-gt;* gt; V* v , ,
IE3I-A.lSriDXjEIIDI3Sr C3-
rationeel en voordeelig; fokken en mesten
VARKENS.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
3088 805 5
HANDLEIDING
°/J8.
TOT HET
rationeel en voordeelig fokken en mesten
YAN
VARKENS.
|
INHOUD: Voornaamste rassen, met De teelt. Voeding en mesting. DiTvwijls voorkomende ziel DOOR Ui. ILi. O. |
f* iSM, H t 11^ Ã |
Motto I: 'n Zvvien is tegenwoordig 't rjnigste waor nog wat mit te verdijnen is in de lioerderij. Mit 'n zwien is altied wat te verdijnen. (Gron. dialect.)
Motto II: Een verstandig en zuinig landbouwer vindt in schuur en tuin , op veld en akker , dagelijks iets, dat, anders bijna waardeloos, door liet varken kan te gelde gemaakt worden.
EOTTEEDAM,
NIJGH amp; VAN DITMAR.
1887.
VOORBERICHT.
Mijn doel hij 't schrijven van dit hoekje zuas niet om een wetenschappelijk werk te leveren; maar om, zoo populair mogelijk, de voornaamste zaken, die varkenshouders voor hun vak noodzakelijk moeten iveten, duidelijk en bevattelijk te vertellen.
Dat, hij zulk een streven, soms de streng rvetenschappelijke juistheid eenigszins lijdt, begrijpt ieder verstandig man. Zoo is er soms h. v. koolhydraten geschreven, iraar stikstofvrije extract-stoffen had moeten staan.
Nog in andere zaken is soms met de hreede bijl gekapt.
Ik achtte dit noodig en het tegengestelde meer geschikt om in de war te brengen, dan om licht te geven.
L. L. O.
INHOUD.
Bladz.
Algemeene beschouwingen over rassen en soorten van varkens ...... 1
liet Indische varken.................................... 2
Het Europeesche wilde varken en zijn invloed op ons varkensras...... 4
De Hederlandsche varkenssoorten ........................... T
Het Hooglandsche varken................................. 9
Het Laaglandsche varken.................................11
Het Middellandsche varken...............................12
Het groote Yorkshire-varken ..............................14
Het Berkshire-varken....................................1quot;
Nog andere Engelsche varkenssoorten........................19
Nabetrachting........................................22
Het Bakonijer-varken....................................24
Het Japansche varken..................................20
Het Poland-China-varken.................................28
Varkens-Stamboeken....................................32
Familiteelt ..........................................34
Een kleine strafpredicatie.................................36
Het uitkiezen der fokvarkens.............................39
Ouderdom der zeugen .................................45
Ouderdom der beeren....................................49
De drachtigheid.......................................51
Het verwerpen der vrucht.................................54
De geboorte..........................................55
Ongewone zaken bij hot werpen ...........................57
Algemeene beschouwingen over de verschillende voederbestanddeelen.
Eiwitstoffen, koolhydraten ..............................59
VJIl
Bladz.
Nog andere bestanddeelen in het voeder ..........................................63
Over de beste verhouding van eiwitstoffen en koolhydraten in
varkensvoeder ........................................................................66
Vet voor varkens ........................................................................68
Groen voeder ..............................................................................71
Weidegang der varkens..................................................................75
De omhulsels der granen ............................................................77
Granen en peulvruchten..................................................................78
Peulvruchten ..............................................................................82
Aardappelen, wortels, knollen ............................83
Melk, karnemelk, wei ..................................................................85
Veevoederkoeken, enz....................................................................87
Vleeschvoedermeel ........................................................................89
Eenige dikwijls voorkomende varkensziekten. Vinnigheid ..................91
Trichinen ....................................................................................93
Roest..........................................................................................97
Het âvan de beenen komenquot;............................................................98
De varkensziekte ....................................100
Iets over de hokken der varkens...........................102
AliGKMKENK BESCHOUWINGEN OVER RASSEN EX SOORTEN VAX VARKENS.
Kik dier, dat een vader en eene moeder heeft gehad, telt, nog maar in hot tiende geslacht boven zich, reeds een duizend vier en twintig voorouders. Reken maar na: eerste geslacht twee, tweede geslacht vier, derde geslacht acht, vierde geslacht zestien, en zoo verder.
Hieruit zou men, hij oppervlakkig denken, opmaken dat er, dit in aanmerking genomen, bijna in 't geheel van geen zuivere rassen sprake kon zijn.
En toch hebben zich, onder en door deze omstandigheid, in vroegeren tijd, in bepaalde landstreken, bepaalde rassen van dieren en ook van menschen gevormd. Tk zeg: in vroegeren tijd; want bij de tegenwoordige snelle middelen van verkeer, waardoor de afstanden als 't ware verdwijnen, zijn de vroeger constante rassen in liet stadium eener nieuwe kruising gekomen.
Ten opzichte van de varkensrassen is dit zoo zeer de waarheid, dat men in Nederland de zuivere vertegenwoordigers dei-voor veertig jaren nog bestaande rassen bijna niet meer kan vinden. Tn vroegeren tijd bracht men zijne zeug of mot bij den beer van zijn buurman ter dekking. Wie, ter verbetering van zijnen zwijnenkoppel, voor dit geval eenige uren reisde, was al een heele nieuwlichter. Toch gebeurde dit, of men kocht soms ook een jongen beer van eene, zoo men meende, betere soort.
l
2
En zoo kwam het dan, dat de streken, die, met elkander in maatschappelijk verkeer stonden, al spoedig- een varkensras verkregen, dat een bepaalde type had. Want een varken heeft onder gewone omstandigheden zijne een duizend vier en twintig voorouders niet zoo heel veel jaren voor zich te zoeken, 't Ts immers heel geen kunst, om van een varken tien geslachten te verkrijgen in twintig jaren, 't Gaat meestal nog veel gauwer.
Opmerkelijk is het, dat men reeds zeer vroeg, bij wat ondervinding en wat intuïtie, tot de meening kwam, dat een varkenskoppel ten minste alle zeven jaren door vreemd hloed moest worden opgefrischt, om er de gewenschte vruchtbaarheid in te houden, 't Lag echter in den aard der zaak, dat dit vreemde bloed in de meeste gevallen van niet heel ver weg kwam.
Onze Germaansche voorouders zijn, zooals door onloochenbare feiten kan worden bewezen, in overoude tijden uit indie
3
g-ekomen. Zeer zeker zijn zij lang onderweg geweest, nu hier dan daar zich tijdelijk nederzettende.
Het ligt dunkt mij, voor de liand om aan te nemen, dat zij hunne huisdieren zullen hebben meegenomen. Want ze verhuisden bij geheele volksstammen en lieten zeer bepaald hunne bezittingen niet achter.
Zoo zal dan ook ons oorspronkelijk varken van het Indische, of wil men liever, van het Aziatische varken moeten afstammen, 't Schijnt mij daarom van belang, aan het tegenwoordige Indische varken eenige aandacht te wijden.
Nu komen alle mij bekende schrijvers en ooggetuigen daarin overeen, dat de eigenaardige type van het Indische varken, Avaar ook voorkomende, zijne beste uitdrukking vindt in de afbeelding van het Chineesche zwijn, zooals dat dikwijls is geïmporteerd tot veredeling dei' Engelsche varkensrassen, en waarvan de afbeelding op nevensgaand plaatje te zien is.
In 't algemeen kan men aannemen, dat de Indische varkens veel meer dan onze vroegere inlandsche rassen, op de tegenwoordige Engelsche varkens gelijken. Hun vorm is meer afgerond, de snuit doorgaans korter, de neus meer ingevallen. De kop is van boven breeder, maar toch kleiner en fijner. Het spek is olieachtiger en het vleesch niet zoo stevig als bij de vroegere Europeesche rassen en bij het Europeesche wilde zwijn. Hij vergelijkend onderzoek blijkt, dat het zoogenaamde tranenbeen bij het Europeesche wilde varken opvallend langer is dan bij het Indische. Dat is dan voorzeker met nog andere ons onbekende afwijkingen het kenmerkend onderscheid geweest tusschen het Europeesche en Indische wilde varken, welk onderscheid echter in meerdere of mindere mate wel bij hunne tamme nakomelingen zal zijn bewaard gebleven.
4
Het komt mij bijna zeker voor, dat, zoo een Indisch varkensras door onze Germaansche voorouders l)ij hunne verhuizing is meêgenomen, dit al spoedig is gekruist met het Europeesche wilde zwijn.
Gaan wij slechts na, hoe die oude Germanen met hunne varkens leefden, wanneer ze zich hier of daar tijdelijk of blijvend hadden nedergezet.
De varkens werden namelijk dooi' hen, in grootere of kleinere troepen, in de bosschen en op de natuurlijke weiden gejaagd, om daar in hun eigen onderhoud te voorzien. Van het houden in hokken, zooals thans gebeurt, wist men in die lang vervlogen tijden weinig of volstrekt niets. In die bosschen en op die weiden bevonden zich echter ook dikwijls meer of minder talrijke troepen wilde varkens, waarop wel veel jacht
5
werd gemaakt, maar die volstrekt niet spoedig waren uitgeroeid. Eerst in deze eeuw is men in West-Europa moeten beginnen die wilde varkens in groote parken te houden, ten einde 't ras voor uitroeiing te bewaren.
Dat nu vele tochtige zeugen door wilde beeren werden bevrucht, ligt voor de hand. Of de bezitters dier varkens daar op gesteld waren of niet, valt moeielijk te zeggen. Misschien waren ze er niet zoo heel treurig om, daar toch bepaald hun varkensras door kruising met het wilde varken sterker werd , en het in die tijden gebruik en behoefte was, varkens te hebben, die bij 't zoeken van hun dagelijksch brood niet zoo heel veel door den mensch behoefden te worden geholpen. De landbouwer op Java, die in de nabijheid der groote ongekultiveerde bosschen woont, jaagt nog tegenwoordig, wanneer hij daartoe gelegenheid heeft, zijne tochtige karbonwen in het bosch, om bevrucht te worden van een zich daar bevin denden wilden stier. Hij weet, dat hij daardoor sterker kalf zal krijgen.
Ofschoon deze meening omtrent de kruising der varkensrassen onbewezen is en zeker wel blijven zal, schijnt er toch iets voor te pleiten. Het vroegere varken der lage, aan de zee gelegene kleilanden, komt namelijk meer met liet Indische en minder met het Europeesche wilde varken overeen, dan het varken der hooger gelegene streken. Dit zou dan zijn oorzaak kunnen hebben in het minder aanwezig zijn van bosschen in de zeer lage landen dan in de hooger gelegene. Want het Europeesche wilde varken heeft tot zijn voortbestaan bosschen noodig en tiert op den duur slechts daarin. Hoe gehard ook, zonder bosch kan het de strenge winters niet doorkomen.
En zelfs het half wilde, zoogenaamde Bagonerzwijn, het varken uit het Bakonijerwoud, wordt door den heer Herman [ van Nathasius gerekend meer met het Indische dan met het | Europeesche wilde varken verwant te zijn.
Het Europeesche wilde varken, waarvan men hier de teekening
ziet, heeft een sterken en lang-en kop, de ooren zijn kort en opstaand, de bijna rechte snuit is gewapend met lange hoektanden , de nek is van den kop naar de schoft omhoog loopend, de rug is eenigszins naar boven gebogen en toch afloopend naar het lage kruis. De borst is dieper dan de buik en de beenen zijn van boven tot beneden krachtig gebouwd. De kleur is donker grauw, bijna zwart, en de borstels vormen op nek en schoft eenen opstaanden kam. ]n den winter bevinden zich tusschen de borstels wolachtige haren, die in 't voorjaar uitvallen. De huid of het zwoord is veel dikker dan bij het tamme zwijn en liet beendergestel is forscher.
Moet de lezer, bij deze beschrijving niet onwillekeurig denken aan de varkens van voor veertig jaren? Niet in alle deelen waren die zoo, maar de kleur er buiten gerekend, waren ze dan toch vrij wat dien kant op.
Algemeen wordt daarom ook aangenomen, dat de vroegere varkens van het Buropeesche wilde varken afstammen en in den loop der tijden door veranderde levenswijze, hunne afwijking daarvan hebben verkregen.
Naar mijne meening. waarmede ik u-el zoo tamelijk alleen zal staan, was ons vroeger varkensras een Indisch ras, verbasterd door kruising met het Europeesche wilde varken.
Deze beschouwing over die zaak schijnt mij, meer dan de gewone meening, overeen te komen met den natuurlijken loop der dingen. Moge ook de theorie van den grooten Darwin over den oorsprong der soorten waar blijken, men weet toch, uit afbeeldingen, die zeer langen tijd bewaard zijn gebleven, dat van die verandering der species zonder kruising, in eenige duizenden jaren niet veel is waar te nemen.
I
DE NEDERLANDSCHE VAIIKENSSOORTEN.
Veel moeite heb ik gedaan, om, al was 't maar in alge-meene omtrekken, op te sporen, welke soorten van varkens er vroeger in verschillende streken van Nederland aanwezigwaren on hoe die soorten zijn vervormd door kruising- met buitenlandsche rassen.
't Is echter moeite om niets geweest, want, uit de opgaven die ik ontving, is niets anders op te maken dan dat de Neder-landsche varkens in de laatste veertig jaren zoo tot in het oneindige met elkander en met buitenlandsche, vooral En-gelsche, zijn gekruist, dat men er niets meer van kan zeggen, dan dat het Nederlandschc varkens zijn, met een En-gelsche tint. Wel is er hier meer Engelsch bloed in gekomen dan daar, maar die meerdere of mindere kruising is volstrekt aan geene bepaalde landstreek verbonden. Slechts kan men in 't algemeen zeggen, dat men bij de varkens der afgelegenste streken het minste vreemd bloed aantreft, ofschoon deze regel ook nog op verre na niet altijd doorgaat.
Van achteren beschouwd, moest dit wel zoo komen, want de verbeterde middelen van verkeer brachten varkenshandelaars en varkensfokkers uit alle deelen des lands en ook uit het naburige Duitschland, met elkander in aanraking. Het gevolg was, dat de fokkers soms van zeer verre weg beeren en zeugen verkregen.
De meerdere gevuldheid der vormen en de snellere groei waren voor den varkensfokker begeerlijke zaken. ïn die richting ging dus de kruising. De voorloopei's op dit gebied lieten edele volbloeddieren uit Engeland komen.
Deze kruisingsproducten werden zeer begeerd en vaak weêr voor volbloed uitgegeven, zelfs al was er maar voor een kwart Engelsch bloed in. Evenwel, daar oordeelkundige fokkers altijd den meer sierlijken en gevulden vorm voortrokken,
8
kwam er toch op die wijze aan 't geheelo Nederlandsche varkensras een Engelsche tint.
Ik noem daar de woorden: Nederlandsche varkensras. Die uitdrukking heeft eigenlijk geen recht van bestaan. Dan toch moest er in Nederland eon varkensras geweest zijn met bijzondere kenmerken. En dat is nimmer het geval geweest.
In het naburige Duitschland heeft men, tot vrij ver naar het Oosten en naar het Zuiden, dezelfde varkensvariëteiten als hier.
Ging men op den naam af, dan zou men denken, in Nederland wel zeventien verschillende varkenssoorten te vinden; bij de beschouwing echter van de kenmerkende gedaante dier zoo verschillend genoemde variëteiten blijkt, dat het zelfs niet de moeite waard is er in 't algemeen van te spreken.
Van de zuivere vertegenwoordigers der vroegere soorten is voorzeker het laatste exemplaar reeds lang verorberd. Wel vindt men nog hier en daar eenige tinten der vroegere verschillen, maar de Engelsch-kosmopolitische type is reeds te sterk uitgedrukt om er nog van te durven spreken.
Naar mijn vermoeden omtrent de afstamming der Europeesche varkens, uitgesproken op bladz. 6 , moet de gedaante dezer dieren in berg- en boschrijke landen onderscheiden zijn van die der lager gelegene, meestal boscliarme streken, terwijl dan de varkens der daartusschen liggende oorden van beide soorten iets moeten hebben. Ik geef daarom van de typen dier drie soorten, zooals ze in Dnitschland voorkomen, afbeelding en beschrijving.
In hoofdzaak zullen de vroegere Nederlandsclie soorten daarmede wel grootendeels overeenkomen, al naarmate ze in vroeger boschrijke of boscliarme streken, d. i. in de meeste gevallen meer of minder ver van de zee gevonden worden.
De nevensstaande afbeelding is die van een Beiersch varken, als type voor de Hooglandsche vormen dezer diersoort. Het portret is wel eenigszins geflatteerd. Men ziet, dat het in vrij
O
10
gropte mate den karperrug- heeft van het Europeesche wilde varken. Het is vrij hoog op de pooten, met smalle borst en huik, heeft tamelijk harde borstels, die zeer dicht op de huid staan. Het bezit een krachtig gestel en is daarom zeer geschikt voor weidegang. Het krijgt gewoonlijk van tien tot zestien biggen en wordt op den leeftijd van acht tot tien maanden bij den beer toegelaten. Goed gemest, wat het echter niet spoedig wordt, weegt het 150 tot 200 K.G. zwaar. Vleesch en spek van dit varken worden bijzonder smakelijk geacht en het heeft meer den naam van vleesch- dan van spekvarken.
Er komen hij deze varkenssoort vele hoogbeenige, smalle, in 't algemeen onvoordeelig ontwikkelde dieren voor. Dit is, volgens Dr. G. May, het gevolg van eeuwenlange slechte voeding en verpleging.
Ook dit varken, zegt hij, verkrijgt betere en meer voor den mensch nuttige vormen naarmate het beter behandeld wordt. Hij noemt de streken op, waar zulks gebeurt en het dier op die wijze veredeld is. Bij die gelegenheid houdt hij ook eene kleine strafpredikatie voor hen, die meenen, alleen door :t invoeren van vreemd, en vooral Engelsch bloed hun varkensras op de hoogte te kunnen brengen. Naar zijne meening vergeten dezulken in de eerste plaats, dat door goede voeding en verpleging ieder ras in zich zelf veredeld kan worden, en in de tweede plaats schijnen zij niet te weten, dat kruising met vele oververedelde Engelsche rassen een materieel levert, dat voor vele voorkomende toestanden, zooals bijv. bosch- en weidegang en in 't algemeen voor elke meer ruwe levenswijze, totaal ongeschikt is.
De kleur dezer dieren is gemeenlijk van voren lichter dan van achteren: wit in geel en geel in bruin of grauw overgaande.
11
Men zou de uitdruk king- âlaaglandsclie varkenquot; hier vrij geschikt kunnen verwisselen voor liet woord ..kleivarkenquot;. Zooals men ziet, heeft het veel. meer volle en afgeronde vormen dan het hooglandsche varken. Ook de karperrug ontbreekt en de heenen zijn korter, quot;t Is meer Eugelsch, zou men zeggen.
Wij moeten echter opmerken, dat de schoonere en meer gevulde vormen, de meer rechte rug enz., en alle verdere begeerde eigenschappen, die wij bij varkens gewoon zijn Eugelsch te noemen, eigenlijk Chiueesch of Indisch moesten heeten. Want, behalve door de veredeling van het ras in zich zelf, hebben de Engelsche fokkers die meer gewilde vormen in de meeste gevallen verkregen door kruising van hunne inlandsche varkens met Chineesche.
Het laaglandsche varken komt voor in Oost-Pruisen, Mecklenburg, Oldenburg, Sleeswijk-Holstein en Nederland. Ook de ongekruiste Engelsche varkeus. zoo die er nog zijn, zullen er wel toe gerekend moeten worden.
â
12
De meest voordeelige vormen er van vindt men in al die landen in de klei- of kleiachtige streken, altijd voor zoo ver natuurlijk de bewoners dier streken hunne varkens niet uit de zandstreken betrekken, waar, zooals bekend is, vooral in ons land, de varkensfokkerij meer wordt gedreven, dan op de klei. Niettegenstaande zij meerdere neiging tot vetwording bezitten, doen ze dit echter niet zeer snel en hebben eene vrij krachtige constitutie, die hen, even goed als het hooglandsche varken, voor weidegang geschikt maakt. Hun spek wordt voor lekker gehouden, maar hun vleesch in qualiteit beneden dat van het hooglandsche varken gesteld. In Sleeswijk en Holstein vindt men van deze varkenssoort de grootste exemplaren. Het werpt, evenals het hooglandsche varken, wanneer familieteelt wordt geweerd, van tien tot zestien biggen.
De kleur er van is grauw, vuilgeel of bont.
bevindt tusschen de lage, vlakke landen aan de zee en de eerste daaraan grenzende bergketenen. Als type van bet middel-landsche ras komt mij bet Halleescbe zwijn, waarvan men bier eene afbeelding ziet, bet meest geschikt voor. Het beeft tocli de in 't oogvallende kenmerken zoowel van bet booglandscbe als van bet laaglandsebe varken in zicb vereenigd. Het is scberper dan bet laaglandsebe, ronder dan bet booglandscbe. fn breedte en diepte is het een middensoort tusscben beide genoemden. In de omstreken van Halle aan de Saaie vindt men dit ras zeer zuiver. Men beeft bet daar nog zeer weinig gekruist, zeer zeker, omdat men er tamelijk wel mede tevreden is. Vleescb en spek worden geroemd als zeer fijn van smaak te zijn.
In de omstreken van Halle wordt de varkensfokkerij vrij sterk gedreven. Zoowel genieste varkens als die, welke men voor de teelt bestemt, worden van daar nog al vrij aanzienlijk naar andere streken van Dnitscbland geëxporteerd.
Deze varkens bebben den naam van zeer groote vruchtbaarheid. Zij zijn meest allen geel of wit, evenals de onze. Echter treft men er ook bonte exemplaren van aan. Men ziet, dat de meeste Nederlandsche varkens geheel of ten deele tot eene dei-laatst behandelde drie soorten in nauwe familiebetrekking staan.
In do eerstvolgende hoofdstukken zullen de beste en meest bekende Engelsche varkensrassen worden behandeld.
Wij moeten den lezer er opmerkzaam op maken, dat de afbeeldingen, hierbij gegeven, genomen zijn naar de beste varkens van de tentoonstellingen. Hieruit volgt, dat men, van Engeland varkens willende importeeren, liet best doet, daarbij zelf te gaan kijken. Men moet volstrekt niet denken, dat b.v. alle varkens in het graafschap Vork dezelfde gedaante of zelfs maar de type hebben van het hier afgebeelde. Een naam moet er zijn en die wordt aan dieren in vele gevallen gegeven naar de streek, van Avaar ze afkomstig zijn. In 't buitenland spreekt men van Nederlandsch rundvee, leder weet, hoeveel verschil hierin is.
Even zoo gaat het met de namen dei' varkenssoorten.
Den echten fokker is bepaald het hart opengegaan, zooals
men dat wel eens noemt, bij 't zien dezer afbeelding. Men zou dan ook haast niet weten, wat men mooier en beter aan een varken verlangen zou. Maar â zelfs bij de beste zaken is een âmaarquot; â er wordt over geklaagd, dat het niet zoo'n heel sterk ras is en dat de biggen er van moeielijk zijn groot te krijgen. Ik moet echter zeggen, dat men in Drente, ten minste bij kruislingen, daarover niet klaagt, maar daarentegen zegt, dat zij, bij hetzelfde voeder, beter en sterker groeien dan de tegenwoordige inlandsche varkens.
Er bestaat ook een klein Yorkshireras, waarbij bepaald nog meer over zwakheid wordt geklaagd dan bij het groote.
Weide- of boschvarken is het echter niet; hot moet in hokken gehouden en goed gevoederd worden, wil men er voordeelige vormen van bekomen. Maar dit laatste is immers het geval met alle soorten van varkens. De Yorkshire-varkens zijn meest wit of geelachtig wit en hebben lange, fijne, dun staande borstels. Zij worden onder de vleeschvarkens gerekend, maar zijn op verre na zoo vleezig niet als b. v. de Poland-China-varkens, ja zelfs niet als een tegenwoordig inlandsch Neder-landsch varken.
Dat er, in dit opzicht, bij varkens, die denzelfden naam dragen, groot verschil kan bestaan, ligt voor de hand om aan te nemen. In Engeland is dit ras zeer verbreid en het is dikwijls ter kruising geïmporteerd in Duitschland en in ons land. In Drente heeft het zelfs al een Nederlandschen naam gekregen. Men noemt de Yorkshire's of de kruislingen er van daar âkromkoppenquot;. De beste fokkers in het graafschap York hebben dit ras verkregen door kruising hunner vroegere varkens, die laaglandsche of kleivarkens waren, met ingevoerde Napoli-taansche en Chineesche zwijnen.
