ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Instituut Dc V'ooya voor NtJefUc.lse Taaien Letterkuade aan «Je ^ifkmnivcrsiteii tc Utreeh,

ocr page 4
ocr page 5

^ /-f ^ fJOSTTO'-J-

O

--' V I

t,/

EENE KROON VOOR KAREL DEN STOUTEN

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

EENE KROON VOOR KAREL DEN STOUTEN

DE HERTOG VAN ALBA IN NEDERLAND, / IQ

X53

DE HERTOG VAN ALBA IN SPANJE, HET RUSTUUR VAN KARDINAAL gt; rj XIMENÈS EN ALKMAAR'S BELEG 385

DOOR

A. L. Q. BOSBOOM-TOUSSAINT ZESDE DRUK

MET ILLUSTRATION

NAAR TEEKEN1NOEN VAN WM. H. VAN DER NAT

IJ.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0854 9796

RüT'iEKUAM —

ocr page 10
ocr page 11

EENE KROON VOOR KAREL DEN STOUTEN-

ocr page 12
ocr page 13

if WMMMMMMMMI

---------------_______________ ______ - ___________ _______________rü-

HOOFDSTUK I.

„Zeker en voorwaar! ik ben de rampspoedigste ridder der Christenheid ! Geen Sarraceen of ongeloovige heeft zich zoo droef een lot waardig gemaakt, als nu het mijne is. Laas, helaas: van nu af ga ik lijden zonder einde of verlichting!quot;

De jonge man, die deze klachten slaakte, op hartstochtelijk somberen toon, verecnigde toch in zijn uiterlijk zoovele voor-deelen, dat het eene toehoorder moeite moest kosten, om aan zijne beklagenawaardigheid te gelooven. Zijne kleeding was meer dan prachtig; zij was vorstelijk. Over een licht borstharnas van het fijnste Milaneesche staal, rijkelijk met gouden sieraden opgelegd, droeg hij een korten rok van vuurrood scharlaken, geheel met goud borduursel doorwerkt en rondom met sabelbont omzet. De hozen waren van rein wit fluweel, engsluitend aan de beenen, en boven de knieën opgenomen met kleurige linten, doorwerkt met edelgesteenten. De zeer spichtig uitloopende tootschoenen waren van goudlaken, met massief gouden punten. Het gevest van het kruiszwaard was van hetzelfde metaal. De hooggeëerde ridderorde van 't Gulden Vlies sierde hem de borst, en op de handschoenen droeg hij een wapen, dat met eene dubbele hertogskroon prijkte. Evenmin als hij, naar dien rijken dos te oordeelen door de fortuin misdeeld scheen, was hij het door de natuur. Zoo hij iets te danken had aan zijne kleeding, noodig had hij haar niet, om met den bevalligsto en welgemaaktste te kunnen wedijveren. De gitzwarte oogen konden den glans van diamanten vergoeden, en de pracht der donkere lokken, die spelend om den welgevormden hals nederwiegelden, het belangwekkende zijner

ocr page 14

4

trekken en do mannelijk bruine tint, die hij dankte aan eene geharde levenswijze of aan zuidelijk bloed, hadden in menig vrouwenoog iedere kleederpracht overbodig gemaakt. De plaats waar, en de persoon waartegen de Ridder die klacht uitte, scheen haar evenmin te rechtvaardigen als zijn uiterlijk; want het was in het hertogelijk Hotel te Mons, en voor het oor van Maria van Bourgondië, dat hij haar slaakte.

En het meest nog moet die uitroep verwondering wekken, als men hem kent als Nicolaas van Calabrië, Hertog van Lotharingen ; als men weet, dat er in Juni 1472 schriftelijke trouwbeloften waren gewisseld tusschcn dezen prins en de eenige Erfdochter van Karei den Stouten; een feit, dat hem zeker in het oog van de ongehuwde vorstenzonen tot den benijdbaarsten maakte. Met geen der velen, aan wie de Hertog van Bourgondië die kostbare band had toegezegd, schoen het hem zoozeer ernst te zijn geweest, als juist met dezen Calabrischen Prins; hij had hem openlijk al de rechten van een bloedverwant toegekend, en al de genegenheid bewezen van een schoonvader. De jongeling had gestreden in zijne veldslagen, aan zijne zijde; had in zijn vertrouwen gedeeld, en was getuige geweest, hoe hij alle mededingers misleidde of in verwarring bracht; terwijl men hem zeiven gunsten toestond, nooit te voren aan anderen bewezen. Het was hem vergund geworden, eene maand lang te Mons door te brengen, waar te dier tijde de jonge Vorstin haar hof hield, en de weinige beperking, die er werd gesteld in zijn omgang met zijne verloofde, versterkte nog meer zijne zoetste hoop, dan eenige geschrevene verzekering.

En waarlijk, Nicolaas mocht een geschikt schoonzoon heeten voor Hertog Karei: Jan van Calabrië, des Prinsen vader, was zijn vriend en bondgenoot geweest tot den dood toe; het Hertogdom Lotharingen, waarvan hij na reeds bezitter was, en dat, lastig genoeg, Bourgondië's Hertogdom en Graafschap van Karel's overige Staten scheidde, zou door dien band zijn huis toevallen; eene vereeniging, die altijd een deel van zijne plannen had uitgemaakt; daarbij zou de jonge Prins, als éénige erfgenaam van de mannelijke zijde van het huis van Anjou, het schoone Provence in eigendom bezitten, behalve hetgeen zijn

ocr page 15

Grootvader René hem verder voor groote aanspraken mocht nalaten in de Rijken van Sicilië en Napels en Catalonië en Jeruzalem. Voor een veroveraar welk een heerlijk uitzicht, die rechten, die hij door de macht der wapenen zou moeten staven 1 En het is zeker, dat geen Vorst zich lichter liet vangen door zulk een lokaas, dan die van Bourgondië; daarenboven was de jonge Prins dapper, ras in besluiten en daden, en vol ondernemingszucht: hoedanigheden, die hem aangenaam moesten maken bij een schoonvader, die hier eigene karaktertrekken terugvond; en toch niet zoo uitstekende in groote veldheersdeugden of schitterende eigenschappen, dat deze, wien ook uit wantrouwen de keuze zoo moeilijk viel, voor de ijverzucht der mededinging gewaarborgd was ; en wat ook de jonge Hertog van Lotharingen eenmaal worden mocht, hij was nu noch machtig, noch onafhankelijk genoeg, om, als zijns gelijke, naast hem te gaan: eene gelijkheid, die deze fierste aller Vorsten van zijn eigen zoon niet had kunnen dulden.

De oprechtheid van Karei was dus bijna niet te verdenken geweest, en toch, toch was de klacht aan des jongelings lippen ontglipt, eene klacht der teleurstelling! De stoutste hoop, waarmede ooit de staatkunde een gloeiende verbeelding had opgeruid, mocht slechts één zomergetijde bloeien; het was October en..... de Hertog had de trouwbelofte zijner dochter plotseling teruggeëischt, om de hoop elders te geven. De staatkunde had gebonden, de staatkunde had gescheiden; maar wat er door den band of door de scheiding kon geknakt zijn of gebroken, daar had zij in hare akte geene waarborgende clause voor gemaakt; diit was niet eens onder hare berekening gevallen. Gescheiden! hij had goed spreken, de Hertog van Bourgondië, die als éénigen hartstocht de heerschzucht had: de heerschzucht, die andere zon, die ook sterren noch maan zichtbaar laat als zij schijnt; kon hij weten, of er aan denken, wat dat woord moest zijn voor dien Jongeling, die zijn glansrijkst levensontwerp zoo plotseling zag doorgeschrapt; wiens schoone toekomst zoo met één slag werd verduisterd; dien men zich had laten vermeiden in eene wereld van gioothoid en liefde, en dien men nu op éénmaal daaiuit verstiet, zonder barmhartigheid of verschooning; dien men naar

ocr page 16

6

de schitterendste werkelijkheid had heeugewezen, en aan wien men nu koelweg ging zeggen, dat het een droom geweest was; wien men tot duizelens toe had laten drinken uit den bedwelmenden beker der hoop, en wien men meedoogenloos den kelk van de lippen wegrukte, als ware ontbering voortaan eene lichte zaak; wien men gewaagd had aan de verleidelijke proef der vertrouwelijkheid, zonder te denken, of hij die zou kunnen doorstaan; ook kon hij dat niet; bij was er onder bezweken.

Nicolaas van Calabriö bad niet enkel in Maria s hand den staf gezien van hare Rijken; bij bad ook op de fijne vingeren gezien, en ze hadden hem dieper gegrepen, dan eenige schepter reiken kon ; hij had niet enkel de paarlen van hare hertogskroon goteld; bij had ook de paarlen tusscben hare lippen bespied bij den zoeten glimlach der vertrouwelijkheid, en dien glans had hem meer verrukt dan bet getal der andere. Hij bad niet enkel gelet op de leliën in baar wapen ; hij had ook blikken gehad voor de leliën op haar hals, en hare blankheid had zijne oogen nog niet minder getroffen dan de gouden gloed der eerste. Hij had niet enkel in de verte eene Vorstin gezien op een ruimen zetel, dien hij deelen zou; hij had om zich heen een kind zien spelen tusscben bloemen en vogels, eu eene aankomende jonkvrouw in blijden levenslust en in argelooze dartelheid zien voortrennen op luchtigen draf; hij was haar metgezel geweest op speeltochten en wandelritten, het voorwerp barer jokkende plaagzucht of alles wagende scherts, waarin reeds de wegslepende coquetterie der vrouw doorschemerde en nog iets van de schuchtere terughouding der maagd. Dat was hem gevaarlijk geweest! Dat bad meer gedaan, dan hem de verbeelding ontgloeid in droomen van eerzucht, die alleen het hoofd hadden verhit; dat had hem het harte ontvlamd! Den gloed van het hoofd kon hij verkoelen met het zwaard der wrake in de hand, of de fortuin kon vergoeding geven voor de gestoorde droomen van macht en rijkdom, en eene Koningsdochter zou de Hertogsdochter vervangen; de hand van Anna van Frankrijk was de zijne, als hij die wilde vatten;.... maar de vlam in het harte zou ziedend en pijnigend voortbranden door gansch zijn leven heen; voor haar zou geen kil staal koeling brengen, of het moest een moordend zijn; de wond in het hart

ocr page 17

zou zich niet laten balsemen door vergoeding; de liefde zou zich niet laten tuischen door opgedrongen verwisseling. Een hertoga-zetel, een troon kon den Hertog van Lotharingen teruggeven, wat hem ontnomen was; Nicolaas van Calabrië kon van alle vrouwen der wereld geen andere liefhebben, dan Maria !

In klachten, aan deze gelijk, ging de jonge Prins voort zich lucht te geven, ten aanhoore van de schoone erfdochter, op dien namiddag van October, waarop wij hem aantroffen. En zij zelve? De jonkvrouw, die men weggaf en weder terugnam; die men als een blinkend speeltuig iederen Vorstenzoon van Europa beurtelings in de oogen liet schitteren, om weêr ter zijde gelegd te worden, als zij zich daaraan blind hadden gestaard; wie men heden verkondigde, dat ze dezen behoorde, om haar morgen te zeggen, dat ze genen tot bruidegom had, zonder er zich over te bekommeren, wat zij zelve daarbij voelen kon; die ringen liet wisselen en trouwbeloften afgeven, zonder te onderzoeken, of ze ook tegelijk eene andere ruiling deed, of ze ook iets anders weggaf dan een stuk beschreven perkament; zij . .. maar wij zullen zien. Nu zat zij tegenover haar klagenden geliefde, en luisterde zwijgend, terwijl hare kleine handen als onwillekeurig een kinderlijk spel dreven met de zilveren belletjes van de kaproen eener dwergin, die aan hare voeten nederknielde. AVie haar niet gekend had als de belangwekkendste vrouwelijke figuur van haar tijd, om de vele en gewichtige belangen, die zich aan haar persoon hadden vastgehecht, zoude haar toch nog den prijs der bevalligheid hebben toegekend, zooals ze daar nederzat in dat kleed van witte damastzijde; een reine pracht, die goed stond bij het kinderlijk eenvoudige harer trekken en houding. Noch hare gestalte, noch hare schoonheid waren ten volle ontwikkeld; zij had nog de teedere tengerheid van dien leeftijd, waarin de groei des lichaams toeneemt ten koste van zijn bloei; hare wangen hadden niet meer den fris-schen blos der kindsheid, en nog niet dien anderen, die ze later met zulk een aantrekkelijk rozenwaas kleurt; hare oogen zelfs schitterden nog niet met dien hellen glans, dien de hartstocht er zou doen flikkeren, of die zachter tinteling, die het gevoel er in zou leggen. Maar hunue schoone kleur; de schranderheid.

ocr page 18

8

die ze nu reeds uitdrukten; de donkere pinkers, die ze overwelfden, beloofden reeds, wat ze eenmaal worden konden, als de ziel zou gesproken hebben. Het kostbare hemdje van zilverkant kon gevulder hals bedekken, maar nooit blanker; en fijner voetje had zich nooit verscholen tusschen rood fluweel, met paarlen be-stikt; langer sluier van Brabantsehe k^nt had nooit nedergehangen van zoo prachtig eene wrong, en geene huive van blauw satijn, met goud doorwerkt, had ooit van glansrijker lokken en zachter voorhoofd, met nijdige ijverzucht, de schoonheden verborgen.

Maar schoon hare oogen eerder dof stonden dan flikkerden, schoon slechts een kwijnend blosje een enkel rozenblad wierp tusschen de leliën harer wangen, was er toch niets, dat getuigde voor de waarheid van eene lastering, die de lasteraar zelf iLodewijk XI) wellicht gaarne waarheid had gezien; zij was niet zwak en kwjjnende; hare gezondheid scheen zelfs een vaste en hechte, en zij was niet verweekelijkt geworden in den lau-wen dampkring van een vrouwenvertrek, noch tot zwaarmoedigheid gedrukt door het stilzittend kerkerleven achter kleurrijke kruisramen en tusschen zijden tapijten. Karei de Stoute, die zich misschien geen zoon had gewenscht, had toch niet eene zwakke jonkvrouw tot dochter gewild, en hij zelf, met dat scherpe oog, dat een blik wist te geven aan allee, had toegezien bij dat deel harer opvoeding, waaraan zij krachten en sterkte te danken had. Op zijne reizen door Vlaanderen had hij haar met zich gevoerd, zooveel het slechts doenlijk was; wij zien haar te Gent in het midden van het oproer, dat zijne regeering verwelkomde. Hij gaf haar leven, afwisseling en ver-vroolijking, door verplaatsing nu eens verrukte haar te Sluis de lustige bedrjjvigheid eener havenstad, die den schepen van alle natiën beurtelings hunne veiligheid schonk; die de voortbrengselen van alle bekende werelddeelen in ontvangst nam of verder voerde; dan weder zag ze te Brugge uit het grootsche hertogshuis neder op het bonte gewoel van handelaars, die prinsen schenen, en van handwerkslieden, meer geducht en machtig dan edelen, en toch nu gebukt onder haars vaders zwaren en scherpen staf; dan weder vouwde zij te Brussel eerbiedig de handen bij het aanschouwen van statige processiën

ocr page 19

9

waar zooveel pracht, en zooveel uiterlijke vroomheid naast elkander gingen, en oefende zij haar jeugdig vernuft in het onderkennen van de banieren der gildenorden en in die der geestelijke broederschappen. Dan weder op het jachtslot te Hesdin, volgde zij de prachtige valkenjachten haars vaders, leerde de beroemde prooivogels bij naam kennen, en verheugde zich in hunne zegepraal luider en oprechter, dan of haar strijdbare Heer een nieuw landschap had toegevoegd tot hare toekomstige erfenis; om niet te spreken wat ze verder bijwoonde van tour-nooien, wemelend van vroolijke edelvrouwen en vorstelijke ridders, de hoffeesten, bij wier uitgezochte pracht de verzamelde adel van Frankrijk, Holland, Vlaanderen en Engeland de handen ineensloeg van verbazing en bewondering.

Zoo weinig dus hare jeugd droevig was of eenzelvig, zoo weinig lag er nu ook smarte of kwijnende mijmering op haar gelaat, schoon ze getuige was en voorwerp van eene smart en een hartstocht, die zich hier met zoo sombere kleuren afschilderden. Terwijl zij achteloos leunde tegen den hoogen rug van eene zitbank, met goudlaken bekleed, zag zij den gegriefden Prins aan met meer verwondering dan medegevoel; als iemand, die tracht te begrijpen, om te kunnen deelnemen; en toen hij, misschien voor de derde maal, in eene herhaling van klachten verviel, viel zij hem plotseling in de rede met dit woord:

„Weet gij dat ik het vreemd vind, edele Heer en Neef! dat gij mij niets verhaalt van de schoone wapenfeiten en groote ridderdaden van mijn Genadigen Heere den Hertog in Normandië en Artoie, die gij hebt bijgewoond en mede verricht, als ik hoop !quot;

„Schoone Jonkvrouw en Nicht!quot; antwoordde hij, met eene poging op zichzelven, om in kalmer stemming te spreken, „uw Heer Vader heeft krachtige wapenfeiten verricht, en van dapperheid en nobele krijgskunst en onverzettelijken moed fiere blijken gegeven, en ik heb hem daarin gesteund en gediend naar vermogen en kracht, zooals plicht was; en vrouwe Faam zal langen tijd na dezen daarvan spreken met loffelijk gerucht en zijn naam uitbazuinen; Koning Lodewijk heeft den schrik in het harte, en die zijne onderdanen waren, schreien allen; doch die daden zijn geene vroolijke spiegelgevechten, als in de

ocr page 20

10

tournooien waarbij schoone vrouwen zonder vreeze kunnen toezien; maar daar heeft bloed gevloeid; veel bloed! „De vruchten van den boom des oorlogs,quot;' zooals de Hertog zelf zich uitdrukte, zijn vreeselijk om aan te zien, en niet geschikt om voor vrouwen-ooren geschilderd te worden. Om het al te zeggen, in één woord, hij weet, Prinses ! hoe de Hertog van Bourgondië reeds gekend was voor een stout krijger en een strafrechter, en toch eerst op dezen tocht, eerst te Nesle, won hij zich den bijnaam van Karei den Geduchten!quot;

Maria verbleekte. „Lacy! waartoe vroeg ik dit?quot; sprak zij met een zachte stem; „hoe dacht ik niet aan het lijden der overwonnenen, toen ik van den roem des overwinnaars hooren wilde!quot;

„Daarbij wordt het nu wapenstilstand met Frankrijk ; de Hertog behoeft mijne diensten niet meer, en ik kon mij ontslagen rekenen, sinds hij zijn woord terugnam, zoo ik wilde, maar ik wil dat niet. Zie Maria! zóóver brengt mij de lielde tot u; ik, die een vrij Prins was, uit het hooge Huis van Anjou, Hertog en Heer in mijne eigene Staten, ik ben slaaf en vazal van den Hertog van Bourgondië; een ander had op het schenden van een verdrag als het onze, geantwoord met het uitgetogen zwaard en met het bondgenootschap van Lodewijk XI; had hem grieve voor grieve wedergegeven; ik buig het hoofd onder zijn wil; ik houde trouw aan den band, dien hij breekt; ik blijt liever eenzaam, dan mij aan te sluiten aan zijne vijanden; ik steek mijn zwaard in de scheede, nu het hem niet meer dienen kan, en dat alles om slechts de gunst te verwerven, u dit zelf te zeggen, de gunst van dit wederzien, van een afscheid .. ..quot;

De aandoening verstikte hem de stem; hij kon niet voortgaan: hij leunde een oogenblik tegen het tapijtbehangsel, dat dit gedeelte van het vertrek scheidde van het overige, op de wijze van onze tochtschutten. Daarop hervatte hij zich, en vervolgde met eene stem die dof klonk:

„Mijne genadige Heere van Bourgondië heeft mij dan ook die gunst niet geweigerd, en ik ben hier, Maria' om van u zelve te hooren, of gij niet een weinig medegevoelt van de brandende smart, die mij verteert; om te weten, hoe gij de scheiding draagt, welke mij doodt: kost zij u niets, Maria? Wij waren toch ver-

ocr page 21

11

loofde lieden voor het oog van God en raenschen! heb ik niet liet zoete geschrift uit uwe eigene hand ontvangen, en staat daar niet: „Dat gij mij te manne naamt en nemen zoudt en geen andere bij mijn leven, zoo het God behagen mocht.quot; Gij schreeft toch die woorden zonder dwang naar het scheen?quot;

„Zóó deed ik, schoone Neef! -en zeker, het is droevig, wel droevig! ook voor mij! Ik was nu eenmaal gewend in u mijn toekomstigen Heer en gemaal te zien; ik heb u veelmalen zoo genoemd, als gij gaarne wildet dat ik deed. En zal ik spreken zoo ik denk : U had ik liever tot bruidegom gekozen, dan Mjjn-heer van Guyenne, die van eene andere Dame de kleuren droeg, naar het gerucht ging, of als Mijnheer den Dauphin van Frankrijk, die een kind is, of als een van de Duitsche Prinsen, welke barbaren zijn, slechter gekleed, naar ik hoor, dan onze Vlaam-sche dorpers, of eenig ander hoer, waarvan ik het aanzicht niet eenmaal ken; want van u weet ik, dat gij een Ridder zijt, fraai van leden en minnelijk van wezen, plegende alle loifelijke daden en deugden, bekwaam en abel in alle ridderlijke handelingen als een edelen manne voegt : niet hard van woord of streng van daad tegen de kleine lieden; van zoete zeden en aangename courtoisie voor vrouwen, en trouw, als ik zie en wete, aan uwe dame d'amour (zij gaf hem dien laatsten lof op de wijze van iemand, die een muntstuk uitgeeft, welks waarde hij niet begrijpt, schoon hij weet dat het koers heeft); maar wat ook mijn wil of welbehagen mochte geweest zijn, mijn genadige Heere de Hertog heeft nu anders geoordeeld, en dit weet gij. Neef! daartegen baat geenerlei tegenspraak.quot;

Juist dat, wat zij hem aanwees als onomstootelijke hinderpaal, scheen hem plotseling een pilaar der hope.

„Wie zegt het u, schoone nicht! daar gij het niet hebt beproefd ? Als gij met woorden, zooals gij ze vinden kunt, zooals hij ze gaarne van u hooren moet, uw Heer Vader voorhieldt, hoe hjj u hard behandeld heeft, zoowel als mij: hoe hij u gewaagd heeft aan de zoete kwaal van Amor met hope van genezing, en hoe hij u ter prooie laat aan de smarte en teleurstelling, u ontnemende uw getrouwen Kidder en verkoren pour-suivant rVamour. Ziet gij, Maria, volschoone! als gij zóó

ocr page 22

spreken wilt, zal ik voor hem nederknielen; het moet Karei van Bourgondio vreugde geven, een zoon uit het Huis van Anjou, een Hertog, die zijne gelijke is, aan zijne voeten te zien; en hij zal mededoogen hebben, en hij zal barmhartig zijn, zijn eenig kind niet storten in zoo grooten jammer, haar scheidende van wien zij verklaart lief te hebben. Hij bemint u toch ook; Karei de strijdbare zal voor u niet de Geduchte zijn, als gij hem aanziet met dat liefelijk oog, met dat wezen, zacht en vroom als van eene heilige martelares: als hij hem zegt. hoe alles, wat u vroeger tot vreugde was, u nu tot marteling is geworden; hoe de dagen die ik met u slijten mocht in ditzelfde Mons, u herinneringen hebben nagelaten, te zoet om verdrongen te worden, en die toch pijnigen bij het gemis; hoe wij in vertrouwelijke samensprekingen vaak gekout hebben van minne en galanterie; hoe gij mij liever dan een ander ter zijde hadt op wandelritten en op de edele vogeljacht; hoe gij....quot; maar zij ontnam hem het woord met een vuur, als zij nog niet had getoond.

„Schoone Neef! zeg mij toch, of gij uw nobelen valk nog hebt, uw kleinen, dien zwarten meen ik, Grippe-Agile, als gij hem noemdet? Dien zal ik nooit weder zien opstijgen naar de prooi,quot; voegde zij er treurig bij.

Do Calabrische Prins stond als vernietigd van spijt on ergernis: een donkere gloed kleurde zijne bevallige en sprekende trekken; een oogenblik gloeide zijn gitzwart oog; de ongelukkige had vergeten, dat hij zijne eigene gewaarwordingen had geschetst, terwijl hij de hare meende uit te spreken; dat die minnekout toen, als nu, eene alleenspraak was geweest; dat hij nooit zoo diep in hare gunst had gedeeld als haar paard en zijn geliefkoosde prooivogel, willens blind, had hij haar gezien zooals hij haar wenschte, en niet zooals zij was. Hij had vergeten, dat hij vijf en twintig jaar telde, en zij nauwelijks vijftien; dat bij hem de hartstochten waren ontwikkeld in volle kracht en geweld, en dat ze bij haar sluimerden onder het koele sneeuwbed der onwetendheid, en dat hu het niet was, die ze zou doen ontwaken; dat zij in hem niets had kunnen zien, dan een gewilligen metgezel, die zich naar al hare luimen plooide; dat ieder ander, bjj dezelfde diensten, dezelfde rechten op haar zou verkregen heb-

ocr page 23

13

ben; dat zij hem tot bruidegom had aangenomen, zond?r tegenzin, misschien met welbehagen : maar zonder liefde. Dat alles, hetwelk hij vergeten had of nooit geweten, begon hem nu duidelijk te worden, en de voorn der teleurstelling worstelde in zijne ziel met den eerbied dor liefde. Toch verwon weêr de laatste, en met eene zachtheid, waaronder altijd iets dóórschemerde van zijne bittere gewaarwordingen, sprak hij :

„Grippe-Agile was voor een uur nog de mij no; sinds ik hier ben, is mijn Edelman Campo Basso in uwe voorzaal met den valkenier, die het edele dier oppast; ik bracht het u tot aandenken van hem, die van hier gaat om te sterven!quot;

En de gloed van zijn oog werd verduisterd door oen traan. Dit zag Maria, en zij begreep, dat het eene groote smart moest zijn, die dat vocht ontlokte aan dat oog; dit zichtbare bewijs van droefheid verstond zij beter, dan de gloeiende schildering van een lijden, dat zij niet deelde: en goedhartig als ze was, sprong ze schielijk op van hare zitplaats, en nam eene zijner handen, die zij nauwelijks omvatten kon, met hare beide te zatnen en riep luide, maar met vleiende stem:

„Lieve, goede Neef van Calabrië! ik wil uw valk wol nemen tot een aandenken on pand van minne; maar gij moet niet spreken van sterven, en ik wil geene tranen zien. Foei! een Ridder tranen, en dat om een verbroken trouwverbond! Heilige Maagd, mijne Patronesse! als ik schreien wilde om zulker oorzake, ik mocht doorgaan voor een boetende zuster van Dyon! Vat toch moed, Heer! het is nog wel mogelijk, dat gij mijn gemaal wordt cn meester mijner schoone erflanden; mijn gevreesde Heer Vader heeft wel verbonden gesloten met vijanden: waarom zou hij ze niet hernieuwen met vrienden? De Hertog heeft mij wel verloofd met Mijnheer van Guy enne, op aanraden van den Connctable de St. Pol, schoon hij den laatste geenszins oen goed hart toedraagt; mijn gezegde Heer heeft mij eveneens verloofd met den zoon van Frankrijk, schoon mijn Heer peter van Frankrijk altijd mijns Heeren schade bedoelt en groot verderf; en zoo zou ik u nog velen kunnen noemen, want mevrouwe van Ravenstein vertelt mij dat alles, en ik zeg het u, opdat gij moed zoudt vatten, vriend en Neef! en daarom blijf niet zoo droef voor u heenstaren.quot;

ocr page 24

14

„Aanvallige engel! Maria! mijne en éénige geliefde!quot; riep de jonge man met verrukking, half betooverd, half weder opgewonden tot gelooven aan wat hij wensehte; en hij waagde het, de zachte boeien te kussen, die zijne hand nog omklemd hielden. „St. Peter en St. Andries, de groote beschermheeren van Calabrië en Bour-gondië, mogen mij verzaken en als vijand houden, zoo ik u niet gehoorzame in alles, tot zelfs in de hope toe!quot;

„Onze lieve Vrouw! mijn goede Patronesse!quot; riep Maria, weder afgeleid, en haar gevangene ontslaande, „hoe het warm is in die dompige kamers, Marotte!quot; Zij wendde zich tot hare dwergin: „Zie, of gij dit kruisraam kunt openen; het moet het uur zijn, waarop de jonkers met den boog schieten.quot;

Maar de kleine Marotte kon niet gehoorzamen; de taak bleek haar te zwaar.

„Roep een page; het zou tegen den regel zijn, zoo daar niemand was,quot; beval de jonge Vorstin dringend.

„Het is onnoodig.quot; sprak Hertog Nicolaas, wiens krachtige vuist beter was geslaagd. En vlug als een eekhorentje uit haars vaders bosschen van Luxemburg, sprong toen de jonkvrouw in de breede vensternis, en wenkte don Calabriër bij zich; ook bleef hij naast haar staan met zorgvolle voorzichtigheid, want bij de levendigheid harer bewegingen was zij in deze houding niet zonder gevaar, om het kruisraam uit te storten. Karel's beste schat was in de hand van den man, wien hij dien zoo gevoelloos ontnemen wilde ; maar zij was er veilig, want een warm, maar edel bloed stroomde hem door de aderen; met ridderlijke kieschheid hield hij haar vast bij een enkele slip van haar kleed; maar men had eer de prooi kunnen rukken uit den bek van den klemdog, dan deze damastzijde uit die hand; het breede sabelbont, waarmede het geboord was, had zich eerder kunnen loswringen, dan zij zelve. En het was noodig, want nauwelijks vertoonde zij zich, of de jonge edellieden en schildknapen, die zich werkelijk op dit binnenplein in he.t wapenspel oefenden, begonnen haar te begroeten met luid gejuich en betuigingen van eerbied, en zij zelve ging zoozeer haar aandacht geven aan hunne oefening, dat zij alles vergat; en op eens de handen ineenslaande van vervoering, riep zij vroolijk:

ocr page 25

15

„Eere en heil, Messire Philip! dat was een juist schot; — bij St. Gadula van Brussel, Prins! ziet ge wel, hoe de kleine bastaard van Bourgondië een geoefend schutter wordt!quot; en tegelijk boog zij zich zoo sterk, dat zij voorovergeslagen ware, zonder hulp. Zonder een woord te uiten (want de schrik had hem de spraak als benomen) rukte hij haar achterwaarts, en snel daarna plaatste hij haar op de kleine verhooging nevens de vensterbank, met de lichte beweging van wie een tengere bloem nit een beker neemt.

„Ik dank u, edele Heer!quot; sprak Maria, slechts weinig ontsteld (zij had het gevaar niet bemerkt, voor zij het ontgaan was); „zoo zonde waarlijk het woord van mijne narrin waar worden, die voorzegd heeft, dat een val mij noodlottig zou zijn.quot;

„Gij ziet Jonkvrouw van Bourgondiü !quot; antwoordde hij, bleeker dan zij; „dat het een gevaarlijk vermaak is, waarvoor gij mij in het verder spreken verhinderdet. Wil nu luisteren bidde ik . .

„Mijn Heere Nicolaas! .. .. op een anderen tijd als het zijn kon; ik luisterde reeds zoo lang!''

Hij zuchtte diep. „Wij zien elkander voor het laatst,quot; antwoordde hij met gedwongene bedaardheid : „zelfs is bijna de tijd....'' „Ik wilde u juist daaraan herinneren, edele Hertog!quot; en met dit woord vertoonde zich een statige vrouwengestalte, in vorstelijk gewaad, gevolgd van nog twee andere Dames; zij kwamen tot het paar, door de opening van het tapijten afschutsel.

„Geloofd zijn de goede Heiligen! mijne zeer lieve Grootmoeder, Mevrouw Isabella!quot; riep Maria met vroohjke verrassing, ,Reeds van Dyon terug? En gij ook hier. Gravin de Chimay! met mejonkvrouwe d'Arguel? Ik wist toch wel, dat men mij niet zonder opwachting zou laten zoo langen tijd,quot; vervolgde zij fier en bijna geërgerd, bij het denkbeeld der waarschijnlijkheid voor zulk een verzuim.

Het was inderdaad Isabella van Portugal, Hertogin-weduwe van Philips den Goeden en eigen moeder van Karei den Stouten, aan het Hof doorgaans Madame la Grande genoemd, die dus het afzonderlijke onderhoud der gescheidene verloofden stoorde. Het was eene fiere en schrandere vorstin, die bij het leven van haar gemaal ganseh niet zonder invloed was

ocr page 26

16

geweest op de staatkunde en het bestuur van het Hertogdom. Ook nu had zij dien niet geheel verloren; zij werd door Karei geliefd en geëerbiedigd; en terwijl zij vroeger in de huiselijke twisten de partij van haar zoon had genomen, tegen haar echtgenoot, beschermde deze haar nu ook, door zijne hoogachting en oplettendheden, tegen de smartelijke verwaarloozing, waartoe zich een verdrongen gezag zoo licht verwezen ziet. Die hartelijke verkleefdheid tusschen die bloedverwanten had misschien haar grond in een sterke gelijkheid van karakter, want het was wel van haar, dat Karei die trotsche onverzettelijkheid van wil had geërfd, dat hoofdsche vasthouden aan uitwendige vormen, en bovenal dat achterdochtige wantrouwen in anderen, dat bijna onvereenigbaar scheen met zijne overige hoedanigheden, en dat hem alleen kon toegekomen zijn door zijne Portugeesche moeder. Bij zijn langdurigen weduwenaarsstaat, en zijne gewone afwezigheid in krijgstochten en reizen, was het bovenal aan deze, dat hij het toezicht over Maria's opvoeding had aanbevolen. En nog sinds zijn derde huwelijk met Margaretha van York, had Isabella rechten op hare kleindochter weten te behouden, die naar billijkheid op de stiefmoeder hadden moeten overgaan.

Op Karel's verzoek was zij van Dyon schielijk naar Mons gereisd, om er gelijktijdig aan te komen met den Calabrischen Prins. En zij had bij deze gelegenheid hare waakzaamheid noodig gekeurd, schoon zij de vrijheid van dit mondgesprek niet door hare tegenwoordigheid had willen belemmeren, om zich te beter van hunne wederzijdsche gevoelens te vergewissen. Zij was met haar stelsel van bespieding ditmaal volkomen geslaagd; alles wat er in het midden van het vertrek was gezegd, had zij verstaan, en zij scheen over de uitkomst niei ontevreden; ten minste het was een vriendelijke ernst, waarmede zij zich tot Nicolaas wendde, toen zij hem zeide:

„Lieve Neef van Calabrië en Lotharingen! mijn Heer zoon, de Hertog, gaf mij een last voor u, dien ik vervulle-.i zou na uw mondgesprek met mijne Jonkvrouwe van Bourgondië. Het is eene tijding, naar ik meene, voor u niet min vroolijk dan gewichtig. Intusschen twijfel ik, of onze jonge Vorstin het geduld zal hebben ons aan te hooren; ik weet, hoe zij smacht naar beweging

ocr page 27

17

en vrije lacht. — Liefste Marie! gun uw Ridder een afscheid.quot;

De jonge Prinses dankte haar met een blik, en reikte den Hertog haastig de hand, terwijl zij er bijvoegde met den vrien-delijksten glimlach, die haar lieftallig wezen bezielen kon : „Wees toch niet al te droevig, Neef! mij dunkt, wij zien elkander weder!quot;

Verrast door de onverwachte tegenwoordigheid van Isabella, bedwelmd en verward door hare woorden, die eene belofte schenen in te houden, en overweldigd door de smart van het oogenblik der scheiding, dat hij zeker had gehoopt nog te verschuiven, wierp zich de jonge Prins aan hare voeten, zonder een woord te uiten; als bewusteloos drukte hij zijne lippen tegen het bont van haar kleed, dat hij krampachtig gevat hield; hij had hare toespraak niet gehoord, hare hand niet genomen. Mevrouwe de Chimay en Demoiselle d'Arguel voerden Maria met eenige drift van hem weg; het scheen haar iets te kosten, hem zóó te verlaten, liij de deur genaderd, zag zij nog even om; hij was in dezelfde houding gebleven, als waande hij haar nog daar; die verbijstering van radelooze droefheid sprak tot haar hart; zij barstte in een zacht schreien los, en fluisterde bewogen tot Demoiselle d'Arguel, op wier arm zij leunde: „De arme Prins van Calabrië lijdt door mij, en dat pijnigt mij bitterlijk: maar de Heilige Moeder Gods moge mij vergeten in hare voorbede, zoo het mjjne schuld is, of zoo ik wete hoe het te verhelpen.quot;

En zjj had wel gelijk, het lieve kind ! Het was hare schuld niet, dat zij het gewicht der handelingen niet begrepen had, waarbij men haar als werktuig had gebruikt, dat zij eene trouwbelofte had geteekend op bevel van haar vader, met dezelfde bereidwilligheid, waarmee zij hem een harer liederen op de harp zou hebben voorgespeeld; maar ook zonder bij het eene meer te voelen dan bij het andere, als het perkament verbrand zou worden en het lied gestaakt; het was hare schuld niet, dat ze, ondanks een zeker welgevallen in den goedigen en bevalligen Ridder, als bij ingeving had begrepen, hoe tien jaren verschil van leeftijd oneindig veel verschil moest geven in ontwikkeling van hoofd en hart; hoe zij nog kind heette, terwijl hij man was: misschien was het die kinderlijke naijver op zijn vermeend voorrecht, die haar tegen hem innam, zonder dat zij het zelve

Kroon Karei den Stoute. 2

ocr page 28

18

wist. Het verveelde haar, hem te hooren uitdrukken, wat zij niet wist te voelen; het vernederde haar, te bekennen, dat zij niet begreep. Onbestemd zag zij zijne zedelijke meerderheid heenschemeren door de pogingen zelve, die hij aanwendde om zich gelijk te stellen; en zoodra zij eenmaal begrepen had, dat zijne gelijkstelling nederbuigen was, was hij verloren, de arme Prins, en toch wel buiten hare schuld. Het gebrek aan sympathie had antipathie kunnen worden bij een langer samenzijn; nu was het alleen nog maar koelheid. En daarin had Marie ook gelijk: zij kon niets verholpen; de koelheid mocht een oogenblik plaats maken voor belangstelling en deelneming bij het zien van zijn leed, zij moest het voelen om het te kunnen lenigen; en zij mocht God, den Heer der onschuld, danken, dat zij het niet voelde; zij kon niet weten, hoe oneindig eene weldaad haar geschonken was in hare ruste. Zij schreide van deernis om den man, dien zij niet beminde: welke andere tranen zou ze gestort hebben, ware hij bemind geweest! en ze hadden evenwel moeten vloeien, want de staatkunde en de eerzucht zijn zonder barmhartigheid.

Isabella van Portugal had een oogenblik met welgevallen op den troosteloozen Calabriër neêrgezien. „Met tien zulke dienstmannen verovert Karei de wereld!quot; mompelde zij met onvrouwelijke zegepraal; daarop naderde zij hem: „Hertog van Lotharingen! richt u op, ik heb eene goede boodschap.quot;

„Wat kunt gij mij nu nog zeggen!quot; vroeg hij met gedempte stem zonder van houding te veranderen.

,Een schoon woord. Mijnheer de Calabriër! — Hoop/ Zie, lees, ken de bedoeling des Hertogs! . . ..quot; en zij gaf hem eene ongezegelde briefrol.

„Openlijk met u gebroken; Oostenrijk gevleid en misleid, totdat. . . .quot; maar de jonge Hertog had, terwijl hij sprak, met driftig ongeduld het schrift doorloopen.

Hij stond op, fier en moedig, met flikkerende oogen. „Hij wil een kroon!quot; riep hij bijna met minachtende bitterheid, „niets dan eene kroon, eer hij beschikken durlt over de hand van zijn kind; zijne kroon zal hij hebben, zoo de Heiligen mij niet tegen zijn; maar zeg mij,quot; vervolgde hij smartelijk, „welke kroon zal

ocr page 29

19

er eerst nog gewonnen moeten worden, eer het hart het mijne is; dat ik stel boven al het andere?quot;

De Hertog-weduwe antwoordde met een glimlach: „Eene overweging als deze past alleen een kwijnenden minnezanger uit Koning Rene's Provence, en niet den toekomenden schoonzoon van Karei den Strijdbaren. Maria is nog een kind-, maar zij zal u liefhebben als gij haar heer zult zijn, twijfel er niet aan. En nu blijf gij trouwe houden aan de overeenkomst, wat er ook moge voorvallen, dat u tot het tegendeel schijnt te'manen; neem uw verblijf te Nancy, liever dan aan het hot' van den Koning, uw Grootvader.... Do Graaf van Campo-Basso is gekozen tot het middel onzer geheime onderhandelingen ; mijn zoon van Bourgondië groet u en wenscht u goed heil en de gunst des Hemels; gij trekt nu vroolijk van hier, met de hoop in het hart . . .

„Zeg veeleer met den dood in het hart, edele vrouw!quot; verbeterde hij, terwijl hij zijn afscheid nam.

En dat woord der moedeloosheid was eene voorspelling. De krachtvolle bloeiende jonkman beleefde niet meer eene Octo-bermaand. In Augustus van het jaar, dat volgde, is hij gestorven. Een dof gemompel heeft Lodewijk XI beschuldigd van zijn dood. Hij deed hem vergif geven, luidt de aanklacht; maar anderen spreken haar ijverig tegen, en loochenen, dat zijn dood door mensehenhanden is vervroegd; wij willen beiden in het ongolijk stellen; wij gelooven, dat hij aan vergif is gestorven dat Karei zelf het hem heelt toegediend; maar wij gelooven nier, dat het eenig kruid of drank zij geweest, bepaald doodehjk voor de bewerktuiging des lichaams; doch hij heeft het lichaam gedood met het venijn der ongelukkige liefde; hij heeft het lichaam gedood door het hart; hij heeft dat hartstochtelijk en prikkelbaar gestel beurtelings opgewonden en geprikkeld tot de uitgclatenste blijdschap en dan weêr neêrgedrukt en versuft onder de dompigste wanhoop; hij heeft hem altijd aarzelende gehouden tusschen vreeze en hope, de afmattendste spanning der ziel, die de zenuwen verslapt en do spieren vermagert, die het vocht verteert, die het merg uitdroogt in het gebeente; hij gebood hem rust te houden, terwijl alles in hem kookte en joeg en tot handelen voortzweepte; hij spoorde hem tot den

ocr page 30

18

wist. Het verveelde haar, hem te hooren uitdrukken, wat zij niet wist te voelen; het vernederde haar, te bekennen, dat zij niet begreep. Onbestemd zag zij zijne zedelijke meerderheid heenschemeren door de pogingen zelve, die hij aanwendde om zich gelijk te stellen; en zoodra zij eenmaal begrepen had, dat zijne gelijkstelling nedorbuigen was, was hij verloren, de arme Prins, en toch wel buiten hare schuld. Het gebrek aan sympathie had antipathie kunnen worden bij een langer samenzijn; nu was het alleen nog maar koelheid. En daarin had Marie ook gelijk: zij kon niets verholpen; de koelheid mocht een oogenblik plaats maken voor belangstelling en deelneming bij het zien van zijn leed, zij moest het voelen om het te kunnen lenigen; en zij mocht God, den Heer der onschuld, danken, dat zij het niet voelde; zij kon niet weten, hoe oneindig eene weldaad haar geschonken was in hare ruste. Zij schreide van deernis om den man, dien zij niet beminde: welke andere tranen zou ze gestort hebben, ware hij bemind geweest! en ze hadden evenwel moeten vloeien, want de staatkunde en de eerzucht zijn zonder barmhartigheid.

Isabella van Portugal had een oogenblik met welgevallen op den troosteloozen Calabriër neergezien. „Met tien zulke dienstmannen verovert Karei de wereld!quot; mompelde zij met onvrouwelijke zegepraal; daarop naderde zij hem: „Hertog van Lotharingen ! richt u op, ik heb eene goede boodschap.quot;

„Wat kunt gij mij nu nog zeggen!quot; vroeg hij met gedempte stem zonder van houding te veranderen.

,Een schoon woord. Mijnheer de Calabriër! — Hoop! Zie, lees, ken de bedoeling des Hertogs!....quot; en zij gaf hem eene ongezegelde briefrol.

„Openlijk met u gebroken; Oostenrijk gevleid en misleid, totdat. . . .quot; maar de jonge Hertog had, terwijl hij sprak, met driftig ongeduld het schrift doorloopen.

Hij stond op, fier en moedig, met flikkerende oogen. „Hij w.il een kroon!quot; riep hij bijna met minachtende bitterheid, „niets dan eene kroon, eer hij beschikken durlt over de hand van zijn kind; zijne kroon zal hij hebben, zoo de Heiligen mij niet tegen zijn; maar zeg mjj,quot; vervolgde hij smartelijk, „welke kroon zal

ocr page 31

19

er eerst nog gewonnen moeten worden, eer het hart het mijne is; dat ik stel boven al het andere?''

De Hertog-weduwe antwoordde met een glimlach: „Eene overweging als deze past alleen een kwijnenden minnezanger uit Koning Réné's Provence, en niet den toekomenden schoonzoon van Karei den Strijdbaren. Maria is nog een kind j maar zij zal u liefhebben als gij haar heer zult zijn, twijfel er niet aan. En nu blijf gij trouwe houden aan de overeenkomst, wat er ook moge voorvallen, dat u tot het tegendeel schijnt te'manen; neem uw verblijf te Nancy, liever dan aan het hof van den Koning, uw Grootvader .... Do Graaf van Campo-Basso is gekozen tot het middel onzer geheime onderhandelingen ; mijn zoon van Bourgondiö groet u en wenscht u goed heil en de gunst des Hemels; gij trekt nu vroolijk van hier, met de hoop in het hart , ..

„Zeg veeleer met den dood in het hart, edele vrouw!quot; verbeterde hij, terwijl hij zijn afscheid nam.

En dat woord der moedeloosheid was eene voorspelling. De krachtvolle bloeiende jonkman beleefde niet meer eene Octo-bermaand. In Augustus van het Jaar, dat volgde, is hij gestorven. Een dof gemompel heeft Lodewijk XI beschuldigd van zijn dood. Hij deed hem vergif geven, luidt de aanklacht; maar anderen spreken haar ijverig tegen, en loochenen, dat zijn dood door menschenhanden is vervroegd; wij willen beiden in het ongelijk stellen; wij gelooven, dat hij aan vergif is gestorven : dat Karei zelf het hem heelt toegediend; maar wij gelooven niet, dat het eenig kruid ol' drank zij geweest, bepaald doodehjk voor de bewerktuiging des liehaams; doch hij heeft het lichaam gedood met het venijn der ongelukkige liefde; hij heeft het lichaam gedood door het hart; hij heeft dat hartstochtelijk en prikkelbaar gestel beurtelings opgewonden en geprikkeld tot de uitgelatenste blijdschap en dan weêr neergedrukt en versuft onder de dompigste wanhoop; hij heeft hem altijd aarzelende gehouden tusschen vreeze en hope, de afmattendste spanning der ziel, die de zenuwen verslapt en de spieren vermagert, dio het vocht verteert, die het merg uitdroogt in het gebeente; hij gebood hem rust te houden, terwijl alles in hem kookte en joeg en tot handelen voortzweepte; hij spoorde hem tot den

ocr page 32

20

arbeid, terwijl des jongelings krachten reeds bezweken onder den last des levens. Opdat Karei een eerzuchtig doel een stap nader zoude zijn, stortte hij zich in zijn radeloozen aanslag op de stad Metz, wiens mislukking de laatste teleurstelling was van zijn gefolterd leven, gelijk ook de laatste daad.

Karei van Bourgondië was zijn tiran geweest, zijn beul, zijn moorder; en toch kon deze met Franz Moor in het rond vragen : „Wie beschuldigt mij hier van moord?quot; Te Nancy bezweek de jongeling; een roerend poëtische dood! Te Nancy zou later eene andere lotsbestemming beslist worden; eene schitterende, die droevig en laag zoude eindigen! Voorwaar, als men de feiten der Geschiedenis naast elkander stelt, hier den teleurgestelden jongeling op zijn doodsbed, daar den schitterenden veroveraar, verstikt in de ijsmoerassen, en boven beiden de hand, die den laatste neerstortte waar de ander nederzeeg, dan leest men het groote woord „rechtvaardigheidquot; in duidelijkheid, maar ontzagwekkend schrift.

Wij willen van Karei s leven eene bladzijde opslaan, die ons zeggen zal, of er niet een uur geweest is, waarin hem teleurstelling voor teleurstelling ia vergolden geworden, en waarin hij zelf heeft gevoeld en begrepen, wat hij anderen heeft doen lijden.

ocr page 33

HOOFDSTUK II.

In een der kleine vertrekken van het Aartsbisschoppelijk paleis te Trier vond eene levendige woordenwisseling plaats op den morgen van den 20sten September 1473, en zoo de lieden, die haar voerden, dag en uur niet zoo goed hebben onthouden als wij, is het ten minste niet, omdat de zaak, waarover zij twistten, hun toenmaals weinig ter harte ging. Het scheen toch niet anders te zijn dan eene onderhandeling met een dier kooplieden, te dier tijde en nog lang daarna, onder den naam van Lombarden bekend, omdat de eersten hunner uit Lombardije herkomstig waren, schoon misschien vele der lateren dat gedeelte van Italië noch eenig ander ooit hadden gezien; kooplieden, die vorstelijke sommen op vorstelijke goederen tegen Joodschen woeker beleenden, en die even gewillig de bezorging van een gering sieraad op zich namen ; die kleinooden verhuurden en kleederen te pand namen, en die zich leenden tot iederen sluikschen en geringen ol openbaren en belangrijken handel, met geen boozer opzet, dan om in het bestaan hunner medemenschen zelve niet te verarmen, ja zelfs hier en daar nog eene kleine winst te doen! Een man als deze, maar hier zeker wel een Italiaan, zoo niet bepaald een Lombardjjer, in eene voormaals prachtige, doch versletene en slordige reiskleeding, stond voor de Markgravin Wilfriede van Spangenheim-Zielberg, in eene ootmoedige houding, en met den ingeroesten glimlach op de lippen van iemand, die gewoon is elke grofheid om des belangs wille met hoffelijkheid te slikken.

De Markgravin Wilfriede was eene dame op den terugkeer des levens, die evenwel alle aanspraken op schoonheid nog niet

ocr page 34

22

had behoeven op te geven. Zij droeg het hoofd moedig en fier, schoon er op dit oogenblik meer bittere dan vroolijke aandoeningen op haar gelaat leesbaar waren ; zij hield het oog strak gericht op een kostbare gesteente, dat zij in de hand hield, en liet het dan weder afdwalen op eenige stukken zilverwerk, waarop familiewapens waren gegraveerd, die iets verder op eene tafel stonden.

De Markgravin was niet alleen; een jonkman van een zacht en zwaarmoedig voorkomen, tenger en sterk blond, evenals zij zelve in oud-Duitsche kleeding, leunde tegen haar zetel in eene lustelooze en verdrietige houding. Een ander man met grijze haren, van een eerbiedwekkend voorkomen, zat in een hoogen armstoel tegenover haar, en hij scheen zooeven gesproken te hebben met eene drift, waarvan zijne stem nog getuigde, toen hij er bijvoegde:

„Tk herhaal het, die buitensporige verkwisting brengt ons ten grondo en is dienstig tot niets. . . .quot;

„Tot niets geringer, dan tot de eer van uw kleinzoon. Graaf van Eickstadt!quot; antwoordde Wilfriede, met een verwijtenden blik.

„Toen ik het zwaard voerde, hing de eer van een Ridder aan iets anders dan aan een juweel voor een hoed,' hernam de oude Edelman levendig.

„Dus meent gij, dat het hom en ons niet tot schande zou zijn, zoo de éénige erfgenaam van Spangenheim en Zielberg, de bloedverwant van den Aartsbisschop, bij eene gelegenheid als deze, moest onderdoen voor een gewoon Ridder van een vreemden vorst ?quot;

„Ik vrees, dat gij dit niet verhinderen zult, al verpandt gij al de tegenwoordige en toekomende bezittingen van uw minderjarige aan onzalige Joodsche verleiders, waar geen edelvrouw in mijn tijd zich mede zoude hebben ingelaten; dat was toenmaals schande!quot;

„Uwe Grafelijke Genade dulde, dat ik haar inlichte, hoe zij dwaalt op drie punten,quot; voegde de Italiaan hem snel toe. „Vooreerst ben ik, door de genade van de Heilige Maagd, geen slechter Christen dan eenig Duitsch Edelman; ten tweede, is de lichte overwinst, die ik nemen moet om te blijven bestaan, geen woeker te achten, in aanmerking van de groote verliezen, waaraan wij blootstaan; ten derde, is Koning Karei VII van Frankrijk uw tijdgenoot naar ik meene, en deze. die een hoog en machtig Heer was, heeft vele zaken gehad met mijn vader;

ocr page 35

23

ik ben geen onbekend zwerver, Heer ! maar de zoon van een man, die Fransche kroonjuweelen in zijne bewaring heeft gehad: en wat aangaat den wensch der Genadige Vrouwe, om den hoogedelen Markgraaf te doen schitteren, ik neem aan een volledig stel kleederen te leveren met sieraden en gesteenten, zooals het zijn moet, voor duizend t haler a en zonder anderen waarborg voor de betaling, dan de Baronie Zielberg alleen.quot;

„De Baronie Zielberg alleen!quot; riep nu de jonge man, die de Markgraaf zelf was, met verontwaardiging, terwijl hij zich uit zijne achtelooze houding ophief. „Het beste erfgoed van mijn zaligen Heer Vader, voor niets beter dan een kleed! Moeder! bij zijne nagedachtenis, Moeder! ga niet verder met dezen Lom-dardiër. Ik zal de gunst van den Aartshertog weten te behouden zonder praalgewaad.quot;

„Onnoozel kind ! dat zult gij niet,quot; riep de Markgravin driftig, „ik weet hoezeer de Aartshertog bij deze samentreffing wenscht te schitteren; ik zie dieper en verder dan een kindsche grijsaard en een kinderlijke jongeling. — Gij zijt Edelman van Maximi-liaan; voor het eerst zult gij u aan zijno zijde vertoonen, ten aanzien van geheel Duitschland en van den.ganschen Vlaamschen en Bourgondischen Adel, en zoo hij over u te blozen had, waart gij verloren! Wat zeg ik! gij moet schitteren, boven allen opgemerkt worden, al zou ik den trouwring van uw vader van mijn vinger moeten geven in handen van dezen Jood! Ik moet oordcelen en moed hebben voor u beiden, en ik zeg u, deze fiere en rijke Hertog, die schoonvader wordt van onzen jongen Vorst, eischt uitstekende pracht in wie hem naderen; hoe zult gij, jongeling! hem behagen, zoo ge voor hem komt, slechter uitgemonsterd dan een gewone schildknaap?quot;

„En hoe zal ik voor hem staan, als ik mijn grootsten rijkdom in kleederen met mij draag!quot; sprak de jongeling ernstig. „Neen Mevrouw! ik wil.....quot;

«Zwijg, Sigibert!quot; riep de achtbare grijsaard, „onteer u zeiven niet door een hard woord tegen uwe moeder. Zij is de voogdes uwer jeugd, en zij moge het voor God en uwe vaderen verantwoorden, hoe zij huishoudt met het erfgoed van een wees. Zij is gewaarschuwd; maar ik weet, dat zij eiken anderen raad

ocr page 36

24

versmaadt dan haar eigenen. Zij heeft gezegd wijsheid genoeg te hebben voor ons beiden; zij handele naar hare wjjsheid! Slechts dit hoore zij van haar vader; dat dwaze verkwisting schande werkt! en gij, m[jn kleinzoon! leid mij van hier, en blijf gij bij het geloof, dat het der Dnitsche Kidderschap goed zou staan, zoo zij dien strijdbaren Vorst te gemoet ging in volle wapenrusting en met goede zwaarden, opdat hij weten mocht, dat, zoo het ons aan goud ontbreekt, wij ten minste voorzien zijn van deugdzaam staal: want zie, ik acht het gedaan met de Duitsche vrijheid, als de Duitsche Edelen vreemde pracht willen nabootsen.quot; En de edele grijsaard, in wiens ziel het meer helder was dan in de oogen, verliet het vertrek, leunende op zijn kleinzoon. Hij kon niet langer deelnemen aan eene beraadslaging, waarbij zijne stem voor niets gold.

„De oude man heeft niet met zijn tijd voortgeleefd; het kind begrijpt dien nog niet,quot; sprak de Markgravin, terwijl zij hem koel naoogde ; „later zullen zij mij danken, als de uitkomst mij heeft gerechtvaardigd. Zij weten niet wat het is, zijn goed op woeker uit te zetten; mijn geweten zegt mij, dat ik zoo handelen moet in het belang van mijn zoon, schoon het grievend is, dat men zulke offers moet brengen.quot; Zij liet een oogen-blik het hoofd peinzend zinken op de vlakke hand; daarna vervolgde zij bedaard: „En nu, Bertrando! aan onze zaken.... Gij zult, onder de bedongen voorwaarden, den Markgraaf, mijn zoon, een volledig feestgewaad leveren, met alles wat daarbij behoort, en dezen steen is begrepen in onzen koop. ...quot;

„Vergeef mij, allergenadigste!quot; hernam de Lombard, met eene diepe buiging en den eeuwigen glimlach; „laat mij u herinneren, dat ik voor dezen robijnknoop, die de mats van den graaf van Wurtemberg eere zou aandoen, het zilverwerk heb ingeruild, meer ten genoegen van Uwe Genade zelve, dan tot mijn voordeel.quot;

Wilfriede zuchtte. „Duizend thalers voor één kleed, dat is toch veel,quot; sprak zij; „gij maakt misbruik van mijne verlegenheid — maar het zij zoo — laat het slechts prachtig zijn, en dat zal het, niet waar?.... Men zegt, dat deze Bourgondiërs het goud en zilver verkwisten, tot op de dekken der paar-

ocr page 37

den toe,quot; voegde zij er bij, hem onrustig vragend aanziende.

„Excellenza kan gerast zijn ; als men alle uitsporige praatjes

gelooven wilde, die er omgaan.....Het gerucht gaapt altijd

wijder dan de daad ; — wat te Aken nog maar eene muis is, groeit tot een olifant eer het hier tot ons komt; maar mijne genadige Vrouwe kan mij gelooven, Karei de Stoute heeft de goudmijnen van het Oosten ook niet voor zich alleen ! De Signora Marchesa mag zich veilig op haar trouwen slaaf verlaten ; hij heeft Vorsten bruiloftsgewaden bezorgd !quot;

„Zoo wil ik mij dan geheel aan u betrouwen ! Slechts dit nog: zoo gij de Bourgondische manier een weinig in quot;t oog kondt houden bij het fatsoen, dat zou worden opgemerkt, en het ware eene fijne vleierij.quot;

„Uwe Genade zal voldaan zijn!quot;

„Er blijft mij nog ééne zwarigheid over: de vier pages en twee schildknapen, die mijn Heer zoons gevolg uitmaken, komen ook te zijnen laste. Andere vorsten voorzien zelve in diergelijke behoeften van hunne hovelingen, maar onze Keizer Frederik doet niets voor de Edelen van den Aartshertog ! Hoe maak ik het met de lieden van den Markgraaf? het is een vereischte, dat zij volgens zijn rang en met zijne kleuren te feest komen.quot;

„Yoor den kleinen prijs van zes honderd thalers belast ik mij met de bezorging daarvan. Mevrouw ! zoo Uwe Genade in gereede penningen betalen wil.....quot;

Gij wilt, wat mij onmogelijk is.quot;

„Moet ik Uwe Genade dienen met mijne schade? Ik zal zelf moeten opnemen ; 800 thalers in waarde aan goud of zilverwerk zal voldoende zijn.quot;

„Alles wat de huishouding van den Markgraaf te missen heeft, is in uw bezit,quot; antwoordde de Markgravin met een treurig schouderophalen.

„De Moeder Gods verlaat de haren niet; ik zal u SQO thalers weten te bezorgen op het Markgraafschap Spangenheim : de Marchesa betaalt mij in gemunt geld, met een klein loon voor bewezen diensten, en alles is gered.quot;

„'t Is den Hemel geklaagd, hoe onbeschaamd lieden van uwe soort hun voordeel doen met onzen nood . . .quot; sprak de Markgravin,

ocr page 38

26

terwijl hare zware pinkers tranen van verbittering terughielden. „Lombardijer ! zoo ik niet wist, dat gij allen gelijk waart. ..

„Zoo hare Genade niet wist, dat niemand kariger eischt, en trouwer volbrengt,quot; verbeterde hij glimlachend.

„Mensch ! ik weet geene andere uitkomst,quot; hernam zij, opstaande in eene soort van wanhopige overspanning. „Ik zal u een volmacht geven voor mijn rentmeester, en dan ga uit mijn oog; gij plundert hier als een Turksche strooper in Hongarije. . . .quot;

„Helaas! de Marehesa weet niet, hoe arme kooplieden, als wij, door de groote Heeren worden uitgezogen en mishandeld ; daar wordt geen Kidder geslagen of wij lijden schade bij zijn harnas! . . .quot; hernam Bertrando, de klacht met eene tegen-klacht beantwoordende. „Maar zal de Hoogedele moeder eene slechter vertooning maken dan haar Heer zoon ? Heeft Uwe Genade zelve niets noodig?quot;

„Ik ben tevreden als hij slechts kan schitteren; de Heilige Maagd, die mij hoort, weet dat ik iederen wensch heb opgegeven, behalve het geluk van mijn zoon,quot; sprak de Markgravin, terwijl zij den Lombardijer van zich zond ; — zij had er kunnen bijvoegen; „en elke ijdelheid behalve de moederlijke....quot; Men zal haar de zucht, om tot zulken prijs met hem te schitteren, misschien vergeven, als men weet, bij welke gelegenheid een dos dienen zou, die door zulke middelen moest worden aangeschaft.

Men heeft reeds uit de woorden van de Markgravin en van de haren begrepen, dat men Karei den Stouten wachtte te Trier. Hij kwam er met geen gering doel. Eene brandende begeerte zijner ziel hoopte hij er vervuld te zien. Nadat hij zich het hoofd zoo zwaar beladen had met de lauwerkransen der overwinning, wilde hij het ook nog gewijd zien door de gouden kroon der Koningen. Slechts één mensch op aarde had de bevoegdheid, hem dien dienst te bewijzen: de Keizer van 't Heilige Roomsche rijk ; en Frederik III had beloofd, zich tot die daad te leenen. Sinds lang hadden het huis van Oostenrijk en de machtige Vorst van Bourgondië elkander wederkeerig het hof gemaakt, met wenschen en bedoelingen, die zij wederzijds doorzagen en aanmoedigden, maar waarvan de verwezenlijking tot hiertoe altijd was verhinderd geworden en ter zijde gesteld

ocr page 39

27

door dien rusteloozen en krijgszachtigen gemoedsaard van den laatste, die hem altijd in oorlogen en in moeielijkheden wikkelde. Nu echter had hij zich eene poos rust willen geven; niet de rust des vredes — eene zoo vaste en zekere had hij niet kunnen dragen, — maar die van den wapenstilstand met zijn ouden vijand Lodewijk XI. Die rust had hij eerst gebruikt, om het kapittel der Vliesridders te Valenciennes bijeen te roepen, gedeeltelijk met het doe', om de talrijke verliezen, die de orde ge-eden had, door het benoemen van waardige leden te herstellen; maar bovenal, om door die edele broederschap zijn aanspraken op Gelderland bewettigd te zien; er is elders gezegd, hoe hij tot die aanspraken kwam, en men begrijpt, dat het hem niet veel moeite kostte, zijn pleit bij de Ridders te winnen, daar zelfs de gevangen Hertog Adolf niet tot eigen verdediging werd toegelaten. Daarop had hij met voortvarende drift, en met de snelheid van Cesar, die kwam, zag, en overwon, zich van het toegewe-zene meester gemaakt, en zooveel haast had hij toén, om de nieuw aangeworvene bezittingen, met al zijne overige Staten, onder een weidschen titel vereenigd te zien, dat hij de verovering van Friesland, die hem een lichte taak ware geweest, tot andere tijden uitstelde, om zijne toebereidselen te gaan maken voor zijne grootsche ontwerpen te Trier. Even te voren had ook de dood van den jongen Hertog van Lotharingen hem de volle vrijheid gegeven, om de vleiende verwachtingen, waarmede hij het huis van Oostenrijk streelde, tot stellige waarheid te maken, zoo hij dat goedvond; en zijne verbintenis met Keizer Frederik had er door gewonnen in hechtheid; maar nog eene andere erfenis had Mcolaas van Calabrië hem nagelaten; rechten op Lotharingen te betwisten aan den Prins de Vaudemont, en, onder meer dienaren die in Karel's dienst overgingen, dan Graaf van Campo-Basso. Wie zijne levensgeschiedenis kennen, weten, hoezeer beide hem noodlottig zijn geworden; maar het staat niet aan ons om daar op te wijzen; nóg had de fortuin hem niet anders geschonken dan hare lachjes, en hij stond nu op het punt, om haar de vervulling van zijn hoogsten wensch af te dwingen!

Die wensch, de zucht naar het Koningschap, is in hera misprezen, als de wensch der ijdelheid, die zich vergaapt aan een

ocr page 40

28

naam. En het is zoo, hij had van zijn vader Philips kunnen leeren dat het werkelijk bezit der macht ontzaggelijker maakt dan een luidklinkende titel; hij wist bij ondervinding, hoe een Hertog geëerd kon zijn en te duchten onder gekroonde hoofden; hij zag in Lodewijk XI, hoe de Majesteit van een gezalfden Koning niet zoo sterk schittert in de oogen van Prinselijke onderdanen, om hen van opstand tegen zijn gezag en kabalen terug te houden; hij kon weten, dat zijne Gentenaars zoo min een Koning zouden ontzien als een Hertog, in de dagen van uitspattenden vrijheidszin; hij had moeten overwegen de onoverwinbare moeielijkheid, die er in liggen moest, om landschappen, even verschillend in zeden en in kleeding, als in spraak en staatkundige voorrechten, plotseling onder denzelfden staf te laten knielen, gelijkmatig te beheerschen naar dezelfde wet, en eerbied te leeren voor een gansch vreemd gezag: hij moest begrepen hebben, dat een rustig Hertogdom en een bloeiend Graafschap een opperhoofd kalmer dagen geeft, en het heil van een volk beter verzekert, dan een Koninkrijk vol opstand en tweedracht; doch vooreerst is het heil der volkeren altijd het voorwendsel, maar zeker niet altijd het doel van de Vorsten in 't algemeen, en van dezulken als Karei in 't bijzonder; ten andere moest hij toch reeds zijne Staten regeeren, als een krachtig rijder zijn schichtig strijdros, den toom strak aangehouden en de knieën tegen de zijden gedrukt; en zeker moest de taak om zoovele halsstarrige hoofden naar denzelfden vorm te verkneden, een man als deze meer aantrekken dan afschrikken. Daarbij kon het niet vreemd zijn, dat een Vorst, die uiterlijke pracht en glans kende en gebruikte als middel om op de omringenden te werken, die al de voordeden van zichtbare meerderheid volkomen wist te^ schatten, en de zedelijke meerderheid, die onzichtbaar is, slechts onduidelijk begreep, de begeerte opvatte, om van hen, wier gelijke, wier meerdere hij was in macht, in rijkdommen, in krijgseer, niet langer de mindere te zijn in rang, en dat de Hertog, wiens vriendschap de Koningen van Engeland afvleiden, hetzij ze York of LaMcas^r ten wapenkreet hadden; wiens macht en nabuurschap de schrik en de foltering waren van den Koning van Frankrijk, wiens bondgenootschap

ocr page 41

29

met vleierijen en aanbiedingen gekocht werd door den Keizer van Duitschland, eindelijk moede was als Hertog te staan, waar het hun als Koningen vergund was te zitten. En waarlijk, er waren geringer Koninkrijken opgericht geworden, dan dat van Bourgondië wezen zou, met al de Staten en landschappen, die het bevatte, van de Lauerzee en West-Frieslands noordpunt af, tot op de Saóne en de wijngaarden van Bourgondië toe. Een Koninkrijk van Bourgondië was zelfs niet eens een vreemde naam in de geschiedenis der volken, schoon het bij een vorig daarzijn andere, maar geene rijkere deelen had omvat; de wensch des Hertogs was dus geene zoo gansch buitensporige opvatting der eerzucht, en Karei de Stoute had niet zichzelf moeten zijn, zoo die niet in hem was opgekomen, zoo hij niet alle middelen, die hem ten dienste stonden, had aangegrepen, om dien vervuld te zien. Doch het was nog iets meer, dan de zucht om zich met Koninklijke Majesteit te omkleeden; ruimer en belangrijker ontwerpen waren er op gegrondvest; maar zij lagen nog verre, en bovenal trachtte hij ze te verbergen zoo goed hij konde, schoon hij beter de gave had zijne plannen door te drijven met de kracht van het zwaard, dan ze te verbloemen voor het seherpziend oog van omringenden. Uit zijn eigen mond zullen wij ze verstaan.

Zoodra de gewichtige samenkomst met den Keizer besloten was, zag de Hertog van Bourgondië uit naar het oord, waar zij plaats zou vinden. Hij dacht het eerst aan Metz, eene stad, die hem bij zijne plannen op Lotharingen tegelijk van dienst konde zijn; maar de goede burgers, die den aanslag van Hertog Nicolaas op hunne vrijheid niet te lichter vergeten hadden, omdat die mislukt was, dankten voor die gevaarlijke eere; en schoon Karei, half schertsend, hen op zijn geschut wees, als op den sleutel hunner stad, dien hij in zijne handen hield, do bedreiging baatte zoo min als de belofte, dat hij alleen als vriend binnen hare muren wilde zijn; en schoon de Keizer zelf zijne tusschenkomst aanwendde, de vrije Rijksstad bleef volharden bij hare weigering, die echter in de zachtste woorden werd uitgedrukt, en vergezeld ging van aanzienlijke geschenken in goud en keurigen levensvoorraad, om den toorn van den geduchte door bewijzen van hoffelijkheid af te leiden. Welke

ocr page 42

30

gewaarwordingen de vermetelheid dier burgers in hem mogen hebben opgewekt, hij verbloemde ze voor ditmaal, en Trier werd gekozen. Trier boog zich met welgevallen voor die keuze; Trier schikte zich op, vlocht bloemenfestoenen, sierde hare huizen, dekte hare straten met tapijtwerk, opdat zijne paarden zacht mochten treden; pijnigdo haar vernuft in het uitvinden van feesten; in het uitvinden van krachtige woorden, die hare vreugde moesten uitdrukken; in het uitvinden van nieuwe lofspraken, ter vereering van de deugden des komenden; msn zegt zelfs, dat zij nieuwere deugden in hem heeft uitgevonden, om te ruimer stof te hebben voor haar feestgejuich. En de Duitsche Adel deed voor Trier niet onder. Ten deele uit ijdel-heid, ten deele uit nationalen trots, ten deele uit vleierij aan den Keizer zeiven en zijn zoon, spande deze zich in om te schitteren, en getroostte zich opofferingen en moeiten, op de wijze als wij het gezien hebben bij de Markgravin van Span-genheim, wier hardeling en beraadslaging niets was dan een tafereel van alles wat Prederik's hovelingen van den grootsten tot den kleinsten, moesten aanwenden en zich getroosten, om de pracht der komende vreemdelingen te evenaren en zoo mogelijk te overtreffen. De Vorsten drukten hunne onderdanen door nieuwe heffingen ; kleinere landheeren gaven hunne goederen en vazallen in pand bij woekeraars; ridders en kleine adel, die niet genoeg te beleenen hadden, wikkelden zich in schulden, waarvan de schuldeischers den last zouden dragen — maar allen, zonder onderscheid, moesten door ongewone en schadelijke pogingen zich opheffen tot een ongewoon praalvertoon ; en toch had zich de Duitsche natie, door hare eenvoudigheid van zeden tot hiertoe van de overige volkeren der Christenheid orderscheiden. En zij zou wèl gedaan hebben zoo zij zich bij deze gelegenheid had durven toonen zooals ze was, en niet had willen schijnen wat zij niet was. Zij waagde veel met die onhandige nabootsing van eene weelde, waarvan alleen onzekere geruchten tot haar gekomen waren, en die ook, zoo zij ze had gekend, in hare volkomenste verfijning ten eenenmale buiten het bereik barer krachten had gelegen. Zij waagde hare fortuin en hare achtbaarheid. De vader der Markgravin had gelijk: zij had zich niet

ocr page 43

31

op den voet der mededinging moeten stellen, zoo had zij zich gehoed voor het belachelijke der ongelijkheid. De oude graaf had het gevoelen uitgesproken van meer dan één helderzienden Duitscher, die zijne vaderlandsche eer liefhad ; maar niemand waagde het in die dagen, eene overtuiging als deze zoo vrijmoedig lucht te gevei; do wijsten wendden zich at' als hij, en zuchtten in stilte over de overmacht der ijdelheid en der eigenliefde, die de menigte voortdreef.

De hertog van Bourgondië was ook de man niet om werkeloos te blijven, waar anderen zich zooveel moeite gaven. Hij maakte verbazingwekkende aanstalten voor d3 reize, die hij ondernemen ging om eene kroon te halen. Van alle kanten deed hij voorraad van levensmiddelen bijeenbrengen, om het onafzienbaar getal van Vorsten, lleeren, Eidders, Dienaren en Krijgslieden, die zijn staf zouden uitmaken, het noodige te verschaffen. De bosschen van Luxemburg moesten schatting brengen van hun wild ; de wijngaarden vau Bourgondië van hun edel sap; de weilanden en korenvelden van Henegouwen van hunne veldvruchten; de bloeiende koopsteden van Vlaanderen ga yen het kostbaarste barer handelswaren; de kunstige fabrieksteden van zijn noordelijke en zuidelijke graafschappen offerden hare heerlijkste gewrochten van tapijtwerk en onnavolgbaar keurige stoffen : Brussel zond kant, Namen bood ijzer, en alle verdere rijke steden van al zijne Vorstendommen waren genoodzaakt hare hulde te brengen in gemunt metaal. Voorwaar, Karei van Bourgondië, die de Stoute was bijgenaamd, en die met zevenvoudig recht dien bijnaam verdiende, was koninklijk uitgerust, toen hij, volkomen tot den tocht vaardig, met geheel zijn stoet nog eens naar Aken heen-toog, om de Lieve Vrouwe van hare Hoofdkerk een pelgrims-groet te brengen, welken de Hertog had beloofd. Een nieuw bewijs, hoe in dien tijd Christelijke vroomheid gelijken tred hield met fiere Vorstenhoogheid; hoe zij elkander noch botsten, noch vooruitliepen. Het was roerend te zien, hoe de overmoedigste aller Vorsten, in de bedwelming van tegenwoordige grootheid en in de duizelende verwachting van toekomende, toch nog geheugen behield voor een verschoven godsdienstplicht; hoe hij, die alle menschen beneden zich zag, en die zijne menschelijkheid

ocr page 44

32

moest vergeten hebben, zich toch nog Christen gevoelde, om zich het allereerst te buigen aan de voeten van de Moeder Gods... O! de geschiedenis is meer dan wij weten. Zij geeft beschamende lessen, terwijl wij meenen dat zij alleen vertelt.

Karei was toch zoo weinig de man om het aardsche te vergeten, dat hij tegelijk van deze gelegenheid gebruik maakte, om de goede stad Aken zjjne ontevredenheid duidelijk te maken over hare vroegere ondersteuning zijner vijanden te Nijmegen, met eene bepaalde aanwijzing van de middelen, waardoor die toorn moest verbeden worden En verzeld als hij was, hadden de Akenaars hem niets te weigeren ; zij brachten zooveel gouden vaatwerk en gemunt zilver aan zijne voeten, als hij bij wijze van boete geëiseht had; zij deden meer; ontzet en verbijsterd door de oogverblindende pracht, die hij in hun midden was komen tentoonspreiden, wisten ze hunne bewondering en hun eerbied niet beter uit te drukken, dan door hem de hoogste eer te geven, waarmede zij een mensch vermochten te ontvangen Zij brachten hem dezelfde eerbewijzingen en dezelfde hulde, die zij den Keizer verschuldigd waren. Wie Karei kent, weet, dat zijne goede vrienden, de Akenaars, voor altijd zijn hart hadden gewonnen.

ocr page 45

HOOFDSTUK III.

De reizende, die zich niet lang vooruit een verblijf had besproken in het Bisschoppelijk Trier, had er in de laatste dagen van September geene ■— of ten minste de allerslechtste huisvesting te wachten, die ooit voor hoogen prijs is verleend geworden. Daar was eene zoo ontzaggelijke menschenmenigte toegevloeid, dat ze elkander een stroobreed ruimte gingen betwisten op de openbare straat, en dat het bijna scheen, of er vrije lucht te kort zoude komen voor zoovelen, als daar op eene plek adem kwamen scheppen.

Trouwens, men weet, hoe het belang en de nooddwang en de nieuwsgierigheid stroomen van menschen heenzweepen naar het oord, waar iets te zien zal zijn, of iets merkwaardigs moet voorvallen. Iedere verbeelding kan zich licht eene voorstelling maken van eene opgepropte stad, vol joelende massa's; wij wagen ons niet aan de beschrijving van wat men zoo goed kent, maar roepen veeleer uwe deelneming in voor een reisgezelschap, dat er al het onaangename van ondervond. Het bestond uit een man van middelbaren leeftijd, twee jongelingen en een meisje, een vader met zijne kinderen, op kleine, maar sterke paarden gezeten, en, naar kleeding en voorkomen, behoorende tot den gegoeden burgerstand. Zij hadden nu voor de derde maal vruchteloos aanzoek gedaan, om in een der huizen, die van de gastvrijheid nering maken, te worden opgenomen ; vergeefs .. . men had hen teruggewezen, met die onvriendelijkheid, als anders alleen ten-deelvalt aan lieden die niet betalen kunnen, en die dus de hulp het meest zouden behoeven. Moedeloos en verlegen zagen zij

Kroon. Karei de Stoute. ^

ocr page 46

34

zich van alle kanten verdringen, totdat de paarden steigerden, en wisten niet naar welke zijde zich te wenden; toen de oudste hunner van ergernis een krachtigen Duitschen vloek uitstiet, met de weinig vleiende bijvoeging voor de Trierenaars:

„Hans Kreinschulte is een uilskuiken, dat hij zijn deftig huis te Baden-Baden verlaten heeft, om in dit oude rattennest vergeefs een hol te zoeken !quot;

De verwensching of de naam had de kracht van eene bezwering; wij gelooven, dat het de naam was; want nauweliiks had de man, voor wiens huis die werd uitgesproken, en die koelbloedig met de handen in de zijde tegen de deurstijlen leunde, dien gehoord, of hij nam deel in de lieden, wier lot hem tot hiertoe zoo onverschillig was geweest.

„Hans Kreinschulte van Baden!quot; riep hij, vooruitstappende. „Zal Hans Kreinschulte van Baden, voor mijne dleur staande, om huisvesting verlegen zijn? Bij St. Lazarus! Die schande zal niet over mijn hoofd komen. Meester! beste Meester! hoe kondt gij hier zijn, en niet het eerst denken om Ulrich Alterer op te zoeken ?quot;

Bij de eerste klanken dier stem kleurde een blos van vreugde de bolle wangen van Kreinschulte; hij sprong schielijk van zijn paard, werkte zich met zijne forsche armen dwars door de menigte heen, en stond weldra hand in hand met Ulrich, die ook van zijne zijde ruim baan had gemaakt.

„Ulrich! jongen! kon ik weten, dat ge hier een gezeten man waart: en is die kostelijke kuiperij de uwe ? Wel, vriend! ik had u eer in het vat van Heidelberg gezocht, dan in zulken stand!quot;

„Meester! ge moogt St. Geertruide, patronesse der reizenden, eene kaars opsteken, dat ik u herkende aan uwe grove stem en aan het woord, dat gij mij zoo vaak naar het hoofd wierpt, toen ik nog leerling was; ge zoudt in geene herberg huisvesting gekregen hebben, al ware het achter de paarden, en voor goed goudgeld. Wat blijven de jongens nog talmen met hier al' te stijgen: meenen zij, dat ik de zoons van hun vader op straat zal laten staan?quot;

„Wij zijn met ons vieren,quot; antwoordde Hans aarzelend; „mijne dochter is met mij.quot;

ocr page 47

35

„Ik heb plaats voor allen, als ze zich een weinig schikken •willen! Süsehen kan het kamerken van mijne stiefdochter deelen ; de paarden zullen hier of daar wel stalling vinden, al moest ik ze tussehen de vaten stoppen. Hola, jongens !quot; en de Meester kuiper riep een paar zijner knechten uit de werkplaats, „helpt die lieden daar! ze kunnen do beesten niet onder het volk laten staan.quot;

Voor do vreemdelingen keerde nu de zaak ten beste. De gapende menigte, die zich met hunne verlegenheid vermaakt had, week uiteen, half uit eerbied voor de fiksche vuisten der kuipersknechts, half omdat de aardigheid van de vertooning af was; de eene broeder bracht de schuchtere zuster, die de oogen nog niet had durven opslaan, in het gastvrije huis; de andere ging met de knechts voor de paarden zorgen, en de gulle Ulrich leidde zijn ouden Meester en de zijnen wat meer binnenwaarts in het voorhuis, hun in voorbarige drift de geschiedenis van zijn geluk meêdeelende, eer hij hun rust gunde; ze wisten dus in eenige minuten, hoe hij zijne fortuin had gemaakt, door de gegoede weduwe te trouwen, wier huis hij als meesterknecht was ingetreden: hoe het hem somtijds wel eens speet, dat hij niet liever hare knappe dochter had gevraagd, die van jaren beter zijn portuur ware geweest, maar hoe hij zich dan weêr tevreden stelde, als hij indacht, dat hij aan de moeder toch ook eene goede vrouw had, die zich niet al te veel liet voorstaan op den rijken bruidschat, welken zij had aangebracht. En Meester Hans daarentegen kon niet, tot hij bedaard gezeten was, zijn gastheer het verhaal sparen van den lust, die in hem was opgekomen, om de plechtige kroning te zien van zulk een grootmachtig Vorst, als de wijdberoemde Hertog van Rourgondië, en hoe zijne dochter nacht en dag droomde van de feesten, en hoe men in het Badensche er zooveel van sprak, omdat de Markgraaf van Baden zelf in des Keizers gevolg was heengetrokken, en vele jonge Edelen met zich genomen bad. Hoe bij de kuiperij aan zijn oudsten zoon, die gehuwd was, veilig had kunnen overlaten, en al wat daar meer zijn mocht, en wat nog minder dan dit onze belangstelling kan wekken.

„Laat ik u bij mijne vrouw brengen,quot; sprak Ulrich, nadat alles wederzijds was aangehoord en het meisje bij de hand

ocr page 48

36

nemende, ging hjj hen vóór, toch niet zonder eerst nog te hebben uitgeroepen: „St. Lazarus zij mij genadig ! wat zal vrouw üarbara jalocrsch worden! Hoc Süschen ook in die vijfjaren tot een overschoen maagdelijn is opgegroeid!

En de man had gelijk. Wel was Siisuhen wat men een over-schoon maagdelijn had kunnen noemen. Ken lief bevallig kind, slank en tenger als een sylpho, blank als het schuim van den woelenden Moezel, met wangen, zacht blozend, als had een meester schilder er met lichte hand een tintje karmijn op aangebracht, en oogen zoo helder on zoo trouw en zoo vroolijk, dat zij den menschenhaat en de zwaarmoedigheid zelve een glimlach zouden hebben afgeperst, als zij zo opsloeg; maar ze had die tot hiertoe altijd neergeslagen, de kleine, verward en verlogen en verbijsterd als zij was onder dit gewoel; onder die verrassing, onder dit nieuwe leven, dat zich voor haar opende, voor haar, die van de wereld nooit iets anders had gezien dan het huis haars vaders, de kerk, waar ze gedoopt was en nu ter biecht ging, en de straten van haar moederstad. Wonder en zijdeachtiger haar had nooit van onder een eng zwart kapje op blanker schouders neêrgegolfd, onder al de blonde en blanke dochteren van Duitschland; maar geene van haar ook had zich zoo ontrustend teer gewonscht, zoo onuitsprekelijk fijn en reeachtig vlug, als ware zij eene stroomnimf van den Donauoever. De sterk gekleurde verhalen van al het heerlijke, dat er te Trier te zien zoude zijn, hadden hare verbeelding getroffen, die tot hiertoe in de beperkste werkelijkheid geenerlei voedsel had gevonden. Hoe minder zij er zich een denkbeeld van wist te maken, hoe meer zij het zich in de bontste en onwezenlijkste gestalten voorstelde, maar ook hoe meer zij er met een gloeiend verlangen op heenstaarde. Het was met haar geworden: „al dat onbeschrijfelijke zien of sterven!quot; Ook was zij het geweest, die den groven Hans Kreinschulte haar zielsverlangen als had ingeënt; en de goede man, die niet recht wist, vanwaar hem die reislust was toegekomen, en nog minder begreep, hoe zijn huiselijke Süschen dien deelde, had toch aan de eerste niet kunnen weerstaan, en aan de laatste toegegeven, toen zij de vergunning afvleide, om hem te vergezellen. De goedaardige

ocr page 49

o7

man had zijne moederlooze eenige dochter nooit iets te weigeren gehad; en tot hiertoe had ze niratner wenschen geuit, wier voldoening haar gevaarlijk had kunnen zijn. Die, welke nu haar éénige was, do luisterrijke vereeniging van pracht en hoogheid langs hare oogen te zien voorbijgaan; den Keizer van Duitsch-land en dien machtigen vreemden Vorst, mot al hunne fleeren on Orooten, op het statelijkst uitgedost, zou nu weldra vervuld worden. Frederik was reeds met de zijnen binnen Trier, maar hij was er stil en zonder feestelijkheid ingetrokken. Uit eene fijne hoffelijkheid jegens den Hertog, zou de Keizer zich buiten de stad met dezen samentreffen, om gezamenlijk hunne plechtige intrede te doen ; men wist dat Karei de Stoute reeds in aantocht was: men verwachtte hom den dag, die nu volgde.

ocr page 50

jf^^-YTrrr^'^rTrv^vwTwrrTr^vwv'rfTrfTVTr')-'-^

JIOOFDSTUK IV,

Op den ochtend van dien dag had het grijze Trier, dat nog geheugen had van den tijd der Romeinen, toilet gemaakt als eene oude coquette, die hare laatste verovering opwacht; jdles wat te barer versiering was gereedgemaakt, had zij nu om- en aangehangen tot overlading toe; want Karei de Stoute was nu tot dicht bij haar genaderd, en de Keizer met den Aartshertog en geheel hun gevolg van Grooten en Prinsen had do stad verlaten, om zich bij hem aan te sluiten. Het ongeduld der volksmenigte, die zich bij duizenden had samengedrongen op iedere plaats waar mogelijkheid was, ol slechts waarschijnlijkheid, om den stoet te zien, klom nu met iedere minuut. De bewoners van Trier en van half Duitschland, en van alle omringende landstreken, stonden daar met ingehouden adem, met uitgerekten hals, met gespannen trekken, met harten kloppende van verwachting; daar vernam zij, dat Jan van Baden, Aartsbisschop van Trier, en zijn broeder, de Markgraaf Christofi'el, de poort wai-en uitgetiokken, om de doorluchtige komenden te ontvangen. Nu konden er nog maar weinige oogenblikken ':0gon tusschen het verlangen en het aanschouwen — eindelijk — een diepe zucht van voldoening doorliep de gansche schare — eindelijk vertoonden zich de wapenknechten des Keizers met de Keizerlijke banieren en den standaard van het Heilige Koomsche lljjk, de dubbele arenden, met het wapen van het Huis van Oostenrijk in het midden; naast hen gingen, in smalle colonnes, zeshonderd Bourgondische mannen, in lichte wapenrusting en eenparig in 't rood gekleed; beiden waren meer een geleide dan een deel

ocr page 51

39

van den stoet, die eerst geopend werd door honderd Bourgondische jongelingen van uitstekende schoonheid, met bijna vrouwelijke zorg en verfijning getooid, met lange blonde lokken, die tot op de schouders neervielen; zij waren ongewapend, en droegen de standaarden, waarop de leeuw van Bourgondië prijkte, en het roode kruis van St. Andries.

Zij alleen wekten reeds de bewondering en het jubelgeroep der menigte. Onmiddellijk op hen volgden de twaalf krijgs-trompelters des Hertogs, en zijne fluitspelers, benevens de zes meistreels met hun Koning, en de geheele muziek zijner kapel, die het gehoor der liederen van Trier niet minder streelde, dan zij vroeger de verbazing der Akenaars had opgewekt. De hoogwaardige Bisschop-biechtvader, omringd van zijne geestelijken en van al de leeken, die tot de bediening der kapel behoorden, ging met achtbaren tred daarnevens. De Grootstalmeester dragende de groote banier, die nooit kon worden ingerold, volgde met de pages aan zijn bestier toevertrouwd, kinderen uit de aanzienlijkste huizen van Bourgondië en Vlaanderen; de eerste schildknaap-voorsnijder, met de andere hooge beambten van 's Hertogs tafel, de Opperhofmeester en zijne onderhoorigen, de Grootkamerheer, schitterend verzelschapt, en meerderen nog, trokken achtereenvolgens heen voor het starend oog der toeschouwers, die van verwondering tot verwondering werden opgevoerd bij het zien van die kleederpracht, van die uitmonstering der paarden, en die schatten in goud en gesteenten, in bontwerk en zijde, in fluweel en goudstof, die al hunne begrippen van pracht en rijkdom tot flauwe en onnoozele kindersprookjes vernederden. En toch hadden zij hunne toejuiching kunnen sparen tot nog zintreffender schouwspel. Zij hadden moeten wachten, totdat die troep wapenkoningen en herauten voorbij was, ieder van welke in de handen de banier, in de kleeding de kleuren, en op het kleed de wapens droeg van eene der Heerlijkheden des Hertogs; de wapenkoningen met hunne kronen van verguld zilver, zonder lofwerk of gesteenten, dan alleen de safir, ten zinnebeeld der reinheid van hun ambt; zij hadden waarlijk moeten wachten; want toen eerst kregen zij te zien, wat het al te zaraen overtrof; Karei do Stoute zelf,

ocr page 52

40

geheel geharnast als het een zoo krijgshaftig Vorst betaamde, maar een harnas, rijker versierd, en van hooger waarde dan geheel het kleed van goudlaken des keizers, schoon daarvan de wijde loshangende mouwen met parels omzet waren. Over zijne rusting heen droeg hij een hertogelijken mantel van goudstof, met het fijnste bont gevoerd, en waarop diamanten en edelsteenen van de hoogste waarde de figuren vormden in gebloemte en randwerk. De juweel, die dit kleedingstuk op den linkerschouder samenhechtte, was aan alle hoven der Christenheid bij name bekend en beroemd. Het was niet vreemd, dat hij de lamp van Vlaanderen had gekozen, om hare glansen te werpen op zijn statelijken tocht. Een dergelijk gesteente, welks geschiedenis men nagevorscht heeft en opgeteekend, hield ook de vuurroode pluimen op zijn helmtop bijeen, en andere flonkerden in zijn ordeteeken, in den vorm der vuursteenen, van het Golden Vlies; maar meer nog dan die glans van kleeding, waar het oog zich eer blindheid op zien zou, dan de bewondering verzadigen, onderscheidde hij zich van allen rondom zich, van den Keizer vooral, door zijne trotsche en fiere houding, zijn welgemaakte gestalte, die ongewone spierkracht verried en eene frissche gezondheid, en bovenal door dien levendigen gloed van dat sprekend donkere oog, waarvan iedere blik gebiedend was en ontzag afdwong; door de onverzettelijke wilskracht, en de volharding, die blind was voor eiken hinderpaal, uitgedrukt op dat voorhoofd, dat zich licht fronste door ongeduld, maar niet gegroefd kon worden door zorge; door die stoute onversaagdheid in de trekken van dat donkerbruin gelaat, dat gloeien kon van strijdlust of toorn, maar nooit verbleeken van vreeze. Dat was wel de vorstelijke krijgsman en de strijdbaarste Vorst, die ooit een heorschersstaf had gezwaaid, tegelijk met een zwaard — o! de Keizer, Keizer Frederik, mocht het voorhoofd omgeven hebben met de eerwaardigste kroon der wereld: mocht zich de leden hullen in een statelijk sleepgewaad van goudlaken; mocht Kareis flonkerenden mantel om de schouders hebben gehangen, hij zou bij dezen niets geschenen hebben dan een opgeschikte grijsaard, en de andere ware Vorst gebleken in den maliënkolder van een wapenknecht. Karei

ocr page 53

41

mocht aan Fredeviks linkerzijde voortrijden als de mindere; hij mocht bij het samentreffen met dezen, als leenmans plicht was, van het paard zijn gestegen, en eene knie ter aarde hebben gebogen; de Keizer mocht hem met gezag hebben opgeheven en als vader omhelsd — eene meerderheid door geene woorden aan te wjjzen, maar door allen duidelijk gevoeld, bleef aan de zijde van den grootschen Hertog.

De indruk, dien de nooit aanschouwde praalvertooning van den laatste en geheel zijn schitterend gevolg had gemaakt op het gezelschap des Keizers, uitte zich door eene doffe verslagenheid. Zoo wij tot hiertoe van deze edelen weinig melding maakten, schoon zij te gelijker tijd, terzelfder getale en aan de hoogere hand der Bourgondiërs voorttrokken, is dit, omdat wij niet telkens eene vergelijking wilden wagen, die in hun nadeel had moeten zijn. Zij hadden die trouwens zelve gemaakt met den eersten blik op de vreemdelingen. De adel van Duitschland boette op dezen dag met bittere teleurstelling en beschaming zijne aanmatiging, om zich te meten met de prachtlievende ridderschap van het weelderigste en rijkste volk der bekende wereld. Zoo zij zich niet op de rjje der mededinging had gesteld, zij zou de belachelijkheid ontgaan zijn, tegelijk met de uitputting; en ook daarin had de oude Graaf gelijk gehad; zoo zij zich gedost hadden in krijgsmansrusting, zou de glimlach van spot, dien Karei en de zijnen met moeite op de lippen terug-h'elden bij het zien van een tooi, dien hij armelijk achtte, in eeii blik van hoogachting'zijn verkeerd, de Hertog van Bour-gondië, krijgsman in zijn hart, onder al het goud, waarmede hij zijmi borst- sierde, zou onder het staal de waarde geschat hebben van krijgslieden, die hij miskennen moest onder deze zijde.

Het waren toch de besten en edelsten van het Kijk, welke den Keizer omringden: Lodewijk en Albert, Hertogen van Beieren; Karei, Markgraaf van Baden ; Eberhard, Graaf van Wurtémberg; de Graaf van Varnemburg; die van Catzen-elle-bogen. Heer van Darmstadt; en meer anderen; ook hooge Geestelijken, ^e éénigeu, die wedijveren konden in uiterlijke voordeelen met Kareis hovelingen : de Aartsbisschop van Mentz, Adolf van Nassau ; George van Baden, Bisschop van Metz ; maar

ocr page 54

42

de parel van geheel zijn hol', gelijk de hoop Yan zijn huis, was de Aartshertog Maximiliaan, een bevallig jongeling, in wiens heldere oogen schranderheid en scherpzinnigheid u tegenflon-kerden, gelijk aanvallige rainzaamheid u toelachte van zijn jeugdig gelaat. In zijn gewaad van purperen damastzijde met zilveren boordsel, dat bij met edele waardigheid droeg, zag hij er uit, zooals het zijn jaren en zijn rang paste, zonder overdreven praalbejag en zonder gemaakte eenvoudigheid. Nog zag men in de rij der Oostenrijksche Heeren een persoon, die er gansch vreemdeling was, eu die toch veler aandacht trok, een jongen ïurkschen Prins, broeder van Sultan Mahomed, die zich zijne gevangenschap onder de Christenen verzacht had door hun godsdienst aan te nemen. Terwijl zijne nationale kleederdracht hem in het oog deed vallen, wekte zijn zacht zwaarmoedig uiterlijk belangstelling.

Van don Bourgondischen Hertog, zoo fier op zijne macht en op zijne eigendommen, behoeft het nauwelijks gezegd te worden, dat hij zich hier vergezellen liet door al wat hoog en machtig was in zijne Staten; dat hij pronkte met al de Prinsen, die aan zijn hof hunne tafel hadden. Het naastbij omringde;! hem Hertog Jan van Kleef, Louis de Chateau-Guyon, uit het huis van Oranje, de Sire d'Arguel, Philippe do Croy, de Graaf de Chimay, de Graaf van Nassau, een der zonen van den Conne-table van St. Pol, Antoni, de groote bastaard van Kourgondië, Guy de Brumeux, de Sire d'Himbrecourt; Kareis beide bloedverwanten, de Bisschoppen van Luik en Utrecht, Lodewijk van Bourbon en David van Bourgondië, vertegenwoordigden de geestelijkheid van zijne Staten; van de raeesten zijnei.' steden voerde hij burgers of edelen met zich, en zelfs het getuchtigde Luik had hare trotsche zonen heengezonden, om met gebukten hoofde zijne zegepraal te helpen verhoogen. Maar welke schatten van rang en verdienste hij ook hier om zich heen had verzameld, een enkele prijkte er niet, een enkele had hij verloren, welks waarde hij niet genoeg op prijs had weten te stellen, en dien hij juist daarom verloor. Philippe de Commines was niet meer men hem, was nu reeds in dienst van zijn benijder en mededinger, Lodewijk XI, tot schade zeker van Kareis tegenwoordige

ocr page 55

43

belangen, die hij had kunnen dienon met zijn raad en vór-zlenden blik, maar tot nog grootere schade voor zijn nagedachtenis; want die man nam later de pen des geschiedschrijvers in handen, en voerde haar met vooringenomenheid tegen den verlaten meester, met de behendigheid van iemand, die zich rechtvaardigen moest over dit verlaten; en de nakomelingschap heeft geloofd en moet blijven gelooven, en ziet vlekken in hem, helder en onverbloemd, die anders door een zachter tintje zoo licht tot deugden hadden kunnen vergoelijkt worden.

Wij kunnen van Philippe's grieven hier niet verder spreken; maar wij konden zijne plaats niet ledig zien, zonder de grieve licht te geven, die wij hebben tegen hem en zijn Vorst beiden. Tegen Karei, omdat hij te laatdunkend en te eigenzinnig was, om een man in eere te houden, die hem nog anders dienen kon dan met hot zwaard en met zwijgende gehoorzaamheid; en tegen Coramines, omdat hij, niets raadplegende dan een koel berekenend eigenbelang, op een oogenblik, dat hij zijn Vorst ter zijde had moeten blijven, de banden, heelt losgescheurd, die hem aan dezen hadden moeten boeien, zoo niet door dankbaarheid, dan toch door gewoonte, door trouw, door die gehechtheid, welke met de sterkte van den man moest opwassen. Hij had in Karei den meester zijner jeugd niet moeten vergeten: het hart had in een man van zijne beschaving ten minste ook eene stem moeten hebben, en niet enkel het verstand! Niet dat hij scheidde van den Hertog van Bourgondië, toen diens eerzucht hem in de verte het verderf wees, maar dat hij scheiden kon van den Graaf de Charolais, toen die hem het meest kondu noodig hebben, dat is zekerlijk in hem te veroordeelen.

Hoe groot Kareis toorn ook mocht geweest zijn bij de eerste tijding van dit verlaten, op dit oogenblik zeker dacht hij daaraan niet, maar veeleer, hoe hjj zijn keizerlijken bondgenoot het hof zoude maken, zonder tegeljjk iets af te staan van eigene hoogheid; on Frederik , ..Wat deze ook mocht denken over dat pralend vertoon van rijkdom, waarmede hij zich verpletterd zag door den man, die als mindere tot hem kwam, hij sloot die gedachte op in het binnenste zijner ziel, en toonde den trotschen leenman een heuseh en hoffelijk gelaat, ten aanzien van hun beider ver-

ocr page 56

44

eenigd volk. Eéne overweging, die natuurlijk in Frederiks ziel moest opkomen, was daarenboven wel geschikt, om hem alles met zachteren blik te doen zien. Die rijke Vorst zou de schoonvader worden van zijn zoon; dat huwelijk zou al die schatten en al die goederen overbrengen in het huis van Oostenrijk; het moest hem heimelijke voldoening geven daarvan zulke schitterende bewijzen te zien; een vader ergert zich niet licht aan den weidschen bruidsschat van zijne schoondochter; en Maximiliaan ? o ! met de vertrouwende hoop der jeugd zag deze dat alles reeds met het oog van den toekornstigen eigenaar.

Wij moeten nog even zeggen, hoe ïoiscn d'Or, de eerste wapenheraut van Bourgondie en van het Gulden Vlies, bijgestaan door twee edelen, die Ridders der orde waren, van de zijde des Ilertogs den trein regelde, terwijl hij de vaan der broederschap zwaaide, hoe vier voetknechten, in de keurigste livrei uitgedost, nevens des Hertogs paard voortgingen, om met hunne witte onschadelijke staven den al te grooten aandrang des volks te weren, op het oogenblik, dat hij zoude afstappen; hoe zijn bekende Hofnar Coquinet, le Olorieux bijgenaamd, van wien wij om goede redenen verder niet gewagen zullec, zoo nabij zijn persoon reed, als des Keizers tegenwoordigheid het veroorloofde; hoe verder de boogschutters van zijne lijfwacht, met hun oppertnachtigen Kapitein, in de blinkende wapenrokken, als eene hegge vormden langs geheel den stoet; hoe een oneindig groot getal van mindere edelen, als gevolg van de hoogeren, van beambten en dienaren, die allen tot zijne hofhouding behoorden, de achterhoede uitmaakten van dat schitterend en vreedzaam leger.

En nu zou het tijd worden te beschrijven, welken indruk het gezicht van dit alles op de toeschouwers had gemaakt, en met welke gebaren of door welke kreten zij die uiten; maar wij laten do schreeuwende, de starende, de verwonderde menigte voor wat zij door alle tijden heen is geweest en zal blijven, en wjj zoeken onze opmerkingen liever bij enkelen, bij twee vrouwen alleen; vooreerst bij de Markgravin van Spangenheim-Zielberg.

Als bloedverwante van den Aartsbisschop had zij met andere dames van aanzienlijken rang hare plaats op een der balkons

ocr page 57

45

van het Aartsbisschoppelijk paleis. Moeten wij zeggen, met hoe brandend eene belangstelling zij toezag, die uit liefde voor een zoon de ijdelheid der vrouw had weten te verloochenen, en voor wio het tafereel, dat zich nu ging ontrollen, de beantwoording der vraag was, in hoeverre hare opoffering eene nutte mocht geweest zijni- Helaas! zij was eene nuttelooze! de arme Markgravin had het gevoeld bij den eersten blik op den eersten Bourgondischen edelman die voorbij haar heenreed; dat kleed dat zoozeer hét voorwerp was geweest van angstige zorg en werkzame bemoeiing, waarvoor zij alles had opgeofferd, wat zij te missen had, waarvoor zij het vooroordeel harer geboorte had terzijdegesteld, om te handelen met een woekeraar; waarvoor zij den toorn van een vader had getrotseerd en de minachting van een zoon; dat kleed, dat haar behaagd had en verrukt boven hope, toen zij het voor het eerst te zien kreeg, waarvan zij gedroomd had op den helderen dag, en waarvan zij des nachts niet had kunnen slapen; dat kleed, dat naar hare gedachte alleen vergelijkbaar was met dat van den Aartshertog: dat kleed, zij begreep het op eens, kon niet meer de algemeene opmerkzaamheid wekken; dat kleed was overschitterd, niet door een van de hooge Vorsten, die haar Keizer omgaven, of die nevens haar zoon het gezelschap van Maximiliaan uitmaakten, niet door cenig bekend en prinselijk lieer van het Bourgondische hof; maar door een van die menschen, waarvan men den naam niet weet of niet onthoudt, door een dienaar van een dienaar, door een edelman eindelijk uit het gevolg van Mijnheer den grooten Bastaard. Naar de overeenkomst der Monarchen, om vriendschappelijk naast elkander voort te rijden, had beider stoet zich als vanzelve moeten voegen, en door eene toevallige schikking zag zich de Markgraaf Sigibert van Spangenheim-Zielberg, als jongste edelman van den Aartshertog, ter linkerzijde gegeven den eersten Kamerheer van Antoni van Bourgondië, Kareis natuurlijken broeder, een prins, die in Vlaanderen een hoog gezag had, aan het hof een aanzienlijken rang hield, en een staat voerde, niet geringer dan of hij wettige Prins van den bloede ware geweest. Dat wist de Markgravin Wilfriede niet; slechts had zij gezien, hoe de Duitschers allen overschitterd werden

ocr page 58

46

door de vreemdelingen, maar bovenal, hoe haar zoon overschaduwd werd en verduisterd door den man, die naast hem geplaatst was, en wat erger was, zij hoorde het uit den mond van anderen. Met de laatdunkendheid der eigenliefde tot wanhoop gebracht, had zij zich zelve de zegepraal der Bourgondiërs trachten te ontveinzen; had zij zich en haar gezellinnen willen opdringen, dat de pracht der vreemdelingen plompe overlading was, en dat hare landslieden de eenvoudigheid van den goeden smaak in hun voordeel hadden. Maar de vaderlandsche trots dier dames, misschien minder dan de hare opgewekt en gesteund door persoonlijk belang, verblindde haar niet voor de waarheid, dat het niet slechts de rijkdom was, maar ook de keuze der stoffe en de harmonia der kleuren, welke de hovelingen van Karei onderscheidden; of wel hadden zij, bij minder fijngevoeligheid dan Wilfriede, en meer wuftheid, zich lichter laten wegsleepen door het nieuwe en schitterende van het schouwspel, om er eene gewonde eigenliefde bij te vergeten; zeker is het ten minste dat zij de onbarmhartige aanmerkingen der Markgravin in het eerst aanhoorden en Hauw toegaven, maallater met levendigheid begonnen tegen te spreken; en eindelijk, toen zij opgemerkt hadden, dat deze in dit alles eene warmte toonde, waarachter eene diepere belangstelling school, vond de natuurlijke zucht tot tegenspraak en plagerij er een ondeugend spel in, om nooit meer van haar gevoelen te zijn.

Men had nu den Hertog gezien; de arme Wilfriede had beurtelings gegloeid, gesidderd en zich de lippen verbeten; hare oogen hadden gesidderd en zich met tranen gevuld; zij had de gansche schakel van aandoeningen doorloopen, waarmede gekrenkte trots en teleurgestelde ijdelheid een hartstochtelijke ziel pijnigen kunnen, en nog was toch haar lot niet besl .st, nog had haar zoon zelf zich niet ter monstering vertoond. Eindelijk was de Aartshertog voorbijgegaan, minzaam een groet der opmerkzaamheid schenkende aan zoovele schoonen, wier rang te gissen was naar de plaats, waar hij ze vond.

De Markgravin had hem niet gezien, had zijn groet niet opgemerkt; haar starende blik zocht alleen een enkele van het geleide, den écnige, om wien de gansche optocht haar belang-

ocr page 59

47

rijk was geweest; met onuitsprekelijken angst, met eene spanning, die haar de schoone trekken als verwrong, stond zij daar, de borst gedrukt tegen de balustrade van het balkon, om zoover heen te zien als zij vermocht.

„Schoone Dames Edelvrouwen !quot; riep de jonge Barones Stein-furz, die van Aken kwam, en zich oiet weinig liet voorstaan op hare meerdere bekendheid met het personeel van Karel's gevolg, dat zij reeds in hare moederstad had bewonderd ; „ziet toch den hoogen en machtigen Heer, die de groote Bastaard van Bourgondië wordt genoemd. Bij cnze lieve Vrouwe van Aken ! is het niet of zijn wapenrok enkel zilver is, en hebt gij opgemerkt, hoe de schabrak van zijn paard met paarlen doorwerkt is en met blinkende bellen bezet, die verguld zilver zijn, zoo niet werkelijk goud' Uat hij het hoofd moedig draagt' nu, hij kan fier zijn, do machtige Heer. Yan hem zegt men dat hij eene draagkoets heeft, gansch overtrokken met goudlaken en gevoerd met karmozijn satijn, juist als het verhemelte waar een Keizer onder gaat bij de heilige plechtigheid der zalving; hij ia verzelschapt van een treffelijk getal edele mannen, die hem als schildknapen en pages dienen, allen uitgemonsterd met zijne kleuren en weinig slechter stoffen dan hij zelf. Wie zulk een Heer tot gemaal had, niet waar, vrouw Markgravin?quot;

Die vraag bewijst, wat wij nog niet willen zeggen, dat de vrouwen de arme Wilfriede verdachten van eene bespottelijke ijverzucht op voorrechten, die boven haar bereik lagen, en deze te kwellen zonder verschooning, scheen haar een geoorloofd vermaak, misschien wei een goed werk te harer verbetering.

De Markgravin, bij eene andere gelegenheid wel gereed de schampere vraag met een bits antwoord te vergelden, vroeg nu alleen met eene zachte stem, die sidderde van ontroering;

„Mevrouwe! ziet ge dan ook niet den jongen edelman in het kostbare kleed van wit scharlaken, met dat breede boordsel van blauw en zilver, en het kostbaar gesteente op dien hoed van zijden fluweel? zijn wambuis is ten minste gesneden naar Bourgondische wijze, die gij zoo treffelijk vindt!quot;

„Gij toch. Gravin! hoe gij op dien inval komt! die Heer ziet er slechter uit, dan ik nog eenig edelman van het Rijk zag. Gij

ocr page 60

48

noemt dat een treffelijke snede! Het is te dwaas; het is niet meer Duitach, het gelijkt niets naar Bourgondisch, het is als een strijdpaard bij een tournooi, dat huppelen wil en dat hinkt.quot;

Eens de opmerkzaamheid op dien jongeling heengeleid, moest hij de strenge critiek dier dames doorstaan, welke hem te minder welwillend waren, daar de dme dammée van het gezelschap hem geprezen had, schoon men hare betrekking op hem niet giste. Eene oude Triersche edelvrouw voegde er ook schielijk bij:

„St. Maximijn zij mij genadig! hoe gij oordeelt, vrouwe van Spangenheim ! hij schijnc immers slechts de page-varlet van den ridderlijken Bourgondiër, die naast hem rijdt; — had hij diens

paardendek tot opperkleed, het mocht iets schijnen.....quot;

De Markgravin werd doodsbleek; die opmerkingen had zij zelve gemaakt in het binnenste harer ziel; maar zij hoopte door anderen te worden tegengesproken; zij hield alleen nog slechts geestkracht over, om met aarzeling en onzekerheid te vragen, welke Prins die schitterende ridder zijn kon? Het zou toch een troost zijn te weten, dat alleen een groote naam haar Sigibert in de schaduw stelde.

„Genadigste!quot; hernam de jonge barones met een ironieken glimlach, „het is geenszins een prinselijk Heer, maar een edel-man-schildknaap van den Grooten Bastaard, als wel te zien is, daar hij diens kleuren draagt, en zelfs aan den arm het wapen met den breeden dwarsbalk.quot;

De Markgravin vroeg niet meer; bleek, in elkander gezonken, boog zij het hoofd op de borst neder; zij had den genadeslag ontvangen; maar toch vermeed haar mond voor het oor der vrouwen de beschamende klacht: „Het is mijn zoon!quot;

Van toen af haatte de Markgravin van Spangenheim-Zielberg met een feilen haat de Bourgondiërs in het algemeen, en Karei den Stouten in het bijzonder.

De andere vrouw, bij welke wij onze opmerkingen zouden maken, is Siischen, de kleine Bazensche, waarmede wij bekend werden bij hare aankomst te Trier. Daar noch een geestelijk, noch een wereldlijk paleis haar ten dienste stond, moest zij zich vergenoegen met eene plaats tusschen vrouw Barbara en hare dochter, op eene stellaagje, die de werklieden van baas Alterer

ocr page 61

49

hadden opgeslagen vóór diens huis, en die keurig genoeg was •opgeschikt met gekleurde sergie en met bloemfestoenen. Ook begeerde het goede kind niets beters; zij begeerde slechts te zien; waar en hoe, was haar onverschillig; zij had zich op den toren van de hoofdkerk laten brengen, als het had moeten zijn, Süschen was een allerliefst Duitsch burgermeisje, zeer onwetend, maar diep gevoelig. Zij had niets van de wereld gezien, doch hare levendige phantasie maakte zich voorstellingen van alles, maar gedrochtelijk, maar onmogelijk, maar zooals het zijn moest in de Oostersche tooververtellingen, of in de droomen van een koortsachtig kind; daarom ook moest het juist eene werkelijkheid zijn, als die Karei de Stoute tentoonspreidde, om haar niet teleur te stellen, om haar ondanks het gedroomde nog van verrukking tot verrukking op te voeren bij het werkelijk aanschouwen. Want zoo was het; Süschen stond als versteend van bewondering; roerloos stond zij met gevouwen handen, het groote blauwe oog üonkorende van vervoering, de wangen hoog gekleurd van genoegen; ook haar overviel beurtelings eene rilling als van koude, of een gloed, als ware het bloed harer aderen in vuur verkeerd ; ook zij stond ademloos, met kloppend hart, sprakeloos, en niet luisterende naar der anderen sprake; maar het waren ganach andere gewaarwordingen, dan bij de Markgravin, die bij haar toch dezelfde verschijnselen wekten; het waren bij haar zinnelijker en toch onschuldiger aandoeningen, dan bij deze; ook was er niemand om haar, die haar stoorde of tegensprak, want de uitroepingen van vrouw Barbara en de lustige aanmerkingen van Bertha, hare dochter, hinderden haar zoo min als de afgebrokene gesprekken der mannen onderling. Toen echter de Hertog voorbijreed, meende vrouw Barbara hare jeugdige gast te moeten opmerkzaam maken; zij trok haar bij het kleed, en voegde haar toe:

„Maar lieve hemel, hartje ! gij kijkt immers niet. Daar is de aanstaande Koning zelf, met onzen allergenadigsten Heere den Keizer!quot;

En zij had geljjk; Süschen keek niet, Süschen hield de oogen toe als iemand, wie het schemert voor de oogen, en die eane seconde rust wenscht; maar dat komt, zij had toen reeds gezien! Had het schitteren van Kareis mantel haar met de ver-

Kroon. Karei de Stoute. 4

ocr page 62

50

blinding getroffen van wie in de zon heeft gestaard; of was het zijn stout en vurig oog, waarvan toevallig een blik op haar had gerust; of was het de glimlach der hoffelijkheid, dien hij gedurende gansch dien tocht op zijne lippen wist te houden, en die het strenge en stroeve zijner gelaatstrekken verzachtte, welke op haar zoo diepen indruk maakte; of was het de bevallige losheid waarmede hij dat paard bereed, even fier en moedig als hij zelf, en waarvan hij de teugels in de hand hield, losjes en spelend, als waren ze een zijden koord geweest, waaraan een vogel fladderde, terwijl het toch zichtbaar was, dat het schuimbekkend dier onwillig de overmacht gehoorzaamde, welke het tot dien langzamen wandelstap dwong; of waren het die teugels zelve van rood fluweel, bezet met glinsterend gesteente, of het gewuif der roode en witte struisvederen, welke het fiere dier op den kop prijkten, of het wild, maar welluidend geklingel van die honderd gouden belletjes, welke het gansche schabrak omgaven, of de kostbare wapens, in parels en goud op dat schabrak gestikt, of de rijke franje, die tot op de schofter van het beest nederhing; was het iets van dat alles, dat haar duizelig maakte en bedwelmde? Zij zou bet u niet hebben kunnen zeggen, en het was ook geen bijzonder deel daarvan, dat haar de zinnen boeide, maar de indruk van het trotsche geheel, dat zoo plotseling als met machtige betoovering op haar werkte. Ook verstond zij het woord van hare gastvrouw niet, maar leunde zich, als door vermoeienis uitgeput, of door bedwelming bevangen, tegen den schouder van hare gezellin. Bertha had zelve te veel aandacht voor al het heerlijke, om hierop te letten ; maar Ulrich Alterer, die achter haar stond, riep meêwarig:

„Het arme kind! zij wordt bang voor het barre uitzicht van den heldhaftigen Vorst; zij heeft zeker veel hooren roepen van. zijne bloedige krijgsbedrijven! Maar wees toch gerust, Süschen! de man is hier met een vreedzaam oogmerk; hij zal des Keizers vrede niet breken in het midden van de goede rijksstad Trier. Kijk maar op, hij zal u niet deren, mijn kind!quot;

„Zij kan niet tegen de drukte van het gewoel, mijne arme kleine!quot; riep Hans Kreinschulte bezorgd; „zij is zoo zwak van hoofd! Ik had haar niet moeten medenemen.quot;

ocr page 63

51

„Fluks naar de andere zijde!quot; Tiel vrouw Barbara in, die bekommeringen over Süschen driftig afbrekende. Inderdaad, aan de andere zijde van haar huis, dat een hoek der straat vormde, had men het gezicht op de oude hoofdkerk van Trier, waar de Vorsten de mis zouden hooren; eene betere gelegenheid, om ze nog weder onbelemmerd te zien, kon er dus wel niet worden uitgedachc. Ook begrepen alle aanwezigen dit zoo goed en zoo snel, dat zij met gelijke haast zich naar de aangeduide plek heenspoedden en er Süschen om vergaten, die zij alleen aan haar lot overlieten. Maar deze ook had noch hunne hulp, noch hun medelijden noodig. „Waarheen gaat gij?quot; vroeg zij Bertha, met de bevreemding van wie uit een diepen sluimer ontwaakt, toen zij deze zag opstaan.

„Zien hoe de Bourgondische Vorst van het paard stijgt!quot; riep Bertha voortijlend.

Maar even snel toch als zij was Süschen aangekomen, waar dat te zien was.

Minder nieuwsgierig dan de meisjes, zijn wij tevreden met te weten, dat onze hooge personages, na het te Detim gehoord te hebben, voor heden scheidden; echter niet zonder eene wisseling van hoofache plichtplegingen, wie van beiden den ander naar hot bestemd verblijf zoude vergezellen. Het was van Frederiks zijde eene onwaardige vleierij, een onvoegzaam vergeten van zijn hoogen rang, die hem het recht gal', zulk een dienst van Karei te wachten en aan te nemen, zonder aarzelen, als hem toekomende van den man, dien hij tot Koning zou verhetien.

ocr page 64

HOOFDSTUK V.

Spoedig daarop legde Karei een plechtig bezoek at bij den Keizer, waarbij deze hem uitgeleidde tot aan de binnenplaats van zijn paleis, en waarbij niets belangrijks voorviel, dan eene wederzijdsche ruiling van hoffelijkheden en vriendschapsbetoon, die niets bewezen voor ingenomenheid of vriendschap, en waaraan misschien alleen het volk iets hechtte, dat er de bijzonderheden van vernam. Eerst • na een tweede bezoek werden do groote beweegredenen aangeroerd en blootgelegd, dio beide Vorsten tot deze bijeenkomst hadden overgehaald. Dat wil zeggen, dat deel dier beweegredenen, dat voor het oor van zoovelen konde worden uitgesproken; want de Keizer had -il de grootsten en edelsten van zijn hof met zich genomen, en niemand van Kareis hooge dienaren was afwezend. Het was dus andermaal niets dan eene ceremoniëele opening van staatkundige aangelegenheden, die eerst later, in het geheim, werkelijk zou-quot; den behandeld worden; want of de Aartsbisschop van Maintz als in deftig Latijn in 's Keizers naam de smart te kennen gaf, waaronder het hoofd van het lloomsche Keizerrijk leed, bij het zien hoe de altijd woelende oorlogen tusschen Frankrijk en ]5ourgondic de Vorsten der Christenheid verdeelden, en rust, noch tijd, noch middelen lieten, om naar Christen- en Ridderplicht de wapens te keeren tegen de overmoedige Turken, die jaarlijks gevaarlijker werden door hunne veroveringen en onder-nemiagszucht; of er onder dit alles ook eene balsemende zegen van loftuitingen nederdroppelde op het hoofd van den Bour-gondischen Vorst, dien men gekozen had tot den held van den

ocr page 65

53

dag; het bracht Karei geen droppel zalvende wijdingolie aan; en schoon deze met zijne gewone zucht tot het statelijke daarop liet antwoorden in eene volle, plechtige vergadering, ten aanhoore van de Rijksprinsen en van al de Bourgondische Heeren, ter wederzijden gezeten van den troon, voor Frederik opgericht, terwijl hij zelf, op lageren zetel, aan de linkerhand des Keizers plaats nam; schoon de waardige Heer Willem Ilugonet, zijn Kanselier, in het violetkleurige fluweel met hermelijn gevoerd (dezelfde staatsiekleeding als zijn ambtgenoot van Frankrijk) in een Latijn, dat de Duitsehe Doctoren meer woordenrijk en vloeiend vonden dan elegant, een lange opsomming deed der grieven, die zijn meester hebben moest tegen den Franschen Leenheer, en zeer duidelijk bewees, hoe deze van Kareis kant recht gaven tot oorlog, en vrede verhinderden, anders de wensch van zijne ziel, om geheel zijne krachten te kunnen wijden aan de verdelging der ongeloovigen, naar den eisch van Gods kerk en den wil des Keizers; — het bracht Frederik geene enkele lettergreep aan van een gewenscht verbond, en niemand, wie er zonder dat niet van wist, een enkelen draad om het ware pad te vinden in den doolhof hunner ontwerpen. Wie daarop oen blik had willen slaan, moest de heimelijke onderhandelingen bijwonen, nu die gingen aanvangen; moost de gesprekken hooren, die gevoerd werden onder vier oogen, door lieden, die niet waren wat zij schenen, en die schenen wat zo niet waren ; die beloofden wat ze niet dachten te houden, en die geloofden wat ze wisten niet waar te zijn: want de tijd van list en kabalen was nu gekomen; het rijk der staatkunde was ingegaan, het rijk dier valscho en bedriegelijke staatkunde, waarvan Figaro zegt, dat zij leert ontkennen wat men weet, en leert veinzen te weten wat men niet kent; die staatkunde, die een monster is zonder hart, mot vele monden : een mond om te vleien, een andore om te dreigen, een andere om eeden te zweren, een andere om ze te herroepen, een andere om te lasteren, een andere om het kwaad goed te noemen, en als Argus met honderd oogen, om te bespieden on om dicht te sluiten, met dit onderscheid, dat zo niet zien wil door de geopende, maar alleen loert door die, welke ze veinst gesloten te houden.

ocr page 66

54

Eene samenspreking van dezen aard zou er plaats vinden op den avond van een dag, waarvan de morgen met een vroolijk feest in het Aartsbisschoppelijk paleis was aangevangen. In den namiddag was de Hertog uitgereden, zooals bij meer deed, on-verzeld, in eene lichte wapenrusting en op het kleine paard, dat hem bjj zulke tochtjes altijd diende. Hij was zich gaan verzekeren van goede tucht en orde onder zijn krijgsvolk, in de omliggende dorpen gelegerd; want do helft van zijne legermacht had hem naar Duitscbland verzeld, en de toespraak van den meester kon wel noodig zijn, om deze woeste mannen, die gewoon waren in vijandelijk land te woeden naar willekeur, te beduiden, dat zij bij vrienden waren gehuisvest, en zich als vrienden en ordelijke lieden te gedragen hadden.

Do burgers van Trier, die niets van zijne gangen wisten, werden intusschen buiten hunne poorten gelokt, den weg op naar St. Mavimijn's klooster, in de hoop, den bewonderden Vorst of sommige zijner prachtige hovelingen te zien, of wel om slechts van verre de streolende tonen op te vangen van de welluidende en kunstige muziek, die don stichtelijken avondgodsdienst begeleidde; want nooit hadden de kerk wanden van St. Maximijn treffender klanken en zuiverder harmonie van tonen weergalmd, dan nu Kareis meistreels, fluitspelers en koorzangers er dienst deden. Zelfs een vriend van die wegsleepenste aller kunsten of wel, hare toovermacht kennende op de menigte, was zi' 'iet voorwerp zijner bijzondere zorg en voorliefde, en een muzikaal volk, als deze Duitschers, moest aangetrokken worden door de heerlijke klanken, die statig en plechtig dagelijks hun oor troffen. Maar, zooals wij zeiden, alleen van verre was hot hun gegund ze te genieten. Het wantrouwen of de voorzichtigheid der Bourgondiërs hield den ingang der kapel voor de vreemdelingen gesloten, en omheinde zelfs de muren van het gebouw met eene sterke wacht, die er de nadering van verbood. Die voorzorg was rechtmatig; onberekenbare schatten, het eigendom van hun Vorst, waren er ten toon gespreid op het altaar en de comrau-nietafel, in reliquieiin en misgereedschap, in heiligenbeelden van edel metaal; en niet enkel eenvoudige burgers van Trier, die in onschuld zouden luisteren naar de muziek of die kostbaar-

ocr page 67

55

heden bewonderen, kwamen dagelijks toestroomen, maar ook dat heir van vreemdelingen, dat hunne stad vervulde ter gelegenheid dezer feesten, en waaronder er menigeen school, zonder beroep en zonder schroom, die bet achtste gebod meermalen had vergeten, voor wien kerkroof geene gewetenszaak was, en die aangelokt konde worden door zulken buit. Zooals veelal, moesten het dus de vromen ontgelden voor de boozen ; niemand werd toegelaten dan ingeleid door een bekend persoon van Kareis hofhouding.

Dat wisten twee meisjes niet, die, te bloode of te beschaafd om zich in het volksgewoel te mengen, langs een omweg het belangwekkende klooster genaderd waren. Moet ik zeggen, dat het Süschen was, die hare gezellin Bertha tot deze wandeling had overgehaald? zonder moeite evenwel; want de vroolijke Triersche was geheel van haar gevoelen, dat men geene gelegenheid moest verzuimen, waarbij men iets van de Bourgondische heerlijkheden kon zien. Slechts uitte zij dit gevoelen luide en onbewimpeld, terwijl Süschen schuchter en blozend, met halve woorden en met fluisterende stem alleen haar verlangen te kennen gaf naar het stichtelijk koorgezang van de Vesper, schoon het niet dat was, wat haar het meeste aantrok. Toch had zij geene gewoonte van veinzen, maar de arme wist zelve niet duidelijk wat haar met zulk een onbeschrijfelijk verlangen heenjoeg naar het oord, waar Karei van Bourgondië hof hie' wat haar met zoo smachtende blikken, die zich somwijlen in tranen oplosten, deed opzien naar de muren, waarachter hij ademde; wat haar zoo zonderling ontroerde, als zijn naam voor haar werd uitgesproken; wat haar den adem belemmerde in de keel, en haar het woerd op de verbleekende lippen terughield, als zij zelve willens van dien naam te noemen; waardoor zij zich tot bezwijkens toe geschokt voelde, als een volksgerucht ol' eene verzekering barer vrienden zijne wederkomst te Trier waarschijnlijk maakte; wat haar met zoo onuitsprekelijk zoete gewaarwordingen vervulde, als zij hem werkelijk aanschouwde; wat haar den ganschen verderen dag deed denken aan de enkele minuut, dat zij hem had nageoogd, of aan die, waarin er mogelijkheid zou zijn hem terug te zien. Die groote Hertog, die machtige Heer, die geen enkele maal een blik op« haar had geworpen; die

ocr page 68

56

onder de duizenden, welke hem aangaapten, het bevende kind, zeker het minst van allen zou opmerken; het bevende kind, dat nooit den stem zou durven verheffen, om, met het volk, hem een „God zegene u!quot; toe te roepen; dat zich blozend verschuilen zou, als zijn oog toevallig op haar zou rusten, dat alleen van ter zijde naar hem durfde heen staren. Zij wist niet, wat haar peinzend maakte en ernstig, van dartel en speelziek, als ze was geweest; niet, waarom hare wangen verbleekten en toch somtijds zoo plotseling gloeiden; niet, waarom hare oogen glinsterden; en niet, waarom zij zich onwel voelde en lusteloos, en toch weder zoo oneindig wol en gelukkig.

