DE WEG DER GODDELIJKE LIEFDE.
\MYh
GODVRUCHTIGE OVERDENKINGEN
over verschillende geestelijke onderwerpen voor zieleiiquot; ' die voortgang wenschen te maken in de goddelijke liefde, met de verhandelingen over de goddelijke liefde, â de gelijkvormigheid aan den wil van God, â de wijze om vertrouwelijk met God om te gaan, en â de inwendige zielskwellingen
GEVOLGD DOOE
MIS-, BIECHT- EN COMMUNIE-GEBEDEN
DOOR DEN
H. ALPHONSUS MARIA DE LIGTJORI.
Uit liet Italiaansch vertaald door
p,*.r i , 2-Th. BENSDOBP,
Priester van de Congregatie des allerh. Verlossers.
TWEEDE UITGAVE.
/. ] f hei]
wa: tuig ook aan
is \ ]
het
de
reili
een
ove
der
ziel
in
we
177
het
var
het
gini
wa
ziel
voe ove heii ' voc die zijr Mis ver
'
INLEIDING,
/ Dit boekje is een klein huldeblijk aan den
l' heiligen Alphonsus ter gelegenheid van zijn ; eerste eeuwfeest. Wij meenen onz?n heiligen . Vader geene betere hulde te kunnen brengen, want zijne eigene werken geven het best getuigenis van zijne verhevene en heilige ziel ; ook zal geene eerbewijzing den H. Alphonsus aangenamer zijn dan die, welke tevens heilzaam is voor de zielen.
Het boekje, dat wij ter vertaling gekozen hebben, zag het eerst het licht in 1773, dus toen de H. Alphonsus reeds zyn 77ste jaar had bereikt ; het maakte toen het tweede deel uit van een boek, dat tot titel droeg ; âOverwegingen over het lijden van Jesus Christus en over andere geestelijke onderwerpen voor godvruchtige zielen.quot; De H. Schrijver beveelt het werkje in het bijzonder ter lezing aan. âZiehier twee werkjesquot;, zoo schreef hij den Ssten September 1773 in een zijner geestelijke brieven, âwaarvan het eerste u kan dienen voor de overweging van het lijden ; ook lees ik eiken dag iets uit het tweede, getiteld : âGodvruchtige Overwegingen.quot; Ik zou willen, dat gij eveneens deedt, want ik heb het geschreven voor zielen, die zich geheel aan God willen geven.quot;
Aan deze overdenkingen hebben wij toegevoegd de Verhandelingen van den H. Alphonsus over de goddelijke liefde, â de gelijkvormigheid aan den heiligen wil van God, de wijze om voortdurend met God te verkeeren, â de inwendige zielskwellingen, welke alle zeer geschikt zijn voor geestelijke lezing, â en ten slotte de Mis-, Biecht- en Communiegebeden, om het tevens tot een Kerkboekje te maken.
IV
Beminde lezer, laat bovenstaande woorden van den H. Kerkleeraar, waarmede hij zijn werkje aanbeveelt, ook tot u gericht zijn ; en daarom lees het boekje dagelijks, lees het met aandacht en vooral lees het met het doel, dat de Heilige er mede beoogde, nl. opdat uwe ziel geheel moge toebehooren aan God ; dan voorzeker zult gij den H. Alphonsus bij zijn eeuwfeest eene hem zeer welgevallige hulde bieden, en zult ook gij, hopen wij, eenmaal behooren tot die duizenden gelukkige zielen, welke door zijnen arbeid tot het bezit of althans tot een hoogeren graad van eeuwig geluk zijn gekomen, en al-zoo in alle eeuwigheid mede de kroon vormen van den H. Alphonsus.
Heilige Vader, aanvaard dit klein huldeblijk bij het eerste eeuwfeest van uw zalig afsterven, zegen dit kleine boekje, geel', dat zoowel de vertaler als de lezer het doel mogen bereiken waartoe gij het geschreven hebt. Amen.
Laudetiiv Jesus et Mcwici semper Vin/o nunc et semper.
Geloofd zij Josus en Maria altijd Maagil nu en altijd.
ROZENDAAL i Aug. 1887.
DE VERTALER.
Handleiding voor bet inwendig Gebed of
Ã
jjot inwendig gebed bestaat uit drie deelen: Voorbereiding, overweging en slot. In de voorbereiding doet men drie akten: 1. van geloof in de tegenwoordigheid Gods; 2. van nederigheid met eene korte akte van berouw; de derde akte is een hede om licht. Men doet ze aldus: lquot;. Mijn God ik geloof dat Gij hij mij tegenwoordig zijt, ik aanbid U uit geheel mijn hart. 2quot;. Heer, om mijne zonden moest ik reeds in de hel zijn. Oneindige goedheid, uit het diepste mijns harten spijt het mij, dat ik U beleedigd heb. 3quot;. 0 mijn God, ik hid U om de liefde van Jesus en Maria, dat Gij U verwaardigt mij bij mijn gebed te ver-
VI
lichten, opdat ik er vrucht uit nwr/e trekken. Vervolgens bidcle men ecu Wees gegroet ter eere der allerheiligste Maagd, opdat zij dat liclit voor ons afbidde, en tot hetzelfde doel oen Eere zij den Vader ter eere van den H. Josef, alsook van onzen H. Engelbewaarder on onzen bijzonderen heiligen Patroon. Die akten moet men verrichten met aandacht, maar kort, en dan aanstonds overgaan tot de overweging.
Bij do overweging bediene men zich altijd van een of ander boek 1), ten minste in het begin, en daar, waar men zich het meest getroffen gevoelt, blijve men een weinig verwijlen. Men moet hierin doen, zegt de H. Franciscus van Sales, evenals de bijen, die op eeno bloem blijven, zoolang zij er honig vinden en dan naar een andere gaan. Men moet vervolgens in het oog houden, dat de vruchten der overweging drie in getal zijn, nl. gevoelens verweklcen, hidden en besluiten, en hierin bestaat het nut van
1
Ook dit boekje is hiervoor uitmuntend geschikt.
VII
het inwendig gebed. Nadat gij dan een of andere eeuwige waarheid overwogen hebt en God tot uw hart heeft gesproken, moet ook gij spreken tot God en wel vooreerst door de gevoelens of akten, die gij verwekt, zooals; van geloof, van dankbaarheid, van nederigheid of van vertrouwen; maar vernieuw vooral dikwijls de akten van liefde en berouw. De H. Thomas zegt, dat elke akte van liefde ons Gods genade en den hemel doet verdienen. Quilihet actus caritatis meretur vitain aeternam, en eveneens elke akte van berouw. Akten van liefde zijn: Mijn God, ik bemin U horen alles. Ik bemin U uit geheel mijn hart. Ik wil meen heilic/en wil in alles rolbiengen. Ik verheni/ mij orer uw oneindig geluk, cn dergelijke. Voor de akte van berouw is bet voldoende te zeggen: Oneindige r/oedheid, het spijt mij, dat ik U beleedigd heb.
Op de tweede plaats moet men vragen, God smeeken om licht, om nederigheid of een andere deugd, om een goeden dood, de eeuwige zaligheid, maar bovenal om zijne liefde en de heilige volharding. En als de ziel zich in groote dorheid
VIII
bevindt, is het voldoende dat zij zegge; Mijn God, help mij. Heer, Jieb medelijden met mij. Mijn Jeans, barmhaiïiyheid; en al deed zij niets anders dan dat, haar gebed za[ zeer goed zijn. Op de derde plaats moet men alvorens bot gebed te eindigen een bepaald besluit maken, zooals: een of andere gelegenheid te vluchten, de onaangenaamheden te verdragen van dien of dien persoon, een of ander gebrek te verbeteren, en dergelijke.
Bij het slot eindelijk doet men drie akten: 1°. Men bedankt God voor de ontvangen verlichtingen. 2quot;. Men maakt het voornemen de gemaakte besluiten na te komen. 3quot;. Men vraagt God, dat Hij ons ter liefde van Jesus en Maria do noodige hulp verleene om aan do gemaakte besluiten getrouw te blijven. Men besluit zijne overweging met een gebed voor de zielen van het vagevuur, voor de overheden der Kerk, de zondarent alsmede voor al zijne bloedverwanten en vrienden; tot die meening bidt men een Onze. Vader en Wees gegroet. De H. Fran-ciscus van Sales geeft den raad om een of andere gedachte, die ons in het gebed
IX
bijzonder getroffen heeft, in het geheugen te houden, ten einde ons in den loop van den dag er aan te herinneren.
Het is goed te weten, datBenedictus XIV een aflaat van 7 jaren heeft verleend ran ieder, die eenmaal daags een half uur meditatie maakt, en een vollen aan ieder, die dit voortzet gedurende een maand, mits hij hiechte en communi-ceere. 1)
1
Zie Falise âCongr. Indujg, Resol. Authent.quot;
§ 1.
De gedachte aan de Eeuwigheid.
c TT. Augustinus noemde de gedachte aan de eeuwigheid may na coi/ifatio. de groote gedachte.
Die gedachte deed do heiligen alle schatten en alle grootheid der aarde niet hooger achten dan stroo, dan slijk, dan rook en vuilnis. Die gedachte heeft zoovele kluizenaars er toe gebracht zich in woestijnen en grotten te begraven, bewoog zo/jvele edele jongelingen, ja zelfs koningen en keizers zich op te sluiten in een klooster. T)ie gedachte gaf aan zoovele martelaren den moed om pijnbanken, ijzeren haken, gloeiende roostersi ja den dood des vuurs te trotseeren.
â 2 â
Neen, wij zijn niet geschapen voor deze aarde; liet doel, waarvoor God ons op deze wereld plaatste, was dat wij met onze goede werken liet eeuwig leven zouden verdienen, Finem rei'o vitam aeter-nam. ') Do ecnige zaak daarom, zegt de H. Euclierius, waarop wij in dit leven te letten hebLcn, is de eeuwigheid, ui. de gelukkige eeuwigheid te verdienen en ons voor de rampzalige eeuwigheid te vrijwaren. Negotium pro quo contenclhnus aeternitas est. Stellen wij die zaak in veiligheid, dan zullen wij gelukkig zijn voor immer; maar ook, verwaarloozen wij die zaak, dan zullen wij voor altijd rampzalig zijn.
Gelukkig hij, die altijd leeft met het oog op de eeuwigheid gericht, in het levend geloof, dat hij weldra sterven moet en de eeuwigheid binnengaan. De recht-vaarclige leeft uit geloof 1) Het geloof ja doet de rechtvaardigen leven in Gods genade, hot geloof geeft het leven aan hunne zielen, want het onttrekt hen aan
1
Gal. 3. 11.
â 3 â
de verlangens dezer aarde en herinnert hen aan de eeuwige goederen, die God bereid houdt voor die Hem beminnen.
De H. ïhcresia zeide, dat alle zonden voortkomen uit gebrek aan geloof. Willen wij derhalve onze hartstochten on bekoringen overwinnen, dan moeten wij dikwijls ons geloof verlevendigen en zeggen: Ik geloof een eeuwig leven. Ik geloof, dat er na dit leven, hetwelk weldra voor mij eindigen zal, een eeuwig leven volgt, een leven vol geneugten of een leven vol ellenden, naar gelang ik zal verdiend hebben doorjnijne goede werken of door mijne zonden.
De H. Augustinus zegt, dat iemand, die eenc eeuwigheid aanneemt en zich niet tot God bekeert, zijn geloof of zijn verstand heeft verloren. O aeternitas (ziedaar zijne woorden), qui te cogitat nee poenitet, aut fideni non hahe.t, aat si habet cor non habet ')⢠Hiermede komt overeen wat de H. Joannes Chrysostomus verhaalt: Wanneer de heidenen de Christenen zonden zagen bedrijven, zeiden zij hun:
1. In soliloq.
â 4 â
gij zijt of bedriegers of dwazen: want als gij niet gelooft wat gij voorgeeft te gelooven, zijt gij leugenaars; maar gelooft gij aan eene eeuwigheid en bedrijft toch zonden. dan zijt gij zinneloos. Wee den zondaren (roept de H. Caesarins uit), die, omdat zij nooit willen nadenken, do eeuwigheid binnengaan zonder haar te kennen; Vae peccatoribus, qui in-cognitam ingrediuntur aeternitatem! en hij voegt er bij: Se.d rae duplex! ingrediuutur et non egrediantur: Rampzaligen! do poort der hel gaat wel open om u te doen binnengaan; maar nooit om u uit te laten. Mijne dochters, zoo zeidc dikwijls de H. Theresia tot hare volgelingen, ééne ziel, ééne eeuu-iglieid! Mijne kinderen, wilde zij zeggen, wij hebben slechts ééne ziel. Is die ziel verloren, dan is alles verloren, on is die ziel éénmaal verloren, dan is zij verloren voor immer. In één woord: van dien laatsten zucht, welke in het uur des doods van onze lippen zal komen, hangt het af, of wij eeuwig gelukkig zullen zijn of eeuwig rampzalig. Als het eeuwig leven, hut paradijs, de hel niets meer dan gissingen waren van do ge-
â 5 â
leerden en volstrekt gcene zekere waarheden, ook dan nog moesten wij alle zorg aanwenden om goed te leven en ons niet in gevaar te stellen onze ziel voor eeuwig t ongelukkig te maken; maar neen, het zijn geene gissingen, het zijn ontwijfelbare waarheden des geloofs, veel zekerder dan alles, wat wij met onze lichamelijke oogen aanschouwen.
Bidden wij dan den Heer, dat Hij ons geloof vermeerdere: Domme, adauge nobis fidem; want als wij niet vaststaan in het geloof, zullen wij erger worden dan Luther en Calvyn. Als wij daarentegen de eeuwigheid, die ons wacht, met levend geloof overwegen, is die gedachte alleen in staat ons heiligen te maken.
Zij, die aan de eeuwigheid denken, schrijft de H. Gregorius, verheffen zich niet in voorspoed, en de tegenspoed slaat hen niet neder, want, daar zij niets van deze wereld verlangen, zijn zij ook voor niets beducht. Ziehier zijne schoone woorden: Quisquis aetemitati's desiderio figitur, 7iec prosperitate attollitar nee adversitate quassatur; et dion nihil hubet in mitndo quod appetat, nihil est quod de niiindo peyhorreseat.
â 6 â
Wanneer ons ccnig lijden overkomt, cene ziekte, eenc vervolging, denken wij dan aan de liel, die Wij niet onze zonden verdiend hebben. Als wij dit doen, zal elk kruis ons licht schijnen en wij zullen God danken en zeggen; Misericordiae Domini quia non sumus conmmpti. ') Dank der Barmhartigheid Gods, dat wij niet zijn verzwolgen. Zeggen wij met David; Had God zich over mij niet ontfermd, ik zou reeds sedert het eerste oogenblik, waarop ik Hem met zware zonde beleedigde, in de hel zijn. Nisi quia Douiimis ailjuvit nis, paulo minns hahitasset in inferno anima inea. 2) Voor zoover hot van mij afhing, was ik dus reeds verloren! maar Gij, o God van Barmhartigheid, Gij hebt uwe hand uitgestoken en mij uit den afgrond der hel bevrijd; Ta autem eruisti animam meum, ut non periret. 3)
O mijn God, Gij weet, hoe dikwijls ik de hel heb verdiend; maar nochtans beveelt Gij mij te vertrouwen, o ik wil dan vertrouwen. Mijne zonden jagen mij
1. Thren. 3, 22.
2. Ps. 93. 17.
3. Is. 38. 17.
-7-
schrik aan; maar ik word bemoedigd door uwen dood en door uwe belofte, dat Gij vergiffenis zult schenken aan oen ieder, die berouw heeft. Een vermorzeld en verootmoedigd hart milt Gij, o God, niet versmaden. ') In het verledene heb ik U veracht; maar thans bemin ik U bovenal, en het spijt mij meer dan eenig kwaad, dat ik U heb belcedigd. Mijn Jesus, heb medelijden met mij. O Maria, moeder van God, spreek voor mij ten beste.
1. Ps. 50. 19.
96
Wij zijn ïreemdelingen op deze aarde.
rond op deze wereld, verre verwijderd
van ons hemolsoli vaderland, waar God ons wacht om ons eeuwig zijn beminnelijk aanschijn te doen genieten. Zoolang wij in ons lichaam zijn, zijn wij verwijderd van den Heer, zegt de apostel. ') Als wij dus God beminnen, moeten wij een voortdurend verlangen hebben om dit ballingsoord te verlaten, ons van het lichaam te scheiden en Hem in den hemel te gaan aanschouwen. Dit was het vurig en aan-
1. 2 Cor. 5. 6.
â 9 â
houdend verlangen van den H. Paulus, gelijk hij zelf zegt: Wij hehbe» f/oeclen moed en willen liever vencijdenl zijn van het lichaam en hij den Heer tegenwoordig zijn.') Vóór de verlossing dor menschon was voor ons, arme kinderen van Adam, de toegang tot God afgesloten; maar Jesus Christus heeft ons door zijn dood de genade verdiend wederom Gods kinderen te kunnen worden (dedit eis potestatem filios Dei fieri), en aldus heeft Hij ons de poorten geopend, waardoor wij als kinderen toegang hebben tot onzen Vader in den hemel. Want door Hem hehben wij heiden toegang in één Geest tut den Vader. -)
Daarom ook zegt dezelfde Apostel: Derhalve zijt gij thans niet langer vreemdelingen; imcar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods. â '') Wanneer wij ons dus in Gods genade bevinden, genieten wij reeds het burgerrecht van het paradijs, maken wij reeds deel uit van het huisgezin des Heeren. De H. Augustinus zegt: Onze natuur maakt ons kinderen
1. 2 Cor. 5. 8.
2. Eph. 2. 18.
3. Eph. 2. 19.
â 10 â
dezer wereld en vaten van gramschap; maar de genade des Verlossers, die ons bevrijdt van de zonde, maakt ons kinderen des hemels en vaten van barmhartigheid. ') Dit deed David zeggen. Incola ego sum in terra, non ahscondas a me mandata tua. 1) Heer, ik ben een reiziger op deze wereld, leer mij uwe geboden onderhonden, want deze zijn de weg om den hemel, mijn vaderland, te bereiken. Dat de slechte menschen wel immer op deze wereld wenschten te blijven leven, is geen wonder. Terecht vreezen zij van het lijden dezes levens over te gaan tot het eeuwig en veel grooter lijden der hel; maar iemand, die God bemint en zoo goed als zeker is in staat van genade te verkeeren, hoe zon hij nog begeerig zijn om langer te leven in dit dal van tranen, te midden van zoovele bitterheden, zoovele gewetensangsten en van gevaren eeuwig verloren te gaan? Hoe zou bij onverschillig kunnen zijn en niet vurig begeeren, zoo spoedig mo-
1
Ps. 118 19.
â 11 -
gelijk zicli te gaan vereonigen met God, in die zalige eeuwigheid, waar geen gevaar meer is Hem te verliezen? O de zielen, welke G-od waarlijk beminnen, onophoudelijk, geheel hun leven lang, verzuchten zij en roepen uit met David: Wee mij, dat mijne, hallingschap zoo lang duurt! ') Ach! hoe is hij te beklagen, die langen tijd moet leven in deze wereld, tc midden van zoovele gevaren voor zijne eeuwige zaligheid! Daarom hadden de heiligen voortdurend dit gebed in den mond: Uw rijk home! Uw rijk kome spoedig; Heer, breng ons spoedig over naar uw rijk-Welaan, haasten wij ons dan, volgens de vermaning dos apostels, binnen tc gaan in dat vaderland, waar wij een volmaakten vrede, een volmaakte rust zullen vinden. Festinemus ingredi in illam requiem.-) Haasten wij ons (zeg ik) met ons verlangen en houden wij niet op vooruit tc streven, totdat wij die gelukkige haven, welke God bereid heeft voor zijne beminden, hebben bereikt.
d. Ps. 119. 5. 2. Hebr. 4. 11.
â 12 â
Die in den wedstrijd loopt, zegt de H. Joannes Chrysostomus. let niet op de toescliouwers maar alleen op den verlangden prijs, ook talmt liij niet; maar hoe dichter hij bij den prijs komt, des te sneller loopt hij. ') En daaruit besluit de heilige verder, dat, naarmate wij reeds langer geleefd hebben, wij ons dos te meer beijveren moeten met onze goede werken den kampprijs te behalen.
Onze eenige bede om ons op te beuren in de vele angsten en bitterheden van dit leven, moet dus zijn: Adveniat regnum tuum. Heer, moge toch spoedig uw koninkrijk komen, dat rijk, waar wij voor eeuwig met U vereenigd, U van aanschijn tot aanschijn uit al onze krachten zullen beminnen zonder eenige vreeze of gevaar U nog ooit te verliezen.
Gaan wij gedrukt onder do vervolging of verachting der wereld, troosten wij ons dan met de groote belooning, welke God voorbehoudt aan hem, die ter zijner liefde lijdt. Verblijdt u ten dien dage en
1. Mor. hom. 7.
â 13 â
juicht, want zie uw loon is groot in den hemel. ')
Mot alle recht, zegt de H. Cyprianus, verlangt God, dat wij ons in lijden en in vervolging verheugen, dan immers juist leert men jle ware soldaten van Christus kennen en wordt den getrouwen do overwinningskroon toegekend. r)
Zie mijn God, paratum cor meum, zie ik ben bereid, tot elk kruis bereid, dat Gij mij te lijden zult geven. Neen,quot; geen genot, geen genoegens verlang ik in dit leven. Hij verdient geen genoegens die U beleedigd en de hol verdiend heeft. Ik ben bereid alle ellenden, allen tegen-spoed, die Gij mij overzendt, te verduren; ik ben bereid alle versmadingen van de menschen te omhelzen; ik stem er in toe, dat gij mij berooft van allen troost naar lichaam en ziel; het is mij genoeg dat Gij mij niet berooft van U en dat ik U altijd mag beminnen. Ik heb'dit wel is waar niet verdiend; maar toch durf ik het hopen om het bloed, dat Gij voor mij ge-
1. Luc. 6. 23.
2. Ep. 6. ad. Tibaritan.
â 14 â
stort hebt. Ik bemin U. mijn God, mijne liefde, mijn al- Eeuwig zal ik leven en in eeuwigheid zal ik U beminnen, en mijn paradijs zal bestaan in te juichen over de eindelooze vreugde, die Gij geniet en die Gij ook waarlijk verdient om uwe eindelooze goedheid.
m-
§ Si-
God verdient boven alles bemind te worden.
u H. Tlicresia zi'gt, dat God aan dc zk'l ccno groote gunst bewijst als Hij haar roept tot zijne liefde. Welaan, laten wij Hem dan beminnen, wij, die tot die liefde geroepen zijn; en beminnen wij Hem, gelijk Hij verlanr/t door ons bemind te worden. Gij zult tien Heer mreii God heminnen uit c/elieel uir hart. De eerbiedwaardige Ludovicns de Ponte schaamde zich tot God te zeggen: Heer, ik bemin U meer dan iets ter wereld, ik bemin U meer dan alle schepselen, meer dan alle rijkdommen, meer dan alle eer-en alle genoegens dezer aarde; want het kwam hem voor, als zeide hij met die
â 16 â
woorden: Mijn God, ik bemin U meer dan stroo, meer dan rook, meer dan slijk.
Maar God is voldaan, als wij Hem beminnen boven alle geschapen dingen. Welaan dan, doen wij dan ten minste dat weinige; zeggen wij: Ja. mijn God, ja, ik bemin U meer dan alle eer dei-wereld, meer dan alle rijkdommen, meer dan al mijne bloedverwanten en vrienden; ik bemin U meer dan mijne gezondheid, meer dan aardschen roem, meer dan alle wetenschappen, meer dan alle vertroostingen; in één woord, ik bemin U meer dan al wat mij toebehoort, meer ook dan mij zeiven.
Verstouten wij ons daarenboven tot God te zeggen: Heer, hoog schat ik al nwe genaden en gaven; maar hoven dat alles bemin ik U, want Gij alleen zijt een eindelooze goedheid, eindeloos beminnelijk, elk ander goed overtreffend.
En daarom, mijn God, alwat Gij mij geeft buiten U en wat Gij zelf niet zijt, is mij niet genoeg; maar, als Gij mij U zeiven geeft, dan ook zijt Gij alleen mij voldoende. Anderen mogen U vragen wat zij begeeren; ik voor mij wil niets
- 17 â
anders van U vragen dan U zeiven, o mijne liefde, mijn al. In U immers vind ik alles terug, wat ik kan bezitten of verlangen.
De gewijde bruid zeide, dat zij boven alles haren beminde tot voorwerp barer liefde bad gekozen. Mijn beminde is wit en rood, uitverkoren onder duizenden. ') En wij, wien zullen wij tot voorwerp onzer liefde kiezen? quot;Waar, onder alle vrienden der wereld, kunnen wij een vriend vinden, beminnelijker, getrouwer en die ons meer bemind heeft dan God? Bidden wij Hem dan, en bidden wij zonder ophouden: Tralie me pont te. Hoer, trek mij tot U, want ik kan niet tot U komen, als Gij mij niet trekt.
Ach, mijn Jesus, mijn Zaligmaker, wanneer zal het zoover komen, dat ik, van elke andere begeerte ontdaan, niets anders zoeke dan U alleen? Ik zou mij van alles willen onthechten; maar zoo dikwijls komen er ongeregelde begeerten in mijn hart en trekken mijne aandacht van U af. Onthecht Gij mij dan met uw
i. Cant. 5. 10.
- 18 -
inaohtiigou ami, maak II alleen tot voorwerp van al mijne liefde, al mijne gedachten.
Wie God bezit, zegt de H. Augustimis, Ijczit alles; maar wie God niet bezit, bezit niets. Wat baten ecnen rijke zijn goud en edelsteenen, als hij leeft zonder God? Wat baat liet een koning, of hij vele landen bezit, als hij de genade van God mist? Waartoe dient het eenen geleerde, dat hij veel weet, dat hij vele talen kent, als hij zijn God niet weet te beminnen? Wat baat het een legerhoofd, dat hij over een groot leger bevel voert, als hij zelf leeft in de slavernij dos duivels en verre verwijderd van God? Toen David koning was, maar in zonde leefde, begaf hij zich naar zijne lusthoven, zocht hij troost in jacht en andere vermaken; maar het was 'nem, als riepen al die schepselen hem toe: Waar is itir God? Wilt Gij in ons voldoening vinden? Neen, neen; zoek God, dien gij verlaten hebt; Hij alleen kan uwe ziel bevredigen. David dan ook beleed, dat hij te midden van al zijne vermaken nooit den vrede had gevonden, maar dat hij dagen en
â 19 â
nachten weende bij de gedachte dat hij zijnen God had verloren. Mijne tranen waren mijne spijs bij dag en bij nacht, daar men mij dagelijks zeide: waar is nw God? ') Wie kan ons beter troosten te midden van al de ellenden en wederwaardigheden dezes levens dan Jesns Christus? Daarom zeide die goddelijke Verlosser: Komt allen tot mij, die lijdt en gedrukt gaat en ik zal Uverkwikken.1) O dwaasheid derwereldlingen! Eén traan, uit droefheid over zijne zonden vergoten, geeft meer troost, één âmijn God,quot; door eene ziel in staat van genade met liefde uitgesproken, geeft meer voldoening dan duizend feesten, duizend schouwspelen, duizend vreugdemalen kunnen schenken aan een hart, dat de wereld bemint. Ik herhaal het, o dwaasheid! maar dwaasheid, waarvoor geen herstel meer mogelijk zal zijn, als met den dood de nacht zal komen, waarin, gelijk het Evangelie zegt, niemand werken kan; Ven it nox, quaiitlo nemo potest operari. 2) De godde-
1
Matth 11. 28
2
Joan. 9. 4.
â 20 â
lijko Zaligmaker vermaant ons daarom immer vooruit te streven, zoolang het licht ons begunstigt; want, als eenmaal de nacht zal gekomen zijn, zullen wij niets meer kunnen doen. Wandelt, terwijl gij licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle. ')
God alleen dan zij geheel onze schat, geheel onze liefde; en geheel ons verlangen zij alleen het welbehagen Gods. God laat zich niet in liefde overtreffen; honderdvoud beloont Hij alles, wat men doet om Hem genoegen te geven.
O zwijg derhalve, booze wereld. Wacht eer noch liefde meer van mij: Een ander heeft mijn hart veroverd, Getrouwer, minlijker dan Gij!
O mijn God, mijn cenig goed, neem Gij alleen geheel mijne ziel in bezit; en, gelijk ik U van mijnen kant boven alles tot voorwerp mijner liefde kies, maak Gij, dat ik in alle dingen uw welbehagen
1. Joan. 12. 35.
2. Taci dun que, da me non cercare,
Mondo iniquo, piü, stima, nè amore :
Altr' oggetto si prese il mio core Piü fedele e piü amabil di te.
21
boven' elke eigene voldoening stelle. â Mijn Jesus, ik vertrouw door de kracht van uw heilig bloed gedurende het leven, dat mij nog overblijft, mets anders op deze wereld te zullen beminnen dan IT alleen, om U alzoo eenmaal voor alle eeuwigheid te komen bezitten in het rijk der zaligen. Allerheiligste Maagd, kom Gij mij te hulp met uwe machtige beden en maak, dat ik eenmaal uwe voeten moge kussen in het paradijs.
§ 4.
Dra heilig te worden moet een ziel zich geheel en zonder voorhehond aan God schenken.
1 dc liefde, die wij aan de .schepselen geven, zegt de H. Philippus Nerius, ontnemen wij aan CTod; en daarom is onze goddelijke Zaligmaker, gelijk do H. Hiei'Oiiymus schrijft, jaloersch op onze harten. Zelotypus ent Jemis. Omdat Josus ons vurig bemint, wil Hij alleen in ons hart heerschen; mededingors die Hom oen gedeelte van de liefde, welke Hem alleen toekomt, ontrooven, duldt Hij er niet. Het mishaagt Hem derhalve als Hij ziet, dat wij oene genegenheid voeden.
die niet voor Hem is. En vordert onze goddelijke Verlosser soms to veel? Hij, die ons al zijn bloed, die ons zijn leven gaf op het kruis, verdient Hij wellicht niet, dat wij Hom uit geheel ons hart ' en zonder voorbehoud beminnen? Elke ; gehechtheid aan de schepselen, zegt de H. Joannes van het Kruis, belet ons go-j heel aan God te zijn. Wie zal mij do I vleugelen geven der duive en ik zal op-; vliegen on rust vinden. ') Sommige zielen zijn door God geroepen om heilig te worden, doch omdat zij niet edelmoedig . genoeg zijn, omdat zij aan God niet ge-j heel hunne liefde geven, maar eene of andere gehechtheid blijven voeden voor % dingen dezer wereld, daarom komen zij â | niet tot do heiligheid en zullen zij er | nimmer toe komen. Dezulken zouden â f wenschen op te vliegen, maar een of an-â dere gehechtheid houdt hen terug en daarom verheffen zij zich niet, maar blij-| ven immer op den grond. Men moet zich derhalve losmaken van alles. Elk draadje, zegt dezelfde H. Joannes, hetzij groot
1. Ps. 54. 7.
of klein, belet de ziel op te vliegen naar Grod.
De H. Gertrudis vroeg eens. dat God haar toch mocht doen kennen, wat Hij van haar begeerde. De Heer antwoordde haar: Ik verlang niets anders van n dan een ledig hart. Hetzelfde vroeg ook David van God: Cor mundum crea in ine, Deux. Mijn God, geef mij een zuiver hart, dat wil zeggen, een hart, ledig en ontdaan van alle aardsche gehechtheid.
Totum pro toto schrijft Thomas a Kern-pis, d. i.: men moet alles geven om alles te winnen. Om God geheel te bezitten, moet men ook alles verlaten, wat niet God is. Dan ja, kan do ziel tot haar Verlosser zeggen: Mijn Jesus, ik heb alles verlaten voor U, geef ü nu ook geheel aan mij.
Om echter zoover te komen, moet men God bij voortduring bidden, dat Hij ons vervulle met zijne heilige liefde. De liefde is dat machtig vuur, hetwelk in onze harten alle genegenheden, die niet voor God zijn, verbrandt. Als een huis in brand geraakt, zeide de H. Franciscus van Sales, werpt men alles, wat er bin-
â 25 â
nen is, uit. De lioiligc wil zggon: A!s eon hart in vlam geraakt en de goddelijke liefde er bezit van neemt, heeft de ziel geen preeken of geestelijke bestierders noodig om onthecht te worden aan de wereld; de goddelijke liefde alleen zal het hart zuiveren en van allé ongeregelde gehechtheid ontdoen.
In het Hooglied wordt de goddelijke liefde voorgesteld onder het zinnebeeld van een wijnkelder, [iifroduxif me re.r In cellam rivurlam, onlhiarit in me cJiaritafein.') In dien gelukkigen wijnkelder worden de zielen, do bruiden van Jesus Christus, bedwelmd door den wijn der goddelijke liefde; zij verliezen daar het bewustzijn voor de dingen dezer aarde, zij zien niets anders meer dan God, zij zoeken in alles niets anders dan God, zij spreken van niets dan van God en zij willen van niets hooreu spreken dan van God. Hooren zij anderen spreken van rijkdommen, van waardigheden, van vermaken, dan wenden zij zich tot God en zeggen Hem met eene vurige verzuchting: O mijn
1. Cant. 2. 4.
â 20 â
God, wat wereld! wat vermaken, wat eer en roem! (rij alleen zijt mijn eenig goed, Gii mijne eenige voldoening: Dck1 mean ft omnia.
Als de H. Theresia spreekt over het gebed van vereeniging *, zegt zij, dat deze vereeniging in niets anders bestaat dan in at' te sterven aan alle aardsclio dingen om geen ander voorwerp te bezitten. dan God.
De voornaamste middelen voor eene ziel, die zich geheel aan God wil geven, zijn de drie volgende; 1quot;. moet zij alle ook de kleinste fouten vermijden, en daarbij elke ongeregelde begeerte, hoe klein ook, onderdrukken, zoo bijv. moet zij zich onthouden van nieuwsgierigheid in zien ot hooren, zich onthouden van kleine zinnelijke voldoeningen, van dit of dat geestig maar nutteloos gezegde en dergelijken. 2quot;. moet zij onder de goede dingen altijd het beste kiezen, datgene nl. wat het meest aan God behaagt. 3quot;. met gelatenheid en dankbaar-
1
Gebed van vereeniging is eene bovennatuurlijke gave van gebed, waardoor de ziel op buitengewone wijze met God vereenigd is. (Vert).
â 27 â
lieid uit Gods hand aannemen alle dingen, die mishagen aan de eigenliefde.
Mijn .Jesus, mijne lietde, mijn al. o hoe zon ik U daar dood op een .schandelijk kruis kunnen aanschouwen, door allen verlaten, door smarten verteerd, en dan voor mij vermaken en aardsche eer gaan zoeken? Neen, ik wil geheel de uwe zijn. Vergeet het misnoegen, dat ik ü heb veroorzaakt en neem mij aan. Doe mij kennen, waarvan ik mij moet onthechten, wat ik doen moet om U genoegen te geven: want ik wil alles doen. Geef mij kracht om het ten uitvoer te brengen en U getrouw te zijn. Mijn beminde Verlosser, Gij verlangt, dat ik mij geheel, zonder voorbehoud aan U geve om mij alzoo geheel te vereenigen met uw Hart. Hier ben ik. Heer; zie, ik geef mij op dezen dag geheel, zonder voorbehoud, geheel, geheel aan U. Van U hoop ik de genade om U getrouw te zijn tot aan mijnen dood. O Moeder van God en ook mijne moeder, o Maria, verwerf mij do heilige volharding.
--m-â
S ii-
De twee grootc raidilelen om heilig te worden: Verlangen en een Yast besluit,
fliccl de heiligheid bestaat in de liefde tot God. L)e goddelijke liefde is die emdelnnze schat, waai'door wij deelachtig worden aan de vvieiidscliaji van God: [nfinifns fhesaui'us est hoiuitiihits, quo qui iisi sunt, participev fact! sunt ami-citiae Dei. ') God van zijnen kant wil ons gaarne dien schat zijner heilige liefde geven, maar Hij verlangt, dat wij dien vurig begecrou. Wie niet vurig naar iets Verlangt, doet ook weinig zijn best om het te verkrijgen. Is daarentegen het
1. Sap. 7. 14.
â 29 â
verlangen gi'oot., zegt de H. Laurentius Justinianus, dan maakt liet de moeielijk-lieden licht en schenkt het tevens de krachten. Wie derhalve niet ton zeerste zijn bost doet om in de goddelijke liefde vooruit te gaan, zal in plaats van in ijver voor zijne volmaaktheid te groeien, immer lauwer on onverschilliger worden; en, als hij voortgaat met alzoo te verflauwen, zal hij groot gevaar loopen ten laatste in oen diepen afgrond neer te storten. Hij daarentegen, die met groote vurigheid naar de volmaaktheid streeft en eiken dag zijn best doet oen eind weegs vooruit te gaan, hij zal haar allengs en met verloop van tijd werkelijk bereiken. De H. Thoresia zoido: God be-wijst aan iiieiuand cele lt;/misten, of hij moet ruriy naar zijne liefde verlangen. En op eeno andere plaats: God laat i/eeiie enkele goede begeerte onbeloond. De heilige vermaande daarom een ieder zijne verlangens niet te laag te stellen, want (zoidezij) als wij op God certrouiven en ons best doen, hunnen wij langzainerhand daar komen, iraar de heiligen gekomen zijn.
Het is (volgens het gevoelen van ge-
â 30 â
noemde heilige) misleiding van den duivel, te denken, dat het hoogmoed is heilig te willen worden. Het zou hoogmoed en vermetelheid zijn. als wij op eigen werken of besluiten vertrouwden, maar niet als wij alles verhopen van God. Wanneer wij op God ons vertrouwen stellen, zal Hij ons de kracht geven, die ons ontbreekt. Welaan, laten wij dan verlangen om tot een hoogen graad van goddelijke liefde te komen; zeggen wij vol moed: Ik kan alles in Hem, die mij versterkt. ') Bemerken wij echter in ons dit vurig verlangen niet. laten wij het dan ten minste met aandrang van Jesus Christus afsmeekeiu die het ons zeker zal geven.
Komen wij thans tot het tweede middel: het vast besluit. De goede verlangens moeten gesteund worden door eene ziel, die vast besloten is al haar best te doen om het verlangde goed te verkrijgen. Velen verlangen naar de volmaaktheid, maar nimmer wenden zij er de middelen toe aan; zij verlangen zich naar een woestijn te begeven, groote gestrengheden te oefe-
1) Phil. 4, 13.
ï
1 â i
â 31 -
nen. lange geboden te verrichten, zelfs den marteldood te ondergaan, maar al die begeerten bepalen zich tot een louter âik zou wel willen.quot; Zulke verlangens evenwel, verre van voordeelig te zijn, doen veeleer kwaad. Van zulke begeerten staat geschreven, dat zij den luiaard dooden: Desideria occidunt pii/runi. ') Want, terwijl men zich met dergelijke onuitvoerbare verlangens verzadigt, denkt men er niet aan, zijne fouten te verbeteren, zijne lusten te versterven of met geduld lt;lc verachtingen en tegenheden te verdragen men verlangt groote dingen te doen, maar die onvereenigbaar zijn met zijn staat, en middelerwijl nemen de onvolmaaktheden toe, in elke tegenkanting verliest men den vrede, elke ziekte maakt ons ongeduldig, en zoo leeft men voort, onvolmaakt, en zal men ook onvolmaakt sterven.
Willen wij dus waarlijk heilig worden, besluiten wij dan: vooreerst elke dage-lijksche zonde, hoe klein ook, te vluchten. Ten tweede, onthechten wij ons aan elke
1) Prov. 21, 25,
â 32 â
zaak dezer wereld. Ten derde, zorgen wij nimmer ouze gewone oefeningen van gebed en versterving achter te laten, hoe grooten afkoer en tegenzin wij er ook in ondervinden. Ten vierde, laten wij eiken dag het lijden van Jesus Christus overwegen. want daardoor wordt iedere ziel die er op nadenkt van liefde ontvlamd. Ten vijfde, geven wij ons in alle wederwaardigheden met gelatenheid over aan den Wil Gods. Pater Balthasar Alvarez zeide; 1!7« zich in tie moeielijldieden aan den r/oddelijkKii Wil weef over te geren, hij f/aat tot God met den sneltrein. Ten zesde, laten wij zonder ophouden aan God de gave zijner heilige liefde vragen.
Besluit, besluit, zeide de H. Theresia: De duivel heeft neen rrees voor hesluiteloose zielen.
Maar hij. die in waarheid besloten is zich geheel aan God te geven, zal alles te boven komen, ook wat hem vroeger onoverkomelijk toescheen. Een ^besliste wil overwint alles. Zorgen wij den verloren tijd te herstellen, geven wij den tijd, die ons nog overblijft, geheel aan God. Alle tijd, die niet voor God besteed.
wordt, is gansch cn al verloren. Waarop wachten wij ? Tot God on.s aan onze lauwheid overlaat en wij alzoo eindelijk in de allerdiepste ellende neerstorten? Neen, vatten wij moed, en van heden af aan zij onze leuze: Behayen aan God, al hoxt het ons leven.
Zijn de zielen zoo gesteld, dan doet God hen op den weg der volmaaktheid vooruit('//«/CH. Wie geheel aan God wil toebehooren, moet besluiten: lo. Nimmer eene dagelijksche zonde te bedrijven hoe klein die ook zij. 2o. Zich geheel zonder voorbehoud aan God te geven, en daarom nooit nalatig te zijn om iets te doen wat aan God welgevallig is, voor zoover de zielbestierder het goedkeurt, ijo. Onder het goede datgene uit te kiezen wat het meest aan God behaagt. 4o. Nooit tc wachten tot morgen. Wat heden kan, moet ook heden geschieden. 5o. Dagelijks God te bidden, om in zijne liefde toe te nemen. Als er liefde is, doet men alles, maar zonder liefde doet men niets. Om alles te winnen moet men alles geven, .lesus Christus gaf zich aan ons geheel, opdat wij geheel de zijnen zouden wezen,
â 34 â
Hoc ongelukkig ben ik. n God mijner ziel! Reeds zoovele jaren leef ik op deze wereld, en helaas! welken voortgang heb ik gemaakt in uwe liefde! Ben ik vooruitgegaan, dan was het in gebreken, in eigenliefde en zonden. Zal ik tot mijnen doöd toe zoo moeten voortleven? Neen, mijn Jesus, mijn Zaligmaker, ach, hel]) mij; ik wil niet sterven, zoo ondankbaar als ik tot hiertoe geweest ben. Ik wil U waarachtig beminnen en ik wil alles verlaten om genoegen te geven aan U. Reik mij uwe hand, o mijn Jesus, Gij die al uw bloed hebt gestort opdat ik U geheel zou toebehooren.
Ja, dat verlang ik met den bijstand uwer genade. Reeds ben ik den dood nabij, help mij mijzelven van alles te onthechten, wat mij belet, geheel te be-hooren aan U, die mij zoo teeder bemind hebt. Doe het om uwe verdiensten. Op U is mijne hoop. Ook van U verwacht ik het, lieve Moeder Maria; verwerf Gij mij met uwe gebeden, die alles bij God vermogen, de genade geheel aan Hem te zijn.
--m----
Over de wetenschap der Heiligen.
;s7SS
^Rr ls eone tweevoudige wijsheid op doze wereld: de hemelsche en de aardsche. De hemelscho wijsheid wekt ons op om aan God te behagen en groot te worden in den hemel; de aardsche om : ons zeiven te voldoen en groot te worden op deze wereld. Maar bij God is die wijsheid der wereld ijdel en louter dwaasheid: Sapientta eiiini hiijnn Dmtidi atultitia est ajitid Deiim. ') Dwaasheid, want de wijsheid der wereld maakt al hare volgelingen dwaas; zij maakt hen dwaas en aan diereu gelijk, omdat zij hen even als de
1. 1 Cor. 3. 19.
86
dieren hunne zinnelijke lusten leert inwilligen. De H. Joannes Oliryso.stomus schrijft: Hominem illum (Helmus lt;jni. ima-yinem hominis saUmn vetinH; quae aufem imago hominis? rationalem ex-se. d. w. z. Om het kenmerk van mensch te bewaren moet men redelijk zijn, m. a. w. moet, men handelen volgens de rede. Gelijk men dus van een dier, dat altijd volgens de rede handelde, zeggen zou; dit dier gedraagt zich als mensch, zoo zegt men van een mensch, die volgens zijne zin-nelijke lusten en niet volgens zijne redo handelt: deze mensch gedraagt zich als dier.
Maar ook al spreken wij van de men-schelijke wetenschap in goeden zin, nl. van de natuurlijke keunis der aardsohe dingen, o hoe weinig beteekent het, wat de menschen er van weten, al hebben zij nog zoo lang gestudeerd! Wat anders zijn wij dan blinde aardmollen? W ant buiten de waarheden, die wij weten door het geloof, kennen wij niets dan door middel der zintuigen en liij wijze van gissing: alles dus is voor ons onzeker en aan vergissing onderhevig. Welk schrij-
37
ver, die over snilke zaken geschreven heeft, al is hij door velen nog zoo zeer toegejuicht, heeft zich vervolgens kunnen vrijwaren voor de blaam van anderen? Maar het ergste is, dat de aardsche wetenschap ons opblaast, gelijk do H. Paulus zegt: Scimtia in flat. Zij maakt ons trotsch en licht geneigd om anderen te verachten, een gebrek, dat zeer gevaarlijk is voorde ziel; want, gelijk de H. Jacobus zegt, God weigert zijne genaden aan de hoog-moedigen en deelt ze alleen aan de ne-dcrigen uit: Deus superbis resistif, Jiiiniill-bus autem dat firatiam. ')
Utinam saperent et intelliyerent uc noris-sima proriclerent. ~) O gingen de menschen eens te werk volgens hun rede en volgens de wet Gods; wisten zij eens bezorgd te zijn, niet zoozeer voor bet loven, dat weldra eindigt, maar voor hot leven, dat eeuwig duurt, voorzeker zij zonden geen andere wetenschap zoeken dan alleen die, welke dienen kan om deelachtig
1. Jac. 4. G.
2, Daut. 32. 29.
â 88 â
te worden aan de eeuwige gelukzaligheid en te ontkomen aan de eeuwige pijnon der hel.
De H. Joannes Chrysostomus vermaant ons bij de grafsteden der dooden de wetenschap des heils te gaan leeren: Pro-ficiscamur uil sepuleli-ra. Inderdaad, de grafsteden zijn op treffende wijze de scholen dor waarheid; daar eerst leert men de ij dolheid dor wereld kennen. Proficisca-mnv ml xepulchra. In die graven, zeide de heilige, zie ik niets dan verrotting, dan heenderen en wormen, nihil video nisi putredhiem, osxa et rennen; onder al die geraamten, welke ik daar aanschouw, kan ik niet onderscheiden wie geleerd is geweest, wie onwetend, alleen zie ik, dat alle wereldsche grootheid voor hen geëindigd is met der, dood. Wat is er ge-hieven van een Demosthenes, van een Cicero, van een UlpiauusV Zij diepen hun si dap en niets lu-hhen zij in hunne handen geromlen al die mannen den rijkdoms. 1)
Gelukkig hij, die van God de wetenschap der heiligen mocht ontvangen: Kt
1
Ps. 75. 6.
â 39 â
dedif iUi scientiam suiictoniiii. ') De wetenschap der heiligen leert ons God beminnen. Hoovelen in de wereld zijn bedreven in do schoone letteren, in do wiskunde, in vreemde en oude talen; maar wat zal al hunne wetenschap baten, als zij niet bedreven zijn in do wetenschap der liefde Gods? Gelukkig hij, zegt do H. Augus-tinus, qui Deiun novit efsi alia nescit! d. i. Gelukkig hij, die God kent, al weet hij van het andere niets. Al weet men niets van hetgeen anderen weten; als men God kent en Hem bemint, is men geleerder dan alle anderen, die, hoe geleerd ook, van God te beminnen geen begrip hebben.
Ongeleerden zullen opstaan en den hemel innemen, roept de H. Augustinus uit; Surffimt indocti et rapiunt coeluin! 0 hoe geleerd waren een H. Franciscus van As-sisië. een H. Paschalis, een H. Joannes de Deo, niet bedeeld wel is waar met menschelijke wetenschap, maar vol van do wetenschap Gods! Die wetenschap Gods is verborgen voor de wijzen, maar geopenbaard aan de kleinen. AbscondiMi
(4;
l. Sap. 10. 10.
â 40 â
haev a sapientibus et prudentibun ct revelasti ea parmlis. i) Door wijzen worden hier de wereldlingen bedoeld, welke er op uit zijn de goederen en eer der wereld te verwerven en de eeuwige goederen weinig tellen; terwijl kleinen op die eenvoudige zielen terugziet, welke, aan kinderen gelijk, van de wereldsche wijsheid weinig begrip hebben, maar alleen bezorgd zijn om aan God te behagen.
O benijden wij toch nooit, de menschen die veel weten; benijden wij hen alleen, die hun hart weten te schenken aan Jesus Christus; volgen wij Paulus na, die, gelijk hij schreef, niets anders wilde weten dan Jesus Christus en Jesus gekruist-Non judicavi me scire aliquid inter rots nisi Jesiim Christum et hunc crudfixum. 1) Gelukkig wij, als wij tot de kennis mogen geraken van de liefde, welke Jesus Christus ons heeft toegedragen op het kruis, en door dit leerboek der goddelijke lietde geleerd, het zóóver brengen, dat wij Hem weten te beminnen. 0 ware onvolmaakte
1
1 Cor. 2. 2.
â -tl â
Miuuaar mijns harten, waar vind ik iemand, die mij zoozeer bemind heeft als Gij! In hot verledene heh ik veel tijd verloren, omdat ik veel zocht te weten zonder eenig nut voor mijne ziel, en er weinig aan dacht mij de wetenschap uwer liefde te verwerven. Ik zie het, dat leven is verloren; maar ik hoor, hoe Gij mij tot uwe liefde roept. Hier ben ik, Heer, ik zeg aan alles vaarwel. Van heden af aan zal mijne eenige gedachte zijn aan U, mijn hoogste goed, te behagen. Aan U geef ik mij zeiven geheel, neem mij aan, help mij om U getrouw te zijn; niet meer de mijne wil ik zijn, maar geheel, geheel de uwe. O Moeder Gods, help ook Gij mij met uwe gebeden.
* Men veroorlove mij hier mede te deelen welken grooten troost ik voor eenige dagen mocht ondervinden bij e?n bericht, dat juist op de zooeven behandelde stof', de wetenschap der heiligen, betrekking heei't. Het geldt den beroemden schrijver Petrus Metastasio, die zich den lot' van geheel Europa heei't verworven door de uitgave zijner dichtwerken. Doch met al hunne schoonheid zijn die gedichtcn slechts
42 â
des te schadelijker; (die nl. welke handelen over de profane liel'de), want, de uitdrukkingen zoo teeder en levendig als ze zijn, vermochten daardoor slechts des te beter in de harten der jongelieden de verderfelijke vlammen der onreine genegenheid aan te wakkeren. Dezelfde schrijver nu, heel't thans, naar men mij met zekerheid mededeelt, een boekje in proza uitgegeven, waarin hij al zijnen vroegeren arbeid verfoeit, en betuigt, dat, indien hij al zijne werken kon terugnemen en maken, dat zij niet meer in de wereld verschenen, hij dit zelfs ten koste van zijn leven zou willen doen. En inderdaad, men verhaalt mij, dat hij thans niets meer vervaardigt dan alleen eenige geestelijke en zede-kundige tooneelstukken, waartoe hij door zijne waardigheid van hofpoëet genoodzaakt is ; ook moet hij zich in zijn huis teruggetrokken houden en een leven leiden van godsvrucht en gebed. Ik kan niet uitdrukken welken troost mij dit heeft gegeven, want deze openlijke verklaring en dit allerlofwaardigst voorbeeld zal aan vele verblinde jongelieden, die zich door dergelijke minnedichten eer en aanzien zoeken te verwerven, de oogen doen opengaan. Zeer zeker verdient Mijnheer Metastasio met deze verklaring méér lof dan hij verdienen zou met duizend prachtige boeken poëzie , dan toch zou hij alleen door de menschen geprezen worden, maar nu wordt hij geprezen door God. Heb ik hem dan vroeger veracht om de ijdelheid, waarmede hij zich op werken van dat soort beroemde, (ik spreek niet van zijne gewijde tooneelstukken,
â 48 â
die uitmuntend zijn en allen lot'verdienen) thans kan ik er niet van uitscheiden hem te prijzen en ik zou hem, als het mij mogelijk was, wel de voeten willen kussen, omdat hij nu zelf die werken veroordeelt en verlangt ze zelfs ten koste van zijn bloed (gelijk hij zich uitdrukt) uit de wereld te zien verdwijnen.
41$ȉ
Onze eeuwige zaligheid ligt in het Gebed.
fglct gebod is ons niet alleen nuttig. \im\ maar noodzakelijk ter zaligheid. Vandaar dat God. die allen zalig wil maken, ons door een gebod tot bidden verplicht: Vraagt en h zal i/et/ereu worden.*) Te beweren. dat hot gebed alleen raad zou zijn. en geene verplichting, was eene dwaling van Wicleff, veroordeeld door het concilie van Constans. Immers ei-staat geschreven: Men moet altijd bidden. Er staat niet: Het is nattig, of: Het betaamt; maar: Men moet. Het is daarom zeer juist, wat de godgeleerden zeggen,
1) Math. 7. 8.
â 45 â
dat iemand, die verzuimt minstens eens in de maand en immer als hij door eene zware bekoring wordt aangevallen, tot God zijne toevlucht te nemen, niet vrij te spreken is van zware zonde.
De reden, waarom het zoo noodzakelijk is, dat wij ons dikwijls Gode aanbevelen, ligt in ons onvermogen om eenig goed werk te doen, ja eene goede gedachte te hebben uit ons zeiven. Zonder mij kunt ;/// niets doen. ') Wij zijn niet in staat iets te hedenken cd* uit ons zelren. '-) Daarom zeide de H. Philippus Norius, dat hij over zich zeiven in vertwijfeling was. God echter, zegt de H. Augustinus, wil ons zijne genade geven; maar Hij geelt ze niet tenzij aan hem, die er om vraagt: Deus dare vult, sed non dat nisi petenti. â ') In het bijzonder, zegt de heilige, geldt dit van de genade der volharding; deze wordt niet geschonken dan alleen aan die er om bidt: Alia nonnisi orantibus (Deam) praèparasse sicut perseverantium. 1)
1
Lib. de Pers. cap. 5.
â 46 â
En, wijl de duivel immer rondloopt en er voortdurend op uit is ons te verslinden, moeten wij, gelijk do H. Thomas zegt, ons ook noodzakelijk immer verdedigen met liet gebed; Necesmria est ho-mini juffis oratio. En reeds vroeger had Jesus Christus het gezegd. Men moet altijd hidden en nooit ophouden ') Hoe zullen wij anders weerstand kunnen bieden aan die aanhoudende bekoringen van wereld en hel? Het was een dwa-liug van Jansenius, door de Kerk veroordeeld, te zeggen, dat sommige geboden door ons onmogelijk onderhouden kunnen worden en dat ons nu en dan ook de genade ontbreekt, die ze ons mogelijk maakt. Neen, God is getrouw, zegt de H. Paulus en Hij duldt niet, dat wi j bekoord worden boven onze krachten. Fide.lis uutem Deus lt;jtn non patietur ros tenturi supra id quod potestis. 1) Maar Hij wil, dat wij in de bekoring bij Hem de kracht zullen zoe-ken om te weerstaan. Do H. Augustinus schrijft: Le.c data est, ut gratia quaere-
1
i Cor, 10. 13.
yetnr, t/i atia lt;1atu ent ut le.r impleretur. Daalde wet door ons niet kan onderhouden worden zonder do genade, heeft God ons de wet gegeven, opdat wij de genade zouden vragen en daarna geeft Hij ons de genade om de wet te volbrengen. Het Concilie van ïrente heeft dit alles duidelijk uitgedrukt toen het zeide: âGod beveelt niets, wat onmogelijk is; maar. als Hij bevoelt, vermaant Hij u te doen wat gij kunt, te vragen wat gij niet kunt en dan helpt Hij u opdat gij kunt. Ueux impossibilia non jnhet, ml jnhendo momi et farere quocl possis ef petere quoil non %os*is 'â t adjuvat ut //os.six. ')
God derhalve is alleszins geneigd ons zijne hulp te geven, opdat wij niet dooide bekoringen verwonnen worden; maar Hij geeft die hulp niet dan alleen aan iien, die ten tijde der bekoringen hunne toevlucht tot Hem nemen. In het bijzonder geldt dit, gelijk do Wijze Man zegt, van do bekoringen tegen de zui-^erheid. Kn daar ;/,â dat ik niet anders kuisch kon zijn, dan indien (iod het gaf, hen
1. Sess. 6. cap. 11.
â 48 â
ik tot ileit Heer gegaan eti heh Hem gebe-flen. ') Zijn wij er wel van overtuigd, wij hebben geen kracht om onze vleesche-lijkc lusten te overwinnen, of God moet ons te hulp komen; die hulp echter kunnen wij niet verkrijgen zonder bidden; maar ook als wij bidden, dan zullen \Nij haar zeer zeker verkrijgen en genoeg om aan de gansohe hel te weerstaan in de kracht van God, die ons versterkt, gelijk de H. Paulus zegt; Omnia possum in eo qui me confortut. ^
Om Gods genade to verwerven is het ook allernuttigst zijne toevlucht te nemen tot de voorspraak der heiligen, daar dezen veel bij God vermogen, vooral ten gunste hunner bijzondere vereerders. Daarbij is zulks niet louter eene godsvrucht van vrije verkiezing; maar, zegt de H. Thomas, het is zelfs plicht, omdat de orde der wetten vereischt, dat wij stervelingen door de gebeden der heiligen de noodige middelen ter zaligheid ontvangen.
1. Sap. 8. 21.
2. Phil. 4. 13.
â 49 â
Dit geldt vooral van tie voorspraak der Allerheiligste Maagd Maria, wijl hare geboden alleen meer vermogen dan die van alle heiligen samen. Te meer nog omdat wij, gelijk do H. Bernardus /.egt, door Maria toegang hebben tot Jesus Christus, onzen Middelaar cn Zaligmaker: Fcr te uccessum liahemns ad hllium, o Inventrix l/ratkce, mater saluti*, ut per te no* snsci-[ilut qui per te ilatiix est nobis. ') Ik meen dan ook in mijn werk âde Heerlijkheden van Maria, â¢!) alsook in mijn boekje over het gebed voldoende te hebben aangetoond, hoe gegrond de meening is van vele heiligen, (in het bijzonder van den H. Bernardus, en van vele godgeleerden, zooals Pater Alexander en Pater Con-tenson) dat wij alle genaden van God ontvangen door Maria's bemiddeling. Daarom zegt verder de H. Bernardus; Laten wij genade vragen, maar laten wij die vragen door Maria; want al wat zij vraagt verkrijgt zij, en nooit wordt zij teleurgesteld. Qmieraitius f/ratiam et per
1. Serm. Dom. inl'r. oot. assumpt.
2. Cap. V j 1 en 2.
â 50 â
Mdriuiti ijicaeramas; quia qnoil quaerif in-renit et fnistrari non potest. Hetzelfde zeggen do H. Petrus Damiamis, de H. Btmaventura, de H. Bevnardinus van Siëna. de H. Antoninus en anderen.
Welaan, bidden wij dan, en bidden wij, gelijk de H. Paul us zegt. met groot vertrouwen. Ijdat ons met rertromreii toetrede)! tot den troon der fienade, o/idat irij bann-liartiffheid mogen rerkrijyen e.n ludp te he-hranien tijde. ')
Thans is Jesus Christus op een troon van genade gezeten om allen te troosten, die hunne toevlucht tot Hem nemen, en zegt Hij ons: Vraagt en U zal generen inirden. In den laatsten dag zal Jesus ook gezeten zijn cp een troon, maar het zal een troon van gerechtigheid zijn. Welk eene dwaasheid dan zou hot zijn nu, terwijl Jesus ons zijne genade aanbiedt, terwijl Hij ons van al onze ellenden wil bevrijden, nu niet tot Hem te gaan, maar uit te stellen tot Hij komen zal als rechter en geen barmhartigheid meer zal kennen.
1. Heb. 4. 16.
â 51 â
Thans /.egt Jesus, dat ons alles, wat â wij Hem vragen, zal gegeven worden, |zoo wij sleehts niet vertrouwen vragen: ÃAfles wat gij hhlrlende vraac/t, gelooft, ihif gij \liet zult ontvangen, en het zal n geironlen. ') Als iemand een bewijs zijner liefde zon willen geven aan zijnen vriend, wat zon hij meer kunnen zeggen dan: Vraag ran mij irat (jij irilt; ik zal het u geren.
De H. Jacobus voegt er bij: bictien nu iemand uwer behoefte heeft aan wijsheid, hij rrage ze van God, die aan (dien mü del ijk geeft cu niet verwijt. -)â Do wijsheid hier bedoeld is de wetenschap om zijne ziel te redden. Wil men die wijsheid bezitten, dan moet men van God de noodige genaden vragen om de zaligheid te bereiken. En die genaden. zal God ze ons geven? O zeer zeker zal God ze fins geven, en Hij zal ze geven in overvloed, méér dan wij gevraagd hebben. Men lette nog op het woord: (iod rerwijt niet. Als nl. de zondaar berouw heeft over zijne zonden en aan God zijne zaligheid vraagt, zal God niet doen gelijk de meuschen, die aan on-
1. Mare. 11. 24.
2. Jac. 1. 5.
â 52 â
dankbaren hunne ondankbaarlicid verwijten en hun hot gevraagde weigeren: neen. vol bereidvaardigheid zal God geven wat Hem gevraagd wordt, ja nog nicer dan gevraagd wordt. Willen wij dus zalig worden, dan moeten wij tot onzen dood toe voortdurend bidden en altijd zeggen: ..Mijn God. help mij.quot; ..Mijn Jesus, barmhartigheid.quot; âMaria, barmhartigheid.quot; Als wij met bidden ophouden, zijn wij verloren. Bidden wij echter niet alleen voor ons zeiven; maar bidden wij ook voor de zondaren, daar dit zoo aangenaam is aan God. Zorgen wij ook el-ken dag te bidden voor de. heilige zielen van het Vagevuur. Die heilige gevangenen zijn o zoo dankbaar jegens hen, die voor haar bidden! En, als wij bidden, vragen wij de genaden dan altijd dooide verdiensten van Jesus Christus, want Jesus zelf heeft ons geleerd, dat God ons alles zal geven, wat wij in Zijnon naam zouden vragen: Voorwaar, voonvaar, ik zen ugt; z0() ff'.iVader iets in mijnen naam guit vragen zal Hij hef n geve». ')
1. Jo. 16. 23.
â 53 â
O mijn God, boven alles vraag ik U [heden, door de verdiensten van .lesus Christus deze genade: Geel', dat ik mij geheel mijn leven, maar vooral ten tijde der bekoringen U moge aanbevelen, en dan vertrouwe, dat Gij mij ter liefde van Jesus en Maria zult te hulp komen. Allerheiligste Maagd, verwerf mij die genade, .want daarvan hangt mijne zaligheid af.
-m-
§ 8.
Ik moet eenmaal sterven.
et is voor onze zaligheid van het hoogste lielang, dat wij ons dikwijls herinneren en bij ons zeiven zeggen: ik moet eenmaal sterren. Elk jaar, op Ascli-Woensdag, doet de Kerk aan de geloovigen de waarschuwing: Gedenk, a menscJi, (Jat gij stof zijt en tot stof zult ire-derkeeren. Maar dio waarheid van den dood wordt ons ook zeer dikwerf herinnerd gedurende den loop des jaars, nu eens door do kerkhoven, die wij aan-treffen langs de wegen, dan eens door de grafsteenen in onze kerken, dan weder
- 55 â
!(li)or de (looden, (lio men tor grafplaats lienenvoort.
Do kostbaarste moubolou, welke do kluizenaars medenamen naar hunno grot-ton. waren lt;'011 kruisbeeld en oen doodshoofd; oen kruis om hen te herinneren aan do liefde van Josus Christus, oen doodshoofd om hen te doen donken aan den dag van hun duod. Aldus volhard-don die kluizenaars in de boetvaardigheid tot het einde hunner dagen, en wanneer zij ten laatste als armen stierven in de woestijn, dan stierven zij mot grooter tevredenheid dan de koningen in hunne paleizen.
Hot einde komt, het einde is gekomen.')
Op deze wereld leeft de een langer, de ander korter, maar voor eon ieder, hetzij vroeg hetzij hiat, breekt eens het laatste oogonblik aan. En op dat uiterste, op dat oogenblik van sterven zal niets ons kunnen troosten dan alleen het bewustzijn, dat wij Jesns Christus hebben bemind en te zijner liefde do ellenden van dit leven mot geduld hehben verdragen. Neen.
5
1) Ez. 7. 2.
dan troosten do rijkdommen niet, die wij bezeten liebben, ook de eer niet door ons genoten, noch do genoegens door ons gesmaakt; de grootste waardigheden dezer wereld geven den stervende geen troost, maar baren hem wee, en hoe moer hij or zicli verworven heeft, des to groo-ter /.al zijne bitterheid zijn. Zuster Mar-garetha van Sint Anna, Carmolitesse en dochter van Keizer Rudolf II zeide: Waf haten de koninkrijken in het uur des doods ?
O mijn God! aan hoevele wereldlingen gebeurt het niet, juist dan, wanneer zij het meest in de zorg om zich winsten, goederen, waardigheden te verwerven, zijn verdiept, de tijding te ontvangen van hunnen naderenden dood. Dispone domui tnae quid morieris tu et non vires. ') Mijnheer, zoo komt men hun zeggen, het is tijd om aan een testament te denken, uw toestand is bedenkelijk. Mijn (rod) wat teleurstelling voor zulken nwnsoh! Hij was op het punt zijn proces te winnen, in bezit te komen van dat buis, van
1) is. 38. 1,
- 57 â
dat landgoed, cn nu komt do priester en zegt hom: l'rofiviscere, aninia chri-itiuiKi, ile hoe mintlo! O ziel. ga heen van deze wereld en ga, rekenschap geven aaii Jesus Christus! Maar ik ben thans nog niet bereid! Bereid of niet. thans is het oogon-blik daar.
Ach mijn God, geef mij licht, gooi'mij kracht; laat mij liet leven, dat mij nog overblijft, geheel besteden om U te dienen en tc beminnen! Moest ik heden sterven, ik stierf niet tevreden, mijn sterven zou vol onrust zijn. Waarop dan wacht ik nog? Tot de dood mij wegneemt met gro( -tge vaarv(gt;ormijn eeuwige zaligheid?
Heer, ben ik voorheen dwaas geweest, ik wil het voortaan niet meer zijn. Nu geef ik mij geheel aan U. Neem mij aan on help mij met uwe genade.
Kortom voor oen ieder zal eenmaal het einde zijns levens en dus ook dat beslissende oogenblik aanbreken, waarvan eeae gelukkige of rampzalige eeuwigheid zal at hangen. Oh inowcnfnin o (jito jifuilft aeternitan!
O, dachten toch alle menschen aan dat
gowiclitig oogpiililik en iiiiu do rekenschap, die zij dan moeten afteggen aan den Rechter van geheel hun leven! Dat zij toch wijs werden en tot inzicht kwamen en hun einde voorzagen. 1) O. voorzeker zij zouden er niet zoo op uit zijn om geld te winnen, zich niet zoo zeer inspannen om groot te worden in liet leven, dat voorbijgaat, maar zij zouden er alleen op bedacht zijn. heilig tc worden, en in het leven, dat nimmer voorbijgaat-groot te zijn.
Als wij derhalve geloot hebben, en door het geloot'overtuigd zijn. dat er een dood. oen oordeel, eene eeuwigheid is, zorgen wij dan in de dagen, die nog komen, alleen voor God te leven. En daarom laten wi] ons best doen te leven als vreemdelingen op deze wereld, die haar weldra moeten verlaten. Verliezen wij nooit don dood uit het gezicht. Laten wij in de zaken van dit leven zoo handelen, als wij het doen zouden in het uur des doods-. Al wat van deze wereld is, zal ons verlaten. of bet zal door ons worden ver-
1) Deut. 32. 29,
laten. Nemen wij daanuu den raad van Josus Christus ter harte: Versmaden wij de schatten dezer wereld, die ons toeh niet bevredigen kunnen, en weldra een einde nemen en laten wij he-melschc schatten zoeken, die ons gelukkig zullen maken en in eeuwigheid niet vergaan. Thesaiirizdfe eobis thesauros in coelo, uhi neque aenujo, neque tinea r/e-molitur. ')
llampzalige, lt;lie ik lgt;en, voor een aard-sclie voldoening heb ik zno dikwijls den rug gekeerd aan U, eindeloos Goed! Ik zie nu in, hoe dwaas ik ben geweest met de eer en fortuin dezer wereld na te jagen. Doch van nu af zal mijn fortuin geen ander zijn dan U te beminnen en in alles uwen wil te doen. 0 mijn Jesusi ontneem mij dat verlangen om vertooning te maken, leer Gij mij de verachting en het verborgen leven beminnen. Geef mij kracht om mij zeiven alles te weigeren wat aan U mishaagt. Help mij ziekten, vervolgingen, mistroostigheid en alle kruisen, die Gij mij overzendt, met
â¢1) Matth. 6. 20.
â 60 â
tevredenheid aan te nemen. O ik wenschte, dat ik ter liefde tot U mocht sterven van allen verlaten, gelijk Gij gestorven zijt voor mij. Heilige Maagd, uwe gebeden kunnen mij het ware geluk verwerven, kunnen maken, dat ik uwen goddelijken Zoon vurig beminue, welaan, bid voor mij, ik stel in U mijn vertrouwen.
AA-AA A A AA A A A A AA A A
8 o.
VoorberBiding tot den dood.
et is zekor, dat men sterven zal: Stafufaiii eat hominibus seniel nwri. ^) Maar onzeker is liet, wanneer en lioe men zal sterven. Daarom vermaant ons Jesus Christus: Weest bereid, trant op een nar, waarop gij hef niet meent, sal de Zoon den menschen komen. 2) De Goddelijke Zaligmaker zegt: Weest bereid. Om zalig te worden is hot derhalve niet genoeg, dat wij ons tot sterven voorbereiden, als de dood reeds daar is; maar dan moet de voorbereiding reeds geschied zijn. wij moeten dan bereid zijn om den dood op
1) Hebr. 9. 27. 3) Luo. 12. 40.
â 62 â
die wijze en mot die omstandigheden ann te nemen, gelijk hij ons dan zal overvallen. Hiertoe nu is het zeer nuttig, dat men ten minste maandelijks de volgende akten verrichte:
O mijn God. zie mij hier aan uwe voeten, bereid den dood te omhelzen, welken Gij mij hebt voorbeschikt. Reeds nu neem ik hem aan, en tot glorie uwer Majesteit en tot uitboeting mijner zonden breng ik U het offer mijns levens. Om mijn vleesch te believen heb ik U zoo zwaar beleedigd, ik stem er dan gaarne in toe, dat het dooi' de wormen worde verteerd en tot stof verga.
Mijn Jesus, ik voreenig de smarten en den doodstrijd, die ik dan zal moeten lijden, met do smarten en den doodstrijd, die Gij, mijn Zaligmaker, geleden hebt in uwen dood. Ik aanvaard den dood met alle omstandigheden, gelijk Gij die wilt. Ik aanvaard den tijd: hij moge nog vele jaren verwijderd zijn of reeds spoedig aanbreken. Ik aanvaard de wijze: op bed of daarbuiten, voorziens of onvoorziens, aan eene smartelijke of geene smartelijke ziekte, gelijk aan U behaagt. In
~ 63 â
alles geef ik mij ever aan uwen heiligen Wil. Geef Gij mij de kracht om alles met geduld te lijden.
Wat zal ik den Heer wedergeven voor alles wat Hij mij gedaan heeft? Ik dank ü. o mijn God. en allereerst voor de gave des geloofs. Ik betuig, dat ik wil sterven als kind der Katholieke Kerk. Ik ben er dankbaar voor. dat Gij mij niet hebt laten sterven toen ik in zonde was, en dat Gij mij zoo dikwijls en met zooveel barmhartigheid vergiffenis hebt geschonken. Ik bedank U voor die talrijke inspraken en genaden, waarmede Gij mij zocht te trekken tot uwe liefde.
Ik bid U, laat mij sterven, terwijl ik U ontvang in de H. Teerspijze, opdat ik met ü vereenigd voor uwen Rechterstoel moge verschijnen. Ik verdien niet uit uw mond die troostende woorden te hoi )ren: Welaan, gij f/oede en c/etroture dieiistlciievlit, omi/at (jij orer treinit/ i/efivitu-zijt (jeiceeisf, zal ik n over reel xtcllen, treed binnen in de vreugde airs Heeren. Ik verdien dit niet. want in niets ben ik U
1) Matth. ?5. 21.
volkomen getrouw geweest; maar uw dood geeft mij de hoop, dat ik in don hemel zal mogen binnen gaan en U daar eeuwig en uit al mijne krachten zal beminnen.
0 mijne gekruisigde Liefde, heb medelijden met mij, zie op mij neêr met die. zelfde liefde, waarmede Gij op mij neer-zaagt van uw Kruis, toen Gij daar stierft voor mijne zaligheid. De zonden mijner jeugd en mijne misslagen, gedenk zo niet, o Heer. Mijne zonden jagen mij schrik aan; maar ik word getroost door het Kruis, waarop ik U gestorven zie uit liefde tot mij: Ecve lifinum cruvh in quo xalnti iimnili peijendil. Ik verlang mijn leven te eindigen, opdat ik ook uphoude U te belecdigen. Ach, om hot Bloed, dat G-ij voor mij gestort hebt, vergeef mij al de belcedigingen, die ik U voor mijnen dood nog mocht aandoen. O Bloed van den onschuldige, wasch do zonden van den boetvaardige.
Mijn Jesus, ik hecht mij vast aan uw kruis, ik kus de wonden van uwe heilige voeten en daarin wensch ik mijnen laat-sten zucht te slaken. Ach, verlaat mij
â 65 â
ll niet in dat laatste «ogenblik; wij smee-ken U, kom uwe dienaren te Imlp. die Gij door mv dierbaar Bloed hebt vrijgekocht. Ik bemin U uit geheel mijn hart, ik bemin U meer dan mij zclven» 1 en uit het diepste mijner ziel is het mij leed, dat ik in het verlodene U heb veracht. Ik was reeds verloren, o Heer! ' maar Gij in uwe goedheid. Gij hebt mij van de wereld bevrijd; neem dan nu reeds mijne ziel aan als ware het oogenblik reeds daar, waarop ik deze wereld moet verlaten. Nu dan reeds bid ik U met de H. Agatha: JJaniinc, qui ahstnlisti a me i aniorciii saeciili, accipe animanimcam. Heer' die de liefde voor deze wereld van mij hebt weggenomen, ontvang mijne ziel. i ui te Doniine 'xperuei, non confundar in ac-. tcnudn; retleiuisfi ine, JJoniiiic, Deux reri-1 tutis. Op L', Heer, heb ik gehoopt; in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden; Gij hebt mij vrijgekocht. Heer, God van waarheid.
