WOORD EIST LIJ ST
VOOR DE SPELLING DEK
NEDERLANDSCHE TAAL.
leiden: boekdrukkerij van a. w. sijthoff.
5*
H. VA li OS R. Ji. /
WOORDENLIJST
VOOR DJ3 SPELLING DER
NEDERLANDSCHE TAAL,
AANWIJZING VAN DE GESLACHTEN DER NAAMWOORDEN EN DE VERVOEGING DER WERKWOORDEN,
M. DE VRIES EN L. A. ÃE WINKEL.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2202 2440
VIJFDE UITGAVE,
BEZORGD DOOR
Dr. A. KLTJYVER.
Ã^Seïa»
t\«.
CO*
xiï^-
BIBLIOTHEEK DER RSJKSUiiJV£RSST£IT
U T R ECTiT
QPUL. THüï-rtfvASSE
'S-GRAVENHAGE EN LEIDEN, MARTINUS NIJHOFF, A. W. SIJTHOPF.
VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.
De regeling der spelling voor het Nederlandsch Woordenboek, die onlangs door ons tot stand werd gebracht, heeft bij onze taalgenooten in Noord en Zuid een gunstiger onthaal gevonden dan wij ooit hadden durven vermoeden. Terwijl wij aanvankelijk geene andere bedoeling hadden dan de schrijfwijze vast te stellen, die in het Woordenboek zou worden gevolgd, is het ons weldra gebleken, dat de herziening onzer orthographic ook in ruimeren kring haren invloed zou doen gevoelen. De oude spelling, die in 1804 bij besluit van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek was ingevoerd, en die tot voor weinige jaren, ondanks de heftige bestrijding door bilderdijk en zijne volgelingen, bijna algemeen in gebruik was gebleven, begon bij het jongere geslacht meer en meer tegenstand te vinden. De gebreken, die haar aankleefden, werden door den vooruitgang der wetenschap telkens duidelijker in het licht gesteld. Allen, die zich eeuigermate met taalstudie onledig hadden gehouden, gevoelden zich afkeerig van het voortsukkelen in de oude sleur, waartegen hunne betere overtuiging op zoo menig puut in verzet kwam. Maar ook het groote publiek, dat zich weinig om taalkunde bekommerde en zich van de gebreken der spelling geene rekenschap gaf, kon toch op den duur geen vrede hebben bij den bestaanden toestand, omdat de regeling van 1804 slechts een deel der spelquaestiën had beantwoord, en de lastigste vraagstukken, die telkens te pas kwamen, onaangeroerd had gelaten, als b. v. het al of niet aaueen schrijven van woorden en uitdrukkingen, de keuze der verbindingsklanken tusschen de twee ledcL eener samenstelling, het gebruik van het koppelteeken, de scheiding der woorden bij het afbreken, de spelling der bastaardwoorden, enz. Omtrent al deze punten bleef bij voortduring onzekerheid bestaan. Ieder moest trachten zich zoo goed mogelijk te redden; nergens was ecnig richtsnoer te vinden. Vandaar een onophoudelijk weifelen en wankelen, even onaangenaam en hinderlijk in de practijk, als schadelijk voor den waarachtigen bloei dei-taal, wier welbegrepen belang in de eerste plaats eene ordelijke regelmaat en vastheid van spelling vereischt. Vooral op het onderwijs moest deze staat van zaken uiterst belemmerend werken; en dat bezwaar was niet gering, want een goed en degelijk onderricht in de moedertaal wordt algemeen erkend als de beste steun der nationale beschaving. Geen wonder, dat^
I
TI
men met verlangen uitzag naar eene herziening, die alle twijfelachtige punten zou omvatten en de eenparigheid op een hechten grondslag vestigen door het opvolgen van de lessen der taalkunde, naar de eischen van het standpunt, dat die wetenschap in onze dagen bereikt heeft.
Onder zulke omstandigheden is het licht te verklaren, dat de pogingen der Redactie van het Woordenboek in de belangstelling van het publiek eene krachtige aanmoediging en ondersteuning mochten vinden. Na rijp overleg met andere beoefenaars onzer taal, na nauwkeurige overweging van alle zwarigheden en bedenkingen, werd eindelijk de spelling voor het Woordenboek bepaald. Het was daarbij ons streven, aan den eeuen kant zooveel mogelijk de voorschriften der wetenschap in acht te nemen, en aan de andere zijde de onloochenbare rechten van het gevestigde gebruik niet te miskennen. Wij hielden ons overtuigd, dat eene zoogenaamde radicale herziening, die geheel van theoretische beginselen uitging en het bestaande uiet in rekening bracht, noodwendig of volkomen onpractisch en onbruikbaar moest wezen, óf wel hoogst noodlottig zou werken op de ontwikkeling en beschaving der taal, die eene gemeenschappelijke bezitting der natie is, en waarin dus de grammaticus, zelfs waar het alleen den uiterlijken vorm betreft, slechts met de grootste behoedzaamheid die wijzigingen raag aanbrengen, die hij gebiedend noodzakelijk acht. De ondervinding heeft onze handelwijze niet gelogenstraft. Het Koninklijk Besluit, waarbij de spelling van het Nederlandsch Woordenboek in België voor het onderwijs in de staatsscholen en Voor de stukken, van de Regeering uitgaande, is vastgesteld; de eenparigheid, waarmede zij aanstonds door de \laamsche schrijvers aangenomen en in de Vlaamsche dagbladen ingevoerd werd; de bereidwilligheid van zoovelen hier te lande om de nieuwe spelregels tot de hunne te maken en door hun voorbeeld aan te bevelen; bovenal de bijzondere belangstelling, die de zaak bij onze vaderlandsche onderwijzers heeft opgewekt: dit alles getuigt genoegzaam, dat de door ons gevolgde beginselen inderdaad uiet onpractisch zijn geweest en kans hebben goede vruchten te dragen. Dat onze spelling ook bestrijders heeft gevonden, is niet meer dan natuurlijk. Dit is liet lot van iedere herziening, welke zaak zij ook betreft, en het ingewikkelde â ten deele onoplosbare â vraagstuk der orthographic zal wel altijd aanleiding geven tot verschil van meeningen en wenschen. Inzonderheid is dit het geval met de spelling der bastaardwoorden, het onderwerp dat aan sommigen den meesten aanstoot heeft gegeven, en dan ook uit den aard der zaak zooveel speelruimte laat aan individueele beschouwingen, dat eenparigheid van inzicht hier niet kan bestaan. De bestrijding van onze gevoelens was ons dus evenmin onverwacht als onwelkom. Het onderzoek mag nimmer afgesloten worden, en aan niemand is het gegeven de waarheid, die het doel van ons aller streven is, anders dan bij benadering te tereiken. Het zijn vooral de verdedigers van het volstrekte behoud en de j voorstanders eener algemeene en radicale hervorming, die zich over onze
VII
spelregeling ontevreden of onvoldaan hebben getoond. De eersten klagen dat wij te ver, de anderen dat wij niet ver genoeg zijn gegaan. Bij zoo verschillende standpunten was dit voor beiden wel niet anders mogelijk: maar evenmin mogelijk is en blijft het voor ons, ook na alles wat over de quaestie in het midden is gebracht, de grondbeginselen, waarvan zij uitgaan, als de ware te erkennen, en hetzij van eene âversteende spellingquot;, hetzij van eene algeheele omkeering van het bestaande, eenig heil voor de taal te verwachten.
Wij hebben ons verplicht geacht â en reeds voor eenige maanden bereid verklaard â aan het verlangen van hen, die de spelling van het Woordenboek wenscheu aan te nemen, te gemoet te komen door het leveren van een practisch hulpmiddel, waarbij men zal kunnen te rade gaan, om in ieder voorkomend geval de toepassing te leeren kennen van de regelen, in de Grondbeginselen breedvoerig ontvouwd. Aan die belofte voldoen wij thans door de uitgave van deze Woordenlijst voor de spelling.
Om werkelijk bruikbaar te zijn voor het doel, waartoe zij bestemd was, moest deze lijst op breeder schaal aangelegd worden, dan gewoonlijk met dergelijke werkjes het geval is. Het boekje moest het antwoord bevatten op alle vragen, die zich, voor zoover de spelliug en de geslachten betreft, bij het schrijven onzer moedertaal kunnen voordoen. Wij mochten dus de samengestelde woorden niet achterwege laten, want juist de bepaling der verbindingsletters tusschen de beide leden eener samenstelling en de vraag, in hoeverre de woorden, die een vereenigd begrip aanduiden, al dan niet aaneen geschreven behooren te worden, maakt een voornaam gedeelte van onze spelregeling uit.
Wij hebben ons derhalve in het algemeen tot regel gesteld, alle woorden op te nemen, samengestelde en afgeleide zoowel als grondwoorden, met uitzondering alleen van diegene, bij welke iedere aanwijzing volstrekt overbodig zou wezen. Het getal echter van deze laatste, die achterwege konden blijven, was niet gering. Het omvatte al die samenstellingen, wier beide deelen elk afzonderlijk op hunne plaats voorkomen, terwijl het geheele woord hetzelfde hoofdbegrip uitdrukt als het laatste lid, en dus ook hetzelfde geslacht behoudt. Woorden als burgerrecht, huisdew, houthandel, korenmolen, taalkennis, vuurwerk enz. behoefden geene opzettelijke vermelding. Doch zoodra het eerste lid der samenstelling of eenige verandering heeft ondergaan, óf uit den blooten stam van een werkwoord bestaat, die geen zelfstandig woord uitmaakt, óf wel bij de verbinding met het tweede lid een tusschenklank vereischt, moet het woord in zijn geheel worden opgenomen. Latafel en veerkracht mochten niet ontbreken, omdat la van lade en veer van veder in vorm verschilt. Aan leesboek, schrijftafel enz., kwam eene plaats toe, omdat lees en schrijf, de stammen der werkwoorden lezen en schrijven, op zichzelve niet bestaan; aan handelwijze, strijdbijl enz., omdat zij niet van de znw handel en strijd, maar van de
tui
stammen der werkwoorden handelen en strijden gevormd zijn. Eikeboom, ossetong, hondenhok, rattenkruit, eierstruif, runderpest, manspersoon, vaderlandsliefde enz., moesten vermeld worden om de ingevoegde klanken e, en, er, of s, tusschen welke de keuze niet zelden twijfelachtig zijn kan. Evenzoo wanneer het samengestelde woord een ander hoofdbegrip uitdrukt dan het laatste lid, of daarvan in geslacht verschilt, al zijn ook de beide leden in den vorm onveranderd gebleven. Zoo is b. v. een melkbaard geen baard, en een losbol geen bol, maar beide zijn benamingen van personen geworden; een pijlstaart is geen staart, maar een vogel; een drievoet geen voet, maar een zetel op drie voeten. Zoo is het woord visch meestal en wortel altijd mannelijk, maar payivisch en veenwortel zijn vrouwelijk, als collectieve benamingen. Al deze en dergelijke woorden moesten afzonderlijk worden aangeteekend, en evenzeer die oneigenlijke samenstellingen, als hoogeschool, grootvorst, nimmermeer, overoud, voorgoed, ternauwernood enz., waarbij het noodig was te doen opmerken, dat zij eene eenheid uitmaken en dus aaneen behooren geschreven te worden.
