X No. -?#
SCKETSEN
UIT DE
PASTORIE TE MASTLAND
DOOR
C. E, VAK KOETSY^D.
-3
ERNST EN LUIM
J»
liet leveji Tan den Nederlandsellen Dorpsleeraar.
A RN H EMâN IJ gt;1 EG EN
GrEBRS. E. amp; M. COHEN.
i
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
O, mijne kamer! waarbij zal ik u vergelijken? Gij zijt als het klein, maar warm en gezellig nest, dat de spreeuw zich onder de pannen maakt; gelijk de nette woning, die de zwaluw metselt in mijne schuur. Daarom verdrijf ik ook, als ik het eenigszins kan inschikken, deze vreedzame diertjes niet, terwijl ik zoo spoedig mogelijk de luidruchtige en roofzieke kraai, die in mijn' schoorsteen eene lorrekraam, een magazijn van gestolen goederen heeft opgericht, doe verhuizen.
O, mijne kamer! wat heb ik u in vier jaren tijds lief gekregen. Het is toch zoo genoeglijk, te wonen onder eigen dak, te zitten bij eigen' haard, een klein plekje te hebben op den ruimen aardbodem, dat men geheel het zijne kan noemen. Het is waar, de pastorie is geen eigen huis, en de bewoner kan niet zeggen, even als menig groote op zijn buitengoed, âzoover mijne oogen zien, is alles mijn!quot; - maar zij vereenigt juist de voor-deelen van eene eigene en van eene gehuurde woning. Niemand kan ons daaruit verdrijven, zoo lang wij 7e noodig hebben, alles is er voor ons ingericht; en t ontvangen wij met nieuwjaar die lastige rekeninge', ambachtslieden niet, waarvan weinig meer te le/,r,n dan eene slotsom, die altijd tegenvalt.
En dan mijn quot; quot; quot; ' en lux
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVEBTRElC.
geschikt en gemakkelijk: â zoo geheel en al mijn gebied! â De dienstmaagd, wanneer zij met stoffer en blik of met dwijl en emmer de trap is opgeklommen, blijft eerbiedig op den drempel stil staan, en wacht tot ik zeg: ânu ja, maar haastig!'' En dan haast zij zich ook meer dan overal elders, omdat zij gevoelt, dat zij hier niet tehuis is. Mijne lieve Cornelia zelfs tikt eerst op de deur, eer zij binnen treedt, en zij tikt zachtkens, uit vrees, dat zij mij eene gelukkige gedachte uit het hoofd, en dus eene kleine wond in het humeur kloppen zal.
Zie ik rond, geen behanger heeft het wit der muren ontwijd. Ze zijn met boekenkasten in plaats van met bont behangsel bekleed, en vrij wordt er de spijker ingedreven, waar ik jas of rok, kaart of lias, eene pijp of een' professor wil ophangen. En die boekenkasten, zij zijn schaars van nette banden; maar vrij wel van degelijke boeken voorzien: het zijn de oude bekenden van mijn' academie-tijd, slechts bij toeval met een' enkelen nieuwen aankomeling vermeerderd. Het is niet noodig, dat zij hunnen naam op den rug dragen, gelijk in groote bibliotheken, waar die namen naast elkander staan, als zoovele grafschriften: Hier rust sedert jaren N. N., na den dood zijner eerste vrienden alhier bijgezet. â Neen! mijne boeken leven voor mij en hebben hunne eigene plaats, die ik in den blinde tasten kan; zij zullen die behouden, zoo lang ik mijne plaats behouden mag; wij hebben elkander meer gesproken, maar zij blijven mijne vraagbaak, omdat hun geheugen beter is dan het mijne.
De tafel, waaraan mijn gemakkelijke armstoel gezet is, is een kostbaar meubel. Op eene verkooping zou zij weinig gelden; maar hier is ze veel waard: ze is van zwaar eikenhout en beeft of waggelt nooit; ze is niet te hoog, noch te laag; nieuwe inktvlakken zijn er nauwelijks meer op te maken..... Hoe kan iets beter dan goed zijn?
Als ik lot van deze kamer herdenk, hoe vele be-
2
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
langrijke en heilige, schoon ook wel eens treurige herinneringen zijn daaraan verbonden! Ik heb het groote bord in de kerk bestudeerd, waarop de namen mijner voorgangers staan; (de mijne nog niet; want de verver wacht tot ik vertrokken of overleden ben: dan gaat het met ééne moeite door om er ook dit bij te zetten) â ik heb daarbij, als een' geleerden Commentaar, de berichten en overleveringen der grijze dorpsbewoners geraadpleegd, en nu stel ik mij voor hoe hier, onopgemerkt op het groote wereldtooneel, vele geslachten elkander hebben opgevolgd. â Hier schreef, kort na het bouwen der pastorie, de geleerde, maar schroomvallige Adisius zijne omzichtig gestelde leerredenen, waaruit toch hoogwijze ouderlingen, door een' ij veraar onder de ringbroeders ondersteund, de Arminiaansche dwalingen wisten op te delven; hier waakte hij nachten door op zijne âMemorie van verdedigingquot;, tot hij eindelijk weg kwijnde van arbeid en hartzeer, alleen door de eenvoudigen en armen betreurd. â Hier schreef zijn opvolger, een hevig Contra-Remonstrant, geleerde schriftverklaringen, welke niemand zijner toehoorders recht begreep; maar die toch de gemeente stichtten, omdat hare vokalen ze prezen. â Hier zat een halve eeuw later vader Bolhemius en beefde van verontwaardiging, terwijl hij den sabbat tegen de Coccejanen handhaafde en scherpe woorden bedacht voor zijne krachtige toepassing. â Maar hier ook stelde de vrome en gemoedelijke Riporius zijne christelijke leerredenen, waarvan nog de grijsaards met aandoening spreken, wanneer zij de verhalen hunner moeders weêr oververtellen en zich den tijd verbeelden, toen ze nog kinderen waren. â In latere tijden zag deze tafel er weder geheel anders uit; in plaats van de zware folianten en kwartijnen, die de kracht van het eikenhout op de proef stelden, lag daarop een bonte hoop couranten, blauwboekjes en wijsarfterenâ¢
en de vlugge Noltens, die met der. .tjjaxc ulu;.-
3
DE SCHEIJVER OP ZIJN STÃDEERVERTEEK.
van zijnen naam ook op eens alles, wat hij oude voor-oordeelen waande, wilde afleggen, spitste zijn vernuft om eene bijbelplaats te vinden voor zijne leerrede over
âde rechten van den menschquot;..... En nu, na de vele
lotsverwisselingen, welke deze kamer ondergaan heeft, zit ik hier, tot ook mijn naam op het bord komt en al mijn nadenken en schrijven en spreken, mijne herderlijke zorg en mijne jeugdige dwalingen, besloten zijn in het streepje tusschen de woorden:
bevestigd____Mei 1838 â vertrokken of
overleden.......
Ondertusschen is het mij alsof het vroeger gedachte en gesprokene op deze kamer mij hier nog omgeeft en in mijne ooren ruischt als de tonen eener windharp, nu aandoenlijk, weemoedig, dan waarschuwend, dreigend, en dan weder opbeurend, vertroostend, en mijne eigene herinnering wordt nergens meer dan hier opgewekt, hier, waar reeds zoo vele denkbeelden, droef en blijde, wijs en dwaas, mij zijn door het hoofd gegaan, en duizenden bladzijden en millioenen letters schrift mij uit de pen zijn gevloeid. En onder al het menschelijke door, dat de herinneringen van vroeger jaren, zoo wel als de mijne, ontsiert, zweeft de geest van het Evangelie, als de beschermende engel der menschheid, door dit eenvoudig studeervertrek, vanwaar deszelfs verkondiging sedert jaar en eeuw uitgaat.
Het is Maandag morgen. Waarlijk! die dag mag voor ons wel een rust- of feestdag zijn, met oneindig meer recht dan voor den luien en dorstigen schoenmakersgezel. De Zondag, de rustdag van anderen, hoe heilig en dierbaar hij ons ook wezen moge, is ons een ware werkdag. Aan den avond daarvan zet ik mij eerst rustig neder bij vrouw en kinderen; des nachts slaap ik zonder zorg of
4
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
onrust en des morgens sta ik op, geheel wanneer mij goed dunkt, in het zalig gevoel, dat geene inspanning mij roept.
Ik heb mij daarom ook tot eene vaste wet gesteld, om den Maandag morgen geheel aan mij zeiven en van alle gezette bezigheid vrij te houden. Ik kleed mij dan los en gemakkelijk, en ga liefst niet uit; ik ben overal en nergens, maak vele plannen, deel mijne orders rechts en links uit, en doe weinig. Zoo werd ik ook heden, daar ik gisteren met genoegen mijn werk had verricht, recht verkwikt en opgeruimd wakker. In het volle gevoel van mijn gemak lag ik nog een half uurtje door de bedgordijnen te kijken en verlustigde mij in 'de bedrijvigheid mijner vrouw, wier rustdag reeds voorbij was, terwijl de mijne eerst begon. Zoo was ik waarlijk weder ingedommeld, in die zoete bedwelming, waarin men de rust van den slapende reeds geniet en toch nog het bewustzijn van den wakende niet geheel heefr verloren, toen ik de bekende stem hoorde: âkom, Willem! 'tis nu toch tijd; het ontbijt wacht u al lang!quot;
Na het ontbijt begaf ik mij naar mijne broeierij, dat is te zeggen naar een paar oude ramen, die na drie jaren ampele deliberatie door het kerkbestuur uit den voorgevel der pastorie zijn genomen en, n:i nog drie naaandelijksche vergaderingen, met oude plankon tot een' broeibak vertimmerd. Ik lichtte het eene raam op en verheugde mij in het vooruitzicht om binnen veertien dagen de eerste salade te eten; het andere raam ook, â en ach! de mol was nog niet gevangen; hij was wel weder door het ge-heele vakje gewandeld, waar hij den oogst eener maand in éénen nacht met zijnen rug oplichtte en omver wierp; maar juist door de klem had hij zijn' weg niet genomen. Ik begaf mij in huis, om mijne vrouw dit treurig nieuws mede te deelen, en na rijp beraad, wat hieraan te doen, klom ik de zoldertrap op, om inspectie over mijne appelen
5
DE SCHEIJVER OP ZIJN STUDEEEVERTBFK.
te houden: â het schijnt alsof die zich schamen, dat zij er nog durven wezen, nu de voorjaarszon zoo vriendelijk schijnt, zoo haasten zij zich om te rotten. Daarop ben ik in den kelder geweest, om een kinnetje bier te doen opsteken, en heb al de kamers van mijn huis doorgewandeld, uitgenomen de logeerkamer, die het heiligdom van mijne Cornelia is; en nu zit ik hier en vermaak pennen en zet boeken weg en begin een' brief, dien ik niet afmaak, en beschouw ondertusschen door mijn venster de takken der vruchtboomen, waarvan de smeltende sneeuw afdruipt, als tranen van afscheid, welke de winter weent.
Daar hoor ik een omzichtig kloppen op de kamerdeur; maar omdat het Maandag morgen is, wordt die, zonder het antwoord af te wachten, reeds open gedaan.
Het is mijne Keetje, met de lieve kleine Mina op den arm. Juist heb ik eene geslotene lade van de tafel open gemaakt en er een' bundel papieren, verschillend van formaat en dagteekening, uitgenomen, waarop ik, met iets ernstigs en toch ook twijfelachtigs en spottends op het gelaat, zit te turen.
âWat zijt gij ijverig, Willem, en dat op Maandag
morgen!quot;
âDat kan ik nog niet vinden. Keetje.quot;
âWel: papieren vóór u, pennen vermaakt en een zoo diepdenkend, politiek gezicht, als of gij een staatsstuk moest opstellen; want voor eene preek ziet gij niet ernstig, en voor een' brief niet knorrig genoeg. Maar wacht! laat ik maar heen gaan: de geheime lade is open.quot;
âEn als ik nu juist eens gestemd was, om u iets uit die geheime lade te laten zien? Ze is u toch altijd een
doorn in het oog.quot;
âDan zou ik een oogenblikje gaan zitten, doch niet lang; want het is Maandag morgen. Maar weet ge wel, dat de mol en de geheime lade u zoo afgetrokken maken,
6
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
dat gij Mina nog niet eens hebt gekust? En het kind strekt de armpjes nog wel zoo lief naar u uit.quot;
Mijne vrouw had gelijk. Het ontwaken van een' nieuwen hartstocht in mijn eenvoudig en geregeld leven had mij wat afgetrokken gemaakt. âHoe moet het,quot; dacht ik, âdan wel met de kinderen van groote geleerden en eerzuchtige staatslieden gaan?quot; En ik nam meteenige schaamte de kleine Mina op mijne knie en zag het rustig aan, dat zij de net beschreven bladen lachend in hare kleine quot; aisten frommelde: â misschien zou het publiek ze niet veel verstandiger of eerbiediger behandelen!
âNu, Willem! nu zit gij daar weêr te mijmeren als een philosooph, en ik verkwist geduldig mijn' kostbaren tijd om uwe gewichtige geheimen te hooren.quot;
âWelaan dan, ik zal 'tu kort weg zeggen, ik wil een boek uitgeven.quot;
âAha! nu vergeef ik het u, dat gij wat afgetrokken zijt. Schrijvers en schakers zijn droge echtgenooten. En wat zal het wezen? preeken zeker?quot;
âEn wat zou het publiek met mijne preeken doen? Preeken, Keetje! worden alleen gekocht, öf om den naam, of om de gelegenheid, öf ora de denkwijs. Om den naam koopen ze velen, die ze in 't geheel niet lezen; om de gelegenheid betrekkingen, menschenvrienden en nieuwsgierigen, die ze slechts vluchtig inzien; en om de denkwijs ultra-orthodoxen en alle andere ultra's, die er eene echo van hunne eigene denkbeelden in zoeken. Nu heb ik geen' naam een uur van Mastland af, mijne kerk of pastorie is gelukkig nog niet afgebrand, en ik draag geen vlag in onze vaderlandsche kerk; hoe beter mijne preeken dus op hare plaats staan voor de gemeente van Mastland, des te armzaliger figuur zouden zij maken in het voorhuis van een' uitgever; â in het voorhuis, zeg ik; want hij zou, zoodra hij den titel van het handschrift zag, ze niet eens in de binnenkamer mede nemen. Kom ik er
7
8 DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
mede in de stad, ik kost den man nog maar hoofdbreken, hoe hij mij spoedig en vuor goed zal afschepen, zonder mij grof te beleedigen.quot;
âGij redeneert als een boek. Maar zeg dan eens: wat hebt gij anders als preeken? â Doch wat kort, Willem! ik hoor beneden Bram schreeuwen.quot;
âOm het kort te doen zal ik u dan eenvoudig mijn plan voorlezen, zoo als ik het heb opgeteekend voor Altorf, die het weder aan een' boekverkooper van zijne kennis zou laten zien.
âDe stand, dien ik het mij tot eeno eer reken te be-kleeden, is zeker een der gewichtigste in de maatschappij. De dorpsleeraar, hoe weinig meestal buitenaf bekend, kan juist door zijne stille, ongestoorde, aanhoudende werkzaamheid een' grooten en duurzamen invloed uitoefenen op een groot deel der bevolking, en wel op dat gedeelte, dat de hechtste steun is van ware welvaart, nationaliteit en zedelijkheid. Ondertusschen is juist onze stand en werkkring bij het beschaafd en lezend publiek weinig bekend. De landman, onze getuige, heeft bij dit publiek geene stem: men kent hem niet recht, hij spreekt weinig in steedsche kringen en schrijft voor de pers niet. Zou daarom eene eenvoudige voorstelling, maar eene voorstelling naar het leven, van de dorpspastorie en haren bewoner niet voor velen, juist om deze onbekendheid, eene aangename lectuur opleveren? Zou de lezer daardoor zijne menschenkennis niet kunnen uitbreiden en de kracht leeren kennen van eenen godsdienst, die het meest in de stilte werkzaam is? Zou menig ouder dus doende niet beter weten, waarvoor hij zijn zoontje bestemde, en wat daartoe in den knaap wordt vereischt? menig jongeling, wat stand hij gekozen heeft?
âVoor zoo veel ik onder stedelingen heb omgegaan, heb ik zelden onzen stand op zijne juiste waarde hooren
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVEBTREK.
schatten. En dit is niet onnatuurlijk. Eer, geld en gemak zijn op het groote tooneel der wereld de idealen, waarop de rustelooze, bedrijvige tooneelspeler het oog heeft. De eer komt in de eerste plaats bij het oordeel over ons in aanmerking. Men prijst een' jeugdig' predikant, als een jong mensch, die ambitie heeft, die verder komen wil en daarnaar zijn werk inricht; dit, meent men, moet het doel wezen van al zijnen arbeid, en gelukt hem dit niet, dan is hij te beklagen, als een arme stumpert, die het niet verder brengen kan, of als een knap mensch, van wien 'lt; Jammer is, dat hij geen promotie maakt. â Maar was dit het hoofddoel van onzen stand, hoe gevaarlijk ware het dan, zich te wagen in eene loterij, waarin zoo vele nieten zijn! Immers, de meesten onzer blijven bij plattelands-gemeenten en slijten daar hunne dagen, en hun licht schijnt er, flauw of helder, zonder van verre gezien te worden.
âDaarom beschouwt het publiek, zoodra wij eenige jaren op een dorp blijven en de gedachte aan promotie op den achtergrond geraakt, ons met een zeker medelijden. Het weegt onze waardigheid met .de goudschaal, en dan geldt ze weinig, â't Is wel een vast inkomen,quot; zegt de koopman; âmaar al te karig.quot; â En wanneer nu de leeraar uit zijne afgelegene woonplaats in de stad komt, dan is zijn rok wat kaal, zijn hoed uit de mode, en zijne kinderen gapen in 't rond, als of ze nooit geweten hadden, dat de wereld zóó groot was. De een ziet dit met medelijden aan; maar de ander spot er mede en acht den man weinig meer dan een' boer in H zwart.
âMaar zoodra wij vele jaren op dezelfde plaats hebben doorgebracht, vindt men ons van eene andere zijde toch zoo beklagelijk niet. Terwijl in de stad alles zwoegt en slaaft, kan immers de bejaarde leeraa preeken genoeg, en wat behoeft hij z moeien? Het uitzicht op promotie is ,
9
10 DE SCHRIJVEB OP ZIJN STUDEERVERTREK.
Hij is een bezig rentenier geworden. Het is dan wel niet voordeelig; maar het is toch gemakkelijk.
âDat in deze beschouwing eenige waarheid is: â meer dan ik wel wenschte! â zal ik niet tegenspreken; maar het smart mij, dat men onzen stand juist van de nietigste, minst eervolle zijde beschouwt, dat men de christelijke werkzaamheid van zoo velen miskent, hunne opgezamelde wijsheid en het nut, dat zij stichten, niet opmerkt. En daarom juist wilde ik den kring, waarin wij ons bewegen, den onpartijdigen lezer leeren kennen: niet een ideaal daarvan, dat gemakkelijk te scheppen ware, maar de eenvoudige beeltenis van ons leven, geheel gelijk het is.
âHet spreekt van zelf, dat ik daarbij mijnen kring niet geheel naar het leven teekenen mag. Ik zou juist daardoor gedrongen worden om der waarheid te kort te doen, ten einde niemand ten toon te stellen. Ik verlang ook niet, dat mijn hart en huis en gemeente een kijkspel voor nieuwsgierigen worde. Maar in verdichte namen en voorvallen wil ik dezelfde waarheid, dezelfde wijsheid en dwaasheid inkleeden, waarin ik nu vier jaren verkeer en mijn leven, als God wil, hoop door te brengen. Ik durf zelfs niet eens mijn' eigen' naam te noemen, omdat men daarmede andere namen zou verbinden en misschien eene satire zoeken, waar ik alleen eene leerzame schilderij heb willen daarstellen. Zelfs acht ik het beter, dat de lezer mij niet kenne. Zoo blijft het waas der verdichting ongeschonden en de beoordeeling der waarheid hangt niet, gelijk al te dikwijls in dagen van partijzucht, van het oordeel over mijn' persoon af.
âWat den vorm aangaat, ik heb dien nog geheel aan mij zei ven, daar ik bij het opschrijven mijner aanteeke-quot;ingen alleen de stemming van het oogenblik gevolgd \ Als schrijver optredende, reken ik mij verplicht, naar den smaak van het publiek te schikken, daar liet vergen kan, dat het zich naar mijnen smaak
DE SCHKIJVEE OP ZIJN STUDEEEVERTREK.
schikken zal en een werk niet alleen goed moet wezen; maar ook gelezen worden. Luidde nu de titel âBrieven van een' Dorpsleeraarquot;, ik vrees, dat dit werken zou als eene waarschuwing om niet verder te lezen; gedrukte brieven behooren tot de achttiende eeuw. Werden het Verhandelingen, daaraan heeft onze eeuw zich de maag overladen, zoodat zij die nu met lichten en prikkelenden kost zoekt te herstellen. Mij dunkt dat âSchetsen uit de Pastoriequot; zoo geheel in den smaak zouden vallen; losse schetsen vallen juist in den geest der meeste lezers, die zich niet gaarne inspannen en tevreden zijn als zij ten halve lezen, omdat zij toch niet van voornemen zijn om er iets van te onthouden.quot;
âZie daar, Cornelia, zoo ver had ik juist geschreven. Nu, wat denkt gij er van?quot;
âDat uw vriend Altorf u verleid heeft om te gaan, waar gij altijd zegt, dat gij niet wezen wilt: buiten uwe gemeente.quot;
âJa, maar ik doe de reis incognito.quot;
âWij zullen zien, of gij het kunt doen.quot;
âEi, ei! acht gij mij daartoe niet in staat?quot;
âIk wil het ten minste eerst zien. Vooreerst kunnen predikant en schoolmeester zelfs op eene maskerade zich niet onkenbaar maken; men herkent ze, al is 't aan hunnen stap, omdat zij gewoon zijn zich te doen kennen. En dan, Willem, legt gij natuurlijk, zoodra gij schrijft, er u op toe om waarheid te schrijven; gij zult dus gedurig de verdichting u laten ontsnappen: zij is hier op deze kamer niet tehuis.quot;
âDat zullen wij toch eens zien. Ik.....quot;
âNu ja, goed. Maar, Willem, hoewel ik uw oogmerk prijs, kunt gij er nog niet een ander oogmerk mede verbinden? Wij hebben drie kinderen, en.....quot;
âSt..... Keetje! houd u toch dood stil! Gelukkig,
11
DE SCHRIJVER OP ZIJN STUDEERVERTREK.
dat wij maar met ons beiden zijn. Dat zijn zaken, waarover men nooit spreekt dan onder de roos; en dan nog zoo maar, alsof het er volstrekt niet op aan kwam. Wees toch voorzichtig, kind, als er iemand bij is.quot;
âNeem mij niet kwalijk! Dat wist ik niet. â Ja, Mina, wij gaan heen; ik zie het wel: gij wordt ongeduldig, kind lief. â Maar nu nog ééne voorwaarde, Willem: ik blijf buiten uw geschrijf.quot;
âIk beloof u, al hebt gij er in noodig, dat gij er u zelve niet in herkennen zoudt.quot;
âDan ben ik tevreden. Schrijf dan in vredes naam; maar knor niet op mij, als de recensenten het op u doen: hoort gij? En nog eens, wat gij ook uitgeeft, mijn portret niet!quot;
12
En terwijl mijne lieve gade met ons kind op den arm de kamer verliet, zag ik haar met welgevallen na; want groot in hare onbekendheid is de vrouw, die alleen door man en kinderen en vrienden wil gekend en geprezen worden.
En nu, lezer, neem mijne Schetsen aan, voor hetgeen zij zijn. Romanschrijver ben ik niet, noch dichter, noch schilder; eenvoudig predikant, meer niet. Zoek ook geene plaatselijke of persoonlijke bijzonderheden in mijn boekske. Alleen mij zei ven zult gij er in vinden, gelijk ik ben: mijne denkbeelden, mijne opmerkingen; en heb ik mij te onhandig verborgen, â die mij herkent, zal een vriend zijn, hoop ik: dan geef ik hem hartelijk de rechterhand en leg hem te gelijk de linker op den mond.
II.
DE INTREDE.
Gaarne herinner ik mij nog gedurig dien heiligen, heerlijken dag, den geboortedag mijner dierbare betrekking. Hij brengt mij zooveel te binnen, dat mij aangenaam, zooveel ook, dat mij leerzaam is. Helaas! waarom heeft de dood het somber rouwfloers gehangen over het beeld van den vaderlijken vriend, die mij het eerst de broederhand oplegde, die mij zoo hartelijk Gods zegen toebad en die daarna niet gulle hartelijkheid mijne pastorie rond wandelde? â Maar de geheele herinnering, die mij in deze oogenblikken bezig houdt, is ernstig; zij raag wel door een' godvruchtigen traan worden geheiligd.
Reeds had een half dozijn proponenten hunne gaven op den kansel te Mastland laten hooren; maar het scheen, dat de kerkeraad, die eindelijk eens, na den veertigjarigen dienst van mijn' voorganger, een beroep mocht doen, niet gemakkelijk te bevredigen was. Langen tijd was deze vacature reeds vooruit gezien; ieder lid, niet alleen van kerkeraad en gemeentebestuur, maar ook ieder notabel gemeentelid had zich, naar zijne denkwijs, het beeld gevormd van een' volmaakten Dominee. Geen mijner broederen had daaraan nog voldaan. De eerste stond te stijf en bewoog zijne handen niet genoeg; de tweede werd niet duidelijk genoeg verstaan; de derde had eene veel te korte toepassing; de vierde zou nng al geschikt
DE INTREDE.
hebben; maar van den preekstoel afkomende was hij dadelijk met eenige buigingen van het dorp afgegaan; tegen den vijfden verhief zich de stem van alle Mast-landsche vrouwen, omdat hij een' bult, en tegen den zesden, omdat hij rood haar had. N0. 7 was ik, N0. 8 een kundig tijdgenoot, en zeker zou het hierbij niet gebleven zijn; maar de Ambachtsheer had eigenlijk het recht van beroep en wilde dit wel aan den kerkeraad afstaan, mits men zich tot de acht door hem opgegevenen bepaalde.
De beslissende dag brak aan. Ik preekte des voor-middags en zag, dat alles wel ging; maar toen ik des namiddags de krachtige en roerende taal van mijn' medestander hoorde, twijfelde ik geen oogenblik of mijne reis was vergeefs geweest. Tot mijne verwondering zag ik spoedig, dat dit nog zoo zeker niet was. De bejaarde chirurgijn en de wel doorvoede burgemeester â zij hadden dien middag smakelijk gegeten â hadden eene ingewortelde gewoonte geen' wederstand kunnen bieden en waren ingesluimerd; de oudste ouderling vond de orthodoxie dei-preek twijfelachtig; den meester kwam gang en houding niet deftig genoeg voor; evenwel, de zaak was nog niet uitgemaakt; eindelijk besliste ze het votum van een' der diakenen; âhoort eens, mannen, toen ik met het zakje omging, zag ik somtijds eens om; maar kijk! 'twas niet uit te staan om dien bril aan te zien. 't Is waar, hij zet hem meestal af; maar let eens op: dat zal wel anders worden als hij eens de plaats heeft. En 't is toch niet geraden, een' halven blinden man te nemen, als men zienden genoeg krijgen kan.quot; â Kortom, de gemeente dacht óók zoo en wilde met geen gewapend oog doorzien worden, en â ik werd beroepen.
Welk eene blijde tijding bracht ik thuis bij mijne betrekkingen en die van mijn meisje! Ieder moest het weten, en schoon het Februari was zweette ik dag aan dag v^n het bezoeken geven en brieven schrijven. Ieder
14
DÃ INTREDE.
wenschte mij geluk en noemde mij gelukkig. Bij de wederzij dsclie familie moest ik mede plannen maken over meubelen en gordijnen, wagens en schuiten bespreken en feestdagen bepalen en had dikwijls een half dozijn vragen te gelijk te beantwoorden. Met knikken werd echter veel afgedaan, vooral bij de vrouwen; want â wat wist ik, nog bijna geheel student, van eene huishouding af?
Ondertusschen moest men zich toch nader met mijne aanstaande verblijfplaats bekend maken. Nu, dat was natuurlijk. Men verloor mij naar eene plaats, welker naam de meesten niet eens kenden; men moest toch weten waar mij terug te kunnen vinden. Kaarten werden er op nagezien en oude beschrij vingen gelezen, boeren er op uitgehoord, en vooral mijn oom Jan, wiens lieveling ik was, sprak lederen buitenman in zijn' winkel er over aan. Wat werden er al gemakken, genoegens en voor-deelen ontdekt van de vroeger onbekende plaats! De een vond ze gelegen, de ander vruchtbaar en welvarend, de derde lief en landelijk; allen juist voor eene propo-nents-plaats geschikt: niet te groot, noch te klein. En toen oom Jan met andere familie en vrienden op den eersten schoonen Aprildag dorp en pastorie haddequot; 1 zocht, was de verrukking ten top geklommen.
waren de menschen lief en eenvoudig! Wat w pastorie netjes en de tuin ruim! En wat he rijwegen en vruchtbare landouwen! vooral we1 schoon uitzicht uit den koepel, eene buitenplaat?
dig!..... Die goede, hartelijke betrekkingen! quot;V
ginnen zij mij nu van dat lieve Mastland af en .
op te wenschen. âDe plaats is toch wel wat af en het huis vochtig, en de wegen moeielijk, v i' den winter, en de conversatie heeft waarlijk (
veel te beduiden, en dan zulk een boersch gehoc Het luchtkasteel staat nu reeds vier zomers winters buiten, en is even dikwijls door de zon g
15
DE INTREDE.
door den storm bewogen, door de vorst gespleten. De
pleister is er zoo wat af en de naakte muren laten hunne zwakke plaatsen en vochtige plekken zien. Mij evenwel is het nog eene goede woning. Ik heb een weinig minder gedweept en ben dus een weinig minder te leur gesteld; en buitendien: ik heb eenen band aan deze plaats en dit huis, dien een vreemde niet kent; ik heb immers in deze woning en met deze mijne gemeente al zoo veel lief en leed ondervonden!
Maar ik zou iets van mijne intrede verhalen.
De bruiloft was dan gevierd; want op dit feest was oom Jan, als een oud Hollander, bijzonder gesteld; hij verklaarde zich stellig tegen de gebruikelijke huwelijksreis, welke hij eene romantische gril, een onfatsoenlijk schaken van de bruid noemde. Daarop moest dan de afreis volgen. Koffers, hoedendoozen, kisten: â ik beef er nog van. â Toen de intocht. De oude dorpelingen wisten het nog van voor 40 jaren en het tegenwoordige geslacht wilde voor zijne vaderen niet onderdoen. De pastorie werd daiv netjes in orde gebracht en met groen versierd, terwijl eene oude vlag, met een' Pruisischen adelaar er op, uit het zoldervenster woei. Hoe de laatste bij een' assessor van Mastland verdwaald kwam, heb ik nooit begrepen; maar het deed er niet toe, het was toch èene vlag. Verder was de straat met palmtakken en bloemen bestrooid, die uren lang met moeite door den veldwachter werden verdedigd. Een dozijn jonge meisjes wachtte ons aan de poort, â namelijk aan het hek van de pastorie, â en Meester Baljon wischte zich het zweet van het voorhoofd en las ieder kwartier zijn vers nog eens over, waarin hij dan ook telkenmaal met een potloodje nog een woord of wat verbeterde. Met al dien toestel waren echter de jeugdige boeren nog niet tevreden. Zij hadden reeds eene eert wacht geformeerd, een' commandant benoemd en kruid en lood gekocht, toen mijne vrouw verzocht om van dien
16
DE INTREDE.
.schrik bevrijd te blijven. Het kostte onderscheidene brieven en bijna de gunst van het aankomend geslacht. Grelukkig stilde de burgemeester het misnoegen, door vrijheid te geven om voor en na mijne aankomst, alleen niet daarbij, te schieten.
Eindelijk â 't was Donderdag, en een heerlijke dag in de maand Mei â kwamen wij dan op Mastland aan ^ natuurlijk ook met Mastlandsch rijtuig. Het waren fraaie speelwagentjes; op den weg reden zij nog al gemakkelijk, omdat de wintergaten zich reeds verscholen onder het zomerstof en de weg effen als een kolfbaan was; maar pijnlijk stond het gezicht der dames toen de kloeke paarden het in den vollen draf zetten over de dorpsstraat. Een algemeen âhoezee!quot; verwelkomde ons. In de pastorie stonden koffie en brood en zoo wat gereed, terwijl de goede maitres al zuchtte en het hoofd schudde, omdat het kraantje van de beste koffiekan niet open wilde. Meester Baljon boog onophoudelijk en hemde al; de andere autoriteiten naderden, â en dat alles ()m mij! â Kortom, deze dag was één dier üagen, waarop ons leven gelijkt naar een' prachtigen schouwburg. Het verblindend lamplicht doet de schermen schitteren; prachtige huizen en schoone lusthoven verrijzen als met een' tooverslag voor het oog van den aanschouwer; wakkere helden en uitstekende schoonheden betreden het tooneel en ontboezemen de edelste beginselen, de reinste aandoeningen, â en de nieuweling ziet het niet, dat de schermen slechts opgeplakt papier en de acteurs opgeplakte menschen zijn. Met dit al was er toch eer schoone wezenlijkheid onder dit klatergoud ver oor de gemeente verheugde zich, dat zij weêr een'
leeraar ontvangen zou en wilde in hem een' h vriend welkom heeten.
De twee volgende dagen waren bij n?
het waren vluchtige uren, die haast'
17
DE INTREDE.
elkander opvolgden en waarop niemand er aan dacht of het morgen, middag of avond, maar des te meer, dat de Zondag kort op handen was.
Die Zondag brak aan en mijn vrouwtje had het even druk met de ham en de runderribbe, als ik met mijne, intreerede: eene zonderlinge herinnering, dat de mensch uit lichaam en geest bestaat!
Hoe statig klonk mij het klokgelui in de ooren! Met wat aandoening, en toch ook met wat beklemdheid, zag ik die menigte van alle zijden naar de kerk stroomen, â enkel om mij! Hoe troffen mij, waar ik mijn oog wendde, bij het naar de kerk gaan en door de menigte dringen, die duizenden blikken â enkel op mij! Ik kwam eerst een weinig tot mij zeiven toen ik achter de hooge borstwering der kerkeraadsbank op het zachte kussen was nedergezonken. Hier kon ik ten minste denken en gevoelen, al was het niet geregeld, en uit mijn angstig en bewogen hart kon hier een stil gebed tot den Onzienlijke opgaan.
Mijn vaderlijke vriend trad op.....Ach! hij zal deze
herinnering niet meer lezen. Maar het zij zoo; hij ruste van zijnen arbeid!
Met eenvoudigen ernst en zonder veel uiterlijke welsprekendheid, â het was immers maar een dorpsleeraar? â maar met hartelijke ingenomenheid, sprak hij over de hooge waarde der Evangelie-prediking, over de dure verplichting van leeraar en gemeente. Ik weet niet of de schets der leerrede kunstig en het thema logisch uitgewerkt was, ik heb er niet op gelet; maar ik weet wel, dat de gemeente luisterde en ik diep getroffen was. Er heerschte in het kleine, propvolle kerkgebouw eene eer-iige stilte: niemand bewaarde die in het bijzonder, allen te zamen.
het uitspreken der korte leerrede volgde de be-Plechtig, onvergetelijk oogenblik, waarop ge-
18
DB INÃHEDE.
heel de omvang en al het zalige mijner nieuwe betrekking mij voor den geest stond en op het harte woog, ofschoon in eene bedwelmende verwarring. G-ewichtig ja, waarmede ik den bloei mijns levens en alle mijne krachten toewijdde aan het Koninkrijk der hemelen op aarde! Dat ja was mij een plotselinge overgang van jongeling tot man, van een' vrij student, die geheel voor zich en zijne studie leeft, tot een' leidsman van onkun-digen, een' vriend van zondaren en bedrukten, die den luchtig vergaderden schat ernstig en met wikkend oordeel heeft uit te deelen; de overgang eindelijk van een' jeugdig' burger, die alleen voor zich zeiven verantwoordelijk is en van wien de maatschappij verder niets vraagt dan dat hij haar niet verstore, tot den herder eener kudde van den oversten Leidsman, die den Heer eenmaal verantwoording zal te doen hebben van de belangen Zijner duur gekochte gemeente. En na die plechtige betuiging de vaderlijke zegenbede, waarmede mijn vriend en raadsman den predikstoel verliet, en toen dat onvergetelijk oogenblik, waarop de oudere broeders de hand over den nieuweling uitstrekten, de hartelijke bevestiger de zijne met tranen besproeide en de gemeente zong:
Bat 's Heeren G-eest den leeraar sterk!
Ja, waarlijk! er zijn tijdstippen in het menschelijk leven, â ach! waarom zijn ze zoo kort? â tijdstippen, waarop men gevoelt, dat de ladder van Jakob nog staat opgericht en de engelen Gods opklimmende en nederdalende Zijn tusschen hemel en aarde.
En wat weet gij dan van eene bevestiging te spreken, gij, die ze nimmer gezien hebt dan op eene volgende plaats, vooral in eene groote stad? Ik wil niemand mijn oordeel opdringen; maar ik heb nooit kunnen begrijpen^ , waartoe eene openlijke herhaling der bevestiging ncüdig is bij eene andere gemeente. Is de eerste wijding ve-r-
19
DE LNTKEPE.
loren? de belofte voor het leven vergeten? Brengt niet de leeraar de getuigenis eener gemeente mede? En zal hij zijn tweede ja houden, als hij zijn eerste niet getrouw bleef? Ware het niet genoeg wanneer de nieuwe leeraar bij zijne intrede zich aan gemeente en ambtge-nooten verbond? â Het is mij wel eens voorgekomen ulsof bij zulk eene gelegenheid alle aanwezigen, door eene onweerstaanbare koelheid, getuigenis gaven, dat het geheel hun als een nutteloos vertoon voorkwam. Zoo onverschillig luisterde de gemeente naar den sierlijk opge-stelden collega-groet en de lange aanspraken, en velen schenen tot niets anders gekomen te zijn dan om te hooren of de nieuwe leeraar het âJa ik, van gamcher harte 1quot; met een krachtige stem door het ruime kerkgewelf kon uitroepen, uitgalmen, uitbazuinen.... Misschien ga ik te ver naar uwe gedachte, lezer! Het is waar, ik stem het u toe, iedere godsdienstige plechtigheid heeft iets indrukwekkends, als zij goed wordt bestuurd en eerbiedig bijgewoond; â maar toch, wilt gij eene bevestiging zien, zoo ga naar een afgelegen dorp, waar de gemeente met hartelijke ingenomenheid den welmeenenden jongeling ontvangt, terwijl deze haar zijne eerste kracht met tranen en gebeden toewijdt; â dat is een maagdelijke trouw!
Dit van de bevestiging. Van de intrede zal ik weinig zeggen. Wanneer ik nu nog eens die rede nazie; op de eene plaats begonnen en op de andere voltooid, in een' maalstroom van verschillende aandoeningen; dan vind ik in het samenstel daarvan vele gebreken en ik zou mij bijna kunnen schamen, dat zij voor zoo vele bevoegde beoordeelaars is uitgesproken. Moest ik nog eens eene intrede doen, zij zou misschien heter zijn; zij zou â zoo zegt men immers? â meer genoegen geven; â en desniettemin twijfel ik zeer of het heter zou zijn dan toen tus-schen God en mijn hart; of ik zaliger genoegen smaken zou voor mij zeiven, reiner voorsmaak van eene hemelsche
20
DE INTREDE.
zaligheid. â Schat toch niet altijd, gij, onze hoorders! den inwendigen mensch des harten naar de woorden, die gij van den kansel hoort, naar den oogenblikkelijken indruk, dien zij op u maken. Het geloof, de ijver, de godsvrucht vinden niet altijd vloeiende, krachtige, wegslepende woorden om zich te uiten. Het gevoel van een warm hart bedwelmt wel eens den geest en de aandoe-ning neemt de vrijmoedigheid of kracht van zeggen weg. Later worden oefening en kunst de aandoeningen meester en. God weet het! misschien zijn dan onze woorden wel eens beter dan ons hart, gelijk vroeger het hart beter dan de woorden was.
Maar wij willen de kerk verlaten en ook de pastorie â¢eens bezoeken, waar den geheelen dag door, maar vooral na de beide kerktijden, eene ongewone drukte en verwarring heerschen. â Het is waarlijk geene kleine verandering , als wij met de eerwaarde en niet eerwaarde menigte derwaarts medegaan. Ringbroeders met een gansch gevolg van vrouwen, kinderen en rijdende ouderlingen; de goede hulpvaardige maitres; enkele vluchtige akademie-kennissen; familie, betrekkingen, kennis van kenniswege: - alles stroomt in en uit, zoodat het niet der moeite waard is om de deur te sluiten of het hek op den knip te doen. Dat bont gewoel na die stille plechtigheid heeft zoo iets van een' lustigen maaltijd na eene oud-vaderlandsche begrafenis, van eene bruiloft op Zondagavond, eene kermis op het paasch- of pinksterfeest. Toen was het voor mijn gevoel hinderlijk, ergerlijk; niet, dat eenig woord dat gevoel kwetste: - alles bleef binnen de palen eener noodzakelijke ontspanning en geoorloofde vroolijkheid; â neen! niet eenig afzonderlijk woord of enkel persoon, maar het gewoel en geraas van alles door elkander was mij nu te oneigenlijk, en dat in mijn huis! Maar hoe dikwijls strijdt de wereld rondom ons met onze eigene stemming niet! Ik stelde mij dan
21
DE INTREDE.
verminkte schonken, borden brood en hoopen tabaks-asch en wat al verder bij zulk eene gelegenheid te vinden is. Deze verandering van tooneel geschiedde met den meest mogelijken spoed en onder het aanrukken van eene hulpbende vriendinnen en bedienden, omdat alles, zoo vleesch en tulband als stoelen en tafels, voor het nastuk moest worden ingericht.
Dat nastuk na een zoo belangrijk en woelig tooneel, hoe zal ik het noemen? Het is een gala na het gedruisch der opera, eene audiëntie na den feestelijken intocht, een slaapmiddel op de hevigste koorts.
De lezer wete dan, dat alle autoriteiten van het dorp op den avond van den bevestigingsdag suo jure bij den nieuwen leeraar genoodigd zijn, met het recht om hunne geliefde wederhelften mede te brengen, ten einde het ook zijne echtgenoote niet aan gezelschap te laten ontbreken. Te voren wordt, door onderlinge boodschappen over de straat en een hoofdknikken over de onderdeur, hetoogen-blik van den algemeenen aanval bepaald, waarbij vooral de schoolmeester eene bedrijvige rol vervult. Dan naderen; â de burgemeester met zijn pauwentred: deze ziet recht vóór zich; â de assessoren en schepenen, geheel deftigheid: deze zien rondom zich; â de kerkeraadsleden: deze zien met trotsche vergenoegdheid op den predikant , als metselaars op den voltooiden arbeid; â het kerkbestuur : dit ziet niet vooruit; maar na^r boven, naar den geverwden zolder, en naar beneden, naar den nieuwen vloer; â eindelijk de meester, die zich zeiven van alle kanten bezien zou, als het menschelijk oog zoover reikte.
De kring wordt gevormd. Ik heb nooit vrije gezelligheid gezien bij een' mathematisch gevormden kring stoelen, zoo min bij een' professor op theedag als in mijne pastorie. Sommigen der gasten kan men het aanzien, dat de pijp hun te lang is; allen, op een paar kerkeraadsleden na, dat de Dominee hun nog vreemd is; mij,
24
DE INTREDE.
dat ik bedwelmd ben, uitgeput. Ondertusschen zou ik ieder uwer of uwer betrekkingen, die dit alles nog moet ondergaan, aanraden om van mondkost, nat en droog, ook voor den avond nog wèl voorzien te zijn; want hoe minder uit den mond komt, des te meer gaat er in. â Met klokslag tien ure klopt de burgemeester met een veel beteekenend gebaar zijne pijp uit.
Daar stonden dan nu voor het eerst mijne Cornelia en ik tegenover elkander, alléén in onze pastorie, als predikant en predikants-vrouw van Mastland! â Ik kan nauwelijks meer zeggen hoe ik toen gestemd was. Mij dunkt, ik had stemmingen voor vele weken, voor vele maanden in voorraad; eene dronkenschap van aandoeningen , waarbij de ziel niet weet waarheen. Het was mij of een geheele inboedel van allerlei, vreugde en ernst, mij ware in huis geworpen, zoodat ik alleen den tijd had om dien haastig voor den regen te bergen, terwijl ik eerst naderhand alles zou kunnen nazien en uitzoeken.
Ik was dan predikant. â Schoon ideaal, dat mij toen \ooi het oog stond, alsof ik het slechts te grijpen had! -Nog staat het vóór mij, maar hooger; het werpt van omhoog zijne heldere stralen, zijn' warmen gloed op deze koude en donkere aarde. â Wee hem, die het geheel verloren heeft!
25
III.
NADERE KENNISMAKING
DE PRIMATEN VAN HET DORP.
O F
Wij hadden wel eenige dagen noodig, mijne vrouw en ik, om huis, hoofd en hart ten minste eenigszins op orde te brengen, ofschoon wij daartoe nauwelijks den hoogst noodigen tijd hadden; want de bevoegde autoriteiten verwachtten, dat ik het massieve bezoek van Zondag hun, in klein geld gewisseld, zou terug brengen. En dit was ook mij niet onaangenaam. Die avond toch geleek meer naar eene inspectie, waarop eene nieuwe Plaats-Commandant zijne officieren en de burgerlijke overheden begroet, dan naar eene eigenlijke kennismaking. Men moet ook, en inzonderheid ten plattelande, de menschen in eigen huis en hof zien om ze in hunne natuurlijke gedaante te leeren kennen.
Ik wil u dan, mijne lezers, op eenige dier eerste bezoeken met mij nemen. Door ondervinding geleerd, zal ik u de huizen, die wij binnen treden, beter kunnen doen beschouwen dan ik ze zelf de eerste nfaal bezag, en zoo wordt gij langzamerhand met mij Mastlandsche burgers.
Eer ik met mijne bezoeken een' aanvang maakte, dacht ik aan den raad van een' verstandig vriend, en dien raad doe ik hierbij, als op de proef goed bevonden, aan ieder weder over, die hem mocht noodig hebben. âEen nieuw inwoner op eene kleine plaats,quot; zeide hij, âen inzonderheid een jong predikant, loopt gevaar om spoedig een'
XADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP. 27
vriendschapsband te sluiten, dien hij niet dan langzaam, en nog zelden zonder onaangenaamheden, kan los maken. Zijn eerste oordeel kan later veel veranderen, en somwijlen zoekt hem de een of ander, uit nieuwsgierigheid of eigenbelang, met voorkomende vriendelijkheid op, dien hij later niet weet af te weren, en noch beminnen, noch vertrouwen kan. Daarom is het hem aan te raden om bij zijn eerste bezoek tegen ieder vriendelijk te zijn; maar aan niemand zich te binden, en gulhartig met allen om te gaan, maar zich weinig uit te laten. Het verzuimde is later gemakkelijk aan te vullen; maar hetgeen te veel gedaan is, niet even gemakkelijk weder in te trekken.quot;
Tot dusverre de raad van mijn' wijzen vriend. Nu begeven wij ons dan op weg.
Omtrent halfweg de Mastlandsche straat (zij begint of eindigt bij kerk en pastorie) verheft zich een huis, dat zoo wat het midden houdt tusschen eene burgerwoning en eene boerenhofstede. De schuur, achter het huis aangebouwd, vertoont reeds in de verte haar' geteerden wand en spits rieten dak; eenige zoldervenstertjes hebben nog den ouden boerschen vorm en de lagere ramen staan vrij onevenredig en wijd van een, terwijl zij aan de eene zijde van het huis den bouw van een' kaaskelder en opkamer er boven aanwijzen; de felle gele verf steekt reeds van verre af bij het harde groen: - kortom, dit alles pleit voor de opvatting, dat het eene rijke boerenwoning is. â Maar de voordeur is nieuwmodisch, de stoep is van maimer, en, als pendant van den kaaskelder, zien wij aan de andere zijde groote ruiten en jaloezieën ervoor; ook is er een fraaie koperen bel in den deurpost: â dit alles doet ons weder aan de woning van een' âfatsoenlijkquot; burger denken. - Naast het huis ligt de tuin, alleen door een laag hekwerk omringd, en dus aan de algen^ wondering prijs gegeven. Ook hier is eene bercet
28 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
palmhekjes, en tulpen en goudsbloemen staan er in engel-sche grasperken. Kortom, om het raadsel op te lossen, moeten wij met de bewoners nader kennis maken. De menschen zijn wel eens, zoo als hun huis, of van buiten, of van binnen is.
Weet dan, hier woont Petrus Abraham van der Zanden, burgemeester van Mastland cum annexis. Zijne ouders woonden reeds in dit huis; maar zonder de jaloezieën, den marmeren stoep, et cetera. Zij hadden zich een goed vermogen verworven door melkerij en veehandel en hun éénige zoon heeft dit door een rijk huwelijk, hetgeen nooit met kinderen gezegend is, nog aanmerkelijk uitgebreid. Toen nu, reeds voor vele jaren, het Gouvernement er zich op begon toe te leggen om burgemeesters te kiezen, die op de plaats woonden, is Van der Zanden tot die waardigheid benoemd, schoon niet zonder sterke, maar vruchtelooze tegenkanting van een paar andere patricische Mastlandsche familiën.
Maar het wordt tijd, dat wij aanschellen. Gelukkig, dat het warm en droog weêr is en dus een weinig wach-tens onder de lindeboomen ons niet verveelt; want de bel schijnt eene ongemeene sensatie in huis te veroorzaken. Jammer, dat wij 't ook niet wisten: de voordeur staat er wel voor pronk; maar eigenlijk gaat men achter in Nu moeten wij het afwachten. Ik geloof, dat al de bewoners met vereenigde krachten bezig zijn om de klemmende deur uit hare posten te wringen, 't Zal gelukken. Zij kraakt al. Daar gaat zij open en wij hebben den vrijen blik naar binnen. Het eerst stuiten wij op de keurige vloermat: gij zoudt er bijna uwe schoenen voor uittrekken, in plaats van die er aan af te vegen. Maar wij moeten nu maar moedig voorwaarts en worden in het zijvertrek gelaten, waar de zonneblinden bij het open zetten slechts een weinig minder klemmen dan de voordeur.
Petrus Abraham van der Zanden treedt binnen met
NADERE KENNISMAKING OP DE PRIMATEN VAN HEf DORP. 29
dG buiging van ienicind, die niet gewoon is diep te buigen. Hij is nu bijna zestig jaren, gezet, maar gespierd, terwijl ook kleur en houding den krachtvollen man aanduiden. Over 't geheel ligt er iets welgedaans, eene zekere tevredenheid met zich zeiven en zijne positie in de wereld, over het kleurig gelaat uitgespreid, en daarbij eene gulhartige vriendelijkheid; maar die toch een weinig uit de hoogte op u nederdaalt, terwijl het groote, vaste oog het voorkomen heeft van wel alles te durven actnzien, maar niet veel door te zien.
De stoel der eere, de hooge, breede leuningstoel wordt mij aangeboden, en ik mag dit aanbod om mijner waardigheid wille niet weigeren, ofschoon ik van de eene leuning tot de andere nog al vrij wat ruimte, om eens te verzitten , over heb.
Juist zijn wij beiden met eene lange pijp gewapend en beginnen te gelijk: âwelk een lieve dag is het van daag. Burgemeester!quot; - ,,'t blijft-dan maar kostelijk weer,quot; Dominee! Maar op dit oogenblik treedt de burgemeestersvrouw binnen en ik sta op, leg de pijp neêr en buig.
Wat zal ik van de binnenkomende zeggen? Ik weet het waarlijk niet. Het is een van die gezichten, die men onder een half dozijn zou verliezen; indien er een her-kenningsteeken aan is, dan zijn het de strakke trekken, die even goed voor verlegenheid als voor deftigheid kunnen doorgaan. De kleeding is kennelijker, door eene zekere tegenspraak met zich zelve: de muts en het gouden hoofdsieraad rijmen niet met de japon, en de snede daarvan niet met de stof, en ik stond een oogenblik in twijfel of ik Juffrouw zou zeggen tegen het hoofd of Mevrouw tegen het lichaam.
Na de eerste vragen: âgebruikt Dominee ook suiker en melk? âis UE al aangestoken?quot; âvaart de Juffrouw wel?quot; enz. enz. volgde er een gesprek, waaraan de
32 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
hem ontvluchten als de deur opengaat; altijd heeft hij de jeugd rondom zich en den klimmenden ouderdom van binnen. Doch, alles te zamen genomen, is niet de mensch even goed berekend voor den kleinsten als voor den grootsten kring? En wie bewijst ons, dat de webbe voor de spin kleiner is dan de poolzee voor den walvisch?quot;
Nog zat ik daar en mijmerde en hoorde niet eens het dof gebrom der twaalf klokslagen, toen ik door een algemeen gedruisch uit de afzwerving mijner gedachten werd opgewekt. Het» ongeduldig kinderoor had nauwelijks den lang gewachten klokslag gehoord of de grootste der jongens sprong uit de bank en dreunde met een schelle stem een gebed op, waarnaar niemand luisterde, dan ik. Toen wrongen zich al de kleinen te gelijk los, sprongen en rolden over elkander heen, zonder de buitengewone vermaning tot orde, die ter mijner eere gedaan werd, te verstaan, rammelden en tuimelden zoo lang door den hoop klompen, tot ieder voorzien was en zij op straat uiteen stoven en dan weèr tot een vlogen, als de dartelende muggenzwermen 011 een' zomeravond. De schoolvoogd geleidde hen met opgeheven hand tot op het midden der straat en met een dwingend oog tot voorbij de deur van den burgemeester en nam mij toen met gulhartige blijdschap met zich in zijne woning.
Die woning, die men elders eer slecht dan goed zou genoemd hebben, stak gunstig af bij het schoollokaal. Ik werd er in eene nette kamer gelaten, waar alles burgerlijk eenvoudig was en waarin de maitres (zoo noemt men hier nog des meesters vrouw) in een' hoek aan het raam zat te naaien, tegenover haar eenig kind, hare Mietje. De maitres hadden wij reeds als eene goede, hulpvaardige vrouw leeren kennen, stemmig in haar voorkomen, maar met eene vriendelij ke eenvoudigheid op het gelaat en in al haar doen. Zij was een dier gemakkelijke, aangename menschen, wier gelaat het uitdrukt, dat hunne weinige en matige wen-
NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP. 33
schen alle vervuld zijn. Haai' Mietje was volkomen haar evenbeeld, geheel de moeder in miniatuur: de effen neepjesmuts en het kalme, bleeke gelaat, het platte jak en de zak op zijde, de muilen en het naaiwerk, alles verschilde alleen in de maat, en men had eenige moeite om zich te overtuigen, dat zij niet tot een kleiner menschenras, maar wel degelijk tot de meisjes van veertien jaren behoorde.
Wat Meester Herman Baljon zeiven betrof, het was hem hier vooral aan te zien, dat hij al de wijsheid van het huis en de school in zijn' persoon vereenigde en zich daarvan de vriendelijke stralen zoowel over vrouwen dochter, als over de schooljeugd uitspreidden. Het hoofd stond nog steil rechtop, ofschoon vijf en zestig jaren hem reeds het haar hadden doen grijzen, en de oogen gingen steeds, als de slinger van een uurwerk, geregeld rechts en links, terwijl zijne vrouw van iedere eenigszins belangrijke zaak in die oogen de beslissing las. Dat achtbaar hoofd was evenwel gewoon om zich te buigen en die oogen om nederwaarts te zien voor het aanschijn van den predikant, het zij oud of nieuw, bejaard of jeugdig, evenals de grijze officier, fier en barsch voor zijne compagnie, eerbiedigde oogen neder-slaat, ook voor den jeugdigen Generaal. Hij behoorde nog tot de meesters der vorige eeuw, gewoon om zelve des Zondags hun gezangbriefje te halen, het glas water op den predikstoel te brengen en ook door de week er zich eene eer in te stellen als zij den predikant kleine diensten konden bewijzen. Ik acht de verbetering van het lager onderwijs hoog; maar kan niet zien, dat de aanmatiging van vele jeugdige onderwijzers op hun eigen geluk of het pedan-teske van hunnen stand, evenmin als op de rust der gemeente en de goede orde der godsdienstoefening, een' gunstigen invloed heeft. Althans Meester Baljon strekte zijne eerzucht zoover niet uit, en zooals hij hoog df schepter zwaaide over ieder opkomend geslacht, zoo ' hij zich diep voor ieder' aankomend' leeraar terr'
84 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
harkte zelf het kerkhof op, terwijl zijne vrouw het stof van de kerkstoelen veegde. En daarbij waren beiden gelukkig en wij gingen te zamen zoo vriendschappelijk om, dat de stilzwijgend erkende meerderheid van mijn ambt mij niet hoogmoedig maakte en hem niet hinderde.
Ik bracht dan ook in het schoolhuis een' aangenamen morgen door, gelijk later nog menigmaal. Het gesprek was gul en hartelijk, niettegenstaande eene kluchtige oplettendheid op de uitspraak van ieder woord; en de inlichtingen, die ik hier omtrent het kerkelijke inwon, waren mij van evenveel belang en zelfs rijker en meer afwisselend dan het interessante discours van den burgemeester.
Mijn derde bezoek was bij den bejaarden plattelandsheelmeester; zoo als de boeren zeggen, bij den Meester of wel, indien zij hem van den onderwijzer onderscheiden willen, den Chirurgijn-meester. De oude man ontving mij met aartsvaderlijke gastvrijheid. Hij boezemde mij al den eerbied in, dien ik zoo gaarne aan grijze haren toedraag. Zijne huishouding bestond alleen uit hem zeiven en eene ook reeds bejaarde meid. Sedert bijna vijftig jaren oefende hij hier zijne praktijk uit en was daarbij, door zijne edelmoedige hulpvaardigheid en zijn vreedzaam karakter, algemeen bemind. Wel had niemand ooit gehoord, dat hij bijzonder geleerd was; men wist alleen, dat hij bij eenen oom van moeders zijde lancet en scheermes had leeren han-teeren; maar hij gaf toch de pillen verzilverd aan den burgemeester en in zoethout gewikkeld aan de boeren; hij genas de kinderen van het zuur, wist de boerenknechts bij eene pleuris te laten en de boerenmeiden bij eene galkoorts tartarus emeUcus te geven, even spoedig en driemaal zoo goedkoop als zijn opvolger. Wat ging het dan Mastland aan, vanwaar hij zijne geleerdheid had? â En waren de kwalen wat vreemder, dan deed hij er goed noch
NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP. 35
kwaad aan; de boeren reden naar de stad, met een fleschje... bij zich en â de natuur deed het overige, - öf de patiënt stierf, zonder door de kunst gemarteld te zijn en haar zijne erfenis na te laten. Kortom, ik heb er de opgaven bij den burgerlijken stand op-nagezien: de sterflijsten geven geen merkbaar verschil aan tusschen zijne en volgende jaren; misschien zelfs zouden ze nog in zijn voordeel kunnen getuigen.
De brave oude man maakte mij het best van allen, zoo nu als later, met de zeden en denkwijze der Mast-landers bekend. Hij had den gang van iedere moeilijkheid opgemerkt, zonder dat zijne hartstochten daardoor immer waren opgewekt, of het mocht eene enkele maal in het belang der armen zijn geweest, en ik dank hem menige vriendelijke en nuttige raadgeving. Nog ruim een jaar leverde hij mij de noodige borstkruiden en mijne eerste kleine de magnesia. In mijn tweede jaar verzwakte hij gaandeweg en zeide mij met een' rustigen glimlach âde lamp gaat uit; ik heb daarvoor geene olie in mijne apotheek.quot; Zoo werd hij bedlegerig. Eens, het was midden in den nacht, liet hij mij roepen. âIk durfde bijna niet,quot; zeide hij met eene zwakke stem, âomdat het zoo ontijdig was; maar ik wilde u toch nog gaarne goeden dag zeggen. Ik geloof, en sterf blijmoedig;.... volg mij, als het eens uw tijd is....quot; En de oude man stierf in mijne armen een' Jakobs-dood. Hij ruste in vrede!
Ik had eerst gemeend, mijn goedgunstige lezer! u ook op de volgende bezoeken aan de bevoegde autoriteiten met mij rond te leiden; maar ik begin te begrijpen, dat dit u lichtelijk eentonig en vervelend worden zou, en i/c was verplicht om mij te vervelen; maar op u rust die verplichting niet. Daar er geen notaris of ontvanger op het dorp woont, is ook het eerste en noodigste afgedaan met de beschrijving van de drie meesters en den Dominee;
86 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
want mij zeiven beschrijf ik zoo onwillekeurig ook. Van de overigen zullen wij toch den een en ander nader leeren kennen, en is dit het geval niet, dan gaan ze u ook weinig aan.
Maar om u op het tegenwoordig standpunt der Mast-landsche samenleving te brengen, moet ik nog eene open© plaats aanvullen, n.1. die van den waardigen overledenquot; grijsaard. Zoodra hij het hoofd had nedergelegd en in zijne ruste was ingegaan, las men de volgende advertentie in de Haarlemmer courant:
Men verlangt op Mastland, eene welvarende plaats van ongeveer duizend zielen, een' plattelands-heelmeester. Aan deze betrekking is verbonden een traktement van honderd en vijftig gulden, waartegen men tot het gratis bedienen der armen verplicht is. Huis en erve, waarin deze zaak gedurende vijftig jaren een goed bestaan heeft opgeleverd, worden daarbij ter overneming aangeboden.
Deze advertentie was het resultaat van menigvuldige overleggingen, reeds gedurende de ziekte van den ouden man. Eigenlijk was zij het product van het vernuft en de wereldkennis van den heer Duifhuis, die bij zulke gelegenheden gewoonlijk werd geraadpleegd. De moeilijkheid, die op te lossen was, bestond daarin, dat aan de tegenwoordige plattelands-heelmeesters het bedienen der armen bij aanneming verboden was, waarop de heer Duifhuis (dien wij nader zullen leeren kennen), tot verwondering zelfs van den burgemeester, de snedige uitvinding had gedaan, dat dit onder den naam van een traktement kon gevonden worden. De man had er wel drie maanden genoegen en de armenkas jaren lang gemak van.
Tot mijne innige vreugde deed zich weldra iemand op, die, behalve loffelijke getuigenissen van zijne bekwaamheid, ook reeds eenige jaren praktijk had. Gaarne toch wil ik de noodzakelijkheid erkennen, dat de eerste proeven
NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP. 37
van studie en geleerdheid gegeven moeten worden; maar ongaarne wil ik die ontvangen. Mij dnnkt: het eerste vuur van een' Aesculaap moet weldoodelljk zijn, daar zijn latere, meer bezadigde ijver nog zoo gevaarlijk wezen kan.
Hij, die alzoo naar de algemeene keuze van het gemeente- en armbestuur de opvolger werd van onzen grijzen Meester, heette Pierre du Meaux. De vreemde naam was het eerste en niet onbelangrijke bezwaar bij zijne vestiging op Mastland. Na de taalkennis van Meester Baljon te hebben geraadpleegd, slaagden de boeren er in om het eerste gedeelte van den naam te vertalen. Tot de vertaling van het tweede gedeelte zag men geen kans en vergenoegde zich dus met het te radbraken, zoodat van den vreemden naam, door eene stilzwijgende overeenkomst der geheele gemeente, alleen Piet Moot is overgebleven.
Niettegenstaande den franschen naam is onze nieuwe chirurgus een geboren Hollander. Hij bezit dien naam als afstammeling van de zoogenaamde refugiés en heeft van deze zijne afkomst alléén het zwarte haar, het donker, levendig oog en eene zekere vlugheid en vluchtigheid van denkbeelden overgehouden.
Zijn eerste bezoek en mijn welkomstgroet in zijne woning overtuigden mij terstond, dat hij eene aanwinst of ten minste eene aangename afwisseling geven zou aan den eenvoudigen omgang, waarin ik mij bewoog. Zijne vorming, algemeene kennis, lektuur en manieren onderscheidden hem geheel van de andere dorpelingen, zoodat zij bijna genoodzaakt waren ziek te worden om eenig punt van aanraking met hem op te leveren. Ook zijne vrouw was der mijne niet ongevallig. Vlug, smaakvol, muzikaal, en niet zonder eenige coquetterie, vormde zij een belangrijk contrast met de stijve boerinnen en de eerzame maitres. Een paar lieve kinderen Ainrlpiliik. naderhand met nog een vermeerderd, schene i tot speelkameraden van de mijne op te gi
88 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
Evenwel, den raad van mijn' wijzen vriend in het oog houdende, hield ik mij op eenigen afstand en scheen zeker aan den levendigen medicus, die behoefte toonde aan beschaafden omgang en zelfs gaarne een geleerd gesprek voerde, een weinig stijf. Terwijl hij vóór het ontbijt reeds mijn hek binnen sprong en mij mede sleepte, om den nieuwen aanleg van zijn' tuin te zien, liet ik opzettelijk nu en dan eens eene week voorbijgaan zonder hem te bezoeken. âAlle menschen,quot; dacht ik, âwandelen naar ons toe met hunne beste zijde voor; maar hebben zij dit een- en andermaal gedaan en geraken zij aan ons gewoon, dan vergeten zij dien dwang en wenden zich om en om. Zoolang dient men tenminste te wachten met zich aan hen aan te sluiten.quot; En die terughouding was hier vooral noodig, daar Du Meaux eene natuurlijke antipathie had tegen het stijve karakter en den beperkten gedachtenkring der buitenlieden en dus licht, louter uit verveling en behoefte aan gezelligheid, een enthusiastisch en misschien lastig vriend zou worden. Ik wilde dan, eer ik mij aan dien drang overgaf, van naderbij zien wat hij voor de zieken, voor de burgerlijke samenleving en voor mijne gemeente zijn zou
Het bleek al spoedig, dat hij zich met al de levendigheid en energie van zijn karakter op de behandeling zijner zieken toelegde. Zoo verre wij leeken kunnen oordeelen, toonde hij daarbij zelfs eene meer dan gewone bekwaamheid, en de genezing van een paar verouderde kwalen â waarmede de oude man sedert jaren een' ongestoorde wapenstilstand had gesloten â bezorgde hem algemeen vertrouwen. Maar dit vertrouwen eischte hij dan ook en hij kon niet geduidig aanhooren, dat de patiënt hem het inwendige van zijn lichaam volgens eene eigene, boersche anatomie wilde beschrijven, of zijne middelen te leelijk vond om te slikken, of te zwaar om te verdragen. â In den omgang bleef hij, zooals hij zich dadelijk had getoond,
NADERE KENNISMAKING OK DE PRIMATEN VAN HET DORP. 89
levendig, gezellig, ongedwongen. Waarbij was miste men de onaangename pauzen, waarbij het gesprek in zicb zelf inzinkt, gelijk bet vuur onder zijne eigene ascb wordt bedolven en met moeite weèr moet worden aangeblazen. Alleen hinderde mij daarbij zijne bijtende geestigheid, die natuurlijk overvloedige stof vond en waartegen niemand onzer dorpsgenooten was opgewassen. Dan was bet onze goede meester Baljon en zijn stil gezin, dan deze of gene van zijne patiënten, ja zelfs de hooge waardigheid van den burgemeester bleef niet altijd ongeschonden. Ik voor mij heb altijd meer de goedhartige ironie of het opwekkend humor, dan de scherpe en uit haren aard altijd koude en liefdelooze satire bemind. Maar inzonderheid zou ik hem, die door zijn vernuft daartoe licht verleid wordt, opeene kleine plaats de voorzichtigheid aanraden. Waar scherts met scherts wordt beantwoord, doet de eene de andere vergeten; maar waar men langzaam begrijpt en niet vlug genoeg is om puntig te antwoorden, daar onthoudt men lang en draagt er een' stillen, somberen wrok over. Het is daarbij op eene kleine plaats bijna nog gevaarlijker om in iemands afwezigheid, dan in zijn bijzijn hem te beleedigen, inzonderheid door een puntig gezegde, dat gemakkelijk onthouden wordt; want waar weinig nieuws is, daar wordt het kleinste voor nieuws gehouden en bet kwade minstens dubbel overgebracht. En ziehier nu de milde bron van vele onaangenaamheden, die Du Meaux zich reeds berokkend heeft en nog wel verder berokkenen zal, oneindig meer dan hij door een' of anderen te haastig gestorven' patiënt zou gedaan hebben; want misschien waren daardoor nog de erfgenamen zijne vrienden geworden.
En wat zijn nu de primaten van mijn dorp, en de laatst genoemde in 't bijzonder, als leden mijner gemeente beschouwd'? â Misschien boezemt deze vraag den lezer weinig belang in; maar mij destemeer. Van mijn' burgemeester
40 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
kan ik daaromtrent niets anders zeggen dan dat hij zijn' godsdienst letterlijk getrouw waarneemt; want ik heb nimmer iets in hem ontdekt, dat ik in de volle kracht des woords geloof of ongeloof noemen kan, en van Meester Herman Baljon, dat hij volgaarne gelooft wat mijne voorgangers en ik gepredikt hebben, en bij anticipatie alles, wat ik nog prediken zal. Daarom juist was ik te meer benieuwd op welken voet ik hieromtrent met mijn' nieuwen medicus staan zou. Reeds spoedig bemerkte ik, dat hij slechts ongestadig van de kerk gebruik maakte, en ras daarna, dat hij deze kerkgangen mij als eene zekere attentie voor mijn' persoon toerekende. Nu en dan maakte hij mij een compliment over verlichte denkwijze en sierlijken stijl, vooral wanneer ik over een algemeen natuurkundig of zedelijk, minder wanneer ik over een bepaald christelijk onderwerp gesproken had. Ik vermoedde dus uit een en ander wat ik in hem vinden zou en vond mij bij nadere kennismaking niet bedrogen.
Schreef ik nu een' roman, welk eene goede houding zou dan hier een gesprek hebben, waarin de hooge waarde des Christendoms op een' hartstochtelijken toon zegevierend werd aangetoond, waardoor de tegenpartij uit het open veld in zijne laatste vesting gedreven en deze met een' geweldigen storm ingenomen werd en waarvan het heuchelijk einde was: Een vrijdenker bekeerd. Maar met schaamte moet ik het bekennen: het is mij nog nooit gelukt om in één enkel gesprek een' zondaar of ongeloovige te bekeeren. Ik kwam altijd, al sprekende, op een zeker punt, waar het gesprek knorrig werd afgebroken, of als in een' kring terugkeerde tot datgene, waarvan het was uitgegaan. In het eerste geval ging de tegenpartij boos heen en toonde naderhand door daden, dat stilzwijgen nog verre van toestemmen is, en in het laatste begon hij denzelfden kring van denkbeelden hoelangs zoo harder door te draven, zoodat het tijd werd om er een einde aan te maken.
NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP. 41
De slotsom bij mij is, dat, wanneer iemand volstrekt niet wil overtuigd worden, een redetwist eer kwaad dan goed doet, en dat, ook waar hij welmeenend dwaalt, men zich er nimmer op moet toeleggen, als geen oogenblikke-lijk besluit hoog noodig is, om hem tot het uiterste te drijven. Het is genoeg wanneer men denkbeelden bij hem opwekt, waardoor hij zich zeiven of God hem bekeert; iets, dat naar mijne gedachten niet wezenlijk verschilt. Valt men iemand te lastig en kwetst men zijne eigenliefde te zeer, dan is men juist zijne bekeering hinderlijk. De pot, die gedurig wordt geroerd, schuimt wel; maar kookt niet door; daartoe moet hij een oogenblik aan zich zeiven worden overgelaten.
quot;Wat nu Pierre du Meaux betreft, zoodra wij eenigen tijd te zamen hadden omgegaan, kwam hij al spoedig voor zijne denkwijze uit. Ariel het gesprek op het Goddelijk gezag der openbaring of de hooge waarde der verzoeningsleer of de waarheid eener algemeene opstanding, dan was het: ânu ja, ik vind het zeer nuttig, dat de gemeente dit gelooft; maar gij zult mij toch wel toestemmen, dat een verstandig man zich daar slecht mede vereenigen kan....quot; â Kortom, hij was een tamelijk oppervlakkig vrijdenker. Ik viel hem dus tegen, toen ik, ook in vertrouwelijke gesprekken, het Evangelisch geloof verdedigde, en hij viel mij in zooverre mede, dat hij voor godsdienst en zedelijkheid in het algemeen een' oprechten eerbied had.
Deze denkwijze nu was mij niet nieuw, noch onverwacht; in zeker opzicht zelfs was zij mij welkom, evenals eene vreemde ziekte hem welkom zou geweest zijn tusschen de eenvormige kwalen der landlieden door. Meest hinderde mij, dat hij een- en andermaal deze zijne denkwijze niet bedwingen kon op de bijeenkomsten van ons kleine leesgezelschap en daarbij zijn vernuft misbruikte, om het eenvoudig geloof der buitenlieden aan te tasten. Dit werkte op een paar goede boeren als de onverwachto en onheil-
42 NADERE KENNISMAKING OF DE PRIMATEN VAN HET DORP.
spellende verschijning van een staartster; de burgemeester zette nog grooter oogen op dan gewoonlijk en dronk in ééne teug zijn glas leèg, en Herman Baljon liep er de kamer van uit, terwijl ik bij zulke gelegenheden het noo-dig vond om wat ernstiger en beslissender te spreken dan anders in een gezelschap mijne gewoonte is.
Ik nam een gunstig oogen blik waar om Du Meaux te overtuigen, dat zijn plicht als mensch medebracht om zijne denkwijze niet te verbreiden onder menschen, die ze niet konden doorzien en er alleen door zouden verward en verontrust worden. Het gelukte mij zijne natuurlijke goedhartigheid te treffen; en daar ik dikwijls heb opgemerkt, dat het eigenbelang de hechtste steun is van een goed voornemen, sprak ik ook van het nadeel, dat hij in zijne betrekking er zich door veroorzaakte. Dit werkte, en na dien tijd vergenoegt hij zich met een' geheimzinnigen en spottenden lach, dien men op Mastland niet zoo spoedig begrijpt.
Verder heb ik meermalen vriendschappelijk en ernstig over godsdienstige onderwerpen met hem gesproken, en ik heb reden om te denken, dat hij reeds meer aan de gegrondheid zijner meening twijfelt dan de eigenliefde hem toelaat te bekennen, gelijk ik dan ook nooit die bekentenis heb zoeken uit te lokken.
En zoo begint gij, mijn lezer! even alsof gij voor eenige dagen bij mij gelogeerd waart, al zoo langzamerhand met de Mastlandsche samenleving meer bekend te worden.
IV.
DE RENTENIER VAN HET DORP.
Wij hebben clan aanvankelijk met die Mastlandsche burgers kennis gemaakt, die door hunne waardigheid het recht hebben en zelfs verplicht zijn om een' zwarten rok te dragen, en zullen de eigenlijke bevolking, uit handwerkslieden, winkeliers en boeren bestaande, vooreerst nog maar in massa nemen, voor hetgeen zij is. Doch korten tijd na mijne komst op Mastland werd het beperkt getal der heeren en der zwarte rokken nog met één vermeerderd, â een' rentenier, en daar deze geheel buiten onze gewone dorps-classificatie valt, ben ik wel genoodzaakt om aan de beschrijving van zijn'persoon een afzonderlijk hoofdstuk te wijden.