Men was in Berkshire bijna op dezelfde wijze aan 't kruisen geweest, en de beste exemplaren van deze teelt worden ook nog door de bewoners van Yorkshire aangeschaft, om er hun
1«
eigen ras nog meer door te veredelen. Het is dus wel oen zeer kunstmatig gefokt ras on deze omstandigheid geeft ons ook eenigermate het recht om te denken, dat dit ras, wat voedsel en verpleging betreft, langen tijd zeer goed is behandeld.
De groote Yorkshire-varkens kunnen van 250â300 K. (i. zwaar worden.
Yorkshire- en Poland-China varkens strijden tegenwoordig bij de kruising om den voorrang. De heer H. D. S. Hasselmans te Zoelen heeft die beiden rassen gekruist, in de hoop, zegt hij, biggen te bekomen,, welke de goede eigenschappen van het Poland-Chinavarken, dat naar zijne meening voor dezelfde kosten het grootste getal ponden levert, en van het groote Yorkshirevarken, dat per pond tegenwoordig het meeste oplevert, in zich vereenigen. De dooi' hem van een Yorks-hirebeer en Poland-Chinazeug verkregen biggen beschrij t't hij als kort van kop, lang van romp, breed van voren tot achteren en wit van kleur.
Wanneer de heer H. of anderen diezelfde kruising eens ondernamen met minstens drie onderscheidene beeren en drie onderscheidene zeugen, dan zou hieruit de stof verkregen worden, waaruit, zonder te erg in familieteelt te geraken, een nieuw ras kon gevormd worden. Door verstandige paring kon men hieruit biggen verkrijgen, die aan art. 12 van 't Poland-Chinastamboek konden voldoen. Zie hierover na op bldz. 32 en 84.
Was er eenmaal een constant ras verkregen dan konden ook de beeren daarvan ter veredeling dienen.
Eene kruising der beide tegenwoordig voor de edelst gehouden rassen zou misschien iets zeer volkomens leveren.
17
Bij de varkens van dien naam komt ook een grooter en kleiner slag voor. 't Is een stevig en bewegelijk ras, en daardoor zijn de krnislingen er van beter geschikt voor bosch-en weidegang, en in 't algemeen voor elke meer ruwe levenswijze dan de Yorkshire's.
In Engeland is dit ras ver verbreid. In Dnitschland, Frankrijk en ook in ons land is het dikwijls ingevoerd ter veredeling der inlandsche varkens.
Het is, zooals reeds gezegd is, even als het Yorkshireras, ontstaan door de kruising van inlandsche varkens, in dit geval het Lincolnvarken, met het Chineesche en Napolitaansche varken. De kruising is echter niet zoo lang doorgezet als bij de Yorkshire's; van daar misschien de meerdere gehardheid.
Deze minder hooge veredeling- in aanmerking genomen, komt het mij voor, dat de vroegere Lincolnvarkens wel iets
2
18
hadden van de Ncderlandsche âsteiloorenquot; of âkibben,quot; die niet alleen steile ooren hadden, maar wier geheele lichaamsbouw zich kenmerkte door stevigheid en gedrongenheid. Ze heetten toen ook wel âgraafschappers,quot; misschien wel om dezelfde oorzaak, waarom het linnen uit het graafschap Bentheim âgraafschapperquot; linnen werd genoemd. Het Berkshirevarken is bij uitnemendheid een spekvarken, en dat waren de vroegere korte en breede âkibbenquot; ook. Meer bejaarde lezers zullen zieh dat nog wel herinneren, en ook tegenwoordig is het nog te zien aan de varkens, die er misschien van afkomstig zijn. De Berkshirevarkens zijn meestal geel, echter vindt men er ook wel bonte en zelfs zwarte onder. De borstels van dit ras zijn langer, dikker en vaster dan bij de Yorkshire's. Hun kop is van boven breed en toch is de snuit fijn. De Engelsche fokkers zijn er vooral op gesteld, dat de breedte tusschen de ooren bij hunne varkens zeer groot is.
Ook hier te lande schijnt dat eene begeerde zaak te zijn; ik heb menigmaal hooren zeggen: âhoe breeder kop, hoe beter vreter.quot;
De Berkshirevarkens wassen middelmatig snel, maar worden zeer spoedig vet. De groote soort dezer varkens kan 250 K.G. zwaar worden, wanneer men ze voor de mesting hun vollen wasdom laat verkrijgen. Wie varkens wil hebben, die hem eene estrik dik of nog dikker spek aan den zolder leveren r meste Berkshire's of de kmislingen er van. Wie daarentegen wil mesten voor de consumtie in de groote steden, doet wel, dit ras niet te nemen. Voor het laatste doel zijn beter geschikt de Poland-Chinavarkens, die ook zullen worden behandeld.
In vervolg van tijd zal het misschien nog zoover komen, dat de landbouwer-varkensmester twee soorten van varkens houdt, n.1.: vleeschvarkens, omdat deze in den handel worden begeerd , en spekvarkens, om moeder de vrouw genoegen te doen.
19
NOG ANDERE ENGELSCHE VARKENSSOORTEN.
Wij zullen den lezer nog- een en ander mededeelen van andere Engelsche varkensrassen.
Vooraf echter is het nuttig en noodig, eens tehooren, wat een kenner, die bepaald Engeland heeft bezocht om van dit onderwerp studiën te maken, daarvan zegt.
Deze kenner is de heer Dr. G. May, van wien wij hieromtrent veel hebben overgenomen.
Hij zegt omtrent rassennamen het volgende;
âReeds lang werd er gezegd, dat de talrijke namen van âEngelsche varkensrassen weinig waarde hadden, omdat véle âEngelsche varkens, ofschoon ze zeer onderscheidene namen âhebben, toch ongeveer gelijke bloedmenging en dezelfde eigenschappen bezitten. Want, toen de oorspronkelijk in Engeland âaanwezige varkensstammen reeds lang en menigvuldig onder en âdoor elkander en met Chineesche en Napolitaansche varkens âgekruist waren, behield men toch de oorspronkelijke namen. âDeze namen zijn in de meeste gevallen afkomstig van de graaf-âschappen of shire's, waar de dieren gefokt werden.quot;
âToen het onnoodige en verkeerde dezer namen al meer en âmeer in het oog sprong, begon men onder anderen op tentoonstellingen niet meer naar namen, maar naar kleur, grootte âen andere opvallende eigenschappen te groepeeren. Naar zulke âgroepen namen wij dan ook in Engeland onze studiën.quot;
Men ziet hieruit, dat hij, die aan den naam gelooft en daarna wil schatten en koopen, soms erg bedrogen kan thuiskomen en dat in elk geval bij Engelsche varkens een bepaalde naam volstrekt niet altijd ééne soort aanwijst. Ofschoon het dus blijkt, dat het niet van veel nut is, willen wij desniettemin nog eenige namen van Engelsche varkensrassen laten volgen en daarbij opgeven, welke gedaante en eigenschappen in 't algemeen aan dien naam behooren verbonden te zijn.
20
Het Windsor-varken. Dit varken werd gefokt op de Wind-sorfarm van den prins-gemaal Albert, ongeveer tusschen 1840 en 1850.
Het ontstond door kruising van Suffolk- en Berkshire-varkens, welke bij hunne vereeniging reeds gekruist waren met witte Chineesehe zwijnen. Het zijn heel mooie, licht vet wordende, zware varkens, die echter volstrekt niet ruw kunnen gehouden worden: 't zijn grootelui's varkens. Zij hebben veel overeenkomst met de Berkshire's en werpen slechts weinig biggen.
Het Coleshill-varken is ontstaan op de fokkerij van lord Radnor.
Ook deze varkens hebben veel overeenkomst met de Berkshire's en herinneren ons levendig aan de vroegere korte, breedè en gedrongene steilooren of âkibbenquot;. Zij zijn rijkelijk met witte borstels begroeid, hebben korte ledematen en zijn vruchtbaarder dan de voorgaande soort-
Het Leicester-varken. Van deze varkens heeft men eene oude en eene nieuwe soort. De oude soort werd gefokt dooiden beroemden Bakewell, misschien uit de beste vroegere Engelsche landvarkens. Men weet ten minste niet, dat Bakewell Chineesehe beeren gebruikte ter kruising. Deze varkens kunnen van 300 tot 400 K.G. zwaar worden. Vóór de invoering van Chineesehe beeren ter kruising werd dit ras in geheel Engeland gebruikt ter veredeling. Ofschoon 't niet bewezen kan worden, schijnt men hier te doen te hebben met eene veredeling van het ras in zichzelf door betere behandeling en nauwgezette teeltkeus.
Het nieuwe Leiccsterras is gevormd door kruising van het oude met Indische varkens. De Leicester-varkens zijn meest wit of geel en hebben bijna geene borstels. Bij de teelt er van is men vooral bedacht geweest om een fijnen kop en fijne beenderen bij groots zwaarte en senile vetwording te verkrijgen.
21
Denkelijk zullen de vroeger hier ingevoerde Engelsche varkens wel veel Leicester-bloed in zich gehad hebben.
Het Suffolk-varken onderscheidt zich weinig van de straks genoemde stammen, is echter vruchtbaarder en krachtiger, zoodat de kruislingen van dezen stam en de gewone landvar-kens, niettegenstaande hunne veredeling, toch nog voor eenigen weidegang geschikt blijven, zooals men in Noord-Duitschland dikwijls heeft ondervonden. Dit varken is meestal zwart en wordt meer tot de spek- dan tot de vleesch-varkens gerekend.
Het Essex-varken, eveneens zwart, is ontstaan door kruising van de oudere Berkshire's met Portugeesche varkens.
Even als andere rassen, wrordt het nog voortdurend verbeterd door toevoeging van edel bloed. Het heeft een fijnen kop en iijne ledematen; het groeit snel, maar moet dan ook zeer goed behandeld worden. Het Essex-varken is van een zeer constant ras, want het brengt zijne hoedanigheden in groote mate op zijne kruislingen over. Lord Western heeft er de schoonste exemplaren van gefokt.
Het Sussex-varken gelijkt zeer veel op dat van Essex. Het is echter wat sterker en forscher en heeft meer borstels. Sussex-en Essex-varkens zijn in den kaatsten tijd veelvuldig met elkander gekruist en beginnen daardoor steeds meer op elkander te gelijken. Bij de Sussex-varkens vindt men echter meer witten en bonten dan bij de Essex-varkens.
Het Hampshire-varken is gevormd door kruising van de oudere Hampshire-varkens, die kleivarkens waren, met Ghi-neesche Essex- en Berkshire-varkens.
Men heeft er eene grootere en kleinere soort van. Dit varken is meestal wit en heeft groote en meer hangende ooren
22
clan de andere Engelsche varkens. De kop is breed en toch de snuit fijn. Borst en rug zijn breed, de buik gezakt, het kruis eenigszins afhangend, korter gezegd: het is een klei-varken, dat door inmenging van Indisch bloed meer ronding heeft verkregen.
NABETRACHTING.
Dooi' kruising met veredelde Engelsche varkens zijn de Nederlandsche ontegenzeggelijk veel verbeterd.
De Engelsche fokkers hielden bij hunne veredeling altijd twee groote doeleinden in 't oog. Het eerste was om, bij meer vleesch en vooral spek, minder beenderen te verkrijgen, in 't algemeen, om aan een varken zoo weinig mogelijk afval te hebben. Het tweede was, snelleren groei te hebben dan de gewone landvarkens. Van dit tweede doel is voornamelijk bereikt de spoediger vetwording op meer jeugdigen leeftijd, zoodat zij eene varkenssoort hebben verkregen, die bij een gewicht van 100 KG. betrekkelijk even zoo vet kan gemaakt worden als bij een gewicht van 200 of 300 KG. Dit is een groot voordeel, daar op deze wijze de gewenschte vetheid in veel korteren tijd kan worden verkregen. Want de oudere varkenssoorten werden bij goed voeder in den eersten tijd wel groot, maar niet spoedig vet.
Dat echter de veredelde Engelsche varkens, in de eerste plaats dooi' inmenging van meer zuidelijk bloed eu in de tweede plaats door de voor een varken overdreven zorgvuldige behandeling weekelijker werden, ligt voor de hand. En daar bij de pogingen om constante, zeer edele rassen te fokken uit de beste exemplaren, misschien niet genoeg acht is gegeven op het zorgvuldig weren van familieteelt, zal in dat geval ook hierdoor de zwakkelijkheid vermeerderd zijn. Ook mindere vruchtbaarheid moest van het laatste een noodwendig gevolg zijn.
23
Wanneer, opeen gegeven oogenblik, alle varkens eenswer-â den aangewezen, om in 't vervolg zonder de hulp van den mensch voor zichzelven te zorgen, dan zou het voorzeker niet lang duren, of de meest veredelde rassen zouden verkommerd en uitgestorven zijn. Ze zouden in den strijd om en voor het leven door hunne weekelijkheid zeer spoedig zijn geéclimineerd, zooals de groote Darwin dit noemt. Dit valt zelfs aan iemand, die sleehts zeer oppervlakkig nadenkt , dadelijk in het oog. Want het hoogveredelde Engelsche varken is een kunstdier, lijdende aan vetziekte. En al moge die vetziekte ons bij een varken ook al eene wenschelijke zaak schijnen, zij blijft altijd eene ziekte en heeft vaak zeer onverkwikkelijke en volstrekt niet gewenschte zaken in haar gevolg. Kan men die vetziekte binnen zekere grenzen houden, zoodat men alleen het voordeel er van ondervindt, dan is er geen bezwaar. Bestaat er echter gevaar, dat die grenzen lichtelijk en ongeërgd overschreden worden, dan dient men op zijne hoede te zijn. Ook dient men vooral niet te vergeten, dat een hoogveredeld varken ook edel voeder moet hebben.
Leest, waar ge wilt, over de voeding van edele Engelsche varkensrassen, telkens zult ge er bijgevoegd vinden: âMaar âdeze dieren moeten beter dan gewone varkens gevoederd âworden, zullen ze schoone vormen bekomen.quot; Of ook: âMeen niet, dat edele Engelsche varkens, wanneer ge hen âniet beter voedert dan gewone varkens, u voordeel zullen âopbrengen.quot;
Nu is 't waar, goed voederen is voordeeliger dan slecht voederen, bij welk dier ook; maar ook is het waar, dat de landbouwer in het varken een dier dient te hebben, dat voor hem den anders bijna waardeloozen afval van schuur, tuin, veld en akker althans eenigermate tot vleesch en spek kan omzetten en zoo te gelde maken.
De reeds meermalen aangehaalde Dr. G. May zegt omtrent
24
dit punt: âIn den laatsten tijd beijveren zich verstandige âEngelsche fokkers, varkens te hebben met betrekkelijk meer âvleesch en minder vet, en met meer duurzame gezondheidr âopdat zij niet zooveel schade behoeven te lijden bij de veelvuldig voorkomende ziekten hunner varkens.quot;
Wij moeten bij 't eind van de behandeling der Engelsche varkens nog zeggen, dat de meermalen genoemde Napolitaansche en Portugeesche varkens de blijken dragen, dat zij van Indisch ras zijn, hetwelk echter door velerlei inmenging van andere rassen op verre na niet zuiver meer is.
Het varken op dit plaatje kan men nauwelijks een huisdier noemen, daar het den grootsten tijd van zijn leven in de vrije natuur doorbrengt. Daarvoor is het dan ook zeer geschikt,
25
want het heeft, evenals het Europeesche wilde varken, in den wintertijd tusschen zijne dichte gele, bruine of zwarte borstels, ook nog wolachtig haar, dat echter in het voorjaar weer uitvalt. Het leeft, met duizenden zijner makkers, des zomers van het gras en de kruiden en in den herfst van de eikels en beukennoten in het Bakonijer-woud..
Dit woud ligt in 't Zuidwesten van Hongarije. Gewoonlijk noemt men dit dier Bagoner-zwijn of Hongaarsche poedel; damp; zwarten er van noemt men Zigeuners. Het kan een gewicht van 100 tot 200 K.G. bereiken.
Dit varken is bepaald een natuurdier, want slechts bij voorzichtige varkensfokkers komen de moederzeugen met hare jonge biggen des nachts in hokken.
Mager of half gemest wordt het in zeer grooten getale jaarlijks verzonden naar Duitsch-Oostenrijk, Beieren, Wurtemberg, Saksen, Pruisen, België en zelfs wel naar ons land.
Deze dieren bezitten eene zeer krachtige constitutie. Men zegt, dat ze langzaam wassen; maar hoe kan dit ook anders, daar hun voedsel op vele tijden des jaars zoo weinig toereikend is. Ook werpen ze slechts vier of vijf biggen, hetgeen zeker ten deele aan dezelfde oorzaak moet worden toegeschreven.
Ze hebben zeker zeer smakelijk vleesch en spek, want goed gemeste Bagoners kosten op de Noord-Duitsche markten meestal een rijksdaalder per honderd pond meer, dan gewone Duitsche varkens. Opmerkelijk is het, dat de heer van Nathusius, zooals gezegd is, bij vergelijkend schedelonderzoek, dit half wilde dier meer verwant rekent met het Indische varken dan met het Europeesche wilde zwijn. Deze omstandigheid baart geen bevreemding, wanneer men de geschiedenis van de voorouders der Hongaren kent en aanneemt, dat de volksstammen, wanneer zij zich verplaatsen, althans de meesten hunner, huisdieren medenemen. Misschien gebeurt het nog wel, dat er beeren
â¢2(5
van dit ras ter kruising- worden aangevoerd om de minder vaste gezondheid van vele andere Europeesche rassen wat op te frisschen.
Dit dier wordt dikwijls maskervarken genoemd, omdat de zware rimpels van het vel van den kop teweeg brengen, dat het, op een kleinen afstand gezien, een masker schijnt voor te hebben. Het werd in Europa eerst als merkwaardigheid in de dierentuinen ter bezichtiging gesteld. Spoedig echter begonnen sommige fokkers er mee te kruisen, toen zij den snellen groei en de groote vruchtbaarheid van dit dier bemerkten.
Het heeft, zooals men ziet, geene bijzonder aantrekkelijke vormen. Het is zwart van kleur en heeft, vooral op den schoft, zeer dikke borstels. Het vleescli er van is niet zoo
27
goed van smaak als dat van de andere besprokene varkens. Voeder, dat door andere varkens versmaad wordt, vreet het nog met graagte; het schijnt altijd honger te hebben. Dit is wel een bewijs, dat het eene buitengewoon voortreffelijke spijsvertering heeft. Het werpt, bij elke geboorte, gewoonlijk achttien tot twintig jongen.
Deze buitengewone vruchtbaarheid deed sommige Engelsche fokkers besluiten, het met hunne hoogveredelde varkens, wier vruchtbaarheid zeer geslonken was, te kruisen. Kruisingen van Engelsche moeders met Japansche vaders gaven hierbij echter onbevredigende resultaten. Dit was dan ook, mijns inziens, wel vooruit te vermoeden, want het getal embryo's bij het vrouwelijke dier kan toch niet vermeerderen of verminderen, naarmate het door beeren van meerder of minder vruchtbaar ras wordt gedekt. Alleen dan, wanneer naar quan-titeit of qualiteit het zaad van het mannelijk dier van eigen ras ontoereikend was, zou een beer van beter ras in dit op-zicht voordeel kunnen doen. Liet men echter Japansche zeugen dekken door Engelsche beeren, dan verkreeg men gunstige resultaten, wijl bij de kruislingen de vruchtbaarheid bleef en het vleesch een goeden smaak verkreeg. Deze omstandigheid mag men bij het kruisen van meer en minder vruchtbare rassen wel steeds in het oog houden. Want het ligt voor de hand, dat men op de laatstgenoemde wijze veel eerder de vruchtbaarheid zal verbeteren.
Hertog Ernst van Saksen-Coburg-Gotha fokte op zijne goederen in Duitscliland reeds vijf en twintig jaren geleden op dezelfde wijze, d. i.: met Engelsche beeren en Japansche zeugen. Zijn doel was daarbij, om voor de landbouwers een ras te vormen, dat dooi1 buitengewone vruchtbaarheid, best vreten en snellen groei zeer winstgevend zou zijn.
Dit gelukte uitstekend, want de varkens der eerste kruising hadden bijna alle, bij tamelijk goed voeder, op den ouderdom
28
van 12 maanden reeds een gewicht van 150 K.G., terwijl het vleesch dezer dieren even goed smaakte als dat van gewone varkens. De huid of het zwoord dezer dieren bleef echter, ook bij voortgezette kruising, eenigszins dikker dan bij gewone varkens, waardoor ze spoedig bij de slachters in discrediet kwamen. Ook wordt er gezegd, dat Japansche varkens licht aan longtering lijden.
Wij herinneren ons, dat ongeveer veertig jaren geleden, een varkenskooper op de markt zijne waar aanprees met de betuiging, dat het echte rimpelkoppen waren. Die dieren hadden dan ook vrij zware rimpels in het voorhoofd en langs den snuit. Misschien stonden zij van zeer oude tijden af met liet Japansche varken nog eenigszins in familiebetrekking.
De Poland-China-varkens zijn, door kruising van onderscheidene rassen, gefokt en tot een zelfstandig ras gemaakt in Amerika, en wel in Ohio, ook wel de Zwijnenstaat genoemd. Van daar kwamen ze onder anderen naar Oldenburg, en van dit land zijn ze naar Nederland, en wel voornamelijk naar de provincie Groningen, ingevoerd. Ruim veertig jaren geleden werden de eerste exemplaren van dit ras gefokt door zekeren Master Neff, varkensfokker te Miamivallei in den staat Ohio.
Vóór 1816 fokte men daar met de beste exemplaren der
29
drie voorhanden varkensrassen, die de namen droegen van Eussia-, Byfield- en gewone varkens, en verkreeg daardoor reeds een buitengewoon goed varkensras. In 1816 begon men dit ras te kruisen met geïmporteerde Chineescli-Indische varkens. Zekere heer John Wallace begon daar het eerst meê. Uit deze kruising ontstond een zeer verbeterd varkensras, dat den naam van Warren-County-ras verkreeg naar eene landstreek in 't zuidwesten van Ohio. In 1835 liet Mr. Beach van Libanon, in overleg met en voor rekening van meerdere varkensfokkers, Berkshire's ter kruising uit Engeland komen. De kruising hiermede werd slechts korten tijd voortgezet. Want reeds in 1840 gelukte het bovengenoemden Mr. Neff, door nieuwe kruising het zoogenaamde Poland-Chinaras te vormen. Hij importeerde toen namelijk tot dit doel een lersch varkensras, hetwelk den naam droeg van lersch-Graziervarken. Al wat uit Mr. Neffs's kruising ontstond, bleek zoo voortreffelijk te zijn, dat spoedig elk varkensfokker in Ohio zich beijverde deze soort varkens te verkrijgen. Zoo onderwedersprekelijk doelmatig bleek dit ras, dat men in 't vervolg er zich slechts op toelegde om het zuiver te fokken. Dat is zoo gebleven tot op den tegenwoordigen tijd. En dat de zoo practische en immer vooruitstrevende Amerikanen van den Zwijnenstaat, dit ras nog steeds fokken en zuiver houden, is dunkt mij wel een bewijs voor de deugdelijkheid er van. Maar vanwaar nu de naam Poland-China, vraagt men wellicht.
Een zeer uitmuntende beer van dit ras werd Polander geheeten, omdat hij afkomstig was van een in Ohio wonenden Pool. Pool heet in 't Engelsch Polander. De zeer talrijke en beste nakomelingen van den beer Polander werden naar hunnen vader genoemd en zoo kwam de naam in gebruik.
In 1872 werd door de bestuursleden van het Ameri-kaansch varkensstamboek op hunne vergadering te Indianopolis de naam âPoland-Chinaquot; als officieel aangenomen. De naam
30
lerland-China was dunkt mij wel zoo geschikt, om althans iets van de herkomst aan te wijzen.
Mij dunkt, dat Mr. Neff door de kruising met lersche varkens het Warrencounty-ras meer tot een vleeschras heeft trachten te vormen. Vele lersche varkens toch zijn vleeschvarkens. Immers, in eene door Mrs. Harris amp; Co., ham- en worstfabrikanten te Calne, Wilkshire, aan de Engelsche landbouwers gezonden circulaire heet het; âIerland levert ons var-âkens, die fijne beenderen, vol vleesch en weinig spek hebben âen ons daarom juist schikken. Wij raden u aan, de spekkige âBerkshire-varkens af te schaifen en ze door een meer doel-âmatig ras te vervangen.quot;
In een brief, dien ik voor eenige dagen uit Jowa ontving, staat:
âWij importeeren hier vele Poland-Chinavarkens, waardoor âons varkensras reeds lang en veel verbeterd is; wij houden âechter die met kleine, slappe ooren voor de beste, omdat de ârechtopstaande ooren te veel op Berkshire bloed wijzen, die âvoor ons te weinig vleesch en te veel spek hebben. Voor â't verbruik in de steden kan men hier beter de vleesch-âvarkens verkoopen.quot;
Een goed Poland-China varken is juist zoo, als het op dit plaatje is afgebeeld. Men vindt bij de stamboekvarkens echter nog vele met tamelijk steile ooren.