Ook in het opnemen der meest gebruikelijke bastaardwoorden moesten wij met eenige ruimte te werk gaan, om de toepassing der beginselen, die wij in dit deel der spelling hebben aangenomen, in de bijzonderheden te doen kennen. Men zal daaruit bespeuren, dat wij de rechten der gastvrijheid milder en onbekrompener opvatten dan sommige sprekers op het Rot-terdamsche Congres hebben gedaan; dat wij de vreemdelingen, die geen misbruik maken van ons vertrouwen, volgaarne in ons midden toelaten; hen geheel als burgers erkennen, zoodra zij getoond hebben dit te begeeren; maar hen ook, in het tegenovergestelde geval, vrijlaten zich te vertoonen in hunne nationale kleederdracht, die hun zoo goed staat, in plaats van hun, ongastvrij en onwellevend, een Nederlaudsch gewaad op te dringen, dat niet voor hunne leden geschapen is.
Een aantal woorden, in deze lijst voorkomende, zal misschien bij menigeen bevreemding wekken, en zeker aan velen onbekend zijn. Wij mochten ze echter niet weglaten. Het zijn meerendeels kunstwoorden, tot het zeewezen of tot verschillende neringen en ambachten betrekking hebbende, namen van dieren en planten, en dergelijke. Aan die minbekende uitdrukkingen eene verklaring toe te voegen, scheen hier overbodig, omdat het boekje niet bestemd is om gelezen, maar om nageslagen te worden, en niemand een woord zal naslaan, ten einde zich van de spelling of het geslacht te overtuigen, dan wanneer hij dat woord en zijne beteekenis reeds kent. Alleen ter onderscheiding van gelijkluidende woorden, of waar een zelfde woord, in twee verschillende opvattingen, een verschillend geslacht aanneemt, of waar, om welke reden ook, eenige misvatting ontstaan kon, was eene korte aanduiding noodig, om te doen zien welk woord of welke beteekenis door ons bedoeld werd.
Bij ieder woord is al datgene aangeteekend, wat men behoort te weten
IX
om de spelling ook in de verbogene en afgeleide vormen te kennen: bij de zelfst naamwoorden het geslacht, alsmede de meervoudsvorm en het verkleinwoord, waar die beide gebruikelijk zijn; bij de bijvoegl. naamwoorden de verbogen vorm, zoo dikwijls daarbij eenige twijfel bestaan kon, en tevens de trappen van vergelijking, voor zooverre de beteekenis die toelaat en het gebruik ze erkent; eindelijk bij de werkwoorden de sterke of zwakke vervoeging, het gebruik van het hulpwoord hebben of zijn, en de aanwijzing, waar dit te pas kwam, of zij scheidbaar of onscheidbaar worden gebezigd.
In de bepaling van de geslachten der naamwoorden zijn wij meermalen afgeweken van de opgaven, in vroegere woordenboeken en woordenlijsten te vinden. Geen onderwerp uit onze spraakkunst heeft misschien tot zooveel willekeur en verwarring aanleiding gegeven. Het was volstrekt noodzakelijk bier naar orde en regelmaat te streven, en daar althans, waar het geslacht onzeker en door het gebruik niet genoegzaam bepaald was, zelfstandig eene keuze te doen in overeenstemming met de gezonde beginselen, die hier be-hooren te gelden, en die de taal zelve, bij oplettende waarneming, duidelijk genoeg aanwijst. Ten einde ons te vrijwaren tegen de verdenking, als hadden wij ons in dit opzicht â op gelijke wijze als onze voorgangers â aan willekeur schuldig gemaakt, laten wij hier eene opzettelijke beschouwing volgen over de regeling der geslachten, waarin wij rekenschap geven van de beginselen, die ons tot richtsnoer hebben verstrekt.
Aan eene vroegere belofte getrouw, geven wij hier tevens een beknopt overzicht van de door ons aangenomen spelregels, in zooverre zij van de tot hiertoe gebruikelijke schrijfwijze afwijken, of de gapingen in het vroegere stelsel aanvullen. Voor het gemak van den lezer, die zich aan onze spelling wenscht aan te sluiten, zal zulk eene korte schets niet ondienstig zijn. Vooral voor het onderwijs in de lagere en middelbare scholen kan zij haar nut hebben.
Ondanks al de moeite en zorg, door ons aan dit boekje besteed, is het niet vrij gebleven van leemten en gebreken, niet wel te vermijden bij den overvloed der behandelde stof, waarbij ook de nauwlettendste aandacht somtijds te kort schoot. In eene eerste proeve van zulk eene meer volledige woordenlijst, waarvoor de bouwstof ten dcele uit het hoofd moest aangevuld worden, is het licht te begrijpen, dat een aantal woorden ontbreken, die volgens ons plan moesten opgenomen zijn. Wat wij reeds hebben opgeteekend, kan bij een mogelijken herdruk zijne plaats vinden. Gelukkig zijn er weinig woorden onder, wier gemis eenige ongelegenheid kan veroorzaken. De enkele, waarbij dit het geval is, hebben wij aan het slot als aanhangsel medegedeeld, en daaraan tevens eene opgave toegevoegd van die misstellingen, die ons in het oog zijn gevallen. Het overige moge men welwillend verschoonen.
Bij een arbeid, die in een betrekkelijk korten tijd moest worden voltooid, viel er niet aan te denken om den rijken schat der voor het Voor-
X
denhoek verzamelde bouwstoffen geregeld na te zien en te vergelijken. Het is licht mogelijk â en zelfs waarschijnlijk â dat onze mecniug omtrent de spelling of het geslacht van enkele woorden eenige wijziging zal ondergaan, naarmate wij die papieren gaandeweg onderzoeken. Eens voor al zij daarom aangemerkt, dat wij deze Woordenlijst geenszins beschouwen als voor ons zei ven in ieder onderdeel verbindend. Waar wij dwalingen ontdekken, zullen wij die aanstonds herstellen. De uitgave van het Woordenboek, die ons verplicht elk woord op zijne beurt te vakken en te wegen, zal tevens bet beste middel zijn, om den hier geleverden voorlooper allengs aan te vullen en te verbeteren.
Wij hebben een aangenamen plicht te vervullen, door erkentelijk het aandeel te vermelden, dat onze geachte vriend ür. w. bisschop in de samenstelling van dit werkje heeft genomen. Mochten wij hem reeds sinds lang waardeeren als een wakker medearbeider aan de verzameling der bouwstoffen voor het Woordenboek, altijd vol vaardig om ter bevordering van de belangen onzer taalkunde' de behulpzame hand te bieden, thans vooral heeft hij ons met de meeste heuschheid en met onvermoeibaren ijver ter zijde gestaan, en inzonderheid krachtig bijgedragen om onze Woordenlijst zoo volledig mogelijk te maken. Zonder zijnen bijstand zou déze arbeid nog vrij wat meer tijd aan het Woordenboek ontroofd hebben. Wij brengen hem openlijk onzen oprechten dank voor hetgeen wij aan zijne vriendschappelijke medewerking verschuldigd zijn.
Er blijft ons niets overig dan ons leedwezen te betuigen, dat de vervaardiging van dit boekje zulk eene stremming in de bewerking van het Woordenboek heeft veroorzaakt. Een kostbare tijd van vier maanden is, met al zijne drukte en inspanning, wel niet â zoo wij hopen â voor de goede zaak verloren gegaan, maar toch voor het hoofdwerk ongebruikt gebleven. Ultra posse nemo obligaiur; liet is niet mogelijk twee dingen te gelijk te doen, die beide den geheelen meusch vorderen. Mogen onze land-genooten, ter wille van het gemak dat hun deze Woordenlijst aanbiedt, de onvermijdelijke vertraging in de uitgave van onzen lexicographischen arbeid voor lief nemen. Gelukkig hebben wij thans alle bijkomende werkzaamheden, die het Woordenboek noodzakelijk vereischte, voorgoed ten einJe gebracht. Van nu af aan kan onze zorg onverdeeld aan de hoofdzaak gewijd zijn. Wij durven haar dus in het vervolg een geregelder en vlugger voortgang voorspellen.
D. V. en T. W.
leiden, 22 November 1865.
VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Sedert de eerste uitgave van deze Woordenlijst is de belangstelling vaii het publiek in de herziene spelling van het Nederlandsch Woordenboek bij voortduring toegenomen. Thans wordt die spelling, zoover mij bekend is, in alle richtingen van middelbaar en lager onderwijs â althans in de steden â gevolgd, gelijk zij reeds door de groote meerderheid onzer letterkundige schrijvers en in de meeste dagbladen en tijdschriften is aangenomen. Dit gunstig onthaal van onze pogingen, die de vestiging van eene eenparige en op degelijke gronden steunende schrijfwijze onzer taal ten doel hadden, heeft binnen weinige jaren een herdruk van dit boekje noodzakelijk gemaakt.. Aan de bewerking daarvan mocht ik mij niet onttrekken, hoe vermoeiend en verdrietig die taak ook was, nu dubbel zwaar, nu zij op mij alleen rnstte, en mij steeds de weemoedige herinnering voor den geest stond van den onvergetelijken vriend, met wien ik vroeger zoo broederlijk mocht samenwerken, en wiens leerrijke omgang mij ook den moeilijksten arbeid tot eeu waar genoegen placht te maken.
Het spreekt vanzelf, dat de herdruk van dit werkje eene algeheele herziening heeft uitgelokt. In de zes jaren, die sedert de uitgave verliepen, was menige onnauwkeurigheid opgemerkt en inzonderheid veel aangeteekend wat in de eerste [jroeve ontbrak. Ik heb daarom alles met de grootste zorg opnieuw nagegaan en getoetst, een aantal onjuistheden verbeterd, en in 't geheel ongeveer vijf duizend nieuwe woorden opgenomen. Om aan het mij medegedeelde verlangen van velen te voldoen, is inzonderheid aan de bastaardwoorden eene aanzienlijke uitbreiding gegeven. Zoo heeft onze Woorden-lijst door deze tweede bewerking thans die nauwkeurigheid en die betrekkelijke volledigheid bereikt, die haar in de practijk zooveel bruikbaarder zullen maken.