O, Allerheiligste Maagd, kom mij in dat oogenblik van mijnen dood te hulp. J Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor mij, zondaar, nu en in het uur van mij-
nen dood. Op U. o Koningin, heli ik gehoopt; ik zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. Heilige Joseph, mijn beschermer. verwerf mij een heiligen dood. Mijn H. Engelbewaarder, H. Aartsengel Michaël, verdedigt mij tegen de hel in dien laatsten strijd. Mijn heilige beschermengel. alle heiligen van het paradijs, komt mij te hulp in mijn laatste oogenblik. Jesus, Maria en Joseph, staat mij ter zijde in het uur van mijnen dood.
S 1quot;.
Wie God bemint, moet geen afsciirik hebben voor don dood.
do tocli zow men con afsclmw hcb-Ijfn vdov don dood. als mon looft gonarto van (rodV 1)1 th' lief tie hlijft, blijft in (lotl rn GoA in hem. ') Kon iodor, dio God lio-mint, is zckor van /.ijno genado. on. als hij zoo sterft, is hij vovzckord Hom voor oomvig to gaan gonicton in hot rijk der zaligon; on zon zoo iemand dan don dood moeten vrcozon 'i
Hot is waar. do profeet David zegt, dat geen enkel nionso.h in do oogon van fxod rechtvaardig is: Kt non intres in jn-
1. I. Joann. 4. 16.
â 08 â
(llcinm cum serro (no, quia non justificabifu)' in oonnpectn fnu omnia rirens. 1) Maar liicr-inede bucloelt hij, dat niemand zicli mout inbeelden zalig te zullen worden om eigen verdiensten, want niemand, tenzij Jesus en Maria, kan zeggen, dat geheel zijn leven vrij is geweest- van zonde: evenwel behoeft iemand daarom den dood niet tt' vreezen, als hij nl. over zijne misdrijven een waar berouw heeft en zijn vertrouwen stelt op de verdiensten van Jesus Christus, immers, juist voor de zaligheid der zondaren is Jesus op aarde gekomen: Jtr Zoon des menschen kirai)i zali;/ inakdi n-at eerloren was. 2)
Inderdaad, om de zondaars zalig te maken is Hij gestorven, daarvoor heeft Hij al zijn Bloed gestort; en het Bloed van Jesus Christus, zegt de apostel, spreekt voel luider ten gunste van de zondaren, dan hot bloed van A lid om. wraak riep tegen Caïu, die hom gedood had: S'fd ficcessiati* ad . . . inediafon'in ./c-
1
Pa, 142, 2.
2
Matth. JS. 11.
â Cê â
xuni, et sanguinis asper-iioiieiH melius Jorjiien-fciii. qiiam Abel.
Het is waar, zonder goddelijke openbaring kan niemand een ontcilbare zi--kerheid van zijne eeuwige zaligheid hebben: hij. die zich oprecht aan God heeft gegeven en bereid is liever alles, ja, liet leven te verliezen dan beroofd te worden van de genade Gods. kan daarvan wel eene zedelijke zekerheid bezitten. Die zekerheid is met vastheid gegrond op de goddelijke beloften: Niemand, zegt de H. Schrift, heeft zijn vertrouwen gesteld op God en is beschaamd gemaakt. Xn/hin speravit in Domino et confnsus est. ^)
Op zoovele plaatsen van de H. Schrift betuigt God ons nadrukkelijk, dat Hij niet den dood des zondaars wil, maar dat deze zich bekeerc en leve. Xiimqiiid roluntatis mede. est mors imjiii, dirit Doini-nus Deus, et non ut conrertatur lt;( riis suis et vivat? 3) Op een andere plaats wordt nog eens hetzelfde gezegd en nu bekrachtigd met een eed: Zoo/raar ik leef,
1. Hebr. 12, 22 ad 24.
2. Eccli. 2. 11.
zei/i GW, tie Ih'O, ik iril niet den ilood (les zondaar*, inatir dat hij zich bekeere en lere. O)) dc/.clfdi^ plaats klaagt (toi! zijn nood aan die verharde zondaren, welke om dc zonde niet te verlaten, zich vrijwillig in het verderf storten. Waarom, roept God uit. waarom, huis van Israël, wilt gij stervenV Quare inririeniiiii domu* fsrurl ? En tevens doet Hij aan allen, die berouw liel)l)en, de belofte, dat Hij al hnnne zonden en boosheden niet meer zal ge-denki *u. .SV autem imp'nis egerif poeulfen-fiam .... vifa n'vef; .... onmhim m/qtn-fuftim ejus, i/uus operufns csf, non rrror-dahor 2).
Took en 011 nu waaraan do zondaar mot grooto zokorlioid kan erkonnon. dat Inj vorgiffonis hoeft bekomon, zijn: O]) dc oorsto plaats afsclmw van zijnobodrovono zondon. Eon hoiligc Vador zogt. dat iomand, dio in waarhoid zoggoii kan: Iiiiquifafem odio hahui ef abomhiafus .sum. ..Mijyu' ongpvfch///y//eid haaf cu revfoei ti\ or gerust op moot zijn. dat hij in staat van genade is. Kon zeker toeken ook
1. Ez. 48. 23.
2. Ps. 118. 163.
â 71 -
van Gods vriendschap hccft liij. die na zijue zonde gedurende langen tijd in het goede hoeft volhard. Ook kan men nog als groote teekeuen beschouwen, dat men in G-ods genade verkeert, wanneer men vast besloten is liever het leven te verliezen dan de vriendschap van (rod; evenzoo, wanneer men een vurig verlangen heelt om God te beminnen en Hem ook door anderen bemind te zien, alsook, wanneer men er gevoelig over is, als men God ziet beleedigen.
Maar hoe kan het dan zijn, dat sommige groote heiligen, die zich geheel aan God hadden gegeven, die een verstorven loven hadden geleid, die onthecht waren aan alle genegenheid voor het aardscho, toch in hunnen dood groote angsten gevoelden, als zij er aan dachten, dat zij voor Christus hun Hechter gingen verschijnen. Men kan antwoorden: het is zeldzaam, dat heiligen bij hun sterven zulke angsten hebben verduurd; God liet het dan toe om hen nog eenige overblijfselen van zonden te doen uitboeten, alvorens zij de eeuwige zaligheid binnengingen. Maar in liet algemeen zijn alle
6
â 72 â
heiligen met groote kalmte gestorven, vurig verlangden zij naai' den dood om alzoo tot de aanschouwing van God te geraken. Wat overigens die vreeze voor de zaligheid aangaat, er is tusschen de zondaren en de heiligen die sterven dit verschil: hij de zondaren gaat de vrees over tot wanhoop, maar bij de heiligen gaat zij over tot vertrouwen en daarom sterven zij in vrede.
Een ieder derhalve, die met reden vermoeden kan in staat van genade te zijn) moet naar den dood verlangen, dikwijls moet hij hot gebed herhalen, dat Jesus Christus ons geleerd hoeft, Adveiiiat m/-tnuii' iuiiiti, Heer, laat uw rijk komen; en komt de dood, dan moet hij dien met blijdschap omhelzen, zoowel om bevrijd te worden van de zonde (op deze wereld toch kan men zonder eene buitengewone genade niet leven zonder misslagen) alsook om God van aanschijn tot aanschijn te gaan aanschouwen en Hem uit alle krachten te beminnen in het rijk zijner liefde.
Mijn beminde Jesus, mijn Zaligmaker en mijn Rechter, wanneer Gij mij eens
:sl_
â 7!) â
zult oordcclcn, ik smeek U, verwijs mij dan niet ter helle. In de hel zon ik U niet meer kunnen liefhebben, maar U voor eeuwig moeten haten: eu hoe zou ik U kunnen haten, U, die zoo beminnelijk zijt en mij zoozeer bemind hebtV Die genade, het is waar, om mijne zoude verdien ik haar niet; maar indien ik ze niet verdien, dan toch hebt G-ij ze voor mij verdiend, toen Gij met zooveel smart uw Bloed voor mij vergoten hebt op het kruis. In één woord, o mijn Rechter zend mij alle lijden over, maar laat niet toe, dat ik ü niet meer zou kunnen beminnen. O Moeder Gods, Gij ziet in welk gevaar ik verkeer van veroordeeld te worden uw Zoon, die cene oneindige liefde verdient, nooit meer te kunnen beminnen, welaan, ontferm U mijner eu kom mij te hulp.
811-
In het Kruis is onze Zaligheid.
c''quot;c's) (Vt0 xclquot;* i'iiind! pr/it'inl/l. Ziehier het hout des Krnises, iraaraan het Heil hhifl ih-r irereld. Aldus zingt do H. Kerk op don gnodon Vrijdag. Tn hot Kruis ja is onze zaliglioid. daar vindt men do kracht tegen do bekoringeni do onthechting aan do genoogons der wereld, in hot Kruis vindt men do ware liefde tot God. Wij moeten dus besluiten om hot kruis, dat Josus Christus ons hooft overgezonden met geduld to dragon en op dat kruis ter liefde van Josus Christus to sterven, gelijk Hij op het zijne stierf ter liefde van ons. Er is geen andere weg om in den hemel te komen.
clan de bitterheden des levens tot onzen dood toe met geduld te verdragen.
En ziedaar liet middel om ook te midden van liet lijden vrede te vinden. Ik vraag liet u. is er een ander middel om bij de kruisen den vrede niet te verliezen dan de onderwerping aan Gods wil? Als wij dat middel niet te baat nemen, dan mogen wij gaan waar wij willen, dan mogen wij doen. wat wij kunnen, wij zullen den last van het kruis niet ontvluchten. Daarentegen, als wij het bereidwillig dragen, dan zal het kruis we-derkeerig ons dragon, het zal ons dragen ten hemel en ous vrede schenken hier op aarde.
Wat doet hij die het kruis van zich afstoot? Hij verzwaart er den last van. maar hij, die het omhelst en het met geduld draagt, hij maakt den last licht en het gewicht zelf wordt hem een troost: ja, want Godis mild met zijnegenade voor allen, die, om Hem genoegen te geven, bereidvaardig het kruis dragen. Volgens de natuur is hot lijden niet aangenaam; maar wanneer de goddelij ke liefde heerscht in een hart, wordt het zoet.
â 7r. â
O, als wij acht geven op dien staat van geluk welken wij zullen genieten in het paradijs, wanneer wij God getrouw zijn en do moeielijkheden van dit leven zonder morren verdragen, neen, wij zouden ons niet beklagen over God, wanneer Hij ons lijden overzendt, maar met Job zouden wij zeggen: Dit zij mijn troost: dat (lod mij niet s/xiart In de bejgt;roen'ii(/ en dat ik toch zijn raadxbenluit niet weèrxpreke. 1) Eu zijn wij zondaren, hebben wij de hel verdiend, ook dit moet ons opbeuren in de beproevingen, die ons overkomen, te zien ui. dat wij in dit leven door God gekastijd worden; want dit is een zeker teekeu, dat God ons van de oeuwige kastijding wil bevrijden. Rampzalig de zondaar, wien het goed gaat op deze wereld ! Wie onder eene zware beproeving gebukt gaat, werpe een blik op de hel, die hij door zijne zonden verdiend heeft; wat pijn hij dan ook lijdt, zij zal hem onbeduidend schijnen. Hebben wij dus zonden bedreven, dan moet onze aanhoudende bode tot God zijn: O Hoer, spaar mij geene
1) Job 6. 10,
smarten: afflk/ens me dolore non parem; doch ik bid U. geef mij tevens kvaclit om met geduld te lijden, opdat ik uwen heiligen Wil niet weerstrevo; n.elt;; eontradicam sermonihns Sancti; maar mij in alles voege naar hetgeen Gij over mij beschikt, en immer met Jesus Christus herhale: [ta Pater, quoniam sic fuif plueitiun ante ie. ^) Heer, het behaagde U aldus te handelen, welaan zoo geschiede het.
De ziel, welke door de goddelijke liefde wordt beheerscht, zoekt niets anders dan God. Si dederit homo omnem suhstantiam domus suae pro dilectione, quasi nihil des-piciet earn. 1) Wie God bemint acht alles gering, zegt aan alles vaarwel, wat Hem niet dientom God te beminnen: en voor de goede werken, die hij verricht, voor al zijne boetplcgingen en vermoeienissen ter eere Gods verlangt hij geene vertroostingen en geestelijke zoetheden; het is hem genoeg te weten dat hij aan God genoegen geeft. In één woord, hij is er altijd en in alles op uit, zich zelven te â verloochenen, aan elke voldoening van
1
Cant. 8. 7.
â 78 â
zich zclveu to verzaken, on na dit alles verhett oi vorhoovaardigt hij zich op niets, maar noemt zich een dienstknecht, stelt zich op do laatste plaats en geeft zich geheel over in de armen van Gods welbehagen en Gods barmhartigheid.
Om heilig te worden moeten wij van smaak veranderen. Als wij het niet zóóver brengen, dat wat zoet is ons bitter smaakt en wat bitter is zoet, dan zullen wij er ook nimmer toe komen om ons volmaakt met God te vereenigen. Hier op aarde bestaat al onze zekerheid voor de toekomst, geheel onze volmaaktheid daarin, dat wij alle wederwaardigheden, die ons door den dag overkomen, met onderwerping verdragen, zoowel kleine als groote. Doch wij moeten ze lijden met die doeleinden, waarvoor de Heer in zijne Rechtvaardigheid wil, dat wij ze lijden zullen, nl. 1°. om onze bedrevene zonden uit te boeten. 2quot;. om het eeuwig leven te verdienen. 3quot;. om genoegen te geven aan God, wat het voornaamste en edelste doel is, dat wij ons bij al onze werken kunnen voorstellen.
Bieden wij ons daarom immer den Heer
â 79 â
aan, om elk kruis, dat Hij ons overzendt, ter liefde van Hem, te verdragen, zorgen wij ook immer bereid te zijn om ter zijner liefde elke wederwaardigheid te verduren, opdat, als zij ons werkelijk overkomen, wij ze edelmoedig aanvaarden en ook wij dan zeggen, wat Jesus Christus tot Petrus zeide, toon de joden Hom gevangen namen in den hof om Hom ter dood te leiden: De kelk, dien cle Vader mij (jegeven heeft, zal ik dien niet drinken ? !) God zendt mij dit kruis tot mijn welzijn; en zal ik dan zeggen dat ik het niet wil?
En wanneer ooit de last van zoo'n kruis ons zeer zwaar mocht toeschijnen, nemen wij dan terstond onze toevlucht tot het gebed; dan zal God ons kracht geven om het mot verdienste to dragen Herinneren wij ons dan hetgeen do H. Paulus zegt, ui. dat geono beproeving dezer wereld, hoe hard die ook zij, in vergelijking kan komen met de glorie die God ons voorbereidt,in liet toekomstige leven: \o/i snuf condiyuae paasioncs
1. Joan. 18. li.
â 80 â
liujus temporh ad fiituram (/loriam, quae r'evelabitw in nobis. ') Verlevendigen wij derhalve ons geloot', als de beproevingen ons ter neerdnikken; slaan wij allereerst een blik op den gekrnisten Zaligmaker, die daar uit liefde tot ons zieltoogt op liet kruis, werpen wij ook een blik op het paradijs en op de belooning, welke God aan hen voorbereidt, die ter zijner liefde lijden, neen, dan zullen wij ons niet beklagen, maar God danken voor de pijn, die Hij ons te verduren geeft, ja, wij zullen Hem vragen, dat Hij ons nog meer te lijden geve. O! de heiligen in den hemel; hoezeer verblijden zij zich thans, niet echter, omdat zij eer en genoegens hebben genoten op deze wereld, maar omdat zij voor Jesus Christus hebben geleden. Weinig beteekent alles wat voorbijgaat; alleen, wat nooit voorbijgaat en eeuwig duurt, is groot.
O mijn Jesus, hoezeer troost mij dat woord, hetwelk ik van U hoor: Bekeert h tot mii en ik zal mij fut n keereii. ~) Ik
1. Rom. 8. 13.
2. Zach. 1. 3.
â 81 â
heli IJ eertijds verlaten ter wille van de schepselen, ter wille van ellendige voldoeningen. Thans verlaat ik dit alles en keer tot U terug. Maar nu ben ik ook zeker, dat Gij mij niet verstoot, want G-ij zelf verklaart U bereid mij aan te nemen: Ik zal mij tot u keeren. Noem mij dan in uwe genade op, doe mij kennen, welk groot goed Gij zijt, doe mij de liefde kennen, welke Gij mij hebt toegedragen, opdat ik U nooit meer verlate. Geef mij vergiffenis, mijn Jesns, geef mij vergiffenis, mijn beminde Zaligmaker. O mijne liefde, vergeef mij alles, waardoor ik U bedroefd heb. Geef mij uwe liefde, en voor het overige doe met mij, wat U behaagt. Kastijd mij zooveel Gij wilt. Beroof mij van alles, maar beroof mij niet van U. Laat geheel de wereld komen, laat zij mij al hare geneugten bieden, ik verklaar, dat ik alleen U begeer en anders niets. O Maria, beveel mij aan uwen Zoon. Hij geeft U wat Gij Hem vraagt; op U dan stel ik mijn vertrouwen.
S l'.
Welk genoegen men aan Christus geeft wanneer ter iiefile fan Hem lijdt.
M
ii'ii iemaiid mt mij iril komcu, hij ver-
Wï ,
tpS loochene zich zelcen, neme zijn knus dagelijks up en volr/e mij. Het is van belang liicr op dossc woorden van Jesus Christus meerdere bemerkingen temaken. â De goddelijke Zaligmaker zegt: fni/ien iemand nic mij \\Ti\ komen: Hij zegt niet; indien iemand tot mij wil komen, maar: nu mij. Christus, wil, dat wij Hem op den voet volgen: denzelfden weg dus van doornen en kwellingen, dien Hij bewandeld heeft, moeten wij ook bewandelen.
1. Luc. 9. 23.
Josus zolf gaat ons voor. on Hij houdt niet stil, voordat Hij i.s aangekomen op Calvarië, waar Hij sterft. Als wij Hem dus Ix'ininnon. moeten wij Hem volgen tot onzen dood toe. Een ieder daarom moet zich zelf verloochenen: ahiwiiet se-iiii'tiprul in, d. w. hij moet zich zeiven weigeren, wat de eigenliefde hem vraagt, maar wat mishaagt aan Jesus Christus.
Christus zegt verder: l[lj neme zijn kruin dagelijks o/i en rohje mij. Laten wij die laatste woorden een voor een beschouwen.
tlij neme hef op. Weinig baat het, het kruis gedwongen te dragen. Alle zondaren dragen het, maar zonder verdienste. Om het kruis met verdienste te dragon, moet men het bereidwillig omhelzen.
Kruis. Met den naam âKruisquot; worden allo beproevingen aangeduid. Jesus Christus noemt zo kruis, om ons hot lijdon zoet te maken; dit woord immers doet ons denken, hoe Hij eenmaal ter liefde van ons, op het kruis stierf.
Hij zegt: Zijn kruis. Men vindt personen, die, zoodra zij eenigen geestelijken troost ontvansen. zioh zeiven aanbieden
â 84 â
om ovenals de martelaren mot pijnbanken, ijzeren haken, glooiende roosters te worden gefolterd; een pijn in het hoofd echter, wat onoplettendheid van een vriend of het lastig humeur van een bloedverwant kunnen zij niet verdragen. Mijn broeder, mijn zuster; God vraagt van u noch pijnbank, noch ijzeren haken, noch gloeiende roosters: maar hot is zijn wil dat gij met geduld die pijn, die verachting, dat humeur verdraagt. Eene kloosterzuster weder zou naar eene woestijn willen gaan om te lijden, zij zou groote boetvaardigheid willen doen, maar onder-tusschen kan zij hare overste, kan zij in hare bediening deze of gene gezellin niet verdragon; God echter wil, dat zij het kruis zal dragon, dat haar te dragon gegeven is, on niet dat, wat zij zelve zou wonschon te dragon.
Hij zegt: Dagelijks. Men vindt er, die in don aanvang het kruis omhelzen, dan nl. als het komt; maar, houdt hot eenigen tijd nan, dan zoggen zij : neen, nn kan ik niet langer. God echter wil, dat wij het kruis blijven dragen en het geduld bewaren, ook al moesten wij het onver-
â 85 â
poosd dragen tot onzen dood toe. Ziedaar dus, waarin do zaligheid en de volmaaktheid gelegen is: In deze drie woorden. Ahneget: Weigeren aan do eigenliefde, wat niet dienstig is. Tollat: Het kruis omhelzen, dat God ons overzendt. ,SV-quafur: IV voetstappen volgen van .Tosus Christus tot den dood. Wij moeten er wel van overtuigd zijn: daartoe juist houdt God ons op deze wereld, opdat wij do kruisen, die Hij ons overzendt, zouden dragen; en hierin bestaat do verdienste van ons leven. Onze goddelijke Zaligmaker, die ons zoozeer bemint, is daarom niet op de wereld gekomen om in vreugde te leven, maar om te lijden, opdat wij zijne voetstappen zouden volgen: [n. hoe miim vocati estia, quia et Christus paesus est /iro iiohis, robis reliiK/uens exemplum ut se-quaiuiHi restigia ejus. Beschouwen wij Jesus; ziet, luie Hij ons vooruitgaat met zijn kruis en ons den weg baant, waarlangs wij Hem volgen moeten ter zaligheid. O. welk een groot heelmiddel vindt men in elke beproeving als men tot Jesus
1. I. Petr. 2 21.
â 8G â
zogt: Hoor, wilt Gij. dat ik dit kruis drago'? Welaan, ik aanvaard liet on wil liet dragen, zoolang als U behaagt.
Vole zielen hooron gaarne sproken van gebod, van inwondigen vrede, van liel'do, tot Jesns Cbristus; maar weinig bevalt hot hun te hooren sproken van kruis en lijden. Zij beminnen Jesus Christus, zoolang de goddelijke vertroosting hun toelacht; maar, als die onthouden wordt, on er oenige bitterheid komt; als do Heer, om hen te beproeven, zich verborgt on hen van de gewone vertroostingen berooft, dan laten zij hun gebed, hunne communiën, hunne verstervingen varen, zij geven zich aan moedeloosheid over: vervallen in lauwheid en gaan aardsche voldoeningen zookon. Zulke zielen echter beminnen veeleer zich zolven dan Jesus Christus. Zielen daarentegen, die God niet met zulke baatzuchtige liefde beminnen, d. w. z. niet om de vertroostingen, maar met zuivere liefde, alleen omdat Hij verdient bemind te worden, zulke zielen laten hunne godvruchtige oefeningen niet achter, hoe groot ook de dorheid en de verveling zij, die zij er in onder-
â 87 â
vinden; het is hun genoeg, dat zij aan God genoegen geven, en zij verklaren zich bereid om tot hun dood toe, ja, gedurende de gansche eeuwigheid in die troosteloosheid te blijven, indien God dit zou verlangen. Jesus Christus (zegt de H. Franoiscus van Sales) is oven beminnelijk in de vertroosting als in do verlatenheid. I)e zielen, die God beminnen, weten in het lijden zeer wel hunnen troost en zoetheid te vinden: de gedachte troost hen, dat zij lijden ter liefde van God; en zij zeggen:
O, welk een zoetheid, lieve Jesus,
Smaakt niet een hart. dat voorü lijdt!
O. kon ik voor ü sterven, Jesus,
Die ook voor mij gestorven zijt! 1)
Dit alles en veel meer dan dit heeft Jesus Christus wel aan ons verdiend. Hij. die een loven vol bitterheid en een smartvollen dood zonder de minste verlichting heeft veikozen, alleen omdat Hij
1
Qiumto ti dolce-y oiio euro Sif/norf, A chi f' ama il patire per ie! Oh potessi morir per tuo amore,
Gesu mio, che sei nwrto per me!
ons Loiiiindo en om ons te doen begrijpen. dat. zoo wij Hem beminnen willen, wi] Hem op ^jolijlce wijze moeten beminnen. als Hij ons bemind heeft. O. hoe dierbaar aan Jesns Christus is eene ziel, die lijdt en Hem bemint! O. goddelijke, o-ave. gave boven allo gaven verkieselijk, beminnen met lijden en lijden met beminnen! 0 Jesus. Gij alleen hebt ons die irroiidstelliii^en des heils kunnen leeren. die grondstellingou /00 golicel iquot; strijd met de grondstellingen der wereld; maar (-ri j alleen eek kunt ens de kracht geven mil de kruisen met geduld te lijden. Ik vraag ü dan niet, dat Gij mij van het lijden verscheent; alleen hid ik IJ. geet mij kracht om met geduld en gelatenheid te lijden. Eeuwige Vader, uw Zoon heelt ons beloofd, dat, wat wij ü ook in zijnen naam zonden vragen. Gij ons alles zoudt geven: Amen, Auutii, ilico vohis; si quid jjefieritix l'cifrein in nomine jni'n, (iahit robin. ') Ziehier dan, wat wij ü vragen: geef ons de genade om de kwellingen van dit leven met geduld te verduren. Verhoor ons
1) Jo. 16. 23.
so â
om do liefde van Jesus Christus. En gij. mijn Jesus, vergeef mij alle Tioleecligingeii die ik IJ hel) aangedaan, omdat ik in de beproevingen, die Gij mij hebt overgezonden. niet geduldig heb willen zijn. ('eet mij uwe liefde, zij zal mij kracht geven om ter liefde van ü alles te lijden. Beroof mij van alles, van alle goederen der wereld, van mijne bloedverwanten, van mijne vrienden, van do gezondheid mijns liehaams, van alle vertroostingen, beroof mij zelfs van mijn leven, maar beroof mij niet van uwe liefde. G-eef mij T' zeiven, anders vraag ik U niets.
Allerheiligste Maagd, verwerf mij de genade Jesus Christus tot aan mijnen dood toe standvastig te beminnen.
De Liefde Gods overwint alles.
SijKamp;e liefde is sterk als de dood 1). Evcn-als lt;le dood ons losmaakt van alle goederen der wereld, gelijk hij ons ontrukt aan rijkdommen, aan eerambten, aan bloedverwanten, aan vrienden en aan allo aardsche genoegens, zoo heorscht ook de liefde Gods nauwelijks in een hart. of zij berooft het van allo gehechtheid aan die vergankelijke goederen.
Daarom zag men de heiligen zioh ontdoen van alles, wat de wereld hun aanbood, verzaken aan bezittingen, aan de hoogste waardigheden, aan al, wat zij
1
Cant. 8. 6,
â 91 â
hadden, cu wegvluchten naar woestijnen en kloosters om al hunne gedachten alleen te wijden aan de liefde van Crod.
Eene ziel kan niet zonder liefde zijn; zij zal God of het schepsel beminnen. Vindt gij eene ziel van alle aardsche liefde ontbloot, gij zult haar gansch vol bevinden van de liefde Gods. Willen wij weten, of wij geheel aan God zijn, onderzoekeu wij dan, of wij aan alles ter wereld onthecht zijn.
Sommige menschen beklagen zich, dat zij in hunne godvruchtige oefeningen, in hunne gebeden, in hunne conimuniën, in hunne bezoeken bij het H. Sacrament God niet vinden. Tot dezulken zegt de H. Theresia: Onthecht mr hart run cle schepselen, zoekt dan (rod en f/e zult Hem rinden. Gij zult niet altijd die geestelijke zoetheid vinden; de Heer geeft die in dit leven niet bij voortduring aan zijne beminde zielen, maar slechts nu en dan om hun verlangen op tf wekken naar die eindelooze geneugten, welke Hij hun in het paradijs voorbereidt; doch wel doet Hij ben ondervinden, dien inwen-digen vrede, welke alle zinnelijke genoe-
â 92
gi-iis ti' boven j;aat: Pa.r Dei, quae e.rsii-jx'rat oiimeiii smisum. ')
Wat grooter gemnigtc toch kan ecnc godminnondo ziel smaken dan uit de volheid haavs harten te zeggen: Deux meux et uinniai' Mijn 'rad en mipi al? De H. Franoiscns van Assisië bleef eens een goheelen nacht in eene hemelsche vervoering, terwijl hij vooi'tdnrcuid deze woorden herhaalde: Deus jnews et omnia-' Mijn Got/ en mijn alquot;
De liefde is sterk als do dood. Als men een stervende nog een of ander stoffelijk ding zag vastgrijpen, zon dit een bewijs zijn. dat hij nog niet dood was: de dood berooft van alles. Wie derhalve geheel aan God wil zijn, moet aan alles vaarwel zoggen. Als hij nog iets terughoudt, geeft hij blijk, dat zijne liefde tot God niet volmaakt is. maar zwak.
De goddelijke liefde berooft ons van alles. De liefde tof (rod, zeide een groot dienaar Gods. Pater Segneri do jongere, (wiens leven is beschreven door Mura-
I. Phil. 4. 7,
â 93 -
tori) de liefde tot (rod een heniiiiiielijke diere(/lt;/e, die oitn berooft ran alle*, irat dezer irereld is. Eon anclcr (li' iiaar Giuls had al zijne gncdcrcn aan de armen gegeven; toen men hem later vroeg; wat hi'iu tot zulk eeue armoede gehracht had. toonde hij het evangelieboek, en /.eide: ziehier, wat mij van alles heroofd heett.
In één woord. desus Christus wil meester zijn van geheel mis hart en wil er geeue mededingers. De senaat van Rome. zou verhaalt ons de II. Augus-tinus. weigerde aan Jesus ( hristus de aanbidding, omdat Hij. zeide men. een trotsehe G-od was. die alle eer alléén wilde ontvangen; en ja. zoo is het: Jesus Christus is onze eenige Heer. Hij heett dus alle recht te vorderen dat wij Hem alleen aanbidden en met eeue zuivere liefde beminnen.
De H. Franciscus van Sales zegt. dat de echte liefde tot God alles verslindt wat niet God is.
Als er zich dus in ons hart eenige genegenheid doet gelden vnor iets. wat God niet is of niet is ruor God. dan moeten wij die terstond verwijderen en
â 94 â
zeggen: ga weg van hier. er geen plaats voor a. Daarin bestaat die algeheele vor-loochening. welke de goddelijke Zaligmaker on.s zoozeer aanbeveelt, aLs wij geheel de zijnen willen wezen; algeheele verloochening d.w.z. cene verloochening, die alles omvat, in het bijzonder ouders en vrienden. Hoevelen worden nooit heilig, omdat zij aan de mensehen willen behagen. David zegt, dat zij, die aan de mensehen behagen, door God worden veracht; Qui liominibus placent ronfusi simt, quoniain Deun sprefit eon. 1)
Boven alios echter moeten wij aim ons zelven verzaken door de overwinning onzer eigenliefde. Vervloekte eigenliefde, die zich overal, zelfs in onze heiligste werken, wil inmengen, daar zij ons immer eigen glorie of eigen voldoening voor oogen steit! Hoevele predikers, hoevele schrijvers verliezen aldus de vrucht van al hun zwoegen! Zelfs als wij bidden, onze geestelijke lezing maken of te communie gaan, sluipt er niet zelden eène minder zuivere bedoeling tusschen.
1
Pb. 52. 6,
â 95 â
b.v. om gezien te worden of geestelijken troost te smaken. quot;Wij moeten er daarom immer op uit zijn dien vijand, waardoor wij onze schoonste werken verliezen, ten onder te brengen; zooveel mogelijk dus moeten wij ons alles ontzeggen wat bevalt, ons b.v. dat vermaak ontzeggen, juist, omdat wij er plezier in vinden, aan dezen of genen persoon een dienst bewijzen, juist omdat liij ons minder aanstaat, dit of dat geneesmiddel innemen, juist omdat het bitter is. De eigenliefde doet het ons voorkomen als ware niets goed, waar zij niet hare voldoening in vindt: maar wie geheel aan God wil zijn moet, waar het eigen pleizier geldt, zich zeiven geweld aandoen, en immer zeggen; Laat ih ook alles verliezen, uls frod inaar voldaan in.
Niemand overigens is beter tevreden op deze wereld dan juist hij, die alle goederen der wereld veracht. Wie zich het edelmoedigst van zulke goederen ontdoet, wordt het ruimst begiftigd met de goddelijke genade: aldus weet de Heer zijne getrouwe minnaren te beloonen.
Mijn Jesus. Gij kent mijne zwakheid:
maar Gij liel)t beloofd oen ieder te helpen, die vertrouwen stelt op U. Ik bemin Ã, Heer. ik vertrouw op U; geef mij kracht en maak mij geheel den uwe.
Ook op U stel ik mijn vertrouwen, o mijne zoete Voorspreekster Maria.
Om de noodzakelijkheid van het inwendig gebed.
umverst is het imveudig gebed noodzakelijk om licht te hebben op onze reis naai' do eeuwigheid. De oenwig»; waarheden zijn iets geestelijks; daarom kan men ze niet zien met de oogen dos lichaams. maar alleen met do beschouwing des verstands. Iemand, die hot inwendig gebod niet beoetent, ziet ze niet. en zal daarom mooielijk don weg der zaligheid blijven bewandelen. Daarenboven, iemand, die hot inwendig gebod niet beoefent, ziet zijne gebreken niet; daaruit volgt, zegt do H. Bernardus. dat hij zo in het minst niet verfoeit. Even-
â OS-
min ziet hij de gevaren, waaraan zijne zaligheid blootstaat: hij denkt er dus niet aan ze te vermijden. Maar als iemand het inwendig gebed beoefent, springen hem aanstonds zijne gebreken en de gevaren zijner zaligheid in het oog. en daar hij ze bemerkt, zal hij er ook op bedacht zijn zijne voorzorgen te nemen. De overweging zegt de H. Bernardus, regelt onze neigingen, leidt onze handelingen en herstelt onze misslagen: Consideratio regit uffectus, difir/it actus, corrif/if excessus.
Op de tweede plaats missen wij zonder het inwendig gebed de kracht om de bekoringen te overwinnen en ons toe te leggen op de deugd. De H. Theresia zegt. dat iemand, die het inwendig gebed verwaarloost, geen duivelen noodig heeft om hem naar de hel te brengen, want hij stort er zich zelven in neder.
De reden is, dat men zonder inwendig gebed Gods genade niet afsmeekt. God doet niets liever dan ons zijne genade geven: maar, zegt de H. Gregorins, Hij geeft ze niet, of Hij moet er eerst om
1. De consid, 1. 2. c. 6.
â 99 â
gevraagd woi-dun en door on/e gebeden als het ware gedwongen worden ze te geven: Vult Deus rogari, ruit cogl, vult quadam importnnitute vinei. 1) Zonder dit gebed echter zul men de kracht missen om aan zijne vijanden te weerstaan en zal men dus niet in het goed volharden. Monseigneur Palafox2) schrijft: Hoe zal de Hem' ons de volhanlhig (/eren, ah wij ze Hei» niet vragen? En hoe zullen wij ze Hem vragen zonder hef gebed? Maar iemand, die bidt, is gelijk aan een boom, die geplant is aan den oever van een stroom: Krit faniqiiam, lignum, quod plmitatnm est secus decursus aquarutn. 3) Hi j zal daarom immer groeien.
Daarenboven is het inwendig gebed die zalige vuuroven, waarin de zielen worden ontvlamd van goddelijke liefde. lu meditatione mea e.rardescet ignis. 4) De overweging, zegt de H. Catharina van Bologna, is die gelukkige band, welke de zielen vasthecht aan God. De Koning
1. In Pb. Poenit. 6.
2. Ann. all. lett. d. S. Therese.
3. Ps. 1. 3.
4. P s. 38. 4.
â 100
heeft mij i/eleirt In zijnen irijnkeUier, Hij re-(jelde in mij (Ie liefde ') '''' gewijde
bruid. Dio wijukiildcr is do iiverwcging, waar dlt;' ziel /.óózcer door de goddolijkc liefde wordt bedwelmd, dat al bare zintuigen als liet ware verdoofd worden voor de dingen dezer wereld. Niets ziet zij meer of liet moet behagen aan baren beminde, van niets spreekt zij meer,tenzij van baren beminde, en van niets meer wil zij booren spreken, tenzij alleen van baren beminde. Elk ander gesprek verveelt baar en baart baar verdriet. De ziel, die zich afzondert in bet gebed om zicb daar alleen met God te onderbonden, zal zicli. zegt de profeet, weldra boven zTob zelve verbetten. Sedehif solitarius et tacehit: quia teraril mqin- se. ~) Hij zegt; sedehit, zij zal f/ezeten zijn. Wanne'er nl. de ziel gezeten lx, d. w. z. wanneer zij in de overweging rustig overdenkt, hoezeer God hare liefde waardig i.s en hoe groot zijne liefde is voor haar, zal zij in God smaak beginnen te vinden, zij zal haren
1. Cant. 2, 4.
2. Threm, 3. 2S.
101
geest met heilige gedachten vervullen, zich van aardsche genegenheden onthechten. gi'ootmoedige verlangens zullen haar bezielen en ten laatste zal zij hc-siniten zich geheel aan God te geven. Waar vormden de heiligen de heldhaftigste besluiten en kwamen zij tot dien hoogen graad van volmaaktheid, waar anders tenzij in liet gebed V
Hooren wij, wat de H. Joannes a Cruce zegt, als hij spreekt over het inwendig gebed:
Daur gat' Hij my geheel zijn hart,
Diiar leerde ik zyne zoetste leer ;
En gaf ik mij geheel aan Hem,
Niels hield ik voor mij zeiven meer :
Daar werd mijn ziel tie Imiitl valt nigiteii Heer.-
Ma;ir. zegt de H. Alovsius van (lonzaga. men zal nimmer tot een hoogen graad van volmaaktheid geraken, als men het gebed niet veelvuldig beoefent. Laten wij daarom hart hebben voor het gebed en verzuimen wij het nooit, hoe groot
Quivi suo petto diemmi,
Quivi dottrinu appressi nssai gustosa :
)'(1 io tutta sua feiunit,
Non fiserbando eosa ; â
Qnivi gli promettei d'esser sua spoaa.
â 102 â
ook de verveling zi]. clie wij er ondervinden. De verveling, die wij daar lijden uit liefde tot God. zal ons ruimschoots worden vergoed.
0 mijn God, vergeet' mij mijne traag, lieid: hoevele schatten van genade hel) ik verloren, omdat ik zoo vaak nalatig ben geweest in het gebed! Geef mij voorde toekomst kracht om U getrouw te zijn en hier op aarde te blijven omgaan met U, met wien ik hoop voor eenwig te zullen verkeeren in den hemel. Ik vorder niet, dat Gij mij onthaalt op vertroostingen; ik verdien ze niet, sta mij slechts toe, dat ik blijf neergebogen voor uwe voeten om uwe barmhartigheid in te roepon voor iiijne arme ziel, die daarom zoo arm is, omdat zij zich verwijderd heeft van IJ. Daar, aan uwe voeten, mijn gekruiste Jesus, zal do gedachtenis aan uw lijden mij onthecht houden van de aarde en mij vereenigd doen blijven met U.
Heilige Maagd, sta mij bij in mijn gebed. --â#----
^tt^tffi t-W? *%amp;*%amp; *%amp;$%amp;%
S lil.
Doeleinden Yin het inwendig gebed.
m hot imvondig gebed of de ovei'-weging goed te doen en er groot voordeel uit te trekken voor onze ziel, moeten wij eerst op den voorgrond stollen, met wolk doel wij het beoefenen. Op de eerste plaats nu moeten wij het inwendig gebed beoefenen om onsinniger té vereenigen met God. Niet zoozeer nu zijn het de goede gedachten van het verstand. die ons met (rod vereenigen, als wel de goede akten van den wil, of, gelijk men zegt, do godvruchtige verzuchtingen. Zulke godvruchtige verzuchtingen zijn bijv. de akten van nederigheid, van
8
â 104 -
vertromveu, van overgcviug on bovcual van liefde en Ijorquw over zijne zonden. Dc akten van liefde zijn het. (zegt de H. Theresia) die in onze harten het vuur der goddelijke liefde onderhonden.
Op de tweede plaats moeten wij het gebed beoefenen om van G-nd de genaden to ontvangen, die noodig zijn voor onzen vooruitgang op den weg der zaligheid, en inzonderheid om zijn goddelijk licht te yernemon. teneinde de zonden te vermijden en de middelen te kiezen, welke ons brengen zullen tot de volmaaktheid. De voornaamste vrucht evenwel van het inwendig gebed is, het verrichten van gebeden.1 God geeft, volgens den gewonen regel gesproken, zijne genaden niet tenzij aan hem, die vraagt. God, schrijft de H. Gregorius. wil gevraagd zijn, wil gedwongen worden, ja Hij wil als het ware door lastig aanhouden ver
1
Gkred. Dc 11. Alph. spreekt van gebed ir. een dubbelen zin. Vooreerst in een meer algemeenen zin, en dan noemt de heilige gebed, elke verhefling der ziel tot God; vervolgens in een meer beperkten zin nl. van vragen en smkkkkn. In het Italiaanscli heeft men hiervoor twee woorden : orazione en freghirra. In bet liollandsch niet. (Vert.)
â 105 â
wonnen worden: Vult Dras roijarl, ruit voffi; cult quacluni iiiiporfiinitate rinvi. Mon j^eve hier acht op lt;lc woorden: im-fillifttfr vinei: doot' histii/ mtnJioudeti ver-irotmen murtlni. Somwijlen, als liet L.v. genaden van grooter belang geldt, zal liet niet voldoende zijn. dat wij eenvoudig bidden; maar wij zullen sterk moeten aanhouden en met onze gebeden God als het ware moeten noodzaken ons het gevraagde te geven. Het is waar. God is ten allen tijde bereid ons te verhoeren; maar ten tijde der overweging, daar wij dan inniger met God vereenigd zijn, deelt Hij ons zijne genademiddelen met meer mildheid uit.
Bovenal moot men zorgen Hem tijdens het gebed de volharding te vragen en zijne heilige liefde. De volharding ten einde toe is niet eene genade, die alleen staat; maar liet is een keten van genaden, waaraan moet beantwoorden de keten van onze geboden.
Indien wij ophouden met bidden, dan zal God ophouden ons zijne genaden te
1. In Ps. Poenit. 6.
â 106 â
geven, en wij zullen verloven zijn. Die het. inwendig gebed niet beoefent, zal moeielijk tot zijnen dood toe in do genade Gods volharden. Mgr. Palafox zegt in zijne aanteekeningen op de brieven van de 11. Theresia: Hof zal rle Heer ons de rolharding schenken, indie/i wij ze Hem niet vmtjen ? En hoe zullen wij ze Hein vragen zonder bidden? Bitifen het (/ehed (zegt hij) is er j/eene f/emeenxchap met God.
Eveneens moeten wij er met onze gebeden op aandringen om G-ods heilige liefde te verkrijgen. Met de goddelijke liefde, zeide de H. Franoiscns van Sales, gaan alle deugden gepaard: Venenmt inihi omnia hona pariter ch.m illa. ~) Alle goed komt in de ziel, als er de liefde komt. Laten wij dus aanhoudend vragen om volharding en liefde; en om dit met grooter vertrouwen te doen, laat ons denken aan do belofte door Jesus Christus gedaan, dat God ons alles zal geven wat wij Hem wagen door de verdiensten van zijnen Zoon: Voorwaar, voonraar, ik
â 1
1. Lett. 10 no. 10.
2. Sap 7. 11.
â 107 â
ze;! u, ul wul U'.i de» Vader in mijnen nnam zult rragen, zal Hij u neven !) Als wij dus verlangen, dat God ons zijne gaven in alle volheid mededeelt, bidden wij dan en bidden wij zonder ophouden. Bidden wij voor ons zeiven; maar als wij ijver hebben voor de. glorie Gods, bidden wij dan ook voor anderen, want het is God zeer aangenaam, als Hij ziet, dat wij Hem bidden voor de ongeloovigen, voor de kotters en vooralle andere zondaren: Confiteantar tibi populi Deus, confiteantur tihi populi om nes. Zeggen wij. Heer, doe U kennen, doe U beminnen. Men leze eens in de levens van de H. Theresia en van de H. Maria Magdalena de Pazzi, hoezeer God er bij die heiligen op aandringt. dat zij zonden bidden voor de zondaren. Laten wij bij onze gebeden voor dó zondaren ook het gebed voegen voor de zielen in liet vagevuur.
Op de derde plaats moeten wij ons tot het inwendig gebed begeven, niet om daar geestelijke zoetheden te smaken, maar vooral om te zien wat God van
i. Jo. 16. 23.
â 108 â
ons wil. Met/ Samiiël moeten wij tot God zeggou: l^oqnei'e Doniin?, quia audit seiTim tails: Hoer. doe mij kennen, wat gij van mij wilt. ik Ijen lievoid liet te doen. Sommige personen volharden iu liet gebed, zoolang de vertroostingen (luren; maar houden deze op, dan laten zij het gebed varen. Het is waar. God pleegt in het gebed zijne uitverkorene zielen te troosten en hun reeds eenigcn voorsmaak te geven van de geneugten, welke Hij in den hemel bereidt voor hen. die Hem beminnen. Daar hebben zij, die de wereld beminnen, geen begrip van; gewend om nooit anders te smaken dan aardsche genoegens, hebben zij voor de hemelsehe slechts verachting over. O. als zij ze eens kenden! Ongetwiji'eid zij zouden aan al hunne vermaken vaarwel zeggen om zich op te sluiten in een nel. waar zij alleen van hart tot hart konden spreken met God. â 5«iets anders is het gebed dan een samenspraak tus-schen God en de ziel. .De ziel openbaart daar aan God hare gevoelens en hare begeerten, hare bekommeringen en hare smeekingen; en God spreekt tot haai;
â 109 â
hart, Hij doet haar koimen. lioc goed Hij is. Hij doet haar de liefde kennen, die Hij haar toedraagt, en alles, wat zij doen moet om Hem genoegen te geven: Ik zal haar in lt;le eenzaaniltekl leiden en tot haar hart xprehen. 1)
Maar die geneugten smaakt men niet immer; meestentijds lijden do heilige zielen dorheid in het gebed. Met dorheid en bekoringen (schrijft de H. Theresia) beproeft lt;}od zijne beminden. En zij laat er op volgen: Mocht die dorheid ook het fiansche leren duren, toch late de ziel het i/ebed niet raren; de tijd zul konen n-uarop alles haar ruimschoots zal irorden vergoed. Do tijd van dorheid is de tijd van de grootste verdiensten; laten wij ons dan vernederen; onderwerpen wij ons aau Gods wil. wanneer wij ons zeiven aldus zonder ijver gevoelen, zonder goede verlangens en als het ware niet in staat eene enkele goede akte te doen; vernederen wij ons dan. zeg ik. en berusten wij er in. want zulk gebod zal ons meer voordeel doen dan elk ander. Het is ge-
1
Os. 2. 14.
â 110 â
noeg dan te zeggen, zon wij anders niet kunnen: Heer. help mij. heb medelijden met mij. wil mij toch niet verlaten.
Nemen wij dan lt;iok onze toevlucht tot onze troosteresso, de Allerheiligste Maagd Maria. Gelukkig hij. die ten tijde dei-dorheid het gebed niet achterlaat. God zal hem overstelpen met genaden: laat hij dan zeggen: Ach mijn God. hoe kan ik er ook aanspraak op maken door U getroost te worden, ik. die op dit oogen-blik verdiende te branden in de hol. voor immer van U gescheiden en zonder hoop U nog ooit te kunnen beminnen. Ik beklaag mij dan ook niet. o mijn God. dat Gij mij berool't van uwe vertroostingen. ik heb ze niet verdiend en ik vorder ze ook niet. Genoeg is het mij te weten, dat Gij eene ziel. die à bemint niet kunt verstoeten. Ontneem mij slechts dat vermogen niet om U te beminnen, en voor het overige handel met mij. gelijk Gij wilt. Als het uw wil is mij tot mijnen dood toe en gedurende de gan-sche eeuwigheid zoo bedrukt en troosteloos te doen blijven, ik heb er vrede
â Ill â
mcc: het is mij genoeg, dat ik in waarheid zeggen kan; Mijn God, ik bemin U. ik bemin U: Maria, moeder Gods, heb medelijden met mij.
'
â #gt;---
s 16.
Over Gods Barniiiartigiieid.
|óó groot its Gods verlangen om ons dool ach tig te maken aan zijne genaden, dat (gelijk de H. Augustinus zegt) liet verlangen om ons die genaden te geven bij Hem grootor is dan bij ons de begeerte om ze van Hem te ontvangen: l'hia vult ille tihi lari/iri bona, qiiani fit ac-cipere concapiacua. En de reden daarvan is. dat do goedheid, gelijk de wijsgeeren zeggen, van nature cat sui diffusirum d. w. z. door zich zelve genoopt wordt zich uit te storten ten gunste van andeven. Q-od daarom, die de oneindige goedheid is. hoeft een grenzenloos ver-
â 113 â
langen zirU aan ons. zijur scliopsolen, mode te doelen en ons dcolachtig te maken aan zijne gaven.
En daaruit ook spruit het groote medelijden voort, dat God heeft met onze ellenden. De aarde, zegt David, is vol van de goddelijke hamvhartiglieid: zij is niet vol van de goddelijke rechtvaardigheid, want God oefent zijne rechtvaardigheid, iu het hcstrafton der zondaren, niet uit, dan alleen wanneer het moet. en Hij als het ware gedwongen wordt het te doen. Daarentegen is Hij gemakkelijk en kwistig, waar het de uitoefening zijner barmhar-fif/heid geldt, en dit ten allen tijd en met allen. Daarom schrijft de H. Jacobus: De harmhartiylieiil roemt tegen het oordeel. 1) De liarmhartigheid rukt dikwijls aan de gerechtigheid de geesels. welke deze voor de zondaren gereed houdt, uit de handen en verwerft hun vergiffenis. Daarom noemt de profeet God zelts met den naam âbarnihartic/heidquot;. Mijn God, mijne harmhartifiheid. ~) En vandaar zegt
1
Jac. 2. 13.
â 114 â
hij: Propter nomen tuuni, Domine, projiiliii-beris peccato meo, d. \v. z. Heer, schenk mij vergiffenis, om wille van nwon Naam, want Gij zijt tie barmhartigheid zelve. 1)
De proleet Isaias zegt, dat kastijden een werk is, wat met Gods hart niet overeenkomt, maar waarvan hij een afkeer heeft (ai wat Hem vreemd is, (als wilde hij zeggen; verre verwijderd van zijne gezindheid), he Heer zal zich ver-toornm om zijn plicht te 'loeit; maar dit werk is Hem niet eigen; maar dit werk ix Hem vreemd. z)
Gods groote barmhartigheid kortom bewoog Hem zijn eigen Zoon naar de aarde te zenden om monsch te worden en te sterven op een kruis, opdat Hij ons zou bevrijden van den eeuwigen dood. Daarom zong de H. Zacharias: Per viscera misericordiae Dei nostri. in yuibiis visi-tavit nos oriens e;r (t/to. 3) Door de inni(je bannhartif/heid (rods, iraarin de Opgaande uit den hooge ons heeft bezocht. Door de
1
Ps. 24. II.
â 115 -
innige barmhartigheid Gods, zegt de proleet. Dit beteekent enm bai'mliartigheicl. welke voortkomt uit hot diepste van Gods hart. immers God wilde, dat veeleer zijn mehschgewordon Zoon stierf dan dat wij verloren gingen.
Om te zien. luie groot Gods goedertierenheid voor ons is. on welk groot verlangen Hij heeft om ons goed te doen, is het voldoende die weinige woorden te lezen, welke Hij zegt in het Evangelie: Vraagt en V zat gegeven irorden. ' ) Wat zouden vrienden als blijk van genegenheid meer tot elkander kunnen zeggen dan: vraag van mij wat gij wilt en ik zal het u geven? Dat zegt God tot een ieder van ons.
Bewogen bij het gezicht onzer ellende noodigt Hij ons uit tot Hem te komen en belooft ons te zullen verkwikken: Venite ad Die nnniex tjui laboratis et overati estii! et ego reficiam ros. 1) Do Hebreeuwen beklaagden zich eens over God en zeiden, dat zij Hem geenc genaden meer wilden gaan vragen: maar toen sprak God tot
1
Math 11. 28.
â 110 â
Jeremias: Waarom wil mijn volk niet meer tot mij komen V Ben ik soms een land dat woest ligt of achterlijk is, hetwelk geene vruchten geeft of die te laat geeft? Xui/Kjuiil solifiido factux sum Israëh aiif terra xoot 'mu ? (juure rrgo dirit populus meits'. liecessiinux, nou renieniu* uit ra ad te. ') Hiermede wilde God doen verstaan, welk ongelijk de Hebreeuwen Hem aandeden; immers aanstonds en ten allen tijde schenkt Hij troost aan een ieder, die zijne hulp inroept, gelijk Hij eens zeide door den mond van Isaias: Statim ut audierlt, respoudehit tl hl. ~) Zondra Hij n hoort, zal Hij n autiroordeii.
Zijt gij zondaar, en verlangt gij vergiffenis? O, heb gsen vrees, zegt de H. Joannes Chrysostomus, want God heeft grooter begeerte om u vergiffenis te geven dan gij begeert vergiffenis te erlangen: Nou adeo cupis dimitti peccafu tua, sicut ille dimitfere. 3) Ziet God echter, dat iemand verhard is in zijne zonde, dan wacht Hij op Hem, in de hoop nog
1. Jer. 2. 31.
2. Is, 30. 19.
3. Hom. 23 in Math.
117 â
barmhartigheid mot hem te kuimen ge-hruiken. Exspectat Dominus ut misefeatur rostri. 1) Eu middelerwijl toont God dien zondaar de kastijding, die hem wacht, om hem tot inkeer te brengen, (rij hebt hun, die U rreezen, ecu teeken f/egeven, dat zij r Inch tril zoude}! foor den hoof/ o/idat mre lt;/e-liefdeii iiiigt;(/eii f/ered irarden ~) Nn eens gaiit Hij staan kloppen aan de deur van zijn hart. opdat hij toch zon openen: Ecce Mo ad ostiiim et puho; 3) dan weder loopt Hij hem achterna en roept uit: Waarom, huis van Ltraêl, trilt yij sterven? 4) als quot;wilde Hij vol medelijden zeggen: Mijn zoon, waarom dan wilt ge u zeiven ongelukkig maken? God gaat zoover, schrijft de H. Dionysius, de Areopagiet. dat Hij zelfs den zondaar smeekt zich toch niet in het ongeluk te storten: Deins etiain a se arersos umaturic sequitur et deprecutar tie pereant. Ook de apostel zegt hetzelfde, want in naam van Jesus Christus smeekt hij de zondaren zich met God te verzoenen: Wij snif eken n roor Christus irordt
1
Is. 30. 18. 3. Ap. 3. 20.
â 118 â
jnet (-wofl verzoent/ ^) Christus zelt (merkt de H. Joannes Chrysostomns hierbij aan) Hij smeekt n, en wat smeekt Hij ? Verzoent u met (tOcI. [pse C'hristufi vos obse-erat. Quid obseoat? Recoiieilkwiini Deo.
Indien eenigen alzoo no# verhard willen blijven, wat moet God dan nog meer doen? Ten overvloede doet Hij aan ieder weten, dat Hij niemand, die berouwvol tot Hem komt. zal verstooten. Eunx qui re»it lt;i(l ine non ejiciain fora*. Hij zegt bereid te zijn een ieder, die zich tot Hem bekeert, te omarmen. Conrerfiniini ad me et convertar ad vos. 1) Aan ieder zondaar, die berouw heeft, belooft Hij vergiffenis en verzekert hem dat Hij niet meer zal denken aan zijne zonden: Si autem inipiua et/erit poenitentiam .... rifa riref; omnium iniqnitatum ejus qua* operatu* est non re-cordahor. 4) Hij gaat zelfs zoover, dat Hij ons oproept om Hem te beschuldigen. Komt en beschuldic/t mij, ui waren mre zonden als scharlaken, zij zullen wit worden gelijk sneeuw. 5) Hij zegt: Heschuldiyt mij, als
1
2 Zaoh. 1, 3.
â 119 â
wilde Hij zeggen-. Beronwhebbentle zoit-(laren, komt tot mij. en als ik u niet met open armen ontvang, verwijt mij dan, dat ik een breker ben van mijn woord.
Maar neen, de Heer kan een berouwvol hart niet versmaden: Oor contritum /â t humiliatum hens non desjiicies. ' ) Men leze slechts bij den H. Lucas, met welke vreugde Hij het verloren schaap omarmde 2), met welke liefde Hij den verloren zoon ontving, toen deze aan zijne voeten wederkeerde. 3) God zelf op die plaats verklaart, dat er in den hemel meer vreugde is over een zondaar, die tot inkeer komt. dan over negen en negentig rechtvaardigen, die onschuldig zijn. Dico rnhis, quod ifa gaudium er it in cnelo. stipn, idnj ijeccafore poenitenfiam wjente, qnuiii super iioiiagiiita uovem justin De H. Gregorius geeft hiervan als reden aan, dat de zondaren, die tot inkeer komen, gewoonlijk veel vuriger zijn in de liefde Gods, dan onschuldigen die lauw zijn. Vlerumque f/rutior est Deo ferrens post cul-
1. Ps. 50.-19. 3. Ib. 20.
2. Luc. 15. 5. 4. Luc. 15. 7.
9
120 â
pmn rife j qiiani xecarifute forpdix tiino-centut. 1)
Mijn Jesus, omdat Gij mij met zooveel geduld lielit afgewacht, enmij met zooveel liefde vergift'enis hebt geschonken, naav ik vertrouw, wil ik U ook veel beminnen; maar die liefde, Grij zelf moet ze mij geven. Geef ze mij, o mijn God. Het is weinig eervol voor U, dat een zondaar, zoozeer door U begunstigd, ü weinig beminne. Mijn Jesus, wanneer zal ik beginnen even dankbaar te zijn voor U, als Gij goed zijt geweest voor mij? In het verledene heb ik, in plaats van 1' dankbaar te zijn, U beleedigd en veracht. Zal ik misschien immer zoo voortleven jegens U, die niets gespaard hebt om mijne liefde voor IT te winnen? Neen, mijn Zaligmak .r, ik wil U beminnen en beminnen uit geheel mijn hart, ik wil U geen misnoegen meer veroorzaken. Gij beveelt mij U te beminnen en ik, ik heb geen ander verlangen dan dat. Gij zoekt mij en ik zoek niets anders
A. Ap. Corn, a Lap. in 1. elt;
clan U. Sulienk mij uwe imlp zonder welke ik niets vermag. 0 Maria, o moeder van liavmhartigheid. welaan, trek Gij mij geheel tot God.
§ 17.
Oyer tiet yertrouwen op Jesus Cbristus.
ovcnmatc groot, gelijk wij in de vorige paragraat' zagen, is voor ons de barmhartigheid van .lesus Christus; maar die barmhartigheid â aldus verlangt Hij het tot ons grooter welzijn moeten wij met een levend vertrouwen van Hem verhopen, steunend op zijne verdiensten en zijne beloften. Daarom vermaant ons de H. Paul us dat vertrouwen standvastig te bewaren; Wilt het vertrouwen niet,verliezen, want. zegt hij. het verkrijgt van God eene groote be-looning: XoliU ilaqué uinlffcre coii/idenfiiuti restrain ijiiae magiium hahet reiiiinifird-fionein 1) Als dan de vrees voor Gods
- 128
oordcelen in ons hot vertromvcu schijnt te vennindcren, clan moeten wij die vreeze verdrijven en tut ons zeiven zeggen wat onze geleerde Saverio Mattel in zijne uitmuntende psalm1 vertaling zingt op de woorden van Psalm 4-!2. (Juare fristin es anima inca etc.:
Manr hoe, gij kunt ïiict hopen En klopt van angst, mijn hart ;
Welaan verdrijf die vreezen,
Weg met die sombre smart.
Waarom mij schrik aanjagen ?
Vertrouw veeleer op God.
Ja, eeuwig Hem te prijzen quot;Wordt eenmaal ook ons !ot *
Do gocldclijko Zaligmaker opoubaardo aan do H. Gcortruda, dat ons vertrouwen Hom con /.oó groot, geweld aandoet, dat hot Hein onmogelijk is ons niet in alles, wat wij Hom vragen, te verhooron. Het-
1
Ma tu sprrar non sai,
Tu palpiti, o mio core ?
Deh sgombra il tuo timore*.
Noiu palpitar cos! 1 Perchè turbar mi vuoi ?
Spera nel 'tuo sig'iorc Chè i vanti, i pregi siioi Noi pur diremo un di.
â 124 â
zelfde schrijft lt;le H. Climacus. Oratio Deo rlni inferf. Ieder gebed, met vertrouwen verricht doet God als het ware geweld aan, maar een geweld, dat Hem zoet en welgevallig is. Vandaar ook schrijft de H. Bernardus. dat do goddelijke barmhartigheid gelijk is aan een ontzaggelijk groote bron, waar hij den grootsten overvloed van genade uit ontvangt, die er heengaat mot het grootste vat van vertrouwen. En dit is geheel volgens hetgeen de psalmist schrijft: Ih'ir, I/Kif Hire hurmhartiijheid orer riiis komen, lt;/e1ijk irij o/j U yehonjtf hehhen ')
God heeft uitdrukkelijk verklaard, dat Hij allen, die op Hem vertrouwen, beschermt en zalig maakt, l'rotector est mn-iiiuiii sperantium in se. 1) (Jni sulros facis spercoites in te. 2) Uat allen zich dan verblijden, zegt David, die hunne hoop stellen op ü, o mijn God, want zij zullen gelukkig zijn in eeuwigheid en Gij zult immer in hen wonen. Dezelfde profeet zegt: l[eiii,die
1
Ps. 17. 31.
2
Ps. 16. 7.
â 125 â
ui) ih'ii lieer hoopt, zal harnilnirtif/hcid om-f/ereii,i) cl. \v. v.. hij. die op den Heer vertrouwt, zal zóózeer van alle kanten door zijne liefdevolle zorg worden omringd en beschnt, dat hij beveiligd zal zijn tegen allo gevaar van verloren te lt;^aan.
O wat groote beloften worden in de H. Schrift gedaan aan hen, die hunne hoop stellen op G-od! Wanen wij ons dan om onze bedrevene zonden al reeds verloren. ziet. het redmiddel is daar: Gaau wij ons niet vertrouwen neder werpen, zegt de apostel, voor do voeten van .Testis Christus; daar zullen wij vergeving vinden: Adeumux erc/o cmn Jilt;hici(( ad fliroiKim f/rati»', ut misericordicwi coiisequa-inur et (/ratiam iiireniannits in auxiho ojipor-tuno. 2) Stellen wij niet uit, tot. Jesns te gaan tot Hij als rechter zal gezeten zijn op een troon van rechtvaardigheid; haasten wij ons thans, nu Hij gezeten is op een troon van genade. De IT. Joannes Chrysostomus zegt, dat onze («od-delijko Zaligmaker grooter verhingen
1. Ps. 31. 10.
2. Hom. 23 m Math,
126 -
heeft om ons vergfffcuis te scheuken. (1 au wij om vergiffenis te verkrijgen. J*oii üfleo cirpis dimiffi pecvata fuu tticut iïfc cupit (liiniftere. ' ) Maar. zegt wellicht een zondaar, ik verdien geeue verhooriug. als ik om vergiffenis vraag; doch ik antwoord hem. dat, heeft hij zelf ook al de genade niet verdiend, zijn vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid zal zo hem verwerven, want de vergiffenis van den zondaar steunt niet op zijne verdiensten, maar op de beloften van God. en God heelt beloofd vergiffenis te zuilen schenken aan een ieder, die berouw heeft. Vandaar dat .lesus Christus zegt* Ken ieder, die vraayt, rerkrijgf. 1) De schrijver van het O/ms impetfectum het woord: een ieder, verklarende, zegt: Sire Justus aire peccafor; men mogit zondaar zijn of rechtvaardige, het is genoeg, dat men bidde met vertrouwen, llonrcn wij uit den mond van Jesus Christus «elven, hoe hoogen ])rijs Hij stelt op het ver-ti ouwen: Allen /rut tjij bitldenile rrmuji,
1
Luc. 11. 1.
127
firlouff, dat 'jij het z:iilt rerkrijuen, en het zul ii rjeironleii ^)
Is dan iemand in het bewnstziju zijner zwakheid bevreesd, dat liij in zijne vorige zonden zal hervallen, laat hij slechts op God vertrouwen, en hij zul niet lier-vallen; de proleet geeft ons hiervan de verzekering: Xij zullen niet rallen, zij, die hopen op den Heer. 1) Zij, die op God vertrouwen, zegt Isaïas. verwisselen van kracht; hij wil zeggen, dat zij een nieuwe kracht verwerven. (Jui aiitem speranf in Domino iniitnhiinf füi'tifiidinein. 2) Laat ons derhalve volgens het woord van den H. Paul us, vast staan in ons vertrouwen en niet wankelen; immers God heeft beloofd, dat Hij een ieder, die op Hem hoopt, zal beschermen; en daarom, als sommige zaken ons bijna onoverkomelijk toeschijnen, zeggen wij dan: [k han alles in Hem, die mij versterkt Wie toch heeft op God vertrouwd, en is verloren gegaan ? Xullus sperarif in J)oiniiio et con-fusuK est. â ') Laten wij echter niet immer
1
Ps. 33. 23. 5. Eccli. 2. 11.
2
Is. 40. 31.
â 128 -
«lat gevoelig vertrouwen vtrlangeu; liet is genoeg, (lat wij den iril lyOjlien om te vertrouwen, n.1. to villen vertrouwen op God. omdat hij goed is, en ons iril helpen; â machtig, en ons kan helpen; â getrouw is, en ons zijne hulp beloofd heeft. Maken wij ons bovenal de beloften ten nutte van Jesus Christus: Voonraar, roonraar ik zeg U, als ff ij dm )ra(ler iets in mijnen naam zult enigen Hij zal het IJ (/even ') Vragen wij God dus om de genaden door de verdiensten van Jesus Christus, dan zullen wij verkrijgen al wat wij verlangen.
() eeuwige God. ja, ik weet het, ik ben arm aan alles; niets kan ik en niets heb ik, wat mij niet is toegekomen van uwe hand. Niet anders daarom zeg ik U dan, âHeer ontferm U mijnerquot;. Het ergste echter is, dat ik bij mijne armoede nog de boosheid heb gevoegd, uwe genade te beantwoorden met al die belee-digingen, welke ik U heb aangedaan. Maar ondanks dat alles, durf ik toch van uwe goedheid eene dubbele barm-
i. Jo. 10. 2 I.
â 129 â
hartiglioid hopen, vooreerst de vergeving mijner zonden en vervolgens dat Gij mij de genade der heilige volharding geeft met de gave uwer heilige liefde en de genade van ü immer te smeeken mij tot mijn dood toe hij te staan. Dit alles vraag ik U en hoop ik van U door de verdiensten van Jesns uw Zoon. en van de gelukzalige Maagd Maria. O mijne groote Voorspreekster, kom mij te hulp met uwe gebeden.
To deze paragraaf heb ik melding gemaakt van het werk van den heer Maltei over de psalmen, een werk, dat terecht van alle kanten bijval heeft verworven. Maar ik bid hem mij hier eene aanmerking ten goede te houden, die mij van het hart moet, en wel omtrent den nit-bundigen lof, diin hij gegeven heeft aan de dichtwerken van zijn vriend Petrus Metastatio. Hij had daarvan moeten uitzonderen de profine minnedichten, daar deze geen lof, maar veeleer berisping verdienen ; immers (gelijk ik in § 6 zeide) hoe schooner deze gedichten zijn, des te schadelijker zijn ze voor de arme jongelieden Hij had daarom in alle oprechtheid moeten zeprgen, dat zijn geëerde vriend het groot talent, dat God hem heeft geschonken, veel beter had kunnen besteden aan andere werken, die lot stichting konden dienen en niet aan de zoo even
180
genoemde gedichten, waarvoor hij wel is waar de toejniching ontvangt van de wereldlingen, maar niet van de brave nienschea cn veel minder van God,
In mijne werken heb ik altijd vermeden iemand wie het ook zij te laken, zelfs al had men mij met beleedigingen overladen ; maar ik schrik er niet voor teruj hier in dit boekje mijne afkeuring uit te spreken over de minnedichten van Metastalio, immers de schrijver (gelijk ik .in § 6 zeide) stemt hieromtrent zelf met mij in, daar hij tegenwoordig tot groote stichting, zelf van deze minnedichlen een afkeer heeft en de werken, die de wereld zoozeer toejuicht, thans zelf verfoeit Ik weet wel, dat ik om deze afkeuring door de vereerders van Mctastatio zal worden gelaakt; maar die vereerders moeten weten, dat, indien zij hem in dergelijke verderfelijke stukken prijzen, z'j groot misnoegen geven, zoowel aan den Schrijver, die zou wenschen ze niet gemaakt te hebben, alsook aan God, die verlangt dat boeken, welke schadelijk kunnen zijn voor de zielen niet geprezen worden, maar gelaakt, zoonis zij dit verdienen en zooals noodig is om den jongelieden, die onvooaziebtig genoeg zijn ze te lezen, de oogen te doen opengaan. Het is waar, dat de voortbrengselen van Metas-tatio allen zedig zijn en vrij van walgelijkheden, waarmede de goddelooze werken van Marino en andere besmet zijn ; dit is waar ; doch dit niettegenstaande km men niet ontkennen, dat zijne uitdrukkingen van liefde al te teeder zijn en in staat om in het hart de vlam te ontsteken der onzuivere genegenlieid. Wie ziet niet dat zulke
181
genegenheden ten slotte op onreinheid uitloopen? Dit blijkt duidelijk in het allerverJerfelijkst werkje de Pastor nno, terecht, naar mij is medegedeeld, door de Kerk veroordeeld, en als het niet veroordeeld is} dan verdient het naar mijne meening wel dnizendraanl znlks te worden. De aardsche en vleeschelijko genegenheden zijn een vuur, dat vroeg of laat leidt naar het vuur der hel. Maar al te goed wéten zoovele ongc-lukkigen, door hunne eigene ondervinding geleerd, hoe die onzuivere vlammen, omdat zij er zich niet tijdig voor hebben gewacht, hun zoowel het hart als het verstand bedorven hebben.
De Heer Mattei mag daarom God wel bedanken, dat hij hem heeft ingegeven zijn groeten geest en zijne wetenschap te besteden aan een zoo nuttig en geleerd work, hetwelk den lof van God alleen tot onderwerp heeft.
S IS-
Zaüg worden alleen is noodzakelijk.
S^^orro uiiiiiii est ueeemtarium. Er /« muur 'ëM ééne zaak noodzakelijk. Het is niet nopfkakclijk, dat wij in deze wereld vereerd worden met waardigheden, dat wij bedeeld zijn niet rijkdommen, met eene goede gezondheid en aardsche genoegens, maar het is noodzakelijk, dat wij zalig worden; immers een middenweg is er niet; als wij niet zalig worden, moeten wij verloren gaan. Na dit kortstondig leven zullen wij ofwel immer gelukkig zijn in den hemel ot' immer ongelukkig in de hel.
Ach mijn Uod, hoe zal het met mij
zijn? Zal ik zalig worden uf zal ik vcr-lurou gaan? Ecu van belden zal noigt;d-zakelijkerwijze mijn Int zijn. Ik hoop weliswaar zalig te zullen worden; maar wie geeft mij daarvan de verzekering? Ik weet, dat ik reeds zoo dikwijls de hel heb verdiend; Jesas. mijn zaligmaker, uw dood is mijne hoop.
Hoevelo wereldlingen, die in dit leven overladen waven met rijkdommen, die tot hoogt! posten, ja zelfs tot tronen waren verheven, bevinden zich thans in de hel, waar al de fortuin, die zij in deze wereld maakten, hun tot niets dient dan tot grooter straf en grooter vertwijfeling: Ziethier, welken raad ons Jesus Christus geeft. I'lt;quot;)â (/«(/«)â / tzegt Hij, schatleii op ileze ii'ereld! â . â maar verf/adert U schatten in den hemel, traar noch mof noch roest ze rerieert'! ') Alios wat wij winnen aan goederen dezer wereld, gaat met den dood verloren; maar de geestelijke goederen, die wij winnen, zijn schatten van onvergelijkelijk veel grooter waarde en duren in eeuwigheid.
â 1. Moth. 6. 19 et 20.
â 134 â
CtckI, Hij hooft hot ons gozogd. wil do zaligheid v;lit allen: i'nl! omnt's hoiniiira â sulron fieri; on aan allou gooft hij do noodigo liiil|i om zalig to wordon. Rampzalig hij dilt;. vorloron gaat! Hooi do schuld ligt aan hom zelt'. mr rerderf komt uit h, lt;gt; [si'aël, in mij alleen i* mre hulp. ) En dit zal do grootste straf voor do avmo vordoemdon zijn: do godachto. dat zij vorloron zijn gogaau door hunno oigono schuld.
Vindictd caniia im/gt;iit if/nis el vermis ~) Hot vuur en de worm (d. w. z. do knaging van hot gowoton) zuil on do heulon van don vordoomdi' zijn ï.lt;it straf zijnor zonden; de worm echter zal hom voel meer folteren gedurende do eeuwigheid dan liet vuur.
Wat droefheid veroorzaakt in deze wereld niet hot verlies van een of andero zaak van waarde, h.v. van oen diamant, oen horloge, of een hours mot gold. vooral wanneer dit geleden is door eigen schuld'? Men kan niet otcii. men kan
1. Ps. 13. 0.
2. Eccli. 7. 10.
niet slapen bij dc gedachte aan het groot verlies; en toch, er is clan nog hoop om hot op een of andere wijze te herstellen. Hoe groot moet dan wel do foltering van den verdoemde; zijn, daar hij denken moet, dat hij door eigen schnld zijn God en het paradijs heeft verloren, zonder eenigo hoop die nog ooit wederom te Uuunen herwinnen.