Indien mijn boekske de eer mocht hebben van velen stadslezers in handen te komen, zullen zij waarschijnlijk vragen: âis een rentenier dan een zoo belangrijk wezen? of is het den schrijver te doen om zijn boek te vullen?quot; â Ja, lezers! hij is een belangrijk wezen â onder ons. Ziet! de kostbaarheid der meeste zaken hangt af van hare zeldzaamheid. Keisteenen en aardappelen verschillen hoofdzakelijk door hun aantal van diamanten en ananassen. Bij u, vooral in de groote koopsteden, zijn men-schen genoeg en heeren in overvloed. Een rentenier is er iemand, die u voor de voeten loopt, terwijl gij ijverig bezig zijt. Hoogstens acht gij hem nuttig als een gieter,
DE RENTENIER VAN HET DORP.
om groot geld in 't klein te verspreiden, of ook als den hond Munito, om stilzwijgend eene plaats aan het schaakbord of de speeltafel te bezetten. Overigens heeft hij geene stem in zaken. Er is dan ook eene natuurlijke antipathie tusschen een' rentenier en eene koopstad. Bezigheid en duurte zijn twee ziekten, die er inheemsch zijn en waarvan hij een' doodelijken afschrik heeft. Daarom trekt er ieder voorjaar, tegen de Meimaand, gewoonlijk een zwerm landverhuizers van dit slag ter poorte uit en verstrooit zich heinde en verre.
Maar hoogst zeldzaam verdwaalt één van deze zwervelingen in onze streken. Renteniers, als trekvogels beschouwd, zijn geneigd om te zwermen, ten einde aldus hun' grootsten vijand, den tijd, met gezamenlijke krachten te dooden. Waar dus eenigen hunner zijn, liefst op een goedkoop en gelegen dorp of in een miniatuurstadje, trekken van zelf de anderen heen.
Het was dan tot algemeene verbazing, dat in het voorjaar van 1839 voor ons rechthuis een rijtuig stilhield, beladen met een' rentenier. Hij had, ik weet niet hoe, gehoord, dat bij ons een net, burgerlijk huis te koop stond, waarin kort geleden een oud en eenzaam landman , de éénige rentenier van de plaats, gestorven was, en hij was niet ongenegen om in dit huis zoo het hem aanstond, dezelfde affaire te continueeren. De erfgenamen, die met een huis zonder winkel of melkerij volstrekt geen' raad wisten, waren hiermede zeer in hun' schik, en de heer Duifhuis kocht de woning voor eene matige som gelds, ofschoon zij hem zeker nog minder zou gekost hebben, indien de zaak door de tweede hand ware gegaan en de rentenier achter de schermen was gebleven.
Maar ik moet u een weinig nader met de vroegere geschiedenis van onzen man bekend maken, gelijk ik die van tijd tot tijd uit goede bronnen hen te weten gekomen.
Adrianus Duifhuis (een beroemde naam!) is iemand
4-i
DE EENTEKIEE VAN HET DORP.
45
van goede afkomst. Zijne ouders waren menschen van middelen en zijn ongeluk is, dat hij dit te vroeg geweten heeft. Zijne eenvoudige moeder was zoo ingenomen met haar eenig zoontje, zoo bevreesd, dat hij zich aan noode-loos lijden zou blootstellen, dat zij hem bij eiken arbeid herinnerde: âJanus-lief! verg u zeiven niet te veel; gij behoeft het toch eigenlijk voor uw brood niet te doen, jongen!quot; â Ware Janus nu een luiaard geweest, dan zou hij niets geworden zijn en rustig en rijkelijk hebben kunnen teren op het ouderlijk erfgoed. Maar dit streed tegen zijnen aard, zoowel als tegen den wensch van zijnen vader. Als jongeling besliste hij zich dus tot de studie der medicijnen; maar de latijnsche grammatica viel hem bitter zuur, en daar hij het toch voor zijn brood niet behoefde te doen, brak hij er zoo weinig mogelijk zijn hoofd mede. Daarbij beweerde zijn vader, dat een dokter niet door latijn spreken; maar door oefening en praktijk zieken moest leeren genezen en Janus kwam op de Akademie,. zonder dat iemand recht wist hoe hij er had kunnen komen! Hier was hij wel een goed patriot; maar een slecht medicus, en toen de komst der Franschen de staatkundige twistvragen besliste, begon hij eerst te begrijpen welk een' berg van moeilijkheden hij nog had door te worstelen, eer hij Medicinae Doctor worden kon. En met den oprechtsten lust tot dit vak gaf hij het, na eene en andere poging om door zijn examen te komen, weldra op, daar het toch zijne broodwinning niet was. Er was dan ook niets aan verbeurd. Moeder vreesde zelfs voor de besmetting der zieken, waar men zich toch niet aan behoefde bloot te stellen, ctls 't niet noodig teas, en vader bezorgde hem spoedig een' post, die wel niet voordeelig, maar toch eervol was. Hier bevond hij zich op zijne plaats en zijne republikeinsche denkwijze deed hem met vurigen ijver zijne betrekking vervullen. Maar de zaken namen een' anderen keer; ons vaderland werd in het Fransche keizerrijk ingelijfd; Duif-
DE EENTEN I EE VAN HET DOEP.
huis, wiens ouders inmiddels gestorven waren, kon met zijn F ran,scli niet best terecht en hij nam zijn ontslag, daar hij toch niet langer ambtenaar behoefde te blijven, clan hij zdf wilde. â Daarna heeft hij zich in den handel gewaagd: hij was daarin wel ijverig genoeg; maar had er te weinig kennis van en wist zich daarenboven niet te schikken naar de gebondene levenswijze en den voor-zichtigen omgang van den handelstand; wat behoefde het ook? hij was een man van middelen. Zoo kwam hij altijd te laat op de beurs, maakte zich gedurig vijanden onder grootere handelaars en bleef ten slotte met onbruikbare goederen en onbetaalde posten zitten. â Maar wat was ook gezette handel noodig? Speculatie was immers veel aangenamer, als men geene eigenlijke kostwinning zocht ? Ongelukkig kwam hij daarbij in aanraking met eenige oude rotten van de beurs, die behendig zijne staatkundige denkwijze wisten te vleien. Hij speculeerde dan in effecten en was daarbij op de hand van Grieken, Columbianen, Cortes en alle mogelijke liberalen, daar hij spoedig geloofde wat hij hoopte. Ongelukkig is de vrijheid een slecht financier en Duifhuis begon nog maar even bijtijds te begrijpen, dat hij wel niets voor zijn brood behoefde te doen; maar het toch hoog noodig werd om er iets voor te laten. Hij verzamelde dus het overschot van zijn vermogen en zocht een stil en weinig bezocht hoekje op, omdat zijne laatste lotgevallen hem een' afkeer hadden ingeboezemd van al wat den naam van stedeling draagt. En die afkeer is bij hem zóó diep geworteld, dat, als mijn goede oom Jan, dien hij geheel niet kent, op het dorp komt, den geheelen dag zijne gordijntjes toegeschoven blijven.
Toen ik dit alles vernomen had verwonderde ik mij eenigszins, dat hij, na zoo van de eene hand in de andere te zijn overgegaan, als een sleutel, die nergens op past, er nog zoo vroolijk en welgedaan uitzag, zoodat men hem
DE RENTENIER VAN HET DORP.
waarlijk tien Jaren minder schatten zou dan hij er telt. Maar zoodra ik hem nader leerde kennen, begreep ik, dat hij dit, behalve aan eene vaste en geregelde gezondheid, te danken had aan zijne eigenliefde. Hij heeft zich nooit overspannen, nauwelijks ingespannen bij eenigen arbeid, en daarbij heeft hij nooit eenig ongeluk aan zich zeiven, maar alles aan de omstandigheden geweten. Hevige hartstochten hebben hem nimmer beroerd, vooral nadat zijn eerste republikeinsche ijver een weinig bekoeld is. Aan het geld heeft hij zich nooit bijzonder gehecht, terwijl hij ook nimmer eigenlijk gebrek heeft geleden. En alles te zamen genomen, heeft hij nooit tegen den stroom opgeroeid; maar zich steeds daarvoor laten afdrijven, tot zijn scheepje hier beland is.
Hier geloof ik nu, dat hij wel zijn leven zal ten einde brengen. Hij heeft dien leeftijd bereikt, waarop de rust jaar op jaar begeerlijker en welgevalliger wordt; de kleine bemoeiingen van het dorpsleven geven aan de natuurlijke bedrijvigheid, die hem nog is bijgebleven, stof genoeg, en daarbij is hij hier, wat hij op grooter plaats nooit worden kan, â een notabel persoon.
De heer Duifhuis heeft het alzoo verbazend druk, en toch gemakkelijk. Hij zet hier in het klein de speculatiën voort, die hem in het groot zoo slecht bekomen zijn. ISTu kweekt hij deze en dan geene soort van aardappelen; heden verkoopt hij zijne kuifkippen, om morgen krieltjes in plaats te koopen; en zoo doende vindt hij in het klein nog wel eens soortgelijke vrienden, als vroeger in het groot op de beurs; maar zijne eigenliefde overtuigt hem meestal, dat hij een' goeden koop of ruil heeft gedaan, en daar zijn inkomen voor Mastland vrij ruim is, schiet er nog wel iets voor kleine dwaasheden over.
Wij hebben dus in onzen rentenier eene wezenlijke aanwinst gedaan: vooreerst door zijne consumtie, slijtage en vertering, wat men op eene kleine plaats vooral niet
47
DE RENTENIER VAN HET DORP.
vergeten mag; en dan, omdat hij wat levendigheid op het dorp brengt. â Ziet! daar staat hij juist voor mijn hekje, eene spade op schouder, zijn' rechter broekspijp bemodderd, de huisjas vol spinrag. â Wat zou er aan de hand wezen? â Hij wenkt. â âJa, ja, ik kom. Mijnheer Duifhuis!quot;____
____Ik ben er moe van. Wat heeft die goede man
het toch volhandig! Ik dacht het wel. 't Is over het hegje van het kerkhof. Men heeft hem verleden jaar in 'fc kerkbestuur genomen, en dit is mij niet onaangenaam; daar was wel wat gist in noodig; en nu draaft hij dooide kerk en over 't kerkhof, en door mijn huis en tuin; en daareven is hij langs den kerkmuur door de heg gekropen, om te bewijzen, dat men daardoor kan en de heg te slecht en te oud is om te blijven staan, 't Is hem onbegrijpelijk, dat de burgemeester dit met een onverschillig oog kan aanzien en kerkvoogden er viermaal op een' Zondag voorbij wandelen, zonder al hunne stichting van de preek te verliezen. Hij is den grond in persoon wezen onderzoeken, om in Uilkens na te zien welke houtsoort er het best zou groeien. De man is voor niemand , anders dan in 't voorbij gaan, te spreken, of het mocht zijn over de heg van het kerkhof. Zijn tulpenbollen komen er te laat door in den grond en hoe zal het toch van 't jaar met het poten zijner aardappelen gaan!?
Gij ziet dus, dat Adrianus Duifhuis ook op Mastland een waar patriot is, dat is; een mensch vol verbeteringsplannen, die het algemeene welzijn behartigt en het zijne verwaarloost , die theoriën in praktijk brengt en wetenschappen voor het volksbelang aanwendt, die aristocratie en lauwheid haat als de pest; â met één woord, een patriot; en het is zijne schuld niet, dat nog niet alle Mastlandsche boomen verzet en alle publieke gebouwen vermaakt zijn.
Met dat al hadden wij hier wel eens, bij den alge-
48
DE RENTENIER VAN HET DORP.
meenen slentergang, zoo iemand noodig. Duifhuis moge onberaden zijn als een jongmensch en stijfhoofdig als een oud man, hij is welmeenend en rechtschapen, en daar hij toch een weinig meer gezien heeft dan doorgaans de boerenstand, en daarbij, als een onafhankelijk stedeling, dien hoogen eerbied niet voelt voor onze dorpsautoriteiten, heeft hij wel eens de spits afgebeten voor noodige verbeteringen, waarover de dorpelingen reeds vijf en twintig jaren lang, rondom een knappend vuur en onder een smakelijk pijpje, gesproken, maar ook nooit meer dan gesproken hadden.
Het laat zich begrijpen, dat op deze wijze Duifhuis niet altijd in vrede leven kan. Heeft hij nu eenige belangrijke procedure, dan is hij lastig, onverzettelijk, en hij zou hatelijk en ondragelijk worden, indien er niet één vijand was, die hem altijd zeker overwon: â de tijd. Het is hem niet mogelijk om voor dezelfde zaak drie maanden lang te ijveren, noch denzelfden persoon drie maanden lang zuur aan te zien. Hij is altijd te zeer gewoon geweest om voor langdurige moeilijkheden en onaangename aanrakingen uit den weg te gaan. En de weinige keeren, dat ik met hem in eene kleine schermutseling geweest ben, is mij ook de krijgstaktiek uitnemend gelukt om hem door bedaarde volharding af te matten. â Maar behalve zijne bedrijvigheid en zijn patriotisme is er nog iets anders, dat hem onaangenaamheden op den hals haalt. Hij is nog altijd in zijne eigene oogen het éénige, wat hij ooit met hart en ziel is geweest: â medicus. Toen hij hier kwam, kwijnde juist de waardige oude chirurg en er was dus nog al eens gelegenheid voor Duifhuis om uit zijne huisapotheek een' en anderen patiënt wat mede te deelen. Spoedig daarna echter kwam Pierre du Meaux en deze vond het denkbeeld ondragelijk om, als man van studie en bekwaamheid, zijne praktijk te deelen met een menschlievenden kwakzalver. En daar was toch
â 19
4
DE RENTENIER VAN HEÃ DORP.
waarlijk kans op. Mijne goede boeren hebben altijd meer eerbied voor eene bekwaamheid, die buitengewoon is, dan voor kunde, die geregeld verkregen wordt. Duifhuis gaat ook vrijer met hen om. En wat het voornaamste is: dezelfde middelen werken uit zijne hand veel krachtiger, omdat een Mastlandsche zieke veel beter geneest, als hij weet, dat hij voor niet geneest. Het heeft dus waarlijk al op sprong gestaan, dat de geneeskundige commissie er aan te pas zou komen en ik heb handen vol werk gehad om dit te verhinderen.
âEn wat man is nu onze rentenier voor uwe conversatie? Hoe zijn zijne denkbeelden, zijne beginselen?quot;
Ja, lezer! ik weet nauwelijks of ik mijn' vriend Duifhuis, in den verhevensten zin der woorden, denkbeelden en grondbeginselen kan toeschrijven. Het hangt er alleen van af, wat gij daaronder verstaat. Denkt gij aan een wikkend redeneeren en daarop gevolgd oordeelen en besluiten omtrent de gewichtigste belangen van het men-schelijk leven: â dit zult gij bij Duifhuis niet vinden. Gij kunt in zijne tegenwoordigheid over afgetrokkene en verhevene onderwerpen redeneeren zooveel gij wilt, hij zal stil zitten, indien hij slechts eene pijp heeft, maar hij luistert niet; het gaat hem niet aan; verstaat hij er bij geval iets van, omdat hij toch van nature zoo dom niet is, hij onthoudt het zeker niet, en gij moet hem eenigszins kwetsen of de belangen van den dag, waarin hij geheel leeft, aanroeren, om hem tot antwoord te bewegen. In 't verleden najaar was hij bij mij, met Baljon en Du Meaux. Wij spraken over een natuurkundig onderwerp en ons gesprek nam nog al eene goede, godsdienstige wending; ik kwam zelfs wat in extase en begon juist iets te zeggen over de wonderen van den starrenhemel, toen Duifhuis mij in de rede viel met de vraag: âmaar Dominee! kunt gij u dan begrijpen, dat het spek zoo prijzig blijft, daar het voêr toch zoo goedkoop is?quot;
50
DE RENTENIER VAN HET DORP.
Maar toch, de denkbeelden er buiten gelaten, zou ik verkeerd doen, als ik mijn' goeden Duifhuis een' man zonder principes noemde. Hij heeft zeer zeker grondbeginselen, die zijn oordeel en zijn gedrag besturen en die vast staan als een Gothische muur. Ik geloof zelfs stellig, dat hij er voorjaren over heeft nagedacht; maar nu zijn ze sedert lang eene uitgemaakte zaak voor hem. Hij heeft de gevolgtrekkingen overgehouden en de redenen vergeten, die hem daartoe geleid hebben, en nu zweven zijne principes in de lucht, even als een koorddanser, die de ladder heeft weggeworpen, waarmede hij op het koord geklommen is. Hij bewijst deze zijne denkbeelden door ze gedurig te herhalen voor ieder, die ze hooren, of ook niet hooren wil, en hij wederlegt iedere tegen-bedenking door het krachtig argument: âik zeg het maar en daar houd ik mij bij.quot;
Deze zijne grondbeginselen zijn meestal uit den tijd, toen hij nog dacht, toen hij medicus en patriot was; ongelukkig, dat hij toen wel eene zedelijke opvoeding, maar geene godsdienstige vorming heeft gehad; dit gemis is, bij een karakter als het zijne, volstrekt onherstelbaar. Latere lotgevallen hebben die beginselen nog met eenige weinige vermeerderd, zoodat er geene langdurige studie zou noodig zijn van den man en zijn leven om ze alle op een kwart vel papier te schrijven en met den datum van hun eerste ontstaan te merken. Ik wil er eene kleine proeve van geven:
1780 â 87. (De tijd zijner kindsheid.)
Een leugenaar of schelm is mij geen knip voor den neus waard; dat zeg ik.
1787 â 95. (De patriotsche tijd.)
Ik zeg maar: een mensch is geen beest, en die zich laat vertrappen, is een gek.
Alle koningen en prinsen zijn opvreters, anders niet!
Ieder zijn geloof, ieder zijne vrijheid: dat is mijne leus.
51
DE HEXTENIER VAN HET DOEP.
1792 â 96. (Zijne medische studiën.)
De natuur gaat bovenal: vroeg opstaan en vroeg naar bed gaan is het ware. Ik blijf er gezond bij.
Men mag ons leeren wat men wil, â ik houd maar vol: dood is dood, en wat daarna komt, moeten wij afwachten.
1804. [Het jaar zijner eenige zware ziekte..)
Hoor eens: als 't er op aankomt, wordt ieder bang voor N0. 1; en daarom moet men den godsdienst te vriend houden, ieder in zijne kerk.
N.B. Dit principe schijnt het vorige een weinig achteruit gedrongen te hebben, zoodat het alleen nog bij eene luchtige stemming en nooit in mijn bijzijn te voorschijn komt.
1820 â 38. (De tijd van zijne meeste handelszaken en speculation.)
Geen mensch kan mij bewijzen, dat de koophandel iets anders is dan schelmerij, en een koopman, dan een afzetter.
1839 â 42. (Zijne vestiging buiten.)
Die met de wereld (dat is de stadswereld) niet noodig heeft, is in mijn oog een gek, als hij er in blijft.
Ik vind een dorp maar beter dan eene stad, omdat de menschen er minder verstand en minder tijd hebben om schelmen te worden.
Ziedaar den heer Adrianus Duifhuis. â In mijne betrekking sta ik met hem op een' vrij goeden voet. Ten gevolge van zijn principe van het jaar 1804 en van zeker gevoel van betamelijkheid is hij onder ons een getrouw kerkganger, maakt een goed figuur op zijne fraaie drieguldensplaats en zingt met eene zuivere, schoon al wat bevende stem. Maar in vertrouwelijk godsdienstig gesprek kan ik nooit met hem treden en heb ook nog nooit de kracht van godsdienstige beweegredenen bij hem met vrucht kunnen gebruiken. Wat hij goeds doet, moet hij door zijne eigene grondbeginselen, of nog meer dooide natuurlijke goedheid van zijn hart doen.
52
DE RENTEXIER VAN HET DORP.
Eens had hij met zijne oorlogen over kippen, geiten en tuinheggen het mij toch wat gortig gemaakt en ik begreep, dat het tijd was ora hem in 't vriendelijke eens een ernstig woord te gaan toespreken. Bijna drie uren had ik bij hem gezeten en geduldig al zijne plannen en klachten aangehoord. Ik zal nu den lezer de nadere bijzonderheden maar besparen. Genoeg, dat ik hem zocht te bewegen om iets van zijne voornemens op te geven uit christelijke liefde; maai-, zonder mij eigenlijk tegen te spreken, wierp hij mij gedurig een paar zijner bekende stellingen naar het hoofd en begon dan zijn verhaal op nieuw. Eindelijk zag ik, dat ik toch niets vorderde en groette hem om heen te gaan, eer ik wellicht boos en scherp worden mocht. Het was avond. Ik kwam tehuis en zette mij bij den haard neder en staroogde in de spelende vlammen, zoodat mijne goede Cornelia mij reeds tweemaal een kop koffie had aangeboden, zonder dat ik het bemerkte. Nu legde zij mij den arm op den schouder, kuste mij en zeide: âkom, Willem, wat zit gij daar weèr te druilen? Wat hebt gij nu voor muizennesten in 't hoofd?quot;
Ik was niet ongenegen om het hart te ontlasten; het was mij al te vol, en ik antwoordde: âja, lieve Kee! ik kom van Duifhuis, en ik heb mij geërgerd en bedroefd, en met dat al heb ik al weder de wijsheid van Gods bestellingen opgemerkt. Toen ik van de akademie kwam, de oefenschool der edelste vermogens van onzen geest, en hier buiten de menschen zoo zag zwoegen en slaven, dacht ik wel eens: waarom moeten redelijke wezens een zoo groot gedeelte van hunnen kostbaren tijd besteden aan aardsche, nietige dingen? Waarom moet de mensch, die zoo kort leeft, werken als een pakquot;-â' nloeg-
paard, zoodat hij bijna geen oogenblik tc houdt?quot; Nu zie ik al meer en meer, (
dadige beschikking is; want zij, die 01
53
DE RENTENIER VAX HET DOEP.
de algemeene wet âin 't zweet moes aanschijns zult gij uw brood etenquot;, zijn ondragelijker dan zij, die arbeiden. Ik heb meer dan éénen rentenier gekend; maar zelden een' wijzen, en nog zeldzamer een' gelukkigen. Het is dan nu wel goed zoo; maar het is toch treurig, dat de meeste menschen de zweep noodig hebben om dragelijke wezens te blijven.quot;
âEn vanwaar zou dat toch komen, Willem?quot;
âMij dunkt, Cornelia, zoo lang iemand verplicht is om druk te werken, blijft, doordien hij de handen vol heeft, de ledigheid van geest en hart verborgen, en hebben zijne hartstochten den tijd niet om zich in al hunne kracht te ontwikkelen; maar houdt dit moeten op, dan komt zijne nietigheid aan den dag, en hij is even vervelend voor zich zeiven en anderen, als het kind, dat met de vakantie tehuis is; en dan worden zijne hartstochten woelig, omdat zijne rede krachteloos is. Zoo wordt de rentenier een onbeduidend eu een lastig mensch, en hij juist kon toch zoo voortreffelijk en zoo nuttig wezen.quot;
âEn wat wilt gij dan wel van een' rentenier hebben, Willem? Is 't niet genoeg als hij zijn geld aan den man brengt, trouw in de kerk komt, een geit en wat kippen houdt en het verder de buren niet al te lastig maakt? Wat vergt gij van den man meer? Hij behoeft het immers, zoo als de heer Duifhuis zegt, voor zijn brood niet te doen?quot;
âJuist daar hij voor zijn brood niets behoeft te doen, kon hij datgene doen, waartoe een ander niet in de gelegenheid is. Als ik mijn' zin had, zouden er maar tweeërlei soort van menschen rentenieren: de wijsgeer en de christen. De wijsgeer zou daardoor tijd en middelen hebben tot die bezige rust, waarvan de oude wijzen spraken, dat is tot ontwikkeling, veredeling en beschaving van zijnen geest, tot beoefening en bevordering van nuttige wetenschappen; maar helaas! bij de meeste menschen worden op zekeren lAftftiid de hersens gesloten en daarna geen entreebiljetten 3n de christen zou als rentenier tijd
54
DE RENTENIER VAN HET DORP.
en geld hebben om geheel voor anderen te leven, wat het zaligste en nuttigste leven is. â Maar nu hebben de meeste renteniers geen verstand om wijsgeer, en geen hart om christen te zijn; en ze worden keutelaars, knorrepotten , eigenzinnige menschen, plagen voor zich en anderen, ballasten der maatschappij....quot;
âHei, Hei, Willem, is dat doordraven! En wil ik u nu eens wat zeggen? Laat uw' wijsgeer en uw' christen werken; daar is toch nog tijd genoeg over om te denken en wel te doen, als het hun meenens is, en werken zij niet, dan worden ze ook door de renteniers-ziekte aangestoken; want die is besmettelijk, geloof ik. Bij voorbeeld: mijn man kon wel eens een menschenhater worden, als hij rentenier was.quot;
âGij spot. Keetje; en of gij het toch geheel mis hebt, durf ik niet zeggen. Maar wat is het dan toch treurig, dat de mensch zoo is!quot;
âHoor eens! weet gij, wat gij doet? Zeg eens op een' deftigen toon: Wie kan al het kromme recht maken'? En als gij dat gezegd hebt, drink dan uw' kop koffie uit, want het wordt mooi koud.quot;
Ik deed het, en gaf aan den hemel over wat ik toch niet kon veranderen.
oo
V.
MIJN EERSTE KANSELWERK.
Komt, mijne medebroeders, die insgelijks reeds eenige jaren, en meestal langer dan ik, dien weg betreden hebt, doet ook eens, wat ik op dit oogenblik doe. Brengt op een' rustigen avond uwe eerstelingen, sedert lang in een' donkeren hoek van boekenkast of lessenaar weggelegd., weder aan het daglicht, en legt ze naast uwen tegen-woordigen arbeid op de tafel. Mij althans geeft het een weemoedig genoegen wanneer ik zoo op mijne eigene schreden terugkeer en mijn eigen ik van vroegeren leeftijd weder ontmoet, dat ik elders nauwelijks herkennen zou, evenmin als de kapel naderhand de huid van de pop herkent, waaruit zij is voortgekomen.
Toen ik op mijne eerste standplaats kwam, bracht ik een' kostbaren schat mede: een twintigtal leerredenen, gedeeltelijk de vrucht van mijn' akademietijd, gedeeltelijk die van mijne proponents-dagen, leerredenen, meestal opgesteld zonder noodzaak, alle zonder eene gemeente bepaald voor den geest te hebben: woorden in de lucht, aanspraken zonder hoorders. Vooral de akademische proefpreek en waren mij in der tijd recht naar den zin: zij waren bewerkt, doorwerkt, afgewerkt. Zij zijn dan ook alle te Mastland voorgedragen en dragen den datum hunner openlijke optreding op het titelblad. Of ze verstaan zijn? Ik durf er niet aan denken. Wel had ik bij de woorden
MIJN EERSTE KANSELWERK.
van den Heiland âIk zal met u zijn tot dn voleindiny der â wereldquot; eene fraaie schets van de kerkelijke geschiedenis opgesteld, en bij die van Petrus â Ik zal zorgen, dat gij na mijn verscheiden wetenschap hebt van deze dingenquot; was de oorsprong van den canon der boeken van het Nieuwe Testament vrij goed uiteengezet; maar____
En behalve deze kostbare verzameling van leerredenen bezat ik een dito van schetsen, welke ik bijna nog hooger achtte, de zuur gewonnen vrucht van het schetsen-col-lege. Dat schetsen-college, o als ik er nog aan denk, welk een' arbeid het mij gekost heeft! Wat waren die schetsen netjes! Al de deelen en onderdeelen konden uit elkander worden genomen en weder in elkander gezet, als een kinder-legspel. Het geheel sloot ineen als het gebindte op de teekening van een' kundig architekt. En wanneer dan de goede professor verscheen, al hadden wij er lange winteravonden met vereenigde krachten aan gearbeid, dan moest er toch altijd de schaaf nog eens opgezet en het penseel nog eens overgestreken worden; maar dan ook namen wij ze verheugd mede en schreven ze keurig netjes over en legden ze weg, als diamanten van het eerste water!
Zonderling verandert toch van dag tot dag ongemerkt ons oordeel, zoodat wij ons zei ven nauwelijks begrijpen kunnen hoe wij, na weinige jaren en zonder éénen plot-selingen sprong, op een zoo geheel ander standpunt gekomen zijn. quot;Wanneer ik nu deze kostbare, gepolijste schetsen in handen krijg, dan schijnen ze mij schaduwen zonder wezen, mathematische figuren zonder lichaam, geraamten, die nimmer geleefd hebben, en ik zie geen kans, ook bij den besten wil niet, om ze den adem in te blazen en het bloed door de aderen te jagen. En stel ik mij ons troepje studenten voor, zoo lustig en zoo dartel, zoo ongeschikt om anderen te stichten en te besturen, daar wij ons zei ven nog nauwelijks besturen
57
MIJN EERSTE KANSELWERK.
konden, gezeten rondom die tafel met schetsen, â dan komt het mij bijna voor alsof wij bij een' professor in de medicijnen den pols hadden loeren voelen op eene stroopop en de tong onderzoeken op een' houten gaper.
En toch was dit de schuld niet van den braven en kundigen hoogleeraar; maar van de jeugd en deakademie. Onze hoogescholen zijn wel geschikt om godgeleerden te vormen; maar leeraars vormen zij niet. Die vormen zich zeiven of de gemeente vormt hen, naderhand. Onze kerk mist dien gelijdelijken overgang van de theorie tot de praktijk, die op de akademie niet kan gevonden worden. De omstandigheden des tijds hebben wel het legioen proponenten daargesteld, waaronder men den tusschenstaat doorbrengt tusschen student en predikant. Ik geloof, en zie zelfs, dat die tusschenstaat Voor velen nuttig is; maar hij is te onzeker, te ongeregeld, te ledig en ontmoedigend; het is geene voorzaal, waar men wordt ingelaten en nader omtrent een en ander onderricht; het is de straat, waarin men elkander verdringt, niet wetende, of het wel immer gelukken zal om binnen te komen.
Maar ik zou van mijn eerste kanselwerk spreken. Ik reken daartoe nu niet de medegebrachte leerredenen. Deze dienden voor die weken, waarin ik door andere noodige bezigheden en bezoeken te zeer werd opgehouden. Ik spreek van de leerredenen, te Mastland en voor Mastland opgesteld. Wat zwoegde ik den geheelen Maandag en Dinsdag om toch een' goeden tekst te vinden! Want tot een' goeden tekst behoorde, dat zich een thema, eene van alle zijden afgeronde stelling, daaruit liet afleiden. In die stelling moest alles begrepen zijn of ten minste begrepen kunnen worden, wat over den tekst te zeggen viel, en dan moest die stelling door mij gemakkelijk, of )egen, kunnen behandeld worden. Maar :leinste arbeid; die schets, die ongeluk-loest immers zoo net ineen sluiten, geen
58
MIJN EERSTE KANSELWERK.
deel mocht te groot of te klein wezen; en er was geen professor op Mastland om ze na te zien! Eerst eeue voorafspraak, of ik iets vooraf te zeggen had of niet, en clan â dit vloeide toch nog het gemakkelijkst, â in het eerste deel den tekst behoorlijk toegelicht, in het tweede de waarheid, daarin vervat, uit rede, bijbel en ervaring nader bewezen, en in het derde met eenige toepasselijke aanmerkingen besloten. Inderdaad, ik mag niet ondankbaar wezen; zonder deze methode weet ik niet hoe ik er immer zou gekomen zijn. â En was nu de schets gereed, wat was het overige dan? Schrijven, anders niet. De denkbeelden waren voorhanden en de woorden kwamen van zelf. â Nu nog het memoriseeren, die altijd onaangename inspanning, waarbij tevens eenige perioden wat welluidender gemaakt, aangevuld, afgerond werden; en â ik was gereed. â En de uitvoering dan? Wel, op de uitvoering was ik genoeg voorbereid: ik had oogen en handen immers kunstmatig leeren bewegen en zou het zeker van de voeten ook geleerd hebben, als de predikstoel niet van onderen gesloten ware; en ik was immers een ijverig lid geweest van een declameer-gezelschap, waar Tollens kunstmatig bedorven en Bilderdijk onwetend geparodieerd werd....
Alzoo gereed, trad ik voor de Mastlandsche gemeente op en ik achtte mij reeds een goed eind op weg, vooreerst om een der eerste kanselredenaars van ons vaderland te worden en vervolgens om de geheele gemeente tot eene edele christenschaar te vormen, waarin alle on-geloovigen overtuigd, alle zondaars bekeerd werden; en zoo als ik dit gulhartig beken, zoo kan ik met vrijmoedigheid er bijvoegen, dat het laatste mij nog oneindig meer dan het eerste ter harte ging.
Daar stond ik dan nu voor eene eigene, voor mijne gemeente. Met die gedachte was het alsof ik, reeds op de trappen van den predikstoel, alle mijne gesticulaties
59
MIJN EERSTE KANSELWERK.
vergeten was. Verder gevoelde ik mij met zekeren angst aan het geschrevene gebonden en daarin niet al te best tehuis, juist op het oogenblik, dat ik het uitsprak. Dit een en ander maakte zeker mijne voordracht stijf en vervelend, en eenige al te gedienstige vrienden waren zoo goed om mij de onzachte oordeelen daaromtrent over te brengen: dat was de eerste harde pil; ik heb er naderhand doozen vol geslikt!
Deze ongunstige oordeelen deden mij niet alleen om mijnent wille leed; maar ook om de goede zaak. Zoo had de waarheid, die ik voorstelde, althans zulke hoorders volstrekt niet getroffen, daar zij den tijd hadden gehad tot bittere oordeelvelling. Waaraan zou dit liggen? Er had toch geen enkel bewijs ontbroken. Ik wist in de schets geene ingeslopen fout, in de leerrede geen' verkeerden volzin te ontdekken........ Na eenig nadenken
besloot ik om op de houding en het gelaat mijner hoorders nauwkeuriger acht te geven, om, zoo mogelijk, mijne leerrede tot in hunne ziel te volgen. Bij mijne voorafspraak (zoodra men wist, dat ik die altijd had) scheen men alleen naar de eerste woorden te luisteren. Dan was men gerust, omdat ik op gang was, en velen hadden nog eene kleinigheid te bespreken of te doen eer het voorgebed aanving. Bij de tekstverklaring waren velen vrij aandachtig, eenigen zelfs (ik bemerkte later, dat zij als schriftgeleerden in de gemeente bekend en geëerd waren) spitsten daarbij bijzonder de ooren. Maar treurig was het gesteld bij het tweede, het betoogende gedeelte; dan gaven de burgemeester en de oudste ouderling het sein, door zich in hun hoekje vast te zetten en velen volgden hun voorbeeld; ach! eer het laatste bewijs was uiteengezet was er somtijds maar een klein gedeelte der hoorders meer overig, altijd met Meester Baljon aan het hoofd, die door het diep gevoel van zijnen plicht verhinderd werd om immer in te sluimeren; zelfs deed de
60
MIJN EERSTE KANSELWERK.
goede man buitendien nog wat hij kon en voorzag het geheele kerkbestuur, benevens de voorste rij vrouwen, van â snuif.
Maar het woord toepassing werkte als een elec-trieke schok op de dommelende gemeente. Dan stond men op, groette elkander daarbij, naar een zonderling landsgebruik, en staroogde op mij, om toch niets van deze mijne toepassing te missen. Ik wil gaarne bekennen, dat, gelijk straks de dofheid mij had geërgerd, nu de aandacht mij verlegen maakte. âHoe,quot; zoo dacht ik, âzal men op zich toepassen wat den slapenden ooren is voorbij gegonsd?quot; En buitendien, opdat er niets aan het betoog ontbreken zou, had het tweede deel der leerrede zooveel plaats ingenomen, dat er slechts enkele bladzijden waren overgeschoten voor de toepassing, die, zoo dacht mij, bij eiken redelijken mensch van zelve volgt zoodra hij van eene waarheid doordrongen is. En dit bezorgde mij van diezelfde slapende toehoorders het vonnis, dat mijne verklaring wel goed; maar mijne toepassing gansch niet krachtig was.
Hoe ben ik toch het eerste jaar doorgeworsteld? Toen de eerste kersttijd negen preken in plaats van vier vorderde,â neen! toen kon ik aan de logische orde mijner schets niet meer denken en ik was blijde, als ik, door dagen en nachten arbeids, voor iedere godsdienstoefening eenige tamelijk verstandige en hartelijke toespraken had opgeschreven, die toch met niet minder aandacht, dan mijne uitgewerkte leerredenen, werden aangehoord. En toen ik nu in het begin van het volgend jaar weder aan den gewonen arbeid moest gaan, â ik herinner het mij nog levendig, â toen zat ik met de hand onder het hoofd en vreesde, dat de bijbel mij te klein zou worden. Immers, weldra zou ik geene stelling meer te bewijzen, geene ondeugd te bestraffen, geene deugd aan te bevelen hebben, die niet reeds bewezen, bes wolen
61
MIJN EERSTE KANSELWERK.
was. En het getal der goede teksten, teksten, zoo als ik ze boven beschreven heb, werd waarlijk schaarsch.
Ondertusschen leerde ik mijne gemeente meer in 't bijzonder kennen en mij aan haar hechten, en wanneer ik dan toch, daar de nood drong, weder eene leerrede maken moest, zweefde mij dikwijls het een of ander voor den geest, dat uit de huizen mijner gemeenteleden op mijne kamer was medegegaan. Nu eens was het eene heer-schende verkeerde denkwijze; dan ondeugden of rampen, die ik gezien had; dan weder de opvatting en invloed mijner prediking, die ik had opgemerkt. En ik ben overtuigd , dat ik op die wijze aan mijne gemeente zelve mijne vorming tot haar' herder en leeraar verschuldigd ben. Vele bijzonderheden hiervan zweven mij op dit oogenblik voor den geest; maar zij zouden den lezer misschien even nietig voorkomen als ze mij belangrijk zijn. Ik wil dus dien tusschentijd voorbijgaan en alleen zeggen hoe ik nu over mijn' eersten kanselarbeid oordeel en mijn' tegenwoor-digen zoek in te richten.
Wanneer ik nog eens terugzie op die langdurige worsteling, waardoor uit den theologant en rhetor een dorpspredikant geboren werd, dan heb ik geen berouw van mijne studie, dan schaam ik mij mijne eerste, gebrekkige proeven niet. De godgeleerdheid, hoewel zij veel heeft wat menigeen afschrikt, is eene nuttige en noodige wetenschap en zonder haar met ijver en oordeel beoefend te hebben zal Wel niemand een uitnemend leeraar worden. Maar daarom behoeft men nog geene godgeleerde preeken te maken. Het is hiermede als met de grondslagen van een huis: zij moeten stevig, maar zij moeten bedekt wezen. De gemeente is evenmin een letterkundig gehoor als de bijbel eene Kritiek van Kant is. Ook worden de menschen niet overtuigd enkel door het geregeld toetellen van ge-nommerde bewijzen, evenmin als zij bekeerd worden door de opsomming van drangredenen tot de deugd. En
62
MIJN EERSTE KANSELWERK.
dit is wel zeker, dat, moesten wij onze toehoorders eerst tot goede theologanten vormen, om er zoodoende goede christenen van te maken, onze zalige hemel geweldig leèg zou zijn.
Dit was zeker het hoofdgebrek mijner eerste leerredenen. Zij waren te veel godgeleerde verhandelingen, en de kerk van Mastland was niet tot een gehoorzaal gebouwd. Daarbij werden ze zeker te stijf voorgedragen; maar dat acht ik minder een gebrek, dan wel eene onvermijdelijke eigenschap van den jeugdigen redenaar. Ik was toen (in een' goeden zin) acteur, gelijk ik later spreker werd; dat is: ik voerde toen mijne stukken uit, maar toch mijne stukken; ik stelde gebrekkig voor wat ik gedacht en gevoeld had op mijne kamer; maar ik had het toch gedacht en gevoeld, en daarom berouwt het mij niet. Ik geloof zelfs, dat niemand, die van het belang der zaak doordrongen is, zich terstond zoo geheel vrij kan gevoelen op den kansel, en dat de jonge mensch, die dadelijk de vrijmoedigheid heeft om een spreker te zijn, lichtelijk spoedig de onbeschaamdheid zal hebben om een babbelaar te worden.
Maar als men zich nu meer te huis gevoelt op den kansel en in zijne gemeente, hoe zal men dan het nuttigst spreken? Ook deze vraag wil ik nog uit mijne ondervinding trachten te beantwoorden, ofschoon sommigen het misschien vermetel en anderen vervelend zullen vinden; maar gelijk ik de vrijheid had van al of niet te schrijven, zoo behoudt ieder de vrijheid aan zich om al of niet te lezen.
Wat zijn onze leerredenen? Geene godgeleerde verhandelingen en zelfs geen eigenlijk of enkel onderwijs in de godsdienst- en zedeleer; ook geene eerste evangelieverkondiging, gelijk de taak is der zendelingen; het zijn toespraken tot eene gemeente, en wel liefst tot onze gemeente, bij hare openlijke vereering van God en den Hei-
63
MIJN EERSTE KANSELWERK.
land, toespraken, waarbij een gedeelte van Gods Woord ten grondslag wordt gelegd, naar het voorbeeld der oude Joodsche synagoge. Dit wacht de gemeente ook van ons; en van daar, toen ik meer onder het algemeen omging, dat ik alleen van verklaring en toepassing hoorde spreken, en niet van dat kunstige, afgetrokkene tweede deel, waaronder zoovele hoorders mij hadden verlaten.
Wij hebben dan over en naar den bijbel te spreken tot die menschen daar, gelijk ze zijn, gelijk wij ze kennen, die menschen met hunne sterfelijkheid en hunne eeuwige bestemming, met hunne dwaasheden en hunne zonden. En die spreekt, moet wat te zeggen hebben, iets, dat hij weet, of gelooft, of gevoelt, of wil, iets dat hem op de lippen brandt, waarmede hij hoog is ingenomen. â Ziedaar het ware beginsel onzer prediking; al het overige is broddelwerk.
En die aldus spreekt, het is niet genoeg, dat hij ingenomen is met de zaak, waarvan hij spreekt; hij moet ook gehecht zijn aan de menschen, tot wien hij spreekt. Hoe zijn die menschen? Waartoe komen ze? Hoe hooren ze ons? Doorgaans gevoelen zij, al is het slechts flauw, hunne behoefte aan godsdienst; maar dit gevoel is bij velen sluimerend, bij weinigen zoo sterk, dat zij ingespannen, ook als het hun moeite kost, blijven luisteren; het moet worden opgewekt, de mensch in hen moet worden wakker geschud. â AVij willen van waarheden hen overtuigen? Goed. Maar wij moeten eerst hen zoeken te bewegen om naar die waarheden te luisteren. En als zij al luisteren, dan moeten wij niet verwachten, dat zij zullen aannemen wat goed betoogd is. Verreweg de meesten hebben öf geene bepaalde denkbeelden omtrent godsdienstige en zedelijke waarheden, en dan nemen zij ze moeielijk meer aan, nu zij eenmaal volwassen zijn, öf zij hebben een' bepaalden vorm van denken en zekere vaste stellingen, vrienden hunner jeugd, waarvan ze zich
64
MIJN EERSTE KANSELWERK.
niet zullen laten scheiden; wat daarmede overeenkomt, nemen zij aan, wat daartegen strijdt, verwerpen zij als per sa onwaar, en misschien verwerpen zij daarbij ook, eens voor al, u, die het zegt.
Zoo schijnt dan de weg tot het verstand onzer meeste hoorders ons afgesloten? Niet geheel en al, hij is slechts versperd. Daarenboven staan ons nog twee wegen open, waarvan menige zijweg tot de hersenen voert: de weg tot het geweten en de weg tot het hart.
Het geweten is in iederen mensch een onwraakbare getuige, die wel eens sluimert; maar zelden diep slaapt. Ook waar het verstand peigert om de waarheid aan te nemen, wordt het geweten dikwijls daardoor getroffen. En waar zullen wij beter den weg tot hetzelve geopend vinden dan in het bedehuis, waar de zondaar zich voor het aangezicht des heiligen Gods stelt? Die ook daar zich verhardt, die is elders zeker allermoeilijkst te treffen.
En het hart is toch ook bij geen mensch geheel en al voor edele aandoeningen gesloten. Dat moge zoo schijnen, als woeste driften zich geheel van hem meester hebben gemaakt; maar als deze bedaren, dan zal hij toch voor zachter gevoel nog wel vatbaar zijn. De grootste booswicht weent soms heete tranen bij de gedachte aan zijne moeder of aan zijne kinderen.
Dat zijn nu de wegen, langs welke onze hoorders voor ons toegankelijk zijn, niet juist om ze op één oogen-blik van ingewortelde vooroordeelen te genezen of van ingekankerde gebreken te bekeeren; maar toch om een heilzamen invloed op hen uit te oefenen, al is het langzaam en ongemerkt. Maar daartoe behoort dan ook vurige en onvermoeide ijver voor de goede zaak en hartelijke liefde tot uwe medemenschen, hen vooral, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd. O! een hoorder bemerkt het zoo spoedig of ge tot hem spreekt, omdat gij belang in hem stelt, evenals het kind u in de oogen
65
MIJN EERSTE KANSELWERK.
leest of gij een kindervriend zijt. En waarin gij als vriend hem onderricht, waarmede gij hem opbeurt of waartegen gij hem waarschuwt, dat neemt hij juist van u gaarne aan, terwijl hij het van een'zou weigeren. Daarom beschuldig ik dan nu ook de logica en de dogmatiek en de homiletiek niet meer, dat ze mij nog geen preeken geleerd hadden.
En nu het onderwerp. Ik, dwaas! dat ik zoolang naar een' goeden tekst zocht en vreesde, dat de bijbel mij te klein zou worden! Zoo dikwijls ik de kerk binnentreed, die plaats, waar de Oneindige, Onzienlijke wordt aangebeden, is daar niet oneindig veel te zeggen tot verheerlijking van dat onbegrijpelijk groote Wezen? Stel ik mij mijne gemeente voor en mij zeiven daarbij, zondaren als we zijn, misschien morgen een lijk, â die menschen met hun duizendvoudig verschillend karakter en lotgeval, â en ik sla dan de gewijde bladen open, â is er niet oneindig veel daarin te leeren, daaruit te putten tot bemoediging en tot waarschuwing? En al is het niet geheel nieuw of onbekend, al heb ik er zelf vroeger reeds over gesproken, wordt het nog wel genoeg bedacht en beleefd? Neen zeker, mijn leven is niet lang genoeg om alles te zeggen wat ik uit en naar mijnen bijbel te zeggen heb.
Maar hoe zal ik spreken? Want wanneer ik ijver en liefde op den voorgrond stel, dan bedoel ik niet dien gemakkelijken ijver en die zoetsappige liefde, die door de opgewondenheid en teederhartigheid van eenige oogenblikken het verzuim van eene geheele week zoekt te vergoeden. O! het is een gevaarlijke driesprong voor ons, als wij eens een onbedacht, maar warm woord gesproken hebben en de goede gemeente daarmede zoo is ingenomen. Alle inspanning kost moeite, en hoe gemakkelijk schijnt het niet om zonder studie te kunnen stichten! â âMaar men ondervindt toch dikwijls, dat
66
MIJN EERSTE KANSELWERK.
een hartelijk woord, haastig opgeschreven of voor de vuist bedacht, meer treft, dan eene wel bewerkte rede?quot; â Ik heb het ook meenen te ondervinden; maar bij nadere ondervinding ontdekt, dat het minder treffende niet daaruit voorkwam, dat mijne rede icel bewerkt, maar juist, dat ze verkeerd bewerkt was. En wat dat haastige woord betreft, zou het bij ons de rechte ijver zijn, die bekoelt op de studeerkamer, en bij de gemeente de ware en blijvende indruk, die zoo spoedig verwekt wordt? En wanneer wij ons nu, door de goedkeuring van eenige al te vriendelijke vrienden of door de tranen van weeke, vrome zielen laten verleiden om nog eens en nog weder met dat haastige woord ons te behelpen, zullen wij met de hand op het hart voor het zuivere beginsel daarvan kunnen instaan? zullen wij de christelijke kennis in onze gemeente, onze achting bij haar, onze eigene ontwikkeling bevorderlijk zijn? Of____
Maar wat hebben wij dan te bewerken, wat te zoeken in onze leerredenen? Mij dunkt, vooral waarheid, orde en eenvoudigheid. De waarheid van hetgeen wij zeggen moet de vrucht zijn van eigen onvermoeid onderzoek. De bijbel en de menschen zijn het vooral, waarover wij heldere, bepaalde denkbeelden moeten hebben; want ik kan bij eigene ondervinding getuigen, dat als wij geene heldere begrippen verwekken, dit meestal daarvan komt, dat het onze eigene begrippen aan genoegzame helderheid ontbreekt. De eenige tekst, dien ik nu niet goed, althans voor mij niet goed acht, is zulk een, dien ik niet genoeg versta.
Nu de orde. Hier komt mij mijn schetsencollege te pas; maar het staat veel verde r op den achtergrond dan voor vier jaren. Ik wil ook voor geene preekmethode meer partij trekken en geloof, dat iedere methode goed is, mits zij natuurlijk en doelmatig zij. 't Is bij voorbeeld natuurlijk, als ik vooraf iets te zeggen heb, dat ik
*
67
MIJN EERSTE KANSELWERK.
eene voorafspraak houd; maar wat behoef ik mij anders daarop te pijnigen? De toehoorders weten immers reeds, dat zij in de kerk zijn, dat zij er zullen bidden en 't Evangelie hooren verkondigen? Zelfs zou het mij hinderen om eene voorafspraak te houden, als mijn gemoed vol is om te daukeu en te bidden. quot;W aai om dan bij zulk eene gelegenheid de voorafspraak of inleiding, als men die toch wil, niet liever na het gebed?
En nu de leerrede zelve. De tekst moet worden uitgelegd. Goed, als dit uoodig is. Somtijds zijn de bijbelwoorden eenvoudig en bekend; dit wint dan plaats \oor een hartelijk en nuttig woord tot de gemeente. Somtijds is het ons opzettelijk oogmerk om eene duistere of dikwijls misbruikte plaats beter te doen verstaan; dan wordt de geheele leerrede uitleg. Zoo geloof ik, dat bet doel van ons spreken, nog meer dan ons onderwerp, de natuurlijke orde onzer rede bepaalt. Is ons doel om te overtuigen, dan moeten wij natuurlijk de geregeldste orde van bewijsvoering zoeken. Is ons doel om te treffen,, dan behooren wij den gang der menschelijke aandoeningen te volgen. Willen wij vergelijken, dan moeten wij punten van overeenstemming opnoemen. Zullen wij verhalen, dan is de volgorde der gebeurtenissen onze leiddraad. En zoo, dunkt mij, heeft alles zijne eigenschap, en de kunst is alleen om tot de ware natuur der zaak door te dringen.
Maar de toepassing toch nog? Ja, mijn lezer, ik ben eenigen tijd met mijne gemeente het hieromtrent niet eens geweest. Zij wilde eene uitgewerkte, gebijzonderde toepassing, en ik gaf alléén of eene hartelijke toespraak tot besluit, of ik sprak tusschenbeide een toepasselijk woord, waar ik meende, dat het de plaats was. Daar ik evenwel bemerkte, dat hetzelfde gezegde aan het einde meer doel trof dan in 't midden, schik ik mij al meer naar den smaak der gemeente, waar ik dit
68
MIJN EERSTE KANSELWERK.
â¢doen kan, ofschoon ik dien smaak, of liever die gewoonte, van zich zoo en niet anders te laten treffen, nog nooit geheel kan goedkeuren. Het is wel natuurlijk, dat de nadruk bij eene ernstige rede sterker wordt tegen het einde, dat zij dan met kracht haar doel naderen en zoo mogelijk bereiken moet; maar als er toch altijd zoo eene afzonderlijke toepassing noodig is om te zeggen âhet gaat u aan!quot; geloof ik dat öf de gemeente te koud is onder onze leerrede, öf onze leerrede te koud voor de gemeente.
En nu nog, bij waarheid en orde, de gulden eenvoudigheid, die voor alles de kortste, zuiverste en helderste uitdrukking weet te vinden, die de scherpe hoeken dei-kunst effen maakt en in de natuur der zaak de schoonheid der uitdrukking vindt; de eenvoudigheid, die spreekt in de eigene taal der hoorders, maar die taal zuivert, in hunne eigene denkbeelden, maar die veredelt; neen! de arbeid, dien wij daaraan doelmatig besteed hebben, zal onze bewerkte leerredenen niet minder nuttig dan andere maken, veel nuttiger integendeel, omdat die arbeid ons nader bij onze hoorders brengt, in plaats van ons verder van hen te verwijderen.
Maar ik mag niet langer uitweiden. Ik heb mij door een geliefkoosd onderwerp reeds verder laten wegslepen dan menigquot; lezer aangenaam zijn zal. Alleen wil ik er bijvoegen, dat ik slechts de slotsom van eigen nadenken en ondervinding heb willen opgeven, geenszins mijne denkbeelden anderen tot wet stellen. Voor mij hebben ze dit voordeel, dat onderwerpen, denkbeelden, woorden nu van alle zijden rondom mij opwassen, als schoone papavers in het wild; dat de kunst den ijver zoo niet meer in een harnas kleedt , maar hem vriendelijk de hand biedt; dat ik geen bloem of vrucht behoef voorbij te gaan, die aan den weg mijner rede groeit; en â dat een weinig beter dan voor drie jaren mijne Mastlandsche gemeente wakker blijft.
69
MIJN EEESTE KANSELWERK.
Somtijds zou ik nog wel eens moedeloos worden omtrent de vruchten mijner prediking, wanneer ik de menschen des Maandags altijd terugvind zooals ik ze des Zaterdags gelaten heb; maar ik heb leeren inzien, dat er een weinig jeugdige aanmatiging gelegen is in onze eerste verwachting van die vrucht onzer prediking. Is het niet alsof wij op ééns alles zouden doen wat een ander in lange jaren niet kon? En als wij tot ons zeiven inkeeren, hebben imj' zoo spoedig onze dwalingen en zonden afgelegd? Zou daarenboven ook niet de beste vrucht in 't verborgen rijpen? O, als wij telkenmaal maar eene enkele booze gedachte konden wegnemen, ééne slechte daad keeren, één' droeven traan afwisschen, één oogenblik van nadenken verwekken, eene knaging
des gewetens öf opwekken, of bedaren,.....hoe rijken
groot en heerlijk zou dan onze oogst zijn in de toekomst van Christus!
70
VI.
D E HAAN.
âWeet gij het-al? Het geheele dorp is er vol van!quot;
âWat, wat dan?quot;
âDaar is een haan gedood: denk eens, met moedwil vermoord!quot;
âNu, wat is dat?quot;
âWat het is? Wel het was de haan van den burgemeester !quot;
Die prachtige haan van onzen burgervader! AVat wandelde hij daar deftig over de straat, terwijl het gitzwarte lijf zich golvend bewoog bij iederen stap, de borst vooruit, den grooten, witten kuif omhoog: zoo achtbaar als voor vijftig jaren de schoonste gepoederde paruik prijkte boven den zwarten gekleeden rok.
Mij dunkt: er is in den haan zoo iets van het ernstige, achterdochtige, wraakzuchtige Turksche karakter; alleen maakt hij van zijn kippenhok geen gesloten' harem, omdat hij geene kapoenen heeft om het te bewaken; maar niet minder jaloersch wandelt hij zelf aan het hoofd van zijne vrouwenschaar.
Maar het was niet alleen de algemeene hanen-aard, die den overledene bezielde. Het is alsof de hoogmoed van ons menschen licht onze huisdieren besmet, wien wij toch van onze nederigheid, wijsheid of edelmoedigheid niets kunnen overdoen. Zoo grinnikt en springt het paard in zijn
DE HAAN.
blinkend tuig; zoo laat de hond van den rijke zijne tanden zien of gevoelen aan den schamelen bedelaar; zoo stapte onze haan daarheen als de burgemeester der Mastlandsche hanen en geen gewone boerenhaan kwam straffeloos in zijne nabijheid, als hij niet terstond nederig voor hem uit den weg ging. En dit gaf nog al eens een ernstig gevecht, daar de hanen en de groote mogendheden niet gaarne een ander recht dan dat van den sterkste erkennen.
Maar, behalve met zijns gelijken, had onze haan nog met andere vijanden te strijden. De dorpsschool, gelijk gezegd is, lag aan het einde van de straat. De meeste schoolkinderen moesten dus die straat op, het huis van den burgemeester voorbij. Het was den deftigen haan al eene ergernis, dat deze springende en dartelende troep zoo dicht langs huis en tuin draafde, zonder eenig bewijs van eerbied en ontzag. Maar als dan de kinderlijke moedwil hem en zijne kippen steentjes voor broodkruimels voorwierp, of ze binnen de limieten van den kippenloop terugdreef, gloeide zijne kam van verontwaardiging. Den geheelen troep durfde hij evenwel niet aan en hij retireerde dus met korten, onwilligen stap en dreigend gekloek; maar wee den armen kleine, schuldig of onschuldig, die zich van de hoofdmacht der schoolkinderen verwijderde en hem te na kwam! Meer dan eens was hij zulk een' kleinen dreutel naar het gezicht gevlogen, niet zonder gevaar voor oogen of neus, en de moeders zouden zich reeds lang de zaak hebben aangetrokken; maar nu stilden zij de verschrikte en schreeuwende kinderen met eene kleine snoeperij of met een oorvijg; want â het was de haan van den burgemeester.
Tot dusverre het merkwaardigste, dat er van den vermoorde te zeggen valt; nu nog iets over den moordenaar.
Ruim een half uur gaans buiten het eigenlijke dorp, maar nog binnen deszelfs wrereldlijke en geestelijke juris-
72
DE HAAN.
dictie, ligt eene buurt, genaamd de Hokkendwn. Hooge, prachtige ijpen en esschen verheffen er hunne kruin en vruchtbare bouw- en weilanden strekken er zich aan alle zijden uit, zoodat het bij dien rijkdom der natuur den wandelaar nog meer in het oog valt, dat de woningen der menschen daartegen zoo armoedig afsteken. Meestal zijn het ware hutten; nauwelijks tegen een'zwaren stortregen of hevigen rukwind bestand. De deuren hangen scheef en slepen over den grond ; van de glasruiten is meestal weinig meer dan eenige scherven over, en op de vermolmde rieten daken wassen mos en huislook welig, terwijl die daken zich soms niet eens meer uitstrekken over de half ingevallen schuurtjes. Enkele huisjes slechts zijn, wel weinig beter gebouwd, maar toch iets beter onderhouden, en zij bewaren niet zonder moeite hunnen stand door tapperij of winkel of door een paar koeien, die daarin des winters hun verblijf hebben. Destemeer verrast ons op eens, midden in deze buurt, een sierlijk gevenvd hek, een wel stijve, maar ook nette en welvoorziene bloemtuin endaar-achter eene fraaie boerenwoning, waarvoor het blinkend kopergoed prijkt: â de woning van Arij Ploegstaart.
Arij Ploegstaart is een man in de volle kracht zijns levens, sterk en gespierd van lichaamsbouw, en â hetgeen vreemder is aan zijnen landaard, â vlug en vroolijk van geest en van uitzicht. In vroeger jaren slechts een daglooner, wist hij door zijne vlijt zich langzamerhand in eigen doen te zetten, waarbij eene voor zijnen stand vrij groote erfenis hem te hulp kwam. Sedert dien tijd schijnen misgewas en veeziekte hem steeds te zijn voorbij gegaan en is dus, door de hooge prijzen van een en ander, zijne bezitting in dezelfde mate aangegroeid als die van anderen afnam. Nu is hij een der grootste grondbezitters en draagt met recht den naam van âkoning van den Hokkendamquot;, niet alleen omdat hij er de éénige rijke is onder vele armen; maar omdat hij bijna de ge-
73
DE HAAN.
heele bevolking, des zomers op zijn land en des winters in de vlasschuur en op den dorschvloer, bezig houdt en dus een onbepaald gezag over haar uitoefent. Omtrent Mastland gedraagt hij zich eveneens als eene bijna onafhankelijke volkplanting omtrent het moederland. Hij erkent in naam het gezag der dorpsoverheden, waartoe hij zelf niet behooren wil; maar doet inderdaad geheel wat hij wil. Gelukkig voor de buurt en voor den predikant, is hij een getrouw kerkganger en gaat met den leeraar gaarne vriendschappelijk om.
Lang reeds hadden andere bezigheden en bezoeken mij verhinderd om dit belangrijk lid van mijne gemeente volgens belofte met mijne vrouw een bezoek te geven. Eindelijk begaven wij ons op weg. Het was een schoone dag in het begin van September; de grootste warmte van den dag was reeds voorbijgegaan en het gezicht van de velden $ die met een' schoonen oogst bedekt of daarvan eerst kort geleden ontdaan waren, was recht geschikt om onze wandeling aangenaam te maken. Hier maaide men de zomerschoof of plukte men het laatste vlas, daar ploegde men den grond of zaaide het wintergraan, terwijl het vee zich verlustigde in eenen overvloed van gras en hier en daar een paard, na volbracht dagwerk, galoppeerde of rolde door de weide. Recht genoegelijk gestemd kwamen wij aan den Eokkendam. Bij het gezicht van de hutten dezer buurt griefde het mij, dat de inrichting der menschelijke samenleving de rijkdommen verplaatst van de velden, waarop zij tehuis behooren, in de geldkisten der rijken. Maar te gelijk vielen ons ook de torentjes in het oog op de schoorsteenen van Arij Ploegstaart en ras daarna hek en tuin en woning.
Ploegstaart zelf stond vóór zijne woning, met de korte pijp in den mond en klompen aan, geheel als een arbeider gekleec1.. Alleen een pet van wat nieuwer fatsoen en beter allooi, benevens zijne luidruchtige stem en iets welvarends
74
DE HAAN.
in zijn geheele voorkomen, onderscheidde hem van zijn werkvolk, waaraan hij juist eenige orders gaf. Hij zag ons wel, maar ging daarmede rustig voort; daar wij toch tot hem kwamen, behoefde hij tot ons niet te komen. Zijne verwelkoming bestond in eene bestraffing, dat wij niet eer gekomen waren, gelijk dit zoo wat tot de oud-vaderland-sche zeden, en wel tot de lastigste, schijnt te behooren. Dit duurde, zoolang wij het huis omgingen, de voordeur voorbij, het nette straatje over, om de achterdeur in te gaan. Binnen gekomen, moesten wij dezelfde bestraffing, met adsistentie van zijne vrouw, nog eens aanhooren, repliceerden gedurig met eene verontschuldiging en belandden eindelijk in den kring van vrouw en kinderen, waarbij later meid en knecht en arbeider hunne stoelen aanschoven; want afgezonderd van zijn volk te zitten rekende Ploegstaart tot de naaping der stadszeden, het bederf van den boerenstand. Ik moet bekennen, dat die ruime huiselijke kring iets aartsvaderlijks heeft; maaibij mijne gesprekken is het mij wel eens hinderlijk om door minstens een half dozijn kinderen en bedienden, die geen woord mede spreken, maar des te scherper toeluisteren, te worden aangegaapt.
De manieren van den huisvader hadden, ook bij zijne eerste strafpredikatie, iets gulhartigs, waardoor men hem die niet euvel duiden kon. Maar bij die gulhartigheid toonde hij eene zekere opzettelijke lompheid, die men wel aan zijn' vroegeren stand kon toeschrijven; maar die hij toch zelf meer zocht, dan ontweek. Schoon hij het woord denkelijk nooit gehoord had en zeker niet verstond, legde hij zich toe op eene zekere grata neg lig en fia, die ook inderdaad meer kluchtig dan hinderlijk was. Bij ons binnen komen duwde hij mijne vrouw der zijne in de armen, zoodat het op eene vrij onzachte omhelzing uitkwam, daarop smeerde hij (-w W1 ovir--de-tafel en pakte toen een paar jongens bi â . laats
DE HA AX.
voor ons te maken; vervolgens werd mij natuurlijk eene pijp gegeven met de vraag of ik ook, zoo als de meeste Dominees, van mijn eigen bocht rookte, en â zoo waren we dan eindelijk rustig gezeten.
Het onthaal was gul, het gesprek levendig. Bij al het ongegeneerde van zijne woorden en manieren gaf Ploegstaart blijken van geest en oordeel. Hij verheelde zijne lage afkomst niet; maar nam veeleer de eerste gelegenheid te baat om die te verhalen en den zegen Gods te roemen, die hem zoover gebracht had. Hierdoor bracht hij vanzelf het gesprek op godsdienstige onderwerpen en verried daarbij eene meer dan gewone bijbelkennis en zelfs verlichte denkbeelden. Overigens roemde hij het geluk van de stille onafhankelijkheid, welke hij genoot, en waarboven of buiten zijne wenschen zich niet uitstrekten. En, gelijk de lezer zich kan voorstellen, ik had deze eerste maal meer te lachen en te knikken dan te spreken, hetgeen mij niet onaangenaam was.
Zijne vrouw scheen eene vriendelijke, goede boerin; maar, behalve dat de vrouwen op het land doorgaans bij de eerste ontmoeting met haar' postuur een weinig verlegen zitten, scheen vrouw Ploegstaart, door eene stilzwijgende overeenkomst, de leiding van het gesprek geheel aan haren man over te laten, doch schonk en sneed en smeerde zij daarentegen des te ijveriger.
Mijne vrouw had zich daardoor al meer en meer naar onzen kant omgewend, en toen wij nu eindelijk voor rijtuig bedankten en bij een heerlijk maanlicht de terugreis aannamen, waren wij nauwelijks het groene hek door, of zij viel uit âwel, dat is een aardige boer, Willem! Zóó hebben wij er geen' op het dorp. Dat is een man uit een boek, geheel boer en toch zoo verstandig en geestig. Ik denk, dat wij nog al eens dikwijls naar den Hokkendam zullen wandelen.quot;
..'t Ts mnw.liik Keetje; maar wij kennen den man nog '
DE HAAN.
âAVel, mij dunkt, dat wij hem al redelijk wel kennen. Hij is ten minste nederig ea hartelijk en, naar 't schijnt, godsdienstig ook.quot;
âAan zijne nederigheid twijfel ik juist het meest. Het is goed, dat men zich zijne mindere afkomst en manieren niet schame; maar men kan ook juist daarop roem dragen. 'tZou al zeer wonder wezen, wanneer iemand, die door bekwaamheid en ijver zoover kwam, die op zijne plaats zoo onafhankelijk en machtig is en voor dat alles uitkomt, recht nederig was. En wat zijne hartelijkheid betreft, â ik heb nog zelden innige, vertrouwde vrienden gevonden onder diegenen, die het den eersten morgen of avond al schijnen. Schoothondjes zijn allemans-vrienden, terwijl de deftige kardoes, de knorrige mop en de nijdige bulhond voor hunnen meester zouden sterven.quot;
âKom, kom! gij zijt een achterdochtig mensch en zoekt altijd sproeten en pokkeputten, ook op het fraaiste gelaat. Ik voor mij wil dan dien aardigen boer gaarne spoedig weèr eens bezoeken.quot;
âEn als nu dezelfde aardigheden eens telkens terugkeerden ? Ik heb wel professoren gekend, die iederen vreemdeling op dezelfde geestige gezegden onthaalden: het waren hunne schoorsteenstukken in 't salet, bij ieder bezoek zag men ze weèr. â Maar met dat al, Cornelia, als zijne gulhartigheid en zijne godsvrucht welgemeend zijn, blijft hij toch eene aanwinst voor onze beperkte conversatie, al blijft hij dan ook geen mem uit een hoek. En ik heb nog al gedachte, dat dit zoo zijn zal.quot;
Maar het wordt tijd, dat wij tot den haan terug-keeren; wij zouden het beest bijna geheel vergeten.
De bladeren waren reeds van de boomen gevallen en werden voor de eerste maal met eene dunne laag sneeuw bedekt. I-Iet was Zaterdag-morgen en ds school ging uit. Ook de kinderen van Arij Ploegstaart gingen, daar er een
DE HAAN.
goed zandpad naar het dorp lag, den winter dóór ter school, en de jongsten werden daarbij door de oudsten geleid en beschermd, â zoo als kinderen leiden en beschermen. Althans zij kwamen altijd heelhuids, al was het juist niet altijd met heele of schoone kleederen, aan den Hokkendam terecht.
Daar stond meester Baljon op de straat, naast de schooldeur, en beslechtte de twisten over den eigendom der kleine klompen en draaide een' en anderen pet recht en stuitte enkele springers in hun' wilden loop. Met het laatste meisje avanceerde hij naar het midden der straat, vervolgde toen met het vuur zijner oogen de schooljeugd tot voor het huis van den burgemeester, boog tegen het mijne en draaide zich om; â alles, gelijk hij dit reeds dertig jaren lang had gedaan, des zomers met de handen op den rug en des winters met de rechterhand in de borst en de linker in de broekzak.
Van Zaterdag-morgen tot Maandag geen school! Dat vooruitzicht deed de kinderen, zoo als iedere week, eenige duimen hooger en eenige voetstappen verder links en rechts springen. De weg vlak recht uit is voor de jeugd de marsch van een strafbataillon. De kleinen dwaalden en krielden dan ook nu dooreen, en daar zij een' bok in het oog hadden, draafden zij, vlugger dan anders, het burgemeestershuis voorbij. Op ééns werd het hoofd corps door een noodgeschrei terug geroepen. De kleinsten hadden den versnelden marsch niet kunnen volgen en de vreeselijke haan had van die gelegenheid gebruik gemaakt om al de beleedigingen van deze week op een' der achterblijvers te wreken. De kleine Arij Ploegstaart, een knaap van zes jaren, had den aanvaller willen ontvluchten; maar was juist daardoor over de natte sneeuw uitgegleden en lag nu op den rug, onder de klauwen en snavel van den algemeenen vijand, schreeuwende uit al zijne macht. Er kwam spoedig ontzet en de kleine kwam zonder
78
DE HAAN.
gevaarlijke kwetsuren vrij. Hij bracht evenwel slijk, ed en tranen genoeg te huis om derwaarts ook het haal van het gebeurde over te brengen. De oudsten den het anders maar liever voor zich gehouden en me berekening was niet ongegrond. Arij was vaders mgenoot en lieveling en zoodra had hij niet bevende en :kende zijn verhaal gedaan of de ontvangst der 3ren bestond daarin, dat vader den een' bij zijne jn, den ander bij den kraag en de derde bij hare muts nuiU en hen zoo dooreen en over den dorpel in huis schopte en eenige bastaardvloeken achterna wierp, â want andere vloeken gebruikte hij nooit, maar was toch niet gaarne geheel zonder.
Maar deze huisvaderlijke beschikkingen voldeden Ploegstaart nog niet, inzonderheid toen het knaapje dien avond door eene harde koorts werd aangetast, welke men aan schrik, wonden en vermoeienis scheen te moeten toeschrijven. De koorts en de schrik weken nu van het kind wel spoedig; maar niet de wrok uit het vaderlijk hart. De trotsche vijand van zijn kroost stapte toch nog, vrij en ongestraft, met zijn' pauwentred over de Mastlandsche straten. Bovendien droeg onze buitenman den burgemeester geen bijzonder goed hart toe, daar beiden te onafhankelijk waren om elkander niet wel eens in den weg te treden. Hij bezat evenwel slimheid genoeg onder zijn uiterlijk voorkomen van losse openhartigheid om eenige weken te wachten en intusschen naar eene geschikte gelegenheid uit te zien voor de geduchte strafoefening, welke hij in den zin had.
Het was op eenen marktdag, waarop vele inwoners afwezig waren en ook de burgemeester zijne slede had ingespannen om met zijne vrouw over de dikke sneeuw stadwaarts te rijden, dat Ploegstaart, eer hij zelf ook van huis ging, een paar kleine gauwdieven van den dijk in het werk stelde. De moordenaars slopen met een' stok
79
DE HAAN.
en een paar strikken gewapend naar het dorp en wisten door een' omweg ongemerkt in den burgemeesterlijken tuin door te dringen. De haan, gelijk verwacht was, stond pal en verdedigde zijn terrein. Maar terwijl hij den een' aanvloog, werd hij door den ander handig bij de vleugels gegrepen, de eene strik hem over den kop geworpen en met den anderen hem de pooten aaneen gesnoerd, en de dappere strijder stikte in zijn laatste gekraai!
Dit alles geschiedde in weinige oogenblikken bij een achteraf .gelegene mestvaalt en werd door niemand gezien. Even onbemerkt gelukte het hun om den haan aan een' spijker in den huismuur op te hangen, met een papier er boven, waarop met groote letters te lezen stond: Straatschender.
De dag liep ten einde, de nacht ging ongestoord voorbij; maar de volgende morgen____ o die morgen!.... De burgemeester was des avonds laat tehuis gekomen en voor de meid was dit een onbetaalbare dag geweest om, juist aan een' anderen hoek van het huis, te vrijen. De nacht had alles met zijnen sluier, die zooveel kwaads verborgen houdt, bedekt. Des morgens, juist te acht ure, â want Meester Herman Baljon is een man van zijn' tijd, â begon de klok te luiden en bij het eerste gelui sloot de burgemeester zijne pijp met het zilveren dopje, zette de slaapmuts recht en nam den bak met gerst in de hand, alles, alsof er niets gebeurd was. Maar daar trad hij naar buiten, zag eerst naar de lucht en toen naar de hoenders en riep en schudde met den bak en riep nog eens en kreeg alleen kippen te zien en ging nu het huis om; maar..... op ééns wierp hij den bak gerst op den grond, brak zijne pijp, struikelde over zijn pantoffel en stortte zóó ademloos naar binnen, waar hij in zijn' leuningstoel nederzonk, terwijl het bloed hem neus en ooren dreigde uit te springen.
De burgemeesters-vrouw, even prompt op haar' tijd,
80
DE HAAN.
had met het begin van het klokgelui thee gezet en begon met het einde daarvan de boterhammen te smeren. Hoe weinig zij nu ook gewoon was om zich in den rustigen gang harer werkzaamheden te laten storen, nu hield zij evenwel een oogenblik het mes onbewegelijk in de rechterhand en het brood in de linker, richtte haar rustig oog op den dierbaren echtvriend en vroeg dood bedaard âscheelt er wat aan ?quot;
Deze vraag bespaarde wellicht onzen goeden Van dei-Zanden eene beroerte; want door het contrast van die droge woorden met zijne hevige gemoedsbeweging was het alsof de dam van schrik werd doorgestoken, die zijne hartstochten terughield. De beklemde lippen openden zich, nog bevende van woede. Gewone aardsche woorden konden hem niet voldoen, zoodat hij hemel en hel bijeen vloekte. Dit was voor zijne vrouw geen alledaagsche zaak; zij wachtte het alleen na eene of twee vaste jaarlijksche vergaderingen, waar buitengewoon gedronken werd, en daar nu de vloektaal wel krachtig is, maar evenmin welluidend als duidelijk, zoo hervatte zij bedaard het smeren van de boterhammen, in afwachting van nader' uitleg. Maar ongelukkig voor haar zelve, gelukkig evenwel voor het bloedrijke burgemeesterlijke gestel, kwam juist de meid binnen, die zeker wel een weinig schuld had; maar toch nergens van wist, en deze werd met de uitgezochtste scheldwoorden naar boven gezonden om haar kist te pakken en te vertrekken, zonder dat zij er noch recht achter kon komen, door welke gruweldaad zij dit verdiend had. Hierop volgde de veldwachter, een arm man, die een groot gezin had, geheel van den burgemeester afhankelijk was en naar gewoonte zijne orders kwam vragen, en deze goede ziel kromp bij de ongewone ontvangst ineen als een aal en boog al dieper en dieper bij ieder scheldwoord.
Nu was dan toch eindelijk het burgemeesterlijk gemoed genoeg ontlast om langs den stroom zijner woorden ook
81
6
DE HAAN.
zijne gewone drie boterhammen en drie kopjes thee door de keel te laten; daarop zocht hij zijn dopje op, kreeg een' nieuwen aanval van woede bij het gezicht van het corpus delicti, en raasde daardoor nog een weinig tegen een paar arme buren, die niets gezien hadden en toch alles hadden moeten zien.
Ondertusschen groepeerden zich langzamerhand buren en vrienden op de dorpsstraat bijeen. Zij, die met den rug naar des burgemeesters huis of er verre vandaan stonden, lachten; de anderen behandelden de zaak ernstig; eenige moeders konden nauwelijks de luidruchtige uitdrukking harer vreugde bedwingen en de oude redenaars van de beurs verklaarden zich tegen alle straatschenders, zoowel den vermoorde als zijne moordenaars. Maar hetgeen eigenlijk ieder van zijnen buurman weten wilde, wist niemand, en schoon dien ganschen dag ieder schoft te lang werd gemaakt , vele aardappelen tot moes kookten en veel pap aanbrandde, wist men des avonds nog wel dezen of genen te bedenken, die het feit zou hebben willen plegen; maar niemand, die het kon gedurfd hebben.