Het instinct der vaderliefde deed den plompen Hans Krein-schulte, anders altijd de laatste om iets te begrijpen, thans gissen, dat er iets buitengewoons voorviel met zijne dochter; maar Ulrich Alterer klopte hem, bij zijn bedenkelijk hoofdschudden, vroolijk op den schouder en fluisterde hem iets in, waarna hij dan meestal lachend opzag naar een jonkman, die sinds eenige dagen aan zijn huis verkeerde, en die er zeker met andere oogmerken kwam, dan om met beide oude Heeren over de voortreffelijk^ heid van het eerwaardige kuipersgild te praten. Zijne ouders waren vazallen der Markgravin *ran Spangenheim, en hij zeil' als edelknaap in dienst van don jongen Markgraaf. Bij het eerste volksfeest was hij in aanraking gekomen met de zonen van Kreinschulte, en toen hij eenmaal kennis had gemaakt met hunne zuster, was het zijne hoogste vreugd, het paleis van den Trier-schen bisschop, waar hij huisvesting had, te verlaten voor het huis van den ïrierschen kuiper, waar hij een welkome gast was; welkom aan allen, behalve aan de éénige, die hij het liefst van allen welkom had willen zijn. Siischen zag hem steeds met de meeste onverschilligheid, hoo ook Bertha hem voor hare oogen prees met een ijver, als had zij zelve wel de aangebedene willen zijn.

Het was der laatste dus eene teleurstelling geweest, dat op dezen tocht, dien zij heimelijk ondernanen, de hupsche jonker geen geleider had mogen zijn; maar de Badensche schoone had zulks met ernst afgeslagen. Jammer zeker voor het doel van haar tocht, dat ze nu bezwaarlijk zouden bereiken; want de Bourgondische schildwacht, die de naderende meisjes zoo on-

ocr page 69

57

meêdoogend een barsch „terug!quot; toeriep, zou misschien voor een livrei, waarop des Aartshertogs wapen gestikt was, een weinig meer beleefdheid hebben gehad. Beschaamd en verschrikt over eene zoo onzachte vermaning, die nog tegelijk van eene dreigende beweging met de lans vergezeld ging, begonnen de meisjes met eene éénheid van wil, door den schrik ingegeven, met haastige schreden te vlieden ; maar plotseling werd haar het smalle pad versperd door een troepje Bourgondische jongelieden, die stoeiend en lachend de achterpoort van het klooster uitkwamen, en die, in schertsenden moedwil, de armen wijd uitbreidden, om de meisjes in haar loop te stuiten. Met meer vrijpostigheid of meer tegenwoordigheid van geest bedeeld, dan hare gezellin, had Bertha zich vlug doorgeworsteld, en vlood nu uit alle macht, achtervolgd door het schaterend gelach van sommige dier Heeren, die haar alleen uit kortswijl nog eene poos nazetten en toen hunne wandeling vervolgden; maar Süschen, maar de arme beschroomde, die van ontsteltenis en verwarring geen voet had durven verzetten, stond nu schaamrood en half schreiend van schrik, midden onder de vier dartele knapen, die haar bleven omringen, verrukt als z'j waren door hare schoonheid, door de aantrekkelijke lieftalligheid van haar voorkomen en door dien zedigen schroom, die haar kennen deed voor gansch een ander wezen dan de luchtige deern, die bij eenzame avondwandeling avontuurlijke ontmoetingen zoekt. Die jongelieden waren ook zelve nog niet ontaard tot die lage ruwheid, die de onschuld niet begrijpt, of, haar begrijpende niet eerbiedigt; maar zij hadden bij de feesten van den dag genoeg hun deel gehad van huns meesters edelen wijn, om niet met eenige opgewondenheid van zoo bekoorlijk eene ontmoeting een weinig partij te trekken. Geen hunner had het nog gewaagd eene vermetele hand naaide sehoone jonkvrouw uit to strekken, maar allen eisehten luidruchtig eene omhelzing als prijze van hare vrijlating; twee hunner droegen den dos van hertogelijke edelknapen: de beide anderen behoorden, naar hunne kleeding te oordeelen, tot het corps dier honderd sehoone jongelingen die wij vroeger genoemd hebben. De eersten schenen de aanzienlijketen in rang; want toen een der laatsten, meer vrijpostig, de geëischte schatting

ocr page 70

58

wilde nemen, stelden zij zich met gezag tegen hem, namen het meisje beschermend tusschen hen beiden, en rukten haar met zich voort de kloosterpoort in, na een wenk gewisseld te hebben met een der schildwachten, zonderdat dezen anders dan door spottende schimpwoorden hun ongenoegen te kennen gaven.

Maar Süschens's opgedrongene beschermers hoorden niet naar haar droevig smeekend;

„Laat mij, Heeren Edellieden! Mevrouwe de goede Maagd zal het u loonen; laat mij!....quot; — Of zoo ze er naar luisterden, was hot tenminste niet om haar de gewenschte vrijheid te geven; want ieder hunner hield een harer handen vast in de zijne geklemd, en zij hadden, na het binnenkomen, de poort gesloten.

De Badensche zag angstig rond; zij bevond zich op eene binnenplaats, waarop verscheidene toegangen tot het hoofdgebouw schenen uit te loopen. Zich los te rukken en in een daarvan te vluchten, ware dus zoo goed als andere moeilijkheden te gemoet te loopen, welke nog ernstiger konden zijn dan die waarin zij zich nu reeds bevond; zij hoopte dus nog weder op de edelmoedigheid harer zoogenaamde helpers, met het woord:

„Waarlijk, Heeren! zoo gij Ridders zijt of edele Jonkers, houdt mij niet gevangen; ik ben de dochter van een Duitschen burger; ik bedoelde niets kwaads met de kapel te naderen; ik wilde alleen ...hier borst zij in schreien los. De jongelieden gaven elkander een wenk.

„Maar wat doet een juffer van goede geboorte rond te zwerven op den achterweg van een grondgebied, dat onze Meester door uwe stad is afgestaan, en op zoo laat een uur, dat welhaast de vesper zal geluid worden?quot; vroeg hij, die van beiden de oudste scheen.

„Daarom juist was het,quot; viel zij levendig in; „mijne vriendin cn ik hoopten .... dat heerlijke gezang .... wij meenen . . , . in de kapel . . . .quot;

„Welk een inval! Weet gij, dat de lansknecht-schildwacht het recht had u gevangen te nemen, mijne schoone?quot; sprak de jongere edelknaap, „en het had u dan slecht kunnen vergaan; want al is onze Hertog voor een genadig Heer bekend .... als het zijne kostbaarheden geldt. ..

„Philippeau!quot; viel zijn makker in, „zulke scherts is onvoegzaam !quot;

ocr page 71

59

„Scherts, Jehan? Ik spreek wat waar is, opdat deze juffer ons te meer danken moge voor onze goedheid, zoo wij geen zwaarder rantsoen eischen voor hare bevrijding, dan het loon, dat iedere Ridder licht verkrijgt van zijne Dame.... en daarom, mijn liefje....quot;

Doch Jehan, die al dien tijd Süschen oplettend had gadegeslagen, en in hare schreiende oogen iets gelezen had, dat nog luider tot hem sprak dan hare schoonheid, stelde zich nu met ernst tegen het opzet van zijn makker; „Hoor, Philippeau! wij wenschen beiden onze sporen te verdienen; het zou goed zijn zoo wij reeds vooruit daden van ridderlijke courtoisie geoefend hadden, al ware het ook maar jegens eene burgerschoone .... De juffer, die wij verlost hebben van den reus, dien de ruwe schildwacht verbeeldt, en van de dwergen, waar onze goede jonkers van den standaard voor strekken mogen, heeft eene loffelijke begeerte om den avonddienst te hooren in de kapel van onzen Heer Hertog; wij moesten haar daar binnen brengen, daarna veilig geleiden tot aan de poorten harer stad, en dan, van haar welbehagen alléén het loon wachten dezer prouesse ! Wat dunkt u?quot;

„Wat mij dunkt?quot; antwoordde Philippeau, die op Suschen's verhelderde trekken de gunst van zijn mededinger las. „Mij dunkt, dat ik niets wil laten afhangen van de luim eener vrouw, als ik het in mijne macht heb, mij zeiven te betalen .... Uwe tijn bespraakte tong zou de zege wegdragen, een trouw leerling als gij zijt van dien verrader met het geleerde hoofd,quot; voegde hij er hoonend bij.

„Ik ben geen leerling van een verrader, en ik wil lastering noch spot tegen Mesirre de Commincs!quot; riep Jean opstuivende, en tegelijk llikkerde de korte handdegen, dien hij droeg; bij diezelfde beweging liet hij ook de Duitache los, die nu geheel alleen in de hand bleef van haar lastigen kwelgeest. Philippeau verzuimde dit voordeel dan ook niet, maar kuste dor schoone weerlooze wangen en lippen met meer drift dan hoffelijkheid.

Jehan mocht dan een leerling van den wijsgeer Com mines zijn, maar op dit oogenblik had hij weinig van diens beraden overleg; want met eene woede, die alle voorzichtigheid vergat, viel hij op zijn makker aan, vergetende hoe hij het meisje zelf Jicht had kunnen treffen. Philippeau moest nu op verdediging

ocr page 72

60

denken; zij vochten, en Süsehen hield vol ontzetting de handen voor de oogen; zij meende niet anders, of ze zou een van beiden

als lijk aan hare voeten zien vallen.....toen plotseling do

zware stap van een geharnasten voet over het marmer dreunde. — Door een der gangen kwam een man tot hen.

„Gods barmhartigheid zij over ons!.... Dat is de Hertog!quot; riep Philippean, en de beide jongelingen, hun twist vergetende zoowel als het onderwerp daarvan, vloden, als van panischen schrik getroffen, ter wederzijden.

„De Hertog!quot; herhaalde hot meisje, en bleef met gevouwen handen staan, aan de plaats geboeid, als door eene onweêrstaan-bare tooverkracht; duizend gewaarwordingen kruisten zich in hare ziel; een oneindig verlangen, om zijne stem te hoeren, hem nabij te zijn, hem te zien oog in oog, en toch eene onverklaarbare vrees om door hem te worden opgemerkt, deed haar bij zijne nadering zich angstig tegen den muur dringen, met de onzekere kans om zóó zijner aandacht te ontgaan; en toch was vreeze voor den geweldige, in den eigenlijken zin van dat woord, wel de allerflauwste gewaarwording van het meisjo; zij ware niet gevlucht, al had zij den dood gewacht van zijno hand. En echter had zij reden voor zulk eeno vreeze, meer dan voor eenige andere; de dubbelzinnige toestand, waarin zij zich geplaatst zag, was gevaarlijker, dan hare onwetendheid gissen kon. De Hertog was een vriend van orde en geenszins een bewonderaar harer sekse; een vreemde vrouw, op dit uur van den dag, zich als verschuilende op eeno plaats, die toegang gaf tot geheel zijne woning, moest zijne scherpe achterdocht wettigen ; en achterdocht in de borst van Karei den Stouten was zoo goed als een bewezen misdrijf voor liet oog van een anderen Vorst; hij was de man om een vermoeden eerst te straffen, en daarna rond te zien of het grond had.

Bewusteloos van dit gevaar, maar overkropt en bedwelmd door gansch andere aandoeningen, wachtte Süsehen, als in eene duizeling, haar noodlot af.

Karei van Bourgondiö, de onvermoeide, nauwelijks van een wandelrit teruggekomen, scheen opnieuw de verfrissching der vrije lucht noodig te hebben ten minste hij doorliep het binnenplein met groote schreden, rukte zich ten laatste den helm

ocr page 73
ocr page 74

I

ocr page 75

61

af, en -wierp dien neder met zooveel drift, dat het metaal, op het marmer neerkomende, een schellen weerklank gaf, bij zich-zelven woorden mompelende, die de jonkvrouw niet verstond. Zij zag hem toen blootshoofds. Het dikke zwarte haar, sluik langs de slapen vallende en over het hooge voorhoofd, gaf hem een somber, maar belangwekkend uitzicht, dat volkomen samenstemde met den gloed van zijn donker oog. Het konden toch geene opwellingen zijn van toorn of bitterheid, die hem do aderen van het voorhoofd deden zwellen, tot het staal drukkend klemde; want er lag een glans van genoegen en voldoening opzijntrot-sche trekken, die wel bewees, dat het blijde gedachten en fiere vooruitzichten waren welke hem streelden en opwonden en de borst verwarmden, totdat hij snakte naar verkoeling en lucht. Kerst toen hij voor de derde maal den schuilhoek van Süschen voorbijging, merkte zijn verstrooide blik haar op. Tegelijk ook viel zijn oog op het wapen aan hare voeten, dat Jehan in zijn schrik van zich had geworpen ; zijn vlug vernuft vatte schielijk drie voorwerpen in éóne gedachte te zamen. Hij glimlachte.

„Kom te voorschijn, en neem dat speeltuig op, gij daar!quot; sprak hij koel, met den voorsten vinger op de dagge wijzende; en met meer bitterheid voegde hij er bij: „Zoo Frederik u zendt ter bespieding, of Lodewijk XI tot moord, zijn beiden grooter ezels dan ik had kunnen droomen; of.... Bij God en St. Joris van Bourgondië !. .. . zoo ze meenen konden .... neen ! zij vreezen mij; zij mogen me haten; maar verachten, maar zóó verachten!.... Vervloekt! ik zou het hoofd kunnen verpletten van hem, die gewaagd had, zulke gedachten te denken.quot;

Koel gebleven bij eer\e ontmoeting, die een ander ten minste met de ontsteltenis der verrassing getroffen zou hebben, begon hem het bloed warm te worden bij de mogelijkheid eener ge-ringachting, als die, welke hem inviel; „kom vooruit, gij daar !quot; vervolgde hij; „wat moet dit zwijgen? Zijt gij een spook of een vermomde man ? Zoo het laatste waar is, zijt gij te onhandig voor uw handwerk.quot;

Süschen had geen wil, geene bezinning, geen antwoord, dan om zich aan zijne voeten te werpen, en stamelend uit te brengen ;

„Genadige Heer! mijn Koning!''

ocr page 76

02

„Koning!quot; hernam Karei, welgevallig lachende, ziedaar ten minste geene rebellie! Het is alleen te voorbarig; maar op mijne eere, het woord klinkt goed, als het zoo nabij de waarheid is. Spreek, op deerne! met wat doel versteekt gij u hier? Met wat doel hieldt gij dien priem, in uwe handen niet meer beduidend tegen ons, dan eene naald tegen een pantser?quot;

Eerst nu begreep Süschen iets van zijne onderstelling; die bittere achterdocht gaf haar moed tot eenig antwoord.

,Vorstelijke Heer! ik iets ondernemen tegen U!quot; luide snikken beletten haar voort te gaan. „Dat wapen, dat ongelukkige wapen behoort uw dienaren, die elkander zouden vermoord hebben voor mijn oog! O! wees genadig, mijn Vorst! en verdenk mij niet van snoodheid!quot;

„Ik denk dat ik u gelooven kan; men zendt geen vlinder uit tegen een leeuw. Dank het mijn goeden inval, dat ik niet met een eersten greep uwe fijne vleugels vermorzelde. Nu, richt u op en spreekt duidelijk ! Wat hebben mijne lieden uitgevoerd? Vechterijen, ongeregeldheden in ons afzijn? Ze moeten wel vermetel wezen, en de provoost-maarschalk in geene goede Inim van waakzaamheid.quot;

Maar Süschen richtte zich niet op: zij bleef sidderend geknield ; zij hoorde, hoe die stem, die zij alleen in toorn zoo vol en zoo zwaar had gewaand, zich tot geene meerdere zachtheid boog, nu hij alleen vragen tot haar richtte; en terwijl er eene betoovering wegviel, kwam er plaats in hare ziel voor de ontzetting, zich onder verdachte omstandigheden in de macht te weten van een man, wiens toon zooveel hardheid verried ; en toch was Karei ditmaal in eene luim van goedheid; hij was vroolijk gestemd; een geliefkoosd ontwerp was der verwezenlijking nabij ; zijne innerlijke tevredenheid uitte zich door iets ongewoon goedigs voor wie met hem in aanraking kwamen; en daarenboven, deze fierste aller vorsten, die zijne Prinselijke hovelingen vaak door ruwe bitsheden verootmoedigde, had, jen allen tijde, voor lage burgers en geringe lieden, die het toeval als smeekelingen in zijn weg bracht, zijn zachtsten glimlach en zijn vriendelijkst gelaat voorbehouden.

Dat had het arme Duitsche meisje wel niet kunnen denken,

ocr page 77

63

toen zij, na zijn bevel om te spreken, niet durfde zwijgen, en toch niets beters vermocht uit te spreken dan halve volzinnen.

„Ze hebben mij hier binnengebracht tegen dank! Het waren jongelieden!.... ik liep vredig voort met Bertha, met eene burgerdochter uit Trier; toen zijn zij gekomen.... Ik begreep niet wat zij wilden, maar ik was angstig, verlegen: ik bad in mijn hart tot de Heilige Maagd; toen sleurden twee hunner mij hierheen.... maar niemand heeft mij gezonden! niemand! uwe Koninklijke Hoogheid kan er zeker van zijn; ik ken de lieden niet die mijn Heere daar even noemde; ik zon tegen u niet anders kunnen spreken dan waarheid .... Toen ik hier was, heeft men met mij gehandeld als niet hoffelijk was, en daarop . ...quot;

„Genoeg, genoeg,quot; viel Karei in, „ik begrijp alles! die onverlaten! een zoo aardig kind! zij zullen gestraft worden, dat Duitschland er van gewagen zal; vertrouw op mij; houd op met schreien en beef niet dus als een wezel in den muil van een jachthond; bij mij zijt gij veilig; Karei van Bourgondië moge den tijd niet hebben of den lust, om de hoofsche woorden te leeren, waarmee de courtoisie voorschrijft de ijdelheid der vrouwen te ontzien; hij moge aan de minnehoven van Europa niet bekend zijn als de galantste edelman, hij is genoeg waarachtig Ridder, om wreker en beschermer der onschuld te zijn, en om de hand niet anders dan helpend uit te strekken naar zoo iets teers en zwaks, als hij in u voor zich ziet,quot; en daarbij reikte hij haar de zijne tot opstaan.

„Edel als groot is mijn Heere!quot; lispelde Siischen, verrukt over het eerste heusche woord uit zijn mond, en hare zachte lippen raakten beschroomd de vingers aan van zijn gantelet. Hem scheen die hulde niet ongepast; ten minste hij zeide glimlachend ; „Kindlief! gij zoudt u wonden aan dit staal,quot; en den handschoen wegwerpende, die rinkelend neêrviel, ontblootte hij zijne hand, die hij haar bood, een blanke, welgevormde hand, waaraan een schat van kostbare ringen flonkerde; — zijne vijanden zouden zich verwonderd hebben, te zien, dat de hand, die hen zooveel schrik aanjoeg, en die zoo krachtig het krijgszwaard voerde, zoo sierlijk getooid was en zoo vrouwelijk zorgvuldig onderhouden.

„Is het zeker dat ik wake? Is het wel de heerlijke Koning

ocr page 78

64

van Bourgondië die mij toespreekt ?quot; riep het meisje, voor het eerst de oogen met eenige vrijmoedigheid tot hem opslaande.

„Zoo ben ik voor u dan reeds Koning!'' sprak Karei opgeruimd; „welaan! gij zult niet teleurgesteld zijn; men gaat niet heen van een Koning, zonder verblijd te zijn door koninklijke jongst en vrijgevigheid. Alleen wij zullen beginnen met n recht te doen over snoode beleediging; maar het is hier de plaats niet.. . . Hebt gij ooit een paleis betreden?quot;

Zij schudde het hoofd hoog blozend en met schitterende oogen ; zij begon zich zachtkens te gewennen aan het denkbeeld van zijne tegenwoordigheid.

„Dan zult gij er nu een zien, waarbij u de troonzaal van uw Keizer gering zal schijnen, als een gildekamer van leerlooiers ! Volg mij!quot;

De vlugge tred van het meisje, dat als in bedwelming voortliep, kon nauwelijks zijne forsche schreden bijhouden, toen hij eene enge galerij doorging, die zoo duister was, dat het er zelfs bij dag niet licht moest zijn, maar die leidde naar het refectorium van het klooster, dat Karei tot vergaderzaal had laten inrichten, doch te gelijk als eetzaal moest gebruiken. Twee edele schildknapen schenen wacht te houden bij de deur, die zij eerbiedig voor den Hertog openden, om daarna snel een tapijtbehangsel weg te schuiven.

„Hebt gij één hunner herkend?quot; vroeg Karei. Süschen wenkende om binnen te treden.

„Neen, Heer!quot; antwoordde zij; maar zij had neen gezegd, al had Philippean tegenover haar gestaan, want het scheen haar toe, dat zij plotseling in eene tooverwereld was binnengeleid.

In waarheid, wat zij aanschouwde, zou een hoveling van Keizer Frederik zeiven in verbazing hebben gebracht. De tafels stonden aangericht tot Kareis laatsten maaltijd, die hij omstreeks zeven ure nam met zijne voorname hovelingen, nadat de lagere bedienden den hunnen vooraf genuttigd hadden; en al zijn kostbaar tafelgereedschap, schalen van goud, kroezen, schenkborden, en borden van zilver, bekers, aan den voet met edelgesteenten omzet, prijkten op tafels van stevig hout, overdekt met fijn Hol-landsch lijnwaad ; en dat alles flonkerde en flikkerde bij het licht van een ontzettend getal wastoortsen en flambouwen, vastgehouden door

ocr page 79

65

dienaren in sierlijke kleeding. Op het dressoor stond reeds het zilver en goud, tot het drinkgereedschap behoorende, onder bewaring van den keldermeester en den mondschenker, die den beker des Hertogs, kenbaar aan den eenhoorn, die er met een zilveren kettinkje van afhing, op de gebruikelijke wijze overdekt in de rechterhand hield, terwijl hij het voetstuk of schoteltje in de linker zou nemen, als de Meester wilde gediend zijn. Toch was noch de wijn, noch het water voor Kareis bijzonder gebruik voorhanden; het werd eerst aangebracht, als deze werkelijk gezeten zou zijn. Zoo was het ook met alle warme spijzen, die opgedragen werden als de maaltijd werkelijk begon, ieder der schotels aangebracht door de rechthebbenden, in eene verscheidenheid en met eene afwisseling van personen, waarvan de eenvoudige optelling het geduld van den lankmoe-digsten lezer te zeer zou vermoeien, schoon de driftige Karei geduld gevonden heeft, om ze met kleingeestige nauwgezetheid te regelen, en eene pen om ze neder te stellen voor zijne tijdgenooten en nakomelingschap. De geuren van de fijne sausen, en van geheel hunne weelderige en verfijnde keuken, verkwikten dus het Badensche meisje niet; maar te meer genoten hare oogen, die ze niet wist hoe het best te gebruiken; de geheele zaal was behangen met tapijtwerk uit de Vlaamsche fabrieken, tafereelen voorstellende uit het leven van Alexander den Grooten, en van Hannibal, een geliefkoosden held van den Hertog; en de beelden daarop waren zoo natuurlijk ge-geschetst, zoo volkomen van menschengrootte, en, naar den weinigen eerbied voor het locale dier tijden, zoo volmaakt gekleed en gewapend als de levende wezens, die haar omringen, en de deze zelve stonden, naar de eischen van hun dienst, zoo beeld-stijf en bewegingloos, dat het eenvoudige kind nauwelijks waarheid en tafereel van elkander wist te onderscheiden, en, hijgend van bewondering en verbazing, met strakke blikken rondstaarde. De zitbanken, vreemd genoeg aan zoo weelderig een hof, slechts met dun tapijtwerk belegd, waren reeds aangericht; aan het hooger einde van de eerste tafel wees een kussen van goudlaken de bijzondere zitplaats des Hertogs aan; dicht daarnevens onthield zich reeds de eerste schildknaap-

Kroon. Karei de Stoute. 3

ocr page 80

66

voorsnijder, gereed om Sijn ambt waar te nemen, zoodra de Vorst zou gezeten zijn; maar naast dezen stond nog een man, die met aandacht geheel de toebereidselen overzag, als om zich te overtuigen, dat er niets was verzuimd; het was een aanzienlijk man in het huis van Karei; Ridder, Raadsheer en Hofmeester, en daarenboven zelfs een weinig zijn gunsteling, dezelfde wiens gedienstige pen ons de volledigste berichten van zijns Meesters omslachtigen hofstaat vermaakte: die hem nooit heeft verlaten, van wien hij zich bediend hoeft in staatkundige onderhandelingen, zoowel als in den hofzaal en in het leger; die zijne overwinningen heeft gevolgd en zijne nederlagen gedeeld ; die van den grooten schok bij Nancy de terugwerking gevoelde in des vijands gevangenschap; die Kareis dochter heeft gediend en zijn kleinzoon, en die onder alles dezelfde is gebleven; die minder eigenliefde had dan Commines, ot meer hovelings plooibaarheid, of minder lichtgeraaktheid, of meer trouw; want het is niet te denken, dat de eigenzinnige Hertog zijn raad beter zal hebben opgenomen of opgevolgd, dan dien van eenig ander, en hij is toch nooit moede geworden, hem dien te geven, en hij heeft zelfs, toen zijn geest zich vrijelijk uitstortte in zijne gedenkschriften, geene enkele klacht geslaakt, noch eenige bittere gewaarwordingen lucht gegeven tegen zijn gevallen Heer, en toch, hij schreef op een leeftijd, dat hij naar hofgunsten niet meer kon jagen, eu zelfs betuigde voor niets goed te zijn, dan voor de rust; zoodat het niet waarschijnlijk is, dat hij, ter wille van Philips den Sehoonen, Karei den Stouten heeft gespaard, wiens alles wagende eerzucht, en de noodlottige gevolgen, die zij had, hem gansch niet tot den lieveling hebben gemaakt van zijne nakomelingschap.

Wat daar ook van zij, de Hertog van Bourgondiö was nu nog in volle hoogheid en macht, en Olivier de la Marche van de dagen der grijsheid nog verre; en het was juist hem, wien Ka-rel het eerst toesprak met dit woord:

„Messire Olivier! het is goed dat wij u vinden; gij zijt beter dan eenig man onderricht van de plichten der dienaren van ons huis. Gij zult mij kunnen zeggen, wie hunner het recht

ocr page 81

67

konden hebben, dit verblijf vóur do vasper te verlaten, of wel, wie die vrijheid heeft kunnen nemen zonder recht?quot;

Op al de aanwezenden had het binnentreden des liortogs, vergezeld zooals hij was, een indruk gemaakt van verrassing en verwondering, vooral cm den tijd, waarop hij kwam, zooveel vroeger dan gewoonlijk, dat zelfs nog niemand van de Groeten, die de eer zijner tafel deelden, daar was, terwijl hij zoozeer de gewoonte had, zich te doen wachten, dat zijn Opperkeukenmeester geregeld voorzorgen moest nemen tegen de rampen der vertraging, die de beste kookkunst kon te schande maken ; maar allen ook trachtten dien indruk te verbergen onder eene eerbiedige kalmte, vooral toen zij uit den bedaard deftigen toon, die Karei soms wist aan te nemen, begonnen op te maken, dat eenige ernstige roden hem dreef. De Sire de la Marche, zeker niet minder getroffen dan de andere, vooral bij het zien eener vrouw, zoo jong en zoo schoon, was toch niet min behendig in het ontveinzen van zijne bevreemding, terwijl hij met vlugge gevatheid van geest antwoordde;

„Het is niet denkelijk, dat Uwe Doorluchtigheid hier doelt op Ilooge en Machtige Heeren, Graven, Baronnen en Ridders, die ter aller ure vrijelijk uitgang hebben, behalve na de sluiting van het hotel?1'

Karei maakte eene beweging van ontkenning en ongeduld.

„Het is dan zeker, dat het kunnen zijn : schildknapen-boog-schutters, dat edele mannen zijn, pages-palfreniers, alien die geen dienst hadden omtrent uw persoon, daar het Uwer Doorluchtigheid behaagde alleen uit te rijden. Ook edele pages, met het welnemen van Mjnheer den Grootstalraeester, of wel eenige van de honderd jongelieden, wiens geenerlei bepaalde dienst werd aangewezen, tot groot nadeel en schade voor orde en goeden regel — dat zjn de lieden, welke, zoover ik kan nagaan, recht hadden zich van huis ce begeven of deze vrijheid genomen hebben zonder recht, do dienaren van gezegde Heeren en Edelen uitgezonderd; die niet zijn na te sporen, aangezien hunne menigte en afhankelijkheid van het gezag hunner meesters alleen, en verder allen, die schotel noch spijze hebben in Uwer Genade huis, en die dus vóór het luiden van de avondklok

ocr page 82

G8

zich van daar moesten begeven. Nog zou het kunnen zijn, dat...

„Wij zijn voldaan,quot; sprak de Hertog, wiens blik, onder het spreken van Olivier, snel het personeel in de zaal had overzien. „Wij hebben hier monsters, ora een woord van onze Gentsche wevers te gebruiken, van al de opgenoemden. Hier, Juffertje! wie van deze lieden draagt eene kleeding, gelijk aan die van uwe belagers ?quot;

En hij voerde Süschen langzaam de zaal door, de geschaarde dienaren voorbij, die zich niet op hun gemak bevonden ; want zo begrepen, dat de bestraffing vau eenige fout bedoeld werd, en dat eene vergissing, of wel het juiste oog van het vreemde meisje, een van hen ongetwijfeld in last of lijden moest brengen. Maar het beschroomde kind, waggelend aan de hand van den machtigen beschermer, hief nauwelijks een zjjdelingschen blik cp hen en bleef altijd zwijgen ; zij had de gezochte personen roer-lings kunnen voorbijgaan zonder hen te herkennen ; ten laatste echter, nadat Kareis donker oog baar vragend en ongeduldig had aangezien, trachtte zij al hare bezonnenheid meester te worden en zonder verstrooiing op te letten, hetgeen maakte, dat zij juist in een der dichtstbijstaanden de roode onderkleeding en het lichtblauwe wambuis zag, welks sprekende kleuren bij der. twist der jongelieden hare aandacht hadden getroffen. De aangewezene ontstelde hevig, en betuigde met sterke woorden, dat hij zich geenerlei schuld omtrent die Jonkvrouw bewust was.

„Dus een page!quot; sprak Karei, zonder op deze verontschuldigingen te antwoorden. „Xu dient ons alleen te weten wie uit de twaalf edele jongelingen, die door onze zorg in ons huis worden opgevoed, vergetende hunne goede afkomst en onze weldaden, tot de laagheid zijn vervallen, om deze onnoozele kleine vreemdelinge geweid aan te doen?quot; vervolgde hij met eene hoogheid en een ernst, die meer indruk maakten, dan bijwijlen zijn doldriftige toorn.

Süschen had opnieuw aan zijne voeten willen vallen, zoo edel scheen de held baars harten haar nu toe.

Het woord van den Hertog bleef niet zonder weerklank ; want een der toortshouders die, aan het lager eind van de tatel had

ocr page 83

69

gestaan, verliet zijne plaats, boog de knie vooi' den Hertog en sprak eerbiedig, maar vast:

„Doorluchtigste Heer! de plegers van die daad zijn Philippeau de Beaucaire en Jehan do la Clitte, zonen van edelen en pages van uw huis.quot;

De Badensche Jonkvrouw zag verschrikt op bij het hooren van die stem; bet was eeno bekende stem, de stem van Romuald, haar onbeminden aanbidder, en toen zij zich had overtuigd, dat het werkelijk de edelknaap der Markgravin wap, die zich hier bevond in de vermomming van een Bourgondisehen toortsdrager, kon zij zich geen denkbeeld vormen, hoe dat toekwam; maar zij was toch wijs genoeg, om den uitroep van verwondering terug te houden, die haar op de lippen lag.

„Hebt gij zekerheid voor wat gij zegt?quot; vroeg Karei,

„Twee mijner makkers hebben het mij voor waarheid bezworen; zij hebben gezien, hoe de jonkers het meisje ter deure inbrachten.quot;

„En waarom spreken zij zelve bier niet?quot;

„Zij zijn huns weegs gegaan, hebbende voor heden geen nachtverblijf in het klooster.-'

„En dus tot aan den morgen buiten bereik van ondervraging.quot; hernam Karei verdrietig; „Messire Hofmeester! dat moest anders zijn.quot;

„Uwe Doorluchtigheid zij indachtig, dat alzoo vroeger haar eigen bostel was, en. . . .quot;

„Wjj meenen het nii anders!quot; antwoordde de Hertog met stijgenden wrevel; „daarbij is hier de sprake van pages ; waarom staan do beschuldigden nog niet vóór ons?quot;

Op iederen anderen tijd zou Karei hem, die hier eigenmachtig zjjn bevel ware vóórgekomen, met een hard woord geloond hebben; nu rekende zijn kwade luim, ontstaan uit do overtuiging, dat Olivier gelijk had tegen hem, het den zijnen als schuld aan, dat ze het ditmaal niet gewaagd hadden.

Do Sire de la Marche deed nu schielijk den wenk gehoorzamen. Toen de jongelieden binnenkwamen, en Karei, hun Süschen toonende, met strengen blik op hen zag, en daarbij vroeg op dien harden toon, die vooruit als een vonnis klonk.

ocr page 84

70

„of zij wisten waarom dit meisje hier was?quot; begrepen beiden, dat er niets meer te ontkennen viel, en dat hunne beste hoop bestond in eene zachte opvatting van hunne handelwijze.

Ook wierpen zij zich aan des Hertogs voeten, eenige veront-schüldigingen stamelend en verschooning inroepende voor ; „eene kleine jokkernij, eene lichte fout.quot;

Op Karei, die Süschen de gelegenheid niet had gegeven zich duidelijk te verklaren, en die, meenende alles te raden, aan eenige onvergeeflijke gewelddaad geloofde, deden die woorden juist do verkeerde werking.

„Jokkernij! eene lichte fout! bij den naam van St. Joris! die onbeschaamdheid is zonder voorbeeld! Ongelukkigen! het is aan ons en niet aan u, de zwaarte uwer schuld te beoordeelen ! Eene lichte fout! — Ha, Messire Jehan de la Clitte, neef van den waanwijzen verrader, Philippe, met zulke manier van denken kunt ge, naar de wijze van uw oom, fortuin maken aan het hof van Mijnheer van Frankrijk! Maar weet, ons hof is een eerbaar hof; en kuische jonkvrouwen geweld aan te doen, achten wij misdaad en geenszins jokkernij ! Wij oordeelcn het schande, te schertsen met hot schaamrood van vrouwenwangen ! Wij oordeelen het zonde, het zwakke vat te breken, dat ons in de hand is gegeven om te beschermen ; en, bij do eer van rnijno Ridderorde! wie van mijn huis zijn, zullen niet straffeloos een kwaad plegen, waarvan ik mij zeiven onthoude !quot;

En van zijn standpunt gezien, was Kareis gramschap rechtmatig, en hij mocht zóó spreken ; want deze Hertog van Bour-gondië, — en het wordt tijd, onder al zijne fouten, die bloot liggen, op eene zijner merkwaardigste deugden te wijzen, die men moet willen opmerken, — deze Karei was een knisch en zedelijk Vorst, en dat was veel voor zijn tijd, en bovenal Teel voor de opvoeding, die hij genoten had, te midden van een losbandig hof, waar zijn vader het voorbeeld van ergerlijke leefwijze gaf, de zedeloosheid aanmoedigende onder zijn grooten, en ieder zijner gemalinnen het leven verbitterende door zijne minnaressen ; waar het zedelijke gevoel van een jongen Vorst bijna verstompt moest zijn voor het onderscheiden van ondeugden, die, als gewettigd door het gebruik, en gesteund, geërd

ocr page 85

71

en verschoond, nevens de onschuldigste gewoonten voortliepen, of wel zich schaamteloos in de rij der deugden plaatsten. Maar integendeel, Kareis gevoel was er tegen opgeruid; zijn schrander oog had de schande ontdekt achter het hool'dsche masker, waarmede men haar eerde, en zijn moed, zijne verontwaardiging had er nog eerbied voor gehad noch verschooning; en toen hij meester werd, was hij de hervormer geworden van zijn verbasterden adel; door zijn voorbeeld had hij de heilige rechten van den echtstaat geëerd, en eerbied gepredikt voor de onschuld; de zwakheid beveiligd tegen verdrukking, en zedige deugd aangeprezen als een begeerlijk goed; en zoo hij, te midden van zijne grootsche staatsplannen, onder al het gewoel van een ruw en rusteloos krijgsmansleven, lust gevonden had en tijd en zelfbeheersching voor dit doel, dan was het niet vreemd, dat hij met sterk sprekende verontwaardiging vervolgde: „Eene lichte fout! Bij God! als mijne krijgslieden in vijands land of in veroverde plaatsen, in de hitte van den krijg, bij brandstichting en moord, als men niet alles overzien kan noèh straffen, dusdanige daden plegen van geweld en overmoed, is het ons zeer tegen de borst en vernemen wij het met onwil, schoon men den lieden van wapenen in zulke dagen ietwat dient loe te geven; maar hoe! wij verkeeren in een bevriend land, waar wij als bondgenooten zijn ingetrokken, en als broeders ontvangen worden en geherbergd, en wij zouden zien en lijden, dat do zusters of dochters van de vrije burgers of van de kleine luiden, of van wie ook, overlast leden en gedeerd werden door ruwen moedwil en overgauwe loszinnigheid van zulke dartele kweekelingen, als deze bedorvene zonen van goede edellieden! en wij zouden dat met den schoonen glimp van eene lichte fout looselijk overdekken en slappelijk straffen! Neen, bij de eer van Bourgondië's heilige orde! anders eischt der Vorsten plicht van billijkheid! Jongelieden! wij zullen daarin voorzien, dat gij de strafte voor 't minst niet licht noemt, die op zulke lichte vergrijpen wordt toegepast. Hierheen mijne dienaars van wapenen!quot; (en hij keerde zich tot vier mannen in krijgsgewaad, voerende zijne bijzondere kleuren, die aan eene afzonderlijke tafel zaten, vlak tegenover zijn zetel, altijd gereed, op

ocr page 86

72

zijn eerste bevel den aangedniden persoon gevangen te nemen, „hierheen! en voert deze jonge booswichten naar den laatste, met wien ze te doen zullen hebben, naar den beul: schande wascht men alleen door bloed !quot;

Een zware zucht van ontzettiog ontwrong zich op dat woord aan de borst van al de verzamelde personen, die Karei te wèl kenden in de onwrikbaarheid zijner besluiten, in de snelheid van zijn uitvoeren, om niet te weten, dat het geene losse bedreiging was, maar volle, schrikwekkende ernst; het treurig einde van den jongen edelman d'Hamaïde, een page van negentien jaar, wien noch zijne machtige verwanten, noch eenige hooge voorspraak tegen eene bloedige rechtvaardigheid had kunnen beschermen, en die toch Kareis lieveling was geweest, lag nog te versch in het geheugen, om voor deze jongelingen van minder beduidenis op meerdere zachtheid te kunnen hopen.

Ook waren de geduchte wapendienaren reeds genaderd . . . .

Maar Jehan de Clitte, die evenmin als zijn makker, tegen den stroom van Kareis driftige rede een woord had kunnen inbrengen, en die, zoo vaak hij het had willen beproeven, door den luiden toon van des Hertogs toornige stem overschreeuwd was geworden, vond nu in dit uiterste oogenblik zijne kracht en tegenwoordigheid van geest terug, en als een schrander en vernuftig jonkman, wilde hij den omstanders met één enkel gezegde duidelijk maken, dat hunne schuld toch niet een zulke was, waarmede men den dood verdiende. Hij richtte zich op en sprak luid en met bitterheid tot Süschen:

„Zoo zeker gij zelvo eens behoefte zult hebben aan des priesters vergeving, wreede schoone! zoo zeker eischt gij nu eene zware boete voor eene kleine stoutheid! Mij dunkt, één enkele kus, zelfs van uwe rozenlippen, is goed betaald met twee jonge levens! Kom, Philippeau! gaan wij; de Plertog wil het!quot;

„Zacht wat!quot; riep deze, „gij hebt zonderling veel haast om ter dood te gaan; één kus!quot; en hij borst in een luiden lach uit; „wie van ons beiden was dan buiten zinnen, meisje! zooveel misbaar om één kus! dit hadt gij ons vroeger kunnen zeggen. Beslis nu, spreekt de jonker waarheid!quot;

ocr page 87

73

En naar Süschen omziende, wierp hij haar een half toornigen, half lachenden blik toe.

Zacht schreiende, boog zij snel toestemmend het hoofd; reeds herhaalde malen had zij gepoogd zijne aandacht tot zich te trekken; maar ontzet en overbluft door alles wat zij hoorde en zag, en op het vreeselijkst getroffen op het denkbeeld, dat er bloed vloeien zon, en dat om harentwil, had nog de ontroering telkens haar de spraak benomen en het geluid in do keel gesmoord.

„Nu dan, waartoe die tranen?quot; sprak Karei met verwondering, ,,niemand dreigt u met leed of last!quot; maar plotseling meenende haar te begrijpen, vervolgde hij met verheffing van stem, zich tot de aanwezigen keerende, wie zijn eigen voorbeeld tot den spottenden lach scheen te hebben gerechtigd, die hun nu op de lippen zweefde; „Neen! het moge ons vreemd schijnen, toch willen wij niet gespot hebben met die fijne eerbaarheid van deze Duitsche Jonkvrouw! Altijd is het zeker, gij Heeren pages! dat gij haar behandeld hebt als onpassend was en strijdig met den plicht van toekomende Ridders. Gij hadt niet noodig, haar met geweld te brengen, waar zij niet begeerde te zijn; daarvoor zult gij haar ieder twintig Vlaamsche tournoijsen uitkeeren, bij wijze van boete, en dat is ook de voorwaarde, waarop wij niet wilden vragen, met welk doel gij tegen elkander dun degen trekt in tijden van vrede en binnen de muren van onze verblijfplaats ..... De beurs uit den gordel. Jonkers! wij hebben haast om gehoorzaamd te zijn.quot;

Daar zou het niet aan ontbreken; de Jonkers haalden snel hunne beurzen te voorschijn; misschien vonden zij den prijs hunner scherts nog altijd hoog genoeg ; maar Süschen weerhield hen met een driftig gebaar.

Eene gloeiende verontwaardiging bij eene grieve, die zij beter gevoelde dan wist te ontleden, gaf haar plotseling moed en sprake:

„Mijn genadige Heer! spaar mij dit,quot; wendde zij zich tot Karei, „ik ben niets komen vragen, en ik wil niets ontvangen; zelfs heb ik over niemand geklaagd, noch recht gevraagd, tegen wien ook. Alleen moest ik zeggen, hoe ik kwam waar ik niet had moeten zijn; Uwe Doorluchtigheid had kwade gedachten

ocr page 88

74

van mij; ik moest mij verweren door de waarheid; maar door haar groot ongeduld ontnam zij mij het woord, en gunde zich niet te luisteren; later miste ik den moed en de bezinning, om opnieuw te spreken. Gods Heiligen, die mijn hart kennen, weten dat het niet zou geweest zijn om deze lieden te beschuldigen, aan welke ik veeleer verplicht ben, omdat . . .

De donkere blos, waarmeê de overspanning hare wangen gekleurd had, werd eensklaps vervangen door een doodelijk bleek, en zij zweeg, als wie een gevaarlijk woord, dat ontsnappen ging, met moeite op de lippen terughoudt; daarna vervolgde zij haastig;

„De groote Vorst weet nu alles, en dus, wat zoude ik met dit geld, waarvan de aanbieding mij meer pijn geeft dan ik weet uit te drukken?quot; en daarbij hief zij het oog op naar den Hertog met eene onbeschrijfelijke mengeling van droefheid en verwijt; er lag iets verwjjtends in dien blik en toch eene diepte van weemoed, die pijn deed om te zien. Karei zelf begreep niet door welke deelneming tot lankmoedigheid gestemd, bij zulk oen blik duldde zonder in drift te ontvlammen. Hij wist niet, dat het de overmacht harer zwakheid was, en de overmacht van dat dwepend gevoel, waarmede zij naar hem opzag, waarvan hij onwillekeurig den invloed onderging, en dat op hem terugwerkte.

,,Wel, kind!quot; hernam hij, „niemand dwingt u het aan te nemen ; slechts meenden wij u van een bruidschat te voorzien, waarmeê gij eener uwer Duitsche Baronnen kondt huwen. De Jonkers zullen dan die penningen storten bij onzen Aalmoezenier, opdat die er meê voorzie in de ellende van eenige nooddruftigen. Maar gij, begeer iets van ons; wij hebben beloofd u koninklijk te begiftigen .... Zie rondom u, is daar iets op onze tafelen of credenzen, dat gij verlangen zoudt te bezitten, tot aandenken van onze ontmoeting? Of wenscht gij eenige sierlijke stoffen in goud- of zilverlaken, tot een feestkleed, dat edelvrouwen u benijden zullen?quot;

„Antwoord dan,quot; vervolgde hij, toen zij bleef zwijgen; „wij hebben in trouwe tijds genoeg verspild met uwe zaak.quot;

„Laat mij binnen uwe kapel, op den dag, dat gij tot Koning gewijd wordt!quot; riep zij met eene snelle overwinning op hare beschroomdheid, door zijn dringen afgeperst.

ocr page 89

75

„Dat zij u toegestaan!quot; hernam de Hertog vroolijk. „De Sire de la Marche (hij zag dezen aan) is belast met u op dien dag plaats te geven en te onthalen; maar zorg, niet weer alleen te komen, en neem vader of broeder of liefste mede; en opdat gij zeker moogt zijn tegen iedere ongelegenheid, neem deze keten. Onze naam en wapenen staan uitgedrukt op het gouden slot; on elk van mijn lieden, wien gij het toont, zal gehouden zijn u voort te helpen en te beschermen; want alzoo is onze wil, dien zij allen verstaan zullen. En nu, vaarwel! wees Gode bevolen.quot;

Tegelijk gaf hij haar het kostbaar gewerkte sieraad, waarvan hij zich had ontdaan, en wenkte met de hand, dat zij gaan zoude; maar zij wierp zich op beide knieën, drukte zijn geschenk met vuur aan hare lippen en bleet' hem lang aanzien, zonder dat zij ook een enkel woord van dank uitte.

„Wat wilt gij nóg?quot; vroeg hij ongeduldig; want reeds waren verscheidene grooten van zijn hof binnengekomen tot den avondmaaltijd, en hunne verwonderde blikken, schoon hun mond eerbiedig zweeg, begonnen hem lastig te worden. „Wij meenden, dat gij voldaan zoudt zijn; wat wenscht gij verder?quot;

„Niets, niets!quot; riep het meisje mot bevende stem; maar toch week ze niet van de plaats, want ze was onmachtig neergevallen.

„Ei, ziedaar! de deerne is bezwijmd aan onze voeten!quot; riep Karei, zich verdrietig ter zijde keerende; „wij bekennen onbekwaam te zijn met zulke weeke schepselen om te gaan. Richt gij haar op, Sire de ia Marche! gij zijt zacht van wezen en zacht van tong: zij mocht sterven zoo ik haar de hand vatte, daar een luid woord haar zoozeer in beweging brengt; en daarbij ik verlang te eten; laten twee bejaarde dienaren haar naar Trier teruggeleiden, en verantwoordelijk zijn voor hare veiligheid.quot; Hij stapte driftig van de bewustelooze weg naar een ander gedeelte van de zaal, zonder meer naar haar om te zien.

Daar sprak hij eene poos met zijne voorname hovelingen, wier groet hij nog niet had beantwoord, en kort daarop hoorde men hem luide zeggen: „Sire Hofmeester! laat het sein gegeven worden; wij zetten ons ter maaltijd.quot;

ocr page 90

74

van mij; ik moest mij verweren door de waarheid; maar door haar groot ongeduld ontnam zij mij het woord, en gunde zich niet te luisteren; later miste ik den moed en de bezinning, om opnieuw te spreken. Gods Heiligen, die mijn hart kennen, weten dat het niet zou geweest zijn om deze lieden te beschuldigen, aan welke ik veeleer verplicht ben, omdat . . .

De donkere blos, waarmeê de overspanning hare wangen gekleurd had, werd eensklaps vervangen door een doodelijk bleek, en zij zweeg, als wie een gevaarlijk woord, dat ontsnappen ging, met moeite op de lippen terughoudt; daarna vervolgde zij haastig :

„De groots Vorst weet nu alles, en dus, wat zoude ik met dit geld, waarvan de aanbieding mij meer pijn geeft dan ik weet uit te drukken?quot; en daarbij hief zij het oog op naar den Hertog met eene onbeschrijfelijke mengeling van droefheid en verwijt; er lag iets verwijtends in dien blik en toch eene diepte van weemoed, die pijn deed om te zien. Karei zelf begreep niet door welke deelneming tot lankmoedigheid gestemd, hij zulk een blik duldde zonder in drift te ontvlammen. Hij wist niet, dat het de overmacht harer zwakheid was, en de overmacht van dat dwepend gevoel, waarmede zij naar hem opzag, waarvan hij onwillekeurig den invloed onderging, en dat op hem terugwerkte.

„Wel, kind!quot; hernam hij, „niemand dwingt u het aan te nemen ; slechts meenden wij u van een bruidschat te voorzien, waarmee gij eener uwer Duitsehe Baronnen kondt huwen. De Jonkers zullen dan die penningen storten bij onzen Aalmoezenier, opdat die cr meè voorzie in de ellende van eenige nooddruftigen. Maar gij, begeer iets van ons; wij hebben beloofd u koninklijk te begiftigen .... Zie rondom u, is daar iets op onze tafelen of credenzen, dat gij verlangen zoudt te bezitten, tot aandenken van onze ontmoeting? Of wenscht gij eenigo sierlijke stoffen in goud- of zilverlaken, tot een feestkleed, dat edelvrouwen u benijden zullen?quot;

„Antwoord dan,quot; vervolgde hij, toen zij bleef zwijgen; „wij hebben in trouwe tijds genoeg verspild met uwe zaak.quot;

„Laat mij binnen uwe kapel, op den dag, dat gij tot Koning gewijd wordt!quot; riep zij met eene snelle overwinning op hare beschroomdheid, door zijn dringen afgeperst.

ocr page 91

75

„Dat zij u toegestaan!quot; hernam de Hertog vroolijk. „De Sire de la Marche (hij zag dezen aan) is belast met u op dien dag plaats te geven en te onthalen; maar zorg, niet wéér alleen te komen, en neem vader of broeder of liefste mede; en opdat gij zeker moogt zijn tegen iedere ongelegenheid, neem deze keten. Onze naam en wapenen staan uitgedrukt op het gouden slot; en elk van mijn lieden, wien gij het toont, zal gehouden zijn u voort te helpen en te beschermen; want alzoo is onze wil, dien zij allen verstaan zullen. En nu, vaarwel! wees Gode bevolen.quot;

Tegelijk gaf hij haar het kostbaar gewerkte sieraad, waarvan hij zich had ontdaan, en wenkte met de hand, dat zij gaan zoude; maar zij wierp zich op beide knieën, drukte zijn geschenk met vuur aan hare lippen en bleef hem lang aanzien, zonder dat zij ook een enkel woord van dank uitte.

„quot;Wat wilt gij nóg?quot; vroeg hij ongeduldig; want reeds waren verscheidene grooten van zijn hof binnengekomen tot den avondmaaltijd, en hunne verwonderde blikken, schoon hun mond eerbiedig zweeg, begonnen hem lastig te worden. „Wij meenden, dat gij voldaan zoudt zijn; wat wenscht gij verder?quot;

„Niets, niets!quot; riep hot meisje met bevende stem; maar toch week ze niet van de plaats, want ze was onmachtig neergevallen.

„Ei, ziedaar! de deerne is bezwijmd aan onze voeten!quot; riep Karei, zich verdrietig ter zijde keerende; „wij bekennen onbekwaam te zijn met zulke weeke schepselen om te gaan. Richt gij haar op, Sire de la Marche! gij zijt zacht van wezen en zacht van tong: zij mocht sterven zoo ik haar de hand vatte, daar een luid woord haar zoozeer in beweging brengt; en daarbij ik verlang te eten; laten twee bejaarde dienaren haar naar Trier teruggeleiden, en verantwoordelijk zijn voor hare veiligheid.quot; Hij stapte driftig van de bewustelooze weg naar een ander gedeelte van de zaal, zonder meer naar haar om te zien.

Daar sprak hij eene poos met zijne voorname hovelingen, wier groet hij nog niet had beantwoord, en kort daarop hoorde men hem luide zeggen: „Sire Hofmeester! laat het sein gegeven worden; wij zetten ons ter maaltijd.quot;

ocr page 92

74

van mij; ik moest mij verweren door de waarheid; maar door haar groot ongeduld ontnam zij mij het woord, en gunde zich niet te luisteren; later miste ik den moed en de bezinning, om opnieuw te spreken. Gods Heiligen, die mijn hart kennen, weten dat het niet zou geweest zijn om deze lieden te beschuldigen, aan welke ik veeleer verplicht ben, omdat . . .

Do donkere blos, waarmee de overspanning hare wangen gekleurd had, werd eensklaps vervangen door een doodelijk bleek, en zij zweeg, als wie een gevaarlijk woord, dat ontsnappen ging, met moeite op de lippen terughoudt; daarna vervolgde zij haastig :

„De groote Vorst weet nu alles, en dus, wat zoude ik met dit gold, waarvan do aanbieding mij meer pjjn geeft dan ik weet uit te drukken?quot; en daarbij hief zij het oog op naar den Hertog met eene onbeschrijfelijke mengeling van droefheid en verwijt; er lag iets verwijtends in dien blik en toch eene diepte van weemoed, dio pijn deed om te zien. Karei zelf begreep niet door welke deelneming tot lankmoedigheid gestemd, hij zulk con blik duldde zonder in drift te ontvlammen. Hij wist niet, dat het de overmacht barer zwakheid was, en de overmacht van dat dwepend gevoel, waarmede zij naar hem opzag, waarvan hij onwillekeurig den invloed onderging, en dat op hem terugwerkte.

„Wel, kind!quot; hernam hij, „niemand dwingt u het aan te nemen ; slechts meenden wij u van een bruidschat te voorzien, waarmeê gij eener uwer Duitsche Baronnen kondt huwen. De Jonkers zullen dan die penningen storten bij onzen Aalmoezenier, opdat die er mee voorzie in de ellende van eenige nooddruftigen. Maar gij, begeer iets van ons; wij hebben beloofd u koninklijk te begiftigen .... Zie rondom u, is daar iets op onze tafelen of credenzen, dat gij verlangen zoudt te bezitten, tot aandenken van onze ontmoeting? Of wenscht gij eenige sierlijke stoffen in goud- of zilverlaken, tot een feestkleed, dat edelvrouwen u benijden zullen?quot;

„Antwoord dan,quot; vervolgde hij, toen zij bleef zwijgen; „wj hebben in trouwe tijds genoeg verspild met uwe zaak.quot;

„Jjaat mij binnen uwe kapel, op den dag, dat gij tot Koning gewijd wordt!quot; riep zij met eene snelle overwinning op hare beschroomdheid, door zijn dringen afgeperst.

ocr page 93

75

„Dat zij u toegestaan!quot; hernam de Hertog vroolijk. „De Sire de la Marche (hij zag dezen aan) is belast met u op dien dag plaats te geven en te onthalen; maar zorg, niet weór alleen te komen, en neem vader of broeder of liefste mede; en opdat gij zeker moogt zijn tegen iedere ongelegenheid, neem deze keten. Onze naam en wapenen staan uitgedrukt op het gouden slot; en elk van mijn lieden, wien gij het toont, zal gehouden zijn u voort te helpen en te beschermen; want alzoo is onze wil, dien zij allen verstaan zullen. En nu, vaarwel! wees Gode bevolen.quot;

Tegelijk gaf hij haar het kostbaar gewerkte sieraad, waarvan hij zich had ontdaan, en wenkte met de hand, dat zij gaan zoude; maar zij wierp zich op beide knieën, drukte zijn geschenk met vuur aan hare lippen en bleet' hom lang aanzien, zonder dat zij ook een enkel woord van dank uitte.

„Wat wilt gij nóg?quot; vroeg hij ongeduldig; want reeds waren verscheidene grooten van zijn hof binnengekomen tot den avondmaaltijd, en hunne verwonderde blikken, schoon hun mond eerbiedig zweeg, begonnen hem lastig te worden. „Wij meenden, dat gij voldaan zoudt zijn; wat wenscht gij verder?quot;

„Niets, niets!quot; riep het meisje met bevende stem; maar toch week ze niet van de plaats, want ze was onmachtig neêrgevallen.

„Ei, ziedaar! de deerne is bezwijmd aan onze voeten!quot; riep Karei, zich verdrietig ter zijde keerende; „wij bekennen onbekwaam te zijn met zulke weeke schepselen om te gaan. Kicht gij haar op, Sire de la Marche! gij zijt zacht van wezen en zacht van tong: zij mocht sterven zoo ik haar de hand vatte, daar een luid woord haar zoozeer in beweging brengt; en daarbij ik verlang te eten; laten twee bejaarde dienaren haar naar Trier teruggeleiden, en verantwoordelijk zijn voor hare veiligheid.quot; Hij stapte driftig vaa de bewustelooze weg naar een ander gedeelte van de zaal, zonder meer naar haar om te zien.

Daar sprak hij eene poos met zijne voorname hovelingen, wier groet hij nog niet had beantwoord, en kort daarop hoorde men hem luide zeggen: „Sire Hofmeester! laat het sein gegeven worden; wij zetten ons ter maaltijd.quot;

ocr page 94

HOOFDSTUK VI.

Do diplomatieke samenkomst, die wij boven ') met een woord hebben aangekondigd, vond plaats even na de avondmaaltijd des Hertogs van Bourgondië, of liever, deze werd er om verkort; want nauwelijks had men hem kennis gegeven, dat de man, die gewacht werd, was aangekomen, of hij stond van tafel op, wierp schielijk een kostbaar üaweelen bovenkleed over zijn harnas heen, wenkte den Grooten Bastaard, hem te volgen, en liet zich door twee fakkeldragers vóórlichten naar het bidvertrek der Abten van St. Maximijn, dat tot zijne geheimkamer was ingericht.

Er bevonden zich twee mannen; de eene was naar den grij-zenden baard te oordeelen, van meer dan rijpen leeftijd; de andere scheen nog niet volkomen de krachtige jongelingsjaren te hebben bereikt. De oudste, dien Karei als Graaf van Var-nemburg aansprak, droeg het lange Duitsche hofgewaad. Toen hij voor den Hertog het hoofd ontblootte, zag men de trekken van een veelbeteekenend gelaat en kleine lichtbruine oogen, die, onder de zware grijze wenkbrauwen, van leven en schranderheid flikkerden. De fiere, slanke jongman, die hem vergezelde, was eenvoudiger gekleed dan hij; toch had zijne houding iets, dat hem genoeg onderscheidde, om hem niet voor een mindere des Graven te doen aanzien. Hij groette Karei van Bourgondiij

1) Blz. 54.

ocr page 95

77

met een vriendelijken glimlach, die echter iets verlegens bad, en met eene lichte beweging van den breedgeranden hoed van zilvergrijze zijde, dien hij ophield.

De tegenwoordigheid van dezen jongeling scheen den Hertog eene aangename verrassing te zijn; ten minste hij naderde hom vroolijk, reikte hem welgevallig de hand, en sprak op vergenoegden toon :

„Bij de eer van onze Orde ! nu stellen wij het beste vertrouwen in de beloften van Oostenrijk, als ze ons door zulken zendeling aangekondigd worden.quot;

„Met uw welnemen, Doorluchtige Hertog!quot; hernam de Graaf van Varnemburg eerbiedig, doch eenigszins haastig ; „de tegenwoordigheid van Mijnheer is geenszins eene tegemoetkomende en veel minder eene verbindende betuiging van mijn hof, maar kan óóniglijk beschouwd werden als een bewijs van hooge persoonlijke belangstelling van den Eijks-Baron (hij sprak dit woord met nadruk) in de zaken, die hier gaan behandeld worden.quot;

„En van zijne zeer oprechte toegenegenheid en eerbiedenis voor den persoon des Hcrtogs van Bourgondic,quot; voegde de jonge Baron er met levendigheid bjj.

„Om het even,quot; sprak Karei, wiens wangen zich stork gekleurd hadden bij het woord van Varnemburg, „het is altijd goed, dat de belanghebbenden hunne zaken zelve drijven; wij hebben menige ondervinding van onderhandelaars, die de zaken, hun toevertrouwd, meer in verwarring gebracht en verwikkeld, dan toegelicht en vereffend hebben.quot; Dit laatste was eene hartelijkheid aan den Duitschen Graaf, als onderhandelaar hier aanwezig: maar de Staatsman beantwoordde haar alleen met een fijuspot-tenden glimlach en met de aanmerking, dat hij hoopte te bewijzen, hoe die regel niet van algemeene toepassing was; daarna ziende dat Karei gezeten was, plaatste hij zich, na eene lichte buiging, tegenover hem in den gereedstaanden zetel.

Da Baron zette zich aan zijne rechterzijde, maar op eenigen afstand, en liet zijn donkerblauw oog, met eene soort van onrust en schroom van den een naar don ander afdwalen,

„Onder goedkeuring van Uwe Hoogheid,quot; begon de Graaf, op de twee hooge vergulde kandelaren wijzende, waarop zware

ocr page 96

78

waskaarsen brandden, „zou ik van oordeel zijn, dat deze lichten helderheid genoeg verspreiden om deze samenspreking toe te lichten, en dat het raadzaam zou zijn, gindsche fakkeldragers te verwijderen.

„Integendeel, Heer Graaf!quot; antwoordde de Hertog, in wiens toon iets was, dat getuigde van zijne veranderde luim; „wij oordeelen, dat dit vertrek te spaarzaam verlicht is naar aanzien van het gezelschap en de bijen van onze Zuidelijke Staten leveren was genoeg op, om, bij eene gelegenheid als deze, de kloosterachtige somberheid van dit verblijf op te luisteren.quot;

^Maar die lieden zijn getuigen....quot; hernam de Duitscher, met een zijdelingschen blik op den Baron; „en hunne oogen en ooien blijven niet zoo werkeloos als hun mond.quot;

„Deze lieden zijn op ons bevel even stom, doof en blind als hunne fakkels zelve; daarbij, wie geeft opmerking aan dergelijke dienende wezens rquot; sprak Karei, en zeer scherp voegde hij er bij: „wij verzorgen onze dieaaren te goed en betalen hen te ruim, om niet zeker to zijn voor hunne trouw.quot;

De karigheid des Keizers voor zijne hofhouding en ambtenaren was bekend.

Een diepe blos kleurde de wangen van den jongen Baron.

De Graaf glimlachte weder, doch ditmaal meer mot verlegenheid dan ironie.

Messire Antoni!quot; vervolgde Karei tot dozen, „laat nog twee mannen met wastoortsen ter wederzijden van die nis plaats nemen, opdat wij licht hebben over de tafel!quot; en met trots zeide hij: „En gij Graaf van Varnemburg! vergeef ons, wij zijn gewoon, bij dergelijke huishoudlijke aangelegenheden geen anderen raad te volgen dan dien van ons eigen hoofd.quot;

De Bourgondische Edelman, die met dergelijke handelwijzen van zijn meester gemeenzaam scheen, wenkte van achter diens zetel, waar hij stond den zaakgelastigde toe met een gebaar dat tot zwijgen maande, en daarop verwijderde hij zich, om het gegeven bevel te doen gehoorzamen.

De Duitsche Heeren zagen elkander aan met een licht schouderophalen, verwonderd en geërgerd over een zoo kleingeestig tegenstreven op een zoo weinig beduidend punt, 't geen hun

ocr page 97

79

scheen te voorspellen, hoeveel lijdzaamheid zij bij dit samenzijn te gebruiken zouden hebben.

En ze mochten er zich waarlijk mede wapenen, want Karei was, door een aanvankelijke teleurstelling, in dat lastig en dwars-drijvend humeur geraakt, dat voor zijne omringenden onverdra-lijker was dan sommige vlagen van zijn opgeruiden hartstocht, en dat voor zijne eigene belangen nog veel gevaarlijker was, daar het hem, als het ware tegen do uitspraak van zijn gezond verstand aan, vervoerde, om volmaakt strijdig te handelen met den raad van anderen, zelfs van de best gemeende waarschuwing.

Een woord, dat over deze zielsgesteldheid zijns meesters inlichtte, en raad gaf, hoe daarbij te handelen, was het zeker, wat Antoni, bij zijn terugkomst in het vertrek, den Duitschen diplomaat als terloops influisterde, onder begunstiging der stoornis, door het binnentreden van do beide toortsdragers veroorzaakt.

Maar Kareis achterdocht werd er door opgewekt, zelfs tegen een anders geliefden bloedverwant.

„Messire iSTeef! uwe plaats is aan onze zijde, meenden wij,quot; sprak hij mot hardheid.

En die fiere edelman, die later een ander zijner landsheeren met de wapens in de hand zou durven trotseeren, gehoorzaamde dezen zonder ééne tegenwerping. Zóó groot was het ontzag, dat deze Hertog, tot in het kleine toe, voor zich had weten in te boezemen aan zijne Vorstelijke hovelingen, en dat in een tijd, waarin de Fransche kroonvazallen zich nog als onafhankelijke machten tegen hun Heer wapenden en verbonden, terwijl Karei zelf, door zijne aansluiting en deelneming, dien tegenstand had gewettigd.

Vlak tegenover de nis, waarin een levensgroot standbeeld van den Heiligen Petrus geplaatst was, zat do jonge Baron, en dus volkomen in het gezicht der beide toortshouders, die daar op Kareis bevel hadden post gevat; maar ze stonden roerloos en stom als het marmeren beeld zelf, zonder eens naar de sprekende personen op te zien, en zóó zichtbaar zonder deelneming aan het voorvallende, dat men het den Hertog niet misduiden kon, zoo hij ze weinig meer rekende dan de lichtstandaarden, waarvoor zij strekten. Een hunner echter, op wiens

ocr page 98

80

golaat iets pijnlijks lag, dat kon worden uitgelegd als onrust, als morrende verveling, wierp toevallig een schiehtigen en schroom-valligen blik op den persoon tegenover hem, den belangwek-kenden jongeling; en bij scheen zóó getroffen door dit gezicht, dat hij verbleekte en de lichttoorts een oogenblik waggelde in zijne sidderende hand.

Het was Romuald, de page van den Markgraaf Sigibert, die don zoon van zijn Keizer had herkend!

Het wordt eenmaal tijd, dat de lezer wete, hoe deze in het klooster was binnengedrongen, en wat hij er kwam verrichten.

Toen de schalke Bertha haar wensch teleurgesteld zag, om don knappen jongeling tot geleider te hebben, had zij hem een wenk gegeven, dat hij, bij wijze van ontmoeting, zich met zijne schoone omstreeks de kapel zou samentreffen; toen zij dus alleen vliedende terugkeerde, vond zij hem op het aangewezen pad; en toen zij hem in snelle woorden en niet verzwakte kleuren het avontuur had afgeschetst, dat haar van Süschen had gescheiden, was het zijne eerste gedachte, zoowel als haar dringend verzoek, dat hij zonder verwijl de bedeesde schoone van de lastige plaaggeesten ging verlossen. Zij zelve zou wel veilig haar weegs gaan; zij zag de Zwarte poort reeds zoo goed als vóór zich, „en hare veiligheid was voor hem ook van het kleinste belang,quot; voegde zij er spottend bij.

Rorauald ijlde dan voort, „op de vleugelen der liefde,quot; maar die vleugelen hadden hem nog niet ver gebracht, of hij ontmoette de twee teleurgestelde standaardjonkers, die voor den hoogeren raug der pages hadden moeten wijken bij den twist om de Huitsche Helena. Bij de feesten, die de Bourgondische dienaren met de Oostenrijksche hadden in aanraking gebracht, was Romuald met één hunner genoegzaam in kennis geraakt, om hevn deelgenoot te maken van zijne onrust over het schoone meisje.

„Was het uwe zuster of uw liefjequot;quot; vroeg de Bourgondiër.

„Mijne zuster!quot; sprak Romuald, zonder aarzelen den titel kiezende, die hem het eerwaardigste recht scheen te waarborgen.

„Leugenaar!quot; hervatte de ander, die de onwaarheid in zijn blos las; „maar gij zijt reeds genoeg gestraft; mijne Heeren de pages-edelknapen, met name Jehan de la Chitte en Philippeau de

ocr page 99

81

Beaucaire, hebben haar in hnnne macht binnen de muren van het klooster, en wees gelukkig met haar zoo gij ze wederkrijgt!quot;

„Wat moet ik doen? zeg, wat ik doen moet?quot; smeekte Romuald, doodelijk verschrikt door hun spot.

De Bourgondiërs beraadden zich te zamen; wat zij uitdachten, zou tegelijk eene goede wraak zijn voor de teleurstelling, die zij zelve hadden geleden.

Zij beschouwden Romuald met aandacht.

„ Durft gij wat wagen ?quot;

„Alles om haar.''

„Grij waagt niet veel, als gij behendig zijt,'' sprak de langste, en wierp zijn bovenkleed uit. „Verwissel dit met uw wambuis, neem mijne tootschoenen en mijne gantelets; uw lang blond haar is van het onze niet te onderkennen. Ziezoo, die muts daarop. De Provoost zelf zou u nu den standaard in handen geven. Wie let er op, of uwe witte hozen juist van scharlaken zijn als de onze? Wij zijn honderd in getal in 's Hertogs huis, meest allen Luxemburgers en Heengouwers; maar het eene rot kent nauwelijks het andere van wezen. De portier zal u niet weren, al kent hij u niet. Stap vrij en luchtig de voorpoort in. Onze Heer zal weldra komen; als gij hem ziet, legt gij hem uwe zaak vóór, op de wijze, die gij het best keurt, en het meisje zal te voorschijn komen, al hadden zij haar onder de aarde begraven, en de jonkers zullen hun deel krijgen, als verdiend is. Maar wacht u te bekennen, dat gij niet van de onzen zijt; Karei van Bourgondië is de man, om u zonder onderzoek als spion te doen opknoopen. Als ge wat slim zijt, kunt gij echter licht dit noodlot ontgaan; welnu, zijt gij besloten?quot;

De Duitscher had zijne vermomming reeds voltooid. Wat vroeg hij naar gevaar en bezwaren? Hij had de liefelijke engel, die geheel zijn hart vervulde, van, hij wist zelf niet welken jammer, te redden of te wreken, en hij gaf er zijn leven voor, zoo hij daarin slaagde. En er sprak veel voor dit goede vooruitzicht. De Bourgondische jongelingen gaven hem nog enkele waarschuwingen en aanwijzingen; en moedig stapte hij — hoe dankte hij zijn beschermheilige — ongehinderd, schoon niet onopgemerkt, de groote voorpoort binnen. Snel vermengde hij

Kruou. Karei de Stoute. 6

ocr page 100

82

zich in den stoet van lagere dienaren, zich slechts zooveel mogelijk op een afstand houdende van wie eene uitmonstering droegen aan de ziine gelijk. Voor alles wilde hij weten wat er van Süsehen geworden was, en hij hoopte het te ervaren uit een of ander gesprek, dat hij schijnbaar onverschillig meende aan te knoopen, of door te luisteren naar de woorden der anderen ; maar helaas! het Vlaamsch, het Bourgondisch, het Luiksch het Henegouwsch, het Hollandsch, alle tongvallen en alle spraak-wijzen van al Kareis Vorstendommen kruisten zich hier, als bg de spraakverwarring van Bahel; en de Duitscher, die anders genoeg Fransch kende, om met ware Bourgondiërs om te gaan, verloor den draad van iedere gissing; daarbij was het een gewemel en geloop en tegen elkander botsen, een verdringen en verjagen onderling, waarbij er geenerlei vraag gehoord of beantwoord kon worden. — Eindelijk vatte hem een oudachtig man bij den arm die, naar het uiterlijk te oordeelen, aan den dienst van de keuken moest verbonden zijn.

„Ludwig! volg mij,quot; sprak hjj in vrij good Duitsch; „in de fruitkamer heb ik iets voor u, arme landsman! die bij den avondmaaltijd geen toegang hebt. Kom mee.quot;

Komuald, die het een weinig op zijn goede fortuin moest laten aankomen, volgde dien man dien hij tenminste verstaan kon en die hem wellicht van dienst zou kunnen zijn, hetzij bij zijne nasporingen, hetzij bij zijnen wensch om den Hertog te naderen.

Een afzonderlijk korps dienaren was tot den dienst van Kareis nagerecht verordend; die fruitkamer dus, waar de Luxemburger hem vóórging, was opgevuld met lieden van allerlei leeftijd, die er de plichten van hun dienst kwamen uitoefenen. Het was er reeds schemering, gelijk in geheel het klooster, waar licht en lucht maar zeer weinig toegang gelaten werd; niet vreemd was het dus, dat deze meester-spijsbezorger, die zeker door eenige gelijkenis moest getroffen zijn geweest, de vergissing niet ontdekte, maar de wijn en het koude wildbraad en de geurige druiven, die hij voor den lieveling ter zijde gezet had, met ronde gulheid aan den vreemdeling voordiende, terwijl deze inmiddels bij zichzelven overleidde hoe hij de gewenschte ondervraging aanvangen zou.

ocr page 101

83

Maar nieuwe personen traden binnen. „Houd u hier wat ter zijde,quot; fluisterde zijn gastheer hem toe; „daar zijn de knechten fakkeldragers, die komen om de wastoortsen, welke ik moet afleveren.quot;

Nadat de man hem toi die bezigheid verlaten had, stond de Duitscher alleen in den gekozen hoek, toen op ééns een der binnentredenden de tijding bracht, dat de Hertog terug was. Plotseling werd alles nog meer leven en werkzaamheid; men hoorde stemmen bevelen geven, en men zag ze met drift uitvoeren; gcene hand bleef er werkeloos, geen voet twee minuten op dezelfde plaats, en om tot de orde te komen, heerschte er eene vreeselijke ongeregeldheid. Romuald stond alleen, werkeloos tusschen dit gewoel, genoeg met zijne houding verlegen, en vol verlangen om verder te gaan, nu hij Karei in deze muren wist.

Zijne ledigheid had intusschen de aandacht getrokken van iemand, die, te oordeelen naar zijne kleeding en het witte staafje in zijne hand, een der diensidoenden onder den hofmeester moest zijn.

Hij naderde Romuald met driftige gebaren en onvriendelijke woorden.

„Wij ontbreken heden zeven fakkelhouders voor de eetzaal, en onze Heer onderhoudt honderd gezonde jongelingen, die geen vinger uitsteken, dan bij openbare optochten een standaard te dragen! 't Is een schande! daar staat weer een van die verwijfde luiaards. Hola Meester!quot; en hij vatte hem bij den arm; „ge zijt op eene plaats waar ge niet hoort; verdien ten minste vandaag uw brood, en volgt mij met eene fakkel naar het refectorium. St. Breve! eene wastoorts voor den Jonker.quot;

St. Breve, dezelfde, die zich den jongen Duitscher had aangetrokken, zette een meewarig gezicht, toen hij hem het geëischte in de hand gaf, maar deze vond zijn lot niet zoo hard als het zijn begunstiger toescheen; want hij begreep, dat, hem daarbij de bests gelegenheid geboden werd om tot den Hertog te komen. Ook lichtte hij den hofmeester vóór met eene gewilligheid, die dezen te eerder in eene betere luim bracht, daar hij haar niet had mogen wachten, en met reden; want in eene huishouding

ocr page 102

84

zoo omslachtig als die van den Bourgondischen Hertog, waar ieder meubel, ieder stuk van het tafelgereedschap bijna een afzonderlijke bediende had, die er zorg voor droeg, maar wiens dienst zich dan ook verder tot niets uitstrekte, waren juist zij, die er zich zonder bepaalde werkzaamheden ophielden, onder den naam van ledigganger, de lastdragers van ieders verzuimd werk, waarover ieder naar willekeur beschikte; daarom hadden de jonkers van den standaard, slechts tijdelijk in deze betrekking en meestal van vrij goede afkomst, zich dikwerf met moed verzet tegen dit willekeurig gebruiken hunner personen.

„Geef mij dan ten minste eene eerlijke plaats, nu ik eene taak op mij neem, die niet van mijn plicht is,quot; had Komuald den hofmeester gebeden.

En deze was hem hierin gaarne ter wille geweest, en had hero post gegeven aan des Hertogs eigen tafel. Met eene mengeling van vrees, van verwachting, van onrust, die toch werd afgeleid door het gezicht van al het vreemde en sierlijke rondom hem, had de jongeling, zoo staande, in altijd klimmend ongeduld, een tijd doorgebracht, die zeker lang was, maar die hem zonder einde scheen, totdat eindelijk zijn geduld en zijn stout ondernemen door eene uitkomst boven hoop en verwachting werden bekroond. Süschen veilig en ongedeerd te zion binnenkomen onder de bescherming van den Vorst, was hem een loon geweest, zoo zoet en heerlijk, dat hij zijn geleden angst en het moeitevolle van zijn tegenwoordigen toestand daarbij volkomen vergat. Alleen, toen de schoone veilig en gelukkig van daar ging, en gewroken door de vernedering harer beleedigers, had hj er een jaar van zijn leven voor willen geven, om haar te mogen vergezellen of volgen ; maar zonder zich te verraden of achterdocht te geven, was het onmogelijk, en hij had nu reeds genoeg gezien van het Bourgondische recht, om zich aan niemands verkeerde opvatting te wagen. Met toenemend verdriet en afnemende lijdzaamheid zag hij dus een maaltijd aanvangen en voortduren, die hem op de plek als vasfgemetseld hield, en hoe hij de stoornis zegende, die Karei van tafel dreef, valt daarna licht te denken. Maar het was besloten dat hij tegenspoed zoude hebben; genoeg aan het hofleven gewoon, om ingewijd te zijn in die kleine listen, waarmede

ocr page 103

85

men zich daar een last van den hals schuift was hij, na het vertrek van den Vorst, reeds aan den uitgang van de zaal genaderd, toen een dienaar van Messire Antoni van Bourgondië zich aan Olivier de la Marche wendde om meerdere toortshou-ders voor 's Hertogs kabinet. Remuald werd opnieuw gebruikt, en een woord van tegenspraak, dat hij waagde, werd door den grooten Heer zóó hoog beantwoord, dat de jonge man, zich van spijt verbijtende, gehoorzamen moest. Tot zjjne ergernis hoorde hij juist den portier de groote poort sluiten, nadat hij zijne gewone ronde had gedaan, om te onderzoeken, of er ook vreemdelingen waren binnengeslopen, en dezulken, die geen recht hadden te blijven, uit het huis te verjagen. Die poort knarste hem in de ooren als de deur van eene gevangenis. Het zien van den Aartshertog woog hem niet minder zwaar op het hart, hij was meermalen met zijn heer in diens tegenwoordigheid geweest; deze kon hem herkennen, en één woord of één gebaar van verwondering kon hem verraden. De toon, dien de onderhandeling nam, maakte hem niet geruster, want, gedwongen spion als hij was, voelde hij meer en meer, dat zijne tegenwoordigheid, zelfs met het volle bewijs zijner onschuld vóór zich, beide partijen evenzeer moest beleedigen. Eene bekentenis van de waarheid was reeds niet meer doenlijk geworden.

De jonge Baron, of liever de Aartshertog (beter nog Hertog) van Oostenrijk, was intusschen van plaats veranderd, beleedigd wellicht door de onkiesche eigenzinnigheid van Karei, die hem op deze wijze aan de blikken en herkenning van lage dienaren blootstelde, of wel, onaangenaam getroffen door die blikken zelve. — De Graaf van Varnemburg had nu de onderhandeling geopend, met de verzekering, dat de Keizer genegen was en beloofde de Staten en Vorstendommen des Hertogs van Bourgondië tot een Koninkrijk te verheffen, en djzen zeiven tot Koning te kronen en de koninklijke eere en titels te verleenen ; want ziet — wat onder het volk reeds eene openlijke en vastgestelde zaak scheen, was in het kabinet noch slechts eene hoop, die bevestigd moest worden, en een belofte, waaraan nog iedere waarborg van zekerheid ontbrak. Zóó loopt veelal het gerucht de waarheid vooruit, en zoo de volkeren dat beter in

ocr page 104

86

het oog hielden, zouden ze zich niet zoo vaak noodeloos ontrusten en minder grondeloos hopen, om niet zoo vaak te worden teleurgesteld.

„De kroning zal geschieden in deze stad van Trier, en bepaald bij deze samenkomst der beide Vorsten,quot; ging de Graaf voort; „de Hertog zal daarvoor den Keizer van het Duitsche Rijk ten eeuwigen dage houden en erkennen als Opperleenheer . ..

„En ontslagen zijn van allo leenplichtigheid jegens Frankrijk,quot; viel Karei in.

„Dat punt kan hier niet worden beslist,quot; antwoordde Var-nemburg.

„Bij St. Joris van Bourgondië!quot; riep Karei, „uw Keizer is te voorzichtig om een warm vriend te zijn. Zoo hij mij niet durft losmaken uit dien strik, uit aanzien van Lodewijk, dan zullen wij dien zelve doorhakken met het zwaard, op de wijze van onzen Neef en zeer hoog gehouden voorganger, Alexander van Macedonië. Wat hij een gelukkig Vorst was!quot; voegde hij er zuchtend bij; „hij had geene Leenheeren. Het is hard Oppergebieder te zijn in zijn land, en toch nog andere Leenheeren te moeten huldigen dan God en zijn Keizer.quot;

Het ernstige gelaat van den Duitscher ontplooide zich tot een onmerkbaren glimlach over de naïeve ontboezeming; daarop ging hij voort: de kosten der kroning komen geheel voor rekening van den Hertog . .. .quot;

Wij hebben geen oogenblik anders gemeend,quot; hernam Karei, ongeduldig over de langzame deftigheid, waarmede de diplomaat op een punt aandrong, dat hij reeds vooruit had bewilligd; „wij zijn hier niet samen om over geldzaken te twisten, als Lombarden en kleine kooplieden; zoo de Keizer zooveel voortgang maakt als wij wenschen, zijn wij bereid zijn werk te betalen, als hij het begeeren mocht.quot;

„Oostenrijk kan van Bourgondië geene andere betaling aannemen dan die van bondgenootschap en trouw,quot; merkte do Baron aan met een ernst en vuur, die zijne vroegere beschroomdheid weêrsprak.

„Onze jeugdige Heer vormt zich,quot; begon de Hertog lachende

ocr page 105

87

„hij gaat recht op het doel aan, beter dan één van ons. Maar wij ook kunnen korter weg nemen, dan, zooals wij doen, terng te komen op onze schreden; onze wenschen omtrent de vermeerdering van grondgebied zijn vroeger aangeduid. Wij eisehen verder dat de vier bisdommen, Doornik Luik, Kamerrijk en Utrecht, aan ons oppergezag worden onderworpen; het is al te lastig voor een Monarch, vier onafhankelijke Staten in het midden van zijn Koninkrijk; en daar het onmiddellijk leengoederen zijn van het Rijk, valt het den Keizer licht, hierin onzen wil te doen; wij zijn hiervoor tot groote opofferingen bereid; verder zijn onze aanspraken op Lotharingen bekend en rechtmatig; wij twijfelen geenszins, of uw meester zal ze ondersteunen.''

„Ik ben verplicht Uwe Doorluchtigheid het tegendeel te verzekeren,quot; sprak Varnemburg; „zoo haast de Prins Vaudemont in uwe handen was, heeft Koning Lodewijk een Duitschen Prins gevangen genomen, die in zijne hoofdstad studeerde; en daar die Prins een eigen Neef is van mijn Heer, moet Zijne Majesteit volstrekt onzijdig blijven in de zaak van Lotharingen, en Uwe Genade zelfs verzoeken, den jongen Réné geenerlei geweld aan te doen, uit vreeze van wederwraak.''

„Vervloekt Lodewijk XI is een goed schaakspeler. Met Lotharingen zullen wij dan ons zeiven helpen. Het ambt van Vicaris-Generaal van het H. Roomsche Rijk is toch te begeven zonder tusschenkomst van Mijnheer van Frankrijk, zoo wij hopen? Het zal goedstaan zoo een Koning van Bourgondië het voert!quot;

„En dan de Hertog van Oostenrijk?quot; vroeg Varnemburg bedenkelijk.

„Die treedt gaarne terug voor de aanspraken van den Hertog van Bourgondië,quot; sprak Maximiliaan, met jeugdige voorbarigheid.

„Zoo zijn wij het eens!quot; riep Karei met glinsterende oogen. „Sire Antoni, lieve neef ! ontbiedt hier schielijk onze klerk en geheimschrijver, op dat deze bewilliging op het papier worde gesteld.quot;

Maar Varnemburg zeide: „Nogmaals moet ik ernstig Uwe doorluchtige Hoogheid indachtig maken daarop, dat de Baron bij deze onderhandeling noch persoon is noch stem heeft,quot; en,

ocr page 106

88

tot dezen gewend, voegde hij er bij, eerbiedig, maar met vast heid: „Mijn Heere! vergeef mij, zoo ik hier tegen nwe wen-schen spreke, en met kleine aanmerking voor de hoogheid van uw rang; maar wil u herinneren, dat dit de voorwaarde was van uwe aanwezigheid bij dit mondgesprek, en dat ik verplicht ben de belangen te handhaven, die aan mijne zorg zijn toevertrouwd.quot;

De jonge Vorst boog zich eenigszins gedwongen; misschien berouwde het hem in eene voorwaarde te hebben toegestemd, die hem tot de volstrektste onbeduidendheid veroordeelde, en die hem in een toestand plaatste, waarbjj hij voor vernederingen als deze blootstond, die in strijd was met zijn karakter, en die hem geen enkel voordeel beloofde.

„Zoo word ik dan bedrogen en misleid!quot; sprak Karei met-fonkelende oogen. ,,Men had mij hoop gegeven, dat deze eisch. . .

„Zon worden toegegeven aan den schoonvader van onzen Hertog, Genadige Heer! maar niet aan den Hertog van Bour-gondië.quot;

„Welnu! de verloving is zoo goed als geschied,quot; hernam Karei zachter; „wat zoudt ge dan nog aarzelen!quot;

„Met uw verlof, edele Vorst! Die verbintenis van een Zoon van Oostenrijk met uwe erfdochter is de éénige eisch van onze zijde; en wij hebben recht daarvoor andere waarborgen te vragen, dan de onzekere beloften, die tot hiertoe zijn gewisseld ; er moet vervulling zijn eer wij in alle wenschen van uw kant, zonder voorbehoud, kunnen toestemmen.quot;

„De éénige eisch !quot; herhaalde de Hertog van Bourgondiü met ergenis; „gij hadt er nog slechts moeten bijvoegen : eene kleine ! de éénige eisch ! en gij vraagt mij de hand mijner dochter, dat wil zeggen, het recht op haar erfgoed, het recht op Bour-gondië, op Vlaanderen, op Henegouwen, op Holland : het recht, in óén woord, op alles, wat het mijne is of nog zal worden; in trouwe, ik zou zesmaal zooveel tijd noodig hebben in het opnoemen van wat gij begeert met dien eenen eisch, als gij, met al uwe Duitsche traagheid, om mijne vele aanspraken te herhalen ; meen niet, dat de Leeuw van Bonrgondië blind is voor zijne eigene grootte. En speel niet met zijn geduld, omdat hij zich een lam heeft getoond aan uwe zijde! Een enkele eisch!

ocr page 107

89

zich de erfopvolging te bedingen in mijne Staten, voor nu en voor eeuwig ! Bijna het recht om ons te verdringen als het hun tijd wordt. Eene enkele eisch ! bij God en St. Joris! die eene eisch is mij harder dan tienduizend andere. Vraag mij de helft mijner vorstendommen, de helft mijner schatten, de helft van mijn leger, en gij vraagt mij nog niet zooveel!''

En hij had gelijk: eene hardere voorwaarde was er voor hem niet uit te denken, dan het uithuwelijken zijner dochter. Dat was hem de rechterhand ontnemen; dat was zijne gansche staatkunde verlammen ; dat was hem gewelddadig scheiden van het bondgenootschap van alle Prinsen en alle vorsten in Europa, die hij met deze rijke hand tot zich wenkte, zoodra hij wilde; dat was hem versteken van het groote middel, waarmede hij vrede stichtte of oorlog kon voortzetten zoo vaak hij wilde; dat was een grenspaal zetten tegen al zijne staatzuchtige plannen; dat was hem het groote geheim afvergen, waarmede hij vrienden vleide en vijanden dreigde; dat was den arend de slagpennen uitrukken, den leeuw de voorpooten ketenen, den vos vergen, af te staan van zijne list.

Daarbij, zich een gelijke geven in den zoon van een machtig Keizer, in een jongeling, wiens lijnen geest hij had leeren waar-deeren, wiens krachten dagelijks zouden wassen, die Roomseh Koning zou worden, en wellicht zelfs Keizer, eer Karei de oogen sloot! Neen voorwaar! zijne dochter uithuwelijken, haar ten huwelijk geven bovenal aan Frederik's zoon, was de bitterste eisch, die hem kon worden voorgelegd, het smartelijkste beding, dat hem te maken was, zelfs al zou eene vurig begeerde kroon er de prijs voor zijn.

Men begrijpt, dat de prikkelbare Bourgondische Vorst, toen hij vond of voorwendde te oordeelen, dat men al den omvang van dien eisch niet scheen te bevatten, in die luide en bittere ontboezeming uitbarstte; men begrijpt, dat het bij een man van zijn warm bloed niet mogelijk was, met zooveel vuur te spreken, kalm nederzittende in een zetel; ook was hij sinds lang opgestaan en doorliep het vertrek met groote schreden, die ongeregeld waren en bijna wankelend van drift. — Een verschijnsel, dat men ook eveneens opmerken kan in dronken lieden en kleine

ocr page 108

90

kinderen, als een bewijs, dat de hartstocht het lichaam bedwelmt, evenals de onmatigheid, en zwak maakt als de hulpelooze jeugd.

De Aartshertog, die reeds van den aanvang der onderhandeling af in pijnlijke onrust had toegeluisterd, liet nu in eene soort van vertwijfeling het voorhoofd op de vlakke hand rusten, als wilde hij de oogen sluiten voor een tooneel, waarvan hij evenzeer een machteloos getuige als een schuldeloos slachtoffer was. Het was zijn lot, zijne toekomst, zijn hart, waarover die twee menschen twistten; de een met eene koelbloedige vasthoudendheid, die hem telkens sidderen deed voor de gevolgen, en de ander met een aanmatigenden trots, met eene licht ontvlambare drift, die ieder oogenblik dreigde, zijne schoone verwachtingen roekeloos te vertreden en in blinden toorn om te werpen.

Want Maximiliaan wenschte zijn huwelijk met Maria van Bonr-gondië. Om niet te spreken van de natuurlijke begeerte des achttienjarigen jongelings, om een gehuwd man te zijn; van den zoon van Frederik, in lage bekrompenheid tot eene drukkende afhankelijkheid veroordeeld, om meester te worden en onafhankelijke beschikker van den bruidschat eener schatrijke bruid; van de ontwaakte eerzucht in een jeugdigen vorst, en die gloeide van verlangen, om een zooveel beteekenend persoon te worden in den kring van Europa's regeerende hoofden, als hij worden moest met Maria's hand in de zijne; van de voortvarende verbeelding eener tot werkeloosheid gedwongen jeugd, die berekende, van hoeveie Staten en van hoevele Kronen bij met haar de bezitter zoude zijn; van de opvlammende heersch-zucht, die telde, hoevele knieën zich voor hem zouden buigen, en hoevele hoofden bukken, en hoevele menschenwillen zich schikken naar den zijnen alleen, zoodra hij vereenigd daar stond met die glansrijke echtgenoot. Nu was hij niets dan zoon van een Keizer, vrien het niet beloofd was, zelf Keizer te zijn; met haar was hij de schoonzoon van Karei den Stouten, die de Duitsche Vorstenkiezers dwingen kon en hunne keuze bepalen; maar zelfs buiten dit alles, meenden wij te zeggen, was er iets dat de fijnvoelende jongeling onweerstaanbaar tot Kareis dochter moest aantrekken, ofschoon hij haar nimmer had gezien, of'

ocr page 109

91

door niets nog kende; het was eene mengeling van edelmoedigheid en ijdelheid. Van edelmoedigheid : want hij voelde, dat de jeugdige schoone, die van den eenen huwelijkahandel naar een anderen werd heen en weêr gesleept, aan zijne trouwe borst rust zou vinden; dat haar geluk veilig zou zijn in zijne handen; dat hij de teedere bloem zou kweeken en niet verplukken; dat haar van zijne dankbaarheid en zijn zachten geest een lot wachtte, zooals ze zich niet van ieder, zooals ze zieh van geen harer vreemdsoortige huwelijkswervers beloven kon; en de belangstelling, die het indenken van dit voornemen hem gaf voor haar, boezemde hem eene gewaarwording in, die eene eerste liefde, altijd de reinste en meest poëtische, al zeer nabij kwam. En was het dan ook niet iets voor zijne ijdelheid, te zegepralen, waar zoovele andere teleurgesteld waren of afgewezen; den schat weg te dragen, waarvoor al de vorsten van zijn tijd hadden gevleid en gebedeld, en zooveel opgeofferd en zooveel uitgeloofd? Neen, het was niet vreemd, dat hij de armen verlangend uitstrekte naar de toegewezene bruid; niet vreemd, dat hij sidderde van ongeduld, en verbleekte van vreeze bij dat spel, waarbij anderen voor hem om haar speelden, en dat hij tranen van teleurstelling moest verbergen, door eene snelle beweging, nu zij voor hem scheen verloren te zijn; want Karei eindigde zijne toornige rede met eene luide en hooghartige dreiging.

„Noem uw beding eenvoudig. Mijnheer Graaf van Varnemburg! noem het gering, zoo gij wilt; maar wij zeggen u, dat wij niet gezind zijn, ook tot een begin van uitvoering daarvan over te gaan, vóór al onze groote eischen zijn ingewilligd en vervuld. Zoo waarachtig mijn goed zwaard geen rietstaf is, zoo waarachtig zal Maximiliaans hand de vingertoppen mijner dochter niet aanraken, vóórdat de Koningskroon op ons hoofd vaststaat, en geen priesterwoord den zegen spreken over den echt van Frederiks zoon met mijn kind, vóórdat het nieuwe rijk van Bourgondië mij tot gewijd Koning heeft gehuldigd.quot;

Terwijl hij dit sprak, was de Hertog vlak voor den Graaf blij ven staan; en de handen, die hij onder het spreken met driftige gebaren had bewogen, kruiste hij nu uitdagend over de borst, met de bedriegelijke rust, waar men eene kruitmijn in ziet, die

ocr page 110

92

op een vonkje wacht, om in verwoestenden gloed uit te barsten.

En de Graaf van Varnemburg was ook opgestaan, langzaam, maar met een fonkelend oog en gloeiende wangen, als iemand, die eene lang ingehouden verontwaardiging eindelijk lucht moet geven, schoon hij berekend had, wat dit toegeven hem kosten kon; want hij aarzelde een oogenblik eer hij sprak. De Aartshertog trachtte in deze seconde, met blikken en gebaren, zijns vaders gemachtigde tot matiging te bezweren; maar deze sprak koeler dan men verwacht zou hebben, doch beslissend:

„Zoo is Uwe Doorluchtigheid zonder oprechtheid geweest bij de eerste aanbieding, en zoo moet deze onderhandeling nul zijn en kan er niets worden gesloten ?quot;

Maximiliaans zacht blauw oog zag angstig en smeekend naar Karei op, die den Graaf van Varnemburg als met de blikken mat; die tweemaal de greep van zijn zwaard krampachtig had gevat, en het tweemaal met drift in de scheede had teruggeworpen; die de lippen op elkander drukte, zeker om een luiden vloek te weerhouden; want iets dergelijks scheen hem op de lippen te liggen; dat was zichtbaar uit al zijne gebaren, uit al de trekken van zijn gelaat. Antoni van Bourgondië, al dien tijd een werkeloos en lijdelijk aanschouwer, scheen nu voornemens partij te trekken van zijn stilzwijgen en van zijne onzijdigheid; ten minste hij wierp zich aan Kareis voeten met deze woorden:

„Mijn Genadige Heer, en wellieve broeder! aanhoor mijn raad, aleer gij verder gaat.quot;

Karei knikte ten bewijze van vergunning,

„Laat niet dezen Duitschen Heeren het voorrecht, uw bondgenootschap en uwe vriendschap op te zeggen. Wees de eerste om den wille van Bourgondië's eer, wees de eerste! Wat zegl; u hunne kroon; hebt gij niet den fraaisten Hertogshoed der wereld? Uw Heer Vader, zoo goed, en toch zoo gevreesd, is als Hertog gestorven, en uwe Hoogheid zal . . .

„Genade, mijn God! Messire Antoni! wat onzin klapt gij, ons dwingend tot luisteren. Zie, Mijnheer van Varnemburg! te cor-deelen naar zulke raadslieden, is het niet meer vreemd, dat wij geen anderen raad nemen dan van ons eigen hoofd en believen, Fij van u, Sire Neef! zoo le Grorieux niet wijzer wist te spreken.

ocr page 111

93

verjoegen wij hem als nar. Wie denkt er aan vrede te breken en vriendschap met den Keizer, onzen Opperleenheer en lieven Bondgenoot, wie denkt er aan de kroon gering te achten, die wij met zooveel omslag zijn komen halen ? Hiervan is gansch de rede niet; de Jonkvrouw van Bourgondië is immers toegezegd en beloofd aan den Aartshertog; wie is er die meenen durft, dat wij ons gegeven woord zouden intrekken ?quot;

Sire Antoni stond op met het strakke en verlegen gelaat van iemand, die eene bestraffing heeft ontvangen, waar hij dank had verwacht; maar toen hij zich weêr leunde tegen den armstoel zijns meesters en op de anderen nederzag, had hij dat air de rirc sous cape van wie langs een gewaagden omweg tot zijn doel is gekomen. Een diepe kennis van het karakter zijns vor-stelijken broeders had hem dit middel aan de hand gegeven, om hem in het midden van zijne drift te doen stilstaan, te laten inzien waarop hij toeliep, aan te wijzen wat hij onherroepelijk ging van zich stooten met een overhaast woord, en hem juist het tegendeel te laten doen van datgene, wat hem bij wijze van raad (den vorm, dien hij boven alles haatte) als eervol en nuttig werd voorgeschreven; niet dat de Bourgondische edelman bepaald het Oostenrijksche huwelijk wensehte, maar hij wist, dat Karei daarna hemel en aarde, schuldig en onschuldig, al wat hem omringde of nabij kwam, de schuld zou geven van wat hij zelf in dollen overmoed had vergooid.

De Graaf van Varnemburg had onder die afleiding ook tijd gehad om te bedenken, hoe zijn Meester, die de Keizerlijke eere zoo weinig achtte tegenover zijn persoonlijk belang, het hem tot fout kon aanrekenen, dat hij de kunst van achteruitgaan om beter te springen niet had in het oog gehouden; en hij begreep, dat toegevendheid nog niet schaden moest, zoolang er niet werkelijk gegeven werd.

„Uwe Doorluchtigheid geeft eene andere uitlegging aan mijne woorden, dan de bedoelde. Het was niet volstrekt de priesterlijke inzegening van de gezegde verbintenis, die als waarborg wordt geëischt, het is alleen eene meer vaste, meer bepaalde verzekering van haar kant, eene vormelijke en wettige verloving bij voorbeeld, waarmede mijn Hof zich tevreden zou houden, ..quot;

ocr page 112

94

„Tot na de Kroning, niet waar?quot; viel Karei in, en haalde zwaar adem, als iemand, die, na half gestikt te zijn, opnieuw moed schept. „En dat voegt ons uitnemend, want de vele kosten, die deze veroorzaken zal, heeft onze schatkist en de beurs onzer onderdanen te veel geledigd, om tegelijk zoo kostbare feesten te vieren als die zijn moeten, wanneer een dochter van Bourgondië aan een zoon van Oostenrijk wordt ten huwelijk besteed; daarbij eischt haar uitzet onze zorge; wij zullen nieuwe beden moeten doen, en het is zaak, dat wij te dier gelegenheid in ons Koninkrijk terugkeeren. . , . Daarbij zijn de toekomstige echtgenooten nog van teêren leeftijd. De Aartshertog is . . .

„Achttien jaren reeds! en prinses Marie immers zestien?''riep deze met eene drift, waarover de Hertog glimlachte.

„Ik begrijp dat ongeduld,quot; sprak hij; „ik was zoo oud toen ik den slag bij Montl'hery won. Wij willen intusschen veel doen, om dat wachten dragelijk te maken. Ziehier reeds een briel' van Marie, in antwoord op het schrijven van den Aartshertog.'' En hij wierp den Baron een brief toe. „Wij hebben dien gelezen en ons zegel daaraan gehangen ten blijke van toestemming.quot;

De verzoeking om zijn incognito te schenden was voor den Prins te sterk; ook greep hij haastig naar de rol, die hij ontzegelde en las. Hij las blozend en met een welgevallen, dat eene soort van zenuwachtig lachje op zijne lippen bracht en tranen in zijn oog; plotseling stond hij op, en knielde voor Karei, die weer was gaan zitten.

„Mijn vader!quot; sprak hij ontroerd, en kuste hem de hand.

De Hertog leidde hem welgevallig de hand op de schouders en zag hem vriendelijk aan.

„Wees omzichtig, jonge man! spreek dit woord niet te luid, het mocht mijn neef Lodewijk in de ooren klinken, liet is gevaarlijk de verloofde mijner dochter te zijn. Mijnheer van Guyenne was het nauw geworden, of men gaf hem een perzik vanwege zijn Koninklijken broeder van Frankrijk; hij at en hij stierf! Mijnheer van Calabrië is mede een zonderling sehielijken dood gestorven, waar men Frankrijks hand in kennen kan.quot;

„O! wat zegt dat! Ik wil voor haar sterven.quot;

„Oefen veeleer kloeke bescheidenheid, opdat gij leven moogt

ocr page 113

95

voor haar en voor den troon van Bourgondiëquot; antwoordde Karei, terwijl hij hem oprichtte.

De Graaf, op wien dit tooneel de werking deed van een vervulden wensoh, was nn de eerste, die aanbood, het overeenge-komene op papier te stellen. Karei deed een geheimschrijver binnenroepen, die schielijk het schrijftuig van zijn gordel nam, en, bij de tafel geknield, neerschreef, wat men hem voorzeide.

„Ik teeken eigenhandig,quot; sprak de Hertog; „maar Zijne Majesteit .....quot;

„Ik heb 's Keizers handteekening in blanco bij mij. Mijne volmacht was zeer ruim.quot;

Toen de klerk zijne bezigheid had verricht, werd hij heengezonden, en Karei, teekenende, sprak ;

„Ik gaf er veel om, dat deze zaak spoedig zijn beslag kreeg, en wie mij daarin zou willen dienen, kon zeker zijn van mijne Koninklijke dankbaarheid;quot; daarbij zag hij Varnembnrg veelbe-teekenend aan.

„Trouw laat zich niet koopen, en bij gevolg ook niet verkoo-pen, meenden wij vroeger reeds aan te merken, toen Uwe Genade van het loon harer dienaren sprak,quot; antwoordde deze met eene buiging. t

De Hertog verbeet zich de lip; hij begreep dat die man, die hem zoo nuttig had kunnen zijn, zijne kwade luim van zooeven nog niet vergeven had. Juist tegenstrijdig handelende met zijn bestendigen vijand, Lodewijk, was hij begonnen met een staatsman tegen zich in te nemen door onpassende ruwheid, dien hij door eene zoete hoffelijkheid wellicht voor zijn belang had kunnen winnen. Het was gezet, dat Karei ditmaal de straf zoude .gt; dragen van al zijne fouten.

De Aartshertog vroeg verlof, den brief zijner verloofde spoedig te beantwoorden. Het werd hem toegestaan. Do graaf van Varnembnrg gaf den wensch des Keizers te kennen, dat de Hertog hem aanvankelijk hulde zoude doen van diegene zijner Staten, die hij onmiddellijk van het Rijk ter leen had. Die plechtigheid werd op den volgenden dag bepaald. Tegelijk nam Varnemburg voor zijn meester de uitnoodiging aan tot een feestmaal, dat de Hertog dienzelfden dag dacht te geven, en

ocr page 114

94

„Tot na de Kroning, niet waar?quot; viel Karei in, en haalde zwaar adem, als iemand, die, na half gestikt te zijn, opnieuw moed schept. „En dat voegt ons uitnemend, want de vele kosten, die deze veroorzaken zal, heeft onze schatkist en de beurs onzer onderdanen te veel geledigd, om tegelijk zoo kostbare feesten te vieren als die zijn moeten, wanneer een dochter van Bourgondië aan een zoon van Oostenrijk wordt ten huwelijk besteed ; daarbij eischt haar uitzet onze zorge; wij zullen nieuwe beden moeten doen, en het is zaak, dat wij te dier gelegenheid in ons Koninkrijk terugkeeren. . . . Daarbij zijn de toekomstige echtgenooten nog van teêren leeftijd. De Aartshertog is .. .

„Achttien jaren reeds! en prinses Marie immers zestien?''riep deze met eene drift, waarover de Hertog glimlachte.

„Ik begrijp dat ongeduld,quot; sprak hij; „ik was zoo oud toen ik den slag bij Montl'hery won. Wij willen intusschen veel doen, om dat wachten dragelijk te maken. Ziehier reeds een brief van Marie, in antwoord op het schrijven van den Aartshertog.' En hij wierp den Baron een brief toe. „Wij hebben dien gelezen en ons zegel daaraan gehangen ten blijke van toestemming.quot;

De verzoeking om zijn incognito te schenden was voor den Prins te sterk; ook greep hij haastig naar de rol, die hij ontzegelde en las. Hij las blozend en met een welgevallen, dat eene soort van zenuwachtig lachje op zijne lippen bracht en tranen in zijn oog; plotseling stond hij op, en knielde voor Karei, die weer was gaan zitten.

„Mijn vader!quot; sprak hij ontroerd, en kuste hem de hand.

De Hertog leidde hem welgevallig de hand op de schouders en zag hem vriendelijk aan.

„Wees omzichtig, jonge man! spreek dit woord niet te luid, het mocht mijn neef Lodewijk in de ooren klinken. (Iet is gevaarlijk de verloofde mijner dochter te zijn. Mijnheer van Guyenne was het nauw geworden, of men gaf hem een perzik vanwege zijn Koninklijken broeder van Frankrijk; hij at en hij stierf! Mijnheer van Calabrië is mede een zonderling schielijken dood gestorven, waar men Frankrijks hand in kennen kan.quot;

„O! wat zegt dat! Ik wil voor haar sterven.quot;

„Oefen veeleer kloeke bescheidenheid, opdat gij leven moogt

ocr page 115

95

voor haar en voor den troon van Bourgondiëquot; antwoordde Karei, terwijl hij hem oprichtte.

De Graaf, op wien dit tooneel de werking deed van een vervulden wensch, was na de eerste, die aanbood, het overeenge-komene op papier te stollen. Karei deed een geheimschrijver binnenroepen, die schielijk het schrijftuig van zijn gordel nam, en, bij de tafel geknield, neerschreef, wat men hem voorzeide.

„Ik teeken eigenhandig,quot; sprak de Hertog; „maar Zijne Majesteit .....quot;

„Ik heb 's Keizers handteekening in blanco bij mij. Mijne volmacht was zeer ruim.quot;

Toen de klerk zijne bezigheid had verricht, werd hij heengezonden, en Karei, teekenende, sprak :

„Ik gaf er veel om, dat deze zaak spoedig zijn beslag kreeg, en wie mij daarin zou willen dienen, kon zeker zijn van mijne Koninklijke dankbaarheiddaarbij zag hij Varnemburg veelbe-teekenend aan.

„Trouw laat zich niet koopen, en bij gevolg ook niet verkoo-pen, meenden wij vroeger reeds aan te merken, toen Uwe Genade van het loon barer dienaren sprak,quot; antwoordde deze met eene buiging. ,

De Hertog verbeet zich de lip; hij begreep dat die man, die hem zoo nuttig had kunnen zijn, zijne kwade luim van zooeven nog niet vergeven had. Juist tegenstrijdig handelende met zijn bestendigen vijand, Lodewijk, was hij begonnen met een staatsman tegen zich in te nemen door onpassende ruwheid, dien hij door eene zoete hoffelijkheid wellicht voor zijn belang had kunnen winnen. Het was gezet, dat Karei ditmaal de straf zoude dragen van al zijne fouten.

De Aartshertog vroeg verlof, den brief zijner verloofde spoedig te beantwoorden. Het werd hem toegestaan. De graaf van Varnemburg gaf den wensch des Keizers te kennen, dat de Hertog hem aanvankelijk hulde zoude doen van diegene zijner Staten, die hij onmiddellijk van het Eijk ter leen had. Die plechtigheid werd op den volgenden dag bepaald. Tegelijk nam Varnemburg voor zijn meester de uitnoodiging aan tot een feestmaal, dat de Hertog dienzelfden dag dacht te geven, en

ocr page 116

96

dat ook Maximiliaan zoude bijwonen. Men scheidde dus, wederzijds zoo voldaan, als dat mogelijk scheen; Antoni van Bour-gondië deed de Duitsche Heeren uitgeleide tot op de binnenplaats, waar ze hun klein gevolg vonden; het incognito van den Prins dulde geen ander ceremonieel.

Toen de Hertog zich alleen zag, barstte hij in zijn luiden ruwen lach uit: — „O, die gauwe Duitschers! meenen zij ons niet verschalkt te hebben! Hun mijne dochter geven, die barbaren ! ze zijn wel dwaas, dat zij er op rekenen. Eene fraaie winst, hunne kroon, zoo ik daarvoor al mijne andere plannen moest opgeven! De jongen zou immers geen behoorlijk bruiloftskleed kunnen aanbrengen! Waartoe word ik Vicaris-Generaal van het Roomsehe Rijk, als hij mijne erfgename trouwt ? Hij zou Roomsch Koning worden, den ouden Frederik in 't Keizerrijk opvolgen, en ik mijn leven lang aan de linkerzijde van zijn troon staan, of naar leenmansplicht aan zijne voeten knielen. St. Joris en St. Antonius! staat mij bij! ik siik van de gedachte;quot; en hij stoott3 in 't voorbijgaan den zetel omver, dien de jonge Vorst had gebruikt. „Zoo moge het den troon van het Duitsche Rijk vergaan,quot; riep hij, gloeiend van overspanning, „zoo ik dien niet beklimme! .. . Zeker! hij zal voor mij zijn, als Max mij niet in den weg is.quot; Hij bracht de hand nadenkend aan het voorhoofd. „Waarom niet? Als ik eenmaal Vicaris ben, heb ik een onbeperkten invloed in het Duitsche Rijk, dien ik steunen kan door mijn goud en door mijn staal. Deze keurvorsten hebben het eerste noodig, en zijn door het laatste te dwingen. Als ik eenmaal van Lotharingen meester ben, valt het mij licht, mij meer en meer naar het Oosten uit te breiden; Gelderland en Zutfen zijn reeds mijn; van daar breng ik, zoo vaak ik wil, den schrik in de Duitsche Staten. De Roomsch-Koning is nog niet wettig verkoren. Ze zullen weten, wien ze te kiezen hebben! Men kan zoo na in 't bloed geen oorlog voeren! De Geldersche Heeren zijn er door gevallen.... Neen, zoo waar Maria van mijn bloed is! ik geef haar liever aan den Dauphin; ik zou daarbij tot mijne Duitsche plannen vrede hebben met Frankrijk .... Ja, waarachtig, ik zal haar aan den Dauphin .... beloven,'' voegdo hij er langzaam bij. „Vader Spiritibus, de goede Kardinaal-legaat,

ocr page 117

97

dien Z. Heiligheid ons te Nijmegen zond, om vrede te stichten tusschen Frankrijk en ons, moge dan mijnentwille zijn gang gaan... Als ik Keizer ben, zal ik...quot;

In de droomen zijner gulzige eerzucht werd de Hertog gestoord door het terugkomen van zijn broeder; maar geheel zijn uiterlijk getuigde zoo duidelijk van die zielsstemming, waarbij de borst zoo vervuld is, dat zij zich lucht geven moet door woorden, en dat zelfs in de eenzaamheid, zonder gestoord te willen worden door het spreken van anderen, dat de Bastaard zwijgend zijne vroegere plaats innam, en zoo zijne bevelen bleef afwachten.

Karei begreep dat zwijgen anders. Hij wenkte hem tot zich.

„Uw gelaat staat strak,quot; sprak hij; „is het omdat wij u een hard woord zeiden in het bijzijn van die Duitschers ? Gij voelt u beleedigd ? Het zij zoo! er vloeit genoeg Bourgondisch bloed in uwe aderen om ras warm te worden en traag te verkoelen. Wij vergeven het u; toch konden wij u dat niet sparen.quot;

„Mijne lieve Genadige Heere! ik was op een hard woord verdacht, toen ik het uitlokte. De verontwaardiging voerde u wat te ver van een doel, dat gij anders nimmer uit het oog verliest. Ik wist, dat ik u zóó alleen dienen kon.quot;

„Ik heb u begrepen, en dank u. Vorsten hebben soms meer behoefte aan de aüeiding van een simpel woord, dan aan den wijsten raad van hunne hovelingen. Maar niet alle Vorsten hebben hovelingen, zoo gezind als gij, om ter juister stond eene dwaasheid te zeggen, als vernuft en nutte raad zonder hulp zouden zijn ... Zekerlijk, wat ik hun ging zeggen, zullen wij later wel zien, als het mij minder schaden kan.quot;

„Uwe Doorluchtigheid meent dus toch...quot;

„Den zoon van Oostenrijk niet aan mijn huis te vermaagschappen. Ik heb de mogelijkheid ingezien, om mijne ontwerpen op Duitschland door te zetten zonder die harde noodzakelijkheid ; alleen ik dien eerst Koning te heeten.quot;

„Ik ben niet voor den Aartshertog, maar daar Uwe Hoogheid de Jonkvrouw van Bourgondië toch eenmaal uithuwelijken moet...quot;

„Uithuwelijken moet?quot; riep Karei, plotseling ontvlammende

Kroon. Karei de Stoute. i

ocr page 118

98

in eene drift, die de Bastaard in zijne huidige stemming weinig had gewacht, en die hem ontzet achteruit deed wijken; „moet, als ik er den dwang, noch het nut, noch het onvermijdbare van inzie! Zoo zeker Gods moeder Jonkvrouw was, zoo zeker zal mijn kind Jonkvrouw blijven, zoolang wij Hertog van Bour-gondiö zijc Ik zweer u: den dag, dat ik Marie ten huwelijk geef, ga ik de wereld vergeten in een klooster der Franciscanen.quot;

En de man, die zóó sprak, had wel zeker van wereldverzaking geen enkel element in zich.

„Uwe Hoogheid is kortelings hertrouwd en nog in de volle kracht des levens,quot; antwoordde Antoni aarzelend; „misschien wordt later de erfopvolging in uw huis verzekerd, en uw rijk verblijd door de geboorte van een zoon.quot;

„Hm! wij weten niet of wij het wenschen moeten. Wij zagen liefst geen York op onzen troon... Niets meer daarvan; het maakt ons gemelijk; wil morgen nog uw oog laten gaan over de toebereidselen voor het feest. Wij vertrouwen U beter dan eenig ander op dit stuk, en die berooide Duitschers moeten zich stekeblind zien op deze pracht, opdat zij als geblinddoekte valken op de proof toevliegen, die wij hun aanwijzen. Nog iets, het schrijven van Maximiliaan moet niet naar St. Hubert worden opgezonden; 't is onnoodig, dat het onze jonge Prinses in handen komt. Haar antwoord op zijn eersten brief had iets dat mij verwondert, dat niet goed is, dat mij niet bevalt in één woord, 't Is of eene andere haar leerde schrijven; als zich de stiefmoeder daarmede niet bemoeid heeft, moet er iets in haar omgaan, dat. .. dat ik nooit billijken zal. Zij schrijft dwaasheden; Vorstinnen moesten zoo niet voelen, of ten minste zoo niet schrijven. — Vooral met opzicht tot Marie betreur ik het, dat Mevrouw Isabella nu ter ruste is; God neme hare ziel in Zijn paradijs! haar kon ik deze zorg veilig toevertrouwen. Een tweede brief van dezen jongeling mocht de zaak erger maken. Wie zegt ons, dat hij geen geheim tooverpoeder insluit, dat haar kan tot hem trekken ?quot; vervolgde hij lachende. „Alchymisten zijn er in Duitschland vele, en de Zwarte Kunst wordt er sterk beoefend. Alzoo zorgt ge, dat de zijne haar niet toekome, want het is wel, zooals het tornooiliedje zegt:

ocr page 119

99

Bien Jevons tenir celle chère,

Qui nous est garand est frontitre,

Et la source et la minii're,

De notrc force grande et fiére.

Ea nu raeenende, dat het uur der rust, voor u overige men-schen, reeds lange dair is, geven wij u oorlof en Gods vrede tot een goeden nacht; wij kunnen heden aan geen slaap denken.quot;

En hij had wel gelijk: de vriendelijke gave Gods, de liefelijke slaap heeft geene grooter vijandin, dan do vreeze en hoop der menschelijke eerzucht.

Toen de edelman drie schreden voortgegaan was, riep zijn wisselzieke meester hem terug. „Wie heeft den dienst in mijne slaapkamer Messire ?quot;

„De Sire d'Estampes en Heer Jan van Bosehhuizen, gewone Kamerlingen.quot;

„Ha, die zijn mij juist niet de meest gewanschten. Neef Antoni! gij zijt mijn oudere, en wat moer zegt, mijn lieve en getrouwe bloedmaag; wij zullen die Heoren wegzenden; een gewoon escuyer zal mij ditmaal helpen ontkleeden, en ik noodig n mijn slapeloos leger met mij te deelen: ik moet nog veel met u spreken over dit nieuwe werk van Hercules, dat ik ondernomen heb, en hoop ten einde te brengen, zoo goed als de andere.quot; Hij nam zijns broeders arm, en deze wenkte twee fakkeldragers, om hen voor te lichten.

llomuald was nog weder een van hen, die tot deze dienst gebruikt werden; maar, hetzij uit vermoeienis of uit gemoedsaandoening, zijn voorkomen had zoo iets uitgeputs en lijdends, zijne oogen stonden zoo glasachtig en zijn bleek gelaat zoo strak, dat de goedhartige edelman hem de lakkei ter halverwege ontnam, hem schielijk een: „Wacht mij hier!quot; toefluisterde, en zijn Vorst zelf den dienst bewees.

Toen Komuald, daarop vrij verlegen mot zijn persoon, tegen den wand der gothisch gebeeldhouwde galerij bleef leunen, zag hij na een korte poos den Bourgondischen Heer tot hem terugkeeren.

„Jonge man! ik wacht een dienst van u. Antoni van Bourgondië heeft knapen en heeren genoeg om zijn bevelen te volbrengen,

ocr page 120

100

maar dit eene kan alleen een dienaar van den Hertog voor hem doen. Deze steutel opent u de kleine achterpoort. Gij vindt daar buiten een man, tot wien gij zeggen zult: „York!quot; en die u antwoorden zal: „amp;o« t'an advienne!quot; Eerst diln geeft ge hem dit pakket, en gij hebt uw taak verricht en deze tien tournoijaen verdiend. Alleen gij zwijgt; kan ik daar zeker van zijn?quot;

„Ja, mijn edele Heer!quot; antwoordde Komuald zonder aarzelen, en den Hemel dankende, want hij zag hier eeno schoone kans om een plaats te ontkomen, waar hem met iedcren voetstap nieuwe lasten en gevaren dreigden.

ocr page 121

HOOFDSTUK VII.

„Mij wreken op deze Bourgondiërs!quot;' had de Jlarkgravin van Spangenheim uitgeroepen, toen zij, eindelijk alleen do tranen van vernederden trots onvveêrhouden vloeien liet. „Mij wreken op dezen Bourgondiër!quot; had zij herhaald, toen Sigibert, die menige persoonlijke verdeemoediging ondervonden had, zijdelings zijne grieven op haar laadde. „Mij wreken op deze Bourgondiërs !quot; was weder haar woord geweest, toen de Graaf, haar vader, met meer zegepraal dan verschooning hare krachten had beantwoord: en waar ze om zich heen zag, nergens vond zij de hand die haar steunen, nergens het middel dat haar dienen kon tot haar onedel doel. De uitsporigste plannen woelden haar door het hoofd; altijd stuitte zij op eene onmogelijkheid. Iets van hare verbittering kon zo wel lucht geven voor menig luisterend oor, dat gretig opving; want bij eene nadere bekendheid hadden alh' Duitschers grieven tegen alle Bourgondiërs. De onvoldaanheid met zich zelve, de harde erkentenis hunner minderheid der eersten, door de laatdunkende vreemden met geenerlei heusohheid bewimpeld of tegemoet gekomen, verhardde zich eindelijk tot een stuggen trots, tot die bekrompene

nationaliteit, die verachte wat niet het hare was, omdat.....

het buiten haar bereik lag. De schitterende Bourgondiërs hadden duizenderlei gelegenheid om de grovere manieren, de min gekuischte zeden der Duitschers op te merken en met fijnen spot belachelijk te maken. En men moet hun het recht

ocr page 122

102

doen, te zeggen, dat ze de gelegenheid zelden lieten glippen. Bij het dagelijksch verkeer op feesten, bij samenkomsten, in het tournooispel, botsten zij zich telkens, en nooit zonder dieper te wonden, dan met de stompe lansen van een spiegelgevecht. „ Tdlement,quot; zegt Arnould de Chatelain, „quHl en résidlaii non alliance et amitié, maïs imre jaalousie.quot; Ook ij verzucht op vrouwengunsten en hartstochten mengden zich er in. De Bourgondische Edelen, met hunne schilderachtige weelde, met hunne losse bevalligheid in houding en manieren, met hunne Fransche bespraaktheid, met eene overhelling tot galanterie en zwier, vroolijk, lichtzinnig, uitmuntend in alle ridderlijke oefeningen, edelmoedig en rijk, hadden menigen Duitschen minnaar verdrongen, menigen Duitschen echtgenoot ontrust, menigen vader geërgerd, en ineuigen broeder den gloed op de wangen gejaagd : en de Bourgondische dames waren niet daar ; anders hadden zjj wellicht uit grilligheid de Duitschers verkoren en gewroken. Men zou een ganschen roman kunnen voorzien van do liefdesintriges, die op dit piquante verkeer te bouwen waren; doch wij zijn edelmoedig, wij sparen ze onzen lezers, en willen alleen aantoonen, dat de Markgravin in hare bitterheden en in hare partijdige oordeelvellingen nu beter begrepen werd en beter ondersteund dan vroeger; maar het waren slechts spel-deprikken, en die niet eenmaal den vijand bereikten. De Keizer en de Aartshertog hielden te sterk de zijde der vreemdelingen, dan dat men gewaagd zou hebben te toonen wat men voelde. Eene vrouw rust zoo min in den haat als in de liefde. Wilfriede moest een ander wapen hebben; zij vond het. Onwillekeurig had zij iets van hare verbittering laten doorschemeren in de wrevelige verwijten, in de luide klachten, waarmede zij den Lombardischen handelaar hare ontevredenheid te kennen gaf over zijn onhandig bestel, waarachter zij nu nog hare nederlaag hoopte te dekken.

Da Lombard was niet geheel wat hij scheen. Het is zoo; hij was de woekerende koopman, die zijn voordeel was komen doen met de behoefte van den Duitschen adel bij deze feesten ; maar hij kwam uit Frankrijk ; hij had somwijlen met Lodewijk XI gehandeld, en Lodewijk XI, die minder zag op den stand

ocr page 123

103

zijner dienaren, dan op hunne geschiktheid tot den dienst, die hij van hen eischte; die bovenal niet kiesch was in het aanwenden van middelen, welke zijne plannen konden ondersteunen, had hem eene geheime zanding opgedragen, die juist door zijn eigenlijk beroep gemakke'ajk werd gemaakt. Het zou onnatuurlijk zijn geweest, zoo de Fransche Koning, bloedvijand, zoo er ooit een was, van Karei van Bonrgondië, bij eene gebeurtenis, zoo beslissend voor de grootheid en macht van dezen, als er te Trier werd beraamd, niet met werkzame onrust had toegezien, niet openlijk of in 'c geheim de hand had geslagen in het spel, dat dezen zooveel zou geven of weigeren. Karei had, sedert hij Hertog was, nog geen vijand tegen zich zien opstaan, waarvan hij niet heimelijke of openlijke bondgenoot was geworden: had nooit om eene teleurstelling gestampvoet, die hij niet mede had voorbereid; had nooit eene zegepraal gevierd, die hij niet had vergald; had nooit een feestgalm aangeheven, waarin lij geen valschen toon had gemengd. Ook nu was hij met meer ijver werkzaam, daar hij, in het mislukken dezer onderneming, voor den gehate nog iets anders zag dan eene teleurstelling; daar hij er eene schrede in zag tot zijn val. Maar ook, zoo zij gelukte! — de beurt zou aan Lodewijk zijn: hij voelde het, zij moest niet gelukken; het mocht hem kosten opofferingen zoovele er noodig waren; zij moest niet gelukken!

Gerustgesteld en geleid door den schranderen, maar, met opzicht tot een vorigen meester, liefdeloozen raad van Com-mines, gaf hij zelf den Hertog speling van tijd tot de reize, door een verlengden wapenstilstand, overzag de gewone inbreuken op dezen, en oefende het geduld van de kat, die de muis zich vermeiden laat in hare dartelheid, totdat zij haar greep zeker weet.

Maar intusschen gebruikte hij tevens de list van den vos, om dien greep zeker te maken. De Duitsche adel moest tegen den Hertog worden opgeruid en verbitterd; den Keizer achterdocht tegen hem worden ingeboezemd; het volk vrees aangejaagd voor zijne heerschzucht, die onverzadelijk werd genoemd. Schijn en waarheid, lastering en feit, bewijs en vermoeden, alles mocht worden gebruikt, alles dooreengemengd; en zonderling pleit

ocr page 124

104

het voor zijn helder doorzicht, voor zijne menschenkennis: wat hij meende leugen te zijn en voor waarheid veilde, was waarheid in het brein van Karei den Stouten.