Omtrent de veranderingen, die ik, door beter inzicht voorgelicht, in de spelling van sommige woorden gemaakt heb, zal ik hier niet in het breede uitweiden. Ten deele hoop ik daarvan rekenschap te geven in de nieuwe uitgave van de Grondbeginselen der Nederlandsche Spelling, die thans ter perse is, terwijl ik enkele punten, die een meer opzettelijk betoog behoeven, elders afzonderlijk hoop te behandelen Het voornaamste betreft: 1° de verbetering van komenijy plooien en zelen (mv. van zeel), in koomenij, floten en zeelen, zooals door de afleiding geëischt wordt; 2° de terugbrenging van druisen, dat op eene misvatting berustte, tot het oude en betere druischen, en daarentegen de verbetering van iorschen in torsen, van welk laatste ik de juistheid reeds heb aangewezen in den Taalgids, IX, 175; 3° de verandering van jufvrouw en nogfans in juffrouw en nochtans, welke vormen mij verreweg de voorkeur schijnen te verdienen; 4° de invoeging der ch in de woorden aardschgezind, hemelschgezind, kerkschgezind en w er eldsch gezind, waarover reeds in het W oordenhoek, I, 569, gehau-
JUI
deld is; en 5° de verandering van d door t in verkleinwoorden als laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz., van de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee, zoo, zij, lui {lieden). Omtrent dit laatste jiLint zij hier alleen opgemerkt, dat de gebrnikelijke spelling laadje, slaadje enz., die wij vroeger ook onbedacht overnamen, op geenerlei wijze te rechtvaardigen is. De d van lade, salade, slede enz., ia in de samentrekking la, sla, slee voorgoed verdwenen. De verkleinwoorden zijn van die samentrekkingen gevormd, nadat die letter was uitgevallen. Er kan du» geen de minste reden bestaan om de d terug te roepen, en laadje, slaadje, sleedje, te schrijven. Die vormen zonden op grondwoorden als laad, slaad, sleed wijzen, die niet bestaan. Van lade, salade, slede, zou ladetje, sala-detje, sledetje, de regelmatige verkleining zijn; maar nu de taal die verkleinwoorden alleen van de samengetrokken vormen afleidt, die op klinkers uitgaan, is ook de t de letter, die hier vereischt wordt: laatje, sleetje, zijtje, luitjes, van la, slee, zij, lui, evenals paatje en maatje, zeetje, bijtje en buitje, van pa en ma, zee, bij, bui enz. De vroegere spelling was enkel het gevolg van een misverstand, dat men slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te zien.
Ik eindig met oprechte dankbetuiging aan mijne vrienden e. terwijs, w. bisschop en j. h. van dale, wier voortdurende en opmerkzame belangstelling ter aanvulling en zuivering van deze Woordenlijst zooveel bijgedragen, en wier trouwe hulp mij gedurende de bewerking dezer nieuwe uitgave nooit ontbroken heeft.
Leiden, 8 April 1872. M. D. V.
Deze derde uitgave is door mij opnieuw zorgvuldig herzien, aangevuld, en met den vierden druk van onze Grondbeginselen der Nederlandsche spelling in overeenstemming gebracht.
Leiden, 4 December 1879. M. D. V.
In 1893 heb ik van de Woordenlijst van de vries en te winkel^ een vierden druk bezorgd, en thans verschijnt een vijfde. Met inachtneming van het stelsel der ontwerpers heb ik in beide uitgaven een aantal woorden opgenomen die door het publiek ongaarne werden gemist, en vele andere, die weinig in gebruik zijn, kon ik â weglaten. De omvang Tan het boek is daardoor ongeveer dezelfde gebleven.
Leiden, Maart 1898. A. KLUYVER.
OVER DE GESLACHTEN DER ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
1, De onderscheiding van de geslachten der zelfstandige naamwoorden openbaart zich door de verschillende vormen, die deze woorden zelve en de bepalende woorden (lidwoorden en bijvoeglijke naam- en voornaamwoorden), waarvan zij vergezeld gaan, in de verbuiging aannemen.
2, Van een aantal woorden is het geslacht en dus ook de verbuiging door hunne beteekenis of door hun vorm bepaald. Zoo zijn manlijk man en haas om de beteekenis, loop, snuiter en blafferd (register) om den vorm, te weten loop als stam (wortel) van het werkwoord loop en, snuiter en blafferd om de achtervoegsels -er en -erd.
3« Bij andere echter, wier geslacht niet uit de beteekenis noch uit den vorm blijken kan, hebben verschillende oorzaken samengewerkt om de verbuiging en daarmede ook het geslacht onzeker te maken. In het gewone gesprek zijn de 2de en 3de naamvallen {des mans, den marine, der vrouw, der vrouw, des kinds, den kinde) buiten gebruik geraakt, zoodat slechts de Iste en 4de in de gesprokene taal gebezigd worden. In het manlijke en vrouwelijke geslacht zijn de lste naamvallen {de man, de vrouw) uit hunnen aard eensluidend, terwijl de 4(le {den man, de vrouw) door de gewone onderdrukking der n achter eene toonlooze e eensluidend worden. Sommige woorden, b. v. heug, meug en luid, in de uitdrukkingen legen heug en meug en naar luid, van, hebben nooit eenig bepalend woord bij zich, waaruit hun geslacht zou kunnen blijken. Uit een en ander vloeit voort, dat er woorden zijn, aangaande wier geslacht volstrekt niets bekend is, en andere, waarvan men slechts weet dat zij niet onzijdig zijn, zoodat men tusschen manlijk en vrouwelijk te beslissen heeft.
4. Slechts van de woorden, die aangetroffen worden in geschriften uit den tijd, toen zij nog in het gesprek verbogen werden, kent men het geslacht met zekerheid. Aan vele, die niet tot deze categorie behooren, hebben woordenboekschrijvers, niet zelden geheel willekeurig en vandaar soms uiteenloopend, een geslacht toegekend. Zulke opgaven missen natuurlijk alle
XIV
gezag en waarde, wanneer zij niet door de analogie worden gesteund; en de grammaticus kan noch mag ze als geldig erkennen, indien hij ze met ons taaleigen in strijd vindt, In zulke gevallen hebben wij niet geaarzeld van de bestaande woordenboeken af te wijken en dat geslacht op te geven, dat met onbetwistbare regels of met de hedeudaagsche richting in de taal overeenstemt. Evenzoo hebben wij gehandeld ten aanzien van die woorden, wier geslacht nog door niemand was vermeld.
o. Bij de woorden, uit wier beteekenis en vorm niets aangaande het geslacht is op te maken, en waarvan men alleen weet dat zij niet onzijdig zijn, doordien zij nooit het, dit of dat vóór zich nemen, hebben wij om de volgende bedenkingen aan het vrouwelijke geslacht de voorkeur gegeven:
Het verwerpen der verbogen vormen {honds, honde, schaaps, schape enz.) en het onderdrukken der n achter de toonlooze e der bepalende woorden {den, dezen, zijnen, goeden enz.) staat bij woorden, wier geslacht niet van elders blijkt, gelijk met het overbrengen in het vrouwelijke. Het lijdt dus geen twijfel, dat de hedendaagsche taal het vrouwelijke geslacht voortrekt. De woordenboekschrijver, die haar geen geweld aandoen en aan den stijl niet noodeloos een voorkomen van stijfheid geven wil, volgt dien wenk, wanneer er geene redenen bestaan die zulks verbieden. Daarom noemen wij b. v. het ter kwader ure uit den vreemde ontleende halt vrouwelijk, niettegenstaande het in de oorspronkelijke taal manlijk is.
6« Een anderen algemeenen wenk hebben wij gemeend te zien in de volgende opmerking:
Woorden, die zeer verschillende beteekenissen hebben, die b. v. nu eens als voorwerpsnamen, dan als stofnamen, nu m abstracten, dan in concreten zin genomen worden, hebben niet zelden naar gelang der opvatting een verschillend geslacht. Zoo zijn b. v. diamant en doek als voorwerpsnamen M. {een kostbare diamant, een dure doek), maar als stofnamen O. {het kostbare diamant, het fijnste doek)-, â val, voor het vallen genomen, is M. {een zuoaren val doen), voor werktuig om te vangen V. {in de val loop en); â pekel en sneeuw zijn, in eigenlijken zin gebezigd, V. {in de pekel zetten, in de sneeuw rollen), in overdrachtelijken (voor de zee en blankheid) O. {het schuimende pekel bevaren, het sneeuw van den hals eener schoone). Ook de stijlsoort bepaalt soms het geslacht van een woord. Zoo is b. v. oogenblik in het dagelijksch gesprek en in gewonen stijl O. {van dat oogenblik af); maar in verheven stijl M. {âdie oogenblik zal haast verschijnenquot;).
Het aantal dergelijke onloochenbare en algemeen erkende onderscheidingen is allengs toegenomen, hetgeen bewijst, dat de taal ook het verschillend gebruik der geslachten aan de duidelijkheid tracht bevorderlijk te maken. Zoo verstaat men thans door het eigendom de bezitting, de zaak «lie men bezit, door den eigendom het recht om te bezitten; ofschoon kluit, siEGENBEEK noch weiland die onderscheiding schijnen gekend te
XV
hebben. Kant werd voorheen onverschillig M. en V. gebezigd; thans bezigt men het woord in den zin van zijde steeds M., in dien van speldenwerk altijd V. Een en ander geeft den grammaticus het recht, bij woorden die in meer dan één geslacht gebezigd worden, al heeft het gebruik nog niet beslist, dergelijke onderscheidingen aan te nemen, mits hij daarbij niet willekeurig, maar naar de analogie van algemeen geldige regels te werk ga.
7. De regels, die ons bij de geslachtsbepaling bestuurd hebben, zijn van tweeërlei aard: zij steunen óf op de beteekenis der woorden, óf op hun vorm; vergel. § 2. Veelal stemmen de beteekenis en de vorm overeen, b. v. bij het manl. leugenaar, dat een man beteekeut en met het manl. achtervoegsel -aar gevormd is. Soms echter bestaat er strijd tusschen de beteekenis en den vorm, b. v. bij kamenier, dat eene benaming van eene vrouw is, maar op het achtervoegsel -ier eindigt, hetwelk in persoonsnamen anders altijd een man aanduidt.
8. Wanneer er strijd is tusschen den vorm van een woord en zijne beteekenis, dan doet zich de vraag voor, welke van beide den boventoon moet hebben. Ten opzichte van persoonsnamen is deze vraag gemakkelijk te beantwoorden. Uit het voorbeeld van kamenier, dat in weerwil van den uitgang V. is, blijkt, dat de beteekenis â hier de kunne â meer geldt dan de vorm. Hetzelfde ziet men o. a. bij de woorden op -ling en de verkleinwoorden op -je. Het achtervoegsel -ling, eigenlijk l-ing (niet te verwarren met -ing, oorspronkelijk -ung, dat van werkwoorden abstracte zeifat. nw. als vermaning enz. vormt), is manlijk, blijkens hoveling, kamerling enz. Dit verhindert echter niet, dat men doopeling, leerling enz., van meisjes gebezigd, vrouwelijk maakt en er dan duidelijkheidshalve veelal eene e achtervoegt: eene leerling of leerlinge. â Het achtervoegsel -je {-fje, -pje) vormt verkleinwoorden, die onzijdig zijn {het haasje dat enz., van het manlijke laas), en moet dus tot de onzijdige uitgaugen gerekend worden. Intusschen nemen de woorden Jantje, Klaasje, Mietje, Naatje enz. hunne bepalingen in het manlijk of vrouwelijk geslacht bij zich, wanneer zij als gewone eigennamen gebezigd worden, waarbij men niet aan de verkleinende kracht van het achtervoegsel denkt {Jantje, d.ie daar loopt spelen; Mietje, die zit te breien). quot;Wanneer echter eene der beteekenissen, die aan het verkleinende achtervoegsel verbonden zijn, het begrip van kleinheid, bevalligheid, nietigheid enz., te voorschijn treedt, dan herneemt het achtervoegsel zijne volle kracht en het woord laat slechts bepalingen in het onzijdige geslacht toe, onverschillig, of een manl. of vrouwel. persoon bedoeld wordf {Ret kleine Jantje, dat zoo zoet speelt ; het lieve Mietje, dat zoo vlug breit).