De buitengewone breedte, enorme dikte der dijen of schinken, hoog ingeplante staart, korte, sterke pooten, wigvormige kop en de tonvormige, maar toch diep gezakte buik vallen vooral in 't oog.
De vormen zijn minstens even goed als van de meest hoog-veredelde Engelsche rassen, en toch munt het Poland-China-varken uit door zijne bijzondere gehardheid, sterke levenskracht en buitengewoon sprjsverteringsvermogen. Het heeft de gedaante van een patriciër met de goede eigenschappen van een
31
plebejer. Het is voor ieder, die ze kent, eene uitgemaakte zaak, dat Poland-China-varkens van hetzelfde voeder beter en meer groeien dan andere varkensrassen en dus hun voeder beter te gelde maken. Deze dieren hebben een bijzonder rustig en zacht temperament. Zij werpen gewoonlijk van acht tot twaalf biggen, waarmee ze zeer zorgzaam omgaan. Ook schreeuwen ze bij voorkomende gelegenheden niet zoo verschrikkelijk als andere varkens. Op goede weiden gedijen zij voortreffelijk zonder eenig bijvoeder.
Zij hebben weinig slachtverlies, gewoonlijk van 13 tot 17 %, terwijl Engelsche varkens meest allen een slachtverlies van 17 tot 20 % hebben. Hun slachtgewicht variëert tusschen 200 en 300 K.G., wanneer ze namelijk volwassen zijn.
Slachter Klauë te Oldenburg geeft hieromtrent op:
Zeug A, oud 2 jaar, 7 maand, woog 255 K.G., en had 15 % slachtverlies.
Zeug B, oud 1 jaar 8 maand, woog 227 K.G., en had 18 % slachtverlies.
Zeug C, oud bijna 7 maand, woog 102 K.G., en had 17 % slachtverlies.
Deze drie P.-Ch.-varkens waren van den heer Ovije te Borbeck.
Klauë zegt nog: âAlle door mij geslachte Poland-China-âvarkens waren fijn van beenderen en hadden buitengewoon âvleezige hammen; vleesch en spek waren des zomers zoowel als âin den winter zeer smakelijk; de kwaliteit van het vleesch âstond boven die der Engelsche varkens.quot; .
Velen meenen ten onrechte, dat het P.-Ch.-varken een zeer klein varken is , zooals uit het medegedeelde gewicht is te zien. Ik zelf zie ze nog dagelijks, 17 December, in het land loopen en weet, dat ze bij zoogenaamd âruig voerquot; voortreffelijk gedijen.
82
Wij hebben, zooals te zien is, slechts enkele van de bijna overal voorhanden zijnde varkensrassen kunnen behandelen en daartoe vooral gekozen die van onze nabuurvolken. Nog meer op te geven achten wij eensdeels niet noodig, omdat wij niet inzien dat er nut van is te trekken, en andersdeels is 't ons niet mogelijk, omdat ze ons niet genoegzaam bekend zijn.
VARKENS-STAMBOEKEN.
Karei XII, de avontuurlijke en krijgshaftige koning van Zweden, kwam op zijn âoorlogspad,quot; tot in Turkije. De toenmalige sultan van het in dien tijd nog machtige rijk was een vriend van hem. Tot een blijk dier vriendschap schonk de sultan in 1717 aan den Zwedenkoning twaalf zeer schoone Arabische paarden. Bij elk der paarden werd overhandigd een lang register, geschreven op kostbaar zijde-papier, met gouden rand. Dat register was een afschrift uit de Arabische paardenstamboeken. Wij zien hieruit, dat de Arabieren reeds lang voor ons stamboeken hadden en hunne paardenfokkerij op zeer oordeelkundige wijze dreven. Ja, die Arabieren waren een uiterst intelligent volk in hun goeden tijd, en wij Europeanen hebben veel aan hen te danken. Ieder weet, dat Arabische paarden geheel Europa door tot veredeling der aanwezige rassen werden en worden gebruikt. Dat is voornamelijk het resultaat der Arabische paarden-stamboeken.
Misschien waagt soms nog wel een minder der zake kundige lezer: âMaar wat is dan toch het groote nut dier stamboeken? âWorden de dieren daar nu beter van, dat ze namen krijgen âen dat die namen geschreven of gedrukt worden?quot; Ik zal 1t u uitleggen.
Soms hebt ge b. v. eene koe of een schaap, die bijzonder veel melk geven, eene kip, die vele en groote eieren legt,
33
of zoo iets. Ge zoekt daarvan âin den aard te komen,quot; in de hoop, ook daarvan veel melk of vele eieren te krijgen. Maar in negen van de tien gevallen gelukt u dit niet of slechts ten halve. Want de voortrefielijkheid van uw moederdier was toevallig en had niet zijn oorzaak in de omstandigheid, dat het dier een exemplaar was van een standvastig ras, begaafd met de genoemde eigenschappen. Neen: zullen de dieren hunne goede hoedanigheden overerven op hunne nakomelingen, dan moeten zij zélve die hoedanigheden uit eene lange reeks van voortreffelijke voorouders ontvangen hebben. Anders gaat het niet. Anders wordt het louter toeval. Neen: die goede hoedanigheden moeten standvastige raseigenschappen zijn geworden.
Zoo is men er toe gekomen om alleen de alleredelste dieren met elkander te laten paren, en van dezen steeds weer alleen de hesten ter fokking toe te laten en zorgvuldig alle minder edele inmenging te weren. En, om hierin orde te houden en niets aan vergeetachtigheid of toeval over te laten, gaf men die dieren namen; men hoekte die namen, men boekte ook de namen hunner edele nakomelingen, en zoo verkreeg men allengs stamboeken en standvastige rassen.
De Noord-Amerikanen hebben zoo gedaan met hunne Poland-China- en andere varkens. De Duitschers, die P.-Ch.-varkens van Amerika verkregen, legden in hun land ook zulk een stamboek aan, waarin alleen werden opgenomen de exemplaren, die reeds in 't Amerikaansche stamboek stonden, en hunne nakomelingen.
En in de provincie Groningen is onlangs, op het krachtig initiatief van den heer K. R. Velthuis, redacteur van de Land-bouwkroniek der âNieuwe Groninger Courant,quot; ook zulk een Nederlandsch Poland-China varkens-stamboek aangelegd.
Het plan bestaat, en de verwezenlijking daarvan zal zeker niet zeer lang op zich laten wachten, om van dit P.-Ch. varkensstamboek te maken een algemeen Nederlandsch varkens-
3
34
stamboek, waarin ook andere rassen worden opgenomen. Bekende en aanzienlijke voorstanders van vooruitgang, op welk gebied ook, die tevens ook kundige varkensfokkers zijn, maken het bestuur er van uit. De bewijzen zijn er reeds, die aantoonen, dat dit bestuur zijne zaak zeer concientieus opneemt.
't Is te hopen, dat deze zaak krachtig gesteund worde door feitelijke deelneming, opdat het varkensras in Nederland steeds meer productief worde voor fokker en mester.
FAMILIBTEELT.
Zeer verwonderlijk en erg treurig zijn soms de ideeën van hen, die iets omtrent rasfokkerij vermeenen te weten. Want â schrik niet! velen willen zelfs edele rassen fokken, die afkomstig zullen zijn van één enkele, zeer voortreffelijke moeder, natuurlijk bevrucht door een ander dier. De beste nakomelingen hiervan willen ze dan weder paren en zoo een constant ras zoeken te verkrijgen. Zij willen niet gelooven, dat familieteelt schadelijk zou kunnen zijn en laten met volkomen vaste hoop op goeden uitslag, de moeders bevruchten door den zoon, de zusters door den broeder.
Tot leering en stichting van dezulken heb ik een paar geschiedenissen vertaald, die ik hier mededeel.
De eerste is van Wrigt, een Engelschen fokker van rasvarkens.
âIk liet de nakomelingen van drie zeugen, zeven geslachten âna elkander, door beeren uit de familie dekken. Bij de laatste âparingen echter werden mijne varkens niet,meer bevrucht, of âzij brachten slechts zeer weinig biggen, die zwak waren, bijna âniet konden zuigen en waarvan ik de meesten niet groot-âkreeg. Nu begon ik met beeren van vreemd bloed te telen, âen dezelfde zeugen brachten toen gezonde en sterke biggen in
35
âgenoegzaam aantal. Bij de familieteelt had eene mijner zeugen âslechts één big gekregen. Toen ik dat dier later door den âvader liet dekken, bleef het onbevrucht. Ik liet het toen door âeenen anderen beer dekken; dadelijk volgde de bevruchting en â't werd een mijner beste moedervarkens.quot;
De tweede geschiedenis is van den beroemden Duitschen varkensfokker Herman van Nathusius. Zij luidt als volgt:
âIk fokte met eene familie groote Engelsche varkens, waar-âvan ik de moeder drachtig uit Yorkshire ontvangen had, drie âgeslachten lang uitsluitend in de familie. De resultaten van âdeze teelt werden echter hoe langer hoe slechter, daar het âgestel der dieren zwakker werd en onvruchtbaarheid hoe âlanger zoo meer voorkwam. Eene zeug uit deze familie, die ik âmet haren rechtstreekschen neef liet paren, bracht bij den âeersten worp zes, bij den tweeden slechts vijf, telkenmale zeer âzwakke biggen. Daarop werd diezelfde zeug gedekt door een âuit Engeland gekomen kleinen zwarten beer. Nu bracht zij âeerst een-en-twintig en later achttien goed geschapen en sterke âbiggen ter wereld. Opmerkelijk is het, dat deze beer, met âzeugen van zijn eigen ras gepaard, slechts zeven of negen âbiggen teelde.
Nu nog iets van Dr. G. May.
âIk ken twee gevallen van twee goede varkensstallen, waar âmen familieteelt bedreef om de schoone en voordeelige vormen âder varkens recht goed standvastig te krijgen. In den eersten âstal deed men dit met Berkshire's, in den tweeden met Yorkshire's. De resultaten waren in beide stallen even onbevredigend. âMen liet broeder en zuster paren en in beide gevallen bi-achten âde zeugen in dit geval slechts twee zeer zwakkelijke biggen âtet wereld. Toen echter de eigenaar der Berkshire-varkens zijne âzeugen liet dekken door eenen anderen Berkshire-beer, die hun âniet verwant was, wierpen zij talrijke en krachtige biggen, âdie best groeiden. De eerstgenoemde Berkshire-beer echter.
3G
âdie, met zijne zuster gepaard, slechts vader over twee zwakke âbiggen werd, leverde, wanneer hij zeugen dekte buiten de âfamilie, een talrijk en sterk kroost. In een andere, mij âbekende fokkerij van Beiersch-Engelsche haltbloeddieren, waar âde beer ook broeder of oom van de zeugen was, werd al âspoedig de vruchtbaarheid zeer gering,, terwijl de biggen, bij âanders-voortreftelijke behandeling, meest allen in de, eerste âlevensweken te gronde gingen.quot;
Zoo spreken nu verstandige mannen over deze zaak. En 't zijn geen wijsgeerige bespiegelingen, die ze er over bonden, maar zij vertellen eenvoudig hunne waarnemingen uit de praktijk.
Dat ieder er zich naar richte!
In den vroeger vermelden brief van den varkensfokker uit Jowa komt voor:
âBuurman B. heeft zijn beer omgeruild met een van G. te H. Nu behoef ik daarvoor geen reis te maken, waarover ik heel blij ben, daar er overal twee voet sneeuw ligt. Dat omruilen met beeren doen we hier altijd; wij zijn erg bang voor familie-teelt, want die geeft weinig en zwakke biggen.quot;
Art. 12 van het Poland-China varkensstamboek luidt:
âVarkens, die eene zoodanige afstamming hebben, dat eenzelfde nummer tweemaal onder hunne ouders en grootouders, âhetzij onder de mannelijke, hetzij onder de vrouwelijke, voorkomt, âkunnen niet ingeschreven worden.quot;
Dat artikel getuigt voorzeker van de bevoegdheid dei-mannen, die de statuten van dat stamboek samenstelden.
EEN KLEINE STRAFPREDICATIE.
Bij onverstandige fokkers worden dikwijls de slechtste dieren uitgekozen voor de teelt. Alleen voor het mannelijk materiaal
37
der fokkerij, de beeren, meent men wat goeds te moeten hebben en denkt, dat het met de zeugen zoo nauw niet steekt. Tot moederzeugen worden in zeer vele gevallen diegenen bestemd, welke voor de mesting ongeschikt blijken te zijn. 't Motje blijft klein, 't moet maar een zeugmotje worden, 't Motje wil niet te best vreten, !t moet maar onder den beer. 't Motje draagt de kenteekenen, welke doen vermoeden, dat het bij de. mesting wel niet op de beenen zal kunnen blijven, 't moet maar eerst in 't loophok en dan naar den beer. Vooral de laatstgenoemde soort wordt zeer dikwijls voor de teelt bestemd, want de beide eerstgenoemde soorten kan men nog ter markt brengen, de laatste soort is onverkoopbaar. En daardoor is het dan zoover gekomen, dat een groot deel der varkens gedurende de mesting van de beenen komt, want de zwakheid in het achterstel erft over in negentig van de honderd gevallen. Zelfs de groote Darwin vestigt op dit feit de aandacht.
Daardoor is het zoover gekomen dat alle verstandige Nederland-sche fokkers moeten erkennen dat hun varkensras, op enkele loffelijke uitzonderingen na, in 't algemeen bij dat van andere volken ten achteren is. Om eenigszins weer op de hoogte te komen, moet men nu van 't buitenland voor groot geld sterkere en betere rassen importeeren, om 't eigen ras weer in orde te krijgen. De zuinigheid heeft hierin, zooals wel vaker gebeurt, de wijsheid bedrogen. Want het ligt niet aan den grond noch aan de lucht van Nederland, dat we ten achteren zijn geraakt; 't ligt aan de Nederlandsche fokkers. Ik weet wel dat er, vooral in sommige streken van Drenthe, Groningen, Overijsel en Gelderland en nog in eenige andere oorden van ons vaderland, zeer goede en oordeelkundige fokkers worden aangetroffen, en voor hen is dan ook het bovenstaande niet geschreven. Deze weten 't wel beter. Meestal zijn het de kleine fokkers, die één of twee zeugen bij den beer jagen om te beproeven of er voordeel van komen wil, die door onverstandige teelt eerst hun eigen
38
zaak en vervolgens, voor zoover hunne varkens in den handel komen, in 't algemeen de varkensteelt en 't varkensras bederven.
Bederven zij ook hun eigene zaak? Welzeker! Ziet maar, hoe het toegaat, 't Varkentje, dat een zwak achterstel begon te vertoonen, werd bij den beer gejaagd. Honderd en veertien dagen later is ér echter juist een sterk achterstel noodig voor dat dier. Want, hoe sterker het achterstel is, des te sterker en natuurlijker kunnen dan de geboorteweeën zijn. Zijn deze te zwak, danâ vertoonen zich allerlei ongelukken en onregelmatigheden bij het biggen werpen. Het dier kan zich alleen niet redden, er moet meêgeholpen worden, en nu is 't lieve leven aan den gang. Want zoo'n moedervarken begrijpt dan niet dat het geholpen zal worden; het verbeeldt zich, dat men het de jongen wil afnemen of het opzettelijk pijn wil doen; het verzet zich, wordt kwaad en onhandelbaar, wil de biggen, als ze geboren zijn, niet aannemen, omdat er eene voor haar vreemde reuk aangekomen is, enz., enz.: eene reeks van ongelukken en ellendigheden. Zoo nu de fokker, met allerlei kunsten vliegwerk, nog de helft van de biggen in 't leven houdt en groot krijgt, gaat het al zeer mooi. Dat noemt men dan ongelukkig wezen en wil volstrekt niet weten, dat men de zaden voor dat ongelukkig wezen zelf gezaaid heeft, 't Is eigenlijk geen wonder, dat men zoo denkt, want dusdanige dingen gebeuren zóó vaak, dat men licht op de gedachte kan komen dat zulk een beloop het natuurlijk beloop is.
Wij weten zeer goed, dat al het bovenstaande volstrekt maar niet zoo gaaf zal toegegeven worden, vooral niet door sommige varkens-vroed-meesters en vroed-vrouwen. Want dezulken zijn er velen en dat is in den tegenwoordigen toestand ook maar recht goed. Maar zelfs zij zullen mij moeten toestemmen, dat volkomen gezonde en sterke, vooral in 't achterstel sterke varkens in de meeste gevallen zich zeiven heel goed redden bij
39
't biggen werpen en dat in den régel het grootste aantal biggen in 't leven blijft dan, wanneer niemand bij de geboorte heeft behoeven te helpen.
HET UITKIEZEN DER FOKVARKEXS.
Wil men goed kiezen, dan moet men al zeer vroeg acht beginnen te geven.
Wanneer men een toom biggen bij de moeder ziet zuigen, merkt men spoedig dat niet allen even begeerig en hongerig zijn. Terwijl het eene biggetje er haast bij in slaap valt, maakt het andere een geweld alsof de speen er meê- af zal. Het laatstgenoemde moet in aanmerking komen voor fokvarken, 't eerste in geen geval. Want het begeerig zuigen is een kenteeken van kracht en van eene sterke spijsvertering, welke beide zaken natuurlijk met elkander in verband staan en de eerste voorwaarden zijn voor het voordeelig gedijen van een dier. De slaperige zuiger wordt licht een lekkerbek; de be-geerige zuiger wordt zonder ongelukken een beste vreter.
Niet alle exemplaren van een toom biggen groeien even snel. Sommigen er van wegen op den ouderdom van zes weken wel anderhalf maal zoo zwaar als anderen. De meest forsche biggen moeten in aanmerking komen voor de teelt.
Niet alle biggen blijven bij het spenen even tierig. Terwijl dan sommigen haast ziek schijnen, gloeien anderen door, alsof er in 't geheel niet bijzonders gebeurd was. Men doet best, voor de teelt de laatste soort te kiezen; want een gestel, dat geen schokken kan doorstaan zonder groote schade, is voor 't beoogde doel niet stevig genoeg.
40
Terwijl, bij onverwacht geluid, sommige jonge varkens met eenen korten knor opspringen en verschrikt door het hok loopen, zullen anderen rustig en bedaard toekijken, wat het geett en, vooral zoo zij den buik juist vol hebben, zich niet eens de moeite geven om op te staan. Om vele, licht te bevroeden redenen, moet men volstrekt de schrikachtigen niet kiezen voor de teelt.
Wanneer jonge varkens vrij rondloopen, zal men opmerken, dat koude en regen niet op allen denzelfden invloed hebben. Sommigen staan dadelijk te kleumen, terwijl anderen er niets van schijnen te weten. Voor de teelt moet men natuurlijk de laatstgenoemden kiezen.
Bij het uitkiezen der fokvarkens wordt niet vaak verg-eten om bij voorkeur dezulken te nemen, die een groot aantal speentjes of âtittenquot; hebben. Dat is dan ook zeer goed, ofschoon andere invloeden een in dit opzicht rijk varken toch nog wel arm in vruchtbaarheid kunnen maken.
Wanneer men maar eenigszins anders kan, moet men geen biggen van den eersten worp tot fokzeugen bestemmen. Van den tweeden en derden worp heeft men in verreweg de meeste gevallen biggen, die aanmerkelijk sterker zijn en beter groeien dan die van den eersten worp.
't Is wel noodig hierop te wijzen, want ik denk dat het grootste getal varkens in Nederland wel geboren zal zijn bij den eersten worp, 't geen er voorzeker niet toe zal hebben bijgedragen om ons varkensras sterker en vruchtbaarder te maken. Zeker heeft deze omstandigheid er het zijne toe bijgedragen om te bewerken, dat ons varkensras zoo weinig bestand is geworden tegen allerlei soorten van ziekten. Velen schijnen zelfs niet eens te weten, dat het een vaste regel is, dat de zeugen
41
bij den tweeden en derden worp meer melk afzonderen dan bif den eersten, hetwelk toch zeker van grooten invloed moet zijn op den groei der biggen. Ook ligt het in den aard der zaak r dat het nog ongeboren jonge dier bij eene reeds volwassen moeder beter voedsel krijgt dan bij eene, die van het genotene ook zelf nog grootelijks moet proflteeren.
Soms vindt men bij de varkens enkele, die eene boosaardige natuur toonen te bezitten. Dezulken moet men nimmer tot zoogmoeders aanhouden, al zijn het ook anders voortreffelijke dieren. Want bij voorkomende omstandigheden wordt zulk een dier licht lastig en er bestaat altijd groote kans dat het verkeerde humeur der moeder op de jongen overerft.
Thans zijn we genaderd tot de vraag:
Welke gedaante moet het varken hebben, dat men voor de teelt bestemt?
Om tot antwoord hierop bepaald te zeggen: zóó moet de kop zijn, zoo de rug, zóó dit, zóó dat, is volstrekt onmogelijk, omdat, bij verschillende varkensrassen, deze verschillende lichaams-deelen volstrekt niet dezelfde gedaante hebben. In 't algemeen kan men zeggen dat, hoe langer, dieper en breeder de romp van een varken is, hoe edeler het wordt geacht en hoe meer het dus moet worden gewenscht, deze eigenschappen op zijne nakomelingen over te brengen. Die lengte, breedte en diepte moeten echter met elkander in harmonische verhouding staan. Men heeft wel eens gepoogd hiervoor getallen aan te geven; maar zoo'n berekening geeft eigenlijk niets, daar ze toch uit den aard der zaak voor verschillende soorten niet gelijk kan zijn; ze is ook niet noodig, omdat ieder, met gezond verstand, wel zien kan, wanneer eene der genoemde afmetingen in misvorming overgaat.
42
De kop zij niet te groot, maar ook niet te klein. Wanneer men twee biggen van denzelfden worp een half jaar lang, het eene zeer slecht en het andere zeer goed voedert, dan zal de kop van het slecht gevoede varkentje, naar evenredigheid van 't lichaam veel grooter zijn dan die van het goed gevoede. Bij verkommerde rassen beslaat de kop een zeer groot deel van 't lichaam. De te kleine mopskoppen van sommige overver-edelde Bngelsche rassen wijzen echter op een dier, dat eigenlijk met tarwemeel en zoete melk dient gevoed te worden, zoo men het ten volle naar zijn aard wil behandelen.
Wil men in het varken een dier behouden, dat ook zoo genaamd ruig voer in vleesch en spek kan omzetten, dan moeten in de eerste plaats de kauwwerktuigen krachtig en omvangrijk genoeg zijn. En daar deze een groot deel van den kop beslaan, moet dit lichaamsdeel dus ook niet al te klein zijn. Men neme echter voor een teelvarken liever een met een kop aan den kleinen dan aan den grooten kant, om de straks aangehaalde oorzaken van groote koppen. Zeer algemeen is het gevoelen, dat varkens met een breeden bovenkop betere vreters zullen zijn â dan dezulken, die weinig ruimte tusschen de ooren hebben. Op Engelsche varkenstentoonstellingen wordt soms de breedte tusschen de ooren gemeten en op eene groote breedte hooge waarde gesteld. Een al te breede snuit staat niet fraai en behoort gewoonlijk aan een varken, dat grove beenderen heeft. De wangen dienen vleezig te zijn. Sommigen stellen den ingebogen vorm, zooals die bij vele hoo^veredelde Engelsche varkens voorkomt, boven den rechten. Wanneer men van twee halfbloed Yorkshire-varkens het een reeds jong in 't mesthok doet en het andere laat rondloopen en wroeten, dan zal het gemeste varken zeer spoedig een veel meer ingebogen snuit vertoonen dan het rondloopende, dat zijnen snuit gebruikt; want men mag in zeker opzicht zeggen, dat de snuit is voor een varken wat de hand is voor den mensch.
Velen houden het er voor, dat varkens, die van geslacht tot geslacht in hokken zijn opgesloten en niet wroeten, ten laatste ingebogen snuiten zullen verkrijgen. Wanneer echter de zoogenaamde âkrorakoppen,quot; (varkens met Yorkshirebloed) die door hun wroeten een veel rechteren snuit hebben verkregen dan hunne gemest wordende kameraden, biggen werpen en men deze laatste nimmer in de gelegenheid stelt om te wroeten, ziet men bij hen den ingebogen snuit weêr heel duidelijk te voorschijn komen. De meerdere of mindere rechtheid van den snuit schijnt dus ook eene raseigenschap te zijn.