Het was Lodewijk, die durfde zeggen, dat Kareis hand naar meer zonde grijpen dan naar de kroon van Bourgondië; dat zij zich uitstrekken zou naar de Roomsche Koningskroon, naar den staf van het Keizerrijk, naar de gansche heerschappij over Duitschland, naar de heerschappij van geheel Midden-Europa, toen Karei de gedachte nog alleen maai1 had (jedacht en nog nooit geuit. Het was Lodewijk, die de Zwitsers opmerkzaam maakte op het gevaar van de Bourgondische nabuurschap, op het gevaar van zijn toekomstigen invloed in Duitschland; die hun toefluisterde, wie hun ontnemen zoude wat Oostenrijk hun had moeten hergeven; die hun zoo duidelijk aanwees, wat hen kon dreigen, dat ze hunne vrijheden met beide handen begonnen vast te houden; dat ze het Fransche goud en het Fransche bondgenootschap als welkome veiligheidsmiddelen aannamen, en als het ware reeds een schild gereed hadden en een wapen, tegen den man, dien zij tot hiertoe altijd met ontzag en vriendschap hadden beschouwd. Dat waren lasteringen; want niets daarvan was nog ooit uit Kareis handelingen gebleken; en toch .... toch was Peter Hagenbach met den Keizer Frederik mede te Trier gekomen.

Dat alles nu moest met fijne omzichtigheid worden aangebracht waar het dienen kon, zóó als het den meesten indruk maakte, vergroot en verergerd, waar het geloofelijk zoe geoordeeld worden, en verwrongen of verzwakt, waar scherpzinnigheid te groote aantijging zou verworpen hebben. Het was de listige Italiaan, die, door een langen omgang met allerlei menschen. een schat van practische menschenkennis moest hebben opgedaan, die de menschelijke ziel op hare zwakste plekken had leereu bespieden, voor wien kleingeestigheid, zelfzucht, ijdele trotu, gierigheid, zucht tot bedrog zelfs, zich in al hunne naaktheid getoond hadden, zonder die bevallige sluiers, waarmee zij zich in het maatschappelijk leven nog eene houding geven. Wie had zich ooit ontzien voor iets zoo gerings, zoo laag geplaatst, zoo weinig zijns gelijke als do Lombardische woekeraar? En de

ocr page 125

105

Lombardische koopman, die voor eigen rekening altijd op de zwakheid der grooten had geloerd, wist, hoe hij elk van hen moest aantasten, nu hoogere belangen hem waren toevertrouwd. Hij had dus de Markgravin Wilfriede doorzien, eer zij meende hem iets gezegd te hebben; en wij zouden hem zelfs niet durven ontkennen, zoo iemand op het vermoeden was gekomen, dat er opzet had gelegen in de slechte snede van het veelbeduidende kleed. De Markgravin was in het Aartsbisschoppelijk paleis geen onbeteekenend persoon, en Bertrando had wel veel opgemerkt, maar nog niets voor zijn meester kunnen doen. Hare verovering was dus veel waard. En do hooghartige Duitsche edelvrouw — zóó laag sleepen onbewaakte hartstochten de men-schelijke ziel met zich in het slijk! — do fiere Wilfriede, die begonnen was met haar erfgoed te verpanden uit moederlijke ijdelheid, eindigde met de bondgenoote te worden van een verachten woekeraar, ten gunste van een vreemden Vorst, tegen de belangen van haar Keizer en van haar Vaderland. Want zoo scheen het, eene vriendsohapsbreuk te veroorzaken tussehen Karei en Frederik, was den eerste in zijne plannen dwars-boomen, maar ook den laatste een met drift begeerden wensch ontzeggen, en Wilfriede kon niet weten, Bertrando zelf wist het niet, dat in Kareis plan de vervulling van dien wensch toch niet begrepen was.

Behalve dien gemachtigde eener duistere staatkunde, was een openlijke lasthebber van aanzienlijken rang aan bet Keizerlijk bof bekend; maar Jean ïiercelin, Sire de la Brosse, kon met zijne raadgevingen en oaderhandelingen bij den Keizer niets winnen, dan de verzekering, dat er op een vasten vrede met Frankrijk zou worden aangedrongen bij de toekomende verbintenis met Bourgondië. Maar noch zijne diplomatieke behendigheid, noch de listen van den Lombard, die zijne inzichten steunen moest, noch de ijverige wraaklust der aanzienlijke vrouw, noch zelfs geheime medewerking van menigen Keizerlijken raadsman, konden Karei ernstig benadeelen, zoo hij oprecht trouwo had willen houden aan het gegeven woord. Hij kon niet vallen onder de hand der vrouwelijke wrake, zelfs niet, al had list die bestuurd. Alleen de terugwerking van zijne eigene trouw-

ocr page 126

106

loosheid kon hem schaden; alleen zijne eigene fouten zyne eigene sterkte ondermijnen; Karei de Stouts kon alleen vallen door Karei den Stouten zeiven. Alleen Eomuald kon hem verraden, met niets dan de waarheid, met niets dan wat van hem zelven uitging.

En wij zien nu Eomuald, op den ochtend na zijn avontaur-vollen nacht, in des Markgraafs vertrek. Hij zit te schaken met een ander jonkman, Sigibert zelven; maar hij is zóó bleek, zijn gelaat is zóó vervallen, zijne trekken zóó ernstig, zijne oogen staren zóó peinzend rood, hij is zóó verstrooid en hij zucht zóóvele malen, dat het wel te zien is, dat er iets ongewoons in hem omgaat, dat het niets vroolijks zijn kan. Zoo Sigibert er iets van heeft opgemerkt, schrijft hij het toe aan een nacht, doorgebracht in spel en wijn, en hij heeft er, met verschooning voor den lieveling, het zijne van gezegd. Tegen gewoonte wint hij van hem voor de tweede maal het spel. Toch heeft hij hem op menige onachtzaamheid opmerkzaam gemaakt; in 't eind roept hij ongeduldig: „Romuald! waar is dan toch uw hoofdr sedert tien minuten staat uw Koning schaak, en gij speelt voort zonder er op te letten; nu brengt gij uw witten Raadsheer op het zwart en gij hebt daar zooeven uw eigen pion genomen voor den mijnen. Op mijne eer! ik word nieuwsgierig het liefje te zien, dat u zoo in verwarring bracht.quot;

„Het is zeker plicht, zijn Vorst te beschermen, sprak Romuald voor zich heen.

„Neen, waarachtig! hij is meer dan verbijsterd, hij is volslagen dol!quot; hernam Sigibert, de stukken in wanorde werpende. „Als gij nog hersens genoeg hebt om het te onthouden, laat mij dar. een beker Moezelwijn geven.

Toen Romuald, schielijk tot zich zelve gekomen door het plotseling eindigen van een spel, waar hij geene aandacht aan gaf en dat hem juist daardoor tot mijmeren uitlokte, met eenige haast opstond en het gevraagde deed brengen, kwam juist do Markgravin binnen, gevolgd van haar Italiaanschen bondgenoot.

„Br! ik drink nooit uit dien tinnen beker, zonder walging en schaamte,quot; zeide de jonge Markgraaf; toeh bloosde hij over

ocr page 127

107

zijn eigen woord, bij het onbeschrijfelijke smartelijk verwijt, dat zijne moeder hem tot antwoord toewierp.

„God straffe den Hertog van Bourgondië; die de Duitsohe zonen hunne moeders leert verachten!quot; sprak zij hevig.

„Mevrouw! zoo die Vorst hieraan schuld heeft, weet ik niet wie er onschuldig aan zijn kan.quot;

„Als gij het zóó meent, Mijnheer! ben ik niet hier gekomen om met u te spreken; anders had ik u veel te zeggen .. . , gij verzelt heden den Aartshertog naar St. Maximijn?quot;

„Ik kan er mij niet van ontslaan; 't is voor het eerst, en mijn goede meester begon de gewoonte aan te nemen van mij ter zijde te zetten, sinds ik mij genoodzaakt zag den edelman van Messire Antoni uit te dagen.

„En gij geeft aan die vreemden nóg uwe voorspraak?1'

„Zij hebben die niet noodig. Was het niet te vergeven, dat, zij, die een fijner smaak hadden dan wij, een dos als den mijnen bespottelijk vonden? Dat zij hot toonden, was niet hoffelijk, en ik heb er voldoening voor gevraagd, en ook, door St. Michaels zegen, naar ridderwetten verkregen. Maar nu ook moet het daarmede zijn afgedaan, en ik verwonder mij veeleer, dat een bedriegelijke Lombard nog altijd toegang heeft tot mijne moeder, dan dat zij het vreemd moet vinden, dat ik mij voeg naar de wenschen van onzen Vorst. Ik ga, Mevrouw! het zien van dien schelm heeft mij voor den ganschen dag de luim bedorven.quot;

„Eer wij scheiden, zult gij dien man beter kennen, zoo ik hoop.quot;

„Ik verkies zijne kennis niet te maken,quot; sprak de Markgraaf, „Kom, Romuald! wij hebben beiden verstrooiing noodig;quot; deze laatste aanmerking vestigde Wilfriede's aandacht op dezen.

„Jonker Romuald! zijt gij ziek geweest?quot; vroeg zij, „er is eene verandering in uw voorkomen . .. .quot;

„In waarheid niet. Mevrouw!quot; antwoordde hij met een donkeren blos, en hij had zich wel willen vernietigen voor haar doordringenden blik ; maar ondanks zijn ontkenning had zij gelijk. Neen, de dwaas verliefde jongeling, die met roekeloozen moed het gevaarlijkste waagde ter wille van een bevallig meisje

ocr page 128

108

was niet uit het klooster van St. Maximijn teruggekomen gelijk hij er binnen ging. Het gewicht der belangrijke geheimen, die hij had opgevangen, drukte hem als een doodzonde. Een zware strijd tusschen plicht en eer verhief zich in zijn boezem. Hij wist niet hoe tot rust te komen, welke keuze te doen. Aan de eene zijde voelde hij zich gedrongen tot handelen, tot spreken Zijn goedaardige Keizer zoo schandelijk misleid; zijne jonge aangebeden Vorst in zijne zoetste verwachtingen teleurgesteld; die eerzuchtige vreemdeling zich meester maken van hunne rechten zich van hem bedienen tot zijn doel, hen alleen met bespotting loonen! Die vreemdeling de hand uitstrekken naar de Keizerskroon ; God alleen wist wat hem niet gelukken zou, als hij eens zijn Koningschap had, zijn geliefd vaderland wellicht onderdrukt door den dwingeland .... en dat alles kon hij verhoeden door één woord! Moest hij niet-... maar dan weer kwam een edelmoedig eergevoel boven. Hoe! Hij was het huis van dien Vorst binnengeslopen, met geen beter doel dan uit onrust over oen geliefde, uit eigenbelang dus alleen : hij had er in rondgedwaald, vermomd, als alleen lafaards doen. Met die vermomming was hij doorgedrongen tot dien Hertog, die de diepste geheimen zijner ziel had blootgelegd, zoo vrij en onbewimpeld, als ware hij alleen geweest met God of met zijn biechtvader, alleen in het volle vertrouwen op de goede trouw van wie hem omringden en die hij voor zijne gezworen dienaars hield, wien hij niet eens door een opzettelijk bevel had noodig geacht het stilzwijgen op te leggen, zeker als hij was dat het wel bezwaard moest zijn. En dan een Vorst, die met zooveel edele rechtvaardigheid de onschuld van zijn dierbaar meisje had beschermd en geprezen, die voor haar had gezorgd, als geen broeder het beter had kunnen doen. Moest hij dien Vorst zoo onedelmoedig, zoo laaghartig van zijne dierste wenschen versteken, zijn hooge ontwerpen in duigen slaan? Hij had zich verscholen, vermomd, was spion geweest; maar tot hiertoe ondanks zich zei ven; — moest hij nu ook nog verrader worden? Moest hij het vrijwillig zijn? Daarbij overdacht de jongeling het gevolg van zijne woorden, als hij gesproken zou hebben. Hoe die machtige Hertog, van wiens geweldadige hartstochten hij reeds zoovele blijken had

ocr page 129

109

gezien, in woede ontvlammen zou, zoo hem zijne begeerte werd ontzegd, — en die Hertog was met een goed deel van zijn leger, met zijne beste edele en strijdbare mannen, als in het hart van het Aartsbisdom gelegerd: zou hij bedaard en vredig aftrekken, na zulk een vriendschapsbreuk met den Keizer als dan noodwendig volgen moest? Trier, het eerwaardige Trier, al de schoone Moezellanden, die rijke wijngaarden, de lust en de trots van zijne landgenooten; lag het niet alles bloot voor de verwoestingen van die hand, die zoo zwaar en bloedig neêr-kwam, waas zij sloeg; zou de Iveizer, zijn vaderland hem danken voor den verderfelijken dienst? In 't eind, wie had hem geroepen om zich te mengen in de raadslagen der Vorsten, om de hand mede te slaan aan de lotsregeling der volken ?

Wie kon hem hier raden ? Wie hier beslissen ? Zoo hij iemand een woord zeide, was hij zijn geheim niet meer meester; hij dacht er aan, onder het zegel van de biecht, eens priesters raad in te nemen ; maar dan weder bezon hij zich wetende hoe geestelijken vaak slechte scheidsrechters waren op het punt van eer; hoe het niet waarschijnlijk was, dat hij onder de Triersche Kerkelijken een onpartijdige zou vinden; en wat hij ook besloot, of waarvan hij het oog ook afwendde, altijd begon de schrikkelijke kamp in zijn binnenste opnieuw, en bleef zijn besluit aarzelend in het midden. Het was dus meer een toegeven aan zijne overpeinzingen, de uitdrukking zijner zielsgesteldheid, dan een gevolg van een bepaald voornemen, toen hij op de scherpe aanmerking der Markgravin, dat het wellicht eene navolging was der Bourgondische zeden, die haar zoon zoo prijselijk begon te vinden, dat zijn page de uren van den nacht in meer vroolijke dan betamelijke uitspanningen had doorgebracht, met een doffe stem antwoordde:

„Hadden de* Heiligen mij beschermd, ik ware niet met de Bourgondiërs geweest!quot;

„Schuld bekend is half vergeven,quot; sprak Sigibert, glimlachend.

„ Bien t'en advienne !quot; sprak de Lombard, die hem van achteren genaderd was, hem op den schouder tikkende. Romuald schrikte, als had do vinger van een doode hem aangeraakt.

ocr page 130

110

York !quot; mompelde hij onwillekeurig.

„Juist! gij hebt het wachtwoord onthouden,quot; lachte Ber-trando.

„Ik wenschte dat dit gesprek voor gewone menschen to begrijpen ware,quot; sprak Wilfriede ongeduldig.

„O ! zeer licht, Genadigste!quot; antwoordde de Lombard, „een der Heeren van Kareis hof, wie, heeft men nog niet kunnen uitvinden, onderhoudt eene geheime briefwisseling met de Hertogin ; het kon beiden het hoofd kosten als de zachtaardige Heer het ontdekte, en ziet ge, ik, die allerlei handel op mij neem, bezorg de vlaamsche Dames brieven, evenals de diamanten aan de Duitsche.quot;

„Beide zullen wel valsch zijn,'' merkte de Markgraaf aan.

„Voor de eerste sta ik niet in; de laatste kan men keuren, Genadigste ! maar Mevrouw de Gravin is wel eens nieuwsgierig geweest naar de geheimen van het klooster St. Maximijn, en ik twijfel niet, of deze jonkman ?;al er haar meer van kunnen zeggen, dan ik, die er soms mijne zaken heb; want hij schijnt er vrijen toegang te hebben, en er tot laat in den nacht dienst te doen.quot;

„Neen, mensch! ik weet niets,quot; viel Romuald schielijk in. met toon en blikken, die juist te kennen gaven, dat hij ontzettend veel weten moest.

„Eomuald !quot; riep Sigibert verwijtend.

„Gij zult spreken,quot; beval de Markgravin driftig.

„God wil het verderf van den Hertog!quot; sprak de jongeling, als overstelpt van deze verzoeking om zijn geheim te ontlasten.

„Het verderf van den Hertog!quot; herhaalde Wilfriede met gloeiende oogen; „zoo gij nog langer aarzelt, zal ik u weten te dwingen.quot;

„Neen, Mevrouw ! niet uit dwang, niet uit haat, voor wien ook, maar ter eere van God en uit liefde voor den Keizer en zijn huis, en tot behoud van mijn Vaderland, zal ik spreken uit vrijen wil, doch alleen ten aanhoore van den Markgraaf, die mijn wettige Heer is, en van u, Mevrouw! die zijne moeder zijt; deze Lombard ....quot;

ocr page 131

Ill

„Zal zoo gewichtige verklariDgen geen oogenblik in den weg staan,quot; sprak Bertrando, na een vluchtige blik gewisseld te hebben met Wilfriede.

Toen begon de jongeling zijne belangwekkende biecht; wij weten wat hij zeggen kon; wij begrijpen ook, welken indrnk het maken moest op zijne hoorders. Wij willen alleen mededeelen, dat Sigibert zoo verslagen was van het gehoorde, dat hij met instemming zijner moeder besloot, om alles voor zijn Keizerlijken meester te verzwijgen tot na het feest op St. Quentin, opdat deze niet in overijling behoefde te handelen, te meer, daar de beslissende kroningsdag nog niet was bepaald.

Wij moeten toch nog even de aandacht vestigen op een tooneellje in hot huis van Alterer, in het vertrekje, dat aan Siischen was afgestaan. Het arme kind was lijdend en mocht het niet verlaten. De bezorgde vader beschuldigde de Triersche lucht; liertha lachte schalk, en Ulrich Alterer meende, dat Romualds eerste bezoek haar wel genezen zou. Niemand had juist geraden. De indrukken en gewaarwordingen bij haar bezoek in St. Maximijn waren te sterk geweest, dan dat de zwakke er ook zelfs niet lichamelijk onder zoude geleden hebben; maar hare ziel was kalm, bijna gelukkig; hare liefde was zoo weinig eischend; zij leefde in zoete verwachting. Karei den Stouten weder te zien op zijn grooten vierdag in zijne volle glorie; had zij meer noodig ?

Het is zoo, er waren oogenblikken geweest, waarop zij zich bitter gegriefd gevoelde; die haar dus hadden moeten leeren, en ook werkelijk leerden, hoezeer zij niets voor hem beteekende ; maar ze had ook niet gewacht, dat die groote Vorst ooit een blik op haar zou slaan: hij was immers meer voor haar geweest dan zij had kunnen hopen, of liever, zij had er niet over nagedacht, zij had er niet op kunnen rekenen; zij had slechts gevoeld en geleden; maar zij had zich geene rekenschap gevraagd wat en waarom; zij was slechts gelukkig dat zij hem mocht aanbidden, zonder dat hij het opmerkte. En was hij toch niet edelmoedig voor haar geweest, en zelfs wel zacht? Hoe zoet was het haar, zich te verbeelden, dat hij zoo niet voor eene andere zou geweest zijn. Ja, hij was ook ruw geweest eu zeker

ocr page 132

no

York !quot; mompelde hij onwillekeurig.

„Juist! gij hebt het wachtwoord onthouden,quot; lachte I3er-trando.

„Ik wenschte dat dit gesprek voor gewone menschen to begrijpen ware,quot; sprak Wilfriede ongeduldig.

„O ! zeer licht, Genadigste 1quot; antwoordde de Lombard, „een der Heeren van Kareis hof, wie, heeft men nog niet kunnen uitvinden, onderhoudt eene geheime briefwisseling met de Hertogin ; het kon beiden het hoofd kosten als de zachtaardige Heer het ontdekte, en ziet ge, ik, die allerlei handel op mij neem, bezorg de vlaamsche Dames brieven, evenals de diamanten aan de Duitsche.quot;

„Beide zullen wel valsch zijn,'' merkte de Markgraaf aan.

„Voor de eerste sta ik niet in; de laatste kan men keuren, Genadigste ! maar Mevrouw do Gravin is wel eens nieuwsgierig geweest naar de geheimen van het klooster St. Maximijn, en ik twijfel niet, of deze jonkman ?;al er haar meer van kunnen zeggen, dan ik, die er soms mijne zaken heb; want hij schijnt er vrijen toegang te hebben, en er tot laat in deis nacht dienst te doen.quot;

„Neen, mensch! ik weet niets,quot; viel Romuald schielijk in. met toon en blikken, die juist te kennen gaven, dat hij ontzettend veel weten moest.

„Romuald !quot; riep Sigibert verwijtend.

„Gij zult spreken,'' beval de Markgravin driftig.

„God wil het verderf van den Hertog !quot; sprak de jongeling, als overstelpt van deze verzoeking om zijn geheim te ontlasten.

„Het verderf van den Hertog!quot; herhaalde Wilfriede met gloeiende oogen; „zoo gij nog langer aarzelt, zal ik u weten te dwingen.quot;

„Neen, Mevrouw! niet uit dwang, niet uit haat, voor wien ook, maar ter eere van God en uit liefde voor den Keizer en zijn huis, en tot behoud van mijn Vaderland, zal ik spreken uit vrijen wil, doch alleen ten aanhoore van den Markgraaf, die mijn wettige Heer is, en van u. Mevrouw! die zijne moeder zijt; deze Lombard .,.

ocr page 133

Ill

„Zal zoo gewichtige verklaringen geen oogenblik in den weg staan,quot; sprak Bertrando, na een vluchtige blik gewisseld te hebben met Wilfriede.

Toen begon de jongeling zijne belangwekkende biecht; wij weten wat hij zeggen kon; wij begrijpen ook, welken indruk het maken moest op zijne hoorders. Wij willen alleen mededeelen, dat Sigibert koo verslagen was van het gehoorde, dat hij met instemming zijner moeder besloot, om alles voor zijn Keizerlijken meester te verzwijgen tot na het feest op St. Quentin, opdat deze niet in overijling behoefde te handelen, te meer, daar de beslissende kroningsdag nog niet was bepaald.

Wij moeten toch nog even de aandacht vestigen op een tooneeltje in het huis van Alterer, in het vertrekje, dat aan Süschen was afgestaan. Het arrae kind was lijdend en mocht het niet verlaten. De bezorgde vader beschuldigde de Triersche lucht; Bertha lachte schalk, en Ulrich Alterer meende, dat Romualds eerste bezoek haar wel genezen zou. Niemand had juist geraden. De indrukken en gewaarwordingen bij haar bezoek in St. Maximijn waren te sterk geweest, dan dat de zwakke er ook zelfs niet lichamelijk onder zoude geleden hebben; maar hai'e ziel was kalm, bijna gelukkig; hare liefde was zoo weinig eischend; zij leefde in zoete verwachting. Karei den Stouten weder te zien op zijn grooten vierdag in zijne volle glorie; had zij meer noodig?

Het is zoo, er waren oogenblikken geweest, waarop zij zich bitter gegriefd gevoelde; die haar dus hadden moeten leeren, en ook werkelijk leerden, hoezeer zij niets voor hem beteekende; maar ze had ook niet gewacht, dat die groote Vorst ooit een blik op haar zou slaan: hij was immers meer voor haar geweest dan zij had kunnen hopen, of liever, zij had er niet over nagedacht, zij had er niet op kunnen rekenen; zij had slechts gevoeld en geleden; maar zij had zich geene rekenschap gevraagd wat en waarom; zij was slechts gelukkig dat zij hem mocht aanbidden, zonder dat hij het opmerkte. En was hij toch niet edelmoedig voor haar geweest, en zelfs wel zacht? Hoe zoet was het haar, zich te verbeelden, dat hij zoo niet voor eene andere zon geweest zijn. Ja, hij was ook ruw geweest en zeker

ocr page 134

112

koel, maar hij had'toch voor haar zorg gedragen als een minnend -vriend: in één woord, zij troostte zich zelve met alles wat een romanesk kind uitdenken kan, en zij bedroeg zich met alles, waarmede eene werkzame verbeelding in jonkheidsbloei het hart bedriegt en tot iets verleidt, dat misschien geene hoop is, maar dat, gevaarlijker nog, het veelbeduidend onzekere heeft van een oneindig verlangen en een onbeperkt geloof aan alle onmogelijkheid.

In mijmeringen als deze werd zij gestoord door het binnentreden van Romuald, die, pas van zijn drukkend geheim ontheven, zich aan hare voeten kwam werpen met eene angstige bede: „Süschen! om Godswil stoot mij nu niet weg en hoor mij aan; ik ben zoo beklemd van harte; ik heb iets vreeseljjks bestaan en moeten doen, en ik kom troost zoeken bij u. Niet waar? gij zult mij hooren en er aan niemand van spreken; gij zult zelve oordeelen; waarom niet? Meisje! ik heb gisteren veel voor u geleden en gewaagd, en mijne kwelling van heden is nog daarvan het gevolg, en luistert gij nu niet eens5quot;'

„Ja. Romuald! ik luister,quot; riep zij verstrooid, het lieve handje lusteloos onder het voorhoofd brengende, „gij wildet immers verhalen, hoe gij . . .

„Den Hertog van Bourgondië heb moeten verraden,quot; barstte hij jammerend uit, „nadat hij uw beschermer is geweest; ik heb veel vergeving noodig; de uwe het eerst van alle!''

„Don Hertog verraden! Eq hoe verraden? Vermoord!'' en hare sidderende lippen brachten het woord uit, zonderdat het klonk.

„Neen, Süschen! de Heilige Moeder zij gedankt, een moordenaar ben ik niet; kom tot u zelve, Süschen! slechts zijne plannen . . .

„Denk niet, dat ik het u vergeven zal,quot; sprak zij snikkend, „hem verraden!quot; en zij zag hem aan met zooveel minachting, dat hij luide uitriep:

„Verachten zult gij mij niet; gij zult weten en mij dan oordeelen.quot;

En hij zeide haar alles.

Zij had nauwelijks de kracht hem gehsel ten einde te hooren, maar toen ook zeide zij;

ocr page 135

113

„Ik weet niet wat dat is, iemand vloeken; maar ik weet wel, Romuald! dat ik voor u nooit meer bidden kan.quot; En zij sprak dat zoo mat en veelbeteekenend bitter, dat hij uitriep; ,0! gij bemint dien man.quot;

Toen Bertha tot Süsohen wederkeerde, vond zij haar in eene brandende koorts en in een radeloos ijlen.

s

Kroon. Karei dc Stoute.

ocr page 136

HOOFDSTUK VIII.

Welk eene vriendelijke gave des Hemela is toch dat onvermogen der menschehjke ziel, om gebeurde of toekomende dingen te weten, zoo ze niet onder het bereik der zinnen worden gebracht! quot;Welke houding had Karei dan moeten aannemen tegenover Frederik; met welk woord of met welke daad moesten de Keizer en de Aartshertog dan toch zijne gastvrijheid hebben aangenomen ! Nu verwelkomde de Hertog, omringd van zijn grootsehen adel, zijne hooge gasten aan de poort van zijne woning, met die fijne wellevendheid, die hij tot zijn dienst had zoodra hij wilde, en met dien hoofdschen eerbied, dien hij met zóóveel waardigheid wist te bewijzen, dat zij hem meer verhief' dan dengene, wien hij ze bracht. Bij deze gelegenheid scheen do Bourgondische Vorst eenigszins opzettelijk vertooning te maken met de goede houding en orde zijner krijgsmacht, in het toenmalige Europa eene zeldzaamheid, waaraan hij zijne beste zorgen wijdde, en waarvoor geene kosten hem te groot toeschenen ; want van zijne boogschutters, speerruiters, haakbuschschiete-s piekeniers, van deze allen bevonden zich, hun korps vertegenwoordigend, kleine benden, als ter monstering geschaard, op het voorplein, dat hij den Keizer langzaam overvoerde. Het schenen bonte bloemen op dit veld van steen: want hoewel allen het roode kruis van St. Andries droegen; hoewel er eenvormigheid heerschte in de kleedij der lieden van hetzelfde wapen; de piekeniers voerden gansch andere kleuren dan hunne wapenbroeders de boogschutters, wier manteltjes, half blauw, half wit, grillig afstaken bij bloedroode en zeegroen van weer

ocr page 137

115

anderen; voeg er bij, dat geen bovenkleed, uit éénerlei kleur bestond, en men zal het schimpwoord: „Bonte kraaien,quot; dat Kareis troepen later gegeven werd, niet geheel eene redelocwe vinding noemen. Hunne Condotieren of plaatsvervangende Kapi-teinen, want de Hertog zelf had zich de eigenlijke waardigheid voorbehouden, lieten hun staf, met wit en blauw omwonden, nederzinken, ten teeken van onderdanigheid, toen Prederik III langs hen voorbijging; een ijdel eerbiedsbetoon, daar één wenk van hun meester genoeg ware geweest om hen vijandelijk tegen den Keizer te doen overstaan.

De Hertog had ditmaal in zijn voorkomen het bevallige aan het schitterende gepaard; hij droeg geen harnas; ten minste het was niet zichtbaar. Zijn bovenkleed, dat nauwelijks tot aan do knieën reikte, was van goudlaken op zwarten grond, eene statige kleur, die volkomen goed samenstemde met het ernstige en strenge zijner trekken. Dat kleed was met hermelijn gevoerd en omzoomd, tot zelfs aan de opslagen der enge mouwen, die de forsche gespierdheid der schouders en armen goed deden uitkomen, schoon de bovenarm gedokt was met oppuilende kappen van goudstof {mahoUres). Het rijk der kragen of halsboordjes was nog niet ingegaan, en het bont omgaf dus ook don gevul-den hals, welks mannelijke tint bij dat wit nog sterker afstak, terwijl het tegelijk een litteeken te zien gaf, dat hij behouden had van eene gevaarlijke wonde uit zijn eersten veldslag, en bewees hoezeer Karei de Stoute toenmaals het gevaar van nabij onder de oogen had durven zien; dikke, donkere lokken vielen neder nevens de zwarte vlokken van het hermelijn, waaruit ze nauwelijks te herkennen waren. Hij droeg geen mantel en zijn rok was aan beide zijden met rijke diamanten haken opgenomen, om eere te hebben van de prachtige onderkleeding, die van lichtblauw satijn heette, maar zoo dicht was bezet met opgeregen paarlen en kostbare gesteenten, dat de kleur nauwelijks te onderscheiden was; eono weelde, waar de Duitsche eenvoudigheid voor verstomd bleef. Vreemd misschien, maar van een fijnen goeden smaak, stonden daarbij de zwarte hozen, wier eenvormigheid door niets gebroken werd, dan door de ttuwee-len tootschoenen van dezelfde kleur, waarop weder een vorste-

ocr page 138

116

lijke schat van gesteenten en goud borduursel was aangebracht. Do kaproen, een soort muts mot afhangenden sluier, was weder lichtblauw satijn en met gouden vonkjes doorwerkt misschien eene zinspeling op de Bourgondische vuursteenen. In do tegenwoordigheid des Keizers echter gaf hij dien aan een ridderécuyer en bleef ongedekt. Hij had geen ander wapen dan eene korte dagge met een schitterenden greep in den breeden gordel gestoken, en geen ander halssieraad dan de keten der Vlies-orde; op de linkerborst prijkte het roode kruis van St. Andrics, den hooggeëerden beschermheilige van zijn huis. Het was jammer, en toch gelukkig, dat de arme Süschen hem zóó niet zag.

Men wenscht noch wacht eene zoo uitvoerige beschrijving van ieder dor Heeren van zijn hof, van den lieizer en het zijne. Men gelooft toch mijne verzekering, dat velen der eersten hun meester nabij kwamen in weelderigheid van keuze en vinding, schoon zeker niet in rijkdom: dat de laatsten den wedijver hadden opgegeven, schoon zeker niet de ijverzucht; dat de Aartshertog met zijn lang gewaad van witte damaststof, en met zijn goudgeel gescheiden haar, iets reins en eenvoudigs had, dat bij zijne achttien jaren goed stond. De jonge Markgraaf van Span-genheim had niets in zijne kleeding, dat do opmerking wekte: bijgevolg ontging hij ook de bespotting. De bekeerde ïurksche Prins, Calixte-Otteman, was mede van dit feest; en Karei, die een sterke belangstelling had in alles wat vreemd was, gaf hem met blikken en hoffelijke woorden vele blijken van ingenomenheid en onderscheiding. Misschien had hij hem zijn dochter beloofd, zoo hij erfgenaam van den Sultan ware geweest, en geen broeder. Nadat de hooge gasten een wjjl verpoosd hadden in de ontvangzaal, en van verscheidene keurige vervei-schingen hadden gebruik gemaakt, en na de gewone aarzeling van Frederik, om de hoogste plaats in te nemen, had er tusschen de beide Vorsten een onderhoud plaats, waarbij zich de weder-zijdsche hovelingen uit bescheidenheid terugtrokken, aio ware het eene afspraak geweest, om hen ongemerkt alleen te laten. De Keizer keurde daarbij de overeenkomst, door Varnemburg gesloten, volkomen goed, en bekrachtigde die. Karei vernieuwde en bevestigde die belofte, en trachtte nu de bepaling af te

ocr page 139

117

dwingen van den kroningsdag. Maai- Frederik, in hoevele schitterende eigenschappen ook bij Karei ten achteren, had toch sluwheid genoeg, om zonder bepaald te weigeren, met zoovele omslachtige woorden, met zoo ontwijkende uitvluchten den tijd te korten, zonder tot de zaak te komen, dat er nog niets was vastgesteld toon de zes trompetters het sein gaven tot den maaltijd en de eerste hofmeester met het gebruikelijke woord : „Chevaliers a la viaudi/quot; de gerechtigde hooge beambten opriep tot de plichten van hun ambt aan 's Hertogs tafel. Toen was Karei gedwongen om het gesprek af ie breken, en zijn Keizerlijken gast uit te noodigen, ter feestzaal in te gaan.

Na alles wat er gezegd is van Kareis huishouding op gewone dagen; na alles wat men weet van do Bourgondische weelde, zal men zich ook zonder beschrijving een denkbeeld kunnen maken van dit feest, als men bedenkt, dat het ditmaal het luisterrijkste was, dat nog gegeven werd; dat er, evenals bij de laatste bruiloft des Hertogs, voor iedere nieuwe aanrechting een ander goud en kostbaar tafelgereedschap werd gebruikt, en dat bij deze gelegenheid, op het tweede nagerecht, die gouden schotel eene plaat» bekwam, wien de geschiedschrijvers eene waarde geven van 60 tot 90,000 gulden.

Als tusscheupoozing van de verschillende opdisschingen verschonen ook weder, tot vermaak en bevreemding der Duitsche gasten, die zinnebeeldige voorstellingen uit de fabelleer en uit de dierenwereld, die aan do Fransche en Bourgondische hoven mode waren geworden.

Moet ik zeggen, hoe een gekroonde leeuw van natuurlijke grootte met beweegbaren bek zich nedervleide aan de voeten van een arend, hoe een dwerg, in de gedaante van een krijgsgod, hem mende, en een vers uitsprak, dat geheel rijmde, schoon er niet veel poëzie in was, en waarin beschreven werd, hoe gaarne en hoe ootmoedig do leeuw zich onderwierp aan den arend, en hoe voortaan alle bewoners der aarde mochten boven, nu do leeuw en de arend zich tot vaste vriendschap verbonden hadden? Dit en do verdere wonderen, die men uit bosschen en zeeën te voorschijn haalden, en in aanraking bracht met de goden en godinnen, aan den Olympus ontschaakt, waren

ocr page 140

118

■voortbrengselen van dezelfde vinding, die walvisscben en leeuwen en Herculessen het leven gaf bij de huwelijksfeesten van Margaretha van York. En de ondernemer van het toenmalige tournooi „om den Gouden Boom,quot; Antoni, de Groote Bastaard, had zeker niet vergeten, ook hier van zijn goeden smaak en zijne prachtliefde bewijs te geven.

Wij hebben meer lust, om onze lezers te doen deelen in de gewaarwordingen van den Markgraaf Sigibert. Toen hij Karei daar aanzitten zag tegenover den Keizer, zoo schijnbaar openhartig zijn gevoelen uitende, met een vrijpostigheid, die bijna ruwheid was; zoo rond, en zich zoo achteloos overgevende aan gastmaalsvreugde, slechts bedachtzaam op de plichten van een goeden gastheer; toen hij hem met zooveel zekerheid hoorde spreke::i van de toekomst, zoo argeloos en luchthartig schertsen met zijne aanstaande betrekking tot den Aartshertog, dezen met zoovele woorden, die telkens nieuwe beloften waren, verzekering geven van zijne schoone verwachtingen, toen moest hij zich geweld aandoen, om te gelooven, dat die man terzelfder tijd op zulk eene trouweloosheid broedde, en dat het verbreken van al die plechtige beloften in zijn hoofd was voorbereid. Toen had zijn eerlijk Duitsch hart liever Romuald verdacht, dan dien grootschun, belangwekkenden, overmoedigen Vorst van zulk eene valsch-heid beschuldigd. Maar wij moeten Karei het recht doen van te zeggen, dat hij die licht vereenigbaar meende met zijne eer; dat de staatkunde van die dagen eene zoo trouwelooze was, dat geen Vorst zich het woordverbreken tot eene schande rekende; dat menige aanslag op zijn eigen leven Karei geleerd had, boe men het nakomen van verbonden trachtte te ontgaan; dat vergil' en dolk, omkooping en verraad, meermalon do middelen waren, die zwakheid tegen sterkte, of zelfs wel, sterkte tegenover zwakheid in de hand nam, om lichter tot haar doel te komen; hoe een groot Monarch als Lodewijk XI het zich zoo weinig schaamde, zijn Vorstenwoord tot leugen te maken,

dat hij aan zijne dienaars durfde schrijven: „belooft dit.....

en geeft niet; de Koning zal er in voorzien ; misleidt dezen ; koopt genen om in mijn naam ; ik hecht er mijn zegel aan en belast mij met do verantwoording.quot; Karei had geene andere

ocr page 141

119

voorbeelden gehad, geeno andere handelwijzen tegenover zich zien aannemen; hij veroorloofde zich wat hij anderen met goed gevolg zag plegen; hij vocht met de wapens, die tegen hem gebruikt waren; hij leefde in zijn tijd, en men kan het hem niet ten kwade duiden, dar hij niet boven zijn tijd was.

Maar terwijl die zonderlinge Vorst — op wien het il y a deux hommes en nous zeer toepasselijk was, bij de onbestendigheid en tegenstrijdigheid van zijn karakter — Sigibert's hoogste verwondering trok, wokte hij bij Frederik andere gewaarwordingen op: verbittering, wangunst, vrceze! Inderdaad, bij de vergelijking, waaraan het nauwere verkeer met Karei den Stouten hem dagelijks blootstelde, had de Keizer niet eóne uitstekende hoedanigheid over te stellen tegen al de blinkende eigenschappon van den jongen, dapperen, hoogbegaafden Hertog. Hij voegde bij een zeer middelmatig verstand een oppervlakkig oordeel, en hij was daar zóózeer van overtuigd, dat hij vrij was van een eigenwaan der domheid, maar ook van haar moed, van hare drieste ondernemingszucht, die vaak genoeg in eene gelukkige uitkomst hare rechtvaardiging vindt; hij was bedachtzaam, voorzichtig ; maar het was de voorzichtigheid van den gierigaard, die het kleine niet wagon durft om het groote te winnen ; in het kleingeestige angstig voor uitgaven, zou hij liever twintigmaal zijne Keizerlijke eere hebben laten trappen, dan zich ééns aan de onkosten en de kansen van een oorlog te wagen. Wantrouwend, en te beschroomd om het wantrouwen te toonen; wrevelig, en te kleinmoedig om zijn wrevel lucht te geven; eenvoudig zonder waardigheid; nederig uit miskenning van zijne ware plaats ; zedig uit gebrek aan zelfbewustheid ; minzaam uit zwakheid, meer dan uit nederlating; oud zonder de deftigheid der jaren ; een grijsaard met gekromden rug en gebogen hoofd en bekrompen ziel : zoo stond Frederik 11L tegenover Karei den Stouten.

IsTiets dan het geheim bewustzijn dier minderheid had den Hertog de genegenheid des Keizers kunnen kosten ; en toch, do onvoorzichtige speelde met zijne meerderheid; zijn roeke-looze overmoed vond er een trots genoegen in, hem er mede te verpletteren; hij overblufte wie reeds bescheiden boog; hij

ocr page 142

120

verdrong die reeds beleefd ter zijde week ; hij overschaduwde wie niet aan mededinging dacht! Nooit had Karei zich zóó getoond in al den moedwil zijner hooghartige laatdunkendheid; nooit een mededinger zoo neergedrukt met zijn overwicht, zóó beschaamd door zjjnc voordeden ; hij pronkte zoowel met zijn geest als met zijn goud; met zijne lichaamskracht als met zijne bezittingen; met zijno weinige zelfbehcersching als met zijne welgeordende krijgsmacht; met zijne kostbare kleederpracht als met zijn hofstoet van Prinsen en Graven; met zijne vriendschap tegen zijn leenheer van Frankrijk ais met de blinde gehoorzaamheid zijner eigene vazallen. Hij bespotte, ontrustte, verlaagde den Keizer, maar altijd onder die vormen van hoffelijkheid, die ijdel waren en ledig, omdat er de ware geest van welwillendheid en eerbied aan ontbrak, maar die maakten, dat men er zich niet door gewond toonen kon; toch moest zich Frederik die krenkingen zwijgend getroosten ; van het oogenbük af, dat hij hoop voeddo op het huwelijk van zijn zooi, was hem het stilzwijgen opgelegd; Karei wist het en maakte er onedelmoedig misbruik van.

Hetzelfde spel, dat de Vorst dreef met den Keizer, herhaalden zijne hovelingen met diens gezelschap, doch vaak met minder goed gevolg ; vele dier Duitschers lieten niet met zich gekscheren, maar hun toorn zelf was buiten den goeden toon, en haalde hun een glimlach van minachting op den hals, van wie, zonderdat, het gedrag van anderen hadden gelaakt; daarbij waren zij onbekend met vele voorwerpen der Üourgondische tafel weelde, en gebruikten ze links of ten ontijde, of bewonderden met naïe-ven eenvoud te zeer, wat geene waarde had, of veronachtzaamden wat beleefde opmerking had verdiend. Zulke trekken vermaakten de Bourgondiërs onuitsprekelijk; maar ze zetten de Duitschers niet zeer op hun gemak.

De Keizer had met één woord een gerecht geprezen, dat hem bijzonder scheen te smaken; do Hertog antwoordde met eene soort van nederigen trots;

„Wij zijn reeds zoolang de gast geweest van Uwe Majesteit, dat het eenmaal tijd wordt, u op onze wijze te onthalen; wij hebben getracht het zoo goed te maken, als een reizend man, en die niet dan een deel zijner huishouding bij zich heeft, het

ocr page 143

121

geven kan. Mijn Keizerlijke Heer is goed, het alzoo aan te nemen en niet te verachten ; alleen zoo hij ons naar Vlaanderen of Bonrgondië wilde volgen, zouden wij iets kunnen doen, dat Zijne Keizerlijke Majesteit verrassen en behagen...quot;

„Wij zijn zeer tevreden,quot;' hernam Frederik, in zijn hart be-leedigd, dat men gering noemde wat hij geprezen had, ,,en inderdaad, edele Hertog! Duitschland is te dezer dage getuige van eene pracht...

„Die ergeren moet in een vreemdeling..... in een leenman . . . Was dat niet Uwer Majesteits gedachJ-e? Wij begrijpen het zelve, wij beginnen lastig te worden ; ook wij wenschen niets vuriger dan spoedig van hier te trekken, om bezit te nemen van Lotharingen, dat met een paar streken van 't zwaard gewonnen zal wezen ! — Slechts ben ik hier gekomen om eene kroon ! en ik herinner Uwe Majesteit aan mijn advies: n/e l'ai empris\quot; (oiirepris), dat in onze taal wil zeggen: „wat ik ondernomen heb, voltooi ik!quot; en daarom, zoo Uwe Keizerlijke Majesteit mij moede wordt, zoude een weinig haast ons beiden tegemoet komen.quot;

,,De vertolking is meer willekeurig dan juist, Neef! en daarbij, wij hebben immers beloofd u daarin genoegen te geven.quot;

„Beloofd! beloofd! als mijn gebiedende Heer met woorden kronen kon, dan zeker droeg ik nu reeds de driedubbele kroon van onzen Heiligen Vader den l'aus. ilaar Uwe Majesteit ver-geve mij het rauwe woord : Zij is zoo traag van handelen, ais haar Duitseh bloed traag vloeit en koud; het mijne is een weinig warm en driftig, dank zij de vermaagschapping van Portugal en Bourgondië ! . . . en wij zijn niet gezind, zooveel goud, als ons verblijf in deze oorden noodig maakt, te verspillen om niets, als wij met een klein weinig ijzer gewoon zijn zooveel af te doen. Heer Opperschenker! wees indachtig meer water in mijn wijn te doen. Mijnheer Lodewijk van Frankrijk placht mij van onmatigheid te verdenken, als ik hem mijne grieven een weinig levendig voorhield. De Keizer moge toch niet hetzelfde meenen . . .quot;

De jeugdige Maximiliaan, die heimelijk en om vele redenen do partij hield van zijn schitterenden schoonvader, zocht eene afleiding in het bewonderen van een rijk fluweelen hangtapijt, waarop met gouddraad eene zon was geborduurd.

ocr page 144

122

„Dal is de zon van Vlaanderen, schoone Prins!quot; sprak Karei Yriendelijk, „zij scheen yoor het eerst bij mijne geboorte; het was een geschenk van mijn genadigen Heer vader in de kraamkamer zijner gemalin. Wij willen hopen, dat zij hare stralen nog helderder zal uitschieten, als zij Oostenrijk en Bourgondië vereenigd zal toelichten.quot;

Zoo was het! — bitterheid voor den vader, hoffelijkheid voor den zoon.

Na eene lange pauze bief Karei het hoofd plotseling op, met een fonkelenden blik den Keizer aanziende:

„Sire! mijn allergenadigste Leenheer; weet gij, dat ik met eene goede macht diep genoeg binnen de landpalen van het Eijk ben genaderd?quot;

Frederik verbleekte en antwoordde aarzelend;

„Maar, Doorluchtige Neef! waartoe die herinnering? Gij zijl hier als vriend zoo wij hopen . . . .quot;

„En als vreemde, mijn Keizer! Doch St. Andries moest mij wel ongenadig zijn, zoo wij hier niet eens burger werden....'

„Burger, in onze Duitsche Moezellande quot; Men kon zien, dat Frederik huiverde van het denkbeeld.

„O! zeker, als gij ons noopt hier in te wonen, tot wij het burgerrecht verkregen hebben. — Hoogwaardigste Heer Christof-fel van Baden! in hoeveel lijd wint men dat van uwe goede stad Trier?quot;

„In zeven jaren, tenzij men de stad eenigen uitstekenden dienst bewezen hebbe,quot; antwoordde de Aartsbisschop droog.

Karei beet zich de onderlip; hij had een vleiend antwoord gewacht.

„Dat is te lang voor ons geduld,quot; hernam hij; „en zoo er op goede diensten gelet wordt, mij dunkt, wij doen Trier een dienst met zooveel gemunt geld in omloop te brengen, als waarvoor wellicht uw geheele Keurvorstendom te koop ie. Het burgerschap van de deftige stad Utrecht zegt meer, en men wint het lichter. — Hoogwaardige David ! onze Neef! in hoeveel tijd word ik burger van uwe zetelstad?quot;

„De Heeren uit uw huis hebben zich voor haar zoo verdienstelijk gemaakt, mijn Hertog! dat Uwe Doorluchtigheid het zijn

ocr page 145

123

zal zoodi-a zij het wenscht,quot; antwoordde do Bisschop van Utrecht, die een beter hoveling was.

„Wij nemen gaarne raad van onze clerezij en bevinden er ons altijd goed bij,quot; sprak Karei vergenoegd; „maar nu, om rond tot do zaak te komen, want ik zie aanstalten maken tot een kamerspel, dat ons verder afleiden zal, en mijn Gebieder, de Heer en Keizer, neemt geene aandacht op deze zinspelingen; wanneer zal de dag der kroning zijn ?quot; Frederik durfde niet meer aarzelen.

„Wij zullen zien of da 8ste November in den kalender een goeden Heilige tot patroon heeft, of wel de de naamdag

van den Aartshertog, of wel

„Wij hebben genoeg keuze tusschen twee dagen,quot; riep Karei hevig; „en zoo de Heilige van 8 November niet gunstig is, bij God en St. Joris van Bourgondië! wij zullen middelen vinden om hom zóó te maken!quot;

De Keizer antwoordde hierop niet, en de zaak werd niet werd aangeroerd; slechts in een der korte oogenblikken, waarin de Hertog van goede luim de blijken gaf, had Frederik nog gezegd: „Maar, miju 'eere! gij wijst ons al uwe heerlijkheden : en den besten schat van uw huis geeft gij ons niet te zien, de Jonkvrouw van Vlaanderen?....quot;

„Welk een inval! ik houd niet van den omhaal van een gansch vrouwenhof met mij te voeren; het kind is te jong voor zulk eene reize, en daarbij, het is strijdig met al onze denkbeelden van welvoegelijkheid, dat mijne erfdochter reist ter wille van haar bruidegom; ook waartoe zou het dienen?quot;

„Mijn Doorluchtige Keef heeft zijn aanstaanden schoonzoon gezien; hoe zouden wij niet verlangen onze schoondochter te omhelzen?quot; Het oog van Maximiliaan was smeekend op Karei gericht: was het daarom, was het uit eene opwellende ijdelbeid op zijne beminnelijke telg, was het om den Oostennjkschen Vorsten een beter vertrouwen in te boezemen, wijl hij ze misleidde? — de Hertog gaf toe; het was het eerst wat hij toegaf en werkelijk uitvoerde; want de Groote Bastaard werd belast met de kennisgeving van dit plan aan Mevrouw de Hertogin; die last werd niet weder ingetrokken; en, wispelturig als hij was, gaf Karei thans tegelijk bevel, om den brief des Aartshertogs

ocr page 146

124

op te zenden. Vergat hij weder het hart zijner dochter, waarop hij zich even den tijd had gegeven een blik te slaan, of geloofde hij meer aan den invloed van zijn wil, aan de kracht van een streng woord uit zijn mond, dan aan de botoovering van een synipathetisch poeder, of aan de toovermacht der zoete vleierijen van een verliefd jongeling ? Misschien vergat hij de gevaren) die hij vroeger gevreesd had, zooals hij altijd vergat, welke verwarringen hij achter zich had aangericht en hoe die hem schaden konden, om alleen maar vooruit te zien naar een nieuw doel, dat hem weêr het meest bezighield.

Waarlijk! beter geheugen ware hem nutter geweest dan zoo sterk een arm!

ocr page 147

HOOFDSTUK IX.

Dg Markgravin van Spangenheim-Zielborg was gewroken! ton minste, zij had nevens haar zoon een geheim mondgesprek gehad met den Keizer, waarbij Romuald opnieuw een streng verhoor had ondergaan. .Maar die ontzettende slag, dien de laatste had verwacht als hij gesproken zou hebben, scheen op niemand neer te komen dan op hem zeiven, want Frederik lil vond het zoo noodig, zich van zijn stilzwijgen te verzekeren, dat hij een der torens van hot Aartsbisschoppelijk paleis tot kerker kreeg; wel is waar een kerker, waar hij last leed noch gebrek; waar hem last gegeven werd, dat vorstelijke dankbaarheid vorstelijk hardheid zou verzoenen; raaar toch een zulken, die hem van eiken gemeenschap met menschen afsloot. Verder scheen dit weten op des Keizers gedrag geenen invloed te hebben, geen nadeeligen ten minste; want van dit uur af werd de kroningsdag bepaald, en aan alle redelijke of onredelijke wenschen van den aanstaanden Koning gehoor gegeven. Slechts had de Keizer sedert dien tijd vele en geheime beraadslagingen met den Fran-schen gezant, met den Keurvorst-Aartsbisschop, en, zonderlinge vereeniging! met de Markgravin Wilfriede, wier minderjarige zoon na het eerste gesprek niet meer in het Keizerlijk vertrouwen scheen te deelen, misschien was het uit aanzien van zijne betrekking tot den Aartshertog, dien men in zijne rustige onwetendheid had gelaten, en bij wiens openhartigheid of jeugdige verontwaardiging geheimen, als die, welke de Keizer, de Diplomaat, de Priester en de vrouw bewaken konden, niet veilig waren. Sigibert zag tot zijn spijt nog veelmalen den Lombardijer in de vertrekken

ocr page 148

126

zijner moeder; maar het zilver kwam terug op zijn bnffet, en de pandbrieven van zijne goederen waren ingelost. Hij haalde de schouders op, maar Wilfriede zag zegepralend op hem neder.

Die herstelling was eene oplettendheid van den Fransehen gezant in den naam van zijn meester. Wie neemt niet waar een Koning gegeven heeft!

Maximiliaan bracht inmiddels dagelijks bezoeken op St. Maxi-mijn : de Hertog verscheen dikwerf te Trier, waar alleen Siischen hem niet zag; haar zinneloos ijlen was in een doffe slaapziekte overgegaan, waaruit zij tot geenerlei bewustheid kon worden opgewekt. De openlijke feesten werden nu verder gespaard tot op den belangwekkenden kroningsdag, den 8alL'n November.

In den ochtend van den zevenden was de Aartshertog uitgereden met drie zijner voornaamste Edellieden, en vergezeld van Heer Engelbert, Graaf van Nassau, en de Sire de Gruthuse, die, nevens vele Vlaamsche Grooten, het Oostenrijksche huwelijk begunstigden, in tegenoverstelling van de Bourgondischen, die veeleer een Franschen Prins hadden gekozen.

Dit gezelschap had de heuvelen van Trier verre achter zich gelaten, wendde den frisschen Moezeloevers den rug toe, en volgde den noordwestelijken heerweg naai' Echternach, als wilde het een uitstapje wagen op Luxemburgs grondgebied ; maar toch scheen dit niet het doel, want somwijlen draafden ze driftig door, Maximiliaan zelfs vooruit, door de anderen nauwelijks bijgehouden, en dan weder bleven ze plotseling stilstaan, als vonden ze er zwarigheid in verder voort te ga^n. Eindelijk bij het omslaan van eene bocht, gevormd door den Hijntak, die daar do Sure heet, zagen zij van de tegenovergestelde zijde een anderen stoet aankomen, wiens ontmoeting wel het heimelijke doel van hun tocht kon zijn geweest. Ten minste de belangwekkende trekken des Aartshertogs teekenden eene gespannen verwachting, een zoete onrust, een gejaagd verlangen, toen hij dien stoet in het oog kreeg. Het waren vrouwelijke reizenden ; dit zag men reeds op dien afstand aan de wuivende sluiers, hoorde het aan de zachte stap der lichte telgangers; maar ze waren niet zonder mannelijk geleide, zelfs niet zonder gewapende beschermers, die Bourgondische écharpes droegen,

ocr page 149

127

Een edelman van Maximiliaan kreeg den laat, het naderend gezelschap te onderrichten, wien het stond te ontmoeten, en de Sire de Grruthuse volgde hem, om te vernomen, wie de komenden zijn mochten, en of zij goedvonden, dat de jonge Vorst en zijne Heeren en Dames hun groet brachten bij dit samentreffen.

De eerste dier vragen werd blijkbaar uit ceremonie gedaan; men behoefde den Aartshertog slechts aan te zien, om te weten, dat het hem geene verrassing was, maar eene blijde bevestiging, toen de terugkeerende Heeren aankondigden, dat de Jonkvrouw van Bourgondië de begroeting van den Zoon van Oostenrijk met dankbaarheid aannam. Het laatste woord was den Sire de Gruthuse nog niet van de lippen, toen reeds de jonge Vorst voortjoeg naar de dames heen, die langzaam naderden, en, snel nevens Maria gekomen, sprong hij met drift van zijn paard en iet zich op eene knie voor haar neder, met een hoffelijke betuiging van eerbied en vriendschap. Maria hield den teugel harer witte telle strak aan, en reikte den Aartshertog hare hand, niet een vriendelijk vermaan ora zich op to heifen.

Zij is veranderd sinds wij haar zagen; hare gestalte is forscher geworden, hare vormen hebben eene zachtere ronding gekregen, zij heeft in bevalligheid gewonnen, er ligt meer glans in hare oogen, meer blos op hare wangen, hare houding is niet meer achteloos; maar bovenal hare stem is zielvoller geworden! Haar bloed is warmer en vloeit sneller; zij is een jaar ouder geworden : maar dat jaar heelt meer gedaan dan haar uiterlijk te rijpen. Karei heeft de waarheid gegist; daar was iets binnen in haar veranderd, en hare ziel heeft zich ontwikkeld. Zij heeft denkbeeld van gevoel gekregen, maar dat had niet enkel dat jaar levens gedaan. Nicolaas van Ëalabriü is niet tevergeefs voor haar gestorven; zijn dood heeft haar leeren nadenkeu: zij heeft die groote smart begrepen, en zij is begonnen zich zelvo rekenschap af te vragen van hare gewaarwordingen; zij heeft den jongeling alleen betreurd uit medelijden, maar zij begon ontstemd in te zien, dat er een tijd kon komen, waarin zij een ander slachtoffer zou nastaren met medegevoel; zij begon op het vermoeden te komen, of wel de strikken, die de vader rondom haar spreidde, altijd zonder gevaar zouden

ocr page 150

128

blijven voor haar. Juist toen zij zoo gestemd was, toen natuur en omstandigheden het hare gedaan hadden om haar het hart te openen, de ziel ontvangbaar te maken, schreef haar de Aartshertog met do bewilliging der beide onderhandelende hoven. In het eerst had Maria het Oostenrijksche huwelijksplan zien ontwerpen met hare gewone onverschilligheid; later had zij gehuiverd tegen nieuwe tooneelen als die met Hertog Nicolaas; zij begon er weerzin in te vinden, zoo dikwijls verhandeld te worden, zoo dikwijls van de teleurstelling van anderen het voorwerp te zijn, en zij betrapte zich zelve op den wensch, dat men eenmaal woord mocht houden; het was de onschuldigste wensch en de koelste tevens, die er nog in een ontwakend vrouwenhart was opgekomen ! maar het was als eene voorbereiding, eene eerste stem, die bij haar sprak voor den eerstkomende : en waarlijk, de Aartshertog had niet noodig gehad zijne toevlucht te nemen tot de hulpmiddelen eener bedriegelijke kunst; het was niet noodig geweest, dat eene stiefmoeder voor hen.1, pleitte, of haar gevoel opriep; hij had alleen maar noodig te schrijven uit de volle warmte van een jeugdig hart, vervuld met do zoetste hoop, met den ganschen eenvoud van zijne achttien jaren, met al de teerheid, met al don trouw van zijne Duitscho ziel, met iets van dat buigende, smeekende, dat het bukken onder een kleingeestigen vader hem had moeten geven, met dat verzaken van eigenwaarde, dat de bekrompenheid, waaronder men hem neerdrukte, hem tot gewoonte had gemaakt; zóó had hij geschreven, en toen, toen had zich iets in haar hart bewogen: zij bad medelijden gevoeld met het niouwo slachtoffer; want toch vreesde zij, dat het weder een bedrogere zou zijn; maar het was een medelijden, anders en toederder, dan Heer Nicolaas in haar had kunnen opwekken; zij had do diepte gepeild van het lijden, dat den geofferde wachtte; zij was altijd genoeg ingelicht geweest over den prijs van hare hand, om niet in te zien, welk eene schoone hoop daarmede werd uitgedoofd of verijdeld; maar juist ditmaal vergat ze daaraan te denken : Maximiliaan had de behendigheid gehad, de herinnering daaraan te vermijden, geleid als hij was door zijn fijn gevoel; zij dacht nu meer aan zijn verstoorde rust,

ocr page 151

129

aan die smart, waaraan hij kon wegsterven; zij had nog menig hartstochtelijk woord van den Italiaanschen Prins onthouden, waarvan zij nu den zin begon te begrijpen en op Maximiliaan toepaste. „Hij ook, juist hij?quot; begon zij zich te vragen, endaar was iets, dat haar zeide, dat zij dezen ten minste niet, dezen minder dan eenig ander, zulk een rampzalig lot bereid kon zien; de Calabriër had het meest geklaagd over haar; de Aartshertog, besloot zij, zou niet te klagen hebben; zij wilde dezen niet mede grieven; naar hem zou zij luisteren, hem zou zij begrijpen, voelde zij; zij wist niet, dat er eigenbelang lag in dat edelmoedig besluit; zij wist niet dat zij om haar eigen wil luisteren zoude, hooren wilde! want dat is zeker, zij was zich zelve nog onbewust, hoe diep de onbekende jongeling tot haar hart was doorgedrongen; de reinheid barer denkbeelden was nog door niets ontheiligd, de rust harer onschuld nog door geene driftige begeerte gestoord; zij had slechts begrip van gevoel, maar zij was nog mijlen ver van den hartstocht; zij bad nog nooit eene gedachte gekend, die ze Mevrouwe van Eaven-stein niet had durven vertrouwen.

Mevrouwe van Havenstein, die nu aan hare zijde reed, was eerder eene harde, dan eene teergevoelige vrouw, maar zij had Maria lief, en dat zeide veel. De Vorstin, weeze van eene moeder, was op denzelfden dag geboren als hare dochter; zij was een weinig hare bloedverwante, en mocht haar echtgenoot, Adolf van Kleef, do inzichten van den vader steunen, zij zou de dochter liefhebben en tot leidsvrouw zijn, waar zij mocht en kon. In goede overeenstemming levende met de nieuwe Hertogin, Margaretha van York, die voor de stiefdochter geen Franschen Prins wenschte, maar boven alles eene verbintenis vreesde met het gevallen huis van Lancaster, waren die vrouwen er wellicht niet vreemd van, om den Oostenrijkschen verloofde ongemerkt in de hand te werken, in de hoop, dat eene gevestigde genegenheid der Prinses mogelijk de keuze van den Hertog zon bepalen. Het is ten minste zeker, dat zij Kareis bevel, om Maria naar Trier te geleiden, gehoorzaamden met eene haast, die deze noch bevolen had noch gewenscht. De prinses bracht onder haar opzicht, met Mevrouw Margaretha het herfst eizoen

Kroou, Karei de Stoute. 9

ocr page 152

130

door op het jachtslot St. Hubert, in het Luxemburgsche, en ze kon dus binnen zeer korten tijd het tochtje volbrengen; Engel-bert van Nassau en Adolt' van Kleef waren van hare komst verwittigd, eerder dan de Hertog zelf; en die Heeren hadden goedgevonden den Aartshertog eene samenkomst te beschikken met zijne verloofde, bij wijze van ontmoeting. Mevrouw van Ravenstein, eene schrandere vrouw, die, zoo goed als haar echtgenoot, een weinig gunsteling was van den Hertog, had op zich genomen, goed te maken wat hier ontschuldiging kon noodig hebben; Maria alleen, van intrige noch afspraak bewust, had gemeend, den wil van haar vader te volbrengen, toen zij met zooveel spoed de reize ondernam. Zoover was nog haar gevoel voor Maximiliaan verwijderd van liefde, dat de wensch, hem persoonlijk te kennen, niet in haar was opgekomen, voordat bet bevel van een vader dien opriep en vervulling waarborgde; maar toea was het meer dan een vluchtig verlangen, het was belangstelling in hem, niet meer als slachtoffer, maar met het oog op haar zelve.

Toen zij Maximiliaan de hand reikte tot opstaan, had zij gebloosd, dien lichten blos, die zich nauwelijks hecht op de wangen en maar even rust op het voorhoofd, de eerste blos, die de onschuld scheidt van onwetendheid! Wat rijper leven, ofgroote hartstochten in de vrouw ook later voor bevalligheden mogen ontwikkelen, voor belangwekkends geven; hoe ze zich rein moge kampen door strijd, of verheffen door sterkte, de onbeschrijfelijke bekoorlijkheid, die de eerste blos toovert op het jonkvrouwelijk gelaat, wordt door geenerlei schoonheid geëvenaard, door geenerlei deugd teruggewonnen. Dien eersten blos mocht Maximiliaan opvangen, hij was voor hem. In zijne verrukking vergat hij geheel de waardigheid van zijn rang, die hem nojit bijzonder voor oogen was; hij verbad zich de eere, haar paard bij den toom te leiden en als stalmeester aan bare zijde te gaan. Maar de jonge Prinses, in hofetiquette volleerd, antwoordde met een alkeurend lachje; „Fij toch! een zoon van Oostenrijk! daarbij, Sire Hertog! zijn de dames van mijn land veel te goed geoefend in de nobele rijkunst, om zulke diensten te behoeven. Er zijn er geene, tot onze kleine murotte toe, die zelve niet hare hakkenei besturen!quot;

ocr page 153

131

En zij mocht met recht zoo spreken; de dames van haar gevolg waren uitmuntende rijderessen; maar zij zelve schitterde in die oefening boven alien, in behendigheid, in zedigen zwier, in losse bevalligheid. Zij was nu niet zoo eenvoudig gekleed als vroeger te Mons in het vrouwenvertrek. Haar slepend gewaad van zilverlaken met bont gevoerd, aan de linkerzijde even opgenomen door een haak van saffiersteen, liet een onderkleed zien van donkerblauw fluweel met zware gouden franje, dat maar even de punten der spitse schoenen te bewonderen gaf. Eene wit zijden sluier hing neer van hare huif (escoffion), die van blauw satijn was en rijk met goud borduursel bestikt; hare halsketen, haar breede gordel en meerdere sieraden nog schitterden van kostbare gesteenten. Haar fiere telganger, zoo wit en zoo glad als haar sluier, was niet minder zorgvuldig getooid dan zij zelve. Een lang dekkleed van rood scharlaken, zwaar van goudsmeêwerk en goudfranje, zijden toomen met borduursel, een bos van wapperende pluimen, en een schat van klinkende belletjes, ziedaar wat het dier ter versiering te dragen had, behalve zijne meesteres, het grootste sieraad, dat er te vinden ware geweest.

„Kijd veeleer naast ons, zoo gij van ons gezelschap gelieft te zijn, mijn Doorluchtige Heer!quot; had Maria gezegd, en de Ridder stalmeester, de jonge Graaf d'Estampes, zag zich door dat woord van hare linkerzijde verschoven. Toen reden de jongelieden voort, vroolijk en met kennelijk welgevallen. Toch was hun gesprek meer afgebroken dan levendig, en het was Maria, die het moest gaande houden, want zijne beschroomdheid (des jongelings eerste liefde is eene eerbiedige), de overmaat van zijn geluk, benamen hem in 't eerst de tegenwoordigheid van geest, om woorden te vinden, die het uitdrukten; en de gewone wisseling van vorstelijke hoffelijkheden, — zijne tong weigerde ze hier uit te spreken. Mevrouw van Ravenstein had intusschen een onafgebroken gesprek met den Sire de Gruthuse; en de Graaf van Nassau had den jongen d'Estampes duizend bijzonderheden te verhalen van de feesten te Trier; doch Maria, wier stof van onderhoud bijna was uitgeput, en die zag, dat de Oostenrijksche Prins nauwelijks meer sprak dan de volstrektste

ocr page 154

132

beleefdheid eischte, bedacht nu, dat zij de verwelkoming der Vlaamsche Heeren maar vluchtig had beantwoord, en begon zich tot hen te wenden met vele vragen te doen ; doch er lag iets spijtigs op haar lief gezichtje, dat hare grootmeesteres onwillekeurig deed glimlachen.

Eindelijk, toen ze Trier reeds in het gezicht kregen, waren zij bij een landhuis genaderd, van een wijngaard omringd, een eigendom van den Aartsbisschop, en Maximiliaan noodigde Maria, hier een oogenblik rust te willen nemen, en zich te ver-frisschen voor den verderen tocht.

De Jonkvrouw zag Mevrouw van Ravenstein aan, en vroeg of dat zijn kon? Deze gaf een toestemmend antwoord, en de jonge Vorst had het genoegen, zijne dame van het paard te helpen, en in een der vertrekken van het landhuis te leiden, waar dat gedeelte van beider gevolg, dat er recht op had, hen terstond volgde. Daar stonden wijn en verkwikkingen in gereedheid, en de bedienden van den Aartsbisschop-Keurvorst wachtten hen op met den Holmeester aan het hoofd; maar de Prins liet zich het voorrecht niet ontnemen, de schoone Maria te dienen; en een zilveren schotel genomen hebbende, met schilderachtige druiven beladen, bood hij er haar van aan, op céne knie neergebogen, met de bede, dat ze uit zijne hand het eerst nemen wilde van de vruchten zijns vaderlands; en zijn zacht oog smeekte meer welsprekend dan zijn mond. Zij nam er van met een zoeten glimlach. „Ik werd dus gewacht, vroeg zj.

„Kan het u verwonderen, Mevrouwe! of mishagen, dat ik, wetende den dag van uwe komst, aan vreemden het genoegen misgunde u het eerst welkom te heeten?quot;

„Mishagen, o, neen!quot; sprak zij haastig; „maar gij, Doorluchtige heer! noemt mij altijd Mevrouwe, als ware ik eene geboren Koningsdochter, of aireede gehijlikt; men noemt mij de Jonkvrouw van Bourgondië, en ik weet nauwelijks, of ik dien titel hier wel voeren mag, daar ik niet reize als des Hertogs dochter, maar als eene nicht van Mevrouwe Anna, die mij geleidt.quot;

,,Ik wil u noemen zooals gij het wenschen zult, volschoone Jonkvrouw! en op uw wil letten in allen deele, ook zelfs in het

ocr page 155

133

geringste, zooals het een vroom ridder past; want niets in deze gansche wereld vreeze ik zoozeer dan U te mishagen, die ik dienen wil en eeren van nu aan nevens de Heilige Maagd, welke uwe welzalige Patronesse is. Ten minste zoo ge het mij guct,'' voegde hij er aarzelend bij.

„CerteAn! dat zij u gegund!quot; sprak zij met die rondheid, die van vrouwelijke terughouding nog de kunstgrepen niet heeft geleerd, „sinds uw grootmachtige vader, de Keizer, en mijn genadige Heere ons tot een verloofd paar gemaakt hebben, bij handteekening en bezegelde brieven.quot;

Zoodra Mevrouw Anna en de Sire Gruthuse hadden opgemerkt dat het onderhond der jonge vorstentelgen eene andere richting nam dan die van een dagelijksoh gesprek, weken zij een weinig terug naar den achtergrond van het vertrek, en ook de Heeren van Maximiliaan volgden ongemerkt dit voorbeeld; hoe omringd ook, waren ze dus toch in het spreken onbeluis-terd, toen de Prins hernam met een ongemaakten zucht:

„Geven slechts de Heiligen, dat zij ons ook tot een echtpaar maken !quot;

„Zoo bidde ik van God en de goede Moedermaagd, zoo genadig voor wie haar in vromigheid dienen,quot; sprak zij met lieftalligen ernst.

„O! dat is te veel heils op één dag!quot; riep hij, de oogen ten hemel slaande. Gij, allerschoonste! die de mijne zijn wilt, stemt alzoo in met de keuze van uw Heer vader ? gij hebt den onbekende dan vriendelijk opgenomen in uwe gedachtenis, en gij verwerpt hem dan niet nu ge hem ziet ..

„Heb ik niet uwe b-ieven gelezen, en ü met eigen hand geschreven?quot; antwoordde zij met een zacht verwijt. „En in trouwe, ik vinde u als ik u gewacht hadquot; (en gewenscht, eindigde wellicht haar hart, niet hare tong); „waarom zoude ik geen vrede hebben met den wil van mijn genadigen Heer?quot;

„Voorwaar! al de engelen van 'tHemelsch paradijs, die deze zoete taal hooren, mogen alzoo getuigen zijn van mijne dankbaarheid voor zoo goede fortuin en groot geluk,quot; riep hij hartstochtelijk. „Mijne uitverkoren bruid is niet afkeerig van dezen hijliksband! Moge zij nu ook gelooven en voorwaar

ocr page 156

134

houden, dat ik haar min boven alles en allen, als de eerste en eenige, die mijn hart heeft getroffen met liefde! Geliefde mijne! nu zeg ik u, en herhale met overgroote vreugde, dat ik gezworen heb en plechtig betuigd in mijne brieven, dat ik u minne zal wijden en trouwe tot in den dood toe en nog veelmeer sinds ik u gezien heb en wete, dat gij schooner zijt dan eenige Prinsesse der aarde, en zoetzedig als schoon !

Sinds lang was Maria gezeten in een armstoel, den éónigen van het vertrek, die zeker alleen mocht gediend hebben voor de Prinselijke Bisschoppen. Maximiliaan stond vóór haar, en had telkens onrustig naar haar opgezien, of ze ook zijn voortvarenden ijver euvel mocht nemen; doch er lag wel ontroering op haar lief gelaat, maar geen zweem van toorn, zoodat hij, na het spreken van die laatste woorden, op de vastgehechte voetbank van den zetel nederknielde, en zachtkens hare hand in de zijne nam. Zij liet hem die, maar zij antwoordde niet; toch niet uit zwakke deelneming; want toen hij, na een veelzeggend zwijgen, op hartstochtelijken toon uitriep, als door eene plotselinge gedachte getroffen; „O God! beware ons! zoo die zoete hoop tot verijdeling kwame, mij dunkt, ik zou het besterven, en niet meer kunner leven! En gij, Maria! mijne?...,quot; toen werd zij op éénmaal zoo ontrustend bleek, dat Mevrouwe van Ravenstein, die onder het spreken altijd het oog op haar gevestigd hield, schielijk naderde, den anderen een wenk gevende om nog achter te blij ven.

Hare komst maakte eene afleiding in de gemoedsaandoening van Maria, voor het eerst van haar leven dus tot bezwijmens toe bewogen. Toen zij het hoofd leunde op den schouder van de grootmeesteres, begonnen overvloedige tranen haar lucht te geven, en zij vond eindelijk kracht om te spreken.

„Goede Mevrouwe! zeg hem, dat hij niet sterven moet, niet om mijnentwil, niet als de Hertog van Calabrië, ook niet als miine Heere van inzicht verandert, hetgeen God verhoede!quot;

De Oostenrijksche Prins, innig geroerd door hare deelneming, en ontzet tevens door hare verwarring, was schielijk opgesprongen, en trachtte zijn eigen gevoel te overmeesteren om haar gerust te stellen.

Mevrouwe van Ravenstein begon beiden moed in te spreken,

ocr page 157

135

door aan te merken, hoe het weinig waarschijnlijk was, dat de Hertog zijne beloften aan zijn Leenheer en Keizer niet oprech-telijk houden zou, als deze hem den groeten dienst bewezen had van hem als Koning te kronen; hoe het onpassend was en beleedigend yoor den Hertog, nóg te twijfelen en in onrust te zijn over de vervulling van hun wensch, en hoe zelfs het oproepen der Jonkvrouwe naar Trier niet anders uitgelegd kon worden, dan als een goed voorteeken der gehoopte vereeniging.

„Zekerlijk!quot; zeide Maria, een weinig tot bedaren gekomen, „en ook dat mijn gezegde Heere u heeft toegestaan met mij samen te treffen en hier te onthalen . ..

„Lacy! dat is wel zeker buiten des Hertogs weten, en zonder zijn wil, zoo niet daartegen!quot; riep de jonge Prins, meer oprecht dan staatkundig. „Ik nam het uur, waarop gij gewacht werdt. en dies . . .

„Zoo laat ons gaan, Mevrouw Anna!quot; sprak Maria ernstig; „ik ben niet van zins, mijns vaders welbehagen vooruit te loo-pen in eenige maniere.quot;

„Gij verlaat mij in toorn ?quot; vroeg hij verschrikt.

„Dat zij verre. Ik vergeef gaarne wat mijn vriend in ridderlijke overijling bestond; alleen der Jonkvrouwe van üourgondiö past geen anderen weg dan de rechte. Wat ik nog verder te spreken had, verneemt gij daarna; ik ben toch te zeer bewogen van gemoed, om goede redenen te zeggen. Wees getroost, mijn Heere en welbeminde vriend! Welhaast zien wij elkander weder, met vergunning van onze hooge verwanten, en zoo niet . . . .quot; en hare stem beefde, maar zij trachtte er vastheid aan te geven, toen zij er bijvoegde; „Wees dan alevel welgemoed! Waarlijk, gij hebt meer, dan de machtige Vorsten kun-ken geven; meer, dan eenig bezegeld handschrift kan verzekeren, moer, dan eenig minnepand waarborgen kan: want gij hebt mijn hart! en gij zult zien of Maria weet trouwe te houden.quot;

„Ik moest ondankbaar zijn zoo ik nu durfde wanhopen,'' sprak hij, en drukte innig de linkerhand, die zij hem bood, naar Bourgondische wijze; daarna, want zijn schroom duiide naaide gewoonte van de Duitsche Ridders geene omhelzing wagen.

ocr page 158

136

kuste hij alleen de toppen van haar handschoen, en toen Mevrouw van Eavenstein had geoordeeld, dat hij haar uitgeleide kon doen en te paard helpen, volbracht hij dien zoeten plicht met weemoedige vreugde, en oogde haar na tot zij weggereden was buiten zijn gezicht.

Eerst een uur later begaf hij zich naar Trier.

ocr page 159

\i .^r, J/. rv. (-V. ér- ^ -k JA •amp;, amp; -k ^ t^, ■amp; AikikA,^

quot;! .r - —-- ■^■---------- p

■4, — —---------- —— ------- ~......-—------------— amp;quot;

HOOFDSTUK X.

Hertog Karei van Bourgondië, de ongelijkmatigste en luimig-ste man van zijn tijd, had dezen karaktertrek met alle sterke en trotsche menschen gemeen, dat hij allerbeminnelijkst zijn kon en nederbuigend goed, als hij het wilde; dat hij voor sommige personen eene teêrheid en eene gemeenzaamheid kon hebben, die volstrekt onbestaanbaar scheen met zijne gewone koude hooghartigheid of norsche terughouding. In die gelukkige stemming bevond hij zich thans, en een dier begunstigde wezens was (juist niet onnatuurlijk) zijne dochter. Hij zat in zijn schrijfvertrek en bladerde in het boek der ordonnanciën van zijne nieuw opgerichte compagniën, dat kostbaar in groen fluweel was gebonden, maar het was wel te zien, dat zijne aandacht ditmaal te veel werd afgetrokken door Maria's tegenwoordigheid, ora van deze lievelingsstudie veel voordeel te hebben; want hij zag telkens op haar neder, die aan zijne voeten zat, achteloos neêrgevleid op een roodfluweelen kussen met verguld zilveren punten. Eindelijk wierp hij het boek geheel ter zijde, legde de rechterhand liefkoozend op haar schouder en zag haar welgevallig aan.

„Ge zijt toch mijn eenig, welgeliefd kind,quot; sprak hij zoo zacht als hij slechts zijne stem kon buigen, „dat mij welkom is van ganscher harte, schoon mij te onpas gekomen, en met te zeer groote haast voor wijze plannen!quot;

„Lieve genadige Heere ! het was uit groote gehoorzaamheid

„Ik weet het, en acht het beter te vroeg gehoorzaamd, dan een gebod verzuimd; doch Mevrouw van Ravenstein had ten

ocr page 160

138

minste moeten letten op onzen wensch u hier gekleed te zien naar uw staat, en de wagens met prachtgewaden kunnen vooruitzenden in plaats van ze te laten volgen; nu, het zij zoo! voor deze barbaren zijt gij altijd deftig genoeg, en ook, wij hebben de zaak reeds afgepraat met de grootmeesteres; maar gedenk, zoo wij wat ras en rouw van woord waren, wij meenden u niet hard te vallen, volgzaam als gij zijt in alle dingen, maar alleen haar die hier schuld had.quot;

„Toch bekende ik u, dat ik verlangde . .

„Veel verlangde! naar de feesten, niet waar? u dreigt teleurstelling, want ik trek spoedig al' na de kroning; die Keizer in lompen en het domme bedelvolk hier verveelt mij; het zal hier welhaast afgeloopen zijn, en uwe kleine marin — ge hebt Marotte toch meegebracht? — zal hier tot geenerlei mommerij gebruikt worden, waar zij anders bevallig genoeg voor dient. Wij zullen nog een paar lansen breken, waarbij gij de prijzen kunt uitreiken; Maximiliaan kan zich dan een ridderpand winnen van uwe hand, als hij zioh niet uit den zadel laat lichten; en wij zullen de burgers van Trier nog eens verheugen met een vroolijken dag en een goed maal: dan een statelijk afscheidsfeest aan den Keizer, en het zal afgeioopen zijn .... Maar hadt gij niet eenig verlangen naar onzen persoon ? Ik dacht, gij vreest ons meer dan gij ons liefhebt; dat is voor anderen goed, maar van u! . . .quot;

„Oij kunt zoo goedig zijn, mijn vader!quot;

„En ben het toch niet altijd, meent gij! Zelfs niet voor u! O! de gewoonte! en dan toch altijd neuswijze dienaren om mij, die eeuwig tegenspreken, ouder het mom van wijzen raad! Ha! vorst te zijn en tegenspraak te ontmoeten, alles in te zien, te weten, zich zeiven genoeg te zijn, zooals ik, en dan raad :e hooien van wezens, die. . Hij sloeg met de gebalde vu''st op de tafel, maar hield zich plotseling in, toen zij met de hand de beweging maakte van eene lichte ontsteltenis; „neen! als gij bij mij zijt, zijn do goede engelen dichter om mij; ik zal niet voortgaan.quot;

„Zal Messire David van Utrecht u morgen tot Koning zalven?quot; vroeg zij, als om eene afleiding te maken.

ocr page 161

139

„Zeker neen! George van Baden, Bisschop van Metz, schaik dochterken ! want gij doet mij die vraag, om de kroon te zien; die mij heden is gebracht; om te oordeelen, of zij mij genoegt en wel eerlijk voorkomt. Nn. de wensch is verschoonlijk en kan voldaan worden.quot; Hij stond op en voerde haar ter zijde af naar eene tafel, nam oen zijden doek weg, die er over uitgespreid was, en vertoonde haar eene kostbare koningskroon van het allerkeurigste goudsmeêwerk en met edelgesteenten van zeldzame grootte en waarde ingezet. De schepter en het rijkszwaard lagen er nevens. Maria prees den smaak, de bewerking, den rijkdom, met de belangstellende bewondering van wie edelgesteenten wist te waardeeren; daarop bleef zij haar nog eene wijle nadenkend aanzien, terwijl zij het sieraad als op de handen woog; toen legde zij het terug op het weeke fluweel, waar het op gerust had, en zeide als bij zich zelve: „'t Is blinkend, maar 't is zwaar .... te zwaar om alleen te dragen . . ..quot;

„God zij hem genadig, die mij daarin steunen wilde,quot; sprak Karei met drift; „wie naar zoo iets grijpt moet geen steun noodig hebben, zelfs niet van de Heiligen des Hemels!quot;

„Vader!quot;

„Nu ja, het woord is gezegd; — de dwepende huichelaar, Lodewijk, zou nu reeds op zijn knieën liggen; wij hopen, dat wij voor de Lieve Vrouwe en Mijnheer St. Joris genoeg hebben gedaan, dat zij ons eene voorspraak zullen wezen zoo het zonde was.quot;

,,Of zij den Hertog van Oostenrijk zoude passen?quot; hernam Maria half voor zich zelve, nogmaals een blik op de kroon werpende.

De Hertog was willens te antwoorden, toen de Sire Chateau-Gyon, te dezer tijde Groot-Kamerheer van den Hertog, en dus de éénige, die recht had onaangemeld binnen te treden, kwam aankondigen, dat de Aartshertog twee van zijne Edellieden had gezonden, om naar den welstand der jonge Vorstin te vragen, met de bede, dat bet hem geoorloofd mocht zijn een bezoek bij haar af te loggen.

De Jonkvrouwe van Bourgondië is te zeer vermoeid van de reis, om heden een bezoek te ontvangen,quot; gaf Karei ten ant-

ocr page 162

138

minste moeten letten op onzen wensch u hier gekleed te zien naar uw staat, en de wagens met prachtgewaden kunnen vooruitzenden in plaats van ze te laten volgen; nu, het zij zoo! voor deze barbaren zijt gij altijd deftig genoeg, en ook, wij hebben de zaak reeds afgepraat met de grootmeesteres; maar gedenk, zoo wij wat ras en rouw van woord waren, wij meenden u niet hard te vallen, volgzaam als gij zijt in alle dingen, maar alleen haar die hier schuld had.quot;

„Toch bekende ik u, dat ik verlangde ..

„Veel verlangde! naar de feesten, niet waar? u dreigt teleurstelling, want ik trek spoedig al' na de kroning; die Keizer in lompen en het domme bedelvolk hier verveelt mij; het zal hier welhaast afgeloopen zijn, en uwe kleine marin — ge hebt Marotte toch meegebracht ? — zal hier tot geenerlei mommerij gebruikt worden, waar zij anders bevallig genoeg voor dient. Wij zullen nog een paar lansen breken, waarbij gij de prijzen kunt uitreiken; Maxirailiaan kan zich dan een ridderpand winnen van uwe hand, ah hij 2:ch niet uit den zadel laat lichten; en wij zullen de burgers van Trier nog eens verheugen met een vroolijken dag en een goed maal; dan een statelijk afscheidsfeest aan den Keizer, en het zal afgeloopen zijn .... Maar hadt gij niet eenig verlangen naar onzen persoon ? Ik dacht, gij vreest ons meer dan gij ons liefhebt; dat is voor anderen goed, maar van u ! ...quot;

„Gij kunt zoo goedig zijn, mijn vader!quot;

„En ben het toch niet altijd, meent gij! Zelfs niet voor u! O! de gewoonte! en dan toch altijd neuswijze dienaren om mij, die eeuwig tegenspreken, ouder het mom van wijzen raad! 11a! vorst te zijn en tegenspraak te ontmoeten, alles in te zien, te weten, zich zei ven genoeg te zijn, zooals ik, en dan raad te hooren van wezens, die. . Hij sloeg met de gebalde vuist op de tafel, maar hield zich plotseling in, toen zij met de hand de beweging maakte van eene lichte ontsteltenis; „neen! als gij bij mij zijt, zijn de goede engelen dichter om mij; ik zal niet voortgaan.quot;

„Zal Messire David van Utrecht u morgen tot Koning zalven?quot; vroeg zij, als om eene afleiding te maken.

ocr page 163

139

„Zeker neen! George van Baden, Bisschop van Metz, schalk doohterken! want gij doet mij die vraag, om de kroon te zieni dio mij heden is gebracht; om te oordeelen, of zij mij genoegt en wel eerlijk voorkomt. Nu, de wensch is verschoonlijk en kan voldaan ■worden.quot; Hij stond op en voerde haar ter zijde af naar eene tafel, nam oen zijden doek weg, die er over uitgespreid was, en vertoonde haar eene kostbare koningskroon van het allerkeurigste goudsmeêwerk en met edelgesteenten van zeldzame grootte en waarde ingezet. De schepter en het rijkszwaard lagen er nevens, Maria prees den smaak, de bewerking, den rijkdom, met de belangstellende bewondering van wie edelgesteenten wist te waardeeren; daarop bleef zij haar nog eene wijle nadenkend aanzien, terwijl zij het sieraad als op de handen woog; toen legde zij het terug op het weeke fluweel, waar het op gerust had, en zeide als bij zich zelve; „'t Is blinkend, maar 't is zwaar .... te zwaar om alleen te dragen . . .

„God zij hem genadig, die mij daarin steunen wilde,quot; sprak Karei met drift; „wie naar zoo iets grijpt moet geen steun noodig hebben, zelfs niet van de Heiligen des Hemels!quot;

„Vader!quot;

„Nu ja, het woord is gezegd; — de dwepende huichelaar, Lodewijk, zou nu reeds op zijn knieën liggen; wij hopen, dat wij voor de Lieve Vrouwe en Mijnheer St. Joris genoeg hebben gedaan, dat zij ons eene voorspraak zullen wezen zoo het zonde was.quot;

,,Of zij den Hertog van Oostenrijk zoude passen?quot; hernam Maria half voor zich zelve, nogmaals een blik op de kroon werpende.

De Hertog was willens te antwoorden, toen de Sire Chateau-Gyon, te dezer tijde Groot-Kamerheer van den Hertog, en dus de éénige, die recht had onaangemeld binnen te treden, kwam aankondigen, dat de Aartshertog twee van zijne Edellieden had gezonden, om naar den welstand der jonge Vorstin te vragen, mer de bede, dat het hem geoorloofd mocht zijn een bezoek bij haar af te leggen.

De Jonkvrouwe van Bourgondië is te zeer vermoeid van de reis, om heden een bezoek te ontvangen,quot; gaf Karei ten ant-

ocr page 164

140

woord. „Na de plechtigheden van morgen gedenken wij de verloofden elkander voor te stellen; zeg hun dat, Messire!...

Louis de Chateau-Guynon was in het belang der Fransche partij; hij boog zich dus alleen statig met een glimlachje, zonder eene poging te doen, om een gunstiger bescheid over te brengen.

Maria was op haar kussens teruggezonken: zij ondersteunde het hoofd met de hand; zij was een weinig bleek geworden.

„Mijn Doorluchtige Heer!quot; sprak zij, „waarom noemt gij mij vermoeid, een woord, dat u nooit pleegt te gevallen; is het mijn bruidegom niet geoorloofd mij te zien?quot;

„De Oostenrijker is nog uw bruidegom niet. En op dit stuk heb ik vooraf met u te spreken. Gij hebt dien heer een briet geschreven, die mij zeer heeft mishaagd, en die in het vuur ware geworpen, zoo het toeval niet gewild had, dat ik er mij van bedienen moest.quot;

„Ik meende,; dat men aan een verloofde vrijuit schrijven kon wat men dacht, en dat daarin geen palen gesteld waren, dar.', die zedige manieren eene Jonkvrouw vanzelve wijzen,quot; sprak Maria zacht, maar vast. „Mijne Heere vergeve mij dus, zoo ik vergeving noodig heb.quot;

Karei scheen verlegen met dit antwoord; hij wist geen tegenwerping, en slapte driftig heen en weer als veeltijds zijne gewoonte was, in strijd of hij den opwellenden toorn vrij zou laten heerschen, of bedwingen. Intusschen antwoordde hij vrij hard:

„Met dergelijke vrouweljjke fijnheden houden wij ons niet op ; alleen het belieft ons, dat gij na dezen niet meer schrijven zult, dan zooala wij het zullen voorzeggen.quot;

Dit was een bevel, waar niet tegen te spreken viel; ook bleef de Jonkvrouw verslagen zwijgen. Karet liep om haar rond als een tijger om zijne prooi, en het arme kind moest wel veel moed hebben, om dien toorn op te wekken of te trotseeren, die haar aireede begon tegen te flonkeren uit de norsche blikken, welke hij van tijd tot tijd op haar wierp.

„Tranen!quot; riep hij eindelijk, „waarachtig zij weent! Zij ook!quot; en hij stampte zoo hevig met den voet, dat de page Joan Bap-tiste Colonna, die buiten het deurbehangsel de wacht hield, binnen kwam, vragende, wat hij begeerde.

ocr page 165

141

„Water!quot; riep hij tueschen zijn drift in, met gevatheid vai! geest. En toen de jongeling het gebracht had, ledigde hij den groeten gulden kop in twee of drie haastige teugen, sloeg zich voor het voorhoofd en wierp den kleinen dolk ter zijde, waarmede hij gewoon was al sprekend te spelen. Alle voorzorgen, die bewezen, dat hij zich zeiven wantrouwde; daarop naderde hij Maria opnieuw, ging weer zitten, hief haar op en sloeg zijne beide armen liefkoozend om haar heen.

„Lief kind!'' vroeg hij, „waar waren wij toch? Ik wilde u niet verschrikken, bij alles wat mij heilig is; ik heb u lief en wil u een genadig vader s;ijn ten allen tijde; maar gij weet, ik kan mij slecht verdragen met weeke schreiaters. Ik haat die van uw geslacht zijn om dat eeuwige beven en krijten; gij placht er voor dezen vrij van te wezen. Blijf dat nog verder en vooral nü, want ik heb ernstige dingen met u te bespreken, waarnaar gij moet luisteren zonder vrouwengrillen, die mij licht in gramschap zetten; en ik zou niet, om alles in de wereld niet, willen woeden tegen u. Gij hebt geene moeder, kind! — die van York reken ik niet, — en ik heb zoo goed ik kon hare plaats vervuld, terwijl ik bezigheden had zoovele en zoo gewichtige, waarvoor andere Prinsen hunne kinderen gewoon zijn te verzaken. Daar is mijnheer van Frankrijk, die zijn zoon in gebrek en lagen staat houdt, en zijne kinderen liever zou willen dooden, dan eenige vrijheid geven in zijn land; daar is deze zelfde jongen, uw Duitslt; he verloofde.... Maar genoeg, was ik niet een goed vader ? en wilt gij mij hierin gehoorzamen, dat gij eene mannelijke Jonkvrouw zult zijn?'

rIk wil uwe waardige dochter zijn,quot; hernam zij met eene be-wogene stem, want zijne zachtheid roerde haar diep.

„Gij zijt zestien jaar,quot; ving hij aan, „en wel rijp genoeg van begrip om te hooren wat ik meen te zeggen. Gij zijt eene groote vorstendochter, en geboren om over vele volken te heerschen, en, zoo het Gode belieft, zijt gij tot nog hoogeren staat bestemd, dan gij er nu de verwachting van hebt. Daartoe werkt uw vader; daartoe verkort hij den slaap zijner nachten en de geneugten van zijne dagen; daartoe brengt hij den barren winter door onder den blooten hemel, met geene betere beschutting dan

ocr page 166

142

het luchte tentdoek; daartoe verachroeit hem de zomerzon het aangezicht, als ware hij een gemeene landsknecht, terwijl gij in vrijheid en in vroolijkheid de zoete liefelijkheden des levens geniet, zonder bekommering. Maar eene Vorstin heeft ook plichten .... De uwe zijn, uw Heer en Vader te gehoorzamen in alles, on te ondersteunen in al hetgeen hij beoogt en voor u noodig keurt. — Nu is het dit: de kleine lieden trouwen in 't gemeen naar eenige verkiezing of persoonlijk welbehagen, dat zij liefde noemen; maar Hooggeborenen en bovenal Vorsten handelen daarin anders; zij sluiten een zoodanige verbintenis uit hooge inzichten, om uitgestrekter gebied te bekomen, om hun invloed te steunen, om machtige vriendschappen te verwerven, om zich te verbinden tegen hunne vijanden; uit staatkunde, om het al te zeggen; ik ben driemaal gehijlikt, en om geen andere redenen dan deze. Toen ik zeventien jaar was, en aireede weduwnaar van Mevrouw Catharina van Frankrijk, deed mijn Heer Vader, die in zijn Graafschap Holland reisde, mij aanzeggen, dat ik mijne nicht Isabella van Bourbon ter vrouwe moest genomen hebben eer hij keerde; ik had geenerlei genegenheid voor haar; zelfs was ik afkeerig van zulken nieuwen band; ^och .... ik gehoorzaamde, en het heeft mij niet berouwd; zij was mij eene zachte en ootmoedige gemalin, die ik nog aan mijne zijde wenschte, en die mij u tot dochter gaf. Hetzelfde eisch ik van mijn kind. Zij behoort de verbintenissen, die ik aanga in haar naam, te eeren of te verwerpen naar 't mij lust en behaagt; zij moet vriendschap toonen aan wie ik haar als vrienden wijze, en haten wien ik vijand noem, en zich daarbij vrij houden van zulke gevoelens, denkbeelden, woorden of daden, die haar het eene zouden kunnen beletten of in het andere hinderlijk zijn.quot;

„Mijnbeer en beminde vader! heb ik daarin dan niet altijd gehandeld naar uw wil en welbehagen? Hebt gij mij niet toegezegd en beloofd aan jongen en ouden, aan wie mij voegden eu niet voegden, wie ik kende of niet kende; en is er één van dezen, wiens hulde ik niet heb aangenomen, of wiens redenen niet aangehoord, of wiens brieven niet beantwoord, naar gij het geboden hadt, zonder iets daartegen te zeggen of weigerachtig

ocr page 167

143

te zijn in eenig ding? Kan mijn genadige Heere het dan ver-oordeelen zoo ik eenmaal gehoorzaam met vreugde en niet met onverachilligheid ?quot;'

„Zeker kan ik dat en doe het. Want gij hebt den jongeling, die hier bedoeld wordt, in uw schrijven daarvan blijken gegeven, veel en meer dan voorzichtig was en vereischt werd in mijne plannen. Gesteld nu, ik oordeelde het nut, de verbintenis met den Oostenrijkschen Heer op te geven, meer heil ziende in de verwantschap met een der Koninklijke Prinsen van Napels?quot;

„O! dat zult gij niet, mijn genadige Heer vader!'' riep Maria hartstochtelijk, „dat zult gij niet! Gij zult niet altijd spelen met uw woord, niet altijd bittere teleurstelling geven voor blijde hoop. Wat heeft de Prins van Oostenrijk u gedaan, dat gij hem zoudt laten sterven van smart?quot;

„Eilieve! meen dat niet; 'tis wel een deerlijke grieve, Bour-gondië en al de schoone Vorstendommen, die u wachten, te moeten opgeven met uw hand, maar men sterft daaraan niet.quot;

„O! ik zeg u, het doodt! Gedenk aan Hertog Nicolaas, die een edel Vorst was en een krachtig Ridder, en is hij niet gestorven aan wanhopige minnesmarte, zooals ieder weet en hij ook heeft voorzegd? Hoeveel te meer zal dan niet een jongeling, zoo week van hart en teer van lichaam, bezwijken onder dat, wat de sterke niet dragen kon!''

„Dwaze praatjes, die gij vrouwen elkander in 't oor fluistert, of u laat wijs maken door tournooiende Ridders of zottelijke minnezangers. Mijnheer van Calabrië is gestorven aan 't venijn, dat onze Jfeef Lodewijk van Frankrijk hem deed geven, even-zoo als de Hertog van Bretagne, evenzoo als nu Maximiliaan ook zou kunnen gebeuren, als wij hem dat wondere geluk niet ontnemen, dat gevaars genoeg heeft. Maar laat het waar zijn wat gij vreest; wat gaat u den Aartshertog meer aan dan een ander?quot;

Maria aarzelde een oogenblik; zij scheen zich te bedenken op haar antwoord; zij zag den Hertog aan; zijne trekken hadden weêr hunne gewone gestrengheid hernomen, en zijn oog begon weêr te flikkeren van dien wilden gloed, zoo geducht voor wien hij dreigde; doch Maria's trouwe liet zich niet omkoopen

ocr page 168

144

door vreeze. Zij stond op en antwoordde kalm maar deemoedig en zonder valsche fierheid:

„Omdat mijne genegenheid ganschehjk tot hem neigt met eene oprechte vriendschap.... Ik geloof, dat het dit is, wat ze minne noemen.quot;

Kareis gelaat nam de uitdrukking aan van koele hooghartige minachting.

„Laat woorden als deze aan dochters van het volk, Jonkvrouw van Bourgondië! en terg voor 't minst daarmede onze ooren niet,quot; sprak hij. Toen wendde hij haar den rug toe en liet zich nogmaals water geven; hij dronk vele teugen achtereen. Het was duidelijk, dat hij zijn vurig temperament tot matiging wilde dwingen in dezen strijd met zijn kind; de leeuw vreesde zijne welp te verslinden, de gramme stier trachtte het lam te sparen, dat in onschuld met zijne woede speelde. Weder keerde de Hertog zich tot Maria.

„Vanwaar die overdwaze inbeelding, Maria! sinds gij den Aartshertog nooit hebt gezien ?quot;

Toen verbleekte de Jonkvrouw, waut zij ging iets zeggen, dat hem recht gaf tot verbittering.

„Lacy, geduchte Heer! Ik zag en sprak hem, en hij is zekerlijk de lieftalligste Christenridder, die mij ooit te voren kvvam.quot;

„Gezien! gesproken! waar? wanneer? door wie? Ha! wie mij dat gedaan heeft!quot; schreeuwde Karei meer dan hij vroeg, en hij trapte met den voet het kussen uit den weg, waar zij gezeten had, als om haar te beletten hem weer nabij te komen; ook wierp zij zich aan de tegenovergestelde zijde van het vertrek op de knieën en sprak zoo schielijk als de woorden haar van de tonge wilden :

„Hier is geene schuld. Heer! Waarlijk, niemand is hier schuldig ; wij reden hierheen, van niets bewust, zoo haastig wij mochten ; de Aartsbisschop wist dat wij komen zouden ; zijn verlangen .... was het hem niet te vergeven, bij de hoop, waartoe gij zelf hem gerechtigdet ? . . . . Zijne ridderlijke galanterie . ... hij wilde zijne verloofde het eerst zien, en hij reed haar tegemoet ; kon ik weten, dat het buiten uwe voorkennis was, en zoodra ik het wist.. . (zij bleef geknield, maar hief waardig

ocr page 169

145

het hoofd naar hem op). „Meent gij waarlijk, Heer! dat uwe erfdochter zich verstaan zou met een vreemde tegen uw wil en gebod! Ik ben van hem gegaan, zoo haast ik wist, dat hij niet door u was gezonden.quot;

Daar was iets in Maria's blik, dat den Hertog roerde en overtuigde. Hij wendde het gelaat van haar af.

„Ha! Mevrouw van Eavenstein! Als zulke dingen gebeuren, waartoe dient gij dan? Men zal mij rekenschap geven! Ik wil weten, hoe deze Duitscher wist .... Sta op, Maria! ik weet, dat gij eene vrome Jonkvrouw zijt, en dat gij de ranken niet te baat neemt als de anderen van uw geslacht. Maar ik begrijp niet, hoe ge uwe zinnen kunt stellen op dezen plompen Duitscher: hij is zonder kennis van goede manieren, een onnoozele, armhartige jongen; een Vlaamsch boerenzoon zou zijne kleêren niet oprapen! hij heeft nog nooit een prijs in een tournooi behaald, en hij heeft niets vóór, dan dat hij de zoon is van een Keizer, die kronen kan uitdeelen. De Hertog van Calabrië, dat ware iets anders geweest; een moedig, mannelijk Prins, een groot en dapper Ridder, hoofsch en vol courtoisie.quot;

„De Hertog van Calabrië!quot; herhaalde zij hoofdschuddend, „neen, voorwaar! een oud man! mocht hij dapper zijn wat hij wilde. Maximiliaan zal wel moed hebben voor mij. Hij is met naij gelijk in jaren, nobel en zachtaardig van uitzicht, heeft gouden lokken, niets anders dan waar de Hemelsche Engelen meê afgebeeld worden; is minnelijk van spraak en zijne redenen zijn vol heusche schranderheid. En wat zegt zijne kleeding? Zend hem twee van uwe meester-snijders en wat goede stott'e. en daarmede zal hij geholpen zijn, O! als gij wildet! Ik zou u zoo kunnen liefhebben uit grooten dank!quot;

Zij was hem weder genaderd, en zich oprichtende op de kleine puntige schoenen, sloeg zij de beide armen om zijn hals en zag hem met onwederstaanbaar smeekeade blikken aan. Hij onttrok zich niet aan hare liefkoozing; integendeel, hij glimlachte: hij was zoo weinig gewend, dat men hem zóó naderde, dat hij zich niet verweren kon tegen het bekoorlijke gevoel der men-schelijkheid, tegen het zoet gestreel van dat aanminnig schepseltje.

Kroon. Karei de Stoute. 1

ocr page 170

146

„'t Is te dwaas,quot; antwoordde hij weder zachter, „morgen ben ik Koning, en meent gij, dat ik mijne grootsche ontwerpen kan opgeven voor zulke invallen als de uwe?quot;

„Ook niet voor mijn geluk?quot;

„Uw geluk, kind! Denk, dat ik de schitterendste Koningskroon op uw hoofd meen te zetten.quot;

„Vader, ééne vraag: zijt gij gelukkig?quot; En zij zag hem daarbij zoo doordringend aan; haar oog was zoo van nabij op het zijne gericht, haar glimlach toch zoo zoet, terwijl zij hem zoo weinig spaarde, dat hij zijne oogen moest afwenden, toen hij antwoordde:

„Morgen, als ik Koning zal zijn.quot;

„Dan niets meer verlangen, nooit iets? . . .

„Nu ja dan, kwelster! nog wel iets.... moet ik u ook al mijne plannen blootleggen?

„Neen, maar als ik nu heel spoedig gelukkig kan zijn. en voor altijd, met eene enkele zaak! de verzekering, dat Mijnheer van Oostenrijk mijn gemaal zal worden, en met mij zal deelen wat uwe gunst mij geeft.... Zoudt gij dan zoo weinig een vriendelijk vader zijn, om mij dat ééne te weigeren, als al dat andere mij te geener tijde geluk zal brengen, zoo min als u ?quot;

„Neen, Maria! toch kan ik u die verzekering niet geven,quot; antwoordde hij ernstig en haar zaohtelijk afwerende, „om vele redenen niet, en gij moest dit niet zoo dringend van mij be-geeren.quot;

„Moet ik niet, als ik weet, dat daarin alleen mijn soulaes kan liggen en groote vertroosting? Moet ik niet, als ik eindelijk rust wil hebben van zoo rustelooze slingering; moet ik niet als ik weet, hoe onzeker het leven is, ook van groote Vorstec, en hoe zeker de dood; hoe ik kan overblijven, minderjarige, na uw versoheiden, onder momberschap van God weet wien ? Ware 't niet beter zake, dat mijn Heer vader mij zelf uittrouw Je bij zijn leven, naar zijn wil en den mijnen, dan dat ik daarna gedwongen werd door meesterachtige onderdanen, of baatzieke edelen, om een man te nemen van hunne hand, of dat de Koning van Frankrijk in mijne erflanden viel, om daarvan meester te worden met mijn persoon? Mijn genadige Heere

ocr page 171

147

spreke zelf, is dat niet gebeurlijk? Vorstinnen hebben plichten, hebt gij gezegd! maar, lacy! zij leeren ook vooruitzien, verder dan het huidige oogenblik, en ik meen, dat het mij oorbaar is en vrjj staat n te smeeken, mjjn lot te stellen, in handen van een zacht en menschelijk echtgenoot, opdat ik niet misschien vervalle in de macht van eenigen harden dwingeland! Moet ik dan alleen de rampspoedigste zijn onder de dochteren van uw volk, omdat ik haar meerdere ben? Moet ik dan juist alles opgeven wat mij wenschehjk toeschijnt of behaagt, omdat men mij meer wil geven dan ik van iemand heb gebeden? O! ze- v kerlijk weet ik, dat gindsche kroon mij te duur zal zijn, als ik haar betalen moet met mijn geluk. Moet ik niet eenmaal spreken in het belang van dien nobelen jongeling, die zijne toekomst heeft overgegeven aan uw wil en aan mijn hart. Moet er nogmaals een slachtoffer zijn? waren er niet reeds genoeg? Hij noch ik hebben ons het eerst den wensch vermeten, dien gij in ons heb verwekt Het was ons veroorloofd, elkander lief te hebben, en wij hadden daarin geenerlei schuld. O! ik voel nu, wat Mijnheer van Calabrië heeft moeten lijden, toen hij klaagde over u. Het pijnt mij, hem niet beter te hebben vertroost Doch moet een tweede nu weer zóó voor mij staan? Is het tot uwe fortuin noodig, mijne Heere! dat ik zelve onderlig aan zoodanige smart? O! geloof mij, het is niet alles recht, wat de mensch drijft uit zucht naar hoogheid en uit begeerte naar meerder gebied, O! de machtige Heeren zijn wel boven alle menschen; maar is het daarom goed, dat ze hun willekeur doen tot der zwakke schade? De Sire de la Marsche, die een geestig man is, zegt wel terecht, dat de Vorsten over hunne onderhoorigen mogen heerschen, om hun geweld te doen, naar lust en zinne-Ijjkheid, maar dat God boven de Vorsten is, en het leed van de kleinen op hen verhaalt. Mijn lieve Heere moge zich (och niet wagen aan den toorn en de oordeelen Gods. Mijn lieve Heere moge zijn éénig kind toch niet de éénige bede ontzeggen, die zij ooit voor hem heeft uitgesproken, en baar niet maken tot het werktuig van ...quot; Maar zij bedacht zich en sprak niet uit wat zij meende te zeggen; alleen toefde zij een weinig, en wierp zich toen aan zijne voeten, de handen naar hem opge-

ocr page 172

148

hoven, en met gebogen hoofd voegde zij er bij: „Ik weet niet vanwaar mij de moed toekomt u dit te zeggen, maar . ..

„Is nu genoeg!quot; riep Karei uitbarstende; „evenzeer mocht ik niet weten, vanwaar ik het geduld heb u aan te hoeren!quot; En waarlijk, als men hem onder dit spreken had aangezien, moest men bewonderen, hoeveel dit jonge meisje wagen durfde voor hare liefde, en hoevele pogingen die vader deed, om zich meester te blijven tegenover zijn kind. Het was of hij de vlammen zijner oogen wilde terughouden door het samentrekken der wenkbrauwen ; maar de borst zwoegde hoorbaar, zijne hals- en hoofdaderen zwollen onder die poging; de spieren van zijn gelaat trokken zich krampachtig samen; de overspanning had hem den hals en het aangezicht paars gekleurd ; twee malen hadden zijne handen onwillekeurig naar den dolk gegrepen, dien hij op de gewone plaats miste; daarop hadden zijne vingers, spelend, en zonder dat hij het scheen te weten, den zilveren knop ineengebogen die naast hem was blijven staan; zijne voeten trappelden met zulk een ongeduld, dat alleen het wollige Utrechtsche tapijt, uitgespreid voor zijn zetel, beletten konde, dat dit geluid niet opnieuw buiten het vertrek werd gehoord; een zacht tandgeknars bewees, hoeveel het zwijgen kostte; en toen hij eindelijk zich woorden gunde, rukte hij eerst de gouden halsketen Ion en slingerde die van zich, en gespte haastig den gordel los, die hem het lijf omsloot, als iemand, die voelt dat hem lueht ontbreekt. En vreemd daarom was het, dat hij bedaard en koud zelfs, maar met onbarmhartige hoogheid, voortging;

„Neen! ik heb mij bedwongen, omdat ik weten wilde wat mijne dochter geworden is; wat zij voor mij geworden is. En ik weet, dat zij van nu aan voor zich zelve leeft, dat ik alléén sta. Dit gesprek scheidt ons. De Jonkvrouw van Bourgondië nadere voortaan haar Hertog op geene andere wijze, dan als zijne eerste onderdane. Wij denken niet meer te redetwisten, waar wij gebieden kunnen. Zoo ons besluit nog niet ware bepaald geweest, thans zijn wij besloten.quot; Eu hij gebruikte eene kleine handschel, die nevens hem stond.

„Mevrouwe van Ravenstein, Mijnheer de Chiraay, de Sire Jacques Galeotto, worden hier ontboden,quot; sprak hij tot zijn edeljouker.

ocr page 173

149

Toen zij kwamen, met de haast der verwachtingen en der volvaardige gehoorzaamheid, wendde hij zich tot Mevrouwe van Ravenstein, Gravin van Kleef:

„Gij geleidt de Jonkvrouw zonder verwijl naar St. Hubert terug, en wacht daar; gij. Graaf de Chimay! die de eere hebt haar Ridder te zijn, zult mij borg wezen, dat geenerlei persoon, onder welk voorwendsel cok de Prinses bij hare terugreis nadere, toeapreke, of slechts gemeenschap hebbe met iemand van haar gevolg, en gij, Galeotto! vergezel dit gezelschap met een sterke wacht van uw trouwe lansen; gij zijt vreemdeling, en bijgevolg aan mij gehecht, zonder van eenige partij te zijn,quot; hier zag hij de Gravin scherp aan. „Wees met uw hoofd borg voor de volbrenging dezer bevelen.quot;

Mevrouw van Ravenstein verhief nog de stem om te spreken.

„Uwe Doorluchtige Hoogheid gedenke, dat eene nachtelijke reize, als deze worden moet, in zoo teêr eene jeugd, voor de Prinses . . .

„Wij begeeren het aldus,quot; viel Karei haar in de rede, met die strenge kortheid, die alle tegenspraak den weg afsnijdt.

De Gravin van Kleef naderde Maria, die onbeweeglijk en schijnbaar gevoelloos, tegen den zetel geleund stond, waarvan de Hertog was opgerezen. Toen de dame haar toesprak, scheen zij willens zich schreiend in haar armen te werpen; maar zij zag schichtig om naar Karei van Bourgondië, die veel en schielijk sprak met de beide Edellieden. Toen weerhield zij zich; zij zeide geen woord; zij was als een wezenlooze; zij scheen niets te weten of onthouden te hebben, dan dat men hare tranen verboden had. De waarheid is, zij begreep den Hertog niet; zij kende hem in zijne uren van lankmoedigheid voor haar, in die zijner opvliegende gramschap, in die van eene drift, welke niets spaarde; zij kende hem in zijn geduchtste luimen en harde ruwheid, in zijne strengheid; maar zij kende hem niet in de machtige zelf beheersching, die zich overwint, om met koude hoogheid te straffen, Zij kende hem koesterend als eene zon van liefde, of vlammend als een verpletterende bliksemstraal; maar zij kende hem niet achter zijn schild van koude waardigheid. Zij had gedacht, dat hij

ocr page 174

150

hare bede zonde verhoord hebben of met onstuimigen toorn geweigerd; hij had geen van beide gedaan; hij had haar zijn liefde opgezegd: hij had de hare gewantrouwd; dit was meer dan waarop zij verdacht was geweest, meer dan zij dragen kon; dat bracht haar tot die stompe verslagenheid, die haar geene gedachte liet om zijn medeijjden op te wekken, geen woord om zijne verbittering te verzachten. En niet vreemd was het, dat die nitkomst haar schokte; het was de eerste rukwind, die in hare bloesems woei, de eerste nachtvorst in hare lente; het moest vernielend en doodend werken. Wat de Hertog overigens wilde of gebood, vatte zij slechts ten halve. Waarom Mevrouw van Kavenstein daar was, was haar niet duidelijk. Toen deze haar den arm bood om haar weg te leiden, ging zij lijdelijk eenige schreden voort; daarcp bleef zij staan, als bezon zij zich op iets De Grann geloofde, dat zij een afscheid wenschte van den Hertog, die sinds zijn laatste woord niet weer naar haar bad omgezien, en die nu zijn onderhoud met Chimay eindigde, met het bevel, dat het vertrek geschieden moest met zoo ■weinig opzien, als het zijn kon; daarop zag hij Maria aan meteen duisteren blik, verzuimde, blijkbaar opzettelijk, den heilgroet der hoffelijkheid en der gewoonte, en wenkte met de hand, dat men gaan zoude.

in het nevenvertrek vonden zij Heer Engelbert van Nassau, den Sire de Gruthuse, en nog een paar Edelen, der Oostenrijk-sche verbintenis toegedaan, of met innige gehechtheid aan de jonge Vorstin hangende. Hunne zijdelingsche vragen naar de uitkomst van het onderhoud, waarvan zij kennis droegen, werden door de Gravin van Kleef met een zwijgend schouderophalen beantwoord; de tegenwoordigheid van den Italiaanschen Hamp;er belette iedere verdere verklaring. Maria, ondersteund door Philippe de Croy, Graaf de Chimay, en door Anna van Ravenstein, liet zich heenleiden waar men wilde, zonder eene vraag of eene klacht; zij scheen onverschillig voor alles. Binnen een half uur was haar gevolg reisvaardig, en alleen eenig gewoel op het voorplein van het klooster verwittigde daarna de bewoners van dit verblijf, dat er eene draagkoets vertrok, begeleid door een troep rijdende lansknechten, zonderdat de meesten wisten, wie

ocr page 175

151

men daar vervoerde. Maria had zich wel Kareis dochter getoond toen zij daarin stapte: want zij scheen kalm, maar ernstig, en zij zeide alleen tegen Mevrouw van Eavenstein: „Mijn Heer vader kan zijn hart sluiten als zijn vizier, en zijn wantrouwen ia mij eene wreede pijne ; maar verdienen zal ik het niet; want ik heb mij zelve twee dingen beloofd; hierin niets te doen, wat de Hertog of mij zelve onwaardig kan zijn, maar ook den Prins van Oostenrijk te houden, wat ik hem heb toegezegd; en Mijnheer van Bourgondië kan mij dit ééne niet ontzeggen: dezen tot echtgenoot of geen anderen.quot;

ocr page 176

-$■4 ^ gt;

HOOFDSTUK XI.

Sedert het vertrek zijner dochter was Karei in het midden zijner hovelingen verschenen met een gelaat, waarop te lezen stond: „Gra uit mijn weg, of ik verpletter u!quot; en in zijn we(j komen beteekende: zie mij niet aan, want ik zal uw blik houden voor eene uittarting; spreek mij niet toe, ook zelfs niet om een bevel te vragen, wantquot; ik zal schuld weten te vinden in uw woord; bied mij geen ongevergden dienst, want ik zal vergrijp zien in uwe voorkomendheid. En allen lazen die sombere regels zoo vlug, dat elk, die niet gedwongen was met hem samen te zijn, hem ontweek en vermeed; maar zij deden het met behoedzaamheid, want dat zeker ware nadeelig uitgelegd geworden. Maar ook van de anderen, die blijven moesten, ontging niet één de uitwerksels zijner kwade luim. Hij twistte met zijne Groeten, ook dan, als ze hem gelijk gaven; hij vitte op alles; hij deed nuttelooze vragen, en nam de voorzichtigste antwoorden in verkeerden zin op; hij herriep bevelen, die men juist had volbracht, en bestrafte gewoonten, die hij zelf had ingesteld; de wijsheid en het geduld van een engel haddea schipbreuk geleden op de scherpe klippen zijner onheuschheid. De eerwaardige Kanselier Hugonet zelf, die hem spreken kwam over de aanspraak bij de kroning, moest bitterheden slikken, waarbij alleen zijne zedelijke meerderheid hem kracht gaf tot dalden; eu zoo geen der hooge personen, die den Hertog omringden, van ruwe bitterheid verschoond bleef, hoeveel te meer moesten niet min belangrijke leden der vorstelijke huishouding den last dragen van dien onedelen wrevel! Bij hen liep het

ocr page 177

153

zelfs tot persoonlijke mishandelingen, en toch, zij vergaten het zeker eerder, dan wie getroffen waren door een steek van de scherpe tong. Zoo was het avond geworden en alle geplaagden telden de trage uren, dia nog moesten worden doorgeworsteld eer ze zich verschuilen konden in de eenzaamheid van hun nachtverbljjf; maar het uur der vrijheid scheen later te zuilen slaan dan anders; want de Hertog weigerde aan tafel te gaan, en veroordeelde dus allen, die met hem spijzen zouden, tot een gedwongen vasten. Hij liet zich voorlezen, maar hij luisterde niet; hij riep zijne kamerheeren om te spelen, maar bijstond op van het spel, eer het eigenlijk begonnen was; hij eischte van zijn hofnar, dat hij hem zou doen lachen, maar le Glorieux antwoordde, dat hij zelf in kwaad humeur was, eene grofheid, waarover geen der omstanders durfde glimlachen.

Dit alles was een slecht voorteeken voor het aanstaande Koningschap! Hoe moest dit gezicht zich verplooien, eer het bekwaam zou zijn de duizenden te verrukken met „de lachjes van den kroningsdag,quot; en toch, er lag slechts één enkele nacht tusschen beide. Zoo de gedachte aan de op handen zijnde vervulling van dien dierbaarsten wensch dien man niet blijder kon stemmen, niet beter verheffen boven eene verdrietelijkheid van het oogenblik, wat zou het zijn, als de lusteloosheid der t'o/rfuwe wenschen volgen zoude ? Toch was misschien een onrustig verlangen naar den dag van morgen daarin gemengd, want eene nieuwe herinnering aan de plechtigheid scheen er eindelijk in te slagen hem beter te stemmen. Een nog uitgeblevene beslissing van den Keizer over een klein verschil in het ceremo-niëel werd den Hertog eindeljjk geboodschapt, en daarop had hij een weinig zachter gevraagd, of de Koninklijke sieraden naar de kapel waren overgebracht; had den bewaarder der kroonjuweelen heusche woorden toegevoegd; had zich tot het avondmaal gezet; en zoo was het op éénmaal weder helder geworden aan den bewolkten hofhemel.

Maar in den eenzaamheid van het slaapvertrek overviel den Hertog van Bourgondiü evenwel de booze geest der onrust, die den slaap weert; en het was diep nacht geworden, toen hij nog met ongeslotene oogen nederzat op zijn leger; hij had er uiet

ocr page 178

154

eens aan willen denken het hoofd ter ruste neêr te vlijen, zóó zeker wist hij wat hjj heden te kort zou komen bij den gering-sten zijner vazallen. Maar welk een wezen ook ware hij geweest, zoo hij had kunnen slapen. Welk Vorst heeft geslapen den nacht vóór zijne kroning? Wie kan zich een Vorst denken, zoo versuft van hersens, ol' zoo koel van verbeelding, of zoo gewetenloos zelfs voor de nieuwe plichten, die hij zich gaat opleggen, dat hij slapen zou in een nacht als die? „Het zou mij beter zijn als ik aanschouwde, wat mij toch bezig houdt terwjjl ik het niet zie, sprak hij eindelijk, zich zeiven driftig opheffende van zijn vorstelijk ledekant.

Hij deed den Groot-Kamerheer wekken, en begeerde van dezen den sleutel der kapel; daarop liet hij zich een wèlgevoerd overkleed omwerpen, beval twee fakkeldragers en een schildknaap zijner kamer hem te volgen, en begaf zich door eene binnengaanderij naar de kapel St. Maximijn, waar de kroning zou plaats hebben. De schildwacht, die dezen toegang bewaakte, herkende hem bij het fakkellicht en bracht zwijgend de gewone eerbewijzing; de ridderschildknaap ontsloot de deur en bleef op zijn wenk terug; alleen de fakkeldragers volgden hem naar binnen. Toen Karei van Bourgondië in het midden van het kerkgebouw was gekomen, vormde zich een glimlach van welgevallen om zijne lippen, kleurde een blos van genoegen zijn wang, en glansde zijn voorhoofd van eene rassche blijdschap.

En waarlijk, voor een hart, prachtlievend als het zijne, was er stof tot verrukking; al de glans van zijn rijkdom schitterde hem hier toe in een kort bestek. Üe gansche koepel was behangen met kostbaar tapijtwerk uit de fabrieken van Utrecht en Vlaanderen. Op de altaren prijkten reliquiën van hooge Heiligen, ingekast in goud, of besloten in vazen, en heiligenkistjes van het zelfde metaal of van zeldzaam hout, met rijke edelgesteenten bezet. Kruisen van allerlei grootte in verschillend metaal, meesterstukken van smecwerk en beeldhouwkunst dier dagen, lagen er in zulk een menigte, dat het geduld moede werd ze te tellen. Zes kandelaren van zeldzame grootte, waaronder een paar geheel van goud, schitterden ter wederzijden van het hoog-altaar,

ocr page 179

155

waskaarsen dragende van ongemeenen omvang, en met bloemfestoenen omkranst, nog niet ontstoken, maar die hun zacht licht het eerst zouden werpen op een knielenden Koning. Op vier tafels, met goudlaken bekleed, stonden kerksieraden van zulk eene waarde en goede keuze, dat de Pauselijke Bisschop van Rome zelf die zou benijd hebben : de standbeelden der twaalf Apostelen in verguld zilver; tien andere beeltenissen van Heiligen in massief goud; een groot reliekkastje, geheel met diamanten bedekt, dat geacht werd gewijde overblijfselen te bevatten van de beide Apostelen Petrus en Paulus; maar boven alles was het een tabernakel van zuiver goud, dat de aandacht trok, en waarvan het fijne keurige beeldhouwwerk tweemaal de waarde moest hebben van bet metaal zelf. Een kleiner, maar nog meer schitterend voorwerp lag er nevens tentoongesteld: eene lelie van diamanten, die een der nagels van het gewijde kruis bevatte, en een splinter van dat kruis zelf, gevat in een fonkelenden edelsteen van verwonderingwekkende grootte. Ook maakte de Hertog eerbiedig het teeken des kruises, toen hij dicht langs die gewijde voorwerpen voorbijging; maar waar zijn vurig oog op staarde, dat waren de teekenen der koninklijke waardigheid : de schepter, de kroon, de mantel en de banier van het nieuwe koninkrijk, op eene credenz van ebbenhout tentoongesteld, vlak nevens den troonzetel, die voor hem stond bereid ; dat was het, dat vooral, wat hem hot harte kloppen deed, en de wangen gloeien van voldoening. Eene enkele lamp van het kerkgewelf afhangende, wierp alleen haar flauw schijnsel over al die heerlijkheid; maar het scheen ditmaal den Hertog licht genoeg te zijn, want hij deed zijne fakkelhouders tot diep in het schip der kapel teruggaan, en zette zich neder op den ondersten trap van zijn troon, en bleef in een ernstig gepeins verzonken. Het was of zelfs zijn moed versaagde bij het denken aan de hoogte, die hij bestijgen ging; alsof zelfs /)ew eene huivering aangreep, nu hij weldra voor altijd aen stap zoude doen, die zoo beslissend moest zijn voor hem, en voor die allen, die in zijne hand waren gegeven, welke overwegingen moesten niet opkomen in zijn hoofd! Zou dat Hertogdom van Bourgondië, dat altijd de meerdere geweest was onder zijns gelijken, niet

ocr page 180

156

eene kans hebben, om de mindere te worden onder de koninkrijken? Zou zijn weelderig Vlaanderen, zijn prachtig Braband, zijn dapper Henegouwen, zijn Holland, nog hijgend en bloedend van de veeten, die het hadden vaneengeseheurd onder het Beiersche Huis, nog nauw bevredigd met de Bourgondische heerschappij; zou Gelderland, dat nog heimelijk de rechten eerbiedigde van vroegere Heeren, dat hij overwonnen had maar niet voor zich gewonnen-, zouden al zijne verdere staten, al die velen, zoo verschillend in belangen, in voorrechten, in zeden, als in namen, zich onder één en denzelfden naam laten samenvatten en rustig blijven? Zouden de twisten van het binnenland hem den tijd laten en de krachten om zijn nieuw koninkrijk gevreesd te maken en uit te breiden, als hij het voormaals zijn Hertogdom had kunnen doen ? Zou hij niet altijd, met de ééne hand den schepter laag neêrgebogen houdende over die hoofden, en hen den nek trappende met den geharnasten voet, slechts eene verdeelde macht, een enkelen arm overhouden, om zijne grootsche ontwerpen daarbuiten door te zetten. O! hij voelde het, hij voelde het levendig; men zag het aan het schitteren zijner oogen, bij den blik, dien hij op de koninklijke teekenen wierp, dat alleen Karei de Stoute den moed kon hebben het ontwerp te vatten, en zich der kracht bewust zijn, die het zou uitvoeren. Hij plaatste zich voor de credenz en nam het tweesnijdend zwaard in de handen, het zwaard der gerechtigheid en der uitvoerende macht.