P'iyo erruriniKf. Wij hebben dan gedwaald I Ziedaar wat in eeuwigheid de klacht zal zijn van de rampzalige ver doemden: wij hebben dan gedwaald, wij hebben ons vrijwillig in het ongeluk gestort, en daar bestaat voor onze dwaling geen herstel meer. In alle rampspoeden, welke aan zoo velen in dit leven overkomen, wordt altijd vroeg of laat wel een middel van leniging gevonden, hetzij dan, dat de zaken een keer nemen of ton minste, dat men zich overgeeft aan den goddelijken Wil. maar geen enkel dezer heulmiddelen zal ons ten dienste staan, wanneer wij in de eewig-heid zullen zijn aangekomen en dan den weg des hemels hebben gemist. Daarom vermaant ons de Apostel onze zaligheid
10
â 136 -
to bewerken met de aanhoudeiicTc vreeze van liaar te zullen verliezen. Be ire rid aire, zaligheid met rreeze en sidi/erin//. Die vreeze zal ons immer met behoedzaamheid doen wandelen, ons de kwade gelegenheden doen vluchten, maken, dat wij ons immer Gode aanbevelen, en aldus zullen wij zalig worden. Laten wij den Heer bidden, dat Hij ons deze gedachte diep in het hart prente, nl. dat het van dien laatsten zucht, welken wij in het uur des doods zullen slaken, at-bangt, of wij eeuwig gelukkig zullen zijn of eeuwig rampzalig, zonder hoop op herstel.
Mijn God, meermalen heb ik uwe genade veracht; ik verdien dan ook geen medelijden; maar uw profeet verzekert mij, dat Gij goed zijt voor een ieder, die U zoekt. Boiiiik ent Doiiilnna aninKi' lt;iii((e-renti illiun ~) Vroeger ben ik van U weggevlucht; maar thans zoek ik, thans wenseh ik. thans bemin ik niets anders
1. Phü. 2.12.
2. Thr. 3. 26.
meer clan U. Om licffle'swillc versmaad mij niet; denk aan liet bloed.' dat Gij voor mij gestort hebt. Dit bloed en uwe bemiddeling, o Maria, o Moeder van Uod. ziedaar al mijne boop.
S 10.
Over de volmaakte onderwerping aan Gods wil
films est ui faciitm rohuitati'm quot;'1Wé}p[£ ejus1) âMijne spijs is den wil te (Toen van Hem. die mij gezonden heeft.quot; Zoo sprak Jcsus Christim van zich zeiven. In dit stori'elijk loven bi1-waart de spijs ons het leven; daarom zeide Jesus. dat den wil te doen van den Vader zijn spijs was. Ook van onze zielen moot dit de spijs zijn: F,t vita in roliin-hitr rjus. 2) In de vervulling van den
1
Jo. l. 34.
2
Ps. 20. 6.
godck'lijken wil bestaat ons loven; wie dien wil niet vervult, is dood.
De Wijze Man zegt: Die r/e.frouir zijn in (h' liefdr, zullen zich naar Hem roeyen. Zij. dir weinig getrouw zijn in di* liefde (rods, zonden wenschen. dat God zicli wilde voegen naar hen, en alles doen. wat zij begeerden; maar zij die God beminnen. zij scbikken zieli in alles en berusten in alles, wat God. omtrent ben zeiven en omtrent alle zaken, die hun aangaan, besobikt. In alle tegenbeden, welke ben drukken, zooals ziekten, oneer, bitterbeden. verlies van goederen of bloedverwanten, hebben zij immer in den mond en in bet hart dat: fiat 10-limtas tua. mr tril (fearhiede, hetwelk de gewone lens was der heiligen.
God wil niets anders dan wat bet beste is voor ons. nl. onze heiligmaking. Haec eaf colnnfas hei, xaiirUficatiu ijeifra. ~) Laten wij daarom cmzen wil tol rust brengen door hem immer te vereenigen met den wil van God; en ovenzoo ons ver-
1. Sap. 3. W.
2. Thes. J4. 3.
stand; donken wij ei' aan. dat al wat God doet, voiir ons liet beste is. quot;Wie aldus niet handelt, zal nooit den waren vrede vinden. Geheel ouzo volmaaktheid op deze wereld, welke een oord van zuivering, en dus een oord van lijden en kwelling is. bestaat in geduldig te verdragen hetgeen met onze eigenliefde in strijd is; en om dit geduldig te verdragen. bestaat er geen krachtiger middel dan het te willen lijden uit onderwerping aan Gods wil: Wil dus wat God wil, en heb den vrede. Act/uii'.ice ü/itiir ei et hahetc pucem. 11 Die zich in alles met den wil van God vergenoegt, is altijd tevreden, en n'.ets van al hetgeen hem overkomt, bedroeft hem: .Yo» cun-tj'istabit jiistiun quiilquid ei acciderif '-) En waarom bedroeft de rechtvaardige zich niet bij wat hem ook gebeurt? Omdat hij weet, dat er in de wereld niets geschiedt, of het geschiedt door den Wil Gods.
De goddelijke Wil stompt, om het zoo
1
Job, 22. 21.
â 141 â
uit te clnikken, allo doornen af, en iicenit het hittere weg van alle beproevingen, die ons in deze wereld overkomen. Een versje van den goddelijkeu Wil sprekende. zegt:
Gij herschept ons 't kruis in vreugd, Jt Sterven zelfs maakt ge een genetigt.
Die in u slechts kan berusten,
Vreest niet, vreest niet voor zijn lot.
O wat zijt Ge een liefde waardig.
Heü'ge wil van mijnen God ! *
Ziethier den schoonen raad. welken ons de H. Petrus geeft, om te midden van de talrijke wederwaardigheden des levens een waren vrede te vinden. Werpt, zegt hij, al Hire hekotmwiugen op God, u-ant Hij draagt zorg voor U. 1)
Maar als er een God is, die alle zorg voor ons geluk op zich neemt, waarom
» Tu le crooi cangi in sorte Tu fai dolce ancor la morte. Non ha croce nè timore. Chi ben teco unir sl sa. Quanto degna sei d'amore, O divina volunta.
1. i Petr. 5. 7.
U2 â
kwellen wij ons dan met zoovele be- I af
knmmeriiigeu, alsof ons geluk van onze I C'ï
zorg afhing, en waarom geven wij ons I Hi
niet over in lt;le liamlen van God. van I nu
wien alles afhangt? Ilp/'y, mren kowmer 1 // (i/i den Heer, (zoo vermaant ons David)
eji Hij zul rooi' IJ ziiriji-n. ' ) Laten wij van '1 le
onzen kant slechts zorgen om gehoor- 1 a
zaam te zijn in alles, wat God ous he- I ii
veelt ot aanraadt, en laten wij vervol- 1 n
gens aan Hem zelve de zorg voor onze 1 n
zallglieid igt;vor. dan zal Hij er wel aan 1
denken ons alle middelen te geven, die1 3 gt;'
wij ter zaligheid noodig hebben: Krif ^
libi anima fna in aal ttcm, quia in mi' ha- ' '
l/uisti fiditciani '-) Uie al zijn vertrouwen | 1 stelt op God. is zeker, dat hij niet zal beschaamd worden. Om kort te gaan,
die den wil van God volbrengt, komt in den hemel, en wie dien niet volbrengt, komt er niet. \ elen stellen de hoop hunner eeuwige zaligheid in sommige devoties, in zekere uiterlijke werken van godsvrucht, en middelerwijl wijken zij
â 143 â
af vau ilcn gotTdclijkt'U wil; maar Jusus Christus zegt : XM ieder, die tot mij scgt, Urey Heer, zul iiu/aou 'quot; l'et Hijk der Hemelen; nuictr irie den teil doet mijn* I aders, Hij zul iiii/otdi in het Kijk dei' Hemelen. 1) Willen wij derhalve zalig worden, willen wij tot de volkoniene vereeniging met (^kI geraken, laten wij Hem clan immer de hede doen van David; Ijeer mij, lieer, nireii iril te doen. 2) Laten wij ons middelerwijl van onzen eigen wil ontdoen, en geven wij dien geheel en zonder voorbehoud aan God. \N anneer wij aan God onze goederen geven door de aalmoes, onze spijzen door het vasten, ons bloed door de hoctpleging. dan geven wij Hem wol is waar net onze; maar als wij Hem onzen wil geven, dan geven wij Hem geheel ons zei ven. Daarom kan hij. die aan God zijn gansuhen wil geeft, zeggen; Heer. nu ik IJ mijn wil hel) gegeven, blijft mij niets meer te geven over; Het offer van den wil is het aangenaamste offer wat wij God kunnen
1
Matth. 7. ^1.
2
Ps. 142. 10.
â 144 -
brengen, en CtoiI overlaadt met zijne ge. nadon een ieder, die Hein dit brengt.
Doch zal dit offer volmaakt zijn. dan moet liet twee eigenschappen hebben; het moet zijn: zonder ronrbehoiid en stcini/-rastii/. Sommige menschen brengen God wel is waar het offer van hun wil, maar met voorbehoud. Dit offer nn is Hem weinig aangenaam. Andereu weder geven aan God hun wil; maar nemen dien daarna terug, en dezen stellen zich in groot gevaar door God verlaten te worden. Daarom moeten al onze pogingen, al onze verlangens, al onze gebeden naar dat doel gericht zijn: van God de volharding te verkrijgen, om nooit iets anders te willen dan wat Ged wil. Laten wij daarom dagelijks die algeheele overgave van onzen wil aan God vernienweu, eu wachten wij ons wel van iets te zoeken of to bcgecren, wat met dien goddelijkeu wil niet overeenkomt. Op die wijze zullen alle hartstochten, alle begeerten, alle ongeregelde bewegingen in ons hart tot zwijgen komen.
Toen zuster Margaretha van het kruis, dochter van Keizer Maximiliaan en re-
ligicuso van do barrevooiter orde der H. Clara guhcol ou al hot gezicht had verloren. aoido zij: Uoe zdk ik verlangen te zien, als Gofi niet iril dat ik zie?
Ontvang, o God mijnor ziol, ontvang het oft'er van geheel mijnen wil. van geheel mijne vrijheid. Ik weet het, ik verdiende dat Gij mij den rug toekeerdot en weigerdet mijn otter aan te nemen-daar ik IT zoo dikwijls ontrouw hen geweest, maar ik hoor. hoe Gij mij opnieuw beveelt 1' uit geheel mijn hart te beminnen; ik hen er daarom zeker van. dat Gij mijn otter zult aannemen. Geheel en ganscli dan geef ik mij aan uwen goddelijken Wil over. Doe mij kennen, wat Gij van wij wilt: want ik wil het volbrengen. Geef. dat ik U beminne en beschik verder over mij en al het mijne gelijk U goeddunkt. Ik bon in uwe handen ; dcc met mij. wat Gij weet, dat voor mijne eeuwige zaligheid het beste is. want ik betuig, dat ik ü alleen begeer en anders niets. O Moeder van God, verwerf Gij mij do heilige volharding.
Gij Jesus, zijt mijn schat, mijn leven.
Gij 't eenigst, wat mijn ziele vraagt.
â 146 â
'k Hrli mij ^clioH aan tquot; gegevun Hoe maar met mij. wat U behaagt
;') Mio Gcsii, diletto mio, To ron voglio allro clilt;; tc. Tutto a ic mi do. mio Blo ; l'iinnc pur clie vuoi di me.
Gelukkig bij, die aan God getrouw is iu den tegenspoed,
e gotrcmwlickT van den soldaat loert men kcinicu in den stvijd. niet in don vrede. Deze aarde is voov lt;gt;ns een oorlogsveld, waar wij allen moeten strijden en overwinnen om zalig te worden. Als men niet overwint is men verloren, en verloren voor eeuwig. Vandaar zeide de H. Man Job: .1//^ tlaf/eti, lt;lie ik nu strijden moet. iracht ik totdat mijne rerande-rini/ komt. ') Job leed. daar liij zoovele vijanden te bestrijden bad: maar bij troostte zich met de hoop. dat als bij
1. Job. 14. 14.
â 14S â
zegepraalde, er na zijn dood verandering in zijn lot zon komen. Van die verandering sprak ook do H. Panlu.s, ook hij verblijdde zich daarmede. De (/oorieii, zeide hij. sullen onbedorven verrijzen en irij zullen rerandeid leorden. ') In den hemel verandert onze toestand; daar is het geen plaats meer van arbeid, maar van ru.st; geen plaats van vreeze. maar van zekerheid; geen plaats van droefheid en kwelling, maar van blijheid en eeuwige vreugd. Welaan laten wij, bemoedigd door de hoop op dat groote geluk, tot onzen dood toe strijden en het onzen vijanden nimmer gewonnen geven, doner. ceniaf iniinnhdio nostra: tot dat eenmaal het einde komt van den strijd, en het begin aanbreekt dor gelukzalige eeuwigheid.
Een (/eduldif/ nienxch lijdt voor eenic/en tijd eji daarna komt de rert/eldinf/ der hlijd-xchaji 1) Crelnkkig hij, die in dit loven voor zijn God mag lijden; zijn lijden duurt slechts eenigen tijd; maar zijn vreugde in het land der gelukzaligen
1
Eccl. . 129.
- 149 â
zal eeuwig zijn. Voorbijgaan zullen de vervolgingen, voorbijgaan de bekoringen, de ziekten, de lasten en ellenden van dit leven, en dan zal God ons een loven geven dat ons ten volle gelukkig maakt en nooit voorbijgaat. Kn is het de tijd om den wijngaard te besnoeien, en alles te verwijderen, wat ons den weg naar het beloofde land des bemels belet. Tem-/nis patafionix adrenit.') Het snoeien baart pijn, daarom beeft men geduld noodig; maar later zullen wij naar de mate van ons lijden worden getroost. Posten red-ditio jdcanditatia Grod is getrouw voor een ieder, die hier op aarde ter zijner liefde met geduld en overgeviug lijdt. Hij belooft, dat Hij zelf hun loon zal wezen, loon, dat al ons lijden eindeloos ver te boven gaat. Ktjo merces tiui iikic/iki iiimix -) Maar de Heer wil, dat wij, alvorens de kroon van bet eeuwig leven te ontvangen, eerst door de bekoringen worden beproefd. â¢') lieatns rir, qui suffert tenfatioiieni, 'jitoiiiain cum jirobatnn faerit
1. Cant. 2. 12.
2. Gen. 15. 2.
31 Jac. 1. 12.
- 150 â
accipiet coronam ritae, (juam repromisif Deux rlilii/enfiliiifi se. Grrlukkig dan liij die. te midden vau lijden cu wtsdcrwaardig-heden. aan Grod gtitvouw lilijft.
Sommige lieden mocnen, dat /.ij door God bemind worden, wanneer al hunne zaken voorspoedig gaan, en zij geen wederwaardigheden hebben; maar zij bedriegen zich; want niet in den voorspoed, maar in de wederwaardigheden beproeft (rod het geduld en de getrouwheid zijner dienaren om hun daarna die kroon te geven, welke niet vergaat gelijk al de kronen dezer wereld; maar die, gelijk de ht. Petrus schrijft, een kroon van eeuwige glorie zal wezen. Percipieli-i inmiaycessi-hilem iihirim coronam, ') Eu die kroon, aan wien wordt zij beloofd? De H. Jacobus zegt: quam reproniisif Deux dilii/eii-tlhus .sr. God heeft haar beloofd en herhaaldelijk beloofd aan wie Hem bemint: want de goddelijke liefde zal ons den moed geven om dapper te strijden en ons de overwinning doen behalen, ^let de liefde (rods moet ook gepaard 1. 1 Petr. 5. 4.
â 151 â
gaan de nederigheid. Goud en zilver, zegt de Eoolesiasticus, worden heproejd in het vuur; maar de menschen, die aangenaam zijn aan God, in den oven der vernedering 1) In de vernedering komt het uit wie de lieiligen zijn, daar blijkt het ot' zij goud zijn of lood. Deze of gene persoon bijv. wordt algemeen voor een heilige gehouden; doch ziet, nauwelijks ontvangt hij een minder aangename bejegening, of hij is geheel van streek, overal beklaagt hij zich, en zegt, dat het den ander berouwen zal. Wat bewijst dit? Het bewijst, dat hij lood is. De Heer zegt: Heh geduld in u/re vernedering 2) De hoo-vaardige acht elke beleediging die hij ontvangt, eene groote onrechtvaardigheid; en daarom kan hij die niet verdragen; do nederige daarentegen meent elke kwade bejegening, hoedanig die ook zij, te verdienen, en daarom ver-draagt hij alles mot geduld. Laat hij, die een doodzonde bedreven heeft, slechts een blik werpen op de hel, die hij ver-
11
1
Eccl. 2. 5.
2
Eccli. 4.
â 152 â
diend heeft, en hij zal elke vernedering, elke smart' geduldig verdragen. Laten wij dan God beminnen, laten wij nederig zijn; en al wat wij doen, doen wij het niet om ons zeiven te voldoen, maar om genoegen aan God te geven. O vervloekte eigenliefde! zij stelt zich in al onze werken op den voorgrond; zelfs in de geestelijke oefeningen, in het gebed, in de boetplegingen en in alle andere werken van godsvrucht tracht zij immer eigen voldoening te vinden. Zeldzaam zijn de vrome zielen, welke op die wijze niet misdoen. De ate.) he vrouw, ine vindt haar? hare waarde overtreft n at uit de verste verte komt. !) Waar vindt men eene ziel, zoo sterk, dat zij, vrij van eiken hartstocht en zonder eenig eigenbelang, standvastig blijft in hare liefde tot Jesus Christus, ook te midden van verachtingen, van smarten, van de bitterheden des geestes en de kwellingen des levens? Dezulken, zegt Salomo, zijn edelsteonen van hooge waarde, zij komen van de uiterste grenzen der aarde, en daarom zijn zij hoogst
1. Prov. 31. 10.
â 153 -
zeldzaam. Mijn gekruisigde Jesus, ook ik hen er een die tot zelfs in mijne godvruchtige oefeningen eigen genoegen en eigen voldoening heh gezocht. Welk een verschil met ü, din yan mjj een
leven heht geleid vol hitcerneid, zonder eenigo verkwikking! Verleen mij uwe hulp, want van nu af wil ik alleen uw welbehagen en uwe glorie zoeken. Ik wil U beminnen zonder belangzucht. Maar ik ben zwak. G-ij moet mij krachten geven om dit ten uitvoer te brengen. Zie Hoer, ik ben de uwe, beschik over mij gelijk het U behaagt; maak, dat ik U beminne, niets anders vraag ik U. O Maria verwerf mij door uwe tusschen-komst getrouwheid aan God.
lt;#gt;---
§ 21.
Wie Jesus Christus bemint moet de wereld baten.
Ilwie Jcsus Chrisuis met oprechte liefde bemint, is innig blijde, als hij ziet, dat hij op dezelfde wijze dooide wereld wordt behandeld als Jesus Christus, die door de wereld gehaat werd, bespot en vervolgd, zóó zelfs, dat zij Hem van smart deed sterven aan een hout van schande. De wereld is geheel tegenovergesteld aan Jesus Christus, en daarom haat zij Jesus Christus, haat zij ook al zijne dienaren. Daarombemoedigde de goddelijke Zaligmaker zijne leerlingen om de vervolgingen der wereld [met
kalmte te verdragen. Daar zij de wereld hadden verlaten, zeide Hij, kon het niet anders, of zij inocsten door de wereld worden gehaat. Gij zijt niet van deze wereld .... daarom haat u de wereld.
, Welnu, evenals zij, die G-od beminnen, hatelijk zijn voor de wereld, zoo moet do wereld hatelijk zijn voor hem, die God bemint. De H. Paulus zeide: Verre zij het van mij te roemen dan op het kruis van Onzen Heer Jesus Christus, door wien de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. 1) De H. Paulus baarde afschrik aan do wereld, gelijk een veroordeelde, die dood aan het kruis hangt; maar dien zelfden afschrik baarde ook de wereld aan den H. Paulus: Mihi mundus cruci-Jixus est.
Tot dit einde wilde Jesus Christus voor onze zonden sterven aan het kruis, om ons te bevrijden van de liefde tot deze booze wereld: Uedit semetipsum pro peccatis nostris, ut eriperet nos de hoe sae-culo )iequam. 2)
1
Gal. VI. 14.
2
Gal. 1. 4.
â 156 â
Onze goddelijke Zaligmaker die ons geroepen heeft tot zijne liefde, verlangt dat wij ongevoelig worden voor do beloften der wereld, zoowel als voor hare bedreigingen; Hij verlangt, dat wij niet de minste rekening houden noch met hare toejuiching noch met hare blaam. Wiâ moeten G-od bidden, dat Hij ons do wereld geheel doe vergeten, ons blijde doe zijn, wanneer wij zien, dat de wereld ons verstoot.
Om geheel aan God te zijn, is het evenwel niet genoeg de wereld te verlaten, maar wij moeten verlangen, dat ook de wereld ons verlate en ons geheel en al vergete. Sommigen verlaten dc wereld maar blijven toch het verlangen koesteren om door dc wereld geprezen te worden, al was het maar, omdat zij haar hebben verlaten. Door het verlangen nu, dat dezulken nog voeden naar do achting der wereld, maken zij, dat dc wereld in hen nog blijft leven.
Gelijk verder de wereld Gods dienaren haat, en daarom ook een afkeer heeft van hunne goede voorbeelden en hunne heilige beginselen, zoo ook móeten wij
â 157 â
eon afkeer hebben van alle beginselen der wereld. Het trachten den vleesches is vijandtg tegen God, het is niet onderworpen aan Gods iret, trant het kan dit ook niet. Do Apostel zogt: Want het kan dit ook niet zijn; zeer zeker, want do wereld beoogt niets anders dan eigen voordeel en eigen voldoening; zij kan zicli dus niet veroonigon mot diegenen wolke alleen het welbehagen van God zoeken.
Ja, mijn Josus, die voor mij gekruist en gestorven zijt, alleen aan U wil ik behagen. Wat maakt mij de wereld, wat de rijkdommen, wat de eer en glorie! Gij alleen, mijn Verlosser, zult geheel mijn schat zijn. Wilt Gij, dat ik vernederd zal wezen en door eon ieder veracht; ik neem alles uit uwe hand aan. üw heilige wil zal immer mijn troost zijn. Maar ziehier de genade die ik U vraag; maak, dat ik bij al wat mij overkomt, in het minst niet afwijke van uwe heilige wilsbeschikkingen.
4. Rom. S. 6 en 7.
§ 22.
Een stervende, die spreekt met den Gekruiste
|fjS |Q osus, mijn Verlosser, die binnen weinige oogcnblikken mijn Eecliter moet zijn, ontferm TJ mijner alvorens het oogenblik aanbreekt om mij te oordoelen. Neen, geene vrees jagen mij mijne zonden aan noch ook de strengheid van uw oordeel; want ik aanschouw ü hier dood op dit kruis voor mijne zaligheid.
Maar toch houd niet op mij te versterken in de benauwdheden waarin ik mij bevind; mijne vijanden willen mij vrees aanjagen en zeggen mij dat er
â 159 â
geen zaligheid is voor mij: Multi dicunt aniniae tneae: non est salus ipsi in Deo ejus ^ Maar ik wil immer blijven vertrouwen op uwe goedheid: Ta autem Domine, sasceptur mens es. 1) Welaan troost mij, laat ik van U hooren, dat Gij mijne zaligheid zijt: Lie aniniae nieae: solas tua ei/o sum. 2).
Laten voor mij niet verloren zijn al die smarten, al die verguizingen, die Gij geleden hebt, al dat bloed, dat Gij voor mij hebt vergoten: liedemisti crucem j)«s-sus; tantus labor non sit cassus.
Inzonderheid bid ik U, bij de bitterheid die Gij gevoeldet, toen uwe gezegende ziel zich scheidde van uw allerheiligst lichaam, toch medelijden tc hebben met mijne ziel, wanneer zij mijn lichaam zal verlaten. Hot is waar, ik heb TJ door mijn zonden zoo dikwijls versmaad; maar thans bemin ik U boven al; ik bemin U meer dan mij zeiven, en uit het diepst mijns harten heb ik berouw
1
Ibid. 4.
2
Ibid. 34. 3,
â 160 â
over al het misnoegen dat ik U veroorzaakt heb. Ik verfoei liet nu en haat het hoven alle kwaad. Ik erken dat ik oin de belcedigingen, U aangedaan, duizendmaal de hel verdiende; maar de hittere dood. diou Gij voor mij hebt willen ondergaan, en al die hewijzen van barmhartigheid, welke ik van U heb ontvangen, doen mij hopen, dat Gij mij, als ik voor U zal verschijnen, dcu heiligen vredekus zult geven.
Vol vertrouwen op uwe oneindige goedheid, o mijn God, geef ik mij in uwe liefdevolle armen over. In te, JJonline, speravi; non confundcir in aeternum. Ik heb wel is waar door de bcleedigingen die ik U heb aangedaan zoo dikwijls de hel verdiend; maar uw heilig bloed geeft mij liet vertrouwen, dat Gij mij vergiffenis hebt geschonken en dat ik in den hemel zal komen om daar uwe barmhartigheid in alle eeuwigheid te zingen: Misericordias Domini in aeternum cantabo. Bereidwillig aanvaard ik al de pijnen, die Gij mij voorbehoudt in het vagevuur; het is billijk, dat de bcleedigingen, die ik U heb aangedaan, door het vuur woi-
â 161 â
don gestraft. O heilige kerker, wanneer zal ik in U zijn opgesloten, verzekerd nooit meer beroofd te kunnen worden van mijnen God! 0 heilig vuur, wanneer zult gij mij zuiveren van al die smetten, en mij waardig maken het vaderland dei-zaligen binnen te gaan.
O eeuwige Vader, ik smeek ü dooide verdiensten van Jesus dood laat mij sterven in uwe genade en in uwe liefde, opdat ik het geluk moge hebben U in eeuwigheid te beminnen! Ik dank U voor alle genaden die gij mij in den loop mijns levens hebt gegeven, en bijzonder voor do grooto genaden, dat Gij mij het H. Geloof hebt geschonken, en mij in deze laatste dagen gesterkt hebt met al de H. Sacramenten.
Gij wiltmijnen dood; ook ik wil sterven om U genoegen te geven. Jesus, mijn Verlosser, het is weinig, dat ik sterve voor U, die gestorven zijt voor mij. Gebed tevreden dan zog ik U met don H. Franciscus: Moriar, Domine. amore autoris tui, qui amore amoris mei dignatus es mori. âDat ik sterve, Heei-. uit liefde
â 162 â
tot U, die U gcwaardigd hebt te sterven uit liefde tot mij.quot;
Met tevredenheid aanvaard ik den dood, en ook de pijnen, die ik voor mijn laatsten oogenblik nog moet verduren-Verleen mij uwe hulp om ze te lijden met volkomen gelijkvormigheid aan uwen wil. Ik draag ze U alle op tot uwe glorie en vereenig ze met do pijnen, die Gij hebt verduurd in uw lijden. Eeuwige Vader, ik offer U mijn leven en geheel mij zeiven; ik bid U dit offer te aanvaarden om de verdiensten van hot grooto offer, dat Jesus uw Zoon U van zich zeiven bracht op het kruis.
O Maria, moeder van God en ook mijne moeder. Gij hebt mij tijdens mijn leven zoovele genaden van God verworven, ik dank U daarvaar uit geheel mijn hart. Ach, verlaat mij niet op dit oogenblik van sterven, nu ik het meeste behoefte heb aan uw gebeden. Bid Jesus voor mij, en vermenigvuldig uwe gebeden. Verkrijg mij meer droefheid over mijne zonden en meer liefde tot God, opdat ik hot geluk moge hebben Hem met U
â 163 â
vorecnigd, voor eeuwig en uit al mijne krachten to beminnen in den hemel. In te Domina, speravi nonconfuncUir in aetenuim.
Maria, mijne hoop, ik stol mijn vertrouwen op U.
§ 23.
Akten te Terwekken is het uur des doods.
an de Z. Lid'.vin a werd door een PO»- engel geopenbaard, dat de kroon van glorie en van verdiensten, welke haar in den hemel wachtte, eerst zou voltooid worden door de kwellingen, die zij zou moeten lijden in do laatste dagen voor haar dood. Hetzelfde hoeft plaats met allo brave zielen, die van deze wereld heengaan. Het is zeker, dat allo goede akten van iemand die sterft in do genade Gods, van groote verdienste zijn, hijzonder de akten van overgeving, waardoor men den dood en alle pijnen, die
â 1C5 â
hem vergozollon, aanneemt met de mee. ning om aan God te behagen. Wij geven hier do akten aan, welke in het uur des doods aan God bijzonder welgevallig zijn.
Mijn God, ik bied U hot oft'er aan van mijn leven, en ik bon bereid te sterven, wanneer het aan Uwen H. Wil zal behagen. Fiat voluntas tua. âHeer, uiv iril geschiede;quot; immer, immer, fiat voluntas taa. Heer, indien Gij mij nog eenigen tijd in het leven wilt laten, uw H. Wil zij gezegend; maar ik verlang het leven niet, als ik het niet geheel en al zal besteden om U te beminnen en U welge. vallig tc zijn. Wilt Gij echter, dat ik aan deze ziekte sterve, woes ook dan gezegend. Ik omhels den dood om uwen wil te vervullen, en ik herhaal: Fiat voluntas tna. Alleen smeek ik U, dat Gij mij gedurende dezen ganschen tijd zult bijstaan. âOntferm u mijner, o God, volgons uwe barmhartigheid.quot; Miserere mei, Heus secundum magnam misericordiam tuain. Wilt C-iij duS; dat ik deze aarde verlate, dan betuig ik U, te willen sterven, omdat ook Gij het aldus wilt,
â 166 â
En ik wil sterven om mot de angsten en bitterheden van mijnen dood voldoening te geven aan uwe rechtvaardigheid voor al die zonden, met welke ik TJ be-lecdigd heb cn de hel heb verdiend.
Ook wil ik sterven, opdat er een einde kome aan mijne zonden, en ik ophoude TJ te beleedigen en U misnoegen te veroorzaken in dit leven.
Nog wil ik sterven om U mijne verschuldigde dankbaarheid te betuigen voor al die genaden en al die liefdevolle oplettendheden, welke Gij mij in strijd met hetgeen ik verdiend had, bewezen hebt.
Ik wil sterven om U te tooncn, dat ik uw heiligen Wil meer bemin dan mijn leven.
Ik wil (als het U behaagt) nu sterven, nu ik hoop mij in uwe genade te bevinden, om aldus zeker te zijn U in alle eeuwigheid te mogen loven en zegenen.
Bovenal wil ik sterven om U in alle eeuwigheid en met al mijne krachten te gaan beminnen in den hemel, want door do verdiensten van uw bloed, o mijn Verlosser, hoop ik daar te komen en daar
â 167 â
oens do zekerheid to hebben, dat ik nooit meer zal ophouden U te beminnen gedurende de gansche eeuwigheid. Mijn Jesus, Gij hebt eens den dood des kruis es omhelsd uit liefde tot mij, nu omhels ik don dood en allo pijnen, diequot; mij nog wachten uit liefde tot U. Daarom zeg ik U met den H. Franciscus: Moriar, Doinine, amore autoris tui, qui amore autoris mei dignatus es mort. Hoer, laat mij sterven tor liefde van uwe liefde die U gewaar-digd hebt te sterven uit liefde tot mijne liefde.
O mijn Verlosser, mijne liefde, mijn eenig goed, ik bid U door uwe heilige wonden en uwen smartelijken dood, doe mij sterven in uwe genade en in uwe liefde. Crij hebt mij mot uw bloed gekocht; laat dan niet toe, dat ik verloren ga. Allerzoetste Jesus, duld niet, o duld niet, dat ik van U gescheiden worde.
Heer, verwerp mij niet van uw aanschijn: Ne projicias me a facie tiut. Ik erken, dat ik door mijne zonden de hel heb verdiend; maar thans doCn zij mij leed, meer leed dan elk ander kwaad, en ik lioop eens in den hemel in eeuwigheid
12
â 168 â
uwe grooto barmhartigheid jegens mij te verheerlijken: MisericonUas Domini in aeternum caiitaho.
Ik aanbid U, mijn G-od, die mij hebt geschapen. Ik geoof in U, eeuwige waarheid. Ik hoop op U. emdelooze barmhartigheid. Ik bemin U, opperste goedheid; Ik bemin U boven al; ik bemin ü meer dan mij zeiven, want G-ij verdient dat men U bemint. En omdat ik U bemin, spijt het mij uit het diepst mijner ziel, dat ik uwe genaden heb veracht. Ik beloof U liever eiken dood, ja duizendmaal den dood te sterven, dan ü nog ooit weder te bedroeven.
O Jesus, Zoon van God, die voor mij gestorven zijt, heb medelijden met mij. Mijn Zaligmaker, maak mij xalig, en mijne zaligheid zij U eeuwig te beminnen. 0 Maria, moeder van God, bid voor mij uwen Jesus. Nu is het de tijd, waarin f)ij mij meer dan ooit moet helpen.
Maria mater gratiae,
Mater misericordiae;
Tu nos ah hoste protege,
Et hora mortis suscipe.
Maria, moeder der genade, moeder ran
â 169 â
hunnhartigheid. bescherm Gij ons tegen den vijand en nec.m ons op in het uur des doods. Onder utre heschenning nemen wij onze toe-rlucht, Heilige Moeder Gods. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons zondaars.
O heilige Joseph, mijn vader, sta mij bij in deze oogenblikkon. H. Aartsengel Michael, bevrijd mij van do duivelen, die mijne ziel belagen. Mijne heilige beschermers on allen gij heiligen van het paradijs. bidt God voor mij.
En gij, mijn gekruiste Jesus, ontvang Gij op het oogenblik van sterven mijne ziel in uwe armen. U beveel ik haar aan. Gedenk dat Gij mij verlost hebt met uw bloed: Te ergo quaesumus, tuis famulis sicb-veni, quos pretioso sanguine redemisti. Mijn gekruiste Jesus, mijne liefde, mijne hoop, ik betuig U hetzij ik leve hetzij ik sterve, dat ik niets anders verlang dan U alleen: Deus mens et omnia. En wat anders kan ik ook verlangen buiten U? Quid mihi est in coelo et a te quid volui super ter ram? Deus cordis mei et pars mea in aetenmm-Gij zijt de liefde van mijn hart, Gij al mijn rijkdom. Aan U dan beveel ik mijne ziel, aan U, die haar verlost hebt met
â 170 -
uwen dood: In mnnuft tuas cotnmendo spi-ritmn meiuii, redemisti me Domine, Deus ve-ritatis. Ik zeg daarom vol vertromven op uwe barmhartigheid: 02) U, Heer, heb ik (jehoopt: ik zal niet beschaamd irorden in eeawif/heid.
O Maria, gij zijt onze hoop: Spes nostra salve. Tot u dan zog ik eveneens: In te Domina, speravi non confandar in aetemum. Op U, o Koningin heb ik gehoopt; ik zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.
§ 2-k
flïer het Huis onzer eeuwigheid.
e mensch zal ingaan in het huis zijner eemvigheid Wij dwalen, als wij het huis, waarin wij thans wonen, het onno noemen. Het huis van ons lichaam zal zeer spoedig zijn een graf; daarin zal het verblijven tot den dag des oordeels; maar het huis van onze ziel is het paradijs of de hel, naar gelang zij zal verdiend hebben, en in dat huis moet zij blijven gedurende de geheele eeuwigheid.
Naar het graf zullen onze lichamen niet uit zich zeiven gaan, zij zullen er door anderen worden heengedragen; maar
1) Eccli. 12. 5.
â 172 â
onze ziel zal van zelve gaan naar de plaats, welke zij verdiend heeft, óf van eeuwige vreugde, óf van eeuwig lijden.
Ibit homo in domum aeteniitatis suae. Naar gelang de mensch goed doet of kwaad, riclit hij uit vrije beweging zijne schreden naar het huis des hemels of der hel, en eens binnengegaan in dat huis, verlaat hij het nooit meer.
Zij, die op deze wereld wonen, plegen dikwijls van woning te veranderen hetzij uit vrije verkiezing, hetzij, dat zij er uit verdreven worden. In de eeuwigheid verandert men nooit van woning. Waar men na het laatste oordeel binnenkomt, daar moet men wonen voor altijd. Ah een boom valt ten zuiden of ten noorden waar hij valt daar ligt hij Die het zuiden ingaat des hemels, zal eeuwig gelukkig zijn; die het noorden binnengaat der hel, eeuwig rampzalig.
Wie in den hemel komt, zal dus immer vereenigd zijn met God, immer in het gezelschap der heiligen, immer in den zoetsten vrede, hij zal volkomen gelukkig
1. Eccli, 11. 3.
â 173 â
zijn; want iedere gelukzalige is geheel vervuld en verzadigd met geneugten en nimmer zal hij vreezen zijn geluk te verliezen. Als hij de zaligen de vrees zou ontstaan, het geluk, waarin zij zich verheugen, te zullen vei-liezen, dan zouden zij niet meer gelukzalig zijn, want alleen de gedachte, dat dit mogelijk ware, zou al hunne vreugde verstoren.
Hij daarentegen, die in de hel komt, zal immer verwijderd zijn van God, immer moeten lijden in dat vuur te midden der verdoemden. En men denke niet, dat de pijnen der hel gelijk zijn aan de pijnen der aarde, waar het lijden door de gewoonte vermindert; evenals in het paradijs de geneugten nimmer verveling zullen baren, maar immer zoo nieuw zullen schijnen, alsof men ze de eerste maal genoot. (Dit beteekent het nieuwe gezang, het canticum novum, dat de heiligen immer zullen zingen: Et cantahunt quasi canticum novum. Evenzoo zullen de pijnen der hel in alle eeuwigheid nimmer afnemen; nimmer zal de gewoonte
1. Ap. 14. 3.
â 174 -
er de pijn verminderen. Dc rampzalige verdoemden zullen in alle eeuwigheid dezelfde foltering van het lijden gevoelen, als zij gevoelden, toen zij het de eerste maal ondervonden.
De H. Augustinus zeide, dat hij, die eene eeuwigheid aanneemt en zich niet bekeert, zijne zinnen of zijn geloof heeft verloren: O aeternitas, qui te cogitat nee poenitet, aal fidem non hahet. aut si hahet cor non hahet. ')
Wee, roept de H. Caesarius uit, wee den zondaren, die de eeuwigheid binnen gaan zonder haar te kennen, omdat zij er nimmer op hebben nagedacht! Vae peccatoribus, qui incognitam ingrediimtur aeternitatem! En hij laat er op volgen1Sed vae duplex, ingrediimtur et non egre-diuntur. Maar dubbel rampzalig is hun lot, want eerstens vallen zij in dien afgrond van vuur, en vervolgens, eenmaal daarin neergestort, zullen zij er nimmer uit opstaan. De poort der hel gaat open om in te treden, maar nooit om uit te gaan. Neen, zij hebben niet te veel ge-
1
Soliloq.
â 175 â
daan, de heiligen, toen zij zich gingen begraven in grotten en woestijnen, daar leefden van kruiden en er op den grond sliepen om hunne ziel te redden; neen, zij hebben niet te veel gedaan, zegt de H.Bernardus, want, waar het een e eeuwigheid geldt, is geene zekerheid groot genoeg. Nulla nimia securitas, uhi periclita-tur aeternitas; het zijn de woorden van den heilige.
Wanneer God ons dan bezoekt met kruisen, bijv. met ziekte, armoede of andere rampen, denken wij dan: Ik heb de hel verdiend, en dan zal ons elke beproeving licht voorkomen. Zeggen wij dan met Job: Peccavi et vere deliqui et ut emm dignus non recepi. Hoer, ik heb u beleedigd, en ik hen niet gestraft, gelijk' ik verdiende; hoe kan ik mij dan beklagen, dat Gij mij eene beproeving overzendt, aan mij die do hel heb verdiend.
Ach, mijn Jesus, verwijs mij niet naar de hel; want in de hel zou ik ü niet meer kunnen beminnen, maar U voor eeuwig moeten haten. Ontneem mij alles,
1. Job, 33. 27
â 176 â
mijne goederen, mijne gezondheid, mijn leven; maar beroof mij niet van U. Geef, dat ik U in eeuwigheid moge beminnen en verheerlijken, en voor het overige kastijd mij en doe met mij, wat U behaagt. 0 Moeder van God, bid uwen Jesus voor mij.
De zielen, die God benlnnen, ïerlangen ïurig Hem in den Hemel te gaan aanschonwen.
rfil^SÃoalaTijj wij in het lichaam zijn, zijn wij verwijderd van den Heer- Do zielen, welke op deze wereld niets anders dan God beminnen, zijn als zoovelo edele bannelingen, die bestemd zijn, althans volgens hunnen tegenwoordigen staat, om voor een wig de brulden te worden van den Koning des hemels; maar die thans verre van Hem verwijderd, Hem niet zien en daarom zonder ophouden verzuchten om heen te gaan naar het vaderland der zaligen, waar zij weten, dat de bruidegom haar wacht.
â 178 â
Zij weten, dat liaar Beminde altijd Mj haar is; maar Hij is daar als achter een gordijn verborgen, en laat zich niet zien. Of om beter te zeggen, Hij staat daar gelijk zoo dikwijls de zon staat, verborgen achter de wolken, waardoor zij nu en dan wel een straal van haren luister laat schitteren, maar gansch zichtbaar vertoont zij zich niet.
Die beminde bruiden dragen een blinddoek voor de oogen, welke haar niet toelaat het voorwerp harer liefde te aanschouwen. Zij leven wel is waar tevrcdeiii want zij voegen zich naar den wil van God, die haar aldus in ballingschap en van Hem verwijderd wil houden, maar met dat al is hot haar toch onmogelijk niet onophoudelijk te verzuchten naar hot oogenblik, waarop zij Hem van aanschijn tot aanschijn zullen aanschouwen om dan nog meer door zijne schoonheid te worden aangetrokken en Hem nog vuriger te beminnen.
Vandaar dat zij zich meermalen op zoete wijze bij haren Beminde gaan beklagen, omdat Hij zich niet laat zien-Eenige liefde van mijn hart, zoo zeggen
â 179 â
zij, daar Gij mij toch zoozeer bemint en mij met uwe heilige liefde gewond hebt, waarom verbergt Gij U dan voor mij, en laat Gij U niet aanschouwen? Ik weet, dat Gij eene oneindige schoonheid zijt, ik bemin U meer dan mij zeiven, ofschoon ik ü nog nimmer heb aanschouwd; welaan, toon mij uw verrukkelijk aanschijn. Ik wil U kennen zonder sluier, om dan nooit meer noch op mij zeiven noch op eenig ander schepsel te letten; maar aan niets anders moor te denken dan aan U te beminnen mijn hoogste goed.
Wanneer voor die zielen, door de liefde Gods verteerd, eens een straal doorbreekt van de goddelijke goedheid en van de liefde, die God haar toedraagt, dan zouden zij voor Hem wel willen smelten cn vergaan van liefde; en toch voor die zielen is de zon nog met wolken bedekt Gods schoon gelaat is nog verborgen achter hot gordijn, nog dragen zij den blinddoek voor hare oogen, die Haar belet Hem te aanschouwen van aanschijn tot aanschijn; hoe groot dan zal hare vreugde zijn, als die wolken verdwijnen.
â 180 -
als hot gordijn zal omhoog gaan, de blinddoek haar van de oogon zal vallen, en het schoon gelaat van den Bruidegom zich zonder sluier zal vertooncn, zoodat zij Hem zullen aanschouwen in het volle licht, in al zijne schoonheid, in al zijne goedheid, in al zijne grootheid en met al de liefde, die Hij haar toedraagt! O dood, waarom toch draalt gij zoo lang te komen! Als gij niet komt, kan ik mijn God niet gaan aanschouwen. Uwe taak is het mij do deur te openen en mij het koninklijk paleis mijns Hoeren te doen binnengaan. O zalig vaderland, wanneer zal de dag daar zijn, dat ik mij in uwe heilige woontenten zal bevinden! O beminde mijner ziel. mijn Jesiis, mijn schat, mijne liefde, mijn al, wanneer zal het gelukkig oogenblik aanbreken, waarop ik deze wereld zal verlaten en mij geheel vereenigd zal zien met U. Ik verdien het niet, dit geluk; maar de liefde, die G-ij mij betoond hebt en daarbij uwe eindeloozc goedheid doen mij hopen eenmaal te zullen behooren tot het getal dier gelukkige zielen, die geheel met U vereenigd, U zullen be-
181
minnen en zullen blijven beminnen met oone volmaakte liefde gedurende dc gan-sclie eeuwigheid. Ach mijn Jesus, Gij kont mijn toestand, Gij weet hot, ik zal eenmaal of wel eeuwig met u vcreenigd zijn of eeuwig van u verwijderd; licb medelijden met mij, uw bloed is mijne hoop; en uwe voorspraak, o Maria, mijne moeder, is mijn troost en mijne vreugde.
§ 26.
Jesus is de Goede Herder.
go sum pastor hor ns. Ik hen de goede Herder 1). Zoo liecft Jesus zelf gesproken. Dg plicht van een goeden lier-der is geen andere dan zijne schaapjes op goede weiden te brengen en hen te bewaren voor de wolven. Maar welke herder, o mijn zoete Verlosser, was ooit zoo goed als Gij, die voor het behoud van ons, uwe schaapjes, uw bloed en leven hebt veil gehad om ons te bevrijden van onze straffen.
Hij heeft zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen op het hout opdat wij der zonden
1
Jo. 10. 11.
â 183 â
afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; door iviens striemen gij genezen zijt 1). Dus om ons te genezen van onze kwalen heeft die goede herder zich met al onze schulden beladen en die met zijn lijden uitbetaald, toen hij op het kruis van smart gestorven is.
Zulk een overdaad van liefde voor ons, arme schaapjes, deed Ignatius den martelaar branden van verlangen om voor Jesus Christus zijn leven te geven. Amor mens crucifixus est. Mijne liefde is gekruist, zoo schreef hij in een zijner brieven. Hoe, wilde hij zeggen, mijn God heeft voor mij willen sterven aan het kruis, en ik zou kunnen leven zonder te verlangen, ook op mijn beurt te sterven voor Hem! En in waarheid, wat hebben de martelaren eigenlijk voor groots gedaan met hun leven te geven voor Jesus Christus, die gestorven is uit liefde tot hen? O die dood van Jesus Christus, hoe zoet maakte hij dien martelaren al hunne folteringen, hoe zoet de geessels, de pijnbanken, de ijzeren kammen, de
13
1
1 Petr. II. 24.
gloeiende roosters en den allerpijnlijksien dood!
Maar de liefde van dien goeden lierder was er niet mede te vreden zijn leven voor zijne schaapjes op te offeren. Hij wilde hun na zijnen dood nog zijn eigen lichaam, eerst op het kruis geslachtofferd, nalaten, opdat hot de spijs en het voedsel zou zijn hunner zielen. De brandende liefde, die Hij ons toedroeg, zegt de H. Joannes Chrysostomus, bracht Hem er toe zich met ons te vereenigen en ous als een met Hem te maken. Semetipsum nobis immiscuit, ut unum quid simus.... ardenter enim amantium hoc est.
En wanneer die goede herder ziet, dat een zijner schaapjes verloren is, o wat doet Hij dan niet, wat middelen wendt Hij niet aan om het terug te krijgen ! Hij houdt niet op met zoeken, totdat Hij het gevonden heeft: Et si perdiderit unam
ex itlis____ vadit ad illam quae perierat,
donee inveniat earn. 1) En als Hij het heeft teruggevonden, legt Hij het vol vreugde op zijne schouderen om het nooit
1
Luo. 15. 4.
â 185 â
meer te verliezen: Kt cum invenent cam imponit in humeros suos gaudens. 1) Hij roept zijne vrienden en geburen (d. w. z. engelen en heiligen) bijeen, en noodigt hen uit, in zijne blijdschap over het terugvinden van het verloren schaapje te deelen. Et veniens domum convocnt amicos et vicinos dicens illis: Conyratula-mini miJii quia inveni ovem meam quae perierat. 2)
Wie dan zal niet met geheel zijn hart dien goeden God beminnen, zóó vol liefde, zelfs voor zondaren, die Hem den rug hebben gekeerd en zich vrijwillig in het ongeluk hebben gestort?
Ach mijn beminnelijke Zaligmaker, zie hier aan uwe voeten een dier verloren schaapjes. Ik ben van U weggevlucht; maar Gij hebt mij niet verlaten, geen middel hebt Gij verzuimd om mij terug te vinden. Wat zou er van mij geworden zijn, als Gij er niet op bedacht waart geweest mij te zoeken? Ik rampzalige, hoe lang heb ik geleefd verre verwijderd
1
Luc. 15.'5.
2
Luc. 15. 5.
â 186 â
van ü ? Maai' thans hoop ik door uwe barmhartigheid in nwc genade te zijn; en vluchtte ik vroeger van U weg, thans verlang ik niets vuriger dan U te beminnen en te sterven in de omhelzing uwer heilige voeten. Doch zoolang ik leef, ben ik steeds in gevaar ü te verlaten, ach, ik bid U, bind mij daarom met de strikken uwer liefde, en houd niet op mij te zoeken, zoolang ik nog leef op deze wereld. Ik heb gedwaald als een schaap, dat verloren was, zoek uw dienaar. 1) O voorspreekster der zondaren, verkrijg mij de heilige volharding.
1) Ps. lts. 170.
---lt;$gt;amp;--
§ 27.
Over de zaak onzer eeuwige zaligheid.
zaak der eeuwige zaligheid is voor (fel ons uiet alleen de gewichtigste, maaide eenige zaak, dio ons kommer moet baren, want als die zaak mislukt, dan is alles verloren. Eene gedachte dei-eeuwigheid met ernst overwogen, is genoeg om iemand tot een heilige te maken. De groote dienaar Gods, Pater Carafa zeide ; Indien alle mensehen met een levend geloof dachten aan de eeuwigheid van het ander leveu, dan zou de aarde een woestijn worden, want niemand zou meer acht geven op de zaken dezer wereld.
â 188 â
O mochten alle menschen immer dat | P\)nt
groote grondbeginsel van Jesus Christus 1 hebl
voor oogen honden: Wat haat het den | stm
meitsch, indien hij de gansche wereld wint; 1 zeS'
maar het verlies lijdt van zijne ziel. 1) Die I 'imm
grondstelling deed zoovele menschen de i
wereld verlaten, zoovele maagden, zelfs ^ van koninklijk bloed, zich opsluiten in
een klooster, zoovele kluizenaars hun ziel
leven slijten in een woestijn, zoovele 6)1
martelaren hun bloed storten voor het erl
geloof; zij waren overtuigd, die hei- , ligen, dat al de goederen der wereld hun in bet andere leven niets zouden baten, indien zij dan hunne ziel hadden
verloren. dit
Vandaar dat de Apostel schreef aan g®
zijne leerlingen: Wij hidden u, broeders, ^ is
behartigt uwe zaak. 2) Van welke zaak ee
sprak hier de H. Paulus? Hij sprak | be van die zaak, welke zóó gewichtig is,
dat wij, wanneer zij mislukt, beroofd ^
worden van het eeuwig rijk des hemels, ^
om neer te storten in een afgrond van nlt;
et
J) MuUii. 1B. 2«. 2) Thess, 4, 10 un 11.
â ISO â
pijnen, die nimmer een einde zullen hebben. Het yaat hier om eene eeuwüje straf, om het verlies van het rijk des hemels, zegt de H. Joannes Chrysostomus: J)e immortalibus suppliciis, de coelestis regni amissione res agitur. ')
De H. Philippus Nerius had dan wel gelijk, lien allen dwazen te noemen, die zich zooveel moeite geven om rijkdom en eer te verwerven op deze wereld, en er zoo weinig aan denken hunne ziel zalig te maken. Al die lieden, zegt de eerbiedwaardige Joannes Avila, verdienden opgesloten te worden in een krankzinnigengesticht. Hoe! zoo wilde
O O
die groote dienaar Gods zeggen, gij gelooft dat er een eeuwigheid van geluk is voor hen die God beminnen, en eene eeuwigheid van straf voor die Hem beleedigen, en gij beleedigt Hem?
Elk ander verlies, dat wij lijden, hetzij van bloedverwanten of gezondheid, ja zelfs van ons leven, kan altijd nog worden hersteld; althans zeker door een goeden dood te sterven en het geluk
1) Hom. 25 in Matth.
- 190 â
des hemels te winnen gelijk dit zoo-velen martelaren te beurt viel. Maar met welk goed der wereld, met welk fortuin, al is liet zoo groot als men op de wereld maar kan liopen, zou men ooit het verlies kunnen betalen zijner ziel? Qnam dabit homo commutationem pro anima sua. 1)
Die sterft in de ongenade van God, en zijne ziel verliest, verliest met die ziel voor immer alle hoop om nog ooit zijn ongeluk te herstellen. Mortuo homine impio non er it ultra spes. :i) Mijn God! als het leerstuk van het eeuwig leven niets meer was dau eenvoudig een twijfelachtige veronderstelling van wijs-geeren, ook dan nog moesten wij al ons best doen om dat eeuwig ongeluk te ontkomen. Maar neen, er is hier geen spraak van twijfel, het is zeker, het is een geloofspunt, een van beiden zal ons lot zijn.
Vreemd verschijnsel! Een ieder, die geloof heeft, en deze waarheid overweegt.
1
Matth. 16. 26.
â 191 â
jo- , tij zegt: Het is ivaar, men moet bezorgd iar zijn om zijne- ziel te redden; doch wei-
ilk nigen zijn het, die dit ook werkelijk
op doen. Men wendt de uiterste zorg aan
en om een procos te winnen, om een ot'
er 1 anderen post te verkrijgen, en de zaak '.rn zijner zaligheid zet men aan kant.
Voorwaar, zegt de H. Bucherius, zie-d, daar een dwaling, die alle dwaling over-
ie treft, want zijne ziel verliezen is een
it misslag, zonder herstel. Sane supra
ie omnem errorem est dissimulare negotium
! aeternae salutis.
n O dat zij wijs werden en tot inzicht
kwamen en op hun uitersten acht gaven! 1 j Arme geleerden dezer wereld, 1 die veel weten, maar er geen begrip
c van hebben om aan hunne zielen een
i gunstig vonnis te verschaffen op den
I: ' dag des oordeels!
I Ach mijn Verlosser, Gij hebt uw Bloed
gestort als losprijs mijner ziel; en ik, zoovele malen heb ik die ziel verloren en telkens opnieuw verloren. Ik dank U, dat Gij mij tijd geeft haar terug te
1
Deut. 3i. 29.
â 192 -
erlangen, door uwe gennde te herwinnen. O mijn God, was ik liever gestorven, en hadde ik U nooit beleedigd! Mam-het troost mij te weten, dat Gij een hart, dat zich vernedert en dat berouw heeft over zijne zonden, niet kunt versmaden.
O Maria, toevlucht der zondaren, verleen uwe hulp aan eenen zondaar, die zich aan U aanbeveelt en op ü zijn vertrouwen stelt.
§ 28.
Over ile vreugde der gelukzaiigeii.
reed binnen in de vreugde uws Heeren. 1) Als de ziel het hemelsch vaderland zal binnengaan, als hot gordijn, dat haar het zien belette, zal zijn opgeheven, dan zal zij de oneindige schoonheid van haren G-od onbedekt en zonder sluier aanschouwen; en daarin bestaat de vreugde van den gelukzalige.
Alles, wat zij dan in God zal aanschouwen, zal haar overstelpen met blijdschap. Zij zal de rechtmatigheid zien zijner oor-deelen, de schoons orde zijner beschikkingen omtrent den staat van iedere
1
IVIatth. 25. 23.
â 194 â
ziel, beschikkingen, alle geordend tot ; ke
Gods glorie en tot ieders welzijn in het I tv
bijzonder. gc
Inzonderheid, wat haar zelve aangaat, w
zal zij de eindelooze liefde zien, die God gt
haar heeft toegedragen door mensch te b
worden, door uit liefde tot haar zijn ti leven op te offeren aan het kruis. Dan
zal zij beseffen, welk een buitensporig- a
heid van liefde het geheim des kruises c
geweest is: een God dienstknecht wor- a
den en sterven aan een ellendig schand- (
hout! Ook het geheim der Eucharistie: een God verborgen onder schijn van brood, en de spijs zijner schepselen geworden !
Verder zal zij elk in het bijzonder al de genaden en gunsten zien, welke zij van God heeft ontvangen, en welke haar tot nog toe verborgen waren. Zij zal zien de groote barmhartigheid, welke God zoo dikwijls met haar gebruikt heeft door haar af te wachten en hare ondankbaarheden te vergeven. Zij zal de veelvuldige opwekkingen zien, de verlichtingen en hulpmiddelen, welke haar in zoo groeten overvloed zijn geschon-
â 195 â
ken. Zij zal zien, dat deze of gene kwelling, die ziekte, dat verlies van goederen of van bloedverwanten, hetwelk zij alles als straffen bescbouwde, geen straffen waren, maar liefdevolle beschikkingen van God om baar te trekken tot zijne volmaakte liefde.
In een woord, alles wat zij daar zal aanscliouwen, zal baar spreken van de oneindige goedbeid van baren God en van de oneindige liefde, die Hij verdient; en daarom, zoodra zij den bemel zal zijn binnen gegaan, zal zij geen ander verlangen bebben dan baren God voor eeuwig gelukkig te zien; en daar zij ter zelfder tijd begrijpen zal, dat bet geluk van God allerhoogst, oneindig en eeuwig is, zal zij, wel is waar geen oneindig geluk smaken, omdat daarvoor een schepsel niet vatbaar is, maar toch een eindeloos en volkomen geluk genieten, hetwelk haar geheel met vreugde zal vervullen, en met dezelfde vreugde, die het eigendom is van baren God; en aldus zal in baai-bet woord bewaarheid worden: Treed binnen in de vreugde mes Heer en. De
- 196 â
gelukzalige is niet zoozeer gelukzalig door liet geluk, dat hij zelf, als door liet geluk dat God geniet; want de gelukzalige bemint God eindeloos meer dan zich. zeiven; vandaar maakt Gods geluk bem eindeloos gelukkiger dan zijn eigen geluk, ten gevolge der liefde, die bij God toedraagt. Die liefde zal hem zichzelven doen vergeten; geheel zijn verlangen zal zijn, genoegen te geven aan den Welbeminde.
En ziedaar die heilige en zoete bedwelming, welke den zaligen de gedachte aan hen zeiven doet verliezen en er hen alleen op bedacht doet zijn om het dierbaar voorwerp van geheel hunne liefde te prijzen en te beminnen, nl. God: Inebriabuntur ah uhertate doinus tuae. 1) Die gelukkigen! van de eerste intrede, die zij doen in den hemel, zullen zij als verzwolgen worden en, om zoo te spreken, verdrinken in die eindelooze zee der goedheid van God.
Daarom zal iedere gelukzalige eik ander verlangen verliezen. Geen ander
1
Ps. 35. 9.
- 197 â
verlangen zal hij hebben dan te beminnen en door zijnen God te worden bemind. En daar hij zich verzekerd ziet, God eeuwig te zullen beminnen en eeuwig door God te zullen worden bemind, zal dit zijne hoogste gelukzaligheid uitmaken, eene gelukzaligheid, die hem met blijdschap zal vervullen, en hem voor eeuwig zóó verzadigen zal met geluk, dat hij niets meer zal verlangen.
In een woord, ziedaar het paradijs van den gelukzalige: genieten in het geluk van God. En daarom als iemand in dit leven zich verblijdt over het geluk, dat God geniet, en in alle eeuwigheid genieten zal, kan men zeggen, dat hij reeds in dit leven de vreugde van God binnengaat, en reeds in dit leven de vreugde begint te smaken van het paradijs.
Maar, mijn zoete Verlosser, o liefde mijner ziel, met dat al bevind ik mij nog in dit dal van tranen en zie mij omringd van vijanden, die mij van ü willen scheiden. Mijn beminde Heer, laat niet toe, dat ik ü verlieze; maak
â 198 â
dat ik ü immer zoowel in dit als in het andere leven beminne, en be-scliik verder over mij, gelijk U behaagt. O Koningin van bet paradijs, als Gij voor mij bidt, zal ik eenmaal zeker in den hemel komen, om daar immer bij U te zijn, en ü in alle eeuwigheid te verheerlijken.
In de spijt, dat incn God verloren heeft, daarin bestaat de hel.
zwaarte van de straf moet be-antwoorden aan de zwaarte van het misdrijf. De doodzonde wordt door de godgeleerden in twee woorden bepaald; Avarsio a Deo, d. w. z. aan God den rug keeren; en daarin bestaat de boosheid van de doodzonde; zij bestaat in Gods genade te verachten en iiit vrije beweging God, het hoogste goed, te willen verliezen. Daarom is terecht de grootste straf van den zondaar in de hel do spijt, dal hij God heeft verloren.
14
200 â
Groot zijn ook de andere straffen der hel: liet verslindend vuur, de verblindende duisternissen, het oorverdoovend gejammer der verdoemden, de stank, voldoende om die rampzaligen te doen sterven, indien het sterven hun slechts mogelijk ware ; de opeengepaktheid, die hen benauwt en hun de ademhaling belet; maar al die straffen zijn niets, vergeleken bij het verlies van God. De verdoemden zullen in de hel eeuwig weeklagen; maar de bitterste grondtoon van hun jammeren zal zijn de gedachte, dat zij door eigen schuld God hebben verloren.
Ach mijn God, welk goed dan ook hebben zij verloren! Gedurende dit leven zijn de verschillende voorwerpen, die ons omringen, onze hai'tstochten, de tijdelijke bezigheden, de zinnelijke genoegens, de wederwaardigheden, ons zoovele beletselen, waardoor wij verhinderd worden onze aandacht te vestigen op de oneindige schoonheid en goedheid van God; maar als de ziel den kerker van dit lichaam heeft verlaten, dan wel is waar ziet zij God niet aanstonds, gelijk Hij
â 301 -
is, want, als zij Hem zoo aanschouwen kon, zou zij aanstonds gelukzalig zijn; maar toch zij beseft dan, dat God een oneindig goed is, oneindig schoon, en eene oneindige liefde waardig, en daarom, geschapen als zij is om dien God te kennen en te beminnen, zou zij aanstonds willen opvliegen om zich met Hem te vereenigen; maar als zij ia staat van doodzonde is, stuit zij op een on-doordringbaren muur, de zonde. Die zonde sluit haar voor immer den weg tot God af. Heer, ik dank ü, dat die weg nog niet is afgesloten voor mij, gelijk ik verdiend had. Nog kan ik tot U komen. Ne projicias me a facie tua, ach, ik bid ü, wil mij niet verstoeten.
De ziel, die geschapen is voor de liefde van haren Schepper, moet, het kan niet anders, door hare natuur zelve zich gedrongen gevoelen haar laatste doel. dat God is, te beminnen. In dit leven echter houden de duisternissen der zonde en de aardsche igenegenheden deze neiging van de ziel, om zich met God te vereenigen, aan het sluimeren, en daarom
- 202 â
baart liet haar niet veel smart, zich van Hem gescheiden te zien. Maar als zi] haar lichaam verlaten heeft en van de zinnen is bevrijd, dan ziet zij helder en duidelijk, dat alleen God haar kan gelukkig maken. Zoodra zij daarom van het lichaam ontdaan is, wil zij aanstonds haar hoogste goed in de armen vliegen; maar als zij in staat is van doodzonde, dan ziet zij zich als een vijandin van God teruggestooten. Toch blijft zij dien drang naar God gevoelen; en dit zal haar hel zijn; immer naar God getrokken worden, immer door Hem worden teruggestooten.
Kon de ongelukkige, nu zij God verloren heeft en Hem niet meer mag aanschouwen, kon zij ten minste troost vinden in Hem te beminnen; maar neen, want, daar zij beroofd is van Gods genade, en eene slavin is geworden der zonde, is haar wil ten kwade gekeerd; van den eenen kant alzoo gevoelt zij zich immer gedrongen om God te beminnen, en van den anderen kant ziet zij zich genoodzaakt Hem te haten: ter zelfder tijd dus, dat zij God eene
oneindige liefde waardig kent, haat en vervloekt zij Hem.
Kon zij ten minste in dien kerker van folteringen, evenals de zielen van het vagevuur, zich overgeven in den wil van God en de hand zegenen van dien Rechter, welke haar naar verdienste kastijdt! Neen, die overgeving is haar onmogelijk, want om dit te doen, is haar de hulp der genade noodig; maar de genade, (gelijk gezegd is) heeft haar verlaten; onmogelijk dus kan zij baren wil met dien van God vereenigen, haar wil is geheel met den goddelijken Wil in strijd.
Dit maakt dan, dat de rampzalige al haren haat tegen zich zelve keert; en zoo zal zij immer door tegenstrijdige gevoelens worden vaneen gescheurd; zij zou willen leven, en zij zon willen sterven; van den eenen kant wil zij leven om God immer te haten, daar Hij het voorwerp is van haren grootsten haat; van den anderen kant wil zij sterven om de pijn niet meer te gevoelen die zij uitstaat over zijn verlies. Aldus leeft zij in allo eeuwigheid in een
204
aanhoudenden kampstrijd des doods. Bidden wij God door de verdiensten van Jesus Christus, dat Hij ons toch van de hel bevrijde. Bijzonder moet hij bidden, die zich bewust is gedurende zijn leven God door eene zware zonde te hebben verloren. Heer, (zoo moet hij zeggen) maak mij zalig, en daarom hecht mij door uwe heilige liefde immer meer aan U vast: verdubbel die heilige en zoete ketenen van zaligheid, en laten zij mij immer nauwer aan IT verbinden. Ellendige die ik ben, daar ik uwe genade heb veracht en daarom verdiende voor immer van U gescheiden te zijn, o mijn opperste goed, en U immer te haten! Ik dank ü, dat Gij mij in den tijd, toon ik in uwe ongenade leefde, hebt verdragen. Wat zou er van mij geworden zijn, indien ik toen ware gestorven! Maar, daar Gij mij het leven hebt gelaten, o maak dan, dat dit mij niet diene om U nog meer te bedroeven, maar alleen om ü te beminnen en het verdriet te beweenen, dat ik U heb aangedaan. Mijn Jesus, van nu af aan zult Gij mijn eenige liefde zijn, en mijn
â 205 â
eenigste vreeze zal goen andere zijn dan ü te beleedigeu en mij van ü ge-gescheiden te zien. Ik echter kan niets, als Gij mij niet te hulp komt. Ik stel al mijn vertrouwen op uw bloed. Daardoor hoop ik van ü de hulp te zullen verkrijgen om geheel de uwe te worden, o mijn Verlosser, mijne liefde, mijn al. O Maria, machtige voorspreekster der zondaren, help eenen zondaar, die tot U zijne toevlucht neemt, en op ü zijn vertrouwen stelt.
Indien wij zeker zullen zijn dat wij God nimmer zullen verliezen, laten wij onszelven dan inderdaad geheel aan God geven. Wie zichzelven niet geheel aan God geeft, verkeert immer in gevaar Hem nog te zullen verlaten en Hem eenmaal eeuwig te verliezen; maar eene ziel, die zich edelmoedig van alles onthecht, en zich geheel aan God overgeeft, zulke ziel zal Hem niet meer verliezen; God zelf zal het verhinderen en niet toelaten, dat eene ziel, die zich in de oprechtheid des harten geheel aan Hem heeft overgegeven. Hem daarna nog den rng toekeere en Hem dus ver-
â 20Cgt; â
lieze. Daarom zeide een groot dienaar Gods: Wanneer men leest, hoe sommige personen, die eertijds liet voorkomen hadden een heilig leven te leiden, later gevallen zijn, moet men besluiten, dat zij zich niet geheet aan God hadden gegeven.
§ 30.
Verachting der wereld.
(?
;ip^6 gedachte aan de ijdelheid der ( wereld, en dat alles, wat de wereld groot noemt, niets anders is dan leugen en begoocheling, heeft vele zielen doen besluiten zich geheel aan GJ-od te geven. Wat zal het baten, dat men geheelde wereld heeft gewonnen, als men voor alle eeuwigheid zijne ziel zal hebben verloren? Quid proclest homini si mun-dum universum lucretur, animae vero suae detrimentum patiatur. 1) Deze groote grondwaarheid van het evangelie, hoe-vele jongelingen heeft zij ouders, vader-
1
Math. 16. 20
â 208 â
land, goederen, eerambten, ja zelfs kronen doen vaarwel zeggen om zich te verbergen in een klooster of een woestijn teneinde daar aan niets te denken dan aan God! De dag des doods wordt genoemd dag van verlies; Juxta est dies perditionis. 1) Dag van verlies, want alle goederen, die wij op deze wereld gewonnen hebben, wij zullen ze allen op den dag des doods moeten nalaten. Daarom zegt de H. Ambrosius zeer wijs, dat wij ten onrechte zulke goederen de onze noemen, immers wij kunnen ze niet medenemen naar de andere wereld, waar wij immer zullen verblijven. Alleen onze goede werken zullen ons vergezellen, en zij alleen zullen ons troosten in de eeuwigheid.
Alle aardsche grootheid, de hoogste waardigheden, zilver, gond, het kostbaarst gesteente, het verliest alles zijnen glans, als men het beschouwt van het bed des doods. De vreeselijke schaduw des doods verdonkert zelfs den glans van schepters en kronen on doet zien, dat al
1
Deut. 32 . 35.
â 209 â
wat do wereld acht, niets is dan voolc, slijk, ijdelheid en ellende. En in -waarheid, waartoe dienen in den dood al de rijkdommen, welke de stervende heeft bijeengegaard, daar hom na zijnen dood niets overblijft dan een houten kist om daarin te worden neergelegd ter verrotting? Waartoe dient de zoo gevierde schoonheid des lichaams; daar er niets van over blijft dan een weinig stinkend stof en eenige ontvleeschde beenderen ?
Wat is 's menschen leven op deze wereld? Ziehier, hoe de H. Jacobus het beschrijft. Het is een damp, die een oogenblik wat vertoon maakt, en daarna niet meer te zien is. Quae est enhn vita vestra ? vapor est ad modicum parens et. deinceps exterminabitur. 1) Die groote daar wordt heden geacht, ontzien en geprezen; morgen wordt hij veracht, gehekeld en verwenscht. Ik zag een god-delooze zeer verheven .... en ik ging voorbij en zie hij was er niet meer. 2) Hij is niet meer op zijn geliefkoosd buiten-
1
Jac. 4. 13.
2
Ps. 36. 53. et 36.
- 210 â
verblijf, ook niet in dat prachtig paleis, dat hij zich gebouwd heeft; waav üs hi] dan? Hij is vergaan tot stof en ligt
in het graf.
De H. Geest waarschuwt ons, clat
wil ons 7.elven niet moeten laten bedriegen door de wereld, want de wereld weegt de goederen met een valsche schaal. Statera dolosa in manu ejus ); wij echter moeten de dingen wegen met, de waarachtige weegschaal van het gelooi. Het geloof alleen leert ons de ware o-oederen kennen, immers goederen, die voorbijgaan, verdienen geenszins dien naam. Men moet geen rekening houden, zeo-t de H. Theresia, met zalen^ die een einde nemen met den dood. O mijn God, wat is er thans overgebleven van al die voorname staatsmannen, van al die legerhoofden, van al die vorsten, van al die Eomeinsche keizers, thans, nu het toonee der wereld voor hen geëindigd is, en zy zich bevinden in de eeuwigheid? Periit memoria eorum cnm sonitu. 2) r^ij hebben een groot figuur gemaakt in de wereld,
n Pa 12. quot;â¢
2) Ps. 9. 7.
- 211 -
hun naam heel't overal weerklonken; maar nu zij gestorven zijn, is èn hunne glorie èn hun naam en alles voor hen vergaan. Men kan hier het opschrift toepassen, wat gemaakt is op een kerkhof van edellieden en edelvrouwen:
Ziedaar, het eind van 't aardsch vertoon.
Van 's werelds pracht, van 's werelds schoon: Een weinig: slijk, een steen, een graf.
Zoo loopt hier 't kort tooneelspel af. *
Ons leven in een woord is niets anders dan een tooneelspel, dat voorbijgaat, dat weldra een einde neemt, Praeterit figura hujus mundz, 1) en dat einde moet komen voor allen, voor edellieden en voor landlieden, voor koningen en voor leen-heeren, voor rijken en armen. Gelukkig hij, die in dit toonelspel zijn rol goed vervuld heeft in de oogen van God. Philips III, koning van Spanje, stierf in den bloei van zijn leven, in den ouderdom van 42 jaren. Voor zijn sterven zeide hij tot hen die hem bijstonden: wanneer ik gestorven ben, maakt
I) 1 Cor. 7. 31.
* Eccq dove tinisce og-ni grandezza.
Og-ni pompu dj terra, og-ni bellezza,
Vermi, lutto, vil pietra o poco arena Cliiudono al tin di og nun la breve see na.
da,n alom het schouwspel, waarvan gr) nu getuigen zijt, bekend; verkondigt dan, dat het in het uur des doods tot niets dient koning te zijn geweest, dan alleen om spijt te gevoelen, dat men heeft geregeerd. En hierop liet hij ten slotte zuchtend deze woorden volgen: O ware ik gedurende dien tijd in eeue â woestijn geiveest om mij te heiligen, met hoeveel meer vertrouwen zou ik thans verschijnen voor den rechterstoel van Jesus Christus.
Het is bekend, hce de H. Franciscus de Borgia van leven veranderde, toen hij het lijk had gezien van keizerin Isabella, welke, zeer schoon tijdens haar leven, na haren dood afschuw inboezemde aan ieder die haar aanschouwde. Hoe, riep toen Franciscus uit, is dit dan het einde van de goederen dezer wereld! en hij gaf zich geheel aan God. O mochten wij allen hem hier navolgen, alvorens de dood ook ons wegneemt. Maar haasten wij ons, want de dood spoedt aan, en wij weten niet wanneer hij komt. Laten wij toch geen oorzaak zijn, dat van het licht, het-
â 213 â
welk God ons lieden scheukt, ons alleen de wroeging zon overblijven en de verantwoording, die wij er van moeten geven op het oogenblik, dat wij in onze handen de kaars des doods dragen. Laat ons besluiten nu te doen wat wij dan zouden wenscheu gedaan te hebben en dan niet meer in staat zijn te doen.
Neen, mijn God, lang genoeg hebt Gij gewacht. Niet langer wil ik U laten wachten om Mij geheel aan U te zien overgegeven. Gij hebt mij zoo dikwijls opgewekt om te breken met de wereld en mij geheel aan uwe liefde te geven. Thans roept Gij mij opnieuw, welaan, hier ben ik, neem mij in uwe armen op; want op dezen oogenblik geef ik mij geheel aan U over. O Lam zonder vlek, dat eenmaal op den Calvarieberg ü zeiven hebt geslachtofferd, en daar voor mij gestorven zijt, wasch mij allereerst met uw bloed rein van mijne zonden, vergeef mij alle beleedigingen, welke Gij van mij hebt ontvangen, en doe mij dan in uwe heilige liefde ontvlammen. Ik bemin U bovenal, ik bemin U uit geheel mijne ziel. Hoe zou ik
â 314 â
ooit ergens ter wereld een voorwerp kunnen vinden, dat meer lieide verdient, waar iemand, die mij meer bemind heei't dan Gij. O Maria Moeder Gods, Gij mijne voorspreekster, bid voor mij en verkrijg mij eene ware en standvastige verandering van leven: ik stel op CJ mijn vertrouwen.