Oor en. Zoo men het voor 't kiezen heeft, neme men tot fokvarken liever een dier met kleinachtige dan met grootachtige ooren, omdat deze lichaamsdeelen niet zoo heel veel waarde bezitten, 't Spreekt echter van zelf, dat men bij een grootoorig ras niet de mopsoortjes van een kleinoorig ras kan zoeken.
Oogen. 't Is van belang dat een dier, 't welk men tot moedervarken bestemt, een paar goede, liefst zachte oogen heeft.
Hals en nek moeten bij een fokvarken breed en vooral niet te lang zijn. Een korte, breede nek behoort meestal aan een dier van eene vaste constitutie. Op de plaats, waar de nek zich aansluit aan den kop hebben onderscheidene varkens dikwijls verschillende breedte. Hoe breeder de kop van het varken is, des te breeder is meestal ook het punt van aansluiting. Varkens met langen en eenigszins naar beneden ingebogen nek willen zelden goed groeien.
Schoft Breedte van schoft is eene zeer gewenschte zaak bij een fokvarken. De vleezigheid der schouders en van de bovenarmen der voorbeenen kunnen nimmer te groot zijn.
Rug. Hoe rechter en breeder rug, zoo beter varken. Varkens met smalle karperruggen moet men nimmer voor de teelt bestemmen.
Een breede, diepe horst met tonvormigen gezakten huik wijzen op goede ademhalings- en verteringsorganen en zullen de zwaarte
u
der varkens bij eventueele slachting- zeker zeer verhoogen.
De heenen moeten sterk zijn en ze moeten recht onder het lichaam staan. Men doet echter wel, de sterkte der heenen niet in de grofheid der heenderen te zoeken. Hoe minder afhangend liet kruis is, altijd echter in vergelijking van het ras waartoe het varken behoort, des te edeler is het dier. Zijn de dij-beenen niet hoog vleezig, dan heeft het varken allicht een betrekkelijk afhangend kruis, hetwelk leelijk staat, soms een zwak achterstel verraadt en op de schaal niet meevalt. Zeer onderscheiden van vleesch zijn de dijbeenen der varkens naar beneden; terwijl sommige er uitzien alsof er van onderen reeds eene dikke snede ham is afgesneden, zijn andere gevuld tot bijna aan den zoogenaamden hiel.
Ook op de beharing mag men bij de keuze van een fokvarken wel degelijk letten. De Bngelsche varkens, veredeld door de bijna kale Chineesche, hebben in ons land ook bij velen hunner nakomelingen den haargroei tot een minimum gebracht. Dat is een fout, een zeer groote fout in een land, dat zoo noordelijk ligt als het onze; want het varken moet bij ons te lande zijn een tamelijk gehard dier, zal men er alle nut van kunnen trekken.
De kleur doet bij een varken niet zooveel af, als velen, die nog nooit anders dan gele of witte geslacht hebben, wel meenen. Want de huid of het zwoord verliest \Tij veel van hare oorspronkelijke kleur door scheren, inzouten en koken.
Daar er natuurlijk minder beeren dan zeugen worden gehouden, is het mogelijk, bij de eersten hoogere, ja zelfs de allerhoogste eischen te stellen. Daarom late men zijne zeugen, indien mogelijk, niet anders dekken dan door beeren van een standvastig, edel ras. Want zooals bekend en reeds gezegd is: alleen dieren, die hunne goede eigenschappen van eene lange, zeer lange reeks van goede voorouders ontvangen hebben.
45
erven die hoedanigheden over op hun kroost. De goede en slechte hoedanigheden worden bij de voortteling overgeërfd tot in het derde en vierde geslacht, ja, zelfs nog verder. Wie aan fokkerij, waarvan ook, gedaan heeft en dat nog niet zag, had nimmer zijne oogen goed open. Vraagt het maar na bij oplettende fokkers van honden, kippen, varkens, schapen, duiven, of waarvan ge ook wilt. Ik had eens negen gele kiekens van een zwarten haan en eene hagelwitte hen. De man, van wien ik die hen had, zeide: âDie kiekens aarden in kleur naar de âtante van liunne moeder, 't Was eene goede kip, maar vrij âzwak.quot; Mijne gele kiekens waren ook allen zwak.
'k Heb er niets tegen, dat men om deze geschiedenis lacht, maar vind haar toch uiterst leerzaam. Vraagt eens over het naiiarden aan oude paardenfokkers, dan zult ge wel meer dergelijke staaltjes hooren, die ten laatste allen bewijzen, wat er straks gezegd is. De zaak blijkt van alle kanten waar te zijn. en daarom moet men er zich naar richten, wil men de beoogde resultaten verkrijgen. Een verblijdend teeken des tijds is het, dat men stamboeken begint aan te leggen, ten einde dieren te verkrijgen, waarvan men zeker is dat zij hunne eigenschappen zullen overerven.
OUDERDOM DER ZEUGEN.
Niet alle varkensrassen zijn even vroeg rijp, d. i. geschikt voor de teelt. Terwijl sommige zeugen eerst wanneer zij omstreeks een jaar oud zijn, de kenteekenen van tochtigheid vertoonen, verlangen anderen reeds op den ouderdom van omstreeks een half jaar bij den beer toegelaten te worden. Ook laat men vaak zeugen dekken door beeren, die niet meer dan zes maanden oud zijn. Velen jagen hunne varkentjes bij 't eerste ken-teeken van tochtigheid bij den beer. Dat kan, want het gebeurt. Maar zou 't eigenlijk wel verstandig zijn, dat men zoo
46
doet? Zou dit niet mede eene der groote oorzaken der verzwakking van vele varkenskoppels zijn, waardoor ze zoo weinig tegenstandbiedend zijn geworden voor allerlei soorten van kwalen? Met koeien doet men in dit geval heel anders. Die laat men eerst, tenminste nagenoeg, haren vollen wasdom bereiken, voor men ze bij den stier toelaat. Maar met een varken neemt men dat zoo nauw niet. Een varken moet zich in alles maar schikken. Een varken is maar een varken. Men kan zeggen: âde natuur wijst aan, wanneer een dier voor de teelt kan worden gebruikt.quot; Wel zeker! Dat is ook zoo. Maar de natuur heeft hiermede slechts een doel, de instandhouding van het geslacht. Dat is met alle dingen zoo. Wanneer een graankorrel slechts éénen graankorrel heeft voortgebracht, heeft zij eigenlijk aan hare bestemming, al is 't dan niet ruim, voldaan, 't Geslacht kan er door in stand blijven. Maar zijt gij daar mee tevreden? Is het u goed, zoo ge slechts een varken hebt, om 't even welk varken?
Wel neen! Ge wilt een varken, dat â nu, ja, de smaken zijn verschillend; maar allen willen toch liefst van hun varken hebben een voordeelig dier, een zeer voordeelig dier. Nu, dan moet met het varken ook gehandeld worden als met andere dieren, waarvan men 't grootst mogelijke voordeel verlangt; dan moet de varkensteelt ook, evenals bij andere dieren, radicaal ingericht worden; dan moet men steeds op veredeling bedacht zijn. Anders bedriegt de zuinigheid of liever de begeerigheid de wijsheid.
Laten we eens nagaan, wat de practijk in dezen oplevert.
Vooraf moet ik zeggen, dat ik spreek tot echte varkensfokkers en niet tot degenen, die nu en dan eens een âmotjequot; bij den beer jagen, om te zien, of er voordeel van komen wil. De laatsten zullen toch wel altijd hun jong varken laten paren zoo spoedig als quot;t kan, en als de biggen zes weken oud zijn, de zeug op 't mesthok leggen.
47
Wanneer nu zoo'n wezenlijke varkensfokker zijne zeugen niet eerder laat dekken, voor ze ten naastenbij haren vollen wasdom lïebben bereikt, in plaats van ze bij het eerste kenteeken van tochtigheid te laten paren, zal hij een maand of wat langer moeten voederen, voor de varkens productief worden. Maar dan zal hij, in de eerste plaats, minder moeite en zorg hebben wanneer de zeug eindelijk werpt; want deze is nu genoegzaam sterk, en daarom zullen onregelmatigheden minder voorkomen en 't biggenwerpen zal meer zijnen natuurlijken gang gaan. Verder zal al heel licht het getal zijner biggen grooter zijn en zullen er niet zoo licht zwakken van te niet gaan, want er zullen minder of in 't geheel geene zwakken bij zijn. Daarom zullen ze dan ook voordeeliger groeien en dus meer winst leveren, zoo hij ze zelf behoudt; meer door anderen begeerd worden, zoo hij ze wil verkoopen.
Of is 't niet genoegzaam bekend, dat varkenskoopers, diemet hunne biggen soms een dag of wat moeten reizen, deze niet durven koopen dan van erkend goede fokkers, omdat zij vreezen dat de biggen anders op reis ziek en dus onverkoopbaar zullen worden? Gaan de varkenskoopers niet verre reizen doen en besteden zij niet meer geld, om sterke biggen te krijgen van verstandige fokkers, die hunne zaak rationeel drijven? Men voert varkens in, die veel geld kosten, van andere landen, om daardoor het eigen varkensras te verbeteren.
Dat is zeer prijselijk en soms hoog noodig. Maar wanneer men het eigen ras eens ging veredelen, door in de varkensteelt te handelen zooals men b. v. met koeien doet, d. i. ze bij anders goede behandeling niet eerder voor de teelt te gebruiken voor ze ten minste nagenoeg hun vollen wasdom hebben verkregen, de gevolgen zouden niet uitblijven en bepaald zegenrijk zijn. Reeds zeer spoedig zou men dat kunnen merken, en bij eene voortgezette verstandige teelt zou men van geslacht tot geslacht deze dieren meer veredelen, zoodat het ten laatste een
48
bijzonder ras zou schijnen te g-elijken, dat zijne voorouders in alle goede hoedanigheden ver te boven streeft.
De meer genoemde Dr. G. May zegt omtrent deze zaak:
âIk ken in Beieren vele fokkers van inlandsche varkens, âdie hunne beeren en zeugen in geen geval eerder dan op den âouderdom van vijf vierendeeljaars tot de teelt toelaten. Deze âmannen hebben zeer schoone en vruchtbare varkens en zij âzeggen, dat zij met de teelt dezer dieren meer geld kunnen âverdienen dan met die van Engelsche varkens, welke zij vroe-,,ger fokten.quot;
Zouden dezelfde oorzaken hier te lande niet dezelfde gevolgen hebben? Sommigen meenen 't meest in hun eigen belang te handelen, wanneer zij eene moederzeug slechts éénmaal laten werpen en dan dadelijk mesten. Maar dezulken rekenen niet goed. Om voor de eerste maal van eene zeug biggen te krijgen, moet deze toch ten minste een jaar oud wezen. Dus heeft men twaalf maanden moeten voederen vóór dien tijd. Brengt men eene zeug, die geworpen heeft, als de biggen ongeveer zes weken oud zijn, weer bij den beer, dan behoeft men slechts een kleine vier maanden meer te voederen om op nieuw biggen te hebben, 't Is waar, dat zoo'n zeug dan grooter is en meer voedsel behoeft, maar een groeiend varken verbruikt, als het goed gedijen zal, ook nog al wat, en twaalf maanden is driemaal zooveel als vier maanden.
Mijn buurman had in dit voorjaar twee zeugen die op denzelfden tijd biggen wierpen. De eene zeug kwam in 't mesthok, toen de biggen zes weken oud waren, en woog tien weken later 125 K.G. schoon aan den haak. De andere zeug werd voor den tweeden keer bij den beer toegelaten, kreeg biggen en bracht ze groot. Dit varken had na elf weken mestens het slachtgewicht van 180 K.G.
Zooals reeds gezegd is, heeft men bij volwassen zeugen
49
buitendien altijd licht kans op het voordeel, meer en betere bilt;rgen te krjjg-en.
Hoe lang men de zeugen voor de teelt kan gebruiken, is moeielijk in 't algemeen te zeggen. De ondervinding wijst ons daarin als van zelve den weg. Wordt eene zeug op lateren ouderdom te vet, dan is zij niet meer zoo licht te bevruchten. De tochtigheid treedt dan onregelmatig in en beeft dikwijls vaker plaats dan eens in de drie weken. Het is een vaste regel, dat bij regelmatig intreden der tochtigheid bijna zeker de bevruchting volgt, wanneer overigens alles goed is, terwijl, wanneer de tochtigheid op onregelmatige tijden wederkeert, in de meeste gevallen geene bevruchting mogelijk is. Ook komt het, vooral bij kwart, half, of volbloed Engelsche varkens dikwijls voor, dat oudere zeugen niet meer de voor hare biggen benoo-digde hoeveelheid melk afzonderen. Dit laatste heeft zijn oorzaak-in eene vettige ontaarding der uiers en andere deelen, bestemd ter melkafzondering. Overigens ziet ieder onbevooroordeelde na al liet besprokene lichtelijk in, dat liet meer dan eenmaal laten werpen van goede zeugen een der beste middelen is om een sterker varkensras te verkrijgen.
OUDERDOM DER EEKHEN.
Dikwijls wordt een beer, die slechts vijf of zes maanden oud is, reeds ter dekking gebruikt. Of echter het uitoefenen der geslachtsfuncties op zoo prillen leeftijd voordeelig is voor 't nakroost en voor den beer zelven, is zeker wel sterk te betwijfelen. Neen, met beeren dient men hetzelfde in acht te nemen, wat van de zeugen is gezegd; en een geheel volwassen beer zal stellig meer en sterker nakroost kunnen verwekken dan een half volwassen. De zoo vroeg tot den sprong toegelaten beeren stellen zich dan ook bij de bevruchting alles behalve mannelijk
50
aan. Aan 't einde der functie zakken zij soms in elkander als eene natte dweil. En van zoo'n dier verwacht men een sterk nakroost? Wel! waarom niet? Want het is immers een varken, en van een varken schijnt men alles te kunnen gelooven.
't Walgt mij, en het past ook niet, om te beschrijven, hoe zoo'n dier bij het uitoefenen eener functie, die eigenlijk toch een bewijs moest zijn van hooge mannelijke kracht, dan ook vaak geholpen moet worden. Zoo er iets is, waaraan zelfs de meest onkundige kan zien, dat het varken, hoe taai en wederstandbiedend aan verkeerde invloeden het ook oorspronkelijk is, soms grootelijks is verkommerd, dan is dit de functie der dekking, zooals die wordt uitgeoefend door vele varkens-beeren. 't Ts echter beter, maar op te houden met klagen en spotten, en liever te zeggen, hoe men moet handelen om goede beeren te verkrijgen..
Daarbij is één hoofdpunt, waarop men in de eerste plaats moet letten. Men zondere namelijk den beer reeds op zeer jeugdigen leeftijd van de zeugen af, opdat hij zoolang mogelijk van den lust tot uitoefening der geslachts-iuncties bevrijd blijve. Verder voedere men hem zoodanig dat hij, Avel groeiende, echter niet te vet wTorde. En vooral late men hem zooveel doenlijk beweging genieten. Weidegang zal hiervoor wel zeer aanbevelenswaardig zijn. De afzondering van zeugen moet ten strengste volgehouden worden, daar zelfs de reuk van een tochtig varken in dezen reeds verkeerd werkt. Want opgewekte en niet bevredigde geslachtsdrift kan den beer licht kwaadaardig doen worden.
Daar slechts een krachtige beer jongen kan verwekken die de, voor hunne soort, hoogste kracht bezitten, is het noodzakelijk dat men zoo mogelijk den beer tot rijpe, volle kracht laat komen, voor men hem tot de paring toelaat. Een krachtige beer kan op een enkelen dag wel drie zeugen bevruchten; echter moet men altijd bedenken dat veelvuldige uitoefening
51
der g-eslachts-functies de hoedanigheid en hoeveelheid van het zaad vermindert. Hoe regelmatiger het aantal der te bevruchten zeugen over een tijdperk verdeeld is, des te beter zal het zijn voor vader en kroost.
In ons land en in Duitschland bevruclit een enkele beer gedurende den nazomer en den herfst zeer dikwijls met goed gevolg vijftig tot honderd zeugen. Maar de Engelsche fokkers van edele rassen, die bij hunne teelt de vaan hoog houden, zijn daar wat zuiniger meê. Sommigen willen zelfs niet meer dan tien zeugen op één beer rekenen, om in verschillende perioden door dezen te worden bevrucht. Dat is dan toch, dunkt mij, wat heel weinig, daar bij een varken, het bloed-vormende dier bij uitnemendheid, toch de zaadvorming zeker niet langzamer zal plaats hebben dan bij andere diersoorten.
Hoe dit zij, veel hangt er af van de kracht en vooral van liet voedsel van den beer. Krachtig voedsel is voor een sprint-beer vooral noodig, daar anders de zaaddiertjes niet met de noodige energie in de eicellen zullen binnendringen. Hoelang men beeren voor de teelt kan gebruiken, wordt beter door ondervinding aangewezen dan door algemeene regelen. Inland-sche beeren behouden hun vermogen om te bevruchten wel tot op den ouderdom van acht of negen jaren; Engelsche echter op verre na zoo lang niet. Opmerkelijk, ofschoon wel natuurlijk, is het, dat oudere beeren, die kwaadaardig worden, bijna zonder uitzondering hunne vroegere zachtmoedigheid terugkrijgen, wanneer men hen de slachttanden uitbreekt.
DB DRACHT [GH KID.
Rustigheid en grootere eetlust zijn de eerste kenteekeneu, waaraan men merken kan, dat een varken bevrucht is. Ook komt dan natuurlijk met drie weken de tochtigheid niet weder.
Er zijn echter varkens, die toch na drie weken weer eenigs-zins roode schaamdeelen krijgen, zoodat het schijnt alsof ze weer tochtig zijn. Zij willen zich dan echter niet moer, behalve in enkele gevallen, door den beer laten bespringen.
Algemeen wordt er gezegd: Een varken draagt zestien weken, en dat scheelt dan ook niet heel veel, maar de meeste varkens dragen toch zestien weken en twee dagen, d. i. dus honderd en veertien dagen. Echter komt ook kortere of langere dracht voor. 't Is gebeurd , dat er varkens honderd tien en ook dat ze honderd drie en twintig dagen gedragen hebben en toch aan gezonde en sterke biggen het leven schonken. Daarom behoeft men niet te spoedig ongerust te worden of zelfs wel te meenen, dat het varken kunstmatig verlost moet worden, wanneer de dracht wat langer duurt dan gewoonlijk. Ongeveer drie weken voor de geboorte kan men zien dat de melkklieren beginnen te zwellen. In het eerst is het dan alsof er twee tamelijk dikke touwen onder de huid zijn gespannen in de richting der tepels. Eenige dagen later beginnen uiers en tepels aanmerkelijk dikker en rooder te worden. Wanneer in de laatste melk aanwezig is, laat de geboorte gewoonlijk niet lang meer op zich wachten.
Drachtige varkens moeten goed gevoederd worden, echter niet zoodanig, dat ze gedurende dien tijd te veel vet beginnen te zetten.
Vele onverstandige menschen geven hunne varkens in den drachttijd de allerminste soort van voedsel, omdat, naar hunne meening, anders de biggen reeds bij de moeder te dik en te vet worden en daardoor eene zware verlossing volgt. Hoe kunnen deze genoegzaam sterke biggen verwachten? Alle uitersten moeten vermeden worden, 't Beste is, dat men zich aan het gewone voeder houdt, zoo dit overigens goed is. Natuurlijk echter moet het dier daarvan iets meer hebben dan vóór den drachttijd.
En men dient niet te vergeten, dat liet verwerpen der biggen en andere verkeerde zaken liet meest voorkomen bij de slechtst gevoede varkens. Tn het voeder moeten natuurlijk alle stoffen voorkomen, die het moedervarken en de biggen behoeven tot instandhouding en groei van hun lichaam.
Hierover nader bij de voedering.
Varkens, die bevrucht zullen worden of drachtig zijn, moet men meer beweging geven, dan zij gewoonlijk hebben in een klein mesthok. Ten opzichte der eerstgenoemden is het in 't algemeen regel, dat loopende moedervarkens meer biggen brengen dan die reeds lang voor de bevruchting in een klein hok zaten opgesloten.
Goed voeder en daarbij genoegzame beweging zijn volstrekt noodig voor een drachtig varken. Door matige beweging wordt dan de vetvorming tegengegaan, en het moederdier en de te verwachten vrucht blijven veel gezonder en sterker dan bij minder voeder en overmatige rust. Daarom moet eene moederzeug, zoo zij niet los loopt, een groot hok hebben. In dit hok moet nauwkeurig gezorgd worden voor droge ligging, daar anders, bij koudevatten, allerlei ongelukken te wachten staan. Varkens, die dagelijks buiten komen, vatten echter zoo licht geen koude.
Bij een drachtig varken moet men steeds, maar vooral in den laatsten tijd, te heftige bewegingen tegengaan. Niet alleen het snelle loopen en springen op de loopplaats of in de weide zijn hierbij schadelijk, maar ook en vooral het zich te hoog oprichten in de hokken. Vele varkens, en 't zijn de minsten niet, komen, wanneer er gevoederd zal worden, met hunne voorpooten op of tegen de schuttingen der hokken staan, om hun ongeduld en honger te toonen. Dat mag vooral een hoogdrachtig varken niet doen. Men kan de varkens dit eenigszins afleeren wanneer men eene tamelijk breede plank in de lengte over zulk eene
54
schutting legt, waartegen zij, omhoog komende, hunnen kop stoeten. De meesten laten het dan dadelijk. In eenstal, waar meer varkens zijn, moet men de moederzeugen het eerst voeren.
HET VERWERPEN DER VRUCHT.
Soms komt het hij varkens, even als bij vele andere dieren, voor, dat zij de nog niet voldragen vrucht verwerpen. Eene der meest voorkomende oorzaken hiervan is, dat aan de varkens verschimmeld voeder verstrekt wordt. Ook wil men bij 't gebruik van veel aardappelvezels en pulpe veel verwerpen opgemerkt hebben. In 't algemeen is het regel, dat bij de slechtste voedering dit ongeval het meest voorkomt.
Maar ook in krachtig voeder kan iets aanwezig zijn. dat het verwerpen bevordert. Zoo zeggen sommigen, dat het geven van raapkoek aan varkens aanleiding tot verwerpen geeft. Zelfs lijnkoeken worden in dit opzicht afgeraden. Maar waren in dat geval die koeken misschien ook schimmelig geworden, eer ze gevoerd werden? Dat zegt men er niet bij. Want er zijn toch velen, die aan al hunne varkens, ook de drachtigen, soms een afkooksel van lijnkoeken en lijnzaad-meel te drinken geven, zonder dat men juist bij hen van verwerpen hoort. Schrikken en te heftige beweging kunnen dikwijls verwerpen ten gevolge hebben. Ook is het in dit opzicht gevaarlijk, het varken in eens van voedsel te doen veranderen. Of men bij die verandering beter dan of men minder voedsel geeft, doet in deze niets af; 't zit hem in de verwisseling zonder overgang. Zelfs de verandering van koud tot warm voeder, of omgekeerd, is schadelijk. Wanneer in het voedsel afdrijvende middelen, zooals: b. v. peterselie en moederkoren, gegeven worden, spreekt van zelf, dat hierop licht verwerpen volgt, alsmede dat voeder, waarin zich vergift bevindt, zooals
55
zeepwater, uitloopsels van aardappelen enz., hierop zeer schadelijk werkt. Varkens, die reeds eenmaal verworpen hebben, zullen dit later, zelfs onder gunstige omstandigheden, soms weder doen. Regel is dit echter niet. Soms gebeurt het, dat een varken een of meer biggen te vroegtijdig afzet, waarop verder alles zijn gewoon beloop behoudt en de overigen gezond en frisch geboren worden. Tn dit geval zijn de afgezette biggen meestal dood of zelfs reeds is er begin van verrotting. Wanneer een varken een veertien dagen te vroeg de biggen werpt, noemt men dit niet meer verwerpen, maar te vroege geboorte. De oorzaken hiervan zijn echter dezelfde als die van het verwerpen. Met veel kunst- en vliegwerk kan men zulke biggen soms nog wel in 't leven houden en groot brengen.
Eenige dagen voor het biggenwerpen vertoonen zich bij vele zeugen soms ietwat ongewone dingen. Zij hebben dan wel eens minder eetlust of vertoonen trek naar bijzonderheden. Zij zijn dan wel eens erg lastig, onrustig en ongedurig, zoodat zij soms wel ziek schijnen te zijn. Wanneer hierbij echter geen verstopping komt, moet men zich niet al te spoedig ongerust maken en er vooral niet op eigen hand mee beginnen te dokteren. Vele menschen meenen dat bij alles, wat hun een weinig ongewoon voorkomt, terstond moet gemedicineerd worden. Dezulken hebben aan zichzelven en aan hunne dieren al veel kwaad gedaan.