„ü zal ik het meest noodig hebbenquot;, riep hij veelbetce-kenend ; „gij zult mij helpen uitvoeren wat mijn raad hier heeft beslotenquot;; daarbij bracht hij den middelsten vinger aan het voorhoofd. Opnieuw zag hij om naar den troon. Hij scheen nu zijne aarzeling overwonnen te hebben; want het zwaard nemende als staf, beklom hij dien met vasten en snellen tred, en zette zich neder met een vroolijken en trotschen blik, waardig en fier, of hij daar gezeten was geweest voor het oog van zijn verzameld volk. Hij liet den arm met welbehagen rusten op het purperfluweel van de leuning en bleef met de andere hand altijd geleund op het kruis van het zwaard.

Hij sloot eenige minuten lang de oogen. Wat al wilde phan-

ocr page 181

157

tasieën, wat al reusachtige plannen moeten er toen niet door die gloeiende verbeelding en dat koortsachtige verhitte brein zijn heengewoeld! De laatste glimlach, die er trilde op zijn half geopende lippen, getuigde ten minste van blijde en innerlijke vervoering, van een toegeven aan de behagelijke influisteringen der eerzucht. Eindelijk sloeg hij zijne beide helzwarte oogen rondom zich heen, fier en fonkelend; maar plotseling verduisterden zij zich, en een somber: „Ha!quot; siste hem door de tanden. De troonzetel, voor Frederik opgericht, was hem in het oog gevallen.

„Zooveel hooger dan do mijne !quot; riep hij met zinkende stem, en hij liet de armen verslagen nedervallen. „Wat zegt een troon, als toch een ander boven mij zit? Zoolang niet daar mijne plaats is, heb ik niets gewonnen; zoolang niet daar mijne plaats is, heeft die kroon hare beteekenis verloren, die schepter zijne rechten, dat zwaard zijne macht. Koning zijn of niets is hetzelfde, als men geen Keizer is: voor den Keizer zijn Hertog en Koning gelijk; beiden moeten zijn stegelriem kussen; op beiden ziet hij neèr van zijn hoogen troon als op leenmannen. 01 hoe schoon. Keizer te zijn van het Heilige Roomsche Rijk; hoe groot de mensch, die dat bereiken kan ; hoe heeft hij al het andere beneden zich onder zijn voet; hoe geeft en neemt hij de landen der aarde naar welgevallen; hoe kan hij de geschillen der volkeren slechten naar willekeur! En dat is Frederik! en dat heeft Frederik bereikt, en dat kan Frederik! de lage kruipende gierigaard, dien ik omkoop met wat goud als een wagenknecht; die beeft als ik het voorhoofd frons; die verbleekt, als ik bij toeval de hand aan mijn zwaard sla; die mij voor geld al de landen van al zijne bondgenooten zou toewijzen, zoo hij durfde; die aan inijne voeten zou knielen uit vreeze en uit eigenbaat, zoo zijn zoon en al die keurvorsten hem niet opgericht hielden. Die Frederik, dien ik veracht zoo .... als ik Lodewijk haat! en wat /i/; verkreeg, daar zou/A-niet toe geraken ! Frederik ! uw troon voor mij ! Ik wil! Ik wil! ik wil het Keizerschap, hoort gij! ik wil eene andere kroon, dan die gij mij geven zult; ik wil de uwe!quot; en hij stampte met het zwaard en met den voet op de trappen van den troon, dat het los opgeslagen

ocr page 182

158

houtwerk, vermomd onder het fluweel, schudde en waggelde als door een storm bewogen. Van den doffen toon der oot-moediging, was Kareis stem onder het spreken gerezen tot den stemval van veracgting en eindelijk had zij geschetterd in hartstochtelijke vervoering.

„Maar ik moest diiar zijn om hier te komen!quot; riep hij, in ééne vaart wegsnellende van zijn zetel naar dien van den Keizer.quot; ïoch bleef hij daar met eerbied staan, zonder plaats te nemen. „Van hier gezien is de wereld klein, en de macht van wie hier staat groot; zoo klein de wereld, en zoo groot de macht, dat men haar in de hand kan grijpen, en verkneden tot den vorm, dien men begeert, ten minste als men Karei van Bourgondië heet en niet Prederik III. O! voorwaar, eer dit Koninkrijk van Bourgondië vele jaren ouder is, zal ik het zijn, die van deze plaats het lot der volkeren regel!quot;

En waarlijk, schitterend en grootsch als hij daar stond, scheen hij wel de man te zijn, die uit zou voeren wat hij voornam. In de beste kracht des levens, in de volste rijpheid des geestes; een man, wiens vastheid van wil alleen te vergelijken was bij zijne ondernemingszucht en wiens ondernemingszucht tot hiertoe altijd gerechtvaardigd was door de uitkomst! En toch, dat onafgebroken geluk zelf kon wel zijn val zijn, want het had hom geleerd op eigene krachten te bouwen tot overmoed toe; het had hem verwaand gemaakt, tot blindheid voor der anderen helderzien, voor zijn eigen onjuisten blik; het had hem trotsch gemaakt én vermetel in die mate, waarbij hij anderer rechten ontzag noch eerde; het had hem trouweloos gemaakt aan zijn gegeven woord, en niet eerlijk in het nakomen van heilige beloften; want hij, die striktheid wachtte, die tronw wilde van anderen en meende dat het hem vrijstond van zijn woord eene valsehe munt te maken, die hij aan anderen uitgaf, met den eisch, dat zij ze voor echt zouden houden, — hoe kon hij, die zóó handelde, zóó verstoken zijn van oordeel, of, in eigen hoogmoed verward, zóó laag denken van de menschen, dat hij nog trouw wachten durfde van hen!

In gedachten scheen hij de zitplaatsen voor al de hooge getuigen der plechtigheid te vullen en te rangschikken. Somtijds

ocr page 183

15!»

zelfs wel ontglipte hem een naam, dien hij noemde met de gewaarwordingen, die deze hem inboezemde. — „En dan die daar met Bourgondische kleuren en een vrouwenschild,quot; sprak hij half vragend. „In trouwe, ja, mijne dochter! Hoe ze toch eene goede fertooning zou gemaakt hebben, nitschitterende boven al de vrouwen en dochters der Keurvorsten, in schoonheid van wezen, in gratie van gestalte, en in pracht, met haar feestkleed van enkel paarlen en goud! Hoe het mij zoet zou geweest zijn uit haar mond het eerst dat „Koning!quot; te hooren; maar het kon niet wezen. Zij moest hier niet zijn. Ik kon haar hier niet houden en verhinderen, dat ze den Duitscher zag en St. Joris weet, wat die twee kinderen beraadslagen mochten in de samensprekingen, die ik niet zou kunnen weren. Neemt ze nu aireede niet de partij van den Oostenrijker tegen haar Heer en Vader? Wat zou het zijn, zoo ik hem tijd gunde om haar nog verder om te zetten ter gunste van zijne zaak? Maximiliaan is van die, welke aan fijne adelheid te veel hebben, wat ze aan sterkte missen : nu reeds wil ik er Vlaanderen voor verpanden, dat ze liever mijne kroon zag vallen, dan zijn hoofd; welhaast als zij hem tot man had, kon ze zich met hem verstaan tegen mij, om tot mijn troon te komen ; God straffe hem, die mij de gedachte ingeeft van mijn eigen bloed! Mevrouw de Hertogin mengt er ook vsn het hare onder, ik ben er zeker van, en vrouwe van Kleef is ook niet zuiver op dit stuk; maar ik vrees geene van haar, noch allen te zamen; alleen ik wil ze niet in de gelegenheid stellen, om te ondervinden, dat ze niets tegen ons vermogen. Ik wil mijn onnoozel kind, dat nu nog rein is van kwaad, niet aan hunne ranken wagen; het mocht haar grooter verdriet geven dan ze nu hebben kan van zijn verlies, en zeker meer, dan heel de Duitsche knaap waard is. Mij zeiven, die het kind altijd liefhad en nog heb, zou het pijnen .... Maar hoe zal Frederik verbaasd zijn, als hij haar morgen niet ziet; hij moge het danken aan de voorbarige haast van zijn Heer zoon; mijnentwege denke hij er uit wat hij wil, 't zal dan toch te laat zijn om ons te weigeren wat wij van hem wen-schen . ..

Eene wijle afgeleid van zijne vorige gedachten, kwam hij

ocr page 184

160

toch weder daarop terug, na een kort gepeins; dat was te zien nit de drift, waarmede hij de credenz naderde, de kroon in de hand nam, en met zegepraal beschouwde, terwijl hij uitriep: „Ja, gij zijt schoon; hij liegt, die u gering acht; gij zijt schoon, maar gij zult eerst volmaakt zijn, als gjj prijkt met den aardbol, en om daartoe te komen, neem ik u morgen — morgen ! Zal het heden nooit dagen ? Mij dunkt, wij hebben eene gansche nachtwake hier getoefdquot;, en hij zag ongeduldig op naar de Gothische vensterramen, of nog geen ochtendstraal op hunne kleurige glasschijven neerschoot. „Morgen!quot; herhaalde hij met een onuitsprekelijk zielsverlangen, in de spanning van al zijne trekken uitgeduid; „morgen is alles het mijne! Morgen!quot; en het was of geheel zijn lichaam sidderde van hartstocht; want zelfs de hand beefde, die de kroon hield. — Neen, machtige Vorst! gij hebt het niet in uwe hand, het vervullen van uwe wenschen; neen! uw lot zult gij niet regelen naar uw wil; neen daar is er boven u Een, die beschikken zal wat wezen moet; o! het zou u goed geweest zijn, zoo een dichter van uw tijd u had kunnen toeroepen, wat een dichter van onzen tijd, ook te laat, een uwer broederen nariep:

„Sire, tu peux prendre selon ta fantaisie,

L'Europe a Charlemagne, a Mahomet l'Asie!

Mais tu ne prendras pas demain a 1'Eternel!quot;

en als gij hem dan geloofd hadt, en als gij in dat geloof dan niet enkel gebouwd hadt op eigene krachten, het zou u zeker goed zijn geweest, want.... maar Kareis eenzaamheid word gestoord; eene menschelijke gestalte vloog met gejaagde haast door het kerkgebouw; een vroeger gerucht aan eene der deuren bewees, dat het haar moeite moest gekost hebben, om tot hier door te dringen .... Wie was de vermetele, die zulk eene eenzaamheid durfde storen? Het was eene vrouw, ja! maar wie haar zag zweven tusschen de pilaren door van het donkere tempelruim, in het lange witte kleed, ternauwernood geschoeid, met lange loshangende haren, met een gelaat, bleeker dan eene doodswa, en uitgeteerd als dat van een lijk, zou in verzoeking

ocr page 185

161

zijn gekomen, haar voor een verschijning te houden; de fakkeldragers ten minste kruisten zich en wendden doodelijk verschrikt het hoofd af; zoo ze gedurfd hadden, waren zij gevlucht. Karei zelf zag haar naderen met eene verbazing, die aan schrik grensde — terwijl hij vroeg;

„Is een van deze dooden uit het graf opgestaan, of komt mijne lieve vrouw Cecilia, die ik voor hooge patronesse houde, zelve tot mij ?quot;

„Mijn groote Vorst!quot; riep Süschen — want geene andere was de gedaante — terwijl zij neerstortte aan zijne voeten, hetzij door uitputting, hetzij uit eerbied ; „ik ben eene sterfelijke ongestorvene ; ik ben uwe dienstmaagd, die u komt waarschuwen voor groot verraad, dat aan u gepleegd is ; — de Keizer —quot; en haar zenuwachtig hikken maakte de woorden bijna onverstaanbaar, „de Keizer zal u niet kronen ; de Keizer is weggetrokken uit Trier.

Karei de Stoute lachte luid en hartelijk; toch sprak hij toornig:

„Slimme tooverheks! wie u omgekocht heeft tot zulk een loos alarm, kan eene schrale voldoening vinden en alleen u eene kwade zaak maken; wij gelooven niet aan heksen, noch aan hare tijdingen; maar toch, als zij met zulke boodschappen komen, is de scherts te grof, en wij verbranden ze in het gele boetehemd''.

„O, zoo waarachtig er een God boven ons is, zoo zeker als Jezus' moeder leeft, bij mijne zaligheid en bij de uwe, die mij nog liever is, het is waarheid wat ik spreek en, lacy ! geen bedrog! Zij hebben den Keizer tegen u opgezet of verbitterd, tot hij besloten heeft, u geenszins tot een Koning te maken, en uit vreeze voor u heeft hij zich weggerept uit onze stad, met allen, die van zijn huis zijn!quot;

„Als gij tusschen de nijptangen mijner beulen gevat zijt, zult gij spijt hebben van uwe leugen, duivelsche heks!'' riep Karei in een soort van woede over eene zoo nuttelooze stoornis.

„Laas! Helaas! Heer! gij noemt mij met gruwzame namen, maar zoo gij gediend zijt met mijne pijniging, met mijn dood, 300 roep vrij uwe lieden; ik geef volgaarne dit leven voor u

Kroon, Karei de Stoute. 11

ocr page 186

162

op! O! hoe ik wel gewenscht had, u andersl en in blijder stond wjfêr te zien; en hoe ik van de Heiligen bidde, dat alleen de smart mij treffen mocht, want het is door mij — om mij — dat dit over u gekomen is en toch ...

„Wie laat dit wijf tot mij?quot; riep Karei, stampvoetende van ongeduld; was dan eóne vrouw niet genoeg, om mij razend te maken den ganschen dag!quot;

„Gij zelf, Heer! en met recht,'' hervatte zij, „want ik ben u trouw en toegedaan, boven ieder wie er zijn mag, en ik bid u, wil u herinneren en mij dan gelooven; ik ben dezelfde, die gij menschelijk en barmhartig behandeld hebt, toen zij uwe bescherming noodig had; het arme Badensche meisje is wel uw geheugen ontgaan, maar ziekte noch ellende hebben mij u doen vergeten: zie deze keten!quot;

„Ha! de kleine Triersehe!quot; riep Karei, met dat Vorstenge-heugen, dat alles zoo goed bewaart, wat betrekking heeft op hun wèldierbaren persoon. „Van u kind ! geloof ik geen boo? opzet; maar gij moet in ijlende koorts zijn of in krankzinnigheid, om te spreken als gij doet. In trouwe, gij ziet er uit als eene gestorvene; gij waart wellicht ziek en komt tot mij in ten dollen, wilden droom, wetende, dat het heden mijn vierdag is; maar gij komt veel te vroeg, en uw staat eischt het toezicht van een geneesmeester, beter dan een feestgewoel ... .quot;

„O! ik wilde zijn, als gij spreekt, Koninklijke Heer! zoo ik daarmeê onwaar kon maken, wat ik boodschap; zelfs ben ik ziek en alleen maar in 't heimelijk weggeslopen uit het huis mijner vrienden, en alevel is waarachtig, wat ik zeide, de Keizer is weg en zal u niet kronen. En aan dit teeken zult gij onderkennen of het waarheid is. De groote klok der St. Sime-onskerk zal eene wijle kleppen tegen gewoonte, als de laatste man van zijn volk veilig is ingescheept; dan zullen de burgers onder de wapenen komen, en de lieden van den Keurvorst» want zij vreezen u. Luister!quot; riep zij plotseling met hartstochtelijke ontzetting, en greep zijne hand, als om hem opmerkzaam te maken.

Bij hare laatste verzekering had Karei toegehoord met den

ocr page 187

163

ernst van wie gelooft, maar zóó onbewogen strak in houding en gelaat, met zóó glasachtig starende oogen, dat hij een standbeeld scheen, in was geboetseerd; doch toen zij „luister!quot; zeide, was het of hij werkelijk zonder adem was en zonder leven; hij liet zijne hand over aan de krampachtige drukking van het meisje — hij luisterde — hij hoorde — ja! waarlijk een klokgeklep! haastige tonen, maar die doordringend waren en schel.

Bij den eersten toon, die zijn oor trof, slaakte Karei van Bourgondië een gillenden kreet, die niers menschehjks meer had, zooals alleen een razende wolf dien slaken kon, of een kwaadaardige krankzinnige, een gil, die de glasschjjven deed rinkinken in hunne looden gevatsels, en difs schril en akelig werd teruggegeven door de echo's van het holle en ledige gebouw; tegelijk stortte hij voorover op den harden zerksteen, de kroon in de rechterhand vastgewrongen. In dien bliksemsnellen val werd ook Süschen neêrgerukt, die geene tegenwoordigheid van geest had gehad om hem los te laten; eene wijle geknield aan zijne zijde, vergat zij zich in uitroepingen van geklag en smart; hij moest dood zijn of krankzinnig, meende zij; en zij wist niet of ze tot God moest bidden om bet behoud zijner ziel of tot de menscben roepen om de redding van zijn lichaam. Zij waagde eene poging om hem het hoofd op te heffen; zijn voorhoofd was loodkleurig opgezet, bloedig; maar bij de eerste aanraking harer zachte vingeren koud en stijf van ijzing, hief hij zich schichtig op, en zag haar sprakeloos aan, maar zoo woest en zoo dreigend, dat zij rillend heenvlood; zij durfde niet meer met hem alleen zijn.

„Wachters! Heeren!quot; riep zij, naar de deur der kapel ijlende, „uw Meester de Henog raakt in waanzin, zoo gij niet te hulp komt! Hierheen, als gij hem trouw zijt, hierheen!quot;

Verschillende oorzaken hadden de bewoners van St. Maximijn reeds op die plaats verzameld. De Groot-Kamerheer was opgewekt om den sleutel af te geven; de schildknapen, die den Hertog hadden moeten volgen, hadden den slaap niet meer gezocht, maar bleven zich onthouden in de gaanderij, die naar de kapel leidde, ieder kwartier zijne terugkomst verwachtende,

ocr page 188

164

waarbij hunne diensten opnieuw zouden vereischt worden, zich meer verwonderend dan ontrustend, dat hun Meester zoolang terugbleef.

Met een moed die alleen uit de hoogste spanning der zenuwen kan verklaard worden, had Süschen aan de voorpoort van het klooster gerucht gemaakt en geëiseht binnengelaten te worden. De portier had het haar aanvankelijk geweigerd, maar het zien van des Hertogs bekende keten, die zij hem voorhield; hare bede om den hofmeester te zien, aan wiens zorg zij door Karei was aanbevolen, en wiens naam zij ten naastenbij onthouden had, bewogen hem ten laatste den Sire de la Marche te roepen. Zij gaf haar verlangen te kennen, den Hertog te zien, en wel op staanden voet. Het was van het hoogste gewicht, wat zij te zeggen had; het was zijne kroon, die het gold, voerde zij als drangreden aan. Olivier had Kareis ingenomenheid met dit meisje opgemerkt, was volkomen overtuigd, dat zij geenerlei kwaad kon bedoelen noch bedrijven; zij was hem zoo ernstig aanbevolen, dat hij meende niet te moeten weigeren. Hij zelf geleidde haar naar de kapel, loste de bezwaren der schildwachten op, maar bleef tegelijk in de nabijheid, in eene nieuwsgierige onrust, wat dit zijn kon. Kareis schrikwekkende kreet had hem ten uiterste ontzet, en wel was hij er op bedacht, zijn Meester bjjstand te bieden, maar, als een man van overleg en beraden zin, als een hoveling vooral die Karei kende in zijne vlagen van wilde drift, achtte hij het raadzaam niet alléén te komen; hij snelde de kloosterwoning in, en keerde niet dan ver-zeld door vele edelen en bedienden, allen gewekt en opmerkzaam geworden door het ongewone klokgeklep, dat aanduidde, hoe or iets bijzonders voorviel te Trier. Die allen kwamen dus toeschieten op Süschen's geroep. Zij vonden den Hertog in eene verwildering, die bijna onbeschrijfelijk is : het bloed van het gewonde voorhoofd vloeide over zijn aangezicht, waarvan de trekken eene dierlijke woestheid hadden aangenomen ; zijne oogen hadden eene uitdrukking, die huiveren deed; zijn dik gitzwart haar was te berge gerezen; een wit bruis stond op de ontkleurde lippen; hij liet van tijd tot tijd brullende klanken hooren, die geene verstaanbare woorden waren, maar die verwenschingen beduidden tegen den Keizer, tegen zich zeiven, tegen God! Hij liep rond,

ocr page 189

165

zwaaiende in iedere hand eene fakkel, die hij zijn dienaars ontnomen had, en waarmede hij willens scheen de zijden draperieën en behangsels te doen ontvlammen. Allen, die tot dicht bij hem durfden naderen, wierpen zich op do knieën en spraken hem toe bij zijn titel.

„Terug! — van hier! — wie roept ulieden ? wij willen alleen zijn!quot; —- stootte Karei bij tusschenpoozen uit, en ten laatste voegde hij er nog bij: „Nu dan, wat verlangt gij?quot;

„Wij meenden, dat Uwe Hoogheid onzen dienst begeerde; wij yerlangen hare bevelen te weten,quot; sprak Olivier de la Marehe.

„Wij bevelen u ons te helpen, dit vervloekte gebouw in brand te steken of in puin te doen storten !quot; hernam de Hertog met krijschende stem, en keerde hen den rug toe, zich heenwendende naar het altaar. De hovelingen overleiden onderling wat zij doen moesten, en het scheen hun toe, dat de lichttoortsen in handen een gevaar dreigden, dat het allereerst moest worden afgewend ; maar hoe? De jonge page Colonna, een Italiaan, die na den dood van Hertog Nicolaas mede in Kareis dienst was gekomen, en die zijn lieveling was, ging moedig op hom toe en sprak eerbiedig, doch vast:

„Mijnheer! het is niet oorbaar, dat gij u zeiven toelicht; gun mij die eere!quot;

Karei antwoordde niet, doch hij wierp hem de fakkels toe, die gebluscht werden door dien val; maar hun licht was voortaan onnoodig, want behalve dat de komenden zich van toortsen voorzien hadden, goot het daglicht zijne eerste stralen uit op dit tooneel, dat het blauwachtig bleek verlichtte. Het was iets akeligs, dat zachte licht, in strijd met de glimmende vlammen der toortsen, vooral waar beider schijnsel tegelijk neerviel op die aangezichten, verward en bleek van vreeze en onrust over eene woede, waarvan zij de oorzaak nog niet kenden, en op dien man, anders zoo vorstelijk, zoo waardig, zoo schitterend, die zich nu door razernij en hartstocht liet wegslepen, om te handelen als een ijlende krankzinnige, en die, ondanks het mensche-lijk verstand, dat hem nog restte, alleen der wanhoop gehoor gaf over den eersten slag des tegenspoeds. En toch was die zielstoestand het natuurlijk gevolg van geheel zijn leven, van zijn

ocr page 190

166

karakter, of liever van de wijze, waarop zijn grootsohe aanleg was verloren gegaan. Karei hield zich, in zooverre het niet zijn erfgoed betrof, voor den bouwheer van zijne eigene grootheid; hij meende zijn voorspoed, zijn krijgsgeluk, het gezag, dat hij verkreeg, over zijne naburen, den sidderenden eerbied, dien de menigte hem bewees, aan niets anders te moeten danken dan aan zich zeiven, aan zijn beleid, aan zijn ijver, aan zijne kracht; hij meende, dat hij zijne toekomst evenzeer in eigen handen hield; hij meende dat hij ziohzelven genoeg was in alles en te allen tijde; hij had er nooit aan gedacht, boven zich op te zien, en zijne kracht daar te zoeken, vanwaar de sterkte uitgaat, die niet beschaamd wordt; hij miste het geloof in God, om het met één woord te zeggen; riet dat hij vergat vroom te zijn met de vroomheid van zijn tijd; niet dat hij verwaarloosde God te aanbidden nevens de wezens, wien men hem geleerd had goddelijke eere toe te brengen; wij hebben hem zien bidden on offergaven brengen; hij diende hem met gaven van zilver en reukwerk; in liefdegiften aan de armen; in het stichten van menig bedehuis; maar om hot zoo uit te drukken, hij beperkie hunne macht tot den Hemel; hij gaf hun geen doel aan de zijne op aarde, of ten minste hij dacht er niet aan, om de zijne aan de hunne ondergeschikt te maken; zijn godsdienst was cone verrichting der handen, die geen werkdadigen invloed had op zijn innerlijk leven; zij had hem van niet ééne zonde, van hoogmoed noch heerschzucht, van eigenbaat noch willekeur, van bedrog noch onbarmhartigheid kunnen terughouden. De God, dien hij aanbad, was niet de God van zijn vertrouwen, van zijne hope; niet het hooge Wezen, waarvan hij zich afhankelijk kende en zijn lot liet afhangen; — eene afhankelijkheid, die sterk maakt, in plaats van te verzwakken; die opheft, in plaats van te vernederen: die groot maakt elk, wie eigen grootheid durft vergeten, om klein te wezen voor God. Daarom was hjj gelijk het hnis op een zandgrond gebouwd, toen de rukwinden kwamen; daarom miste hij den steun, dien de afhankelijke weet te grijpen, maar dien hij hoogmoedig van zich gestooten had; daarom was hij te zwak om heerschappij te voeren en te regeeren over zijne hartstochten, die nu als woeste dwingelanden zijn lichaam

ocr page 191

167

teisterden en zijne ziel schokten, en die hem deden woeden als een losgelaten everzwijn, terwijl hij zich als een groot en moedig man had moeten opheffen uit zijn spijt, om met oordeel de keuze te doen van de partij, die hem het waardigste zou zijn en het minst nadeelig. Zekerlijk, dat, wat voor hem verloren ging, was een smartelijk naoogen waardig! Voorwaar, het was eene teleurstelling, die eene groote ramp kon gelijk geacht worden, voor een Vorst zoo fier, zoo eerzuchtig, zoo gretig naar macht; die, eene minuut te voren, aan een Keizersstaf niet genoeg had; die, zoo niet op het wereldgebied, dan toch op het meesterschap in zijn werelddeel het oog gericht hield, en die plotseling neêrgeploft werd uit zijne trotsche luchtkasteelen, om te hooren, dat hij niets meer zou zijn dan wat hij was, Hertog en Leenman van Frankrijk!

„Neen! dat was hij niet komen zoeken met zooveel arbeid, met zooveel opoffering, met zooveel goud, met zooveel tijdverlies, met zooveel gloeiende hoop. Neen ! daarvoor hadden zich Bourgondië en Duitschland niet uitgeput, daarvoor waren niet zoovele hartstochten in beweging gezet, om tot zulk eene uitkomst te komen en zich het hart in het binnenste te doen samenkrimpen van spijt. Daar was meer in die teleurstelling dan verlies, daar was beschaming in, spot, vernedering! Beschaming, spot, vernedering door Fre-derik III, tegenover hem, Kavel den Stouten ! Men kan gissen, hoe zwaar dit bij hem moest wegen! Maar zullen wij dankbaar zijn, dat het rijk van den Leeuw zich niet heeft verwezenlijkt; dankbaar, dat Nederland, dat Vlaanderen, dat Bourgondië niet saumgesmeed werden tot een vast geheel, om met naam en zeden versmolten te worden, en verward en vergeten onder een ander Europeesch Keizerrijk van een nieuwen Karei den Grooten ; zullen wij dankbaar zijn daarvoor, dat het afzonderlijk gebied vervallen moest aan een ander stamhuis, opdat Karei V zou heerschen, opdat Philips II woeden mocht, opdat een krachtig en groot gemeenebest zich vormen mocht uit het bloed en de banden van vertrapte onderdanen, opdat een vroom en ijverig volk biddend en werkend zich verheffen mocht tot een krach-tigen bloei, die beter was dan de ontzenuwende weelde der Bourgondiërs, opdat ten laatste toch een Koninkrijk....quot; maar de

ocr page 192

168

gebeurtenissen worden hier te versch voor bespiegeling, en wél kan men gissen, maar boe raden, wat gevolgd zoude zijn, als gebeurd ware, wat niet is voorgevallen? Wij verhalen liever, hoe de Groote Bastaard, die met den Heer van Chatean-Guyon tegenwoordig was, en die begreep, dat er uit Kareis mond in dezen toestand geene duidelijke verklaring te hopen was, zoo min als eene verstandige daad, het meisje had ter zijde genomen, dat men hem aanwees als de éénige, die de oorzaak van deze hartstochtelijke verwildering kennen moest. Hij ondervroeg haar streng en belangstellend; maar schoon ze bijna bezweek onder vermoeienis en zielsaandoening, kon ze toch zijne vragen duidelijk beantwoorden, omdat ze niets had te zeggen dan de waarheid, die zij kende. Zij verhaalde hem dus, zonder Romualds naam te noemen, hoo de besluiten des Hertogs waren verraden geworden aan den Keizer; hoe zjj zelve zeer gaarne in het belang van den eerste, dien ze haar Heer en beschermer noemde, hem kennis had gegeven van dit verraad, maar verhinderd was geworden door eene zware ziekte, waarvan ze eerst kortelings was opgerezen; met één woord, juist wat wij weten, maar ook wat wij nog niet weten, hoe namelijk Romuald, een half uur na middernacht, iu eene sombere verlegene houding aan het huis van Alterer was gekomen, en Bertha en ülrich bij de heiligste namen bezworen had, om hem een afscheid, een onbeluisterd mondgesprek te gunnen met de herstellende, die uit hare slaperigheid was overgegaan in eene lijdelijke matheid, in eene hartstochtelooze onverschilligheid, waarbij zij al het verledene scheen vergeten te hebben, en die de herstelling harer lichaamskrachten aanvankelijk steunde. Hoe ülrich meende, dat het weerzien van den vriend haar goed zoude doen, terwijl Bertha de bede van dei schoenen jongeling niet kon weerstaan, schoon zij er geen voordeel uit hoopte voor de vriendin. Hoe Süschen, bij het zien van dit beeld uit de dagen der onrust, weêr teruggekomen was tot bewustzijn en herinnering.

Toen had Romuald haar, onder voorwaarde harer vergiffenis, verhaald, dat men hem gekerkerd gehouden had tot nu toe, en niet ontslagen, vóórdat de Keizer vertrokken was, uit vreeze ■van onbescheidenheid — zóózeer wantrouwt men een verra-

ocr page 193

169

der! had de jongeling er in de bitterheid zijns harten bijgevoegd; — dat het gevolg van minderen rang zich eerst op de Moezelsehniten zoude inschepen omstreeks drie uren later, opdat de opschudding in Trier geen te vroegen argwaan mocht geven. En dat hij van zijne vrijheid had gebruik gemaakt om haar dit te zeggen en vergeving al' te smeeken, daar hij schuldeloos oorzaak was van al dit leed. Ter vergoeding daarvan, droeg hij Süschen op, Karei van Bourgondië tegen den man te waarschuwen, die, schijnbaar uit 's Keizers dienst verjaagd, den Hertog het eerste bericht zou komen brengen van Frederiks aftocht, maar die niets was dan een huurling van Frankrijk, omgekocht, om van al de bewegingen der Bourgondiërs tijding te geven aan Frankrijk en Oostenrijk, die op het punt stonden bondgenooten te zijn. Romuald wist dat van zijn Heer en begunstiger, Sigibert, die hem nog even had bezocht, en zoo Süschen dit alles in korte woorden wist over te brengen, was het de kracht der liefde, die haar geheugen scherpte voor wat haar verstand nauwelijks vatten kon; zóóveel verraad en zóóveel trouweloosheid van zóó hooge personen onder elkander, en die men haar geleerd had te eeren als Gods vertegenwoordigers op aarde!

En waarlijk, het moest bevreemden en ontzetten, voor wie niet wist, dat het een tijd was, dat Vorsten, als gewone bannelingen, daden bedreven, waarvoor een gering edelman zich te fier of te eerlijk zou geacht hebben; en het is ook waar, dat er voor den Keizer bijna geen andere kans overbleef dan deze laaghartige vlucht — want met een zachter woord is het wel niet te noemen — voor een Keizer als Frederik was, ten minste, die den krijg schuwde, nog minder uit lafheid dan uit kleingeestigheid; die, om der wille van zijn keizerrijk, den moed niet zou gehad hebben. Karei in het aangezicht zijne eischen te ontzeggen, of op de vervulling van diens beloften aan te dringen, dan de éénige ronde keizerlijke weg ware geweest. Ook was Karei de Stoute met de boste helft zijner uitmuntende krijgsmacht in deze dorpen gelegerd, en wat de overmoedige, gewelddadige man in het hevigste vuur van zijn toorn zou durven ondernemen, dat kon Frederik niet indenken, zonder die kille huivering van vreeze, die hem bewoog tot

ocr page 194

170

eon heimelijk wegsluipen buiten zijn bereik. Kareis woorden aan het l'eestmaal waren hem een bewijs geweest, dat deze zich het voordeel z'ijner stelling zeer wel bewust was, en niet al te schroomvallig om er partij van te trekken. Wat dus ook de Aartshertog smeeken mocht, dien men wel eindelijk met het plan moest bekend maken, hij wilde niets anders tegen bedrog overzetten dan list — en geenszins die koene, waardige houding aannemen, die misschien tot eerlijkheid van de andere zijde had gedwongen. Karei had nog zijne kroon gewonnen, als hij op dien avond het bezoek van den Aartshertog aan Maria had willen toestaan. Toen werkelijk de Jonkvrouw van Bourgondië gekomen was, begon de Keizer, zwak en twijfelmoedig als hij was, liever te gelooven aan het bedrog van llomuald, dan aan dat van Karei, en die samenkomst der jongelieden in tegenwoordigheid van den vader had hij in zijn hart tot het zegel gemaakt van diens oprechtheid. Maria's aanwezigheid had zijn besluit bepaald, om de kroaing te laten doorgaan; dan, we weten met hoe weinig omzichtigheid, met hoe weinig hoffelijkheid zelfs, zij geweigerd werd ; de Hertog van Bourgondië had zich zelf den slag toegebracht, die hom zoo diep treffen.

Toen Süschen van dit alles wist, wat men begrijpt dat zij ■weten kon, en toen Romuald haar had verlaten, bleef' zij met duizend strijdige overleggingen op hare legerstede worstelen. Zij had vernomen, dat de Zwarte poort, juist die, welke naar St. Maximijn leidde, open zou blijven tot aan den morgen, om den laatstblij venden trein des Keizers uittocht te verleenen; do grootste eenige zwarigheid was dus, heimelijk uit haar slaapvertrek, uit het huis te ontsnappen; want dit besluit stond vast bij haar, als de uitkomst van hare innerlijke beraadslagingen; de geliefde man moest uit haar mond het ongeluk het eerst vernemen, dat door geen anderen hem met meer medegevoel kon worden aangekondigd; daarbij had zij hem te waarschuwen voor de valsche dienstaanbieding. Zij dacht er niet aan, hoe gevaarlijk eene boodschap als de hare kon zijn, aan een man als dezen; zij dacht niet aan hare zwakheid, die haar tot hiertoe nog slechts vergund had, een gansehen dag zittende op te blijven; maar zij werd er pijnlijk genoog aan herinnerd;

ocr page 195

171

want toen zij nit de tasoh van Bertha, die in hare kamer sliep, den sleutel des huizes in hare macht gekregen, en na een los morgenkleed van witte wolle te hebben aangetrokken, zonder zich tijd te gunnen voor het ordenen harer lokken, het hoofd slechts gedekt had met de kap van haar kleed; toen zij hare keten, haar talisman, bij zich had gestoken, en, met muiazachte schreden, de slapende voorbijtrad, en angstig en bevende de gastvrije huisdeur had ontsloten, toen voelde zij eerst, wat zij miste van vroegere krachten, van vroegere gezondheid, die zoo luchtige vlugheid had geschonken; maar zij voelde ook, dat zij voort moest, alevel voort; mocht zij bezwijken aan zijne voeten, het ware zoo! Zij had dien grootschen man reeds meer geofferd, dan haar leven: zij zou nu om zoo iets gerings zijne zaak niet opgeven ! O! die hel'tige overspanning van een brandenden hartstocht brengt voor eene wijle bovenmenschelijke krachten aan, maar krachten ook, die sneller sloopen dan de vreeseiijkste zwakheid; Süschen dolf haar graf in dien nachtelijken tocht, waarbij zij nog te kampen had met al de angsten der schuchterheid met al de vreeze des bijgeloofs; met al de ontzettingen der onwetendheid! O! wie het teêre kind voor korte weken zulk een tocht had voorspeld, de onmogelijkheid ware door haar met huivering bezworen geworden; en toch, zij heeft dit kunnen volbrengen; zij was zelfs na hare verklaring aan Antoni van Bourgondië nog niet weder ineengezonken, want onrust, schrik, ontzetting voor den zielsbeminde hielden haar nog opgericht.

Zoodra de Bourgondische Edelen de wond kenden, waaraan hun meester bloedde, wisten ze beter de wijze, hoe die te verplegen; ook naderden ze opnieuw den Hertog, die intusschen, in den roes der driften voortijlende, zijne eigene kostbare en hooggeliefde sieraden had vertrapt, dooreengeworpen, verpletterd; hij trad met de beide voeten op den koninklijken mantel, dien hij neer-gerukt had van de credenz; hij had het zwaard opnieuw gevat, en verwondde zich daaraan bij zijne wilde en onvoorzichtige gebaren; zijne handen bloedden, maar hij voelde het niet, of liever, het was hem onverschillig; hij had zich het vel van de borst opgereten met zijne lange, scherpe nagels; en het was ijzingwekkend, afzichtelijk te zien, hoe hij de achtbaarheid van

ocr page 196

172

zijn voorkomen en de welvoegelijkheid gansch vergat, in het bijzijn van zoovele zijner Grooten, en zelfs van zijne lagere dienaren ; de eersten waren edelmoedig en trouw, en hadden mede-Ijjden met die groote teleurstelling, die tot razernij voerde; maar de anderen, grover van gevoel, lager van beginselen, zagen niet allen toe met eerbiedigen weemoed, wij hebben het opgemerkt, hij was niet zacht voor wie hem dienden; hij had hun te vaak de uitwerkselen zijner driften en kwade luim doen voelen ; te veel gestraft met hardheid, zonder liefde; te veel hooge koelheid gesteld tegenover hun ootmoed; te weinig ontzag gehad, ook voor hunne rechters, dan dat zij hem hadden kunnen liefhebben, gelijk zij hem vreesden; dan dat er niet onder hen gevonden werden, die zich in dit schouwspel met lage, doch niet onnatuurlijke zegepraal verlustigden, en velen van de menigte die nu meer en meer aangroeide, hadden meer nieuwsgierigheid, hoe dit tooneel een eind zou nemen, dan belangstelling, of het te zijner eere zoude zijn.

Karei scheen zelfs van zijne huisgenooten, van zijne bloedverwant zoo iets te vermoeden; want toen Antoni de Bastaard tot hem zeide ; „Doorluchtige Vorst! gij ziet ons allen verpletterd door eene trouweloosheid . .. .quot; liet hij hem niet uitspreken, maai strekte gebiedend het zwaard naar hem uit ; en met eene daverende stem riep hij: „Terug! terug, verraders! want verraders zijn er onder u! Nadert mij niet, dan met den eerbied, die mij toekomt als Koning, als Keizer! want ik zal beiden zijn, ik za! het zijn, ten spijt van den bedelaar Frederik, en van de schelmen, zijne Keurvorstenquot;.

Antoni begreep; hij dankte den Hemel, dat de Hertog zich ten minste begon te uiten.

„Mijn Souverein!'' sprak hij, „in trouwe, het denkbeeld is goed; zet u zeiven deze kroon op het hoofd, in dezen zelfden oogenblik; hebt gij geene Bisschoppen genoeg om u te wijdan; zijn wij niet met een goed getal hooge leenmannen hier, om u trouw to zweren: wat zoudt gij den Keizer danken, wat hij uit eigen kracht vermoogt?quot; En hij bood hem knielend de kroon aan. die hij had opgeraapt.

Karei lachte met een wilden lach, en nam die begeerig; een.

ocr page 197

173

oogenblik bezag hij die aarzelend, — toen sprak hij met een diepen blik van argwaan, hoogheid en schranderheid:

„Opdat gij u morgen Hertog zoudt laten huldigen, nit eigen macht; opdat gindsche jonker baanderheer zou heeten, eer wij eene maand verder waren; opdat.... Neen! bij de eer van St. Joris, niet alzoo!quot; en hij wierp het blinkend sieraad op den grond, en trapte het ineen onder den voet. Toen was er geene kroon meer voor Karei den Stouten.

Zoo had de doldriftige Vorst te midden zijner woede begrepen, dat met die daad, die men hem voorstelde, het gansche leenstelsel in duigen viel, dat eerwaardige en vaste gebouw der middeleeuwen, dat van den Keizer af tot den kleinsten leenman toe, zich aaneenschakelen en steunen moest, zou het opgericht blijven.

„Neen!quot; vervolgde Karei, „wij zullen ons zeiven helpen; raaar anders, maar beter, maar zóó, dat het Rijk er van gewagen zal, en dat geen Vorst meer den moed zal hebben, ons te bedriegen. In den zadel. Edelen en Vazallen! in den zadel! en wie mij trouw is, vinde den weg uit, dien de schurk is heengevlucht, en wij zullen hem terughalen, al verschool hij zich in het diepste ,van zijn Keizerrijk; al verschool hij zich in den schoot van den Heiligen Vader! en wij zullen hem tcrugsleuren aan den staart van ons ros, hierheen naar deze plaats; bij zijn grauwe haren zullen wij hem sleepen voor dit altaar; en met de dagge op do keel hem dwingen, dat hij ons de kroon op het hoofd zette!quot; Des Hertogs harde en krachtige stem had dit weder zoo verstaanbaar gesproken, zoozeer op zijn eigen toon, dat ieder het verstond en begreep; vandaar ook, dat allen huiverden en verbleekten, als bij eene godslastering. De Majesteit der Kei-zeren van het Heilige Roomsche Rijk was iets zoo onschendbaars bij de volkeren dier eeuwo; de hand te slaan aan zoo eerwaard een gezag scheen zoo zeker eene heiligschennis, en Karei was zoozeer de man om te ondernemen, wat zijne driften hem ingaven, dat al die onderdanen op het punt stonden om hun meester te schuwen, als een, die in den rijksban was vervallen. Adolf van Ravenstein, zijn geliefdste vriend en wapenbroeder, en Lodewijk van Bourbon, bisschop van Luik, zijneerwaardige bloedverwant, traden nu toe.

ocr page 198

174

„Mijn Heere!quot; sprak de laatste op ernstigen toon, „al ware gansch Bourgondië verloren, het betaamt geen Christenvorst dusdanig te woeden, en zulke woorden'te spreken inOodshuis! quot;Wij zullen u eeren als den machtigste en grootste onder de menschen; maar gij moet den Heere Jezus eeren, in wien onze zaligheid is; en gij moogt niet dns met ongewijde voeten treden op Zijn altaar.quot;

Karei maakte onwillekeurig het teeken des kruises, on zag om zich; werkelijk stond hij op de plaats, waar alleen de Priester recht heeft den voet te drukken.

„Ik heb zooveel gedaan voor uw God en uwe Heiligen, en hebben zij eenmaal te mijner gunste beschikt, dat dit verraad mislukte? Ik ben zat van te dienen wie verlaten in nood.quot;

De Bisschop zag hem droevig aan bij dit antwoord, en zeide alleen: „Hebt gij hunne hulp ingeroepen?quot; toen ging hij ter zijde. Karei hief dreigend de hand op, maar verliet toch de plaats en nam den arm van Ravenstein. „En wat zegt gij daartoe, Neef?quot; vroeg hij.

„Mijne meening is, dat een bedaarde aftocht eervoller zijn moet dan eene gluipende vlucht. Frederik heeft het laatste gekozen; mijn Vorst, wat dunk u van het eerste?quot;

„Dat gij ons ter goeder ure aan onze krijgsdaden herinnert, en aan ons goed leger. Ja, wij blijven niet langer in een oord, waar men ons heeft verraden; — die Frederik, die slaafsche huichelaar, dat hij mij dit heeft durven doen; o! het kan niet waar zijn; ik wil niet, dat het waar zij! Hoort gij allen, ik zeg het u, het is eene leugen; zoo durft een Frederik Karei van Bourgondië niet uittarten!quot; en hij geraakte weder in die verwoedheid, waarvan hij zooeven een weinig tot kalmte scheen te komen.

„Wij zullen lieden naar Trier zenden om er de zekerheid te hebben. Doorluchtige Heer!quot; sprak Ravenstein; „maar ge hebt mij nog uwe bedoeling niet duidelijk gemaakt.quot;

„Ik weet niet meer....quot; hernam de Hertog, naar den grond starende, en hjj sloeg zich het voorhoofd met de gebalde vuist. „O! ik zal hierna nooit meer zijn wat ik was.quot; Dit woord werd opgevangen door het meest deelnemende hart, dat er onder de aan wezenden voor hem kloppen kon. Ontslopen aan de

ocr page 199

175

vriendelijke zorg van den Sire de la Marche, was Süschen zoo dicht mogelijk nabij den Hertog genaderd; hare ziel werd door de strijdigste gewaarwordingen geschokt, zij had zich haar held grooter gewenscht, anders; zij had hem verschrikkelijk kunnen zien, maar niet afzichtelijk; zij had hem leeuw gewild, maar geen gisrende wolf! Ook kon zij het niet verdragen, de klacht der moedeloosheid uit zijn mond te hooren; zij vatte er moed uit om hem toe te spreken; zij, het zwakke kind, nu al die mannen daar in ontzetting terugbleven.

„Mijn Koninklijke Heer!quot; riep zij, „dat is geene taal voor uw mond. Wie durft meenen, dat gij niet altijd blijven zult, wie gij zijt? Hebt gij eenig ding verloren sedert gisteren? en waart gij toen niet de heerlijkste Monarch van de Christenheid? en zijt gij iets minder machtig, iets minder rijk, eenigszins kleiner van moed of minder van dadea? O! mijn genadige weldoener! als gij hier geene moeder hebt om u te troosten, of geene zuster, hoor dan het woord van uw slechte dienstmaagd, en laat die lieden allen niet zien, dat gij betreurt, dat gij zóó betreurt, wat gij niet noodig hebt, om de meerdere te zijn van alle groote Heeren op aarde''.

Was het hare zachte doordringende stem, welluidend als zoete muziek, was het de onuitsprekelijke liefelijkheid van haar wezen, zoo uitgeteerd, zoo bleek, en toch zoo engelachtig schoon; of was, zonder dit, de roes der hartstochten uitgewoed, en hernam de rede eindelijk hare rechten? Wij durven het niet beslissen, maar Karei keerde zich tot zijne Edelen met meer waardigheid en met kalmer oog: „Deze kleine heeft beter gesproken dan één van u; want zij herinnert ons, dat wij hier voor al deze lieden eene vertooning maken, die boter voldoet aan hunne ijdele nieuwsgierigheid, dan aan onzen plicht, om de hoogheid van onzen rang te handhaven. Graaf van Kleef' gij hebt mij zooeven gevraagd wat ik besloten had; ik meende toen te antwoorden: Trier te verwoesten, en als fakkels te gebruiken bij onzen terugtocht; maar deze kleine burgeres heeft hare stad gered: wij zullen ons beter beraden. Alleen wij zjjn niet gewoon, staatsraad te houden met zoovele toeschouwers, noch in een kleed, waarmeê wij op zijn best eene vroegmis konden bijwonen.

ocr page 200

176

En het is niet voegzaam, mijne Heeren! dat zoovelen uwer onze eenzaamheid kwamen storen. Sire de la Marche! mijne hofmeesters zijn belast met de toebereidselen tot de afreize. Kom, Adolf! uw arm.quot; En Süschen voorbijgaande, keerde hij zich snel naar haar om. „Gij, hupsehe deern! wees gedankt; wij zullen u belooneu: gij zolt met ons blijven; wij nemen u in dienst bij de Hertogin onzer echtgenoote.quot;

„Echtgenoote, Heer!quot; vroeg Süschen met doffe stem en glasachtig starend oog; — „zijt gij een gehuwd man?quot;

„Wel zeker kind! de Hertog van Bourgondië zou geene hand kunnen vrijhouden, al had hij er vier te besteden,quot; hernam hij, schielijk verder gaande.

„O mijn God! wat ik eene groote zondaresse ben!quot; riep het meisje, en zonk neder nevens den pilaar, waartegen zij leunde.

Karei de Stoute trad haastig door de rijen zijner vazallen en dienaren heen, die eerbiedig plaats maakten met eene mengeling van bewondering, ontzetting en medelijden voor dat groot-sche en zonderlinge karakter, dat zich zoo bandeloos prijs kon geven aan zijne driften, en zich te midden daarvan toch weêr zóó kon beheerschen. Toen hij buiten de kapel was gekomen, bleef hij stilstaan eu zag even om. Adolf van Kleef wisselde een blik der hoogste verbazing met de andere Heeren; zij aanschouwden wat ze nooit hadden gezien: Karei de Stoute verblekkte!

„Helaas! al mijne grootsche plannen op Duitschland laat ik daar achter,quot; sprak hij zacht en dof.

„Niet één enkele daarvan,quot; antwoordde eene krachtige mannenstem uit degenen, die ter zijde stonden.

„Het woord was niet voor u, gij daar, die zoo vermetel spreekt,quot; hervatte Karei terstond weêr voor zich zelf.

„Het kan zijn, mijn Hertog! maar als ik u aanwijs, hoe het waar kan worden ? Mijne wapenen voegen u wellicht niet, maar mijn devies zal u gevallen ; het luidt: quot;Wraak in den val van Oostenrijk!quot;

„Waarachtig, het klinkt goed,quot; riep Karei tevreden; „volg mij, man, wij willen u hooren in onzen raad. Wie zijt gij ?quot;

„Peter Archibald van Hagenbach, Landvoogd van Ferettequot; antwoordde deze.

ocr page 201

HOOFDSTUK XII.

In den raad, door den Hertog van Bourgondiö belegd, waren de gevoelens als altijd zeer verschillend geweest. De Graaf Engelbert van Jfassau had den moed gehad, het vredebrengend voorstel te doen, om de Jonkvrouw weikelijk aan den Aartshertog uit te huwen, waarna Keizer Frederik geen oogenblik aarzelen zoude, om de gewenschte kroning te volbrengen; maar schoon enkele Edelen hem ondersteunden, het werd met een hoonend woord door Karei verworpen. De Bastaard van Bourgondië, in het belang der tegenwoordige hertogin, drong aan op vaster verbintenissen met het regeerende Huis ^an Engeland, dat een trouwe Bondgenoot kon zijn tegen Frankrijk, zich stnjdgenooten en vrienden te maken in de Zwitsers, de geboren vijanden van Oostenrijk, en gezamelijk den Keizer onder eenig voorwendsel den oorlog aan te doen, of de kroon te maken tot voorwaarde van den vrede. Adolf van Ra-vcnstein had tegen den oorlog met den Keizer, en meende, door onderhandelingen en door aanbiedingen in geld, des Hertogs wensch het spoedigst bevredigd te zien. Mijnheer de Chateau-Guyon kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug, het huwelijk van den Dauphin met Maria, of ten minste een oprecht en vast vredesverbond met Frankrijk, altijd met oogmerk, om tegen het hoofd van het Duitsche rijk te handelen. En zeker, het laatste ware het doeltreffendste geweest: Karei zelf zag het in; maar geen van die raadgevingen was eigenlijk meer te volgen, en alle minder dan de laatste. De Hertog had zich aan die zijde volmaakt den weg tot vrede versperd. Want, wij moeten

Kroon. Karei de Stoute. 1^

ocr page 202

178

het eens en vooral zeggen, vroeger noemden wij hem van zijn tijd ; maar, om waar te zijn, hadden wij hem er beneden moeten plaatsen; want ziet, de tijd der ijzeren mannen van de middeleeuwen begon langzamerhand voorbij te gaan, de beurt kwam aan het hoofd, aan de zedelijke kracht, aan den volhardenden wil, die met stille en langzame schreden op zijn doel afging, en het omzichtig en behendig wist te vatten, nadat hij met onuitputtelijk geduld het oogcnblik van den greep had afgezien; zóó ten minste deed Lodewijk Xt, die zeker zijne eeuw begreep; dte een vastgesteld ontwerp nooit weêr losliet, het doorzette en er het oog op richtte door alle belemmeringen heen, maar langzaam, maar met geduld, maar met onvermoeide inspanning van al zijne krachten, er been sluipende langs bochtige zijwegen, ol' er naar voortjagende langs een onmetelijken omweg; die zich er voor wist te krommen, te plooien, te vermommen, te laten vertrappen als het zijn moest, maar die er zich zoo min van scheidde, als de spin van haar draad, hoe onzichtbaar zij ook bij machte is dien te weven; en die het bereikte, en die het hield, en die gestorven is na zijne taak voleind te hebben. Niet alzoo Karei. Nog droomende van de stoute, schitterendste feiten der ridderschap, stelde hij zijn beste vertrouwen op zijn zwaard, hij wilde altijd doorhakken wat zijn mededinger voorzichtig weerde. Met zijne geduchte legermacht achter zich, hield hij niets voor onmogelijk, rekende hij alles in zijne macht, meende hij niets verder te behoeven. Ja, het is zoo, hij ook bracht zijne offers op de altaren der staatkunde; hij ook koos wel eens de sluippaden van list en de omwegen der voorzichtigheid; maar hij had geen geduld, om de uitkomst af te wachten van zijne offers; hij gebruikte de list onhandig en het bedrog ten ontijde; en als hij eens op eene omweg was, liet hij zich afleiden van zijn doel; en nooit was een Vorst ongelukkiger in de keuze der middelen om het te bereiken. Zóó had hij niets dan een wapenstilstand weten te verkrijgen van zijn machtigen nabuur van Frankrijk, en in plaats van te zorgen, dat deze in een vasten vrede verkeerde, was hij het juist, die, met onverklaarbare nalatigheid, zijne onderhandelaars terughield, vergat te zenden of opontbood, zoodra die van Lodewijk ernstige

ocr page 203

179

voorstellen hadden aan te bieden. Zoo had hij, wel verre van zich te verbinden in eene nauwe vriendschap met die Zwitsers, die tegen Oostenrijk zijne nuttigste en oprechtste Bondgenoo-ten konden zijn, hun wantrouwen opgewekt, en geen stap gedaan om hen gerust te stellen, eene fout, waarran LodewijkXI met zijn geest van vooruitzien al de partij had getrokken, die hem mogelijk was. Van de zijde van Engeland had hij York gehuwd en Lancaster heimelijk de hand gereikt. Zóó altijd slechts vóór zich ziende, en nooit om zich heen of achterwaarts, had hij zich in velerlei ondernemingen tegelijk gestort, zonder er ééne deugdelijk ten einde te brengen, en, nog ten overvloede, door een onredelijk, ontijdig overgeven aan boozen trots of nuttekozen toorn, was hij veeltijds den beer gelijk, die alleen met zijne plompe kracht de angels van dreigende bijen rondom zich uittart. Maar het duchtigste bewijs, dat hij niet stond op de hoogte der eeuw, die men tegemoet ging, was juist dat vasthouden aan het leenstelsel, dat hem schromen deed, uit eigene macht de kroon op het hoofd te zetten, daar, zoo iemand, Ay had moeten durven; daar hij na het gebeurde toch met den Keizer stond op een voet, die geen vrede kon blijven ; daar hij toch oorlog ging voeren met het Rijk; daar hij toch zijne vazallen aan het ongewone moest wennen; maar hij durfde hot niet; hij klemde zich met beide handen vast aan een gebouw, dat hij met één stoot van zijn voet had kunnen doen instorten; dat toch welhaast vallen ging, en waarvan Lodewijk de schranderheid had, de grondvesten met heimelijke slagen te ondermijnen, door den burgerstand op te heffen en de groote kroonvazallen in hunne rechten en onafhankelijkheid te knotten; door de eerste Koning der burgers te worden, in één woord; terwijl Karei niets bleef dan de opperste van de leenmannen, de laatste Vorst der Ridders. — Karei V was reeds wetgever.

In dien raad werd er dan niets beslist, niets vastgesteld, schoon men door den valschen bode, dien Süschen had voorspeld, de zekerheid kreeg, dat Frederik den Moezel afgezakt was in de richting van Keulen, schoon de Plertog toebereidselen liet maken tot een overhaast vertrek. Maar toen hij den raad dier trouwe en schrandere mannen uiteen liet gaan, en zij allen

ocr page 204

180

hem smeekten, nu ten minste rust te nemen, antwoordde hij met een trotschen glimlach, dat hij zijn krijgsvolk monsteren ging, en dat Sire van Ilagenbach hem verzeilen zoude. Wie herinnert zich niet den ncodlottigen invloed, dien de handelwijze en de beraadslagingen van dezen man op Kareis volgend lot hebben uitgeoefend; hoe hij het was, die hem sterkte en aanvuurde in zijne roekelooze ontwerpen, in de bemaohtiging van alle sterke steden des linker-Rijnoevers; hoe hij hem wikkelde in den gevaarlijken oorlog tegen het vrije en krachtige herdersvolk van Zwitserland; hoe... maar zijne verdere geschiedenis ligt niet in ons plan. Wij willen alleen bewijzen, hoezeer teleurstelling en dolle wraakzucht hem in de armen wierpen van een man, die zijn kwade geest was, verlichaamd in een ijverigen dienaar. Hoe het beleg van jSTuis de eerste daad van wrake was, die Karei ondernam tegen den Keizer en het eind van zijn krijgsgeluk; hoe de laatste daar wel schande wegdroeg, maar bij zelf ook weinig eere, en hoe hem toen nog eenmaal eene kroon is op het hoofd geplaatst; maar dat was te Nancy, door René de Vaudemont, erfgenaam van Nicolaas van Calabrië, en dat was eene Hertogskroon op het hoofd van een verminkt lijk!

Door goedhartige bedienden, die geroepen waren om de kapel op te ruimen, werd Siischen gevonden, tot zich zelve gebracht en verpleegd, en door den Sire de la Marche, op hare bede, onder een voegelijk geleide teruggezonden naar Trier; zij genas van haren zinneloozen hartstocht, die door niets was gevoed geworden, dan door hare eigene verbeelding; dien zij nog had kunnen kweeken, zoolang het alleen een rampzalige was, maar dien hare deugd met afschuw uitrukte, zoo ras zij dien als een schuldige kende. Onnoozel kind! dat zich vergaapt had aan den glans van een gouden mantel, aan de schittering van een fonkelend oog; had zij den Hertog van Bourgondië bemind, om alles wat met en van hem was, zonder dat hare onschuld dieper over mogelijkheden had nagedacht; zij had zich slechts overgegeven aan haar gevoel en nooit berekend. Maar hoezeer zij er in slaagde, de schadelijke hersenschim van zich te weren, de gevolgen van de handelingen, die deze reeds

ocr page 205

181

veroorzaakt had, waren niet te ontgaan. Haar teeder liehaanj herstelde niet zoo goed als hare ziel; verzwakt, ondermijnd, bleef zij het vooftsleepen; het was haar eene gestadige herinnering, eene gedurige straf, en hoe vroeg reeds de dood haar de wang zou ontkleuren, was die taak reeds voor lang door den hartstocht volbracht. Den frisschen blos der gezondheid en der jeugd had zij geofferd aan den kroningsnacht van Karei den Stouten.

Te Keulen reeds wilde Keizer Frederik Romuald beloonen, door hem ridder te slaan; maar de jongeling verkoos liever zijne sporen te winnen door roemrijker daden, dan het overbrengen van een Vorstengeheim. Hij verdiende zich die bij de verdediging van i^uis.

De Markgravin van Spangenheim heeft zich somtijds beroemd op het aandeel, dat zij had in Kareis teleurstelling, maar nooit toch in het bijzijn van haar zoon, die daarmede de gunst des Aartshertogs voor altoos verloren had; onrechtvaardig zeker, — maar de Aartshertog beminde!

ocr page 206

HOOFDSTUK XIIF.

„Mevrouw de Chanteraine! Mevrouw van Hamelin ! laat mij schielijk toe bij de Aartshertogin !quot;

„Het is het uur niet meer, Jonker! Mevrouw is na het avondmaal daar binnengegaan!quot; antwoordde de laatste driftig, en zij wees op een kunstig gebeeldhouwde deur, die van een bidvertrek.

Maar de andere dame riep meer levendig: „Bij alle Heiligen! mijn Jonker van Geldre! wat voert u dus onverhoopt en te ontiid hierheen?quot;

„Stil, stil! schoone dame! gij hebt alle lieden van het slot niet om ons heen te roepen, als wij komen heimelijk en in haast, cm een vertrouwd woord te spreken met onze welbeminde vrouwe!quot; sprak, in de plaats van den jongen Karei van Oeldre, een man, die na hem binnentrad en rechtstreeks den weg nam naar het bidvertrek, dat Heilige der Heiligen van eene vrouw uit de middeleeuwen.

Maar die stem was ook daar gehoord, en de verraste edel-vrouwen hadden niet meer noodig, den komende bij hare meesteres aan te dienen, want reeds opende zich de deur: eene kleine blanke hand hief bevallig het tapijtbehangsel op en Maria van Bourgondië, neen, beter nu, de Aartshertogin van Oostenrijk, vertoonde zich op den drempel.

„Maximiliaan, mijn lieve Heer! hoe groote vreugde gewordt mij nog zoo spade!quot; riep zij met eene verrukking, die zij niet noodig vond onder eenige hoofsche deftigheid te verbergen. En nog eer zij een stap vooruit konde doen, hem te gemoet, was hij reeds bij haar, en hield haar in zijne armen, terwijl hij haar

ocr page 207

183

zachtkens voortschoof het bidvertrek in. Slechts even zag Maria om en zoide glimlachend tot Mevrouw de Chanteraine: „Nu past u goede waakzaamheid; ditmaal voorzeker wil ik ongestoord blijven.quot;

„Heb geene zorg, Mevrouw!quot; sprak Maxirailiaan, „mijn wellieve Jonker van Geldre blijft mij wachten, en hij weet, hoe kwalijk stoornis mij dienen zou te dezer stond.quot;

De edele vrouwen en de jonge Vorstenzoon gingen dan ook bescheiden terug, in het midden der zaal, toen de deur zich achter het hooge paar had gesloten; wij echter hebben niet noodig die bescheidenheid te volgen; wij gaan met hen binnen; wij zien Maria weder, en nu zonder list of vreeze samen met haar Maximiliaan; wij zien haar als zijne gade, als de weeze van Karei den Stouten, die met Frankrijk oorlog bad moeten voeren, om haar erfgoed en hare onafhankelijkheid te bewaren ; als de Vorstin, die met hare onderdanen had moeten rechten en met hare groote Leenmannen twisten; die hare raadslieden had zien vermoorden door een uitspattend volk, dat men den moker des oproers hot zwaard der gerechtigheid had overweldigd; als de vrouw, die de vrije beschikking over hare hand had moeten handhaven tegen burgers en adellijken, tegen bui-tenlandsche Vorsten en eigen Leenmannen, nadat Nancy haar had vrijgemaakt van de vaderlijke willekeur, en die, moedig als trouw, niet minder tegen een volk, dan tegen een vader, hare liefde had beschermd, en haar woord had gestand gedaan aan den man van haar hart; wij zien haar weer als moeder van drie kinderen en die toch eenzaam stond als eene kinderlooze!

Daar liggen vele rampen, en smarten, en pijnlijke grieven, en schokken, in die enkele optelling van wat zij heeft doorleefd; maar de sporen van zoovele levensondervindingen mogen leesbaar zijn op hare trekken, hare gestalte moge de verandering hebben ondergaan, die dat alles heeft aangebracht, toch was ze nog altijd eene jonge vrouw, nog altijd eene schoonelNog altijd was er in hare bewegingen als in de uitdrukking harer gewaarwordingen diezelfde aantrekkelijke natuurlijkheid, die als kinderlijke jonkvrouw hare grootste betoovering was geweest, en die, hoe ook gewijzigd door den ernst van haar leeftijd, haar was bijgebleven

ocr page 208

184

als een onmiskenbaar merkteeken eener odele en oprechte ziel, te trotseh en te rein om zich te verbergen. Hare losse, onbezorgde vroolijkheid was zeker getemperd, maar het wilde meisje was ondanks den druk der levensmoeiten en der regeerings-zorgen, eene opgeruimde vrouw gebleven, die de wereldsehe zaken niet zwaarder tilde dan ze verdienden en zich niet in ziekelijken weemoed toegaf, maar die lustig het hoofd ophief, zoodra zij een steen des onheils zag weggewenteld van voor hare voeten, of een droppel zegen neerdauwen op haar pad.

Hare kleading was ditmaal stemmig en droef; zelfs hing de rouwveile aan hare wrong; minder do etiquette misschien, dan de behoefte van haar hart, drong haar, om dus in hare kleederen het afsterven te gedenken van haar kind Francois, waarvan zij slechts vier maanden moedervreugde had gekend. Ook Maxi-miliaan is in uiterlijk voorkomen veranderd. Vooreerst draagt hij nu het harnas, een krijgshaftigen dos, die hem gemeenzaam is geworden als aan Karei zeiven, sinds hij op diens hertogsstoel plaats heeft genomen. Zijn fijn en bleek gelaat vertoont de keu-teekenen van vroege zorgen, van ernstig nadenken en eene plooi van zwaarmoedigheid schijnt zich voor vast gevestigd te hebben tusschen de blonde wenkbrauwen. Geen wouder ook! Op zijn negentiende jaar opgeroepen van uit de voogdij eens vaders, om Vorst en Heer te zijn over landschappen en over burgers, wier eerste poging het altijd was, hunne Vorsten zelve onder hun meesterschap te brengen, en hunne Heeren gaarne dien naam te geven, maar zoo weinig mogelijk de daad van heer-schen; een volk, dat Karei de Stoute zelf met al de inspanning zijner krachten slechts had kunnen regeeren, en dat hij terugvond, beter dan ooit gewapend met zelfbewuste sterkte en met onafhankelijkheidszucht; — als knaap zonder ondervinding, die nooit de regeeringszorgen met zijn vader had gedeeld, nooit in de geheime gangen der Staatkunde was ingewijd geworden ; als vreemdeling, te worden neêrgezet op den waggelenden zetel van Rarels dochter, in een rijk, verdeeld, geschokt door diens schrikkelijken val, verarmd door al de onrust en al de elementen van verwarring, die Kareis dolle ondernemingen en een zwak vrouwen-bestuur daarin geworpen hadden, met een oorlog tegen een

ocr page 209

185

machtigen en listiger nabuur, als eerste voorwaarde van zijne verheffing, op handea — met niets anders dan zijn eigen oordeel en zijn eigen wil tot raadslieden; — kon het anders of het moest den jeugdigen Vorst schielijk gerijpt hebben; maar die rijpheid was duur gekocht; door bloedige grieven, door onverpoosden arbeid, door do slapeloosheid, die afmat, en door de teleurstelling, die den levenslust verkeeren doet in levenszatheid. Voorwaar! de eere, zoo gewenscht door velen, opvolger zijn van den Bourgondischen Vorst, wien hij zoo trotsch had gezien en zoo machtig, werd door hem betaald met don hoogen prijs van onbezorgde jeugd, vroolijkheid en rust. Gekrenkt in zijne Vorstenfierheid, gekrenkt in zijne eerzucht zelfs, had hij overal teleurstelling gevonden, in alles, slechts niet als echtgenoot, en het was alleen zijne waarachtige liefde tot Maria, die hem toefluisterde, dat hij ondanks alles toch gewonnen had.

Dan, al waren zijne trekken slechts weinig krachtiger geworden — zijn zacht blauw oog was niet meer zoo zacht, maar flikkerde van moed en van strijdlust, en het was geen valsche glimp die gloorde ton ontijde, of een stroovuur, dat zoo haast doofde als ontbrandde, maar eene doorgaande, ter goeder ure aangewende dapperheid, op aanval en verdediging beide gewapend, en door beleid en behendigheid gesteund; hij had den strijd noch gewacht noch gewenscht, maar toen hij dien vond, had hij dien aangenomen zonder schroom en zette dien door zonder aarzeling. Coeur d'acter noemde hem zijn levensbeschrijver; en zijn oproerig volk en zijn geduchte tegenstander, Lodewijk XI, hebben zich menigmaal pijnlijk gestooten aan dat stalen hart, en zijne jonkheid daarna niet meer veracht.

Maar dat er achtei: dat koude, harde staal nog de warmte en de teerheid bewaard waren gebleven voor de gade, die hij had gewenscht en die hem had gekozen uit liefde, was zichtbaar, toen hij losjes den vorstelijk gepluimden helm had afgelegd, en met zijn vriendelijksten blik en zijne liefelijkste stembuiging zich gelukkig prees, bij zijne „lieve vrouwquot; te zijn.

„Blijdschap en soulaes over mij, bij mijn 's Heeren komst!quot; riep zij vroolijk; „maar brengt hij heil, of boodschapt hij wederspoed,quot;

ocr page 210

186

„Naar gij het nemen zult, Maria mijne! maar laat ons zoetelijks kouten van minne; tot bezwaarnis en wichtige overwegingen zal het daarna tijd zijn;quot; en hij trok haar nevens zich op de gebeeldhouwde eikenhouten bank, die aan het beschot was vastgehecht, en waarover een verhemelte van verguld hout was uitgestrekt, waarvan blauwe en roode draperieën afhingen en waarboven de vereenigde wapens pronkten van Bourgondië en Oostenrijk.

„Hoe u de floersen weile goed staat, al is het een droef en onsierlijk hulsel voor anderen, dan gij!quot; sprak hij, haar met bewondering aanziende,

„Fij, Heer! dat ge daarop komt; denk toch, ik drage haar ten teeken van rouwe over mijn zoon Francois, die het leven nauw kennen mocht, of hij dierf het aireede. Do zoete Engelen mogen zijn ziel dragen in het Paradijs!quot;

„Wat betreurt gij hem? Is het voor ons, dat kinderen groote vreugde zijn? Wij hebben een erfgenaam voor den zetel en eene dochter voor verbintenissen; wat zouden wij onzen poorters over meer Vorstentelgen te beschikken geven?quot;

„Ja, eilacy ! ik heb de kinderen moeten afgeven als gij ook hadt veroorloofd!quot;

„Veroorloofd! hadden wij eene andere keuze? O! mijne Hee-ren van Gent! deze grieve zal ik met de andere te eeniger dage met woeker op u verhalen! Het is wel het bedrijf van rouwe slachters en laaghartige wezens, dus het edel bloed der Vorsten te willen onteigenen van zijne afkomst, en te vervreemden van zijne rechte en natuurlijke mombers, dat de ouders zijn 1quot;

„Neen, mijn vriend! hard is liet zeker en kwalijk te verduren voor het ouderlijk gemoed! maar gij dient de vrije poorters van deze landen een weinig angstvallige vreeze ten goede te houden; in hun toekomstigen Heer ligt de toekomst voor hunne vrijheden en privilegiën, door hen zoo zuur bekampt, door ons zoo noode toegestemd; en de drang der tijden heeft ons voor hen niet tot zoodanige meesters gemaakt, als waarvan zij wachten kunnen, dat ze heusche genegenheid voor hen zullen aan-kweeken in het harte van den jongen Graaf!quot; hernam Maria,

ocr page 211

187

die ten deele door hare opvoeding, ten deele door eene harde ondervinding, had geleerd, dat hare burgers tegen haar over stonden, als macht tegen macht, met rechten tegen rechten; terwijl Maximiliaan ze nog niet anders begreep, dan als rebel-leerende onderdanen, die slechts voor eene wijle den meester speelden. Intusschen zag hij, evenals zij, dat juist door het woord, waarmee hij voor eene poos een ernstig gesprek had willen afleiden, het schertsend onderhoud, dat hij gewenscht had, was verbroken geworden en niet meer tot zoete kozerij zou zijn om te wenden, maar alleen slechts dienen kon tot inleiding voor de wezenlijke reden van zijne onvoorziene komst. Dus besloten, de zaken te laten vóórgaan, begon de jonge Vorst, terwijl hij Maria weemoedig aanzag:

„Schoone en geduchte erfdochter van zooveel rijke erflanden! het is God geklaagd, dat ge in uw verweesden staat aldus gedrukt zijt door deze overmoedige linkers, dat gij, des druks lasten gewoon, ten lesten en recht in ziet.''

„Het was altijd mijne hoop, dat mijn wellieve Heer onze vrije poorters zou weten te onderkennen van zijne Duitsche vazallen — en hen niet houden als dezen,quot; sprak Maria, vast, maar tegelijk onrustig naar hem opziende.

„St. Joris gave, dat zij het waren, Maria!quot; hernam hij levendig, doch zonder bitterheid — gij zoudt dan niet, als nu, ver-bleeken op het kleppen van hun helfroet, tot in mijne armen toe.quot;

„O!quot; hoe ze gruwzaam zijn in hunne dagen van wildheid, die mannen van de gemeenten!quot; riep Maria, bij de opgewekte herinnering huiverend, „hoe ze hard en onvermurwbaar zijn in hun haat! Hugonet! Ymbercourt! trouwe en nobele mannen, om mijner feilen wille ontlijfd door hunne felle gramheid. Zie, Heer! van toen aan konde ik niet meer buiten den steun van een mannelijken arm, die mij met recht beschutten mocht tegen des volks overmoed.quot;

„Vertrouw u dan volkomen aan die schutse, en wees niet voorspraak, waar hij weerpartij zijn moet. Nu luister; om dit volk te brengen tot wat ik zooeven zeide: om deze wilde wolven gemuilband te krijgen, als ze weleer waren ten tijde van

ocr page 212

188

uw Heer Vader zaliger, dient ons vooral rust van buitenlandschen krijg! Gr ij weet, of ik den oorlog vreeze als het pas geeft, maar de naaste vijanden dienen het eerst tenondergebracht, en daarna zullen wij zien . . .

,0! sinds hoe lange niet begeerde ik de zoete zaligheden des vredes! — en tevergeefs!quot; zuchtte Maria.

„Niet tevergeefs, mijn lief! als de voorwaarden u passen.quot;

„Zo moeten zonderling hard en onoorbaar zijn, als ze dat niet kunnen.quot;

„Maar ze passen ons nietV herhaalde Maximiliaan verdrietelijk. „En daarom is het, dat ik tot u kom met haaste en als ter sluik. Als die van Gent te weten komen, dat er vredesaan-biedingen gedaan zijn en niet aangenomen, ze. zouden, ware het alleen uit tegenspraak, den pais eischen, en daartoe dwingen door de booze praktijken, die zij ttuks ter hand nemen. Daarom laat ons allereerst te zamen raadplegen, en der gemeenten niets bekend maken, voordat wij gehandeld bebten. Zoo leggen wij, om met hunne wevers te spreken, hoe laken in de beste vouwen, aleer wij het hun voorhouden.quot; Maria knikte toestemmend en de jonge Vorst ging voort:

„Mijnheer Lodewijk XI is, sinds den brand van Condé en Montaigne, en sinds ik hem najoeg tot Pont a Vendin, zoo aardig in het nauw gebracht, dat hij te Arras eene wapenschorsing heeft voorgesteld, die ik aannam en om goede redenen. Nu zou er uit dien stilstand een vaste zoen en gevestigde vrede kunnen verrijzen, bij wijzo van verbond en bijzondere vriendschap.quot;

„Mistrouw den geslepen vos, als hij u dus de handen likt,quot; viel Maria haastig in.

„Hoor dan het einde.... Door eene verbintenis van onze dochter van Oostenrijk met den Dauphin Karei, wien God weldra make tot een gezalfd Koning van Frankrijk!quot;

„Onze lieve Vrouw, mijne goede patronesse!quot; riep Maria, „dat zal nooit zijn, zoo God mij verhoort en sterkte verleent. Mijn arm kind, Margaretha, in het hol van deze wolven! Mijne paarle te verruilen voor het lood hunner ontrouwe vriendschap! Nimmermeer!quot;

„Zoo ook meen ik het,quot; sprak de Aartshertog; „en alevel

ocr page 213

189

„Ten leste denken ze nu op de dochter voor den gemaal, waaraan ze eerst de moeder hadden willen overleveren. Schoon bet nu beter past van leeftijd, zou bet toch mettertijd een even onvoegzaam paar zijn, als Mijnheer van Calabrië het wezen moest voor mij.quot;

„Wie spreekt van ze samen te voegen, mijn liefste! maar hierop wilde ik neerkomen: met de toezegging der hand zijn wij vooreerst uit den drang. Mevrouw van Oostenrijk is twee jaren oud; negen tot tien jaren kunnen er vevloopen, eer er zelfs van wettelijke ondertrouw sprake kan zijn. In dien tusschen-tijd zijn we door het bondgenootschap met Frankrijk sterk geworden, hebben onze goede onderdanen tot gehoorzaamheid gebracht; wie weet zelfs, wat er dan niet meer kan gebeurd zijn in het verloop der tijden? Wie tijd wint, wint het al, en zoo hebben wij den loozen vos in zijne eigene strikken gevangen.quot;

„Denk aan de schoone fabel, waar zijne Majesteit, onze Heer Vader, den afgezanten van Frankrijk meê ten antwoord stond,quot; sprak Maria, met beduiding den vinger opheffende.

„Wij verdeelen den huid niet; wij zien slechts toe, hoe wij jagen zullen,quot; hernam hij met fijnen glimlach.

„Houden wij ons toch af van de dwaalpaden der listigheid en kwade trouw! De eenige maal, dat ik, door den nood geperst, de wijk daarheen heb genomen, heeft slechte uitkomst gehad, kwa profijt en schande gebracht over mij, en den dood over mijne trouwe raadslieden.quot;

„Omdat gij u in die joute gewaagd had met den verrader Lodewijk, maar wat ik wil drijven, is tegen hem, en blijft veilig-lijk besloten in ons eigen harte. En geloof mij, de Vorsten kunnen in staatszaken niet handelen als de kleine luiden, schoon ze der Christenen wet daarom niettemin bewaren in vromigheid des harten. Hierin is voor hem eene andere wet, dan voor de overige menschen. Geen van onze voorzaten heeft ons daarin voorgegaan; geen van onze nakomelingen zal er ons in volgen. Mijn vader die een gezalfde Keizer is van het Heilige Room-sche Rijk, heeft niet altijd trouwe kunnen houden, noch dat gewild. De Hertog Karei, uw Heer, dien God vergeve .... tel de keeren, dat hij uwe hand toezeide, zonder voornemen om die te geven.quot;

ocr page 214

190

„Lacy! gij zegt waar!'' stemde Maria toe, op doffen toon, maar eensklaps riep zij met warmte en nadruk: „En heb ik zelve niet zooveel last geleden van zooveel wisselende huwelijkskansen in mijne jonge jeugd, en ten lesten nog bittere ziele-smart, dat ik mijn dochterken daaraan zou prijsgeven van hare wieg af

„Niet beter is het lot van Vorstenkinderen,quot; hernam de Aartshertog, do schouders ophalende.

„Maximiliaan ! dat klinkt anders, dan gij moest gesproken hebben in dien kroningsnacht te Trier, waarin gij zooveel geleden hebt, als gij mij zelf daarna hebt verhaald ' —• en zij zag hem droevig teeder aan. Hij wendde het hoofd af voor haar blik.

„Wat kan ik zeggen. Mevrouw ! sinds gij mij tot een regeerend Vorst hebt gemaakt, #rukken mij do zorgen voor den Staat, en ik heb nauw den tijdj op mijne eigene genegenheid te uwaarts te denken, terwijl zwakrwiohtige belangen mij in het hoofd woelen .... en daarom, gij doet niet wél, mij de ellende van dien naren nacht voor het geheugen te brengen, want het was ondragelijk —- wat ik van toen af geleden heb tot op den volza-ligen dag, dat gij uw brief en boden tot den Keizer zondt, met dien klaren diamant, zuiver als uwe trouw!... het zou nïij verweekelijken, tot ik de groote nooddruft van deze landen en ons beider welvaart voorbijzag.quot;

„Mijn arm kind zal dan onthouden worden, wat ik ten lesten verkreeg, en waarbij mij zooveel heil en troost gewierd; zich een gemaal te kiezen naar eigen zin. Waar was daarna leed of last, dien ik niet gewilligd en gemoedigd droeg? Waar was onspoed of aardsche tegenheid, die mij tot desperacie bracht?quot;

„Maria, mijne en welbeminde!quot; riep de Aartshertog, er. er blonk een vocht in zijn oog, dat geen vijand er ooit ingewacht zou hebben, en hit sloeg zijn arm om haar hals, tot ze door zachten dwang genoodzaakt was hem aan te zien. „Neen, zekerlijk zal ik ons kind niet misgunnen, wat ons beiden tot hoogste vreugd en soulaes heeft verstrekt, «ujamp;rekken zal ons leven lang. Want ook, wat ik vele en groote grieven geleden heb van uwe poorters, wat onheusche norschheid van uw adel, wat haat en overlast van uwe naburen, veel en meer, dan een hoog en wel-

ocr page 215

191

geboren gemoed dragen mocht met lijdzaamheid ! En heb ik het niet al verkropt en gedragen met mannenmoed, schoon nog in jonkheids eersto drift, overdenkende, uit oorzaak van welk groot geluk het mij toekwam, en het nooit verwenschende, maar veeleer zegenende — ec alleen berouwende, dat ik u het zware toch niet lichter kon mtiken.quot;

„Ik zeg en verzeker u, het wan niet zwaar aan uwe zijde, schoon het droevige dagen waren, die wij samen doorbrachten — en laey! nog in leven,quot; voegde zij er fluisterend bij met een diepen zucht.

„In gedenken dan van die droeve dagen, en van de groote liefde, die ons samenvoegde en die ons hielp ze welgetroost door te komen, zweer ik u bij mijne riddereer, o, mijne lieve en welgetrouwe gemalin! dat Mevrouw®Margaretha van Oostenrijk niet uitgehijlikt zal worden tegen uw wil en haar begeeren, zoolang ik het verhinderen kan ! en dat de schorsing van Arras geen pais zal worden, zoo Lodewijk aandring op meerder dan eene voorloopige toezegging van mijner dochters hand!quot;

En hij was opgestaan en hief de rechterhand op, als bij een plechtigen eed.

„Ik dank u, mijn gemaal, mijn nobele Max!quot; riep Maria, eveneens opgerezen en beide armen gekruist over de borst vouwende, als om hare innige dankbaarheid aan te duiden; daarop verviel zij eene wijle in een gepeins, waaruit Maximiliaan haar opwekte met de vraag:

„Wat meent gij, dat de Vlamingers en Brabanders tot deze onderhandelingen zeggen zullen ? Zouden zij den vrede willen, en Margriete gunnen aan den Dauphin ?quot;

„Die vraag. Heer!quot; riep Maria, verwonderd de oogen opslaande. „Weet gij dan niet, dat de oorlog met Frankrijk de grootste grieve is, die ze hebben tegen urquot; quot;

Neen I dat wist hij niet, en dat zou hij niet gelo ofd hebben al hadden duizend monden het hem toegeroepen. Of liever, het was hem gezegd, toen hij te midden van dat rijke en weelderige volk tot de uitvinding van looden gelden moest komen, om zijne oorlogskosten te steunen; toen een ridderlijke en strijdlustige adel hem tot dezen krijg alleen liet te velde trek-

ocr page 216

192

ken; toen die krijgers, anders zoo fier en zoo overmoedig op hunne overwinningen, niet een norsch en morrend zwijgen de zijne begroeten; het was hem gezegd, maar hij ha4 het niet begrepen, en dat hij het niet begrepen had, bewees, dat Maria, hoe ze ook mocht roemen in hare keuze en er gelukkig in zijn als vrouw, als Vorstin van Bourgondië eene meer voorzichtige had kunnen doen, maar zeker als Hertogin van Brabant, als Gravin van Vlaanderen, tot geene slechtere had kunnen komen. Maximiliaan vereenigde in zijn persoon en in zijne verhouding tot anderen alles wat hem ongeschikt moest maken tot regent van het Hertogdom, op het oogenblik dat hij er toe geroepen werd. Zijne jeugd wrocht hem mistrouwen bij allen; zijne armoede kleinachting bij trotschen adel en schatrijke burgers; de uitgestrekte macht van zijn vader achterdocht bij allen, die vrijheden te verliezen hadden, en zijn naam vreemdeling een volstrekten haat bij geheel het volk. Alle andere huwelijkswervers van Maria hadden hunne vrienden gevonden in hare Staten. De Dauphin had zijn aanhang van franschgezinden; de zoon van Kleef eene machtige partij onder den adel; Adolf van Gelder een krachtigen steun bij het volk; Frederiks zoon alleen vond niemand dan Maria, de machtelooze vriendschap van Margaretha, Kareis weduwe, en van enkele grooten, die zonder baatzucht aan de erfgenarae hunner Vorsten gehecht waren. Trouwe maar zwakke steun die allen! Geen edel en waardig raadsman zelf uit de landzaten stond hem in die eerste bange dagen ter zijde; geen moedige en helderziende naast hem, die hem inlichtte van de reden en den oorsprong dier eischen en wenschen van een volk, dat hem vreemd was in zeden, welk karakter hij onjuist moest zien en welks vrije manieren hem stuitten, gewoon als hij was aan de slaafsche onderwerping der Duitschers. Het zachte woord, waarmede Maria het hem soms duidelijk trachtte te maken, maar hij voor den schroom der zwakheid, voor de gebogen vreeze der vernederde vorstendochter, en het overtuigde hem nooit. Daarbij een vernuftig, een fijn, een goedhartig, een dapper jongeling mocht hij wezen; voor de overmoeilijke taak, die hem met Maria's hand werd opgelegd, was hij noch geboren, nocli gevormd. Hij zag eenzijdig, hij zag valsch. Zijn staatkunde was

ocr page 217

193

eene linksche: hij richtte den blik op het kleine, op wat dicht bij hem was; — het groote, de gewichtige toekomst, ontging zijn oog. Zoo had hij slechts onbesuisde muitzucht en stijfhoofdige zucht tot tegenspraak willen zien in die diepgewortelde toeneiging voor Frankrijk, in dien algemeenen onwil tegen den oorlog met dat gebuurland. Zoo had hij de waardige houding ^ van een vrij volk, dat verbitterd was en gegriefd door de onvoorzichtigheden en de ongelukken van zijne laatste Vorsten, maar dat dien Vorsten trouwe hield, ondanks verontwaardiging en rampen, — niet wetende te scheiden van de woeste en bandelooze samenscholingen van een baldadig grauw, dat te allen tijde oproer krijt om der plundering wille. Zoo was hij, met al zijn vernuft, niet schrander genoeg om te begrijpen, dat Lodewijk XI de man niet was, dien hij zou kunnen verschalken; zoo was hij slim genoeg, om eene krijgslist uit te denken, en behendig genoeg, om die schielijk en ordelijk uit te voeren, maar niet om een groot algemeen plan van staatkunde of van oorlog op te vatten, te overzien, en al zijne handelingen, van de kleinste tot de grootste toe, daarnaar te wijzigen. Zeker, hij was dapper, en hij streed met oordeel, met geluk zelfs, maar de tijd der strijdbare Vorsten was met Karei reeds geëindigd; staatkunde begon reeds persoonlijken moed te vervangen, en Maria's Staten vooral hadden te zjjner tijd meer wijze voorzichtigheid noodig, dan bloedig krachtbetoon. De gebogen Frederik III zelf zou hier beter de plaats hebben vervuld, dan zijn trotsche, vurige zoon. Wat Maximiliaan later geworden is, toen hij het Duitsche Keizerrijk heeft geregeerd, nevens al het andere, wat hem op de schouders lag, beoordeelen wij nu niet; — de school der ondervinding en der jaren is eene krachtige en nuttige; maar zelfs dat hij den dubbelen adelaar in zijn wapen heeft gevoerd, bewijst een weinig tegen een hoogvliegend en sterksprekend talent: want met enkele uitzonderingen, hebben de keurvorsten altijd gezorgd, geen te uitstekend, geen te behendig meester boven zich te stellen. Of ze een zoodanigen in Keizer Maximiliaan hebben gewacht of gevonden, is hier niet de vraag, daar wij den Aartshertog nu weer verdiept zien in dien vertrouwelijken en gemeenzamen kout, waarop het gesprek over de staatszaken.

Kroon. Karei de Stoute.

ocr page 218

194

de echtelingen als vanzelve en bij wijze van vergoeding had teruggevoerd.

Maria, die ondanks al haar lijden en al de zekerheid van het overwicht harer stoute burgers, nog genoeg Vorstinnenfier-heid had behouden, voelde zich juist dan dubbel gewond, alamp; haar gemaal zich daaronder moest bukken, en zoo ontviel haar nu eensklaps het bittere woord:

„Dat de zoon van Oostenrijk en de dochter van Bourgondië zóó moeten samen zijn, om met zulke woorden te raadplegen in zoodanigen nood! Wie had dat gespeld, toen wij samen-stonden hand in hand, voor het altaar, het fierste, het machtigste bruidspaar van de Christenwereld, en ik durf zeggen ook het gelukkigste?quot;

„Zoo was het, mijne liefste lust! en wat al schoone hope en jolijselijk verschiet meende ik niet te zien, op zoo hoogen top van staat; bereikt hebbende het beste deel mijner aardsche wen-schen! Hoe ik benijd werd, en mijne groote fortuin geroemd door geheel de Christenheid! En hoe is dit al nu verkeerd in droeven wederspoed en verkleining van gezag! Maar hoe ook het volk daarna woelde en morde, we hadden een zaligen trouwdag, niet waar? zonder glans of weidsche statelijkheid die de Vorsten eer scheidt dan vereent; een trouwdag, niets anders, dan of wij kleine lieden waren geweest.quot;

„Een waar verbond van minne, zooals weinigen Vorsten gebeuren mag!quot;

„Hoe het ongeduld mij perste u te zien, toen ik te Brussel was aangekomen; hoe Mevrouw van York moeite had, mij eene wijle gezeten te houden aan het rijke en kostbare avondmaal, zoo sterk mij het hart trok u weder te zien, en hoe gij mij daarop verwelkomdet met heuschen mond en blij gelaat, en hoe de eerwaarde Bisschop ons de handen samenvoegde, en de edele Heeren van Chimay en Gruthuse, trouwe vrienden, zoo er waren, van bedrukte Vorsten, u als eereridders strekten en voortlcidden! Hoe Mijnheer van Kleef' verschalkt was!quot;

„En dan de nobele kinderen van Geldre, die, zoo jentig de waskaarsen droegen!quot; voegde Maria er bij, met schitterende oogen, blozende bij de zoete herinnering en bij de zekerheid

ocr page 219

195

zijner liefde, die hem genoegen deed vinden in het oproepen van die beelden.

„En toch, wat ik een arme bruidegom was!quot; begon nu weêr Maximiliaan met zijn droevigen glimlach.

„En ik, hoe overgolnkkig eene bruid, sprak zij, hem teeder aanziende, „en hoe gezegend eene vrouw!quot;

„Wat gij eene schoone bruid waart, en een aanminnig vrouw-ken zijt gebleven,quot; riep hij, haar opnieuw met verrukking omhelzende. „Ja, wij hebben veel ramps en druks geleden deze vier jaren lang, maar God en onze lieve Vrouw schonken ons dien zegen, dat wij altijd troost vonden bij elkaar en voor alles.quot;

Zoo Maria had willen antwoorden, het werd haar verhinderd door een verward gerucht in de voorzaal, dat eenige stoornis dreigde. Ook hoorde men daarop de stem van Mevrouw d'Ha-melin, die aankondigde, dat Heer Koen van der Rosen des Aartshertogs „blijde Raadsheer,quot; zooals deze hofnar verzachtend genoemd werd, dringende haast had om te worden toegelaten.

„Wat mag het zijn?quot; vroegen de echtgenoocen elkander met blikken, terwijl zij den trouwen man tot zich riepen.

„Nobele Max !'quot; riep Koen, terwijl hij de zilveren bellen van zijn narrenkap klinken liet, „en gij edele vrouwe! saluut en heil van uwe zonen van Oudenaarde, en in het geheel van al de Vlamingen en Brabanders samen; ze vieren feest, dat het tot Henegouwen klinken moet, en ze stoken zoo groote vreugdevuren, dat de ganzen in Artois er van braden kunnen.quot;

„Heiligen des hemels! wat willen zij?quot; riep Maria, ver-bleekend.

„Spreek zonder omweg, Koen ! is er onraad ?quot; vroeg Maximiliaan, en zette zijn helm op.

„Wat ze willen, Mevrouw? Zij willen madeliefjes planten tns-schen de leliën, slechte tuinlieden als ze zijn, en ik kom vragen, of ik hen moet beduiden, dat beide in dezelfde aarde niet bloeien kunnen.quot;

„Mijn dochterken is verraden !quot; gilde Maria.

„St. Joris vertrooste mij! wisten die van Gent dan den handel van Arras al zoo schielijk, als wij zelve, vrome zot ?quot;

„De Poortera staan vroeger op dan de Heeren,quot; antwoordde

ocr page 220

196

Koen, „en mijn Compeerken van Frankrijk is een burgerman, die gewoeld heeft met zijne consorten en daarmede geheuld, terwijl mijn gebiedende Heere nog lag en sliep met de zijnen. Het was voor hem al dageraad, toen het bij u nauwelijks schemerde.''

„Nogmaals door dien fijnaard verschalkt!quot; stootte de Aartshertog uit, bleek van toorn en zich de lip verbijtend.

„Ik had het gevreesd,quot; hernam Maria droevig. „Meen nu niet, dat gij macht zult hebben, het vervolg te weren. En wee mij, droeve, schoon tweemaal gelukkige moeder ! nu ben ik der Heilige gelijk, wie een wolf het eene kind roofde en een leeuw het andere.quot;

„Houd ruste! met het zwaard in de hand zal ik ze u heroveren !quot; riep de Vorst, en had reeds zijn wapen uit de scheede getogen. „Geen vrede te Arras, geen schorsing zelfs ; ik wil rJet, dat de Gentenaars zich moeien in mijne zaken ; ik wil de hand niet zijn, die uitvoert, wat zij besloten !''

„O ! dan zal er bloed stroomen !quot; riep Maria, op de knieön nederzinkende, „weder bloed en altijd geweld, altijd onrecht, van welke zijde dan ook! Al het bloed, door mijn Heer Vader roekeloos gespild, komt terug op mijn hoofd ! Neen, Heer en gemaal! laat dat niet zijn, hinder gij dat voor het minst. Ik had bij mijns llertogs leven om het staatsbelang reeds geen vader meer; daarna was ik droeve weeze, zonder voogd of schutse ; nu sta ik hier, moeder zonder kinderen; laat mij ten lesten geene vrouw worden zonder man! God weet, wat ons nog zou kunnen scheiden ; daarom blijf gij met mij, en ik zal achten niets verloren te hebben.quot;'

Maximiliaan hief haar op, en kuste haar op het voorhoofd; diep geroerd verzuchtte hij : „Sta mij nu bij te dezer ure met goeden raad. Wat vang ik aan ? Deze te voldoen, mijne eere te redden, de Gentschen te vernederen, hoe kieze ik hier het beste?quot;

„Als vroeder lieden hoofden draaien, moet de wijsheid wel herberg zoeken onder de kap van een zot,quot; sprak Koen, zonder aarzelen, met een vrijen en vasten blik op zijn Heer. „En zoo volg wat zij mij toefluistert, gevader Max! Onthoud dien goeden mannen den vrede niet, waarop zij zich gespitst hebben; geef

ocr page 221

197

liever, dan dat gij moet laten nemen, en zoo de conditie u niet lijkt, waarop peetoom Lodewijk u de hand toereikt, neem dan den tijd tot bondgenoot. Daar Mevrouw de Beaujeu 1) geen minnekind begeert, zullen wij onze Oostenrijksche paarle nog langen tijd veilig in de schulp houden. En wie weet, of Fran-goisen en Gentenaren ten dier dage zoo luid zullen schreeuwen als nu!quot;

De raad van den Hofnar werd gevolgd, misschien minder omdat het een goede was, dan wel omdat hij des Aartshertogs eigen besluit herhaalde. Braband en Vlaanderen waren voor het eerst met hun Vorst eenstemmig, en deze zag daarop zooveel rust en goedwilligheid om zich heen, dat hij tijd en lust vond, om de gaping, in de ridderschap der quot;Vliesorde ontstaan, plech-tiglijk met waardige leden aan te vullen. En Maria, — over het lot harer dochter vooreerst gerustgesteld, omdat geene der partijen met het uitvoeren van het verdrag Toortgang maakte, Maria had weêr moed en vroolijkheid, om het feest en tour-nooi bij te wonen, dat te dier gelegenheid in 's Hertogenbosch werd gehouden.

En toch ia Margaretha van Oostenrijk negen jaar later als gehuwde bruid van den Dauphin Karei bekend geweest, maar hare moeder beleefde niet den treurigen dag, dat de Jonkvrouw, tegen des vaders wil, door Willem Rijm en Jacques Coppennole naar Frankrijk werd heengevoerd ; reeds in 1482 zag Maximiliaan de jeugdige aan zijne trouwe ontvallen. Maar hoe kort ook van duur, hun huwelijksleven, waarvan wij een klein tafereel gaven, was een zeldzaam voorbeeld geweest van een gelukkigen vor-stenecht, waaraan de Aartshertog, zelfs toen hij reeds Keizer was, nooit meer kon donken, dan tot tranen toe geroerd.

1) De dochter van Lodewijk XI, die veel invloed had.

ocr page 222
ocr page 223

T)E HERTOG VAN ALM JN NEDERLAND.

ocr page 224
ocr page 225

„Wat hem na (toe) komt verstaan wij hem na te geven.quot;

Hooft.

Omstreeks half Augustus ten jare 1567, werden de bewoners der uiterste grens, die het Luxemburgsche van Lotharingen scheidt, opgeschrikt door het eigenaardig rumoer dat de nadering van krijgsbenden aankondigt. De vreedzame houthakkers zien de rustingen der speerruiters blinken tusschen den- en sparreboomen heen —■ zien bij wijlen hunne spiesen flikkeren in't felle zonlicht of ze bliksemstralen uitschoten. De versaagde herder durft zijne kudde niet langer het rustig grazen toestaan op de mossige hoogten die zich langs den zoom van het majestueuse woud verheffen, sinds hij musketiers en ander voetvolk het rotspad ziet bestijgen. Hij drijft zijne woldragers het bosch in, die noode zich van do geurige kruiden zien afgekeerd, doch door den waakzamen herdershond tot volgzaamheid worden geprest. Vrouwen en kinderen die eikels rapen of pijnappels en de harstige sparreknoppen bijeenzamelen — rijzen schichtig op en wijken schuw ter zijde of verschuilen zich achter een boomstam in 't kreupelhout, reeds bij het eerste paardengetrappel, en zien van uit die schuilhoeken hoe er lansknechten volgen die in smalle rotten afgedeeld, het enge boschpad binnendringen. Soldatenvolk staat in zoo slechten reuk, dat. er vrome moedertjes zjjn die haar kruis slaan, niet meer, noch minder, dan of het eene verschijning van den Booze gold.

„Nu, daar kon wel iets van aanzijn,quot; meende de marskramer, die onder zijn last zwoegend, over het slingerend rotspad zjjn weg nam, naar het naaste Luxemburgsch dorpje om er de mare te verspreiden van 't geen hij op zjjne omwandeling had waargenomen. „Ja voorzeker, Satan zou er wel wil van hebben, van het

ocr page 226

202

groote treurspel, dat deze komenden gingen opvoeren!quot; Maar de man had wereldwijsheid genoeg om deze gedachte niet overluid uit te spreken; zelfs niet tegen de mijnwerkers en kolenbranders, die met hun gereedschap op den schouder naar hem toekomen en de vraag uiten, die reeds allen op de tong lag — „wat er toch aan de hand was, dat men zooveel ruiters en volk van wapenen door 't gewest zag dwarrelen ?quot; Zjj gaan hun half uurtje middagrust nemen en bieden den zwerver eene teug mee uit hunne kruik als hij zich onder hen wil neerzetten en uitzeggen wat hij er van weet. Het ontbreekt den moede niet aan dorst, en de eenzame wandelaar is wel geneigd tot een praatje. De mars wordt afgelicht, de wandelstok neergelegd nevens de mokers en houweelen, men legert zich zoo goed men kan aan de helling van den ruig begroeiden rotswand, waar men geen overlast kan hebben van de soldaten, al trekken die ook de steilte langs en waar men het oog kan laten gaan over den zoom van het onafzienbare woud — de marskramer, die de eereplaats onder hen heeft ingenomen, wijst met de rechterhand derwaarts heen, en met den toeleg van een redenaar die belangstelling wil wekken en verbazing — vangt hij op eens aan met hen het schrikwekkend feit in volle zwaarte aan te kondigen.

„Dat volk dat daarginds door de Ardennen trekt hoort tot het leger van den Hertog van Alba, die met een heir van wel veertienduizend man, uit Lotharingen hier is binnengetrokken.''

Hier zweeg de spreker, in afwachting van de uitingen van schrik en verbazing, die naar zijn gevoelen volgen moesten vau de zijde zijner hoorders. — Maar toen die er het zwijgen toe deden — hervatte hij - met nog meer nadruk — „de sprake gaat, dat hij reeds zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen te Dieden-hove, en dat hij er blijven zal tot zijne manschap van den langen vermoeienden tocht zal zijn uitgerust.quot; En de marskramer — zweeg weer — met een veelzeggenden blik in 't rond ziende — en nam een teug uit den kruik die zijn buurman hem toereikte; dan hij was teleurgesteld, hij miste zijn effect. De mijnwerkers bleven hem aanstaren met open mond en wijd opgespalkte oogen; maar haalden de schouders op en bleven versuft zwijgen, zij konden do beteekenis van de mededeeling niet vatten; een enkele mom-

ocr page 227

203

pelde wel: dat het niet alles was, zooveel soldatenvolk in hun vreedzaam gewest — dat er vast schaarschte van zon komen — en alles was toch al zoo duur! —nog een ander dat ze op joliger nieuwtje hadden gehoopt — maar de overige zwarte gezichten bleven onverwogen ! „Zou er dan toch weer oorlog komen,quot; verzuchtte eindelijk een der oudsten onder hen, terwijl hij misnoegd zijn houweel tegen den rotsgrond stiet — „wij wisten niet beter of de Koning was in vrede met het Duitsche rijk en met do Fransche baren. . .

„Wel zeker,quot; hervatte de verteller met wat ongeduld, „daar is Koning Filips ook mede in vrede en dat is mogelijk een der oorzaken die hem bewegen om in dezen met zijne Nederlanden zoo kras door te tasten — hebt gijlieden mij dan niet verstaan, toen ik zei — dat de Hertog van Alba de aanvoerder is van dit krijgsvolk!quot;

„Ja! dat hadden ze wèl verstaan,quot; gaven zij ten antwoord, terwijl zij elkander aankeken met blikken, die hunne wanhopige poging uitdrukten om het fijne van de zaak te vatten, „de Hertog van Alba

— ja, dat was een van 's Konings veldheeren, die was nog eens in Luxemburg geweest, staande den laatsten oorlog om in Lotharingen Duitsche knechten bijeen te verzamelen, die door hnn gewest — door hun dorp waren getrokken — maar de eene veldoverste of de andere dat deed er zooveel niet toe, als hij zijn volk maar geen roof of plundering toeliet,quot; voegden zij er verzuchtend bij,

anders was het gedaan met hun beetje welvaart — met hunne rust — en wat moest er dan worden van hunne vrouw en kinderen.quot;

„O! wat dat belangt, daar hebt gijlieden niet voor te vreezen

— op dat punt heeft deze man zijne proeven afgelegd. — Hij is wouden door-, stroomen langs-, bergen overgetrokken met al die ruwe gasten uit alle oorden van Spanje, Italië en Sicilië bijeenverzameld, zonder dat er een stuk vee van de kudde of een tros druiven uit den wijngaard is geroofd, 't gerucht dat hem voorgaat, heeft dat al naar waarheid van hem gemeld quot;

„Nu — dan was het bezwaar ook zoo groot niet,quot; oordeelden de toehoorders — en ze begrepen niet. . .

„Stomme eigenbaat — dom volk! niets te begrijpen dan wat

ocr page 228

196

Koen, „en mijn Compeerken van Frankrijk is een burgerman, die gewoeld heeft met zijne consorten en daarmede geheuld, terwijl mjjn gebiedende Heere nog lag en sliep met de zijnen. Het was voor hem al dageraad, toen het bij u nauwelijks schemerde.''

,Nogmaals door dien fijnaard verschalkt!quot; stootte de Aartshertog uit, bleek van toorn en zich de lip verbijtend.

„Ik had het gevreesd,quot; hernam Maria droevig. „Meen nu niet, dat gij macht zult hebben, het vervolg te weren. En wee mij, droeve, schoon tweemaal gelukkige moeder ! nu ben ik der Heilige gelijk, wie een wolf het eene kind roofde en een leeuw het andere.quot;

„Houd ruste! met het zwaard in de hand zal ik ze u heroveren!quot; riep de Vorst, en had reeds zijn wapen uit de scheade getogen. „Geen vrede te Arras, geen schorsing zelfs ; ik wil niet, dat de Gentenaars zich moeien in mijne zaken ; ik wil de hand niet zijn, die uitvoert, wat zij besloten !''

„O ! dan zal er bloed stroomen !quot; riep Maria, op de knieën nederzinkende, „weder bloed en altijd geweld, altijd onrecht, van welke zijde dan ook! Al het bloed, door mijn Heer Vader roekeloos gespild, komt terug op mijn hoofd ! Neen, Heer en gemaal! laat dat niet zijn, hinder gij dat voor het minst, ik had bij mijns llertogs leven om het staatsbelang reeds geen vader meer; daarna was ik droeve weeze, zonder voogd of schutse ; nu sta ik hier, moeder zonder kinderen; laat mij ten lesten geene vrouw worden zonder man! God weet, wat ons nog zon kunnen scheiden ; daarom blijf gij met mij, en ik zal achten niets verloren te hebben.quot;'

Maximiliaan hief haar op, en kuste haar op het voorhoofd; diep geroerd verzuchtte hij ; „Sta mij nu bij te dezer ure met goeden raad. Wat vang ik aan ? Deze te voldoen, mijne eere te redden, de Gentschen te vernederen, hoe kieze ik hier het beste ?quot;

„Als vroeder lieden hoofden draaien, moet de wijsheid wel herberg zoeken onder de kap van een zot,quot; sprak Koen, zonder aarzelen, met een vrijen en vasten blik op zijn Heer. „En zoo volg wat zij mij toefluistert, gevader Max! Onthoud dien goeden mannen den vrede niet, waarop zij zich gespitst hebben ; geef

ocr page 229

197

liever, dan dat gij moet laten nemen, en zoo de conditie u niet lijkt, waarop peetoom Lodewijk u de hand toereikt, neem dai! den tijd tot bondgenoot. Daar Mevrouw de Beaujeu 1) geen minnekind begeert, zullen wij onze Oostenrijksohe paarle nog langen tijd veilig in do schulp houden. En wie weet, of Fran-Qoisen en Gentenaren ten dier dage zoo luid zullen schreeuwen als nu!quot;

De raad van den Hofnar werd gevolgd, misschien minder omdat het een goede was, dan wel omdat hij des Aartshertogs eigen besluit herhaalde. Braband en Vlaanderen waren voor het eerst met hun Vorst eenstemmig, en deze zag daarop zooveel rust en goedwilligheid om zich heen, Jat hjj tijd en lust vond, om de gaping, in de ridderschap der quot;Vliesorde ontstaan, pleeh-tiglijk met waardige leden aan te vullen. En Maria, — over het lot harer dochter vooreerst gerustgesteld, omdat geene der partijen met het uitvoeren van het verdrag voortgang maakte, Maria had weêr moed en vroolijkheid, om het feest en tonr-nooi bij te wonen, dat te dier gelegenheid in 's Hertogenbosch werd gehouden.

En toch is Margaretha van Oostenrijk negen jaar later als gehuwde bruid van den Dauphin Karei bekend geweest, maar hare moeder beleefde niet den treurigen dag, dat de Jonkvrouw, tegen des vaders wil, door Willem Rijm en Jacques Coppennole naar Frankrijk werd heengevoerd; reeds in 1482 zag Maximiliaan de jeugdige aan zijne trouwe ontvallen. Maar hoe kort ook van duur, hun huwelijksleven, waarvan wij een klein tafereel gaven, was een zeldzaam voorbeeld geweest van een gelukkigen vor-stenecht, waaraan de Aartshertog, zelfs toen hij reeds Keizer was, nooit meer kon denken, dan tot tranen toe geroerd.

1) De dochter van Lodewijk XI, die Teel invloed had.

ocr page 230
ocr page 231

T)E HERTOG VAN AL BA IN NEDERLAND.

ocr page 232
ocr page 233

„Wat hem na (toe) komt verstaan wij hem na te geven.quot;

Hooft.

Omstreeks half Augustus ten jare 1567, werden de bewoners der uiterste grens, die het Luxemburgsche van Lotharingen scheidt, opgeschrikt door het eigenaardig rumoer dat de nadering van krijgsbenden aankondigt. De vreedzame houthakkers zien de rustingen der speerruiters blinken tusschen den- en sparreboomen heen — zien bij wijlen hunne spiesen flikkeren in't felle zonlicht of ze bliksemstralen uitschoten. De versaagde herder durft zijne kudde niet langer het rustig grazen toestaan op de mossige hoogten die zich langs den zoom van het majestueuse woud verheffen, sinds hij musketiers en ander voetvolk het rotspad ziet bestijgen. Hij drijft zijne woldragers het bosch in, die noode zich van de geurige kruiden zien afgekeerd, doch door den waakzamen herdershond tot volgzaamheid worden geprest. Vrouwen en kinderen die eikels rapen of pijnappels en de harstige sparreknoppen bijeenzamelen — rijzen schichtig op en wijken schuw ter zijde of verschuilen zich achter een boomstam in 't kreupelhout, reeds bij het eerste paardengetrappel, en zien van uit die schuilhoeken hoe er lansknechten volgen die in smalle rotten afgedeeld, het enge boschpad binnendringen. Soldatenvolk staat in zoo slechten renk, dat er vrome moedertjes zijn die haar kruis slaan, niet meer, noch minder, dan of het eene verschijning van den Booze gold.

„Nu, daar kon wel iets van aanzijn,quot; meende de marskramer, die onder zijn last zwoegend, over het slingerend rotspad zijn weg nam, naar het naaste Luxemburgsch dorpje om er de mare te verspreiden van 't geen hij op zijne omwandeling had waargenomen. „Ja voorzeker, Satan zou er wel wil van hebben, van het

ocr page 234

202

groote treurspel, dat deze komenden gingen opvoeren!quot; Maar de man had wereldwijsheid genoeg om deze gedachte niet overluid uit te spreken; zelfs niet tegen de mijnwerkers en kolenbranders, die met hun gereedschap op den schouder naar hem toekomen en de vraag uiten, die reeds allen op de tong lag — „wat er toch aan de hand was, dat men zooveel ruiters en volk van wapenen door 't gewest zag dwarrelen ?quot; Zij gaan hun half uurtje middagrust nemen en bieden den zwerver eene teug mee uit hunne kruik als hij zich onder hen wil neerzetten en uitzeggen wat hij er van weet. Het ontbreekt den moede niet aan dorst, en de eenzame wandelaar is wel geneigd tot een praatje. De mars wordt afgelicht, de wandelstok neergelegd nevens de mokers en houweelen, men legert zich zoo goed men kan aan de helling van den ruig begroeiden rotswand, waar men geen overlast kan hebben van de soldaten, al trokken die ook de steilte langs en waar men het oog kan laten gaan over den zoom van het onafzienbare woud — de marskramer, die de eereplaats onder hen heeft ingenomen, wijst met de rechterhand derwaarts heen, en met den toeleg van een redenaar die belangstelling wil wekken en verbazing — vangt hij op eens aan met hen het schrikwekkend feit in volle zwaarte aan te kondigen.

„Dat volk dat daarginds door de Ardennen trekt hoort tot het leger van den Hertog van Alba, die met een heir van wel veertienduizend man, uit Lotharingen hier is binnengetrokken.quot;

Hier zweeg de spreker, in afwachting van de uitingen van schrik en verbazing, die naar zijn gevoelen volgen moesten van de zijde zijner hoorders. — Maar toen die er het zwijgen toe deden — hervatte hij - met nog meer nadruk — „de sprake gaat, dat hij reeds zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen te Dieden-hove, en dat hij er blijven zal tot zijne manschap van den langen vermoeienden tocht zal zijn uitgerust.quot; En de marskramer — zweeg weer — met oen veelzeggenden blik in 't rond ziende — en nam een teug uit den kruik die zijn buurman hem toereikte; dan hi) was teleurgesteld, hij miste zijn effect. De mijnwerkers bleven hem aanstaren met open mond en wijd opgespalkte oogen; maar haalden de schouders op en bleven versuft zwijgen, zij konden do beteekenis van de mededeeling niet vatten; een enkele mom-

ocr page 235

203

pelde wel: dat het niet alles was, zooveel soldatenvolk in hun vreedzaam gewest — dat er vast schaarschte van zon komen — en alles was toch al zoo dunr! — nog een ander dat ze op joliger nieuwtje hadden gehoopt — maar de overige zwarte gezichten bleven onverwogen ! „Zou er dan toch weer oorlog komen,quot; verzuchtte eindelijk een der oudsten onder hen, terwijl hij misnoegd zijn houweel tegen den rotsgrond stiet — „wij wisten niet beter of de Koning was in vrede met het Duitsche rijk en met de Fransche buren. . .

„Wel zeker,quot; hervatte de verteller met wat ongeduld, „daar is Koning Filips ook mede in vrede en dat is mogelijk een der oorzaken die hem bewegen om in dezen met zijne Nederlanden zoo kras door te tasten — hebt gijlieden mij dan niet verstaan, toen ik zei — dat de Hertog van Alba de aanvoerder is van dit krijgsvolk!quot;

„Ja! dat hadden ze wèl verstaan,quot; gaven zij ten antwoord, terwijl zij elkander aankeken met blikken, die hunne wanhopige poging uitdrukten om het fijne van de zaak te vatten, „de Hertog van Alba

— ja, dat was een van's Konings veldheeren, die was nog eens in Luxemburg geweest, staande den laatsten oorlog om in Lotharingen Duitsche knechten bijeen te verzamelen, die door hun gewest — door hun dorp waren getrokken — maar de eene veldoverste of de andere dat deed er zooveel niet toe, als hij zijn volk maar geen roof of plundering toeliet.quot; voegden zij er verzuchtend bij, ,,anders was het gedaan met hun beetje welvaart — met hunne rust — en wat moest er dan worden van hunne vrouw en kinderen.quot;

„O! wat dat belangt, daar hebt gijlieden niet voor te vreezen

— op dat punt heeft deze man zijne proeven afgelegd. — Hij is wouden door-, stroomen langs-, bergen overgetrokken met al die ruwe gasten uit alle oorden van Spanje, Italië en Sicilië bijeenverzameld, zonder dat er een stuk vee van de kudde ol' een tros druiven uit den wijngaard is geroofd, 't gerucht dat hem voorgaat, heeft dat al naar waarheid van hem gemeld quot;

„Nu — dan was het bezwaar ook zoo groot niet,quot; oordeelden de toehoorders — en ze begrepen niet. . .

„Stomme eigenbaat — dom volk! niets te begrijpen dan wat

ocr page 236

204

je eigen huid en goed raakt,quot; viel de marskramer nit, met grooter ergernis, dan waartoe hij gerechtigd was — immers hoe konden die arme mijnwerkers en kolenbranders, die hun leven sleten in de groeven, die lezen noch schrijven konden, die de stad niet bezochten dan op enkele groote hoogtjjdsdagen, die Zondags ter mis gingen met vrouw en kind, en voorts hun vermaak zochten in de taveerne met hun potteke bier, hoe konden zij iets te weten komen van de groote gebeurtenissen die het aanzien der oude wereld zouden veranderen — hoe konden zij iets raden van de nieuwe denkbeelden die de vorsten op hunne tronen zouden doen wankelen.

Zij konden er niets van hoeren dan 't geen hun dorpspastoor, zelf al heel weinig op de hoogte, er hun van zou willen mede-deelen — of een doortrekkend reiziger, die er meer van wist, moest zich de moeite geven er hen terloops mee bekend te raa-ken — en dat zou dan toch maar zeer in 't onbestemde, zeer oppervlakkig zijn, en vermoedelijk niet zoo terstond door hen gevat worden, hoe konden zij zonder nadere inlichting de beteekenis vatten van die schrikmare: De Hertog van Alba trekt de Neder-landsche provinciën binnen aan het hoofd van een leger door hem zelf bijeenverzameld ?

De marskramer zelf, met zijne levendige, zwarte oogen en slimme trekken, zag er wel uit ol' hij een meer dan oppervlakkig waarnemer was van 't geen tot zijne kennis was gekomen, het kon ook wel zijn dat hij in dezen reeds partij had gekozen, men zou het denken uit den toon waarop hij hervat: „Zie toch hoe men zich kon bedriegen — ik meende dat de schrik van dien naam tot in uwe groeven moest zijn doorgedrongen, tot in Afrika toe wordt die door Moor en Mahomedaan niet dan met siddering uitgesproken, en reeds heeft de mare van zijne afreis uit Spanje herwaarts heen, duizenden goede burgers van huis en erf verjaagd, die gevlucht zijn in allerijl zoover zij maar komen konden, op zulke wijze, dat hij het land van Vlaanderen en Brabant ontvolkt zou vinden, zoo de Regentes niet door strenge ordonnantiën een dam had gesteld tegen dien vloed van uitwijking.quot;

„Zoo bleek het wel dat de lieden niet veel goeds van den Hertog wachtten,quot; was de opmerking waarmee een der toehoor-

ocr page 237

205

ders, die zich tot woordvoerder opwierp — den spreker in zijne hartstochtelijke rede stuitte, „maar dat zeide hun nog niet duidelijk wat hij dan toch in de Nederlanden kwam doen?'1

„Wat hij er doen komt!quot; hernam de vreemde zwerver—met toenemende heftigheid — „dat, wat de vos komt doen als hij in 't hoenderhok sluipt; dat, wat de uitgehongerde wolf doet als hij op zijne prooi loert en die grijpt; dat wat het wilde zwijn doet als het getergd door de Ardennen rent en de tanden wet tegen alles wat zijne dolle vaart tegenstaat.quot;

„Dat was heel erg,quot; betuigde de woordvoerder van den verbaasden troep, die in stijgende onrust zat toe te luisteren, maar de verteller had hun toch verzekerd dat die veldheer hun vee en volk zou sparen bij zijn doormarsch, waarom zon hij dan zooveel erger doen in de gewesten van Vlaanderen en Brabant, die toch evenzeer tot Konings gebied behoorden als hun hertogdom ?

Waarom! ja, waarom! en de marskramer begreep op eens dat hij zich met dit volkje op een gevaarlijk terrein had begeven, dat hij wel een duidelijk relaas van zekere feiten voor hunne ooren kon brengen, maar dat zij er toch zoo op eens niet het rechte begrip van zouden krijgen — ja, dat zij bij het eerste woord van „kerkhervormingquot; eo „beeldenstormquot; zouden opschrikken als had er eene raijnontplotting plaats voor hunne oogen. Hij zag op tegen de vruchtelooze moeite waarmee hij niet dan onrust en ergernis kon wekken, zijn langdurig verkeer met menschen van allerlei slag had hem geleerd op zijne hoede te zijn en Let speet hem reeds dat hij zich door zijn eigen zucht tot praten zoover had laten meeslepen. Zonder iets te antwoorden rees hij op, zette zijne schouders weer onder zijn last, nam zijn wandelstok ter hand en sprak toen mot eene mengeling van onwil en bitterheid, „dat waarom is nü veel te lang om uit te zeggen, en gijlieden zoudt het toch niet vatten. Adieu ! — leeft in uwe rust als de marmotten in hun winterslaap, wroet in de aarde als de mollen, blijft in den blinde als dezen en gijlieden zult kans hebben te ontgaan wat die rampzaligen daarginds wacht!quot; Hij wees met den arm naar het Noorden en als geprikkeld door de ergernis over de sprakelooze versuftheid waarmee zij hem bleven aanstaren, nam hij den staf op, en vervolgde met driftige schreden zijn weg ; eerst toen

ocr page 238

206

hij van het rotspad was afgedaald naar het diepe da), nog uit de verte op hen kon terugzien als op de zwarte stippen — wendde hij zich om en mompelde halfluid als geperst om zich lucht te geven : „wat hij er doen komt? die gevleeschte Duivel! Hij komt een schrander levendig volk dat zijn God en zijn Koning eert, maar de vrijheid liefheeft en van geen consciëntiedwang weten wil, verkeeren in een hoop suffers en botterrikken als die daar; in zwoegende mijnslaven, die men als slachtvee heendrijft waar men ze hebben wil, waar alle geest en leven in uitgebluscht is. Als deze man slaagt in hetgeen hij hier doen komt, is het wel zeker dat er binnen tien jaren tijds van Geuzen noch Ketters meer gewag zal zijn in de Provinciën, maar dan zal er ook geen vrij man meer wezen, die het hoofd fier en moedig kan opheffen dan zullen deze rijke en schoone gewesten met al wat er in leeft en ademt gespanjoliseerd zijn voor eeuwen !quot;

En na zijn gemoed lucht gegeven te hebben door het uitspreken van deze weeprofetie, zette de marskramer zijn tocht voort.

Welhaast had hij andere ontmoetingen, die hem bewezen dat de onwetendheid van kolenbranders en mijnwerkers omtrent het groote nieuws van den dag geenszins als maatstaf kon genomen worden van 't geen er onder de bewoners der steden en in de kasteelen der edelen omging. Hij werd nu eens aangeroepen door edellieden te paard, van pages en palfreniers vergezeld, die hem den naasten weg vroegen naar het legerkamp van den Hertog; hij werd met onrustige en nieuwsgierige vragen bestormd door stedelingen uit Echternach en andere plaatsen, die van hem weten wilden of de Spaansche veldheer zich met zijn volk voor langen tijd in het Luxemburgsche zoude ophouden, welke richting er vermoedelijk zou genomen worden bij den doormarsch, en dergelijke vragen meer, die bewezen dat zij gansch niet op hun gemak waren bij dit bezoek, dat de schrik van zijn naam werkelijk den Hertog vooruitging als een heraut die den vrede kwam opzeggen, en een reeks van naamlooze jammeren en ellende aankondigen. En was het dus in een gewest waar de rust was bewaard gebleven, waar van ketterij en beeldenstorm geen sprake was, hoe moest het dan niet zijn in de andere provinciën waar men niet met zuivere consciëntie naar de opvatting van een Alba)

ocr page 239

207

dezen kon inwachten. Ook was het nog iets anders dan de broeiige hitte der Augustuszon, wat de atmosfeer zóó drukkend maakte, dat het ademhalen moeite koste; het was een bang voorgevoel van heviger stormen, zwaardere onweersbuien en feller bliksemstralen dan die daar uit de donkere wolken aan den hemel dreigden ; het was als een voorgevoel voor eene toekomst zóó somber en hopeloos dat de levenslust zelve er haar vroolijken blos en haar glimlach bij verloor. Onze wandelaar beantwoordde naar zijn beste vermogen met de meeste lankmoedigheid, al was het niet altijd afdoende en met juistheid, elks nieuwsgierige of onrustige vragen. Het kon hem niet bevreemden dat ze aan hem werden gericht. Marskramers waren nu eenmaal de aangewezen overbrengers van nieuwsmaren in dat tijdperk, waarin dagbladen noch telegrammen in gebruik waren om belangrijke berichten over te brengen. Men wist het; onder voorwendsel van hunne „negotiequot;, hadden deze rondreizende kooplieden alom een reeh van intrede, en zij konden, bij veel weetlust en eenige gave van opmerking, dikwerf iets te weten komen, wat voor de menigte verborgen bleef. Zij werden dan ook niet zelden voor spionnen gebruikt of er voor aangezien — ook wel eens een enkele maal — schuldig of onschuldig •— onder zulke verdenking aan den eersten den besten boom opgeknoopt — maar had men de baten van 't handwerk, men moest de schaden daarvan ook dragen, meenden de overigen en 't schrikte niemand af. Die welken wij hier aantreffen, zag er slim genoeg uit om snel en scherp op te merken en om met het waargenomene zijne winst te doen. Mogelijk zelfs was hij meer dan hij scheen — was hij een dier dragers van geheime kondschappen, zooals er niet zelden rondzwierven. Hoe dat ook zjj, hij vertelde aan ieder die er naar vroeg, dat hij al in 't Kamp bij Diedenhove had rondgezworven, en vast geloofde wat daar gezegd werd, dat de Hertog zijn soldaten wel een dag of acht rust zoude gunnen eer hij ze verder doormarcheeren liet, „en die hebben ze noodig ook,'' voegde hij er bij, „over den Mont Clénis, door Savoye, langs Frankrijk en de Zwitsersche Alpen, Bourgondië en Lotharingen door, tot in 't Luxemburgsche te komen, is geen speelreisje ! Daarbij de oude Toledo is een slimme rat, die maar niet zoo plomp verloren zal

ocr page 240

208

komen invallen in de Provinciën, waar hij weten kan niet welkom te zijn. Hij zal eerst wat op zijn gemak de kaart van het land trachten te leeren kennen en 't zou mij niet verwonderen, zoo dit volk van hem dat de Ardennen doorkruist, uitgezonden ware om de gesteldheid van den grond, de laagten en hoogten der rots- en bergstreken te onderzoeken, aleer hun veldheer zijn besluit neemt langs welke zijde hij zal optrekken.quot;

„Hm! ja! dat zal wel zoo zijn,quot; was het wederwoord van den persoon tot wien hij, na ondervraagd te zijn, deze toespraak had gericht. Een forsch gebouwd man met litteekens op het verbruind gelaat, die maar één arm had, en in wiens houding en voorkomen, schoon hij in boerenplunje was, de oud soldaat was te herkennen. „Nu, ik zeg 'tis een kansje voor den Hertog dat Graaf Peter Ernst van Mansveld stadhouder van Luxemburg is, en niet de prins van Gaveren, onze Lamoraal van Egmond.

„Waarom acht gij dat zulk een fortuintje voor den Spaanscheu veldheer?'' vroeg de marskramer, hem met zijne kleine slimme oogen onderzoekend aanzierde.

„Omdat het den Graaf dan niet moeielijk zou zijn den Hertog het doordringen te beletten, en hem den pas af te snijden; hier tusschen de rotsvalleien en de enge boschpaden in, waar het volk om zoo te spreken twee aan twee moet gaan om door te komen, zou een handvol geoefende soldeniers, door een generaal als Egmond aangevoerd, een groot leger kunnen terughouden.quot;

„Acht gij dan den Graaf gezind om den Hertog zoo'n trek te spelen vroeg [de marskramer levendig.

„Dat wil ik niet gezegd hebben, al heb ik wel eens gehoord dat het lang geen vrienden zijn. Ik bedoel alleen dat onze Egmond, zoo hem iets dergelijks in 't hoofd kwam, eene mooie occasie zou hebben om een stout stuk te wagen, en dat het hem lukken zou, daarop zou ik mijn ouden kop durven verwedden; wantik ken hem ! ik heb niet voor niet jarenlang onder zijne vaner. gediend, en als ik niet bij St. Quentin mijn eenen vlerk had verloren zou ik nog onder zijn volk zijn, maar wat wilt gjj als men niet meer van zessen klaar is! gelukkig hadden we in den Fran-schen oorlog nogal buit behaald en ik., was geen doorbren-

ocr page 241

209

gor ... Ik woon nu te Bucheoourt, waar ik herberg houd in de Vergulde Speer, als je die bekend is?quot;

„Nog niet, maar ik denk er kennis mee te maken, was het antwoord. Wandel je met mij op?quot;

„Nu niet, want ik wou zien of ik onverlet tot in 't kamp van Diedenhove kon doorkomen, en gij gaat naar ik zie een anderen koers uit . . .quot;

„Juist, ik kom er vandaan, de zaken gingen er goed; mijn marsje is haast leeg en ik heb nog bestellingen ook.quot;

„Zoo, kunt ge mij zeggen hoe ik het aanleggen moet om er ongehinderd binnen te komen . .