§ Si-
Liefde tot de eenzaamheid.
od laat zich niet vinden in het 3» gewoel der wereld. Daarom zochten de heiligen de woestijneu, de meest verholen spelonken om aldus den omgang der menschen te ontvlnehten en zich alleen van hart tot hart te kunnen onderhouden met God. De H. Hilarion heeft verschillende woestijnen bewoond ; immer zocht hij de eenzaamste, waar niemand was met wien hij in aanraking kon komen; ten laatste stierf hij in een woestijn van Cyprus, alwaar hij vijf jaren had geleefd. Toen de H. Bruno door God geroepen werd om de wereld te verlaten, begaf hij zich met zijne gezellen naar den H. Hugo, bisschop
15
â 21G â
van Grenoble, om zich door deze een ;
eenzame plaats ie doen aanwijzen in 1 r/'£
zijn diocees. De H. Hugo wees hun ' SI de Chartreuse, eene woeste wildernis,
eerder geschikt tot verblijf voor wilde e(
dieren, dan tot woonplaats voor men- Y' schen; met blijdschap gingen zij daar
wonen, en vestigden zich ieder in een 61
kleine hut, op eenigen afstand van Vl
elkander. ^
De Heer zeide eens tot de H. Theresia: 11
Vele zielen zou ik gaarne toespreken; 11
maar de ivereld maakt zooveel gedruisch e
in haar hart, dat mijne stem daar niet 1-kan gehoord worden.
Te midden van het gewoel en de be- v it slommeringen der wereld spreekt God
niet tot ons, want Hij weet, dat indien ^
Hij al spreekt, zijn woord toch niet ^
wordt verstaan. Zulke woorden van I
God zijn de heilige ingevingen, de t
verlichtingen en opwekkingen, waar- c
door de heiligen worden verlicht en in 1
de goddelijke liefde ontvlamd; maar als '
men de eenzaamheid niet bemint, zal c men van het geluk die inspraken van God te hooren verstoken zijn,
I
k__
- 217 â
Ik zal, zegt God, de ziel in de eenzaamheid leiden, en daar tot haar hart spreken : Ducam earn in solitudinevi et loquar ad cor ejus. 1) Wanneer God eene ziel tot een verheven graad van volmaaktheid wil verheffen, wekt hij haar op om zich terug te trekken naar eene eenzame plaats, waar zij van het verkeer der schepselen verwijderd is; daar spreekt Hij dan tot hare ooren, niet tot de ooren van haar lichaam, maar van haar hart, verlicht Hij haaien ontvlamt haar in zijn goddelijke liefde.
De H. Bernardus zeide, dat hij God veel beter had leeren beminnen in de bosschen, te midden van eiken en beuken, dan tusschen de boeken en te midden van Gods dienaren. Daarom zeide de H. Hieronymus vaarwel aan de genietingen van Rome, en sloot zich op in de grot van Bethlehem, waarna hij uitriep: O eenzaamheid, hoe gemeenzaam handelt en spreekt God in u met zijne dienaren! O solitudo in qua Deus cum
1
Ps. 2. 14
â 218 â
suis familiar iter loquitur et conversatur! In de eenzaamheid gaat de Heer op vertrouwelijke wijze met zijne uitverkoren zielen om; daar doet Hij haar die woorden liooren, welke, gelijk de Bruid der gezangen zegt, de harten van heilige liefde doen smelten. Anima mea liquefacta est, ut (dilectus meus) locutus est. 1)
De ondervinding leert ons, dat de omgang met de wereld en het najagen van tijdelijke goederen ons God doet vergeten; maar wat zal ons in het uur des doods over blijven van al die moeite en dien tijd, besteed aan de dingen dezer wereld? Wat anders dan spijt en knaging van het geweten? In den dood zal ons alleen overblijven het weinige, wat wij gedaan en geleden hebben voor God. Waarom toch ons niet onthecht aan de wereld, voor dat wij er door den dood aan onthecht worden?
Sedehit solitarius et tacebit, quia levavit supra se. 2) Die in de eenzaamheid
1
Cant. 5. 6.
2
Thren. 3. 28.
I woont, leeft niet meer in gejaagdheid, gelijk weleer, toen liij zicli in het gewoel der wereld bevond, maar woont, leeft niet meer in gejaagdheid, gelijk weleer, toen liij zicli in het gewoel der wereld bevond, maar sedebit, hij zal rustig neerzitten; et tacebit, hij ⢠zal niet vragen naar zinnelijke voldoe-| ningen, want boven zich zeiven en boven alle aardsche dingen verheven, zal hij in God alle goed en alle voldoeningen vinden.
Quis dabit mïlii pennas siaut columbae, at volaho et requiescam. ') David verlangde de vleugelen te bezitten der duif om de aarde te verlaten, en haar zelfs met den voet niet meer te raken, daar bij op die wijze alleen rust zou kunnen schenken aan zijne ziel. Doch, zoolang wij in dit leven zijn, is het ons niet gegeven van deze aarde weg te gaan; zorgen wij dan ten minste zooveel mogelijk de afzondering te beminnen om ons daar uitsluitend bezig te houden met God, en aldus kracht te verkrijgen, om ons in het verkeer met de wereld voor fouten te vrijwaren. Zoo deed ook David ten tijde van zijn koninklijk be-
1) I's. 5-1. 7,
220 â
stier: Zie ik vluchtte wecj eti bleef in de eenzaamheid. 1)
Ach, hadde ik altijd gedaclit aan U, en niet aan de goederen dezer wereld, o God mijner ziel ! Ik betreur de dagen, waarin ik de aardsche voldoeningen heb nagejaagd, en U, mijn opperste goed, heb bedroefd. O hadde ik ü altijd bemind! Ach was ik liever gestorven, en had ik U nooit bedroefd! Ellendige, die ik ben; reeds is mijn dood nabij, en ook dan nog zal ik gehecht zijn aan de goederen der wereld! Maar neen, mijn Jesus; heden neem ik het beslnit alles te verlaten en geheel aan U te zijn. G-ij zijt almachtig, Gij moet mij kracht geven om aan Lf getrouw te blijven. O Moeder Gods, bid Jesus voor mij.
1
I's. 54. 8.
De eenzaam lie i (1 des harten.
(zSj*
aid prodest solitudo corporis, si de-(0 fuerit solitudo cordis? Id do vorige paragraaf zagen wij, hoe nuttig voor de ingetogenheid des geestes de eenzaamheid is; maar, zegt de H. Gre-gorius, weinig of niet zal het baten volgens het lichaam te verblijven op eene afgezonderde plaats, als het hart vol blijft van gedachten en genegenheden voor dij -wereld. Opdat eene ziel geheel aan God behoore zijn twee dingen noodzakelijk:. Vooreerst, eene algeheele onthechting aan het geschapene, vervolgens, eene algeheele toewijding harer liefde aan God. Indian ik ivist, zeide de
â 222 â-
H. Franciscus van Sales, dat er in mijn hart één vezel was, welke niei aan God behoorde, ik zou dien aanstonds ivillen uitrukken. Zoolang het hart niet gezuiverd is, zoolang de geheele wereld er niet uit is, kan de goddelijke liefde er niet binnentreden om het geheel te bezitten. God wil door zijne liefde heer-schen in ons hart, maar Hij wil er de heerschappij alleen bezitten. Hij duldt er geene mededingers, Hij duldt niet, dat anderen Hem een gedeelte ontroo-ven van de genegenheid, die Hij met volle recht alleen voor zich vordert.
Sommige zielen beklagen zich, dat zij in hare godvruchtige oefeningen, in hare gebeden, communiën, geestelijke lezing, bezoek bij het H. Sacrament, God niet vinden, en zij weten niet, welk middel zij zullen aanwenden om Hem te vinden. Doch de H. Theresia weet hun dat middel zeer wel aan te wijzen: Onthecht, zegt zij, uw hart aan al het geschapene, ga daarna God zoeken, dan zidt ge Hem vinden.
Velen die zich van de schepselen willen scheiden en alleen met God willen ver-
- 223 â
keeren, kunnen zich daartoe niet, gelijk zij dit wenschten, naar eene woestijn begeven; maar men moet bedenken, dat voor de eenzaamheid des harten geene woestijnen of grotten noodig zijn. Zij, die door noodzakelijkheid verplicht zijn om in verkeer met de wereld te komen, kunnen, zoolang zij hun hart vrij honden van aardsche gehechtheden, zelfs midden op de openbai'e wegen, midden op markten en pleinen de eenzaamheid des harten bezitten, en met God vereenigd zijn. De bezigheden, welke men verricht om Gods wil te volbrengen, zijn voor de eenzaamheid des harten geen beletsel. De H Catha-rina van Sicna vond God te midden van de huiselijke bezigheden, met welke hare ouders haar overlaadden om haar op die wijze van hare godvruchtige oefeningen%f te trekken. Maar de heilige bleef te midden dezer beslommeringen teruggetrokken in het binnenste haars harten, zij noemde dat hare cel, en daar onderbrak zij geen enkel oogenblik haar innig verkeer met God.
Vacate et vidcte, quoniam ego sum
â 224 â
Deus. ') De goedheid Gods eenmaal gekend, trekt noodzakelijkerwijze alle genegenheden van ons hart tot zich; maar om het goddelijk licht, tot deze kennis noodzakelijk, te verkrijgen, moet men vacare, d. w. z. zich ontdoen van de aardsche genegenheden, daar deze ons de kennis van God beletten. Gelijk een kristallen vaas, als zij vol zand is, niet toegankelijk is voor het licht der zon, zoo ook is een hart, dat verkleefd is aan geld, aan aardsche eer of zinnelijk vermaak, niet toegankelijk voor bet goddelijk licht. En daar hot zonder dat licht God niet kent, zal het Hem ook niet beminnen. In welken staat de mensch ook door God gesteld zij, wil bij niet, dat de schepselen hem van God aftrekken, dan moet hij wel is waar zorg dragen om zijne plichten te vervullen, gelijk God dit verlangt; maar voor al het overige moet hij zich verbeelden, dat niemand op de wereld is dan alleen hij en God.
Wij moeten ons aan alles onthechten,
]) Ps. 45. 11
en bijzoader aan ons zeiven door onze eigenliefde in alles tegen te gaan. Dit of dat voorwerp, bijv. behaagt ons; juist daarom moeten wij liet niet gebruiken. Deze of gene persoon beeft ons kwaad gedaan; juist daarom moeten wij bem goed doen. Kortom, in willen en niet willen moeten wij ons alleen regelen naar den wil van God, en tot geene zaak overhellen, alvorens te weten, dat het de wil van God is, dat wij haar willen.
0 met hoeveel goedheid geeft God zich aan een ieder, die zich van de schepselen onthecht om Hem te vinden! Bonus est Dominus animae quaerenti illum. 1) De zuivere liefde tot God, zegt de H. Franciscus van Sales, verteert (dies ivat niet God is, en verandert alles in liefde. Daarom moet men van zich zeiven maken een gesloten tuin, gelijk van de Bruid der gezangen geschreven staat: Hortus conclusus soror mea sponsa. -) Gesloten tuin wordt die ziel
1
Thren. 3. 25.
â 226 â
genoemd, welke de deur gesloten houdt voor de genegenheden der wereld. Van God ontvingen wij al hetgeen wij bezitten: met reden dus vraagt Hij van ons geheel onze liefde. Wanneer dus eenig schepsel wil binnentreden, en een deel van onze liefde wil rooven, dan moeten wij het beslist den toegang weigeren, en vervolgens ons keerende tot ons opperste goed, Hom zeggen uit de volheid van ons hart: Quid mild est in coelo, at a te quid volui super terrain ? .Deus cordis mei et pars mea, Deus in aeternmn. 1) O mijn God, wat is er buiten U, dat mijne ziel bevredigen kan? Neen, buiten U verlang ik niets, noch in den hemel noch op aarde. Gij alleen zijt mij genoeg. De God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwig: Deus cordis mei, et pars mea in aeternum.
O gelukkig hij, die zeggen kan : De heerschappij der wereld en al haren luister heb ik veracht om de liefde mijns Heeren Jesus Christus. Regnum mundi et omnem ornatum saeculi contempsipropter
1
Ps. 72. 25 ut 2(gt;.
â 227 â
amovem Domini mei Jesu Christi. Ja dit mocht zuster Margaretha van het Kruis zeggen, dochter van keizer Maximili-aan II, Toen deze groote dienaresse Gods zich bij hare religieuse inkleeding van hare rijke kleederen en edelgesteenten ontdeed, om daarvoor het arme wollen gewaad der barrevoeter zusters van de orde der H. Clara in de plaats te ontvangen, wierp zij dezelve met. zooveel verachting van zich weg, dat zij allen, die de plechtigheid bijwoonden, tot schreiens toe bewoog.
Mijn Jesus, wat mij aangaat, ik wil niet, dat de schepselen nog eenig deel hebben in mijn hart. Gij alleen moet er geheel en al heer en meester zijn. Laten anderen de genoegens en de grootheid der wereld najagen, ik verkies niets anders dan U; Gij alleen, Gij zult voor het tegenwoordige en toekomende leven mijn eenig erfdeel, mijn eenig goed, mijn eenige liefde zijn. En daar Gij mij be-mint, gelijk ik zie uit de vele blijken, die ik daarvan ontving, o help mij dan ook mij van alles te ontdoen, wat mij van uwe liefde kan aftrekken. Maak dat
- 228 â
mijne ziel op niets anders bedacht zij, dan om genoegen te geven aan U, als aan het voorwerp van al hare genegenheden. Welaan neem bezit van geheel mijn hart, ik wil mijzelven niet meer loebeliooren; heersch Gij over mij, en maak mij bereidvaardig tot de volvoering van al uwe verlangens. O Maria, Moeder van God, ik stel mijn vertrouwen op U, uwe gebeden moeten maken, dat ik geheel toebehoore aan Jesus.
|
God zien c n dit maakt in het [i a r a d ij s |
H e in be ut i 1111 e n het andere leven der zaligen uit. |
^jgien wij thans, wat in het ander leven die zalige hemellingen zoo ten volle gelukkig maakt. Omdat de ziel in den hemel God van aanschijn tot aanschijn aanschouwt, daar Gods oneindige schoonheid kent, en al die volmaaktheden, welke Hem eindeloos beminnenswaardig maken, is het haar niet mogelijk, Hem niet uit al hare krachten te beminnen; zij bemint Hein eindeloos meer dan zich zelve. Wat meer is, de ziel vergeet daar als 't ware zich
â 230 -
Zelve, zij denkt aan niets anders, en verlangt niets anders dan baren Beminde, nl. God, gelukkig te zien; en daar zij ziet, dat God, liet eenig voorwerp van al bare genegenheden, eene oneindige vreugde geniet, maakt die vreugde van God gebeel haar hemel uit. Ware de ziel vatbaar voor iets oneindigs, dan zou op bet gezicht van het oneindig geluk baars Welbeminden ook hare eigene vreugde oneindig zijn; maar, ómdat het schepsel voor oneindige vreugde niet vatbaar is, zal de ziel ten minste verzadigd zijn van vreugde, zoodat zij niets meer zal verlangen. Ziedaar de verzadiging, waarnaar David verlangde, ala hij zeide; Ik zal verzadigd worden als uwe glorie zal vei'-schijnen. 1)
En op die wijze wordt bewaarheid, wat God zal zeggen tot de ziel, als Hij haar in bezit stelt van bet Paradijs ; Treed binnen in de vreugde mes Heeren. -) God zegt niet tot de vreugde, dat zij de ziel moet binnengaan, want daar
1) Ps. 16. 15.
2) Math. 25, 21.
â 231 â
deze vreugde oneindig is, kan zij door geen schepsel worden bevat; maar God zegt, dat de ziel de vreugde moet ingaan om er een deel van te ontvangen; doch een deel, zoo groot, dat het haar volkomen verzadigt en gehik-kig maakt.
Daarom meen ik, dat onder alle liefde-verzuchtingen tot God in het gebed geene volmaakter is dan zich te verblijden over Gods oneindig geluk. Zeer zeker, juist dit doen de gelukzaligen aanhoudend in den hemel. Hij daarom, die zich dikwijls over het geluk van God verheugt, begint reeds op deze wereld te beoefenen, wat hij in den hemel gedurende de geheele eeuwigheid hoopt te doen.
Zóó groot is de lielde, waarvan de heiligen in het Paradijs voor God branden, dat zoo bij hen ooit de vrees kon ontstaan. God te verliezen of ten minste Hem niet meer uit alle krachten te beminnen, gelijk zij thans doen, die vrees alleen eene hel van folteringen zou veroorzaken. Maar neen. dat is niet mogelijk, want zoo zeker als de
16
- 232 â
zielen zijn van God, zoo zeker zijn ze boe ook, dat zij Hem ook voor eeuwig en I dar
uit al bare kraebten zullen beminnen, bli
dat zij immer door God bemind zullen bij
worden en dat deze wederzijdscbe liefde de
nooit, in eeuwigheid niet zal ontbonden ke
worden. Mijn God, om de verdiensten ka
van Jesus Christus maak mij deze liefde di'
waardig. ' di
Die vreugde, welke bet eigenlijk D
geluk des hemels uitmaakt, zal nog ze
vermeerderd worden door den luister d(
der scboone stad Gods, door de schoon- di
beid en het gezelschap barer bewoners, v
bijzonder van Maria, die alleen veel schoo- di
ner zal zijn dan geheel bet Paradijs; ii
en van Jesus Christus, wiens schoon- e
beid nog eindeloos de schoonheid van 1
Maria zal overtreffen. 1;
De vreugde der zaligen zal ook ver- * v
meerderd worden door de herinnering z
aan de gevaren, welke een ieder hunner i
tijdens zijn leven heeft doorgestaan, lt;
dat groote geluk te verliezen. Eu wel- I
ken dienst zal bij daar aan God be- 1 wijzen, hij, die helaas om zijne zonden ' ^ reeds de hel had verdiend, als hij daar
- 238 â
lioog in den hemel zal zijn, en van daar op zoovele ongelukkigen zal neer-blikken, die voor minder zonden dan lnj bedreven had, veroordeeld zijn tot de hel, terwijl hij nu zalig is, verzekerd, dat hij zijnen God nooit meer kan verliezen, en bestemd is om eeuwig die geneugten te genieten van het Paradijs, welke nimmer zullen vervelen. De genietingen dezer wereld, al zijn ze nog zoo groot en duurzaam, baren met den tijd verveling; maar hoe meer men de geneugten van den Hemel smaakt, hoe vuriger men er naar verlangt, zoodat de gelukzalige door die genoegens immer ten volle verzadigd wordt, en er tevens voortdurend naar blijft verlangen ; immer blijft hij er naar verlangen, en immer wordt zijn verlangen vervuld. Daarom wordt de blijde lofzang, waarmede de gelukzaligen God verheerlijken, en Hem voor hun eeuwig geluk bedanken, een nieuw lied genoemd. Zingt den Heer een nieuw gezang. 1) Dit lied wordt nieuw genoemd, omdat
1
Ps. 97. i.
de blijdschap des hemels altijd even nieuw blijft, als toen men ze voor de eerste maal smaakte, want immer geniet men haar, en immer verlangt men ze; immer verlangt men ze, en immer wordt ze gesmaakt. Gelijk daarom de verdoemden vasa irae, vaten van gramschap worden genoemd, zoo noemt men de gelukzaligen vasa charitatis, vaten van goddelijke liefde. De H. Augustinus zegt dus met reden, dat er om dit eeuwig geluk te verdienen wel een eeuwige arbeid mocht worden gevórderd. Weinig dan ook hebben de kluizenaars gedaan, ondanks al hunne boetplegingen en gebeden, weinig voor een paradijs; weinig zoovele heiligen, al hebben zi| ook goederen, rijkdommen, ja koninkrijken verlaten, weinig voor een paradijs; gering was het lijden der martelaren, ondanks de pijnbanken, de gloeiende roosters en den wreeden dood, dien zij trotseerden, gering voor een paradijs.
Laten wij ten minste ons beijveren om de kruisen te dragen die God ons overzendt; want als wij zalig worden, zullen zij allen voorwerpen worden van
eeusvige vreugde. Worden wij door ziekten, smarten of andere tegenspoeden beproefd, lieffen wij dan de oogen ten hemel, en zeggen wij; Eenmaal zullen al die kwellingen eindigen, en dan lioop ik immer mijnen God te genieten. Welaan, moed gevat, laten wij lijden, laten wij verachten, wat dezer wereld is. Gelukkig, die bij zijnen dood met de H. Agatba zeggen kan; Heer, Gij hebt mijne ziel van de liefde dezer wereld bevrijd, mij met uwe liefde begiftigd, ontvang thans mijne ziel. Domine qui ahstulisti a me amorem saeculi, accipe animam meam. Laten wij alles verdragen, laten wij al het geschapene verachten; Jesus wacht ons en staat gereed met de kroon in zijne band om ons koningen te maken van den hemel, indien wij hem getrouw zijn.
Maar mijn Jesus, hoe kan ik nog dingen naar dat groote geluk, ik, die zoo dikwijls om ellendige aardsche genoegens voor uwe oogen aan bet Paradijs heb verzaakt, en uwe genade met voeten heb getreden. Doch nw heilig Bloed moedigt mij aan om, ofschoon
â 236 â
ik zoo dikwijls de hel heb verdiend, toch op den hemel te hopen, ja, want zijt gestorven aan het kruis, juist om aan hen, die het niet verdiend hadden, dien hemel te geven. Mijn Verlosser, mijn God, ik wil U niet meer verliezen. Help mij ü getrouw te blijven. Adveniat regnum iuurn. Om de verdiensten van uw heilig bloed, maak mij deelgenoot van uw rijk, en middelerwijl, zoolang de dood nog verwijderd blijft, fiat voluntas tua, doe mij volmaakt leven volgens uwen heiligen wil, want uw wil is voor die U beminnen bet hoogste Goed, het paradijs op aarde. Welaan dan zielen, die liefde voor God hebt, laten wij, zoolang wij nog in dit dal van tranen leven, immer naar het Paradijs verzuchten, zeggen wij:
Schoon vaderland, waar V loon der liefde In eeuwige liefde zal bestaan !
Hoe ^draalt mij 't aar om U te kennen Wanneer, o God, a-anneer zal 't slaan ! *
Patria bella, ove all' amore hi morcede amor si da Tc suspiro a tutte 1'oro Quando, oh Dio! quando sara?
§ 34.
Oyci' het (jcbed vóór liftt Alleiiieiliyste Sacrament des A11 a a r s.
--SS5BK--
^\amp;r~sid.v ons gebed ook geschiede, bet Tö is God immer aangenaam ; maar Jesus Christus scbijnt bijzonder welgevallen te bebben in het gebed dat vóór het Allerheiligste Sacrament verricht wordt; aan hen die Hem daar bezoeken schijnt Hij zijne genaden en verlichtingen met milder overvloed uit te deelen. De Goddelijke Zaligmaker is in dit Sacrament tegenwoordig gebleven, niet slechts om in de H. Cummunie de zielen tot spijs te zijn; maar ook, opdat een ieder, die Hem zoekt, Hem
â 23S â
ten allen tijde in persoon zon kunnen vinden. Do vrome pelgrims gaan naar het huisje van Loretto, wijl Jesns Christus daarin tijdens zijn aardsch leven gewoond heeft; of naar Jerusalem, waar Hij aan het kruis gestorven is; maar hoeveel grooter moet onze godsvrucht zijn, wanneer wij ons voor een tabernakel bevinden, waar dezelfde Heer, die onder ons gewoond heeft, en op Calvarië voor ons stierf, in persoon tegenwoordig is.
Op deze wereld wordt niet aan allen rang van personen een bijzonder onderhoud mot den Koning vergund ; maar met den Koning des hemels in het H. Sacrament mogen allen, groot en klein, rijk en arm, zich naar believen onderhouden, zij mogen bij Hem blijven, zoolang zij verkiezen, Hem al hunne behoeften blootleggen, en Hem zijne genade afsmeeken. Aau allen geeft Jesus daar toegang, allen verhoort en troost Hij.
De wereldsche menschen, die geene andere dan aardsche genoegens kennen, begrijpen niet wat genot er toch kan gelegen zijn in daar geruimen tijd neer-
- 239 â
geknield te blijven voor een tabernakel, waarin liet H. Sacrament rust; maar voor zielen, die God beminnen, gaan de nren en dagen, voor het H. Sacrament doorgebracht, als oogenblikken voorbij, zooveel hemelsche zoetheid doet de Heer haar daar genieten.
Maar hoe zouden de wereldlingen die zoetheid kunnen smaken, daar hun geest en hun hart vol zijn van de wereld? Willen wij, zegt de H. Fran-ciscus de Borgia, dat de goddelijke liefde in ons hart heersche, dan moeten wij eerst de wereld daaruit verdrijven; de goddelijke liefde treedt anders zelfs niet binnen; immers er is dan geene plaats voor haar. Laat af, zegt David, Vacate et videte, quoniam ego sum Deus. 1) Om smaak in God te vinden, om te proeven, hoe zoet de Heer is voor wie Hem bemint, moet men ledig zijn d. w. z. onthecht zijn van de aarsche genegenheden. Wilt gij God vinden? Onthecht u dan van de schepselen, en r/e zult Hem vinden, zegt de H. Theresia.
1
Ps. 45. 10.
â 240 â
Wat nu moet eene ziel in de tegenwoordigheid van liet H. Sacrament doen? Zij moet beminnen en vragen. Zij moet daar niet komen om zoetheid en troost te gevoelen; maar alleen om aan God genoegen te geven; akten van liefde moet zij er verwekken, zich zelve daar zonder voorbehoud aan God geven door aan alle eigene verlangens te verzaken, en zich zelve aanbieden als offer. O mijn God, zoo moet zij zeggen, ik bemin ü; niets anders verlang ik dan U; maak slechts, dat ik ü immer bc-niinne, en voor het overige moogt Gij met mij en al het mijne doen wat U behaagt. Doch onder alle akten van liefde is aan God het aangenaamste die akle, welke de zaligen zonder ophouden verwekken in den hemel, nl. van welbehagen in Gods oneindig geluk. De gelukzalige toch (gelijk we in § 28 zagen) bemint God eindeloos meer dan zich zeiven; vandaar verlangt hij veel vuriger het geluk zijns Welbeminden dan zijn eigen geluk; daar hij nu God eene oneindige vreugde ziet smaken, zou ook zijn eigen geluk oneindig zijn; doch omdat het
â 241 â
schepsel voor een oneindig gelnk niet vatbaar is, zoo is zijn geluk ten minste volkomen: het geluk van God maakt zijne zaligheid, zijn hemel uit. Znlke , akten van liefde nu, al verrichten wij ze zonder er de gevoelige zoetheid van te smaken, zijn aan God zeer welgevallig. In dit leven overigens geeft God zelfs aan zijne meest geliefde zielen niet immer vertroostingen ; maar slechts nu en dan; en wanneer Hij ze schenkt, doet Hij dit minder tot belooning harer goede werken (want Hij behoudt ons het volle loon voor in den hemel) als wel om haar beter in staat te maken om met geduld de kwellingen dezes levens te verdragen, bijzonder de verstrooiingen en dorheden, welke de brave zielen lijden in het gebed.
Wat de verstrooidheden aangaat, daarover moet men zich niet al te zeer bekommeren. Het is genoeg ze te verdrijven, als men ze bemerkt. Overigens ondervinden zelfs de heiligen onvrijwillige verstrooidheden in het gebed; doch zij laten daarom geenszins het gebed varen; evenmin moeten wij
â 242 â
dit, doen. Al deden wij in ons gebed niets anders, v.egt de H. Pranciscus van Sales, dan onze verstrooidheden verdrijven en dit telkens op nieuw, tocli zou ons gebed van groot nut zijn. Wat nu de dorheid aangaat, voorzeker, er bestaat voor zielen, die het gebed beminnen, geen grootere kwelling dan daar neer te zitten, bij wijlen zonder eenig gevoel van godsvrucht, vol tegenzin en zelfs zonder eenig merkbaar verlangen om God te beminnen. Daarbij komt dan nog dikwijls de vrees, dat zij zich misschien om hunne zonden in Gods ongenade bevinden en daarom van Hem verlaten zijn. Te midden dezer dikke dnisf lissen zien zij geen enkelen uit\veg; jjke uitgang schijnt hun afgesloten. Dan vooral moet de vrome ziel sterk zijn, en niet gelijk de duivel haar voorhoudt het gebed laten varen; zij vereenige alsdan hare troosteloosheid met die van Jesus Christus op het kruis, en als zij anders niet kan, is het genoeg, dat zij ten minste met het fijnste puntje van den geest zegge: Mijn Gocl, ik ivil ü beminnen, ik ivil
â 243 -
geheel de uwe zijn, heb medelijden met mij, verlaat mij toch niet.
Laat ook zij dan zeggen, wat eene heilige ziel tot God zeide, als zij het meest van troost verstoken was:
Bemin U, Heer, al toont zich ook Uir hlilc op mij verholgen.
Vlucht ran mij treg, zoo reel gij tv Ut Ik zal n immer volgen. 1
1
T'amo, sebhen mi vedo
Ne mi ca agii occhi taoi J' aggimi (/nanto vuoi Sempre ti seguiro.
Alleen in God vindt men den waren vrede.
7 ------ -------- --------7
want al de schepselen te zamen zijn niet in staat een hart gelukkig te maken. God heeft den menech voor zich zeiven, voor een oneindig goed geschapen; alleen in God derhalve kan de mensch vrede vinden. Ziedaar, waarom zoovelen, hoewel met schatten, eer en aardsche genoegens overladen, nimmer tevreden zijn. Immer zoeken zij méér eer, méér goederen, méér vermaken, en ofschoon zij ook hun streven bereiken, blijven zij altijd in onrust, nooit smaken zij een enkelen dag van
â 245 â
waren vrede; Delectare in Domino, et dabit tibi petitiones cordis tui. 1) Wanneer iemand alleen in God zijn genoegen vindt, en niets anders dan Hem alleen zoekt, zal God zelf de zorg op zich nemen om al de verlangens van zulk een hart te bevredigen en dan zal het komen tot den gelukkigen staat van die uitverkoren zielen, welke niets anders verlangen dan aan God te behagen.
Dwaas zijn zij, die zeggen: Gelukkig hij, die leven kan zooals hij wil, die aan anderen kan bevelen, die zooveel genoegens kan smaken als hij verlangt. Dwaasheid! alleen hij is gelukkig, die liefde voor God heeft, die zeggen kan: mij is God alleen genoeg. De ondervinding doet maar al te wel zien, dat zoovelen, die door de menschen dei-wereld gelukkig worden genoemd, in weerwil van groote rijkdommen en liooge waardigheden, een ongelukkig leven leiden, en nimmer rust vinden.
Maar hoe komt het dan, dat zoovele
1
Ps. 36. 4.
â 246 â
rijken, zoovele grooten en vorsten, die de goederen dor wereld in overvloed kunnen genieten, geen rust vinden, en zoovele eenvoudige kloosterlingen daarentegen, die afgezonderd, arm en vergeten leven in een cel, zoo tevreden zijn? Hoe komt het, dat die kluizenaars, ofschoon zij in een woestijn of grot hun leven sleten, ofschoon zij honger en koude leden, toch jubelden van blijdschap? O dezulken dachten alleen aan God, en het was God, die hen troostte.
De vrede, welken God aan zijne beminde zielen schenkt, hoe ver wint hij het van de geneugten, welke de wereld kan geven! Pax Dei, quae exsuperat omnem sensum. 1) O wereldlingen, roept de profeet uit, waarom versmaadt gij het leven der heiligen zonder het te kennen? Neemt er eens de proef van, verlaat du wereld, geeft u aan God, en gij zult zien, hoeveel beter Hij u weet te troosten dan alle grootheid en alle genot van deze wereld; Gustate et vidote, quam suavis est Dominus. 2)
1
Phil. 4. 7.
2
Ps. 33. .9.
â 247 -
Het is waar, ook de heiligen lijden groote beproevingen in dit leven ; doch daar zij bernsten in den goddelijlcc wil, verliezen zij nimmer hunnen vrede. De minnaars der wereld zijn nu eens treurig, dan eens blijde; doch in werke-lijkbeid leven zij meestal in onrust en bitterheid. De godminnende zielen daarentegen zijn boven alle wederwaardigheden en wisselvalligheden dezer wereld verheven, daarom ook leven zij in eene blijvende rust. Hoor, hoe de beroemde Kardinaal Petrncci eene ziel beschrijft, die zich geheel aan God heeft gegeven;
Zij ziet, hoe 't alles rondom haar In allerhande vorm vergaat;
Maar zij, steeds met haar God vereend, Blijft immer in denzelfden staat. 1
Hij echter, die immer met God ver-eenigd wil blijven en een voortdurenden vrede genieten wil, moet alles uit zijn hart verdrijven, wat niet God is en
17
1
Vede eangiarsi in variate forme Fuori di se le creature, e dentro II suo piu cupo centro Sempro unito al suo l)io vivc uniforme.
â 248 â
voor alle geuegonheden der wereld als dood zijn. Miju God verleen mij uwe hulp, om mij vau alle banden, die mij nog naar de wereld trekken, los te maken. Geef, dat ik om niets anders denke dan om aan U welgevallig te zijn.
Zalig zij, wien God alleen genoeg is. Heer, geef mij die genade, geef, dat ik niets zoeke buiten U, geef, dat ik niets wensche dan ü te beminnen en aan ü genoegen te geven. Uit liefde tot U doe ik thans afstand van alle aardsclie genoegens, zelfs aan de geestelijke vertroostingen zeg ik vaarwel. Anders verlang ik niets dan uwen H. wil te doen en TJ genoegen te geven. O Moeder Gods, beveel mij aan uwen Zoon, want aan U weigert Hij niets.
~WWWWÂ¥W^Â¥WWWÂ¥WW
§ 36.
God alleen moet ons doel zijn.
j|^ij al onze handelingen moeten wij C-v geen ander doel beoogen dan aan God te behagen; aan God, en niet aan onze ouders, niet aan onze vrienden, niet aan de grooten der wereld, ook niet aan ons zeiven ; immers al wat niet voor God wordt gedaan, is geheel en al verloren. Veel wordt er gedaan om te behagen of niet te mishagen aan de menschen; doch de H. Paulns zegt : Indien ik nog aan de menschen zocht te behagen, zou ik de dienaar van Christus niet zijn. 1) God alleen moet als doel worden beoogd bij al wat wij verrichten, zoodat wij knnnen
1
Gal, 1. 10.
â 250 â
zeggen, wat Jesus Christus eens zeide: Ik doe altijd wat Hem hehagelijk is. 1) Alles, wat wij hebben, heeft God ons geschonken ; van ons zeiven hebben wij niets dan de zonde. God alleen heeft ons in waarheid bemind. Hij heeft ons van eeuwigheid bemind, en zóó ver is zijne liefde gegaan, dat Hij ons zich zeiven gegeven heeft op hot kruis eu in bet H. Sacrament des altaars. God alleen derhalve verdient al onze liefde.
Ongelukkig de ziel, die nog gehecht blijft aan eene zaak dezer wereld, ofschoon dit aan God mishaagt; nooit zal zij vrede vinden in dit leven, en zij verkeert in groot gevaar dien ook nooit te zullen genieten in het andere. Gelukkig daarentegen, o mijn God, de ziel, die niets anders dan U zoekt, die aan alles uit liefde tot U heeft verzaakt; die ziel zal de parel van uwe zuivere liefde vinden, kostbaarder dan alle schatten en koninkrijken dezer wereld. Wie zóó gesteld is, erlangt de vrijheid der kinderen Gods, want hij zal zich bevrijd
1
Jo 8. 21.
gevoelen van alle banden die hem omlaag naar de aarde irekken en hem verhinderen zich aan God te hechten.
Mijn God en mijn al, ik geef aan U de voorkeur boven alle rijkdommen, boven alle eer, boven, alle wetenschappen, boven alle verwachtingen, boven alle gaven, die Gij mij kunt geven. Gij alleen zijt mij alle goed, Gij het eenige, wat ik verlang; Gij immers zijt de oneindig Schoone, de oneindig Goede, de oneindig Beminnenlijke; Gij in een woord zijt het eenig goed. Geen enkele gave dan ook, die Gij zelve niet zijt, voldoet mij. Ik herhaal het en ik zal het immer herhalen. Ik verlang U alleen, niets anders; en hetgeen minder is dan Gij, ik zeg het ü, het voldoet mij niet. Ach wanneer zal bet mij gegeven zijn mij alleen bezig te houden met U te prijzen, ü te beminnen, aan U welgevallig te zijn, zoodat ik geen acht meer geve op do schepselen en ook op mij zeiven niet? Ach mijn Jesus, ach mijne liefde, kom mij te hulp, wanneer Gij mij soms in uwe liefde mocht zien verflauwen, en ik mij in
â 252 â
gevaar moclit bevinden om mijne genegenheid aan de schepselen en aan de genoegens dor wereld te schenken. Emitte manurn tuam de alto, cripe me et libera me de aquis muit is. 'j Eed mij dan uit het gevaar, opdat ik mij niet van U verwijdere.
Laten anderen zoeken, wat zij willen, ik wil en begeer niets anders dan U, o mijn God, o mijne liefde en mijne hoop. Wat heb ik in den hemel en wat begeer ik op aarde buiten U? . . . God mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. -) Mijn God en mijn al.
O mensehen, laat ons tot bezinning komen ! Al het goed, wat ons do schepselen geven, het is niets dan slijk, dan rook en bedrog. God alleen maakt ons waarachtig gelukkig. In dit leven echter geelt Hij zich nog niet ten volle te genieten; hier geeft Hij ons alleeneenigen voorsmaak van do goederen, die Hij ons voorbehoudt in don hemel. Daar, in den hemel wacht hij ons om er ons met zijne eigene vreugde te verzadigen,
1) Ps. 143. 7.
2) Ps. 72. 25 ct 2G.
- 253 -
als Hij neggen zal; Treed binnen in de vreugde uws Heer en. De temelselm ver-vertroosting verleent God aan zijne dienaren alleen om hen verlangend te maken naar liet groote geluk, dat Hij hun voorbehoudt in het Paradijs.
O almachtige God, o beminnelijke God, maak gij, dat wij van heden af in alle dingen niets anders beoogen, niets anders zoeken dan uw heilig welbehagen. Wees Gij onze geheele, onze ecnige liefde. Gij alleen verdient uit rechtvaardigheid en uit dankbaarheid al de genegenheden van ons hart. Niets dan ook is er, wat mij meer bedroeft, dan de gedachte, dat ik uwe oneindige goedheid in het vevledene zoo weinig bemind heb. Doch ik verlang en met de hulp uwer genade besluit ik, U in het toekomende uit al mijne krachten te beminnen. Zoo hoop ik te sterven, U alleen, mijn hoogste goed beminnend. O Maria, o Moeder Gods, bid voor mij ellendige. Uwe gebeden worden nooit afgewezen; bid dan uwen Jesus, dat Hij mij geheel den zijne make.
Men moet alles lijiien om [leiioegen aan God te geven.
streven dor heiligen, een vnrig verlangen om te lijden, om allerlei wederwaardigheden, allerlei veraclitingen en smarten te oudergaan, en alzoo genoegen te geven aan God, en welgevallig te zijn aan dat Goddelijk Hart, hetwelk onze liefde zoozeer verdient, omdat bet ook ons zoo grootelijks lief heeft.
Hierin bestaat de geheele volmaaktheid, hierin al de liefde van eene ziel voor haren God: immer Gods welbehagen te zoeken en dat te doen, wat het meest aan God behaagt. O welk een
iedaar het eeuig en meest geliefkoosd
â 255 â
geluk met Jesus Christus te kunnen zeggen : Immer doe ik, wat Gode behage-lijlc is 1). Wat grootere eer toch, wat zoeter troost kan eene ziel smaken dan eenige moeite te doen, eenigen tegenspoed te lijden, en daarbij te denken: Ik ben welgevallig aan God. Al te zeer immers is het onze plicht dat wij dien God welgevallig zijn, die ons zoo zeer bemind heeft, die ons alles gegeven heeft, wat wij hebben, die eindelijk, niet tevreden ons zoo groote weldaden te hebben geschonken, er toe gekomen is ook zichzelven te geven, eerst op het kruis, waar Hij uit liefde tot ons stierf, en daarna in het H. Sacrament des altaars, waar Hij zich door de H. Communie geheel aan ons geeft, zoodat Hem niet meer te geven overblijft.
Vandaar dat de Heiligen in hunne begeerte om God welgevallig te zijn, niet meer wisten wat te doen. Hoe vele edele jongelingen hebben niet de wereld verlaten om zich geheel te geven aan
1
Jo. 8. 29.
â 256 â
God! Hoevele teedere maagden, zelfs vau afg
koninklijk bloed hebben de hand der â eeï
groeten geweigerd om zich op te sluiten ' Go in een klooster! Hoevele kluizenaars
gingen zich begraven in woestijnen en ge
grotten om alleen aan God te behagen 1 dc
Hoevele martelaren omhelsden om aan cfl
O
God genoegen te geven, met blijdschap di
de geesels, de gloeiende foltertuigen, al
en de wreedste martelingen der tyrannen! di
In een woord, om aan God te believen v
ontdeden zich de heiligen van hnnne o
goederen, verzaakten zij aan de hoogste t
waardigheden der wereld en aanvaardden zij als schatten: kiekten, vervolgingen, ]
verlies van goederen en den smartelijk-sten en meest troosteloozen dood.
Als wij God waarlijk beminnen moet Gods welbehagen bij ons hooger staan dan het bezit van alle rijkdommen, ''
alle eer, alle geneugten der wereld, ja k zelfs van het Paradijs; want ja, indien 1 de gelukzaligen wisten, dat het aau God wegevalliger zou zijn, hen te zien branden in de hel, ongetwijfeld zouden 1 zij zich allen, de H. Maagd niet uit- .S gezonderd, uit eigen beweging in dien
â 257 â
afgrond van vnnr nederstorten om daar eeuwig te lijden, eu op die wijze aan God nog meer welgevallig te zijn.
Daartoe heeft God ons in de wereld geplaatst, opdat wij ons best zonden doen om Hem te verheerlijken en Hem glorie te geven. Het welbehagen Gods daarom moet het eenig doel zijn van al onze verlangens, van al onze gedachten en werken. O dat Hart, zoo vol liefde voor ons, zoo vol zorg voor ous geluk, wel verdient het in alles te worden bevredigd.
Maar hoe komt het, Heer, dat ik iu plaats van U welgevallig te zijn, ü zooveel misnoegen heb veroorzaakt? Doch de afschrik, dien Gij mij van mijne be-leedigingen doet gevoelen, is een bewijs, dat Gij mij vergeven wilt. O vergeef mij dan, en laat niet toe, dat ik U nog lang ondankbaar zij. Geef, dat ik alles overwinue om U welgevallig te zijn. In U Heer heb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. O Koningin des hemels, o mijne Moeder,
trok mij geheel tot God.
--------
quot;
§ 38.
Gelukkig hij, die niets anders dan God begeert.
7 de armen van geest, want hunner
het rijk der hemelen. 1) Door
armen van geest worden /.ij verstaan, die arm zijn aan aardsche begeerten en buiten God niets verlangen. Dezen zijn arm naar begeerte; maar niet in werkelijkheid, want zij zijn gelukkig, en dit reeds liier op aarde. Vandaar ook zegt de Heer niet: Het rijk der hemelen zal hun toebehooren ; maar Hunner is het rijk der hemelen. Eeeds in dit leven zijn zij rijk, .rijk nl. aan geestelijke goederen, welke zij van God ontvangen, zoodat zij,
1
Math. 5 3.
â 259 â
hoe arm ook in hot tijdelijke, toch met hun toestand tevreden zijn.
Geheel anders is het met hen, die rijk zijn aan aardsche verlangens, want al bezitten dezen nog zoo groote rijkdommen, toch zijn zij nimmer voldaan: de goederen dezer wereld kunnen onzen dorst niet lesschen, integendeel zij wekken dien nog meer op, en daarom zijn do rijken nooit tevreden, daar zij nooit zooveel verkrijgen als zij begeeren.
Jesns Christus kwam ons de ware rijkdommen schenken, en daartoe wilde Hij arm zijn. Propter vos egenus /actus est, ut illins inopia vos divites essetis. 1) Hij wilde arm zijn, zegt de apostel, om ons door 'zijn voorbeeld de aardsche goederen te leeren verachten, en ons aldus met de hemelsche goederen te verrijken, die eindeloos veel kostbaarder zijn. en eeuwig duren. Daarom verklaart Jesus uitdrukkelijk, dat alwie niet alles verzaakt, wat hij met gehechtheid op deze wereld bezit, geen waar volgeling van Hem kan zijn.
1
2 Cor. 8. 9.
- 260 â
Gelukkig hij, die niets anders dan God begeert, en met den H. Panlinns zegt: Laat de rijken der wereld (zegt hij) gelukkig zijn met hun geld, met hunne bezittingen, met hunne koninkrijken; mijn rijkdom, mijn koninkrijk is Jesus Christus: Sibi haheant divitias â suas divites, regna sua reges; Christus mild divitiae et rcgnum est.
Laten wij er wel van overtuigd zijn. God alleen maakt gelukkig; doch ten volle gelukkig maakt Hij slechts die zielen, welke Hem uit gehtel hun hart beminnen. Hoe echter kan er plaats zijn voor de goddelijke liefde in een hart, dat vol is van de wereld ? Sommige personen zullen dikwijls communiceeren, veel bidden, dikwijls het H. Sacrament bezoeken; maar omdat de wereld nog in hen is, kan God geen bezit van hen nemen en hou niet verrijken, gelijk Hij zou wenschen.
Vele zielen beklagen zich, dat zij in hunne meditatiüu, hunne heilige communiën on hunne andere godvruchtige oefeningen God niet vinden Tot dezulken zegt de H. Theresia; onthecht
..
â 261 â
-
uw hart van cle schepselen, dan zult gij God vinden.
Laten wij ons ontdoen van alle genegenheid, die riekt naar de wereld en vooral van onzen eigen wil. Goven wij geheel onzen wil zonder voorbehond aan God, zeggen wij: Hoer, beschik over mij en over al het mijne, volgens uw welbehagen, niets anders wil ik dan alleen, wat Gij wilt; ik weet, dat hetgeen Gij wilt, voor mij het beste is. Geef mij dan, dat ik ü immer be-minne, anders verlang ik niets.
Het eenig middel nu om ons van de schepselen te onthechten, is cene groote liefde tot God. Als de goddelijke liefde niet zóó sterk wordt, dat zij geheel onzen wil overmeestert, zullen wij nimmer tot de heiligheid komen. En het middel om die alles overweldigende liefde te verkrijgen is het gebed. Bidden wij God immer, dat Hij ons zijne heilige liefde geve: op die w^ze zullen wij ons van al het geschapene onthechten. Do goddelijke liefde is als een dief, die ons op heilige wijze berooft van alle aardsche genegenheden
.
- 262 â
en ons doet uitroepen; O God mijns harten, wat zou ik verlangen huiten ü.
De liefde is sterk als de dood. l) d. w. z. gelijk er geen kraclit is die weerstaat aan den dood, zoo is er niets, hoe moeielijk ook te overwinnen, dat weerstaat aan de goddelijke liefde. De liefde overwiat alles. Door de goddelijke liefde overwonnen de martelaren de wreedste folteringen en den smartelijksten dood.
O gelukkig in een woord die met David kan uitroepen: Quid mihi est in coelo et a te quid volui super terrain ? Deus cordis mei, et pars mea Deus in aeternum. Wat anders verlang ik, hetzij in dit leven, hetzij in de eeuwigheid, tenzij U, o mijn God? Dat anderen de goederen verwerven die zij begeeren. G-ij, o God mijns harten, zijt mijn eenig goed. Gij al mijn geluk,
O voorzeker als eene ziel er niet toe komt zich geheel aan God te geven, verkeert zij altijd in gevaar Hem nog te zullen verlaten en verloren te gaan. Maar wie zich eenmaal oprecht aan
t) Cant, fi
â 263 â
God geschonken heeft, kan er verzekerd van zijn Hem niet meer te zullen verlaten, want de Heer is zeer dankbaar en getrouw voor een ieder die zich zonder voorbehoud aan Hem geschonken beeft. Maar hoe komt het, dat sommige personen, die eerst een heilig leven hadden geleid, later zóó diep gevallen zijn, dat zij aan de wereld weinig hoop overlieten voor hunne zaligheid? Hoe dat kwam? Omdat, luidt mijn antwoord, zij zich niet geheel aan God hadden gegeven, hun val zelf is daarvan het bewijs.
Mijn God, mijn waarachtige minnaar, laat toch niet toe, dat mijne ziel, geschapen om ü te beminnen, iets anders beminne buiten ü, en niet geheel aan ü behoore, die mij gekocht hebt met uw bloed. Ach mijn Jesns, hoe is het toch mogelijk, dat ik, na de liefde te hebben gekend, die Gij mij hebt toegedragen, nog iets anders kan beminnen buiten U. Ach trek mij immer dieper in uw hart, doe mij alles vergeten, geef dat ik niets zoeke, naar niets hake dan alleen naar uwe liefde. Mijn Jesus, ik stel mijn
18
â 204 â
vertrouwen op ü. O Maria, o Moeder van God, op U rust geheel niijne hoop, onthecht mij van alle genegenheid, dio niet voor God is, opdat Hij het voorwerp zij van geheel mijne liefde en van mijn eeuwig geluk.
Over de dorheid des yeestes.
C-^3
ware godsvrucht, do ware liefde Gssi- tot God, zegt de H. Pranoiscus van Sales, bestaat niet in geestelijken troost bij zijn gebed en andere godvruchtige oefeningen te gevoelen, maar in een vast besloten wil om niets anders te verlangen dan betgeen de wil Gods is. Dit moet het eenig doel zijn, waarom wij het gebed beoefenen, het eenig doel van onze communiën, onze verstervingen en onze andere werken van godsvrucht, al doen wij dit alles ook zonder eenigen smaak, en te midden van duizenderlei bekoringen eu gevoelens van tegenzin. Met dorheid en bekoringen
â 260 â
(zegt de H. Theresia) keurt God zijne ivaaraclitige beminnaars. Al duurt die dorheid ook het gansche leven, toch moet de ziel het gebed niet laten varen. Eens zal de tijd komen, dat alles haar overvloedig zal worden betaald.
In den tiid van troosteloosheid, zoo leereu ons de leermeesters van hot geestelijk leven, moeten wij ons bijzonder oefenen in akten van nederigheid en overgeving. Er is geen geschikter tijd om ons onvermogen, onze ellende te lee-ren kennen, dan wanneer wij in het gebed dorheid lijden, daar verveling, verstrooidheid, tegenzin ondervinden, er niet den minsten ijver gevoelen, ja zelfs in het geheel geen verlangen ontwaren om in de liefde Gods vooruit te gaan.
Dat de ziel dan zegge: O Heer, ontferm U mijner, Gij 'Met hoe onmachtig ik ben om ook maar een enkele goede akte te doen. Ook moet zij akten doen van onderwerping, bijv.: Mijn God, het is uw tvil, dat ik mij aldus in duisternis en bitterheid bevind, welaan, dat die heilige tvil ten allen tijde geschiede. Ik ver- q lang niet getroost te zijn; hot is mij
genoec/, dat ik hier ben om ü yenoegen te geven. En aldus moot zij blijven bidden gedurende al don tijd, die voor het gebed bestemd is.
De grootste kwelling ecbter van inwendige zielen is niet zoozeer de dorheid als wel de duisternis, waarin zij ver-keeren, eene duisternis, waarin, do ziel zich beroofd ziet van alle goede verlangens en ton prooi aan bekoringen van ongeloof en wanhoop. Somwijlen zijn do aanvallen zoo hevig, en is het gevoel van mistrouwen zoo sterk, dat de ziel in groote vrees verkeert ook de genade Gods te hobben verloren, en het haar toeschijnt als had God haar om hare misslagen verstooten en geheel en al verlaten; zij acht zich dan als het ware door God gehaat, en vandaar is gedurende dien tijd de eenzaamheid haar een kwelling en schijnt het gebed haar een hel. Dan moet de ziel moed honden, zij denke er dan welaan: die vreezen of zy heeft toegestemd in de bekoring of in het mistrouwen zijn niets dan angstvalligheden, het zijn kwellingen van do ziel, maar geen vrij-
â 268 â
willige akten, eii daarom zijn zij vrij van zoude. In dio tijden biedt de wil zeer wel weerstand aan do bekoringen, maar door de duisternissen, die haar omringen, is het haar niet mogelijk dit duidelijk te onderscheiden. Doch de ondervinding bewijst het duidelijk, want biedt er zich bijv. een gelegenheid aan om vrijwillig ook maar eene dagelijk-sche zoude te bedrijven, dan zou de ziel in hare liefde tot God veel liever duizendmaal sterven.
Daarom moet zij zich iu zulke oogen-blikken niet afmatten met te willen ouderzoekeu of zij iu staat van genade verkeert, en niet gezondigd heeft. Gij wilt alsdan onderzoeken en zeker weten dat God u bemint, en God wil iu zulke oogenblikken niet, dat gij dit weet. Hij wil alleen, dat gij u vernedert, dat gij vertrouwt op zijne goedheid en u overgeeft aan zijnen H. Wil. Gij wilt alsdan zieu, en God wil niet, dat gij ziet. Overigens, zegt de H. Franciscus van Sales, het besluit, wat gij (ten minste met het verstandelijk gedeelte van uwen wil) blijft vormen om God te bemin-
â 2G9 â
non, en Hom niet het minste misnoegen vrijwillig te veroorzaken, is voor u een zeker toeken, dat gij in Gods genade zijt. Geef u dan gedurende dien tijd van beproeving geheel over in de armen van Gods barmhartigheid, botnig dat gij niets anders wilt dan God en zijnen heiligen wil, en wees niet bevreesd. O die akten van vertrouwen en overgeving te midden dezer verschrikkelijke duisternissen, hoe dierbaar zijn ze aan God ! De H. Joanna van Chantal leed deze inwendige kwellingen 41 jaren lang, zij had daarbij verschrikkelijke bekoiingen, en immer kwelde haar de vrees, dat zij in staat van zonde leefde en van God verlaten was. Zoo groot was toen haar lijden, dat, gelijk zij zeide, alleen de gedachte aan don dood haar eenige verlicliting schonk. Somwijlen, zeide zij, scTieen het mij toe, dat het geduld mij begaf ^ en dat ik op het punt stond mij geheel aan het verderf prijs te geven. In de laatste acht of negen jaren van haar leven werden hare bekoringen, in plaats van te verminderen, nog heviger; wat zij ook deed; hetzij zij bad of werkte, zij
â 270 â
onderging immer eene zoo vreeselijke inwendige marteling, dat zij medelijden inboezemde aan allen, die met haar omgingen. Somwijlen scbeen het haar, dat God haar van zich afstootte; zij wendde dan om eenige verlichting te vinden haren blik van God af; maaide verlichting, die zij zocht, niet vindende richtte zij opnieuw hare oogen naar God, ofschoon het haar toescheen, dat Hij op haar vertoornd was. In het gebed, in de H. Communie en in de andere godvruchtige oefeningen ondervond zij niets anders dan verveling en doodsangst. Het was haar als een zieke, die onder allerlei kwalen ligt ter neergedrukt, die niet in staat is zich van de eeue naar de andere zijde te bewegen, die onvermogend is zijn lijden te openbaren, en geen enkelen uitweg ziet om aan zijne diepe ellende te ontkomen. Da liefde, de hoop en het geloof dacht zij gansch te hebben verloren; maar bij dat alles hield zij toch hare oogen steeds op God gericht en gaf zich geheel over in de armen van Gods welbehagen. Kortom, do
â 271 â
H. Fi-anciscus van Sales vergeleek hare gezegende ziel bij een dooven zanger, die uitmnntend zingt; maar geen genot heeft van zijne stem, omdat hij haar niet hoort. Laat dns de ziel, die ook onder de beproeving van dorheid gebukt gaat, geen moed verliezen, al gevoelt zij zich ook nog zoo zeer door de duisternis benauwd, laat zij haar vertrouwen stellen in het bloed van Josus Christus, laat zij zich overgeven in den goddelijken quot;Wil, en akten doen als deze:
O Jesus, mijne hoop en eenige liefde mijner ziel, ik verdien geene vertroostingen, geef ze aan hen, die ü immer hebben bemind. Ik voor mij, ik heb slechts de hel verdiend, ik verdiende daar reeds voor immer door U verlaten te zijn, zonder hoop ü nog ooit meer te kunnen beminnen. Maar neen, mijn Verlosser, liever aanvaard ik alle lijden; straf mij gelijk Gij wilt; maar beroof mij niet van het vermogen IJ te beminnen. Ontneem mij alles; maar U zeiven niet. Ellendig als ik ben, bemin ik IT toch meer dan mij zei ven, en
geef mij geheel aan U; ik wil niet langer voor mij zeiven loven. Geef mij kracht om U getrouw te zijn. O Gij hoop der zondaren, allerheiligste Maagd, op nwe voorspraak stol ik mijn vertrouwen. Zorg toch, dat ik mijnon God, dio mij geschapen en verlost heeft, beminne.
§ 40.
Over liet leven in de eenzaamheid.
zielen, die God beminnen, vinden htm paradijs in bet afgezonderd leven, waarin zij verre van allen omgang met de mensehen verwijderd zijn. Neen, gescbeiden te zijn van de schepselen, en met God te verkeeren, baart geen bitterheid of verveling. Non enim habet amaritudinem conversatio illius nee taedium convictus illius sed laetitiam et gaudium. 1)
De wereldlingen hebben gelijk met de eenzaamheid te ontvluchten; want, daar zij in de eenzaamheid niet meer afgeleid
t) Sap. S. 16
â 274 â
worden door de verstrooiingen en beslommeringen der wereld, voelen zij daar veel duidelijker in bun hart de knaging des gewetens. Dit is de reden waarom zij ojjbeuring of ten minste verstrooiing zoeken in het verkeer der menschen; doch te vergeefs, want hoe meer zij bnn best doen bij de menschen en in het gewoel der wereld troost te vinden, des te grooter kwelling en bitterheid wordt hun deel.
Zoo is het niet met Gods vrienden; want in hunne afzondering vinden zij een aangenaam gezel, die hun meer troost en opbeuring schenkt dan het gezelschap van al hun vrienden of bloedverwanten, ja zelfs van de hoogste personen dezer wereld. De H. Bernardus zeide: jVun-quam minus solus, quam sim solus. Ik ben nooit minder alleen, dan wanneer ik alleen en verwijderd ben van de menschen, want dan vind ik God, om met mij te spreken, en daarenboven ben ik dan veel opmerkzamer om Hem te aan-hooren en voel beter in staat mij aan Hem vast te hechten. Ofschoon onze goddelijke Zaligmaker zijuo leerlingen
â 275 â
bestemd had om het geloof te verbreiden, en daartoe geheel de wereld te doorreizen, wilde Hij toch, dat zij van tijd tot tijd hunnen arbeid zonden onderbreken en zich terugtrekken op eene eenzame plaats en zich daar alleen met God bezig honden. Ook weten wij, hoe Jesns hen reeds tijdens zijn leven naar verschillende streken van Judea placht uit te zenden om er te werken aan de bekeering der zondaars, maar na afloop van hun vermoeiendon arbeid liet hij niet na hen naar een eenzame plaats te geleiden om daar een weinig uit te rusten; Et ait illis: venite seor-sum in desertum locum ct requiescile pusillum. ^
Als de Heer dit zelfs aan zijno apostelen ten plicht stelde, zeggende: requiescite pusillum, rust een weinig uit, zeer zeker moet het dan wel voor alle evangelische werklieden noodzakelijk zijn, zich van tijd tot tijd in de eenzaamheid te begeven ten einde de heilige ingetogenheid te bewaren en nieuwe
1) Marc. C. 31.
â 276 â
kracht te verkrijgen om daarna weder mot des te grooteren ijver aan de bekeering der zielen te arbeiden.
Als men voor zijne naasten arbeidt, maar dit met weinig ijver doet, en met geringe liefde tot God; als men zekere nevenbedoeling beeft, bijv. om zich eer of geld te verschaften, dan doet men weinig nut in de zielen. Daarom zegt de Heer tot zijne werklieden: Requies-cite pusillum. Rust een weinig uit. Voorzeker bedoelde Jesus met deze woorden niet, dat de apostelen zicb te slapen moesten leggen: maar dat zij rust moesten zoeken in bet verkeer met God, Hem do noodige genaden vragen om goed te leven, opdat zij aldus kracbt zouden verkrijgen om aan de zaligheid der zielen te werken. Want zonder dit rustig verkeer met God in het gebed ontbreekt do ijver en de zorg zoowol voor ons eigen heil als voor dat van anderen.
Zeer wijs echter zegt van de eenzaam-beid do H. Laurentius Justinianus: Quod semper est amanda, non semper tenenda, dat wij haar immer moeten beminnen,
â 277 â
maar haar niet immer zoeken. De heilige wil zeggen, dat zij, die door God geroepen zijn aan de bekeering dei-zondaren te arbeiden, niet immer eenzaam opgesloten moeten blijven in eene cel, want dan zouden zij te kort blijven aan hunne roeping; willen zij aan die roeping gehoorzamen, dan moeten zij, zoodra bet God is die roept, hunne afzondering verlaten. Toch moeten zij de eenzaamheid blijven beminnen, en er immer naar verlangen, want daar laat God zich het gemakkelijkst vinden.
Ach mijn Jesus, weinig heb ik de eenzaamheid bemind, omdat ik weinig liefde had voor U. Ik ben vermaken en opbeuring gaan zoeken bij de schepselen, en zij hebben mij van U beroofd, oneindig goed. Ellendige, die ik ben, dat ik zoovele jaren mijn hart aan de verstrooiing heb overgelaten, en aan niets gedacht heb dan aan de goederen der aarde, en volstrekt niet aan U! O neem Gij mijn hart in bezit. Gij immers hebt het gekocht met nw bloed; doe bet in uwe liefde ontvlammen,
- 278 â
wees er geheel en al meester vau. O Maria, koningin des hemels, Gij kunt mij die genade verkrijgen. Van U verwacht ik ze.
---------JHf---
/
§41.
Over ile out hechting aan de schepselen.
ASMfil men God waarlijk uit geheel r-ö zijn hart beminnen, clan moet men zich onthechten van al wat niet God is, ol' niet tot God brengt. Geheel alleen wil God meester zijn van ons hart, Hij duldt er geene mededingers; en terecht, want Hij is onze eenige Heer, aan wien wij alles verschuldigd zijn. Bovendien God is de eenige, die ons niet uit eigenbelang, maar uit louter goedheid bemint, en juist omdat Hij ons vurig bemint, wil Hij, dat wij Hem uit gehncl ons hart beminnen. Diliges Dominum T)eum tuum ex toto nor de tuo.
19
â 280 â
Oin God to beminnen nit geheel zijn hart, zijn twee dingen uoodig. Vooreerst : verdrijven uit zijn liart elke genegenheid, die niet voor God, of niet volgens God is. Indien ik reist (zeide de H. Franciscns van Sales) dat er zich in mijn hart een vezel bevond, die niet voor God was, ik zou dien er aanstonds â willen uitrukken. Op de tweede plaats, het gebed, want daardoor wordt de goddelijke liefde het hart binnen geleid. Maar indien het hart zich niet ledig maakt van de wereld, kan de goddeljjke liefde er niet binnen komen, omdat zij er dan geen plaats voor haar vindt. Een onthecht hart daarentegen zal aanstonds in de goddelijke liefde ontvlammen en daarin bij eiken ademtocht der genade toenemen.
De zuivere liefde, zegt dezelfde heilige bisschop van Genève, verteert alles wat niet God is; en doet alles overgaan in liefde, want al wat men voor God doet, is liefde tot God. O hoe vol goedheid en hoe vrijgevig is God voor een ziel, die niets anders zoekt dan Hem èn zijnen heiligen wil! Bonus est Do-
minus animae quaercnti ilium. ' I Gelukkig lirj, die reeds op deze wereld iu waarheid zeggen kan met den H. Francisens; Deus mens et omnia. âMijn God en mijn al,quot; en op die wijze al de ijdelheden der wereld weet te verachten: Regnum mundi et omnem ornatum saeculi contempsi propter amorem Domini mei Jesu Ghristi.
Wanneer derhalve de schepselen ons â hart willen binnen dringen, en daar een y deel willen rooven van de liefde, die wij , geheel aan God verschuldigd zijn, dan j moeten wij ze aanstonds verdrijven, hun den toegang afsluiten en zeggen: Verwijdert u van hier, zoekt het bij anderen, i die van ü gediend zijn, want mijn hart heb ik geheel geschonken aan Jesus Christus, er is dus voor u geen plaats. En met dit besluit gewapend, van niets anders te willen dan God, moeten wij haten, wat de wereld bemint, en beminnen, wat de wereld haat.
Boven alles is het om tot de volmaakte
liefde te komen noodzakelijk, dat wij ons
|___
1) Thrcn. 3. 25.
â 282 â
verlooclieiier, dat wij omhelzen, wat aan onze eigenliefde mishaagt, en ons ontzeggen, wat de eigenliefde verlangt. Gij ziet dit of dat voorwerp gaarne; sla er geen acht op juist omdat het n behaagt. Gij hebt walg van een zeker geneesmiddel, omdat het, bitter is, neem het, juist omdat het bitter is. Gij hebt tegenzin om dezen of genen persoon, die n ondankbaar geweest is, wel te doen; welaan, doe hem wel, juist omdat hij u ondankbaar is geweest.
De H. Franciscus van Sales gaat verder en zegt, dat wij zelfs de deugd moeten beminnen met onthechting, zoo bijv. moeten wij liefde hebben voor Je ingetogenheid en het gebed, maar, wanneer wij hierin verhinderd worden door de gehoorzaamheid of door de naastenliefde, moeten wij beide zonder ons te verontrusten, laten varen. En aldus moeten wij alles, wat ons door Gods wil overkomt, in tevredenheid aannemen. Gelukkig hij, die bij al wat geschiedt, slechts in zooverre iets wil of niet wil, naar gelang het al of niet de wil Gods is zonder uit zich zeiven over te hellen
- 283 â
naar een van beide kanten. Daarom moeten wij dikwijls bidden, dat God ons rust doe vinden in alles, wat Hij over ons beschikt.
Zeker, niemand op de wereld leeft gelukkiger dan hij, die de dingen dezer wereld veracht, en immer zijnen wil aan den goddelijken wil gelijkvormig maakt. Daarom is hot zoo goed dikwijls gedurende den dag, of ten minste bij het gebed en do H. Communie, aan de voeten des Gekruisten die algeheele overgeving van ons zeiven en van al het onze te vernieuwen door te zoggen : O mijn Jesus, ik wil niet meer aan mij zei ven deuken, geheel en al geef ik mij aan U; doe met mij, wat ü behaagt. Ik zie, dat al wat do wereld mij aanbiedt, ijdelheid is en begoocheling. Van heden af wil ik niets anders dau TJ en uw heilig welbehagen zoeken. Help mij ü getrouw te zijn. H. Maagd Maria, bid uwen Jesns voor mij.
Hoor, hoe Kardinaal Petrucci in weinige verzen do dwaasheid beschrijft van de volgelingen der wereld, en het geluk van hen, die God beminnen;
â 284 â
Deze ijdele wereld, waar alles verg-aat:
Schenkt nooit eene vreugde, die 't harte verzaadt. Haar hoogste genot, haar uitbundigst verblijden, Hoe zoet het ook schijn'is niets anders dan lijden. Terwijl Jesus' kruisen, zoo bitter in schijn. Vol hemelschen balsem en zoetigheid zijn. *
Questo mondo vohibile e cadente E scena de mine
J suoi vezzi piu cari, i snoi contenti Hau semhianza di gioie e sou tormenti; Ma se Gesu seguite, i suoi iormenti Han semhianza di pene e sou contenti.
De (lood der Heiligen is kostlmar.
de oogen des Ileeven is
zijner heiligen. 1) Waarom toch wordt de dood der heiligen kostbaar genoemd? Hij is kostbaar, antwoordt de heilige Bernardns, omdat hij zóó rijk is aan goederen, dat hij waard is tegen eiken prijs te worden gekocht.
Vol gehechtheid aan deze wereld wilden sommigen wel, dat er geen dood was, maar zegt de H. Augnstinns, wat is een lang leven op doze wereld, wat anders dan een langdurig lijden ? Quid est diu vivere nisi diu torqueri. Zóó groot zjjn de ellenden en de kwellingen, die
1
Ps. 115. 15.
â 280 â
ons in dit leven onophoudelijk benauwen, zegt de H. Ambrosius, dat de dood ons minder schijnt gegeven tot straf dan tot verlichting, en als een gunst om ons van die' ellenden te bevrijden, ut mors remedium videatur non poena.
De dood is verschrikkelijk voor de zondaren; want zij weten, dat zij in hunnen zondigen staat na den eersten dood oen tweeden te wachten hebben, die eeuwig duurt: maar geenszins boezemt de dood vrees in aan de brave zielen, want op de verdiensten van Jesus Christus vertrouwend hebben zij genoegzame teekenen, ja een zedelijke zekerheid, dat zij in de genade van God zijn. Daarom dat Proficiscere anima christiana de hoe mundo (vertrek christen ziel), zoo bitter voor hen, die sterven tegen hun wil, heeft niets bitters voor de heiligen, die hun hart onthecht bewaarden aan de goederen der wereld, en immer in alle oprechtheid bleven herhalen: Deus meus et omnia. »Mijn God en mijn al.quot;
Voor dezulken is de dood geene foltering, maar een rust, die een einde
â 287 â
maakt aan de angsten, doorgestaan in den strijd tegen de bekoringen en wanneer zij hunne angstvalligheden of hun vrees van God te beleedigen tot bedaren zochten te brengen. Daarom wordt in hen het woord van den H. Joannes bewaarheid: Zedig de dooden, die in den lieer sterven. Van nu af aan reeds, zegt de Geest, zullen zij rusten van hunnen arbeid. Beati mortui qui in Domino mo-riuntur! Amodo jam dicit spiritus ut requiescant a laboribus suis. 1)
Ook voor de pijnen, waarvan de dood vergezeld gaat, is iemand, die in de liefde Gods sterft, niet bevreesd; integendeel, hij is er veeleer over verblijd, daar bij ze God kan aanbieden als de laatste overblijfselen van zijn leven. O hoe groot is de vrede van iemand, die sterft, overgegeven in de armen van Jesus, van dien Verlosser, welke zich zeiven een bitteren en troosteloozen dood gekozen heeft om onzen dood zoet te maken en vol troost.
O mijn Jesns, Gij zijt mijn Hechter,
1
Apoc. 14. 13.
â 288 â
maar Gij zrjfc ook mijn Verlosser, die gestorven zijt om mij zalig te maken. Eeeds van hot eerste oogenblik dat ik gezondigd keb, verdiende ik ter hel te worden veroordeeld; maar Gij in uwe barmhartiglieid, Gij hebt mij over mijne zonden eene groote droefheid geschonken en daarom heb ik de vaste hoop, dat Gij mij op dit oogenblik vergeven hebt. Ik had niet verdiend ü nog langer te beminnen; maar Gij hebt mij met uwe gaven tot uwe liefde getrokken. Indien het uw wil is, dat de dood mij bij deze ziekte treffe, zoo neem ik dien met groote blijdschap aan. Ik zie wel, dat ik niet verdien aanstonds den hemel in te gaan, ik ga daarom bereidwillig naar het vagevuur, en wil daar lijden zooveel als ü behaagt. Mijn grootste smart zal daar bestaan in mijne verwijdering van TJ, want vurig verlang ik ü van aanschijn tot aanschijn te kennen en te beminnen. O mijn dierbare Verlosser, heb daarom medelijden met mij!
Wat anders is het tegenwoordig leven dan een voortdurend gevaar om beroofd te worden van God? Inter laqueos am-
â 289 â
bulamus, zegt de H. Ambvosius, wij wandelen hier immer te midden van strikken, van de hinderlagen on/,er vijanden, die er op uit zijn ons te be-rooveu van Gods genade. Daarom dankte de H. Theresia God, telkens als zij de klok hoorde slaan omdat al weder eeu uur van strijd en gevaar zonder zonde was voorbijgegaan. Toen men haar de tijding bracht, dat haar dood naderde was zij dan ook zeer verheugd dooide gedachte, dat nu de strijd ging eindigen eu zij haar God ging aanschouwen.
Hier op aarde kan men niet leven zonder zonde. Ook dit is een beweegreden, die de godminnende zielen naaiden dood verlangen doet. Die gedachte maakte den Eerw. Pater Vincentius Ca-ratfa bij zijn sterven geheel opgeruimd; nu ik ophoud te leven, zoo sprak hij bij zich zeiven houd ik ook op God te beleedigen. Zeker godvruchtig persoon wilde, dat zij die hem oppasten hem 025 het oogenblik van sterven deze troostende waarheid dikwijls in het geheugen zouden roepen: Troost u N. , moesten zij zeggen, want nu hreelct de
tijd aan, waarin gij God niet meer be- I j\I;
leedigen zult. 1 n
Wat is ons lichaam anders dan cone I \eefd
gevangenis, waarin de ziel is opgeslo- |
ten en aldus verhinderd wordt zioli met 1 ^eid
God te vereenigen. Vandaar dat de van I ;
liefde brandende Franciscns bij zijn ster- I aan(
ven vol vreugde uitriep met den pro- 1 gma
feet: Educ de custodia animam meam. ^1) I wag
Bevrijd mij van dien kerker, Heer, want |
hij belet mij ü te aanschouwen. O | tun\
minnelijke dood, wie zou u kunnen | Qjj
vreezen, wie niet vurig naar u verlangen, 1 7je(
immers gij zijt het einde van het lijden | i^e)
en het begin des eeuwigen levens. Toen gp(
de H. Martelaar Pionius ter strafplaats | m(
geleid word, toonde bij zich zóó ver- | de
blijd, dat de omstanders er over ver- i clr
baasd waren. Maar hoe kunt gij toch i
zoo blijde zijn, vroeg men hem, daar fl 0i
gij zoo nabij zijt aan den dood ? Gij i ju
dwaalt, was zijn antwoord, ik ga niet i s^
ter dood; maar ten leven, ten leven » ^
voor alle eeuwigheid. Erratis, erratis, H -q
non ad mortem sed ad vitam contendo. -) n
1
Pb. 114. 1.
Mijn zoetste Jesus, ik dank U, dat gij mij niet hebt laten sterven, toen ik leefde in uwe ongenade, en dat Gij mijn hart hebt gewonnen door zooveel goedheid met mij te gebruiken. Ach, als ik aan het leed denk, dat ik ü heb aangedaan, zou ik willen sterven van smart. Die ziel, welke reeds verloren was, ik leg haar thans geheel in uwe handen. In manus tuas commendo spiri-tum meum. Denk er aan, Heer, dat Gij haar verlost hebt door uwen dood. Redemisti me Domine Deus veritatis. Ik bemin U, oneindige goedheid, ik wensoh spoedig dit loven te verlaten om TJ dan met volmaaktere liefde te beminnen in den hemel. Doch geef mij in den tijd, dien ik nog op deze wereld blijf leven, immer beter mijn verplichting te kennen om U te beminnen. Mijn God, neem mij aan, ik geef mij geheel aan TT, ik stel mijn vertrouwen op U om de verdiensten van Jesus Christus. Ook op uwe voorspraak vertrouw ik. o Maria, mijne hoop.