9. Daar nu bij persoonsnamen de vorm onderdoet voor het natuurlijke geslacht, hebben wij niet geaarzeld dit beginsel ook op diernamen toe te passen, die in de taal nu eens als persoons- dan als zaaknamen beschouwd worden. Daarom hebben wij b. v. gemeend aan kuiter, wijfjesvisch, het vrouwel. geslacht te moeten toekennen, in tegenstelling van hommer en
XVI
milter, beuamiugeii voor mannetjesvisch, ofschoon die woorden denzelfden vorm hebben en -er doorgaans manl. woorden vormt.
10. Bij zaaknamen gaat de taal minder regelmatig te werk, en laat zij somtijds de achtervoegsels meer gelden dan de beteekenis der woorden. Zoo worden b. v. linde en iamarlnde algemeen, kennelijk om de toonlooze V. genomen, niettegenstaande de overige namen van boomen M. zijn; daarentegen zijn de benamingen van schapen, op -er uitgaande, als hoeker, kapel, lichter, M., in weerwil dat de overige V. of O. genomen worden. In de meeste gevallen echter, waarin de vorm minder duidelijk spreekt, wordt aan de onderscheiding der beteekenissen de voorkeur gegeven boven het geslacht, dat de vorm zou vereischen. Zoo zijn b. v. de stammen (de zoogenaamde wortels) der werkwoorden vanouds M., en behouden ook nu dit geslacht, zoolang zij in abstracten zin worden gebezigd; doch zij worden als V. gebruikt, wanneer zij eene concrete beteekenis hebben aangenomen. B. v. val en greep, voor het vallen en grijpen, zijn M., maar als voorwerpsnamen, voor {muize)i)val en handvafsel, worden zij tegenwoordig als V. aangemerkt. Aan het achtervoegsel -sel wordt algemeen het onzijd. geslacht toegekend, en toch zegt iedereen de stijfsel.
Uit een en ander ziet men, dat de taal bij zaaknamen niet naar een algemeen beginsel te werk gaat, en dat de grammaticus derhalve verplicht is daarbij de omstandigheden in aanmerking te nemen en soms, althans schijnbaar, inconsequent te handelen.
11. De geslachtsregels, die wij hier laten volgen, zijn in de twijfelachtige gevallen door ons als geldig beschouwd. Wij hebben gemeend geene uitzonderingen te moeten erkennen, dan die ons voorkwamen boven bedenking verheven te wezen. Die uitzonderingen hebben wij alleen dan opgegeven, wanneer zij zoo weinig in getal zijn, dat zij zich gemakkelijk in het geheugen laten prenten.
Ten einde misverstand te voorkomen, geven wij vooraf de verklaring van eenige kunsttermen, waarvan wij ons bediend hebben.
12. Gemeenslachtige woorden {nomina communis generis) zijn namen van menschen en dieren, die voor individuen van beiderlei kunne gebezigd worden, en, naar gelang daarvan, nu M. dan V. zijn; anders gezegd, woorden, wier geslacht afhangt van de kunne van het wezen, dat zij op het oogcnblik aanduiden. Hiertoe behooren de meeste woorden op -ling als doopeling, drenkeling, hokkeling (jong rund) enz:, en een aantal woorden van allerlei vorm, als lode, dienstbode, getuige, wees, erfgenaam enz. â In den laatsten tijd is men begonnen aan de meeste dezer woorden, ter onderscheiding, eene toonlooze e toe te voegen, wanneer zij vrouwelijke wezens aanduiden: eene leerlinge, eene erfgename enz., een gebruik dat, als bevorderlijk aan de duidelijkheid, alle aanbeveling verdient. Bij de woorden op genoot, die mede oorspronkelijk gemeenslachtig waren, als deelgenoot, echtgenoot, lotgenoot, is dat gebruik thans zoo algemeen aan-
XVII
genomen, dat het als de regel mag beschouwd worden: men schrijft thans veelal in 't V. deelgenoot e, echtgenoole, lol genoot e. â Nevens eene bode, dat alleen in deftigen stijl gebezigd wordt, staat hodin voor eene vrouw wier beroep het is boodschappen te doen.
In uitgebreider zin noemt men ook wel andere woorden gemeenslachtig, wanneer zij, bij verschil van opvatting, van geslacht veranderen, b. v. schildpad, dat V. is, wanneer men het dier zelf bedoelt, maar O., wanneer men denkt aan de schaal, beschouwd als eene stof waaruit voorwerpen vervaardigd worden. Voor zulke woorden zouden wij aan de benaming ^neerslachtig de voorkeur geven.
13. Zelfslachtige woorden {nomina epicoena) zijn namen van menschen en dieren, die niet op de kunne zien, maar, onverschillig of zij een manlijk dan wel een vrouwelijk wezen aanduiden, hetzelfde geslacht behouden. Hiertoe behooren mensch, dat in de gewone opvatting M., maar, wanneer men met verachting spreekt, O. is, en in beide gevallen zoowel eene vrouw als een man kan beteekenen; het M. hond, waardoor men evenzeer eene teef als een rekel verstaan kan; kameel (M.), olifant (M.), muls ^V.), rat (V.), fret (O.), konijn (O.), enz.
u. Door voorwerpsnamen verstaan wij benamingen van voorwerpen, d. i. van stoffelijke dingen, die afgeronde, aan alle zijden begrensde geheelen uitmaken, of althans als zoodanig beschouwd worden. Hiertoe behooren niet alleen woorden als huis, stoel, tafel, stad, staat, gewest, enz., waardoor, streng genomen, geheelen worden voorgesteld, maar ook benamingen van zulke deelen, die kennelijk van de geheelen onderscheiden zijn, als arm, heen, kop, staart.
Een kenmerk, dat de taal een zelfst. nw. als een voorwerpsnaam beschouwt, is vooreerst de mogelijkheid van het woord in het meerv. te bezigen; ten andere de mogelijkheid van er het lidwoord een, eene voor te plaatsen. Het is juist de bestemming van dit lidwoord, aan te kondigen dat het volgende woord eene eenheid (of geheel) beteekent; daarom noemen wij dit het lid-woord van eenheid in plaats van niet bepalend, lidwoord, eene benaming die aanleiding heeft gegeven, dat men den aard en de bestemming van dit woord geheel miskend heeft.
15» Door stofnamen verstaan wij benamingen van stoffen, d. i. van dingen, die niet als afgeronde en begrensde geheelen worden beschouwd; Ta. v. goud, hout, ijzer, vleesch, wijn, zand. enz. Eene zelfde zaak kan en als voorwerp èn als stof worden aangemerkt, b. v. een gouden gesp. Noemt men het ding een gesp, dan beschouwt men het als een voorwerp; noemt men het goud, dan merkt men het aan als eeue stof, zonder aan de gedaante te denken. Stofnamen hebben geen meerv., en nemen het lidwoord van eenheid niet aan. Spreekt men van wijnen of van een wijn, dan bedoelt men bijzondere soorten, dus begrensde hoeveelheden wijn; houten, ijzers, looden, zijn stukken hout, ijzer of lood van eene bepaalde
XVIII
gedaante. Stofnamen, in het meervoud genomen of van het lidwoord van eenheid vergezeld, houden op stofnamen te zijn, maar zijn voorwerpsnamen geworden.
16. Verzamelwoorden (collectiva) zijn woorden, die (in het enkelvoud) eene veelheid van enkele dingen aanduiden, als troep, menigte, soort enz. Er zijn twee soorten van verzamelwoorden. Bij de eene stelt men zich de hoeveelheid als eene eenheid, als een begrensd geheel voor; b v. bij bende leger, familie, geslacht. Deze kunnen van het lidwoord van eenheid vergezeld zijn en een meervoud hebben; b. v. een volk, eene bende, volken benden. Bij de andere wordt de veelheid als onbegrensd, als eene stof gedacht; b. v. bij rogge, gras, panvisch, brandhout, turf, d. i. onbepaalde hoeveelheden van roggekorrels, grasplantjes, visschen, stukken hout of turven. Deze hebben geen meervoud, en nemen het lidwoord van eenheid uiet bij zich. Men zegt niet roggen; â grazen is niet het mv. van gras in de gewone opvatting, maar van gras voor grassoort; â turven is het mv. van den voorwerpsnaam (eeyi) turf, niet van deu verzamelnaam turf. De eerstgenoemde soort van verzamelwoordeu behoort tot de voorwerpsuainen, de tweede tot de stofnamen. Zoo is b. v. volk een voorwerpsnaam in de uitdrukkingen een machtig volk, beschaafde volken; maar een stofnaam, wanneer men zegt: er was veel volk op de been; er is volk in den winkel.
Regels, op de betcekenis der woorden gegrond.
Manlijk zijn:
17. De namen van mannen, als Jan, heer, hok, en van manlijke dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor het wijfje bestaat als hengst, kater, stier, nevens merrie, kat, koe. Ontbreekt deze laatste, dan behoort de naam tot de zelfslachtige woorden {epicoend), en moet het geslacht van elders blijken, gelijk b. v. bij haai, kameel, struis euz. M., mtiis, rat, slang V.
Om het beginsel, in § 8 ontwikkeld, hebben wij gemeend ook het woord wacht en de daarmede samengestelde, als nachtwacht, schildwacht, torenwacht, als M. te moeten beschouwen, wanneer zij manlijke individuen aanduiden, en dus geene collectieve beteekenis hebben. Wij maken derhalve onderscheid tusschen den nachtwacht (klapperman) M.. en de nachtwacht (de gezamenlijke politiebeambten, die de wacht hebben) V. Wij hebben te-minder geaarzeld in dit geval de hedendaagsche richting in de taal te volgen, omdat de vorm van het woord wacht niets beslist, daar vele woorden op cht M. of O. zijn, als knecht, nacht, plicht, tocht, zucht (diepe ademhaling) M., hecht, licht, recht O. Andere talen zijn ons hier voorgegaan, als b. v. het Zweedsch, dat vakt en de samenstellingen yshjltvakt enz.) als M. bezigt. â Over het onzijdige manspersoon zie beneden, $ 36.
18. De namen van boomen, als berk, beuk, den, eik; uitgezonderd linde
XIX
en tamarinde V. Zelfs de vrouwelijke namen van vruchten worden M , als zij moeten dienen om de boomen aan te duiden, die de vruchten voortbrengen : Hier staat een abrikoos, daar een perzik.
19. De namen van steeuen, als individuen beschouwd: een diamanty een agaat. Wanneer zij geene bijzondere steeuen, maar slechts de steeugt; soort als stof aanduiden, zijn zij O.: Het diamant is harder dan het agaat.
20. De namen van maanden en jaargetijden, als Mei, zomer, herfst; uitgezonderd lente en de samenstellingen op maand, en jaar, als Meimaand, Bloeimaand, voorjaar.
21. De namen van bergen, als Aetna, Himalaya, Dhawaldgiri.
22. De namen van munten, als gulden, dukaat, {Spaansche) mat, behalve pistool, guinje en mijt, die V. zijn.
Vrouwelijk zijn:
23. De namen van vrouwen, als Maria, min, baker, en van vrouwelijke dieren, waarnevens eene afzonderlijke benaming voor het mannetje bestaat, als duif, geit, ooi, nevens doffer, bok, ram. Ontbreekt deze laatste, dan behoort het woord tot de zelfslachtige woorden, en moet het geslacht van elders blijken; vergel. § 17.