„Te Diedenhove?quot;

„Ei neen, in 't kamp.quot;

„De vraag is allereerst wat gij er doen komt?quot;

„Niets! maar eens kijken uit liefhebberij, een oud soldaat hoort nog wel eens graag de trom roeren.quot;

„Nu, daar kan je plezier van hebben, maar die lust is te verklaren in een lansknecht van Egmond. Wees gewaarschuwd dat het niet makkelijk is, om in 't kamp te komen, er wordt goede wacht gehouden en wie quot;t parool niet heeft, komt er niet licht binnen; maar ik wil je het loopje, dat ik er op heb, wel mee-deelen. Zie je, ik heb wat te verkoopen en ik vraag maar naar de Hopmansche van de vrouwenbende!quot;

„De vrouwenbende! denkt de Hertog hier met wijven te vechten!quot; vroeg de oudgediende met verontwaardiging.

„Vechten! wel neen, zijn je de Spaansche manieren vergeten ? Vrouwkens van pleizier, allerliefste schoonen, die het krijgsvolk den tijd helpen korten, door hare galante conversatie in de rusturen, en den marsch vervroolijken op de verre tochten. En uitgedost! of ze prinsessen waren; zoudt ge gelooven dat ik er zes paar zijden kousen heb verkocht.quot;

„De Hertog is toch zoo niet voor de weelde,quot; merkte de veteraam op, met een hoofdschudden.

„Neen, maar hij is voor de orde, en daarom nam hij dit middel te baat om ongeregeldheden te weren in de landen die hij moest doortrekken en om desertie te voorkomen. Acht honderd van die goedwillige schoonen vergezelden het leger te paard

Kroon. Karei de Stoute. 14

ocr page 242

210

als een heir van Amazonen, de andere, van minder allooi, volgden te voet, en dat alles bevindt zich nu in het kamp, in rotten afgedeeld, en wordt onder tucht gehouden niet minder dan de manschap zelf, door hare eigene kapiteinschen en rotmeesteressen ; die aanvoersters hebben zulke welgevulde beurzen, dat zij koopen kunnen wat menige vorstin moeite heeft te betalen.quot;

„De Hertog weet wat zijn volk toekomt,quot; hernam nu de veteraan meesmuilend, „het blijkt toch uit alles dat hij een weergaloos veldoverste is.quot;

„Ja! weergaloos! zooals gij zegt,quot; hervatte de marskramer, nen dat is zooveel te erger ... of.. . heb jij er zwak op dat we dat Spaansche krijgsvolk voor goed in 'tland krijgen?quot;

„Wis en waarachtig niet, over dat Spaansche vee is de ruzie aangekomen, tussehen de Vliesridders en de Regentes; al de edelen kwamen in verzet, Egmond niet onder de laatsten, ik was tot Brussel in die dagen, ik heb er genoeg van gehoord, do kardinaal Granvelle heeft mes voor dien storm moeten wijken, de Koning zelf heeft moeten zwichten. .

„'tZijn bekende zaken man!quot; viel de marskramer in. „Ze zijn werkelijk afgetrokken die Spaansche rabamven en wij gaven ze het heilig kruis na, maar wat heelt het gebaat, dat's nog geen volle zeven jaar geleden en daar hebben wij ze weerom, dat uitschot van volk.quot;

„Uitschot zal het niet zijn,quot; viel de veteraan in met jeugdig vuur, „een veldheer als Alba zal wel zorgen dat hij keurbenden meebrengt, en dat is juist wat mijn verlangen prikkelt, om ze met mijne eigen oogen te aanschouwen!quot;

„Keurbenden of niet, ik zag ze liever wegtrekken, en wat gauwer dan de vorigen. Ons land is het koninkrijk Spanje niet. en de Koning ia hier maar Hertog en hij heeft geen recht om ons zijn Spanjolen te zenden om ons te onderdrukken; wij zijn frije lieden, of verstaat gij het anders?quot;

„Ik! ik ben een zoon der Ardennen, en zou als'c wilde zwijn kunnen aanrennen op wie mij dacht te vangen. Neen! als we't zóó bezien, dan zou ik zelf nog wel een handje willen helpen om de Spanjolen weg te jagen als 't met de slinke alleen nog maar gaan kon!quot;

ocr page 243

211

„Ik zie, wij zijn 't eens,quot; riep de marskramer opgewekt, die gewillige linkerhand met warmte in de zijne drukkend, „maar toch kameraad, ik vrees dat het lang zal duren eer ge tot zuiken dienst geroepen wordt. Het leger van den Hertog is er niet op ingericht om welhaast op te trekken . . . Alba blijft hier totdatquot; — bij zweeg plotseling, men hoorde hoefgetrappel vlak achter de sprekenden, zij waren ingehaald door twee edellieden te paard, gevolgd door een stoet pages en piqueurs, de laatsten wisselpaarden aan de hand voortleidend. Een hunner richtte tot den marskramer de gewone vraag, of men op den goeden weg was naar het kamp van Diedenhove? Een kort toestemmend antwoord werd op knorrigen toon gegeven. — „Ook al weer Luikenaars of Liraburgers die het Trojaansche paard komen inhalen,quot; fluisterde hij met ergernis den veteraan in; „ga gij mot dien troep mee als gij bij uw opzet blijft, dan komt gij lichten veilig mee door. Ik ga mijns weegs,quot; en hij voegde de daad bij het woord, terwijl de oud-strijder zijn raad volgde, en zoo goed hij kon in het spoor van do ruiters voortschreed. Wij ook willen dit gezelschap in het oog houden en luisteren naar 't geen zij zeggen, om te vernemen in welke gezindheid zij zich begeven naar het kamp van den Hertog.

Zoolang zij het nauwe en kronkelend boschpad moesten houden, spraken zij weinig of niets, en slechts met korte afgebroken woorden die alleen betrekking hadden op het weer of den weg, al hunne aandacht wijdend aan de paarden, terwijl het ook hunne opmerkzaamheid niet ontging dat er van tijd tot tijd troepjes Spaansche soldaten het bosch doorkruisten. Eerst toen zij op den broeden heerweg waren gekomen, waar men vlak land ter eener, vlietend water ter anderer zijde had, en zij het kleine vestingstadje in de verte zagen opdoemen, veroorloofden zij zich stapvoets te rijden, en de jonaste van de beide Heeren scheen de verzoeking niet te kunnen weerstaan om zijn hart lucht te geven.

„'t Valt hard dien hooghartigen en verwaanden Toledo to moe- • ten verwelkomen, nadat men zoolang reeds de hoop gekoesterd had den Koning zelf hier te zien !quot; sprak hij met zekere bitterheid in den toon.

„Wie daarop zijne hoop had gesteld, bouwde op een zandgrond.

ocr page 244

212

Baron! Ik heb het altijd voorzegd,quot; hernam de oudere edelman.

„Ja, maar gij zijt een zwaarhoofd, Graaf! die alles altijd donker inziet; daarom achtte ik niet veel op uw zeggen, en de berichten, die Egmond meebracht uit Spanje . .

„Bewezen alleen dat hij zich door eene heusche ontvangst en wat vertoons van waardeering heeft laten paaien, of ware 't anders, waarom is hij zelf dan niet aangesteld als Generalissimus van 's Konings troepen ? Waarom moest er een Spanjaard herwaarts heenkomen om drie voet hooger te staan dan de gansche Nederlandsche adel! die daarmee in 't aangezicht wordt geslagen ?quot;

„En dan juist eene zulke, bij wien het spreekwoord „onbekend maakt onbemindquot; zijne kracht verliest; want hij is de gansche Christenheid door bekend als de eerste veldheer van zijn tijd — en —- hij is evenzeer gehaat als beroemd. Daar is maar óene stem over zijne heerschzucht, zijne aanmatiging, zijn laatdunkenden toon en manieren, br! — als ik aan dat alles denk zou ik nog den toom kunnen omwenden.quot;

„Dat zou u zeer ongeraden zijn, gij en ik hebben hoog noodig bewijs te geven van loyaliteit, door den Koning in zijn vertegenwoordiger te eeren; met andere woorden: den duivel eene waskaars te wijden; en de roede te kussen, waarmee men ons wil treffen!quot;

„Als wij daartoe niet gezind waren hadden wij 't exempel moeten volgen van Oranje en de anderen, en 't land moeien verlaten. . . .quot;

„Gij! daar hebt ge gelijk ia, gij hebt de buitenpreken oogluikend toegelaten.. .. Baron 1 en zoover uw gebied reikte, de beelden uit de kerken laten wegnemen.quot;

„Natuurlijk! omdat ik de gewijde kunstwerken niet door den ruwen hoop vermorzeld of geroofd wilde zien, maar gij, die het Compromis hebt geteekend. . .quot;

„Daarin vergist gij u, ik heb een paar malen de bijeenkomsten der verbonden edelen bijgewoond, dat is waar, maar toen ik zag dat zij een weg opwilden die de mijne niet was, heb ik mij teruggetrokken, ik heb mij nooit met de Geuzenj en hunne maskerades ingelaten, en 't bewijs dat ik mij niet gecompromitteerd heb in de oogen der Landvoogdes, is, dat zij mij een ambt heeft aangeboden in hare hofhouding.quot;

ocr page 245

213

„Dat bewijst alleen dat zij u liever te Brussel wilde hebben onder haar oog, dan in 't Limburgsche, als vrijheer op uw eigen kasteel.quot;

„Als gij zoo wantrouwend zijt jegens de Regentes, wat zult gij dan wel van Alba wachten ?quot;

„Het ergste! Ik wil het u niet verhelen, waar do Koning sparen en verzoenen wil, zendt hij geen Alba, wees er zeker van.quot;

„En gij rijdt hem te gemoet om hem te begroeten, in plaats van links om te keeren en in één snellen rit over de grenzen te trekken.

„Wat zal ik u zeggen, ik heb in menigen veldtocht onder 's Keizers vanen mijn leven gewaagd om mindere belangen dan die hier op het spel staan, en die ik wensch te behartigen, omdat, zoo ieder edelman het land gaat ruimen wien tyrannie en consciëntiedwang tegenstaan, dat er dan ook niemand overblijft om de goede cause te vorderen, en nog wat kwaads te helpen weren. Ik wil den Hertog dit bewijs geven van mijn eerbied voor 's Konings gezag; ik wil mij zoomin schuilhouden als uitwijken, ik wil niet beginnen met schijn van argwaan en vijandschap; ik wil liever trachten uit te vorschen wat hij tegen ons in zijn schild voert; ik wil toonen dat er nog mannen zijn die hem onder de oogen durven treden als de ridderlijke pleitbezorgers van een verdrukt en vernederd volk; boet ik het leven dan daar bij in, het zal toch niet vergeefs gespild zijn. Alle martelaarsbloed is vruchtbaar.

„O! die verwonschte beeldstormers en tempelschenders! die . ons den demon des Konings toorn en ongunst op den hals hebben gehaald, dat hij zulk een tuchtmeester noodig keurt,quot; sprak de jongere edelman met smartelijke bitterheid

„Oeh! laad toch de schuld niet op dat hoopje onvoorzichtigen en bandeloozen, die door bloedige verdrukking getergd, zich door wilden regelie-ijver hebben laten verlokken tot woeste daden, die wij misdaden achten; verwensch veeleer hen die de bouwstoffen hebben saamgebracht om dit onheilig vuur te doen ontbranden, die den boog spanden tot hij breken moest; die den worm vertrapten tot hij in een serpent verkeerde. Ku men de wonde ziet gapen, wil men ze heelen, en, kiest een wondarts als Alba! Maar daar doemen reeds de tenten van zijn legerkamp op voor ons

ocr page 246

214

oog; welhaast zullen wij bij de voorposten zijn, laat ons van deze dingen zwijgen en een goed gelaat zetten bij het slechte spel, zoo wij het niet ganschelijk willen bederven.quot;

„Gij hebt gelijk, voorzichtigheid is ons noodig, don Ferdinand heeft de troeven in handen.quot;

Wij laten die edellieden huns weegs gaan, zonder om to zien naar het onthaal dat hun gewerd; evenmin trachten wij hunne namen uit te vorschen; mogelijk zijn bet dezulken waarvan de geschiedboeken later zouden gewagen, en kan men ze lezen op de lange lijst dier opgeschrevenen ton doode, die de geduchte Hertog welhaast zou samenstellen ; mogelijk ontgingen zij dit droevig lot door nog droeveren val, of sneuvelden in de gelederen van een der Nassauers in den heiligen strijd voor's lands vrijheid en rechten —• wij vragen het niet—zij vertegenwoordigen voor ons slechts dat deel van den Nederlandschen adel, die in het land gebleven, zich verplicht achtte den Hertog zijne opwachting te maken, al was het onder geheim protest, met afkeuring van des Konings maatregel, en vol wantrouwen tegen den persoon die bestemd was dezen ten uitvoer te leggen. Zij zijn geene uitzondering, zij vertegenwoordigden in dit opzicht de geheele natie.

De nieuwsmare dat Alba met zijn volk het Luxemburgsohe was binnengetrokken, schetterde door het gansche land als een alarmkreet, die duizenden bij duizenden deed opschrikken; van ontzetting deed sidderen; in een wilde verwensching deed uitbarsten of onder eene rilling van angst tot vertwijfelend zwijgen deed verstommen. Toch was het voor niemand meer eene verrassing.

Maanden lang had die slag van nit de verte gedreigd; gansch het zuidelijk Europa was als het ware getuige geweest hoe do groote veldheer van Filips II zich toerustte voor den tocht; met ingespannen belangstelling had men in Opper-Italië, over de zuidelijke grenzen van Frankrijk, langs de Zwitsersche Alpen, bij dien ontzagwekkenden krijgsmarsch toegezien, die weken lang had geduurd eer het landschap van Bourgondië was bereikt, eer Lotha-ringens bodem dreunde onder de hoeven der paarden, onder den zwaren stap van het geharnaste voetvolk.

Men kende zelfs do namen van de legerhoofden, die onder

ocr page 247

215

eon Generalissimus het bevel voerden. Chiapino Vitelli, markies van Cotone, droeg den titel van Veldmaarschalk, don Fernando de Toledo, natuurlijke zoon van den Hertog, voerde het bevel over de Spaansehe en Italiaansche ruiterij, de Sicilianen werden gecommandeerd door Juliaan Romero, Gabriel Sorbelloni was Grootmeester van de Artillerie, Antonio d'Olivera bekleedde het ambt van Commissaris-Generaal der ruiterij, don Sancho de Lo-drono was kolonel over het Napelsche en Milaneesche voetvolk, don Gonzalvo a Bracaraonte voerde het bevel over het oude Spaansehe voetvolk, soldaten in de oorlogen van Duitschiand en Frankrijk gehard. Don Lopez d'Acunha was aan den Prior van Castilië toegevoegd. Alfonso de Ulloa deelde het gezag over 't Vreemden-legioen met Romero. Als vrijwilligers trokken met dit leger mee: Cesar d'Avalos, Rafael Manrique, Bernardino de Men-doza, Christoffel Mondragon, Joan Salazar, Jeronimo de Salinas, en meer anderen, waaronder do vermaarde vestingbouwkundige Pacieco, door den Hertog van Savoye aan Alba afgestaan voor den tocht naar de Nederlanden.

Neen! eene verrassing kon het niet meer zijn, voor niemand. Maar toch . . . men hoopt wel eens tegen hope; zoolang het gevreesde feit nog geene zekerheid was, bleef het altijd mogelijk, dat eene wending in 't besluit van den aarzelenden monarch, die hem afzond, een gelukkige greep van de Fransche Hugenooten, eene botsing met de Zwitsers, een voorval van welken aard ook, den komende nog tegenhield of terug deed keeren op zijn weg, en het bedreigde Nederland veiligde tegen den jammer, dien hij kwam aanrichten; want de volksstem — inzoover zij nog den moed had zich te uiten onder de verdrukking, waarmee zij sinds lang had te worstelen — noemde deze gebeurtenis een groot onheil voor 't gemeene Vaderland.

Het scheen niet twijfelachtig met welke bedoeling de Hertog was afgezonden. Men kende den man sinds lang uit zijne werken. Hij had Milaan bedwongen, Napels tenondergebracht, Rome zelf onder alle betuiging van eerbied tot capitulatie genoodzaakt. Men vreesde, men haatte hem reeds eer hij in Nederland iets had gedaan om dien haat te verdienen.

Een groot deel van de edelen, die zich het meest vooropgezet

ocr page 248

216

hadden in den weerstand tegen de Granvelle en de despotieke maatregelen die de Koning wilde doorgezet hebben, was al bij voorbaat uitgeweken naar veiliger oord. Zulke burgers, die de oude religie openlijk den rug hadden toegewend en die de middelen hadden om elders handel of beroep voort te zetten, hadden niet geaarzeld huis en hof te verlaten en een vaderland vaarwel te zeggen, dat hun geene veiligheid meer waarborgde. Zelfs van de armsten, die niets hadden mee te dragen dan de kleeding die hen dekte, maar die binnen in zich een vurig verlangen voelden om hun God naar hunne consciëntie te dienen, zag men nu het doornige pad der ballingschap kiezen.

Hoe dichter de Spaansche veldheer naderde, hoe meer de drang om te vluchten algemeen werd; wie geen schuiten of wagens konden vinden voor hunne goederen en personen, gingen te voet en lieten de kostbaarste have in den steek; tot kreupelen en ouden van dagen toe vonden in overspannen zielsangst nog de krachten om de sterkeren te volgen; gansche dorpen liepen leeg; sommige steden raakten haast ontvolkt; en zoo de llegsn-tes door de strengste maatregelen niet dat vlieden had gestuit, zou de Hertog den heerscherstaf hebben gezwaaid over eene woestenij: onbebouwde akkers, verlaten weiden, steden waar nering noch hanteering moer bloeiden, en wat er nog restte, eene gebogen, uitgebluschte bevolking die zich vaardig krommen zou onder het juk. Dan Margaretha's voorzorgen hadden grootendeels doel-getroffen, en velen waren gebleven omdat ze niet anders konden, niet anders wilden, anderen, omdat zij de blijvende niet aan hun lot wilden overlaten en, uit wanhoop moed scheppend, besloten waren om het uiterste af te wachten.

Toen hij zijn leger halt liet houden, had de Hertog zijn besluit te kennen gegeven om zijne troepen eenige dagen van den ver-raoeienden tocht te laten uitrusten. Maar dit was niet het eenige doel van zijn oponthoud. Als voorzienig veldheer wilde hij niet onbedacht voorttrekken zonder nadere inlichtingen verkregen en zijne nadere maatregelen genomen te hebben tegen mogelijk verzet; maar tevens in de verwachting dat de Nederlandsche adel hem als in massa zou komen begroeten. Zijn beroemde naam als veldheer, de rang dien hij hield onder de Grooten van Spanje,

ocr page 249

217

die welken hij nu ging bekleeden in Nederland, alles gerechtigde hem naar zijn gevoelen tot dien eisch. Maar het was niet slechts om de voldoening van zijn eigen hoogmoed, dat hij het begeerde, — allermeest achtte hij het als eene hulde waartoe men verplicht was om den wille van den Koning dien hij kwam vertegenwoordigen. En werkelijk spoedde een deel der in 't land gebleven edellieden zich naar Thionville — en daaronder niet het laatste zij, die zich wel eenigszins gecompromitteerd wisten in de voorgaande troebelen, doch die meenden dat te bedekken of te vergoelijken door dit bewijs te geven van hun eerbied voor 's Konings wil, en die bij een slecht spel een goed gelaat trachtten te zetten om het niet gansch te verliezen; — maar zelfs zij wier consciëntie zuiver was op het punt van de onlusten, en die er zich niet in gemengd hadden dan om ze te stillen, die persoonlijk niets van den Hertog te vreezen hadden, kwamen hem wel verwelkomen, maar toch gansch niet uit het volle hart en met opene armen. Hoe ook verschillend van gevoelens en denkwijze, de gansche Nederlandsche adel was hierin eenstemmig, dat de Koning hoog spel speelde met zijne schoone gewesten, door de zending van dien man aan het hoofd van een talrijk leger. Zij ook hadden liever een Nederlandsch Heer in dit veklheersambt gezien dan een Spanjaard, en zoo het dan toch een vreemdeling had moeten zijn, waarom niet een Medina-Celi of don Ruy Gomez; mannen van wie de sprake ging dat zij zachtmoedig en handelbaar waren, en zich lichter zouden schikken naar den Neder-landschen aard.

Zeker, indien do Hertog zich op dit punt illusies had gemaakt, trof hem reeds terstond bittere teleurstelling. — Welkom, in den waren zin van het woord, was hij niemand, zelfs niet eens de hooge geestelijkheid, al wachtte zij het ook van hem dat hij kerkschennis kwam wreken; zij voelde het dat er triomfen zijn die te duur kunnen betaald worden. Slechts die fractie onder haar die geen vaderland kende dan Rome, dweepzieke priesters, monniken in domheid en traagheid verroest, en dat gedeelte van het volk, dat zich blindelings aan dier leiding had overgegeven, zij, die het heil der Kerk wachtten van eene inkwisitie — ware het ook de Spaansche! — zij jubelden, maar niet eens uit volle borst, want de Hertog was

ocr page 250

218

bekend als een trotsch, koel man, die zoo hoog gevoelen had van zich zelven, dat hij zich zeer weinig bekommerde om de opinie van anderen, en die bovenal een groote mate van geringschatting toonde voor datgene wat men populariteit noemt. Dat ondervonden de afgevaardigden uit de steden, de leden van corporation en gilden, die hem met beklemde borst eene ootmoedige „groete van blijde inkomstequot; kwamen brengen ; geen glimlach van welwillendheid of voorkomendheid verzachtte de uitdrukking dier strenge en strakke wezenstrekken, die als van nature bestemd waren om te gebieden en te ontzetten, en die in hun kille hardheid als versteend zouden geweest zijn, zoo niet de scherpe, doordringende blik van zijne levendige donkere oogen ze had bezield. Maar dat oog schoot eerder vonken uit van toorn en vlammen vaa stoute geestdrift, dan den milden gloed van liefelijk medegevoel; en zoo al de trotsche moud zich plooide tot iets dat naar een glimlach geleek, dan was het als de Hertog eene van die aardigheden zeide, die zijne toehoorders eene rilling over lt;ie leden brachten. Ook was het welhaast een volksgezegde in Nederland:

„Als Alba lacht sneeuwt het rozenquot;; maar het mirakel deed zich zelden voor.

Het is klaar als de dag, dat zulk eene persoonlijkheid niet geschikt was de antipathie te overwinnen die zijn naam alleen reeds bad opgewekt. En bij wist het wel, maar dat bekommerde hem niet. Hjj wist dat hij niet gekomen was om zich bemind te maken, en zijn scherpe blik doorzag snel het gehalte der welkomstgroeten.

Bij zekere gelegenheid dat hij dergelijke betuigingen, wier oprechtheid hem verdacht moest zjjn, met koele minachting 'aad aangehoord, sprak hij met zijn ijzigen lach tot zijne vertrouwelingen :

„Of ik hier welkom ben of niet, dat doet er niets toe; ik ben er; dat is de hoofdzaak — en ik denk te blijven tot ik mijn werk za! volbracht hebben.quot;

En welk werk was dat?

Karei van Barlaymont, Gouverneur van Namen, en Philips de Noircarmes, Groot-Baljuw van Henegouwen, die hem vanwege

ocr page 251

219

de Regentes aan de grenzen van Vlaanderen officieel kwamen begroeten, vroegen hem uit haar naam: „wie hem naar de Nederlanden zond, en wat hij daar kwam doen?quot; —Xaïeve vraag, tenzij die enkel voor den vorm werd gedaan, gelijk dat ook dooiden Hertog werd opgevat, die alleen antwoordde met hun het bevelschrift des Konings te laten zien, dat hem naar de Xeder-landen riep. — Maar het gansche Xederlandsche volk had zijn lastbrief reeds bij voorbaat ontcijferd en uitgelegd, eer hij zelf dien aan iemand had getoond. Hij kwam om in naam van Filips met diens weerbarstige onderdanen af te rekenen. Hij kwam een voorbeeldeloos strafgericht, uitgesproken over gansch een volk, met voorbeeldelooze gestrengheid tenuitvoerleggen. Doch niet als de scherprechter zou hij het zwaard der gerechtigheid voeren, zonder toorn en zonder hartstocht, al was hij als deze zonder mededoogen. Integendeel, op de slachtoffers die hij vonnissen moest, zag hij neer met zulk een diepgaanden haat, met zooveel bitterheid en afgrijzen — dat het zwaard der justitie alleen hem to zwak een wapen scheen om hnn misdrijf te straffen.

In zijn hand werd het een knods ter verplettering. Hij werd undiogrijk in het uitdenken van wreede pijnigingen, van langzame martelingen, om als het ware in de wijze der strafoefening zijn afschuw van het vergrijp uit te drukken. Dit achtte hij zijn plicht, zjjne taak, die hij niet slechts aanvaardde uit gehoorzaamheid aan zijn Koning, maar die hij verlangd had op zich te nemen, en die hij volbracht op zulke wijze, dat men hem aanstaart als een wezen dat buiten de menschheid staat, dat men niet meer vat en toch verklaard wil zien, al kan men het niet naderen zonder eene huivering van ontzetting. 1)

Er is een tijd geweest waarin de naam van Spanjaard door geen rechtgeaard Xederlander werd uitgesproken zonder afschuw en verbittering, waarin het woord „Spagnoolquot; synoniem was geworden met alles wat wreed en onmenschelijk was, waarin

1) Toch eischt ile billijkheiii, die men immers ook jegens Alba moet oefenen, dat men bij het opsommen zijner wreede sententiën niet vergete, hoe onmenschelijk de Code Penal was in de 15e en 16e eeuw, ook zelfs hier te lande; hoe weinig men een menschenleven telde; hoe gul men was met de afgrijselijkste lichaamsstraffen. Hoe het afsnijden van ledematen, het

ocr page 252

220

hij die in Spaanseh bloed zijne handen wiesch, niet achtte die te bezoedelen, maar te zuiveren. — Die tijd is sinds lang voorbij — er zijn verbonden gesloten tusschen de beide natiën ; zij hebben wederzijds elkanders rechten erkend en gehandhaafd: zij hebben met en voor elkander oorlog gevoerd; zij zijn verzoend en bevriend; de nationale haat tusschen beide volkeren is uitgewischt, — zelfs ten gunste van Filips II, den gevreesden despoot, verheffen zich nu en dan stemmen zelfs in Nederland. — Maar één enkele Spanjaard is van die algemeene verzoening uitgesloten, en al de haat, al de afkeer, die eenmaal tegen geheel eene natie werd gevoed, heeft zich nu als samengetast op één persoon, wiens naam nooit meer anders dan met eene rilling van afgrijzen werd genoemd; die naam luidde: Ferdinand Alvarez de Toledo, Hertog van Alba, of, om met het volk te spreken, kortweg duc d'ALF.

Op diens ijzeren schouders is de vracht van dien algemeenen schuldenlast blijven rusten, door alle wisselende tijden, allo omwentelingen der volkeren heen, tot nu toe, op zulke wijze, dat het verbranden van een stroopop, die zijne beeltenis heette voor te stellen, hier en daar tot de uitingen van des volks feestvreugde heeft behoord bij 't gedenken van den triomf der Watergeuzen nog op 1 April 1872 !!

In onze hoog beschaafde lO'ie eeuw. De onzinnigen ! Zulke represailles — voor zijne brandstapels — drie honderd jaren na zijn dood! Als men iets afkeurt, behoort men althans niet hetzelfde te doen. Bedenk toch

„Que la vengeance est nne triste chaine Ou Panneau qu'on attache appelle un autre anneau.quot;

verminken voor 't leven door „scherpe exuniinatiequot; enz. in zwang was 'men denke aan de heksenprocessen) — voor Alba en zijn bloedraad een enkel vonnis hadden geslagen. Hoe een arme drommel aan de galg of aan de paleie kon komen, om een diefstal of eenig ander vergrijp — lang nadat men zich van liet Spaansche juk had vrijgemaakt — hoe vlug het geeselen en brandmerken den Schouten en Baljuwen van de hand ging, en hoe weinig gruwelijks hunne tydgenooten daarin schenen te zien, op zulke wijze dat een fijn beschaafd man als Huygens, de dichter, de hoveling, de Christen, zich niet ontziet aardigheden te zeggen over hangen en geeselen, of er waarlijk niets in stak en of het geen //wfcmenschen gold.

ocr page 253

221

Maar toch, wat zoo diep in 't bloed zit, moet vaster grond hebben dan een volksvooroordeel. En waarheid is het, dat de roemruchte Spaansche veldheer als Landvoogd van de Nederlanden den haat van 't Xederlandsche volk ten volle heeft verdiend, al ware het maar alleen daardoor dat hij dit volk niet anders heeft willen of kunnen zien dan van zijn eigen standpunt: dat van een ij veraar voor do volstrekte oppermacht zijns Konings en in de vaste overtuiging van diens goddelijk recht op de personen, de goederen, de consciëntiön zijner onderdanen; van een veldheer, die orde en tucht bovenaan stelde in de reeks der volksdeugden. Hier ligt de groote fout van zijn bestuur, waaruit allo zijne verkeerde maatregelen, zijne onzinnige gruwelen volgden. Hij kon niet anders „üe Koning gaat voor 't eigen bloed!quot; was zijne leus als Grande van Spanje — en hij heeft het met eigen bloedige tranen bewezen dat het devies hem ernst was 1). Hoeveel te minder moest het bloed van duizenden schuldige Nederlanders bij hem teekeneu, waar het den dienst, den wil, de eere van den Koning gold. Zullen wij nu in dezelfde fout vervallen en hem niet willen aanzien dan met de oogen van de Nederlanders dor I6de eeuw, of van de ruwe menigte der onze in hare woeste geestdrift?

„Vergeten en vergeven!quot; is de vermaning die wel eens uitgesproken wordt in toepassing op dat verledene in de laatst ver-loopen maanden. Vergeten, neen! vergeten nooit! Niet het lijden onzer vaderen, niet het bloed onzer martelaren, niet do daden onzer dapperen, allerminst de uitreddingen Gods. Maar vergeven? Men kan het niet, tenzij men zich stelt op het eigen standpunt van den gehate, om van daaraf do drijfveeren te bezien, die hem doden handelen. Hoe begreep hij zelf zijue zending? Hij heeft het duidelijk genoeg uitgedrukt; Hij kwam niet om te middelen, niot om misnoegden te bevredigen, dan had men een ander moeten kiezen; hij kwam om te straften. Welk volksvergnjp ? Juist dat, wat in zijne oogen het schendigst gruwelstuk moest zijn. Het

1) Zie mijne Novelle; Ds Hcrto;/ van Alha in Simiije, die mij tegelijk ontslaat van herhalingen omtrent zijn persoon en karakter. Gids, jaargang 1S-13, later herdrukt in vereeniging met Xnncnes en de Prinses Orsini.

ocr page 254

222

is onze taak niet het tijdperk der martelaarsweeën, noch die van het vast maar lijdelijk verzet te schetsen, die het jaar zijner komst voorafgingen ; maar voorzeker, 't geen er sinds 1566 in de provinciën was gebeurd kon niet met een anderen naam genoemd worden dan openlijk verzet, rebellie, hier en daar door eene ra-delooze en redelooze menigte met zulke heiligschennis en gewelddadigheden verzwaard, dat des volks nobelste en trouwste voorstanders zich met smart en ergernis afwendden. Wat was de groote drijfveer van deze beroeringen? Da drang der consaiëntiën, die vrijheid eischten om Grod naar eigen overtuiging te mogen dienen, die afschudding wilden van het ondragelijk juk eener bedorven geestelijkheid — ketterij in de oogen van Filips van Alba liebellie en ketterij — hoofdzonden, die niet mochten vergeven worden — die alleen konden uitgewischt worden in bloed. — Rebellie — opstand tegen den Vorst, ketterij, opstand tegen de Kerk, beide te zamen, beide als vruchten van hetzelfde zaad: opstand tegen God.

Rebellen, ketters, godslasteraars, waren voor hem één, en zoo hij die allen met een enkelen knodslag had kunnen verpletteren, hij zou het gedaan hebben, al ware hij zelf ook ademloos neergevallen bij de inspanning, en hij zou trotsch geweest zijn op dit verdienstelijk werk. Hij heeft het niet kunnen doen, al heeft hij zich zelf ook ingebeeld dat hij het werkelijk had verricht. 1) Waarom niet? Omdat hij te hoog van oogen was om het kleine te zien, en te laatdunkend om op het geringe te letten. — De kostelijke zalmen te vangen en dier koppen te verslaan om daarmee de menigte schrik in te boezemen — dat was zijne groote tactiek; maar hij achtte niet op de honderden kikvorschen, die dat zwijgend, maar knersetandend aanzagen, — hij achtte niet op den geest, waarvan zij bezield waren, of het ook een geest was, dien hij niet kon, niet mocht tegenstaan, dien hij allerminst moest verachten; — de geminachte kikvorschen waren het, die met de oude Israëliërs mochten roemen tegen de Spanjaards: „Zij zijn reuzen en wij zijn sprinkhanen, en toch zullen wij hun

1) Het opschrift dat hij stelde op het voetstuk van zijn eigen standbeeld in de Antwerpsche Citadel getuigde van dien waan.

ocr page 255

223

vleesch etenquot;. En zij hebben bun vleescb gegeten, zij hebben hen verslagen. vIn Godes naam geprezen!'' die hun een Oranje gaf om bun verzet tegen een Alba te leiden.

Eene eerste teleurstelling trof den Hertog reeds, staande zijn oponthoud te Diedenhove: niet in zoo grooten getale als bij het zich had voorgesteld kwamen de edelen en aanzienlijken hem hunne ootmoedige hulde brengen, en bovenal bleven zij uit die hij do allersebuldigste achtte, en van wie hij het hoopte dat zij nog ter elfder ure door de diepste verootmoediging trachten zouden pays te maken met den Koning en diens vertegenwoordiger. Hij wist wel dat het hun niet zoude baten, daar de strenge besluiten omtrent ben reeds onherroepelijk vaststonden, maar het was hem veel liever dat zij uit zich zolven in het net liepen, dan dat bij ze later door geweld zou moeten dwingen. Onder deze voorname schuldigen rekende bij bovenal den Prins van Oranje en den Graaf van Culemborg; maar indien hij werkelijk op de begroeting van den eersten gerekend had, bewijst dit, dat hij den man niet meer kende die als jongeling naast hem gestaan had aan Keizer Karel's zijde. De slimme Zwijger kende A.lba genoeg om zich door niets te laten verblinden, door niets te laten terughouden en voorzichtiglijk naar Duitschland uit to wijken, zich zelven niet roekeloos in gevaar begevend, en de krachten sparend voor eene betere occasie. Culemborg ook, en meerderen van zijne kwaliteit, bleven wijselijk waar zij veilig waren tegen den drager van 's Konings wraakzwaard. — Eene vergoeding en die hij eene rijke achtte, gewerd hem door de roeke-looze onvoorzichtigheid van Egmond, die hem Tirlemont aan 't hoofd van een aanzienlijken stoet edellieden kwam verwelkomen, en die, zijn zwak kennende voor eene uitgezochte stoeterij, hem eenige kostbare paarden wilde aanbieden als geschenk vau „blijde inkomste.quot;

De kortzichtige! die niet naar den raad van Oranje had willen luisteren, en die, verblind omtrent zijn eigen verleden, gevleid door het statelijk onthaal dat hem zelf in Spanje was te beurt gevallen, ais bedwelmd door de liefkoozingen van den Koning — al had hij de ondervinding hoe bedriegehjk zij waren — in 't vaste vertrouwen op de onschendbaarheid van een persoonaadje

ocr page 256

221:

als bij zich achtte, in de Xederlanden niets van den Generalissimus meende te duchten te hebben, dan alleen hetgeen hij zich voorstelde te ontveinzen, al vervulde het hem met wrok en verbittering, dat deze de plaats kwam innemen, die hij na de luisterrijke ontvangst in Spanje zich zeiven had toegedacht! Maar bij zou die teleurstelling lijdzaam dragen en zijn trots buigen voor den wil des Konings, die nu eenmaal goed gevonden had zijn Spaanschen gunsteling drie voeten hooger te zetten dan den gan-schen Xederlandschen adel. Hij zou dezen een goed gelaat toonen en de armen voor hem uitbreiden, al ware het ook dat daar binnen in 't harte de wortel van bitterheid niet even vlijtig werd uitgeroeid. Het was een blijk van trouwe loyauteit dat hij meende te moeten geven, en waarmee hij waande al de lichte grieven te niet gedaan te hebben, die de Spaansche monarch nog tegen hem hebben kon.

Droeve verblinding! Hoe kon hij vergeten dat de held van Möhlberg persoonlijk eene onverzoenlijke grief had gevat tegon don overwinnaar bij St. Quentin, en hoe geneigd deze moest zijn, schuld in hem te zoeken, hoe licht het dezen zou vallen, bij hem te vinden wat hij zocht.

Een gloed van toorn lichtte uit Alba's oog, toen hij den roeke-looze zag naderen, die in den ijdelen waan verkeerde, dat hij zich nog in de uiterste ure door een vertoon van eerbied zou kunnen beveiligen tegen het onweer dat zich boven zijn hoofd had saamgepakt. Meer geërgerd dan gevleid door het verwaten zelfvertrouwen van zijne tegenpartij, kon hij zich niet onthouden iets van die verbittering lucht te geven. Zich naar zijn gevolg keereude, en met do uitgestrekte hand naar den stouten ruiter wijzende, die den schitterenden stoet welke hem vergezelde, als aanvoerder voorging, sprak hij met luide stem, met vonkelenden blik, terwijl zijne koude strakke trekken een onbeschrijfelijke uitdrukking van haat en minachting aannamen : „Ziedaar den voornaamsten ketter 1quot;

Alba wist wel dat Egmond even goed katholiek was als hij zelf, maar hij wist ook in welken zin deze benaming door zijne Spaansche volgelingen zou worden verstaan; ketter of rebel, het was al een, en hij wilde de zijnen gewaarschuwd hebben me

ocr page 257

225

welke oogen zij den kloeken vorstelijken edelman moesten zien, die licht door zijn doorlachten naam, zijn roem van dapperheid en krijgsbeleid, edelmoedigheid en innemende manieren, hunne genegenheid zou kunnen winnen, zoo men er niet op voorzag. Als eene huivering van ontzetting overviel menig Spaansch edelman bij die aanduiding van den meester. Zij wisten maar al te goed wat die te beteekenen had, en terwijl sommigen werkelijk den afschuw voelden dien de Hertog hun had willen inboezemen, rees er bij anderen een gevoel van innig medelijden op met den ridderlijken edelman, die in zoo goed vertrouwen en met zooveel zorgeloosheid zijn doodsvijand tegemoetging. Er zijn geschiedschrijvers die beweren dat Egmond deze aanduiding heeft kunnen verstaan. Zoo dit juist is, moet zij hem zonderling onaangenaam in de ooren hebben geklonken, tenzij de overweging dat de aanval te ruw en te onhandig was om ernst te zijn, hem heeft gerustgesteld. Alba zelf voelde dat hij eene onvoorzichtigheid had begaan en dat hij zich bedwingen moest, zou hij den argelooze niet ten ontijde verdenking doen vatten. Hij beheerschte zich nu beter; de otHciëele begroetingen werden gewisseld, de kostbare geschenken met welgevallen aangenomen ; als getroffen door zooveel hartelijkheid, sloeg hij den arm om den hals van den graaf en stelde hem voor, gezamenlijk den tocht te vervolgen. Dus bleven zij een tijdlang naast elkander voortrijden, als tweelingbroeders die de vreugde van het weerzien door de teederste liefkozingen wenschen uit te drukken.

Wat Alba's gevolg moet gedacht hebben bij deze handelwijze van hun meester, trachten wij niet te onderzoeken; het gezelschap dat Egmond vergezelde was er door verblijd en gerustgesteld, niet minder dan Egmond zelf, die zich overtuigd hield dat hij zijn doel bereikt had, en dat de onrustwekkende voorspellingen waarmee men hem vervolgd had bii de komst des Hertogs, niet waren dan inbeeldingen van verhitte gemoederen en beangste consciëntiën. De z|jne was gerust: de Koning moest overtuigd zijn van zijne onwankelbare trouwe, de Hertog zou zijn vriend worden. Had deze hem niet als met broederlijke innigheid omhelsd, ten overstaan van beider volgelingen ?

Ja! dat had Alba gedaan, maar deze wint niet in onze achting

Kroou. Karei de Stoute. 15

ocr page 258

226

dat hij dit op zich zeiven verkreeg. Want dat het eene overwinning was op den haat die er in zijn binnenste gloeide, bewijst reeds een gezegde dat hem in den loop van dat samenzijn ontsnapte.

„Mij zoo te gemoet te rijden op uw vergevorderden leeftijd!quot; voegde hij hem toe op den toon van minzaam verwijt; maar bij de wreede intentiën van den Hertog, lag er eene bedoeling in dat gezegde, die veel had van het spelen eener kat met de gevangen muis. De Graaf zal het zeker met bevreemding hebben aangehoord. Alba was in zijn zestigste jaar, hij zelf pas zes en veertig! Kon hij vermoeden dat deze hem aanzag met het voornemen hem geen volgende Augustusmaand te laten beleven?

De verdere tocht naar Brussel tot aan de Leuvensche poort werd zonder eenige hindernis voortgezet, hetgeen niet te verwonderen is, daar de Hertog, als een voorzichtig veldheer, niet al te veel vertrouwende op den schrik van zijn naam en de verslagenheid der Vlamingers, doeltreffende maatregelen had genomen ora de veiligheid van zijne doorreize te verzekeren. Antwerpen had hij terstond laten bezetten door vierduizend Duitschers onder bevel van Graaf Alberic de Lodron, die zich te Diedenhove bij hem gevoegd had. In geene plaats had hij halt gehouden die hij niet vooruit door zijn eigen vertrouwd krijgsvolk had laten bezetcen. In Brussel zelfs was hij meester eer hij er binnentrok, daar hij don Francisco d'Ybara derwaarts had gezonden met zijn eerbiedige groeten aan de Eegentes, maar tegelijk met het bevel om zich van de poorten, voorsteden en publieke gebouwen te verzekeren en die met vertrouwd krijgsvolk te bezetten. Margaretha van Parma was hevig vergramd over deze aanmatiging, die des Konings veldoverste zich veroorloofde in haar eigene residentie nog vóór hij zijn bestuur had aanvaard. Maar Ybarra had ia last zich niet aan haar verzet te storen en al hare tegenwerpingen te beantwoorden met de verzekering, dat de Koning gereed stond eerstdaags naar Vlaanderen te komen, en dat de eer Zijner Majesteit er aan gelegen was dat hij de sterkste was in zijne hoofdstad.

Dit legde zelfs der Gouvernante het zwijgen op, die met den dienaar van haars broeders dienaar niet over het twijfelachtige van des Konings beloften kon gaan twisten! Maar zij nam zich

ocr page 259

227

wel voor het den aanmatigenden Hertog betaald te zetten. Zij had niet eens dat soldatesk begin noodig om heftig tegen hem verbolgen ts zijn.

Onder allen die over de zending van Alba naar de Nederlanden ontrust en misnoègd waren, stond de Regentes bovenaan; zij had er zich kras om openlijk tegen verzet in hare brieven aan den Koning. Hoevele en hoe schelle noodkreten zjj ook geslaakt had over den slechten geest van het volk, den wederstand van den adel en over de driestheid waarmee de ketterij het hoofd opstak, de onnoemelijke lasten en bezwaren van het regentschap in een land waar zooveel verdeeldheden heerschten, waar men 't alleen eens was als het er op aankwam de Gouvernante den voet dwars te zetten — niet zoo haast was het besluit des Konings haar ter oore gekomen om haar in dat alles bij te staan door den Hertog van Alba naar de Nederlanden te zenden, of zij veranderde van toon en sprake. De onlusten waren gestild, meldde zij nu, de adel was handelbaar, van ketterij was nauwelijks meer gewag. Zij had die onderdrukt, zoo niet uitgeroeid, door de strenge en doeltreffende maatregelen; de Geuzenkerken waren omgeworpen, en van de balken en binten had men galgen gemaakt om er de ketters aan op te hangen; de Koning kon gerust zijn; de zaken in de Provinciën waren nu op zulk een voet gebracht, dat Zijne Majesteit met voegzaamheid derwaarts over kon komen, zooals sinds lang Zijner Majesteit» voornemen was, althans zijne stellige belofte aan haar.

De vorstelijke oogen zouden nu zeker niet gekwetst worden door 't aanschouwen van iets dat krenken of ergeren kon. Alles wat er vroeger voor strafbaars en betreurenswaardigs was voorgevallen was nu als te niet gedaan, en, bleef de komst des Konings altijd wenschelijk om den goedgezinden moed in te boezemen en de boozen af te schrikken, niets dan deze was er dan ook verder noodig om de schoone Nederlandsche gewesten volkomen tot rust te brengen en alle verdeeldheden te effenen. Des Konings overkomst zou daartoe meer doen, schreef zij elders, dan een groot leger; dit volk had zijne vorsten lief, en het aanschouwen van des Konings aangezicht zou meer helpen dan alle straf-gerichten en dwangbevelen, om den band tusschen Vorst en

ocr page 260

228

onderdanen te vernieuwen en te versterken. Of Filips nu juist de rechte persoonlijkheid was om zulk een wonder te werken, betwijfelen wij — de Hertogin scheen het te gelooven). Maar zij voegde er toch bij, dat, zoo de zaken in Spanje nog altijd 's Konings tegenwoordigheid eischten, en de reis moest uitgesteld worden, dat het dan volstrekt onnoodig was. ja, niet dan hoogst schadelijk kon zijn, zoo de Hertog van Alba werd gekozen om zijn persoon te vertegenwoordigen; dat niets nadee-liger zou zijn voor de openbare rust; dat reeds bij het gerucht dier mogelijkheid allerlei teekenen van misnoegen zich begonnen te vertoonen; dat de naam des Hertogs in Braband en Vlaanderen hatelijk was boven alle beschrijving, en dat zijn persoon de meest ongeschikte was om een goeden indruk te maken op een volk, sinds zooveel jaren aan de zachtere leiding van eene vrouwelijke hand gewend; dat zijne soldateske manieren, zijn trots, zijne laatdunkendheid en bovenal zijne bekende onverbiddelijke strengheid adel en volk beiden ondragelijk zoaden zijn; dat niets gevaarlijker kon wezen dan dezen over te zenden, en dan nog wel met een groot leger. Waartoe een leger? waartoe anders dan om het volk in beroering te brengen, dat een afkeer had van vreemde soldaten, en de Vliesridders te krenken, die in hunne verschillende Gouvernementen het opperbevel voerden over het krijgsvolk.

Toen het, ondanks die dringende raadgevingen, die beden en dreigingen, aan Margaretha van Parma bleek, dat de Koning niet naar haar luisterde, en dat Alba zich voor den tocht gereedmaakte, ja afgereisd was, meende zij nog tot haar doel te komen door dezen zeiven, en op haar eigen gezag te bewegen van zijn voornemen af te zien! Zij zond hem renboden om hem tot den terugtocht te vermanen; zij schreef hem brieven om hem het dooraetten van de reis, het aanvaarden van het commando af te raden. Zij waarschuwde hem ernstig zijn verworven krijgsroem en zijn vermaarden naam niet op het spel te zetten in eene onderneming waarvan geen goede uitkomst was te wachten ; zij uitte de sterkste bedreigingen van haar misnoegen, zoo hij, dies ondanks, in zijn opzet volhardde en hare raadgevingen in den wind sloeg. Het spreekt wel vanzelve, dat deze beden en bedreigingen bij Alba niets uitwerkten dan hem den maatstaf aan te geven van

ocr page 261

229

de verhouding waarin hij tot de Regentes zoude staan. Maar het wekt onze verbazing dat eene vrouw als Margaretha van Panna, die Alba zoo goed kende, en die, al ware zij zelve niet in de staatskunst volleerd, toch de scherpzinnigste raadslieden nevens zich had, zich kon inbeelden, dat een man als de oude Toledo zich door haar dringen en dwingen zou laten bewegen om afstand te doen van een ambt dat zijn meester hem had opgedragen, en waarnaar hij zelf had gestaan, in de vaste overtuiging dat hij de rechte man op de rechte plaats zou zijn.

Het is waar, zij kende zijne gehechtheid aan de nagedachtenis van Keizer Karei haar vader, zijn diepen eerbied voor diens bloed; — maar Filips II was diens wettige zoon en zijn Koning, hoe kon hij aarzelen tussehen zijn souverein en eene vorstin, die alleen maar door de inschikkelijkheid harer verwanten den rang voerde van een lid der Koninklijke familie! Het blijkt dus wel dat zij in dezen haar geslepen oordeel niet gebruikt heeft, en zich meer door vrouwelijke drift en hare antipathie heeft laten leiden, dan door haar slimmen geheimschrijver Machiavelli, die haar zeker omzichtiger handelwijze zou hebben aangeraden, en meer behoedzaamheid in het dragen van eene grieve, die door luid misbaar toch niet zou worden geheeld.

Alba van zijne zijde, al kon hij nu met gewisheid berekenen met welke gevoelens hij door de Gouvernante zou worden ingewacht, achtte het zijn eersten plicht om haar niets te onthouden van 't geen hij haar schuldig was, en wat hij haar geven kon zonder zijn meester ongehoorzaam te worden. Als Kastiliaansche grande wilde hij de zuster van zijn Koning de hulde brengen die haar toekwam; als Gouvernante der Nederlanden was zijde eerste die recht had op zijn bezoek. Ook was hij niet zoo haast de Leuvensche poort binnengetrokken, of hij haastte zich naar haar paleis, zich geen tijd gunnend om af te stijgen, of een weinig van den vermoeienden tocht uit te rusten, alvorens hij aan dezen eisch der wellevendheid had voldaan.

Had men hem zelf' bij zijn intocht in de hoofdstad noch krijgseer bewezen, noch met eenige plechtige begroeting ontvangen, erger dan dat zou hem treffen bij zijne aankomst op het voorplein van het paleis. De boogschutters van Margaretha's lijfwacht

ocr page 262

230

■wilden de hellebaardiers, die de garde van den Hertog uitmaakten, niet toelaten hnn meester te vergezellen. Er ontstond twist en verwarring, men drong tegen elkander in, en de schermutseling liep niet af zonder bloedstorting. Op den trotschen Grande, den vriend van orde en krijgstucht, moest dit begin een pijnlijken indruk maken. Maar in dezen oogenblik gedoogde zijne waardigheid niet, dat hij er zich door liet ophouden, al zou hij het later straffen.

Zeer zeker was Margaretha niet rechtstreeks to beschuldigen van deze slechte ontvangst, maar zijdelings had zij er toch deel aan. Zij had hare gekrenktheid over de komst van den Hertog zoo weinig willen of kunnen verbergen, dat het hare gansche hofhouding bekend was in welke stemming zij den komende zou verwelkomen. Men wist dat zij drie dagen te voren baar Staatsraad had belegd, om te overwegen of zij den Hertog al of niet zou ontvangen.

De meerderheid had haar zelfs geraden hem niet toe te laten voor hij zijn lastbrief had ingezonden. Maar Alba, die iets van die aarzelingen had geraden, had de Gouvernante, door zijr vertrouweling Francisco d'Ybarra, in de vleiendste bewoordingen de verzekering laten geven, dat hij niet kwam dan om zijne krijgsmacht, zijne garde en zijn persoon aan hare voeten te werpen, bloot eene uitdrukking van Kastiliaansche etiquette, eene ijdele betuiging, die te holler was naarmate zij luider klonk, en in de beteekenis waarvan zij zich ook niet vergiste. Toch nam zij den schijn aan daarmee genoegen te nemen; zij wist het maar al te goed: Alba kwam niet op zijn eigen gezag, achter hem stond Filips zelf, en zij zou dezen doodehjk beleedigen, zoo zij zjjn vertegenwoordiger openlijk voor het hoofd durfde stooten. Sn hoe misnoegd zij ook was op haar broeder, hoeveel bittere klachten en scherpe verwijten zij zich ook tegen hem veroorloven durfde in hare brieven, voor het oog van het volk zijn wil te wederstreven, durfde zij niet. Zij wist te goed waartoe Filips in staat was, als hij in zijn vorstentrots was gekrenkt. Dat de Hertog dus ontvangen zou worden door de Gouvernante met of zonder gevolg, zooals hij zelf zou goedvinden, was het groote nieuws da: in den hofkring rondliep. Maar met welk een innerlijken tegenzin van

ocr page 263

231

de zijde der vorstin, dat bleef ook niet geheim: — hare lijfwacht zal zeker niet de laatste zijn geweest om die gezindheid te deelen. En in dezen stand der gemoederen was de lichtste aanleiding genoeg, om het prikkelbaar krijgsvolk, dat elkaar toch al niet met goede oogen aanzag, tegen elkaar in 't harnas te jagen; en zoo was de Gouvernante zelve wel niet onschuldig aan deze ruwe uitingen van den afkeer, al kon zij de verantwoordelijkheid daarvan met fierheid van zich afwerpen.

Toch had zij daarom niet afgezien van eene wraakoefening op hare eigene hand tegen den man, dien zij gedwongen was openlijk in zijn rang te erkennen. Maar het zou eene wraakneming zijn op echt vrouwelijke wijze, waartegen geen stalen harnas kon beschutten, en die het slachtoffer lijdzaam zou moeten ondergaan, zonder de vrijheid te hebben van te klagen. Zij hoopte wel le défaut de sa cuirasse te vinden, en daarop was zij bedacht toen de Hertog omstreeks drie uren in den namiddag tot haar werd toegelaten. Zij wachtte hem op in hare slaapkamer, waar zij gewoon was gehoor te verleenen, een vertrek ruim genoeg om eene audiëntie-zaal te kunnen zijn, dat zich alleen onderscheidde van de laatste door een kolossaal ledikant, dat met zijn gedraaide kolommen, zijne statige damasten gordijnen, de courtepointe van fluweel en kant en het bidgestoelte er nevens met het kruisbeeld, bijkans eene kapel geleek. Daar hier echter de vorstelijke troonhemel ontbrak, hield de Kegentes zich staande in het midden der kamer, alleen even met de hand tegen een armstoel geleund, toen de Hertog binnentrad, van twee of drie zijner voornaamste edellieden vergezeld, die zich echter bescheidenlijk op den achtergrond hielden, tot het hun vergund zoude zijn de Gouvernante te begroeten. — De Hertog van Aerschot, de Graaf van Mansfeld, de Graaf van Barlaymont, en Lamoraal van Egmond (die zich gehaast had zijne rij kleeding met een schitterend hofgewaad te verwisselen) stonden der Gouvernante ter zijde, als volleerde hovelingen besloten hunne houding tegenover den Hertog te regelen naar die der vorstin.

Margaretha van Parma had nooit aanspraak kunnen maken op vrouwelijke schoonheid, en zij was nu in haar zes en veertigste jaar — een hachelijke leeftjjd, waarop de rozen en leliën meestal

ocr page 264

232

zijn uitgebloeid. Maar wat zij nooit had bezeten, was ook niet bij haar verloren gegaan, en had zij weinig van de bevalligheid barer moeder, de bekoorlijke Vlaamsche jonkvrouw van Ghenst, zij droeg in hare trekken den stempel harer afkomst uit Karei den Vijfden, en het fijne kneveltje aan de bovenlip misstond niet bij de fiere en schrandere uitdrukking van dat sterk sprekende gelaat, dat, donker getint, met den leeftijd eer winnen kon dan verliezen. Er schitterde geest en stoutmoedigheid uit hare levendige bruine oogen. Zij had eene vorstelijke opvoeding genoten aan het hof harer tante Maria van Hongarije, was vroeg aan sterke lichaamsbeweging gewend en eene hartstochtelijke liefhebster van paardrijden en het — nobele — jachtvermaak 1). Vandaar dat in haar toon en manieren zekere forschheid lag, die in den gewonen huiselijken kring iets onvrouwelijks zoude gehad hebben, maar dat de gebiedende Vrouwe, de Gouvernante der jSTederlanden, niet misstond. In die kwaliteit was zij toch niet eigenlijk bemind. Leerlinge van Loyala, had zij te veel geestdrift voor de Kerk, om sympathie te voelen voor een volk, dat zich tegen de kerkelijke tradition begon te verzetten, en wat zij niet gaf, werd haar ook niet geschonken. Door haar eerste huwelijk met een Medicis 2) en haar tweede met eene Farnese, Hertog van Parma en Piazenza, was zij te veel eene Italiaansche Prinsen, om het goedronde Vlaamsche volk vertrouwen in te boezemen: terwijl zij de verdeeldheid onder den adel te haren bate onderhield, door de kunstgrepen eener geslepen staatskunst, die het:

1) Haar portret door Alonzo Sanchez Coëlho — in het Koninklijke M.i-seura te Brussel — waarvoor zij zeker in hare jeugd geposeerd heeft, stelt haar voor met een toom en teugel in de hand, vermoedelijk eene zinspeling op hare geliefdkoosde uitspanning; de kleeding ook, en de zwart fluweeien tofjue met pluim, doet wel eenigszins aan rijgewaad denken. Zoo zij niet gevleid is, was zij toen ganseh niet onbevallig.

2) Een zoon van Lorenzo en neef van Paus Alexander VI. De booze wereld van het tijdperk vermoedde een nauwere betrekking van dien Paus op lien jonkman, en Motley zeker bevooroordeeld door de slechte faam van Alexander VI op het punt der zedelijkheid — aarzelde niet dat gerucht te herhalen — maar daar „fa recherche de la paternitéquot; door de wet verboden is — hebben wij zoomin het recht als deu lust om de zondenlijst van dezen Paus te verzwaren — waartoe een Borgia zwarter te maken, dan hij is.

ocr page 265

233

„verdeel om te heerschenquot; voorschreef. Maar zoo zij fouten beging, zij leefde ook in een moeielijk tijdperk, waarin alles samenliep om haar bestuur te bemoeielijken en in discrediet te brengen. Filips had het opzet om de Nederlanden van uit Spanje te regeeren door de hand zijner zuster, en deze had veel te goed ingezien, hoezeer dat ondoenlijk was om dat niet te ontraden. Toch moest zij niet zelden edicten znaken of ten uitvoerleggen, die zij zelve afkeurde en die toch voor hare rekening kwamen. Was zij volgzaam aan de voorschriften uit Spanje, dan had zij te worstelen met het misnoegen en het verzet van den adel, met den morrenden weerstand van het volk. Wist zij haar pays te maken met dio allen, door de teugels wat te laten schieten en zich naar de eischen en usantiën van het land te voegen, dan kwamen er klachten en noodkreten uit Spanje, als offerde zij de belangen des Konings op aan hare rust. Zoo geraakte zij veeltijds in een valsche positie, en was hare taak als Regentes evenmin eervol als gemakkelijk. Haar opvolger echter heeft het zijne gedaan om de schaduw, die over hare gestalte was geworpen, tot een gloriekrans om te scheppen. Bij vergelijking van Alb'a schrikbewind was het tijdperk van Margaretha's bestuur de gouden eeuw te noemen.

Maar waarin Margaretha van Parma ook verschilde met het Nederlandsche volk, op één punt waren zo het volkomen eens: in afkeer tegen den Hertog van Alba, in opzien tegen zijne komst. Doch de beweegredenen verschilden evenzeer, als het Nederlandsche volk ver afstond van de Italiaansche prinses. Dit eerste vreesde zijn willekeur, zijn geweldigen heerschersstaf—zij haatte den opvolger, die haar, ondanks haar weerstreven, werd opgedrongen. Al had zij menigmaal in oprechtheid of geveinsdelijk bij wijze van dreiging om ontslag uit haar ambt gevraagd, nu zij inzag dat het haar zou worden toegestaan, nu zij niet eigenlijk afgelost zou worden van haar post, maar daaruit verdrongen, en door zulken plaatsvervanger, voelde zij zich op het pijnlijkst gekrenkt en vernederd. Men komt tot de vraag, waarom Filips zijne zuster deze grieve niet heeft gespaard; waarom hij haar niet heeft teruggeroepen op haar herhaald verzoek, zoo haast Alba zijn tocht naar de Nederlanden had aanvaard. Vermoedelijk vreesde hij te zeer eene tusschen-regeering. Hij vertrouwde noch

ocr page 266

234

haar Staatsraad, noch de Vliesridders, noch de Gouverneurs der Provinciën, Egmond, Oranje, Hoogstraten, hoe licht hadden zij, zooals een wantrouwende despoot van hen kon denken, die korte spanne tijds kunnen waarnemen om zich te zamen of afzonderlijk meester te maken van het bestuur, het krijgsvolk waarover zij te beschikken hadden tegen den nieuwbenoemden Landvoogd aan te voeren; het licht verleide volk, dat dezen haatte en vreesde, ware gemakkelijk mee te slepen geweest in dit verraad tegen den wettigen Vorst, en de ketterij zou haar schoonste triomf hebben gevierd in den grooten afval der Nederlanden van het rechtzinnig Spanje! Daarom wellicht moest Margaretha van Parma de teugels van het bestuur niet loslaten voor zij ze in de forsehe hand van Alba kon overgeven, al zou dit voor haar de smartelijkste krenking, de diepste vernedering zijn. Wat verscheelde dit den Heerscher: „de Koning gaat voor 't bloedquot; was ook devies, en zijns vaders dochter mocht toezien.

Zoo kwam het dat Margaretha van Parma en de Hertog van Alba, die genoodzaakt zouden zijn nog een tijdlang samen te werken, tegenover elkander zouden staan in eene valsche verhcu-ding; waarbij beiden eigenlijk een gek figuur moesten maken.

Voor Alba was het nog het minste; hij had de troeven in handen en wist dat zijne tegenpartij haar spel moest verliezen; hij kon licht wat lijdzaamheid oefenen.

Maar wij hebben hem wel wat lang aan den ingang van Mar-garetha's gehoorzaal laten staan; niet langer echter dan zij zelve hem had laten wachten eer zij door blik of gebaar hem tot naderen uitnoodigde. Die noodiging volgde zelfs in 't geheel niet. Strak en zwijgend, in haar statig gewaad, niet ongelijk aan hetgeen Katharina de Medieis uit Florence aan het fransche hol in de mode had gebracht, stond zij daar uiterlijk kalm en waardig, innerlijk ziedende van spijt en ergernis, bewegingloos als een marmeren beeld, den binnentredende te wachten, zonder hem door een wenk of woord eenig bewijs te geven dat hij welkom was, zonder hem een voetstap te gemoet te treden. Onder dit gespannen zwijgen, onder den druk van dit ijzig voir venir, dit Margaretha tegen hem in practijk bracht, moest de trotsche man de grootste helft van het ruim vertrek afleggen, eer hij dicht ge-

ocr page 267

235

noeg by haar genaderd was om naar 't Spaansche hofgebruik de knie te buigen en haar met de hulde van den handkus te begroeten. In fiere maar eerbiedige houding deed hij dien zwaren gang ten aanschouwe van Margaretha's hovelingen, die zich (hij kon het zich voorstellen) aan dit gezicht vermeiden; in de hitte van de mélée bij Mühlberg was het hem zeker verdragelijker geweest; maar zoo hij daaraan dacht schraagde het zijn zedelijken moed, zelfs toen de Hertogin door geene enkele beweging het Kastili-aansche huldeblijk aanmoedigde.

Men was dan ook in Braband, aan 't Brusselsche hof, en niet in het Escuriaal! Alba begeeep het, en moest hij zich oprichten zonder tot zijn doel te zijn gekomen, hy deed het kalm en waardig als had hem gansch geene teleurstelling getroffen; en een paar schreden achterwaarts tredende sinds zij geene enkele voorwaarts had gedaan, sprak bij in eerbiedige bewoordingen van de haast die hij gemaakt had om haar te begroeten, verontschuldigde zich daarmee over zijn reisgewaad, en wilde er nog iets bijvoe-hen, toen zij hem koud en uit de hoogte in de rede viel met de opmerking dat hij verzuimde gebruik te maken van zijn voorrecht als Grande van Spanje, om Vorstelijke personen met gedekten hoofde te begroeten. Dies ondanks bleef Alba blootshoofds voor haar staan, den hoed, die alleen een korte liggende veer tot sieraad had, in de hand houdende, en begon te zeggen dat, waar hij stond op dit voorrecht in tegenwoordigheid van Koningen en Keizers, hij het met vreugde verzaakte tegenover eene Prinsesse van hare kwaliteit.

Maar zij liet hem niet uitspreken. n Ik zeg u, wees gedekt, Hertog!quot; viel zij weer in, en liet de woorden met ijzigen trots van de lippen vallen; „ik weet immers dat zoo mijn Broeder een onderdaan tot mij zond, hij geen mindere zou kiezen dan een van zijne voornaamste Granden.quot;

„Die met al wat het zijne is, zich komt stellen tot den dienst van Uwe Hoogheid, en hier is om hare bevelen te vragen,quot; hernam Alba op een toon van ootmoed, waaruit fiere zelfbewustheid sprak.

„Mijne bevelen!quot; herhaalde zij luid en met bitterheid. „Zoo Uwe Excellentie goed gevonden had daarop te achten, zouden wij van het voorrecht verstoken zijn U hier te ontvangen!quot;

ocr page 268

236

„De bevelen van Uwe Hoogheid te gehoorzamen, zal altijd mijn lust wezen, Mevrouwe, tenzij zo strijden mochten met mijn plicht jegens den koning.quot;

Strijdt het naar uw gevoelen met dien plicht mij te zeggen wat Gij hier eigenlijk doen komt? vroeg zij op scherpen toon, terwijl hare lippen trilden van ingehouden drift.

„Maar... Uwe Hoogheid!'' hernam hij, een oogenblik getroffen door eene vraag, die zoo naïef klonk en toch zoozeer van booze bedoeling getuigde; „ik vlei mij, dat Uwe Hoogheid niet onkundig zal zijn van het doel mijner komst..

„Voorzeker neen! Mijnheer, wij vergissen ons daarin geenszins wij weten heel goed wat gij U in dezen hebt voorgesteld, maar wij zijn verplicht U te waarschuwen, dat Gij U zonderling zult bedriegen; en dat het voor U gemakkelijker is geweest hier te komen dan hier te blijven...quot;

„Wat het laatste betreft, Mevrouwe! veroorloof mij Uwe Door-uchtigheid te verzekeren, dat ik daartoe even afdoende maatre-geten hoop te nemen als die ik genomen heb voor mijn tocht herwaarts heen: en schoon het mij grieft Uwe Hoogheid te moeten tegenspreken, ben ik toch aan mij zeiven en aan mijn eer al.s veldoverste verschuldigd Uwe Hoogheid indachtig te maken, dal: het voor mij in 't geheel niet gemakkelijk is geweest hier te komen.quot; hernam de Hertog, met een blik, glanzend van fiere zelfvoldoening. En hij had daar reden toe, want zijn tocht door Opper-Italië, over den Mont-Cenis, langs het zuiden van Frankrijk, met eene heirmacht als de zijne, onder 't oog van een Fransch ob-servatie-leger, dat iedere overtreding van 't krijgsvolk als een daad van vijandschap kon opnemen, langs de Zwitsersche Alpen, ten aanschouwe van kwalijk gestemde, wantrouwende bergbewoners en door Hoog-Bourgondië, door Lotharingen tot in Luxemburg, zonder dat er eenige botsing ontstond tusschen zijn volk en het Fransche, of met een der andere volken wier land hij doortrok zonder dat één schaap uit dier kudden werd ontvreemd, een tros uit dier wijngaard gepinkt — dat alles, bij 't geen de soldaat was te dier tijde, bij 't geen dit krijgsvolk was bovenal, uit al de verschillende volkeren samengesteld die tot de Europeeache bezittingen van Spanje's monarch behoorden, was een meesterstuk

ocr page 269

237

geweest van -veldheerubeleid en van weergalooze krijgstucht, waarop Europa in ademlooze bewondering het oog had gevestigd en dat alleen reeds den Hertog van Alba zijn rang zou gegeven hebben van een der volmaaktste legeraanvoerders zijner eeuw, en hem onsterfelijke eer had moeten aanbrengen, meer dan menige overwinning op het slagveld, zoo niet zijn verblijf zelf in dat land, met zooveel volharding en beleid bereikt, dien lauwer had bevlekt. Maar nu die nog frisch en rein was, kon hij zonder ijdele zelfverheffing spreken, zooals hij voortging: -

„Zoo ik niet vreesde het geduld Uwer Hoogheid te vermoeien met eene optelling van de bezwaren, die ik heb moeten overwinnen eer ik — na mij te Carthagene te hebben ingescheept — de Luxembergsche grenzen veilig had bereikt met mijne heirmacht zou ik haar vermoedelijk tot de bekentenis brengen, dat het lichte taak is geweest, die Ferdinand de Toledo ondernomen heeft in den dienst van zijn Koning, en met Gods hulpe en den zegen van den Heiligen Yader tot een goed eind heeft gebracht.quot;

„Wij twijfelen er niet aan of de flertog van Alba, wiens bescheidenheid bekend is, met zelfvoldoening zal terugzien op zijne schreden; alleen wij zien niet in, waartoe het noodig was met zulk eene heirmacht herwaarts heen te komen. Te goeder trouwe en als eene die met de gelegenheid dezer landen volkomen bekend was, heb ik den Koning, mijn broeder, ontraden vreemd krijgsvolk naar deze Provinciën to zenden, dat ganschelijk overbodig is, daar wij hier met niemand in oorlog zijn.quot;

„'t Is ook niet tegen een buitenlandschen vijand. Mevrouw, dat deze krijgsmacht zal optrekken; 't is togen een binnenlandschen, die erger is dan oorlog en pestilentie samen;'t is om de vijanden neer te leggen die de rust van uwe regeering verstoren;'t is om orde en wet te handhaven tegen wanorde en bandeloosheid;'t is om het recht en het gezag des Koninga te doen zegevieren . .

„Zoo komt Uwe Eseellentie hier voor een werk dat al afgedaan is,quot; viel Margaretha in, met trots en bitterheid. „Wij hebben den Koning naar waarheid geschreven, dat de troebelen, die een tijdlang de Provinciën beroerden, nu gestild zijn ; dat ik, met de grootste vlijt, zorge en inspanning van alle mijne krachten, de heerschende plage heb tenondergebracht, dat de rust is hersteld,

ocr page 270

238

dat des Konings gezag, zijn recht en de eere van Gods Kerk volkomen zijn gehandhaafd en nu triomfeeren over alles wat ze heeft aangevochten. Dit heb ik gedaan, ik, Mijnheer de Hertog, met Gods gunst en hulpe, ik zal het dankelijk erkennen! en nu komt Gij om de vruchten te genieten van dezen mijn arbeid.quot; 1)

Uwe Doorluchtigheid verschoone mij; indien er werkelijk zoodanige vruchten te oogsten zijn, kom ik ze alleen bevestigen en verzekeren, opdat uwe Hoogheid ze in vrede kunne genieten. — Alleen — schoon ik aan de verzekering van Mevrouwe een onbepaald geloof geve — komt het mij toch twijfelachtig voor, dat alles hier in de werkelijkheid zoo is, als dat U toeschijnt. Uiterlijke stilte is nog geen rust, stilstand van openlijk verzet nog geen terugkeer tot de wettelijke orde. Daar heerscht hier, naar 't mij voorkomt, zekere drukkende kalmte, die meestal zware orkanen voorafgaat.quot;

„Gij hebt gelijk: dat hier orkanen zullen losbarsten is wel te voorzien. De eerste onlusten in Vlaanderen zijn aangekomen om 't Spaansche krijgsvolk, dat men hier niet wilde dulden, op zulke wijze, dat de Koning aan den drang der noodzakelijkheid heeft moeten toegeven, en ze heeft teruggeroepen, zooals Uwe Excellentie bekend zal zijn; dat is nog geen volle zeven jaar geleden en — daar hebben wij ze nu weer!quot;

„Het is maar al te waar, dat de Koning aan die noodwendigheid heeft moeten toegeven, tot verkleining van zijn gezag; maar dat is juist geschied omdat er te weinig troepen waren. Nu is er gezorgd voor een toereikende legermacht, opdat 's Konings gezag van die grieve gewroken worde — en hierna nimmermeer schade lijde! Voorts verzeker ik u, Mevrouwe, dat er alle maatregelen zullen genomen worden, die strekken kunnen om de gevreesde stormen, zoo zij opsteken, te doen bedaren en des Konings landen voor schipbreuk te behoeden.quot;

1) De Hertogin had zelfs eene medaille laten slaan om van dit volbrachte werk te getuigen. Aan de ééne zijde ziet men haar borstbeeld met haar naam en titels; aan de keerzijde nogmaals haar gestalte, staande op een rots, waar de baren tegen aanslaan, met een lauwerkrans om het hoofd, in de eene hand een zwaard, in de andere een palm- en olijftak, de winden tegen haar aanblazende met dit opschrift: Favento Deo.

ocr page 271

239

„Uitnemend, Mijnheer de Hertog, en, naar ik onderstel, zult Gij het zijn, die hier al zulke maatregelen zult verordenen! Maar, daar Uwe Excellentie verzuimd heeft mij uwe geloofsbrieven en den lastbrief des Koniags over te leggen, aleer zij tot mij kwam, ben ik volstrekt onbekend met de mate van gezag, die het den Koning behaagd heeft, U toe te vertrouwen, en bijgevolg, niet overtuigd van Uwe bevoegdheid om diergelijke orders uit te vaardigen.quot;

„Uwe Hoogheid zal wel begrijpen, dat ik zoodanige kostbare documenten niet bij mij drage op de reize; in mijne haast om Uwe Doorluchtigheid te begroeten ben ik niet afgestapt dan voor haar paleis... maar ik zal niet verzuimen mijne commissie en het schrijven van Zijne Majesteit aan Uwe Hoogheid ter inzage over te leggen, zoo haast ik die zal hebben uitgepakt.quot;

„Gij kant mij toch voorloopig wel den inhoud van die tostóare documenten mededeelen: de Staatsraad heeft er mij reeds een verwijt van gemaakt dat ik er in toestemde U te ontvangen, zonder dien te kennen.quot;

„Dien inhoud kenne ik, Mevrouwe, dat is waar, doch alleen in 't algemeene en volstrekt niet woordelijk; en daar't hier juist op de letter aankomt, zou ik niet gaarne door eene vergissing in de termen oorzaak willen zyn, dat de uitdrukking van des Konings wil onjuist of met onbestemdheid werd opgevat. Uwe Hoogheid veroorloove mij dus, hierover absoluut te zwijgen, terwijl ik beloof mij zooveel doenlijk te haasten met het vertoonen van deze bescheiden. Nu vraag ik verlof om mijn afscheid te mogen nemen. Zelfs de tocht naar Brussel was geen zoo gemakkelijke rit, of ik voele mij eenigszins vermoeid en verlangend naar wat ruste en verfrissching.quot;

Daar het onderhoud staande had plaats gevonden en de Hertogin den Hertog zoomin den eerewijn ter verwelkoming had aangeboden als eene zitplaats of een vriendelijk woord, was het niet te verwonderen, dat deze het zoo kort maakte als eenigszins doenlijk was, en de vermoeidheid, die hij als reden opgaf, behoefde geen voorwendsel te zijn. Toch scheen het Margaretha te krenken, dat hij het eerst van scheiden sprak bij dit samenzijn, waar men zoo strak en gedwongen tegen elkander over stond.

ocr page 272

240

„'t Is wél, Mijnheer de Hertog,quot; voegde zij^hem toe op spij-tigen toon. „Gij zijt ontslagen, wij zouden het niet gaarne op ons geweten laden dat een zoo ■vermaard veldheer, wien het in zoo menigen veldslag nooit aan kracht heeft ontbroken, onpasselijk werd van uitputting in een onderhoud met ons. Ga uwe ruste nemen in Uw logies; maar zoo gij wenscht ons nogmaals een bezoek te brengen, moet ik u waarschuwen, dat het niet zal kunnen zijn voordat Gij ons die volmachten hebt overgelegd, die U gerechtigen herwaarts heen te komen en onze hofstad met uw krijgsvolk te bezetten.quot;

En met dit afscheid kon de Hertog zich verwijderen. Hij deed het, zonder op eenige wijze zijn misnoegen te toonen over dit onthaal.

Alba was bekend voor zijne behendige wijze van terugtrekken bij zijne krijgstochten ; hij, die niet wist wat vrees was, had meermalen voor een zwakkeren vijand den terugtocht geblazen, op zulke wijze, dat zijne eigene soldaten hem met twijfel en onwil aanstaarden en zijne kwaadgunners lasterden dat het hem somwijlen aan moed ontbrak ; maar hij placht dan te doen of hij die verbaasde blikken, die morrende soldatengezichten niet eens zag, en haalde' mot zijn eigenaardige glimlach de schouders op over de lasteraars, die hij eerst later beschaamde door te bewijzsn, dat hij het terugwijken om beter zijn sprong te nemen, heel goed verstond. Ook hier wist hij, dat hem de mooiste rol niet was toebedeeld voor het oogenblik, maar hij wist ook welke schitterende revanche hij zich zeiven kon geven ; en zoo er onder Margaretha's hovelingen waren, die hem met een spottenden glimlach nazagen, toen hij daar wegtrok, als onder den slag eener pijnlijke ongenade, mochten zij wel zorgen, dat de Hertog deze lachjes niet opmerkte, daar ze dan gewis met bloedige tranen zouden geboet worden.

Reeds des anderen daags had de Hertog van Alba voldaan aan het verlangen der Gouvernante, en de volmachten die hij uit Spanje medebracht ter inzage overgeleverd. Niet zoo ras waren zij in haar Staatsraad gelezen en onderzocht, of er ontstond algemeen misnoegen en diepe verslagenheid.

ocr page 273

241

Behalve zijn recht om als Kapitein-Generaal onbeperkt gezag te voeren over het krijgsvolk, werd hem ook de macht toegekend om de Gouverneurs der Provinciën af- en aan te stellen, om kas-teelen en sterkten te bouwen waar hij het goed zou achten, om de magistraten te veranderen; in één woord, hem werd eene macht gegeven zooals de Regentes met haar Raad van bestuur te zamen nooit had bezeten, en die Filips zelf, zoo hij in persoon het bewind over de Nederlanden was komen voeren, niet had mogen oefenen. Filips gaf in dezen meer dan hij gerechtigd was te geven, en bij deze opdracht van een dictatoriaal gezag aan zijn Generalissimus deed de Koning een voorbeeldeloozeu greep in de voorrechten en vrijheden van zijn volk en in de bestaande overeenkomsten, die hij zelf had bezworen te eerbiedigen en te handhaven. In een vorig tijdperk waren de heftigste onlusten ontstaan over voel lichtere inbreuken op verkregen rechten, en dit nii daar het gansche land in spanning verkeerde, omdat nevens de nooit sluimerende zucht tot het herwinnen van 't geen langzamerhand was ontnomen, ook nog nieuwe denkbeelden heerschende werden omtrent de rechten en plichten van Vorsten en volken onderling. Wat hieruit volgen moest? Deleden van den Staatsraad durfden het niet voor zich zelven indenken, veel min tegen elkander uitspreken. De staatsgreep van Filips had dit met menige andere na den zijnen gemeen, dat hij als met verlamming trof allereerst diegenen, die geroepen waren er tegen op te komen.

Wat de Gouvernante betrof, baar spijt en gramschap steeg tot wilde woede reeds op het eerste inzien der volmacht! —■ Dit alles aan een Alba! den man waartegen zij had gewaarschuwd, onder al 's Konings raadslieden juist die, welke het meest impopulair was in de Nederlanden bij adel en volk beiden!

Maar dit was niet eigenlijk het bedrijf des Konings — Alba zeil' had het dus gewild; hij bad het hem ingeblazen, hij had het doorgedreven in 's Konings raad; zijn eer- en heerschzucht was niet te verzaden geweest dan met het hoogste, en de Koning had zich in zijne besluiteloosheid laten trekken door wie het meeste geweld had gebruikt. Ja, het kon niet anders zijn, en toch moest zij den aanmatigenden indringer ontvangen. Hij had opnieuw

Kroo», Karei de Stoute. 1quot;

ocr page 274

242

een gehoor aangevraagd, en zij — moest het inwilligen. Ze zouden te zamen over de zaken hebben te raadplegen, want zij was nog altijd Landvoogdes; het had Filips niet behaagd haar te ontslaan; aan haar zou het beleid der burgerlijke zaken (de ongeharnaste regeering, zooals Hooft zegt) blijven toevertrouwd. Nu ja! zij zou hem dan ook ontvangen, allermeest om den vuurgloed van haar toorn over zijn schuldig hoofd uit te storten!

Het kon voor Alba niet twijfelachtig zijn, in welke stemming hij de Landvoogdes zoude vinden, maar hij moest door dezen zuren appel bijten, en hij was de man niet om terug te gaan voor vrouwelijke verbolgenheid, al was hij tevens de man om met de meest mogelijke lankmoedigheid het kwaad humeur eener Vorstin te ontzien, te verdragen. Hij had vooruit berekend welke rol hij te vervullen had bij 's Konings zustor. Het hoen te plukken zonder dat het schreeuwde, was in dezen wel niet mogelijk,, daar Margaretha te kloek en te prikkelbaar was om zich zonder luidruchtig verzet hare fraaiste veeren te laten uittrekken ; maar toch moest het geschieden met die reverentie, die haar dwingen zou te erkennen „qu'elle était rfe ses ^)roce'(?«squot; al was zij.

het volstrekt niet over zijne daden.

In hofgewaad gekleed, omhangen met de Vliesorde, vergezeld door een grooter getal edellieden dan de eerste maal, omstuwd door eene lijfwacht, die de strengste orders had om zich niet door de trawanten der Eegentes tot den strijd te laten verlokken, maar zich b|j tegenstand striktelijk tot eigen verweer te bepalen, trad de Hertog het voorplein op, waar men hem ditmaal de krijgseer niet durfde onthouden, noch zich er tegen verzetten, daar zijne Hellebaardiers zich en haie schaarden tot bij den ingang der voorzaal. Binnengetreden, werd hem echter bericht vanwege de Gouvernante, dat Hare Hoogheid oapa?selijk was en verhinderd werd Zijne Excellentie te ontvangen in dezen oogenblik. Daar Margaretha zelve het uur voor dit tweede bezoek had bepaald, begreep hij dat het haar voornemen was hem anti chambre te laten houden, hetzij om hem daardoor hare meerderheid te tconen,, of wel zijn geduld te tergen, tot hij in gekrenkten trotsch eenig vergrijp tegen de vormen zou begaan, dat zij als gekwetste Hoogheid zou opnemen, of althans in dien zin zou voorstellen aan haar broeder-

ocr page 275

243

Maar in dien strik was de geslepen Toledo niet te vangen, die bijna even goed hoveling was als krijgsbevelhebber, al moet men er tot zijne eer bijvoegen, dat hij zijne meesters den diepsten eerbied wist te betoonen zonder ooit tot lage vleierij te vervallen op zulke wijze, dat Fiiips hem achting toedroeg en vertrouwen schonk boven alle anderen, maar zonder dat hij hem tot gunsteling koos. Alba kon niet als een Ruy Gomez specu-leeren op de geheime ondeugden van zijn vorst; in diens belang durfde hij hem tegenspreken, al was het in de eerbiedigste termen. Ook nu wist hij waardig en lijdzaam te zijn, overtuigd dat deze vrouwegril welhaast zoude optrekken. Hij begreep dat deze onpasselijkheid niets was dan een voorwendsel, en de revanche die zij nara voor de vrijheid, die hij zelf had gebruikt, vermoeienis voor te wenden om het kwaad half uurtje van het eerste samenzijn te bekorten. Maar reeds wachtte hij niet meer alleen en als verlaten. Gisteren hadden do edellieden, die de Gouvernante omringden, op haar voorbeeld lettend, geen stap voorwaarts gedaan om hem te begroeten; heden, nu het bekend was welke macht hem was toebedeeld, voelden sommigen zich geroepen om de opkomende zon te aanbidden, en — al was het ook met in-nerlijken tegenzin — de onhoffelijkheid van den vorigen dag goed te maken, hovelingen van Margaretha kwamen den Hertog begroeten in hare voorzaal, en, zeker niet daartoe gerechtigd, de verontschuldigingen brengen van de Hertogin, die nog altoos niet te voorschijn kwam. Op deze betuigingen antwoordde Alba, met zijn gewoon lakonisme, die de courtoisie gebood wat geduld te nemen met de dames, en dat nieta hem minder zwaar viel dan den gelegenen tijd af te wachten van zulk een vermaarde Prin-sesse als de Hertogin van Parraa.

Men ziet het, Alba was besloten des Konings zuster alles te geven wat haar toekwam, behalve de voldoening van hem boos gemaakt te hebben. Ten laatste moest zij zich toch vertoonen en hem tot zich toelaten. De ontvangst was nu minder koud en afgemeten, maar des te meer hartstochtelijk. De Hertogin deed geene moeite om hare gramschap te ontveinzen, maar gaf die lucht met eene heftigheid als men niet van eene leerlinge van Loyola zou verwacht hebben, allerminst van eene vorstin die

ocr page 276

244

mannen als Machiavelli en Armenteros tot raadslieden had.

De Hertog liet die onweersbui over zijn hoofd heengaan zonder iets te doen om haar af te leiden ; eerst toen hij de lucht genoegzaam gezuiverd achtte, deed hij haar op kalmen toon opmerken, dat hij zonder eenig gevolg bij haar was binnengetreden, dat hij zijne edellieden allen in de voorzaal had achtergelaten, omdat hij haar mededeelingen had te doen vanwege den Koning, die geheel alleen voor Mevrouw de Gouvernante waren bestemd. Zij begreep den wenk en volgde dien op, door de omringende hovelingen weg te zenden. Toen zij onder vier oogen waren, zetle zij zich, en de Hertog reikte haar een eigenhandigen brief over van Filips II, waarin deze zijne welbeminde zuster te verstaan gaf, dat de Hertog behalve de volmacht, die hij ter inzage had overgelegd, nog een nieuwen en geheimen lastbrief had medegekre-gen, waarbij hem werd opgedragen zekere maatregelen te nemen zonder hare voorkennis, iets, waarvan zij vooruit verwittigd werd, opdat zij geene ergernis zoude nemen aan zijne wijze van handelen.

„Maar wat beteekent dat!- Wat zijn dit voor zaken, waarvan ik, de Gouvernante, de zuster des Konings, geen kennis mag nemen en die aan uw gedachten worden overgelaten?quot; vroeg zij met schijnbare kalmte, maar het geschrift tusschen de vingeren verfrommelende in zenuwachtige drift.

„Indien het noodig ware dat Uwe Hoogheid daarmede bekend werd, zou de Koning ze gewis hebben medegedeeld,quot; hernam Alba rustig en vast; „maar het is juist veel beter, dat Uwe Hoogheid daarvan gansch onkundig blijft, opdat niemand dan ik alleen worde blootgesteld aan don haat, die er het noodwendig gevolg van zal zijn.quot;

Alba zelf wist niet hoezeer hij profetie sprak in dien oogenblik. Hij kon zich zeker niet voorstellen hoe algemeen, hoe ingekankerd die volkshaat zoude zijn, die hij besloten was geheel s.lleen te dragen, door met niemand de verantwoordelijkheid te deelen, juist van zulke maatregelen, die hot meeste afkeuring zouden wekken.

„Ah! nu versta ik het,quot; hernam Margaretha, met verbeten ergernis, „het zal zijn om mij te sparen, dat de Koning alles zoo

ocr page 277

245

goedgunstighjk heeft beschikt, dat mij niets gelaten wordt dan — de titel van Gouvernante, terwijl Gij mij als absolute Landvoogd vervangt met der daad!quot;

„Hoe kan Uwe Hoogheid zich zoo iets inbeelden! Wel verre dat ik iets op Uwe autoriteit zou willen bekorten, zal het integendeel mijn streven zijn, om uw gezag, dat door de aanmatigingen van de Vliesridders al meer en meer beknibbeld is, weer in volle beteekenis te herstellen en te bevestigen, op zulke wijze dat, zoo 't God blieft Uw leven te sparen. Uwe Hoogheid Vlaanderen nog lange jaren met glorie zal regeeren!quot;

Dat was te veel. Margaretha van Parma rees op in haar zetel, en met eene stom, trillend van ingehouden toorn, voegde zij hem toe :

„Uitnemend, Mijnheer! uitnemend gevonden, Hertog ! dat moet ik zeggen. Zoo meent gij dan waarlijk, dat het glorieus zal zijn voor mij hier te regeeren met Uw welbehagen, naar Uwe voorschriften? En Gij verbeeldt U dat ik, ik Keizer Karel's dochter, mij deze voogdij zal laten welgevallen, en de Koning verwacht van mij dat ik mij zulke vernedering zal getroosten ! Daarin hebt Gij u beiden zonderling vergist. Ik ben de vrouw niet die men met een ijdelcn titel kan verblinden. Of meent gij dat ik niet zie, hoe de dictatorstaf, die in Uwe handen is gelegd, mijn vorstinnc-scepter zal verbrijzelen bij de eerste botsing? Het zij zoo, Mijnheer! ik ben niet zóó verzot op gezag of ik zal weten af te treden met waardigheid, veel liever dan met U te strijden over 't geen ik hier zijn zal al of niet. Maar hot had mijn broeder beter gepast zijne zuster bijtijds terug te roepen, dan haar dus te laten verdringen door een onderdaan ! ïoch verheugt hot mij, het verheugt mij werkelijk, dat de Koning een onderdaan heeft gevonden, die getrouwer en ijveriger is voor mijne zaak dan ik ben, en aan wien hij zijne geheimen, en het behoud van Vlaanderen beter vertrouwen kan dan aan zijne zuster. Ik wensch Zijne Majesteit daarmee geluk, en verblijd mij, dat zich zulk een groot man opgedaan heeft, van wiens bekwaamheid hij zoozeer verzekerd is, dat hij dien kan verheffen boven zijn eigen bloed.quot;

Dat deze stortvloed van klachten en verwijten, van satyrieke gelukwenschingen en betuigingen van blijdschap, niet door don

ocr page 278

2-tG

Hertog met koele onverschilligheid werden aangehoord, spreekt wel vanzelf; maar al kookte het binnen in hem, hij achtte zich niet gerechtigd haar bitterheid voor bitterheid terug te geven, en hare scherpe ironie te beantwoorden. De laatste pijl, die zij afschoot, trof bovenal doel bij den man, die zoo diep doordrongen was van de rechten eener vorstelijke afkomst.

In de eerbiedigste bewoordingen en haar do eeretitels gevende van „groote Vorstin,quot; „Keizerlijke Prinsesquot; en meer andere, zelfs boven 't geen haar toekwam, zoodat hij later van zich zelf kon getuigen: „dat hij de Koningin van Spanje zelve niet met meer eerbied en onderdanigheid had kunnen bejegenen,quot; trachtte hij haar te bevredigen en te bewijzen, dat er geene kwestie kon zijn van haar te vernederen en te verdringen; dat niets verder af lag van des Koniugs intentiën, en dat hij, Alba, do laatste zou zijn om zich tot zulk een doel te laten gebruiken. Maar zij wilde niet naar hem luisteren, zij was te schrander om niet in te zien dat ledige titels en eerbiedsbetuigingen geen bewijzen waren, en dat, al zou Alba zich getroosten voor haar regentenzetel geknield te blijven, hij toch inderdaad den staf zoude zwaaien, die haar uit de hand was genomen,

„Wat moet ik wachten na dit begin,quot; viel zij in, „niets kan ik mij meer voorstellen dan schande en versmading, zoo ik hier bleef. — Gij, gij zoudt mij den schijn willen laten, ik geloof het. Gij zoudt Keizer Kareis dochter geen kleinachting toonen door uwe houding tegenover haar, maar uwe daden zelf zouden uwe woorden tegenspreken, en liegen tegen dat huldebetoon, en de anderen — ik ken de menschen — de anderen zouden niet twijfelen wie hier meester was, en de opkomende zon aanbidden voor mijne oogen.quot;

„De opkomende zon! Maar Mevrouwe! de Koning komt zelf herwaarts heen. Zijne Majesteit gedenkt in Zeeland aan wal te stappen. Ziedaar de zon, bij welker stralen elk ander licht moet verbleeken en waar elk getrouw oog op zien moet.quot;

„Gij zult mij toch niet wijs maken, dat Gij, gij zelf aan de komst des Konings gelooft ?quot;

„Zoo vast als aan mijn eigen goeden wil om de zaken hier op zulken voet te brengen dat de Koning komen kan. Slechts moet

ocr page 279

247

vooruit alles geëffend zijn, voor zijno schreden elke steen der ergernis zijn weggenomen, opdat zijn voet zich niet stoote, zijne vorstelijke oogen zich niet behoeven af te wenden, ora de schuld en de schande van deze landen niet te zien. Alle hoogte die zich tegen hem heeft durven verheffen, moot neergeworpen, alle schennis tegen Zijne Majesteit gepleegd uitgewischt zijn in het bloed der schenders, allo gezag wezen in de hand waar het behoort, en die het getrouwelijk zal overgeven in de zijne. Dan eerst kan de Koning komen, maar dan ook zeker hij komen om den goeden en getrouwen te beloonen, om vergiffenis te schenken aan be-rouwvollen, dio zulke gunst waardig blijken, en om allereerst Uwe Doorluchtige Hoogheid voor de gansche wereld de eere en de achting te betoonen waarop zij aanspraak heelt, om te bewijzen hoezeer hij Uwe diensten op prijs stelt...quot;

„Treffelijk gevonden! zoo zal ik hier mosten wachten op de dankbetuiging des Konings tot die gouden eeuw aanlicht — ik zou even goed kunnen wachten op de komst van het duizendjarig rijk. En inmiddels, opdat wij die schoono dagen zullen zien, zal de Hertog van Alba hier zijn wil en werk doen en mij het mijne uit de handen nemen . .

„Mevrouwe!quot;

„Of kan men het anders noemen .. . Men maakt U Souverein over het krijgsvolk, Souverein over de Provinciën, Souverein over de steden, wat rest er dan nog voor mij? Ik moet waarlijk zeggen dat ik veel verplichting heb aan mijn broeder! hij laat mij toch iets — ja in trouwe! hij laat mij de kerken en de velden — de kerken waarschijnlijk om te bidden, en de velden om in te wandelen. Welnu Mijnheer, het zij zoo. Ik ben dies getroost, gij kunt hier voortaan doen wat U is opgedragen, de Gouvernante zal U niet meer in den weg zijn. Margaretha van Parma zal het regentschap neerleggen, dat zij negen jaren lang onder de hache-Hjkste omstandigheden heeft gevoerd, terwijl zij met ontelbare lasten en bezwaren heeft te kampen gehad, geene rust heeft gesmaakt, hare krachten en gezondheid in niets heeft gespaard; ja zelfs haar leven in gevaar heeft gezien, om hier order op de zaken te stellen; en nu dat alles tot een goed einde is gebracht, nu is dit mijn loon dat ik terzijgezet worde voor een onderdaan,

ocr page 280

248

en dat aan dezen meer gezags wordt toegekend, dan ooit Vorst of Vorstinne heeft bezeten. Maar dit zegge ik U Mijnheer, ik wil niet langer blijven wachten op de onzekere resolutiën des Konings. Als Zijne Majesteit mij mijn ontslag niet geeft, zal ik het op mijn eigen gezag nemen. Ik zal, zooals van mij verlangd wordt, de Provinciën aanmanen om Uwe autoriteit te erkennen, maar daarna zal ik mij ook niet meer met de zaken bemoeien; dat zij U overgelaten. — Draag zorg Mijnheer, draag zorg voor Vlaanderen, beveel hier de justitie on de politie, stel de Gouverneurs af- en aan, verander de wet en do magistraten, schend alle usantiën en privilegiën, breng alles hier in rep cn roer, door den schrik van Uw naam, door 't geweld Uwer wapenen — alles is U voortaan geoorloofd; maar houd deze mijne voorspelling voor oogen, gij kunt doen wat Gij wilt, dit volk van Vlaanderen en Braband waarmee ik negen jaar heb geworsteld, zonder het naar den wil des Konings te kunnen fatsoeneeren — dit volk dat Gij niet kent, waarvan Gij niets weet noch begrijpt, dat U nu reeds haat, nog meer dan het U vreest, dit volk zult Gij nimmermeer naar Uw wil kunnen plooien .. .

„Verschoon mij, Mevrouw, dat ik ongeloovig blijve bij Uvvamp; profetie,quot; viol de Hertog in, wat laatdunkend de schouders ophalend. „Ontrust u niet vooruit over het mislukken van mijn werk, en laat dat vrij aan mijne zorge over. Ik heb voormaals volkon van ijzer getemd,quot; ging hij voort met een glimlach van fiere voldoening, „zou ik dit volk van boter dan niet naar mijn zin kunnen kneden?quot;

Neen Alba, neen! juist dat kunt gij niet. Gij hebt het ijzer kunnen smeden met ijzer, gij hebt het kunnen buigen en te pletter slaan onder uwe mokerslagen, maar het smijdige zuivel wil niet met een stalen gantelet gekneed zijn. Hoe vaster gij het knelt, des te eerder zal het aan uwe vingeren ontglippen. Gij kunt het wringen in uw bloedige wijnpers, maar formeeren naar uw wil, naar het voorschrift van uw Koning kunt gij het niet.

Hertog van Alba! gij hebt eene taak aanvaard die gij eene lichte acht over Keizer Kareis grooten veldoverste, en die u toch te zwaar zal vallen. Gij zijt een volleerd krijgskundige, die weet hoe men vestingen bouwt en sterkten opwerpt die den gloed van

ocr page 281

249

het vuur en den tand des tijds kunnen trotseeren; maar nu gaat gij een toren bouwen waarvan gij de kosten niet hebt berekend. Gij meent den vijand te kennen waarlegen gij strijden moet, en gij veracht zijne zwakheid, die mogelijk zijne sterkte is. Gij meent te kunnen slechten ec fatsoeneeren naar uw believen, en gij kunt slechts in den blinden rondtasten, om wilde en bloedige grepen te doen en verwarring te stichten, daar waar gij orde herstellen wilt. Gij kunt niet voortbrengen dan verwoesting. Gij wilt rebellie straffen, en gij gaat eene omkeering van zaken daarstellen. Gij hebt uw Koning lief, meer dan uw eigen bloed, Ferdinand de Toledo! en toch zult gij, zijn trouwste dienaar, hem slechter dienst bewijzen dan de snoodste verrader het had kunnen doen. Gij zult ijveren voor de eer der Kerk, en gij zult haar verliezen bereiden, in geen drie eeuwen door haar terug te winnen. Gij acht u den grooten voorvechter van het Pausdom, en gij zult Rome en den man op den Stoel van Petrus gehaat maken meer dan Turk en Heiden. Dit alles zult gij doen, Alba, en uwe tegenstanders zullen de vruchten plukken van de fouten die gij begaat. Xoch uw weergaloos krijgsbeleid, noch uwe rusteloozn waakzaamheid, noch de uitstekende mannen die gij met u gebracht hebt om u in uwo onderneming bij te staan, zullen u baten, om haar tot een goed eind to brengen. Gij kunt Willem van Oranje afmatten in den krijg, zijne legers verstrooien zonder veldslag, maar hem zijne staatskunst afzien en navolgen, dJït kunt gij niet.

Gij zijt op moerassigen bodem beland, Ferdinand de Toledo! Gij zult er geen grond vinden voor uw geharnasten voet. Gij zult- moeten waden door slijk en bloed, en uwe eer, uw vermaarde naam zal bezoedeld worden in dien roemloozen tocht. Zes jaren lang zult gij dit land van zuivel kunnen beuken met uwe mokerslagen tot het zieltogend en verpletterd neerligt onder uw voet, maar toch, gij hebt het niet kunnen kneden naar uw vorm. En al hadt gij het ganschelijk kunnen uitmoorden, zooals gij u voornaamt, al hadt gij allo steden kunnen platbranden, die niet door uwe Spanjaarden te bezetten waren — nog zoudt gij het niet hebben geboetseerd naar uw zin. „lloo heeft dat kunnen zijn?quot; moet Alba zich zolven wel eens onder tandknarsen van spijt hebben afgevraagd; „hoe heeft dit kunnen zijn ?quot; vraagt de

ocr page 282

250

geschiedschrijver, als hij het ijzingwekkend tafereel van Alba's schrikbewind heeft geschetst en bevindt dat het volk van zuivel toch nog geen slavenvolk is geworden, gevormd naar Spaansch model.

De oplossing laat zich vinden. Er was in dit volk van zuivel een geest gevaren dien tirannenwoede wel kon bedroeven, maar niet uitblusschen, een geest des weerstands, geheiligd door den geest der liefde en ijver, die hechter samenbindt dan het krachtigste cement. En de Heer der Heirscharen ontfermde zich over dat volk, dat daar nederlag, gebogen, maar niet verslagen, dat, onder zielsangst eendragtiglijk saamverbonden, de knieën neerboog en tot Hem riep om uitkomst, en de Heer gaf hun een man, een man, zooals Hij nog aan geen volk gegeven had, dan aan zijn uitverkoren volk van Israël, een m-in, die als een tweede Mozes hen zou leiden met raad en daad, die als een tweede Mozes een verbond zou maken met den Potentaat aller Potentaten in den naam van zijn volk — en tegen dat bondgenootschap kon Alba niet op met zijn bloedraad en zijne inkwisitie, tegen dat bondgenootschap kon Filips niet op met al de schatten van zijne Indien, met heel de strijdmacht van zijne monarchie, al kon hij roemen, dat de zon nooit onderging in zijn rijksgebied.

Och! de zon van Spanje's glorie zou toch dalen; het verbet tegen dat bondgenootschap kwam duur te staan.

„Al zwoeren al de duivlen zaam,

geen satanische machten konden dat bondgenootschap verwinnen, zelfs met toen de man, van God gegeven, neerzonk onder het moordend lood van een dweepzieken verrader, als Mozes, ook het beloofde land der vrijheid van verre ziende, maar zonder het nog ganseh veroverd (e hebben. Zelfs toen niet; want zijn laatste woord was eene bede om ontferming voor zijn volk, gericht tot dien Bondgenoot, die trouwe houdt tot in eeuwigheid !

Toch is dat bondgenootschap opgelost, dat zoo vast had moeten zijn. Volk van ^Nederland, volk van zuivel, daar is uwe schuld, daar is uwe zwakheid. Sidder, want gij staat nu alleen, en al zijn

ocr page 283

251

er geen Alba's mesr om uw dierbaren grond te vertreden, het ras dor overweldigers is nog niet uitgestorven. Kög ziet men ruw geweld voor recht gelden, nog woelen er booze invloeden rond, nóg werken er schadelijke krachten, nog dreigen er gevaren van allerlei aard zoomin re weren als te overzien. Volk van Nederland! al schijnt gij nu te staan in de vrijheid, in het licht, daar zijn wolken en donkerheid rondom u, en gij hebt tegen dat alles geene macht, tenzij gij de hand vat des Almachtigen.

Hooghartigen weerstaat Hij,

En nu en 't allen stond.

Zijn hateren verslaat Hij i\Iet (Tadem van Zijn Mond!

't Geheim van allen zegen (Oranje en Neerland hoor 't)

Is in Gods vrees gelegen.

Zijn dienst, Zijn gunst. Zijn Woord!

ocr page 284
ocr page 285

DE HERTOG VAN ALBA IN SPANJE.

ocr page 286
ocr page 287

'i,

■4.A

De ceremonie van den handkus was afgeloopen, en nóg hield dn Koning zijne granden en hovelingen bij zich terug, en er lag op het gelaat van al die blij venden eene onrustige spanning, eene vorsehende nieuwsgierigheid, die scheen aan te duiden, dat het belangrijke oogenblik van deze hofscène nu eerst ging aanvangen. En zoo was het ook. Eene gestalte, sinds vele jaren niet in de hofzalen aanschouwd, zou er nu te bespieden zijn; een man, vreemdeling geworden aan het hof van Madrid, zou er nu zijne plaats innemen; de gewezen stadhouder der Nederlanden kwam rekenschap afleggen van zijne voogdij aan zijn vorst. Filips II zou het eerste gehoor geven aan den Hertog van Alba!

„De Hertog van Alba!quot;

En op de trekken van den lezer mis ik op i'cns de uitdrukking, die ik had willen leggen op die van de Spaansche grooten ; geene opgewektheid, geene belangstelling, niet eens nieuwsgierigheid. Het is ook geene nieuwe figuur de Hertog van Alba, het is geene vroolijke, het is niet eens meer eene belangwekkende; allesismet hem afgesleten, tot den haat toe. „Wat hebben wij nog noodig te weten van den man, met wien men ons heeft vervolgd van onze kindsheid af in de schoolboeken, tot op de jongelingsjaren in de romans, tot in den ouderdom met geschiedkundige redevoeringen ? Sinds den allerlaatsten roman, en de allerlaatste verhandeling, waarin hem de tyrannen-rol was toebedeeld, hielden wij het er voor, dat wij nu met hem hadden afgedaan.quot; En toch wordt hij u nog weder voorgesteld door mij, en wel om eene reden, die ik voor een goede houd.

m

ocr page 288

250

geschiedschrijver, als hij het ijzingwekkend tafereel van Alba's schrikbewind heeft geschetst en bevindt dat het volk van zuivel toch nog geen slavenvolk is geworden, gevormd naar Spaansch model.

De oplossing laat zich vinden. Er was in dit volk van zuivel een geest gevaren dien tirannenwoede wel kou bedroeven, maar niet uitblusschen, een geest des weerstands, geheiligd door den geest der liefde en ijver, die hechter samenbindt dan het krachtigste cement. En de Heer der Heirscharen ontfermde zich over dat volk, dat daar nederlag, gebogen, maar niet verslagen, dat, onder zielsangst eendragtiglijk saamverbonden, de knieën neerboog en tot Hem riep om uitkomst, en de Heer gaf hun een wan, een jian, zooals Hij nog aan geen volk gegeven had, dan aan zijn uitverkoren volk van Israël, een man, die als een tweede Mozes hen zou leiden met raad en daad, die als een tweede Mozes een verbond zou maken met den Potentaat aller Potentaten in den naam van zijn volk — en tegen dat bondgenootschap kon Alba niet op met zijn bloedraad en zijne inkwisitie, tegen dat bondgenootschap kon Filips niet op met al de schatten van zijne Indiën, met heel de strijdmacht van zijne monarchie, al kon hij roemen, dat de zon nooit onderging in zijn rijksgebied.

Och! de zon van Spanje's glorie zou toch dalen; het verzet tegen dat bondgenootschap kwam duur te staan.

„Al zwoeren al ile Juivlen zaam,

geen satanische machten konden dat bondgenootschap verwinnen, zelfs niet toen de man, van God gegeven, neerzonk onder het moordend lood van een dweepzieken verrader, als Mozes, ook het beloofde land der vrijheid van verre ziende, maar zonder het nog gansch veroverd te hebben. Zelfs toen niet; want zijn laatste woord was eene bede om ontferming voor zijn volk. gericht tot dien Bondgenoot, die trouwe houdt tot in eeuwigheid !

Toch is dat bondgenootschap opgelost, dat zoo vast had moeten zijn. Volk van Jvederland, volk van zuivel, daar is uwe schuld, daar is uwe zwakheid. Sidder, want gij staat nu alleen, en al zijn

ocr page 289

251

or geen Alba's meer om uw dierbaren grond te vertreden, het ras der overweldigers is nog niet uitgestorven. Nóg ziet men ruw geweld voor recht gelden, nog woelen er booze invloeden rond, nog werken er schadelijke krachten, nog dreigen er gevaren van allerlei aard zoomin te weren als te overzien. Volk van Nederland! al schijnt gij nu te staan in de vrijheid, in het licht, daar zijn wolken en donkerheid rondom u, en gij hebt tegen dat alles geene macht, tenzij gij de hand vat des Almachtigen.

Hoogliartigen weerstaat Hij,

En nu en 'tallen stond.

Zijn hateren verslaat Hij Met (Tadem van Zijn Mond!

't Geheim van allen zegen (Oranje en Neerland hoor 't)

Is in Gods vrees gelegen.

Zijn dienst, Zijn gunst. Zijn Woord!

ocr page 290
ocr page 291

DE HERTOG VAN ALM IN SPANJE.

ocr page 292
ocr page 293

V dr. ik ^ ^ ikdbamp;dr-ikJt-, --j^- ^ ^dr-A. amp;■ amp; AaAJtxibjf

I —^— i

-«^ -----------------rg.

De ceremonie van den handkus was afgeloopen, en nóg hield dn Koning zijne granden en hovelingen bij zich terug, en er lag op het gelaat van al die blij venden eene onrustige spanning, eene vorschende nieuwsgierigheid, die scheen aan te duiden, dat het belangrijke oogenblik van deze hofscène nu eerst ging aanvangen. En zoo was het ook. Eene gestalte, sinds vele jaren niet in de hofzalen aanschouwd, zou er nu te bespieden zijn; een man, vreemdeling geworden aan het hof van Madrid, zou er nu zijne plaats innemen; de gewezen stadhouder der Nederlanden kwam rekenschap afleggen van zijne voogdij aan zijn vorst. Filips 11 zou het eerste gehoor geven aan den Hertog van Alba!

„De Hertog van Alba!quot;

En op de trekken van den lezer mis ik op céns de uitdrukking, die ik had willen leggen op die van de Spaansche grooten ; geene opgewektheid, geene belangstelling, niet eens nieuwsgierigheid. Het is ook geene nieuwe figuur do Hertog van Alba, het is geene vroolijke, het is niet eens meer eene belangwekkende; alles is met hem afgesleten, tot den haat toe. „Wat hebben wij nog noodig te weten van den man, met wien men ons heeft vervolgd van onze kindsheid af in de schoolboeken, tot op de jongelingsjaren in de romans, tot in den ouderdom met geschiedkundige redevoeringen ? Sinds den allerlaatsten roman, en de allerlaatste verhandeling, waarin hem de tyrannen-rol was toebedeeld, hielden wij het er voor, dat wij nu met hem hadden afgedaan.quot; En toch wordt hij u nog weder voorgesteld door mij, en wel om eene reden, die ik voor een goede houd.

ocr page 294

256

Wij hebben hem veel gezien, dat is waar, maar wij hebben hem bijna nooit anders gezien dan als beul, meer zeldzaam als veldheer, slechts enkele malen als regent, en alleen maar van éene zijde als staatsman; en onder al die gedaanten wekt hij bij ons haat en afkeer; want als beul was het onzer vaderen bloed, dat hij stortte; als veldheer stond hij tegenover hen als vijand; als regent was hij do ruwe vertreder van rechten en vrijheden, die zij inriepen; als staaisman kon zijne staatkunde geen ander doel hebben dan hunne tenonderbrenging.

Maar wij hebben hem niet gezien als onderdaan, niet als mensch, niet als vader; wij hebben hem altijd zien heerscben en verdrukken ; wij hebben hem nooit zien buigen, nooit zien lijden; wij hebben nooit met hem gevoeld !

Wij kennen hem alleen slechts uit zijne daden in Nederland, en die daden zijn voor ons altijd wandaden geweest; en toch, zou het wel zoo'n wanhopige taak zijn, ze in zachter licht te stellen ? Maar wij willen dat niet; wij willen het bloed, dat aan zijne vingeren kleeff, en waaronder droppelen zijn van een dierbaar en kostelijk heldenbloed, niet beschimpen, door het als eene zalve der eere uit te storten op zijn voorhoofd, en de pijnljke kramptrekkicgen zijner slachtoffers niet bespotten, door er lofgalmen van te maken voor hun moorder. Wij willen alleen maar een weinig rechtvaardig zijn voor den man, wiens karakter, zoowel als dat van een ander, eene mengeling is geweest van goed en kwaad; want het kan niet schaden, eene zaak of persoon van meer dan eene zijdo bezien, zelfs niet voor Xederlandurs, en zelfs niet al geldt het Alba !

Tot het doel, dat wij wenschen te bereiken, hebben wij den landvoogd en de geschiedenis van Nederland niet noodig; wij volgen alleen Ferdinand Alvarez de Tolido in Spanje onder het oog van zijn monarch. Het was iets merkwaardigs te zien, hoe die grijze krijgsman op een leeftijd, waarop een ander reeds levensmoe zou zijn geweest, en gebukt onder der jaren last; die gewoon was geworden aan do onafhankelijkheid eener vrije landvoogdij en van het oppergebied eens legers; die een gansch land had verpletterd onder den druk van zijn arm, zich nu weet ging krommen onder het juk van den hofdwang, en de moeielijke taak

ocr page 295

257

op zich nemen, om zich te plooien onder den wil van een oppermachtig meester. De gang, dien hij doen moest door de zaal, om tot dezen te naderen, kon wel de zwaarste tocht zijn in geheel zijn leven, tot hiertoe. Hij wist niet, hoe hij ontvangen zoude worden; het is zoo, men had hem bij zijne aankomst in Spanje met eerbewjjzingen omringd, maar dat kon de geestdrift zijn van het volk, dat voorbarig de bedoelingen des konings vooruitliep; daar lagen vele jaren tusschen dat heengaan naar eene luisterrijke bestemming, die zelve het sprekendste bewijs was van koninklijk vertrouwen en hoogachting, toen hij ging met grootsche vooruitzichten, met een fier zelfvertrouwen in de borst, met eene moedige hoop in het hart, met welgevallen nageoogd door zijn meester en begeleid door de wenschen van zijn volk, — en deze wederkomst, afgesmeekt uit moedeloozen onlust, nu menige trotsche hoop teleurstelling was geworden, en menig mislukt ontwerp zijn zelfvertrouwen beschaamde; vele jaren, waarin anderen het oog en het oor van den monarch hadden gehad, en waarin veel gebeurd was, dat handige vijanden, zelfs zonder het gif van den laster te gebruiken, tot zijn nadeel konden uitleggen. Ja, Filips was een rechtvaardig Vorst, maar hij kon ongeluk als schuld nemen en de overmacht der gebeurtenissen onhandigheid noemen, en van de kracht eens volks, in beweging gebracht door den machtigen hefboom der vrijheidszucht, niets zien dan de zwakheid en den slappen ijver van den tegenstander. Zeker, de Vorst kon grieven hebben tegen den dienaar, die wederkeerde, zonder zijne taak te hebben volbracht, die het werk meer ordeloos had laten liggen dan hij het gevonden had; tegen den landvoogd, die wederkeerde uit een laud iu vollen opstand, nadat hij was heengezonden om ontevredenen toe rust te brengen. Alba wist het, en de lieden, die den Koning omringden, wisten het ook; vandaar die gloeiende nieuwsgierigheid, die hun de oogen uitschitterde, nu zij weldra weten zouden, of ze een val te beschimpen zouden hebben, of eene gunst te benijden, en meerderen waren er, die hem het eerste toewensehten, dan die hem het laatste waardig keurden. Ook dit wist de Hertog.

Daar is geene moeielijker knust voor een hoveling, dan in 't midden zijner vijanden, onder het oog van den Vorst, voort te

Kroon. Karei de Stoute, ^

ocr page 296

258

treden met gepaste waardigheid, en gepaste zedigheid, bij de onzekerheid, of hij ongenade te gemoet gaat of gunst; sommigen zouden zich met linksche schuchterheid gebukt hebben of klein gemaakt als konden zij zich onzichtbaar maken, als moesten zij vooruit het medelijden en den troost afbedelen; anderen hadden met bespottelijken trots het hoofd in den nek geworpen, en met vlammende blikken hun kvvaadgunners gespeld wat ze te wachten hadden, zoo de kans zich vóór hen verklaarde; maar Alba hief het zijne zoo moedig op en toch zoo kalm; zulk een ernstig zelfvertrouwen teekende zich op zijn voorhoofd, en zulk een zedige ernst straalde er uit zijne oogen, dat geen vijand het recht kon hebben tot een glimlach of tot eene verwensching; en toch had hij aan de zijde des Konings een man gezien, die zijn doodsvijand was. Don Kuy Gomez do Silva, de laaghartigste onder den adel van Spanje; hij had hem den Koning zien toespreken, toen hij binnenkwam, terwijl zijn gelaat iets vreeselijkers uitdrukte dan haat: het teekende zelfvoldoening! en tevergeefs had de Hertog een vorschenden blik geslagen op den Koning zeiven; evenmin als voor de loerende blikken van de anderen, was er voor zijn onderzoekend oog iets te lezen op die onbewegelijk strakke trekken, ondoordringbaar als de geheimenissen van de toekomst. Filips bad zich een masker van koninklijke waardigheid voorgedaan, waardi;or het geen hovelingsoog gegeven was heen te boren, zelfs niet zij, welke van die oogen en trekken hunne dagehjksche studie maakten. Dat masker bewaarde hij, totdat de komende dicht bij zijn troon was genaderd en aan zijne voeten nederknielde, toen hief hij hem schielijk op, en reikte hem do hand met eene onuitsprekelijke uitdrukking van goedheid en welgevallen, en heeite hom welkom met een hoofdsch en vleiend woord, doch dat oprecht genoeg klonk om welgemeend te kunnen zijn; en toen Alba zich opnieuw gebogen had tot de handkus, richtte Filips hem weder op, en de hand op zijn schouder leggende, school' hij hem zachtkens terzijde af, zoodat de Het tog aan zijne rechterhand kwam te staan ; daarop sprak hij luid : ,Ziedaar de plaats, mijn Toledo! die gij niet weder verlaten zult.quot;

Toen waren er onder de aansehouwers, die verbleekten van wangunst; Don Ruy Gomez wendde het hoofd af van ergernis en verbeet de samengetrokken lippen.

ocr page 297

259

Alba ontving het woord der vorstengunst met diepe aandoening; het was hem aan te zien, dat het hem van een zwaren last onthief, zich gehandhaafd en geëerd te zien door zijn monarch, op een oogenblik, dat hem zulks het meest noodig was; maar toch antwoordde hij zonder vleiende overdrijving en met die rustige mannelijke dankbaarheid, die zich de weldaad waardig keurt, en die weet, hoe haar te vergelden.

„Het is eene schoone plaats, Sire! zoo men haar dankt aan de genade van zijn Vorst; het ware vermetel eon ander woord te gebruiken ; maar ik wil hopen, dat Spanje . . doch de Koning liet hem niet uitspreken. „Wij hopenquot; viel hij in, ,,dat uwe ontvangst in het Vaderland, in onze hoofdstad, eeno zoodanige is geweest, als waarop de eerste veldheer van Spanje en onze aller-troHivste dienaar recht kan hebben !quot;

Deze laatste phrase sprak Filips met zulk eene zonderlinge mengeling van ironie en ernst, dat Gomez het hoofd schichtig ophief, en Alba zijn meester twijfelend aanzag, terwijl hij antwoordde: „Men heeft mij verwelkomd met statelijke eerbewijzin-gen, Sire! meerdere en grootere zeker, dan waarop ik meende recht te hebben; ook hebben ze mij koel gelaten; alleen zoo ik had kunnen weten, dat mijn Koning zelf ze verordend had . ..quot;

„Wij zijn meester in Spanje, nu als voorheen. Hertog van Alba ! en gij kondt u herinnerd hebben, dat openlijke handelingen als deze niet plachten plaats te vinden zonder onzo goedkeuring.quot;

„Zoo dank ik Uwe Majesteit daarvoor, dat zij meer acht heeft willen geven op den goeden wil, dan op de veelheid der diensten, meer op het pogen, dan op het slagen ... De provinciën Sire!

„Niets daarvan, heer Hertog! «ty hebben uwe trouw en uw ijver geroemd; gij hebt geene andere rechtvaardiging noodig, en voor niemand,quot; sprak de Koning, en hij zag schielijk daarbij de omringenden aan, als ware dit woord tot hen gericht; zachter vervolgde hij tot den Hertog: „^ij San Jago, Toledo! de zaken van Vlaanderen gaan niet voordeelig genoeg, om ten aanhoore van zoovele getuigen behandeld te worden; deze Spanjaarden gissen nog niet, hoe men in Xederland tegen zijn Vorst durft opstaan; uwe verantwoording later!quot; — en weer luid voegde hij er bij, een

ocr page 298

260

jonge man wenkende, die met Alba was binnengekomen en die zich eerbiedig op een afstand hield:

„Het is geed, dat Don Frederieo u gevolgd is; wij hebben van uwe daden gehoord, Senor! gij hebt veldheersdeugden ontwikkeld, die bewijzen, uit welk geslacht gij een zoon zjjt.quot;

Ondertusschen was de jonge man genaderd, doch niet met de vroolijke drift van wie koninklijke gunst te gemoet gaat, maar veeleer met eene stroeve gedwongenheid, welke bijna de linksch-heid scheen van den krijgsman, die den hoftoon in het veld heeft verleerd, en die zich niet wil verpijnen, om hem opnieuw te vatten.

Don Frederik de Toledo, Alba's zoon, was niet meer in de eerste vaag der jeugd; zijn forsche bouw en zijne gevormde trekken bewezen, dat hij den mannelijken leeftijd aireede had bereikt; maar er lag op zijn gelaat nog iets anders dan het kenmerk zijner jaren. Niet enkel de moed, die in zijne daden had gesproken; het was eene zonderlinge mengeling van fierheid en schuchterheid, van schrander beleid en wilden hartstocht, van list en openhartigheid, die het tot een raadsel maakte, wat toch wel de ware uitdrukking der ziel konde zijn. En zeker toch was het, dat de norschheid, die thans de trekken zoo strak spande, ook wel somwijlen verhelderd kon worden door den fijnen glimlach, die om den mond speelde; die ernst en die terughouding kon eene reden hebben; de jonge Toledo had vroeger een kring van vrienden aan dit hof gekend, dien hij niet wedervond; Don Juan van Oostenrijk, die zich lauweren verwierf aan do kusten van Afrika, Alexander Tarnese, naar Italië teruggeroepen, en Don Carlos, den zoon van Filips, in zijn afwezen een dood gestorven, waarover de sluier des geheims rustte, dien Carlos, die zijn vriend was geweest, in wiens droomerijen hij had gedeeld, wiens ontwerpen hij made had opgebouwd; dien Carlos, voor wien Schiller ons eene belangstelling heeft ingeboezemd, waarvan wij niemands verbeelding de illusie benemen willen; en het moest hem hinderlijk zijn, zich aan een hof terug te zien, waar de jongelieden niet van zijn tijd waren en de mannen het niet meer konden worden. Hoe het zij, hij kuste de koninklijke hand, die hem werd toegereikt met koelen eerbied, en toen Pilips hem met vleiende welwillendheid

ocr page 299

261

toesprak: „De verplichtingen, die wij hebben aan uw vader, willen wij overbrengen op u; gij zult ons straks volgen naar de Koningin, en de gunst vernemen, die wij u toekennen,quot; antwoordde hij slechts met eene diepe buiging. „Heer Hertog! wij willen u zelve voorstellen aan onze aieuwe Gemalin,quot; vervolgde de Koning. „Don Pedro Donati! laat hare Majesteit gewaarschuwd zijn,quot; en daarbij gaf hij het sein, dat de overigen ontsloeg.

Toen bleef Ferdinand van Toledo met Filips II alleen. Met welke gewaarwordingen voor beiden ! Ze waren samen opgegroeid, samen grijs geworden; de een in den dienst des anderen, dat is zoo: ze stonden tegenover elkander als Vorst en dienaar; maar de wijde afstand, die tusschen hen lag, was aangevuld geworden door de verdiensten des eenen en het vertrouwen van den anderen, en zóó alleen, door geen hovelingsoog bespied, legde de Vorst, zelfs de Vorst Filips, iets van de eischen zijner waardigheid ter zijde, en de onderdaan trad nader met minder ceremonieel. Want ze verstonden elkander, en ze waren aan elkander verbonden door al wat de overeenstemming van hoofd en hart voor hechte banden kunnen samensmeden tusschen twee men-schen. Ze hadden dezelfde belangen, dezelfde beginselen; hun geest had dezelfde richting, en hunne handelingen hetzelfde doel; zoo die handelingen zelve niet éénerlei konden zijn, was dat alleen, omdat de een bevelen moest en do ander gehoorzamen; maar de bevelen van den een waren altijd in den geest van den ander, die ze zou volbrengen; of het moest daar zijn, waar de naijver des dienaars op de waardigheid des meesters dezen de plooibaarheid deed missen, die gene in zijn eigenbelang lichter konde toonen; en waar hunne eigenschappen niet dezelfde waren, was dit alleen het onderscheid van hun vang. Filips was een minder kundig, voortvarend veldheer geweest; Alba zeker geen behendig vorst; ook hadden zij elkander üef, zooals beiden liefhebben konden ; zij achtten elkander, en het was niet alleen de angst voor de gewone ongenade van den hoveling geweest, die des Hertogs borst had beklemd bij het binnentreden in de hofzaal, het was de vreeze geweest van den vriend, die eene onverdiende hardheid duchtte van den vriend!

Maar nu waren ze samen; de Hertog kon lezen in het oog van zijn

ocr page 300

262

Vorst en laten lezeu in het zijne; hij kon zich verantwoorden over daden, die dezen mishaagd konden hebbenen zou op zijne beurt ook grieven kunnen klagen; want ook do landvoogd had grieven . .. Afgezonden met onbepaalde volmachten tot straffen en dwingen door geweld, had hij op krijgsmanswijze, met al de drift van zijn ij ver, met het onbepaaldste vertrouwen op de wettigheid zijner zaak en op-de goedkeuring van zijn meester, gebroken wat niet boog, en vertrapt wat niet geëffend kon worden; en nu de dwang gebleken was eene staatkundige fout te zijn, maar die nog kon verholpen worden door te volharden : nu het tot een uiterste gekomen was, waarin terugtreden nog radeloozer dwaasheid kon heeten dan voortgaan; nu had men plotseling in Madrid den weg der zachtheid willen inslaan, dien weg, welken Alba door duizend daden zich een onbetreedbaren had gemaakt, en om er hem toe te dwingen, onthield men hem de middelen, dio zijn meesterschap moesten schragen: yeld en manschap. Sinds twee jaar had hij slappe ondersteuning uit Spanje ontvangen, en wijze vermaningen uit het kabinet van Madrid, door zijne vijanden ingegeven, often minste door hen, die den staat der Vlaamsche beroerten niet kennen konden als hij. Sinds twee jaren was hij gedwongen geweest tot de wanhopigste kunstgrepen, die hem door het verdrukte volk zouden aangerekend worden als onvergeeflijke gruwelen, en aan het hof als roekelooze misslagen. En de Koning had toegelaten, dat er op zijn onbepaald vertrouwen zoo werd afgedongen, zijne ruime volmacht zoo verlamd; de oude vriend had geluisterd naaide sissende lastertongen zijner vijanden, naar de verdachte stemmen der oproerigen, die natuurlijk zijne haters moesten zijn; bad aanvankelijk zooveel door beiden laten uitwerken, dat de trouwe dienaar van zijn welbehagen, als eenige uitkomst uit zijne verlegene houding, een ontslag moest afsmeeken, dat na twee jaren eerst werd verhoord, en toen gegeven in den vorm cenor vernederende terugroeping!