Over de lauwheid.
i' zijn twee soorten van lauwheid:
eene, die onvermijdelijk is, en eene, die men kan vermijden. Onvermijdelijk is die lauwheid, waaraan in dit teven zelfs de inwendige zielen onderhevig zijn, want tengevolge van do zwakheid harer natuur kunnen zij niet vermijden dat zij, van tijd tot tijd, ofschoon niet met volle toestemming, in een lichte fout vallen. Ter oorzake van onze door de erfzonde bedorven natuur is niemand van dit gebrek vrij, tenzij door eene geheel bijzondere genade, die echter alleen werd gegeven aan de moeder Gods. God zelf laat zulke vlekken in zijne heiligen toe om ze nederig te
â 29« â
honden. Niet zelden gevoelen zij zich zonder ijver, traag en Insteloos in hunne godvruchtige oefeningen, eu in dien tijd van dorheid zullen zij zeer gemakkelijk in vele althans onbedachte fouten vallen. Overigens moeten zij die zich in zulkon toestand bevinden, daarom hunne gewone oefeningen niet achterlaten, noch den moed laten zinken, en niet meenen, dat zij reeds in lauwheid vervallen zijn, want dit is de eigenlijke lauwheid niet. Laten zulken met hunne gewone oefeningen voortgaan, hunne fouten verfoeien en dikwijls hun besluit vernieuwen om geheel aan God toe te behooren, laten zij op Hem vertrouwen, want eenmaal zal God hen troosten.
De ware, de betreurenswaardige lauwheid echter is aanwezig, wanneer de ziel geheel vrijwillig in dagelijksche zonden valt, zich daarover echter weinig bekommert, zich nog minder eenige moeite geeft om ze te vermijden, maar zegt, dat het zaken van geen belang zijn. Hoe! God bedroeven een zaak l van geen belang? Do H. Theresia zeide
tot hare kloosterzusters: Mijne hincle-_
â 294 â
ren, God behoede u voor elke vrijwillige zonde, hoe klein ook.
Maar, zegt men, die zonden berooven ons toch niet van Gods genade? Die aldus spreekt verkeert in groot gevaar zich eenmaal werkelijk door do doodzonde van Gods genade beroofd te zien. De H. Gregorius zegt: dat iemand, die voorbedachtelijk en nit gewoonte in dagelijksche zonde valt, niet zal blijven, waar hij gevallen is, maar voorttniraelt naar den afgrond : Nunquam illic anima quo cadit jacet. ') De doodelijke ziekten komen niet immer nit zware ongesteldheden voort maar ook uit lichte als deze veelvuldig zijn en lang duren; evenzoo is het ongeluk van sommige zielen, die in zware zonden vallen, dikwijls het gevolg van herhaalde dagelijksche zonden; deze toch maken de ziel zóó zwak, dat zij, wanneer haar eene zware bekoring overvalt, de kracht mist om te weerstaan, en bezwijkt.
Qui spernit modica paulatim decidet. 1)
1
Eccel. 19. 21.
â 295 â
Die geen acht geeft op kleine fouten, zal zeer gemakkelijk in een afgrond vallen. De Heer zegt: Omdat gij lauw zijt, zal ik beginnen u uit mijnen mond te spuwen. 1) Door God uitgespuwd worden wil zeggen : door God verlaten worden of teu minste beroofd worden van die bijzondere goddelijke hulp, welke ons noodzakelijk is om in zijne genade te blijven.
Laten wij dit punt wel begrijpen. Het concilie van Trento veroordeelt hem, die zegt dat wij in den staat van genade kunnen volharden zonder eene bijzondere hulp van God : Si quis dixerit, justificatum vel sine speciali auxilio Dei in accepta justitia perseverare posse anathema sit. 2) Wij kunnen dus in den staat van genade niet volharden zonder eenen bijzonderen en baitengewonen bijstand van God: dezen bijzonderen bijstand echter zal God billijkerwijze weigeren aan iemand, die met open oogen en onbekommerd eene menigte dagelijksche zonden doet. Of zou God
20
1
A poe. 3. 16.
2
Sess. 6. Can. 22.
â 296
gehouden zijn dien bijzonderen bijstand te verleeiien aan eene ziel, die zich niet ontziet Hem voortdurend en vrijwillig te bedroeven ? Bic harig zaait, zal ook karig maaien. 1) Als wij zoo karig zijn jegens God, hoe kunnen wij dan hopen, dat God tegenover ons mild en vrijgevig zal zijn ?
Arme ziel. die vrede maakt met hare fouten, al zijn ze ook klein! zij zal immer van kwaad tot erger vervallen; de hartstochten zullen in haar binnenste immer vaster voet krijgen, zullen haar gemakkelijk verblinden, en als iemand blind is, valt hij lichtelijk in een afgrond op het oogenblik, dat hij er het minst aan denkt. Laten we bevreesd zijn voor de lauwheid. De vrijwillige lauwheid is gelijk aan de sluipkoorts, die weinig vrees inboezemt, maar zoo kwaadaardig is, dat zelden iemand er van geneest.
Doch ofschoon het voor de lauwe ziel moeielijk is zich te beteren, bestaan er evenwel middelen indien zij zich
1
2 Cor. 9. 6.
â 297 â
werkelijk beteren wil. Uio imddeleu zijn: 1° besluiten tot eiken prijs uit dien ongelukkigen staat op te staan; 2° de gelegenheid der fouten verwijderen, anders is er geen hoop op beterschap ; 3° zich dikwijls aan God aanbevelen. Hem vurig smeeken, dat Hij ons toch kracht schenke om dien be-droevenden toestand te boven te komen, en met bidden niet ophouden, totdat men zich werkelijk van de lauwheid bevrijd ziet. O Heer, heb medelijden met mij. Ik zie, dat ook ik verdien door U te worden uitgespuwd, om al die gebreken aan welke ik mij schuldig maak in uwen dienst. Rampzalige die ik ben! daarom bevind ik mij zonder liefde, zonder vertrouwen en zonder goede verlangens. O mijn Jesus, verlaat mij niet, strek uwe machtige hand uit, en trek mij uit dien afgrond van lauwheid, waarin ik gevallen ben. Doe het om de verdiensten vau uw lijden, ik stel daarop al mijn vertrouwen. Heilige Maagd, uwe gebeden kunnen mij helpen,
o bid voor mij.
---------
§ 44. Zuivere 111 e e 11 i u g.
^quot;Xo zuiverheid der meeniug bestaat hierin dat men alwat men doet, alleen doet om aan God te behagen. Jesus Christus zegt, dat naar gelang onze meening goed is of slecht, ook onze werken goed of slecht zijn in Gods oogen. Indien uw oocj zuiver is, dan zal yeheel uw lichaam verlicht zijn, maar indien mv oor/ niet goed is, dan zal geheel uw lichaam duister zijn. 1) Het zuivere oog heteekent do zuivere meening om aan God te behagen. Het duistere oog heteekent de verkeerde meening, wanneer men zijne handelingen verricht uit ijdel-heid of om aan zich zeiven te behagen.
1) JIatth. I). 22 et 23.
â 29» â
Is er iets sclioouers dau zijn levou te geveu voor het geloof? on toch, zegt de H. Panlus, als iemaud sterft met eene andere meening dan om aan God te behagen, zal hij niets met zijnen marteldood winnen. Maar, als zelfs de marteldood niets beteekent, wanneer die niet voor God wordt geleden, wat beteekent dan al hot proeken, al het schrijven, al de inspanning van 's Hee-reu werklieden, ja zelfs al de gestrengheden der boetelingen, als dit alles geschiedt om den lof in te oogsten der menschen of zijn eigen goeddunken in te volgen ? De profeet Aggaens zegt: dat ook de heiligste werken, wanneer men ze niet voor God verricht, geborgen worden in een geschenrdeu zak : in sac-culumpertnsum,1) dat wil zeggen, zij zullen er allen uitvallen en geen enkel zal er in blijven. Daarentegen, als men werkt om aan God te behagen, zal elk werk, hoe weinig ook op zich zelf van waarde, zwaarder wegen dan vele werken, zonder zuivere meening verricht. Wij vinden
1) Xgg. 1. 6.
300 -â
bij (leu H. Marcns, dat die arme in de offerkist des tempels sleclits tweo penningen offerde, maar de goddelijke Zaligmaker zeide van haar: Deze arme weduwe heeft het meest van allen geofferd. 1) Zij offerde meer dan alle anderen, zegt de H. Cyprianus, omdat zij die twee kleine geldstukken gaf met de zuivere meening om aan God te behagen.
Een der beste teekenen, waaraan men zien kan of iemand met zuivere meening handelt, is, dat hij zich niet ongeduldig maakt, wanneer zijn werk den gewensch-ten uitslag mist. Ook is het een goed teeken, als hij na zijn werk volbracht te hebben, al wordt hij er ook om gelaakt en met ondank betaald, toch tevreden en kalm blijft. Als het overigens zon gebeuren, dat iemand om zijn werk werd geprezen, moet hij zich daarover niet verontrusten uit vrees voor ijdele glorie; wanneer deze zich wil doen gelden, moet hij haar verachten en haar zeggen met den H. Barnardus :
1
Mare. 12. 41.
â 301
Nec propter te coepi, nee propter te desi-nam. Ik ben om u mijn werk niet be-o-onnen, ik zal liet ook om u niet laten
O '
varen.
De meening om door zijn werk meer glorie te verwerven in den hemel is goed, maar liet volmaaktste is te werken om aan God genoegen te geven. Laten wij er wel van overtuigd zijn : boe meer wij onze eigene belangen nit hot oog verliezen, des te grooter zal de Heer onze vreugde maken in het Paradijs. Gelukkig bij. die alleen werkt, om glorie aan God te geven en om Gods heiligen wil te doen. Volgen wij de liefde der zaligen na, zij zoeken in hunne liefde tot God ook slechts Gods welbehagen. Als wij zoo gelukkig zijn, dat wij aan God behagen mogen, zegt de H. Joannes Chrysostomus, wat kunnen wij dan nog meer verlangen ? Si clignus fueris agere aliquid quod Deo placet , aliam rner-cedem quid requiris ? )
De goede meening is hot oog. dat Gods hart verwondt en in liefde
1) L. 2. de compunctione oord.
I
â 802 â
tot ous ontsteekt, gelijk Hi) het zegt lot de bruid der gezangen: Gij hebt mijn hart verwond, mijne bruid, mijne zuster, met één uwer oogen. 1) Dat één uwer oogen beteekent liet eonig doel, dat de heilige zielen zich in alles voorstellen, nl. aan God behagen. Ziedaar ook wat de Apostel zijnen leerlingen aanraadde; Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods. 2) De eerbiedwaardige Beatrix- van de Incarnatie, eerste dochter van de H. Theresia, zeide, dat eene handeling die men voor God doet, al is zij nog zoo klein, met geen prijs ter wereld is te betalen. En zij zeide dit met reden, want alle handelingen, die men voor God dnet, zijn akten van liefde. De zuivere meening maakt onze geringste handelingen zooals eten, werken, ja zelfs onze ontspanning kostbaar, als men dit alles doet uit gehoorzaamheid en om genoegen aan God te geven. Wij moeten daarom reeds des morgens al onze handelingen van den dag aan God toewijden; maar
1) Cant. 4. 9.
2) 1. Cor. 10. 31.
â 303 â
het is zeer aan te raden deze goede meening daarenboven nog bij elk onzer handelingen in bot bijzonder te vernieuwen, althans bij de voor-naamsten, zooals bij ons gebed, de H. Communie, de geestelijke lezing. Wij moeten dan bij den aanvang van ieder werk even in ons zeiven keeren, evenals die heilige kluizenaar, welke alvorens een of andere handeling te beginnen immer zijne oogen even ten hemel sloeg en een oogenblik stil bleef staan. Toen men hem eens vroeg, waarom hij dit deed, antwoordde hij: Ik leg aan om zeker doel te treffen.
En ik, mijn Jesus, wanneer zal ik beginnen TT waarachtig te beminnen ? Wee mij, indien ik zelfs onder mijne goede werken er te vergeefs naar een zou zoeken, dat alleen voor ü was verricht! Ach heb medelijden met mij, laat niet toe, dat ik U zoo ellendig diene tot aan mijnen dood. Geef mij uwe hulp, opdat ik het leven, dat mij nog overblijft, tot niets anders bestede dan om U te dienen, U te beminnen. Geef, dat ik alles overwinne om genoegen te
â â 304 â
geven aan U, en dat ik alles verrichte om aau U te behagen. Ik smeek ü dit door de verdiensten van uw heilig lijden. O mijne groote voorspreekster Maria, verkrijg mij door uwe gebeden die genade.
§ 45.
Verzuchtingen naar het It e m e 1 s c li e v a d e r 1 a inl.
/gelukkig liij, die de zaak zijner zalig-beid tot een gelukkig einde brengt, en als hij dit oord van ballingschap verlaat, mag binnengaan in bet bemelscb Jerusalem, om zicb daar te ver beugen in dien immer blijden dag, vrij van alle kwelling eu van alle vrees, dat eindeloos geluk ooit te 7.ullen verliezen.
Jacob zeide : De dagen van mijnen jjel-grimstocht zijn honderd dertig jaren zij waren weinig en vol rampen. 1) Hetzelfde kunnen ook wij zeggen, wij arme pelgrims, die hier op aarde voortdurend de kwellingen
1
Gen. 47. 9.
~ 30G -
onzer ballingschap verduren, door bekoringen aangevoebten, door onze hartstochten benauwd, gepijnigd door allerlei ellenden, en vooral door de gevaren voor onze eeuwige zaligheid. Dit alles moet ons herinneren, dat het hier niet ons vaderland is, maar een oord van ballingschap, waar God ons slechts doet verblijven, opdat wij er ons door te lijden het groote geluk zouden waardig maken van eenmaal te mogen binnengaan in het vaderland der zaligen.
Aan deze aarde onthecht, moeten wij dus immer verzuchten naar het Paradijs. O Heer, zoo moeten wij zeggen, wanneer zal het zijn, dat ik mij van al die benauwdheden zal bevrijd zien? Dat ik om niets meer zal denken dan om U te beminnen en U te verheerlijken? Wanneer zal het zijn, dat Gij mij, naar het woord des Apostels, alles zult zijn in alles: Ut sit Deus omnia in omni-hus. 1) Wanneer zal ik mij verheugen in dien blijvenden vrede, beveiligd tegen alle kwelling en alle gevaar van ver-
1
1 Cor. 15. 28.
loruii te gaan? Wanneer, o mijn God, zal ik geheel verslonden in U, uwe oneindige schoonheid van aanschijn tot aanschijn en zonder sluier aanschouwen ? Wanneer in een woord, o mijn Schepper, zal het mij gegeven zijn U zóó geheel te bezitten, dat ik tot U zal kunnen zeggen: Mijn God, nu kan ik U niet meer verliezen.
Doch nu, o Heer, nu Gij mij nog ziet rondzwerven als een arme balling iu dit vijandelijk land, waar ik onophoudelijk moet leven in inwendigen strijd, o help mij nu met uwe genade, troost mij op dezen zoo bitteren pelgrimstocht. Ik zie wel is waar, dat van al hetgeen de wereld mij aanbiedt, niets in staat is mij gelukkig te maken, maar toch, als uwe hulp mij ontbreekt, vrees ik dat do aardsche genoegens mij nog zullen neertrekken in een afgrond.
Mij verbannen ziende in dit dal van tranen, zou ik ten minste immer aan ü willen denken, o mijn God, eu mij willen verheugen over hot oneindig geluk, dat Gij geniet; doch de booze neigingen van mijne zintuigen verheffen
â 308 â
maar al to vaak hare stem in mijn binnenste en brengen mij in verwarring. Ik zon willen, dat al de vermogens mijner ziel met niets bezig waren dan met U te beminnen en U te danken; maar bet vleescb trekt mij met geweld om behagen te nemen in de genoegens der zinnen, zoodat ik met den H. Panlus moet uitroepen: Ongelukkige die ik hen, ivie zal mij van het lichaam des doods verlossen. 1) Ik arme mensch, die immer moet strijden, niet alleen met vijanden buiten mij, maar ook met mijzelven, zoodat ik een last en een kwelling voor mij zeiven ben; fa;tus sum mihimetipsi gravis. 2)
Wie dan zal mij bevrijden van het lichaam dezes doods, d. i. van het gevaar om in zoude te vallen ? De vrees alleen reeds voor dat onheil is eene voortdurende doodsangst, die mij pijnigt en niet ophoudt mij te pijnigen mijn gebeele leven lang. Deus ne elongeris a me. Deus meus, in auxilium meum re-
1
Kom. 7. 24.
2
Job. 7. 20.
â 309 -
spice. 1) Mijn God verwijder ü niet van mij, want als Gij U van mij verwijdert vrees ik U te beleedigen. Blijf mij steeds nabij met uwe machtige hulp, help mij altijd, om den aanvallen mijner tegenstanders te kunnen weerstaan. De Koninklijke profeet zegt mij, dat Gij nabij sijt, dat wil zeggen het heilig geduld verleent aan allen die bedrukt van harte, d. i. inwendig bedroefd zijn. Juxta est Dominus iis, qui tribulato sunt oorde. 2) Sta mij dan bij, o mijn beminde Zaligmaker, en geef mij geduld, dat mij zoo noodig is om al mijne moeie-lijkheden te bomi te komen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat ik mij tot het gebed begeef, maar dat allerlei lastige gedachten mijne aandacht aftrekken, en mij met duizenderlei beuzelarijen verstrooien. Geef Gij mij kracht om al die gedachten te verdrijven als ik mij met U onderhoud, en al do kwade neigingen, die mijne vereeniging met U beletten, te kruisigen. Neem ook, bid ik U, dien grooten tegenzin weg welken
1
Ps. 70. 12.
2
2} Ps. 33. 19.
- 310 â
ik ondervind om hetgeen met miinc eigenliefde in strijd is, in vrede aan te nemen. O huis vau mijnen God, bereid voor die Hem beminnen, naar u verzucht ik van uit deze aarde van ellende. O beminde Herder, die nedergedaald zijt om de schaapjes te zoeken, die verloren waren, zie een daarvan ben ik, want ik heb U ellendig den rug gekeerd en mij in het verderf gestort: Erravi sicut ovis, quae per Ut, quaereservum tuum.1) quaere servum tuum: Heer, zoek mij, wil mij niet verlaten, gelijk ik verdiend heb. Zoek mij, help mij, neem mij op en hond mij goed vast op uwe schouders, opdat ik U toch nooit wederom verlate. Op hetzelfde oogenblik, dat ik vol verlangen ben naar het Paradijs, wil de booze vijand mij verschrikken met de herinnering aan mijne zonden ; maar de aanblik van U, mijn gekruiste Jesus, vertroost mij en versterkt mij in de hoop, dat ook ik U eenmaal zonder sluier zal mogen beminnen in uw zalig rijk.
1
I's. 118. 176.
- 811 -
O Koningin van liet Paradijs, ga voort mijne voorspraak te wezen. Het bloed van Jesus Christus en uwe voorspraak geven mij de vaste hoop, dat ik zalig zal worden.
V it
Tvn'
â 312 â
VERZUCHTING NAAR HET PARADIJS.
Schoon vaderland, waar onze liefde Met eeuwgre liefde wordt beloond,
En waar nw God zich zonder sluier In 't volle van zijn luister toont;
Dat eens ook ik in uw landouwen,
Gods heerlijk aanschijn zal aanschouwen, Hoe lang nog: toeft die blijde stond V Koe lang:, hoe lang? o van 't verzuchten Gaat reeds mijn ziel ten hemel vluchten. ^
SOSriRl AL PARADISO.
Patria bella, ove al amore In mercede amor si da, E l'amabil tuo Siffnore Senza vel mirar si fa; Di venir un g:iorno anchi'o A vedere in te il mio Dio Quando dato mi sani ? Quando, (inando. suspirando L'alma mia per te s'en va.
i)e Soddelijke .Liefde.
§ i.
Hoezeer God onze liefde verdient.
is do volheidvan alle genade, van alle goed, van alle volmaaktheid.
God is oneindig, Clod is eenwig, God is onmetelijk, God is onveranderlijk.
God is machtig. God is wijs. God is voorzichtig.
God is rechtvaardig.
God is barmhartig, God is heilig. God is schoon.
God is heerlijk, God is rijk. God is alles, en daarom verdient Hij liefde en groote liefde.
God is oneindig; aan allen geeft
- 314 â
IJ ij, on van niemand ontvangt Hij. Wij hebben al wat wij hebben van God; maar God, Hij heeft niets van ons: Deus meus es lt;«, quoniam honorum meo-rum non eges. 1)
God is eeuwig, Hij heeft altijd bestaan, en altijd zal Hij bestaan. Wij, wij tellen de jaren en de dagen van ons aanzijn. Maar God kent geen begin, en Hij zal ook nooit een einde hebben. Maar Gij, Gij zijt steeds dezelfde en mve jaren zullen niet ophouden. 2)
God is onmetelijk, en door zijn wezen zelf tegenwoordig op alle plaatsen. Wanneer wij op de eene plaats zijn, kunnen wij niet tevens zijn op een andere. Maar God is op alle plaatsen; in den hemel, op aarde, in de zee, in de afgronden, zoowel buiten als in ons. Waar zou ik heengaan voor uiven geest? en waarhenen, om uw aangezicht te ontvlieden ? Zoo ik opsteeg ten hemel, daar zijt Gij. Baalde ik neder ter onderwereld, gij zijt er. 3)
1
Ps. 15. 2.
2
Ps. 101. 28.
3
Ps, 138. 7. 8.
- 315 -
God is onveranderlijk; al wat zijn heilige wil eens van eeuwigheid heeft besloten, dit is eu blijft zijn wil altijd. Ik ben de Heer, en ik varander niet. ') God is machtig, en tegenover God is alle macht der schepselen zwakheid.
God is wijs, en tegenover God is alle wijsheid der schepselen dwaasheid.
God is alwetend, en tegenover God is alle wetenschap der schepselen onwetendheid.
God is rechtvaardig, cn tegenover God is de grootste rechtvaardigheid der menschen gebrekkig; Zelfs in zijne engelen heeft Hij hoosheid gevonden. -) God is vol barmhartigheid, en tegenover God is alle goedertierenheid dei-schepselen onvolmaakt.
God is heilig, en tegenover God schiet de heiligheid der schepselen, hoe heldhaftig ook, eindeloos veel te kort. Niemand is goed, tenzij God alleen. 1) God is schoon, o hoe schoon is God!
1
Luc. 18. 19.
â 316 -
Bij Gods SL-hoonlieicl is al der sebepselen schoonheid niets.
God is heerlijk, en tegenover God is al de glans der schepselen, zelfs dei-zon, duisternis.
God is rijk, en tegenover God is alle rijkdom der schepselen armoede.
God is alles, en hij God vergeleken zijn alle schepselen, zelfs het hoogste, het verhevenste, het bewonderenswaardigste, ja allen te zamen, niets: Substantia mea tamquam nilnlum ante te. 1) En daarom verdient Hij liefde, en eeno groote liefde.
O ja. God verdient zóó veel liefde, dat alle engelen en alle heiligen van het Paradijs nooit anders doen, en gedurende de geheele eeuwigheid nooit anders zullen doen dan God beminnen.
Het is hun liefde tot God, waardoor zij eeuwig gelukkig zijn.
O ja. God verdient zoo veel liefde, dat Hij zelf genoodzaakt is zich onein-diglijk te beminnen. En in die liefde, zoo noodzakelijk en zoo zoet tevens.
1
Ps 38. (i.
welke God zich zeiven toedraagt, daarin bestaat ziju hoogste geluk! en zouden dan wij Hem niet beminnen?
Hoe beminden de heiligen Hem ?
De H. Franciscus Xaverms opende zijne kleederen en wierp zich ter aarde, den aandrang zijner liefde niet kunnende betoomen.
quot;De H. Stanislaus Kostka ontblootte zich de borst, en liep naar de fonteinen om zich met water te verkoelen.
De H. Philippus Nerius kreeg dooiden gloed zijner liefde een merkbare uitzetting van het hart.
De H. Franciscus van Sales zeide: Indien ik wist, dat er in mijn hart ook maar een klein vezeltje ware, dat niet geheel doortrokken was van de goddelijke liefde, ik zou het er aanstonds willen uitrukken, en het heel verre van mij wegwerpen.
En de H. Catharina van Siena, de H. Theresia, do H. Maria Magdalena de Pazzi en andere zielen heilig gelijk zij, vervielen dikwijls in heiligen waanzin, waren soms geheel bmten zich z elven door de hevigheid der goddelijke
- 318 â
liefde. Ja de H. Maria Magdalena de Pazzi, met zoo groote liefde nog niet tevreden, doorliep soms schreiend haar klooster, terwijl zij om aan haar hart lucht te geven met luider stemme riep: de liefde ivordt niet bemind, de liefde ivordt niet bemind. En zonden dan wij Hem niet beminnen ?
Weet gij waarom wij Hem niet beminnen ? Omdat wij Hem slechts zoo weinig kennen. De heiligen beminden Hem zoozeer, omdat zij Hem beter kenden dan wij. Trachten ook wij Hem dan een weinig heter te kennen.
Overwegen wij van tijd tot tijd zijne goddelijke eigenschappen, zijne goddelijke volmaaktheden, werpen wij ten minste van tijd tot tijd met ons verstand een enkelen blik op Hem, gelijk ik het u in deze bladzijden heb voorgedaan, en dan zal ook in onze harten de goddelijke liefde ontbranden.
Het is een groote gunst dat een zoo groote God zich door ellendige schepselen, gelijk wij zijn, laat beminnen, maar het is te gelijk zijn zoet gebod.
Toen God op den kruin van Sinaï
- 319 â
aan Mozes zijn wet gaf, was liet eerste gebod dat God Hem oplegde: Gij zult den Heer meen God beminnen: Uit geheel uw hart: Uit geheel moe ziel: Uit al uwe krachten. 1) God beval hem die woorden eerst goed in zijn eigen hart te prenten : Eruntque verba haec in corde tuo, en ze daarna bekend te maken aan het volk van Israël: Et narrabis ca fdiis Israël. Welaan dan, laten wij God beminnen, gelijk Hij verdient; vervullen wij volmaakt dat groot en zoet gebod door Hem zei ven gegeven. Het is het grootste en eerste gebod van de geheele wet: Hoc est maximum et primum mandatum. -) Laten wij in de vervulling van dat gebod leven, in de vervulling van dat gebod sterven.
3) Deut. 6 5â7. 2) Luc. 12. 4«.
Hoezeer God onze liefde vciiangt
vurig, dat ook
wij Hem beminnen. Daarom beeft Hij ons niet alleen tot zijne liefde opgewekt door die herbaalde uitnoodigingen in de H. Sebrift, en door zoovele weldaden, zoowel in bet algemeen als in bet bijzonder ; maar Hij beeft ons daarenboven door een uitdrukkelijk gebod tot zijne liefde willen verpliebten : Hij bedreigt een ieder die Hem niet bemint, met de bel, en belooft aan die Hem beminnen bet Paradijs. God wil, dat allen zalig worden, en dat niemand verloren gaat, gelijk de H. Paulus ')
i) i Tim. 2. 4.
â 321 -
on de H. Petrus 1) allerduidelijkst leeren. Maar als God allen zalig wil, waarom heeft Hij dan de hel geschapen? Hij heeft de hel geschapen, niet opdat wij verloren zouden gaan | maar opdat wij Hem zouden beminnen. Als God de hel niet had geschapen, wie ter wereld zou Hem beminnen? Als nu zelfs, nu de hel bestaat, toch het grootste gedeelte der menschen liever w-il verloren gaan dan God beminnen, wie dan (ik herhaal het) zou Hem beminnen als er geen hel was? Dreigt God derhalve hen, die Hem niet beminnen, met een eeuwige straf. Hij doet zulks opdat zij, die Hem niet willen beminnen uit vrije keuze. Hem ten minste zouden beminnen als uit dwang, genoopt door hun vrees voor de hel.
2. O mijn God! hoe vereerd, hoe gelukkig zou zich een mensch gevoelen, als zijn koning hem zou zeggen : Bemin mij, want ik bemin u. Een vorst dezer wereld zou zich wel wachten zoover af fe dalen, dat hij aan een onderdaan om diens liefde zou vragen; maar God, die eene oneindige goedheid
1) 2 Petri 'ó. 0.
â 322 â
is, de Heer van het heelal, oneindig machtig en oneindig wijs, een God kortom, die eene oneindige liefde verdient, een God die ons met zijne geestelijke en tijdelijke gaven heeft verrijkt, Hij acht het niet beneden zich om onze liefde te vragen. Hij vermaant. Hij beveelt ons Hem te beminnen, en toch Hij kan het niet verkrijgen. Wat anders vraagt Hij van een ieder onzer dan bemind te worden ? Quid Dominus Deus petit a te, nisi ut timeas Dominum Deum tuum ... et diligas eum. 1) Met dit doel kwam de Zoon Gods zelfs op aarde met ons verkeeren. Hij zelf heeft het gezegd : Ik hen een vuur op aarde Tcomen brengen, en wat ivil ik anders dan dat het ontstoken worde. -) Men lette op die woorden: Wat roil ik anders dan dat het ontstoken worde: Het is (zegt de H. Thomas) als kon God, die in zich zeiven een oneindig geluk bezit, niet gelukkig zijn zonder zich bemind te zien door ons: Quasi sine te beatus esse non posset.
1
Deut. 10. 12.
- 323 â
3. Wij kunnen er dus niet aan twijfelen, God bemint ons, en bemint ons vurig, en omdat Hij ons vurig bemint, wil Hij dat wij Hem beminnen uit geheel ons liart. Daarom zegt Hij tot een ieder van ons: Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel mv hart-, 1) en Hij voegt er bij: Die ivoorden zullen gegrift staan in uw hart, gij zult er op naden-hen, terwijl gij gezeten zijt in uw huis, en terwijl gij wandelt langs den weg, hij uw slapen en hij uw ontwaken, gij zult ze ter herinnering binden aan uwe hand, zij zullen hangen en heen en weer gaan tusschen uwe oogen, gij zidt ze schrijven op ' den dorpel en de deuren van uw huis. 2)
Men merk hier Dp hoe in al die woorden Gods verlangen, Gods brandende begeerte spreekt om door een ieder van ons bemind te worden. Hij wil dat die woorden; Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uiv hart, gegrift staan in ons hart; en opdat wij ze nimmer zouden vergeten, wil Hij, dat
1
Dcut. 6. 5.
2
Ibid.
â 324 -
wo ev op nadenken, wanneer wo in li tils zijn, wanneer wij wandelen langs de wegen, wanneer we slapen gaan, of nit den slaap opstaan. Hij wil dat wij ze als een lieriuneringsteeken gebonden hebben aan onze banden, opdat, waar wij ons ook bevinden, wij die woorden immer voor oogen hebben. Van daar dan ook, dat de Farizeeën, die dit gebod letterlijk verstonden, die woorden, gelijk do H. Matt heus schrijft, op perkamenten in do rechterhand en op het voorhoofd droegen. 1)
O zalige schicht, roept de H. Gregorian van Nyssa nit, die, als zij het hart binnendringt, ook tevens Hem, die haar afschiet er binnen brengt. God: Beata sagitta, quae simul in cor adducit sagittarium Deum ' Wanneer God, zoo wil die heilige Vader zeggen, een pijl van liefde afschiet op eene ziel, d. w. z. wanneer Hij die ziel op bijzondere wijze verlicht, liaar zijne goedheid doet kennen en zijn verlangen om door haar bemind te worden, op datzelfde oogenblik komt ook God met dien
1
Matth. 23 51.
â 325 â
pijl van liefde mede, want Hij, die don pijl afscliiet, is tevens do liefde zelve. God is liefde. â¢) Gelijk verder de pijl in het hart, dat hij getroffen beeft blijft steken, zoo God eveneens; want als Hij eene ziel wondt met zijne liefde, dan komt Hij daar binnen, om immer met die ziel vereenigd te blijven. O menschen, zijn wij er toch van overtuigd : God alleen bemint on3 met ware liefde. De liefde van onze ouders, van onze vrienden en van allen die zeggen, dat zij ons beminnen, slechts hen uitgezonderd, die ons alleen om God beminnen, dat alles is geen ware liefde, het is een baatzuchtige liefde, zij beminnen ons om een of andere beweegreden van eigen belang. Ja mijn God, ik weet het, Gij alleen bemint mij. Gij alleen verlangt mijn geluk, niet uit eigenbelang maar alleen uit goedheid, alleen om de liefde, die Gij mij toedraagt ; en ik ondankbare ik heb aan niemand zooveel misnoegen, zooveel bitterheid veroorzaakt als aan ü, die mij zoozeer bemind hebt. Mijn Jesus,
l) 1 Joa, 4. 8.
â 326 â
gedoog uiet dat ik ü nog langer ou-dankbaar zij. Gij hebt mij zoo oprecht bemind, ook ik wil TJ oprecht beminnen al den tijd die mij nog overblijft. Mijne liefde, zoo verzucht ik tot U met de H. Catharina van G-enua, geene zonde meer, geene zonde meer; U alleen wil ik beminnen, niets anders.
5. Eene ziel, zegt de H. Bernardus, die haren God waarlijk bemint, non â potest veile nisi quod Deus vult, het is haar niet mogelijk iets anders te willen dau wat God wil. Bidden wij den Heer dat Hij ons toch wonde met zijne liefde, want eene ziel, die door de liefde gewond is, denkt er niet aan, ja is niet in staat iets anders te willen dan wat God wil, zij maakt zich los van alle begeerten harer eigenliefde, En die onthechting, gepaard met een algeheele overgave van zich zelve aan God, is de schicht waarmede de ziel op hare beurt het hart van God verwondt, gelijk Hij zelf verklaart, als Hij zegt tot de bruid der gezangen; Gij hebt mijn hart verwond, mijne zuster^ mijne bruid. 1)
1
Cant. 4. 9.
â 327 â
6. Hoe schoon is de uitdrukking, van welke de H. Bernardns zich bedient omtrent dit zelfde punt: Disca-mus jaculari corda in Deum. Lieren wij, zegt hij, onze harten op God af te schioten. Wanneer eene ziel zich geheel, zonder eenig voorbehoud aan God overgeeft, dan richt zij in zekeren zin haar hart als een schicht op het Hart van God, hetwelk zich dan aanstonds gewonnen geeft, en als de gevangene wordt van die onthechte ziel. Ziedaar wat de zielen, die zich geheel aan God hebben gegeven, onophoudelijk bij al hare gebeden in beoefening brengen: Jaculantur corda in Deum. Zij geven zich geheel aan God, en doen dit voortdurend op nieuw met de volgende en andere dergelijke verzuchtingen van liefde :
Detts metis, et omnia. Mijn God, ik wil U alleen en niets anders.
Heer, ik geef mij yeheel aan U, en als ik mij niet weet te geven zooals het behoort, neem Gij zelf mij dan.
O mijn Jesus, wien toch zou ik be-
22
â 328 -
minnen, als ik ü niet bemin, die voor mij gestorven zijt ?
Tralie me post te: Mijn Zaligmaker, hef mij op uit het slijk mijner zonden^ en trek mij met U mede.
Bind mij, Heer \echt mij vast met de ketenen uiver liefde, opdat ik TI nooit meer verlate.
Ik wil geheel de uwe zijn. Heer, heht Gij mij verstaan? Ik wil geheel de uwe zijn, geheel de uwe.
Wat zou ik anders verlangen dan U, mijne liefde, mijn al?
Daar Gij mij geroepen heht tot uwe liefde, geef mij dan ook de kracht om TJ welgevallig te zijn, gelijk Gij dit verlangt.
Wien toch zou ik beminnen tenzij U, die eene oneindige goedheid zijt, waardig, dat men ü oneindig beminne.
Gij hebt mij het verlangen gegeven om geheel de uive te zijn, tvelaan, voltrek uw werk.
Wat anders zou ik op deze aarde verlangen, dan U, die het opperste goed zijt?
He geef mij geheeel, zonder voorbehoud, aan U; o neem mij aan en geef mij
â 329 â
kracht, om U tot den dood toe getrouw te zijn.
Ik vril II veel beminnen in dit leven om ü veel te beminnen gedurende de gansche eeuwigheid.
Gij, Jesus, zijt mijn troost, mijn leren,
'Gij 't eenigst, wat mijn ziele vraagt; 'k Heb mij geheel aan U yegeiyen,
Doe maar met mij wat U behaagt.
Wie dit versje van harte uitspreekt, verheugt het paradijs.
7. Gelukkig in één woord, de ziel, die in waarheid zeggen kan: Dilectus mens mihi et ego illi. 1) » Mijn God heeft zich geheel gegeven aan, mij, en ik heb mij geheel gegeven aan Hem quot; Ik behoor mij zeiven niet meer toe. Ik ben geheel het eigendom van mijn God. Iemand, die aldus uit de oprechtheid zijns harten spreekt, hij is ten volle bereid, zegt de H. Bernardus, om veeleer de pijnen der hel te omhelzen (als hij die omhelzen kon zonder zich te scheiden van God) dan zich ook maar een enkel oogenblik van God gescheiden te zien: Tolerabilius ei esset gehennam
1
Cant. 2 16.
â 330 â
tolerare, quam recedere ah Ulo. Het zijn de eigen woorden van den Kerkvader. O welk een heerlijke schat ig de schat der goddelijke liefde 1 Gelukkig, alwie dien schat bezit! laat hij alle zorg aanwenden, alle middelen gebruiken om dien schat te bewaren en te vermeerderen ; en die hem nog niet bezit, laat hij geen middel onbeproefd laten om hem te verkrijgen. Zien wij thans welke middelen het noodzakelijkste en het geschiktste zijn om dien schat der goddelijke liefde te verkrijgen en te bewaren.
III.
Middelen om de Goddelijke liefde te verkrijgen.
1.
â jljet eerste middel is zich ontdoen van de genegenheden dezer wereld. In een hart, dat vol is van de -wereld, is voor de liefde Gods geen plaats; hoe meer het hart wordt ingenomen door de wereld, in des te geringer mate heerscht er de goddelijke liefde. Wie derhalve zijn hart vervuld wil zien van de goddelijke liefde moet zijn best doen de geheele wereld er uit te verdrijven. Om heilig te worden moeten wij den H. Paulns navolgen, die om de liefde van Christus te winnen al
â 332 â
de goederen dezer wereld verachtte als vuilnis. Arbitror omnia ut stercora, ut Christum lucrifaciam. 1) O bidden wij den H. Geest, dat Hij ons in zijne heilige liefde ontvlamme, dan zullen ook wij die goederen leeren verachten, en al de rijkdommen, al de genoegens, al de eer en waardigheden dezer wereld, waarvoor helaas het grootste gedeelte der menschen verloren gaat, wij zullen ze beschouwen als ijdelheid, als rook en slijk. Wanneer de goddelijke liefde een hart binnenkomt, acht het al hetgeen de wereld hoogschat, voor niets meer: Si dederit homo omnem substantiam domus suae pro dilectione, quasi nihil despiciet eam. 2) Wanneer een huis in brand geraakt, zegt de H. Franciscus van Sales, werpt men al de goederen het venster uit. De heilige wil zeggen: Wanneer het hart ontstoken is door de goddelijke liefde, zal de mensch zich zonder preeken en zonder vermaningen van zijnen geestelijken vader, uit eigen beweging trachten te ontdoen van de
1
Phil. 3. 8.
2
Cant. 8. 7.
~ 333 -
aardsche goederen, van de eer, van de rijkdommen, vau alle dingen dezer wereld, en niets anders meer willen beminnen dan God. De H. Catharina van Genua zeide, dat zij God niet beminde om zijne gaven, maar dat zij Gods gaven beminde om God zeiven meer te beminnen.
Voor eene ziel die God bemint, zegt Gilbertus, is het pijnlijk en ondragelijk bare liefde tusschen God en de dingen dezer wereld te verdeelen, door terzelf-dertijd God en de schepselen te beminnen; Oh quam durum est arnanti aninnum di-midiare cum Christo et mundo. ^ Daartegenover zegt de H. Bernardus dat de goddelijke liefde baatzuchtig is: Amor insolens est. Baatzuchtig, omdat God in een hart, dat Hij bemint, geen deelge-nooten duldt in de liefde, maar Hij het geheel en al voor zich zeiven verlangt. En eischt God soms te veel, wanneer Hij verlangt dat de ziel niets anders dau Hem beminne? Neen, ant-
1) Sorm. il. in Cant.
â 384 â
woordt de H. Bonaventura: Summa dili-gihilitas unice amari debet. Eene oneindige beminnelijkheid, eene oneindige goedheid, gelijk God, die eene oneindige liefde verdient, met recht vordert Hij alleen te staan, waar het de liefde geldt van een hart, dat Hij opzettelijk geschapen heeft, opdat het Hem zou beminnen ; te meer daar die God van goedheid juist om alleen bemind te worden, zich geheel voor dat hart heeft prijs gegeven. Totus in meos usxis expen-sus, zeide de H. Bernardus van zich zolven, op de liefde dooiende die Jesns Christus hem had toegedragen: ITij heeft zich geheel ten dienste gesteld aan mijn geluk. Ditzelfde kan ja moet ook ieder van ons zeggevi, daar Jesus Christus voor een ieder van ons geheel zijn leven en al zijn bloed heeft opgeofferd aan het kruis en ons daarenboven na zijnen dood in het Sacrament zijn lichaam en bloed, zijne ziel, ja geheel zich zeiven heeft nagelaten, om de spijs en de drank te worden onzer zielen, en zich met een ieder van ons te kunnen vereenigen.
Gelukkig de ziel, zegt de H. Grego-
â 335 â
rins, die tot dien hoogen graad van liefde geraakt, dat alles wat haar niet spreekt van God, het eenige voorwerp harer liefde, haar ondragelijk wordt. Into-lerabüe est quidquid non sonat Deurn quem intus amat. ') Wij moeten daarom zorgen nooit genegenheid te koesteren voor do schepselen, want zij zouden ons een gedeelte ontrooven van de liefde, die God geheel voor zich verlangt. Ja, al is die genegenheid ook ^rij van zonde, gelijk h.v. onze genegenheid voor bloedverwanten of vrienden, bedenken wij evenwel wat de H. PhiUppns Nerius zegt: dat wij al de liefde, die wij aan de schepselen schenken, ontnemen aan God.
Wij moeten ons daarom maken tot een gesloten tuin, gelijk de Heer de gewijde bruid der gezangen noemde; Horl'ts concl'isns soror mea sponsa. 1) Een gesloten tuin, wordt iedere ziel genoemd, die de deur haars harten gesloten houdt voor alle genegenheid tot aardsche zaken. Wanneer derhalve een schepsel ons hart wil binnenkomen en
1
Cant. 4. 12.
â 336 â
er ook een plaats wil liebben, dan moeten -wij bet beslist dan toegang weigeren, en daarop ons tot Jesus Chris-tas wendend zeggen: O mijn Jesus, Gij alleen zijt mij genoeg; ik wil niets anders beminnen dan U: Deus cordis viei, et pars mea Deus in aeternum. Mijn God, Gij moet de eenige Heer zijn van mijn hart, Gij mijne eenige liefde. En daarom, laten wij nooit opbonden God te bidden, dat Hij ons toch de genade zijner zuivere liefde schenke. Want de zuivere liefde Gods, gelijk de H. Fran-ciseus van Sales zegt, verteert alles wat niet God is, en doet alles overgaan in liefde.
Het tweede middel om de goddelijke liefde te verkrijgen is de overwoging van het lijden onzes Heeren Jesus Christus. Hiervoor kan men bet boek lezen dat ik onlangs heb uitgegeven onder den titel: Overwegingen over Jesus'1 lijden; daar zal men eene uitvoerige beschouwing vinden van de pijnen, welke onze goddelijke Verlosser in zijn
â 337 â
lijden verduurd heeft. Het is zeker, als Jesus Christus op de wereld zoo weinig bemind wordt, is zulks het gevolg van de nalatigheid en ondankbaarheid der menschen, waardoor het hun te veel is, ook maar nu en dan, eens te beschouwen, wat Jesus Christus al voor ons heeft geleden, en met welke liefde Hij dit voor ons heeft geleden. Het schijnt, zegt de H. Gregorius, eene dwaasheid, dat een God heeft willen sterven om ons ellendige slaven zalig te maken. Stultum visum est hominibus Deum pro nobis mori, en echter, het is een punt vau ons geloof, dat God dit heeft gedaan. TT ij heeft ons bemind en zich zeiven voor ons overgeleverd. ]j Ja, Hij heeft al zijn bloed willen vergieten om daarmede onze zonden af te was-schen. Hij heeft ons bemind en ons rein gewassohen van onze zonden in zijn bloed. 1)
O mijn God, zoo roept de H. Bona-ventura uit. Gij hebt mij zóózeer bemind, dat Gij uit liefde tot mij er toe
1
Ap. 1. 5.
â 338 â
gekomen zijt u zeiven te haten. In tantum me diligis, Deus meus, ut te odisse videarts. 1) Maar hiermede rog niet tevreden wilde Hij daarenboven zelf onze spijs worden in de H. Communie. God heeft, zich zoo voor ons vernederd, zegt de engelachtige H. Thomas, over dit H. Sacrament sprekende, dat het schijnt als was Hij onze slaaf en als waren wij zijn God. Quasi esset servus eorum et quilibet eorum esset Dei Deus. 2)
Ziedaar waarom de apostel uitriep: Charitas enim Christi urget nos. 3) De liefde, die Jesus Christus ons betoond heeft, zegt de H. Paulus, dringt ja noodzaakt ons in zekeren zin Hem te beminnen. O mijn God, wat doen de menschen niet uit liefde tot een schepsel, waarvoor zij genegenheid opvatten ? en een God van oneindige goedheid, van oneindige schoonheid, een God die voor ieder van ons heeft willen sterven op een kruis, Hij word zoo weinig bemind ! Welaan volgen wij allen den Apostel
1
S. Bonav. in stirn. amor.
2
S. Thom. opusc. de S. Euch.
3
2. Cor. 5. 14.
â 339 â
na, die uitriep: Verre zij het van mij te roemen tenzij in het Kruis van onzen Heer Jems Christus. ^1) Wat grooter glorie, sprak de apostel, kan ik op deze wereld verlangen, dan dat een God, uit liefde tot mij, zijn bloed en zijn leven gegeven heeft ? Ditzelfde moet een ieder zeggen, die geloof heeft. En wie dan, die geloof heeft, zou iets anders kunnen beminnen dan God! O God, hoe is het mogelijk, dat eene ziel den gekruisten Jesus beschouwt, Hem daar ziet hangen aan drie nagelen, zonder anderen steun dan do wonden zelve zijner handen en voeten, stervende van louter smart, alleen uit liefde tot ons, en zich dan niet getrokken gevoelt, ja genoodzaakt ziet Hem uit al hare krachten te beminnen ?
Neen, ik kan mij niet voorstellen, dat eene ziel die geloof heeft, al is zij nog zoo koud in de goddelijke liefde, ongevoelig kan blijven en niet gedrongen wordt Jesus Christus te beminnen, wanneer zij ook slechts een oogenblik
1
Gal. 6. 14.
â 340 â
met aandacht beschouwt wat de H. Schriften zeggen van de liefde, ons door Jesus Christus betoond in zijn lijden en in het Allerheiligst Sacrament des altaars. Betreffende het lijden zegt Isaias: Waarlijk Hij heeft onze pijnen op zich genomen en Hij heeft onze smarten gedragen. En in het volgende vers zegt hij; Hij is gewond om onze boosheden. Hij is verbrijzeld om onze misdaden. Zoo is het dan een punt van ons geloof, dat Jesus Christus al die pijnen en smarten zelf heeft willen verduren, om er ons, die ze verdiend hadden, van te bevrijden. En waarom anders heeft Hij dit gedaan, tenzij gedreven door de liefde, die Hij ons toedroeg? Christus heeft ons bemind en zich zeiven voor ons overgeleverd ^1) zegt de H. Paulus, en de H. Joannes zegt: Hij heeft ons liefgehad en ons afgeivasschen van onze zonden in zijn bloed. 2)
Wat nu het H. Sacrament aangaat, Jesus Christus zelf zeide tot ons allen bij de instelling: Neemt en eet, dit is
1
Eph. 5. 2.
2
Ap. 1. 5.
â 341 â
mijn lichaam. 1) En op een andere plaats : Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinlot, blijft in mij en ik in hem. 2) Hoe kan iemand die geloof heeft, dit lezen en zich niet als gedwongen gevoelen dien God te beminnen, die na zijn bloed en zijn leven te hebben opgeofferd ter onzer liefde, ons daarenboven nog zijn lichaam heeft nagelaten in liet H. Sacrament des altaars, opdat het de spijs zou worden onzer ziel en wij in de H. Communie geheel met Hem zouden worden ver-eenigd ?
Wij voegen hier nog een andere korte bemerking over Jesus'1 lijden bij: De goddelijke Zaligmaker vertoont zich aan een kruis, met drie nagelen doorboord, terwijl van alle kanten het bloed uitstroomt en Hij zelf zieltoogt in de smarten des doods. Nu vraag ik : Waarom vertoont zich Jesus aan ons in dien deerniswaardigen staat? Doet Hij dit alleen opdat wij medelijden met Hem zouden hebben? Neen niet zoozeer om ons medelijden als wel om onze liefde
1
i Cor 11. 24.
2
Joa. 6. 57.
â 342 â
te winnen, heeft Hij zich in dien ellen-digen toestand willen gebracht zien. Het moest om onze liefde op te wekken reeds meer dan genoeg zijn dat God ons gezegd heeft: Ik heb ü met eeuwige liefde bemind. 1) Maar omdat God zag, dat dit voor onze lauwheid niet genoeg was, heeft Hij, om ons er toe te brengen Hem te beminnen, gelijk Hij het verlangde, ons zijne liefde ook met daden willen toonen. Daarom vertoonde Hij zich aan ons overdekt met wonden, ja wilde Hij uit liefde tot ons sterven van smart, om ons door al dat lijden toch maar eenig begrip te geven van de eindelooze en teedere liefde die Hij ons toedraagt. Dit drukt de H. Paulus zoo schoon uit in de woorden : Hij heeft ons bemind en zich zeiven voor ons overgeleverd. 2)
O
O.
Het derde middel om tot de volmaakte liefde Gods te komen, is zich in alles gelijkvormig te maken aan den
1
Jer. 31. 3.
2
2LEph, 5. 2.
â 343 â
goddelijken wil. Iemand, die God volmaakt bemint, zegt de H. Bernardus, non potest veile nisi quod Deus vult 1), liet is hem niet mogelijk iets anders te willen dan wat God wil. Velen zeggen met don mond, dat zij geheel overgegeven zijn aan den wil van God; maar wanneer zij bezoclit worden door een of' anderen tegenspoed, door een o( andere lastige ziekte, dan zijn zij ontroostbaar. Niet alzoo de zielen die werkelijk gelaten zijn: dezulken zeggen in dergelijke gelegenheden : het is of het. was de wil des welbeminden, en zij zijn aanstonds tevreden. Amori sancto omnia dulcia sunt, zegt do H. Bonaventura. Voor iemand die God bemint, wordt alias zoet. Die zielen weten dat er niets op de wereld gebeurt, tenzij op bevel of door toelating van God; en daarom buigen zij bij alles wat hun overkomt, het moge zijn wat het wil, nederig het hoofd, en zijn tevreden met alles wat de Heer beschikt. Immers ofschoon God niet wil, dat anderen ons vervolgen en
23
1
Serm. ad Fratr.
â 344 -
ons nadeel berokkenen, loeli wil Hij 1
om rechtvaardige redenen, dat wij de i
vervolgingen die wij te verduren hebben, c
het nadeel wat ons berokkend wordt 1 geduldig verdragen. J j De H. Catharina van Genua zeide eens: : i
Indien God mij in het diepste der hel i
zon neerstorten, ik zou nog zeggen: (
Het ts ons goed hier te zijn. Het is mij ]
genoeg, dat ik mij hier bevind door 1
den wil van mijn Beminde, want Hij ]
bemint mij meer dan iemand anders, i
en weet, wat voor mij het beste is. i
O hoe zoet is het rusten in de armen (
van den goddelijken wil! 1
De eenige zorg van iemand, die zich ; toelegt op bet gebed, zegt de H. The-resia, moet zijn; zijnen wil in alles â (
gelijkvormig te maken met den wil van tj i God, want daarin bestaat de hoogste i volmaaktheid. En daarom moet hij immer dat gebed herhalen van David; ( Doce me facere voluntatem tuam. 1) Heer, i daar Gij verlangt dat ik zalig worde, i leer mij dan ook immer uwen wil vol- :
â 345 â
bveugen. De volmaaktste akte vau liefde, welke een ziel kan doen, is die, welke de H. Panlus deed toen hij zich be keerde en zeide: Domine quid me vis facere? 1 j Heer, zeg mij, wat Gij van mij wilt, ik ben bereid het aanstonds te doen. Deze akte is meer waard, dan duizend maal vasten en duizend lijfkastijdingen. Dit- moet het doel zijn van al onze werken, van al onze verlangens en gebeden, het volbrengen van den goddelijken wil. Daarvoor moeten wij de allerheiligste Maagd aanroepen, ook onze heilige patronen en engelbewaarders ; wij moeten hun vragen, dat zij ons toch de genade verwerven den wil van God te volbrengen. En komen er dingen voor, die strijden met onze eigenliefde, o dan kunnen wij door eene akte van overgeving schatten winnen van verdiensten; gewennen wij ons daarom in zulke oogenblikken die schoone gezegden te herhalen, welke Jesus Christus ons met zijn eigen voorbeeld heeft geleerd, zooals: Den kelk, dien mijn Vader
1
Act. 9. 6
~ 346 â
mij gegeven heeft, zou ik dien niet drinken? 1) of wel: Ita Pater, quoniam sic fuit placitum ante te. 2) Heer, aizoo behaiigt het aan U, alzoo behaagt het ook aan mij, ofwel zeggen wij met den vromen Job : Het is geschied gelijk het den Heer behaagd heeft; de naam des Heeren zij gezegend. 3) Eén »Gocl zij geloofdquot; in tegenspoed, zegt de eerbiedw. Pater Avila, is meer waard dan duizend dankzeggingen in voorspoed. Wij herhaien hier wat wij boven gezegd hebben : het is zoet rns-ten in de armen van Gods wil, want dan wordt het woord bewaarheid van den H. Geest: IVat den rechtvaardige ook overkome, het zal hem niet bedroeven. 4)
4.
Het vierde middel om in Gods liefde te ontbranden is het inwendig gebed. De eeuwige waarheden kan men niet gelijk de zichtbare dingen dezer wereld met de oogen des lichaams aauschou-
1
Joa. 18. 11.
2
Matth. 11. 26.
3
Job. 1. 21.
4
Prov. 12. 21.
â 84=7 â
wen, maar men kan ze alleen zien met de oogen des verstands. Als wij daarom niet een gedeelte van onzeu tijd aan de beschouwing der eeuwige waarheden wijden, en vooral, als wij niot dikwijls denken aan onze verplichting om God te bemiunen, aan zijne volmaaktheden, aan al die woldaden die hij ons bewezen heeft, en aan zijne groote liefde voor ons, dan zal ons hart zich niet gemakkelijk losmaken van de genegenheden dezer wereld en zijne liefde moeielijk geheel aan God kunnen schenken. In het gebod toont God ons de nietigheid van al het aardsche en de groote waarde van do goederen des hemels; daar doet Hij in zijne liefde ontvlammen de harten, die aan zijne uitnoodiging niot weerstaan.
Vele zielen echter beklagen zich, dat zij zich tot het gebed begeven, maar er God niet vinden; omdat zij er zich toe begeven met een hart vol van de wereld. Onthecht uw hart van de schepselen, zegt de H. Theresia, zoek dan God en gij zult Hem vinden. De Heer is voor iemand die Hem zoekt, geheel
â 348 â
goedheid. Bonus est Dominus animae quae-renti ilium. 1) Om derhalve in het gebed God te vinden, moet de ziel zich ontdoen van allo genegenheid voor de zaken dezer wereld, dan toch zal God haar toespreken : Ik zal haar in de eenzaamheid leiden en daar tot haar hart spreken. -) Doch om God te vinden, merkt de H. Gregorins aan, is de eenzaamheid des liehaams niet voldoende, ook de eenzaamheid des harten is noo-dig. De Heer zeide eens tot do H. Theresia: Tot menige ziel zou ik gaarne spreken ; maar de wereld maakt zooveel gedruisch in haar hart, dat mijne stem er niet kan gehoord worden. O als do ziel, die zich tot het gebed begeeft, waarlijk onthecht is, dan spreekt God wel tot haar. Hij doet haar zijne groote liefde kennen, en do ziel alsdan brandend van liefde, (zegt een schrijver), zij spreekt niet, maar o wat zegt zij veel, en dat stilzwijgen der liefde (zoo gaat dezelfde schrijver voort), zegt meer dan alle menschelijke welsprekendheid.
1
Thren. 3. 25.
- 349 â
In elke zucht openbaart dan de ziel geheel haar binnenste, en in die zalige oogenblikken houdt zij niet op to herhalen : Dilectus mi as mihi ct ego illi. 1) Miju beminde is de mijne en ik ben de zijne.
5.
Het vijfde middel om tot een verheven graad van goddelijke liefde te komen is het gebed. *) Wij zjjn arm aan alles ; maar als wij bidden zijn wij rijk aan alles, want God heeft beloofd, dat hij een ieder die bidt, zal ver-hooren. Vraagt, zegt Hij, en u zal gegeven ivovden. Petite et dabitur vobis. '-) Welk grooter bewijs van genegenheid kan een vriend geven aan zijnen vriend dan te zeggen; Vraag mij wat gij wilt, ik zal het u geven. Welnu, dit zegt God tot een ieder van ons. God is de Heer van alles, en Hij belooft alles te geven wat men Hem vraagt; als wij
1
Cant. 2. 16.
*) Het gebed waarvan do H. Alphonsus hier spreekt is hot tjebed in den strikten zin'⢠smeokeii, vragen.
- 350 -
dus arm ziju is het onze eigene schuld; omdat wij nl. de genaden die wij noodig hebben, niet vragen. Ziedaar ook de reden waarom het inwendig gebed een noodzakelijkheid is voor allen, want zonder inwendig gebed zal men te midden der wereldsche beslommeringen weinig denken aan zijne ziel. Doch beoefent men het inwendig gebed, dan zal men. de behoeften zijner ziel kennen, men zal de noodige genaden vragen en die ook verkrijgen.
Geheel het leven der heiligen was oen leven van overweging en gebed, en al die genaden, waardoor zij heilig zijn geworden, zij hebben ze door het gebed ontvangen. Indien wij derhalve zalig willen worden, indien wij tot de heiligheid willen geraken, dan moeten wij immer aan de deur van Gods barmhartigheid staan, en daar alles vragen wat ons ontbreekt, het als een aalmoes afbidden. Hebben wij behoefte aan nederigheid; laten wij er slechts om vragen, en wij zullen nederig worden; hebben wij geduld in de kwellingen noodig, vragen wij het slechts, en wij
â 351 â
zullen geduldig worden. Verlangen wij do goddelijke liefde, laten wij baar dan vragen en wij zullen ze verkrijgen. Vraagt en u zal gegeven worden; het is een goddelijke belofte, die niet kan falen. En om ons vertrouwen in het gebed nog grooter te maken heeft Jesus Christus ons beloofd, dat welke genade wij den Vader ook zullen vragen in zijnen naam, of ter zijner liefde, of door zijne verdiensten, de Vader ze ons allo zal geven: Amen amen dico vobie: si quid petieritis Patrem in nomine meo dabit vobis. 1) En op eene andere plaats: Al wat gij aan mij zeiven zult vragen ook in mijnen naam, om mijne verdiensten. zal ik doen : Si quid petieritis me in nomine meo hoe faciam. 2) Ja, want het is een geloofspunt: wat God kan, dat kan ook Jesus Christus, daar hij Gods Zoon is.
1
Joa. 16. 23.
2
Joa. 14. 14.
Gebed van den H. Bonaventura tot Jesus Christus om zijne heilige liefde te verwerven.
0 allorzoetsto Jesus, doorwond mijn hart mot den zoeten schicht nwer liefde, opdat ili immer moge kwijnen, immer moge verteeren van liefde tot ü, van verlangen naar ü; dat ik er daarom naar smachte dit leven te verlaten om mij volkomen met U te vereenigen in de gelukzalige eeuwigheid. Maak, dat mijne ziel immer hongere naar U, o brood der engelen, Jesus in het H, Sacrament. Dat zij immer naar ü dorste, o bron van leven en van licht. Naar U zij haar verlangen, U zoeke zij, tot U slechts spreke zij, ü vinde zij, en alles verrichte zij immer tot uwen lof en glorie. Wees Gij, o Verlosser, mijn eenige hoop, Gij mijn rijkdom, mijn troost, mijn vrede, mijn toevlucht, mijn wijsheid, mijn deel, mijn schat, waaraan mijn verstand en mijn hart immer gehecht blijven.
â 853 â
Gebed lot de Allevheiligste Maafr J Maria om de liefde te bekomen tot Jesus en tot haar.
0 Maria, Gij verlangt zoozeer uwen lieven Zoon Josus bemind tc zien, o als Gij mij bemint, ziellier dan do genade die ik door ü vraag, en die Gij mij noodzakelijk moet verwerven: verkrijg mij een groote liefde tot Jesus Christus, maak dat ik niets anders beminne dan Hem. Gij verkrijgt van Hem al wat Gij wilt, verhoor mij dan, bid voor mij en troost mij; bind mij zoodanig aan Jesus, dat ik niet meer ophoude Hem te beminnen. Verwerf mij ook eene groote liefde tot ü, die het meest beminnende, het beminnelijkste en het meest door God beminde schepsel zijt. Ik heb een groot vertrouwen in uwe goedertierenheid, en ik bemin U, mijne Koningin; maar ik bemin U weinig; verwerf Gij mij van God eene veel grootere liefde; want U beminnen is een genade, die God alleen schenkt aan die Hij zalig wil zien.
Dat Jesus leve, onze liefde,
En Maria onze hoop.
------
II.
Over de gelijkvormigheid aan den wil van God.
eheel onze volmaaktheid bestaat in de liefde tot onzen allerbe-minnelijksten God. De liefde is de band der volmaaktheid. 1) Maav de gelieelo volmaaktheid weder van de liefde tot God, bestaat in onzen wil met den allerheiligsten wil van God te vereenigen. Ziedaar, zegt de H. Dionysins de Areopagiet, 2) het voornaamste uitwerksel der liefde: den wil der beminden te vereenigen, zoodat beiden het-
Coloss. 3. 14. 2} de divin. nom. 4.
â 355 â
zelfde willen. Hoe meer daarom iemand met dien goddelijken wil vereenigd is, des te grooter zal zijne liefde zijn. Zeker aangenaam zijn aan God de verstervingen, de overwegingen, de com-munion, de weikeu van naastenliefde; doch wanneer ? wanneer zij volgens zijn H. wil zijn. Wanneer liet ecbter zijn wil niet is, dat zij geschieden, zijn zij aan aan God niet alleen niet aangenaam, maar dan worden zij door Hem zelfs verafschuwd en gestraft. Veronderstel iemand heeft twee dienaren: de een werkt den geheelen dag zonder zich een oogenblik rust te gunnen, doch hij doet alles volgens zijn eigen inzicht; de ander werkt niet zooveel, maar hij is in alles gehoorzaam ; zeer zeker zal die tweede door zijn meester bemind worden, en de eerste niet. Wat baat het dat wij werken voor de glorie Gods, als Hij ons werk niet verlangt? De Heer verlangt geene offeranden (zeide de profeet tot Saül) maar gehoorzaamheid aan zijnen H. wil. Numquid vult Domi-nus holocausta et victimas et non potius ut ohediatur voci Domini?. . . . Quasi
scclus idololatriae est nolle acquiescere. 'j Een inensch die wil werken volgens zijn eigen wil, zonder den wil Gods, bedrijft een soort van afgoderij, want in plaats van den wil van God te aanbidden, aanbidt liij in zekeren zin zijn eigen wil.
De hoogste glorie derhalve die wij aan God kunnen geven, is in alles zijnen heiligen wil te volbrengen. Onze goddelijke Verlosser die op aarde de glorie Gods kwam herstellen, heeft ons voornamelijk dit door zijn voorbeeld willen leeren. Hoort, hoe de heilige Paulus Hem tot zijn eeuwigen Vader laat spreken: Slachtoffer en offerande heht gij niet gewild; maar een lichaam hebt gij mij toebereid. Toen sprak ik: Zie ik kom om uwen wil te doen, o God. 1) Gij hebt, o Vader, de slachtoffers die de menschen U aanboden geweigerd; maar Gij wilt, dat ik U het leven offere, dat Gij mij gegeven hebt. Ziedaar dan, ik beu bereid uwen wil te volbrengen. Ook heeft de goddelijke Zalig-
1
Hebr. 10. 5.
357
maker meermalen uitdrukkelijk betuigd, dat Hij niet gekomen was om zijn eigen wil te doen, maar dien van zijnen Vader: Descendi de coelo, non ut faciam volun-tatem meam, sed voluntatem ejus qui misit ma. 1) En het kenteeken waaraan de wereld de liefde moest erkennen, die Hij zijnen Vader toedroeg, was geen ander dan zijne gehoorzaamheid aan Gods wil, waardoor Hij zich voor de zaligheid der menschen slachtofferde aan het kruis. Hij zelf verklaarde dit toen Hij in den hof zijnen vijanden, die hem kwamen gevangen nemen, te ge moet ging: Opdat de iveretd wete, dat ik den Vader liefheb, en zóó doe gelijk de Vader mij bevolen heeft, staat op en laat ons van hier gaan 2) Ten laatste zeide Hij nog, dat Hij een ieder die den wil van God volbracht, als zijnen broeder beschouwde; Qui fecerit voluntatem Patris mei ipse meus frater est. 3) Alle heiligen dan ook stelden zich immer ten doel den wil van God te
â 358 â
volbrengen, want zij begrepen dat daarin de geheele volmaaktheid bestaat van eene ziel. De gelukzaligs Henricus Suzo zeide: 'j âGod verlangt niet, dat wij overvloeien van zalige ingevingen, maar dat wij ons in alles onderwerpen aan zijnen wil.quot; Eu de H. Theresia: ,,De eenige zorg van eene ziel, die het gebed beoefent, moet zijn, haren wil aan dien van God gelijkvormig te maken: en zij boude zich verzekerd, dat daarin de hoogste volmaaktheid bestaat. Hij die deze gelijkvormigheid het volmaaktste beoefeut, zal van God de grootste gaven ontvangen en den meesten voortgang maken in hot inwendig leven.quot; De gelukzalige Stephana van Soncino, eene domi-uicanesse werd eens in een visioen ten hemel opgevoerd, zij zag daar hoe eenige overledene personen, die zij gekend had, eene plaats innamen onder de Seraphij-nen, en tegelijk werd haar gezegd, dat deze zielen tot zoo hooge glorie verheven waren om de volmaakte gelijkvormigheid, die zij op deze wereld be-
1) Matth. 12. 50.
2) L. 2. o. 4.
â 359 â
dn tüond badden aan den wil van God. an De reeds genoemde Henricus Suso zeide zo nog, van zich zei ven sprekende: »Ik (rij wil veel liever de ellendigste worm ar der aarde zijn met den wil van God m dan een seraphijn met mijn eigen wil.'' )e Op deze wereld moeten wij van de
id zaligen des hemels leeren, hoe wij God n moeten beminnen. De zuivere en vol-n maakte liefde nu, welke de zaligen in u den hemel aan God toedragen, bestaat ij in hunne volmaakte vereeniging met e zijnen heiligen wil. Wanneer de sera-i phijnen het als den wil van God zouden j aanzien, dat zij de gansche eeuwigheid besteedden om zand te verzamelen aan de stranden der zee of onkruid uit te roeien op de velden, zij zouden dit bereidvaardig, ja met de grootste blijdschap doen. Nog meer: Indien God hun oen wenk gaf, om te gaan branden in het vuur der hel, onmiddelijk zouden zij zich in dien afgrond neerstorten om aldus don goddelijken wil te volbrengen. Eu dat is het wat Jesus Christus ons leerde vragen, nl. dien goddelijken wil te volbrengen op aarde, gelijk de hei-
â 360 â
ligen zulks doen in den hemel: Fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra. 1) De Heer noemde David een man naar zijn li art, omdat liij in alles Gods wil vervulde : Inveni David virum secundum cor meum qui faciet omnes volun-tntes me as. 2) Immer was David bereid Gods heiligen wil tc volbrengen, gelijk hij zelf meermalen betuigd beeft: Bereid is mijn hart, o God, mijn hart is bereid. 3) Ook vroeg hij niets anders van God dan hem dien heiligen wil te loeren volbrengen; Leer mij uwen wil doen. â *) Een enkele akte van volmaakte gelijkvormigheid aan den goddelijken wil is genoeg om iemand heilig te maken. Denk slechts aan Saulus: terwijl Saulus op weg is om do Kerk te vervolgen, treft hem Jesus Christus met een straal van zijn licht en bekeert hem. Wat doet nu Sanlus? wat zegt hij? Hij doet niets anders dan zich volkomen overgeven aan den goddelijken wil: Heer wat ivilt
1
Matth, 6. 10.
2
Act. 13. 22.
3
3i Ps. 56. 8 en 107. 1.
â 361 â
t Gij dat ik doe ? 1) En ziedaar op het-
) zelfde oogenblik doet God hem kennen
i als het vat van uitverkiezing, den apostel
s der heidenen: Fas electionis est mi hi
iste, ut portet nomen meum coram gen-tibus 2) En geen wonder, want hij die 1 aan God zijnen wil geeft, geeft Hem
c alles. Wie aan God zijne goederen geeft
l door de aalmoes, zijn bloed door de
) lijfkastijding, zijne spijzen door te vasten,
1 hij geeft aan God een gedeelte van het
geen hij bezit, maar wie aan God zijnen wil geeft, geeft alles, hij kan in waarheid zeggen : âIk ben arm. Heer ; maar ik geef ü alles wat ik kan want nn ik mijn wil heb gegeven, blijft mij i niets meer te geven over.quot; Ziedaar dan
; I ook alles wat God van ons verlangt. 1 Mijn zoon, zoo zegt God tot een ieder I van ons, mijn zoon, geef mij uw hart, dat is : geef mij uw wil. Füi mi praeha cor tuum mihi. 3) Neen, zegt de H. Augustinus, wij brengen God nooit aangenamer offer, dan wanneer wij Hem
1
Act. 9. 6.
2
Ibid. 15.
3
Prov. 23. 26.
- 362 â
zeggen: Heer, neem bezit van ons: wij geven aan U geheel onzen wil, geef ons slechts te kennen, wat Gij van ons begeert, en wij zullen het doen. Nihil ijratius Deo possumus offerre, quam ut clicamus ei: posside nos. Indien wij derhalve ten volle aan de wenwehen van Gods hart willen beantwoorden, laten wij dan zorgen ons in alles gelijkvormig te maken aan zijnen heiligen wil, en niet alleen gelijkvormig maar ook éénvormig. Om met Gods wil gelijkvormig te zijn is het genoeg, dat wij onzen wil naar Gods wil schikken; maar om éénvormig te zijn, moet daarenboven onze wil met Gods wil geheel één worden, zoodat wij niets anders willen dan hetgeen God wil, en alleen wat God wil, ook onze wil is. Dat is het toppunt van de volmaaktheid, waarheen wij al ons streven moeten richten; dat moet het doel zijn van al onze goede werken, van al onze verlangens, van al onze overwegingen en gebeden. Vooral daarvoor moeten wij de hulp at'smeeken van onze heilige voorsprekers, onze beschermengelen, en bovenal van de aller-
â 363 â
heiligste Maagd Maria, immers juist daarom is zij de volmaaktste geweest onder de heiligen, omdat zij immer het volmaaktst vereenigd is geweest met den goddelijken wil.
Doch het punt, waarop hier alles aankomt is, dat wij ons met den goddelijken wil vereenigen in alle zaken, zoowel in hetgeen ons bevalt, als in hetgeen met onze neigingen in strijd is.
In den voorspoed weten zich zelfs de zondaren wel met den goddelijken wil te vereenigeu; maar de heiligen alleen doen dit ook in tegenspoed en in zaken die aan hunne eigenliefde mishagen. Ziedaar dns waaraan men zien kan of onze liefde tot God volmaakt is. De eerbiedwaardige Pater Joannes Avila zeide; Kén ,,God zij geloofdquot; in tegenspoed is meer waard dan duizend dankzeggingen als de zaken naar wensch gaan.
Wat meer is: wij moeten ons met den goddelijken wil vereenigen niet alleen in de tegeuheden, die ons rechtstreeks toekomen van God, zooals ziekten, kwellingen des geestes, armoede, verlies
â 364 â
van bloedverwanten en dergelijke, maar ook in die, welke ons door bemiddeling der menschen overkomen, zooals versmading, verlies van goeden naam, on-reclitvaardige beiegening, diefstal en alle andere soorten van vervolging meer. En wat wij hier wel moeten in het oog houden, is dit: Wanneer wij door iemand benadeeld worden in onzen goeden naam, in onze eer of in onze bezittingen, dan wil God wel is waaide zoude niet van den persoon die ons benadeelt, maar hij wil toch onze vernedering, onze berooving, onze smart. Het is zeker, het is zelfs een punt van het geloof: er gebeurt niets op de wereld of het gebeurt door den wil of met toelating van God. Ik hen de Heer, die licht en duisternis vormt, die vrede maakt en rampen schept 1) Van God komt zoowel alle goed als alle kwaad, d. w. z. zoowel alle voor- als alle tegenspoed; wij toch noemen verkeerdelijk den tegenspoed een kwaad, ofschoon het in waarheid een goed
1
Is 45. 7.
â 3ü5 â
is, indien wij hem slechts ait Gods handen aannemen. Is er wel eenig kwaad in de stad, ivat niet van God komt? 1) zegt de profeet Amos. En reeds de wijze Man had het gezegd: Goed en Tcwaad, leven en dood komen van God. 2) Het is waar gelijk ik boven zeide: wanneer iemand ons onrechtvaardig benadeelt, dan wil God niet de zonde van dien persoon en God oefent geen invloed uit op diens kwaden wil; maar God oefent wel invloed uit in zoover de handeling, waardoor iemand u slaat, berooft, beleedigt, bloot natuurlijk is; zoodat het onaangename, wat gij lijdt, werkelijk door God wordt gewild en u toekomt van zijne hand. Daarom ook kon God zeggen, dat Hij en niemand anders de bewerker was van al de bitterheden, welke David zou te verduren hebben van zijnen zoon Absolon, ofschoon deze hom zelfs zijne vrouwen onder zijn oog zou ontrukken ; en dit tot straf zijner zonden. Zw ik zal ramp over u verwekken uit uw huis
1
Amos 3. t».
