen, de scbade lijden.

Ausbaggern, bedr. ww. uitbaggeren, uitdiepen.

Ausbahen, bedr. ww. uitbranden.

Ausbalgen, -balgen, bedr. WW. ein Thier -, villen; Füyel -, opzetten; 2. wed. ww. sich opblazen.

Ausballen, bedr. ww. ontpakken, uitpakken.

Ausbalzen, o. ww. niet meer tocbtig zyn, opbonden tochtig te zijn.

Ausbangen,o. ww. de benauwheid kwgt worden; 2. bedr. ww. die Seelemet benauwd-bcid sterven.

Ausbannen, bedr. ww., Z. verbannen, austreiben.

Ausbau, m. het inwendige van een gebouw afmaken o.; de geexploiieerde m'jn v.; vooruitspringend gedeelte o. van een gebouw.

Ausbauchen, -bauctaen, hedr. ww. uitslaan, buikig maken; 2. wed. ww. sich -, krom worden; 3. o. ww. (van eene zuil), dikker worden.

Ausbauen, bedr. ww. ein Gebiimle voltooien; Getreide -, uitzaaien; 2. o. ww. uitbouwen, ophouden te bouwen.

Ausbeben, o. ww. ophouden met beven; bevende eindigen.

Ausbechem, bedr. ww., Z. austrinken.

Ausbedingen, bedr. ww. onr. sich etw. -, zich iets voorbehouden, bedingen.

Ausbeeren, bedr. ww. de bessen [in de strikken wegvreten.

Ausbehalten, o. ww., Z. ausbedingen.

Ausbeichten, bedr. ww. biechten, belijden; 2. o. ww. ophouden te biechten.

Ausbeinen, bedr. ww. de beenderen uil-halen.

Ausbeiszen, bedr. ww. onr. uitbijten; jent.-, uit zijne bediening verdringen; 2. o. ■ww. vooruitsteken.

Ausbeizen, bedr. ww. laten uitbijlen.

Auamp;beifem, o. ww. uitkellen, ophouden met kelten.

Ausbellen, o. ww. ophouden te blaffen.

Ansberelten, bedr. ww. glad maken, polijsten.

Ausbereiter, m.bruinmaker, polijster m.

Ausbesserer, m. oplapper, versteller ra.

Ausbessern, bedr. ww. berstellen, re-pareeren; Kleider verstellen, lappen.

Ausbesserung, v. herstelling, oplapping, reparatie v.; -skosten mv. reparatiekosten m. mv.

Ausbeten, hedr. ww. tot het einde toe bidden; 2. o. ww. uitbidden, ophouden te bidden.

Ausbetteln, bedr. ww., Z. erbelleln; 2. o. ww. ophouden te bedelen.

Ausbetten, bedr. ww. uit zün bed jagen; (eene gracht) dempen.

Ausbeugen, o, ww. uit den weg gaan voor, uitwijken.

Ausbeulen, bedr. ww. de deuken slaan uit.

Ausbeute, v. zuivere opbrengst, winst v., voordeel o.; -bogen m. blad o. dat het bedrag van de winst aanduidt; -grube v. groeve v. die de winst oplevert.

Ausbeuteln, bedr. ww. uil den buil doen; builen, uitbuilen; (lig.) jem. lems. beurs ledigen; 2. wed. ww. sich -, al zij., geld uitgeven.

Ausbeuten, bedr. ww. ten nutte maken, winst, voordeel trekken uit.

Ausbeute-thaler, m. daalder m. winst; -zeche v., Z. -grube; -zettel m., Z. - bogen.

Ausbeutung, v. exploitatie v.

Ausbezahlen, bedr. ww., Z. auszahlen.

Ausblegen, bedr. ww. onr. uitbuigen, ombuigen; krom trekken, krommen; godron-neeren; 2. o. ww. vor jemn. uit den weg gaan; ontwijken.

Ausbieger, m. godronneur m.

Ausbieten, bedr. ww. onr. te koop aanbieden; einen Miethsmann de huur opzeggen; Z. überbielen; 2. wed. ww. sich in het openbaar of openlijk zijne diensten aanbieden.

Ausbietuug, v. te koop stellen o., aanbieding v.; verkooping v., bod, opbod, overbed o.

Ausbildbar, bijv. nw. voor meerdere ontwikkeling, voor volmaking vatbaar.

Ausbilden, bedr. ww. elw. -, vormen, volmaken; ontwikkelen, oefenen.

Ausbildinjer, m. - einer Sprache, taalkundige m., die de taal beschaaft, volmaakt.

Ausbinden, bedr. ww. onr. losmaken.

Ausbitten, bedr. ww. onr. verzoeken; uitnoodlgen.

Ausblasen, bedr. ww. onr. ein Ei -, uitblazen, leegblazen; eine Kugel door blazen vormen; eine Flüte bespelen; ein Slück ten einde blazen; den Ofen uitblazen, afkoelen; it. blusscbeu; ein Licht uitblazen, uilblusschen; 2. o. ww., m. s. en m. h. de werking der blaasbalgen doen ophouden.

Ausblattern, bedr. ww. tot aan hel eind doorbladeren.


-ocr page 110-

98 AUS

AUS

vatbaarheid v. voor de verspreiding; -sucht v. zucht v. om uit te breiden.

Ausbrennen, bedr. ww. reg. en onr. uitbranden, door branden uitboren; goed of ten einde branden; 2. o. ww. ophouden te branden, afbranden; uitgaan.

Ausbrinsren, bedr. ww. buiten brengen, uitbrengen, uitzetten; den Anker -, uitwerpen; En -, uit de mijn halen; Junqc -, uitbroeien; Teiche -, uitbaggeren, uitdiepen; ehien Flecken -, uitmaken; ein Gerucht -, uitstrooien; jems. Gesundheit drinken op.

Ausbringer, -bringerlu, uitbrenger m., uitbrengster v.

Ausbrockeln, -bröckeln, bedr. ww. uitbrokkelen.

Ausbrode(l)n, o. ww., m. s. (van water), overkoken; 2. ra. h. ophouden met koken, borrelen.

Ausbröseln, o ww. uitvallen. Ausbruch, in. uitbraak, ontsnapping v.; uitbarsting v.; uitbreken, ontstaan o. Ausbrüheii, bedr. ww. uitbroeien. Ausbrüllen, o. ww. uitbrullen, ophouden te brullen.

Ausbrumraen, o. ww. uitbrommen, ophouden te brommen.

Ausbrunften, Z. ausbrunsten. Ausbrunsten, o. ww. uitbronsten, ophouden te bronsten.

Ausbriisten, bedr. ww. de ingewanden uit de borst nemen.

Ausbrüten, bedr. ww. ui broeien; (lig.) Verratherei smeden; Entwilrfe -, beramen; 2. o. ww. ophouden te broeien.

Ausbüchsen, liedr. ww. etw. bussen, met eene bus voorzien.

Ausbuckeln, liedr. ww. denken; it. Z. ausbeulen.

Ausbügeln, bedr. ww uitstrijken; gladstrijken.

Ausbuhlen, o. ww. ophouden te boelee-rcn.

Ausbund, m., z. ra. puik, pronkjuweel, voorbeeld o., toonbeeld o.

Ausbündeln, bedr. ww. uitpakken; uitkramen.

Ausbündig, bijv. nw. uitoundig, uitstekend, voorbeeldig.

Ausbürger, m. vreemde'ing ra.; buitenman m.; Imrger ra. eener stad, die ook liet burgerrecht heeft in eene andere; burger die elders leeft. '

Ausbürgern, bedr. ww. het burgerrecht ontnemen.

Ausbürsten, bedr. ww. uitborstelen, afborstelen; ein Glas -, uitdrinken.

Ausbuschen, bedr. ww. einen Wald -, van struiken zuiveren; Vnkraut -, bij bosch-jes uittrekken, uitrooien.

Ausbüszen, bedr. ww. boeten; cinen Hut -, opvullen, versterken met een dun stuk vilt; 2. o. ww. geheel boeten.

Ausbuttern, bedr. ww. jem. -, door geklop, gestommel verjagen; viel veel boter

Ausblauen, -blauen, hedr. ww. de blauwe kleur uitwasschen; *2. o. ww. Ijetrok-ken, niet meer helder zijii-

Ausbleiben, o. ww. onr. uitblüven, wegblijven; (van planten), niet opkomen,

Ausbleichen, bedr. ww. uitbleeken, door bleeken doen verdwijnen; 2. o. ww. ophouden met bleeken.

Ausbleien, bedr. ww. plombeeren. Ausblick, m. uitzicht, vergezicht o. Ausbllcken, o. ww. uitzien; Ausblinken, o. ww. hebben opgehouden te schüncn.

Ausblitzen, o. ww. onp., m. h. ophouden te weerlichten, te bliksemen; -2. ra. als een bliksem uitschieten.

Ausblüben, o. en wed. ww. sich uitbloeien.

Ausbluten, o. ww. uitbloeden, dood bloeden.

Ausbocken, o. ww. niet meer koppig zün.

Ausböden, liedr. ww., Z. ausiodmen. Ausbodmen, bedr. ww. den bodem zetten in.

Ausbogen, bedr. ww. boogvormig uitsnijden.

Ausbohlen, bedr. ww., Z. ausdielen. Ausbobren, bedr. ww. uitboren, uithollen; met eene boor uithalen; *2. o. ww, ophouden met boren,

Ausborgen, bedr. ww., Z. uusleihen. Ausbosen, o. ww. ophouden boos, kwaad te zijn.

Ausbracken, bedr. ww. het slechte uitzoeken en wegdoen.

Ausbraten, bedr. ww. onr. ln'hoorlijk goed laten braden; uitbraden; -2. o. ww. uitbraden.

Ausbrauchen, bedr. ww, alles gebruiken, opgebruiken; ophouden te gebruiken, niet meer noodig hebben,

Ausbrauen, bedr, ww, das Bier behoorlijk brouwen; uitbrouwen-, -2, o, ww, ophouden te brouwen.

Ausbrausen, o. ww. (van den wind), ophouden te bruisen; (van wijn), niet meer bruisen; (lig.) Z. ausloben.

Ausbrecben, hedr. ww. onr. uitbreken; uithalen; (van paarden), de melktanden verliezen; (ialle -, braken; -2. o. ww. (van gevangenen), uitbreken; (van eene rivier), buiten de oevers treden; (van eene bron), te voorschijn komen; (van zweet), uitbreken; (van brand), ontstaan; in A'/agenuitbarsten; fierjen cinen -, uitvaren.

Ausbreiten, bedr ww. uitspreiden uitstrekken ; ei tl Gerilrht -, verspreiden; '2. wed. w w. sich zich uitstrekken, verspreiden.

Ausbreiter, (-s,mv. Jusbre.iter) ra. voort-planter, verbreider, verspreider m.

Ausbreitungs-anstalt, v. zendelinggenootschap, missie v.; -fdhig bijv. nw. voor verbreiding of verspreiding vatbaar; -heit v.

-ocr page 111-

AUS 99

AUS

uitkamen; 3. o. ww. ophouden mot karnen.

Auscultant, {-en, mv, -en) m., Z. Zuhli-rer; die zicti voor de betrekking van rechter in eene rechttiank voorbereidt, door daarhy werkzaam te zijn.

Auscultation, v. onderzoek o. door het gehoor of mot de hoorbuis.

Auscultator, (-s, mv. -en) m., Z. Aus-cullanl.

Ausoultatoriseh, l)ijv. nw. de hoorbuis of het gebruik daarvan betreirend.

Auscultlren, o. vvw. hooren, toebehoo-ren; door het gehoor of de hoorbuis onderzoek doen naar eene kwaal.

Auscuriren, bedr. ww. gelieel, door en door genezen.

Ausdammeo, bedr. ww. die Formgruhe

uitgraven; die Form geiijkstrijken en afwerken.

Ausdammern, o. ww. ophouden met schemeren; ophouden met sluimeren.

Ausdampfen, bedr. ww. uitdampen, uit-rooken; i. o. ww. m. s. uitdampen, verdampen; it. m. h. ophouden te rooken.

Ausdampfen, bedr. ww. uitdampen, laten verdampen; Knhien-,uitdooven; dieI'üchse -, door rook drijven uit.

Ausdarmen, bedr. ww. hel Ingewand halen uit.

Ausdauer, v. volharding v.

Ausdauern, bedr. ww. verduren, verdragen, doorstaan, uithouden; (van planten), overblijven; 2. o. ww. volharden;-rfe P/Iance, overblijvende plant.

Ausdecken, bedr. ww. den Tisch -, geheel dekken.

Ausdehnbar, bijv. en b. uitzetbaar, rek-biiiir; -keil v. uitzethaarheid, rekbaarheid v.

Ausdehnen, bedr. ww. uittrekken; Machl -, uitbreiden; i. wed. ww. sich zich uil-strekken, uitzetten, rekken; (lig.) uitweiden.

AusdehnunKS-kraft,v.uitzetlingskracht

v.;-MermóV;en o. uitzettingsvermogen o.; -werk-zewt o. werktuig o. ter uitrekking.

Ausdeichen, bedr. ww. door een dijk scheiden.

Ausdenkbar, l)yv. en b., Z. denkbar.

Ausdenken, bedr. ww. onr. uitdenken, bedenken, uitvinden; -2. wed. ww. sich -, zich moede deuken.

Ausdeuten, bedr. ww. Traume uitleggen, verklaren; elw. iihet -, ten kwade duiilen, kwalijk nemen.

Ausdeutschen, bedr. ww. in bet Ouitscii uitleggen.

Ausdichten, bedr. ww., Z. aussinnen.

Ausdlelen, bedr. ww. van een planken vloer voorzien.

Ausdienen, o. ww. uitdienen; niet meer tot dienen in staat zijn.

Ausdlepwinkel, m. Oiepkruis o., schuif-haak m.

Ausdingen, bedr. ww. onr., Z. aushedin-oen; 2. o. ww. ophouden met dingen.

Ausdispntiren, o. ww. een einde maken aan het redekavelen.

Ausdocken, bedr. ww. laten atloopen, afrollen, ontrollen; 2. o. ww. (van kinderen), ophouden met de pop te spelen.

Ausdonnern, onp. ww. ophouden te donderen; (tig.) ophouden te woeden, te razen.

Ausdornen, bedr. ww. verruimen, uit-stempelen.

Ausdorren, o. ww. uitdrogen, verdorren.

Ausdörren, bedr. ww. doen uitdrogen, geheel drogen.

Ausdraagen, bedr. vvw., Z. verdriingen.

Ausdrechsein, bedr. ww. uitdraaien, uithollen; afdraaien; (fig.) vormen, beschaven; 2. o. ww. ophouden met draaien.

Ausdrehen, bedr. ww. uitdraaien; ver-loopen; jemn. elw. -, ontwringen.

Ausdreschen, bedr. ww. onr. Kom -, dorschen; 2. o. ww. afdorschen, ophouden te dorschen.

Ausdrieseln, bedr. ww., Z. ausfüdeln.

Ausdrehen, o. ww. ophouden te dreigen.

Ausdruck, {-druck{e)s, mv. -drücke) m. uitdrukking v., woord o., term m., benamingv.

Ausdrucken, bedr. ww. afdrukken, afstempelen; het drukken ten einde brengen.

Ausdrücken, bedr. ww. uitpersen, uitdrukken; afdrukken; te kennen geven, uiten; 2. wed. ww. sich -, zich uitdrukken.

Ausdrücker, Z. Streiclnnesser.

Ausdrücklich, bijv, en b. uitdrukkelijk, duidelijk; opzettelijk.

Ausdrucksam, bijv. en b, vol uitdrukking, krachtig.

Ausdrucks-arm, bijv. en 1). arm aan uitdrukking, niet met nadruk; -art v. wijze van uitdrukking; -fulle v. rijkdom m. in woorden; -leer bijv. nw. zonder uitdrukking, onbeduidend; -leere v. gebrek o. aan uitdrukking; -los hijv. nw., Z. -Ieer; -losinkeil v., Z. -leere; -roll bijv. nw. vol uitdrukking, nadrukkelijk.

Ausdrückung, v. uitdrukking, uilpersing v., afstempelen, stempelen o.

Ausdrusch, {-(e)s) m., z. m. uitdorschen o.; gedorscht koren o.

Ausdudeln, bedr. ww. geheel zingen; jem. -, uiltluiten, uitjouwen.

Ausduften, -düften, o. ww. m. s. uitdampen, luitwasemen; m. h. ophouden te rui-k(m; i. bedr. ww . lieblige Cerüche -, verspreiden.

Ausdulden, bedr. ww. verduren, doorstaan, verdragen; 2. o.ww. ophouden te lijden.

Ausdunkeln, o. ww., m. s. geheel duister worden; m. h. ophouden duister te worden.

Ausdunst, in., '/.. .lusdünslumj.

Ausdunstbar, -dünstbar, bijv. nw. verdampbaar; door verdamping of zweeten uit te drijven; -keil v. verdampbaarheid v.

Ausdunsten, dünsten, o. ww., m. s. verdampen, vervliegen; (lig.) verkoelen; m. h, uitwasemen, zweeten.


-ocr page 112-

100 AUS

AUS

Auadunatung, -dünstung, v. uitdamping, verdamping v., vervliegen o., uitwaseming v., zweeten o.; damp, wasem m.; -smes-ser m. verdampingsmeter m.

Ausdürfen, o. ww. onr. mogen uitgaan.

Ausdursten, -dürsten, bedr. en wed. ww. door dorst afmatten, uitputten.

Ausebnen, bedr. ww. vlak, ellen maken; •2. wed. ww. sich vlak worden.

Ausecken, bedr. ww. uithoeken, uittan-den; ein Gedicht-, nauwkeurig afpassen.

Auseggen, bedr. ww. uiteggen, met de egge uithalen; 2. o. ww,, Z. abegijen.

Auseilen, o. ww. naar buiten snellen.

Auselnander, byv. en b. uit elkander, uiteen, afzonderiyk; - bringen, bedr, ww. scheiden; - fahrun, o. ww. uiteenloopen; - fallen o. ww. uit elk. vallen; - /liegen o. ww. uit elk. vliegen; - jagen bedr. ww. uiteenjagen; - laufen o. ww. uiteenloopen; - legen, bedr. ww. uitleggen; - setzen, bedr. ww. uiteen zetten, ontleden, ophelderen; -2. wed. ww. sich het eens worden, eene schikking aangaan; - spaüen, klooven; - sperren, wüd uit-eenspreiden; - treiben, uileendryven; -wehen, uit elk. waaien; - wicketn, loswikkelen; -Ziehen bedr. ww. vaneentrekken.

Auseisen, o. boorijzer 0.

Auseitern, o. ww., m. s, uitetteren, uit-zweren; 2. m. h. ophouden te etteren, uitetteren.

Auserkiesen, -erkören, -erküren,

bedr. ww., Z. auswahlen.

Auserkoren, bedr. ww., Z. auserwahlt.

Auserlesen, bedr. ww,, Z, auslesen; 2. bijv. n\v. uitgelezen, uitgezocht; -heit v. uit-Selezenheid, bloem, keur v.

Ausersehen, oedr. ww. uitzoeken, uitkiezen.

Ausersinnen, bedr. ww,, Z, aussimen, ersinnen.

Auserwahlen, bedr. ww. uitkiezen; auserwahlt, uitgekozen, uitgezocht, uitverkoren.

Auserzahlen, bedr, ww. uitvertellen, tot het eind toe vertellen.

Ausessen, bedr. ww. alles opeten, leeg eten; eine Priigelsuppe een pak slaag krijgen.

Ausfachen, bedr. ww. van binnen met vakken voorzien,

Ausfachsern, bedr. ww. afleggers van wijnstokken polen.

Ausfadeln, bedr. ww. eine Nadel den draad uilhalen; Leinwand -, uitrafelen; -2. wed. ww. sich -, rafelen; uit de naald glippen.

Ausfahren, bedr. ww. onr. ei/ten Weg -, uitrijden, hol rijden; JVaaren -, uitvoeren; Tetche -, uitbaggeren, uitmodderen; 2.o. ww. uitrijden, uitvaren; uitglijden, uitglippen, uitschieten; uitslag krijgen; 'jegen jemn. -, uitvaren.

Ausfahrschaeht, m, uitgangsput m.

Ausfahrt, v. uitvaren, uitrijden, uitgaan, vertrek o., in een rijtuig; uitvaren o.; komen o. uit de myn; 2. plaats v. vanwaar het uit' varen of uitrijden geschiedt.

Ausfall, m. (van belegerden), uitval m,; uitslag m., uitkomst v.

Ausfallen, o. ww. uitvallen; vergeten, weggelaten zijn, vervallen; een uitval doen, Z. ausarten; 2. bedr. ww. door vallen verliezen.

Ausfalten, bedr. ww. de vouwen uitstrijken, ontvouwen; die Fltuiel -, uitspreiden.

Ausfalzen, bedr. ww., Z. falzen, ausbal-zen.

Ausfangen, bedr. ww. onr. einen Teich-, de visch vangen uit, leeg vangen; Hühner opvangen.

Ausfiirben, bedr. ww. uitverven, afver-ven; 2. o. ww. ophouden te verven.

Ausfaselu, -fasen, -fasern, uitrafelen, pluksel maken van; 2. o. ww. uitrafelen, losgaan; 3. wed. ww. sich -, uitrafelen.

Ausfassen, bedr. ww. Uier -, aftappen.

Ausfastcn, o. ww. ophouden te vasten.

Ausfaulen, o. ww. hol worden door verrotting; (van tanden), uitvallen.

Ausfechten, bedr. ww. uitvechten; 2, o, ww. ophouden te vechten, niet meer vechten.

Ausfederu, bedr, ww. de vederen halen uit.

Ausfegeu, bedr, ww. uilvegen, afvegen, uitbaggeren, schoonmaken; (tig.) jemn. den Beutel rein -, plunderen,

Ausfeger, m, uitveger m.

Ausfegsel, o, uitveegsel, opveegsel o,, modder m., vuilnis v,

Ausfehmen, bedr. ww. uit de weide nemen of halen.

Ausfeiern, bedr. ww. vieren; - müssen, niet mogen werken,

Ausfeilen, bedr. ww, uitvijlen, wegvijlen, afvijlen; (lig,) ein Werk, zorgvuldig afwerken.

Ausfenstern, bedr. ww,, Z. ausfitzen.

Ausferkeln, o. ww. (van varkens) uil-jongen, niet meer biggen.

Ausfertigen, bedr. ww. uitvaardigen, geven; einen Aufsatz-, vervaardigen, maken; einen Sohn -, een uitzet geven aan.

Ausfertlger, (-«, mv. Aur.ferliger) m. opsteller, vervaardiger, verzender m.

Ausfetten, bedr. ww. het vet uitkoken.

Ausfeuern, bedr. ww. behoorlijk verwarmen; uitstoken; 2. o. ww. ophouden te verwarmen; it. ophouden te vuren; (van paarden), achteruitslaan.

Ausfledern, ucdr. ww. die Jtitzen -, wiggen slaan in.

Ausülzeu, bedr. ww. Sehuhc -, met vilt voeren, bekleeden; (lig.) jem. -, den mantel uitvegen.

.iVusflndbar, bijv. nw. uit te vinden, wat uilgevonden, ontdekt kan worden.

Ausfinden, bedr. ww, vinden, uitvinden, ontdekken, onderkennen (uit verscheidene zaken).


-ocr page 113-

AUS 101

AUS

Ausfindig, liyv. nw. jem., elw. - machen, ontdekken, opsporen; Mittel —, uitdenken,

Ausfirnissen, bedr. ww Inwendig vernissen.

Ausfischen, bedr. WW. etw. opvisschen; (fig.) uiliokken, uilvorschen; 2. o. ww. ophouden met visschen.

Ausflackern, o. ww., m. h. ophouden te flikkeren; -2. m. s. uitflikkeren

Ausflammen, bedr. ww. met een weinig kruit reinigen, uitbranden; 2. o. ww. ophouden te vlammen.

Ausflatteru, bedr. ww., Z. ausfliepen.

Ausflechten, bedr. ww. onr. van binnen met vlechtwerk voorzien, geheel vlechten;tiie Haare -, losmaken.

Ausflehen, o. ww. ophouden met smee-kem 2. bedr. ww. etw. -, afsmeeken.

Ausfleischen, bedr. ww. van het vleesch ontdoen.

Ausfleisctamesser, o. schaafmes, stoot-mes o.

Auaflicken, bedr. ww. verstellen, lappen; llaus herstellen.

Ausfllegen, o. ww. onr., m.s. uitvliegen, wegvliegen; (lig.) uitgaan; 2. m. h. niet meer vliegen.

Ausfiiehen, Z. ftiehen.

Ausflieszen, o. ww. onr. uitvloeien, uit-vlieten.

Ausfllmmern, o. ww., Z. amflackern.

Ausflöhen, bedr. ww. de vlooien zoeken uit; (flg.) jem. -, '/.. ausbeuteln.

Ausfiöszen, '/,. hinausflöszen.

Ausflö(tizen, bedr. ww. uitspoelen.

Ausflucheu, o. ww. ophouden te vloeken; 2. wed. ww. sich -, aan den lust om te vloeken voldoen,

Ausflucht, v. uitweg m.; (lig.) uitvlucht v., excuus, voorwendsel o.

Ausflug, m. uitvliegen o.; (tig.) reisje, uitstapje o.; (in den bijenkort), opening v., gal o.

Ausfluss, m. uitvloeiing, uitstrooming v., bron v., blijk o., bewijs o.; (van een stroom), mond m., monding v., uitloop m.;- röltre v. uitvloeiingspUp v.

Ausfluth, v. afwateringskanaal o., ontlastingsbuis v.

Ausfluthen, o. ww. uitloopen, uitstroo-men, zich ontlasten.

Ausfohlen, o. ww. ophouden veulens te werpen.

Ausfolgen, o. ww. uitgeleide doen.

Ausfolgeschein, m. volgbriefje, geleibiljet o.

Ausfoppen, bedr. ww., Z. ausspotlen.

Ausfo(riderer) ra. uitdager, aanvaller, aanrander m.

Ausfo(r)dern, bedr. ww. uitdagen, (inhet spel), troef vragen.

Ausfördern, bedr. ww. uitdelven, uit de mijn halen.

Ausforderung, v. uitdaging v.; -sbrief ra. uitdagingsbrief m.

Ausformcn, bedr. ww. geheel en al vormen, volledig vormen.

Ausforschen, bedr. ww. 'litvorscben, onderzoeken; jem. polsen, uitvragen.

Ausforscher, -forscherin, uitvorscher ra., uitvorschster v.

Ausfracht, v. lading, bevrachting v. bij de heenreis.

Ausfragen, bedr. ww. uitvragen, uitboo-ren; 2. wed. ww. sich -, zich uitputten in vragen.

Ausfrager, -fragerin, by, zy die uitvraagt, uithoort.

Ausfragerei, v. uitvragen o , zucht v. om uit te hooren.

Ausfranzen, bedr. ww. den rand als franje uitknippen; 2. o. ww., Z. ausfasen.

Ausfrasz, ra. de gekartelde rand m. van het onafgesneden papier.

Ausfressen, bedr. ww. onr. uitvreten, leeg vreten; (flg.) invreten; (van paarden), riie Holmen ausqefressen Aofien, niet meer teekenen hoe oud zij zyn; 2. o. ww. ophouden te eten; 3. wed. ww. sich zich dik vreten.

Ausfrieren, o. ww. onr., m. s. uitvriezen door en door bevriezen, door de vorst verloren gaan; 2. in. h. uitvriezen,ophouden tevriezen.

Ausfrischen, bedr. ww. weeken; ilie Uunde -, door purgeermiddelen opfrisschen.

Ausfuchteln, bedr. ww. jem. slaan met den platten sabel, afranselen.

Ausluhlea, bedr. ww. door het gevoel onderzoeken, ontdekken, bevoelen; (flg.) jem

polsen.

Ausfuhr, v. uitvoer ra.; -artikel ra. Z. -ivaare.

Ausführbar, bijv. nw. uitvoerbaar uit-voerlyk, mogelijk; -keit v. geschiktheid v om uitgevoerd worden, uitvoerbaarheid raoquot;eliik-beid v.

Ausfuhrdeclaration, v. bewys o. van uitvoer, declaratie v. voor den uitvoer.

Ausfuhre, v., Z. Ausfuhr.

Ausführen, bedr. ww. voeren uit, wegvoeren, uitleiden; fVaaren -, uitvoeren; l'er-brecher -, uit het land brengen; einenTeich -uitbaggeren, uitmodderen; (flg.) etw. uitvoeren, verrichten; rersprechen -, volbrengen; eine Materie behandelen.

Ausführer, -fülirerin, uitvoerder, verzender ra., uitvoerster, verzendster v.' verrichter ra. verrichtster v.

Ausfuhrbandel, ra., z. m. uitvoerhandel ra.

Ausführlich, bijv. en b. uitvoerig, breedvoerig, wijdloopig;-to7 v. uitvoerigheid, breedvoerigheid, wijdloopigheid v.

Ansfuhrpramie, v. teruggave v. van betaalde uitvoerrechten.

Ausführung, v. uitvoeren o., uitvoer ra • uitvoering, verwezenlijking v.; uiteenzetting! ontwikkeling v.

Ausfuhr-waare, v. waar v., voor den uitvoer bestemd of geschikt; -zoll m. uitgaande rechten o. mv.


-ocr page 114-

AUS

AUS

102

Ausfüllen, bedr. ww. aanvullen, vol-gooien, volwerpen; die Erwartumj Z. er-fiillen; eine QuUlung invullen; eine Terrine

leegseheppen; 2. o. ww., Z. ausfohlen.

Ausfüiisei, o. aanvulsel, opvulsel o.

Ausfurchen, lieilr. ww. in den vorm van voren ullliollen, de voren weg maken.

Ausfuttern, bedr. ww. eine» /JocA-,voeren; mil Blei -.van binnen bekleeden.

Ausfüttern, l)edr. ww. Ochsen vet-meslen; Filk -, Z. durchfiUtern; die Uaber-kisle -, leeg voederen.

Ausgabe, v. uitgifte, afgave v.; uitgaaf v., edilie v.; - berechnung v. berekening v. der uitgaven; -bucli o. boek o. voorde uitgaven; -cjeld o. geld o. voor de loopende uilgaven.

Ausgabeln.bedr.ww.metdevork uillialen.

Ausgabe-posten, :ii post m. van uilgaaf; -rcchnunq, v. rekening v. der uitgaven-, -ver-zcichniss o. Igst v. van uilgaven.

Ausgack-eln, -en, -em, -sen, o. WW. (van boenders), eindigen met kakelen; (van menscben), ophouden met babbelen.

Ausgaffen, o. ww. ophouden met gapen, met open mond en oogen te kijken.

Ausgahnen, o. ww. uitgeeuwen, ophouden te geeuwen.

Ausgahren, Z. ausqdren.

Ausgallen, bedr. ww. ontgallen, de gal halen uit.

Ausgang, m. uitgaan o., uitgang m., wandeling v., i ezoek o., uitweg m., einde o., uitslag, afloop m. uitgang m., laatste letter v., of letlers, slot o.

Ausgangs-columne, v. staart m.; -handel, -waare, -zoll, Z. .lusfulir- amp;; -punkt m. uitgangspunt o.; -stuck o., Z. Schlussstilck; -zellel m. biljet o. van uitvoer; -zoll m. uitgaande reebten o. mv.

Ausgarben, bedr. ww. uillooien; (flg.) afranselen, afrossen.

Ausgaren, o. ww. onr. uilglslen; (lig.) uitwoeden, uitrazen; 2. bedr. ww. Stahl Z. garben.

Ausgateeiseu, o. wiedijzer O.

Ausgamp;te», bedr. ww. uitwieden, schoonmaken.

Ausgatteru, bedr. ww., Z. auskund-schaflen.

Ausgaukeln, o. ww. ophouden te goochelen, bedriegen.

Ausgebaren, liedr. ww. onr. voorden dag brengen; (lig.) scheppen, verzinnen.

Ausgebegeld, Z. Ausgabegeld.

Ausgeben, bedr. ww. onr.; Geld -, uitgeven, besleden, verleren; Driefe -,afgeven, uilgeven; 2. o. ww. (in het spel), voor bet laatst geven, uitgeven, betalen; (van bonden), blaffen.

Ausgeber, (-s, mv. Ausgeber) m. uilgever, afleveraar m.; (van een wissel), trekker m ; -in v. uilgeefster, huishoudster v.

Ausgebot, o. veiling v.; eersle bod o.

Ausgebrauchen, bedr. ww. opgebruiken, verslijlen (door het gebruik).

Ausgebung, v. uitgifte, afgifte, afgave, aflevering, uilgaaf, vertering v.

Ausgeburt, v. voortbrengsel o.

Ausgediuge, 0. voorbehoud, beding o., uitzondering v., overeenkomst v., waarbü men zich iets voorbehoudt.

Ausgefeimt, bijv. nw., Z. (ilxjefeimt.

Ausgehen, o. ww. onr., ui. s. uilgaan,zijn buis verlaten; ungesiraft -, zonder straf er afkomen; (van kleedlngstukken), zich laten uitdoen, niet blijven, verdwijnen; (van vuur), uitgaan; (van haren), uitvallen; (van het geduld), ten einde loopen, een einde nemen, eindigen met, alloopen; ausgehende fVaaren, waren v. mv., die naar het buitenland verzonden worden; ein l'erbot - tassen, uitvaardigen,bekend maken; 2. bedr. ww. seine Schalie -, door loopen wijder maken, uilloopen; eine» Saai -, alloopen, niet passen meten; 3. wed. ww. sieft -, zich afstappen.

Ausgeifern, o. ww. ophouden te zeeveren, te kwijlen; 2. bedr. ww. uitspuwen.

Ausgeigen, bedr. ww. geheel op de viool spelen; 2. o. ww. ophouden op de viool Ie spelen.

Ausgeisieln, bedr. ww. Z. geiszeln, aus-pextschen.

Ausgeizen, bedr. ww. Tabak -, de overtollige bladereu aftrekken van.

Ausgelassen, bijv. en b., Z. auslasseii; (flg.) uitgelaten, dartel; -heil v. ultgelalen-helk, buitensporigheid v.

Ausgellen, bedr. ww. e!w. -, uitgalmen.

Ausgenieszen, bedr. ww onr. voortdurend, tot aan het eind genieten; 2. o. ww, ophouden te genieten.

Ausgenommen, bijw. uitgenomen, uitgezonderd, met uitzondering vau; 2. bgv. nw., Z. ausnehmend.

Ausgerben, bedr. ww., Z. ausgarben.

Ausgesucbt, bijv. nw. uitgezocht, uilge-gekozen, uitgelezen.

Ausgezeichnet, bijv. en b. uitstekend, uitmuntend, opperbest, berucht, befaamd.

Ausglebig, bijv. nw., Z. ergiebuj.

Ausgieszblech, o. proefplaat,toets plaat v.

Ausgieszen, bedr. ww. onr. gieten uil, uitgieten, leeggleten; (flg.) ulllaU n, uitstorten; ein Loch -, volgieten; in Gi, s -, afgieten; 2. wed. ww. sich -, zich uitstoften.

Ausgieszkelle, v. gletlepel m.

Ausgipfeln, bedr. ww. '.oppen.

Ausgipsen, bedr. ww. bepleisteren.

Ausglanzen, o. ww. ophouden te schitteren.

Ausglatten, bedr. ww.uitstrijken; 2. elw. -, gladstrijken; die Slirne ontfronsen.

Ausgleichbar, byv. en b. verelfenbaar; -keit v. mogelijkheid v. tot verellenen.

Ausgleicben, bedr. ww. elfen,glad,gelijk maken; eine Rechnung -, verelfenen; eine» Slreit -, bijleggen; das Base wieder -, goedmaken; 2. o. ww. das Pferd hal ausgegleichl, is gelijktands geworden.


-ocr page 115-

AUS

AUS

m

Ausgleicher, m. vereffenaar m., Z. Jusli-rer; compensatieslinger m.

Ausgleichwaage, v. vereffeningsschaal, ajusleerbalans v,

Ausgleiten, o. ww. onr. uitglijden,onderuit glijden.

Ausgliedern, Z. zergliedern.

Ansglimmen, o. ww. reg. en onr. langzamerhand uitgaan.

Ausglitschen, o. ww., Z. ausgleiten.

Ausglühen, tjedr. ww. uitgioeien, ten verbranden, uitgioeien; 2. o. ww., ophouden te gloeien.

Ausgraben, bedr. ww. onr. opgraven, opdelven; einen Teich uitgraven, uitdiepen; ein Sieqel -, uitsnijden.

Ausgraber, m., Z. Grafier.

Ausgrasen, bedr. ww., Z. ausqiiten.

Ausgraten, bedr. ww. ontgraten.

Ausgratschen, bedr. ww , Z. aussprei-zm.

Ausgrauen, o. ww. verschieten en grauw worden.

Ausgreifen, bedr. ww. er ultgrijpen,grijpen uit; clw. -, bevoelen, betasten; -2. o. ww. zich uitstrekken; (van paarden), groote stappen doen.

Ausgriebsen, -gröbsen, bedr. WW. het klokhuis uitsnijden.

Ausgriff, rn. groote pas, stap, tred m.

Ausgroiien, o. ww. ophouden wrok te koesteren jegens, uitpruilen.

Ausgröszern, bedr. ww de openingen tusschen do tanden eener kam vergrooten, verwijden.

Ausgrübeln, bedr. ww. uitvorschen; i. o. ww.ophouden te onderzoeken, uit te pluizen.

Ausgründen, bedr. ww. uilschaven, uithollen; (fig.) Z. ergründen.

Ausgrünen, o. ww. niet meer groen worden, ontluiken; (tig.) opkomen.

AusgucU, m. uitkijk m., wacht v.

Ausgucken, bedr. ww. zien uit,zien door, kijken door, ophouden te kijken door; sich die Augen -, zich de oogen uitkijken.

Ausgucker, m. uitkijker m.; it. wacht, zeewacht v.

Ausgurgeln, bedr. ww. uitgorgelen,gorgelen.

Ausgurrcn, o. ww. ophouden te kirren.

Ausguss, m. uitgieten, uitgietsel, afgietsel o., gegoten metaalstaaf, baar v.; (vaneene pan), tuit v., gootsteen m., uitgietbuisv.; (lig.) Z. Erguss.

Ausbaaren, o. ww, het haar verliezen, onthaaren; i. bedr. ww., Z. enthuaren.

Ausbaben, o. ww. onr.; ein Kleid -, niet meer aan het lijf hebben; sein Glas -, uit hebben.

Ausbacken, bedr. ww. uithakken, uitsteken; (Spr.) cine Krühe hackt der andern die Augen nicht aus, de wolven verslinden elk. niet, Z. auszacken.

Ausbacker, m. ulthakker, uitsteker m. katoenweverskam m.

Ausbaften, bijv. nw. uitstand, te resti-tueeren.

Ausbageln, onp. ww. ophouden te hagelen, niet meer hagelen.

Aushakeln, liedr. ww. uithaken; 2.0. ww. ophouden te haken.

Ausbaken, bedr. ww., Z. aushakeln; 2. wed. ww. sich -, uit den haak gaan.

Ausbalftern, bedr. ww. den halster afdoen, ontbalsteren.

Ausballen, o. ww. verklinken, ophouden te klinken.

AuFibalten, bedr. ww. onr. niet dalen of rijzen (met de stem); eine ISote -, aanhouden; elw. -, verduren, uitstaan, verdragen, uithouden; eine Person onderhouden; 2. o. ww. volharden, uithouden, volhouden.

Ausbalter, m. eene noot v. die moet worden aangehouden.

Ausbammern, -bammern, bedr. ww. uitkloppen, uithameren, wegbameren; 2. o. ww. ophouden te hameren, te kloppen.

Ausbandeln, o. ww., Z. verhandeln, ophouden handel te drijven.

Anshandigen, bedr. ww. overhandigen, ter band stellen.

Ausbang, m. uitgestalde koopw aren v. mv.

Aushange-bogen, m. proefblad, prospectus o.; -brett o. uithangbord o.; -lt;iut o., Z. Aushang.

Auabangen, o. ww. onr. uitgehangenzyn, huiten hangen, uithangen.

Aushangen, bedr. ww. te kijk hangen, uitstallen; einen Bogen -, tot proefblad doen dienen.

Aushangescbild, o. uithangbord0.; (lig) kenteeken o.

Ausbarken,bedr. ww.bijharken,opharken.

Ausbarren, o. ww. volharden; bei jeinn.

niet van hem wijken; 2. bedr. ww. afwachten, doorstaan.

Ausharten, o. ww., Z. abhiirten.

Aushaspeln, o. ww. ophouden te haspelen,

Ausbaspen, bedr. ww. uitlichten.

Ausbau, m., Z. Aushauen.

Ausbaucb, m. uitademing, uitblazing v.; (fig.) reuk m.

Aushaucben, bedr. w w. uitademen, uitblazen, uitwasemen.

Ausbaucbmu»kel,ni.uitademingsspier v.

Aushaueisen, o. hakijzer o.,hakbeitel m,; bolpijp v,

Aushauen, bedr. ww. onr. slukken hakken uit; den Wald -, dunnen; den Baum snoeien, uithakken, uithouwen; Fieisch -, afhakken om te verkoopen; l'erbreclier -, Z. ausslaupcn.

Ausbauer, m., Z. Aushaueisen.

Aushausen, o. ww, ausgehauste Familie, verarmd buisgezln.

Ausbauten, Z. ahhduten.

Ausbeben, bedr.ww.onr. Banmn-, uitili'n grond halen; Thilren -, uitnemen; Büsewich-ter -, oplichten; Wein met den hevel op-


-ocr page 116-

104 AUS

AUS

halen; (van klokken),waarschuwen;.SW/en uitzoeken, uittrekken; rruppen-,lichten;sicft -, onderscheiden boven; 2. o. ww. beginnen.

Ausheber, m, uitiichter m., tuinschop v.

Aushebespan, m. scheiding,Igntje.druk-kersfiiet o.

Aushebung, v. ophefling v., uitnemen, uitlichten, lichten o., lichting v.; -sbogen m. lichtersboog m.

Aushecheln, bedr. ww. uithckelen; (fig.) over den hekel halen.

Anshecken, bedr.ww. (vanvogels),broeien, uitbroeien; (fig.) Plane uitdenken, bedenken; 2. o. ww. niet moer broeien.

Aushefte'ljii, hedr ww. losmaken, ont-knoopen,losknoopen.

Ausheilen, bedr. ww. geheel genezen, he^en; Schaden -, herstellen; 2. o. ww. geheel genezen worden, geheel genezen.

Ausheimisch, bijv. nw., Z. ausliindisch.

Ausheiteru, bedr. ww., Z. aufheitern.

Ausheizen, bedr. ww. goed, behoorlijk verwarmen; einenneuqesetzten Ofen -.uitbranden.

Aushelfen, o. ww.onr. uit de verlegenheid helpen; jemn. mil elto.-.helpen,geven, leenen.

Ausholfer, -helferin, helper m., helpster v., noodhulp m. en v.

Ausheilen, bedr. ww., Z. aufhellen.

Aushemmen, o. ww. den spanketting afdoen van.

Aushenlien, bedr. ww., Z. aushatic/en.

Ausherrschen, o. ww. ophouden te beer-schen.

Aushetzen, bedr. ww. door honden wegjagen;

Ausheuern, bedr. ww., Z. vermiethen; jem. -, onderhuren.

Aushcuien, o. ww. uithuilen, ophouden te huilen.

Aushieb, m. stukje proefmctaal o.;-meis-zcl m. beitel ia. dienende om een stukje uit het te toetsen zilver te hakken.

Aushilfe, Z. AushUlfe.

Aushobeln, bedr. ww. uttschaven; eme Nuth -. uitploegen.

Ausbohien, bedr. ww., Z. ausholen.

Ausböhien, hedr. ww. uithollen.

Ausböhnen, Z. verhöhnen.

Aushöke(r)n, hedr. ww. in het klein, in eene kraam verknopen, uitventen.

Ausholen, hedr. ww. uithalen; 2. o. ww. zu einem Sprunfi -, een aanloop nemen; (van een paard), Z. ausgreifen; (fig.) weit heel ver ophalen; jem.. -, uitvragen, uithooren.

Ausholer, m. uithaler, takel m., h(jsch-touw o.; leier m. uitvorscher m.

Ausholzen, bedr. ww. hoornen of hout hakken uit.

Ausholzen, bedr. ww. AbsUze -. hol. boogvormig uitsnijden.

Aushorchea, bedr. ww. uithooren, af-hooren, alluisteren.

Aushorcher, m. hijdieuithoort, uitvischt.

Aushören, bedr. ww. hooren.quot;

Aushub, m., z. m. keur, bloem v., puik o.;

(van troepen), lichting v. om uit te zoeken; -meiszcl m., Z. Aushaueisen.

Aushudeln, o. ww. ophouden met zwieren; jem. uitschelden.

Aushülfe, v. hulp v., bijstand m.

Aushüllen, bedr. ww., Z. enthüllen.

Aushüloen, bedr. ww. pellen, schillen, doppen.

Aushülser, (-s, mv. Aushütser) m. dopper ra.; -in v. dopster v.

Aushungem, bedr. ww. laten uithongeren en door honger tot overgaaf dwingen.

Aushunzen, bedr. ww., Z. ausschelten.

Aushuren, o. ww. m. h. zich niet meer aan hoorery overgeven.

Aushusten, bedr. ww. uitboesten, opgeven; 2. o. ww. uithoesten. niet meer hoesten.

Aushüten, bedr. ww.. Z. al)linten: Vieh -, Z. austreiben; jemn. - voor iemand met zijn vee uitwijken; 2 o. ww. ophouden liet vee te hoeden.

Ausjagen, bedr. ww. uitjagen, verjagen, wegjagen; den JVurfanker -, uitwerpen, verbalen; 2. o. ww. ophouden te jagen.

Ausjammern, o. ww. ophouden te jammeren; 2. bedr. ww. sein Leben - met gejammer eindigen; 3. wed. ww. sich -, zijn hart door weeklachten verlichten.

Ausjaten, bedr. ww., Z. ausqdten.

Ausjauchzen, bedr. ww. door gejuich uiten; 2. o. ww. ophouden te juichen.

Ausjochen, hedr. ww. bet Juk afnemen.

Ausjubeln, o. ww., Z. ausjauchzen.

AusUalben, o. ww. ophojden te kalven, niet meer kalven; 2. wed. ww. bij het kalven eene uitzakking van de baarmoeder krijgen.

Auskalbern, o. ww. opho iden te schertsen. te dartelen.

Auskalten, bedr. ww. door en door koud maken.

Auskammen, bedr. ww. kammen, uitkammen.

Auakampfen, hedr. ww. elnen Kampf -, ten einde brengen; 2. o. ww. ophouden te strijden, niet meer strijden.

Auskanten, bedr. ww., Z. auszaclcen.

Auskarde, v., Z. Karde.

Auskauen, bedr. ww. afkauwen; uitkauwen; 2. o. ww. ophouden te kauwen, niet meer kauwen.

Auskappen, hedr. ww. iets (uit het geslachte beest) uithalen, zonder het mes te gebruiken.

Auskauf, m.. Z. Loskauf.

Auskaufen, bedr. ww. jem. -. alles, zijn geheelen voorraad afkooper. leegkoopen; Mi7-erben -, uitkoopen; (fig.) die Gelegenheit -, zich ten nutte rauken-, jem. -, door koop icm. uit bet bezit drijven van; ehv. -, afkoopen.

Auskegeln, bedr. ww. ein Fass Bier -, kegelen om; den Fusz -, ontwrichten; i o. ww. een einde maken aan het kegelspel; 3. wed. ww. sich -.den lust in het kegelen bevredigen.

Auskehlen, bedr. ww. uithollen, groeven maken in.


-ocr page 117-

AUS 105

AUS

Auskehren, bcdr. ww dieStube uitvegen, vegen; Kleider uithorstelen; eine Siunme uitkeeren,

Auskehrer, -kehrerin, veger, uitveger m., veegster, uitveegster v.

Auskehricht, (-(els) o., z. m. uitveeg-sel o,, vuilnis v.

Auskeifen, iiedr. ww. uitschelden; 2. o. ww. niet moer kjjven, schellen.

Auskeilen, hedr. ww. van spieën of wiggen voorzien; Breltcr -, uit de iümtang nemen ; 2. wed. ww. sich spie- of wigvormig ullloopen.

Auskeimen, o. ww. uitspruiten, ontkiemen; ophouden uit te schieten.

Auskeilen, hedr. ww. met een iepel, mot een troffel uilseheppen.

Auskeltern, hedr. ww. uitpersen; ausqe-kelterte Wanr/e, J)leek, ingevallen; -2. o. ww. ophouden te persen.

Auskenuen, hedr. ww. onr. onderkennen, kennen uit; -2. wed. ww. sich in etw. -, bekend zijn met, te huis zijn in.

Auskerben, hedr. ww. uilkerven.

Auskernen, hedr. ww. eine Vrucht-, de kern, de pit, de korrels halen niet; das Erz -, hel heste uitzoeken; (van paarden), niet meer teekenen.

Auskesseln, hedr. ww. den ketelvorm geven aan'; 2. wed. ww. sich in den vorm eens ketel# invallen, instorten.

Ausketzern, hedr. ww. eine Wand kepen houwen in en door Ingedreven wiggen klooven.

Auskeuchen, o. ww. ophouden te hijgen; •2. hedr. ww. seinen Geist - onder benauwdheid den geest geven.

Ausklelen, hedr, ww. vederen krijgen.

Auskippen, hedr. ww. verdringen, uitknikkeren; elw. uitzoeken, uitkippen.

Auskitten,hedr. ww. einenhohlenZahn-. aanvullen.plombeereii; eifieiUauer-,cementen.

Ausklafïen, hedr. ww. elw. uit schooi, klappen, pralen, verklikken; uilwieden.

Ausklattern, hedr. ww. met den vadem meten.

Auskla^en, hedr. ww. jem. -, gerechtelijk aanklagen, vervolgen; eine Schuld gerechtelijk betaling vragen; -2. o. ww. ophouden te klagen; 3. wed. ww. sich -, door klagen verlichten.

Ausklane:, m. klank m., geluid 0. waarmede iets eindigt.

Ausklappefrjn,o. ww. ophouden te klapperen, te verklappen, verklikken; *2. hedr. ww., Z. ausplaudern.

Ausklaren, hedr. w.w., Z. aufklaren.

Ausklatschen, hedr. ww. Schauspieler Z. auspochen; Geheimnisse Z. ausplaudern; i. o. ww. ophouden in de handen te klappen, te praten.

Ausklauben, hedr. ww. met moeite uithalen, uitpeuteren.

Ausklauber, -klauberin, uitpluizer, uitzoeker m., uitpluissler. uitzoekster v.

Auskleben, hedr. ww. van binnen beplakken; Liicher -, toeplakken.

Ausklecksen, hedr ww.,/.. ausspritzen.

Auskleiben, Z. auskleben.

Artskleiden, hedr. ww. uilkleeden, ont-kleeden; elw. -, bekleeden.

Auskleidezimmer, o. kamer v. om zich uit te kleeden.

Auskleinen, hedr. ww. in kleine stukken slaan ; de kleine stukken oprapen.

Auskleistern, bedr. ww., Z. auskleben.

Ausklin^eln, hedr. ww. uilkllnken. omroepen; -2. o. ww. ophouden te klinken, te schellen.

Ausklin^en, o. ww. onr. ophouden te klinken, geen geluld meer geven.

Ausklinken, o. ww. (van eene deur), uit de klink gaan.

Ausklopfen, bedr. ww. den Staub kloppen uit; ein h'leiil -. uitkloppen ; (lig.) jem.

Z. durchprügeln; bet staken van den arbeid door in de mijn kloppen bekend maken.

Ausklüften, hedr. ww. tot een klouf verwijden.

Ausklügeln, hedr. ww. op spitsvondige wüze nagaan, uitziften.

Ausknaupeln, bedr. ww., '/..ausklauben.

Ausknebeln, bedr. ww. losknevelen; Ilunde -, loslaten; 11. de prooi, de vangst doen loslaten.

Ausknelfen, o. ww. zich heimelijk verwijderen, wegsluipen.

Auskneten, hedr. ww. ultkneden, behoorlijk kneden;-2.0. ww. ophouden te kneden.

Ausknien, hedr. ww. door knielen uithollen; eine Stunde -, geknield liggen; 2. o. ww. ophouden Ie knielen.

Ausknirschen, bedr. ww. sein Leben -, tandenknarsende eindigen.

Ausknlttem, hedr. ww. gladstrijken.

Ausknüpfen, Z. aufkilpfen.

Ausknurren, o. ww. uitknorren, ophouden te knorren.

Auskochen, hedr. ww. uitkoken, afkoken; (lig.) elw. -, Z. ausbrnten; 2. o. ww., m. h. ophouden Ie koken; it. m. s. uilkoken, vervliegen mei koken.

Auskoffern, hedr. ww., Z. auspacken.

Auskohlen, o, ww. ophouden te habhe-len, te raaskallen.

Auskolben, bedr. ww. uilslempelen, door stempeling gladden.

Auskollem, o. ww. (van kalkoenen), ophouden te klokken; (van ingewanden), ophouden te rommelen; (van paarden), ophouden le kolderen.

Auskommen, uitkomen, uitgaan; (van vuur), Z. ausbrechen; (van eeie gebeurtenis), uitlekken; mit sninon Gelde -, toekomen, rondkomen; leven, omgaan, houden; 2. o. zelfst. uitkomen o. van vogels of eieren; onderhoud, bestaan o.; ein - Ire/Jen, de noodige maatre-regelen m. mv. nemen.

Auskömmlich, hgv.en h. toereikend,voldoend om van te leven.


-ocr page 118-

106 AUS

AUS

• Auskoppeln, Z. abkoppeln.

Auskörnen, liedr. ww. Aehren de korrels halen uit.

Auskosen, o. ww. ophouden vertrouwo-Igk te praten.

Auskosten, bedr. ww. TV ('in proevend uitzoeken, uitkiezen; ein Glas uitproeven, leegproevcn.

Ausköt(h,en (sich), wed. ww. (van paarden), zich overkooten.

Auskotzen, bedr. ww. uitbraken, uitspuwen.

Auskrachzen, o. ww. (van raven), ophouden te krassen.

Auskragen, bedr. ww. eine Mauer -, op kraag- of karbceisteenen optrekken.

Auskrahen, bedr. ww. door gekraai aankondigen; 2. o. ww. ophouden te kraaien.

Auskrakeelen, o. ww. ophouden te kra-kee:en, te twisten.

Auskrallen, bedr. ww., Z. nuskralzen.

Auskramen, bedr. ww. uitkramen, uitstallen, ten toon zetten; (fig.) ten toon spreiden.

Auskrampeln,bedr.ww. behoorlijk kaarden, uitkaarden; 2. o. ww. ophouden ie kaarden.

Auskrankeln, o. ww., Z. aushranken.

Auskranken, o. ww. uitzieken, niet meer ziek zijn; 2. bedr. ww. door ziek zijn boeten voor.

Auskratschen.hedr. ww.Wijdbeens staan of loopen, Z, ausplaudcrn.

Anskratzen, bedr. ww. uitkrabben; 2. o. ww. zich uit lie voeten maken, hard weg-loopen, opkrassen.

Auskrauseeisen, o. krabijzer o.

Auskrauselo, Z. krüuseln.

Auskrauten, bedr. ww. uitwieden.

Auskrebsen, bedr. ww. einen Bachde kreeften opvisschen uil; 2. o. ww. niet meer naar kreeft visschen.

Auskreischen, o. ww. ophouden te krassen, te schreeuwen.

Auskreisen (sich), wed. ww. zich in het romt uitstrekken, in een kring uitspreiden; 2. bedr. ww. alle Huden in den omtrek bezoeken.

Auskrieclien, o. ww. uitkomen,uitkruipen; 2. bedr. ww. doorkruipen.

Auskriegen, bedr. ww. uitkrijgen; 2. o. ww. ophouden oorlog te voeren.

Auskröbsen, bedr. ww., Z. ausgmebsen.

Auskrücken, bedr. ww. met de kruk uithalen.

Auskugeln, bedr. ww. bailoteeren.

AusküWen, bedr. ww., Z. kühlen, ab-hüMen.

Auskunden, -kundigen, bedr. ww., Z. amkundschaften.

Ausküuden, bedr. ww. afkondigen, bekend maken.

Auskundschaften, hedr. ww. uitvor-schen, te weten komen, doorzoeken, bespieden, verkennen.

Auskundschafter, m., 7,. Kundschafler, Spion.

Auskunft, v., z. m. uitkomst v., uitweg m., redmiddel o.; opheldering, inlichting, aanwijzing v., bericht o.

Auskunftmittel, o. hulpmiddel o.

Auskünstein, bedr. ww., Z. ausklürjeln; ausgekünslelt, gezocht, gemaakt, geveinsd.

Ausküssen, o. ww. ophouden te kussen.

Auskutten, bedr. ww. jem. het monnikskleed uittrekken; die Hulden -, omgraven en doorzoeken.

Auslachen, bedr. ww. uitiachen, den spot drijven mei; 2. wed. ww. sich todt zich dood lachen; 3. o. ww. ophouden te lachen.

Auslachens-werth,-würdig, byv. nw. belachelijk; uitlachenswaardig.

Ausladen, bedr. ww. uitladen, lossen;ein Gewehr -, do lading uithalen; eine Slrecke ontgraven, uitgraven; einen Baum -, (van schilders), vullen, afronden, opwerken.

Auslader, m. losser, sjouwer in., onlla-der m.

Ausladezeug, o. aftrekker, krasser in.

Auslage, (-n) v. uitschot, voorschot o., uitgaaf v., uitgestalde waar v., toonbank v.; (van een hemd), strook v.

Auslagern, o. ww. (van bler),Z. ablagern.

Auslageschifï, o. wachtschip o., Z. Jus-lieher.

Auslallen, bedr. ww. ais een kind, gebrekkig, stamelende spreken.

Auslammen, o. ww. ophouden lammeren to werpen.

Ausland, vreemd land, buitenland o.

Auslanden, hedr. ww. ontschepen, landen, aan land zetten.

Auslander, -landerin, vreemdeling m. en v., uillander, buitenlander m buitenland-sche (vrouw) v.

Auslanderei, v. zucht naar, voorliefde v. voor het vreemde; 2. -en mv. vreemde woorden o. mv. of uitdrukkingen v. mv.

Ausiandisch, bijv. en b. vreemd, buiten-landsch, buitenslands.

Auslandssucht, v., Z. Auslanderei.

Auslangen, bedr. ww. TVcin -, (uit den kelder) halen; i. o. ww. mil eer Hand -, de hand uitstrekken; toereikende, voldoende zijn; mit etw. -, toekomen, rondkomen.

Auslangen, bedr. ww. langer maken, verlengen, uitrekken; (van binien),bespannen.

Auslappen, Z. lappen; aislappern.

Auslappern, bedr. ww. altlepperen, uil-slurpen.

Ausiarmen, o. ww. ophouden geraas, leven, beweging te maken; 2. bedr. ww. met geraas uiten.

Auslass, m. uitlaten o., uitlating v.

Auslassen, bedr. ww. onr.uitiaien, weglaten, overslaan; jem. -, uitlaten, laten vertrekken; laten uitgaan; einen BefeM -, Z. er-lassen; einen Schrei -, eei gil geven; seine Gedanken-, uitlaten, uitspreken; FeW-,smelten; ein Klein -, uitleggen; den Ufen -, laten


-ocr page 119-

AUS 107

AUS

uitgaan; den Leilhund het touw, waaraan hy vastgehouden is, vieren.

Auslassuue, v., Z, auslassen; -shajtpe v. uitlatingsklep, veiligheidsklep v.; -spforle v. uitlatingspoort ra.; -srOhre v. ontlatings-huis v.; -teichen o. wcglatingslecken o.

Auslatschea, heilr. \v\\., Z. austreten.

Auslauben, bedr. ww met groen loot versieren.

Ausianern, liodr. ww. alloeren, bespieden; 2. o. ww. niet meer loeren.

Auslauf, uitloop, mond m., uitwatering, monding v., lak ra.; (van schepen), uitloopen o.; afloop m., cinile o.; uitstek o.

Auslaufeu, liedr. ww. onr. eine Bahn alioopcn, ten einde loopen; -J. wed. ww. sic/» -, zich zat loopen; (van een gat), uitslijten; ;t. o. ww., m. li. ophouden te loopen, leegloo-pen; m. s. (van schepen), uitloopen; (tig.) in het licht verschijnen; (van personen), uitloopen; (van vruchten) uit den dop vallen; (van een vat), leegloopcn; (van een horloge), af-loopen; (van cene straat), uitkomen; auf elw. -, uitloopen op, eindigen met; (van hoornen), bij de wortels uitspruiten.

Ausiaufer.in. hoodschaplooper,loopjongen m.; kruier in de myn m.; lak m.; (lig.) navolger m.; (van wijnstokken), spruit, rank v.

Auslauf(erjn, bedr. ww. Ertsen -, doppen, uildoppen.

AuslaufTeile, v. vijl v. der mijnwerkers.

Ausiauflsch, büv. en b. gaarne uitloopend, uithuizig.

Auslauf-karren, m. kruiwagen m. der mijnwerkers; -ofen m. uitloopoven m.

Ausiaugen, bedr. ww. uitloogen, uitwas-schen; (lig.' louteren.

Ausiauschen, bedr. ww. uilhooren, afluisteren.

Auslausen, bedr. ww. luizen, aduizen; (tig.) jem. van al zijn geld berooven.

Auslaut,m. klankm. waarmede een woord of eene lettergreep eindigt.

Auslauten, o. ww. met een klank eindigen.

Auslautcn, bedr. ww. de klok luiden om

iels af te kondigen; it. het einde van ietsaan-kondigen door het luiden der klok; i. o. ww. ophouden te luiden.

Ausïautern, bedr. ww. (van een bosch), Z. lichten.

Auslebcn, bedr. ww. eine Xeit -, leverij doorleven; i. o. ww. uitleven, ophouden te leven, sterven.

Auslecken, bedr. ww. uitlikken, oplikken; doorlekken; (van een vat), leegloopen.

Ausledern, bedr. ww. van binnen met leder voorzien.

Ausleeren, bedr. ww. Itcrhfr ledigen; trein opdrinken, opmaken; einen Saul -, schoon vegen, allen er uitjagen; seinen Leib -, ontlasten; den Abtritt -, ruimen, schoonmaken; (tig.) sein llerz ontlaslen, lucbtgeven.

Ausleerer, m. opruimer.wegruimer,ont-laster m.

Ausleermittel, o. middel o. ter ontlasting.

Ausleerung, v. opruiming v., ontlasting v., stoelgang m.; 11. uitwerpselen o. mv.; uitputting v.; -spumpe v. trekpomp, zuigpomp v.; -sröhre v. ontlastings-pijp, buis v.

Auslegen, bedr. ww. Derkèn -, uitspreiden, leggen; Waar en -, uitstallen; lieize -, ten toon spreiden; Trdume-, uitleggen, verklaren; jemn. elw. gut, ilhelten' goede, ten kwade duiden; ausgelegtes Geweih, wijd uitgespreide horens; ausiieleiile Arbeit, ingelegd werk; Geld -, voorschieten; Geld auf Xinsen

uitzetten; Ërbscn -, Z. aussden; ein Scltiff

uil de haven op de reede brengen.

Auslegetisch, m. toonbank v.

Ausleger, -legerin, uitlegger, verklaarder m., uitlegstcr, verklaarster v.; spier v., oplanger m., spaak v.

Auslegerei, v. zucht v. om uit Ie leggen, pronkzucht v.

Auslegestabchen, o. houtje, stukje o. voor het spikkelwerk.

Auslegung, v. uitstalling v.; uitschot, voorschot o.; (lig.) uitlegging, verklaring, opheldering v.; -skunde, -skunst v. uitlegkunde v.; -ssucht v. zucht v. om uit te leggen.

Auslehnen, bedr. ww., Z. ausleihen, ver-leihen.

Auslehren, bedr. ww. behoorlijk onderwijzen, het onderwijs vollooien; ausijelehrt, zijr.e leerjaren doorloopen hebbende;2.0. ww. ophouden te onderwijzen.

Ausleiden, o. ww. onr. uillijden, niet meer lijden.

Ausleiern, o. ww. ophouden op de lier te spelen; ein Gleis -, Z. ausfahren; ein Had -, door te veel draaien verwijden.

Ausleihen, bedr. ww. onr. etii'. uit-leenen, in leen geven, borgen.

Ausleiher, m. uitleener, verhuurder m.; -in v. uitleenster, verhuurster v.

Ausleiten, liedr. ww. opleiden.

Ausletiken, o. ww., Z. auswcichen.

Auslernea, bedr. ww. sein llanilwerk uitleeren, in de perfectie leereii; jem. -, door en door leeren kennen; -2. o. ww. zijne leerjaren ten einde brengen; in etw. ausgeternt sein,doorkneed zijn in iets; aus/jelernter Schalk, doortrapte schelm.

Ausiesen, bedr. ww. onr. uitkiezen, uil-zoeken, sorteeren-, ein Huch uitlezen, lezen lot aan bet eind; i. o. ww. ophouden te lezen.

Ausleser, -leserm, uitzoeker m.. Hit-zoekster v.

Ausleuchten, o. ww. uitlichten, ophouden te licblen, niet meer verlichten.

Ausieuen, bedr. ww., Z. austaden.

Auslichten, bedr. ww. opklaren, verlichten; einen HUihl -, dunnen, uithouwen; ein Schi/f (gedeeltelijk) lossen; r/ie Kasse leegen.

Ausliebcn, o. ww. ophouden te beminnen.

Ausiieferer, m. uitioveraar, afgever m.

Ausliefern, bedr. ww. uitleveren, over-


-ocr page 120-

108 AUS

AUS

seven; die Jfacre ter hand stellen; fin TVerk tol de laatste aflevering toe uitgeven.

Auslieferung, v., Z. auslieferti; -sschein m. hewys o. van aflevering amp;; -sverlrag m. uitleveringsverdrag, cartel o.

Ausliescn, o. ww. onr. (van wiin), be-llggen; (van schepen), op de reede hlijven liggen; alle Feuchlifikeit -, door lang liggen verliezen.

Auslieger, (-s, mv. Auslieger) m. schip o.,dat op de reede blijft liggen, wachtschlpo., uitlegger m

Auslisten, hedr. ww., Z. ablislen.

Ausloben, hedr. ww. genoeg prijzen amp;.

Auslochen, liedr. ww. Erze uit een gat halen; een gat maken.

Auslöchern, l)edr. ww. Z. ausluïhlen, durchWchern.

Auslochung, v., Z. auslochen.

Auslocken, hedr. ww. jem. -, de lokken, krullen losmaken van; jemn. elw -, ontlokken; jem. ulthnoren.

Auslogiren, hedr. ww. doen verhuizen, doen opbreken.

Ausiohen, hedr. ww. llnlz -, uitloogen; die Form -, uitbranden.

Auslohnen, hedr. ww. Jrheiler -, Z. ablohnen.

Auslösbar, bijv. en b. afkoopbaar, aflosbaar; -keil v. afkoopbaarbeid, afloshaarheid v.

Auslöschbar, bijv. nw., Z. auslöschlich.

Auslöschen,hedr. ww. uithlusschen.uit-dooven; Thranen -, drogen; (lig.) eine Schuld -, Z. tiigen; einen Schimpf -. ultwisscben; 2. o. ww. onr. (van vuur), uitgaan, ultdooven; (lig.) vergaan.

Auslöscher, (-.?, mv. AusWscher) m. uit-blusscher, ultdoover; domper m.

Auslöschlich, büv. en b. uitwlschl)aar.

Auslosen, hedr. ww. Soldalen -, hij het lot kiezen, Z. verlosen.

Auslösen, hedr. ww. uitscbillen, uitpeilen, uitsnijden; Gefanqenen loskoopen,vrlj-koopen, uitwisselen, lossen; einen Gast -, loslaten tegen betaling zijner verteringen.

Auslösunp:, v., Z. auslösen; -sverlra/i m. verdrag o. tot uitwisseling der krijsgevangenen, cartel o.

Auslotsen, tiedr. ww. ein Schijf -, uit de haven in zee brengen.

Ausluchsen, hedr. ww. jemn. elw. -, Z abluchen.

Auslüften, hedr. ww. uitluchten, luchten; (fig.) die Menschheit -, van vooroordee-len zuiveren-, 2. wed. ww. sich zich verluchten, een luchtje gaan scheppen'

Ausmachen, hedr. ww. Justern openmaken; Ilohnen .y -, doppen; Flachs -, aftreden, uilkernen; Jluhner schoonmaken; Ua-sen afhalen; uitmaken, afmaken, eindigen; lass ihn nurIaat hem maar begaan; den JVein -, opmaken, uitdrinken; das Feuer -, uithlusschen, uitdooven; etw. mil jemn. -, afmaken; elw. in der Gute schikken, afspreken; jemn. etw., Z. vermachen; Wild -, opsporen, oploopen, vinden; jem. -, uitschelden, doorhalen; beloopen, bedragen; 2. wed. ww. sich -, uitgaan.

Ausmachhechel, v. afreehekel m.

Ausmagern, hedr. ww., Z. abmergeln, abzehren.

Ausmahlen, hedr. ww. geheel, behoor-lijk malen; das Wasser uitmalen; 2. o. ww. ophouden te malen.

Ausmakeln, bedr. ww. kieskeurig uitzoeken, onderzoeken.

Ausmalen, bedr. ww. afschilderen, afwerken; eine Begebenheit vertellen, schilderen; ein Zimmerbeschilderen.

Ausmangea)ii, hedr.ww. behooiigk mangelen; 2. ww. ophouden te mangelen.

Ausmann, m. buitenman, vreemdeling m.

Ausmargeln, bedr. ww., Z. ausmergeln.

Ausmarken, bedr. ww. ein Feld -, van grenspalen voorzien; einen Piaiz-,afbakenen.

Ausmarker, m. buitenlander, vreemdeling m.

Ausmarsch, m. uittocht m., marcheercn o. uit.

Ausmarchiren, 0. ww. uittrekken, vertrekken, uitrukken.

Ausmartern, hedr. ww. door folteringen afpersen; sich Z. abmarlern.

Ausmarzen, bedr. ww.,Z. ausmerzen.

Ausmasten, bedr. ww. goed, beliooiiyk mesten, vetmesten.

Ausmatratzen, bedr. ww. matrasvor-mig bekleeden.

Ausmauern, bedr. ww. i Itmetselen; ein J.och -, toemetselen, dichtmetselen.

Ausmaulen, o. ww. uitpruilen, ophouden te prullen.

Ausmausen, bedr. ww. Hüuser -, leeg-stelen; 2. o, ww. niet meer verharen, verveeren, ruien.

Ausmausern, o. ww., Z. ausmausen (2).

Ausraeiszeln, bedr. ww. uitbeitelen,met den beitel afwerken; (lig.) zierlich uusgemei-szcll, sierlijk gevormd, afgerond.

Ausmelken, bedr. ww. reg. en onr. uitmelken, leegmelken; 2. o. ww. ophouden met melken, niet meer melken.

Ausmergeln, bedr ww. ein P/'c/'d-, uitmergelen, uitputten.

Ausmerken, bedr. ww etw. -, opmerken, merken; jem. -, door aanhoudend opmerken doorgronden.

Ausmerzen, bedr. ww. aitschleten,schelden, als onnut werwerpen; ein Wort uitschrappen.

Ausmessbar, bijv. nw. meetbaar.

Ansmessen, bedr. ww. meten, uitmeten; Gebaude -, opmeten, opnemen; ein Fass -, peilen, ijken, roeien-, In het klein, by de maat, bg de el verknopen.

Ausmesser, m. afmet'3r, opmeter, uitme-ter m.; it. kleinhandelaar m.

Ausmessung,v., Z ausmessen; -skunst\. uitmetingskunst v.


*

-ocr page 121-

AUS

AUS

109

Ausmetzeu, o. WW. als loon voor het raaien eenig koren uitscheppen.

Ausmiethen, bedr. ww. Pferde /..ver-miethen; jem. laten verhuizen door hooger huur te eischen.

Ausminderer, (-s, mv. Jusminderer) ra. aanhesteder ra.

Ausmindern, bedr. ww. eine ISauurbeil aanbesteden.

Ausmisteu, bedr. ww. uitraesten,schoonmaken.

Ausmitteln, bedi'. ww. rfw.-,ontdekken, uitvinden; *2. wed. ww. uitkomen, blijken, Z. fcstselzen, beslimmen.

Ausmöbeln, bedr. ww. van meubelen voorzien, meubileeren.

Ausmöblireu, bedr. ww., Z. ausmöbeln.

Ausmoderu, o. ww., m. s. uitrotten,door verrotting hol worden; in. h. ophouden te rotten.

Ausmoosen, bedr. ww. van het mos ontdoen, zuiveren.

Ausmorden, bedr. ww. uitmoorden.

Ausmünden, 0. WW. zich splitsen; in einem Thale -, uitloopen, ineenioopen.

Ausmünzen, bedr. ww. Gold-, vermunten, geld slaan uit; (lig.) uitgeven, doen voorkomen als.

Ausmüssen, o. ww. onr. uitmoeten, moeten uitgaan.

Ausmustern, bedr. ww. uitmonsteren, uitschieten, wegwerpen; Soldaten-, ardanken,

Ausnagen, bedr. ww. uitknagen.

Ausnahen, bedr. ww. benaaien, slikken; sich die Awjen -, zich blind naaien.

Ausnahme, (-n) V. uitzondering v.; Z. Ausgedinge; -fall m. uitzondering v.; -gesetz o. uitzonderingswet v.

Ausnatimsweise, bjjw. by uitzondering.

Ausnarbeu (sich), Z. vernarben.

Ausnarren, o. ww., Z. sich ausloben.

Ausnaschen, bedr. ww. uitsnoepen, opsnoepen, leegsnoepen.

Ausnassen, bedr. ww. drogen.

Aussiebeln, o. ww. ophouden te misten; (lig.) in het nevelachtige overgaan.

Ausnehmea, bedr. ww. onr. uitnemen; Zdhne -, trekken, uittrekken; cm Thier van ingewanden ontdoen; Soldaten -, Z. aus-hebcn; ein Kleid uitzoeken; sich etw. Z. herausnehmen; (lig.) uitzonderen; 2. wed. ww. sich eene uitzondering maken op den regel; zich onderscheiden van anderen; sich gut zich voordoen, uilzien.

Ausnehmend, bijv. cn b. uitnemend, buitengemeen, zeldzaam.

Ausuebmlich, bijv. nw., Z. ausnehmend.

Ausueigen, bedr. ww. ein Glas -, uitdrinken; -i. o. ww., Z. ausbeuqen.

Ausnennen, bedr, ww., Z. aussprechen.

Ausniesen, bedr. ww. uitniezen;*2.o.ww. ophouden te niezen.

Ausnippen, bedr. ww, met kleine leugen uitdrinken.

Ausnüchtem, bedr. ww. den hausch uitslapen; -2. o. ww. en wed. ww. sich-, nneater worden.

Ausnutsche(l)iigt;bedr. vi\\'.,'/..aussau(jen.

Ausautzeu (sich), wed. ww. al het mü-

gelgke voordeel trekken van; jem. -, exploi-teeren; ausgenutzt, afgedragen, versleten.

Ausöden, bedr. ww. Wasser leegvis-schen; die Fische -, al de visch wegvangen.

Ausolen, bedr. ww. van binnen oliën.

Ausorgeln, o. ww. ophouden op het orgel te spelen; (lig.) jem. iem. de les lezen.

Auspacbten, bedr. ww. etw. -, in kleine perceelen verpachten.

Auspackeu, bedr. ww. uitpakken, ontpakken; Z. auskramen.

Auspacker, m. uitpakker m.

Auspappeu, bedr. ww., Z. auskleistern.

Auspariren, bedr. afwenden; (tig.) einen yonvurf -, van zich afwerpen.

Auspaschen,bedr.ww. naar buiten smokkelen.

Auspassen, bedr. ww., Z. abpassen.

Auspauken, bedr. ww. door trommelen bekend maken; Z. ausprügeln; '2. o. ww. ophouden op de groote trom te slaan.

Auspauschen, bedr. ww. Erze -, aan stukken slaan en van aarde, steen of slakken zuiveren.

Auspegeln, bedr. ww., Z. auspeilen.

Auspellen, bedr. ww. peilen.

Auspeitschen, bedr. ww. jein. -, geese-len; it. geeselen en verjagen; (lig.) uitdrijven.

Auspeitscber, m. geeselaar m,

Auspfahien, bedr. ww. van binnen met palen voorzien; einen Bauplatz -, beheien; met palen afbakenen.

Auspfandeu, bedr. ww. einen Sc/iuldner -, beslag leggen op de goederen van.

Auspfander, m. beslaglegger m.

Auspfarren, bedr. ww. van eene parochie of van een diocees schelden.

Auspfeifen, bedr. ww. onr. jem.-, uil-lluiteii; allluiten, geheel op de Huil spelen; -2. o. ww. ophouden te nullen.

Auspfeifer, m. uillluiler m.

Auspflanzen, bedr. ww., Z. verp/lanzen.

Auspflastern, bedr. ww. einen Hof -, bestralen, bevloeren.

Auspflöcken, bedr. ww., Z, ubpflOcken.

Auspfliicken, bedr. ww. uitplukken; aKe Taue -, losmaken, uilpluizen.

Auspflügen, bedr. ww., Z. ausackern.

Auspfützen, bedr. ww. das Wasser -, ophalen, uitscheppen.

Auspichen, bedr. ww. ein Fuss-, pikken of pekken; (lig.) ausgepichter Schelm, door-trapte schelm; ein Squot;hgt;jf -, teren.

Auspiciën, o. mv. voorteekenen o. mv.; voorspelling, voorzegging v.; loezicht o., bescherming v.

Auspicken, bedr. ww. uilpikken.

Auspinseln, bedr. ww. etw. -, mot bet penseel uitvegen; eine ^Kwnrfe-, met het penseel van binnen bestrijken; 2. o. ww. ophouden met schilderen.


-ocr page 122-

AUS

110

AUS

Auspissen, Ijedr. ww., Z. aushanm.

Ausplacken, liedr. ww., auskleben

Ausplappern, I)edr. ww.,Z. au-tplaudern.

Ausplatten, -platten, heilr. ww. in de breedte uitbreiden, uitpletlen; Wasche Z. ausbur/eln.

Ausplatzen, o. ww. barsten, uit elk. springen; (tif:.) in ein laules Gelachter-, schuieren van lachen; rit it dem Gehcimnisse -, bet geheim uitlluppen.