DE GEBOORTE.
Een hok, waarin biggen zullen geboren worden, moet eene warmte hebben van ongeveer 12 tot 15 graden Celsius. Het strooisel moet eenigszins tot haksel zijn gesneden, wijl anders de jonge biggen in het lange stroo licht vast raken. Hoe minder volk er bij is, wanneer een varken werpt, des te beter. In 't geheel geen volk is in dit opzicht in de meeste gevallen
50
het beste. Moet het varken hier- of daarin geholpen worden r dan moet hij of zij dit doen, die het dagelijks voedert en met wie het dus bekend is. Het veronachtzamen van dit laatste leidt vaak tot velerlei onaangenaamheden en daarom is het goed, dat de vroedmeester of de vroedvrouw, die men denkt noodig te hebben, dit voederen ten minste eenige dagen te voren op zich neemt en nu en dan bij het varken in het bok gaat om het te krabben of zich op andere wijze bij het dier bekend en aangenaam te maken. Want het varken is op verre na geen dom dier en kent en vertrouwt degenen, die het voederen en er mee omgaan, terwijl het daarentegen dikwijls schuchter of zelfs wel kwaadaardig is tegen geheel onbekenden.
Is het rechte tijdstip eindelijk gekomen dan gaat het dier, dat doorgaans door de onzichtbare voorbereidingsweeën zeer onrustig was, liggen; de geboorteweeën komen en na korteren of langeren tijd verschijnt er een jong. Blijft nu alles goed, dan is het ergste meestal voorbij. Want de geboorte van de eerste big veroorzaakt aan de moederzeug de meeste smart, wat bij eenige opmerkzaamheid duidelijk waar te nemen is. Diepe stilte en, als het niet hoog noodig is, volstrekt geene bemoeiing met de moeder of haar jong zijn dan dringend, zeer dringend aan te bevelen. Na eenigen tijd, met ongeveer 5 tot 15 minuten, al naar 't meer of minder vlug gaat, volgt eene andere big en zoo gaat het voort, totdat ze er allen zijn.
Zijn de biggen sterk genoeg, dan gaan ze eenige oog'enblikken na de geboorte opstaan, zoeken de moeder en probeeren al dadelijk te zuigen. Ongeveer een uur nadat de laatste big geboren is, of ook wel iets vroeger, begint het varken weelweeën te krijgen. Dit zijn de zuiveringsweeën, en bij een normaal verloop wordt dan al spoedig de zoogenaamde nageboorte uitgedreven. De volkomen zuivering van de bij' t werpen in de baarmoeder achtergebleven zaken duurt echter nog- wel iets langer.
57
Vele zeugen zijn in de eerste paar dagen na het werpen eenigszins suf of wel koortsig, zonder dat dit van veel nadeeligen invloed is, behalve dat in de tijden der koortsachtigheid de melk niet zoo rijkelijk als anders wordt afgescheiden, hetwelk men aan de hongerigheid der biggen kan bemerken. Als alle moeders is het varken zeer gelukkig en blijde met hare jongen, en men kan zien en aan het tevreden knorren hooren, dat het voor de moeder een genot is hare kinderen te zoogen. Soms is het aardig om te zien, hoe de biggen, wanneer zij zich zat gezogen hebben, naar den kop der moeder gaan en haar schijnen te kussen, voor ze zich met hun vol buikje te slapen leggen. Yoor wie dit niet gezien heeft, klinkt het als een fabeltje; maar 't gebeurt.
ONGEWONE ZAKEN BIJ HET WERPEN.
Soms komt het voor, dat de dingen niet zulk een natuurlijk beloop hebben als straks beschreven is. tiet varken wil b. v. volstrekt niet gaan liggen, wanneer de barensweeën beginnen, quot;t Beste is dan, dat diegene, die het dagelijks voedert, er stil en bedaard bij in 't hok gaat en het door krabben tot liggen zoekt te brengen. Maar dit moet heel zacht en stil gebeuren, anders maakt men het varken kwaadaardig of schrikachtig. Want, als zoo'n dier nu maar ten volle overtuigd was, dat men het wilde helpen, dan zou alles goed zijn; maar ik donk voor 't naast, dat het eerder van gevoelen is, dat men het zijne jongen wil ontnemen of die kwaad wil doen.
Zonder dringende noodzakelijkheid moet men, vooral in de eerste dagen, nimmer een big in de hand nemen, want de reuk, welken die big daarvan aan zich krijgt, wordt er door verreweg de meeste varkens niet aan begeerd en kan aanleiding geven, dat zij zoo'n big niet langer als het hunne willen
58
beschouwen, liet verstooten of zelfs wel bijten. Hierop wordt lang niet genoeg gelet. In den eersten tijd kennen de dieren hunne jongen bijna niet anders, dan aan den reuk. Wie dat niet opgemerkt heeft, heeft niet goed toegezien of niet nagedacht.
Soms gebeurt het, dat varkens hunne jongen slecht behandelen of zelfs wel opvreten. Maar meestal is er in dit geval op eene of andere wijze een verkeerde reuk aan zoo'n big gekomen. De wees, dat het varken zijne biggen zal opvreten, brengt vele eigenaars vaak tot onverstandige handelingen, waardoor dan soms ten laatste de vrees bewaarheid wordt. Echter is het niet te ontkennen dat er gevallen bestaan, waarin de moedervarkens, zonder door den mensch er toe gebracht te zijn, hare biggen dooden en opvreten. Deze gevallen zijn echter zeldzaam.
Soms gebeurt het, dat één of meer der biggen zelfs wel vierentwintig uren later geboren worden dan de anderen, terwijl overigens toch alles zijn gewoon beloop behoudt.
't Ligt in den aard der zaak, dat meer ongewoonheden, die kunnen voorkomen bij 't biggenwerpen, niet in dit boekje kunnen en behoeven genoemd te worden, omdat zij op het gebied der veeartsenijkunde tehuis behooren. Is er wezenlijk iets bij 't moedervarken niet zooals het behoort, dan hale men zoo spoedig mogelijk een veearts of een ander deskundige.
Een oud varkensfokker, wien het in zijn vak bijna zonder uitzondering zeer voordeelig ging, zeide mij eens: âDe meeste âongelukken bij 't biggenwerpen komen door de menschen: âZij worden te gauw bang en kunnen dan niet goed laten wat âgoed is.quot; Mijne ondervinding zegt hetzelfde.
59
ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DE VERSCHILLENDE VOEDE RBEST ANDDEELEN.
Eiwitstoffen , Koolhydraten.
Men krijgt tegenwoordig bijna geen dagblad in de hand, waarin niet het een of ander veevoeder wordt te koop aangeboden. In zoo'n advertentie wordt er dan geregeld bij gezegd; het voeder bezit zooveel eiwitstoften. zooveel koolhydraten, zooveel vet. De verkooper veronderstelt zeker, dat ieder lezer daarnaar nu de betrekkelijke waarde van het voeder kan be-oordeelen. Wel een compliment voor 't veevoederkoopend publiek en zeer optimistisch gedacht!
Ik echter denk, dat slechts zeer weinigen weten, welke denkbeelden zij aan de woorden der voederannonces moeten hechten. Daarom zal ik beproeven. den lezer op zoo eenvoudig mogelijke wijze eenig denkbeeld er van te geven. Wij zullen in gedachte eens beproeven zoo eenigszins in 't ruwe eiwitstoften en koolhydraten te maken. Dat heldert al wat op. Voor die fabricatie hebben wij niets anders noodig dan wat tarwemeel, eene kom water en een lapje zijde. Tarwemeel bevat, naar de scheikundige ontleding zegt, ongeveer 12 procent eiwitachtige stoften en ruim 60 procent zetmeel. Wij maken ons tarwemeel met eenig water zoo nat, dat we het gevoegelijk kunnen kneden en wikkelen het dan In den zijden lap. Witte zijde is voor dit doel het geschiktst. Wij doen nu het zijden lapje met het kneedbaar vochtige tarwemeel in de kom onder water en kneden het daar. Wij moeten onder het kneden echter altijd zorgen dat het klompje meel in het lapje blijft. \\ at zien wij nu? Bij het kneden onder water dringt er een wit vocht door de poriën van het zijden lapje. Wij kneden maar dooi', altijd onder water, 't Water wordt nu steeds witter en het meel in 't lapje wordt minder, dat gevoelen wij. t brokje wordt kleiner.
(iO
Op het laatst blijft er maar heel weinig meer in 't lapje. Neem het nu eens uit het water en open het lapje. Wat ziet ge? Er is niets in gebleven dan eene taaie, geelgrauwe, zeer kleverige massa. Probeer dat nu nog eens te kneden in eene andere kom met schoon water. Komt er nu in quot;t nieuwe water geen vocht meer door quot;t lapje? Neen? Nu, dan hebt ge uwe fabricatie ten einde gebracht en ge hebt in het zijden lapje bijna niets dan de eiwitachtige stoften van het tarwemeel, terwijl ge onder in de kom het zetmeel hebt. Zetmeel heet het en het is ook meel, dat zich zet. Laat de kom maar eens eenigen tijd rustig staan en ge zult zien, dat het water helderder wordt, omdat het zetmeel zich op den bodem zet. Zuiver zetmeel, laten wij daarover eerst eens spreken, zuiver zetmeel is een koolhydraat. Het bestaat uit niets anders dan koolstof, waterstof en zuurstof, en wordt aangeduid door de formule C. H. O., wat beteekent carbonium hydrogenium en oxy-genium. Dat zijn de cosmopolitische namen voor koolstof, waterstof en zuurstof. Vele dingen worden geschreven met C. H. en O., zonder daarom nog juist koolhydraten te zijn. Want koolhydraten zijn het dan alleen, wanneer de waterstof en de zuurstof er in dezelfde verhouding in voorkomen, waarin zij het water samenstellen. In het water toch zijn waterstof en zuurstof verbonden in de verhouding van twee op één, bij de koolhydraten ook.
'tZal den oningewijde wel wat wonderlijk klinken, wanneer wij vertellen dat suiker, zetmeel en zuivere houtvezel alle drie koolhydraten zijn en dat ze niet eens zooveel in samenstelling verschillen, 't Is toch zoo, en daarom kan ook het een van het andere gemaakt worden. Van zetmeel, b.v. dat der aardappels maakt men immers suiker. Van het zetmeel in uw kommetje kan ook suiker gemaakt worden. Als er zetmeel in uwe of in der dieren maag en darmen is verteerd, zooals men dat noemt, is er ook suiker van gemaakt. Hierover latei'.
61
Van houtvezel kan men ook suiker maken. Maar men doet het niet, omdat het de kosten van fabricatie niet loont. Al het zetmeel der wereld wordt door de bladeren der planten gefabriceerd. De plant maakt er dan voor 't grootste gedeelte houtvezel van, de houtvezel, die ge kent in 't stroo van 't koren, in 't hout der boomen en in 't algemeen in alle harde deelen der plant. Ook wordt dat zetmeel bij de plant ingroote mate afgezet in de vrucht, zooals te zien is bij granen en peulvruchten. Wanneer gij dus in de annonces van een of ander veevoeder vindt opgegeven: zooveel koolhydraten, dan weet ge daaruit eigenlijk nog niets. Want zie, die koolhydraten kunnen zijn suiker, zetmeel of houtvezel. Sommige kooplieden adver-teeren dan ook: zoo en zooveel verteerbare koolhydraten. Dan wordt de zaak al wat beter. Suiker is een zeer verteerbaar koolhydraat; zetmeel is ook een verteerbaar koolltydraat; maar houtvezel, zoools men die onder anderen ook vindt in de omhulsels der granen, â nu ja, de viermagige dieren verteren er nog al iets van, maar de andere dieren bitter weinig.
Nu iets over de eiwitstoffen.
Vooraf moet ik nog even zeggen, dat de straks gefabriceerde eiwitstoffen niet volstrekt zuiver zijn, wat overigens licht te begrijpen is bij zoo'n eenvoudige fabricatie. Maar toch, als men zegt, ik heb hier in dit lapje niets dan eiwitstotten, dan jokt men niet heel erg.
Zagen wij, dat de koolhydraten uit drie grondstoften bestaan, de eiwitstofien bestaan uit vijf grondstoffen, n.1. zwavel, stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof. Maar de drie laatstgenoemden vormen hier geen koolhydraat, zooals straks. Opmerkelijk is het dat vele menschen, die er iets van meenen te weten, bepaald gelooven dat eiwitstof en stikstof hetzelfde is. Vraag daar maar eens naar. Maar dat is, zooals wij reeds zagen, in 't geheel niet waar. Alle eiwitstoffen bezitten slechts
«2
omstreeks 15 procent stikstof, ongeveer 1 i procent zwavel en plus minus 50 procent koolstof. Het overige is waterstof en zuurstof. Machtig veel verschillen de eiwitstoffen in hare samenstelling ook niet, welken naam zij ook mogen dragen en hoe geheel ongelijk zij er ook mogen uitzien. Wij zullen eens eenige eiwitstoffen opnoemen. Dan hebben we vooreerst albumine of eier-eiwit, dan caseïne of kaasstof uit de melk, fibrine, de eiwitstof uit het vleesch en verder nog legumine of planten-eiwit, wat ge daar in uw lapje hebt. Zij bestaan alle uit de straks genoemde vijf elementen. Eiwitstoffen zijn betrekkelijk duur. Hoe meer er van aanwezig is, des te duurder de spijze. Koolhydraten zijn betrekkelijk goedkooper, onverteerbare zijn zeer goedkoop. In de natuur wordt de eene eiwitstof van de andere gemaakt, door de dieren namelijk. Geef uwe kip planten-eiwit of legumine in koren: zij levert u eier-eiwit of albumine weêr. Geeft uwe koe planten-eiwit in klaver, gras, koren of iets anders, ze geeft u daarvoor terug; kaasstof, caseïne, zoo ge haar melkt; vleescheiwit, fibrine, zoo ge haar slacht. In uw eigen maag en darmen worden planten-eiwit, eier-eiwit, melk-eiwit of kaas en vleesch-eiwit, in menschen-vleesch-eiwit omgezet.
En waartoe dienen nu de koolhydraten en de eiwitstoffen bjj de voeding in het dierlijk lichaam?
Dat is spoedig te zeggen en ten deele zeker reeds begrepen.
De koolhydraten zijn noodig voor de ademhaling en voor de vetvorming. Wij zullen dat niet in bijzonderheden nagaan, maar slechts zeggen, dat, wat er van deze overblijft wanneer de ademhalingsproducten er afgenomen zijn, voor de vetvorming beschikbaar is. Door het zuur der verteringssappen worden alle koolhydraten bij eene goede spijsvertering echter eerst tot suiker gemaakt. Eerst wanneer ze suiker zijn, kunnen ze gebruikt worden voor ademhaling en vetvorming. Wanneer
63
men in de aardappelsiroop-fabrieken het zetmeel tot suiker maakt, doet men dit ook door het met zuren te koken. Wonderlijk, niet waar? Zoetigheid door zuur. Dat is nog wel zoo erg als in Simson's raadsel.
Zooals reeds gezegd is, bestaat het vleesch van alle dieren voornamelijk uit eiwitstoffen en is er dan ook geen vleesch-groei mogelijk zonder het opnemen van eiwitstoffen.
Vooral jonge dieren moeten daarom voeder, dat rijk is aan eiwitstoffen, genieten, zullen zij goed gedijen. Maar ook de ouderen, die reeds hun vleesch gezet hebben, kunnen er niet zonder.
Wanneer eens iemand dacht: mijn dier heeft vleesch genoeg; ik zal er nu nog maar wat vet opvoeren met koolhydraten, dan zou hij dat kunnen probeeren; want zuivere koolhydraten zijn er wel te verkrijgen. Hij kon daarvoor b.v. suiker, stijlsel en aardappelmeel nemen.
Maar â al gebruikte zijn dier ook nog zooveel van dat voeder, het zou ten laatste verhongeren; want het genoten voedsel zou grootendeels onverteerd weer het lichaam verlaten. Wantâ koolhydraten en eiwitstoffen moeten te zamen, en wel in de juiste verhouding in het voedsel voorkomen, zullen ze verteerd worden. Onwillekeurig is aan dit hoofdstuk meer plaats moeten ingeruimd worden, dan aanvankelijk ons plan was.
NOG ANDERE BESTANDDEELEN LX HET VOEDER.
De scheikundigen, wier wetenschap in de laatste jaren met reuzenschreden vooruit is gegaan, halen uit het voeder nog geheel andere dingen dan eiwitstoffen, koolhydraten en vet.
Uit alle planten en uit alle deelen der planten weten zij, al is het dan maar in kleine hoeveelheden, nog zeer verschillende stoffen af te scheiden. Zij leveren ons daaruit b.v. kalk, phosphor, kali of potasch, een weinig gewoon keukenzout.
64
ijzer, magnesium etc. Al deze stoffen zijn dan ook volstrekt noodig voor den groei der plant en zij moeten, in het dierlijk lichaam opgenomen, medewerken tot den opbouw daarvan.
't Ligt buiten het bestek van dit boekje, hierover in den breede uit te weiden; wij zullen slechts nagaan, uit welke stoffen der plant de balken en gebinten van het dierlijk lichaam, de beenderen, worden gevormd.
leder begrijpt, dat bij een dier geen solide beendervorming kan plaats hebben, indien de stoffen, waaruit deze bestaan, in het voeder ontbreken. Sommigen hebben daaromtrent proeven genomen met varkens, door deze dieren voedsel te verstrekken, waaruit kunstmatig zoo mogelijk alle kalk en verdere benoodigd-heden voor den opbouw der beenderen waren verwijderd. Natuurlijk mankeerde toen de goede beendervorming. Men had zich, mijns inziens, die moeite kunnen besparen, daar het van zelf spreekt, dat er niets kan opgebouwd worden zonder de daartoe noodige bouwstoffen. De beenderen bestaan voor 't grootste deel uit phosphorzure en koolzure kalk. Het phosphor van de vroegere lucifers werd grootendeels uit beenderen verkregen. Men behoeft echter, wanneer men overigens goed voedert, deze stoffen aan de dieren niet apart te verstrekken, omdat zij, zooals reeds gezegd is, in alle planten voorkomen. In alle planten echter niet even rijkelijk, ja, soms zelfs niet voldoende voor beendervorming. De door menschen en dieren zooveel gebruikte aardappel b.v. bezit voor dat doel op verre na niet genoeg van deze stoffen. Een gevolg daarvan is dan ook, dat bij dieren, die bijna uitsluitend met aardappelen worden gevoederd , geen volkomen beendervorming plaats heeft en dikwijls beenderziekte ontstaat. Die beenderziekte is in vele gevallen niets anders dan armoede aan beenderstof en kenmerkt zich door verkrommingen en andere onregelmatigheden der beenderen. Zulke beenderen zijn aan de gewrichtsuiteinden gewoonlijk dikker dan de normaal gevormde, misschien een gevolg van werktuige-
65
lijk plat drukken, bij ongenoeg-zaam tegenstand biedend gehalte. Ook zijn ze specifiek lichter dan gewone beenderen.
In veeartsenij kundige handboeken staan vele van die beenderziekten beschreven, terwijl er bij meest alle als oorzaak armoede aan beenderstof wordt opgegeven, 't Is dus zaak, hier op te letten.
Zooals gezegd is, komen in de meeste voedingsmiddelen, niet alleen in peulvreuchten en granen, maar ook in groen voeder, de tot beendervorming noodige stoffen in genoegzame hoeveelheid voor, om het dier, dat deze voedingsmiddelen gebruikt, de noodige beenderstof te leveren. Men ziet dan immers ook, dat van der jeugd af goed gevoede dieren, bijna zonder uitzondering, goed gevormde en toereikend sterke beenderen hebben. Reeds voor lang is men begonnen om, b.v. aan koeien, die gevoed werden met gras en hooi van sommige kalkarme madelanden en daardoor vaak de beenbreekziekte krijgen, alsmede aan varkens, wier beenderen verkommerd waren, door bijna alleen van aardappelen, of, nog erger, ook van aardappelvezels te moeten leven, op kunstmatige wijze de phosphorzure kalk te verschaffen, noodig voor den opbouw van hun beendergestel.
Reeds voor veertig jaren wierpen velen al de beenderen uit de keuken voor de varkens, opdat deze sterke beenen zouden behouden. Zelfs de industrie heeft zich, even als vroeger van de bloedarmoede, nu van de beenderarmoede bediend, om geld te maken, en verkoopt voeder, waarin kunstmatig kalk is aangebracht. Fijngemalen beendermeel wordt aangeprezen als nuttig te zijn voor varkens met zwakke beenen. Op vele plaatsen zijn omtrent het laatste proeven genomen, die bij sommigen een goed resultaat, bij anderen in 't geheel geen resultaat heeten te geven, 't Is hierbij de groote vraag: wordt die kunstmatig verstrekte phosphorzure kalk in de magen der dieren oplosbaar gemaakt en in hunnen bloedstroom opgenomen, om zoodoende afgezet te kunnen worden ter plaatse, waar zij ontbreekt? Want zoo
5
66
ly; zonder goed oplosbaar'is phosphorzure kalk niet. Wij nemen de vrijheid, aan te halen wat de heer G. Reinders, leeraar in de scheikunde aan de Rijkslandbouwschool en schrijver van het alom bekende en gebruikte âHandboek voor landbouw en veeteelt,quot; daarover onlangs zeide in de Nieutve Landbouwcourant, waarvan genoemde heer redacteur is. Tn een opstel over phosphorzure kalk zegt hij onder meer:
âDaarom komt ons het bemesten der weiden, die hooi met âweinig phosphorzuur leveren, met phosphorzuurhoudende mest-âstoffea, het rationeelst voor; omdat dan de phosphorzure zouten, âzoo innig met de eiwitstoffen vereenigd, het best door het dier âverteerd zullen worden, beter, naar het ons voorkomt, dan de âphosphorzure kalk, die opzettelijk bij het voeder gegeven wordt. ..Intusschen kan dit laatste soms noodig zijn. Maar liet is âdan niet onverschillig, in welken vorm het phosphorzuur ge-,.geven wordt. Joulie raadt daarvoor aan het zoogenaamd âgepraecipiteerd Wtalcium-phosphaat, dat gemakkelijk in ver-âdunde zuren oplost en 37 a 38 procent phosporzuur bevat. âHet kost, volgens Joulie, 17i ets. per K.G. en voor een ârund wordt als dagelij ksche toegift bij een in dit opzicht on-âtoereikend voeder, 12 tot 24 gram, d. i. ongeveer 1 tot 2i âlood, voldoende gerekend.quot;
OVER DE BESTE VERHOUDING VAN EIWITSTOFFEN EN KOOLHYDRATEN TN VARKENSVOEDER.
De beste verhouding van eiwitstoffen en koolhydraten wordt voor een varken gerekend te zijn die van één op zes.
Dat is: een varken wordt voorondersteld het best te groeien, wanneer het in zijn voeder één pond eiwitstoffen op zes pond koolhydraten krijgt. Het spreekt van zelf', dat hier verceerbare koolhydraten bedoeld worden. Men vindt die verhouding bijna juist in gerstemeel. Dit meel toch bezit 10 procent eiwit-
67
stoffen en ruim 60 procent koolhydraten. Ik heb echter ten allen tijde opgemerkt, dat een varken veel heter en sneller groeit van tarwemeel dan van gerstemeel. En hij tarwemeel is de verhouding van eiwitstoften en koolhydraten die van één op vijf. Want tarwemeel hezit ongeveer 13 procent van de eerste en ongeveer 66 procent van de laatste. Mijns inziens heeft de betrekkelijke duurte der eiwitstoffen eenigen invloed gehad op het berekenen der verhouding, en zal de verhouding van één op zes eigenlijk wel zeggen, wat daarvan de uiterste grens is. Hoe dit ook zij, het kan er meê gaan. Toch is ook in dit opzicht, en dit wordt op verre na niet genoeg bedacht, zuinig voederen meestal duur voederen. Want, hierop dient men wel te letten, geeft men naar verhouding te veel koolhydraten, dan vindt men van deze een groot deel onverteerd in den mest weer. Dat is al vaak onderzocht en alzoo bevonden. Zeker heer Haubner gaf aan zijne schapen per dag en per stuk drie pond aardappelen bij hun gewoon wintervoer. Hij onderzocht daarop de uitwerpselen dezer dieren en vond er vrij wat onverteerd zetmeel in. Nu gaf hij aan ieder schaap bij de aardappelen en het ander voeder dagelijks nog een kwart pond erwten, die zeer rijk aan eiwitstoffen zijn. En ziet, nu was er in de uitwerpselen der schapen geen zetmeel meer te vinden: de aan eiwitstof rijke erwten hadden eene betere verhouding aangebracht en nu waren alle koolhydraten verteerd. En dat is niet alleen zoo bij een schaap, maar ook bij een varken. Ik heb mij dikwijls verwonderd over de groote massa's aardappelen, die een goed wetend varken bij sommige overzuinige landbouwers en arbeiders, die zelf wel aardappelen, maar geen meel hebben, verslond, zonder er behoorlijk van te groeien. Maar die menschen gaven dan bij de aardappelen ook zoo weinig meel, dat de verhouding van eiwitstoften en koolhydraten ten minste die van één op twaalf werd. Als men bedenkt, dat hier toch het doel was, om voor weinig geld liefst
68
heel veel te verkrijgen, ziet men, dat de zuinig-heid de wijsheid erg bedroog. Want misschien de helft der aardappelen werd zonder eenig nut gegeven.