De zaak vernemende, had ik mij dien dag stil binnen gehouden, sprak er ook de volgende dagen zoo weinig mogelijk over; maar vernam ondertusschen alles, wat er te vernemen was, door de tweede hand, inzonderheid-door mijn' getrouwen adjudant. Meester Baljon.
De Zondag kwam, â men was nog niet wijzer. De kerk was voller dan gewoonlijk, zelfs de vaste slapers spitsten de ooren, en bij het uitgaan was bijna niemand tevreden, dat ik den dooden haan had laten rusten en eenvoudig het Evangelie gepredikt.
Maar des Maandags morgens zat de burgemeester te ontbijten en had het noodlottige papier in de hand, toen hij plotseling opsprong, zoodat zijne vrouw bedaard op zijde ging, om hem in alle richtingen den weg vrij te laten. Met de woorden: âdat had ik vroeger moeten be-
82
DE HAAN.
denken!quot; en met het doodvonnis in de hand liep hij gezwind de dorpsstraat over en op het schoolhuis toe. Herman Baljon had de slaapmuts na het luiden van de klok weer opgezet, om daarvan zoo lang mogelijk genot te hebben, en zat pennen te vermaken in de school; want bezigheden van studie deed hij nooit in het huishoudver-trek. Bij het haastig binnenkomen van den burgervader spouwde hij van schrik eene pen geheel open, in plaats van er eene split in te maken, en nam de slaapmuts af.
âMeester! spoedig al uwe schoolschriften nagezien, en als dat niet genoeg is, al de handteekeningen op het dorpshuis: ik moet weten wie dit vod geschreven heeft. Hoort gij ?quot;
Meester Baljon hoorde en boog en nam met die buiging de hachelijke taak op zich. Zoodra er niet meer over den haan gesproken werd, werd ook de toon van den burgemeester vriendelijker en beide dorpswaardigheden wandelden nog eens het kerkhof over. Ik zag het uit mijn slaapvertrek, daar ik juist bezig was met op te staan, en het scheen mij geen gunstig voorteeken voor de rust van deze week.
Deze Maandag was voor Baljon een dag van ongewone inspanning. Des avonds ontving hij vele authentieke stukken van het dorpshuis; ook bij mij kwam hij nog kerkelijke akten nazien; dien nacht verbrandde hij twee kaarsen extra; en â nog vond hij het niet, om eene zeer eenvoudige reden, waaraan de burgemeester niet gedacht had.
Bleek van het nachtbraken meldde hij zich Dinsdag morgén vóór half negen bij den burgemeester aan. Reeds een uur lang, zelfs onder het luiden, had hij bedacht met welke woorden hij zijn troosteloos rapport zou indienen; maar de geheele toespraak werd hem afgesneden door de vraag:
âNu, wiens hand is het?quot;
âIk..... ik weet het niet.quot;
âGij zijt een droomer, zeg ik u.quot;
83
DE HAAN.
)5Maar..... maar de burgemeester gelieve te bedenken,
dat quot;de letters op dit papier geteekende drukletters zijnT
en daarbij verandert geheel het eigenaardige.....quot;
Het gezicht van het noodlottige papier bracht zijn Edel Achtbare in nieuwe woede en met een dreigend oog riep hij uit: âdrukletters! ja, ik zal je met diuk-letters betalen, lomperd!quot;
Dit woord klonk den goeden meester, die juist eene aanmaning om achterstallige dorpslasten wachtende was T als een donderslag in de ooren; maar hij begreep, dat het best was om de bui te ontwijken en vertrok.
Een droomer! Ja, wel droomde hij nog half door den slapeloozen nacht en de vergeefsche inspanning. Het was juist schrijfmorgen op de school en dan waren de kleinen nog al rustig. Toen nu alle pennen zoo krasten, dommelde Meester Baljon in en droomde van schriften en handteekeningen, die in woest geweld dooreen dansten en waarachter eenige drukletters uit den grond opkwamen T die al grooter en grooter werden tot op eens al het schrift door een' stroom van hanenbloed werd uitgewischt en de goede man verschrikt ontwaakte en zich het klamme zweet van het voorhoofd wischte.
Ondertusschen begreep de burgemeester, die bij de gewone stemming van zijn gemoed niet onredelijk was, al spoedig, dat meester, veldwachter, noch buren eenige schuld aan het feit quot;hadden, en zoo kwam de zaak tot een kalm status quo, dat gewoonlijk op deze woelige-aarde de plaatsvervanger is van ware rust en vrede. Dit status quo zou waarschijnlijk wel onbepaald zijn verlengd geworden en dan had de tijd, die reeds zooveel kwaad heeft doen vergeten, ook dezen dooden haan al spoedig
in zijn' grooten reiszak ingepakt; maar.....
Het is weinig menschen gegeven om het goede, aardige, of wat er ook opmerkelijks is, dat zij gedaan hebben, te verzwijgen. Het draait zich om en om in hun geheugen.
84
DE HAAN.
het kijkt hun de oogen uit, het brandt hun op de tong en sluipt eindelijk ongemerkt tusschen de tanden door; want er is geen woord, dat zwaarder op de onderlij) weegt, dan het woord IK; er behoort veel spierkracht
toe om het binnen te houden en____ontsnapt het eens,
hoevele woorden sleept het niet met zich!
Job Wijsland is een eerzaam winkelier op ons dorp, rustig van aard, goedhartig, vroolijk, en, schoon hij ook vrijwel mede kan spreken, met de gelukkige gaaf bedeeld om bij ieder, die gaarne spreken wil, aandachtig te luisteren. Dit maakt hem bemind en doet, gevoegd bij zijne bekende eerlijkheid, ook zijnen winkel goed.
Ook bij Ploegstaart was de brave Job altijd welkom en even na nieuwjaar stapte hij, naar jaarlijksche gewoonte, den weg naar den Hokkendarn op, om met hem te rekenen en verder wat te praten bij de warme plaat. Hij vond onzen vriend alleen tehuis, daar vrouw en kinderen (zoo zeide hij) bij grootje waren. Ploegstaart wierp een groot wortel-end van een' boom op de plaat en tapte eene kan best bier. Er werd veel en vroolijk gepraat; Job haalde nog eens, daar hij het hier veilig doen kon, de kluchtige woede van den burgemeester op; Arij liet zich een en ander ontvallen; â ten slotte werd er gelachen en..... Wijsland de hand op den mond gelegd.
Lezer! kent gij iemand, die zwijgen kan, zwijgen als het graf? Geef hem de hand en kies hem tot uwen vriend. Maar is hij getrouwd en kan hij het nog? kan hij het waarlijk nog? O! druk hem dan aan uw hart en maak hem vooral tot uwen boezemvriend.
Job Wijsland was geen babbelaar en Ploegstaart dacht daarom, dat hij niemand veiliger zijn geheim vertrouwen kon. Maar Job had eene vrouw, die in anderen en voor zich zelve van de kunst van zwijgen een' geweldigen afkeer had. Een weinig scheel, een weinig mank, een weinig krom van rug, een weinig rhumathiek in de
85
DE HAAN.
handen, had zij geen harer leden zoo geheel tot hare beschikking als de tong en de ooren. Bij haar in den winkel werden alle leerredenen beoordeeld en godsdienstige redevoeringen gehouden; het nieuws werd er uit den dop gebroken of groeide er in korte oogenblikken verbazend aan; het kwade werd er onder het microscoop gezet en plannen beraamd, die de mans naderhand als hunne eigene denkbeelden uitvoerden; â met één woord: het spreken van vrouw Wijsland deed den winkel niet minder goed dan het zwijgen van haar' man.
Hoeveel duizenden woorden waren er aan dio smalle toonbank niet reeds gewisseld, sedert het eerste lood koffie op dien rampzaligen morgen gehaald was! En nog, â hoe spijtig! â wist vrouw Wijsland niets anders over den haan te zeggen dan eene strafpredikatie tegen het dartele en goddelooze geslacht dezer eeuw en tegen den nijd, die de braafste menschen geen rust liet: â de burgemeester was een goede klant in haar' winkel.
Juist op dien avond en den volgenden dag, daar er vreemdelingen over waren en dus het oude weêr nieuw werd, sprak vrouw quot;Wijsland veel over den haan en den goeden burgemeester. Job zweeg. Nu, dit was hem in huis niet vreemd. Maar hij zweeg vooral toen hetzelfde gesprek nog eens terugkwam en de vrouw met hare gissingen en vermoedens zoo geheel van den weg af was, â hij zweeg alleen met de tong: hij glimlachte. Dit lachen was vrouw Wijsland bedenkelijk, zij polste, zij
dreigde, en..... eer zij insliep wist zij althans, dat hij
meer wist. Reeds vroegtijdig werd zij wakker en ging in hare gedachten na waar haar man alzoo geweest was in de laatste dagen en wien hij kon geproken hebben. Op eens schoot haar het lang vergeten onheil van het verschrikte en gekwetste kind te binnen in verband met de wandeling van Job naar den Hokkendam. Nu viel zij haren man met grof geschut aan, waagde eene gissing,
86
DE HAAN.
beloofde te zwijgen; â te zwijgen, waaraan zij zou gebarsten zijn! â Genoeg, Job Wijsland schond letterlijk zijn geheim niet en toch wist het zijne vrouw. Hij zeide het immers niet; maar zij zeide het en hij sprak het niet tegen.
Tegen den volgenden Zondag had vrouw Wijsland de vrouw en zuster van den molenaar gevraagd. De vrouwen mochten eigenlijk elkander niet zetten; maar de mans waren neven en vrienden en elkanders klanten: de vrouwen hielden dus ook, zoo het heet, de vriendschap aan. Het was avond en het gezelschap zat bijeen. Men dronk koffie, âdat sprak van zelf. Men at boterhammen met rookvleesch en beschuitjes met suiker, â dit ook. En wat evenzeer vanzelf sprak, was, dat eerst de preeken van dien dag werden besproken en daarna het nieuws van de afgeloopen week uit alle hoeken bijeen gezocht.
Ik heb dikwijls opgemerkt, dat wanneer menschen, die elkander niet mogen lijden, vriendschappelijk bijeen zijn, de gal, die zij eigenlijk elkander gunnen, over de afwezigen te rijkelijker wordt uitgestort. Althans, daar de drie nichten even spraakzaam en belangstellend in de kerk en in hare naasten waren, was de namiddagpreek âmaar weêr zóó zóó geweest,quot; en werden, toen dit afgehandeld was, de jonge meisjes van het dorp gemonsterd, of geen harer ongepaste kleederen droeg of ontijdige vruchten beloofde. â Er was weinig nieuws. â Om nu eene van die pijnlijke tusschenpoozen aftquot; ^ illenenhet vuur van het gesprek vat nolenaars-
vroii'P ien do â o neg eens herleven üier werd
â . ~ij snuifde,
⢠. âij uküxi geneim. Zij zeide alleen: âzij zou wel....., maar men kon alle dingen zoo niet zeggen ; â men zocht wel eens op het dorp wat buitenaf te vinden was; â de armen werden wel eens beschuldigd, omdat men de rijken niet aandurfde; â maar 't was beter
87
DE HAAN.
om van die dingen niet veel te spreken, om de rust in de gemeente niet te verstoren.....quot;
Eer de volgende Zondag daar was wist het gansche dorp, ergo ook de burgemeester, wie het hanenbloed op zijn geweten had; â niemand had het gezegd.
Ik wist het ook. Het verwonderde mij dus niet, dat Arij Ploegstaart de éénige was, â enkele goede, oude vrome zielen uitgezonderd, â die aandachtig luisterde, en daardoor het bliksemend oog van den burgemeester, dat van tijd tot tijd op hem rustte, niet bemerkte voor zijn Edel Achtbare zich verstoord omwendde, toen Arij bij het uitgaan der kerk hem groette.
Nu moest de bom losbarsten. Ploegstaart was juist in het rechthuis, had daar zijne korte pijp aangestoken, gaf zijne orders om in te spannen en dacht er over na of hij zich ook in het gezicht van den burgemeester kon vergist hebben, toen de veldwachter hem al buigende en bevende verzoeken kwam om eens bij den burgemeester aan huis te komen.
Ploegstaart was op alles voorbereid en in het volle gevoel zijner onafhankelijkheid begat hij zich op weg, zoo als hij was, op de klompen en rookende. Zonder veel aandienen trad hij binnen en wachtte de kans niet af of hem een stoel zou worden aangeboden: hij nam er zelf een'.
âNu weet ik het: gij hebt den haan vermoord!quot; â Deze woorden werden haastig en afgebroken hem toege-duwd, met eene stem, die van toorn beefde. Meer kon de man niet uitbrengen.
âIs 't anders niet?quot; was het antwoord, âdat is uw zaak. Maar ik weet, dat hij mijn kind bijna de oogen uitgepikt en eene ziekte op 't lijf gejaagd heeft: dat was mijn zaak.quot;
Met deze woorden stond onze Arij op, zette bedaard zijn' stoel weg, klopte zijne pijp uit en ging heen, waarna hij inspande en wegreed, zoo gerust, alsof er niets ge-
88
DE HAAN.
beurd was en zelfs eenigszins verlicht, omdat zijn geheim nu geen geheim meer was. Evenwel was hij voorzichtig genoeg om alleen te lachen en niets toe te stemmen, als er van den haan gesproken werd, gelijk natuurlijk nu weder dagelijks het geval was.
Maar nu de gevolgen!
Het eerste was, dat Ploegstaart in openlijke onmin geraakte met zijne verraders. Hij liet voortaan zijn graan niet meer bij den molenaar van het dorp malen en nam zijne winkelwaren bij Jochim Wijsland, die kort geleden, uit broederlijke liefde, een' soortgelijken winkel als Job hield, had opgezet.
En de burgemeester â ja, die begreep bij nader indenken, dat er toch weinig aan de zaak te doen was, daar de eigenlijke moordenaars zich nog altijd schuil hielden en de schuldige niets bekend had, terwijl ook de bewijzen verre zouden te zoeken zijn. Hij schaamde zich ook een weinig om een correctioneel proces over een' haan te entameren. Er was dan geen directe straf uit te denken; maar op kleine plaatsen, mijne lezers! waar directe en wettelijke straffen doorgaans te omslachtig, te moeielijk en te kostbaar zijn, behelpt men zich in zulk een geval met indirecte en heimelijke straffen, die even goed doel treffen en zelfs nog scherper wonden.
In Februari werd de dorpsomslag gereed gemaakt, die doos van Pandora in elke kleine gemeente! En de burgemeester wist ditmaal te bewerken, dat de schuldige hooger dan gewoonlijk werd aangeslagen.
Arij Ploegstaart ontving het aanslagbiljet, smeet het eerst op den grond; maar nam het toen weèr lachende op en zette op de keerzijde (weder met drukletters!):
Jaarlijksche dorpsomslag......./'80
89
Daarenboven een zwarte haan met een witte kuif. â 20
/ 100
Somma.
DE HAAN.
Zoo werd het biljet terug gezonden en de honderd gulden voldaan. â Nieuwe woede, nieuwe twisten! â
âMaar nu werd het toch tijd, dat gij, als verkondiger van het Evangelie der liefde en herder der gemeente, er u mede moeidet?quot;
Ja, mijne lezers! ik wil u gulhartig bekennen, dat het mij allermoeielijkst valt om in het bijzonder vermaningen en bestraffingen uit te deelen, hoe gemakkelijk en vrijmoedig ik dit in het algemeen van den kansel doe. Ik geloof, dat het minder uit vrees voor de menschen is dan wel uit beschroomdheid om in den meester-achtigen, bitteren toon te vallen, en daarbij uit eene zekere, niet altijd wijze en geoorloofde, zucht om met alle menschen vrienden te blijven. Ik ga dikwijls uit met het vurigst voornemen; maar onderweg klemt mij de vermaning of bestraffing in de keel vast, zoodat het mij recht benauwd wordt. Doe ik den mond open, dan blijft ze mij aan de tong en het verhemelte kleven, en komt zij er eindelijk uit, dan is de kracht er af en de geest vervlogen; dan zeggen de menschen âwat is onze Dommee toch goed!quot; En ik kom tehuis en werp mijn' steek op de tafel en zeg âkleingeloovige, waar was uw ijver, uw moed?quot;
Evenwel beproefde ik of ik den verbroken dorpsvrede herstellen kon. Maar ieder, bij wien ik mij aanmeldde, had zooveel redenen, waarom hij jukt nu den vrede niet bewaren kon; niemand had zelf de eerste aanleiding gegeven; ieder was het van harte leed; mij nam men het niet kwalijk; 't was jammer, maar het kon nu niet anders; en zoo kwam ik telkens tehuis, gelijk ik was uitgegaan.
Mijne hoop was nu op den tijd gevestigd, ofschoon op eene kleine plaats de tijdstroom niet zoo spoedig scherpe hoeken effen slijt, omdat er minder golving, minder afwisseling is. En desniettegenstaande is alles
90
DE HAAN.
bij uitstek en stilzwijgend afgeloopen. Alle partijen zijn verzoend. Arij Ploegstaart gaat reeds weder om met winkelier en molenaar en vrouw Wijsland vindt hem zulk een'goddeloozen spotter niet meer. Ja, mijne eigene oogen hebben gezien, dat de burgemeester hem verleden week eene hand gaf. Zoudt gij nog denken, dat men op Mastland niet wist te vergeven en te vergeten?
Eenige kleine bijzonderheden moet ik hier evenwel bij aanteekenen. Het malen buiten het dorp is verbazend ongelegen en kostbaar; de winkelwaren van Jochim Wijsland zijn duurder en slechter dan die van Job, en Van der Zanden heeft een stuk weiland noodig, dat Ploegstaart in eigendom toekomt.....
O gij verzoening dezer wereld, wat zijt gij? De eigenbaat maakt de deur wel weder open, om de tegenpartij binnen te laten; maar in lederen hoek van het vertrek glinsteren nog de oogen van den nijd!
Evangelie van genade en liefde en zaligheid! Ieder prijst u en neemt uwe woorden op de lippen; maar komt het aan op daden van zelfverloochening en edelmoedigheid, strijdt gij tegen toorn en verbittering, â ach! een doode haan heeft meer invloed bij diezelfde menschen, die u prijzen, dan gij!
91
VII.
DE WINTER BUITEN.
Eens zat ik te Amsterdam bij mijne aanstaande schoonouders. Het was na den middag en dat zegt in de twee laatste maanden des jaars gewoonlijk zooveel als: het was schemeravond. Wij tuurden, met ons beiden natuurlijk, op de warrelende sneeuwvlokken, die in duizenderlei vormen en kringen dooreen zweefden; maar toch altijd ongemerkt daalden en zachtkens smolten en weèr door andere vervangen werden; â het treffend evenbeeld van de droomen onzer verbeelding, in de lucht gevormd en in het slijk opgelost !
Ook wij gaven ons aan die zoete droomen over, de onschuldige uitspanning der liefde. Maar als wij ons nu een dorp en eene pastorij en wat al niet meer in de lucht gebouwd hadden, kwam er bij mijn meisje op eens een zeer prozaïsch, een echt Amsterdamsch denkbeeld tusschen beide: âalles goed, Willem! maar die winter buiten, o die moet verschrikkelijk lang vallen!quot; â âLang vallen, ons lang vallen, Kee?quot; â Nu, gij bemerkt het al, lezer! als gij ten minste geen ijskoud oud-vrijer zijt, hoe deze samenspraak afliep.
Maar inderdaad, een winter huiten, dat is voor een' Amsterdammer een verschrikkelijk denkbeeld. Wanneer hij bij toeval, ineen' dikken jas gewikkeld, zich zoover buiten de poort waagt, dat hij de besneeuwde velden en bevrozene slooten of waterplassen ziet, en wanneer hij
DE WINTER BUITEN.
dan, midden uit dat gebied des doods, een klein dorpje de witte daken ziet opsteken of uit eene eenzame woning den rook ziet opgaan, dan komt er een gelijksoortig gevoel bij hem op, als wij ons in den Rus voorstellen, die met eene verbanning naar Siberië bedreigd wordt.
Het is dan ook zoo: hij, die buiten alleen het groen zoekt, mag met primo November wel haastig inpakken om in de dichte steenklompen der groote steden leven en warmte en gezelligheid te zoeken, even als de bijen in hun' dicht bevolkten korf. En ik geloof waarlijk (ofschoon zij het mij nooit gezegd heeft), dat mijne lieve wederhelft er eenige opgewektheid toe gevoelde toen de eerste najaarsstormen onzen tuin plunderden, de gele bladeren de paden dekten en de herfstdraden en druipende takken die bijna afsloten. Ik kon het haar ook niet ten kwade duiden, ja, ik moest veeleer den moed bewonderen, waarmede zij iedere klacht bedwong en eiken zucht smoorde. Het was toch niet enkel de gewone winter huiten, de schrik van den stedeling, die ons te wachten stond, het was een overmaassche winter, met al zijne bezwaren te land en te water; het was geene ballingschap, neen! eene gevangenis.
Overal zijn de velden in den winter doodsch en de boomen kaal; maar waar telkens eene diligence over den straatweg rolt, waar wandelpaden dorpen en steden verbinden, daar blijft men toch bewoner der beschaafde wereld en de dorpen zijn er alleen voorposten der steden. Maar om onze eilanden heen jagen de rivieren hare schuimende golven of stuwen hare krakende ijsschotsen voort en scheiden hem, die geen' dringende haast, geen' on-wrikbaren moed en geen gehard lichaam aan het veer medebrengt, van de overzijde, waar misschien hartelijke vrienden of betrekkingen hem reikhalzend verwachten. En de wegen; â het is waarlijk spotten om ze nu nog wegen te noemen; de barre heide mag met grooter recht dien
â¢93
DE WINTER BUITEN.
naam dragen. Verbeeld u, lezer, een' lang uitgestrekten modderpoel, die geen water meer verzwelgen kan; een' reep klei, door honderden paardenpooten en wagenwielen gekneed, en waarin het wagenspoor door twee strepen water wordt voorgesteld. Wee uwer, als gij onbekend en ongewapend het einde van dien langen, rechten weg zoekt te bereiken! Gij hebt een' Tantalus-arbeid ondernomen. Gij zet den voet neèr en weet niet waar hij eindelijk zal blijven staan; gij wilt een' stap doen en moet den voorman van uwe beenen niet alleen opheffen, maar met geweld los trekken, terwijl het andere been ondertusschen een' zijweg kiest. Hier wordt u de schoen of laars uitgetrokken, trots den besten laarzenknecht; daar sleepteene onweerstaanbare macht u tot de knieën in het diepe wagenspoor. Wilt ge draven, de versnelde beweging werkt alleen op het bovenlijf en gij valt voorover; zult gij stappen, gij moet de armen uitsteken om niet ter zijde te tuimelen; stilstaan is een zware arbeid en rusten eene onmogelijkheid; geen boom zelfs is er, waartegen gij kunt leunen! Maar daar ziet ge een' boer van een zoogenaamd voetpaadje of kantpaechie gebruik maken. Gij wilt het ook beproeven, â maar ach! zulk een voetpad is hier te land eene hooge, glibberige, afgeronde laag klei, of een volgreeks van verbrijzelde en omgewoelde steenen. â Dubbel gelukkig, als gij er na eenige vergeefsche pogingen van afstapt, zonder de enkels in de steenkuilen bezeerd of in de sloot uw afgetobd lichaam wat bekoeld te hebben!
âMaar kunnen wij dan niet rijden?quot; vroeg mijne Cornelia, toen zij, na eene kordate proefneming, van zulk eene wandeling of liever worsteling had afgezien, â't Zal slecht gaen,quot; antwoordde droogweg de boer, bij wien wij te zamen den avond doorbrachten, âze binne schoon.quot;
âWie zijn schoon?quot;
âWel, de waegens; Keesbuur heit alleen nog een' vullen.quot;
94
DE WIKTER BUITEN.
âEu waar zijn de uwe dan, als ze schoon zijn?quot;
âWel, op zolder, juffrouw.quot;
Dit laatste zeide de man met eene zekere verwondering, alsof hij zeggen wilde: âhoe kan een verstandig mensch, na Allerheiligen, een' wagen in de benedenverdieping zoeken?quot; â Mijne vrouw liet zich echter niet daardoor afschrikken, dat men haar voor omioozel hield, en vervolgde haar onderzoek:
âEn waarom houdt uw buurman dan een zijner wagens vuil, en gij niet?quot;
âIk hoef niet te schepen.quot;
Zij was nog even wijs. En wat zij nu, uit eene zekere schaamte of bescheidenheid, niet verder durfde vragen, is misschien voor de meesten mijner lezers even duister, als het toen voor mijne vrouw was; ik zal het dus maar zeggen: âde buurman moest, zoo lang het open water bleef, wekelijks het gedorschte koren scheep rijden.quot;
Nu had mijn vrouw toch nog eene groote begeerte om de reis per vuilen wagen te ondernemen; maar toen zij den volgenden dag eens naar het einde der dorpsstraat wandelde en het langzaam voortsukkelen van zulk een' wagen zag, verging haar reeds de eerste lust, waarvan zij naderhand door eene kleine proefneming voor altoos genezen werd. Mij dunkt, wij zitten daar nog, aan elkander vast geklemd, om niet ter zijde van den wagen af te vallen, onwillekeurig van het eene einde der bank naar het andere geschoven. Daar zinkt een wiel tot de as in het slijk en maakt een hellend vlak van de harde zitplaats; daar springt het weer op voor een harde kluit en wij springen elkander in de armen; ras daarop werpt een der achterpooten van onze sterke paarden ons klompen slijk in 't gezicht; eindelijk valt er een paard en breken de strengen en houden wij een vierendeel uurs halt op vijf minuten afstand van onze woning. âNeen!quot; sprak mijne Cornelia, toen wij bij den helder flikkerenden haard onze verkleumde
95
DE WINTER BUITEN.
leden warmden en te gelijk het angstzweet afwischten, âneen, Willem! reize, wie reizen wil; maar op Mastland is het: Oost, west, t'huis best!quot;
Eindelijk begint ook de negentiende eeuw zich over de eilanden van klei te ontfermen en bruikbare wegen er door te trekken, die misschien weldra ook aan Mastland de hand zullen reiken om het uit zijn' verborgen' hoek te voorschijn te brengen en de deur zijner winter-gevangenis open te maken. Of het daardoor, met vrijheid, gemak en beschaving, ook aan zedelijkheid en waar levensgenot winnen zal, wil ik nu niet beslissen; maar zeker, men moest uit eene groote stad en aangenamen kring hierheen met ons verhuizen, om te weten wat het zeggen wil: een winter buiten.
Evenwel, hoe verschrikkelijk het overige van den winter dan ook zou moeten zijn, â in de maand November ging het ons evenals iemand, die gasten wacht en onder drukke toebereidselen daarvoor een rhumatiek been of een kwade kies vergeet. Een nieuwe werkkring had zich in de laatste helft van October voor mij geopend. De boerenjongens kwamen na het delven der aardappelen, en de meisjes na het stallen van het vee, de catechisatie-banken bezetten en â kostten mij bange uren; â het kerstfeest en de jaarsverwisseling begonnen ook van verre te dreigen, en de dorpelingen wachtten mij om te kortavonden: â tusschenbeide gezegd, een twijfelachtig woord, dat evenzeer het korten van den avond als een kort en weinig beduidend avondbezoek kan beteekenen.
En mijne Cornelia? â O, met den besten wil had zij geen' tijd om zich te vervelen. De wintervoorraad, die overal in ons lieve vaderland nog al zorgen baart, gelijkt hier waarlijk naar het approviandeeren van een schip, dat vier of vijf maanden lang niets dan den hemel boven zich en de zee rondom zich te wachten heeft. Gelukkig, dat de oude huismoeders het onderricht van eene aan-
96
DE WINTER BUITEN.
komelinge elkander als uit uit de handen rukten, dat de eene kwam helpen en de andere raden, de eene zouten en de andere worst stoppen, terwijl mijne goede vrouw met een peinzend, half beschroomd, half spottend gelaat aanhoorde, heen en weêr draafde, toezag, mede werkte, en toch eigenlijk van den aanstaanden nood nog het rechte begrip niet had, zoodat er in den eersten winter nog wekelijks iets tekort kwam: nu een citroen en dan een borstel, nu een pijp kaneel en dan een flesch brandewijn, en zoo voorts.
En deze huiselijke November-storm trof niet alleen het vrouwelijk geslacht. Ach neen! zelf moest ik de schoenen aanbinden en den wandelstok opvatten om goede aardappelen uit te kiezen, om een vet varken te waardeeren en het afhakken van eene koe te besturen; â ik, die niet wist, dat er twee, laat staan honderd soorten van aardappelen waren, die nooit een varken in zijn hok bezocht of eene koe van binnen bezien had! Het was waarlijk mijne schuld niet, dat de aardappelen eetbaar waren, dat het vleesch kon gesneden en gekauwd worden en dat er aan onze eerste hammen ook vet gevonden werd.
Maar als nu deze zware najaars-arbeid was afgeloopen en onze winter-huishouding geregeld, gevoelden wij ook ongekende aandoeningen van zelfvoldoening en bovenal van dankbaarheid. Met een' glimlach van kinderlijke vreugde en vrouwelijken trots op het gelaat voerde mijne Cornelia mij huis en schuur en kelder door. Zij toonde mij de nette, wel voorziene turf- en houthokken en goed bezorgde aardappelen; zij beschreef mij den inhoud van alle potten in den kelder, van alle blikken op de provisiekamer, en wij warmden ons aan het een en vergastten ons aan het ander, in het blij vooruitzicht van daaran den geheelen winter geen gebrek te zullen he^1 de stad, ja, daar had ik leeren bidden: TT
97
DE WINTER BUITEN.
geef ons heden ons dagelijksch brood!quot; Maar dat brood stond altijd gereed vóór mij; dagelijks zag ik alles in overvloed uitgestald wat de dag noodig had, en gelukkig had de sleutel tot dien overvloed, het alvermogende geld, aan mijne goede ouders en dus ook mij nooit geheel ontbroken. Wat onderscheidde dan den winter van den zomer? In beide leeft men immers van geld? Maar hier zag ik nu eerst recht wat de scherpe geesel is des winters: niet koude, maar gebrek, maar honger, waardoor het vee zou sterven op de bevrozene weide en de mensch op den afgemaaiden akker, zonder de alomtegenwoordige zorg van Hem, die den mieren hun' voorraad leert opleggen en de bijen hare korven doet vullen, van Hem, die de jonge raven hoort!
Ondertusschen was het December geworden, de treurige, donkere wintermaand. Nu zou dan de winter huiten eerst recht beginnen. Maar in andere winters mocht deze maand ondragelijk lang vallen, nu kwam zij juist van pas; want ik verheugde mij, dat de nevels en de stormen een ringmuur om mij heen sloten, die de afleiding van mij weerde en mij rust gaf voor mijne vele bezigheden. Ook Cornelia had eerst nog zooveel op te ruimen en daarna zoovele uitgestelde bezoeken te doen, dat het Kerstfeest daar was, eer wij er aan dachten. Of neen, ik dacht er wel aan en het kwam mij veel te vroeg. Met welk eene inspanning worstelde ik mij door de drukke beurten van deze dagen! Hoe ruim haalde ik adem, toen, na zóóveel arbeid, ook de wenschen en beden van den Nieuwejaarsdag waren uitgesproken! En hoe welkom was ons, na de bezoeken en brieven, complimenten en bedelarijen van dien dag, de eerste morgenstond, waarop wij tot elkander konden zeggen; âdezen dag hebben wij vrij!quot;
Het was een schoone winterdag. Helder was de lucht eD een fijne oostewind dreigde met vorst; maar vroolijk
98
DE WINTER BUITEN.
schenen de zonnestralen en kaatsten terug op de besneeuwde velden, terwijl het geboomte bij ieder windje sneeuw en rijp van de kruin schudde, alsof het nu reeds de winterboeien wilde slaken. Alles riep ons toe: ânu is het wel winter en de koude zal nog strenger nijpen; maar de zon gaat ook al hooger en hooger op; weldra wekken hare stralen de velden tot nieuw leven en blaast de zachte adem van den lentewind ijs en sneeuw en rijp daarheen.quot;
Zelfs de invallende vorst maakte ons de maand Januari vroolijk en gezellig; want zij gaf ons de lang gewenschte gelegenheid om bezoeken op andere dorpen te geven of vandaar te ontvangen. Mijne naburen verlangden, zoowel als ik zelf, om het hoofd, door den arbeid verhit, in de zuivere lucht te verkoelen, en mijne Cornelia, zoo verstoord op de modderpoelen en het onstuimige water, betrad met een opgeruimd hart den bevrozen' grond en de gladde ijsbaan. quot;Waarlijk, ook de maand Januari had geen' enkelen dag te veel.
Eindelijk kondigde de almanak Februari aan, de twijfelachtige maand, die somtijds nog van hare voorgangsters de vinnige koude vervolgt, somtijds reeds op de stormen van haar opvolgster préludeert; maar toch altijd, volgens oude herkomst, verplicht is om ons eenige zomer-sche dagen te leveren. Op den tweeden dag van deze maand stond de oude tuinman der pastorie reeds vroegtijdig voor het hek, belde aan, trad naar binnen en zette zich voor mij in postuur, zonder een woord te spreken, terwijl zijn gezicht scheen te zeggen: âik ben hier geroepen; wat moet ik doen?quot;
âWel, Ariaan, wat hebt gij?quot;
âAVel, Dominee! 't is vrouwendag.quot;
âZoo? dat wist ik nog niet. Maar gij hebt toch geen vrouw meer noodig?quot;
Ariaan vond het zeer ongeschikt, dat ik hem, zooals
99
DE WINTER BUITEN.
hij meende, voor den gek hield, en toen hij bemerkte,, dat ik inderdaad niet wist wat de vrouwendag voor een' tuinder is, daalde ik eenige percenten in zijne achting en stond op mijne beurt vrij onnoozel vóór hem.
Om kort te gaan, de man kwam mijn broeibak aanleggen, mijn moesland in zijne gedachten verdeelen, den grond spitten, het hout hakken, en al die gewichtige werkzaamheden met mij overleggen, die een geheel jaar lang voorraad en genoegen zouden opleveren. O! met welk eene vreugde stak ik daarbij zelf de spade in den grond, alsof ik de lente van onder de bevrozen korst zou uitspitten; met hoeveel zorg en wijsheid zocht ik de warmste plekjes op om het eerste zaad er zelf in te strooien, zóó onhandig, dat het naderhand in allerlei verwarde strepen en véél te dicht opkwam; en hoe mat ik de kleine ruimte onder de broeiramen uit om er toch alles in te kunnen zaaien en planten, wat een broeiraam kan opleveren: zóóveel vierkante voeten salade en postelein, en zóóveel vierkante duimen sterkers en radijs! â Nu, het ging mij alles dom af, tusschen ons gezegd; maar met dat al: Cornelia en ik hadden nimmer met zooveel genot getuind, in het midden van den zomer niet, als toen wij weinige dagen later in een' vriendelijken zonneschijn de paden doorkruisten of, liever gezegd tusschen de stokjes doorgingen, die de landkaart der nieuwe paden teekenden. Ik wees haar al de veranderingen aan, die ik in den ouderwetschen aanleg had noodig gekeurd: waar de bloemperken zouden prijken en de zitbankjes ons wachten, waar de erwten zouden bloeien en de boonen zich zouden slingeren, en kort daarop kwam zij verheugd met het eerste bloempje binnen en sneed ik zelf de eerste salade af. â Nu was het immers geen winter meer? â Neen, nu was het voor ons geen winter meer. In de Maartsche buien hoorden wij alleen zijn afscheid; want de boomen, die hij nog eens schudde,.
100
DS WINTER BUITEN.
droegen immers al bladeren en bloemen, in de knoppen zorgvuldig ingewikkeld ?
Lezers! wij hebben sedert dien tijd nog drie winters buiten doorgebracht en nooit een oogenblik verlangd om het winterveld met de opeen gepakte huizen, en den slapenden tuin met glurende overburen te verwisselen: en mij dunkt: vier winters op een afgelegen kleidorp zijn genoeg om alle romantische droomen omtrent het zalig buitenleven te doen verdwijnen en alleen de naakte werkelijkheid over te houden.
En nu willen wij eens afrekenen, gij, stedeling, die met een' zoo medelijdenden glimlach op ons, arme buitenlieden, nederziet. Het is bij u ook donker en ook koud, evenals bij ons, en tegen de koude hebben wij ook een' haard, en van de donkere dagen genieten wij ten minste nog al het licht. Maar de schoone natuurtooneelen, waarmede God ook den winter versierd heeft, ziet gij in uwe straten en op uwe markten niet. Neem eens de sneeuw. Hoe schitterend en prachtig dekt dat kleed de velden en tooit die dos het geboomte!... als met een helder laken, waarover diamantgruis is uitgespreid, zijn de weiden en akkers bekleed; en gelijk de zwaan klapwiekt met zijne vleugels, zoo schudden de boomen hunne takken. In de stad is er ook sneeuw gevallen; maar in vuile klompen stort ze van de schoorsteenen en in zwart water druppelt ze treurig van de daken, terwijl eene vale laag de straten bedekt, tot modder getreden en gekneed, in kleur aan het zand gelijk, dat de woning van een' rijken zieke aanwijst, en verdrietig ruimt men die breiige pap en dien vuilen modderstroom weg, dien de eene buurvrouw of dienstmaagd de andere op het grondgebied zoekt te schuiven, die misschien nog vastvriest en de straten gevaarlijk maakt en nauwelijks heldere sneeuwballen genoeg voor de jeugd oplevert.
âMaar het is ook geen sneeuw of ijs, dat den winter
101
DE WINTER BUITEN.
aangenaam maakt bij ons; het zijn de menschen, het is gemak, gezelligheid, vermaken.quot; â Ik geloof gaarne, dat hij, die gewoon is om zich dagelijks onder eene menigte menschen te bewegen en met velen in aanraking te komen, iets ondragelijk ledigs vinden zou in onze schaars betreden' straat en zich moeielijk zou kunnen gewennen om maanden achtereen, dag aan dag, dezelfde gezichten te zien, daar de winter geene vreemdelingen op het dorp brengt. Hij blijve waar hij is! Maar gelooft gij wel, dat hetzelfde gevoel van eenzaamheid mij drukt, wanneer ik eenigen tijd door eene woelige, volkrijke stad omzwerf? Het wordt mij dan zoo eng alsof ik van allen verlaten en alleen op de wereld woonde, daar niemand mij kent en niemand zich om mij bekommert, en ik gevoel mij eerst weder tehuis als ik de vrije natuur rondom mij en Gods ruimen hemel boven mij zie.
Daar nu toch het rustig buitenleven ons tot philoso-pheeren uitlokt, willen wij deze zoo verschillende gewaarwordingen eens menschkundig zoeken te verklaren.
De samenleving is oorspronkelijk eene uitbreiding van het huiselijk leven. De herderstammen zijn het naast aan dezen oorsprong gebleven, de koopsteden zijn daarvan het verst afgeweken; maar landbouwende dorpen houden het midden tusschen die beide. Zoo kennen bij ons, waar zeldzaam een vreemdeling zich nederzet , alle inwoners elkander; de meesten zijn onderling aanverwant en behuwd, allen hebben gedachten en herinneringen met elkander gemeen; het burgerlijk, zoowel als het geestelijk bestuur is in ééne hand; geen verschil van godsdienst of levenswijze delft eene wijde klove tusschen ons; met één woord: wij leven als broeders en zusters. Dit laatste vindt gij misschien overdreven, en ik voor mij vind de vergelijking bij uitstek juist, daar immers in een groot huisgezin tusschen broeders en zusters al vrij wat geklopt en gekeven wordt; er zijn altijd donkere
102
DE WINTER BUITEN.
buien aan den hemel van broedermin en huiselijk geluk. Hieruit volgt, dat ik vooral, de geestelijke vader van het groot gezin, nog half tehuis ben als ik mijn huis verlaat, daar ik in den donker iedere woning en van verre ieders stem onderscheiden kan. Daarentegen gevoel ik mij eenzaam en verlaten, omtrent als een knaap, die uit het ouderlijk huis op de kostschool komt, wanneer ik eene stad bezoek, en daar tusschen duizenden men-schen doorloop, met wie ik niet anders gemeen heb dan dezelfde straatsteenen, en die niets van mij verlangen, evenmin als ik van hen, dan dat wij elkander niet om-verloopen.
Het is natuurlijk, dat met de uitbreiding van het maatschappelijk stelsel meer en meer de huiselijkheid der maatschappij moest verloren gaan. Het gaat den stedeling niet aan hoe de naam van zijn' naasten buurman is. Medeburger te zijn zegt hier bijna niets meer dan medemensch te wezen. Wie dus, zonder in zijne eigene levenswijze bespied of gehinderd te worden, den mensch in zijne verschillende gedaanten en bemoeiingen, in zijn gewoel en zijnen arbeid, zijne hoogste beschaving en laagste verdorvenheid beschouwen wil, ga in eene groote stad wonen. Maar bij ons, in plaats van dien woeligen droom des levens, waarin duizend beelden den bedwelmde voorbij zweven, is kalmte, rust, tijd om zich met God, de natuur en de menschenwereld te verzoenen; â of ook wel, wanneer men niet genoeg in- en uitwendige bezigheid heeft, tijd om zich te vervelen.
Van dit laatste zal dus alles afhangen; want wie zich buiten verveelt, die zal wel naar de vermaken dei-stad verlangen. Ik wil die vermaken niet geheel verwerpen: ik zou daarmede tevens vele genoegelijke dagen van mijn leven ondankbaar moeten vergeten of zwartgallig veroordeelen. Zij zijn aangenaam en goed voor hem, die er tijd en lust en geld voor heeft en ze met
103
DE WINTER BUITEN.
een goed geweten geniet. Acht ik ze minder dan vroeger, het is misschien wel eenigszins omdat mijn stand mij den toegang tot de meeste afsluit. Maar wie toch zulk een' gedurigen roes, zulk eene onophoudelijke wisseling van tooneel noodig heeft om een ondragelijk ledig in zijn binnenste aan te vullen, â ik vrees, dat zijn hoofd niet wel gesteld, zijn hart niet goed geplaatst is.
Maar nu nog één woord, dat de schaal des geluks aan onze zijde belangrijk zal doen rijzen: â conversatie. â O ja! ik benijd u, die onder vele duizenden woont en uit die duizenden vrijelijk de u aanverwante zielen uitkiest om daarmede den arbeid te overleggen, de vreugde te genieten, de bezwaren te dragen. Ik herinner mij daarbij den academie-tijd, toen ik den jongeling, die mij beviel, op mijne kamer noodigde, zonder te vragen âvan wat plaats of rang zijt gij ?quot; â toen de vriendschap zich vormde zonder namen en betrekkingen, alleen uit behoefte van het hart. Het komt mij voor, dat ik toen aan een' ruimen disch was aangezeten, waar ik naar eigen' smaak kon rondtasten, terwijl ik nu met de toe-getelde schotels moet tevreden zijn, al is het, dat de reuk mij al tegenstaat.
Edoch â de stad is geene academie. Hoe weinigen, die in het genot dezer zalige vrijheid leven! Bij de meesten wordt de conversatie door betrekkingen, en niet door keus, bepaald, en vooral in onzen stand is zij nimmer geheel vrij. En dit zoo zijnde, stedeling! meent gij, dat ik uwe rockende heeren en opgeschikte dames u benijd? ^STeen, ik verlang naar u niet: oefenscholen der maatschappelijke huichelkunst, plaatsen van gemeenschappelijke verveling!
En nu mijne conversatie. Vrienden, waarmede overeenkomst van gevoel en beginsel mij vereenigt, heb ik ook, deels onder de naburige predikanten, deels in mijne gemeente. Ik wil echter niet verbergen, dat ik ook hier
104
DE WINTER BUITEN.
wel eens gedrongene, vervelende bezoeken afleg; maar ik kan die ten minste afbreken wanneer ik wil, daar ik minder aan de boeren-hangklok verbonden ben dan ik aan de stads-pendule zijn zou. En voert mij nu keus en plicht beide aan den haard van eenvoudig verstandige, waarlijk vrome gemeenteleden, o veracht dan den aartsvaderlijken boerenhaard, veracht zelfs de arbeidersvuurplaat en de walmende lamp niet! Het gesprek, daarbij gehouden, kan tegen menig koffiehuis-onderhoud opwegen. Het is zoo: de ontwikkeling hunner denkbeelden en de uitbreiding hunner kennis gaat bij onze dorpsbewoners geen' gelijken tred met die van den beschaafden stedeling; maar het natuurlijk gezond verstand verloochent zich ook hier niet. Missen zij veel wijsheid, ook veel dwaasheid is hun onbekend, en het waarachtig braaf, nederig en godvruchtig gemoed heeft eene onbegrijpelijke aantrekkelijkheid in eiken kring, in iederen stand.
Maar veel, dat hierop betrekking heeft, zullen latere schetsen den lezer nader leeren kennen. Voor ditmaal heb ik mijn doel bereikt wanneer hij niet meer een zoo vreeselijk benauwd gezicht zet, zoodra er gesproken wordt van een' lointer buiten.
105
VIII.
DE RINGBROEDERS.
Neen ! gij begrijpt het niet, gij, die dagelijks met uwe 's gelijken omgaat, welk een genot het voor ons, dorpspredikanten, is om elkander te ontmoeten. Op ons dorp zijn wij in zeker opzicht gelijk aan den koning, die ook éénig in zijne soort is en zelden eene bevriende majesteit te gast heeft. De vergelijking sehijne v\rat aanmatigend, zij is daarom nog niet valsch en, van de sterren af gezien, zal het gebied van Néér lands koning en van mij zooveel niet verschillen.
Wij zijn éénig in onzen kring en het schijnt velen benijdenswaardig om in de kerk aller oogen te boeien, op de straat aller hoeden in beweging te brengen en in de huizen de zachtste of hoogste zitplaats te bezetten. Ja, ik wil het maar bekennen: toen ik reeds als kind mijn' tegenwoordigen stand begeerde, was het misschien meer de verhevenheid van den predikstoel dan het verhevene van den godsdienst, wat mij bekoorde.
Evenwel, van alle genot wordt men eens oververzadigd; het vermoeit op den duur om altijd naar beneden te zien, en eerbewijzingen kunnen vervelen, evenals uitgezochte gerechten ons ten laatste gaan tegenstaan. Daarbij komt, dat wij in het gesprek altijd leeraar, bijna nooit leerling zijn en het doorgaans in onze gemeente ongaarne willen wezen. Althans in ons eigenlijk vak is dit zeker het
DE RINGBROEDERS.
geval, zoodat de geest, door gedurig voortbrengen eu afleveren, toch eindelijk mat en ledig wordt en er goede boeken noodig zijn om die ledige ruimte in onze hersenkas weder aan te vullen. Wel hem, die dus in zijne boeken wijze en brave vrienden vindt! Maar dit zegt toch weinig meer, â vergeef mij de lage vergelijking! â dan alsof wij zeiden âwel hem, die in den winter gedroogde of gezulte boonen heeft!quot; De versche smaken beter. Zoo staat bij ons boven alle lektuur de omgang met kundige, welgezinde ambtsbroeders; die geeft leven aan onzen geest en kracht tot ons werk.
Ik verlangde dan ook naar dien omgang en het was mij recht aangenaam, dat de eerste gewone ringsvergadering mij in staat stelde om nader kennis te maken. Zoo werd de mij eigene langzaamheid in de keus van vriendschap en omgang een weinig bespoedigd en die keus gemakkelijker gemaakt.
De eenigszins kerkelijke lezer weet, dat onze Hervormde kerk in classes, en iedere classis in ringen verdeeld is en dat elke ring zijne gezette vergaderingen heeft. De onze, uit tien predikanten bestaande, vergadert in Md en September, op eene plaats, die voor allen zooveel mogelijk gelegen is. Daarheen wenden zich dan vroegtijdig de bont geschilderde rijtuigen, met grijze broeders beladen, de boeren-speelwagens met anderen, die door gedienstige ouderlingen gereden worden, en een paar rappe voetgangers, die het naast bij de plaats der bijeenkomst wonen. Ook mijn persoon was nu tegenwoordig en werd als nieuweling verwelkomd. Ik gedacht aan de spreuk, die mijne moeder mij reeds op hare knie geleerd had: hooren, zien en zwijgen; en waarlijk! deze spreuk was hier niet moeielijk na te leven. Op enkele uitzonderingen na hebben wij, predikanten, een zwak (ik zal mij zeiven maar niet vrij spreken), dat ons wel eens, zonder dat wij het zelve bemerken, onbescheiden doet
107
DE RINGBROEDERS.
worden. Wij zijn zoo gewoon om eene gemeente te zien, die luistert of althans moest luisteren, en ook aan de huizen van vele gemeenteleden hoort men in ons zoo gaarne den leeraar, dat wij, zoodra wij ons op onze plaats gevoelen, als vanzeive de leiding van het gesprek op ons nemen. Dit wordt eene diep ingewortelde gewoonte, ja bijna eene volstrekte behoefte, gelijk alles, wat den men-schelijken hoogmoed streelt. En zijn wij nu velen bij elkander, dan schijnt er dikwijls om die leiding van het gesprek een wedstrijd te ontstaan, die woorden en denkbeelden al zonderling dooreen doet woelen. Althans, toen ik daar zoo zwijgend zag en hoorde, kwam mij de fraaie kanarievogel bij mijne ouders in de gedachte, die welluidend zong, zoolang hij alléén was; maar nauwelijks waren er in dezelfde kamer nog meer opgehangen, of de tonen werden al scheller en scheller, daar de een tegen den ander wedijverde, tot in de hoogste octaven der vogelen-muziek.
Dit neemt echter niet weg, dat de ontmoeting recht gul en hartelijk was. Maar het eerste gesprek werd al schielijk afgebroken door den hamerslag van onzen Praetor, die de vergadering opende. Van die vergadering zal ik de geheimen niet verraden; maar het volgende ligt mij toch op het hart.
Ik herinner mij, dat ik in zekere boekjes, uit den tijd der organisatie van ons kerkbestuur, veel over het nut der ringsvergaderingen gelezen heb. Zij moesten worden ingericht tot godvruchtige bijeenkomsten, ja! tot oefenscholen der geleerdheid. De oudere broeders moesten daar geregeld aan de jongeren mededeeling doen van hunne verkregene ondervinding, gelijk dezen hun de vorderingen der nieuwere studie konden bekend maken; gewichtige onderwerpen uit het gebied der godgeleerdheid moesten er behandeld en beoordeeld worden, moeielijke bijbelplaatsen en leerstukken verklaard: â o wee! mmidus vult decipi.
108
DE RINGBROEDERS.
âMaar vindt gij dan de ringsvergaderingen nutteloos en ondoelmatig?quot; â Gansch niet, mits men ze neemt voor hetgeen zij zijn en zijn kunnen. Alleen ben ik een weinig te laat geboren om te kunnen meenen, dat een idee genoeg is om iets schoons en goeds daar te stellen, dat aanschrijvingen en wetten de menschen vormen en tabellen en rapporten hart en geest dwingen. Ik bemin die twee dagen van broederlijk genoegen en bemin hen bovenal, die het miscere utile duld verstaan; maar hoe kan men verwachten, dat menschen, die tweemaal in het jaar zich ontspannen om eenen dag te zamen door te brengen, daar eene massa geleerdheid en vroomheid zullen medebrengen om die tegen elkander uit te wisselen? Hoe kan men trachten zooveel verschil van studie en zienswijze in weinige uren tot één te brengen, daar velen elkander buiten die weinige uren zelden zien? Waarlijk, er is ware vroomheid, grondige geleerdheid, hartelijke vriendschap genoeg te vinden in den omgang van dorpspredikanten; maar daartoe is het bezoek van goede naburen oneindig beter geschikt dan die weinige bijeenkomsten, die onze eeuw van maatschappijen en genootschappen daartoe heeft willen in pacht nemen, ofschoon ik gaarne de uitzonderingen op dezen regel erkennen en eerbiedigen wil, waar plaatselijke en tijdelijke omstandigheden die toelaten of daar-stellen.
Zoo was ik dan nu als ringbroeder ingelijfd en vervolgde mijne bijzondere kennismaking. Op menigen Maandag vooral wandelden mijne lieve vrouw en ik naar naburige dorpen of reden naar verder afgelegene. De plaatsen zal ik niet noemen, gij zoudt ze toch op de kaart moeielijk vinden, daar Mastland er niet eens op staat. Alleen wil ik de voornaamste resultaten onzer kennismaking u mededeelen.
109
DE RIKGBROEDERS.
In die mededeelingen mag niemand anders de eerste plaats bekleeden dan gij, mijn onvergetelijke vriend Meijerburg, wiens grijze haren ik met zoo bittere tranen zag ten grave dalen en die nog de eerste plaats bekleedt in mijn hart! â Hoe dikwijls herinneren wij ons nog, Cornelia en ik, dien middag, toen wij, na ruim een uur gaans, voor het eerst zijne woning binnentraden! G-ul-hartig verwelkomde hij ons en zijne vrouw ontving ons als oude vrienden. Ik las terstond iets vaderlijks en moederlijks op hun gelaat, en zij kinderlijken eerbied op het mijne. âBroeder!quot; zoo sprak hij, âwanneer gij aan de beginselen uwer intrede getrouw blijft, dan werken wij in éénen geest en kunnen elkander nuttig zijn. Ik kan u misschien van dienst wezen met eene veertigjarige ondervinding en gij zult mij genoegen doen met mij van tijd tot tijd mede te deelen wat er alzoo in de godgeleerde wereld omgaat; want ik kan dat alles niet meer zoo lezen als vroeger, daar mijne jaren klimmen en mijn sober inkomen mij belet om boeken te koopen. Maar dit smart mij niet: ik heb het beste boek behouden en mijne kinderen met eere groot gebracht.quot;
Gedurende dit gesprek trok er eene lichte wolk over het vriendelijk gelaat der goede oude vrouw en zij haastte zich om met eene gulle noodiging in te vallen. Tot de beminnelijke eigenschappen der vrouw, â al is het niet altijd geheel van ijdelheid vrij te pleiten, â behoort, dat zij gaarne de versleten naden en verschoten stukken der kleederen bedekt en een waas van welvarendheid zoekt te verspreiden over de ledige beurs en het bekommerde hart, waardoor menigmaal de eenvoudigste huismoeder met een' fijnen takt het gesprek eene andere wending weet te geven, zoodra het de geheimen harer sobere huishouding ontdekken zou.
Van het eerste oogenblik af was ik dan bijzonder met mijn bejaarde naburen ingenomen. Eene zekere voorzich-
110
DE RINGBROEDERS.
tigheid evenwel, die wel eens in wantrouwen ontaardt, liet mij nog niet toe om mij geheel aan hen te verbinden, in de verwachting, dat hun karakter ook wel eene ongunstige zijde hebben zou, gelijk dat van alle raen-schenkinderen. En ik was eerst gerust toen ik die schaduwzijde ontdekt en zeer onbeduidend gevonden had.
Hoe dikwijls hebben wij naderhand nog dien weg betreden in de drie jaren onzer nabuurschap! De zonneschijn schrikte ons niet af in den zomer, zoomin als in den winter de vroeg invallende avond; ja, dikwijls zag een flonkerende sterrenhemel ons terugkeeren van den huiselijken haard, waarop om onzentwil een helder brandend kersblok was aangelegd. Kwam mij eene onverwachte moeielijkheid voor, â en welk proponent, die predikant wordt, treft geene moeielijkheden aan in de kerkelijke en armenwetten, die hem niet geleerd zijn, en in de herderlijke zorgen, die hem niet geleerd konden worden? â kwam mij eene moeielijkheid voor, dan was eene wandeling naar Meijerburg gewoonlijk genoeg om mij uit alle bezwaar te redden. En behoefde mijne vrouw moederlijken raad of hulp, of den troost, dien het hart in het hart uitstort, dan waren hare schreden derwaarts gericht, of de goede oude vrouw kwam haar zelve in den nood bijstaan.
Hquot;. weinig nieuws ook onze kleine kring scheen op te levrquot; a, aan gesprek ontbrak het ons bij Meijerburg nooit. L- vriendelijke belangstelling maakt kleinigheden gewichtig. En buitendien, zonder in de geleerde wereld naam te hebben gemaakt, bezat de oude man eene grondige en heldere kennis en paarde vastheid van beginselen aan vrijheid van opvatting. Het geloof in Christus leefde in hem en de waarheid had hem waarlijk vrijgemaakt. Hij had daarom zijne denkbeelden niet in oude stelsels verwrongen en vreesde het nieuwe niet: het kon hem immers de vastheid van zijn geloof niet
Ill
DE RINGBROEDERS.
ontnemen? en hij wilde gaarne nog wat leeren, al was het in den avond van zijn leven.
Ach! zij zullen nimmer wederkeeren, die onvergetelijke avonden, bij de gezellige koffie en den oud vaderlandschen haard en bij nog gezelliger' vriendenkout doorgebracht!
Door 'afkoop van het annus gratiae had ik reeds verleden jaar in hetzelfde huis een' nieuwen nabuur te verwelkomen , een' tijdgenoot en akademie-kennis. Zeker, dit klonk fraai. Het noodigde uit om gemeenschappelijke herinneringen te genieten en oude kennis weder aan te knoopen; maar niet alle herinneringen zijn aangenaam en niet alle kennis is gunstig.
Mijn nieuwe nabuur was aan de akademie weinig gezien geweest. Aan de akademie toch wordt véél over het hoofd gezien; een lage afkomst, zonderling of woest karakter, vrije beginselen en zeden zelfs; maar niet gebrek aan verstand, aan moed en wereldkennis. Men moet zich kunnen handhaven op het tooneel der akademische samenleving of anders in een' verborgen hoek zich terugtrekken, waar men voor bespotting veilig is. Van der Ploeg â deze naam scheen al een boersche afkomst aan te duiden â had een- en andermaal beproefd om eenige vertooning te maken; maar zijne geleerdheid vond men niet geleerd ge-, noeg en zijne aardigheden volstrekt niet aardig, zoodat hij spoedig als âeen stijve Klaasquot; werd uitgelachen of als âeen arme sukkelquot; beklaagd; hierop was hij in het duister teruggekeerd, had met zweet en tranen zijne examina en proefpreeken gedaan, daarna een paar jaren als proponent omgezworven en nu, bij geluk, eene vaste bestemming gevonden.
Ziedaar mijne herinnering, mijne kennis. Nu, wat hij vroeger niet was, dat kon hij nog geworden zijn; ook zijn studenten-deugden nog niet altijd maatschappelijke deugden , en omgekeerd; ten slotte wist ik toch geen eigenlijk
112
DE RINGBROEDERS.
kwaad van Van der Ploeg en hadden wij nimmer twist gehad, zoodat ik in eene vriendschappelijke stemming naar hem toe wandelde. Maar hoe stond ik verbaasd toen ik hem ontmoette! Die goede Yan der Ploeg, die altijd tusschen ons studenten met een gluipend oog en gedoken hoofd dooping, als een smokkelaar tusschen commiezen, wat was zijn voorkomen veranderd! Met deftige schreden, het hoofd opgeheven en de hand in de borst, kwam hij mij tegemoet; een genadige glimlach vertoonde zich rondom zijnen mond, en de woorden: âhoe vaart gij, collega! en hoe vaart mejuffrouw, uwe beminde?quot; werden meer gereciteerd dan uitgesproken. Ik kon mij niet verzadigen aan de beschouwing van zijn' eerwaarden persoon, vooral toen een boer van zijn' kerkeraad het gezelschap kwam vermeerderen. Waarlijk, alles was zoo deftig aan hem, tot het houden van zijne pijp toe, dat ik er al vrij onnoozel in het oog van âbroeder ouderlingquot; moet hebben bijgezeten.
Daarbij verwekt het bezoeken van een huis, waarvan de vorige bewoners mijne hartelijke vrienden waren, bij mij altijd een weemoedig gevoel. Ik zie dan alles, stoel en tafel, haard en klok, servies en schoorsteenstuk, gelijk het vroeger was, en alle vernieuwing en verfraaiing, die nieuwe- bewoners gewoonlijk aanbrengen, is mij eene ergernis, eene ontwijding van dat alles, waarop mijn oog zoo dikwijls, ter wille der bewoners, met welgevallen gerust heeft. Zoo ging het mij ook nu. Terwijl collega Van der Ploeg met den buigenden ouderling over de hooge waarde zijner bediening sprak, zoo afgepast, alsof hij een gememoriseerd stuk voordroeg, zag ik daar, tegenover mij, nog den ouden trijpen leuningstoel en daarin mijn' waardigen grijzen vriend Meijerburg, en nog hoorde ik hem zeggen: âmijn zoon! ik bedroef mij altijd als ik van Dominee's-toon en geestelijke deftighoid ho-r -f die zelf opmerk. Dat onze stemming ernstk- :⢠a die der wereld rondom ons: wij hebben ook er ;si i ⢠'ijzigheden;
113
DE RINGBROEDERS.
maar die ernst moet het leven zijn onzer ziel en niet het blanketsel van ons gelaat of het keurslijf onzer woorden. Het is niet ernstiger of waardiger, wanneer ik tot uzeg: âcollega! wilt gij niet eens rooken?quot; dan als ik op onzen gewonen toon spreek; âkom, buurtje, nu eerst een pijp gestopt!quot; Ik vrees altijd, dat zulk een vei toon uit een hoogmoedig hart voortkomt en dat het de onbeduidendheid van het karakter en de ledigheid van den geest bedekken moet; op zijn best genomen, is het toch altijd eene dwaze gewoonte, dat men eene onnatuurlijke stemming van den predikstoel naar huis medeneemt, in plaats van de natuur uit zijn huis en kring op den predikstoel over te brengen. Een boer moge deze gemaakte deftigheid aangapen, bij verstandigen en weidenkenden benadeelt zij onbegrijpelijk veel onzen zedelijken invloed.
Zoo had ik mij te gelijk met den doode en den levende onderhouden en keerde, na eenig algemeen gesprek en belofte van nader aanhouden der kennis, huiswaarts. Weldra vernam ik nog een en ander, dat ik niet kan nalaten om ook aan mijne lezers mede te deelen.
Tot de zwakheden van mijn' overleden' grijzen vriend behoorde, dat hij gaarne toonde wel oud, maar vrij van vooroordeel te zijn. Bij oppervlakkige en bekrompen menschen had hem dit het voorkomen van een gioot liberaal gegeven, hoewel hij dit, in den gewonen ongun-stigen zin van het woord, volstrekt niet was; zelfs helde zijne denkwijze tot het oud-rechtzinnige over; hij wilde slechts nimmer iets goedkeuren, alléén omdat het oud was, en allerminst door schelden en veroordeelen het nieuwe bestrijden. Genoeg om hem eene zekere partij in de gemeente tegen te maken, die, sedert de afscheiding in onze vaderlandsche kerk begon, het hoofd hoogei opstak. Dit had zelfs den laatsten avond zijns levens bewolkt en zijne levenszon minder helder doen ondergaan. Deze partij nu h ;d vooral de beroeping van Tan der Ploeg
114
DE RINGBROEDERS.
doorgedreven, hetgeen anderen zich hadden laten welgevallen om zoodoende, gelijk ze meenden, vrede en eendracht in de gemeente te bewaren of te herstellen. De proefpreek, een weinig naar hunnen geest ingericht, was dan ook onberispelijk en de eerste kennismaking beloofde veel; edoch â toen deze eieren eenige weken gebroed waren, brachten zij geene hupsche kiekens, maar stank en verrotting voort; want, wel beschouwd, was de rechtzinnigheid van Yan der Ploeg voor een groot deel hoogmoed: hij wilde uitmunten en het werk van zijn voorganger verbeteren. Toen nu deze hoogmoed tegen den hoogmoed der vromen botste, toen zij hem op den geestelijken weg wilden leiden en hij hun de wet stellen, toen begon men in te zien, dat hij toch de rechte man niet was en ei niet inzat, wat er buiten opzat; en men haatte en kwelde hem nog meer dan zijn waardigen voorganger. De slotsom is, dat hij sedert dien tijd zich meer aan ons aansluit, in plaats van onze weifelende gemeenteleden tot zich te trekken, en dat, daar hij toch in den grond niet kwaad is, de ondervinding hom al een weinig wijzer doet worden, zoodat deze harde leermeesteres, met Gods hulp, nog wel van Van der Ploeg maken zal wat van hem te maken is.
Het aandenken eens onvergetelijken vriends heeft mij te lang op.ééne plaats opgehouden: wij zullen dus bij mijne andere naburen slechts een kort bezoek afleggen.
Op een goed halfuur afstand van Mastland staat sedert zes jaren mijn brave vriend Eusters, insgelijks een tijdgenoot en akademie-kennis. Rondborstig als een Zeeuw somtijds ruw in zijne uitdrukkingen, maar altijd edel in zijne bedoelingen, is hij zich bij den overgang van student tot predikant volkomen gelijk gebleven. Hij mist in de samenleving den fijnen takt en de hoogere beschaving, in de studie hot wjjsgeerig oog en de grondige kennis.
115
DE RINGBROEDERS.
noodig om in een en ander nit te mnnten; maar zijn rondborstige toon en zijn open oog teekenen oprechtheid en vastheid van overtuiging en geven hem eene zedelijke overmacht op zijne gemeente, welke niet zelden de hoog beschaafde en geleerde man mist. Zoo had ik hem gewacht en zoo vond ik hem en durfde mij daarom spoedig en gerust aan hem aansluiten. Zoo ergens, dan is het tusschen ons beiden waar, dat verschil van karakter bij overeenkomst van beginselen de hechtste vriendschap kweekt. Draaft hij wat hard op een eenmaal opgevat denkbeeld door, dan trek ik hem bij de rokspanden terug, en doet mijne natuurlijke bedaardheid en omzichtigheid mij te zeer en te lang weifelen, dan moet ik zwichten voor de kracht van zijn helder oog, en voor eene steinT welke hij nimmer aan banden legt. De belangen onzer gemeenten, somtijds ineenloopende en meest nauw verwant, geven ons ruime stof tot onderhoud en zelfs tot vriendschappelijken strijd. Zonderling verschillend is somtijds de wijze, waarop wij dezelfde zaken aanvatten; de mijne â vergeef mij, dat ik het zelf getuig! â is dikwijls verstandiger, altijd voorzichtiger, en toch weegt ze niet altijd op tegen zijn ârecht door zeequot;. Wij zijn gelijk aan twee kinderen, waarvan het eene altijd angstig voor de voeten ziet en het andere wild en onbezorgd draaft en speelt , en waarvan toch het eerste dikwijls (naar oud vaderlijke of moederlijke spreekwijze) in hei hoekje is, waar de slagen vallen.
Alleen des Maandags-morgens bezoek of ontvang ik mijn' vriend Ruspers minder gaarne dan op andere dagen. â En waarom dan juist? â Ik zal het u zeggen. Treedt hij op dien morgen bij mij binnen of verwelkomt hij mij bij zich, dan is zijn' eerste vraag: âhoe vaart gij?quot; en zijn' tweede, die er onmiddellijk op volgt: âwat hebt gij gisteren gehad?quot; Om het antwoord op deze laatste vraag is het eigenlijk ook nog niet te doen, ten minste
116
DE RINGBROEDERS.
hij valt vrij spoedig in: âik heb behandeld â quot;en nu volgt eerst de tekst, dan het thema, dan de schets, deel voor deel en punt voor punt, en ik word ongeveer te moede alsof mijn chirurgus mij zijn receptenboek voorlas. â Laat men mij zeggen: âik heb die geschiedenis of gelijkenis, ik heb dat gezegde behandeld; wat is ze schoon, of wat is het rijk!quot; Laat ons dan den bijbel in de hand nemen en de kracht der uitdrukkingen in het oorspronkelijke, den samenhang van denkbeelden of gebeurtenissen nagaan; maar schetsen, â ik koop daarvan deelen vol voor eenige stuivers..... Doch ik zou zoo doende weder tot een onderwerp terugkeeren, waarvan ik vroeger misschien reeds te veel gezegd heb.....
Mijn vriend heeft dan zoo zijn stokpaardje en ik ook, en zijn zijne schetsen keurig net in zijn oog, koud en afgepast is toch zijne evangelieprediking niet. Welaan! ik wil mij zei ven de boete opleggen om aanstaanden Maandag, als het weder gunstig is, hem opnieuw te bezoeken en geduldig toe te luisteren. En is misschien met zijne belangstelling in de goede zaak een zweem van eigenliefde vermengd, ik zal ze verschoonen en denken: âlicht, dat nog eens iemand plan en behandeling prijst, eer de vlijtig bewerkte preek wordt weggelegd. Onze vrouwen laten toch ook gaarne een fraai servies of kostbaar zilverwerk of net gevouwen tafelgoed nog eens zien, eer het voor langen tijd in eene donkere kast of kabinet wordt weggesloten.quot;
Wenden wij ons naar de tegenovergestelde zijde van het eiland, dan vinden wij, op een goed uur afstands, mijn' grijzen nabuur Marklan. Na het betreden vaneen' eenzamen dijk, door zwaar geboomte overschaduwd, ontdekken wij eindelijk eenige hutten, eene bouwvallige kerk en daar achter eene oude, sombere pastorie. Dat alles is vrij doodsch; maar er komt spoedig leven in, want onze komst brongt eon koor van drie, vier honden in beweging.
117
DE ELNGBEOEDERS.
waartusschen de brommende stem eener oude dienstmaagd het recitatief zingt. Dominee moet er zelf bijkomen om de meid en de honden te stillen, en niet dan morrende trekken zij af. Nu eerst kan het tuinhek worden opengedaan en de goede oude broeder, met den gebloemden kamerjapon aan en het zwarte kapje op, heet ons welkom. Een paar vette katers worden nog van de stoelen met kussens gejaagd, en â wij komen te zitten.
âGij zult immers koffie drinken, collega?quot; â âGaarne; de wandeling maakt dorstig.quot; â Lezer! zijt gij wat bijzonder vies, wisch dan heimelijk het kopje nog eens om: oude lieden zien zoo nauw niet meer. Drink overigens vrij koffie, zonder vrees voor de bedwelmende of opwindende kracht: â het narcotische, geloof ik, dat de geleerden zeggen. Zoo iets is hier onbekend.
De oude man schijnt u misschien niet zeer spraakzaam. Dat komt maar omdat men eerst alle zaken en alle men-schen bij het rechte handvatsel moet aangrijpen. Begin slechts te spreken over het nieuws van de laatste boekzaal of de laatste synode, over kerkelijke wetten en reglementen, over vacaturen en vacatuur-gelden, en ik verzeker u, dat gij hier leeren zult. Sedert 45 jaren op deze afgelegen' plaats woonachtig, overziet hij vanhier rustig en geregeld de geheele kerk, evenals een rentenier, die een groot vriend van reisbeschrijvingen en couranten is, en zich geheel tehuis gevoelt in China, Afghanistan, Spanje en Algiers, ofschoon hij nooit zijne woonplaats, veelmin zijn vaderland, verlaten heeft.
Er zijn nog andere punten, waarop collega Marklan sprekend en zelfs welsprekend is. Bezoek hem slechts in het najaar en noem maar één artikel van den wintervoorraad, zoo hebt gij het uurwerk van het gesprek opgewonden en behoeft u niet verder te vermoeien om het gaande te houden. Nauwkeurig weet hij u de juiste marktprijzen te noemen, hij rekent zelfs met halve
118
DE HISGBR0EDKK3.
centen, en vele zijner raadgevingen en huishoudkundige opmerkingen hebben mij wezenlijke diensten bewezen.
En nu verder is met weinig woorden zijn karakter te beschrijven; voor zich zeiven doorgaans in eene gelijkmatige, opgeruimde stemming, zou hij gaarne de geheele wereld in vrede en zijne gansche gemeente eenmaal in den hemel zien. Hij draagt niemand een kwaad hart toe, â of het moest Levi den slager zijn, die, ten spijt van zijne waakzaamheid, hem nu en dan een half ons vleesch te weinig brengt.
âDat is nu alles goed en wel; maar wat is Marklan als predikant? Wat heeft de gemeente aan hem?quot;â Ja, lezer! ik sta waarlijk verlegen, wat ik u hierop antwoorden zal. Al meer en meer begint de goede oude man zich over de koelheid zijner gemeente te beklagen en deze wederkeerig over de zijne. De waarheid is misschien, dat leeraar en gemeente te zamen zijn koud geworden en nu elkander niet kunnen verwarmen. Ik geloof zelfs, dat Marklan, toen hij vijf en twintig jaren de gemeente gesticht had, begrepen heeft, dat hij nu stichting genoeg had opgezameld voor de volgende vijf en twintig jaren, en dat hij de kinderen wel op dezelfde wijze op den goeden weg leiden kon, als hij het de vaderen gedaan had. Hieruit is een zekere cursus ontstaan, dien geoefende hoorders, althans van 14 dagen vóór Kerstmis tot 14 dagen na Pinksteren, niet na-rekenen, maar uoomiM'ekenen kunnen; terwijl zij gedurende de overige maanden reeds uit den voorzang, op het kerk bord aangekondigd, althans zeker uit de voorafspraak, tekst en leerrede gissen. Doch aan de andere zijde is het ook waar, dat de gemeente uit de Marklansche preeken, die toch in het wezen der zaak goed zijn, nog op verre na niet geleerd heeft wat daaruit te leeren is, en dat zij moeielijk een' vredelievender herder of hartelijker' vriend onder alle omstandigheden zoude kunnen opsporen. Maar
119
PE RINGBROEDERS.
de'gewoonte doet deze goede zijde van zijnen dienst hoe langs zoo meer voorbijzien.
Onder deze omstandigheden ontstaat er een zonderlinge strijd. De gemeente gunde zoo gaarne den waardigen grijsaard zijne welverdiende rust en hij kan van zijne gemeente cum annexis niet scheiden. Het kerkbestuur laat de pastorie, nog meer dan dit om het bekrompen kerkefonds noodig is, vervallen; maar de oude man vindt haar nog vrijgoed bewoonbaar. De gemeente bezoekt schaars de kerk en Marklan preekt te ijveriger voort. Kortom, men is bereid om in de boekzaal de loftrompet over hem op te steken of op zijn graf te weenen, alléén: naar het vijftigjarig jubilé, dat hij zich vast voorstelt , verlangt men niet. Zal de dood ook hier vreedzaam het pleit beslechten, gelijk hij reeds zoo menige twistzaak heeft uitgewezen?âOndertusschen heeft de lezer vrijheid, om uit dit (geenszins zeldzaam) geval alle gevolgen te trekken, welke hij zal meenen te behooren; mij is het onderwerp te teeder. Met een' glimjach begon ik er over te schrijven; verder gaande, zouden mij de tranen uit de oogen springen.
Ãr is nog ééne plaats in mijne nabuurschap, grooter en rijker dan de overige. Men beroept er dan ook een' predikant, en sedert twee jaren heb ik aldaar, door een nieuw beroep, de aanwinst gedaan van een' geleerden nabuur.
Falk, onze tegenwoordige ringbroeder, was mij te voren persoonlijk onbekend, als zijnde van eene andere akademie; het verheugde mij evenwel, dat de keus op hem viel, daalde roem zijner uitstekende kunde hem reeds was vooruitgegaan. Nu ben ik zóó geleerd niet, dat ik als een steunpilaar der wetenschap op mij zeiven kan blijven staan, schoon ik misschien als bruikbare specie tusschen andere steenen aan het gebouw onzer vaderlandsche theologie ben ingemetseld. Ik behoef dus eenige hulp en medewerking om den opgezamelden schat van geleerdheid, hoe groot of klein die dan ook zijn moge, wel te bewaren, goed te be-
DE RINGBKOEDERH.
werken, gedurig te vermeerderen; en ik ben wel gaiïsch niet vrij van eigenliefde; maar toch â Gode zij dank! â niet verwaand genoeg om niet gaarne van anderen te leeren. Ik wachtte dus hier een' degelijkeu en nuttigen omgang en verheugde mij daarover reeds in voorraad.