Maar nu had hij het oor van den Vorst, de onverdeelde aandacht van den vriend; geen afgunstig bespiedend oor zou de woorden der klacht vergiftigen als een morren van den gekrenkten trots; geen saterlach der boosheid zou eene vorstelijke vraag om opheldering tot eene vrage des wantrouwens verdubbelzinnigen;

ocr page 301

263

geene fluisterende toelichting het aanwijzen van een misverstand vergrooten tot een verwijt des toorns, en een woord van ontevredenheid vertolken als een van ongenade.

En zóó moet het geweest zijn; Alba scheen zich volkomen gerechtvaardigd te hebben in dat onderhoud, dat zeer langen tijd duurde, en tevens volkomene genoegdoening verkregen te hebben ; want toen beiden het geheime kabinet verlieten, dat ze waren binnengegaan, leunde Filips op zijn veldheer, met een zoo zichtbaar welgevallen en een zoo pralend vertrouwen, en op het gelaat van den Hertog blonk zulk eene trotsche vreugde en zulk eene onverholen zegepraal, toen zij de Grandezza voorbijgingen naar de vertrekken van de Koningin, dat wie van deze met kwade bedoeling aan Toledo's terugkomst hadden medegewerkt, hem met smartelijk naberousv op Brussels landvoogdszetel terugwenschten ; en anderen, die laaghartige!- waren, of hem minder openlijk kwaad hadden gewild, zich plotseling herinnerden, dat zij zijn zoon Frederik, die met hen was gebleven, nog niet hadden verwelkomd.

„Die ontvangst zal den Vlamingen eene teleurstelling zijn,quot; sprak de Hertog van Feria tot den biechtvader des Koningg.

„Wie weet!quot; antwoordde deze met een licht schouderophalen.

Toen Don Filips, gevolgd van de beide Toledo's, het vertrek der Koningin binnentrad, was deze alleen met de Camarera-Major en slechts ééne Hofdame; hare gewone stoet scheen met eenig opzet voor ditmaal van haar verwijderd te zijn, die zweem van innigheid aan een hof, waar de vormen der etiquette met zulk eene kleingeestige vasthoudendheid werden nageleefd, bevreemdde Alba meer, dan zij hem verblijdde. Niets gaf hem recht te denken, dat de genegenheid der Koningin hem die weinig eeremoniëele ontvangst had voorbereid; hij wist, dat zij tegen hem vooringenomen was.

Toen Anna Maria van Oostenrijk als eene fiere bruid uit haars vaders Staten naar haar vorstelijken bruidegom werd heengeleid, had zij de provinciën van Alba's landvoogdij moeten doortrekken. Hij zelf was haar te gemoet gekomen aan het hoofd van Vlaanderens eerste Edelen, en haar tocht door de Nederlanden

ocr page 302

264

was eene aaneenschakeling geweest van prachtige feesten en eerbewijzingen, en niets van wat de vrouwelijke ijdelheid kon vleien en den vorstelijken hoogmoed streelen, was door hem gespaard geworden, om zich aangenaam te maken bij de nieuwe meesteres. Ook had er aanvankelijk tusschen hen de beste verstandhouding geheerscht; zij had de hulde aangenomen met den glimlach van het hoogste welgevallen; maar met hoe vroolijk een geleide de Hertog haar ook zijns meesters staten doorvoeren mocht, hij had niet kunnen beletten, dat er somtijds klachten tot haar waren doorgedrongen, dat zij, midden door het volks-gejuich heen, niet somtijds het volkslijden had opgemerkt. Bij de tooneeldecoratie van vreugde en gejuich, waarmee hij haar omheinde, was somtijdj een scherm weggevallen, dat een schavot verborg, en zij had wel eens eene fakkel zien zwaaien, die aan eene houtmijt was opgestoken, en een aangeboden bloemruiker was wel eens door een traan bevochtigd geweest. Zij had het lijden en de bange vooruitzichten van dit volk begrepen; zij was jong, vroolijk, gelukkig; zij kon goedig zijn; haar hart kon niet verstompt wezen voor het medelijden; in haar Duitsch vaderland had ze noch de Spaansche staatkunde, noch het Spaanach despotisme leeren begrijpen; wat was natuurlijker, dan dat zij alleen de strengheid van den landvoogd verdacht en beschuldigde? Hoe gaarne had zij genade en zachtheid geoefend, die schoone vorstelijke deugden! maar zij kon daarvoor niets dan beloven ....

Zoodra het volk wist, dat zij hsloofde, stroomde het klachten en smeekschriften tot haar, die allo als zoovele beschuldigingen waren tegen den regent; was het vreemd, dat zij een afschuw kreeg van den man, die haar de schoonste dagen van haar joak-vrouwelijken viertijd door zulke tranen bedierf, en die hare glansrijke droomen door zulk eene werkelijkheid vernietigde? Maar meer nog; een meer bepaald verzoek werd haar koninklijken invloed aanbevolen, en een zulk, dat niet onder de menigte kon verloren gaan. Dat gedeelte van den Vlaamschen adel, dat voor Montigny partij trok, hetzij als vrienden, hetzij als verwanten, wist haar belang in te boezemen voor dezen edelman, in Spanje gevangen onder zeer ongunstige vooruitzichten; de namen van Egmond en

ocr page 303

265

Hoorne, toen reeds onder den ijzeren staf des Hertogs gevallen, werden met opzet bitter en klagend uitgesproken; men duchtte voor den Heer van Montigny hetzelfde lot. . . Anna Maria gaf haar woord, dat het eerste verzoek, door haar aan haar koninklijken bruidegom te doen, zijn leven zoude zijn en zijne vrjjheid.

De eerste bede eener bruid, bevallig en jeugdig als deze, aan een gemaal, die reeds grijze haren droeg, en die dus in toegevendheid vergoeden moest, wat hij in liefde te kort zou schieten!.. . aan een Vorst als Filips bovenal, die zoo gaarne het masker van zachtheid voor het oog der wereld bewaarde; dit eerste verzoek, waarvan Europa als getuige zou zijn, hij kon het niet weigeren, niet met eenigen schijn van gewone Vorstenheusch-heid . .. het kon niet mislukken ... de Vlaamsche adel was gerust! — en toch het mislukte! Montigny was gestorven, een verdachten dood gestorven, vóórdat de Koningin een voet in Spanje zette; Filips had den aanslag op zijn genadezin niet durven afwachten . . . men hield het voor zeker, dat Anna's woord zijn dood had verhaast! —en de vijanden van Alba fluisterden haar in, dat deze den Koning van haar voornemen had gewaarschuwd. Dat was het, wat zij hem niet had kunnen vergeven. Der schoone vrouw de gelegenheid te benemen, om gansch Europa te too-nen, wat hare schoonheid vermocht op den gevreesden monarch van het Zuiden; der vorstelijke het voordeel, om zich voor altijd hare nieuwe onderdanen te winnen door een zoo indrukmakend blijk van goedertierenheid: der vrome hot zoete zelfbewustzijn eener goede daad!

Zij weet niets aan den Koning, die toch de daad had bevolen; alles aan Alba, die haar had veroorzaakt. Daarbij had des Hertogs trots op zijne verdiensten bij haar gemaal, waarmede deze misschien met te weinig hovelingsvoorzichtigheid geschitterd had, haar vorstentrots gekwetst. Zij moest naijverig zijn, op wie bij Filips zooveel gelden kon, en een pronkend eereteeken, dat hij zelf zich had opgericht, had hij haar durven toonen! de hoogmoed is zóó blind, dat hij de klippen niet zien kan, waarop hij ten gronde moet gaan. Hoe het zij, de Koningin was nu twee jaren in Spanje, sedert twee jaren gehuwd aan Filips; zij had in dien echt teleurstellingen ondervonden, gelijk wellicht iedere vrouw,

ocr page 304

266

die uitgehuwelijkt wordt als zij; als iedere Koningin zeker; maar zij had zich met lijdelijke berusting in hare droeve grootheid geschikt; zij had vele zaken anders leeren inzien. Door eene hoofsche étiquette in elke handeling beperkt, zag ze misschien met een treurig oog op haro vrijere jeugd terug; maar zoo het lot dei-Nederlanden nog altijd hare belangstelling bleef wekken, zij had geleerd, hoezeer de vrouw van Filips II onmachtig was, het lijden harer onderdanen te verzachten; en van stillen, weinig onder-nemenden aard, worstelde zij niet tegen de overmacht der omstandigheden, maar besloot in het diepste van haar hart wenschen, die haar als misdaden konden worden aangerekend. Van Oos-tennjksche Prinses was zij Koningin van Spanje geworden 1 — en de Koningin hield van haar gemaal bepaalde voorschriften, hoe zij den Hertog bij zijn eerste bezoek ontvangen moest, en zij bewees, hoezeer zij zich reeds begon te oefenen in de groote hofkunst, om den afkeer te vermommen onder een welwillenden glimlach, en eene bittere nagedachte onder een zoet 'voord, toen zij Toledo met kalme hotnjkheid de hand reikte tot de onvermijdelijke ceremonie, en toen zij er bijvoegde met eene gulheid, die volstrekt niets dubbelzinnigs had ;

„Wij achten ons gelukkig, Hertog! u thans op onze beurt welkom te heeten in Madrid ; het is ons niet gegund, dat te doen met een deel van dien statelijken luister, waarmede gij ons de reis door Vlaanderen veraangenaamd hebt; maar wellicht is het u niet minder wèl in onzen huiselijken kring; g|j zult mijn oudsten zoon zien! — Mevrouw!quot; en zij wendde zich tot de Ca-marera-Major: „geef last, dat men mij den Infant, Don Diego, brenge 1quot;

Die moederlijke trots, waarmede de Vorstin tegelijk den ge-haten onderdaan vernederde, door hem te zeggen, dat zij zijn nageslacht een meester had gegeven, vond voor het ooger.blik weinig weerklank bij den Hertog van Toledo, die minder gevatheid had dan beraden overleg, en die door het ongewore en vreemde van dit vorstelijk onthaal eenigszins in verwarring was geraakt; zijn antwoord ten minste was het ongelukkigste, dat er in deze omstandigheid gegeven kon worden.

„Ik deed minder dan mijn plicht was. Mevrouw! schoon ik het

ocr page 305

267

beste bood wat ik konde; het bleef altijd een krijgsmanshulde, te midden van een oproerig en woelziek volk, en Uwe Majesteit is wel goed, zich mijner te herinneren, om iets beters...quot;

„Mij uwer herinneren. Heer Hertog!quot; viel de Koningin inde rede, met al de voorbarige levendigheid eener vrouw, op de kwetsbare plek aangetast, „mij uwer herinneren ? voorwaar! uwe gestalte is mij onvergetelijk, onvergetelijk als zij den Vlamingen is, zelfs al ware hij hun door geen metalen standbeeld in het geheugen geprent...quot;

Dit woord was eene fout; Anna Maria van Oostenrijk had de Koningin van Spanje vergeten; ook zag Filips haar aan met één van die blikken, die vernietigen, en waaronder zij wegkromp, terwijl hij haar het woord ontnam, met te zeggen: „Uwe Majesteit heeft wèl gelijk; het geheugen der Vorsten mag niet zwak zijn voor hunne verdienstelijke onderdanen, en voor de drift, waarmede de Hertog baar de merkwaardigheden van Antwerpen toonde, mag zij hem dankbaar zijn; in de Citadel heeft hij zich een steenen gedenkteeken opgericht, van zijne vinding, dat zijn naam tot een schrik zal maken voor muiters, zoolang wettige Vorsten nog ongehoorzame onderdanen te straffen hebben. Maar wij hebben heden getrouwen te beloonen,quot; voegde hij er bij, zich vleiend tot Alba wendende, „en daarom... Don Federico! wij hebben u nog niet voorgesteld aan onze zeer lieve gemalin 1quot;

Die voorstelling geschiedde, en Anna Maria, die haar toorn tegen den vader misschien niet tot den zoon uitstrekte, of wel zich niet nieuwe zelfbeheersching gewapend had, sprak hem toe met heuschheid, en zonder inmenging van een scherp woord; maar de jonge man bleef altjjd dat uiterlijk van koelen eerbied behouden, dat hij reeds in 's Konings vertrekken had aangeno-nomen, totdat zij plotseling, de jonge dame, die een weinig achterwaarts gestaan had, bij de hand nemende, tot hem zeide:

„Senor! deze verrassing hebt gij mijn Koninklijken gemaal te danken. Zijne Majesteit wenschte, dat gij uit onze hand uwe verloofde ontvangen zoudt; de zalige Donna Elisabath had haar u toegezegd. Wij haasten ons om uw woord te houden.quot;

Toen richtte de jongo man het hoofd op; een donkere blos vloog hem over het voorhoofd, zijne oogen flikkerden van harts-

ocr page 306

268

toch, en tusschen de tanden siste een: „Dat is duivels!quot; dat gelukkig door niemand werd verstaan. De Koningin scheen in die beweging niets te zien dan een natuurlijk gevolg der verrassing, want zij voegde er goedig bij :

„Gij ziet uwe bevallige bruid even verrast als gij zelf, Senor; en toch, zoo de jonkvrouwelijke schroom haar niet weerhield, zou de jonge Gravin de Saavedra u kunnen zeggen dat zij niet minder dan wij allen naar uwe gewenschte wederkomst heeft verlangd.quot;

De Gravin Margarita de Saavedra zag er inderdaad uit als iemand, die zeer verrast is; eene zoo geweldige aandoening overstelpte haar, dat zij zich aan den zetel der Koningin moest leunen, om niet te wankelen; zij was doodsbleek geworden, en boog het hoofd op de borst neder, als wilde zij het lief gelaat wegschuilen tusschen de plooien van den breeden kanten halskraag; de Koningin had niet te veel gedaan, met haar bevallig te noemen; aide weelderige schoonheid eener zuidelijke Europeane was de hare, en schoon het stijve en sombere hofgewaad van zwart satijn, slechts hier en daar door kant en gitten sieraden vervroolijkt, hare gestalte niet volkomen recht deed, schoon eene onbeschrijfelijke verwarring hare trekken ontstelde, schoon de glans dier gloeiend zwarte oogen niemand gevaarlijk kon zijn, daar zij ze nedersloeg, was het toch licht te raden, hoeveel aantrekkelijks zij hebben moest boven duizende harer zusters, als een lach van opgeruimdheid of vreugde al die bekoorlijkheden in het rechte licht zou stellen; maar Don Frederik zag haar w/ef; aan; hij vatte niet eens de zachte hand, die men tot de zijne wilde maken: eene werktuigelijke buiging was al wat hij op zich zeiven scheen te kunnen verkrijgen.

De Koning had zich sedert lang in een leuningstoel geworpen, en speelde met het zilverkant zijner manchetten; hij bespiedde zwijgend dit belangvol tooneel; zijn lichtblauw oog flonkerde zonderling, en om zijn mond speelde iets, dat naar een glimlach zweemde. Zoodra Alba, die in de hoogste spanning van onrust en belangstelling, zijne vorschende blikken had verdeeld tusschen zijn zoon en zijn Vorst, dit had opgemerkt, was het of eene stuiptrekking ziine hooge gestalte doortrilde; men begrijpt, dat

ocr page 307

269

het slechts een tooneel was van seconden, maar die den belanghebbenden en den spelers onuitstaanbaar lang moeten zijn toegeschenen.

Er heerschte eene doodstilte, waarbij Frederik's ademhaling hoorbaar was.

De Koning maakte er een eind aan; hij wenkte den jongen Toledo tot zich:

„Senor! in de verrukking van het wederzien, vergeet gij, dat de Hertog, uw vader, recht heeft op eene verklaring van dit raadsel. Mijn Alba! laat ik het u duidelijk maken: uw Federico heeftin uw afzijn de toezegging ontvangen van de schoone hand daar ginder ; wij hebben ons belast met de huwelijksgilt der bruid, die bestaat in twee baronnieën en een vorstelijken uitzet, en wij wenschen alleen van hem te weten, op wanneer de dag van den ondertrouw kan bepaald worden; gij ziet, beiden zijn verstomd van verrassing, ze waren zoolang gescheiden!quot; daarop geleidde hij zelf Margarita, die sidderend, maar lijdelijk volgde, tot Alba, met het woord; „Uw zegen, mijn Hertog! voor uwe toekomstige schoondochter!quot;

De Hertog was op het punt om met een hoffelijk woord aan des Konings wensch te voldoen; doch Don Frederik zag hem aan met zulk een angstig smeekenden blik, dat hij alleen met eene zwijgende buiging antwoordde. Maar de jonge man had onder-tusschen zijne schuwe terughouding overwonnen; met een moed, grooter nog, dan hij in geheel zijn krijgsmansleven had kunnen toonen, wendde hij zich tot den Koning:

„Sire! om Godswil, laat er niets onherroepelijks bepaald worden ; daar ligt veel tijd tussehen onze eerste kennismaking en dezen dag; wij weten niet. of de Gravin heden denkt als toen; sta toe, dat wij ons vooraf te zamen beraden over eene zoo ernstige zaak; sta toe, dat ik met mijn vader....quot;

„Niets is meer billijk,quot; antwoordde de Koning koel, doch zonder toorn; „alleen herinner u, Senor! dat gij uw woord gegeven hebt aan onze overledene gemalin, en dat Koningin Anna u deze bruid opnieuw heelt aangeboden, en dat het ons niet vrijstaat. Onze Majesteit in twee onzer gemalinnen te laten hoonen, zelfs niet door een Toledo.quot;

ocr page 308

270

„Als een Toledo zijn woord heeft gegeven, zal hij het houden, mijn Koning!quot; sprak Alba, somber beslissend.

„Mijn vader!quot; riep toen de jonge man, met iets in den toon, dat naar wanhoop zweemde, „ik zweer bij mijn riddereed, een onderhoud, dat ik van de Gravin vraag, kan alleen hier beslissen! Senora!quot; sprak hij zacht, maar ernstig tot deze, die half bewusteloos door zijn vader werd ondersteund, „kan ik hopen op een afzonderlijk gesprek met u?quot;

Zij boog alleen het hoofd toestemmend ; het scheen boven haar vermogen een woord uit te brengen.

De Hertog leidde haar terug naar den zetel der Koningin, die in sprakelooze verwondering bij de vreemde uitkomst barer verrassing had toegezien; zij streelde Margarita met een vriendelijk medelijden over de bleeke wang, en noodzaakte haar met zach-ten dwang, om plaats te nemen. Intusschen was de Camarera-Major teruggekomen met den Infant en zjjne voedster. Het was voor allen eene gepaste afleiding, die zelfs de Koning zich ten nutte maakte, om weder den toon van welwillende goedheid te hervatten, waarvan hij een oogenblik was afgeweken. Hij zelf riep de aandacht der beide edellieden op het Koninklijke kind, dat de erfgenaam had moeten zijn van zooveel tronen en van zooveel grootheid, zoo niet eene machtiger hand dan die van Filips het daarvan had ontzet. De grijze vader heeft nog moeten rouw dragen over dien zuigeling.

De beide Spanjaarden bogen zich eerbiedig hoen over den zoon van hun meester, en Alba sprak tot Filips met eene deelneming, die kennelijk meer was dan hovolingsvleierij!,, Wees gezegend in dezen erfgenaam, mijn Koning ! Millioenen bidden dagelijks tot de Heiligen voor het heil van dit kind; maar geen hart kan meer waarachtig gehecht zijn aan wat de luister van uw troon verhoogen kan en geluk brengen in uw huis, dan ik, maar toch,... Sire! ik heb uwe jaren, en mijne bede is ... dit kind geen Koning te zien.quot;

„En het is de mijne, dat altijd een Toledo uit uw geslacht, bekwaam als gij en trouw als gij, mijn opvolger moge te:: zijde staan,quot; hernam Filips terwijl hij hem de hand drukte.

Tegelijk gaf hij het teeken, dat hen ontsloeg. Terwijl de Hertog

ocr page 309

271

zich boog voor de Koningin, die haar Infant met moederlijke welgevallen in den arm had genomen, hief hij den blik naar haar op, die kon worden uitgelegd, als smeekte hij haar, bij de liefde, die zij haar eigen zoon toedroeg, den zijnen niet te bederven; maar zijner lippen ontgleed geen woord, dat eene klacht heeten kon of eene bede.

Toen verliet hij het kabinet. Federico, die niet beter verlangd had, volgde hem snel.

„Sire!-' sprak Donna Anna tot haar gemaal, „gij hadt mij het geluk mijner Margarita toegezegd; welk eene rol hebt gij mij laten spelen?

„Eene zulke, Mevrouw! als tot een doel leidt, dat gij vroeger zelve gewenseht hebt,quot; antwoordde Filips.

Wij vinden Ferdinand Alvarez de Toledo terug in den praoh-tigen tuin van zijn eigen paleis. Niet terstond bij zijne terugkomst van het hof was het hem vergund worden zich die verlichting toe te staan. Vreemden en vrienden, hovelingen en grooten van Madrid, krijgslieden en geestelijken, afgezondenen uit zijne eigene stad Alba, en dienaren van zijn huis, verdrongen zich in zijne voorzaal, om hem te verwelkomen. De meesten wisten reeds, hoe hij door Filips was ontvangen geworden ; niemand had meer kunnen zien, dan wat deze had willen toonen, en niemand had kunnen weten, hoeveel alsem er was gemengd in den beker der vorstengunst, aan Alba toegereikt. Van het tooneel in het vertrek der Koningin was niets bekend geworden, dan wat tot zijn voordeel kon worden uitgelegd. Toegelaten zonder vormelijke ontvangst, tot een afzonderlijk gehoor, dat zoolang had geduurd! De vrouwen van den jongen Infant hadden niet nagelaten, de voorstelling van haar Koninklijk voedsterkind met vergrootende en versierende kleuren over te brengen, en do handdruk des Konings in het Palacio Reed, reeds als een voorbeeldeloos zelf-vergeten van dezen afgemaald, was in de bovenzaal van het paleis Toledo reeds tot eene broederlijke omhelzing opgeklommen; daarbij wist men, dat de Infante Isabelle Clara Eugenia, de geliefde dochter des Konings, haar verlangen had betuigd, den Hertog spoedig te zien; en men hield hem voor beter dan ooit gevestigd, want wat zijne

ocr page 310

272

vijanden niet hadden kunnen volbrengen in zijn afwezen, met zoovele wapenen tegen hem in handen, zouden ze zekerlijk niet meer pogen in zijne tegenwoordigheid; nu de landvoogd Alba, Ferdinand de Toledo niet had doen vallen, was Ferdinand de Toledo niet meer weg te rukken van de benijde plaats. Bijgevolg was het raadzaam, zich zijn vriend te toonen of het bijtijds te worden, en hun lastige ijver ontnam den Hortog dat eerste oogenblik van rust en vrijheid, waar hij snakkend naar uitzag; en schoon hij zelfs zijne vrienden en getrouwen, die hij onder de menigte zag, liefst op een later uur had begroet; voor hen, wier oprechtheid hij wantrouwde, moest bij nog meer zijn gelaat in de plooi houden, die de omstandigheid vcreischte; eindelijk toch had bij zich van hen weten te ontslaan, en was weggeijld in de vrije lucht. In Madrid, in zijn huis vooral, kon de muur, die beschutte tegen een onbescheiden oog, tegelijk de schuilhoek zijn, waar zich de verspieder verschool; onder de plooien van de satijnen behangsels zijns rustbeds kon een huurling van Filips de zuchten beluisteren, die hij slaken zou in den slaap; maar onder den helderen hemel, achter het doorschijnende loofdak der booraen, waagt zich een verrader niet. Het zonlicht is te helder voor spionnen; in do dompige lucht der paleizen alleen kan het verraad ademhalen, want wat anderen leven geeft, doodt het! Zoo was dan Alba alleen met de natuur en met zijn God; zeker was hij de eerste niet komen zoeken, schoon ze hier aan zijne voeten had gelegd wat vier werelddeelen konden aanbrengen, en Spauje's milde lucht kweeken! Wat zeiden hem die bloemperken, die hij vertrad; die boomen, waartegen hij leunde, zonder te zien; die gouden vruchten, die hij vergat te plukken; die heesters, die hij vernielde, als hun welige bloei hem den weg versperde ? hij kwam niets van hen vragen dan hunne eenzaamheid, hunne rust, hun zwijgen, hun gemis aan zintuigen, die bespieden konden of overbrengen; en of het wel zijn God was, dien hij hoopte te vinden, vreezen wij evenzeer; met zulke blikken en met eene houding als de zijne nu was, en met de woorden, die hij nu uitsprak, gaat men niet tot God! Daaruit spraken nog de onrust en de bejagingen, die verre zjjn van God, de trots en de angst en de waan van den mensch, die niet één zijner afgoden heeft durven omwerpen, en

ocr page 311

273

die nog zijne hoop en zijn heil wachten moet van menschen, gelijk hij er nog allea van kon vreezen! De God van Alba was ook niet de God, die men dienen kon in de vrije natuur, maar dien men alleen aanbidden kan in de Cathedraalkerk; hij begreep dien niet anders dan :in den gouden miskelk, op een altaar, omringd van gemijterde en gepurperde geestelijken, in een dampkring van wierook, in eene schittering van waslicht. Hoe het zij, altijd liep hij met driftige schreden lanen en perken door; hij had zich niet eens den tijd gegeven, zijn hofgewaad af te leggen; alleen zijn hoed had hij afgeworpen, en de korte rosse haren, door het zoele windje in de hoogte gewiegeld, schenen rechtstandig op te rijzen. De hooge middagzon brandde hem op het krijgshaftige voorhoofd; maar het ging hem als zijn meester bij eene zekere processie; hij voelde geene zon; de ontstemming, die nu op zijn gelaat lag, bewees, hoezeer zijne rustige en kalme opgeruimdheid een masker was geweest; het was of zich meer rimpels plooiden in zijn vei en dieper groeven in zijne wang. Eene hevige gemoedsbeweging, of eene hevige overspanning brandde hem op de wangen, en zijne oogen gloeiden droog en dof in hunne holten; dan eens liep hij met gebogen hoofd, als in suffende mijmering; dan weder hief hij het fier en dreigend op, als wie een vijand in 't aangezicht meent te zien; eens viel zijn oog op een vogeltje, dat, ver uit de lucht heengevlogen, rusten kwam tusschen de bloesems der granaatboomen, dat beurtelings zong en zich de vederen ploos, en het kopje tierig en dartel heen en weer wendde, als wilde het den eigenaar uitlokken tot deelneming in zijn lustig spel.

„Dat beest is vroolijk!quot; riep de Hertog met eene smartelijke bespotting van zich zeiven; daarop verviel hij in een diep gepeins, onder den invloed waarvan hij zich werktuigelijk op eene marmeren bank nederwierp. „Het zou mij beter zijn, als ik dezen drukkenden last kon uitstorten in den boezem van een ander; deelneming moet verlichten; ik heb hier geleden zooals de Koning lijdt; ik heb alleen gedragen; ik zou willen weten, hoe een ander dit alles had ingezien.... een ander!quot; en hij scheen van zijn eigen woord op te schrikken. „Ik heb een zoon,quot; vervolgde hij meer bedaard, „een zoon, dien ik liefheb . . .quot; en hij wreef

Kroon. Karei de Stoute. -1®

ocr page 312

274

de hand peinzend over het voorhoofd — „hij moet met mij vallen of zich verheffen, ging hij aarzelend voort.

„Ik weet, wat ik op Don Filips vooruit heb,quot; riep hij eindelijk, plotseling tot een besluit gekomen ; en snel eenige schreden voorwaarts gaande, bracht hij een sifHet aan den mond, dat schel en schitterend weerklonk. Een bejaard man, zonder livrei, die een degen droeg, als een bewijs van goede afkomst, kwam eenige oogenblikken later aanloopen ; hij bleef in eene wachtende houding staan, en staarde met een blik van diep medegevoel op den Hertog, die met den rug naar hem toegewend bleef, terwijl hij tot hem sprak: „Kicardo! laat mijn zoon weten, dat ik eindelijk alleen ben.quot;

De oude man mompelde zuchtend: „O, heilige Maria! zelfs voor mij verbergt bij zich.quot;

„Ja, zelfs voor u, trouwe man!quot; hernam Alba, toen hij vertrokken was; „op uwe trekken zou men lezen, wat men op de mijne tevergeefs zal trachten uit te vorschen; als gij weten kondt, wat ik zelf mij nog verbied te denken.quot;

Terwijl Toledo zijn zoon wachtte, trachtte hij weer naar die heerschappij over zich zelven, waaronder hij vreugde en leed, twijfeling en voorspoed, beide zoo meesterlijk verborg, en zijne trekken waren verhelderd en zijn stap ernstiger, toen Don Frs-derik hem naderde. Hij reikte hem zwijgend de hand en nam plaats op de bank.

„Vader! sprak de jonge man haastig, ziende dat hij zwijgen bleef, „het is uiet zooals het zijn moest,quot; en hij staarde hem vragend aan.

„De Koning is ondoorgrondelijk !quot; antwoordde Alba ontwijkend.

„Niet voor u. Heer!quot;

„Ook voor mijl Vroeger mocht ik gewoon zijn, op dat gelaat de stormen vooruit te zien, of helder weer te voorspellen ; ik ben het duistere boek ontwend, of er zijn regels in, die gansch nieuw zijn; Koning Filips alléén weet, wquot;at Filips bedoelt. W. weet meis. Daarenboven, waarom zouden wij alleen niet gelooven, wat het hof en de hofstad gezien hebben en voor waar houden; waarom niet gelooven, wat den Vlamingen in de ziel zal smarten; — wat de verachtelijke Gomez en de zijnen nu reeds heeft doen ver-

ocr page 313

275

bleeken?quot; voegde hij er meer opgernimd bij; en daarop Frcde-rik scherp aanziende, sprak hij ernstig:

„Spreken wij van uwb belangen, gij hebt mij willen raadplegen.quot;

„O, mijn vader!quot; borst de jonge man toen uit met lang bedwongen hartstochtelijkheid; „de Koning wil mijn verderf; dit huwelijk..

„Biedt menig voordeel aan, Senor! Het heeft al den schijn eener hooge gunst; — de Koning belooft twee Markgraafschappen . .

„Al beloofde hij de beide Indiën, mijn Heer en vader! dit huwelijk zal niet voltrokken worden.quot;

„De Gravin is schoon.quot;

„Zij is schoon.quot;

„En jong.quot;

„Van een edel geslacht. ..quot;

Een geslacht, waaraan het eene eere moet zijn, zich te verbinden.quot;

„Don Lorenzo Suarez noemde mij zoo straks hare zachte geaardheid, bare goede opvoeding.quot;

„Zij kan volmaakt zijn, mijn vader! Ik wil gelooven, dat zij het is, en toch ... en toch . . . moet ik mijn woord terugnemen.quot;

„Uw woord!... gij hebt dan toch werkelijk beloofd hernam Alba hoofdschuddend.

„Ik heb beloofd! ja. mijn vader! en... zooals de Koning zeide, in het bijzijn der zalige Elisabeth, als eene heilige gestorven.quot;

Alba fronsde het voorhoofd. „Een Spaansch edelman geelt zijn woord niet loszinnig; maar als het gegeven is, moet hij het eeren,quot; sprak hij somber.

„Geene macht der aarde zal mij daartoe dwingen!quot; riep de jonge man.

„Federico! zoo ik het u gebood?...quot; sprak de Hertog streng.

„Het hoofd van het Huis Toledo moet gehoorzaamd worden,quot; antwoordde deze met eene onontcijferbare mengeling van listen verslagenheid, „zoo gij mij dat gebiedt, dan heeft de Koning overwonnen!quot; Hij zweeg eene wijle, maar daar de Hertog evenzeer bleef zwijgen en hem aanzien met een onverwrikt gelaat.

ocr page 314

276

wierp hij zich aan zijne voeten en ging voort: „Vader! o geloof mij, bij do waarheid van Gods heilige Kerk, bij de wondermacht van de Madonna! ik zweer u, het was niet lichtzinnig; het was geene onbedachtzaamheid, toen ik mijn woord gaf. Het is nog minder in onberadenheid, dat ik het terugeisch. Het is de vraag niet, of ik die vrouw zou kunnen beminnen; het is de vraag, of ik haar zal moeten huwen. En dit... welnu! — zal mij de eer verbieden!... Mijn Hertog! moge ik geen priester vinden voor mijne laatste biecht, zoo ik logen spreke.quot;

„Het is genoeg, mijn zoon!quot; sprak nu de Hertog, en hief hem op. „Van nu aan zult gij aan mij alléén rekenschap geven van de uitkomst uwer verklaring met Donna Margarita.—-En zoo die is, wat gij vermoedt, ontsla ik u van uw woord. Het verdere gaat mij aan. Gij hebt wèl gezegd, het hoofd van het Huis Toledo moet gehoorzaamd worden in alles door de leden, maar daarvoor ook neemt het de verantwoording hunner daden voor zich!quot;

„Ik dank u, vader! Gij waart de éénige, voor wiens dwang ik gebogen zou hebben. — Zij zal teleurgesteld zijn, de Koningin . .

„De Koningin!quot; herbaalde Alba, met een bitteren glimlach. Hij bleef eene wijle in gepeins zitten; daarop hief hij het oog op zjn zoon en sprak weer: „Federico! ik wil mij niet verbergen voor u! één mensch op de wereld moet alles deelen met den Hertog van Alba, en dat moet een Toledo zijn, zijn oudste zoon!quot; En hij deed hem naast zich plaats nemen. „Xeen, het is de Koning, die eene grieve heeft tegen mij, welke hij ontveinst; eene onhandigheid der Koningin heeft hem verraden ... Het standbeeld op de binnenplaats van de Antwerpsche Citadel heeft hem gekrenkt! De Vorsten willen niet, dat hunne onderdanen geheugen zullen houden van een verdienstelijk dienaar, omdat hun de ondankbaarheid dan te zwart zoude staan: wie zich vorstendank verdient, wint zich vorstenhaat, zoo hij niet weet te vergeten, en ik had de onvoorzichtigheid te toonen, dat ik mij herinnerde. — En toch, ik verbeeldde mij, dat het den Vlamingen goed zou zijn, de gestalte gedurig voor oogen te hebben van hem, die de schrik was hunner uitsporige muitzucht. — Ik verbeeldde mij, dat Ee-quesens de schrik van mijn beeld nog kon noodig hebben, om

ocr page 315

277

's Konings oproerige vasallen ten onder te brengen,quot; •— voegde hij er bij, met een bitteren lach. „En toch, ziedaar wat mij bederft bij Filips. Ik weet het, de nadruk, dien hij op dat allergetrouwste legde, gaf mij reeds argwaan, en de bitterheid van Donna Anna verzekerde het mij. ^iet de klachten der Nederlanders! hij weet wel, dat ze hem zeiven treffen, dat ik nooit anders was, dan de hand, die uitvoerde, wat hij gebood; niet het verlies van zoovele goede steden en provinciën, door geen Kequesens weer te winnen; niet mijne gewaande fout in het veronachtzamen van de zeemacht; de ondervinding alléén heeft kunnen leeren, met welke wapenen deze vijanden, bestreden moeten worden ; niet het heffen van den tienden penning, een maatregel in den drang der tijden aangeprezen, en waarvan hij gansch den last mij op de schouders werpt, nu die gebleken is een onuitvoerbare te zijn; en toch, Fe-derico! schreef hij mij een brief, vol lof en dankbaarheid, toen die aanvankelijk een goede uitkomst waarborgde. O! zoo ik hem wilde doen blozen voor gansch Europa! maar hij weet, dat mijne trouw sterker is dan zijn ondank, en daarom waagt hij alles met mij!quot; De Hertog zweeg; een oogenblik kruiste hij de armen over de borst, die onrustig jaagde, en hief de oogen met uitdrukkingvolle verbittering ten Hemel op.

Federico vatte zijne handen met eerbiedige teederheid, en zijne stem verried beter zijn gevoel, dan zijne woorden, toen hij sprak;

„De Koning durft u niet laten vallen!quot;

„Niet om het bestuur der provinciën, dat kan waar zijn,quot; hernam Alba, „maar wie zegt ons, dat hij niet een voorwendsel zoekt! en dat hij het vinden zal, grieft mij minder, dan dat hij het vinden wil\ Hij moest het niet willen, niet tegenover mij. Bjj Gods heilige Moeder! hoe Don Filips mij dezen morgen geslingerd heeft! niet rusteloozer kwelt de wind gindschen weerhaan; hoe hij met mij speelde . . . de . . . tijger!.. . maar een Spaauamp;che grande mag de gedachte niet uitspreken. Zie, Senor! hij heeft mij trapsgewijze alle gemoedsaandoeningen laten doorloopen; alle graden eener folterbank, smartelijker dan die, waarop men ketters tot bekentenis brengt, heeft hij beurtelings op mij toegepast. O! het was een gruwelijk spel! En Filips moest het met mij niet drijven, niet zóó. Eerst die onzekerheid, die mij banger viel dan

ocr page 316

278

een doodvonnis; daarop dat woord, dat Don Ruy Gomez deed wegkrimpen van spijt; toen in het kabinet; gij hadt hem moeten zien, het was niet de Koning, die zijn Stadhouder rekenschap afvroeg; het was het hoofd van het geslacht, dat een jonger lid over familiezaken raadpleegt ; zóó zat hij tegenover mij, ernstig, maar gemeenzaam; zóó ondervroeg hij mij over Vlaanderen. Hij luisterde als Filips en berispte als Keizer Karei I En zoo natuurlijk, met zooveel versehooning voor wat mijne vijanden fouten noemen! Over het verlies van half Nederland sprak hij met de koelheid, als had ik hem eene nieuwe overwinning te melden gehad. Mijne bekwaamheden en mijn ijver prees hij, als ... ze verdienden! Tederico! Ik zeg het met zelfbewustheid, want ik heb voor mijn Koning gedaan, wat in mensehenmaeht stond! Dat God en Zijne Heiligen het niet altijd hebben gezegend, ter eere van de Kerk en van den Allerkatholieksten Vorst, is buiten mij. Ook van u sprak hij, mijn zoon! en zooals mij de meeste voldoening kon geven. Hij wilde uwe krijgsbedrijven kennen, in de kleinste bijzonderheden ; hij wilde weten, „wat hij u later vertrouwen kon;quot; dat ziin des Konings eigene woorden, en toen ik van Alkmaar spreken moest, waar de terugtocht bijna eene nederlaag was, haalde hij de schouders op, en oordeelde het goed, dat gij aan de razende wanhoop van muiters, die altijd den dood tegemoetgrn-gen, geene kostbare levens van zijne trouwe onderdanen hadt opgeofferd. ïoen deelde hij mij mede, waarom dat ontslag, vroeger geweigerd, mij nu was gegeven, op een oogenblik, dat ik het niet verlangen kon; — waarom mij de tijd niet gegund was, de Provinciën in betere orde achter te laten; waarom ik het bewind moest overgeven aan Requesens; zóó moest overgeven! Hij zeide mij zooveel, dat ik rust kreeg, bij alles wat mij verontrustte, en mij ontlast voelde van wat mij het zwaarst drukte. Federieo! Fede-rico! Hij was mij een weldoende Heilige, die balsem droppelde op de schrijnende wonde. En daarop, -— mijn zoon!quot; en de kalmte waarmede hij zich tot hiertoe op dezelfde plaats gehouden had, scheen den Hertog nu weer gansch te verlaten; want hij verhief zich plotseling en stapte weer met ongeregelde schreden langs den jongen man heen en weer.

„Heer Hertog!quot; sprak deze, „de Koning kan oprecht zijn voor

ocr page 317
ocr page 318
ocr page 319

279

u . . . Telkens als hij tot u sprak, lichtte er een andere gloed uit zijne oogen, dan die, waarmede hij mij te ontzetten trachtte. Maar ik begrijp het! Mijn aarzelen om een huwelijk te voltrekken, waaraan hij groote voordeelen verbonden had, heeft hem tegen mij vertoornd; hij heeft begrepen, dat ik het ontgaan wilde, en van toen aan was het bij hem beslist, dat het zou voltrokken worden. Hij wilde zich, als bij verrassing, van mijne gehoorzaamheid verzekeren; hij dacht, dat ik, overbluft door zijne tegenwoordigheid, door zijn rasschen eisch, den moed noch de bezinning hebben zoude, hem in 't aangezicht te wederstaan ; hij hield het onmogelijk, dat ik mij door eene uitvlucht zou weten te redden; misschien... hij kon niet weten, waarom ik Margarita's hand afslaan moet; misschien eischt hij alleen deze proef van mijne gehoorzaamheid, om mij werkelijk de gunst te schenken, waarop hij zinspeelde; ongelukkig was de proef te sterk voor een onderdaan, die zijn meester trouw is, maar die . .

„Gij gelooft niet, dat de Koning de hinderpaal weet, die u scheidt van Donna Margarita?quot; viel Alba hem levendig in de rede.

„Neen, Heer! dan zou hij het huwelijk niet bevelen.quot;

„Mogen daarvoor de Heiligen gedankt zijn!'' hernam de Hertog, meer opgeruimd; „dan was die blik slechts de toorn van het oogenblik, en zoo wij een wettig bezwaar aanwijzen, zijn wij nog behouden; tot zoolang willen wij onze vijanden door een vroolijk gelaat schrik in het hart jagen, opdat zij, ons zoo zeker ziende, geene poging tot ons verderf wagen, en onze vrienden bemoedigen door onze rust.quot;

„Ik hoop veel van de senora zelve; zij is vrouw, zij zal te bewegen zijn tot edelmoedigheid, of zoo niet, ik heb meer dan eéa middel, om haar tot den schijn van die deugd te dwingen.quot;

„Verklaar mij dit, Senor!quot;

„Verschoon mij vooralsnog daarvan, Heer! Ik ben ridder! — en het is het geheim eener vrouw!quot;

Maar Eicardo, die schielijk naderde, belette Alba een antwoord.

„Een page van 't hof, met eene boodschap aan Uwe Excellentie, die geen uitstel duldt,quot; sprak de dienaar, zijn storend naderen verontschuldigend.

ocr page 320

280

„Ik volg terstond,quot; sprak de Hertog, en zijn zoon met innigheid de hand reikende, fluisterde hij hem toe: „Ik heb een uur gehad, zooals de Koning der beide Indiën in gansch zijn leven er geen heeft gekend.quot;

Toen Ferdinand van Toledo het verzegelde papier had ingezien, dat hem overhandigd was, riep hij met vroolijke zegepraal:

„De Koning roept mij terug in zijn geheimen kabinetsraad: dus dacht hij niet op mijne verwijdering. St. Jago! Patroon van Spanje! vergeef mij mijn wantrouwen, zoo het onbillijk geweest zij !quot;

In hoever de Hertog eerst in zijne rreeze, en later in zijne hoop, juist had gegist, had hij met zekerheid kunnen weten, zoo hij getuige had mogen zijn van een gesprek, dat in de geheimkamer des Konings gehouden werd tusschen Filips zeiven en zijn gunsteling Don Ruy Gomez de Silva, die den Koning behulpzaam scheen te zijn in het schiften van staatsstukken.

„Weer eene neerlaag van Requesens, die hij ontveinst onder den zachten naam eener omzichtige behoedzaamheid,quot; sprak Filips met een koelen glimlach, een der stukken inziende.

„Al dat ongeluk werd door zijn voorganger voorbereid,quot; antwoordde Gomez, wiens gelaat eene sprekende verdrietelijkheid uitdrukte.

„Nog weder smeekschriften, die meer vermetel klinken, dan eisehen !quot; ging de Koning voort, zonder op die aanmerking te letten; „wij zouden op deze wijze tot de gedachte kunnen komen, dat wij gedwaald hadden met Alba te zenden; maar dat wij in eene nog grootere dwaling zijn vervallen, met hem terug te roepen.quot;

„De getrouwe onderdanen, die Uwe Majesteit in Vlaanderen heeft, zullen dit niet toestemmen,quot; hernam Gomez.

„En de Prins van Oranje?quot; antwoordde Filips, hem sluw aanziende.

De hoveling antwoordde niet, maar begon met eenige verlegenheid opnieuw de papieren te doorzoeken.

„Het wordt u niet geweten,quot; voegde hij hem toe, hem aanziende met den blik, die het midden hield tusschen minachting en scherts; „er behoorde iets anders toe, dan de drangredenen van Don Iluy Gomez, om ons tot dezen stap te doen besluiten. Wij hadden

ocr page 321

281

redenen voor dezen maatregel, van ernstiger gewicht, dan de nadee-len, die wij er van vreezen.quot;

„Uit welke oorzaken Uwe Majesteit mijn raad ook volgde, ik weet dien gegeven te hebben naar mijn beste doorzicht en met goede bedoeling,quot; hernam Gomez met eene zachte stem, als wilde hij door de mildheid van den toon, wat er vermetels in die woorden lag, matigen; tegelijk legde hij den Koning andere geschriften voor.

„Klachten tegen den gewezen landvoogd,quot; sprak Filips; „Don Euy! zoo daar meer van dien aard zijn mag, leg het ons heden niet voor ; leg het ter zijde, bij het andere.quot;

„Uwe Majesteit moet wel vast besloten zijn, dien man met gunst te bejegenen, dat zij vreest, deze goede stemming te verliezen, door het lezen van dit alles,quot; sprak Gomez, met eene bitterheid, waarbij de vijand, links genoeg, den hoveling vergat.

„Gij vergist u, Prins van Eboli! ik kan dit alles lezen en aan-hooren, zonder in eenig voornemen te wankelen; zoo ik in de grieven en do vijandschap mijner hovelingen onderling partij wilde kiezen, of luisteren naar alle lasteringen, die men mij influistert, dan zoude ik heden den Hertog van Alba moeten verbannen, ter wille van Don Ruy Gomez, en morgen Don Euy Gomez in den kerker doen werpen, om Feria te vergenoegen 1quot;

Gomez de Silva had den wenk begrepen; hij boog het hoofd, als had hij een onherroepelijk vonnis gehoord, en bleef neerslachtig met zijne bezigheid voortvaren.

Na een pijnlijk zwijgen scheen de edelman evenwel weder moed te vatten.

„Uwe Majesteit zon dan, ten gevalle van Feria, mijne gemalin een slechten dienst bewijzen,quot; merkte hij aan en begluurde loerend zijn meester.

„Het kon mogelijk zijn. dat het ons alsdan inviel, haar met onze koninklijke weldaden te troosten!quot; hernam Filips droogjes. „Maar wees gerust; morgen neemt Alba zitting in den geheimen raad; en Gomez zal kunnen blijven waar hij is,quot; voegde hij er bij, met iets ironieks in den toon.

„De Hertog zal dus ook zijne stem hebben in de zaken van Vlaanderen ?quot;

ocr page 322

282

„Zeer zeker! heeft hij niet de beste kennis van de hulpbronnen en de behoeften mijner rebellen?quot;

„Arme Requesens! dan zal men u de landvoogdij zwaar maken!quot; zuchtte de Prins van Eboli.

„Don Ray Gomez! ik moet u iets herinneren, dat gij somtijds vergeet,quot; sprak de Koning. „De kunst van een goed hoveling bestaat minder in onhandige aanmerkingen, dan wel in gepast zwijgen.quot;

De spanning die weer door dit antwoord ontstaan was, werd opnieuw door Filips afgebroken, terwijl hij den edelman met meer goedheid aanzag: „Gij hebt mij nog niets gezegd van de Prinses van Eboli; zij is toch wèl?quot;

„Niet vroolijk, Sire! zij schijnt lijdend...quot;

„Dat is niet goed; de schoonste dame van ons Hof moet niet aan zwaarmoedigheid toegeven Wij willen haar zelve tot opgeruimdheid manen; wij willen haar nog dezen avond zien!...quot;

„Uwe Majesteit zal zich herinneren, dat zij voor Donna Margarita een onderhoud moet bemiddelen in haar paleis, met den jongen Toledo... Uwe Majesteit vond niet voegzaam, dat inde vertrekken der Koningin . .

„Juist, dat is waar; maar die samenkomst heeft geen haast, volstrekt niet; wij wensohen integendeel, dat zij vertraagd worde, nog vele maanden, zoo het kon... de kleine Saavedra moet ziek worden . .. haar toestand aan 't Hof is een weinig dubbelzinnig, zoolang de ondertrouw niet heeft plaats gehad ; zij moet bij Donna Anna wonen, tot zij Alba's zoon huwen kan. Als dat gesprek heden plaats vond, en de uitkomst had, die ik gis, zouden wij gedwongen zjjn tot eene handeling, die nog niet met onze ontwerpen strookt. Hebt gij ooit opgemerkt, dat de gravin iets tegen het huwelijk had?quot;

„Ten tijde van de zalige Koningin Elisabeth wenschte zij het niet; nu heeft men haar naar zijne terugkomst met hartstochtelijkheid zien verlangen! Mijne vrouw, met wie zij vertrouweljjk omgaat, heeft nooit eenigen tegenzin tegen hem bij haar waargenomen ; ook tegen de koningin, die haar lief heeft zou zij zich dan geuit hebben.quot;

„En Donna Maria meende haar een blijde verrassing bespaard

ocr page 323

283

te hebben . . hernam Filips nadenkend. Xeen, het kan niet anders; bij Federico is die ridderlijke galanterie, om de bruid niet bij overrompeling te nemen, een gezocht voorwendsel. Een voorwendsel, dat wegvalt na hun gesprek ... en het is mijn oogmerk niet, zoo schielijk met de Toledo's te breken . .

„Uwe Majesteit stelt dus slechts uit vroeg Gomez verrast en verheugd.

„Gomez! ik heb u dezen ochtend verdriet gedaan; ik zal u iets zeggen, dat u vreugde geeft; het is wel eene vreugde, die gij met boete en gebed weer moogt verzoenen; maar dat is uwe zaak ... Gij begrijpt, dat een dienaar, die zich zeiven den aller-getrouwsten noemt, geenszins kan gezegd worden, getrouw te zijn, daar hij zich eene eere aanmatigt, die het zijn Vorst alleen toekomt hem te geven; maar do Vorsten ook moeten zich van grieven als deze wreken, wanneer de gelegenheid gunstig is, en niet op ©ogenblikken, waarin de rechtvaardigheid en de voegzaamheid eischen, dat ze belooningen en liefkoozingen uitdeden voor waarachtige diensten. Eene zoodanige gelegenheid wacht ik, heb ik aireede in 't oog; maar te sohieljjk, kan zij mij ongelegen zijn. Spanje en Xederland moeten weten, dat ik over Alba voldaan ben, dat hunne klachten, noch hun haat machtig waren eenigen invloed uit te oefenen op ons besluit, en Rome moet weten, dat, wie de ketters vervolgt, met den ijver van dezen man, veel waard is aan den Katholieken Koning! En nu, verlaat mij, Gomez! ik weet, dat ik u geen zwijgen heb aan te bevelen; wij hebben behoefte aan vrome overpeinzingen; laat de Infante Isabella gewaarschuwd zijn, dat wij met //aar bidden willen . .

Het gebeurde, gelijk de koning gewild had: Donna Margarita, die men, onder voorwendsel eener lichte ongesteldheid, van het Hof verwijderde, werd gehuisvest bij de Prinses van Eboli, en de samenkomst, die haar lot beslissen zoude, vond niet plaats, ondanks den ernstigen wil der beide belanghebbenden om die te zoeken: want ook Don Fredenk werd belast met eene zending naar Portugal, die hem daar maanden lang kon terughouden, en het scheen of de Koning het gansche huwelijksontwerp vergeten had, of wel, dat hij het had opgegeven. Ondertusschen genoot Alba

ocr page 324

284

al de voordeelen eener besliste hofgunst. In het openbaar gewerden hem liefkoozingen en eere van zijn meester, die zijne vrienden verrukten, en in het kabinet ging zijne meening bijna altijd door. Filips slaagde er in, den Hertog den volkomenste ruste te geven omtrent zijne onveranderde toegenegenheid, en deze hield het er voor, dat het des Konings oprechte bedoeling was geweest, zijn zoon bij eene bevallige vrouw een aanzienlijk huwelijksgoed toe te voegen, en dat alleen een oogenblik van kwade luim over het ongevallig gedrag van dezen hem een toornig woord op de lippen en een vreeselijken gloed in de oogen had gebracht: men ziet, des Hertogs gissingen kwamen de waarheid nabij, maar ze betrapten haar niet. Zoo bleef alles tot na het Pinksterfeest, toen het Hof naar Aranjuez was verreisd: de Hertog van Alba had zijn meester derwaarts moeten vergezellen, en Donna Anna ging zich verlustigen op het landhuis van Perez, den man, voor wien zij haar echtgenoot en haar koninklijken geliefde beiden verried. Donna Margarita, die haar niet had behoeven te volgen, bevond zich dus onbewaakt te Madrid. Zij scheen willens van die vrijheid gebruik te maken om uit te gaan; dicht in ie mantilla gewikkeld, en slechts van eene duena verzeld, daalde zij, schichtig als eene gejaagde ree, de marmeren trap van het paleis van Eboli af, die naar de buitenpoort leidde. Tegelijk klom een man dien op, gevolgd van den Majordomo des huizes. Een bezoek, dat men haar kwam aandienen. Zij wilde haastig ter zijde wijken, maar het was te laat. De man naderde, vatte bare hand met eene drift, die nauwelijks wellevend konde heeten, en waaraan alléén zij Don Frederik kon hebben herkend. „Senora! ga niet uit, ik wensch eindelijk met u tot eene verklaring te komen. Ik weet, dat gij thans zelve beschikken kunt over uw tjjd; offer het gebruik, dat gij er van maken wilt, voor heden op aan mij. Gun mij nu dat gesprek, zoolang reeds toegezegd.quot;

Zij stamelde iets tot antwoord; maar slechts daaraan, dat zij zich omwendde en hem voorging, begreep hij, dat zij zijn wensch gehoor gaf. De duena opende het vertrek, dat zij zooeven scheen verlaten te hebben; haar vrouwelijk handwerk lag op een laag tafeltje, dicht bij de sofa; een gebedenboek lag open er nevens. Het was eene prachtige zaal, door eene hangende lichtkroon vrij

ocr page 325

285

goed verlicht, en wel waardig, dat de smaakyolle en behaagzuch-tige Anna de Mendonja er hare gasten ontïing. Margarita zette zich zwijgend op de sofa. Maar hare trekken spraken van geweldige aandoening. Hetzij ze dien man beminde of haatte; haar lot ging zich nn beslissen. Zij wees Don Frederik een armstoel, dien hij niet nam. Toen zij de zwartzijden mantilla had afgeworpen, was zij in een bevallig, doch hoogst eenvoudig gewaad van fijn Flo-rentijnsch weefsel, dat hare schoonheid beter recht deed, dan het slepend hofgewaad.

„Een zonderlinge toestand is de mijne,quot; begon Don Frederik. „Toen ik de toezegging van uwe hand verkreeg, Gravin! waart gij droevig en teruggetrokken; uw hart stemde niet in met de verbintenis, die men voor u wilde sluiten . .. Later schijnt gij u daarmede verzoend te hebben, en nu ben ik het, die ...quot;

„Uw woord terugneemt!quot; viel zij in met eene levendigheid, die zooveel had van blijde verrassing, dat Frederik's argwaan er door werd opgewekt; ock vervolgde hij op ganscb anderen toon: „Integendeel, Madonna! alleen ik wil met zekerheid weten, wanneer gij oprecht waart. Op dien dag, toen gij onder hartstochtelijke tranen aan mijne voeten nederzonkt, en mij badt niet aan te dringen op bet voltrekken van een huwelijk, waarvan gij, met weinig toegevendheid voor mij, zooveel alkeer hadt, of op dien anderen, toen gij de Koningin deelgenoote hebt gemaakt van uw verlangen naar mijne wederkomst.quot;

Donna Margarita had toegeluisterd, mot het hoofd leunende op de rechterhand, terwijl hare groote zwarte oogen doordringend op den spreker rustten; nu antwoordde zij schielijk, terwijl zij zich een weinig ophief; „Telkenmale was ik oprecht, Seuor! en in ernst, de laatste niet het minste.quot;

„En waaraan heb ik die gelukkige omwending te danken ?quot; vroeg hj, terwijl hij haar een vonkelenden blik toewierp.

„Onderstel nu, dat het eene vrouwenluim ware, Don Federico?quot; antwoordde zij met nedergeslagen oogen.

„Het moge dus zijn, Mevrouw! maar ik moet u het volgende onder de aandacht brengen. Toen ik de eerste maal toegaf aan uw verzoek, was ik jong, vol vurige, ridderlijke galanterie, en bijna gelukkig eener dame een offer te brengen. Sinds dat uur sprak

ocr page 326

286

ik u niet weer. De étiquette van ons Hof scheidt verloofden veel strenger dan vreemden. En alleen door de Camerera-Major vernam ik eenige dagen daarna, dat zij eene maand in het klooster van Miranda gingt doorbrengen, om uwe moeders zuster, de Groot-Priorin Helena, te bezoeken. De wil van mijn vader en van den Koning riepen mij tegelijk naar Vlaanderen. Vijf jaren liggen daartusschen, nu wij elkander wederzien. Vijf jaren van een krijgsmansleven, dat voor tien gelden mag. Een leven, waarin een man beter leert op de kracht van zijn arm te vertrouwen, dan zijn wil te plooien naar vrouwengrillen. ïfu ontheft gij mij van eene belofte, vroeger met tranen afgebeden. Ik weet, dat verbindt mij opnieuw; maar weet dan ook gij, Gravin! dat ik niet ééne eigenschap heb, om een zacht echtgenoot te zijn voor u, en dat ik van nu aan niet ééne luim meer zal inwilligen ; neem daarom uw besluit, dat onveranderlijk zijn moet. Wilt gij mij nog tot gemaal ?quot;

Hoe hard ook Don Frederik die woorden uitsprak, er was iets gedwongens in zijne houding en zijn toon, alsof hij zich moeite gaf om niets dan dit te zeggen; en het was opmerkelijk te zien, hoe Margarita's gelaat verhelderde, naarmate de caballero meer onhoffelijk werd.

Toch had ze meer oprechten ernst dan losse schalkheid in den blik, toen zij antwoordde:

„Ik leg met vertrouwen mijne toekomst in de hand van Don Frederik.quot;

De jonge man trad terug, of hij een Vlaamsch musket op zijne borst had zien richten ; maar zooals een man van moed zich. nu die eerste beweging van verrassing, snel hervat, werd ook hij zich weer meester tot zelf beheersching, en met een blik van doodande verachting en haat op de beeldschoone vrouw, zeide hij met bijna schimpende koelheid: „Zoo zijn wij het eens!quot;

En daarop bleef hij zwijgend op den grond staren, als overdacht hij, hoe opnieuw aan te vangen, na dit woord.

„Hebt gij meer gestreden met zulke wapenen, Senor?quot; vroeg eensklaps de jonge dame, met een ironieken glimlach.

„Ik verdedig mij met dezelfde, waarmede gij mij aanvalt.quot;

„Zeker niet, Mijnheer! Want was waar bij ieder mijner woorden, en gij meent niets van alles wat gij zegt.quot;

ocr page 327

287

„Leerlinge van Mendoca! wie u ook op dit spel heeft afgericht, die erkentenis zult gij niet aan mijne lippen ontwringen!quot; riep de zoon van Alba, uitbarstende in den toorn, die zoolang reeds binnen in hem kookte.

„Mij dunkt, gij hebt mij nu bitterheden genoeg gezegd, otn het eindelijk met de rondborstigheid te durven wagen,quot; sprak zij eenigszins scherp.

„Rondborstigheid!quot; herhaalde hij. „Ik begrijp de nieuwe woorden niet, die men in mijn afzijn aan het Hof heeft uitgevonden !''

Toen bleef hij een oogenblik nadenken, met de armen over den leunstoel heengebogen. „Eigenlijk kunt gij gelijk hebben,'' sprak hij daarna, terwijl hij de oogen uitvorschend naar haar ophief; „daarbij, wij zijo alleen. Het is niet waarschijnlijk, dat men eenig spion een wenk heeft gegeven; en zelve...quot;

Maar zij zag hem aan met een blik, vol van zulk een onbeschrijfelijk verwijt, dat hij bloosde en de verdenking niet verder uitte.

Tot hiertoe had hij zich op verren afstand gehouden van de sofa der Gravin; nu plaatste hij zich recht vóór haar, en sprak hard en schielijk: „Welnu dan, mevrouw! om met de oprechtheid te beginnen; ik tril u niet meer tot mijne gemalin, en ik zal u zeggen waarom, al ware het ook, dat mijn verhaal noch nieuw voor u zijn mocht, noch vermakelijk.

„Twee dagen nadat de Koningin ons te zamen verloofd had, in don nacht van Maria Hemelvaart, heb ik een zonderlingen dienst moeten bewijzen aan een der Prinsen, die toenmaals aan het Hof leefden. Waarom ik mij liet overhalen om voor hem te doen, ■wat ik een broeder zou geweigerd hebben, is u van geen nut te weten. Gravin! A.lleen ik bewees hem. Het viel mij licht, want ik was te dier dage Capitan der Guardias van Z. M.; ik had de wacht in het binnenste van het paleis, en het was alleen de vraag, eene dame uit to leiden uit de groote galerij, die toegang geeft tot de vertrekken der vrouwen van de Koningin; haar heimelijk en veilig het paleis uit te voeren, en daarin terug te brengen, als zij van dien heimelijken tocht zou wedergekeerd zijn. Het was de zaak der dame zelve, van uit hare kamer de galerij te bereiken, en zij moest daarin goed geslaagd zijn; want toen ik

ocr page 328

288

op het afgesproken uur daarbinnen kwam, stond zij reeds vóór mij, dicht gesluierd, en met eene houding, die scheen te weifelen tusschen vreeze en vreugd. Al had ik tusschen de plooien van hare mantilla kunnen heenzien, ik had het niet gewild. Zij trok alleen mijne belangstelling, inzoover ik een vriend te verplichten had, en ik was hem verschuldigd, zijne liefde door geene onbescheidenheid te doen blozen. Zwijgend bood ik haar mijn arm, en met geen woord ook brak zij dit zwijgen af; toch was het een lange weg, de onderaardsehe gang van de Palacio Real, die naar de buitenpoort leidt. De Prins wachtte ons daar; hij was gemaamp;kerd en droeg, ter vermomming, de kleuren van het Huis Toledo, niet anders, dan of hij een mijner edelknapen ware geweest. Toen ik de soboone in zijne handen gaf, klemde zij zich zoo angstig, of met zooveel liefde aan hem vast, dat ze zich als wegborg tusschen het fluweel van zijn ruimen mantel. Gij ziet, dal mijn geheugen goed is. Gravin! De caballero droeg zijne dame voort, meer dan zij ging. Den tijd, die verioopen moest eer zij keerden, gebruikte ik om mij te verzekeren, dat alle toegangen, waarbij wij belang konden hebben, door geene andere wachten bezet waren, dan die uit mijn vaandel. Daarna bleef ik met onrust hunne terugkomst verbeiden; want de dag begon reeds aan te breken, en met ieder kwartier nam het gevaar toe om bespied te worden door sommige bewoners van het paleis, wien het inviel om zich ter vroegmis te begeven. Eindelijk keerde mijne beschermelinge terug, vergezeld door een man in priesterkleeding, zeker een nieuwe vermomming van den schalken Prins. De dame kuste zijne hand, toen zij mij zag naderen, en hij leidde die daarna zegenend op haar voorhoofd, eene mommerij, die mij ergerde. De gesluierde vrouw trad aan mijne zijde vast en haastig voort; eene haast, die haar noodlottig werd, tot mijn geluk! want daarbij ontviel haar een gordel, dien ik opnam, opdat hij haar niet verraden zoude; dien ik vergat terug te geven bij haar schichtig wegsluipen, toen wij de galerij weder bereikt hadden, en waarop ik een naam ontdekte en een wapen, die het noodig hebben gemaakt, dat ik dus tot u spreek. Want, edele Donna! die vrouw, die afdaalt tot dergelijke avontuurlijke tochten, mag de liefde van een prins kunnen

ocr page 329

289

boeien voor een tijd; op de achting, die een goed edeiman wenscht te schenken aan zijne gade, heeft zij nimmermeer recht — en dit voorval, dat geen anderen bekend is, dan wie er deel in namen, is voor u niet nieuw, want gij zelve waart die vrouw!quot;

Donna Margarita had toegeluisterd zonder een zweem van onrust of de minste verontwaardiging laten blijken, en slechts met het zacht en weemoedig toeknikken van wie tusschen smartelijke en zoete herinneringen heen en weder wankelt; slechts toen hij van den gordel gewaagde, had zij een lichte beweging van verwondering niet kunnen weerhouden ; en toen hij eindigde, getuigde haar gelaat van eene kalmte welke tergend terugwerken moest op den man, die al zijne woorden er op berekend had, om haar te schokken en te ontzetten.

„In waarheid, Don Federico!quot; sprak zij, „in nw verhaal is voor mij meer nieuws, dan gij gemeend hebt. Dat (jij dien gordel vondt, ontheft mij van een grooten angst; ik meende altijd nog, dat hij in onveilige handen kon zijn, dat wellicht de Koning . . . En zoudt gij gelooven, dat ik nu voor het eerst hoor, wie mij dien gewichtigen dienst heeft bewezen? De Prins had van een capitan der Guardias gesproken, zonder een naam te noemen, en in de ontroering van die oogenblikken had don Fi-lips zelf mijne hand kunnen vatten, zander dat ik hem had herkend. Nu ontheft het mij van do moeielijke taak, deze bijzonderheden mede te deelen, iets, waar eene vrouw toch altijd tegen huivert; maar nu begrijp ik ook te beter, hoe de Prins mij kon aanbevelen, om mij gansch aan uwe edelmoedigheid te vertrouwen.quot;

Don Frederik bleef als verstijfd van verwondering; hij begreep niet, wat die vrouw zijn kon; zooveel vermetelheid; zooveel schaamtelooze kalmte onder een toestand als de hare tegenover hem, en toch die rustige ernst, dia geene lichtzinnigheid scheen ! hij werd verlegen met zijne houding; want hij had al zijne wapens op haar afgestompt, en niet één scheen haar ook slechts ge-schrampt te hebben; ook antwoordde hij op een toon, die weifelde tusschen bitterheid en scherts:

„De Prins zal van die edelmoedigheid toch wel niet wachten, dat ik u tot gemalin zal nemen?'1

Kroou. Karei de Stoute. 1 •'

ocr page 330

290

„Neen, Senor! ik geloof niet, dat hij die eere voor mij zou wenschen,quot; sprak zij met een trotsch glimlaebje.

„Maar in 't eind dao, Mevrouw! icat wil men van mij?quot; riep hij stampvoetend van ongeduld en toorn; „want ik verklaar mij overwonnen en verward in dit weefsel van vrouwelijke . .

„Behoedzaamheid,'' viel zij in; „gij moet mij vergeven! eene bede als die, welke ik u te doen heb, waagt men niet, dan na zich verzekerd te hebben van den goeden wil des mans, aan wien men haar richt. Van u weet ik nu, dat gij niets liever wenscht, dan te doen wat ik wil; want ik vraag alleen eene openlijke herhaling bij den Koning van datgene, wat gij eerst ontwijkend, en later met duidelijke woorden hebt verklaard: „dat gij mijne hand niet meer wilt, dat gij mij vrij laat,quot; slechts dat gij verzwijgen zult uit welke oorzaak ! slechts dat gij mij toestaan wilt, mijne rol van den onbeantwoorden hartstocht voor u vol te houden — totdatquot; — z[j zuchtte diep — .,er te eeniger tijd voor mij uitredding daagt.quot;

„Daar is eene goedheid, die lafheid wordt. Mevrouw ! onnoo-zelheid zou ik haar moeten heeten, zoo ik vrijwillig dus de gevolgen op mij nam van — van — ik wil het onberaden hartstocht noemen. Gij weet het, dat, wat gij mij vraagt, gaat niet met een klein gevaar verbonden; gij weet, hoe Filips zijne gehoonde Majesteit wreken zal, en zijne bevelen, die ongehoorzaatnd blijven. Ik kan niet terugtreden, Gravin! gij weet het, en misschien zelfs daarom eisoht men het van nuj ; ik zou het kunnen, zoo ik gansch op mij zelven stond ; de Koning zou mij kunnen verbannen ; het zij zoo! mijn zwaard zou mij overal een vaderland geven, of, zoo zijn toorn het ergsto bestond, een krijgsman heeft altijd zijn leveo veil voor zijne eer! maar de Hertog van Alba neemt de verantwoordelijkheid op zich van mijne weigering; ik mag hein niet roekeloos blootstellen; hij heeft te verliezen, wat niets hem kan hergeven ; daarom, Mevrouw ! wacht geene ridderlijke dolheid van mij, ik, die veel meer recht heb, van u het woord te vragen, dat mij de vrijheid teruggeeft. Dat wacht ik; niet van uwe edelmoedigheid, maar van uwe eer, van uwe billijkheid. Gravin ! Dat was het, wat ik van u eisehen kwam, toen ik dit gesprek wenschte. En daarbij, hoe weinig waagt gij? Wie zal het u als misdaad aan-

ocr page 331

291

rekenen, zoo gij weigert den man te huwen, die anderen voor u kozen? Gij hebt duizend -voorwendsels. Wat kan het ergste zijn, dat men u oplegt? Een klooster? Welaan! Hoe jong ook en hoe schoon, welke uitzichren kunt gij nog hebben in de wereld, die u de stille vergetelheid van het klooster niet vergoeden kon?quot;

„Het noviciaat zou vooreerst eene uitredding zijn,quot; sprak zij nadenkend, „maar — mjjn . . . zoon . .

„Beklagenswaardige!quot; riep Don Frederik, „ook dat!quot;

„Daarom heb ik dubbele voorzorg noodig, en gij ziet wel, Se-nor! dat ik dus het beslissende woord niet kan uitspreken; de Koning zou mjjn tegenzin dieper zoeken, dan in eene plotseling veranderde luim, en als Filips II zoekt, gij weet, hjj zou vinden ; wij allen waren verloren. Om Gods wil dus, edele Toledo! wees grootmoedig en mannelijk. Üw mannelijke moed mag geene lasten werpen op de schouders van eene vrouw, die hij zelf lichter zou kunnen dragen!quot;

„Ik beklaag u diep,quot; antwoordde hij koel; „raaar dit ofl'er kan ik u niet brengen ! en dring er niet op aan ; want ik zeg u, dat beden en eischen ijdel zullen zijn; waag evenmin den kamp met mijn wil; want zoo waar God loeft! ik ben vast besloten u niet te sparen, en ik heb do middelen in de hand om u te verpletteren. Het zal op het uiterste zijn; maar liet zal zijn, als het moet. En ik heb u gewaarschuwd.quot;

„O! gjj goede Heiligen! is dan de riddergeest zoo gansch geweken uit de zonen van den Cid, dat een hunner edelsten geene hand wil uitsteken, om het bloed van zijne Vorsten te beschermen? Ik zeg hem, dat ik een zoon heb; de Infant Don Diego is te dezer dage een stervend kind, en hij begrijpt niet, dat hij in mijn zoon een Koning te redden heeft!quot;

„Gravin! Gravin! gij drijft uwe aanspraken hoog; indien diergelijke verbintenissen recht gaven op de Koninklijke vermaag-schapping, voorwaar . . .quot;

„Diergelijke verbintenissen! Heilige des Hemels! Senor! moet ik u dan nog meer duidelijk zeggen, dat gij tot de zuster uws Konings spreekt!quot; riep Margarita.

„Madonna!quot; riep Don Frederik, weifelend tusschen spot en verbazing.

ocr page 332

292

„Hoe, Senor!quot; sprak nu de jonge vrouw met waardigheid, „wat ik voor afkeer hield was dan werkelijk verachting! Kondt gij dan waarlijk meenen, dat de Gravin Saavedra door uwe tusschenkomst hare vertrekken kon verlaten, om er anders in terug te keeren, dan als de echtgenoot van Don Juan van Oostenrijk!quot;

„Wien wilt gij misleiden. Gravin! u zelve of mij?quot;

„O! dat Don Juan hier ware, om mij te wreken van dit wantrouwen! Zult gij nog twijfelen, Senor! als ik u zeg, dat onze echt priesterlijk werd ingezegend in de kapel van la Trinidad; dat de Groot-Priorin Helena, mijne moei en Don Basilio, edelman van den Prins, er getuigen van zijn geweest, en dat de priester, die mij terugleidde, dezelfde was, die onze trouwringen had gezegend? Het is waar, de geheimhouding van dit huwelijk berooft mij eene wijle van den rang en den naam, dien de Prins mij schonk, en het heeft mij tot hiertoe meer groote en zware zorgen gegeven dan onbeneveld geluk; maar eens toch zal het beter worden, — en dan ook . .

„Don Basilio hebt gij genoemd! was Basilio daarbij tegenwoordig?quot; riep nu Don Frederik, terwijl hij met medelijden opbaar zag. „Helaas! arme Gravin! wel zeker zijt gij het slachtoffer eener gruwzame misleiding; Don Juan heeft u niet gehuwd, en zal dat niet doen, u zoomin als eene van de anderen, die hij heeft doen vallen door list of door verleiding. Zijne vrienden, — ik zelf — hadden te veel toegevendheid voor zijne hartstochten ; Don Basilio vooral is de gedienstigste en behendigste in het bevredigen van al zijne ongeoorloofde wenschen. Ik verpand de eer van het Huis Toledo er onder, dat de priester geen geestelijke is geweest, en dat de Groot-Priorin zoowel is misleid geworden als gij zelve. En wilt gij zekerheid? Xog onlangs schreef mij Basilio uit Candia, dat hij op dit eiland eene bevallige burgerdochter voor zijn meester had gewonnen door een diergelijk middel!quot;

Donna Margarita had den spreker eerst aangezien met een trotsch ongeloof; maar toen hij voortging, werd haar blik strak, en alle trekken van haar schoon gelaat vreeselijk gespannen; en toen hij het laatste woord had uitgesproken, wierp zij zich voorover, met een kreet zóó wanhopig en zóó schel, als men van eene menschenstem bijna niet kon gewacht hebben, en die Don

ocr page 333

293

Frederik deed verbleeken, — Don Frederik, wiens ooren, in de schrikbare moordtooneelen van den Nederlandschen oorlog, wiens jammerkreten en wanhoopsgillen moesten zijn verhard geworden; Don Frederik, die zich verbeeldde, met meedoogende omzichtigheid den slag te hebban voorbereid.

De jonge man wist niet recht, hoe hij het zou aanvangen, om haar hulp toe te brengen. Hare vrouwen roepen, — maar dat gaf haar in dezen toestand bloot aan eene gevaarlijke nieuwsgierigheid ; — de duena was misschien eene vertrouwde; hij deed eenige schreden naar de deur, om deze te zoeken; doch Margarita was niet bewusteloos, en toen zij den edelman zag gaan, sleepte zij zich met hartstochtelijke haast op de knieën voort, tot waar hij stond, strekte beide handen naar hem uit, en riep gillend: „Dood mij! uit barmhartigheid, dood mij!quot;

En zij bukte het schoone gelaat diep naar den grond, als wachtte zij in waarheid van zijne hand den moordenden slag.

Maar Toledo zag haar aan met ernst en met mededoogen, en sprak alleen: „Margarita! gij zijt moeder!quot;

„En eene moeder... moet leven...quot; kreet de Gravin en bij dit woord eerst gewerd haar de verlichting der tranen; een luid, een hartstochtelijk weenen herstelde de radelooze tot een juister besef van haar toestand.

„Leven voor mijne plichten en voor mijne wraak!quot; sprak zij, en alsof zij zich nu eerst bezon, niet alleen te zijn, hief zij het hoofd naar Frederik op, scheidde de lokken, die verward over haar voorhoofd hingen, en zeide hem gebiedend en smeekend tevens: „Tot de wraak voor 't minst zult gij mij bijstaan.quot;

„De wraak! ja, Mevrouw! zoo zij mogelijk is! Geloof mij, ik zie helder genoeg, om te weten, dat ik u niet alleen, maar ook mij zeiven zou te wreken hebben. Maar het eerst vraag ik haar van de gerechtigheid des quot;Konings. Filips is billijk; hij zal de rechtvaardigheid niet verzaken, zelfs niet ter wille van een bloedverwant; uwe onschuld, uwe edele geboorte, dit bedrog, hij zal u genadig zijn, en Don Jnan zal zjjne straf...quot;

„O God ! o God ! neen, lever hem niet in de handen van den Koning!quot; riep Margarita met schrik, terwijl zij opstond; „gij weet niet, wie Filips is; gij weet niet, wie hij zijn kan voor die van

ocr page 334

294

zijn bloed. Denk aan Don Carlos! O, edele Toledo! ik vraag geene hulp voor mij, geen medelijden, maar genade voor Don Juan 1 Verraad hem niet aan den Koning. Waar was ik, toen ik dat dwaze woord wraak op de lippen nam? Ik, die mijn bloed zou willen geven, om hem het leven licht temaken. En daarbij, weet ik dan zeker, dat hij schuldig is?quot; vervolgde zij, terwijl weer een blosje zichtbaar werd op haar bleeke wang. „Is de brief dan zoo oud, waarin hij mij spreekt van zijn koninkrijk Tunis, van zijne schoone hoop op een troon? Een troon, die hij zich wint voor mijne kinderen, als ik mij zwijgend en gelaten schik naar de eischen van het oogenblik, als . . .quot;

„Een koninkrijk van Tunis, Madonna?quot; vroeg Frederik, in hoogo verbazing; „hoe, die hersenschim komt in don Prins op? en hij is vermetel, hij is onhandig genoeg, die in geschreven woorden uit te drukken?quot;

„Ongelukkige! ik geef zijne ontwerpen prijs,quot; schreide Margarita. Toen vatte zij opnieuw de handen van den edelman: „O. beloof mij — zweer mij: geen woord van dit alles aan den Koning, aan niemand; vergeet wat ik zeide! Wist ik, wat ik sprak?quot;

„Neen! in waarheid, Gravin! gij waart in verbijstering dit gansche onderhoud door; gij zijt het nog; gij zrjt niet in st.aat, voor u zelve te denken, te oordeelen, to handelen. Ik had vroeger het recht moeten hebben, uw beschermer te zijn; nu aanvaard ik het als een plicht; ook ik heb eene schuldige hand geleend tot uw verderf; ik zal vergoeden, Margarita! gij zijt hulpeloos, verlaten, misleid, maar de overmaat van uw ongeluk heeft u een vriend gewonnen. Verlaat u veilig op mij; ik zal alles voor u zijn, wat een broeder wezen kan voor zijne zuster. En bid God en de Heiligen, om uwentwil, dat zij mij bijstaan in dat, wat ik ondernemen ga.quot;

En daarop zonder haar antwoord af te wachten, sc'ielde hij de duena en verwijderde zich snel.

Als jongeling, als vriend, als Vorst, had Don Juan van Oostenrijk zich zóó schuldig gemaakt tegen den zoon van Alba, dat wij noodig hebben, ons geheel in zijn toestand aan het Spaansche

ocr page 335

295

hof te verplaatsen, om een woord te kunnen spreken ter vergoelijking van die schuld. Voor zijn gedrag tegenover eene vrouw-weten wij niets ter verschooning te zeggen, of het moest te vinden zijn in de ijdelheid van Margarita zelve, die haar oordeel zoo ver verleidde en verzwakte, tot ze in vollen ernst geloofde, dat een Koninklijke Prins van Spanje, zóó trotsch en zóó eerzuchtig als deze, den wil en de vermetelheid konde hebben, om op zijn achttiende jaar zijn lot voor eeuwig te verbinden aan dat van de dochter eens gewonen edelmans. En in waarheid, de zoon van Karei den Vijfden en van Eleonora de Plombes was nog niet genoeg bevestigd in den rang van Koninklijken bloedverwant, om dien, ter wille van den eersten hartstocht den besten, te kunnen op het spel zetten. Xog nieuwelings, en als door een tooverslag, uit de vergetelheid van een eenzaam landhuis aan het Hof overgeplaatst, met den titel van broeder des Konings, had hij zich beter kunnen gewennen aan de voorrechten van dien nieuwen stand, dan aan de plichten, die hij opleidde. Reeds zijn besliste afkeer tegen den geestelijken stand, waarvoor men hem de roeping wilde opdringen, ware genoegzaam geweest, om hem zijn geluk duur te doen schijnen; maar meer nog. Geplaatst aan de zijde van den erfgenaam der Kroon, was hij, niet minder dan deze, het voorwerp der Koninklijke achterdocht en bespieding. Belemmerd en beperkt in de onbeduidendste handelingen des levens, op den voet gevolgd en bij de hand voortgeleid dooide kleingeestige étiquette, die als eerbewijzing moest gelden, waren nooit gevangenen vaster geketend in ruimer kerker, door meer blinkende ketens, dan deze vorstelijke jongelingen het waren hetzij ze aan Alkala's Hoogeschool voortgestuwd werden op een pad, dat vooruit voor hunne voetstappen was afgebakend, hetzij ze in de Falacio Real door marmer of tapijtwerk waren bemuurd. En mocht Don Carlos die ketens dragen, als de leeuwenwelp, in gevangenschap geboren, Don Juan werden zeaange-legd in het vuur der jeugd, bij het ontluiken der eerste levenskracht, en bij het ontwaken van allo driften, nadat ongedwongenheid en vrijheid hem behoeften des levens waren geworden. quot;Was het wonder dat hij hijgend snakte naar lucht, dat hij stampvoette en knersetandde tegen de ongewone breidels; dat hij ze soms

ocr page 336

296

afwierp met eene roekeloeze vermetelheid, dio de toeschouwers sidderen deed? Het was niet altijd een edel gebruik, dat hij maakte van de vrijheid, dus als bij verovering gekregen; om eene luim bot te vieren, zich in eene dwaasheid toe te geven, een hartstocht van het oogenblik in te willigen, stortte hij zich in gevaren, waarvoor een moedig krijgsman zou hebben teruggebeefd; en was hij ze als door wondermacht, of door overmaat van stoutmedigheid, ontkomen, dan waren het meestal zijne volgelingen of zijne vorstelijke bloedverwanten, die erin nauwer beperking de straf van droegen; — het beste middel wellicht, waardoor de Koning hem opnieuw onder het juk ternederboog want dan zegevierde de edelmoedigheid voor eene poos over de vrijheidszucht. Eene goedhartigheid als deze, bij eene beminnelijkheid, die zwakheden en fouten niet slechts vergeven deed, maar tot aantrekkelijke eigenaardigheden wist om te tooveren, nam de stugste gemoederen voor hem in, zonder dat hij het wist of wilde. Zoo vond hij bij zijne uitspattingen aan de éene zijde hinderpalen, die hem prikkelden ter overkoming, en aan de andere eene zwakke toegeeflijkheid, die hem het breede pad der lusten opensloeg zoo vaak hij wilde, en die hem met vaardige hand over de smalle grens hielp, die loszinnigheid scheidt van zonde. Zonder bepaald zóó schuldig te zijn, was Don Frederik toch voor den jongen Prins een zwak vriend geweest, zonder dat deze meenen kon, hem er voor verplicht te zijn. De zoon van Alba, de zoon van don vertrouwdsten gunsteling des Konings Filips II, moest natuurlijk uitgesloten zjjn van die vereeniging van jonge edellieden, die zich gegroept hadden rondom de drie Prinsen: Don Carlos, Don Juan van Oostenrijk en Alexander Farnese, die, naar den wil des Konings, gezamenlijk werden opgevoerd, in de hoop, dat de beminnelijke hoedanigheden, de schitterende eigenschappen van de laatsten, verzachtend en veredelend mochten werken op de vorming van zijn zoon. Maar, helaas! als voorbeelden waren ze dezen zóó onbereikbaar, dat hij de eerste schreden daartoe niet eens beproefde, te stomp zelfs om hunne meerderheid te begrijpen of te erkennen, en de Infant strekte meestal slechts tot eene schaduw, die de verdiensten en de voorrechten van zijne schitterende bloedver-

ocr page 337

297

wanten in het licht stelde. Was het voorzichtige terughouding van dezen, was het zijne volstrekte onbeduidendheid — zijne behoefte aan vrienden van zijn rang, van zijne jaren: wjj kunnen het hier niet uitwijzen; maar zeker is het, dat er eene goede verstandhouding heerschte tusschen hen drieën, in de dagen, toen de politiek des Hertogs van Alba zijn zoon aan het Hof bracht, terwijl de wil van Filips hem in hunne nabijheid plaatste, in da hoop, hun een bewaker meer te geven, of', erger wellicht, een bespieder. Maar d.o jonge Toledo, geleid door de inzichten van zijn vader, begreep het anders. Don Carlos haatte den Hertog; dat was reeds genoeg, dat was zelfs te veel voor een erfgenaam van de Kroon, die Koning worden kon; Don Frederik moest zich een paar stralen voorbehouden van die opkomende zon, die door twee zoo schitterende sterren werd overschenen. Zonder zich dus openlijk aan te sluiten aan een kring, waarvan hot wantrouwen der jonge Vorsten zelve hem in het naderen hinderde, toonde zich Frederik hun vriend door geheime ongevergde diensten, zoodat de Prinsen zich minder bewaakt voelden, als de jonge Toledo zijn diensttijd had, en zeker konden zijn, dat eenig gebruik, lastig voor hen, uit den weg was geruimd, als deze gehoor had gehad bij den Koning, en gerust nauwgezette palen konden overschrijden, als deze geroepen werd om ze af te schutten, zoodat zij ten laatste begrepen, dat zij als den hunnen op hem rekenen konden, zonder dat hij het hun had gezegd. Don Carlos, zoo lichtgeloovig als hij wantrouwend was, wierp zich met ge-slotene oogen in de armen van den zoon zijns vijands; maar de anderen waren voorzichtiger; Farnese had tot sluiksche gangen zijne diensten niet noodig, en Don Juan gebruikte ze, zooals hij meende dat ze werden aangeboden, met eigenbatig doel en zonder vriendschap. Daar lag de vergissing, die hem schuldig maakte tegenover Alba's zoon; want Don Frederik, die Farnese hoogachtte, die Don Carlos beklaagde, had onwillekeurig Don Juan liefgekregen en tot den afgod van zijn hart gemaakt, als tot den held van zijne verbeelding. Toen deze dus hem zeiven gebruikte, om eene bruid te rooven, die plechtig verklaard had, nimmer de zijne te willen worden, verschoonde hij nog den vriend, en bewaarde diens geheim met heilige trouw, terwijl de andere zich

ocr page 338

298

zelfs van de dankbaarheid verschoond achtte, omdat hij zich gediend waande door vérziende kuiperij. Zonder eenige bekommering over de gevolgen, ijlde dan ook de jonge Prins naar een landgoed van zijn opvoeder Quexada, waar Margarita, onder do hoede der Groot-Priorin, hem weldra volgde, en zoo ontgingen beiden voor het oogenblik eene verklaring, die Don Frederik zeker zoude gevraagd hebben. Alba's zoon werd intusschen geroepen naar het leger van zijn vader in Nederland; en daar hij de verbintenis met de Gravin Saavedra natuurlijk als eene onmogelijke had opgegeven, en geen woord uit Spanje hem daaraan herinnerde, in de vijf jaren, die hij er doorbracht, was hem in de woelige en bloedige dagen, welke hij doorleefde, zijne verloving aan haar als eene ongebeurde zaak geworden, en had hij gemeend, dat zij bij anderen niets meerder zoude zijn, daar de Koningin, die haar had voorgesteld, overleden was, en het ook Margarita's belang moest zijn, die te helpen vergeten, toen zij hem plotseling (wij weten op welk eene verpletterend wreede wijze) werd herinnerd. Don Juan, die in dien tijd van overwinning tot overwinning was heengevlogen, evenals hij van hartstocht tot hartstocht was weg-gedarteld, vergat zijn misleid slachtoffer alleen daarom niet, omdat zij zich zelve telkens onder zijne aandacht stelde, met de ernstige aanspraken eener gemalin, die hem vader had gemaakt; omdat zij voornamer was dan zijne andere bedrogenen, en, beter dan eenige andere hem gevaarlijk kon zijn bij den Koning. Toen zij hem dus deelgenoot had gemaakt van Toledo's wederkomst, van de bevelen des Konings omtrent hare vereeniging met dezen, van al hare angsten en at hare zorgen, dacht hij zich dezen nog altijd als den listigen jongeling, die niets liever wenschte, dan zich onontbeerlijk te maken bij de jonge Prinsen; misschien wel om dus onaf hankeljjk te worden van zijn vader den Hertog, en had hij haar gerustgesteld met de verzekering, dat Don Frederik zich leenen zou lot iedere handeling, die zij noodig zou achten, als zij hem de vriendschap en de bescherming toezeidevan Don Juan van Oostenrijk. Intusschen nam hij zijne maatregelen, die ons uit de gevolgen zullen kenbaar worden.

„Is Donna Margarita schuldig?quot; vroeg de Hertog van Alba,

ocr page 339

299

toen zijn zoon hem, als bepaalde uitkomst voor zijn onderhoud met deze, de bekentenis deed, dat hij haar niet zoude huwen.

„Beklagenswaardig, maar voorzeker schuldig in de oogen van den Koning,quot; antwoordde deze.

„Meer hebben wij niet noodig,quot; hernam de Hertog met verhelderden blik.

„Monsenor! eene ongelukkige op te offeren — eene vrouw . . . .quot;

„Eene vrouw, of de belangen van het Huis Toledo; meent gij, dat ik hier zal aarzelen ?quot;

„Ik weet het tegendeel, mijn vader! en daarom moet gij alles hooren, opdat gij de arme redden kunt, of ten minste wreken, terwijl gij mij verdedigt. De Gravin, door hartstochten geslingerd, door plichten gebonden, zou haar beleediger willen sparen en een lijdzaam slachtoffer blijven; di'it mag ik niet toestaan, daar ik weet, hoezeer zij onschuldig in den afgrond is gevallen, waar anderen haar hebben heengeleid. Ik moet baar verweren tegen haar zelve en tegen den man, die haar bedriegt.quot; En hierop deelde Don Prederik den Hertog geheel het duistere feit mede, waarin hij bestemd was geweest, zoo noodlottig eene rol te spelen, en waarvan de last nu zoo zwaar op zijn hoofd nederkwam.

Alba luisterde onbewegelijk en zonder eene aanmerking te maken; toen de jonge man geëindigd had, bleef hij eene wijle nadenken, en sprak toen;

„Hier is voor u slechts één weg: eene openlijke weigering van de hand der Gravin. Zoo de Koning daarin niet berust, zult gij even openlijk rekenschap moeten geven van die weigering. Maar h|j zal berusten. Want terstond na uwe verklaring, zal hij door mij alles weten, en als ik Filips wèl ken, vreest hij boven alles de ergernis, die dit voorval zal geven aan een Hof, waar men de vormen zoo preutsch bewaart; ik weet te goed, met welke banden hij zich zeiven kluistert, om zijne achtbaarheid te bewaren voor den adel en het volk; hij zal Don Juan, dien hij meer bemint dan een zoon, niet prijsgeven aan de schande van zijne onridderlijke daad. Hij zal ons stilzwijgen koopen, al moet het zijn door het offer van zijn wil!quot;

„Of ons dat opleggen door eenig geheim en duister middel.

ocr page 340

300

dat hij alleen kent, Heer Hertog!quot; hernam Prederik somber.

Alba glimlachte. „iSTeen, mijn zoon! door duistere middelen ondoet men zich niet van hinderpalen, als wij zijn; het in pace wordt niet voor een Alba uitgesproken. Sinds mijn terugkeer in Spanje, voel ik mij weer geheel in mijns Konings gunst en vertrouwen bevestigd, en het was geen valstrik, waarin hij u te wikkelen zocht, toen hij aandrong op de verbintenis met de Gravin; het was verwondering, het was toorn; wat was natuurlijker, toen hij u zag weigeren, wat gij eerst hadt gewenscht? De Koning durft geene laagheid eischen van de zonen zijner eerste Grandezza; niet van mijn zoon ten minste!quot; voegde hij er bij, met een fieren blik; — „om hem echter zeker te voorkomen,— neen! om u eindelijk een echt te doen aangaan, die volkomen passend is met de eer van ons geslacht en met uwe verdiensten; een echt, waarvoor ik u altijd bestemde, en waarin gij reeds gelukkig zondt zijn, zonder uw zonderlingen inval, om Koningin Elisabeth voor u te laten kiezen ...quot; er was iets van bitterheid in den toon, waarop de Hertog dit laatste zeide.

„Mijn vader!quot; viel Pederico in.

„Neen! ik zeg het niet als verwijt, ik vergeef het u, dar gij dezelfde vrijheid naatnl, die ik mij zelf nam, eene vrouw te kiezen naar eigen wensch; de herinnering aan uwe moeder zou u hier bij mij vrijspreken; maar luister: Zoodra gij den Koning uw laatste woord hebt gezegd, reist gij naar Alba; ik heb onderhandelingen aangeknoopt met Don Garcia de Toledo. Z. Heiligheid heeft ons de dispensatie gegeven, gij zult uwe Nicht Donna Maria de Toledo huwen, als gij het wilt!quot;

Pederico hief het donkere oog met sprekende verrukking naar zijn vader op, en vroeg snel, met eene mengeling van onrast en levendigheid ;

„En Maria?quot;

„Is bereid te gehoorzamen, waar haar vader over haar beschikt; maar ik beveel u spoed, want het is niet te berekenen, 'aoeveel tijd Pilips ons zoude overlaten, indien hij het ergste wilde; men moet op alles gewapend zijn!quot;

„En wat wordt er van Margarita?quot;

De Hertog haalde even de schouders op. „Haar zal geworden)

ocr page 341

301

wat zij het meeste wenschen moet; rust en vergetelheid,quot; sprak hij koel.

„Don Juan blijft ongestraft: ik blijf ongewroken! Neen! dat zal niet zijn, al moest ik mijne wraak gaan opzoeken aan de uiterste kusten van Afrika, of op de golven derMiddellaDdscheZee!quot;

„De broeder des Konings is onschendbaar !quot; sprak Alba plechtig.

„Hoe? om haar beter te misleiden, vleit hij de arme Margarita met mijne edelmoedigheid — bespotting voor mij, dat woord en dat vertrouwen ! ... Ziet hij dan niet, dat hij noch van haar, noch van mij, meer geheimhouding kan wachten; dat eene vreeselijke uitbarsting volgen moest, als wij samen kwamen, de roekelooze ! .. . en hij is gerust?quot;

„Hij rekent op den Koning !quot; hernam Alba, „de Koning, die de teerste verschooning voor hem heelt, sinds den dood van Don Carlos! .. .quot;

„Sinds hij den zoon verried aan den vader, om zich vrij te maken van zijne bestemming voor den geestelijken stand,quot; hernam Pederieo bitter. „O! wij waren in Vlaanderen niet ver genoeg van Spanje, om onwetend te blijven van zoo laaghartig eene daad, als Don Juan zich toen heeft veroorloofd uit eigenbaat.quot;

„Neen, Senor!quot; laat ons billijk zijn; hij deed zijn plicht; de half krankzinnige knaap zou in zijne razernij altijd vernieuwde aanslagen gesmeed hebben tegen het leven van een vader en tegen de rust van het koninkrijk, zoo men de eerste zachtkens hadde afgeleid. Het ware broedermoord geweest, zoo hij Don Carlos gespaard had.quot;

„Hij bracht den Koning tot kindermoord !quot; hernam de jonge Toledo hevig.

„De Koning strafte een misdadigen zoon ; ik zou hetzelfde hebben gedaan,quot; hernam Alba streng.

Een donker rood vloog over Frederik's voorhoofd.

„Hertog!quot; riep hij opvliegend. — Do Hertog zag hem aan met een blik, die den jongen Toledo dwong tot een kalmer toon, waarmede hij vervolgde: „Ik ken mijn vader!quot;

„En ik mijn zoon!quot; hernam Alba, terwijl plotseling de gansche uitdrukking van zijn gelaat veranderde. Hij zag met onuitsprekelijk welgevallen op Don Frederik; hij scheen in gedachten die gan-

ocr page 342

302

sche gestalte te meten, en de macht van dien kloeken arm te berekenen ; een glimp van vergenoegen speelde rondom zijn mond, toen hij den gloed waarnam, die flonkerde uit dat oog, en de gezondheid en de kracht, die schitterden op die trekken, en den moed, die zetelde op dat voorhoofd.

„Federico!quot; sprak hij eindelijk, en zijne stem klonk zacht, ,ik ben trotsch op u,quot; en hij nam zijne hand en bleef eene wijl zwijgend in die houding. En toen hij het hoofd weder ophief, was er iets duisters en straks in zijne trekken, dat van een somberen inval getuigde. — Om uwentwil wenschte ik dat Don Carlos

O O

leefde,quot; hernam hij met gedempte stem. „De Koning moet den vader benijden in mij. Hij heeft ziin zoon moeten opofferen; zal hij mij toestaan den mijnen te behouden?quot;

„Men moet op alles gewapend zijn,quot; had Alba gezegd, en hij was de eerste mensch niet, die zóó gesproken had; maar zeker zou hij de eerste geweest zijn, zoo hij had kunnen uitvoeren wat hij voornam. Alba, minder dan een ander, had dit zelfvertrouwen moeten hebben. De Koning was sneller geweest in zijne bewegingen, dan de Toledo's in hun aanval.

Toen Don Frederik de beslissende verklaring had afgelegd, op de wijze zooals de Hertog het had voorgeschreven, werd hem de tijd niet meer gelaten, om een paard te bestijgen tot de reis naar Alba, noch tot eene mededeeling aan zijn vader. Uit des Konings vertrekken werd hij als gevangene weggevoerd naar Tor-dessillas. De Hertog, die in geweldige spanning de uitkomst zat at te wachten, vernam haar weldra door gedienstige vrienden. In ijlende haast snelde hij naar Aranjnez; het Hol' trok naar Madrid terug, toen hij er aan kwam; het zou niet mogelijk zijn den Koning te spreken voor den volgenden dag. In diepe bekommering doorwaakte hij den nacht, en wachtte het uur van den morgen af, waarop hij zich naar het Koninklijk paleis kon begeven. Zijn rang opende er hem de poorten en de binnenzalen ; maar tot het kabinet des Konings vond hij zich den toegang afgesneden. Door bemiddeling eener staatsdame liet hij gehoor vragen bij de Koningin. Hij kreeg ten antwoord, dat de Infant ongesteld was, en dat Anna Maria in afzondering hare gebeden

ocr page 343

303

stortte voor zijn behoud. Alleen vaderlijke liefde overwon in den grijzen veldheer den trotsch van den Spaanschen Grande, en den afkeer, om eene derde weigering te gemoet te gaan. De Infante Isabella Clara Eugenia, de lievelinge haars vaders, en vaak genoeg in zijne bedoelingen ingewijd, was den Hertog genegen. Zoo hij slechts haar konde zien. Vergeefs: de Prinses deed hem door een vertrouwd persoon weten, dat zij bevel had hem niet te ontvangen. Dit gat ten minste die opheldering, dat de Hertog zeker was, dien dag noch van den Koning, noch van iemand der zijnen, een bijzonder gesprek te zullen verkrijgen. Maar toch gaf hij de hoop niet op. Filips, in het bijzijn van anderen, een paar woorden toe te fluisteren, die hem tot onderhoud zouden uitlokkon. Nevens de overige Greinden, ging hij zijne opwachting maken bij den Koning, die hem niet toesprak, en op hem zag met eene overdrijving van toorn, waaronder het scherpe oog des Hertogs iets van eene gemaakte gramschap meende te ontdekken. Dit gaf hem genoeg verlichting, om de hatelijke blikken zijner vijanden met kalmte en gelatenheid te trotseeren, tot op het oogen-blik, waarop Filips de hovelingen ontsloeg, om met zijno raadslieden zijn kabinet binnen te gaan. Alba had hier recht op den voorrang, zelfs boven liuy Gomez, en de Koning ook wenkte hem om te volgen. Maar de Staatssecretaris en een paar andere groo-ten werden doorgaans teruggehouden. Geen woord, geene toespeling op het gebeurde ontviel den slimmen monarch, en de Hertog was de man niet, om zich voor deze getuigen aan een schaakmat bloot te stollen. Filips en Alba kenden elkander te wèl, om niet te weten, de eerste, dat de ander een volstrekt stilzwijgen zou bewaren, onder omstandigheden als deze; de tweede, om zeker te zijn, dat de Vorst besloten had, hem de gelegenheid tot spreken te benemen. Intusschen werden er vele en gewichtige zaken behandeld, Alba's raad gevraagd, met blijkbaar ongeduld aangehoord, en toch gevolgd; terwijl de Hertog de hoogste men-schehjke zelfoverwinning noodig had, om niet een verstrooid antwoord te geven, of een zulk, dat verwarring van denkbeelden of beneveling van doorzicht verraadde. De marteling werd hem ten laatste zoo onuitstaanbaar, dat de Markgraaf de Santa Cruz, die een koud zweet zag op dat hooge voorhoofd, dat zich nooit onder

ocr page 344

304

eenigo zware taak had gerimpeld, hem overluid en meewarig vroeg, of hij zich vermoeid gevoelde.

Filips sneed een antwoord af, met het koele woord :

„Wij zullen den Hertog rust geven te onzer tijd . .

Toen begreep Alba den moed der vertwijfeling, en hij sprak: „Ik begeer geene andere rust, Sire! dan die na afgedane bezigheden — en daarom bid ik, laat ons overgaan tot de aangelegenheden van den Afrikaanschen oorlog; ik heb gewichtige mede-deelingen omtrent den Prins Don Juan van Oostenrijk en alleen voor Uwe Majesteit...quot;

Maar Filips zag hem strak en scherp aan: „Wij hebben deze berichten uit Candia, die nieuwer zijn dan de uwe, Hertog!quot; antwoordde hij hard en met koelheid, en van toen af gaf Alba het op. Ook de Koning scheen den strijd moede; want spoedig daarna sprak hij het woord, dat hem bevrijdde.

Met de bedaardheid, waarmede hij van een verloren veldslag de gevolgen zou hebben berekend, maar met meer grievende soiarte in de ziel, overwoog de Hertog van Alba de kansen, die hem nog overbleven. Zijn doordringenden geest had uit het laatste woord van Filips twee zaken begrepen: de Koning wist, en de Koning had besloten, te willen ontveinzen wat hij wist. Door welke bewijzen dus ook de Hertog de onschuld van zijn zoon zou kunnen staven, ze zouden alleen strekken cm hem schuldiger te maken; hoe beter hij gelijk had, hoe meer men hem in het ongelijk zou stellen ; de Koning wilde smoren, geheimhouden, en Don Frederik had misschien te weinig verschooning voor die bedoelingen laten doorschemeren. Vandaar die toorn des meesters, die geheimzinnige gevangenschap, waarvan men den vade: zelfs niet veroorloofde een woord te spreken. Buiten dat éóne was voor Alba zeiven alles hetzelfde gebleven; om den schijn te bewaren, had Filips zijne ontevredenheid getoond over eene weigering, die hij moest goedkeuren in het binnenste van zijn hart, en eene korte gevangenschap in een Koninklijk slot zou wellicht het ergste zijn, wat Don Frederik te wachten had. Eene onrechtvaardigheid zeker tegenover een edelman, omdat hij vrij wilde beschikken over zijn hart; maar niet eene al te harde boete, en zeker eene

ocr page 345

305

verdiende les, voor den tronweloozen capitan der Guardiae, die jonge Prinsen in hunne liefdesavonturen voorthielp. De kalme overweging van dit alles had den Hertog gerustheid kunnen geven ; maar een onzeker voorgevoel, door niets gewettigd, en dat zich toch telkens aan hem opdrong, scheen hem te waarschuwen, dat er meer was, dan hij zien kon ; dat hij omwikkeld was door een nevel van intriges, waardoor zijn oog, hoe scherpziend ook, niet kon beenboren ; dat hij omkronkeld was van zoovele listen ; dat de verwarring zelve eindigen zou met hem te verstikken, en dat hij geene beweging kon doen, die er hem niet nauwer in vasthechtte, en dat hij van het doel, waarop de Koning afging, toch altijd maar de halve waarheid konde raden. Die ombestemde gewaarwordingen van vreeze, te midden van alles, wat hij had nagespoord tot zijne geruststelling, bewoog den Hertog tot voorzorgen, die den Vorst beletten zouden het ergste te ondernemen tegen Don Frederik. Zoodra zijne wezenlijke grieven tegen dezen bekend waren aan anderen dan hem zeiven; zoodra het woord gesproken was, dat Don Juan aanklaagde, wie het dan ook mocht hebben geuit, zou Filips II rechtvaardig moeten zijn ; hij kende zijne aanspraken op het uiterlijke van die vorstendeugd te wel, om er niet zeker van te zijn. Perez, de minnaar der schoone Mendoga, haatte den Koning en was veil voor goud. Hij zou, door bemiddeling van dezen, een onderhoud vragen met Margarita, en haar door hoop of door vreeze, door smeekingen of door dreigen, dwingen zich te verklaren aan de Koningin, of aan de Infante Isabella. Frederik zou dan gered zijn ! Alba verspeelde met dien stap wellicht den laatsten glimp van vriendschap van een Koning; maar hij geloofde zich onmisbaar en zijn zoon zcu gered zijn ! Dan ook hier zag hij zich vóórkomen. Perez had niets liever gewenscht dan hem dienst te doen. Maar de Gravin Margarita was uit het huis der Prinses Eboli weggevoerd, in het midden van den nacht, op bevel van den Koning, men wist niet waarheen.

„De maatregel was noodig,quot; voegde Perez er bij. „De arme jonge dame vervulde Donna Anna's paleis van hare kreten en klachten; de ongelukkige hartstocht voor Don Frederik heeft haar krankzinnig gemaakt. Ik heb het recht niet, de daden van een

Kroon. Karei de Stoute. 20

ocr page 346

306

Toledo te beoordeelen, maar de edelsten en besten van het Hof en de stad misprijzen het in zulk een edelman, dat hij, na de schoone Gravin zulk eene liefde te hebben ingeboezemd, weigert die te bekronen.quot;

„In waarheid,quot; antwoordde Alba droogjes.

„En het is wel te zien, in hoe hooge gunst de Ileeren van Toledo staan bij den Koning, dat slechts eene gevangenschap op Tordesillas . .

„Zeker, de Koning is hoog genadig,quot; hernam de Hertog, terwijl hij den kamerheer van zich zond. Tegenover dien man do eer van zijn zoon te redden, en de onbillijkheid des Konings bloot te geven, zou gevaarlijk geweest zijn, evenals nutteloos. Toch scheen de hoveling te goeder trouw te dwalen, en dat kon niet anders. De Koning zweeg als de kerkers zijner inquisitie, zelfs tegenover Donna Anna de Mendoga, zijne minnares. Hij ondervroeg niemand; anders had men uit zijne vragen zijne twijfeling kunnen opmaken Hij handelde slechts, en liet wie om hem waren de redenen van zijne handelingen uitleggen naar hun eigen doorzicht, of liever, hij verbood hen over zijne handelingen na te denken.

Na haar gesprek met Don Frederik, had ook de arme Margarita in een toestand verkeerd, die tot de gissing van waanzin verleiden moest. Beurtelings in de dofste verslagenheid weggezonken, of zich opwindende tot vlagen van hartstocht, waarin ze Don Frederik's naam noemde met verwijt, zich zelve verwenschte, en somwijlen een naam ontsnappen liet, dien ze spoedig met gillende smart op de lippen verbeet. Dat bleef zoo tot op den terugkeer van Donna Anna uit Aranjuez, gelijktijdig met het Hof, waardoor het groote nieuws tot haar kwam ; de gevangenneming van x\!ba's zoon. Toen bedacht zij, dat hij zich voor haar had opgeofferd, dat hij gezwegen had, en dat zij spreken moest en zich zelve aanklagen. In haar geschokt verstand warde zij alles dooreen, de belangen van haar kind en de fortuin van Don Juan, de opoffering van den versmaden verloofde en hare eigene onschuld; waar 2e vroeger het meest voor beefde, scheen haar nu het noodigste toe: de Koning moest alles weten Den Koning te spreken, was als het vaste punt geworden, waarop al hare gedachten heenliepen, al hare beraadslagingen heenleidden, al hare bedoelingen uitkwamen. Be-

ocr page 347

307

daard en kalm was ze begonnen der Prinses van Eboli die bede voor te dragen. Eq Anna de Mendoga had niet ééne reden, om haar niet te ondersteunen. Wij begrijpen, hoe weinig Filips gezind was, er zich toe te leenen. Ook sloeg hij haar af, op die eigene wijze, die tot geen tweeden aanval de vrijheid geeft. Zij bad hem te mogen schrijven. Hij deed haar schrijfgereedschap ontnemen. Zij riep onder hartstochtelijke tranen, om zich te mogen uitstorten aan de Koningin. Zij werd opgesloten in haar vertrek. Hare smart, hare angst, hare klachten, gilde ze uit in de eenzaamheid, nam de beelden van het tapijtbehangsel tot getuigen barer ellende, en liet de Prinses van Eboli smeeken, haar aan te hooren.

Maar Filips verklaarde haar krankzinnig, gebood Anna zich niet tot haar te begeven, onder belofte, haar nog in dien eigen nacht van zoo lastig eene gast te ontslaan. De lieden, die gebruikt waren om de arme Gravin te vervoeren, had men nooit aan het Hof gezien, zelfs niet onder de lagere bedienden. Toch kwamen zij uit naam van den Koning.

Van Donna Margarita de Saavedra heeft daarna niemand meer gehoord; nooit zelfs is haar naam meer genoemd geworden aan het Hof van Filips II.

Maar langen tijd na deze gebeurtenissen werd er aan het Hof van Margaretha van Oostenrijk een knaapje opgevoed, dat Johan heette, in welks onderhoud door den Koning van Spanje werd voorzien, en dat, na den dood van Don Juan, door Farnese met zachte welwillendheid in bescherming werd genomen. Alexander Farnese heeft aan het sterfbed gestaan van zijn Koninklijken neef van Oostenrijk, en was de uitvoerder van diens laatsten wil.

In de stad van Alba, de stad, waar het hoofd van zijn geslacht meester was, vertoefde Don Garcia de Toledo, Groot-Admiraal van Spanje, als hij zich ophield in Spanje, dat hij bezocht, zoo vaak zijne waardigheid als Onderkoning van Sicilië het hem toeliet. In het deftig paleis, dat hij betrokken had, werden de aanstalten gemaakt tot een feest, tot eene groote, ernstige plechtigheid; het huwelijk zijner dochter. Maar het waren geene toebereidsels zooals ze plegen, wanneer eene der hertogelijke jonkvrouwen van Toledo zich aan een zoon van edelen huize verbinden ging. Niet in de Kathe-

ocr page 348

308

draalkerk van de stad Alba glansden pilaarzware watkaarsen op het versierde altaar, en de aartsdeken stond niet daar in volle pleeggewaad, om den kerkelijken zegen uit te spreken over de heilige verbintenis, ten aanzien van het toegestroomde volk der stad en omstreken. Maar in de enge kapel, die nooit bij hoogtijden placht gebruikt te worden, stond de huiskapellaan, verdrietelijk en gebogen, geleund tegen een bidgestoelte, en verbood den misdie-ners de lichten aan te steken, waarvan men nog niet wist, of ze wel heden dienen moesten, en alleen de huisgenooten van den Admiraal zouden bij de plechtigheid toeschouwers zijn. In do groote feestzaal, ja, waren bloemfestoenen opgehangen; maar geene andere oogen zagen terneder op de schoone bruid, dan die koud en onbewegelijk glansden uit de lijsten der overoude beeltenissen van al de overledene Toledo's; en geene andere gasten ook werden er gewacht, dan oen eenige, onmisbare, die nog altijd niet kwam: de bruidegom. De eenzame bruid was toch liefelijk boven velen, zooals ze daar zat in den hoogen zetel, met gebogen hoofd en zwaarmoedigen blik, schoon het ernstig zwart fluweelen gewaad, hoe ook met goud en gesteenten versierd, zeker te statig eene kleeding was voor zoo aanminnig en lief een gelaat, en schoon de ebbenzwarte lokken nog betere tooi waren geweest voor dien ivoren hals en dat zuivere voorhoofd, dan die vele rijen van zilverkant en gloeiende robjjnen, die er tusschen heen gevlochten waren; witter, levendiger handje speelde er nooit met een paarlen rozenkrans, dan toen zij in droeve verstrooiing er het hare overheen liet glijden, en geene jonkvrouw van Spanje had fijner voetje te verbergen gehad onder het lange kleed, dan het hare bleek te zijn, zoo men naar de punten der geborduurde satijnen schoentjes mocht afgaan. Jammer dat ze niet, in de bas-quine eener Andalusische landschoone, voor de oogen haars bruidegoms mocht dartelen; zeker zou het geweest zijn als mot Alice: „Four fleur une abeille Veüt prise.quot;

Ze zou niet lang dus alleen zijn.

De grijze Don Garcia trad binnen in groot pleeggewaad, omhangen met al zijne'^ridderorden ; hij leunde op den schouder van een der jonge edellieden, die hem als pages dienden; hij was een klein man, met levendige gebaren, echt zuidelijk coloriet,

ocr page 349

309

en kleine, gitzwarte oogen; maar die oogen tintelden van iets anders, dan van vaderlijke teederheid, toen hij zijne bevallige dochter een kus op het voorhoofd drukte.

Zij zuchtte en zweeg; had ze gehoopt, dat een ander met hem zou zijn binnengekomen?

„'t Is het achtste uur van den dag!quot; sprak Don Garcia, „ik had gedacht, dat Don Federico beter op zijn tijd zou hebben gelet, voorwaar, honderd jonge hidalgo's zouden hem vóór zijn geweest, zoo het aan hunne vlugheid had gestaan, zoo begeerlijk een prijs weg te dragen.quot;

„De vraag is, of zij hem dus toeschijnt,quot; antwoordde Maria, en zij verbleekte, terwijl zij het sprak.

„En mijn neef van Alba schrijft mij, dat zijn zoon met vreugde toestemt in onze beschikking; dat hij hierheen vliegt met de drift van een, die zijn hoogste geluk tegengaat — dat hij ons bidt gereed te zijn bij zijne aankomst, opdat geenerlei noodlottige vertraging zich plaatse tusschen onze plannen....quot;

„Indien zulk een noodlottig voorval niet reeds dit verwijl heeft veroorzaakt,quot; viel het meisje in, en zij barstte in een stroom van tranen uit.

„Inbeelding, dwaze vrees mijn kind!quot; riep de Groot-Admiraal, „hoe zou een forsch en dapper edelman niet veilig en onverlet van Madrid kunnen reizen tot hiertoe, zelfs al is hij zonder gevolg of met een klein geleide? De Hertog is ook de man niet, om zoo voorbarig te zijn. Het is spijtig, dat zijne voorzichtigheid, die ik kleingeestigheid zou noemen, wanneer een goed veldheer, als hij is, haar niet noodig had geacht, mij niet heeft kunnen melden, welk gevaar er eigenlijk dreigde; wij hadden beter op verhinderingen als deze verdacht kunnen zijn; maar bij St. Jago, den grooten Patroon van Spanje! zoo het verzuim van Don Federico zeiven komt, heb ik meer lust mijn degen tegen den zijnen te laten klinken, dan hem de hand te reiken tot blijde welkomst. Eene bruid als deze! en geene betere haast! Is't niet reeds genoeg, dat wij, om de hooge belangen, die Alba zegt er mede gemoeid te zijn, dit huweljjk vieren met eene stilte, of mijn kind geschaakt zou worden door een Moorschen zeeroover; maar nu nog te laat!....quot;

ocr page 350

308

draalkerk van de stad Alba glansden pilaarzware watkaarsen op het versierde altaar, en de aartsdeken stond niet daar in volle pleeggewaad, om den kerkelijken zegen uit te spreken over de heilige verbintenis, ten aanzien van het toegestroomde volk der stad en omstreken. Maar in de enge kapol, die nooit bij hoogtijden placht gebruikt te worden, stond de huiskapellaan, verdrietelijk en gebogen, geleund tegen een bidgestoelte, en verbood den misdie-ners de lichten aan te steken, waarvan men nog niet wist, of ze wel heden dienen moesten, en alleen de huisgenooten van den Admiraal zouden bij de plechtigheid toeschoutvers zijn. In de groote feestzaal, ja, waren bloemfestoenen opgehangen; maar geene andere oogen zagen terneder op de schoone bruid, dan dia koud en onbewegelijk glansden uit de lijsten der overoude beeltenissen van al de overledene Toledo's; en geene andere gasten ook werden er gewacht, dan één eenige, onmisbare, die nog altijd niet kwam: de bruidegom. De eenzame bruid was toch liefelijk boven velen, zooals ze daar zat in den hoogen zetel, met gebogen hoofd en zwaarmoedigen blik, schoon het ernstig «wart fluweelen gewaad, hoe ook met goud en gesteenten versierd, zeker te statig eene kleeding was voor zoo aanminnig en lief een gelaat, en schoon de ebbenzwarte lokken nog betere tooi waren geweest voor dien ivoren hals en dat zuivere voorhoofd, dan die vele rijen van zilverkant en gloeiende robijnen, die er tusschen heen gevlochten waren; witter, levendiger handje speelde cr nooit met een paarlen rozenkrans, dan toen zij in droeve verstrooiing er het hare overheen liet glijden, en geene jonkvrouw van Spanje had fijner voetje te verbergen gehad onder het lange kleed, dan het hare bleek te zijn, zoo men naar de punten der geborduurde satijnen schoentjes mocht afgaan. Jammer dat ze niet, in ée bas-quine eener Andalusische landschoone, voor de oogen haars bruidegoms mocht dartelen; zeker zou het geweest zijn als met Alice: „Four fleur une abeille Veal prise.quot;

Ze zou niet lang dus alleen zijn.

De grijze Don Garcia trad binnen in groot pleeggewaad, omhangen met al zijne ^ridderorden ; hij leunde op den schouder van een der jonge edellieden, die hem als pages dienden; hij was een klein man, met levendige gebaren, echt zuidelijk eoloriet.

ocr page 351

309

en kleine, gitzwarte oogen; maar die oogen tintelden van iets anders, dan van vaderlijke teederheid, toen hij zijne bevallige dochter een kus op het voorhoofd drukte.

Zij zuchtte en zweeg; had ze gehoopt, dat een ander met hem zou zijn binnengekomen?

„'t Is het achtste uur van den dag!quot; sprak Don Garcia, „ik had gedacht, dat Don Federico beter op zijn tijd zou hebben gelet, voorwaar, honderd jonge hidalgo's zouden hem vóór zijn geweest, zoo het aan hunne vlugheid had gestaan, zoo begeerlijk een prijs weg te dragen.quot;

„De vraag is, of zij hem dus toeschijnt,quot; antwoordde Maria, en zij verbleekte, terwijl zij het sprak.

„En mijn neel' van Alba schrijft mij, dat zijn zoon met vreugde toestemt in onze beschikking; dat hij hierheen vliegt met de drift van een, die zijn hoogste geluk tegengaat — dat hij ons bidt gereed te zijn bij zijne aankomst, opdat geenerlei noodlottige vertraging zich plaatse tusschen onze plannen.. .quot;

„Indien zulk een noodlottig voorval niet reeds dit verwijl heeft veroorzaakt,quot; viel het meisje in, en zij barstte in een stroom van tranen uit.

„Inbeelding, dwaze vrees mijn kind!'' riep de Groot-Admiraal, „hoe zou een forsch en dapper edelman niet veilig en onverlet van Madrid kunnen reizen tot hiertoe, zelfs al is hij zonder gevolg of met een klein geleide? De Hertog is ook de man niet, om zoo voorbarig te zijn. Het is spijtig, dat zijne voorzichtigheid, die ik kleingeestigheid zou noemen, wanneer een goed veldheer, als hij is, haar niet noodig had geacht, mij niet heeft kunnen melden, welk gevaar er eigenlijk dreigde; wij hadden beter op verhinderingen als deze verdacht kunnen zijn; maar bij St. Jago, den grooten Patroon van Spanje! zoo het verzuim van Don Federico zeiven komt, heb ik meer lust mijn degen tegen den zijnen te laten klinken, dan hem de hand te reiken tot blijde welkomst. Eene bruid als deze! en geene betere haast! Is't niet reeds genoeg, dat wij, om de hooge belangen, die Alba zegt er mede gemoeid te zijn, dit huwelijk vieren met eene stilte, of mijn kind geschaakt zou worden door een Moorschen zeeroover; maar nu nog te laat!....quot;

ocr page 352

310

,Dat geve God van niet!quot; riep eene stem aan den ingang der zaal, en de verwachte stortte binnen. Hij droeg een rijk gewaad, eene prachtige hofkleeding, maar gehavend, onordelijk, met slijk en stof bespat. Zijn voorhoofd en zijne wangen gloeiden van eene geweldige inspanning; zijne haren hingen verward en waren vochtig van een klam zweet; hij hijgde van vermoeienis, en schoon zijne oogen even opglinsterden, toen hij zijne schoone bruid vóór zich zag, werden ze toch weder dof en mat, toen hij de aangebodene hand van Don Garcia in de zijne vatte, en hij scheen haar niet meer te zien, toen hij, verbleekt als een doode, op het voetkussen voor haar zetel nederzonk.

De jonkvrouw stak de beide armen naar hom uit, maar zjj zeide niets: de schrik belemmerde haar de spraak.

„Federico! mijn vriend! mijn schoone Neeflquot; riep de oude Garcia bezorgd, „wat kan er gebeurd zijn? hoe komt gij tot ons in zulk een toestand? zijt gij dat gevaar, waarvan uw vader schreef, ontkomen, of — heelt het getroffen? Wil toch spreken, wat is er gebeurd ?

„Ik ben hier, om het te ontgaan,quot; hernam de jonge man, en tegelijk liet hoofd opheffende, zag bij de roerende zielsangst op de trekken zijner bruid. Toen vermande hij zich en hief zich e ver-eind met een glimlach. — „Die onrust op dit schoone gelaa , en om mij!'' sprak hij, „beloont mij duizendvoud mijn roekeloos ondernemen. Heb geene vrees, beminnelijke Maria! ik ben ongedeerd en gelukkig, gij bemint mijl Ontrust u niet, Monsenor! nu ik hier ben, nu ik u bereid zie tot onze vereeniging, is alle zorg voorbij ; slechts kostte het mij moeite te komen; ik heb tien mijlen moeten afleggen, zonder rust of verpoozing; ik heb mijn paard doodgereden en dat van mijn page; ik heb slooten moeten verkrachten en wachters moeten omkoopen ; ik kom uit den kerker van Tordesillas.quot;

„Octavio! laat den Hofmeester komen met wijn en verkwikkingen; mijn schoonzoon moet daaraan behoefte hebben, na zulk een tocht,quot; viel Don Garcia in. En toen Prederik's hand nemende, en die schielijk in die van Maria leggende, voegde hij er bij tot dezen: „Bij de eer van ons geslacht! gij hebt haar verdiend' Eene dolle daad als deze, Maria! om uwentwil, moet u meer waard zijn, dan het plechtigste bruidsfeest!quot;

ocr page 353

311

„En dan de gevolgen ... het gevaar,quot; voegde Maria er tee-der bij.

„Er kon geen grooter zijn, dan u te verliezen,quot; sprak Federico hoffelijk, „en daarom, dierbaarste ! als het waarheid is wat ik hoop en zie, dat gij willig stemt in de beschikkingen van onze vaders, laat er dan geen uur meer voorbijgaan, vóórdat deze hand de mijne is. Ik draag een onvoegzaam feestkleed, maar den tijd, waarin ik mij een spiegel kon laten voorhouden, heb ik moeten gebruiken om mijne ketens te breken.quot;

„Gij moet eerst uitrusten en u verfrissehen, en intusschen vertellen; bedenk dan toch, jonge man! wij weten nog niets, en wij gloeien van verlangen om alles te weten,quot; hernam de Admiraal.

„Een half uur rust en dan den priesterlijken zegen ; ik heb recht het te vragen, edele Heer! ik smeek het u, Maria!quot; en plotseling zwijgende, scheen hij met schrik te luisteren. „O! het was niets hervatte hij, „een verward gerucht op de trap.... men kon mij gevold zijn — en ik wil niet achterhaald worden.quot;

„Bij San Jago! dat geloof ik, een gevangene, die zijn kerker pas is ontsnapt . . . hernam Don Garcia opgeruimd.

„Maar het is omdat....quot; en de jonge man tiaisterde den grijsaard iets in het oor, met een blik op Maria.

De Admiraal schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen, en sprak overluid: „Gij hebt gelijk, en toch wenschte ik, dat ik u beiden nu op Sicilië had; daar ben ik meester, beter dan hier, en hoe snel bracht een galjas u vandaar naar ÏS'apels, waar ge veilig de terugkeerende gunst des Konings hadt kunnen af-■wachten.quot;

De hofmeester trad nu binnen met overvloedige ververschingen, vulde een grooten zilveren beker, en bood dien Frederik aan, op één knie gebogen naar den eisch van de welkomstteug voor een gewenschten of een hoogen gast.

Toen de jonge Toledo zich een weinig had hersteld, vroeg Don Garcia, wiens levendig karakter zich nauwelijks zoolang had kunnen bedwingen:

„Maar hoe kwaamt ge toch in de staatsgevangenis van onzen Koning ?quot;

„Tk zal u veeleer vertellen hoe ik er uit kwam, mijn edele

ocr page 354

312

Hertog!quot; hernam Don Frederik, die gewoon was tegenover dezen een losseren toon aan te nemen, dan tot zijn vader, wiens konde waardigheid doorgaans meer ontzag gebood dan tot vrijheden uitlokte. „De wijze, hoe men een edelman zijn degen afvraagt, in naam des Konings, hem dan verder heenleidt waar men goedvindt, kan u niet nieuw zijn.quot;

„Is het eerlijk van u, mij niet te willen begrijpen? ik vraag het waarom, de reden; een tweegevecht in 's Konings paleis? een onvoorzichtige uitval? er kunnen er duizende zijn in dit wye koninkrijk!quot;

„Men wilde mij eene gemalin opdringen, en ik wist, dat ik hoop had op de hand mijner beminnelijke nicht; moge dit voor 'toogenblik u genoeg zijn, want het verhaal is te lang voorheden, en niet waardig de aandacht mijner Senora! Ik wil den Koning niet beschuldigen; maar zijn toorn was onrechtmatig, en de wijze, waarop hij zich wreekt niet koninklijk. Het zij zoo! Toen men mij wegvoerde, zwoer ik bij mij zeiven, waarheen men mij ook brengen mocht, mij noch door een koninklijk bevel, noch door een koninklijken muur te laten afhouden van de voorgenomene reis naar Alba, die de Hertog mij had geboden, en waartoe mijn hart m;j nog sterker maande. ïordesillas werd mij tot kerker gegeven. Mijn kleine page Ivonneau mocht mij volgen. Het bijzijn van dat kind heeft mij veel goed gedaan. Niet slechts dat hij mij zijn ponjaard leende tot het ontwrikken van het slot der zaal, waar men mij had gekerkerd, maar zijn scherp oog had, bij het binnengaan, aan de vóórpoort soldeniers ontdekt, die onder mij in Nederland hadden gediend, en, rank als hij was, liet hij zich heenglijden door de tralies van mijne gevangenis, een gelijkvloersche, en ik liet door hem die wachten afvragen, wat ze voor hun vroegeren bevelhebber zouden durven ondernemen. „Alles wat ik van hen wenschte lquot; kwam hij mij toeroepen; ik moest haast maken, zoo ik ean goeden uitslag hoopte; de burgvoogd was een uitstapje gaan doen in den omtrek; zoodra hij kennis had gekregen van zijn nieuwen gevangene, zou hij terugkeeren, de bewaking strenger worden, en zij beiden moesten ook weldra worden afgelost van een post, waar zij mij zoo nuttig konden zijn. Ik verlangde niet beter. Ik wilde niet opgesloten zijn, en evenmin heimelijk uit mijn kerker

ocr page 355

313

wegsluipen. Ik wilde op helderen dag openlijk do grendels verbreken, die zoo onrechtvaardig over mij gesloten waren, om mijn plicht te doen. En alzoo deed ik Ik wierp Ivonneau mijne beurs toe; hij moest mij paarden gereedhouden in het naaste dorp; de wachten stelden hem natuurlijk geen hinderpaal. Daarop maakte ik opzettelijk eenig gerucht, dat den bevelhebber tot mij deed komen.