Ausplaudern, bedr. ww. Geheimnisse -, verbabbelen, verklikken; 2. o. ww. uitbabbe len, ophouden te babbelen; it. aan zgn lust om te praten voldoen.

Ausplauderer, m., -plaudererin, v. babbelaar, prater, verklikker m., babbelaarster, babbelkous, verklikster v.

Auspl-tustern, lied r. Z. ausplündern.

Ausplünderer, m. plunderaar, rooverm.

Ausplündern, li^lr. wn'. eine Sladl -, uitplunderen, plunderen; 2. o. ww. ophouden te plunderen.

Auspliisen, bedr. ww. alle Tuue Z. auspftücken.

Auspochen, bedr. ww. einen Schauspic-ler door geklop uitjouwen; Murder -, door kloppen uit het hol jagen; -2. o. ww.ophouden te kloppen.

Auspoiiren, bedr. ww. den vereischten glans geven; exn Gedichl -, in de fijne puntjes afwerken.

Auspoltern, o. ww. ophouden geraas te maken.

Ausposaunen, bedr. ww. met trompetgeschal afkondigen, uitbazuinen.

Auspragen, bedr. ww. Gold munten, vermunten; ein liihlniss -, stempelen, duidelijk afdrukken.

Auspredigen, o. ww. zijne preek eindigen; it. ophouden te preeken-, (lig.) jemn. eiw.-, uit het hoofd praten.

Auspreisen, bedr. ww. hoog roemen, veel ophef maken van.

Auspressen, bedr. ww. uitpersen, uitdrukken; (tig.) jemn. etw. afpersen, met geweld ontnomen,

Ausprügeln, bedr. ww. jem. -, met stokslagen uitdrijven, wegslaan; afrossen, afranselen.

Auspudeln, bedr. ww.jon.-, uitschelden.

Auspuffen, bedr. ww. jem. afrossen, afranselen; opblazen; doen opzwellen; J er mei-, met pollen voorzien.

Auspumpen, bedr. ww. uitpompen; elw. -, uilleenen.

Auspunkten, -punUtiren, bedr. WW. door middel vandepunkteerkunstuitvorschen, ontdekken.

Auspusten, bedr. ww. eine 1'lamme-, uitblazen.

Ausputz, (-es, mv. -e) m. uitveegset o.

Ausputzen, bedr. ww. ein Licht -, uit-snuiten; das Lebenslichl -, doodschieten; eine Flinle -, schoonmaken, oppoetsen; flaumc -, besnoeien; opsieren, Z. au fput zen; jem. -, doorhalen, beknorren; Schüsseln-, leegmaken.

Ausputzer, m. poetser, schoonmaker m.; (flg.) berisping v., verwyt o.

Ausqualen, bedr. ww., Z. ausmartern.

Ausquartiren, bedr. ww., Z. auslegen, ausmicthen; 2. wed. ww. sirh -, van woning veranderen.

Ausquellen, o. ww. onr. uitvloeien, uit-borrelen.

Ausquetschen, bedr. ww. uitpersen,uitdrukken.

Ausraden, bedr. ww., Z. ausrnden.

Ausradiren, heilr. ww. met een mesje uitkrabben.

Ausrahmen, bedr. ww. van het raam nemen.

Ausrammeln, o. ww. uitrammelen, ophouden te rammelen.

Ausranden, -randern, bedr. ww. randen, kartelen.

Ausrangiren, bedr. ww. als onbruikbaar afdanken.

Ausrasen, o, ww. uitrazen, ophouden te razen, bedaren.

Ausrasten, o. ww., Z. ausruhen.

Ansranben, bedr. ww., Z. ausplündern.

Ansranchen, hedr. ww. Filchse -, door middel van rook uit de holen jagen; seine Pfeife -, uitrooken; 2. o. ww. ophouden te rooken.

Ansraucliern, bedr. ww. berooken; Z. ausrauchen.

Ansranfen, bedr. ww. Unkraul -, uittrekken; einem J'ouel die l-'eilern -, Z. a«s-rupfeti; 2. wed. ww..vic/i-,zich zat plukharen.

Ansranfer, (-s, mv. Aiuraufer) m. uiltrekker, ultplukker m.

Atisrauhen, hedr. ww. afrouwen,behoorlijk rouwen.

Ausraumen, bedr. ww. wegruimen, wegnemen; (van dieven), wegstelen, medepakken; ein Zimmer -, leegmaken; einen Brunnen -, uitbaggeren; PfeifenkOpfe -, uithalen, uitwroeten; ein Lach -, ruimer maken.

Aasraumer, (-s, mv. Ausrllumer) m. opruimer, wegruimer, putruimcr, sekreetrul-mer m.; pljpenwroeter m.; slagboor, lepelboor v.

Ansranpen, bedr. ww., Z. raupen, ab-raupen.

Ansrauschen, o. ww. ophouden te rui-schen.

Ausrauspern, hedr. ww. uithoesten,opgeven.

Ansrechen, liedr. ww. uitharken, wegharken.

Ansi echiien, hedr. ww. uilrekenen;jc»i«. etw. als einen Fehler -, Z. anrechnen.

Ausrechner, m. uitrekenaar, bereke-naar m.

Ansrecken, bedr. ww. den Arm Z.

ausslrecken; die Finger -, opsteken; sich schlafrifi -, uitrekken; l.sder -, rekken; 2. o. ww. der Ilirsch hal ausgereckl, zijne horens zijn volgroeid.


-ocr page 123-

AUS 111

AUS

Ansrede, v. uitspraak, voordractit v.; uit-■vluchl v., voorwendsel o.

Ansredea, bedr. ww. elw. mit einander

Z. nirahreden; sein llerz uitspreken, uitstorten; etui. Viepalen, beslissen; jemn. elw. -, uit liet hoofd praten; 2. o. ww. uitspreken, zijne rede eindigen; 3. wed. ww. sich -, zicli verontschuldigen, zich door uitvluchten weten vrij te pleiten.

Ausreeden, hedr. ww. optuigen, optakelen, uitrusten.

Ausreeder, m., Z. Reeier.

Ausregnen, onp. ww. ophouden te regenen; 2. liedr. ww. door den regen uithollen.

Aasrehden, Z. ausreeden.

Ausreibeholz, o. wrijfhout o.

Aasreiben, hedr. ww. uitwrijven, 'wrijven; jem. -, afrossen; 2. o. ww. ophouden te wrijven.

Ausreichen, o. ww. toereikende,voldoende zijn; mit etw. -, toekomen, rondkomen; 2. hedr. ww. etw. overspannen; (tig.) hegrijpen, overzien.

Ansreifen, o. ww. goed rijp worden; 2. hedr. ww. van hinnen met sleuven voorzien.

Ausreihen, hedr. ww. Perlen -, afrijgen; Z. ausmuslern.

Ausreimen, o. ww. ophouden te rijmen.

Ausreinlgen, bedr. ww. schoonmaken, reinigen.

Ausreise, v. uitreis, heenreis v.

Ansreisen, o. ww., m. s. afreizen, op reis gaan; m. h. ophouden mei reizen; niet meer op reis gaan; doorreizen.

Ausreiszen, bedr. ww. onr. uitscheuren, uittrekken; 2. o. ww. uitscheuren; (van een dijk), doorbreken; (lig.) ontvluchten, ontsnappen. desevteeren.

Ausrelszer, (-s, mv. Ausreiszer) m. deserteur, vluchteling in.; een van de hoofdader naar de oppervlakte loopende tak.

Ausreiszerei, v. verlaten o. van den dienst of van hel gevecht, desertie v.

Aasrelten, o. ww., m. s. uitrijden, wegrijden; m. h. ophouden te rüden; 2. bedr. ww. ein Pferd -, '/.. zureiten; it. afrijden, afstappen; das P/laster -, door rijden uithollen; einen Jiaum -, afrijden, tot aan het einde toe rijden.

Ausreiter, m. ileurwaarder, gerechtsbode m. te paard; it. Z. Landreiter.

Aaarenken, bedr. ww. uil het liddraaien, ontwrichten; 2. o. ww. uit het lid raken, ontwrichten.

Ausreunen, o. ww., m «.uitrennen,wegrennen; m. h. ophouden te rennen-, 2. hear, ww. eine ISahn -, ten einde rennen; jemn. ein Auge -, tegen hem inrijdende uitsteken; 3. wed. ww. sich -, den lust om hard te loo-pen bevredigen.

Ausreuten, hedr. ww. uitroeien; Btiume -, rooien; (tig.) uitroeien.

Ausrichten, hedr. ww. die Gtieder -, richten; Heulen uitkloppen, gladkloppen; Haar -, uitkammen; einen Gana onderzoeken, vinden; ein Comptiment -, overbrengen-, einen Befeht -, uitvoeren, zich kwijlen van; viel bei ihm -, gedaan krijgen; nichts -, ver-geefsche moeite doen-, ein Fesi geven; eine Sache -, door een rechterlijk vonnis beslissen; jem. -, bevredigen, tevreden stellen; it. uitschelden, belasteren.

Ausrichter, m. mijnwerker ra. belast met de zorg voor het touw, waarmede de manden opgehaald worden, die iels overbrengt, volbrengt, uitvoert; (van een testament), executeur m.

Ausrichtig, -richtllch, -richtaam, bijv. en b. behendig, handig; -keil v. behendigheid, handigheid v.

Ausriechen, bedr. ww. onr. ein Zimmer-, mei geur vervullen; elw. door den reuk ontdekken; einen Flakon -, er zoo lang aan ruiken, totdat er geen reuk meer in is-, 2. o. ww. geen reuk meer geven, niet meer rieken.

Ausriefea, bedr. ww. groeven, ribben, met groefjes voorzien.

Ausriegeln, bedr. WW., Z. aussperren.

Ausrieseln, o. ww. ophouden te stofre-genen; uitvloeien, uitlekken.

Ausrindern, o. ww. ophouden te bollen.

Ausringexi^ bedr. ww. onr. verrekken, verwringen; die TVasche -, uitwringen; jemn. elw. uit de handen wringen-,einen Kampf-, doorstaan, doorworstelen; sich -, door worstelen lenig maken.

Ausrlnnen, o. ww. onr. wegloopen, wegvloeien; (lig.) voortvloeien.

Ausrippen, hedr. ww. Tabak -, van stelen zuiveren.

Ausritt, ra. uitrit ra.; wandeling v. te paard; eerste proef v.

Ausrocheln, bedr. ww. die Secte -, rochelende den geest geven; 2. o. ww. ophouden te rochelen, sterven.

Ausroden, bedr. ww.

onkruid zuiveren, rooien; 2. Baume ■

(fig.) Z. ausrotlen.

Ausrohren, hedr. ww.

riet bekleeden, berieten.

AusroUen, bedr. ww. den ï'nV;-, uitrollen; Geldrollen losmaken, uilrollen; Ge-treide ziften; 2. o. ww. ophouden te rollen-, 3. wed. ww. (van slangen), sich zich ontrollen.

Ausrottbar, bijv. nw. wat uitgeroeid, ontworteld kan worden; -heit v. uitroeibaar-heid v.

Ausrotten, bedr. ww. uitroeien; (tig.) uitroeien, verdelgen.

Ausrotter, (-s, rav. Ausroller) m. uitroeier, verdelger m.

Ausrottung, v., Z. ausrotlen; -skrieg ra. verdelgingsoorlog ra.

Ausrücken, bedr. ww. die Drehbanh afspannen-, 2. o. ww., m. h. (van de klok), in aanloop zijn; ra. s. (van soldaten), uitrukken, te veld trekken.

Ausrücliung, v. (van het drijfrad), afspannen o.-. de Inrichting v. daartoe.

ein Land van , rooien;

van binnen met


-ocr page 124-

112 AUS

AUS

Ausruf, m. uitroep, kreet m.; (van eene verkooping), Lüd o.; ö/fentticheropenlgkc bekendmaking, omroeping v.; (van een bruidspaar), afkondiging v.; uitroeping v., tusschen-werpsel o.

Ausrufen, bedr. w\v. bekend maken, omroepen; ein Brautpaar afkondigen; 2. o. ww. uitroepen; it. ophouden te roepen.

Ausrufer, -ruferin, omroeper, heraut, afslager m., omroepster v.

Ausrufung, v., Z. uusrufen; -swort O. uitroep m.; -szeichen o. uitroeplngsteeken o.

Ausruhe, v., z. ra. uitrusten o., ontspanning v.

Ausruhen, bedr. ww. seine Krüfle doorultrusten terugkrijgen;(üeG/iedêr-, door rust versterken; 2. wed. ww. sich -, uitrusten; 3. o. ww. uitrusten, uitslapen.

Ausruher, (-s, mv. Ausruher) ra. plaats v., (portaaltje, vloertje), om* uit te rusten, rust v.

Ausrühren, bedr. ww. uitroeren; Butter -, uitkamen.

Ausrunden, -riiuden, bedr. ww. etw.

uitronden, rond uitdiepen, uitpuilen, rond bijwerken, afronden; (lig.) afronden; 2. wed. ww. sich -, rond worden.

Ausrunzeln, bedr. ww. etw. ontrlra-pelen, glad, ellen maken.

Ausrupfen, bedr. ww. uittrekken, uitplukken; noppen.

Ausrupfer, -mpferin, 'lopper ra., nopster v.

Ausrüsten, bedr. ww. uitrusten, met al het noodige voorzien; (lig.) mit etw. toerusten, begiftigen met.

Ausrüstung, v. uitrusting v., uitrusten o.

Ausrutschen, bedr. ww., Z. ausgleiten.

Ausrütteln, bedr. ww. uitschudden.

Aussaat, v., z. m. zaaiing v., zaaien o., zaad, zaaikoren, zaaisel o.; -korb m. zaadkorf ra., zaadmand v.

Aussackeln, bedr. ww. uit den zak, de beurs geven; jem. -, Z. ausbeuleln.

Aussacken, bedr. ww. etw. -, uit den zak halen; i. wed. ww. sich -, zakvormig uitpuilen.

Aussaen, bedr. ww. Samen -, zaaien, uitstrooien; (lig.) zaaien, uitstrooien, verspreiden.

Aussage, v. getuigenis o. en v., gezegde o., werking v.

Aussagen, bedr. ww. ehv. -, berichten, zeggen, uitdrukken; (van getuigen), getuigenis afleggen; etw. von jemn. iels van iem. zeggen, lera. iets toeschrijven; dos Ausgesug-te, Z. Aussage; 2. wed. ww. sich -, zijne kaarten bekend maken, blootleggen.

Aussagen, bedr. ww. etw. uitzagen; 2. o. ww. ophouden le zagen, afzagen.

Aussalzen, bedr. ww. die Seife -, keukenzout bijvoegen, uitzoulen.

Aussanden, bedr. ww. vanzandontdoen, zuiveren.

Aussatz, eerste stoot, uitstoot m., (in het spel), inleg ra.; melaatschheid, ollfantsziekte v.; (van paarden), zweer v. aan het kruis,den hals of den kop; (van schapen), pokken v. mv. (lig.) pest v.

Aussatzig, byv. en b. melaatsch.

Aussaubern, bedr. ww., Z. ausputzen.

Aussaufen, bedr. ww. onr. uitzuipen, uitdrinken; 2. o. ww. genoeg drinken of zuipen; it. ophouden te drinken of te zuipen.

Aussaugen, bedr. ww. onr. uitzuigen; (lig.) jein. uitzuigen, uitplunderen, uitputten; 2. o. ww. ophouden te zuigen.

Aussaugen, bedr. ww. genoeg zoogen, voldoende laten zuigen; 2. o. ww. niet meer zoogen.

Aussauger, l-s, mv. Aussauger) m. uitzuiger, zuiger ra.; (tig.) bloedzuiger, afperser ra.; -in v. zulgster v. voor kraamvrouwen.

Aussaugerei, v., Z. Aussaugen.

Aussaumen, bedr. ww. uitzoomen, van binnen verglazen.

Ausschaben, bedr. ww. uitschaven; uithollen; wegschaven.

AusschaSen, bedr. ww. ein fferk -, afwerken, voltooien; jein. -, verbannen, verjagen; 2. o. ww. ophouden te werken.

Ausschaften, bedr. ww. ein Schi/f uuf 30 Stüche -, horen, uitboren voor, gaten boren voor.

Ausschakeru, o. ww. ophouden raet stoelen, schertsen.

Ausschalen, bedr. ww. ein Dach -, van binnen met planken beschietijii;Mincngange-, met hout of steenen bekleeden; Auslern -, openmaken.

Ausschalen, bedr. ww. pellen, afschillen; (lig.) jem. -, uitplunderen; einen Cedanhen aus dun kien JVorten -, er in vinden; 2. wed. ww. sich -, uit den dop of uit de schil gaan.

Ausschallen, o. ww. ophouden te klinken, te galmen.

Ausschalten, bedr. ww. uitsluiten, afsluiten.

Ausschalter, (-s, rav. Ausschulter) ra. translateur m.

Ausschamen (sich), bedr. ww. sich die Augen -, zich de oogen uit het hoofd schamen; ausgeschdrnt sein, zich niet meer schamen.

Ausschanden, bedr. ww. jem. uitschelden, beleedigen; cine Jungfrau -, Z. schunden.

Ausschank, (-(e)s) ra., z. ra. tappen, slijten o.; verluf, recht o. om eene tapperij te houden.

Ausscharfen, bedr. w\v.,Z. ausschneiden.

Ausscharren, bedr. ww. uil den grond krabben, uitgraven; 2. o. ww. hinten-, strijk-voeten.

Ausscharten, bedr. ww. uitkerven, uitsnijden, uittanden.

Ausschatten, -schattiren, bedr. behoorlijk schaduwen.

Ausschauen, o. ww., Z. hinausschaueu; nach jemn. -, uitzien, omzien, zoeken.


-ocr page 125-

AUS

AUS

II:

Ausschauern, o. ww. es hut auscje-schaucrt, dc regen-, hagel- of sneeuwljui is over.

Ausschaufeln, Ijedr. ww. met de scliop uitscliepiien; einen Kalm ultlioozen; eine Schüssel Z. ausWIfeln.

Ausschaumen, liedr. ww. etiv. als schuim uitwerpen, uitbraken; i. o. ww. ophouden te schuimen; (lig.) ophouden Ie woeden, le razen.

Ausscheeren, Z. ausscheren.

Ausscheiden, hedr. ww.onr. afzonderen, afscheiden; 2. o. ww. (van leden van een college), aftreden; uus der Heimalh -, Z. am-wundeni.

Ausscheinen, o. ww. onr. niet meer schijnen.

AusscL.ellen, hedr. ww. uitschenen, uitluien, uilklinken, omroepen; 2. o. ww. niet meer luien.

Ausscheller, (-s, mv. Ausscheller) m. omroeper m.

Ausschelten, hedr. ww. onr. uitschelden; i. u. w w. ophouden te schelden; :t. wed. ww. sic/i zijn hart doorschelden luchtgeven.

Ausscheaken, hedr. ww. uitschenken; eene tapperij houden; einen Cesellen uitgeleide doen en den afscheidsdronk toebrengen.

Ausscheren, hedr. ww. onr. de laatste schering geven, uitscheren; i. o. ww. ophouden te plagen; 11. ophouden met scheren.

Ausscherzen,o. w w. ophouden le schertsen.

Aussclieuchen, hedr. ww., Z. verscheu-chen.

AusscUeuern,hedr. ww. uitschureii;(flg.) Z. ausputzen.

Ausschiciten, hedr. w w. jem. uilzen-den.

Ausschieben, hedr. ww. onr. dus hroil

uil den oven halen; einen ï'/scA-, uitschuiven; l'agubunden -, over de grens Iranspor-teeren; ein Sclmcin om een zwijn kegelen; 2. o. ww. uitschuiven; (van paarden), niel meer van landen verw isselen.

Ausuchieber, -s, mv. .lusschieber) m. uilschulfblad o.

Ausschiefern, Z. aischiefern.

AuEschicEzbrett, zetbord o. voor drukkers.

Ausschieszeu, hedr. ww. onr. iiltschie-len, afzonderen; einen tVuld -, al het wild schieten van; leegschielen; door schielen doen slijten; einen Becher -, om een beker schieten; Griiben -, Z. aufwerfen; den Hallast -, uitladen, lossen; 2.o.ww.ophouden met schieten; uitschieten, uitspruiten; vooruitschieten, uitsteken.

Ausschieszstein, m. zetsleen m. voor drukkers.

Ausschillen, hedr. ww. uitladen, lossen; Trappen -, ontschepen; te water vervoeren; 2. u. ww. scheep gaan, onder zeil gaan.

Ausschilfen, hedr. ww. van riet en biezen reinigen.

Ausschimmern, o. ww ophouden te glinsteren; 2. hedr. ww. Strahlen -, schielen.

Aussctaimpfen, hedr. ww. uitschelden; 2. o. ww., m. h. ophouden le schelden; 3. wed. ww. sieh zijn hart door schelden lucht geven.

Ausschinden, hedr. ww. onr. afhalen, villen; die Leute -, afbeulen, Z. aussaw/en,-sein Getreide met woeker verkoopen.

Ausschirren, absdurren.

Ausschlabbern, hedr. w w . opslobberen, uilslobberen.

Ausschlachten, hedr. ww. einen Meiier

alle tusschenruimle van hel gestapelde hout met kleine knuppels en blokken of met kolengruis volstoppen.

Ausschlachten, hedr. ww. ultslachlen, afhakken; (tig.) Güter Z. aussawjen.

Auasohlaclien, bedr. ww. afslakken, van slakken reinigen.

Ausschlafen, o. ww. onr. uitslapen; 2. wed. ww.sicft-, aan zijne behoefle omle slaper] geheel en al voldoen; 3. bedr. ww. den Jluusch uitslapen.

Ausschlag, m. de eerste slag, uitslag m ; (van hoornen), ultspruilsel o.;huiduitslag m; uitslaan o.; (van eene kamer), behang o.; (van een kleed), opslag, omslag m.; (van de tong in de waag), doorslag m.; (lig.) overvvichl o.; uitslag, alloop m.; -artiy bijv. nvv. ultslag-achlig.

Ausschlageklein, o., z. m. mijngruis o.

Ausschlageln, bedr. ww. Sic ine -, van onderen uilhollen.

Ausschlagen, hedr. ww. uitslaan; jein. wackcr afrossen; den Hall -, uilslaan; den Herd leeg maken; Kom uitdorschen; Oei -, persen; das Erz /. pauscheii; uilgraven, mei het werk vorderen; Jlaume -, merken; hekleeden, voeren; einen Antrari -, afwijzen, van de hand wijzen; (van de klok), die Standen -, volull slaan; 2. o. ww. uilslaan; het eerst slaan, uilslaan; (van het hart), ophouden le kloppen; (van een vogel), ophouden te slaan, te zingen; (van eene weegschaal), doorslaan; (van hel vuur), uitbarsten; (van planten), ultloopen; (van scherpe vochten), uitslag veroorzaken; (van muren), uilslaan, doorzvveelen; gut, abel-, attoopen-ausderArt

ontaarden.

Ausschlager, m. paard o., dat gaarne slaat.

Ausschlagfaustel, o., Z. Pduschel.

Ausschlagig, -schlagisch, bijv. nw. (van paarden), gaarne slaande; koppig.

Ausschlammen, bedr. ww. einen Teich -, uilbaggeren, ultmodderen.

Ausschlampe-a, bedr. ww. uilslobberen.

Ausschlappen, bedr. ww., Z. ausschlabbern.

Ausschlarfen, hedr. ww. die Schuhe Z. auslatschen.

Ausschlecken, hedr. ww.. Z auslecken.

Ausscbleifen, hedr. ww. onr. bolslijpen; uitslijpen: 2. o. ww. ophouden te slijpen; :i.

8


-ocr page 126-

AUS

AUS

\u

wed. ww. sich uitslijpen; bedr. ww. naar builen sleepen; die Bander de strikken losmaken.

Ausschlemmen, bedr. ww.,Z. ausschlam-men.

Ausschienkern, l)ed. ww. door hevige beweging verrekken.

Ausschieudern, bedr. ww. met den slinger gooien.

Ausschlichten, bedr. ww. die llaarc walsen; gedreven voorwerpen van binnen glad-hameren.

Ausschlichthammer, m. afslecht- of planeerhamer m.

x\usschiiefen, bedr. ww., Z. auskrieclien.

Ausschlieszen, bedr. ww. onr. buiten sluiten; den Wagen uithaken, afspannen; eine Zeile opvullen met wit.

Ausschiieszlich, bijv. en b. uitsluitend; 2. voorz. met uitzondering van.

Ausschlieszung:, v., Z. ausschlieszen; II. Ausschluss; (van drukwerk), gerief, wito.

Ausschlingen, bedr. ww. onr. uit den strik doen.

Ausschloszen, o. ww. ophouden met hagelen, uithagelen.

Ausschiachzen, o. ww. luid uitsnikken; ophouden te snikken.

Ausschlucken, bedr. ww. uitslokken; ei7i Ei -, Z. ausschlürfen.

Ausscblummem, o. ww. genoeg slui-merer., uitsluimeren; ophouden te sluimeren.

Ausschlüpfen, bedr. ww uitkruipen; ontsnappen, ontglippen.

Ausschlürfen, bedr. ww. uitslurpen,opslurpen.

Ausschluss, m., z. m. uitsluiten o., uitsluiting v.; -loeise bijv. en b. bij wijze van uitsluiting.

Ausschmachten, o. ww. versmachten, kwijnen; ophouden te smachten; 2. bedr. ww. sein Leben smachtende eindigen.

Ausschmahen, bedr. ww. uitschelden; 2. o. ww. ophouden te berispen.

Ausschmalen, bedr. ww.. Z. ausschellen; it. ausschldchten.

Ausschmauchen, bedr. ww., /..ausrau-chen.

Ausschmausen, bedr. ww. leeg eten; 2. o. ww. ophouden met smullen.

Ausschmei szen, bed r. w w. ,Z. uswerfen.

Ausschmeizen, bedr. ww uitsmelten; Silber -, door smelting zuiveren, louteren; 2. o. ww. onr. zich door smelting afzonderen van; ophouden te smelten.

Ausschmieden, bedr. ww. behoorlijk smeden, uitsmeden; Galeerensklaven -, uit de boeien slaan, lossmeden; 2. o. ww. ophouden te smeden.

Ausschmieren, bedr. ww. volsmeren, aanstrijken; die Werke Jnderer uitschrijven, naschrijven; jem. -, Z. durchpriigeln.

Ausschmierer, m. letterdief, plagiator m.

Ausschmiererei, -schmierung, v. letterdieverij, naschrijverij v.

Ausschminken, bedr. ww., Z. schminken; (tig.) Z. zieren.

Ausschmollen, o. ww. ophouden te pruilen.

Ausscbmücken, bedr. ww. versieren, opschikken, opsmukken; eine Bra ut -, tooien-, eine Geschichte opsmukken, verfraaien.

Ausscbnacken, o. ww., Z. ausschwalzen.

Ausschnaiien, bedr. ww. losgespen, uit-gespen.

Ausschnarchen, o. ww. ophouden te snorken.

Ausschnattern, o. ww. niet meer snateren; (van vrouwen), niet meer kakelen, praten.

Ausschnauben, o. ww. (van paarden), snuiven, uitblazen; 2. bedr. ww. die Nase -, Z. schnauzen.

Ausscbnaufen, o. ww. adem scheppen.

Ausschnauzen, bedr. ww. snuiten; uit-snuiten.

Ausscbaeide-bild, o. uitsnijprent v., uit-snijplaatje o., uitknipprent v.; -messer o., Z. Wirkmesser.

Ausscbneiden,bedr. ww. onr.uitsnijden; Baume uitsnoeien; Figuren in Papier -, uitknippen uitsnijden; mot de el in het klein verkoopen.

Ausscbneien, onp. ww. ophouden met sneeuwen.

Ausscbneiteln, bedr. ww. Btiume Z. ausschneiden.

Ausscbnitt, m. uitsnijding v.; im - ver-kaufen, in het klein verkoopen; -handel m., -handlung v. kleinhandel m.; -handler m. kleinhandelaar m.; -laden m. winkel m. van een kleinhandelaar.

Ausscbnittiing, m. een nog niet geheel genezen gecastreerd paard of rund o.; kind o., dat door de keizersnede verlost is.

Ausscbnittwaare, v. koopwaar v. die in het klein verkocht wordt; -ivaarengesclidflo., Z. -handel.

Ausscbnörkeln, bedr. ww. met krullen voorzien.

Ausscbnitzeln, bedr. ww. uitsnijden, uitknippen.

Ausscbnucken,o. ww.,Z. ausschluchzen.

Ausscbnüfifeln, bedr. ww. opsnutlelen, uitsnuffelen.

Ausscbnupfen, bedr. ww. opsnuiven; seine Tabaksdose -, lee^snuiven; 2. o. ww., Z. ausschluchzen.

Ausscbuuppern,lHMlr.ww.,Z.flMS.sc/inM/'-feln.

Ausscbnüren, bedr. ww. lossnoeren, los-rijgen; ein Frauenzim ner haar keurslijf losrijgen, uitrijgen.

Ausscbnurren, o. ww. ophouden te snorren.

Ausscböpfen, bedr. ww. uitscheppen.

Ausscböpf-löffel, m., -kelle v. scheplepel m., schepkom v.; -schale v. schepkom v.; -trog m. schepkroes m.

Ausschoren, bedr. ww., Z. auslichten.


-ocr page 127-

AUS

AUS

Ausschossen, o. ww. uitloopon, uit-

scliielcn.

Ausschössling, (-(e)5, mv. -e) 111., Z. Juslanfcr.

Ausschoten, bodr. ww. uitdoppen.

Ausschragen, liedr. w w.schuin wegsnijden.

Ausschrammen, bedr. ww., Z aus-schurfen.

Ausschrauben,l)edr. ww. ultschroeven, losschroeven.

Ausscbrecken, hedr. w w., Z. aufschrec-hcn.

Ausschreiben, bedr. ww. onr. uitschrü-ven; Namen -, voluit schrijven; sich door sciirijven ullputlen, cvn Concil afkondigen, bekend maken, uitschrijven; Steuern uit-sciirijven, opleggen; 2. o. ww. ophouden te sciirijven.

Ausschreiber, ni. afschrijver, kopiist, naschrijver, letterdief m.

Ausscbreiberei, v. letterdieverij v

Ausscbreien, bedr. ww. uitschreeuwen; Sand cV' -, luid roepende te koop aanbieden; jern. für of als etw. uitkrijlen, uitmaken; seinen Schmerz -, het uitschreeuwen van pijn; •2. o. ww. Z. ausrufen; it. ophouden met schreeuwen; 3. wed. ww. skh -, aan zynen lus! om te schreeuwen voldoen; ophouden met schreeuwen.

Ausscbreier, m., Z. Jusrufer.

Ausscbreiten, bedr. w w .unr.einenPIfitz

Z. ahschreiten; 2. o. ww. groote stappen doen; (fig.) te ver gaan,demaaf overschrijden.

Ausscbreitung, v. buitensporigheid v.

Ausscbritfe, m. stap m.

Aujsscbröpfen, bedr. ww. Blul -, door koppen aftappen; *2. o. ww. ophouden te koppen.

Ausscbroten, bedr. ww. Flexsch -, afhakken (voor den verkoop); ein Fuss uit den kelder halen; fVein bij het vat verknopen.

Ausscbub, (-(e)s) m., z. m. het kegelen o. om.

Ausscbuben, bedr. ww. de schoenen uittrekken.

Ausscbuien, bedr. ww. niet meer school gaan.

Ausscbuppen, bedr. ww. ausfiesclmppf, met de schubben naar buiten; eincn Saum festonneeren.

Ausscbüppen, bedr. w w. uitwerken met de schop.

Ausscbüren, bedr. ww. het vuil amp;: uithalen.

Ausscbürfen, bedr. ww. uitgraven.

Ausscbuss, m. plaats v., waar de kogel by het doorschoten dier weer uitgekomen is; ncuer nieuwe loten, spruiten v. mv., Z. Erher; keuze v., uitzoeken o.; het uitgezochte, uitschot, afgekeurde o.; commissie o., uit leden eener vergadering bestaande; -bogen m. onbruikbaar blad o.; -mityliedo.,-verioandter m. lid o. van eene commissie; -jmpier o. onbruikbaar papier o.; -tan m. vergaderingsdag m.; -waare v. uitschot o., afgekeurde waarv.

Ausscbüttein, bedr. ww. uitschudden.

Ausscbütten, l)edr. ww. Wasser uitgieten; Kornsacke -, leegmaken, uitschudden; (fig.) seinen Zorn -, lucht geven; 2. wed. ww. sich vor Lachen -, den buik vasthouden van lachen.

Ausscbwanken, o. ww. ophouden te schommelen.

Ausscbwauken,bedr.ww..Z.öw.wf/m'e«-ken.

Ausscbwaren, o. ww. onr.,m. s. uitzwe-ren; m. h. ophouden te zweren.

Ausscbwarmen, o. ww., m. s. uitzwermen, in zwermen uitgaan; m. h. ophouden te zwermen; (lig.) ophouden te zwieren.

Ausscbwarzen, bedr. ww. ter sluik uitvoeren

Ausscbwatzen, bedr. ww. uitbabbelen, uitpraten; -2. o. w w. ophouden te praten, te babbelen; 3. wed. ww. s/c/f-, genoeg babbelen.

Ausschwefeln, bedr. ww. -, uitzwave-len; Flecken -, door zwaveldamp doen verdwijnen.

ifvussebweif, v., Z. Ahschweifen.

Ausscbxveifen, bedr. ww. rond, boogsgewijs uitknippen, uitsnijden; ausgeschweift, met randplooien; das Garn -, spoelen, uitspoelen; *2. o. ww. afdwalen, ronddolen; uitspatten.

Ausscbweifend, bijv. en b. buitensporig, teugelloos, losbandig.

Ausscbweifling, (-(c),9, mv. -e) m. losbol, lichtmis, wellusteling m.

Ausscbweifung, v., Z. ausschweifen; -skreis m. afwijkingskring m.

Ausscbweiszen, bedr. ww. door smelt-hitte zuiveren.

Atisscbweigen, o. ww. ophouden te zwelgen.

Ausscbwemmen, bedr. ww. uithollen;

die Jf'dsche -, spoelen, uitspoelen.

Ausscbwenken, liedr. ww. uitspoelen.

Ausscbwimmen, o. ww. onr. uitzwem-men, wegzwommen.

Ausscbwingen, bedr. ww. onr. uitwerpen, werpen; Flachs -, hekelen; Gelreide -, uit wannen; Wasche -, uitslaan; 2. o. ww. ophouden te slingeren; 3. wed. ww. sich -, wegvliegen.

Ausscbwitsen, bedr. ww. uitzweeten; (fig.) eiw. -, vergeten, verloeren; *2. o. ww., m. s. doorzweeten, doorzijpelen; m. h. ophouden te zweeten.

Ausscbwören, o. ww. onr. z.yn eed geheel afleggen.

Ausseckeln, bedr. ww., Z. aussackcln.

Aussegeln, o. ww. uitzeilen.

Aussegnen, bedr. ww. den zegen medegeven, inzegenen

Ausseben, bedr. ww. onr. uitzien: ein Jaistspiel -, tol het einde toe zien; sich eiw. - uitzoeken, uitkiezen; jem. zu etw. -, verkiezen; 2. o. ww. uitzien, uitkijken; nachjemm.


-ocr page 128-

m AEU — AUS

uitzien naar, wachten op; tiet voorkomen licbben van; weit -de Plane grootscbe pian-nen; 3. o. zelfst. uitzicht, voorkomen o.

Aussehuen, hedr. w w. van pezen oiitdoen.

Ausseifen, hedr. vvw. van binnen met zeep smeren; Goldkörner -, uitwasscben.

Ausseichen, liedr. vvw., aushurnen.

Ausseigem, hedr. vvw. ui tzijgen, afdrijven.

Ausseihen, hedr. vvw., durchseihen

Ausseilea, hedr. vvw., Z. abseilcn.

Ausseimen, hedr. vvw. laten uitlekken.

Aussein, o. ww. onr. afwezig zijn, uil zijn, vertrokken zijn; auf clw. op iets uil zijn, iels op het oot: bebhen, iets voornemens zijn; ledig of leeg zijn; len einde, uil zijn; (van vuur), ult(gehluscht), uit(gegaaii) zijn.

Ausseuden, hedr. ww. onr. uitzenden, uitsturen.

Aussenken, hedr. ww. ein /,oc/i-,kcgel-of trechtervormig verzinken, verruimen.

Aussengeu, hedr. ww. uilzengen, verbranden.

Auszen.bijw.huiten; «art-, buitenwaarts; 1)0» aan de buitenzijde; von - her, van huiten naar binnen; -bleiben, Z. ausbleiben.

Auszen-bÖËChung, \. buitenste grachtmuur m. -deichsland o. uiterwaard v.; -ding o. uitwendig voorwerp o.; (fig.) hijwork o., bijzaak v.; -geslall \. uilerlijke gestalte v.; -graben m. huitengrachl v.; -/(«/c«m. huilen-haven v.;-hand v. huilenhand v.; -lussen hedr. vvw., Z. uuslassen; -linie v. buitenste lijn v.; -poslen m. voorpost \.; -sc/iein m. uiterlijke scbyn m.; -seite v. hultenzgde v., buitenkant m.; -Iheil m. buitenste, uitwendig deei o.; -treppe v. hordes o.; -wall m. huitenwal m.; -wand m. buitenmuur m.; -warIs hijv. en b., Z. auswarts; -well v. buitenwereld v.; -werk o. buitenwerk o.; -winkel m. buitenlioek m.

Auszer, voorz. met den Hen nv. en voegvv. huiten, behalve, uitgezonderd, uitgenomen, behoudens; -rfcm,behalve dat. voor het overige; -wem, behalve wanneer, tenzij dat.

Aeuszer, bUv. nw. uiterlijk, uitwendig, van huiten; 2. o. zelfst. uiterlijk o., uiterlijk voorkomen o.

Auszer-ehelich, hijv. en b. builen het huwelijk, onecht; - (jerichtlich bijv. en h. huiten de rechtbank, niel gerechlelük; -gewöhn-lich büv. en h. buitengewoon, buitengemeen; -halb voorz. (mei den Sen, zeiden melden 3en nv.) builen; 2. hijw. huilen, uiterlgk, uitwendig.

Aeuszerlich, hijv. en h. uileriijk, uitwendig; i. o. zelfst. das -e, Z. das Aeuszere.

Aeuszeru, hedr. ww. elw. -, uilen, aan den dag leggen, bewijzen geven van, le kennen geven, uitspreken; -2. w ed. w w . sich -, zich verloonen, aan den dag komen, zich uil-laten.

Auszer-ordentlich, hij\. en b. huilen-gewoon, buitengemeen, ongemeen, uitermate; -sinnlirh bijv. en b. bovenzinnelijk.

Aeuszerst, hijw. ten hoogste, uiterst, hoogst; 2. hijv. en b. uiterst, naast, hoogst.

grootst; 3. o. zelfst. das -e, bel uiterste 04 sein -es thun, zyn uiterste best doen.

Aeuszerung, v. uiting, uitdrukking v., bewijs, teeken, blijk 0.

Auszer-weltlich, hijv. nw. huilen de wereld; -wesenllieh bijv. en b. niel wezenlijk, toevallig

Aussetzen, bedr. vvw. uitzetten; 'lYup-pen -, aan land zetten; ein Kind te vondeling leggen; das Sacramenl -, opheffen, ter aanbidding omhoog houden, uilsteiien; sich blootstellen aan; Jl'aaren -, uitstallen; f'/lan-zen -,verplaalsen, verzetten; sich den Arm -, Z. verrenken; die Seijel -, ophijschen; Geld -, uitzeilen; einen 1'reis -, uilloven; einen Tag -, bestemmen, vaststellen; den Unlerrichl uilslelieii; an einem elw. -, berispen, afkeuren; em ll'oil -, niel afkorten; eine Grube-, vullen; die Uuule -, uitstrijken, uitrekken; 2. 0. ww. niet meer houden, verloopen zijn; mil elw. -, ophouden met, staken; (van een mijngang), aan de oppervlakte uitkomen; (van schapen), alle tanden krijgen.

Aussetzer, m. ullzeller, ultstrgker m.

Aussetzling, (-(e)s, mv. -e) m. vondeling m.

Ausseufzen, bedr. vvw. door zuchten te kennen geven, uitdrukken; 2. o. ww. ophouden te zuchten; (lig.) sterven.

Aussicht, v. uiUicht, gezicht, verschiet 0.; vooruitzicht 0., kans v.

Aussichten, hedr. v w .. Z. aussieben.

Aussickern, o. vvw uitzijpelen, uitzakken.

Aussieben, bedr. ww, uilzeven, uitziften.

Aussiechen, 0. ww. ophouden le kw ijnen.

Aussieden, bedr. ww. onr. uilkoken; 2. 0. vvw., m. s. (van een ketel), overkoken; it. m. /1. ophouden mot afkoken, uilkoken.

Aussiagen, 0. ww. de zege voltooien, de overwinning volbrengen; ophouden overwinningen te behalen.

Aussingen, hedr. w w. onr. ein Lied -, ten einde zingen; seine Slimme -, door zingen vormen; eine Leiche -, onder gezang naar hel graf geleiden; 2. 0. w w. ophouden mei zingen; 3. wed. ww. sich -, zich moede zingen.

Aussinnen, bedr. ww. onr. verzinnen, ulldenken, bedenken.

Aussintern, bedr. v w ., Z. ausskkern.

Ausaitz, m. (aan eene koels), hok m.

Aussitzen, 0. ww. voor een buis, in de straat zitten; 2. bedr. ww. seine Zeil -, uil-zitleri; (van een pachter), seine Zeil -, of alleen -, op de pachthoeve blijven; (van kippen), blijven broeien; einen Sessel -, een kuil er in zitten.

Aussohnbar, hijv. enb. verzoenbaar,ver-zoenlijk.

Aussöbnen, hedr. ww. verzoenen; elw. -, uilwisschen, herstellen; 2. wed. ww. sie/i -, zich verzoenen.

Aussöhncr, (-s, mv. Jussöhner) m. verzoener, boetedoener 111

Aussöhnlich, hijv. en h., Z. aussohnbar.


-ocr page 129-

AUS

AUS

117

Aussommern, bedr. ww. in de zon leggen, aan de zomerzon liloolstellen; 2. wed. ww. sich Z, tonnen.

Auasondern, bedr. ww. afzonderen,scheiden, uilzonderen; ein Kind Z. abfimlen.

Aussonderune, v., Z. aussomtern; -sor-gan o. afvoerweg, onllaster m.

Aussorgen, o. ww. ophouden met zorgen.

Aussortiren, bedr. ww. sorteeren.

Ausspahen, o. ww. nach elw. -, uitzien naar, loeren op; 1. bedr. ww. bespieden, verspieden, opsporen.

Ausspaher, (-s, mv. Ausspaher) m. bespieder, verspieder m.

Ausspaherei, v. zuchl v. naar bespieding, verspieding v.

Ausspalten, bedr. ww. onr. uilliouwen, uilhakken.

Ausspann, m., z. m. herberg waar men paarden stalt, uitspanning v.; recht o. lot het houden cener uitspanning; -eisen o. stootmes, schaafijzer o.

Ausspannen, bedr. ww.uitstrekken,uitspannen; spannen; TViische -, rekken, oprekken; losspanncn, van het raam nemen; l'fente

uitspannen, losspannen.

Aussparen, bedr. ww. spaarzaam gebruiken, besparen, opsparen; die Figuren uitsparen, ue ruimte, die daarvoor bestemd is, openlaten.

Ausspasscn.o.w vv.ophouden te schertsen.

Ausspazieren, o. ww., m. s. gaan wandelen, uitgaan; 2. m. /i. ophouden te wandelen.

Ausspeichern, bedr. ww. uit het pakhuis, magazijn amp; halen.

Ausspeien, bedr. ww. onr. uitspuwen, uitbraken; i. o. ww. ophouden te spuwen.

Ausspeilem, bedr. ww., /.. aufspeilern.

Ausspeisen, bedr. ww., Z. ausessen.

Ausspeiser, (s, mv. ^Jusspeiser) m.gaarkok, restaurateur m.

Ausspelzen, bedr. ww. van bet kaf ontdoen, uitpeilen.

Ausspenden, bedr. ww. uitreiken, uit-deelcn.

Ausspender,-spenderin, uitdeeler,uit-relker m , uilreikster, uitdeelsler v.

Aussperren, bedr. ww. w ijd uiteen spreiden; Jem. de deur sluiten voor, icm. buitensluiten.

Ausspiliken, bedr. ww., Z. spieken.

Ausspielen, o. ww. (vaneene speeldoos), tol aan het einde loe spelen; beginnen lespeten, eerst spelen; 2. bedr. ww. eine Parite uilspelen, afspelen; eine Karle -, opspelen; (fig.) den letzlen Trumpf -, zijn laatste middel beproeven; den Hall -, uitslaan; eine Uhr

spelen om; eine Geige door veel bespelen goedmaken; 3. wed. ww. sieh -, zich moede spelen.

Ausspinnen, bedr. ww.spinnen uitspinnen; (lig.) elw. fein uitdenken, verzinnen, bedenken; 2. o. ww. ophouden met spinnen.

Ausspintislren.hedr.w w.,Z.a!(Sf;rüf»'/)i.

Ausspioniren, bedr. ww., Z. ausspahen.

Ausspitzen,hedr. ww. elw. -, Z. spitzen.

Ausspötteln, bedr. ww. een weinig den spot drijven met.

Ausspotten, bedr. ww. bespotten, uil-lachen; 2. o. ww. ophouden met spotten.

Aussprache, v. uitspraak v., toon m., accent o., Z. Ausdruck.

Aussprechbar, bijv. nw. wal uilgesproken kan worden.

Aussprechen, bedr. ww. onr. uitspreken; sich-, alles zeggen, walmen weet of op het hart heeft; Urlheile - uitspreken; Flilche -, uiten, uitbraken; 2. o. ww. ophouden met spreken, uitspreken; 3. wed. ww. sich (van zaken), zich te kennen geven.

Aussprechlich, bijv. cn h., Z. oussprech-har.

Aussprelten, bedr. ww. uitspreiden.

Aussprengen, bedr. ww. met kruit laten springen uit; ÏVisser uitsprenkelen; ein l'ferd -, in galop zeiten; (lig.) verspreiden, uitstrooien; 2. o. ww. uitgatoppeeren.

Aussprleszen, bedr. ww., Z.aussprossen.

Aussprlngen, o. ww. onr. ophouden met springen, uitspringen; (van een gevangene), ontsnappen, uitspringen; 2. wed. ww. sich -, zich moede springen; it. zijn lust om lesprin-gen bevredigen.

Ausspritzen, bedr. ww. uitspruiten, Z. versprilzen; eine Jfunde -, bespuiten.

Aussprossen, o. ww. uitspruiten, uitkomen, uitschieten, aangroeien.

Ausspröszling, {-{e)s, mv. -e) m., Z. Sprüsszling.

Ausspruch, m. uitspraak v., oordeel o., beslissing v.; spreuk v., gezegde o., Z. Jb/in-dung, Krhgeld.

Aussprudeln, o. ww., m. s. uitborrelen, opborrelen; m. h. ophouden uit te borrelen; 2. bedr. ww. fVasser -, uitwerpen; (tig.) uitbraken, uiten.

Ausspruhen, bedr. ww. uitspuwen, uitwerpen; 2. o. w w. met drift uitkomen; (van een vulkaan), ophouden te werken.

Aussprung, m. uitspringen o., uitsprong m.; uitspringende hoek m.

Ausspucken, bedr. w w., Z. ausspeien.

Ausspuken, o. ww. uitspoken, niet meer spoken.

Ausspulen, bedr. cn o. ww. uitspoelen, ophouden te spoelen.

Ausspülen, bedr. ww. spoelen, uitspoelen; (van de zee), aan land spoelen; die Erde -, wegspoelen.

Ausspiilicht, (-(f)s, mv. -e) o., Z. Spii-iichl, Spülwasser.

Ausspülstock, m. spoeltrog,spoelbak m.

Ausspündeii, bedr. ww. van binnen met gevoegde planken bekleeden.

Ausspüren, bedr. ww. aan het spoor ontdekken; (tig.) opsporen.

Ausspürer, m. bespieder, snuffelaar ni.

Ausspürung,-spürerel, v., Z. aufspü-ren.

Ausspützen, bedr. ww., Z. ausspeien.


-ocr page 130-

118 AUS

AUS

Ausstaffiren, bedr. w\v. opsieren, versieren; jem. uitrusten, van het noodige voorzien.

Ausstahlen, liedr. wvv. gehard, Uzersterk maken.

Ausstahren, Z. aussfaren.

Ausstakcn, hedr. ww. TVdnde -, met korte houten staken voorzien.

Ausstallen, o. ww. (van paarden), uit-pissen, ophouden te wateren.

Ausstammen, hedr. ww., Z. ausslemmen.

Ausstampfen, hedr. ww. uitstampen; ein Loch door stampen een gat maken; goed stampen; 2. o. ww. ophouden Ie stampen.

Ausstand, m. uitstaand geld 0., Z. Rnck-stuml; urn - billen, om uitstel (van hetaling) vragen; uit den dienst treden o.; onthaal o., maaltijd m., hij het nederleggen vaneen amhl.

Ausstandig, hgv. en h. uitstaand; (van schulden), werkelijk.

AusstanUern, hedr. w w. doorsnulR'k'n, Z. auswitlern.

Ausstaren, o. ww. ophouden tochtig te z(jn.

Ausstatten, hedr. ww. Söhne van al het nooilige voorzien om oenc zaak te kunnen beginnen; Töchler -, haar uitzet geven, lie-giftlgen.

Ausstattungr, v., /.ausstatten; uitzet o., de middelen o. mv. tot vestiging; (van eene woning), ameublement o.

Ausstauben, bedr. ww.uitstoffen,uitvegen; 2. o. ww., Z. sprühen.

Ausstaubem, bedr. ww., Z. ausstöbern.

Ausstauchen, bedr. ww. uilslaai].

Ausstaupen, bedr. ww.geeselenen wegjagen; afranselen, kastijden.

Ausstechen, bedr. w w., uitsteken, afsteken, steken; Tnrf steken; ein f'ass Wcin -, aftappen; einc Flasche -, uitdrinken; einen Termin zu etui -, va ss teil en, bepalen; in Kup-fer -,graveeren,snyder.; (fig.) (van personen), nicht ausgestochen, ruw, onbeschaafd; ein Musier -, afprikken, uitprikken; Tau vieren; jem. -, uil den zadel lichten; (dg.) den voet lichten; jem. bei einem -,van iems.gunst berooven; alle -, allen den loef afsteken; (fig.) de oogen uitsteken.

Ausstecher, m. uitsteker m.

Ausstecken, bedr. ww. eine Fahne uitsteken; liolmen Z. sleeken; ein Lager -, Z. abstecken; ein Tau -, vieren.

Ausstehen, bedr. ww. onr. te koop slaan, uitstaan; ilns kann nneti -, dat kan nog uitgesteld worden; eine Predigt blijven staan gedurende; seine Lehrzeit -, uithouden; elw. -, doorstaan, uitstaan, verduren, verdragen, dulden, lyden.

Ausstehlen, bedr. ww. onr. ein llaus -, plunderen, leegstelen; (lig.) Z. ausschreiben (2); 2. o. ww. ophouden le stelen.

Ausstehlicb, li(|v. nw. uitstaanbaar, verdraaglijk, draaglijk.

Aussteifen, hedr. ww. ein Kleid opstijven, stijven, met grof linnen voeren; einen Brunnen -, met planken bekleeden.

Aussteigen, o. ww. onr. uilslappen, uitstijgen, aan land gaan.

Aussteinen, bedr. ww. de steencn uithalen.

Ausstellen, bedr. ww. Jllumen -, buiten (in de open lucht) zetten; f-Vuchen -, uilzet-ten; JVaaren -, uitstallen; Gemalde ten toon stellen; sich -, blootstellen; elw. an einer Sache -, berispen, afkeuren in; ff'echsel -, afgeven; etw. -, uitstellen, verschuiven.

Aussteller, m. hij, die ten toon stelt; uilstaller, kramer m.; (van een wissel), trekker m.; (van een brief), schrijver m.

Ausstellung, v. (van wachtposten), uitzetten o.; uilslallen o.; tentoonstelling v.; -ssaal m. zaal v. voor de tentoonstelling;-steff m. (van een wissel), dag m. waarop hij vertoond moet worden.

Ausstemmeii, bedr. ww. ein Lork uitbeitelen.

Ausstempeln, bedr. ww.behoorlijk slem-pelen, uitdrukken.

Aussteppen, bedr. ww., Z. steppen.

Aussterben, o. ww. onr. uitsterven.

Aussteuer, v. uitzet, huwelijksgoed o.

Aussteuern, bedr. ww. een uilzet, huwelijksgoed geven; 2. o. ww. uitsturen, uitvaren.

Aussticli, m., Z. ylnsbund.

Aussticken, bedr. en o. ww. uitstikken, ophouden met stikken.

Ausstieben, o. ww. onr. uitstuiven.

Ausstiilen, bedr. ww., Z. aussaunen.

Aussttmmen, bedr. ww. behoorlijk stemmen; 2. o. ww. ophouden met stemmen.

Ausstinken, o. ww. onr. uilslinken, ophouden le stinken.

Ausstöbern, bedr. ww. uitstoll'en; das fVild -, opjagen; opsnulfelen, opzoeken, opsporen.

Ausstochern, bedr. ww. uilpeuleren, schoonmaken.

Ausstocken, bedr. ww. einen II'aid uilroeien; Jagdhunde -, Z. aulfullern.

Ausstoffen, bedr. ww. stolTeeren, versieren, opsieren.

Ausstöhnen, bedr. ww. steunend, zuchtend mededeelen; 2. o. ww. ophouden met steunen, zuchten.

Ausstopfen, hedr ww. volstoppen, opvullen; ein 7 Vil er op;:etlen.

Ausstören, bedr. ww. opschommelen, vinden, opsporen.

Ausstosz, rn. stoot, uitstoot m.;kaats v., plaats, waar de vuurbal springt.

Ausstoszen, Iwc'.r. ww. onr. uitstontcn; jem. -, verslooten, wegduwen; (lig.) verstoeien, verbannen, uilsluilen; eine Tltür -, intrappen; Penster -, inslaan; Butler-, karnen, uitkamen; (lig.) Schimpfreden -, uilbraken; Seufzer -, slaken; behoorlijk uitstampen; 2. o. ww. uilstooten, een degenstoot geven.

Ausstrahlen, bedr. ww. Licht -, uit-


-ocr page 131-

AUS 119

AUS

stralen, verspreiden, iifslralen,stralen, schieten; 2. ü. ww. ophouden le stralen; te scliit-teren.

Ausstrecken, bedr. ww, uitstrekken, uitrekken, uilsteken; -tie Muskeln,/. Ausstreck-musheln.

Ausstrecker, (-s, mv. Ausstrecker) m. uitstrekkende spier, rekspier v.

Ausstreckmuskeln, n. mv., 7.. Ausstrecker.

Ausstreichen, licdr. ww. onr. uitstrijken; ein Kind -, met de roede kastijden; Fatten -, uitstrijken; den Herd -, schoonmaken, gladmaken; ein JVort -, uitschrappen, door-sl repen, doorhalen; Fwjen -, aanstrijken, vol-strüken; (lig.) ctw. -, roemen, ophef maken van; 2. o. ww., in..s-. hoven den grond komen; bei Nacht -, ronddwalen; m. h. vorjemn. -, cene imiging maken.

Ausstreifen, hedr.ww. Ilohnen-,doppen; ■gt;. o. ww. met ruiters op verkenning uitgaan.

Ausstreiten, hedr. ww. onr. uitstrijden; eine Sache volhouden lot aan het eind; i. o. ww. ophouden le strijden.

Ausstreuen, hedr. ww. uilstrooien, verspreiden, zaaien, verstrooien.

Ausstrlch, m. tinvijlsel o.; uitstrijken, uitgestrekeno o.; -Iwlz o. strijkhout o.

Ausstricken, hedr. en o. ww. uithreien; ophouden met hielen.

Ausstrieseln, o. ww. ophouden mei rossen, met roskammen.

Ausströmen, o. ww. uilstroomen, uil-loopen, uitwateren; 2. hedr. ww. uitgieten, uitstorten, verspreiden.

Ausstrudeln, bedr. en o. \\ \v.. . ausstrii-men.

Ausstückeln, iiedr. ww. (van ile plaatjes voor munten), uitsnijden, uitsteken.

Auostudiren, o. ww. ophouden le stu-deeren; zijne studiën voltooien; i. hedr. ww. elut. -, door onderzoek leeren kennen.

Ausstümmein, hedr. ww. einen Meiier -, de tusschenrulmten der blokken motklcine stommels aanvullen.

AuEstürmen, o. ww. ophouden te stormen, te razen; 2. hedr. ww. zijne smart in luide klachten uiten.

Aussturz, m. uitstorten o., vlucht v.

Ausstürzen, hedr. ww. uitstorten, leeg-gooien; ein Glas In eene teug uitdrinken.

Ausstürzer, m. losser, allader m.

Ausstutzen, hedr. ww. em Kleid -, opsieren, versleren.

Ausstutzen, hedr. ww. van binnen stutten, schragen, ondersteunen.

Aussuchen, hedr. ww. uilzoeken,uitkiezen; ulle JVinket -, doorzoeken, doorsnuffelen; 2. o. ww. ophouden met zoeken.

Aussuckein, hedr. ww., Z. aussaugen.

Aussiibnc-n, hedr. ww., uussühnen.

Aussüszen, bedr. ww. verzoeten, zoeter maken.

Austafeln, o. ww. ophouden te eten, te tafelen.

Austafeln, bedr. ww. beschieten, lam-brizeeringen aanbrengen In.

Austanzen, bedr. ww. uitdansen, afdan-sen; 2. o. ww. ophouden met dansen.

Austapeziren, bedr. ww. behangen, bedekken.

Austappen, bedr. ww. op den tast loepen in.

Austasten, hedr. ww. altes -, overal aanzitten, alles aanraken; door den tast of het gevoel herkennen.

Austauchen, o. ww. weer boven komen na het onderduiken.

Austaumeln, o. ww. uiltuimelen, niet meer tuimelen.

Austauscb, ni. ruiling v.

Austauscbbar, bijv. nw. verruilhaar; -keit v. verruiibaarheid.

Austauschen, bedr. ww. verruilen, verlauschen; (lig.) inwisselen; elk. meded elen.

Austauscher, m. verruller m.

Austeppiciian, bedr. ww. met een tapijt of vloerkleed heieggen,

Anster, (-«) v. oester v.; -bank, -grund m. oesterhank v.; -behatter m. oesterpark o.; -fcinn m, oestervangst v,; -fanger m, oestcr-visscher m., Z. -vogel; -jischer m., -fischerei v., Z. -fang; -gebackenes o. oestergebak o.; -handel m. oesterhandel m.; -handler, -kramer, -kramer'n, handelaar In oesters, oesterkoopman m., oesterverkoopster, oestervrouw v.; -klieber, -ktieberin, oesterman, oestervrouw; -knrb m. oesterkorf m., -mand v.; -lager o., Z. -bank; -laich m. oesterkuit v.; -maim m., Z. -handler; it. -vogel; -messer o. oestermes o.; -reich bijv. nw. rijk In oesters; -stein m. versteende oesterschelp v.; -wge! m. oestervisscher, oestervanger m.; -weib o. oestervrouw, -verkoopster v.

Austheeren, bedr. ww. teren.

Austbeilen, hedr. ww. uitdeelen, verdee-len; Gnuden -, bewijzen.

Austheiler, -tbeilerin, uitdeeler, gever m., uitdeelster, geefster v.

Austhun, hedr. ww. onr. uitdoen, uittrekken; Lichter -, Z. austöschen; eine Schuld -, uitwisschen,delgen, vernietigen; eine Rech-nunfi -, voldoen, verellenen; Kinder -, besteden; Geld -, uitzetten, plaatsen; 2. wed. ww. sich -, Z. auskteiden.

Austhüren, bedr. ww. bij zwakken wind in plaats van met zeilen met latten of dunne planken heschieten.

Austiefen, hedr. ww. uitdiepen, uitgraven.

Austiefhammer, m. uitdiep-, bol- Of mutshamer m,

Austitgen, hedr. ww. uitroeien, verdelgen, uitwisschen; eins Schuld-, uitdoen, uitschrappen.

Austippeln, hedr, ww, met titteltjes voorzien; de slipjes tellen.

Austoben, o, ww, uitrazen, bedaren, uitwoeden, ophouden te razen; 2. bedr, ww, laten


-ocr page 132-

AEU

AUS

uitzien naar, wachten op; hel voorkomen lielilicn van-, weit -ie l'lane grootsche plannen; 3. o. zelfst. uitzicht, voorkomen o.

Aussehaeu, liedr. vvw. van pezen ontdoen.

Ausseifen, bedr. ww. van binnen met zeep smeren; Goldkörner -, uitwasschen.

Ausseichen, bedr. ww., Z. auslmrnen.

Ausseigeru, hedr.w w. ui tzijgen, afdrijven.

Ausseiben, bedr. vvw., Z. durchseiheti

Ausseilea, bedr. vvw., Z. abseilen.

Ausseimen, bedr. w.v. laten uitlekken.

Aussein, o. ww. onr. afwezig zijn, uil zijn, vertrokken zijn; auf elw. op iets uil zijn, iels op liet oot; hebben, iets voornemens zyn; ledig of leeg zijn; ten einde, uil zijn; (van vuur), uit(gebluscbt), uit(gegaan) zijn.

Aussenden, bedr. ww. onr. uitzenden, uitsturen.

Ausscnken, bedr. ww . ein l.oc/i -,kcgel-ol' trechtervormig verzinken, verruimen.

Aussengen, bedr. ww. uilzengen, verbranden.

Auszen, by vv. builen; -, buitenwaarts; von aan de buitenzijde; von - Acr, van builen naar binnen; -bleiben, Z. ausbleiben.

Auszen-böschung, v. buitenste gracht-muur m. -deichslund o. uiterwaard v.; -ding o. uitwendig voorwerp o.; (lig.) bijwerk o., bijzaak v.; -(jestutl v. uilerlijke gestalte v.; -(jraben m. buitengracht v.; -hafeii m. huilen-haven v.; -hand v. buitenhand v.; -lussen bedr. v\ w., Z. auslassen; -linie v, buitenste lijn v.; -posten m. voorpost \.; -schein in. uiterlijke schijn m.; -seile v. buitenzijde v., buitenkant m.; -Iheil m. buitenste, uitwendig deel o.; -treppe v. hordes o.; -wall m. huitenwal m.; -wand m. builenniuur m.; -wiirls bijv. en b., Z. auswdrts; -welt v. buitenwereld v.; -werk o. buitenwerk o.; -winkel m. builenhoek m.

Auszer, voorz. met den 3en nv. en voegw. buiten, behalve, uitgezonderd, uitgenomen, behoudens; -riem,behalve dal, voor het overige; -wenn, behalve wanneer, tenzij dal.

Aeuszer, bijv. nw. uiterlijk, uitwendig, van buiten; 2. o. zelfst. uiterlijk o., uiterlijk voorkomen o.

Auszer-ehelich, bijv. en b. buiten het huwelijk, onecht; - fierichtlich bijv. en h. builen de rechtbank, niet gerechtelijk; -fjewOhn-lich bijv. en h. buitengewoon, buitengemeen; -halb voorz. (mei den 2en, zelden melden Sen nv.) buiten; i. bijw. liuitcn, uiterlijk, uitwendig.

Aeuszerlich, bgv. en b. uiterlijk, uitwendig; 'i. o. zelfst. litis -e, Z. das Aeustere.

Aeuszem, bedr. ww. elw. -, uilen, aan den dag leggen, bew gzen geven van, te kennen geveu, uitspreken; 2. wed. ww. sic/i zich vertoonen, aan den dag komen, zich uitlaten.

Auszer-ordentlicta, bijv. en b. buitengewoon, buitengemeen, ongemeen, uitermate; -sinnlich bijv. en h. bovenzinnelijk.

Aeuszerst, bgw. ten hoogste, uiterst, hoogst; i. bijv. en b. uiterst, naast, hoogst.

grootst; 3. o. zelfst. das -e, het uiterste o.; sein -es lltun, zijn uiterste hesl doen.

Aeuszerung, v. uiting, uitdrukking v., bewijs, teeken, blijk o.

Auszer-weltlich, bijv. nw. buiten de wereld; -wesenllich bijv. en b. niet wezeniyk, toevallig

Aussetzen, bedr. ww. uitzetten; 'Iruj'-pen -, aan land zeilen; ein Kind Ie vondeling leggen; das Sacrament -, opbellen, ter aanbidding omhoog houden, uilstellen; sich -, blootstellen aan; iraaren -, uitstallen; P/Ian-zen -,verpiaatscn, verzetten; sich den Arm -, /.. verrenken; die Segel -, ophijschen; Geld -, uitzetten; einen I'reis -, uitloven; einen 'Jay -, bestemmen, vaststellen; den Untcrricht -, uitstellen; un einem elw. -, berispen, afkeuren; ein H'uit -, niet afkorten; cine Grv.be-, vullen; die Haute -, uitstrijken, uitrekken; i. o. ww. niet meer houden, verloopen zijn; mil elw. -, ophouden met, stuken; (van een mijngang), aan de oppervlakte uitkomen; (van schapen), alle tanden krijgen.

Aussetzer, m. uitzetter, uilstiyker m.

Aussetzling, (-(e)v, mv. -e) m. vondeling m.

Ausseufzen, bedr. ww. door zuchten Ie kennen geven, uitdrukken; '2. o. ww. ophouden te zuchten; (lig.) sterven.

Aussicht, v. uitzicht, gezicht, verschiet o.; vooruitzicht o,, kans v.

Ausslchten, bedr. ww., Z. aussieben.

Aussickeru, o. ww uitzgpeien, uitzakken.

Aussieben, bedr. ww. uitzeven, uitziften.

Aussiechen, o. ww.ophouden tekwgnen.

Aussieden, bedr. ww. onr. uilkoken; 2. o. vvw., m. s. (van een ketel), overkoken; it. m. li. ophouden met afkoken, uitkoken.

Aussiagen, o. ww. de zege voltooien, de overwinning volbrengen; ophouden overwinningen Ie behalen.

Aussingeu, bedr. vvw. onr. ein Lied-, len einde zingen, seine Slitnine -, door zingen vormen; eine Leiche -, onder gezang naar bel graf geleiden; 2. o. w w. ophouden met zingen; 3. wed. vvw. sich -, zich moede zingen.

Aussinnen, bedr. vvw. onr. verzinnen, uitdenken, bedenken.

Ausslntern, bedr. vvw., Z. aussickern.

Aussitz, m. (aau enie koets), bok ra.

Aussitzen, o. vvw. voor een buis, in de straat zitten; 2. bedr. ivw. seine y.eit -, uitzitten; (van een pachter), seine Zeil -, of alleen -, op de pachthoeve blijven; (vankippen), blgven broeien; einen Scssel -, een kuil er In zitten.

Aussöhubar, bijv. enb. verzoenbaar,ver-zoenlgk.

Aussöbnen, bedr. vvw. verzoenen; elw. -, uitwisschen, berstellen; 2. wed. vvw. sich -, zich verzoenen.

Aussöhner, (-s, inv. Aussü.'iner) m, verzoener, boeledoener m

Aussöhnlicb, bijv. en b., Z. aussvimbar.


-ocr page 133-

AUS

AUS

117

Aussommern, bcilr. ww. in de zon leggen, aan de zomerzon Ijlootslellen; 2. wed. ww. sich Z. somen.

Aussondern, bedr. ww. afzonderen,scheiden, uilzonderen; ein Kind Z. nbfinileii.

Aussonderung, v., Z. aussondern; -sor-gan o. afvoerweg, ontlasler m.

Aussorgen, o. ww. ophouden met zorgen.

Aussortiren, bedr. ww. sorteeren.

Ausspahen, o. ww. nnch eltü. uilzien naar, loeren op; 2. bedr. ww. bespieden, verspieden, opsporen.

Ausspaher, (-s, mv. Ausspdher) m. bespieder, verspieder m.

Ausspaherei, v. zuehl v. naar bespieding, verspieding v.

Ausspalten, bedr. ww. onr. uithouwen, uilhakken.

Ausspann, m., z. m. herberg waar men paarden stalt, uitspanning v.; recht o. lot het houden eener uitspanning; -eisen o. slootmes, schaafijzer o.

Ausspannen, bedr. ww. uitstrekken,uitspannen; spannen; ïfasche rekken, oprekken; losspannen, van het raam nemen; Pferde

uitspannen, losspannen.

Aussparen, bedr. ww. spaarzaam gebruiken, besparen, opsparen; die Figuren-, uilsparen, de ruimte, die daarvoor beslemd is, openlaten.

Ausspassen.o.ww.ophouden te schertsen.

Ausspazieren, o. ww., m. gaan wandelen, uitgaan; i. m. A. ophouden Ie wandelen.

Ausspeichern, bedr. ww. uit het pakhuis, magazijn amp; halen.

Ausspeien, bedr. ww. onr. uitspuwen, ullbraken; 2. o. ww. ophouden Ie spuwen.

Ausspeilem, bedr. ww., Z. aufspeilern.

Ausspeisen, bedr. ww., Z. ausessen.

Ausspeiser, {-s, mv. Ausspeiser) ni.gaarkok, restaurateur m.

Ausspeizen, bedr. ww. van het kaf ontdoen, uitpeilen.

Ausspenden, bedÊ'. ww. uitreiken, uil-deelen.

Aussaender.-spenderln, uildeeler, uit-reiker m , uilreiksler, uitdeelster v.

Aussperren, beilr. w w. wijd uileen spreiden; jem. -, de deur sluilen voor, iem. buitensluiten.

Ausspiliken, bedr. ww., Z. spieken.

Ausspielen, o. ww. (vaneenespeeldoos), lot aan het einde loe spelen; beginnen te spelen, eerst spelen; 2. bedr. ww. eine Portie -, uil spelen, afspelen; eine Karle -, opspelen; (fig.) den lelzlen Trumpf -, zijn laatste middel beproeven; den Hall -, uilslaan; eine Uhr -, spelen om; eine Geige -, door veel bespelen goedmaken; 3. wed. ww. sich zich moede spelen.

Ausspinnen, bedr. ww.spinnen uitspinnen; (fig.) etw. fein uitdenken, verzinnen, bedenken; 2. o. ww. ophouden met spinnen.

Ausspintisiren,bedr.ww.,Z.a!(.Sfl/'uM«.

Ausspioniren, bedr. ww., Z. ausspahen.

Ausspitzen, bedr. ww. elw. Z. spitzen.

Ausspötteln, bedr. ww. een weinig den spot drijven met.

Ausspotten, bedr. vvwr. bespotten, uitlachen; 2. o. ww. ophouden met spotten.

Aussprache, v. uitspraak v., toon m., accent o., Z. Ausdruck.

Aussprechbar, bijv. nwr. wat uilgespro-ken kan worden.

Ausaprechen, bedr. ww, onr. uiispre-ken; sich-, alles zeggen, wat men weet of op het hart heeft; fri/iei/e- uitspreken; FlUche -, uiten, uitbraken; 2. o. ww. ophouden met spreken, uitspreken; 3. wed. ww. sich -, (van zaken), zich te kennen geven.

Aussprcchlich, bijv. en h.,7..aussprech-iar.

Aussprelten, bedr. ww. uitspreiden.

Aussprengen, bedr. ww. met kruit laten springen uit; JVjsser -, uitsprenkelen; ein l'fertl -, In galop zetten; (lig.) verspreiden, uilslrooien; 2. o. ww. uitgaloppeeren.

Aussprieszen, bedt', ww., Z, aussprossen.

Ausspringen, o. ww. onr. ophouden met springen, uitspringen; (van een gevangene), ontsnappen, uitspringen; 2. wed. ww. sich -, zich moede springen; it. zijn lust om tesprin-gen bevredigen.

Ausspritzen, bedr. ww. uitspruiten, Z. verspritzen; eine irunde -, bespuiten.

Aussprossen, o. ww. uitspruiten, uitkomen, uitschieten, aangroeien.

Aussproszling, {-{e)s, mv. -e) m., Z. Sprosszling.

Ausspruch, m. uitspraak v., oordeel o., beslissing v.; spreuk v., gezegde o., Z. Abfin-dung, Erbgeld.

Aussprudeln, o. ww., m. uilborrelen, opborrelen; m. li. ophouden uit Ie borrelen; 2. bedr. ww. Wasser -, uitwerpen; (lig.) uitbraken, uilen.

Aussprühen, bedr. ww. uitspuwen, uitwerpen; 2. o. ww. met drift uitkomen; (van een vulkaan), ophouden Ie werken.

Aussprung, m. uitspringen o., uitsprong m.; uitspringende hoek m.

Ausspucken, iicdr. ww., Z. ausspeien.

Ausspuken, o. ww. uitspoken, niet meer spoken.

Ausspulen, bedr. en o. ww. uitspoelen, ophouden Ie spoelen.

Ausspülen, bedr. ww. spoelen, uitspoelen; (van de zee), aan land spoelen; die Erie

w egspoelen.

Ausspülicht, (-(f)s, mv. -e) 0., Z. Spü-iicht, Spülwasser.

Ausspülstock, m. spoellrog,spoell)iikm.

Ausspünden, bedr. ww. van binnen met gevoegde planken bekleeden.

Ausspüren, bedr. ww. aan het spoor ontdekken; (lig.) opsporen.

Ausspürer, m. bespieder, snuffelaar m.

Ausspürung,-spürerel, v., Z. aufspü-ren.

Ausspützen, bedr. ww., Z. ausspeien.


-ocr page 134-

AUS

418

AUS

AusstafBren, l)edr. ww. opsieren, versieren; jem. uitrusten, van het noodige voorzien.

Ausstahlen, hedr. ww. gehard, ijzersterk maken.

Ausstahren, Z, aussfaren.

Ausstakcn, hedr. ww. IV(inde -, met korte lioulen staken voorzien.

Ausstallen, o. ww. (van paarden), uit-pissen, ophouden te wateren.

Ausstammen, hedr. ww., Z. ausslemmen.

Ausstampfen, hedr. ww. uitstampen; ein /.och -, door stampen een gat maken; goed stampen; 2. o. ww. ophouden te stampen.

Ausstand, m. uitstaand geld o., Z. Rilck-stand; urn - billen, om uitstel (van betaling) vragen; uit den dienst treden o.; onthaal o., maaltijd m., hij het nederleggen van een ambt.

Ausstandig, l)ijv. en h. uitstaand; (van schulden), werkelijk.

Ausstankern, hedr. ww. doorsnutfeien, Z. aumillern.

Ausstaren, o. ww. ophouden tochtig te zijn.

Ausstatten, hedr. ww. Söhne van al het noodige voorzien om eene zaak te kunnen beginnen; Töchter -, haar uitzet geven, begiftigen.

Ausstattungr, v., '/..nusstatten; uitzet o., de middelen o. mv. tot vestiging; (van eene woning), ameublement o.

Ausstauben, tiedr. ww. uitstoll'en, uitvegen; -2. o. ww., Z. spruiten.

Ausstaubern, hedr. ww., Z. aussliibern.

Ausstauchen, hedr. ww. uilslaan.

Ausstaupen, hedr. ww.geeselen en wegjagen; afranselen, kastijden.

Ausstecben, hedr. ww., uilsteken, afsteken, steken; Torf -, steken; ein l-'asx IVein -, aftappen; eine Flasche -, uitdrinken; einen Ter mi ii zu etw. -, vasslellen, bepalen; in Knp-fcr -,graveeren,snyder.; (fig.) (van personen), nicht aumjestochen, ruw, onbeschaafd; ein Musier-, afprikken, uitprikken; Tau -, vieren; jem. -, uit den zadel lichlen; (lig.) den voet lichten; jem, bei einem -,van lems.gunst berooven; alle allen den loef afsteken; (tig.) de oogen uitsteken.

Ausstecher, m. uitsteker m.

Aussteeken, hedr. ww. eine Fahne -, uitsteken; Bohnen -, Z. sleeken; ein Lager -, Z. abstecken; ein Tau -, vieren.

Ausstehen, hedr. ww. onr. te koop staan, uitstaan; das kann noch -, dat kan nog uitgesteld worden; eine Predir/t blijven slaan gedurende; seine Lehrzeit -, uithouden; elw. -, doorslaan, uitstaan, verduren, verdragen, dulden, lyden.

Ausstehlen, hedr. ww. onr. ein Haus -, plunderen, leegstelen; (lig.) Z. ausschreiben (3); i. o. ww. ophouden te stelen.

Ausstehlich, bijv. nw. uitstaanhaar,verdraaglijk, draaglijk.

Aussteifen, hedr. ww. ein Kleid opstijven, stijven, met grof linnen voeren; einen Brunnen -, met planken hekleeden.

Aussteigen, o. ww. onr. uitstappen, uit-stygen, aan land gaan.

Aussteinen, hedr. ww. de steenen uithalen.

Ausstellen, hedr. ww. Ill urnen -, huiten (in de open lucht) zetten; fVachen -, uitzetten; JVaaren -, uitstallen; Gemülde -, ten toon stellen; sich -, blootstellen; elw. an ciner Suche -, berispen, afkeuren in; JVechsel afgeven; elw. -, uitstellen, verschuiven.

Aussteller, ra. hij, die ten toon stelt; uilstaller, kramer ra.; (van een wissel), trekker m.; (van een brief), sclirijver m.

Ausstelluner, v. (van wachtposten), uitzetten o.; uitstallen o.; tentoonstelling v.; -ssaal m. zaal v. voor do tentoonstelling;-«lt;«3 m. (van een wissel), dag in. waarop hij vertoond moet worden.

Ausstemmeu, hedr. ww. ein l.och -, uitbeitelen.

Aussterapeln,ljedr. ww.behoorlijk slem-pelen, uitdrukken.

Aussteppen, hedr. ww., Z. sloppen.

Aussterben, 0. ww. onr. uitsterven.

Aussteuer, v. uilzot, huwelijksgoed 0.

Aussteuern, hedr. ww. een uitzet, huwelijksgoed geven; i. 0. ww. uitsturen, uitvaren.

Aussticb, m., Z. Aushund.

Aussticken, hedr. en 0. ww. uitstikken, ophouden met slikken.

Ausstieben, 0. ww. onr. uitsluiven.

Ausstillen, bedr. ww., Z. aussauyen.

Aussttmmen, hedr. ww.hehoorlijkslcm-wen; i. 0. ww. ophouden met stemmen.