Wij bezochten en verwelkomden collega Falk. Hij was een kort, eenigszins zwaarlijvig man, met een hoog gewelfd voorhoofd en doordringende oogen. Zijne stem was krachtvoi, zijne woorden kort en kernachtig. Hij was niet wat men een' drogen kamergeleerde pleeg te noemen; maar een man, blakende van ijver voor de wetenschap, en toch niet geheel vreemdeling in het dagelijksch leven; alleen zweefde een trek van ongeduld om zijne lippen als een gewoon, alledaagsch gesprek wat lang duurde, zoo ongeveer als iemand, die eene gewichtige conferentie komt houden en daarin door het spelen van de kinderen des huizes wordt verhinderd.
Mevrouw Falk, â want zoo liet zij zich gaarne noemen, als vrouw van een' Theol. Doctor, â Mevrouw Falk ontving ons vriendelijk; ziedaar alles wat ik van haren omgang zeggen kan. Bedrieg ik mij ? Of verdooft het zonlicht den maneschijn? Maar ik heb meenen op te merken, dat geleerde mannen dikwijls al zeer onbeduidende vrouwen hebben. Althans bij Mevrouw Falk was het geheele discours terug te brengen tot één thema: de Dominee; haar geheele aanzijn scheen opgelost in bewondering van haren echtgenoot, en in dit opzicht was zij. schoon in hooger' stand en op beschaafder manier, een sprekend evenbeeld der echtgenoote van Meester Herman Baljon.
Het belangrijk gesprek van Dominee moest dan de onbeduidendheid van Mevrouw vergoeden en was daartoe ook we! in staat. Met mijne gewone berekening had ik mij voorgenomen om deze eerste maal niet geleerd te zijn; maar mij tot eene eenvoudige kennis-
121
DE KrXGBROEDERS.
making te bepalen. Ook de wellevendheid, der vrouwen verschuldigd, scheen mij toe dit te vorderen. Maar mijn voornemen leed schipbreuk. Falk was véél te blijde, na eenige drukke en woelige weken, een' gestudeerd' man te ontmoeten, en volstrekt niet gewoon om naar de bevatting zijner vrouw zijn gesprek in te richten. Zij luisterde toch, verstaan of niet verstaan, met eerbiedige aandacht en staarde hem onafgebroken bewonderend aan, terwijl Cornelia met een spotachtig gelaat de groep overzag. Ik moest dus geleerd zijn, nolens volens. Wij zagen elkander onder de oogen: â ik kwam er nog al redelijk wel af.
Maar het kan een' mensch, die in twee jaren geen tweemalen latijn sprak (een enkele kunstterm uitgezonderd, dien ik met mijne Medici wisselde), toch wel eens gebeuren, dat hij in de haast een woord verkeerd aanvat en, daar niemand op Mastland weet wat kerkelijke geschiedenis eigenlijk is, kan wel eens bij ongeluk een kerkvader of ketter der eerste eeuwen van zijne plaats geraken. In zulk een geval viel het mij wat hard om terstond door collega Falk op de vingers te worden getikt. Mij dacht, hij zat daar tegenover mij als een eerzuchtige schaker, die bij het minste verzien van zijne partij dadelijk de vingers op het bord heeft.
Ik heb naderhand Falk nog menigmaal bezocht en hij mij. Ik leer gedurig van hem en hij zegt buitenaf, dat hij veel genoegen vindt in den omgang met zijn' kundigen nabuur. En toch kan ik tot nu toe, op weg naar zijne woning, een zeker gevoel niet van mij weren, dat meest overeenkomt met de stemming, waarmede ik, op weg naar een professoraal collége, mijne responsie nog eens bij mij zeiven herhaalde. Of ik het mij zeiven ontveinze of niet: de stoelen bij Kusters zijn zachter.
O gij, groote geleerden, weest ons toch wat barmhartig! Zet niet al den last uwer kunde ons op het
122
DE RINGBROEDERS.
hoofd! Gij drukt onze zwakke hersenen zoo; en houdt uw schitterend licht ons niet te dicht onder de oogen! gij verblindt ons maar.
Maar het was mijn oogmerk niet om eene beeldengalerij van al mijne ringbroeders den lezer te openen: ik wilde hem alléén eenig denkbeeld geven van den kring, waarin ik mij beweeg. Mij bekruipt zelfs, na al het geschrevene, de vrees of ik in sommiger oog niet reeds te veel gedaan heb. De eerbied voor onzen stand doet het hen voor heiligschennis houden, zoodra men de gordijn iets hooger ophaalt. Bij mij heeft juist het tegendeel plaats. Diep overtuigd van de hooge waarde van onzen stand, acht ik onze gebreken temeer van gewicht. Het menschelijke in ons mag wel bekend worden, vooral aan ons zeiven. Ik heb dus geen berouw van
het geschrevene. Ik zou zelfs..... indien ik niet.....
Punctum.
123
IX.
HET HUISBEZOE K.
Het heugt mij nog, dat ik, als een aankomende jongen, bij een' neef van mijn' vader, of liever bij diens jongste zoontje te visitie was. Die neef was een welvarend koopman, ijverig en braaf; maar een weinig luchtig enganseh niet kerksch. Wij, jongens, hadden ecne van die pauzen, die zoo onwillekeurig en zoo onaangenaam zijn, en zoowel in de kinderspelen als in de gezelschapszaal voorkomen. Om toch iets te doen tuurden wij door de glazen. Reeds lang hadden wij het oog gehad op twee hoeren, die gedurig schenen te naderen en gedurig weer verdwenen. Zij waren in het zwart gekleed, de een met een korte broek, de ander met een lange, de een met een' driekanten hoed en de ander met een' ronden, terwijl de laatste een boek in folio onder den arm hield. In onze kinderlijke, eenvoudigheid, â of laat ik meer naar waarheid spreken; in onze jongens wijsheid verdiepten wij ons in allerlei gissingen omtrent de bedoeling dezer twee deftige personen. Eindelijk meende mijn neefje het gevonden te hebben. Hij had dien eigen' morgen twee beambten van de personeele belasting zien rondgaan en vroeg nu op den toon van iemand, die een raadsel heeft uitgevonden: âvader! komt die Dominee ook biljetten rondbrengen of geld ophalen?quot; Neef antwoordde niet; maar na even in het spiegeltje te hebben gezien, zeide hij: âAmalia, dat
HET HUISBEZOEK.
zult gij wel voor mij waarnemen. Ik ben op mijn kantoor en heb het druk, hoor!quot;
Xu was ons de zaak althans niet helderder geworden. Veeleer was er nog eene onbegrijpelijkheid bijgekomen, daar neef juist een oogenblik tevoren had geklaagd, dat hij het volstrekt niet druk had.
Er werd aangescheld. Dominee Mâ en de heer A â werden aangediend. Zij traden binnen en zetten zich neder, terwijl neefje en ik naar een'hoek van het vertrek retraite maakten om vandaar alles op te nemen. Het groote boek werd op tafel opengelegd en nu begon het gesprek.
âUE. woont hier nog altijd in hetzelfde huis, Mevrouw?quot;
âOm u te dienen, Dominee.quot;
âEn de naam van Mijnheer is.....?quot;
âOm u te dienen. Dominee.quot;
âEn uw oudste dochtertje Johanna, is die nog in huis?quot;
âVerzoek excuus. Dominee; zij is binnenkort van haar derde kind bevallen.quot;
âAh zoo! dat wist ik niet.quot;
Zoo ging het voort. Ook mijn neefje werd genoemd:
ik beefde reeds, maar bleef vrij..... De heer met den
ronden hoed snuifde.
Nu werden de meiden binnen geroepen en zetten zich vrij links op een paar stoelen, die zij anders nooit aanraakten dan om ze te wrijven of op hunne plaats te zetten. Daarop volgde de aanspraak, waarvan ik niets begreep, â neefje en de meiden evenmin. Hierna begon Dominee Mâ de meiden te vragen of zij wel te kerk gingen, en wat zij dan dachten on gevoelden, en of zij wel baden, enz. Daar hierop geen antwoord kwam, vreesde ik, dat toch eindelijk de beurt eens aan mij mocht komen, sloop stil langs den muur, naderde gelukkig de deur, en â ontsnapte.
Een oogenblik later werden de heeren uii drukte van neef was afgeloopen, ik kwam we en alles was in zijne gewone voegen terugge.
125
HET HUISBEZOEK.
éénige, wat ik tot verklaring van de zaak te weten kreeg, was, dat dit nu huisbezoek heette.
Ook volgende jaren maakten het mij weinig duidelijker. Een algemeen denkbeeld zweefde er mij van voor den geest, als van eene kerkelijke volkstelling, vereenigd met zoo iets, dat naar eene biecht zweemde: â ik weet het niet!
Eindelijk bemerkte ik, dat de aanspraak eene uitnoodi-ging was tot het avondmaal; maar ik begreep volstrekt niet waartoe die uitnoodiging diende, daar mijne goede ouders, zoowel ongenood als genood, daarvan gebruik maakten.
Op de akademie werd ik niet op die wijze bezocht. Van het huis, of mijne kamer in mijne afwezigheid, kan ik niets zeggen: ik was ook een groot deel van het jaar en van den dag afwezig. Verder herinner ik mij niet, dat ik in mijne eerste studie-jaren het woord huisbezoek heb gehoord.
Tegen het einde evenwel van mijn' akademie-tijd hoorde ik er onder oude studenten over spreken, als over een lastig gebruik in onze kerk, en enkele jonge predikanten van onze kennis klaagden over onaangenaamheden, daarop hun bejegend. Maar al deze gesprekken waren te onbestemd, om mij eenig licht in de zaak te geven.
Zoo werd ik predikant. Gul gezegd, wist ik nog volstrekt niet, wat ik eigenlijk bij deze gelegenheid spreken moest. Daarbij kwam de onaangename herinnering uit de dagen mijner kindschheid, zoo moeielijk te vergeten. Kortom: ik stelde uit, zoo lang ik kon; maar tegen mijn eerste Paaschfeest, waarop te gelijk het avondmaal gevierd zou worden, moest ik öf ziek zijn of huisbezoek doen: er was geen derde mogelijk.
Misschien zou ik het eerste gekozen hebben, en werkelijk van angst ongesteld geworden zijn; maar gelukkig leefde mijn vriend Meijerburg nog en ik begaf mij met ^n bezwaard hart naar dien getrouwen raadsman.
126
HET HUISBEZOEK.
âZeg eens, mijn beste vriend, hoe moet ik toch huisbezoek doen?quot;
âWel, geheel op uw eigen' manier, zooals uw hart het u ingeeft.quot;
âMaar ik heb er nog geene manier op en mijn hart geeft mij volstrekt niets in, dan dat ik oneindig liever tehuis bleef.quot;
âKomaan dan! Gij gaat met uwen ouderling huis aan huis, daar er bij u geene Roomschgezinden zijn; gij vraagt naar de bewoners; die, welke lidmaten zijn, noodigt gij aan het avondmaal, mits zij dat in eene waardige stemming wenschen te vieren. Verder schikt gij u naar de omstandigheden. â Zie daar alles!quot;
âAlles? Dus heb ik dan alleen dezelfde boodschap van huis tot huis rond te dragen en van vijf tot vijf minuten te herhalen?quot;
âJa, en daarbij nog een weinig op uwe woorden toe te zien, dat de achterdocht van onzen tijd er geen venijn uit zuige. Bij onbekende of verdachte leden is eene algemeene formule best; zelfs kan het tusschenbeide geen kwaad, dat men u niet recht versta.quot;
âNog erger. Het is dan niet alleen een doode vorm, ook nog een huichelachtig vertoon!quot;
âVriendlief! ik moet u waarschuwen voor een gebrek, doorgaans welgezinden jonge lieden eigen. Wil niet, voor de eerste maal, te véél doen. Al deed het geen ander nut, zoo zal uw eerste huisbezoek u de zaak een weinig meer eigen, en het personeel van uwe gemeente een weinig beter bekend maken. I-Iet kan niet missen of naderhand zult gij u een eigen huisbezoek vormen, naar uw karakter en dat van uwe gemeente. Dan zult ge veilig doen, wat nu gewaagd wezen zou. En nu, goede reis! Zoek alleen nog, als het van uwe keus afhangt, een' vertrouwden en verstandigen ouderling mede te nemen.quot;
Ik keerde naar huis en was ditmaal over mijn' vriend
127
HET HUISBEZOEK.
maar half voldaan. Ik had meer gewacht en meer gewild , en de vrees voor het ongewone werk was maar gansch niet weggenomen.
Op den bestemden dag kwam des morgens mijn ouderling mij afhalen. Gelukkig was het een mijner beste gemeenteleden, iemand van goed, gezond oordeel, met de plaatselijke omstandigheden nauwkeurig bekend, vrijmoedig en toch bescheiden. Met zijne gewone eenvoudigheid onderrichtte hij mij omtrent eenige bijzonderheden; die men gaarne wilde of althans gewoon was, wees mij de gewone stations aan, waar Dominee met de koffie of thee werd gewacht en teekende een enkel huis met een zwarte kool, omdat vorige predikanten er wel eens onaangenaamheden hadden gehad: â een heerlijk vooruitzicht, voor mij inzonderheid, die in hot gevaar zelden beef, maar destemeer vóór het gevaar!
âGij denkt zeker het dorp zelf in éénen dag af te doen. Dominee?quot;
âJa, ais dat altijd zoo gedaan is.quot;
âDan mogen wij wel nergens gaan zitten eer wij bij Wijsland komen. Zij wacht ons.quot;
âNu, goed zoo.quot;
Wij gingen op reis. Ik had mij reeds voor eenigen tijd, op raad van Meijerburg, een zakboekje aangeschaft (van het /oHo-register had ik nog eene sombere gedachtenis!), om daarin de namen van al mijne gemeente-leden en hunne huisgenooten aan te teekenen. Dit boekje, naderhand vollediger gemaakt en gedurig bijgehouden, heeft mij dikwijls uitnemende diensten bewezen, en wel de eerste bij dit huisbezoek.
Wij traden bij mijn' naasten buurman binnen, een achterhoudend , onaangenaam mensch, van wien ik nog niet wist of hij mijn vriend of mijn vijand was. Er stonden twee stoelen gereed, waarvoor wij vriendelijk bedankten. Het was duidelijk, dat men dit gewacht had; het werd niet
128
HET HUISBEZOEK.
voor de tweede maal gevraagd. Onderfcusschen waren meid en knecht binnen gekomen, en de eerste zat, de laatste stond als een standbeeld. De ouderling nam zijn' hoed af, â dit was eene vriendschappelijke wenk, dat ik het ook zou doen! â de mannen des huizes volgden, de vrouwen sloegen de oogen neder en vouwden de handen. Mijne keel was beklemd. Gelukkig viel mijn oog op mijn zakboekje en ik vroeg nog eens, schoon ik ze lang wist, naar al de namen. Hierdoor werd mijne tong losgemaakt, zoodat ik de formule kon uitbrengen, die ik reeds vijftigmaal bij mij zei ven had opgezegd: âGij kent de reden van mijne komst; gij ioeet, dat het binnenkort avondmaal is; wij vertrouwen, dat gij het belang van die plechtigheid gevoelt, enz. enz.quot; â De huisvader zeide zeer afgemeten: âik dank je wel, Dominee!quot; en vervolgde terstond: âgij treft geen mooi weêr bij den ommegang.quot; â De huismoeder had hare oogen weder opgeslagen en vervolgde haar werk aan een' half geschilden aardappel; meid en knecht gingen heen, zonder iets anders te doen dan heen te gaan, en â zoo was dit huis bezocht.
En watzoudtgij mij nu verder vergezellen, mijn lezer? Het is alles: da capo! en nog eens: dcc capo! van huis tot huis.
Evenwel, er waren enkele uitzonderingen.
In de eerste plaats die huizen, die van ouds als geschikte rustpunten waren uitgekozen en waar een blaadje met eenige dikke sneden koek benevens een groote koffiekan aanduidden, dat er de stoelen niet voor de leus waren gereed gezet. Zoodra dan ook hier de gewone aanspraak gedaan was scheen ieder weltevreden, dat de goede God nu het Zijne had gehad, en het overige was een bezoek als alle andere bezoeken.
Eene tweede uitzondering maakten die huizen, waarvan mijn ouderling mij tevoren had gezegd: âdeze menschen zijn voor het goede.quot; Hier wachtte ons een godsdienstig gesprok; of neen, een eigenlijk gesprek kan ik het niet
129
9
HET HUISBEZOEK.
noemen. Het was eene zekere repliek, in treurigen klaag- en preektoon, in plaats van het gewone: âdank je wel;quot; eene repliek, even stijf en onnatuurlijk, maar nog een weinig meer gerekt dan mijne aanspraak. Antwoord werd er overigens niet op gewacht. Ik had ook wel mogen zeggen: âdank je wel.quot;
Eene derde uitzondering, gelukkig zeldzaam, troffen wij daar aan, waar de man bijna met een hoofdschudden mij aanhoorde en de vrouw voortging met aardappelen schillen of kousen breien: het laatste vooral, bemerkte ik naderhand, was eene formele oorlogsverklaring; maar op de voornaamste ontmoeting van deze soort zullen wij later terugkomen.
Het was een donkere avond. Onder eene echte Maart-sche bui keerden wij huiswaarts. Nadat ik mijn' goeden ouderling hartelijk had dank gezegd en goeden nacht ge-wenscht, zette ik mij bij den haard neder, gevoelloos, gedachteloos, uitgeput. Reeds driemalen had mijne vrouw gevraagd: âwat hebt gij dan nu toch gedaan vandaag, Willem? Wat hebt gij gezien en gehoord? Vertel eens wat.quot; Eindelijk antwoordde ik verdrietig: âwat ik gedaan heb, Kee? Bekend gemaakt wat ieder reeds wist, en vertrouwd en gehoopt wat ik niet wist. Wat ik gezien heb? Handen-vouwen zonder bidden. En gehoord? Bedanken zonder dankbaarheid. Alles poppenspel!quot; En zoo sprekende verzonk ik weer in mijne vorige dofheid, waaruit voor dezen avond mijne goede vrouw mij niet kon opwekken. Des nachts droomde ik van niets anders als van zwijgende ouderlingen, buigende huisvaders en biddende moeders, en toen Cornelia mij des morgens riep, antwoordde ik, nog slaapdronken: âdank je wel, ik zal niet gaan zittenquot;, zoodat ik door haar luid lachen werd wakker gemaakt.
De volgende week zat ik weder bij Meijerburg, en mijn eerste woord was:
130
HET HUISBEZOEK.
âIndien ik kon, ik zou het huisbezoek afschaffen.quot;
âEn indien ik kon,quot; was het antwoord, âik zou het verbeteren. Maar zeg mij dan eens: wat is n toch overkomen ?quot;
Ik verhaalde.
âIk wensch u geluk, mijn vriend! dat gij maar op ééne plaats het hoofd hebt gestooten. Gij zijt er wèl afgekomen en uw eerste huisbezoek heeft ten minste geen kwaad gedaan.quot;
âGeen kwaad gedaan! En waarom dan eene instelling niet afgeschaft, waarvan het al bijzonder wèl is, als ze geen kwaad doet?quot;
âNiet te haastig. Ik sprak alleen van uw eerste huisbezoek. Zie! ik weet bij ondervinding, dat men zelfs met grijze haren moeielijk herstellen kan, wat jeugdige drift de eerste maal bedorven heeft. Maar ik zal meer zeggen : uw eerste huisbezoek heeft' zeker goed gedaan. Het heeft u en de gemeente weder een weinig nader tot een gebracht. En is het vreemd, dat gij van beide kanten daarbij nog wat stijf waart? Dat is immers bij gewone bezoeken ook zoo? De geheele samenleving heeft hare formulen: formulen over het weder en over de staatkunde, formulen van gelukwensching en rouwbeklag, van verwelkoming en afscheid; en zouden wij ze dan in het godsdienstige kunnen missen? Zulke formulen zijn noodzakelijk in deze wereld, evenals beschilderde raamschermen, die verhinderen, dat men ons door de glazen zie, of als een sluier, die evenzeer een schoon als een leelijk gelaat bedekt. Naderhand zal uw omgang met de meesten vrijer worden, uwe woorden zullen meer in het hart tasten, en gij behoudt alleen de formule daar, waar de omstandigheden u verhinderen eenig nut te doen, of waar zelfs twist en ergernis te vreezen is.quot;
âDat moge nu alles waar zijn; maar ik zie nog vol-
HET HUISBEZOEK.
strekt niet in, waarom daartoe het geregeld huisbezoek noodig is. Die vaste tijd, die vaste noodiging, dat vaste gezelschap van een' ouderling, dat alles maakt het stijve nog oneindig stijver. Kan ik niet dagelijks veel beter mijne gemeente bezoeken?quot;
âTot antwoord, mijn vriend! wil ik u mijn eigen wedervaren verhalen. â Toen ik predikant werd, waren het juist de dagen van vrijheid en verlichting en ik had al vrijwel mijn deel aan die algemeene koorts. Afschaffen, vernieuwen! was ook mijne leus. Over het huisbezoek dacht ik evenals gij nu, en misschien nog overdrevener. Als ij del vertoon en geteem verachtte ik het en liet het al meer en meer na. In die dagen was dit gemakkelijker te doen dan nu. Alles werd toch omgewenteld. Iets meer of minder, het ging met ééne moeite door. Ik zou dan nu als vriend, als een vaderlijke vriend, mijne leden bezoeken en op mijn' natuurlijken toon hen toespreken. Wat was het gevolg hiervan? Een deel der gemeente haalde mij aan, en ik kwam er dikwijls; een ander deel stootte mij eenigszins af, en ik kwam er hoelangs zoo minder. Bij de welvarenden werd ik genoodigd; de armen zagen mij vreemd aan als ik binnentrad. Dit maakte de mij ongewone bezoeken hoelangs zoo moeielijker, en wat moeielijk is, stelt men al licht uit. Kortom, er ontstond langzamerhand tusschen het grootste deel mijner gemeente en mij eene vervreemding, die zelfs in de kerk en op de catechisatie zichtbaar was, en mijn hoog geroemd herderlijk bezoeken mijner schapen ging al meer en meer in gewone conversatie met enkele vrienden over. Toen werd ik wakker en besloot om weder getrouw huisbezoek te doen. Het kostte mij waarlijk veel; maar ik hield vol. Vooral in het leeren der kinderen vond ik een belangrijk onderwerp van gesprek; het kerkgaan werd nu ook beter, daar men
132
HET HUISBEZOEK.
zag, dat ik dit naging; enkele bezwaren tegen de avondmaalsviering vielen weg; en had ik op vele plaatsen niets anders dan /m/s-bezoek gedaan, dit opende mij gemakkelijker de deur des huizes om later terug te komen. Met alles, wat noodig was, kon zeker in weinige oogenblikken en in bijzijn van een' ouderling worden afgehandeld; maar het kwam mij dan toch in de gedachte, en ik heb mij tot eene vaste gewoonte gemaakt om bij ieder huisbezoek aan te teekenen, waar ik nog eens alléén denk terug te komen. Die latere bezoeken doe ik dan meestal als bij toeval of in 't voorbijgaan, zoodat het stijve en gedwongene daarbij geheel wegvalt. En zoo ben ik weder geworden, wat ik van den beginne af bad moeten blijven, de herder der geheele gemeente, waarin overal voor mij de deur open staat.quot;
âO mijn vriend!quot; dus vervolgde Meijerburg op hoog ernstigen toon, ..leer van een oud man, die dikwijls gedwaald heeft. Verwerp niet te-spoedig uiterlijkheden in den godsdienst, omdat het dikwijls niet meer dan uiterlijkheden zijn. Tracht ze liever op nieuw te bezielen en eene betere richting te geven. Geloof mij! zonder uiterlijken regel en vasten band blijven weinig menschen godsdienstig, en ook wij zelve verflauwen als wij niet eens op onzen tijd geroepen worden. Eu blijft al de stemming van velen altijd gesloten of koud omtrent u, een hartelijk woord vindt toch hier en daar een' goeden ingang. De groote Zaaier, die uitging om te zaaien, strooide ook veel zaad vergeefs; welnu, ga vrij negen huizen nutteloos uit en in, zoo uwe komst in het tiende maar gezegend zij. Maar bepaal uw huisbezoek dan ook niet tot een' zoo korten en afgepasten tijd; neem er een' dag meer voor; maak, zoodra gij u daartoe eigen genoeg gevoelt, meer gebruik van de aangeboden stoelen: dit zal de menschen ook vrijer maken. En
183
HET HUISBEZOEK.
dan eerst zult gij ondervinden, wat ik u reeds heb gezegd, dat gij u een eigen huisbezoek vormen zult. Men spreekt niet goed, zoolang men opzegt.quot;
Zelden nog had ik mijn' grijzen vriend met zooveel vuur en zoo lang in éénen adem hooren spreken, en nu bemerkte ik eerst Vat een vorig maal zijne bedoeling was geweest. Hij wilde mij eerst zeiven iets doen ondervinden, om daarna het overige met zijne eigene, duur gekochte ondervinding aan te vullen. Waarlijk! zijne les is mij niet nutteloos geweest; en al twist ik bij den vasten omgang nog dikwijls met mij zeiven en bid daarbij om meer van den Geest, die in Christus Jezus was; al is mij menig bezoek nog onaangenaam en menig ander onbeduidend, nooit heb ik na dien tijd weder gezegd: ,.ik zou het huisbezoek wel willen afschaffen.quot; Zelfs heb ik, hier buiten althans, het nut leeren inzien van ons vast geleide, dat mij nog lang nutteloos toescheen. De broeder ouderling, hoezeer meestal eene stomme figuur, was mij toch ook menigmaal bij kwalijk gezinden een noodige getuige en, als hij aanzien en goeden wil had, bij den minderen stand een getrouwe hulp.
En nu denk ik nog dikmaals terug aan mijne eerste kennis, als kind, met het huisbezoek gemaakt. Wat mij toen duister was, is mij nu helder geworden. In eene groote stads-gemeente kan het huisbezoek nooit worden wat het bij ons zijn kan en moet: een vaste band tusschen den geestelijken vader en zijne kinderen. Het is een zoo ontzaglijk groot huisgezin, met 8, 12, ja meer dan 20 vaders. Het grootste deel hoort maar zelden de stem van den predikant, tenminste niet dan van den predikstoel. De armen zijn verwilderd en hebben de ware achting voor hem veel verloren. De meeste rijken zijn hem evenzeer vreemd en wachten, aan den verfijnden toon der samenleving gewoon, geene godsdienstige lessen af in hunne woning. Er wordt geene kennis aangeknoopt, om-
134
HET HUISBEZOEK.
dat die toch niet aangehouden wordt. Daarbij wordt het moeielijke werk nog moeielijker bij zoo groot verschil van standen, onder de drukke bezighedeneenerkoopstad, bij de geheele onbekendheid met wandel, zeden en denkwijze der gemeente-leden; en het wordt allermoeielijkst, wanneer men er al meer en meer tegen opziet en het al
vreemder en vreemder wordt..... Eu zou toch een wel
ingericht, menschkundig en getrouw huisbezoek ook daar niet van onbegrijpelijk veel nut zijn? Zouden niet vele halve heidenen op die wijze kunnen worden opgewekt, althans hunne kinderen tot het onderwijs gebracht worden? Zou misschien een nauwere aansluiting van den predikant aan zijne wijk (waarin hij dan ook wonen en blijven moest), zou geregelde verdeeling van den kerkeraad naar de wijken, en gedurig verslag aan den zei ven, niet de stads-gemeenten nader aan de onze brengen, waar wij tenminste elkander kennen en geen schaap afdwaalt, zonder dat het kan worden teruggeroepen?
Maar wat waag ik mij ver, van Mastland in eene groote stad! Lezer, vergeef het mij! Ik had pia vota op het hart en het bezwaarde mij om ze niet te uiten. Misschien wordt een ander hierdoor opgewekt en vindt iets beters. Het zij zoo!
135
X.
MIJN KLEERMAKER EX MIJN SMID.
Duizenden â ik zal niet zeggen mijner lezers; want wie belooft er mij zoovelen? â duizenden dan gaan den winkel van een' kleermaker of de werkplaats van een' hoefsmid voorbij, zonder die op te merken, of wanneer zij er al het oog op slaan, dan denken zij eenvoudig aan het maken van een' rok of het beslaan van een paard. En zien zij nu op het dorp een lap kanefas of een versleten vest voor de glazen hangen, of ontdekken zij een' ouden hoefstal voor de deur, dan daalt hunne voorstelling nog lager, en zij. denken slechts aan een boeren wambuis, dat wordt versteld, of een ploegpaard, dat wordt beslagen.
Wij, dorpelingen, wij zien anders. Onze bril â want maar zeer enkele menschen bezien de waarheid met hot bloote oog, â onze bril vergroot, gelijk die der stedelingen verkleint. Zooals voor hen een man, op zijne geldkist gezeten, een vergeten burger wordt, zoo is bij ons elke ambachtsman eene macht in den staat. De schoenmaker richt niet zelden met zijne schoenen de schreden van den boerenstand; de kleermaker werkt door buis en kiel op het hart; de bakker weet vrouwen en kinderen den mond te snoeren, en de smid bezielt met den gloed van zijn kolenvuur al de plannen der volksdémagogen. Hebt gij dus deze staatsmachten tegen u, vindt gij zelfs in den scheerwinkel geen' advokaat, â wee uwer!
MIJN KLEERMAKER EX MUX SMID.
Zoo gevoelt gij dan wat belangrijk opschrift deze Schets heeft: Mijn kleêrmaker en mijn smid? â Goed, dan zal ik nu mijne beloften vervullen en u een paar ontmoetingen op mijn eerste huisbezoek, die van de eenvormigheid der overige bezoeken afweken, verhalen.
Onze wandeling â van den ouderling en mij â ging langzaam en statig voort. Wij hadden de eigenlijke kom van het dorp bijna ten einde bezocht en langzamerhand scheidden zich de huizen verder vaneen en werden dooltuinen, boomgaarden en kleine stukjes weiland afgewisseld. Nu zagen wij aan onze rechterhand een net huisje, waarvan de bloedroode steenen, de grasgroene deur en de hoog gele vensters ons reeds van verre tegenschitterden, terwijl de tuin â zoo noemen wij een klein stukje moesland met een kruispad, door palm afgepaald, en opeen afzonderlijk vakje zes bloemstruiken, â terwijl de tuin, met zorg uitgewied en opgeharkt, ons vriendelijk tegenlachte. En desniettemin viel mij elke stap nader bijster zwaar, en toen de bovendeur ongevraagd openging, daar men ons reeds door een zijraam had zien naderen, was het alsof eene benauwde stiklucht mij den adem beklemde, en ik geloof zelfs, dat ik zichtbaar verbleekte, toen ik de bekende blauwe slaapmuts zag.
Die blauwe slaapmuts bedekte het hoofd van mijn kleermaker, een hoofd, dat reeds vele nachten, zoo dikwijls ik van het naderend huisbezoek droomde, mij als een Medusa-kop tegengrijnsde.
Er was toch in de trekken van dat hoofd iets, dat mij een onwillekeurig afschuwen inboezemde. Van nature waren die gelaatstrekken regelmatig en sterk geteekend, evenals het lichaam kloek en welgevormd kon genoemd worden; maar men kon het aan alles zien: der natuur was hier geweld aangedaan. Bij den afgemeten' gang-bewoog zich het hoofd regelmatig, de nekspieren schenen zóó verslapt, en onderlip en wangen waren zóó diep
MIJN KLEEEMAKEK EN MIJN SMID.
neêrgezakt, dat alle bloei eu leven met geweld van dit krachtig en mannelijk gelaat verjaagd waren, ja zelfs het krullend haar warde achteloos op de kruin, of was door den kam nederwaarts gedreven, terwijl het sprekend bruine oog onder het geplooide voorhoofd gluipend zocht weg te schuilen.
Reeds had ik een- en andermaal Baas Perkers gesproken, opzettelijk lang genoeg om hem voorloopig te leeren kennen, en kort genoeg om mij niet te spoedig bloot te geven. Begon hij dan te spreken, zoo wekte eeist een gesmoorde zucht zijne sluimerende gelaatstrekken, hij grimlachte, het glurend oog blonk en scheen meer te willen zeggen dan de lippen mochten, en op een' zacht slependen toon gaf hij het wei-bedachte antwoord. Vriendelijk was hij bij uitnemendheid; maar juist die vriendelijkheid sloeg mij een' ijzeren band om het hart. Er is eene vriendelijkheid, die het hart uit wil, ons tegemoet, die het voorhoofd effen strijkt en het oog wijd opent, die als een blij morgenrood over de wangen zweeft en in een gullen lach ons toestroomt, terwijl zij spreekt in onvoorbedachte woorden, die vrij en gemakkelijk de reis van het hart tot het hart afleggen. Maar er is ook eene andere quot;vriendelijkheid, die alleen uit het hoofd en niet uit het hart voortkomt, die de vrucht is van den wil, van het o'veileg om vriendelijk te zijn of te schijnen. Regelmatig en afgepast haalt zij de gordijnen van het voorhoofd op en glinstert in de sluwe oogen. Het schijnt haar eenige moeite te kosten om de strakke trekken tot een half pijnlijken, half medelijdenden lach te verwringen en in honigzoete, slepende woorden wordt ons minzaamheid en liefde als met de el toegemeten of bij het pond \eikocht, of liever â als een aalmoes toegereikt.
Oordeelde ik te hard? Maar de uitnemende vriendelijkheid, mij tot nu toe door Baas Perkers betoond, scheen mij toe van de laatste soort te zijn, en geene opzettelijke
138
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
stuurschheid of verregaande lompheid had mij meer kunnen stuiten. Daarenboven meende ik in de laatste weken ongunstiger voorteekenen in die strakke trekken te hebben opgemerkt. In de kerk stond hij op eene vaste plaats, tegen een' pilaar geleund, en moest mij wel gedurig in het oog vallen. Nu had ik sedert eenigen tijd bij sommige mijner gezegden de wenkbrauwen nog lager zien nederdalen, de grimlach scheen nog meer mededoogen uit te drukken en enkele vrome vrouwen zagen al met onrust naar een licht hoofdschudden, dat van tijd tot tijd terugkeerde en eene geduchte uitbarsting (hetzij aardbeving of
onweder) voorspelde...... En nu, nu stond die blauwe
slaapmuts, die alleen voor de kerk werd afgezet, recht vóór mij; eene verklaring scheen onvermijdelijk; van de weinige buurvrouwen ontbrak er niet ééne bij haar venster, en op de dorpsbeurs wachtte men met ongeduldig verlangen den uitslag van dit mijn huisbezoek af.
Het openen der bovendeur liet ons terstond het geheele vertrek zien, waarin ons bezoek werd afgewacht; afgewacht, want er waren daarvoor toebereidselen gemaakt van tweeërlei aard, het eene door de jdelheid, het andere door de vroomheid, en beide, naar 't mij voorkwam, in den grond door den hoogmoed. Vooreerst dan had de baas den tuin opgeharkt en de bloemstruiken aangebonden, en de vrouw had de helder roode vloertegels met zand bestrooid, dat eenigszins de gebloemde vakken van een tapijt nabootste; buitendien waren de twee gereed staande stoelen nog een weinig bruiner dan anders gewreven en weerkaatste de blinkend geschuurde plaat den gloed van een regelmatig opgebouwd vuur. Maar nog andere en gewichtiger toebereidselen wachtten ons. De folio-Bijbel met koperen sloten lag opengeslagen op de tafel en in de vensterbank stonden, op de banden van een' stapel boeken, lange rugtitels met de namen van Van der Kemp, Smijte-geld, Hellenbroek en Groenewegen te lezen, terwijl eenige
189
:.rmT kleermaker en mijn smid.
naar buiten uitstekende vouwen en papiertjes de scherpe patronen schenen aan te duiden, tot verdediging van deze vesting gereed gemaakt.
Bij ons binnentreden zat de vrouw mee den rug naar de buitendeur; maar eene vrouw, die niet erg doof is, bewaart deze houding nooit als de klink of de bel zich beweegt. Zij zag dan om en toonde ons eene gedaante en een gelaat, die de stelling weerspraken, dat de natuur altijd de kromme lijn, de lijn der schoonheid, bevalligheid en verscheidenheid, in hare gewrochten verkiest. Alles: de ellebogen, de knieën, de schouders, maar vooral voorhoofd, neus, kin en wangbeenderen, â alles was met scherpe hoeken afgeteekend; en de strakke, scherpe blikken, die zij op ons wierp, stemden met den onaangenamen indruk van gedaante en gelaatstrekken volmaakt overeen.
Bij onze komst en groete legde Baas Perkers een stuk bombazijn en zijne vrouw eene breikous uit de hand, die zij beiden, geloof ik, juist voor de statie hadden in de hand genomen. Maar bij mijne toespraak en noodiging tot het avondmaal (die, ik beken het, redelijk droog en stijf was) werd de blauwe muts nog vóór het Amen weder opgezet en de handen der huisvrouw niet gevouwen: â een ondubbelzinnig teeken, dat de aangeboden geestelijke spijs niet werd aangenomen en zelfs opzettelijk versmaad. En toen ik nu zweeg, werd het voorhoofd der vrouw nog strakker en haar oog nog scherper en op het gelaat van Baas Perkers schilderde zich de bekende lach, die ditmaal geene minzaamheid, veeleer medelijden, of liever een verachtend beklag uitdrukte.
âO ja!quot; deze woorden volgden op een' zucht, nog veel dieper dan gewoonlijk, âo ja! ik zou wel verlangen om de bondzegelen der vrije genade te gebruiken met Gods uitverkoren volk, en daar als een arm, blind en ellendig zondaar in de gerechtigheid van mijnen Borg te roemen; want ik ben wel vleeschelijk verkocht onder de zonde;
140
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
maar de nieuwe mensch in mij roemt in de heerlijkheid der kinderen Gods. Doch de Geest getuigt mij, dat ik niet naderen mag met hen, die buiten het genadeverbond zijn, met onbekeerden en wereldlingen. Neen, ik mag niet naderen, waar een priester van Baill, een prediker van eigengerechtigheid, liet altaar bedient. âVermeng u niet met dezulken,quot; staat er geschreven, âen zit niet in het gestoelte der spotters!quot;Zoo sprak Baas Perkers, en zijne vrouw sloeg de oogen zoo hoog op en zuchtte zoo diep, als zij maar kon, en zeide toen met eene schelle stem: âdaar zeg ik Amen op.quot;
Nu, in de stilte van mijn studeervertrek en naeenige jaren ondervinding, zou ik gemakkelijk hierop een antwoord kunnen laten volgen, zoo gepast, zoo afdoende, zoo krachtig, dat ik mijne tegenpartij op het papier in korte oogen-blikken tot zwijgen bracht; maar toen â ik wil het niet verzwijgen, mijn lezer: ik was op zulk een' hevigen aanval niet voorbereid en had dus evenveel kansen tegen mij, als de veldheer, die onbesuisd en hevig wordt aangevallen, eer hij het plan voor den veldtocht nog geregeld, of zelfs zijn leger nog geordend heeft. Mijn tegenstander verlangde naar den strijd en zette dien voort met al de halsstarrigheid van een onverzettelijk karakter, en ik zou dien liever ontweken hebben ; want altijd heb ik een' afkeer van allen godsdiensttwist gehad, en hier zag ik daarin niets dan schade, schade voor den man, voor mijne gemeente en voo]' mij, daar een zegepraal hem ondragelijk trotsch, en eene nederlaag onverzoenlijk bitter maken zou. Om kort te gaan, mijne eerste tegenspraak was zeker zwak en flauw en gaf Baas Perkers gelegenheid tot eene tweede ontboezeming, nog heviger en meer persoonlijk dan de eerste. Maar toén werd er iets in mij wakker, hetzij goed of kwaad beginsel, maar dat mij op dat oogenblik uitstekend te stade kwam, en met warmte vervolgde ik den strijd, buiten mijne schuld aangevangen.
141
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
kerk staan, en terwijl gij spreekt, word ik zoo gesterkt om voor u te bidden.quot; â Nu werd het mij geheel ondragelijk. Ik weet niet hoe het kwam, maar 's mans vervloeking zou ik hebben kunnen verdragen, niet zijn hooghartig medelijden. Ik stond dan op, zette mijn' stoel weg, â misschien wat te hard, âen sprak, misschien wat te scherp: â âBaas Perkers! als gij zóó over uwe leeraars denkt, hebt gij mij niet noodig. Maar wat mij betreft, laat dat hatelijke bidden ook maar na en bid liever voor u zeiven, dat gij moogt worden als de kinderkens.quot; Hierop zette ik mijn' hoed op en vertrok onder den uitroep van vrouw Perkers: âo blinde leidslieden der blinden!quot;
Gelukkig hadden wij nog eene kleine wandeling te doen, eer wij den naasten buurman aan die zijde bereikten. Eene frissche windvlaag bekoelde mij het brandend hoofd en de wandeling zelve bedaarde de bevende leden; maar mijne tevredenheid was geweken, het hart was mij innig bedroefd over die zonderlinge vereeniging van godsvrucht en bitterheid en te gelijk onvoldaan over zich zelf; en mijn geest werd overstelpt door vele elkander verdringende, onvoltooide denkbeelden, die tijd en kalmte noodig hadden om tot rust en vastheid te komen.
Zoo vervolgde ik lusteloos en mijmerend mijn huisbezoek, tot ik den grenspaal van het eigenlijke dorp bereikt had en langs de huizen aan de overzijde terug keerde. Al langzaam voortgaande naderden wij den ouden, verveloozen hoefstal van onzen smid. Die hoefstal stond op den hoek van een' breeden, met zwaar geboomte bezetten dijk. Aan beide zijden van den hoefstal stond een oude, prachtige lindeboom, waaronder iederen avond zich vele dorpelingen verzamelden; want hier is het beursplein voor praters en nieuwsgierigen, het kostelooze koffiehuis van den arbeider, des zomers onder de linde-boomen en des winters bij het kolenvuur.
Hier wachtte ons dan, op een bankje voor de deur, het
144
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
grijze hoofd en het kalme gelaat van den ouden smid, wiens eens gespierde, maar nu stramme leden en gelaatstrekken getuigden van vroegeren arbeid en aanstaande rust.
Ik heb altijd een kinderlijk ontzag gehad voor grijze haren, en vooral zie ik gaarne die trekken des ouderdoms, als zij kalmte, opgeruimdheid en een overblijfsel van vroegere kracht, schoonheid en geest uitdrukken. Ik zou dan reeds vroeger met onzen smid nauwer kennis hebben aangeknoopt; maar ook deze man was, naar de spreekwijze van het land, voor het goede, en deze lofspraak van 'tal-gemeen had mij van te haastige kennismaking afgeschrikt, gelijk zij mij nu ook met loome schreden de smidse deed naderen. Ik zag echter weldra, dat mijne vrees ongegrond was geweest. Baas Klaver nam bij onze nadering eerbiedig en minzaam de bonte muts af, reikte ons hartelijk de hand, ging met ons naar binnen en kwam mijne noodiging halfweg tegemoet met te zeggen: âwat zou ik liever doen dan avondmaal vieren? Ik nader mijn einde en ik gevoel hoelangs zoo meer behoefte om mij geheel over te geven aan dien Zaligmaker, die mij kocht met Zijn bloed. â Nu moesten wij ons aan zijne tafel nederzetten en brood en koffie met hem gebruiken, terwijl wij ons gesprek vervolgden. Ik wil niet ontveinzen, dat ik daarbij nog niet geheel op mijn gemak was en juist meende ik nog, onder den schijn van grooten haast, stoel en brood en koffie te weigeren, toen de oude man begon te spreken en wij ons ongemerkt op ons gemak nederzetten. âWij kennen elkander nog zoo weinig, Dominee!quot; zoo sprak hij, âen zoudt gij nu zoo haastig weggaan? Ik was juist gestemd om u eens wat van mijn' levensloop te verhalen, als het u niet verveelde.quot; â Ik verzekerde hem het tegendeel en terwijl hij de korte, zwart gerookte pijp uitklopte, vervolgde hij:
âIk ben jong geweest op eene kleine plaats in Noord-Holland. waar ik bij een' oom van moeders zijde hetsme-
145
10
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
146
den leerde; want mijne ouders heb ik vroeg verloren. In dien tijd was ik al zooals de meeste andere jongelieden en meende zelfs boven velen uit te steken. Ik was eerlijk en matig; ik schikte mij naar den geregelden, vromen gang van ooms huishouding; ik deed mijn' plicht in het afleggen van mijne belijdenis en ging vrij getrouw te kerk, schoon ik niet rouwig was als de gelegenheid daartoe ontbrak; kortom, ik was al bijzonder wel over mij zeiven tevreden; en spatte ik eene enkele maal eens uit, dan dacht ik: âik ben jong, en overigens braaf genoeg; ik behoef toch ook geen predikant te worden!quot; Zoo had ik de twintig jaren bereikt, toen ook mijn brave oom kwam te sterven en ik verder onder vreemden moest omzwerven. Mijn eerste baas was een woest, oploopend mensch, die voor niemand zweeg en geen vloeken noch schelden ontzag ; ik was niet gewoon om mij tc laten vertrappen, gaf hem gelijke maat terug en scheidde vloekende en vechtende. Mijn tweede baas was een goedhartig, vroolijk man, die liever in de herberg zat dan in de kerk, en niet licht eene kermis oversloeg. Dikwijls vergezelde ik hem; soms had ik wel eens een benauwd oogenblik, als ik aan den stillen, geregelden Zondag bij mijn'zaligen oom dacht; maar dat was weldra weèr vergeten. Ondertusschen verachterden de zaken van mijn'losbandigen baas zóó, dat ik naar eene andere huur moest uitzien. Ik kwam te wonen bij een' ouden, ziekelijken man, die eene jonge, knappe vrouw had getrouwd. Er was toen veel op mij te zeggen, mijn goede Dominee! daarom had ik ook geen' zegen. De man stierf, de vrouw trouwde ik en den winkel nam ik over en meende nu juist te wezen, waar ik zijn wilde; maar de Heer kwam en tuchtigde mij. Mijne vrouw was verkwistend en los van zeden, onze kinderen waren ziekelijk, de winkel was met schulden bezwaard en moest eindelijk verkocht worden, en ik, ik merkte nog niet op, dat het de hand des Heeren was. Ik werd knorrig en lastig en weet
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
alles aan mijne vrouw. Mijn eenig genoegen was; door drank nu en dan mijn verdriet te verzetten. Ondertus-schen werd ik al armer en armer en begon wezenlijk gebrek te lijden. Nu was onze predikant een rijk en weldadig man en ik begreep, dat ik hem in den naderenden winter wel eens noodig kon hebben. Maar hij was natuurlijk mij weinig genegen, en om hem nu te vriend te krijgen, â ik schaam mij nog, dat ik het zeggen moet, â om hem te vriend te krijgen, ging ik voor het eerst in vier jaren weder naar de kerk. Hier werd het mij al benauwd om het hart; maar vooral werd ik getroffen door het aflezen van den tekst: Wat klaagt een levendig mmsch? Een iegelijk klage van tuege zijne zonden! God zij gedankt! Zijne genade schreef deze woorden diep in mijn hart. Ik had mij tot nu toe alleen over anderen en over mijn lot beklaagd. Nu begon ik tot mij zeiven in te keeren en mijn leven ernstig in te denken. Al mijne vorige deugd was.enkel schijn geweest. Ik zat daar als een arm zondaar, en God alléén kon mij nog redden, opdat ik niet voor tijd en eeuwigheid verloren ging. Zoo zwierf ik eenige dagen wanhopig om, tot ik rust en licht vond om in 't gebed tot God te gaan en Christus als mijn' Middelaar aan te nemen. Nu begon ik weêr met nieuwen moed te werken en ben hier op Mastland nog eens van knecht baas geworden. Dat is alles Gods werk. Had God mij niet teruggeroepen, naar de verkiezing Zijner genade, dan ware ik voor eeuwig verloren gegaan. Ook vermag ik nog niets uit mij zeiven; maar, door den Geest wedergeboren, blijf ik staande. En daarop hoop ik, als een arm zondaar, het hoofd neder te leggen, in niets roemende dan in het kruis van Christus.quot;
Zoo ongeveer sprekende; â want zeker heeft mijne pen een en ander woord veranderd of eenige boersche uitdrukking beschaafd; â zoo sprekende, blonken Willem Klaver tranen van dankbaarheid in de oogen, hij vatte de pijp
147
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
weder op, stopte die stilzwijgend en schonk ons nog een kop koffie in.
Ik was getroffen. Mijne verbeelding stelde tegenover dat eerwaardige, godvruchtige gelaat de stuitende trekken onder de bekende blauwe slaapmuts, en ik kon niet nalaten onze ontmoeting te verhalen, waarbij mijn ouderling nog vrij wat te voegen had. De oude man schudde het grijze hoofd, zat een oogenblik in diep gepeins en zeide toen: âwel, wel! dat valt mij toch waarlijk tegen. Al lang heb ik gemerkt, dat Perkers en ik niet éénen weg gaan. Ik mag het werk des Geestes in het hart van mijnen medezondaar niet beoordeelen; maar hij valt mij in de kerk te veel in het oog. Mij dunkt, ik zit daar voor mij zeiven en ben noch ouderling, noch predikant, om de leer en de gemeente te beoordeelen;.... al heb ik ook zoo mijne eigene denkbeelden....quot; De laatste woorden sprak de grijsaard langzamer en zachter uit en hield toen stil als iemand, die vreest, dat hij te veel zeggen zal. Dit maakte mij een weinig nieuwsgierig. Misschien was het niet goed van mij; maar ik wilde nu toch ook eens weten hoe zulk een vroom man over mijne prediking dacht. Ik verzocht hem dan om mij rondweg te zeggen wat hem op het hart lag, daar ik zelfs tegenspraak en ongunstig oordeel gaarne hooren wilde, wanneer ze uit een godvruchtig en liefderijk gemoed mij toekwamen.
Nu kwam er een glimlach op het ernstige gelaat van den ouden man en, na eenig bedenken, zeide hij: âom u de waarheid te zeggen, Dominee! ik heb wel eens ondervonden, dat sommige predikanten wat spoedig boos worden , als men niet in alles denkt zoo als zij, en daarom heb ik er tot nu toe niet met u over willen spreken. Ik bemin den vrede; want waar liefde woont, woont God. Ik hoop ook in Gods Huis te komen zoolang ik leef en kan: Christus wordt er toch gepredikt, al was het ook onder een bedeksel. Maar er is wel eens een en ander in de kerk,
148
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID. 149
dat mij niet bevalt. Van de gezangen spreek ik niet: ik zing ze wel niet mede en houd mij bij de psalmen, omdat ik oud ben en daaraan genoeg heb; maar ik vind er toch ook veel goeds in, als ik ze zoo eens nalees. Maar de prediking____quot; â Hier hield de oude man nog eens stil. Ik verzocht hem om voort te gaan. â âNu dan, de wijze van preeken in dezen tijd is niet zooals ik die in de oude boeken van mijn'oom vind en zooals ik die gewoon was van den bejaarden predikant, wien ik, als een middel in Gods hand, mijne bekeering verschuldigd ben. Ik hoor wel veel goeds in de kerk; maar niet genoeg den vloek der wet voor de goddeloozen en de noodzakelijkheid der wedergeboorte voor alle menschen, en ik vrees wel eens, dat sommigen zoodoende met eene uitwendige, burgerlijke deugd zullen tevreden zijn, evenals ik dat was in mijne jongelings-jaren. En daar moet toch iets anders met den mensch gebeuren, zal hij in genade leeren roemen. Ook zou ik gaarne in de toepassing ieder naar zijn'bij zonderen staat hooren toespreken, zooals dat vroeger gedaan werd. Maar als ik daarover minder tevreden ben, dan mompel ik maar weder bij mij zei ven mijn oude spreuk: Wat klaagt een mensch toch? Een ieder kla.ge vanwege zijne zonden! Misschien begrijpt de oude man die nieuwe preekwijze niet goed, en het gehoorde kan toch ook nut doen. Daarom, Dominee! Clod zegene u in uwe gewichtige betrekking en geve mij, ook door uwen dienst, verlichte oogen des verstands om te zien de wonderen Zijner wet.quot;
_ Bij deze laatste woorden nam Baas Klaver de bonte muts van het grijze hoofd en ik zeide onwillekeurig: âAmenâ Ik was getroffen. Ook zijn oordeel was geen lofspraak geweest ; maar op hoe geheel anderen toon werd die afkeuring uitgesproken en door hoeveel liefde verzacht! Ik beschuldigde op dit oogenblik mij zeiven, dat ik door een zeker vooroordeel tegen al wat voor het goede heette te zijn, een' echten christen had verzuimd, van wien ik misschien reeds
MIJN KLEEEMAKER EN MIJN SMID.
véél had kunnen leeren. Voor ditmaal evenwel was het te laat geworden om het gesprek te vervolgen. Ik beloofde hem dus, dat ik spoedig zou terugkeeren en hem de redenen, die ik voor mijne wijze van zien en van spreken meende te hebben, verklaren, terwijl ik hem voorloopig verzekerde, dat de grond en hoofdzaak van ons geloof volmaakt dezelfde waren. En tehuis komende, vatte ik, bij rijper nadenken, het voornemen op om nog eens de oudere predikwijze in onze kerk, die te dikwijls uit onbekendheid met dezelve onbepaald veroordeeld wordt, nauwkeurig te onderzoeken, teneinde het goede daaruit over te nemen. Misschien toch lag er in het oordeel van den grijsaard eenige waarheid opgesloten.
Maar â zal ik mijne zwakheid verheelen? Neen, mijn lezer! ik wil er rond voor uitkomen. Voor het oogenblik was de wond, die mijn kleèrmaker mij geslagen had, door mijn' smid maar ten halve geheeld. Ik was ontevreden over mij zeiven, daar ik tot nu toe gemeend had allen op de best mogelijke wijze te stichten; ontevreden over mijne gemeente, onze kerk en de leeraars der vorige eeuw; kortom, ik bracht in eene mismoedige stemming het huisbezoek van dien dag ten einde.
âEn hoe hebt gij het nu met uwen kleèrmaker en uwen smid?quot; â Ik zal het u zeggen, lezer! Met den laatste uitmuntend en met den eerste dragelijk. De liefde gelooft en hoopt alle dingen, zegtPaulus, en denkt geen kwaad. Daarom nam de oude man met mijne nadere verklaring genoegen en fronst nog maar eene enkele maal een oogenblik de wenkbrauwen, als ik over menschelijke deugd en voortreffelijkheid en over eigene werkzaamheid tot bekeering spreek. Wat den kleèrmaker betreft, ik heb hem tot een onderwerp van opzettelijk en menschkundig onderzoek gesteld, eer ik mij verder aan hem waagde. Het algemeen afkeurend oordeel der gemeente en de dwaasheden der afgescheidenen op naburige plaatsen hebben hem nog weêr-
150
MIJN KLEERMAKER EN MIJN SMID.
houden om ons geheel te verlaten. Hij komt dus nog nu en dan in de kerk; maar laat het opzettelijk blijken, dat hij alleen om de kerk komt, en voor mij â niet ophoudt te bidden!
En wat is nu die bitterzoete, onaangename mensch, wiens blauwe slaapmuts mij nog, reeds van verre, eene huivering aanjaagt? â Is hij een huichelaar? Maar ik moet der waarheid getuigenis geven. Ik zag hem later aan den oever van het graf en dezelfde rust en vastheid bleven hem bij, zonder eenige hoop op herstel. Zoo huichelt men toch niet gemakkelijk! â Is hij dan een dweeper? Maar wat is een dweeper? Wanneer dit iemand is, die geheel door gevoel en inbeelding wordt geregeerd, dan kan men Baas Perkers moeielijk dien naam geven; want hij onderzoekt en leest veel, oordeelt op zijne wijze zeer beredeneerd, bouwt niet op ingevingen of openbaringen buiten den bijbel, waartoe zijne vrouw veeleer zou overhellen, en is in waarheid een theologant onder de kleermakers.
Ik voor mij geloof, vooral ook na nader ingewonnen berichten, evenzeer aan zijne bekeering als aan die van mijn' goeden smid. Maar terwijl de laatste daardoor tot een innig en hartelijk christendom gekomen is, is bij hem de uitwerking geheel anders geweest. Door schrik voor de hel is zijn hard en onbuigzaam karakter gebogen. Hij is uitwendig ingetogen geworden; maar zijne hartstochten woeden voort onder dien uitwendigen dwang en zijn hoogmoed heeft zich slechts verplaatst. Tevoren was hij trotsch op zijne krachten en lichtmisserijen en nu op zijnen rang als uitverkoren, geroepen en bekeerd christen. Geen predikant zal hem ooit voldoen dan die zijn' hoogmoed streelt en hem in de kerk als met den vinger aanwijst, als een voorbeeld van vroomheid, â waarvoor God mij beware! â Ziedaar de reden van zijne bitterheid, onder den schijn van christelijke liefde, waarmede hij zich zeiven, zoowel als anderen bedriegt. Ziedaar ook de onpeilbare klove tus-
151
HUN KLEEHMAKER EN MIJN SMID.
schen hem en mij, waardoor onze onderlinge betrekking alleen dragelijk zijn kan. Nu bidt hij nog voor mij; er is maar weinig toe noodig, dat hij mij vloeke.
âMaar wat vermoeit gij n toch over dien éénen man? Laat den koppigen en verwaanden vent loopen!quot;
O mijn lezer! gij zijt zeker geen predikant, geen waar en hartelijk dorpspredikant. Elk gemeentelid, dat ons verlaat, is ons als de verloren zoon uit de gelijkenis, een ledig in ons huis en een doorn in het hart. En buitendien, het is om den man alleen niet, dat ik hem zoek te behouden; hem volgen licht anderen, die nog beter zijn dan hij. Evenwel, uitwendig schijn ik hem te laten loopen, zoo omtrent als eene moeder veinst naar het kind niet te zien, dat dwingt om alleen te gaan. Eene opzettelijke samenspraak zou zeker tot eene openlijke scheuring leiden en den man, zoo consequent in zijne harde denkbeelden, tot het uiterste drijven. Maar wat geen tegenbewijs doen kan, âlezers! gij kent de men-schen immers een weinig? â dat doet een vriendelijke groete, een weinig werk voor de naald, een bezoek, als er bezwaren zijn; en wil hij nog wat leeren, welnu, als hij te kerk is, spreek ik opzettelijk zijne denkbeelden weinig of niet tegen en doel nooit merkbaar op zijn' persoon; maar leg achteloos zoowat medicijn bij den weg: misschien raapt hij het op, zonder het mij te willen zeggen, en wordt althans niet erger dan hij is; en een half dozijn zwakke zielen gelooven ondertusschen, zoolang hij daar tegen zijnen pilaar staat, dat de Geest des Heeren nog van de gemeente niet geweken is.
En zoo is deze Schets ten einde. Wat dunkt u, lezer? Zoudt gij wel zooveel achter mijn' kleêrmaker en mijn' smid gezocht hebben, als bij toeval uw weg n door Mastland en langs hun huis gevoerd had?
152
XL
HET AANNEMEN' VAN LIDMATEN.
Na het huisbezoek, dat reeds lang tevoren zich als eene ijskorst om mijne borst gekneld had, ademde ik weder vrijer, en nu wachtte mij eene andere, waarlijk plechtige plechtigheid: de aanneming en openlijke inzegening van nieuwe lidmaten. âZiedaar dan, zoo dacht ik, âmijn eerste oogstfeest. De oogst, dien de dood inzamelt voor den hemel, is voor ons verborgen; wij mogen somtijds meenen, dat wij op het sterfbed reeds de zwaar geladen halmen zien, wij kunnen ons bedriegen: het is niet onze taak; maar die der engelen Gods om het kaf van het koren te scheiden en dit laatste te verzamelen in de schuren. Maar als wij de nieuwe lidmaten brengen tot de gemeente en tot haren Heer in den hemel, dat is ons oogstfeest; want na aanhoudend en geduldig op-kweeken van hun geloof achten wij ze rijp voor een leven op eigen verantwoording in deze zondige wereld, rijp voor het bewaren van 's Heeren gedachtenis met Zijne duur gekochte gemeente. Ja, er is een zekere edele hoogmoed in gelegen, als wij zeggen kunnen: âdie plant des geloofs heb ik gekweekt!quot; of gelijk ik nu zal kunnen zeggen: âeen ander heeft geplant, ik heb nat gemaakt en God heeft den wasdom gegeven.quot;
Ja, ik heb u lief, jeugdige christenen! die juist in den tijd, waarin gij op den driesprong van Herkules, het be-
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
slissend punt van uwen levensweg, staat, de hand uitstrekt naar den hemel en zegt: âikwil Christus toebehooren en niet der wereld.quot; Ik heb u lief, ouden van dagen! die nog terugkeert tot het werk eener verwaarloosde of onkundige jeugd, die den Heer nog belijden wil voor uwen dood, opdat Hij na uwen dood u belijde voor Zijnen Vader. Zalig zal het ons zijn, mijner gemeente en mij, om aan te zitten met u, die de plaats komt bekleeden van onze dooden, â zoo wij hopen in den Heer ontslapen. â En is uwe belijdenis eenvoudig, â hetgeen den wijzen verborgen is, dat wordt door God den eenvoudigen en kinderkens bekend gemaakt.quot;
Zoo sprak ik in mijn hart en ik weende: die tranen waren mij een onuitsprekelijk genot.
Lezers! ik heb, altijd de waarheid bemind, nooit ze geschroomd of vermeden. Mocht ik mij somwijlen met droombeelden vermaken, ras daarna begon ik die beelden van naderbij te bezien, met gevaar zelfs van ze geheel te verliezen. Wantik wil waken en het licht zien, al is de schemering somtijds aangenamer en de moeder van genoe-gelijke droomen; ik wil zien, al zie ik mijne smarten.
Daarom, lezers! willen wij den bril der verbeelding afzetten om met het bloote oog de waarheid te zien, ja die desnoods met het vergrootglas te onderzoeken. Neemt dit ons menig ideaal weg, geeft het menige bittere teleurstelling, â wat wij dan ook zien, dat is er en zal ons niet meer bedriegen.
Gaat dus met mij rond in mijne gemeente, de laatste dagen vóór het aannemen mijner eerste lidmaten. Bij sommigen zullen wij binnengaan, bij anderen alleen door de glazen zien of hunne gesprekken op straat afluisteren, en gij zult meer zien en hooren dan ik toen nog zag en hoorde: â dank zij der Goddelijke Voorzienigheid, die zoo menigen sluier langzaam en voorzichtig voor ons opheft!
154
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
Het is veertien dagen vóór den tijd der aanneming, 't Heeft mij eenige moeite gekost om mijne keus te bepalen tot eenigen, die ik daartoe geschikt rekende. Eigenlijk scheen mij de kunde, de min of meer ernstige stemming en het christelijk gedrag mijner leerlingen die keus te moeten bepalen; maar daar ik de Mastlanders nog niet genoeg kende, beslisten bij de meesten omstandigheden en jaren, waarbij ik natuurlijk hunne eigene begeerte mede in aanmerking nam.
Zoo was er onder anderen een meisje, al vrij bedaagd, dat ik als leerling van mijnen voorganger had overgenomen. Zij had nu reeds, met eenige tusschen-poozen, twintig jaren lang de catechisatie bezocht en ik zag volstrekt niet in waarom juist deze gedurig een nieuw geslacht rondom zich moest zien verrijzen en zelve onbewegelijk op hare plaats blijven, als de veterane der Mastlandsche catechisatie. Zij leerde toch vragen, zooals ieder ander meisje vragen leerde, en scheen stil van aard en van een goed zedelijk gedrag te zijn. En desniettemin mompelde zij slechts, zoo dikwijls ik van aannemen sprak, eenige onverstaanbare woorden.
Ik trad dan, daar ik uit haar spreken niet recht wijs kon worden, bij hare ouders de woning binnen. Eerst een steegje en dan weder een gangetje, en zoo kwam men aan eene kleine, bedompte binnenkamer, waarin het gezin huisde. De oude man zat met een paar oude klompen aan bij de vuurplaat en had de vermoeiende bezigheid van zijne vrouw overgenomen (zooals hij dat trouwens lederen morgen, middag en avond deed) om het vuur onder den ijzeren pot door aanhoudenden toevoer van stroo, stoppelen en vlasschéven brandende te houden. De vrouw, iets jonger en vlugger dan hij, was bezig met wasschen. Zij streek het zeepsop van de armen, wischte die af met het voorschoot en gaf mij een' stoel.
Ik ging zitten en deed mijn voorstel. De oude man zag
155
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
mij onbewegelijk aan en knikte. Ik meende, dat hij er in toestemde en door mijne ernstige redenen overtuigd was. Maar toen ik zweeg, knikte hij nog: het was eene verzwakking der nekspieren, die hem in schijn tot een' jabroer maakte; overigens was de goede man wat doof en onbegrijpelijk en had van mijne eenigszins hoogdravende aanspraak, die nog een weinig van de lucht der akademie doortrokken was, geen enkel woord verstaan. Toen ik dit bemerkte, werd ik verdrietig. Maar de oude vrouw, die, zooals alle vrouwen, van nature wat meer gevat was op onverwacht voorkomende zaken, nam het woord voor mij op en zeide of liever schreeuwde: âde Dominee wil Maartje aannemen, vader!quot; â âZoo kind,quot; was het antwoord, âdat is goed.quot; â âJa, ja.! gij spreekt er maar zoo over, alsof het niets was en het is toch een zwaar stuk; wat zegt gij, ware Dominee?quot;
Op deze vraag kon ik natuurlijk geen âneenquot; zeggen. Ik was wel gekomen om de belijdenis van Maartje aan te raden; maar niet om die licht te doen achten. Ik sprak dus een ernstig en hartelijk woord over het gewicht der zaak, het beslissende van zulk eene keus voor het geheele leven, en meende er juist bij te voegen, dat, als men dit gewicht gevoelt, men best geschikt is, om onder biddend opzien tot
God zich aan den Heiland te verbinden____Maar toen ik
begon te zeggen, dat het eene zaak was mor het geheele leven, viel de spraakzame vrouw mij in de rede:
âNu ja, daar kan ik Dominee geen ongelijk in geven. Het is dan ook maar eens voor het geheele leven. Maar dat neemt niet weg, dat het een zwaar stuk is voor een arm mensch, vooral in dezen tijd, nu wij pas een' kwaden winter achter den rug hebben en er zoo ellendig weinig verdiensten zijn.quot;
Nu was de beurt aan mij gekomen om suffend op te zien ; want ik verstond, evenmin als straks de oude man, wat dit alles beduidde. Vragen wilde ik toch ook niet. Ik bouwde dus op de praatzucht der vrouw, die geene pauze
156
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
onaangevuld kon laten, en gaf een soort van twijfelend geluid, om haar tot verder spreken uit te lokken.
Dit had de vereischte uitwerking. âWat?quot; zeide zij, âDominee heeft daar zoo geen rekening op; maar ik noem een zwart pak, als men het dan toch wat ordentelijk hebben wil, geene kleinigheid voor ons, arbeiders-menschen. Maartje is een oppassende meid en heeft er al eenige jaren voor gespaard; maar dat is ze voor een deel weer met meesteren kwijt geraakt , toen ze de derdendaagsche koorts had. Nu wil ik evenwel mijn best doen. Want waarom zou Maartje ook altijd voor een ander achterstaan? Haar boer zal misschien ook wel wat willen doen, op voorschot wel te weten____quot;
Zoo ging het voort en ik liet den stroom van woorden rustig ten einde vloeien. Ik was geheel uit het veld geslagen , of liever, ik was op eens op een mij geheel vreemd terrein gebracht. Ik was gekomen om te spreken over eene belijdenis, eene plechtige betuiging van geloof en hope, eene verbintenis voor eeuwig met God en den Heiland,â en nu, in plaats van dat alles, had ik te spreken over een zwart pak, het onmisbaar vereischte voor het eerste avondmaal!
Verdrietig keerde ik naar mijne pastorie terug. Terwijl ik daar mijmerend heenging werd ik evenwel rechtvaardiger omtrent de arme vrouw. Zij had toch niet geheel-en-al ongelijk toen zij zeide; âde Dominee heeft daar zoo geen rekening op.quot;
Zie eens, lezer, door die kleine, beslagen, in lood gevatte ruitjes, als gij er door zien kunt. Daar zitten twee bejaarde lieden bij den haard. De gloed van het vuur verlicht de grove huid en de rimpels van hun gelaat. Zij hebben eenigen tijd onbewegelijk gezeten, hij met de handen op de knieën en zij met den rechterarm op de tafel en onder het hoofd.
Luisteren wij hun gesprek af.
157
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
De vrouw. Een schelling op een' ganschen dag. Wat is een mensch toch, als hij oud wordt!
Dg man zwijgt.
De vrouw. Neen, dan was het een heel andere tijd, toen ik bij oom Aai inwoonde, die op zijn zestigste jaar nog grif zestien stuivers verdiende. En toch, huishuur en vuur en licht is niet goedkooper geworden, en de sergie en bombazijn ook niet.
De man zwijgt nog.
De vrouw. Ja, Jakob! jij doet er het zwijgen maar toe, net zoo lang tot we een maal eten moeten overslaan, of dat je in den winter geen vuur op de plaat vindt. Kijk, ik was begoud en bezilverd, toen ik je nam; maar het heit me genoeg berouwd. En als je nu nog wat figileerde om aan den kost te komen____!
De man begint nu toch ook, zoo wat dommelig en met de mine alsof hij wordt wakker geschud, en zegt: âik, vrouw? Wel, ik werk toch allen dag, als ik maar werk heb.quot;
De vrouw. Nu ja! ik zeg niet, dat je te lui bent; maar meer als werken doe je ook niet; je rekent nooit vooruit en maakt niet, dat je er bij bent. Daar is bij voorbeeld het leeren. De Dominee heeft je nu al zoo lang geplaagd, dat je hem pleizier zoudt doen om bij hem te leeren te gaan. Daar ben je met één' kwaden winter door. En je weet toch net zoo goed als ik, dat het wel een vijfje in de week voor ons huishouden in de bedeeling verscheelt, buiten de groots armen: want de diakonie zit er goed in____
Den volgenden dag kwam de man bij mij, ontblootte het grijze hoofd en zeide: Dominee had het laatst gezegd, en hij had er met zijne vrouw eens over gesproken, en hij wilde dan ook maar doorbijten. Want hij wierd oud van dagen en ieder jaar kon het laatste zijn.
En mijn vrouwtje zag den man met een'vriendelijken, eerbiedigen blik aan en zeide, toen hij weg was: ..Zalig
158
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
zijn de reinen van harte! Wat een eerbiedwaardig oud man is dat, Willem!quot;
Dit was een halfjaar tevoren gebeurd. Nu, met paschen, werd hij aangenomen en met November â bedeeld. En toen hij twee jaren later voor rekening der diakonie begraven werd, zeide zijne vrouw bij zich zelve: âhet doet mij toch goed, dat ik Jakob heb laten te leeren gaan; want het zijn dan al heele gemeene kisten van de algemeene armen; en zie nu eens, wat een nette bruine kist!quot;
Volg mij verder, lezer!
Ik zat, tien dagen vóór het aannemen, met de voeten op eene vuurplaat; want het was een koud voorjaar. Ditmaal was hot bij een' hoer. Dat zegt in de stad zoo iets, waar men den neus voor optrekt, omdat daar een boer de tegenvoeter is van een' heer. Maar buiten is het een eernaam : hoer is er een stand hooger dan arbeider. Evenwel maakte hier een half dozijn koeien en een twintig bunders slecht land de geheele boerderij uit; meer beschaving dan bij iederen arbeider was er ook niet te vinden; maar des te meer eerzucht, om toch ook, zoowel als de rijkste, boer te zijn.
âWelzoo, Dominee, daar doet ge eens goed aan!quot; zoo heette de vrouw mij welkom, âik heb u al een paar maal bij rijken Govert hier aan den dijk gezien en dikwijls gedacht: âzou Dominee bij ons toch óók niet eens aankomen ?quot; quot;
Zoo ging hot al pratende voort en ik stopte een pijp. Ondertusschen kwam de oudste zoon binnen, een lange slungel, met een paar groote, grove handen, een rood gezicht en sluike, licht blonde haren. Hij zag verbaasd op en wist niet recht of hij buigen moest of niet, spreken of zwijgen, zitten of staan, en deed dus niets van dit alles: â hij keerde zich om en ging heen. â âHei, Arij!quot; riep zijne moeder hem achterna; maar jawel! Arij was, met
159
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
meer vlugheid dan men hem zou hebben aangezien, door den stal heen weg geslopen.
âDat is nu toch ongelukkig,quot; hijgde de vrouw, die schier ademloos binnenkwam, terwijl ik zeer bedaard in mijne eenzaamheid had zitten afwachten wie den wedloop winnen zou, âdat is toch ongelukkig van mijn' Aai, â hij is anders zoo'n snuggere jongen, â maar dat hij zoo bezet is wanneer er vreemde menschen zijn. Ik meende juist eens over hem te spreken en daarom doet het mij genoegen, dat gij gekomen zijt. Hoe is het. Dominee? Hij moet nu dit jaar uittrekken, omdat zijne vrijstelling niet meer geldt. Zoudt ge geen kans zien om hem bij deze gelegenheid er door te helpen.quot;
Ik was juist gekomen omover Arij te spreken. Ik had gehoord, dat mijn voorganger hem al had meenen aan te nemen en dat hij nu in dienst zou gaan. Ik wilde hem gaarne zijne belijdenis laten doen, als een voorbehoedmiddel tegen menige verleiding in zijn' nieuwen stand. Maar ik had, behalve het rad opzeggen van zijne les, nog nooit een goed of kwaad woord van hem gehoord. Nu begrijp ik, dat dit wel een weinig aan mijne wijze van spreken en vragen lag, maar toen begreep ik dat nog niet. Ik wilde dus weten of hij verlegen, hoofdig, dom of onverschillig was, en begreep, dat de ouders hierover best konden oordeelen.
Ik kwam dan met mijn bezwaar te berde en zeide, dat ik over haar'zoon niet kon oordeelen, omdat hij nooit sprak.
âWel, wel!quot; was het antwoord, âdat kan ik mij nu toch niet begrijpen. Spreekt hij bij u niet? En t'huis kent hij zijne vragen zoo goed; hij zegt ze altijd's avonds tevoren bij mij op. Dan moet hij er zeker mee bezet zijn en ze daardoor vergeten, terwijl hij naar het dorp gaat. Zie, dat was met mij geheel anders toen ik te leeren ging. Dominee Van der Plas heeft wat dikwijls gezegd aan mijne moeder, dat er geen was, dien het vlotter afging dan mij, en dat de dubbele Hellenbroek! Maar de hemel heeft ook aan alle menschen zulke kostelijke vermogens niet gegeven.quot;
160
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
Ik deed mijn best om haar te beduiden, dat Arij wel goed opzeide; maar dat ik niet bemerken kon of hij er iets van begreep, omdat hij buiten zijn boekje nooit antwoordde. Tot zooverre ging het wei; maar toen ik haar nu met kracht van redenen en bijbelsche voorbeelden wilde aantoonen, dat de belijdenis eene zaak van de overtuiging en van het hart is en niet van 't geheugen, en wat ik al meer zeggen mocht, toen zag de goede vrouw met gevouwen handen vóór zich en zat even eerbiedig en verstond even weinig, als des Zondags in de kerk.
Zij zweeg. Ik moest een eind aan de zaak makenen bescheidde Arij den volgenden dag bij mij. â A7eertien dagen later was hij lidmaat.
Xu willen wij nog eens een gesprek op straat afluisteren.
Het is op een' helderen, maar kouden avond. Dit schrikt echter de arbeiders, die hun werk gedaan hebben, niet af om zich aan den dijk te vereenigen. Het is bij hen in huis weinig warmer. Eene en andere buurvrouw steekt het hoofd over de onderdeur, om de vergadering der mannen op de straat in oogenschouw te nemen en wat van de gesprekken op te vangen. Een paar van de vrouwen komen te zamen in onderhandeling om eens te snuiven, het gewone teeken, dat ze beiden tijd en lust hebben om een praatje te houden.