Uit loutere begeerlijkheid moet men goed voederen!
Uit loutere hegeerlijkheid moet men rationeel voederen!
't Schijnt mij geene gewaagde vooronderstelling, te denken, dat een varken, hij dezelfde hoeveelheid voeder, meer of minder in gewicht toeneemt naar mate de verhouding tusschen eiwit-stoifen en koolhydraten hij zijn voeder nauwer of ruimer is. Zelfs de verhoudingsgetallen dier heide stoffen schijnen den maatstaf te kunnen aangeven. In Amerika rekent men algemeen, dat een varken door 't gebruiken van zeven pond maïsmeel een pond zwaarder wordt, 't Is hier in het land een oud gezegde, dat een varken door 't verorberen van zes pond gerste-meel één pond zwaarder wordt, 't Zou mij niet verwonderen, dat vijf pond tarwemeel hetzelfde resultaat gaf. Dit meel mest snel. En nu is de genoemde verhouding bij maïs die van een op zeven, bij gerst die van een op zes, en bij tarwe die van een op vijf. 't Zou nuttig zijn, zoo hieromtrent eens proeven werden genomen; goedkoop is soms duurkoop, 't Spreekt van zelve, dat deze stelling niet in alle uitersten doorgaat, want eene te ruime verhouding werkt schadelijk. Ook eene te nauwe verhouding zou nadeelig werken, echter niet zoo heel spoedig, want een varken kan nog al wat eiwitstoffen verdragen.
Omtrent de spijsvertering der omnivoren heeft de wetenschap zeker nog niet het laatste gezegd.
VET VOOR VARKENS.
Menigeen zal dit opschrift eenigszins vreemd voorkomen. Hij zal denken, dat het varken vooral vet moet produceeren, in plaats van het te verbruiken. Ik denk er evenzoo over, maar geloof toch, dat het toevoegen van een weinig goedkoop vet
69
aan het varkensvoeder de vleesch- en vetproductie bij dit dier sterk in de hand zal werken, zoo zelfs, dat men dit goedkoope vet, door meerderen groei, zeer duur betaald krijgt.
Iedereen weet, dat varkens in 't oogvallend sterker beginnen te groeien wanneer men de gewone karnemelk, die ze bij hun voeder krijgen, verwisselt met onafgeroomde melk. Welzeker! zult ge zeggen: vet geeft vet. Ik weet niet, of dit waar is, of het gebruikte vet als vet in het bloed opgenomen en weer afgezet wordt. Maar indien dit zoo ware, dan zou het nog niet veel helpen, en men zou niets anders verkregen hebben dan dat botervet tot spekvet was omgezet. Schade dus. Neen, ik denk dat het vet nog iets anders doet, dat het op eene of andere wijze de vertering en daardoor betere opneming der andere voedingsstoffen, bevordert. Want het onderscheid in 't groeien bij dezelfde varkens, bij het al of niet toevoegen van vet aan hun voeder, is te groot, dan dat men dit resultaat zou durven ontkennen. Ook onder het volk is de meening heer-schend, dat vet de mesting bevordert. Waarom bewaart men anders met zooveel zorg het water van â't schotels wasschenquot; en werpt dat in het drinkvat der varkens?
Voor eenigen tijd was ik in de gelegenheid, zeer duidelijk den invloed van 't toevoegen van een weinig vet bij het varkens-mesten te kunnen nagaan. Een arbeider in mijne buurt mestte zijn varken met gekookte aardappelen, anderhalf liter roggemeel en anderhalf maatje (1.5 d.L) lijnmeel per dag. Let wel op: ik zeg niet lijnkoekenmeel maar lijnzaadmeel, waarin nog al de lijnolie zit. Het lijnzaadmeel werd in zeer ruim water gekookt en verschafte den noodigen drank. Vroeger had hij, zoo vertelde mij de man, lijnzaad gekookt. Maar toen hij in de uitwerpselen van het varken de heele lijnzaadkorrels nog zoo klaar zag liggen, was hij begonnen, het voor de koking te malen; in zijn eigen koffiemolen nog wel. Het varkentje groeide voortreffelijk. Een ander, dicht bij hem
70
wonend arbeider, gaf aan een varkentje van denzelfden worp precies evenzooveel roggemeel en aardappelen, maar alleen âschotelwaterquot; als 'drank, 't Varkentje van dien man groeide op verre na zoo sterk niet als dat van den eerstgenoemden. Toen dit al meer en meer bleek, begon de laatstgenoemde ook een atkooksel van lijnzaadmeel bij zijn varkensvoeder te gebruiken. En ziet: reeds met ééne week werd het gladder en begon verrassend sneller te groeien.
Mijn geheele leven door heb ik waargenomen, dat deze gevallen niet op zich zelf staan, maar dat het verstrekken van een weinig vet aan de varkens altijd den groei zeer bevordert. Ook is het algemeen bekend, dat de zwarte roestplekken, die sommige jonge varkens langs den ruggegraat hebben, zeer spoedig verdwijnen, wanneer men aan deze dieren bij hun gewoon voeder, dagelijks een weinig vet verstrekt.
Bij de meeste landbouwers worden de varkens gemest met aardappelen, meel en karnemelk alleen. Zulk eene voedering wordt haast voor het non plus ultra gehouden. Men weet wel, dat zoete, onafgeroomde melk oneindig veel beter mest dan karnemelk en zegt zelfs bij 't verstrekken daarvan meel te kunnen besparen, maar â er moet boter gemaakt worden. Eilieve! waarom beproeft men niet eens, om het voedsel van het varken door het toevoegen van lijnzaadmeel of een ander goedkoop vet meer rentabel te maken ? In het graan heeft men eiwitstoffen en koolhydraten, ook wel, zooals het scheikundig onderzoek leert, een weinig vet, maar voor dit doel te weinig. In de karnemelk bevindt zich de kaasstof, caseïne, ook eene soort eiwitstof, maar vet willen de boerinnen er niet in hebben gelaten. Met een weinig lijnzaadmeel kan men dat immers weêr aanvullen. Evenals de mensch, ook een omnivoor of alleseter, behoeft een varken, om voordeelig te gedijen, wat vet in 't eten. Men zegt, dat het voederen met lijnzaad olieachtig spek geeft. Och, men zegt zooveel, waarvan men
71
niets weet. Mijne beide mestvarkens kregen tijdens de geheele mesting lijnzaadmeel, in liet laatst drie liter per varken in de week. En ik verzeker u, dat, noch ik, noch een ander, aan het vleesch en spek dier varkens iets bijzonders proeven kan. Het is lekker.
GROEN VOEDER.
Het is niet zoo'n groote kunst om varkens te mesten, maar wel, om het goedkoop te doen. Beter is het, om een groot deel van 't varkensvoer te hebben voor wat werk en wat mest, dan om telkens met de hand in den zak te moeten staan of producten van geldswaarde er voor te gebruiken.
Wie goedkoop varkens wil groot brengen en niesten, moet ten minste eenigen grond daarvoor beschikbaar hebben, en, wanneer men het goed aanlegt, heeft men betrekkelijk slechts weinig grond daartoe noodig.
Stellen wij 't geval, dat iemand in het voorjaar jonge biggen heeft, die hij tegen den winter voor de slachtbank klaar wil hebben. Zoo iemand moet in den vorigen herfst daarvoor al zeer vroeg snijrogge hebben gezaaid. Als het weer een weinig meeloopt kan hij al half Maart beginnen te snijden, te meer, omdat hij in de eerste dagen daarvan nog niet veel gebruiken mag, wijl de nog jonge varkentjes langzamerhand aan 't gebruik er van moeten worden gewend. Heeft hij later meer noodig, de rogge groeit dan ook sterker. Niet lang echter duurt het, of de eerste snede wordt te hard en de tweede levert niet genoeg meer op; hij heeft dan echter zijne spurrie klaar, die hij zoo vroeg mogelijk gezaaid heeft op eene geile en warme plek. Want spurrie groeit in 't voorjaar snel. En die kan hij gedurende het geheele jaar verbouwen. Wanneer men spreekt van groen voeder, dan hoort men de meeste varkenshouders zeggen: âgroen voeder, o, ja! dat krijgen mijne varkens ook.11 Maar wanneer men goed toeziet, merkt men, dat
72
hun groen voeder geven daarin bestaat, dat zij nu en dan, soms niet eens eiken dag, hunne varkens eene handvol lang-gras, boerenkoolbladeren of onkruid in 't hok werpen, dat deze meer dan half vertrappen en er zich soms erg in verslikken. Dat is geen groen voederen. Wie wezenlijk groen voeder geven wil, moet dat doen twee- of driemalen daags; en dat groen voeder moet dan aan zeer fijn haksel gesneden en in den bak gegeven worden. Maar vooral moet het fijn, zeer fijn gesneden worden, opdat de verteringssappen van het varken er geheel kunnen indringen, en het dus in maag en darmen opgelost en verteerd worde; want op het fijn kauwen van het voeder door het varken moet men niet rekenen. Daartoe vreet het dier te gulzig. Let er maar eens op. Ook jong gras en klaver kan op deze wijze gegeven worden, verder boerenkool en bijna alle, niet vergiftige, sappige groenten. Maar fijn gesneden moet het worden, heel fijn.
In den afgeloopen zomer zag ik op deze wijze twee jonge varkens voederen met uitstekend gevolg. Ik heb dat wel vaker gezien, maar nimmer zoo standvastig vol zien houden. Het was eene arbeidersvrouw, die dat deed. Het meeste groen voeder, dat zij gaf, was spurrie, die ze op kleine plekjes, telkens veertien dagen na elkander, zaaide, om ze altijd jong, lekker en verteerbaar te hebben. Eerst gaf zij snijrogge en verder het geheele jaar door spurrie, behalve, â het zal velen raar klinken, â toen ze eenmaal op tijd geen spurrie had, gaf zij, een kleine maand lang, het zeer fijn gesneden loof van de eerste vroege aardappelen. En ik kon niet merken, dat dit de varkentjes kwaad deed. Zij gaf alle groente ongekookt, maar fijn, o, zoo fijn gesneden. Men ziet, dat het met groen voeder bij een varken nog al wat lijden kan. Ik moet nog zeggen, wat zij er bij gaf. Dat was voor weinig geld. In het laatst van September kregen ze met hun tweeën nog maar een kwart hectoliter roggemeel in de
73
week, 't Voeder werd vochtig gemaakt met een afkooksel van lijnzaadmeel, drie liters in de week. Toen was hare spurrie aan 't eind, de kippen hadden de laatste bedorven en zij begon nu in plaats daarvan half aard appelen, half moes, (boerenkool) te geven, beide gekookt. In het laatst der mesting was zij met meel zoodanig opgeklommen dat de varkens nu in tien dagón een half hectoliter verorberden, in plaats van, zooals in de maand September, in veertien dagen. De varkentjes wogen op den 15 November, het één 185 en 't ander 191 halve kilo's^ schoon aan den haak. Zij had ze op 1 Mei, acht weken oud, gekregen. Dus waren zij bij het slachten 255 dagen oud.
Meen niet, dat ik denk, daar eene uitstekende mesting te hebben beschreven, maar wel eene zeer goedkoope. Want de vrouw verbouwde hare rogge en spurrie ook nog vóór de stam-boonen en na de vroege aardappelen.
Waarom kan, wat deze vrouw in 't kleine deed, door den landbouwer-varkensmester niet in 't groot en beter gedaan worden, ten minste gedurende den grootsten tijd der mesting? Wanneer de knecht eenmaal daags de benoodigde hoeveelheid snijrogge, spurrie, jonge klaver of iets anders maait en aan fijn haksel snijdt, is het meeste werk er aan gedaan. De hoeveelheid grond, daarvoor noodig, richt zich natuurlijk naar 't aantal varkens, die men er mêe voedert. En wanneer men, met verstandig overleg, de benoodigde hoeveelheid groen voeder op verschillende op elkander volgende tijden zaait, heeft men betrekkelijk slechts een klein stuk grond voor het geheele seizoen noodig, daar men al 't andere als voor- of navrucht kan verbouwen. Ik vrees, dat er bij de besproken voedering nog al wat onnutte koolhydraten zijn gegeven, want men moet niet denken, dat nu juist precies al de eiwitstoffen, vooral die van 't groen voeder, als secuur losgemaakt, verteerd en opgenomen kunnen beschouwd worden.
Iemand van mijne kennissen wil, in den aanstaanden zomert
74
bij liet groen voeder vleeschmeel geven. Dit bevat 70 procent eiwitstoffen en daarbij is dus licht eene voor jonge dieren gunstige voederverhouding te verkrijgen. Ik denk, dat zijne varkens dan sneller zullen groeien dan die van genoemde vrouwen hij toch nog minder geld behoeft uit te geven, 't Is na te rekenen dat genoemde vrouw gemiddeld dagelijks slechts 13 grammen eiwitstoffen gaf in haar roggemeel, wat haar ongeveer 8i ets. kostte. In een half K.G. vleeschmeel geeft men 35 grammen eiwitstoffen voor 6 ets. Want 100 K.G. daarvan kost f 12. De meergenoemde Dr. G. May zegt, dat voor loop-varkens een kwart K.G. vleeschmeel voldoende is, terwijl men aan mestvarkens, bij ander voeder zeker, maar dat zegt hij niet, een half K.G. kan geven. Over vleeschmeel later. Ook erwten en paardeboonen zouden, als zeer rijk aan eiwitstof, bij groen voeder kunnen gegeven worden. Erwtenmeel, zoowel van grauwe als van groene erwten, eten de varkens gaarne, maar in meel van paardeboonen bijten de meesten niet hard. Er zal denkelijk wel iets in eene varkensconstitutie zitten, waardoor het niet goed voor hen is, anders hadden ze er wel meer trek in. Ik heb echter meer dan eens gezien, dat varkens half boonen- en half gerstemeel met graagte aten en er best van groeien, 't Volksgeloof zegt, dat men aan varkens vooral in de zomerhitte geen boonenmeel moet voederen, daar zij er dan licht eene beroerte van kunnen krijgen.
Aan sommige korenbeurzen worden wel erwten bepaald alleen voor varkensvoeder verkocht. Dat zijn dan erwten,, die niet goed week willen koken.
Erwten en boonen bevatten ongeveer 25 procent eiwitstoffen en zullen daarom, bij groen voeder gegeven, voorzeker den snellen wasdom bij het jonge varken bevorderen. Ook de stof, waaruit de beenderen gevormd worden, komt er in genoegzame mate in voor. In een half H.L. boonen- en erwtenmeel bevinden zich meer eiwitstoffen dan in een heel H.L. rogge- of gerste-
meel, want deze beide granen bezitten daarvan slechts 11 en 10 procent, 't Is mogelijk, dat de beweerde zoogenaamde âhitsigheidquot; van paardeboonenmeel door bet gelijktijdig gebruik van tamelijk groote hoeveelheden groen voeder, getemperd of wel geheel weggenomen wordt. Ik zou het haast wel denken, maar weet het niet met zekerheid te zeggen. Hebben de jonge varkens echter reeds ander meel gehad, dan zullen zij er zeker wel zeer langzaam toegebracht moeten worden.
Bij deze gelegenheid wensch ik nog op te merken, dat in de meeste gevallen aan jonge varkens verkeerd voeder wordt gegeven.
Algemeen heet het: âzij moeten schraal gevoederd worden, âeerst moeten ze maar groot worden en dan later vet.quot; Maar, lieve hemel! van schraal voeder worden zij niet groot, zij blijven klein en verkommeren, en wat zij in een vierendeel jaars moeten groeien, doen zij soms in een half jaar niet. Waarvan toch moeten zich beenderen en spieren vormen, wanneer de bouwstoffen daarvoor in het voedsel niet voorhanden zijn? Schraal voeren is ook in dit opzicht zeer duur voeren.
Bij eenig nadenken is, hoop ik, uit dit hoofdstuk te zien, dat groen voeder, op de juiste wijze met iets anders vermengd, een zeer goedkoop voeder is en dat men daarmee de jonge varkens al een heel eind heen kan brengen.
WEIDEGAXG DER VARKENS.
Van weidegang voor varkens kon in Nederland veel meer gebruik worden gemaakt, dan men tegenwoordig doet in streken, waar intensieve landbouw gedreven wordt. Maar men dient er dan op bedacht te zijn, dat die dieren dan reeds jong in de weide moeten worden gedreven. Een varken dat b. v. reeds in 't hok geweest is, leert niet meer zoo goed gras vreten.
Men dient er echter eene makke soort varkens voor te hebben.
Bij de enkele landbouwers, die hunne varkens ter weide
76
laten gaan, heb ik ze, met eene tamelijke toegift karnemelk 's morgens en 's avonds, zeer goed zien groeien. En bij iemand die ze bovendien ook nog een half K. G. roggebrood per dag gaf, groeiden ze voortreffelijk. Bij een ander, die Yorkshire's en Poland-China's bij elkander in de weide had, wilden de eersten niet gedijen, terwijl de laatsten vrij goed groeiden. Deze varkens kregen geen bij voeder. Vooral in den herfst is er op vele kampen land voor de varkens nog al wat te zoeken, dat anders toch onmerkbaar verloren gaat. Inlandsche of bijna in-landsehe varkens zijn daarvoor echter minder geschikt, want zij worden bij een eenigszins vrij leven bijna wild en veroorzaken dan allerlei last. Half of kwart Engelsche zijn echter wel zóó rustig, dat men ze op eene tamelijk goed door slooten of iets anders afgeschutte plaats kan laten loopen. Natuurlijk moeten zij dan een ring in den neus hebben, want anders wroeten zij den grond te veel om bij 't zoeken naar insecten, die ze verwonderlijk goed op den reuk kunnen vinden. Weidende varkens hebben in alle gevallen een hok noodig, waarin ze kunnen kruipen, om zich te beschutten tegen middaghitte, nachtkoude en andere onaangename en schadelijke temperatuurtoestanden. Hoe minder de soort van grond en dus van gras is, zooveel te meer bijvoeder moet men hun natuurlijk geven.
Slechts in enkele streken van ons vaderland wordt de landbouw zoo ruw gedreven, dat men op onafgeschutte plaatsen groote troepen varkens, natuurlijk met een hoeder er bij, kan laten loopen. Het gras in zulke streken is gewoonlijk weinig voedzaam, en daar vooral komt het geven van een bijvoeder, dat rijk is aan eiwitstof, te pas. Het gras der bosschen is minder voedzaam, dan dat der weiden, en hierbij is dus op hetzelfde acht te geven. In oude bosschen kan men, zonder veel overlast, de varkens vrijelijk laten wroeten, ze weten dan uit den grond nog al vele insectenlarven meester te worden, die natuurlijk hunne voeding ten goede komen.
77
DE OMHULSELS DER GRANEN.
De eiwitstoffen bevinden zich in de granen voornamelijk aan den buitenkant van den korrel. Met een goed vergrootglas is dat onder anderen bij een dwars doorgesneden gerstekorrel duidelijk te zien. Dicbt bij bet omhulsel zijn de lagen daaraan het rijkst. Ook in het omhulsel zelf bevinden zich vrij veel eiwitstoffen, b. v. in de zemels van rogge en tarwe en in de zoogenaamde âdostquot; van de gerst. Maar ze zijn niet gemakkelijk verteerbaar en daarom verlaten ze bij vele dieren, die ze gebruikt hebben, bijna onveranderd weêr het lichaam. Men kan echter, door die omhulsels een verzuringsproces te laten ondergaan, de verteerbaarheid er van in hooge mate bevorderen.
Met kippenvoer heb ik dat dikwijls gedaan, 't Best bevielen mij daarbij de zemels van gerst, de zoogenaamde âdost.quot; Door ze, vochtig gemaakt, eenigen tijd op eene vrij warme plaats te laten staan, worden ze zuur, en had ik daarvan, hoe warmer 't weer was des te eerder, best voeder, waarin voorzeker de eiwitstoffen waren losgemaakt en voor de kippen opneembaar waren geworden. Want deze legden, met slechts weinig gerstemeel er bij, zeer goed, ofschoon zij in een hok waren opgesloten en dus anders niets konden krijgen. Ik gaf hun een weinig schapenmelk er bij, ongeveer een kwart maatje (1/4 d.L.) per kip en per dag. In het weinige gerstemeel en in de kleine hoeveelheid melk konden onmogelijk de eiwitstoffen zitten van de eieren, die ze mij dagelijks leverden. Toen ik hun, bij wijze van proef, de âdostquot; ongezuurd gaf, hield het leggen spoedig op. Ook aan de uitwerpselen was het duidelijk te zien, dat het gezuurde beter verteerd werd. Heeft men eenmaal eene zekere hoeveelheid gezuurde âdostquot;, dan kan men 't nieuwe met iets daarvan weder zeer gemakkelijk aan 't zuren krijgen. Ook rogge en tarwezemels laten zich op deze wijze gemakkelijk verzuren, echter niet zoo spoedig als die van de gerst.
78
Te veel vocht schaadt in dezen. Met vochtige tarwezemels heb ik het dikwijls gehad, dat eene soort vliegen er hunne eieren in legden, die bij 't uitkomen talrijke maden leverden, welke tierig groeiden. Wel een bewijs, zoo men 't anders niet wist, dat zemels rijk aan eiwitstof zijn.
Nu zijn varkens geen kippen, en ik weet niet, of zij wel zulk een sterk spijsverteringsvermogen hebben als deze, maar zeer zeker zullen ook voor hen de omhulsels der granen door verzuring verteerbaarder worden gemaakt. Varkens willen wel zuur voeder, als ze er slechts langzaam aan gewend worden. Ik heb dit voeder zelf nimmer aan varkens gegeven, maar was er eenmaal getuige van, dat een varken gedurende de geheele mesting gevoederd werd met aangezuurd half gerstemeel en half gerstezemel of dost. En ofschoon die varkensmester geen melkvee had en zijn varken daardoor geen melk of karnemelk kreeg, groeide het toch uitstekend. Er werd in dat zure voeder ook een weinig gemalen lijnzaad gedaan. Molenaars of anderen, die soms groote hoeveelheden graanomhulsels hebben, raad ik ten sterkste aan , het eens bij varkens met dit gezuurd voedsel te beproeven. Door koken, vrij lang koken, kan men ook het voedsel in de graanomhulsels oplosbaar maken voor de vertering. Maar ongekookt of ongezuurd verstrekt, verschaffen ze voor de voeding weinig voordeel.
GRANEN EN PEULVRUCHTEN.
Met alle soorten van granen kan men een varken mesten, maar met de edelste het best en het schielijkst, wat licht te denken is.
De in ons land verbouwde of verbruikte granen en peulvruchten bevatten gemiddeld de volgende voederbestanddeelen in procenten:
79
Eiwitstoffen. Koolhydraten. Vet.
Tarwe ............... 13 GG 1.6
Rogge ............... 11 67 2
Gerst ............... 10 64 2.3
Haver ............... 12 56 6
Boekweit............ 7 58 0.5
Maïs.................. 9 60 7
Rijst.................. 6 75 0.5
Spelt.................. 9 52 1.4
Paardebooneu...... 25 45 1.6
Erwten............... 22 52 3
Wikken ........... 27 49 2.3
Linzen............... 23 49 5.3
Ofschoon tarwemeel als varkensvoeder uitstekende resultaten geeft, wordt het toch niet dikwijls er voor gebezigd, 't Ts te duur. Heeft men echter tarwe, waaraan voor den verkoop iets mankeert, doch die overigens voor dieren onschadelijk is, dan kan men bijna geen beter varkensvoeder krijgen. Tarwemeel voor varkens moet niet al te fijn gemalen worden, daar het anders bij 't aanmengen licht te pappig wordt. Iets meer dan âbrekenquot; en iets minder dan âkleinquot; malen is daarbij het best. In het laatste stadium der mesting, wanneer de eetlust bij het varken gewoonlijk een weinig vermindert en het toch nog zwaarder gemaakt moet worden, besluit men soms nog wel eens tot het geven van tarwemeel. Opmerkelijk is het, hoe buitengewoon rustig en slaperig de varkens bij dit voeder dan dadelijk worden. Hoorde men niet van den voedermeester, dat zij hun voer telkens met groote graagte nuttigen, men zou meenen, dat zij ziek waren geworden.