Ausstinken, 0. ww. onr. uilslinken, ophouden Ie stinken.

Ausstöbern, bedr. ww. uitstoffen; das fVild -, opjagen; opsnulfelen, opzoeken, opsporen.

Ausstochern, bedr. ww. uitpeuteren, schoonmaken.

Ausstocken, bedr. ww. einen ll'uld -, uitroeien; .lagdhunde -, Z. auffüllern.

Auss tollen, hedr. ww. stoffeeren, versieren, opsieren.

Ausstöhnen, hedr. ww. steunend, zuchtend mededeelen; -2. 0. ww. ophouden met steunen, zuchten.

Ausstopfen, hedr ww. volstoppen, opvullen; ein ïVlier -, opzetten.

Ausstoren, bedr. ww. opschommelen, vinden, opsporen.

Ausstosz, rn. stool, uitstoot m.;kaatsv., plaats, waar de vuurbal springt.

Ausstoszen, hedr. ww. onr. uitstooten; jem. -, verstootcn, wegduwen; (lig.) versloo-ten, verbannen, uits uilen; eine Thilr -, intrappen; Penster -, inslaan; Butler-, karnen, uitkamen; (lig.) Schimpfreden -, uitbraken; Seufzer -, slaken; behoorlijk uitstampen; i. 0. ww. uitstooten, een degenstoot geven.

Ausstrahl^n, bedr. ww. Licht -, uit-


-ocr page 135-

CU

AUS

119

AUS

stralen, verspreiden, afstralen,stralen, schieten; *2. o. ww. ophouden te stralen; te schitteren.

Ausstrecken, hedr. ww. uitstrekken, uitrekken, uitsteken; -de Muskeln, Z. Jusstreck-muskeln.

Ausstrecker, {-s, mv. Ausstrecker) m. uitstrekkende spier, rekspier v.

Ausstreckmuskein, in. mv., Z. Ausstrecker.

Ausstreichen, liedr. ww. onr. ui 1st rijken; ein Kind -, met de roede kastijden; /*'«/-len -, uitstrijken; den Herd -, schoonmaken, gladmaken; ein IVort -, uitschrappen, doorstrepen, doorhalen; Fwjcn -, aanstrijken, vol-strijken; (tig.) etio. roemen, ophef maken van; *2. o. ww., m..v. hoven den grond komen; bei IS acht -, ronddwalen; m. h. vor jemn. -, eene buiging maken.

Ausstreifen, hedr. ww. doppen;

•1. o. ww. met ruiters op verkenning uitgaan.

Ausstreiten, hedr. ww. onr. uitstrijden; eine Sache volhouden tot aan het eind; 2. o. ww. ophouden te strijden.

Ausstreuen, hedr. ww. uitstrooien, verspreiden, zaaien, verstrooien.

Ausstrich, m. tinvylsel o.; uitstrijken, uitgestrekene o.; -holz o. strijkhout o.

Ausstricken, hedr. en o. ww. uithreien; ophouden met hreien.

Ausstrie^ein, o. ww. ophouden met rossen, met roskammen.

Ausströmen, o. ww. uitstroomen, uit-loopen, uilwateren; 2. hedr. ww. uitgieten, uitstorten, verspreiden.

Ausstrudeln, hedr. en o. ww.,Z. ülisstrii-men.

Ausstückeln, hedr. ww. (van de plaatjes voor munten), uitsnijden, uitsteken.

Ausstudiren, o. ww. ophouden te stu-deeren; zijne studiën voltooien; 2. hedr. ww. etw. door onderzoek leeren kennen.

Ausstümmein, hedr. ww. ein en Meiier

de tusschenruimten der blokken met kleine stommels aanvullen.

Ausstürmen, o. ww. ophouden te stormen, te razen; 2. bedr. ww. zijne smart in luide klachten uiten.

Aussturz, m. uitstorten o., vlucht v.

Ausstürzen, hedr. ww. uitstorten, leeg-gooien; ein Glas In eene teug uitdrinken.

Ausstürzer, m. losser, atlader m.

Ausstutzen, hedr. ww. ein Kleid -, opsieren, versieren.

Ausstutzen, hedr. ww. van binnen stutten, schragen, ondersteunen.

Aussuchen, hedr. ww. uitzoeken,uitkiezen; alle Winkel -, doorzoeken, doorsnuffelen; 2. o. ww. ophouden met zoeken.

Aussuckein, hedr. ww., Z. aussaugcn.

Aussühnen, hedr. ww., Z. aussöhnen.

Aussüszen, hedr. ww. verzoeten, zoeter maken.

Austafeln, o. ww. ophouden te eten, te tafelen.

Austafeln, hedr. ww. beschieten, lam-brizeeringen aanbrengen in.

Austanzen, hedr. ww. uitdansen, afdan-sen; 2. o. ww. ophouden met dansen.

Austapeziren, hedr. ww. behangen, bedekken.

Austappen, hedr. ww. op den tast loo-pen in.

Austasten, hedr. ww. alles -, overal aanzitten, alles aanraken; door den tast of het gevoel herkennen.

Austauchen, o. ww. weer hoven komen na het onderduiken.

Austaumeln, o. ww. uittuimelen, niet meer tuimelen.

Austausch, m. ruiling v.

Austauschbar, bijv. nvv. verruilbaar; -keit v. verruilbaarheid.

Austauschen, bedr. ww. verruilen, Z. verlauschen; (lig.) inwisselen; elk. meded e-len.

Austauscber, m. verruiler m.

Austeppicben, bedr. ww. meteen tapijt of vloerkleed beleggen.

Auster, (-«) v. oester v.; -hank, -grand m. oesterbank v.; -behalter m. oesterpark o.; -famj m. oestervangst v.; -fanger m. oester-visscher m., Z. -vogel; -jischer m., -fischerei v., Z. -fang; -gebackenes o. oestergebak o.; -handel m. oesterhandel m.; -handier, -kramer, -kramer.n, handelaar in oesters, oesterkoopman m., oesterverkoopster, oestervrouw v.; -klieber, -kiieberin, oesterman, oestervrouw; -korb m. oesterkorf m., -mand v.; -lager o., Z. -bank; -laich m. oesterkuit v.; -mann m., Z. -handler; it. -vogel; -messer o. oestermes o.; -reich bijv. nw. rijk in oesters; -stein m. versteende oesterschelp v.; -vogel m. oestervisscher, oestervanger m.; -loeib o. oestervrouw, -verkoopster v.

Austbeeren, bedr. ww. teren.

Austbeiien, bedr. ww. uitdeden, verdee-len; Gnaden -, bewijzen.

Austbeiler, -tbeilerin, uitdeeler, gever m., uitdeelster, geefster v.

Austbun, bedr. ww. onr. uitdoen, uittrekken; Lichter -, Z. ausloscheii; eine Schuld -, uitwisschen,delgen, vernietigen; ei/ic Hech-nmq -, voldoen, veretienen; Kinder -, besteden- Geld -, uitzetten, plaatsen; 2. wed. ww. sich -, Z. auskleiden.

Austbüren, bedr. ww. bij zwakken wind in plaats van met zeilen met latten of dunne planken beschieten.

Austiefen, bedr. ww. uitdiepen, uitgraven.

Austiefbammer, m. uitdiep-, bol- of mutshamer m.

Austiigen, bedr. ww. uitroeien, verdelgen, uitwisschen; eins Schuld -, uitdoen, uitschrappen.

Austippeln, bedr. ww. met littelljes voorzien; de stipjes tellen.

Austoben, o. ww. uitrazen, bedaren, uitwoeden, ophouden te razen; 2. bedr. ww. laten


-ocr page 136-

AUS

120

AUS

uitrazen, uitwoeden; 3. wed. ww. skh uitritzen.

Austoilen, o. ww. cn wed. sich uit-dollen, opi'.ouden te dolien,dwaasheden te 1)C-gaan; it. Z. ausloben.

Austönen, o. ww. uitklinken, ophouden te (weer)klinken; 2. hedr. ww. luid doen hooren.

Austonnen, hedr. ww. heplanken, hc-schoeien; lidriwis uit de ton halen.

Austosen, o. ww. ophouden geraas te maken.

Austorfen, hedr. ww. uitvcenen.

Austraben, o. ww. talen uildravon; ophouden te draven.

Av.strag, [-lrari{e)s, mv. -triujc) m. he-slissing v., afloop m., einde o.; scheidsrechterlijk college o.;scheidsrechter m.; Z. Ertrau.

Austrageloch, o. gat o. waar het erts wordt uilgedragen.

Austragen, hedr. ww. onr. uitdragen, naar huiten dragen; eine J.ciche -, Z. bcslal-ten; liriefe rondhrengen; elw. -, hekend maken, uitbrengen; jem. helasteren; ein Kleid -, afdragen; ieid -, verduren; eine iquot;'rnf/e -, afdoen, athandelen; i. o. ww. opbrengen; 3. wed. ww. (van een boom), sich -, door bovenmatig veel (vruchl) te dragen zicli uil-putten.

Austrager, m. overbrenger,: anbrenger, verklikker m., Scheulsriclder.

Austragerei,v.gcwoonie,zucht v.tol overbrengen; wat aangebracht, verklikt wordt.

Austraglich, bijv. cn b., cintrarjlich.

Austragsgericht, o. scheidsreclilerlUk college o.

Austral-strand, m. zuidelijk strand o.; -schein m., Z. SMlichl.

Austratschen, hedr. ww., Z. nusplau-dern.

Austrauern, hedr. ww. uitrouwen, uil-treuren; i. o. ww. den rouw afleggen.

Austraufeln, o. ww., m. s. uitdruipen, uitdroppelen; i. m. h. ophouden te druipen; 3. hedr. ww. bij droppels uilgietcn.

Austraufen, o. ww., Z. austropfen.

Austraumen, o. ww. ophouden met droo-men; 2. hedr. ww. einen Trautn -, uitdroo-men, afdroomen.

Austreiben, hedr. ww. onr. uitdrüven, verdrijven, uitjagen, verbannen; i. o. ww. ophouden met smelten in de hoogovens; (van hoornen), ophouden met uitloopen.

Austrennen, hedr. ww. uittornen, losmaken.

Austreten, o. ww. onr. op zij trappen, uitstappen, uittreden; (van soldaten), deser-tecren; (van eene rivier), huiten de oevers treden; 2. hedr. ww. uittrappen, uittreden; Schuhe -, uitioopen, afsiijten; (fig.) jemn. die Schuhe -, iem. den voet lichten; 3. wed. ww. (van steenen), sich -, uilslijten.

Austreter, m., Z. Ablrmnuje; 2. Z. Aus-reiszer.

Austrieb, m., Z. Trieb.

Austriefea, o. ww., Z. austraufeln.

Austrillern, hedr. ww. neuriën.

Austrinken, hedr. ww. oar. uitdrinken, opdrinken; das - was man einqegossen, de gevolgen ondervinden van helgeen men gedaan heeft; 2. (lig.) o. ww. ophouden Ie drinken.

Austritt, m. naar buiten treden, uitgaan o., uilgang m.; voordorpel, sloep m., portaal o., vestibule v., balkon o.

Austroeknen, hedr. ww. doen uitdrogen, droog maken, uildrogen; 2. o. ww. uitdrogen; ausfietrocknet,(\an een mensch), vermagerd, uitgeteerd; it. droog, saai.

Auströdeln, heilr. ww. handel drijven in.

Austrorameln, hedr. ww. etw. -, uittrommelen, door trommelen bekend maken-, einen Schauspieler -,/..auspfeifen; o. ww. ophouden te trommelen.

Austrompeten, hedr. ww. uitbazuinen, met trompetgeschal bekend maken,

Auströpfeln, o. ww., m. s. uildroppelen; 2. in. li. ophouden le droppelen.

Austropfen, Z. austriipfeln.

Austrotten, hedr. ww., Z. austraben.

Austrotzen, o. ww. ophouden le Irol-seeren; ophouden te pruiien.

Austrumpfen, o. ww. de troeven uitspelen; 2. hedr. ww. jem. -, '/,. ausschimpfen.

Austünchen, hedr. ww., Z. ausweiszen.

Austunlien, hedr. ww. uilsoppen, op-soppen.

Austurnen, o. ww. ophouden gymnastische oefeningen le maken; 2. hedr. ww. door lichaamsoefeningen on 1 wikkelen,

Austuscben, hedr. ww. met Ooslindi-schcn inkt opschilderen.

Austuten, o. ww. ophouden te loeten; 2. hedr. ww. op den hoorn blazende bekend maken.

Ausüben, hedr. ww. uUoefenen, beoefenen; (jewalt -, gebruiken; ferbrechen -, begaan,

Ausüber, (-s, mv, Jusüber) m, pracli-cus, uiloefenaar, beoefenaar m,

Ausüblich, bijv, en b, uitvoerbaar,

Ausübung, v. uitoefening, beoefening, uilvoering v.

Ausverkauf, m. uitverkoop m.

Ausverkaufen, hedr. ww. uilverkoopen,

Ausverzollen, hedr. ww. de uitgaande rechten betalen van.

Auswachen, o. ww. lön einde toe waken.

Auswachsen, wed, ww. onr. sich -, zijn vollen wasdom naderen; 2. o, ww. al zijn groei, zijne volle lengte krggen; slecht opgroeien, een uitwas krijgen; (van wonden), toegroeien en onzichtbaar worden; 3. hedr. ww. ein Kleid er uitgroeien.

Auswagen (sich), wed. ww, hel wagen uil le gaan.

Auswagen, hedr. ww. uitwegen; fVaa-ren -, in het klein verkoopen.

Auswahl, v. uitkiezing, keuzev.; menigte v,, waaruit men kiezen kan; (van gedichten), keur, hloemlezing v.


-ocr page 137-

AUS

m

AUS

Auswahlen, bedr. ww. uitzoeken, uitkiezen.

Auswalken, bedr. ww. uitwalken; (fig.) jem. afrossen, afranselen.

Auswalzen, o. ww. de wals uitdansen; ophouden te walsen; Goldtafelchen -, walsen.

Auswalzen (sich), wed. ww. (van een paard), zich zat wentelen, rollen (in het gras).

Auswandeln, o. ww., Z ausgehen.

Auswandern, o. ww. zijn geboorteland verlaten, uitwijken, emigreeren.

Auswanderer, m. landverhuizer, emigrant m.

Auswanderung, v., Z. auswandern; srecht o. recht o. om het land te verlaten.

Auswarmengt; bedr. ww. goed warmen, warm maken; das Eisen -, gloeien, uitgloeien.

Auswarmofen, m. gloeioven m.

Axiswarten, bedr. ww. wachten tot het einde van.

Auswartig, bijv. nw. vreemd, buiten-landsch.

Auswarts, bijw. naar buiten, elders, in een vreemd land; -zieher m. buitenwaarts trekkende spier v.

Auswaschen, bedr. ww, onr. uitwas-schen; eine Wunde -, betten, reinigen; (van het water), uitspoelen, wegspoelen; 2.o. ww. ophouden met wassen.

Auswassern, bedr. ww. Uannfje het zout laten uittrekken uil, ontzouten.

Auswasserung:, v., Z. auswdssern; -sli-nie v. waterlijn, lastlijn v.

Auswcben, bedr. ww. weven, afweven; 2. o. ww. uitweven, ophouden met weven.

Auswechsel, m. uitwisseling, ruiling, inwisseling v.

Auswechsein, bedr. ww. elw. verwisselen; Ge/rf,-, inwisselen; Ge fami enen ^uitwisselen.

Auswechsier, m. plaatsvervanger, wisselaar m.

Auswechsie)lungl v., Z. auswechsein; -svertrari m. uitwisselingsverdrag o.

Ausweg, m. uitweg, uitgang m.; (fig.) uitvlucht v.

Auswehen, bedr. ww. üoen wegwaaien; das Licht uitwaaien, doen uitwaaien: 2. o. ww. ophouden te waaien.

Ausweicben, bedr. ww. uitweeken; 2. o. ww. reg. losweeken, week worden en losgaan; 3. onr. uitwijken, uitglijden; jem». plaats maken voor; it. vermijden, ontwijken.

Ausweiche-platz, m. wijkplaats,schuilplaats v.; -sc hi enen v. mv., -s tree he v. wisselplaats, uitwijk v.; -zunqe v. wisselspoor o.

Ausweiden, bedr. ww. ontweien.

Ausweinen, bedr. ww. seine Thrdnen -, storten, vergieten, weenen; seinen Schmerz -, uitweenen; die Auqen -, uitschreien; 2. wed. ww. sich -, veel schreien, weenen; 3. o. ww. ophouden met schreien, weenen.

Ausweis; [-es, mv. -e) m., Z. Auswei-sunrj.

Ausweisen, bedr. ww. onr. uitwijzen, wegjagen, verbannen; elw. -, bewijzen, aan-toonen; 2. wed. ww. sich -, blijken, toonen.

Ausweissagen, o. ww. ophouden met waarzeggen.

Ausweiszen, bedr. ww. witten.

Ausweisung, v. verbannen o., verbanning v.; bewijs o., aanwijzing, aantooning v., uitwijzing v.

Ausweiten, bedr. ww. verwijden; (van doek), rekken.

Auswendig, bijv. en h. uitwendig, buitenwaarts, van buiten, aan de buitenzijde.

Aus werden, o. ww. onr. eindigen, een einde nemen, naar het eind loopen.

Auswerfen, bedr. ww. onr. uilgooien, uitwerpen; naar buiten werpen; (fig.) uitschieten, uitsluiten, uitstooten; einen (irahen -, uitbaggeren; einen Hasen -, de ingewanden uit het lijf halen; ein Pferd -, snijden; die Armen -, uitsteken, veel beweging maken met; am Rande -, aanteekenen; ein Jahrqeld -, vaststellen, bepalen; 2. o. ww. (van paarden), uitwerpen, uilgooien.

Auswerthen, bedr. ww. schatten, waar-deeren.

Auswetzen, bedr. ww. uitwetten, uitslijpen.

Auswichsen, bedr. ww. uitpoetsen; (hg.) jem. -, afrossen, afranselen.

Auswickeln, bedr. ww. Garn -, uitwikkelen, uit de war maken-, ïTasche -, ontvouwen; ein Kind Z. auswindehi; 2. wed. ww. sich -, uit do war raken.

Auswiegen, bedr. ww., /.auswüQen.

Auswindeln, bedr. ww. ein Kind -, uit de luiers doen, losmaken.

Aus winden, bedr. ww. onr- uitwinden; JFdsche uitwringen; jemn. elw. -, ontrukken; 2. wed. ww. sich -, zich uitredden.

Auswinseln, bedr. ww.seiu Leöe/i-,kermende den geest geven; 2. o. ww. ophouden met kermen. .

Auswii*tern, o. ww. uitwinteren, in den winter bederven; 2.onp. ww. es hat ausfjewin-tert, de winter is voorbij.

Auswipfein, bedr. ww. ontkruinen, toppen, snoeien.

Auswippen, bedr. ww., Z. auswafjen.

Auswirken,bedr. uitwerken; einen llirsch -, afhalen, villen; Gewebe -. afwerken; (fig.) etw. verkrijgen, verwerven, teweegbrengen; 2. o. ww. ophouden te werken.

Auswirren, bedr. ww. ontwarren, uit Je war maken.

Auswischen, bedr. ww. van binnen schoonmaken, uitvegen; eine Schrift uitvegen, uitvlakken; jem. -, Z. ausputzen; jemn. eins -, iem. eene oorvijg geven.

Auswittern, bedr. ww. (van de lucht), die Erze -, ontbinden, oplossen; (fig.) etw. -, opsnulTelen, de lucht krijgen van; 2. o. ww. (van ertsen), zich oplossen; -lassen, aan de lucht blootstellen; 3. onp. ww. es hat ausye-ivittert, het heeft uitgedonderd; i. wed. ww.


-ocr page 138-

AUS

ACS

m

sich (van Injen), uitvliegen; (van de luchl), door onweders gezuiverd worden.

Auswölben, liedr. ww. van binnen wei-ven, van wulven voorzien.

Auswölbung, v., Z. auswulbe»; gewelf, wulf, verwulf o., lioog m.

Auswölken (sich), wed. ww. ophelderen, opklaren, helder worden.

Auswuchern, o. ww. geen woeker moer drijven.

Auswuchs, m., Z. auswachsen; uitwas, hult m ; (fig.) misvormdheid, mismaaktheid v.

Auswühlen, heilr. ww. uitwroeten, opwroeten; (van het water), wegspoelen.

Auswundern (sich), wed. ww.zich niet meer verwonderen, niet meer verwonderd zijn.

Auswurf, ni. uitwerpen o.; (van men-schen), ontlasting v.; uitwerpselo.; (lig.) helle v., schuim, uitschot o.; zeegras; zeewier o.; (van een slinger), slingering v.; eerste worp m.; muntrechter m.; -bldltero. mv. misdruk o.

Auswürfein, hedr. ww. met lt;lo;)helslee-nen werpen of gooien om; i. o. ww. opiiou-den te dohhelen; it. eerst gooien, eerst werpen.

Auswürfling, mv. -e) m. uitschot

o.; ontijdig geboren kind o.. .lusschuss, Juswurf.

Auswürgen, o. ww. ophouden met wurgen; i. hedr. ww. met geweld uitbraken.

Auswurzein, hedr. ww. den wortel uittrekken, ontwortelen; (lig.) ontwortelen, uitroeien.

Auswüthen, o. ww. uitwoeden, uitrazen; it. ophouden met razen, bedaren.

Auszaclcen, hedr. ww. uitlanden.

Auszackern, hedr. ww., Z. nuszacken; auspflwjcn.

iiuszahlen, hedr. ww. betalen, uithela-len, voldoen.

Auszahlen, hedr. ww. b(j bot stuk, met den lel verkoopen; Tausend uittelleu, geheel tellen; uitzoeken, uitschieten; 2. o. ww. ophouden met tellen; (van liet piketspel), beginnen.

Auszahler, (-,?, mv. Auszahler) m. uitbetaler m.

Auszahneln, hedr. ww. uitlanden.

Auszahnen, o. ww. ophouden met landen krijgen; 2. hedr. ww. ein Had -, uitlanden.

Auszanken, o. ww. ophouden te knorren, te kijven; 2. hedr. ww. jem. -,beknorren.

Auszapfen, hedr. ww. uittappen, aftappen; it. in het klein verkoopen; ein Fass -, leegtappen.

Auszappeln, o. ww. ophouden te spartelen; 2. hedr. ww. die Seek spartelende sterven.

Auszaubern, o. ww. ophouden te toovo-ren; 2. hedr. ww. door toovermiddelen ult-vorschen.

Auszaudern, o. ww. niet meer dralen of aarzelen.

Auszaumen, bedr. ww., Z. abiilumen.

Auszaunen, bedr. ww. van binnen met eene haag of heining voorzien; door eene haag of heining afsluiten.

Auszaunung, v., Z. auszaunen; 2. heining, omheining, haag v.

Auszechen, o. ww. ophouden te drinken; 2. bedr. ww. uitdrinken.

Auszeh(e)nteii, bedr. ww. tienden heffen van.

Auszehie nter, m. tiendhelfer, tiendgaarder in.

Auszehren, bedr. ww. Gut -, verteren, opmaken; ausgezehrl, uitgeteerd, uitgezogen, uitgemergeld; 2. o. ww. uitteren, wegkwijnen; 3. wed. ww. sich -, wegkwijnen.

Auszehrung, v. uittering, tering v.

Auszeichnen, o. ww. ophouden te lee-kenen; aanteekenen, aanmerken, noteeren; jem. -, met onderscheiding behandelen; etw.

Z. abzeicltnen; 2. wed. ww. zich onderscheiden, uitmunten.

Auszeichner, m., Z. XeicUner.

Auszeiehnungs-werth, -wiirdig, bijv. nw. onderscheiding waardig.

Auszeideln, bedr. ww. uitsnijden.

Auszeitigen, bedr. ww. geheel rijp maken; 2. o. ww. geheel rijpen, volkomen rijp worden.

Auszerren, bedr. ww. uiltrekken, uil-rukken.

Auszetteln, bedr. wiv.uitstrooien;

Z. anzeltehu tien Lohn 7.. auszahlen.

Auszeugen( sich), wed. vivf.,'/..enlarlen.

Auszickeln, o. ww. (van geiten), geene jongen meer werpen.

Ausziehen, bedr. ww. onr. uittrekken; sich -, de kleederen uittrekken, zich uitklee-deri; (lig.) uilkleeden, van alles berooven; alle Scham afleggen, aftrekken, afkoken; (van de zon), doen verschielen-, uitrekken, uithalen; das fiepochle Erz-, uitspreiden, uit elkaar halen; ein Cewehr -, groeven, ribben; einen Becher -, met ééne teug uitdrinken:mil Oinle -, natrekken, overhalen; 2. o. ww. uitgaan, vertrekken, verhuizen, wegloopen, op de vlucht gaan; 3. wed. ww. sich zich rekken; zich ontkleeden, zich uilkleeden; (lig.) zich onl-blooten.

Auszieh-kiste, v. krabber, schrapper m.; -lisch in. schuiftafel v.

Ausziehwalze, v. rekrol v.

Auszieren, bedr. wv,versieren,opsmukken, opsieren.

Auszierer, (-.?, mv. Auszierer) m. versierder, decorateur in.

Ausziffem, bedr. vw. uitcgferen, uitrekenen.

Auszimmern, bedr. ww. einen Schacht -, beschoeien; 2. o. ww. ophouden met timmeren, uittimmeren.

Auszinncn, bedr. ww. van binnen vertinnen.

Auszirkeln, bedr. ww. met den passer afmeten, uitcirkeien.


-ocr page 139-

AUÏ

m

A EZ

Auszischen, bedr. ww. uitfluiten; 2. o. ww. ophouden met (uit)fluiten; (van vuur), sissende uitgaan.

Auszittern, o. ww. niet meer sidderen.

Auszitzen, bedr. ww., Z. aussauqen.

Auszucken, o. ww. ophouden té beven, te trekken.

Auszug-, m. (uit een huis), verlaten o., verhuizing v.; (uit een land), vlucht v., vertrek o.; (van een leger), uittocht m.; lade v.; uittreksel, extract o.; artrek?el o.

Auszugs-fest, o. Paschen o.; -graben m. gracht v. waardoor het water wegstroomt; -lade v. latafel v.; -loch o. put m. waardoor liet water wegloopt; -mciszig bijv. en b. by wijze van uittreksel; -sammlumf v. verzameling v. van extracten; -weise bijw. bij wijze van uittreksel, verkort.

Auszupfen, bedr. ww. uittrekken, uitpluizen, uitrafelen, uilplukkcn; 2. o. ww. op-liouden met uittrekken, uitrafelen, uitplukken.

Auszürxien, o. ww. zich niet meer boos maken.

Auszwacken, bedr. ww., Z. abzwacken.

Auszwangen, bedr. ww. met geweld uittrekken; jemn. elw. afdwingen, afpersen, ontrukken.

Auszwingen, bedr. ww. onr., Z. auszwangen.

Auszwitschern, o. ww. ophouden te kweelcn, te piepen.

Authai, o. vruchtbaar dal o. aan den oever ecner rivier.

Authenticitat, {-en) v. echtheid, geloofwaardigheid, rechtsgeldigheid v

Autbentisch, bijv. en b. echt, gcloof-waardig, rechtsgeldig, authentiek.

Authentisiren, bedr. ww. rechtsgeldig maken, waarmaken.

Autochthon, {-en, mv.-en) m.,Z. Urein-wohner.

Autodafé, {-s, mv. -s) o. terechtstelling v. van door de inquisitie tot den brandstapel veroordeelde personen, autodafé o.

Autodidakt, {-en, mv. -en) m. die, wat hij weet, zelf geleerd heeft.

Autograph, {-en, «nv. -en) m. kopieermachine v.; eigenhandig schrift o.;eerstedoor den schrijver zelf uitgegeven oplaag v. van een werk.

Autokrat, (-en, mv. -en) m. zelfheer-scher, onbeperkt regeerder, autocraat m.

Autokratie, v. onbeperkte heerschappij, zelfheerschappij, onbeperkte regeering v.

Autokratin, {-nen) v. zelfheerscheres v

Automalit, {-s, mv. -e) m. zinkhoudend spinel o.

Autoraat, (-en, mv. -en) m. zelfbeweger, automaat m.

Automntisch, bijv. en b. zelfbewegend, zelf beweeglijk.

Autonomie, v. zelfwetgeving, zelfregee-ring v.

Autopsie, v. eigen waarneming; lyk-schouwing v.

Autor, {-s, mv. -en) bewerker, maker, schrijver, opsteller m.; eerste oorzaak v.

Autorisiren, bedr. ww. machtigen, volmacht geven.

Autoritat, {-en) bevoegde macht v., go-zag, bewind o., overheid v.; aanzien o., invloed m. of gezag hebbend persoon in.

Autorschaft, v. auteurschap, hoedanigheid van amp;, Z. Autor.

Auweh, tussch., Z. o weh.

Auxiliar, bijv. nw. hulpgevend, heipend.

Auxoraeter, m. vergrootingsmeter m.

Aval, {-s, mv. -e) m. borgstelling v., borg blijven o, aansprakelijkheid v. voor eene betaling van een ander.

Avaliren, bedr. ww. borg blyven voor.'

Avance, (-«) v. voorschot o.; (lig.) -n machen, aanbiedingen doen; it. Z. avanci-ren.

Avaacirbaum, m. koevoet m.

Avanciren, o. ww. vooruitgaan, vooruitkomen, vorderingen maken, bevorderd worden; 2. bedr. ww. bevorderen.

Avancir-ring, m. koppel ring m.; -tau o. koppel touw o.

Avanturiren, o. WW. wagen.

Avarirt, bijv. nw. beschadigd door averij.

Ave, (-.v, mv. -s) o. Ave o. Maria, Wees gegroet.

A venture, (-«) v., Z Abenteuer.

Avenfurin(stein), m. glassteen, goudsteen m.; -spath m. spaath bevattende goudsteen m.

Averei, v., Z. Haver ei.

Avers, {-es, mv. -e) m. die zijde van de munt, waar de kop op staat v.

Aversion, {-en) v., Z. Ahscheu, EkeL

Aversional-, amp;: Z. Ab/indiuig-, amp;.

Avertiren, bedr. ww. advizeeren, waarschuwen, berichten.

Avis, {-es, mv. -e) m. advies, bericht o., tijding v.; -brief m. adviesbrief m.; -jacht v. adviesjacht o.

Avisiren, bedr. ww. advizeeren.

Avispferd, o. paard o. van een koerier.

Avista, bijw. op zicht.

Axe, {-en) v., Z. Achse.

Axinit, (-.9, mv. -e) m. bijlsteen m.

Axiom, (-(e)s, mv. -e) o. waarheid, stelling v. die geen bewijs behoeft, axioma o.

Axiometer, m. roermeter, roerverklikker m.

Axt, {Aexte) v. bijl v.;-//c'/m m. bijlsteel m.

Aextchen, Aextlein, o. bijltje o.

Aezen, bedr. w w., Z. anködern; 2. o. ww. de prooi, den buit opeten.

Azerol-baum, m. Oostersche mispelboom m.; -beere v. mispel bes, mispel peer v.

Azimuth, {-{e)s, mv. -e) o. azimuth o., toppuntshoek m.

Azimuthal-kreis, m., -nbr, v.,-zirkel, m. azimuths-kring, -tijd, -cirkel m.

Aezung, v. voeder o., prooi v., buit m.

Aezungs-recht, o., -gerechtigkeit, v. recht o. op voeding en verpleging; -(jeld o..


-ocr page 140-

BAG

BiiC

m

-kosten v. mv. voedings- en vcrplcgingskos-ten m. mv.

Azur, {-{e)s) m. azuur, hemelsblauw o.; -blnu o. blauw azuur o.

Azurn, bijv. nw. hemelsblauw, azuren, van azuur.

B.

B, (6 of b's, mv. h of b's) o. b v.; aus dem Ti ijehen, uit li gaan, in I) staan; fi/;M«(/ra/,hcr-slellingsteekon, hecarrc n.

ua. Bah! tusscll. ha! foei!

Baalt, Z. Bake.

Baal, (-s) m. Baal m.

Baais-dlener, m. Baaldicnaar m.;-dienst m. liaalsdienst m.; -pfa/fn m. Baal#priestcr m.

Baar, (-en) v., Z. Krippe; 1. bijv. en b., Z. Imr.

Baare, (-11) v., Z. Hnlire.

Baars, {-es, mv. Biirse) m., Z. /!»gt;.«.

Baha, v. wieg v., bed. 0.; oude vrouw v., onnoozei persoon m.

Babhelei, babbeln, amp;, Z. Plauderei, plaudern amp;.

Babe, (-«) v. oude vrouw, grootmoeder v.

Babel, (-s, mv. linbel) m., Z. [Uifel.

Babusche, v. Oostersebo pantoflel 111.

Baccalaureat, (-s, mv. -e) 0. baccalaureaat 0.

Baccalaureus, (-mis, mv. -rei) m. baccalaureus, candidaat m. eener faculteit.

Bacchanal, {-mils, mv. -na li en') 0., Z. /lacr/wsfesl.

Bacchant {-en, mv. -en) m. Bacbus-priester, Bachant m.; -in v. priesteres v. van Radius.

Bacchantisch, bijv. nw. van Bachus, wat Bachus betreft.

Bacchus, m. (Fabell.) Bachus m.; -bruder m. dronkaard, zuiplap, drinkebroer m.; -fest 0. bachusfecst 0.; -Heil 0. bachuslied, drinklied 0.; -priester m. bachuspriester m.; —in v., Z. ilachanliti; -stab m. thyrsus m.

Bach, {-{e)s, mv. ndche) m. beek v.; (Sp.) aus kleinen nadien werden (iros:e Fhisse, vele kleintjes maken een groote; -amsel v., Z. Bachstelze; -binse v. onregelmatig verdeeld riet 0.; -blame v., Z. Dotterblume; -bohne, -bunqe v. becabonga v.

Bache, (-«) v. wilde zeug v. van liet tweede of derde jaar af.

Bachelchen, 0. beekje 0.

Bach-fahrt, v, sleuf v.; -fecjer m., Z. -steelier,- -fiseh m. visch m. uit de beek; -fo-retle v. beekforel v.; -holder, -lioUunder m. watervlierboomm.-.-selimerle\. puilaal,kwabaal m.; -hund m. dashond m.; -krebs m. rivierkreeft m.; -hresse v., Z. lirunnenkresse; it. dründlinfi.

Bachlein, 0., Z. Rachetchen.

Bach-matt, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Zetter, Passqanqer: -müeke v. waterspin \.-,-münze v. watermunt v.; -reieh l)ijv. nw. rijk aan beken; -sand m. beekzand 0.; —kiifer m. stof-kever m.; -srhinerte v. smeerling m.; -steelier m. sekreetruimer m.; -stetze v kwikstaartje 0.; -vogel m., Z. JVasseramset; -wanze v. beekweegiuis v.; -wasser 0. beekwater 0.; -weide v. waterwilg m.; -weise bijv. en b. beeksgewijs.

Bacillenkraut, 0. steenbreek v., zeevenkel v.

Back, {-{e)s, mv. nucke) m., Z. Gebaek.

Back, {-{e)s, mv. -e) 0. voorkasteel0.; bou-len etensbak m. iter matrozen en soldaten; suikerkist v.; plat vierkant vaartuig 0., vlonder m.

Back, {-{e)s, mv. -en) m. baksvolk 0., bakspersoon m.

Back, bijw. achterwaarts, achteruit.

Back-apfel, m., -birne, v. appel m., stoofpeer v.; -bleeh 0. bakblik 0., bakplaat v.

Bakbord, (-(c)s, mv. -e) 0. bakboord 0.; -seite v. bakboordszijde v.; -wache v. bakboordswacht v.

Bakbrett, (-(e)s, mv. -er) 0. bakplank v.

Backe, (-n) v. of Backen, {-s, mv. Backen) m. wang, koon v.; (van een paard), bil v.; (van een appel), koon; (van nijplangen, schroevendraaiers), bek, klauw, knüper, grijper m.; (van een geweer), kolfvvang v.; -», (van een schip), boog m.; (van eene gooi), zijden v. mv.; (van de loodschroef), kussentje, kussen 0.

Backeln, 0. ww. (van gemzen), dof blaten.

Backen, bedr. ww. onr. bakken, braden; Stahl gloeien, branden; 2. 0. ww., m. li. bakken, braden; it. m. s., Z anbacken.

Backen-arterie,v. wangslagader v.; -aus-sclinitt m. uitsnijding v. van het haar voor de wangen; -hart m. bakkebaarden m. mv.; -bnr-tifi v. bakkebaarden hebbende; -bein 0. kakebeen 0.; -druse v. wangklier v.; -grube v., -grnbehen 0. kuiltje 0. in de wang; -haken m. klemhaak m.; -haube v. muts v. met oorlappen; -knochen m. kakebeen 0.; (v.in een paard), bilbeen 0.; -musket m. wangspier v.; -nerve m. wangzenuw v.; -putsader v., Z. -arterie; -quale v. zeenetel v.; -riemen m. bllriem m.; -schlaci m., Z. -stretch; -schtagader v., Z. -arterie; -streich m. slag m.opde wang;-s/ni/ -streifen m. wangslrook v.; -Uückeo. mv. zijmuren m. mv. van een hoogoven; -tasche v. wangzak m.; -zahn m. baktand m., kies v.; —clrüse v. baktandsklier v.

Backer, (-s, mv /Jticfter) m. bakker, broodbakker m.; -broil 0. brood, bakkersbrood 0.; -bucsche m., Z. -geselt.

Backerei, v. bakkerij v.

Backer-gesell(e), m. bakkersknecht m.; -gewerk 0., Z. -zunft; -handwerk 0. bakkers-


-ocr page 141-

BAD

125

beroep o.; -hen- m. Ijakkcrsbaas in.; -in v. bakkerin, Ijakkei'svrouw -junge m. bakkersjongen m.; -knccht m., Z.-gesell; -kriltzc \. bakkersscliurft v.; -mcisïerm. bakkersbaas m.; -messer o. bakkersmes o.; -ordung v. reglement o. voor de bakkers; -schalie v. zwarte meel worm m.; -scharrc v. bakkersstrijkstok m.; -schelder m. zifter, buiier m.; -zunft v. bakkersgildc o.

Back-fisch, m. bakviscb m.; it. nufje o.; -fteisch o., Pusletc; -form v. bakvorm m.; -(jaxl in. bakkersklant m.; -geld o. bakgeld u.; -gerdth o., —schaft v. bakgereedscbap o.; -haus o. bakkerij v., bakhuis o.; -hecht m. baksnoek in.; -hefen in., Z. Ilefen; -hitze v. bakbitte v.; -kammer \. bakkamer y.; -korb in., /.. -schüssel; -meisier m. opziener m. over bet bakwerk; bakmeesterm.; -tnulde v. baktrog in.; -oiis/ o. ooft o. dat geschikt is om gebakken te worden; it. gebak o.;-o/cn m. bakoven m.; —hilzc\.//..-hitze; —lochu. ovengat o.; —stein m. ovensteen, vuursteen ui.;—zins in. oud recht o. op de eigen ovens; -ordnung v. bakerde v., beurt v. om te bakken;-p/mne \. bakpan v.; -probe v. bakkersproef, bak-proef v.; -rddchen o.,'/,. Teigrüdchen; -schuu-lel v., Z. -breit; -schüsset v. bakschotel m.

Backs-gesellen, m uiv., -maats m. baksmaats m. mv., inatrozen, die uil denzelf-den bak eten; -junge m. baksjongen ni.;-niei-ster in. baksmeester m.

Back-stein, in. bak: leen m.; -stube y. bakkamer v., bakhuis o.; -tan m. dag ra. van bakken; -trog m. trog, baktrog m ;-/ucA 0. bukdoek in.; -wanne v., Z. -schüsset; -zeug o., Z. -gcrülh{schufl); -werk o. bakwerk, gebak o.

Bad, (-(e)s, mv. Bader) o. bad, het baden o.; jemn. ein {schlimmes) - zurichten, iem. een kool stoven; gezoiidheidsbron v.; badplaats v., baden o. mv.

Bade-anstalt, v. badinrichting, badplaats, badstoof v.; -anzug in. badkleeding v.; -arzt m. geneesheer m. in de badplaats;-beckint m., Z. -wanne; -cur v. gebruik o. der baden, genezing v. door bet gebruik van baden;-/quot;rnit v. Iiadv rouw v.; -gast m.badgast in.; -geld o. bad-geld o.; -ijeratho., —schaft v. badgereedschap o., badbenooUigdheden v. mv.; -haube v. bad-iiiuts v.;-/i«uso. bad huis o.;-Ac»id o.badhemdo.; -honig m. gemeene honi(n)g m.-,-hosen\. mv. badbroek v.; -kessct m. badketel m.; -kteid o. badkleed o.; -knecht m. badknecht in.; -krijif in., Z. Schröpfkopf; -kraul o. badkruid o.; -luhn m., Z. -geld; -tuslbarkeit v. badver-maak o.; -magd v., Z. -frau; -mantel m. bad-nianlel m.; -meister m. badmeester m.;-m«Me v. badkuip v.; -mutter v., Z. Uebamme.

Baden, bedr. \v\v. baden; 2.0. vvw. of wed. ww. sich -, baden, een bad nemen.

Bade-ordnuug, v. badreglement o.; -0/7, -platz ra. de baden o. mv., badplaats v.

Bader, Baderln, bader m., baadster v.; badstoofbouder m., badstoofhoudster v.; barbier m.

Badereise, v. reis v. naar de badplaats.

Badergesell(e), m. chirurgijnsleerling m.

Bade-schauxu, m., z. m. badschuim o.; -schi/l o. badschult v.; -schlamm m. badslijk, badslik o.; -schwamm m. badsponsv.;-sc/iwe-fe' m. zwavel v. voor de baden;-sin/er,-s/em ra. badsteen in.; -stube v. badkamer, badstoof v.; -stunde v., -lag m. uur o., dag m. om te baden;-wanne v. badkuip v.; -warm bijv. en b. badwarm; -wasser o. badwater, bad o.; -weib o., Z. -frau;-wirth,—in,waardin., waardin v. in de badplaats; -zeug o.,Z. -gerüth; -zuber m., Z. -wanne.

Bad-heizer, -heizerin, badwarmer m., badwarmster v.

Bafel, (-S) m., z. m. uitschot o., slechte w aar v.

Ba«f, tussch. bi/f, ba/l: pif, paf!

Bafi, {-(e)s, mv. -c) in.sluier m. van eene non; 11. muts v. van een domheer.

Bailchen, o. bef v., befje O.

Bafïen, Bafzen, o. ww. keilen.

Bafifer, (-s) m., z. m. ruwe suiker \.

Bagage, (-n) v. bagage v.; (tig.) gemeen o.-,-fahn v. bagagestandaard m.; -kanen m., Z. -wagen; -pferd o. lastpaard o.; -wagen m. bagagewagen in.

BagateH, (-.v, mv. -c) o., meer gebruikl. Bagatelle, (-«) \. kleinigheid, nietigheid v.; -ktage \. klacht y. over eene nietige zaak; -sache v. nietigheid v.; proces o. urn eene kleinigheid; -schulden \. mv. geringe schulden v. rav.

Bagger, (-s, mv. Bagger) m. baggermachine v.; -maschinc v., Z. Bagger; -meister m. baggerbaas in.

Baggern, bedr. ww. uitbaggeren, uit-modderen; Torf -, opbaggeren.

Bagger-netz, o. baggernet o.; - torf in. baggerturf v.

Bahen, bedr. vvw.vvarmen;Brod-, roosteren; kranke Gtieder pappen.

Bah-kissen, o. kussentje, zakje o. met geneeskruiden; -kraul o. papkruid o.; -tnillel o. papmiddel o.

Bahn, (-en) v. baan v., gebaande weg m., spoorweg in.; (lig.) - derKhre, pad o.; elw.au f die - bringen, op het tapijt brengen; plein, strijdperk o., manege v.; loopbaan v.; (van hamers), het achterste o.; (aan een beitel), schuin geslepen kant m.; (van stollen), baaigt;. v., breedte v.; -abwarts bijv. en b benedenwaarts; -brecher m. ysbreker m; -briicke v. brug voor een spoorweg, viaduct \.;-fahrt v. tocht m. van den spoorweg.

Bahuen, bedr. vvw. banen, elfen, gelijk, glad maken.

Bahuen-lehre, v., Z. Ifurflelire; -lus, bahnlos bijv. en b. ongebaand, ongelijk; -sehla-(jcl m. baaiiklopper m.

Bahnbof, m. station o.

Bahnig, bijv. uw. glad, met gladde \ tak ken.

Bahn-profil, o. teekening v. vun hel sla-tion;-s(o//cnni. overdekte spoorwegm.;-s/et c-


-ocr page 142-

BAL

420

BAL

ke v., -slück o. lengte v., stuk,quot; eind o. van den weg; -wiirterm. liaan wachtel', spoonveg-Wiiehter m.; -zuy in. trein m.

Bahre, (-n) v. berrie, Laar v.; -trager m. herriedrager m.

Bahr-tuch, o. Ijanrkieed, lijkkleed, doodkleed o.; -wanen m., Leirhenwagen.

Bah-sac^chen, o., 7..-kissen;-schnUte\. .-inede v. geroosterd lirood; -sluhe v. zweet-kist v., zweetkuil m.

Ba'aung, v. verwarming, papping v., pappen o.

Bai, (-en) v. liaai, golf v.

Bajadere, (-!)) v. tiajadere v.

Bajazzo, (-s, mv.-s) in. potsenmaker,lians-vvorst m.

Bajonett, (-5, mv. ~e) 0. Iiajonet v.;-diV/e, -hülse v. l)ajonelscliee(de) v.; -Iratjer m. Im-jonetdrager, tiajonethand of riem m.

Baikalstein, m. Iiaikaliet m.

Bali(e), (-[e)n) v. liaak, hoei v.

Balt el, (-s) ra., z. m., '/. Prügel.

Bakeln, liedr. v, w., pnigetn.

Bakeijau, (-(c)s, mv -c) m. kabeljauw 111.; -fischer ra. kabeljauwvissclier m.

Baken-geld, 0. bakengeld o.; -meisier m. Imkenmeester m ;-io«»ipv. ton v.,die tot baak dient.

Balance, (-«) v. balans v., evenaar m., weegschaal v.; (tig.) evenwicht 0.

Balanclr(balken), m. slinger m., onrust v.; -[(lampf)macliine v. stoomzwaalkoir v.

Balanciren, bedr. ww. opwegen legen; eine Hechnuiui -, de balans opmaken; '2. 0. ww. (van koordedansers), balanceeren.

Balancir-klappe, v. halanceerklcp v.; -knlhen m.. Z. -slange; -sclirill m. balanceer-stap 111.; -stunge v. balanceerstok m.

Baianit, (-s, mv. -e) m. balaniet m.

Bald, bijw. spoedig, weldra, haast; schielijk, gauw; vroeg, dadelijk, Z. fast, beinahe; - sn, - anders, nu eens zoo, dan weder anders; i. sn -, voegw. zoodra als, zoo gauw als.

Baldachin, (-(c)s, mv. -e) m. draaghemel 111.

Balde, v. in -, Z. hahl.

Baldgreis, (-es, mv. -e) 0., Z. Kreuz-wurz.

Baldig, bijv. nw. schielijk, snel, gezwind, spoedig.

Baidigst, bijw. zoo gauw, zoo spoedig mogelijk.

Baldrian, (-s) 111., z. m. valeriaan v.

Balester, {-s, m\'.Balester) 111. handboog m.

Balg, (llal(i(.e)s, mv. Balge) m. (aan erwten), bast 111., schil v.; (aan druiven), vel 0.; (van dieren), huid v., vel 0.; balg, blaasbalg m.; iler -, die dwingeland! die ondeugd! die slet! die feeks !

Balgdrüse, v. klierbaasje 0.

Balgen (slch), wed. ww. worstelen, plukharen.

Balgen (sich), wed. ww., Z. haul en.

Balgen-arm, m. blaasbalgsarin ra.; -breli 0. Iilaasbalgplank v.; -deckel m. bovenplank v. van den blaasbalg; -dille v., Z-. Balglinse; -geritst 0. blaasbalgkast v.; -haupt 0., -kopf m. kop m. van den blaasbalg; -linse v., Z. Balglinse,- -luflklappe v. klep v. van een tilaas-balg;-sc/iM)e)ifle/m. blaasbalgtrokkerm.; -stür-zel m., Z. -urm,- -treter m. orgeltrapper m.

Balger, (-s, mv. Balger) 111. vechter, vechtersbaas, plukhaarder m.

Balgerei, v. vechtpartij, kloppartij v.

Baig-gerüst, 0., Z. BahjengerHst; -ge-schwulsl v. kliergezwel 0.; -kapsel v. blaasje, vliesjc 0.; -linse v., Z. -rnhr; -pfennig m. blaasbalggeld 0.; -rnhr 0., -riihre v. blaasgat, pijpgat 0. voor de blaasbalgpijp; -schwengel in., Z. Baltienschwengel.

Baliste, (-«) v. werpgeschut 0.

Ballcchen, 0. balkje, bintje 0.

Ballsen, (-s, mv. Balken) m. balk 111., bint v., legger m.; parallelepipednm 0.; -anker m. biniauker 0.; -band 0. kram v. vooreen blaasbalg; it. Z. Laulensteg; -bruvke v. houlen brug v.; -drecke v. baikzoldering v.; -gerust 0. steigering v.; -i/esims 0. kornis, kroonlijst v.; -hauer 111. kanthouw er m.; -kante v. balk-kant, bintkant m.; -kantig lijv. en b. bekant-houwd; -ketter m. overwelfde kelder in.;-fto;gt;/quot; m. balkeinde 0.; -masz 0. balkinaat v.; -mii-szii; bijv. nvv. halkachlig, balkvonrig; -recht 0. recht 0. 0111 te binten in de muren van anderen; -riss m. bintlagenplan 0.; -ruthe v. maat v. van een balk lang en een voet breed en dik; -schlager ni., Z. -hauer; -schleuse v. balksluis v.; -schuli m. maat v. van een voet lang en een duim breek en dik; -schilssel v., Z. -band; -stein ra., Z. Kragstein; -streif, -strich m. breede streep v. in een wapen; -slnlze v., -trager m., Z. Tragebalken, Un-ierzuu: -tracht v., -wager 111. draagbalk m., draagiiint v.; -wage v., Z. Sclmellwage;-werk 0. bespanning v.; -zoll m. maat van een duim lang en eene streep breed en dik.

Balklein, 0., Z. Ilalkchen.

Balkon, (-(p)s, mv. -e) m. balkon 0.

Balkplanken, v. mv. buitenhuid v.,boel-planken v. mv.

Ball, (Ball(e)s, mv. Biillc) 111. bal, bol m., dansfeest, bal o., dansparty v.; -anzug m. bal-kleeding v.

Ball, {-{e)s) 0., z. 111. geblaf 0.

Ballade, (-«) v. ballade v.

Ballast, {Ballast{e)s,m\'. liallaste) m.ha\-last ra.; -brücke v. liallastbrug v.

Ballasten, bedr. w w. ein SMfl' -, ballasten, ballast laden in.

Ballastschiff, 0. ballastschuit v.

Baiichen, 0. ballelje 0.; baaltje o.,pak 0.; -wise bijw. liaalsvvljze.

Ballei, (-en) v. baljuwschop 0.; -rath m. baljuwsraad, raadsheer 111. in bet baljuwschap.

Baileisen, 0. staafljzer 0., slaaf v.

Ballen, (-s, mv. Ballen) m. baal v., pak, baaltje, ceroen 0.; -Butter, stuk 0.; inktbal m.; vleezig gedeelte van den duim, van den teen, hiel in., zool. voetzool v.; (aan eene schaaf), greep v.


-ocr page 143-

BAL

BaN

127

Ballen, bedr. w\v. die Fausl ballen; Schnec de gedaante van een bal geven; 2. wed. ww. sich tol een bal worden; (van sneeuw), pakken.

Ball en-binder, ni. pakknecht in.; —slohn ni. pakloon o.; -bund m. liet toesnoeren o. der vuurpijlen aan liet einde; -degen m., Z. Fechtdegen; -eisen o. fenaoorbeitel m.; -ficljer o., -nicht v., /.. Fuszgicht; -griff m., -holz o. balliout o.; -knechlc in. rav. pennen v. rav., bouten m. mv. van di! pers; -hreuz o., Z. Kugelhreuz; -leder o. baHeer o.; -meiszei m., '/. -eisen; -meisier m. ballenmaker; it. drukker ra.; -schuur v. zes.,iental o.; -stock ra., Z. Packstock; -wanren v. pakgoederen o. mv.; -wiilzer m. drekkever in.; -weise bijw. baalsgewijze; -zin» o. baaltln o.

Baliett, {-[c)s, mv. -e) o. ballet o., too-neeldans m.; -miidchen o. balletdanseres v.; -meister ra. balletmeester m.; -musik v. balletmuziek v.; -tanzer, -Uinzerin, danser m., danseres v. op het ballet.

Bali-fest, o. bal o., danspartij o.;-formig bijv. nw. balvormig, rondaehtig;-huuso.kaatsbaan v.; -hut m. klaphoed, balhoed ra.; -holz o. balslok m.

Balllstlk, \. ballistiek v.

Ballïiorn, m. iemand die eene zaak slechter maakt, terwijl hij haar verbeteren wil.

Ball-kleid, o. balkleed o.; -kiinig ra., -frö-nif/in v. koning m., koningin v. in hel kegelspel.

Ballon, (-(e)s, mv. -c) m. hal, hol, wiml-hol m.; -macher m. windbalmaker m.-,-schlager m. halslager m,; dislilleerkoll' v. Ballotiren, hedr. ww. balloteeren. Ballotirku^el, v. sleniballelje, kiesbal-lelje, stemboontje o.

Bali-pritsche, \., Z. -holz; -rose V. sneeuw bal m.; it. spint o.; -schliigel ra. palet, kaatsplankje o.; -schlager m. kaatser m.-,-schuh ra., Z. -schliigel; it. -schuhe m. rav. dansschoenen ra. mv.; -sclmamm ra. ijsvogel, duikerkoning in.; -spiel o. balspel, kaatsen o.; -spieier m. balspeler m.; -slock m., Z. -tafel-stock; -tafel v. biljart o.,biljarttafel \.-,—kugel v. hiljartbal m.; —loch o. zak ra. van een hll-jarl; —spiel o. biljartspel o.; —stock m. bil-jartstok m., keu v.

Balsam, m. balsem m.; -apfel m. wonder-appel m,, halsamijn v.; -baum m. balsemboom ra.; -blülhe v. balsembloesem m.; -buchse v. balsemdoos v., balsempot m.; -duft ra. balsemgeur m.; -espe v., Z. -pappel; -fichte v. balsempünboom m.; -frucht v. balsemboom-vrucht v.; -gefass o. balsempot m.; -geist ra. balsemgeest m.; -geruch m. biilsemreuk,geur ra.; -gewiichs o. hiilsemgewas o.; -harz o.bal-semhars o.; -holz o. reukhout o Balsamine, [-n) v., Z. Springkraut Balsamlren, hedr. ww. balsemen, wei-riekend maken; 2. wed. ww. sich zich par-fumeeren.

Balsamisch, bijv. en b. balsemachtig, balsem bevattend; (lig.) zacht, verkwikkend.

Balsam kramer, m. balsemkramer m., -kraut o. balserakruid o.; -leiche v. mummie v.; - miltel o. balsemachtig middel o.; -ijl o balsemolie v.; - pappel v. balsempopuiier m.; -püanze v., Z. -kraut, -strauch; -reich bijv. en h. halseniryk, geurrijk; -staudev., -strauch m. balsemstruik m.; -tanne v. balsemdenne-hoora m.; -Ihau m. verkwikkende dauw m.; -wiirt o. troostwoord o.

Balz, (-en) v. paren o. (van vogels); - of -zeil v. paartijd ra.

Balzen, o. ww. (van vogels), paren; (van katten), krolscb zijn.

Bamboociade, (-n) v. laag-komleke voorstelling van volkstooneelen in schilderijeu.

Bambus, 111., Bambusrohr, O. bam-lioes, bamboesriet o.; -zucker m. hamboes-suiker v.

Bamme, (-n) v., Z. Buiterbamme.

Bammei, (-«) v. hanger m., neeiiian-gende kwast m.

Barameln, o. ww. slingeren, heen en weer bewegen; (lig.) hangen.

Bammcln, o. ww. (op de oppervlakte van liet water), zeiieren, scheien.

Bams, {-es, mv. -e) in. kussen o., opgevulde zadel m.

Bamsen, hedr. ww uitslaan, kloppen, slaan.

Banal, bijv. nw. alledaagscli, gemeen.

Banane, (-») v., Z. Pisang.

Banausiscb, bijv. nw. gemeen, een laag karakter verradende.

Banco, (Bunco's, mv. Banco's) m. bank v., banco o.; -agent m., Z. Bankagent; -geld o. bankgeld o.; -zeltel ra. (Oostenrgksch) bankbiljet o.

Band, {llaiuHe)s, mv. Bander) o. hand, lint o.; verhand o., zwachtel m.; bintbalk m., gording v.; hoepel m.; i. (mv. Bande en Handen) m. band ra., boei v., keten m., kluister v.; I). (mv. Bdmle) m. band ra., boekdeel o. in één band.

Band-achat, ra gestreepte agaat m.; -ader v., Z. Flechse.

Bandage, (-n) v., Z. Bindc; -npuppe V. ledepop v.

Bandagist, (-en, mv. -en) m. brcukband-maker m.

Band-abnlich, bijv. nw. lintvormig, handvormig; -alabaster m. gestreept albast o.; -arl v. opruinibeitel in.; -beinfilgung v. ge-wriebtsvereeniging v. door banden-, -bezeich-nung v. aanwijzing v. van liet boekdeel; -hhimc v. kunstbloem v.; -bohrer m. zwikboor v., kleine avegaar m.

Bandeben, o. lintje, biindje o.; (hoek-) deelije o.

Band-draht, m. middeldraad o.; -eisen o. bandijzer o.

Bande, (-n) v. zijde v., boord o, van het schip, hand, rand m.; reep m., breede streep, strook v.; bende v., troep ra.

Baadel, (-s, mv. Bnmlel) 0., Btiml-chen.


-ocr page 144-

128 BAN

BAN

Bandelier, (-s, mv. -e) m. Landelier, scbouderricm m.

Bauden, Ijedr. ww. spannen, aanluilen. Bandereich, bijv. n\v. uit veel deelcn of banden beslaande.

Bander-jaspis, m. geslrceple jaspis m.; -kram m. bandwinkel, lintwinkel m.; -krü-mer in. band -, liiitverkoopei' m.; -lehre v. bandenleer v.; -rcich büv. en b. lintrijk, bandrijk; -schuh in. slrikseboeii m.

Banderu, bedr. ww. lot slrooken of ree-pen woven of verven in.

Band-fabrik, v. Ilntrabriek, bandfabriek v.; -/inch m. linlviscb m.; -frau v. Ilnlver-koopslor, bandverkoopsler w,-haken m.lioep-tang v., klembaak. bandliaak in.; -handel m. liiilliandel in.; -handler, -handlerin, lintver-kooper m., lintverkoopster v.; -Iiumllumj v. lint of bandwinkel m.;-/iOk o. iioep(el)hout o.

Bandig, {-er, -si) bijv. en b. gestreept; met lint voorzien.

Bandig, (-er, -si) büv. en b. (vv. i. gebr.) Z. z a hui; - lunchen, bandujen.

Bandigen, bedr. vvw. teiiimen, beteugelen, bedwingen.

Bandiger, (-s, mv. handiijer) ra. temmer, beteugelaar m.

Bandit, (-en, mv. -en) m. bundiet, roo-ver m.

Band-jaspiB, (-es, mv. -e) m., Biin-derjaspis; -kegel m.,Z. -haken; -kram m., Bunderkruni; -laden m., Z. -hmdlumj; -los bijv. inv. bandeloos, ongebonden; (tig.) Z. zü-tjcllos; -losiykeil \/MijcllosUjkeit; -macher m. lintwever m.; -manuur m. gestreept marnier o.; -inache v., Z. -schleifc; -messer o. dissel, baars m.; -molte v. gestreepte nacbt-\ lindcr 111.; -mühle v. linlwerkers-werktafet v.; -inuschel v. gestreepte schelp \.;-na(jel m. bandnagel m.; -nailer v. lmUidder \.; -uudt'ht v. mv. vermicelli v. in den vorm van lint; -reif m. hoepel m.; -rose v. roos v. van lint; -schachlel v. lintdoos, bandduos v.; -schleile Z. -rose; it. kokarde v.;-slt;cin m. lint-steen in.; -slreif lil. strook v.; -slilck o. bint-stuk o.; -sluhl m., Z. -mühlej -lresse\. lint-galon, llvreiband o.; -luie v., Z. -inuschel; -verlangerung v.veirekkingv.; -luaarey. lint, band o.; -weber, -wirker m., Z. -macher; -weide v. teenwilg m.; -werk o. Ilntwerk, handwerk o.; -wwm in. lintworm m.; -zieher m. klembaak m.

Bange, (-r, -sl of biinijer, bdmjsl) bgv. en h. bang, bevreesd, vreesachtig; esistmir-um Hm, ik vrees voor hem; (lig.) akelig.

Bangen, o. ww. onp. bang zijn, bevreesd zijn; uur hamjt für Hm, ik vrees voor hem. Bangenkraut, o., Z. Schierling. Bangigkeit, Bange, v. bangheid, vreesachtigheid, ongerustheid v.

Banglich, büv. en h. eenigszins bang, bevreesd zijn; -keil v. bangheid, bezorgdheid, vrees v., angst m.

Banguiss, [-es, mv. -e) v., Z. Bangigkeit.

Bangsam, Bangsamkelt, Z. Ilamje, Bangigkeil.

Bank, (Biinke) v. bank v.; (lig.) unler die - sleeken, verbergen; durch die -, doorgaans; uuf die lange - schieben, op de lange baan schuiven; geislliche -, geestelijke orde v.; (in zee), bank, zandbank v.; werktafel, hank v.; 2. (mv. Banken), kantoor o. van een bankier; bank, wisselbank v.

Bank-actie, v. bankactie v.; -uctionar, -aclionist m. aandeelhouder m. in eene bank; -agcnl m. agent m. voor eene bank; -agio o., Z. -geld; -anweisung v. bankbiljet o.; -arbeil v. bankw erk o.; -arbeiter in. bankw erker m.; -assignation v. bankassigiiatie v.; -aufgeldo. bankagio o.; -bcdienter in. bediende m. bij de bank; -bruch m. bankbreuk v., bankeroet o.; -brüchig bijv. en b. insolvent; -bach o. bankbook o.; -capital o. bankkapitaal o.; -cassier m. kassier m. van de bank; -conto m. rekening v. van de bank; -deposiium o.inde bank gebracht geld o.; -eisen o. bankijzcr o.

Bankel-gesaug, m. straatliedje, kermis liedje o.; -kramer m. straatkoopman m.;-s«H-ger m., -reiter m. kermiszanger, liedjeszanger m.

Bankerott, bijv. en b. lallliet, onvermogend om te betalen; 2. m, zelfst. bankeroet, failliet, faillissement o.; -befehl m. bevel o. tol faillietverklaring; -erklarung v. failliel-verklaring v.; -gesctz o. wel v. op de faillis-seinenten.

Bankerottirer, (-tirers, :iiv. -tirer) m. bankeroeller m.

Bankerottirmandat, o. reglement o. onitrent de faillissementen.

Bankert, (-(c)s, mv. -e) m. bastaard of basterd m.

Bankett, (-(e)s, mv. -en) o. feeslmaal, banket o.

Bankettiren, o. ww. feestmalen bijwonen, bankelleeren

Baukettzimmer, o. zaal v. waar het feestmaal gehouden wordt.

Bank-geld, o. bankgeld o.; -gericht o. bankgeroebt o.; -geschaft o. bankzaak v.;-je-selz o. statuten o. mv. eener bank; -groschen m. bankgroscben o.; -haller m. houder m. van de bank; -hammer m. kllnkbainer m.; -herr m. bankier, bestuurder m. eenur bank; -hobel ra. kuipersschaaf v.; -hom o. bankaamheeld o.; -kratze v. krabber m.; -lehne v. bankleu-ning v.; -macher ra., Z. -halter; -meiszei m. koubeitel m.; -meister m. 'oroodsiüter m.; -messer o. hakmes o.; -note v. banknoot v.. bankbiljet o.; -noten v. mv. papieren geld o.; -notenfdlscher m. vervaardiger m van val-sche bankbiljetten; -notenpresse v. pers v. voor bankbiljetten; -officiant ra. bediende m. van de bank; -ordnung v. reglement o. van de hank; -pfennig m. bankpenning ra.; -rech-nung v. bankrekening v.; -recht o. bankrecht o.; -richter m. rechter m. \an de bundels-rechtbank; —sc'tein ra. bankbiljet o.; -schlach-ten o. uitstallen o. van vleescb op de hunki


-ocr page 145-

BaR 129

BaR

-schlachler m. halslachter m.; -Schneider m. visscher m. die de visclï aan eene bank verkoopt m.; -schreiber m. sclirgver m. aan de hank; -stift m., Z. -eisen; -stube v. kantoor o. van de hank; -thaler m. hankdaalder m.; -lüchtut bijv. en h. goed om uitgestald te worden; -wesen o. bankwezen o.; -zahlung v. betaling v. in bankgeld;-jeWe(ni.,Z. -note; -zins m. bankgeld o.

Banko, Z. Banco.

Bann, (-(e)s, mv. -e) m. dwang ra., geweld o., verbod o.; ban, rijksban, kcrkelüke ban m.; in den - thun, in den ban deen-, verbanning, ballingschap v.; -brief m. escomraunicatie-bul v.

Bannen, hedr. ww. bannen, verbannen, gedwongen altijd te huis te zitten; verdrijven; vervloeken, hetooveren; voor heilig en onkwetsbaar verklaren; zu der Muhle ist das Dorf yebannt, het dorp mag nergens anders lalen malen dan op dien molen.

Banner, (-s, mv. Banner) m., Z. Geister-, Teufelsbanner; 2. o. hauler v., vaandel o., standaard m.; -herr m. baanderheer ra., Z. Fdhnrich; -tehen o. baanderleen o.

Bann-fasten, o. voorgeschreven vasten v.; -fluch m. banvloek m.; -formet v., Z. Kir-chenbann; -forst ra. hosch, woud o., waarin het jagen of houthakken verboden is; -gut o. in eene banheerlijkheid gelegen goed o.; it. smokkelwaar v.; -herr m., Z. Gerichtsherr; -hotz o., Z. -forst; -ketter v. dwangpers v.; -leute mv. onderdanen m. mv. van een district van een baanderheer;-mei/e v. banheerlljk gebied o.; -mühle v. dwangmolen m.; -ofen m. dwangoven ra.; -richter m. rechter m. van een district; -stein ra., Z. Grenzsleiti; -straht m. banbliksem m.; -rogt, -wart m., Z. Flur-schutze; -tcald m.,Z. -forst;-wasser o. water o. waarin het visschen verboden is; -wein m. wijn m. op de dwangpers geperst; -werk o. dwangwerk o., dwangarbeid m.; -zaun m. haag v. of tuin ra., welke (n) de onderhoorigen moeten onderhouden.

Banquier, (-s, mv. -e) m. bankier m.; -haus o. bankiershuis o.; -prolusion v. ban-kiersprovisie v.

Banse, (-n) v., Bansen, (-s,mv. Bansen) m. korenplaats v.; it. wolvennet o.

Bansen, (-s, mv. Bansen) m. herkauwend dier o.; de maag v. van een herkauwend dier,

Bansen, hedr. ww. opvlijen, in de schuur ophoopen.

Banser, Banserin, knecht m., meid V. die het koren opvlijt.

Bar, bijv. en b. baar, gereed, comptant; beroofd, naakt, berooid; zuiver, klaar, onvermengd, vrij, onvervalscht.

Bar, (-en, mv. -en) m. beer m.; -in v. berin v., wijfjesbeer m.; schuld v.; heistelling v., heiblok o.

Baracke, {-n) v. barak v.

Baranke, (-n) v. wol, huid V. van voor de eerste maal geschoren schapen.

Barartig, bijv. nw. beerachtig.

Barartikel, ra. kasrekening v.

Barartlren, hedr. ww. ruilen, den wis-selbandel uitoefenen.

Barbar, {-en, mv. -en) m. Barbarijsch paard o.; barbaar, wreedaard in.

Barbarei, v. barbaarschheid, ruwheid, onwetendheid, wreedheid v.

Barbaresken, ra. mv. bewoners ra. mv. der Barharijsche staten.

Barbarfalk, m. Barharijsche valk m.

Barbarin, {-nen) v. Barbaarsche vrouw, vrouw v. uit Barbarge.

Barbariscb, bijv. en b. Barbaarscli; (tig.) wreed, woest, ruw.

Barbarkraut, o., Z. Burbenkraut.

Barbe, (-ra) v. barbeel, baardvisch ra.

Barbelnig, bijv. nw. blootsvoets.

Barbeiszig, bijv. nw. twistziek, driftig; -keit v. twistziekachtigheid, driftigheid v.

Barbenkraut, o. winterkers v.

Barbier, {-s, mv. -e) m. barbier, baard-schee rderm.;-()effcra o. scheerbekken o.\-gesell ra. barbiersknecht ra.; -junge m. barbiersjongen m.; -messer o. scheermes o.; -riemen ra. scheerriem ra.; -sack m., Z. -zeug; -stube v. barbierswinkel m.; -tueh o., Z. Barttuch; -zeug o. scheergereedschap o.

Barbiren, bedr. ww. den baard scheren, schrappen.

Barchent, f-s, rav. -e) m. bombazijn o.

Barchenten, bijv. en b. bombazijnen.

Barchent-macher, -weber, m. boraba-zynwerker, bombazijnwever m.

Barde, {-n, mv. -n) ra. bard m.; -nchor m. bardenkoor o.; -ngesang ra., -nlied o. har-denzang ra., bardenlied o.; -nthum o. bardenwezen o.

Bardiet, {-(lt;;)«, mv. -e) O. bardenlied o., bardenzang m.

Baregin, (-s, mv. -e) o. naar eiwit gelijkende stof v.

Bareis, (-es) o., z. m. helder ijs, ijs o. zonder sneeuw.

Baren, o. ww., m. h. (van beren), ritsig zijn.

Baren-ahnllcli, bijv. beerachtig; -beiszer ra. bulhond m. voor de wilde zwijnenjacht; -decke v. kleeding, deken v. uit eene berenhuid vervaardigd; -dill o., Z. Bdrwurz; -dreck ra.. Z. -/'aHf/m. berenval,beren

vangst v.; -feil o. berenvel o., berenhuid v.; -fell o. berenvet o.; -fürmig bijv. nw. beer-vormig; -führer m. berenleider m.; -fusz m. berenvoet, berenpoot m.; (fig.) zware, logge poot of voet m.; berenklauw ra.; -haft bijv. en b., Z. -maszig; -hatz, -hetzey. berenjacht v. met honden; -haul v. berenhuid v.; -hauler m. luiaard, dagdief m.; -hauterei v. luiheid, dagdieverij v.; -hdulerisch bijv.en b. lui; -kuier m. berenleider m.; -jagd v. berenjacht v.; -klau v. berenklauw m., heelkruid o.; —Malt o. berenklaauwblad o.; —distel v. distel v. van een berenklauw; -kleem.,7.. Stein-klee; -kolk ra. berendrek m.; -kraut o., Z. Klinicjskerze; -krebs ra. garnaalkreeft ra.;


-ocr page 146-

BAN

128

BAN

Bandelier, (-s, mv. -e) m. bandelier, schouderriem m.

Banden, bedr. avw. spannen, aanhalen.

Bandereich, bijv. n\v. uil veel deelen of banden bestaande.

Bander-jaspis, in. gestreepte jaspis m.; -kram m. bandwinkel, lintwinkel m.; -krtimer in. band -, linlverkooper in.; -lehre v. bandenleer v.; -reich bijv. en b. lintrijk, bandrijk; -schuh m. striksclioen m.

Bandern, bedr. ww. tot strooken of reepen weven of verven in.

Band-fabrik, v. lintfabriek, bandfabriek v.; -fisch in. lintvisch m.; -frau v. lintver-koopsier, bandverkoopster -haken in. hoep-tan^ v., klemhaak, bandhaak m.; -handel m. linthandel m.; -handler, -handlerin, lintver-kooper m., lintverkoopster v.; -handlumj v. lint of bandwinkel m.; -holz o. hoep(el)hout o.

Bandig, (-er, -st) bijv. en b. gestreept; met lint voorzien.

Bandig, (-er, -st) bijv. en b. (w. i. gebr.) Z. zahni; - machen, /. banduien.

Bandigen, bedr. ww. temmen, beteugelen, bedwingen.

Bandiger, {-s, inv. Handig er) m. temmer, beteugelaar m.

Bandit, {-en, mv. -en) m. bandiet, roo-ver m.

Band-jaspis, [-es, mv. -e) m., Z. Bander jaspis; -kegel m.,Z. -haken; -kram m., Z. Banderkram; -laden m., Z. -handlumj; -los bijv. nw. bandeloos, ongebonden; (lig.) Z. zu-(jellos; -losUjkeit v., /. Ziigellosuikeil; -macher m. lintwever m.; -marmor m. gestreept marmer o.; -macho v., Z. -schleife; -messer o. dissel, baars m.; -motte v. gestreepte nachtvlinder m.; -muhle v. lintwerkers-werktafel v.; -muschel v. gestreepte schelp \.;-nagel m. bandnagel m.; -natter v. lintadder v.;-nwrfe/w v. mv. vermicelli v. in den vorm van lint; -reif m. hoepel m.; -rose v. roos v. van lint; -schachtel v. lintdoos, banddoos v.; -sc hl ei Je

Z. -rose; it. kokarde v.; -stein m. lintsteen m.; -streif m. strook v.; -stuck o. bintstuk o.; -stuhl m., Z. -mülilej -tresse v. lintgalon, livreiband o.; -lute v., Z. -muschel; -verlamerung v. verrekking v.; -ioaare\. lint, band o.; -weber, -wirker m., Z. -macher; -weide v. teenwilg m.; -werk o. lintwerk, handwerk o.; -wurm in. lintworm m.; -zieher m. klemhaak m.

Bange, (-r, -st of banger, bangst) bijv. en b. bang, bevreesd, vreesachtig; es ist mir -nm ihn, ik vrees voor hem; (lig.) akelig.

Bangen, o. ww. onp. bang zijn, bevreesd zijn; mir hangt für ihn, ik vrees voor hem.

Bangenkraut, o., Z. Schierling.

Bangigkeit, Bange, v. bangheid, vreesachtigheid, ongerustheid v.

Banglich, bijv. en b. eenigszins bang, bevreesd zijn; -keit v. bangheid, bezorgdheid, vrees v., angst m.

Banguiss, {-es, mv. -e) v., Z. Bangigkeit.

Bangsam, Bangsamkeit, Z. Bange Bangigkeit.

Bank, {Banke) v. bank v.; (lig.) unter die - sleeken, verbergen; durch die -, doorgaans^ auf die lange - schieben, op de lange baan schuiven; geistliche -, geestelijke orde v.; (in zee), bank, zandbank v.; werktafel, bank v.; 2. (mv. Banken), kantoor o. van een bankier; bank, wisselbank v.

Bank-actle, v. bankactie v.; -actionar, -actionist m. aandeelhouder m. in eene bank; -agenl m. agent m. voor eene bank; -agio o., Z. -geld; -anweisung v. bankbiljet o.; -arbeit v. bank werk o.; -arbeit er m. bankwerker m.; -assignation v. bankassignatie v.; -aufgeld o. bankagio o.; -bedienter m. bediende m. bij de bank; -bruch m. bankbreuk v., bankeroet o.; -brüchig bijv. en b. insolvent; -buch o. bank-boek o.; -capital o. bankkapitaal o.; -c as si er m. kassier m. van de bank; -conto m. rekening v. van de bank; -depositum o. in de bank gebracht geld o.; -eisen o. bankijzer o.

Bankel-gesang; m. straatliedje, kermis liedje o.; -kramer m. straatkoopman m.;-.sa?lt;-ger m., -reiter m. kermiszanger, liedjeszanger m.

Bankerott, bijv. en b. lailliet, onvermogend om te betalen; 2. m. «elfst. bankeroet, failliet, faillissement o.; -befehl m. bevel o. tot faillietverklaring; -erklurung v. faillietverklaring v.; -gesetz o. wet v. op de faillissementen.

Bankerottirer, {-tirers, mv. -tirer) m. bankeroetier m.

Bankerottirmandat, u. reglement o. omtrent de faillissementen.

Bankert, (-(e)s, mv. -e) m. bastaard of basterd m.

Bankett, (-(e)^, mv. -en) o. feestmaal, banket o.

Bankettiren, o. ww. feestmalen bijwonen, banketteeren

Bankettzimmer, o. zaal v. waar het feestmaal gehouden wordt.

Bank-geld, o. bankgeld o.; -gericht o. bankgerecht o.; -geschaft o. bankzaak v.;-^e-setz o. statuten o. mv. eener bank; -groschen m. bankgroschen o.; -halter \\\. houder m. van de bank; -hammer m. klinkliamer m.; -herr m. bankier, bestuurder m. eener h'di\k;-hobel m. kuipersschaaf v.; -horn o. bankaambeeld u.; -kratze v. krabber in.; -lehne v. bankleu-ning v.; -macher m., Z. -halter; -meiszei m. koubeitel m.; -meister m. broodslijter m.; -messer o. hakmes o.; -note v. banknoot v.. bankbiljet o.; -noten v. mv. papieren geld o.; -notenfdlscher m. vervaardiger m van val-sche bankbiljetten; -noter.presse v. pers v. voor bankbiljetten; -olficiant m. bediende m. van de bank; -ordnung v. reglement o. van de bank; -pfennig m. bank penning m.; -rech-nung v. bankrekening v.; -recht o. bankrecht o.; -richter m. rechter m. van de handelsrechtbank; -schein m. bankbiljet o.; -schlach-ten o. uitstallen o. van vleesch op de bank;


-ocr page 147-

BaR

BaR

129

-schluchlcr m, halslachter m.; -Schneider m. ilje, visscher m. die de viscB aan eene bank ver

koopt m.; -schreiber m. schrijver m. aan de dl'e bank; -stift m., Z. -eisen; -slube v. kantoor

o. van de bank; -thaler m. bankdaalder ra.; '•J11 -tachtig bijv. en b. goed om uitgestald te wor-

(iquot; den; -rvesen o. bankwezen o.; -zahlung v. be-

v-; taling v. in bankgeld;-note; -zins

er; m. bankgeld o.