2
Eccl 11. 14,
en uwe vrouwen voor uwe oogen tvegnemen en ze aan uwen naaste geven. 1) Daarom ook zeidu God tot do kinderen van Israel, dat Hij tot straf hunner boosheid de Assyriërs zou zenden om bij hen te roeven en te plunderen. Assyrie is de roede mijns toorns, ik zal hem hevelen dat hij roove en den buit verniele. 2) De H. Augustinus verklaart dit aldus: God bedient zich van de boosheid der Assyriërs als van een bijl om Israel te kastijden. Tmpietas eornm tanquam securis Dei facta est. :5) En Jesus zelf zeide tot Petrus, dat zijn lijden en zijn dood Hem niet zoozeer toekwam van de menscheu als wel van zijnen hemel-scheu Vader: Den kelk dien mijn Vader mij gegeven heeft zal ik dien niet drinken ?
Toen de bode (men wil dat het de duivel was) aan Job kwam boodscliap-pen, dat de Sabeërs hem beroofd hadden van al zijne goederen en zijne zonen hadden gedood, wat antwoordde toen de heilige man ? De, Heer heeft gegeven,
1
2 lieg-. 12. 11.
2
Is. 10. 5. 8) In ps. 37.
de Heer heeft genomen. 1) Hij zegt niet:-de Hoer heeft mij mijne goederen, mijne zonen gegeven, en de Sabcërs hebben ze mij ontnomen; maar : de lieer heeft ze mij gegeven, de Heer heeft ze mij ontnomen; want zeer wel begreep hij, dat dit verlies door God was gewild, vandaar ook voegt hij er bij: Gelijk het aan God behaagd heeft, zoo is het geschied: de naam des Heeren zij gezegend. Als wij dus kwellingen hebben te verduren, moeten wij niet meenen dat zij ons alleen door toeval of dooide schuld der mensuhen overkomen; neen, wij moeten overtuigd zijn, dat al wat ons overkomt, ons overkomt door den wil van God. Quidquid hic accidit contra voluntatem nostram, novcris non accidere nisi de voluntate Dei. 2) Toen de gelukzalige martelaren van Jesus Christus, Epictetes en Astion 3) op bevel des tyrans lagen uitgestrekt op de pijnbank en daar met ijzeren haken werden vaneen gescheurd en met
1
Job. i. 21.
2
'2) 1). Aug;, in ps. 184.
3
Ros weid 1 J.
â 368 â
brandende toortsen geblakerd, zeiden zij anders niets dan: Heer, dat uw wil in ons geschiede; en toen zij aan de strafplaats waren gekomen, riepen zij met luide stem: Wees gezegend, o eeuwige God, want nu is uw wil volkomen in ons vervuld.
Caesarius 1) verhaalt, dat zeker kloosterling, ofschoon voor het uiterlijke niet in het minste van de anderen onderscheiden, evenwel tct zoo hoogen graad van heiligheid was gekomen, dat alleen door aanraking zijner kleederen de zieken werden genezen. Zijn overste hierover verwonderd, vroeg hem eens, hoe het zijn kon dat hij zoovele wonderen deed, daar toch zijn leven niets voorbeeldiger was dan dat van de anderen ? De kloosterling antwoordde, dat ook hij er over verwonderd was, en er de reden niet van begreep. Maar welke bijzondere godsvrucht beoefent gij dan, hernam de Abt. De goede religieus antwoordde, dat hij weinig of niets bijzonders deed, alleen had hij
1
Lib. 10. c. 6.
â 369 -
immer een groote zorg gehad om niets anders te willen, dan wat God wilde, en God had hem de genade gegeven van zich immer volkomen met den goddelijken wil te kunnen vereenigen. l)e voorspoed, (zoo sprak hij) verheft mij niet, en de tegenspoed slaat mij niet neder, want ik neem alles uit Gods hand aan; ook heb ik bij al mijne gebeden slechts een enkel inzicht, nl. dat Gods wil volmaaktelijk in mij mag worden vervuld. Maar die schade dan (hernam de overste) welke eergisteren onze vijand ons berokkend heeft, door onze hoeve, waar zich ons koorn en ons vee bevond, in brand te steken, bracht zij bij u dan niet het minste gevoel van verbittering te weeg ? Neen vader, antwoordde hij, integendeel, ik dankte er God voor gelijk ik in dergelijke omstandigheden gewoon beu te doen, want ik weet dat God niets doet of toelaat, wat niet tot zijne meerdere glorie en tot ons grooter welzijn is, ik ben dan ook altijd tevreden, er moog geschieden wat wil. Toen de abt dit gehoord had, en in die ziel eene zoo
â 370 â
groote gelijkvormigheid zag met den wil van God, was liij niet meer verwonderd, dat die kloosteriing zoovele groote wonderen verrichtte.
Doch die zich zoo gedraagt, wordt niet alleen een heilige, maar geniet ook reeds op deze wereld eenen blijvenden vrede. Men vroeg eens aan Alphonsus den groote 1) koning van Arragon, een zeer wijs vorst, wie naar zijne meening wel de gelukkigste menscli ter wereld was. Hij *gt;ntwoordde : Hi], die zich ver-eenigt met den wil van God, en alles, zoowel voor- als tegenspoed, nit Gods handen aanneemt. Hun die God beminnen, werkt alles mede ten goede 2) T)e zielen die God beminnen, zijn altijd tevreden, want hnn eenig genoegen is het volbrengen van Gods wil, en dit ook te midden van den tegenspoed, vandaar worden zelfs de kwellingen voor hen bronnen van troost, eu zijn zij blijde door dezelve te lijden genoegen te kunnen geven aan hunnen beminden Heer. fVat den rechtvaardige ook over-
1
Panorm. in vita.
2
Rom. 8.
â 371 -
komt, hel zal hem niet bedroeven. ') Inderdaad, kan iemand grooter geluk op aarde verlangen dan alles wat hij wil vervuld te zien? Welnn als iemand niets anders wil dan den wil Gods, ziet hij alles gebeuren wat hij wil, want alles wat op de wereld geschiedt, behalve do zonde, geschiedt door den wil Gods. Men verhaalt in de levens der woestijnvaders van zekeren landbouwer dat zijne akkers immer méér vruchten gaven dan die van de anderen. Toen men hem eens vroeg, hoe dit kwam, antwoordde hij, dat men zich daarover niet moest verwonderen, want hij had altijd juist het weêr wat hij verlangde: wel hoe? zeide men. Ja, antwoordde hij, want ik wil het weór nooit anders dan God het wil, en omdat ik van mijnen kant alles wil gelijk God het wil, daarom geeft God mij op zijne beurt vruchten, gelijk ik ze wil. De gelatene zielen, zegt Silvianus, hebben altijd hun zin; worden zij vernederd, zij willen het zijn; lijden zij armoede,
1) Prov. 2. 21.
- 372 â
zij willen arm zijn : in een woord, wat hun ook overkome, het is altijd volgens hunnen wil, en daarom zijn zij altijd gelukkig. Is het koud, is het warm, regent het, waait het, iemand die ver-eenigd is met den wil Gods zegt; ik wil dat het kond is, ik wil dat het warm is, dat het waait, dat het regent, want het is alzoo do wil van God. Treft hem armoede, vervolging, ziekte, welaan zegt hij, ik wil arm zijn, vervolging lijden, ziek zijn; ik wil zelfs sterven omdat ook God het aldns wil.
Ziedaar die schoone vrijheid der kinderen Gods, vrijheid meer waard dan alle heerschappijen en koninkrijken dezer aarde. Ziedaar d'e zoete vrede welke het erfdeel is der heiligen, een vrede (luae exsuperat omnem sensum, 1) die meer waard is dan alle genoegens dei-zinnen, meer waard dan alle feesten, alle vreugdemalen, alle eer en alle voldoeningen dezer wereld, want dat alles is ijdel en vergankelijk, en al streelt het een oogenblik de zinnen,
1
Philip. 4. 7.
â 373 â
het is onvoldoende, ja eene kwelling voor den geest. Vandaar dan ook dat Salomon, welke die aardscho genoegens in al hunne volheid had gesmaakt vol droefheid uitriep: Ook dit is ijdelheid cn kwelling des geestes. 1) De H. Geest zegt: De dwaze verandert gelijk de maan; de ivijze blijft in de wijsheid gelijk de zon. 2) De dwaze, d. i. de zondaar is gelijk aan de maan, die heden wast en morgen afneemt: vandaag ziet men hem lachen, morgen ween en; vandaag is hij zachtmoedig, morgen ontembaar als een tijger; en hoe komt dat? Omdat zijn gesteltenis afhangt van de fortuin, hij verandert naar gelang van de omstandigheden, waarin hij verkeert. De rechtvaardige echter is gelijk de zon, altijd even helder en blij, wat hem ook overkome, want het is hem een geluk zijnen wil immer te knnnen vereenigen met den wil van God, en daarom geniet hij een onverstoorbaren vrede. Vrede aan de menschen van goeden wil, zeide de engel tot de herders. Et
1
Eccli. 4. 16.
2
Eccli. 27. 12.
â 374 -
in terra pax hominibus bonae voluntatis. 1) Wie anders zijn die munschen van goeden wil, tenzij diegenen, welke hnnnen wil vereenigen met den goddelijken wil, die bovenal goed en volmaakt is ? Voluntas Dei bona, beneplacens ct perfecta. Ja want God wil sleelits wat het beste en volmaaktste is.
De heiligen genoten door hunne gelijkvormigheid aan den wil Gods, reeds een paradijs op aarde. Zindaar zegt de H. Dorotheas, hoe de oud vaders zich iu een zoo grooten vrede konden bewaren ; zij namen alles uit Gods handen aan. quot;Wanneer de H. Magdalena de Pazzi alleen maar het woord : wil Gods hoorde noemen, gevoelde zij zich zóó getroost, dat zij buiten zicli zelve geraakte in eene vervoering van liefde. Het is waar de mensoh blijft immer het bittere van don tegenspoed gevoelen ; maar, als zijn wil vereenigd is met dien van God, zal dit alleen plaats hebben in het lager gedeelte ; doch in het hooger gedeelte, in den geest, zal immer vrede
1
Luc. 2. 14.
â 375 â
en rust lieerschen. Uwe vreugde, zeide de Verlosser tot zijne apostelen, zal niemand u ontnemen. Uwe blijdschap zij volkomen 1) Iemand die immer gelijkvormig is met den wil van God, geniet eene volkomen en blijvende vreugde: zijn vreugde is volkomen, want gelijk wij boven zeiden, hij heeft alles, wat hij wil; zijne vreugde is blijvend, want niemand kan hem zijne vreugde ontnemen, omdat niemand kan beletten, dat hetgeen God wil, geschiedt.
Pater Joannes Tanlerus verhaalt van zich zeiven, 2) dat hij na God vele jaren te hebben gebeden om iemand die hem het ware geestelijk leven zou leeren, op zekeren dag eene stem hoorde die hem zeide: ga naar die en die kerk, daar zult gij vinden, wat gij zoekt. Hij gaat naar die kerk toe, en aan de deur vindt hij een bedelaar zonder schoenen aan de voeten et geheel haveloos; hij groet hem en zegt: Goede dag, vriend. De arme antwoordt: Mijnheer, ik herinner mij niet dat ik ooit
25
1
,To. 16. 22. ot 24.
2
Bij Saint Jure.
â 376 â
een kwaden dag heb gehad. Welnu, God schenke u een gelukkig leven, herneemt de pater. Maar, zeide de bedelaar, ik ben nimmer ongelukkig geweest. Luister vader, zoo ging hij voort, ik zeg niet zonder reden, dat ik nooit een kwaden dag heb gehad; want heb ik honger, ik loof God ; sneeuwt of regent hot, ik zegen Hem; word ik veracht, verstooten, of moet ik een andere kwelling verduren, ik zal er mijnen God altijd voor verheerlijken. Ik zeide ook dat ik nooit ongelukkig ben geweest, en ook dit is waar, want ik heb mij eigen gemaakt mijn wil in alles zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil van God, ik neem dan ook alles wat inij overkomt, hetzij zoet of bitter, met blijdschap uit Gods handen aan, ik beschouw het als voor mij het beste; ziedaar. Vader mijn geluk. Maar, hernam Tauler, indien God eens uw verwerping wilde, wat zoudt gij dan zeggen? Indien dat Gods wil was, antwoordde de bedelaar, zou ik hem vol ootmoed en liefde omhelzen, doch ik zou Hem zoo stevig vasthouden, dat wanneer Hij mij
â 377 â
In de hel wilde neerstorten, Hij genoodzaakt zou zijn zelf mede te gaan, en op die wijze zou het mij zoeter zijn mij in de hel te bevinden met Hem, dan zonder Hem alle geneugten te smaken van het paradijs. Waar hebt gij God gevonden ? zeide de pater. Daar, was het antwoord, waar ik de schepselen heb verlaten. â Wie zijtgij? â De arme: Ik ben koning. â Waar is dan uw rijk ? â Het is in mijn hart, waar alles door mij in de orde wordt gehouden, de hartstochten gehoorzamen er aan de rede, en de rede aan God. Ten laatste vroeg hem Tauler, wat hem tot een zoo hooge volmaaktheid had gebracht. Het stilzwijgen, antwoordde hij, waardoor ik mij heb afgezonderd van de menschen en mij leerde onderhouden met God, en vervolgens mijne gedurige vereeniging met God, in wien alleen ik steeds al mijn geluk heb gevonden. In een woord die bedelaar was zoo geworden door zijne groote gelijkvormigheid met den goddelijken wil; en voorzeker hij was in zijne armoede rijker dan al de koningen dezer aarde
â 378 â
en smaakte te midden van zijn lijden grooter geluk dan al de wereldlingen te midden hunner aardsclie genoegens.
O hoe groot is de dwaasheid van hen, die aan den wil van God weerstand bieden! Zij moeten toch de kwellingen verduren ; niemand immers kan beletten, dat de besluiten van God ten uitvoer worden gebracht. Want zijnen laü ivie weerstaat er aan? 1) Maar daarenboven lijden zij alles zonder vrucht, ja bereiden zich bovendien nog grooter straffen in de eeuwigheid en verzwaren hun lijden op deze wereld. Wie heeft Hem i weerstand geboden en heeft vrede ge
smaakt? 2) Laat die zieke te midden zijner smarten jammeren zooveel hij wil, laat die arme in zijne ellende over God klagen, laat hij zich toornig maken, laat hij vloeken zooveel het hem behaagt, waartoe zal het hem dienen ? Waartoe anders tenzij om zijn leed te verdubbelen. Quid quaeris homuncio, quaerendo bona? (zegt de H. Augustinus), Quaere unuin bonum in quo sunt omnia
! 1) Rom. 9. 19.
2) Job. 9. 4.
379 â
bona. O ellendige inensch, waarom gaat ge het zoeken buiten God ? Zoek uwen God, vereenigt u met Hem, hind u vast aan zijnen heiligen wil en ge zult immer voor tijd en eeuwigheid, gelukkig zijn.
Wat immers wil God ten slotte anders tenzij alleen ons geluk ? kunnen wij ooit een vriend vinden, die ons meer bemint dan God? Het eenige wat God wil is dat niemand verloren ga, maar dat allen zalig worden en zich heiligen. Nolens aliquos perire, sed omnes ad poeni-tentiam rcverti. ') Voluntas Bei sancti-ficatio veslra 1) God heeft in ons welzijn zijne glorie gesteld, want daar Hij, gelijk de H. Leo zegt, uit zijne natuur eene oneindige goedheid is, Deus cujus natura bonitas, en do goedheid van nature zich zoekt mede te deelen, zoo heeft God een allervurigst verlangen om do zielen deelgeuooten te maken van zijne goederen en van zijn geluk. En wanneer God ons in dit leven kwellingen overzendt, geschiedt dit alleen voor ons
1
1. Thess. 4. 'ó.
- 880 â
welzijn. Alles wevht mede ten goede. 1) ook
Zelfs de kastijdingen, die ons van God Ik
toekomen, zendt Hij ons, gelijk de god- inslt vreezende Judith zegt, niet over tot ons verderf, maar alleen opdat wij ons zonden beteren en zalig worden. Ad
emendationem, non ad pevditionem, eve- dim
nisse credcimus. j Om ons van het eeu- niai
wig verderf te vrijwaren beschut God wij
ons met zijnen goeden wil. Domine ut Goc
scuto bonae voluntatis tuae coronasti nos. 2) lige
God verlangt niet alleen ons geluk, en
maar Hij is er zelfs bezorgd voor: Deus (zoc
sollicitus est mei. 3) En wat zon God van
ons ook kunnen weigeren, zegt de H. ik
Paulus, Hij, die ons zijn eigen Zoon dik
heeft gegeven ? Qui propria Filio suo ben,
non pepercit, sed pro nobis omnibus tra- Mij
didit illum, quomodo non etiam cum Ulo wil
omnia nobis donavit ? 4) Laten wij ons and
dns in dat vertrouwen geheel aan Gods te
beschikkingen overgeven, daar toch alles aan
geregeld is tot ons welzijn. Wat ons heil
vra
mijt in : zon
1
Kom. 8. 28.
2
Ps. 5. 13.
3
Ps. 39. 18.
4
Rom. 8. 32.
- 381 â
') ook overkomt laten wij immer zeggen :
!od Ik zal gerust mij nederleggen en tegelijk
Dd- inslapen, want Gij, o Heer, Gij alleen zijt
tot mijne hoop. ') Geven wij ons geheel over
ons in zijne handen, want zeer zeker, Hij zal
Ad zorg voor ons dragen: Omnem sollicitn-
;ve- dinem vestram projicientes in eum, quo-
eu- niam ipsi cura est de vobis. -) Laten
xod wij van onzen kant slechts denken aan
: ut God, aan de vervulling van zijnen hei-
. 1) ligen wil, en God zal denken aan ons,
nk, en ons gelukkig maken. Mijne dochter,
)eus (zoo zeide de Heer tot de H. Catharina
gt;od van Siena) denk gij aan mij, dan zal
H. ik immer aan u denken. Zeggen wij
oen dikwijls met de gewijde bruid: Mijn
suo beminde is aan mij en ik ben aan Hem. 3)
'ra- Mijn beminde denkt om mijn geluk, ik
Ulo wil dan ook op mijne beurt om niets
ons anders denken dan om hom genoegen
lods te geven en mij in alles te onderwerpen
dies aan zijnen heiligen wil. Volgens den
ons heiligen abt Nilus moeten wij God niet vragen, dat Hij late geschieden hetgeen
1
Cant. 2. 16.
â 382 -
wij verlangen, maar alleen, dat zijn heilige wil in ons vervuld worde. En wanneer ons beproevingen overkomen, lafen wij ze dan ait Gods handen aannemen, en dat niet alleen met geduld maar zelfs met blijdschap, gelijk de apostelen deden, die vol vreugde weggingen van den hoogen raad, omdat zij waardig waren geacht voor den naam van Jesus versmading te lijden. Ihant gaudentes a consjiectu concilii, quoniam digni habiti sunt pro nomine Jesu con-tumeliam pati. 1) Wat grooter geluk kan er zijn voor eeue ziel dan te lijden, en daarbij te kunnen denken, dat zij door haar kruis geduldig te dragen God het hoogste genoegen geeft, wat zij Hem geven kan ? Ofschoon God hoogen prijs stelt op het verlangen van sommige zielen om ter Zijner liefde te lijden, toch vindt Hij, volgens de leermeesters van het geestelijke leven, nog grooter welbehagen in de gelijkvormigheid van diegenen, welke noch getroost, noch beproefd willen zijn; maar, geheel over-
1
Act, ft. 41.
â 383 â
gegeven aan zijnen wil, niets anders verlangen te volbrengen, dan wat Hij begeert.
Indien gij dan godvruchtige ziel, welgevallig wilt zijn aan God en tevens op deze wereld een gelukkig leven wilt leiden, vereenig u dan immer en in alles met den goddelijken wil. Bedenk, dat al de zonden van het ongeregeld en bittere leven, wat gij misschien vroeger geleid hebt, alleen daaruit zijn voortgekomen, dat gij zijt afgeweken van den wil Gods. Omhels dan van nu af aan het goddelijk welbehagen, en zeg immer bij al wat u overkomt; Zoo geschiede het Vader, uijl het aldus aan U behaagd heeft. ') Wanneer gij u om een of ander ongeval bedroefd gevoelt, denk dan dat het u is toegekomen van God, zeg dan ook aanstonds: God ivü het zoo, en wees tevreden. Heer, daar Gij het gedaan hebt zal ik zwijgen en het gewillig aannemen. Obmuti et non aperui os meuvi, quoniam tu fecisti. 1) Aan dat eene doel moeten al uwe ge-
1
T's. 38.
â 384 â
dachten al uwe gebeden gewijd zijn, d. w. z. aanhoudend moet ge bezorgd zijn en aanhoudend moet ge God vragen, èn bij de meditatie, èn bij de H. Communie èn bij het bezoek aan het H. Sacrament, dat Hij u toch de volmaakte vervulling leere van zijnen H. Wil. Draag u zeiven ook voortdurend aan God op, zeg dikwijls: Zie mijn God, ik bied ü mij zelvcn aan, doe met mij en met al het mijne, gelijk het U behaagt. Dat was cb oefening van de H. Thoresia, minstens vijftig maal daags droeg de heilige zich aan den Heer op en gaf zich geheel aan zijno heilige beschikkingen over.
O zalig gij, beminde lezer, indien gij dit immer zult doen, zeker dan zult gij een gelukkig loven hebben, maar bovenal een gelukkigen dood. Als iemand uit dit leven scheidt, dan hangt alle hoop die wij omtrent zijne eeuwige zaligheid koesteren alleen daarvan af, of wij hem gelaten zien sterven of niet. Als gij derhalve, gewoon om tijdens uw leven alles wat u van God word toegezonden bereidwillig te aanvaarden,
â 386 â
eveneons uit onderwerping aan Gods heiligen wil uwen dood zult aannemen, dan is uw zaligheid verzekerd en gij zult sterven als een heilige. Welaan geven wij ons dan geheel aan het welbehagen van onzen God over, van onzen God, die oneindig wijs is, en dus weet wat voor ons het beste is, die oneindig goed is â immers Hij heeft ter onzer liefde zijn leven gegeven â en daarom ook het beste voor ons wil. Laten wij er wel van verzekerd en overtuigd zijn, zegt de H. Basilius, God draagt onvergelijkelijk veel meer zorg voor ons geluk, dan wij zeiven het ooit zouden doen of verlangen kunnen.
Maar komen wij nu tot do praktijk en zien wij, waarin wij ons in het bijzonder met Gods wil gelijkvormig moeten maken.
Op de eerste plaats moeten wij die gelijkvormigheid beoefenen in de natuurlijke dingen, die ons van buiten overkomen, bijv. bij groote hitte, groote koude, regen, duren tijd, besmettelijke ziekten, en dergelijke. Wachten wij ons voor uitroepen als dezo: welk een ondragc-
â 386 â
lijke hitte! welk eeu ijzingwekkende koude! welk een ongeluk! welk een rampzalig lot! welk eeu ongelukkige tijd! of voor andere dergelijke uitdrukkingen, die getuigen van weinig onderwerping aan Gods wil. De H. Fran-ciscus de Borgia kwam eens gedurende den nacht voor een huis zjjner orde, terwijl het sneeuwde; de heilige klopte verscheidene malen aan, maar daar de paters sliepen, werd bem niet opengedaan. Toen het dag geworden was, hadden dezen er groote spijt van, dat zij hem aldus onder den hlooten hemel hadden laten wachten; maar de heilige zeide gedurende dien tijd een grooten troost te hebben gesmaakt bij de gedachte, dat God zelf die sneeuwvlokken op hem liet neervallen.
Op de tweede plaats moeten wij do gelijkvormigheid beoefenen in zaken die zich voordoen in ons zeiven, zooals wanneer wij honger, dorst, of wel armoede, mistroostigheid, of versmading hebben te lijden. Ten allen tijde moeten wij zeggen: Heer, handel en beschik Gij, naar het U goeddunkt, ik ben
met alles tevreden, ik wil alleen wat Gij wilt. Pater Rodriguez zegt, dat wij ook op die wijze moeten antwoorden, bij die verschillende veronderstellingen welke de duivel ons soms voor don geest brengt om ons in een of anderen valstrik te lokken, of ten minste om ons te verontrusten, bijv.: Indien die of die u dit of dat zeide, u zoo en zoo behandelde, wat zoudt gij dan zeggen, wat zoudt gij doen? Laten wij hem dan eenvoudig antwoorden : Ik zou zeggen of doen hetgeen God wil. Op die wijze zullen wij ons voor alle fouten en voor alle kwellingen bewaren.
Op de derde plaats, wanneer wij een of ander natuurlijk gebrek hebben, hetzij dan naar de ziel of naar het lichaam bijv. een slecht geher.gen, traag verstand, weinig bekwaamheid, een misvormd lidmaat, zwakke gezondheid, laten wij ons daarover dan niet beklagen. Welke aanspraak hadden wij, en welke verplichting bad God om ons een beter verstand, een schooner lichaam te geven ? Had Hij ons niet kunnen doen terugblijven in het niet? Wie gaat, als hij
â 388 â
een geschenk hoeft ontvangen, daarop nog bedenkingen maken? Laten wij God dus dankbaar zijn v .or hetgeen Hij ons uit louter goedheid heeft gegeven, en zijn wij tevreden met hetgeen Hij van ons gemaakt heeft. Wanneer wij meer talenten, een betere gezondheid, een schooner uitzicht bezaten, wie weet of wij niet verloren zouden gaan ? Voor hoevelen zijn niet de talenten en de wetenschap die zij bezaten, een oorzaak geworden van hun eeuwig verderf? immers zij, die in deze dingen boven anderen uitmunten, komen er zoo gemakkelijk toe zich zeiven te verhoovaardigen en hunnen evenmensch te verachten.
Voor hoeveel anderen is de schoonheid of de sterkte des lichaams eene aanleiding geweest om zich in duizend misdaden te werpen ? En daarentegen hoevelen, die arm waren of ziek of mismaakt van lichaam, zijn daardoor heilig geworden en zalig, terwijl, indien zij rijk waren geweest of gezond of schoon van uiterlijk, zij misschien verdoemd waren gegaan. Stellen wij ons daarom tevreden met hetgeen God ons
â 38» â
heelt gegeven. Porro unum est neccssa-rium. 1) âEr is maar ééne zaak noodzakelijkquot;. Het is niet noodzakelijk dat wij schoon zijn, niet noodzakelijk dat wij cone goede gezondheid bezitten of een helder verstand, alleen is noodzakelijk, dat wij zalig worden.
Op de vierde plaats. Moeten wij bijzonder overgegeven zijn tijdens de lichamelijke ziekten. Wij moeten dezelve bereidwillig aannemen, en wel op die wijze en voor al den tijd dien het God behaagt. Evenwel moeten wij de gewone middelen aanwenden, daar ook dit de wil Gods is ; maar als deze niet helpen, laten wij dan onzen wil met Gods wil vereenigen, hetgeen ons veel voordeeliger zal ziju dan de gezondheid. Heer, zoo moeten wij dan zeggen, ik wil niet genezen en ik wil met ziek blijven; ik wil alleen wat Gij wilt. Zeer zeker, het is hooge deugd zicli tijdens de ziekte over zijne smarten niet te beklagen; maar wanneer deze ons hevig kwellen, is het geene fout deze aan onze
1
Luc. 10. 42
â 390 â
vrienden bekend te maken noch ook te bidden, dat de Heer er ons van bevrijde. Ik spreek hier echter alleen van groote smarten: want men vindt er velen, die grootelijks misdoen, omdat zij bij elke geringe smart of lichte ongesteldheid wel zouden verlangen, dat de geheele wereld hen kwam beklagen en over hen kwam schreien.
Doch wat de groote smarten aangaat, wij hooren zelfs Jesus Christus op het punt van zijn lijden te beginnen, zijne smarten aan zijne apostelen bekend maken. Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe. 1) Ook bidt hij den eeuwigen Vader Hem er van te bevrijden : Vader, indien het mogelijk is, Iaat dezen heli-van mij voorbijgaan. 2)
Maar Jesus leert ons ook, wat wij moeten doen, nadat wij aldus eens gebeden hebben; nl. ons dadelijk overgeven aan den goddelijken wil door er bij te voegen: Nochtans niet gelijk ik wil ; maar gelijk Gij. Hoe dwaas is het verder van sommige personen te zeggen.
1
Matth. 26. 3S.
2
Ibid 39.
â 391 -
dat zij de gezondheid verlangen uiet om het lijden, maar om beter bekwaam te zijn voor den dienst van God, om den regel te knnnen onderhonden, om nuttig te kunnen zijn aan de communiteit, naar de kerk te kunnen gaan, te knnuen communiceeren, boetvaardigheid te kunnen doen, te kunnen studeeren, te kunnen werken aan het heil der zielen door preeken, biecht hooren enz. Maar ik vraag u, godvruchtige ziel, waarom verlangt gij dat alles te doen? Om genoegen te geven aan God ? En wat gaat gij dan zoeken daar gij toch zeker weet, dat het Gods welbehagen is, niet dat gij bidt of' te communie gaat of boetvaardigheid oefent of' studeert, maar dat gij met geduld die ziekte en die smarten lijdt, welke Hij u heeft overgezonden? Vereenig dus liever uwe smarten met de smarten van Jesus Christus. â Maar het valt mij zoo zwaar, dat ik door mijne ziekte onnuttig, ja een last ben voor de communiteit, voor het huis. Maar gij moet gelooven, dat gelijk gij van uwen kant n aan den goddelijken wil onderwerpt.
â 892 â
ook uwe oversten het aldus doen, zij te
weten immers dat gij dien last aan as
het huis veroorzaakt, niet omdat gij vi
lui zijt, maar omdat het de wil is van ol
God. O die verlangens, die klachten, zi
zij komen niet voort uit liefde tot God, n
maar uit onze eigenliefde, die voor- v
wendsels zoekt om ons van den wil d
Gods afkeerig te maken. Willen wij v
welgevallig zijn aan Godquot;? Welnu laten I
wij dan, als wij aan het bed zijn ge- c
kluisterd tot God niets anders zeggen i dan dit eene woord : Fiat voluntas tua !
Heer uw wil geschiede, en dat eene woord g
laten wij het immer herhalen, tot hon- c
derd en duizendmaal toe, want daardoor s
alleen zullen wij aan God meer genoe- i
gen geven dan door alle mogelijke verstervingen en oefeningen van gods- v vrucht. Er is geen beter manier om God te dienen, dan zich met blijdschap te onderwerpen aan zijnen heiligen wil. De eerwaardige Pater Avila schreef eens aan een kranken priester als volgt:
Mijn vriend, houd n thans niet bezig \ met na te gaan. wat gij doen zoudt, k als gij gezond waart; maar stel u
â 393 â
tevreden met ziek te zijn zoolang het aan God zal behagen. Als gij den wil van God zoekt, wat maakt het n dan of gij gezond zijt of ziek? En zeer zeker, die dienaar Gods zeide dit met reden, want God wordt niet zoozeer verheerlijkt door onze werken, als wel door onze overgeving en onze gelijkvormigheid aan zijnen heiligen wil. Daarom zeide ook nog de H. Francis-cus van Sales, dat men God beter dient met lijden dan met werken.
Dikwijls ook zal het ons aan een geneesheer of geneesmiddelen ontbreken, ofwel de geneesheer zal er niet in slagen onze ziekte te kennen ; ook dan moeten wij ons onderwerpen aan den wil van God, daar Hij dit alles weder zoo beschikt tot ons welzijn. Men verhaalt van zekeren man, die eene groote godsvrucht had tot den H. Thomas van Kantelberg, dat hij, toen hij eens ziek was, bij het graf van dien heilige zijne gezondheid ging vragen; en hij kef le gezond naar zijn vaderland terug; m , zoo dacht hij later bij zich zelv^n, indien die ziekte eens beter ware voor
â 39lt;1 -
mijne zaligheid, waartoe zou mij dan mijne gezondheid dienen? Onder den indruk dier gedachte keerde hij naar het graf terug en bad nu den heilige datgene voor hem te vragen, wat het beste was voor zijn eeuwige zaligheid; nauwelijks had hij dit gedaan, of hij viel in zijne vorige ziekte terug en was er zeer blijde mee, want hij was nu overtuigd, dat God het zoo beschikte tot zijn welzijn. Eveneens verhaalt Su-lius, dat zeker blinde, door de voorspraak van den heiligen bisschop Ve-dastus ziende werd. Doch later bad hij den heilige, om in geval het gezicht niet dienstig was voor zijne zaligheid, weder blind te mogen worden, en ziet, nadat hij aldus gebeden had, werd hij weder blind gelijk te voren. Het beste dus, als wij ziek zijn, is noch gezondheid noch ziekte te vragen, maar ons eenvoudig over te geven aan den wil van God en Hem over ons te laten beschikken, gelijk Hem goeddunkt. Willen wij echter de gezondheid vragen, laten wij het dan ten minste doen met overgeving en onder voorwaarde, dat de
â 39r. â
gezondheid van rr.s lichaam wen schel ijk zij voor de zaligheid onzer ziel; anders is ons gebed verkeerd, en zal door God niet worden verhoord, want God verhoort geen gebeden, die niet met over-geving geschieden.
Den tijd van ziekte noem ik den toetssteen der geesten, want dan leert men kennen van welk gehalte do deugd is die eene ziel bezit. Als die ziel dan niet ongeduldig wordt, zich niet beklaagt, niet allerlei middelen zoekt; maar gehoorzaam is aan geneesheereu en oversten, zich rustig houdt, gansch overgegeven aan den wil van God, dan is dit een teeken, dat er werkelijk deugd in die ziel is. Maar wat te zeggen van een zieke, die zich beklaagt, die zegt dat de anderen hem niet genoeg bijstaan, dat zijne pijnen ondragelijk zijn, dat geen enkel geneesmiddel hem helpt, dat de geneesheer er niets van weet, ja zich somwijlen over God beklaagt, als drukte zijn hand al te zwaar op hem ? Toen de H. Franciscus, zoo verhaalt ons de H. Bonaveutura 1) in
1) C. 14.
- 396 â
diens leven, eens op buitengewone wijze liet
door de smarten werd gekweld, sprak ons
een zijner kloosterlingen hem in zijnen tig
al te grooten eenvoud aldus toe: Vader, hie
bid toch den goeden God u een weinig dai
genadiger te behandelen, want Hij schijnt go(
zijr uand al te zeer op u te verzwaren. Ni
Maar toon Franciscus dit hoorde, slaakte on
hij een kreet: Wist ik niet, zoo luidde Gi
zijn antwoord, dat uw onnoozelheid u 01
aldus deed spreken, ik zou u nimmer al
meer onder- mijne oogen willen zien, w
daar gij aldus de oordeelen Gods durft B
laken. En dit gezegd hebbende, wierp z:
hij zich hoewel geheel verzwakt en v
uitgeput van pijn, uit zijn legerstede e
op den grond en terwijl hij dien kuste, è
riep hij uit: Ik dank ü, Heer, voor c
al de smarten, die Gij mij hebt over- i gezonden, ik bid U, indien het U be- ' s haagt, er mij nog meer te geven. Het is mijn verlangen, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart, want de vervulling van uwen heiligen wil is voor mij de grootste troost, dien ik op deze wereld ^ kan genieten. .
Die onderwerping is ook noodig bij
- 397 â
het verlies van sommige personen die ons naar het tijdelijke of geestelijke nuttig zijn. De godvrachtige zielen begaan hieromtrent niet zelden groote fouten, daar zij zich hierin dikwijls niet aan de goddelijke beschikkingen onderwerpen. Niet van onze zielsbestierders moet onze heiligheid komen, maar van God. God wil dat wij ons voor de leiding onzer ziel van bestierders bedienen ; doch alleen dan, wanneer Hij ze ons geeft; wanneer Hij ze ons echter ontneemt, wil Hij, dat wij daarover niet ontevreden zijn, maar dat wij dan des te meer vertrouwen stellen op zijne goedheid, en Hem zeggen; Heer, Gij waart het die mij dien steun hadt gegeven. Gij ook zrjt het die hem mij hebt ontnomen, dat uw wil ten allen tijde geschiede; doch kom Gij nu zelf tusschen beiden, leer Gij zelf mij thans, wat ik doen moet om ü te dienen. En eveneens moeten wij alle andere kruizen, die God ons overzendt, uit zijne handen aannemen. Maar, zegt gij, die wederwaardigheden zijn straffen. Doch ik antwoord, zijn dan de straffen, die God
â 398 â
ons in dit leven overzendt, geen genaden, geen weldaden? Als wij God beleedigd hebben, moeten wij alleu op een of andere wijze aan zijne rechtvaardigheid voldoen, hetzij dan hier of hiernamaals. Laten wij daarom met den H. Augustinus zeggen: Heer brand hier, snijd hier, spaar ons niet op deze wereld: maar spaar ons in de eewvigheid, en met Job: Heer dit zij mijn troost, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart. l) Zeer zeker, iemand, die de hel verdiend heeft, moet verheugd zijn, als hij ziet dat God hem op deze wereld kastijdt, want dit moet hem zeer bemoedigen in zijne hoop, dat God hem in het andere leven wil sparen. Wanneer derhalve God ons beproeft, zeggen wij dan met den hoogepriester Heli: Hij is de Heer, Hij doe wat goed is in zijne oogen. 2)
Verder moeien wij ook nog gelaten zijn te midden van de kwellingen des geestes. Wanneer eene ziel zich op het
O 6. 10.
~) 1 Rpg. 3. IS
â 399 â
geestelijk leven begint toe te leggen, zal God haar gewoonlijk doen overvloeien van troost; maar als zij reeds meer in het inwendige bevestigd is, trekt Grod zijne hand terug. De Heer wil dan hare liefde beproeven, en zien of zij Hem ook dienen zal zonder reeds op deze wereld met gevoeligen troost te worden beloond. Zoolang wij leven (zegt de H. Theroida) is het niet te doen om veel van God te genieten; maar om zijnen H. wil te volbrengen. De liefde Gods bestaat niet in een teeder gevoel, maar in moedig en nederig God te dienen. Mot dorheid en bekoringen (zegt zij op eene andere plaats) neemt God do proef, wie Hem waarlijk beminnen. Laat do ziel das God bedanken, wanneer zij die zoetheden van Hem mag ontvangen ; maar laat zij niet treurig of ongeduldig worden, als zjj zich van dien troost beroofd ziot. Het is noodzakelijk bier de aandacht wel op te vestigen; sommige dwaze zielen toch meenen, als zij zich in dorheid bevinden, dat God hen verlaten heeft, of wel dat voor ben het geestelijk leven niet gemaakt is;
â 400 â
en aldus laten zij liet gebed varen en verliezen weder alles wat zij tot dan toe hadden gedaan. Er is geen schooner tijd om ons in de onderwerping aan den wil Gods te oefenen, dan juist de tijd van dorheid. Ik zeg niet dat gij geen smart moet gevoelen, als gij u van de tegenwoordigheid van uwen God beroofd z;r' ; het is niet mogelijk dat eene ziel zulks niet gevoelt, dat zij zich daarover niet beklaagt; immers onze Verlosser zelf beklaagde er zich over aan het kruis: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? 1) maar zij moet zich in haar lijden immer geheel overgeven aan den wil van God. Alle heiligen hebben die troosteloosheid en verlatenheid geleden. elk eene verhardheid van gemoed gevoel ik (schrijft de H. Ber-nardns); ik vind geen lust meer in de geestelijke lezing, geen behagen meer in de overweging, geen behagen meer in het gebed ! De heiligen waren meestal in staat van dorheid en beroofd van gevoeligen troost. Dezen laatsten schenkt
1
Matfh, 27. «i.
â 401 â
3ii I God slechts zelden, mogeljjk alleen aan )e zielen, die min of meer zwak zijn, om d hen op den weg der volmaaktheid niet
:1 ; te doen achterblijven ; maar de geneug-i ten die als helooning moeten gelden,
t behoudt Hij ons voor in het paradijs.
Deze aarde is een plaats van verdiensten, doch die verdienste wordt verkregen door lijden; de hemel is de plaats van belooning en van vreugde. Het verlangen en het streven der heiligen was daarom niet die gevoelige ijver met troost gepaard, maar de geestelijke ijver gepaard met lijden. 0, riep de eerbiedwaardige Joannes Avila uit, hoeveel beter is het in dorheid en bekoringen te zijn met den wil van God, dan zonder dien wil in verheven beschouwing 1 Maar zult gij zeggen: indien ik wist 'i dat die dorheid mij werd toegezonden door God, zou ik er mede tevreden zijn ; hetgeen mij echter kwelt en verontrust, is de vrees, dat zij misschien mijn eigen schuld is en cene straf voor mijne lauwheid. Goed, verbeter u dan van nwe J lauwheid, betoon u vlijtiger; of moet gij misschien, omdat ge in dorheid zijt.
â 402
ti zelveu gaan beangstigen, daarom nalatig worden in bet gebed en alzoo nw ellende verdubbelen ? Toegegeven, uwe dorbeid is voor n, gelijk gij zegt, eene straf; wordt die straf u dan niet toegezonden van God? Neem haar dus aan als eene kastijding die gij wel verdiend bebt, en vereenig u met den wil van God. Zegt gij niet, dat gij de bel bebt verdiend'? Waarom beklaagt gij u dan nu? Verdient gij wellicht, dat God u vertroost ? Kom, wees tevreden met de wijze waarop gij door God behandeld wordt, volhard in uw gebed, ga op den ingeslagen weg voort, en zie voortaan wel toe of misschien uwe klachten niet voortkomen uit gebrek aan nederigheid en uit uwe geringe overgeving aan den wil van God. Wanneer eene ziel zich tot het gebed begeeft, kan zij nooit grooter voordeel doen dan zich te vereenigen met den goddelijken wil; zeg daarom met groote overgeving: Heer ik neem deze beproeving uit uwe banden aan, ik neem haar aan voor zoolang het u behaagt. Indien het uw wil is, mij gedurende de gansche eeuwigheid in
â 403 â
dezen droevigen staat te laten, ik ben er mede tevreden. Een gebed op die wijze gedaan is wel is waar niet aangenaam, maar zal n nuttiger zijn dan de zoetste vertroosting.
Men moet echter bedenken, dat de dorheid niet altijd een straf is; dikwijls is zij niet anders dan eene beschikking Gods tot ons welzijn, eeu middel om ons nederig te houden. Opdat de H. Paulus zich op zijn ontvangen gaven niet zou verhoovaardigen, liet God toe, dat hij gekweld werd door bekoringen van onzuiverheid. Ne magnitudo revela-tionurn extoüat me datus est mihi stimulus cavnis meae, angelus Scitanae qui me colaphizet. ') Wie het gebed beoefent te midden van vertroostingen, doet niets groots. Est amicus socius mensae meae et non permanehit in die necessitatis. 1) Niet hem, die alleen aan tafel met u is, zult gij voor uwen waren vriend houden ; maar hem, die u in uwe kwellingen ter zijde staat, en dat geheel belangeloos. Wanneer God duisternis
1
Eccl. ti. 10.
â 404 â
en kwelling overzendt, dan keurt Hij zijne ware vrienden. Een zekere Palla-dius had eens veel te lijden van dorheid in het gebed. Hij ging nn naar den H. Macarins, en deze gaf hem den volgenden raad: Wanneer, zeide hij, bij u de gedachte opkomt om het gebed te verlaten, moet gij antwoorden; Gaarne wil ik mij ter liefde van Jesus Christus getroosten hier de muren mijner cel te bewaken. Ziedaar wat ook gij moet antwoorden. Als gij bekoord wordt om het gebed te laten varen en het u toeschijnt daar slechts tijd te verliezen, zeg dan ; Ik ben hier om aan God genoegen te geven. Al deden wij in het gebed niets anders dan de verstrooiingen en de bekoringen te verdrijven, zegt de H. Franciscus van Sales, toch zou ons gebed goed zijn. Ja, zegt ïauler, als iemand ondanks de dorheid in het gebed volhardt, zal God hem meer genaden geven, dan indien hij langen tijd zou bidden met grooten gevoeligen troost. Pater Eodriguez verhaalt, dat zeker persoon gedurende veertig jaren in zijn gebed nooit eenigen troost had gesmaakt;
- 405 â
maar dat hij toch op de dagen dat hij het deed, zich immer sterk gevoelde in de deugd, daarentegen wanneer hij het achterliet, eene zoo groote zwakheid ondervond, dat hij tot niets goeds in staat was. Volgens den H. Bonaventura en Gerson zullen velen God beter dienen als zij de verlangde ingetogenheid niet bezitten dan wel, want zonder dezelve zullen zy veel zorgvuldiger zijn en zich beter bewaren in do nederigheid; terwijl zij anders misschien hoovaardig zonden worden of zich aan lauwheid zouden overgeven, denkende, dat zij hetgeen zij zochten reeds hadden verkregen. En wat hier gezegd wordt van de dorheid, geldt ook van de bekoringen. Wij van onzen kant moeten zorgen de bekoringen te vermijden, doch wanneer God wil of toelaat, dat wij bekoord worden, hetzij dan tegen het geloof of tegen de zuiverheid of tegen welke deugd ook, moeten wij ons daarover niet beklagen, maar ons ook daarin onderwerpen aan den goddelijken wil. Toen de H. Paulus om bevrijding bad van de bekoringen tegen de zuiverheid,
â '106 â
antwoordde hem de Heer; Mijne genade is u genoeg. 1) Dit geldt ook voor ons. Als wij dus zien dat God ons niet verhoort en ons van een of andere lastige bekoring niet wil bevrijden, zeggen wij dan ; Heer handel en beschik Gg gelijk het U behaagt; mij is uwe genade genoeg ; doch help mij die toch nooit te verliezen. Niet de bekoring, maar de toestemming aan de bekoring berooft ons van de genade Gods. Wanneer wij echter de bekoringen bestrijden, dan zijn zij voor ons een middel om nederig te blijven, doen onze verdiensten aangroeien, maken dat wij veelvuldiger onze toevlucht nemen tot God, en aldus houden zij ons er van terug God te beleedigen en vereenigen ons inniger met zijne liefde.
Ten laatste moeten wij aan Gods wil gelijkvormig zijn wat aangaat onzen dood; wij moeten dien willen aanvaarden op den tijd en de wijze, waarop God ons dien wil overzenden. Toen de H, Gertrudis 2) eens een heuvel beklom,
1
2 Cor. 12. 9.
2
L. 1. vita c. 11.
â 407 â
gleed zij uit en viel in een laagte. Hare gezellinnen vroegen haar nu of zij niet. bevreesd was geweest om te sterven zonder Sacramenten; zij antwoordde: vurig verlang ik te sterven met de Sacramenten, maar meer prijs stel ik op den wil van God, want ik houd voor zeker dat de beste gesteltenis die men hebben kan om goed te sterven, daarin bestaat dat men zich eenvoudig onderwerpt aan den goddelijken wil. Ik verlang daarom elkeu dood, dien het God behagen zal mij te geven. De H. Gregorius verhaalt in zijne dialogen, 1) dat de Vandalen een zekeren priester hadden ter dood veroordeeld, met name Santolus, wien zij toestonden zelf den dood te kiezen, dien hij wilde ondergaan. De heilige man echter wilde niet kiezen, maar zeide: Ik ben in de handen van God en daarom wil ik don dood sterven, welken gij door zijne toelating mij zult aandoen; dien dood alleen wil ik en geen andere. Deze daad was aan God zoo aangenaam, dat, toen die barbaren
27
1
Lib. 3. cap. 37.
â 408 â
den priester hadden veroordeeld om onthoofd te worden, God den arm van den beul terughield; de barbaren door dit wonder getroffen scbonken den priester het leven. Dua wat de wijze van sterven aangaat, moeten wij dien dood voor het beste honden, welken God ons heeft voorbestemd. Denken wij aan onzen dood; zeggen wij dan altijd: Heer, maak slechts dat wij zalig worden er laat ons dan sterven, gelijk het CJ bekaagt.
Eveneens moeten wij onderworpen zijn, wat aangaat den tijd van onzen dood. Wat immers is deze wereld? Wat anders dan een kerker waarin wij alleen zijn om te lijden, waar wij elk oogen-blik in gevaar verkeeren om beroofd te worden van God ? Het was daarom dat David uitriep ; F.duc de custodia animain meevn 1) Heer, voer toch mijn ziel uit dezen kerker. Ziedaar ook waarom de dood zoo vurig begeerd werd door de H. Theresia. Als deze heilige de klok hoorde slaan, werd zij gansch opgeruimd denkende dat er alweder een uur van
1
Ps 141. 8.
â 409 â
haar leven voorbij was, een uur van gevaar om God te verliezen. Volgens Pater Avila moet een ieder, die in redelijk goede gesteldheid is, naar den dood verlangen en dat wel om het gevaar wat men immer loopt de genade Gods te verliezen. Wat is beter en wenschelijker dan door een goeden dood de zekerheid te erlangen, dat wij de genade van onzen God nooit weer zullen verliezen? Doch, zult gij zeggen, ik heb nog niets gedaan, nog niets heb ik voor mijne ziel verdiend. Maar wanneer het de wil van God is dat gij thans uw leven eindigt, wat zult gij dan later nog doen, als gij zult leven tegen den wil Gods? Wie weet zelfs of gij dan nog wel zoudt sterven, gelijk gij dat nu moogt verhopen ? Wie weet of gij niet zoudt omkeeren, opnieuw in zonde vallen, en verloren gaan? En ook, al was er anders geen reden : zoolang gij leeft, kunt ge niet leven zonder zonde, althans zeker niet zonder kleine zonde. Waarom, zoo roept daarom de H. Ber-nardus uit: IVaarom verlangen wij te leven, daar wij hoe langer wij leven, des
â 410 â
te meer zonden doen. ') Welnu liet is zeker; óén dagelijkscho zonde mishaagt aan God meer dan al onze goede werken hem zouden kunnen behagen.
Daarenboven zeg ik dat iemand, die weinig verlangen heeft naar den hemel, blijk geeft van weinig liefde tot God. Als men bemint, verlangt men bet bijzijn van den beminde; doch God kunnen wij niet zien indien wij niet weggaan van do aarde. Alle heiligen dan ook hebben verlangd naar den dood om alzoo tot de aanschouwing te geraken van bunnen beminden Heer.
Zoo verzuchtte een H. Augustinus: O, mocht ik sterven om U mijn God te aanschouwen! Een H. Paulus; Ih verlang onthouden te worden en met Christus te zijn. 2) Een David: Wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht? 3) En eveneens allo zielen, die liefde voor God hebben. Zeker schriiver verhaalt dat een ridder eens, terwijl hij op jacht was in een bosch, iemand zeer
- 411 â
schoou hoorde zingen; hij ging voort, en vond een armen me!aalsche, bijna half verteerd; waart gij het, vroeg hij, die daar zongt? Ja Heer, antwoordde de melaatsche, dat was ih. Maar hoe kunt ge zingen en zoo gelukkig zijn te midden van al uw smarten, die u weldra het leven zullen kosten? De melaatsche antwoordde: Tusschen God en mij, o Heer, bevindt zich geen andere scheiding meer dan deze muur van sljjk, nl. mijn lichaam; wordt deze hinderpaal weggenomen, dan ga ik het aanschijn van mijnen God genieten. Welnu ik zie dat zij eiken dag al meer uit f!en valt, ziedaar waarom ik verheugd ben, en zing.
Ten slotte moeten wij ook gelijkvormig zijn met den wil van God wat aangaat den graad van genade en glorie. Wij moeten wel is waar alles wat op Gods glorie betrekking heeft, hoog schatten ; maar b jvenal moeten wij hoogachting hebben voor zijn heiligen wil. Wij moeten verlangen God meer te beminnen dan de seraphijnen; maar
- 412 -
wrj moeten geen hoogcren graad van liefde verlangen dan God besloten heeft ons te geven. Ik geloof niet, zegt Pater Avila, dat er éCn heilige geweest is, die niet verlangde beter te zijn dan hij was ; maar dit verlangen benam hun den vrede niet, want zij verlangden dit niet voor zich zeiven, maar alleen om God. Zij waren daarom tevreden met hetgeen God hun had toegedeeld, al was het ook dat zij minder hadden ontvangen, want zij achtten het grooter liefde, tevreden te zijn met hetgeen God hun gaf, dan te verlangen naar meer. Ofschoon wij dus, gelijk Pater Eodriguez ') dit uitlegt, al ons best moeten doen om de volmaaktheid te bereiken, en wij ons van het bovenstaande niet als uitvlucht mogen bedienen voor onze lauwheid en traagheid, door gelijk sommigen te zeggen: âGod moet het mij geven, ik kan niet meer doen dan ik doe,quot; toch, zoo gaat hij voort, mogen wij, indien wij een fout bedrijven daarom den vrede niet verliezen, noch ons daarom minder
1) Tr. 8. c. 30.
â 413 â
oudervverpeu aan den wil van God, die onze fout heeft toegelaten, noch den moed laten zinken, neen wij moeten dan aanstonds van onzen val opstaan, ons vol berouw voor God vernederen, en na Hem om nieuwe hulp te hebben gevraagd, op onzen weg voortgaan. Eveneens mogen wij gerust verlangen in den hemel een plaats te mogen innemen onder de Seraphijnen â niet om zelf grooter glorie te genieten, maar om grooter glorie te kunnen geven aan God en Hem meer te beminnen â doch wij moeten ons niettemin onderwerpen aan Gods heiligen wil, en ons tevreden stellen met dien graad van glorie, welken Hij in zijn barmhartigheid zich verwaardigen zal ons te geven.
Een zeer bedenkelijke fout echter zou het zijn, naar de gaven van een bovennatuurlijk gebed te verlangen, en bijzonder te verlangen naar geestverrukkingen, visioenen en openbaringen. Integendeel, de meesters van het geestelijk leven zeggen, dat zij die door God met dergelijke gunsten bevoorrecht zijn. Hem moeten bidden om er van
- 414 â
beroofd te mogen worden en om Hem te mogen beminnen met eenvoudig te gelooven, daar dit de veiligste weg is. Velen zijn zonder die bovennatuurlijke gaven tot de volmaaktheid gekomen; alleen de deugden zijn het, die de ziel tot de heiligheid brengen, en vooral de gelijkvormigheid met den wil van God. Als het echter aan God niet behaagt ons tot een verheven graad van volmaaktheid en glorie te verheffen, onderwerpen wij ons dan ook daarin aan zijnen heiligen wil, en vragen wij dat Hij ons in zijne barmhartigheid ten minste zalig make. Als wij zoo doen, dan zal het loon wat Hij ons in zijne goedheid geven zal, niet gering zijn, want onze goede God bemint bij voorkeur de onderworpen zielen.
In één woord, wij moeten alles wat ons overkomt of ons ooit zal overkomen, beschouwen als voortkomende uit de handen van God. En al onze handelingen moeten wij ondergeschikt maken aan dit ééne doel: den wil van God te doen en alles te doen omdat God het wil. Om nu hierin met meerder zekerheid
- 415 â
voort te gaan, moeten wij wat liet uiterlijk aangaat ons geheel verlaten op de leiding van onze oversten, en wat het inwendige betreft, op de leiding onzer zielsbestierders; van hen moeten wij vernemen, wat God van ons wil. Wij moeten daarom een groot vertrouwen stellen in de woorden van Jesus Christus: Die U hoort, hoort Mij 1). Bovenal moeteu wij bezorgd zijn om God te dienen in dien staat, waarin Hij door ons gediend wil worden. Ik zeg dit om te waarschuwen voor de misleiding van sommigen, die hun tijd verbeuren en zich tevreden stellen met allerlei nutte-looze verlangens. Als ik in een woestijn zou leven, zeggen zij, als ik in een klooster zou kunnen gaan, dit huis zoh kunnen verlaten, verwijderd konde zijn van die of die bloedverwanten, die of die vrienden, dan zou ik mij toeleggen op de heiligheid, ik zou die en diegestrengheden oefenen, zooveel tijd wijden aan het gebed. Immer zeggen zij ,,ik zou ik zou'' maar middelerwijl dragen zij
3) Luc, 10. 16.
- iio â
met tegenzin het kruis, dat God hun overzendt; in één woord zij wandelen niet op den weg dien God wil, en worden niet alleen niet heilig, maar vervallen van kwaad tot erger. Zulke verlangens zijn meermalen bekoringen van den duivel, want veelal zullen zij niet zijn volgens den wil van God. Laten wij ze daarom van ons verwijderen, laten wij God op dien weg alleen willen dienen, welken Hij voor ons bepaald heeft. Als wij zijnen wil volbrengen, zullen wij zeker heilig worden in welken staat de Heer ons dan ook moog' plaatsen. Welaan, laten wij immer alleen willen, wat God wil, ja doen wij dat, en God zal ons Hl drukken aan zijn hart. Maken wij ons daarom eenige plaatsen uit de Schrift eigen, die er ons bijzonder aan herinneren om ons immer met Gods wil te vereenigen, zooals: Domine quid me vis face re ? âMijn God, zeg mij, wat wilt Gij van mij, ik wil alles doen.quot; Tuus sum ego salvum me fac. 1) ,,Ik behoor mij zeiven niet meer toe, ik ben de
1
Ps. 18. 94,
- 417 â
uwe, o mijn God, wclaau doe met mij wat Gij wilt.quot; Eu bijzonder als ons een zwaarder kruis treft, zooals de dood van bloedverwanten, het verlies van goederen, of iets dergelijks, o herhalen wij dan immer: Ita Pater, ita Pater, quoniam sic fuit placitum ante te. 1) ,,Ja mijn God, en mijn Vader, ja zoo geschiede het, want zoo is het behagelijk geweest aan U.quot; Laat ons vooral een bijzondere voorliefde hebben voor dat gebed, hetwelk ons geleerd is door Jesus Christus; Fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra. âUw wil geschiede op aarde als in den hemel.quot; De Heer zeide eens aan de H. Catharina van Genua, dat zoo dikwijls zij het âonze Vaderquot; bad, zij bij die woorden een wijl moest stilstaan en dan moest vragen, dat Gods heilige wil in haar zóó mocht worden volbracht, als de heiligen dien vervullen in den hemel. Doen wij ook zoo, en wij zullen zeker heilig worden.
De H. wil van God en de onbevlekte Maagd Maria mogen immer bemind en geprezen zijn.
1) Matth. 11. 26.
Wijze om met Ood voortdurend en vertrouwelijk om te gaan.
getrokken uit een fkansch werk en met verschillende vrome gedachten, gevoelens en godvruchtige oefeningen vermeerderd door den schrijver.
--««.â¢Â»â ---
e H. Job was buiten zich zeiven van verbazing bij het gezicht der goedheid van cnzen God, die er zóózeer op uit is den menschen goed te doen, dat Hem niets zoozeer ter harte schijnt te gaan, dan den mensch te beminnen en door den mensch te worden bemind. Vandaar riep Job in zijn samenspraak met God in opgetogenheid uit: Heer, wat is de mensch, dat Gij hem zóó hoogschat en rvaarom stelt ge uw hart op hem ? 1)
1) Job. 7. 17.
â 419 â
Hieruit ziet men, hoezeer men dwaalt als men mocbt meenen dat men, door vertrouwelijk en gemeenzaam met God om te gaan, ontbreken zou aan den eerbied dien men aan zijne oneindige majesteit verschuldigd is. Zeer zeker, godvrucbtige ziel, gij moet God met allen ootmoed uwen eerbied betoenen, u diep in zijne tegenwoordigheid vernederen, vooral bij de gedachte aau de ondankbaarheden en de beleedigin-gen, waarmede gij Hem vroeger hebt. bedroefd; maar dit moet u niet beletten Hem tevens te bejegenen met de teederste en vertromvelijkste liefde. God is de oneindige majesteit, maar Hij is tegelijk de oneindige goedheid, de oneindige liefde. Gij hebt in God een Heer, zoo verheven als er geen andere zijn kan ; maar gij bezit in Hem tevens den oprechtsten en warmsten vriend. Welverre van zich er om te vertoornen, verlangt God integendeel, dat gij met Hem omgaat op dien zelfden vertrou-welijken, gemeenzamen en hartelijken voet, waarop kinderen omgaan met hunne moeder. Hoort, hoe vol teeder-
â 420 -
held Hij ons tot zicli roept en ons zijne liefkozingen belooft: Gij zult aan de borst worden gedragen en op de knieën geliefkoosd worden; als een dien zijn moeder liefkoost zoo zal ik u troosten. 1) Gelijk eene moeder er baar genoegen in vindt om haren kleinen zoon op baren schoot te hebben, hem te voeden en te liefkoozen, zoo is het ook onzen goeden God een geluk een gelijke hartelijkheid te kunnen betoonen aan die uitverkoren zielen, welke zich geheel aan Hem hebben gegeven en al hunne hoop stellen op zijne goedheid.
2) Wees er van overtuigd: geen vriend, geen broeder, geen vader, geen moeder, geen bruidegom, geen minnaar kan u meer beminnen dan God. De goddelijke genade is die groote schat, waardoor wij, ellendige schepselen en slaven, de geliefde vrienden worden van onzen Schepper: Want een einde-looze schat is zij voor de menschen en die gebruik daarvan maakten, werden deel-genooten van Gods vriendschap. 2) Met
1
Is. 66. 12. 13.
2
Sap. 7. 14.
â 421 â
geen ander doel zoekt God ons vertrouwen te winnen, met geen ander doel heeft Hij zichzelven als het ware vernietigd exinanivit semetipsum, en zich de vernedering willen getroosten van mensch te worden, dan om met ons gemeenzaam te kunnen omgaan. Cum hominihus convcrsatus est. 'j Door zijne liefde vervoerd wilde Hij zelfs een kind worden, wilde Hij leven als een arme, ja liet Hij zich openlijk terechtstellen op een kruis; door liefde ook is Hij er toe gekomen zich tegenwoordig te stellen onder schijn van brood om alzoo immer hij ons te zijn en zich op het innigst met ons te vereenigen : Die mijn vlcesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. 2) In één woord God ⢠bemint u zoo vurig, dat Hij geen andere liefde schijnt te hebben dan voor u. Ziedaar, waarom ook gij geen ander moet beminnen dan God. Zeg daarom van uwen God, gelijk gij het kunt en moet zeggen : Mijn beminde is aan mij en ik aan Hem. :,) Mijn God heeft zich 1) Bar. 3. 38.
â 422 â
geheel gegeven aan mij, ik geef mij dan ook geheel aan Hem. Hij heeft mij tot zijnen welbeminde gekozen, ook ik wil Hem onder allen voor mijne eenige liefde kiezen. Mijn beminde is wit en rood uitgelezen onder duizenden. 1)
3) Betuig ook dikwijls die liefde aan God, zeg Hem: O mijn God, waarom toch bemint Gij mij zoozeer? Wat goeds ziet Gij toch in mij ? Zijt Gij dan de beleedigingen vergeten, die ik IJ heb aangedaan ? Maar als gij zóó goed voor mij geweest zijt, dat Gij in plaats van ray naar de hel te verwijzen, mij integendeel nog zoovele genaden hebt geschonken, wien dan zal ik voortaan anders nog beminnen, o mijn God en mijn al, tenzij U alleen ? O mijn allerbeminnelijkste God, ik heb U in het verlo-dene beleedigd, maar wat mij het meest bedroeft, is niet zoozeer de straf, die ik daardoor verdiend heb, als wel het misnoegen, dat ik daardoor gegeven heb aan Ã, die een oneindige liefde verdient. Doch Gij kunt geen hart, dat berouw
1
Cant 5, 10.
â 423 â
heeft en zich vernedert, versmaden. Cor contrituin et humiUatuin Deus, nou des-picies. 1) Ach. mijn God, thans verlang ik voor tijd en eeuwigheid niets anders meer dan U; Want wat heb ik in den hemel en wat verlany ik op aarde buiten U ? Dc God mijns harten en mijn erfdeel is God voor eeuwig. Thans zrjt Gij alleen, en dat voor immer, do eetiige Meester van miju hart en van mijn wil, Gij mijn eenig goed, mijn paradijs, mijn hoop, mijn liefde, mijn al. Deus cordis mei et pars mea Deus in aeternum.
4) Om uw vertrouwen in God meer en meer te versterken, moet gij er dikwijls aan denken, hoe liefdevol God met u gehandeld heeft, wat liefdevolle middelen Hij al gebruikt heeft om u te doen opstaan uit uw ongeregeld leven, om u los te maken vau uwe aardsche gehechtheden en ir tot zijne heilige liefde te trekken; dan toch zult gij het niet wagen bevreesd te zijn en uwen God weinig vertrouwen te toonen, thans nu gij een vast besloten wil hebt
1
Ps. 72. 26.
â 124 â
Hem te beminnen en Hem genoegen te geven zooveel gij knnt. De blijken van barmhartigheid, die Hij n vroeger heeft gegeven, bewijzen n immers al to duidelijk, dat Hij u waarlijk liefheeft?
Het is niet aangenaam voor God, dat zielen, die Hem van ganscher harte beminnen, die ook Hij dus bemint. Hem zoo weinig vertrouwen toonen. Wilt gij derhalve het liefdevol hart van uwen God genoegen geven, behandel Hom dan voortaan zoo vertrouwelijk en zoo hartelijk als u maar mogeiijk is.
Ik hel) u in mijne handen geschreven, mve muren zijn immer voor mijne oogen. 1) Mijn beminde ziel, zoo spreekt de Heer, waarom zijt gij bevreesd of waarom voedt gij mistrouwen ? Ik heb u geschreven in mijne handen om er immer aan te denken u wel te doen. Zijt gij misschien bevreesd voor uwe vijanden ? Weet, dat de zorg voor uwe verdediging immer voor mijne oogen is, zoodat ik die nooit kan vergeten. Ziedaar, waarom David jubelend uitriep tot God:
1
Is. 49. 16.
â 425 â
Als met een schild omgeejt Gij ons met uwe (joedgunstigheid. 1) Heer, wie zal ons nog kwaad kunnen doen, mi Gij met uwe goedheid en uwe liefde ons verdedigt en ons van alle kanton omringt ? Verlevendig vooral uw vertrouwen dooide gedachte aan dat groote geschenk van Gods lietde, aan Jesus Christus: Zóu lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eenigen zoon heeft gegeven. -) Hoe toch kunnen wij vreezen. roept de apostel uit, dat God ons iets weigeren zal nadat Hij ons begiftigd heel't niet zijn eigeu Zoon? Voor ons allen heeft God Hem overgeleverd: Hoe heeft Hij ons met Hem och niet alles gegeven. â *).
5) Mijn wellust is het te zijn met de kinderen der menschen. Het hart van den mensch is om zoo te spreken Gods paradijs. Als nu God u zóózeer bemint, bemin ook gij Hem dan. Als het Zijne geneugte is met U te zijn, laat het dan ook uwe geneugte vvezen, met Hem te zijn, en al den tijd van uw leven door
1
Ps. 5. 13.
â 426 â
te brengen in dat zelfde beminnelijke gezelschap wat gij eenmaal hoopt te genieten gedurende de gansche gelukzalige eeuwigheid.
6) Maak u gewoon dikwijls ïu stilte met God te spreken, doe dit op ge-meenzamen toon, vol liefde en vertrouwen, gelijk met een vriend, den besten, dien gij hebt, en die u het meest bemint. Is het nu, gelijk gezegd is, een groote dwaling, tegenover God weinig vertrouwen te toonen, en immer voor Hem te willen verschijnen gelijk een vreesachtige en bloode slaaf voor zijnen koning verschijnt, sidderend van vrees, nog grooter dwaling zou het ziju te meenen, dat de omgang met God slechts verveling en bitterheid schenkt: neen, dat is niet waar; In den omgang met Hem is niets bitters noch in Zijn gezelschap iets vervelends. 1) Vraag het de zielen, die Hem waarachtig beminnen, en zij zullen u zeggen, dat zij in de kwellingen van het leven nergens grooteren en meer deugdelijken troost vinden
1
Sap. 8. 16.
- 427 â
dan in hun liefdevolleu omgang met God.
7) Men vraagt van u geene voortdurende inspanning van uwen geest, waarvoor gij al uwe bezigheden en uwe uitspanningen zoudt moeten vergeten; er wordt niets anders van u gevraagd dan tegenover God hetzelfde te doen, wat gij bij voorkomende gelegenheden doet voor een ieder, die u bemint en die bemind wordt door u.
8) Uw God is immer bij u, wat meer is: Hij is in u. in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. ) Men behoeft niet aangemeld te worden, wanneer men Hem verlangt te spreken; neen, God heeft gaarne, dat men vertrouwelijk met Hem omgaat. Spreek Hem daarom over al uw zaken, over uw plannen, uw moeielijkheden, uw bekommeringen, over alles in een woord wal u ter harte gaat. Doe het bovenal, gelijk ik zeide, vertrouwelijk en met een open hart. God is niet gewoon tot eene ziel te spreken als de ziel niet tot God spreekt, want als de ziel aan
1) Act. 17. 28.
â 428 â
den omgang met God niet gewoon is, zal zij, indien Hij haar ook al toespreekt, zijne woorden toch niet verstaan. Vandaar Gods klacht in het Hooglied: Onze zuster is nog een kind in de liefde, wat zullen wij doen om haar toe te spreken, indien zij mij niet verstaat? Soror nostra parva est; quid faciemus sorori nostra in die quando alloquenda est. 1) Wanneer wij Gods genade verachten, dan ja wil Hij beschouwd worden als Heer, de machtigste en verschrikkelijkste die er bestaat; maar als wij Hem beminnen, wil Hij door ons behandeld worden als onze hartelijkste vriend. Hij wil dan, dat wij Hem dikwijls toespreken, en dit met groote vertrouwelijkheid en ongedwongen.
9) Het is waar, wij moeten God immer behandelen met den hoogsten eerbied, maar als Hij u de genade bewijst, van u te doen gevoelen, dat Hij bij u is, en verlangt door u toegesproken te worden gelijk nw beste
1
Cant. 8 8
â 429 â
is, I vriend, openbaar Hem dan de gevoelens ie- van uw liart met groote vrijmoedigheid ir- en vertrouwen. God wacht niet tot gij et zelf het eerst naar Hem toegaat; maar id zoodra gij zijne liefde verlangt, voorin komt Hij u; en vertoont zich aan u et met alle genaden en hulpmiddelen, die id u noodig zijn. Praeoccupat qui se conto cupiscunt ut illis se prior ostendat. 1) Is Het is Hem genoeg, dat gij Hem toespreekt om u aanstonds te toonen, dat e Hij bij u is en vol bereidvaardigheid
; om u te verhooren en te troosten: Et
j aures ejus in 2:gt;reaes eorum. l)
b 10) Onze goede God is door zijne
t onmetelijkheid op alle plaatsen tegen
woordig doch er zijn vooral twee plaatsen waar Hij op geheel bijzondere wijze 1 zijne woning heeft: de cene is de hemel,
Iwaar Hij tegenwoordig is met de glorie, welke Hij daar mededeelt aan de heiligen ; de andere is op aarde en wel in het hart van de nederige ziel, die Hem bemint:waar Hij tegenwoordig is met de glorie, welke Hij daar mededeelt aan de heiligen ; de andere is op aarde en wel in het hart van de nederige ziel, die Hem bemint: Ik woon met hem die
1
Sap 6. 14.
â 430 â
nederig en vermorseld van geest is. ') Onze God woont dns in liet hooge der hemelen; maar Hij acht het niet beneden zich tevens de dagen en nachten door to brengen met zijne getrouwe dienaren in hunne cellen en grotten. Daar spreekt Hij met hen en deelt hun daar zijne goddelijke vertroostingen mede, waarvan een enkele meer waard is dan alle genoegens der aarde, en waarnaar alleen hij niet verlangt, die ze nooit heeft gesmaakt. Proeft en ondervindt hoe zoet do Heer is. 1)
11) De vrienden dezer wereld hebben uren, waarop zij met elkander verkeeren, en uren, waarop zij van elkander verwijderd zijn ; maar indien gij wilt, zal er nooit een enkel uur van scheiding zijn tusschen God en u. Quiesces, et suavis erit sommis tuus. Dominus erit in latere tuo. 2) Gij zidt slapen, en niv slaap zal zoet zijn want de Heer zal aan mee zijde staan en aanhoudend hij n waken. Wanneer gij rust, wijkt. Hij niet van
1
Ps. 33. 9.
2
Prov. 8. 24. 26.
â 431 â
uwe sponde, maar Hij blijft bij n immer aan u denkende, om wanneer gij des nachts mocht ontwaken, u aanstonds met zijne heilige ingevingen te ktmnen toespreken, en ook van u een of andere betuiging van liefde, van opoffering of dankbaarheid te ontvangen; zoo derhalve zot Hij ook gedurende die uren van rust zijn zoeten omgang met u voort. Conquiescam cum üla et erit allo-culio cogitationis. 1) Ja soms zal Hij u zelfs toespreken in uwen slaap en u ook dan zijne woorden doen hooren, opdat gij die bij uw ontwaken in vervulling moogt brengen. Gedurende den slaap zal ik Hem toesineken. 2)
12) Ook des morgens is Hij bij u om van u een woord van genegenheid of vertrouwen te hooren, om het otïer te ontvangen van uwe eerste gedachten en van alle werken, welke gij dien dag wilt verrichten om Hem genoegen te geven, het offer ook van alle wederwaardigheden, die gij u voorstelt ter zijner eer en liefde geduldig te ver-
1
Sap. 8. 9. 16.
2
Xurn. 12. 6.
â 482 â
dragen. Maar als uw God zich nu zoozeer beijvert om zich, op dat oogenblik van uw ontwaken, aanstonds aan u te vertoonen, verzuim ook gij dan van uwen kant niet, Hem aanstonds een blik van liefde te schenken en u te verhengen als gij van uwen God die blijde tijding moogt vernemen, dat Hij niet meer van u verwijderd is gelijk Hij dit eens was door uwe zonden, maar dat Hij u thans bemint, dat Hij ook door u bemind wil worden, daar Hij u op datzelfde oogenblik herinnert aan zijn beminnelijk gebod : Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart. 1)
13) Zorg dan dat gij Gods zoete tegenwoordigheid niet vergeet, gelijk de meeste mensohen dit doen. Spreek met Hem zoo dikwijls gij maar knnt; meen niet dat Hem dit verveelt of dat Hij bet beneden zich rekent gelijk de grooten dezer wereld. Als gij Hem bemint, zal het n aan stof tot onderhoud niet ontbreken. Spreek met Hem van
1
Deut 6. 5.