„„Heer Hoofdman !quot; sprak ik, „weet gij, wie ik ben?quot;

„Hij antwoordde mij, zooals ik gehoopt had.

„„Gelooft gij, dat ik aan eene misdaad kan schuldig zijn tegen den Koning rquot;

„„liet ia niet aan ons, dit te beoordeelen, Edele Heer!'quot; antwoordde hij eenigszins verlegen, „maar gij zoudt niet de eenige onschuldige zijn, die hier . .

„„Ik ben niet schuldig; niettemin zou ik den wil des Konings eerbiedigen, zoo ik niet eene noodzakelijke bezigheid te verrichten had, waarin deze gevangenneming mij verhindert. Nu ben ik gedwongen van hier te gaan.quot;

„Hij glimlachte.

„„Als mijn Heer daarop rekent! gij zijt hier niet in uwe veldtent.quot;

„„Neen ! maar gij — en deze ponjaard zullen mij helpen,quot; riep ik, snel opstaande, en hem plotseling bij den arm vattende, waaraan ik het veelbeduidende sleuteltuig zag hangen.

„Hij was overrompeld, verrast en in myne macht. Het onver-hoedsche van den aanval, de schrik van mijn naam, deden wat mijne kracht wellicht niet had kunnen uitwerken; hij viel aan mijne voeten, en vroeg, wat ik van hem begeerde.

„„Het is uw plicht te waken tegen datgene, wat ik ondernemen wil,quot; zeide ik, „en opdat gij niet schuldig wordt, ben ik genoodzaakt u te dwingen,quot; — en ik nam zijn arm met kracht in den mijnen; het zou hem niet mogelijk geweest zijn, zich los te wringen. — „Zoo gij eenig gerucht maakt, moet ik u dooden,quot; ging ik voort, den opgeheven ponjaard tegen zijne keel gericht, maar de bedreiging was onnoodig; hij was als verlamd en ging lijdelijk voort; met mijn wapen deed ik het eerste slot springen; tot het tweede, dat eene lange galerij opende, moest hij mij den sleutel aanwijzen.

ocr page 356

314

„„Gij maakt misbruik van mijne zwakheid en van mijne achting voor uw roem,quot; riep hij.

„Niet te veel! want, geloof mij, ik kom terug, en gij zult u daarna wreken, zooals gij best kunt.quot; In 't eind kwamen wij aan het vóórplein.

„„En de wachten aan de poort^ vroeg hij.

„„Met hen zal ik mii helpen als met u. Diteene! vervolg mij r.iet, zoolang uw bevelhebber niet terug is; want, zoo waar ik een ridder en edelman ben, ik kom terug.quot; — Toen liet ik hem los, snelde de vóórpoort uit, die de wachten openden met een luid: vivat! en ontnioette Ivonneau spoedig met de paarden. Ziedaar alles! mijn rit was alleen was lang en wat vermoeiend.quot;

De oude Garcia had somtijds luidkeels gelachen en goedkeurend toegeknikt.

Maria had gesidderd en met angst naar den fleren geliefde opgezien, die zulke gewelddadige handelingen, en die zoo gevaarlijk konden worden, als spelend had verricht. Maar één woord had haar getroffen. „Terugkeeren! Ea dat hebt ge beloofd bij uwe riddereer,quot; sprak zij met tranen in het zachte oog.

„Zeer zeker, edele Maria! wantik ben onderdaan des Konings, maar ik keer niet dan als uw gemaal, en daarom mag ik?...quot; Toen opstaande, vatte hij met hoffelijkheid hare hand; de oude Garcia riep zijn page — en zij gingen naar de kapel.

Twee uren daarna stonden er krachtige paarden gezadeld op het vóórplein; de jongo page Ivonneau, die zijn meester langzaam was gevolgd, wachtte dezen nu weder op, en Don Frederik zelf hield zijne jonge vrouw in de armen, en trachtte haar moed en vertrouwen in te spreken bij dit afscheid.

„Zoo spoedig had ik dit terugkeeren niet begrepen,quot; snikte zij.

„Ik moest er u langzaam op voorbereiden, mijne Maria!quot; sprak Alba's zoon, voor het eerst van zijn leven stem en gelaat plooiende tot eene zachtheid, die hij zelf niet wist in zijne macht te hebben. „Droever bruidspaar is er in Spanje nooit geweest, zoolang Kastilië en Arragon koninkrijken waren; van mijne liefste en mijne gemalin te moeten scheiden, niet om een eerlijk heldenfeit te ondernemen, niet om in 's Konings dienst eene uitnemende daad te gaan verrichten, noch, als een krijgsmans beste

ocr page 357

315

hoop zoude ziin, op te trekken, den vijand te gemoet, aan het hoofd mijner dapperen, maar om mij levend te gaan begraven tussehen de muren van eene onedele gevangenis, om zelf de boeien te gaan terugvragen, die men met zoo forsche hand heeft verbroken. Maar het moet zoo zijn, volsehoone ! Welk een oneere zou het wezen voor een edelman van mijn naam, zoo gevangenleiders hem moesten wegrukken uit uwe armen, zoo hij niet vrijwillig en ongedwongen zijn gegeven woord kwam inlossen, en zijn Koning ongehoorzaam bleef, nadat bij hem reeds had vertoornd.quot;

rMeent gij dat ik zoude toestaan, dat de Alguazils hier binnentraden !quot; vroeg Don Garcia driftig, „zijt gij hier niet veilig, zoolang gij wilt ?quot;

„Konden wij niet samen vluchten, een ander vaderland opzoeken ? Het zou overal beter zijn, dan in die gevangenis, waar ik u niet volgen mag,quot; sprak Maria.

„En mijn vader, die de verantwoording mijner handelingen in dozen heeft op zich genomen, mag ik hem wagen aan den last van zulk een vergrijp? Hij heeft mij bevolen u te huwen, en. God zij geloofd! niets ter wereld, geene koningsmacht zelfs kan ons voor dit leven scheiden; maar nu zou hij zelf mij gebieden heen te gaan en te berusten in den wil des Konings. Zelfs de trouwe wapenbroeders, die zich voor mij blootstelden; zelfs de onderbevelhebber, het lijdelijke slachtoffer mijner geweldadigheid, mag ik hen opofferen aan de uren van geluk, die ik hier had kunnen hopen? Wilt gij dat, Maria?quot;

Zij schudde ontkennend ; maar het harde woord wilde haar niet van de tong.

„Daarbij, het kan niet voor langen tijd zijn ; Filips zal spoedig zijne onrechtvaardigheid inzien, en zich schikken in het onveranderlijke In eer en vrijheid hersteld, voer ik u weldra naar het paleis der Hertogen van Alba, om u niet weer te verlaten, dan tot eenigen roemrijken kruistocht! Daarom wees eene moedige krijgsmansgade, en bereid u nu reeds op de wisselingen van keeren en scheiden; o! wees gij sterk, want gij zoudt mij zwak maken.quot;

En in waarheid, Alba's zoon sprak dit alles met eene toonlooze stem en zonder zijne gade aan te zien. Hij kon niet staren op

ocr page 358

316

hare schoonheid, op hare tranen, op de getuigenis van zooveel liefde, en zich zoo meester blijven, om te spreken en te handelen als zijn plicht was. Maar de jonge vrouw scheen plotseling een gedachte te krijgen, die haar nog beter sterkte dan zijne woorden.

„Ja!quot; sprak zij, „gij hebt gelijk; gij mnet gaan, gij moet des Konings gramschap niet tergen. Hij zal bevredigd zijn door dit bewijs uwer trouw. Hij zal niet onverzoenlijk zijn, en bewogen worden door mijne tranen. Want, ziet gij, de gemalin heeft recht om te spreken voor haar echtgenoot. En ik zal niet wijken van zijne voeten, voordat hij ons heeft hereenigd.quot;

Hoe weinig Don Frederik ook de hoop deelde, die zijne gemalin hier scheen op te vatten, zag hij in, dat het de éénigste wijze was, om haar met kalmte te doen berusten in de onvermijdelijke scheiding. Hij weersprak haar dus niet, en haastte zich weg te komen, terwijl zij nog moed schepte uit die hoop.

En wie hem later had gezien, voortrennende zonder opzien noch ruste, zou hem veeleer gehouden hebben voor den gelukkige, die eenigen dierbaren wensch stond te bereiken, dan voor den liefhebbenden gemaal, die eene jonge gade ontvluchtte voor een kerker!

Van dit alles echter was de Hertog van Alba nog onbev.'ust. Don Frederik had hem niet kunnen schrijven; Garcia de Toledo had zijn schoonzoon beloofd, dit in zijne plaats te doen; —dan die tijding was nog niet tot hem gekomen, hoewel naar hem afgezonden. Nadat zijne poging op Margarita's bijstand was mislukt, wist hij zijn laatste hulpmiddel uitgeput, de beklagenswaardige vader, en met de bitterste gewaarwordingen in de ziel, voelde hij zich gedwongen, lijdelijk af te wachten, wat de Koning doen ?.oude. Zijn laatste hulpmiddel uitgeput! En met één woord, openlijk tot Filips gezegd, met één enkel vertrouwen aan twee of drie van Spanje's hoogste en waardigste edellieden, kon hij den Koning beschamen en zijn zoon de eere teruggeven, zoo niet de vrijheid. Neen, dat kon hij niet, dat kon Alba niet tegenover Filips! Hij wilde zijn Vorst wel door eenig bedekt middel dwingen, rechtvaardig te zijn; maar hij wilde hem niet onteeren in de oogen van zijn volk, niet kwetsen op eene zoo gevoelige plek; de trouw

ocr page 359

317

van den onderdaan moest luider spreken dan de stem van het bloed, al zou het hem het merg uit het gebeente kosten, om haar te doen zwijgen. En zoo was het ook niet om zich te waarborgen tegen de verzoeking tot eenige onbescheidenheid, dat hij zijn paleis niet meer verliet, en zich ontoegankelijk stelde voorlederen bezoeker; maar omdat hij rust wilde hebben van bespieding en vermomming; maar omdat hij zich sterk wilde honden, en alle krachten van zijn geest bijeenzamelen tot het groote oogenblik, dat de Koning hem eens zoude schenken; want ééns toch zou Filips hem moeten hooren. En dat groote oogenblik kwam ook: de tweede dag na dien van de ontsnapping en het huwelijk zijns zoons, werd hij uit zijne siesta opgeschrikt door een bevelschrift des Konings, dat hem opontbood.

Hij ging; maar het was niet meer zooals hij had gewenscht te komen. Hij werd geroepen: hij had uit zich zeiven willen gaan; hij moest antwoorden : — hij had willen vragen; hij kwam als beschuldigde: — hij had aanklager willen zijn. Hij gevoelde al het nadeel van zjjne veranderde stelling, toen hij bij Filips binnentrad, en zijne houding was dan ook niet die vaste en kalme, die wij hem in menig hachelijk oogenblik hebben zien aannemen. Van den aanval tot de verdediging neergedaald, had hij geen vast besluit kunnen nemen, was hij van zijne wapens beroofd, had hij niets dan het schild der voorzichtigheid.

Bij zijn binnentreden vond hij den Koning aan eene schrijftafel gezeten, gekleed als voor een openlijk gehoor, met den hoed op, die zijn naam heeft gekregen, en die bij deze gelegenheid, misschien met voordacht, diep over het voorhoofd getrokken, door rand en vederen hem ten deele het gelaat beschaduwde, ten minste de oogen voor een onbescheiden blik beschermde. Als Grande van Spanje, bleef ook Alba gedekt staan voor zijn monarch, die hem groette met een lichten hoofdknik, en terstond daarop sprak:

„Hertog van Alba! wij zijn zeer misnoegd op u. Uw zoon heeft, met verachting van onzen wil en bevel en van alle goede trouw, een hand versmaad, die hij reeds had aangenomen en die twee mijner gemalinnen hem achtereenvolgens hebben aangeboden. Het was uw plicht geweest, als onderdaan, hier uw gezag als vader te laten gelden.quot;

ocr page 360

318

Xa dit gezegd te hebben, zag de Koning glurend naar Alba op, die, inwendig gloeiend en sidderend van verontwaardiging, toch de beradenheid had, om alleen te antwoorden op eene wijze, die niets besliste, en die hem daarna vrij zou laten een ander standpunt te kiezen.

„Sire! Don Frederik is dertig jaar; hij heelt legers aangevoerd en steden veroverd; is het een zulke, wien een vader kan bevelen eene vrouw zijn naam te schenken tegen zijn wil?quot;

„Wij weten dat gij uw vaderlijk gezag kunt doen eerbiedigen, als gij het wilt. Dan, gij hebt hier niet noodig geacht tusschen-beiden te komen; gij hebt uw zoon laten handelen naar eigen oordeel en wil. Het zij zoo! Hij was daarvoor rijp en wijs genoeg, en dus heeft zich de Koning zelf moeten handhaven; de Koning heeft moeten straffen, waar de vaderhand had kunnen leiden. Gij hebt het dus gewild. Mij is het wèl — maar er is meer; Don Frederik is schuldig aan majebteitsschennis. De plaats, die wij hem tot kerker aanwezen, heeft hij verlaten, met woest geweld, grendels verbrekende en zijne bewaarders dwingende -— of verleidende —• hem doortocht te geven; trotseerende dus onzen hoog-sten toorn en uitgedrukt bevel, heeft hij gehandeld als iemand, die zijn Vorst openlijk de gehoorzaamheid opzegt; hier is rebellie, hier is gekwetste Majesteit!quot;

„Mijn zoon, Sire!quot; sprak Alba verbleekend, en vouwde krampachtig de handen.

„Er is meer!quot; vervolgde Filips, een scherpen en kouden blik vestigend op den Hertog. „Don Frederik is heengevlucht naar Alba, en daar heeft hij zich priesterlijk verbonden met Donna Maria do Toledo, zijne nolle Nicht. De inquisitie....quot;

„Neen, Heer!quot; riep Alba, die begreep, dat nu het ooganblik daar was, om zijn zoon woord te houden ; en hij hief zich op uit de gebogene houding, die hij had aangenomen. Neen! niet tot daartoe, Sire ! Er is pauselijke dispensatie door mij beschikt; dat huwelijk is geschied met mijn voorweten en toestemming, op mijn bevel, als ik zeggen kon, en het is geweest om mij te gehoorzamen, zijn vader, het hoofd van zijn geslacht, dat hij uw kerker heeft verbroken ! zoo daar schuld is in die daad, komt die schuld alleen op mij, die haar aanried, die er de verant-

ocr page 361

319

woording van op zich nam; het was een huiselijk belang, Sire! dat een vader zijn zoon beval af te doen, ondanks eiken hinderpaal: uwe inkerkering was er eene, mijn Koning! — ik had hem gevloekt, zoo hj rustig had kunnen blijven!''

„Uwe woorden zijn zeer beslissend, Hertog! als ze zijn, wat ze schijnen,quot; hernam Filips snel.

„Ze bedoelen niets anders, dan wat ze beduiden, Majesteit!quot; antwoordde Alba vast en fier. „Maar mijn zoon zou mijn zoon niet zh'n, of hij zal wederkeeren naar zijn kerker; ik verpand er mijn hoofd onder, mijne eer.quot;'

.Hij is teruggekeerd,quot; hervatte de Koning altijd koel.

„Ik wist het!'' riep Alba met zegepraal in den blik.

„Dat verandert de zaak in geen opzicht.quot;

„Toch geeft het ona de eer terug! en ook uwe Jiajesteit moest met deze proef voldaan zijn,quot; sprak nu Alba, besloten zich eindelijk lucht te geven, zich te doen aanhooren, nu zijn vijand te bestormen en den strijd niet op te geven, voor hij had overwonnen, — „Mijn Koning zelf is overtuigd, dat Don Frederik geene schuld heeft, dan die van anderen: dat deze kerker...quot;

„Hertog van Alba! weet gij ook waarom Don Federico do Gravin Margarita als gemalin heeft versmaad?quot; viel Filips plotseling in.

Hoe vertrouwd do Hertog was met het karakter van den Spaan-schen monarch, hij was ontzet over do verregaande schaamteloosheid van die vraag, en hij antwoordde met eene verontwaardiging, die zelfs door zijn voorzichtig woord heen schemerde:

„Ik was er zeker van, dat Uwe Majesteit wist!quot;

„Gij zoudt nooit geraden hebben, hoelang reeds,quot; antwoordde Filips met den gruwelijketen grimlach, die een vorstelijk tiran ooit om den mond speelde, en opstaande, voerde hij Alba bij de hand naar eene andere zijde van de tafel, voor een memorieboekje, in fluweel met goud gebonden. Hij sloeg vele bladen om; in 't begin eerst vond hij het bedoelde, dat hij Alba voor-leide.

„Mijn God! van den eigen dag af?quot; riep deze, na het ingezien te hebben, en hij kromp als inéén, onder eene lange huivering.

„Hebt gij mij begrepen. Hertog van Alba?quot; vroeg de Koning.

ocr page 362

320

„Volkomen, Sire!quot; hernam Toledo, met fierheid zich opheffend uit zijn eersten schrik.

„Eene verrassing als die aan de Gravin van Egmond,quot; sprak Filips, altijd met zijn glimlach.

„Maar die ik van u niet had verdiend,quot; antwoordde Alba, met cene onuitsprekelijke uitdrukking van smart en zelfbewustheid.

„Wie weet?quot; hernam de Koning, „een trotsch onderdaan, die in zijn overraoed zijne diensten beter telt dan zijne plichten, heeft zich licht schuldig gemaakt tegen zijn meester, eer hij het gist.quot;

„Noem mij dan mijne schuld, Sire!quot; hernam Alba weer ootmoedig. „Noem mij dan uwe grieven! opdat ik ze kan uitwis-schen, boeten ! Het is nog niet te laat voor eene oprechte verzoening. God in den Hemel, die mij hoort, weet, dat ik nooit iets gewild of gewerkt heb, dan ter eere Zijner Kerk, en van uwe heerschappij. Ik heb achttienduizend menschenlevens opgeofferd door het zwaard der wet, alleen aan uw meesterschap in quot;Vlaanderen. Wat kon Alba meer doen voor Filips, geplaatst als hij was tusschon een volk en een Vorst ? Ik heb den haat en de vervloeking van millioenen niet geacht, om de vriendschap van eenen, en die enkele . .

„Hertog van Alba!quot; viel Filips in, wij hooren den hoogen landvoogd der Nederlanden, die tot zijn broeder spreekt. Wij hooren dat niet gaarne — en voor twee souvereinen is dit kabinet te klein.quot; En met koude hoogheid richtte hij den blik naar de deur.

Zonder één woord te spreken, wendde zich Alba daarheen; maar zijn voorhoofd en zijne wangen gloeiden, en in zijne oogen schitterde een zonderling vuur. Toch hield een wenk van Filips hem staande, aan den uitgang van het vertrek. De Koning was hem met de oogen gevolgd, en het was alsof zijne stem zachter klonk, toen hij zeide;

„Eens zullen wij u vrijheid geven ter verantwoording; hoop daarop, Toledo!quot;

„ArM, Sire! om 's Hemels naam ! in dit eigen oogenblik ! waartoe uitstel! Ik ben meer dan seventig jaar! God mocht mij eerder oproepen dan gij,quot; hernam de veldheer, opnieuw den Koning genaderd, en zich neerwerpende aan zijne voeten.

ocr page 363

321

„Nu niet, Hertog! niet op uw uur, maar op het onze,'1 antwoordde Filips onbewegelijk. En tot zóólang verbannen wij u uit Madrid.quot;

Toen stond Alba op, zich verhardende tegen de krenking, en met waardige fierheid vroeg hij alleen:

„Ook uit Spanje, Heer?quot;

Hij had met den Cid kannen vragen : „Uit de landen, die ik voor u heb bewaard, of uit die, welke ik voor u heb gewonnen ?quot;

„Wij geven u den burcht Uzeda tot gevangenis.''

„Zoo ik gevangene zijn moet, neme de Koning mijn degen!quot; sprak Alba, den zijnen aanbiedende. „Geen ander zou ik dien kunnen geven!quot;

„Dat is al te vermetel. Hertog! Gij zijt geen prins van den bloede, om aanspraak te maken op die onderscheiding; en Spanje heeft nog hooggeboren mannen genoeg, om uw degen te ontvangen. Als het ons goeddunkt, zullen wij u dien laten afvragen.quot;

Alba boog het hoofd, met de fierste lijdzaamheid, die ooit eenig sterveling den nek had doen krommen. Het was hem aan te zien, dat hij zich aan zijn monarch onderwierp — maar ook alleen, omdat het zijn monarch was, zonder eóne klacht of één verwijt; schoon zijn oog eene wereld van pijnlijke denkbeelden verried, vroeg hij kalm:

„Is dit myn afscheid, Sire?quot;

„Ik heb geen ander voor u 1quot; hernam Filips, zonder hem aan te zien.

De Hertog van Alba deed eenige schreden naar de deur; maar toen zijne hand het tapijtbehangsel zou oplichten, wendde hij zich plotseling om, liep op den Koning toe, knielde neder en drukte de lippen op de hand, die Filips achteloos had laten nederglijden. „God behoede Uwe Majesteit!quot; sprak hij, en zijne stem klonk dof en diep, of ze opkwam uit de holte van eene bergmijn.

Daarop haastte hij zich voort; maar zijne schreden waren zóó onvast, dat hij in de aangrenzende zaal rusten moest, eer hij het paleis verliet.

Zoodra Filips alleen was, liet hij het hoofd een wijle rusten in de beide handpalmen.

„Neen, mijn Toledo! ik kon u geen ander afscheid geven; ik

Kroon. Karei de Stoute. 21

ocr page 364

322

kon u dit niet sparen,quot; sprak hij binnensmonds,quot; „zoo wjj ooit weer voor elkander worden zouden, wat wij geweest zijn. Ik moest weten, dat gij geboet hebt en geleden! Mijne Hoogheid moest zich gewroken weten in uwe vernedering, of gij waart voor mij verloren; gij zoudt voor mij geworden zijn, wat al de overigen blijven. Gij meent nu, dat gij mij haat; maar ik ken u beter, dan gij u zeiven en mij.quot;

Wij hebben zeer volkomen begrepen, wat de Spaansche monarch wist; maar wij zijn verplicht te zeggen, hoe een 1'eit tot 74jne kennis was gekomen, waarmede Alba hem had kunnen overwinnen, zoo hij het had moge mededeelen, en waarmee de Koning hem nu zelf versloeg. Neen, Margarita en Frederik mochten op dat noodlottigste en beslissende tijdstip huns levens het koninklijk paleis hebben doorgetrokken in het nachtduister en in de ochtendschemering, terwijl er om hen niets waren dan slapende en toe-genegene wachters; ze mochten onder de fondamenten van het trotsche gebouw zijn doorgeslopen, — ze waren toch bespied geworden door een mensehelijk oog, dat er belang bij had, hunne bewegingen gade te slaan. Was er een verrader onder Frederik's krijgslieden? had een schijnbaar sluimerende hun zachten tred beluisterd, of was een onbescheiden voet de schoone gevolgd, toen zij met den vermomden Prins door de straten van Madrid voorttrad ? Wie telt de duizende oogen, ooren, voeten, die der koninklijke achterdocht ten dienste stonden, daar, waar zij het noodig vond te waken? wie de onzichtbare middelen en ontastbare werktuigen, waardoor Filips II zich liet onderrichten, als hij weten wilde? — maar zeker is het, dat de Koning bij zijn ontbijt een juist verslag vond voor hunne gangen, en dat opteekende in zijn dagboek, toen nog zonder bepaald doel.

Maar de Koning wist toen niet alles. Don Juan in de livrei van den jongen Toledo had men voor Frederik zeiven gehouden, of wel had de berichtgever den Prins gespaard. En de Koning had niet naar dezen gevraagd. Sinds eenigen tijd was Alba s zoon hem verdacht geworden; hij had zijne toegeeSijkheid voor Don Carlos gegist en mistrouwd. En van toen af had hij hem doen bespieden. Hij was bijna met den jongeling verzoend, toen hij meende te vinden, dat alleen een liefdesavontuur hem had bezig-

ocr page 365

323

gehouden, terwijl hij hem met hoogverraad bezig waande; toch vond hij het geraden aan zijne verhouding tot de Prinsen, welke die dan ook zijn mocht, een einde te maken, door Alba's wenschen toe te staan, en hem heen te zenden naar Nederland. De naam der darae was Filips onbekend gebleven ; maar daar haar misstap voor zijn eigenbelang volstrekt zonder beteekenis scheen, vorschte hij er niet naar, en zag slechts somwijlen met een zweem van medelijden op de schoone Gravin Margarita, in zijn oog reeda als verloofde bedrogen .... Maar Don Juan zelf had den moed der onbeschaamdheid, om hem zijne dwaling op te helderen. Door Margarita verwittigd van Frcderik's terugkomst, en overtuigd, dat eene vreeselijke uitbarsting zou volgen, zoo de jonge dame, door den Koning of door den verloofde tot huwen gedwon.gen, zoude spreken, deed hij zijn broeder, op wiens goedertierenheid hij wist te kunnen rekenen na zijne overwinningen in Afrika, een getrouw verslag van wat hij noemde „eene dwaasheid, begaan in een onbezonnen hartstocht van zijn eerste jeugd, waarvoor hij gaarne elke boete zou doen, die de Koning wilde opleggen, zoo hij diens misnoegen daarmede kon matigen.quot; De sluwe jongeling wist wel, dat Filips, dus in 't vertrouwen genomen, te lichter vergeven zou, naarmate hij de eer van zijn broeder zou moeten prijsgeven om te straften. De Gouverneur Quexada kreeg den last de overbrenger van deze biecht te zijn, en een beteren voorspraak in de slechte zaak kon de Prins niet gekozen hebben, dan dezen, die den slag had, om duizend beminnelijke hoedanigheden van zijn kweekeling op te tellen, terwijl hij erne fout aanwees. Het geviel tegelijk in dien tijd, toen de gekroonde zoon van Karei V zijn broeder eene kroon moest weigeren, die hij niet door erfrecht, maar door het recht van het zwaard voor zich meende verworven te hebben, en wien men den hoogen eisch w.u een troon moest ontzeggen om staatsbelang, dien mocht men wel eene onedele daad verschoonen ter vergoeding; zóó ten minste handelde Filips. Een kort woord van vermaning, dat met niet veel stichting werd aangehoord, eene bedreiging voor het vervolg, daar niet veel op werd geacht, was alles, wat den vor-stelijken zondaar tot straf werd opgelegd voor het gebroken hart, voor de vertrapte eer, voor de diepe rampzaligheid, waartoe hij

ocr page 366

324

een onschuldig schepsel had gedoemd, dat geene font had, dan vertrouwd te hebben op het woord van een Vorst en van een geliefde.

Te eer vond Don Juan de versehooning, die hij wenschte, omdat hjj zijn koninklijken broeder in handen gaf, wat deze te dier tijde juist zocht: een middel om zich op Alba te wreken, zonder den landvoogd der Nederlanden te straffen; een feit waarmede hij zijne voorgaande en toekomende staatkunde zou verloochend hebben, dat eene wederspraak zou geweest zijn van zijne eigene beginselen, eene herroeping van zijne uitgedrukte gevoelens, een gelijkgeven aan de Nederlanders tegen zich zeiven!

En de Koning van Spanje was te trotsch en te halsstarrig, om oproerige onderdanen gelijk te geven ten aanzien van gansch Europa, ware het ook, dat hij aan hun recht had kunnen gelooven, of er belang bij gevonden, hun dit te toonen. Integendeel de landvoogd der Nederlanden moest beloond worden, en met eere en vriendschap ontvangen, zooals wij gezien hebben dat de K oning deed — zijn wrok terughoudende, tot hij er betere vormen aan wist te geven. Bij de voorstelling der Toledo's aan de Koningin, was Filips evenwel nog niet door Don Juan ingelicht, en hij meende alleen Don Frederik tot den echt te dwingen, waartegen hij zich verbeeldde dat deze zich verzetten zou, of om eenigen geheimen hartstocht, of om de voortduring der aangeknoopte verbintenis met de onbekende Staatsjuffer; verzekerd, dat bij dat alles de Hertog van Alba niet onzijdig zou kunnen blijven.

Zjjn toorn tegen den jonkman, die een gegeven woord verbrak om een misdadigen hartstocht, verminderde natuurlijk na de ophelderingen van zijn jongeren broeder — maar vooreerst moest deze gered worden en Filips zelve eene beschaming gespaard; daarbij, het wapen was nu eenmaal gevat, en het bleek een zulk te zijn, waarmede hij zeker zou kunnen treffen. En van toen aan handelde de Koning als wij gezien hebben; te midden van alles, wat hij tegen hem wrocht, nog zóó zeker van de trouwe Koningsliefde van zijn grijzen onderdaan, dat hij het uiterste tegen hem waagde, zonder een oogenblik vreeze voor onedelmoedige onbescheidenheid. Eene eere voor Alba! eene schande te meer voor Filips, die zulk eene trouw zóó durfde misbruiken!

ocr page 367

325

Twee uren na zijn laatste gesprek met den Hertog, sprak de Koning tot zijne verzamelde Granden:

„Wien uwer moet ik de eere geven, om den Hertog van Alba uitgeleide te doen van Madrid naar den burcht Uzeda?quot;

En hij koos twee van de edelsten en waardigsten onder hen.

„Mijn oude veldheer behoudt zijn degen,quot; voegde Filips er luide bij, nadat hij hun, meer binnensmonds, hunne onderrichtingen had gegeven.

Een woord, dat Don Ruy Gomez benijdend deed uitroepen:

„Bij het bloed der Silva's! die man ontvangt meer eere bij eene gevangenneming, dan een van ons allen in dagen van de hoogste gunst!quot;

Twee volle jaren waren er nu verloopen — en nog altijd liet Filips 11 zijn grooten Veldheer smachten in ongenade en in gevangenschap. De dekmantels van zijne waarachtige grieve waren nu toch allen weggevallen. Margarita was lang vergeten; Don Juan was opgeroepen voor een hoogeren Hechter dan zijn Koning, voor een meer onpartijdigen ; en Don Frederik zelf was reeds lang uit zijn kerker ontslagen, en vergat, aan de zijde van zijne lieftallige echtgenoot, verloren hofgunst, koninklijke onrechtvaardigheid en de gedwongene rust, waarin hij moest voortleven, zooveel zulk een karakter grieven als deze vergeten kon. Slechts voor Alba zeiven was de Koning onverzoenlijk, zoo het scheen, en ondanks het woord, dat wij hem hebben hoeren spreken, en dat op eene toekomende herstelling scheen te doelen, was er nog niets gebeurd, dat zachte, dat billijke bedoelingen voorspelde.

Billijke zeker, want mocht het zijn, dat de Hertog in den overmoed van zijne zelfbewustheid zijns Vorsten trots had gewond, de wijze waarop hij den vorstentoorn droeg, moest tot vergeving neigen, moest de fout uitwisschen in een hart, zelfs al ware het dat van Filips II.

Hoe diep gekrenkt, hoe ondankbaar bejegend en hoe onrechtvaardig zelfs, had de Hertog zich, na zijne verwijdering uit het Koninklijk kabinet, geen woord laten ontvallen van klacht of van beschuldiging tegen dezen. Met de lijdelijke onderwerping, die

ocr page 368

326

hij altijd had geëischt van zijne onderhoorigen, had hij zich nu gevoegd naar iederen last, naar iedere vernedering, die hem bij de beperking zijner vrijheid werd opgelegd, met dat waardig en gelaten zwiigen, dat het bitterste verwijt moest zijn voor een meester, die een leven als het zijne door zulk eene uitkomst benevelde. Hij had nog vrienden van invloed aan het Hof en door gansoh Spanje; maar nooit heeft hij van hen eenigen stap gevergd, noch te zijner bevrijding, noch tot eenige verandering in zijn lot, noch zelfs te zijner herinnering aan den monarch, die handelde alsof hij hem vergat. Tegenover zijne bewakers bewaarde hij, altijd door, de houding van een gevangen vorst, nooit eenigen wensch uitende, die hij wist dat geweigerd kon worden of met moeite toegestemd; geene vrijheid nemende, dan die hem door des Koninga wil was toegewezen, en ieder voorrecht versmadend, dat zij hem tegen hunne voorschriften, als bij oogluiking, wilden toestaan. Daar zijne gevangenschap meer was eene berooving van vrijheid, dan wel kerkelijke opsluiting, stond het aan hem, in den burchttuin en over het slotplein te wandelen, zoo vaak hij wilde; maar in geheel die twee jaren kwam hij niet verder, dan op het terras van een zijner vertrekken, en alleen dan, wanneer de bezetting van Uzeda zich op het plein in den wapenhandel oefende, dat zijn krijgsmansgeest eenige afleiding scheen te geven; doch zoo vaak een der krijgslieden, zijn vori-gen aanvoerder herkennende, een gebaar maakte van eerbied, of een kreet van deelneming aanhief, trok de Hertog zich terug met zoo kouden en strengen ernst, dat die trouwe lieden spoedig zijne begeerten kenden om niet te worden opgemerkt. Zoo weinig behoefte scheen hij te hebben, om zich mee te deelen, of zooveel voorzichtigheid, dat de zeer enkele brieven, die hij aan zijne zonen richtte, over niets handelden, dan de regeling van huiselijke en familiezaken, en een kort woord over zijne gezondheid, die doorgaans ongekrenkt bleef, niets anders, dan of hij hun schreef uit zijn paleis te Madrid. En geheel dat gedrag was niet de slaafsche onderworpenheid van den hoveling, die een onrecht verkropt, om verloren gunst te herwinnen; het was niet AIba, die zich dus eene herstelling wilde gewonnen hebben. Het vervolg zal het leeren; maar de ingeboren trouw aan den Koning gaf

ocr page 369

327

hem kracht, de bitterheid van gekrenkte vriendschap in de ziel te besluiten. Maar wat hij in die twee jaren moet gedacht hebben, die man, die nooit sprak, dan om een kort bevel te geven aan wie hem omringden; het moet meer zijn geweest, dan oiiz,e zwakke pen te beschrijven weet. Welke beelden er in die werke-looze eenzaamheid voor zijne verbeelding voorbijtogen; hoe hij in zijn kerker aan gekorkerden herdacht, door zijn wenk van de vrijheid beroofd; hoe hij, bij het samenkrimpen onder zedelijke folteringen, al de eigene martelingen doorleefde, aan anderen lichamelijk volbracht naar zijn bevel! Als verweesde kinderen en verweduwde vrouwen; vader, die zich de grijze haren uitrukten om een eeniggeboren zoon, door beulsarmen aan de vaderborst ontseheurd; maagden, in 's levens eersten bloei vergrijsd om broeders of vrienden, die God had bestemd haar tot beschermers te zijn, en die zijn strafzwaard haar ontnam'—alsgansch Nederland daar vóór hem lag, als eene groote bloedige landkaart, waarvan iedere grensscheiding door zijn vinger was geteekend— dan toch moet zijne eenzaamheid bevolkt zijn geweest, en angstwekkend vervuld; — ja! naar de berekening van de gewone menschMijke zielsstemming; maar zoo Alba dit alles herdacht, was het niet met gewetensknaging, niet met huivering over zijne eigene daden; veeleer met een trotsch bewustzijn van volbrachten plicht, die hem het hoofd kon doen opheffen, om den Hemel aan te roepen, ter getuigenis van den ondank, waarmede zoo krachtige ijver voor Kerk en Vaderland werd geloond. En zoo er zich wroeging mengde in de herinneringen zijner ziel, was het veeleer het belegerde Rome, hongerend en hijgend aau zijne voeten, en het opperhoofd der Christenheid, met gebogen hoofd en gevouwene handen het woord wachtende, dat vrede gaf en uitredding, en toch te diep verontwaardigd, om dat van zijne hand te smeeken, totdat de tusschenkomst van Filips zelven noodig werd om do hoofdstad der Christenheid te redden; want wat toen don jongen, vurigen krijgsman, in de hitte van den oorlog, eene zwakheid scheen van den Koning, veranderde ziclinuvoor den grijzen gevangene tot eene misdaad tegen het heilige. Maar tot die schuld was geboet, verzoend, vergeven. Het kettersch Nederland had voor de schennis aan het gewyde Eome voldaan.

ocr page 370

328

De citadel van Antwerpen had het kasteel van St. Angelo genoegdoening gegeven. En daarenboven, hij had immers in zijns Ko-nings naam krijg gevoerd tegen den wereldlijken heer van een staat in Italië, niet tegen den geestelijken opvolger van Petrus, en de hoed, die aan de uitgelezene dienaren der Kerk werd gezonden, prijkte immers korte jaren daarna niet minder op zijn hoofd! Maar wat het meest hem pijn moet gegeven hebben, dat was het terugzien op vroolijker tooneelen, waarin hij altijd eene schitterende rol had gespeeld, en altijd ten behoeve van Filips, hetzij hij, nog in dienst van Keizer Karei, veldslagen won, die de erfenis moesten vergrooten van den opvolger der Kroon, hetzij hij vredesverdragen hielp teekenen, die de overwinningen moesten bevestigen; — hetzij hij de eerste schoone bruid naar Spanje leidde, de zestienjarige Infante van Portugal in de armen voerde van den verrukten zestienjarigen Prins, en als gevader stond bij dit hooge huwelijk, hetzij hij des Konings rechten handhaafde als Stadhouder van Napels, en waarbij zijn trots zich zelfa tot listen had vernederd, in 't belang van zijn meester; van dien meester, die ééne enkele fout, zoo klein, dat hij hem niet eens durfde uitspreken aan zulk een dienaar, strafte met zulk eeno hardheid! Neen, meer! de jongeling, met wien hij was opgegroeid, voor wien hij de kracht van zijne mannelijke jaren, van zijn heldengeest had gespild, voor wiens grootheid hij duizende malen zjjne rust had geofferd, en duizende malen zijn leven had gewaagd, en duizende malen zijn geweten had bevlekt, totdat ze beiden als grijze mannen naast elkanderstonden, had hem voor dat alles en voor de warme trouw, die geheel zijn leven bezield had, niet eens zóóveel genegenheid teruggeschonken, dat hij hem één enkel vergrijp wist te vergeven! Wat zeiden hem gunsten die hij hem voorniaals had toegestaan, en hooge waardigheden, waartoe hij hem verheven had, sinds hij hem in eeuwige twijfeling hield over dat ééne, wat hij slechts van hem wenschte: vriendschap. Die had zijn trots gevorderd, zoowel als zijn hart, en dat het mistrouwen en de vorstenhoogmosd van den Koning hem die weigerde, en dit bewees door de vernederende hardheid van deze gevangenschap; dat hij hem tot dit doel had kunnen brengen door voorbedaehto list, met sluwheid uitgevonden, en met gevoellooze koelheid uitgevoerd, dat was het, wat

ocr page 371

329

hem krenkte, zooals nooit een ander onderdaan door een monarch was gekrenkt geworden, Ea de fiere hidalgo herinnerde zich dan hoe onder Spanje's edele geslachten er geen was, dat zoovele groote veldheeren had aangebracht, als juist dat der Alba's; hoe Federigo zijn voorvader een anderen Federigo tot opvolger had in zijn oudsten zoon, en hoe [hij zelf, meer dan voorgangers of nakomelingen, groot was geweest voor zijn Vaderland, en zijn naam genoemd werd als de gelijke, de meerdere van Europa's eerste veldheeren, — hetzij hij gestreden had in Duitschland of in Hongarije, in Vlaanderen of in Afrika, in Italië of tusschen Piemonts dalen ; — hetzij hij overwinnaar was of overwonnene — een stouten aanval deed of een behendigen aftocht uitvoerde, een vijandelijk land doorkruiste, zonder levensmiddelen, zonder geld, met eene manschap, bezwijkend van koude, vermoeienis en honger, op korten afstand, en als onder het oog van een vijandelijk leger: hetzij hij bevriende landschappen doortrok, met eene krijgsbende, tot iedere uitspatting vaardig, en zóó woest, en zóó ongelijksoortig, en zóó talrijk, dat het niet mogelijk scheen, de oorden, waar zij verschenen, van overlast en schennis bevrijd te houden, terwijl toch ééne enkele daad van loszinnigheid of moedwil de onrustige en waakzame vrienden in felle en gevaarlijke vijanden zou veranderd hebben — en toch, vrede en vriendschap bleven heerschen ; de laatste man van de achterhoede trok de grenspalen over, zonder dat één enkel lam van eenige kudde was vermist; één enkel landman zijn oogst zag vertreden, één hutbewoner van zijn eigendom was ontzet, ééne enkele vrouw door ruwe hand beleedigd. En den somberen gevangene kwam een glimlach van billijken trots op de lippen, zoo vaak hij aan dit meesterstuk eener forsche en fiksche krijgstucht terugdacht.

Het was dus zeker niet daarop, dat hij peinsde op een dag, dat de namiddagzon hare brandende stralen door het fijne net, van tralies heenwierp, dat in de vensters zijner kamer de glasruiten vergoedde. Want hij zag met stille bitterheid op zijn degen, die zonder scheede voor hem lag, en waar eene kleine roestvlek op zichtbaar was. Zijn kamerdienaar stond in eerbiedige houding tegenover hem en scheen het eind van die bespie-

ocr page 372

330

geling af te wachten, om eenig bevel te ontvangen of eene vraag te doen. Zij moest lang geduurd hebben, die spanning, zóó lang, dat des trouwen dienaars geduld te kort schoot; want hij vroeg ootmoedig en met den zachten toon der beschroomdheid, die zich aan iets gevaarlijks waagt: „Uwe Genade heelt mij geroepen . .

Het hoofd des Hertogs hief zich met een lichten schok op van de borst, als van een droomende, die plotseling wordt gewekt, en het onbeweeglijk gelaat en de twee scherpe oogen richtten zich naar den dienaar, wien reeds in 't geheim zijne vermetelheid berouwde.

„Senor Ricardo! .. .quot; en Alba's vinger wees op de vlek. — „Gij zijt onvergeeflijk achteloos! in deze dagen is het uw plicht dat te weren. Iseem den degen weg, en laat ik niet weer zien wat mij hindert.quot;

Ricardo nam het wapen met eene buiging; hij wist, dat eene verontschuldiging zijn meester verbitterde.

Toen hij ging, wenkte Al ba hem tot zich : „Waart gij lang hier ?quot; vroeg hjj zachter.

„Zoo omtrent een half uur. Excellentie!quot;

„En hebt gij verstaan wat ik in mij zei ven zeide ?quot;

„Uwe Excellentie heeft niet gesproken.quot;

„Meent men hier, dat ik mijne vrijheid betreur?quot;

„Men kan het gissen; men ziet het niet, mijn edele Heer!quot; antwoordde de trouwe man, met een sprekend gevoel op hem ziende.

„Het is genoeg, ga!quot;

Niet lang zou de Hertog meer alleen zijn: de kamerdienaar keerde na eenige minuten terug, met triomf en blijdschap op het gelaat, den Hertog, uit naam van den burgvoogd, het bezoek aankondigende van Don Emanuel Enriquez vanwege den Koning.

„Eerst nu!quot; sprak Alba; doch schielijk liet hij er op volgen; „ik wacht den man, die van mijn Vorst gezonden is!quot;

Met eene deftig kalme houding ontving de Hertog den jongen hoveling, die hem eerbiedig groette, en zich staande hield, hoewel de Hertog bleef zitten.

Welke vurige begeerte ook in Alba mocht gloeien, om te weten wat Enriquez komst hem bracht, hij ontveinsde die begeerte door

ocr page 373

331

eene mededeeling eer af te leiden dan uit te lokken, met te zeggen: „Gij bezoekt een kluizenaar, Senor! Xieuws uit de hoofdstad is in lang niet tot mij gekomen; wat zegt men te Madrid ?quot;

„Men verwondert sich, dat een man, dien men reeds zoo groot kende in tegenspoed, het geheim heeft gevonden van nog grooter te zijn in het ongeluk. Spanje vergelijkt u bij den palmboom, Monsenor! wiens kruin zich te meer verheft, naarmate de stormen hem teisteren,quot; antwoordde Emanuel, minder uit vleizucht dan met oprechtheid; want het aanschouwen van den Hertog, die daar nederzat, in dezen kerker, met dezelfde rustige hoogheid, als ware hij nog eerste staatsman in het kabinet dea Konings, bezielde hem met een eerbied, dien het hem goed deed te kunnen uitspreken.

Ik zie wel, ik had het eerst naar uw last moeten vragen, Don Emanuel!quot; hernam Alba, met een glimlach; maar er was toch iets in den toon zijner stem, dat een fijner menschenkenner of een meer hatelijke opmerker als overspanning zoude uitgelegd hebben; do jonge man antwoordde alleen met het overreiken van den openen brief, dien hij met zich bracht.

Alba had er nauwelijks de oogen in geworpen, of hij haalde diep adem; maar toen hij ten einde had gelezen, sprak hij alleen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van trots en zelfbewustheid :

„Heeft dan de Koning een geketend veldheer noodig, om zich een nieuw Koninkrijk te winnen?quot;

Een antwoord, waarin een deel van wat hij gevoeld had en geleden, word uitgedrukt, beter dan door tien lange alleenspraken; een antwoord, dat tegelijk bewijst, hoe weinig er slaafsche laagheid gelegen had in zijn lijdzaam dulden, daar zijn eerste woord een zulk was, dat hom als een nieuw vergrijp kon worden aangerekend.

„Dat woord is niet voor onzen meester bestemd, naar ik meen?quot; vroeg Emanuel, verwonderd en ontzet.

„Gij kunt het overbrengen, Senor!quot;

„Dit alleen. Excellentie?quot;

„Ik zal aan den Koning schrijven, Don Emanuel! nog heden!quot;

Om te weten, wat Alba recht gaf tot de verwondering, die zich

ocr page 374

332

ook eenigszins mengde in zijn antwoord, moeten wij den inhoud van den brief mededeelen, die hem werd overhandigd. Die was niets minder dan eene aanstelling tot opperveldheer over al de troepen, die zich zouden vereenigen op de grenzen van Portugal, om de aanspraken van Filips op dat Koninkrijk te steunen, door vreeze of door geweld van wapenen, als het zijn moest, nadat hij tevergeefs alles had gedaan, om het volk door milde woorden en door aannemelijke voorslagen tot zich te neigen.

Maar de Portugeezen wantrouwden de Spaansche verbroedering, en hadden zich voorgenomen de rechten te steunen van Don Antonio, Prior do Crato, natuurlijken zoon uit hun vorstenhuis. De adel schaarde zich, trouw als moedig, rondom de Hertogin van Braganza, wier rechten door een kleinmoedigen echtgenoot later zoo lafhartig werden opgegeven en Pilips, na de uitspraken van geestelijke en wereldlijke scheidsrechters te hebben ingeroepen, na zich tot den raad van Venetië en tot dien van't Vaticaan gewend te hebben, zonder dat één enkele Portugees te meer hem als Koning erkende, of dat hij er ééne spanne lands over zijne westergrenzen mede had gewonnen, begon nu eindelijk naar meer zekere hulp om te zien. Met zijne eigene legermacht zou hij zijn recht od de erfopvolging bewijzen; maar Alba's zwaard vertrouwde bij nog meer dan deze; zonder dat ten minste rekende hij niet op eene overwinning, en al ware in zijn hoofd de tijd al nog niet daar geweest, waarop hij dezen de vrijheid meende terug te geven, het was ten minste het tijdstip, waarop hij hem ontslaan kon op eene waardige wijze, en zonder voor zich zeiven of voor den Hertog stof te geven tot vreemde uitleggingen, of tot dezulken, die dieper gingen dan de Koning het wilde; het was de natuurlijkste en eenvoudigste wijze, om aan de langdurige spanning en aan het vorstelijk onrecht een einde te maken, een zulken veldheer in rang en vrijheid te herstellen, ten dage van een nieuwen oorlog al ware hij ook om zware misdaden van beide beroofd geweest; nu kon men nog blijven twijfelen, of hij voor een groot of een klein vergrijp vergiffenis kreeg, bij eene gelegenheid als deze!

Xog in den eigen namiddag schreef Alba aan Filips, dal; hij de nieuwe taak op zich nam, maar dat hij bad, zich eerst te mogen verantwoorden van wat men hem ten laste leide, van wat zijne

ocr page 375

333

gevangenschap kon hebben veroorzaakt. Het was niet voegzaam, oordeelde hij, dat een man, wien zulke hooge belangen werden toevertrouwd, gedrukt zou blijven onder de verdenking van eenige grove fout; en dat hij met geenerlei rust voor zijn land zoude strijden, vóór hij eere verklaring had gehad met zijn Koning.

Die brief werd door Don Emanuel naar Madrid overgebracht, zoowel als Alba's stout antwoord. — Maar hetzij de Koning ditmaal zijn veldheer te noodig had, om zich te willen vertoornen, hetzij hij de billijkheid voelde van eene verontwaardiging, die zich eindelijk lucht gaf, hetzij hij zoo volkomen had vergeven, dat hjj ook de nieuwe vermetelheid verschoonde.... het werd den Hertog niet euvel genomen; evenmin echter werd zijn verzoek, om zich te mogen verantwoorden, verhoord.

Filips herhaalde hem, lakoniek weg, het bevel, om zonder nader uitstel zijn post te aanvaarden, met de bijvoeging, dat hij zich in Portugal het best zuiveren zoude. En welke hardheid er ook lag in die volstandige weigering, om den Hertog te hooren, er lag een grootech vertrouwen in, dat in waarheid de beste vergoeding moest zijn voor het geledene, en eene hoogere vrijspraak, dan die, welke eene koninklijke zegelbrief had kunnen geven. Het was de éénige, welke Filips aan Alba kon geven, nadat, wat er tus-schen ben beiden was voorgevallen, voor eene geheime grieve, die niet kon geopenbaard worden, en die toch openlijk werd gewroken; eene vergoeding, die als eene bekentenis van ongeljjk was, zonder aldus te worden genoemd, en die tevens eene openlijke en schitterende was.

Maar hoe ook moet men een Koning noemen, die zulk een vertrouwen durfde stellen op de trouw van een man, zóó gekrenkt, zóó ondankbaar bejegend, zóó verongelijkt, na weerga-looze diensten, dat hij een gansch leger in zijne handen durfde geven, de vervulling van een brandenden wensch geheel alleen van hem afhankelijk kon maken, en hem van onder zijn oog verwijderen; die misschien alleen uit onmacht berusting kon geveinsd hebben! Het is zoo, de Hertog had zich nooit bevriend gemaakt bjj het volk; maar Filips zelf was het evenmin. En de Hertog was dapper en hoog geëerd bij het krijgsvolk; des Konings moed was meermalen verdacht, en naar die mate zijn aanzien

ocr page 376

334

bij de dapperen gezonken; de Hertog was gevreesd bij het leger, en wist zich onbepaald te doen gehoorzamen door allen; de Koning had spionnen en beulen, Alba soldaten; wie had hem kunnen beletten, zoo hij het gewild had, als later een Wallenstein, de vertrouwde legermacht tegen den meester zeiven te keeren, met den vijand te onderhandelen of voor zich zeiven een koninkrijk te veroveren! Met een weinig toegevendheid voor Rome, dat zich fier partij had gesteld tegen Filips, ware ook van de geestelijke zijde zijne onderneming gewaarborgd, en Filips, met een oorlog tegen Engeland op handen, met een andereu in Frankrijk gemoeid, met Italië tegen zich, met het Vlaamsche oproer, dat hem het merg van zijn rijk kostte; Filips had nauwelijks iets kunnen doen, dan zich in macbtelooze woede verbijten, en op zelfverdediging bedacht zijn. En hij, die wist, wat die man voor hem gedaan had, kon ook weten, wat hij tecjen hem zou kunnen doen; maar hij wist, wie de man was, dien hij in zoo groote verzoeking bracht, zonder hem door één woord van zachtheid of vriendschap opnieuw aan zich en zijne belangen te verbinden, en Filips was de wan-trouwendste, de achterdochtigste en de meest naijverige monarch der Christenheid, maar tegelijk die, welke zijne lieden het best wist te kiezen. Moet er een ander woord gebruikt worden, om Alba's lof uit te drukken?

En hij heeft dat groote vertrouwen grootsch beantwoord. Van dat hij Portugal binnentrok, totdat hij uit Lissabon aan Filips schreef om hem geluk te wenschen met de aanwinst van een koninkrijk, was zijn tocht niets geweest, dan een doorgaand zegevieren, en zijn gedrag geen ander dan dat der sprekendste trouw aan Filips en der voorzienigste waakzaamheid voor zijne belangen; toen de Koning onder de vreugde van dit nieuwe geluk bijna bezweek, was Alba daar, om te zorgen, dar hem voorloopig door Portugal's aanzienlijksten eene trouw gezworen werd, die, bij een mogelijk overlijden, de opvolging verzekerde aan zijn erfgenaam; maar toch de Heer van het groote schiereiland verrees, en de Hertog kon zijne trotsehe profetie bewaarheid noemen, toen hij te Tornar de kroning verordende van den nieuwen Koning van Portugal, toen hij zijn meester omhangen zeg met den gouden Portugeeachen koningsmantel; de karakter-

ocr page 377

335

looze Braganza, het allereerst zijn eigene plundering zag bevestigen door een eed, dien adel en grooten herhaalden, en dien het volk toejuichte.

Toen zeker had hij zich bij Filips volkomen verantwoord, schoon er tusschen hen nooit eene andere opheldering heeft plaats gehad. En de trotsohe vreugde, die daarbij uit Alba's trotsche blikken schitterde, bewees den Koning, dat ook hij zijne voldoening genoegzaam had gevonden.

Kort was daarna nog slechts zijn leven, maar vervuld en werkzaam dat ééne jaar, gelijk de twee voorgaande ledig en werkeloos geweest waren. Portugal was wel veroverd, maar niet gansch onderworpen; niet alle partijen ten minste gesmoord; niet alle mededingers geheel zonder klachten; niet alle aanspraken opgegeven, en de houders daarvan ontmoedigd. En Alba was altijd zichzelven gelijk, de onverbiddelijke, die niets ontzag wattegen-stond; die geene rechten erkende, dan die van Filips II. Portugal gevoelde het vreesdijk, dat de Stadhouder der Nederlanden meester geworden was van zijn lot.

En toen het wintermaand was geworden van het jaar 1580, werd er in het koninklijk paleis van Lissabon 1) een ziekbed gespreid, dat een doodleger zou worden voor den man, die vier en zeventig jaar lang de bewondering en de schrik van Europa was geweest, voor Ferdinand Alvarez de Toledo, Hertog van Alba, wien het niet had mogen gebeuren, in een der vele gevaren, die hij op het slagveld had getrotseerd, roemrijk als een veldheer te vallen, maar die voor de ondermijning der koortsen bezwijken moest. Eerst teen, eerst bij zijn sterven, werd hij verkwikt met dien gloed van zijns meesters vriendschap, dien hij zijn gansche leven door had nagejaagd, en nooit zeker geweest was te bezitten, en waarvan de blijken altijd waren tot hem gekomen met zooveel duistere vermenging, dat ze hem altijd aarzeling hadden verwekt en schroom. — Maar dikwijls bezocht hem nu de Koning, en zonderling, altijd met dat ceremoniëel, dat hen verhinderde alleen te zijn, en tot andere, dan uitdrukkingen van oprechte genegenheid en dankbare rouwe, gelegen-

1) Anderen zeggen te ïomar.

ocr page 378

336

heid te laten. Het scheen dat Filips nu de grootte van het verlies, dat hij lijden ging, met ieder samenzijn dieper besefte, — ééns toch kwam de Koning vergeefs bij zijn grooten onderdaan; ééns hief deze het hoofd niet meer op bij zijne toespraak; ééns zweeg zijn mond op de belangstellende vraag naar zijn welstand. Het lijk van Alba luisterde niet meer!

En toen...... Filips II had zijne gevierde gemalin overleefd,

de jeugdige Anna van Oostenrijk, gestorven aan de pest of aan de kroon van Spanje, naar men 't nemen wil, de tweede bruid van Don Carlos, die hij zich ter vrouwe had genomen; hij had niet lang daarna zijn tweeden zoon door den dood getroffen gezien; het kind zijner grijsheid, dat hij tot den erfgenaam van al zijne tronen had bestemd. Bij den dood der Koningin had de Koning rouw bevolen door geheel het Koninkrijk, en bij den dood van den Infant had hij geen enkel uiterlijk teeken van rouw van zijne onderdanen gewild, en zijne eigene smart in zijn boezem gesmoord; — maar bij den dood van den Hertog van Alba — schreide hij met „zichtbare tranen,quot; ten aanzien van zijne hovelingen.

Wij moeten nog even opmerkzaam maken op de bijzonderheid, dat Alba bij zijne onderneming op Portugal, Don Fernando, zijn tweeden zoon, aan het hoofd stelde der ruiterij, terwijl hij zijn oudsten. Don Federico de Toledo, die met hem, en voor wien hij, geleden had, geen deel schijnt gegeven te hebben aan den roem, die er te winnen moest zijn bij zulk een krijgstocht! Wat mag dat geweest zijn? Eene kieschheid wellicht tegenover den Koning, die hem hierin zeker zal hebben vrijgelaten ; en dat verklaart ons nog meer dezen zeldzamen man, die menschelijk voelde, zoo vaak het denkbeeld „plichtquot; hem niet tot onmenschelijkheid opriep; die hoveling was, meer uit trots tegenover de omringenden, dan om hofgunst te winnen van den Vorst; die vader was bij wijlen, en als eenige schokkende omstandigheid zijn vaderhart wakker schudde; die vroom was, als hij de vroomheid vereenigen kon met zijns Konings belangen; maar die alles, wat hij was en zijn kon, al de vermogens van zijn geest, al de warmte van zijn hart, al de krachten van zijn vuist, al de bereksningen van zijn hoofd, alleen had gewijd om de allertromvste dienaar

ocr page 379

337

te zijn van Filips II, een naam, dien hij zioh zeiven gegeven heeft, waarvan de Koning en de Nederlanden hem eene fout hebben gemaakt, en die toch zijn rechte titel was, als zijne waarachtige karakterschets, — om welke te verdienen hij de rust des lichaams noch die der ziel iets heeft geacht; waarvoor hij iedere stem van zijn hart heeft overwonnen, en de kreten van wrok en haat in zijne ziel gesmoord, en waarvoor hij van zich zei ven zóóveel boven-menschelijke zelfbeheersching heeft geëischt, en van anderen zóóveel bloeds — dat de beklemming der doodsangsten hem tegen den biechtvader Domingo de Granada de klacht afperste: „Zóó sterven zij, die, om hunne vorsten te voldoen, het Christenbloed niet hebben gespaard!quot; En de bange doodsstrijd, die dat woord ingaf, was als eene boetedoening voor dat harde vonnis, uitgesproken en bijna uitgevoerd over het Huis van Braganza, welks ganscbe verdelging hij aanried, om de kroon van Portugal aan de Spaansche monarchie te verzekeren.

22

Kroon. Karei de Stoute.

ocr page 380
ocr page 381

HET RUSTUUR VAN KARDINAAL miENGS.

ocr page 382
ocr page 383

Op eene breede marmeren tafel stond een maaltijd gereed, een moes van kastanjes met olijvenolie, eene parmesaansche kaas, een weinig visch, toebereid met sterke kruiderijen en veel knoflook, wat druiven en eenige oranjeappelen, alles op tinnen schotels; daarnevens eene aarden kan met zuiver water en een enkele beker; en toch was het in het paleis, dat de Aartsbisschoppen van Toledo te Madrid in eigendom hadden, dat zoo sober een maaltijd was aangericht; en toch was het de maaltijd van den Regent van Spanje, één der twee van geheel den dag, zijn beste! die hem verkwikking moest geven, na de afmattende werkzaamheden van een drukkend staatsbestuur, en krachten tegen nieuwe inspanning va» ziel en lichaam beide. En dat was op een oogen-blik, waaarop die man te beschikken had over al wat Spanje rijk was, sinds Columbus de goudmijnen van Peru had ontsloten voor Spanje, sinds Avragon, Navarre en Grenada aan Castilië waren vastgesmeed, sinds al de schatten van al de Moorsche Grooten aan hunne Spaansche verdringers waren toegevallen ! Was hij zóó eerlijk, die Staatsman, die alle ambten en alle waardigheden had uit te deelen in het Koninkrijk? of was het Bisdom van Toledo zoo karig aan inkomsten ? of was hij een van die arme rijken, die het goud tot een god hebben gemaakt, dien ze aanbidden, zonder hem te durven naderen? — Ja, hij was trouw genoeg, de Staatsmau, om den penning, dien het volk offeren moest aan het Vaderland, te besteden, enkel aan het welzijn van het Vaderland. Maar de Bisschopsrang van Toledo was de hoogste ker-keljjke waardigheid na de pauselijke, en niet minder vruchtbaar

ocr page 384

342

in goud dan in eere; en hij was zoo weinig de slaaf van zijne schatten, dat hij ze deelde met iederen arme, die tot hem kwam. Doch de Regent van Spanje was bedelmonnik geweest, voordat hij plaats nam naast den troon, en hij had de deugden, die de kloosterwet voorschrijft, zoo lang reeds betracht in oprechtheid des harten, dat ze hem diere gewoonten waren geworden, waarvan hij niet meer kon afstaan. Altijd bleef hij den haren gordel dragen onder het violet fluweel; geen linnen verfrischte hem ooit het branden van Spanje's zon, en zoo vaak de staatsplicht niet eischte, dat hij zich omgaf met den glans van den Vorst, toonde hij slechts den Franciskaner. Daarom ook stond de Majordomo met slechts één bediende hem op te wachten bij dezen maaltijd, en beantwoordde geheel de stoft'eering van het vertrek, van de naakte ongebeeldhouwde muren af, tot op den harden houten zetel toe, aan de soberheid der spijzen en aan den eenvoud van het tinnen tafelgereedschap.

Van tijd tot tijd traden deze kamer binnen, mannen in geestelijk gewaad, met de rustige vrijmoedigheid van genoodigden; toch namen zij geen plaats, maar schaarden zich op een afstand en spraken onderling met fluisterende stem. Eindelijk werd er een grijsaard binnengeleid, ondersteund, bijna gedragen, door twee lieden, gekleed in zijde en goudstof, wier hulp hij volstrekt scheen te behoeven, om den leunstoel te bereiken, waarop hij zich liet neêrvallen, terwijl hij het hoofd achterwaarts boog naar de rugleuning, de oogen sloot, en tegelijk de hand begeerig uitstak naar den beker, dien de hofmeester hem toebracht.

En in dien grijsaard hebt gij den Aartsbisschop van Toledo voor u, den grooten Kardinaal Ximenès! Gij zoudt het nauw geloofd hebben, — dit de Kardinaal Ximenès, die zwakke ineengebogen grijsaard, geknakt door vermoeienis en alfi wegzinkende onder afmatting, zonder aaderen wil en zonder betere kracht, dan om te sluimeren en zich te laven! dit de man, die Karei van Oostenrijk vertegenwoordigde zooalH hij Ferdinand en Filips vertegenwoordigd had; dit de man, die met vaste en krachtige hand Spanje regeerde als alleenheerscher, ondanks den Koning en zijne Raadslieden, ondanks den Adel en diens invloed! Maar ge zoudt hem herkennen, als ge weten kondt,

ocr page 385

343

van welken strijd hij hier als overwinnaar kwam uitrusten; hoe hij van den vroegen ochtendstond af, tot op dit late middaguur toe, rusteloos voortgejaagd was geworden van den eenen arbeid naar den anderen; van den eenen kamp naar den anderen ; hoe hij gestaan had, als staatsman, tegenover Adriaan van Utrecht, als onderdaan, tegenover Chièvres, den gunsteling van zijn Vorst, als Regent, tegenover den Admirante van Castilië en zijne trotsche partij, als veldheer, tegenover Jean d'Albret en Horuc Barbarossa, als priester eindelijk, tegenover den souverein van Rome, wien hij de tienden der kerkelijke benificiën weigeren moest. En daarbij was hij tachtig jaar, en zijn vasten, zijn waken, zijn werken hadden hem misschien nog meer gesloopt dan zijn leeftijd.

Langzaam ledigde hij gansch den beker, als wilde hij iederen teug van den eenvoudigen drank dubbel genieten; daarop verhief hij zich een weinig, groette de lieden, die rondom hem stonden, met eene gemeenzame hoofdbuiging, maakte daarop het teeken des krnises en vouwde de handen als tot het gebed. Al de aanwezigen knielden neder. Zóó met de oogen gesloten, in de houding van een biddende, had Ximenos een voorkomen, dat evenzeer roerde als eerbied wekte. Dat hooge, geniale voorhoofd, nu effen en kalm in de rust des gebeds, omgeven van den smallen krans dunne haren, dien de kruinschering der Franciskanen hem nog had gelaten, en die van zwart, als ze geweest moesten zijn, zóó tot zilverwit waren verbleekt, dat ze het enge üuweelen kapje omgaven als een boordsel van glanzig paarlmoer; die wenkbrauwen zoo fijn en zoo wit; die oogleden zonder pinkers, gaven aan dit gelaat zoo iets zacht verhevens, dat niemand had kunnen raden, welk een gebiedenden vlam-menblik zij vermomden. De mond had iets karakteristieks dooide sterk vooruitstekende tanden, die de bovenlip naar voren drongen op zulke wijze dat zijne vijanden die de olifantstromp noemden — al erkenden ze daarmede tegelijk, hoezeer deze eigenaardigheid den indruk van schranderheid en wilskracht verhoogde, die nog op deze scherpe trekken zetelde, ondanks het verval van den ouderdom.

Hij had voorgezeten in den hoogen regeeringsraad, en hij

ocr page 386
ocr page 387

HET RUSTUUR VAN KARDINAAL XniENGS.

ocr page 388
ocr page 389

Op eene breede marmeren tal'el stond een maaltijd gereed, een moes van kastanjes met olijvenolie, eene parmesaansche kaas, een weinig visch, toebereid met sterke kruiderijen en veel knoflook, wat druiven en eenige oranjeappelen, alles op tinnen schotels; daarnevens eene aarden kan met zuiver water en een enkele beker; en toch was het ia het paleis, dat de Aartsbisschoppen van Toledo te Madrid in eigendom hadden, dat zoo sober een maaltijd was aangericht; en toch was het de maaltijd van den Regent van Spanje, één der twee van geheel den dag, zijn beste! die hem verkwikking moest geven, na de afmattende werkzaamheden van een drukkend staatsbestuur, en krachten tegen nieuwe inspanning van ziel en lichaam beide. En dat was op een oogen-blik, waaarop die man te beschikken had over al wat Spanje rijk was, sinds Columbus de goudmijnen van Peru had ontsloten voor Spanje, sinds Arragon, Navarre en Grenada aan Castilië waren vastgesmeed, sinds al de schatten van al de Moorsche Grooten aan hunne Spaansche vevdringers waren toegevallen ! Was hij zóó eerlijk, die Staatsman, die alle ambten en alle waardigheden had uit te deelen in het Koninkrijk? of was het Bisdom van Toledo zoo karig aan inkomsten ? of was hij een van die arme rijken, die het goud tot een god hebben gemaakt, dien ze aanbidden, zonder hem te durven naderen? — Ja, hij was trouw genoeg, de Staatsman, om den penning, dien het volk offeren moest aan het Vaderland, te besteden, enkel aan het welzijn van het Vaderland. Maar de Bisschopsrang van Toledo was de hoogste kerkelijke waardigheid na de pauselijke, en niet minder vruchtbaar

ocr page 390

342

in goud dan in eere; en hij was zoo weinig de slaaf van zijne schatten, dat hij ze deelde met iederen arme, die tot hem kwam. Doch de Eegent van Spanje was bedelmonnik geweest, voordat hij plaats nam naast den troon, en hij had de deugden, die de kloosterwet voorschrijft, zoo lang reeds betracht in oprechtheid des harten, dat ze hem diere gewoonten waren geworden, waarvan hij niet meer kon afstaan. Altijd bleef hij den haren gordel dragen onder het violet finweel; geen linnen verfrischte hem ooit het branden van Spanje's zon, en zoo vaak de staatsplicht niet eischte, dat hij zich omgaf met den glans van den Vorst, toonde hij slechts den Pranciskaner. Daarom ook stond de Majordomo met slechts één bediende hem op te wachten bij dezen maaltijd, en beantwoordde geheel de stofl'eering van het vertrek, van de naakte ongebeeldhouwde muren af, tot op den harden houten zetel toe, aan de soberheid der spijzen en aan den eenvoud van het tinnen tafelgereedschap.

Van tijd tot tijd traden deze kamer binnen, mannen in geestelijk gewaad, met de rustige vrijmoedigheid van genoodigden; toch namen zij geen plaats, maai- schaarden zich op een afstand en spraken onderling met fluisterende stem. Eindelijk werd er een grijsaard binnengeleid, ondersteund, bijna gedragen, door twee lieden, gekleed in zijde en goudstof, wier hulp hij vols:rekt scheen te behoeven, om den leunstoel te bereiken, waarop hij zich liet neêrvallen, terwijl hij het hoofd achterwaarts boog naar de rugleuning, de oogen sloot, en tegelijk de hand begeerig uitstak naar den beker, dien de hofmeester hem toebracht.

En in dien grijsaard hebt gij den Aartsbisschop van Toledo voor u, den grooten Kardinaal Ximenès! Gij zoudt het nauw geloofd hebben, — dit de Kardinaal Ximenès, die zwakke ineengebogen grijsaard, geknakt door vermoeienis en als wegzinkende onder afmatting, zonder anderen wil en zonder betere kracht, dan om te sluimeren en zich te laven! dit de man, die Karei van Oostenrijk vertegenwoordigde zooals hij Ferdinand en Filips vertegenwoordigd had; dit de man, die met vaste en krachtige hand Spanje regeerde als alleenheerscher, ondanks den Koning en zijne Raadslieden, ondanks den Adel en diens invloed! Maar ge zoudt hem herkennen, als ge weten kondt.

ocr page 391

343

van welken strijd hij hier als overwinnaar kwam uitrusten; hoe hij van den vroegen ochtendstond af, tot op dit late middaguur toe, rusteloos voortgejaagd was geworden van den eenen arbeid naar den anderen; van den eenen kamp naar den anderen ; hoe hij gestaan had, als staatsman, tegenover Adriaan van Utrecht, als onderdaan, tegenover Chièvres, den gunsteling van zijn Vorst, als Regent, tegenover den Adrairante van Castilië en zijne trotsche partij, als veldheer, tegenover Jean d'Albret en Horuc Barbarossa, als priester eindelijk, tegenover den souverein van Rome, wien hij de tienden der kerkelijke benificiën weigeren moest. En daarbij was hij tachtig jaar, en zijn vasten, zijn waken, zijn werken hadden hem misschien nog meer gesloopt dan zijn leeftijd.

Langzaam ledigde hij gansch den beker, als wilde hij iederen teug van den eenvoudigen drank dubbel genieten; daarop verhief hij zich een weinig, groette de lieden, die rondom hem stonden, met eene gemeenzame hoofdbuiging, maakte daarop het teeken des kruises en vouwde de handen als tot het gebed. Al de aanwezigen knielden neder. Zóó mot de oogen gesloten, in de houding van een biddende, had Ximenès een voorkomen, dat erenzeer roerde als eerbied wekte. Dat hooge, geniale voorhoofd, nu effen en kalm in de rust des gebeds, omgeven van den smallen krans dunne haren, dien de kruinschering der Franciskanen hem nog had gelaten, en die van zwart, als ze geweest moesten zijn, zóó tot zilverwit waren verbleekt, dat ze het enge fluweelen kapje omgaven als een boordsel van glanzig paarlmoer; die wenkbrauwen zoo fijn en zoo wit; die oogleden zonder pinkers, gaven aan dit gelaat zoo iets zacht verhevens, dat niemand had kunnen raden, welk een gebiedenden vlam-menblik zij vermomden. De mond had iets karakteristieks dooide sterk vooruitstekende tanden, die de bovenlip naar voren drongen op zulke wijze dat zijne vijanden die de olifantstromp noemden — al erkenden ze daarmede tegelijk, hoezeer deze eigenaardigheid den indruk van schranderheid en wilskracht verhoogde, die nog op deze scherpe trekken zetelde, ondanks het verval van den ouderdom.

Hij had voorgezeten in den hoogen regeeringsraad, en hij

ocr page 392

344

droeg, over het purperfluweel van den Kerkvorsi, de onderscheidingsteekenen van den eersten minister en van den kanselier, nevens het schitterende diamanten kruis der Aartsbisschoppen van Toledo. Maar niemand dan hij alleen kon het weten, hoe tegelijk de haren gordel van St-Franciscns hem het gevoelige lichaam ter zelfpijniging omsloot. Zijn kort gebed zelfs zou niet ongestoord blijven.

„Een ijlbode met brieven uit Brussel voor 't regentschap,quot; riep eene stem in het voorvertrek, zoo luid, dat de vrome aandacht van den Kardinaal er door afgetrokken werd, die ernstig, maar een weinig gehaast, het benedicite sprak, den zijnen den zegen gaf en daarop met drift zeide: „Van Zjjne Hoogheid? zonder uitstel toegelaten !quot;

„Mijn Doorluchtige Heere!quot; sprak de hofmeester, terwijl hij hem met smeekende houding eenige spijze aanbood.

„Senor Inico!quot; antwoordde de Kardinaal, met iets strengs in den toon, „gij weet, wat altijd bij ons voorgaat;quot; en daarop wendde hij het oog vragend naar den man, die was binnengekomen. Het was een jongeling in eene ridderkleeding, zooals die aan het Vlaamsche Hof werd gedragen, van eene slanke en fijne gestalte, en van een eenvoudig, maar openhartig uiterlijk, met goudblond haar en zachte blauwe oogen; hij scheer, nog zóó jong, dat hij niet eens het kinvlokje dragen kon naar de mode der jonge edellieden van zijn tijd. Hij boog ccn knie voor den Kardinaal, maar hief zich daarna schielijk op, en hield het pakket terug, waarnaar Ximenès reeds de hand had uitgestoken.

„Wat beteekent dit, Senor?quot; vroeg deze, die geheel uit de matheid scheen op te rijzen, waaraan hij zich willens eene poos had toegegeven. „Gij komt ons in ons gebed storen, met een woord, dat ons dwong, u terstond gehoor toe te staan, en nu aarzelt gij met het overbrengen van uw last!quot;

„Hooge en machtige Heer!quot; sprak de jonge man eerbiedig, doch met vastheid, „het is aan het Eegentschap en niet aan den Kardinaal Ximenès dat deze brieven gericht zijn: het Regentschap dat is de Kardinaal Adriaan, dat is de Heer Van Chau, dat is de Baron Van Amersdorff.quot;

ocr page 393

345

„Voeg er nog zooveel Vlamingen bij, als er Moorache en Christen koningen geheersoht hebben in dit oude koninkrijk,quot; viel Ximenès in — „maar dat alles zal niet beletten, dat ik uw pakket neme en leze als het mij goeddunkt. Er is reaar één Koning, die nu in Spanje beveelt, en maar één Regent, die zijne bevelen uitvoert. Gij zult dat geleerd hebben, jonge man ! eer de Vlaatnsehe blankheid op uwe wangen door onze zuiderzon bruin is geworden. Geef.quot; De jonge man trad een weinig achterwaarts.

„Vergiffenis, Hoogwaardigste! de zonen van Vlaanderen mogen friseh van uitzicht zijn als uwe dochteren; zij weten mannen te wezen in den dienst van hun Graaf! Wil bevelen, dat uwe ambtgenooten samenkomen.quot;

De Kardinaal, die tot hiertoe de oogen nog altjjd half gesloten had gehouden, zag nu door de oogleden heen op don jongeling, en sprak met een glimlach, die het midden hield tusschen goedheid en spotternij.

„Gij begrijpt ten minste de meesters, die gij gehoorzaamt; — dat kan men niet zeggen van al uwe landgenooten; ü wil ik niet dwingen,quot; en de stem een weinig verheffende, vroeg hij : „Weet iemand ot' de Bisschop van Tortosa reeds vertrokken is ?quot;

„Reeds terug!quot; sprak \driaan van Utrecht, die binnentrad, zoo gemeenzaam en zonder omstandigheden, of hij een Utrechtsehen Gildemeester een bezoek kwam brengen, en die toch door Ximenès met veel ceremonieel on met eene statige buiging ontvangen werd. „Ik kom terug, doorluchtige broeder! want ik wensch u te onderhouden over een ontrustend nieuws,quot;

„Een nieuws, da: ü ontrust. Bidden wij,quot; antwoordde Ximenès levendig; „wij voor ons vreezen niets dan God, en haten uiets dan onze eigene zonden en de onhandige raadslieden van zijne Hoogheid.quot;

„Zeg de Vlaamsche, Mijnheer!quot; veranderde Adriaar, „een man als gij moest altijd oprecht zijn!quot;

„Als gij de waarheid meer bemint, dan de hoffelijkheid, zij het zoo, Monsenor!quot; hernam de Spaansche Heer. „Alleen wij wenschen uwe tegenwoordigheid minder om te redetwisten, dan wel om dezen edelman, die uw landgenoot is, en die onze Spaansche gebruiken weinig schijnt te kennen, duidelijk te maken, hoe

ocr page 394

346

één van ons, gij of ik,quot; voegde hij er met nadruk bij, „altijd het recht heelt de brieven uit Brussel afzonderlijk te ontvangen, zonder het samenzijn van al die Heeren! Eene vierhoofdige regeering is een monster, dat in Spanje niet kan blijven leven,'' vervolgde hij, als in zich zeiven. Toch had de Hollandsche Kerkvorst het verstaan.

„Niemand is daarvan beter overtuigd dan uwe mederegenten,quot; antwoordde deze met bitterheid, en zich daarop tot den Viaam-schen jongeling wendende, sprak hij op een toon, die eene mengeling was van iets hoffelijks met iets scherps en verdrietigs; „Het is zoozeer eene zeldzaamheid, dat onze broeder van Toledo ons een dienst vergt, dat wij ons haasten zullen dien te bewijzen. In waarheid. Mijnheer! men weet te Brussel nog te weinig, hoe ijverig en gewillig de Kardinaal Ximenos ons van alle moeielijke en gewichtige staatsdiensten ontlast. Zoo ook zijn licht de tegenwoordige bevelen aan Zijn Eminentie alleen gericht, als die alleen ze zal moeten uitvoeren. Op zijne verantwoording, geef.quot;

„Twee groote Kerkvorsten! en het bevel van mijn meester; en ik arme jongeling, zonder andere macht dan mijne trouw!quot; zuchtte de Vlaming, maar drukte toch hot pakket stijf tegen de borst, en hield er de armen over gekruist. Ximenès zag altijd glimlachend toe; alleen aan het zonderling schuifelen zjjner voeten over het marmer erkende men zijn ongeduld.

„Donna Valentine-Maria de Arrero!quot; kondigde een camarero aan, terwijl de beide hoofddeuren snel geopend werden, en er eene bevallige jonge vrouw binnentrad, wier wit satijaen gewaad schitterde van gesteenten en borduursel, en wier lange sleep en kanten sluier werden opgehouden door twee Moorsche edelknapen, die haar volgden.

Zoo vlug als het gedacht kon worden, naderde zij den jongen Vlaming, leide hem de hand op den schouder en zeide alleen:

„Gauthier de Vergy! in den naam van Koningin Johanna, zeg ik u, dat gij hier in Spanje niemand gehoorzaamheid schuldig zijt dan den Kardinaal Ximenès alleen !quot;

De aangesprokene keerde zich schichtig om, zag op de dame, bloosde diep, boog zich eerbiedig, en reikte den Kardinaal het gevraagde over met een zwaren zucht; daarna trad hij terug,

ocr page 395

347

boog het hoofd, als een veroordeeld misdadiger, en bield de handen voor de oogen. Allen, die tegenwoordig waren, bleven verstomd van verwondering, eerst over den ongehoorden tegenstand, toen over öe zonderlinge volgzaamheid. Alleen de Kardinaal Ximenès, gelijkmoedig, alsof het pakket hem op de gewone wijze met de gewone plichtplegingen ware overhandigd geworden, zette zich tot het lezen der Brusselsebe staatsstukken ten aanzien van den Kardinaal Adriaan, die, om zich eene houding te geven, lijdzaam plaats nam in den armstoel, welken men hem sinds lang had aangeboden. Donna Valentine naderde vertrouwelijk den zetel van den Regent (Ximenès noemen wij zoo bij uitsluiting) en sprak met vleiende, bijna met kinderlijk zachte stem: „Monsenor gunne mij nu het eerst van deze allen een onderhoud; ik ben u komen zien op het uur van uw middagmaal, omdat ik u wilde vinden zonder bezigheid; dat heeft niet mogen zijn, maar geef u zeiven toch een oogenblik rust en mil deze vreugd, dat ik spreken moge en gij mij wilt aan-hooren.quot; Doch de Kardinaal antwoordde niet en bleef met inspanning voortlezen. En Inico alleen fluisterde der Senora met treurig hoofdschudden in, dat zjjn meester nog niets had genuttigd. Toen sloeg Valentine een blik op do tafel, en vouwde de handen, terwijl zij met hartstochtelijkheid uitriep: rAch, groote Patroon van Spanje! moet hij, die ten tijde van den grooten hongersnood alle armen van Spanje heeft gespijzigd, zelf hongeren! En nog, hoe voedt hij zich als hij eet ? De jachthond van den kleinsten Hidalgo zou het voedsel versmaden, dat hem wordt voorgezet. O! zoete Koningin des Hemels! beloon gij de groote vroomheid van dezen Heilige en de groote deugden van dezen behouder des Vaderlands, die de Koning noch dit volk beloonen kunnen of zelfs gansehelijk bevatten.quot;

De aanwezigheid van deze jonkvrouw, zoo bevallig, en toch zoo ernstig, zoo kinderlijk jeugdig, en die toch zooveel eerbied afdwong door houding en bewegingen; haar eenvoud bij hare waardigheid; hare geestdrift bij de blijmoedigheid, waarmee zij die uitte; de pracht barer kleeding tegenover de sobere naaktheid van het vertrek; hare verschijning in het midden van al deze sombere, statige, zwijgende, onbewegelijke mannenge-

ocr page 396

348

stalten, maakten den indruk en de tegenstelling van de verschijning eener Fee tussehen eene rij betooverde marmerbeelden. Toeh scheen hare komst niemands bijzondere bevreemding opgewekt te hebben, zelfs niet die van den Kardinaal; en dat had zijne oorzaak. Donna Valentine was zijne huisgenoote, zijne bloedverwante, de eenige, die met vrije hand putten mocht uit zijne schatten ten behoeve der weelde, en die nog wat glans en vroolijkheid wierp aan de eene zijde van zijn paleis, die hij haar had ten beste gegeven. Daar waren er, die haar hielden voor een der werktuigen van zijne Staatkunde, die nevens den openen en grooten weg noodzakelijk vele kleine onderaardsche bijwegen moest hebben, om tot haar doel te komen, 't Is zeker, dat hij met haar een deel van den jongen adel aan zich verbonden hield.

De Kardinaal-üegent hief nu het hoofd op uit zijne papieren, en sprak de personen aan, die wij het eerst hebben binnengeleid.

„Eerwaarde Heeren en lieve zonen in Christus! zoo gaarne verdiepte ik mij met u in gesprekken over de heilige Grodge-leerdheid, ter verpoozing van zooveel wereldlijke belangen, als op mij rusten; dan 'tis mij voor heden weêr ontzegd. Ik dank u voor uw goeden wil, om mij tot gezelschap te strekken; gaat en neemt onzen herderlijken zegen met u.quot; En toen zij zich verwijderd hadden, sprak hij tot den Vlaamschen zendeling: „Senor Gauthier! een ander in onze plaats zou reden meenen te hebben, om op u ontevreden te zijn; wij eeren, wie zijn plicht durft volbrengen met vastheid, en leggen u geene andere boete op, dan eene korte gevangenschap onder het bestier van Donna Valentine, onze wellieve Nicht. — Senora! bewijs mij dien dienst tot ik zal hebben afgedaan met mijn doorluchtigen ambtgenoot. — Senor Inico! laat ons alleen!quot;

De Majordomo sloeg een wanhopenden blik op de schrale gerechten, terwijl hij ging. Ximenès glimlachte. „Wees gerust, ik zal niet altijd vasten; geef mij nog eens dien beker, en reik mij dien visch. — Monsenor! ik durf u niet nooden; en vergun mij te eten, terwijl gij dit inziet,quot; en hij reikte Adriaan een der stukken over, en liet eene wijle het hoofd op Inico's schouder zinken. Het was duidelijk te zien, dat hij alleen dan zijne

ocr page 397

349

matheid niet voelde, als hij in overspanning zich zeiven vergat.

Toen de hofmeester vertrokken was, gaf Adriaan van Utrecht zijne verwondering lucht over het gelezene.

„Maar, om 's Hemels wil, Monsenor! hoe kunt gij dus bedaard zijn, nu Chièvres vrede heeft gemaakt met Frankrijk?quot;

„Dat was sinds lang den wensch der Vlamingen, 'antwoordde Ximenès koel.

„En dat is de triomf van onze partij,quot; hernam Adriaan, „van uwe vijanden,quot; verbeterde hij schielijk.

„'t Is niet bepaald tegen het belang van Spanje, en mijn beste wensch wordt verhoord, de Koning komt. . .quot;

,,En Chièvres met hem,quot; viel Adriaan in.

„Die is niet meer gevaarlijk, sinds ik hem zijn handel in ambten ontnam.quot;

„Maar gij vreest hem dan niet voor uw invloed?quot;

„Gij wel, niet waar?quot; hernam Ximenès lachend, „sinds hij u verdrong als opvoeder van Z. H. en u heenzond in deze eervolle ballingschap te Madrid.quot;

„Sinds dien tijd ben ik u tot last,quot; hernam Adriaan met eenig gewicht.

„Och, gij staat mij niet in den weg,quot; antwoordde Ximenès, met de fijnste schakeering tusschen minachting en spot, die door een geestig gelaat is uit te drukken.

„Maar begrijp mij dan toch!quot; sprak de Bisschop van Tortosa, „als Chièvres overkomt met den Koning, wat wordt er dan van uw regentschap?quot;

De Kardinaal haalde de schouders op en nam een oranjeappel.

„Denkt gij dan eeuwig te regeeren?quot; barstte Adriaan uit, ongeduldig en verdrietig, dat hij dezen vijand, bij het voorspiegelen van eene toekomstige nederlaag, zelfs het voorhoofd niet zag fronsen.

„Eeuwig! neen, daarvoor behoede mij God, van wien ik te Zijner tijd de rustte der zaligheid wachtte,quot; sprak de Regent haastig. „Maar,quot; voegde hij er bij, op dien loon van vast vertrouwen en innige overtuiging, die een groot man alleen eigen kan zijn: „maar ik zal regeeren, zoolang ik leef; moge het niet korter zijn dan Spanje mij noodig heeft; bid dat met mij

ocr page 398

350

voor het heil van het Vaderland!'' In de reinheid zijner gedachten vergat hij, dat de man, tot wien hij dit zeide, zijne tegenpartij was, die alleen van zijn dood of van zijn val, eigene grootheid, eigene zelfstandigheid wachtte; want hij sprak dit woord niet met den dwazen eigenwaan van een ingebeelde, maar met de reine zelfbewustheid van hem, die zijne krachten heeft beproefd, en nu kent, en die zich sterk weet en helderziend, in voorspoed en in ongeluk beide; en die weet, welke groote diensten hij reeds heeft bewezen, en welke groote diensten er nog van hem zullen gevorderd worden.

„Ja, ik zal blijven regeeren, al lagen ook alle worstelingen, alle aanvallen en alle ellenden, die nu achter mij zijn, nog voor mij ter bestrijding; ik geef niet over wat mij is toevertrouwd, dan aan mijn wettigen Heer, als die een schrander en volwassen jongeling zal zijn, die voor zich zeiven kan zien en handelen; niet aan de bestierders van een onmondigen knaap, dien zij gebruiken als een schild, om hunne onhandigheden mee te dekken, of hunne eigenbaat.quot; Onder dit spreken had Ximencs zijne groote glinsterende zwarte oogen opeens geheel opgeslagsn; de gloed der ziel, die er uit straalde, vergoedde den glans, dien de jaren hadden geroofd; men zag, dat het oogen waren, met wier blik hij doen konde wat hij wilde; beurtelings gebieden, of vleiend aantrekken, of afstooten; oprichten of verpletteren, behagen of ontzetten, altijd naar hij goedvond ze te gebruiken. Adriaan scheen zich tegen dien invloed niet te kunnen verweren, schoon hij dien volkomen begreep, want hij sloeg zijne oogen neder en antwoordde alleen met een zucht;

„Ja, ik weet het, gij zult beheerschen wien gij wilt, en zoolang het u goeddunkt.quot;

Maar Ximenès had intusschen zijne eigf ne geestdrift overwonnen en zag wellicht in hoe hij meer had gezegd, of nog zeggen ging, dan de gelegenheid eischte, want hij veranderde op eens van toon en vroeg; „Wat is toch de oorzaak der onrust, die u hierheen dreef

„Een zeker bericht van nieuwe bewegingen onder de partij van Infantado!quot;

„En wat verder?quot; vroeg de Regent met een glimlach.

ocr page 399

351

„Is dat niet genoeg?quot; hernam de Utrechtsche Heer met bevreemding, „weet er dan bij, dat Don Fernando, of liever zijne gunstelingen, de beweging besturen.quot;

„Ik wist dat. Meent gij in ernst, dat Fernando zich te Madrid beweegt zonder mij ? Ik moest hem zoover laten gaan, opdat de maatregelen kouden genomen worden, die ik mij hierquot; — en hij wees op een der stukken, die hij uit het pakket nam — „heb laten voorschrijven.quot;

„Hoe! de beveleu, die men ons uit Brussel toezendt, worden dus door u voorbereid?quot;

„Zou ik ze anders uitvoeren? Maar lees deze en gij zult zien, hoe bet noodig is, dat dergelijke harde middelen schijnbaar onmiddellijk uitgaan van den Koning?quot;

Adriaan las met eene verwondering, waarin zich zichtbare ontzetting mengde. Daarop zag hij Ximenès aan met een onwil, die tevergeefs met zijne vereering streed, en eindelijk riep hij uit: „Gij zijt een groot man, Kardinaal Ximenès! waarlijk, gij moest Paus zijn geworden,quot;

„Het ware misschien goed geweest voor de Christenheid en voor de Kerk;quot; hernam de Regent, „maar, geloof mij, ook hier ben ik op mijne plaats.quot;

En wel had hij gelijk, te zeggen, dat hij op zijne plaats was. Een vluchtige blik op Spanje en op hem zeiven zal ons bewijzen, hoe hij goed stond, waar hij was.

Nooit is zij opgelost, die vraag der geschiedenis, wie het oog van Isabella voorlichtte, toen zij dezen man tot zich riep uit het binnenste van een klooster, op het oogenblik, dat hij terugkeerde van eene kluizenaarsproeve te Castelna; op een oogenblik, dat hij bij zich zeiven van alle aardsche grootheid had afstand gedaan. Maar het was bepaald, dat Spanje te dier tijde al de groote mannen zou hebben, die het noodig had. Columbus en Gonsalvo van Cordua, om het uit te breiden: Ximenès, om het overwonnene bijeen te houden en te bevestigen; en het is zeker, dat Torquemada, de biechtvader der Koningin, te laat is gestorven, sinds zij hem zulk een opvolger gaf. Isabella, die de dochter van Castiliö, door de liefde der Cas-tilianen op een troon geplaatst, die ze wel deelen mocht met

ocr page 400

352

haar echtgenoot, maar niet aan hem wegschenken, had nauwelijks den monnik van Toledo tot zich opgeheven, of zij ondervond de overmacht van zijn geest; wij erkennen een anderen wil dan een vrouwelijken in de onverbiddelijke strengheid, waarmede de pas overwonnen Mooren tot het Christendom gedwongen werden, en waarmede de onbekeerlijke Joden Spanje werden uitgedreven; en het was niet de hand van den Koning, die dit wrocht. Ferdinand zelf had de vluchtenden gaarne teruggehouden in zijne Staten. Deze hardheid is Ximencs vaak toegerekend geworden als eene politieke fout, de eenige, die zijne strengste beoordeelaars hem te verwijten hebben; maar, om niet te zeggen, hoe goed zij te verdedigen zou zijn, gezien van zijn standpunt als een geloovig Katholiek, wij gelooven, dat ook dit een raad was, die hem deed kennen als een fijn en vérziend Staatsman. Waarlijk, Spanje, met Portugal naast zich, met Frankrijk, eeuwig naijverig, boven zich. met Napels en Rome ter zijde, met Barbarije beneden zich, met zijne bezittingen in de verte, een toevoegsel van rijkdom, waarvan men de waarde nog niet wist te bepalen, en dat vooreerst meer krachten nam dan gaf, Spanje met al die trotsche en onafhankelijke leenmannen in zijn schoot; met dat onbestemde regeeringsamp;telsel: met Castilië en Arregon, naast elkander als afzonderlijke Koninkrijken, wel verbonden voor het oogenblik door het huwelijk hunner beide Vorsten, maar niet vastgesmeed voor altoos door eene verzekerde erfopvolging; Spanje met eene Vlaamsche heerschappij in het vooruitzicht, door de verbintenis van Philips van Oostenrijk met Isabella's erfdochter; — Spanje had niet noodig, ook nog de rust van zijne binnenlanden, de rust van zijne Grecadasche overwinning, verstoord te zien door geloofstwisten, en zijne macht verdeeld door tallooze opstanden in het hart van het Rijk. De Mooren, die Christenen waren geworden zouden als vanzelve zich vermengen met de Christenen: hunner afkomst niet meer, herdenken, om zich hunne rechten te herinneren; niet meer samenscholen, ondsr het voorwendsel van een naam, waarvan zij bij den doop hadden afstand gedaan; en zoo was het noodig voor de belangen van Spanje, dat de Mooren den Godsdienstvorm aannamen van hunne

ocr page 401

353

overwinnaarSj of dat men door hun dood, of door hunne verbanning, de rust verzekerde, die zij moesten bedreigen. Nog voor hij eenige buitengewone verdiensten had bij het Vaderland, alleen uit een welbehagen in zijn persoon, had Koningin Isabella haar biechtvader verrast met de opdracht van het Aartsbisdom van Toledo, waarmede ze hem Kanselier van Castilië maakte. Primaat van het Koninkrijk en eerste Grande van Spanje, terwijl Paus Julius II, om het al te volmaken, hem den purperen hoed der Kardinalen schonk, opdat hij de inkomsten van zijn Bisdom onverdeeld mocht genieten. Zooveel eer, zooveel grootheid werd door hem noch begeerd, noch met onverdeelde blijdschap aangenomen; men moest hem zijne fortuin opdringen. En dat was geenszins de huichelarij, die de houding aanneemt van achteruit te wijken, om daarna des te beter toe te tasten; maar als monnik had hij te weinig behoeften, als wijsgeer te veel matiging en levenswijsheid, om in deze buitengewone verheffing iets anders te zien, dan de voorwaarde van een leven vol werkzaamheid en onrust, vol krachtsinspanning en strijd vol opoft'ering en zelfverwinning ten behoeve der menschheid; maar ook van groote zelfvoldoening in het heil der menschheid; — en zoc ook is zijn leven geweest, dat wij verder niet meer dus van stap tot stap kunnen natreden.

Toen Isabella gestorven was, werd het de vraag, wie in Castilië regeeren zou? Ferdinand, in naam van zijn kleinzoon naar den uitersten wil van zijne echtgenoote, of Philips, uit kracht der natuurlijke voogdij over zijn zoon en der wettige heerschappij over zijne vrouw (aan welke de kroon was vervallen), die, waanzinnig en zelfs in flare oogenblikken van helder bewustzijn slechts in vrouwelijk harteleed verdiept, ongeschikt was geworden, zoo ooit geweest, voor de moeitevolle taak. Maar de schranderheid en de vastheid van Ximenès hakte den knoop door. Met die warme trouw aan zijn Vaderland, welke zich nooit heeft verloochend, gaf hij den ingeboren vorst de voorkeur boven den vreemden schoonzoon, hoewel de eerste verlaten was van allen, en zich nooit zijn vriend had getoond, hoewel de laatste eene opkomende zon was, welke te aanbidden hem voordeelig had kunnen zijn. Te dier dage was het de fijne staatkunde van

Krooo. Karei de Stoute.

23

ocr page 402

354

Ximenès, zijne voorzichtigheid, zijne juiste blik, zijne behendige leiding, die Spanje redde van een burgerkrijg, van schandeljjk bloedige twisten tusschen vader en zoon; hij leerde hen elkander verdragen, ruimde misverstand weg, waar het zijn kon, en gaf Ferdinand te heerschen, terwijl hij Filips met de belofte van den scepter naar Spanje riep. Dan do dood rukte den bloeienden zoon van Oostenrijk dien scepter uit de handen, eer hij dien vastgegrepen had; en eene vrouw, krankzinnig door hartstochtelijke huwelijkstrouw, en een onmondig kind bleven de erfgenamen van het gezag. Ferdinand was intusschen, met brandenden naijver op zijn schoonzoon in het hart, naar Arragon teruggetrokken, en dacht op middelen, aan den eenen kant om zjjne macht elders uit te breiden, aan den anderen, om tegen de belofte, aan zijne gemalin gedaan, door een tweede huwelijk hare erfgenamen van een deel zijner Staten te onteigenen. Om voornemens als deze; om menige vorstenondeugd, door weinig vorsten-goedheid verzacht; om zijne Arragonsche afkomst bovenal, door de Castiliaansche grooten gehaat, sloten dezen hem uit van het regentschap, dat, bij het overlijden van Filips den Schoonen, Johanna moest vertegenwoordigen, ofschoon hij, als voogd, de naaste aanspraak scheen te hebben, om de zaken zijner dochter te regelen. Maar zonderling is het, en wel het schitterendst bewijs van de achting, die Ximenès zich had gewonnen, van het vertrouwen, dat men stellen durfde èn op zijn beleid, èn op zijne eer, dat die zelfde menschen, die Ferdinand vreesden en verwaarloosden, den Kardinaal het gezag in handen gaven, dat ze hem weigerden; den Kardinaal, die zijn openlijke vriend was gebleven in geluk en in tegenspoed beide! Met deze verheffing riep Cas-tilië het toe aan Europa, dat zij geen zoon had, meer waardig haar vorst te vertegenwoordigen, dan dezen monnik. Maar dat was toen ook reeds de monnik, die op eigen kosten een leger tegen de Afrikanen had in het veld gebracht, en die zes maanden lang aan het hoofd van dat leger had gestreden, altijd de eerste; altijd vooruit, met het oog op het kruis, dat hij zich liet voordragen en gewapend met een zwaard, dat hij geene ruste gaf in de scheede; de monnik, die drie duizend Mahomedanen voor het Christendom had gewonnen op een zelfden dag; die met het

ocr page 403

355

beleid van een Jozef, maar met eigen bespaard goud, den hongersnood had geweerd uit den lande; die nooit eene stad doortrok, of hij had er kranken getroost, armen geholpen, weezen verzorgd, misdadigers gestraft met billijkheid, en berouwhebben-den opgericht met verschooning; de monnik, voor wien het volk knielde uit liefde nog meer dan uit eerbied; voor wien de Grooten van Castilië sidderden, en dien ze toch boven zich stelden. De taak, die Ximenes met dat Regentschap werd opgedragen, mocht grootsch zijn, maar zij was zwaar. Eene radeloos ijlhoofdige vrouw, die nog somtijds vlagen had van vorstelijke heerschzucht, die voor den roem der echtgenoot de plichten der moeder vergat, en die de doodkist van den vader teêrder bewaakte, dan de wieg van zijn kind, — zulk eene vrouw rond te leiden door een Koninkrijk, dat geschokt werd en beroerd door zooveel partijen als er hoofden waren voor de kroon, of handen voor den regentenstaf, was een tergende plicht op een oogen-blik, dat hij noodig had, om met kalm beraad, uit het middenpunt des rijks, geregeld en ordelijk te voorzien in alle vakken des bestuurs. Ximenès moest zich als het ware vertiendubbelen, zonder toch alles te kunnen volbrengen, wat hij zich had opgelegd. Men heeft hem zijne heerschzucht verweten; het is zeker dat hij altijd heeft willen heerschen, als hij het belang zijns vaderlands van zijn meesterschap afhankelijk dacht; maar het is ook zeker, dat hij telkens is teruggetreden, waar diezelfde belangen zijn terzijdegaan eischten. In Afrika, in het leger, dat hij zelf bezoldigde, week hij voor den grooten veldheer Navarre, toen hij voelde, dat deze het moede werd, de tweede te zijn; in dezen anderen nood riep hij Ferdinand uit Arregon terug, schoon hij weten kon, dat hij zich een achterdochtig en naijverig meester gaf, die zijne plannen lichter zou dwarsboomen, dan steunen, die hem zeiven zou wikkelen in nieuwen tegenstand, alleen, omdat hij een vorst wilde stellen tegenover de eischeu van buitenlandsche mededingers en tegen den overmoed der inland-sche grooten. Ferdinand is gekomen; Ximenès heeft hem gesteund met al de krachten van zijn vasten en forschen geest, en met al de behendigheid van zijn fijn en voorzienig oordeel; hij heeft hem geleerd, zwakke vrienden, die hem verlaten hadden

ocr page 404

356

in tegenspoed te vergeven, en openlijke vijanden, die terugkwamen met het geluk, door zachtheid te winnen; hij heeft dat hard en eigenbatig karakter gelenigd en getemd, en ten laatste de daden zijner zelfzuchtige jaloezie gewijzigd. Want sinds Ferdinand de trouweloosheid had gehad, van Germaine de Foix te huwen, van zich erfgenamen te wenschen, zelfs toen de wijsheid Gods zich door het wegnemen van zijn jonggeborene daartusschen stelde, en eindigde met een uitersten wil, waarin hij zijn tweeden kleinzoon Ferdinand macht en waardigheden opdroeg, die op de rechten van den ouderen broeder inbreuk maakten, en die genoeg twist en verdeeldheid moesten brengen, om Arragon af te scheuren van Castilië, — toen schaarde Ximenès zich, billijk als trouw, aan de zijde van hen, die waakten voor de belangen van het vaderland en streden voor de rechten van een wees, die verre was; ofschoon hij nooit met hen eens was geweest in bedoelingen en wenschen. Ook triomfeerde de rechtvaardigheid over verwanten haat, en toen Ferdinand stierf, liet hij zijn oudsten kleinzoon Karei, reeds Graaf van Holland en Aartshertog van Oostenrijk, het vereenigd rijk van Castilië en Arragon als wettige erfenis achter.

Maar toch was aan den Aartsbisschop van Toledo de zorg van Spanje opgedragen, tot Kareis meerderjarigheid en overkomst. De Vlaamsche opvoeders van den jongen Vorst hadden dit oogenblik reeds lang met bezorgde blikken tegemoet gezien; hadden op hunne wijze voorzorgen genomen, om de opvolging te verzekeren aan hun kweekeling, maar hun zeiven de macht in zijn naam. Dan, tot dit laatste hadden zij zich in het middel vergist. Een vroom en belangeloos man, de Leuvensche deken Adriaan van Utrecht, was nog bij Ferdinand's leven naar Spanje gezonden, om bij zijn dood het Regentschap te aanvaarden in Kareis naam. Doch de Koning, wien dat staren op het uur van zijn sterven onverdragelijk scheen, had hem als spion gehouden en hem nooit willen zien, en Ximenès, zonder zich aan Vlaamsche volmachten te storen, nam de teugels van het bewind in de vaste en moedige hand. Dat Adriaan de man niet was, dien men tegen dezen Staatsman had moeten overstellen, is reeds elders gezegd, maar zelfs, al ware hij

ocr page 405

357

hem meer gelijk geweest in krachten des geestes, vreemdeling in dit land, door niet ééne partij met oprechtheid ingelicht, stond de kans niet gelijk, en de hulpmidelen waren het nog minder. De raadslieden des jongen Konings deden hem het Kardinaalschap opdragen, om ten minste een ongelijkheid in rang te effenen. Dan, hot bleek ijdel. Als eenvoudige monnik zou Ximencs over dezen Kardinaal geheerscht hebben; men zond hem mederegenten, die hunne stem altijd voegen zouden bij de zijne ; maar Ximenès luisterde toe met beleefdheid, en ging zijn eigen weg, omdat hij wist, dat hij zich zeiven genoeg was, om de belangen van het Koninkrijk te behartigen, en dat vreemde inzichten, zijn wel doordacht ontwerp kruisende, niets konden brengen dan verwarring en weifeling; en de Staatslieden te Brussel begrepen dat zoo goed, dat ze eindigden met hem gelijk te geven, en iederen aanval op zijn gezag voortaan niets wrocht, dan zijne zegepraal en de bevestiging zelve van dat gezag. Zooras hij het testament van Ferdinand door Karei had bekrachtigd gezien, ging hij uitvoeren, wat hij ontworpen had; zonder ommezien noch terugblik, ieder persoonlijk belang vergetende, en het allereerst zijn eigen, voor het algemeene welzijn ; en voor iederen tegenstand had hij een wapen gereed, dat versloeg; voor iedere tegenspraak een machtwoord, dat verpletterde; voor iedere onbe-scheidene vraag een antwoord, dat verstommen deed. Wat men het allerminst van een geestelijk staatsman zou gewacht hebben, was zijne ïorg voor eene vaste en geregelde krijgsmacht, genomen uit den boezem der steden; en niet als vroeger afgebedeld van den goeden wilder groote leenmannen. De edelen zagen indezen maatregel eene groote onafhankelijke macht zich vormen tegenover de hunne, eene eerste verkorting hunner rechten, eene dreigende houding tegen hunne aanmatigingen. En zoo was het. De forsche vertegenwoordiger van het koningschap, die zijne zaak handhaafde met daden, vermeteler dan een Koning ze zou gewaagd hebben, zag in do verkleining van den adel en in de opheffing van het volk, voor dit tijdpunt waarborgen van zijns meesters heerschappij, en toen de adel dit evenzeer begrepen had, en begon te worstelen tegen deze nieuwigheid, en tot de steden toe wist op te ruien voor zijn belang, toonde Ximenès zijne

ocr page 406

358

geordende krijgsmacht, zijn welbediend gesehut, zijn opgezameld goud, en wie toen niet voorzichtig terugweek, voelde den druk van zijne machtige hand in strenge straf of in smartelijke vernedering.

Intusschen voerde hij oorlog in Navarre, waar hij zegevierde; in Afrika, waar hij minder gelukkig was; had een oog te houden op de buitenlandsche belangen van Spanje, die vaak in strijd waren met die van Vlaanderen, en waaraan ze toch ondergeschikt worden gemaakt, en waaraan men hem geene stem gunde, omdat ze geregeld werden uit Brussel, omdat h|j alleen Kegent was van Spanje, en omdat de Raadslieden, de Voogden van den jongen Koning, met den persoon van dezen, alle andere belangen, die aan zijn scepter waren vastgehecht, in hunne macht hadden. Wij zullen uit des Kardinaals eigen mond hooren, hoe Spanje leed onder die ongelukkige verhouding; het is ons nu genoeg te weten, dat hij onder al die worstelingen tachtig jaar was geworden, nooit een enkelen staatsplicht had verzuimd, en toch geen enkelen plicht van zijn godsdienst ongedaan had gelaten; want hij geloofde met een oprecht geloof, zonder te vervallen tot die zwakheid des geestes, die henenvoert tot dweperij; want, terwijl hij zich zelf niet ééne genieting der zinnelijkheid veroorloofde, stichtte hij vrouwenkloosters, vreedzame toevluchtsoorden voor verarmde edeldoehteren, waarin ze werden opgevoed voor de wereld, om tot de wereld te gaan als die haar aantrok, en waarin alleen eene besliste roeping voor altijd wijkplaats gaf. Terwijl hij het Christendom door dwang en zachtheid uitbreidde onder Joden en Heidenen, trachtte hij de Christenheid te verlichten door te zorgen voor zuivere vertalingen van deu Bijbel, 1) door eene ruimere verspreiding van dit Heilig Boek, door toe te zien op de verbetering dor geestelijkheid. Hoewel blind rechtvaardig en onverbiddelijk streng in het toepassen der wet, heeft hij nooit het menschelijk gevoel opgeruid door daden van wreedheid, en zelfs zijne vijanden hebben hem niet kunnen beschuldigen van ééne persoonlijke wraakneming. Hij kon Mazarin worden ter zyde gesteld in behendige staatskunst, maar hij was rein van

1) De drukproeven van den polyglotten Bijbel werden door hem zelf nagezien.

ocr page 407

359

diens kruipende eigenbaat; hij was geen slechter Regent dan Richelieu, maar hij was vromer Kardinaal, beter mensoh; hij hield zijn Koning niet minderjarig als deze; maar toen zijn Koning minderjarig was, waakte hij voor de rechten van het koningschap en voor de welvaart van het volk. Zoo zeker was hij de man, die God aan Spanje gegeven had, opdat het een groot en zelfstandig Koninkrijk mocht blijven, in een tijd, waarin het gevaar liep, om niets te worden dan een Vlaamsch wingewest; zoo zeker mocht hij met vrijmoedigheid zeggen, dat hij op zijne plaats was waar hij stond.

Na dat woord van Ximenès, had Adriaan, als in ernstige gedachten verdiept, op de staatsstukken gestaard, en scheen nu willens iets te vragen; doch de Groot-Ceremoniemeester van het paleis trad binnen met eene gewichtige houding, en kondigde aan, dat de Infant Don Fernando in de voorzaal was, en een onderhoud wenschte met den Regent.

„Wie vergezelt den Infant?quot; vroeg Ximenès, terwijl hij zijn ambtgenoot veelbeteekenend aanzag.

„Niemand, dan de oude Secretaris; en Zijne Genade wilde gaarne ontvangen worden zonder ceremonieel.quot;

„Het moge zijn, zooals Zijne Genade gebiedt,quot; antwoordde Ximenès deftig, en weinige oogenblikken daarop vertoonde zich Ferdinand van Oostenrijk, tweede zoon van Philippus den Schoonen, en van Johanna, die men de Waanzinnige had bijgenaamd. Deze Vorst was naar zijn ouderdom nog slechts een knaap, maar zijn sterken groei, zijne vroeg gevormde trekken, zijne vorstenopvoeding bovenal, gaven hem nu reeds het voorkomen van een jongeling, wiens zwaarmoedig hoofd en lijdende bleekheid belangstelling wekten en nieuwsgierigheid beide. Hij leed ook aan eene verterende kwaal: onvoldane heerschzucht. De eerste beschikking van zijn Grootvader, die hem tot Grootmeester benoemde van de drie hoogste ridderorders, en tot Regent van al de Spaansche Koningsstaten, met verachting van zijns broeders rechten, was hem niet onbekend gebleven, en zij had dien noodlottigen hartstocht in hem opgewekt; noodlottig zeker, want toen hij eene korte wijle van die hooge bestemming had gedroomd, werd hem aangezegd, dat zij was

ocr page 408

360

weggelegd voor zijn oudere, dat hij voortaan geen anderen rang zoude houden in het Koninkrijk, dan een zulken, die ledige eere gaf zonder macht; en toen hij zijne teleurstelling noch zijne spjjt wist te verbergen, werd hij het voorwerp van een staatkundigen achterdocht, welke zijne eigene onberadenheid en de weinige voorzichtigheid zijner opvoeders en vertrouwelingen maar al te zeer rechtvaardigden.

Hij leunde op den arm van zijn Secretaris Cecco d'Entradaa een deftig grijsaard, met een levendig oog en scherpe trekken. Nadat de beide Kardinalen hem als Prins van den Bloede hadden verwelkomd, door hem een paar schreden te gemoet te gaan, wierp hij zich als zoon der Kerke neder aan de voeten van den hoogsten Prins der Kerke, den Aartsbisschop van Toledo. Ximenès reikte hem de hand om op te staan, en zette zich, terwijl hij met een hoffelijk woord vroeg, waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.

Ferdinand viel terstond uit in dien driftigen en ongepasten klaagtoon, die meer zijne jeugd verraadde dan zijn goed oordeel,

„Sinds God dat groote onheil over ons heeft gebracht, dat de zonen van Oostenrijk de tusschenkomst van een vreemde noodig hebben, om tot hunne moedor te gaan, kom ik u vragen, mij bij de Koningin van Spanje toe te laten.quot;

Het gelaat van Ximenès teekende een licht misnoegen, toen de Prins met opzettelijken nadruk dat „Spanjequot; uitsprak. In het eerst antwoordde hij niet, maar bleef hem lang en doordringend aanzien; daarop zeide hij alleen: „De krankheid van Koningin Johanna laat niet toe, dat men haar telkens nutteloos vermoeie; waarom wilt gij uwe moeder zien, Monsenur?quot; Ferdinand had zijn oog voor dat van den Kardinaal neêrgeslagen, en bloosde en verbleekte beurtelings; nu wendde hij met zichtbare verlegenheid den blik op zijn Secretaris, die schielijk het woord nam. „Mijn jonge meester wilde den zegen der Koningin afvragen op eene bedevaart, die Zijne Genade wenscht te ondernemen naar St. Jacob van Compostella, te harer genezing.quot;

„Senor Cecco!quot; hernam de Kardinaal op dien scherpen toon, dien hij aannam, zoo vaak hij zich tot deze richtte, „het ware ten minste oorbaar geweest, dat gij hadt onderzocht, in hoeverre

ocr page 409

361

de Eegent van Spanje dergelijke vrome tochten goedkeurde, eer gij daarvoor in uw jongen meester den smaak had opgewekt.quot;

„Ik wist niet, dat de Prins van Oostenrijk gevangene was,quot; heraam Cecco met meer moed dan voorzichtigheid.

„Gij wist dat niet, mijn vriend!quot; viel de jonge Prins levendig in; „o! bij alle Heiligen van Arragon, die het wreken zullen, ik wist het sedert lang. Sinds hij mij uit mijn lief Guadaloupe hierheen riep, houdt die man mij gevangen aan eene lange keten, waarvan hij iederen dag eene schakel tot zich trekt, en hij zal eindigen met mij in boeien te sluiten! Cecco! hij «öZ het doen, zoo gij en Senor Orlando en alle trouwe lieden van Arragon het niet verhoeden.quot; En toen hij dit gezegd had, wierp de ongelukkige zich hartstochtelijk aan de botst van zijn grijzen vertrouweling.

De man, dien de roekelooze jongeling met dit woord belee-digde, zag een wijle op hem met een smartelijken glimlach; toen sprak hij met strengen onwil tot Cecco: „Zij, aan wier leiding de Infant is toevertrouwd, doen niet wel, zijne slecht beraden jeugd te wagen aan zulke proefnemingen, indien zij zijne handelingen en woorden niet genoeg in hunne macht hebben, om zulke tooneelen te voorkomen.''

„In waarheid,quot; voegde Adriaan van Utrecht er bij, die meende door een dreigend woord zijne afkeuring te moeten kenbaar maken; „in waarheid, de gevoelens, die men den Prins inboezemt, zijn zoo gevaarlijk, dat zij de ongewone bevelen uit Brussel volkomen rechtvaardigen; en de Raadslieden van Prins Ferdinand berokkenen zich zeiven ..

Een snijdend „Indiscreto!quot; en een felle blik van kleinachting en misnoegen van Ximenès deden den Utrechtenaar plotseling zwijgen, maar te laat toch — want Cecco, die tusschen verslagenheid en wrevel had geweifeld onder het spreken van den Regent, trok nu partij van Adriaans onvoorzichtige uitlating', door stoutweg te vragen;

„Uwe Eminentie weet van bevelen, die onzen Infant betreffen, waarin wij betrokken zijn?quot;

„Ik weet niets,quot; antwoordde Adriaan, en ging verdrietig ter zijde; hij was beschaamd en gekwetst, door de wijze, waarop

ocr page 410

360

weggelegd voor zijn oudere, dat hi] voortaan geen anderen rang zoude honden in het Koninkrijk, dan een zulken, die ledige eere gaf zonder macht; en toen hij zijne teleurstelling noch zijne spijt wist te verbergen, werd hij het voorwerp van een staatkundigen achterdocht, welke zijne eigene onberadenheid en de weinige voorzichtigheid zijner opvoeders en vertrouwelingen maar al te zeer rechtvaardigden.

Hij leunde op den arm van zijn Secretaris Cecco d'Entradas een deftig grijsaard, met een levendig oog en scherpe trekken. Nadat de beide Kardinalen hem als Prins van den Bloede hadden verwelkomd, door hem eeu paar schreden te gemoet te gaan, wierp hij zich als zoon der Kerke neder aan de voeten van den hoogsten Prins der Kerke, den Aartsbisschop van Toledo. Ximenès reikte hem de hand om op te staan, en zette zich, terwijl hij met een hoffelijk woord vroeg, waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.

Ferdinand viel terstond uit in dien driftigen en ongepasten klaagtoon, die meer zijne jeugd verraadde dan zijn goed oordeel.

„Sinds God dat groote onheil over ons heeft gebracht, dat de zonen van Oostenrijk de tusschenkomst van een vreemde noodig hebben, om tot hunne moeder te gaan, kom ik u vragen, mij bij de Koningin van Spanje toe te laten.quot;

Het gelaat van Ximenès teekende een licht misnoegen, toen de Prins met opzettehjken nadruk dat „Spanjequot; uitsprak. In het eerst antwoordde hij niet, maar bleef hem lang en doordringend aanzien; daarop zeide hij alleen: „De krankheid van Koningin Johanna laat niet toe, dat men haar telkens nutteloos vermoeie; waarom wilt gij uwe moeder zien, Monsenor?quot; Ferdinand had zijn oog voor dat van den Kardinaal neêrgeslagen, en bloosde en verbleekte beurtelings; nu wendde hij met zichtbare verlegenheid den blik op zijn Secretaris, die schielijk het woord nam. „Mijn jonge meester wilde den zegen der Koningin afvragen op eene bedevaart, die Zjjne Genade wenscht te ondernemen naar St. Jacob van Compostella, te harer genezing.quot;

„Senor Cecco!quot; hernam de Kardinaal op dien scherpen toon, dien hij aannam, zoo vaak hij zich tot deze richtte, „het ware ten minste oorbaar geweest, dat gij hadt onderzocht, in hoeverre

ocr page 411

361

de Eegent van Spanje dergelijke vrome tochten goedkeurde, eer gij daarvoor in uw jongen meester den smaak had opgewekt.quot;

„Ik wist niet, dat de Prins van Oostenrijk gevangene was,quot; hernam Cecco met meer moed dan voorzichtigheid.

„Gij wist dat niet, mijn vriend!quot; viel de jonge Prins levendig in; ,,o! bij alle Heiligen van Arragon, die het wreken zullen, ik wist het sedert lang. Sinds hij mij uit mijn lief Guadaloupe hierheen riep, houdt die man mij gevangen aan eene lange keten, waarvan hij iederen dag eene schakel tot zich trekt, en hij zal eindigen met mij in boeien te sluiten! Cecco! hij «a? het doen, zoo gij en Senor Orlando en alle trouwe lieden van Arragon het niet verhoeden.quot; En toen hij dit gezegd had, wierp de ongelukkige zich hartstochtelijk aan de borst van zijn grijzen vertrouweling.

De man, dien de roekelooze jongeling met dit woord belee-digde, zag een wijle op hem met een smartelijken glimlach; toen sprak hij met strengen onwil tot Cecco; „Zij, aan wier leiding de Infant is toevertrouwd, doen niet wel, zijne slecht beraden jeugd te wagen aan zulke proefnemingen, indien zij zijne handelingen en woorden niet genoeg in hunne macht hebben, om zulke tooneelen te voorkomen.''

„In waarheid,quot; voegde Adriaan van Utrecht er bij, die meende door een dreigend woord zijne afkeuring te moeten kenbaar maken; „in waarheid, de gevoelens, die men den Prins inboezemt, zijn zoo gevaarlijk, dat zij de ongewone bevelen uit Brussel volkomen rechtvaardigen; en de Raadslieden van Prins Ferdinand berokkenen zich zeiven . .

Een snijdend „Indiscrete!quot; en een felle blik van kleinachting en misnoegen van Ximenès deden den Utrechtenaar plotseling zwijgen, maar te laat toch — want Cecco, die tusschen verslagenheid en wrevel had geweifeld onder het spreken van den Regent, trok nu partij van Adriaans onvoorzichtige uitlating, door stoutweg te vragen;

„Uwe Eminentie weet van bevelen, die onzen Infant betreft'en, waarin wij betrokken zijn?quot;

„Ik weet niets,quot; antwoordde Adriaan, en ging verdrietig ter zijde; hij was beschaamd en gekwetst, door de wijze, waarop

ocr page 412

362

hem het stilzwijgen werd opgelegd, maar hij voelde te wel, hoe dwaas hij zich versproken had, om opnieuw een woord te wagen.

De Eegent bespaarde hem de onzekerheid. — „Het wordt bij ons Spanjaarden voor eene fout gehouden, den dolk te trekken en niet toe te stooten,quot; fluisterde hij Adriaan toe; „Cecco is een vermetel en doldriftig mensch, die in onzekerheid het wanhopigste besluit zou nemen; zij moeten nu alles vreten; gij hebt gemaakt, dat ik met geweld zal moeten doorzetten, wat ik met zachte behendigheid had willen afvleien,quot; zeide hij, en daarop zich met strenge hoogheid tot Entradas wendende, zeide hij:

„Mijn ambtgenoot was een weinig te ras, en toch sprak hij uit, wat eenmaal moet gezegd worden. Het Hof van Brussel Is ontevreden op hen, die den Infant Fernando het naastbij omringen, over den invloed, dien zij op Zijne Genade oefenen, en dien zij misbruiken, om aan zijn geest en karakter eene richting te geven, die alleen kan dienen, om hem weg te slepen tot beschouwingen en daden, die nog meer verderfelijk zouden zijn voor den Prins zeiven, dan gevaarlijk voor de rust var het Koninkrijk.quot;'

„Uwe Doorluchtigheid 1 dit mistrouwen . . .quot; viel de Secretaris in.

„Vraag het uw eigen geweten af, of het gewettigd is. Ik wil niet spreken van de wijze waarop gij den jongen Prins inneemt tegen personen, die meer zijne ware vrienden zijn, dan het u vergund is te weten. Dit oogenblik zelf gaf er bewijs van . . . maar gedenk, wat er in de laatste dagen is voorgevallen; — gij verbleekt, dat is, omdat gij u herinnert, wat gij overeengekomen zijt, in dat laatste samenzijn met den Hertog van Infan-tado, waarbij gij Don Pernardo eene rol hebt laten spelen, waarvan hij nog al het gewicht niet begrijpt, en waarvan de verantwoording op u komt : — gij siddert, dat is, omdat gij indenkt, met welke voornemens gij uw jongen meester hebt overgehaald, om een onderhoud te vragen met zijne moeder; — herstel u, mijnheer! ik zal niet verder gaan, want het is niet meer de tijd van verwijtingen, maar van vergelding ; de Koning, onze Meester, heeft beslist, dat er een eind zou zijn aan dit alles; Seror Orlando, de Gouverneur van Zijne Genade, en gij, mijnheer! zijt van nu aan ontslagen uit den dienst van den Prins.quot;

ocr page 413
ocr page 414
ocr page 415

363

Een oogenblik stond Cecco, of hij door eene plotselinge bedwelming overvallen was; daarna zag hij op Ferdinand, die strak naar den grond staarde, als begreep hij niet recht, — de oude man verkropte een traan, die opwelde in zijn brandend oog, en hief het oog trotsch omhoog, terwijl hij antwoordde;

„Ik neem mijn ontslag niet aan, dan van haar die mij mijn ambt gaf. Koningin Johanna, of van mijn meester zeiven, die gekomen is tot de jaren van onderscheid.quot;

„Druk niet te veel op dit laatste, als gij uw kweekeling liefhebt,quot; hernam Ximenès met kalme waardigheid, maar voegde er bij op veelbeduidenden toon: „Ne3m hier uw afscheid; gij zult Zijne Genade niet meer naar zijn paleis volgen.quot;

„Gij hebt het gehoord, Prins!quot; riep Oecco, terwijl hij aan Ferdinand's voeten nederknielde; „ik acht mij niet ontslagen,— maar ik kan niets tegen de overmacht; wij moeten scheiden, wees nu lijdzaam,quot; voegde hij er zacht en haastig bij, „de dag komt, dat gij mij wreken zult! mij en u zeiven.quot;

„Neen!quot; riep Ferdinand, en trachtte hem op te heffen, en sloeg hartstochtelijk den arm om Cecco's hals, als wilde hij zich aan hem vasthechten voor immer. — Neen, men zal ons niet scheiden! — Neon, zoo min de sterren zich afscheiden van de lucht, zoo min kan ik mij scheiden van u! Niemand heeft het recht, mij mijne dienaren te ontnemen; deze Priester niet, mijn broeder, de Prins van Castilië . .

„De Koning,quot; viel Ximenès gebiedend in.

„Alleen mijne moedor, alleen de Koningin, die behoorde te regeeren; en zonder welke men beschikken wil over mijn lot. — Koningin Johanna ..

„Is niets dan eene schaduw,quot; sprak de Regent.