Banko, Z. Banco.

'quot;'y Bann, (-(e)s, mv. -e) m. dwangra.,geweld

'k; o., verbod o.; ban, rpsban, kerkelijke ban m.;

0;. in den - thun, in den ban doen; verbanning,

'U ballingschap v.; -brief m. excominunicatle-

ll-; bul v.

'gt;■ Bannen, bedr. ww. bannen, verbannen,

'Ü gedwongen altijd te huis te zitten; verdrijven;

gt;■gt; vervloeken, betooveren; voor heilig en on-

kwetsbaar verklaren; zu der Mühle ist das Dorf gebannt, het dorp raag nergens anders laten malen dan op dien molen.

Banner, (-«, mv. Banner) ra., Z. Geister-, Teufelsbanner; 2. o, banier v., vaandel o., s standaard ra.; -herr m. baanderheer ra., Z.

i- l'uhnrich; -lehen o. baanderleen o.

1quot; Bann-fasten, o. voorgeschreven vasten

v.; -fluch ra. banvloek ra.; -formel v., Z. Kir-chenbunn; -forst m. bosch, woud o., waarin het jagen of houthakken verboden is; -gut o. '■ in eene banheerlijkbeid gelegen goed o.; it.

smokkelwaar v.; -herr ra., Z. Gerichtsherr; -holz o., Z. -forst; -ketter v. dwangpers v.; -leute mv. onderdanen m. mv. van een district van een baanderheer; -meile v. banheerlijk gebied o.; -tnilhle v. dwangmolen m.; -ofen ra. dwangoven m,; -richter in. rechter m. van een district; -stein m., Z. Grenzstein; -slraht m. banbliksem ra.; -vogt, -wart ra., Z. Flur-schiltzc; -waldm.,7.. -forst; -wasser o. ymlev o. waarin liet vtsschen verboden is; -wein ra. wijn ra. op de dwangpers geperst; -werk o. dwangwerk o., dwangarbeid ra.; -zaun ra. haag v. of tuin ra., welke(n) de onderhoorlgeii moeten onderhouden.

Banquier, (-s, mv. -e) ra. bankier m.; -/mus o. bankiershuis o.; -provision v. bankiersprovisie v.

Banse, (-n) v., Bansen, (-s,rav. Bansen) ra. korenplaats v.; it. wolvennet o.

Bansen, (-s, mv. Bansen) ra. herkauwend dier o.; de maag v. van een herkauwend dier.

Bansen, bedr. ww. opv'.yen, in de schuur ophoopen.

Banser, Banserin, knecht m., meid v. die het koren opvlijt.

Bar, bijv. en b. baar, gereed, comptant; beroofd, naakt, berooid; zuiver, klaar, onvermengd, vrij, onvervalscht.

Bar, {-en, mv. -en) in.beerra.;-mv.berin v., wgfjesbeer ra.; schuld v.; heistelling v., heiblok o.

Baracke, (-«) v. barak v.

Baranke, l-n) v. wol, huid v. van voor de eerste maal geschoren schapen.

Barartig, bijv. nw. beerachtig.

Barartikel, m. kasrekening v.

Barartiren, bedr. ww. rallen, den wisselhandel uitoefenen.

Barbar, {-en, mv. -en) ra. Barbarijsch paard o.; barbaar, wreedaard m.

Barbarei, v. barbaarschheid, ruwheid, onwetendheid, wreedheid v.

Barbaresken, ra. mv. bewoners ra. mv. der Barbarijsche staten.

Barbarfalk, ra. Barbarijsche valk ra.

Barbarin, i-nen) v. Barbaarsche vrouw, vrouw v. uit Barbargë.

Barbarisch, bijv. en b. Barbaarsch; (Hg.) wreed, woest, ruw.

Barbarkraut, o., Z. Barbenkraut.

Barbe, (-«) v. barbeel, haardvisch m.

Barbeinig, bijv. nw. blootsvoets.

Barbeiszig, bgv. nw. twistziek, driftig; -keit v. twistziekachtigheid, driftigheid v.

Barbenkraut, o. winterkers v.

Barbier, {-s, mv. -e) m. barbier, baardscheerder m.-,-becken o. scheerbekken o.-,-geselt ra. barbiersknecht m.; -Junge in. barbiersjongen ra.; -messet- o. scheermes o.; -riemen m. scbeerriera ra.; -sack ra., Z. -zeug; -stube v. barbierswinkel ra.; -tuch o., Z. Barttuch; -zeug o. scheergereedschap o.

Barbiren, bedr. ww. den baard scheren, schrappen.

Barchent, {-s, mv. -e) ra. bombazijn o.

Barchenten, bijv. en b. borabazijnen.

Barchent-macher, -weber, ra. bombazijnwerker, bombazijnwever m.

Barde, (-n, rav. -n) m. bard ra.; -nchor m. bardenkoor o.; -ngesang m., -nlied o. bardenzang m., bardenlied o.; -nthum o. bardenwezen o.

Bardiet, (-(e)s, rav. -e) o. bardenlied o., bardenzang m.

Baregin, (-s, rav. -e) o. naar eiwit gelijkende stof v.

Barets, (-es) o., z. ra. beider ijs, ijs o. zonder sneeuw.

Baren, o. ww., ra. h. (van beren), ritsig zyn.

Baren-ühnlich, bijv. beerachtig; -beiszer m. bulhond m. voor de wilde zwijnenjacht; -decke v. kleeding, deken v. uil eene berenhuid vervaardigd; -dill o.,Z.Barwurz;-dreck m., Z. ,Sttóz/io/:sa/Y;-/'«Hf/ra. berenval,berenvangst v.; -fell o. berenvel o., berenhuid v.; -fett o. berenvet o.; -förmig bgv. nw. beer-vorratg; -führer ra. berenleider ra.; -fusz m. berenvoet, berenpoot ra.; (lig.) zware, logge poot of voet ra.; berenklauw m.; -haft bgv. en b., Z. -mdszig; -hatz, -hetze v. berenjacht v. met honden; -haut v. berenhuid v.; -hauler ra. luiaard, dagdief ra.; -hauterei v. luiheid, dagdieverij v-; -hdulerisch bijv.en b. lui; -hilter ra. berenleider ra.; -jagd v. berenjacht v.; -klau v. berenklauw ni., heelkruid o.; —blatt o. berenklaauwblad o.; —distel v. distel v. van een berenklauw; -kleem., /.. Stein-klee; -koth in. berendrek ra.; -krant o., /.. Konttjskerze; -krebs m. garnaalkreeft ra.;


-ocr page 148-

130 BAR — BAS

-iauch m. berenknonook o.; -masziq bijv. en b. zwaar, plomp, woest als een beer; -motie v. Iieermot v.; -mu/?' m. mof ra. van berenvel; -ohr o. berenoor o.; -iihrlein o, klein berenoor o.; -pfeife v. fluit v. van een berenleider; -raubkafer m. barl^e roofkever ra.; -raupe v. beerrups v.; -schmalz ra. berenvet o ; -lanz m. berendaas m.; -tappe v. berenstap in.; -tatzc v. berenpoot ra.; -trauhe v. berendruif v.; -würter ra. berenwachter ra.; -voqel ra. beer-vo^'el ra.; -zeit v. tyd m. waarin de beren paren; -zwinger ra. berenkuil ra.

Baiett, {-(e).«, rav. -e) o., Barrel.

Bar-frost, m., Blachfrosl; -fu.iz bijv. nw. barrevoets; -füazer ra. barrevoeter ra.; —orden ra. barrevoeter-orde v.; -fusziu bljw. barrevoets; -haupl o., -hiiupliq bijv. uw., /,. -köpfig.

Bürin, (-nen) v. berin v., wyfjesbeer ra.

Bariton, {-s, mv. -e) ra. booge basstem v., baryton m.

Barkarole, (-«) v. Venetiaansch schipperslied o.

Barkass, {-es, rav. -c) m. barkas v.

Barkauf,m. koop m. om baar geld.

Barke, (-li) v. bark, schuit v.

Bark-halter, m., -holz, o., Z. Berqholz.

Barköpfis, bijv. en b. blootshoofds.

Bar-lapp en , ra. berenvoet ra., aardraos o.; -enmehl o. aardraospoeder o.; -Inuch ra., Z. Barenlauch; -mm/s v., Z. MurmellMer.

Barme, v., Barmbrod, 0., Z. lief en, Hefenbrod.

Barmeister, ra., Z. BHrenwdrter.

Barmherzxg, bijv. en b. barmhartig, rae-deiydond, liefderijk, Z. el end, erbdrmlich;-keil v. barmhartigheid v., medelijden o., liefderijkheid v.

Bar-muff, ra.. Z. Barenmuff; -muiter v. baarmoeder v.; -mutze v. berenmuts v.

Bam, (-(e)s, mv. -e) m.,Z. Krippe; Banse; -beiszer ra., Z. Krippenbeiszer; -.itein m., Z. Backslein.

Baröffnung, v. keizerssnede v.

Barometer, m. barometer ra., weerglas o.

Barometrisch, bijv. en b. wat den barometer betreft, volgens den haroraetcr.

Baron, (-(e).«, rav. -e) ra. baron, vrijheer ra.

Baronesse, (-«) v.barones,vrüvrouwev.

Baronie, v. baronie, vrijheerlijkheid v.

Baronisiren, bedr. vvw. tot baron verheffen.

Barpfeife, v., Z. Barenpfei/e.

Barre, (-n) v. baar, staaf v.; roerstok ra.; zandbank v.

Barren, rav. Barren) ra., Z. Barre; boderastukr o. (van eene ton); kam ra. (van eene viool); slagboom m., tolhek o.; rekstok ra.

Barren-einguss, ra. staafvorram.; -gold, -sillier o. baargoud, staafzilver o.

Barrett, (-(e)s, rav. -e) o. kleine roodc muts, baret v.; -macher m. baretmaker m.; -trager m. baretdragcr ra.

Barricade, (-a) straatversperring, barricade v.

Bars, {Barse) v., Z. Blirs.

Barsch, büv. en b. barsch, ruw, scherp; -heit v. ruwheid, barschheid, scherpte v.

Barschaft, v. gereed geld o.; -sendung V. zending v. van klinkende munt.

Barse, (-«) v. klein vrachtschip 0.; it. linnen theebus ra.

Barst, (-(e).s, rav. Barste) m., Z. Dorst.

Bart, {-{e)s, mv. Harte) m. baard ra.; in den - brummen, mompelen; urn des Kaisers -streiten, om niets twisten.

Bart-becken, o. scheerbekken o.; -beisz-ker, -beiszer ra. wormvisch'^m.; -hürsle v. baardborstel m.

Bartchen, o. baardje, kneveltje o.

Barte, (-«) v. walvischbaarden ra. mv., balein o.

Barteln, bedr. ww. jcm. -, liefkoozen; het laken ruw scheren.

Barteltuch, o. ongeschoren laken o.

Bartenhandler, m. balelnverkooper ra.

Bartenwali, m. walvisch ra., balein o.

Bart-faden, m. walvischbaard m., balein v.; -fisch ra. walvisch m.; -/lechte v. baard-scburft o.; -fliege v. baardvlieg v.; -geier m., Z. Lammergeier:-gersten, baardgerst v.;-fleas o. baardgras o.; -haar o. baardhaar o.-,-haber ra., Z. Rauchhaher.

Barthe, (-re) v., Z. Bdt, Brettbeil.

Bartig, bijv. en b. gehaard, baardig.

Bart-karpfen, ra. baardkarper m.; -klap-pe v. baardtong v.; -kratzer m. baardschrapper ra.; -tdppchen o. baardnepje o.; -los bijv. nw., Z. unbartig; -mdnnchen o. baardmannetje o.; -moos o. wilde nardus v.; -nnqel m. baardnagel .ra.; -neige v. grondsop, kliekje, overschot o. in een glas; -nelke v. trosanjelier v.; -nuss v. lammertsnoot v.; -putzer ra., Z. -schever; -schere v. baard-schaar v.; -scherer m. barbier, baardscheerder m.; -schüssel v., Z. -becken; -schwamm ra., Z. Slachetsihwamm; -seife v. scheerzeep v.; -spitze v. punt v. van den knevel; voelspriet m.; -stern v. staartster, komeet v.; -tuch o. scheerdoek m.; -umbre m. baardige orabervisch ra.-, -vogel ra. baardvoget ra.; -wachs o. baardwas o. en v.; -zdnglein o. scheertangetje o.

Barutscbe, (-re) v. barouchet v.

Barvorschuss, ra. voorschot o. in baar geld.

Bar-winkel, m. maagdenpalm v.; -wurz v. berenklauw ra.; maagdenpalm v.; -zeil v., Z. Bdrenzeit.

Baryt, (-(e)s, mv. -s) m. hariet m.

Barzahlend, bijv. nw. in baar of gereed geld betalende.

Barzahlung, v. betaling v. in klinkende munt.

Basalt, (-(e)s, mv, -e) ra. basalt o.; -felsen m. basaltrots v.; -förmig bijv. nw. basalt-vormig; -glas o. basaltglas o.

Basaltiu, (-s, rav. -e) ra. basal tine o.


-ocr page 149-

BAD

BAS

131

spinnen; -Ihier o. bastaarddier o.; -wechse'. m.,Z. Kellerwechsel; -wotle v. bastaardwol v. Baste, v., Z. Rasta.

Bastei, (-en) v. bolwerk, bastion o. Basten, bijv. en b. dal uit bast of schors beslaat.

Basthut, m. basthoed m.

Bastion, (-(e)s, mv. -e) o., Z. Raslei. Bastline, of BastUng, m,, Z. Fimmel. Bast-matte, v., -schnhe, m. mv., -sell, o. of strick, m. mat v., schoenen ni. mv., touw o uitbastvervaardigd;-nlmey.olmbooin m,; -wurm m. bastworm m.

Bataille, (-n) v. veldslag m., gevecht o.; slagorde v.

Bataillon, (-(e)s, mv. -e) 0. bataljon o. Bathengel, (-s) in., z. m. germander-kruld o., batbengel m.

Bating, (-(e)s, mv. -e) of -hölzer, o. beting v., betinghout o.

Batings-balken, in. betingbalk m.-,-bo!-zen, -nagel m.mv. belingnagels m. mv.;-ftni(;e v. mv. betingknieën v. mv.; -slag m. bocht v. van het touw op het dak; -spenen v. mv. be-tingstijlen m. mv.; -spur v. kolsem m., zaadhout o.; -trager m. betingssteuner m.

Batist, (-(e)s, mv. -e) m. batist o. Batisten, liijv nw. batisten, van batist. Batistweber, m. batistwever m. Battcrie, (-«) v. baiierij v.; -geschiltz o. stuk o. geschut van de batterij; -platte v. metalen plaat v. waarop de batterij zich bevindt; -seüe v. zijde v. waar het geschut gelost wordt; -sleine m mv. hatterijsteenen m. mv.

Batz, (-es, mv. -e) m., Z. Pelz, Biir. Batzen, (Balzens, mv. Ratzen) m. batzen m.; klei, potaarde v., leem o.; Z. Angehdnge; Z. Fleck. Flecken.

Batzen, bedr. en o. ww. geld betalen, afschuiven.

Batzer, Batzier, Z. Bulzen.

Batzig, bijv. nw. van balzen; (fig.) hoogmoedig, onbeschaamd.

3au, {-(e)s, mv. -e) m. somtijds ook mv. Baue, of zelden Baue, bouw, opbouw, aanbouw m.,optrekking,stichting,constructie v.; bebouwing v.; (van eene mynj,ontginning, uiigraving v.; it. samenslelling, wijze v. van houwen; samenstel o.; gebouw, huis, woonhuis o., woning v.; (van een vos amp;), hol o.. schuilplaats v.; auf den - kommen, totdwang-arbeid veroordeeld Z(|n;-aftarfemiev.,Z.-sc/m/e, -ami o. opzicht o. over het houwen, departement o. voor openbare werken; -anschtag m. bestek o.; -anslallen v. mv. toebereidselen o. mv. voor het bouwen; -arbeit v. bouwen o.. dwangarbeid m.; -art. v. bouwtrant m.; (Iiouw)orde v.; -aufselter m. opziener, opzichter m. over het bouwen; -bar bijv. nw., Z. -fahiii; -bedarf m. bouwinateriaien o mv.

Bauch, (liauch (e)s, mv. Biiuche) m. huik m., onderlijf o.; (van zeilen), holle v.. Imik m.; einen - machen, uitzakken; -band o.. Z. -reif; -blasig bijv. nw., Z. herzschlachlin; -bohrer m. buikboor v.; -bruch m, buikbreuk

Basaitisch, liyv. nw. int tosalt bestaand, Ijasalten.

Bascben, o, tante v„ nichtje o.

Base, (-n) v. tante, moei v.; it. liloedver-wiinte, nicht y.

Basel-beere, v., Z. TVeiszdorn; -kraut o., /. Reerblume.

Fasenhaft, l)ijv. nw. Olldcwijvenachtig. Basenschaft.v. betrekking van neef tot nichten or tanten.

Basilien(kraut), BasiMcum, o., Z. Kii-nifjskraut.

Basilisk, [-en, rav. -en) m. koninsshage-dis, draaksiang v, basilisk in.; quot;3-ponder m. Basilisken-augen, o. mv., -bliek, m.

liasili.-koogen o. mv.; -ei o. liasiliskei o.

Basiren, bcdr. ww. op C9n grondslag vestigen, grondvesten, stichten, leunen, steunen. Basis, v. grondslag m., basisquot; v.

Basisch, bijv. nw. basisch.

Bass, bijw., Z. sehr,- it. besser.

Bass, (Basses, mv. Rasse) m. bas m., grondstem v.; brombas m., brommer m.

Bassa, (Basso's, mv. Bussa's en Rassen) m. bassa, pacha m.

3ass-blaser,in. baspijp, fagot v.; it.fago-tist m.; -hrummer m. baspijp v. van een orgel.

Bassett, (-s, mv. -e) bassetspel o.; stem v. iusscben tenor en bas; it. violoncel v.

Bassetchen, {-chens, mv. -chen) o. soort van Engelschen jachthond met korte pooien.

Bass-flöte, v. basfluit v.; -qeiqe v. basviool v., contrebas m.; -geiger m. contrebas-slst m,; -hom o, bassethoorn m.

Bassin, (-s, mv. -s) o. bassin 0.

Bassist, (-en, mv. -en) m. die den bas zingt, bassist m.

Bass-lade, v. grondwerk o. van eene or-gelkist; -laule v. basnoten v. mv.; -note v. basnoot v.; -/j/eiYev. baspijp, fagot v.;-posoune v., Z. Posaune;-sailenv. mv.bassnaren v. mv.; -Sanger m. baszanger m.; -schlilssel m. bassleutel m.; -spieler m., Z. -blaser, -geiger; -slimme v. basstem v.; -zeichen o. f-, fa- of bassleutel m.

Bast, (-(e)s, mv. Baste en Bdsle) bast m., schors, schil v.; it. gehekeld vlas o.,gebekelde hennep m.

Bastard, (-{e)s, mv. -e) m. bastaardkind o., basterd of bastaard m.; Z. Mittelgeschüiz; -ailler m., Z. Geieradler; -art v. bastaardsoort v.; -brut v., Z. Drohnenbrut; -fathem., Z. TVasserweihe; -fensfer o. haifvenster o.; -form v. basterdvorm m.; -geschlecht o. bastaardsoort v., gemengd ras o.; -indigo m. bastaard-indigo v.; -jungTer v. mierenleeuw m.; -klee m. bastaardklaver v.; -karthaune v. re-bulti o.; -lombeer m. basiaardiaurier m. -ma-krele v. liastaardmakreel m.; -molm m. bastaardpapaver v.; -nalur v. hoedanigheid v. van uit verschillende soorten geteelde planten, dieren amp;; -/i/lanze v. baslaardplant v.; -rare v. bastaardras, gemengd ras o.; -spindel, -spinnmachine v. werktuig o. om lijn ie

-ocr page 150-

182 BAU — BAU

v.; —band o., —compresse v. buik- of maag- lor m. dirccleur, opziener m. van publieke 0.

breukband m.; -decke v. buikvlles o.; -dec- werken. -pi

henschlagader v. buikslagader v.; -dielen v. Bauen, bedr. ww. einen Jcker hebou- pi,,

mv. wegering v.; -diener m. buikdienaar, wen; cine Xeche uitgraven; Getreidc zjC

lekkerbek m.; -dienerel y. of -dienst m. ver- bouwen-, Seide -, zijdewormen houden; Tem- m

lekkerdbeid, vraatzucht v. pel -, bouwen, stichten; Schilfe bouwen; gC|

Bauche, Bauche, (-n) v. loog v., loog- (Spr.) Schlösser in die Luft -, lucbtkastee- nl

water, zeepwater, zeepsop o. len bouwen; ein Fass -, samenstellen, op- nl

Bauchen, bauchen, bedr. ww. met loog slaan; eine Slrasze -, maken, aanleggen; rll

reinigen, in de loog zetten; 2. wed. ww. sic A wohl gebaut, welgebouwd, welgemaakt; -2. o. _Sj

-, uitzakken, uitzetten. ww. auf elw. of jem. bouwen op, reke- rei

Baucher, (-s, mv. Biiucher) m. wasscher nen op. bo

m. van nieuw linnen; -in v. wascbster i. van Bauer, (-s, mv. Bauer) o., Z. Foijelbauer, tal

nieuw linnen. Kafig. bo

Bauch-fass, o., -bütte, v., -zuber, m. Bauer, (-s en -n, mv. -n) m. boer, land- _(

loogvat, wasehvat o. man ra.; (tig.) lomperd, boerenkinkel m.; (in il0

Bauch-fell, o. buikvlies o.; —enlzilndung het spel), boer m., pion v. (|i

v. buikvliesontsteking v.; -fell o. buikvet o!; Bauerde, v. bouwgrond m.,bouwaarde v. m

-fieber 0. maagkoortsv.;-^nne,-/!osiev.buik- Bauerin, v. boerin, landbewoonster v. /

vin v.; -/losser m. buikviscb m.; -(luss m. Bauerisch, baurisch,bijv.enb. boersch, w

buikloop m., diarrhee v.; -/Jitssij bijv. nw. Iiij lomp, onbeschaafd, ongemanierd.

die buikloop of diarrhee heeft; -fönnirj byv. Bauerlich, bijv. en b. van een boer, als

en b. buikvormig; -fuszler ni. buikvoeter m.; een boer; -e .StWeii,boersche, landelijke zeden; ^

-rjegend v. buikstreek \.-,~fieschwulsl v. huik- -e Jbgeorlneien m. mv. afgevaardigden in.

gezwel o.; -gordingen in., Z. -(jurlcn; -grim- mv. van den boerenstand.

men o. buikpijn v.; -gurt m. buikgordel,buik- Bauem-arbeit, v. boerenarbeid m.; (lig.)

riem m.; -gurten m, buikgordingen v. mv.; moeilijk werk o.; -arl v. wijze v. der boeren, i)(

-haar o. buikhaar o.; -huken m. kromme bei- boerschheid v.; -band o. eene viassoort v.,die j),

tel ra.; -haul v., Z.-/'c/(;-/»)7i(ev. buikholte v. in Koerland in menigte groeit; -bengel m.

Bauchig, bauchig, bijv. en b. buikig, lomperd ra.; -bier o. boerenbier o.; -brod o. ^

uitspringend, bolrond. boerenbrood o.; -bursch m., Z. -kerl;-damast ])(

Bauch-kette, v. buikketting m.; -kieme m., Z. -zeug; -dill m., Z. Barwurz; -(linie [(

v. buikkieuw v.; -kiessen o. buikkussen o.; o. boerenmeid v., boerin v.; -erz o. oneigen- t(

-kneipen o., Z. -grimmen: -krampf m. koliek lyk zilvererts o.-,-flegel m., Z.-kerl;-frau i):

o., buikkramp v.; -krankheit v. buikziekte v.-. v. boerin v.; boersvrouw v.; - fuhrt: V. boeren- i,,

-linie v. buiklinie v.; -muskei m. buikspier kar, botskar v.; -gerdlh o. bouwgereedschap S|

v.; -na/it v. buiknaad m.; -nerve ra. buikze- o.; -gesinde o. boerenkneichts en meiden v.; j

nuw v.; -nervenkrank bijv. nw., -krankheit 11. dorpelingen m. en v. mv.; -gul o. niet ^

v., Z. milzsüchtig,Milzsucht; -öfjnung v. buik- adellijk goed of landgoed o.; il. landgoed o. n

openingv.;-^u/sa(/er v. buikpolsaderv.;-r-e(fen van een boer; -haft bijv. en b. boersch, boer- 0

o., Z. -rednerkunst; -redner m. buikspreker achtig, landelijk; (tig.) lomp, onbeschaafd; ji

m.; —kunst v. buikspreken o.; -reif m. buik- -haus o. boerenhuis o., boerderij v.; -hduschen n

hoepel m.; -riemen m. buikriem m.; -ring m. o. boerderijtje, boerenhuisje o.; -hof m. boe-buikring m.;-runi/e v.,Z.Baiic/ii4n5(;-scAi(!/!e renbofstede, pachthoeve v.; -hund m. bul-

v. golvende rail v.; -sehmerz m. buikpijn v.; hond, waakhond ra.; -hütte v. boerenhut v.; )

-schnitt m., Z. -ö/fnung; -schwellen o. bulk- -jokel ra., Z. -kcrl; -jungc m. boerenjongen, o

opzwelling, buikuitzetting v.; -sorge v., Z. boerenzoon m.; (lig.) lompe jongen; trompet- j

-dicnerei; -spdne m. mv. dwarsspanen v. mv. schelp v.; -kerl m. boerenkerel, jonge boer i

van eene luit; -speichel m. buikspeeksel o.; m.; (Hg.) lomperd, boerenkinkel m.; -kind o. ]

—drilse v. buikspeekselklier v.; —/lussm. boerenkind o.;-ftiHe/in, boerenkiel ra,;-ftnnie i

bulkspeekselvloeiing v.;-S|)ref/(erm., Z.-ralt;- ra., Z. -junge; -knecht m. boerenknecht m.; i

ner; -stecher m. stalen priem ra. tot vcrrich- -kresse v. veldtasch v.; -lehen o. boerenleen i

ting van den buiksteek; -stick m. buiksteek o.; -lummel m. boere'ikinkel, lomperd m.;

m.; -stuck o. buikstuk o.; -tonne v. glgbaan, -mddchen o., Z. -dime;-magd i. boerenmeid i

sullebaan v.; -übel o., Z. -krankheit. v.; eine grobe —, een onbehouwen meid. i

Bauchuug, Bauchnng, v. holrondheid, Bauern-aufrubr, -aufstand, ui. boe-

buikvormigbeid, ronding v, renoproer o., boerencpstand ra.; -feind in. i

Bauch-wasche, v., Z. Bauche; -wasser- boerenvUand ra.; -fes', o. boerenfeest, dorps- i

sucht v. buikwaterzucht v.; -weho. buikpijn feest o.;ra. dorpsspeelman in.;-/quot;rtuiK!

v.; -windsucht v. winderigheid v.; -wirhel m. m. boerenvriend m.-, -frohne v. boerenleen-

mv. de vijf benedenste wervelbeenderen o. dienst m.; -hochzeily. boerenbruiloft v.;-jacAe

mv. der ruggegraat; -wurm m., Z. Eingewei- v. hoerenhuis o,; -kleid o. boerenkleed o.;

dewurm;-zirkel ra. buikpasser m.; - zuber v. boerenkost m.; -krieg ra. bocrenoor-

m., Z. Bauche; -zwang m., Z. Leibzwang. log m.; -lurm m. alarm o. onder de boeren;

Bau-contract,in. bouwcoi!liaclo.;-(/imgt; -leben o. boerenleven o.; -Zied o. boerenlied

-ocr page 151-

BaU — BAU m

blicke 0. -pferd o. boerenpaard, ploegpaard o.; Baumeisen, o. Ijoomschrappor m.

-plUchtig büv. nw. tol lioertnleendienst ver- Baumeister, m. bouwmeester, archi-

elioii- piictit; -regel v. regel m,, waarnaar een boer tect m.

'd' zich v]c\il\-schenkey.,Z. Dorfschenhe; -scherz Baurael, {-n) 7.. Jngehange.

Tem- nl ruwe scherts v.; -schinder m. boerenpla- Baumeln, Z. bammeln.

jwen; ger m.;-sc/imrfereiv. boeren plagerij v.;-sc/ii(A Baumen, baumen, o ww., m. h. in boo-

astee- iioerenscboen m.; -senf m. boerenmosterd men klimmen, vliegen; 2. bedr. ww. Heu

gt; 0Pquot; n^; -uitte v. boerengewoonte v.; -silten v.mv. opsteken; 3. wed. ww. sich -, (van paarden),

iggen; ru^ve Zeden v. mv.; -spass m., Z. -setterZ; steigeren, op de aehterpooten gaan staan.

; i. o. -sprache V. boersche taal v.; -stand m. boe- Baum-ente, v. boomeend v.; -fnlk rn., Z,

reke- renstand m., staat m. van boer; -stolz m. Lerchenfalk; -falie knip m.; -farn m., Z.

boerentrotsebbeid v. m.; -stórt' o. landelijk Farnkraut;-flechte boommos o.;-fOrmi(jbijv.

mier, tafereel o., dorpsvoorstelling v.; -tanz m. en b. boomvormig;-/'rosc/i m.,Z. tauVrosc/'i;

boerendans m.; -tölpel m. lioerenkinkel m; -frucht v. boomvrucht m.; -gang m. laan v.;

land- -tracht v. boerenkleeding v.; -verstand m. -gans v. boomgans v.; -garten m., Z. übsl-

'•gt; ('n boerenverstand o.; -volk o. boerenvolk o.; garten; -gdrtner m. boomkweeker rn.; -gart-

(lig.) domme, ruwe mcnschen m. mv.;-tt'a9en nerei v. boomkweekerij v.; -geist m., Z.

rde v. m boerenwagen m., boerenkar v.; -weib o., -nymphe; -geldnder o. spalier o.; -gestalt v.

v. jr -frati; -tverh o., -^wirthschaft v. boeren- boomvorm m.; -qipfel m. boomtop m.; -gren-

srseh, wer|; o., boerderij v.; it. Z. Landwirthschaft; del m., 7,. P/lugiaum; -grille v. boomsluiper

-zwang m. boerendwang m. m.; -grind m., Z. -flechte;\l. -runde, -gruppe

r, als Bauerschaft, (-en) v. boeren m. mv., v. groep v. boomen; -hacker m. boomspeclil

eden; dorpsgemeente v. m.; -harz o. boomhars o. en v.; -haufen m

in m. Bauersmann, m. boer, landbouwer m. hoop m. tioomen; -heber m. boomhevel m.;

Bau-fahig, bijv. nw. (Landb.) bebouw- -Aecfte v. haag v. van boomen;-Aippev.snoei-

(''quot;•) baar; -fallig bijv. en b. bouwvallig; —heit v. mes o.;-ftor/i bijv. en b. boomenhoog oflang,

erengt; bouwvalligheid v.; -feld o. bouwland o.',-fest zoo hoog, lang als een boom; -holder m.,/

'■■die bijv. nw. bouwvast; -flösze v. bouwvlot o.; Jlolunder; -holz o. hoomhout o.; -hiipfer m.

el in. -freiheit v. bouwvrijbeid v.; -frohne v. ge- springspin v.

0'' 0' dwongen dienst m. bij liet oprichten van ge- Baumig, buv. nw. boomen bevattende.

mast bouwen; -fuhre v. vervoer o. van bouwma- Baum-kafer, m. gouden tor v., boomke-

iirne terialen; -fusz m. voet m.; -gefangener m. ver m.; -kalm m. boomschuitje o., cano v.;

quot;gen- tot dwangarbeid veroordeelde m.; -geist m. -kantig büv. on b. onbekantreebt; -ketter v.

■frau bouwzucht v.; -gerdthe o.,-gerathschaft boompors v.;-ftenner m. boomkennerm.;-/t/ee

srcn- bouwgereedschap'o.; -gerust o. steiger m., m. boomklaver v.; -Iclette v., Z. -kriec.her m.;

chap stelling v.; -haft bijv. en h. bewerkt worden- -krebs ra. boorakreeft m.; -kriecher m., Z.

v-; de; -handwerk m. bouwambacht o.; -herr m. -Idufer; -kübel m. boomtobbe v.; -kunde,

11 iet bouwheer m.; 11. Z. -meister; -hof m. lira- -kunst v. booraonkennis v.; -lang bijv. nw ,

C|l 0- merplaats v.; -holz o. timmerhout o.; -joch Z. -hoch; -laube v. prieel o. van boomen;

,otgt;rquot; o. bovendrempel ra. in een mijngang; -kennt- -Idufer ra., Z. -grille, -hacker; -taus v., Z.

aafd; nissv., Z, -kunde; -fcnecM m. onderopzichter Blattlaus; -leiter v. boomladder v.; -lerche

■dien ni. over de tot dwangarbeid veroordeelden; v., Z. Heidelerche; -toch o. boomkuil m.; -los

boe- -kosten mv. bouwkosten m. mv.; -kunde bijv. en b. zonder boomen;-ma/re v., Z.-pap-

bul- -kunst v. bouwkunde, bouwkunstv.;-fcüMft5 pel; -manier m. boommarter m., -mast

'i v.; bijv. en b. bouwkunstig, bouwkundig; -land boommest ra.; -meiszei hakmes o.; -messer

'S6quot;» o. bouwland o.; -lebung v., -srecht o., Z. m. boommeter m.; -mörder ra. booraraoorder

'Pet- Ilauplfall; -lehm ra. leeni o. waarmede men m.; -mnos o. boomraos o.; -nachtigatl v. win-

boer bouwt; -leutevo. rav. bouwlieden in. mv.; -Kch ternachtegaal m.; -nager ra., -kdfer;-nuss

'do. bijv. nw. bewoonbaar; v. goede, be- v.. »Z. Jfallnuss; -nymphe v. booranimf v.;

nabe woonbare staat m.; -Uchkeiien v. rav. gebou- -lil o. boomolie v.; —hef er v. rav. booraolie-

'wen o. mv.; -lust v. bouw lust m.;-lustig droesem m.;-pappe? v. boomraalwe v.; -pe/i-

ileen bijv. en b. bouwlustlg, bouwzlek. kan ra., Kropfgans; -pfahl m. boomstul

Baum, (-{e)s, mv. Bdume) m. boom, stam m.; -pfeife v. stek v., aflegger m.; -pflanzung

neid m.; -achat m. boomagaat in.; -ahnlich bijv. v. boomenplanten o.; plantsoen o.-, -pflaster

en b. boomachtig. o., Z. -ivachs; -pieker ra., Z. -grille, -har-

boe- Baum-allee, v., Z. -gang; -aloe v. boom- her-, -pieper m. boomleeuwerik in.; -preste v.,

' ra. aloë v.; -ameise v. boomraier v.; -anger m. Z. -keiter; -rdude v. boomschurft o. en v.;

rps- met boomen beplant kamp o -rebe v. wijnrank v.. die zich om hoornen

'quot;ml Baum at en alien, o. mv , Z. Baustoff. beenkronkelt; -reich bijv. en b. boomrjjk;

een- Baum-auster, v. boomoester v.; -bast m. -reihe v. rü v. boomen; -rende v. boomschors

acke boombast m.; bombazijn o ; -bluthe v. boom- v.; -safl m. boomsap o.; -sage v. tuinmans-

1 o.; bloesem m.; -blalt o. boomblad o.; -blüthe v. zaag v.; -salbe v. boorazalf v.; -sauger m,, Z.

oor- bloesem der boomen; -bohne v. boonenboom Schmarotzerpflanze; -schere v., Z. Garten

ren; m.-, -bruch m., Z. JVindbruch. schere; -schlag ra. teekening v. van boomen;

lied Baumchen, o. boompje o. -schlieszer m boomsluiter m.; -schnitt ni.

-ocr page 152-

134 BAU

BEA

1 ootnensnoeieii o.; -schrüter m. vliegend herl o.; -schule v. boomkweekerij m.; -schwamm m. ljoomzwatnv.;-soH/ev.l)omb!izijno.;-s;)ec/ilt; in., Z. -hacker; -slamm m. boomstam m.; -slarli bijv. en b. booinsterk; -stein m. boom-sleeu in.; -slock in. boorutüblie v.; -slrunk m. boomstronk m; -stiick o. met vrucht-boomon beplante weide of plaats v.; -slütze v. boomstut m.; -laa o. sleeptouw o.; -wacht o. entwas o. en v.; -wac/en m. mallejan m.; -wmze v. boomluis v.; -warier m., Z. Forst-knecht, Förster; -weide v. witte wilg m.; -werk o. geboomte o.; -wermulh m. Iieester-achtige of Portugeescbe alsem ra.; -winde v. kaapstander m.; it. Z. Epheui -wotle v. boomwol v., katoen o., watten v. mv.; -wio/toiliijv. en b. katoenen, boomwollen; —baum ra. katoenboom m.; it. Z. Wollsamenbaum; —f/ani o. katoengaren, wollengaren o.;—gras o. wolgras, katoengras o.; —manufaciur v. fabriek \ van katoen, katoenhiindel, wolbandel m.;

flame, —staude v. katoenplant v.; it. Z. -baum; —pftanzer m. katoenkweeker, ka-toenplanterm.; —reinigungsmaschinew. werktuig o. om de wol of liet katoen te zuiveren; —same ra. katoenzaad, «olzaad o.; —samentil o. katoenzaadolie, wolzaadolie v.; —spinner ra., —spinnerei v. katoenspinner ra., katoenspinnerij v.; it. wolmolen ra,; —slreichmaschine v. katoenstrykmacbine \.; —waaren v. mv.,

—zeug; —zeug ra. katoenen of w ollenslof v., katoen o., wol v.; -zwirn m., Z. —garn; -wollicht bijv. en b. wolachtig, katoenaebtig; -wollsammet ra. katoenlluweel o.; -wollstrei-fer, —in, katoenkaarder ra., wolkaardster v.; -woüweberei v. katoenweverij y.;-wurzelsau-(jer ra. boomwortelzuiger ra.; -zucht v. booin-k weeking, boomteelt v.

Bau-narr, ra. bouw ziek menscli m.; -ord-nung v. verordening v. op bet bouwen; -platz m. bouwgrond m., Z. -hof; -rath ra. opziener ra. over bet bouwen.

Baurisch, büv. nw., Z. büuerisch.

Bau-riss, ra. plan o., ontwerp o. vooreen gebouw-, -sac'ie v. zaak v., die bet bouwen betreft; -sand ra. metselzand o.

Baus-back,m.volleinaansgeziclit o.;-backe v. dikke wang v.; -backig bijv. en b. bol- of dikwangig; (lig.) biulTerig, opgeblazen.

Bausch, (-(e)s, rav. Jtausche) ra. rond, gevuld kussen o.; pof v.; compres o.; buil v., gezwel o.-,-dhnlich bijv. en b. gelijk eeue pof of een compres; -armel m. pofmouw v.

Bauschchen, o. compresje o.

Bauschel, {-s, mv. Bauschel) ra. tnijn-werkersbamer ra.

Bauschelkunst, v., Z. Taschenkunst.

Bauschen, o. ww. als eene pof opgezwollen zicb uitzetten.

Bauschig, bijv. en b. opgeblazen, opgezwollen.

Bauschkauf, m. koop ra. in massa.

Bauscblein, o., Z. Bauschchen.

Bau-schreiber, m. boekbouder ra. bü het maken van gebouwen; -schreiberei v. het opschrijven o. bg amp;; it. het kantoor o., waar dit plaats heeft; -schule v, bouwkundige schooi v.; -schuit m. puin o., afbraak m.

Bause, (-») v. schets v., ruw ontwerp o.

Bau-statt, -statte, v. plaats v. waar een buis gehouvvd wordt, Z. -hof; -stein m. metselsteen ra.; -sloff m. bouwstof v.; -stuck o. blok o. bout; -sucht v. bouwziekte v.; -suchtig büv. en b. bouwziek; -tug m. bouwdag, werkdag ra.

Baute, {-«) v. gebouw o., schepen o. mv., die in aanbouw zijn.

Bautz! tussch. pof! plof!

Bau-vergünstigung, v. verlof 0., om te bouwen; -verstandig bijv. nw. bouwkundig; —er ra. bekwaam bouwmeesterin.;-i)cr-walter m. bestuurder m. van bet bouwen, Z. -aufseher; -vogt ra. meesterknecht, onderbaas m.; -werk o. bouwwerk, gebouw o.; -wenen o. bouwkundev., bouwwezen o.; -wissenschaft v., Z. -kunst; -würdig bijv. en b. waard om ontglnd te worden; -wuth v., Z. -sucht; -zeug o., Z. -sloff; -zierde\., -ziei\Uli m. bouwsieraad o.

Bavian, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Pavian.

Baxen (sich), wed. ww. mei elk. boksen.

Baxer, (-«, mv. Baxer) m. bokser m.

Bayou n ett, o., Z. Bajonett.

Bazar, (-s, mv. -s) m. bazaar, bazar m.

Beabschieden, bedr. ww. ontslag geven; 2. wed. ww. sich -, afscheid nemen.

Beabsichtigen, bedr. ww. op bet oog hebben, bedoelen.

Beachten, bedr. ww. lellen op, in acht nemen.

Beachtenswertb, bijv. en b. opmerkenswaardig.

Beachtung, v., Z. beachten; -smürdig büv. nw., Z. beachtenswenh.

BeacUern, bedr. ww., Z. bepflügen.

Beamte(r}, ra. beambte m.

Beangsten,beaagstigen,bedr. ww. beangst maken.

Beansprucben, bedr. ww. aanspraak raaken op.

Beanstanden, bedr. ww. bezwaren inbrengen tegen.

Beaustaadung, v. bezwaar o., raoeilgk-beid v.

Beantlitzen, Z. besehen.

Beantragen, bedr. ww. het voorstel doen.

Beantwartscbafteu, bedr. ww. vooruitzicht op liet toekomstig bezi teener zaak geven.

Beantworten, bedr. ww. beantwoorden; •2. wed. ww. geraakkelük te beantwoorden zijn.

Beantworter, ra. beantwoorder m.

Beantwortlicb, bt v. nw. wat beantwoord kan worden.

Beautwortung, v. beantwoorden o., beantwoording v.; -sschreiben o. beantwoording v.

Bearbeitbar, bijv en b. te bearbeiden, te bewerken.

Bearbeiten, bedr. ww. bewerken, bear-


-ocr page 153-

BED

HEB

beiden; jem. voor een doel bekwaam maken; liepraten.

Beargwohnen, bedr. ww. \erdenken.

Beackern, bedr. ww. beploegen, bespitten

Beaufsicbtigen, bedr. ww. hel toeziebt houden op.

Beaufsichtiger, m. bewaker,opzienerm.

Beauftragen, bedr. ww. ielaslen,opdragen; der Beauftragle, zaakgelastigde, gevol-imachtigdc m.

Beaugeln, bedr. ww. belonken; -2. wed. ww. sic/i -, zich met welgevallen bekijken.

Beaugenscheinigen, bedr.ww. in oogen-| schouw nemen.

Bebaken, bedr. ww. bakens leggen in.

Bebandem, bedr. ww. met bandoflinten versieren.

Bebarten, bebarten, bedr. ww. jem. een baard aanplakken; bebiirtet, gebaard.

Bebauen,bedr.v\ w. bebouwen, Z.a»te«eii.

Bebauor, (-s, mv. Bcbuuer) m. bebou-wer m.

Beben, o. w w. lieven, sidderen.

Beber, (-s, mv. Heber) m. triller m.;-esc/ie v., Z. Espe.

Beberig, bijv. nw. beverig.

Bebern, o. w w. bibberen.

Bebezug, m. de orgelpijp v. voor den triller.

Bebildern, bedr. ww, met prentjes of liguren voorzien.

Bebimsen, bedr. ww. puimen.

Bebinden, bedr. ww. onr. bellinden, omwoelen.

Bebisamen, bedr. w w . met muskus welriekend maken.

Beblattern, bedr. ww. met blaren voorzien.

Beblattern, bedr. ww. met bladeren voorzien.

Beblecben, bedr. ww. met blik voorzien, beslaan.

Bebleien, bedr. ww. plombeeren, met lood bekleeden.

Beblitzen, bedr. ww. electrlseeren; it. Z. unblihen.

Beblümen, bedr. ww. bebloemen.

Bebluten, bedr. ww. beh oeden.

Beboblen, bedr. ww. beplanken, bera-chelen.

Bebomben, bedr. ww ., bombardiren.

Beborden, bedr. ww., Z. bcburlen.

Beborten, bedr. ww. omboorden.

Bebramen, bedr. ww., Z. verbramen.

Bebriefen, bedr. ww. met een brief voorzien.

Bebrillen, bedr. ww. een bril zetten op.

Eebroten, bedr. ww. met broodkruim bestrooien.

Bebrücken, bedr. w w. overbruggen.

Betrühen, bedr. ww. met kokend water begieten.

Bebrüten, bedr. ww. broeien; (fig.) zorgvuldig bewaren.

Bebuckeln, bedr. ww. met een bochel voorzien.

Bebürden, bedr. ww., Z. belasten.

Bebüscht, bijv. nw. met struiken bedekt.

Becher, {-s, mv. liecher) m. beker, kroes, kelk m.; -blume v. pimpernel v.

Becherchen, o. bekertje, kroesje o.

Becber-druse, v. gekristalliseerd glasachtig kwarts o.; -eisen o bekeraambeeld o.; -förmig bijv. en b. bekervormig; -glas o. beker ra'.; -kraul o., Z. Deckblutt; It. IS'abel-kraut.

Benbern, o. ww. bekeren, Z. zeelten.

Becber-jcbale, -tasse, v. schaal v., kopje o. in den vorm van een beker; -spiel o. bekerspel o.; -schwamm m. bekerzwam v.; -stürzer m. drinkebroer m.; -Iraube v. een werktuig om aan borden den hollen vorm te geven.

Becken, {-s, mv. Breken) o. bekken o., bassin o., kom v.; -arterie v. bekkenslagador v.; —band o. bekkenband m.; -bhilader v. tiek-kenbloedader v.; -eine/eweule o. bekkeningewand o.; -förmig, bijv. en b. hekkenvormig; -gefleehl o. bekkenvlecht v.; -AöWe v. bekkenholte v.; -nerve in. bekkenzeiiuw -pulsader v., Z. -arterie, -schlager m. bekkenslager m.; -teich m. bassin o.; -wand v. bekkenwand m.

Becker, m., Z. Backer.

Beckhammer, m. klinkhamer m.

Becomplimentiren, bedr. ww. verwelkomen, complimenteeren.

Bedachen, bedr. ww. bedaken.

Bedacht, (-(e)s) m. bedachtzaamheid v., nadenken o.

Bedacht, bijv. en b. bedacht, oplettend.

Bedachtig, -dacbtlich, -dachtsam, bijv. en b. bedachtzaam;-fceiiv. bedachtzaamheid v.

Bedachtlos, bijv. en b. onbedachtzaam.

Bedachung, v. dakwerk o., verdek o

Bedanken, bedr. ww. bedanken; 2. wed. ww. sich -, zijn dank betuigen voor.

Bedarf, {-{e)s) m., z. m. behoefte v., be-noodigdheden v. mv.; -kiistchen, -snekchen o. nécessaire o.

Bedauerlich, Iiijv. en h., Z. bedauerns-w er th.

Bedauern, bedr. ww. beklagen, medelijden hebben met, betreuren; 2. o. zelfst. medelijden o., spijl v., leedwezen o.

Bedauems-, bedauerungs-werth of würdig, bijv. en b. beklagenswaardig.

Bedeckein,bedr. ww. een deksel maken op.

Bedecken, bedr. ww. bedekken, verbergen; eine Stadt -, Z. deeken; ctw. -, dekken, geleiden; *2. wed. ww. sich -, zich bedekken, zijn hoed opzetten.

Bedeckung,\. bedekking v., geleide o.; verschansing v.,Z. Bettdecke; -schi/f o. convooi-schip o.

Bedeichen, bedr. w w. bedijken.

Bedell, m., Z. Pedell.

Bedenken, bedr. ww. onr.bedenken;overwegen; jem. mil. etw. -, beschenken; 2. wed.


■n

-ocr page 154-

BED

m

BEE

ww. sich zich bedenken; 3. (-s) o. zelfst. nadenken o., oordeel o., meening v.

Bedenk-frist, v., Z. -zeit.

Bedenklich, bgv. en b. bedenkelijk; v. bedenkeiykbeid v.

Bedenk-zeit, v. lijd m. om zich te bedenken.

Bedeuten, bedr. ww. terecht wijzen; be-teekenen, beduiden; te kennen geven, aanduiden.

Bedeutend, bijv. nw. beteekenend, belangrijk.

Bedeutsam, bijv. en b. gewichtig, belangrijk; -keif v. belang, gewicht o.

Bedeutung, v. beteekcnis v.; voorteeken o.; gewicht, aanzien o.

Bedeutungs-leer, -los, bijv. en b. zonder beteekenis; -losigkeit v. onbeduidendheid v.; -reich bijv. en b. veel beteekenend; -schwer, -vnll bijv. en b. veelbeteekenend.

Bedielen, bedr. ww. beplanken.

Bedienen, bedr. ww. bedienen; Farbe-, bekennen.

Bediensam, bijv. nw., Z. dienstfertig.

Bediensten, bedr. ww. een ambt bezorgen.

Bedienstete^l, m. ambtenaar m.

Bedientetr), m. knecht, bediende, ambtenaar m.

Bedienten-haft, bijv. en h. slaafs (ch); -haftigkeit v. slaafschheld; -kleid o., -klei-duntj v. livrei v.; -stube v., -timmer o. bediendenkamer v.

Bedienung, v. bediening v.; bedienden m. en v.: ambt o.

Beding, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Beditiriung.

Bedingen, l)edr. ww. onr. bedingen, afspreken, bepalen, bedingen; ein Schi/Ï bevrachten.

Bedingniss, (-es, mv. -e) o., Z. Bedin-gung.

Bedingt, byv. en b. voorwaardelijk; -heit v. voorwaardelijkheid v.

Bedingung, v. voorwaarde, bepaling v., beding o.; beperktheid v.; -smlz m. voorwaardelijke stelling v.; -sweise bijw. voorwaardelijk.

Bedlam, (-s, mv. -s) o. gekkenhuis o.

Bedornen, bedr. ww. van doornen voorzien.

Bedringen, bedr. ww. drukken, bedrukt maken.

Bedranger, (-s, mv. Bedrdnger) m. verdrukker ra.

Bedrangniss, (-e) v. bedruktheid, benauwdheid v., druk m.

Bedrangtheit, v., Z. Bedrangniss.

Bedrotaen, bedr. ww. bedreigen.

Bedrohlich, bijv. en b. dreigend; -keit v. dreigend gevaar o.

Bedrohsam, bijv. en b., Z. bedrohlich.

Bedrohuug, v. bedreiging v.

Bedrucken, bedr, ww. bedrukken.

Bedriicken, bedr. ww. onderdrukken, verdrukken.

Bedrücker, m. onderdrukker m.

Bedrückung, v. onderdrukking v.

Beduften, bedr. ww. met een waas overtrekken, geurig maken.

Beduine, (-n, mv. -n) m. rondzwervende Arabier m.

Bedüngen, bedr. ww. bemesten.

Bedünken, onp. ww. dunken, schijnen.

Bedünsten, bedr. ww. bedampen.

Bedupfen, bedr. ww., Z. betupfen.

Bedürfen, bedr. ww. onr. behoeven, noo-dig hebben, noodig zijn.

Bedürfig, byv. nw., Z. bedilrflig.

Bedürflich, bijv. nw., Z. erforderlich.

Bedürfniss, (-es, mv. -e) o. behoefte, be-noodigdheid v.

Bedürftig, bijv. nw. behoeftig, armoedig, behoevend; -keit v. behoeftigheid v.

Beduseln, bedr. ww. dronken maken.

Bedutzen, bedr. ww. verlegen maken.

Beekt, bijv. nw. in de hoeken, met hoeken.

Beefsteak, (-s, mv. -s) o. heefsteak o.

Beehren, bedr. ww vereeren.

Beeiehelt, bijv. nw beëikeld.

Beeiden, bedr. ww. bezweren, beeedigen.

Beeldigung, v bezwering v., beeedi-ging v.

Beeifern(sich), wed. ww. zich beijveren; sich filr jem. -, iems. pürtij kiezen.

Beeiferung, v. ijver m.

Beeilen sich , beeillgen, bedr. WW. verhaasten; -2. wed. ww zich haasten.

Beeintrachtigen, bedr. ww. benadeelen.

Beeisen, bedr. ww. met ijs bedekken; met Üzer beslaan.

Beekeln, bedr. ww. afkeer hebben van.

Beelzebub, m. Belzebub ra.; it. duivel m.

Beenhase, (-n, mv. -n) m., Z. P fuse her.

Beenden of beendigen, bedr. ww. eindigen, afmaken, voltooien.

Beengen, bedr. ww. benauwen.

Beer, v., Z. Beere; '/.. Biir.

Beerben, bedr. ww. meterfgenamenvoor-zien; erven van.

Beerber, (-s, mv. Beerber) m. erfgenaam m.

Beerblauw, bijv. nw . bergblauw-, -blume v. baselle v.

Beerbtheilen, bedr. ww., Z. erben.

Beerchen, o. besje 0.

Beerdigen, bedr. ww. begraven.

Beerdigung, v. begraven 0., begrafenis v.; -sfeier v. begrafenisplechtigheid v., uitvaart v.; -skosten v. mv. begrafeniskosten m. mv.

Beerien)dolde, (-») v. besdragende engelwortel m.

Beere, (-«) v. bes, bezie V.

Beeren, bedr. ww., Z. abbeeren.

Beeren-artig, -förmig, bijv. en b. besachtig, besvormig; -fressend bijv. nw. bes(sen) etend; -fcesser m. besseneter m.; -holz o., Z. Faulbaum; -melde v. hanekam m., heet v.; -tragend bijv. en b. bessendragend; -wanze v. bessensluis v.

Beer-gelb, o., z. m. hessegeel o, -griXn 0., Z. Saflgrün; -hacke, -kraule v. laatste


-ocr page 155-

BEF

BEF

137

))ehakking v. van een wijngaard; -heide v.. ruisbes v.; -hüler m., Z. Feldhuler; -milbe over- v. / Slrauszmilhe; -most m. sap o., dat van

zelf uil de druiven loopt.

■vende Beemten, Ijedr. ww., Z. ahernten.

Beer-raute, v. besseruit v.; -reis o. tak m. met bessen; -wein m. wijn m. van het sap, nen. dat van zelf uit de druiven goloopenis;-W)in(;e

v. Iiessenw inde v.; -wurz v. varkensvenkel v.

Beet, (-(e)i, mv. -e) o. (tuin)l)ed o. , noo- Beete, (-n) v. heet v., beetwortel m.

Beeten, hedr. ww. in bedden verdeelen.

Beetweise, hijw. bedsgewijs. 'h. Befacheln, hedr. ww., Z. anfiicheln.

e, he- Befachsern, hedr. ww. einen Weinberg-,

aanleggen door afleggers te poten.

)edlg, Befahigen, bedr. ww. bevoegd maken,

wettigen; i. wed. ww. sich zich bekwaam n. maken.

en. Befahigung, v. geschiktheid, hokwaam-

eken. held v.

; o. Befahrbar, bijv. en b. gebaand; bevaar

baar.

Befahren, hedr. ww. berijden; bevaren; ligen. einen Schachl -, afdalen in.

■ëedi- Befahrung, v. bevaren o., vaart v.; -sbe-

richl ra. bericht o. omtrent het onderzoek van eren; eene mijn.

Befallen, bedr. ww. onr. vallen op; jem. -, overkomen, overvallen, ww. Befangen, hedr. ww. onr. sluiten, inslui

ten; benauwen, overvallen; inwikkelen; i. elan. wed. ww. sich - mit etw., Z. befassen;bijv. ; met nvv. bevangen, verlegen; -heil v. bevangenheid

v.; kortzichtigheid v. an. Befarben of befarben, bedr. ww. kleu-

3l m. ren opbrengen.

rher. Befassen, bedr. ww., Z. belasten; umfas-

ein- sen, zusammenfassen; 2, wed. ww. sich - mit elw., zich bezig houden mot, zich bemoeien met.

Befassung, v. bevatting v. oor- Befechten, hedr. ww. onr, bevechten; (Jen

Sier;-, behalen.

mm. Befedern, o. ww., Z. hefiedern.

urne Befehden, hedr. ww. bestrijden.

Befehdung, v. bestrijding v.; -sbrief m., Z. Fehdebrief.

Befehl, (-(e)s, mv. -e) m. bevel o., last m., order v.; -buch o. bevelboek o. sv.; Befehlen, hedr. ww. aanbevelen, bevelen,

aart gelasten, het bevel voeren over.

iv. Befehlerisch, bijv. nvv., Z. ijebieterisch.

en- Befehlfiagge, v. bevethebbersvlag v.

Befehllgen, hedr. ww. hevelen, gelasten.

Befehls-form, -weise, v. gebiedende wijs v.; -haber m. bevelhebber m.;-haber'isch bes- bgv. nw., Z. gebieterisch.

ien) Befehlshaber-schaft, -stelle, v. hevel-

, Z. hebberschap o.; -slab m. bevelhebbersstaf m.

v.; Befehls-weise, bijw. bevelsgewgs; -wort

e\. o. hevelwoord o.

Befeiien, bedr. ww. bevijlen. •tin Befeinden, bedr. ww., 7.. anfeinden.

,s(e Befesseln, Z. fesseln.

Befesten, Z. befestigen.

Befestigen, bedr. ww. bevestigen, vastmaken; ein Lager -, versterken.

Befestiger, [-s, mv. Befesliger) m. hij, die bevestigt.

Befestigung, v. bevestiging, versterking v.; -skunsl v. vestingbouvvkunde v.; -spfahl m., Z. Sehanzpfahl; -swerh o., Z. Festungs-werk.

Befeuchten, hedr. ww. bevochtigen.

Befeuern, bedr. ww. met vuur voorzien; jem. -, aanvuren, aansporen; befeuert -, bijv. nw., Z. feurig.

Befiedern, bedr. ww. van vederen voorzien; 2. wed. ww. sich -, vederen krijgen.

Befilzen, bedr. ww. met vilt voorzien.

Beflnden, bedr. ww. onr. bevinden, bespeuren, zien, ondervinden; 2. wed. ww. sich -, zich bevinden, zijn, varen; 3. o. zelfst. bevinding o., welstand, m., gezondheid v.

Befindlich, bijv.nw. bevindend,aanwezig, voorhanden.

Befingeru, bedr. ww. met de vingers aanraken.

Befirnissen, hodr. ww., Z. flrnissen.

Befisctaen, hedr. ww. vlsschen in.

Beflaggen, bedr. ww. met vlaggen voorzien.

Beflammen, bedr. ww. van vlammen voorzien; Z. enl/lammen.

Beflechten, hedr. ww. onr. omvlechten.

Beflecken, bedr. ww. bevlekken, bezoedelen; Schuhe -, stukken onder de zolen zetten; 2. wed. ww. sich -, zich bevlekken.

Befleckung,v. bezoedeling, ontheiliging v.

Befleiszen(slch), wed. ww. onr. zich toeleggen op. zich bevlijtigen, zijn best doen; bejlissen sei.., -ün best doen, zich toeleggen op.

Befleiszlgen(sich], wed. ww., Z. be-fleiszen.

Befliegen, bedr. ww. onr. vliegen naar, in of op; be/logen sein, vlug zijn, kunnen vliegen; (van een land), met jong hout begroeid zijn.

Beflieszen, bedr. ww. onr. bespoelen, besproeien.

Beflissen, bijv. en b. -sein, Z. sich be-fleiszen; -heit v. vlijt v., ijver m.

BefUsscntlich, bijv. nw., 7,.geflisscntlich.

Beflittern, hedr. ww. Schuhe -, lintjes en strikjes zetten op.

Beflogen, bijv. nvv., Z. be/liegen.

Befloren, bedr. ww. met lloers bezetten

Beflöszen, bedr. ww. maken dat het drijft.

Beflügeln, bedr. ww. vleugels geven; doen vliegen; verhaasten.

Befiuthen, bedr. ww. onder water zetten.

Befolgen, bedr. ww. volgen, navolgen, opvolgen.

Befolgung, v. navolging, opvolging v.; -swerth, -swurdig bgv. en b. navolgenswaardig.

Beforderer, förder or in, bevorderaar ra., bevorderaarster v., beschermer,beschermster.


-ocr page 156-

BEG

138

BEF

Beförderllch, bijv. en 1). bevordeiigk, sunslig.

Befördern, Ijedr. ww, verzenden, verhaasten, bevorderen, begunstigen; tien Schluf opwekken; vooruithelpen.

Beförderung, v, verzending, bevorderen o., bevordering v.

Beförderungs-alter, o.,Z. DienstaUcr; -(jebühr v., -kosten v. mv. kosten m. mv. van vérzending; -mittel o. vervoermiddel o.; It. middel ter bevordering.

Beforsten.bedr. w\v., '/..beunrlhschaflen.

Befrachten, bedr. wvv. bevrachten.

Befracbter, (-s, mv. Befrachter) m. bevrachter m., verzender m.

Befragen, liedr. ww. vragen, ondervragen; i. wed. ww. sich -, onderzoek doen naar; sich Ralhs om raad vragen.

Befransen, bedr. ww. van franje voorzien.

Befreien, bedr. ww. bevrüden, vrijstellen, onthelfen.

Befreier, -freierin, bevrijder Dl., bevrijdster v.

Befreiungr, v. bevrijding, vrijstelling v.; -xijeld o., Z. Lüsegeld; -krieij m. bevrijdingsoorlog m.

Befreradea, o. en onp. ww. bevreemden; ■2. wed. w w. sich -, zich verwonderen.

Befremdend, -fremdlich, bijv. en b. bevreemdend, zonderling.

BefremduriK, v. bevreemding v.

Befressen, bedr. ww., benagen.

Befreundbar, tiijv. nw. tol vriend te w innen.

Befreunden, bedr. w w. bevriend maken, vriendschap doen aanknoopeti; befreundet, bevriend; 2. wed. ww. sich -, vrienden worden; ein Befreundeter, een bevriend persoon, tdoedverwant m.

Befreundung, v. vriendschap v.

Befrieden, bedr. ww., Z. befricdigen.

Befriedlgen, bedr. ww . omheinen; 2. cinra /wist -, bijieggen; jem. -, bevredigen; voldoen, geruststellen; Rache -, koelen.

Befrieren, o. w w. onr. bevriezen.

Befrohnen, -fröhnen, bedr. ww dwang-dienst opleggen; jems. Güter-,U\beslagncmen.

Befruchten,liedr.ww.bev rucbten; vrucht-haar maken.

Befruchter, (-s, mv. Bcfruchter) m. be-vruchter, vrucblbaarmaker m.

Befru;htung, v., Z. befructiteii; -skclch in. zaadkelk m.; -slheile m. mv. leeldee-len o. mv.

Befugea, bedr. ww. bevoegd verklaren, machtigen.

Befugniss, {-es, mv. -e) v. bevoegdheid, volmacht v.

Befugung, v. machtiging, volmacht v.

Befühlen, bedr. ww. voelen, bevoelen.

Befund, m., Z. Ite/inden, Erfund.

Befunkeln, bedr. ww. met vonken bestrooien.

Befurchen, bedr. ww. voren maken in.

Befurchten, bedr. ww. elu\ -, vreezen.

•Befürchtniss, v., Z. I'urcht.

Befürchtung, v., Z. Furcht.

Befuselm sich), wed. w w. zich aan jene ver bedrinken.

Befuszen, bedr. ww. met voeten voorzien.

Begabeln, bedr. ww. aan de vork steken.

Begaben, bedr. ww.-begiftigen; er hut sich bcyabt, hij is dronken.

Begabtheit, v. vlugheid v., aanleg m.

Begabung, v. begiftiging v., aanleg m., talent o.

Begaffen, bedr. ww. begapen, aangapen.

BegaflEer, -gafïeriu, m. aangapcrni.,quot;aan-gaapster v.

Begangniss, {-es, mv. -e) o. staatsie, pracht v.

Begatten(slch), wed. ww. paren; A'mrfer

uithuwen.

Begattuug, v. paren o., bijslaap in.; -sceii v. paartijd m.

Begaukeln, bedr. w w. begoochelen.

Begebenfsich , wed. ww. zich begeven; (van zaken), gebeuren, geschieden; sich einer Sache -, afstand doen van, opgeven; 2. bedr. ww. ein Madchcn -, uithuwen.

Begebenheit, v., -gebniss, (-cs, mv.-e) o. gebeurtenis v.

Begebuug, afstand m.; - ei nes Jl'eehsels, verkoop m.

Begegnen, o. ww.ontmoeten;overkomen; bejegenen; 2. wed. ww. sich of einander -, eik. ontmoeten.

Begegniss, {-es, mv. -e) o., Z. Ilegeben-hcit, rorfatt.

Begegnung, v. ontmoeting v., bejegening v.

Begehen, bedr. ww. onr. bewandelen; ein Fes! -, vieren; Fehter -, begaan, plegen; 2. wed. ww. sich -, paren.

Begeher, m. (van eene misdaad), bedrijver m.

Begehr, (-(c)s, mv. -e) 0., Z. Bexjehren.

Begehung, v., Z. beyehen; -ssUnde v. zonde v. in daden beslaande.

Begehren, bedr. ww. verlangen, begeeren; 2. o. zelfst. vraag, begeerte v., verlangen o.

Begehrens-wert, -würdig, {-er, -st) bijv. nw. begeerlijk.

Begehrlich, bijv. en b. begeerlijk, eiscbend; -keil \. begeerlijkheid, gierigheid v.; begeerte v.

Begehrung, v. natuurlijke begeerte v.; -skraft v., -svermügen j. begeervermogen o.

Begeifern, bedr. ww. bekwjjlen, bezwalken.

Begeine, (-n) v., Z. Begine.

Begeisteu, bedr. ww. jem. -, met geest, geestelijk leven vervullen.

Begeistern, bedr. ww. vervoeren, in verrukking brengen, bezielen.

Begeisterung^.verrukkingjgeeslvervoe-ring v.; -svotl bijv. en b. vol vuur, geestdrift, vervoering.

Begeizen, bedr. ww. zich ten nutte mamaken; jemn. eini. -, Z. missgvnnen.


-ocr page 157-

BEG — ' BEH 139

zen. Begierde, (n) of Begier, v. begeerte v.,

verlangen o., lust m.

Begierig, bijv. en b. begeerig, verlangend, jene gretig; -keil v., Z. Gierigkeit.

Begierlich, bijv. en b., Z. berjehrlich.

zien. Begieszen, beilr. ww. onr. begieten; (flg.)

jken. ,sicli die Kuse zicb bedrinken.

'sich Begine, (-«) v. begijn, non v.; kinder-

rautsje o.; wijfje o. van den kemphaan, i. Baginn, (-{e)s) in., z. m., Z. Anrang.

; m.. Beginnet», bedr. ww. onr. beginnen, aan

vangen, debuteeren; ondernemen; (Spr.) wohl len. icgonnen, ist hutb gewonnen, overleg is bet aan- halve werk; •gt;. o. ww. beginnen, een begin

maken; 3. o. zelfst. begin o.

tsie, Beglpsen, bedr. ww. met gips bepleiste

ren.

mier Begittern, bedr. ww. traliën.

Beglanzen, bedr. ww. bestralen.

szeit Begiasen, bedr. ww. beglazen.

Beglaubiigjen, bedr. ww. elw. (lurch Zeugen bevestigen, bekrachtigen, ven; Beglaubigung, v. getuigenis o. en v.,

iner verzekering, bevestiging v.

ledr. Beglaubigungs-amt, o. notarisambt o.;

-cid m. gerechtelijke eed m.; -schein m. gc-■ -e) tuigSchrirt o.; -schreiben o. geloofsbrief m.

Begleit, (-(e)s, mv. -e) m. en o., Z. Ecglei-sels, lung; -sschein m. volgbriefje o.

Begleiten, bedr. ww. geleiden, verzeilen, nen; begeleiden; accompagneeren. r -, Begleiten, bedr. ww. onr. glijden op.

Begleiter, -gleiterin, gezel m., gezul-ben- lin v.; -schaft v., Z. Ilegleilung.

Begleitstimnie, v. accompagnement o. ïge- Begleituug, v. begeleiding v., vergezel

len o., gelelde o., gevolg o.; accompagnement o. len; Begleitungs-schiff, 0. komooi O.; stmt-

ten; me v. begeleidende zangstem v.; -weise byw.

bij wijze van begeleiding.

Irij- Begliedern, bedr. ww. van leden voor

zien.

n. Beglimpfen, bedr. w w., Z. beschonigen.

v. Beglotzen, bedr. ww. aanstaren.

Beelücken, bedr. ww. gelukkig maken, ■en; Beglücker, (-s, mv. ISeglacher) m. hij,

3. die gelukkig maakt.

■sl) Beglücltseligen, bedr. beglüchen.

Begliickwiiiiscbeii, bedr. ww. geluk-nd; wenschen, felicitceren.

1 v. Begnaden, begnadigen;l bedr. WW. be-

v.; genadigen, genade schenken, i o. Begnadigung, v. begenadiging, gratie v.;

al- -sbrief ra. brief m. van gratie; -srecld o.

recht o. van gratie.

Begnügen (sichi, wed. ww. zich vergeet, noegen, tevreden zijn; 2. bedr. ww. jem. -,

bevredigen; 3. o. ww., Z. genügen. er- Begnüglich, begnügsam, bijv. nw., Z.

genügsam.

5e- Bepraben, liedr. ww. onr. begraven; (Spr.)

ift, da licht der Hum! -, Z. Hund.

Begrabniss, (-es, mv. -e) o. begrafenis ia- v.; begraafplaats v., graf o.; -bitter m., Z.

Leichenbitter; -feier v., Z. Leichenbegiingniss;

-gebühr v., Z. Leichenbilhr; -gruft v. grafkelder ra.; -lied o., Z. Grabtiedi -muhl o., -sclmaus m., Z. Leichenmaht; -kosten v. rav. begrafeniskosten m. rav.; -platz ia. begraafplaats v.; -tug m. dag m. van de begrafenis; -tuch o., Z. Leichenluch.

Begrasen, bedr. ww. met gras bedekken; •2. wed. ww. sich -, (van beesten), zicb dik vreten; in bet gras zoeken.

Begrauen, o. ww. grys worden.

Begreifen, bedr. w w. onr. begrijpen, betasten, bevoelen; (flg.) begrijpen, bevatten, verslaan, vatten; begri/fen sein in, bezig zijn met.

Begreiflich, bijv. en b. begrijpelijk; -keil v. verstaanbaarheid v.; -eruieisebijw. natuurlijk.

Begreifung, v. bevoeling v., betasten, bevoelen o.; (flg.) Z. Begri/f; -shraft v., Z. Begriflsvennögen.

Begrenzbar, bijv. en b. begrensbaar; v. begrensbaarheid v.

Begrenzen, bedr. ww. begrenzen; (flg.) beperken.

Begrenzung, v. begrenzing, beperking v., grenzen v. mv.

Begriff, (-(e)s, mv. -e) m. int - sein, van plan, voornemens,bezig zijn, Z. C/m/aiij,-overzicht o.; begrip, denkbeeld o.

Begrifïs-angabe, -bestiramnng, v. begripsbepaling v.; -fuch o. categorie v.;-fahig-keit v., Z. Begrilfsvermögen;-vermogen o. begripsvermogen, verstand o.; -verwechslung v. verwisseling v. der begrippen.

Begrimmen, bedr. ww. grimmig berispen.

Begrinsen, bedr. w w. met een grijnzenden lach bespotten.

Begründen, bedr. ww. bewijzen; stichten, grondvesten.

Begründer, ra. grondlegger, stiel.Ier m.

Begründung, v. grondlegging, stichting v.; (flg.) bewijs o.

Begrünen, bedr. ww. met groen bedekken; 4. wed. ww. sich -, groen worden.

Begrüszen, bedr. ww. begroeten; verwelkomen; jem. um etw. -, vragen.

Begrüszung, v. begroeien o., groet ra.; -sformel o. begroetingsformulier o.; -sschuss m. salvo o.

Begucken, bedr. ww., Z. besehen.

Begünstigen, bedr. ww. begunstigen, bevoordeelen.

Begünstigung, v. begunstiging, gunst v,

Begürten, bedr. ww. gorden; 2.wed. ww., Z. umgiirten.

Begutachten, bedr. w w. etw. -, beour-deelen

Begütern, bedr. ww. goederen geven; be-gülert, rijk, gegoed.

Begüterer, (-s, mv. BegUterer) m. die goederen verleent.

Begütigen, bedr. ww., Z. besanftigen.

Behaaren, bedr. ww. bellaren; 2. «cd. ww. sich -, haar krijgen.

Behaartheit, v. harigheid V


Ti

-ocr page 158-

140 BEH

BEH

Behaben(sich), wed. w\v. zich aanstellen.

Behabig, tyv. nw., Z. behaqUch.

Behacken, bedr. ww. behakken, loshakken.

Behaften, bedr. ww, vasthebben op.

Behaftet, bijv. nw. hehept.

Behag, m , Z. behagen.

Behagein, bedr. ww. behagelen.

Behagen, o. ww. behagen, bevallen-, 2. o. zelfst. genoegen, welgevallen, goeddunken o.

Behaglich, -haglich, bijv. en b. behaaglijk, welgevallig; -keit v. welbehagen o., gemakkelijkheid v.

Behakeln, bedr. ww. aan alles wat te berispen vinden.

Behalftern, bedr. ww. een halster aandoen.

Bebaltbar, b(jv. en b. houdbaar,onüioud-baar.

Behalten, bedr. ww. onr. etw -, behouden, houden; etw. onthouden.

Behalter, m. bewaarplaats v.

Behaltlich, byv. nw. gemakkelijk te onthouden.

Behaltniss, {-es, mv. -e) o., Z. Behalter; schuilplaats v. van het wild.

Behaltsara, bijv. en I). onthoudend; -heit v. gemakkelijkheid v. om te onthouden.

Behammeln, bedr. ww. bevuilen, bemorsen.

Behammern, bedr. ww. behamercn.

Behandelbar, bijv. nw. die zicli laat behandelen; -keit v. geschiktheid v. om behandeld te worden.

Behandeln, bedr. ww. behandelen; eine ïfaare -, bieden op; jem. bejegenen.

Behandigen, bedr. ww,, Z. einhdndiqen.

Behandler, (-s, mv. lielmmtler) m. spreker m.

Behandlung, v. behandeling v.; 2. bejegening v.

Behang, (-(e).?, mv. Behiinge) m. behangsel o.; ooren o. mv.

Behange, (-s) o., z. m., Z. Dehanq.

Behangen, o. ww. blüven hangen.

Behangen, bedr. ww. behangen; einen Hund aan het touw vastmaken; 2. wed. ww. sieh mit etw. zicli tooien, zich opsieren; zich inlaten, zich bemoeien met.

Beharken, bedr. ww. opharken.

Beharnen, bedr. ww., Z. bepissen.

Beharnischen, bedr. ww. een harnas aandoen.

Beharren, o. ww. volharden; 2. o. zelfst. volharding, standvastigheid v.

Beharrlleh, bijv. en b. volhardend, standvastig; -keit v. volharding v.

Beharrniss, Beharrung, v., Z. Beharren (2).

Beharrungsvermogen, o., z. m. traagheid v.

Beharscheu, o. ww. met eene korst bedekt worden.

Beharzen, bedr. ww. met hars bestrijken; van hars ontdoen.

Behauben, bedr. wf.,7..hauben;beliaubt, gekapt.

Behanchen, bedr. ww. bewasemen.

Behauen, hedr. ww. onr. liehouwen, behakken.

Behaufe(l)n, bedr. ww. aanaarden.

Behaupten, bedr. ww. handhaven; staande houden, beweren.

Behauptung, v. bewering v.

Behausen, bedr. WW., Z heherberqen; 2. wed. ww. sieh -, zich metterwoon vestigen.

Behausung, v. behuizing v., Z. Ilaus. Wohnung.

Behauten, bedr. ww. met eene huid of leer overtrekken.

Behegen, bedr. ww. met eene haag omgeven.

Behelf, (-(e).s, mv. -e) m. behulp, redmiddel o., Z. Austlucht.

Behelfen(sich), wed. ww, onr. zich behelpen; zijne toevlucht nemen tot.

Behelflich, bijv. nw., Z. behüljlich.

Behelligen, bedr. ww. lastig vallen, plagen.

Behelmen, bedr. ww. een helm opzetten; 2. wed. ww. sieh -, een helm opzetten.

Behen, Been, (-s) m., z. m. behen v.

Behenbaum, m. behenboom m.

Behend, bgv. en b. behendig.

Behendigkeit, v. behendigheid v.

Behen-nuss, v. behennool v.; —baumm. behennoteboom m.; -ül o. behenolie v.; -wurz v. hebenwortei in.

Beherbergen, bedr. ww.huisvesten,herbergen.

Beherrschen, bedr. ww. beheerschen, besturen; die Stadt -, bestrijken.

Beherrscher, m. beheerscher m.; -in v. heerscheres v.

Beherzigen, bedr. ww. ter harte nemen.

Beherzigenswerth, bijv. en ï). behartigenswaardig.

Beherzigung, v. behartiging v.

Beherzt, bijv. en b. moedig, onversaagd; -keil v. moed m., onversaagdheid v.

Behetzen, bedr. ww, einen Hund -, aanhitsen op; einen Wald -, afstroopen.

Beheulen, bedr. ww. beweoner., huilen om.

Behexen, bedr. ww, beheksen, betooveren.

Behllflich, Z. behülflich.

Behimmeln, bedr. ww, met een hemel voorzien; behimmett sein, dronken zyn.

Behindern, bedr. ww.. Z. verhindern.

Behnerüch), Behnert, (-(e)s, mv. -e) m. hooge, nauwe mand v. der tuinlieden.

Behobeln, bedr. ww. beschaven.

Beholfen, bijv. nw. behendig, vaardig; -heit v. vaardigheid, handigheid v.

Behohnlacheln, bedr. ww. uitlachen, bespotten.

Beholzen, bedr. ww. einer.. Watd -, hoo-men planten in-, einen Deieh -, betuinen; den Ofen -, bout werpen in, Z. abholzen; 2. wed. ww. sieh -, (van een boom), takjes doen uitspruiten; behokt, boschrijk. houtrijk.