â 433 â
alles wat n in de gedachten komt; van uzelven, van uwe zaken, gelijk gij liet zoudt vertellen aan een vertrouwden vriend. Beschouw Hem niet als een hooghartig heerscher, die met niemand wil omgaan dan met grooten, en alleen over gewichtige zaken wil spreken. O neen, onze goede God daalt gaarne tot ons af, en verlangt dat wij Hem zelfs in onze kleinste en meest alledaagsche belangen inwijden. God bemint u zóózeer en heeft zóóveel zorg voor u, als had Hij aan niemand anders te denken dan aan u. Hij geeft zich zooveel moeite voor uw welzijn, dat het schijnt als bezat Hij zijne voorzienigheid alleen maar om u te bewaren, zijn almacht om n alleen te hulp te komen, zijne barmhartigheid en goedheid alleen maar om deernis met u te hebben, u te overladen met zijne weldaden en door zijne liefdevolle oplettendheden uw vertrouwen en uw hart te winnen. Maak Hem daarom vrijmoedig geheel uw binnenste bekend, bid Hem dat Hij u helpe om al zijne wilsbeschikkingen volmaakt te volbrengen, laten al uwe verlan-
â 434 â
gens, al nwe inzichteu uiets anders beoogen dan te weten wat Hem be-hagelijk is en voldoening te geven aan zijn goddelijk liart: Openbaar den Heer uwen wandel. ') En vraag Hem, dat Hij uwe gangen leide, en dat al uwe plannen in Hem mogen verblijven. 1)
14) Zeg niet: Maar waartoe is het noodig al mijne benoodigdheden aan God bekend te maken, daar Hij ze immers ziet en ze veel beter kent dan ik zelf? God kont ze; ja maar Hij gedraagt zich alsof Hij niets wist van de noodwendigheden, waarvan gij Hem niet spreekt, en waarvoor ge Hem niet om Imlp vraagt. Onze goddelijke Zaligmaker wist zeer goed dat Lazarus dood was, maar Hij liet niet blijken, dat Hij het wist voor en aleer Magdalena het Hem gezegd had; eerst toen troostte Hij haar door de opwekking van haren broeder.
15) Daarom als gij gedrukt gaat onder eene ziekte, eene bekoring, eene vervolging of eenige andere beproeving, ga dan dadelijk om zijnen bijstand vragen. Het
1
Tob. 4 20.
â 135 â
is'genoeg dat gij Hem uwe beproeving openbaart, en Hem zegt: Heer zie hoe bedrukt ik ben, en Hij zal niet nalaten u te helpen, Hij zal u ten minste kracht geven om uw beproeving met geduld te verdragen, en dit zal nog beter voorn zijn, dan er werkelijk van bevrijd te worden. Openbaar Hem de gedachten van vrees of van droefheid, die u kwellen; zeg Hem: O mijn God, op u is al mijne hoop gevestigd, ik draag U deze bitterheid op, en ik geef mij aan uwen heiligen wil over; maar wil Gij u dan ook mijner erbarmen : of wel bevrijd mij van die beproeving, of wel geef mij kracht om ze geduldig te verdragen.
En zeer zeker de Heer zal u dan troost of ten minste kracht schenken, gelijk Hij het in h.t evangelie beloofd heeft aan allen, die in hunne bedruktheid tot Hem hun toevlucht nemen: Komt allen tol mij, die lijdt en ijedrukt gaat, en ik zal u verkwikken. 1)
16) God laakt het niet, dat gij in uwe kwellingen ook bij uwe vrienden
1
Matth. 11. '-'8.
â 436 â
eenigen troost gaat zoeken, maar Hij wil, dat gij bovenal uw toevlucht neemt tot Hem. Hebt ge dan uw toevlucht genomen tot do schepselen, en daar geen troost kunnen vinden voor uw hart, ga dan ten minste daarna tot uwen Schepper en zeg Hem: 0 Heer, de menschen hebbben niets dan woorden, verbosi amici mei, 1) doch zij geven mij geen troost; maar ik wil ook geen troost van heu; Gij Heer zijt geheel mijn hoop. Gij mijne eenige liefde, alleen van U wil ik getroost zijn, en die troost bestaat hierin, dat ik in deze omstandigheid handele, gelijk het ü behagelijk is. Heer, ziedaar dan, ik ben bereid deze beproeving mijn geheele leven, ja gedurende de gansche eeuwigheid te verdragen, indien dit aan ü zoo behaagt; doch ik bid U, gewaardig Gij u dan ook mij te helpen.
17) Wees niet bevreesd, dat God het u kwalijk zal nemen, als gij u nu en dan ook eens op minzame wijze bij Hem beklaagt: gerust moogt gij eens zeggen :
1
Job. 16. 21.
â 437 â
Waarotn o Heer houdt gij u in de verte P 1) Heer Gij weet, dat ik U bemin en dat ik niets anders verlang dan uwe liefde, waarom hebt Gij ü van mij verwijderd? Welaan kom my dau ook te hulp, wil mij touh niet verlaten. En als de kwelling al te zeer aanhoudt en u al te zeer benauwt, vereenig dan uwe stem met die van den bedrukten, aan het kruis stervenden Jesus, roep tot God om barmhartigheid met die woorden van zijnen Zoon: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? 2) Doch laat die beproeving u slechts dienen om u dieper te vernederen door de gedachte, dat hij die God heeft beleedigd, geen aanspraak kan maken op troost; verlevendig echter tegelijk uw vertrouwen en herinner u. dat alles, wat God doet of toelaat tot uw welzijn geschiedt. Alles werkt mede ten goede. 3) Juist dan, als gij u het meest aan verwarring en mistrouwen ten prooi gevoelt, moet gij zeggen met grootheid van hart: De
1
Ps. 10. i.
2
Matth. 27. 46.
3
| ^3) Rom. 8. 28.
â 438 â
Heer is mijn licht en mijn heil, wien zou ik vreezen? 1). Gij Heer moet mij licht schenken. Gij mij zalig maken, ik stel mijn vertrouwen op ü. Op u, Heer heb ik gehoopt, ik zal in eeuiviyheid niet beschaamd worden. 2) Breng aldus u zeiven tot kalmte, wel overtuigd, dat er nooit iemand gevonden werd, die op den Heer vertrouwde en verloren is gegaan : Nullus speravit in Domino et conjusus est. ;J) Bedenk, dat uw God u meer bemint dan gij u zeiven kunt beminnen, wat zoudt gij dus vreezen ? David gevoelde zich geheel getroost, als hij zeide: De Heer is bezorgd voor mij. *) Zeg daarom tot God; o Heer ik geef mij geheel in uwe armen over, ik wil om niets anders meer bekommerd zijn dan om U te dienen en aan U welgevallig te zijn; zie Heer ik ben nu bereid om alles te doen, wat gij van mij verlangt. Niet alleen verlangt Gij mijn geluk, maar Gij zijt er zelfs bezorgd voor; aan U dan laat ik de zorg voor mijn geluk
1
Ps. 26. 1.
2
Ps. 30. 2.
â 439 â
over. In ü wil ik nu en immer rus-ten, want Gij wilt, dat wi} al onze hoop stellen op U: In pace in idipsum dormiam et requiescam; quoniam tu, Do-mine, singulariter in spe constituistie me. 1) 18) Hebt gevoelens aangaande den Heer zijner goedheid waardig. Sentite de Domino in bonitate. 2) Met deze woorden vermaant ons de Wijze Man meer vertrouwen te hebben op de goddelijke barmhartigheid dan vrees voor de goddelijke rechtvaardigheid, want gelijk de H. Jacobus zegt: God is veel meer geneigd om wel te doen dan om te kastijden. De barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 3) Vandaar wil de H. Petras, dat wij in al onze bekommeringen zoowel wat liet tijdelijke als wat het eeuwige betreft, ons immer geheel verlaten op de goedheid van God, daar God voor ons geluk de grootste zorg heeft: Werpt al uwe belcommering op den Heer; want Hij draagt, zorg voor n. 4)
J) Ps. 4. 9.10.
2) Sap i. 1.
3) Jac. 2. 13.
4) 1. Pet. 5. 7,
29
â 440 â
O hoe schoon is hierom de titel, weikon David den Heer geeft; hij noemt onzen God den God van zalig maken : Deus noster, Deus salvos faciendi. 1) Deze uitdrukking lieteekent, (volgens do verklaring van Bellarminus) dat de eigenlijke taak van God niet is verdoemen, maar allen zalig maken; want bedreigt God ook al degenen, die Hem verachten, met zijnen toorn, Hij belooft daarentegen vastelijk zijne erbarming aan allen die Hem vreezen : Et mise-ricordia ejus timentibus eum, gelijk eens de H. Maagd zong in haren lofzang. Ik haal al deze plaatsen der H. Schrift voor u aan, godvruchtige ziel, opdat gij goeden moed zoudt houden wanneer gij soms gekweld wordt door de gedachte, of gij wel zalig zult worden, en of God u wel heeft voorbeschikt; immers uit al die beloften welke God u doet, ziet gij hoe groot zijn verlangen is om u zalig te maken, zoo gij slechts besloten zijt Hem te dienen en Hem te beminnen, gelijk Hij het van u vraagt.
1
Ps. 67. 21.
â 441 â
19) Gebeurt het u dat gij eene tijding ontvaugt die u behaagt, doe dan niet gelijk sommige ontronwe en ondankbare zielen doen, die tot God gaan in den tijd van beproeving, maar Hein in den tijd van voorspoed vergeten en verlaten; neen betoon aan God dezelfde vertrouwelijkheid, die gjj betoonen zoudt aan een vriend die n bemint en zich over uw geluk verblijdt, ga Hem aanstonds uwe vreugde mededeelen, loof en dank Hem, het geheel beschouwende als een geschenk van zijne hand; verblijd u over uw geluk omdat het u toekomt door zijn goddelijk welbehagen ; laat alzoo uwe vreugde en uw troost geheel in Hem zijn: Ik zal juichen in God, mijn Zaligmaker. ^ Ik zal den Heer die mij weldeed, lof zing en. 1) Zeg Hem; o mijn Jesus, ik zegen U en ik zal ü immer zegenen voor al die genaden, die Gij mij schenkt, want ja, geen genade verdiende ik, maar kastijding, omdat ik ü zoo dikwijls heb beleedigd; zeg Hem met de gewijde
1
Ps. 12. 6.
â 44a â
tii-uid: Alle vruchten, zoowel nieuwe als oude, heb ik voor u weggelegd, mijn geliefde. 1) Heer, ik dank U; ik bewaar al uwe weldaden, zoowel van vroeger als van heden, in mijne herinnering om er U naderhand voor te loven en te verheerlijken in alle eeuwigheid.
20) Doch als gij uw God bemint, moet gij u meer verheugen over het geluk van God dan over uw eigen geluk. Iemand die veel van zijn vriend houdt, is dikwijls over het geluk, dat dezen te beurt valt, meer verheugd dan over het geluk, dat hij zelf geniet. Verheug u dan bij de gedachte, dat uw God oneindig gelukkig is, zeg Hem dikwijls: O mijn beminde Heer, ik verheug mij meer over uw geluk dan over eenig goed van mij zeiven, ja want ik bemin U meer dan ik mij zeiven bemin.
21) Een ander bewijs van vertrouwen, dat ten zeerste aan uwen God behaagt, bestaat hierin, dat gij u, wanneer ge een fout hebt bedieven, u niet schaamt, u aanstonds aan zijne
1
Cant. 7. 13.
â 443 â
voeten te werpen en Hem vergeving te vragen. Bedenk het toch wel: zóózeer is God geneigd oui den zondaren vergiffenis te schenken, dat Hij treurt over hun ongeluk, en bedroefd is, wanneer zij zich van Hem verwijderen en voortleven in zijne ongenade. Vandaar dat Hij hun met zooveel liefde toeroept: Waarom zoudt gij sterven, huis van Israel ? Keert ivecler en leeft. 1) Hij belooft de ziel die Hem verlaten heeft, als zij in zijne armen terugkeert, aanstonds te zullen ontvangen. Beheert u tot mij en ik zal mij tot u keer en. -) O, als de zondaren eens begrepen met welk eene liefde de Heer hen afwacht om hun vergiffenis te schenken! Expectat Dominus ut misereatur vestri. 2) O, dat zij het verlangen kenden, hetwelk Hij heeft, niet om hen te kastijden, maar om hen bekeerd te zien, om hen te omhelzen en aan zijn hart te drukken! God immers verklaart onder eede, dat Hij niet den dood des zondaars wil, maar dat deze
1
Ez. 18. 31. 32.
2
Is. 30. 18.
â iU â
zich bokeere en leve: Zoo waar ik leef,
zegt God de Heer', ik wil niet den dood des goddeloozen. 1) Ja Hij gaat zoover, dat Hij de zondaren oproept Hem te beschuldigen indien Hij hun geen vergiffenis zou schenken. Komt en heschul-digt mij zegt de Heer; al tvare uwe zonden zoo rood als scharlaken, zij zullen ivit worden gelijk sneeuw. 2) Als zeide Hij: | Zondaren, hebt berouw dat gij Mij be-leedigd hebt, en komt dan tot Mij; en indien Ik u geen vergiffenis schenk, besehiddigt mij, werpt het Mij dan tegen, behandelt Mij als een ontrouwe; maar neen, Ik zal mijn woord niet breken, neen, al was uw geweten ook zoo rood als karmozijn ; indien gij tot Mij komt, zal Ik het met mijne genade zoo wit v maken als sneeuw.
22) Eindelijk heeft Hij nog uitdrukkelijk verklaard, dat zoodra eene ziel berouw heeft Hem vergramd te hebben Hij al hare zonden vergeet. Ik zal al zijne ongereehtigheden niet meer gedenken. â ')
1
Ez. 33. 11.
2
'2) Is. 1. 18. Ez. 18. 29.
- 445 â
Als gij dus valt in ecu of andere fout, hef dan aanstonds uwe oogen op tot God, doe Hem een betuiging van liefde, belijd uwe fout, en vertrouw vast op vergiffenis. Zeg dan tot God : Heer, dien i Gij liejhebt is krank; dat hart hetwelk ü bemint, het is trank, het is vol wonden. Sana anirnam meam, quia pec-j cavi tibi. Heer, Gij gaat rond om zondaren te zoeken, die berouw hebben, zie hier aan uwe voeten een zondaar die naar U zoekt: Het kwaad is geschied. Wat zal ik doen? Gij wilt niet, dat ik het vertrouwen verlieze, neen ondanks mijne zonde wilt Gij mij nog alle goeds, en ook ik, ik bemin U nog; ja mijn God, ik bemin U uit geheel mijn hart, ik heb berouw over het misnoegen, dat ik ü heb aangedaan, ik neem mij voor het nooit meer te doen ; welaan Gij, die een God zijt, suavis et mitis et copiosus in misericordia, die God zoo zoet, zoo zachtzinnig, zoo overvloeiende van barmhartigheid, schenk mij vergiffenis, zeg ook tot mij gelijk Gij het eens zeidet tot Magdalena; üw zonden zgn u vergevenquot; en geef
â 446 â
mij kracht om U in de toekomst getrouw te zijn.
23) Werp voor?l in zulke oogen-blikken om niet ontmoedigd te worden eeu oogopslag op den gekrnisten Jesus, bied den hemelschen Vader Jesus' verdiensten aan, en vertrouw vastelijk op vergiffenis, immers om aan u vergiffenis te schenken, heeft God zijn eigen Zoon niet gespaard, propria Filio non pepercit. Zeg daarom vol vertrouwen : Sespice in faciem Christi tui. O mijn God, sla uw oogen op uw Zoon, voor mijne zaligheid gestorven ; welaan, om de liefde van dien Zoon, erbarm U en schenk mij vergiffenis. Godvruchtige ziel, geef op dezen wenk, welke alle leermeesters van het geestelijk leven eenparig geven wel acht: zorg, dat gij, na een fout te behben begaan, tl aanstonds tot God wendt, ook al zoudt ge er op éénen dag honderdmaal in hervallen ; en als gij dit gedaan hebt, moet gij, gelijk gezegd is, aanstonds gerust zijn, want blijft de moedeloosheid en de verwarring door de fout veroorzaakt in uwe ziel voortduren, dan zult
â 447 â
gij u maar weinig meer met God onderhonden, gij zult het vertrouwen verliezen, uw ijver om Hem te beminnen zal verkoelen en gij znlt slechts geringen voortgang kunnen maken op den weg des Heeren. Gaat gij daarentegen aanstonds naar God om Hem vergiffenis te vragen en beterschap te beloven, dan zullen uwe tekortkomingen zelve u dienen om nog meer in de goddelijke liefde vooruit te gaan. Bij vrienden, die elkander van harte beminnen is het niet zeldzaam, dat wanneer de een den ander iets misdaan heeft, doch zich daarna vernedert en vergiffenis vraagt, de vriendschap nog nauwer wordt dan te voren; laat het al/.oo ook bij u zijn. Zorg, dat uwe fouten u dienen om u nog inniger met God te vereenigen in de liefde.
24) Hebt gij een twijfel, omtrent u zeiven of omtrent anderen, doe dan wat getrouwe vrienden in zulke gevallen gewoon zijn : zij zoeken in alles bij elkander raad. Laat nooit na dat blijk van vertrouwen ook aan God te geven, vraag Hem raad, bid Hem dat Hij
â 448 â
u verlichte en u belpo beslissen wat Hem behagelijk is: Da verbum in ore meo et in corde meo consilium 1) Zeg Hem: Heer, wat wilt Gij, dat ik doe? of wat moet ik antwoorden ? zeg het mij, ik zal doen gelijk Gij het zegt. loquere, Domine, quia audit servus tuus. 2)
25) Betoon uw vertrouwen aan God ook door Hem, behalve uw eigen be-noodigdheden ook die van anderen aan te bevelen. Hoezeer behaagt het aan uwen God, als gij bijwijlen uw eigen belangen vergetende, Hem spreekt over de belangen zijner glorie, over de ellende van anderen, vooral van hen die bedrukt van harte zijn, van de zielen in het vagevuur, zijne beminde bruiden, die zoozeer naar zijn heilig Aanschijn verzuchten, en van de arme zondaren die beroofd van zijne genade leven ! O Heer, zoo moet gij zeggen, inzonderheid voor deze laatsten, o Heer, Gij zijt zoo beminnelijk, Gij verdient eene oneindige liefde; hoe kunt Gij het dan aanzien,
1
Judith 9. 18.
2
1 Rcff. 3. 9.
â 449 â
dat zoovclen op deze wereld, ofschoon Gij hun zoovele weldaden bewijst, ü niet willen kennen, weigeren U te beminnen, ja TJ zelfs durven beleedigen en verachten? Ach mijn allerbeminnelijkste God, doe U kennen, doe U beminnen. Sanctificetur nomen tuum, aclveniat regnum tuum; moge toch uw heilige naam aanbeden en bemind worden door allen; moge uwe liefde in alle harten heerschen. O laat mij toch niet van U weggaan zonder eenige genade voor de arme zielen, voor wie ik U bid.
29) Men zegt, dat er in het vagevuur een bijzondere straf is (poena languoris genaamd) voor de zielen, die tijdens hun loven weinig verlangd hebben naar het paradijs. En met reden, want het verraadt weinig waardeering voordat groote goed, voor dat eeuwige Koninkrijk, dat onze Verlosser ons met zijnen dood heeft moeten verdienen, als wij er niet vurig naar verlangen. Vergeet daarom niet godvruchtige ziel, dikwijls naar het paradijs te verzuchten, zeg tot uwen God, dat gij een zóó vurig verlangen hebt Hem van aanschijn tot aanschijn
â 450 â
te aanschouwen en te beminnen, dat de tijd u hier beneden wel duizend jaren toeschijnt. Haat er vurig naar te mogen heengaan uit dit ballingsoord, uit deze plaats van zonde en gevaren, om te worden opgenomen in dat land van liefde, waar gij uwen God uit al uwe krachten zult beminnen; zeg Hem dikwijls: o Heer, zoolang ik op deze aarde leef, ben ik altijd in gevaar U te verlaten en beroofd te worden van uwe liefde; wanneer zal dit leven waarin ik U immer beleedig verlaten, wanneer het geluk hebben U te beminnen met geheel mijne ziel, en mij met U vereenigen zonder vrees van U nog ooit te verliezen? Ziedaar het onophoudelijk verlangen van de H. Theresia; telkens als zij de klok hoorde slaan verheugde zij zich bij de gedachte, dat er al weder een uur voorbij was van haar leven, een uur van het gevaar haren God te verliezen. Zóó vurig verlangde zij naar den dood om tot de aanschouwing van God te komen, dat zij stierf van verlangen om te sterven; vandaar dat lied vol liefde hetwelk zij vervaardigde:
â 451 -
,,7/c sterf, wijl ik niet sterve.quot;
27) In eeu woord, wilt gij het liefdevol Hart van uwen God genoegen geven, zorg dan zoo dikwgls gij maar kunt met Hem te spreken, doe het zonder opbonden en met alle mogelijke vertrouwelijkheid; de Heer van zijnen kant zal het niet beneden zich achten, u ook te antwoorden, en op zijne beurt ook met u te spreken. Hij zal u wel is waar uiet toespreken met woorden die verstaanbaar zijn voor uwe ooren, maar met woorden zeer wel verstaanbaar voor uw hart; zoo gij u tenminste losmaakt van den omgang met de schepselen en u gewent alleen, van hart tot hart u met uwen God te onderhouden: Ik zal haar in da eenzaamheid leiden en tot haar hart spreken. 1) Hij zal u dan toespreken door die heilige ingevingen, door die inwendige verlichtingen, door die openbaringen zijner goedheid, door die zoete beroeringen des harten, door die blijken van vergeving, door dat gevoel van vrede, door die hoop op den
1
Os 2. U,
- 452 -
hemel, door die inwendige vervoeringen van blijdschap, door die zoete vertroostingen zijner genade, door die liefdevolle omhelzingen en blijken van teederheid, in een woord Hij zal u toespreken met die woorden van liefde, wel bekend aan de zielen die Hij bemint en die niets anders dau God zoeken.
28) Ten slotte wil ik u hier, als korte samenvatting van alles wat wij boven gezegd hebben, een praktische manier aangeven om alle handelingen van den dag aan God welgevallig te maken. Des morgens bij uw ontwaken moet uw eerste gedachte zijn, uw hart tot God te verheffen, door Hem het offer aan te bieden van alles wat gij dien dag zult doen of lijden, en den bijstand af te bidden zijner genade. Doe vervolgens de gewone akten voor den morgen, d. i. betuig God uwe dankbaarheid, doe een akte van liefde, bid om genade en maak het voornemen dien dag zóó door te brengen alsof hij de laatste was van uw leven. Pater Saint-Jure geeft den raad des morgens
- 453 â
eene overeenkomst met God te maken, door bijv. te bepalen dat zoo dikwijls wij een bepaald teeken zullen maken, bijv. onze hand naar ons hart zullen brengen of onze oogen opslaan ten hemel of naar het kruis of iets der-gelijlss, wij daarmede bedoelen een akte te doen van liefde, van verlangen om God door allen bemind te zien, van algeheele toewijding van ons zeiven of iets dergelijks. Nadat gij dan de bovengenoemde akten hebt verricht en uw ziel gesteld hebt in de zijde van Jesus Christus en onder don mantel van Maria, nadat gij den hemelschen Vader hebt gebeden u ter liefde van Jesus en Maria dien dag te bewaren, zorg dan vóór al uwe andere bezigheden eenigen tijd toe te wijden aan het gebed of de overweging, en wel minstens een half uur. Overweeg bij voorkeur de smarten en verguizingen, die Jesus Christus verduurd heeft in zijn lijden, Dit onderwerp is aan de godminnende zielen het dierbaarst, en het meest in staat hen in de liefde Gods te doen ontvlammen. Drie devotie's moet gij zoo
â 454 â
gij wüt vooruitgaan, bijzonder ter harte némen: do devotie tot het lijden van Jesus Christus, tot het H. Sacrament, en tot de allerheiligste Maagd Maria. Verder wat het gebed aangaat, zorg daarin dikwijls de akten te herhalen van berouw, van liefde en toewijding van u zeiven. De eerbiedwaardige Pater Carolus Caraffa, Stichter van de ,, Pii operarii ' zeide, dat één vurige akte van liefde die men des morgeus in het gebed doet, voldoende is om de ziel den ge-heelen dag te bewaren in den ijver.
29) Volbreng ook nauwkeurig uwe andere godvruchtige oefeningen zooals biecht, H. Communie, brevier enz. Wanneer gij u met uwe uitwendige zaken gaat bezighouden, zooals studie, handwerk of andere bezigheden, aan uwen staat eigen, vergeet dau niet bij het begin van olke handeling de toewijding aan God. Smeek Hem om zijne hulp, opdat gij alles zonder fout doen moogt, verzuim ook niet op het voorbeeld van de H. Catha-rina van Siena u dikwijls terug te trekken in do cel van uw hart om u daar met God te vereenigeu. In één
â 455 â
woord, wat gij ook doet, doe het alles met God en voor God. Wanneer gij uw kamer of uw huis verlaat, en eveneens wanneer gjj er in terugkeert, beveel u dan immer door een Weesgegroet in de bescherming der allerheiligste Maagd. Gaat gij naar tafel, draag dan aan God op hetgeen u bij het eten of drinken weerzin verwekt of hetgeen u smaakt, en betuig Hem bij het einde uwen dank, zeg Hem ,,0 Heer, wat zijt gij goed voor iemand die' u zoozeer beleedigd heeft.quot; Vergeet door den dag niet uwe geestelijke lezing te doen, alsook uw bezoek bij het allerheiligst Sacrament en bij de allerheiligste Maagd Maria, noch ook des avonds uw rozenkrans te bidden en het gewetensonderzoek te verrichten met de akten van geloof, hoop, liefde en berouw, het voornemen om u te beteren en om de sacramenten te ontvangen in uw leven en bij uwen dood. Maak daarbij ook de meening om alle aflaten te verdienen, die er aan verbonden zijn. Als gij u te bed begeeft, denk er dan aan dat gij reeds in het vuur der hel moest liggen, en leg u ter ruste in de
30
omhelzing van het kruis zeggende: âIn vrede, in de hesehenning des Heeren zal ik slapen en rusten.quot; In pace in idipsiim dormiain et requiescam. 1)
30) Bij deze gelegenheid wil ik in 't kort de vele aflaten aangeven die aan verschillende gebeden of godvrnchtige oefeningen verbonden zijn. Het is daarom goed, dat gij reeds des morgens de meening maakt om dien dag al de aflaten die gij kunt te verdienen. Iemand die gelijk boven is aangeduid, de akten doet van geloof enz. kan een aflaat verdienen van 7 jaren iederen dag, en als hij dit een maand volhoudt, een volle aflaat, *) toepasselijk op de geloovige zielen en ook op hem zelven in artioulo mortis (op het oogenblik van sterven). Maak evenzoo de meening om al de aflaten te verdienen die verbonden zijn aan het bidden van het rozenkransgebed aan een gewijden rozenkrans; aan liet bidden van driemaal daags het ,,Engel des Heeren ,
1
Ps 4. 0.
Op een tiag in de lil li h n (1 nafii' verkiezingr, mits men biechte, communiceere en bidde tot intentie, van /. It. (Zie Falise âCongr. Indulff. Eesol. Authent.quot;)
â 457 -
van do litanie van 0. L. V,, het Salve Itegina, het Wees gegroet en het Glorie zij den Vader: aan het schietgebed: Gezegend zij de onbevlekte en allerzuiverste Ontvangenis der gelukzalige Maagd Maria; alsmede aan het schietgebed : Geloofd zij nu en ten allen tijde het allerheiligste Sacrament, aan het bidden van het gebod: Anima Christi, Ziel van Christus heilig mij; aan de buiging van het hoofd bij het Gloria Patri en bij de H.H. namen van Jesus en Maria; ook aan het Mis hooren en het honden durende een half uur;
halve de gedeeltelijke,
aflaat verbonden voor gedurende een maand daarbij biecht en communiceert, 1) benevens de aflaten die men verdient door te knielen voor het allerheiligst Sacrament _ en door hot kussen van het kruis. â Heb immer de meening om al de aflaten te verdienen, die gij kunt.
daaraan is be-nog een volle ieder die dit volhoudt, en
31) Om u in dit leven zooveel mogelijk ingetogen en met God vereenigd
1
Zie vorige bladzijde t. a. p.
â 468 â
te houden, moet gij trachten bil alles wat gij ziet of hoort uwe gedachten tot God te verheffen of ten minste een blik te werpen op de eeuwigheid. Bij voorbeeld, als gij stroomend water ziet moet gij denken dat alzoo ook uw leven voorbij vliedt, en gü al meer en meer nabij komt aan den dood. Ziet gij een lamp die uitgaat door gebrek aan olie, denk dan dat alzoo ook eens aan uw leven ceu einde zal komen. Wanneer gij een begrafenis ziet of een doode, bedenk dan hoe dit lot ook eens het uwe zal zijn. Ziet gij de grooten dezer aarde zich verheugen in hunne waardigheden of rijkdommen, heb dan medelijden met hunne dwaasheid en zeg: Wat mij aangaat, ik heb genoeg aan God: Dezen (betrouwen) op wagens en genen cp paarden; maar wij roepen den naam aan van den Heer onzen God. 1J Zij beroemen zich op die ijdel-heden, ik echter, ik wil mij alleen op de genade van God en op zijne liefde | beroemen. Ziet gij den schitterenden lijkstoet of de heerlijke grafsteden van gestorven grooten dezer wereld, zeg
quot;iTl'^Tia 8.
â 459 â
dan: Wat baat hun al deze pracht indien zij verdoemd zijn! Aanschouwt gij de zee in rust of door den storm beroerd, denk dau aau het verschil tusscben eene ziel in Gods genade en eene ziel die in zijn ongenade is. Als gij een dorren boom ziet, denk dan aan eene ziel zonder God, hoe zij voor niets goed is dan om in het vuur geworpen te worden. Als gij ooit iemand, die schuldig is aan een zwaar vergrijp, van schaamte en angst ziet beven voor het aanscbijn van zijn rechter, zijn vader of overste, stel u dan voor, hoedanig de angst moet zijn van een zondaar voor het aanscbijn van den oppersten Rechter Jesus Christus. Wanneer het onweert, en gij eenige vrees gevoelt, denk dan aan het sidderen van de rampzalige verdoemden, daar zij in de hel onophoudelijk den donder hooren der goddelijke gramschap. Ziet gjj een ter dood veroordeelde, en boort gij bem vol droefheid uitroepen: âZoo is er dan voor mij geen redding meer van den doodquot;, stel u dan de wanhoop voor van eene ziel die. veroordeeld tot de bel.
â 460 â
moet zeggen: zoo is er dan voor mij geen redding meer van het eeuwig verderf!
32) Aanschouwt gij de velden, de oevers der zee, bloemen en vruchten, wier schoonheid en geur u verkwikken, zeg dan: Ziet wat schoone schepselen de Heer op deze wereld gemaakt heeft, opdat ik Hem toch maar zou beminnen, en welke andere geneugten behoudt Hij mij nog voor in het paradijs! Wanneer de H. Theresia de schoone heuvelen of de heerlijke velden aanschouwde, zeide zij; o hoe verwijt mij dit alles mijne ondankbaarheid jegens God. En de Abt de Eancé, stichter van la Trappe, zeide dat al dat schoone hem zijne verplichting herinnerde om God te beminnen. Hetzelfde zeide ook de H. Angustinus, daar hij uitriep: Hemel en aarde en al wat zij bevatten roept mij toe, dat ik U moet beminnen. Caelum et terra et omnia quae in eis sunt, mihi dicunt ut amem te. Men verhaalt van een vroom dienaar Gods, dat hij de bloemen en planten, die hij in de velden ontmoette, dikwijls zachtkens met zijn stok sloeg, terwijl hij zeide: Zwijgt toch, verwijt
â 461 â
mij met langer mijne ondankbaarheid jegens God, ik heb u verstaan, thans is het genoeg, niet meer daarover. Als de H. Maria Magdalena de Pazzi eene schoone vrucht of eene bloem in hare handen had, gevoelde zij zich daardoor geheel in goddelijke liefde ontvlammen; zij zeide dan bij ziehzelve: Zie, van alle eeuwigheid heeft God er aan gedacht om deze vrucht, deze bloem te scheppen, en mij aldus een bewijs zijner liefde te geven.
33) Wanneer gij een rivier of eeu beek aanschouwt, bedenk dan, dat gelijk dit water voortspoedt naar de zee, zonder ooit stil te staan, ook gij alzoo immer voort moet gaan naar God, uw eenig goed. Gebeurt het u in een voertuig met paarden bespannen te rijden, zeg dan : Zie, wat geven zich die schuldelooze dieren een moeite om mij te dienen, en ik, wat moeite geef ik mij voor den dienst en het welbehagen van mijnen God? Wanneer gij een hondje ziet, dat voor eeu stukje brood zoo getrouw is aan zijnen meester, bedenk dan hoeveel meer gij verplicht zijt aan God
â 462 â
getrouw te zijn die n heeft geschapen, die u bewaart, in al uw behoeften voorziet en u overlaadt met zoovele weldaden. Wanneer gij het gezang der vogelen hoort, zeg dan : hoort gij, mijne ziel, hoe die diertjes den lof zingen van hunnen Schepper? en gij, wat doet gij? O loof gij Hem ook met akten van liefde. Hoort gij daarentegen het gekraai van een haan, denk er dan aan dat ook gij, gelijk Petrus, een lijd lang uwen God hebt verloochend, en vernieuw alsdan uw smart en uwe tranen. Eveneens, als gij het huis of de plaats ziet, waar gij vroeger gezondigd hebt, keer u dan tot God an zeg Hem; De zonden mijner jeugd en mijne misslagen, gedenk ze niet, o Heer. 1)
34) Aanschouwt gij de dalen, bedenk dan dat gelijk die dalen hunne vruchtbaarheid danken aan het water dat van de bergen vloeit, eveneens de genaden des hemels nederdalen op de nederige zielen â maar de hoovaardigen verlaten. Ziet gij eene schoon versierde kerk, stel
1
Ps. 24. 7.
- 463 â
u dan de schoonhoid voor eeuer ziel in staat van genade, daar ook deze een tempel van God is. Wanneer gij de zee aanschouwt, overweeg dan Gods onmetelijkheid en grootheid. Ziet gij een vuur of een ontstoken kaars op een altaar, zeg dan: hoeveel jaren moest mijne ziel reeds branden in het vuur der hel! maar omdat gij, o mijn God, mij niet in dat eeuwig vuur hebt willen neerstorten, zoo maak dat nu mijn hart gelijk dat hout of die kaarsen moge branden uit liefde tot IJ. Aanschouwt gjj den sterrenhemel, zeg dan niet den H. Andreas Avellinus : o mijne voeten, eenmaal zult gij die sterren des hemels betreden.
35) Herinner u ook dikwijls de liefde-geheimen van onzen goddelijken Verlosser. Ziet gij stroo of ontmoet uw oog-een kribbe of een grot, denk dan aan het kindje Jesus in den stal van Bethlehem. Ziet gij een zaag, een hamer, een schaaf of een boor, denk er dan aan, hoe Jesus als een eenvoudige leerknaap gewerkt heeft in den winkel van Nazareth. Ziet gij koorden, doornen, nagelen.
â 464 â
balken, denk dan aan Jesus' smarten en dood. Wanneer de H. Franciscus van Assisie een lam zag, begon bij fe vveenen en zeide: gelijk een lam werd mijn Heer voor mij ter slachtbank geleid. Ziet gij verder een altaar, een kelk, een pateen, herinner n dan welke groote liefde Jesus ons betoond heeft door zich zeiven aan ons te geven in het H. Sacrament des Altaars.
36) Offer u gedurende den dag dikwijls aan God op, gelijk dat de H. Theresia deed. Zeg Hem: zie hier ben ik. Heer, doe mij kennen waarmede ik U genoegen kan doen, ik ben tot alles bereid. Doe vooral ook, zoo dikwijls gij maar kunt, akten van liefde. De akten van liefde, gelijk dezelfde H. Theresia zeide; zijn het hout, waarmede het vuur der goddelijke liefde in ons hart aan het branden wordt gehouden. Als de eerbiedwaardige zuster Seraphina de Capri er eens over nadacht hoe het muildier van het klooster zijnen God niet kon beminnen, begon zij het te beklagen en zeide: âArm dier, gij kunt uwen God niet liefhebben!'quot; Op hetzelfde oogenblik begon het muil-
l
\l
- 465 â
dier zoo bitter te weenen, dat men de tranen als beken uit zijne oogen zag vloeien. Laat het gezicht van een redeloos dier, dat niet in staat is God te beminnen, evenzoo voor n eene aansporing zijn om dit van uwen kant des te meer te doen, daar gij zoo gelukkig zijt het te kunnen. Valt gij in eene fout, zorg dan u aanstonds te vernederen en met een akte van liefde, zoo vurig mogelijk, weder op te staan. Treft u een of andere tegenspoed, zorg dan aanstonds uwe moeielijkheid aan God op te dragen en onderwerp u aan zijnen heiligen wil; gewen u immer bij alle tegenkanting te herhalen: âOmdat God het zoo wil, wil ik het ook.quot; Die akten van overgeving zijn onder alle akten van liefde het aangenaamst en het dierbaarst aan het Hart van God.
37) Wanneer gij over een of andore zaak moet beslissen of een gewichtigen raad moet geven, neem dan alvorens te handelen of uw antwoord te geven, eerst uwe toevlucht tot God. Gewen u om evenals de H. liosa van Lima. door den dag zoo dikwijls gij maar kunt te
â 466 â
herbalen: Deus in adjutornm rneum intende, Heer, help mij, laat mij met aan mijzelven over. Wend n daarom dikwijls tot het beeld van den Gekruiste of van de Allerheiligste Maagd Maria, en wees vooral bezorgd dikwijls de H.H. namen aan te roepen van Jesns en Maria, vooral ten tijde der bekoring. God, die van oneindige goedheid is, beeft bet grootste verlangen ons deelachtig te maken aan zijne genaden. De eerbiedwaardige Pater Alvarez aanschouwde onzen goddelijken Zaligmaker eens met de handen vol genaden, terwijl Hij rondging en zocht om ze te kunnen uit-deelen. God evenwel wil, dat wij er Hem om vragen. Vraagt en gij zult ontvangen. Doen wij dit niet, dan trekt Hij zijne hand terug. Daarentegen opent Hij ze bereidwillig voor een ieder die Hem aanroept. Wie, zegt de JScclesiasticus, heeft ooit zijn toevlucht tot God genomen, en werd door Hem verstooten zondei vei -hooring te vinden? Qnis invocavit eurn, et despexit illurn ? 1) En David zegt,
1
Eccli 2. 12.
dat de Heur dengenen, die Hem aanroepen niet slechts barmhartigheid, maar zelfs groote barmhartigheid betoont. Want Gij, o Heer, Gij zijt goed en ye-nadig en van groote goedertierenheid voor allen die u aanroepen. 1)
36) O hoe goed en ijverig is de Heer voor een ieder, die Hem uit liefde zoekt 1 Bonus est Dominus animae quaerenti Illuin 2). Als Hij zich zelfs laat vinden door hen, die Hem niet zoeken 3) Inventus sum a non quaerentibus vie, met hoeveel te meer bereidwilligheid zal Hij zich dan laten vinden door iemand die Hem zoekt, en die Hem zoekt om Hem te dienen en te beminnen? Eindelijk, de rechtvaardige zielen moeten zich, gelijk de H. Theresia zegt, in de beoefening der liefde gedragen gelijk de zalige zielen in den hemel. Gelijk de heiligen in den hemel zich met niets bezighonden dan met God, geen andere gedachte, geen ander genoegen hebben dan zijne glorie en zijne liefde, zoo
1
Pa 85. 5.
2
Thren. 3. 25.
3
Rom. 10. 20.
â 468 â
moet het ook met u zijn. Keeds hier op deze wereld moet God uw eenig geluk zijn, God het eenig voorwerp van al uw genegenheid, het eenig doel van al uwe handelingen en begeerten, tot gij eenmaal zult komen in liet rijk des hemels, waar uwe liefde geheel volmaakt en voltooid zal worden, waar al uwe verlangens ten volle zullen worden vervuld en bevredigd.
§ IV.
R a a (1 g e Y i ii g e ii ter verlichting en bemoediging van eene troostelooze ziel.
GEKSTELIJIv OXDKHHOUD TUSSCHEN DEN SCHRIJVER EN EENE ZIEL, WELKE HEM OM RAAD VRAAGT IN HARE ZIELSKWELLINGEN.
Welaan, laat mij eens
â ------- ..jlkc die gewetensangsten
zijn, die u, naar gij zegt, zoo kwellen.
De Zikl. Mijn vader, reeds sedert drie jaren ben ik inwendig zóó dor en troosteloos, dat ik nergens, noch in het gebed, noch voor het H. Sacrament, noch in de H. Communie mijnen God vind. Het is mij alsof ik eene ziel ben zonder liefde, zonder geloof en hoop, in één woord, verlaten van God. Noch het lijden van Jesns Christus, noch het.
â 470 â
H. Sacrament des Altaars maken op mij eenigen indruk meer, ik ben ongevoelig geworden voor alle devotie. Het is waar, ik heb dit alles verdiend om mijne zonden, waarvoor ik reeds moest branden in de bel.
Bis. Met andere woorden, gij leeft reeds sedert lang in dorheid. Om u ecbter een juist antwoord te kunnen geven, moet ik weten of die dorheid vrijwillig is of niet ? Ik wil u mijne bedoeling verklaren; vrijwillige dorheid noem ik het, als de ziel zich schuldig maakt aan vrijwillige en voorbedaoh-telijke fouten, zonder dat zij haar best doet er zich van te beteren. Dit evenwel is eigenlijk geen dorheid, maar lauwheid: een toestand van dien aard dat, als de ziel geen geweld gebruikt om er uit op te staan, zij immer van kwaad tot erger zal komen; en God geve dat zij met verloop van tijd nog niet in dieper ellende vervalle. Deze soort van dorheid is als een tering-koorts, welke niet op eens doodt, maar toch den dood onvermijdelijk aanbrengt. De dorheid echter is onvrijwillig,
â 4V1 â
wanneer de ziel haar best doet om op den weg der volmaaktheid vooruit te gaan, de voorbedachte fouten vermijdt, goed bidt, dikwijls de sacramenten ontvangt, en met dit al zich toch inwendig dor gevoelt. Komen wij ter zake; Gij hebt mij gesproken van z jnden uit uw vroeger leven, hebt gij die zonden gebiecht?
Ztel. Ja Vader, ik heb er eene generale biecht van gedaan, meermalen zelfs heb ik ze beleden.
Bis. En wat zegt uw geestelijke bestuurder ?
Ziel. Hij heeft mij verboden nog ooit over dingen van mijn vorig leven te spreken ; doch ik gevoel mij altijd ongerust ; want ik ben altijd bevreesd dat ik mij niet duidelijk genoeg verklaard heb. Daarenboven word ik gekweld door duizenderlei bekoringen van ongeloof, van onzuiverheid en hoogmoed ; ik bestrijd ze wel, maar toch altijd kwelt mij de vrees, dat ik er zwijgend eenigszins in heb toegestemd.
Bis. En uw bestuurder, wat zegt hij betreffende die slechte gedachten?
31
â 472 â
ZiEilt;. Hij wil niet dat ik er mij van beschuldige, ot ik moest zonder aarzelen kunnen zweren, dat ik er in heb toegestemd. En gij Vader, wat zegt gij mij ? ik bid u mij eenigen raad te geven eu mij wat op te benren,
Bis. Wat ik n zeg? Ik zeg ti dat gij meer vertrouwen moest hebben in de gehoorzaamheid aan uwen bestierder. Hebt gij nooit gelezen wat de H. Philip-pus Nerius leert? 1) Iemand, zegt hij, die aan zijnen bichtvader gehoorzaamt, kan er gerust op zijn, dat hij aan God geen rekenschap zal behoeven te geven van hetgeen hij doet. Verder zegt de heilige, dat men op zijn biechtvader steeds ten volle moet vertrouwen, daar God niet zal toelaten, dat hij dwaalt; ook zegt hij, dat er geen zekerder middel is om de strikken des duivels te verbreken dan in de goddelijke dingen te gehoorzamen aan den wil van zijnen geestelijken bestierder, dat er daarentegen niets gevaarlijker is dan zich te willen regelen volgens eigen inzicht.
1
Baoci. L. 1. c. 20.
- 473 -
Hebt gij den H. Pranciscns van Sales nooit gelezen? M deze heilige schrijft van dc gehoorzaamheid aan den zielsbestier-der als volgt: âZiehier de gewichtigste aller lessen; wat moeite gij ook doet, zegt de godvruchtige Avila, nooit zult gij zóó zeker den wil van God vinden, dan langs den weg dezer nederige gehoorzaamheid, door alle godvruchtigen der oudheid zoozeer aanbevolen en beoefend.quot; In den zelfden zin schrijft ook de H. Theresia. 1) ,,De ziel,quot; zegt zij, âwende zich tot haren biechtvader, met het vaste besluit, daarna niet meer aan hare zaak te denken, maar zich geheel te verlaten op het woord des Zaligmakers : Die u hoort, hoort mij. 2) God stelt deze onderwerping op zoo hoogen prijs, dat, zouden wij ook de grootste moeiolijkheid ondervinden om te gehoorzamen, ja, hetgeen de biechtvader oordeelt, geheel verkeerd achten, maar het niettemin, hetzij dan met of zonder tegenzin doen, wij zeker Gods wil
1
2) Fond. c. 5.
2
3) Luc. 10. 16.
â 474 --
volbrengen.quot; En de heilige Joannes van het Kruis zegt, in naam van Jesus Christus: âAls gij uw vertrouwen weigert aan de biechtvaders, dan weigert gb het aan mij, wijl ik gezegd heb: die u versmaadt, versmaadt mij.quot; 1) Verder zegt hij in No. 8: âZich niet willen neerleggen bij hetgeen door den biechtvader gezegd wordt, is hoogmoed en gebrek aan geloof.quot; De heilige zegt dit om de reeds boven aangehaalde woorden van Jesus Christus: Die u hoort, hoort mij. Vandaar geeft de H. Franciscus van Sales de volgende allernuttigste grondregels: âI. Nooit is iemand verloren gegaan, die oprecht gehoorzaam was. II. Men moet tevreden zijn, wanneer men van zijn zielsbestierder weet, dat men op den goeden weg is, zonder te trachten dit zelf in te zien. Een gewichtige les voor de angstvallige zielen, welke immer de reden willen weten van hetgeen de zielsbestierder hun oplegt. Ten IIIe voegt de H. Franciscus van Sales als gevolgtrekking van
1
Tratt. delle spine t. 3 eoll 4 5 2 n. 2.
â 475 â
den voorgaande er een anderen sehoonen grondregel bij. âHet bestequot;, zegt liij, âis in dit leven te wandelen met een blind vertrouwen op de goddelijke voorzienigheid te midden van duisternissen en twijfelingen.''
Overigens zijn alle Leeraren der Kerk en alle heilige Vaders het omtrent die gehoorzaamheid aan den zielsbestierder eens; laat ik hier als bewijs slechts het woord van den H. Bernardns aanhalen. Deze heilige zegt, dat alles wat ons door den mensch in naam van God wordt opgelegd, zoolang het niet klaarblijkelijk zonde is, niet anders moet worden aangenomen dan alsof het een bevel van God zelf ware: Quidquid vice Dei â praecH^ ''onio, qiiod non sit tarnen certum displicere Deo, haud secus omnino accipiendum est quam si praecipiat Deus. 1)
In één woord, die gehoorzaamheid aan Gods gewijde dienaren is het zekerste, ja het eenige middel, dat Jesus Christus ons ueeft achtergelaten om twijfelende
1
lgt;e Praec. ct Disp. e. 12.
â 476 â
gewetens tot rust te brengen, en daarvoor moeten wij Hem ten hoogste dankbaar zijn. Hoe toen zou anders een angstvallige ziel in hare twijfelingen ooit volkomen rust kunnen vinden ? Die gewetensangsten (welke de bitterste kwelling zijn voor de godminnende zielen, veel grievender dan alle andere beproevingen, dan ziekten, vervolgingen en wat dan ook) zijn het deel geweest van bijna alle heiligen; een H. Theresia, een H. Maria Magdalena de Pazzi, een H. Joanna Francisca Fremiot de Chantal en vele anderen zijn er door beproefd geweest. Hoe echter zijn zij tot rust gekomen ? Alleen door de gehoorzaamheid. Wat zegt gij thans? Zijt gij nu overtuigd, dat gij veilig wandelt wanneer gij gehoorzaamt?
Ziel. Ja Vader, daarvan ben ik overtuigd ; maar hoe komt het dan, dat ik ondanks mijne gehoorzaamheid, sinds twee jaren geene godsvrucht meer gevoel ?
Bis. Thans begrijp ik waar het u scheelt, gij gevoelt den gewenschten
â 477 â
vrede niet. Maar ik vrrag n, wat zoekt gij? Zoekt gij den wil van God of zoekt gij vertroostingen ? Als gij heilig wilt worden, moet gij van nu af niets anders dan Gods welbehagen zoeken, die wil dat gij heilig zijt, maar niet, dat gij in dit leven immer overvloeit van troost. Mist gij Gods vertroosting, troost u dan met de hoop, dat gij toch den Vertrooster bij n hebt. Beklaagt gij u over eene dorheid van twee jaren ? Do H. Joanna Prancisca de Cbantal heeft veertig jaren van dorheid moeten verduren . De H. Maria Magdalena de Pazzi verduurde vijf jaren lang de grootste kwellingen eu bekoringen zonder de minste verlichting; en toen die tijd voorbij was, vroeg zij zelve aan God, haar op deze wereld toch geen gevoe-ligen troost meer te geven. De H. Phi-lippus Nerius was zoo brandend van goddelijke liefde en toch verzuchtte hij: âMijn Jesus, ik Tieh TT nooit bemind; ih zou U toch zoo gaarne heminnen.quot; Een andermaal zeide hij: Nog ken ik U niet n mijn Jesus, en daarom zonk ik TT. Eon andermaal weder zeide hij ; Ik
â i78 â
wenschte U te heminnen, mijn Jesus, maai' ik vind den weg niet. Ik zoele U en lean U niet vinden. Zoo spreken de heiligen, en gij beangstigt u zoozeer, omdat gij dor zijt en uwen God niet vindt, gelijk gij dit zoudt wen-schen?
Ziel. Maar dat waren heiligen, docli ik, ik weet niet eens of God mij wel vergiffenis heeft geschonken van mijne tallooze zonden, omdat ik niet weet of ik daarover wel ooit een goed berouw heb gehad.
Bis. Maar hoe? Hebt gij dan wellicht behagen in de zonden, die gij bedreven hebt ?
Ziel. O neen, ik verfoei ze, ik haat ze meer dan den dood.
Bis. Welnu, waarom zon God u dan haten? Gij vreest dat God u haat! O kondet gij eens zien welke liefde Hij u op dit oogenblik toedraagt, gij zoudt hier aan mijne voeten levenloos ter aarde vallen van louter troost. Weet gij niet, dat Jesus Christus die goede herder is, die op aarde is gekomen om zijn leven te geven voor de zaligheid van
â 479 â
al zijne schaapjes, ook al hebben zij zich vrijwillig in het ongeluk gestort? En hoe zou Hij dan een schaapje kunnen verlaten, dat bereid is liever te sterven dan Hem vrijwillig ook maar het minste misnoegen te veroorzaken ?
Ziel. Maar wie weet of ik niet heb toegestemd in eene zware zonde en God mij daarom verlaten heeft?
Bis. Neen, dat kan niet zijn. Het is onmogelijk dat een zoo verschrikkelijk monster als de doodzonde in de ziel woont, zonder dat de ziel dit bemerkt. Geen enkel zondaar, die in Gods ongenade leeft, twijfelt; noen hij is zeker Gods genade te hebben verloren. Daarom is het een vaste grondregel van alle meesters vau het geestelijk leven, dat zoolang een persoon, die godvreezend is, aan het verlies van Gods genade twijfelt, het zeker is, dat zij ze niet heeft verloren, om de eenige reden, dat niemand Gods genade verliest, zonder dit zeker te weten.
Ziel. Maar waarom gevoel ik mij dan zonder vertrouwen ?
Bis. Luister eens; het ware vertrouwen
â 480 â
bestaat niet in het te gevoelen, maar in het te willen. Wilt gij op God vertrouwen ? Nu, als gij wilt vertrouwen, dan vertrouwt gij.
Ziel. Maar hoe is het dan met mijne liefde tot God?
Bis. Voor de liefde Gods geldt dezelfde regel als voor het vertrouwen. Ook de liefde is in den wil. Wilt gij God beminnen? Welnu, als gij Hem wilt beminnen, bemint gij Hem ook. Gij zoudt den troost willen smaken van te gevoelen dat gij vertrouwt, te gevoelen dat gij bemint; maar God wil tot uw bestwil, dat gij den troost van dat gevoelig vertrouwen en van die gevoelige liefde mist. Tvoost u dan die deugden te bezitten, zonder ze te gevoelen. Hetzelfde zeg ik u omtrent het geloof. Het is genoeg dat gij hetgeen de Kerk u leert wilt gelooven. Gij behoeft niet te gevoelen, dat gij gelooft. Eens zal de tijd aanbreken, dat al die nevelen zullen verdwijnen en dan zal het licht komen, hetwelk u dubbel zal troosten. Stel u inmiddels tevreden met in duisternis te leven. Geef u over aan Gods H. wil
â 481 â
en blijf zoo u verlaten op zijne barmhartigheid.
Laten wij ons intusschen troosten met de H. Schrift. God zegt op eene plaats: Wendt u tot mij, zegt de Heer der heirscharen en ih zul mij tot u wenden. 1) Als wij dus God willen bezitten, laten wij dan de schepselen verlaten ; wenden wij ons tot Hem met onze liefde, dan zal ook Hij zich aanstonds vol liefde tot ons wenden. God zegt tot alle mensclien: 0 gij allen, die bedrukt zijt, komt tot mij, en ik zal u verkwikken. 2) Op een andere plaats vinden wij: Komt en haschuldigt mij, zegt de Heer: al waren uwe zonden zoo rood als karmozijn, zij zullen wit worden als sneeuiv. 3) Komt o zondaren, zegt God, komt gij die berouw hebt, en als ik u geen vergiffenis schenk, arguite me verwijt het mij dan, behandelt mij als leugenaar; maar neen dat zal niet gebeuren, want al zijn uwe zonden ook nog zoo rood, ik zal ze met mijne
1
Zach 1. 3.
2
i) Matth. 11. '28,
3
Is. 1. 18.
_ 482 â
genade wit doen worden als sneeuw. God loopt in zijne liefde de zondaren achterna, terwijl Hij als liet ware weent van medelijden over hun ongeluk. TFaar-om dan, huis van Israël, rvilt gij sterven, 1) roept hij uit, als wilde Hij zeggen; Waarom dan, mijne kinderen wilt gij verloren gaan, terwijl ik zoo bereidvaardig ben om u zalig te maken, als gij tot mij uw toevlucht neemt? Welnu, als God zóó spreekt tot zondaren, die verhard zijn, hoe zal Hij dan eene ziel verstooten, die Hem wil beminnen?
Zeg mij eens in allo oprechtheid, zijt gij soms aan iets van deze wereld gehecht, bijv. aan een persoon, aan een of ander goed, voedt gij misschien een verlangen om vertoon te maken en boven anderen den voorrang te hebben? Denk aan hetgeen de H. Joannes van het Kruis zegt, dat de geringste gehechtheid, het kleinste draadje ons kan beletten tot God op te vliegen en Hein geheel toe te behooren.
Ziel. Neen Vader, met Gods genade meen ik voor geene zaak dezer wereld
1
Ez. 38. n.
â 483 -
zooveel gehechtheid te hebben, dat ik mij daarvoor zou willen schuldig maken aan een vrijwillige fout, maar nochtans zie ik mij zelve vol gebreken, het mishaagt mij veracht te worden en als de gelegenheid zich voordoet, maak ik mij somtijds toornig.
Bis. En als dit gebeurd is, wat doet gij dan?
Ziel. Dan verneder ik mij, ik bid God om vergeving en maak vertrouwende op den bijstand van Jesus Christus bet besluit niet meer iu die fout te hervallen; doch desniettemin blijf ik vol vrees en onrust, het komt mij dan als het ware onmogelijk voor nog heilig te worden, ja het is mij dan, als ware het hoovaardigheid er nog naar te streven.
Bis. Zoo is hot goed, blyf dit immer doen, alleen is het niet goed, dat gij zoo ongerust zijt; al valt gij om zoo te spreken ook honderdmaal per dag, doe dan immer hetzelfde: verwek een akte van beronw, maak het voornemen om met Gods hulp niet meer te hervallen, vernieuw uw vertrouwen op
- 484 â
Jesns Christas, en wees daarna gerust. Weet ook, dat het geen hoogmoed is, als wij zelfs na eene fout nog hopen heilig te worden ; veeleer zou het hoogmoed zjin, als wij na eene fout den moed lieten zinken, en ons aan neerslachtigheid overgaven, alsof onze besluiten ons de verzekering konden geven van niet meer te vallen. Verneder n daarom, en vertrouw op God.
En nu genoeg, ik heb u verstaan, en in hoofdzaak al uwe kwellingen begrepen: alles komt hier op en neer, dat gij niet weet, of gij zalig zult worden en of gij op het oogenblik in Gods genade zijt. Gij hebt mij nu genoeg gezegd, stel mi] thans over die angsten geen twijfels of vragen meer voor. Daar ik dus uwe gesteltenis genoegzaam ken. zal ik n eenige wenken geven, die u als gij beangstigd zijt, naar ik hoop, den vrede zullen teruggeven. Met vrede bedoel ik hier echter niet dien volmaakten vrede, die vrij is van alle schaduw van vrees; dezen vrede behoudt God ons voor in den hemel, want zoolang wij op aarde zijn, wil
â 485 â
Hij, dat wij immer in zekere vrees ver-keer^n, opdat wij niet vergeten zijne goddelijke hulp te vragen en op zijne goddelijke barmhartigheid leeren vertrouwen; immers indien wij die vrees niet hadden, zonden wij dikwijls vergeten onze toevlncht tot God te nemen. Opdat wij dit niet zouden verzuimen, laat Hij die angsten toe.
BBWF.EOREDENEN TOT VEETROUWEN OP GODS BAKMIIARTIOHEID EN OP DE VERDIENSTEN VAN .IESUS CHRISTUS.
Er zijn dus, naar gij zegt, vooral twee zaken waarvoor gij bevreesd zijt, vooreerst vreest gij, dat gij niet zalig znlt worden en vervolgens, dat gij van God nog geen vergiffenis hebt bekomen van uwe zonden. Wat het eerste aar gaat: of' gij al dan niet zijt opgeschreven in het boek des levens, dat is een geheim; God wil niet, dat wij dit weten, opdat alzoo een ieder vreeze en, gelyk de H. Petrus schrijft, met goede werken zijne zaligheid trachte te verzekeren: Quapropter, fratres, magis satagite ut per hona opera certain vestram vocationem et
â 486 â
electionem faciatis. 1) Wel is waar is het God, die ons moet bekeeren en zalig maken; doch van onzen kant moeten ook wij zorgen ons tot God te bekeeren, die dan niet in gebreke zal blijven ons tot de zaligheid te brengen. Convertimini ad me et scdvi eritis.
Het was een verfoeilijke dwaling van Calvijn te beweren, dat God sommige menschen schept met geen ander doel dan om heu naar de hel te verwijzen; en de ellendige ketter voegt er bij, dat God zelfs die menschen noodzaakt om te zondigen, opdat zij zich aldns zouden verdoemen. Neen het is zeker. God wil de zaligheid van allen. Qui omnes homines vult salvos fieri et ad agnitionem veritatis venire. 2) Ja God verklaart, dat Hij ook de zondaren, die bepaaldelijk den eeuwigen dood verdienen, nog wil zien bekeeren cn zalig worden. Zoo waar ik leef, zegt de Heer, ik ivil niet den dood des zondaars; maar dat de zondaar zich he-keere en leve. 3) Tertnllianus bemerkt, dat
1
2 Petr. 1. 10.
2
1 Tim. 2. 4.
3
Ez. 33. 11.
- 487 â
die eerste woorden zoo waar ih leef, een eed bevatten, welken God er bij voegt, opdat wij Hem zonder aarzelen zonden gelooven : Jurans etiam, ,, Vivo !quot; dicens, cupü credi sibi. 1) Vandaar, dat de geleerde Petavius er zich grootelijks over verwondert, hoe sommigen die waarheid, (dat God allen zalig wil,) in twijfel kunnen trekken. Als men deze woorden van de H. Schrift, mag aanranden on verdraaien, zegt bij. woorden die door God bekrachtigd zijn met een eed, welke waarheid van het geloof is er dan duidelijk genoeg om beveiligd te zijn voor haarkloverijen ? Quid est adeo disertum in Jidci decretis, quod a cavillationo tutum esse possit? En waarom heeft God een zoo vurig verlangen om allo menschen zalig te maken ? Omdat Hij ze geschapen heeft, gedrongen door de liefde, die Hij hun van eeuwigheid toedroeg. Met eene eemvige liefde heb ih u bemind daarom heb ik u in mijne erbarming tot Mij getrokken. 2)
Ook kent God onze zwakheid en daarom zegt de H. Petrus, heeft Hij geduld met
32
1
Tort, de Poen. c. 4.
2
Jer. 31 3.
â 488 â
de zondaren, want Hij wil niet dat zij verloren gaan, maar dat zij boetvaardigheid doen over hunne zonden en zalig worden. Sed patienter agit propter vos, nolens aliquos perire, sed omnes ad poenitentiam reverti. 1) Die Verlosser, zegt de H. Augustimis, welke ons van don eeuwigen dood bevrijd heeft ten koste van zijn eigen bloed, neen Hij wil de zielen, die Hem zóóveel gekost hebben, niet zien verloren gaan. Qui nos tanto pretio redemü, non vidt perire quos emit. 2) God, in één woord, zou allen willen zalig maken, en daarom als Hij ziet dat sommigen door hnnno zonden Hem noodzaken hen te verdoemen, dan weent Hij als het ware van medelijden en roept hun toe: Waarom, huis van Israël wilt gij sterven ? . . . Keert weder en leeft. Mijne kinderen, waarom wilt gij u zeiven ongelukkig maken, waarom wilt gij u voor eeuwig verdoemen, terwijl ik aan het kruis gestorven ben om u zalig te
1
2. Petr. 3. 9.
2
S. Aug. Serm. 22. E B.
â 489 â
maken? 1) Maar zijt gij zoo dwaas geweest mij te verlaten, welaan, keert terug, hebt berouw over uwe zonden, en ik zal u bet leven, dat gij verloren bebt, teruggeven.
Oordeel thans zelf, of God ook verlangt n zalig te zien. Wacht u daarom wel, u nog ooit woorden te laten ontvallen als deze: Wie weet of God mij wol zalig wil? Wie weet of Hij niet wil dat ik verloren ga, want ik heb Hem zoo dikwijls beleedigd?
Verdrijf zulke gedachten aanstonds, daar gij immers ziet, dat God ti nabij is met zijne genade en dat Hij u op allerlei wijzen tot zijne liefde roept.
Wat nu de andere vrees aangaat, of de Heer u do zonden van uw vorig leven heeft vergeven, ik heb u reeds in den aanvang gezegd, dat gij u zeiven daaromtrent moet geruststellen door de gehoorzaamheid aan uwen biechtvader; gij moet er dus, gelijk hij gezegd heeft, niet meer aan denken nog te biechten van uw vroeger leven. Herinner n (gelijk
1
Ez. 18. 31. 32.
â 490 â
ik zeide) bet woord van de H. Tberesia, dat iemand die hetzij met of zonder moeite gehoorzaamt aan zijnen biechtvader, zeker is, dat hij den wil van God volbrengt. Ik herinner u ook aan hetgeen de H. Joannes van het Kruis schrijft, nl. dat het gebrek aan geloof is, als men zich bij hetgeen de biechtvader zegt, niet wil neerleggen. Immers Jesus Christus heeft in waarheid gezegd, dat hij die aan zijne dienaren gehoorzaamt, aan Hem zalven gehoorzaamt, en dat hij, die zijne dienaren versmaadt Hem zei ven versmaadt. Die u hoort, hoort mij, dieu versmaadt, versmaadt mij. 1) Leggen wij dan voortaan allo bekommeringen omtrent onze zaligheid neder in de handen van den Heer, die gelijk de H. Pel rus zegt, zorg voor ons draagt: Omnem sollicitudinem vestram projicientes in eum, quoniam ipsi cura eet de vohis. 2) Om verder onszelven in de genade van God te bewaren, moeten wij een volslagen mistrouwen hebben in onze eigen krachten, want zonder de genade van
1
Luc. 10. 16.
2
1 Petr. 5. 7.
â 491 â
God kunnen wij niet het minste goed doen, en zouden wij daarentegen in het grootste kwaad kunnen vallen. Vandaar dan ook, dat geheel onze zaligheid bestaat in ons aanhoudend Gode aan te bevelen; want gelijk wij in aanhoudend gevaar zijn te vallen, zoo moeten wij ons ook door het gebed aanhoudend van Gods hulp verzekeren. Die hulp nu, zegt de H. Bernardus, wordt door God allen aangeboden; niemand blijft ervan verstoken, dan alleen hij die ze versmaadt. Affertur omnibus, et nemo illms est expers, nisi qui renuit. 1) De goddelijke hulp wordt dus aan allen aangeboden; maar God wil, dat hij, die ze verlangt, er Hem om vrage: Vraagt en gij zult ontvangen. 2) Hij dus die verzuimt er om te vragen, blijft er van beroofd, en gaat verloren.
Wanneer dns de duivel ons schrik wil aanjagen door de gedachte aan onze zwakheid, geven wij dan niet toe aan mistrouwen, maar laten wij vast vertrouwen, dat God ons kracht zal geven
1
S. Born in Pur. M. S. I-
2
Joa. 16. 24.
â 492 â
om aan allo bekoringen weerstand te bieden. God immers is almachtig, ook wekt Hij zelf ons op tot vertrouwen en wil Hij, dat wij met den apostel uitroepen : II: kan alles in Hem, die mij versterkt. 1) Als wij nu op God vertrouwen, hoe zouden wij dan ooit beschaamd kannen worden? Neen, zegt de Ecclesiasticus: Niemand heeft op den Heer gehoopt en is beschaamd geworden. 2) De naam alleen van Jesus brengt alle krachten der hel tot wijken. Do H. Paulus zegt: dat God aan Jesus Christus een naam beeft gegegen, die allen naam te boven gaat, daar bij den naam van Jesus alles dch vernedert. In den strijd met de vijanden onzer zaligheid zullen wij dikwils meer hulp vinden, als wij den naam van Jesus aanroepen, dan wanneer wij vele lange gebeden doen.
Ik wil tot uwen troost hier nog oenigo andere bijzondere wenken laten volgen, die naar ik veronderstel, veel kunnen bijdragen tot de rust van uw geweten.
1°. Opnieuw druk ik u de gehoor-
1) Phii. 4. 13.
2) Eccli. 2. 11.
3) Fliil. 2, 9. 10.
â 498 â
zaamheid aan uwen biechtvader op het hart: want zooals ik heb kunnen opmaken, hebt gij in dio gehoorzaamheid voorheen geen genoegzaam vertrouwen gehad; dit is de reden van uwe veelvuldige ongerustheid geweest. Ik kan volstaan met hetgeen ik u daarover reeds gezegd heb. Wees er van overtuigd : iemand die onder de leiding dei-gehoorzaamheid wandelt, vindt zeker den weg naar den hemel.
2°. Zorg verder dat gij in tegenspoed alles met bereidwilligheid uit Gods hand aanneemt, vooral ten tijde van ziekte; gehoorzaam dan nauwgezet aan den geneesheer in het gebruik der geneesmiddelen ; maak hem uwe kwalen volledig, doch zonder overdrijving bekend en wees daarna zonder bekommering. Wil van hen die n bezoeken, geen betuigingen van medelijden afbedelen, en zou iemand u op overdrevene wijze beklagen, zeg dan met Jesus Christus: De kelk, dien de Vader mij gegeven heeft, zal ih dien niet drinken 1). God zendt
1
Jou, is. li.
â 494 â
mij deze beproeving over. Hij doet hot, niet omdat Hij mij kwaad wil, maar tot mijn welzijn, zou ik ze dan niet tevreden aannemen? Ten tijde der ziekte kan men zien of iemand al dan niet den waren geest hoeft. Sommige personen zijn, zoolang zij een goede gezondheid genieten, geheel zachtmoedigheid en nederigheid; maar hebben zij iets te lijden, dan worden zij aanstonds ongeduldig en bitter; zij beklagen zich over allen, vooral als hnn een of ander geneesmiddel ontbreekt of zij niet op tijd bediend worden. Zijt gij dns ziek, lijd dan alles met geduld. Zeg in allen tegenspoed met den godvreezenden Job:1) Gelijk het aan den Heer behaagd heeft, is het geschied, dat de naam des Heeren gezegend zij. Wees ook bezorgd om u niet te vertoornen als gij veracht wordt; Om te weten of iemand nederig is, moet men zien, of hij in de verachting geduldig blijft.
3) God is geheel goedheid voor hen, die Hem zoeken: Bonus est Dominus
1
Job. i. 21.
- 495 â
animae quaerenti ilium. 1) Niemand heeft ooit op God vertrouwd, en is door Hem verlaten geworden : Nullus speravit in Domino et conjtisus est. 2) God laat zich vinden, zelfs door hen die Hem niet zoeken gelijk de H. Panlus zegt: Inventus sum a non quaerentibus me. 3) Hoeveel gemakkelijker zal God zich dan niet laten vinden door hen die Hem zoeken ? Wacht u dus wel om voortaan nog te zeggen, dat God u verlaten heeft. God verlaat niemand dan alleen hen die verhard zijn, die vrijwillig blijven voortleven in de zonde, en ook dezen verlaat God nog niet geheel. Immer, tot hun dood toe, blijft Hij hen met zijne liefde achtervolgen, immer schenkt Hij hun nog eenig licht om hen maar niet verloren te zien gaan.
4) Wanneer eene ziel God wil beminnen, kan God haar zijne liefde onmogelijk weigeren. Hij zelf heeft gezegd ; Ik bemin die mij beminnen 4). Als Hij zich voor die minnende zielen verbergt,
1
Thren. 3. 25.
2
Eccl. 2. 11,
3
Hom. 10. 20. cit. Is. 65. 1.
4
Prov. 8. 17.
I
â 496 â
doet Hij het alleen voor haar welzijn, om ze des te vuriger naar zijne genade te doen verlangen, en ze op die wijze nog inniger met zich te verhinden. Wat zeide eens de H. Catharina van Genua op het oogenhlik zelf, dat zij in groote dorheid was, ja zich door God verlaten waande en geen enkelen grond van hoop meer meende te hebben ? r Hoe gelukkig hen ik, in dezen beklagens-woardigen staat, riep zij uit. Laat vrij mijn hart zich te midden der verwoesting bevinden, als mijne liefde maar verheerlijkt wordt. O liefde mijner ziel, als mijn bedrukte staat ti ook maar een enkel greintje glorie schenkt, dan bid ik ü mij gedurende de gansche eeuwigheid aldus te laten.u En terwijl zij zoo sprak, stortte zij in hare troosteloosheid bittere tranen.
5) Weet, dat de zielen die den Gekruiste beminnen, zich ten tijde der troosteloosheid in het binnenste haars harten het innigst met God vereenigen. Niets doet ons meer God zoeken dan de troostelooheid, niets ook doet God dieper in het hart komen dan de troosteloosheid, want in de troosteloosheid
1
â 497 â
zijn de akten van gelijkvormigheid aan den goddelijken Wil veel zuiverder en volmaakter. Daarom, hoe grooter de troosteloosheid is, dea te grooter is de nederigheid, des te zuiverder de overgeving, des te zuiverder het vertrouwen, des te zuiverder zjjn de gebeden, en bijgevolg is ook de genade en de goddelijke bijstand des te overvloediger.
6) Om op den weg der volmaaktheid vooruit te gaan moet gij u bovenal toeleggen op de beoefening der goddelijke liefde. Alleen de liefde tot G-od, als zij meestor wordt van ons hart, zuivert het van ongeregelde gehechtheid. Zorg daarom dikwijls akten van liefde te doen zooals; Mijn God, ik bemin U, ik bemin ü, ik bemin U en ik hoop te sterven, met de woorden: Mijn God, ik bemin U. De heiligen zeggen dat die akten van liefde als de ademhaling moeten zijn onzer ziel. Doch lees over dit punt het 2e en 3e hoofdstuk van de inleiding der ,,Verhandeling over de liefde tot Jesus Christusquot; gij zult daar de gevoelens vinden, die u passen en die u in het gebed kunnen helpen.
â 498 â
7) Verders moet gij gedurende uw gebed u dikwijls geheel zonder voor-belioud aan God opdragen. Zeg dan uit het innigste uws harten : Mijn Jesus, ik geef mij zonder voorbehoud aan ü. Ik ivü geheeL de uwe zijn, geheel de mve ; en als ik mij niet aan U weet te geven gelijk dit moet, neem Gij zelf mij dan, o mijn Jesus, en maak mij geheel den uwe. De H. Theresia herhaalde die al-geheele opoffering iederen dag vijftig malen. Bied God dus immer het offer van uwen wil aan, en blijf steeds dat woord herhalen van den H. Paulus: Heer wat wilt Gij dat ik doe. 1) Die ééne akte was genoeg om den H. Paulus van een kerkvervolger te veranderen in een vat van uitverkiezing. Bn daarom bid dikwijls met David : Heer, leer mij uwen wil volbrengen. 2) Alle gebeden, die gij opzendt tot God, tot zijne H. Moeder, tot uwen Engelbewaarder, tot al uw heilige voorsprekers, zij moeten alle geen ander doel beoogen dan de
1
Aet. 9. 6
2
Pb. 142, 10.
- 499 -
genade te verkrijgen eener volmaakte vervulling van Gods H. Wil. Kortom dat ééne woord: uw wil geschiede strekke u tot genezing van al uwe kwalen en zij u tot middel om alle goed tc verkrijgen.
8) En wanneer gij u gekweld gevoelt door dorheid, tracht u dan te verheugen over het eindeloos geluk van uwen beminden God; ziedaar de volmaaktste akte van liefde, welke de zaligen verwekken iu den hemel; de heiligen toch verheugen zich niet zoozeer over hun eigen geluk als wel over hot geluk van God, want zij beminnen God eindeloos meer dan zichzelven.