24. De stofnamen, die niet O. zijn, als kant, wol, kammeling, franjey kruim, aarde, klei.
Bij namen van zaken is aan het manlijk geslacht het begrip van individualiteit, d. i. van eenheid en ondeelbaarheid, verbonden, Stofnamen, waaraan het begrip van begrensdheid en ondeelbaarheid vreemd is, zijn in onze taal V. of O. Zelfs ontegenzeglijk manl. woorden worden O. of V,, wanneer zij als stofnamen gebezigd worden.
Ten aanzien van het onz. geslacht blijkt zulks overtuigend uit het onderscheid tusschen den diamant (steen) en het diamant (stof), den doek en het doek, den draad en het draad, enz.
De overgang van het M. in het V. is even ontwijfelbaar, ofschoon nog altijd verkeerd opgevat en ten onrechte verklaard als eene âverkorting van het meervoudquot;. Ieder gevoelt, dat de uitdrukking den visch koken op eeneu visch ziet, en dat de visch koken niet slechts gezegd wordt van meer dan e'énen visch, maar ook van gedeelten of mooten, met andere woorden, van visch als stof gedacht, in welk geval het geen meervoud heeft; vergel. § 15. Hetzelfde onderscheid van geslacht bestaat bij aal, baars, paling, snoek, zalm enz. (mv. alen, baarzen enz.), M., en aal, baars enz. (hoeveelheid aal, baars), V. zonder meerv. Zoo spreekt men b. v. van een zeezalm, M. en van krimp zalm, V.; van eenen buitengewoon harden turf, M. en vau harde, zwavelige turf, V., als collectief voor turven.
25. Ten gevolge van deze waarneming hebben wij gemeend alle stofnamen, die niet O. zijn en wier geslacht voor het overige onzeker is, als V. te moeten beschouwen. Uitgezonderd zijn natuurlijk die woorden (als,
XX
de loijn, nectary honing'), die door onze dichters en prozaschrijvers altijd Ec
voor M. erkend zijn, en welke thans nog steeds als zoodanig gebezigd eeil
worden. word
26« De eigenlijke namen van bloemen, als aster, hyacint, lelie, pioen, ]y[ .
roos, tijloos enz. Doch de namen, die eigenlijk een ander voorwerp aan- gj
duiden en slechts bij overdracht op bloemen toegepast worden, behouden Engt
het geslacht dat hun in de eigenlijke opvatting toekomt; b. v. aronskelk, vrelk
leeuwenbek, gouden regen zijn M., herenoor is O. Wanneer zulke over- Lijft
drachtelijke benamingen van bloemen of planten als collectieve stofnamen 3,
{zie § 1G) gebezigd worden, dan zijn zij, gelijk andere stofnamen, V. of O.; ^in
b. v. wolfsklauw en slangenwortel zijn V., ofschoon klauw en wortel als j^zo
voorwerpsnamen M. zijn. Onzijdige woorden, als brood, bloed, blijven O., aaQc
b. v. duivelsbrood, drakenbloed. 3
27. üe namen van vruchten, als bes, noot, peer, vijg enz.; uitgezonderd kon die, welke op -ling en -oen uitgaan, als guldeling, kruiling, pippeling, (§ i citroen, meloen enz., alsmede de inheemsche namen op -el en -er, als den appel, eikel, aker enz. Vreemde namen met deze beide uitgangen worden nan meest V. genomen, als amandel, dadel, kapper, komkommer enz. voo
De vrouwelijke namen van vruchten worden M., als zij de boomen aan- of
duiden, welke de vruchten voortbrengen; vergel. § 18. kle
28. De namen van vaartuigen, als aak, bark, boot, kof enz ; behalve .pj{ die, welke op de achtervoegsels -er en -aar eindigen, als driemaster, lichter, dat groenlandsvaarder, uitlegger, rinkelaar enz , die M. zijn, en de onzijdige vot fregat, galjoen en jacht. kn
Dat de taal hier het vrouwelijke geslacht wil, blijkt hieruit, dat manl. ree
en onz. eigennamen, op schepen toegepast, als vrouwel. worden gebezigd: b.
Hij commandeert de Tromp; de Friesland zal heden niet varen. kn
29. De namen der letters en cijfers, als: eene a, eene twee, eene 6. kn
en
Onzijdig zijn:
30. De namen van dieren, die de geheele soort aanduiden en waarvan zij beide het mannetje en het wijfje afzonderlijke namen hebben, als hoen, ve rund, schaap enz., waarnevens haan en hen, stier en koe, ram en ooi. w Uitgezonderd is het manl. hond. zc
31. De namen van jongen van dieren, als kalf, lam, veulen, welp; sc uitgezonderd big, V. â Het woord kind (en evenzoo het Friesche bern) sj kan ook onder dezen regel gebracht worden. ^
32. De namen van stoffen, waaruit voorwerpen vervaardigd worden: het n diamant en agaat, de stoffen waarvan men door slijping diamanten en h agaten (M.) maakt. Zoo ook lei, goud-, platina, nikkel, barnsteen, schildpad, kurk, draad, doek enz. Uitgezonderd zijn die, welke op eene toon- i looze e eindigen, als aarde, serge, zijde enz., alsmede baai, kant, lang et amp; cn tcol, die V. zijn; saai wordt V. en O. gebruikt. f
XX.I
HM Een aantal der hier bedoelde woorden hebben eigenlijk uit zich zelve
^ een ander geslacht, hetwelk zij behouden, wanneer zij niet als stofnamen
worden gebezigd; b. v. handy doek, draad, bever, hermelijn, sabel (dier) lt;en' M.; kurk, pleister, schild/pad, tijk V.
ai1' 33. De namen van landen, steden en dorpen enz., als het machtige
^011 Engeland, het oude Rome. Uitgezonderd zijn die namen van landstreken,
welke steeds van het lidwoord de vergezeld gaan, als de Betuwe, de er' Lijmers, de Krim, de Sahara enz.
1611 34. De meeste verzamelwoorden, als hosch, duin (aaneenschakeling van
' duinen), heir, loof, ooft, slag (soort), stel (porselein), volk, want enz.;
a^s inzonderheid die, welke eene vereeniging van een bepaald aantal individuen
-*â¢gt; aanduiden, als het honderd, het paar, het dozijn, het gros, het snees.
35- Aan het onzijdige geslacht is niet zelden het begrip van onvol-!r^ komenheid verbonden. Dit blijkt uit de namen der vormlooze grondstoffen
(§ 32), waaraan door bewerking eene bepaalde gedaante moet gegeven wor-den; uit de namen van jonge, d. i. onvolwassen dieren (§ 31); uit de en namen in § 30 vermeld, die de dieren als geslachteloos en zonder kunne
voorstellen; ook verzamelingen (§ 16 en 34) worden als zaken zonder vorm I1quot; of gedaante gedacht. Aan het begrip van onvolkomenheid grenst dat van
kleinheid. Daarom zijn de zoogenaamde verkleinwoorden op -je {-tje en -pjé) en -ken, als huisje, jongsleen, O. Reeds boven, § 8, is aangetoond, rgt; dat het de beteekenis is, welke die woorden onzijdig maakt, niet het achter-
?e voegsel. Dit verklaart, waarom de verkleiuwoorden op -el, wier verkleinende
kracht thans niemand meer gevoelt, niet onzijdig zijn. Deze volgen in den regel het geslacht van het grondwoord, waarvan zij gevormd zijn; zoo zijn b. v. eikel en beukei (als het ware jongen van eenen eik of beuk), hoepel, kneukel, knobbel, druppel, tepel enz. M., evenals eik, beuk, hoep, knok, knop, drup of drop, tip-, daarentegen zijn greppel, kruimel, mazel, peuk el en pukkel, trommel V., gelijk greb, kruim, maas, pok, trom.
36. Het begrip van onvolkomenheid of kleinheid, dat aan zoovele on-n zijdige woorden eigen is, gaat niet zelden met geringschatting gepaard Dit
verklaart, waarom sommige woorden tot het onzijdige geslacht overgaan, l- wanneer men er het bijdenkbeeld van minachting aan verbindt. Daarom
zegt men soms dat heer, dat mensch, en altijd dat vrouwmensch; of-; schoon heer en mensch M. zijn; daarom wordt persoon onzijdig in de
) samenstellingen manspersoon en vrouwspersoon, die nooit gebezigd worden,
wanneer men met achting van iemand spreekt. Daarom hebben wij ge-t meend aan onmensch, dat in sommige woordenboeken M. genoemd wordt,
i het onzijdige geslacht te moeten toekennen.
37. Het M. en V. is, in tegenstelling van het O., edeler en deftiger. Daarom zegt men nooit het hoogeschool, noch in overdrachtelijken zin het
' school van dien wijsgeer of dien godgeleerde, voor de hoogeschool, of de
school van A of B verwerpt die leer. Daarom zegt men, met minachting
2
XXTI
sprekende, bij voorkeur dat soort, niet die soort, en is bocht (slechte afgel
waar, eigenlijk uitvaagsel) O. Daarom hebben de woorden op -sel, waar- is ^
nevens andere op -ing bestaan, als aanslibsel en aanspoelsel nevens aan- O- ^
.slibbing en aanspoeling, een stellig minachtenden zin. De uur of ure (V.) eiget
en de oogenblik (M.) zijn slechts in deftigcn stijl gepast; het uur en het als
oogenblik zijn de dagelijksche uitdrukkingen. ^elsc
U
Regels, geheel of gedeeltelijk op den Yorm der woorden aan
gegrond. echt
4
38. Samengestelde woorden volgen het geslacht van het laatste lid, ^eve indien zij eene soort beteekenen, waarvan het geheele geslacht door haz* het achterste lid wordt aangeduid; is dit het geval niet, dan kan het ein(3 woord een ander geslacht hebben. Zoo zijn gebedenboek, handboek, kerk- 4 hoek, leerboek, leesboek, schoolboek O., omdat die woorden voorwerpen 00k aanduiden, die behooren tot het geslacht van dingen, die boek heeten, ^ welk woord op zich zelf staande O. is. Daarentegen is roodvonk, eene 611' ziekte, maar geene bijzondere soort van vonk, onzijdig, niettegenstaande L vonk V. is. Maankop volgt dan alleen het manl. geslacht van kop, als het adl op een kop of zaadhuisje van eene papaver ziet; moet het de geheele plant dot of eene menigte planten aanduiden, of wel het slaapmiddel dat uit het ï'61 sap getrokken wordt, dan verliest kop zijne beteekenis en verandert het dei geslacht van het woord; in het eerste geval wordt het V., in het laatste ry O. genomen. hü
De regel lijdt geene uitzonderingen, dan alleen bij kerkhof dat O. genomen wordt, niettegenstaande hof in de hier bedoelde beteekenis M. is. be
Oogenblik, O., wordt gewoonlijk, maar ten onrechte, als uitzondering de opgegeven; het behoort tot dezelfde soort van woorden als roodvonk en
maankop. Een oogenblik beteekent niet meer een blik (M.) der oogen, w
maar de kleine tijdruimte, die voor zulk een en oogenblik gevorderd wordt. ze
Vergel. § 37. ar
39, Het geslacht van vele afgeleide woorden hangt óf geheel óf ten
deele af van het achtervoegsel, waarmede zij gevormd zijn; daarom kan sl
het achtervoegsel in vele gevallen een hulpmiddel wezen om het geslacht u
te herkennen. Zoo zijn alle woorden met -heid. en -ij, als waarheid, kleedij, b dieverij, V. In de meeste gevallen echter moet de beteekenis of de aard
van het grondwoord, of wel beide, tevens in rekening worden gebracht. ^ Zoo is -uw in schaduw enz. een vrouwel. achtervoegsel; doch baljuw is
om de beteekenis natuurlijk M. Het geslacht der vroegere verkleinwoorden v
op -el hangt af van het geslacht van het grondwoord, zie § 35. De woor- 1
den op -er zijn M., wanneer zij van werkwoorden zijn gevormd en een 1
werktuig aanduiden. Ontbreekt eene dezer beide voorwaarden, dan kan het lt;
â woord een ander geslacht hebben. Kaper (muts) b. v., van het znw. kap â¢
quot;quot;T-
XXIII
hte afgeleid, is V., kaper (roofschip) daarentegen, van het ww. kapen gevormd, ar- is M.; leger, ofschoon van liggen, gelegen, is geen werktuig, maar ook %n- O. Het achtervoegsel -dom, oudtijds -doem, is eigenlijk een M., -schap
V.) eigenlijk een V. zelfst. nw.; desniettemin zijn de meeste woorden op -domy
het als heiligdom, hertogdom, en sommige op -schap, als gereedschap, ge
zelschap, enz., onzijdig.