-ocr page 159-

BEI

141

BEI

BehölzeOj -hölzigen, o. WW., Z. be-holzen.

Beholzungsgerechtigkeit, v. recht 0. om hout te halen uit.

Behorchen, hedr. ww. beluisteren, afluisteren.

Behorcher, m. luistenink m,

Bebörde, (-n) v. bestemde plaats v.,a(lres o.; bevoegde rechter ra., bevoegde rechtbank v., instantie v.; Z. Zubehor.

Betaörig, b(jv. nw,, Z. (jelüri'j.

Behosen, bedr. ww. de broek aantrekken.

Behnf, (-(e)s, mv. -e) m. nut, gemak, gerief, gebruik, behoef o.

Behufen, bedr. ww. van hoeven voorzien.

Behülflicb, büv. en b., behulpzaam, Z. hillfreich.

Behüllen, bedr. ww., Z. verhullen.

Behuten, bedr. ww. laten weiden op.

Behüten, bedr. ww. behoeden, bewaren, beschermen; -2. Z. behuten.

Behüter, m. behoeder m.

Behutsam, büv. en b. behoedzaam; -heil v. behoedzaamheid v.

Bei, voorz. (met den 3en nv.), bü, aan, in, onder; - Seile, ter zyde; -m Essen, onder het eten; - Wasser und Broil, op water en brood;

- alle dem, ondrnks; - diesan Jnblicke, op dit gezicht; - yuler Laune, in goede luim;

- Slrafe, op straffe; - Leibe nicht j, volstrekt niet!; - Hrode sein, zijn brood hebben; ongeveer, omtrent, bijna; - weitem, verreweg.

Beian, bijw. dicht bij.

Beianker, m. verluianker o.

Beiankern, bedr. ww. een anker katten.

Beiarbeiter, m., Z. Mitarbeiter.

Beibehalten, bedr. ww. our. behouden, by zich houden, bghouden.

Beibehaltung, v. behouden o.

Beibiegen, bedr. ww. onr. toevoegen, bijvoegen, aanbuigen.

Beibinden, bedr. ww. onr. bgeenbinden.

Beiblatt, o. bijblad 0.

Beiblattcben, o., Z. Beiblatt.

Beibote, m. exlra bode m.

Beibringen, bedr. ww. onr. (fig.) bijbrengen, aanbrengen; iJeweise -, aanvoeren, bijbrengen; Gründe -, aanhalen; einen Stosz -, toebrengen; (lig.) leeren, inprenten.

Beichaise, (-n) v., Z. Beiwaijen.

Beichte, (-n) v. biecht v.

Beichten, bedr. ww. belijden; 2. o. ww. biechten.

Beichter, (-s, mv. Ueichter) m.,Z. Beichl-kind.

Beicht-formel, (-n) v. biechtformuliero.; -ijebet o. gebed voor de biecht; -gehen o. gaan biechten o.; -geld o., -pfennig m. blechtgeldo., biechtpenning m.

Beichtiger, (-s, mv. Beichtiger) m., Z. Beichtvaler.

Beicht-kind, m. biechteling m.; -ganger m., Z. -kind; -in v. biechtelinge v.; -rede v. preek v. over de biecht; -stuhl m. biechtstoel in.; -lag in. dag ra. waarop men biecht;-üa/er m. biechtvader m.; -zettet m., -zeugniss o. biechtbriefje, paaschbriefje o.

Beide, bgv. nw. beide-, a(/e-,allebei,beide.

Beiderlei, bijv. nw. (onb.) beiderlei; auf - Jrt, op beiderlei wgze; - Geschlechts, van belde geslachten.

Beiderseitig, bijv. nw. wederzijdsch, we-derkeerig.

Beiderseits, bijw. van beide kanten,we-derzydseb, wederkeerlg.

Belderwand, v. tieretein, tieretaai o.

Beidiebig, byv. eu b. tweeslachtig; -keit v. tweeslachtigheid v.

Beidrehen, bedr. ww. bijdraaien.

Beidrucken, bedr. ww. bydrukken.

Beidrücken, bedr. ww., Z. andrücken.

Beidschattig, byv. nw. tweeschaduwig.

Beieinander, bijw. by elkander,tezamen.

Beierbe, m. die erft, wanneerdeeigenlijke erfgenaam komt te sterven of de erfenis niet wil aanvaarden.

Beiern, o. ww. beleren.

Belessen, o., Z. Beigerichl.

Beifali, ra., z. ra. goedkeuring v., büvalm.

BeifaUeu, o. ww. onr. jemn. -, invallen; jems. Meinung -, toegedaan zijn of worden; jemn. -, bgvallen, leras. party kiezen.

Beifall-geber, -geberin, hij, zij, die goedkeurt; -gierig byv. en b. begeerig naar bijval of goedkeuring.

BeifaUig, bijv. en b.gunstig,goedkeurend, Z. erinnerlichi onvoorzien.

Beifalla-bezeigung, v. byvalsbetuiging, goedkeuring, toejuiching v.; -geschrei o. toe-juichingsgeschreeuw o.; -WaiscAen o. handgeklap o.; -ruf m.byvalsgeroepo.;-M)ert/i,-!()ijr-dig bgv. nw. goedkeurings-waard, waardig.

Belfallwinken, o., z. m. goedkeuring v. door met bet boofd te knikken.

Beiflechten,bedr. ww. onr., Z.einflechten-

Beifolgen, o. ww. vergezeld zijn vi)n; te geiyk volgen; -d, hiernevens.

Beifracht, v., Z. Beilast.

Beifrau, v., Z. Gehülfin, fVickelfrau, Beischlaferin.

Beifuge, v., Z. Heilage.

Beifügeu, bedr. ww. byvoegen,samenvoegen, vereenigen.

Beifübren, Z. herbeiführen.

Beifusz, m. bijvoet ra., SI. Jans-kruid o.; -öl o. byvoet-olle v.

Beigang, ra., Z. Nebengang.

Beiganger, m. bemiddelaar, makelaar m.

Beigeben,bedr.ww. onr. toevoegen; klein -, eene lage kaart bygeven, bygoolen; it. (fig.) zoete broodjes bakken.

Beigebeu, o. ww. onr. bijgaan, nevens-gaan; t. onp. ww. in het hoofd komen; sich etw. - lassen, durven, wagen.

Beigemach, o., Z. Nebenzimmer.

Beigenannt, bijv. nw. bügcnaamd.

Beigeordnete, in., Z. beiordnen.

Beigericht, o. nevengerecht, tusschenge-recht o.

Belgerucb, m. nevenreuk m.


-ocr page 160-

BEI

BEI

Beigcschmack, m. bijsmaak m.

Belgesell, m. helper m.

Beigesellen, bedr. ww.vercenigen,samenvoegen, toevoegen, helpen.

Beigieszen, bedr, ww. onr., Z. zugieszen.

Beiglled, o. nevenlid o.

Beiher, bijw. naast, Z. nebenher.

Belholea, bedr. ww. aanhalen.

Beihülfe, (-«) v. hulp, ondersteuning v.

Beiiagen, o., z. m. buitengewone jacht v.

Belkr.rte, v. bijkaart v.

Beikind, o., Z. Hankert.

Belkirche, v. hulpkerk v., kapel v.

Belknecht, m. onderknecht m.

Beikooh, m. hijkok m.

Beikommen, o. ww. onr. komen hij, naderen, genaken; jemn. -, vatten, bijkomen,gelijken, evenaren; trachten te herstellen; -il, hiernevens.

Beikraut, o. toekruid o.

Beikreis, m. bijcirkel m.

Beil, (-(e)s, mv. -e) o. byi, hakbijl v.

Beilade, v. nevenlade v.

Beiiage, v. bijvoegsel o.; bijlage v.; groente v. die bij het vleesch gegeten wordt; depot o.

Heilager, o. trouw- of huwolijksplechtig-hcid v. bij aanzienlijken; - halten, bruiloft houden.

Bellassen, bedr. ww., Z. zulassen.

Beilast, v. by vracht v.

Beilaufer, m. loopjongen m.; -in v. loop-meisje o., loopvrouw v.

Beilauflg, büv. en h. in het voorbijgaan, hg gelegenheid.

Beil-axt, v. groote hyi v.; -brief m. byt-brief m.

Beilchen, o. byitje o.

Bellegen, bedr. ww. elw. -, bijleggen, by-voegen;jcnni elw-,toeschrijven;einenZwist-, bijleggen; afzonderen, besparen, bewaren; !. o. ww. niet ophouden; das Schi/f -, byieg-gen.

Beilegnng, v. bijleggen o., schikking v.; -swnrt o. bijvoeglijk naamwoord o.

Beilehen, o., Z. Nebcnlehen.

Beileid, (-(e)s) o., z. m. deelneming v.; -sbezeiqunq v. tieluiging v. van deelneming, rouwbeklag o.; -sbrief m. brief m. van rouwbeklag.

Beileisen, o. byiyzer, staatüzer o.

Bellen, bedr. ww. mei de bijl afhakken; ein Faas-, peilen m.

Beller, (-s, mv. Beiier) m. peiler m.

Bellfertig, bijv. en b. bijlklaar; -(lirmiij bijv. en b. byivormig; -qeld o. geldo. voor het herstellen van het gereedschap;-Aie6m. houw m. met eene bijl.

Belliegen, o. ww. onr. gelegen zyn of liggen bij; -il, nevensgaand.

Bellken, o. ww. trokken.

Beilketafel, v. troktafel v.

Bellkraut, o. byikruid o ; -stein m. hyi-steen m.; -wurzel v., Z. Schwertlilie.

Beim voor bei dein, Z. bei.

Beimagd, v. hulpmoid v.

Beimengen, bedr ww. bijmengen, aanmengen.

Beimessen, bedr. ww. toeschrijven, wijten; jemn. Glauben -, geloof schenken, geloo-ven.

Beimiscben, bedr. ww. vermengen.

Bein, (-(e)s,niv.-e) o. been o., voet, poot m.; au( den -en sein, op zijn; auf die -e kommen, op de been komen, herstellen; auf die -e hel-fen, op de boenen helpen, voorthelpen; auf die -e bringen, op de heen brengen; jemn. -e ma-chen, gauw doen loopen; -e nachen, wegioo-pen, beenen maken; ehv. ons - binden, niet zwaar tillen; (Spr.) dein Teufel ein - brechen, iets kwaads tegenhouilen; auf einem - isl nicht gut stehen, op één been kan men niet gaan; -ader v. beenader v.

Belnah(e), bijw. bijna, ongeveer,omtrent.

Beinahnllch, iiijv. en b. beenachtig.

Beiname(n), m. bgnaam m., Z. Schimpf-name.

Beln-anzug, m. beenkleeding, broek v.; -arbeiter m., Z. -drechsler; -arlig bijv. en b.. Z. beinicht; -asche v. beenderasch v.; -beule v. beenachtig gezwel o. -bindladey.,liind-lade; -bohrer m., Z. Baakbohrer; -brand m. beenversterving v.; -brecher m. beenbreker m.; -bruch m. beenbreuk v.; -brtichig bijv. en b. met een gebroken been.

Belncben, o. beentje O.

Bein-drecbsler, -dreher, m. heen-draaier m.; -dllrre liijv. nw. beendroog.

Belnem, bijv. en b. boenen, van been.

Belnerv, en Beinerve, in. of v. zenuw v. aan de zyde der ruggegraat.

Belu-erzeugung, v. beenvorming v.; -ftiule, -fdulniss v., Z. -frasz; -feilev. been-vyi v.; -fisch m. beenvisch m.; -/lügel m., Z. Fersenfliigel: -folter v. Spaansche laars v.; -frasz m. beeneter m.;-/tiffitni/v. beenderver-binding v.; -gerippe, -gerust, -gestell o. geraamte, beendergestel o.; -geschumlst v., -ge-vmchs o. beenachtig gezwel o., buit m.; -gras, -brechgras o. patik o.; -harnisch m. beenhar-nas o.; it. beenspalk v.; -hart, bijv en b. been-hard; -haus o. knekelhuls o.; -hdutlein o. beenvlies o.; -hebei m. beenhevel m.; -heil o. beenbreuksteen m.; -heiland bijv. nw. been-breukheelend; -höhle v. heenholte v.; -holz o. keelkruid o.

Beinicht, bijv. en b. beenachtig.

Beinig, bijv. en b. beenig, van been.

Bein-kehle, v. ruimte v. van den kniehoog; -kleider o. mv. Ijroek, onderbroek v.; -knochen m. beenderen o. mv. van liet heen; -lenopf, -knoten m. knobbeltje O.,knokkelm.; -krebs m. heeneter m.; -lade v. leeschroef v.; -leder o. beenstuk o., voetrusting v,; -lein o. beentje o.; -los bgv. en b. beenderloos; -mark o. beendermerg o.; -mehl o., Z. -asche; -naht v. verbinding v. der beenderen; -muskei m. beenspier v.; -narbe v. lilteeken o. van een gebroken been; -01 o. beenolie v.; -same(n) m. beenzaad o ; -siige v. heenzaag v ■,-schellen v. mv. beenijzers o. mv.;-schienewbeenscheen v.-,


-ocr page 161-

BEI

143

BEI

it., Z. -haniisch; -schirm m. neenscherm o. vóór den tiaard;-sc/(rau()ev. schroef v.;-scArö/ig byv. n\v. tot op het been doorgedrongen;-srAioarjo. beenzwart o.; -spalt m., Z. Knfichenspall; -spath m. beenspat v.; -well o. pijn o. in de boenen; -well o smeerwortel m.; -wumle v. wond v. aan hel been;-uiurmra.bcenwormm.

Beiordnen, bedr. ww. toevoegen, Ijijvoe-gen.

Beiorgel, v. klein orgel o. vóór een groot.

Beipacken, bedr. ww, bijpakken.

Beipferd, o. bgpaard o., Z. IJandpferd.

Beipflichten, o. ww.jera».-, gelijk geven.

Beirath, ra. raad m., advies o., raadgever m.

Beirathlg, bijv. nw. radend, raadgevend; - sein, door raad helpen.

Beisammen, Mjw. te zamen, bijeen.

Beisass, {-en, mv. -6'«) m. inwoner ra. zonder burgerrecht, Z. Kothsass; Jssessor.

Beisatz, ra. bijzin m.; bijvoeging v.;-wort o. bijvoeglijk naamwoord o.

BeisCaaffen, bedr. ww., 7..herbeisclialfeii.

Beischieszen, bedr. ww. er bij schieten.

Beiscblff, o. kalk ra., galeisloep v.

Beischlaf, m. bijslaap m.,Z. Schlafgenoss.

BeiscWafer, m., Z. Kebman, Schlafgenoss; -in v. bijslaap v.

Beischlag, m. slechte raunt v.

Belschlagen, bedr. ww. onr. einen Brief-, raede insluiten.

Beischlieszen, bedr. ww. onr. Insluiten, bijvoegen.

Beiscbluss, m. ingesloten brief ra.

Beischlüssei, m. valsche sleutel m.

Beiscbmack, ra., Z. Bcigeschmack.

Beischmelzen, bedr. ww. sraelten bij.

Beischreiben, bedr. ww. onr. bijschrijven, bijvoegen; inschrijven.

Beiscbreiber, m. hulpschrijvcr m.

Beiscbrift, v. bijschrift o.

Beiscbuss, m., Z. Beisteuer, Zuschuss.

Beiscbüssel, v. bijschotel ra.

Beisegel, m., Z. Leesegel.

Beiseln, o., z. ra. bijzijn o., tegenwoordigheid v.

Beiseit(e), -seit(s), bijw. ter zijde, afgezonderd.

Beiseitsetzung, v. terziidestelling v.

Beisetzen, bedr. ww. bijzetten; Segel -, opzetten, bijzetten; alle Segtl -, (lig.) alle pogingen in het werk stellen.

Beiseyn, o., Z. Beisein.

Beisicbtig, bijv. nw., Z. kurzsichtig.

Beisltz, ra. recht o, van zitting in een college.

Beisitzen, o. ww. onr. zitting hebben in.

BeiKitzer, ra. buurman m. aan tafel; assessor m.

Beisorge, v., Z. Besorgniss.

Beispiel, o. voorbeeld o.; zum-e, by voorbeeld; -/os bijv. en b. voorbeeldeloos; -keit v. voorbeeldeloosheid v.

Beisprecben, bedr. ww. onr. Mulh -, Z.

emprechen.

Beispringen, o. ww. onr. bijspringen, helpen.

BBiszbeere,v. zwartbruine en kruidige bes v. van de myrtus priraenta in Indie.

Beiszen, bedr. en o. ww. onr. bijten,kauwen, slikken, eten; bijlen, branden, jeuken, kriewelen; kwellen, knagen, beleedigen; eine Anfrage beiszt niemand, vragen deert niet, staat iedereen vrij.

Beiszbaft, bijv. nw., Z. beisiig.

Beiszig, bijv. en b. bijtend, bijtachtig, kijfziek; -keil v. twistzieke inborst, bijtach-tigheid v.

Beisz(k)er, {-s, rav. Beisz(k)er) ra., Z. Schlamm-, Sleinbeiszcr.

Beisz-kobl, ra., Z. Boete; -korb m.. Z. Maulkorb; -rube v., Z. rolhe Rühc; -zahnra.. Z. Schneidezang; -sange v., Z. Kneipzangc; -zang'ein o. knijptangetje o.

Beistand, m. helper in-, bijstand ra., hulp v.

Beistecben, o. ww. onr. dichter aan den wind hoiiden.

Beistecken, bedr. ww. etw. -, bijsteken, vaststeken; Geld -, bij zich steken; jem. vastzetten.

Beisteben. o. ww. onr. bijstaan, helpen; alle Segel - lassen, bijzetten.

Beisteber, ra. helper ra.; -in v., Z. Heb-amme.

Beisteuer, v. bijdrage V.

Beisteuern, bedr. ww. bijdragen.

Beistimmen, o. ww. toegemmen, gelijk geven.

Beistosz, m., Z. Seüenstosz.

Beistricb, m. komma v. en o.

Beistück, o., Z. yebenslück.

Beitrag, (-lrag[e)s,m\'.-trage) ni. aandeel o., bijdrage v.

Beitragen, bedr. ww. onr. bijdragen, toebrengen, medewerken.

Beitragsantbeil, ra. verschuldigd aandeel o.

Beitreiben, bedr. ww. onr. bij elk. jagen; Jbgaben innen.

Beitreten, o. ww. onr., Z. beipflichten; einem ^er trage -, toetreden tot.

Beitritt, m., z. ra toetreding v.;-surftum/c v. akte v. van toetreding.

Beiurtbeil, o. vonnis o. waardoor slechts eene bijzaak beslist wordt.

Beivormund, ra. toeziende voogd ra.

Beiwacbe, v., Z. Bivouak.

Beiwacben, o. ww., Z. bivouaquiren.

Beiwagen, m. bijwagen m.

Beiweg, ra. pad o. ter zijde van den weg ra., verkeerde weg ra.

Beiweib, o. bijwijf o., Z. Kebsweib.

Beiwerfen, bedr. ww. onr. er bij werpen.

BeiwerU, u., Z. Sebenwerk.

Beiwesen, o. tegenwoordigheid v.; aanhangsel o., bijzaak v.

Beiwobnen, o. ww. bijwonen; einem Weibe -, beslapen.

Beiwobner, m., Z. .-In-, .\eben-WO/iner.


-ocr page 162-

\U BEK

BEK

Beiwort, o. bgvoegiyk naamwoord o.; bijnaam m.

Beiwörtlich, Ijijv. en ii. als een byvoeg-lijk naamwoord.

Beizahlen, bedr. ww. bijtellen.

Belzbrühe, v., Beize.

Beize, (-n) v. bijtende vloeistof v., bijtend middel o.; sterk water o.; run v.; zwelkulpv.; saus v.; jacht v. met valken.

Beizeichen, o. bijteeken, attribuut o.

Beizeichnen, bedr. ww. byteekenen.

Beizeisen, o. drijflu'ltel m.

Beizeiten, Ijijw. vroegtijdig, bij tijds.

Beizen, o. ww. bijten; -2. bedr. ww. doen bijten; met valken jagen op; in een scherp vocht weeken.

Beizer, (-s, mv. Beizer) m. jager m.

Beizhund, m. kleine speurhond m.

Beiziehen, bedr. ww. onr., Z. zu-,hcrbei-tiehen.

Beizimmer, o., Z. Nebmzxmmer.

Beiz-kraft, v. bijtende kracht v.; -kufe v. zwelgkuip v.; -millet o., Z. Beize.

Beizoll, m. buitengewone tol m.

Beiztiene, v., Z. Beizhufe.

Beizügel, m. bijhandsche teugel m.

Beiz-vogel, m. jachtvogel m.; -wasser o., Z. Beize; -wolle v. wol v. die men van de vellen laat afbijten; -wurz v., Z. Kuchen-schelle; -zuber m., Z. -kufe.

Bejagen, bedr. ww. bejagen.

Bejahen, bedr. ww. bevestigen, met ja beantwoorden; -d, bevestigend.

Bejablicb, bijw., Z. bejuhumjswcise.

Bejahrt, bijv, en b. bejaard, oud.

Bejahung, v. bevestiging v.; -ssalz in. bevestigende volzin m.; -sweise v. bevostigender w ijze; -swort o. bevestigend woord o.

Bejammern, bedr. ww. bejammeren.

Bejammerns-wertb, -würdig,büv.en b. betreurenswaardig, jammerlijk; -würduj-keit v. betreurenswaardighcid v.

Bejaucbzen, bedr. ww. juichen over.

Bejocben, bedr. ww. In hot juk spannen.

Bejubeln, bedr. ww., Z. bejauchzen.

Bekalken, bedr. ww. bepleisteren.

Bekalmen, o. ww. door windstilte overvallen worden.

Bekampfen, bedr. ww. bekampen.

Bekannt, bijv. en b. bekend.

Bekannte(r), bekende m. en v. kennis v.

Bekanntbeit, v. bekendheid V.

Bekanntin, v. kennis, vriendin v.

Bekanntlicb, ermaszen, bijw. zooals bekend is.

Bekanntmachvmg, v. bekendmaking v.

Bekanntscbaft, v. bekendheid, kennisv.

Bekanten, bedr. ww. van kant voorzien.

Bekappen, bedr. ww. van een kap voorzien; Bdume -, toppen.

Bekebrbar, bijv. en b. te bekeeren.

Bekebren, bedr. ww. bekeeren; 2. wed. ww. sich -, zich bekeeren, zich beteren.

Bekebrer, -kebrerin, bekeerder m.,be-keerster v.

Bekehrte(r), m. bekeerde, bekeerling m. en v.

Bekebrungs-anstalt, v. zendelinggenootschap o.; -bericht m. zendingsbericht o.; -bote m. zendingsbode m.; -eifer, -yeist m. bekeeringsgver m.. bekeeringszucht \.-,-sucht v. bekeeringszucht v.; -wesen o. zendingswezen o.; -wuth v., Z. -sucht.

Bekennen, bedr. ww. onr. bekennen, belijden, erkennen; 2. wed. ww. sich belijden, verklaren, erkennen.

Bekenner^-kennerin, bekenner, belijder m., bekenster, belijdster v.; martelaar m.r martelares v.

Bekenntniss, (-es, rav, -e) o.bekentenis, belijdenis v.; -buch o. geloofsboek o.; -schrift v. bekentenissen v. mv.

Bekennung, v., Z. Bekenntniss.

Bekielen, bedr. ww. bepennen.

Beklagen, bedr ww. beklagen, aankla-gen.

Beklagens-wertb, bijv. en b. beklagenswaardig.

Beklammern, bedr. ww.,Z.anklammern.

Beklatscben, bedr. ww. met handgeklap toejuichen; jem. -, belasteren.

Beklauben, badr. ww. stukjes afplukken van.

Bekleben, bedr. ww beplakken.

Beklecken, -klecksen, bedr. ww. bespatten, bezoedelen, bekladden.

Bekieiben, bedr. ww. bepleisteren; 2. o. ww. kleven aan, bekleven.

Bekleiden, bedr. ww. kleeden,bckleeden; Zi»ime/--,stoireeren,behangen;dnen Schacht-, besclioelen; einen Hut -, opmaken.

Bekleidung, v. bekleeding v., bepleistering v.; tapijt, kleed, behangsel o., lambrizeering v.; beschoeiing v.

Bekleistem, bedr. ww. besmeren; (tig.) bewimpelen.

Beklemmen, bedr. ww. beklemmen, benauwen; drukken.

Beklemmung, v. beklemming, benauwdheid v.

Beklettern, bedr. ww., Z. erkletlern.

Beklinken, bedr. ww. beklinken.

Beklommen, bijv. en b. bedrukt,beklemd, benauwd; -heit v., Z. Beklemmung.

Beklopfen, bedr. ww. kloppen, bekloppen, kloppen tegen.

Beklügeln, bedr. ww. bedillen.

Beklunkern, bedr. ww. bemorsen, dat er klonters aanhangen.

Beknien, bedr. ww. knielen op.

Beknurren, bedr. ww. brommen tegen.

Beködern, bedr. ww. van aas voorzien.

Bekommen, bedr. ww. onr. krijgen, bekomen, verkrijgen, ontvangen; Windvonetw. -, de lucht van iets krijgen; Risse-, scheuren, splijten; einen Kurb -, een blauwtje loopen; i. o. ww. {wohl) wel of goed bekomen; Woht bekomm's, tvohl lekomme es Ihnen.' wel bekome het u! God zegen u! gezondheid! 3. wed. ww. sich -, weer bijkomen.


-ocr page 163-

BEL

BEL

445

Bekommlich, Lüv. en b., Z. bequem; wal goed bekomt.

Bekorben, bedr. ww. met een korf voorzien; (tig.) een blauwtje laten loopen.

BekorUen, bedr. ww. kurken, kurken doen op.

Bekosten, bedr. ww., Z. bekostigen.

Bekostigen, bedr. ww. den kost geven, onderhouden.

Beköstigung, v. spijzigen o., kost m.

Bekraftigen, bedr. ww. bekrachtigen.

Bekranzen, bedr. ww. bekransen.

Bekratzen, bedr. ww. bekrassen, bekrabben.

Bekrauten, bedr. ww., Z. kraulen.

Bekreiden, bedr. ww. bekrijten, met krijt besmeren.

Bekreisen, bedr. ww. met gaan een kring beschrijven om; i. Z. umzingeln.

Bekreuzen, bedr. ww. met een kruisje aanduiden;-2. wed. ww.sicA-, een kruis maken.

Bekreuzigen, bedr. ww., Z. behreuzen.

Bekriechen, bedr. ww. onr. kruipen op, over.

Bekriegen, bedr. ww. beoorlogen, bestrijden.

Bekrippen, bedr. ww. bekribben.

nekntteln, bedr. ww. bedillen, berispen.

Bekrittier, (-s, inv. Bekritller) m. bediller, vitter m.

Bekrltzeln, bedr. ww. krassen, brabbelen op.

Bekronen, bedr. ww. bekronen.

Bekrüsten(slch), wed. ww. eene korst krijgen.

Bekümmern, bedr. ww. bekommerd maken; 2. wed. ww. sich um of über etw.-, zich bekommeren om, bezorgd zijn voor.

Bekümmerniss, (-e) v., Kunmer.

Bekiimmerung, v. bezorgdheid v., kommer m.

Bekunden, bedr. ww., Z. iiussmjen, be-wahren.

Bekiissen, bedr. ww. gedurig kussen.

Belachbar, bijv. en b., Z. lacherlich.

Belacheln, bedr. ww. glimlaclien om.

Belachen, bedr. ww. ehc. lachen om, uitlachen.

Kelachens wertii, -würdig, bijv. nw. belachelijk, bespottelijk.

Belacken, bedr. w w. verlakken.

Beladen, bedr. ww. onr. beladen,belasten.

Belagerer, (s, mv. Betagércr) m. belegeraar m.

Be'-agern, bedr. ww. belegeren.

Belagerung, v. belegering v., beleg o.

Belagerungs-arbeiten, v. mv. belegeringswerken o. nw.;-arlillene\. -gcsdnUz; -balterie v. belegeringsbatterij v.; -(leschütz o. belegeringsgeschut o.; -heer o. leger o., dal dient om eene stad amp; Ie belegeren; -krone v. kroon v. voor een veldheer, die eene belegerde slad ontzet heed; -kunst v. belegeringskunst v.; -maschine v. belegeringswerktuig o.; -miinze v. noodmunt v.; -werkt o. mv. belegeringswerken o. mv.; -zustand m. slaat ra van beleg.

Belang, (-(e)s) m., z. m. belang, gewicht o.; Z. Betrug.

Belangen, bedr.ww. in rechten belrekken, aanklagen; Z. betreffen.

Belangwellen, bedr. ww. vervelen.

Belangweillgen, Z. lungweiten.

Belappen, bedr. ww. ein Gehotz-, nellen spannen om; Wildpret met jachtnetten jagen; Z. flicken.

Belassen, bedr. ww. onr. laten blijven.

Belasten, bedr. ww. beladen, belasten,Z. über iaden.

Belastlgen, bedr. ww. belasten, lastig vallen

Belatten, bedr. ww. ein Bach-, belatten.

Belauben, bedr. ww. niet loof bedekken; met lofwerk versieren, Z. ublauben; den hoh-lenmeiter -, met loof, aarde en kolenstof bedekken; 2. wed. ww. sich -, bladeren krijgen.

Belauern, bedr. ww. jem.-, beloeren, bespieden; misleiden, beethebben.

Belauf, (-(e),v) m., z. m. beloop, bedrag o.

Betaufen, bedr. ww. onr.heloopen,nazien; (van een wolf), die /('W/ïh-, bespringen; 2. o. ww., Z. anlaufeu - ;). wed. ww. sich -, met elk. paren; sich uuf so viel heloopen, bedragen.

Belangen, bedr. ww. met loog begieten.

Belauscheu, bedr. ww. beluisteren.

Belauscher, (-s, mv. ttetauscher) m., Z. Lausclier.

Belausen, bedr. ww., Z. abtausen.

Belauten, bedr. ww. Freudenfest luiden voor, door het luiden der klok bekend maken.

Beloften, bedr. ww. levend maken, verlevendigen; (lig.) bezielen, opwekken, aansporen; i. wed. ww. sich -, levendig worden.

Beleber, (-s, mv. Beleber) m. die opw ekt, verlevendigt.

Belebt, bijv. en b. levend, bezield, levendig, vrooiijk; -heit v. levendigheid, vroolijk-beid, opgewektheid v.

Belebung, v. opwekking, verlevendiging v.

Belecken, bedr. ww. Uiffet allikken; eine Wunde -, lekken; (lig.) jem. op eene lage manier vleien.

Beledern, bedr ww. van le(d)er voorzien.

Beleg, (-(e)s, mv. -e) m. bewijsstuk, bewijs o.; -schein, -zette! ra., Z. Beleg; -stelle v., Z. Beweisslelte.

Beleg(e), (-«, mv. Beleye) o. belegsel, boordsel o.

Belegen, bedr. ww. leggen op; ein jCimmer mil Vielen -, bevloeren; mit Platten -, betegelen; einen Plulz -, bespreken; mit Steueru -, belasten; mit Truppen I roepen leggen in; mit Fluch-, vloeken; mit Jieschtag -, beslag leggen op; mil Urkunden staven, bewijzen; (Md Z. anlegen; (van hengsten), dekken; (van honden), bespringen.

Belegen, bijw. gelegen.

Belegtheit, v. bedekt zijn o.


10

-ocr page 164-

BEM

U6

BEL

Belegung, v., Z. beleqen.

Belehnen, lieilr. ww. heieenen.

Belehuer, (-s, mv. Bclelmer) m. helee-ner m.

Belehren, hedr. ww. onderrichten, leeren; jon. cines Ressern, eines Amlern uit de dwaling helpen, terechtwijzen; 2. wed. ww. sich an etui. leeren van.

Belehrung, v, onderrichting, terechtwijzing v.; -sfiabe v. gave v. om te onderwijzen.

Beleibt, hijv. nw. gezel, lijvig; -heil v. gezetheid, lijvigheid v.

Beleibzüchtigen,hedr. ww. eene lijfrente uitzetten voor.

Beleldigen, hedr. ww. heleedigen;fte«SfAc Ohren-, kwetsen, erse\en;belei(HgteMajestiit, majesteitsschennis v.

Beleidietung, v. helcediging v.

Beleihen, hedr. ww. onr., Z. belehnen.

Beleisten, hedr. ww. van lijsten voorzien.

Beieitem, hedr. ww. ladders plaatsen in.

Beiemnit, {-en, mv. -en) m. helemniet, pijlsteen, dondersteen m.

Belesen, hedr. ww. onr. uilzoeken; 2. hijv. nw. ein -er Mann, heiezen; -heit v. hclezen-heid v.

Beleuchten, hedr. ww. verlichten; (Spr.) die Sonne-,nulteloos werk doen; ein Gemalde-, licht aanbrengen op; (lig.) eine That, einen rmstand niiher -, toelichten, opholderen,verklaren.

Beleuchtung, v. veriicliting v.; (lig.) opheldering, toelichting, verklaring v.

Belferer, terin, keffer m., kefster m.

Beifern, o. ww. keffen; (fig.) schreeuwen.

Belial, (-s) m. duivel m.; -skind o. duivelskind o.

Beliebaugeln, hedr. ww. ein Mddchen -, aanlonken, verliefd aanzien,

Belieben, hedr. ww. etw. -, hegeeren, helieven, willen, verlangen-, 2. onp. ww. behagen, hevalleii; ivie beliebl?, wat helieft u V; 3. o. zelfst. helieven o., wil m., verlangen o., vvensch m.

Beliebig, liijv. en 1). naar welgevallen, welgevallig.

Bellebt, bijv. nw. bemind, geliefd; 2. Z. beliebifi; -heil v. bemind zijn o.

Beliegen, o. ww. onr. liggen op.

Belieheneir), m. die met eene dotatie begiftigd is.

Belinlen, bedr. ww. lijnen trekken op, linieeren. Z. linieren.

Belisten, hedr. ww. bedotten, misleiden.

Belittern, hedr. ww., Z. beleilern.

Belladonna, (-s) v. belladonna, groote nachtschade v.

Bellen, o. ww. blaffen; it. keffen, janken; (Spr.) ein -der JIund beiszt nicht, blaffende honden bijten niet.

Beller, (-s, mv. Reller) m. blaffer m.; (fig.) schreeuwer m.

Belletrist, {-en, mv. -en) m. letterkundige, helletrist m.

Belletristerei, v. bedrijf o. van een belletrist.

Belletristik, v. debeoefeningv.derfniaie letteren; 2. werk o. over de fraaie letteren.

Belletrlstisch, bijv. en h. op de fraaie letteren betrekking hebbend.

Bell hammel, m., Z. Leithammel; -huhn o., Z. Btaszhuhn.

Beloben, bedr. ww. jein. -, prijzen; it. Z. erwalmen.

Belobvmgs-brief, m., -schreiben, o

schriftelijk bewijs o. van goedkeuring; -preis m., Z. iSehenpreis.

Beiochen, bedr. ww. gaten boren in.

Belohnbar, bijv. nw. beloonbaar; -heit v. heloonbaarheid v.

Belohnen, hedr. ww. bezoldigen, bet loon geven; beloonen.

Belohner, {-s, mv. lielohner) m. beloo-ner m.

Belohnung,v.belooningv.,loono.;-SMieri/i. -würdif; bijv. nw. belooningswaardig.

Beluchsen, bedr. ww., Z. belUQsen.

Belügen, bedr. ww. onr. beliegen, bedriegen.

Belugsen, bedr. ww. jem. -, bedotten, misleiden.

Betustigen, bedr. ww. verheugen; 2.wed. ww. sich -, zich verlustigen.

Belustiger, (-s, mv. Bclustiger) m. grappenmaker, potsenmaker m.

Eelustigung, v. verlustiging v.

Belzen, bedr. ww., Z. pelzen.

Bemachen{sich),wcd.'.vw. zich bevuilen.

Bemachtigen, hedr. w w. jem. Z. er-machiiqen; 1. wed. ww. sich einer Sache bemachtigen, zich meester naken van; overmeesteren.

Bemachtigung, v. bemachtiging, overmeestering v.

Beraaben, Z. abmahen.

Bemahnen, Z. einmahnen.

Bemabnen, bedr. ww. van manen voorzien.

Betuakeln, bedr. ww ., Z. beflecken, besu-deln.

Bemalen, hedr. ww. beschilderen, verven; (van vogels), einew Baum-, met drek bevuilen

Bemannen, bedr. ww. een man geven-, ScMffe -, bemannen.

Bemannung, v. bemanning v.

Bemanteln, hedr. ww. jem. -, met een mantel voorzien; Fehler -, bemantelen, bewimpelen.

Bemant(e)lung, v. bewimpeling, bemanteling v.

Bemaszlgt, bijv. nw. gematigd, bedaard.

Bemasten, bedr. ww. van masten voorzien.

Bemauern, bedr. ww., Z. ummauern.

Bemaul-korben, bfdr. ww. muilbanden; -schellen hedr. ww. klappen om de ooren

geven.

Bemausen, bedr. ww. jem. -, bestelen

Bemeblen, hedr. ww. met meel bedekken.


-ocr page 165-

BEN 147

BEN

Bemeinen, bedr. ww. elw. zijne mee-nins zeggen over.

Bemeiem, bedr. ww. ein Gut een zet-boer op eene boerderij plaatsen; jem. eene boerderij geven aan.

Bemeistern, bedr. ww. den F eind overwinnen; (lig.) jem. beheerschen, regeeren; •2. wed. ww. sich einer Sache zich meester maken van, bemachtigen.

Bemeisterung, v. overmeestering v. Bemeiszein, bedr. ww. bebeitelen. Hemelden, bedr. ww., Z. anzeifjen, er-walmen.

Bemensen (sich), wed. ww. zich bemoeien met, zich mengen in.

Bemerkbar, bijv. en b. merkbaar, bemerkbaar, zichtbaar; -keil v. bemerkbaarheid v.

Bemerken, bedr. ww. bemerken, zien, opmerken, aanmerken, zeggen.

Bemerker, {-s, mv. Bemerker) m. waarnemer, opmerker m.

Bemerklich, bijv. nw., Z. bemerkbar. Bemerksara, bijv. nw., Z. bemerklich. Bemerkung, v. opmerking, aanmerking v.;-saabe v. gave v. om (juist) waar te nemen; -sgeisl m., waarnemende geest m.; -werlh, -swiirdifj bijv. en b. merkwaardig.

Bemessen, bedr. ww. onr. elw. -, meten; beoordeelen, afmeten; -2. bijv. en 1). afgemeten.

Bemessenheit, v. afgemetenheid v. Bemisten, bedr. ww,, Z. diingen. Bemitleiden, bedr. ww. jem. -, medelijden hebben met.

Bemitleidungr, v. medelijden o.; -swür-dui bijv. nw. medelijdenswaardig.

Bemittelt, bijv. en b. bemiddeld, gegoed, welgesteld.

Bemöbeln, bedr. ww. van meubelen voorzien, meubileeren.

Bemodern, Z. modern.

Bemoosen, bedr. ww. met mos bedekken; *2. o. en wed. ww. met mos bedekt worden.

Bemörtein, bedr. ww. bepleisteren. Bemühen, bedr. ww. jem. -, moeite veroorzaken, lastig vallen; *2. wed. ww. sich zich bemoeien, zich moeite geven, trachten.

Bemühung, v. bemoeiing, moeite v.; -sqebiihr v. provisie v.

Bemundstückt, bijv. nw. met een mondstuk van andere kleur.

Bemüszigen, bedr. ww., Z. nölhigen, veranlassen.

Benachbart, bijv. nw. dicht bij, naburig. Benacbrichtigen, bedr. ww. jem. von elw. -, onderrichten, berichten, waarschuwen

Benacbricbtiger, m. berichtgever m. Benacbricbtigung, v. bericht o., mede-deeling v.; -s schrei ben o. adviesbrief m., bericht o.; -swori o. wachtwoord o.

Benachten, o. ww. door den nacht overvallen worden; '2. bedr. ww. verduisteren.

Benacbtbeiligen, bedr. ww. benadeelen, verongelijken, schaden.

Benacbtbeiligung, v. benadeeling, schade v.

Benadeit, bedr. ww. (van denneboomen), met naalden voorzien.

Benagein, bedr. ww. pennen; met spijkers voorzien, bespijkeren; beslaan, vastspijkeren.

Benagen, bedr. ww. knagen aan, knabbelen aan.

Benaben,bedr. ww. benaaien,vastnaaien; ein Haus -, naaien voer.

Benamen, -namsen, bedr. ww. een naam geven, benoemen.

Benam(s)ung, v. benoeming v., naam m. Benannt, -nanntlicb, bijv. nw., Z. be-nennen.

Benarben, bedr. ww. met litteekens bedekken; '2. o. of wed. ww. sich -, zich tot een litteeken vormen.

Benascben, bedr. ww. snoepen, proeven van.

Benassen, bedr. ww. natmaken. Benebeln, bedr. ww. benevelen, verduisteren; 2. wed. ww. sich -, zich dronken drinken.

Benebst, voorz., Z. nebst.

Benedeien, bedr. ww., Z. segnen, prei sen. Benedicten-kraut, o. migelkruid o.; -ivurz v. nagelwortel m.

Benedictiner, (-s, mv. Benedicliner) m., -tinerin, {-nen) v. Benedictijner monnik m., non v.; -kloster o. Benedictijner klooster o.; -orden m. orde v. van den H. Benedictus-, -rose v. pioenroos v.

Benefiz, {-es, mv. -e en -ien) m. weldaad, prebende, beneficevoorstelling v.; -vorstelluiuj v., Z. Benefiz.

Benebmen, bedr. ww. onr. l)enomen, ontnemen; beletten; jem. -, Z. belduben-, *2. wed. ww. sich -, zich gedragen, zich voordoen; 3. o. zelfst. nw. gedrag o., handeling v.

Benebm-scbere, v. muntschaarv.; -wage v. muntschaal v.

Beneiden, bedr. ww. benyden, nijd toedragen.

Beneidens-wertb, -würdig, bijv. en b. benijdenswaardig.

Benennen, bedr. ww. onr. benoemen, noemen, aangeven; Zeil und Ort bepalen

Benennung, v. benoeming v., naam, noemer m.

Benepen sein, vastzitten.

Benetzen, bedr. w w. bevochtigen, besproeien.

Bengel, (-5, mv. Bengel) m. klos m. aan den hals van honden, knuppel, dikke stok m.; (van eene klok), klepel, bengel m.; (lig.) gro-ber -, lomperd, boerenkinkel, vlegel m Bengeicben, o. klosje, klepeltje o. Bengelei, v. lompheid v.

Bengel-baft, bijv. en b. lomp, onhandig; -kopf m. knop m. van den ijzeren dwarsstaaf in het drukraam.


-ocr page 166-

148 BEP

BER

Bengein, hedr. ww. einen Hund de» klos om den hals doen; Nüsse met een knuppel afslaan.

Bengelscheide, v. houten steel m. van den dwarsslaaf in het drukraam.

Benicken, bedr. ww. met een hoofdknik hevestigen.

Beniemen, Z. benamen.

Beniesen, hedr. ww. door niezen hevestigen.

Benieszeu, hedr. ww. begeerig gemaakt worden naar de jacht.

Benjamin-baum, m., -gummi, -harz,

o., Z. Lenzoebaum.

Benne, (-n) v. Ijen v., draagkorf m.; hoerenhuis o.

Benöthigen, hedr. ww. jem. Z. niithi-gen; •!. 0. ww., Z. nöthig haben.

Benöthigt, hijv. nw. (met den -2en nv.), - sein, of elw. - haben, noodig hebben.

Benummern, bedr. WW. (lie Uuuser -, nommeren of nummeren.

'Senutzen,-niitzen, hedr. WW. ten nutte maken, gebruiken, aanwenden.

Benzoe, v. benzoe v,, henzoehars v. en o.; -iil/ier m. henzoëether m.; -buum m. henzoë-hoom m.; -blurnen v. mv. henzoëzuur o.; -bul-Ier v. benzoëhoter v.; -gummi, -harz o. hen-zoëgom v., ben;;oëhars v. en o.; -sauer hijv. nw. henzoëzuur; -saure v., Z. -blumen; -linc-lur v., -wasser o. maagdenmelk v.

Beobachtbar, büv. en h. zichtbaar, waarneembaar.

Beobachten, bedr. ww. elw. -, gadeslaan, beschouwen; Gesetze -, In acht nemen.

Beobachter, -achterin, waarnemer, beschouw er m ,waarneemster,beschouwster v.

Beobachtung, v. waarneming, beschouwing, inachtneming v.

Beobacbtungs-gabe, v. gave v. van waarnomen; -heer o. ohservatieleger o.; -;)0-slen m. observatiepost m,; -scAi/rfwac/iev.ordonnans m.

Beobrfeigen, bedr. ww., Z. bemaulschel-len.

Beobrt, bijv. nw. geoord.

Beöten, hedr. ww. beoliën, met olie heL smeren; i. wed. ww. sich -, zich met olie besmetten.

Beordern, bedr. ww. bevelen, gelasten.

Bepaaren(sich), wed. ww., Z. paren.

Bepacken, hedr. ww. bepakken, beladen; 5. wed. ww. sich -, zich belasten.

Bepanzern, bedr. ww. harnassen, pantseren.

Bepappen, bedr. ww., Z. tekleislern.

Bepecben, bedr. ww. bepekken.

Bepelsenisich , bedr. ww. zich in een pels wikkelen.

Beperlen, bedr. ww. hepaarlen, met paar-len versieren.

Bepfablen, hedr. ww. met staken voorzien; einen Acker met palen afzetten; (lig.) tlw. bepalen.

Bepiercben, bedr. ww. einen Acker door de in perken opgesloten schapen later, bemesten; i. wed. ww. sich -, Z. bescheiszen

Bepflanzen, hedr. ww. einen Acker -, beplanten; die Tafel -, rijkelijk voorzien.

Bepflastern, hedr. ww. bepleisteren; eine Slrasze -, Z. pflaslern,

Bepfiöcken, hedr. ww. junge PHanzen-, stokjes zetten by.

Bepflücken, bedr. ww., Z. bcrupfen.

Bepflügen, bedr. ww., Z. })[liï(jen.

Bepfropfen, hedr. ww., /. pfropfen.

Bepfüblen, hedr. ww. Belle -, met kussens voorzien.

Bepfründen, bedr. ww. eene prebende schenken.

Bepicben, hedr. ww., Z. pichen.

Bepicken, bedr. ww. pikken van.

Bepinnen, bedr. ww. Sohlen -, pinnen.

Bepinselu, hedr. ww., Z. anslreichen.

Bepissen, hedr. w'w. l)epissen, bewateren.

Beplanken, bedr. ww. met planken he-kleeden.

Beplatten, bedr. ww. met dunne platen beleggen.

Beplaudern, hedr. ww. bepraten.

Bepolstern, bedr. ww., Z. polstern.

Bepragen, bedr. ww. bestempelen.;

Bepudem, bedr. ww., Z. pudern.

BepufEen, hedr. ww. met pollen voorzien.

Bepumpen, bedr. ww. water pompen op.

Bepunkten, bedr. ww. stippen, puntjes zetten op; stippelen; Z. punkliren.

Bepurpurn, bedr. ww. met het purper hekleeden.

Bepusten, hedr. ww. met woorden weg-tooveren.

Beputzen, hedr. ww. netjes aankleeden.

Bequartieren, hedr. ww. soldaten inkwartieren.

Bequasten, hedr. ww. met kwasten voorzien.

Bequem, bijv. en b. gemakkelijk, geschikt, gedienstig.

Bequemen, hedr. ww. gemakkeiyk maken; 2. wed. ww. sich -, zich behelpen; zich schikken, zich voegen, zich rich ten.

Bequembeit, v. gemak o.; it. gemakzucht v.

Bequemlade, (-n) v. latafel v.

Eequemlich, bijv. en h. gemakkelijk, geschikt.

Bequemliobkeit, v. geir.akkelijkheid v., gemak o.; ongedwongenheid, losheid v.; -.w/e-sellschafl v. commanditaire vennootschap v.; -sluhl m. gemiikstoel m.

Bequemling, (-(e)^, mv. -e) m. luiaardm.

Bequicken, hedr. ww. van kwik voorzien.

Berabmen, bedr. ww. in eene lijst zetten.

Berandeln,hedr.ww.van een randje voorzien.

Beranden, beranden, bedr. WW. randen; den rand vormen van.

Eerandern, bedr. ww., Z. beranden.

Eerandung, v. randen o.; rand m.


-ocr page 167-

BER 149

BER

Beranken, bcdr. ww. met züne ranken liedekken.

Berappen, l)edr. ww. eine Wand berapen.

Berasen, bedr. ww. met zoden beleggen; 2. o. ww. met gras bedekt worden.

Beraspeln, hedr. ww. raspen, beraspen; eine Maner afkrabben.

Berathen, bedr. ww. onr. belpen; jem.

raail geven, aanraden; it. jem. om raad vragen, raadplegen; besluiten; 2. o. ww. über etw. raadplegen; 3. wed. ww. sich met zich zeiven raadplegen,bij zich zeiven tc rade gaan.

Berather, m. verzorger, raadgever, helper m.

Beratbschlagen, o. ww. beraadslagen; ■2, wed. ww. sich -, raadplegen.

Berathschlagung, v. beraadslagen o., beraadslaging v.; -sstimme v. raadgevende slem v.

Berathung, v. begirtiglng, schenking v.; raadpleging, raadgeving v., raad m., schikking, orde v.

Berauben, bedr. ww. berooven, bestelen, ontnemen.

Beranchen, o. ww. zwart worden. Berauchem, bedr. ww. Fleisch roo-ken; (lig.) jem. -, bewierooken.

Beraucherung, v. berooking v., rooken o., bewierooking v.

Beraumen, bedr. ww., 7.. anberaumen. Berauschen, bedr. ww. jem. dronken maken; -2. wed. ww. sich zich dronken drinken.

Berberis, (-en) of Berberitze, (-n) v. berberis v., zuurdoorn m.; -beere v. berberisbes v.; -safl, -syrup m berberlssap o., berberissiroop v.; -stemde v., -sirauch m. berberisstruik m.; -zeltleino. berberiskoekje o. Berechen, i)edr. ww., Z. rechen. Berecbeubar, bijv. en b. berekenbaar. Berechnen, bedr. ww. berekenen, uitrekenen; 2. wed. ww. sich mil jemn. Z. abrechnen.

Berecbner, m. berekenaar m. Berecbnung, v. berekening, begrootingv. Berechten, bedr. ww. jem. -, in rechten vervolgen.

Berechtigen, bedr. ww. machtigen. Berecbtigung, v. machtiging v. Bereden, bedr. ww. bespreken; einen Plan -, afspreken; Jlles -, op alles iets te zeggen hebben;, eine JVunde -, met woorden wegtooveren; jem. bepraten; 2. wed. ww. sich -, Z. besprechen, verabreden.

Beredsara, beredt, bijv. en h. welbespraakt, welsprekend; -keil v. welbespraaktheid, welsprekendheid v.

Beredung, v. beprating, bespreking v., onderhoud, gesprek o.; overreding v. Beregen, bedr. ww., Z. (inregen. Beregnen, bedr. ww. beregenen. Bereiben, hedr. ww., Z. reiben. Bereicb, (-(e)s, mv. -e) m. en o. bereik o.;

in ein fremdes - greifen, zich met vreemde zaken bemoeien.

Bereicben, Z. erreichen.

Bereichern, bedr. ww. rijker maken, verrijken.

Bereifen, bedr. ww. ein hass -, van hoepels voorzien; met rüp bedekken; (lig.) wit maken.

Bereimen, hedr. ww. berijmen. Bereinigen, bedr. ww., '/..reinigen; Ge-schafte -, afdoen; eine Rechnung -, Z. er-maszigen.

Bereisen, bedr. ww. bereizen, afreizen Bereit, bijv. en b. bereid, gereed, klaar. Bereiteisen, o. polijststaal 0.

Bereiten, bedr. ww. gereed maken; klaar maken, bereiden; ï'erdruss -, aandoen.

Bereiten, bedr. ww. onr. eine Gegend berijden, doorrijden; ein Pferd berijden, dresseeren; van paarden amp; voorzien.

Bereiter, m. berelder m.; paardrijder, belijder m.; -gesetlschafl v. troep m. paardrijders; -peilsche v. rijzweep v.

Bereits, bljw. reeds, Z. schon. Bereitsctaaft, v., z. m. gereedheid v. Bereitung, v. bereiding v., Z. bereiten. Bereitwillig, bijv. en b. bereidwillig, gaarne; it. dienstvaardig;v. bereidwil-ligheid, dienstvaardigheid v.

Berennen, bedr. ww. onr. eine Sladl -, bestormen.

Berg, {-{e)s, mv. -e) m. berg m.; (Spr.) da steken die Och sen am -e, daar zit de knoop; hinter dem-ehalten, achterhoudend zijn; (lig.) stapel m.; rots v., steenklomp m.

Bergab, büw. bergaf, benedenwaarts. Berg-acker, m. bergakker m.; -ader v. bergader v.; -ahorn ra. bergaborn m.; -aka-demie v. academie v. voor hol munwezen; -alaun m. rotsaluln v.; -allesler, m. opperste m. der bergwerkers.

Bergamotte, (-n) v. bergamot(peer) v. Bergamott(e)-Citrone, v. bergamot-citroen m.; -birnbauin m. bergamotboom m.; -Citronenbaum m. bergamot-citroenboom m.; -61 o. bergamotolle v.

Bergampfer, m. bergzurlngv.; —amsel v. bergmerel v.; -and o. directie v. van eene mijn en het bureau o. daarvan.

Bergan, büw bergop, omboog. Berg-andorn, m. bergandoren m.;-a/-beil v. bergwerk o.; -arbeiler m. bergwerker m.; -aron m. bergarum v.; -art v. bergsoort v.

Bergauf, bljw., Z., bergan. Berg-austbeiler, m. uitdeeler m. van de tienden eener mijn-, -baldrian m. bergvaleri-aan v.; -balsam m. bergbalsem m.; -barte v. bergbijl v.; -bau m. bergbouw m.; -kunde v. bergbouwkunde v.; -kundiger m. delfstofkun-dige m.; -kmsl v. bergbouwkunst v.; -baum-wolle v. bergtoomwol v.; -beamier m. ambtenaar m. bij bet mijnwezen; -bedarf m. benoo-digdheden v. mv. bij den bergbouw; -ftesc/im-bung v. bergbeschrijving v; -bewohner m


-ocr page 168-

150 BER

BER

bergbewoner m.; —in v. bergbewoonsler v.; -binse v. bergbics v.; -Itlau o. bergblauw o.; -bock m., Z. Stemboek; -bohrer ra. anrdboor v.; -bote in. mijnbode in.; -braun o. umbra v.; -huch o. mijnboek o.-,-buche\'.,7..Ilalt;jebuche; -butter v. bergboter v.

Bergehen, o. bergje o.

Berg-compass,m. bergkompils o.;-(/oc/is m., Z. Murmelthier; -distel v.,/. Weyedistei; -dohle v. bergkraai v.; -durf o. dorp o. opeen berg; it. münwerkersdorp o.; -drossel v. berg-lijster v.; -ebenholz o. bastaard-senncslruik m.

Berge-geld, o. bergloon o.; -Iwlzo. berghout o.

Berg-einsiedler, m. kluizenaar m. die op een berg woont; it. bergbop m.; -eisen o. bergbeitel m.

Bergelohn, m., Z. /im/ci/cW.

Bergelster, v. kwartelvalk ra.

Bergen, bedr. ww. onr. bergen; (lig.) er ist gebonjen, bg heeft zijn schaapjes op het droge; (Hg.) verbergen, geheim houden.

Berg-ente, v. bergeend v.; -eppich m. berg-peterselie v.

Berger, (-s, rav. Hergcr) ra. berger ra. (van gestrande goederen); bergbewoner ra.

Bergerbse, v. bergorobus ra.

Berg-erz, o. bergerts o.; -eute v. berguil ra.; -fahrt v. vaart v. stroomopwaarts;-fo/ft ra. gierarend ra.; -(all ni.instortingv.vaneen berg; -farbe v. bergverf, oker v.; -fasan ra., Z. Auerhahn; -fein bijv. en b. zoo lijn moge-Igk; -fenchel ra. hergvenkel v.; -ferliy bijv. nw. wegens longziekte niet meer in staat om in de mgn te werken; -fest o. feesl o. der mijnwerkers; -feste v. stuk o. rots, dat raen bij wijze van pilaar in de mgn laat staan, ten einde instorting te voorkomen; -festung v. bergvesting v.; it. Z.-/esie,■-/«lt;lt; o. wit te aard-bars v.; -feuer o. bergvuur o.;-ficlUe\.herg-pijnboom m.; -/ink ra. bergvink ra.; -/Jac/iv ra. aardvlas, amiant o.; -flecken ra. bergvlek o.; it. vlek o. dat door mijnwerkers bewoond wordt; -/leiselt o. bergvleesch o.;-flockenblume v. aard-gal v., duizendguldenkruid o.; —jlor ra. bloeiende toestand m. derbergw'erken;-/Iussra.gekleurd kwarts o.; -förderniss v. uitbrengen o. der ertsen, vorderen o. der mijnwerken; -forelte v. bergforel v.; -/Vei bijv. en b. waar het verlof tot het aanleggen eener mijn nog niet vergeven is; -freiheit v. vrijheid v. om nignen op te delven;-/'«c/ism.bergvosra.;-na)iflni. raijn-gang m.; -gunscdistcl v. bergganzedistel v.; -gebaude o. gebouw o. behoorende hg eene mgn, die uitgedolven wordt; -gebet o. gebed o. der ragnwerkers; -gebot o. bevel o. van het bestuur voor de raijnén; -cjebrauch m.gebruik o. der bergwerkers; -gegend v. bergachtige streekv.; -qegendschreiberm. controleurm.der bergwerken; -geist ra. berggeest ra.; -gclb o., Z. Ocher; -genoss m. deelgenoot ra. in een bergwerk; -gerichtsordnung v. wetboek o. voor het mijnwezen; -geschviornerm. beëedigd opzichter over eene mijn; -gesetz o. wet v. voor het mijnwezen; -gespenst o., Z. -geist;

-gestift o. stichting v. voor arme of gebrekkige mij n werkers; -gewdchs o. bergplant \.-,-gewerk o. bergwerkers- of mijnwerkers-gilde o.; -ge-loerkschaft v. maatschappij v. van aandeelhouders in een berghouw;-gezcimo.gereedschappen o. mv. der mijnwerkers; -gift o., Z. Arsenik; -gipfet ra. bergtop ra.; -glas o., Z. -krystall; -(jliedkruut o. blauw gekleurd kwarts o.;-f/ott ra., -göttin v. herggod ra., bergnimf v.;-f/rtóno. berggroen o.; -grusz in, groet m. dermijnwer-kers; -guhr v., Z. Guhr; -gilnsel ra. bergbe-renoor o.; -gut o. bergstof, delfstof v.; -habit m. mijnwerkerskleeding v.; -hanenfusz ra. herghanepoot m.; -hakel, -hdklein o. bgl v., bijltje o. der mijnwerkers; -halm ra., Z. Rirk-liahn, Auerhahn; -halde v. helling v. van den berg; -tmndlung v. winkel, handel ra. In datgene, wat de bergwerken betreft; -harz o., Z. Erdharz; -hase ra. berghaas, haas ra.; -hasel-huhn o. berghazelhoen o.; -haspel m.,Z. Ilorn-haspel; -hauer ra., Z. -mami; -huut v., Z. -papier; -hauptmann ra. hoofdman m.overde mijnwerkers; —schaft v. hoofdmanschap o.. ambt o. van hoofdman amp;; -herr m. eigenaar m. eener mijn; vorst m. van het land waar mijnen zijn; -himbeerbaum ra braainbeziën-struik ra. zonder doornen; -himbcerey. braara-bes v.; -hoch bgv. nw. berghoog; -höhe v. berghoogte v.; -hoheitsrecht o. bergbouw ra. als een voorrecht van den landheer; -höhle v. berghol o., grot v.; -holder, -holander ra., Z. Traubenholunder; -holz o. houlvormlg asbest o., -huhn o. berghoen o.; -hund m. wagen ra. waarop het erts uit de mijnen gevoerd wordt; -hutte v. hut v. opeen berg; mijn sverkershutv.

Berglcht, bgv. en b. bergachtig, bergvor-raig.

Bergig, bijv. en b. bergachtig.

Berg-junge, m. jongen ra. in de mijn, tot het wasschen van erts m'; -kappc bergwerkersmuts v.; -karren m. ragnwerkerskar v.; -katze v. hergkat v.; -keiler ra. kelder ra. in eene rots uitgehouwen; -kelte v. bergketen m.; -kiesel m. rots- of bergkiezel o.; -klee v. bergklaver v.; -kleidung v., Z.-tracht;-klette v. bergklis v.; -kluft v., Z. Kluft; -knapp{e) ra. (jonge) berg- of raijnwerkequot; m.; —schaft v. vereeniging v., gilde o. der berg- of mijnwerkers; —skassey. hulpkasv. vooramp;;-knecht m. mijnwerker m., die het erts uit de mijn trekt of kruit; -knoblauch ra. hergknollooko.; -kohle v. met aardpek vermengde kool v.; -kompass ra., Z. -compass; horb ra. berg- of mijnwerkers-mand v.; -kork ra. bergkurk o.; -kosten v. mv. kosten ra. mv. van een bergwerk; -krdhe v., Z. Musshaher; -kratze v. hergkrahber ia.;-kresse v. bergkers\.;-krystall ra. berg- of rotskristal o.; -kabel m. mgnton v.; -kuh v. koe op de bergen;-/[«mme/ra. herg-komgn ra.; -kupfer o. bergkoper o.; -kuppe v. (ronde) top ra. van een berg; -lachter v. bergraaat v.; -land o. bergachtig lando.;-/«n-disch bgv. nw. bergen bewonend; -lasur v., Z. -blau; -lauch m., Z. -knoblauch: -laufig bijv. en b. volgens de gewoonten dermijnwer-


-ocr page 169-

BER 151

BER

kers; -leder bergleder o.; it.mijnwerkersvoor-«tlioolo.;-;e/(«e v. zijde, liollingv. van een berg.

Berglein, o., Z. Bergchen.

Berg-lerehe, v. liergleeuwerik m.--lellen ra. liergklei v.; -iindcv.,Z. SleinHnde;-losmq v. bergplaats v. voor de ertsen; -mann m. mijn werker, l)ergwerker m.; it. /.-bewohner; --grusz m., Z. -qrusz; —streu v. kruisdistel v.; -manneken o. aardmannetje o.; -mdnnisch bijv. en 1), op do ivijze der mijnwerkers; -maus v. bergmuis v.; -mehl o. bergmeel ü.; -meier-kraut o. bergwalkruid o.; -meise v. bergmees v.; -meisier m. mynbaas m.; -melisse v. berg-mellsse v.; -milch ni. bergmelk v.;-miinchm , Z. -(/eist: -munze v. bergmunt v.- -musihant m., Z. -sdnger; -mchfahrer in. opziener m. der bergwerkers; -niigelein o., -nelke v. berg-anjelier v.; -nellcenkraul o. bergnageikruido.; -numphe v. bergnimf v.; -ül o. lgt;ergolie v.; -ordnun/j v. reglement o. dor mijnwerkers; -papa o. bergnachtscbade v.; -papter o. mijn-papier o.; -purlei v. bergpartij v.; -pech o. aardpek o.; —erde v. aardhars o. en \.;-peler-lein o. bergeppe v.; -pfe/fer m., Z. Seidelbast; -p lieg er m., Z. Schichlmeisler; -po/oi m. wilde rozemarijn m.; -predigerm.bergpredikantm.; -predial v. bergpreek v.; it. bergrede v.;-pio/ipc v. mijiipomp v.; -ralh m. raadsheer m. bij bet departement van de mijnen; -rulle, -ralzes., Z. Erdhase, Murmelthier; -raule v. bergruit v.; -rechl o. bergrecht o.; wetboek o., wetten v. mv. botreltende mijnen; -rechllich bgv. en b. overeenkomstig bel bergrecht; -reihe v., Z. -helle: -reihen ra. bergliedje o.; -reise v. bezoek o. in eene mijn; -richler in bergrecb-ter m.; -riedijras o. berg-rielgras o.; -rose v., -rüschen o. rotsstruik m., bergroos v.; -rolh o., Z. RauschfieW, lliilhel; -rolhe v., Z. -zin-nobcr; -rulhei in., Z. lliilhel; rücken m. bergrug m.; -ruhrkraut o.bergroerkruid o.;-rulhe v., Z. Wünschelrulhe; -sabel m. mijnwerkerssabel m.; -sache v. zaak v., die een bergbouw of het mijnwezen betreft; -safl m. bergsapo.; -salal m. bergsalade v.; -sal: o., Z. Sleinsalz; -siincjer m. bergzanger m.;-saniAe/m. sleutelbloem v.; -schaiuler m. lasteraar m. der bergwerken; -schicht v. sclioftwerk o.; -schilf u. bergriet o.; -schlag ra. bergakker in.; -schuilen ra. bergslede v.; -schloss o. bergslol o.; -schluclil v. bergpas m.; -schmied m. mijn-smid ra.; -schmiede v. smederij v. voor of uit eeue mijn; -scheepfe v. bergsnip v.; -scholle v. bewoner m. der Sehotscbe hooglanden ra.; -schotlenrOckchen o. onderrokje o. der Schol-sche bergbewoners; -schreiber m. bergschrij-ver m.; -schule v. school v. voor het mijnwezen; -schater m. leerling ra. van zulk eene school; -schüssiej bijv. nw. met aardstolfen vermengd; -sckwailen m. schadelijke mgnluchtv.; -schwefel m. bergzwavel v.; -segen m.opbrengst v. der mijnen; -seife v. bergzeep v.; -seil o. mijntouw o.;-sperling m. bergmuschv.;-sp/e-ler ra., Z. -slinger; -spilze v. bergspits v.; -sladl v. bergstad v.; münwerkersstad v.; -slrasse v. straat v. over of langs bergen;

Kergstraat v.; -striiszer m. bergbewoner m.; it. Kergstraatwijn ra.; -strom m. bergstroom in.; -slu fe v. met veel aardstolfen vermengde mijnlaag v.; -slurz ra. instorting v. van eene rotswand; -sneht v. longziekte v. der mijnwerkers; -suchlifi bijv. nw. teringachtig; -sumpf m. moerassige laag v.; -talg ra. bergtalk v.; -Iheer ra. bergteer v.; -theil m. aandeel o. in een bergwerk; -lorf m. bergturf v.; -tracht v. berg- of mijnwerkerskleeding v.; -trog ra. mijnwerkerstrog m.; -truche v. bergkar v.; -Irumm o. bergpuin o.; -üblich bijv. en b., Z. -mdnnisch; -ulme v. bergolm m.;-unler bijw., Z. bergab; -urllteil o. vonnis o. vaneenberg-gerecbi; -reilchen o. bergviooitjo o.; -verwalter m. bestuurder m. van een bergwerk;-dw-wallung v. besluur o. van een bergwerk;-ci-Irwl m. bergvitrlool o.; -vogt m., Z. -meister; -richter; -volk o. bergvolk o., bergbewoners ra. mv.; -waare v. voortbrengsel o. uit demij-üen; -wachs o., Z. Gagal; Pechkuhte; -wand v. rotswand ra.; -wardein m. bergwaardijn m.; -wasser o. bergwater o.; it. mijnwater o.; -wegeireit in. bergweegbree v.; -weide v. bergwilg m.; -weiderich ra. bergweederlk v.; -wein ra. bergwyn m.; -werk o. bergwerk o.

Bergwerks-kunde, v., /..-wissenschaft; -sprache v. taal v. der berg- of mijnwerkers; -teich m. vijver m. in eene mijn; -!()?ssei!sc/i«/y v., Z. Bergbaukunde,- -verstandige m., Z. Bergbaukundige.

Berg-wesen, o. bergwezen, mUnwezeno.. mijnwerkerskunst v.; -wetter o. mijnlucht v.; -wiesel o. bergwezel v.; -wind m. bergwind ra.; -wolte v., Z. -flachs; -wort o. woord o. in den bergbouw; -zehnlem. bergtiende v.;-zehn-ter m. ontvanger m. der hergtienden; - zeUlose v. bergtgloos v.; -ziege v. klipgeit v.; -zim-mermann ra. mijntimmerman ra.; -zinn o. berg-, raijnlin o.; -zinnober m. bergrood o.; -zogling m., Z. -schiller; -zunder m. berg-zwam o.

Bericht, (-(c)s, mv. -e) m. bericht o., kennisgeving v., verslag o., Z. Nachricht.

Berichten, bedr. ww. Münzslucke ver-elTenen, justeeren, afronden; Fuiken -, Z. ab-richlen; etw. -, berichten, kennis geven van, onderrichten van, verslag geven; Jem. -, terechtwijzen.

Berichter, m., Z. Berichterslalter.

Berichterstatter, m. berichtgever, verslaggever m.

Berichterstattung, v., Z. Bericht.

Berichtigen, bedr. ww. vereffenen; einen Aufsatz -, nazien, verbeteren; eine Sache -, in orde brengen; eine Schuld -, afdoen; etw. mil jemn. afspreken.

Berichtiger, ra. verbeteraar m., corrector m.

Berichtsbrief,m.berichto.,adviesbrief m.

Berichtzettel, m. briefje, bullelin o.

Beriechen, bedr. ww. onr. beruiken; (lig.) jem. -, polsen.

Ber;efe(l)n, bedr. ww. eine Süule-, groeven, ribben.


-ocr page 170-

152 BER

BES

Beriemen, bedr. ww. met riemen voorzien.

Beriesein, bedr, ww. zachtjes vloeien over.

Berill, (-(c)s, mv. -e) m. beril m.

Berinden, bedr. ww. met eene schors omgeven; 2. wed. ww. sich eene korst krygen.

Beringen, bedr. ww. een ring of ringen steken aan.

Berltten, Z. bereiten.

Herkan, (-(e)s, mv. -e) m. barkan o.; -weber m. barkanwever m.

Berlicke, tusscli. tooverwoord o. dat eensklaps alles teweegbrengt, wat men wenscht.

Berline, (-«) v. berline v.

Berlinerblan, o. zelfst. en bijv. nw. Pruisisch of Herlijnscli blauw o.;-sfturev. blauwzuur o.

Beriocke, (-«) v. sieraad o. aan horlogekettingen, snuisterij v.; Z. Berlicke.

Berme, (-n) v. berm,walgang,walrandm.

Bernhardiner, (-s, mv. Bernhardiner) m. bernardincr monnik m.; -ahtei v. bernar-diner abdü v.; -klosler v. klooster o. voor bernardiner monniken; -mv. bernardinernon v.; -orden m. orde v. van den H. Bernardus.

Bemhards-mönch, m.,Z. Bernhardiner; -krebs m. Rernardskreeft m.; -nonne v., Z. Bernhardinerin.

Bernstein, {-(e)s, mv. -e) m. gele amber, barnsteen m.; -anhliclt liijv. en b. barnsteenachtig; -alaun m. barnsteenaluin v.; -arbeit v. barnsteenwerk o.; -arheiler m. barnsteen-werker m.; -auster v. amberoester; -drechs-ler m. barnsteendraaier m.

Bernsteine(r)n, bijv. en b. barnsteenen.

Bernstein-fabrik, (-en) v. barnsleenfa-briek v.; -fanq m. barnsteenvisscberU v.; -fanner m. barnsteenvisscber m.; -r/ei.il m. barnsteengeest m.; -handel m. barnsieenban-del m.; -kirsche v. witte Spaansche kers v.; -korulle v. barnsteenen kraal v.; -lesen o. inzamelen o.. inzameling v. Sn barnsteen;-sote o. amberzuur o.; -sauer bijv. nw. barnsteen-zuur; -saure v. barnsteenzuur o.; -schuur m. snoer o. van barnsteenen kralen; -weinslein m. amberkleurige wijnsteen m.

Berohren, bedr. ww. berieten, met riet bedekken.

Berohren, bedr. ww. van püpen voorzien.

Berosen, bedr. ww. met rozen bedekken.

Berosten, bedr. ww., Z. verrasten.

Berötheln, bedr. ww. met rood kryt merken, teekenen.

Bersch, of Berschlmg, (-{e)s, mv. -e) m., Z. Bars.

Berserker, (-s, mv. Berserker) m. woedend strijder m.; -wulh v. krijgsw-oede v.

Berserkern, o. ww. van zucbl om te vechten woedend zijn.

Berst, (-(e)s, mv. -e) m. barst of berst, scheur v.; -beere v., Z. Nachtschatten.

Bersten, o. ww. onr. barsten of bersten, scheuren.

Berst-gras, -kraut, -rohr, -schilf,

o. schermrietgras o.

Bertram, (-s, mv. -e) o. bertramkruid o ; -baum m. klaverbladerige herkulesboom m.

Berüchtigen, bedr. ww. in opspraak brengen.

Berüchtigt, bijv. nw. een kwaden naam hebbende, berucht.

Berücken, bedr. ww. vangen, boeien, verrassen; jon. -, misleiden, foppen.

Berücksichtigen, bedr. ww. in aanmerking nemen.

Berücksichtigung, v. in, unter - der Umstdnde, de omstandigheden in aanmerking genomen.

Beruf, {-(e)s, mv. -e) m. roeping v., roep m.; beroep, ambt o., plicht m.

Berufen, bedr. ww. onr. roepen,oproepen, bijeenroepen, beroepen, ter verantwoording roepen; 2. wed. ww. sich -, zich beroepen, een beroep doen op, Z. appelliren.

Berufen, bijv. nw. beroepen, geroepen; beroemd, berucht.

Berufer, (-s, mv. Berufer) m. roeper, beroeper m.

Berufs-arbeit, v., -geschaft, o. beroeps-bezigbeid v.; -genoss m. beroepsgenoot, ambtgenoot m.; -maszig bijv. en b volgens het beroep; -pflichl v. beroepsplicht m.; -recht o., Z. Berufumisrecht; -treue v. getrouwheid v. in het beroep-, -verrichtunq v., Z. -cicschdft; -waht v. beroepskeuze v.; -widri/j bijv. nw tegenstrijdig met het beroep.

Berufung, v., Z. berufen; -sbrief m., -sschreiben o. beroepsbrief, büeanroepingsbrief m., convocatiebiljet o.; -sreclit o. recht o. om te appelleeren.

Beruhen, o. ww. berusten, afhangen.

Beruhigen, bedr. ww. bedaren, geruststellen; 2. wed. ww. gerust zijn.

Beruhiger, {-s, mv. Beruhiqer) m. gerust-steller m.

Beruhigung, v. geruststellingv.;-sf/)'««rf m..reden v.,grond m. tot geruststelling;-.smi7-tet o. calmeerend middel o.

Berühmen, bedr. ww. roemen; 2. wed, ww. sich -, zich beroemen.

Bcrühmt, bijv. en b. beroemd, vermaard, berucht; -heil v. beroemdheid, vermaardheid v.

Beruhren, bedr. ww. aanraken, aanroeren, aanstippen; 2. wed. ww. sich elk. raken; (fig.) verwant zijn.

Berührung,v. aanraking, verwantschap \.

Berührungs-elektricitat,v,galvanisme o,; -linie v, raaklijn v.; -punkt m. raakpunt o.; -winkel m. raakhoek m,

Berunzeln, bedr. ww. rimpelen, plooien.

Berupfen, bedr. ww., Z. rupfen, schma-tem.

Beruszen, bedr, ww. met roet bedekken,

Beryll, (-{e)s, mv. -e) m., Z. Berill.

Besaamen, bedr. ww., Z. besamen.

Besacken, bedr, ww, mei zakken beladen; 2, wed, ww, sich -, zijne zakken vullen; (lig,) zich verrijken.

Besaen, bedr, ww, bezaaien.


-ocr page 171-

BES 153

BES

Besage, bijw. volgens, ingevolge.

Bssagen, ijedr. ww. zeggen, beteekenen; tesaqt, genoemd; 2. bewijzen, getuigen, Z. anhlagen, beschuldifien.

Besager, {-s, mv. Besager) m., Z. Klager.

Besagung, v., Z. Klage.

Besaiten, bodr. ww. van snaren voorzien.

Besalben, bedr. ww. zalven, smeren, bedriegen.

Besalzen, bedr. ww. zouten.

Besamen, bedr. ww. bez.iaien; bevruchten; *2. wed. ww. s/c/i zicb door zaad voort-plimten, zaad krggen.

Besamung, v. bezaaien o., bezaaiing, bevruchting v.

Besan, (-en) v., -segel, o. bezaan v.,bc-zaanszeil o.; -brosse v. bezaansbraszeil o.

Besanden, bedr. ww. zand werpen op.

Besanftigen, bedr. ww. stillen, doen bedaren, geruststellen.

Besanftigung, v., Z. besanftigen;-smittel o. pijnstillend middel o.

Besan-mars, m. bezaansmars v.; -mast m. bezaansmast m.; -rah v. bezaansra v.; -schoten v. mv. hezaansschoten v. mv.; -wünd v. bezaanswant o.

Besatss, (-salzes, mv. -suite) m. opnaai-sel, bezetsel o.; -spilzcn m. mv. kant v. voor garneering; -teich m. vijver m. voor devisch-teelt.

Besatzung, v. bezetting v., garnizoen o., bemanning, equipage v.

Besanen, bedr. ww., Z. heschmutzen, hc-stideln.

Besaufen, bedr. ww. onr.jetn. -, dronken maken; 2. wed. ww. sich -, zich dronken drinken.

Besaufen, bedr. w w. dronken maken.

Besaugen, bedr. ww. zuigen aan.

Besaumen, bedr. ww., Z saumen.

Beschaben, bedr. ww. beschaven,beraspen.

Beschadigen, bedr. ww. beschadigen; jem. -, bezeeren, kwetsen.

Beschadiger, (-s, mv. Beschadiger) m. beschadiger m.

Beschadigung, v. beschadiging v.; it. schade v., wond, kwetsuur v.

Beschaffen, bijv. en b. gesteld, gelegen; -heit v. hoedanigheid v., gesteldheid v., toestand m.; —swort o. bijwoord o. van hoedanigheid.

» Beschaffen, bedr. ww. aanschalTeu, ver-schallen, uitvoeren.

Beschaften, bedr. ww., Z. schaften.

Heschaftigen, bedr. ww. bezighouden; beschaftigt son, bezig zijn.

Beschaftiger, (-s, mv. Beschriftiger) m. hij, die een ander bezig houdt.