âWel, buurvrouw!quot; begint de eene, âwat zegje nu van onzen Dominee? Is hij er niet vlug bij met aannemen?quot;
âMensch, zwijg stil! De man moest wijzer zijn en beginnen dat werk nog zoo schielijk niet. Hij kent Mastland nog zoo goed niet als wij.quot; (Groot ongelijk had de vrouw niet.)
âNu ja, dat zei ik ook tegen Piete-meu, toen ze 't mij verleden Zondag-avond vertelde.quot;
âEn wat komt er van? We krijgen allerlei ontuig in de kerk, als er zoo maar vrij binnenkomen is voor een'
11
161
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
ieder. Daar heb je den ouden Jakob Vlos. Het is immers klaar, dat de man het om de bedeeling doet. De diakens nemen het ook den Dominee gansch niet goed af. Maar hij valt wat koppig, zeggen ze, en zeit maar, dat hij daar zijn' eigen' zin in doen zal.quot;
âNu, en dan die Arij van den groenen dijk, die er zoo onnoozel uitziet? De Dominee weet zeker niet hoe die kermis gehouden heeft verleden jaar!quot;
âEn Maartje zal er nu ook doorkomen, hoor ik?quot;
âNu ja, ze zou ook trouwen met de Mei, als dat maar geen moet is. Anders, het schaap heeft er lang genoeg haar centen voor gespaard.quot;
âMaar Maaike Lobol, wat zeg je daarvan?quot;
âEi, watje zegt! Dat wist ik nog niet. Wel, kijk nou! En zou de man dan waarlijk niets gehoord hebben van dat geval, dat ze voor twee jaar gehad heeft? Maar dat telt men tegenwoordig niet meer!quot;
âJa, wat wordt er al niet aangenomen! Hoor eens, buur! Ik voor mij denk, dat wij het eens slecht met dezen Dominee getroffen hebben. Baas Perkers, die toch wel meê mag spreken, zegt, dat hij al vrij licht in de leer is, en als baas Perkers dat zegt....quot;
âDat zou ik denken! Ik heb ook, van den beginne af, geen goed oog gehad op onzen nieuwkoop. En verheel je nu eens! Daar heb je mijn Mientje, een meid als melk en bloed, en die even oud is en uit één boekje gaat met die bleeke meid van den rijken Govert, het meisje is er zoo kreen over, dat zij voor haar moet achterstaan, nog eens zoo. Maar ik heb haar gezeid, als ze nu niet aangenomen wordt, dat ze niet meer moet te leeren gaan bij dien kerel.quot;
âJa, buurvrouw, maar Govert rijdt den Dominee nog al eens. Ik denk, dat mijn Hannes ook niet meer gaan zal. Hij had er zoo gaarne met dezen keer af geweest; maar het heette, dat hij te jong was. Te jong! Begrijp eens!
162
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
En hij is een kerel als een boom en werkt vijf schoft, als het noodig is, zoo goed als de beste.quot;
Hier werd nog eens gesnuifd. De greep werd ditmaal wat ruimer genomen en het gesprek werd recht warm, of liever, de warmte, die den geheelen dag reeds gebroeid had, borst in lichte laaie vlam uit.
Gij bemerkt al, lezer! ik had van de eene een' zoon niet willen aannemen, zeventien jaren oud en volwassen van lichaam, maar achterlijk van geest, en van de andere was ik eene dochter voorbijgegaan, omdat ze verreweg de domste van allen was. Beiden toonden hunne boosheid door dadelijk van de catechisatie weg te blijven, en beiden vergaten die weder tegen den volgenden winter, terwijl ik mij hield alsof ik er volstrekt niets van bemerkte.
Ach! wat is er nu overgebleven van ons ideaal, van het oogstfeest der gemeente en des leeraars? quot;Wat is er geworden van die jeugdige leden van Christus, op den gevaarlijken driesprong des levens met het geloof gewapend? van die vrome ouden, die den Heer nog willen belijden, eer zij Hem zien?
Zie, dat is het gevolg er van, mijn lezer, als wij ons in het maken van idealen toegeven. Wij werken ze af met hooge ingenomenheid; maar zoodra wij bemerken , dat er in de gewone burgerhuizen geen voetstuk voor te vinden is, zouden wij ze wel zoo weder aan gruis willen slaan. De sentimenteele menschenvriend verbergt in zich den toekomstigen menschenhater.
Neen, ik neem van mijn ideaal niets terug. Alleen voeg ik er nog eens met nadruk bij, dat het een ideaal is en dus slechts enkele verspreide trekken er van, en hier en daar eene flauwe afschaduwing van het geheel, hier op aarde te vinden zijn.
Zie daar die moeder eens, die eenvoudig en stil
163
lOrt HKT AANNEMEN VAN LIDMATEN.
hare dochter de hand drukt en zegt: âMie, gij zijt nu lidmaat, kind! maar leef er ook naar.quot; Misschien gaat dat korte moederwoord dieper in het hart dan onze welsprekendste vermaningen.
Of volg met uwe gedachte die oude vrouw, die op haar zeventigste jaar eene oprechte belijdenis gedaan heeft, en nu zoo getroost op haar stokje daarheen waggelt, in de hoop, âdat de Heer haar nu toch wel in genade zal aannemen.quot;
Zie die jonge leden na, die eerst nog hunne belijdenis hebben gedaan, eer zij als lotelingen uittrokken. Er schijnt in de kazerne niets van te zijn overgebleven; maar één is er toch, die in stilte zijnen weg gaat, terwijl anderen dronken langs de straat zwerven, omdat hij denkt: âdat heeft mijn Dominee mij niet geleerd.quot;
En is het al geen onschatbare winst, als sommigen door het geleerde mij in de kerk beter verstaan; als anderen getrouwer van kerk en avondmaal gebruik maken, of liever een' vriendenraad van mij aannemen of meer eene bestraffing van mij vreezen, omdat ik hun Dominee ben? En zouden niet aan het eerste avondmaal ook oprechte tranen geweend worden over vorige, ons misschien onbekende zonden?
Die algemeene bemoeizucht zelfs, waardoor ieder de keus der nieuwe lidmaten beoordeelt, ligt er niet iets goeds bij ten grondslag? Het is hun dan tenminste niet geheel onverschillig, wie hun als medeleden worden toegevoegd en of ook die belijdenis door onwaardigen wordt afgelegd. In eene groote stad is het aannemen van nieuwe lidmaten een huiselijk feest voor de betrekkingen ; maar voor de gemeente is het weinig of niets. Wat zegt een emmer meer, in de zee gestort? Maar hier vergadert de geheele kerkeraad om de nieuwelingen aan te nemen, en de geheele gemeente om ze te zien. Ieder herkent er vriend of maag of buur onder, en den
HET AANNEMEN VAN LIDMATEN.
leeraar zijn ze alle bekende leerlingen en schapen zijner weide. Er is hierin nog iets bewaard van den broederzin der eerste gemeente, nauw aan elkander verbonden, omdat zij van de wereld gescheiden was; maar daarom toch ook niet zonder vlek of rimpel.
Ik neem daarom â nog eens â niets van het eerst gezegde terug, mits men niet te veel op eens wille. Er zijn middelkleuren tusschen zwart en wit, en tusschen licht en duisternis ligt de schemering. Nog is, ieder jaar, de aanneming van nieuwe lidmaten mij een oogstfeest. Alleen zie ik nauwkeuriger toe, waar ik de sikkel sla, om zoo weinig mogelijk het onkruid met de tarwe of het onrijpe graan met het rijpe in te zamelen. Wat er ontbreekt aan het gevoel mijner leerlingen en mijner gemeente, tracht ik door eigen gevoel aan te vullen. De ware ijver moet warmer worden, hoe koeler men een' ander vindt.
Vooral de openlijke bevestiging zoek ik, zooveel in mij is, plechtig en indrukwekkend te maken, en aan de eerste of laatste tafel van het avondmaal, waar al de nieuwe leden aanzitten, is het of eene hemelsche stem mij toeroept: ânog eens hartelijk en krachtig gesproken, in den naam van uwen Heer Jezus Christus! Nog zijn het uwe leerlingen, âmisschien blijven uwe laatste woorden hun bij, al zijn vroegere met den wind verwaaid. Zoo spreek dan, vermaan, waarschuw, dreig, zoo het noodig is! Hun verderf kome niet op uw hoofd.quot; â En ik geloof, zoo ik immer goed gesproken heb, dat het bij zulk eene gelegenheid geweest is.
165
XII.
ARMENZAKEN.
bAan de gemeente wordt bekend gemaakt, dat op aanstaanden woensdag avond de afgetreden armmeester paulus kors zijne rekening doen zal, waarbij tevens de rekening van het voorlaatste jaar zal worden afgesloten.quot;
âHeb ik wèl gehoord, buur?quot; sprak eene oude vrouw bij het uitgaan, âzal die oude warboel van Pleun zaliger nu toch ook aan een' kant komen?quot;
âJa,quot; was het antwoord, âen het werd tijd ook, dat wij ons geld kregen van klompen en winkelwaren. Tenminste ik hoop, dat het dit beduiden zal.quot;
âNu, 't is goed, dat de man op het kerkhof ligt. Ieder mensch sterft toch maar juist op zijn' tijd.quot;
En ondertusschen kwam ik te huis en was het eerste woord van mijne Cornelia, toen zij mijn bef los strikte: âdat doet mij toch goed, Willem, dat gij eindelijk van die lastige zaak af zijt.quot;
âAf, ja, zoover is het eigenlijk nog niet; want ik stel mij Woensdag nog een' onaangenamen dag voor.quot;
âNu ja, die ééne dag zal wel tot zijne voorgangers heengaan, als alle dagen; men zal met een strak gelaat teekefien, en daarmede â afgedaan!quot;
En den volgenden Woensdag, â het was juist de verjaardag van onze komst op Mastland, â werd de armen-reke-ning gedaan, en met het afsluiten daarvan werden weder eenige onaangename tooneelen uit mijn leven afgesloten.
ARMENZAKEN.
Maar de lezer gevoelt nog niet al het gewichtige, het onaangename en toch ook aangename van dien dag; hij deelt nog niet in de herinneringen er van, en zou de gesprekken, op dien dag zoo ruimschoots gevoerd, niet verstaan, wilde ik ze hem verhalen; ik zou toch, om door hem begrepen te worden, wat achteruit en al weder acht'eruit moeten gaan, tot den eersten Zondag na mijne intrede en het begin mijner armenzaken. Ik wil dan liever op eens terugtreden en die zaken van den aanvang af en in- haren geheelen omvang nagaan. De lezer ontvangt de slotsom mijner ondervinding goedkooper dan ik.
Armenzaken: â wat sluit dat ééne woord niet al in zich! Waarlijk, daar zijn toch maar vele dingen, die men alleen door de ondervinding recht kan leeren kennen, en ik geloof, dat daartoe in het bijzonder de onaangename behoo-ren. Als gij honderdmalen een' armen pakdrager ziet voorbij uw venster gaan, zult gij misschien een-en andermaal denken, dat zijn last toch vrij zwaar is, en aan zijne gebukte houding zien, dat hij dien met moeite torscht; maar als een enkel maal slechts dat pak voor weinige uren op uwe schouders was gebonden, zoudt gij hem nooit meer kunnen zien voorbijgaan zonder er over te spreken en den armen man diep te beklagen.
Zoo had ik honderdmaal in het Vide Hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen gelezen, dat, toen de discipelen vermenigvuldigden, de uitdeeling van den onderstand den apostelen moeielijk begon te vallen en zij diakenen lieten aanstellen ; maar nooit had ik recht gevoeld wolk een zware taak het hun moet geweest zijn om bij de bediening des looords, zoo als zij zich uitdrukken, ook nog de tafelen te dienen.
Naar hunne loffelijke instelling zijn er dan thans afzonderlijke arm verzorgers, en in de grootere gemeenten hebben de predikanten zich weinig meer met de armenzaken
167
ARMENZAKEN.
te bemoeien dan door het aanbevelen der collecte bij de godsdienstoefening. Maar op een dorp is het armbestuur geheel een kerkeraadszaak, al zijn de diakenen de uitvoerende macht, en in kerkeraads-zaken is de predikant alles: de man, die raadt en ontwerpt, de man, die correspondentie voert en verwarde zaken reddert, en ten slotte de man, wien men van alles de schuld geeft. Zoo wegen op ons al de onaangenaamheden van de zijde der armen, der armmeesfers en der armemcef, terwijl de leden van den kerkeraad dood bedaard zeggen: âdaar zal Dominee wel voor zorgen: - met nieuwjaar is mijn tijd om.quot;
Het was de eerste Zondag na mijne intrede. Daar ik weinig op een dorp was geweest en er nog minder gepreekt-had, waren mij de kleinere dorpsgebruiken vreemd. Ik dacht ook aan geheel iets anders. Ik had gesproken over het nieuwe en eeuwige verhond 'ter genade, naar Hebr. XII: 28, nog wel met eene zekere beklemdheid; maar toch met hooge ingenomenheid en hartelijken ernst. O, het zijn heerlijke, zielverheffende dingen, die men aan eene christelijke gemeente te zeggen heeft! Zóó gestemd, had ik den kansel verlaten, had den kerkeraad even gegroet en was naar huis en naar mijne kamer gegaan.
Des namiddags, misschien door de inspanning van den morgen, misschien ook omdat het mij meer moeite kostte voor de eerste maal over den Catechismus te prediken, was ik minder opgewekt en klom met bedaarder schreden af. Gelukkig bedacht ik mij nu de vroeger ontvangene les, die ik des morgens vergeten had. Ik gaf den broederen de hand. Men glimlachte een weinig. Ik zag het wel: er was des morgens nog meer gelet op mijne handen dan op mijne woorden. Het was immers ook een nieuwe, nog onhandige predikant en een oude kerkeraad, waarvan de meesten reeds meer in âhet huisjequot; gezeten hadden... Omenschen!
âWe zullen nu de centen maar tellen van den geheelen dag: Dominee had van morgen zoo'n haast.quot; â Hij, die zou
168
ARMENZAKEN.
sprak, was bij de beroeping een mijner sterkste voorstanders geweest; de man zeide het meteen goedhartig gelaat, en toch had ik moeite om in de eerste weken hem met een goed oo.j; aan te zien. Hoe weinig had hij mijne stemming begrepen!
Sedert jaren tel ik nu mede; maar zoo dikwijls ik goed gestemd ben en vervuld met de waarheden, waarover ik spreek, hindert mij nog de plotselinge overgang van het hemelsche tot het aardsche. Alles wat daartoe noodig is, is mij eene ergernis: de oude bruine tafel ia het hekje (of huisje, zooals men het hier noemt), het gerammel der sleutels, het aanteekeningboekje, en het meest van allen de koude, onbeduidende of ongevoelige aanmerkingen der kerkeraadsleden.
Maar met het centen tellen, zooals de boeren het naïf genoeg noemen, kwam ik nog niet vrij. Den volgenden Zondag voormiddag zag ik onder den predikstoel een groote mand met brood, die bij mijne bevestiging voor éénmaal in vele jaren van hare plaats had moeten wijken en die ik weeks daaraan niet had opgemerkt. Na het tellen en optee-kenen nam de arinmeester (de oudste dienstdoende diaken) een stuk papier uit den zak, half versleten en onleesbaar, en riep op een' afgemeten' toon: âJan van der Zand, twee , brooden;quot; âPietje Kortenhoef, één brood en een dubbeltje,quot; en zoo al voort, waarbij de genoemden één voor één naderden en uit de handen van den jongsten diaken hun deel ontvingen. Nu was dit op zich zelf een niet ongepast besluit voor eene christelijke vergadering. De liefdemaaltijden der eerste eeuw, waaraan eene geheele gemeente aanzat, etcivle met verheuging en eenvoudigheid des harten, zijn in onzen tijd niet meer mogelijk. Maar er is dtm toch nog iets van overgebleven, wanneer men in de vergadering der gemeente zorgt, dat er niemand der geloovigen is, die gehrek lijdt {Hand. IV :34). Dit is dan toch eene zichtbare vrucht van het Evangelie. Want er is sedert den tijd des Zaligmakers, zelfs bij Jood en Muzelman, een onoplosbaar verband
169
ARMENZAKEN.
tusschen de vereering van een' zegenend' en barmhartig' God en het bezoeken van weduwen en weezen in de verdrukking.
Tot dusverre gaat alles wel. Wekelijks zie ik nog armen tot de bedeeling komen, die met een eenvoudig en dankbaar gelaat het hunne aannemen en vriendelijk groetend heengaan; de gebrekkige oude op zijn stokje geleund, de arme weduwe, met den gelapten schoudermantel omgeslagen, en een paar kleinen op klompen achter haar aan. Maar zeer dikwijls is dit anders en hoe menige opgewekte en blijmoedige stemming bracht ik daardoor van den kansel niet tehuis! Het schijnt, dat de murmureering omdat men in den onderstand verzuimd wordt (Hand. VI : 1) voor alle eeuwen eene erfenis gebleven is van de eerste gemeente te Jeruzalem. Zeker is zij wel niet geheel ongegrond. Wie toch zal durven verzekeren, dat hij overal en altijd rechtvaardig deelt, daar de een zijne armoede bedekt en de ander die ten toon spreidt of zelfs erger voordoet? Maar die weinig heeft, meent zoo licht te weinig te hebben. Daarbij schijnt het een arm mensch aangeboren, dat hij liever geen brood heeft, mits anderen het ook niet hebben, dan dat hij enkel brood zou eten, als een ander er boter op smeren mag. Vandaar vooral die gedurige onaangenaamheden. Het zijn niet alleen moeders, die komen klagen, dat hare kinderen geen brood hebben: wie zou dat eene moeder ten kwade duiden? Maar het is gedurig een buurman, wiens buur wel zóóveel heeft, terwijl hij het met minder stellen moet; en eene vrouw, die ook turven hebben wil, zoowel als eene andere vrouw ze heeft; het is telkens kwaad spreken van anderen, die het, naar hun zeggen, niet zoo goed verdienen of noo-dig hebben: en zoo keert iedere weldaad, aan den eenen bewezen, door den mond van een' ander als een verwijt tot ons terug.
En nu nog meer. âArmoede zoekt list,quot; zegt het spreekwoord; â ja, en zij vindt die ook wel! â Preek zoo gemoedelijk en nadrukkelijk als gij wilt en kunt, tegen
170
ARMENZAKEN.
liegen en bedriegen, daar verschijnt toch, terstond na de toepassing, een uwer hoorders met het onbeschaamdste gezicht van de wereld en verzekert u stijf en sterk, dat hij niets verdient, geen'enkelen cent, terwijl gij naderhand hoort, dat hij in de afgeloopen week nog werk heeft gehad; of hij zweert bij een' alwetend' God, dat hij dien dag nog niets heeft gegeten, en het brood ligt opgesneden bij hem te huis. En de leden van uwen kerkeraad vinden het zeer natuurlijk, dat hij ze bedriegt, als hij maar kan; want armoede zoekt list. En gij, â met uwe welsprekende rede over leugen en bedrog in den rokzak en met wrevel en
mismoedigheid in het hart, gaat gij naar huis.....
En als gij weigeren moet, â en hoe dikwijls moet men niet weigeren! â zie dan die plotselinge verandering eens. Gij weet niet waar de tranen van die arme vrouw zoo spoedig blijven; 't is of ze in de huid worden opgeslorpt of in de oogen terug vloeien. De straks nog smeekende hand klemt de deur van het hekje vast, de andere arm wordt in de zij gezet. En nu â sta vast! Ik heb geen' lust om dien vloed van woorden op te teekenen; ieder kan ze zich zoowat verbeelden. In de eerste jaren kwam ik na zulk eene ontmoeting tehuis â ontsteld, bedroefd, toornig, ik weet het zelf niet. Thans, als ik begrijp, dat wij gedaan hebben wat wij kunnen en mogen doen, kan ik het zeer bedaard opmerken met wat gemakkelijkheid de onbeschaafde mensch spreekt en gesticuleert, zoodra het zijne hem dierbaarste belangen raakt en de drift bij hem de vrees voor zijne meerderen heeft overwonnen: hoe alle aandoeningen bij hem den mond uit willen, waardoor hij die diepe, verborgene smarten niet kent, die beschaafden wel eens levenskracht en levenslust ondermijnen; en als tegenhanger van die hevige hartstochtelijkheid zie ik dan naast mij het strakke, ijskoude gelaat van den arm-meester, die zeer bedaard wacht tot de adem der arme vrouw tekort schiet en dan dood koel invalt: âals je
171
AKMEKZAKKN.
niet meer te zeggen hebt, Maartje, moest je wat op zij gaan, dat de anderen dichter bij kunnen komen.quot; â Niet meer, en ze had zoo verschrikkelijk veel te zeggen!
Er is misschien geen gedeelte van onze formulieren, lezer, (en dat kunt gij u nu best begrijpen!) dat ik met meer nadruk lees, dan de vermaning bij het jaarlijks bevestigen der nieuwe kerkeraadsleden; âGij, diakenen, zijt voorzichtig en blijmoedig in het uitreiken der aalmoezen. Komt de bedrukten te hulp en bezorgt de rechte weduwen en weezen. â En gij, armen, zijt arm van geest en gedraagt u jegens uwe bezorgers in alle eerbieding. Weest dankbaar en murmureert niet. Volgt Christus om de spijze der ziele, en niet om het brood.quot;
Meent gij misschien, lezer, dat gij al het onaangename der armenzaken reeds vernomen hebt? â Och, of het zoo ware! â Met den arme is men tenminste, ofschoon op eene min aangename wijze, spoedig zoo men wil, aan het eind. Hij moge klagen, morren, weenen of vloeken; hij moet eindigen met zich te onderwerpen. Er moge hier eene moeielijkheid overblijven, die moeielijkheid bestaat tusschen ons en ons geweten; zij is niet maatschappelijk, en bij eene nauwgezette plichtvervulling niet onoverkomelijk. Maar met hen, die geven, heeft men vrij wat meer te doen dan met hen, die ontvangen; en ze te overtuigen van de spreuk des Heilands; het is zaliger te geven dan te ontvangen, gaat zoo gemakkelijk niet. Maar kom aan! ik zal liever weêr verhalen dan klagen, vooral, omdat ik u van den aanhef dezer Schets nog de verklaring schuldig ben.
Zoodra ik de eerste plichtplegingen had uitgewisseld en de eerste verkenningen gedaan, zag ik al spoedig, dat er een groot bezwaar in onze armen-administratie bestond. Men scheen het voor mij bewaard te hebben om mij in
172
ARMENZAKEN.
de gelegenheid te stellen eene proeve van mijne wijsheid te geven, zoo ongeveer als Salome's eerste recht. Ja, het achtbare burgerhoofd Petrus Abraham van der Zanden, die anders nog al eens met beslissende machtspreuken eene oude zaak wist uit de wereld te helpen, had deze zelfs niet met den vinger aangeroerd.
De zaak was aldus gesteld. In het hoekhuis, schuins over mij, was kort vóór mijne komst, na een langdurig lijden, gestorven Pleun Kortebrand, inleven boer, bakker, vetweider, kortom alles wat men op Mastland wezen kan, â oen of twee ambachten, die hij niet verstond, uitgezonderd. Daar Pleun een aardige vent was en niemand een kwaad hart toedroeg, werd hij ook algemeen bemind. En daar hij vele zaken deed en nog al wat durfde ondernemen, had het algemeen nooit getwijfeld of hij zat er warmpjes in. De weinige menschen, die wel eens het tegendeel mompelden, waren door zijne vrienden als lasteraars tot zwijgen gebracht en hadden misschien ook, althans in den eersten tijd, geen' anderen grond voor hun vermoeden, dan hunne nijdige wenschen.
Het was dan een ieder op Mastland naar den zin toen Pleun Kortebrand, ruim twee jaren vóór mijne komst, tot diaken werd benoemd en het volgend jaar als administree-rend diaken of armmeester het bestuur over de kas en de bedeeling der armen overnam.
Alles ging dan ook naar wensch. De armen roemden zijne goedheid en minzaamheid. Zijn makker, de bijzittende of jongere diaken, sprak wel eens van te ruime bedeeling; maar Pleun stelde den kerkeraad met een goedhartigen lach gerust en beloofde eene goede rekening, â dat zegt bij ons: een goed slot, â en mijn bejaarde, zwakke voorganger keurde alles goed.
De lezer, die met deze zaken niet bekendis, wete, dat iedere armmeester afzonderlijk zijne rekening doet, in den loop van het volgend jaar, en daarbij het te-kort van zijnen
178
ARMENZAKEN.
opvolger ontvangt of het batig slot hem overgeeft. Zoo is deze ondertusschen zijn jaar ingetreden en ontvangt en geeft uit, zonder te weten of zijn voorganger hem geld of schuld heeft nagelaten. En dit bemoeielijkt naderhand dikwijls het armbestuur zelf, zoowel als deszelfs crediteuren, daar het zeer gewoon is en de menigte het ook natuurlijk vindt, dat de eene armmeester de schulden niet verkiest te betalen, welke de andere gemaakt heeft. Dit tusschen beide; keeren wij nu tot de zaak, die onder-tusschen netelig begint te worden, terug.
Tegen het einde van zijn administratie-jaar werd Pleun kortademig en ziekelijk. Ieder had medelijden met hem, zooals hij zelf altijd medelijden met iederen ongelukkige getoond had; dit laatste toonde hij zelfs nu nog, door in zijne betrekking, bij eene vroeg invallende koude, eene ruime uitdeeling van brandstof aan de armen te doen.
De winter deed langzamerhand, door eene ongeneeslijke tering, zijne krachten uitslijten. Ondertusschen werd er wel eens van armen-rekening gesproken. Meester Baljon, die gewoon was ze sierlijk in het boek te schrijven, wilde voor den zieke nog meer dan anders doen. Ook zijn opvolger bood hem tot het incasseeren en betalen hulpvaardig de hand. Maar men durfde hier niet sterk op aandringen: want de kranke had, evenals vele soortgelijke lijders, geen denkbeeld van zijn nabijzijnd einde. Hij stelde uit, enâ de dood verraste hem.
Het lijk van Pleun Kortebrand werd ter aarde besteld, als dat van een' algemeen geachten dorpeling. De armen zagen treurende op de lijkstatie. Aanverwanten en vrienden volgden de baar met zwijgende droefheid. De kinderen jammerden en de weduwe was troosteloos.
Maar is eene begrafenis treurig, voor mijn gevoel is de overgang van dien dag ot het werkelijke leven dubbel, ja driedubbel treurig. De droefheid over het verlies is nog met een weemoedig, vertroostend gevoel gemengd; want
174
ARMENZAKEN.
de dood doet ons denken aan eene eeuwigheid, eene opstanding, een wederzien; â maar de bezwaren, die zoo menig sterfgeval achterlaat, en de twisten, die het veroorzaakt, verwekken eene ijskoude, akelige treurigheid bij den menschenvriend. Zoo zijn dan eigenbaat en eerzucht, bemoeizucht en hoogmoed, bekrompenheid en laster slechts een kort oogenblik, verschrikt voor het aanschijn des doods, terug geweken en hernemen nu met dubbel geweld en sarrende blijdschap hun gebied over de arme menschenwereld!
Weinige dagen na de begrafenis begaf zich de toenmalige armmeester, Paul us Kors, een koel en eigenzinnig, maar eerlijk en nauwkeurig man, naar de weduwe, om de papieren en gelden, aan de armen toebehoorende, over te nemen. Deze vrouw was diep onnoozel en nu daarbij nog radeloos van smart. Zij wist niets te zeggen dan dat haar man een afzonderlijk laadje in het kabinet daarvoor gebruikte. Met eenige moeite werd dit gevonden. Het bevatte vrij wat losse, veeltijds onleesbare aanteekeningen, enkele quitantiën; maar nog meer rekeningen, en â geen geld. De armmeester vroeg meer; maar werd niet wijzer en verliet de vrouw met te zeggen, dat hij dien rommel niet overnam en dat zij nu maar voor eene goede rekening zorgen moest.
Dit alles gebeurde in den tijd der vacature. De gewone toevlucht van ongelukkigen, mijn bejaarde voorganger, was na langdurig sukkelen overleden, en bij den burgemeester te gaan, â ja, daartoe had de arme weduwe ook den moed niet, daar zij juist van zijnentwege om achterstallige landpacht was aangesproken, waarvoor zij evenmin in al de laden van het kabinet geld vinden kon.
De eenige aanspraak der ongelukkige, dood-eenvoudige vrouw was nu Meester Baljon. Bij al zijne pedanteske deftigheid bezat deze toch eene welgemeende en waarlijk christelijke menschlievendheid. Hij mocht het al wat
175
ARMENZAKEN.
moeilijk kunnen zwijgen, dat hij, Herman Baljon, deze of gene zaak, dieniemand ontwarren kon, had geredderd, hij was met dat al toch op die wijze een waar vriend en een nuttig burger. Hij zette dus met een defcig gelaat den bril op, rangschikte de papieren, teekende eene reeks van vaste jaarlijksche posten, die hem goed bekend waren, op; maar meer en meer fronste zich onder het werken zijn voorhoofd; eindelijk beet hij op de pen, die hij dwars in den mond had, zoodat zetusschen zijne tanden kraakte, en stampte toen de beide punten op de tafel plat. Nu was alles verloren; want deze mine beduidde bij den goeden Herman, dat eene zaak volslagen reddeloos stond. Ware het met rekenen alleen te doen geweest, hij zou naar alle regelen van Bartjens de zaak hebben vereffend: âen zelfs bij het ontbreken van sommige bewijsstukken,quot; zeide hij tegen zijne vrouw, âzou ik talitur qualilur wel rekening doen; maar het geld, dat er nog in kas zijn moest, en zooals ik vrees, nog vele onbekende posten____!quot;
De maitres knikte, als begreep zij zeer goed, dat eene rekening zelfs met twee latijnsche woorden niet kon goed gemaakt worden â zonder geld.
Wat Baljon gevreesd had, gebeurde. De crediteuren van de armenkas schenen slechts gewacht te hebben op het sein, door den annmeester gegeven; de crediteuren van den boedel zeiven op dat van den burgemeester. Alles bestormde de arme weduwe. Zij vond voor niemand geld. En zij hoorde telkens bij het scheiden nog veel meer kwaad van haren man spreken dan zij bij de begrafenis goeds gehoord had. lederen avond was de beurs meer dan gewoonlijk bezet en leden de kinderen der praatzieke buurvrouwen nog meer koude en gebrek dan anders, schoon de arme schapen part noch deel hadden aan de âkwaeje rekening van Pleunequot;.
Ondertusschen vergaderde de kerkeraad, present de
176
ARMENZAKEN.
meester, en er werd besloten om de gansche zaak, zoolang de boedel der weduwe niet gerechtelijk werd aangesproken, te laten rusten, tot de gewenschte en nabijzijnde komst van den nieuwen predikant.
Daar zat ik nu terstond met een allermoeielijkst geval en mij ontbrak de wijsheid van den grooten koning om bij dit eerste raadsel terstond de rechte ontknooping te vinden, vooral daar ik iets vinden moest, wat Salomo reeds had: â geld. Wel gelukte het mij dus, met veel moeite en door de getrouwe hulp van den dienstvaardi-gen Baljon, uit de gevondene stukken en later ingezondene rekeningen den draad der zaken aan-een te hechten; maar de verloren' gelden terug te vinden en bronnen aan te wijzen om het deficit, dat er bovendien bestond, te dekken, dat gelukte ons niet.
Mijn eerste bezoek was nu bij de weduwe, die mij bezwoer haar eenig stukje weiland en hare zes melkbeesten niet aan te spreken, daar zij dan met hare zeven kinderen tot doodelijke armoede verviel en aan dezelfde armenkas hulp zou moeten vragen, waarover haar waarde Pleun zoo goedhartig, schoon onverantwoordelijk los, het bestuur had gevoerd. Ik heb nooit de tranen uit het oog eener moeder, eener weduwe kunnen zien vloeien zonder insgelijks naar den zakdoek te tasten. Ik beloofde, wat ik kon en mocht, en ging heen.
Mijn tweede bezoek was bij den opvolger des overledenen. Ik vond hem zwijgend, zooals hij meestal te vinden was, terwijl hij, om toch wat te doen, naar de tegels van den haard keek, zoo onbewegelijk alsof hij de lompe figuren, die er in gebakken waren, moest natee-kenen, of âhet dichtquot;, dat er op stond, van buiten leeren. Evenwel, hij deed noch het een, noch het ander. Ik geloof zelfs niet, dat hij iets zag; hij keek alleen.
Ik trad binnen en begon al spoedig van de zaak, die mij herwaarts voerde. Nu keek hij niet meer naar de
177
12
ARMENZAKEN.
tegels; maar naar mij. Ik sprak, hij knikte. Dit moedigde mij aan. Maar dat hij niet anders deed dan knikken, toen ik sprak van de arme vrouw en de zeven bloeden van kinderen, dat hij het strakke gelaat ook niet eenmaal vertrok, veelmin de hand aan de oogen bracht, â dat ontmoedigde mij weder. Ik ging echter voort. Ik zocht hem te overtuigen, dat hij zich onmogelijk er van kon onttrekken om tenminste datgene te betalen, wat het diakonie-fonds schuldig was; want al werd eens al het vermiste geld gevonden, zoo bleef er toch nog, door de ongepaste gulheid van Kortebrand, een vrij groot tekort over, waarvoor zijne weduwe niet aansprakelijk was. Maar nu knikte PaulusKors niet meer, doch zeide zeer bedaard: âhet spijt mij om de vrouw; maar elk moet zijn eigen rekening maken. Ik heb Pleuu genoeg gewaarschuwd en kan het niet helpen.quot; â Ik sprak nog een half uur lang. De man zou mij geduldig aangehoord hebben, al had ik er nog een uur aangeknoopt. Maar wat baatte mij zijn geduld? Hij verdedigde zich niet, hij weerlegde mij niet en hij beantwoordde mijne krachtigste argumenten alleen met de woorden: âde Dominee moet het mij niet kwalijk
nemen, maar____quot; En jawel! hij stond weder op het
terrein, waarop ik hem gevonden had.
Mijne verdere bezoeken waren van weinig meer vrucht. Burgemeester Van der Zanden betuigde mij zijn hartelijk leedwezen en raadde ons aan om de weduwe vooral niet gerechtelijk te vervolgen; overigens kon hij zich met de zaak niet inlaten, daar zij den kerkeraad aanging. Ploegstaart hield mij een' ganschen avond bezig met mij zijne eigene keurige administratie te verhalen in het jaar, dat hij diaken was geweest: hij beloofde mij evenwel ook zijne hulp, als er anderen waren, die een eind aan de zaak wilden maken. De vrouw van Job Wijsland toonde hartelijk veel medelijden, bad mij om de ongelukkige te redden, en hoopte maar, om de eer van hun' overleden'
178
ARMENZAKEN.
vriend, dat de burgerij mocht samenspannen om zijne schulden, en vooral zulke schandelijke schulden, geheel af te doen. Neef de molenaar stemde ditmaal volkomen met haar in. En zoo ging het verder.
Ik kwam bij mijn' grijzen vriend den chirurgijn, verhaalde hem alles, het medelijden van den een en de goede wenschen en voornemens van den ander; maar ook, dat niemand de hand uitstak om de verwarde zaken in orde te brengen.
De oude man, die beter menschenkenner dan geleerde was, hoorde mij aan met dien kalmen glimlach, die het kenmerkend teeken is van een' genoegelijken ouderdom. âGij kent hier de menschen en hunne zaken nog zoo niet, mijn goede vriend!quot; zeide hij, âanders zoudt gij reeds tevoren hebben kunnen berekenen, hoe ieder zoo ongeveelspreken zou. Paulus Kors is koel en stug, maar anders zoo kwaad niet; ook heeft hij niet geheel en al ongelijk; want betaalde hij de oude schulden, dan zou niemand naderhand de zijne willen betalen. De burgemeester is mensch-lievend genoeg, als hij wat ontzien wordt; maar hij wil toch ook de arme vrouw nog eenigen tijd sparen, om van de achterstallige pacht wat binnen te krijgen; van daar, dat hij anderen voor hunne schulden laat zorgen. Ploegstaart is ongeschikt om zulk eene teedere zaak tot algemeen genoegen ten einde te brengen; ook wacht hij, als er toch gegeven moet worden, liever eerst af wat een ander doet, om dan ééns zooveel te doen. En vrouw Wijsland zoowel als de molenaar roepen uwe hulp en de algemeene welwillendheid in, omdat zij tot de grootste crediteuren behooren. Gij kunt nu nog, als gij wilt, bij baas Perkers gaan hooren, dat de overledene maar een natuurlijk mensch geweest is, midden in de wereld, of eenige bijbelspreuken van hem medenemen over de onbestendigheid der aardsche goederen...
Ik val anders niet driftig; maar ditmaal brak ik de
179
ARMENZAKEN.
verstandige inlichtingen van mijn' grijzen vriend vrij onverstandig af met den uitroep: âellendig volk!quot; en ik spoedde mij, na een' haastigen groet, naar mijn huis en mijne kamer. Hier zette ik mij neder en schreef met warmte en drift eene leerrede over Jak. I : 27 : De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en wedmven bezoeken in hunne verdrukking en zich zeiven onbesmet bewai-en van de ivereld.
Ik sprak dus den volgenden Zondag met vuur over de ware, werkzame, christelijke liefde en de smetten der wereld, waarvan hoogmoed en eigenbaat niet de minste zijn. De bedoeling schemerde duidelijk genoeg door mijne woorden heen, ja blonk daarin wat al te sterk uit. Baas Perkers fronste het voorhoofd en sprak bij het uitgaan der kerk van âbouwen op eigengerechtigheidquot; en van âArmi-niaansche dwalingenquot;; sommige vromen, die nog al gegoed waren, vonden, dat hij gelijk had, en vreesden voor het heil der kerk, en Van der Zanden fluisterde den eersten assessor in het oor, zóó dat een twintigtal naburen het hoorden, dat zulk schelden op den predikstoel niet te pas kwam____ Twee arme oude vrouwen weenden.
De centen werden geteld, â geen wit geld! zelfs niet eens het gewone nieuwe vijfje van den burgemeester.
Des Maandags-middags zat ik weder bij mijn'eer waar-digen chirurgijn. âWat spijt het mij,quot; zoo begon hij T âdat gij Vrijdag ook zoo spoedig zijt weggeloopen. Ik zou u anders geraden hebben om uwe preek van gisteren niet vóórop; maar achterop te zetten.quot;
âHoe dat? Men wil toch niet naar het Evangelie luisteren; ja, men bespot mij opzettelijk door juist nu nog minder te geven.quot;
âZeer natuurlijk! Gij hebt nutteloos de hoogheden van het dorp op de teenen getrapt, in plaats van ze bij de hand te leiden waar gij ze hebben wilt. Maar het zal alles nog wel schikken, als gij geduld en verstand
180
ARMENZAKEN.
gebruikt. En ten slotte zult gij nog meer gulheid bij de gemeente vinden dan gisteren in den armenzak.quot;
Ik volgde geheel den verderen raad van den ouden man. Eerst begaf ik mij naar de arme weduwe en gelastte haar om aan niemand eenige geldswaarde, veelmin vee of land af te staan, zonder mijne voorkennis, daar anders terstond haar boedel door het armbestuur zou worden aangesproken. Daarna begaf ik mij naar een naburig dorp, naar den notaris Bollaars, die de advokaat en vraagbaak van den omtrek en gelukkig een rechtschapen man was. Deze wist, toen de gemoederen een weinig bedaard waren, de crediteuren van de weduwe Kortebrand te beduiden , dat er bij minnelijke schikking nog het meest uit den boedel komen zou, zoodat de vrouw gespaard bleef. De diakonie ontving nu een deel der vermiste kas terug en de schuldeischers van het vorig jaar begonnen het kerkeraad en armmeester zoo warm te maken, dat er tot eene vrijwillige inschrijving besloten werd, die ten slotte, door de zorg van onzen braven notaris en den goeden voorgang der crediteuren, een eind aan de zaak maakte.
Toen alles was afgeloopen en de rekening gedaan, dronk de heer Bollaars bij mij een glas wijn, dat ik hem met blijdschap en hartelijkheid inschonk, en ik zeide: âhoor eens, mijnheer! nu ik de zaak van achteren bedaard inzie, was mijne preek over Jakobus' woorden, waarvan gij ook gehoord hebt, misschien vrij goed; maar uwe toepassing zeker nog oneindig beter.quot;
Armenzaken! Yeel omvattend, akelig woord! Neen, ik ben nog niet ten einde van mijn onderwerp, lezer; ik hoop niet, dat het u vervelen zal: troost u anders, het heeft mij nog oneindig meer verveeld.
Het is niet genoeg, dat men moeite en ondank inoogst van de armen, waarvoor men zorg draagt, niet genoeg, dat
181
ARMENZAKEN.
men in allerlei moeielijkheden wordt gewikkeld door de onbedachtzaamheid of de halsstarrigheid der armverzorgers; niet genoeg zelfs, dat men ondervindt hoe rederijk ieder in de gemeente is, om zijne beurs gesloten te houden, en bij hoe weinigen die uit enkel edele beginsels wordt geopend. Het armwezen is nog daarenboven eene zaak van ouderlingen twist, van afgunst en bedrog: de ondersteuning dergenen, die de Heer in Zijne plaats heeft achtergelaten, verdeelt Zijne gemeenten: men werpt de armen elkander toe als een' onnutten ballast, en die de slimste is, recht of onrecht, om de armen niet te verzorgen, die is in de oogeu der toejuichende menigte de beste armverzorger. Aranhier, dat de armenbedeeling het strijdperk geworden is, niet van christelijke liefde en edelmoedigheid; maar van de baatzucht, den trots en de geraaktheid der verschillende armbesturen; een strijdperk, waarin zoowel met list als met-geweld wordt gekampt en de strijdenden worden omgeven door een stofwolk van tegenstrijdige of dubbelzinnige gebruiken, overeenkomsten, uitspraken en bepalingen.
âJa, ja!quot; sprak Paulus Kors, de administreerende diaken, âals Dominee dat nu maar eens zóó schrijft, dan zijn wij van de weduwe af.quot;
En de geheele kerkeraad stemde in: âJa, ja!quot;
Maar Dominee diende toch eerst te weten wat hij schrijven moest. Om u de waarheid te zeggen: ik was geen wetgeleerde, en ik herinner mij niet, dat in één mijner professorale dictata, die ik getrouw bewaard heb om ze bij voorkomende gelegenheden te raadplegen, iets voorkomt van eene ivet van 1818, van acte van indemniteit en domicilie van onderstand.
Ik was evenwel op dezen tijd al een weinig ingelicht, met behulp van die kleine armenwet, gehuld, evenals de nauwelijks merkbare kern van eene komeet, in een' nevel van ministeriëele aanschrijvingen en koninklijke beslissin-
182
ARMENZAKEN.
gen. De notaris Bollaars, van wien ik boven sprak, had mij den gewichtigen dienst bewezen van mij daarin voor te lichten.
âEn wat wilt gij dan hebben, dat ik schrijf, Paulus?quot;
â't Is waar, Dominee weet er nog weinig af. Wij spreken van de weèuw Pleunders. Haar man was van Melishoek, en nu zoekt de armmeester daar de vrouw en kinderen aan ons te slijten; maar hij zal ze aan de broek hebben. Ja, ja, als u dat nu zóó maar schrijft.
Maar, vrienden, was Pleunders niet hier vervallen door meer dan vierjarige inwoning?quot;
De jongste ouderling lachte: âja, dclar heb ik voor gezorgd. Toen ik vóór drie jaren armmeester was, toen was het eenige weken zoo koud, â of het u nog heugt? â Xu, toen vroeg ik den man of hij het ook niet koud had en geen gebrek leed. En toen hij ja zeide, heb ik hem een paar ton turf gezonden, zonder hem te zeggen, dat het van de armen was; want â ziet gij wel? â ik zag het aankomen. Dat is naar Melishoek geschreven en ook bij ons geboekt als onderstand in oogenblikkelijken nood. Nu hebben ze het wel nooit willen betalen, omdat ze ook wel begrepen waar ik heen wilde; maar daardoor hebben we nu toch bewijs in handen; want volgens de wet moest hij vier achtereen volgende jaren hier gewoond hebben, zonder onderstand te genieten. Dat kan niet missen.quot; â En terwijl hij met zekeren deftigen nadruk de laatste periode uitsprak, wreef mijn ouderling zich in de handen en lachte nog eens, als iemand, die over zich zeiven recht voldaan is.
De andere kerkeraadsleden keken den man, schoon zij het niet voor het eerst hoorden, met een' blik van goedkeurende bewondering aan; zelfs de flegmatieke Paulus. Kors vertrok zijn gelaat tot een' slimmen lach; ik alleen, deelde in de algemeene bewondering niet.
âIk kan niet zien, vrienden!quot; zeide ik, âdaar onze-armenkas in gewone jaren vrij goed gesteld is, dat het
183
ARMENZAKEN,
noodig was om dit huisgezin aan het dood arme Melishoek op te dringen; ook is eene bedeeling zonder consent noch teruggave een zwak bewijs. Ik wil dus alleen met ronde woorden schrijven hoe de zaak gesteld is ^ Van men eene overeenkomst vinden, of, als he loudig is, kunnen de Staten beslissen. Maar ik zeg u tevoren, dat ik er niet om liegen zal.quot;
Al had ik gezegd, dat ik van nu af aan voor mijn traktement bedankte, of al had ik voorgesteld om niet meer met den armenzak om te gaan, men had mij niet met vreemder oogen kunnen aanzien. Men begreep mij nauwelijks, en aan den koelen groet bij het heengaan kon ik zien, dat niemand met mij instemde.
Twee maanden later Was er een kring van vrouwen gezeten rondom eene welvoorziene tafel ten huize van Job Wijsland.
âWel,quot; sprak de zuster van Paulus Kors, âweten de vrienden het nieuws al?quot;
De kracht der galvanische kolom is niet sterker dan die van het woord nieuws in een vrouwen-gezelschap. De vrouw van den molenaar â het was nog even vóór den grooten twist om den haan van onzen burgemeester, â de vrouw van den molenaar zette haar' negenden kop koffie, half uitgedronken, neder, om door het geslurp haar gehoor niet te belemmeren. Hare schoonzuster hield onbewegelijk een lepeltje bruine suiker boven de gesmeerde beschuit. En vrouw Wijsland zelve draaide oogenblikkelijk het kraantje van de koffiekan toe.
âNieuws?quot; â âWel, hoe zoo?quot; â âNu, wat zal het wezen?quot; â âEi wat?quot;
âHet is juist geen goed nieuws voor de armenkas, die toch door die zaak van Kortebrand al zooveel geleden heeft. De weèuw Pleunders blijft ten onzen laste. Paulus is geheel ontdaan van boosheid, ik heb hem nog nooit zoo gezien.quot;
184
ARMENZAKEN.
âWel zoo, wel zoo! Ja, ik dacht het wel: hij had den Dominee er buiten moeten laten. Die bemoeit zich toch genoeg overal mede.quot;
âJa, de»man is niet kwaad, â wij konden het erger getroffen /lebben, â maar hij is wat jong en onnoozel in die dingen.quot;
âEn dat had Ariaan nu nog zoo slim overleid! Ik zegmaar : hij is een' advokaat te gauw. Maar wat zal men zeggen? Alle waarom heeft ook zijn daarom. Vrouw Pleunders komt trouw te kerk en weet de Domineesjuffrouw nogal naar den mond te praten. Ku, het is natuurlijk, dat zij liever een' gulden van Mastland trekt dan twee kwartjes van Melishoek.quot;
Met een' goedkeurenden glimlach vereenigden zich allen met het advies der gastvrouw. Zelfs de mole-naarsvrouw, die anders gaarne wat op hare wijze uitspraken afdong, bedacht zich vergeefs en dronk stilzwijgend haar kopje ledig.
185
Het gezelschap scheidde vroeger dan gewoonlijk, omdat Neeltje Kors ook elders haar vol gemoed moest gaan ontlasten en ieder der gasten met ongeduld het nieuws naar huis te dragen had. Er werd gekust en gesnoven. De deur opende zich en de damp van warme menschen, warme stoven en warm brood baande zich een' uitweg. Op den stoep knikte nog de molenaarsvrouw, zoo vriendelijk zij kon, en riep: âtot ziens, nichtje!quot;
quot;Wij scheiden voor ditmaal ook. Tot ziens, lezer!
XIII.
HET STERFBED.
âHoe dikwijls ook bedacht en hoe dikwijls ook herinnerd, het blijft toch altijd eene hoog ernstige waarheid; Gij zijt stof, en tot stof zult gij loederkeeren! In hare eerste eenvoudigheid en kracht vinden wij haar verkondigd bij den uitgang van het paradijs, en na alle vorderingen van kunsten en wetenschappen, na alle uitvindingen der beschaving, om 's menschen leven te veraangenamen en te verlengen, na alle bespiegelingen over de wereld en den mensch, den tijd en de eeuwigheid, blijven deze eenvoudige woorden nog altijd even krachtig, even waar: Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren!
âMaar bij het ernstige dezer waarheid gevoelt de christen nog meer de uitnemendheid van het Evangelie, dat hem geschonken is. Den geest hoven het stof te verheffen en des-zelfs kracht en rust door gemeenschap met het onzienlijke te verzekeren, ziedaar het groote doel van dat Evangelie. Daarom spreekt het van leven, eeuwig leven, dat reeds hier genoten wordt en van het stoffelijke leven onafhankelijk is; want âdie in mij gelooft^, zegt de Heiland, âzal niet sterven.'quot; (Joh. XI: 26.) Maar ach! hoe weinigen bevatten dien diepen zin van het Evangelie, hoeveel minder nog genieten daarvan de zalige vrucht! Hoeveier Zei;e?iis enkel stoffelijk, zoodat de dood hun het einde is van alle kracht en genot! En zonder nog zoovele duizenden en millioenen
HET STERFBED.
van mijne medemenschen te verdoemen, gewis nemende meesten weinig vatbaarheid voor hoogere werkzaamheden en geestelijke genietingen van de aarde mede.
âHet is zeker aangenaam, dat men ons verwacht of roept, waar ernstige ziekte wel eens een voorbode kan zijn van den dood; er is dan toch, zelfs onder min beschaafden, nog eene algemeene begeerte om niet te sterven als het vee. Reeds zonder doodsgevaar, behoort ons onze roeping te brengen, waar rampspoed ons is vooruitgegaan. Gods woord is ook tot ons: Troost, troost mijn volk! (-/es. LX: 1.) En waar doodsgevaar aanwezig is, zouden wij daar niet gaarne den broeder ondersteunen in zijn' laatsten strijd en hem de hand drukken wanneer hij van ons scheiden gaat, van ons, die hem zoo dikwijls over dat scheiden en over een beter vaderland gesproken hebben?
âMaar hoe vinden wij nu de zieken, die wij bezoeken? Meestal koud en dood naar den geest, dikwijls ook gesloten voor ons, alleen gedrukt door het leed en bevreesd voor den dood. Ik had altijd gedacht, dat tenminste zij, die ons riepen, ons iets te zeggen of iets te vragen hadden; maar neen! zij roepen ons alleen tegen het mogelijke geval van hunnen dood; waren zij tegen dat gevaar gewaarborgd, zoo hadden zij onzen troost niet noodig, die hun buitendien te ernstig is; doch tegen den dood zijn zij niet gewapend: wij moeten ze dus daarop voorbereiden, daartegen gerust stellen, door onze voorbede hun een' zaligen overgang verschaffen; â en dat, zonder dat zij vertrouwelijk het hart ons openen, ja, zonder dat zij vroeger onze vriendschap hebben gezocht of onze woorden ter harte genomen! Zoo althans is het bij velen. En wat wonder, dat juist bij dezulken allerlei invloed van opgeworpen krankbezoekers den onzen tegenwerkt en dat de donkerste vooroordeelen het ziekbed benevelen, waar geen geestelijk licht was in gezonde dagen?
âEn hoe zal het dan nu zijn?quot;
187
HET STERFBED.
Deze alleenspraak hield ik den tweeden zomer, dien ik op Mastland doorbracht, op den eenzamen weg naar den Hokkendam, en treurig herhaalde ik nog eens bij mijzel-ven: âhoe zal het nu zijn?quot; Vergeefs was het, dat aan mijne rechterhand het schoone blauwe bloempje over het zacht groene vlas wiegde en aan de andere zijde van den weg de zware korenhalmen golfden; vergeefs, dat de leeuwerik naast mij oprees en tot hoog in de lucht zijn vergenoegd en onvermoeid lied deedhooren; gedachteloos stapte ik voort, als ware het door een dorre heide geweest, en met somberen nadruk herhaalde ik gedurig weder: âhoe zal het nu zijn?quot;
Den vorigen dag, na het eindigen van de godsdienstoefening , was mij in den kerkeraad gevraagd : âde Dominee weet zeker niet, dat Leendert Lobol aan den Hokkendam zoo erg ziek is?quot;
âNeen, ik wist er niets van. Er gaat zeker een vreemde chirurgijn over.quot;
âJa, ik zeide ook wel, dat Dominee het niet wist. De vrouw was er anders al wat krak over, dat gij er nog niet geweest waart.quot;
âJa, vrienden! ik heb het ééns voor al gezegd, en gij moogt het overal rond vertellen: ik wil gaarne bij zieken gaan, ook daar, waar men mij niet roept, te meer omdat ik weet, dat het opzettelijk roepen hier weinig in gebruik is; maar ik kan onmogelijk eiken morgen weten of ieder in de gemeente gezond is opgestaan.quot;
Ik bevond mij dan nu op weg naar Leendert Lobol. Deze man was ongeveer vijftig jaren oud, huisvader, en in zijnen stand vrij welvarend. In het huisbezoek en bij de belijdenis van zijne dochter Maaike had ik met hem kennis gemaakt; maar hij had die kennis meer ontweken dan gezocht. Hij kwam weinig te kerk en ik hoorde hem buitenaf beschrijven als een ruwen onverschillig mensch, wiens vroeger levensgedrag, evenzeer als dat van zijn
188
HET STERFBED.
gezin, niet van grove buitensporigheden vrij was. Sedert eenigen tijd evenwel schenen hij en de zijnen een geregelder leven te leiden; men hoorde ten minste niet van zulke verregaande ongeregeldheden, als vroeger. Deze man nu was voor acht dagen door eene hevige galziekte aangetast, die in de laatste dagen in eene slepende zenuwkoorts was overgegaan en zijn leven in ernstig gevaar bracht.
Aan den dijk gekomen, was ik ook in de nabijheid van Lobols woning. Het huisje, ofschoon niet grooter dan andere arbeiderswoningen, had een netter en wel varender voorkomen dan de meeste. Maaike zat juist op den drempel eene kous te stoppen en twee jongere kinderen solden met den ouden hond, onbezorgd over het verlies, dat hun boven het hoofd hing. Toen men mij gewaar werd, bromde de hond, vluchtten de kinderen achter het huis om en sprong Maaike, zonder zich den tijd te geven om mij te groeten, naar binnen, ten einde mijne komst bekend te maken.
Binnen gekomen zag ik het kleine vertrek rond. Bij de bedstede zat de vrouw van den zieke, met de armen op de knieën en het gelaat naar beneden gewend. Vóór de bedstede stond een man, in arbeiderskleeding en met een somber, hangend hoofd, en in de bedstede lag de kranke, met die flauwe, wezenlooze trekken en dat starre oog, dat aan deze ziekte veeltijds eigen is. Het was mij terstond duidelijk, dat ik een gesprek verstoorde, waarnaar de vrouw met eerbied luisterde en dat denkelijk gevoerd werd door iemand, die âvoor het goede wasquot;. Ik meende in hem een' man te herkennen van eene naburige gemeente, die daarvoor te boek stond en mij in den beginne enkele malen was komen hooren, of liever keuren. Dat deze nu den zieke in zijne nabuurschap bezocht, kon zeker uit een echt christelijk beginsel voortkomen; maar of het den man waarlijk nuttig wezen zou, dat stond te bezien. Onverstandige heelmeesters verergeren dikwijls de wonde.
189'
HET STERFBED.
Ik volgde ook nu eene gewoonte, op raad van Meijer-burg aangenomen, om namelijk nooit met den zieke; maar altijd met betrekkingen of omstanders het eerste gesprek aan te knoopen; de kranke heeft dan den tijd om zich te herhalen, indien onze komst hem ontstelt, gelijk dikwijls min of meer het geval is.
Nadat ik van de huisgenooten eene en andere bijzonderheid omtrent den loop der ziekte vernomen had, vroeg ik nog: âen hoe gaat het nu?quot;
âJa,quot; sprak de vrouw, â't is alles nog donker. Hij heeft volstrekt geen licht.quot;
Ik was gelukkig al genoeg ingewijd in de denk- en spreekwijze mijner goede gemeente om te begrijpen, dat zij op ééns van den staat des lichaams tot dien der ziel overging, en werd spoedig in die gedachte bevestigd door het zeggen van den vromen nabuur: âja, wat is een mensch, zoolang hij nog in zijne zonde ligt en God de hand niet aan hem geslagen heeft! Hier duurt de ziekte maar eeaige dagen, Leen-buur; maar in de hel is heb een eeuwig vuur en knersinge der tanden.quot;
Deze laatste woorden, naar het ziekbed gericht, werden met verheffing van stem uitgesproken. De zieke wendde het hoofd langzaam om, het holle oog vloog wild in het rond, en een bange, sidderende zucht ontvlood quot;de beklemde borst.
âEn hebt gij daar nu wel gevoel van,quot; vervolgde de ongenoode ziekentrooster, âdat gij een verdoemelijk schepsel zijt, geheel in zonden ontvangen en geboren, en dat gij tot een vertoornd God gaat? â Maar neen! daar kunt gij 't rechte gevoel niet van hebben, zoolang de Heere uw hart niet opent door Zijnen Geest. Welgelukzalig daarom dien Hij heeft verkoren en doet naderen, ja wonen in Zijn huis!quot;
Het was niet duidelijk merkbaar of de zieke deze laatste toespraak verstond of niet. Hij staarde onafgebroken naar omhoog en men kon zijne onbewegelijke gelaatstrekken
190
HET STERFBED.
zoowel voor het teeken van doffe onverschilligheid als van diepe wanhoop houden.
Mij was deze ontvangst gansch niet aangenaam. Hetgeen mij van den beginne-af bij het zoo moeielijke ziekenbezoek gehinderd had, dat belemmerde mij ook hier. Ik zou wenschen altijd met den zieke alleen te zijn, dan kon hij met volle vrijheid zijn hart uitstorten en wij zijne behoeften kennen en daarnaar spreken, in plaats van in algemeene denkbeelden doelloos om te zwerven en gedurig algemeen bekende gezegden te herhalen. Nu durven wij dikwijls niet zeggen wat wij juist tot dien kranke, maar ook tot hem alleen, zouden willen en moeten zeggen. En waren het nog alleen de naaste betrekkingen, zij, die met hartelijke belangstelling den zieke dagelijks helpen en troosten en nu ook met ons voor hem wenschen te bidden, huisgenooten, bekend met zijnen wandel en zijne denkwijs, zijne gebreken en zijne deugden! Maar dikwijls dringen zich ongenoode buren en bekenden naar binnen, opzettelijk als zij den leeraar wachten of zien binnentreden, of zij, die in den reuk van heiligheid staan, komen onze woorden op de goudschaal der rechtzinnigheid wegen, als oude en beproefde krankbezoekers, die juist weten waar men troosten mag en hoe men sterven moet! Ja niet zelden, wanneer de zieke algemeen bekend was en op het dorp woonde, vond ik nauwelijks de noodige ruimte om tot het bed te naderen. Wie, die van zijn gewichtig en heerlijk ambt geen ij dele kwakzalverij maken wil; wie, die eenig gevoel heeft van hetgeen er in die beslissende laatste ure tusschen den mensch en zijnen Schepper omgaat; wie kan onder zulke omstandigheden ongedwongen vermanen, troosten, sterken, enkel naar de inspraak zijns harten? Wie kan vertrouwelijk met en voor den ongelukkige bidden, gelijk een broeder met zijnen broeder in nood tot den Vader gaat, terwijl hij weet, dat zijne woorden gretig worden opgevangen om ze als dorpsnieuws rond te dragen;
191
HET STERFBED.
dat de taal van zijn hart door vreemden aan de algemeene opinie omtrent den zieke zal worden getoetst, of naar den maatstaf der strenge kerkleer zal worden uitgemeten?
Maar wij keeren tot Leendert Lobol terug. Ik begreep, dat ik hier wel onaangename botsingen moest zoeken te vermijden; maar toch ook niet met een kort en flauw woord het veld mocht ruimen. Niet alleen aan de eer van mijne betrekking; maar ook aan het wezenlijk welzijn van den armen kranke was ik dit verschuldigd.
âLobol!quot; zoo begon ik, zonder van den vreemde meer dan de hoogst noodige notitie te nemen, âLobol! gij zijt gevaarlijk ziek, dat zult gij zelf wel gevoelen. Daar is zeker nog wel hoop, en wij willen bidden, dat gij beter moogt worden, zoo voor u zeiven, als voor uw huisgezin; maar het kon ook anders zijn.quot;
Hier gaf de kranke mij het eerste teeken van kennis en zuchtte: âach ja. Dominee!quot;
âEn waarom denkt gij wel, dat God u daar neerlegt?quot;
Wezenloos zag hij mij aan.
âHebt gij geen zonden, Lobol? Was uw levensgedrag wel altijd, zooals het behoorde?quot;
Nu kwam er leven op het doffe gelaat; zijne oogen draaiden wild in het rond, hij balde de vuist en sprak met een holle stem: âvol, vol zonden!quot;
âDat zal wel waar wezen; maar luister eens. Waarom denkt gij, dat ik u kom opzoeken? Zou het wezen om u dat nog eens te verwijten en dan ongevoelig en trotsch te zeggen: âgij gaat naar de hel!quot; ....? Neen, mijn vriend! ik kom om u nog op te beuren en te bemoedigen; ja, ik zou u zoo gaarne voor tijd en eeuwigheid zoeken te redden, als ik maar kon. Gelooft gij dat?quot;
De zieke knikte.
âWelnu, van mij, die een mensch ben, gelooft gij, dat ik u uit liefde bezoek. Waarom gelooft gij het van God ook niet?quot;
192
het sterfbed.
Hier zag hij mij vragend aan, alsof hij zeggen wilde: âzou ik dat durven aannemen?quot; Maar op dit oogenblik viel de vreemde bezoeker, die al een paar malen den mond tot spreken geopend en alleen naar eene pauze gewacht had, er tusschen in. Hij zeide op een' temenden toon: âmaar, mijnheer!quot; (het was weder niet zonder opzet, dat deze man mij alleen mijnheer noemde) âals ik het u eens zeggen mag: God bezoekt hier niet vaderlijk; maar rechterlijk. Hij staat hier nog met het vlammend zwaard des oordeels; want onze God is een verterend vuur. En zoo lang er nu geen vleeschen hart in plaats van het steenen hart gelegd is.....quot;
Ik begreep, dat, wanneer ik 's mans rede ten einde toe liet voortvloeien en daarna het verkeerde er in wilde weerleggen, ik mij in eene eindelooze redewisseling zou wikkelen, die misschien geen vreedzaam slot hebben en in ieder geval den zieke het hoofd nog meer bedwelmen zou. Gelukkig had ik een' gunstigen inval om aan de zaak zonder dat een minnelijk einde te maken. Ik viel hem dus in de rede:
âZeg eens, vriend, waar woont gij?quot;
âHier, ook aan den Hokkendam, even buiten uwe gemeente.quot;
âZoo, dan zijt gij hier huurman?quot;
âJa, ver is het niet.quot;
âWelnu, en ik woon op Mastland, zooals gij weet! Gij kunt dus eiken dag hier komen, wanneer gij wilt, en ik niet. Als wij beiden te gelijk spreken, kan de zieke, die al zoo zwak is, ons toch niet verstaan. Laat mij dan nu eens begaan, en als gij denkt, dat uwe gezegden den man troosten kunnen, kom dan liever naderhand terug.quot;
De man morde nog wat binnen 's monds en ging heen. Ik had mijn doel bereikt. jSTu vervolgde ik mijn gesprek. Ik zocht den zieke te overtuigen, dat God wel een Rechter is, vreeselijk voor den onboetvaardige; maar dat, als Hij
193
13
HET STERFBED.
vernedert, Hij niet plaagt om te plagen, maar om te behouden; dat hij dus ook niet hopeloos zuchten en jammeren moest, 't geen nergens nut voor was; maar liever zijn vroeger zondig levensgedrag ernstig indenken, belijden en beweenen, naardien er toch ook voor den verloren' zoon vergiffenis is, mits hij opstaat en weder tot zijnen Vader gaat. De zieke scheen dit alles wel te verstaan. Zijn oog helderde op en hij zag mij geruster aan. Toen trok er weèr een donkere wolk over zijn gelaat en hij zuchtte: âoch, kon ik dat maar gelooven!quot;
âEn waarom kunt gij dat niet gelooven, als gij toch weet, dat het waar is? â Maar ik zal het u wel zeggent waar het aan ligt. â In gezonde dagen hebt gij niet hard naar den godsdienst gezocht en nu zijt gij bevreesd voor den dood en voor God, en sommige menschen, zooals uw buurman van straks, maken u nog bevreesder. De man doet het zeker met een goed oogmerk; maar het helpt u weinig. Gij hebt Christus noodig, mijn vriend, en niet den duivel, den hemel en niet de hel; en Christus kom ik u verkondigen, als een' Zaligmaker van zondaren, die ook voor den verst afgedwaalden mensch nog den hemel open stelt.quot;
Nu mengde voor het eerst de vrouw zich in het gesprek: âja. Dominee raag er van zeggen, wat hij wil; maar ik wilde wel, dat Leen zoo goed voor zich zeiven stond als onze buurman.quot;
âIk zeg niets kwaads van hem, vrouwtje, want ik ken den man niet; hij kan voor zich zeiven zeer gerust en zeer braaf wezen; ik zeg alleen, dat hij geen goede trooster voor uw' man is.quot;
âJa, ja! 't is toch de weg maar. Hij heeft mij meer dan eens verhaald hoe hij zelf ook langs den rand van de hel heen gesleept is en drie dagen en drie nachten op den grond heeft liggen worstelen, eer hij eenig licht voor zijne ziel kreeg. Maar toen eindelijk zeide de Heere Jezus tot
194
HET STERFBED.
hem: âgij zijt een schaap van mijne weide!quot; Dat is maar een groot voorrecht; dat zal de Dominee toch niet tegenspreken.quot;
Ja, wat zou tegenspreken ook gebaat hebben? Ikzeide dus eenvoudig: âvrouw! nog eens, ik oordeel niet over uwen buurman; maar de weg van den een is die van den ander niet. Uw man is ziek en zwak en zal misschien geen drie dagen en drie nachten meer leven. Hier is dus spoedig hulp en troost noodig. Hij moet zich met God verzoenen, hij moet bidden, hij moet zich aan Christus overgeven. Mag hij nog eens beter worden, dan zullen wij eerst zien in handel en wandel of het de rechte bekeering is. Ga gij dus zelve daarin maar voor. Gij kunt nog werken; uw man kan alleen bidden.quot;
âJa, als hij dat kon!quot;
Onder deze samenspraak was het oog van den armen kranke weder ingezonken. Hij had, naar het mij voorkwam, die menigte van tegenstrijdige denkbeelden niet kunnen nagaan; maar toch genoeg van zijne vrouw verstaan om weêr in dezelfde doffe weifeling te verzinken. Ook ik zat een oogenblik stil, somber en moedeloos. Hoe zou ik, die bij den armen kranke nog zoo weinig invloed had, in enkele bezoeken hem kunnen opbeuren, daar hij beurtelings door een' hoog wijzen buurman en door eene dwaze vrouw werd nedergedrukt ?
Nu viel mij eene les in van den waardigen Meijerburg, met wien ik juist kort geleden over dit onderwerp gesproken had. âZoodra gij bemerkt,quot; had hij gezegd, âdat gij bij een' zieke niet meer nuttig spreken kunt, dan bidt gij. Het hart, dat voor menschen gesloten blijft, opent zich soms voor God. Daarbij, omtrent het bidden bestaan de minste verschillen, en godsdienstverschillen vermijd ik bij het ziekbed als de pest.quot;
Ik zeide dan, na eenige oogenblikken zwijgens: âLobol, zouden wij niet eens bidden?quot;
195
HET STERFBED.
De zieke zag mij staroogend aan. Daarna ontspanden zich langzamerhand zijne gelaatstrekken; hij knikte, hief de armen uit het dek, nam de muts af en vouwde de handen samen.
âKom, ik zal dan voor u en met u bidden; maar gij behoeft mijne woorden niet na te spreken: luister maar in stilte, en volg ze met uw hart.quot;
De man knikte nog eens en sloot de oogen dicht. Daarop bad ik. Wat ik bad, zal ik niet herhalen; ik zou het ook niet kunnen doen. Alleen weet ik, dat ik recht vurig en hartelijk bad; want al wat vooraf gegaan was had mij diep getroffen; tranen stonden mij daarom in de oogen. Ik wilde zoo gaarne den armen man Gods vertroostende nabijheid, zoo veel in mij was, doen gevoelen en hem, waar ik zelf onvermogend was om in zijne geestelijke behoeften te voorzien, der Goddelijke ontferming opdragen. Misschien zou hij, wanneer zijn gevoel dusdoende werd opgewekt en zijn geloof op Christus bepaald, iets in zich opnemen en overhouden, dat menschelijke toespraak wel woder verzwakken, maar niet geheel wegnemen kon. Ik kon het dan ook zien; de man bad mede, wischte met' zijne ruwe hand een' traan weg en drukte toen de mijne. Zelfs de vrouw bedankte mij, op zachter toon dan straks, voor mijn kostelijk gebed. Ik beval den zieke aan om meer na te denken en te bidden, dan door veel spreken zijne gedachten te verwarren, en vertrok.
Daar ik nu toch eens aan den Ilokkendarn was, wilde ik ook Arij Ploegstaart bezoeken. Na de geschiedenis van den haan met al hare gevolgen had ik hem nog weinig gesproken en had nu ongezocht een onderwerp, waarmede geen burgemeester noch burgemeesters-haan iets te maken had. Hij stond aan den dijk en bracht mij met zijne gewone gulhartigheid, knorrende en brommende over mijn lang wegblijven, in zijne woning. Hier gezeten, vloeide al spoedig de mond over van datgene, waar mijn hart
196
HET STERFBED.
vol van was, en ik verhaalde van den zieke en van den ongeroepen' ziekentrooster, wiens terugkomst ik vreesde, dat ras weder zou afbreken wat ik met moeite had zoeken op te bouwen.
âZoo!quot; viel Arij uit, âwas die schoft er? Zeker een klein kereltje, zoo wat rossig van haar?quot;
âJa, maar de man is immers vroom? Al heeft hij dan misschien wat harde denkbeelden, daarom is hij nog geen schoft.quot;
âDominee! geloof mij, gij moogt geleerd wezen; maar de menschen hier aan den dijk kent gij nog niet. Deze roode Teun â zoo wordt hij in de wandeling genoemd: eigenlijk heet hij Teunis Kaapland â was vroeger een der grootste bedriegers en heeft, behalve dat, veel vrouwlui op verkeerde wegen gebracht. Nu moet hij bekeerd heeten. Dat hij eens wat bang voor de hel is geweest en gedroomd heeft, dat onze Lieve Heer hem er toch wel door zal helpen, mag waar wezen; maar dat hij mij verleden najaar nog een mud ïiardappelen ontstolen heeft, is óók waar. Bij mijn ziel! dat doet een recht christen niet, of ik heet geen Arij Ploegstaart quot;
âAls dat waar is, hebt ge volkomen gelijk. Maar hoe komt dan zulk een mensch bij dien zieke ? Men scheen nog al veel vertrouwen in hem te stellen. De man werd zichtbaar door zijne woorden ontrust, en de vrouw gaf hem in alles gelijk. Ik had dat allerminst van die vrouw gewacht. Ik dacht, dat ze van God noch godsdienst wist.quot;
âJa, van zulken moet men 't wachten. Maar hoor eens, ik zal u meer zeggen. Leen is altijd wat ruw en onverschillig geweest; maar anders een brave vent, die maar eene andere vrouw had moeten hebben. Maar zijn wijf: zij hield het vroeger met onzen Teun, zooals geheel de dijk weet; de man alleen heeft er nooit nog het ergste van durven gelooven. Bij Teunis'bekeering moest dat natuurlijk ophouden; maar sedert eenige maanden komt hij er weder, natuurlijk om Lobol en zijne vrouw ook te bekeeren. Met
197
HET STERFBED.
haar is hij ook al een goed eind op weg. Als nu Lobol zelf maar in den TI eer e. sterft, dan zijn er drie gelukkig; want Teun is arm en lui en zij zal wel gaarne weêr een' jonger' man hebben. Alleen de arme schapen van kinderen zijn dan diep te beklagen. Ziedaar de vroomheid en de plannen van die beide luidjes, â en daarmede is het uit.quot;
âPloegstaart, Ploegstaart! Ik ken de menschen hier zeker nog zoo goed niet als gij; maar oordeelt gij toch nu niet wat barsch?quot;
âDe tijd zal 't leeren, Dominee!quot;
Dit laatste, op een' zegevierenden toon uitgesproken, was nu, zoo als meer, het slot van Arij's redeneering. Wij gingen dan tot andere gesprekken over, en stil en peinzend wandelde ik een uur later naar huis terug.
Twee dagen daarna bezocht ik den zieke weder. Ik trad binnen en zag weder Teunis Kaapland en de vrouw, nagenoeg in dezelfde houding als vroeger; maar nu stond ook Maaike, die in den aard geen kwaad meisje was, voor het bed en snikte luid; en een knaap van vijftien jaren en twee nog jongere kinderen, die eindelijk ook door de tranen van Maaike de treurige omstandigheid begrepen hadden, zaten weenende op den grond. Nog een paar buren stonden in 't midden van 't vertrek en twee vrouwen zaten onbewegelijk aan de tafel.
Reeds buiten het huis had ik de bekende, onaangename stem gehoord; zij zweeg evenwel toen ik binnen kwam. Mij werd ruimte gemaakt en een stoel aangeboden. Ik ontroerde van de ontzettende verandering in het voorkomen van den kranke. Zijn gezicht was ingevallen en had geheel het gele waas van een lijk gekregen, de oogen waren wijd opengespalkt, ook de mond bleef geopend, en zijne ademhaling was afgebroken, diep en nokkend, en voorspelde een' haastig naderenden dood.
âUw man is hard achteruit gegaan,quot; zeide ik met aandoening.
198
HET STERFBED.
âJa,quot; was het antwoord, âde Meester zegt ook, dat het vandaag afloopt.quot;
âEn heeft hij nog al rustig gelegen nadat ik hem verlaten heb? Is hij al dien tijd bij zijne kennis gebleven?quot;
âRustig kan ik zoo juist niet zeggen. Zoo komt een mensch er toch ook niet. Inwendig, geloof ik, dat hij soms nog wel met zich zeiven te doen heeft. Hij doet wel eens of hij bidt en krijt; maar dan is het weêr alsof hij er niets van hooren wil. Is 't niet, Teunis-buur?quot;
âJa, wat zal ik zeggen? De natuurlijke mensch verstaat toch niet de dingen, die des Geestes Gods zijn.quot;
De kranke gaf een' rauwen gil. De buurman kwam nader bij hem. Hij wendde met zekeren weerzin het hoofd om.
Nu ging er een akelig licht voor mij op. De arme stervende werd te gelijk benauwd door vreeselijke beelden der toekomst entevens, terugdenkende aan 't verledene, werd hij gekweld door jaloerschheid en afkeer. Hij vreesde de woorden, hij vreesde den man nog meer, en kon zich tegen geen van beide meer verdedigen.