Uit een en ander blijkt, dat er slechts weinige achtervoegsels zijn, waaraan onder alle omstandigheden een bepaald geslacht eigen is. Men kan echter de volgende regels stellen:
40. -aar, dat doorgaans manl. persoonsnamen vormt, behoudt ook bij id, levenlooze voorwerpen het M. geslacht, b. v. in beukelaar, boezelaar,
or hazelaar, makelaar (soort van balk). Het vrouwel. bakelaar {baccae lauri)
et eindigt niet op het achtervoegsel -aar, en is dus geene uitzondering.
k- 41. -aard vormt bijna uitsluitend manlijke persoonsnamen; daarom is
in ook mutsaard (takkenbos) M.
q, 42. -age vormt vrouwelijke woorden, als kijvage, stof age. Alleen bosschage
ie en dierage worden onzijdig gebruikt, omdat men daarbij aan bosch en dier deukt.
Ie 43. -dom vormt abstracte en concrete naamwoorden. De abstracte, als
ït adeldom, eigendom (in den zin van recht om ie bezitten), maagdom, was-
it dom, zijn manlijk; de concrete, als eigendom (in den zin van bezitting),
it heiligdom, hertogdom, prinsdom, priesterdom, zijn onzijdig. Van de woor-
5t den, bij welke de abstracte en concrete opvattingen in elkander vloeien, is
e rijkdom M., en zijn christendom, jodendom, pausdom en dergelijke bena
mingen van godsdienstige gezindheden O.
44. -lt;?, als achtervoegsel, is V., b. v. in genade, koude, ronde, zonde, behalve in vrede, M., einde, O., in den manl. persoonsnaam he ere, en in ^ de gemeenslachtige woorden bode en getuige. Daarom zijn ook de woorden,
) welke nog een vorm op -e nevens zich hebben, V., als reis â reize,
, wijs â wijze. â Dat de buigingsuitgang -e der bijv. nw., die als
zelfst. nw. gebezigd worden, b. v. in de blinde, het goede, geheel iets anders is dan het achtervoegsel -e, behoeft nauwelijks vermelding, t 45. -el geeft aan de namen van vruchten, als eikel, appel, het M. ge-
i slacht; ook vormt het van werkw. manl. benamingen van werktuigen of
middelen om de werking te verrichten, b. v. beitel (van bijten, beet, oudt. heit), gordel, griffel, hevel (van heffen), klepel (van kleppen), lepel (van leppen), prikkel, stekel, sleutel, teugel (van tie gen, toog), vleugel. â Over *-et geslacht der verkleinwoorden op -el zie boven, § 35.
46. -em, achter een klinker en eene / of r verkort tot m, in sommige woorden door eene s oï z versterkt tot -sem of -zem, vormt M. woorden. Daarom kan men den regel stellen, dat de woorden op -em, -lm en -rm M. zijn, b. v. adem, asem, bezem, deesem, helm, darm, storm enz. Scherm echter is O. â Falm (vlakke hand, lengtemaat en kruid) en uniform, die V. zijn, maken als vreemde woorden geene eigenlijke uitzondering; en
XXIV.
evenmin bloem en kiem, voorheen bloeme en Heme, welke dus met -me, niet met -em, gevormd zijn.
47. -en heeft geen bepaald geslacht: regen is M., haven V., hekken O., enz.
48. -er, achter den praeseusstam der werkw. gevoegd, vormt M. woorden, als gieter, snuiter, stamper enz. Woorden op eene andere wijze ge-gevormd kunnen V. en O. zijn, als de haver, het water enz.
49. â erd, komt alleen bij M. woorden voor, als blafferd (register), mosterd.
50. 'heid vormt louter V. woorden, als goedheid, waarheid, vienschheid, kindsheid.
51. -ie, als Nederlandsch achtervoegsel, is V., b. v. balie, bezie, merrie.
52. -ie, als vreemd achtervoegsel, zoowel met als zonder den klemtoon, maakt vrouwelijke woorden; b. v. harmonie, poëzie, lelie, menie. Uitgezonderd zijn het concilie, het evangelie en het genie, voor vernuft of vernuftig mensch, tegenover de genie als benaming van een wapen in het leger.
53. -ij vormt vrouwelijke woorden, als dieverij, maatschappij enz., zonder uitzondering, dan alleen dat schilderij in den gemeenzamen stijl ook O. gebruikt wordt.
54. -ing is van tweeërlei oorsprong: 1) het oorspronkelijke achtervoegsel -ing, dat met eene voorgevoegde / het gelijkbeteekenendevormt; en 2) een ander -ing, oudtijds -ung. Het eerste diende ter vorming van manl., het laatste van vrouwel. woorden. Nu beide eensluidend geworden en de geslachten verloopen zijn, is het bij jongere woorden niet altijd uit te maken, met welk der beide achtervoegsels men te doen heeft. Thans gelden de volgende regels:
De persoonsnamen op -ing en -ling zijn M., als koning, loteling, ouderling; of gemeensl., als drenkeling, leerling enz.
De woorden op -ing en -ling zijn M., wanneer zij de benamingen zijn van dieren of van voorwerpen, die een afgerond geheel uitmaken, als vruchten, munten enz., b. v. bunzing, gieteling, haring, paling, spiering, groen-ling, kruiling, pippeling, wildeling, penning, schelling, zilverling, beuling, duimeling, krakeling, teerling. Hiertoe behooren ook enteling en zaailing, als benamingen van planten, elk op zich zelve genomen. en ro//êwlt;7,
die vreemde woorden zijn en dus niet met het achterv. -ing gevormd, hebben echter door het voorbeeld der bovenstaande woorden insgelijks het M. geslacht aangenomen.
Doch de woorden op -ing en -ling zijn V., wanneer zij stoffen aanduiden, als zuring en scheerling, benamingen van planten, doch niet als individuen, maar als stoffen gedacht; kammehng, kibbeling (afval van zontevisch). Uitgezonderd is honing (of honig), (kt steeds als M. gebezigd wordt, en messing, dat als de naam van een meta.il O. is. Uit \ 15
XXV
volgt, dat ook de namen van visschen, die op -ing eindigen, V. worden, wanneer men de visch als stof besehonwt: versche haring, vette -paling eten enz.
De woorden op -ing, gevormd van werkwoorden en eene werking aanduidende, zijn V., als dwaling, roeping, regeering, tering, wandeling, verovering enz. Zij behouden dit geslacht ook wanneer zij concreet worden genomen, gelijk -b. v. helling, kleeding, lading, regeering voor de regeerende personen, wandeling voor de plaats, waar gewandeld wordt.
55. -nis (eigenlijk -n-is) vormt vrouwelijke znw., als bekentenis, belijdenis, geheimenis, vergiffenis enz. Zoo ook vuilnis, dat echter in den ge-meenzamen vorm vullis als O. gebezigd wordt. â Vonnis is O,; en zoo ook gewoonlijk getuigenis, dat nochtans in deftigen stijl ook met het vrouwelijke geslacht in gebruik is.
50. -schap is eigenlijk een vrouwel. znw. en vormt dus in t algemeen V. woorden, als boodschap, blijdschap, eigenschap, gemeenschap, ridderschap enz. Uitgezonderd zijn de volgende onzijdige:
1) De namen van waardigheden of betrekkingen, waaraan rechten en plichten verbonden zijn, als burgemeesterschap, koningschap enz.
2) De namen van landstreken, als heemraadschap, landschap, waterschap. Zoo ook het graafschap, in 't algemeen; doch waar sprake is van het gebied der oude graven van Zntfen, is het oorspronkelijke geslacht bewaard gebleven en zegt men de graafschap, V.
3) De woorden qenootschap, gereedschap, gezantschap en gezelschap.
57, -set maakt O. woorden, als baksel, deksel enz.; doch stijfsel wordt
thans algemeen V. genomen.
58. -te vormt van bijv. nw. vrouwelijke woorden, als duurte, gedaante, gemeente, hoogte enz,; van znw., te gelijk met voorvoeging van ge, onzijdige, als gebergte, gedierte, gesternte.
55). De woorden, door aanhechting van het voorvoegsel ge van stammen van werkw. gevormd, als gebed, gedraaf, geloop enz., zijn O.
OVER DE SPELLING.
OVIRZICHT VAN DE REGELS, IN ZOOVERRE ZIJ DE TOT HIERTOE GEBRUIKELIJKE SPELLING -WIJZIGEN OF AANVULLEN.
1, Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in deu beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eeue nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen alle vroegere geschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de sj.elling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.
2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wjj b. v. besloten hadden alle e's en o's in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letter-teckens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, als Dinsdag, litieeken en nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. quot;Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende
XXVII
uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen. â Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen éene te kiezen en â wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was â een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit ot slechts ten deele behandeld waren, voor ons zeiven te beantwoorden, en de regels, die ons doelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de ai-beelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (Zie Grondbeginselen § 1â72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zeiven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d. i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.
In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar dü § § van de Grondbeginselen der Nederlandsche spelling, waar zij breeder ontvouwd zijn.
Klinkers en tweeklanken.
De verdubbeling der klinkletters.
3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid: aa) ee, oo, uw, behalve bij de i, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds door ie voorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleen baar, beer, boor, buur, enz., maar ook eegaas, raas en vlaas, mv. van de echt Nederl. woorden eega {gade), ra en vla, met eene dubbele a. â Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, als Maria, Hebe, Nero, acacia, echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken {apostrophe) te vervangen: Maria's, Hebe's enz. Daar liet verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die van Mariaas, Hebe es, Neroos, echo os enz., te eer omdat men bij de woorden op i, als Garibaldi, Uubini, toch zoo te werk gaat, en nooit Garïbaldiis, Rubiniu schrijft. AVij spellen daarom den 2(len nv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met 's; Maria's, Hebe's, Garibaldi's, Nero's, acacia's, echo's enz. {Grondbeg. § 90).