Hieruit is echter ook op te maken, dat men bij zulke varkens met het geven van tarwemeel wel een weinig voorzichtig mag zijn, daar men anders aan het dier licht eene beroerte kan bezorgen.
80
Roggemeel wordt ook veel als varkensvoeder gebezigd, vooral in streken, waar men geen gerst verbouwt. Tn Duitsch-land meenen sommigen, dat varkens door 't gebruik van roggemeel dikbloedig worden en daardoor veel aanleg voor beroerte krijgen. Ik heb daarvan echter, zelfs in streken waar het veel gevoederd wordt, nimmer gehoord. De meeste varkens vinden roggemeel niet zoo lekker als gerstemeel. Hebben zij dit laatste eerst gehad, dan zullen zij, bij verandering, in 'teerste niet dadelijk zoo frisch toehappen.
Gerstemeel geldt bij velen als het varkensvoeder bij uitnemendheid , en men heeft er dan ook in de meeste gevallen uitstekende resultaten van. Dat het varken dit meel zoo gaarne vreet, schijnt wel te bewijzen, dat het in zijne constitutie iets heeft, waardoor juist dit meel het schielijkst verteerd en het best opgenomen wordt, en bovendien nog het best bekomt. Men zegt, dat het vleesch er smakelijk en het spek en het vet er stevig van worden. Tn dit opzicht zal echter de soort van het varken wel veel afdoen.
Niet alleen bij gerst, maar bij alle granen is het zwaarste, ofschoon het duurste, bij de mesting het goedkoopste, daar licht koren betrekkelijk meer omhulsel en dus minder verteerbare bestanddeelen bevat.
Havermeel wordt niet dikwijls als varkensvoeder gebezigd. Meest geeft men het alleen aan zoogende moedervarkens, omdat men veronderstelt, dat het de melkafscheiding begunstigt, wat het dan ook doet. Overigens bezit liet meer eiwitstoffen dan rogge en gerst en bovendien vrij wat meer vet. Havermeel is een uitstekend voeder voor varkens, die licht aan verstopping lijden, daar het laxeerend werkt. De meerdere dikte der omhulsels echter maakt het voor een varken minder in zijn .geheel verteerbaar.
81
Bij hoekvjeitemeel is de verhouding van eiwitstoiïen op de koolhydraten die van één op acht. Daarom mest dit meel niet zoo goed en zoo spoedig als de betere meelsoorten. Eene vermenging van erwten- of boonenmeel en boekweitemeel eten de varkens echter gaarne en men krijgt er eene veel betere voederverhouding door. Bij de tegenwoordige betrekkelijke duurte er van zal echter wel niemand boekweitemeel voeren. Er wordt gezegd dat dit meel, alleen gevoederd, week spek en vleesch levert met een zoeten smaak.
Tn Duitschland zegt men, dat varkens, die er alleen meê gevoederd worden, volstrekt niet aan de werking van heete zonnestralen moeten worden blootgesteld, wijl zij daardoor een eigenaardige ziekte kunnen krijgen, waardoor aan den kop eene ontsteking ontstaat, die met kramp over het geheele lichaam vergezeld gaat en dikwijls met den dood eindigt.
Van boekweit als groen voeder wordt hetzelfde gezegd, niet alleen voor varkens, maar ook voor koeien en schapen.
Maïs. Voor een zestal jaren werd er, veel meer dan tegenwoordig, maïs uit Amerika, vooral als veevoeder, lüer ingevoerd. Een tijdlang was alles maïs! maïs! voor menschen en dieren. Ten minste, men probeerde het. Maar dat is voorbijgegaan. Vooral aan de varkensmesters beviel het niet. Het bleek, in de resultaten der mesting, verre beneden rogge en gerst te staan en tegenwoordig wordt het weinig meer gebruikt De verhouding van eiwitstoiïen en koolhydraten is dan ook die van één op zeven ongeveer. Wel wat ruim. In Amerika en in Hongarije wordt het echter veel als varkensvoeder gebezigd en men vindt het daar uitmuntend. Hierbij moet men echter wel bedenken, dat de volksmeening in de meeste gevallen het zelfverbouwde voedsel voor het beste houdt. Zoo meenen er velen, dat een paard zonder haver niet leven en gezond blijven
6
82
kan. Van Westerwoldsche en Drentsche landbouwers echter, die geen haver, maar wel rogge verbouwen, hoort men vaak zeggen, dat een paard zonder 't gebruik van rogge nooit recht sterk kan worden. In de omstreken van Blomberg in Duitsch-land vertelde men mij hetzelfde van de gerst. De farmer Clay in Kentucky, een beroemd fokker van Berkshire-varkens, nam bij de mesting proeven met rauwe, gekookte en gemalen mais. Ket laatste gaf, zooals licht te denken was, de beste resultaten.
JRijstemeél. Ook met dit meel mest men soms varkens. En ofschoon de verhouding van eiwitstoffen op koolhydraten hierbij zeer ruim is, die van één op tien tot twaalf, geeft de mesting betere resultaten dan men hieruit zou opmaken.
Het zetmeel der rijst schijnt, zoowel bij menschen als bij varkens, zeer licht verteerbaar te zijn.
Men dient hierbij echter wel te bedenken, dat er in de meeste gevallen iets bij gegeven wordt, waardoor de genoemde verhouding veel wordt verbeterd.
PEULVRUCHTEN.
Van deze zullen in ons land wel niet anders worden gevoederd dan paardeboonen, erwten, wikken en linzen, de beide laatste soorten zelfs nog maar zeer zeldzaam in 't Zuiden. Het hooge gehalte aan eiwitstoffen maakt deze vruchten tot een kostelijk voeder.
Zooals reeds gezegd is, vreten de varkens het meel der paardeboonen niet zoo heel graag. Ik zag echter eens eene mesting van gekookte roode wortels en paardeboonenmeel, die uitstekend voldeed, 't Waren twee zoogenaamde âafgezeugde mottenquot;, die er mee gevoederd werden, en ofschoon men met de karnemelk zeer zuinig was, (bet was in den winter), groeiden de dieren buitengewoon snel.
83
Men zie over paardeboonenmeel bij âGroenvoeder.quot;
Met erwtenmeel, dat de varkens graag lusten, kan men bij aardappels, knollen, wortels en ander voeder, dat arm is aan eiwitstof, eene uitstekende vermenging verkrijgen, die goede resultaten geeft en niet duur is.
Daar wikken nog al bitter zijn, worden ze, zelfs bij vermenging, niet gaarne door de varkens gebruikt.
Omtrent linzen geldt echter hetzelfde wat van erwten is gezegd.
AARDAPPELEN, WORTELS, KXOLLEX.
Aardappelen, ja! dat is eigenlijk het varkensvoeder bij uitnemendheid! Zoo wordt tenminste algemeen geloofd. Mijns inziens worden er veel te veel aardappelen, d. av. z. bijna alleen aardappelen vervoederd, vooral aan jonge varkens. âJonge varkens moeten maar eerst âruimquot; en groot gemaakt worden met aardappelen bijna alleen, of tooh hoofdzakelijk.quot; Zoo zegt men. Maar ze worden er niet groot of ruim van, zoo men met ruim tenminste nog iets anders dan een grooten, slappen buik bedoelt. âLeest men ook vijgen van doornen of druiven van distelen?quot; Evenmin kan men uit koolhydraten eiwitstoffen verwachten. En uit de laatste moet toch voornamelijk het jonge lichaam worden opgebouwd; of kan men misschien bouwen zonder bouwstoffen? En eiwitstoffen bezitten de aardappelen slechts twee procent, aangenomen nog, dat die ten volle verteerd en opgenomen worden. Neen, aardappelen alleen of hoofdzakelijk is een duur voeder, want het helpt niet. Een kostelijk voeder is het echter, wanneer er een eiwitstofrijk voeder bij gegeven wordt. Want het zetmeel van gekookte aardappelen is zeer verteerbaar. Echter niet zoo verteerbaar als dat van de rijst, zeker omdat maag- en darmsappen zich met de onverteerbare koolhydraten der gekookte aardappelen te veel moeten verdeelen.
84
Geeft men er echter erwten- of boonenmeel bij, dan komt hierdoor eene groote hoeveelheid aardappelen tot goede vertering. En met vleeschmeel, dat zeventig procent eiwitstoifen bevat, kan men eene heele massa aardappelen tot opneembaar en resultaten gevend voeder maken.
Geeft men echter veel aardappelen bij gerste- of roggemeel, dan gaat al spoedig de goede verhouding van de verschillende stoffen van het voeder verloren. Yeel wordt hierbij gewoonlijk weêr in orde gebracht door het gelijktijdig geven van de karnemelk. Met door het zuur van de karnemelk, zooals velen meenen, maar door de eiwitstoffen er van. Hierover latei-bij de karnemelk.
Sommigen geven hunne varkens ook de vezels van aardappelen. 't Is een wonderlijk ding met die aardappelvezels. Ze worden gewoonlijk verkocht voor één stuiver de hectoliter. In dezen zomer heb ik een scheepje vol van ongeveer twee honderd en vijftig hectoliters zien verkoopen voor f 7.00. Die waren in de courant geannonceerd als âpuike blanke vezelsquot;, wat ze werkelijk ook waren. Deze lage prijzen zijn een duidelijk bewijs, dat de groote menigte de voederwaarde van dit goedje maar even boven nul schat.
Zoo 't gebleken was, dat ze meer waarde hadden, men zou er dan wel meer voor willen geven en ze ook niet zoo goedkoop kunnen krijgen. En toch gelooven nog enkelen, dat ze nog al vrij wat voederwaarde hebben. Die vezels vormen voor 't allergrootste deel een koolhydraat; maar welk koolhydraat? Niets anders dan houtvezel.
Nu hebben varkens een vrij langen darm, die ongeveer 13 maal zoo lang is als hun lichaam, en tevens vermogen hunne verteringssappen nog al wat, maar dat ze in den korten tijd, dat deze in hun lichaam verkeert, houtvezel tot suiker kunnen omzetten, is niet te gelooven. Zoo het nog mogelijk is, dan is het in elk geval een zeer onbeduidend minimum. Men moet
85
er, vooral tegenwoordig, niet op rekenen, dat de fabrikanten in die vezels nog zetmeel zullen gelaten hebben. Dit mag vroeger, bij zeer groote verdiensten en minder volkomen fabricatie, soms gebeurd zijn, nu niet meer. Het meel er van is in Engeland, of tot siroop gemaakt; de eiwitstoffen, tot rotting overgegaan, verpesten de kanalen; de zouten zijn er uitgespoeld.
Met âpulpequot;, het overblijfsel der beetwortelsuiker-fabricatie, is het in hoofdzaak evenzoo. Het beste bevallen deze zoogenaamde voedingsmiddelen nog bij hen, die er ander voeder genoeg bij geven, evenals de soep goed was, die van keisteenen gekookt werd, doordat men er ook 't noodige vleesch bij in den pot had gedaan.
Wortels en knollen bezitten ongeveer dezelfde voedingswaarde als aardappelen. Hunne voederverhouding is echter beter en zij zijn daarom voedzamer, daar de verteerbare koolhydraten bij hen reeds voor een deel uit suiker bestaan, waarmede de verteringssappen zich dus niet meer behoeven bezig te houden.
MELK, KARNEMELK, WEI.
Melk, met den room er nog in, wordt zeer weinig aan varkens gegeven; bijna alleen aan zeer jonge, of aan oude in quot;t allerlaatst der mesting. Maar zij, die het doen, merken dadelijk, dat melk buitengewoon goed mest, dubbel zoo goed als karnemelk. Men zegt zelfs, meel te kunnen besparen en toch dezelfde resultaten bij het mesten te kunnen verkrijgen, wanneer men zoete melk geeft.
't Is wel de moeite waard, hierop eens de aandacht te vestigen , omdat men er klaar uit kan zien, dat een weinig vet de mesting bij een varken bevordert.
Waarin toch verschilt de zoete melk van de karnemelk? De zoete melk bevat vet; de karnemelk niet. De zoete melk bezit
80
eenige procenten suiker; bij de karnemelk is dit laatste omgezet tot melkzuur, dat er den bekenden zuren smaak aan geeft. Daar nu het verschil van datgene, hetwelk de melk voedzamer kan maken dan de karnemelk, slechts ongeveer 7 lood (dekagr.) bedraagt in eiken liter, 3.5 dekagr. vet en 4quot;dekagr. suiker, en het verschil van den beteren groei bij zoete melk veel meer bedraagt, moet men hieruit wel besluiten tot de gunstige werking van eenig vet in het varkensvoeder, te meer nog, daar vet en suiker slechts koolhydraten vertegenwoordigen of vervangen, waaraan het gemeenlijk bij het voeder niet ontbreekt.
Maar karnemelk is toch een uitstekende drank voor varkens. Als een landbouwer het varken van een bmger wil prijzen, zegt hij: âik begrijp niet, hoe ge dat dier in zoo korten tijd âzoo ver kondt krijgen, omdat ge geen karnemelk hebt.quot; Want hij merkt het aan zijn eigen varkens, hoe groot het verschil van groei bij deze dieren is naar gelang er groote of geringere voorraad van dezen kostelijken drank is. in karnemelk zit de stof voor de kaas nog en dat doet het hem. Kaasstof toch, caseïne, is eene soort eiwitstof. Zoo liet voedsel niet te waterig werd, zou men wel een varken kunnen mesten met karnemelk en gekookte aardappelen alleen. Maar dan moest men op elk K.G. aardappelen één liter karnemelk geven, en dat mengsel wordt dan toch wat erg waterig.
Een liter karnemelk bevat ruim 3 lood (dekagr.) eiwitstoften en geene koolhydraten; één K.G. aardappelen bevat 2 dekagr. eiwitstoffen en ongeveer 20 dekagr. zetmeel. Dat wordt dus nog eene verhouding van één op vier.
Men ziet dan ook sommigen alleen met karnemelk en aardappelen mesten. Ik denk echter, dat in dit geval, door het al te vele vocht, de verteringssappen van het varken zoodanig verdund worden, dat ze het voedsel niet meer volkomen oplossen, dat er dus onverteerd voedsel met de uitwerpselen het lichaam ongebruikt verlaat, dat er dus op deze wijze licht
87
schade komt. Op dat verdunnen der verteringssappen door vochtig voeder mag men altijd wel bedacht zijn. Ik heb wel eens gemeend op te merken, dat een dier in den natuurstaat dit nimmer doet. Want, op enkele uitzonderingen na, gebruiken ze hun voedsel liefst droog en drinken ook niet dadelijk na den maaltijd, maar meesttijds wel zoo lang daarna, dat de natuurlijk geconcentreerde verteringssappen hun werk reeds kunnen hebben gedaan.
Wie bij gerste- of roggemeel karnemelk geeft, kan daar gerust zooveel gewicht aan aardappelen bijvoegen, als hij karnemelk geeft. Het goedkoopere zetmeel der aardappelen zal in dit geval hetzelfde effect doen alsof het rogge- of gerste-meel ware geweest.
De karnemelk is ook daarom bij een varken zoo nuttig, omdat zij in bijna dezelfde hoeveelheid als de melk al de zouten bevat, die onontbeerlijk zijn bij den opbouw van het dierlijk lichaam.
De ivei of hui, die er overblijft, wanneer boter en kaas beide uit de melk genomen zijn, bevat ook deze zouten en bovendien nog uiterst geringe hoeveelheden kaasstof en botervet. Men moet de overgeblevene brokskens verzamelen en gebruiken, opdat er niets verloren ga, zoo ook met de wei. Maar men doet niet goed, te gelooven, dat er in de wei veel zal zijn, dat den groei van een varken kan bevorderen; men moet er daarom vooral voedsel bij geven, dat zoowel van eiwitstoften als koolhydraten behoorlijk voorzien is.
VEE VO E DE RKO EK EX EXZ.
Onder de overblijfselen der bewerkingen van verschillende fabrieken vindt men ook nog zaken, die tot varkensvoeder kunnen dienen. Voornamelijk komen hier de overblijfselen der oliefabrikatie in aanmerking.
88
Raapkoeken bevatten 22 procent proteïne, terwijl er nog-ongeveer 10 procent vet in is achtergebleven, bij 24 procent koolhydraten. Ze zouden dus kunnen dienen, om voeder, dat arm is aan eiwitstoffen, in de vereischte verhouding tebreng-en, terwijl men daarenboven ook nog het vet heeft. Dit is echter met veevoederkoeken over 't algemeen niet gebruikelijk, daalde prijs er van betrekkelijk te hoog is. Ook is er geen enkel dier eigenlijk erg op raapkoeken gesteld. Lijnkoeken daarentegen vreten bijna alle dieren met graagte. Deze antipathie van gezonde en goed gevoede dieren tegen raapkoek is iets, waarop men wel acht mag geven. Want bij de dieren staan, veel meer dan bij den verwenden mensch, reuk en smaak als wachters bij den ingang, om te verhoeden, dat er iets, wat binnen minder gewenscht is, toegang verkrijge.
De Duitsche scheikundige Gottlieb zegt, dat er in de uitgeperste koeken van raapzaad en van nog vele andere kruisbloe-mige gewassen zich eene soort scherpe olie vormt, die hij mosterdolie noemt en die misschien oorzaak is, dat de dieren die koeken niet bijzonder begeeren, waarvoor de' reden dan ook wel in hunne spijsverteringswerktuigen en verder in hunne geheele constitutie zal gelegen zijn. Van fijngemaakte lijnkoeken wordt, dikwijs door het opgieten van heet of kokend water een drank bereid, die men gebruikt om er het droge voedsel der varkens vochtig meê te maken. Is overigens het voeder goed, dan is het dunkt mij voordeeliger, hiervoor lijnzaadmeel te nemen, waarin zich nog al de olie bevindt (37 procent) en dat, naar het gewicht, bijna niet duurder is.
Men leze hierover het hoofdstuk: âVet voor varkens.quot;
Aardnoten-, hennep-, papaver-, palm-, katoenzaad- en andere koeken zullen ten opzichte van hunne voedingwerking wel in hoofdzaak met de genoemde koeken overeenkomen. De be-standdeelen er van kan ieder, die ze wil koopen, uit de annonces in de dagbladen zien.
89
Mij zijn geen gevallen van liet verstrekken dezer koeken aan varkens bekend.
Ook met âspoeling,quot; het overblijfsel der moutwijn-fabrikatie. worden varkens gevoederd. Bij deze fabrikatie wordt het zetmeel der granen omgezet in suiker en deze weer in alcohol, die uit het voclit gedistilleerd wordt. De andere bestanddeelen blijven er dus in.
Bij doelmatig gebruik geeft de spoeling als varkensvoeder goede resultaten.
VL BESCHV OEDERMEEL.
Een varken heeft, evenals een menscli, voorliefde voor dierlijk voedsel. Koudslacliters (aasslaehters) maken hiervan gebruik om hunne varkens te voederen met de vele overblijfselen der gestorven dieren, die zij verwerken. De varkens groeien daar snel van, al heeft men dan ook van het vleesch en spek dezer dieren een wel te rechtvaardigen afkeer.
In den laatsten tijd wordt er echter in den handel eene soort vleesch als voeder aangeboden, waarvan men volstrekt niet vies behoeft te wezen om het aan de varkens te geven. Het is het zoogenaamde vleeschvoedermeel, het overblijfsel van de vleeschextract-fabricatie in Zuid-Amerika. Vroeger werd dat uitgeperste vleesch weggeworpen, maar in de laatste jaren droogt men het sterk en maalt het fijn, om het geschikt te maken voor verzending en gebruik. Emil Wolff, de groote Duitsche landbouw-scheikundige, geeft op, dat het 82 tot 83 procent eiwitstoffen bevat, die door een varken, bij het gebruik, nagenoeg geheel verteerd en opgenomen worden. Vier en negentig procent zouden er van verteerd worden, zegt E. Wolff. Het is licht te begrijpen, dat het varken van zulk licht verteerbaar voedsel dan ook snel moet groeien. Men heeft in Duitschland dan ook zelfs gezegd: âzooveel ponden
90
vleesclimeel als ge uw varken geeft, zooveel ponden wordt het zwaarder.quot; Maar dat is toch wat overdreven.
De tegenwoordige handelaars in vleeschmeel geven echter slechts 70 procent eiwitstoffen op, wat nog enorm veel is. In alle gevallen is vleeschmeel een uitstekend iets om er eiwit-stofarm voedsel, zooals b.v. aardappelen, mede tot een voldoend voeder te maken. Groote massa's aardappelen kunnen, door toevoeging van betrekkelijk slechts weinig vleeschmeel, tot een goed voeder worden gemaakt.
Maar wat kost het, dat is de groote vraag. Tegenwoordig /'12.00 de 100K.G.; men bedenke echter, dat alle eiwitstofrijk voedsel betrekkelijk duur is.
Wanneer men eens één K.G. vleeschmeel mengde in 25 K.( i. gekookte aardappelen, dan zou men, wat de eiwitstoffen en koolhydraten aangaat, eene verhouding hebben van één op vier en elk K.G. daarvan zou ongeveer 2i ets kosten. Want 2ö K.G. aardappelen hebben 50 dekagr. eiwitstoffen en 500 grammen koolhydraten; één K.G. vleeschmeel heeft 70 dekagr. eiwitstoffen en geen koolhydraten. Dus te zamen 120 dekagr. eiwitstoffen en 500 dekagr. koolhydraten, wat bijna de verhouding van â¢Ã©Ã©n op vier geeft. Nu kosten 25 K.G. aardappelen ongeveer 50 ets en 1 K.G. vleeschmeel 12 ets. en heeft men dus 26 K.G. voor 62 ets.
In Duitschland heeft men reeds voor lang vleeschmeel gebruikt. Dr. G. May, reeds meermalen aangehaald, zegt er van: âVleeschmeel heeft daarom zooveel waarde, omdat âmen de varkens er zooveel âruig voer,quot; voornamelijk aard-âappelen, bij kan geven. Bij verscheidene voedingsproeven âheeft het zich, voor het opfokken van jonge varkens, een âvoortreffelijk voedingsmiddel betoond.
âBiggen, die zoo van de moeder kwamen, gaf men per dag âen per stuk een eetlepel vol in de melk en vermeerderde het âvleeschmeel langzamerhand, terwijl men de melk verminderde.
91
âWanneer men loopvarkens J K.G. per dag en per stuk âgeeft, ontwikkelen zij zich voortreffelijk en groeien snel. Mest-âvarkens kunnen dagelijks een half K.G. verdragen en naar âmen zegt moeten zij hierbij zeer smakelijk vleesch verkrijgen.quot; Dat is niet duur, 3 ets daags voor liet krachtvoeder van een loopvarken en 6 ets voor dat van een mestvarken. Echter moet men met vleeschmeel, als met alle hijzonder krachtig voeder, zeer voorzichtig zijn.
EEXIGE DIKWIJLS VOORKOMENDE VARKENSZIEKTEN.
Vinnigheid.
Toen ik een jongen was, dat is nu zoowat veertig jaren geleden, was ik er op de varkensmarkt honderden malen getuige van, dat de varkens werden onderzocht op het punt van vinnigheid. Men wierp dan het varken op den grond, de varkenskooper stak het zijn dikken stok tussoheu de tanden en men zag toe, of er zich aan het tandvleesch, het gehemelte en vooral onder de tong ook vinnen bevonden.
Tegenwoordig ziet men dat zelden meer.
Men drinkt er nu, zooals me liet noemt, bij liet slachten, de vinnigheid af.
Die veranderde beschouwingen omtrent de vinnigheid hebben ten deele recht van bestaan. Want er zijn niet meer zooveel vinnige varkens als voor veertig jaren. Maar ten deele is de tegenwoordige lichtvaardige beschouwing der vinnigheid ook een bewijs, dat het gros der maatschappij omtrent zeer vele gewichtige, dagelijks voorkomende zaken bedroevend slecht is ingelicht. Want het is toch reeds lang overtuigend bewezen, dat uit de vinnen der varkens de lintwormen bij de menschen ontstaan.
Wie vinnen heeft, kan er lintwormen uit fokken.
Dit deed onder anderen Dr. G. May te Weihenstephan bij eenige varkentjes, die nog niets anders dan de moedermelk
92
hadden genoten. Hij gaf aan die diertjes vinnig varkensvleesch en vond bij allen, die het gegeten hadden, na eenigen tijd, een of meer lintwormen. Ook bij ter dood veroordeelde misdadigers werden op deze wijze lintwormen gefokt.
De lezer weet misschien, dat men in de uitwerpselen van menschen, die eenen lintworm in hunnen darm den kost geven, soms leden van dit dier vindt. Die ontlaste leden van lintwormen zijn niet bij toeval van het lintwormlichaam afgebroken, volstrekt niet, Let was hun tijd, want: in die losgegane en ontlaste leden vindt men geslachtsrijpe lintworm-eieren.