Beschaftigung, v. bezigheid v., werk o.

Eeschalen, bedr. ww. .1/esscr-,van hechten voorzien; beschalte Tlnere, schaaldieren; 2. wed. ww. sich -, schalen krijgen.

Beschalen, bedr. ww. ontschor

sen; .-iepfel schillen; (van hengsten), dekken.

Beschaler, ' -s, mv. Beschnler) m. hecht-of steelmaker.

Beschaler, mv. Beschaler) m. dekhengst m.; it. Z. Ileschalkneciit.

Beschal-geld, o. dekgeld O.; -knecht m. dekkneebtm.

Eoschalung, v. hecht of heft o.

Beschalung, v. dekken, bespringen o.

Beschalverzeichniss, 0. lijst v van het dekken; -zeil v. dektijd m.

Beschamen, bedr. ww. beschamen, verlegen maken.

Beschamung, v. beschaming, schaamte v.

Beschanzen, bedr. ww., Z. verschamen.

Beschatten, bedr. ww. beschaduwen; 2. wed. ww, sich -, lommerig worden.

Beschattung, v, schaduw, beschaduwing v.

Besihatzen, bedr. ww. schatting opleggen.

Beschatzung, v. schatting v.

Beschauen, bedr. ww. beschouwen, bezien; 2. o. ww. toekijken.

Beschauer, (-«, mv. Beschauer) m. beschouwer m.

Beschaulich, bijv. en !)., Z. anschaulich; bespiegelend; -keil v., Z. AnschauUchKeil.

Beschaumen, bedr. ww. met schuim bedekken.

Beschauung, v. beschouwing, schouw v.

Beschauwalze, v. beschouwrol v.

Bescheeren, bedr. ww., Z. bescheren.

Bescheid, {-[e)s, mv. -e) m. bescheid,antwoord o., beslag o., bericht o., besluit o.; (Rechtspr.1 uitspraak v., vonnis o.; - wissen, bekend zijn; in elw. keinen - wissen, niet op de hoogte zijn van; jemn. - thun, bescheid doen.

Bescheiden, bedr. ww. onr. bescheiden, toedeelen; jem. -, onderrichten, terechtwijzen; 2. wed. ww. sich -, afzien van; sich mil etw.

tevreden znn.

Bescheiden, bijv. en b. bescheiden, zedig, eenvoudig; -heit v. zedigheid, bescheidenheid, matigheid v.

Bescheiden(t)lich, bijw., Z. bescheiden.

Bescheinen, bedr. ww. onr. beschijnen.

Bescheinigen, bedr. ww. schriflelijk bewijzen.

Bescheinigung, v. schriftelijk bewyso. quitantie v.

Bescheiszen, bedr. ww. onr. bevuilen, bekakken; (tig.) Z. hetrilgen.

Bescheiszer, (-s, mv. Bescheiszer) m., -scheiszerei, v., Z. Belr'üqer, Belrügerei.

Beschenen, bedr. ww. belletjes aandoen.

Beschellt, bijv. uw. met een belletje van eene andere kleur.

Beschenken, bedr. ww. beschenken, be-glftlgen.

Bescheren, bedr. ww. onr. scheren.

Bescheren, bedr. ww. jemn. etm. -, toedeelen, schenken.

Bescherung, v. geschenk o.; (tiï.) onaangenaam voorval o.


-ocr page 172-

BES

154

BES

Bescherzen, bedr. ww. schertsen met. Beschicken, lieilr. ww. uitzenden, ont-tiieden; ein Gaslmahl gereedmaken; seine Sachen beschikken, in orde houden; den Jcker -, behouwen; sein Pfenl verzorgen; sic/i -, zich klaar maken.

Beschickung, v. onibieding v.,gereedma-ken o.; -sre/jel v. mengingrekening v.

BeschLenen, bedr. ww. ein Had beslaan.

Beschienung, v. beslaan, beslag o. Bescbleszen, bedr. ww. onr. bescbleien; ein 1-euerrohr -, probeeren; Z. hedieleii; i. o. ww uitslaan.

Bescbieszung, v. beschieting v , bescbleien o.

Beschiffbar, bijv. nw. bevaarbaar; -keil v. bevaarbaarheid v.

Beschiffen, bedr. ww. bevaren. Beschilden, bedr. ww. van een schild voorzien.

Beschilfcn, bedr. ww. met riet bedekken; ■2. o. ww. met riet bedekt worden, Bescbimmeln, o. ww. beschimmelen. Beschimmern, bedr. ww. niet schitterend licht verlichten.

Beschirapfen, hedr. ww. beschimpen, uitschelden; ein Madchen schandvlekken.

Beschindeln, bedr. ww. ein Vuch -, betengelen, schindeln.

Bescbmden (sleb), wed. ww. zich hel vel afschaven.

Bescbirmen, bedr. ww. beschutten; (lig.) jem. -, beschermen.

Beschirmer, (-s, mv. lleschirmer) m. verdediger, beschermer m.

Beschiafen, bedr. ww. onr. ein Lager -, slapen op; ein Madchen -, beslapen; (lig.) ic/i will es ik zal er eens op slapen.

Beschlag, m. beslag o.; schimmel v., uilslag m.; - legen, beslag leggen; in - nehmen, in beslag nemen; -bretler o. mv. huidplanken v. mv.

Beschlage, (-s, mv. lieschluge) o. beslag o., uitslag m.

Beschlagen, bedr. ww. onr.doen beslaan; omkleeden; luteeren; ein Pferd -, beslaan; gut - sein, knap zijn; die Segel -, inbinden; in beslag nemen, beslag leggen op; Bdume -, vierkant behakken; eine Flache -, beslaan, bedekken; 2.0. ww. beslaan,uitslaan,beschimmelen.

Beschlage-tasche, -zange, v., Z. Be-

schlaglasche, -zange.

Beschlag-tegung, v. beslaglegging v.; -leine v. beslaglijn v.; -lohn m. bakloon o.; -nehmer m. beslaglegger m.; -nehmung v. l)e-slaglegging v.; -tasche v. hoefsmidszak m.; -verweser m. bewaarder m. van in beslag genomen goed m.

Beschlag-zange, (-») v. besiagtang v.; -zeug o. beslaggereedschap o. Beschlammen, liedr.ww^Z.Sesc/i/emmen. Bcscbleicheu, bedr. ww. onr. verrassen, overvallen.

Beschleiern, bedr. ww., '/..verschleiern

Beschleifen, bedr. ww. onr. beslgpen einen Hul -, met strikken voorzien.

Beschleimen, bedr. ww. met slijm bedekken.

Bescblemmeu, bedr. ww. met slib bedekken.

Bescbleunigen, bedr. ww. bespoedigen, versnellen, verhaasten.

Beschleunigung, v. versnelling, verhaasting v., spoed m.

Bescblieszen, bedr. ww.onr. OVW-,wegsluiten; die Thor-, sluiten; seine/to/e-, besluiten,eindigen;^.bedr. en o. ww. besluiten, een besluit nemen.

Sescblieszer, m. portier,custos, huisbewaarder m.; -in v., Z. Schlieszerin, Uaushal-lerin.

Beschloszen, bedr. ww . behagelen.

Beschluas, m. sluiting v., slot o.; besluit, einde o.; -fuhig bgv. nw. in voldoend aantal om een wettig besluit te nemen; -fuhigkeil v. voldoend aantal o. amp;; -nuhme v besluiten, een besluit nemen o.

Bc-scbmauchen, bedr. ww. hesmoken.

Bescbmausen, bedr. ww./em.-, als gast gaan smullen bij; elw.-, me, eene party vieren.

Bescbmeicbeln, liedr, ww. jem.-, Z schmeicheln.

Beschraeiszen, bedr. ww. onr., Z. heiver f ei'. besudeln.

Beschmieren, bedr. ww. besmeren; Papier -, bekladden.

Beschmitzen, bedr, ww. smerig of vuil maken,

Bescbraitzer, (-s, mv. Eeschmilzer) m. lasteraar m.

Bescbmutzeu, bedr. ww. vuil, smerig maken, bezoedelen.

Bescbnauben, bedr. ww. (van paarden), snuiven op.

Bescbuaufeln, bedr. ww., Z. bescheau-ben.

Bescbneide-bank, v. snijbank v.; -breit o. snijplank v.; -eisen o. schaafijzer o.; -hubel m, snijscbaaf v.; -messer o., Z. -eisen.

Bescbneiden, bedr. ww.besnijden; J?«»-me -, snoeien;7J«j)ier-,snijden,afsnijden; (tig.) jemn. die Flügel -, kort houden.

Bescbneidepresse, v. snijpers V.

Bescbneider, m. besnijder m.

Bescbneidsel, u,, Z, .Jhsehnillsel. •

Beschneidung, v. snijden o.. besnijdenis v.

Bescbneien, bedr. ww. besneeuwen.

Bescbneiteln, bedr. ww., Z. sclmeiteln.

Bescbnellen, bedr. ww. jem-, bedotten.

Bescbnippe^)!!, bedr. ww. kleine stukjes afsnijden van.

Beschnittene, m. besnedene, jood m.

Bescbnitzeln, bedr. ww. kleine stukjes afsnijden van.

Bescbno(b)bern1 bedr. ww. beruiken, besnuffelen.


-ocr page 173-

BES 455

BES

Beschnüffeln, -schuppern, Ijeilr. \vw., /„ beschnobcrn.

Beschnüren, licdr. ww. snoeren ; einen Hut een koordje doen om.

Beschönen, hedr. ww., Z. beschonigen.

lïescliöuipciij liedr. ww. Fehler ver-soelijken, bemiintelen, bewimpelen.

Beschranken, liedr. ww. Insluiten; Frei-heit beperken.

Beschranktheit, v. beperktheid.

Beschreiben, bedr. ww. 'jnr. beschrijven, schrijven op; eene beschrijving geven van, afschilderen; omschrijven.

Beschreiber, m. beschrijver, verhalerm.

Beschreiblich, bijv. en b. beschrijfelijk.

Beschrelbung, v. beschrijving v., verhaal o., omschrijving v.

Beschreien, bedr. ww. onr. schreeuwen; jem. -, beweenen.

Beschreiten, bedr. ww. ein Pfenl -, bestijgen; betreden.

Beschrieen, bijv. nw. berucht, beroemd,

Beschroten, bedr. ww. besnijden, besnoeien.

Beschuhen, bedr. ww. jem. -, schoenen aantrekken; 2. wed. ww. sich /.(jne schoenen aantrekken.

Beschuhung, v. schoeisel o., schoenen m. mv.

Beschulden, bedr. ww. Gülcr'/..ver-schulden.

Beschuldigen, bedr. ww. -, beschuldigen.

Beschuldiger, (-s, mv. Beschuldiger) m. beschuldiger m.

Beschuldigung, v. beschuldiging v.

Beschuiameln, bedr. ww., Z. betrügen.

Beschuppen, bedr. ww. met schubben voorzien; jein. Z. betrügen.

Beschürten, bedr. ww. einen Gang -, ontblooten, blootgraven.

Beschurzen (sich), wed. ww. een schootvel. voorschoot voordoen.

Beschutten, bedr. ww. bestrooien.

Beschülzen, bedr. ww. beschutten, beschermen.

Beschützer,-s chützerin, beschermer m., beschermster v.

Beschwagern (sich), bedr. ww., Z. venchwagern.

Beschwangern, -schwauzen, -schwarzen, bedr. ww., Z. soltwiingern, scliwlinzcn, schwarzen.

Beschwatzen, -schwatzen, bedr. WW. bepraten.

Beschwatzer, -schwatzerin, beprater m., bepraatster v.

Beschwefeln, bedr. ww., 7,. schwefeln.

Beschweifen, bedr. ww. van een staart voorzien.

Beschweigen, bedr. ww., Z. beschwich-tigen.

Beschweiszen, bedr. ww. met zweet bedekken.

Beschwellen, bedr. ww., Z. schwellen.

Beschwemmen, bedr. ww., Z. vhcr-sehwemmen.

Beschwer, {-en) v., Z. Beschwerde. Beschwerde, (-)i) v. bezwaar o., last m., moeite, vermoeienis v.; smart v.; belasting v., klacht v.; -führen, zich beklagen ; -nbuch o. klachtenboek o.; -schrift v. klaagschrift o.; -voll bijv. en b. vol moelelijkheden.

Beschweren, bedr. ww. bezwaren, belasten; drukken; kwellen, lastig vallen,

Beschwerlich, bijv, nw. lastig,moeielijk, bezwaarlijk; -keil v. ongemak o.; lastigheid v., moeieiijkheid v,

Beschwerniss, (-«), -schwerung, v., Z, liesclnvcrde, Last.

Beschwichtigen, bedr. ww. ein Kind -, doen zwygen; //«nf/f)--, stillen.

Beschwichtigung, v.. /..beschwichtigen-. -sgeld o. geld o. dat men betaalt om iem. iets te doen verzwijgen.

Beschwingen, bedr. ww. onr., Z. be/lü-geln.

Beschwitzen, bedr. ww. clw. -, met zweet bedekken.

Beschwören, bedr. ww. onr. bezweren, bannen, uitdrijven; jem. -, bezweren, ernstig bidden.

Beschwörer, (-s, mv. Beschwörer) m bezweerder m.

Beschwörung, v., Z. beschwuren-sbuch o. tooverboek o.; -sformel v. bezweringsformulier o ; -sgescinge m. mv. gezang o. ter bezwering van booze geesten; -skunst v. kunst v. om booze geesten te bezweren.

Beseelen, bedr. ww. bezielen, aanmoedigen, verlevendigen.

Beseeler, (-s, mv. Beseeler) m. bezieler, aanmoediger m.

Besegein, bedr. ww. ein Meer Land -, al varende bezoeken; die Linie passeeren; ein Schi/r -, van zeilen voorzien.

Besegnen, Z. segnen.

Besehen, bedr. ww. onr. bezien, bekijken; /Vur/f/-, oploopen; 2. wed. ww. sich -, rondkijken.

Besehens-werth, -würdig, bijv. en b

bezienswaardig.

Beseher, m., 7,. Beschuuer; -fn v.bakevv Besehnen, bedr. ww. einen Bogen -, van pezen voorzien.

Beseichen, bedr. ww., Z. bcpissen. Beseifen, bedr. ww., Z. einseifen. Beseilen, bedr. ww. Schi/fe -, optuigen, optakelen.

Beselten, bedr, ww, de zijden van een wapen dekken.

Beseitigen, bedr. ww. ter zijde leggen, wegruimen, verwijderen.

Beseligen, bedr. ww. gelukkig of zalig maken.

Besemer, {-s, mv. Besemer) m., Z, Besenbinder.

Besen, (-s, mv. Besen) m. bezem m.; (Spr.) neue - kehren gut, nieuwe liezems vegen schoon; -binder m. bezemmaker m.


-ocr page 174-

BES

BES

156

Besenden, bedr. ww. reg, en onr. jem. zenden lot.

Besen-flachs,m., z.m.hczemvlaso.;-/(eirfe v. heide \.-,-hraut o. bezemkruid o.;-marktm. bezemmarkt v.; -pflnnze v., Z. -llachs;-reiso. hczemrüs o.; -sohle v. hoeveelheid zout ten voordeele van hem, die in de zoutkeet de bezems levert; -stiel m. bezemsteel ra.

Besessen, bijv. en b. bezeten, gekweld; -heit v. bezetenheid v.

Besetze, (-.9, mv. Besetze) o.

Besetzen, bedr. ww. bezetten, zetten op; voorzien van; Amt begeven.

Besetz-platte, v. vierkante vloertegel m.; -sclil(i(iel,-sluzsel ra. hei v.

Besetzung, v. bezetten, beslaan o.; it. belegsel, boordsel o.; -srecht o. recht o. van begeving.

Beseufzen, bedr. ww. zuchten over, be-weenen.

Besicht, (-(c)s, mv. -e) m. uuf -, op bc-ziens, Ier bezichtiging,

Besichtigen, bedr. ww. bezichtigen, in oogenschouw nemen.

Besichtiger, mv. ttesichtiger) m.

bezoeker; inspecteur m.

Besichtigung, v., Z. icsichtujcn; -sbe-richt ra. verslag o. over een onderzoek; -sqe-bühren v. mv. inkomsten v., kosten ra. mv. van onderzoek; -sreise v. inspectiereis v. Besieben, bedr. ww. bezitten.

Besiedeln, bedr. ww. ein Land bevolken.

Besiegbar, -sieglich, byv. en b. over-winnelijk.

Beslegeln, bedr. ww. bezegelen; ((ig.) bekrachtigen.

Besiegen, bedr. ww. einen Feind -, overwinnen; Uindernisse -, te boven komen; Lei-denschaftm -, bebeerschen; 2. wed. ww.sic/t zich zeiven bebeerschen.

Besieger, m. overwinnaar m.

Besilbern, bedr. ww., Z. versilbern. Besingen, bedr. ww onr. bezingen. Beslnaen (sich), wed. ww. onr. herstellen, zich herinneren, te binnen brengen; nadenken, aarzelen;sieft anders -, van besluit veranderen;sich einesBessen-,lol nadenken komen, lol inkeer komen; sich auf etw. zich herinneren; weer tot zich zeiven komen.

Besinnung, v.bezinning, aarzeling v.,nadenken o.; die - vertieren, buiten kennis geraken; -skruft v. herinneringsvermogen o.; -slns bijv. en b. bezinningloos, bulten kennis; onbezonnen.

Besippen, bedr. ww. verwant maken; verbinden.

Besitz, (-es) ra., z ra. bezit o., bezitting v.; aus dem -e treiben, het bezit ontnemen; it. eigendom o.

Besltzen, ww. onr. einen Stuhl -, zitten op; Eier -, broeien; ein Uaus -, bezitten.

Besitzer, -sitzerin, bezitter m., bezitster v.

Besitz-ergreifer, m. in bezitneraer m.;

-ergreifunq, -nelimung v. in bezitneming v.; -fall ra. tweede naamval ra.; -los bijv. nw. onbeheerd; -raubung v. ontweldiging v.; -recht o. eigendomsrecht o ; -stand m. bezit o.; — sklage v. klacht v, over stoornis in het bezit. Besitzthum, o. bezitting v., eigendom 0. Besitzuug, v. bezitting v., eigendom o. Besocken, bedr. ww. sokken doen aan. Besolien, Z. besaufen.

Besoblen, bedr. ww. -, zolen zei

ten in.

Besolden, bedr. ww. bezoldigen, loon geven; 'lYuppen -, soldij geven.

Besoldung, v. bezoldiging v., loon o.; -sstück o. voorwerp o., dal mede een deel uitmaakt van het loon.

Besömmern, itedr. ww. die l'clder -, met zomerkoorn bezaaien.

Besonder, bijv. nw.afzonderlijk,bijzonder, uitmuntend.

Besonderbeit, v. bijzonderheid v. Besonders, bijw. bijzonder, afzonderlijk; .voornameiijk; buitengewoon.

Besonnen, bedr. wv. (van de zon), beschijnen.

Besonnen, bijv. enb. omzichtig, bedaeht-zaara, bezonnen.

BesonnenbeitjV. omzichtigheid, bedachtzaamheid, bezonnenheid v.

Besorgen, bedr. ww, -, zorgen,zorg dragen voor, verzorgen; bezorgen; etw. -, urn ot wegen etw. bcsorgt sein, bezorgd zijn.

Besorger, -sorgerin, bezorger, verzorger, oppasser ra., bezorgster, verzorgster, oppasster v. ,

Besorglicb, bijv. en b. te duchten; dreigend, onrustbarend; vreesachtig; -keil v., Z. Besorgniss; voorzichtigheid, voorzorg v.

Besorgniss, (—6,) v. vrees, bezorgdheid v.; -voll bijv. en b. vol ongerustheid, zorgelijk.

Besorgsani, bijv. en b. zorgzaam, zorgvuldig, bezorgd.

Besorgung, v. bezorging, zorg v., -sge-bühr v. commissieloon o.

Bespangt, bijv. nw. geringd, beslagen. Bespannen, bedr. ww. bespannen; inspannen; einen Bogen -, mei eene pees voorzien; Rahmen -, opspannen.

Bespelen, bedr. ww. onr. bespuwen. Bespicken, bedr. ww., Z. spieken; 2. wed. ww. sich -, Z. siift bereichern.

Bespiegeln, bedr. ww. met spiegels voorzien; i. wed. ww. sich -, zich spiegelen, in den spiegel zien.

Bespinnen, bedr. ww. onr. bespinnen, omspinnen.

Bespitzen, bedr. ww. raet eene punt voorzien; 2. wed. ww. sich -,zich een kleinen roes drinken.

Bespornen (sich), wed. ww. sporen aandoen, zich sporen,

Bespötteln, -spotten, bedr. ww. bespotten, uitlachen, voor den gek houden.

Besprecben, bedr. ww. onr. eine fVaavc -, bieden naar, onderbandelen over-, einen

-ocr page 175-

BES

157

BES

Hlatz bespreken, liestellen; cinc Krankheii

bezweren; ein Gewehr in rust zetten; 2' wed. ww. sic/t mil jemn. Uier etw. af-sprekcn.

Besprecher, (-«, mv. Besprecher) m. duivelbanner, toovenaar m.

Besprechung, v. Resprek 0.,samenspraak v.; it. bespreken 0., bespreking v.

Besprengen, bedr. ww. besprenkelen, besproeien; Kalk blusschen.

Bespringen, bedr. ww. onr. A'ti/ii;-, bespringen; dekken.

Bespritzen, bedr. ww. bespuiten, bespatten.

Besprudeln, bedr. ww., übersprudeln.

Bespuckeu, bedr. WW., Z. bespelen.

Bespülen, bedr. ww. bespoelen.

Bespunden, -spünden, i)edr. WW., Z. spünden, zerspünden.

Besser, iiijv. en b. I)eter; jc eher, je -, boe eer, iioe liever of beter; Je langer, je boe langer, boe beier; - Innuuf, Innunler, meer naar boven, meer naar beneden; -schreien, barder; - laufen, sneller.

Besserlich, bijv. en b. verbeterbaar.

Bessern, bedr. ww. beter maken, verbeteren; i. wed. ww. siclt -, zieb verbeteren, beteren, beter worden, herstellen.

Besserspitzer, m.; Feinspitzer.

Besserung,v. verbetering v.,herstellen 0., beterschap v.; -sfaliig bijv. n\v.,besserlich; -shaus 0. verbeterhuis o.; -smittel 0. middel 0. ter verbetering; -ssirofe v. straf v. tot verbetering.

Bestahlen, bedr. WW., Z. stdhlen.

Bestallen, bedr. ww., Z. unslellen.

Bestaliung, v. aanstelling, benoeming v., Iiezoldiging v., pensioen 0.; -surkunde v. benoeming v.

Bestammt, bijv. nw. met eene schacht van andere kleur.

Bestampfen, beili'. ww., Z. slampfen.

Bestand, (-(e) s, mv. Heslunile) m. duurzaamheid, bestendigheid v.; bedrag 0., inhoud m., pacht, huur v.; im-haben, in pacht of in huur hebben; -buch 0. inventaris m.

Bestander, m. pachter, huurder m.; -in v. pachtster, huurster v.

Bestand-geld,o.pachtgeld 0.,buur \.;-gilt;( 0. pachthoeve v.; -herr m. eigenaar m.

Bestanciig, bijv. en b. bestendig, voort-durend,duurzaam, aanhoudend, standhoudend; gestadig, standvastig, onveranderlijk; -keit v. standvastigheid, bestendigheid, duurzaamheid v.; gestadigheid v.

Bestand-inhaber, m., Z. Bestander; -jagd v. gebuurde jacht v.

Bestandlicb, bijv. nw., beslandsweise.

Bestand-liste, v. boedellijst v., inventaris m.; -los bijv. nw. onbestendig, vergankelijk; -losigkeit v. onbestendigheid, vergankelijkheid v.; -mann m., Z. Bestander.

Bestand-rolle, v.. Z. -buch; -stück O., Z. -Iheil-, -sweise bijw. in huur, in pacht; -theil m. bestanddeel 0.; -verlrag m., Z.

I'achtvcrtrarj- -verzeichniss 0., Z. -hste; -we-sen 0. bestanddeel 0.; -zeil v., Z. Pachtzeit.

Bestarken, bedr. ww. versterken, bevestigen.

Bestater, (-s, mw-Beslater) m., Z. Uü-terbestater.

Bestatigen, bedr. ww. bevestigen, bekrachtigen; eidlich -, bezweren; Waaren -, verzenden; i. wed. ww. sich -, bevestigd worden.

Bestatigung, v., Z. bestatigen; -sjagd v jacht v., die gehouden wordt, om den wild-stapel te leeren kennen; -surtheil m. bevestigend vonnis 0.

Beslatten, bedr. ww. eine Tochter /.. ausstallen; einen Jcker -, Z. bestellen; jein -, begraven; Z. bestatigen.

Bestattlich, bijv. nw. huwbaar, manbaar; -keit v. huwbaarheid, manbaarheidjv.

Bestattung, v., /,. stussteueT; (ler aaiile) bestelling, begrafenis v.

Bestauben, 0. ww. bestuiven.

Bestauben, bedr. ww. etw. -, met stof bedekken.

Bestaubung, v. (van planten,, kunstmatige bevruchting v.

Bestanden sich , wed. ww. stengels krijgen.

Best-bietende, m. en v., Z. Meistbielen-de; -haupt 0., Z. llauptfall; -miiglich bijw. zoo goed mogelijk.

Beste, {der. die, das) bijv. nw. (overtr. tr. van gul) best, voortreffelijk, zeer goed; -2. bgw. ain-n, zum-n, aufs -, het best; :). o. zelfst. welzijn, voordeel 0.; das gemeine -. het algemeen welzijn; einem etw. zum -n ge-hen, ten geschenke geven; zu seinem -n, tot zijn welzijn; sein -s thun, zijn best doen; zum -n der Armen, lot voordeel; jem. zum -n haben, iem. voor don gek houden, beethebben.

Bestechbar, bijv. nw., Z. bestechlich.

Bestecben, bedr. ww. onr., benaaien,opzetten; (lig.) jem. -, omkoopen, voor zich innemen; die Sinne -, bekoren, begoochelen.

Beste cber, m. omkooper m.

Bestecblich, bijv. en b. omkoopbaar; -keit v. omkoopbaarheid v.

Bestecb-natb, v. besteeknaad m.; -art m. besteekels v.; -presse v. besteekpers v.

Besteelt, (-(e)s, mv. -e) 0. lepel, mes en vork met en zonder etui; koker in.; teekendoos v.; bestek, plan 0.

Bestecken, bedr. ww. ein Stuck Land-, beplanten; mil herzen -, kaarsen zetten op; ein Grab -, versieren.

Besteder, (-s, mv. Besleder) m.spedileur m.; reeder m.

Besteg, (-(e)s, mv. -e) 0. broze steenmassa v. tusschen de vaste steenen.

Besteben, bedr. ww. jem. -, bot hoofd bieden,weerstaan; einen Kampf-, uilhouden, doorstaan; eine Probe -, ondergaan; Armuth -, verdragen; etw. Z. pachten, mielhen; i. 0. ww., m. A. stand houden, bestand zijn: blijven bestaan; m. h. en s. in einer Probe -,


-ocr page 176-

BES

BES

158

doorkomen; mil elw. ijul, schlecht, afkomen; auf etw. - staan op, aandringen op, lilijven bij; ««/■ seinem Kopfehalsslairig zijn, op zijn stuk blijven slaan; m. h. ons etw. beslaan, samengesteid zgn uit; in elw. -, bestaan in.

Besteher, m. huurder, pachter m. Bestehlbar, liijv. en h. hesteeihaar. Bestehlen, bedr. ww. onr. jem. -, bestelen; seine Pjlicht -, te kort doen aan. Besteifen, bedr. ww., Z. besturhen. Besteigen, bedr. ww. onr. bestijgen, beklimmen.

Besteinen, bedr. ww. met steenen bedekken.

Bestellen, bedr. ww. mil elw. -, zetten op; den Acker -, bearbeiden, bewerken; sein IJaus inrichten; das Essen -, klaar maken; ISrie/'e -, overhandigen, bezorgen; etw. -, bestellen; jem. ontbieden, bestellen; jem. zum formund -, benoemen, kiezen.

Besteller, (-s, mv. Besteller) m. besteller, bezorger m.

Bestellgebührcn, v. mv. bestelloon,geld o. voor de bezorging.

Bestellung, v. bearbeiding, bewerking v.; bestuur o.; (van waren), bestelling, commissie v.; afspraak v.,benoemlngv.; -sbuch o. commissieboek o.

Bestell-zeit, v. lijd m. van bebouwen; -zeltel nu betaalbriefje o.

Bestempeln, bedr. ww., '/.. stempel». Bestengeit, bijv. nw. gestengeld. Bestens, bijv. en b. bet best, zoo goed mogelijk.

Besteppen, bedr. ww., Z. steppen. Bestemen, bedr. ww. met sterren of sterretjes voorzien; ftesteraf, gestemd; (van personen), met ridderorden versierd.

Besteuern, bedr. ww. jem. -, belastingen opleggen; ein Schijf -, Z. steuern.

Besteuerung, v. belasten o., belasting v., Z Steuemannskunst; -srecht o. recht o. om belastingen te belten.

Bestialisch, Bestie, Z. viehisch, Fielt. Bestialitat, {-en) v. beestachtigheid, woestheid v.

Bestieken, .bedr ww. met borduurwerk voorzien.

Bestiebea, bedr. ww. onr., Z. hestauben. Bestiefeln, bedr. ww. van laarzen voorzien.

Bestielen, bedr. ww. eine. Axt -,een steel zetten In; bestielt, gesteeld; eine bestielle l-'rucht, steeivruebt v.

Bestienartig, bijv. en b. beestachtig, dierlijk,

Bestimmbar, bijv. en b. bepaalbaar;-fteii v. bepaalbaarheid v.

bedr. ww. jem. zu etw

Bestimmt, b\jv. en b. bepaald, bestemd, juist, precies, stellig.

Bestlmmtheit, v. bepaaldheid, juistheid, zekerheid, nauwkeurigheid v.

Bestimmung, v. bepalingv., bestemming v., lot o.

Bestirnt, bijv. nw., '/.. bestemt. Bestmöglich sti, bijv. en b. zoo goed mogelijk.

Bestöbern, bedr. ww. overvallen, bedekken.

Bestochen, Z. bestechen.

Bestocken fsich), wed. ww., Z. bestnu-den.

Bestopfen, bedr. ww., Z. stopfen. Bestöpseln, bedr. ww. eine Flasche -, den stop opdoen.

Bestoszen, bedr. ww. onr. afstooten, afvijlen; - sein, beschadigd, afgesfooten.

Bestosz-feile, v. snijvijl v.; -hobel m. rolïelscliaaf v.; -zeur/ o. vereffenaar m. Bestrafen, bedr. ww. bestrallen. Bestrafer, m. bestraffer m.

Bestrahien, bedr. ww. bestralen, verlichten.

Bestreben (sich), wed. ww. streven, pogen, trachten, zijn best doen.

Bestreber, (-s, mv. ïteslreber) m. najager, ijveraar m.

Bestrebsam, bijv. nw., Z. strebsam. Bestrebung, v. poging v., ijver m. Bestreichen, bedr. ww. onr. bestrijken, besmeren; jem. -, langs iemand strijken; Kusten -, dicht langs varen; (lig.) aandoen; jeins. Rücken iem. afrossen.

Bestreifen, bedr. ww. streepen; strijkelings aanraken.

Bestreitbar, bijv. en b. betwistbaar, te bestrijden.

Bestreiten, bedr. ww. den F eind -, bestrijden, bevechten; ein Recht betwisten; Unkosten -, bestrijden, goedmaken.

Bestreiter, rn. bestrijder m., tegenpartij v.

Bestreuen, bedr. ww. bestrooien,bezaaien; eine Schrift —, zand werpen op.

Bestrieken, bedr. ww. bebreien; einen llirsch -, strikken; (tig.) verschalken, begoochelen.

Beströmen, bedr. ww. bestroomen. bespoelen.

Bestücken, bedr. ww. van stukken (geschut) voorzien.

Bestufen, bedr. ww. das Gesiei»-, trapsgewijze uithouwen.

Bestuhlgangeln (sich), wed. ww. zich bevuilen.

Bestülpen, bedr. ww. Stiefel -, Z. bekappen.

Bestürmen, bedr. ww. bestormen; (lig.)

Bestimmen, bedr. ww.

overhalen; Beyriffe -, bepalen; Ort und Zeil jem. -, bestormen, overstelpen.

bepalen, vaststellen, opgeven; bestemmen Bestürmer, m. bestormer, aanvaller m.

voor; i. wed. ww. sich -, besluiten. Bestürzen, bedr. ww. stoolend overheen

Bestimmer, (-s, mv. Bestimmer) m. hij, werpen, begieten; (lig.) jem. -, doen ontstei-

die bepaalt, bestemt, vaststelt. len, verschrikken, van zijn stuk brengen;


-ocr page 177-

BET

159

BET

bediirzt, ontsteld, onthutst, verschrikt, verlegen.

Bestürztheit, v., Z. Bcslürzunfi.

Bestürzung, v. ontsteltenis, verwarring v., schrik m.

Besuch, (-(e)s, mv.-e) m. opzoeken o. van het wild; bezoeken o., bezoek o., visite v.; -e abstatlen, visites maken.

Besuchameise, v. liezoekDier v.

Besuchen, bedr. ww. bezoeken, een bezoek alleggen bij; omgaan met.

Besucher, (-s, mv. Bexurhcr) m. bezoeker m.: -in v. bezoekster v.

Besuch-fahrt, v. wandeling v., toertje o. om bezoeken af te gaan leggen; - karle v. visitekaartje o.; -to; m. bezoekdag m.; -zim-mer o. visitekamer v.

Besudein, bedr. w w. bezoedelen, bemorsen, bevlekken.

Betafeln, bedr. ww., Z. lafetn.

Betaeea, bedr. ww. jem. een dag bepalen; dagvaarden; 2. o. ww. (van interesten), vervallen; bclaijt, bejaard, oud; 3. wed. ww. sich mitjemn. -, een dag bepalen.

Betagung, v. (in eene oorkonde), dagtee-kening v., datum m.; dagvaarding v.

Betakeln, bedr. ww. belakclen, optuigen.

Betalt:e;lung, v. betakeling, optuiging v., want o.

Betasten, bedr. ww. betasten, bevoelen.

Betaster, (-s, mv. Bctaslcn m. betaster, bevoe! r m.

Betastung, v. betasting, bevoeling v.

Betauben, bedr. ww. verdooven,doormaken; bedwelmen; (tig.) sein Gewissen verstikken, smoren.

Betïubung, v. verdoovlng v.; schrik .n., ontsteltenis v.

Bet-bruder, m. scbijnbeilige,schijnvrome m.; -buch o., Z. Gebelbuch.

Bete, (-n) v. beest o. (zeker kaartspel);/-. Bcete.

Betel, (-s) m., z. m., -kraut, o. Of -pflanze, v. betel ic.; drilboor v.

Beten, bedr. ww. bidden, een gebed doen; wenschen.

Beter, -in, bidder m., bidster v.

Bet-fahrer, m., Z U'allfnhrer; -gana m. omgang m., processie v.: -ijlockc v. klok v. voor bel gebed, bedeklokv.;-/ia//v.,Z. Kapellc.

Bethatigen, ))edr. ww. door daden bewijzen.

Bethauen, bedr. ww. bedauwen, met dauw bedekken, bevochtigen.

Bethans, o. bedehuls o.

Betheiligen, bedr. ww. deel doen bebben In, betrekken bij; 2. wed. ww. sich - bei,dee-len in, deel bebben aan, medeplichtig zijn.

Betheiligung, v. medeplichtigheid v.

Eethe e ren, bedr. ww. teren, beteren.

Betheuern, bedr. ww. verzekeren, betuigen.

Betheuerung, v. betuiging, verzekering

v., eed m.

Bethkalk, m., z. m. ongebluschte kalk v.

Bethören, bedr. ww. jem. bedotten, misleiden.

Bethranen, bedr. ww. met tranen bevochtigen, besproeien, Z. beweinen.

Bet-huhn, u., -henne, v., Z. Zinshenne.

Bethullcb, bijv. mv., Z. itififjlirli.raths'UH, bedrijvig, werkzaam, beleefd, gediensiig.

Bethun (sich), bedr. ww. doen, Z, thuii; 2. bedr. en wed. ww. jem., sich heschei-szen, sich zieren, besudein.

Bethürmen, bedr. ww. van torens voorzien.

Bethwachs, o., Z. Vorwachs.

Betippe(l)n, bedr. ww. met de toppen dor vingers aanraken.

Betiteln, bedr. ww. een litel geven; jem. Gruf -, den litel geven van.

Bet-kammer, -kammerchen, o. biil-kamer v., bidkamertje o.; -kom o., Z. Zins-kom.

Betölpeln, bedr. ww. jem. -, misleiden, bedotten, beethebben.

Betölp(e)lung, v. misleiding, bedoltlngv.

Beton, (-«, mv. -.?) m. cement o., dat onder water bard wordt.

Betonen, bedr. ww. den toon of den nadruk leggen op.

Betonie, v., Betonienkraut o., betonie v., betoniekruid o.

Betonung, v. betoning v., nadruk m.

Betracht, (-(e)s, mv. -e) m. aanmerking v., opzicht o.; in - Ziehen, In overweging nemen-, in - seines Alters, met opzicht lot, uit hoofde van; in gewissem -e, in zeker opzicht.

Betrachten, bedr. ww. bezien, beschouwen, onderzoeken; (flg.) overwegen, betrachten.

Betrachtens-werthj-wür dig, bijv. nw overdenkenswaardig, betraebtenswaardig.

Betrachter, (-s, mv. Betrachler) m. beschouwer, overweger m.

Betrachtlich, bijv. en b. aanmerkelijk, aanzienlijk, gewichtig; -keil v. aanzienlijkheid, belangrijkheid, grootheid v.

Betrachtsam; bijv. nw. tot nadenken geneigd; -keil v. geneigdheid v. tot nadenken.

Betrachtung, v. beschouwing v.; (lig.) overweging, betrachting v.; in - Ziehen, Z Belrachl-, -slehre v. beschouwingsleer v.; -swissenschaft v. bespiegelende wetenscbapv.

Betrag, (-(c)s) m., z. m. bedrag, beloop o., som v.

Betragen, o. ww. beloopen; 2. wed. ww sich -, zich gedragen, aanstellen; .1. o. zelfst gedrag o., manier v. van handelen, handelwijze v.

Betrauen, bedr, ww., Z. (an)vertraueii.

Betrauern, bedr. ww. betreuren, be-weenen.

Betrauerns-werth, -würdig, bijv. en b. betreurenswaardig, bedroevend.

Betraufe;i)n, bedr. ww. etw. - bedroppe-len, droppelsgewijs bevochtigen; 2. o. ww .Z. tröpfeln.


-ocr page 178-

BET

160

BET

Betraumen, beilr. ww. mijinereii over; 2. wed. ww. sich zich beslapen.

Betraut, tiijv. on 1). vertrouwd.

Betreff, (in) of Betreffs, l)ijw., Z. Ec-trachl.

Betreffen, bcdr. ww.onr. jem. antrcf-fen; auf frischer of ilhcr der Thai betrappen, verrassen, overvallen; jem.-,overkomen, itebeuren, treiïen;belro/fcn,getroffen,oiitbutst; ctw. -, betreffen, aangaan; 2. onp.ww. sprake zijn van; was ilies Itelri/fl, wat dal aangaat, betreft.

Betreiben, bcdr. ww onr. talen afgrazen; eine Sache doen voortgang hebben; sich -, zich haasten; ein Geschaft uitoefenen, drijven.

Betreten, bedr. ww. onr. betreden,betoo-pen, zetten in; einen Dienst -, Z. antreten; jem. bei etw. -, vinden; It. betrappen, verrassen, overs allen; - sein, verlegen, ontsteld zijn; -heit v., Z. Beirolfenheit, Verleijenheit.

Betretung, v., Z. betreten; -sfull m., im of auf den —, in gevat iem. op de daad betrapt wordt.

Betrieb, (-(e)s) m., z. ra. weiderechl o.; uitoefening v., bedrijf, vertier 0.; ontginning; -scapilal o.,-sfoiid m. bedrijfskapitaal o.;-sherr m. eigenaar ra. van een bergwerk.

Betriebsam, bijv. en b. bedrijvig, werkzaam, arbeidzaam; -heit v. bedrij viglieid, werkzaamheid v.; it. ngverbeid v.

Betrinken, bedr. ww. uur. jem. -, dronken maken; -2. wed. ww.sicA-,zichbedrinken.

Betroddeln, bedr. ww. met troelels voorzien.

Betrödeln, bedr. ww. met snuisterijen behangen.

Betroffen, bijv. nw., Z. betreden; -heit v. getrolfenbeid, verlegenheid, bedremmeling v.

Betrommeln, bedr. ww. etw. -, Z. aus-trommeln.

Betröpfeln, -tropfen, bedr. ww., Z. be-trdufeln.

Betrüben, bedr. ww. jem. -, bedroeven, bedroefd maken; 2. wed. ww. sich üüer etw. -, zich bedroeven over; 6e/HiW, bedroefd, treurig, droevig.

Betrübniss, Betrübtheit, v. droefheid, treurigheid v.

Betrug, (-(e)s) m., z. m. bedrog o., be-driegerijv., valsehe schijn m.

Betrugeu, bedr. ww. onr. bedriegen, misleiden, beetnemen, foppen.

Betrüger, -trügerin, bedrieger m., bedriegster v.

Betrügerei, v., Z. Betrug.

Betrüglich, bedr. en b. bedrieglijk, ijdel.

Be'cruuken, bijv. nw. dronken, zat; -heit n. dronkenheid, dronkenschap v.

Bet-saai, m. bidkamer, bidzr.al v.; -schemel m., Z. -stuht; -schwesler v. kwezelaarster v.; (Spr.) junge Hare, alle —, als hoeren of lichtekooien oud worden zitten zij onder den preekstoel; -stube v., Z. -hammer; -stuhl in. bidstoel m.; -stunde v. biduur o.; it. bidstond v.

Betstundenbuch, o. getyboek, brevier o.

Bett, (-(e)s, mv. -e en -en) o. bed, ledekant of ledikant o., slaapplaats v.; (van eene rivier),bedding v.; (van de zee),bodera m.; (van raUnen),laagv.;das- macfte?i,hel bed opschudden, opmaken; buwelijksbed o., huwelijk o.

Bettag, m. biddag, bededag ra.

Bett-bank, v. slaapkasl v.; -barchent in. beddetijk v.; -behunge, -behangsel o., Z. -vor-hang; -boden m. onderlagen v. mv.; -breit o. bedplank, onderlaag v.

Bettciien, o. bedje, ledikantje o.

Bettdeoke, v. deken v.

Bettei, (-s, mv. Beitel) m. bedelen o., be-delarü v.; vodderij v., kleinigheid v., bagatel o.; -arm bijv. en b. bedelarm, doodarm;- -brief m. bedelbrief ra.; -brod o. genadebrood o.; -brmler m., Z. Bellier, -monch; -bube ra., Z. -knabe;-dime v. bedelaarster v.bedetmeisjeo.

Bettelei, v., Z. Bellet.

Bettei-frau, v. bedelaarster, bedelares v.; -geld o. bedelgeld o.; -haft bijv. en b. bedelachtig; -handwerk o. bedelaarsberoepo.; -her-berge, Bettler-herberge v. bedelaarsherberg v.; -holfarl v., Z. -stolz; -hütte v. ellendige hut v.; -jagd v. vervolging van bedelaars; -jude ra. bedeljood m.; -junge m., Z. -knabe; -hert ra. bedelaar, schooier m.;-/cinrf o.kind o., dat bedelt; -kteid o. bedetaarskleed o.; -knabe m. bedelknaap, bedeljongen m.; -kram v. armoedige kraam v.; -leute in.inv. bedelaars m. env. mv.; -mddchen o.,7..-dirne;-mann m.bedelaar m.; -mensch o. bedelaarster, land.oopster o.; -münch m. bedelmonnik m.

Betteln, bedr. en o. ww. bedelen; (ilg.) smeeken, nederig verzoeken.

Bettel-orden, m. bedelorde v.; -pack o. hoop, troep in. bedelaars; -sack m. bedelzak in.; -sammet m. pluis o.; -stual m. nietige of armoedige opschik ra.; -slab m, beUelstal' m.; armoede v.; -stand ra. bcdelstand m.; -slulz m. bedeiaarstrols ra.; -stolz bijv. en b. arm en hoovaardig; -volk u. bedelvolk, gepeupel o.; -wcib o. bedelaarster, bedelares v.; -wesen o. bedetary v.

Betten, o. ww., zijn bed opmaken; sich zusammen -, met elk. slapen; (Spr.) wie man sich bellet, so schldft man, men krijgt toon naar werken.

Bett-flasche, v., Z. -warmer; -frau V. beddemaaksterv.;-/'i(,«: m. wild Insillcum o.; -gardine v. bedgordijn v. en o.; -genoss, -genossin, slaapkameraad in. en v.; -geselt ra.,Z. -genoss; -gestell o.ledika n l o., bedstede v.; -luin-gen in. mv., Z. -umhange; -himmel m. ledi-kanthemel ra.; -kasten m. slaapkasl v.; -korb ra. slaapmandje o.;-ftisse» o., Z. Kissen;-lade o., Z. -gestel; -lagerig bijv. en b. bedlegerig; —keit v. bedlegerigheid v.; -laken o.,'A.-lach; -leinwand v. bcddellnnen o.

Be'ctler, [-s, mv. Bellier) ra. bedelaar m.; -bande v. bende v. of troep ra. ledelaars; -ge-sindel o., Z. Bettelcolk; -handwerk o.,Z, Bet-telwerk; -in v. bedelaarster, bedelares v.

Bettlerisch, bijv, en b., Z. betlelhaft.


-ocr page 179-

BEU

BEV

1G1

Bettler-ieben, o. Ijedeltfland m.; bedelaarsleven o.; -schub m. terugzenden o. van bedelaars naar hunne woonplaats.

Bett-liunen, m. beddegoed o.; -macherin v., Z. -frau ; -meister m. opzichter in. over het beddegoed; -pfunne v. beddepan v.-.-p/o-slen m.,Z. -stollen-, -pfühl m., Z. Pfühl-, -pissen o. liedplssen o.; -pisser m. pissebed m. en v.; -quuste v. beddekwast m.-, -rolle v. bed-derol v.; -sack m. beddezak m.; -süule v. zuil van een ledikant; -scheere v. iieddescbaarv.; -scheiszer m. bedkakker m.; -scnirm m. bedde-scherm o.; -seicher ra., Z. -pisser; -sponde v., Z. -(jestett; -stange v. bedgordijn roede v.; -statte v., Z -nestelt; -stollen in. voet m. van een ledikant; -stroh o. beddestroo o.; -stu/il m. gemakstoel m.; -tisr/i m. tafelvor-mlg ledikant o.; -tuch o. beddelakeno.;-üter-zuy m. overtrek o.; -umhang m. ledekantbe-hangsel o.

Bettung, v. bedding v.

Bett-vorhang, m., Z. -umhang-, -vjanze v. wandluis v.; -warmer m., -wrirmjlasche v. beddewanner in., beddefleseh v-; -wiische v. heddewasch v.; -zeug o., Z. -fjerdth; -ziehe, -zieche, -ztige v., Z. -llberzwj; -zivillich m. beddetljk v.

Betuchen, bedr. ww. met doek of laken bekleeden.

Betuiin, o. berkekamfer v.

Betünehen, beilr. WW., Z. tduschen.

Betüppeln, -tupfen, bedr. ww. met eene punt merken, stippelen.

Betwachs, o., Z. Slopfwachs.

Betwoche, v. kruisweek v.

Betze, (-n) v., Z. Ijelze.

Betzei, (-«) v., Z. Kinderhaube.

Betzimmei-, o., Z. Belhammer.

Beuclie, {-tl) v., Z. Bduche.

Beuge, (-«) v. kromming, buiging, bocht v.; (Spr.) aus der Krilnme in die -kommen, van den regen In den drop komen, -musket m. buigspier v.

Beugen, bedr. ww. bulgen, krommen; (flg.) jein. -, vernederen; das Recht -, verdraaien; jem. -, (van ongelukken), ter neer buigen, neerslachtig doen worden; -2. wed. ww. sieh -, zich bulgen, zich krommen; (tig) sic/i var jemn. -,zlch onderwerpen, zwichten.

Beuger, (-s, mv. Deuger) m., Z. Ceuge-muskel.

Beugsam, bijv. en b. buigzaam, buigbaar; -keit v. buigzaamheid, buigbaarheid v.

Beugung, v. buiging, kromming v.; (van het licht), breking v.; (lig.) verdraaiing v.

Beule, {-n) v. buil v., knobbel, bult m., gezwel o.; -nktopfer m. bultklopperm.; -nme-tone v. knobbelmcloen m.

Beulicht, bijv. nw. knobbelachtig.

Beulig, bijv. en b. knobbelig, bullig.

Beunruhlgen, bedr. ww. jem. -, verontrusten; bei der Arbeit -, hinileren, lastig vallen; 2. wed. ww. sic/i -, zich ongerust maken.

Beurbaren, bedr. ww. ontginnen, bebouwen

Beurkundbar, bijv. nw. wat bekrachtigd, bevestigd kan worden.

Beurkunden, bedr. ww. mei oorkonden bewijzen; bekrachtigen.

Beuriiundung, v. bewgs o. door oorkonden, bekrachtiging v.

Beurlauben, bedr. ww. Soldaten -, verlor geven; beurtuubt, met verlof; -2. wed. ww. sic/i - , zich verwijderen; sic/i bei jemn. -, afscheid nemen van.

Beurtheileu, bedr. ww. beoordeelen, re-censeeren.

Beurtheiler, m. beoordeelaar, recensent m.

Beurtheilung, v. beoordeellng v., recensie v.; -skral't v. oordeel o., rede v.

Beute, (-11) v. buit m., piool v., behaald voordeel o.; Z. BaMrog; houten korf m.

Beutel, (-s, mv. Beutel) m. beurs v., buidel m.; sich nach seinem - richten, de tering naar de nering zetten; (Spr.) aus anderer Leute - ist gut zehren, van een andermans leer is net goed riemen snijden; som gelds, beurs v.; meelbuil m.; plooi v., Z. Bluuel; Stechbeutel.

Beutel-arm, m. builarm ra.; -fass bijv nw. vasthoudend; -faulheit v. vasthoudendheid v.; -(iirmig bijv. en b. bullvormlg, beurs-vormig;-gans v., Z. Kropfgans-, -gam o., Z. -nelz; -geld o, builgeld o.; -herr m., Z. Sdc-kehneister.

Beutelig, bijv. en b. met plooien; vol gaten, poreus.

Beutel-lcammer, v., -kasten m. bull-kamer, bullkast v.; -krabbe v., -Itrebs m. buidelkreeft m.; -tehen o. buldelleen o.; -ma-cher Beutter; -maschine v. builmachine v.; -meise v, buidelmees v.

Beutaln, bedr. ww. Mehl-, bullen; llanf -, dorschen; ein Loch -, steken; -i wed. ww. sich -, (van een kleed), met plooien zitten.

Beutel-netz, o. beursnet o ; -ülfnung v. opening v.,eener beurs;-pe/riicfte v. zakpruik v.; -ratte -ratze v. buidelrat v.;-sc/i/oss o. beursslot 0; -Schneider m. beurzensnijder m.; -schneiderei v. zakken rollen o.; -sieb o. buil-zeef v.; -sleeken m., Z. -arm; -thier o. buideldier o.; -tuch o. bulldoek o.

Beu-elustig, bijv. nw. belust naar bult

Beutel-welle, v. bullrol v.; -wurm m. buil w orm m.

Beuten, bedr. ww. buit maken; 2. einen Bienenstock -, met wilde bijen vullen.

Beuten-axt, -hacke, v. bijl v. tol het hakken van boulen bijenkorven; -heide v. helde v. met veel bijenkorven; -honig m. honig ra. van wilde byen; -salbe v. lym v. waarmede men de bijei.korven bestrijkt; -zins m. opbrengst v. van den wilden honig.

Beutler, (-s, mv. Beul Ier) m. beurzenmaker m.

Beutner, (-s,mv. Beutner) m. bijenboer m.

Bevestigen, bedr. ww., Z. bevestigen.

Bevogteu, bedr. ww., Z. becormunden.

Bevölkern, bedr. ww. bevolken.

11


-ocr page 180-

BEW

BEW

162

Bevölkerung, v. bevolking v; -sliste v. bevolkingsregister o.; -stand m. toesland m. der bevolking.

Bevollmachtigen, hcdr. ww. jem. -, machtigen, volmaelit geven.

Bevollmachtiger, (-tigers, mv. -tiger) m. liij, die volmacht geeft,

Bevollmachtigter, m. gevolmachtigde, gelastigde m.

Bevollmachtigung, v. volmacht geven of verleencn o., volmacht v.

Bevor, bgw., Z. che; 2. voegw. alvorens, voordat.

Bevormunden, hedr. ww. bevoogden, een voogd aanstellen over; voogdijschap uiloefe-nen over.

Bevorrechten, bevorrechtigen, hedr. ww. bevoorrechten.

Bevorrechtigung, v. bevoorrechting v., voorrecht o.; -sbricf m. patent, octrooi o.

Bevorstehen, o. en onh. ww. onr. wachten, bedreigen.

Bevorstehend, bijv. nw. loekonistig,op-banden.

Bevortheilen, hedr. ww. bevoordeelen.

Bevorworten, hedr. ww. ein Buch -, eene voorrede, een voorwoord schrijven voor; vooraf zeggen; il. voorspreken.

Bevorzugen, hedr. ww. bevoordeelen, bevoorrechten.

Bewachen, hedr. ww.bewaren,bewaken.

Bewachsen, o. ww. onr. begroeien.

Bewaffnen, hedr. ww. wapenen, uilrusting geven; 2. wed. ww. sic/i zich wapenen.

Bewaffnung, v. wapening, uitrusting v.

Bewagen, hedr. ww., Z. abivdqen.

Bewahranstalt, v. bewaarschool v.

Bewahren, hedr. ww. ehv. -, bewaren, beschutten, beschermen, vrijwaren; Gott he-wahrei God bewaar mij! volstrekt nlel!

Bewahreu, hedr. ww. waarmaken, bewaarheden, bevestigen, bekrachtigen; -2. wed. ww. (van een middel), sich proef houden; hewiilrt, onbetwistbaar, ontegenzeglijk.

Bewahrer, -wahrerin, bewaker, bewaarder, wachter m., bewaakster v.

Bewahrer, (-s, mv. Bewuhrer) m. onderzoeker m. naar de echtheid.

Bewahrheiten, hedr. ww., /.hewahren.

Bewahrniss, v., Z. Bestatigüng.

Bewahrtheit, v. echtheid v.

Bewahrung, v. bewaring v.; behoud o.; -smittel o. voorbehoedmiddel o.

Bewalden, hedr. ww. met hosschen of wouden bedekken.

Bewaldung, v. bosch, woud 0. ( Bewaldrechten, hedr. ww. Btiume -, kantrechten.

; Bewallen, hedr. ww. den Hopfen -, bewallen.

Bewalten,'bedr. ww. besturen, beheeren.

Bewaltigen, hedr. ww., Z. überiodlli-gen.

Be wal ze ii, hedr. ww., Z. wahen.

Bewandeln, bedr. ww. bewandelen.

Bewandern, bedr. ww. ein iond-, bereizen, doorreizen.

Bewandert, byv. nw. ervaren, bedreven, knap.

Bewandt, bijv. en b. gesleld, gelegen; bei so -en Umstdnden, in dergelijke omstandigheden.

Bewandtniss, [-e) v. (van eene zaak), gesteldheid v., toestand m., toedracht v.; was es audi riamil für cine - hat, wat er ook van zij, in elk geval; bei soldier -, als het zoo is, in dat geval.

Bewappnen, bedr. ww., Z. bewaffnen.

Bewartet, bijv. nw. met torentjes voorzien.

Bewassern, bedr. ww., Z. wassern.

Bewaaserung, v. kunstmatige over-strooming v.

Beweben, hedr. ww. onr. een weefsel maken over.

Bewegbar, bijv. en b. beweegbaar, be-weeglgk; -keif v. beweegbaarheid v.

Bewegemusliel, m. beweegspier v.

Bewegen, bedr. ww. bewegen, in beweging brengen; (fig.) jem. -, aandoen, treilen, verteederen, bewegen; bewegt, bewogen ge-roerdjgetroffen;2. bedr. ww. onr. jem. -, aandoen, bewegen; 11. wed. ww. sich -, zich bewegen.

Beweger, (-s, mv. Beweuer) m. beweger m.; bewegende kracht v.; beweegspier v.

Beweg-grund, m. beweeggrond m., aanleiding v.; -hraft v. beweegkrai'ht v.

Beweglich, bijv. en b. bewegelijk, be-, weegbaar; -e Giller, roerende goederen o. mv.;-es Krankenhaus, veldhospitaal o.;-es l'est, veranderlijk; -eMede, treffend, aandoenlijk, roerend; -keil v. beweeglijkheid, beweegbaarheid.

Bewegung, v. beweging v.; etw. in - seizen, in beweging brengen; (fig.) aandoening, gemoedsbeweging v.

Bewegungs-achse, v. omwentelingsas v.; -fdhigkeil v. vermogen o. om zich te bewegen of om bewogen te worden; -geselz o. wet v. der beweging; -grund m., Z. Beweg-grund; -kraft v., Z. Bewegkrafl; -kunst v. (van legers), tactiek v.; -lehre v. krachtenleer v.; -los bijv. en b. bewegingloos, stil; -wissenschaft v., Z. -lehre; -zirkel m. bewegingskring, kring m. der beweging.

Bewegursache, v., Z. Beweggrund.

Bewehen, hedr. ww. waaien tegen, be-waaien.

Bewehren, hedr. ww. In staat van verdediging stellen; 2. wed. ww. sich -,wapenen.

Bewehrung, v. wapening v., instaatvan verdediging stellen o.

Bewelben, bedr. ww. uithuwelijken; 2. wed. ww. sich -, huwen, trouwen.

Beweiden, bedr. ww. ;van dieren), weiden op.

Beweinen,bedr.ww. beweenen, betreuren.

Beweinens-werth,-würdig, bijv. nw. betreurenswaardig.


-ocr page 181-

BEW

BEZ

163

Beweis, {-es, mv -e) m. bewijs, betoog o., proef v.; getuigschrift, attest o.; -artikel m., Z. -punkt; -bar bijv. en b. bewijsbaar.

Beweisen, bedr. ww. onr. bewijzen, aan-toonen; 2. wed. ww. sich -, toonen.

Beweis-fahig, bijv. nw. bewijsbaar; -fa-hid kei t v. bewijsbaarheid v.; -frist uitstel o., om het bewijs te leveren; -führer, -führerin bewijzer m., bewysster v., bewijsvoerer m.; -fuhrung v. bewijsvoering v., -grund m. bewijsgrond m.; -kraft v. bewijskracht v.; -lich bijv. nw. bewijsbaar; -mitlel o. bewijsmiddel o.; -punkt m. be wijs punt o.; -schrift v. bewijsschrift, o.; -stück o. bewijsstuk o.; -thum o., Z. -grund; -urkunde v. oorkonde v., waardoor iets bewezen wordt; -zeuge m. hulphewijs, onvolkomen bewijs o.

Beweuden, bedr. ww. onr. ofbewandt sein, (van zaken), zijn, bestaan, blijven, rusten; so ist die Sache hewandt, zoo is het met de zaak gelegen; hei jems. Urtheil - lassen, zich houden of onderwerpen aan.

Bewerb, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Bewer-hung; Geschaft, Erwerb.

Bewerben (sich), wed. ww. onr. moeite doen voor, najagen, zijn best doen voor, dingen naar.

Bewerber, m. aanzoeker, dinger, sollicitant, mededinger; minnaar, vrijer m.

Bewerbung, v. aanzoek, najagen o., mededinging v.

Bewerfen, bedr. ww. onr. bewerpen; ein Bach -, aanstrijken.

Bewerligeld, o. gildegeld o.

Bewerkstelligen, bedr. ww. ten uitvoer brengen, verwezenlijken, bewerkstelligen, vervullen.

Bewerkthatigen, bedr. ww., Z. bethdti-gen.

Bewetteifern (sich), wed. ww., Z. wetteifern.

Bewickeln, bedr. ww. omwikkelen, omwoelen.

Bewilligen, o. ww. inetw. -, iets toestaan, zijne toestemming geven tot; 2. bedr. ww. bewilligen, toestaan, veroorloven, inwilligen.

Bewiiligung, v. bewilliging, veroorloving, toestemming v.

Bewiiligungsbrief, m. octrooibrief m.

Bewillkommnen, bedr. ww verwelkomen, complimenteeren, onthalen, ontvangen.

Bewillkommnung,v.verwelkoming,ont-vangst v., onthaal o.

Bewimmern, bedr. ww. beklagen, bejammeren, betreuren, beweenen.

Bewimpeln, bedr. ww. van wimpels voorzien.

Bewimpern, bedr. ww. met ooghaartjes voorzien.

Bewinden, bedr. ww. onr. bewinden, omwinden.

Bewindsel, {-s,m\.Bewindsel) o. woeling, sjorring v.; omwindsel o., zwachtel m.

Bewipfeln, bedr. ww. met eene kruin voorzien.

Bewirbein, bedr. ww. met wervels voorzien.

Bewirken, bedr. ww. bewerken, veroorzaken; jemn. elw. -, verschalTen, verwerven.

Bewirthen, bedr. ww. onthalen, ontvangen.

Bewirthschaften, bedr. ww. bebouwen; besturen.

Bewirthung, v. onthaal o., ontvangst v. Bewitthumen, bedr. ww. een weduwe-goed nalaten.

Bewitzein, bedr. ww. flauw schertsen met, den gek willen steken met.

Bewohnbar, bijv. en b. bewoonbaar; -keit v. bewoonbaarheid v,

Bewohnen, bedr. ww. bewonen. Bewohner,-wohnerin, bewoner m., bewoonster v.

Bewolken, bedr. ww. met wolken bedekken; (tig.) verduisteren; 2. wed. ww. sich -, bewolkt worden, duister worden.

Bewoilen, bedr. ww. met wol bedekken; 2. wed. ww. sich wol krijgen. Bewuchern, bedr. ww., Z. uberwuchern Bewunderer, (-6-, mv. Bewunderer) m. bewonderaar m.

Bewundern, bedr. ww. bewonderen. Bewunderns-werth, -würdig, bijv. en b. bewonderenswaardig.

Bewunderung, v. bewondering v., verwondering v.

Bewurf, {-{e) s, mv. Bewürfe) m. pleisterkalk v.; volrapen o.

Bewurzeln, o. ww. en wed. ww. sich wortels krijgen.

Bewürzen, bedr. ww., Z. wiirzen. Bewusst, bijv. en b. bekend, bewust; sich einer Sache - sein, zich eener zaak bewust zijn, herinneren; -heit v., Z. -sein; -los bijvj en l). bewusteloos; -losigkeit v. bewusteloosheid v.;-wn o., z. m. bewustzijn o., kennisv. Bey, bijw., Z. bei.

Bezahien, ww. betalen, voldoen; bei Heller und Pfennig -, tot den laatsten cent toe betalen; (dg.) betaald zetten; die Zeche -mussen, het gelag moeten betalen.

Bezahier, {-s, mv. Bezahler) m. betaler m. Bezahiung, v. betaling, voldoening v. Bezahmbar, byv. en b. tembaar. Bezahmen, bedr. ww. temmen; Begierden -, beteugelen, beheerschen.

Bezahmer, {-s, mv. Bezahmer) ra. temmer m.

Bezahnen, bedr. ww. ein Rad -, tanden; bezahnt, getand; (van visechen), roofzuchtig.

Bezauberer, -zauberiu, toovenaar m., toovenares v.

Bezaubern, bedr. ww. betooveren: (fig.) verrukken, bekoren.

Bezauberung, v., Z. Zauber. Bezaumen, bedr. ww., Z. aufzaumen. Bezaunen, bedr. ww., Z. umzaunen. Bezechen, bedr. ww. jem. -, drinken op kosten van; it dronken maken.


-ocr page 182-

BEZ

164

BIB

Bezeichncn,bedr. ww. teckenen,merken; aanwijzen, aanduiden; jemn. etw. -, wijzen, uitduiden; eine Wand met teekenwerk bedekken.

Bezeichnung, v, aanwijzing, aanduiding v.; signaiement o.; opschrift o., etiquette v.

Bezeigeu, Ijedr. ww. betoenen, aan den dag leggen; •_gt;. wed. ww. sicA -, zith betoo-nen, zich gedragen.

Bezeiguug, v. betoon o., biyk, gedrag o., bandehvijze v.

Bezeihen, bedr. ww. beschuldigen, aanklagen; overtuigen.

Bezetteln, bedr. ww. een briefje, eene etiquette zetten op, hechten aan.

Bezeugen, bedr. ww. betuigen, verklaren.

Bezeugung, v. betuiging, getuigenis v. en o., verzekering v., bewijs o.; -scid m. eed m. lot getuigenis.

Bezicht, (-en) v., Z. Beschuldigung. Bezichten, -zichtigen, bedr. w w. betichten, beschuldigen.

Bezichtung, v., Z. Beschuldigung. Beziehen, bedr. ww. onr. die li'ache -, betrekken; ein Huus -, betrekken, gaan wonen in; die Messen-, bezoeken; bedekken; mii Sail en -, spannen op; tuil Leder -, overtrekken,-j'em. -, een w issel trekken op; K'aa-ren aus ein er Fubrik -, ontbieden, koopen; seinen Gehuil -, ontvangen, krggen; elw. auf sich -.toepassen; 2. wed. ww. (\an de lucht), sich -, betrekken, bedekt worden; sich au[ jem. -, beroepen.

Beziehend, -ziehlicb, bijv. en b. betrekkelijk, betreffend.

Bezieher, (-s, mv. Bezieher) m. (van een wissel), trekker m.

Beziehuog, v. betrekking v.; opzicht o.; in - aw/', met betrekking tot.

Beziehungs-anweisung, v. order v. lot aflevering; -wart o., Z. Verhaltnisswort.

Bezielen, bedr ww. bedoelen, op bet oog uebben.

Beziffern, bedr ww. van cijfers voorzien, nomineren.

Bezimmern, bedr. ww. betimmeren, bewerken.

Bezirk, (-(c)s, mv. -e) gebied o.; omtrek m., arrondissement, district, kanton o.; (ïlg.) bereik o.

Bezirken, bedr. ww. begrenzen, beperken, een kring trekken om.

Bezlrks-einnchmer, m. ontvanger m. in een arrondissement of district; -gericht o. arrondissements-rechtbank v., kantongerecht o.; -richter m. arrondissementsrechter ra.

Bezoar, .(-s, mv. -e) m. bezoar, bezoar-steen in.; -bock m. gazelle v.

Bezoardisch, byv. en b. van bezoar. Bezoar-essig, m. bezoarazljn ra.; -hom o., Z. Seehelm; -kiigelchen o. stukje o. bezoar; -pulver o. bezearkruit o.; -schnecke v., Z. Seehelm; -tincture v. bezoartinctuur v.; -zieye v., Z. bock.

Bezollen, bedr. ww. belasten, tol heffen van.

Bezüchtigen, bedr. ww., Z. bezichtigen.

Bezuckem, bedr. ww. met suiker bestrooien.

Bezug, {-{e)s, mv. Bezilge) m. betrekken o.; overtrekken, overtrek o.; ontvangst v.; betrekking, verhouding v.; in - auf, met betrekking tot; -nahme,mito( unler -nahme auf, mij refereerende aan, verwijzende op; -san wei-sung v. mandaat o., betaalbrlefje o.; -sspesen v. mv. kleine onkosten m. mv.

Bezügeln, Z, ziujeln.

Bezüglich, bijv. en b. betrekkinghebbend, betreffende, betrekkelijk.

Bezwaclxen, bedr. ww. beknibbelen.

Bezwecken, bedr. ww. Absatze -, pennen; elw. -, bedoelen, op het oog hebben.

Bezweifelbar, bijv. nw., Z. zweifelhttfl.

Bezweifeln, bedr. ww. betwijfelen, in twijfel trekken.

Bezweltler, (-s, mv. Bezweifler) m. twijfelaar m.

Bezweigen, wed. ww. sich -, takken krijgen.

Bezwingbar, -zwinglich, bijv. en b. bedwingbaar, tembaar.

Bezwingen, bedr. ww. onr. bedwingen, onderwerpen; -2. wed. ww. sich -, zich Inhouden, zijne drift beteugelen.

Bezwinger, (-s, mv. Bezwinrjer) m. be-bedwinger, onderwerper, temmer m.

Bezwisten, bedr. ww. betwisten,bestrijden-, jemn. elw. -, Z. streilig muchen.

Bibel, (-n) v. Bijbel m.. Heilige Schriftv.; -anslalt v. bijbelgenootschap o.; -ausgabe v. bübelullgave v.; -ausleger m. bijbelverklaarder ra.; auslequmj v.bij bel verklaring v.;-ai/ssprucA in. uitspraak v. des lüjbels;-ei/udm-m., Z. -ausleger; -erkldrung v., Z. -auslegung-,~fest bijv. en b. bybolvast; -forscher m. bijbeivor-scher m.; -geseltschalt v. bijbelgenootschap o.; -husar m., Z. -reüer; -kennerm. bijbelkenner m.; -kunde v. bijbelkennis v.; -lesen o. bijbellezing v.; -teser m., -leserin v. bijbellezer m., bijbellezeres v.; -mdszig bijv. en b. volgens den Bijbel; -reiter m. predikant m., die veel bijbelteksten aanhaalt m.; -sprache v. bijbel-laai v.; -spruch m. bijbelspreuk v.; -werk o. bijlielvverk o.. Bijbel in. In verscheidene lalen.

Bib er, (-s, mv. Biber) m. bever m.; -«//e m. baviaan m.; -balg m., Z. - 'elt; -bau m. beverwoning v., beverhol o.;-(mum m. beverboom m.; -ente v. duikeend v.; —fang, —fün-ger m., Z. -jagd, -jager; -felt c. bevervel o., kastoor o.; -feit o. bevervet o.; -geil o. bevergeil o.; -haar o. beverhaar o.; -haren bijv. en b. beverharen; -Itütliein o. klein schelkruid o.; -hund m. bond ra. voor de beverjactil; -hut m. kastoren hoed ra.; -jagd v. bever-jacht, bevervangst v.; -jager m. beverjager, bevervanger m.; -klee m. bitterkiaver v.-, -kruut o. klein duizendguidenkruld o.; -nelL v., Z. Pimpernelle; -nelzu. bevijrnet o.; -ratte -ralze v. beverral v.; -schmalz o., Z. -feil;


-ocr page 183-

BIE

BIE

165

-schwanz m. beverstaart m.; -faucher, -vogel m., Z. -ente; -wammen v. mv. Imikvel o. van een bever; -wnlle v., Z. -haar; -wurzw baarwortel m.; -zahn m. bevertand m.; it. vooruitstekende tand m.

Biblio-graph, (-en, mv. -en) m. boekenkenner, bibliograaf m.; -graphic v. boekenkennis, bibiiograpbie v.; -grcphisch bijv. nw. bihiiographiseh.

Bibliothek, (-c;i) v. boekverzameling, bibliotheek v.

Bibliothekar, (-s, mv. -en) m. boekbewaarder, bibliothecaris m.

Blbliotheliarisch, bijv. nw. bibliothe-earisch.

Elblisch, bUv. en b. bijbelscb.

Bickbeere, v., Z. Ueidelbeere.

Bicke, (-») v., Bickei, (-s, mv. Bickei) m. houweel, stookijzer o., piek v.

Bickel-harlng, m., Z. Pickelhilring; -haitbe v. stormhoed m.

Bicken, bedr. ww., Z. pieken.

Bickling, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Buckling.

Bieder, (-er. -st) bijv. en b. eerlijk, rechtschapen. braaf, oprecht, onomkoopbaar, rechtvaardig; -herz o. rechtschapen en eerlijk hart o.; -herzig bijv. nw.,Z. bieder: -keil v. eerlijkheid, rechtschapenheid, braafheid; oprechtheid, onomkoophaarheid v.; -mann m. rechtschapen, eerlijk, hraaf, oprecht man m.; -mdnnisch bijv. nw., Z. bieder; -sinn m., Z. -keil; -sinnig bijv. nw., Z. bieder.

Biegbar, hijv. en b. buigbaar.

B-ege, v., z. m. buiging, kromming v., plooi, bocht, kreuk v., deuk m.;-ci.sen o. buig-ijzer o.; -fall m. naamval m.

Biegen, bedr. ww. onr. buigen, krommen; ■2. o. ww., m. s. buigen, bukken; it. m. h. wenden, draaien; 3. wed.ww. sich -, buigen, bukken, zich buigen, wenden,zich krommen.

Biegmuskel, m., Z. Beugmuskel.

Biegsam, itijv. en b. buigbaar; (tig.) gedwee; -keil v. buigbaarheid,buigzaamheid v.

Biegscheibe, v., Z. Rcifbeuge.

Biegung, v. imiging, kromming v.; wending, bocht v.; verbuiging v.; -sfall m. naamval m.

Biegzauge, v. buigtang v.

Bienchen, o. liijtje o.,kieineofjonge bij v.

Biene, (-«) v. bij, honigbij v.

Bienen-ableger, m. zwerm m. bijen; -ameise v., Z. Aflerbiene; -c.rznei v. genees-middel o. voor bijen; -biirm., 7.. Landbdr; -bau m., Z. -zucht; -baum tn. mastboomm.;-ftetrfe v. houten bijenkorf m.; -blume v. wasbloem v; -brod o. bijenbrood o.; -iiruiv. bijenbroedsel, hijenbroed o.; -dreck m. bijendrekm.;-ers o. celvormig erts o.; -I'alk m. wespenvalk m.; -falter m. bijenvlinder m.; -ftinger, -feind, -fresser m. bijenkever, bijenwolf m.; -flugm. bijenviucht v., bijenzwerm m.; -gust m., Z. -fdmjer; -halter m.,Z. Xeidler;-h(irzo. bijenwas o.; -haube v., Z. -kappe; -haus o., Z. -Wchlein; -kafer m., Z. -fiinger; -kappe v.

immenkogel m.; -kasten m. bijenkast v.;-Sö-nig m. bijenkoning m.; -königm v., Z. Wei-sci; -korb m. bijenkorf m.; -kraut o. bijen-kruid o.; -kunst v. kunst v. om bijen te tee-len; -Inus v. büenluis v.; -loch, -lüchlein o. bijencel v.; -mann, -meisier m., Z. -marter; -meise v., Z. Meisenbiene;-milhe v. bijenmade v.; -motte v., '/..-falter; -pflegev., Z. -zucht; -puiver o. bijenpoeier o.; -recht o. bgenrecht o.; -salbe v. tiijcnzalf v.; -saug o., Z. Roszpo-lei; -schabe v. mot v. van den büenvlinder; -schminke v., Z. -salbe; -Schwann m. bijenzwerm m.-,-specht m. bijenwolf, bijeneter m.; -stachel m. bijenangel m.; -stand m. plaats v. ■waar de bijenkorven staan; bijenkorven m.mv.; -stich m. bijensteek m.; -stock m. bijenkorf m.; -tiidter ni. bijendoocler m.; -valer m., Z. -warier; -mafte v., Z. Honigwabe,- -wachs o. bijenwas, o. en v.; -wald m., Z. Zeidewald; -warier m. oppasser m. der bijenkorven, im-meker m.; -weiser m., Z. Tfeisel; -wirlh m., Z. Zeidler; -wolf m. Z. -fdnger; -wurm m., Z. -falter; -zeüe v. büencel v.; -zellig bijv. nw. celachtig; -zucht v. bijenteelt v.

Biener, (-s, mv. Itiener) in., Z. Bienen-warter; Zeidler.

Bienlein, o Z. Bienchen.

Bier,(-(e)s,mv.-e) o.biero.;j«-e!7eAe)!,bier gaan drinken, naarde bierkroeg gaan; -ablas-sen, liier aftappen;-art'jfbUv. nw. bierachtig; -aufselling m.,Z. -steuer; -bank v. bankv. in oen bierhuis; it. Z. -haus; -bann m. dwang-recht o. van een leenheer om zijne onderhoo-rigen gebruik te laten maken van zijne brouwerij; verplichting v. om daar bier te koo-pen; -behdlter m. bierbak m.; -böttich m. bierkuip v.; -brauer m. bierbrouwer in.; -brauerin v. vrouw v. eens bierbouwers; -brauerei v. bierhouwen o.; bierbouwerij v.; -bnuler m. bierdrinker in.; -essig m. bier-azijn m.; —brauer m. bierazijnbrouwer m.; -fass o. biervat o.; -fiedel v. viool v. in eene bierkroeg; -fiedler m. muzikant m., die in berbergen speelt; -flasche v. bierkruik v.;-fYtllcr m. bij, die de tonnen of vaten met bier vult; -gascht m. bierschuim o.; it. Z. Spundhefe; -gast m. bierklant m.; -gelag o. gezelschap o. bierdrinkers, biergelag o.; -geld o., Z. -steuer-, Z. Trinkgeld; -glas o. bierglas o.; -hahn m. bierkraan v.; -haus o. bierhuis o.; -hefe v. biergist v.; it. Z. Untcrhefc; -kalteschale v. biersoep v., bier cn brood o.; -tome, bierkan v.; -karren m. bierwagen m.-,-kranzm. krans m. als uithangbord van een bierhuis; -keiler m. bierkelderm.;-kesselm.,Z. Braukesseh,-krfickc v. bierknik \.;-krug m. bierkruikv.; -kufe\., Z. -bottich; -mahrte v., Z. -kalteschale; -masz o. biermaat v.; -molken v. mv. mengsel o. van bier en melk; -probe v. blerproef v.; -rausch m. bierroes m.; -reste m. overblijfsel o. van bier; -saner o., Z. -essig-, -saufer m.,Z. -bru-der; -schnnk m. bierslijterij v.; recht o. om bier te verkoopen-, -schaum m. bierschuim o.; -schenk m.hierslijter n\.;-schenkev.. 7..-haus; -schild m. uithangbord o. van een bierhuis;


-ocr page 184-

166 BIL

BIL

-schlauch m. buis v. om bier over lo steken; -schröler ni. die het bier uit en inde kelders draagt; -sieder m., Z. -brauer; -sleuer v. bieraccijns ni.; -slube v. geiagkarner v. in de bierkroeg; -suppe v. biersoep v.; -tonne v. bierton v.; -trinker m. bierdrinker m.; -ver-brauc/i m. biorverbruik o.; -wage v. bier-weger m.; -ivanen m., Z. -karren- -wirlh m., Z. -schenk-, -wisch m. een bos m. groen als uithangbord van een bierbuis; -mort o. mengsel van mout en hop, waaruit door gisting liet bier ontslaat; -zapfer m. biertapper m.; -zeichen o., Z. -kranz, -wisch-, -zwanr; m., Z. -bann.