XXVIII
I:. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden als pendule, JSlize, Philippine enz., die op eene toonlooze, niet op eene heldere e uitgaan. De * zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wij Elizes, Philippines, pendules enz.
5« De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplange es en cfs, met andere woorden, de verdubbeling der scherpe es en os in opene lettergrepen, b. v. in beenen en boomen, nevens geven en boven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:
1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees -eesch en -eeten worden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalve honweelen* penseelen, personeele, Chineezen, Japanneezen, Chineesche, Siameesche, waar deer en, regeeren, waardeering, regeering, goddelooze, redeloozen enz. {Grondbeg. § 77â79).
2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden de è's en a's, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uit ai en au ontstaan zijn, met eene enkele e en o geschreven worden, b. v. in lelie, menie, olie, rozen enz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering van kroon, troon en toon (in de muziek), cn schrijven regelmatig ook kronen, tronen, tonen.
Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering der o'iS uit au, en schrijven niet alleen moor en, poozen enz., maar ook koozen, lief koozen (lat. causari) met oo.
3. Met de è's en o's in samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft men leeman {ledeman), leer en {lederen), streelen {stregelen), gedwee {gedwede), slee {slede), o olijk {oodelij/c); maar daarentegen preken {prediken), kwelen {hoedelen), veren {vederen), kvje {kwede), doren {doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, als ceelen (van cedel), hot ww. onweer en (van onweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen met ee en oo te schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleen leeman, le er en {lederen), streelen, gedwee, slee {slede), oolijk, maar ook preeken, preek er, kweelen, veer en, kwee, dooren, ceelen, onweeren enz.
4. Doordien de zachte en scherpe è's en O's in het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nage-
XXI
noeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleen weken en weeken^ lenen en leenengt; kolen en kooien, roven en rooven enz., maar om dezelfde redenen ook
beren (verscheurende dieren) van heeren (varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);
delen (planken en dorsohvloeren) van deelen (gedeelten);
sleepen (voorttrekken) van slepen (gesleept worden);
klooven (doen splijten) van kloven (mv. van kloof en verl. tijd van kluiven); slooven (voorschooten) van sloven (sukkels en als ww. sukkelen);
ionen (in de muziek) van toonen (werkw. en mv. van ioon â teen);
zoogen (laten zuigen) van zogen (verl. tijd van zuigen).
Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschen keelen (in de bouwkunde) en kelen (halzen), tusschen meer en (een schip vastleggen) en meren (mv. van meer). De taal eischt in beide gevallen meren met éene e, terwijl keel in de bouwkunde, cn zoo ook in de wapenkunde als benaming Jer roode kleur, geen ander woord is dan keel (hals), zoodat men zonder onderscheid kelen te schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww. meren met het mv. van {een) meer, en van keel als bouwkundig ornament met keel als lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.
Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijke spelling, de volgende woorden aldus te schrijven: deemoedig, deesem, eega, hoonen en vroolijk; maar dwepen, hepen (handbijlen), keren (vegen), droge, drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.
6« Bij het bepalen van de natuur der e's en ö's in gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zon geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak der e's en o's; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus
XXX
voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.
Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.
7. Aau of au. â De spelling jlaauw, gaauw enz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschen aau en ou in ligt, en die in de woorden dauw, kauw, heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, en aau voorgoed door au te vervangen. Wij schrijven daarom blauiv, flauw, gauw, nauw, nauwelijks enz. {Grondb. § 74). .
8. Ie en i. â De lange of gerekte i-klank wordt steeds door ie voorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zoowel die-nen, die-ren, kie-zen met ie, als dien, dier, kies. Daarom verwerpen wij de spelling suist anti-ven, anti-ke, Israëli-ten enz., als niet overeenstemmende met substantief, antiek, Israëliet enz., noch met de quot;algemeen gebruikelijke schrijfwijze mortieren, officieren, kommiezen, valiezen, en schrijven regelmatig motieven, substantieven, antieken, republieken, Israëlieten, Mennonieten enz. {Grondbeg. § 82).
9« Daarentegen is de klank, die door ie voorgesteld wordt, te lang eu te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkele i in afgodisch, Israëlitisch, predikant, muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ook historisch, geographisch, fabrikant, republikein. Jezuïtisme, motweeren enz. met de enkele i, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijze historiesch, fabriek ant, fabriekaat, Jezuietisme enz. (Grondbeg. § 82 en 84).
10. Slechts in den uitgang ie, van woorden als balie, linie, malie, olie, tralie enz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld: baliën, liniën, maliën enz. (of balies, linies, malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toen ie nog algemeen als een tweeklank ië werd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervouden harmoniën, melodiën, reliquiën, die geheel anders klinken dan baliën enz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden op ie op twee wijzen, naar gelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven: baliën, traliën, oliën, enz.; maar harmonieën, reliquieën enz., in overeenstemming met drieën, knieën, tweeën, zeeën. Zoo dan ook genieën, van genie, in onderscheiding van geniën, mv. van genius. [Grondbeg. § 83).
11. Ie en ij. â De ij was oorspronkelijk eene lange i en luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, als ii of ie. Toen zij den ^f-klauk aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden als bijbel, mijter.
XXXI
pijly ttjgev* praktijk, fahrijk, kolijk, muzijk enz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegeren i-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze met ij te schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak der ij veranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden de ij door ie, en schrijven fabriek, katholiek, koliek, muziek. {Grondleg. § 86).
12. Toen de tweeklank ié in den hedendaagschen klinker ie (i) en de lange i in tj (ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aan gerief, harmonie, poëzie, koffie enz., den y-klank te geven en dus te spellen: gerijf, harmonij, poézij, kof jij enz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraak gerief, harmonie, poëzie en koffie (evenals balie en tralie) te spellen. {Grondleg. § 86).
13. In de namen der maanden Januarij, Februarij, Junij Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daarom Januari, Februari, Juni, Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spelling Januari voor Januarii enz. {Grond-beg. § 87).
14. Ei en ij. â Eene dergelijke verwarring als tusschen ie en ij heeft bij ei en ij plaats gegrepen in de woorden sacrisiijn, karwei (zaad) en malvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleiding malvezij, sacrislein, nevens sacrisiij, en karwij (zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt van karwei (werk). Grondbeg. § 88).
15. Fe en ei, oo en oi. â Men is gewoon aan de e in het woord heer (leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklank ei komt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling van heer als persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak: heir, heir en, heir-scharen. â Ofschoon de vocaalklank in oir (erfgenaam, Fr. hoir) niet van die in oor (lichaamsdeel) verschilt, en de spelling met oi derhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord als oir, dat ouder den vorm oor niet terstond zou herkend worden. {Grondbeg. § 91).
16. De toonlooze e voor de achtervoegsels -ling, -lijk en -loos. â Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijk en -loos achter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende letters l, n en r, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene tjonlouze e, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. in doopehng. goddelijk, goddeloos. Dichters â en ook prozaschrijvers â onderdrukken die e echter niet zelden, en schrijven godlijk, godloos, en zelfs zeedlijk en eindloos, van zede en einde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbaste-
XX.XII
riug der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:
De toonlooze e blijft achterwege:
1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of eeo tweeklank; b. v. in tweeling, drieling, vrij ling, kr idling, kwalijk, leelijk, oolijk en vroolijk. In vrijelijk echter kan de e niet worden gemist, die in de uitspraak altijd gehoord wordt; en nevens de regelmatige vormen moeilijk en verfoeilijk zijn ook moeielijk en verfoeielijk in gebruik.
2. Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. in groenling, billijk, hegeerlijk, bekoorlijk, persoonlijk, aanzienlijk, pijnlijk, doelloos, verwaarloozen enz. Wordt de n door een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zonder e, even goed, b. v. manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusscheu zinloos (zonder zin) en zinneloos (buiten zijne zinnen).
3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v. adellijk, eigenlijk, gedurig lijk, koninklijk, bodemloos enz.
4. Wanneer het grondwoord eindigt op eene g, die als ch wordt uitgesproken; b. v. in behaaglijk, ontzaglijk, heuglijk, genoeglijk, welvoeglijk enz. De uitlating der e strekt hier om aan de g den verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.
In prozastijl is het niet raadzaam de e weg te laten achter de zachte medeklinkers b, d en g (als g, niet als ch uitgesproken); b. v. niet uit onhebbelijk, dadelijk, dagelijks, degelijk enz., daar de spelling onheblijk, daadlijk, daaglijks, deeglijk, tot de verkeerde uitspraak onheplijk, daatlijk, daachlijkSf deechlijk aanleiding zou geven. {Grondleg. $ 112).
Medeklinkers.
Be verdubbeling der medeklinker». v 17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven-.'klemtoon, heeft; b. v. in hebben, vlaggen, dekbedden, opstellen. De regèln^atigheid-zpu dus ook eischen, dat de ch werd verdubbeld in lachchen, lichchaam, _ echcho Intusschen heeft deze spelling nooit kigang gevonden, en schreef men doorgaans óf lagchen, ligchaam, enz., óf lachen, lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene ^e kiezen, daar aan het invoeren der dubbele ch {lachchen enz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkele ch nog de minst onregelmatige. Darrom spellen wij lachen, echo, lichaam, richel, tichel, bochel enz. {Grondbeg. § 95).
XXXIll
18. Na ecne tooulooze lettergreep is de verdubbeling van den mede-kliuker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijft wandelen, inboezemen, regenen, beteren, zondigen; de spelling wandellen, zondig gen enz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding gevcu.
Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -erik en -it, en schrijft b. v. leeuw erikk en, kievit ten nevens monniken en diemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enen en -eren gelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijven leeuweriken, perziken, botteriken, zwezeriken, kieviten, diemiten, en zoo ook Dokkumer, Gor-kumer enz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. op kennissen en vonnissen, die algemeen met ss geschreven worden, naar analogie van geheimenissen, getuigenissen enz., waarin de lettergreep nis niet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris (Lat. -arms), wordt de s verdubbeld: archivarissen, commissarissen, notarissen enz.
19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. als kannten, steilten, zooals het Hoog-duitsch die in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken woorden als wasschen, flesschen, visscher, enz. eene uitzondering. De ch is in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodat wasschen, flesschen, visschen enz. eigenlijk hetzelfde is als wassen, flessen, vissen, waarin de s regelmatig verdubbeld wordt. {Grondleg. § 96).
20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:
Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:
1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. in dagen, lev en gt; blijven, huizen enz.
2. niet achter tooulooze klinkers, b. v. in engelen, perziken, kieviten enz.; behalve de s in kennissen, vonnissen en in notarissen enz.
3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij de sch in wasschen, tusschen enz.
4. niet wanneer de tusschenletter eene ch is; b. v. in laclj^^chaawz emL
21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat dcg^cfel^ Van^toc^ passing zijn bij samengestelde en afgeleide^^jflSfoen^Yftr
minkt behooren te blijven. Men schrijft ïij re^jX wee^lVvV hoofddeel, waaggeld, uit hoofd en deel, vmag en
Vs in adellijk en middellijk van adel enJwzamp;M, ^^r^aauhagj^ffig van het achtervoegsel -lijk. {Grondbeg. § 113). ^
De halfklinkers j en w.