âVrienden!quot; zeide ik, âweest zoo goed en maakt een weinig ruimte; als ik alleen voor 't bed sta, zal de zieke mij gemakkelijker herkennen.quot;
Men maakte mij plaats.
Ik stond nu vlak vóór hem. Zijn oog scheen al gebroken. Ik sprak vrij luid: âLeendert, kent gij mij nog?quot; Hij antwoordde niet, maar langzaam vouwde hij de handen en zocht ook de muts af te nemen; maar hij, â voor weinige dagen nog de forsche arbeider â hij kon dat niet meer!
Maar het was mij dan toch duidelijk, dat hij mij verstaan, en nog meer, ook dat ik eergisteren, niet geheel vruchteloos gebeden had. Ik vervolgde: âwij zullen bidden, kort bidden, en God verhoort ons als wij. bidden. Dat weet gij toch?quot;
Hij scheen te willen knikken, het hoofd viel achterover.
Nu bad ik met korte, afgebroken' gezegden, langzaam
199
HET STERFBED.
en luid. Ik hoorde en zag daarbij niemand meer. Bestervende was mij alles, alsof ik met hem stierf. Toen ik Amen gezegd had, vroeg ik: âhebt gij mij verstaan? en gelooft gij dat? Zeg dan ook alleen maar: Amen'.quot;
De zieke hijgde al luider en afgebrokener. Zijn oog bewoog zich, eerst naar mij heen en toen naar boven. Diep uit de keel kwam de holle klank Aa...., maar tong en lippen bleven stram, nog eens zuchtte hij zwaar, en â was niet meer.
Een jaar daarna belde Maaike Lobol bij mij aan. Binnen gelaten, verzocht zij of ik hare attestatie den volgenden dag wilde aflezen. âHoe, Maaike?quot; vroeg ik, âgaat gij ons zoo verlaten?quot;
âJa, Dominee; och! het zou nooit gebeurd zijn als mijn goede vader was blijven leven.quot;
âO!quot; vervolgde zij een oogenblik later, âals u eens wist wat wij al van dien tweeden vader hebben uitgestaan! Voor mij is het niets, ik kan gaan dienen; mijn broeder is ook al spoedig zijn' kost waard; maar mijn zusje, en vooral die arme kleine Leendert, die nog zoo gebrekkig is er bij! Ik was om hunnent wil nog wel wat in huis gebleven; maar nu mocht ik niet langer. Ik kan, ik mag u zoo alles niet vertellen____quot;
Arij Ploegstaart had gelijk gehad. Het huisgezin van Tennis Kaapland is nog een der ongelukkigste in mijne gemeente.
200
XIV.
DE CATECHISATIE.
Voor de tweede maal zag ik op Mastland de hoog opgeladen voeren hooi binnen mennen en daarna den oogst der akkers inzamelen, tot ten laatste het delven der aardappelen ons den winter met zijne gewone behoeften en vervulling, rust en bezigheden in de gedachte riep. Nu was het dan ook de tijd om met nieuwen moed de cate-chisatiën weder op te vatten, die ten deele in het voorjaar reeds waren gestaakt, ten deele in den zomer langzamerhand uitgestorven. Wel had ik, met het synodaal besluit in de hand en vol jeugdigen ijver in het hart, ze in het leven zoeken te houden; maar voor en na waren al mijne leerlingen, op de kleinste schoolkinderen na, het veld in gegaan, en enkele overgeblevenen waren uit verlegenheid, dat zij alleen bleven, weg gevlucht of hadden het billijk gevonden, dat zij ook in de algemeene rust deelden. Toen de oogst begon zat ik reeds den tweeden Dinsdag in de kerk alleen.
Nu was deze storm voorbij en, de een met meer haast dan de ander, keerden mijne leerlingen terug; enkelen wachtten zelfs eene bijzondere oproeping aan huis af en verlengden daardoor nog een weinig den langen vakantie-tijd. Eindelijk waren de schapen bijeen en de herder moest weten hoe hij ze weiden zou.
Ik had daarover in den afgeloopen' zomer dikwijls na-
DE CATECHISATIE.
gedacht en met sommige ringbroeders gesproken en nu weder alles rijpelijk gewikt en gewogen. En mochten er dan nog vele moeielijkheden voor mij in overblijven, ik had tenminste de hooge waarde van dit bijzonder onderwijs meer en meer leeren inzien. Altijd is mij de kinderlijk eenvoudige geest van het Evangelie lief geweest. Welke andere godsdienst heeft ooit de opvoeding van 't geheele menschdom van kindsaf op zich genomen? Wat leert het heidendom de kinderen? IJdele fabelen en nog ij deler gebarenspel, waardoor het kind geen mensch wordt. Wat was zelfs de opleiding der kinderen onder Gods uitverkoren volk, gebonden aan een omslachtig ceremonieel, studie en voorbede overlatende aan het priesterlijk geslacht? Wat is zij nog bij de ongeloovige Joodsche natie? Ja, wat is zij in de Roomsche kerk, waar de hoofdles der kinderleer een blind geloof is en eene onbepaalde gehoorzaamheid aan de leer en voorschriften eener overheer-schende kerk?
Maar wij alleen, geleid door het zuiver Evangelielicht, wij alleen ontvangen de kleinen uit de hand van ouder en leermeester om ze tot zelfdenkende wezens, tot vrijwillig geloovige christenen en godvruchtige menschen te maken. Zij kunnen spreken, wij moeten ze bidden leeren. Zij kunnen lezen, wij hebben ze tot bijbellezers te vormen. Zij denken, zij gevoelen, zij begeeren, en terwijl alle vermogens der menschelijke ziel zich bij hen ontwikkelen, is ook de zonde al wakker geworden in hen, en wij, wij moeten ze door licht en waarheid besturen, door liefde hunne kinderlijke harten vormen en hunne begeerten richten naar eene betere wereld om ze tegen de verleiding van deze te wapenen, 't Is niet alleen onderwijs in den bepaaldsten zin, 't is godsdienstige opvoeding, die ons tot taak gesteld is. Kunnen wij al in die weinige uren en onder zoo velen dit niet gemakkelijk volledig doen, wij moeten tenminste doen wat wij kunnen, en hebben wij daarbij het geluk, dat de
202
DE CATECHISATIE.
ouders met ons medewerken, dan is het werk reeds ten-halve verricht.
Met dit denkbeeld van godsdienstige opvoeding stemt ook overeen de lange duur van ons onderwijs, in onderscheiding van dat der Roomsch-Katholijken, en grootendeels ook der oude Luthersche kerk. Werd er alleen onderricht gevraagd in de noodigste waarheden ter zaligheid, dan zou het genoeg zijn wanneer de kinderen tot de 12, 13 jaren vlijtig leerden; zelfs zag ik menigmaal, dat zeer velen na dien tijd in het eigenlijke keren weinig meer vorderen. Maar op dien leeftijd is de opvoeding nog niet voltooid; een groot deel van het geleerde is nog slechts opgenomen in 't geheugen, niet rijpelijk nagedacht en op zijne wezenlijke waarde geschat; het karakter is nog niet gevormd, de levenskeuze nog niet gedaan. Dit moge minder schaden waar eene heerschende kerk ook hare lidmaten nog als minderjarige kinderen onderricht en bestuurt, â wij ontvangen kinderen als leerlingen; maar verlaten zij ons, dan moeten het menschen wezen. Zooveel mogelijk is moeten zij een eigen begrip van den godsdienst hebben, van zijne waarheid en zijne waarde, en eene gevestigde keuze om heilig, matig en godzalig te leven in deze tegenwoordige icereld, als ivare leden der gemeente, waarvan Christus het hoofd is. Die nu zich geheel en voor altijd aan Christus wijden zal, diens opvoeding mag wel voltooid wezen; want een dwaas immers, naar de uitspraak van den Zaligmaker zeiven (Luk. XIV : 28 â 30), die een' toren bouwt eer hij nog in staat is te berekenen of hij het werk ten einde toe zal kunnen volbrengen.
Ziedaar zoo eenige denkbeelden over dit gedeelte van onze taak, genoeg om ons daarop te leeren toezien, ja daartegen te doen opzien. Dit laatste was letterlijk bij mij het geval toen ik aan dit werk begon. Ook in dit opzicht ondervond ik, wat ik vroeger schreef (El. 58):
scholen zijn wel geschikt om godgeleerden
203
DE CATECHISATIE.
maar leeraars vormen zij niet. Die vormen zich zelve of de gemeente vormt hen, naderhand.quot; En hoe zou men ook het onderwijs van kinderen, van boeren-kinderen, opeen college kunnen leeren? Waar wordt een gewoon onderwijzer gevormd ? Immers op de school? En zou dan het onderricht, dat wij te geven hebben, gemakkelijker te leeren zijn? Wij hebben zoo gewichtige waarheden te onderwijzen niet alleen, ook in te prenten en op het hart te drukken; onze catechisatie moet daarbij openstaan voor alle standen en alle leeftijden; het vernuftige en goed onderwezen kind, zoowel als de doffe boeren-knaap, de beschaafde jongeling, zoowel als de onnadenkende dienstmaagd, de wijsgeer of vrijdenker, evenzeer als de verzuimde, diep onkundige oude man of vrouw, moeten door ons onderricht en onder onze leiding tot ware christenen worden gevormd, altijd bereid om rekenschap af te leggen van de hope, die in hen is. (1 Petr. III; 15.) En terwijl nu de onderwijzer van kinderen, en gewoonlijk nog wel van een bepaald soort van kinderen, jaren lang op de school van een' ander wordt geoefend, eer hij zelf als zoodanig optreedt , wat wordt er tot onze vorming in dit opzicht gedaan? â Met schaamte schrijf ik het woord neder; maar gebreken moeten opgemerkt en aangewezen worden, om op verbetering te kunnen hopen; â niets. â De kundigheden, welke wij anderen te leeren hebben, worden ons zeker geleerd en, zoo men er gebruik van maakt, ook genoegzaam, goed en grondig geleerd; maar wat timmerman wordt gevormd door enkele meet- en werktuigkunde, en wat tuinman door botanie? Ik weet, dat een waardig hoogleeraar, nu reeds na veel arbeids tot zijne ruste ingegaan, zijne studenten bij de weeskinderen in het catechiseeren placht te oefenen; maar aan andere hoogescho-len geschiedde dit, bij mijn weten, niet. Bovendien; het was ook nog slechts eene gedeeltelijke vervulling van eene groote be ' ele catechisatie, onder het oog van hoog
let -identen gehouden, is misschien genoeg
204
DE CATECHISATIE.
om eenig denkbeeld van de zaak te geven; maar meer ook niet. Waarom wordt in onze kerk de student terstond leeraar, de leerling leermeester? Waarom niet een zeker kapellaanschap uit de Roomsche kerk behouden? En als dit niet zijn kan, waarom dan niet de oudere theologanten op ruimer schaal in de akademie-steden geoefend ? Voorwaar, daar zwerven nog over de straten duizenden heidenen, en niet het minst in de beroemde akademie-stad Leiden! De predikanten kunnen, zelfs met den besten wil, onmogelijk in aller behoefte voorzien. Welk een ruim veld ware hier te vinden om onder hun opzicht of dat van bekwame catechiseermeesters nuttig te arbeiden! Ik geloof, dat dit nut grooter zou zijn dan men misschien zich voorstelt. Het zou voor hem, die onderwees, goede vrucht kunnen dragen voor geheel zijn volgend dienstwerk; maar het zou ook hen, die onderwezen worden, voor verdere verarming en ver-dierlijking kunnen bewaren en de ouders den student leeren hoogschatten, die zich hunne kinderen aantrok. Het zou misschien ook nog den stand van Onderwijzer in den Godsdienst hooger doen achten, als toekomstige leeraars met hen medewerkten, vooral wanneer dit ook tot andere groote steden kon worden uitgestrekt; â en hoe zijn ook daar nog de velden wit om te oogsten!
Maar ik laat mijne denkbeelden aan meer bevoegden ter beoordeeling over; alleen voeg ik er nog bij, dat reeds, zonder bepaalde verplichting, de proponenten in eene onzer akademie-steden zich het onderwijs der armen hebben aangetrokken en ook de synode, naar ik onder het schrijven dezer Schets verneem, in dien geest van den overvloed der proponenten wenscht gebruik te hebben gemaakt. Moge het slechts niet bij enkele uitzonderingen en halve maatregelen blijven!
Men vergeve mij mijne uitwijding, om het belang der zaak. Ik keer tot de pastorij en gemeente van Mastland terug.
205
DE CATECHISATIE.
Daar ik in Mei mijne intrede had gedaan, was er vooreerst aan geene catechisatie te denken geweest. Die voort te zetten gedurende den zomer, dit is mijner gemeente al vreemd genoeg; maar met den zomer te beginnen, dat zou haar uitzinnig zijn toegeschenen. In het najaar riep ik dan van den kansel mijne leerlingen op, vooreerst geheel op de van ouds gewone wijze, en ter bestemder ure liet ik mij in de consistorie-kamer vinden.
De eerste week kostte mij weinig moeite. Ik moest natuurlijk eerst kennis maken, de namen opschrijven, de gebruikelijke boekjes inzien, en voor de volgende maal de les opgeven.
In de volgende week zou ik dan voor het eerst eigenlijk onderwijs geven. Ik had met de groote meisjes te beginnen. Daar zij toch vroeger verschillende vraagboekjes hadden gebruikt en er dus eenige verandering moest gemaakt worden, had ik Kort Begrip, Hellenbroek enz. gelijk afgeschaft en mij tot de vraagboekjes van Egeling bepaald. Zijne bijbelsche voorstelling; maar vooral de vereeniging van geschiedenis en leer in één boekje, en het uitgewerkte denkbeeld eener trapsgewijze Goddelijke openbaring, nam mij voor zijne leiding in.
De meisjes waren gezeten, ik ook. Ik bad, zij zwegen. Ik vroeg, zij zeiden hare vragen op. Dit opzeggen geschiedde met neergeslagen oogen en op éénen galop; er was geen comma of punt in den opgezegden zin te onderkennen, ja zelfs de woorden vloeiden tot ééne klankmassa te zamen; daarbij was de kleur van haar, die opzeide, altijd iets hooger van tint dan die der overigen, en was het antwoord wat lang, dan werd die tint onder het opzeggen nog gedurig hooger.
âMeisje!quot; sprak ik tot de vierde, âde anderen hebben goed opgezegd en gij zult dat zeker ook wel doen; maar gij moet langzamer, bedaarder spreken; anders versta ik u niet en gij verstaat u zelve niet.quot;
206
DE CATECHISATIE.
Het meisje begon: âik leerhier werd zij rood; nog eens; âikleerhier werd zij vermiljoen rood; toen kon zij het langzaam spreken niet langer volhouden en galoppeerde , nog veel harder dan de anderen, het antwoord ten einde: â âikleeruitdescheppingdatGodgrootwijsengoedisdien ikmoeteerenenliefhebben.quot; â Zij hijgde.
Om de anderen die pijnlijke en vergeefsche inspanning te besparen, liet ik verder de les, zonder aanmerkingen te maken, tot het eind toe opzeggen. Verder dan het eind, begreep ik, dat het niet noodig was te vragen, ofschoon er nog eenige meisjes overschoten.
Maar ik hechtte ook aan dat geheele opzeggen weinig waarde. Wat deed toch dat werktuigelijk geheugenwerk tot de ware godsdienstkennis af, terwijl alles daarbij op de verlichting van het verstand en vooral op de vorming van het hart aankomt? Ik wilde leeren denken en gevoelen en niet leeren opzeggen. Ja, ik had zelfs in bestand gestaan om het vragen leeren geheel af te schaffen; maar was gelukkig nog omzichtig genoeg geweest om dit vooreerst uit te stellen.
âMeisjes!quot; begon ik, âgij hebt goed opgezegd; maar de hoofdzaak is, dat gij het opgezegde begrijpt. Dat zult gij wel zelve inzien. Wij willen dus nu over deze eerste les nog eens spreken. Ik zal u vragen; wat gij niet weet, zal ik u zeggen, en als er iets is, dat gij niet begrijpt, moogt gij mij gerust om naderen uitleg verzoeken.quot;
Algemeen stilzwijgen.
âWat staat er boven deze les? Lees dat maar eens een van allen.quot; Men zou eene speld hebben kunnen hooren vallen.
âNu, weest niet verlegen!____ Kom, ik zal het u dan
maar voorlezen: Inleidingâ, waarin getoond wordt hoe God
zich aan den mensch tot zaligheid geopenbaard heeft..... quot;V
is openbaren?quot;
Een pijnlijk stilzwijgen van eene minuut.
207
DE CATECHISATIE.
âToe, Maartje! of gij, Mientje! Wat wil het zeggen, dat God zich openbaart, zich bekend maakt aan de menschen? Begrijpt gij dat dan niet?quot;
De laatste woorden zeide ik met eemgen aandrang, met dat gevolg, â dat ook de hals van Mientje en Maartje rood werd; maar beider mond bleef gesloten.
Er bleef niets over dan mijne eigene vraag te beantwoorden en verder te gaan. Zoo worstelde ik mij door den uitleg der eerste vraag heen en kwam aan de tweede: âDit weetik, dat ik mijn' oorsprong van God heb namelijk, uit de beschomving van de wereld en uit den bijbel. â Marigje Wijsland, wat is dat: de beschouwing van de wereld?quot;
De aangesprokene had iets van de vrijmoedigheid harer moeder geërfd; zij was de eerste, die een woord buiten het boekje durfde spreken en antwoordde- vrij cordaat: âdat is God.quot;
O mij! daarop was ik niet voorbereid. Allerlei definities van de voor te stellen zaken had ik mij eigen gemaakt; allerlei bezwaren, die konden worden opgeworpen, en vragen, die mij konden gedaan worden, vooruit gezien; maar dat hardnekkig stilzwijgen lag buiten mijne rekening en nu er eindelijk een woord gesproken werd, was dat ééne woord genoeg om te doen zien, dat men van al mijn vragen volstrekt niets begrepen had!
Ik zag op mijn horlogie. Ãet was nog geen half tien. Een pijnlijk half uur nog!
Ik weet zelf niet meer hoe ik dat half uur ben doorgeworsteld. Alleen herinner ik mij, dat ik bij na zoo verlegen werd met de zaak als mijne leerlingen, dat mijn toon wat scherper en harder werd, gelijk het gewoonlijk gaat wanneer wij ons in eene gedwongene, onaangename houding bevinden, en dat er nog vijf minuten aan het uur ontbraken, toen ik denkbeelden, vragen noch antwoorden meer vinden kon en met een bijna werktuigelijk gebed besloot.
Tehuis gekomen, was mijn eerste woord: ânu, Cornelia,
208
DE CATECHISATIE.
men zegge vrij, dat vrouwentongen altijd bewegelijk zijn, evenals populierbladen. Ik heb de bewijzen in handen, dat het laster is.quot;
Lachende wees mijne vrouw mij op een groepje vóór de pastorij. Waarlijk, het waren van mijne automaten van straks; maar na druk pratende, lachende, stoeiende; â zij spraken er over hoe ongemakkelijk de nieuwe Dominee was en dat hij onderscheid maakte; want hij had er sommigen uitgeschoten, die niet mede mochten opzeggen!
Zoo ging het verder. De jongens waren iets vrijmoediger; maar begrepen even weinig. Met de kleinen was het wat beter gesteld. Ik durfde met kinderen, die ik buitendien altijd heb liefgehad, meer vrij en kinderlijk spreken, en zij zelve bezaten nog meer natuurlijke vrijmoedigheid; ja, enkelen durfden mij vragen: âwaarom Abel niet voor Kaïn uit den weg ging?quot; en âwaar Kaïn eene vrouw van daan had?quot; En met deze vlugsten der kinderen kan ik zeggen, dat ik voor het eerst dragelijk begon te catechi-seeren. Zoo moesten een paar boerenjongens van tien jaar mij leeren wat geen professor mij geleerd had!
Toen ik nu, bij het begin van den tweeden winter, nog eens op den vorigen terugzag, vond ik de schuld van die vele pijnlijke en vervelende uren grootendeels bij mijzel-ven; maar het was eene schuld van onkunde en niet van moedwil. Ik was begonnen met vragen, terwijl ik had moeten beginnen met onderrichten; vooral bij de alge-meene vreemdheid en verlegenheid; en ik had willen redeneeren in plaats van te verheden.
Dit laatste vooral was, gelijk ik al meer en meer leer inzien, het hoofdgebrek mijner eerste catechisatiën. Wij godgeleerden hebben het hoofd vol van afgetrokken' denkbeelden; eerst definitie, dan bewijs en verdediging, daarna gevolgtrekking, â dat sluit goed. Maar onze leerlingen hebben voor dat alles geene ooren. Al wat afgetrokken is, is hun vreemd, en eene godsdienstige waarheid te heicijzen,
U
209
DE CATECHISATIE.
is voor hen geheel onnoodig: zij gelooven immers wat zij leeren? Het komt er dus alleen op aan om hun eene aanschouwelijke, levendige voorstelling te geven van den godsdienst en die voorstelling kracht bij te zetten, eerst voor hunne verbeelding, daarna voor hun verstand en hart. Bijna allen, en niet het minst onkundige oude lieden, moeten wij geheel onderrichten als kinderen, alleen de bejaarden een weinig ernstiger, en ik kan in waarheid getuigen, dat kinderen mij geleerd hebben hoe ik grijsaards onderwijzen moest, om ze ook als kinderkens te doen ingaan in het Koninkrijk Gods.
Hoe meer ik dit langzamerhand leerde inzien, deste-meer gevoelde ik de hooge waarde des bijbels, die tegelijk het geleerdste en het populairste boek is, en het meest van allen de hooge wijsheid van den Heiland zei ven, die door Zijne verrassende opmerkingen, door schijnbaar zonderlinge en tegenstrijdige (paradoxe) gezegden; maar vooral door zinnebeeldige handelingen en verhalen het afgetrok-kene aantrekkelijk en het geestelijke aanschouwelijk wist te maken. Ik bestudeerde nu uit dit oogpunt bijbel en Evangelie. Ik maakte mij op nieuw met die geschiedenis en die beeldspraak en vooral met de eenvoudige, naïve uitdrukking des bijbels gemeenzaam, en zocht die na te volgen en toe te passen waar ik kon.
Zóó toegerust, begon ik den tweeden winter mijne catechisatie. Ik had daarmede echter nog veel moeite. Zelfs nu nog is mijn onderwijs op verre na niet wat het, mijns inziens, zou moeten wezen. Het is met het levendig besef daarvan, en niet uit hoogmoedige zelfverheffing, dat ik mijne tegenwoordige leerwijs nog in enkele trekken schetsen wil, opdat mijn lezer mij overal kunne volgen, ook daar, waar minder roem dan op den kansel te behalen; maar evenveel, ja wellicht oneindig meer nut te stichten is.
Ik heb dan mijne leerlingen zóó verdeeld. De kinderen van beneden de twaalf jaren komen met elkander. Groo-
210
DE CATECHIHATIE.
tendeels is het de schooljeugd, en er bestaat geene noodzaak, om â althans buiten â op die jaren nog meisjes en jongens te scheiden. Als kind is het meisje even vrijmoedig; maar zoodra het de school verlaat, ontwikkelt zich langzamerhand de vrouwelijke schaamte. Van dien tijd af gaan ze dan ook bij mij afzonderlijk. Maar jongen of meisje van twaalf jaren voegt kwalijk bij een van achttien of twintig: de eerste denkt nog niet aan eene belijdenis, aan eene keuze voor het volgend leven; ook hinderen kleine leerlingen door hunne speelschheid den grooteren, â en dezen leggen den kleinen door hunne tegenwoordigheid een' lastigen dwang op. Daarom gaan mijne leerlingen op de vijftien of zestien jaren weder tot eene andere catechisatie over, waar zij tot hunne belijdenis blijven. Bejaarden worden natuurlijk ook afzonderlijk onderwezen, en liefst altijd de mannen van de vrouwen gescheiden.
Toen ik zoo mijne inrichting gemaakt, en ijverig alle nog ontbrekende leerlingen opgespoord had, dacht ik verder na. Wat zouden zij doen? Vragen leeren? Dat is zeker wel niet het beste; beter ware het nalezen van een goed geschreven werk, het geregeld onderzoek van den bijbel. Maar wie zou dit willen? quot;Wie het kunnen? Wie tehuis daartoe de noodige hulp vinden? Negentien van de twintig zeker niet; wat de twintigste doen zou, wil ik niet beslissen. Dus moesten zij het eenige, wat zij konden en wilden: vragen leeren. Kenden zij die, â en doorgaans gaat dit in boeren- nog ruim zoo goed als in burgerstand, â dan hadden zij zelfs een' prikkel te meer om te komen, en de les op te zeggen, die hun zooveel moeite gekost had; vooral daar bij dat opzeggen van nu af aan niemand meer werd uitgeschoten. Eene uitzondering op dezen regel maakte ik naderhand op de zomercatechisatie, die ik eindelijk met veel moeite, en dan nog maar met weinig leerlingen, heb tot stand gekregen. Daar wordt eenvoudig een opgegeven hoofd-
211
DE CATECHIHAÃIE.
stuk uit den bijbel door de leerlingen gelezen, en door mij verklaard. Ik kan om onderscheidene redenen deze methode bij ondervinding aanbevelen. Men zal dan misschien beter inzien waarom de bijbel thans minder gelezen wordt, dan vroeger.. Het is niet altijd onwil: velen kunnen het niet meer, tenminste zeker niet met eenige vrucht.
Maar nu tot mijne gewone catechisatie teruggekeerd. Komen en opzeggen was reeds iets; moeielijker was het volgende; te maken, dat men luisterde en sprak. Allereerst scheen mij daartoe eene zekere toenadering noodig, en met veel inspanning en geduld heb ik mijn' toon zoo gewijzigdr dat het opzien tegen mijn' persoon veel minder geworden is en niet meer de zoo botte hersenen nog stomper maakt. Ik wandel tusschen de banken door, vooral bij de kinderen, en ik praat met den een en lach met den ander, zooveel het noodige gezag maar eenigszins toelaat. Maar inzonderheid heb ik mij ook eene studie gemaakt van de eigenaardige uitdrukkingen van den boerenstand. Deze stand heeft zijne eigene taal, zoodat alle Hollandsch voor hem niet evenzeer Hollandsch is. Sommige zijner termen in het godsdienstige, â de lezer kan er reeds een' en anderen in deze Schetsen hebben opgemerkt, â zijn zelfs naïf en juist. Men kan ze overnemen, zonder daarom nog al teboersch en plat te worden, en buitendien: dit gebrek behoeft bij het bijzonder onderricht minder dan op den kansel vermeden te worden.
En nu het eigenlijk onderwijs. Het is en blijft, evenals de bijbel zelf, grootendeels geschiedkundig. En zijn niet de voornaamste, misschien alle dogmatische en moreele waarheden tevens geschiedkundige waarheden? En die het niet schijnen te zijn, worden ze toch niet in den bijbel in onmisbaar verband met de geschiedenis gebracht? Geschiedenis van het verledene is de eeuwigheid en volmaaktheid Gods,, de schepping, de voorzienigheid, de verzoening, de bekeering en het geloof der eerste christenen, die ons ten
212
DE CATECHISATIE.
voorbeeld zijn; geschiedenis van het tegenwoordige is het menschelijk leven rondom en in ons, mot al zijne zegeningen en zijne zorgen, met de trekken van G-ods beeld en vooral de treurige verwoestingen der zonde in den mensch; en geschiedenis der toekomst is weder de eeuwigheid en onveranderlijke trouw van God, de heerlijkheid van Christus en Zijn rijk, de dood, de opstanding, het oordeel en de volkomene zaligheid des christens. Die deze geschiedenis goed kent en vast gelooft, en die daarbij voor eiken plicht en elke bede zich een bijbelsch voorbeeld weet te herinneren, dat hij van harte navolgt, zou hij voor zijne vorming tot een hooger leven zooveel aan die afgetrokken' denkbeelden, wijsgeerige bepalingen en volledige bewijsgronden missen? Niet, dat ik die wil afkeuren; â die ze vatten kan, vatte ze; â maar mijne Mastlandsche leerlingen kunnen er niet bij.
Nu was ik dan zoover, dat ik bijna aller oor en sommiger mond voor mij geopend had. Ik begeerde nog meer. Ik was niet tevreden met die enkele sprekers tusschen vele figuranten, ofschoon wel hooger vergaderingen hierin op mijne catechisatie geleken. Gaarne wilde ik aller stem hooren, en nu bedacht ik, na veel beden-keus, nog het volgende.
Niet allen hebben helderheid van geheugen genoeg, om in het vroeger geleerde geheel tehuis te zijn, noch de noodige vrijmoedigheid öm hunne eigene denkbeelden uit te drukken; of misschien ligt het nog meer daaraan, dat het godsdienstige hun te vreemd is: zij kunnen daarvoor geene woorden vinden. Ik besloot dus, eerst zelf te verhalen, wat ik vragen wilde, en dit gelukte. Er werd beter geluisterd, uit vrees om straks te missen. Er werd beter geantwoord, al toonde men alleen maar met een enkel woord, dat men mij verstaan had; en bij derepetitie eener volgende week, die ik bijna nimmer verzuim, is er gewoonlijk nog al een en ander blijven Vingen.
213
DE CATECHISATIE.
Bij voorbeeld:
Het is weder Dinsdag-morgen 9 ure; maar mijne meisjes en ik komen geheel anders dan voor vier jaar te zamen. Ik ben niet meer zoo deftig gekleed, en knik, als een oude kennis, deze en gene bij het binnentreden goeden dag, en zij durven mij aanzien, en verhalen als ik het vraag of tehuis alles wel is.
Wij beginnen, na een hartelijk gebed:
âMeisjes, nu zullen wij eens zien, wie het best zonder haperen weet op te zeggen. Die 't beste vragen leert, krijgt een goed teeken bij haar' naam, en die straks wat weet te vertellen, twee, en de goede teekens geven prijsjes bij gelegenheid. Gij weet het nog van vorige winters; dus opgepast!quot;
Het zijn meisjes tusschen de twaalf en zestien jaren; bij de ouderen komt dit niet meer te pas.
Er wordt opgezegd. Ik vervolg:
âNu zijn wij dan weêr van voren of aan begonnen; want alle dingen hebben een begin en een end. â Wacht eens. Ik zei dat daar zoo; maar wie weet mij iets te noemen, of iemand, die geen begin heeft en geen eind ook?quot;
Twee stemmen te gelijk: âGod.quot;
âPrompt geantwoord. God heeft geen begin gehad, en Hij zal wel geen eind hebben ook. Daarom kunnen wij nooit eigenlijk zeggen hoe oud God is: want we kunnen Zijne jaren niet tellen. Begrepen? Tel eens terug: tien, â honderd, â duizend, â tienduizend jaar, â en nu zijn wij er nog niet. God is nog veel ouder. Maar zooals God is, is ook niemand.
âMaar alle wereldsche dingen, die hebben een begin en een eind. Dit boekje heeft een begin, daar men is begonnen het te schrijven en te drukken; en de boomen van 't kerkhof hebben een begin gehad, want die zijn geplant; en de kerk, want zij is gebouwd; en gij ook, allegaar, want gij zijt geboren. Maar nu van wat anders:
214
DE CATECHISATIE.
de zon en de maan en de heele wereld, zijn die er altoos geweest? Ja of Neen?
âJa.quot; âNeen.quot; âNeen.quot; âNeen.quot;
âNu, niet allen te gelijk. Die neen riepen, hadden het goed. Wel zeker is de wereld en de zon en de maan er niet altijd geweest. De groote God was eens alleen, geheel alleen, en toen dacht Hij; â want Hij kon toch alles doen, wat Hij wilde; â toen dacht Hij: âIk zal een' schoonen hemel maken met engelen er in, en dan een groote wereld met menschen er op; en die menschen en engelen zal Ik veel goeds geven, en dan zullen ze Mij zeker wel aanbidden.quot;
âEn zooals God dacht, zoo deed Hij ook; Hij maakte de wereld, en waaruit____?
âKom, weet dat niemand? Wel ik wed, dat gij het weet. Een timmerman maakt deze tafel uit â ?quot;
âUit hout.quot;
âGoed. En een metselaar bouwde deze kerk met â ?quot;
âMet steenen en kalk.quot;
âPrompt. En God maakte de wereld â waaruit ?quot;
âNergens uit.quot;
âGoed. Daarom zeggen we ook: âGod heeft de wereld geschapen,quot; maar we zeggen nooit: âde timmerman heeft deze tafel geschapen.quot; En hoe God nu alles geschapen heeft, wat eerst en wat laatst, dat lezen we in den bijbel, in 't begin. Ik zal u dat eens geregeld vertellen. En goed luisteren! Want wat ik nu vraag, is zoo maar eens tusschenbeide, om u goed wakker te houden; maar straks vraag ik één voor één, ieder op hare beurt, nog eens alles weder over, wat ik verhaald heb. Dat weet gij nog van ouds.
âVerbeeldt u dan eens, hoe het er voor 6000 jaar hier uitzag. Mastland was er nog niet, geen boeren, geen-koeien, niemendal; zelfs geen grond waar een mensch of beest op staan kon, en geen zon, om bij te zien____'
DE CATECHISATIE.
â 216
Maar genoeg tot eene proeve. Nogmaals moet ik herhalen, dat mijn ideaal ook in dit opzicht nog verre boven mijne praktijk is, niet altijd hen ik even goed gestemd, even helder en vlug, even ingenomen met de zaak, waarover ik te spreken heb; en niet altijd heb ik, wat ik toch zoo noodig acht, al is het maar eenige oogenblikken, op mijne catechisatie gestudeerd. Doch zooveel kan ik mijnen lezer, die gewoon is alleen in beschaafde of geleerde kringen te ver-keeren, verzekeren, dat deze toon niets oneerbiedigs of ergerlijks heeft voor mijne hoorders, en zelfs bejaarden er met hoogen ernst en aandacht naar luisteren, wanneer ik nog een' toon lager afdaal, dan ik in een gedrukt werk wil of mag doen. Het belachelijke bestaat alleen, zoodra er contrast gevoeld wordt tusschen de verhevenheid der zaak en het lage der voorstelling; maar dit contrast wordt niet gevoeld en bestaat zelfs niet, wanneer de voorstelling op de hoogte staat van het begrip en de verbeelding der hoorders.
XV. A R M O E D E.
Ieder schepsel, dat de Heere God gemaakt heeft, ziet gaarne zijns gelijken. Wees wijsgeer of kantoorklerk, paruikmaker of boer, predikant of zeeman, kortom, wees wat gij wezen wilt, â gij zult het hart voelen kloppen, als gij voor het eerst in langen tijd iemand vcdi het oak spreekt. Ja, ik geloof zelfs, dat er voor den menschen-hater geen aangenamer ontmoeting is dan die van een' menschenhater zooals hij.
Het was mij daarom een aangename dag, toen, omstreeks het midden van Februari, een mijner akademie-vrienden den moed had mij te bezoeken. Ik had den tweeden winter buiten nu weêr voor een goed deel ten einde gebracht. In de laatste weken had ik door drukke werkzaamheden en slechte wegen weinig het dorp verlaten en bijna geen bezoek ontvangen. Steedsche betrekkingen wachtten op de lieve Jfei-maand, of eene van hare opvolgsters. Mijn vriend Altorf waagde den tocht, waarmee dan ook wel weinig gewaagd was voor iemand, die door eene korte, maar wat vermoeiende voetreis zich niet liet afschrikken.
Het was een bekoorlijke Februari-Aüg, een van die weinige zomersche dagen, die het oude volksgeloof van deze maand eischt en die zij ook zelden weigert. De zon scheen niet krachtig, maar toch helder; men kon haar vrij in het aangezicht zien. Hare stralen verzachtten de hard gevroren korst der kleiwegen, zonder daar door te dringen, en deden het ijs vochtig worden, zonder het te verbrijzelen.
ARMOEDE.
Ik begaf mij op weg naar het naaste veer om mijn' vriend af te halen, terwijl mijne Cornelia een goed en krachtig onthaal voor den vermoeiden wandelaar gereed maakte. Terwijl ik het zandpad, aan de zijde van den kronkelenden dijk gelegen, betrad, scheen alles mij even opbeurend en hartverheffend; de fijne, frissche en toch niet te koude lucht; de boomen, die langzamerhand hun omkleedsel van ijs in vreugdetranen afschudden; de werkman, die lustig zijne slieten hakte en takkebossen bond van het hakhout langs den dijk; en het hoog gelegen veerhuis, dat mij, nu rechts dan links, eene blijde verwachting scheen toe te wenken.
Zonder vermoeid te zijn of op mijn horloge gezien te hebben, â iets wat, bij mij althans, zelden een goed teeken is, â bereikte ik dan ook weldra de herberg. Van deze af leidt een korte veerdam naar de rivier. Aan het begin van dien dam, boven op den dijk, staat, naar oud landsgebruik, een paal met drie platte houten armen, waarop de reiziger zien kan, vanwaar hij komt en waar hem de weg heenvoert: een der armen wijst met vijf uitgestrekte, reusachtige vingers naar de rivier, en op den arm zeiven staat te lezen voor hem, die half uitgewischte letters lezen kan: Naar Rotterdam.
Ik stak bij den kastelein een sigaar op en wandelde den veerdam af, naar de hut der veerlieden. Deze menschen zijn, â en het komt hun goed, â zoowel tot rusten als tot werken bijzonder geschikt. Terwijl zij op hunne bank zitten en met den gespierden arm het hoofd ondersteunen, is er zoomin hartstocht als verveling, ja nauwelijks leven op hun gezicht te lezen. Zij bewaren al hunne inspanning voor het water en komen, evenals de zeeschildpad, alleen op het land om te rusten of zich in de zon te koesteren.
De rivier stroomde kalm en rustig zeewaarts en bracht er den opgezamelden waterschat der Zwitsersche Alpen heen. Zij scheen vreedzaam en vriendelijk, als een over-
218
ARMOEDE.
winnaar na de inspanning van den strijd; drie weken vroeger had zij de boeien afgeworpen, den tegenstand der opeen gekruide schotsen overwonnen en de vrijheid heroverd.
Recht tegenover den veerdam, waarop ik stond, was aan den anderen oever een soortgelijke. Daar was ook een dijk, waarvan de afloopende dam uitging, ook een antieke handwijzer; maar geen veerhuis, geen hutje zelfs, waarin men voor storm of slagregen schuilen kon. Alleen in plaats daarvan een hooge paal en daaraan een touw met eene oude mand. De reiziger, wiens borst niet sterk genoeg is, of wien wind en golfgeklots niet toelaten om zich over de rivier te doen hooren, kan de mand omhoog halen en seinen, en heeft hij het geluk, dat de veerlieden het zien, zoo wordt hij overgehaald. â Ja, waarlijk! daar komt juist iemand van Altorfs lengte en breedte, naar het schijnt, den veerdam af. Hij neemt zijn valiesje van zijnen wegwijzer over. Nog even met de oud-Hollandsche telegraaf geseind, en de man heeft zijn geld verdiend. Zie, daar steekt voor mijne voeten de boot van wal en aan de overzijde neemt de gids zijn' hoed af en gaat heen. Daar een Hollandsche wegwijzer eerst buigt nadat hij in zijne hand gekeken heeft, zou ik uit de diepte der buiging nog al eene goede gedachte vormen van de gulheid van mijn' vriend.
Het schuitje schoot bij eiken riemslag al wiegend en schommelend een eind weegs door de golven voort, nam aan den anderen oever den reiziger op, en weinige minuten latei-drukte Altorf met echt studentikooze gulheid mij de hand.
Er is eene aardige verwarring in de eerste gesprekken met een' gemeenzamen bekende, dien men in eenige maanden niet gezien heeft. Zijn het slechts dagen, dan is de opge-zamelde schat van vragen en berichten nog zoo groot niet; zijn het jaren, dan heeft men dien schat niet meer geregeld bijeen, men weet niet waar te beginnen, heeft den ouden, vrijen toon verloren, en ziet eenigszins verwezen en half vervreemd elkander aan; maar na weken. na maanden vooral,
219
ARMOEDE.
welk een aangename chaos van vragen en verhalen en uitroepingen! Nu eens, in 't midden van een doodsbericht: âwel, Willem, wat ziet ge er goed uit!....quot; en dan weder, onder ernstige gesprekken over onze achtbare professoren: âmaar. Jan, kon je wel blijven staan op dien gladden weg?quot;
Maar een nauwkeurig verslag hiervan zou den lezer zeker vervelen, schoon wij, al wandelende en sprekende, aan geene verveling dachten. Ik wil hem dus liever getuige maken van het avondgesprek, dat met kalmer zinnen en in geregelder orde werd gevoerd.
Ik. Welnu, Jan, hoe is het? Zult gij nu eindelijk in dit jaar proponent worden?
Altorf. Eindelijk, ja; als het nog maar niet te vroeg is. Ik bemin de studie, verkeer gaarne aan de akademie en werk met lust aan mijne dissertatie; maar voor proponent gevoel ik mij nauwelijks rijp genoeg, en voor dorpspredikant nog veel minder.
Ik. Het is mogelijk, Altorf. Wij hebben er meer over gesproken. Maar ik blijf van gedachte, dat gij dat aan de akademie nooit worden zult.
A. Hoe dat, Willem?
Ik. Ik zal het u zeggen. Gij zoekt alles in de studie, en er ligt wel veel, maar niet alles in. Gij weet, eens stonden wij in kunde al zoo tamelijk gelijk. Meerdere onafhankelijkheid en ruimer middelen hebben u, meer dan mij, boeken en tijd, die machtige hefboomen der geleerdheid, ter beschikking gegeven, en gij zijt mij nu ver vooruit. Ik zou zelfs de ketters der eerste eeuwen niet meer achter elkander kunnen opnoemen, uit vrees van te haperen, en mijn latijn kwalijk meer vertrouwen op een professoraal college. En toch heb ik een paar jaar een college gehouden, waardoor ik u ver vooruit ben: â bij zieken, bij armen, in huisbezoek en kerkeraad, en onder mijne leerlingen. Dat kunt gij in Leiden of Utrecht niet doen. Gij moet dus weder groen worden, mijn vriend! of gij wilt
220
ARMOEDE.
of niet, evenals men onmogelijk iemand zóó goed tot de akademie kan opleiden, of hij zal er altijd nog in den beginne groen wezen; het ontgroenen kan men afschaffen, het groen zijn niet.
A. (lachende.) Maar kunt gij mij niet ontgroenen, Willem? Infer amicos gaat dat toch beter dan voor het publiek.
Ik. Half en half maar. Ik kan u een en ander verhalen of in natura laten zien, en om u de waarheid te zeggen: ik ben vol opmerkingen en oordeelvellingen en verlang, evenals ieder mensch, vooral wien zijne eigene kennis nog nieuw is, om die te luchten te hangen. Maar ik ben zelf nog maar weinig meer dan een beginnaar. En buitendien, ik geloof, dat ieder, inzonderheid in ons vak, zich eene eigene handeling verkrijgen moet, die hij van een ander niet kan overnemen. Dit geloof staat te vaster bij mij, Altorf, sedert ik enkele tijdgenooten heb hooren prediken als zeker bekend professor, of eene moeielijke gemeente zag behandelen, als een ander beroemd en omzichtig man. Zij hadden hunne rol goed geleerd; maar speelden die slecht.
A. Xu ja, wij kennen elkanders denkbeelden van ouds. Gij begrijpt; ik wilde ook niet in eens leeren om predikant te zijn, zooals mijn vriend predikant is. Uw zwarte rok zou mij slecht passen. Maar ik wilde u in uwen kring bezig zien, om daaruit op te maken hoe ik in mijnen kring zal kunnen bezig zijn. Ik wilde niet alleen een' predikant tot vriend hebben, ik wilde ook een' vriend predikant zien.
Ik. Wel begrepen; als maar de tijd van uw verblijf daartoe niet te kort is. Maar wij kunnen ondertusschen een begin maken. Hebt gij het dan niet te volhandig, zoo komt gij van tijd tot tijd terug, en denkelijk hebt gij na uw proponents-examen nog wel den tijd over om een' ge-heelen cursus bij mij bij te wonen, en verlicht mij ondertusschen tot wederdienst het drukke preekwerk. Om dan geregeld te beginnen, noem eens een of ander, dat gij wiklet weten of zien.
ARMOEDE.
A. Welaan, ik kan terstond een begin maken. Ik wilde armoede zien. Gij ziet er vreemd van op, Willem: ik zal n mijn verzoek nader verklaren. Stand en opvoeding hebben mij altijd van de armste klassen der maatschappij verwijderd gehouden. Mijn smaak, of liever eene te ver gedrevene kieschheid heeft er ook iets toe bijgedragen. Ik heb de armen leeren weldoen; maar uit de verte, uit de hoogte eenigszins. Nu zal ik als predikant een vriend, een vaderlijke broeder der armen moeten worden, en zij zijn mij nog vreemd. Ik ken de leef-, denk- en spreekwijze der Hottentotten omtrent even goed, als de hunne. Het is of zij dit door een zeker instinkt gevoelen, en zij bedekken zich voor mij. Ik kan er bedienden, wegwijzers, bedelaars onder vinden, die mij naar den mond praten; meer niet. Dat mag zoo niet blijven. Wat denkt gij er van?
Ik. Ik denk, dat velen, die, evenals gij, ineenegroote stad in den schoot des overvloeds zijn opgevoed, hetzelfde gebrek hebben; maar dat de minsten het gevoelen; ik denk zelfs, dat op verre na niet alle predikanten op een' ver-trouwelijken, vriendschappelijkenvoet met dearmen leven, zelfs zij niet, die de middelen en het hart hebben om hunne weldoeners te zijn.
Maar zeg mij eerst eens, Altorf, welke denkbeelden hebt gij reeds van het karakter der armen? Gij hebt, behalve de classieke theologische studie, nog al lektuur van smaak; wat zeggen er uwe boeken van?
A. Ja, ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet. In mijne kindsche dagen was de tijd der sentimenteele litteratuur nog niet geheel vergeten; althans de kleine bibliotheek van mijn' vader bewaarde dien tijd nog in beeltenis voor mij. Ik heb toen geweend bij de beschrijving der twee bedelaars in Bellamy's Proeven; ik heb het bedelend Roosje en menigen reizenden troep Zigeuners als vrienden begroet. Thans lees ik, in keurigen, Fransch-romantischen of En-gelsch-hmnoristischen stijl, beschrijvingen van kroegen,
222
ARMOEDE.
knippen, spinhuizen, en de hemel weet wat al meer! â waar alle menschelijkheid verloren gaat. Het eerste moge de werkelijkheid niet zijn, het laatste kan die toch ook niet wezen. Ik zou tenminste moeten denken, niet dat Gods bestuur langmoedig is; maar dat het geheel slaapt, zoo niet iets ergers, wanneer Gods schepselen, anders dan bij uitzondering, zoo geheel en zoo algemeen konden verbasteren. Dus vrees ik, dat, ook onder de schoonste en wegslependste vormen, geene modelektuur van vroegeren of tegenwoor-digen tijd mij hier de natuur en de waarheid zullen te zien geven. En die wilde ik toch zien; anders word ik gevormd tot een' Arkadisch' herder of tot cipier van het tuchthuis; maar niet tot vriend en leidsman der armen.
Ik. quot;Wel kom, Altorf, dat gaat goed. Gij hebt mij daar al vrij wat woorden uitgehaald. En nu, daar de lucht bestendig staat, hopen wij ons gesprek morgen onder den blooten hemel al wandelende te vervolgen, terwijl ik u de tafereelen, die bij mijne lessen en verhalen behooren, in natura vertoon.
âEn zullen de heeren dan nog niet afkomen?quot; riep mijne vrouw, âik ben al van roepen tot schreeuwen overgegaan en zal nu aan het gillen moeten, of anders de huisklok luiden.quot;
âOf zelve komen. Keetje; dat was de kortste weg. Maar 't is niet noodig, wij komen al.quot;
En wij daalden de trap af; want het gesprek was op de studeerkamer gehouden, die bij mij de plaats is voor alle ernstige zaken.
Het was den volgenden dag na den middag, dat wij onze- ontdekkingsreis ondernamen. Wij deden die met opzet buiten het dorp, èn omdat het heerlijk weder ons tot eene wandeling uitlokte, èn omdat het op de dorpsstraat natuurlijk aller aandacht zou getrokken hebben, als wij gedurig uit- en ingingen of, in onze beschouwingen verdiept, bleven stilstaan.
228
AElvIOEDE.
Het oogmerk onzer ontdekkingsreis den dorpelingen uit te leggen, zou al vrij wat moeite in gehad hebben, daar zij zich niet zouden kunnen begrijpen wat er dan toch wel aan armoede te zien is. En hadden zij er iets van begrepen, dan zouden de armen al zeer spoedig van de zaak eene speculatie gemaakt hebben en dus die natuurlijke gedaante hebben verloren, waarin ik ze gaarne aan mijn' vriend wilde laten zien.
Wij hadden de jassen aangetrokken en Cornelia borstelde den mijnen nog wat af. â âHebt gij sigaren bij u?quot; vroeg ik.
âJa, â maar hoe zoo? Gij zijt immers op weg zulk een onverzadelijke rooker niet?quot;
âDat juist niet. Maar hoewel ik beloofd heb u de armoede te laten zien, zoudt gij ze misschien liever niet ruiken. Ook is het opsteken van een' sigaar eene ongezochte boodschap.quot;
âWel bedacht. Maar ik geloof, dat ik nog iets vergeten heb. Zie eens: is mijne beurs wel genoeg voorzien? Want ik zal de les wel moeten betalen, en wil dat ook gaarne doen.quot;
âEn ik zeg u: gij zult de les ditmaal voor niet hebben, geheel voor niet. Het zou zeker recht aangenaam zijn en misschien tot eenige aandoenlijke passages aanleiding geven, als gij hier en daar de wel-voorziene beurs uithaaldet; maar het gerucht zou u op den dijk vooruitloopen en morgen op het dorp vervolgen. Ziedaar juist de reden, waarom de rijken de armen zoo weinig loeren kennen. Zij bezoeken ze om te geven, en de armen wachten hen af om iets te ontvangen. Van daar vleijerij, huichelarij, en wat kunsten al meer de broodwinning van vele armen uitmaken. Bij een bezoek geef ik nooit iets. Dat is een vaste regel, waarvan ik hoogst zeldzaam afga. Ik kan nu juist zien of mijn persoon welkom is.quot;
âGrij kondt wel gelijk hebben. Waarschuw mij dan
224
ARMOEDE.
maar, als het tijd is, en anders zal ik het naderhand doen.quot;
En zoo namen wij de wandeling aan. Ik had daartoe voor de eerste maal weder den Hokkendam uitgekozen, waarvan Arij Ploegstaart de ster van de eerste grootte, de prins en edele was. Hier was armoede genoeg en in rijke verscheidenheid, en bij huisbezoek en andere gelegenheden had ik er de menschen genoeg leeren kennen, om, desnoods met behulp van mijn aanteekeningboekje, er een ander den weg te wijzen.
De zonnestralen hadden dien dag door eene nevelachtige lucht moeten dringen, die eerst door de maan ophelderde. De wegen waren dus hard gebleven, en dit begunstigde onze wandeling. Onze weg, den lezer nu reeds bekend, leidde ons regelrecht naar den dijk, dien wij wilden bezoeken. Het was letterlijk een iveg, meer niet: dat is eene smalle strook lands, overal even breed, tusschen even breede sloten; geen enkele kromming, geen enkele boom, nauwelijks ééne eenzame woning. Die er de eerste schreden op zet en daarbij het vergezicht in oogenschouw neemt, kan, inzonderheid in den winter, als er geene verscheidenheid van gewassen te zien is, gerust een kwartier uurs wachten met voor de tweede maal de oogen op te slaan.
Gij kunt begrijpen, lezer, dat wij in druk gesprek waren, vooral over het oogmerk onzer reis. Een vriendengesprek evenwel, schoon zelden te lang om te voeren, is het al spoedig om te lezen. Ik wil u daarom alleen de voornaamste denkbeelden mededeelen, die ik mijnen vriend voorstelde.
âVan armoede maken wij ons daardoor licht een verkeerd begrip, omdat wij ze verwarren met gebrek, omdat wij ons voorstellen hoe wij zijn zouden en hoe het ons zou zijn in denzelfden toestand. Maar onze begeerten en behoeften, onze deugden zelfs en onze verstands-ontwikkeling zouden den arme zeer ongelegen komen. Zij zouden hem evenmin passen in zijnen staat, als mijn zwarte rok zon
225
15
ARMOEDE.
voegen op den dorschvloer, of de stoffen schoenen van mijne Cornelia aan eene boerenmeid, die gaat melken.
âDaarom is dan ook de armoede op zich zelve zulk een groot ongeluk niet voor den arme; maar wel het gebrek. Gebrek is in iederen stand en voor iederen mensch grievend ; want het vooronderstelt behoeften, die niet voldaan, begeerten, die niet bevredigd worden. Gebrek aan een glas wijn of een stuk vleesch is even onaangenaam voor hoogere standen, als gebrek aan koffie, snuif en tabak voor den arme. Vandaar, dat verarmden ongelukkiger zijn dan armen. Die man met den kalen zwarten rok, de gelapte broek, het versleten vest, de gepluisde das, den glimmend rooden hoed en de lekke schoenen, is ongelukkiger dan hij, die op klompen gaat en grove kleederen draagt: want elk stuk van zijn gewaad is eene herinnering van betere tijden; elke blik op jongere broeders van zijne afgedragen kleederen is een mach-telooze wensch naar ruimer dagen. Men vindt de verarming ook hier, en ik zal er u treurige voorbeelden van laten zien; en toch is de stap van boer tot arbeider gemakkelijker dan die van heer tot knecht. Gij kunt dus van zulke ellende meer in de steden zien: daar is het de armoede der kunst, hier hebben wij grootendeels alleen die der natuur.
âDe natuurlijke arme, â de arme van geboorte en werkkring, â is dus doorgaans redelijk gelukkig in zijnen stand. Niet, dat hij zelf dien stand een geluk vindt; hij zou u vreemd aanzien als gij hem dat wildet bewijzen. Neen, hij voegt er zich in, hij schikt zich er naar, hij weet niet beter of het hoort zoo. Hij heeft wel veeleer gebrek en honger te vreezen dan wij; maar die vrees kwelt hem minder; eene zekere gelukkige, schoon wel eens gevaarlijke onbezorgdheid, die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen, doet hem weinig denken aan den dag van morgen. Hij werkt en heeft wat hem noodig is. Zoolang is het hem wèl. En komt er gebrek, dan klaagt hij terstond luide. Waartoe zou hij ook zijne klachten inhouden? Hij heeft
226
ARMOEDE.
, fatsoen noch crediet op te houden, en klagen geeft lucht. Dat voorrecht heeft hij boven ons. Maar jammerlijk is zijn lot bij broodsgebrek en koude, als hij niet alleen kleine gemakken en versnaperingen moet missen; maar de strenge winter en de algemeene nood hem en zijne kinderen vermagert. Dan gevoelen wij eerst onze voorrechten en hij zijne armoede. En toch schijnt het gebrek van den aanzienlijke, daar het zijne eer aantast, ondragelijker dan het broodsgebrek van den arme. Jaarlijks slaan vele grooten de hand aan hun leven, omdat hunne zaken verachteren; maar van vele duizenden, die telken winter honger lijden, heb ik nooit gehoord, dat iemand zijn droevig aanzijn verkortte. Misschien is geene smart ondragelijk, zoolang men die kan en durft uiten; en dat kan en durft de eergierige aanzienlijke niet.
âEn wat nu denkwijze en zeden der armen betreft, misschien zijn zij evenmin slechter als beter dan wij; maar alles heeft bij hen een' ruweren, meer zinnelijken vorm. Zoodanig eene denkwijze, die wij groot en edel noemen, vinden wij bij hen zelden. Zij begrijpen die zelfs niet; ze komt hun even dwaas en buitensporig voor als ons het sentimenteele en dolle, dat toch ook dikwijls van een goed beginsel uitgaat. Hun godsdienst is insgelijks ruw gevormd; hun geloof is vast, maar niet zuiver; zij zullen het dikwijls vergeten, maar niet licht verlaten. De arme is maar half protestant. Hij heeft tijd noch lust, noch kunde, om vrij te onderzoeken, en kan zich boven partijdige vooroor-deelen niet verheffen. In den godsdienst bestuurt hem dus zijn natuurlijk gevoel, de stem van zijn geweten, de overgeleverde denkbeelden der vaderen, die gij gedurig onveranderd uit zijnen mond hoort herhalen, en daarbij min of neer het vertrouwen in uwe meerdere kunde en uw doorzicht, schoon dit laatste niet bij hem opweegt tegen het gezag der aloude overlevering.
âIn zijne levenswijze blijft de arme m a-
227
ABMOEDE.
tuurstaat, niet zooals de verbeelding dien bedenkt; maar zooals wij hem in kinderen, zoowel als bij wilde volken opmerken. Zijne hartstochten zijn sterken zelfbeheersching is hem vreemd. Hij bemint het schaterend gelach en de uitzinnige vreugde. Hij noemt zich zeiven in de eerste plaats, en roemt zijne eigene bekwaamheden en deugden; valsche nederigheid is hem dus eene vreemde kunst. De deugd, welke men het minst bij hem vindt, is waarheidsliefde. Gelijk alle wilde volken bedriegelijk zijn, zoo is het nog de arme. De zelfopoffering, welke de waarheid eischt, is hem te groot; de vereeniging van duiven-oprechtheid en slangenlist is hem te verheven. Evenwel liegt en bedriegt hij niet uit vermaak, alleen uit belang. Zijt gij dus rijk, hij zal u zegenen; maar tegelijk met het eenvoudigst gelaat en de grootste geslepenheid u bij den neus nemen. Zijt gij baas, heer of meester, hij begint een' geheimen oorlog tegen u, een' tirailleurs-veldtocht van allerlei kleine listen, evenals de schooljongen dien voert tegen zijnen meester.quot;
Nog was ik druk sprekende en mijn vriend beoefende het âhooren, zien en zioijgenquot;, terwijl hij tusschenbeide slechts een paar vragen in het midden wierp, evenals men het vuur met pook of tang wat oprakelt, of er een enkel droog hout op werpt, wanneer het begint te verflauwen; â en eer wij het gedacht hadden, stonden wij reeds aan de helling van den breeden dijk, die aan beide kanten door drie rijen statige ijpen of gekromde esschen omboord werd.
In den hoek, die door den weg en den dijk werd gevormd , lag eene hut. Om die te bereiken, moest men het waagstuk ondernemen van, met behulp eener smalle, door slijk en modder glad gesmeerde plank, de sloot over te steken; dan lag er een klein paadje van gedroogd aardappelloof over den modderigen grond en leidde naar de huisdeur. Gelukkig had de vorst een en ander meer begaanbaar gemaakt, zoodat wij met een weinig glijden en vasthouden kwamen waar wij wezen wilden. De onderdeur was op de
228
ARMOEDE.
klink, de bovendeur hing treurig aan één hengsel; eenige klompjes onder het afdak versperden, meer dan de deur zelve, den ingang.
Hoezeer mijn vriend met een edel vuur bezield was, om de armoede te leeren kennen, deinsde hij een weinig terug, toen hij een half dozijn morsige kinderen door het donkere vertrek zag kruipen of loopen, naar ieders vermogen. Het jongste zat in de wieg en schreeuwde uit al zijne macht, terwijl de moeder, op de hurken voor het vuur zittende om den pot te koken, het niet eens scheen te bemerken. Van de andere kinderen vochten er twee om de tang, terwijl een derde op den aarden vloer deed, hetgeen beter elders gedaan ware.
Zoodra de moeder geritsel hoorde achter zich, stond zij op, veegde het kind, dat schreeuwde, met eenige lappen van een' voormaligen doek het beschreide en bemorste gezicht af, ontrukte de tang aan de twistende kleinen om er het andere meê te kastijden, dat van schaamte en vrees achter een' hoop stroo wegkroop, en zoo voorbereid, zocht zij naar een' stoel, nog goed genoeg om aan Dominee aan te bieden.
âDoe zooveel moeite niet, vrouw Van der Zand! We zullen niet gaan zitten. Ik zal maar eens even een sigaartje aansteken.quot;
Algemeene stilte. Alleen gemompel onder de kinderen, die nog een' stillen duw of kneep noodig hebben om in toom te worden gehouden.
Ondertusschen had mijn vriend, onder het aansteken van zij n' sigaar, eene goede gelegenheid om de vrouw nader op te nemen. De zwarte ondermuts, die eigenlijk alle haren bedekken moest, zat scheef genoeg om eenige gitzwarte lokken te laten zien, en het gezicht, door rook en roet bevlekt, en in een' onvergenoegden, moedeloozen plooi getrokken, gaf toch nog te kennen, dat het eer schoon dan leelijk was. Kleuren van jak en rok waren moeielijk
229
ARMOEDE.
meer te onderscheiden; ook schenen zij, zoowel als de halsdoek en kousen, gedurig hunne eigenlijke plaats te willen verlaten. Het was, zoo dacht ons, uietnoodig, dat deze vrouw zich uitkleedde, daar zij de kleederen letterlijk zou kunnen afschudden. Of het nu geschiedde om dat alles bijeen te houden, of uit koude, of uit lusteloosheid, tenminste de leden hingen even slap en in-een-gedoken. Was het wonder, dat mijn vriend een weinig afkeer overwinnen moest om haar toe te spreken?
âGij woont hier al heel lief, vrouwtje!quot; begon hij, om toch iets te zeggen, âaan zulk een' fraaien dijk.quot;
âJa, fraai ook!! Altijd zitten wij in slijk en slobber; en daai'bij zijn de verdiensten zoo bedroefd slecht aan den dijk. Ik wilde maar, dat Jan op het dorp terecht kon; maar hij dient wel bij zijn' boer te blijven.quot;
Mijn vriend zweeg. Ik nam het gesprek voor hem op.
âEn hoe gaat het in de kooi, vrouw Van der Zand? Ik hoor toch, dat er nog al veel te zwingelen is dezen winter en dat Ploegstaart kostelijk vlas heeft.quot;
âNu ja. Ploegstaart zal er wèl genoeg bij staan. Maar wat is een stuiver of acht op een' dag voor een' arm' mensch, die een huishouden met kinderen heeft? â Wacht eens, ik zal bij je komen. Aai! â Miet, als je je bek niet
houdt!____ Het is wat te zeggen. Dominee, met zulke
stoute kinderen!!quot;
Doch daar wij door het kinderrumoer ons nauwelijks konden doen verstaan en ik buitendien het verdere gesprek zoowat vooruit kon berekenen, namen wij de reis weder aan; maar niet voordat vrouw Van der Zand nog eens van deze gunstige gelegenheid had gebruik gemaakt om eene ruimere bedeeling in geld te verzoeken. âHet brood was wel kostelijk; maar men kon er toch geen zout en zeep voor koopen.quot; Nu, het zout daargelaten, van zeep hadden wij ook geen spoor in hare woning gezien.
âArmoede in den winter en met zulk een groot huis-
230
ARMOEDE.
gezin,quot; sprak mijn vriend getroffen, toen wij zonder ongelukken den dijk bereikt hadden, âis toch recht akelig.quot;
âDat is zoo, en toch boezemt mij het lot dezer vrouw-veel minder medelijden in dan u. De gewoonte doet er zeker iets toe; maar nog meer de nauwkeurige kennis van het huisgezin.quot;
âMaar als ze toch niet meer dan acht stuivers daags verdienen, hoe is het bijna mogelijk, dat zij in het leven blijven?quot;
âZiet gij? Hier zou de arme u reeds te slim zijn. Zij zeide eene waarheid; maar verzweeg er meer dan ééne. De man verdient acht stuivers; maar twee kinderen verdienen ook al iets; zij hebben nog eene koe, waarvan zij het voordeel trekken, en ik weet zeker, dat hare familie hen vrij in dit huisje laat wonen en nog wel meer doet. Daarenboven hebben zij hunnen wintervoorraad aardappelen, en verleden zomer zijn er weken geweest, waarin zij twaalf gulden met hun gezin verdienden, en â toen zag het er even vuil en ellendig uit als nu!
âDeze vrouw, mijn vriend, is een dier treurige voorbeelden, minder van armoede, dan van verarming, en wel van verarming door eigen schuld. Hare ouders waren welgestelde boerenlieden in deze gemeente en hebben âmooi Maaikequot;, zooals ze placht genoemd te worden, een aardig sommetje nagelaten. Maar van kinds af was zij eene pronkster en snoepster en heeft zich opgeschikt, vermaak nagejaagd en gekonkeld, tot eindelijk, bij de schielijke ver-â meerdering van haar huisgezin, geld en moed beide haar hebben verlaten en zij eeue knorrige slons geworden is. En komen er nu nog in den zomer goede dagen, â want beiden, man en vrouw, zijn knappe arbeiders, â dan worden die dagen ruim en kwistig genoten, de kinderen verwaarloosd, schulden nooit betaald, en in alles wordt er geleefd, alsof er nooit een winter kwam; en als Arij Ploegstaart bij het aardappeldelven het geld voor den
â 231
ARMOEDE.
wintervoorraad niet ongevraagd inhield, dan stierven de arme kinderen van den honger.quot;
âWaarlijk, dat is wel ellende van alle kanten! En kinderen, die zoo als heidenen opgroeien, tot christenen te vormen, is voor u eene zware taak.quot;
âDat is het zeker, en het medelijden met hunne opvoeding moet mij daarbij geduld en volharding schenken, ook al is ondank wel eens het loon. Maar ziedaar een ander huisje, dat er beter uitziet. Willen wij daar niet eens ingaan?quot;
âIk volg u maar: gij zijt van daag mijn leidsman.quot;
Wij traden eene hut aan de helling van den dijk binnen. Reeds het eerste inkomen was anders. De kleine klompjes, die ook hier stonden, waren geregeld op zijde geschoven; eene spa, die als zilver blonk, stond met eenig ander gereedschap tegen den binnenwand van het schuurtje, waardoor men naar de huiskamer ging, en in het varkenskot, in den hoek der keet, was het zindelijker dan bij vrouw Van der Zand in huis; het beest, hoe de algemeene minachting het ook tot een zinnebeeld der onreinheid vernedert, scheen zelf genoegen er in te vinden om zijne helder afgeschrobde borstels tegen den verschen bos stroo te schuren. Daarbinnen. stond ook eene wieg en zaten ook twee kleine kinderen op den grond; maar de moeder, in plaats van werkeloos bij de vuurplaat neêr te hurken, was ijverig bezig met den grond te dwijlen.
âWel, Dominee!quot; was het antwoord op onzen groet, âwat spijt het mij, dat gij in zoo'n vuilen boel komt. Ik wilde juist nog even den vloer opdoen, eer de jongens uit school komen. Ja, Dommee, er is wat te doen aan al die kleinen!
âZe zijn een zegen des Heeren, zegt het spreekwoord;
âMaar ze houden de noppen van de kleêren.
âRijke lui, zooals mijnheer, kunnen zich dat zoo niet verbeelden; maar kinderen maken altijd een leège beurs en een' overhoopten boèl.quot;
232
ARMOEDE.
âWees maar gerust, vrouw Ringers! Sedert ik zelf een kleine heb, is de boèl bij mij ook wel eens overhoop. En dat is er nu nog maar één: â gij hebt er zes, niet?quot;
âJa, en ik kon er al negen bij elkander hebben, als onze Lieve Heer ze niet gehaald had. Nu, 't is toch genoeg, en ik heb al lang verlangd, dat het er maar bij bleef; maar een mensch moet zijn getal hebben; 't is niet anders.
âEn hoeveel verdient Ringers tegenwoordig?quot;
âJa, een bedroefd beetje; acht of tien stuivers op een' dag; het kost waarlijk kracht om zoodoende van kerk en armen of te blijven. En wij zijn wel menschen, die maai midden in de'wereld leven; maar we willen toch gaarne met God en met eere aan ons brood komen.quot;
Juist hadden wij een' stoel genomen en waren gaan zitten; maar ongelukkig had Altorf zijn'stoel in de nabijheid van op één na 't kleinste kind gezet, zoodat dit gedurig het hoofd afwendde, dan weder schichtig omzag naar den vreemden heer en het eindelijk op een luid gillen zette.
âKom, jou lompe jongen! ben je weèr zoo éénkennig? 'k Moet je nog ééns hooren!!quot;
Deze forsche vermaning werd afgebroken door het binnenkomen van twee knaapjes. De jongste liep vooruit, zonder iemand te zien, en riep: âmeester heeft mij een nieuw boek gegeven, moeder!quot; En meer dan gelukkig hield het kind het nieuwe boek, het teeken van verhooging op de school,
als een eereprijs in de hoogte...... âJa, die nieuwe boeken,
daar rinueert de meester een' arbeiders-mensch meê. 't Zal weêr een vijfje wezen. Hier!quot; â en zij rukte het kind het zegeteeken uit de hand, â âgeef maar op, anders is het in éénen dag verknoeid. Maar wat? je klompen aan? Scheer je naar buiten. En jij, Arij, zie je niet wie er zit?quot;
In één oogenblik kreeg de kleine een' stomp in den rug en den groote werd de pet afgenomen en in de hand gegeven. De een huilde, de ander beefde.
Nu kon mijn vriend zijne welwillendheid niet langer
233
ARMOEDE.
bedwingen. Hij haalde de beurs uit en gaf het eene knaapje iets voor zijne vlijt en het andere voor zijne gedwongen vriendelijkheid, en voor de kleineren moesten er nu toch ook koekjes worden gehaald. Hij genoot met de kinderen. De moeder veegde ze nu het betraande gezicht af. Ik glimlachte met een innig genoegen, juist omdat de menschlie-vendheid mijn' vriend zijne belofte deed vergeten, 't Zijn de zaligste, al zijn't dan ook niet de wijsteoogenblikken, waarop het gevoel de redeneering overwint.
âZalig, gij rijken!quot; zeide ik bij het uitgaan, âdie overal zegen verspreiden kunt, als weldoende engelen Gods. En toch zijn zoovele rijken ongelukkig, omdat zij 'tware geluk niet kennen. Altorf, gij hebt mijn gebod overtreden, maar mij toch genoegen gedaan. Om u nog meer in zulk eene gelegenheid te stellen, wil ik u vóór uw vertrek ook eens brengen, waar brood noodig is. Maar nu van onze ontdekkingsreis. Ik heb u een goede arme laten zien; â eene brave, eerlijke en knappe huismoeder, ja, ik geloof te kunnen zeggen: eene godvruchtige vrouw, schoon zij zelve zegt, dat zij midden in de wereld leeft, omdat zij niet tot de erkende vromen behoort; ik heb u eene goede arme laten zien, en gij hebt u geërgerd. â Ja, zie mij maar zoo niet aan alsof gij mij wildet tegenspreken, 't Is toch zoo. Uw gemoed, teederder gestemd dan dat dezer vrouw, was met het kind bewogen, en om u over de moeder te wreken, hebt gij den kleine welgedaan. Gelukkig, dat zij, juist omdat zij voor de verrukking van het knaapje geen gevoel had, uwe ergernis ook niet bemerken kon.quot;
Mijn vriend kwam er voor uit, dat ik gelijk had. Wij vervolgden onze wandeling en namen, na nog een en ander soortgelijk bezoek, bij het vriendelijk maanlicht onze terugreis aan.
234
XVI.
DE BEGRAFENIS.
I.
De lezer, die mij tot nu toe zoo welwillend vergezeld heeft, wordt verzocht om nog eens met mij terug te keeren tot den eersten tijd van mijn verblijf op Mastland.
Bijna twee maanden had ik in de pastorij doorgebracht en nog was iedere week, ja bijna elke dag voor ons rijk aan nieuwe ontdekkingen en ontmoetingen. Zoodra men de wereld met het mikroskoop der christelijke liefde beschouwt, wordt ook het kleine groot; zooals omgekeerd het grootste klein wordt, wanneer men die met den spoorwagen der verveling doorrijdt.
Zoo zaten wij dan op een' warmen zomermorgen te ontbijten, toen wij meester Baljon, met nog een weinig meer staatsie dan gewoonlijk, voorbij de pastorij, het dorp uit zagen wandelen. Dit verwonderde ons, daar het schooltijd was; maar nog hooger klom mijne verbazing, toen wij hem aan het hekje zagen aanbellen en zijne boodschap afgeven, zonder vóór ons venster den hoed af te nemen. En als nu daarop een frisch morgenwindje door het zomergroen speelde, wapperde van dien hoed af een zwarte wimpel, wel een Nederlandsche el lang.
De meid kwam binnen. Mijne goede Cornelia had een weinig gedweept met het denkbeeld om een eenvoudig dorpsmeisje te huren. Aan eenvoudigheid ontbrak het dan ook
DE BEGRAFENIS.
onze Geert niet; ongelukkig hebben wij naderhand ontdekt, dat het eene andere soort van eenvoudigheid was dan die wij bedoeld hadden, en dat leugen en bedrog zich daar zeer goed mede konden vereenigen. Wij dwazen! Wij zochten de eenvoudigheid der onschuld, en vonden â die der domheid.
âDenDominee is gebid.quot; âMet deze vier woorden kwam de plechtstatige boodschap van Herman Baljon tot ons. â Wij, fatsoenlijken en beschaafden, vinden er altijd iets vernederends in om van onze minderen te leeren, en daardoor leeren wij zoo weinig. Ook nu trokken mijne ega en ik, gelijk men bij zulke gelegenheden doet, een zeker geheimzinnig gezicht, dat eigenlijk zeggen wilde; âik begrijp daar niets van, maar wilden toch liefst van eene domme meid niet onderricht wezen.quot; In deze pijnlijke positie brak mijne Cornelia, door eene zekere natuurlijke gevatheid, die der vrouw eigen is, het eerst den dam door, met te zeggen: âhoor eens. Geert! Gij moet altijd de boodschappen overbrengen, zooals zij u gedaan worden. Zóó zal de meester het toch wel niet gezegd hebben.quot;
âIk ben ook geen meester, juffrouw!quot; was het naïve, maar wat al te vrijpostige antwoord.
âMaar wat, en waar, en hoe is de Dominee dan ge....quot;
âGebid? Wel, bij Lidewey; er is anders geen doode. Overmorgen ochtend, tien uren, wordt ze begraven.quot;
Nu was het raadsel opgelost. De meester, in zijne betrekking van aanspreker of bidder, bracht deze uitnoodiging. Den vorigen dag had hij op het dorp de aanzegging gedaan ; maar daar wij twee dagen aan-een waren uit geweest, was de tijding van Lidewey's dood, zooals wel eens met meer boodschappen het geval was, niet tot ons gekomen. Nu ging hij dezelfde tijding buitenaf rondzeggen, en nam die gelegenheid waar om de vrienden te hidden. Natuurlijk nam ik de uitnoodiging aan en zag kort daarop onzen goedên Baljon zijnen weg vervolgen.
236
DE BEGRAFENIS.
Er zijn zaken, die ons op het ééne oogenblik in eene spotachtige, op het andere in eene hoog ernstige gemoedsstemming brengen, al naar den eersten greep, waarmede wij ze aanvatten. Had ik een jaar vroeger, nog student zonderzorgen , op, deze zelfde pastorij gelogeerd en die vreemde boodschap gehoord en dien statigen wandelaar gezien, wien de vlag des doods achteraan woei, â zonder slechter of lichtzinniger te zijn dan ik thans was, zou ik in een' schaterenden lach zijn uitgebarsten. Nu zag ik zwijgend de meid vertrekken en den meester zijne reis vervolgen en staarde zoolang op den weg, tot mijne oogen vochtig werden. En toen mijne goede vrouw mij vroeg: âwat scheelt er aan, Willem?quot; was mijn antwoord: âniets, alleen heb ik nog nooit een' mensch mede begraven.quot; âEn, gelijk ik gewoonlijk doe, wanneer ik één denkbeeld wil vasthouden en doordenken, ik begaf mij in mijne eenzaamheid naar buiten , omdat nergens onze gedachten vrijer, ongedwongener en zachter voortgaan, dan in de vrije natuur.