Biester, (-s) m., z. m. roetbruin o.

Biester, bijv. en b. somber, duister; verdrietig, verbijsterd.

Biest, (-(c)s) m., z. m. iiiest v.; -butter v. biesiboter v.; -milch v, biestmelk v.

Bieswind, m. Noordenwind m.

Bieten, bedr. ww, ojir. aanbieden; nulen Abend -, wenschen; jem. zu Gaste-,'/..laden; bieden,vvillen!geven;(/as/(d«cm!r/re!)ier- dür-fen, daarmede iiad mij niemand moeten aankomen; jemn. die Spitze -, iem. het hoofd bieden; dem KOnifie Schach -. schaak geven; ich biele cs Allen, ik daag alien uit.zetbetieder-een.

Bieter, (-s, mv. meter) m. bieder m.

Biez, (-es, rnv.-e) m. Z./irusteariC;vrou-weborst v.

Biezen, o. ww., Z. saugen.

Biegamie, v. tweewijverij, twecmannery v., bigamie v.

Bigamist, (-en, mv. -en) m. bigamist m.

Bigott, bijv. en b. schijn heilig, schijnvroom, femelend, fijn.

Bigotterie, v. schgnheiUgheid, scliijn-vroomheid, femelarij v.

Bilanz, (-en) v. balans v.; die-zieken, balans opmaken; -buch o. balansboek o.; -bogen m. balansblad o.; -conto o., -rechnumj v. balansrekening v.

Bilanziren, bedr. ww.de balans opmaken.

Bilchmaus, v. zizelmuis v.

Bild, (-(e)s, mv. -er) o. beeld o., voorstelling v., beeltenis, afbeelding, prent, plaat, schilderij v., portret o.; afgodsbeeld o.

Bijou, (-s, mv. -s) o. kleinood, juweel o.; -terie v. bijouteriën m. mv.; it. handel m. in bijouierien.

Bildarbeit,v. schilderwerk.teekenwerko.

Bildbar, bijv. nw. vormbaar, ontwikkcl-baar.

Bildchen, o. beeldje, prentje, plaatje, portretje o.

Bilden, bedr. ww. einen Kr eis -, vormen; aus einem Slot] etw. -, maken, vormen; Men-schen -, opleiden, opvoeden, beschaven; i. wed. ww. sich -, zich vormen, gevormd worden.

Bilder-achat, m. agaat m. en o. mot figuren; -unbeter m. beeldenaanbidder m.;-an-betung v. beeldendienst m.; -ausstellung v. tentoonstelling v. van schilderijen amp;;-besclirei-ber m. beeldbeschrijver m.; -beschreibung v. 1)

beeldbeschrijving v.-,-bibel\. prentenbijbei m.;

-blende v. nis v. voor beelden; -bogen m. vel t

o. platen, prent v.; -buch o. prentenboek o.;

-buchslabc m. versierde kapitale letter v.; v

-budev.,7.. -laden; -kabinett o. kabinet o. van (

schilderyen amp;; -deulung v. beeldbeschryving

v.; -diener m., Z. -unbeter; -dienst m. beelden- 1

dienst m.; -fabrik v. fabriek v. van beeldwerk;

-/einfim.vyandm.vanden beeldendlenst;-^rnisï 1

m. vernis o. voor schilderyen;-/quot;om v.vorm m. '

voor gegoten werk;-/gt;a«.v.beelden verkoopster v.; -fusz in., Z. -geslell; -gallerie\.,-gang m. galerij v. van schilderijen;-(jeslcllO- voetstuk o. voor een beeld; -hamlel m. handel m. in beelden amp;; -handler m. koopman m. in beelden amp;; -handlerin v. koopvrouw v. in beelden; -kram m. prentenkraam v., prentenwinkel m.; -kramer m., Z. -handler; -krdmerin v., Z. -handlerin; -krieg m., Z. -streit; -kunde, -kunst v. beeldenkennis v.; -laden m. beeidonwinkel, prentenwinkel m.; -leer bijv. en b. zonderplaten amp;; -leere harte, blinde kaart v.; -lehre v., Z. -kunde; -los bijv en b., Z. -leer; -mam m. beeldjesman m.; -marmor m. marmer o. met figuren o.

BUdem, o. ww. de prenten of platen bezien, opzoeken; (van een schrijver), jacht maken op beelden.

Bilder-nahen, 0., -naht, v. naaiwerk 0. met figuren; -rahmen m. lijst v. voor eene schilderij; -reich bijv. en b.beeldryk;vol prenten; -reichthum m. beeldrijkbeid v.; -reim m. beeldrijm o.; -saai m. beeldenzaal v.; -schalz m. schat m. van beelden amp;; -schrift v. beeldschrift o., hierogivphenscbrifU.; -sprache v. beeldspraak v;-siec/iej'in.,Z.Bi7(WecAer,-s/ei)i m., Z. BUdstein; -streit m. beeidenstrijd m.; -stulü m. uitstekend voetstuk o. aan gevels, om daarop beelden Ie plaatsen; -stürmend, beeldstorinend;-sltinner m. beeldstormer m.; -slürmerei v. beeldstormerij v.; -trödel m. handel m. in beelden amp;; -triidlerm. bandelaar m. in beelden fif; -werk o., Z. Pildwerk

Bild-gieszer, m. beeldengieter m.; -gie-szerei v. beeldengieterij v.; -gieszerkunst v. kunst v. oai beelden te gieten; -graber m., '/.. -stecher-, -hauer m. heeidliouwer m.

Bildhauerarbeit, v. beeldhouwwerk O.; of Bildhauerei, v. beeldhouwen O., beeld-bouwerij v.

Bildhauerkits, -leim,in.beeldhouwers-lijm v.; -kunst v. beeldhouwkunst \.-,-meiszel in. beeldhouwersbeitel m.; -iehule v. school v. voor beeldhouwers.

Bildlein, o. Z. Bildchen.

Bildlich, bijv. en b. figuurlijk, zinnebeeldig; overdachtelyk; -keil v. figuurlijkheid, zinnebeeldigheid v.

Bildmacher, m. beeidenmaker m.

Bildner, (-s, mv. Bildner) m., Z. Bild-hauer.

Bildaerei, Bildnerkuust, v., Z. Bildhauerei.

Bildniss, (-es, mv. -e) o. portret o., af-


-ocr page 185-

BIN 167

BIN

beelding v., afbeeldsel, beeld o., beeltenis v.; -mater m. porlrelschilder m.;-mafem v. portretschilderen o.

Bildsam, bijv. en b. zich licht latende vormen, vormbaar; -heit v. vormbaarbeid v.; (lig.) vatbaarheid v. voor beschaving.

Bild-saule, v. beeldzuil v.; -schnilzer m. beeldsnijder m.; -schnitzerei v. beeldsnijdeno.; -schnitzerkunst v. l eeldsnijkunst v.; -schlin bijv. en b. beeldschoon; -seite v. (van eene munt), beeldzijde, muntzljde v.; -steelier m. beeldsnijder, graveur m.; stem m. beeld-steen m. en o.; -stock m., Z. Bilderstuhl; -te/ipich m. tapijt, tapijtwerk o. met figuren.

Bildung, v. vorming, samenstelling. Inrichting v., uiterlijke vorm m.; beschaving, opvoeding, opleiding v.

Bitdungs-austalt, v. opvoedingsgesticht o.; -fehler m. gebrek o. in de vorming;-f/ese/z o. vormingswet v.; -kruft v. vormingskracht v.; -saft tu. voedend sap o.

Biid-weber, m., /.. Damastweber; -weise bijw. beeldsgewüs, liguurlijk; -werk o. beeldwerk, graveerwerk o., beeldhouwwerk o.; -zierath m. beeldhouwwerk o. lot sieraad.

Bill, (-en) v. wetsontwerp o.in Engeland.

bui(i)ard, (-(e)s, mv. -e) o. biljart o., biljarttafel v.; biljarten, biljartspel o.; -!)«// m., -bi//e v., -Zciif/e/ v. biljartbal m.; -beutet m., -loch o. biljartzak m.; -spieler m. biljartspeler m.; -stock m. biljartstok m., keu v.; -tafel v. biljarttafel v., biljart o.; -zimmer o. biljartzaal v.

Bille, (-n) v. kogel m., biljartbal m.; bilba-mer m.

Billen, bedr. ww. billen.

Billet, (-(ejs), mv. -e) o. biljet, briefje, kaartje o.; -ausgabe v., -bureau o. plaatskan-too r o.

Billetiren, bedr. ww. briefjes, etiquetten plakken op.

Billig, büv. en b. billijk, rechtmatig; redelijk, goedkoop.

Billigen, bedr. ww. billijken, goedkeuren.

BilliglieitjV. billijklield,redelijkheid;goed-koopheid v.

Biliigung, v. goedkeuring, toestemming v.

Billion, (-en) v. billloen o.

Bilse, (-«) v. ol Bilsenkraut, o. bilzen-kruid o.

Bilsen-öl, o. bilzenolle v.; -pilaster o. bilzenpleister v.; -raupe v. bilzenrups v.; -sortie v. bilzenzalf v.;-samenm.bilzenzaado.

Bim mi, Bimbaum, of Bimbam^m), tussch. bom, ham!; i. m. klokkengelui o.

Bimmel, of -glocke, v.bengel m.,schelletje o.

Bimmeln, o. ww.bengelen,beieren, luien.

Bimsen, bedr. ww. puimen.

Bimsicbt, bijv. nw. puimsteenachtig.

Bimstein, m. puimsteen m. en o.; -artig bijv. en b. puimsteenachtig; -pulver o. puimsteenpoeier o.

Bind-ahle, v. bindels v.; -axt v. steekbijl v.; -balken of -ebalken m. binibalk m.; -hand o., Jnqebinde.

Blndchen, o., Z. Handel; boord, boordje o.

Binddraht, m. binddraad o.

Hinde, (-«) v. verband 0., Z. Hals -, Kopf-, Stirnbindc; ligament o.; band m., streep v.; -balken m.. Z. Blndbalkeii; -holz o. karveelbint o.

Bindeisen, o. blaaspijp v.der glasblazers.

Binde-messer, o., Z.Bandmesser;-mitlet o. cement o.. metselkalk v.; klevend middel o., bindmiddel o.

Binden, bedr. ww. onr. vastmaken, binden; Besen maken; Bürsten -, maken; ein liuch -, inbinden; yoten -, verbinden; (lig.) vereenigen, verbinden; ein Fass -, kuipen; (lig.) etw. uns Bcin -, Z. Sein; jemn. etw.auf die Sede -, op het hart drukken; Udnde und J-'üsze -, binden, boeien-, ciebunden sein, gebonden, gehouden zijn; kurz ijebunden, snel besloten; it. kort van stof; 2. wed. ww. sick -, (van eene saus), dik, gebonden worden; sich an etw. -, zich verbinden aan, lot.

Binder, (-s, mv. Binder) m. binder, kuiper m.; -in v. bindster v.; -lohn m. bindloon O.; kuiploon O.

mnde-scrieide,\.,'/..nindsclieide;-sclttus-sel m. vermogen o. om de zonden te vergeven of te behouden; -sohle v. voetzool v.; -stein m. bindsteen m.; -strand m. spanlijnv., spantouw o.; -strich m., Z. -zeichen; -wart o. voegwoord o.; -zeichen o. koppelteeken o.; -zeug o. zwachteldoos v.; -zuq m., '/..-strich.

Bind-faden, m. bindgaren o., binddraad m.; —rulle v. rol v. of haspel m. waarop in de winkels het bindgaren gewonden i^-gerte v., Z. -weide; -holz o. bintbalk m.; -knuttel m., Z. Knebel.

Bin tiling, (-(e)s,mv.-c) m.,X.Zaunwinde.

Bind-riesel, m., Z. -hnlz; -riemen m. riem m.; -rolle v. zwachtel m.; -scheide v. scheedc v. voor het hindmes; -schnur v. touwtje, koordje o.

Bindsel, (-s, mv. Biiulsel)o. bindsel O., Z. Bindseil.

Bindseil, (-(e)s, mv. -e) m. sjortouw o. ter verbinding.

Bindstocli, m., Z. K neb cl.

Bindung, v., Z. binden; -smittcl 0., Z. Bindmitlel; -sstrich m., -szeichen o. verhin-dingsstreepje, verbindingsteeken o.

Bind-weide, v. tcenen band m., waarmede een bos samengebonden is; -werk o., Z. Latten -, Gitterwerh; -wurm m. egelworm m.; -zeug o., Z. Bindezeuq.

Biugelkraut, o. bengelkruid o.

Binge, (-n) v. ketelvormige verdieping v.

Binnen, voorz. met den aen en .'ten nv. binnen, in; - 3 Jahren, binnen lijaren; 2. bijw. binnen; -deich m. binnendyk m.; -gewasser o. mv. binnenwateren o. mv.; -gewirk o., Z. -werk; -hafen m. binnenhaven v.; -handel m. binnenlandsche handel m.; -laml o. binnenland o.; -lander m. bijlanderm. (vaartuig); binnenlander m.; -landisch byv.en b. binnen-


-ocr page 186-

168 BIR

BIS

landsch, binnenslands; -landschaft, -provinz t. liindschiip o., provincie v. in het hinnen-lanrt.

Binneniaufen, o. ww. onr. binnenloopen.

Binnen-meer, o., -see, v. binnenmeer o., binnenzee v.; -schi/ffalirl v. I)inncnlan(]scbe vaart v.; -stadt v. stad v. in bet binnenland; -verke.hr m. binnenlandscb verkeer o.; -werti o. binnenwerk o., voering v.;-co//m. binnen-iandsche tol m.

Binom, (-(e)s, mv. -e of -ien) o. binomi-um o.

Binomial, binomisch, bijv. en b. bino-minaal.

Binse, (-n) v. bies v., riet o.

Binsen-artig, bijv. nw. biesaehtig; -hlu-me v. lijioos v.; -hrücke v. biezenbrns v.; -husch m. boscli o. van biezen; -bilschet m. bos m. liiezen; -decke v. biezen mat v.; -ijras o. knopbies v.; -haft bijv. nw. biesaebtig; -korb m. biezen mand v.; -Infier o. biezen Ijed o.; -lauch m. l)iesachlig knoilook o,; -licht o. nachtkaars v.; -mark o. biezenmergo.; -matte v., Z. -decke,- -nachtigatl y.,-söinger m. nachtegaal m., die zicb in moerassen ophoudt; -scide v. wolgras, katoengras o.; -stuhl m. malten stoei m,; -zug m. biesvorniig versiersel o.

Binsicht, bijv. en b. biesaebtig.

Binslp, bu'v. en b. mei biezen begroeid, vol biezen.

Biograph, (-en, mv. -en) m. ievensbe-scb rijver, biogtêatm.

Biopraphie, (-«) v. levensbeschrijving v.

Biographisch, bijv. nw. levensbesclmj-vend, liiographisch.

Biquadrat, o. vierde macht v.

Biouadratisch, bijv nw. van de vierde maebt.

Birke, (-«) v., Birkeubaum, m. berk, berkeboom m.

Birken, bijv. en b. berken (houten); -hesen m. rijsbezcni m.; -bu.tch m. berkenbosch o.; -gretchcn o., Z. Ituthe; -hol: o. berkenhout o.; -kork m. berkenkurk o.; -meier m. berkemeier m.; -meth m. berkenmede v.; -ö/ o. berkenolie v.; -pitz m., HasenpilZ; -reis o. berkerijs, berketakje o.; -reizker m. ber-kenpaddenstoel m.; -rinde v. berkebast m.; -saft m. berkensap o.; -schwamm m. berk-zwam v.; it. Z. -kork; -slrauch m. 'A.Zwerg-tiirke; -tbeer m., Z. -ö/,- -wald m. berkenwoud, bosch o.; -wasser o., Z. -saft; -ivein m. berkenwijn m

Birk fal.'., m., Z. Berqfatk; -fuchs m. roode vos m.-,-haherm., Blaukrtihe; -halm m. berkhaan, boschbaan m.; -hcnne\.,-huhn o. berkhoen, boschhoen o.; -holz o., Z. Itir-kenholz; -witdbrett o., Z. -hahn; -wurzel v. berkwortel m,

Birn(e), {-{e)n) v. peer v.; -np/e/m. peer-appel m,; -banm m. pereboom m.; —holz o. pereboomenhoul o.; —wanze v. pcreboomluis v.; -bdumchen o., Z. IVintergrün; -bdumen bijv. en b, pereboonien;-cilt;raHev. peercitroen m.; -miff m. peerazgn m.; -fürmiq bijv. en b. peervormig; -kürbiss m. peervormige pompoen m.: -latwerge v. likkepot m. van peren; -most m. perenmost, perewyn m.; -mus o. perenmoes o.-,-quitte v. kweepeer v.;—)!()a!(m m. kweepereboom m.; -saft m. perensap o.; -schale v. pereschil v.; -sctinitt, -schnitz m schijfje o. eener peer; -syrup m. perenstroop v.; -stamm m. stam m. van den pereboom; -stiel m. peresteel m.; -walzen v. mv. peervormig ijzer o. aan een loom; -wein m., Z. -most; -zitrone v., Z. -ciirone.

Blrole, Bïrolt, amp;, Z. Goldamsel.

Birsch, {-es, mv. -e) m., Z. tiürsch{en).

Bis, bijw. tot, lot aan, voor dat; - hieher, tot hier; - dahin, tol daar;-««,- zu, lol aan; - auf Wiedersehen, tot wederziens; - nuf die Haul, door en door; von Ostern - Pfine;-sten, van Paschen lol Pinksteren; - au/quot; 10 Thaler, op 10 tb. na.

2. voegw. - dass, totdat; nicht weg, - er es euch sagt, vóór.

Bisam, (-s) ra., z. m. muskus v.; -affe m. muskusaap m.; -apfel m. muskusappel m.; -artig bijv. en b. muskusachtig; -Wiierm. muskusbever m.; -blumev. muskusbloem v.; -bock m. muskusbok m.; -Wichse v., -buehschen o. muskusdoos v., muskusdoosje o.; -distel v. muskusbloem v.; -dufter m. hij,dieslerknaar de muskus riekl; -eibisch m., Z. Ahelmosch; -ente v. muskuseend v.; -farbe v. muskus-kleur v.; -farben, -farbig bijv. en b. muskus-kleurig; -fell o. buid v. van een muskusdier; -qerueh m. muskusreuk m.; -hirsch m., -hirsch-chen o., Z. -thief; -kdfer m. muskuskever m.; -kutze v. muskuskat v.; -klee ra. muskuskla-ver v.; -knoblaurh m. muskusknoilook o.; -knopf m. muskuskoekje o.; it. Z. -distel; -knospe v., Z. -kraut; -kohl m. muskuskool v.; -klirner o. mv. muskuskorrel v.; -kraut o. muskuskruid o.; -kugel v., 7..-knopf,--me-lone v. muskusmeloen m.; -narrisse v. muskusnarcis v.; -n/crev.pakjeo.muskus;-;)//«n-ze, -pappel v., Z. -kraut; -ratte, -ratze v. muskusrat \.-,-reh o., Z. -thicr; -rosev. muskusroos v.; -same m., Z. -tinnier; -schwein o. muskusvarken o.; -thicr o. muskusdier o.; -vogel m., Z. Seerabe; -ziegev. muskusgeit v.

Bischen, o., Z. Bisschen.

Blschof, (-{e)s, mv. HiscMfe) m. bisschop m.; (drank.) bisschop v.

Biscbofen, o. ww., bisscbrp drinken.

BischöfUch, bijv. en 1). bisschoppelijk.

Blscbofs-amt, o. bisschoppelijke waardigheid \.-,-hof m. bisscbopspaieis o., bisschopswoning v.; -hut m. bisschopshoed ra., mijler m.; -kreuz o. bisschopskruis o.; -mantel m. bisschopsmantel m.; -mantelchen o. bisschops-mantellje o.; -mütze v. bisschopsmuts v.; -sitz m. bisschopszetel m.; -slab m. bisschopsstaf m.; -//mm o., Z. Bisthum; -würde v. bisschoppelijke waardigheid v.

Biscuit, {-{e)s, mv. -e) o, beschuil, twee-bak v.;biscuit,onverglaasdporselein o.-,-fi/jur v. beeldje o. van biscuit.


-ocr page 187-

BLA.

469

BIT

Bisher, bgw. tot nu toe, tot hier toe,vroeger.

Bisherig, bijv. nw. dat tot nu toe plaats had, was, gedaan werd.

Bismnth, (-(e)s, mv. -e) m.,Z. Wismuth.

Hiss, (-cs, mv. -e) m. bijten o., beet, bap ni., afgebeten stuk o.

Bisschen, {-chens, mv. -chen) o. beetje o., een weinig o.

Bissen, (-.s, mv. Bissen) m. beet, hap m., bete y.i-welse, bij kleine brokjes, hij beetjes.

Bissig, bijv. nw., Z. bciszig.

Bisten, hedr. ww.,Z. pischten.

Bister, mv. Bister) m., Z. Nusshraun.

Bisthum, [-{e)s, mv. Bistnumer) o. bisdom o.

Bisweilen, hijw. somtijds, nu en dan, van tijd tot tijd.

Biszwind, (-(e)s, mv. -e) m, koude en droge Noordenwind m.

Bittbrief, (-(e)s, mv.-e) m.,Z. Eittschrift.

Bitte, (-n) v. bede, vraag v., verzoek o.

Bitten, hedr. ww. onr. verzoeken,vragen; worn ich - (larf, als hot n belieft.

Bitter, bijv. en h. bitter, fijn, vinnig; sich einen -en einschenken, een glaasje bitter.

Bitter, (-s, mv. Bitier) m. verzoeker,vrager, bidder m.

Bitter, (-s) o., z. m. bitter o.

Bitter-bier, o. bitterbier o.; -Mscbijv. en b. zeer ondeugend, zeer boos, verbitterd;-rfisie/ v. Lieve-V'rouwendistel v.

Bittere, (-?!) v., Z. Bitlerkeil.

Bitter-erde, v., Z. Talkerde: -feiml m. gezworen vgand m.;-feindtich bijv. nw. uilerst vijandig; -qurke v. kolokwinlappel m.; -hnlz o. bitterhout o.; —baum m. bitterhoutboom m.-, -knik m. koolzure kalk v.

Bitterkeit, v. bitterheid v., bitsheid v.; -en mv. harde, bijtende, bitse taal v.

Bitter-klee, m. bitterklaver v.; -kleesalz o., Z. Sauerkleesalz; -kraut o. l)itlerkruid o.; -kresse v. hilterkevs v,

Bitteriich, bijv. en b. een weinig hitter; ■2. bijw. bitterlijk, innig.

Bitterlirg, (-(e)s, mv. -e) m., Z. B i tl er-wasser; Pfilferiinri.

Bitter-mandelöl, o. bittere amandelolie v.; -salzo. bitterzout o.-.-satzenley.,'/..Talkerde; -spath m. hitterspaatl'. o.; -stem m. bittersteen m.; -stoff m. bittere slof v.; -süsz bijv. nw. bitter-zoet;2. o. zelfst. biüerzoet o., nachtschaduw v.; -trnpfen m. Iiillere droppel m.; -wasser o. bitterwater o.; -weide v., Z. Bruchweide; -wein m. alsemwijn m.; -wurz v. gentiaanwortel m.

Bittern, hedr. ww. bilter maken; 2. o. ww. bitter zijn.

Bitthaft, bijv. en h. biddend, smeekend.

Bittlich, bijv. en h. biddend, smeekend, verzoekend.

Bittsam, bijv. en h. biddend, smeekend.

Bitt-sclireiben,o.,Z. Bittsct\rift;-schrei-Iter, -schreiberin, smeeker m., smoekster v.;

-schrift v. schriftelijk verzoek o., verzoekschrift, request o.; -weise bijv. nw., Z. bittlich; -loort o. gebed o. van onderwerping.

Bitum of Bitumen, (-s) o., z. m. aardpek, asphalt o.

Bituminös, l)ijv. nw. aardpekachtig.bars-achtig.

Bitzeln, o. ww. prikkelen, hijten (op de tong)

31tzling, (-(e).v, mv. -e) m., Z. Rnthflosser.

Bitzwurz, v., Z. Küchenschnelle.

Bivouac, (-s, mv. -s) o.openelegerplaats v., bivouak o.

Bivouakiren, o. ww. in de opene lucht legeren, bivouakkeeren.

Bizarr, bijv. nw., Z. seltsam.

Bizarrerie, v., Z. Seltsamkeit.

Blach, {blacher, blachst) bijv. nw., Z. ftach; -feld o. vlakte v., het platte land o.; -frost m. drogs koude v.; -mahl o. slakken v. mv. van smeitend zilver; -malen o. ww. zwart op wit of wit op zwart schilderen.

Black, {-(e)s, mv. Blacker) o., Z. Tinte; -hein o. been o. van den inktvisch; -fisch m. inktvisch m.; -thier o. zeekat v.

B'-aff, tussch. blaf!; -2. (-(e)s, mv. -e) m. blaffen, geblaf o.

Blaffen, o. ww. blaffen.

Blaffer, (-s, mv. Bla/fer) m., Z. Beller.

Blaffert, (-s, mv. -e) m. eene kleine zilveren munt.

Blafltlg, hiafBg, bijv. nw. gaarne en veel blaffend.

Blaftern, o. ww. wapperen, heen en weer slaan.

Biaheu, beJr. ww. opblazen, doen zwellen.

Blah-sucht, v. winderigheid v.; -suchtig bijv. nw. met winden behept.

Blahung, v winderigheid, opgezetheid v., wind m.; -skolik v. koliek o. in den huik; -smittel o. windverdrijvend middel o.

Blaken, o. ww., Z. blöken.

Blaker, mv. Blaker) m. blaker m.

Blamiren, bedr. ww. laken, beleedigen; 2. wed. ww. sich -, zich benadeelen, een schandaal maken.

Blanco (in),bijw. onbeschreven,in blanco; (fig.) jem. in - lassen, buiten het spel laten; -accept o. acceptatie v. in blanco; -credit m. blanco-krediet o.

Blank, bijv. en b. blinkend, glimmend, schitterend, blank, klaar, helder, kaal;cin -er See, open, glad; da steht das -e Wasser, alles staat blank, onder water; seine Khre - be-tpahren, rein, onbevlekt.

Blankdraht, m.blankijzcrdraado.; -ziehcr m. glanzer, polijster, blanktrekker m.

Blanke, (-n) v. onbeplante, open plaats v. in een bosch,/,. Blankheit.

Blanken, blanken, bedr. ww. blank schuren, polijsten; 2. o. ww. blinken.

Blankern, o. ww. schermutselen.

Blankett, (-(e)s, mv. -e) o. blanket o., volmachtblad v.


-ocr page 188-

BLA

170

BLii

Biankhammer, m. polijslhamer m.

Biankheit, v. blankheid,witheid, schoonheid, reinheid, gladheid v.

Blank-leder, o. polijstleder o.; -macher m. blanktrekker m.

Biankscheit, (-(e)j?, mv. -e) o. stalen veer v. van een korset.

Biank-schmied, m. koopman, vervaardiger m. van snijdende voorwerpen; -stosz-hank v. schaafboom m.; -stoszKuyel v. glanskogel m.

Bianschiren, bedr. ww. in lauw water zetten en zwellen; Früchte-, afkoken.

Blarren, o. ww., Z. pliirren.

Biaschen, o. blaasje, blaartje o.; -arlig bijv. nw.blaasjesachtig;-kraulo. blaaskruido.

Blasdruckwei'k, o. blaasperswerk o.

Blase, (-») v. blaas, luchtbel; blaar v.; distilleerkolf v.

Blasebaig, (-e)5,mv. Blasebdlge) m. blaasbalg m.; -gerausch o. ademhaling v., die een geluid maakt als dat van een blaasbalg; -hammer v. plaats of kamer, waarde blaasbalgen liggen; -macher m. blaasbalgmaker m.; -treter m. blaasbalgtreder, orgeltreder, orgeltrapper m.; -zieher m. blaasbalgtrekker m.

Slase-balken, m. blaasbalg m.; -bass m., Z. Fagolt; -bentel, lUasbeutcl m., Z. Puder-bldser; -flsch m., Z Spritzfisch; -hom o. blaashoorn m.; it. hoornschelp v.; -instrument o.blaasinstrumento.;-/oc/# o.blaasgato.;-ZöcAer o. mv. spuitgaten o. mv. van den walvisch; -?wö5c//J?iev.blaaswerkliiigo., I laasmachine v.

Blasen, o. ww. onr., m. h. blazen; in die Büchse-mussen, moeten betalen; *2. bedr. ww. onr. blazen; einen Slein -, blazen en wegnemen; die Flöle spelen op; jemn. etw. ins Ohr -, inlluisteren, ingeven.

Blasen-ahnlich, -artig, bijv. n w. blaas-achtig, blaarachtig; -balt m. zeepbel v., windbal m.; -band o. .blaasband m.; —wurm m. blaaslintworm m.; -baum m. blaasboom m.; —same m. klapbes v.; -bruch m. blaasbreuk v.; -entzündung v. blaasontsteking v.; -erbse v. wondererwt v.; - er d ranch m. blaas-aardrook lil.; -fieber o. blutskoorts v.; -fusz m.,-flielt;ie v. blaasvoet, biaaspoot m.; -galle v. galblaas v.; -gang m galblaasgang m., Z. llarnganq; -geschwulst v. blaasgezwel o.; -gries o., Z. Gries; -grüno. blaasgroen o.; -grundm. blaas-grond m.; -hals m. hals m. der blaas; -höhle v. blaasholte; -hut m. helm m.; -kafer m. Spaanscbe vlieg v.; -kohl in. Spaansche raket v.; - kramp f m. blaaskramp v.;o. blaaskruid o.; -moos o. schermmos o.; -muschel v. blaashoorn m.; -nussv., Z. Pimpernuss,--oxyd o. blaaszuur o.; -pjlaster o. trekpleister v.; -poclcen v. mv. windpokken v. mv.; -rdumer m. steenlepel, graveellepel m.; -salbe v. blaartrekkende zalf v.; -schlagader v. blaasslag-ader v.; -schlieszmuskel m. sluitpapier v. der blaas; -schnitt m. blaassnede v.; -schnur v., Z. -band; -sonde v. blaaspeiler, pisaftapper m.; -stahl m. cementatiestaal o.; -stein m. blaassteen m.; —sciure v.piszuuro.;—Schneider m. blaas- of steensnijder m., blaas- of stfiensnijmeso.;-.s/?c// m.blaassteek m.-,-slrauch m., Z -baum; -ventil o. blaasklep v.;-Dor/'a/i m. uitzakking v. der blaas; -mndsucht v. trommelzucht v.; -wurm m. blaasworm m.; -ziehend bijv. nw. blaartrekkend; -zins m. belasting v. op het brandewijn stoken.

Blaser, {-s, mv. lildser) m., Z. Bldser.

Blaser, {-s, mv. Blaser) m. blazer m.; groote dolfijn m., Z. Aschenzieher.

Biase-rohr, blaaspijp v.; -röhrchen o. blaaspijpje o.; -werk o. blaaswerk o.; -werk-zeufi o., Z. -instrument.

Biasicht, bijv. en b. blaasachtig, blaarachtig.

Biasip, bijv. en b. blazig,hobbelig,vol gaten, poreus.

Blasi^, bijv. en b., Z. blasig.

Biasoniren, bedr. ww. blazoeneeren; it. heraldisch uitleggen.

Biasonirkunst, v., Z. fVappenkunst.

Biasonist, {-en, mv. -en) m. blazoenkundige, wapenkenner m.

Blasphemie,v. godslastering, heiligschennis v.

Biasphemiren, o. ww. godslasteringen uitspreken.

Biass, {-er of bldsser,-est of btdssest)hV]\. en b. bleek, vaal, Hauw; - bleu bijv. nw. licht blauw.

Blass(e), {-en, mv. -c) m. (aan den kop van een paard), bles v.; paart' ofkoemeteene witte plek voor den kop, bles m.

Biasse, {-n) v. of z. m. bleekheid v.

Biassente, v. waterhoen c., koot v.

Blass-fleischfarbig, bijv. mv. licht vleeschkleurig; -r/e/öbijv. nw. lichtgeel;

bijv. nw. licht groen.

Blasshuhn, Blasslein, o., Blassling, (-(e).9, mv. -e) m., Z. Biassente.

Biassrcth, byv. nw. lichtrood,bleekrood.

Blatt, (-(e)s, mv. Blatter) o. blad o.; (fig.) das - hat sich gewendet, dat blaadje is omgedraaid; kein - oor den Mund nehmen, ronduit de waarheid zeggen; dagblad, nieuwspapier o.; (van een tapijt), blad o., baan; (van eene tafel), blad o.; (aanj een sleutel), baard m.; laag v. steen;- dhntich bijv. en b. bladvormig; -ansatz m. bladaanhangsel o.; -augeo.,/. -knospe;-be-zeichnung v. aanwijzing v. der bladen, signatuur v.; -blei o. lood o. in bladen.

Blattchen, o. blaadje, klein blad o.; fontenel v.; -gold, -silber o., Z. Blattfiold

Blatte, {-n) v., Z. Platte.

Biatten, bedr. ww. bladen, afbladeren.

Blatter, {-n) v. blaar, puist v.; -n mv. pokken v. mv.

Blatter-abfall, m. afvallen o. der bladeren; -binder m., Z. Blattmacher; -blende v. tladerige blende v.; -blume v. bladbloem v.; -bringend bijv. nw. bladeren voortbrengend.

Biatterchen, o. blaarl.je, puis4je o.

Biatter-druse, v. schi ferig erts o.;-erde v. bladerig w ijnsteenzout o.; -erz o. gedegen zilver o. in platen; -fall ni. het vallen o. der


-ocr page 189-

BLA 17t

BLA

liliiilcrcn, Herfst m.; -jlechle y. puistig mos 0 . -fressend liijv. nw. bladeren etend- -fülle v.'overvloed m., groote menigte v. bladeren; -r/ebackenes o. bladvormig gebak o.; -r/elb bijv. nw. bladgeel; -grau bijv. nw. dood, verdord.

Blattergift, o. smetslot v. der [jokken.

Blattergold, o., Z. Blattgold.

Blatter-grube Sc, v., Z. -nurbe amp;; -holz o., Z. Franzosmholz.

Blatterig, bgv. en b. puistig, vol blaren; knobbelig.

Blatterig, bijv. en b. bladerig, vol bladeren; schilferig.

Blatter-knospe, v., -Uobl, m.,7..Blatl-knospe; -kohle v. scbilforlge noutskool v.; -koralte v. schilferig koraal o.

Blatter-Uranli, bijv. en b. die de pokken beeft; -krankheit v. de pokken v. mv., kin-deizieklê v.

Blatter-kuchen, m , Z. -fiebackenes; -los bijv. en b. bladerloos, zonder bladeren.

Blatter-lymphe, v. koepokstof v.

Biattermagen, m. derde maag v. der herkauwende dieren.

Blatter-mase, -masig, mrbe-nar-buj; -materie v., Z. -gift.

Blattern, o. ww. de pokken of kinderziekte hebben.

Blattern, o. ww. bladeren; i. wed. ww. sic/» -, Z. sich entbldttern; schilferen.

Blatter-narbe, v. poknaad m.; -narbuj bijv. en b. door de pokken geschonden.

Blattern-liaus, o. pokhuis o.; -holz o. pokhout o.; -impfer m. koepokinenter m.,entmesje o.; -impfung v. vaccinatie v.

Blatterreich, bijv. en b. bladrijk, blader-rijk.

Blatterrose, v. (bel) roos v.

Blatter-sanle, v. met bladeren versierde zuil v.; -schwamm m. bladzwam v.; -spath m. bladspaath o.

Blatterstein, m. poksteen m.

Blatterstein, m. schilfersteen m.

Blatter-steppig, bijv. nw.. Z. -narhig.

Blatter-tabak, m., z. m. tabak v. in bladen; -teig m. schilferig deeg o.; -//ionm. schilferig leem o.; -torf m.lange turf v.; -co/Zbijv. nw., Z. -reich;-lueiseh'ijw. bladsgewys;-io(!r/£ o. bladwerk o.; (van planten), bladeren o. mv.; -zalm m. schilferige land m.; -zeotith m. schuimsteen m.

Blatterzug, o., Z. Brennkraut.

Blatt-federchen, o. bladpluimpje 0.; -Ileisch o. bladvleesch o.; -ftoh m., Z. -sauger; -förmig bijv. en b. bladvormig; -gold o. goud o. in bladen, bladgoud, klatergoud o.; -halter m. bladhouder m.; -hiirner o. mv. insecten o. mv. met bladerige bundeltjes aan de voelbo-rens; -hüler m. bladwachler, klapper m.; -kiifcr m. bladkever m.; -kissen o. bladkussen o.; -knnspe v. bladknop m.; -/coA/m. bladkool v.; -kupfer o. koper o. in bladen, bladko-per o.; -kussen o.,7..-kissen; -lahm l)ijv. nw., Z. hwjlahm; -luns v. bladluis v.; —fresser m. bladluisvreter m.; —kufer m. Ünzes-Lieven-

Heershaanlje o.; -/os bijv. en b., Z. blatter los; -lose v. blauwe bis-anjelier v.; -macher ui. kambladmaker m.; -metall o. melaalo. in bladen, bladmetaal o.; -raupe v. bladrups v.; it., Z. -wickler; -reif m. platte, breede yzeren hoepel m.; -rippe v. ruwe kant in. van een blad; -roller m., Z. -wickler; -salat m. bind-latuw v.; -salbe v. bladzalf v. voor verlamde hondea; -sauger m. bladkermes o.; -scheide v. bladschee v.; -scheu bijv. en b. die bij liet ritselen van een blaadje schrikt;-seitev.blad-zijde v.; -setzer m., Z. -macher; -silbero.zilver in bladen, bladzilver o.; -stundig bijv. en b. uit de punt van bet blad ontspruitend;-slt;/c/ m. bladsteel m.; —stundig bijv. en b. op of om den bladsteel groeiend; -stacko., Z. Haupt-balken; i'., Z.. Qucrbdlken; -vergoldumj v. blad-vergulding v.; -versilberung v. bladverzilve-ring v.; -wanze v., -jloh; -weise bijv. en b. bladsgewüs; -wender m. bladkeerder m.; -wespe v. bladwesp v.; -wickler m. bladrolster v.; -winkel in. boek m. van een blad; -zeichen o. bladteeken o. in een boek; -zeiger m. bladwijzer m.; -zinn o. tin o. in bladen, bladtin o.

B'.atze, v., Z. H'eiszfisch.

Biau, bijv. en b. blauw; braun und-schla-gen, bont en blauw slaan;-en Montag machcn, (van ambachtslieden), den Maandag niet werken, leegloopen; das sind -e Nebel, Oouzen, leugens v. mv.; du solist dein -es founder sehen, gij zuil verstomd staan; jemn. einen-en Dunst cennachcn, iem. een rad voor deoogen draaien, zand in de oogen strooien;-e Dohnen, geweerkogels m. mv.; dus -e Riicklein, het soldatenpakje o.; jemn. einreden grün sei -, knollen voor citroenen verkoopen; 2. o.zelfst. blauw o.; azuur o.; (lig.) in's-e hineinschtoa-tzen, in het wild pralen.

Blau-aderlg, bijv. en b. blauw geaderd; -auge o. blauwoog m.; it., Z. -entc;-diidig bijv. en ii. met blauwe oogen; -bcere v., Z. lieiilel-beere; -bleierz o. loodblauw erts o.; -blendes. blauwe blende v.

Blaue, v. blauw, azuur o., blauwe kleur v.; stijfsetoiuw o.

Blauel, (-s, mv. Btiiuel) m. palet v., blou-wel m.

Blauelu, liedr. ww. kloppen; JVasche met blauw doorhalen.

Hlaiuni, o. ww. blauw zijn, worden; i. bedr. ww. blauw maken.

Biauen, bedr. ww. blauw maken, blauwen; (Rg.)Jem. tuchtig -, geducht afranselen, bont en blauw slaan.

Blauente, v. klappereend v.

Blau-erz, o., Z. Kobalt ■ -farbe v. blauw o., blauwe kleur v., saffloer o.

Blaufarben-glas, o. bla uw glas O.; -hafen m. smeltkroes m. der glasovens; -kobalt m. saffloerkohalt o.; -meister m. inspecteur m. eener saflioerfabriek; -mühle v. safiloermolen m.; -pochwerk o. saflloerstampwerk o.; -sand m. saflloerzand o.; -werk o. saflioerfabriek v.

Blau-farber, m. blauwverver m.;- f/ir-berei v. blauwververij v.; -[iirbig bijv. nw..


-ocr page 190-

BLE

172

BLE

Z. hlau; -fcuer O. Wauw vuur 0.; -fleckiqhiiv. Blecker, (-.s, mv. Blecker) m. hy, die de BI

nw blauwgevlekt; -/lieilcr m. blauwe of paar- tanden laat zien. Bl

sclie sering v.; -fusz m. ))lauwvoet m.; -ge- Bieckzahn, m. vooruitstekende tand ni b:

fleckt bijv. nw. blauw gevlekt; -qesduert bijv. Blei, (-(e)s, mv. -e) m., Z. Itleihe. zuui

nw. -es Salz, blauwzuur zout o.; -qlas o.. Blei, (-(e)s, mv. -e) o. lood o.; loodzout Maai

Z. Schmalle; -grau bijv. en b. blauw grijs; o.; elw. mit - fültern, ausfullen, versehe.n, ben,

-grün bijv. en b. zeegroen o.; -hai m. zeebond, plombeeren; -abgang m. loodscbuim o.; -ader v., i

rob m.; -hnlz o. blauwbout o.;-Isehlchen n. v. loodader v.; -arheil v. loodgieterswerk o.; lood'

blauwborslje o.; -kohl m. roode kool v.;-/co/)/' -arsenik m. loodarsenik m.; -arlig bijv. en b. m. 1

m. Amerlkaanscbe taling m.; zeebaars m.; loodacbtig;-orznei v. geneesmiddel o., waarin -uelt

blauwkop m., eene rups; -krahe v. blauw- zich looddeelen bevinden; -usche v. loodasch wiet1

acblige kraai v.; -kufe, -hupe v. blauwkuip v. v.; -aufllisung v. loodoplossing v.; -balsamm. ni.; -

Blaulicb, bijv. en b. blauwachtig. loodbalsem ril.; -baum m. loodboom m. glan

Blauüns, (-(e)s, mv. -e) m., TVeisz- Bleiben, o. ww. onr. blijven, duren,voorl- glit

fisefi; Kaapscbe alTodil v. duren, volharden; zitten, slaan, niet vertrek- loodl

Blau-inal,o. blauwe huidvlek \.;-meise\. ken; nuf dem Plnlze -, sneuvelen; vom Leibe, krisi

pimpelmees v.; -ofen m. Idauwoven m.; -rock vnm Halte -, niet aan het lijf komen, met rust bijv.

m. blauwrok m.;-sauer bijv.en \).,7..-gesduerl; laten; elw. - lassen, iets lalen, Z. unterlassen; -hal

-saure v. blauwzuur o.; -scher.ke v. blauwe 2. o. zaltel. hier is{ meines-s nicht, bier kan lood'

ekster m.; -schimmel m. blauwachtig paard ik niet blijven; zu Paris habe ich kein -, ge- b

o.; -schnnbel m. blauwsnavel m.; -schiirl m. voel ik mij niet Ihuis, zou ik op den duurnlet B

blauwe schorl m ; -spcchl m. blauwe specht kunnen blijven. hou

m.; -slein m. blauwe steen m.; 11. Lasur- Blei-blatt, o., -blattchen, o. loodblad o. h

stem;-sln[[m. blauwsiofo.;-slrumpfm. bliiuw- o., Inodblaadje o.; -bliek m. loodllikkering v.; lood

kous m.; gerechtsdienaar m.;aanbrenger, ver- -blumen v. mv. loodarsenikzuur o. B

klikker m.; geleerde vrouw, hlauwkors v.; Bieicb, bijv. en I). bleek; dof. B

-sucht v. blauwzucht v.; -Inubes. blauwcduif Bleichanstalt, v. bleekerij v. B

v.; -llwn m. biauwaarde o.; -vitriol m. zwa- Sleicbbiau, bijv. en b. doodsbleek. kalk

velzuur koper o.;-wasser o. blauwachtig oog- Bieiche, (-ji) v. (van het gelaat), bleek- cher,

water o.; -zieker m. kramsvogel m. beid v.; bleeken o., bleekerij, bleek v.; huif v. ivoo

Biech, (-(e)s, mv. -e) o. metaalplaat v.; over een kar. med

plaatijzer, vertind ijzer, l)lik o. Ble chen, hedr. ww. blesken; Mohren -, den,

Blech-abschnitt, m. afval m. van plaat- den moriaan wasschen; 2. ved. ww. sich -, v.,Z

ijzer; -atnljosz m. bliksiagersaambeelil o.;-«r- grijs worden: 3. o. ww., m, ii. en s. bleeken; -ko:

beil v. blikwerk o.; -arbeiler m. blikwerker (van personen), verbleeken. liek

m.; -ausschuss m. uitschol o. van plaatijzer; Bleicher,-in, bleeker m., bleekersvrouw o-;

-besehlag m. hlikbeslag o.; -dach o. dak o. met v.; klaret m.; -Uthn m. bleekgeld o. -ku

blik bekleed. Blcichfiüssigkeit, v. chloorkalk v.; fcrt/i- dief

ïliechen, bedr. ww. betalen, opdokken. hallige -, bleekwaler o. o.; ■

Blecbe(r)n, bijv. en 1). blikken, van blik, Blelch-garten, m. bleekerij, bleek v.; den

van dunne metalen platen. -geib, Z. blassgelb. zwa

Bleeh-fabrili, v., Z. -hammer; -fass o. Bleicbheit, v. bleekheid v. m.;

vat o. of Ion v. met plaatijzer, met platen me- Bleicbbof, m., Z. Bieiche. klei

taal; -feuero. plaatvuur o.-,-gefass, -geschirr Bleicblicb ti, bijv. nw. bieekachtlg.

o. blikken val o.; -rihihnfen m. blikslagers- Bieichlinp, (-(e)s, mv. -e) m. iem. die

gloeioven in.;-/mmmer m. plaatijzersmederij, bleek is; lafaard m. ovei

lilikslagerij, fabriek v. van plaatijzer; plaat- Bleicbiobn, m., Z. nieicherlohti; -plalz o-;

hamer m.; -handler m. bandelaar m. in plaat- m.blcekplaats v., bleekveld o.; -pulucrn. bleek- looi

Ijzer; -handschuh m. ijzeren bandschoen m.; poeier o.; -sdure v. met zuurslof oververza- v- 11

-haube v. helm m.; -liillle v., Z. -hammer; digd zoutzuur o.; -statte v., Z. -platz; -stein Poe

-instrument o. koperen blaasinstrument o.; m. bleeksteen m.; -sucht \. bleekzucht v.;

-kappe v., -haube; -masz o. maattangelje -süchtig bijv. nw. met bleekzucht behept. zul1

o., voor gouddraadtrekkers; -meister m. mees- Bleicbuns, v. bleeken o. nw

ter, baas m. in eene plaatijzersmederij, idik- Bieicb-wand, v., Z. Lehmwand;-wasser 'l™

slagershaas m.; -münzew blikmuntv.;-mllïse o. bleekwaler o.; -wassersucht \ hieekwater- ',0()(

v., Z. -haube; -nagel m. leldekkersspijker m.; zucht v.; -werk o., Lchmwerk. t-

-p/'enniff m., Z.-mllnze;-sefterev. blikschaar, Biei-dacb, o. looden dak o.;-rfaefter o. eequot;

plaatijzerschaar v.; -schldger, -schmied m. mv. loodkamers v. mv.; -rlampf m. looddamp

blikslager m.; -schneider m. plaatsnijder m.; m.; -darmgicht v. loodkol.ek o.; -decker m. 'üul

-stempel m.,7,. Austragestempet; -verzinnung looddekker m.; -draht m. looddraado.;-rf™se 'sa

v. vertinnen o. van plaatijzer; -!««nre v. ge- v. looddroesem m. 1001

reedschap o. van blik, van plaatijzer; -zange Bleie, (-n) v., Z. Itleihe 0'gt;

v. haaklang v.; -zinn o., Blathim. Bleien, bedr. ww. van lood voorzien, loo- Ses

Bleeken, bedr. ww. die Zalme-, toonen, den, plombeeren; met het dieplood onderzoo- m '

lalen zien. ken. 'fJ'

-ocr page 191-

BLI 173

BLE

Bleierde, v. loodaarde v.

Blei(e)n, Wjv. nw. looden, van lood.

Biei-orz, looderts o.; -essig in. loodazijn-zuur o.; -fubrik v., Z.-(jieszerei; -fuik m. St. Maartensvogel m.; -/quot;arfte v. loodkleur v.;-/ar-ben, -farbig, loodkleuren, loodkleurig; -feder v., Z. -stift: -feite v. loodvljl V.; -fluss m. loodvloed m.; -form v. looden vorm m.;-gaiuj m. loodertsader v.; -geist m. loodgeest m.; -gelb o. loodgeel o.; -gewicht o. looden gewicht o.; scliietlood o.; -gieszer m. loodgieter m.; -gieszerei v. loodgiel'erü v.;-storazm. loodglans m.; -glas o. loodglas o.; -gtatte v. lood-glit o.; -glimmer m. Mikaloodo.; -gneisz ra. loodhoudende schlirersteen m.; -gruupevAooü-krlstal o.; -guss m. gesmolten lood o.; -haft bijv. nw., Z. -urtig; -Imhen m. loodhaak m.; -haltig liijv. en b. loodhoudend; -hammer m. loodhamer ra.

Bleihe, (-«) v. brasem m., hlei v.

Blei-hei-d, Z. Treibherd; -holz o. lood-liout o.; -hülte v., Z. -gieszerei; -hi/peroxj/d o. tweede loodoxyde o.; -hyperoxydulo.ilerAo loodoxyde o., menie v.

Blellicht, hijv. nw., Z. bteiartig.

BieiiR, bleiisch, bijv. nw., Z. bleihallig.

Blei-jod, o. potaschlood o.; -kulh m. lood-kalk v.; -kammern v. rav., Z. -ddcher; -keht-chen o. hlauwhorstje o.; -knecht ra. stukje o. ivoor aan het heft van den diamant, waarmede liet lood, waarin de ruiten gezet worden, geopend en dichtgestrekon wordt; -kotik v,,Z. -durmgichl; -künig m. looddroesem m.; -hom ra. loudkorrel v.; -krankkeit v. loodko-tlok, schilderskoliek o.; -krant o. tandkruld o.; -krystalle m. rav. loodkristallen ra. mv.; -kugelv. looden kogel m,; -latho. schietlood, dieplood, peillood o.;-lvthumj v. peilen,looden o.; -musz o., Z. -loth, -wage; -mi/cA v. maag-denmelk v.; -mulde v. hlok o. lood; -mutin m. zwartachtig looderts o.; -nagel ra.loodspijker in.; -nap/ m. looden hak m.; -natter v. loodkleurige Indische adder v.; -niederschtag ra. loodbezinksel o.: -niere v. niervormige lood-ader v.; -ocher m. loodoker v.; -ofen ra. lood-oven in,; -Ut o. loodolie v.; -oxyd o. loodoxyde o.; -oxydut o. loodoxyduul o.; -iiftmter ni. loodpleister v.; -platte v. loodplaat v., plaat v. lood; -pro'oe v. loodproefv.;-pu/oero. lood-poeier o.: -quick ra. loodkwik o.; -rail o., Z. -zug; -rahiu ra. met loodazyn \ersterkt citroenzuur o.; -ruuch ra. loodrook m.; -recht hijv. nw., Z. lothrecht; -reif ra. snoer o. met looden kogels; -rohr o. teekenpen v.; -röhre v. looden huis v.; -rost m., Z. -weisz; -roth o., Z. Mennig; -sack m. loodschulra o., dat als een zak aan het zilver hangt; -safran m., Z. Meimig; -salbe v. loodzalf v.; -salpeter ra. loodsalpeter a.--salzo. loodzout o., Z. -zucker; -sand ra. loodzand o.; -saure v. loodzuur, loodoxyde o.; -schautn in., Z. -aschc; -schelt o., Z. -wage; -schicht v. loodo.,datin -21 uren gesmollen wordt; -schiefer ra. loodschiefer m.-, -schlacke y. loodslak v.; -selllicit m., Z. -glanz; -schuur v. schietlood, peillood o., Z.

-reif; -schuss m., Z. -glanz; -schwarze v. loodzwart o.; -schweif m. waterlood o.; -sie-get o. looden zegel o.; -spath m. loodspaath o.-,-spiegel ra. ruitsgewijs gesneden stuk lood o.; -stein m. loodsteen ra.; —arbeit v.hetgie-ten o. der loodsteenen; -stift m. potlood o.; —ruhr o., Z. -rohr; -stufe v. loodlaag v.; -tafel v. loodplaat, plaat v. lood; -vitriol m. loodvUriool o.; -wage v. waterpas, paslood o.; -wasser o. loodwater o.; -weisz o. loodwit o.; —miihie v. loodwitmolen m.; -winde v., Z. -zug; -wurf m. peilen, uitwerpen o. van het schietlood; -wurz v., Z. -kruut; -zange v. loodtang v.; -zeichen o., Z. -siegel; -zieher m. loodtrekker m.; -zinnober m. loodveVmil-joen o.; -zucker m. loodsuiker v.; -zug ra. loodtrekker m.

Bleiiirae, (-«) v., Z. Ptempe. Blendbï.um, m. aloëhoom m.

Bieade, (-n) v.oogleero.,ooglapv.;scherm o.; hllnde deur v., blind raam o,, nis v.; -tritte mv. hedrieglijk spoor o.; mijnwerkerslantiiarn v.; deur v. van den put voor luchtverversching; hlindeering v., blindeerwerk o.; schanskleed, schansdek o.; hlende v.

Blende-laden, m. opening v. van het schielgat.

Blenden, hedr. ww. blind maken, de oogen uitsteken, verblinden; (lig.) misleiden, begoochelen; eiti Pferd de ooglappen voordoen; Falken -, de kap opzetten; einen I.aufgra-ben -, bllndeeren; iets blinkends dof maken; Zeuge -, voor den eersten keer verven

Biendfünster, o. scherm o. van geolied papier; loos venster o.

Blendig, hijv. nw. wat hlende bevat. Biend-kugei, v. dampbal m.; -laterne v. lantaarn v., waar achter men niet kangezien worden; -leder o., Z. Scheuleder; -leuchter m. mv. blindeerlicht o.

Blendlmg, {-{e)s, mv. -e) m. een door den schijn bedriegend wezen o.; iem. die zich licht laat bedriegen; bastaard ra.

Biendniss, (-es, mv. -e)o.,/. BlendwerlC, Blend-rahmen, m. met doek bespannen raam o.; loos raam o.

Blendung, v. blind maken o.; (fig.) verblinding, misleiding v.; blindeering v., blindeerwerk o.; ring m. in verrekijkers.

Blendwerli, o. verhlii ding, begoocheling, misleiding v., valsche schi,n m.

Blesse, (-«) v. of Blessen, (-s,my.Blessen) m., Z. Illasse.

Blessiren, bedr. ww., Z. oerwunden. Blessur, {-en) v., Z. fVunite.

Bletz, (-es, mv. -e) m. ijzeren hoek m.;it. Z. Lappen; -fass o. vat o. of kuip v. om het harde koper in te temperen.

Bleuel, Bleuen, m., Z. Blauel.

Bliek, (-(e)s, mv -c) ra. flikkering v.; blik, oogopslag m., oog o.; (fig.) oordeel o.; auf den ersten -, bij den eersten oogopslag, op het eerste gezicht; Z. Augenbtick.

Blicke, (-n) v. witvisch m.

Blieken, o. ww., m. h. (van zilver), blik-


-ocr page 192-

BLÖ

474

BLI

ken; (van de sterrenamp;), nikkeren, glinsteren; zien, kijken, een lilik slaan; (lig.) in die Xu-kunfl zien, indringen in; i. Iiedr. ww. sein Auqe blikt Zon, in zijne oogen is te lezen.

Bllck-feuer, o. Iilikvuur o.; it. '/..Leuchl-fcuer; -gold o. blikgoud o.; -sitber o. zuiver zilver o.; -ziel o. mikpunt, doelwit o.

Blimbing, (-(e)s, mv. -e) m. averrhoa v.

Blind, bijv. en I). blind; (Spr.) unter den -en ist der Ilimugiye KUnig, in liet land der blinden is éénoog koning; (geineenz.) -aukoni-men, zich vergissen, zijn doel missen; -er h'dsc, zonder gaten; -c Suppe, mager; -e Wand, zonder deuren ot vensters; -e Liebe, blind, zinneloos; -e Nacht, donker, duister; (van glas), dof, zonder glans; (lig.) scbijnbaar, valsch, bedrieglijk, ijdel, -er Liirm, loos; -er Name, verdicht; - mitfahren, belmelljk, in slilte; -e Schietfe, losse strik m.

Blind-aai, m. blinde moeraal m.; -born m.. Z. Brunnensluhe; -darm m. blinde darm m.; -darmblutader v. bloedader v. van een blinden darm.

Blinde, (-11) v. blinde v., bllndzeil 0.; m. en v. blinde in. en v., blinde man m., blinde vrouw v.

Blinrtenanstalt, v. bllndenliirichtlng V.

Blind-fechter, m. geblinddoekte kampvechter m.; -fenslero., '/. lUendfeester;-fisch m. trompetvisch m.; -geboren bijv. en b. blind geboren.

Blindhelt, v. blindheid v.; (lig.) verblinding v.

Blindholz, 0., Z. Rebenspitze.

Handlings, bljw. blindelings, zonder Ie zien, al tastende, op het gevoel; (lig.) onbedacht, onbesuisd.

Bllnd-maus, v. molrat v.; -rahmen m., Z. Blendrahmen; -schlagen 0. onmogelijkheid v. om Ie slaan; -schleiche v. blindslang v.; (fig.) gluiper m., glulpster v.; -schloss 0. geheim slot 0.; -sclmss m. loos schot 0.; -stenqe v. blinde ra v.

Blink, (-(c),?, mv. -e) m. knippen 0. met de oogen; blink 111.

Blink, bijv. nw. blinkend.

Blinkeln, 0. WW., Z. blinken.

Blinken, 0. ww. blinken, schitteren, glinsteren; mit den Augen -, Z. blinzeln.

Blinkern, 0. ww. herhaaldelijk of opver-schillende plaatsen blinken, schuieren.

Biinzaugig, bijv. nw. lonkend.

Blinzelmausclien, 0. bllnde-mannetje 0.

Blinze(l)n, 0. ww. pinken, pinkoogen,pinkelen; knipoogen.

Blinzern, 0. WW., Z. blinzeln.

Blinzhaut, v., '/.. Nickbaul.

Blinz(l)er, Blinz(1)erin,pinkerm..pinkster v.

Blitz, (-es, mv. -e) m. bliksem, bliksemstraal m., weerlicht 0.; rom -e ryc/ro^en,dooiden bliksem getrolten; wie der -, als de bliksem; -ableiler m. bliksemafleider m.; -blau bijv. nw. zoo blauw als eene lel.

Blitzen, 0. ww. giinsteren, schitteren.

nikkeren, fonkelen, blinken; 2. onp. ww. bliksemen, weerlichten.

Blitzes-eile, -schnelle, v. bliksemsnelheid v.

Blitz-feuer, 0., Z. -stoff; bliksemvuur 0.; —glas 0. Leldsche liesch v.; -funken m. elec-trieke vonk v.; -hduschen 0. electrisch huisje 0.; -pulver 0. knalpoeier 0.; -schlag m. bliksemslag m.; -schnell bijv. en b. bliksemsnel; -sinter m. dondersteen m.

Blitzstoff, m. electrleke slof v.; -erre-Qung v. opwekking v. van de electrleke stof; -tlasehe v. electrleke liesch v.; -gerath o.e\ec-trieke toestel ni.; -Aa/to m. electrlciteitshou-der m.; -haltig bijv. en b. op zichzelvenelec-triek; -leer bijv. en b. zonder electrlclteit; -leiter m. electrlciteitsgeleider m.; -maschine v. electrissermachine v.; -messer m. electrometer m.; -rad 0. rad 0. van eene electrlseer-machine; -sammler m. electrlclteltsverzarae-laar m.; -sauger m., Z. -summier;-trügerm.. Z. -halter.

Blitz-strahl, m. bliksemstraal m.; -tafel v. electriseertafel v.

Blochtaube, (-li) v., Z. lilocktaube.

Block, (-(c)s, mv. niOcke) m. blok0.; HUicke hinter den Schi/fskawnen, stut- of sluitklampen m. mv.; niöcke unter dem Kiel der Schijle stapelblokken 0. mv.; (Spr.) von grn-szen BlOcken haul man ijrosze Sptlne, van dik liout zaagt men planken; in -, en hloc,inécns; i'i den - legen, met een blek vastleggen, aan boeien zetten; ruw, ongevoelig mensch m.

Blockade, (-«) v. insluiting, berenning, blokkade v.; -stand m. staat m. van lilokkade.

Block-batterie, {-n) v. beweegbare batterij v.; -baum m. balk, boom m. om planken van Ie zagen; -blei m. blok c. lood.

Blocken, 0. ww. (van vogels), op een boom gaan zitten; Tag und Nacht-, blokken, zitten Ie werken; jemn. -, Z. blikken.

Blöcken, hedr. ww. //«/c-, over den vorm spannen; Stiefel -, op de leest zetten; jem. -, gevangen zetten, boelen.

Block-flöte, v., -pfeife;-hauso.Wok-liuis 0.; it. Z. -batteric; -holz 0. blokhout 0.

Blockiren, bedr. ww. blokkeeren, omsingelen.

Biock-karren, m. mallejan, stootwagen m.; -keiler in., Z. Buikenkeiler; -lajfete v. blok-all'uit v. uit een stuk; -macher m. blokmaker m.; -mUrser m. hlokmor'ler m.; -pfeife v. kleine dwarsfluit v. uit één stuk; -rad 0. rad 0. uit één stuk; -rolle v. blokrol v.; -schi/f 0., Z. Flösze; -seife v. Russische zeep v.; -stuck 0. (van tin amp;), blok 0., zalmm.;-lt;au6ev ringduif, houtduif v.; -wugen in. blokwagen m.; -zinn 0. bloktln 0.

Blödauge,o. kortzich.ige, bijziende m. en v., Z. Schellfisch.

Blöd(e), bijv. en b. zwak, teer,dun,broos; es ist mir so -, ik lier zoo flauw; (van de oogen), zwak, kortzichtig; (van het hart), bleu, blood, beschroomd, verlegen.

Blode, v., Z. Bliidigkcit.


-ocr page 193-

BLU

175

BLU

hlik- Biödigkeit, v. zwakheid v., teederheid, deren; -bluthe v. Idoemknop m.; -beulen m.

zwakte, zwakheid, kortzichtigheid v.; onnoo- zaad hulsel o.;-tremse v., Z. Hüsztlilicge; -hrell 'hel- zeiheid, domheid v., beschroomheid, blooheld, o. bloemen plank v., Iiloeraenhek o.; -bilschel

verlegenheid v. m. Iiloemtui! m.; —Iragend bijv. nw. bloem-

r o.; Biödiing, (-(e)s, mv. -e) m. bloodaard m. tuildragend; -cullur v., Z. -zucht, -tlecke V.

3lec- Blöd-sichUg, bijv, en b. kortzichtig, hij- bloemhulsel o., bieemscheede v.; -duftm. geur

lisje ziende;—keity. kortzichtigheid, bijziendheid m. van bloemen;-errfe v. bioemaardev.;-/ciei

iliii- v.; -sinn m., Z. —stnnifikeit; -sinnig bUv. en b. o. bloemveld, bloemperk o.; -flor m. bloeien

;nel; onnoozel, dom; —keit v. onnoozeilieid, zwak- o., bloei m.; -/lur v. meibloemen bezaaid veld

beid van verstand. o.; -freund m. bloemenvriend m.; -qarten m.

rre- Bloltade, (-n) v., Z. Blnchu.de. bloementuin m.; -(jarlnerm. bloemist m.;-(;e-

stof; Biöken, o. ww. blaten, loeien, bulken. binde, -gehdnge, -gehenk o. bloemkrans m.,

ilec- Bloklren, Z. blockinn. guirlande v.; -gefiiss o., Z. -kruq, -lopf; -gs-

ion- Biokirung, v., Z. Rlockadc. filde o., Z. -/lur; -geschirr o., Z. -topf; -ge

lee- Blond, bijv. en b. blond, blondharig; -ge- stall v. gedaante v. eener bloem; -gestell o

lelt; Inckt, Z. -lockig. bloementafeltje o., bloetnenbak m.; -f/cuiac/is

'line Blond,(-(e)s)o.,z.m.Wondekleurv.,blondo. o. bloemgewas o.; -gewinde o., Z -qebinde;

Iro- Blöndchen, o. blondkopje o. -gOltin v. godin v. der l)loemenleeit. Flora v.;

3er- Blonde, (-n) v. blonde, zijden kant v. -grapp m. bloemkrap v.; -grus o., Z. Jumj-

me- Biondhaarig, bUv. en b. blondharig. frauengras; -grilfel m. bloemslijltje o.;-hnirr

ni., Biondirt, bijv. nw. als blonde bewerkt. o. vlaskruid o.; -handel m. binemcnbandel m.;

Blond-kopf, m. blondboofd m.; -lockig -handler m. bloemenkoopman m.; -havdterin ifcl bijv. en h. met blonde lokken. v. bioemenverkoopster v.; -honig m. sap o.

Biosz, (-er, —est) bijv. en h. alleen; 2. naakl, waaruit de bijen den honig bereiden; -hillle blool; mil -em, iin -en Knpfe, blootshoofds; v. hloenienluilsel o,; -/fn/cr m, stekelkever m.; •eke etw. mil -en Jiigen selwn, met het hlooleoog; -kaiser m. bloem v., die groeit ulteeneandere,

uil- mil -en //nnrfen, zonder handschoenen; il. mei welke zelve aan een afzonderlijken steel van

der leege banden; sich - geben, zicli blootstellen; eene derde groeit; -kelch m. bloemkelk m.;

'ro- jem. vn -en lassen, in den steek laten; out- -kenner m. bloemenkenner m.; -helle v., Z.

dik bloot van, beroofd van. -qebimle; -knospe v. bloemknop m.; -kohl m.

'.ns; Biösza, {-»!) v. naaktheid, blootheid v.; bloemkool v.; -könig m. bloem v., welke uil

lan armoede v.; jemn. seine - aufdecken,aan óe eene andere aan een afzonderlijken steel groeit.

kaak stellen; open plaats v. in een bosch; Biumenkoralle, v. bloemkoraal o.;-mr-ng, bloote v. tig, -nflirmig bijv. nw. bloemkoraaiachtig,

de. Biöszen, hedr. ww., Z. enlblliszen. bioemkoraaivormig.

iat- Blöszheit, v., Z. Blösze Blumen-korb, m. bloemenkorf ra., bloe

ien Blösziing, (-(e)s, rav. -e) m. gebloot vel menmand v.; -kranz ra bloemenkrans ra.;

o., hloole v. -krone v. bloemkroon v.; -krug ra. bloemvaas

;en Blötz, {-es, mv. -e) m., Z. Phitz. v., bloempot m.;-kubelin. bloembak m.; -kunst

en. Blouse, -n) y. kiel m.; blouse v.; -nlru- v. bloemkweekerij v.; -leiste v. rand m. van

ger m. werkman m. bloemen; -/esc v. bloemlezing v.; -liebhaber

rni Biühen, o. ww. bloeien, in bloei staan; m. liefhebber ra. van bloeraen; -liebhaberei

-, (lig.) sein Jl'eizen blüht, nu doet hij goede v. liefhebberij v. voor bloemen; -madchen o.

zaken. bloemenmeisje o.; -maler m. bloemschilder

ik- Biühezeit, v. bioeilijd m. m.; -malerei v. bioemenschlideren o,; -markt

o. Blümchen, o. bloempje o., kleine bloem m. hloemenmarkl v.; -mehl o., Z. -stnub;

in- v.; haze-en hertestaart m. -monat m. Bloeimaand v.. Mei in.;-nap/'m.

Blume, (-n) v. bloem v.; staart m. van schoteltje o. onder den bioempol; -pfad m. :en herten en reeën; (van wijn), boeket o.; (van met bloemen bestrooid pad o.; -rabatte v., Z.

ik- meel), bloem, blom v.; (tig.) bloem v., puik -beet.

;er o., keur v. Blumenreicli, bijv. en b.bloemrijk; (fig.)

v. Blümeln, o. ww. (van bijen), de bloemen bloeiend.

ad uitzuigen; (lig.) bloempjes, sieraden aanbren- Blumen-reich, o. bloemenrijk o.; -rohr

o., gen. o. bioemriel o.-,-scliufl ra.bloerasteel m.;-scheide

ck Blumen, blünien, hedr. ww. met bloe- v. bloerascheede v.; -scherbe v., -scberben m.

ig- men voorzien; opsmukken, roemen, versieren, bloempot ra.; -schirm m., Z. Dolde; -schmuck

n.; Blum en-ar tip, bijv. nw. bloemachtig; m. sieraad o. bestaande uit eene bioem;-.vc/iii«r

-asch m., Z. -topf; -aue v. bloeiende streek v., Z. -binde; -seite v. haarzijde, nerfzijde v.; en v.; -ausstellung v. tentoonstellingv. van bloe- -specht m., Z. Kolibrie; -spiele o. mv.bloera

men; -bau ra.,Z. -zucht;-becherm..7.. -kelch; spelen o. mv.; -sprache v. bloemenspraak v.; )S; -beet o. bloemperk o.. Z. Fruchtboden;-binde -slaub ra. bloemenstof o.; -staubfaden m. mv.

de v. lofwerk o. van bloeraen; bandje, tintje o. meeldraden m. rav.; -stein ra. bloemsteen m.;

t), amp;,om een ruiker; -bimlerin, v. ruikermaak- -stengel m., '/..-stiel; -sticker m. bioemen-

ster v.; -bmse v. waterviool v.;-WaWo.bloera- borduurder m.; -stickerei v. borduren o. van blad o.; -blaltlos byv. eu b. zonder bioembia- bioemen; -stiel m. bloemsteel, stengel m.;

-ocr page 194-

BLU

BLU

176

-slielchen o. Woorasteeltjeo,; -slrausz m. ruiker m.; -stuck o.,'/-.-beet; bloemstuk o.; -thai o. bloemrijk dal o.; -thee m. bloempjesthee v.; -tisch m., Z. -(jestell; -topf m. bloempot m.; -traijend bijv. nw. bloemdragend; -vase v. bloemvaas v.; -voll bijv. eii b., Z -reich;-werk o. allerlei soorten v. mv. van bloemen;bloemwerk o.; -zapTcn m. bloemkatje o.; -zeit v. bloementijd m.; -zieher m. bloemkwoeker, bloemist m.; -zierath m. bloemsieraad o.; -zucht v. bloementeelt, bloemkweekery,bloemisterij v.; -zwiebel v. bloembol m.; -ztichter m. bloemkweeker, bloemist m.

Blumicht, bijv. en b. bloemachtig, bloem-vormig, bloemig, bloemrijk; (lig.) bloeiend.

Blumi^ bijv. en b. met bloemen bedekt, bloemrijk.

Blumist, (-en, mv. -en) m., Z. Blumen-gdrtner, -tiebhaber, -züchter.

Blumisterei, (-en) v. bloemkweekcrij v.

Bluruistik, v., Z. Blumenzucht.

Biumistisch, bijv. nw. bloemistachtig.

Blümlein, o., Z Blümclien.

ElümUch, bijv. nw., /.. oerblüml.

Blunderbüctise, v. donderbus v.

Biüse, (-B) v., Z. Huke.

Blut, (-(e)s) o.,'/.. m. bloed o.; Gul und -, goeJ en bloed; bei ruhigem -e, in koelen bloede; aus edlemvan adcliijk bloed, van adellijke geboorte v.; sein eigen -, zijn eigen zoon of dochter; (van druiven), druivennat o.

Blut-abgang, m. bloedafgang m., l)loed-veiiies o., Z. -/luss; -achat m. bloedagaat m. en o.; -acker m. bloedakker m.;-«(to-v. bloedader, ader v.; —blut o. aderlijk bloed o.; -dderchen o. adertje o.; -adergeschwulsl v., -aderknnlen m., -aderknopl m. adergezwel o., aderspat v.; -ampfer m. rooil patik o.; -andraim m. aandrang m. van liet bloed; -apf'el ni. bioedappel m.,-am bijv. en b.doodarm; -arllg, -dhnhch bijv. en b. bloedachtig, op bloed gelijkend; -auge o. bloedig oog o.; -ausleerung \ bloedverlies o.;-ausiüuïf m. bloedspuwen o.; -bad o. bloedbad o.; -bann m. macht v. om recht te spreken over leven en dood; -bars, -bürs m. bloedkleurige baars m.; -baum m. bloedhoom m.; -bejleckt bijv. nw. met bloed bevlekt; aan een moord schuldig; -behaller m., Z. -gefass; it. mv. holten v. mv. van het hersenvlies; -bereilung v., Z. -erzeugung; -beschauer m. bloedkijker m.; -beschauung v. bloedbeschouwing v.; -besich-liger m., Z. -beschauer; -besprilzl büv. nw. met bloed bespat; -bewegung v. beweging v. van liet bloed; -birn v. iiloedroodo peer v.; -6tocto!0.bloedblaasjeo.;-()/i»me v bloedbloem v.; -böse bijv. en b. uiterst boos; -brechen o. bloedbrakenu.;-bruclini. iiloedbreuk\.\-buche v., Z. ftuthbuche; v., Z. -gerüsl; -durst m. bloeddorst m., bloeddorstigheid; -dürstig bijv. en b. bloeddorstig; -egel m. bloedzuiger m.; •eiler m. bloedetter m

Biütein, o. ww. oen weinig bloeden; '2. onp. ww. naar bloed rieken, smaken.

Bluteu, o. ww. bloeden; die Wa/fen-, druipen van bloed; (lig.) zeer doen; er wird - mussen, dat zal hem geld kosten; für das Vaterland -, zijn bloed vergieten, sneven; i. bedr. ww. Hlut -, vergieten; Thranen ^storten; das Leben -, opolFeren.

Bluter, (-s, mv. Bluter) m. bloeder m.

Blut-erbrechen, o., Z. Blutbrechen; -er-gieszung v. bloedstorting v., bloedvergieten o.; -erz o. bloederts o.; -erzeugung v. bloedberei-ding v.; -fahne v. rood vaandel o.; -farbe v. bloedkleur v.; -fdrbeslolf m. roode kleurstof v. der blocdbalietjes; -feige v. bloedvijg v., bloedvijgeboom m.; -fmk m. bioedvink m.; -/lagge v., Z. -fahne; -flecken m. bloedvlek v.; -/losser ni. viscb m. met roode kieuwenen vinnen; -/luss m. bloed(uil)vloeiiiig;—s(i//en(f bijv. nw. bloedstelpend; -llllssig büv.en b.met bloedvloeiingen behept; -fremd byv. nw wild vreemd; -gang m., Z. -/luss,- gefass o. bloedvat o., ader v.; -lehre v. vatenleer v.; -geld o. bloedgeld o.,bloedprijs m.; -gcrichl o. blocd-gerecht o.; -gerüst o. schavot o.; -geschwdr o., Z. -geschwur; -geschwulst v. bloedgezwel o., bloedblaar v.; -geschwür o. bloedzweer v.; -gier v. bloedgierigbeid v.; -gierig bijv. en b. bloedgierig; -gierigkeil v. bloedgierigheid v.; ■gras o., Z. -hirse; -hanflinq m. vlasvink m.; -hamen o. bloedwateren o.

Biüthe, (-n) v. bloesem in.; bloem v.; genot o.; des Alters -, grijze baren o. mv.;bloeitijd, bloei m.

Blütheii-blatt,o.,Z. HU menblUlhe; -busch m. bloeiende struik ni.; -decke v., Z. IHumen-decke; -stand m. bloeserastand m.; -slandig bijv. en b. wat op den bloesem betrekking heeft; -stuub m., Z. Blumenstaub; -slrauch m. bloelende struik m.

Blüthezeit, Blüthenzeit, v. bloeien o., bloeitijd m.

Blut-hirse, v. panikgras O.; -hochzeit v. bloedbruiloft v.; -holz o. iiloedhout o.; -hund m , Z. Schweiszhund; -/iit.«/e« m. de met bloed vermengde stof v., welke men uilhoest.

Blutig, (-er, -sl) bijv. en b. bloedig, bebloed.