9) Wat nu het onderwerp van uw gebed betreft, laat nooit af van de overweging van Jesus' lijden. Geen onderwerp dat meer in staat is onze harten voor Gods liefde te winnen dan Jesus Christus die ter onzer liefde lijdt. Als de Heer u bij de overweging van de geheimen zijns lijdens eenigen troost doet gevoelen, neem dien dan met erkentelijkheid aan; maar al gevoelt gij ook geen troost, wees er van
â 500 -
overtuigd, dat uwe ziel uit die overweging immer ecu groote kracht zal putten. Ga inzonderheid dikwijls naar den hof van Gethsemaue, wat ook de H. ïheresia zoo gaarne deed, omdat zij daar haren Jesus geheel alleen vond. Als gij uw Verlosser daar zoo bedrukt ziet, met bloedig zweet bedekt, zieltogende van benauwdheid, en zóó bedroefd dat zijne droefheid, gelijk Hij zelf verklaarde, voldoende was, om Hem te doen sterven: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, dan . zult gij zonder twijfel troost vinden in uwe kwellingen, vooral als gij bedenkt, dat Hij dit alles lijdt uit liefde tot u. Als gij nu ziet, hoe Jesus zich gereed maakt om voor tl te sterven, verklaar ook gij u dan bereid om op uwe beurt voor Hem te sterven, en als uwe angsten u meer dan gewoonlijk benauwen, zeg dan wat eens de apostel Thomas tot zijn medeapostelen zeide ; Eamus et nos, et moriamur cum eo. 1) Laten ook wij gaan om te sterven met Jesus.
1
Joa. 11. 16.
â 501 â
10) Ga ook naar Calvarië, waar gij uw Jesus verteerd van smarten vindt stervend aan liet kruis. Als gij Hem in dien staat aanschouwt, dan kan het niet anders, of gij zult u vol moed gevoelen om alles te lijden voor een God, die sterft van smart uit liefde tot u. De H. Paulus betuigde, dat hij niets wist, en op deze wereld niets wilde weten dan Jesus gekruist. Non enim judicavi me scire aliquid inter vos, nisi Jesum Christum et hunc crucipxum. ^1) De H. Bonaventura zegt, dat Lij die een blijvende godsvrucht tot Jesus Christus wil bewaren, Hem immer voor den geest moet hebben, zooals Hij daar te sterven hing aan het kruis: Semper oculis cordis sui Christum in cruoe mori-entem videat, qui devotionem in se vult conservare. 2) Werp dan in al uwe bekommeringen een blik op den Gekruiste, en neem bij het gezicht van dien lijdenden Zaligmaker vol moed het besluit om ter Zijner liefde te lijden.
11) Bovenal beveel ik u het gebed
1
1 Cor 2 2.
2
De perf. vit c. 6.
â 502 â
aan. Zondt gij niet weten wat gij zeggen moet, zeg dan maar voortdurend : Heer help my\ en help mij spoedig. Deus in adjutorium meum intende: Domine ad | adjuvandum me festina.
Gij weet hoe dikwijls de H. Kerk dit gebed in de getijden door alle priesters en kloosterlingen doet herhalen. De H. Philippus Nerlus liet het dikwijls 63 maal bidden bij wijze van rozenkrans. De Heer heeft beloofd ons alles te zullen geven wat wij Hem vragen; «Vraagt en u zal gegeven worden.quot;
De H. Bernardas was verrukt, als hij dacht aan de woorden van Jesus Christus tot de zonen van Zebedaeus. Toen nl. dezen eens tot Jesns zelden: Meester, wij willen, dat Gij alles zult doen wat wij u zullen vragen, antwoordde Jesus: Wat ivüt gij dan, dat Ih voor u doe ? 1)
12) Zorg verder alle genaden, die gij aan God vraagt, te vragen in naam van Jesus Christus. Alles wat wij van God ontvangen, ontvangen wij door
1
Mare. 10. 36.
â 508 â
Jesus verdiensten ; ook heeft onze goddelijke Verlosser beloofd dat, ons alles wat wij in zijnen naam aan den Vader zullen vragen, zal gegeven worden; Voorwaar voorwaar ik zeg u; Als gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen, zal Hij het u geven. 1) Als gij u dus bevreesd gevoelt, dat God u verdoemen wil, denk dan eens na bij u zeiven, of Hij die ti zegt: vraag van Mij wat gij wilt en Ik zal bet u geven, wel den wil kan hebben u naaide hel te verwijzen.
13) Doch waarom wilt gij in uw troosteloosheid meenen, dat God u baat? In plaats van u bedroefd te maken, moest Gij u veeleer verblijden, daar gij ziet, hoe God u behandelt gelijk Hij zijne trouwste dienaren behandelt, ja gelijk Hij zijn eigen Zoon behandeld heeft, van wien de H. Schriftuur zegt; De Heer wilde Hem vernietigd en vertreden zien onder smarten enkwellingen. Et Dominus voluit conterere eum in infirmitate. 2)
33
1
Job. 16. 23.
2
ia. 33. 10.
â 504 â
Wanneer gij verontrust wordt door de gedachte, dat God n wellicht om uwe ondankbaarheden wil verlaten, doe dan evenals de twee discipelen, wien Josus onder de gedaante van een pelgrim verscheen. Toen de leerlingen Emmaus bereikt hadden, nam Jesus den schijn aan als wilde Hij zijnen weg vervolgen: Se finxit long his ire; doch zij, zegt het Evangelie: Zij dwongen Hem zeggende: blijf bij ons, want het wordt avond. 1) En toen gewaar-digde zich Jesus met hen het huis binnen te gaan, en bij hen te blijven. Et intravit cum illis. Aldus wordt verhaalt bij den H. Lucas (XXIV). Doe ook gij aldufj. Wanneer het u toeschijnt dat Jesus u verlaten wil, dwing Hem bij u te blijven; zeg Hem: Mijn Jesus, mawe mecum blijf bij mij, ik wil niet, dat Gij mij verlaat; want als Gij mij verlaat, tot wien moet ik dan gaan? Wie zal mij troosten en zalig maken V Domine ad quem ibimus ? 2) Blijf Hem
1
Luo. 24. 29.
2
Joa. 6. 29.
â 505 -
aldus vol liefde en vuriglieid bidden, en wees niet bevreesd, Hij zal u dan niet verlaten. Zeg ook mot den Apostel: Noch de dood noch het leven noch eenig ander schepsel zal ons hunnen scheiden van de liefde Gods. 1) Mijn beminde Zaligmaker, toon ü tegen mij vertoornd zooveel Gij wilt, weet dat noch vrees voor den dood, noch verlangen naar liet leven, noch eenig schepsel ter wereld, mij ooit zal kunnen scheiden van uwe liefde. Of wel volg het voorbeeld van den H. Pranciscus van Sales; toen deze heilige in zijne jeugd eens aan groote dorheid ten prooi was, en de duivel hem do gedachte inblies, dat hij was voorbestemd voor de hel, antwoordde hij; Als ik dan mijn God niet zal kunnen beminnen in de eeuwigheid, wil ik Hem tenminste uit al mijn vermogen beminnen in dit leven. En op die wijze kreeg hij zijn opgeruimdheid weder.
15) Maar vergeet ook niet in uwe angsten of troosteloosheid uwe toevlucht te nemen tot de allerheiligste Maagd
1
Rom. 8, 38. 39,
â 506 â
Maria, die ons door God is gegeven als de troosteres dei bedrukten. Jesus Christus is de grondslag van geheel onze hoop, maar de H. Kerk wil, dat wij ook Maria âonze hoopquot; noemen, Spes nostra, salve. Wij danken alle genaden eerst en vooral aan God, maar, zegt de H. Barnardus, zij gaan alle door de handen van Maria. Vandaar dat hij, die verwaarloost zich aan de allerheiligste Maagd te bevelen het kanaal der genade voor zich sluit. Daarentegen zal Maria van haren kant nooit in gebreke blijven haren bijstand te verleenen, als men haar aanroept. Daarom zijn alle heiligen steeds bezorgd geweest zich onophoudelijk in de bescherming dier heilige Moeder, welke alles bij God vermag, aan te bevelen.
16) Verder moet gij, zoolang gij werkelijk de meening hebt om God te beminnen, uw hart verruimen. Open uwen mond (zegt God) en Ih zal hem vullen, !) d. w. z. naar gelang wij meer van God verhopen, zullen wij ook meer
1) Ps. 80. 11.
â 507 â
van Hem ontvangen. God heeft aan die op Hem vertrouwen een bijzondere bescherming beloofd. Protector est omnium sperantium in se. 1) Zon dns bij u de twijfel opkomen of de Heer u wel hoort, stel u dan voor dat Hij u, gelijk eens den H. Petrus, berispt en zegt: Mo-dicae fidei, quare, duhitasti ? -) Klein-geloovige, waarom twijfelt gij of ik wel naar u luister, daar gij toch mijne belofte kent, dat ik een ieder, die tot mij bidt zal verhooren ? Wijl nn God ons werkelijk verhooren wil, verlangt Hij, dat wij dit ook vastelijk gelooven. Alles ivat gij biddende mocht vragen, gelooft dat gij het zrdt verkrijgen, c.n het zal u geworden. 2) Let hier op do woorden : Gelooft dat gij het zult verkrijgen. Wij moeten dus aan God om de genaden vragen met het vaste vertrouwen zo te zullen verkrijgen, zonder daaraan het minste te twijfelen. Hij vrage met geloof, niet twijfelende, 3) gelijk de H.
1
I's. iT. üi.
2
Marc. 11. 24.
3
Jac. 1, G
â 508 â
Jacobus zegt. Heb een groot vertrouwen in uw verkeer met dien God van goedheid en verdrijf van u alle droefgeestigheid. Die God dient in treurigheid, onteert Hem in plaats van Hem te eeren. Die zich God voorstelt als bitter en streng, zegt de H, Bernar-dus, 1) beleedigt Hem, want Hij is de goedheid en de barmhartigheid zelve. Hoe kunt gij twijfelen, zegt de heilige, of Jesus u vergiffenis schenkt van uwe zonden. Hij, die ze met de nagelen zijner handen heeft vastgeklonken aan het kruis, waaraan Hij uit liefde tot u stierf?
17) God verklaart, dat het zijne wellust is met de kinderen der menschen te zijn: Deliciae meae esse cum fdiis hominum. 2) Als nu een God zijn genoegen vindt in den omgang met ons, dan is het zeer zeker billijk, dat ook wij van onzen kant al ons genoegen vinden in den omgang met God. Die gedachte moet ons aansporen. God steeds te bejegenen, met het gi'ootste ver-
1
In Cant. scrm. .!i8. n. 2.
2
Prov. ö. 31.
- 509 â
trouwen. Dosn wij ons best om al den tijd, die ons nog overblijft, door te brengen met onzen goeden God, die ons zoo vurig bemint en wiens ge-/.elscliap wij eens in den hemel gedti-rende de ganschc eeuwigheid hopen te genieten.
1 8) Laten wij Hem dus behandelen met alle mogelijke vertrouwelijkheid en liefde, gelijk den teedersten, den dier-baarsten vriend, dien wij hebben, en die ons meer bemint dan iemand anders. Mijn G-od! de angstvallige zielen beschouwen God als een tyran, die niets anders van zijne onderhoorigen wil dan schrik en ontzag; die bij elk woord, dat hun in onnadenkendheid ontsnapt, bij elke gedachte die hun door het hoofd gaat, aanstonds vertoornd is en gereed staat hen in de hel te begraven. Neen, God verlaat ons met zijne genade niet, of wij moeten Hem met open oogen, met voorbedachten rade beleedigenm.a.w. Hem vrijwillig den rug toekeeren. Doen wij Hem cohter een kleine beleediging aan, dan zeer zeker mishaagt Hem dit, maar geenszins berooft Hij ons daarom
â 510 â
vau zijne liefde; bij de eerste akte van liefde of berouw die wij doen, is zijn toorn dan ook aanstonds weder bedaard.
19) De goddelijke Majesteit verdient voorzeker den diepsten eerbied en het nederigst ontzag; maar Cirod wil door do zielen, die Hem beminnen, veel liever behandeld worden met eene liefdevolle vertrouwelijkheid dan met vreesachtige terughouding. Behandel God dus niet langer als een tyran. Herinner u de weldaden, die Hij u bewezen heeft, ook nadat Hij van u zooveele beleedigingen en ondankbaarheden bad ondervonden. Herinner u de liefdevolle kunstgrepen, welke Hij gebruikt heeft om u te onttrekken aan uw ongeregeld leven, de buitengewone verlichtingen, waarmede Hij u zoo herhaaldelijk tot Zijne liefde geroepen heeft; en behandel dus God voortaan steeds met groote vertrouwelijkheid en groote teederbeid, als het dierbaarste voorwerp uwer liefde. Gaan wij verder.
20) Hot is niet noodig u op te wekken om veelvuldig gebruik te maken van de sacramenten, want gij doet het reeds.
i i
lil
â 511 â
Ga minstens tweemaal in de week biechten of allerminst eenmaal. quot;Wat de communie aangaat, gehoorzaam daarin aan uwen bestierder; doch al gevoelt gij u dor, toch moet gij om de H. Communie vragen; want in het meer ol' minder toestaan van de H. Communie regelen de bestierders zich naar het meer of minder verlangen, dat zij in bun poeni-tent ontwaren. Als dus uw bestierder ziet, dat gij er niet om vraagt en er geen verlangen naar toont, zal hij niet lichtelijk uit zich zelf u de H. Communie opleggen. Wanneer gij echter niet werkelijk kunt communiceeren, doe dan ten minste de geestelijke communie ; deze kunt gij altijd doen en doe haar meermalen daags.
21) Verder moeten twee geheimen steeds het bijzonder voorwerp uwer liefde ziju, nl. het H. Sacrament des Altaars eu Jesus' H. Lijden. Als de liefde van alle harten zich in één hart zou vereenigen, zeker, dan zou dat hart nog niet voor het kleinste gedeelte kunnen beantwoorden aan de Helde, die Jesus Christus ons in deze twee geheimen heeft betoond.
Leg Ti dan in â awlt; verder leven vooral toe op twee zaken: beminnen en vertrouwen ; laat n niet ontmoedigen dooide kwellingen en zielsangsten, want ze zijn een teeken van Gods liefde en niet van zijn haat. Tot bewijs van deze waarheid wil ik deze kleine verhandeling sluiten met de geschiedenis van de eerbiedwaardige maagd Liduina; want ik geloof niet, dat er in de geschiedenis der heiligen een voorbeeld te vinden is van eene ziel, die zóóveel lijden en bitterheid te verduren heeft gehad als deze vrome maagd.
Liduina werd uit arme ouders te Schiedam ia Holland geboren. Toen zij nog zeer jong was, had zij eens het ongeluk op het ijs nit te glijden en een rib te breken. Daar zij ten gevolge harer armoede weinig verzorging genoot, ontstond er van binnen aan de ribbe eene verzwering, welke doorge-brokeu haar geheele lichaam aandeed, met het gevolg dat zij lam werd. Hare ouders lieten haar liggen, zonder zich het minst om haar te bekommeren, en zij, overstelpt van smarten, bleef lam in
â 513 â
al hare ledematen, haar hoofd en haar linkerarm alleen uitgezonderd; haar rechterarm was geheel onbruikbaar geworden door het Sint Antoniusvüur, waarvan het bederf tot in het gebeente was doorgedrongen. Bij dat alles waagde zij het niet een woord van hare kwalen te reppen, uit vrees door hare ouders te worden beleedigd.
22) Zij had verder aanhoudende en hevige pijnen in het hoofd; aan haar voorhoofd had zij een grooto woud, haar kin was tot aan haren mond open, en vol gestolten bloed, hetgeen haar het spreken en het eten belette. Van hare oogen was er één geheel naar achter gedrongen en aldus onbruikbaar geworden ; het andere was zoo vol van kwade vochten, dat zij het licht der zon niet kon verdragen en nauwelijks het licht kon verduren van een kaars. Zij leed een zoo hevige pijn in de tanden, dat zij bijna bezweek. Aanhoudend verloor zij bloed, hetwelk haar uit mond cn neus of wel uit oogen cn ooren vloeide; zij had bovendien eene ontsteking aan de keel. welke haar zelfs belette adem te
514 â
liever
halen; zij werd gekweld door een aan-lioadende koorts, laed aan aanhondende ueerlm braking; bij het minste voedsel, dat uit 11 zij gebruikte, wierp zij eeu groote hoe- aan veelheid water uit, vermengd met bloed, Zij was tegelijk waterzuchtig en tering- ^11 e achtig, had daarbij aan alles gebrek van ' en was zonder eenige hulp. Somtijds 3areI1 bood men haar uit medelijden een of zieu' ander geneesmiddel aan, maar dat verdubbelde hare marteling; toch nam zij het met de gehoorzaamheid van een lam, zonder zich over iets te beklagen.
Hare ouders, die arm waren, en wien al die kwalen verdrietten, gaven hunne ontevredenheid lucht op Liduina; deze was, zoo spraken zij, alleen geboren om hen te kwellen en om het weinige wat zij nog hadden op te maken, zoodat het maar te wenschen ware, dat zij stierf. Liduina weende dan, niet evenwel om hare eigene rampen, maar over den last dien zij aan de anderen veroorzaakte.
23) Daar zij zich niet kon bewegen, en immer op haren rug moest liggen,
begon daar haar vleesch te bederven en hechtte zich het vel aan het bed of
: nauv op 1 38 ; Op 5 bini te 1 voo: die leei wo. en hai
VO'
trc aa w li
â 515 â
liever aan het ellendig stroo, waarop zij neerlag vast, zoodat als iemand haar dat uit medelijden wat ophief, haar vel hoe- aan het stroo bleef hangen, en haar oed. lichaam als het ware ontvleescht werd. ing- fn één woord, bij het aanschouwen )rek ! van dat arme kind, nauwelijks vijftien ijds jaren oud, zon men wanen een lijk te of I zien, dat neerligt op de baar, want nauwelijks kon zij nog adem halen. En op die wijze heeft deze heilige maagd 38 jaren geleefd. Daarenboven drongen op zekeren dag vier soldaten hare kamer binnen, en na haar op allerlei wijzen te hebben beleedigd, haar uitmakende voor een bedriegster, een toovenares, die men met verloop van tijd wel zou leeren kennen, rukten zij haar het arme wollen deksel van het stervend lichaam, en alvorens weg te gaan, sloegen zij haar zelfs met hunne zwaarden.
24) Bij al die uitwendige kwalen voegde zich nog een groote inwendige troosteloosheid die verscheidene jaren aanhield ; want God, die haar nog meer wilde louteren, deed met haar, gelijk Hij dit met zijne uitverkoren zielen go-
aau-
eude:
â 516 -
woonlrjk doet: Hij onttrok haar zijn gevocligeu bijstand, zoodat nij zich beroofd gevoelde van het genot van dat liefdevol vertrouwen op haren God, hetwelk haar zoo eigen was. Terzelfder tijd werd zij vreesselijk gekweld dooiden duivel, die haar inblies, dat al die rampen, waaronder zij gebukt ging, een zeker teeken waren, dat God haar verlaten had, en dat zij in wanhoop zou sterven. Doch zij, hoezeer ook bevochten door al die lichamelijke kwalen en door die folterende zielsangsten, leed alles met gelatenheid, zegende God, die haar aldus behandelde, en omgordde zich om zijnen toorn te bedaren met een boetegordel, waarvan de punten haar doorwond vleesch doorboorden.
25) De maagd leefde in die troosteloosheid vier jaren lang, maar zij leed alles met overgeving aan den wil van God, en God immer prijzende, die haar aldus wilde behandelen; zij vereenigde al hare smarten met het lyden van Jesus Christus, en op die wijze heeft zij dezen vreeselijken storm gedurende al dien tijd weten te verduren. Doch
na cl
God
ook
zij t(
Jesui
gevo
doen
doet
mijn
liefcl
zeid
ik
goe'
die dan
liei vei de
H.
Stâ¬
on va w dt b( b:
â 517 â
ua dezo beproeving gewaardigde zich God haar te troosten, en ofschoon zij ook have pijnen bleef gevoelen, zeide zij toch dikwijls; «Wanneer ik mijnen Jesus zie hangen aan het krnis, dan gevoel ik geen pijnen meer. De smarten doen mij weeklagen; maar het hart doet mij zeggen: o Jesas, vermeerder mijne pijnen, maar vermeerder ook mijne liefde.quot; Als anderen haar beklaagden, zeide zij: âAl mijn lijden is niets, want ik ben in handen van de oneindige goedheid, in de handen van mijnen God, die een veel raedelijdender hart heeft dan een vader of moeder.quot;
26) Verder moet gij, als gij waarlijk liefde voor Jesus Christus hebt, niet vergeten Hem dagelijks te bidden voor de zondaren. De H. Theresia en de H. Maria Magdalena de Pazzi waren steeds ten zeerste bezorgd om voor die ongelukkigen te bidden. Het getuigt van weinig liefde tot God, als men, wetend hoezeer God door de ongeloovigen, de ketters en zooveel andere zondaren beleedigd wordt, niettemin verzuimt te 3h i bidden voor hunne bekeering,
â 518 â
27) Laat dan, bid ik u, alles wat gij hier gehoord hebt, n opwekken om uwe dorheid met kracht van ziel te dragen; als gij u echter meer dan gewoonlijk bedrukt gevoelt, raad ik u aan het volgende gebed te spreken :
GEBKD VAX EEN GODMINNENDE ZIEL DIE IN TROOSTELOOSHEID IS.
Mijn gekruiste Jesus, Gij weet dat ik uit liefde tot U alles heb verlaten; doch nadat Gij mij alles hebt doen verlaten, bevind ik, dat ook Gij mij verlaten hebt. Maar mijne liefde, wat zeg ik daar? ach heb medelijden met mij, neen, ik ben het niet die spreekt, het is mijne zwakheid, die mij aldus doet spreken; ik heb elke straf verdiend om die menigte van zonden, waaraan ik plichtig ben. Gij hebt mij dan verlaten omdat ik dit verdiend heb, Gij hebt mij beroofd van uwe zoete nabijheid, waarmede Gij mij zoo dikwijls getroost hebt. Maar, hoe troosteloos ik mij ook gevoel toch betuig ik, dat ik ü immer wil beminnen en zegenen. Als Gij mij maar niet berooft van de genade U te
â 519 â
kunnen beminnen, dan moogt Gij met mij doen, wat Gij wilt. Ook ik zeg ü, wat een nwei' getrouwe dienaressen eens zeide:
'k Bemin U, Heer, al toont zich ook
Uiv oog op mij verbolgen,
Vlucht van mij weg, zooveel gij wilt.
Ik zal U immer volgen.
Heer, beroof mij slechts niet van U, en beroof mij dan verder van alles, zooals U behaagt. Trahe me post te. Mijne liefde, trek mij tot TJ, en het zal mij niet deren, of Gij mij ook al berooft van den troost dit te weten; maar trek mij met kracht, hef mij op uit het slijk mijner misslagen. Kom uwen dienaar te hulp dien gij door uw dierbaar bloed hebt vrijgekocht. Ik wil geheel de uwe zijn, ik wil ü beminnen tot eiken prijs, ik wil ü beminnen uit al mijne krachten ; maar wat vermag ik uit mijzelven? Alleen uw bl^ed is mijne hoop. 0 Moeder van God, o mijne toevlucht, Maria vergeet toch nimmer in mijne kwellingen voor mij te bidden. Tk hoop zalig te worden op de eerste plaats door de verdiensten van Jesus' bloed,
34
â 520 â
üu vervolgens door uwogebedeji. In U Domina, speravi, (zoo zeg ik u niet den H. Bonaveutnra) non confundar in aeter-num. Op u, o Koningin lieb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. Verwerf mij de genade mijnen God in dit leven en in alle eeuwigheid te beminnen, anders vraag ik U niets.
^ ie wonen moet men er aan denken, dat liet offer des altaars hetzelfde offer is dat eenmaal gebracht werd op Calvarie, alleen met dit on-derscheid, dat op Calvarie liet bloed van Jesns Christus in werkelijkheid werd vergoten, terwijl het hier wordt opgedragen op onbloedige wijze. Als gij u toen op Calvarie badt bevonden, met welk eene godsvrucht en teeder-heid zoudt gij bij dit offer tegenwoordig zijn geweest! Verlevendig dan uw geloof en bedenk, dat hetzelfde offer, daar opgedragen, ook nu aan God wordt opgeofferd op het altaar, denk er aan, dat dit verbeven offer niet alleen wordt
Over het bijwonen der H. .Mis.
â 522 â
opgedragen door den priester, maar door allen, die er Lij tegenwoordig zijn, zoodat bij de H. Mis, waarin de verdiensten van het lijden des Zaligmakers op ieder in het bijzonder worden toegepast, allen in zekeren zin de bediening uitoefenen van priester.
2°. Daarenboven moet men weten, dat het offer der Mis tot vier doeleinden is ingesteld: 1°. Om God te eeren. 2°. Om te voldoen voor onze zonden. 3°. Om God te bedanken voor zijne weldaden. 4Ã. Om genaden te verkrijgen. Ziehier dan de wijze om de H. Mis met groote vrucht te hooren : 1°. In de Mis, waarin aan den Hemelscben Vader het otter wordt opgedragen van Jesus Christus, die mensch is en God, ontvangt God een oneindige eer, oen eer, die grooter is, dan indien men Hem de levens offerde van alle men-schen en alle engelen. 2°. Door de offerande van Jesus Christus in de Mis ontvangt God eene volledige voldoening voor alle zonden der menschen en bijzonder dorgenen, die baar bijwonen, daar op hen de toepassing
â 523 â
gescliieclt van hetzelfde goddelijk bloed, dat op (Jalvarie werd vergoten voor dc verlossing van hut mensclielijk go-slacht. Door ééne Mis alzoo ontvangt God meer voldoening voor onze schulden, dan door eenig ander werk van uitboeting. Het blijft niettemin waar, dat al is de waarde van de Mis oneindig, God haar slechts op beperkte wijze aanneemt, volgens de gesteltenis ul. van hen, die haar bijwonen, en daarom is het goed meerdere Missen te hooren. 3°. In de Mis brengen wij aan God eenen waar-digen dank voor alle. weldaden, aan ons bewezen. 4°. Wij kunnen gedurende de Mis alle genaden verwerven, die wij be-geeren, zoowel voor ons zeiven als voor anderen. Wij voor ons zijn de genaden onwaardig, maar Jesus Christus heeft ons het middel gegeven om ons zeiven alle genaden waardig te maken; indien wij ze nl. den hemelsehen Vader vragen in Jesus' naam, terwijl wij Hem in de Mis als offer aanbieden; want dan bidt Jesus zelf met ons mede. Indien gij wist, terwijl gij aan het bidden waart, dat de allerheiligste Maagd en geheel
â 524 â
bel Paradijs niet u medebad, met wat vertrouwen zou dl: gij riet bidden ? Welnu, als gij u beijveTt in de Mis eeue of andere genade te vragen, dan bidt ook Testis (wiens gebeden eindeloos meer waard zijn dan die van geheel bet Paradijs) voor ii en draagt voor u de verdiensten op van zijn lijden.
Het is daarom goed de Mis te verdeelen in vier deelen:
In het eerste gedeelte, dat is : van bet begin der Mis tot bet einde van bet evangelie, draagt gij het offer op om God te eeren. O ij zegt bijv.: Mijn God, il: aanhid ume oneindige Majesteit; ik zou U ivillen car en. gelijk Gij dit verdient; maar irelke eer kan ik, ellendige zondaar, U geven? Ik hied U daarom de eer aan, welhe Jems Christus U geven zal op dit altaar.
In het tweede gedeelte, nl. van het evangelie tot de opheffing, biedt gij het offer aan tot voldoening uwer zonden, gij zegt dan : Heer, meer dan eenig kwaad letreur en verfoei ik alle heleedi-gingen, die ik U heh aangedaan, en tot voldoening daarvoor hied ik U uwen Zoon
â 525 â
wat aangt; (l'e zicJl 0P dit altaar 0P n'cuw voor
ruj ons slachtoffert. Ik smeeJc U door zijne of verdiensten, schenk mij vergiffenis en vertok lee'n my de hcitiy6 volharding.
icr In het derde gedeelte, d. i. vau do jgj opheffing tot de nuttiging, draagt gij 3n Jesns aau zijnen hemelschen Vader op om nwen dank te betuigen voor al de ln ' genaden, die Hij u bewezen heeft, on zegt: Heer, ik hen niet in staat TI op it waardige wijze mijnen dank te betuigen, ( maar ik hied U het bloed aan van Jesus ! Christus, en dit zoowel in deze Mis als in alle, die op het oogenhlik op aarde worden opgedragen.
In het vierde gedeelte nl. van de nuttiging tot het einde, vraagt Gij aan God met het grootste vertrouwen alle genaden, die U noodig zijn en bijzonder droefheid over uwe zonden, do volhar-
(ding en de goddelijke liefde; gij bidt dan ook in het bijzonder voor uwe bloedverwanten, voor de zondaren en voor de zielen des vagevuurs.ding en de goddelijke liefde; gij bidt dan ook in het bijzonder voor uwe bloedverwanten, voor de zondaren en voor de zielen des vagevuurs.
Ik keur het niet af, dat gij in de ' Mis ook uwe mondgebeden bidt; maar ik zou wenschen, dat gij terzelfder tijd
- 526 â
niet naliet u jegens God te kwijten van do bovengenoemde verplichtingen, ul. van eerbetuiging, voldoening, dankbaarheid en smeeking. Eu ik bid n zooveel Missen te booren, als gij knnt. Elke Mis, die gij hoort op de wijze die ik ii heb aangegeven, zal n een schat van verdiensten verwerven.
- 627 â
Gcbeden oniler de H. Mis. quot;O
Introibo ad altare Dei.
O mijn Grod, hoevele genaden heb ik voor mij laten verloren gaan, omdat ik in mijne achtelooslieden heb nagelaten ze van ü gednrende de H. Mis te vragen. Maar omdat Gij mij dit thans doet inzien, wil ik niet langer nalatig zijn in dit punt. Ik vereenig dan, o eeuwige Vader, mijne beden met de beden van Jesus Christas, en ik bid U bij de liefde van dien Zoon, welke zich dezen morgen als slachtoffer aan TJ gaat opdragen, doe mg beseffen, hoe eindeloos Gij verdient door mij bemind te worden, en welk een grenzelooze verplichting ik heb U te beminnen om uwe oneindige goedheid
*) Deze grebeden kunnen ook zeer goed dienen voor de dankzegging- na de H. Communie.
- 528 -
en om do grooto liefde, diu Gij mij betoond hulil; geef mij de kracht om mij te onthechten auu alle genegenheden voor deze wereld, leer mij mijn hart tot geen ander doel gebruiken dan om ü te beminnen, U mijn opperste goed, die ook mij zoozeer bemind hebt. Ik bid U ook nw licht te verleen en aan hen die ü niet kennen en die leven in de berooving van uwe genade. Verleen aan allen de gave van uwe genade. Verleen aan allen de gave van uwe heilige liefde. O oneindige liefde van mijnen God, doe U kennen, doe ü beminnen.
O Maria, Gij die zoozeer verlangt uwen Zoon bemind te zien. Ziehier de genade die ik door U vraag : maak dat ik Hem beminne gedurende al dien tijd dien ik nog te leven heb; anders verlang ik niets. O mijne koningin en mijne moeder, ik stel mijn vertrouwen op U, Gij verkrijgt alles, wat Gij uwen God vraagt, Gij ook bidt voor al uwe dienaren, welaan bid dan ook voor mij.
â 529 -
Kyrie oleison.
lieov lever mij niot over iu de liundeu mijner boosheden; denk, dat ik het werk ben van uwe handen, laat niet toe, dat ik de buit worde der duivelen, onthecht mij aan de genegenheden dezer wereld on vervul mij met nwe heilige liefde.
Gloria in excelsis Deo.
O mijn God, mijn eenig goed, ik verheug mij over uwe oneindige volmaaktheden, ik verheug mij daarover, meer dan indien zij de mijne waren; ik ben er blijde om, dat niets ter wereld U dezelve ontnemen of ze verminderen kan. Welaan dan, mijn .Jesns, immer volmaakt, oneindig in uwe grootheid, o mijne liefde en mijn Clod, welaan maak mij geheel den uwe. Mijn Zaligmaker, om die eimlelooze goedheid, die U deed nederdalen op de aarde, doe mij, smeek ik ü, de kracht uwer liefde gevoelen, laat mijne ziel zoodanig verteren van liefde, dat zij al het aardsclie verachtend
- 530 -
niets anders meer beooge dan U, aan niets anders meer danke dan aan U. Laat do liefde, diu ü voor mij deed sterven op het kruis, eveneens mij doen sterven in U, om in eeuwigheid voor U te leven.
Q-ebed.
O eeuwige Vader, ik bid U om de liefde van uwen Zoon, vervul mijn geheugen met heilige gedachten, opdat ik immer denke aan U en uwen Zoon. Ach doe mij kennen en ten uitvoer brengen al hetgeen Gij van mij verlangt. En Gij, Heilige Geest, vervul mijnen wil met heilige verlangens, opdat zij in mijne ziel de vruchten voortbrengen, die voortkomen uit uwe liefde. Verlicht mij met uw licht, opdat mijn wandel steeds recht naar U ga en mijn wil geen andere vrijheid gebruike dan om geheel de uwe te zijn.
â 531 â
Epistel.
God is de volheid van alle genade, van alle goed, van alle volmaaktheid. God is oneindig. God is eeuwig. God is zonder grens. God is onveranderlijk. God is machtig, God is wijs, God is alwetend. God is rechtvaardig, God is vol barmhartigheid. God is heilig, God is schoon, God is heerlijk, God is rijk, God is alles. En daarom verdient Hij liefde en groote liefde. O ja. God is zoo minnenswaardig, dat al de engelen en al de heiligen van bet Paradijs gedurende de gansche eeuwigheid, niets anders doen en nooit iets anders zullen doen dan God beminnen, en het is die liefde tot hunnen God, waarin zij immer gelukkig zijn en immer gelukkig zullen zijn.
Gebed onder liet H. Evangelie en het Credo om God te bedanken voor de gave van het ware geloof.
O Zaligmaker der wereld, voor mij-zelvon en voor al nnjnegoloovige broeders zeg ik TJ dank dat Gij ons geroepen
- 532 â
hebt cu ous de genade hebt verleend veu
van te leven in het ware geloof, hetwelk of i
geleerd wordt door de heilige Roomsch- nedi
Katholieke Kerk. âGoede Godquot; zoo zeg des ik U met den H. Franciseus van Sales, 1 schi âveelvuldig en groot zijn uwe weldaden ; 1 ü
eindeloos verplichten zij mij U te be- o a. minnen, en ik zeg er TJ mijnen harte- gt; goe lijken dank voor; maar hoe zal ik er U j U ooit genoeg voor kunnen danken, dat Gij mij verlicht hebt met het ware geloof? Ik sidder, o Heer, als ik mijne ondankbaarheid vergelijk met eene zoo groote weldaad.quot; Ik dank u dan, mijn , de
God, zooveel als ik ellendige dit vermag, we
en ik bid TJ aan alle menschen de da
schoonheid te doen kennen van ons heilig gc
geloof. âO God,quot; zoo riep dezelfde heilige glt;
uit, ,,de schoonheid van uw heilig geloof n1
is zoo groot, dat zij mij doet sterven van ei liefde, en het schijnt mij toe, dat ik die
kostbare gave moet bewaren in een hart o!
geheel gebalsemd door de godsvrucht.quot; d
Maar, o mijn Jesus, mijn Verlosser, d
helaas hoe weinigen zijn er, die in dat v
ware geloof leven! O mijn God, het J
grootste deel der menschen ligt begra- 1
â 533 â
vou in do duisternissen des ougeloofs of der ketterij! Gij, Gij hebt U vernederd tot den dood eu tot den dood des kruizes voor de zaligheid der men-schen, en die ondankharen, zij willen U zelfs niet kennen! Ach, ik bid U, o almachtige God, o opperst en oneindig «joed, doe U kennen door allen en doe
O '
ü door allen beminnen.
Offertorium.
O mijn zoete Zaligmaker, ik offer ü dezen morgen op, al wat ik heb eu al wat ik ben, mijne zintuigen, mijne gedachten, mijne genegenheden, mijne begeerten, mijne genoegens, mijne neigingen, mijne vrijheid; in één woord in uwe handen stel ik geheel mijn lichaam en geheel mijne ziel.
Aanvaard, o oneindige majesteit, het oii'er van den ondankbaarsten zondaar, die er ooit op aarde geweest is, maar die zich thans geheel opoffert en geheel wegschenkt aan TT. Doe, o Heer, met mij, beschik over mij gelijk het U behaagt. Kom, o verslindend vuur, o god-
â 534 â
delijke liefde, verteer in mij alles wat van mij is en wat aan uwe allerzuiverste oogen mishaagt, opdat ik van nu af aan geheel de uwe zij, en alleen leve voor het volbrengen niet alleen van uwe geboden en uwe raden, maar ook van al uwe heilige verlangens en van hetgeen U het meest behaagt. Amen.
O Allerheiligste Maagd Maria, bied Gij met uwe handen dit mijn oifer dei-Allerheiligste Drievuldigheid aan, maak dat Zij het aanvaarde en mij de genade schenke om Haar tot mijnen dood toe getrouw te zijn. Amen, amen, amen.
Van het Offertorium tot de Consecratie.
O Eeuwig Woord, Gij besteeddet drie-en-dertig jaren van arbeid en zuchten, Gij gaaft uw bloed en uw leven voor de zaligheid der menschen, in één woord Gij hebt niets gespaard om U door hen te doen beminnen; hoe dan is het mogelijk, dat er menschen zijn, die dit weten en U niet beminnen ! Ach mijn God, helaas ook ik ben een van die ondankbaren. Mijn Jesus, ik erken
â 535 â
welk ongelijk ik IJ heb aangedaan, heb medelijden met mij. Ik bied ü thans het offer van mijn ondankbaar hart, ondankbaar ja, maar vol berouw. Ja mijn dierbare Verlosser, boven alles is het mij leed, dat ik ü heb veracht. Thans bemin ik U uit geheel mijn hart. Mjjne ziel bemin toch een God, voor u gebonden als een booswicht, een God voor u ge-geeseld als een slaaf, een God voor n verguisd als een spotkoning, een God eindelijk voor u gestorven als een misdadiger aan het kruis. Ja, mijn Zaligmaker, mijn God, ik bemin U, ik bemin U. Ach, herinner mij immer aan al hetgeen Gij voor mij hebt geleden, opdat ik toch nooit meer vergete U te beminnen. Koorden van Jesus, bindt mij aan Jesus, o doornen van Jesus, wondt mij met liefde tot Jesus, nagelen van Jesus, hecht mij vast aan het kruis van Jesus, opdat ik leve en sterve in vereeniging met Jesus. O bloed van Jesus, maak mij dronken van heilige liefde. O dood van Jesus, doe mij sterven aan alle gehechtheid voor de wereld. Doorwonde voeten van mijnen Heer,
35
â 536 â
aan u hecht it mij vast, bevrijdt mij van de hel door mij verdiend. Mijn Jesus, in de hel zon ik TJ niet meer kunnen beminnen; maar ik wil ü immer beminnen. Mijn beminde Zaligmaker, red mij, hecht mij aan ü en laat niet toe, dat ik U nog ooit verlieze. O Maria, toevlucht der zondaren, moeder van mijnen Verlosser, help een zondaar die zijn God beminnen wil en zich daarom aan U aanbeveelt; help mij om de liefde, die Gij aan Jesus Christus toedraagt.
Onder de Elevatie.
Eeuwige God, ik aanbid U en ik bedank ü voor de groote weldaden die Gij mij bewezen hebt. Ik dank U dat Gij mij hebt geschapen, dat Gij mij verlost hebt door den dood van Jesns Christus, dat Gij mij christen hebt gemaakt, dat Gij mij hebt afgewacht, toen ik in zonde was, en dat Gij mij zoo dikwijls vergiffenis hebt geschonken. Ik bid U in naam van Jesus Christus geef mij een groot berouw over mijne
â 537 â
zonden, de volharding in uwe genade, een goeden dood, den hemel: maar bovenal de kostelijke gave uwer liefde en eene volmaakte overgeving aan uwen H. Wil. Heer, geef mij ook de genade ü immer te vragen om uwe hulp, opdat ik U nooit meer beleedige, o God mijner ziel. Laat niet toe dat ik hierin nalatig zij, gelijk ik dit geweest ben in het verledene. Geef mij licht en kracht om mij immer aan U aan te bevelen, vooral wanneer mijne vijanden mij bekoren om U opnieuw te beleedigen. Ik weet wel dat ik die genade niet verdien; maar Gij hebt ze beloofd aan een ieder, die ze U terwille van Jesus' verdiensten zou vragen. Welnu omwille der verdiensten van Jesus Christus vraag en verwacht ik ze van U. O Maria uwe gebeden verkrijgen alles wat Gij vraagt, o bid voor mij.
Na de Consecratie.
O God van liefde, o Gij die oneindig bemint en een oneindige liefde verdient, zeg mij: hadt Gij nog meer kunnen
â 538 â
mtvinden om U door de menschen te doen beminnen? Het was U niet genoeg mensch te worden, U te onderwerpen aan al onze ellenden; het was ü niet genoeg al uw bloed te storten onder de grootste folteringen en daarna verteerd van smarten te sterven aan een schandhout, alleen bestemd voor de crootste booswichten; Gij zijt zoo ver gegaan, dat Gij U zelfs tegenwoordig hebt willen stellen onder de gedaante van brood, U hebt willen maken tot onze spijs, om U alzoo met een ieder van ons te vereenigen. Zeg mij (ik herhaal het) hadt Gij meer kunnen uitdenken om U te doen beminnen? O wij ellendigen dan, indien wij U in dit leven niet beminnen! O als wij de eeuwigheid zullen zijn ingegaan, welk eene wroeging zal het dan zijn U niet te hebben bemind! Mijn Jesus, ik wil niet sterven zonder U te beminnen en zonder TJ veel te beminnen. Grootelijks spijt het mij en pijnigt het mij, dat ik U zooveel misnoegen heb veroorzaakt. Ik heb er berouw over en ik zou er om willen sterven van smart. Thans bemin
â 539 -
! te ik U meer dan mijzelven, en wijd ik
oeg u ai mijne genegenheden toe. 0 Gij die
Pen mij dit verlangen geeft, geef mij ook
iiBt de kracht het ten uitvoer te brengen,
der Mijn Jesns, mijn Jesus, ik wil niets
el'- anders van U dan U. Nu Gij mij ge-
een trokken hebt tot uwe liefde, verlaat ik
de alles, verzaak ik aan alles, en hecht ik
ver mij alleen aan U, Gij alleen zijt mij
dig genoeg. 0 Maria, Moeder van God, bid
quot;to Jesus voor mij, maak mij heilig. Voeg
tot bij uwe talrijke wonderen ook nog dit
Ier wonder, van nl. zondaren te veranderen
Brquot; in heiligen,
it- _
® Pater Noster.
dit
in- Bid hier met aandacht hot âOme Vader.quot;
ine Adveniat regnum tuum. Mijn Vader,
te (Uw Zoon leerde mij U aldus noemen)
let mijn Vader, kom in mijn hart heerschen
er met uwe genade; maak dat het IJ
ijt alleen diene, voor ü alleen leve, ü
U alleen beminne. Et ne nos inducas
Ik in tentationem. Ach laat niet toe, dat
m mijne vijanden mij kunnen bekoren op
in eene wijze, die mij ten val zou brengen.
- 540 â
Sed libera nos a malo. Bevrijd mij van de hel; maar bevrijd mij eerst van de zonde, daar de zonde alleen mij naar de hel kan brengen. O Maria, bid voor mij, bevrijd mij van dat groote kwaad, dat ik nog in zonde zou vallen en de genade zon verliezen van uwen en mijnen God.
Agnus Dei.
0 Lam Gods, geslachtofferd op het kruis, gedenk dat ik een van die zielen ben, welke gij met zooveel arbeid en zooveel smarten hebt gekocht. Maak, dat ik U toch nooit verlieze. Gij, Gij hebt U geheel gegeven aan mij; maak, dat ik geheel de uwe moge zijn, en dat ik geen andere bekommering hebbe dan aan U te behagen. Ik bemin U, o oneindig goed, ik bemin U om U genoegen te geven, ik bemin TJ omdat Gij het verdient. Ik ken geen grootere droefheid dan de gedachte, dat ik zoo langen tijd in de wereld ben geweest zonder ü te hebben bemind.
Mijn beminde Verlosser, maak mij
â 541 â
deelgenoot van de smart, welke Gij over mijne zonden hebt gevoeld in den hof van Gethsemane. O mijn Jesus, ware ik liever gestorven en hadde ik U toch nooit beleedigd. O liefde van mijnen Jesns, Gij zijt mijne liefde en mijne hoop. Ik wil liever mijn leven en duizend levens verliezen dan beroofd te worden van uwe genade.
Commimnie des priesters.
Doe hier cone goostelijlie Communie.
Mijn Jesus, ik geloof dat Gij in het Allerheiligst Sacrament tegenwoordig zijt. Ik bemin U bovenal en wenschte ü in mijne ziel te bezitten. Daar ik (J echter thans niet op sacramenteele wijze kan ontvangen, kom dan ten minste op geestelijke wijze in mijn hart. Ik omhels U, ik vereenig mij geheel met U, als waart Gij reeds gekomen, o laat niet toe, dat ik mij ooit van U scheide.
â 542 â
Postcommunie.
Mijn God, ontsteek mij geheel in uwe liefde; maak dat ik niets anders zoeke dan aw welbehagen, in niets anders genoegen vinde dan in hetgeen U behagelijk is en alles, wat U niet behaagt, nit mijn hart verbanne. Geef dat ik immer uit de volheid van mijn hart tot ü zeggen moge: O mijn God, o mijn God, U alleen begeer ik en anders niets. Mijn Jesus, geef mij eene groote liefde tot uw heilig lijden; maak dat uwe pijnen en uw dood mij immer voor den geest staan om mij immer te doen branden van liefde tot U en mij op te wekken eenig bewijs van dankbaarheid te geven voor zooveel liefde. Geef mij ook eene groote liefde tot het allerheiligst Sacrament des altaars, waarin Gij ons zoo duidelijk getoond hebt met welk eene groote teederheid Gij ons bemint. Geef mij, bid ik U, ook eene teedere godsvrucht tot uwe allerheiligste Moeder. Geef mij de genade haar immer te beminnen en te dienen en altoos mijne toevlucht te
â 543 â
nemen tot hare machtige voorspraak, help mij ook anderen aan te sporen om haar te vereeren. Geef aan mij en aan allen immer een groot vertrouwen, eerstens op de verdiensten van uw heilig lijden en vervolgens op de voorspraak van Maria.
Ik bid ü, schenk mij een heiligen dood. Geef, dat ik ü alsdan met groote liefde ontvange in de H. Teerspijze, opdat ik met TJ vereenigd, brandende van heilige liefdevlammen en met een groot verlangen om U te aanschouwen uit dit leven scheide, om mij neer te werpen in de omhelzing uwer voeten, in dat gelukkig oogenblik, waarop ik U voor de eerste maal zal zien. Ik bid U bovenal, o mijn Jesus mij de genade te geven des gebeds, opdat ik mij immer aan U en aan uwe allerheiligste Moeder aanbevele, vooral ten tijde der bekoring. Geef mij, bid ik ü, om uwe verdiensten de heilige volharding en uwe heilige liefde.
- 544 â
Zegen des priesters en laatste Evangelie.
Zegen mij. mijn Jesus, eu zegen mij geheel: mijne ziel en mijn licliaam, mijne zinnen en mijne vermogens; zegen in het bijzonder mijne tong, opdat zij niet spreke dan ter uwer glorie; zegen mijne oogen, opdat zij geene zaken aanschouwen, die mij eens aanleiding kunnen zijn om U te bedroeven; zegen mijn smaak, opdat ik U niet beleedige met onmatigheid ; zegen al mijne ledematen, opdat alle U dienen, en geen U beleedige : zegen mijn geheugen, opdat het mij immer herinnere aan uwe liefde en aan uwe weldaden; zegen mijn verstand, opdat het moge inzien, hoe goed Gij zijt en welk eene verplichting ik heb om U te beminnen, opdat het ook zien moge, wat ik moet vluchten en wat ik moet doen om mij gelijkvormig te maken aan uwen H. Wil. Zegen bovenal mijn wil, opdat hij niets anders beminne dan U, o oneindig goed, niets anders verlange dan genoegen te geven aan U, zich over niets anders verheuge dan over uwe glorie. O mijn Jesus,
â 545 â
bind mij geheel aan uwe liefde, trek al mijne genegenheden tot U, opdat ik niets anders beminne dan U. Maak mij geheel den uwe, alvorens ik sterve.
Ach mijn God, zoolang ik leef, ben ik nog in gevaar U te verliezen. O wanneer zal do dag aanbreken, waarop ik zal kunnen zeggen : Mijn Jesus, nu kan ik ü niet meer verliezen.
O Eeuwige Vader, om de liefde van Jesus Christus, wil mij toch niet versmaden, laat toe, dat ik ü beminne, en schenk mij uwe heilige liefde. Ik wil ü veel beminnen in dit leven, om U veel te beminnen in het andere leven.
O oneindig goed, ik bemin U; maar doe Gij mij kennen het groote goed, dat ik bemin. Geef mij de liefde, die Gij van mij verlangt. Maak, dat ik alles overwinne om U genoegen te geven.
Gebed tot de Allerheiligste Maagd.
O Domina, quae rapis corda, zoo zeg ik ü met den H. Bonaventura. O Koningin, die met de liefde en de gunsten.
â 546 â
die Gij aan uwe dienaren betoont, hunne harten rooft, ik bid U, roof ook mijn ellendig hart, dat toch zoo vurig verlangt U te beminnen. Mijne moeder, Gij hebt met uwe schoonheid de liefde gewonnen van een God, Gij hebt Hem uit den hemel neergetrokken in uwen schoot, en ik, ik zou kunnen leven zonder U te beminnen? Neen, zoo zeg ik U met een ander uwer beminde zonen den H. Joannes Berchmans van de Societeit van Jesus; Nunquam quies-cam, donec habucro tenerum amorem crga matrem meam Mariam. Ik zal niet rusten zoolang ik niet zeker ben, dat ik liefde en wel eene standvastige en vurige liefde heb verkregen tot U, o mijne moeder, die mij met zooveel teederheid bemind hebt, ook toen zelfs, toen ik U zoo ondankbaar was. Hoe toch zou het thans met mij gesteld zijn, indien Gij, o Maria, mij niet zooveel barmhartigheid hadt verworven? Maar als Gij mij reeds zoozeer bemind hebt, toen ik U niet beminde, wat moet ik dan niet van uwe goedheid hopen, thans nu ik U bemin ? Ik bemin U, o mijne
â 547 â
moeder, en ik wenschte een hart te bezitten, dat U beminde voor al die rampzaligen, welke dit niet doen. Ik wenscbte een tong te hebben die de kracht van duizend tongen had, opdat ik allen mocht kunnen bekend maken met uwe grootheid, uwe heiligheid, uwe barmhartigheid en met de liefde, waarmede Grij allen die TJ beminnen, weder-bemint. Had ik rykdommen, ik zon ze alle willen besteden tot uwe eer, had ik onderdanen, ik zou hen allen willen vervullen van liefde tot U, ik zou eindelijk voor ü en uwe eer zelfs mijn leven willen opofferen, indien dit noodig ware. Ik bemin ü dan, mijne moeder, maar terzelfder tijd vrees ik dat ik U niet bemin ; want ik hoor zeggen, dat de liefde de beminnenden aan het voorwerp hunner liefde gelijk maakt. Amor aut similes invenit aut facit. Derhalve, daar ik mij zeiven zoo weinig op ü zie gelijken, is dit een teeken, dat ik ü ook niet bemin. Gij zoo zuiver, ik zoo besmeurd! Gij zoo nederig, ik zoo hoovaardig 1 Gg zoo heilig, ik zoo boos ! Maar ziedaar nu, o Maria, wat gij doen
â 548 â
moet; daar Gij mij zoozeer bemint, moet Gij mij aau U gelijk maken. Gij hebt alle macht om de harten te veranderen ; neem dan ook mijn hart en verander het. Doe aan de wereld zien, wat Gij vermoogt ten gunste van hen, die U beminnen. Maak mij heilig, maak mij een IJ waardigen zoon. Alzoo hoop ik, alzoo zij het.
Akten van voorbereiding en van dankzegging vöor de Biecht en de H. Communie.
Alvorens to gaan biechten smeoke do biechteling God om licht, om zijne bedrevene zonden te kennen, en om de genade er een waar berouw over te hebben met oen vast voornemen van verbetering. In het bijzonder wende hij zich tot de Moeder van Smarten, opdat zij die droefheid voor hom verkrijge. Daarna verrichte hij de volgende akte:
Gebed voor de Biecht.
O God van oneindige majesteit, ziehier aan uwe voeten den verrader, die U alweder beleedigd heeft, maar die U thans verootmoedigd om vergiffenis smeekt. Heer, verstoot mij niet, Gij
â 549 â
immers versmaadt geen hart, dat zich vernedert. Cor contritum et humiliatum Deus non despicies. 1) Ik dank U, dat gij mij tot nu toe hebt afgewacht en my niet, door mij te doen sterven in mijne zonden, naar de hel hebt verwezen, gelijk ik verdiend had. Wijl Gij mij aldns hebt afgewacht, koester ik de hoop, dat Gij mij in deze biecht door de verdiensten van Jesus Christus alle beleedigingen, die ik ü heb aangedaan, zult vergeven. Ik heb er spijt van en ben er bedroefd over, omdat ik daardoor de hel verdiend heb en den hemel verloren. Doch de reden waarom ik ze bovenal uit geheel mijn hart verafschuw, is niet zoozeer de hel, die ik verdiend heb, maar dat ik U beleedigd heb, oneindige Goedheid.
Ik bemin U, opperste goed, en omdat ik U bemin, betreur ik alle beleedigingen, die ik U heb aangedaan. Ik heb U den rug gekeerd, ik heb den eerbied voor U verloren, ik heb uwe genade, uwe vriendschap veracht, in
1
Ps. 50, 19,
â 550 â
één woord, Heer, vrijwillig heb ik U prijs gegeven. Om de liefde van Jesns Christus schenk mij vergeving van al mijne zonden, ik heb er berouw over uit geheel mijn hart, ik haat ze, ik verafschuw en verfooi ze boven alle kwaad. En niet alleen over de doodzonden heb ik berouw, maar ook over de dagelijksche zonden, want ook deze hebben U misnoegen veroorzaakt. Ik maak voor de toekomst het besluit om U met de hulp uwer genade nooit meer vrijwillig te beleedigen. Ja, mijn God, liever sterven dan nog ooit weer vrijwillig zondigen.
En als de biechteling zich beschuldigd heeft van een zond'j, waarin hij meermalen is hervallen, dan is het raadzaam, dat hij omtrent die zonde een bijzonder besluit maakt en daarbij belooft de gelegenheden te zullen vluchten en alle middelen te zullen aanwenden, die de biechtvader hem heeft gegeven, of die hij zelf het krachtigst oordeelt tot zijne verbetering.
Gebed na de Biecht.
Mijn lieve Jesus, hoeveel ben ik ü verschuldigd! Ik vertrouw, dat ik boden
â 551 â
door de verdiensten van uw bloed werkelijk vergiffenis heb bekomen. Ik ben daar ten hoogste dankbaar voor. Ik hoop in den hemel te komen om daar eeuwig uwe barmhartigheid te prijzen. Mijn God, heb ik U tot heden toe dikwijls verloren, thans wil ik U niet meer verliezen. Van nu af aan wil ik oprecht van leven veranderen. Gij verdient al mijne liefde, ik wil U dan ook oprecht beminnen; ik wil mij niet meer van U geseheiden zien. Reeds heb ik U beloofd, maar ik beloof het nu opnieuw, dat ik liever sterven wil dan U nog meer te beleedigen. Ik beloof U ook de gelegenheden te zullen vluchten en dit middel {hepaal hier welk) te zullen aanwenden om niet meer te vallen.
Maar, mijn Jesus, Gij kent mijne zwakheid, geef mij de genade om U getrouw te blijven tot aan mijnen dood, en steeds tot ü mijne toevlucht te nemen, als ik bekoord word. Allerheiligste Maria, help mij. Gij zijt de moeder der volharding, op u dan ook rust geheel mijn vertrouwen.
36
â 552 -
Voorbereiding tot de H. Communie.
Er is geen krachtiger midilel om zich te Tvij-waren voor de zoude en voortgang te maken in de goddelijke liefde dan de H. Communie. Maar waarom dan blijven sommigen zielen, ondanks zoovele communiën, immer even lauw cn steeds behebt met dezelfde gebreken? Dat komt dooide geringe gesteldheid en de geringe voorbereiding, waarmede zij communiceeren. ïwee dingen zijn voor die voorbereiding noodzakelijk. Ten eerste: dat men uit zijn hart verwijdere alle genegenheden, die een beletsel zijn voor de goddelijke liefde. Ten tweede: dat men ook een groot verlangen hebbe om God to beminnen. En dit, zegt de H. Franciscus van Sales, moet onze voornaamste bedoeling ziju bij onze H. Communiën, te groeien nl. in de goddelijke liefde. Alleen uit liefde (zegt de heilige) moeten wij een God ontvangen, die zich alleen uit liefde aan ons geeft. Daarom verwekke men de volgende akten:
Akten van voorbereiding.
Beminde Jesus, waarachtige Zoon van God, die eenmaal voor mij stierft op het kruis in eene zee van smarten en versmadingen, ik geloof vastelijk, dat Gij tegenwoordig zijt, in het Allerheiligst Sacrament, en ik ben bereid voor dit geloof mijn leven te geven. Mijn dierbare Verlosser, steunend op uwe goedheid en op de verdiensten van uw
- 553 â
heilig bloed, hoop ik dat, wanneer Gij dezen morgen in mijne ziel komt. Gij mij geheel zult ontsteken in uwe heilige liefde, en dat Gij mij alle genaden zult geven, die ik noodig heb om U gehoorzaam en getrouw te zijn tot aan mijnen dood.
Ach, mijn God, waarachtige en eenige minnaar mijner ziel, wat hadt Gij nog meer kunnen doen om mij te verplichten U lief te hebben ? Het is U niet genoeg geweest, mijne liefde, voor mij te sterven; Gij hebt daarenboven het Allerheiligst Sacrament willen instellen, Uzelven onze spijs willen maken om U geheel aan mij te geven en TJ alzoo op de nauwste wijze te vereenigen, ja geheel één te maken met een schepsel zoo ellendig en ondankbaar als ik ben. En Gij zelf noodigt mij uit om U te ontvangen en verlangt vurig, dat ik ü ontvange. O eindelooze liefde! een God zich geheel aan mij geven! O mijn God, o oneindig beminnelijk goed, een oneindige liefde waardig, ik bemin ü bovenal, ik bemin U meer dan mij-zelven, meer dan mijn leven, ik bemin
- 554 â
U ook om U genoegen te geven, daar Gij immers vurig naar mijno liefde verlangt. Gaat henen uit mijn hart, gij aardsche genegenheden; alleen aan U, o mijn Jesus, o mijn schat en mijn al, alleen aan U geef ik geheel mijne liefde. Gij geeft U dezen morgen geheel aan mij, ik geef mij ook geheel aan U. Neem mij aan, laat mij U beminnen, want ik wil niets anders dan ü en niets anders, tenzij wat aan ü behaagt. Ik bemin U, o mijn Zaligmaker, en ik vereenig mijne ellendige liefde met de liefde, waarmede U alle engelen en heiligen beminnen, waarmede Maria, uwe moeder, en uw eeuwige Vader U bemint. O kon ik U door allen bemind zien! O kon ik U doen beminnen door alle menschen, en U doen beminnen, gelijk Gij het verdient! Zie, mijn Jesus, reeds nader ik om mij te spijzen met uw heilig vleesch. Ach mijn God, wie ben ik, en wie zijt Gij? Gij zijt de Heer van oneindige goedheid en ik ben een afzichtelijke worm, die besmeurd ben met zooveel zonden en die U zoo dikwijls heb verdreven
â 555 â
uit mijne ziel. Domine non sum clignus. Heer, ik ben zelfs niet waardig mij in uwe tegenwoordiglieid te bevinden, ik moest reeds in de hel zijn, voor immer verwijderd en verworpen van uw aan-scbyn. Maar Gij in uwe goedheid noodigt mij uit om U te ontvangen ; reeds kom ik, ik kom vernederd en beschaamd overal het misnoegen, dat ik ü heb veroorzaakt, maar ook vol vertrouwen op uwe goedertierenheid en op de liefde, die Gij mij toedraagt. Hoezeer spijt het mij, o mijn beminnelijke Verlosser, dat ik U in het verledene zoozeer heb be-leedigd! Gij zijt in uwe liefde tot mij zoovor gegaan, dat Gij zelfs uw leven hebt gegeven, en ik, zoovele malen heb ik uwe genade en uwe liefde veracht, en U verruild voor een niet. Meer dan alle rampen en van ganscher harte spijten en mishagen mij thans allebeleedigingen, die ik ü heb aangedaan, zoowel groots als kleine, omdat het beleedigingen zijn van U, oneindige goedheid. Ik hoop, dat Gij mij reeds vergeven hebt; maar als Gij mij nog niet vergeven bebt, vergeef mij dan, mijn Jesus, alvorens
â 556 â
ik ü onlvange. Acli, neem mij spoedig in uwe genade op, daar Gij tocli weldra in mijn binnenste wilt komen wonen.
Kom dan, mijn Jesns, kom in mijne ziel, zij verlangt naar U. Mijne eenige en oneindige liefde, mijn leven, mijne liefde, mijn al, ik zou U dezen morgen willen ontvangen met dezelfde liefde, waarmede de zielen l hebben ontvangen, die U het meest beminden, en met dezelfde vurigheid, waarmede uwe allerheiligste Moeder ü ontving. Met hare heilige communiën vereenig ik de mijne. O heilige Maagd, mijne heilige Moeder Maria, geef gij mij uwen Zoon. Ik wil Hem ontvangen uit uwe handen. Zeg Hem : dat ik uw dienaar ben, want dan zal Hij mij met nog meer liefde aan zijn Hart drukken, als Hij zoo aanstonds tot mij komt.
Akten na de H. Communie.
De tijil na de communie is een kostbare tijd om schatten van genaden tc winnen, want, daai de ziel dan vereenigd is met Jesus Christus, hebhen hare akten en bare gebeden eene hoegere verdienste en waarde dan op andere tijden. Dan, zegt do H. Theresia, is de Heer in de ziel als
â 557 â
op een troou van barmhartiglieid, cu dan zegt Hij tot Haar; Mijne dochter, vraag van mij wat gij wilt, u wel te doen, ziedaar, het doel, waarom ik in n hen gekomen. O wat al bijzondere gunsten ontvangen diegenen, welke zich na de H. Communie mot Jesus blijven onderhouden ! De eerbiedwaardige Pater Avila bracht na de H. Communie immer twee uren in het gebed door, en de H. Aloysius van Gonzaga besteedde drie dagen om Jesus Christus te bedanken. Men verwekko daarom de volgende akten en doe zijn best om zich gedurende den dag door akten en gebeden voortdurend met Jesus, dien men des morgens heeft ontvangen vereenigd te houden.
Ziedaar, mijn Jesus, reeds zijfc Gij gekomen. Gij woont nu in mij en zijt geheel de mijne geworden. Wees welkom, myn beminde Verlosser. Ik aanbid ü, ik werp mij aan uwe voeten, maar ook ik omhels TJ, ik druk U aan mijn hart en ik dank U dat Gij U gewaar-digd hebt in mijn binnenste neder te dalen. O Maria, o heilige voorsprekers, o mijn heilige engelbewaarder, bedankt Hem voor mij. Daar Gij mij derhalve, o mijn goddelijke Koning, met zooveel liefde zijt komen bezoeken, geef ik U op mijne beurt mijnen wil, mijne vrijheid en geheel mijzelven. Gij hebt U geheel gegeven aan mij, ik geef mij
â 558 â
ook geheel aan U; ik wil niet langer de mijne wezen; van nu af wil ik de uwe zijn en de uwe geheel en al. Ge-b jl de uwe moeten zijn mijne ziel en mijn lichaam, mijne vermogens en zintuigen, opdat zij allen zich beijveren om U te dienen en U genoegen te geven. Aan U wijd ik al mijne gedachten, al mijne verlangens, al mijne genegenheden en geheel mijn leven. Genoeg heb ik ü beleedigd, mijn Jesus: het leven, dat mij nog overblijft, wil ik geheel besteden om U te beminnen, die ook mij zoozeer bemind hebt. Aanvaard, o God mijner ziel, het offer van een ellendigen zondaar, die niets anders verlangt dan U te beminnen en aan U te behagen. Doe met mij, beschik over mij en over al het mijne, gelijk aan U behaagt. Uwe liefde vernietige in mij alle genegenheden, die U niet behagen, opdat ik geheel de uwe zij en alleen leve om U genoegen te geven.Ik vraag U geene goederen dezer aarde, geen genoegens, geen eer; geef mij, bid ik ü, mijn Jesus, door de verdiensten van uw lijden eene voortdurende droefheid over mijne
â 559 â
zonden. Geef mij uw licht, opdat het mij de ijdelheid doe kennen der wereld-sche goederen en mij tevens doe beseffen, hoezeer Gij verdient bemind te worden. Onthecht mij van alle gehechtheden aan de wereld en bind mij geheel aan uwe liefde, opdat mijn wil van heden af niets wille of begeere dan alleen hetgeen Gij wilt. Geef mij geduld en gelatenheid in ziekte, in armoede en in alles wat in strijd is met mijne eigenliefde. Geef mij zachtmoedig te zijn jegens hen die mij verachten. Geef mij een heiligen dood, geef mij uwe H. liefde; maar bovenal, bid ik U, geef mij de volharding in uwe genade tot aan mijnen dood; laat niet toe, dat ik mij nog ooit van TJ scheide: Jesu dulcissime, ne permittas me separari a te. En hierbij vraag ik TJ tevens de genade altoos tot U mijne toevlucht te nemen en ü altoos ter hulp te roepen, o mijn Jesus, in al mijne bekoringen; ook de genade TJ altijd te vragen om de H. volharding.
0 eeuwige Vader, Jesus uw Zoon heeft mij beloofd, dat Gij mij alles zult geven.
â 560 â
wat ik U in Zijnen naam vraag. Si quid petientis Patrera in nomine meo dahit vohis. ') In naam dan en door do verdiensten van dien Zoon vraag ik U uwe heilige liefde en de heilige volharding, opdat ook ik eenmaal in den hemel kome, waar ik U uit al mijne krachten zal beminnen en in alle eeuwigheid den lof zal zingen uwer barmhartigheden, verzekerd dat ik nooit meer van U zal gescheiden worden.
O Allerheiligste Matia, mijne moeder en mijne hoop, verwerf gij mij de genaden, welke ik verlang; mijne Koningin, verwerf mij ook u vurig te beminnen en mij immer te wenden tot u, in al mijne benoodigdheden.
1) Joa 16 23.
INHOUD.
Bladz.
Inleiding................
Handleiding voor het inwendig gebed of do meditatie........ v
§ 1. De gedachte aan de eeuwigheid . 1 § 2. Wij zijn vreemdelingen op deze
aarde................ 8
§ 3. God verdient boven alles bemind
te worden.............15
§ i. Om heilig te worden moet een ziel zich geheel en zonder voorbehoud
aan God schenken........22
§ 5. De twee groote middelen om heilig
te worden; verlangen en besluit 28 § 6. Over de wetenschap der heiligen . 35 § 7. Onze eeuwige zaligheid ligt in het
gebed................44
§ 8. Ik moet eenmaal sterven......54
§ 9. Voorbereiding tot den dood .... 61 § 10. Wie God bemint, moet geen afschrik hebben voor den dood. . 67 §11. In het kruis ligt onze zaligheid. . 74 § 12. Welk genoegen men aan Josus Christus geeft, wanneer men ter
zijner liefde lijdt.........82
§ 13. De liefde Gods overwint alles. . . 90
Bladz.
§ 14. Over de noodzakelijkheid van het
inwendig gebed......... 97
§ 15. Doeleinden van hot inwendig
gebed...............103
§ 16. Ovei' Gods barmhartigheid .... 112 § 17. Over het vertrouwen op Jesus
Christus..............122
§ 18. Zalig worden alleen is noodzakelijk ...............132
§ 19. Over de volmaakte onderwerping
aan Gods wil...........138
§ 20. Gelukkig hij, die aan God getrouw is in den tegenspoed . . 147 § 21. Wie Jesus Christus bemint moet
de wereld haten.....i ⢠⢠⢠154
§ 22. Een stervende die spreekt met
den Gekruiste..........158
§ 23. Akten te verwekken in het uur
des doods.............164
§24. Over het huis onzer eeuwigheid. 171 § 25. De zielen, die God beminnen, verlangen vurig Hem in den hemel
te gaan aanschouwen......177
§ 26. Jesus is de goede Herder.....182
§ 27. Over de zaak onzer eeuwige zaligheid...............187
§ 28. Over de vreugde der gelukzaligen. ........193
§ 29. In de spijt, dat men God verloren heeft, daarin bestaat vooral de
hel.................199
§ 30. Verachting der wereld.......207
§ 31. Liefde tot de eenzaamheid .... 215 § 32. De eenzaamheid des harten . . . 221
Bladz.
§ 33. God zien en Hem beminnen, dit maakt in het andere leven liet Paradijs der zaligen uit ... . 229 § 34. Over het gebed vóór het Allerheiligste Sacrament des Altaars . 237 § 35. Alleen in God vindt men den
waren vrede...........244
§36. God alleen moet ons doel zijn. . 249 § 87. Men moet alles lijden om genoegen te geven aan God.....254
§ 38. Gelukkig hij, die niets andors begeert dan God..........258
§ 39. Over de dorheid des geestes. . . 265 § 40. Over het leven in de eenzaamheid 273 § 41. Over de onthechting aan de schepselen................279
§ 42. De dood der heiligen is kostbaar. 285
§ 43. Over de lauwheid..........292
§ 44. Zuivere meening..........298
§ 45. Verzuchtingen naar het Hemelsch
Vaderland.............305
DE GODDELIJKE LIEFDE.
§ 1. Hoezeer God onze liefde verdient. 313 § 2. Hoezeer God onzo liefde verlangt. 320 § 3. Middelen om de goddelijke liefde
te verkrijgen......... . . 331
Gebed van den H. Bonaventura tot Jesus Christus om zijne heilige liefde
te verwerven..............352
Gebed tot do Allerheiligste Maagd Maria om de liefde te bekomen tot Jesus en tot haar...............353
Bladz.
Over de gelijkvobmighbid aan den wil van God. . . . ..........354
quot;Wijze om vertrouwelijk met God om te gaan...............418
Baadgevingen ter veelichting en bemoediging van eehe trooste-
looze ziel...............469
Beweegredenen om tot vertrouwen op te wekken op Gods barmhartigheid en op do verdiensten van Jesns Christus. 485 Gebed van eene godminnende ziel die in troosteloosheid is..........518
Over het by wonen der H. Mis.....521
Gebeden onder de H. Mis........527
Akten van voorbereiding en van dankzegging voor de Biecht en de H. Communie................548
--
KERKELIJKE GOEDKEURINGEN.
IMPRIMATUR.
Amstelodami hao II1 Martii 1888.
H. J. H. RUSCHEBLATT,
Libr. Cens.
IMPRIMATUR SERVATIS DE JURE SERVANDIS.
G. SCHRAUWEN, C. SS. R.
Sup. Prov.
Amstelodami,
1 Oct. 1887.
âwwwâ
OVEB WI
Wuzj o:
Kaai be| lo' Bew( we op Geb( in
t I
Oved Gebd Akti
cl
~ 30G -
onzer ballingschap verduren, door bekoringen aangevoebten, door onze hartstochten benauwd, gepijnigd door allerlei ellenden, en vooral door de gevaren voor onze eeuwige zaligheid. Dit alles moet ons herinneren, dat het hier niet ons vaderland is, maar een oord van ballingschap, waar God ons slechts doet verblijven, opdat wij er ons door te lijden het groote geluk zouden waardig maken van eenmaal te mogen binnengaan in het vaderland der zaligen.
Aan deze aarde onthecht, moeten wij dus immer verzuchten naar het Paradijs. O Heer, zoo moeten wij zeggen, wanneer zal het zijn, dat ik mij van al die benauwdheden zal bevrijd zien? Dat ik om niets meer zal denken dan om U te beminnen en U te verheerlijken? Wanneer zal het zijn, dat Gij mij, naar het woord des Apostels, alles zult zijn in alles: Ut sit Deus omnia in omni-hus. 1) Wanneer zal ik mij verheugen in dien blijvenden vrede, beveiligd tegen alle kwelling en alle gevaar van ver-
1
1 Cor. 15. 28.
â 308 â
maar al to vaak hare stem in mijn binnenste en brengen mij in verwarring. Ik zon willen, dat al de vermogens mijner ziel met niets bezig waren dan met U te beminnen en U te danken; maar bet vleescb trekt mij met geweld om behagen te nemen in de genoegens der zinnen, zoodat ik met den H. Panlus moet uitroepen: Ongelukkige die ik hen, ivie zal mij van het lichaam des doods verlossen. 1) Ik arme mensch, die immer moet strijden, niet alleen met vijanden buiten mij, maar ook met mijzelven, zoodat ik een last en een kwelling voor mij zeiven ben; fa;tus sum mihimetipsi gravis. 2)
Wie dan zal mij bevrijden van het lichaam dezes doods, d. i. van het gevaar om in zoude te vallen ? De vrees alleen reeds voor dat onheil is eene voortdurende doodsangst, die mij pijnigt en niet ophoudt mij te pijnigen mijn gebeele leven lang. Deus ne elongeris a me. Deus meus, in auxilium meum re-
1
Kom. 7. 24.
2
Job. 7. 20.
â 329 â
kracht, om U tot den dood toe getrouw te zijn.
Ik vril II veel beminnen in dit leven om ü veel te beminnen gedurende de gansche eeuwigheid.
Gij, Jesus, zijt mijn troost, mijn leren,
'Gij 't eenigst, wat mijn ziele vraagt; 'k Heb mij geheel aan U yegeiyen,
Doe maar met mij wat U behaagt.
Wie dit versje van harte uitspreekt, verheugt het paradijs.
7. Gelukkig in één woord, de ziel, die in waarheid zeggen kan: Dilectus mens mihi et ego illi. 1) » Mijn God heeft zich geheel gegeven aan, mij, en ik heb mij geheel gegeven aan Hem quot; Ik behoor mij zeiven niet meer toe. Ik ben geheel het eigendom van mijn God. Iemand, die aldus uit de oprechtheid zijns harten spreekt, hij is ten volle bereid, zegt de H. Bernardus, om veeleer de pijnen der hel te omhelzen (als hij die omhelzen kon zonder zich te scheiden van God) dan zich ook maar een enkel oogenblik van God gescheiden te zien: Tolerabilius ei esset gehennam
1
Cant. 2 16.