Ik had nog nooit een' mensch mede hegraven; â wat meer is: ik had nog nooit een lijk gezien; â en toch was ik drie en twintig jaren oud geworden! â Bijzondere verliezen in mijne naaste betrekkingen had de Voorzienigheid mij bespaard en in andere sterfhuizen had men mij niet genood of gebracht. Verjaardagen, bruiloften, kermissen, schouwspelen had ik bezocht , omdat een jongmensch toch de wereld moet leeren kennen; maar het einde der wereld, den dood, had men zeker te akelig voor mij gevonden; hij komt immers toch vroeg genoeg ? Doch van nu af aan, â ook in dit opzicht was ik een nieuw tijdvak van mijn leven ingetreden, â van nu af aan zou ik in den droeven gang mededoen, dien men eenmaal voor mij doen zal! Daar verre ging nog de bode des doods, met zijn'zwarten wimpel , en in de steden gaan, met opgeheven borst en korte, deftige treden, de aansprekers rond, en bij de begrafenis der vorsten roept het de wapenheraut uit; maar het
237
DE BEGRAFENIS.
is alles dezelfde tijding; âDe mensch gaat naar zijn eeuwig huis!quot;
En wie was nu die vrouw, de eerste, die ik mede ten grave zou brengen? Onze meid had haar alleen bij den voornaam genoemd, wat aan deze streken eigen schijnt te zijn: Lidewey. Zij was eene gehuwde vrouw: daarom had de meester den witten strik van zijnen hoed weggelaten. Een weduwnaar met vier jonge kinderen weenden bij haar lijk. Het was de eerste zieke geweest, die ik bezocht had: een der talrijke offers, die de vreeselijke tering in ons vaderland, en niet het minst in onze streken, wegsleept. Maar èn der kranke, èn den krankbezoeker was het daarbij nog wat vreemd geweest. Alleen had hij bij haar een' grooten angst voor den dood opgemerkt, of eene groote gehechtheid aan het leven: dit was, zooals dikwijls het geval is, moeie-lijk te onderscheiden. Waarschijnlijk was het in den grond slechts eene teedere betrekking op echtgenoot en kinderen, waarvan het ook zoo hard valt te scheiden. De opgewektheid , aan deze ziekte eigen, had daarbij haar, zoowel als mij, bedrogen, en nu ik juist meende, na bekomene inlichting van mijn' ouden chirurgijn , dat het tijd werd om haar op het sterven voor te bereiden, nu ontving ik de tijding van haren dood. Dit gaf mij een onaangenaam, pijnlijk gevoel, een zeker zelfverwijt, of ik ook te bevreesd was geweest om het gordijn weg te rukken, dat den dood bedekt, en te zeggen: âdaar staat hij: zijt gij bereid?quot;
Ik werd, al wandelende, uit den maalstroom mijner onaangename overpeinzingen gewekt door de gedachte, dat ik niet als toeschouwer of vriend was gebid, maar alsleeraar; dat het dus niet genoeg was, wanneer ik zelf in eene ootmoedige, ernstige stemming de bare volgde en de kist in de groeve zag nederdalen; neen! men wachtte zeker ook van mij, dat ik de gedachten en aandoeningen der aanwezigen leiden, dat ik troosten en stichten zou. Maar de bijzondere landsgebruiken hieromtrent waren mij geheel
238
DE BEGRAFENIS.
vreemd. Ik begreep dus, dat ik nergens beter zou kunnen worden ingelicht dan bij mijn' ouden vriend, die de overledene in hare laatste ziekte behandeld en mij reeds door zoo menige inlichting aan zich verplicht had.
Ik wendde dan mijne schreden weder naar het dorp en stond weldra voor het bekende huis. Toen rammelde ik een weinig aan de klink, die hier nog den post van een bel vervulde, werd door de oude, trouwe dienstmaagd binnen gelaten en vond onzen braven, grijzen chirurgijn in zijne tuinkamer.
âZoo, Dominee!quot; klonk zijn welkomstgroet, âdaar doet gij wèl aan, dat gij den ouden man nog eens komt opzoeken.quot;
âEn gelooft gij dan nietquot;, was mijn antwoord, âdat de meeste bezoeken uit eigenbelang worden gedaan?quot;
âGoede vriend! ik heb altijd iedere zaak van de beste zijde beschouwd en ben er vreedzaam ongelukkig oud bij geworden. Maar spreek op! Wat hebt gij noodig uit mijne apotheek?quot;
âDaaruit niets; maar veel uit den schat van uwe ondervinding. Ik ben op de begrafenis van vrouw Horst gevraagd en nu wilde ik gaarne weten wat men hier op eene begrafenis van den leeraar wacht. Niemand is beter dan gij in staat om mij dit te zeggen.quot;
â't Is waar, mijn vriend! ik heb reeds meer patiënten naar het graf gebracht dan de dood er mij heeft overgelaten. Mijn post is daarbij lijdelijk, beschamend eenigszins. Ik moet er stilzwijgend getuige zijn van de overwinning mijns vijands, en toch doe ik het niet ongaarne; want zie! iedere lijder wordt voor mij, éénigen ouden man, een kind, dat ik als eene moeder verzorg; en heb ik het niet bij mij kunnen houden, ik heb het tenminste gelaafd en verkwikt, tot de groote Geneesmeester Zijne hand op de oogen van den kranke legde en daarmede aan alle aardsche lijden een einde maakte. Zoo geef ik dan mijn werk over bij de begrafenis, maar gij niet; want uwe taak reik1- v--Inn
239
DE BEGRAFENIS.
de mijne, en kunt gij den doode al niet meer van nut zijn, tegen den dood hebt gij kruiden, die buiten mijn herbarium liggen.quot;
âIk begrijp niet recht waar gij heen wilt, oude vriend; misschien hebt gij mijne vraag......quot;
âo Ja, ik heb uwe vraag best verstaan; maar alleen een omweg tot het antwoord willen maken. Ziet gij ? De oude man gaat haast naar huis: daarom spreekt hij er gaarne en misschien wat omslachtig over.quot;
Ik schaamde mij. Ik had op dat oogenblik, in mijn pastoraal ongeduld, alleen aan de formaliteiten van den dood gedacht; de oude man dacht aan den dood zeiven.
âIk heb dit maar willen zeggenquot;, vervolgde hij, âmen roept mij als vriend, maar u roept men, door een zeker gevoel gedreven, dat er godsdienst bij het graf wezen moet. Gij weet het beter dan ik hoe de godsdienst hare rechten bij de begrafenis handhaaft onder alle volken, die eenig denkbeeld van onsterfelijkheid hebben, met andere woorden: die maar eenigszins menschen zijn. Daarom heeft het mij altijd gespeten, dat onze Hervormde kerk hierbij alle ceremonieel heeft afgeschaft. Eens was ik bij de begrafenis van een' Roomschgezinde tegenwoordig. Een oud en waardig pastoor stond er in ambtsgewaad en wees van verre op de algemeene begraafplaats. âDaar,quot; zeide hij, âzijn boomen en wandelwegen, hier staat een kruis. Daar zwijgt men, en hier bidt men voor de dooden. Onze godsdienst alleen troost over dood en graf!quot; â Zie, Dominee, ik hoop als een evangelisch christen te leven en te sterven; ik verlang ook niet, dat er voor mij gebeden wordt na mijnen dood; â mocht ik maar biddende sterven! â maar die vergelijking trof mij toch, en ik kon mij zoo voorstellen hoe naakt en koud en heidensch onze begrafenissen dien man en zijne geloovigen moesten toeschijnen. Ik heb wel eens gedacht of men hierin, zooals in meer zaken, niet te ver gegaan is, uit afkeer van het Roomsche bijgeloof. Ja! eens, toen eene
240
DE BEGRAFENIS.
voorname familie zich in de zaal, waar een geliefde vader of grootvader boven aarde stond, eenigen tijd in stilte afdonderde, hoorde ik iemand, die hoogen roem op verlichting droeg, zeggen, dat dit eene âpaapsche aperijquot; was. Wat dunkt u daarvan. Dominee?quot;
âIndedaad, ik wil het u wel gulhartig bekennen, dat ik daarover nooit zoo heb doorgedacht; waarschijnlijk omdat ik nog nooit eene begrafenis heb bijgewoond. Zeker zou, bij voorbeeld, het voorlezen van bijbelplaatsen en gebeden aan het sterfhuis, of het zingen van een eenvoudig, treffend lied, daar of op den weg naar het graf, eene zekere godsdienstige wijding aan die laatste plechtigheid geven. Maar, â ik wil nu eens mijne onkunde belijden, â bestaat er dan volstrekt niets van dien aard, al is het niet in onze wetten, dan in onze volksgebruiken? Gij zeidet toch daareven, dat men mij bij de begrafenis roept, als vertegenwoordiger van den godsdienst. Dan wil men toch iets van mij. Of is het alleen de steek, dien men verlangt?quot;
âNeen, mijn vriend! men verlangt meer; maar zonder zelf helder door te zien wat men verlangt. Ieder gevoelt, dat hier toch wel een godsdienstig woord mocht gesproken worden, en bijna niemand heeft den moed om het te doen. En doet het de een of ander, dan geeft dit licht eene stille ergernis, daar men vooronderstelt, (en niet altijd te onrecht!) dat er een zekere geestelijke trots onderloopt. Maar omdat er toch behoefte is aan iets godsdienstigs, zoekt men het een of ander, waar dit best bij te pas komt. Op sommige plaatsen, in Noord-Holland bij voorbeeld, leest de meester aan het sterfhuis uit den bijbel. Elders spreekt de leeraar bij het graf en ik wenschte wel, dat men dit overal kon en wilde doen en onze kerkhoven er dan ook toe waren ingericht: niet zoo open en koud of anders met een beweegbaar schut, dat men om de graven zette, of met eene kleine kapel. Te voren maakte men, uit hetzelfde beginsel, van de kerk eene begraafplaats; nu wilde ik van de begraafplaats
241
16
DE BEGRAFENIS.
eene kerk maken. Daar kan men immers zoo goed op den hemelwijzen, dat toch, dunkt mij, altijd de hoofdzaak is van den christen-leeraar: er is geen ander gewelf in den weg.quot;
âMaar is het dan hier geen gebruik om een woord bij het graf te spreken?quot;
âTot nog toe niet. Zeker vonden de Hervormden, die deze streken geheel hebben ingenomen, dat te Roorasch; 1) en toch sprak het hart boven de leer uit. Zoo weet ik eene plaats, waar het zonderlinge gebruik heerscht, dat de predikant uit naam der familie de dragers bedankt, alleen om hem daardoor in de gelegenheid te stellen om aan het sterfhuis eene soort van lijkrede te houden. In deze omstreken is het gebruik niet minder zonderling. Sedert de oude begrafenismalen zijn in onbruik geraakt, omdat de wereld daar stormenderhand innam wat de godsdienst had losgelaten, heet het geen hegraven meer, maar bijzetten. Daarbij wordt dan aan het sterfhuis enkel brood en vleesch gebruikt. Het gebed bij dit eenvoudig maal is door het godsdienstig instinkt des volks, als het heilig deel, voor den hemel afgezonderd. Dit gebed moet luide, lang en hoog ernstig wezen; en dit is het, wat men van u vraagt; â tenminste bij Horst zal wel geen Uüder wezen; anders had men u niet genood.quot;
âEen bidder?quot; vroeg ik verwonderd; âbidder of aanspreker is immers de meester?quot;
242
âO! gij vat de dingen weder op zijn Rotterdamsch of Amsterdamsch op en kent ons woordenboek nog niet. Een bidder wordt hier genoemd hij, die het bedoelde gebed doet; want een gebed moet er wezen, al is er geen leeraar. Yoor
1
Hot spreken liij het graf was in het begin der zeventiende eeuw, onder anderen in Drente, volstrekt verboden en werd genoemd een der miperstitieuse ahusen, waartegen Drost en Gedeputeerde Staten ernstig waakten en waarover de provinciale synode haar' banvloek uitsprak, dreigende met sensure, wie zoo iets durfde doen. â Zie C. van Schaick, Tafercelen uit het Drent sell dorpa-leven, D. II. bl. 32.
DE BEGRAFENIS.
dat geval gebruikt men hier twee menschen, die voor het goede zijn en de gave des gebeds hebben, zegt men. Daar zij behoeftig zijn, worden zij er voor betaald. Ja, ik heb eens eene vergissing bijgewoond, waarbij tegelijk mijne lippen zich tot een' lach samentrokken en aan mijn oog een traan ontsprong. Een van onze twee bidders was bij Arij Ploegstaart aan den Hokkendam gevraagd. Nu was er ook de predikant van het naburige Melishoek; want onze oude man werd te gebrekkig. De bidder was er alleen ten overvloede genood, of de vreemde leeraar soms bedanken mocht. Toen nu het brood en vleesch was opgezet vroeg Arij: âals wij nu een goed woord spreken mochten ?quot; En de predikant begon te bidden. Maar op eens werd zijne aanspraak aan het Opperwezen afgebroken door eene stem van de andere zijde der tafel: âals de Dominee't mij niet kwalijk neemt: ik ben er om gekomen.quot; En de man zette reeds in, met een' verbazend diepen zucht, waar dan altijd âOch!!!quot; op volgt, toen Ploegstaart hem tot zwijgen bracht , door hem in 't oor te bijten: âje zult er niet bij tekort komen!quot;.... En men bad! âIk bad niet mede. Ik zuchtte alleen, uit het diepste van mijn hart: âo God! wat is de mensch toch, zelfs bij een geopend graf!quot;quot;
âMaar wanneer ik nu eens dadelijk instelde om bij het graf te spreken?quot;
âEr is veel vóór; maar het is niet zonder bezwaar. Ons kerkhof is in den winter te koud en onbeschut. En begint gij het nu zonder het later misschien vol te houden, dan zal men het licht eene bijzondere eer rekenen, juist deze doode aangedaan. Ook moet ik u â dat neemt gij mij immers niet kwalijk? âbij uw spreken aan het graf de voorzichtigheid aanraden. Men zal op uwe woorden letten, of gij de doode ook zalig spreekt. Zooals ik u meen te kennen, zult gij daar geheel gevoel wezen, en een ander staat naast u, met de goudschaal in de hand.quot;
243
DK BEGRAFENIS.
Den geheelen volgenden dag dacht ik na op de woorden van mijn' ouden, menschkundigen medicus. Weder een nieuw gezichtspunt, waaruit ik mijnen stand nog niet had beschouwd; weder eene nieuwe taak, waartoe ik aan de akademie niet was voorbereid en moeielijk kon voorbereid worden; Eoangelie-prediker op de graven! Evenwel, het vreemde van de zaak en de bezwaren van mijn' grijzen vriend deden mij besluiten om vooreerst nog de gewone zeden te volgen. Ik vrees altijd, misschien wel eens te veel, dat ik beginnen zal, wat ik niet volbrengen kan.
Daags vóór de begrafenis begaf ik mij nog naar het sterfhuis. Het was een van die winkeltjes, zooals men ze alleen op de dorpen en in de achterstraten der groote steden vindt. De voortbrengselen van alle werelddeelen waren er, in het kortst mogelijk bestek, opeen gedrongen; zes stokvisschen naast een pond sajet; witte suiker en Keurenburger doosjes; urbanus-pillen en suikermuisjes; thee en baleinen, enz. enz. â Tusschen een mand aardappelen, eene ton krijt en wat borstelwerk leidde een smalle weg naar de achterkamer, nu nog moeielijker te vinden door het sluiten der winkelluiken. Hier gekomen, zag ik een treurig schouwspel. Een meisje van zeven jaren stond bij eene doodkist en riep; âmoeder, moeder!quot; Een knaapje van vijf vroeg snikkende of moe nog niet haast wakker werd. Twee jongere kinderen schreeuwden, omdat niemand naar hen zag of met hen speelde. En een man van dertig jaren zat, voorover gebukt en met het gelaat door de beide handen bedekt, in stilte te weenen. Maar nauwelijks had hij mijnen voetstap gehoord en het betraande oog opgeslagen, of hij gilde het uit;. âDominee! Dominee! o mijn vrouw, mijn vrouw! Wie had dat nog kunnen denken!quot; En toen verzonk hij weder in snikken en jammeren en hoorde niets en zag niets, en ik gevoelde, dat de natuur hare rechten heeft, waarbij een medelijdend zwijgen, een weenen met den weenende de beste troost is. Meer had ik ook niet kunnen
244
DE BKGRAFEXIS.
doen. Ik leed zelf te veel. Stilzwijgend sloeg ik het oog opwaarts en had in het hart om te vragen; âo God! wat hebt Gij hier gedaan!?quot; Maar ik berispte mij zeiven en zeide uit den grond van mijn hart, â en dit was ook mijn eenig troostwoord; âarme man! God heeft het gedaan!quot;
Eindelijk kwam hij van zelf een weinig tot bedaren. Hij verhaalde mij de laatste dagen en uren van zijne zieke, tot in de minste kleinigheden. Dat gaf hem lucht, gelijk ik het later zoo dikwijls heb opgemerkt en daarom gaarne hoor en aanmoedig. Haar lijden was dragelijk geweest , tot het laatst toe. Alleen bejammerde hij het met heete tranen, dat zijne vrouw zoo weinig gedachte aan den dood had gehad; hare moeder was, een jaar vroeger, zoo kostelijk gestorven, met zooveel ruimte de eeuwigheid ingegaan; maar zij was een mensch midden in de ivereld, en hij verweet zich zeiven nog, dat hij haar niet meer gewaarschuwd had; âbereid uw huis!quot;
De man had mij gevoelig getroffen. In zijn zelfverwijt â lag eene harde beschuldiging voor mij. Ik, wiens post het was, had misschien te lang geaarzeld om die huivering aan te zien, die de dood een' zieke aanjaagt; ik meende â en zou juist____ en nu lag zij daar!
Den volgenden morgen was ik reeds tijdig op. Alles, wat men voor de eerste maal doet, maakt ons vroeg wakker. Ik kwam echter eerst aan het sterfhuis, toen de meeste vrienden er reeds waren, allen in het zwart gekleed. De weduwnaar zat in een' hoek van het vertrek op den grond te staren. Zijne twee oudste kinderen hadden elk een van vaders ruwe handen gevat en besproeiden die met hunne tranen, en toch wisten zij nog niet, wat het voor hen zijn zou: eene moeder verloren te hebben!
Eene plechtstatige stilte heerschte in 't vertrek. Was het ware of gedwongen' ernst? Hoe dit zij, het voegde hier wel. Ãéne vrouw slechts, ook in het zwart gekleed, met een' witten halsdoek om en een zwart kapje over de
DE BEGRAFENIS.
keuvel, was in gestadige beweging. Zij was mij reeds beschreven als de vaste bediende der dooden, en werd, om haar ruw en forsch uiterlijk, in de wandeling Kee den Bonk genoemd. Afleggen en bijzetten was hare kostwinning, en haar gelaat had geheel het strakke, het onverbiddelijke van haren meester, den Dood, overgenomen. Gelijk het oog van den smid aan het gloeiend ijzer, zoo was haar oog gewoon geworden aan de tranen der sterfhuizen. Ik heb haar vier jaren gekend en over niet éénen doode zien wee-nen, schoon er broeder en zuster en vrienden onder zijn geweest. Ãéns slechts heb ik van haar tranen gezien: het was in een' langen, harden winter; â omdat er geene dooden waren!
Ik had mij ook aan de eene tafel nedergezet, waar bij voorraad koffie, brood en vleesch op gereed stond. Op de andere tafel was een gewone wijnflesch met eenige glazen gezet; maar niemand zat op de banken, die er rondom stonden. Die banken, bemerkte ik naderhand, waren voor de dragers; de stoelen voor de vrienden.
De doodelijke stilte werd op eens door Kee den Bonk afgebroken. Zij riep, om den hoek der deur, met die afgepaste kadans, die het gevolg is van eene veeljarige gewoonte: âis der ook iemand van de vrienden, die begeerte heeft om de overledene nog eens te zien?quot; Die onverwachte noodiging joeg mij, juist door de koude, waarmee zij werd uitgesproken, eene huivering aan. Zoo werd dan het gordijn neergelaten! Het tooneel werd gesloten, tot den dag der verrijzenis!
De weduwnaar waggelde naar den winkel, die voor de kist was opgeruimd. De dienstmaagd der dooden wachtte, zonder ongeduld en zonder deelneming, het afbreken van zijn snikken af. Toen zeeg hij, met zijn' zakdoek voor de oogen, tegen den muur. Kee zag slechts even op, of hij ook vallen kon, en raadpleegde toen met de oogen een paar van de naaste betrekkingen, die zwijgend in de geopende
DE BEGRAFENIS.
kist staarden. Als nu ook dezen het hoofd met een' diepen zucht omwendden, begon zij juist te zeggen tot de twee mannen, die het deksel ophielden: âge kunt uw' gang gaan!quot; Maar nog even hield zij hunne hand tegen, op het fluisteren van een' der dragers: âde Dominee!quot; â Meteene geweldige inspanning had ik mij zeiven vermand om voor het eerst een lijk te zien. Ik ontroerde tot in het binnenste mijner ziel. Hoe roerloos was dit lichaam, in het helder witte laken gespeld en in de enge kist uitgestrekt! Hoe mager en strak en bleek dat gelaat!.... Neen! niet bleek meer; maar geel, versteend. Ik raakte het met eene bevende hand aan: het was glad en kil, als marmer.... Op dit oogenblik had ik een gezicht, een' wakenden droom, snel als een bliksemstraal. Alles werd lijkkist rondom mij. Daar lagen vader en moeder, en vrouw en vriend, allen met het gele waas des doods overtogen, en in het midden, vóór mij, stond eene ledige kist; - de mijne! â En ik gevoelde eene kille hand, die mij aangreep, en een' ijskouden adem, die mij over de wangen ging.... Juist zou ik zijn neergezegen, toen ik naast mij een zacht fluisteren hoorde. â âEen mooie doode!quot; sprak eene zachte stem, en, als eene echo aan de andere zijde der kist, werd er geantwoord: âen dat in de hondsdagen!quot; â Het contrast, dat altijd machtig op mij werkt, schokte mij; ik gevoelde, dat ik weder warm werd en het zweet mij uitbrak; daarop keerde ik in het vertrek terug, de vrouw gaf hare bevelen, en de kist werd toegeschroefd.
Toen de dragers, naar hunne lengte gerangschikt, de baar hadden op den schouder genomen en het klokgelui begonnen was, traden de vrienden de deur uit, naar den rang, waarin zij der overledene bestonden. Ieder, die naar buiten ging, maakte eerst de spelden los, waarmede de lamfer, om den hoed opgerold, was vast gestoken. De oude chirurgijn en ik waren de twee laatsten. Toen gingen wij voort, twee aan twee, achter het lijk. Langzaam en zwij-
247
DE BEGRAFENIS.
genei deden wij dien statigen gang. Ik fluisterde alleen mijn' grijzen vriend in: âzoo gaat de mensch vaar zijn eeuwig huis!quot; Wij verstonden elkander, zooals ook hij alleen mijne ontroering bij de geopende kist bemerkt had.
Op de straat zwermden geheele troepen kinderen rondom ons. De meester moest op het kerkhof zijn en zij hadden zoo lang vrij-af, om eens te zien. Er was immers zoo weinig te zien op Mastland; licht dat zij eens eene begrafenis hadden! En nu sprongen en dartelden zij in het rond en zagen lachende een' nieuwen bewoner hunne speelplaats opdragen. Dat trof mij. Op dezelfde plek speelt het kind met den Dood en speelt de Dood met den mensch. Een geslacht, dat komt, dringt een ander geslacht, dat gaat,, vooruit naar de graven. Die statige mannen in het zwart sprongen óók eens rondom de baar. Zijn zij nu beter dan toen ? Of is de dartelheid slechts naar binnen gekeerd en heeft hart en leven aangestoken, terwijl de jaren het gelaat versteend en het .voorhoofd ingegroefd hebben?____
De optocht ging het hek binnen, de zoden over. De baar werd nedergezet naast het geopend graf, waarover in de dwarste twee rolhouten lagen. De vrienden gingen rondom het graf staan, terwijl de doodgravers de kist op de rolhouten zetten, boven de opene groeve. Twee dikke touwen stak men hierop onder de kist door, aan het hoofd- en voeteneinde; en nu werden de rolhouten weg getrokken en zakte de enge planken woning, op de touwen hangende, langzaam in de diepte. Met een' haak werd zij nog even opgebeurd, om de touwen uit het graf te trekken. Nu wierp men een' schop aarde daarin; dof klonken de kluiten
op de kist, en____een mensch was ten grave gedaald, â
gelijk eiken dag op deze kleine aarde bijna honderd duizend menschen ten grave dalen!
Nauwlettend en toch diep bewogen had ik alles gadegeslagen. Ik had ondertusschen twee mannen te zamen in gesprek gezien en was naderbij getreden. Een gesprek op
â¢248
DE BEGRAFENIS.
zulk een oogenblik, ook van eenvoudige lieden, moest wel iets belangrijks voor mij hebben. Ik luisterde. â âWat heeft Jochim weer geknoeid!quot; sprak de een, âer zijn stellig oude planken onder.quot; â âJa!quot; antwoordde de ander: âhij denkt maar: wat onder den grond is, ziet niemand.quot; â Ik begreep, dat onze timmerman, Jochim Wijsland, die daar onder de vrienden stond, bedoeld werd. Hij staarde met een strak, vroom gelaat eene huismoeder na, die een deel van hei brood harer kinderen mede ten grave nam, en â verrijkte zich aan hare doodkistâ o Mensch! mensch!....
Ik ging wrevelig verder. Op dit oogenblik ontstond er een gemompel rondom Meester Baljon. Nader gekomen, hoorde ik iemand zeggen: âjawel, nicht ligt verkeerd.quot;â âIk beloof u, het zal verholpen worden!quot; smeekte de meester, die niet gaarne openlijk zijne fout herstelde. â âWat is er verkeerd?quot; fluisterde ik mijn' grijzen vriend in, en hij onderrichtte mij, dat, naar een oud volksgebruik, de doode met het gelaat naar het Oosten gewend liggen moest, om zóó op te staan in den dag der verrijzenis. Er was hierin iets kinderlijk geloovigs, dat mij in de ziel aandeed. Zoo legt men dan de dooden ter ruste, opdat Christus ze wekken zou. Dit denkbeeld greep mij machtig aan en ik gevoelde mij, tegen mijn voornemen, opgewekt om het Evangelie der onsterfelijkheid heden en van nu af aan boven ieder geopend graf te prediken. Juist wilde ik beginnen; maar mijn hart klopte nog; neen, niet van menschenvrees; â hier zonk de mensch als tot niets voor mij weg! â maar door het gevoel mijner hooge en heilige roeping, toen de stem van Meester Baljon, die van mijn voornemen niets vermoed had, mij deed zwijgen. Hij zeide op denzelfden afgemeten' toon, waarop hij het reeds honderden malen gezegd had: âde vrienden worden bedankt voor de laatste eer, de overledene aangedaan, en de dragers zullen beloond worden.quot; âEn hierop gingen wij
1249
DE BEGRAFENIS.
Toen ik voor het eerst weder, na eenige weken, aan andere bezoeken en bezigheden gewijd, in de tuinkamer van mijn' grijzeh medicus zat, zeide hij tct mij: âgij waart niet op uw gemak, dacht mij, laatst aan het sterfhuis.quot;
âEn wie kan ook op zijn gemak zijn, waar alle zijne woorden tegen eene rots afstuiten en alles hem eene ijskorst om het gloeiend hart slaat? Nooit had ik gedacht, dat de menschen zoo koud, zoo ongevoelig waren. Zij zwijgen slechts een oogenblik voor den Dood, als hij voorbij gaat, zooals men voor ieder' geacht' en gevreesd' persoon zou doen; â meer niet! â Niemand schijnt hier gevoel te hebben voor een' armen weduwnaar of verlaten kinderen; niemand een woord van geloof en hoop en liefde bij het graf.....quot;
âBedaard, mijn vriend!quot; viel de opgeruimde grijze mij in de rede, âde menschen zijn hier wel koel; dat is geheel onze landaard, en onze klei vooral is koud; maar bedrieg u niet door op den schijn af te gaan. Ik zal ook eens verheven spreken. De harde ijsschors bedekt soms warme bronnen, en het zwijgen der natuur verkondigt wel eens een on weder.quot;
âMaar ik zie niet in wat en waarom hier verborgen wezen moest. Die gevoelig is, laat hij het toonen. Dan beviel die arme man mij nog het best. Hij tenminste____quot;
âDie arme manâ is binnen een halfjaar hertrouwd.quot;
âWat? Horst zoo spoedig hertrouwen? Waren dan de eenige tranen, die ik zag, gehuicheld?quot;
âZijne tranen waren niet gehuicheld, en toch is hij reeds zoo goed als verloofd.quot;
âIk begrijp u niet. Maar kon men dat dan al weten bij de begrafenis? Was ieder daarom zoo ongevoelig?quot;
âNiemand was ongevoelig. .Het hart klopte of beefde. Hevige hartstochten hadden een uur vóór uwe komst gewoed. En juist om die te bedekken, sprak men zoo koel en over onverschillige zaken.quot;
DE BEGRAFENIS.
âMaar Lidewey zelve? Hoe was zij dan zoo aan het leven, en vooral aan haren man gehecht?quot;
âLidewey had weinig liefdevoor haar' man en een rampzalig leven.... Ziet gij, mijn goede Dominee? Er schuilde in dat sterfhuis een geheim, met het zwarte floers voor u bedekt; er zonk in die kist eene verborgene levensgeschiedenis in het graf, zooals in het graf van zoo menigeen, inzonderheid van zoo menige vrouw. Gij hebt alleen de ijskorst gezien; ik kende het vuur, dat daaronder woedde, en bemerkte hoe men slechts den Dood en u nog ontzag. O mijn vriend! het zwijgen zegt dikwijls zoovéél!quot;
âMaar nu zijt gij mij zelf een raadsel, mijn oude vriend! Spreek duidelijk. Ikâquot;
Op dit oogenblik werd er gebeld of er brand was. De Meester werd verzocht om dadelijk bij Horst aan huis te komen. Men mompelde van hevig ongenoegen. Er zou zelfs met messen gevochten zijn â
Peinzende en onvoldaan keerde ik naar mijne pastorij terug.
XVII.
DE BEGRAFENIS.
II.
âDe JV(wew?)er-maand heeft toch altijd iets sombers; maar vooral in onze streken. Gelijk gewoonlijk het naderen der rampen veel ondragelijker is dan het lijden /elf, zoo zijn ook die toebereidselen, die de natuur maakt, om den winter te ontvangen, treuriger dan de winter zelf. Evenals in oorlogstijd vreedzame burgers hunne kostbaarheden in kluis en kast en kelder bergen, en huis en winkel van alle vertoon van weelde ontkleed worden, ja zelfs de bevelhebber eener vesting de boomen rondom laat kappen, om alleen hare naakte wallen den vijand te doen zien, evenzoo trekt de natuur, bij het naderen van haar' geduchten vijand, alle kracht en leven in het hart der aarde, der boomen en planten terug, en wij, buitenlieden, doen er het onze toe in dat fragment der natuur, dat wij onder den naam van tuin ons hebben toegeëigend.quot;
Zoo philosopheerende wandelde ik op een' Maandagmiddag in mijn' tuin. Mijn trouwe tuinman was aan het op-ruimen. Er lag voor mij iets aandoenlijks in om dien ouden man daar werkzaam te zien, als het beeld van den laten herfst, en ik werd weemoedig als hij zoo nu en dan een dorrend blad van het grijze hoofd schudde. Maar de ^oede Ariaan dacht zoo diep niet. Ik las ergens, dat de buigzame mensch de geaardheid van het dieren- of plantenrijk aanneemt, al naarmate hij met het eene of andere omgaat,
DE BEGRAFENIS.
en dat daarom tuinlieden doorgaans zekere onverstoorbare rust bezitten, die hen oud doet worden. De mijne tenminste komt nog even bedaard op vrouwendag aanleggen, in Maart zaaien, in October plukken en in November bergen en opruimen, alleen omdat het tijd is; slechts ieder jaar met minder vlugheid en minder kracht, slechts ieder jaar met handen, nog sterker bevende, nog meer ge-kromden rug en het hoofd dichter bij de aarde, tot hij daarin zinkt, ook omdat het tijd is, en de hemel het laatste overblijfsel van zijn geslacht opruimt.
Onder zulke denkbeelden was ik den tuin verder ingewandeld en op eene plaats gekomen, die mijne Cornelia, in hare groote liefde tot weesjes of prieeltjes, daartoe voor-loopig had ingericht. Hier zette ik mij op de bank neder, die nog niet was geborgen. Ik had er, zonder gezien te worden, een ruim uitzicht. Door eene opening in de heg zag ik op den landweg, die hier in de dorpsstraat overging, schoon het overgangspunt van slijk op steenen moeielijk was aan te wijzen. Naar binnen was het uitzicht begrensd door eenig kreupelhout, waarachter Ariaan de boonstaken opruimde. Van de plaats, waar hij werkte, zag hij op de straat, en als hij zich eenige schreden van het moesland verwijderde, was hij bij het brugje, dat den ingang tot de pastorij uitmaakte en waarop men een onbelemmerd uitzicht aan de eene zijde over het dorp en aan de andere over den weg had.
Er werd gebeld. Geert kwam aanschommelen en ontsloot het hek. De strakke tronie van Kee den Bonk, die zij reeds door het hekwerk herkend had, werd nu ook voor mij zichtbaar. Zij maakte .bekend, dat er een jongen geboren was, en wel een knechtje; want het eerste woord heeft hier te land eene onzijdige, of liever tweeslachtige beteekenis. De uitdrukking van haar gezicht was daarbij volmaakt dezelfde als op de begrafenis; alleen de steir was van den bastoon tot den tenor geklommen.
255
DE BEGRAFENIS.
Kee had geen' haast, mijne twee suppoosten ook niet; zij werkten geen van drieën bij het stuk, maar op daggeld, en zij verzuimden dus niets, â voor zich zelve namelijk. â Dit gaf conversatie.
âWelzoo, Kee! Al weêr een jong bij Teunis 'n vrouw. Een vet varken zou haar beter komen.quot;
âJa, Geert, wat zal men zeggen? Een mensch moet zijn getal hebben. Gelukkig heeft zij het kerkhof nog al te-baat.quot;
âDat 's waer ook,quot; viel Ariaan in, terwijl hij meteen' boonstaak in de hand naderbij trad, âik heb er al voor zeven kleinen van Teunis graf gemaakt.quot;
Er was iets ijzigs voor mij in die twee grijzen, met de grove, strakke plooien op het bruine voorhoofd, die daar, met volmaakt onbewegelijke gelaatstrekken, over het leven als een' kist, den dood als eene uitkomst voor behoeftigen spraken. En toch verwekte het bij mij een' geheel anderen indruk, een gevoel van walging en afgrijzen, toen ik naderhand hetzelfde zeggen van eene moeder hoorde.
Ariaan bleef rustig aan de limieten van zijne moezerij staan, altijd met den boonstaak in de hand. De trouw van oude bedienden moet men met geduld betalen, en niet het minst die van tuinlieden. Zij blijven getrouw bij hun werk. In dat blijven ligt hunne deugd en hun gebrek.
âEen snuifje, Ariaan?quot;
âWelja, Kee!quot;
âHoe gaat het je bij den nieuwen meester?quot;
âZoo! nog al wel,quot; was het antwoord, terwijl hij de hand om den staak klemde, om zoo de dorre ranken en verschrompelde bladen er af te stroopen, ânog al wel. 't Lastigste is: hij morst zelf nog al in den tuin, als hij met zijn leège handen geen' raad weet.quot;
Ik dacht aan de wijze les des Predikers (VII: 21): Zet uw hart niet op alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw eigen knecht u vloekt! â Reeds stond ik op om heen te gaan; maar ik werd door een' uitroep van
DE BEGRAFENIS.
mijne dienstmaagd aan mijne schuilplaats geboeid en verontschuldigde mijne nieuwsgierigheid met tot mij zeiven te zeggen, dat de tijd, dien men verpraatte, ergo ook het gesprokene, mij wettig toekwam.
âEi, kijk nu eens!quot; riep Geert uit, nadat zij eenige oogenblikken op den weg getuurd had, âhij dreegt. Dat 's feest voor Merrigje!quot;
Ariaan streek juist zijn' boonstaak af; maar zag nu ook nieuwsgierig op. â âNu kan ik zien, dat gij jonge oogen hebt, meid! De mijne beginnen mij al te foppen. Ik zou Horst met die emmers niet herkend hebben.quot;
âWel zoo! Is het er toch door? En wat schreide die man! De Dominee werd nog wat boos op mij, toen ik zei: â't is weeüwenaars-pijn.quot; Nu, zij liever'dan ik, zoo'n hok met kinderen.quot;
âJa, dat zegt gij maar zoo. Geert; maar 't is u niet gevraagd. Bij een weeüwenaar komt men gemakkelijk in 't huishouden. Wie weet____!quot;
En waarlijk, Ariaan vertrok den mond nog tot een elegant glimlachje. Wat het hart toch jong blijft bij den ouden man, onder die ruwe, koude schors!
Bij vrouwen is dat gewoonlijk anders. Zij worden op zekeren leeftijd censors der jeugd. Kee vertrok den mond dan ook niet tot lachen; maar trok integendeel de groeven van het voorhoofd nog een weinig dieper in en sprak toen, terwijl hare stem eenige noten meer tot den graftoon daalde:
âIeder man schreit bij zijn vrouws graf. Dat komt eene brave vrouw toe, zooals Lidewey was. Zij had zelv' genoeg geschreid, hij mocht het ook nog wel eens doen. Maar als dat afgerekend is, komt de natuur boven. Mm kan met een'' doode niet huizen, dat spreekt; uok moet de winkel eene vrouw hebben en de kinderen eene moeder. De Dominee is nog jong. Als de man zoo dikwijls mede begraven heeft als ik, zal hij 't ook wel weten. Ik heb er zoo mijn rekening op en hou het oog op een sterfhuis. Er valt doorgaans
257
17
DE BEGRAFENIS.
in 't volgend jaar bij een' weeüwenaar weer wat te verdienen; â op eene andere wijs, wel te weten.quot;
âEn weeüwen dan?quot; sprak Geert, âschreien die niet langer?quot; â En bij deze woorden merkte ik op, dat ook het botste, lompste wezen iets levendigs en sprekends in het oog aanneemt als zij over vrouwelijke belangen spreekt.
âWeeüwen? Ja, omdat ze niet zoo schielijk iemand kunnen vinden om hare tranen te drogen en hare kinderen aan te slaan. Maar Merrigje is het gelukt. Nu, hij zal het koopje duur hebben. Begrafenis-tranen zijn maar losse regenbuien; maar die bij zijne tweede vrouw zijn' eerste zit te betreuren, dat is een droeve mist over 't land.quot;
âWel, waarom neemt Horst ze dan?quot; vroeg Geert, met eene zekere jaloersche belangstelling, âik kan ze toch zoo bijster mooi niet vinden, al verbeeldt zij het zich ook.quot;
âMooi? Trouwt een weeüwenaar om het mooi? Hoor eens, meisje! een jongen trouwt om te trouwen, en daarom gaat dat dikwijls goed; men heeft er beide lustin. Maar een weeüwenaar trouwt om eene vrouw te hebben. Dat scheelt zóóveel.quot;
âNu vliegt ge me te hoog, Kee. 't Is of ik den Dominee hoor preeken.quot;
â Ik glimlachte pijnlijk. Mijne preeken het zinnebeeld der onbegrijpelijkheid! â
âDan zal ik het je duidelijker zeggen. Een weeüwenaar moet eene vrouw hebben en heeft daarom geen' tijd om verliefd te worden. Dat 's Nommer één. En dan moet een weeüwenaar zooveel bij de vrouw hebben, dat hij soms op haar zelv' zoo nauw niet ziet. Verstaat ge'tnu? En dat Merrigje voor Horst al besteld was bij zijn eerste vrouws leven, zal Ariaan u best kunnen zeggen, die tusschen beiden in woont.quot;
Ariaan was altijd (op zijne wijze) aan het werk gebleven en bezag op dit oogenblik rustig den derden boonstaak om te overleggen, of hij hem afplukken of afstroopen zou.
258
DE BEGRAFENIS.
Maar toen hij daar zoo onverwacht ais getuige geciteerd werd, deed hij nog een' stap nader, hield den staak in quaestie onbewegelijk in de hand en sprak:
âO, mensch! zwijg stil. Ik heb daar tooneelen van hij-
gewoond. Merrigje verloor een' goeden man,..... om hare
kinderen voor den doop te houden! â Van dien dag af had zij het oog op Horst, ook al een' ouden vriend, en daar zijne vrouw al lang eene kwaal had, had zij tijd om haar net goed te spannen; en nu â nu is hij wel bezorgd; â zie maar eens!quot;
Op dit oogenblik werd het gesprek door twee voorbijgangers gestoord. Om hunnent wil had Ariaan reeds zijne laatste woorden zoo zacht en geheimzinnig uitgesproken, dat ik ze gedeeltelijk raden moest. Uit mijnen schuilhoek kon ik hen goed in 't gezicht zien onder het naderen. De eene was de genoemde Merrigje, anders gezegd de weduwe Stoppelaar, eene vrouw van ongeveer dertig jaren. Haar gelaat had dus reeds dat eerst ontluikende, schaamachtige verloren, dat de jeugdige maagd zoo bekoorlijk maakt; maar ook buitendien behoorde het tot dat genre, dat alleen mannen fraai, althans aanlokkend kunnen vinden, en dat voor verre de meeste vrouwen iets terugstoo-tends heeft. Zonder fijn van vel of regelmatig van gelaatstrekken te zijn, ja zonder iets, dat op zich zelf in waarheid schoon was, had zij in de uitdrukking van het gelaat eene levendigheid, die onwillekeurig de aandacht trok: het donker bruine oog bezat tegelijk iets aanlok-kends en iets tergends, en om hare lippen zweefde, â en dit was eigenlijk het karakter, dat geheel haar voorkomen uitdrukte, â eene zinnelijkheid, die boeit en tevens eene lichte rilling aanjaagt, evenals het oog of de adem der boa, in wier open' muil zich de onschuldige vogel stort.
Reeds vroeger had dit kenbaar gelaat mijne opmerkzaamheid tot zich getrokken. Toen had ik daarin alleen
259
DE BEGRAFENIS.
een' levendigen geest en bijzondere zielskracht meenen te zien; maar terwijl zij daar nu en dan dat brandend oog, als in triomf, terzijde op den armen lastdrager sloeg en daarbij de bruine wangen gloeiden tusschen de groote vergulde krullen, nu herkende ik in die schijnbare uitdrukking van hooger zieleleven slechts het verterend vuur der zinnelijkheid, en ik begreep nu eerst, wat ik eens had hooren mompelen, zonder dat men het mij recht wilde uitleggen: âdie moest hier niet wonen!quot;
Droevig was de figuur, die de arme Horst naast haar maakte; nog droeviger in mijn oog dan toen hij naast het lijk zijner vrouw stond. Jammer, dat de herdersdichten uit den smaak zijn; â anders zou ik zulk een' Arka-dischen herder van onzen tijd bij mij noodigen en hem wijzen op de eerste openlijke bekendmaking van een engagement onder ons: âhij dreegtquot;. â Verstaat gij die twee woorden, lieve lezeres? Anders zal ik ze u verklaren. De beminde heeft lederen morgen en iederen avond, wanneer zij van melken komt, twee zware koperen kannen te dragen, waarvan uwe teedere handen er niet één van hare plaats zouden kunnen bewegen. Dien post neemt de pretendent op zich tot den bruiloftsdag; maar dan verandert het weder in: âzij dreegtquot;. â Wilt gij hierin een beeld vinden van het vrouwelijk leven, ik heb er niets tegen. Maar zeker zou onzen eleganten jonkers alle liefde vergaan en het jeugdig bloed hun bekoelen, als de warme melk in het kille koper, wanneer zij tot over de enkels in de slijk moesten baden en, onder gedurig uitglijden der voeten en met gekromden rug, tusschen twee bijna ontilbare kannen het evenwicht bewaren, om te zeggen: âwat heb ik u lief!quot;
Met al de deelneming van een'opmerker, die nu juist niets te verzuimen heeft, had ik dit alles aangehoord en gadegeslagen. De gewetensvraag over het geoorloofde of ongeoorloofde van mijn ongezocht bespieden daargelaten.
260
DE BEGRAFENIS.
had ik daarbij eene les in de menschenkennis genomen, die ik met den verzuimden tijd mijner dienstboden niet te duur betaalde; want wij, predikanten, zien de menschen veel te weinig en negligé. In de lompe Geert had ik meer gevoel en in den koelen Ariaan meer deelneming opgemerkt, dan ik in beiden vermoedde. Maar vooral was de ruwe Kee den Bonk veel in mijne achting gerezen. Hare ijskoude ongevoeligheid was in mijn oog eene wijs-geerige beschouwing der wereld geworden. Zij had het begin en het einde des menschel ij ken levens, zoowel als het knoopen en ontknoopen van den huwelijksband, reeds zoo dikwijls waargenomen, dat die voorbijgaande aandoeningen, die andere menschen tot in de ziel roeren, voor haar slechts de stof van koelzinnige berekening werden. Zij lachte niet over de moedervreugde, omdat zij bij de wieg aan het kerkhof dacht; en zij spaarde hare tranen op de begrafenis, daar zij onder het rouwfloers reeds de bloemen der tweede bruiloft zag. En moge hare berekening der gevoelige lezeres aanstootelijk zijn, in haren stand had zij de doorgaande ondervinding vóór zich.
Als een tegenbeeld van mijn rustig philosopheeren op de tuinbank kwam Cornelia in haast de huisdeur uit en riep: âGeert, Geert dan! Waar blijft gij? 't Is Maandag en ik zoek u overal.quot;
Zonder zich een oogenblik te bedenken, antwoordde Geert, met al de gevatheid van domme menschen, die het best liegen kunnen: âja, juffrouw, ik heb het ook al gezegd ; maar Ariaan wilde, dat ik hem even helpen zou.....quot;
Ik vond mijne goede vrouw in eene knorrige luim, omdat Geert âzoo weinig hart voor haar werk hadquot;, en zocht haar te beduiden, dat niet ééne dienstmeid dit heeft, zoolang zij naar een' vrijer uitziet. Zij beschouwt zich dan nog als in een logement vertoevende, waaruit zij weldra naar haar eigen huis zal vertrekken en waarin zij slechts zoolang kamer en keuken voor haar onverschi! i ige vv- -era-
261
DE BEGEAFENIS.
delingen in orde houdt. Eerst nadat deze hoop vervlogen is, komt het hart voor haar werk; maar daarmede ook de bemoeizieke en knorrige liefde en de langzame trouw van oude bedienden.
Cornelia schudde het hoofd en zeide: âgij redeneert maar, Willem! Doch als het met Geert zóó blijft......quot;
262
Om een' afleider voor den rechtmatigen toorn mijner vrouw op het gesprek te zetten, troostte ik haar met de aanwinst, die mijne menschenkennis door haar verzuim had opgedaan ; maar nu, hoe zacht anders in haar oordeelen, stoof zij op van verontwaardiging tegen âdien kerelquot;, die tranen gehuicheld had bij den dood zijner vrouw en toch reeds in hare laatste ziekte zich in de strikken van een wellustig schepsel had laten vangen. Ik wil gelooven, dat men vrouw moet zijn om op zulke zaken recht vuur te vatten; maar ook mij was het eene groote ergernis. Niet zonder een heimelijk genoegen vernam ik daarom, dat voor de tweede maal Horst niet kerkelijk trouwen zou; âomdat dit zoo grootsch zou staan.quot; En toen, ruim een jaar na de begrafenis van Lidewey, ik het eerste kind uit zijn tweede huwelijk doopte, bedwong ik met moeite mijne verontwaardiging door het vaste voornemen om op den predikstoel nooit in toorn te spreken. Baas Perkers schudde het hoofd, omdat ik een zoo gewichtig stuk in de catechismus zoo flauwtjes behandeld had; ja, mijne beste vigt;ienden moesten bekennen, dat ik dien middag weinig op mijn dreef was geweest.
Driejaren waren voorbijgegaan sedert mijne komst op Mastland. Ik had menschen leeren kennen en de slotsom was, dat ik niet licht meer een' brave onbepaald vertrouwde, noch een' slechte onbepaald veroordeelde. Dikwijls stond ik voor het venster, als mijn trouwe Ariaan mijnen tuin met dien des doods verwisselde en eene groeve dolf, om ook
DE BEGEAPENIS.
daarin het zaad te leggen â voor den oogst der eeuwigheid. Dan zag ik terug, van de groeve af, op liet menschelijk leven met al zijne dwaasheden en zijne zorgen, kortstondig genot en eeuwige verantwoording, en gewoonlijk keerde ik kalmer, en dus gelukkiger, van deze stille mijmering terug. Of is datgene, wat wij zwervelingen geluk noemen, wel iets anders dan kalmte onder de stormen des aard-schen levens?
Zoo stond ik daar weder en peinsde, maar ditmaal in eene recht treurige stemming. O! er is, bij de beschouwing der graven, alleen tveemoed in de herinnering van de rampen des levens, wier geweld hier machteloos bezwijkt; maaier is diepe smart in het herdenken der zonde, die hier hare loopbaan eindigt, nadat ze den mensch heeft gekweld, verbasterd, voortgejaagd naar het graf; â omdat de zonde den zondaar volgt in de eeuwigheid. Ja, en ook voor de overblijvenden dekt de spade van den graverwelhetgele-dene toe; maar het misdrijf spookt nog op de graven, en bitterder dan de tranen van het sterfhuis is de herinnering van een verloren en verzondigd menschen-leven; donkerder dan de rouw van weduwe of wees is de lange schaduw, die het gewoonlijk achterlaat.
In deze overpeinzing verraste mij mijn vriend, de proponent Altorf, die, in zijne vreugde over het eindelijk en met veel roem volbrachte examen, zich haastte om mij te bezoeken. Na den eersten welkomstgroet en menig vriendschappelijk gesprek, alleen voor vrienden belangrijk, nam het onderhoud eene andere richting.
âHoor eens, Willem! uwe pastorij is lief; maar dat uitzicht op het kerkhof is toch voor eene studeerkamer wat al te somber. Tenminste, toen ik daar, ongenood en onge-weigerd, naar boven kwam, verraste ik u met starende oogen, waaruit, zonder dat gij het bemerktet of ze af-droogdet, u twee groote tranen langs de wangen biggelden. Gij kent mij. Ik wil geene ernstige gedachten r-0'-!.
268
DE BEGRAFENIS.
Maar die bezigheid van uwen tuinman daar ginds moet u toch wel eens al uwe opgewektheid benemen.quot;
âOf nieuwe opgewektheid geven, Aitorf. Er is meer haast bij ons werk, meer waarde in ons Evangelie, als men van het graf komt; en dat graf, waar eens Christus uitging, mag immers voor den christen niet doodsch en neerdrukkend zijn?quot;
âGij spreekt wèl; maar vanwaar dan die sombere stemming, die zelfs mijne komst, â ik zie het maar al te duidelijk, â niet heeft kunnen verdrijven?quot;
âGaarne wil ik bekennen, dat ik de graven nog niet altijd zoo blijmoedig aanzie als ik wel zou wenschen. Ik ben misschien nog te gelukkig in mijn huis om op die laatste woning geheel zonder eenige huivering neêr te zien. Juist daarom is het noodig, dat ik mij aan dit gezicht ge-wenne. Eerst bij ons zeiven die stemming aan te kweeken,, die wij in anderen willen verwekken, is zeker onze noo-digste, maar tevens moeielijkste taak. Nu echter, als ik tranen en bittere tranen gestort heb, Altorf, dan was het niet om het graf; maar om den doode.quot;
â'tls waar: het graf neemt zooveel weg en maakt zoo menig gelukkig huisgezin diep ongelukkig. Misschien een huisvader of veel belovend kind?quot;
âEen dronkaard, Altorf, waaraan de maatschappij niets verliest, wiens vrouw niet over hem treurt en wiens kinderen door zijnen dood geen' honger lijden.quot;
âDat is, zooals de aansprekers zeggen, yeen droevige doode. Ken ik hem ook?quot;
âIk geloof ja. Herinnert gij u Horst niet meer?quot;
âDien winkelier, die zoo spoedig zijne tranen had afgedroogd, en wiens huis gij zelf een bederf voor uwe gemeente genoemd hebt? Maar, Willem, hoe kunt gij om zoo iemand treuren? Het w?s immers al huichelaar en losbol water aan was?quot;
âGij oordeelt hard; maar het is mijne schuld. In mijne
264
DE BEGRAFENIS.
verontwaardiging heb ik u al zijn kwaad verhaald; maar met beschaming heb ik naderhand tot mij zeiven gezegd : Oordeel niet weèr, 02Klat gij niet veroordeeld wordt'. â Gij herinnert u nog wat ik u toen van Horst verhaald heb? Zoo gij wilt, zal ik u mededeelen wat ik sedert ben te weten gekomen.quot;
Mijn vriend zette zich in de rustige houding van een' toehoorder en ik verhaalde:
âGelijk gij weet, had mijn oude medicus mij gezegd, dat Lidewey een rampzalig leven bij haren man had gehad, dat hij weldra hertrouwen zou, en â zijne tranen toch welgemeend waren; âdat er dus een vreeselijk geheim in dat graf nederdaalde. Ik had de oplossing dezer raadselachtige woorden geheel meenen te vinden in het tweede huwelijk van Horst. Een man, die reeds bij het wegkwijnen zijner vrouw in de strikken eener wellustige verward is, en kinderen, die wellicht spoedig onder het onverschillig oog en het verpestend voorbeeld eener vreemde moeder zullen opgroeien: â dat was waarlijk genoeg om het akelig ziek-en sterfbed eener huismoeder te verklaren. Ik verfoeide dan den huichelaar, die den wellust van een' tweeden echt onder de tranen over den eersten scheen te hebben willen verbergen, en toen ik hoorde, dat dit tweede huwelijk hem rampzalig maakte, zeide ik: âde hemel is rechtvaardig!quot; en beklaagde alleen de arme kinderen. âHet ongeluk van dit huis werd dan ook hoe langs zoo ruchtbaarder. Wat men van andere p vruchten gelooven moest, wist ik niet recht; maar zeker v â ! 11as â hrgt;0 langs zoo nala-tigerin zijne zaken en verslaaf - h uitwoede aan den drank. ââZou het kwaad gew -ü kwellen?quot; dacht ik, âzou de schim der brave Lid. v.v-, ui vervolgen?quot;â Althans het was zichtbaar, -Mi hij dr . ⢠als een radelooze, wien het alleen te doen is â â m : vLizelven te vergeten en die zich lijdelijk aan a: ie tm van zijn slecht
gedrag overgeeft. Zoo liet hij zien ivq ook zonder tec ü
^155
DE BEGRAFENIS.
weer door zijne vrouw het bestuur over zijne zaken ontnemen. Maar ook toen nog sloop hij, zelfs in den nacht, als een snoepend kind naar het vat, dat ongelukkig altijd opgestoken in den winkel lag, en vond hij de geldlade niet zorgvuldig gesloten, dan zwierf hij dikwijls eenige dagen om, tot de gevonden buit verteerd was.
âOp zekeren dag, toen wij ons in de rust zouden begeven , ging ik nog eens, als naar gewoonte, de sluiting van huis en tuin nazien. Onder een helder starrenlicht begaf ik mij ook naar het hek; maar hier sprong ik terug van schrik. Daar lag een mensch voor en al zijn antwoord op mijne vragen bestond in een onverstaanbaar steunen en kermen. Ik aarzelde eerst; maar deed toch eindelijk open. Het was de rampzalige Horst; maar door den drank en de koude nachtlucht bedwelmd; door eene inhalige oude, die eene kleine kroeg hield, van buis en hoed beroofd, tot onderpand voor den doorgezwolgen drank; in het slijk gewenteld en door een' val aan het hoofd bebloed! â Wat zou ik met hem aanvangen? â In den nacht burengerucht te maken, beviel mij niet; hem naar zijn huis te brengen, al had ik het alleen kunnen doen, nog minder. Daar kwam een ander denkbeeld bij mij op. Hoeveel afschuw ik van lederen, maar vooral van dezen dronkaard gevoelde, â misschien was hij door eene weldaad, voor hem zoo ongewoon en ongewacht, nog te redden. Ik twijfel bijna of die gedachte nog wel de rechte belangstelling in den voor mij zoo hatelijken zondaar was. Misschien was zij nog meer de ambitie, de lief-hebber j, waarmede een jeugdig geneesheer hopelooze lijders behandelt, bij welke niets te verliezen en, in het onverhoopte geval van herstel, groote eer in te leggen is.
âHoe dit zij, ik bracht den ongelukkige met veel moeite in de schuur op eenig stroo, dat daar voor mijn geit gereed lag. Mijn vrouw, naar den aard der vrouwen, was in den beginne met mijn' logee^ast zeer slecht gediend;
266
DE BEGJIAFEXfcS.
maar bezorgde hem daarna beter dan ik. Zijn dierlijk leger werd met een matras en deken verwisseld, en onze meid, die vrij wat bromde, werd gelast om hem des morgens een' kop thee te brengen, als hij zijne roes had uitgeslapen. Ik had er het uitdrukkelijk bevel bijgevoegd om hem niet te laten vertrekken eer zij mij gewekt had. Den volgenden dag begaf ik mij dus vroegtijdig naar de schuur met eene ernstige strafrede op de lippen, hoewel ik van Gods almacht alleen daarvan eenige uitwerking wachtte op dit verhard gemoed. Ik vond den man voorover gebukt, met het hoofd in de handen. Dit herinnerde mij zijne houding aan het sterfhuis en gaf mij terstond, wat zich in zulke omstandigheden niet altijd voordoet, een gepast begin. Ik herinnerde hem zijne eerste vrouw, zijne en hare kinderen, â en hij snikte bitter; â maar toen ik hem nu op een' vrij scherpen toon toevoegde: âzóó hebt gij ook geschreid bij Lidewey's graf; maar het waren de tranen van een' huichelaar!quot; toen gilde hij het uit; âneen, waarlijk niet! Zoo waar God leeft, niet! Ik heb ze gemeend, ik was zielsbedroefd.
Maar ik moest, ik moest wel.....o God! â En wat hij
mij daarop mededeelde, wat hij gedurig door snikken en ik door vragen afbrak, kwam in de hoofdzaak op het volgende neder.
âHorst was iu zijne jeugd verloofd geweest met Mer-rigje, zijne tegenwoordige vrouw; maar op aanhouden van een' braven vader had hij van haar afgezien en Lidewey gekozen, of liever de keus van zijn' vader gevolgd. Hij had die vrouw hooggeschat en eenige gelukkige jaren met haar doorgebracht. Schoon hij haar eigenlijk niet uit liefde genomen had, verklaarde hij mij, â en ik ben geneigd om het te gelooven, â dat hij haar nooit ontrouw geweest was, wat ook de wereld, ja zij zelve hiervan mocht gedacht hebben. In de eerste jaren van zijn huwelijk was ook Merrigje gehuwd. Haar man was een van die
2(37
DE BEGRAFENIS.
'268
ellendige wezens, die voor het gedrag hunner vrouwen opzettelijk blind zijn, zoolang zij daarbij een goed en gemakkelijk leven hebben. Weduwe geworden zijnde, was haar oog weder op haar' voormaligen beminde gevallen. Met de koele berekening, die soms juist de hevigste hartstochten eigen is, had zij het gestel van Lidewey nagegaan en haar geen twee jaren levens meer toegeschreven. Dien tijd bestemde zij om den aanstaanden weduwnaar voor altijd aan zich te boeien. Misschien vond zij zelfs hiervoor eene zedelijke reden, tenminste eene verontschuldiging voor haar geweten, en hoopte zij, dat de herleving harer eerste liefde het middel tot hare bekeering zijn zou. â Het hart is zoo arglistig! - Behalve de kracht van die oogen, waarvoor hij, de zwakke, zinnelijke mensch, nog altijd de zijne nedersloeg, gebruikte zij ter bereiking van haar doel nog een' anderen hefboom, door het toeval haar in handen gespeeld. Horst had namelijk, om de eer van zijnen vader te redden, kort na zijn huwelijk diens winkel overgenomen, schoon daaraan meer schuld dan waarde kleefde. Maar hij had dit laatste altijd voor zijne vrouw verborgen gehouden, vooral eene schuldbekentenis, waarvan hij heimelijk uit het winkelgeld de rente betaalde. Deze nu was in handen van Merrigje gekomen en was haar sterkste wapen. Toen de ziekte van Lidewey toenam, had zij, onder den schijn van nabuurschap, zich in huis en winkel ingedrongen. De zwakke vrouw, reeds vroeger niet vrij van jaloezij, drong er op aan, dat Horst haar rondweg het huis ontzeggen zou. Deze vermande zich, beproefde het; maar Merrigje sprak van renten, (die zij opzettelijk had laten oploopen) en de moed ontzonk hem. Ondertusschen verhaalde eene gedienstige buurvrouw aan Lidewey hoe zij zelve gezien had, dat haar man aan Merrigje eenig geld uit de winkellade toetelde. En verbeeld u nu het lot der arme kranke, die in al de hartelijkheid van haren man niet anders kon zien dan de
DE BEGRAFENIS.
veinzerij van een' overspeler, die hare kracht en schoonheid zag vergaan bij den dag en eene verleidende boeleerster hare plaats zag vervangen, reeds bij haar leven, en bedenk dan, dat die ongelukkige vrouw en moeder was! Was het wonder, dat zij, vroeger eene vrome, zachtmoedige christin, juist door den prikkel harer laatste, altijd koortsachtige ziekte, den lust om te leven, om hare eer nog eens te handhaven en hare kinderen te redden, in zich voelde aanwakkeren? Was het wonder, dat zij te zeer hare waarde gevoelde, om den schuldigen maneenen uitleg te vragen, waarin zij reeds vooraf een leugen zag, en dat zij hem verontwaardigd den rug toewendde, als hij sprak van de dingen der eeuwigheid ? â Maar verbeeld u ook den toestand van den ongelukkige, te zwak om de vergiftige slang met levensgevaar van zich af te slingeren, te zwak zelfs om ongevraagd zijne vrouw het droevig geheim te ontdekken, dat het brood harer kinderen, de winkel, zoo goed als het eigendom harer vijandin was. Nog kon en wilde hij niet gelooven, dat hij geheel in hare handen geraken zou en zijne Lidewey verliezen. Dan, als zij herstellen mocht, dan zou hij haar alles mededeelen, en door vereenigde vlijt zouden ze dit hatelijk juk zich
van de schouders werpen____ Zij stierf____ Wèl had mijn
oude vriend het mij reeds gezegd; zijne tranen waren oprecht geweest. Daar de grijsaard kort daarop in een soort van slaapziekte vervallen was, de zachte voorbode van eenen kalmen, ja nog helderen dood, had ik hem van dit gezegde nimmer den uitleg kunnen vragen en het voor een uitvloeisel gehouden van zijne natuurlijke goedhartigheid.... Het was maar al te waar geweest!
âDe latere geschiedenis van Horst is eenvoudig, maar treurig. Ik zal niet spreken van de hevige tooneelen tus-schen de vrouws familie en Merrigje, in wie zij de moordenares zagen van Lidewey. Genoeg, Horst moest tot een besluit komen. Zijne zaak en zijn gezin vorderden dringend
269
DE BEGEAPENIS.
vrouwenhulp en de verleidster had zich daar reeds onmisbaar gemaakt. Hij deed nog eene zwakke poging; maar gelijk het dikwijls gaat: die hem hadden kunnen raden en redden, stootten hem van zich af, omdat zij hem reeds veroordeelden. Zou hij nu zijne kinderen tot armoede laten komen ? En kon hij de tranen en de vleitaal weerstaan van de éénige, die nog belang in hem scheen te stellen?
âWat Horst nog eer deed besluiten, was, datMerrigje sedert eenige maanden een overigens onberispelijk leven leidde en zelfs trouw de kerk bezocht. Was dit veinzerij, of had haar hartstocht zich nu uitsluitend tot hem bepaald? Ik ben geneigd om dit laatste aan te nemen; ik geloof zelfs, dat alles wèl had kunnen gaan wanneer hij door een bezadigd, krachtvol karakter zich man betoond had; maar het scheen of de schim van Lidewey het echtpaar vervolgde. De rechte opgeruimdheid, hartelijkheid en huiselijkheid werd er gemist. Er was ook meer dan eenige maanden kerkgaan noodig om eene wellustige te bekeeren, eer haar bloeitijd was voorbijgegaan. Oude bekenden dreven den spot met hare âvroomheidquot;. Kortom: naarmate Merrigje meer door den losbandigen ontvanger van een naburig dorp bezocht werd, vond men ook Horst meer in de dorps-herberg. Eenmaal op dezen weg, spoedde hij zich naar den afgrond, te gevoelig om zijne schande aan te zien, en te zwak om die van zich af te weren. Den vorigen avond, van alles beroofd, was hij naar huis gewaggeld en met verwijtingen van de deur gewezen, âomdat hij zeker niet gelegen kwam!quot; En nu keerde hij uit mijne schuur, ontnuchterd, maar tevens in
al het gevoel van zijne ellende, naar zijne woning terug,____
om er weldra te worden uitgedragen! Want herhaalde bloedspuwingen, de gevolgen van zijn wangedrag, sleepten hem in weinige weken ten grave. Dikwijls bezocht ik hem in dien tijd. Gelijk alle zwakke, zinnel ij k-hartstochtelijke men-schen, vooral als hunne zenuwen door den drank nog prikkelbaarder geworden zijn, vond ik hem zeer bewogen over
270
DE BEGRAFENIS.
zijne zonden. Of hij, als hij hersteld ware, zijne dure eeden zou gehouden hebben, daarover moge de Kenner der harten oordeelen. Zeker is het, dat hij voor ons oog met vurig berouw en in vol vertrouwen op de genade Gods en het offer van Christus, verlangd heeft naar den dood, en dan ook eergisteren den adem heeft uitgeblazen; en de goede gemeente, die meer dan ik aan het sterfbed hecht, en die van Lidewey zeide, dat ze midden in de wereld geleefd had tot het laatst toe, roemt in de bekeering van zulk een' zondaar. Ja, velen zijn in de laatste week er uit en in geloopen om hiervan getuigen te zijn, velen, helaas! die bij zijn vroeger zondig leven de hand niet naar hem hebben uitgestrekt om hem te redden.quot;
Altorf had dit alles met stilzwijgen aangehoord. Nog zweeg hij eenige oogenblikken en sprak toen op diep bewogen' toon: ânu begrijp ik, Willem, dat gij tranen stort om den doode, en niet om het graf. Wat is toch de mensch! Wat samenweefsel van verborgen gruwelen en geheime kwalen bedekt niet het huiselijk leven, het leven vooral eener vrouw! Hoe gezegend, waar godsvrucht haar ongemerkt loutert, en hoe zalig, als die haar in stilte troost; maar ook â wat rijke doos van Pandora is vrouwelijke hartstocht, is de zonde eener huismoeder!____Maar, Willem, zijt
gij nog bij uw voornemen gebleven om altijd, als de gelegenheid het toelaat, een woord bij. het graf te spreken? Dat moet onder zulke omstandigheden toch allermoeielijkst zijn.quot;
âGij weet, mijn vriend! hoe wij die zaak vroeger besproken hebben. Ik zou de begrafenis bij ons, protestanten, in vele opzichten anders wenschen; maar voeg mij naar de bestaande gebruiken. Alleen ben ik over het vooroordeel tegen het nieuwe, en andere, vrij gewichtige bezwaren heengestapt en heb hier de aanspraken bij het graf ingevoerd, en ik geloof, tot vrij algemeen genoegen. Het is zoojuist de plaats om dat hoogere, dat eeuwige te gevoelen, hetgeen in iedere menschenborst sluimert en dat wij geroepen
271
DE BEGRAFENIS.
zijn door het Evangelie op te wekken. Eiders imten wij; maar daar zien wij, waar wij heengaan.quot;
âIk gevoel, dat gij gelijk hebt en echter zou ik uw voorbeeld nog niet durven volgen. Men zegt, dat het gevoel goed spreken doet; mij zou het dikwijls het spreken beletten. En ivat zal men zeggen bij het graf? Zal men niet licht in oordeelen vallen, die ons niet voegen, of anders gedurig omzwerven in dezelfde algemeen bekende waarheden?quot;
âGij raakt daar juist het gewichtigste bezwaar aan. Bij een geopend graf en een' bekenden doode alleen over den dood te spreken, heeft iets onbestemds, en waar het dikwijls weder komt, iets eentonigs, en over den doode veel te zeggen, is gewaagd. En toch geloof ik, dat in dit laatste de eigenlijke kracht onzer woorden bij het graf gelegen is. Algemeene tiraden, zooals wij ze op de akademie elkander voorlazen en dan nog eens polijstten, maken op onbeschaafde menschen weinig indruk. Afgetrokken denkbeelden zijn hun te vreemd. In eene kleine gemeente kent men elkander ook te goed om bij dat algemeene te blijven. Weet gij daarentegen eene snaar aan te roeren, die bij dit graf vooral gevoelig is, weet gij met het algemeene denkbeeld van den dood een bijzonder te verbinden, dat nutte herinneringen en aandoeningen opwekt, dan is aller oor en veler hart geopend. Ik stem u toe, dat dit moeielijk is en niet te ver gedreven moet worden. Alle denkbeeld van eene eigenlijke lijkpreek, eene levensbeschrijving of lofrede, valt dan ook bij mij weg. Al wat gezegd wordt, moet ter wille van de levenden en niet van den doode gezegd zijn. Ziehier, wat weg ik daartoe insla. Ik neem bij iedere begrafenis één denkbeeld, uit de omstandigheden van het sterfgeval of het léven des overledenen. In moeielijke gevallen schrijf ik hierover iets op, in andere laat ik het, na dit denkbeeld goed doordacht te hebben, aan het oogenblik over, of liever aan dien hoogeren geest, die zweeft over de graven. Zie eens, Altorf! (en bij deze woorden trok ik mijn' vriend
272
DE BEGRlFENIS.
273
naar het venster, dat op het kerkhof uitzag), daar ginds, hij dat witte paaltje, is het graf van een kind, een' lieven, onsehuldigen jongen, op zijn tiende jaar ongelukkig omgekomen. Daar heb ik het den dragers, naar volksgebruik allen jongelieden, ernstig aangezegd: âook de jeugd dartelt aan den rand van het graf!quot; En daarop wendde ik mij op eens tot de vrienden, waaronder reeds menige kale schedel te zien was, om hun te vragen: âwas het ook beter voor iemand uwer, als kind gestorven te zijn?quot; â Daar verder, tegen den kerkmuur aan, ligt een â oude Zwitser, die door omwentelingen en oorlogen hierheen was afgezworven en geene betrekkingen onder ons achterliet. Geen traan werd om hem geschreid. Op dat graf wees ik er op, als een sprekend voorbeeld, dat het leven eene reis is, en wel eene reis naar een graf, van hetwelk de moeder, die het kind eerst in de wieg legt, niet weet waar het wezen zal. â En hier naderbij, onder dien treurwilg, ligt er een van de armen begraven, die vroeger de rijkste vlasboer van het dorp was. Ik mocht zijne levensgeschiedenis, hoe leerzaam en waarschuwend ook, niet schetsen, omdat er nog levenden in betrokken waren. Mij viel dus een ander denkbeeld in. Ik wees alleen op de ruwe armoedige kist. Kort te voren was zijn onbarmhartige broeder in eene van het beste eikenhout, met sierlijke ringen, begraven. Nadat ik dus het onderscheid der begrafenissen geschetst had, zweeg ik een oogenblik en vervolgde toen op hoogen, plechtigen toon; âmaar de engel der opstanding zal geen kist meer vinden, â alleen een' mensch, rijk of arm voor God!quot; âUit deze voorbeelden kent gij nu mijne manier. Ik zelf geloof, dat die beter, is dan de uitvoering. En waarlijk! bij eene echt christelijke levensbeschouwing ontbreekt het aan stof wel nooit; men kan in ruimte kiezen, zonder juist zalig te spreken of te verdoemen, zonder nog iemand te kwetsen, of integendeel geheel te verzwijgen wat ieder weet.quot;
18
DE BEGRAFENIS.
âEn wat zal bij deze begrafenis uw hoofddenkbeeld zijn?quot;
âKom en hoor, Altorf!quot;
Den volgenden dag sloot mijn vriend zich bij den trein aan toen die het kerkhof optrad. De kist zonk onder een plechtig stilzwijgen in de aarde. Zelfs het sombere, grauwe zwerk en de bladeren, door geen windje bewogen, stemden daarmede in. Rondom het graf stond een vrij talrijke kring. Ook de weduwe staarde met strakke, bijna verwilderde oogen in den kuil. Hoewel zij in de laatste weken haar gevoel opzettelijk verstompt had, uit vrees van te veel te gevoelen, geloof ik, dat het geweten thans voor een oogenblik, voor één oogenblik tenminste, luide de stem verhief boven de zinnelijkheid. Door Meester Baljon op een' eerbiedigen afstand gehouden, stonden even binnen het hek eenige arme vrouwen, ook moeders met hare kinderen, wien zij den vinger op den mond legden. Verderop woelden de schoolknapen en stond op de straat een troep bedaagde dorpelingen.
De doode was dan ter ruste gelegd. De harde kluit op de kist klonk als de doffe nagalm van een onstuimig leven. Allen hielden den adem in en zagen op mij. Ik sprak:
â Beter,quot; zegt de Prediker, is de dag des doods, dan de dag waarop iemand geboren wordt. Zoo ij del, zoo kommervol vond hij het leven. Medemenschen! is het nog niet zoo? Ziet die kinderen daar ginds op den arm hunner moeder! Zij weten nog van geen leed, geen zonde. Ziet die knapen! Zij wachten nog gouden bergen. Wij kennen ze, die bergen. Zij zijn niet van echt goud. Wat toch is het hoogste en beste op aarde? Het huwelijksgeluk misschien? Maar op eene enkele bruiloft volgt eene dubbele begrafenis. Wij hebben hierheen weinige jaren geleden eene vrouw gebracht en nu den man. Wat herinneringen! Ach, wat droeve herinneringen! Hier, beneden ons, alléén is voor dit ' paar een rustig huis, en voor velen, ja eens, als het leven
274
DE BEGRAFENIS.
een last wordt, voor allen, is de dag des doods heter dan de dag, waaroio iemand geboren werd'.
âBeter de dag des doods: â dat heeft voor den christen nog eene hoogere beteekenis. De geboorte is hem het begin der zonde, de dood het einde; en de dood eene nieuwe geboorte, begin van een hooger leven. Ja! voor hem, die in dit leven in Christus gelooft, is waarlijk de dag des doods beter; want waar hij ons heen brengt, daar is geen dwaling, daar is geen twist, daar is geen zonde meer!
âBroeders! Het leven, als wij er alles in nagejaagd en genoten hebben, heeft op het laatst niets goeds meer, dan â te sterven! Zamelt u dan een' schat op in uw leven voor dat leven, in uw huis voor dat huis. Zonde knaagt. Wellust verteert. Onmatigheid vermoordt. Alleen geloof en godzaligheid doet leven, en maakt zelfs den dag des doods goed. Het leven beslist wat het sterven zijn zal.
âZiet, hier staan wij. Eens zinken wij ook zoo in de aarde. Dan zal over het graf des eenen een engel Gods spreken: âDe dag des doods ivas hem heter, dan de dag ivaarop hij geboren werd.quot; En over het graf des anderen een andere engel; âHet ware dien mensch beter, dat hij nooit geboren ware geweest!quot; quot;
l! / O
XVIII. HET BEZOEK.
Ik zit in mijn' koepel, den trouwen hond aan mijne voeten, de trouwe pijp gestopt in mijne hand. Die hand is wat mager en rust op den arm van mijn leuningstoel; want het is voor het eerst, op een' schoonen zomerschen dag van dit jaar (1843), dat ik den tuin geheel ben rond gewandeld en in mijn zomerhuisje uitrust om er mijne Cornelia af te wachten. Ik gevoel nog de zwakte, die ons van het ziekbed overblijft; maar tevens de langzaam terugkeerende krachten, en de zomerlucht, nog niet tot brandende hitte overgegaan, koestert mij in haren schoot en bezielt mij met haar' zachten adem, als eene liefhebbende moeder haren zuigeling.