„Eene schaduw, die het licht uit Vlaanderen kon verduisteren, waarmee gij dit brave volk van Castilië de oogen verblindt,quot; hernam Ferdinand, en bleef zich vastklemmen aan zijn gunsteling; maar Ximenès verhief blik en stem, en sprak met strengen ernst, maar zonder toorn:

„Daar moet een eind zijn aan dezen ongerijmden redetwist, jonge man! Alles, wat gij gezegd hebt, heb ik aangehoord, als niet uit u; ik wil gelooven, dat gij niet oordeelt dan naar de

ocr page 416

364

begrippen van anderen; niet spreekt dan door de ingeving van anderen; maar gij hebt onderscheiding genoeg om, te gehoorzamen ; en in den naam der wet, in dien der Kroon, eischt de Regent van Spanje gehoorzaamheid van den tweeden zoon van Spanje! Prins van Oostenrijk! uwe plaats is niet aan de zijde van een verdacht onderdaan, maar naast dezen zetel; kies tusschen rebellie of onderwerping.quot;

En hetzij Ceceo, die al den omvang van dit woord overzag, zich met geweld afscheidde van zijn kweekeling, hetzij deze ondanks zichzelven beheerscht werd door de overmacht van die gebiedende stem, de jongeling keerde zich schielijk af, en naderde Ximinès. Maar met diezelfde hartstochtelijkheid, die al zijne bewegingen scheen te besturen, wierp hij zich neder aan zijne voeten, en sprak op woesten, gejaagden toon; „Wees nu voldaan, Monsenór! ik heb gehoorzaamd, gij beveelt, en de Infant van Spanje ligt aan uwe voeten. Maar laat dat u genoeg zijn; gij hebt ons willen beproeven, mij en hem; — drijf uw spel niet verder; scheid ons niet; beroof den rampzaligen zoon van uw Vorst niet van zijn laatsten steun, zijn trouwsten vriend ! — Wat zegt het u, dat die man met mij samen blijft, en mij somtijds vertelt van vroegere uitzichten, en hoop voorspiegelt voor de toekomst? Hij en ik, wij vermogen immers niets tegen u; ik ben immers een kind, een zwakke jongeling zonder invloed als zonder krachten; ik ben immers wel zeker, wel geheel opgeofferd aan de grootheid van mijn broeder; gij zijt zoo machtig, en zijne rechten zijn zoo wel verzekerd, zegt men; waarom zoudt gij dan vertreden, wat reeds zoo diep gebogen is, wat de sterkte mist zich op te richten ? Men roemt u ala een edelmoedig vijand; laat ik weten, dat gij het zijt...quot;

Maar Ximenès was nu opgestaan van zijn zetel, en dwong tegelijk den jonkman zich op te heffen; — daarop nam bij zijne hand, en zag hem weer aan met dien blik van innige deernis en droefheid, dien hij reeds meermalen op hem had geslagen. Terwijl hij zachtkens het hoofd schudde, ging hij recht voor hem staan. De gestalte van den Regent scheen de kromming des ouderdoms niet als een vaste plooi te hebben aangenomen, want nu hij zich toonen wilde in zijne volle lengte, scheen hij

ocr page 417

365

zich zonder moeite ongebukt te houden, en zoo groot was hij dus, dat hij laag op den slanken jongeling moest nederzien.

„Gun mij niet zooveel als gij zelf over uwe gehoorzaamheid verwonderd te zijn, mijn Infant!quot; sprak hij; „want ik heb sterker en trotscher hoofden aan mijne voeten gezien, dan het uwe, en het is nooit geweest zonder nut voor den smeekende, zoo vaak het belang van Spanje mij die vrijheid gaf. Dien Infantado, op wiens machtigen bijstand gij uwe schoonste hoop grondt voor de toekomst, heb ik eens zóó voor mij gezien, met zoovelen van Castilië's Grranden, als er schuldig waren aan hetzelfde misdrijf; en ik heb toen de strafheid verzaakt, om zachtmoedigheid te oefenen. Zij weten, dat ik het niet ten tweedemaal zal doen; daarom geloof niet aan de oprechtheid hunner beloften — zij durven u niet helpen, zelfs als zij wilden. In zoover dus ware uw woord van ootmoed goed, als het oprecht ware en beter gemeend. Maar geloof mij. Prins! men heeft niet tachtig jaren geleefd, en geleefd zooals ik, zonder geleerd te hebben een weinig dieper te zien in de harten der menschen, dan menige onder hen wenschelijk achten, — en zoo weet ik, jonge man! dat gij zelf niet gelooft wat gij zegt; dat gij zelf niet overtuigd zijt van hetgeen gij mij voorstelt; zelfs niet, al stemt uwe verbeelding daar voor dit oogenblik meê in. Eu toch is uwe onmacht eene waarheid, eene harde en vernederende waarheid, waarvan ik u bidde, bij de eer van uw geslacht, en bij alles, wat gij u zeiven schuldig zijt, de bittere ondervinding niet te willen uitlokken. Ik zou u kunnen indachtig maken de plichten van onzen Godsdienst; dan, gij Vorsten weet altijd een heiligen naam aan te roepen bij eene onheilige onderneming, en ik weet, dat voorspellingen van kluizende vromen in u eene gesmoorde zucht hebben verlevendigd, profetenstemmen, wier geldigheid door onze Heilige Inquisitie zal onderzocht worden, zoo ze zich opnieuw doen hoorenquot; (hier zag hij Cecco scherp aan, die met siddering ineenkromp). „Ik wil niets dan u wijzen op het ijdele en dwaze uwer verwachtingen, en op het bespottelijk ongerijmde uwer berekeningen. Ik heb u alles laten zeggen, wat gij wildet, om juist te weten wat gij dacht, en, antwoord zelf: kan ik hopen, dat die droomen, waarin die lieden u voortwiegen ten koste van

ocr page 418

366

uwe zielerust, even zeker onschuldig zullen zijn tegenover de wettige orde, als zeker schadelijk voor uw eigen geluk? Kan ik dat hopen, als die lieden u hebben geleerd, een ouderen broeder, die uw meester is en uw Koning, met al het recht, dat de wetten der natuur en de instellingen van het Koninkrijk hem geven, macht te ontzeggen over uwe handelingen, en hem den naam te weigeren en den eerbied, die hem toekomt? Als zij Johanna Koningin van Spanje noemen, en zich beroepen op haar gezag, om den Koning te krenken en zijn vertegenwoordiger, schoon ze weten, dat die Vorstin, gebukt als ze is onder krenking der zielsvermogens, geene daad van het koningschap zou kunnen oefenen, en alleen door de kiesche trouw der Castilianen nog somtijds met de eer van haar rang wordt begroet, eene hulde, die ik niet were, omdat zij der kranke goed doet, en mij tegelijk verzekert van diezelfde vaste trouw voor andere wettige meesters, — en dus u de laatste hersenschim moest benemen ? Kan ik hopen, vraag ik u voor het laatst, dat gij waarachtig en oprecht uw roekelooze wenschen opgeeft, als gij de lieden, die ze vleien en levendig houden, uwe beste vrienden acht; dat gij zoo in ernst allen moed opgeeft, en alle aanspraak, als gij hen, die uwe verbeelding prikkelen en opwinden door de voorstelling van mogelijkheden, uwe trouwste dienaren noemt, en hun bijzijn afsmeekt als de hoogste gunst, als uwe eerste behoefte, voor welke gij tot ieder offer bereid zijt?quot;

De Kardinaal poosde eene wijle en zag hem doordringend aan, maar de jonge Prins, die noch de vastheid van geest bezat, noch de zelfbeheersching, die verbergt, wat haar schokt, wist zich niet gelijk te blijven, nu men hem doorzag, en kon alleen antwoorden met tranen en met een gebogen hoofd, terwijl zijne hand sidderde in die van den ondervrager. „Gij hebt mij edelmoedig genoemd,quot; vervolgde deze zachter en met eene stembuiging, die iets bemoedigends gaf aan zijne woorden; „ik zal het zijn, vergevende alles, waarmede gij mij persoonlijk kreukt, door al wat er onverschoonlijks gebeurd is of gezegd, te stellen op rekening uwer onbedachtzame jeugd, en door met u te spreken, niet als de Regent tot een morrenden Prins van het Rijk, maar als een vader tegen een zoon, op wiens berouw hij

ocr page 419

367

hope voedt. Mijn ouderdom geeft er mij het recht toe, als mijne waardigheid, en het kan u goed zijn voor uw volgend leven, als gij hooren wilt gelijk ik hot wensch. Gij hebt mij uw vijand genoemd en gij zijt de zoon van Johanna, de kleinzoon van Isabella, mijne vrome Koningin, mijne edele weldoenster; — hoe weinig kent gij mijn warm gevoel voor uw bloed! Gij zijt een echte Spaansche Vorst, onder onzen Hemel geboren, in onze zeden opgevoed, die liefhebt en eert tot de vooroor-deelen toe van uw Land, wiens gansohe karakter, met gebreken en deugden, een afdruksel is van onzen landaard, en gij kunt meenen, dat ik uw vijand ben! Hoe weinig kent gij mijne grootste zwakheid, als gij niet weet, dat ik u liefhebben moest juist om datzelfde, waarom ik u vreeze en be wake; als gij niet gelooft, dat mij het hart in de borst samenkrimpt, als ik u hoor klagen van leed on van gevangenschap; als gij niet gelooft, dat ik meer mij zeiven heb overwonnen dan u, zoo vaak ik mijn 'voet zet op dat hoofd, waarop ik zoo gaarne de kroon van Castilië wenschte vast te drukken: als gij gelooft, dat gij niet de eerste zoon zoudt zijn mijner hoop en mijner liefde, zoo gij — geen broeder hadt, die de eerste aanspraak heeft op den troon.quot;

En hij sprak zoo met waarheid, de groote man, die aan een begrip van plicht in dit uur van ruste, niet slechts zijne ruste ten offer bracht, maar ook nu en in alle dagen van zijn leven, in alle handelingen van zijn gezag, zijn zoetsten en heiligsten wensch onderdrukte en ter zijde drong; want dat zeker ware zijn hoogste ideaal geweest voor zijn nationalen trots, als voor het heil van Spanje: een Spaanschen Koning op den troon van Castilië, en niet een jongen Gentenaar, opgevoed door de Vla-mingers, zijne bitterste tegenstanders. Doch de eischen der billijkheid en de rust van zijn Vaderland waren hem nog heiliger dan zijne geliefdste herschenschim, en zoo drukte hij Ferdinand met zijn regentenstaf, terwijl hij den schepter overgaf in de handen van Karei. Maar zoo hij den eenen broeder opofferde aan de grootheid van den anderen, — hij deed hot niet koel; daartoe had hij te veel zuidelijk bloed in de aderen, en hij vond het zelfs niet noodig koelheid te toonen; hij kende

ocr page 420

368

zich kracht genoeg, om zich zelf te verloochenen als het zijn moest, zonder door den uiterlijken pronk van een ruw cynisme inwendige zelfstandigheid te moeten schragen; en fier den blik opheffende tot Adriaan, die in hooge bevreemding zijne laatste woorden had opgevangen, sprak hij: „Ja Monsenor van Tortosa! zend dit nieuws vrij naar Brussel, zoo gij een niet te waardig man zijt, om spion te wezen. Ik zal nooit mij zeiven zoo ongelijk zijn, om te loochenen, wat ik hier heb uitgesproken; maar,quot; en hij wendde zich tot Cecco, „laat mij dit nooit herhaald worden, om een misstap te verloochenen ; want zoo waarachtig ik dit kind nu bij de hand houde met teedere genegenheid, zoo waarachtig zou ik hem die hand verpletteren, als die zich hierna ophief tegen des Konings gezag.quot;

Op hen, tot wie dit laatste gericht was, maakte het zulk een diepen indruk, dat Ferdinand zich verschrikt losrukte uit die machtige hand, als vreesde hij nu reeds den verpletterenden druk, en dat Cecco naderde met een eerbied, dien hij voor den Regent nog niet had getoond, terwijl hij smeekte: „O, Monsenor! gij hebt vergeving geschonken voor het verledene; schenk nog weder vertrouwen voor de toekomst; laat mij bij den Infant, en ik zweer u op mijne eer, als edel Castiliaan, dat gij zijne vorstelijke hand nooit zult behoeven te vatten dan als een vriend, of als een beschermer.quot;

„De tijd van vertrouwen is voorbij als die der verwijten; gij kunt gaan Senor Cecco!quot; antwoordde Ximenès hard. Maar de jonge Prins, ziende dat zelfs zijne fiere dienaar, die hem als gevoed had met trots en met wrok tegen dien man, zich nu verootmoedigde voor dien man, en een voornemen toonde, dat hij in de naïeveteit zijner jeugd oprecht meende en onvermijdelijk, — knielde opnieuw, en met eene andere gewaarwording dan te voren, aan de voeten van den Regent.

„O, Monsenor! gij zegt, dat gij mij lief hebt; gij zegt, dat gij u de weldaden mijner grootouders herinnert, in den naam van die genegenheid, in den naam van die weldaden, bij de vroomheid van Isabella, bij de hoogachting van Terdinand den Katholieken, bezweer ik u, heb barmhartigheid met den kleinzoon, heb medelijden met een verlaten wees, en laat met hem blijven.

ocr page 421

369

wie hem lief zijn. Noem de daad of de belofte, die noodig is, om die gunst to koopen!quot; en hij hief zijn zwaarmoedig oog, zijn fier en bleek gelaat, smeekend op naar den man, wiens hart hij nu kende, en hij drukte diens handen aan zijne borst met vleiende liefkoozing.

„Arm, ongelukkig vorstenkind!quot; liet zich Ximenès ontvallen, maar terstond daarop wrong hij zich los, wierp zich weder in zijn zetel, en zich zei ven volkomen meester, sprak hij ernstig: „Par favor, mijn infant! die bede niet weêr; gij vermoeit m[j zonder mij te bewegen.'' Toen gebruikte hij eene zilveren hand-bel, die onder zijn bereik stond, en liet tweemaal klinken. Een persoon in krijgsmansdos vertoonde zich op dit geluid, en tegelijk zag men door de wijd geopende deur de voorzaal zich met eenig krijgsvolk vullen.

„Senor Cecco!quot; en de Regent wendde zich tot dezen, „zooeven gaven wij u verlof om te gaan; nu bevelen wij het u. Gij hebt de keus van twee wegen, — de eene leidt buiten de poort van Madrid; hij doet u, nevens onzen goeden wil, uw gewoon jaargeld behouden; — de andere zal de Capitan onzer lijfwacht n moeten aanwijzen; hij leidt naar den toren van Uzeda!quot;

De Secretaris begreep zoo wel het gevaarlijke eener aarzeling, dat hij alleen antwoordde met een gloeienden blik van haat, en zwijgend zijn jongen meester met zenuwachtige haast de hand kuste, wier krampachtig omklemmen hij met kracht afweerde, en daarop schielijk voortging, na eene ootmoedige buiging voor den Kardinaal Adriaan, en zonder den Regent eene groete te schenken. Doch deze had het niet opgemerkt; hij zag naar Ferdinand, die als in duizeling een paar schreden voortwankelde, en toen bewusteloos zou zijn neêrgestort, zoo hij hem niet had ondersteund.

„Een tooneel als dit had ik voorzien,quot; sprak Ximenés, den Utrechtschen Heer met bitterheid aanziende: „ik dank het uwer Eminentie, die wij hopen, dat er nu lang genoeg getuige van geweest is, om voldaan te zijn.quot; Dit woord was tegelijk eene bestraffing wegens het onkiesche wantrouwen van Adriaan, die gebleven was, ondanks het verzoek van den Infant, om met den Regent alleen te zijn, terwijl de voegzaamheid den laatste verbood een ambtgenoot weg te zenden. De Bisschop van Tortosa

Kroon. Karei de Stoute. 24

ocr page 422

370

had nu begrepen; hij verwyderde zich, en eerst toen sprak Ximenès tot den jongen Prins, die langzaam tot bewustzijn kwam : „Herstel u, zoon van Arragon! gij zijt samen met uw trouwsten vriend; schep moed, en vergeet wat achter u ligt. Nu ben ik uw eenige raadsman; luister naar mij. Niet altijd zult gij gebukt liggen in vernedering en in onmacht; een schoon verschiet van roem en werkzaamheid gaat zich voor u openen; uw vorstelijke zucht naar macht en eere zal bevredigd worden, maar het zal zijn door eervolle middelen, langs den openen koninklijken weg van plicht en recht! Luister, wellieve zoon! de Koning komt spoedig; het kan zijn, dat de Vloot, die hem overvoert, reeds de Vlaamsche havens verlaten heeft; — het is nu de tijd, om u zijne gunst te winnen en zijne oprechte broederlijke genegenheid; onderwerp u gewillig en zonder zoo zichtbaren rouw aan zijn uit-gedrukten wil; hij zal u eene vergoeding schuldig zijn, een wensch gaarne inwilligen; — hij heeft veel te geven, uw koninklijke heer, vele landen en staten, die hij niet altijd alleen zal kunnen beheerschen, — ik zelf zal u leeren zijn vertrouwen te winnen.

Maar de jongeling vloog plotseling op uit den vriendelijkea arm, die hem ondersteunde, en riep uit in ijlhoofdige woede: „Zwijg van onderwerping, zwijg van vertrouwen; nu gij weet, dat de Koning komt, hadt gij mij uitstel kunnen geven tot hij hier was; maar gij wilt mij in 't verderf storten, en allen die mij goed willen. — Zoo zal ik dan middelen zoeken om hen en mij te verdedigen tegen u !quot; en hij haastte zich voort.

„Zoekt dan die middelen, verlorene!quot; riep de Eegenthemna, met eene strengheid, die alleen door den blik van medelijden werd getemperd, „maar ik zweer bij het dierbaar leven van mijn Koning, dat noch gij, nog geheel Spanje zullen beletten, dat de bevelen, die ik ontvangen heb, worden uitgevoerd.quot;

„Senor Capitan! volg den Infant met uwe lieden, ik stel ü verantwoordelijk! zorg dat dit stipt worde gehoorzaamd,quot; en de Regent gaf het Brusselsche bevelschrift in handen van den kapitein zijner lijfwacht.

„Nu heb ik behoefte aan mijn goede, trouwe Valentine,quot; sprak de Kardinaal, even het voorhoofd steunende met de hand, en hij

ocr page 423

371

deed de Senora tot zich roepen. Zij kwam, gevolgd van den jongen Vlaming Ganthier de Vergy, en begeleid door een anderen man, den Baron Amerstorff, een tweeden ambtgenoot van den llegent, een dergenen, die hij de meeste achting toedroeg, en die dat zeker het best verdiende; een streng en statig man, even gehecht aan zijne grondbeginselen als vasthoudend aan zijne rechten, met wien Ximenès van allen het best samenstemde, en aan wien hij toch de moeielijkste tegenpartij had.

„Mijn doorluchtige oomlquot; begon Donna Valentine, met een allerliefst pruilend gezichtje, „eindelijk is dan de beurt aan mij, nadat er, ik weet niet hoeveel lastige menschen zijn voorgegaan, en nu kom ik zelve van mijn recht, om het eerst te spreken, afstand doen aan dezen edelman, die mijne zaak komt bepleiten.quot;

„De Baron Amerstorff heeft vanzelf den voorrang,quot; sprak de Kardinaal hoffelijk; „alleen vergunne hij mij te doen, als ontving ik slechts u; mijn geest is wel volkomen meester over mijn lichaam, maar men moet zelfs zijne slaven niet te overmatig belasten, en ik heb in dit rustuur wel wat heel weinig rust gehad.quot; — Werkelijk had hij zich weêr gansch neergebogen in zjjn armstoel, en liet het hoofd op ééne zijde vallen, eene houding, die hem gemak scheen te geven. — «Als de Koning hier is, zal dat beter worden,quot; eindigde hij met een welgevalligen glimlach, en sloot weêr de oogen. Amerstorff, die wel wist dat hij evengoed toeluisterde, en tegelijk, dat hij in zulke oogenblikken niet minder scherp zag dan anders, sprak beleefd, maar deftig;

„Uwe Eminentie geve zich geene moeite om mijn bijzjjn; ik kom niet als haar ambtgenoot, noch om staatszaken, maar slechts in het bijzonder belang van twee jongelieden, waarop wij betrekking hebben.quot;

„O! dat zal zich dan later -vinden,quot; hernam Ximenès, zich reeds weêr opheffende, — „ik heb andere plichten.quot;

„Geene, die minder uitstel lijden, Monsenor !quot; hernam de Baron, „tenzij gij uwe nicht in een zonderling dubbelzinnigen toestand wilt geplaatst zien. Gij hebt den jongen Gauthier de Vergy gesteld onder de hoede van Donna Valentine, en zij is op het punt zijne bruid te worden.quot;

ocr page 424

372

„Tk begrijp u niet!quot; riep Ximenèi, en sloeg zijne donkere oogen Honkerend op.

„Gij zult begrijpen, hoogwaardige Heer! Gauthier de Yergy, Sire de Iloubais, is jongste kamerheer en een weinig gunsteling van onzen heer den Koning; hij is mijn neef; hij zal mijn erfgenaam worden. Zoo hij hier niet nevens mij stond, zou ik van zijn karakter evenveel goeds kunnen zeggen, als van zijn adel. Hij bemint Donna Valentine met al den gloed van zijne een-en-twintig jaren; en do Senora is niet al te zeer beleedigd door die liefde; anders zou zij hem en mij niet hebben toegestaan van Uwe Eminentie hare hand te vragen.quot;

„Ik begrijp niet,quot; herhaalde Ximenès, „hoe men Donna Valentine de Arrero kan zijn, en hart en hand toezeggen aan een vreemdeling na de kennismaking van één uur!quot;

„Monsenor! gij verdenkt mij dus!quot; riep Valentine levendig,— maar Amerstorff viel weder in op vrijen en matigen toon:

„Als een staatsman zich bedient van jonge vrouwelijke zendelingen naar vreemde Hoven, moet hij het niet te onwaarschijnlijk vinden, dat ze andere betrekkingen, dan diplomatische, aanknoopen in de hofstad, al waren die in 'teerst ook maar aangemoedigd, om het doel der reize te bereiken. Uwe Eminentie vergeve mij, zoo ik haar herinner, dat zij fijner staatsman is, dan voorzichtig voogd ; maar zij kan niet gansch vergeten hebben, hoe Donna Valentine in den loop van 't vorige jaar naar Brussel werd gezonden in hoedanigheid van staatsdame der Koningin Johanna, om den Koning berichten over te brengen van den toestand zijner moeder, en waarbij ze tegelijk de voldoening had, zekere geheimen van ons Hof uit te vorschen, waarvan de kennis voor den eersten Regent van Spanje noodzakelijk was. De jonge dame heeft te dier dage geen beteren steun gevonden, dan in mijn neef, die wel niet wist, welke gewichtige diensten hij den Kardinaal Ximencs bewees, terwijl hij de nieuwsgierigheid eener bevallige staatsjuffer meende te bevredigen. Dat was hem een onrecht doen, dat de schoone Senora niet heeft kunnen vergoeden, dan door hem eindelijk haar eigen zoet geheim toe te fluisteren, en ik, tot wien men het laatste zijne toevlucht neemt, nu men begint op te zien tegen eene bekentenis aan Uwe Hoogwaardig-

ocr page 425

373

heid, ik weet er in goeden ernst geen beter middel op, dan van beiden de geheimhouding te koopen, door ze voor altijd samen te voegen.quot;

„En Valentine heeft mij dat alles zóó lang kunnen verzwijgen !quot; sprak de Kardinaal, zijne nicht verwijtend aanziende.

„Mijn edele en geliefde Heer!quot; antwoordde zij, schalks glimlachende, „denk toch na, of gij mij ooit hebt willen aanhooron als ik van mijne persoonlijke belangen begon te spreken! Gij hebt mij de volle beschikking gegeven over al wat gij van uw vermogen niet aan de armen gaaft, of aan nutte stichtingen besteeddet; gij hebt mij onbeperkte vrijheid gegeven in mijn doen en laten; gij hebt mij het prachtigste gedeelte afgestaan van uwe vorstelijke woning; gij hebt mij eene hofhouding gegeven als eene Infante van Spanje: — maar gij hebt mij nooit drie minuten van uw tijd voor mijzelce willen schenken. Heden kwam ik tot u, om mijn vriend, dien ik wachtte, eene goede welkomst te bereiden, ik kwam op het uur uwer mesa, in de hoop, u rustig te kunnen spreken ; — gij weet wat ik vond, en hoe ik als eene andere Ximona mijn Rodrigo bezig vond zich te wikkelen in oen gevaarlijken tweestrijd met mijn doorluchtigen bloedverwant . .

„Dien gij hadt kunnen voorkomen, schoone Senora! zoo gij mij met die verwantschap hadt bekend gemaakt; ik had mij dan eene zending laten geven, waarbij ik geen gevaar liep mij met Zijne Eminentie te botsen,quot;

„Eene zending laten geven f herhaalde Ximenès glimlachend, en zag hem uitporschend in de oogen; „dat vereischt diplomatische behendigheid, Senor! vind ik die in mijn jongen neef?quot;

„Hoe anders zou hij aanspraak durven maken op de eere van uwe verwantschap?quot; antwoordde Gauthier.

„Maar zoete Sobrina Valentine! kiest gij dan waarlijk dit Vlaamsche doncella gezicht, boven den donkeren, mannelijken tint van al uwe Spaansche aanbidders? — ik had anders toch gedacht, dat de Hertog De Priero . .

„In mijne gunst stond! Zeker, omdat hij U nuttig kon zijn; maar hij was zestig jaar, en ik zou juist drie jaren jonger zijn

ocr page 426

374

geweest dan zijn jongste zoon,quot; antwoordde Valentine, met eene beweging van ongeduld.

„Ik zie wel, op dit punt zullen wij elkander niet verstaan,quot; sprak de Kardinaal lachend, en meer ernstig voegde hij er bij tot den Baron Amerstorff:

„Maar, mijn doorluchtige ambtgenoot! gij schaart u dan zoo gansch op mijne zijde, dat gij onze familie wilt ineenvlechten?quot;

„Met geene betere hulp, dan die ik vind in mijne landgenoo-ten, is de tegenstand toch eene dwaasheid,quot; antwoordde Amerstorff, „en daarbij, ik weet, dat de belangen van onzen Graaf, in dit Rijk, aan geen beter en trouwer wachter kunnen worden toevertrouwd, dan ze vinden in u.quot;

„En daar dit huwelijk in geen opzicht strijdt met bei welzijn van Spanje,quot; hervatte Ximenes vergenoegd, „weet ik niet, wat \vij er tegen zouden hebben; — alleen, het mag niet voltrokken worden vóór de overkomst des Konings, en moet tot zoolang zelfs een geheim blijven. Er komen stormen op in dit Rijk, waarbij ik den glimlach mijner schoone Sobrina noodig zal hebben, om den jongen adel te wapenen voor mijne zaak; en daarbij, er is bezigheid voor Senor Gauthier, dien ik uitgekozen heb om Don Fernando te troosten over het verlies van Cecco. Gij treedt morgen in dienst. Mijnheer! en gij krijgt mijne bevelen omtrent uwe plichten — schrifte'ijk, want de tijd ... ik heb zooeven de groote klok van de Cathedrale ucn uur meer hooren afroepen, dan ik aan mijne ruste had willen gevenquot; — en hij schelde. „Zijn de muilezels gezadeld?quot; vroeg hij den bin-nentredenden Edelknaap. — „Sinds een half uur, Monsenor!quot; — werd hem geantwoord. — „Virgine Santissima!quot; riep de Kardinaal verdrietig, „muilezels! voor twee jaren nog ondernam ik zoo iets te voet! Gij ziet, kinderen! ik moet voort; eerst toch neemt mijn zegen.quot;

„Gij gaat op reis, doorluchtige Heer!quot; riepen allen verwonderd.

„Naar Tordesillas, de Koningin bezoeken, en tegelijk hooren, wat men te Valencia denkt en doet.quot;

„En niemand van het regentschap weet dit?quot; vroeg de Baron.

„Opdat men zich vooruit beraden zou, hoe men partij zou trekken van deze afwezigheid? Gij doet die vraag toch niet in

ocr page 427

375

ernst, Baron?quot; Vrees niet, alles zal ordelijk gaan; alles is geregeld; mijn Secretaris heeft mijne onderrichtingen voor het regentschap en mijne bevelen voor Junta.quot;

„Mijne hoogwaardige oom! op uwe jaren eene reize zoo vermoeiend, in den nacht, en dat na zulk een rustuur!quot; zuchtte Valentine.

„Ciertamente! het was woelig, mijne dochter! en de tocht zal mij zeker zwaar vallen, maar dat zal alles beter worden, en ik zal meer ruste vinden als de Koning gekomen is.quot;

Toen op Gauthier leunende, verwijderde hij zich.

Ea toch heeft het nog een vol jaar geduurd, voor het eerejacht van den jongen Koning de haven van Corunna binnengleed. En in dat jaar heeft Ximenès nog met veel en velerlei te worstelen gehad, en is nog vaak vermoeid geworden, en heeft nog vele rusturen gehad gelijk aan het beschrevene; maar toen hij ook zijn meester tegemoet ging, was het om hem eea rustig Koninkrijk op te dragen, zonder schulden en met eene welgevulde schatkist, met eene welgeordende krijgsmacht, met een onderworpen adel en met een Koningsgezind volk; zulk een volk, eindelijk, als men regeeren konde zonder zijne hulp. De Vlaamsche Raadslieden van Karei van Oostenrijk hebben dit ook begrepen, en zij begrepen tegelijk, dat de Kardinaal evenwel zoude voortgaan meester te blijven, zoodra hij eenmaal invloed zou gekregen hebben op den Koning. En zij voelden het diep; dejonge Vorst zou zich niet kunnen vrijwaren voor zijn invloed, zoo ras hij slechts een enkele mttal met hem had samengetroffen. Zijn eerwaardige ouderdom; zijn ontzagwekkende houding; zijne stem, die zijne woorden zoo juist kleurde en die nog vleiend kon zijn zoowel als krachtig; het alvermogen van zijn blik; het overwicht van zijn genie; iets oorspronkelijk zonderlings in zijne handelingen en gesprekken; zijne vroomheid bij zijne wijsbegeerte; zijne spaarzaamheid bij zijne edelmoedige mildheid ; zijne belangeloosheid bij zijn dienstijver; zijne vrijmoedigheid in het uitspreken van zijne meening, bij den gloed van zijne Koningsgezindheid; deze eigenschappen van zijn persoon, welke ieder van zijne handelingen uitsprak, gerugsteund door diensten, zoo ver-

ocr page 428

376

scheiden en zoo groot, dat de Koninklijke macht er geen waardig loon voor had, konden niet anders dan een overweldigenden indruk maken op een jongen vorst van een levendig en hartstochtelijk karakter, wiens oordeel genoeg was ontwikkeld, om eerbied te hebben voor zulke grootheid. Deze samenkomst te verhinderen, de goede verstandhouding tusschen den Monarch en den eersten Staatsdienaar te verbreken, eer zij plaats vond, was dus het onverpoosde streven van de Vlaarasche ministers.

De zwakheid van den ouderdom, die zich slopend wreekte op een langgespaarden buit, of wel (om een treurig vermoeden na te spreken) eene gewelddadige hand, die vergif mengde in zijne sobere spijze, dwongen Ximenès rust te houden in het midden van zijn tocht, en spande dus onmeêdoogend samen met zijne vijanden.

De Kardinaal, die de nieuwe worsteling begreep, schrikte niet voor haar terug, maar schreef aan Karei, wat hij noodig vond hem te zeggen, mede te deelen, te raden. Maar de brieven werden uitgelegd door de Vlaamsche hovelingen ; de moed van den Regent, om de wijze af te keuren, waarop de Koning aaa Spanje kennis had gegeven aan het doel zijner komst, werd aU een vergrijp tegen de Majesteit voorgesteld, zijne nutte mede-deelingen veronachtzaamd, zijn raad niet meer gehoord, enjuisc het tegendeel gedaan van wat hij noodig keurde en wenschte Die kwaadaardige tegenstand, zoo schadelijk voor het staatsbelang, als ondankbaar tegenover zijn persoon, verbitterde Ximenès tot eene hoogte, dat hij voorzichtigheid en matiging begon ter zijde te stellen; dat hij zijn haat begon lucht te geven en zijne grieven luide op te sommen tegen de vreemde raadslieden; dat hij hunne zwakheden blootlegde, ieder hunner feilen met den vinger aanwees, hunne hebzucht en hunne veilheid tentoonstelde, al de rampen, die Spanje bedreigden met dezen nieuwen invloed, bij name noemde en voorspelde, en geschriften als deze stoutweg aan den Koning richtte, die ze zeker niet inzag, dan met overleg van de belanghebbenden; men denke zich, hoe ze werden toegelicht !

In den toestand waarin deze samentreffende feiten hem moesten brengen, vinden wij hem dus te Bos Equillos, bet oord van zijn

ocr page 429

377

gedwongen oponthoud. Hij zit als vroeger op zijn armstoel gebogen en afgemat, maar hij heeft nu niet meer de kracht, om zich op te richten, zoodra hij het wil. Dat ineenzinken is hebbelijkheid geworden, en wat hij vroeger deed om krachten te sparen, moet hij nu doen, omdat de krachten ontbreken. Zijn blik is dof; zijne stem beeft bjjwijlen; zijne bewegingen hebben iets weifelends, als volgden zij niet meer de richting van zijn wil. Zijn hart en zijn geest slechts zijn onveranderd gebleven, maar zijne gelijkmatige luim, zijne rustige kalmte vooral zijn verloren gegaan. Nu eens goedertieren, lijdzaam en zacht, tot weekheid toe; dan weer scherp, hard en ongeduldig, en veeleischend tot in het onbillijke. Hij zit weêr voor eene tafel, maar die ditmaal beladen is met allerlei papieren, gezegelde en ongezegelde brieven, staatsstukken en projecten, die hij uitzoekt samenvoegt, doorleest en verscheurt, of vluchtig inziet en teekent. Een bewijs hoe weinig zijn ijver voor bezigheden en zijn geschiktheid daartoe is verflauwd en verlamd. Weêr is hij niet alleen, maar geen mededinger staat glurend en tegenstrevend aan zijne zijde, slechts zijne goede engel, zijn liefelijke Valentine, die met bezorgdheid ieder zijner gebaren bespiedt. Zij is bleek, lijdend en eene kennelijke onrust is leesbaar op hare trekken; hare kleeding is achteloos, en zij schijnt van hare vroegere blijgeestigheid niets behouden te hebben, dan het gedwongen glimlachje, waaronder zij voor den Kardinaal hare zielesmart tracht te verbergen. In dit vertrek heerscht eene ongestoorde stilte, maar dat is niet, omdat de groote man gansch verlaten is, in de aangrenzende voorzaal van het kleine slot, waar hij zijn intrek heeft moeten nemen, vindt gij al de beambten en de lieden bijeen, die hem op die reis hebben mogen volgen ; vele anderen zijn hem zelfs vrijwillig nagereisd; vele vrouwen van Donna Valentine zijn daar. Men hoort geen luidruchtige klaagtonen; men ziet niet het gemaakte klaaggebaar der etiquette; maar ieders gelaat teekent de diepe, stille verslagenheid eener waarachtige droefheid; men loopt niet wild dooreen met een omslachtig dienstbetoon, maar als er een bevel gegeven wordt, ziet men het op hetzelfde oogenblik snel en juist uitgevoerd ; niemand spreekt van zijne vreeze, maar als er stilte geboden

ocr page 430

378

wordt, hoort men zelfs geene ademhaling, en de vrouwen, die haar gebed niet staken, dragen het slechts in gedachten op aan de Godheid. Het is de volvaardige gehoorzaamheid der liefde, der dankbaarheid en der ernstige hoogachting; en daar buiten staat het volk handenwringend en klagend, en roept elkander toe, dat de Aartsbisschop van Toledo krank is, dat de Franschen of de Vlamingen hunnen Heilige vergift hebben gegeven en zweert wraak aan Franschen en Vlamingen, of ijlt in de kerken, en vast en bidt vrijwillig en ottert den laatsten penning voor een waslicht aan den reddenden schutspatroon, die den alge-meenen weldoener nog weêr krachten geven wil, om te leven. Dat deed het volk, dat niets dan de ruwe oppervlakte zijner weldaden had kunnen overzien; en de grooten, die de diepte zijner verdiensten zoo juist hadden kunnen peilen : die Koning, wien hij die kostbare kroon van de Spaansche Koninkrijken, vermeerderd met een werelddeel, frisch on ongeschonden, behouden had uit de verwarringen en het onrecht van vier opvolgende regeeringen, voor wiens grootheid en rechten hij gestreden had vijf-en-twintig jaren lang, — wat deden zij?

„O! hoezeer verbitteren ze mij dit laatste avondrood na mijn langen dag, door plotseling mijne voorlichting duisternis te noemen;quot; hooren wij hem uitroepen, „Hoe! mijn raad zou niet meer de beste zijn voor Spanje's heil; hoe! de weg, dien ik wijzen zou een dwaalpad wezen; hoe! ik zou falen in de middelen, die het steunen moet; hoe! ik zou leven en mijn Vaderland zou mij kunnen ontberen! Beatissima Virgine! welk een woord! die ellendigen zouden mij doen twijfelen aan mij zei ven ! O! ik zal sterven aan dit leed !quot; en hij wierp moedeloos de pen neder.

„O, Monsenor! dat zal u niet dooden. Als de Koning u slechts eenmaal gesproken heeft, zal hij weten, hoezeer gij onmisbaar zijt; gij zijt immers zijn eerste Staatsdienaar? het Koninkrijk heeft immers nog geen anderen Regent, dan u ?quot; sprak Valentine, met overtuiging; „zoo ge slechts lijdzaamheid wildet oefenen, en u ruste geven, tot ge hersteld waart van deze zwakte, die zeker de haat...

„Ach! wat spreekt gij van haat?quot; viel Ximenès in, „wie van

ocr page 431

379

de lieden, die om mij zijn, heb ik dan leed gedaan of onreoht, dat ze mijn dood zouden begeeren? Maar zoo er werkelijk men-schenbedrijf schuilt in deze krankte, — moge God het hun vergeven! — zij benadeelen hun Vaderland en de armen. Ik had nog veel goed willen doen. Als deze zwakte toeneemt, zal ik niet eens de uitgave zien van den Bijbel van Alcala, waar ik zooveel nut mee dacht te stichten in de kerke, en die zooveel zorg heeft geëischt en zooveel goud, — helaas! en thans loopen allen van mij heen, geestelijken zoowel als adel, het nieuwe gestarnte tegemoet.quot;

„De leden van den Staatsraad zijn teruggekeerd,quot; hernam Valentine met een moedigen glimlach.

„Ja, maar het was ook al te schromelijk vermetel, heen te gaan tegen ons bevel, ons vooruit — o! het was slechts billijk van mijn Koning, dat hij ze zoo niet ontvangen wilde. Hoe licht viel het mij nu hun vergiffenis te schenken, sinds ik Karei rechtvaardig wist! Maar spreek, Valentine, mijn trouw kind, weet gij in waarheid niets van uw verloofde, niets van den jongen Gauthier, dan wat men mij uit Madrid schrijft, dat hij is weg-geijld van zijn post bij Ferdinand?quot;

Valentine schudde treurig het hoofd.

„Ook al meegesleept door het voorbeeld; daarin roeme ik Amerstorif, die nu tegen mijne vijanden dezelfde kracht gebruikt, welke hij vroeger tegen mij heeft geoefend, 't Is spijtig van Gauthier, maar gij moet het hem vergeven!quot;

„Nooit!quot; riep de Senora hartstochtelijk, „dat hij U verlaat — dan zou ik vergeten, of verschoonen ?quot;

„Ware hij hier, ik zelf zou het hem raden. Een jongmensch moet zijne fortuin toebetrouwen aan eene nieuw gebouwde galei, die vast en forsch over de wateren gljjdt, maar niet aan een drijvend wrak. Ik zou hem dwingen van mij weg te gaan, zoo ik vermoeden kon, dat mijne vijanden zouden zegevieren.quot;

„Ik zou hem verachten zoo hij het kon!quot;

„Maar zij zullen niet zegevieren!quot; riep de Kardinaal, den loop zijner denkbeelden volgende; „zij zullen het niet; Spanje zal niet worden overgeleverd aan de hebzucht van Chievres, opdat hij en zijne vrouw de eerwaardigste ambten verkoopen voor goud!

ocr page 432

380

Spanje zal niet overgeleverd worden aan de onhandigheid van Adriaan, opdat heersche wie wil, opdat hij zich vertrappen laat en in hem het Vaderland ! De Koning is niet meer een kind ; hij zal helder zien ; hij zal weten te zien; hij zal weten te kiezen, — o! ik moet voort — weg, Valentine! — ik moet Karei zien — ik wil naar hem henen, ik kan gaan, ziet gij — zeer goed,quot; — en tegelijk was hij opgestaan — en viel plotseling terug in hare armen.

„Gij hebt koorts, Monsenor! — gij moest uw rustbed niet verlaten hebben, — gij moest mot dien arbeid geduld oefenen tot na uw herstel.quot;

„Opdat men lasteren zou, dat ik een zwakke grijsaard ware, onbekwaam voor de Regeeringszorge ? Laat Inico komen, en mij wijn brengen als geneesmiddel, zooals de artsen het bevolen hebben: ik wil krachten hebben om te leven voor Spanje.quot;

Terwijl Valentine door de geopende deur den Majordomo wenkte, zag men haar tegelijk blozen en verbleeken, en een lichte kreet van blijde verrassing ontglipte haar mond.

Dat was verschoonlijk, — Gauthier de Vergy kwam binnen; hij scheen vergenoegd, en naderde met vroolijke haast.

„Gij komt eindelijk,quot; riep de Senora, en voerde hem tot c'en Kardinaal. De jongeling boog zich nu met dieperen eerbied voor den kranken grijsaard, dan vroeger voor den forschen gcvreesden Kegent.

„Ik kom weer met berichten van onzen Genadigen Koning!quot; sprak hij opgeruimd, „maar de Hemel weet, hoe gaarne en gewillig ik ze nu geve aan mijn doorluchtigen Heer. Men zegt mij, ze zijn van goeden inhoud.quot;

„Hoe kan het zijn, dat gij ze van daar brengt?quot; vroeg Valentine; maar de hand van den Kardinaal sidderde van ongeduld, terwijl hij het gebrachte aannam.

„De Baron AmerstoHf heeft mij derwaarts gezonden; hij oordeelde, dat, waar zoovele vijanden van Zijne Eminentie samentroffen, wel één enkele vriend niet slecht geplaatst zou zijn; daarbij was de infant Ferdinand rustig en tevreden; ik had hem verzoend met zijn lot, ik kon veilig gaan. En het was goed; de meester was mij genadig als te voren, en ik heb menige lastering kunnen tegenspreken; en mijne drangredenen hebben, dank zij

ocr page 433

381

den bijstand des Hemels! aan zijn weifelen een einde gemaakt; de Koning wil zijne Eminentie zien ; de Koning komt herwaarts.quot;

„Lees mij dit!quot; riep Ximenès, wiens wangen en voorhoofd koortsachtig gloeiden, en wiens blikken onzeker over het geschrift heendwaalden, zonder te kunnen onderscheiden.

En do jongeling begon te lezen. De grijze Regent luisterxle in eene overspanning, die aan verwildering grensde. Hij hield Valentine's handen krampachtig gevat; de jonge Donna stond roerloos van belangstellende aandacht.

Werkelijk meldde de Koninklijke brief, dat Karei zijne moeder ging bezoeken, en de begeerte had, om den Aartsbisschop van Toledo te zien, maar te gelijk, — — — — — Gauthier werd bleek als een doode, en kon niet voortlezen, en wierp het geschrift met afgrijzen op de tafel, als ware een kwaadaardige adder daarin verscholen geweest.

„Wat verder?quot; vroeg Ximenès, en zijne stem klonk wcêr gebiedend. — Gauthier hief de vuist en het oog ten hemel, als bad hij wraak af, — en antwoordde niet.

Toen nam de Kardinaal zelf het noodlottige blad. Het was of de hartstocht zijne zintuigen scherpte; hij las — hij begreep, — zijne armen vielen slap neder, hij drukte het hoofd tegen de borst van Valentine en riep met eene akelig doffe stem: „Men verbant mij naar mijn bisdom. — Ik hen regent geweest! — Spanje kan buiten mij!quot; Zijne gelaatstrekken verwrongen zich: zijn mond sloot zich na een zwaren zucht. De Koning had hem eindelijk het rustuur geschonken, dat hij zoo lang had ontbeerd!

Eene lange rust, waar een ontwaken op volgen kon, zoeter en zaliger dan Monarchen het schenken kunnen. De Academie van St. Ildefonse te Alcala liet een gedenkteeken oprichten van marmer, trotsch en koud als de Koninklijke dankbaarheid. Het hof huichelde rouw. Karei van Oostenrijk betuigde, dat hij hem zou geëerd hebben als een vader, — maar het volk schreide vele warme tranen; het volk viert tot heden een feestdag meer; en Kardinaal Ximenès is het zeldzaam voorbeeld van een Staatsdienaar, die na zijn val niet werd gelasterd, en dien de wereld Heilig heeft genoemd in zijn leven en na zijn dood.

ocr page 434
ocr page 435

ALKMAAR'S BELEG.

ocr page 436
ocr page 437

„Van Alkmaar do Tictorie.quot;

Wie op den 8^n October de bloeiende stad binnentreedt door van der Woude geprezen als:

,.'t Lyftogtigh A ik ma er fraaij doorwatert, we! beplant,

„Spijskamer, koornschuur van 't vruchtbaar Noord-Holland.quot;

zal haar in feestdos zien. Do heldere driekleur, het geliefd Oranje wappert nit de huizen; de groote Kerk, het stadhuis, de waag, doen voor de burgerwoningen niet onder en laten de vader-landsche vlag in breede banen van top en toren uitwaaien. 1) Het klokkespel laat het „Wilhelmusquot; hooren of het „Wien Neerlands bloedquot;, liefst en meest nog het opwekkend „Van Alkmaar de Victoriequot;, dat het best bij de gelegenheid past. De Alkmaarsche gamins, wild en luidruchtig in hunne feeststemming als alle huns gelijken, joelen en rennen al vroeg langs grachten en straten, onder gejuich en gezang. Wat later ziet men de burgers en bur-

ocr page 438

386

geressen in feestgewaad. Maar zij niet alleen, ook menigte van buitenlieden, ook stedelingen uit de nabuurschap trekken heen naar eene eenvoudige zaal, waar men hen spreken zal van de dagen van voorheen, waar men hen zal opwekken tot danken, tot juichen, waar men hen zal stemmen om na te denken over hetgeen geweest is, en nu is, waar men hen wijzen zal op de waarheid dat groote zegeningen groote verplichtingen opleggen en dat geen volk met recht een levend volk mag heeten, zoo het zijn leven niet toont in kracht en in goede werken. Die ernstige roepstemmen worden dan afgewisseld door koorgezang of feestelijke muziek, waarbij het geliefde refrein niet wordt verwaarloosd, en men gaat weer uiteen om te zien hoe er ook gezorgd is voor zulke vermakelijkheden die meer tot de zinnen spreken van de menigte, en waarbij armen en geringen, knapen en meisjes uit het volk zich een buit kunnen winnen door vlugheid en behendigheid. Na de volksvermaken volgt des avonds nog eene bijeenkomst voor de deftige burgerjj, waarbij muziek en declamatie of eenige dramatische voorstelling het gezellig samenzijn veraangenamen, en waarbij niet zelden de geliefde Alktnaarsche triomfzang „Van Alkmaar de Victorie'' 1) wordt aangeheven, waarin alle aanwezenden instemmen zonder onderscheid van leeftijd of stand, met eene geestdrift of de blijdschap over den triomf voor het eerst werd gevoeld. De indruk dien de feestviering maakt is een zulke, dat men waarlijk zou zeggen met den psalmist: „Hoe lieflijk is 't, als zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen.quot;

Maar wat is dan toch de aanleiding dat men door zulke eenvoudige hulpmiddelen tot zulke feestvreugde wordt opgevoerd r — zou de vreemdeling vragen, die zich op den Bsten October binnen Alkmaar bevond. Eilieve! lees Motiey's „Opkomst der Vereemgde Nederlandenquot;, zou men hem moeten antwoorden, want die heeft voor de geschiedenis van dit tijdvak gedaan wat geen onzer eigene geschiedschrijvers heeft kunnen verrichten 2) : aan het buitenland bekend maken hoe er hier geleden, hoe er hier gestreden is, en

1) De verzen van Dr. de Gelder, de muziek gecomponeerd door den heer Coster Junior.

2) Behalve hij, die door de uitgave van „Les Archives de la maison. d'Orangequot; Motley tot zijn werk heeft bekwaam gemaakt. , r , r

ocr page 439

387

welke uitreddingen de Heer der heirseharen heeft gegeven in die vorige dagen.

Een Nederlander may het niet vragen, en geen rechtgeaard Nederlander tal het ook vragen. In Alkmaar ten minste zal ieder kind het u weten te zeggen, al heeft hij het niet op school geleerd, dat het is de „vierdag van alkmaars ontzetquot;.

Ontzet! het woord zelfs drukt reeds de verruiming uit, die het feit geven moest aan de benauwde en benarde burgerij, die wist dat de dood, de marteldood in de afgrijselijkste vormen die er waren uit te denken voorbeschikt was aan de strijdbare mannen niet alleen, maar ook aan hunne vrouwen, aan weerlooze grijsaards en kinderen.

Alba zelf heeft gezorgd dat het nageslacht zich in dezen niet kon vergissen omtrent zijne intentiën, hij schreef aan zijn koning : „Si Alkmaar est prise par la force, je suis résolu a n'y laisser ame qui vive, tous y serout passés au til de Tepeequot;; — en elders : „Que V. M. ne s'imagine pas que par des moyens do douceur on obtienne jamais rien d'eux, ceux du pays qui jus-qu'ici étaient pour de pareils moyens se désabusent et sont d'opi-nion qu'a Alkmaar on n'épargne ilme qui vive.quot;

Men ziet, hier was geene kwestie van halve maatregelen, en de veroveraar van Haarlem was er de man naar om ze in volle strengheid uit te voeren. Houdt men nu daarbij in gedachte dat een deel dier bevolking, die met uitmoording bedreigd werd, nog aan de Oude Kerk getrouw was gebleven, dan ziet men duidelijk dat hier geene vraag meer was van de religie, maar dat Nederlander en rebel voor Alba eensluidend was geworden, en dat onze Katholieke burgers van die dagen wijs en wel hebben gedaan met het hunne te doen om de Spanjaarden van hunne wallen af te weren, j

Die verlossing nu, dat ontzet van den 8sten October 1573 jaarlijks te gedenken, is eene vrij willige daad van Alkmaars burgerij, die wel vermelding verdient, 't Is een plicht der dankbaarheid dien zij vervullen aan God en aan hunne voorvaders, wier moed en standvastigheid tot de uitredding medewerkte. En als nu het derde eeuwfeest van die blijde uitkomst zal gevierd worden, wachten wij dat zij het niet alleen onder stadgenooten zullen gedenken,

ocr page 440

386

geressen in feestgewaad. Maar zij niet alleen, ook menigte van buitenlieden, ook stedelingen uit de nabuurschap trekken heen naar eene eenvoudige zaal, waar men hen spreken zal van de dagen van voorheen, waar men hen zal opwekken tot danken, tot juichen, waar men hen zal stemmen om na te denken over hetgeen geweest is, en nu is, waar men hen wijzen zal op de waarheid dat groote zegeningen groote verplichtingen opleggen en dat geen volk met recht een levend volk mag heeten, zoo het zijn leven niet toont in kracht en in goede werken. Die ernstige roepstemmen worden dan afgewisseld door koorgezang of feestelijke muziek, waarbij het geliefde refrein niet wordt verwaarloosd, en men gaat weer uiteen om te zien hoe er ook gezorgd is voor zulke vermakelijkheden die meer tot de zinnen spreken van de menigte, en waarbij armen en geringen, knapen en meisjes uit het volk zich een buit kunnen winnen door vlugheid en behendigheid. Jfa de volksvermaken volgt des avonds nog eene bijeenkomst voor de deftige burgerij, waarbij muziek en declamatie of eenige dramatische voorstelling het gezellig samenzijn veraangenamen, en waarbij niel zelden de geliefde Alkmaarsche triomfzang „Van Alkmaar de Victorie'' 1) wordt aangeheven, waarin alle aanwezenden instemmen zonder onderscheid van leeftijd of stand, met eene geestdrift of de blijdschap over den triomf voor het eerst werd gevoeld. De indruk dien de feestviering maakt is een zulke, dat men waarlijk zou zeggen met den psalmist: „Hoe lieflijk is 't, als zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen.quot;

Maar wat is dan toch de aanleiding dat men door zulke eenvoudige hulpmiddelen tot zulke feestvreugde wordt opgevoerd f — zou de vreemdeling vragen, die zich op den Ssten October binnen Alkmaar bevond. Eilieve! lees Motiey's „Opkomst der Vereenigde Nederlandenquot;, zou men hem moeten antwoorden, want die heeft voor de geschiedenis van dit tjjdvak gedaan wat geen onzer eigene geschiedschrijvers heeft kunnen verrichten 2) : aan het buitenland bekend maken hoe er hier geleden, hoe er hier gestreden is, en

1) De verzen van Dr. de Gelder, de muziek gecomponeerd door den lieer Coster Junior.

2) Behalve hij, die door de uitgave van „Les Archives de la maison. d'Orangequot; Motley tot zijn werk heeft bekwaam gemaakt. . f - r

ocr page 441

387

welke uitreddingen do Heer der heirecharen heeft gegeven in die vorige dagen.

Een Nederlander may het niet vragen, en geen rechtgeaard Nederlander zal het ook vragen. In Alkmaar ten minste zal ieder kind het u weten te zeggen, al heeft hij het niet op school geleerd, dat het is de „vierdag van alkmaars ontzetquot;.

Ontzet! het woord zelfs drukt reeds de verruiming uit, die het feit geven moest aan de benauwde en benarde burgerij, die wist dat de dood, de marteldood in de afgrijselijkste vormen die er waren uit te denken voorbeschikt was aan de strijdbare mannen niet alleen, maar ook aan hunne vrouwen, aan weerlooze grijsaards en kinderen.

Alba zelf heeft gezorgd dat het nageslacht zich in dezen niet kon vergissen omtrent zijne intentiën, hij schreef aan zijn koning : „Si Alkmaar est prise par la force, je suis résolu a n'y laisser ilme qui vive, tons y seront passés au fil de l'épéequot;; — en elders : „Que V. M. ne s'imagine pas que par des moyens do douceur on obtienne jamais rien d'eux, ceux du pays qui jus-qu'ici étaient pour de pareils moyens se désabusent et sont d'opi-nion qu'a, Alkmaar on n'épargne ilme qui vive.quot;

Men ziet, hier was geene kwestie van halve maatregelen, en de veroveraar van Haarlem was er de man naar ora ze in volle strengheid uit te voeren. Houdt men nu daarbij in gedachte dat een deel dier bevolking, die met uitmoording bedreigd werd, nog aan de Oude Kerk getrouw was gebleven, dan ziet men duidelijk dat hier geene vraag meer was van de religie, maar dat Nederlander en rebel voor Alba eensluidend was geworden, en dat onze Katholieke burgers van die dagen wijs en wel hebben gedaan met het hunne te doen om de Spanjaarden van hunne wallen af te weren, j

Die verlossing nu, dat ontzet van den 8ste!i October 1573 jaarlijks te gedenken, is eene vrij willige daad van Alkmaars burgerij, die wel vermelding verdient, 't Is een plicht der dankbaarheid dien zij vervullen aan God en aan hunne voorvaders, wier moed en standvastigheid tot de uitredding medewerkte. En als nu het derde eeuwfeest van die blijde uitkomst zal gevierd worden, wachten wij dat zij het niet alleen onder stadgenooten zullen gedenken.

ocr page 442

388

maar dat het gangche land, althans al wat daarin die dagen van lijden en strijden met oprechte geestdrift en warme sympathie gedenkt, met hen zal opgaan ter feestviering, voor 't minst van instemming blijke zal geven, zooals men dat voor het Brielsche eeuwfeest heeft gedaan. Niet minder dan dit, verdient het Alk-maarsohe die buide. Was het Brielsche feit een stoute aanslag, goed overlegd, kloek uitgevoerd, en die het krijgsplan des Prinsen van Oranje niet schaadde, zooals sommigen vreesden, maar schraagde —- hot werd toch bezoedeld door onchristelijke wreedheid jegens weerloozen, die wel als weerwraak voor geleden onrecht, voor namelooze jammeren verklaarbaar is, ik erken 't, in hen die ze ploegden, maar die toch een bloedvlek heeft geworpen over do zegepraal ; een zegepraal, die daarenboven niet is behaald door de inwoners zeiven, veeleer tegen het verlangen der meerderheid, toegelaten meer nog dan toegestemd, — terwijl bij Alktnaars beleg weken lang werd geleden en gestreden met moed en volharding door de gansche bevolking, die eendrachtiglijk alles heeft gegt;vaagd en alles getrotseerd om hare stad vrij te houden van 't Spaanaohe juk. Hare zegepraal is de eerste geweest van Nederlandsoho burgeren tegen !?paansch krijgsvolk, terwijl de uitspraak „Van Alkmaar begint de Victoriequot; bewijst, hoezesr deze triomf destijds als eene blijde zegepraal door het gansche land werd opgevat, en hoe die den moed sterkte van hen, die aanvingen moedeloos te worden onder de bloedige slagen, die Zutphen, Naarden en Haarlem hadden getroffen. — Zal men diezelfde Victorie nu zóó weinig tellen, dat men haar als een op zich zelf staand feit ter viering overlaat aan wie er de naasten toe zijn?quot;

Ik wacht betere dingen van den opgewekten, echt Neder-landschen zin van heel ons volk met den Koning aan het hoofd die zich een Oranje toont in geestdrift voor dat roemrijk verleden.

* Wat ik destijds hoopte is sinds in verviilling; gekomsn : de Alkmaarders liebbeu in 1873 eendrachtelijk feest gevierd. De Koning heeft hunne feestvreugde toen door zijn hezoek verhoogd — mocht een Oranje ontbreken waar zulk een triomf werd herdacht ? — 1880.

ocr page 443

389

HET BELEG.

In het midden van Juli ving het voorspel aan van het belangwekkend drama. Don Frederik de Toledo, in de hitte van zijn triomf over Ilaarleni, meende van de groote verslagenheid die er in het gansche gewest heersehte gebruik te moeten maken om de kleine stad Alkmaar te nemen, 't geen hij eene lichte taak achtte voor zijn zegevierend krijgsvolk. Door hare ligging had de West-friesche hoofdstad gvoote beteekenis voor den Spaanschen veldheer, zoodat Alba zelf aan den Koning schreef dat hij met het bezit van Alkmaar meester zou zijn van geheel Waterland, ettelijke steden uitgenomen. Het stadje zelf door de Spanjaards gering geacht, was niet wezenlijk eene vesting, en hare wallen waren noch sterk, noch goed voorzien. Toch had zij reeds in 1571 stou-telijk geweigerd krijgsvolk van Bossu in te nemen, en men was er niet in geslaagd haar daartoe te brengen, vóórdat de admiraal zelf gekomen was, en half door dwang, half door minnelijke schikking haar bewogen had hare poorten te openen voor eene kleine bezetting. Later was door haar magistraat hoffelijk, maar met vastheid het opbrengen van den tienden penning geweigerd, en had men zich niet zonder wat aarzelens voor den Prins verklaard. Daar was reden voor die aarzeling. Alkmaar placht goed katholiek te zijn en goed koningsgezind. Filips II zelf had er bij zijno huldigingsreize vertoefd en den eersten steen gelegd voor den nieuwen Doelen 1); de inkwisitie had er hare vlammen niet laten lichten; de strenge plakkaten waren er niet afgekondigd, althans niet uitgevoerd — men had het juk van den Spaanschen landvoogd nog niet in volle zwaarte gedragen. De Kerkhervorming was er allereerst voortgekomen uit do geestelijkheid zelve, en toen later ook leeken zich opwierpen om in- en buiten de stad te prediken, waren er reeds magistraten onder hen die zich tot do nieuwe leer hadden gewend, en de man die er den grootsten invloed oefende. Jan Arentz , was een vroom, zacht, echt evan-

1) Van dit feit werd de gedaclitenis bewaard, naar do gewoonte van den tijd, in een der geschilderde niet inscriptie verrijkte glasruiten van hetzelfde gebouw; denkelijk zal bij het vernieuwen van den oittïeti doelen in 1605, ook deze proeve van de oude glasschilderkunst verloren zijn gegaan.

ocr page 444

390

gelisch man geweest die zich liever liet verdrijven door zijne tegenpartij, dan zijne volgeren tot weerstand en beeldenstorm aan te zetten. En zoo had men zich liefst buiten de troebelen gehouden en zoo wat midden door willen zeilen. Maar het was geen tijd voor halfheid — Alkmaar zou het door harde ervaring leeren. Een lid harer regeering, Burgemeester Claes Ilarekz., was mee opgegaan naar Dordrecht ter Staten-Vergadering, waar het besluit genomen werd om den landvoogd tegen te staan, schoon vasthoudende aan den Koning. Daarmee had men dus feitelijk partij gekozen voorden Prins van Oranje. En toen deze er zelf verscheen om de gedane keus te bevestigen en als te aanvaarden, werd hij er wel in alle eerbiedigheid ontvangen, maar toch werd er nog bezwaar gemaakt zijn krijgsvolk in te nomen.

Wat zal men zeggen — het volk van zuivel bij uitnemendheid had een instinctmatigen afkeer van wapengedruisch en Oranje had niet over zooveel krijgsvolk te beschikken dat hij het aan onwilligen zou opdringen. Toch inziende hoezeer hare bolwerken zwak, hare wallen slecht onderhouden waren, gaf hij Jonkheer Diderik van Sonoy, stadhouder van Xoord-Holland, last om daarin te voorzien, die daarop den kundigen Boisot aanstelde om de stad te versterken met meerder bolwerken an hare wallen te verbeteren. Met dit werk was men echter uit allerlei oorzaak nog niet ver gevorderd, toen reeds het gevaar zich voor hare poorten vertoonde, in de gestalte van tweeduizend ■voetknechten en driehonderd man paardenvolk, die Alba's zoon op hen afzond. De Prins had al voorlang gewaarschuwd dat Alkmaar aan de beurt lag zoodra Haarlem zou gevallen zijn. Maar men had nog tot het uiterste toe de hoop gekoesterd dat hot zoover niet komen zou — men had zich ingebeeld ... ja, wat al niet; — men had het gevaar niet kloek ouder de oogen willen zien, noch de handen uitgestoken om het te weren; men had liever als de struis den kop in de struiken gedoken en zich diets gemaakt dat er geen kwaad dreigde. Nu kon men er do oogen niet meer voor sluiten, en nu was goede raad duur. De gevoelens waren verdeeld zoowel onder het volk als in de Wethouderschap. De bloohartigheid luisterend naar cie influisteringen van den partijgeest ried tot onverwijlde lijdelijke

ocr page 445

301

overgave: — dus ware mogelijk nog verzoening te treffen en het lot van Haarlem te ontgaan ! Wat zou het nu baten dat men nog vasthield aan den Prins, die Haarlem niet had kunnen ontzetten, ondanks zijn besten wil en de moedige volharding harer burgers. Er was nü nog kans op de vergiffenis van den landvoogd, meende men. — Eu werkelijk, Alba na zijn laatsten triomf aohtte zioh nu geducht genoeg om het eens met de goedertierenheid te beproeven, en had het pardon des Konings laten afkondigen, waartoe Filips, naar andere raadslieden luisterend, en den kostbaren, bloedigen oorlog moede, reeds zjjn landvoogd volmacht had gegeven. liet scheen dezen daartoe nu het goede oogenblik. Er werden plechtige beloften gedaan van vaderlijke ontferming en koninklijke vergiffenis aan alle berouwhebbenden en boetvaardigen, personen als steden en gewesten, die den strijd tegen hun Koning en zijn landvoogd opgaven en zich van nieuws aan onder zijne gehoorzaamheid stelden. Dit was verleidelijk voor zwakken en klein-moedigen, voor dezulken die wars van den krijg hunne nering en hanteering liefst rustig hadden voortgezet. Te Alkmaar, waar de welvaart zoo na verbonden was aan den bloei van den landbouw, zag men niet dan met schrik akkers en weiden platgetreden door den woesten voet van ruiters en soldaten. Het graan rijpte al vast, het hooi stond opgetast in schelven, klaar om te worden binnengehaald — en daar had men nu 't Spaansche krijgsvolk, dat alles ging verwoesten! Schielijk de poorten geopend, den geëischten voetval gedaan voor den overwinnenden veldheer en — de welvaart was verzekerd!

Ja! zoo verzekerd als te Naarden het leven dier arme burgers, die Juliaan Romero in Gods heiligdom had laten samenkomen, in 't vast vertrouwen op zijn woord als edelman en krijgsbevelhebber, en die dat zoo jammerlijk schond! — Was na dezen moord op groote schaal aan weerloozen, was er na Haarlem, na Zutphen nog op hot woord van een Spanjaard, nog op het plechtige pardon van een landvoogd te rekenen, die deze gruweldaden niet had verloochend of berispt, maar ze integendeel had geprezen — bevolen? Men vergat daarbij niet hoe het Alba's stelregel was, dat men aan ketters en rebellen geen woord behoefde te houden; — geen rechtgeaard Nederlander mocht het vergeten, en niemand,

ocr page 446

392

wiens hersens niet door de vrees waren verward, zon zich ook door dit pardon laten verstrikken. Zou Alkmaar zoo zwak en blind zijn om daarin voor te gaan ? —- Zoo spraken de moedigen, die nu tot kloek verzet raadden het kostte wat het wilde, en die liever met eere oudergingen na als helden te hebben gestreden, dan als slachtoffers geveld te worden na zich als slaven te hebben gekromd.

Terwijl men op die wijze bleef aarzelen en overleggen, had de Prins, op den nood der stad lettende, aan Jonkheer Cabeljauw last gegeven zich met zijn volk naar Alkmaar te begeven, ten einde haar van eene goede bezetting te voorzien. Maar de Alkmaarders verzochten hem alleen in de dichte nabijheid te blijven om hen op den eersten wenk te kunnen bijstaan. Goedmoedig had hij positie genomen tusschen Egmond en Ileilo, om zoo ras hij er toe geroepen werd Alkmaar te kunnen binnentrekken. Maar die noodiging volgde niet van uit de besluitelooze stad, al kwam de Spaansche vijand vast nader. Cabeljauw was de man niet om zich zulk eene ongunstige stelling te getroosten als die was, met een vijandelijk leger achter en eene stad vóór zich waaraan bij niet wist wat hij had. Hij rukte op met een deel der zijnen tot aan do oude Kennemerpoort, en verlangde ingelaten te worden, al was het maar met zijne eigene compagnie. En men haastte zich nu de poorten wijd voor hem open te zetten — zou men meenen dat er moest volgen. — Maar het tegendeel geschiedde: — als voor den Spanjaard zelf hield men ze strak gesloten voor den vriend en bondgenoot.

Inmiddels zochten eenige der meest versaagde burgers te ontkomen op schuiten, en hadden met geweld te dien einde boomen die de stadsgrachten afsloten weten te verbreken ; terwijl Jacques Hennebaert en Dirk Duyvel, om ten minste iets te doen, met hunne compagnie de St. Pieterspoort uittrokken, een deel van hun volk op de Geest en vedette latende. Cabeljauw drong ain op eene beslissing en eischte binnengelaten te worden, ware het alleen met zijn luitenant hopman Euickhaver, om met de magistraten te spreken, onder bedreiging dat hij met zijn volk aan de andere zijde der stad zou gaan liggen, zoo men hem langer door dralen ophield — eene bedreiging die hij moest uitvoeren, daalde weifelende stad niet tot de keuze scheen te kunnen komen. Intusschen brandden en plunderden de Spanjaarden te Bakkum,

ocr page 447

393

Castricum en Limmen. Zestig of zeventig ongelukkige hunlieden te Uitgeest, die hun vee wilden veiligen tegen hunne roofzucht, werden jammerlijk doodgeslagen, en nog liet Alkmaar den verdediger die zich aanbood onverhoord.

Ten laatste kwam hopman Ruickhaver er binnen en op hot stadhuis en drong, wat kort aangebonden en het sammelen moede, op een oogenblikkelijke beslissing aan.

Terwijl men in den raad wikte en woog — daar tegelijk een trompetter van Noircarmes do stad kwam opeischen — was de burgerij in de hevigste spanning; het volk joelde op de straten en de partijen stonden zoo scherp tegen elkander over, dat het niet bij kreten en woorden bleef; er werd zelfs een pistoolschot gelost, dat hopman Mostert in het been trof. De partij, die voor handelen was, drong in dichte drommen naar het stadhuis toe, en dreigde de raadzaal binnen te stormen om te weten wat er beslist zou worden. De rust en de tijd tot kalme raadpleging was voorbij; men moest nu besluiten en in 't kort zeggen: „af, of aan,quot; zooals hopman Ruickhaver met krijgsraans lakonisme verlangde. Toen rees de burgemeester Ploris van Teylingen van zjjn voorzittersstoel op, en de verantwoordelijkheid op zich nemende van een besluit dat voor allen moest gelden, sprak hij met vastheid en mannenmoed : „ik wil bij don Prins en de burgers leven en sterven!quot; De teerling was geworpen — do weifelaars en de blooden hadden wil noch moed om het besluit der kloekheid tegen staan. Van Teylingen trok met Ruickhaver onder 't gejuich des volks, dat steeds hem volgt wie weet te handelen en moedig voorgaat, naar de Friesche poort om die te doen opensluiten. Daar de sleutels óf al te wel bewaard werden, of verloren waren gegaan, moest men zich tot den stads-timmerman wenden om die open te breken, en dapper weerden zich hierbij de werklieden onder het volk, die met bijlen en breekijzers waren meegeloopen. Op zulke wijze werd de vrome en moedige Cabeljauw eindelijk binnengelaten met des Prinsen krijgsvolk. En het was meer dan tijd; want de vijand was reeds in de voorstad, en onverwijld snelde de bevelhebber, door tal van burgers gevolgd, de stad door naar de plaats des gevaars, naar de Kennemerpoort — die men haastiger uittrok dan men de Friesche was binnengetrokken. Nu ging het den

ocr page 448

39

Spanjaard tegen om dien terug te drijven. Niets werd daartoe gespaard. Zelfs de voorstad moest worden opgegeven en in brand gestoken, opdat de vijand zich niet daarin zou nestelen. En deze, verrast door den onverwaehten tegenstand, blies in allerijl den aftocbt. Na te Heilo en Egraond-binnen geplunderd en brand gesticht te hebben, wierp hij zich terug op Haarlem, waar hij vasten voet had.

In blijden triomf trokken de burgers gezamelijk met de soldaten van Caboljauw weer hunne stad binnen, zeiven als verbaasd over de ongedachte uitkomst. Wat hun nauwelijks geloofelijk scheen was geschied: — zij hadden den Spanjaard verjaagd! Het eerste gevolg van hun kloek besluit was eene uitkomst als zij zich niet hadden durven voorstellen. Nu ook was de goede keuze voor vast gedaan, de tweedracht bijgelegd, en eenparig sloeg men nu de handen aan 't werk om met de eerste winst voordeel te doen en zich te versterken en toe te rusten om een nieuwen aanval te kunnen doorstaan. Want al was men de Spanjaards kwijt voor 't oogenblik, het was niet te denken dat zij voor goed van de onderneming zouden afzien. Maar hoe dat ook ware, men had nu toch respijt, en men zou thans de verzekering dei-stad niet slappelijk behartigen. Sonoy, door den Prins daartoe gemachtigd, schreef aan de Westfriesche steden die de zijde van Oranje hadden gekozen, dat zij het mogelijke moesten doen om Alkmaar, waaraan allen zooveel gelegen was, van mout, koren en buskruit te voorzien, en hoewel er juist niet op de gulheid en gewilligheid der zustersteden viel te roemen, kwam er toch eenige provisie binnen, en spande de stad zelve alles in om niet door honger en gebrek gedwongen te worden zich ten ontijde over te geven.

Voor hare toebereiding werd haar langer tijd gegund dan zij had durven wachten. Don Frederik, die gemeend had de kieine stad als in 't voorbijgaan en meer door den schrik van zijn naam dan door 't geweld zijner wapenen te kunnen nemen, zich dus teleurgesteld ziende, waa veel te voorzichtig veldheer, om opnieuw iets tegen baar te beginnen zonder duchtige maatregelen genomen te hebben om die onderneming tot een goed eind te brengen. Ook werd hij door muiterij onder zjjne soldaten, door

ocr page 449

395

geldgebrek, door allerlei tegenspoed, door eigen lichaamslijden daarenboven, opgehouden in 'i laatst van Augustus. Maar nu ook had hij de handen ruim en kon hij zijne beste krachten aanwenden tegen het arme Alkmaar, Op den 21sten dier maand ving hij aan met het beleg. In dichte drommen trokken zijne legerscharen tegen de stad op en bezetten haar in den vollen zin des woords van achteren en van voren, zoodat hij zelf er met welgevallen van getuigde dat er geen spreeuw meer door kon. — Daar was Spaansche overdrijving in dit getuigenis, want voor pluimgedierte is er nog altijd vrije aftocht door de lucht, maar zeker was het dat geen toevoer van buiten de stad meer kon bereiken, en alle gemeenschap van uit de stad zelve met vriend en bondgenooten voor goed had opgehouden. Xiet minder dan honderd-een-en-twintig welvoltallige compagnieën lagen in wijden maar aaneengesloten cirkel rondom de kleine stad, die gelukkig door hare breede grachten niet van alie zijden even licht was te genaken. Don Frederik zelf, die den naam had zijn vader in krijgsbeleid te evenaren, had zijn hoofdkwartier gelegd te Oudorp. 15ehalve zijne lijfwacht, uit honderd-vijftig man cavalerie bestaande, had hij daar met zich een groot deel edellieden en voorname krijgsbevelhebbers, en het boste deel zijner troepen onder de bevelen van Jean de Noircarmcs als zijn luitenant, Gonzalvo de Draccamonte, een vermaard Kolonel — (die zich bij den slag van Jemmingen had onderscheiden zoowel door dapperheid en krijgsbeleid als door den moedwil dien hij zijn volk liet bedrijven tegen onschuldige landlieden) — Don 1'edro de Velasco en Don Pedro de Toledo, zijn bloedverwant, de Heer van Coignies, Stefano Dejualo, Veldmaarschalk mijnheer de la Motte. Artilleriemeester. Te Huiswaart was gelegerd Don Ferdinand de Toledo, natuurlijke zoon van den Hertog, met acht vaandelen voetvolk, te St. Pancras de Overste Polswijler met zes vaandelen. Te Koedijk had do Baron do Locqres positie genomen met twaalf vaandelen, terwijl in 't zelfde dorp de l?aron de Che-vreaux lag met acht vaandelen Bourgondiërs. Bergen was bezet door den Heer de Capres met tien vaandelen Nederlandsche Walen. In de Nieuwpoort lagen tien Vaandelen Spaansch volk onder Overste Jurriaan Fronsberg, en daarnevens twaalf vaandelen wel uitgeruste Duitsche ruiters; daarenboven nog de

ocr page 450

394

Spanjaard tegen om dien terug te drijven. Niets werd daartoe gespaard. Zelfs de voorstad moest worden opgegeven en in brand gestoken, opdat de vijand zich niet daarin zou nestelen. En deze, verrast door den onverwachten tegenstand, blies in allerijl den aftocbt. Na te Heilo en Egmond-binnen geplunderd en brand gesticht te hebben, wierp hij zich terug op Haarlem, waar hij vasten voet had.

In blijden triomf trokken de burgers gezamelijk met de soldaten van Cabeljauw weer hunne stad binnen, zeiven als verbaasd over de ongedachte uitkomst. Wat hun nauwelijks geloofelijk scheen was geschied: — zij hadden den Spanjaard verjaagd! Het eerste gevolg van hun kloek besluit was eene uitkomst als zij zich niet hadden durven voorstellen. Nu ook was de goede keuze voor vast gedaan, de tweedracht bijgelegd, en eenparig sloeg men nu de handen aan 't werk om met de eerste winst voordeel te doen en zich te versterken en toe te rusten om een nieuwen aanval te kunnen doorstaan. Want al was men de Spanjaards kwijt voor 't oogenblik, het was niet te denken dat zij voor goed van de onderneming zouden afzien. Maar hoe dat ook ware, men had nu toch respijt, en men zou thans de verzekering der stad niet slappelijk behartigen. Sonoy, door den Prins daartoe gemachtigd, schreef aan de Westfriesche steden die de zijde van Oranje hadden gekozen, dat zij het mogelijke moesten doen om Alkmaar, waaraan allen zooveel gelegen was, van mout, koren en buskruit te voorzien, en hoewel er juist niet op de gulheid en gewilligheid der zustersteden viel te roemen, kwam er toch eenige provisie binnen, en spande de stad zelve alles in om niet door honger en gebrek gedwongen te worden zich ten ontijde over te geven.

Voor hare toebereiding werd haar langer tijd gegund dan zij had durven wachten. Don Frederik, die gemeend had de kleine stad als in 't voorbijgaan en meer door den schrik van zijn naam dan door 't geweld zijner wapenen te kunnen nemen, zich dus teleurgesteld ziende, was veel te voorzichtig veldheer, om opnieuw iets tegen haar te beginnen zonder duchtige maatregelen genomen te hebben om die onderneming tot een goed eind te brengen. Ook werd hij door muiterij onder zijne soldaten, door

ocr page 451

395

geldgebrek, door allerlei tegenspoed, door eigen lichaamslijden daarenboven, opgehouden in 't laatst van Augustus. Maar nu ook had hij de handen ruim en kon hij zijne beste krachten aanwenden tegen het arme Alkmaar, Op den 21sten dier maand ving hij aan met het beleg. In dichte drommen trokken zijne legerscharen tegen de stad op en bezetten haar in don vollen zin des woords van achteren en van voren, zoodat hij zelf er met welgevallen van getuigde dat er geen spreeuw meer door kon. — Daar was Spaansche overdrijving in dit getuigenis, want voor pluimgedierte is er nog altijd vrije aftocht door de lucht, maar zeker was het dat geen toevoer van buiten de stad meer kon bereiken, en alle gemeenschap van uit de stad zelve met vriend en bondgenooten voor goed had opgehouden. Xiet minder dan honderd-een-en-twintig weivoltallige compagnieën lagen in wijden maar aaneengesloten cirkel rondom de kleine stad, die gelukkig door hare breede grachten niet van alle zijden even licht was te genaken. Don Frederik zelf, die den naam had zijn vader in krijgsbeleid te evenaren, had zijn hoofdkwartier gelegd te Oudorp. Behalve zijne lijfwacht, uit honderd-vijftig man cavalerie bestaande, had hij daar met zich een groot deel edellieden en voorname krijgsbevelhebbers, en het beste deel zijner troepen onder de bevelen van Jean de jSToircatmes als zijn luitenant, Gonzalvo de Braccamonte, een vermaard Kolonel — (die zich bij den slag van Jemmingen had onderscheiden zoowel door dapperheid en krijgsbeleid als door den moedwil dien hij zijn volk liet bedrijven tegen onschuldige landlieden) — Don Pedro de Velasco en Don Pedro de Toledo, zijn bloedverwant, de Heer van Coignies, Stefano Dejualo, Veldmaarschalk mijnheer de la Motte. Artilleriemeester. Te Huiswaart was gelegerd Don Ferdinand de Toledo, natuurlijke zoon van den Hertog, met acht vaandelen voetvolk, te St. Pancras de Overste Polswijler met zes vaandelen. Te Koedijk had de Baron de Locqres positie genomen met twaalf vaandelen, terwijl in 't zelfde dorp de Baron de Che-vreaux lag met acht vaandelen Bourgondiërs. Bergen was bezet door den Heer de Capres met tien vaandelen Nederlandsche Walen. In de Ineuwpoort lagen tien Vaandelen Spaansch volk onder Overste Jurriaan Fronsberg, en daarnevens twaalf vaandelen wel uitgeruste Duitsche ruiters; daarenboven nog de

ocr page 452

396

Graaf van Ebersteijn met drie vaandelen Duitsche voetknechten.

Daar het meerendeel dezer vaandelen voltallig waren, berekende men de heirmacht die dus rondom Alkmaar was samengetrokken op zestienduizend, behalve nog eenige lichte ruiterij zooals gewoonlijk voor schermutselingen worden gebruikt, en eene bende Duitschers onder Jurriaan Schenk. Zeker, er waren huurlingen onder, volk dat alleen om de gagie en den buit diende, maar toch het meerendeel bestond uit oude beproefde krijgers, soldaten onder de tucht van Alba in menigen veldtocht gehard. Daar waren Italianen nog versch in de JSTederlanden als hulptroepen overgevoerd en die, nog door geen strijd afgemat, hunkerden naar do gelegenheid tot daden van moedbetoon; daar waren troepen die tegen de Turken hadden gediend, en die zich verheugden in het vooruitzicht nu tegen de ketters te strijden. Eu als nu de Alk-maarsehe burgers van hunne wallen ten noorden, ten westen en ten oosten deze geweldige heirwacht zagen die daar als eene ijzeren ringmuur in 't verschiet opdoemde ; als zij in de Augustuszon de speren en pieken konden zien schitteren of het bliksemschichten waren, en de harnassen blinken, dan moesten zij zich afvragen, wat zij daar tegenover hadden te stellen, en dan kwam het neer op eene bezetting van achthonderd man soldeniers, en dertienhonderd weerbare burgers, benevens eenige huislieden en visschers, uit de zeedorpen gevlucht, die eene schuilplaats hadden gezocht in de stad. Zeker, de welgewapende voetknechten onder een Gouverneur als Cabeljauw, en zijn trouwen luitenant Willem van Sonnenberg, waren niet gering te achten. Zij hadden, behalve hun Overste, hoplieden, die in dezen bloedigen strijd reeds hunne proeven hadden afgelegd te land en te water: Dirk Duyvel, de gevreesde Watergeus, Coenraad van Steenwijk, sen koene strijder, vroom patriot, Jacques Hennebaert, een grimmige broramert, maar die zijn man stond en zijn volk wist te doen staan, Nikolaas liuickhaver, even lakoniek in woorden als ras van daad. Van de kleine heirmacht, dus aangevoerd, was dus wel wat goeds te wachten voor wie haar niet telde maar woog. Ook onder de weerbare burgers waren er zeker nog wel van die kloeke vrijwilligers, die, onder Claes liop, zich gezamenlijk met

ocr page 453

397

die van Hoorn indertijd hadden opgemaakt tot bijstand van het benarde Haarlem; er waren busschieters, doelisten, hand- en voetboogschutters die wel eenigszins geoefend waren, maar die (och het wapenbedrijf nog niet anders hadden bij de hand gehad dan als lichaamsoefening, als spel, als vroolijke en vrije mededinging bij de gildefeesten, maar niet in ernst, in den bloedigenernst van den strijd waar het mensohenlevens gold. Het meerendeel daarvan had nooit met vuurroer of musket omgegaan. Het boeren- en visschersvolk wist dapper met messen te vechten, dat ia zeker, maar had niet geleerd spies of hellebaard te hanteeren, en, al had het die weten te gebruiken, nog had het ze niet onder zijn bereik! Men leefde in een tijd dat men eene koe kon krijgen voor eene spies, niet omdat het vee zoo overvloedig was bij het rooven en blakeren der Spanjaarden, die schapen en koeien bij honderden uit de weiden ontvoerden, maar omdat alle wapentuig even schaars als veel begeerd was. En onder zulke condities moest men de duizenden van Don Frederik wederstaan! Zeker, als Cabcljauw en van Teyling'n, die de zwaarste verantwoordelijkheid droegen, hun handvol volks monsterden, en berekenden dat het minstens zes tegen één zou wezen als het tot den strijd kwam, dan zal het hun wel eens bang om het hart zijn geweest. Maar toch, zij hadden moed, en toonden goene bekommernis, die de goê gemeente vervaard kon maken.

Zoo was men binnen Alkmaar wel gedrukt maar niet versaagd. Men had gedurende den korten tijd van verademing niet verzuimd wat men bij machte was te doen om de wallen en bolwerken te verzekeren. Men hield dag en nacht goede wacht, men had den vasten wil om niet roemloos onder te gaan, en sinds men den vrede niet had kunnen bewaren, was men volkomen eensgezind en gewillig om de lasten en gevaren van den oorlog te dragen.

Inmiddels hield heel het noorderkwartier in angstige spanning het oog op Alkmaar gericht, niet anders wachtende dan dat een gelijk lot als dat van Haarlem haar treffen zou, en dat, met do kleine hoofdstad van West-Friesland, het geheele gewest den overwinnaar ten buit zoude worden, te lichter, daar Bossu, volgens het plan van Alba om Noord-Holland gelijktijdig te water en te

ocr page 454

398

land aan te vallen, zich van de gansche Zaanstreek had meester gemaakt. 1)

Oranje liet het niet bij troostrijke woorden blijven, maar spoorde tot vruchtbaar handelen aan, en zond tot steun en bemoediging van het bedrukte noorderkwartier den wakkeren Kolonel de la Garde met acht vendelen Franschen en Duitschers. En al hadden de Spaanschen maar al te goed gezorgd dat zulke bondgenooten Alkmaar niet konden genaken, toch waren ze van groote waarde als bedreiging achter des vijands rug, en konden zij Sonoy bijstaan in zijne pogingen om 't vermeerderen der belegeraars rondom Alkmaar af te weren. Hiertoe strekten ook de schansen die de Gouverneur van Noord-Holland deed opwerpen te Broek en Langendijk, te Schoorldam, te Krabbendam, op den Huigendijk en te llustenburg, welke hij, behalve door zijn krijgsvolk liet bewaken door twee a driehonderd boeren, die men van wapenen had voorzien.

De belegerden intusschen, nadat hunne stad eens was berend en zij dezen aanval met goed geluk hadden afgeslagen, lieten nu zelve den vijand ook niet met rust, en deden uitval op uitval, meestal niet zonder voordeel. De runhuizen aan de overzijde van de stadsgracht hadden het eerst ten doel gestaan aan des vijaads aanval, die een daarvan had bemachtigd. De Alkmaarders staken nu zelve de beide anderen in brand, opdat de Spagnool zich daarin niet zoude nestelen en versterken. Deze nam weerwraak door een schip te laten zinken, vlak voor den boom van de ringvaart, om de belegerden te versteken van toevoer of bijstand langs de waterzijde.

1) Het was in deze hachelijke oogenblikken dat Sonoy, op wien als stadhouder van Noord-Holland de veriilichting rustte om op de verzekering van het gewest toe te zien, een schrijven vol diepe bekommering aan den Prins richtte, met de vraag: of Zijne Doorluchtigheid niet eenig vast verbond had gemaakt met zekere buitenlandsche vorsten of mogendheden? waarop dat merkwaardig antwoord volgde, dat zoozeer van 's Vorsten vast geloof op de hulpe Gods getuigde en waarvan Wagenaar in zijne oppervlakkigheid zegt, dat de Prins antwoordde „met argumenten meer uit deu Godsdienst dan uit de staatkunde genomen.quot; Alsof er betere staatkunde, hoogere staatswijsheid kan zijn, dan zijn vertrouwen te stellen op den Almachtige en Onveranderlijke !

ocr page 455

399

Men ziet het, de gewilligheid om elkander te schaden was groot genoeg. Toch bleef het vooreerst hij schermutselingen, voorposten-gevechten om het zoo eens te noemen, alsof de Spaansche veldheer zijne tegenpartij recht wilde leeren kennen, eer hij het in vollen ernst met naar opnam. Nog altijd geloofde hij dit kleine hoopje volks door dan schrik alleen van zijne geweldige toebereidselen tot eene plotselinge overgave te dwingen. Soms liet hij tegen den nacht loos alarm slaan, of nam de houding aan van de stad aan drie zijden tegelijk te overvallen, opdat de bevolking, door eene paniek getroffen, zich zonder slag of stoot in zijne handen zou geven. Maar deze krijgslisten troffen geenszins doel, en bewerkten juist het tegendeel van 't geen hij wenschte. De Alkmaarders gewenden zich aan het gedruisch der wapenen, aan het gesis der kogels, en schrikten niet meer op van loos alarm, dat hen kloek en wakker hield; en de geleerde Pensionaris banning van Foreest, die zelf evenals de andere leden van de regeering trouw zijn post op de wallen vervulde, getuigt van hen, dat die gedurige waakzaamheid, die dagelijksche oefeningen door den nood opgelegd, de verplichting om als het ware met de wapenen in de hand te gaan slapen, de rustige burgers tot geharde soldaten had gevormd, die de vrees niet meer kenden en bereid waren alle gevaar te trotseeren; die elkander gezworen hadden dat zij van geene overgave wilden hooren, ja zelfs niet tot spreken wilden komen met den vijand. Dat toonden ze, toen zekere hopman Steinbach, met een trommelslager als heraut zich zoo dicht onder de wallen bij de Friesche poort vertoonde, dat hij met de schildwachten eene woordenwisseling konde openen. Hij verzocht den bevelhebber der stad om een der Burgemeesters te mogen spreken. Daar een der soldaten hem echter herkende als denzelfden parlementair, wien men verdacht door verraad tot de overgave van Haarlem te hebben medegewerkt, werd hem aangezegd dat hij zich zou hebben te verwijderen, daar niemand der overigheid verkoos met des vijands zendelingen in mondgemeenschap to komen. Toch bleef hij dralen en ronddraaien, zoodat men zijne boodschap slechts als een voorwendsel en hem zelf als een verspieder begon te beschouwen. Ook ontzagen de soldeniers zich niet hem toe te roepen, dat hij de schelm was die Haarlem had

ocr page 456

400

verraden. Overtuigd dat hij niet tot zijn doel kon komen, wendde hij zich om en trok af, met het uitgetogen zwaard dreigende, waarop een der schildwachten hem een kogel na zond, die het doel niet raiste. Dit onbeduidend voorval gaf Don Frederik de overtuiging van den vasten wil der belegerden om zich tot het uiterste te verdedigen.

Intusschen werden deze gekweld door de onzekerheid hoe men daar buiten onder vrienden en bondgenooten over hun toestand dacht, en welke middelen men wilde aanwenden tot ontzet, daar zij maar al te goed wisten, dat zij, ondanks de kleine voordeelen die zij van tijd tot tijd mochten behalen, niet hij machte waren de ontzettende heirmacht te verdrijven, die haar als met ijzeren armen omklemde.

Een machtige bondgenoot in dezen, op wiens bijstand zij konden rekenen, was het water, dat in een oogenblik het gansche, met volle recht dus genoemde Waterland als in een groot meer kon herscheppen, mits men de sluizen opende en de dijken doorstak. Een geweldige maatregel voorwaar, maar ook het snelste en zekerste middel om het geweld des vijands te keeren. Alléén kon de beknelde stad dat middel niet aanwenden, en zoo besloot zij haar nood te kennen te geven aan den Gouverneur en de Staten van Noord-IIolland in een uitvoerig schrijven mot de bede om ontzet, ware hot ook door dat uiterste hulpmiddel.

Allereerst moest er een bode gevonden worden, die de hachelijke taak op zich nam zulk een brief over te brengen. Maar de waardige stads-timmerman, Maarten Pietersz van der Meij, die zich reeds vroeger een beslist patriot had getoond, nam volvaar-dig dien last op zich. De brief waarin bekentenissen werden gedaan die den vijand niet onder de oogen moesten komen, werd zorgvuldig verborgen in een uitgeholden polsstok, met een houten knop gesloten, en oogenschjjnlijk alleen bestemd om den drager dienst te doen bij het overspringen van slooten en greppels. Uit de stad komen en 's vijands leger doortrekken, was eene onderneming v/aarbij men 't leven of de vrijheid kon inschieten. Maar van der Meij had beide vooruit als ten offer gegeven voor 't behoud zijner vaderstad, en ondernam het waagstuk, dat hem gelukte. En waar Alba's zoon had verzekerd, dat er niets buiten

ocr page 457

401

de stad kon, dan pluimgedierte, bleek het nu dat hij gebluft, en zich misrekend had, vergetende dat de zuivere liefde tot het vaderland bekwaam maakt het onmogelijke te ondernemen, en daarin te slagen. Van der Meij was visch noch vogel, en toch kwam hij door!

Binnen Alkmaar echter bleef men onzeker over zijn lot, en of men al seinvuren branden liet van den Groeten kerkstoren, het meest in 't oogvallend punt; of men al tuurde in de verte, en over de bolwerken heen ieder stipje aan den gezichtseinder gadesloeg — geene aanstalten tot ontzet waren er te bespeuren, terwijl in de stad veel oorzaaks was tot onrust en neerslachtigheid. De wakkere Kuickhaver, met een deel van zijn volk bij een uitval buiten de poort geraakt, was niet weer bij machte geweest die binnen te trekken, en kon nu niets meer dan op verren afstand voor hare belangen te waken.

De bevelhebber der stad. Jonkheer Jacob Cabeljauw, lag door koorts overmand op het ziekbed; en al was Jonker van Sonnen-berch een plaatsvervanger zijner waard, de raad en de daad van zulk een voorganger werd noode gemist. Intusschen verzon de vijand, onzeker van den toestand der stand, van hare hulpbronnen en de gezindheid der burgerij, list bij list om achter de waarheid te komen, of haar door verraad binnen te sluipen. Maar, het zij gezegd ter eere van die weinigen binnen hunne muren, die nog Spaanschgezind waren in 't harte — niemand hunner liet zich tot ontrouw verlokken.

Maar juist die gedwongen rust bij zooveel gevaars als hen omringde; het gemis van alle bedrijvigheid voor hen die gewoon waren aan het vertier van hun bloeiende markt; het oefenen van geduld in duldeloozen toestand, onder dagelijksche kleine en groote ontberingen, onder allerlei nooden en bezwaren, moest veel meer afmattend werken op den geest der belegerden, dan de krachtsinspanning die de strijd vordert, en zeker zou neerslachtigheid tot moedeloosheid hebben vervoerd, zonder het goed overleg en de standvastigheid hunner regeering, met van Teylin-gen aan het hootd. Om eenigszins in de dagehjksche bezwaren van geldgebrek te voorzien en de soldeniers te kunnen betalen, wier goed gedrag volstrekt afhankelijk was van de goede soldij.

Kroon, Karei de Stoute. 26

ocr page 458

402

had de regeering voor tienduizend galden tinnen noodmunten doen slaan, die later tegen echte munt zou kunnen ingewisseld worden. Waar men dus zeker was van 't krijgsvolk, kon er ook wel eens een uitval tegen den vijand worden gewaagd, en de kleine zegepralen, die men te zulkor gelegenheid behaalde, hoe onbeduidend ook ter bevrijding van de stad, strekten toch om den moed en de veerkracht der burgerij op te wekken. Eens mocht het hun gelukken niet slechts buit te verwinnen op den vijand, maar zelfs een Spanjool gevankelijk binnen te voeren. Een Spanjool ! Men moet zich in den toestand der belegerden weten te verplaatsen, om de woeste blijdschap der bevolking te begrijpen bij het zien van dezen gevangene, die berichten kon geven uit het Spaansche leger en die beloofde alles te zeggen wat hij wist, mits men hem het leven spaarde. Werkelijk deed hij bekentenissen waarmee men zijn voordeel kon doen, — en toch, gezegd moet het worden, dat men den ongelukkige geen woord hield! — een gebrek aan goede trouw, dat bij geen Hollander in dezen heiligen strijd had moeten gevonden worden, al was het voorbeeld daarvan door den Spaanschen vijand nog zoo vaak eu op nog zoo groote schaal gegeven. Maar Naarden en Haarlem lagen nog zóó versch in 't geheugen, dat het tot navolging uittergde; de haat was zóó diep ingekankerd, dat men geen Spanjaard het levenslicht gunde wien men bij machte was dat te benemen; daarbij, er bestond gevaar, dat een gevangene, als deze, ontsnapte en den nood der stad, hare zwakte, het klein getal harer verdedigers aan den vijand verried. Was Don Fre-derik zelf dan zoo spaarzaam met het leven zijner soldaten? hij die een honderdtal van zijne krijgslieden die aan de muiterij te Haarlem schuldig waren, in 't gezicht van de Alkmaarsche wallen had laten ophangen, zeker als symbool van 't geen den belegerden te wachten stond — welnu, men hing dezen Jeionimo de Arcibu ook op in 't gezicht van zijne Spaansche vrienden, hoewel in de kleederen van een Franschman die uit het leger voor Haarlem naar Alkmaar was overgeloopen in de hoop dat het geloof aan diens dood, aan diens trouw, zijne borgen ten goede zou komen. Al scheen dat eene daad van menschelijkheid tegenover dezen, de ongelukkige Jeronimo werd er niet door gebaat.

ocr page 459

403

Nog op genade hopend, bood hij aan, zijn geloof te verzaken zoo men hem het leven liet, „om met hen den duivel te aanbidden.quot; — Dit voorstel, in doodsangst gedaan, doet ons zien hoe het Spaansche krijgsvolk werd afgericht tegen de Nederlanders. Deze Ketters, die de Kerk verlaten hadden, waren duivelaanbid-dera, niets meer. In dien waan was er geen gruwel dien men niet tegen hen mocht plegen; het was den Hemel een dienst bewezen als men het kind niet spaarde in den schoot der moeder, als men verstokte grijsaards keelde, als men vrouwensehennis pleegde en moordde na 't onteeren ! Wie met Satan heulden kon men straffeloos schennen en mishandelen! Dit verklaart, verontschuldigt bijkans de uitzinnige woede waarmee elke veroverde stad werd uitgemoord. Wilde dweepzucht vuurde bij den Spanjaard de gewone woestheid van den soldaat nog aan. Het was verdienste zonder mcdedoogen te zijn, en elke ruwheid, elke laagheid was gewettigd door de onwaardigheid van de slachtoffers. Helaas! de Zeeuwsche raatroos, die in woesten baat de tanden zette in het lillende hart van een Spanjaard, de Watergeuzen, die aan weerlooze priesters hun moed koelden, de Alk-maarders, die hun gegeven woord verbraken, werkten onwillens mee om den waan te versterken, dat men met erger dan heidenen had te doen. Hoe heerlijk, hoe hartverheffend zou het geweest zijn, zoo de onzen in den heiligen strijd dien zij voerden, Ie allen stonde bedacht hadden dat zij Christenen waren, en nooit verzuimd hadden zich dat te betoonen ook jegens vijanden!

„Maar — de oorlog is de oorlog, en het moest er nu zoo mee door,quot; meenden de Alktnaarders, de meerderheid althans. Want dat er onder hen waren die 't betreurden, die het hadden willen verhinderen, niet slechts uit menscheljjkheid, maar ook uit verstandig overleg, dit moeten wij mede getuigen. Zeiven wachtten de belegerden ook geen kwartier; daarom streden zij met voorbeeldeloozen moed en met eene verachting van alle gevaar, die Alba's zoon van het boter-en-kaasvolk bij uitnemendheid wel niet had kunnen wachten.

Die kloekheid en het goed beleid, bij hunne uitvallen betoond, wijzigden zoozeer zijn gevoelen omtrent het slecht bewapende en weinig geoefende hoopje volks dat hij daar binnen meende te

ocr page 460

404

vinden, dat hij geen ernstigen aanval wilde wagen vóórdat hij zijn zwaarste belegeringsgeschut tegen hen kon aanvoeren. En dit moest van Beverwijk komen. Geen al te verren afstand, zou men meenen, als men alleen denkt aan den straatweg die nu van daar tot Alkmaar leidt; maar destijds was datgene, wat men den heerweg noemde, niets dan een drassige poel door de aanhoudende regens doorweekt. Voor de paarden alleen had dit reeds groote bezwaren : maar waar ze nog het zwaar gesehut hadden voort te trekken, dat door zijne eigenaardige zwaarte telkens steken bleef in het weeke slijk, tot wegzinkens toe, waren er bijkans onoverkomelijke hindernissen. En zoo verliepen er dagen, weken zelfs, eer deze onmisbare hulpmiddelen voor een krachtigen aanval onder zijn bareik waren gesteld.

Inmiddels vorderde hij m.iar al te goed met zijne loopgraven waaraan hij onder anderen driehonderd burgers van Haarlem deed werken, door hem huns ondanks meegevoerd, zoodat de belegerden, wilden zij den voortgang van die belegeringsaanstalten stuiten, op hunne vrienden en bondgenooten moesten schieten, die zeiven hen liever zouden te hulp zijn gekomen dan tot hun verderf mede te werken.

De wakkere stads-timmerman was intusschen tot Sonoy gekomen, was te Hoorn toegelaten in de vergadering der Staten van het gewest, en bracht er als trouwe bode zijne brieven over, met mondelingen aandrang daarbij, daar hij 't recht had verkregen een woordje mee te spreken. De Gouverneur was overtuigd van de noodzakelijkheid der gevraagde hulp, en was diep bewogen met het lot der belegerden niet slechts, maar ook vol bekommering over 't geen er ging volgen, zoo ook dit bolwerk van 't noorderkwartier bezweek voor don vijand. Toch was 't geen gevraagd werd hachelijk toe te staan. De zustersteden, de plattelandsbewoners wilden er niet van hooren. Het bekrompen egoïsme, Vesprit de clocher, verhief de stem. „Hoe! de sluizen openzetten, om weiden en vee al te zamen te bederven! Moest het vee in de stallen eer de hooitijd nog recht was afgeloopen, vanwaar zou men dan te winter voeder krijgen, als de oogst was bedorven en de landen onder water stonden? Hoe! de dijken doorsteken — waar moesten dan de dorpsbewoners heen, wat zou

ocr page 461

405

er van de hoeven worden, wat van de akkers en bouwlanden, waar zij als vluchtelingen in de steden schuilden? „Hoe!quot; voerden zo den teleurgestelden bode toe. „Haarlem heeft wel maandenlang een beleg uitgehouden; kunt gijlieden, die pas drie weken belegerd zijt, het dan minstens niet tot Allerheiligen uitharden, als de stallen gereed en het voer binnen zal zijn? Pas drie weken belegerd, en nu al ontzet eischen door zulk een gewelddadig middel!quot; Het scheelde niet veel of' de eerlijke stads-timmennan, die deze uiting der zelfzucht wat stout weersprak, werd mishandeld door het volk, dat in hem den Jobsbode haatte.

Maar ook een betere geest deed zich gelden, en Sonoy zijnerzijds beloofde alle mogelijke hulp. Hij schreef een troostrijken brief aan de Alkmaarsche regeering, die de verzekering inhield, dat in haar uitersten nood geen bij bedenkingen hem als Stadhouder van 't gewest zouden tegenhouden hare verlossing door het uiterste middel te bewerken. Deze brief werd opnieuw aan Van der Meij toevertrouwd, die zieb door zijne kloekheid en volharding toch ook een vriend bad gemaakt: den Commissaris Frederik Ottenog, die zijn ijver prees, hem wel „tracteerdequot; en met eenige anderen naar Delft zond naar den Prins, de groote vraagbaak in alles, den onwrikbaren staf en steun in allen nood. Ook van dezen verkreeg hij een bemoedigend schrijven en toezegging van krachtdadige hulp, waarmee hij de terugreis naar Alkmaar ondernam. Maar de bezwaren van den terugkeer waren nog grooter dan dio van het heengaan. Dicht onder de stad werd hij door een Spaan-sche schildwacht opgemerkt, terwijl hij door riet en kroos heen-waadde; hij ontkwam ternauwernood, en daar hij zich door zwemmen moest redden gingen zijne brieven verloren.

Welk een verlies voor het bedreigde Alkmaar, dat zoo hoog noodig had getroost en bemoedigd te worden door degelijker beloften van hulp, dan de mondelinge verzekeringen van den trouwen bode! En de Spanjaard? Wis kon dat pakket hem in handen vallen en hij zou in de gelegenheid zijn om den nood der belegerden in vollen omvang te leeren kennen, dien men hem zoo zorgelijk trachtte te verbergen. — Dit alles scheen tegen u te zijn, kleine, zwakke stad, en toch zou het in uw voordeel uitloopen, want god was met u, en zoo moesten alle dingen medewerken u ten

ocr page 462

406

goede, ook wat naar menschelijke berekening u het meest had kunnen schaden.

Intasschen toonde Sonoy door daden, dat het hem ernst was geweest met zijne beloften. Op zijn bevel werden reeds sluizen geopend te Krabbendam, te Aertswoud en elders, tot groot misnoegen der huislieden, die om het hardst wraak riepen over deze tyrannie, en waarvan sommigen niet slechts tegenstand boden, maar zelfs in 't heimelijk des nachts beproefden dien maatregel vruchteloos te maken, door de sluizen te stoppen. Dit vergrijp werd streng gestraft, en voorts werden do sluizen en dammen door soldaten nacht en dag bewaakt, om op den eersten wenk des bevelhebbers tot openen of sluiten te kunnen overgaan.

Het was Don Frederik nu gelukt zijn zwaar geschut voor de stad te brengen, niet minder dan vier-en twintig stukken. Hjj had een schans aangelegd voor de Friesche poort, die de Alkmaar-ders tevergeefs hadden getracht te vernielen. Zij vermochten niets daartegen dan vier burgerhuizen te sloopen, om met het puin eene barricade op te richten en zoo zelfs, als de poort werd veroverd, nog den strijd niet op te geven. Maar de Spaan-sche bevelhebber had nu zijne loopgraven gereed, zoodat hij de stad kon naderen zoo ras hij wilde, en tegelijk zijne befaamde tonnebrug aangelegd, waarmede hij over 't water heen tot het bolwerk van den lloó Toren kon komen. Hij was nu bij machte om de stad aan drie zijden tegelijk aan te vallen, — en nog scheen hij te aarzelen, nog beproefde hij, of hij door list en misleiding hare waakzaamheid kon verslappen. Hij liet op klaarlichten dag wagens en geschut naar Bergen voeren, om de belegerden in den waan te brengen dat hij aan aftocht dacht. Maar de onzen lieten zich niet verbijsteren noch verblinden, en bemerkten dat hij des nachts liet terugkeeren wat hij bij dag verzond.

Waartoe zooveel weifeling bij zooveel sterkte in den zoon van Alba? Juist omdat hij dit was, had hij zooveel te verliezen. Hij had den naam van zijn vader in veldheersbeleid te evenaren. Als nu dit hoopje volk hem eens weerstond; als hij nu eens onverrichter zake moest wegtrekken van dat kleine vuilnisnest, zooals hij in zijn overmoed de uitstekend nette Westlriesche grensstad had genoemd; als die zwakke wallen hem eens te sterk

ocr page 463

407

bleken! Welk een knak zou dat geven aan zijn veldheersroetn! Meer nog: in welk een ongunst zon het hem brengen bij zijn vader, die hem reeds bij 't beleg van Haarlem had gedreigd dat hij hem voor basterd zou houden, dat hij zyn moeders eere zou bevlekken, zoo hij aftrok van die stad zonder haar genomen te hebben. Hij wist het, de ongenade des Konings hing als een dreigend zwaard boven de hoofden van vader en zoon beiden,, en dat zou neervallen, als Alkmaar staande bleef. Eerst na den slag bij Jemmingen, en als Ier belooning van zijn vader voor het welgelukt wapenfeit, was Don Frejerik naar de Nederlanden gezonden om deel te nemen aan den oorlog, daar hij bij den Koning in ongenade was gevallen om een avontuur met eene hofdame, hetgeen Filips, die niet van openhaar schandaal hield, met verbanning naar Afrika had willen straffen, toen Hertog Alba's overwinning op Lodewjjk van Nassau tusschenbeide kwam. Daarbij, lijdend door koorts en jicht onder het ongure Noordhollandseh klimaat, en nauwelijks zeker van zijn volk, dat hij door beloften van geschenken tot moed en volharding moest aanzetten, was het niet vreemd dat hij aarzelde, voor hij een beslissenden aanval waagde tegen eene stad, wier inwoners reeds getoond hadden dat zij wisten te strijden en te waken.

Toch moest het er eindelijk toe komen. De koning zelf spoorde tot spoed aan: „Men moest wat meer voortgang maken in het noorden: de zuidelijke gewesten hadden ook betere voorziening noodig.quot; — Reeds had de Prins van Oranje zijn kans waargenomen en zich bij verrassing van Geertruidenberg meester gemaakt; het werd hoog tijd, drong Alba zelf, dat men met dit boter- en kaasvolk gedaan maakte. Don Frederik moet dus wel afzien van lt;3e voordeelen zijner omsingeling, waarvan hij gehoopt had dat zij hem de stad door uitputting en afmatting als vanzelve in handen zoude voeren; hij moest tot geweld overgaan, en nu zou hij er dan ook alle kracht aan bijzetten.

Op den IS'len September, nadat, «ooals Schagen zegt;

't Muurbrekend grof geschut had gruw'lijk uitgedoiulerd. Met schrikkelijk geblick, tweeduyzend en driehonderd Moordkogels op de stad, wier overgroot geweld De muren heel doorboort, de huizen nedervelt.

ocr page 464

408

begon de geweldige dubbele aanval, het stormen tegen de Frie-sche poort en over de tonnenbrng been, naar den llooden Toren die reeds platgeschoten was, terwijl tegelijk aan de zijde der zout-keeten de stad fel werd bestookt. Twee keurbenden, versch uit Lombardijen aangekomen, voerden den storm aan onder een zegevierend krijgsgeschrei. Wij kunnen den lust niet weerstaan om een Alkmaarsch dichter van onzen tijd hier het woord te geven:

En d'ijzren reuzendraak ontwrong zijn kronkels,

En rekte een dnbble klauw naar Alkmaar heen.

De bonte vaandien hoog en wapprend zwevend Genaakten daar de stormers, dicht aan een Gesloten, of een enkle reuzenring-Van vinnig staal hen allen hield omsnoerd.

De bodem trilde dubbel waar zij traden;

't Gevaar des doods trad in hun breede rijen Belichaamd en als vleesch en bloed, neen ijzer,

Omgulpt met vlammen op! 1)

En hoe werden ze ontvangen ? Dat de soldeniers als trouwe knechten gehard in 't handwerk, onder hoplieden als Dirk Duyvel, Coenraad van Steenwijk en de anderen, vromelijk hun plicht deden en niet versaagden, was geen wonder, al is het billijk het te prijzen ; maar de burgers — alle weerbare burgers — al wat binnen de stad als vreemdeling of vluchteling schut had gevonden, waren als één man op de wallen aangetreden.

„In dichte rijen stonden wij geschaard,

......de achtersten vol leeds

Omdat zij niet de voorsten konden zijn,

De voorsten fier op 't voorrecht om het eerst Die schrikbre spits te knotten.

Maar de tijd Van afgunst duurde kort, en loste gants In wild rumoer en dwarrel woeling op.

De dichte bende stormers, in een wolk Van grauwen kruitdamp neevlend, poosden niet:

Op 'tcingel, aan de gracht, op 't drap der puinbrug,

Vooii, voort met vasten tred, niet tellende wie viel.

Ter zijde of in hun midden en 't harnas

1) Hofdijk in zijn drama: Alhnaars heler/.

ocr page 465

409

Alreeds met bloed besmette. Voort! wie zonk

Vervangen ! En dus drongen ze in de bres

Zoodat wij aanzicht tegen aanzicht raakten,

Zwaard tegen zwaard, en soms borst tegen borst.

't Staal knarste en schaarde op 't staal in 't dicht gewoel!

Geen arm was ledig van beneên tot boven !

Het was of deze rustige burgers, deze visschers uit de zeedorpen, deze huislieden, yoormaals door ieder krijgsgeschrei opgeschrikt, nu met elke vrees en schroom hadden afgedaan, of zij in gevleeschte duivels herschapen waren, die maar één vast denkbeeld hadden, weerstand bieden; zij stormden tegen de bestormers in, in de bres stelde ieder het eigen lijf ten bolwerk, zij verweerden zich met alle wapenen die onder hun bereik waren. Die geen vuurroer had trok zijn mes, die geen spies had greep de zeis of den dorschvlegel; wien de arm was afgeknot, sloeg de tanden in het lichaam van zijn tegenstaiider: niemand week van de wallen in die volle vier uren stnjds, tenzij hij dood of gekwetst van daar werd gedragen.

Maar toch, de storm moest worden afgeslagen op twee punten; en tot driemaal toe werd met versche krijgsbenden de dubbele aanval herhaald. Alkmaar had maar hare honderde weerbare mannen te stellen tegenover hun duizenden, dat was zoo— maar bij die telling had men zich misrekend; men had niet op de vrouwen en meisjes, niet op de knapen en kinderen gelet. En toch zij waren er, en in zeer grooten getale En al schenen de leden teer en fijn, toch klopte een moedig hart in elke vrouweborst; daar waren knapen blind voor quot;t gevaar, maar niet blind voor de hulp die hunne zwakheid kon aanbrengen. IJver verdubbelde aller krachten. De vrouwen die 't musket niet konden voeren wisten het toch te laden. Ketels kokende vloeistoffen werden naar de wallen gezeuld, en 't gesmolten lood, het heete zeepsop, de onge-bluschte kalk, werden in stroomen neergestort op den aanstormenden vijand, glas tot pulver gegruisd hun in de oogen gestrooid, gesteenigd werden zij met het puin van de ingestorte bolwerken, pekkransen en brandende hoepels werden hun door knapen en grijsaards om den hals geworpen, zoo ras zij te dichtebij naderden. Alleen noodweer, alleen de zekerheid dat geen levendige ziel

ocr page 466

410

zou gespaard worden, zoo men 't opgaf en de Spanjaard won, verschoonen de afgrijselijke hulpmiddelen, die men te baat nam, waar het gebruikelijk oorlogsmateriaal te kort schoot. De stad behouden, of op de puinhoopen het lijf laten, was aller leus, en waar de mannen door overmaat van vermoeienis of bij vertwijfeling aan de zegepraal een oogenblik verslapten in ijver, een oogwenk versuften of weifelden, daar waren het de vrouwen die hen met nieuwen moed bezielden en tot krachtigen weerstand aanvuurden, door hun toe te roepen; „Denkt aan Haarlem, denkt aan Naarden, behoedt vrouwen en kinderen voor het ergste, als men den Spagnool in handen valt! Valt aan, slaat toe, voor uwe vrouwen, voor uwe dochters, voor uwe zusters!quot; — kreten, schetterend als krijgsklaroenen, verscherpt door de zielsangst van haar die ze uitstieten — want eik van haar wist het: zoo de Spanjool won, was het kind zelfs niet meer veilig in den schoot der moeder.

De schrille stemmen overheerschten schier het krijgsrumoer, terwijl de vrouwen zwaard en vuur trotseerend de mannen volgden tot in het heetste van de mélée. In de overspannen geestdrift was de schuchterheid gelijk de teerhartigheid der kunne vergeten; Jeanne d'Arc gelijk, waren ze zonder mededoogen, als zonder vrees. En de burgers getuigden het later, dat niet slechts de hulp maar ook de zedelijke sterking der vrouwen hun boven-menschelijken moed had ingeboezemd. Zeker, bij't minsta Hauwen van den weerstand zou alles zijn verloren geweest.

Aangemoedigd door de beloften, geprikkeld door de bedreigingen van hun veldheer, geprikkeld ook door de ongewachte kloekheid waarmee ze werden tegengestaan, verwoed en verwilderd door de kwaadaardige projectielen, waarmee ze werden afgeslagen, rechtvaardigden de öpaansche en Italiaansche soldaten hun roem van dapperheid ten volle. Drie vaandels hadden ze alree onder 't geschrei van: „Victorie! Victorie! de stad is ons!quot; op de rookende puiohoopen van 't Friesche Bolwerk geplant.— Maar die overwinningskreet was te voorbarig : het Bolwerk was wel gewonnen, maar niet de burgerij.

Uaar stijgt de wanhoop in der burgren borst.

Maar niet in zwakte — in kracht der razernij ;

ocr page 467

411

De spieren worden staal, Je nerven ijzer,

Het is of 't harte radert in de borst

Bn ieder stormend voorwaarts drijft!

't Is of de burgerij zich in één reuzenegel heeft opgelost,

Een reuzenegel, die zijn stalen pennen

Aan alle zijden opsteekt, voorwaarts wentelt

En smoort cn plettert wat hem weerstand biedt.quot;

Eu daar tusschendoor de vrouwen met haar schitterend krijgsgeschrei; „Vecht mannen! vecht, valt aan, valt aan, — voor God en de religie, voor de eer uwer vrouwen en dochters! Wie nu niet weet toe te slaan, achten wij geen man!quot; En zeiven toonen zij dat zij mannenharten hebben in de vrouwelijke borst. Daar werden weer de kokende vloeistoffen in stroomen uitgegoten over de stormers, het bijtend loog, de brandende teerhoepels, al het vreeselijke, erger dan moordend materiaal, dat de nood heeft weten uit te denken. De drie vaandels vallen onder den boven-menechelijken weerstand der burgers, die de bressen stoppen met de lijken hunner vijanden. Met één geweldigen slag maait burger Kitmans als met een zeis den eersten Vaandrig de beide beenen af; — hij stort neer; en met hem standerd en veldtee-ken; de tweede raakt ook onder den voet en zijn vaandel in brand; de derde blijft kloekmoedig staan en zich weren tegen den woesten aandrang, tot hij ten laatste met wonden overdekt neerstort, in zijn vaandel gewikkeld als in eene lijkwade — de schoonste die voor hem kon worden uitgedacht na den roemrijken dood dien hij zich won!

Na die laatste overwinning der Alkmaarders is 't uit met den gewaanden triomf der Spanjaarden. Die uitkomst treft hen als met verlamming, als met versuftheid. Zij durven, zij kunnen niet meer voorwaarts; zij dringen of zij vlieden als door een paniek getroffen in wilde woede naar hunne legerplaats terug. De soldeniers zijn er niet meer toe te bewegen den aanval te hernieuwen, zelfs niet waar hunne officieren er hen met den degen in de hand toe pressen. Een hunner vaandrigs, wien 't bij eene vroegere gelegenheid was gelukt over de bolwerken heen te kijken zonder dit met den dood to bekoopen, had met de uiterste verbazing gemeld, dat er bijkans geen harnassen noch stormkap-pen te zien waren, en dat de lieden die hen zoo moedig weer-

ocr page 468

412

stonden meestal als visschers gekleed waren in grof bruin laken! Dit, bij de ongewone wapenen waarmee ze begroet werden, en het vooroordeel dat reeds onder de Spaansche soldaten had post gevat, dat de ketters duivelaanbidders waren, maakte een indruk die versaging in de gelederen bracht. En nu na zulk eene krachteinspanning, na een driewerf herhaald stormen, toch nog de zege niet aan hunne zijde was, werd het voor den bijgeloovigen Spanjaard zekerheid wat hij reeds giste: daar school de Booze onder! Tegen soldaten strijden, ware het man tegen man, en al ware het tegen een ongelijk getal — dat durfden, dat wilden zij; maar vechten tegen lieden die 't met den Duivel eens waren, die ongeharnast tegen den vuurregen hunner kogels, tegen hunne spiesen en slagzwaarden indrongen, die streden met wapens die wel uit de Hel schenen genomen te zijn om helsche folteringen te brengen over elk wie ze troffen — dat wilden ze niet; — dan liever den eerlijken krijgsmansdood door de hand hunner eigen bevelhebbers.

Don Frederik moest het vooreerst opgeven. Met zulke onwilli-gen en versaagden was niets meer aan te vangen tegen de weer-galooze stoutheid en volharding van deze belegerden.

En de Alkmaarders? Ja! zij hadden gestreden met wanhopigcn moed, dat is waar, maar niet als vertwijfelden; integendeel. Zij geloofden vastelijk op de hulpe, op den zegen Gods, en dat sterkte hun vertrouwen, dat bewaarde hun den goeden moed, dat deed hen hopen als tegen hope ! Daar was een gebed gebeden voor het behoud hunner stad, als met stervende lippen door een man des gebeds en des geloofs bij uitnemendheid. Staande het beleg was de waardige Jan Arentz binnen de omsingelde wallen ontslapen. Alkmaarder van geboorte, mandenmaker van beroep — men verachte hem deswege niet (was Paulus geen tentenmaker?) — als de Apostel zijn handwerk gebruikende om niemand tot overlast te zijn en zijn eigen brood te eten, evangeliedienaar en verbreider van 't zuiver geloof naar de roeping Gods, had hij in eene ruime werkkring met niet veel menschehjke wetenschap, maar met groote kennis en een diep inzicht van 't Evangelie, Christus en Dien gekruist met onversaagden ijver verkondigd tot in zijne grijsheid. En nu op zijn sterfbed, met de bewustheid dat hij zelf welhaast

ocr page 469

413

ontbonden zou zijn van alle aardsehe pijn en zorgen, terwijl de dierbare vaderstad dus deerlijk was bedreigd, kon hij niet van haar scheiden zonder haar te geven wat hij geven kon; zijn zegen en zijn gebed. Hij riep alle zijne vrienden en bekenden tot zich; en te midden van dien trouwen, aandachtigen kring de oogen opheffende, stortte hij een van die gebeden uit, waarbij de biddende bijkans een verheerlijkte wordt, een Abrahams-gebed, een gebed, zooals Luther bad met de overtuiging dat zijne zaak Gods zaak was; een gebed waarmee de biddende als een andere Jacob den Heer des Hemels overweldigt, die zulke worsteling met zijn schepsel niet versmaadt, als de uitdrukking van het volkomenst geloof bij het onwankelbaarst vertrouwen. Hij dan — bad, dat zijne stad ditmaal niet ter prooie mocht worden van de vijanden, dat de Heer zich daar eene hutte wilde bewaren te Zijner eere en aanbidding, en dat, met de zegevierende stad, land en kerk beide mochten behouden en bevrijd worden van den smaad en de smarte door 't Spaansche juk hun opgelegd. En toen hij eindigde, rezen allen, die daar rondom hem geknield lagen op met de zekerheid dat hij verhoord zoude worden en dat hij zeil', nu den geest gevende, zijn graf zou hebben in eene vrije stad.

De vrome Pensionaris Nanning van Foreest geloofde aan den invloed van dat gebed, aan den zegen Gods die de zwakheid sterkte om do machtigen te wederstaan. En de Alkmaarders geloofden het met hem en loofden God, en dankten Hem die de Gever der victorie was, en de vrome Jacob Caboljauw, hun voorganger in den strijd, ging hen ook voor in ootmoed bij de overwinning.

Want eene overwinning was hot — en niet slechts een respijt, van eenige dagen, zooals men in den aanvang moest vreezen.

Don Frederik, knarsetandend van spijt, berekende dat die eene stormdag hem meer dan duizend soldaten had gekost, zonder dat er eenig voordeel was behaald. En de Toledo's waren zuinig met het bloed van huns Konings volk, als het niet vloeien kon tot overwinning.

Onwil en moedeloosheid heerschten van nu aan onder zijne vanen. Men had zich diis te bloede gestooten aan dat volk van

ocr page 470

414

zuivel, dat men het liefst niet weer wilde genaken. Daarbij — en hier merkt van Foreest de bestiering op van den Heer der legerscharen, die met het kleine hoopje was — de brieven van Senoy en den Prins van Oranje, geschreven ter bemoediging van de Alkmaarders en die van der Meij had moeten wegwerpen, waren in de handen der Spanjaards gevallen. Men zag er wel uit, dat er nog geen leger in aantocht was tot ontzet maar ook dat machtiger bondgenoot dan benden lansknechten, dat het water zou worden losgelaten over het vlakke land, uit sluizen en doorgestoken dijken, en dat men slechts op de vuurseinen der Alkmaarders wachtte om in den uitersten nood dit uiterste redmiddel in 't werk te stellen.

Reeds hadden Don Frederik en de zijnen de voorproef gesmaakt van 't geen die geduchte bedreiging moest zijn in hare volheid. De Gouverneur van het noorderkwartier had aanvang laten maken met zijne belofte, en reeds waren de lage weiden van Ouddorp en St. Pancras in slijkpoelen verkeerd, waarin de soldaat het niet langer harden kon. Reeds was geene versterking meer te ontbieden, reeds was het voor ruiterij en geschut niet meer om door te komen; — wat zou het zijn, zoo het noodsein der belegerden tot het uitvoeren der bedreiging in hare volheid drong, en ook de zee hare verlossende golven onweer-houden over gansch Waterland liet uitstroomen ! Dan, dan was het leger voor Alkmaar een lot bereid als dat van Pharao in de Roode zee! De Koning, — Don Frederik en zijne medebevelhebbers wisten het — was een streng Heer, die de wereld de wet wilde stellen, maar die zich boog voor de krachten der natuur. Zij belegden een krijgsraad, en men werd het eens dat de aftocht, nu nog doenlijk, geen roemlooze vlucht behoefde te worden, en dat men aflaten moest van dat kleine vuilnisnest, dat met zooveel Spaansche levens toch te duur zou gekocht worden.

De druiven waren zuur. Don Frederik! en de ontredderde poorten, de in puin geschoten bolwerken grimden u van uit de verte tergend en spottend aan.

Pour acquit de conscience liet hij nog wel zijn geschut daartegen werken, maar tot een vernieuwden aanval was zijn volk niet meer te krijgen, hoewel de Alkmaarders fier en stout ge-

ocr page 471

415

worden, hunne vijanden op den wal nu durfden uittarten en bra-veeren. Maar, als een wijs man, verdroeg de Spaansche veldheer liever dien hoon, dan tot het uiterste verlies te volharden. 11

pliait ses tentes et bagages met goed beleid en zonder overijling, en, na Koedijk en Huiswaart in brand te hebben gestoken, trok hjj voor goed af.

De Alkmaardere, zijne aanstalten tot den aftocht van hunne wallen ziende, konden huone oogen nauwelijks gelooven. Om zich te verzekeren dat het geen krijgslist was tot huu verderf uitgedacht, joegen zij de wegtrekkenden na. Dus, stoutmoedig in den rug gevallen, verkeerde de aftocht in een vlucht, en de zegevierende burgers brachten hunne belagers nog menigen stoot toe tot afscheid, en waren wel verzekerd dat het terugtrekken van Don Frederik meenens was.

Op den achtsten October mochten zij vrij en dankbaar hun ontzet vieren. Het was een ontzet voor gansch West-Friesland. Ja een kreet van blijdschap ging door het gansche land ! Alkmaars burgers hadden de oude geharde soldaten van Alba zegevierende weerstaan —• va)i Alkmaar ging de victorie uit.

Oranje zelf prees hun moed en volharding — Oranje loonde die in rustiger tijd op eigenaardige wijze. Het „lijftogtigh Alkmaarquot; verkreeg een recht op de Waag, waaraan de stad nog na driehonderd jaar een groot deel van haar bloei blijft danken.

En Alba? Hij leerde niet voor het eerst, en ook niet voor het laatst, dat het volk van zuivel weerstand wist te bieden aan het staal. En het mes, dat hij in verbeelding reeds op ieders keel had gezet, moest worden opgestoken, en al die levens, reeds ten doode gewijd, bleven gespaard.

Ondanks hun stout braveeren van 't gevaar hadden de burgers betrekkelijk klein verlies geleden in die zeven weken van het zwaar beleg, en de Spanjaarden moesten het hunne bij honderden berekenen.

Ook zongen de Alktnaarders met vroom en dankbaar gemoed;

Hoe zouden wij niet loven,

O! alder Heeren Heer!

Aen ons die waren verschoven,

ocr page 472

416

Hebt ghij verbreyt XIw eer.

(jhij liebt willen behouwen ])ie orachteloos waren geacht; Kn die op haer selfs bouwen, Zijn gevallen met al haar pracht

Lof, Prinselijke Vader! Lof, Heere gebenedyt! Wij danken U al te gader, Dat Ghij ons hebt bevryt.

ocr page 473
ocr page 474

mcIC *• l 'efUJ

fch' '

lastiruut Dc Vroyn

-oor Nr ■-...■■'.aeTamp;pl.

ei» Lelie-ki.; ar)n ji» ffïfkïuaivcrsjtrit tg

ocr page 475
ocr page 476