Biut-igel, m., Z. -egel; -jaspis m. bloed-jaspls m. en o.; -jung bijv. en b. piepjong; -kusten m. hart o.; -klee m. roode zuring v.; -klampen m. bloedklonter m.; -knhl m. roode kool v.; -kolik v. bloedkollek o.; -koralle v. bloedkraal v.; -kraut o. bloedkruid o.; bosch-jeskruid o.; Kobrechlskruid o.; pimpernel v.; -lirojjf m. bloedknobbel m.: -kuchen lit bloedkoek m.; -kiigelchen o. bloedbolletje o.;-tosen, Z. Aderlassen; -luul' m., Z. -unilauf; -laucje v. bloedwater o.; -leer bijv. en b. zonder bloed; -leerheit v. bloedsarmoede v.; -lehre v. bloedleer v.; -litie v. wilde, Turksche of roode lelie v.; -lus bijv. nw., Z. -leer; -machung v , Z. -erzeugung; -mal o. bloedvlek v.; -masse v. bloedmassa v.; -niensch m. bloeddorstig mensch m.; -ntilchen o. ziekte v. der koeien, waarbij bloed met de melk vermsngd is; -nabelbruch m. navelbloedbreuk v.; -nup/' m., -ndpfchen o., Z. Aderlassbechen; -nuss v., /.. Lamiterls-


-ocr page 195-

BOG

BLU

177

nuns; -iJfirsich m., -pfirsche v. l)loe(lperzik v.; -cache v. bloedwraak v.; -riiclier m. bloed-wreker m.; -ralh rn. beraadslaging v. overde straf voor een moord; bloedraad m.; -rednec m., Z. -schreier; -regen m. bloedregen m.; -renieninu v. bloedige regeering v.; -reich bijv. en li., Z. vollblütig; -reinigend bijv. en b. bloedzuiverend; -reimgung v. bloedzulve-ring v.; -richter m. bloedrechter m.; -roth bijv. en I). bloedrood; vuurrood;-rün.rfiV/ byv. en b. bloedig, ontveld; -salz o. bloedzout o.; -sauer bijv. en b. blocdzuur; -sauersalz o. bloedzuurzout o.; -sdufer m., Z. -mensch; -sauger m. bloedzuigend of van bloed levend dier o.; groote vledermuis v., vampir m., Z. -egel; -saugerei v. bloedzuiger^ v.; -siiure v. bloedzunr o.; -schande v. bioedscbiinde v.; -scharnier in. bloedschender m.; —in v. iiloeil-sdiendster v.; -schdnderisch bijv. nw. bloed-schendend; -scheu v. bloedvrees v.; -scheu bgv. en li. bloedschuw; -scheuend bijv. nw. bloedschuw; -schlecht bijv. en b. afschuwelijk; -scMeim m. bloedslijm o.-,-scliiilfe,-schiippe m. assessor m. bij het gerechtshof voor strafzaken; -schuld v. bloedschuld v.; -schwamm m. roode, eetbare paddenstoel m.; -schware v., Z. -neschwilr; -schweisz m. bloedzweet o.; -schwilzeno. bloedzwcelen o.; -sfreund,—in, —schaft, Z. -cerwandt, -vertmndtschaft; -sich o. kliervleesch o.; -spat m. bloedspatv.;-s/)ei-chel m. bloed-of bloedachtig speeksel o.;-spcien o. bloedspuwen o., bloedspuwing v.; -spurv. spoor o. van bloed; -staar m. bloedslaar v.; -stallen o. bloedpissen o.; -statte v. bloed-plaals v.; -stein m. bloedsteen rn.; -stillend byv. en b. bloedstelpend; -stillung v. bloed-stelpingv.; -stockung v. stremmingv. van het bloed; -striemen m. bloedstriem v.; -strom m. bloedslrooni; -stropfen m. bloeddroppel m.; -stuhl m. stoel m., waarop de misdadiger onthoofd wordt; -sturz m. bloedspuw ing v.; -taufe v. bloeddoop m.; -tausch m. overgieting v. of overgieten o. van bloed van een mensch of dier in bet lichaam van een ander, transfusie v.; -that v. bloedige daad v.; -theil-chen o., Z. -kugelclten; -treibend bijv. en b. den omloop m. van het hloed bevorderend; -triefend byv. en b. druipend van bloed;-wm-lauf m. bloedsomloop m.

Blutung, v. bloeding v., bloeden o.

Blut-unterlaufang, v. lichte uitstorting v. van het liloed onder de huid. blauwe plek v.;-urtheil o.doodvonnis o.-,~vergieszen o.bloedvergieten o.; -vergieszer m. bloedvergieter m.; -verlust m. bloedverlies o.; -cerwandt bijv. nw. (aan)verwanl, nabestaand; der, die-ver-umndte m. en v. bloedverwant m. en v., na-beslaande m. en v.; -verwantschaft v. bloedverwantschap v.; -wage v. bloedschaal v.; -warme v. bloedwarmte v.; -wasser o. bloedwater o.; —gefass o. bloedwatervat o.; -was-serig byv. nw. bloedwaterig, etterig; —kcit v. bloedwaterlgbeid v.; -wenig bijv. nw. bitter weinig; -roolle v. geringe wol v.; -wurm m. bloedworm m.;-wurst v.bloedworst \.;-wurz v. bloedwortel m.; -zeh(e)ntem. tiend v.van het vee; -zeuge m. bloedgetuige m.; -zwang m. roode loop m.; bloedpersing v

Bö, (-en) v. plotselinge windvlaag v.

Boa, (-s) v. reuzenslang v.; boa v.

Bobartsgras, o. bobartgras o.

Bock, (-{e)i, mv. B/icke) m. bok m.; (Spr.) den - zum Gartner machen, den - nuf die llaferkiste setzen, de kat op het spek laten passen; auf etw. tosgehen, wie der - auf die llaferkiste, als de bok op de haverkist; geile bok, wellusteling m.; bokbier o.; stormram m.; einen - schieszen, een bok schieten, zich vergissen, eene domheid begaan; schraag v., stut m.; (van een rijtuig), bok m.; kraan v.; (van turven amp;), hoop m. ter droging overeind gezet; folterbank, pijnbank v.; spanischer,pol-«isc/icr-,Spaansche, Poolsche laars v.,schcen-ijzers o. mv.; doorgeschoten beetwortel v.; bokkever.

Bock-beinig, bijv nw., Z. -füszig; -bier o. bokbier o.

Böckchen, o. hokje o., kleine bok m.

Boeken, o. ww. (van geiten), naar den hok verlangen; 11. of biickeln, stinken als een bok; bokkesprongen maken; (van schepen), stooten; koppig zijn, pruilen; elk. met de koppen sloolen; Torf -, op hoopen zetten om te drogen; jem. -, op de pijnbank brengen, folteren.

Bockenzen, o. ww., Z. boeken.

Bock-feU, o. bokkevel o.; -Heisch o. hok-kenvleesch o.; -fWte v. mondfluilje o.; -sfusz m. bokspoot m.-, -sfüszig bijv. en b. metboks-lioolcn;-geruch,-gestank m. bokkenstank m.; -geslell o. bok m.; -haft bijv. nw., Z bockig; -haul v., Z. -fell; -liirsch m. mannetjes bert o.; -holz, -hiitzer o., Z. Docke.

Bocklcht, bijv. nwr. bokachtig.

Bockig, bockig,bock.isch,böckisch, bijv. nw. bokachtig, slijf, stinkend, koppig, geil; naar den bok verlangende.

Boeking, v., Z. Schafbock.

Bock-kafer, m. boktor, cerambyx m.; -kalh o. reebokje o.; -kameel o. antilope-ka-meel m.; -kasten m. kast v. op of onder den bok; -kissen o. kussen o. van den blik; -lu/fefte v. slede-alTult v.; -lamm o. mannetjes lam o.; -leder o. bokkenleder o.; -ledcrn bijv. en b. van bokkenleder; -messer o. kammenmakers-mes o.; -mühle v. stampmolen m.; -pfeife v. doedelzak m.; It. Z. -jlöte; -pfeifer m. doedelzakspeler in .; -pimpenelle v. steen pimpernel v.; -rad o., Z. Spinrad.

Bocks-auge, o. hoksoog o.;-bartin boksbaard m.; -beere v., —nstrauch m. braambes v., braamstruik m.-,-beutel m. boekbuidel m.; 11. oude belachelijke gewoonten v. mv. en gebruiken o. mv.; -beutelei v. verkleefdheid v. aan oude gewoonten en gebruiken; -bohne v., Z. Jtiberktee; -schemel m. voetbankje o. voor den koetsier op den bok; -distel v., -dom m. boksdistel v.,boksdoorn m.;-distetharzo. boks-doornhars o.

Bockseife, v. zwarte bergzeep v.

14


-ocr page 196-

BLö

174

BLI

ken; (van de sterrenamp;), flikkeren, glinsteren; zien, kijken, een lilik slaan; (tig.) in die Zu-kunfl zien, indringen in; 2. Iiedr. \v\v. sein Auqe blikt Zorn, in zijne oogen is te lezen.

Blick-feuer, o. lilikvuur o.; it. '/..Leucht-feuer; -gold o. blikgoud o.; -silber o. zuiver zilver o.; -ziel o. mikpunt, doelwit o.

BUmbing, {-(e)s, mv. -c) m. averrlioa v.

Blind, bijv. en I). blind; (Spr.) unler den -en ist der Eimuqige KOnig, in liet land der blinden is éénoog koning;(g'emeenz.)-««ftom-men, zich vergissen, zijn doel missen; -er Kase, zonder gaten; -e Sujipe, mager; -e fVand, zonder deuren of vensters; -e Liebe, blind, zinneloos; -e Nacht, donker, duister; (van glus), dof, zonder glans; (lig.) seliijnbaar, valscli, bedrieglijk, ijdel, -er Lam, loos; -er Name, verdielil; - mitfahren, heimelijk, in stille; -e Schleife, losse strik m.

Blind-aai, m. blinde moeraal in.; -born m., Brunnenstube; -darm in. blinde darm ui.; -darmblulader v. bloedader v. van een blinden darm.

Blinde, (-n) v. blinde v., blindzeil o.; m. en v. blinde m. en v., blinde man m., blinde vrouw v.

Blindenanstalt, v. hlindeninricliting v.

Blind-fechter, m. geblinddoekte kampvechter m.; -fenster o., 7. Blendferster;-/isck in. trompetviscli m.; -geboren byv. en b.blind geboren.

Btiudbelt, v. blindheid v.; (Tig.) verblinding v.

Blindholz, o., /. Rebenspitze.

BUndlings, bijw. blindelings, zonder Ie zien, al tastende, op het gevoel; (flg.) onbedacht. onbesuisd.

Blind-maus, v. mol rat v.; -rabmen m.,

Blendrahmen; -schlagen o. onmogelijkheid v. om ie slaan; -sMeiche v. hlindslang v.; (tig.) gluiper m., gluipster v.; -schloss o. geheim slot o.; -schuss m. loos schot o.; -stciige v. blinde ra v.

Blink, (-(e).«, mv. -e) m. knippen o. met de oogen; blink m.

Blink, bijv. n\v. blinkend.

Blinkeln, o. ww., Z. blinken.

Blinken, o. ww. blinken, schitteren, glinsteren; mil den Aug en -, Z. blinzeln.

Blinkern, o. ww. herhaaldelijk of opver-schillende plaatsen blinken, schiüeren.

Blinzaugig:, bijv. nw. lonkend.

Blinzelmauschen, o. hlinde-mannetje o.

Blinzedjn, o. ww. pinken, pinkoogen, pinkelen; knlpoogen.

Blinzern, o. WW., Z. blinzeln.

Blinzbaut, v., Z. Nickhdul.

Blinz ljer, Blinz (1) erin, pinker in.,pinkster v.

Blitz, (-es, mv -e) m. bliksem, bliksemstraal ra., weerlicht o.; vom -e iietrof[en,Aom den bliksem getroffen; wie der -, als de bliksem; -ableiter m. bliksemafleider m.; -blau byv. nw, zoo blauw als eene lei.

Blitzen, o. ww. glinsteren, schitteren.

flikkeren, fonkelen, blinken; 2. onp. ww. bliksemen, weerlichten.

Blltzes-eile, -schneile, v. bliksemsnelheid v.

Blitz-feuer, o., Z. -slo/f- bliksemvuur o.; —glas o. Leldsche fiesch v.; -funken m. elec-trieke vonk v.; -hauschen o. electrisch huisje o.; -pulver o. knalpoeler o.; -schlag m. bliksemslag in.; -scbnell bijv. en b. bliksemsnel; -sinter m. dondersteen m.

Blitzstoff, m. electrieke stof v.; -erre-gung v. opwekking v. van de electrieke stof; -/lasclie v. elecl rieke fiesch v.; -gerdth o. electrieke toestef m.; -Aa/to'm. efectrieiteitshou-der m.; -hultig byv. en b. op zich zeiven elec-triek; -leer bijv. en b. zonder electriciteit; -leiter m. electriciteitsgeleider m.; -maschine v. eiectrisserniachine v.; -messer ra. electrometer m.; -rud o. rad o. van eene electriseer-machine; -summier m. electriciteitsverzame-laar m.; -saugcr m., Z. -summier;-trager\\\., Z. -halter.

Blitz-strahi, ra. bliksemstraal ra.; -tafel v. electriseeriafel v.

Blochtaube, (-«) v., Z. Blocktuuhe.

Black, (-(e)s,mv. BWcke) m. blok O ; lUdckc hinter den Schi/fskanonen, stut- of sluitklampen m. mv.; Blöcke tinter dem Kiel der Sc/iiZ/e stapelblokken o, nn.; (S\tv.) van groszen BWcken haul man grosze Spane, van ilik hout zaagt men planken; in -, en bloc.inéêns; in den - legen, met een bloi vastleggen, aan boeien zetten; ruw, ongevoelig raenscb m.

Blockade, (-n) v. liisluiling, berenning, blokkade v.; -stand m. staat m. van blokkade.

Block-batterie, (-n) v. beweegbare batterij v.; -baum m. balk, boom ra. om planken van te zagen; -blei m. blok o lood.

Blocken, o. ww. (van vogels), op een boom gaan zitten; Tag und Nacht-, blokken, zitten ie werken; jemn. -, '/.. blocken.

Blöcken, bedr. ww. Ilutc -,over den vorm spannen; Stiefel -, op de leest zetten; jem. -, gevangen zetten, boeien.

Block-flöte, v., Z. -pfeife,- -hauso.Mok-huis o.; it. Z. -baüerie; -holz o. blokhout o.

Blockiren, bedr. ww. blokkeeren, omsingelen.

Block-karren, m. mallejan, stootwagen m.; -kellerm., Z. Bulkenkelter;-lalfete\. blok-alïuit v. uit een stuk; -macher m. blokmaker m.; -mOrser m. blokmortier m.; -pfeife v. kleine dwarsfluit v. uit één stuk; -rad o. rad o. uit één stuk; -rotte v. hlokrol \.-,-schi/f o., Z. Flösze; -seife v. Russische zeep v.; -stück o. (van tin amp;), fdok o., zair,im.;-te«6cv ringduif, houtduif v.; -wagen ra. blokwagen ra.; -zinn o. bloktin o.

Blödauge,ii. kortzichUge, bijziende ra. en v., Z. Schcllfisch.

Blöd(e), liijv. en b. zwak, teer,dun,broos; es ist mir so -, ik ben zoo flauw; (van de oogen), zwak, kortzichtig; (van hel hart), bleu, hlood, beschroomd, verlegen.

Blöde, v., Z. Bludigheit.


-ocr page 197-

BLU

175

BLU

Biödigkeit, v. zwakheid v., teederlicid, zwakte, zwakheid, kortzichtifiheid v.; onnoo-zelheid, domheid v., heschroomheld, liioolieid, verlegenheid v.

Biödiing, (-(e)s, mv. -c) m. bloodaard m. Blöd-sichtig, bijv. en I). kortzichtig, bijziende; —keil v. kortzichtigheid, bijziendheid v.; -sinn m., /.. -smnigkeit; -sinnig bijv. en b. onnoozel, dom; —Heit v. onnoozeiheid, zwakheid van verstand.

Blokade, (-«) v., Z. Itlockcile.

Biölten, o. ww. blaten, loeien, bulken. Blokiren, Z. hlnrkiren.

Blokirung, V., /. Blockade.

Blond, bijv. en b. blond, blondharig; -qe-lockt, -lockiq.

Biond,(-(e) s)o.,z.m.blonde kleur v.,blond o. Blöndchen, n. blondkopje 0.

Blonde, (-«) v. blonde, zyden kant v. Blondhaarig, byv. en b. blondharig. Blondirt, bijv. nw. als blonde bewerkt. Blond-kopf, m. blondhoofd m.; -lockiq bijv. en I). met blonde lokken.

Blosz, [-er, -est) bijv. en b. alleen; 2. naakt, bloot; mil -em, iin -en Kopfe, blootshoofds; elw. mil -en Jwjen sehen, mei het blooleoog; mil -en Handen, zonder handschoenen; it. met leege handen; sich - (jeben, zich iiloolstellen; jent. un -en lassen, in den steek laten; ontbloot van, beroofd van.

Biösze, (-li) v. naaktheid, blootheid v.; armoede v.; jeinn. seine - aufdecken, aan de kaak stellen; open plaats v. in een bosch; bloote v.

Blöszen, bedr. ww., Z. enlblliszen. Blöszheit, v., Z. Jiliisze BlSsziing, (-(e)s, mv. -e) m. gebloot vel o., bloote v.

Blötz, (-es, mv. -e) m., Z. Plólz.

Blouse, -n) v. kiel m.; blouse v.; -nlrü-fjer m. werkman m.

Biühen, o. ww. bloeien, in bloei staan; (tig.) sein Weizen blühl, nu doet hij goede zaken.

Blühezeit, v. liloeitijd m.

Blümchen, o. bloempje o., kleine bloem v.; haze- en hertestaart m.

Blume, (-«) v. bloem v ; staart m. van herten en reeën; (van wijn), boeket o.; (van meel), bloem, blom v.; (tig.) bloem v., puik o., keur v.

Blümeln, o. ww. (van bijen), de bloemen uitzuigen; (tig.) bloempjes, sieraden aanbrengen.

Blumen, blüraen, bedr. ww. met bloemen voorzien; opsmukken, roemen,versieren.

Blumen-artig, bijv. nw. bloemachtig; -asch m., Z. -lopl'; -aue v. bloeiende streek v.; -ausstellunfi v. tentoonstelllngv. van bloemen; -hau m.,7..-zuclil;-becherm..7,.-kelcli! -beel o. bloemperk o.. Z. Fruchlbodens-binde v. lofwerk o. van liloemcn; bandje, lintje o. amp;,om een ruiker; -binderin, v. ruikermaakster v.; -binse v. waterviool v.;-WaHo. bloemblad o.; -blalllos byv. en b. zonder bloembla

deren; -blülhe v. bloemknop m.; -boden m. zaadhulsel o.;-))ransev.,Z. EaszeljUege; -breit o. bloemenplank v., bloemenbek o.; -büschel m. bloemtuil m.; —tragend bijv. nw. blocm-tuildragend; -eullur v., Z. -zuchl; -decke v. bloeinhulsel o., bloemscheedev.; -duft m. geur m. van l)loemen; -erde v. bloemaardev.;-/cid o. bloemveld, bloemperk o.; -flor m. bloeien o., liloei m.; -jlurw meibloemen bezaaid veld o.; -freund m. bloemenvriend m.; -qarten m. bloementuin m.; -garlnerm. bloemist m.;-ge-binde, -gehange, -gehenk o. bloemkrans m., guirlande v.; -gefass o., Z. -krug, -Inpf; -ge-(Ude o., Z. -jlur; -geschirr o., Z. -lopf; -ge-stalt v. gedaante v. eener l)loem; -gestell o bloementafeltje o., bloemenbak m,; -gewüchs o. bloemgewas o.; -getuinde o., Z -gebinde; -gliltin v. godin v. der iiloementeelt. Flora v.; -grapp m. bloemkrap v.; -gras o., Z. Jung-frauengras; -grilfel m. bloemstijltje o.; -haar o. vlaskruid o.; -handel m. bloemenhandel m.; -handler m. bioemenkoopman m.; -hdrilterin v. bloemenverkoopster v.; -honig m. sap o. waaruit de bijen den honig bereiden; -hülle v. bloemenhulsel o.; -/CH/'er m. stekelkever m.; -kaiser m. bloem v., die groeit uit eeneandere, welke zelve aan een afzonderlijken steel van eene derde groeit; -helch m. bloemkelk m.; -kenner m. bloemenkenner m.; -ketter.,'/., -gebinde; -knospe v. bloemknop m.; -kohl m. bloemkool v.; -kanig m. bloem v., welke uit eene andere aan een afzonderlijken steel groeit.

Blutnenkoralle, v. bloemkoraal o.-,-nar-lig, -nfiirmig bijv. nw. bloemkoraalachtig, bioemkoraalvormig.

Blumen-korb, m. bloemenkorf m., bloemenmand v.; -kranz m bloemenkrans m.; -krone v. tdoemkroon v.; -krug m. bloemvaas v., bloempot m.;-kübelm. bloembak m.; -kunsl v. bioemkweekerii v.; -leisle v. rand m. van bloemen; -lese v. bloemlezing v.; -liebhaber m. liefhebber m. van lgt;loemen; -liebhaberei v. liefhebberij v. voor bloemen; -madchen o. bloemenmeisje o.; -maler m. bloemschilder m.; -malerei v. bloemenschiideren o.; -markt m. bloemenmarkt v.; -mehl o., Z. -stnub; -monal m. Bloeimaand v., iMei m.; -napf m. schoteltje o. onder den bloempot; -pfad m. met bloemen bestrooid pad o.; -rabatte v., Z. -beet.

Blumenreich, byv. en b.bloemrljk; (tig.) bloeiend.

Blumen-reich, o. bloemenrijk O.; -rohr o. bloemrieto.;-sc/m/7 m.bloemsteel m.;-sclieide v. titoemschecde v.; -scherbe v., -scherben m. bloempot m.; -schirm m., Z. Dolde; -schmuck m. sieraad o. bestaande uit eene bloem;-scAmtr v., Z. -binde; -seite v. haarzijde, nerfzijde v.; -spechl m., Z. Kolibrie; -spiele o. mv.btoem-spelen o. mv.; -sprache v. bloemenspraak v.; -slaub m. bloemenstof o.; -slaubfdden m. mv. meeldraden m. mv.; -stein in. bloemsteen m.; -stengel m., Z. -stiel; -slicker m. bloemen-borduurder m.; -stickerei v. liorduren o. van bloemen; -stiel m. bloemsteel, stengel m.;

-ocr page 198-

176 BLU

BLU

-stielchen o. bloemstecltjeo.; -strausz m. ruiker m.; -stuck o., 'A.-beet; bloemstuk o.; -thai o. bloemrijk dal o.; -thee m. bloempjesthee v.; -tisch m., /. -(jestell; -lopf ra. bloempot m.; -tragend bijv. nw. bloemdragend; -vase v. bloemvaas v.; -volt bijv. en b., Z -reich;-werk o. allerlei soorten v. mv. van bloemen; bloem-Averk o.; -zapfen ra. bloemkalje o.; -zeit v. bloemen tijd m.; -zieher m. bloemkweeker, bloemist m.; -zierath m. bloemsieraad o.; -zucht v. bloementeelt, bloemkweekerü,bloemisterij v.; -zwiebel v. bloembol m.; -züchler m. bloemkweeker, bloemist m.

Blumicht, bjjv. en b. bloemachtig, bloem-vormig, bloemig, bloemrijk; (lig.) bloeiend.

Blumi^ bijv. en b. met bloemen bedekt, bloemrijk.

Blumist, {-en, mv. -en) ra., Z. IHumen-gdrtner, -liebhaber, -zuchter.

Blumisterei, {-en) v. bloemkweekerij v.

Biumiamp;tik, v., Z. Blumenzuclit.

Biixmistiscb, bijv. nw. bloemistachtig.

Biümieia, o., Z Blümclien.

Eiümüch, bijv. nw., Z. verblümt.

Bluuderbücbse, v. donderbus v.

Biüse, (-n) v., Z. Bake.

Blut, ( (6)5) o., z. m. bloed o.; Gut und -, goed en bloed; bei ruhigem -e,in koelen bloede; aus edlem -, van adellijk bloed, van adellijke geboorte v.; sein eigen zijn eigen zoon of dochter; (van druiven), druivennat o.

Blut-abgangj m. bloedalgang m., bloedverlies o., Z. -jluss; -achat n-. bioedagaat m. en o.; -acker m. bloedakker m.;-at/erv. bloedader, ader v.; —blut o. aderlijk bloed o.; -aderchen o. adertje o.; -adergeschwulst v., -aderknolen m., -ader knop f m. adergezwel o., aderspat v.; -ampler m. rood patik o.; -andrang m. aandrang m. van bet bloed; -apfel m. bloedappel m.,-am bijv. en b. doodarm; -arlig, -ahnlich bijv. en b. bloedacbtig, op bloed gelijkend; -auge o. bloedig oog o.; -ausleerung v bloedverlies o.; -auswurf m. bloedspuwen o.; -bad o. bloedbad o.; -bami m. macht v. om recht te spreken over leven en dood; -bars, -biirs ra. bloedkleurige baars m.; -baum m. bloed boom m.; -be/leckl bijv. nw. met bloed bevlekt; aan een moord schuldig; •behalier ra., Z. -gefass; it. mv. holten v. mv. van het hersenvlies; -bereitung v., Z. -erzeugung; -beschauer m. bloedkyker m.; -beschaming v. bloedbeschouwing v.; -besich-tiger m., Z. -beschauer; -besprUzi byv. nw. met bloed bespat; -bewegung v. beweging v. van het bloed; -birn v. bloedroude peer v.; -Wasemen o.bloedblaasjeo.;-ö/amev.bloedbloem v.; -böse bijv. en b. uiterst boos; -brechen o. bloed braken o.; -bruch m. bloedbreuk \.\-bache v., Z. Rnthbuche; v., Z. -gerust; -durst m. bloeddorst ra., bloeddorstigheid; -durstig bijv. en b. bloeddorstig; -egel m. bloedzuiger m.; -eiter m. bloedetter m

Biütein, o. ww. een weinig bloeden; 2. onp. ww. naar bloed rieken, smaken.

Biuten^ o. ww. bloeden; die Waften-.

druipen van bloed; (fig.) zeer doen; er wj/rd - mussen, dat zal hem geld kosten; fur das Vaterland zijn bloed vergieten, sneven; 2. bedr. ww. Blut -, vergieten; Thranen storten; das Leben -, opoll'eren.

Blutei, (-.9, mv. Bluter) m. bloeder m.

Blut-erbrechen, o., Z. Blut brechen; -er-gieszung v. bloedstorting v., bloedvergieten o.; -erz o. bloederts o.; -erzeugung v. bloedberei-ding v.; -fahne v. rood vaandel o.; -farbe v. bloedkleur v.; -far bes to If m. roode kleurstof v. der bloedballetjes; -feige v. bloedvyg v., bloedvygeboom m.; -/ink m. bloedvink m.; -flagge v., Z. -fahne; -llecken m. bloedvlek v.; -[losser ra. visch m. met roode kieuwen en vinnen; -fluss m. bloed(uit)vloeiing;

bijv. nw. bloedstelpend; -llüssig bijv.en b. met bloedvloeiingen behept; -fremd bgv. nw wild vreemd; -gang ra., Z. -fluss; -gefass o. bloedvat o., ader v.; -lehre v. vatenleer v.; -geld o. bloedgeld o.,bloedphjs ra.; -(/er/c/^ o. bloed-gerecht o.; -gerust o. schavot o.; -geschwdr o., Z. -geschwür; -geschwulst v. bloedgezwel o., bloedblaar v.; -geschwür o. bloedzweer v.; -gier v. bloedgierigheid v.; -gierig büv. en b. bloedgierig; -gierigkeil v. bloedgierigheid v.; -gras o., Z. -kirse; -hdnllinq m. vlasvink ra.; -hamen o. bloedwateren o.

Biüthe, {-n) v. bloesem m.; bloem v.; genot o.; des Alters -, grijze haren o.mv.; bloeitijd, bloei m,

Blütbea-blatt,o.,Z. Blumenblüthc; -busch ra. bloeiende struik m.; -deche v., Z. Blumen-decke; -stand m. bloesemstand m.; -stdndig bijv. en b. wat op den bloesem betrekking heeft; -staub m., Z. Blumenslaub; -strauch m. bloeiende struik m.

Blüthezeit, Blüthenzeit, v. bloeien o., bloeitijd m.

Blut-hirse, v. panikgras o.; -hochzeit v. bloedbruiloft v.; -Iwlz o. bloedhout o.; -hund ra., Z. Schweiszhund; -/m.9/e/un. de met bloed vermengde stof v., welke men uithoest.

Biutig, (-er, -st) bijv. en b. bloedig, bebloed.

Blut-igel, m., Z. -egel; -jaspis m. bloed-jaspis m. en o.-, -jung bijv. en b. piepjong; -kasten ra. hart o.; -klee m. roode zuring v.; -klampen in. bloedklonter m.: -kohl m. roode kool v.; -kolik v. bloedkoliek o.; -koralle v. bloedkraal v.; -kraut o. bloedkruid o.; bosch-jeskruid o.; Kobrechtskruid (».; pimpernel v.; -kropf m. bloedknobbel m.; -kuchenm. bloedkoek m.; -Kugelchen o. bloedbolletje o.; -lassen, Z. A der lassen; -lauf m., Z. -umlauf; -lauge v. bloedwater o.; -leer bijv. en b. zonder bloed; -leerheit v. bloedsarmoede \.; -lehre v. bloedleer v.; -lilie v. wilde, Turksche of roode lelie v.; -los bijv. nw., Z. -leer; -machung v, Z. -erzeugung; -mal o. bloedvlek v.; -masse v. bloedmassa v.;-/«ensc/nn. bloeddorstig mensch m.; -milchen o. ziokte v. der koeien, waarbij bloed met de melk vermengd is; -nabelbruch m. navelbloedbreuk v.; -napf m., -ndpfchen o., Z. Aderlassbecken; -nuss v., Z. Lamperts-


-ocr page 199-

BOG

BLU

-177

nuss; -pfirsich m., -pfirsche v. liloedperzik v.; -ruche v. bloedwraak v.; -riicher m. bloed-wreker m.; -ralh m. beraadslaging v. overde straf voor een moord; bloedraad m.; -reilner m., Z. -schreier; -rei/en m. bloedregen m.; -regiermg v. bloedige regeering v,; -reich bijv. en 1)., Z. vollblütig; -reinigend bijv. en 1). bloedzuiverend; -reimgung v. bloedzuive-ring v.; -richter m. bloedrechter m.; -rotk iiijv. en I). bloedrood; vuurrood;-rütóiV; büv. en b. bloedig, ontveld; -mlz o. bloedzout o.; -sauer bijv. en b. liloedzuur; -sauersalz o. bloedzuurzoul o.; -sciufer m., Z. -mensch; -sanger m. bloedzuigeml of van bloed levend dier o.; groole vlederrauis v., vampir m., Z. -egel; -saugerei v. bioedzuigery v.; -sciure v. bloedzuur o.; -schande v. bloedschande v.; -scharnier m. bloedscbender m.; —inv. bloed-schendster v.; -schamlerisch büv. nw. bloed-schendcnd; -scheu v. bloedvrees v.; -scheu büv. en b. bloedschuw; -scheuend bijv. nw. bloedschuw; -schlecht bijv. en b. afschuwe-iü'k; -schleim m. bloedslijm o.; -schiilfe-schiippe m. assessor m. bij het gerechtshof voorstrafza-ken; -schuld v, bloedschuld v.; -schwamm m. roode, eetbare paddenstoel m.; -schwdre v., Z. -geschwür; -schweisz m. bloedzweet o.; -schwilzeno. bloedzweeten o.; -sfreund,—in, —schaft, Z. -verwandt,-verwandtschaft;-siet o. kliervleescb o.; -spat m. iiloedspat v.;-Sjiei-chel m. hloed-ofbloedachtigspeeksei o.; -speten o. bloedspuwen o., bloedspuwing v.; -spur v. .«poor o. van bloed; -staar m. hioedstaar v.; -stallen o. bloedpissen o.; -statte v. bloed-plaals v.; -stein m. bloedsteen in.; -stillend by v. en b. bloedstelpend; -stillang v. bloed-stelping v.; -stockung v. stremmlngv. van bet bloed; -striemen m. bloedstrieni v.; -strout m. bloedstroom; -siropfen m. bioeddroppel m.; -stuhl m. stoel m., waarop de misdadiger onthoofd wordt; -sturz m. bloedspuwing v.; -laufe v. bloeddoop m.; -tausch m. overgieting v. of overgieten o. van bloed van een mensch of dier in het lichaam van een ander, transfusie v.; -that v. bloedige daad v.; -theil-chcn o., Z. -kïujelchen; -treibend büv. en I). den omloop m. van hel bloed bevorderend; -triefend bijv. en b. druipend van bloed; -um-lauf m. bloedsomloop ni.

Blutung, v. bloeding v., bloeden o.

Blut-unterlaufang, v. lichle uitslorling v. van het bloed onder de huid, blauwe plek *•'■t-titifietl o.dooilvonnis o.-,~vergieszcn o.bloedvergieten o.; -vergieszer m. bloedvergieter m.; -verlust m. bloedverlies o.; -verwandt bijv. nw. (aan)verwanl, nabestaand; der, die-ver-wandte m. en v. bloedverwant m. en v,, na-beslaande m. en v.; -verwantschaft v. bloedverwantschap v.; -wage v. bloedschaal v.; -warme v. bloedwarmte v.; -wasser o. bloedwater o.; —gefass o. bloedwatervat o.; -was-serig bijv. nw. hloedwaterig, etterig;—keit v. bloedwaterigbeid v.; -wenig bijv. nw. bitter weinig; -lootte v. geringe wol v.; -wurm m. bloedworm ra,; -warsi v. bloedworst v ; -wurz v. bloedwortel m.; -zeh{e)nteai. liend v.van het vee; -zeuge m. bloedgetuige m.; -zwang m. roode loop m.; bloedpersing v

Bö, {-en) v. plotselinge windvlaag v.

Boa, (-s) v. reuzenslang v.; boa v.

Bobartagras, o. bobartgras o.

Bock, [-{e)s, mv. Biicke) m. bok m.; (Spr.) den - zam Gartner machen, den - auf die Haferkiste seizen, de kat op het spek laten passen; auf etw. losgehen, wie der - auf die Haferkiste, als de bok op de haverkist; 'geile bok, wellusteling m.; bokbier o.; stormram m.; eitten - schieszen, een bok schieten, zich vergissen, eene domheid begaan; schraag v., stut m.; (van een rijtuig), bok ra.; kraan v.; (van turven amp;), hoop ra. ter droging overeind gezet; folterbank, pijnbank v.; spanischer,pol-niscftcr-,Spaansche, Poolsche laarsv.,schcen-ijzers o. mv.; doorgeschoten beetwortel v.; bokkever.

Bock-beinig, bijv nw., Z. -füszig; -bier o. hokbier o.

Böckchen, o. bokje o., kleine bok m.

Boeken, o. ww. (van geiten), naar den bok verlangen; it. of bücketn, stinken als een bok; bokkesprongen maken; (van schepen), stooten; koppig zijn, pruilen; elk. met de koppen stooten; Torf -, op hoopen zetten om te drogen; jein. -, op de pijnbank brengen, folteren.

Bockenzen, o. ww., Z. boeken.

Bock-feil, o. bokkevel o.; -tleiseh o. bok-kenvleesch o.; -/Wte v. mondlluilje o.; -sftisz m. bokspoot ra.; -sfüszig bijv. en h. niet hoks-poolen;-geruch,-gestank m. bokkenstank ra.; -nestelt o. bok m.; -haft liijv. nw., Z bockig; -haat v., Z. -feil; -hirsch ra. mannetjes bert o.; -holz, -hiilzer o., Z. Docke.

Bockicht, bijv. nw. bokachtig.

Bockig, bockig,bockisch,böcklsch, bijv. nw. bokachtig, stijf, stinkend, koppig, geil; naar den bok verlangende.

Boeking, v., Z. Schafbock.

Bock-kafer, m. boktor, cerambyx m.; -kalb o. rcehokje o.; -kaneel o. antilope-ka-meel m.; -kusten m. kast v. op of onder den bok; -kissen o. kussen o. van den hak-,-luifelle v. siede-alTuit v.; -lamm o. manneljes lam o.; -leder o. bokkenleder o.; -ledern bijv. en b. van bokkenleder; -messer o. kammenmakers-mes o.; -mllhle v. stampmolen m.; -pfeife v. doedelzak m.; it. Z. -flOte; -pfeifer m. doedelzakspeler ra.; -pimpenelle v. steenpimpernel v.; -rnd o., Z. Spinrud.

Bocks-auge, o. boksoog o.;-!)arim boksbaard ra.; -beere v., —nslrauch m. braambes v., braamstruik m.-,-beutel m. boekbuidei m.; 11. oude belachelgke gewoonten v. mv. en gebruiken o. mv.; -beutelei v. verkleefdheid v. aan oude gewoonten en gebruiken; -bohne v., Z. Biberklee; -schemel ra. voetbankje o. voor den koetsier op den bok; -distel v., -dom m. boksdistel v., boksdoorn m.;-distelharz o. boks-doornhars o.

Bockseife, v. zwarte bergzeep v.

!2


-ocr page 200-

BLU

176

BLU

-stielchen o. bloemsteeltjeo.; -strausz m. ruiker m.; -stuck o.,'A.-beet; bloemstuk o.; -thai o. bloemrijk dal o.; -thee m. bloempjesthee v.; -tisch m., Z. -(jestell; -topf m. bloempot m.; -trafiend büv. nw. bloemdragend; -vase v. bloemvaas v.; -voll bijv. en b., Z -reich;-werk o. allerlei soorten v. mv. van bloemen; bloemwerk o.; -zapfen m. bloemkatje o.; -zeit v. bloementijd m.; -zieher m. bloemkweeker, bloemist m.; -zierath m. bloemsieraad o.; -zucht v. bloementeelt, bloemkweekerü,bIoe-misterg v.; -zwiebel v. bloembol m.; -züchler m. bloemkweeker, bloemist m.

Blumicht, byv. en b. bloemachtig, bloem-vormig, bloemig, bloemrijk; (lig.) bloeiend.

Blumi^ bijv. en b. met bloemen bedekt, bloemrijk.

Blumist, {-en, mv. -en) m., Z. Blumen-gartner, -liebhaber, -zuchter.

Blumisterei, {-en) v. bloemkweekery v.

Biurai^tik, v., Z. Dlumenzucht.

Biwmistisch, bijv. nw. bloemistachtig.

Blümlein, o., Z Blümchen.

Eiümiich, bijv. nw., Z. verblümt.

Biuuderbücbse, v. donderbus v.

Biüse, (-n) v., Z. Bake.

Blut, (-(e)^) o., z. m. bloed o.; Gut und -, goed en bloed; bei ruhujem -e, in koelen bloede; aus edlem -, van adellijk bloed, van adellijke geboorte v.; sein eujen -, zijn eigen zoon of dochter; (van druiven), druivennat o.

Blut-abgang, m. bloedalgang m., bloedverlies o., Z. -/luss; -achat n*. bloedagaat m. en o.; -acker m. bloedakker m.;-at/erv. bloedader, ader v.; —blut o. aderlijk bloed o.; -aderchen o. adertje o.; -aderyeschwulst v., -aderknoten m., -aderknopf m. adergezwel o., aderspat v.; -aiapf'er m. rood patik o.; -andratm m. aandrang m. van het bloed; -apfel m. bloedappel iu., -arm bijv. en b.doodarm; -arlid, -ahnlich bijv. en b. bloedachtig, op bloed gelijkend; -amje o. bloedig oog o.; -auslcerumj v bloedverlies o.; -auswurf m. bloedspuwen o.; -bad o. bloedbad o.; -bann m. macht v. om recht te spreken over leven en dood; -bars, -börs m. bloedkleurige baars m.; -baum m. bloedboom m.; -be/leckt bijv. nw. met bloed bevlekt; aan een moord schuldig; -behalter m., Z. -Qefass; it. mv. holten v. mv. van het hersenvlies; -bereilumj v., Z. -erzeuquncj; -beschauer m. bloedkyker m.; -beschauung v. bloedbeschouwing v.; -besich-tiger m., Z. -beschauer; -besprilzt buv. nw. met bloed bespat; -bewegung v. beweging v. van het bloed; -birn v. bloedroude peer v.; -bldschen o.bloedblaasje o.;-blume v.bloedbloem v.; -böse bijv. en b. uiterst boos; -brechen o. bloed braken o.; -brach m. bloedbreuk \.\-bache

Z. Rothbache; v., Z. -gerusl; -durst m. bloeddorst m., bloeddorstigheid; -dürslig bijv. en b. bloeddorstig; -egel m. bloedzuiger m.; -citer m. bloedetter m

Biütein, o. ww. een weinig bloeden; 2. onp. ww. naar bloed rieken, smaken.

Bluten^ o. ww. bloeden; die Waffen-, druipen van bloed; (fig.) zeer doen; er w/rrf - mussen, dat zal hem geld kosten; fur das Vaterland -, zijn bloed vergieten, sneven; 2. bedr. ww. Blut -, vergieten; Thrdnen storten; das Leben -, opolleren.

Bluter, {-s, mv. Bluter) m. bloeder m.

Blut-erbrechen, o., Z. Blutbrechen,- -er-gieszung v. bloedstorting v., bloedvergieten o.; -erz o. bloederts o.; -erzeugung v. bloedberei-ding v.; -fahne v. rood vaandel o.; -farbe v. bloedkleur v.; -fdrbestolf m. roode kleurstof v. der bloedballetjes; -feige v. bloedvyg v., bloedvygcboom m.; -/ink m. bloedvink m.; -Ilagge v , Z. -fahne; -flecken m. bloedvlek v.; -flosser m. visch m. met roode kieuwenen vinnen; -fluss m. bloed (uit) vloeiing;

bijv. nw. bloedstelpend; -/lussig bijv.en b. met bloedvloeiingen behept; -fremd bijv. nw wild vreemd; -gang m., Z. - fluss; -gefdss o. bloedvat o., ader v.; -lehre v. vatenleer v.; -geld o. bloedgeld o.,bloedprijs m.; -|;er/c/^ o.bloed-gerecht o.; -gerust o. schavot o.; -geschwdr o., Z. -geschwür; -geschwulst v. bloedgezwel o., bloedblaar v.; -geschwür o. bloedzweer v.; -gier v. bloedgierigheid v.; -gierig bijv. en b. bloedgierig; -gierigkeit v. bloedgierigheid v.; -gras o., Z. -hirse; -hdnfling m. vlasvink m.; -hamen o. bloedwateren o.

Biüthe, {-n) v. bloesem m.; bloem v.; genot o.; des Alters grijze t aren o.mv.; bloeitijd, bloei m.

Blüthen.-blatt,o.,Z. lUu.nenblüthc; -busch m. bloeiende struik m.; -decke v., Z. Blumen-decke; -stand m. bloesemstand m.; -standig bijv. en b. wat op den bloesem betrekking heeft; -staub m., Z. Blumenstaub; -strauch m. bloeiende struik m.

Biuthezeit, Biüthenzeit, v. bloeien o., bloeitijd m.

Biut-hirse, v. panikgras o.; -hochzeit v. bloedbruiloft v.; -holz o. bloedhout o.; -hund m., Z. Schweiszhund; -/ms/e» m. de met bloed vermengde stof v., welke men uithoest.

Biutig, {-er, -st) bijv. en b. bloedig, bebloed.

Blut-igei, m., Z. -egel; -jaspis m. bloed-jaspis m. en o.-, -jung bijv. en b. piepjong; -kasten m. hart o.; -klee m. roode zuring v.; -klampen m. bloedklonter m.: -kohl m. roode kool v.; -kolik v. bloedkolick o.; -koralle v. bloedkraal v.; -kraut o. bloedkruid o.; bosch-jeskruid o.; Kobrechtskruid o.; pimpernel v.; -kropf m. bluedknobbel m.; -kuchenm. bloedkoek m.; -kiigelchen o. bloedbolletje o.; -lassen, Z. A der lassen; -lauf m., Z. -umlauf; -lauge v. bloedwater o.; -leer bijv. en b. zonder bloed; -leerheit v. bloedsarmoede v.; -lehre v. bloedleer v.; -lilie v. wilde, Turksche of roode lelie v.; -los bijv. nw., Z. -leer; -machung v, Z. -erzeugung; -mal o. bloedvlek v.; -masse v. bloedmassa v.;-mensc^m. bloeddorstig mensch m.; -milchen o. ziekte v. der koeien, waarby bloed met de melk vermengd is; -nabelbruch m. navelbloedbreuk v.; -napf m., -ndpfchen o., Z. Aderlassbecken; -nuss v., Z. Lamperts-


-ocr page 201-

BLU

BOG

-177

nuss; -jifirsicli m., -p/lrsche v. liloedperzik v.; -rache v. bloedwraak v.; -racher m. bloed-wreker m.; -rath m. beraadslaging v. over de straf voor een moord; bloedraad in.; -miner m., Z. -schreier; -rajen m. liloedregen m.; -mjierung v. bloedige regeering v.; -reich liijv. en 1)., vollblülig; -reinigend bijv. en b. bloedzuiverend; -reimgung v. bloedzuive-ring v.; -richter m. bloedrechter m.; -roth bijv. en 1). bloedrood; vuurroocH-rttnsïii; bijv. en b. bloedig, ontveld; -salz o. bloedzout o.; -sauer bijv. en b. bloedzuur; -sauersalz o. bloedzuurzout o.; -saufer m., Z. -mensch; -sauger m. bloedzuigend of van bloed levend dier o.; groote vledermuis v., vampir m., Z. -egel; -stiugerei v. bloedzuigerg v.; -sdure v. bloedzuur o.; -schande v. bloedschande v.; -scliiiiuler ni, bloedscbender m.; —miv. bloed-schendster v.; -schdnderisch byv. n\v. bloed-schendend; -scheu v. bloedvrees v.; -scheu bijv. en b. bloedschuw; -scheuend bijv. nw. bloedschuw; -schlecht bijv. en 1). afschuwe-lijt; -schteim m. bloedslijm o.;-schlgt;l[e,-schuppe m. assessor m. bij het gerechtshof voorstrafzaken; -schuld v. bloedschuld v.; -schwammm. roode, eetbare paddenstoel m.; -schwtire v., Z. -gescliwilr; -schweisz m. bloedzweet o.; -schwitzeno. bloedzweeten o.; -sfreund,—in, —schaft, Z. -verwondt, -verwandtschaft;-sieb o. kliervleescb o.; -spat in. bloedspat v.;-spei-chel in. liloed-of bloedacb tig speeksel o.; -speien o. bloedspuwen o., bloedspuwing v.; -spur\. spoor o. van bloed; -staar m. bloedstaal' v.; -stallen o. bloedpissen o.; -statte v. bloed-plaats v.; -stein m. bloedsteen in.; -stillend bijv. en b. bloedstelpend; -stillung v. bloed-slelpingv.; -stochung v. stremmingv. van het bloed; -striemen ra. bloedstriem v.; -strom m. bloedstroom; -stropfen m. bloeddroppel m.; -stuhl m. stoel ra., waarop de misdadiger onthoofd wordt; -sturz m. bloedspuwing v.; -luufe v. bloeddoop m.; -tausch m. overgieting v. of overgieten o. van bloed van een mensch of dier in liet lichaam van een ander, transfusie v.; -that v. bloedige daad v.; -theil-chen o., Z. -kiigelcheti; -treibend büv. en b. den omloop in. van bet bloed bevorderend; -triefend bijv. en b. druipend van bloed;-um-luuf ra. bloedsomloop m.

Blutuug, v. bloeding v., bloeden o.

Blut-unterlaufang, v. lichte uitstorting v. van liet bloed onder de huid. blauwe plek v.-.-ur/Acii o.doodvonnis o.;-vergieszen o.bloed-vergieten o.; -vergieszerm. bloedvergieterm.; -verlust ra. bloedverlies o.; -verwandt byv. nw. {aan)verwant, nabestaand; der, die verwandt e m. en v. bloedverwant in. en v., nabestaande ra. en v.; -verwantschaft v. bloedverwantschap v.; -wage v. bloedschaal v.; -warme v. bloedwarmte v.; -wasser o. bloedwater o.; —gefiiss o. bloedwatervat o.; -was-serig byv. nw. bloedwaterig, etterig;—keil v. bloedwaterigheid v.; -wenig bijv. nw. bitter weinig; -wolle v. geringe wol v.; -wurm ra. bloedworm m.-,-wurst v. bloedworst \.;-wurz v. bloedwortel m.; -zeli{e)nteni. tiend v.van het vee; -zeuge m. bloedgetuige m.; -zwang m. voode loop ra.; bloedpersing v

Bö, (-en) v. plotselinge windvlaag v.

Boa, (-s) v. reuzenslang v.; boa v.

Bobartsgras, o. bohartgras o.

Bock, (-(e)s, mv. Biicke) m. bok in.; (Spr.) den - zum Gartner mach en, den - nuf die Ilaferkiste setzen, de kat op het spek laten passen; auf etw. losgehen, wie der - auf die Ilaferkiste, als de hok op de haverkist; geile bok, wellusteling m.; bokbier o.; stormrara ra.; tinen - schieszen, een bok schieten, zich vergissen, eene domheid begaan; schraag v., stut m.; (van een rijtuig), bok m.; kraan v.; (van turven amp;), hoop ra. ter droging overeind gezet; folterbank, pijnbiink v.; sijanischer,pol-fliscfter-.Spaanscbe, Poolsche laarsv.,scheen-ijzers o. mv.; doorgeschoten beetwortel v.; bokkever.

Bock heinig, bijv nw-füszig; -bier o. bokbier o.

Böckchen, o. bokje o., kleine bok in.

Boeken, o. ww. (van geilen), naar den bok verlangen; it. of böckeln, stinken als een bok; bokkesprongen maken; (van schepen), stooten; koppig zijn, pruilen; elk. met de koppen stooten; Torf -, op boopen zetten om te drogen; jem. op de pijnbank brengen, folteren.

Bockenzen, o. w w., Z. boeken.

Bock-fell, o. bokkevel o.; -Ileisch o. bok-kenvleescb o.; -Jlnle v. inondlluilje o.; -sfusz m. Iiokspoot m.; -sfüszig bijv. en b. met bi)ks-pooteii; -ijeruch, -gestank m. bokkenstaiik ra.; -gestell o. bok m.; -haft bijv. nw., Z hoekig; -haul v., Z. -fell; -hirsch ra. mannetjes liert o.; -hotz, -hiitzer o., Z. Uocke.

Bockicht, büv. nw. bokachtig.

Bockig, böckig, bockisch,böckisch, bijv. nw. bokachtig, slijf, stinkend, koppig, geil; naar den bok verlangende.

Boeking, v., Z. Schafboek.

Bock-kafer, m. boklor, ceram'oyx ra.; -kalb o. reebokje o.; -kameel o. antilope-ka-meei m.; -kasten ra. kast v. op of onder den bok; -kissen o. kussen o. van den bok; -luifelle v. slede-alfuit v.; -lamm o. mannetjes lam o.; -leder o. bokkenleder o.; -ledern tiijv. en b. van bokkenleder; -messer o. kammenraakers-raes o.; -mühle v. stampmolen m.; -pfeife v. doedelzak in.; it. Z. -Iliite; -pfeifer m. doedelzakspeler ra.; -pimpenelle v. steenpimpernel v.; -rail o., Z. Spinrad.

Bocks-auge, o. boksoog o.; -hart in boks-baard m.; -beere v., —nstrauch m. braambes v., braamstruik m.;-beutel m. boekbuidel m.; 11. oude belachetyke gewoonten v. mv. en gebruiken o. mv.; -beutelei v. verkleefdheid v. aan oude gewoonten en gebruiken; -bohne v., Z. Biberklee; -schemel ra. voetbankje o. voor den koetsier op den bok; -distel v., -dom m. boksdistel v., boksdoorn m.--distelharz o. boks-doornhars o.

Bockseife, v. zwarte bergzeep v.

12


-ocr page 202-

I50D

BOH

178

Bockse(l)n, liedr. WW., Z. blickeln.

Bocks-geile, v. sliinrielki uid o.; -horn o. bokshoorn in.; ins — kriechen, bang, benauwd ■worden;-/lörner of -ohren o.mv. boksboorn-ringboul m.; -kraut v. St. Janskruid o.; slinkende melde v.; -pclcrlein o. bokspeterselie v.; -sprma m. bokkesprong in.,gekheid v.

Boeii-stem, m. slinksteen in.; -stuck o. klein veldstuk o. op cone sledealfuit; v. steun, slut m. van den bok; it. klamp m. aan een rijtuig; -versteUung v. steiger in., stelling v.

Bodemen, bedr. w\v., biklmm.

Boden, (-s) m., z. in, grond, hodem m., land o., aarde v., stuk o. grond; 2. (inv. Rnden en Biiden) hodem in.; (van cen bed), de onderlagen v. mv.; (van eene kamer),vloerm.; (van een schip), ruim o.; (van cen glas amp;), voet m.; cin - JVdchs, waskoek m., wasschijf v.; (flg.) zu - werfen, schlagen, neerwerpen, slaan; 3. (rav. Boden en Biiden) zolder m.

Boden-balken, m. grondbiilk m.; -htatt o. bodemhtad o.; -WecA0.gr0ndplaatv.;-i)07i«e v., 7, Zioerijbolmc; -hohrer m. grondboor v.; -hrell o. grondplank v.; die -bretter mv. (van ecu bed), onderlagen v. mv.; -eisen o.bodem-ijzer o.; -feld o., Z. -stuck; -fenster o., Z. Dachfenster; -fries m. (aan een kanon),plint o.; -qericht o. st rik m. op den grond;-f/escAosj: o., Z. Erdgeschosz; -hammer in. hodemha-iner m.; -heten in. grondsop o.; -holz o. bo-demhout o.; -Imnd m. speurhond m.; -killer m. aardkever m.; -hammer m. zolderkamer v.; -kohlrübe v. knolkool v.; -litzen v. mv. schering v., scheerlijslen v. mv.; -Inch o. zolderluik o.; -los bijv. en h. bodemloos; -lücke v., Z. -toch; -matte v. vloermat v.; -meht o. zetmeel o.; -nulzung v. gcliruik o. van den grond; -planken v. mv. bruid planken v. mv.; -pumjie v. kielpomp v.; -rad o. onderstelrad o.; -recht o., Z. Standrecht: Z. -riss; -riss m. wat er van het koren op een zolder, in de rceten amp; achter blijft, aan dc maat en den strijkstok hangen blüft; -siige v. schrobzaag v.; -sa/s o. grondzout o.; -satz m. bezinksel o., grondsop o., droesem m.;-scftiWv. grondlaag v.; -schtaijet m., Z. -hammer; -schtusset m.zoldersleutel m ;-schmiere\. pap v.,scheeps-smeer o.; -schnüre v. mv., Z. -tilzen; -schraube v., Z. -zieher; -schrumpf m., -riss; spieker m., Z.-nagel;-stein m. benedenste molensteen m.; -stube v. zolderkamer v.; -slack o. bodemstuk, grondstuk o.; bodem m.; -talg m. kanen v. mv.; -teig m. plat, uitgerekt deeg o.; -thüre v. zolderdeur v.; -treppe v. zoldertrap m.; -zieher m. hodemtrekker m.; -zins m. huren o. van, huur v. voor een zolder, Z. Grundzins.

Bodmen, bödmen, bedr. ww. cin Zim-mer -, bevloeren; ein Pass -, bodemen.

Bodmerei.v. bodemerU v.; -brief m.hode-merybrief m.; -geber m. hodemerljgever ra.; -nehmer m. geldleener m. ophodcmerij;-pra-ntie v. bodemerijpremie v.;-vertrag m. overeenkomst v.omtrent het geldleenenop bodemerij.

Ecf e i, (-(«).«, mv. -e) m. wolfsveesl in.

Bog, (-{e)s, rav. Biige) m. boeg m.; -anker m. boeganker o.

Bogen, (-s, mv. Bligen) m. boog m.; (Spr.) durch den - fuhren, recht door zee gaan; de sterkste wijnranken v., die aan dc paal gebonden worden; wenkbrauw v.; gewelf o.; strijkstok m.; vel, blad o. papier; (lig.) den - zu Iwch spannen, grootspreken, pochen; in Jlausch tuul -, in den roes.

Bogen, boxen, bedr. ww. om de palen winden en vastbinden.

Bogen-bobrer, m., Z. Dritlbohrer; -dach o. gewelfd dak o.; -decke v. verwelf, verwulf o.; —dritlc v., Z. Drillbohrer.

Bogener, (-s, mv. Bogener) m. bogen maker m.; boogschutter m.

Bogen-fach, v. vak o. van een verwulf; -fahrt v. roeshandel m.; -feite v. ronde vijl v.; -fenster o. boogvormig venster o.; -fisch m. eene soort van lipvisch m.; -jlachc v. hoogvlakte v.; -form v. folio-formaat o.; -fOrmig bijv. en b. boogvormig, boogsgewijs; -führunq v. houding v. van den strijkstok; -gangm. gewelfde gang m.; gehoorgang m.; -gerinnc o. molengoot v.; -gerilst o. boogstellage \ -ge-wlitbc o. booggewelf o.; -griisze v., Z. -form; -guitarre v. boogvormige gitaar v.; -haft bijv. en b., -fOrmig; -hullc v. gewelfde zuilengang ra. of galerij v.; -halter m. punkluur v.; -hobet m. ronde schaaf v.; -instrument o. strijkinstrument o.; -laube v. gewelfd prieel o.; -leder o. hoogleertje o.;-/e/ircv., Z.-gertts/,--linie v. kromme lijn v., boog m.; -mucherm. bogenmaker m ; -pfeiler m. gedeelte van den deur- of vensterpost, die bel lijstwerk bevat; -rn!le\. boogvormige friesv.,-rund liijv, nw., Z. -flirmig; -rundung v. ronding, bocht v.; -rüstung v., Z. -gerust; -slice v. spanzaag \ -schieszen o. boogsctileten o.; -schlagen o. mei den hoog werken o.; -schtuss m., Z. Schluss-stein; Kugelhelm; -sclms m. boogschot o.; boogschleien o.; -schiilze m. boogschutter ra.; -schützenlcwisl v.boogschutterskunsl \.;-sehne v. pees v. van den hoog; -seite v. bladzijde v. van een foliant; -spanner ra. boogspanner ra.; -spiegel m. boogsplegel, m.-,-sprung ra. hoogsprong m.; -stab m. houl o. van den hoog; -stellung v. gewelfskroraming, bogenrij v.; -strich m. streek, strijking v. met den strijkstok; boogvormige streep v.; -sltick o. boog-stuk o.; -ihUre v. boogvorm ge deurv.;-wcisc by w. hij vellen; boogsgewijs, Z.-fOrmig;-winde v. boogspanner ra.; -zaht v. aantal o. vellen; -zeichen o. signatuur v.; -zirket ra. boogpas-ser m.

Bogig, hij\. en b. boogvormig, gebogen, bochtig.

Bogspriet, Bugspriet, (-(c)s, rav. -e) o. boegspriet ra.; -ssegel o. hoegsprietzeil o.; -sstenge of -stenge v. stagfok, stonnfok v.

Bohie, (-li) v. zware, dikke (eikenhouten) plank v.; -n, (van schepen), buitenhuid v.

Boalen, bedr. ww. oeplanken; -geld o.,

Z. .SYow/geM. -sigc v,schulpzaag,kraanzaagv.


-ocr page 203-

BOII

BOM

179

in söhlen, liertr. \v\v., Z. ahhiiren. m.; -schmied m. lioorsmid m., -schnecke v..

inker Böhme, (-h, mv.-n) m. een Bohemer m.; /.. Schraubltorti; -spline in. mv. iifvul m. bg

Z. Kaisergroschen, SeUlenschwanz. liet boren; -spilzc v. booryzerpunt \.-,-stam-

Spr.) Boomer, (-s, mv. BOhmer) m., 7.. Seitlen- vfer m. boorstamper m.; -slange v.hoorslang

n; (ie schwanz. -slüszer m. punl v. van eene mijnboor;

il pc- Böhmiscb, bijv. en I). Bobeemscli; -e liril- -sluhl m. boorstellage v.

r o.; der, bernlmtters m. mv.; (Spr.) das sind Urn Bohruns, v. boron o., boring v.; (van een

den -e jOdV'/ef, Spaansch,daarvan verstaat bj geen kanon), kaliber o.

in; it) woord, dal gaat zijn begrip te boven. Bohr-wnrm, m. houtworm, paalworm

Bohn-axt, v. dissel m.; -biirsle v., -lap- m.; -zeug o. boorwerktuig o.

lillen pen v. vloerborstel m. Boi, (-(e)s) m., z. m. baai v.

Böhnc'nen, Böhnleia, o. iioonlje, kleine Boje, Buje, (-») v. boei. Ion v., baken o.;

(Uich boon v. -leine v., -seit o. boeilijn v., boeireep m.; -sa'z

wulf Bohne, (-gt;i) v. lioon v.; firüne snijboon o., Z. Meersalz.

v.; -n Erbsen sein lassen, bel zoo nauw niet Bojen, bijv. en b. haaien, van haai.

ima- nemen; e?'/m/-n (/c.f;men, hij houdt zich doof; Bojer, mv./iojer) m. hoeier m.

blauwe geweerkogels m. mv.; (van paar- Bölcai, böïiein, Z. Pokel, pükeln.

vult; den), /.. Kemmnii. Rolarerde, v. Leranisehe, Armenische

3 vijl Bohnen, bedr. ww. boenen, wrijven, po- aarde v.

fisch lijsten. Bolch, (-(c)s, mv. -e) m., Z. Hauscn, Katoog- Boanen.acker, m. boonenakker m., boo- heljau, fVeisfisch.

min lienveld o.; -balg m.,Z. -srltale; -baum in. val- Bolelne, (-») v. boeilijn v.

rung sche vuilboom m.; -blillhe v. boonehloesem Bolt, bijv. en h., Z. bollig.

i. ge- m.; -egel m. boonworm m.; -erz of Dolmerz Bolle, {-«) v. bloembol m.; mest m. van

ie o. o. bolrond ijzererts o.; -feld o., Z. -acker; paarden, amp;.

-ge- -hülse v. hoonesehil v.; -kaper m. wilde of Rol'.eisen, Balleisen, m. rood of koud-

M'oi; valsche kapperstruik m.; -keitn, -kern ra. hreukig ijzer o.

■haft boonepit v., Z. Kennung; -kiinig m. booneko- BoUengewachs, o. bolplant v.

zul- ning m.; -kraut o. lioonenkruid o., kcnle v.; Boller, (-.v, mv. Holler) m. stapel m, boul.

tuur -kuchen m. hoonenkoek m.; -lied o. zekeroud BöUer, of Pöüer, (-s,mv. Büller) m, mor-

nt o. Duitsch liedje; -mehl o. iioononnicel o.-, -jifnh! tier m.

rlëel m., /.. -slange; -sclmle, -schelf', -sehole v. Bollern of böllern, o. \v\v. geraas, leven

■Hst; hoonesehil v.; -sclmss ra., Z. Kennung; -sonn- maken.

r di' lag m. eerste Zondag m. na Pascben;-sJanje Bolilcht, bijv. en h. holachtig,

den v., -sleeken ra. hoonenstaak m.; -slroh o. boo- Bollig, bijv.en h. ruw, hard,stijf; -esEisen,

■vat; nenslroo o.; (fig.) er is so grab wie —, by is rood of koud-breukig.

nv., een boerenkinkel, aan bei hof \ari Jan Vle- Boiiwerk, (-(c)s, mv. -e) o, bolwerk o. t v.- gel groolgebrachl; -wurm ra., /.. -egel. Bollwerks-ohr, o.iioiwerksooro.;-punkl r v . Bohuer, Bohnerin, boener, wrijver, po- m. punt v. van een bolwerk; -schild ra., Z. met lijsier m., boenster, wrijfsler v, -wehre-, -spitze v. spits, punt v. van een bolus,v- Boliaerz, o., Z. Hohnenerz. werk; -thurm m. toren m., van bolwerk voor-l o.; Böhnhase, (-», mv.,-«) in,, /.. Pfusrher. zien-, -wall m. wal ra. vóór een bolwerk; m . Bohr-banit, v. boorhank v.; -blume v. -wehre v. beschermwal m.; -winkel ra. bol-•tinè zoethonlstrnik ra.; -docke v. slander m. aan werkshoek ra.

(.\, de boorhank; -egge v. booregge v.;-eisen o. Boiogneser-hündcben, o. Bologneezer

ui J boorijzer o. hondje, leeuwlje, Malteezer hondje o.;-spciY/i,

log! Bobren, bedr. ww. boren; rein -, wilho- -slein m. Bologneezer spaath o., Bologneezer

oog; ren, polijsten; (Spr.) ein Loch in den Mond-, steen m.

v..quot; voor zijne schuldeiscbers op den loop gaan; Bolus of-erde, Z. Botorerrfc.

■yu- '*■ o. ww. in der .Vase -, wroeten, peuleren; Boiz, (-es, mv. -e) m., Z. Ilolzer.

loir. jemn. einen of den Jisc/den spot drijven Bolzen, {-s, mv. nolzen) ra. pijl m. van

eixf, met. eene armborst; jemn. die - fiedern, iem. een

nde Bohrer, (-s, mv. Bohrer) m. hoorder m.; handje helpen; der eine dreht die -, und der

len- hoor v., horing v. andere verschieszt sie, zij helpen elk., zy zijn

mul Boar-faustel, m. boorbamer m.; -führer bet volkomen eens; slehender -, paal m.; Hc-

in. hoorleider m.; -hauer ra., Z. Bohrer; -kd- gender -, boom m.; stut, schoor ra.; -blech o.

ion fcr m boorkever ra.; -klippe v. hoortang v.; ringplaat, klinkplaat v.; -gerade hijw. zoo

-koralle v. poreus koraal o.; -knilzer m. boor- recht als eene kaars; -schloss o. boutslot o.;

-e) krasser ra.; -kunsl v. boorkunst v.; -lade v., -znnge v. houttang v.

o,; z -bank; -loch o. boorgat o., geboord gat o.; Bolzen, bedr. ww. met ijzeren houten be-

-maschine v. boormachine v., boorwerktuig vestigen; 2. o. ww. te vroeg het werk staken,

ou- 0-;. -mehl o. boormeel o.; -meister m. stift v., schaften.

dv. priem m. van gehard staal; -mühle v. boor- Bom! (tussch.) bom!

o., machine v.; -muschel v. hoorscbelpdier o.; Bombarde, (-n) v. steengeschut o., don-

gv'. -Vflug m. hoorploeg m.; -pfriem m. boorpriem derhos v., Z. Basbrummer.

-ocr page 204-

BOR

BöR

180

Bombardement, (-(e)s, mv. -e) O. bom-hardement o.

Bombardier, Bombar dier er, (s, mv.

-e) m. liomburdecrder m.

Bombardiren, bedr. ww. liümbardecren, met boinracn beschieten.

Bombardir-galliote, v. bomscbip o.; -kafer m. bombardeerkever m.

Bombardist, (-en, mv. -en) m., Z. Bom-bardirkdfer.

Bombasin, (-s) m., z. m. bombazijn o.

Bombast, l-(e)s, mv. -e) m. gezwollen stijl, bombast m.

Bombastisch, [-er, -st) bijv. nw. go-zwollen, bombastisch.

Bombe, (-n) v. hom v.

Bomben-brand, m. kruitloop 11!.; -fcst bijv. en b. bomvast, bomvrij; -feuer o., Z. Bombardiren; -frei bijv. en h., Z. -fest; -(jie-szcr m. bom(men)gieter m.; -haken m. mv. bombaken in. mv.; -keile m. mv. boniwig v.; -kiste v. hommenkist v.; -schieszer m., Z. Bombardier; -schilf o., Z. Botnbardirrialliole; -splilter m., -stuck o. stuk o. van eene boni; -werfen o., Z. bombardiren; -werfer m., Z. Bombardier; -zünder m., Z. -brand.

Bommel, (-«) v., Z. Bammel.

Bommeln, o. ww., Z. bammetn.

Bon, (-s, mv. Bons) o. bon v.,assignatie v.

Boabon, (-s, mv. Bonbons) o. bonbon o.

Böahase, (-n, mv. -n) m., Z. Pfuscher.

Bonhommie, {-n} v., Z. Gutmüthiqheit.

Bonit, {-en, mv. -en) m. boniet(visch) m.

Bonmot, (—s, mv. -s) o., Z. Witzwort.

Bonne, v-n) v. bonne v., Z. Kindermad-chen.

Bonnet, {-s, mv. Bonnets of Bonnette) v. muts, pet v.; hijzeil o.

Bonnetirung, v. bonnetteering v.

Bouvivant, (-s, mv. -5) m., Z. ÏFohtte-ber, JSieszlituj.

Bonze, (-«, mv. -n) m. Chineescb of ,1a-pansch priester m.; -thum o., Z. PlatJenthum.

Boot, (-(e)s, mv.-e ol Bote) o. boot,schuit, sloep, aak v.

Boots-anker, m. sloopanker 0.; -bauer m. schuitenmaker m.; -eigenthümer m. eigenaar m. van eene boot amp;; -ijesett m. bootsmaat m.; -haken m. boots- of sloephaak m.; -knccht m., Z. -gesetl; -krapper m. sloepkrabber m.;-ieult;e m. mv. bootslieden m. mv., equipage v.; -mann m. bootsman, loods m.;—syast m. bootsmansgast m. —suehütfe m. bootsmansmaat m.; —spfeife v. bootsmansOuitje o.; -ring m. sloepring m.; -sell, -tau o. bootstouw, sloeptouw o.; -wachter m. sloepwachter m.; -zieher m. sleeptouw o. van eene boot of sloep.

Boratsch, m., Z. Borrdtsch.

Borax, {-es) m., z. m. borax m.; -hüchse v., Z. Löthbüchse; -gesduert,Z. -sauer; -gtas o. boraxglas o.; -salmiak m. horaxzure ammoniak m.; -soucrbgv.nw. boraxzuur;-sa«rc v. boraxzuur o.; -spath m. boraxspaath o.

Bord, (-(c)s, mv. -e) m. (van een water).

oever m.; (van een tafel), rand ra.; plank v.; (van een schip), boord o.; it. schip o.; -anker ra. hoofdanker o.; -blech o. randijzer o.; -bretl o. gordijnlat, plank v., waarvoor gordijnen bevestigd worden.

Borde, v., bordiren, bedr. ww., Z. Bnrte beborden.

Börde, (-n) v. vruchtbaar bouwland o., vruchtbare vlakte v.

Borden, (-{e)s) o. publick huis, hoerenhuis, bordeel o.

Borden, bedr. ww., Z. entern, beborden.

Bordenwirker, m., Z. Bortenwirker.

Bording, {-{e)s, mv. -e) in.,Z. Lichter.

Bordlrer, (-«, mv. Bordirer) m. borduur-der m.

Bordirwerk, o., Z. Bortenwerk.

Bord-schabe, v. (jzoren opzetrand 11!.;-co// bijv. nw. boordevol.

Borg, (-(e)s, mv. -e) m. geitvarken o., beer m.

Borg, (-(e)s) m., z. m. borgen, krediet o.

Borgen, o. ww. borgen; i. bedr. ww. borgen, leencn aan, op kredietgeven; (Spr.) lange ijeborgt ist nicht gescheukt, lang borgen is geen kwljlschchlen.

Borger, (-s, mv. Borger) m. borger m.

Borgerei, {-en) v. aa ihoudend borgen o.

Borg(s)weise, byw. op krediet.

Borke, (-li) v. bast m.. schors, korst v.

Borken-kafer, m. houtkever m.; -thier o. houtdiertje o.; -wurm m. houtworm m.; vermolmdheid v., w orm m.

Borkig, hijv. nw. met schors voorzien.

Bom, (-(e)s, mv. Botne, zelden Borne) m. bron, fontein v.; bronwi ter o.

Born-assel, v., Z. -wurz; - fahrt v. bezichtiging v., bezoek o. eentr zoutbron;-Aerr m. opzichter ni. der zoutbrcnnen; -knecht m. bronknecht m.; -kresse v , Z. Brunnenkressc; -magd v. bronmeld v.; -meister m. opzichter over ile bronknechts; -pfennig m. aalmoes v. voor verarmde bronknechts; -rdumer m. bron-ruimer m.; -schreiber m. schrijver m. bij eene zoutbron; -seil o. brontrouw o.-,-wasser o. bronwater, putwater o.; -wurz m. Lieve-Vrouwedistel v.

Boron, (-(e)s, mv. -e) c. borium o.;-oxij(l o. boriumoxvde o.; -sdure v. boriumzunr o.

Borratsch, (-(e)s, mv -e) m. bernagiev.

Börs, (-es, mv. -e) m. baars m.

Borsdorfer of Borsdorferapfel, m. pippeling m.

Börse, (-n) v. beurs v., geldzak m.; beursgebouw o.; auf die - gehen, naar de beurs gaan

Börsen-blatt, o. beursbericht o., beurstijding v.; -buch o. beursboek o.; -gerucht o. beursgerucbt o.; -geschaft o. beurszaak v.; -halte v. beurs v., beurszaal, beurskamer v.; -knecht m. beursknechtm.; -on/n«nf/v. beurs-reglement o.; -schacher ra.,Z. -spiel; -schluss m. sluiten o., sluiting v. der beurs; -spiel o. beursspel o.; -spieier m. beursspeculant m.; -tag m. beursdag m.; -wucherer m.


-ocr page 205-

BOU 181

BOS

licursspeculimt m.; -zellcl m. Iieursbriefje o.

Borst, (-es, mv. -e) m. liiirst of berst m., 7. Hiss, Sprung; -besen, - pinsel m. kanicr-bezem, borstelkwast m,

Borste, (-n) v., Z. Borst; (van egels amp;), stekel m.

Borste(l)n (sich), wed. ww. de haren oiizetlen, borstelig worden.

Borsten-artig, bijv. en b. borstelacbtig, borstelig; -hlume v. glinus m.; -flosse v., -/losser m. kastanjebruine zeebrasem m.; kar-perharing m.; -rjras o ververskruid o.-za/m-fisch m., Z. Klippjisch.

Borstig, bijv. en b. borstelig, stekelig; liarig, vezelig.

Borst-same, m., Z. Keuschbaum; -wisch m., Z. Kehrwisch.

Bort, m., Z. Ilnrd.

Borte, {-n) v. galon, boordsel o.

Börteleisen, o. godronneerijzer o.

Borten, bedr. ww., Z. beborden, bodmen.

Borten-arbeit, v., Z. -werk: -maclier m., Z. -wirker m.; -handwerk o., -kunst v. pas-sementwerk o.; -werk |o. passementwerk o.; -wirker, —in, passementwerker m., passe-mentwerkstor v.

Börtmann, m. l)eiirtniati m.

Borwisch, m. stolïer m.

Bös, bijv. nw., Z. bö-se; -nrtiij bijv. en b. boosaardig.

Böschen, bedr. ww. doen glooien of bellen.

Boschung, v. belling, glooiing v.

Bose, (-») v.. Z. Itund, lltimlel; Feder-Jciel.

Böse, bijv. en b. boos, kwaad; ziek, ongesteld; - Augen, zeere oogen; (van waren), slecht; -s Geld, valscb geldo.; -/■ M-'eg, kwaad, moelelijk, lastig, ongemakkelijk; - machen, boos, toornig, driflig maken, verbitteren; -2. zelfst. nw . der-, booze; duivel m.; misdadiger m.; dus -, kwaad o., zonde v.

Bösewicht, {-{e)s, mv. -ei') m. booswicht m.

Bösfertlg, bijv. en b. boosvaardlg; -keil v. hoesvaardigheid v,

Boshaft, bijv. en h. hoosaardig, ondeugend, kwaadaardig, nijdig.

Boshaftig, Z. böse; -keil v., Z. liosheit.

Bosheit, v. boosheid, hoosaardigheid, kwaadwilligheid v.; -ssünde v. opzettelijk gedane zonde v.

Bösherzig, bijv. en h., Z. boshaft.

Boskraut, o. loodkruid o.

Böstich, bijv. en b., Z. böse, bosluift; voorbedacht.

Bossel, (-n) v., Z. Kegelkuget.

Bosseln, bedr. ww., Z. basleln, kegehi; den l'lachs -, aan bossen binden.

Bossir-arbelt, v. boetseerwerk o.; -hein, -holzchen o.boetseerheentje.hoetseerhoutje o.

Bossiren, bedr. ww. boetseeren; 11.knutselen.

Bossirer, (-s, mv. Bossirer) m. boetseerder m.

Bossirkunst, v. boetseerkunst v.

BöswiUig, byv. en b. kwaadwillig, nijdig, boos; -keil v. kwaadwilligheid v., nijd m.

Bot, (-(«)«, mv. -e) o. en m., Z. Gebot: bod o.

Botanik, v. plantenkunde, kruidkunde,

botanie v.

Botaniker, (-s, mv. Botaniker) m. plan-tenkenner, kruidkundige, botanicus m.

Botanisch, bijv. en b. plantenkundig, kruidkundig, botanisch.

Botanisiren, o. ww. kruiden of planten zoeken en verzamelen.

Bote, (-«, mv. -n) m. bode, afgezant m., boodschapper m.; (Spr.) der hinkende - kommt nach, de kwade lijding komt achteraan.

Boten-amt, o. bodendlenst m., bodeschap o.; it. Z. -meisterei;-brod o.;7.. -lohn;-büchse v. bodenbus, bodentasch v.; -dienst m., Z. -ami; -frnu v. bodln, bode v.; -gang m. bodengang m.; boodschap v.; it. bodenloon o.; -kapsel v., Z. -büchse; -laufen o. loopen o. van een looper; -Idufcr m. boodschaplooper m.; -lobn m. bodenloon, bodengeldo.;-»!eis/(;/' m. opzichter m. over een hodeschap; -meisterei v. bodenamt, bodenkantoor o.; -schiff o., Z. Paketboot; -schild o. plaat v. van een bode; -spies: m. staf m.

Botin, Bötin, (mv. -nen) v. bodln, bode, boodschapster, boodschaploopster v.

Botmaszig, bgv. en h. onderdanig, afhankelijk; -keil v. heerschappij, macht v.

Botschaft, (-e«) v. boodschap v., tijding v., Z. Gesandschaft.

Botschaften, bedr. ww. boodschappen, berichten.

Botschafter, (-s, mv. Botschafter) m. boodschapper, afgevaardigde m.

Botschafterei, (-en) v., Z. Botschaft.

Bottich, (-(e)s, mv. -e) v. kuip v., vato.; -bank m. ijzeren hoepel m., waarmede de kuiper de duigen veteenigt.

Bött(i cher, (-s, mv. Biitt{i)clter) m. kuiper m.; -arbeit v. kuip(ers)werk o.; -beil o. kuipersdissel m.

Bött(i)cherei, v. kuiperswerkplaats,kuiperij v.; BÖlt{i)cherhandwerk o. kuipersambacht o., kuipen o.

Böttii cher-hoiz, o. kuiphout, vaathout o.; -lohn m. kuiploon o.; -marke v. kuipers-merk o.; -scltldgel m. kuipers-drijfhamer m.; -woche v. kulpcrsweek v.; -zange v. kuipersboeptang v.; -zirkel m. kuiperspasser m.

Bottich-macher, in., Z. I!iitt{i)cher;-reif m. hoep(el) m.

Bouillon, (-s) v. vleeschnat o., bouillon m.; -kuchen m., -tafel v. boulllonkoek m.

Boulette, (-n) v. vleeschballetje o.

Boulevard, (-s, mv. -s) m. vestingwal m., tot wandelplaats ingericht, boulevard m.

Bouquet of Boukett, (-(e)s, mv. Bou