Die eieren moesten worden ontlast, omdat ze, zal het geslacht lintworm blijven voortbestaan, door een ander dier, in dit geval het varken, moeten worden opgevreten, ten einde in de darmen en verder in het geheele lichaam daarvan, hun eerste ontwikkelings tijdperk te doorloopen.
Een lintworm heeft tot zijn voortbestaan volstrekt twee onderscheidene dierlijke lichamen noodig.
Gaan wij het maar eens na.
Zoo'n laatste lintwormlid, met volgroeide eieren er in, wordt door een mensch ontlast.
Varkens komen in den mest wroeten en eten dat lintwormstuk op. In de darmen van het varken komen nu die eieren uit. Maar dan zijn het nog niet dadelijk jonge lintwormen, evenmin als een rups als kapel wordt geboren. Br wordt uit die eieren een klein rondachtig diertje geboren, dat haakjes bezit om zich aan den darmwand vast te houden. Daar leeft het en groeit het, totdat het zich sterk genoeg gevoelt, door dien darmwand heen te boren en zoo in den bloedstroom van het varken te komen. Te zijner tijd zet het zich nu ergens in het varken vast, kapselt zich in en â is nu eene vin geworden van een vinnig varken. Het is of wordt dan een wormpje met een blaasje tot aanhangsel, en wordt daarom blaaswormpje genoemd.
93
Niet alleen of voornamelijk in de mondholte, maar doorliet geheele lichaam van een varken vindt men soms vinnen.
Nu is het zeker, dat, wanneer later zoo'n varken wordt gegeten, vele vinnen wel vóór het gebruik daarvan zullen doodge-kookt worden, maar zeker is het ook, dat velen in het leven blijven en het geluk hebben, het laatste doel van hun bestaan te bereiken, d.i. in den darm van den mensch tot lintworm te worden, want: â men vindt nog al wat menschen met lintwormen.
Tn het Oosten van Europa en in het algemeen in de minst beschaafde streken vindt men de meeste menschen met lintwormen. De oorzaken liggen voor de hand.
Tn onbeschaafde streken heeft men geen privaten en men laat ei' de jonge varkens vrij om het huis loopen.
Dat er in Nederland ook nog al wat menschen met lintwormen gevonden worden, die deze lastige kostgangers verkrijgen uit de vinnen van Nederlandsch varkensvleesch, behoeft niemand te verwonderen. Want, ofschoon het gaandeweg beter wordt, heerscht er toch soms nog, juist in enkele streken waar vele varkens gefokt worden, groot gebrek aan privaten en de stofwisseling wordt daar tot een niet te noemen uiterste gedreven. Wanneer het nog eens gebeurt, dat van regeerings-wege doelmatige privaten verplichtend worden gesteld, zullen de lintwormen zeker veel verminderen.
TRICHINEN.
De beroemde Prof. Virchow, ook Pruisisch parlementslid, heeft zich groote verdiensten verworven bij het onderzoek van het bestaan en de levenswijze der trichinen.
Hij nam tot dat doel proeven, waarvan ik er hier eene zal verhalen.
Virchow dan verkreeg, het is al meer dan vijf en twintig
94
jaren geleden, uit Engeland eene hoeveelheid vleeseh, waarin men trichinen had gevonden. Dat vleeseh was afkomstig uit een der Londensche hospitalen van een aan kanker gestorven man. Hij onderzocht toen eerst dat vleeseh met een goed vergrootglas. Want, de trichinen zijn zoo klein, dat ze eerst met een vijftigmaal vergrootend glas kunnen worden waargenomen. Hij zag toen, dat het uiterst dunne diertjes waren, die zich schroefvormig hadden opgerold in een zeer dun kap-seltje, welk laatste er zeker om heen gegroeid was. Nu kocht hij eenige varkentjes, waaraan hij, op denzelfden tijd, dit tri-chineuze vleeseh te eten gaf. Na korten tijd, een dag of wat, werd een der varkentjes geslacht en de darmen, met den inhoud daarvan, mikroscopisch onderzocht. Het bleek, dat de trichinen niet meer in hun kapseltje zaten; zij hadden zich er reeds uitgewerkt en bewogen zich springlevend in hun nieuw element.
Weer iets later werd een ander varkentje geslacht en eveneens mikroscopisch onderzocht. De trichinen waren hierbij nog fleuriger geworden; want heel duidelijk was het te zien, dat ze reeds aan 't vrijen waren.
Meen niet, dat hij, die dit zag, zich daarbij wat verbeeldde, want de mannetjes en wijfjes van dit volkje zijn zeer goed van elkander te onderscheiden, daar de laatsten wel tweemaal zoo lang en ook dikker zijn, dan de eersten.
Na eenigen tijd werd weer een varkentje gedood en onderzocht. De gewone gevolgen in een zaak als deze, waren niet uitgebleven; want vele der wijfjes mochten zich reeds verheugen in een zeer talrijk nakroost, terwijl anderen de blijken droegen, binnen kort dezelfde vreugde te zullen genieten. Voor zoover men waarnemen kon, werden de jongen niet uit eieren, maar levend geboren.
Nog meer varkentjes werden geslacht en bij allen nam men hetzelfde waar. De trichinen vermenigvuldigden zicli en werden talrijk als het zand der zee.
95
Na eenigen tijd echter, toen men weer een varkentje slachtte,, vond men daarbij in den darm in 't geheel geene trichinen. Hoe kon dat zijn? Het iiad toch even goed trichineus varkens-vleesch gegeten als alle anderen. Men kijkt scherper toe, maakt sneden met een mes in de overige deelen van het varken, en ja, daar vindt men ze: ze zijn op reis dwars door het varken heen. Ze willen een goed plaatsje zoeken ergens in het vleesch, waar ze zich in vrede kunnen oprollen en inkapselen. Men had niet gezien, dat het varkentje daardoor ongesteld werd, zeker doordat de reizende diertjes zoo klein en fijn waren. Zelfs door hart en longen vond men hen bezig zich heen te boren, om te komen waar ze wezen wilden.
Op een voor hen geschikte plaats nestelen ze zich tusschen de vleesch vezels; al spoedig groeit er een kapseltje omheen en â het vleesch is trichineus geworden.
Ik moet nog zeggen, dat het voorttelingswerk in den darm ongeveer vijf tot zes weken duurt.
Het is zeer waarschijnlijk, dat de in het hospitaal gestorven Engelschman, wiens vleesch de varkentjes verbruikt hadden, zijne trichinen uit varkensvleesch had verkregen. Maar van waar krijgen nu de varkens die?
Toen men eenmaal achter het bestaan der trichinen gekomen was, zocht men die overal en vond ze dan ook werkelijk bij zeer onderscheiden dieren. Men vond ze bij kraaien, spreeuwen, ratten, muizen, ezels, marters, vossen, bunsings, katten en â let wel! in velerlei soorten insectenlarven, die men soms in den mest vindt. Maar bij ratten vond men ze zeer dikwijls. Geen wonder! want deze dieren verslinden in tijd van nood, en ook als het anders gemakkelijk kan, hunne eigene soort. Het varken kan gewoonlijk de ratten niet krijgen, maar als deze of de muizen door trichinen-ziekte stijf en bijna dood zijn, dan wel.
Wanneer een varken of eenig ander dier, dat trichinenteelt
96
in zijnen darm heeft, de gewone uitwerpselen ontlast, dan is liet zeer zeker, dat zich ook daarin trichinen bevinden. In alle soorten van drek en mest nu, leggen vele insecten hunne eieren; de larven hieruit ontstaan leven daarin en daarvan, en nemen uit het trichineuze drek ook trichinen in zich op. Men dient hierbij wel te bedenken, dat bij al de genoemde dieren, bij welke men trichinen vond, de eene soort de andere eet. Zoo kunnen de trichinen dan blijven voortbestaan. Wie er minder op gesteld is, zelf zoo'n trichinen-volksplanting tot woonplaats te verstrekken, koke vooral zijn varkensvleesch goed gaar. Dan sterven de trichinen.
't Is waar, men hoort in Nederland niet, dat er trichinen gevonden worden; maar men hoort ook niet, dat er naar gezocht wordt.
Inpekelen en rooken maakt dit lastig volkje niet onschadelijk. Want men vond in eerst gepekelde en toen gerookte ham nog trichinen met volkomen voortplantingsvermogen na vier maanden, en in gerookte worst vond men levende en geheel frissche trichinen na negen maanden.
In genoegzaam aantal in het vleesch van een lichaam aanwezig, maken ze dit natuurlijk ziek en veroorzaken zelfs den dood.
In Duitschland heeft men daarvan reeds dikwijls gevallen gehad. Sommige lijders er aan werden stijf, eenige bekwamen niet te stuiten diarrhee, andere geleken precies op typhuslijders; vele stierven.
Men onderzoekt in Duitschland soms levende varkens met een zeer fijn boortje op trichinen. Trichineus bevonden varkens trachtte men te genezen door het geven van terpentijnolie en benzine. Het hielp echter niets.
97
ROK ST.
Vele jonge varkens krijgen soms over hun lichaam, meest aan den kop en langs de ruggegraat. meer of minder vuile zwarte plekken.
Wasclit men die er af, met een paar dagen hebben zij ze wéér. Zulke varkens groeien dan niet recht goed ook bij het beste voeder, en men kan duidelijk zien, dat er iets in hun lichaam ongesteld is.
Het algemeen gevoelen is, dat zulke dieren koude hebben gevat en dat hiervan de zwarte uitslag het gevolg is.
Datzelfde gevoelen zegt ook, dat er geen ander geneesmiddel is dan heel best voeren, âinwendig wasschenquot; zooals men dat noemt. Het is wel mogelijk, dat het eene verkoudheid is, maar het is toch opmerkelijk, dat men dit ongeval het meest aantreft bij de slechtst gevoede varkens, ook al hebben zij een vrij warm hok zonder tocht, terwijl de van 't begin af goed ge voeden er zelfs in tochtige hokken bijna nimmer last van krijgen.
Zulke varkentjes, die, even van de moeder genomen, dadelijk ondoelmatig gevoederd worden, b. v. hoofdzakelijk met aardappelen alleen, lijden er 't meest aan. Daarom geloof ik, dat het nog wel iets anders kan zijn dan juist gevatte koude, dat het een ongeval is, hetwelk, evenals alle andere ziekten, juist de zwakste en slechtst gevoede exemplaren het eerst treft en 't meest teistert. Mij dunkt, dat het mikros-kopisch onderzoek dit nog wel eens zal uitwijzen. Misschien is dit reeds uitgewezen, maar het is nog niet ter mijner kennis gekomen. Wat het echter ook zij, er is raad voor. Geeft men zulk een roestig varken, bij ander goed voeder, eenigen tijd lang dagelijks één of twee eieren, al naar het groot is, dan valt de zwarte âschinquot; af en het varkentje wordt weer glad en gezond. Evenzoo gaat het met het toedienen eener sop van gemalen lijnzaad. Mij is nog geen geval bekend, waarbij die middelen
98
niet geholpen hebben. Maar men moet dit dan eenigen tijd, een week of drie b.v., volhouden.
Verleden zomer gaf ik zeker iemand den raad, het met het laatste middel voor zijn roestig varken te probeeren. Hij deed het, tien dagen lang, en het varkentje begon glad te worden. Na dacht hij dat het genoeg was en gaf geen lijnmeel meei\ Toen werd het dier echter na eenige dagen wéér roestig. Latei-deed hij het drie weken lang en de roest kwam niet weêr.
Men behoeft niet zoo heel veel lijnzaadmeel te geven, één maatje, d.L., per dag is genoeg voor een jong varken. Door meer te geven krijgen sommige varkens licht diarrhee.
't Is opmerkelijk, dat lijnzaad en eieren bij zeer vele onzer huisdieren, zelfs bij paarden, gladde huid en haar en 't afvallen der zoogenaamde âschin' veroorzaken.
HET âVAN DE BEENEN KOMENquot;.
Dit is een ongeval dat dagelijks voorkomt. Geen wonder! Want in sommige streken zijn, dunkt mij, wel drievierden van alle varkens geboren van eene moeder, die in het mesthok bleek niet op de beenen te kunnen blijven en daarom eerst in het loophok om weêr te genezen en later bij den beer gejaagd werd. Er schijnt dan ook geen voordeeliger uitweg voor zulk een dier te wezen. Schijnt, zeg ik; want, zooals woeger reeds besproken is, zullen het grootste deel der narigheden en ellendigheden, die men soms heeft, wanneer een varken moet baren, wel't gevolg daarvan zijn, dat men juist die dieren, die een zwak achterstel hebben, voor de teelt bestemd heeft. Dat er, voor genoegzaam krachtige geboorteweeën en voor alles wat er verder bij het baren te pas komt, juist een sterk achterstel noodig is, schijnen sommigen geheel niet te bedenken. En de erfelijkheid van een zwak achterstel bij varkens werd zelfs door den grooten Darwin opgemerkt.
99
De zwakte der beenen kan zijn oorzaken hebben, of in den abnormalen toestand der beenderen, wanneer een varken, vooral in zijne eerste jeug-d, geen genoegzame hoeveelheid phosphorzure kalk in zijn voeder heeft genoten; of in de zwakte der zenuwen en spieren van 't achterstel, geheel of ten deele geërfd van de moeder en zeer verergerd door gebrek aan beweging. 't Laatste is meest het geval.
Ook kunnen beide oorzaken gepaard gaan en zij doen dit nog al eens.
Men zie voor de te probeeren genezing van 'fc eerste geval bldz. 66.
In het tweede geval geeft het verschaffen van beweging aan de varkens meestal volledige of gedeeltelijke genezing.
Het vatten van koude, veroorzaakt door 't liggen in vochtige hokken, kan echter zelfs bij de sterkste varkens oorzaak zijn, dat deze van de beenen komen. Ook te langdurige inspanning, b. v. van een te verren loop van de markt naar huis, heeft in dit opzicht reeds menig jong dier in eens totaal bedorven. Misschien is door familieteelt dit ongemak eerst in de wereld gekomen. Ook de meer genoemde heer G. Reinders is van dit gevoelen.
Twee kennissen van mij koopen elk jaar primo Mei hunne mestvarkens, biggen van zes weken oud, en slachten die telkens ultimo December. Zij voederen beiden vrij gelijk. Maar, terwijl de een ze dadelijk in een klein hok doet, waarin ze al spoedig geheel beginnen te liggen, laat de andere ze in een groot loophok tot aan 't eind van September vrij rond loopen en wroeten. De eerste wil, âzijn goeie voer niet door de varkens zien verloopenquot;; de tweede meent, âdat beweging betere spijsvertering geeft en jong goed bovendien voor den groei beweging noodig heeft.quot;
Bij den eerstgenoemde komen de varkens soms al heel spoedig meer of minder van de beenen, van dit ongeval hebben ze bij den laatstgenoemde nimmer last.
100
Bij weging blijken, zonder buitengewone omstandigheden, de varkens van den laatstgenoemde telkens liet zwaarst, hetgeen de eerstgenoemde er aan toeschrijft âdat de kerel altijd met âgeluk omzoomd is en meer in zijne varkens stopt dan de âmenschen te weten komen.quot;
Laat de lezer zelf de gevolgtrekkingen maken.
DE VARKENSZIEKTE.
't Is moeielijk, iets te schrijven over eene zaak, waarvan men eigenlijk niets bepaalds weet. Ik heb dan ook volstrekt niet het plan te zeggen: dat en dat is volgens die en die de varkensziekte, en zoo en zoo kan ze genezen of voorkomen worden. Ik heb maar alleen een voorstel om te beproeven.
Volgens het nieuwste gevoelen zijn het zekere bacillen, die de ziekte veroorzaken.
Langs welken weg die echter komen en hoe ze te verjagen zijn, zegt men niet. Men probeert tegenwoordig, de varkens door inenting van een weinig dezer bacillen kunstmatig een weinig ziek te maken, in de hoop, dat ze dan later, als zijnde doorgeziekt, de echte ziekte niet zullen krijgen, 't Zou een zegen zijn, zoo dat kon helpen. En zoo 't helpen kan, «al het ook wel spoedig algemeen bekend worden. In November 1886 zijn die inentingen geschied. Toch weten we allen iets bepaalds omtrent de varkensziekte en wel dit; de varkensziekte is altijd het hevigst bij vochtig, warm wéér. In zulk weêr zijn meest alle andere kleine wezentjes, zooals bacillen, schimmels enz., het best op hun dreef, telen het spoedigst voort en veroorzaken in grootere lichamen de meeste verwoestingen. Daarom wenschte ik in de eerste plaats voor te slaan, om in tijden van varkensziekte vooral het hok, waarin zich de varkens bevinden, zooveel mogelijk volkomen droog te
101
houden. Men kan dit doen door zeer dikwijls reinigen, strooien van droog zand, droog zaagmeel en nog op vele andere wijzen. En dan nog iets, misscliien wel 't voornaamste. Bij de cholera heeft men ook bacillen. Dr. Koch in Duitschland heeft ze bepaald en bewezen genoeg ontdekt. Nu is het bijna zoo goed als bewezen, dat men de cholera-bacillen indrinkt met daarmee bezwangerd water of andere vloeistoffen. Daarom drinken velen ten tijde eener cholera-epidemie niets anders dan gekookt water. De beroemde Franschman Pasteur gaf aan de Fransche expeditie, die naar Egypte ging om de cholera te bestudeeren, den raad: âDrink nooit anders dan gekookt water.quot;
Ik wilde nu voorslaan, om aan varkens, in tijden van varkensziekte, ook eens niets anders dan gekookt voedsel te geven, zoowel het meer droge als het vloeibare. De tot nu toe ontdekte ziekte-bacillen leven allen in vloeistoffen of genoegzaam vochtige dingen. Hoe het zij; mijn voorslag is gemakkelijk uit te voeren. Ik zal het zelf ook doen. En mocht het zijn, dat iemand er nawijsbaar baat bij vond, dat hij het dan ten alge-meenen nutte bekend make. Practische proeven zijn duizendmaal beter dan geleerde verhandelingen.
Vroeger zei men, dat varkens, die een tijd lang van slachters-afval, dierlijk voedsel dus, geleefd hadden, onaantastbaar waren voor varkensziekte. Men had toen zelfs een naam voor zoodanig gevoede dieren, âbloedvarkensquot; namelijk. Tegenwoordig hoort men daarvan niets meer.
In 187-1, toen er ook varkensziekte was, gaf ik aan mijne varkens tweemalen per week den afval, bestaande in bloed en darmen, eener slachterij. Mijne varkens bleven gezond; maar ik kan niet bepaald zeggen of het juist daardoor kwam. Want er bleven wel meer varkensfokkerijen verschoond, die dien afval niet kregen. Zoo dierlijk voedsel helpen kon, was het voederen van vleeschmeel aan te bevelen. In eene zoo gewichtige zaak als deze dient ieder zijn best te doen.
102
IETS OVER DE HOKKEN DER VARKENS.
Kinderen en kuikens moeten veel in de frissche lucht, zoo ze g-oed zullen groeien; dat weet ieder en zegt ieder. In 't algemeen is het waar, dat jong goedje, van welke soort dan ook, het minst buiten beweging en frissche lucht kan. Ook met varkens is dat zoo en wel in zeer hooge mate.
't Is met een oogopslag te zien, dat jonge varkens, die in een groot hok, buiten de schuur, naar den aard van hun geslacht , in den grond kunnen wroeten, loopen, springen en spelen, bij hetzelfde voeder veel beter gedijen dan dezulken, die in kleine hokken buitenshuis worden gehouden. En niet alleen in de allereerste jeugd is dit waarheid, 't Is bijna belachelijk te zien, hoe sommige menschen zich angstvallig bemoeien, om hunne varkens, zelfs de heel jonge, steeds liggende te houden. âJaag ze niet op! als ze niet liggen, groeien ze niet,quot; wordt er dan gezegd. Ja, ik ben zelfs al eens verzocht, om bij 't varkenshok niet al te luid te spreken, daar de varkens er wel eens door konden opstaan.
Nu is het zeer zeker waar, dat er door elke beweging iets van 't lichaam verbruikt wordt; maar even waar is het, dat elke beweging betere spijsvertering geeft, ja, dat zonder eenige beweging de spijsvertering in 't eind bijna geheel ophoudt. Algemeen wordt er gezegd, en 't is ook zeker waai-, dat de laatste ponden, die er op een varken gemest moeten worden, veel meer kosten dan de eersten.
Zoo de spijsvertering bij een varken gelijk bleef gedurende de geheele mesting, zou dit niet zoo zijn. Maar deze wordt zwakker en het mesten daardoor duurder, hoe verder het dier verwijderd is van den tijd, toen het nog beweging maakte.
Wil men, in 't eind der mesting, alles doen, om het varken rustig te houden, ik heb daar niets tegen, maar zeer schadelijk houd ik het, reeds van 't begin aan te trachten, deze dieren
103
een plantenleven te doen leiden. Het geval, verteld op bldz. 99 staat volstrekt niet op zichzelf.
Wanneer iemand aan zeker aantal varkens tot aan de slachting volkomen hetzelfde voeder geeft, maar daarbij de eene helft gedurende de beide eerste derde deelen van hunnen leeftijd in een groot hok in de vrije lucht houdt, waar ze naar hartelust kunnen loopen en wroeten, en de andere helft reeds dadelijk in een overigens welingelicht nauw mesthok binnens-liuis heeft, dan is het, zonder bijkomende omstandigheden, zeer zeker, dat de eersten bij de slachting nog al wat zwaarder zullen wegen. Ofschoon dit zoo natuurlijk mogelijk is, schijnt het toch niet bij allen bekend te zijn, want op verre na niet alle varkenshouders hebben hunne jonge dieren in groote hokken buitenshuis, ook al hebben zij daartoe soms de schoonste gelegenheid. Zulk een hok in de buitenlucht kan zeer goedkoop, doelmatig worden ingericht. Een groot vierkant, afge-heind met eenige planken en palen, en men is grootendeelskl aar.
In een hoek van dat vierkant maakt men dan nog een dak, bedekt met stroo of pannen, waar de varkens den regen en de heete zonnestralen kunnen ontgaan. Wordt de aarde binnen die omheining door de uitwerpselen der varkens te vochtig, dan graaft men die er uit en brengt ze bij den mest. Met opnieuw ingebracht zand of zoden zullen de varkens dan bepaald in den eersten tijd groot plezier hebben en er ten laatste weer even zulken goeden mest van maken.
Ik zal niet veel zeggen van de plaatsing en inrichting dei-eigenlijke mesthokken, eensdeels omdat deze bijna overal in ons land vrij doelmatig zijn ingericht, en andersdeels omdat ieder zich toch richt naar de gelegenheid, die hij heeft. Maar 't schijnt mij toch toe, noodig te zijn om op één zeer voornaam punt de aandacht te vestigen. De vloer van verreweg het grootste getal varkenshokken ligt niet schuin genoeg voor voldoend spoedigen afloop der urine. Men dient hierbij wel te
104
bedenken, dat liet strooisel dien afloop ook al tegenhoudt. Ik heb eens den vloer van een varkenshok zien liggen met zeer schuinen afloop. Men had eens moeten hoeren, welk een stroom van gewichtige bedenkingen en ongeluksprofetiën zich daarover uitgoot. De varkens zouden er op uitglijden en de beenen breken; eene beroerte krijgen, wanneer zij met het hoofd aan den lagen kant gingen liggen, enz. enz. enz. Ik heb er echter naderhand nimmer iets anders dan goeds van gehoord of gezien. De varkens lagen en liggen nog altijd zeer droog en zindelijk in dat hok.
Sommigen geven nauwkeurig, acht om te weten te komen, waar de varkens in het hok hunne uitwerpselen gewoonlijk brengen, alsmede waar ze bij voorkeur gaan liggen, en werpen dan op de laatste plaats alleen het strooisel.
Dit is natuurlijk van zeer groot belang voor de zindelijkheid en droge ligging dezer dieren. Door het streng volhouden van deze handelwijze gewent men de meeste varkens aan eene vaste ligplaats, al dragen ze dan ook nog wel iets van 't strooisel door 't geheele hok. Vele varkenshokken bevinden zich aan den buitenmuur. Dat is wel gemakkelijk voor 't kwijtraken van de gier, maar minder voordeelig voor de gezondheid der varkens, die soms, midden in den barren winter, juist aan dien buitenmuur zullen gaan liggen en daar koude vatten.
Voorzichtige varkenshouders bekleeden clan ook zulk een muur met hout.
De schrijver wenscht aan den lezer âeen gezegende slacht!quot;
BOEKBIiVD F! I
OELLEHt, VALKENBUR