In het plan, een vorig jaar opgevat, was ik juist zoover gevorderd, dat ik de twee eerste jaren mijner bediening met de gedachten had doorgeloopen en er het merkwaardigste uit opgezameld, toen een hardnekkige koorts mij de pen deed uit de hand leggen; want ook de plannen van ons, sprekers en schrijvers, hebben we de algemeene clausule van Jakobus noodig: â als de Heere wil en wij leven.
Nu stilt mijne goede vrouw onze kleinste, onze vierde kleine, en haast zich, om mijne soep te laten koken en dan toch even bij mij koffie te drinken; Bram, onze oudste, heeft mijn' steek weten machtig te worden en staat nu
HET BEZOEK.
op een heuveltje in den tuin te stamelen en verbeeldt zich, dat hij preekt, ofschoon niemand naar hem luistert; terwijl de twee middelste onzer kinderen in een wagentje worden rond gereden.
Hoe kalm en hoe zalig maakt mij al wat ik zie! In den tuin mijn spelend kroost en de laatste lentebloemen, die zich nederig bij den grond houden, terwijl reeds de rozen en andere zomerbloemen het hoofd omhoog verheffen; buiten het raam de vreedzame koppel melkkoeien, die mijne hersenen evenmin vermoeien als hare eigene; en eerst van verre eenig gewemel van menschen, de woeligste en ontevredenste van Gods schepselen op aarde, ver genoeg van mij verwijderd om met geen enkel woord mijne rust te storen. Die menschen zijn de boeren, die langs gindschen weg van de markt terugkomen en kruidenierswaren, geld, nieuws, en zoo ik hoop eene goede conscientie, op hunne ontledigde wagens uit de stad medebrengen.
Ik zit dan in mijn' geliefden koepel en heb juist, met al het genot van iemand, die volstrekt geen' haast heeft, de pijp gestopt en aangestoken, die mij eerst weder sedert een paar dagen begint te smaken. Ik zie door de glazen deur in den tuin. Daar komt onze meid ongeduldig de slingerpaden door wandelen, die zij regelmatig even dikwijls verwenscht als wij in den koepel zitten,
âEen brief, mijnheer.quot;
âLeg maar op de tafel, Antje.quot;
âVijf stuivers port, mijnheer.quot;
âJa, vijf stuivers! Die goede vrienden in de steden schrijven des middags een' brief en steken dien dan bij hunne avondwandeling op de post en zoeken naar geene gelegenheid ter verzending en vergeten het aangename woord franko op het adres: quot;â enken er niet aan, dat wij, arme dorpsdomin onzen geheelen lessp-- r om een vijfje rond- Ju jav
277
HET BEZOEK.
Ant, vraag het maar aan de juffrouw; ik heb geen geld bij mij.quot;
De lezer begrijpt, dat de eerste helft van deze aanspraak binnen 'smonds aan den brief gericht was, dien ik onder-tusschen in mijne hand nam om hem open te maken. Met zulk eene half luide alleenspraak, die meer mijne gewoonte is, was niets gewaagd, daar onze tegenwoordige meid maar een weinig minder doof is dan de brief zelf.
Ondertusschen komt mijne vrouw âen welke vrouw doet dit niet, waar een brief wordt opengemaakt? â vrij haastig naderbij, treedt de koepeldeur in,vischt een vijfje op uit de beurs en vraagt; âvan wie? van oom Jan, lieve?quot; âZoodra wij nu die vaste, duidelijke hand herkend hebben, heeft mijne vrouw stilzwijgend de toestemming om mij over den schouder te zien, daar ik met oom Jan nooit geheimen uitstaande heb en zijne brieven dus behooren tot de gemeenschap van goederen, waarin wij getrouwd zijn.
Ik lees van bovenaf, omdat ik gaarne in alle zaken orde houd, mijne vrouw van onderaf, om toch maar spoedig de hoofdzaak te weten, terwijl ondertusschen de meid al brommende haar' slingerweg weèr opwandelt.
Ditmaal was mijne vrouw er niet eer dan ik; want bladz. 1 was geheel inleiding. Eerst eenige herinnering van bekende zaken en wat zij van mij gehoord hadden en hoe zij dat gehoord hadden, en dan; â â zoo dat ik maar zeggen wil, neef Willem, dat wij u bitter beklaagd hebben, 't Verwondert mij ook niet, dat gij, naar de laatste berichten van Keetje, zoo lang zwak blijft en nog geen' lust in uw werk hebt. Ik zeide ook al tegen uwe tante; âneef zit daar zoo te dutselen en te muffen onder die boeren, hij heeft wat opbeuring noodigâ opbeuring! en ben ik dan zoo zwaar of zoo laag gezonken?ââ't zal hem wat verzetten,quot;- en staat mijn hoofd dan niet op zijne plaats? â âverstrooien;quot; maar ik wil liever mijne gedachten geregeld bijeen houden....quot;
Hier werd ik in mijne stille tusschenspraak se toord door
278
HET BEZOKK.
het ongeduld van mijne vrouw, die op-eens uitriep: âmaar Willem! sla dan toch het blaadje om! ik ben altweemaal aan 't eind en geloof, dat gij den brief van buiten leert.quot;
Ik sloeg om en vond, om kort te gaan, opbladz. 2 het plan van mijn' goeden oom om op aanstaanden Donderdag met geheel zijn gezin een genoegelijk daagje bij ons door te brengen.
Bij het toevouwen van den brief maakte ik nog de opmerking, dat de belangstelling van onze goede stadsvrien-den jaarlijks scheen te klimmen en te dalen met het klimmen van den zomergloed en het dalen van de winterzon. Maar mijne goede Cornelia had geen' tijd tot wijsgeerige bespiegelingen; want terwijl ik rustig in miju'leuningstoel zonk, om de genoegens en bezwaren van aanstaanden Donderdag tegen elkander op te wegen, riep zij verdrietig uit: ânu nog fraaier! Dat had tante toch waarlijk wel kunnen bedenken, dat ik vóór overmorgen geen versch vleesch kan krijgen. De slager is er al geweest en de marktdag afge-loopen. Maar ja, die stadsmenschen denken maar, dat het overal is zooals bij hen, waar men de meid naar de hal zendt. Raad mij dan eens, Willem! Gij zit daar ook zoo leuk, alsof het u niet aanging.quot;
En nu volgde een huishoudelijk overleg, bestaande in de keus tusschen gerookt vleesch, ham of visch, en alle zulke belangrijke zaken, die den lezer vrij onverschillig zijn, zoolang hij tenminste geene menschen ten eten wacht.
Men meene evenwel niet, dat op zich zelf het bezoek van mijn' oom Jan ons onaangenaam zou geweest zijn. Zoodra mijne vrouw slechts de flank van haar tafel in het hoofd had, zou zij er zelfs naar verlangd hebben, indien zij niet op hetzelfde oogenblik begonnen was medelijden met mij te krijgen; âen ik zou op eiken anderen tijd, wanneer ik slechts gezond en 'sterk ware geweest, den goeden, hartelijken man recht gaarne bij mij hebben gezien.
Terwijl dan mijne vrouw draaft en ik stil zit, beiden
279
HET BEZOEK.
om ons voor te bereiden op den gewichtigen dag, wil ik u toch een weinig nader bekend maken met een' bloedverwant, wiens naam reeds eenige malen in deze Schetsen genoemd is.
Mijn oom Jan, een jonger broeder van mijn' onvergete-lijken vader, is een Eotterdamsch tabakskooper, die een goed burgerbestaan heeft. Hij is geen karikatuur en heeft weinig zonderlings; zijne eigenaardigheid bestaat juist daarin, dat hij geheel en al Hollandsch burgerman, geheel Rotterdammer en geheel tabakskooper is. Zijn handel vult een groot deel van zijn hoofd en hart en hij kan nooit nalaten om u toch iets van Portorico en Maryland mede te deelen, al is het maar bij het stoppen van zijne pijp. Hij leeft evenwel niet enkel voor en in handelszaken; want hij is natuurlijk in eene sociëteiten ineen leesgezelschap. Beide staan op denzelfden trap in zijne achting: flesch en pijp en boek en gesprek, het zijn alles geene zaken, 't is t jdpasseering. Zoo beschouwt hij dan ook de litteratuur en drukpers geheel als vak van negotie: de schrijver levert, de lezer betaalt, daarmede is alles geliquideerd; alleen heeft de lezer zich over een' kwaden koop te beklagen, als hij zich niet geamuseerd heeft; maar is het boek goed, wat zal hij er veel aan prijzen? 't was immers wèl betaald? â In de sociëteit des avonds, zoowel als des morgens bij de courant, is hij een staatkundige, zooals alle Hollanders dat zijn. Hij beslist over het lot van Turkije en van Spanje; hij verzet zich hevig tegen elke nieuwe belasting; maar eindigt met ze te betalen, en hij is een doodvijand van omwentelingen, van de Franschen met hunne regie en van alle belasting-op de koffie en de tabak.
quot;Wat zijn lichaam betreft, oom Jan geniet doorgaans eene vaste gezondheid. Hij erkent dan ook slechts twee mensche-lijke kwalen: gevatte koude en verstoppingen; en de twee geduchtste wapenen hiertegen, de camille en vlier en de rhabarber, maken zijne geheele huis-apotheek uit. Alle ernstige ziekten ontstaan, zijns inziens, daaruit, dat deze
280
HET BEZOEK.
middelen verzuimd of te laat gebruikt worden. Andere, vooral slepende kwalen, zijn in zijn oog nieuwigheden, ketterijen, schandelijke inkruipsels. De tering zou hij alleen nog als eene landziekte willen erkennen, schoon ze veel uit het knij zen en uit hypochondrie voortkomt; maar zenuwziekten zijn een bederf van onze goede oude Hollandsche zeden, eene Parijsche mode, hier tot onze schande ingevoerd.
En zijn godsdienst? Die bestaat in een' diepen eerbied voor den bijbel en in een eerlijk, menschlievend levensgedrag. Hij neemt de Hervormde godsdienstleer met hart en ziel, als de eenig ware, aan, en hetgeen waar is, zegt hij, behoeft men niet op nieuw te onderzoeken, of het waar is. De Roomschgezinden noemt hij Jezuïten, de Afgescheidenen Scholtianen en muiters, de Remonstranten vrijdenkers, en de Joden smousen en gauwdieven. Dat alles staat zoo vast bij hem, als dat tweemaal twee vier is.
Eindelijk, oom Jan is geheel stedeling. De dampkring, waarin hij adem haalt, (een'enkelen dag in het jaar uitgezonderd, dien hij bij mij doorbrengt) strekt zich uit van het Nieuiue-iverk tot de Plantage, en van de Heul tot de Boompjes. De stadsstraten zijn zijn levensweg; de Maas is voor hem de stroom des tijds, en de boomen op de havens de beelden der jaargetijden. Aan dit alles heeft hij genoeg en gaat dan ook alleen in den tabakshandel, in het couran-tennieuws of in de boeken van zijn leesgezelschap met de gedachten verder. Iemand, die reist zonder noodzaak, is in zijn oog een onvergenoegd mensch, die tehuis geen rust, misschien wel eene kwade conscientie heeft, en het buitenleven schijnt hem het ware element voor boeren en voor koeien: wat hem zeiven aangaat, hij is overtuigd, dat hij er binnen drie maanden of stellig in den eersten winter de tering zetten zou.
Zooverre het portret, nu volgt het origineel.
Donderdag morgen zit ik te acht uren aan het ontbijt, dat als ter smokkel gebruikt en haastig weggeruimd wordt.
281
HET BEZOEK.
Daarna heb ik gedurig, hoe ik ook aan iets anders zoek te denken of iets anders te doen, mijn oog onafgewend op den schoonen, slingerenden dijk met zijn prachtig geboomte, dat sieraad onzer vruchtbare landouwen. Tegen tien uren zie ik van verre een rijtuig: dat zullen ze zeker zijn! Mijne vrouw spant al de scherpte harer oogen in om het toch recht goed te onderscheiden; kleine Bram vertelt met veel wijsheid hoe hij zeggen zal; âdag oom!quot; en Mina vraagt, zoo goed en kwaad zij kan: âbrengt tante koek mee?quot;
Daar houdt de char-a-banc voor het hekje van de pastorij stil. Oom heeft een' zakdoek in de hand om zich het zweet af te wisschen, en tante een reticuul enz. enz. Ãén,â twee, â drie, â vier, â vijf, â nu zijn al de kinderen ontpakt , en de verdere pakkage volgt: fourage en ballast, of 't voor acht dagen was. Wat of die menschen toch al medebrengen ? Ik weet het reeds. Daar komt oom aan met een grooten zak tabak, dien hij bij zijne bezoeken nooit vergeet. Had hij zooveel kinderen niet, hij deed zeker nog veel meer, zoo hartelijk duwt hij mij al vast den zak in den arm: âdaar, jongen; zoolang je nog rookt, verdient de dokter niet veel aan je.quot; â Tante, hoewel blakende en hijgende, blijft nog de laatste in het rijtuig, om eerst voorzichtig een' tulband' uit te pakken, en daarna een paar flesschen wijn, en dan âde afleggers, die nicht buiten nog wel gebruiken kan.quot; En ondertusschen is oom ook nog niet binnengekomen; maar berekent nauwkeurig met den voerman wanneer hij weêr voor zal komen, âom vooral niet in den donker te rijden.quot; â Eindelijk komt alles te zitten.
Daar is ons gezin dan op eens meer dan verdubbeld, kinderen met kinderen en menschen met menschen vermeerderd. In deze classificatie was evenwel een bezwaar, dat in mijn gezin nog niet bestaat. Mijn neef en naamgenoot Willem is nu vijftien jaren oud en dus in een' las-tigen leeftijd; een rechte middelslag, een hors d'oeuvre of
282
HET BEZOEK.
op zijn Hollandsch een onding, overal. Zet hem op een kinderspeelpartij: â zijn opgeschoten persoon steekt boven allen uit, en daar hij zich schaamt om als een jongen te spelen, doet hij alles links. Vraag hem op een pijpje: â hij is een kind onder de mannen. Hij huppelt niet meer, en heeft toch nog geen' vasten gang; hij babbelt niet meer, en spreekt toch öf te veel öf te weinig; hij snoept niet meer, en hij rookt nog niet met smaak; kortom, hij staat in het portaal, tusschen de kleine en de groote komedie der wereld, zijne rol te leeren. Wij zullen hem dan maar met de grooten mede tellen om hem niet te vernederen; heeft hij eens een' stoel en een pijp, laat hem dan zelf overleggen in welke hand hij de pijp houden wil en welk been hij over het andere wil slaan. â Nicht Jansje (zij is een jaar jonger; maar meisjes verbeelden vroeger groote men-schen) zat omtrent in soortgelijke bezwaren tusschen mijne tante en mijne vrouw. De drie jongste neefjes en nichtjes hadden zich spoedig met mijne twee oudste kinderen oerhroederd (zoo als de Franschen zeggen) en waren den tuin ingegaan.
Mijne vrouw stelde voor om in den koepel koffie te drinken: âhet gezicht was daar zoo ruim en zoo vroolijk.quot; Dat wilde zeggen voor iemand, die de taal onzer huismoeders verstaat, dat wij haar in den weg zaten bij de toebereidselen voor den maaltijd, die eene Hollandsche vrouw even zorgvuldig voor hare gasten bedekt, als een generaal zijne slagorde voor den vijand en een acteur zijne garderobe en zijne losse schermen voor het publiek.
Wij zijn dan naar den koepel verhuisd. Oom Jan zit en rookt. âWel Willem, wel jongen! je ziet er toch smal uit. Zeker hebt ge mot de Maartsche buien hier buiten al vr' wat koü opgedaan; en daar komt die koorts van, als niet uitzweet. Nu, hou je maar goed en zet dat he zijn uit het hoofd. Het zou toch recht jammer je hier aan 't sukkelen raakte: zoo altijd zom'
283
HET BEZOEK.
onder die lompe boeren! En dan, aan zoo'n dorpslapper kunt ge uw corpus ook niet best wagen.quot; â Ik vergenoegde mij met van Pierre duMeaux, die mij uitmuntend en hartelijk behandeld had, te zeggen, dat onze chirurgijn nog al bijzonder wel schikte. Ik wist toch, dat dit de hoogst mogelijke lof was, dien ooit een plattelands-heelmeester bij oom verwerven kon; aan het bestaan van een' dorps-chi-rurgij n, wien men zich even goed vertrouwen kon als aan een' stads-doctor, kon hij onmogelijk gelooven. De lompe hoeren liet ik voor hetgeen zij waren. Want, nadat ik in vroeger jaren menige onaangename schermutseling, zonder eenige vrucht, met oom Jan gehad, ja somtijds bijna zijne vriendschap verbeurd heb, is mijne taktiek met hem geworden: op onzijdigen grond te handelen, mijn terrein gedekt te houden en het zijne niet aan te vallen; en ik kan aan alle menschen, die met lieden van vaste, onverzettelijke principes te doen hebben, deze taktiek als beproefd aanbevelen ; ja, ik beschouw ze bijna als plicht omtrent meer bejaarden , wanneer die vaste principes hen niet verhinderen om achtenswaardige menschen en oprechte christenen te zijn. Wij verbeteren hen niet wanneer wij naar hunne geliefde stokpaarden vijandig de hand uitstrekken.
Neef Willem en ik hadden, onder deze redeneering van oom, al meer dan eens door de glazen deur in den tuin gekeken naar de spelen der kinderen: neef met een' kwalijk bedwongen' lach om hunne kluchtige sprongen en met heimelijken lust om nog eens mede te spelen, en ik,â ach! ik hield mijn hart vast. O, mijne randen! gisteren heeft mijn tuinman nog den ganschen dag gewerkt om ze netjes af te steken en bij te boeten. En was het dat nog maar alleen! Maar ziet, daar gaat het waarlijk dwars door
mijne tulpen heen!..... Ja, lezer! zij spelen krijgertje en
de vervolgde weet even goed als mijn doove meid, zonder 'e les in de mathesis, âdat de rechte lijn de kortsteaf-'8 tusschen twee puntenquot;; doch deze onderwerpt zich
28-4
HET BEZOEK.
toch nog, op eene enkele uitzondering ter-sluik na, aan
de regelen van het Engelsch plantsoen ; maar de neefjes____
Neen, het is niet langer uit te staan. En ziedaar den kleinen Bram ook al, en Mina slepen ze bij de hand door struiken en perken heen. 't Is alsof mijne eigene kinderen ook dol en uitgelaten zijn!
Dat was niet om aan te zien. Ik stond dan op en sloeg eene wandeling voor. De voorslag werd aangenomen. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik om aan de verwoesting tenminste eenigszins paal en perk te stellen. Ik nam den schij n aan, â 't was maar half oprecht! â van mij n kindermeisje van alles de schuld te geven. Oom begreep, dat dit huisvaderlijke zaken waren, die hem niet aangingen, en zag ondertusschen naar de lucht, in vreeze, dat het niet droog zou blijven, ofschoon er niet anders dan witte wolkjes te zien waren, die van zijn pijp uitgezonderd. Maar tante vatte, met de gewone vrouwelijke schranderheid, mijne bedoeling, verbood de neefjes en nichtje om buiten de paden te gaan, en zeide: âja, neef, ze zijn wat wild als ze een enkele maal buiten zijn. Ge moogt morgen-ochtend den tuinman alles wel eens laten opharken.quot;
Opharken, was het daarmede maar te doen!
Oom begon te verhalen van zijn' lieven tuin aan den Binnenweg, dien hij had gehuurd voor de gezondheid van Willem en Jansje, toen ze nog klein waren, en waar hij menige gezellige flesch met zijne vrienden gedronken had; maar die hem juist daardoor âwat hoog op stok liepquot;.
Ik nam de vrijheid om aan te merken, dat de natuur er in 't klein verkocht wordt, ieder vruchtboompje verhuurd en de aardbei-planten geteld op de inventaris, en dat ook het uitzicht meestal in smalle reepjes afgflcnipt en onder veel buren nauwkeurig verdeeld is.
Tante roemde dan ook het vrije buitenleven zooals wij het genoten, althans in den zomer: â't is voor de kinderen zoo gemakkelijk on zoo gezond, en men heeft buiten
285
HET BEZOEK.
alles zoo versch en voor niet uit zijn' eigen' tuin, wat men in de stad duur betalen moet.quot; â âVoor niet!quot; dacht ik en zuchtte; want de tuin zou deze week niet voorniet mijn eigendom wezen!
Wij waren genaderd tot de schutting, met leiboomen beplant, terwijl de vrouwen nog eens naar hare kinderen gingen zien. Juist was ik bezig met oom en neef te wijzen hoeveel iedere abrikoos en perzik beloofde; maar opziende bemerkte ik, dat oom met zijn' rug er naar toe stond, en neef Willem, denkende, dat hij niet bespied werd, een afgevallen appeltje opraapte om er de spelende kinderen mede te gooien.
Wij wandelden verderop. Wat treurige verwoestingen! Door zwakte gevoeliger dan anders, weende ik bijna van spijt bij het gezicht van mijne plat getrapte riddersporen. Een weinig verder ziet mijn roode Meiboom er uit als een vogel, wien door den meèdoogenloozen sperwer deveeren zijn van 't lijf gescheurd. Tante zelve heeft de schaar met den zilveren ketting uitgehaald om een'ruiker te plukken, en nicht Jansje vlecht bloemenkransen en roemt op een' sentimenteelen toon het zalig genot van de schoonheden der natuur____O, mij!
Oom heeft nu tweemalen den tuin rond gewandeld en vindt dit al wel genoeg. âHoe is het nichtje, zouden wij geen koffie drinken? Want als liet schikken kon, wilde ik niet gaarne te laat eten: wij zijn vroeg op geweest en moeten voor den donker ook weder tehuis zijn.quot;
Mijne vrouw verzekerde oom , dat hij haar âde woorden uit den mond namquot;, en wij gingen weder naar den koepel, gelukkig vergezeld door den kleinen stoet, die op moeders reticuul vlaste en tenminste etende en drinkende minder kwaad zou doen.
Zoodra de kinderen, ook die van mij, rijkelijk het hunne ontvangen hadden, hunkerden zij weder, nog met de handen vol koekjes, om de enge ruimte te verlaten. Ook ik
286
HET BEZOEK.
begon er naar te verlangen; want het schemerde mij voor de oogen en ruischte mij als een najaarsstorm in de ooren en ik moest ditmaal den tuin aan mijn hoofd opofferen.
Nu was eerst weder een geregeld gesprek mogelijk. Nicht Jansje, die eene roos onder den neus hield en tus-schenbeide de oogen naar den hemel, of liever naar de zoldering van mijn koepeltje sloeg, bracht het weder op âde namelooze zaligheden van het buitenlevenquot;.
Oom Jan deed nog eens een' zwaren' haal, â wat hij altijd doet als hij iets gewichtigs zeggen zal, opdat onder-tusschen zijne pijp niet zou uitgaan, - en sprak toen: âja, ja! zoo in den zomer mag ik gaarne een' dag ljuiten wezen en ik kan niet anders zeggen, dan dat ik mij vandaag recht goed amuseer; maar op den duur zou het mij al spoedig vervelen. Ik zie toch gaarne iets meer passeeren dan boeren, die naar de markt, en mestwagens, die naar het land gaan. En dan 's winters op het ellendig slijk en dat kale land te kijken, zonder menschen, zonder aanspraak!.... Hoor eens, quot;Willem! 't is jammer van je. Waarachtig! 't Is nu al vijfjaar, â is het niet? Ja man, ieder zijne vrijheid; maar ik ben nog een weinig knorrig op u; ik had er ook mede mijn best in gedaan; gij hadt verleden jaar het beroep moeten aannemen en niet denken: âdaar zal wel beter komen.quot; 't Kon u zoodoende wel eens gaan evenals de meisjes, die al te preutsch zijn: 't worden oude vrijsters, en ieder lacht ze uit. Maar zie maar zoo effen niet. Ik geef den moed nog niet op. Ik heb door mijn' handel hier en daar nog al goede kanalen om voor je te werken; want ieder mensch heeft toch een kruiwagen noodig____quot;
Ja, ik zag effen! Want, hoe hartelijk ook gemeend, deze woorden griefden mij. Wat slooft gij u uit, goede man? En zou dan de mensch waarlijk niet gelukkig kunnen wezen, buiten dien woeligen maalstroom van menschen?
287
HET BEZOEK.
Vinden niet mijne Cornelia en ik hier bezigheid en genoegen in overvloed, voor een geheel menschenleven ? Waarlijk! als men ons zoo beklaagt en de jaren ons voortelt, die wij onverdiend op onze eerste plaats doorbrengen, â deze eer, die men ons aandoet, is eene scherpe satire, eene treffende verguizing van onzen stand. Moet dan onze waarde, zoowel als ons levensgeluk, altijd worden afgemeten naar de berichten der Boekzaal en naar het Predikant te â achter onzen naam ?
Ieder heeft een' kruiwagen noodig; â goed, indien het is om goede waar te brengen en bekend te maken, waar die vergeten werd; maar wanneer het geschiedt om vooruit te dringen hem, die zelf niet anders dan kruipen kan, om langs slinksche wegen ongewilde en ongeschikte waar in te smokkelen, dan moogt gij, die kruit, en gij, die u kruien laat, en zij, die den kruiwagen binnenhalen, het allen te zamen voor den Heer der gemeente verantwoorden.
En wanneer wij dan nu door ongevergde bemoeizucht geroepen worden daar, waar men ons niet begeert en niet behoeft, terwijl tehuis dringende bezigheden ons roepen en wij daarom liever blijven waar wij zijn, zooals verleden jaar met mij het geval was; â hoe zullen wij er de wereld, die alleen wegen en meten, optellen en aftrekken geleerd heeft, begrip en gevoel van geven?
âEn wat antwoordde oom?quot; - Wel, ik zeideoomvan dat alles niets. Ik zeide alleen: âmet den tijd, oom! komt ieder, waar hij wezen moet, en voor het tegenwoordige is het al wel, zooals het is.quot;
âNu ja, Willem,quot; sprak de goede man op zijn' gewonen goedhartigen toon, waarin geen zweem van misnoegen over het afgewezen beroep meer te onderkennen was, âik weet, dat gij u nog al schikken kunt, en dat is ook maar het beste in alle wereldsche zaken.quot;
Ondertusschen had mijne Cornelia al met een' schalk-schen blik oom Jan aangezien, en waarlijk! eer zij mijnen
288
HET BEZOEK.
wenk begreep of misschien wilde begrijpen, had zij zich laten ontglippen: âen indien oom eens wist â!quot;
Vergeefs was het nu, dat ik Jiierover heen wilde praten en het als een woord zonder zin of doel doen voorkomen; tante had in de trekken mijner vrouw teveel gelezen; het hooge woord moest er uit.
De zaak was, dat ik even vóór mijne ziekte hoorders, en nog wel stadshoorders had gehad, dat deze vacature nog niet vervuld was en men zeide, dat daar nog ernstig over mij gedacht werd. Ik beefde bij het denkbeeld, dat oom, na het vernemen dezer blijde tijding, daar ook toerken zou, en daar het verhaal nu toch niet kon achterblijven, voegde ik er bij, dat het zaak was om dit geheim te houden, daar ontijdige inwerking, vooral van familie-wege, mij waarschijnlijk alle kans benemen zou.
Op dit oogenblik kwam de meid mijne vrouw roepen, en een oogenblik daarna mijne vrouw ons allen.
Terwijl wij ons tot den maaltijd naar huis begeven, daar zie ik waarlijk de jongens doende bij een kaal gegeten aardbeziënbed. Rijp noch groen is gespaard. Cornelia had met zorg een schaaltje voor den middag geplukt, en al, wat niet overrijp was, voor mij laten staan. Doch nu is mijne liefste verkwikking mij op eens en voorgoed ontnomen; want kinderen zijn als ratten en muizen: zij verwoesten nog meer dan zij opeten. En wat durf ik er nog eens van zeggen? Juist plukt tante er een paar, die het scherpe oog der kleinen nog ontgaan zijn, en zegt: âneef, wat is het toch pleizierig om de vruchten zoo versch te hebben!quot;
Van het eten zal ik niets zeggen. Ik zou daarbij moeten spreken van den goeden smaak mijner vrouw in het aanrichten en mijner familie in het opruimen van de tafel, â en hoe tante zeide, terwijl zij het beste vleesch van het paterstuk afsneed en ons de beenen overliet: âwat graagt toch de buitenlucht!quot; Maar dit en meer dergelijks kan de
289
19
HET BEZOEK.
lezer zich gemakkelijk voorstellen; de tafelgesprekken zijn sinds Plato's tijd veel in gehalte afgenomen, en ik kan ook niet zeggen, dat ik eene wijsgeerige opmerking verwacht van iemand, die juist een boutje afkluift, of godsdienstige bemoediging uit den mond, die eerst met een servet moet worden afgedroogd, altijd behoudens de uitzonderingen, en deze zijn misschien het zeldzaamst bij onze goede, door en door Hollandsche burgerklasse, die gaarneT waar zij geniet, ook enkel geniet.
Ik was moê, zeer moe, en Cornelia, die het bemerkter zeide: âzoudt gij niet wat gaan rusten, Willem?quot;
âJa, daar zegt gij zoowat,quot; viel oom in, eer ik nog kon antwoorden: âkom, neef! gij een hoekje daar en ik hier, en de flesch tusschen ons op de tafel; dan zult gij wel uitrusten. Ik ben toch ook, als een oud-Hollander, een dutje gewoon; 't is goed voor de spijsvertering.quot;
Hoe gaarne had ik voor het hoekje daar bedankt en ware naar mijne kamer gegaan om tenminste een uurtje het hoofd neder te leggen op mijn' Trommius, door de oude studenten-pijekker bedekt! En nu moest ik mij nog laten overreden, dat een glas wijn na het eten gezond is, terwijl mijn arm hoofd reeds zonder dat duizelde!
Uit vermoeidheid evenwel, en aangemoedigd door het snurken van mijn' overbuurman, zou ik eindelijk in sluimer zijn gevallen, indien niet juist een vreeselijk nood-gCoChrei mij verschrikt had doen opspringen. Ik stond bedwelmd en beefde over al mijne leden; oom Jan wreef zich gapende de oogen uit; de vrouwen, die het bovenhuis geïnspecteerd hadden om ons rust te laten, snelden haastig de trap af; en onder eene vreeselijke disharmonie van klagen, schreeuwen en verhalen, stoof de kindertroep in huis, evenals kiekens, die, door sperwer of bunsing verschrikt, naar de klokhen vluchten. Op het gezicht van bloed werd het alarm nog grooter. Oom knorde over de wildheid der tegenwoordige jeugd, mijne vrouw smeerde
290
HET BEZOEK.
en verbond, tante weende en troostte, en ik knorde en verbond en troostte al mijn best mede.
Al dit alarm liep echter nog al vrijwel af. De schrik was grooter dan het ongeluk. De jongens hadden twist gekregen over hunne, of liever over mijne bloemen, en de een had den ander omvergeworpen, zoodat hij met het hoofd tegen een' steenen muur was gevallen en de andere kinderen niets meer of minder dachten dan dat er een moord was begaan. Daar evenwel de wond niet diep was bedaarde binnen het half uur alles in zooverre, dat er aanstalten konden worden gemaakt om in den koepel thee te drinken.
Voor dit laatste tempo was het grové geschut bewaard. Xadat oom met zijne gewone goedhartigheid mij menigen goeden raad had medegedeeld, waarvan de hoofdinhoud was: âopgeruimd zijn en weinig studeeren, goed eten en drinken, en dan â nog iets,quot; tastte tante in den zak. Wij wisten bij dit manuaal al wat er te wachten was. Daar ontwikkelden zich uit de plooien van rokken en japon, evenals een kieken uit het ei uitbreekt of de kapel zich ontworstelt aan het omkleedsel der pop, degroote, groene almanak, dik gegeten aan recepten, vet van al't gebraad, kaal gesleten van veeljarige keukenzorg. Toen de band werd losgemaakt sprong hij open, als de mond eens babbelaars. Uit dien mond kwamen allerlei recepten voor d'en dag: van bouillon, van hartshoorn, van een half dozijn sago-preparaten, enz., enz., alles uitnemend geschikt, zooals tante verzekerde, âom een zwak mensch wat op te timmeren.quot; Mijne vrouw nam ze in dank aan en ik bewonderde met oom de hand, die ze gecopiëerd had, zoo luide, dat neef Willem zijne pijp brak en zijn kopje liet vallen.
En hiermede zijn de merkwaardigheden van rlp^-afgeloopen; want oom is een man van de klol als gezegd is, rijdt niet gaarne in den donker.
291
HET BEZOEK.
Alles werd dus weldra weder ingepakt; alleen was de wagen ontlast van den tulband, de twee flesschen wijn, de koekjes, den zak tabak, de afleggers en de recepten. Daarna ânog een glaasje op den valreepquot;; toen werd er in het rond gekust; â maar laat ik maar niet verder verhalen; ieder Hollander kent toch een familie-afscheid.
Vrijdag lag ik in eene stille, donkere kamer. Du Meaux stond met een gefronst voorhoofd voor mijn bed en Cornelia gaf mij met een bezorgd gelaat op het horloge mijn valeriaan-drankje in.
Nu is het weèr Dinsdag en ik zit weer in mijn' koepel. Indien ik niet weder word opgebeurd en geen' goeden raad meer ontvang, hoop ik aanstaanden Zondag voor mijne gemeente op te treden.
292
XIX.
ONVERWACHT BESLUIT.
Rotterdam, 20 Sept. 1843.
Beste vriend Altorf!
Ja, dat hadt gij niet gedacht, toen ik mijn laatste Schetsen u ter lezing zond, dat ik u eenige weken later uit Botterdam schrijven zou, en wel op eene boven-boven-kamer bij oom Jan, waar onze kleederen, papieren en allernoodigste meubelen zijn opeen en dooreen geworpen, als op een erfhuis; waar mijne Cornelia hijgt en blaast van vermoeidheid en benauwdheid en kleine Bram mij vraagt: âva! wonen alle menschen hier in de lucht?quot;â Maar er heeft in den tijd, dien gij rustig en luchtig te Parijs doorbrengt, al zooveel gewoel en verandering in mijn' stillen levenskring plaats gehad, dat ik, zooveel ik mijne zinnen kan bijeen verzamelen, u alles eerst geregeld verhalen moet.
Het is u bekend, dat ik in Mei en Juni van dit jaar vrij ernstig ziek ben geweest. Eene historia morbi, zooals onze doctoren spreken, zal ik u niet geven. Het is al treurig genoeg om ziek te wezen; waarom zouden wij dan daarenboven met het verhaal van al die onaangename en onsmakelijke bijzonderheden onze vrienden kwellen? Liever wil ik dus op eene andere bij zonderheid terugkomen,
ONVERWACHT BESLUIT.
die het begin is en de oorsprong van zoovele andere: â hinc illae lacrymae!
Tot de belangrijkste epoques in het eenvoudig en eenvormig leven van den dorpspredikant behoort zeker een beroep. Een proponent wordt door het algemeen beschouwd als een sollicitant, die openlijk voor zijne zaak uitkomt; maar een jong' dorpspredikant stelt men gelijk met een jong meisje, dat te hartelijker naar eene declaratie verlangt, hoe meer zij betuigt, dat zij de gulden vrijheid boven alles liefheeft. Het is dus veiligst om hierover weinig te spreken, daar men toch voor des te begeeriger naar verandering gehouden wordt, hoe sterker men het tegendeel verzekert. Misschien is er hier, zooals meermalen, in het harde oordeel van het algemeen wel eenige waarheid.
Ik zou de gegeven' vergelijking zelfs nog verder kunnen voortzetten. Evenals een meisje haren tijd heeft, zoo ook wij. Als wij volgens de wet twee jaren op onze eerste plaatshebben doorgebracht, dan begint die tijd ; als wij daarop het elfde of op eene volgende plaats het zestiende jaar van onzen dienst zijn ingetreden, dan is die tijd zoo zachtjes aan afgeloopen. Op latere beroepen wordt geene rekening meer gemaakt; zij worden als zeldzaamheden op-geteekend met het huwelijk van eene vijftigjarige maagd en het sterven van een honderdjarigen grijsaard. Daarbij brengt nu de gewone loop der wereld mede, dat eene bedaagde maagd hare vorige minnaars nog eens op de vingers optelt of het ij dele en loszinnige der tegenwoordige vrijerij hekelt; â zou de vergelijking hier nog doorgaan?____
In den tijd van onzen bloei, de eerste jaren vooral, is de âpromotiequot; eene onuitputtelijke bron van gesprek voor alle belangstellende vrienden. Zij zouden het onkiesch vinden om tot eene maagd, die langzamerhand boven den tand raakt, te zeggen; âhet spijt mij, nichtje, dat niemand u nog gevraagd heeft;quot; maar met ons gebruiken zij dezelfde kieschheid zelden. Evenzeer is promotie in de
294
ONVERWACHT BESLUIT.
pastorij, zoowel als in de gemeente, het dikwijls besproken onderwerp. Wat de gemeente aangaat, door eene natuurlijke en onvoorzichtige openhartigheid bederft zij doorgaans hare eigene zaak. Zou zij gaarne eens van predikant veranderen, â door een overdreven-beklag wijd en zijd te doen hooren schrikt zij andere gemeenten af. Is zij daarentegen hoog met haren leeraar ingenomen, â zoo lokt zij ze uit door een' even overdreven' lof verre uit te bazuinen: de gevreesde pretendenten van haren geliefde, de hoorders, trekt zij aan, juist door ze te vreezen.
Misschien zal velen deze vergelijking, als te gemeen en prozaïsch voor zulk eene heilige zaak, slecht behagen; maar ik weet, dat het u, mijn vriend Altorf! te doen is om de menschen te leeren kennen, zoowel te Mastland als te Parijs. En de menschen zijn immers menschen, evenzeer in heilige als in aardsche dingen?
Om dan tot mijn eigen lotgeval te komen: reeds meer dan eens hadden de gevreesde hoorders onze kerkbezocht, en in het vorig jaar, gij weet het, was hunne komst door een beroep achtervolgd. Met welk een geheimzinnig gelaat kwam bij zulke gelegenheden de goede Herman Baljon het glas water op de pastorij halen en verzocht met brandend ongeduld om âeven, slechts evenquot; den Dominee te spreken; en dan lichtte hij beurtelings nu den eenen, dan den anderen voet van den grond en kneep de kin met een geheimzinnig lachje tusschen duim en wijsvinger en zeide of liever fluisterde: âer zal weder wat te doen wezen, dezen
morgen of middag......!quot; En als de goede gemeente met
hare gewone devotie statig en langzaam naar de kerkdeur stapte en het vreemde rijtuig zag, of in de kerk de gewichtige personen opmerkte, die langs de wanden en het gewelf der kerk hun oog lieten gaan, â waarlijk! er behoorde dan kracht van taal toe om haar bij eene bijbelplaats geheel en onverdeeld te bepalen, of liever: de krachtigste welsprekendheid schoot hier tók â . En bij het
295
ONVERWACHT BESLUIT.
uitgaan der kerk, hoevele gissingen omtrent de plaats, die deze hoorders had uitgezonden! Kon de kastelein maar iets vernemen! Wilde de vreemde voerman maar klappen f Kon men slechts op den volgenden marktdag de berichten van veerman en marktgangers aan eene of andere bekende vacature vastknoopen!
âEn gij nu?quot; zoo hoor ik u vragen, âbiecht eens gul op. Waart gij op zulke dagen op uw gemak?quot;
Ik aarzel geen oogenblik te antwoorden: âneen, gansch niet.quot; â Vraagt gij; âen waarom niet?quot; Ja, wat zal ik hierop zeggen? Ik geloof, dat zelden wij, menschen, door eene enkele aandoening of begeerte worden gedreven. Gelijk in de natuur de samenwerking van onderscheidene krachten den loop der dingen teweeg brengt, evenzoo is het in de menschelijke ziel: edele en onedele beginselen, liefde en eerzucht, godsvrucht en begeerlijkheid, en wat niet al! werken gewoonlijk te zamen om ons juist in zulk eene stemming te brengen, juist zoo te doen denken, spreken en handelen.
Op mijn gemak ben ik wanneer ik vervuld ben van eene heilige waarheid, mij goed heb kunnen voorbereiden om daarover te spreken en nu mijne gewone hoorders, mij hoelangs zoo meer eigen geworden, kalm en aandachtig vóór mij zie. Dan spreek ik even gemakkelijk als een huisvader in het midden zijner kinderen. Maar evenals een vreemd en statig bezoek den huiselijken kring breekt, zoo verstoren vreemde toehoorders de kalmte eener dorpskerk. Kan ik dan rekenen, vooral als ik met een bepaald doel gehoord word, dat ik alleen spreek om zondaren het Evangelie te prediken? Neen! ik treed op om mij te laten zien: postuur, houding, stand, gelaatstrekken, oogen en handen; ik spreek om mij te laten hoeren: stem en stijl en denkwijs. En al wil ik dit alles van mij zetten, al kon ik de natuurlijke behaagzucht ver-i vreemden anders doet zijn dan té
296
ONVERWACHT BESLUIT.
huis, al ware ik zelfs geheel vrij van die eerzucht, die ook den gelukkigsten mensch hooger en verderop jaagt,â kan ik dan nog op het gewone gehoor rekenen? â ïen slotte dus, ik heb eene buitengewone inspanning noodig om niet veel minder goed dan gewoonlijk te prediken, wanneer ik juist, naar den wensch mijner vrienden, het zoo bijzonder goed moest doen. En zouden niet die hoorders juist daardoor menigen nederigen, gemoedelijken man verkeerd hooren, omdat zij hem niet ongemerkt genoeg hooren, terwijl de vrijmoedige, eerzuchtige spreker daarentegen , door hunne tegenwoordigheid geprikkeld, zich boven zijn gewone sleur verheft?
Genoeg dan, de eerste buien waren, zonder Mastland te treffen, overgewaaid. Alleen het beroep, een vorig jaar op mij uitgebracht, had alle autoriteiten in beweging gebracht. Burgemeester en gemeentebestuur, kerkeraad, kerkbestuur en schoolmeester kwamen mij ex officia verzoeken om te blijven. Men bood mij nog eenige kleine voor-deelen aan. De heer Duifhuis was uitermate bedrijvig in de dagen van beraad. Baljon sprak nog met veel meer gesten dan anders, en Du Meaux toonde meer belangstelling in mijnen dienst, dan ik van hem gewacht had. De boerenstand echter, voor zooverre ze niet tot de hoogheden dei-plaats behoorden, en de mindere stand geheel-en-al, schenen den uitslag der onderhandelingen even leidzaam af te wachten als eene grensplaats in Limburg of Noord-Brabant de besluiten der Londensche conferentie. Om u de waarheid te zeggen, dat viel mij tegen. Ik had gewacht, datdege-heele gemeente in massa mijne pastorij zou bestormen, en nu kwam men alleen in qualiieit, op eenige weinige vrienden na. Waarlijk, dit had mij bijna doen gaan, en het was alleen omdat ik begreep, dat ik de algemeen begeerde man der roepende gemeente niet was, dat ik bedankte. Maai- nu zag ik, dat ik mijne gemeente miskend had. Ik had uiterlijke koelheid en stijfheid voor minachting van
297
ONVERWACHT BESLUIT.
mijn' persoon en dienst gehouden, en velen, die zich niet hadden durven aanmatigen om mij te bezoeken, vond ik naderhand hartelijk verblijd.
Maar ik wil in bijzonderheden niet uitwijden en ga verder. In de maand April van dit jaar bracht een rijtuig, dat op een' Zondag-morgen tusschen 8 en 9 uur Mastland binnenrolde, het geheele dorp weder in opschudding. Het was geen speelwagen, geen oudmodisch, burgemeesterlijk of notarieel voertuig, â neen! het was een rijtuig in optima forma, van buiten beschilderd en vernist, van binnen met zachte kussens en kleine tapijtjes voorzien, en beladen met zes heeren, drie dunne en drie dikke, waarvan de helft gebrild. Zij vroegen naar de herberg en hoe laat de kerk aanging. Het kon niet missen, het waren hoorders. Oogen-blikkelijk stroomde het aankomend geslacht van Mastland naar den wagen om dien te bewonderen; terstond vergaderde de beurs; boven alle gordijntjes uit verscheen een vrouwenhoofd en zelfs de onwrikbare bedaardheid van mejuffrouw Van der Zanden werd in zooverre verstoord, dat zij zich voor het raam liet zien,'nog met de zwarte ondermuts op, den keuvel in de hand en de gouden spelden in den mond.
Hoorders dus. Binnen vijf minuten reeds was het aan de toonbank van vrouw Wijsland beslist, dat de drie dikke heeren ouderlingen waren en de drie dunne diakenen, dat zij mogelijk van een aanzienlijk dorp kwamen; maar hoogst waarschijnlijk van eene stad. De quantitelt slijk aan de wielen scheen te wijzen naar een zeker bekend veer. Maar aan gene zijde der rivier dan? Ja, daar verloor men alle spoor, en een paar gissingen, ik meen van Den Haag en Amsterdam, waren spoedig door de wereldkennis van den heer Duifhuis als onhoudbaar ten toon gesteld. Job Wijs-land werd nu op verkenning uitgezonden. Maar vergeefs zocht men den voerman door een' borrel of de heeren door een vriendelijk praatje te winnen. In hooge quali-
298
ONVERWACHT BESLUIT.
teit geplaatst, weet een heer zijn incognito beter te bewaren dan een boer, die alleen in boerenzaken uitmuntend veinzen kan.
Om u de waarheid te zeggen, toen de goede Herman aan de bel der pastorij de sidderende beweging van zijne hand mededeelde, begreep ik reeds de geheele zaak. Ik wist, dat in het stadje X het annus gratiae voor eene weduwe werd waargenomen. Al te gedienstige vrienden hadden mij reeds lang gevleid, dat ik daar zeer in aanmerking kwam, en ik was zelfs van terzijde gewaarschuwd om de laatste Zondagen van April en de eerste van Mei op mijne hoede te zijn. Mijn eerste gevoel was dus eene aangename gewaarwording: dit hinderlijk afwachten zou nu eindelijk ophouden.
âEn wat treft het goed!quot; riep Cornelia uit; âjuist zulk een fraaie stof, en alles geschrevenen gememoriseerd!quot; â Zij had gelijk, vooral met het laatste: nu wist ik tenminste, dat de komst der vreemden niets in mijne rede zou veranderen.
Ik preekte. De zes heeren verstrooiden zich volgens afspraak door het kleine kerkje en twee diakenen met brillen op ontzagen zich zelfs niet om achter-af te gaan zitten, midden onder de hoeren! Meester Baljon bediende de overigen van kussen en bijbel, even vriendelijk en even treurig als eene moeder den kapitein bedient, die haren eenigen zoon mede naar zee nemen zal.
Het gelukte mij door eene krachtige inspanning om de vreemden te vergeten en alleen eene christelijke gemeente voor mij te zien. Mijn gebed op de trappen van den predikstoel was ditmaal waarlijk en in vollen nadruk een gebed geweest. De kerk ging uit en de heeren voldeden alleen aan de rekening van den kastelein en niet aan zijne vragen, zoodat hij tusschen de tanden mompelde: âhad ik kunnen weten, dat ze zoo grootsch en lomp zouden zijn, zoo waar! ik had twee kwartjes meer gerek
299
ONVERWACHT BESLUIT.
Mijne ziekte, die kort daarop inviel, gaf eenige afleiding aan het gedurig uitzien naar nader tijding van X. -Door onderscheidene combinaties en onuitputtelijk geduld was n.1. vrouw Wijsland eindelijk achter den naam gekomen. â Waar de dood zich laat zien, al is het maar van verre, stuit hij op eens de gesprekken, berekeningen en plannen der menschen. Evenwel, zooals altijd bij het binnentreden van een' ongenooden gast, men onthoudt waar het spel gebleven is, om het straks weèr met nieuwen lust voort te zetten. â Zoo verklaarde nauwelijks Pierre du Meaux het gevaar geweken, of de vakante plaats was weder het algemeen onderwerp der gesprekken. De meesten meenden, dat het te lang duurde; maar Duifhuis bewees met bondige redenen, dat het jaar voor eene predikants-weduwe, juist omdat het een jaar was, lang duren moest, en Van der Zanden hechtte aan dit oordeel zijn burgemeesterlijk zegel.
Het bezoek van mijn' goeden oom Jan cum suis was doorgestaan en ik sprak weder voor de eerste maal tot mijne gemeente. Ik kan volmondig zeggen, dat ik volstrekt niet aan vacaturen of hoorders dacht. Het was mij als eene nieuwe intrede. Ik keerde immers van den oever des grafs en den aanblik op de eeuwigheid terug om nog weder over graf en eeuwigheid te spreken. Ik sprak met diepe aandoening, en als de oude spreuk doorgaat: Pectus est, quod disertos facit, dan sprak ik goed. Naar de woorden des Heilands over Lazarus: âdeze krankheid is niet tot den dood, maar tot verheerlijking van God!quot; wees ik mijne gemeente op de vele heilrijke vruchten der ziekte, zoo zij den mensch niet naar het graf, maar in het leven terugvoert. Wie kon daarbij letten op die twee vreemden, die één voor één het dorp waren komen opwandelen en die, nadat de kerk reeds was aangegaan, zoo stil mogelijk in de losse banken geslopen waren? Gelijk ik later vernam, waren het twee der vorige hoorders, die vreesden, dat zij toen eene vooraf bestelde rede gehoord hadden en die mij nu eens
300
ONVERWACHT BESLUIT.
geheel in het negligé van mijn' gewonen werkkring zien en hooren wilden. Zij waren echter het gluipend oog van onzen kastelein niet ontgaan en weldra ook door anderen opgemerkt. Van nu af stond mijn vertrek bij de groote menigte vast; alleen nog de datum vereischte nadere bepaling.
En indedaad! de algemeene verwachting werd ditmaal door de uitkomst gerechtvaardigd. Het was echter nu geen achtbare schoolmeester, die met het noodige getal buigingen mij het beroep in folio overreikte; het was onze oude postbode, wiens gelaat nog nooit de tijding getee-kend had, die hij overbracht. Ik zat juist weder in mijn' koepel, en mijne Cornelia verloor nu zelve alle achting voor mijne slingerpaden uit het oog om mij maar spoedig het breed gevouwen pakket in de hand te duwen met de woorden: âhaastig wat! 't Is zeker een beroep, Willem!quot;
âEn verlangt gij daar dan zoo naar?quot; vroeg ik, terwijl ik de cachetten en postmerken nazag, iets wat ik nog nooit, bij mijn weten, heb nagelaten.
Maar nu, hoe zachtzinnig anders mijn beste wederhelft is, zou ik het met haar te kwaad gekregen hebben, indien ik niet spoedig het zegel gebroken had. Ja waarlijk! het was een beroepbrief in forma, met de begeleidende missive en bijzondere brieven tot aandrang: alles bijeen â voor twaalf stuivers port.
Maar nu in vollen ernst, Altorf, wat is een mensch toch een zonderling wezen! Evenals een koortszieke, liggen wij altijd in onze gedachte beter op eene andere zijde. Hoe kalm en vreedzaam gaan de dagen van een' dorpspredikant daarheen! Nog kan ik er niet dan met tranen aan denken. En toch ben ik vast overtuigd, dat niet één onzer den wensch altijd kan onderdrukken om toch ook eens beroepen te worden, al rekent zijn verstand hem voor, dat hij daarbij voor zijn wezenlijk geluk wel verliezen, maar moeielijk winnen kan. Ook bij mij, ik wil het voor u niet verzwijgen, sluimerde deze wensch van den
301
ONVERWACHT BESLUIT.
beginne af op den bodem van mijn hart. Het was geene ontevredenheid; neen! ik gevoelde mij gelukkig en zag vele kansen tegen ééne, dat mijn geluk bij eene verandering zou schade lij den; maar het was die ingeschapen onrust, die ons allen van de kinderjaren tot het graf voortzweept; het was daarbij een overblijfsel van bestredene eerzucht, die mij gedurig influisterde: âwaarom zoudt gij alleen op den laagsten trap blijven en die en die en die stijgen al hooger en hooger?quot; â Misschien ook kwam hierbij de geoorloofde zucht om den kring van mijn onderwijs en mijne christelijke toespraak ook tot meer beschaafden uit te breiden en den laatsten tijd eenige geldelijke bezwaren. Wat ook hiervan zij: ik wenschte, meer dan ik wilde wen-schen, en â mijn wensch werd vervuld.
En toen? â Ja, toen werd ik voor mijn vermetel wen-schen gestraft. O, ik heb nimmer zoo levendig ingezien met wat vaderlijke, bijna schreef ik moederlijke liefde de Voorzienigheid voor hare kinderen kiest. Aan ons lot moeten wij ons onderwerpen; maar keus geeft angst, weifeling, verantwoording. Ik wensch nooit meer (voor zoover ik voor mijne wenschen kan instaan) die veertien dagen van beraad na mijn eerste beroep terug. Zoodra ik het vóór en tegen overwogen had, meende ik te kunnen beslissen; maar ik was evenals de kinderen met St. Nikolaas: als ik het eene in de hand had, betreurde ik het gemis van het andere en telkens lachte mij het meest aan dat, wat ik juist niet gekozen had; mijne kennis van zaken werd niet grooter en mijn geest doffer, en na een overwijs beraad vreesde ik nog temeer, dat ik nu eens recht dwaas had gedaan. Gelukkig kwamen er, na tien onrustige dagen en slapelooze nachten, nadere tijdingen in, die het bedanken voor mij tot eene gewetenszaak maakten. Ik bleef, en het berouwde mij niet.
Do tweede maal was de keus minder bezwaarlijk, ofschoon de tijd van beraad weinig minder onaangenaam was.
302
ONVERWACHT BESLUIT.
Hoezeer mijne gehechtheid aan Mastland in het laatste jaar nog was toegenomen, kon ik mij zeiven toch niet ontveinzen, dat ik mij waarschijnlijk een nieuw bedanken later beklagen zou. Ieder mensch doorloopt, ook in zijn wen-schen en zorgen, eenige vaste tijdvakken en denkt later, zooals hij vroeger gemeend had nooit te zullen denken. Nog was ik aan het buitenleven en aan mijne eenvoudige gemeente innig gehecht. Ik voelde dit zelfs meer dan ooit. Maar ik stelde mij toch meer dan vroeger de bezwaren voor van altijd buiten en op eene eerste plaats te blijven. Ik vreesde, dat de veerkracht van mijnen geest zou verlammen, zonder afwisseling en uitbreiding van werkkring, en ik wellicht worden zou gelijk velen, vroeger te onbillijk door mij veroordeeld. Maar vooral mocht ik niet aarzelen als ik op mijn huisgezin zag. Zou ik de dagelijksche kwellingen van een bekrompen bestaan altijd kunnen verduren? Zou ik mijne kinderen kunnen vergoeden wat Meester Baljon ze niet geven kon? Zou ik naderhand voor hunne plaatsing in de maatschappij kunnen zorg dragen? Deze en andere bezwaren, die mij nooit gedrukt hadden, zoolang ze onvermijdelijk waren, kwamen mij nu levendig voor den geest, en ik besliste, schoon meer uit overtuiging, dan uit begeerte.
Dit had ik tenminste voor, dat mijn besluit voor de gemeente geene teleurstelling was. Men zou nog meer verwonderd dan verheugd zijn geweest wanneer ik anders gekozen had. Vaneen dorp naar eene stad! Neen, nooit waren de goede Mastlanders te overtuigen geweest, dat ik uit enkele betrekking op hen deze verhooging van rang, deze verbetering van woonplaats had kunnen afslaan, en zij zouden zoo lang de zaak van alle zijden hebben bezien tot zij eene of anderereden hadden gevonden, dienimmer in mijne gedachte was opgekomen.
Bij den gewonen optocht der autoriteiten naar de pastorij was het dan ook aan alles merkbaar, dat die enkel
303
ONVERWACHT BESLUIT.
pro forma geschiedde. De kerkeraad sprak, bij monde van een' ouderling, die jaren lang âde Boekzaal'quot; bestudeerd had, van âeen ruimeren werkkring, die mij riepquot;; de burgemeester, die bij zulke gelegenheden op de gave van aanspraken te houden zich iets liet voorstaan, bromde wat bombast over âeen' zetel van beschaving en rijkdomquot;; Baljon declameerde over âde eenvoudigheid eener landelijke gemeentequot;, en Du Meaux sprak van âde genoegens eener exquise conversatiequot;. En ofschoon allen betuigden, dat het hun hartelijk leed deed, voegden zij er bij: de ouderling, dat hij mij, als het niet anders kon, ârijker' oogst wenschte in den wijnberg des Heerenquot;; de burgemeester, dat hij mij âmijn' promotie niet misgundequot;; Baljon, dat hij als vriend gaarne âde eerekroon op mijn' schedel zag schitterenquot;, en Du Meaux, dat het hem genoegen deed, âdat mijne verdiensten gewaardeerd werdenquot;. Alleen Duifhuis week van het algemeene thema af en maakte van deze gelegenheid gebruik om de steden nog eens goed de waarheid te zeggen. Hij eindigde evenwel met zijne schouders op te halen: âja, wat zal ik zeggen? Ik heb nooit kinderen gehad, en daar zit men zeker buiten mede. Ook is Mastland wat arm. Ik heb nog mijn best gedaan en de menschen zijn niet onwillig; maar zij durven niet tegen eene stad opbieden. Anders, als gij blijven kunt, doet gij beter; want ik zeg maar: die groote heeren in de stad, â bah! een schurkenboel, anders niet!quot;
Kortom, de zaak werd beslist. Maar van nu af aan, o mijn goede vriend Altorf! welk eene onrust!! Misschien, als ik het had kunnen doen, ware ik nog terug getreden. Eerst de proponentenjacht. Hemel, welk een storm! Drie met denzelfden postdag van het beroep, zes den volgenden, en zoo voorts. Wat al oude akademie-vrienden, die zich mijner nog met aandoening herinneren! Wat loffelijke getuigenissen van professoren, predikanten, verre neven en nichten, die mij allen hoog achten en zich zoo hartelijk
304
ONVERWACHT BESLUIT.
i mijne bevordering verheugen! En buiten de pastorij: der vlaskantoor bezorgt een' proponent; iedere winter-iant zendt bij zijn boterpot eene recommandatie, en in 3 winkels voor de marktgangers worden ze bij de zakjes igepakt, ja, pakkendragers en muilenventers reizen er tede rond. Yoor zooverre mijn invloed op de toezegging 3r predikbeurten vanwege ambachtsheer en kerkeraad lat, wordt het zalige van die te geven rijkelijk opgewo-3n door het onzalige van die te weigeren: het eerste taakt zelden vrienden en het laatste bijna altijd vijanden, xar ieder het met mij eens is, dat in het belang der Bmeente er weinigen moeten preeken, mits daaronder list zijn gunsteling begrepen is. Onder de hand werden uj allerlei bedoelingen ten gunste mijner vrienden toe-sschreven, âwier licht ik niet wilde laten betimmerenquot;; 3 kerkeraad zelf werd al meer en meer wantrouwend, i ik eindigde, om in vrede te scheiden, met alles, wat p het beroep van mijn' opvolger betrekking had, tot a mijn vertrek te verschuiven.
En nu weèr andere zorgen. Een huis te huren in de ;ad bij voorbeeld, en daarna met mijne Kee van zolder )t kelder na te gaan welk verschil er zijn moettusschen 3t ameublement en de bewoners van eene pastorij en van 3n stadshuis; alleen het noodige werd opgeteekend, dat areekt; maar men kon er toch zóó niet leven en de kin-
3ren konden toch zóó in de stad niet loopen____ Wee mij!
'at had ik begonnen?
Zoo lag dan eindelijk de schuit van X. in de Mastland-;he haven. Altorf! wij zullen zeker eenmaal allen verhui-sn en dat zal zeer eenvoudig in zijn werk gaan; maar jolang wij menschen hier op aarde omzwerven, wat 3bben wij al een' nasleep! Dat heb ik nooit zoo ingezien s nu alles bij mij van zijne plaats moest, wat niet nagel-i spijker vast was. Van tijd tot tijd was het de deur Lgekomen, op-eens moest het daaruit. Wat al kleine
305
20
ONVERWACHT BESLUIT.
gemakken wennen wij ons aan, die wij nauwelijks genieten, omdat wij ze niet meer opmerken; maar die wij gevoelig missen als ze ophouden. Het leven werd ons dan in de laatste dagen recht ongezellig; het was niets huiselijk meer in huis. Zelfs Bram pruilde om zijn' trommel en Mina om haar' hansop, en ik kon ze er niet om bestraffen; want wij volwassenen misten onze trommels en hansoppen ook.
Eindelijk was het de lang verbeide, lang gevreesde 17de September. Zeker, bezigheid en zorg zijn maar de beste afleiders voor hevige aandoening en diep krenkende smart. Hadden wij dien dag van afscheid werkeloos moeten afwachten, hij zou ons uitgeput en uitgeweend gevonden hebben, krank naar lichaam en geest. Nu reisden wij hem te gemoet als door een stofwolk, een' wervelwind. Cornelia werd tot op haar laatste matras uit den slaap gehouden door de zorg om toch het noodige en dan weder het allernoodigste niet in te pakken of in te schepen, en tusschen de laatste overblijfsels onzer huishouding de kitste gasten nog te kunnen ontvangen, en ik, ik zocht met moeite op mijne holle studeerkamer papier en pen en gedachten bijeen.
Ik zal u niets van mijne afscheidsrede schrijven, Altorf. Zoo gij wilt, kunt gij ze zelf eens lezen of liever het dorre geraamte daarvan zien; want het leven en de geest is te Mastland achtergebleven. Ik had mijne woorden bedacht, gewikt en gewogen; want vooral bij plechtige en aandoenlijke gelegenheden acht ik het hoogst noodig om juist te spreken. En desniettemin, toen ik daar voor het laatst mijne gemeente zag, heden de mijne nog, toen vond ik die woorden zoo koud, ik had nog zooveel meer te zeggen, dat ik den band der studie losrukte en mijn gevoel het woord gaf. Vrienden zag ik daar immers, vrienden door geloof en godsvrucht, die een afscheid wachtten; grijsaards, wier kalen schedel en gekromd en rug ik denkelijk voor het laatst aanschouwde; leerlingen, wien ik mijne lessen nog eens.
306
ONVERWACHT BESLUIT.
diep wilde inprenten, en dan weder dwalenden, onkundigen , bedroefden.... Ik ging heen en â liet nog zoovéél te doen over.... God dank! Een ander, misschien bekwamer werkman dan ik, zou tot mijnen arbeid ingaan.
Tehuis vond ik eene bonte verzameling. Enkele vreemden , van die menschen, die overal iets zoeken om het ledig in hun hart en hoofd aan te vullen, die den tijd komen passeerm op eene begrafenis en amusement zoeken bij een aandoenlijk afscheid. Ik heb ze zeker aangezien met een oog, dat zeide: âwat doet gij hier?quot; Maar er waren ook hartelijke vrienden: de goede Rasters, die zelf de schets van mijn preek nauwelijks onthouden had, en Falk, die voor ditmaal de exegese van den tekst liet rusten, en zoovele anderen meer; â zal ik ze elders wedervinden?
Des Maandags morgens was ik reeds met de eerste schemering op. Ik moest nog eens in stille eenzaamheid mijn voormalig gebied rondgaan. Geen plekje in huis liet ik onbezocht en onbezien. Overal omzweefden mij bhfde, â soms ook droeve herinneringen. Al die kleine huiselijke voorvallen, zoo onbeduidend voor den vreemdeling, zoo belangrijk voor ons, stonden als op de wanden geteekend. Weemoedig genot der herinnering! hoe kunnen zoovele menschen het ontvlieden, tenminste met een rein gewisse? â Ook in den tuin doorwandelde ik nog eens al de paden. Treurig lieten de dalia's het hoofd hangen. De treurwilg reikte mij zijne dunne takken, bev.iA ;. .l dooiden morgendauw. De rozenstruiken z-r.;-..!' 1 â¢â¢ m ; -ij niet meer bloeien. Van de vruchtboomen Pvl ik u- 'â 'aatsten oogst ingezameld. â Een oogenblik ra » - ik a /iu toch nog in mijn koepeltje nederzetten. Waar /on :i; m mijne stadswoning een gezicht vinden als 'i:\t der fr â üe groene weide en der rustig grazende rundr -, eév; zicht, zoo geschikt om den opstekenden storm i.r ⢠ha.vlochten te stillen? â Maar ik moest opstaan - m i e uren waren geteld en ik had nog eene heilige bed'â n a doen, eer
307
ONVERWACHT BESLUIT.
de morgen mij als in een' maalstroom nog eenige keeren rondslingerde en dan wegvoerde.
Daar stond ik dan nu, waar ik vooral nog eens een kalm oogenblik wilde doorbrengen, op het kerkhof. Ik liet mijn oog gaan over die groene zoden. Hoevelen bedekten zij niet reeds van mijne gemeente, in die vijfjaren grafwaarts gedragen: grijzen en zwakke kinderen, ook sterke knapen, mannen en vrouwen! Hoe menigmaal had ik dien gang medegemaakt en die kisten in de diepte zien zinken, die zooveel schats uit de huizen met zich namen! Hoe dikwijls had ik een eenvoudig en ernstig woord op de graven gesproken en bedroefde betrekkingen vandaar omhoog gewezen! Zie, dat graf, waarop in de rulle aarde nog geen gras heeft wortel geschoten, dat heb ik het laatst zien delven en weder zien vullen, van mijne studeerkamer af. Er zal geen zerk op gelegd worden; anders wilde ik daar alleen op schrijven: Hier rust een christen. Het is mijn brave vriend Willem Klaver. Hij is van Mastland vertrokken vóór mij en heeft van mij afscheid genomen met de woorden: âtot wederziens! De Heer roept mij.quot; â âJa, tot wederziens, mijn vrome vriend! en gij ook, mijn waardige oude medicus! en gij allen, die in den Heere ontslapen zijt! â En nu vaartwel, geliefde dooden! Ook van uw stof word ik gescheiden. Wij zullen te zamen niet rusten. Maar waar ook mijne rustplaats zijn zal, dezelfde Heer waakt over onze graven en zal ons stof opwekken ten uitersten dage.quot;
Terwijl ik zoo sprak bij mijzelven verhief zich de zon uit eene zee van morgendamp en wierp vrij hare stralen in mijne ledige kamers. Reeds wenkte mij Cornelia uit een der vensters, Mina knikte met het blonde kopje en Bram wees lachende naar de graven en naar mij. Ik keerde in mijne woning terug en jaagde van dit oogenblik af naar het uur van mijn vertrek. Haastig werd dan ook het overige goed ingeladen en de burgemeester, die
308
ONVERWACHT BESLUIT.
mij in persoon wilde wegbrengen, bekortte zelfs het uur van zijn ontbijt. Al meer en meer vormden zich op de dorpsstraat groepen van buren en vrienden en nog eens ging ik met mijne vrouw en mijn knaapje die straat op en neder. Vrouw Wijsland lag over de onderdeur en stopte Bram een pakje koekjes in de hand; de weeüw Kor-tebrand verborg snikkende haar gelaat in haar' voorschoot; Perkers zelfs zeide op zachter' toon dan gewoonlijk; âde man was toch niet kwaad!quot; âJa, burgerlijk zeker niet,quot; antwoordde Tennis Kaapland, âde Heere verwekke nu een' geestelijk goeden herder over zijne arme kudde!quot; Een weinig verder stonden Paulus Kors en Jób Wijsland. De laatste kon niet spreken; van den eersten zag ik, voor het eerst in vijf jaren, een' traan. En de goede Baljon, hij zag het niet eens, dat de schooljeugd elkander trapte en drong, om toch dicht bij den wagen te komen, en dat ze den huisjas van den bedrijvigen Duifhuis scheurden, die
met ieder sprak en daarom zelf niet weende..... Het werd
309
mij te veel, ik moest opklimmen en voortmaken. Mijn hoofd zonk een oogenblik in mijne handen; toen hief ik het nog eens op, terwijl de paarden al trappelden en de assen kraakten; ik riep mijn laatst vaarwel aan allen toe en reed weg. Verre hoorde ik nog het gejoel der schooljeugd, die alleen in de algemeene ontroering niet gedeeld had, enkelen der grootsten uitgezonderd. âZiedaar,quot; dacht ik, âhet geslacht, dat u vergeten zal en eens weêr om anderen weenen; maar dit geslacht neemt toch zeker uw aandenken met zich in 't graf, en voor het volgende schildert de verver uw' naam op het kerkbord.quot;
En nu, mijn beste Altorf, nu ben ik op mijne pleisterplaats; want oom Jan hield niet op of ik moest een paar dagen bij hem doorbrengen, terwijl de goederen vervoerd werden. Ik ben moè en kan tcjh hier niet rusten.
ONVERWACHT BESLUIT.
Evenwel, de mensdien zijn goed. Oom klimt van blijdschap meer trappen op. éénen dag dan anders in eene geheele maand. Tante pakt in elk hoekje en holletje van koffer of sluitmande kruidenierswaren. Neef Willem schrijft keurige lijsten van onze goederen en nicht Jansje voert mijn kleine pap, waarbij zij gedurig vingers en voorschoot afveegt. Maar ik ben hier niet tehuis. Ik zal het ginds ook nog niet zijn. Hoe zorgvuldig een boom verplant wordt, men rukt vele fijne vezels los en hij kwijnt door duizend onmerkbare wonden. En zou het dan met den mensch niet veel meer zoo zijn? Zal ik een' goeden grond vinden, waarin mijne genegenheid kan wortelen, waarop mijn ijver kan vruchten dragen? Zal ik blijven in dien hof tot ik als een verdorde stam word uitgeroeid? God weet het!
Uiv vriend
WILLEM.
810
XX.
NASCHRIFT VAN DEN TWEEDEN DRUK.
X-, 20 Mei 1844.
Ik mag wel weder beginnen, mijn goede Altorf, met de woorden; dat hadt ge niet geducht, en ditmaal had ik het zelf niet gedacht, dat ik u juist acht maanden later mijne Schetsen nog eens zou toezenden. Ik behoef u niet te zeggen, dat het mij genoegen doet, niet alleen om mijn geschrijf zelf, waarvoor ik niet onverschillig ben; maar om de zaak waarover, en het oogmerk, waartoe ik geschreven heb. AVij spreken en schrijven toch met een groot en heerlijk doel voor oogen, en zouden wij ons dan niet mogen verblijden met eene reine, hemelsche vreugde, als de wereld onze woorden aanneemt en de hemel ze zegent?
Ik weet, eenigszins benieuwd zult gij dezen Ticeeden Druk in handen nemen en denkelijk het vermeerderd en verbeterd, hoewel het niet op den titel staat, in het werk zelf zoeken. Het zal u te leur stellen. Gij ontvangt mijne zelfde Schetsen nog eens, zonder noemenswaardige verandering. Bij nauwkeurige vergelijking zoudt gij alleen zien, dat ik gedaan heb even als eene moeder, wier lievelingen al weder worden uitgenoodigd: hoe meer ze een vorig maal bewonderd zijn, des te zorgvuldiger draait zij nog eens een strikje of lintje rechts of links, al stond het anders misschien even goed. Zoo heb ik ook van enkele kleine
NASCHRIFT VAN DEN TWEEDEN DRUK.
wenken en eigene opmerkingen zoeken gebruik te maken, terwijl ik met de pen in de hand den drukker voorging.
âMaar waarom niet meer veranderd? Waarom alles nog niet eens omgewerkt, of nog liever een Vervolg gegeven, dat door sommigen gevraagd is en misschien gewacht wordt?quot; âIk zal het u zeggen, Altorf. Mijne Schetsen zijn ontworpen op eene pastorij, onder den eersten indruk of bij de levendige herinnering van dat alles, wat ik schetsen wilde. Vandaar ontleenen zij, geloof ik, de meerdere of mindere waarde, die men er wel aan heeft willen toeschrijven. Van het toen opgeteekende heb ik vrij wat, als minder belangrijk, uitgeschoten en vernietigd. Door bijzondere omstandigheden heb ik juist weder op eene pastorij aan het werk de laatste hand voor de pers gelegd. quot;Wat zal ik nu, onder de vele bezigheden van een' geheel anderen kring, en terwijl de pers naar mij wacht, omwerken, uitbreiden, vervolgen? Dikwijls zag ik van zulk een vervolg, als het ware op tijd besteld, weinig aanmoedigende voorbeelden. Ook meen ik gegeven te hebben wat ik wilde en kon: Schetsen uit de Pastorij. Men heeft ze te veel eer aangedaan met daarin een Handhoek te zoeken. Van een handboek is het eerste vereischte volledigheid, waarop losse schetsen geene aanspraak kunnen maken. Ik had mij bijna door dit denkbeeld laten verleiden en wilde eene proeve nemen met de vijfde Schets: Mijn eerste kanselwerk. Doch zoodra had ik niet het een en ander daarin (naar mijne gedachte) vermeerderd en verbeterd, of ik zag, dat het veld van mijn schrijven zich zoo uitbreidde en zelfs geheel van aanleg veranderde, dat ik met schrik de hand terugtrok.
En nu, mijn beste vriend, blader nog eens mijne Schetsen door en verrijk ze weldra met uwe eigene opmerkingen. Mogen zij u en andere kleine teleurstellingen besparen, u enkele nuttige wenken geven en ook buiten af onzen
312
NASCHRIFT VAN DEN TWEEDEN DRUK.
stand doen kennen en achten. De eer en zaak van onzen dierbaren Zaligmaker is daarmede zoo nauw verbonden. O, waarom zijn wij niet meer dan wij zijn!
Ongemerkt ga ik al voort op mijne kalme, schoon niet altijd effene loopbaan. In ruimer' kring werkzaam, denk ik nog dikwijls met aandoening aan de stille pastorij, aan zoovele eerste genoegens van een' nieuwen levenskring en aan den vrijen omgang buiten. Dat alles zal nimmer terugkeeren, ja, reeds heb ik deze mijne Schetsen dubbel lief gekregen, als het getrouwe beeld van een afgesloten tijdvak mijns levens. Maar ik betreur het niet en wensch het niet terug, evenmin als de spelen mijner jeugd en de vrije studie mijner jongelingsjaren. âAlles heeft zijnen tijd,quot; zegt de Prediker, âen God heeft het alleen op zijnen tijd goed gemaakt.quot; â Ik heb hier weder andere opmerkingen en andere plichten. Of ik nog eens de pen zal opvatten om den werkkring van een' stadspredikant te schetsen? Misschien is er meer moed en omzichtigheid toe noodig, zeker langduriger studie en ondervinding dan waarop ik mij nog durf beroemen. Maar wat maken wij, menschen, altijd nieuwe plannen, nooit tevreden, nooit verzadigd, rusteloos! Nu, in ons werk mag dat wel-zoo zijn. Er is nog veel voor ons te doen. De oogst is nog verre. Laat ons slechts arbeiden, zoolang het dag is. God geve den wasdom en verblijde ons eenmaal als Zijne medearbeiders! Heerlijk denkbeeld! Altorf, o het doet alle bezwaren onzer bediening, al worden die niet minder met de jaren, als een damp verdwijnen. De hemel boven ons, de eeuwigheid vóór ons, God met ons: â zou dat niet genoeg zijn?
W.
318
inhoud.
Bladz.
de schrijver op zijn studeervertrek.
de intrede...........
nadere kennismaking, of de primaten v-a de rentenier van het dorp.
mijn eerste kanselwerk. . .
de haan.........
de winter buiten.....
de ringbroeders......
het huisbezoek......
mijn kleermaker en mijn smid het aannemen van lidmaten
armenzaken.......
het sterfbed......
de catechisatie.....
armoede......
de begrafenis. i. .
de begrafenis. ii. .
het bezoek.....
onverwacht besluit. naschrift.....
i.
ii.
iii. IV.
V.
VI.
VII.
VIII. IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII. XVIII.
XIX. XX.
het dor1'