22. De J, welke de gebruikelijke spelling in woorden als baai jen, br ei-jen, boeijen, hui jen enz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank.
*
XXXIV
dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te n-orden. Zij is nadeclig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. ia hooijer, leijen, tirooijen tea onrechte even sterk als in (een goed) hooijaar, leijou-ker, strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spelling iaaijen, reijen, boeijen, luije, mooije enz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eene j in Hjjen, rijjen, pij jen enz., maar ook baaij, reij, luij, mooij zou eischeu, evenzeer als uit looclen, hoegen, bloote, vroege, de spelling looi, boeg, bloot, vroeg volgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door liet weglaten der overtollige j de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hootUe: haaien, zaaien, breien, leien, gooien, hooien, buien, Icruien, zaaier, hooier, kruier, bemoeiing, voltooiing enz., in overeenstemming met ree'én, zeeën, tweeën, theeën, drieën, knieën, spieën, waarin evenzeer eene flauwe j gehoord wordt. (Grondheg. § 92).
-3. De spelling verio, verwpot, verwen enz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin de w door / en » vervangen is. Wij schrijven daarom cerf, verfpot, verfwaren, verven, verver, ververij. (Grondheg. § 126).
De vloeiende letters l en n.
34. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen met middel, als middelpunt, middellinie enz. In den laatsten tijd is men begonnen ook met midden samen te stellen, en naast middeleeuwen en middelpunt ook middeneeuwen, middenpunt enz. te schrijven. Daar nu de beteekenis van middel en midden in al die woorden volkomen dezelf.le is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zóó te schrijven. Wij spellen daarom consequent: middeleeuwen, middelevenredig, middelpunt, Middelnederlandsch enz., in overeenstemming met middeldeur, middellandmh, middellijf, middellijn, middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, middelsoort, middelstand enz., waarin men nooit midden aantreft. {Grondleg. § 114).
25. Het manl. achtervoegsel -ing (zie Gesl. § 54) wisselde oudtijds at met den uitgang -ig, die nog in honig voorkomt. De vorm honing, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan als honig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowel honing, honingraten enz., als honig, honigraten enz., te erkennen.
20. De spelling der verkleinwoorden met eene n, als; boekjen, huisjen, kopjen, schoteltjen, boekjens, huisjens, kopjens, schoteltjens, stilletjens, zarhtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook inet de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest
XXXV
algemeene uitspraak: bankje, hoekje, bloempje, huisje, kopje, stillefjes, warmpjes, zachtjes, zoetjes enz. zonder n.
Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -ken of -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal met n uitgesproken. Wij schrijven om die reden kindeken, jongsken, dochterken enz., te meer daar de beschaafde uitspraak de n volstrekt eischt in allengskens en zacht kens. In gemeeuzamen stijl evenwel, waar -ken stijf zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, penningske enz. {Grondbeg. § 119).
Be keelletters g, ch en k.
27# De geadspireerde keelklank, gevolgd door eene t, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, met ch geschreven, b. v. in acht, biecht, dracht, gewicht, gezicht, jacht, klacht, lucht, nacht, plecht, plechtig, plicht, recht, rechter, richten, slecht, tocht, vlucht, zucht enz., en zoo ook in geslacht en licht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen met g zijn gevormd, als dracht, jacht, klacht enz. van dragen, jagen, klagen.
Daarentegen blijft de g in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op g eindigt, en in de zelfst. nw., door achtervoeging van -te gevormd van bijvoegl. nw. op g; b. v. in draagt, jaagt, klaagt, pleegt, weegt, ligt (van liggen), zoogt, zuigt enz., en in laagte, leegte, droogte, hoogte, vroegte, ruigte, menigte enz., waarin de t steeds tot de volgende lettergreep te behoort.
De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw. brengen, mogen en plegen behooren met ch te worden gespeld: bracht, brachten, mocht, mochten, placht, plachten, en zoo ook het verl. deelw. gebracht; dewijl de t daarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort men brengt, moogt, pleegt met g te schrijven, omdat de t niet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd: breng, brengen, mag, mogen, pleeg, plegen.
Evenzoo is de spelling Aagt en aagtappel regelmatig, dewijl de t in deze verkorte vormen slechts toevallig op de g volgt, maar er in den ou-verminkten vorm Agatha door eene a van gescheiden is.
Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onder-xcheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a. ligt en regt voor, ofschoon 'ae woorden niet iu verband staan met eenig woord, waarin eene g voorkomt. Daarentegen gaf zij aan geslacht, tucht, tuchtigen de ch, hoewel deze woorden met slag en toog, togen samenhangen. {Grondbeg. § 94).
28. Onze g had oudtijds denzelfden klank als de Fransche g in grand, garde, en was dus toen eene zachte k, gelijk zij thans eene zachte ch kat. genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eene n wordt vocra/gc-
XXXVI
gaan, b. v. in iang, ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over in k, b. v. in koninklijk van koning, aanvankelijk van aanvangen, jonkheer van jong enz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitende g, door cene n voorafgegaan, den klank eener zachte cJi te geven, en haar in tang, langen, ding, dingen, enz. zóó uit te spreken als in aangaan, ingetogen, ongelukkig enz. Daarom vervangen wij ng door nk in al die gevallen, waarin de spelling met ng meer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk in koninkrijk, jonkheid, lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als in koninkje, woninkje, rottinkje, kettinkje enz.
Wanneer -ing door eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. in wandeling, teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etje gevormd: wandelingetje, teekeningeije enz., evenals tangetje, ringetje, tongetje enz. {Grond-beg. § 98).
29. Sedert de ch achter de s in het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. in tusschen, menschen, disch, visch enz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de alleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. als gansch, heesch en andere is zulks eeniger-mate te rechtvaardigen {Grondbeg. § 123), maar niet bij torschen, waarin de ch volstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daarom torsen zonder ch.
30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt, nog (daarenboven, tot nu toe) van noch (ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding cene ch behoorde te hebben. In nochtans echter, ofschoon uit nog dan samengesteld, geven wij de voorkeur aan de ch, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van dan in de t van ians heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.
31. De gebruikelijke spelling Dingsdag berust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte een dag der {rech(s)gedingen. Daar de betere uitspraak Dinsdag op vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalve Dinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. dag aan den oorlogsgod Die of Diu gewijd, met ingelaschte n, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest. {Grondbeg. $ 128).
De tongletters d é1» t.
32. Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpe t; uitgezonderd in den 2den nv der woorden op d, en in de
XXXVII
bijvoegl. uw. en bijwoorden, door aanhechting van sch en s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide beteekenissen), in gids en smidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleen trols, scherts, plaats, rots enz. met t, maar ook guts van gieten; knots van knotten; rits, ritsig, verwant met wrijten; gutsen, uit het oudere gussen vervormd, en ritselen van onzekere afleiding. Daarentegen met d: Gods, des kinds, des bloeds, goedsmoeds, steed sch en steeds, gindse h en ginds van gind{er). {Grondleg. § 99).
33. De woorden op -aard bestaan eigenlijk uit het bijv. nw. hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v. bloodaard, grijsaard, gulzigaard, gevormd van de bijv. nw. blood, grijs, gulzig, en bankaard van het znw. bank. Die woorden behooren dus met de d van hard geschreven te worden; en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijft lafaard, grijsaard, niet la ff aard, grijzaard. Grijnzaard en veinzaard' echter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uit grijnzer, veinzer verbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijk veinzer, lezer enz.) met de z geschreven te worden. {Grondleg. § 100).
u. De meervouden ritten en binten bewijzen, dat de d, van rijden en hinden in de genoemde woorden tot t is verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van de d van mede in het voorzetsel met sinds lang algemeen erkend is. De woorden rid, bind, en med met d hebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn door rit, bint en met vervangen. Het is derhalve regelmatig ook ritmeester, gebinten en metgezel te schrijven. {Grondleg. § 102).
35. Dezelfde verscherping heeft de d ondergaan vóór het achtervoegsel -nis in de stammen der werkwoorden, die uitgaan op d., voorafgegaan door eene l of n. Ten onrechte heeft men in heeldtenis en verbindtenis eene d ingevoegd, die ann eene afleiding met -te doet denken. De ware spelling is beeltenis en verlinienis, evenals ontstentenis, waarin men nooit eene d, heeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt van ontstanden, bijvorm van ontstaan (in den ouden zin van ontlreken). {Grondleg. § 102).
36. Ofschoon de stofnaam kruit (poeder), wafc den oorsprong betreft, hetzelfde woord is als kruid (gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval als schroot, dat ook eigenlijk schrood luidde (van 't ww. schroden, snijden), en waarnevens nog schroodleitel en schrood-ijzer bestaan. Wij schrijven daarom kruit (poeder), buskruit, rattenkruit, nevens kruid (gewas), kruiden, nieskruid, wormkruid. {Grondleg. § 127).
3
XXXVIII
37* De woorden op -lei en -hande zijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2den nv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalve allerlei, eenerlei, velerlei, menigerlei, twintigerlei en -hande enz. Daarentegen hebben andere, als vierderlei, vijf der lei, zesderlei en -hande, ccne d ingelaseht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindt tweeërlei, drieërlei {-hande), en tweederlei, drie der lei {-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spelling tweeërlei en drieërlei {-hande) de voorkeur te geven. {Grondleg. § 93).
38. De spelling Kersdag, Kersfeest, Kersmis enz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral in iersboom belachelijk uit. De herstelling der t van den naam Kerst {Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daarom Kerstdag, Kerstfeest, Kerstmis, kerstboom enz. â Daarentegen is er geene afdoende reden om in kermis en kerspel de k van kerk weder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, en spel de beteekenis van rechtsgebied verloren heeft, zou de spelling kerkmis en kerkspel deze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spelling kermis, kerspel.
39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woord liicteken {lijkteek en, d. i. blijkteeken) verbastering en ging over in liet eken en litteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het ge-heele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch {lijk) en schreef daarom likt eek en, hetgeen niet verhinderde dat men voortging litteeken uit te spreken. Daar nu de spelling likte eken zoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uit-gpraak en het eeuwenoude gebruik: litteeken. {Grondleg. § 131).
De lipletters v en f.
4:0. De gebruikelijke spelling diefegge doet denken aan eene samenstelling van dief met zeker onbekend woord egge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, de Æ moet in v veranderen: dus dievegge, gelijk in dieverij, lieverd enz. {Grondbeg. § 107).
41. De beschaafde uitspraak heeft de v van vonk in het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, tot f verscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevens vonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zin fonkelen, en dus ook fonkelnieuw. {Grondbeg. § 111).
XXXIX
De sisletters s en z.
4:2« Uit de bijwoordelijke uitdrukking te zamen ontstond eerst het bijw. tsamen, en hieruit, door het wegvallen der t, nadat zij de z tot s verscherpt had, samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daarom samen met s aan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat; samenkomen, samenwerken, samenspraak, samenhang enz. Te samen zou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dan te te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij: Zij zullen er te zamen (of er samen) heengaan. Ook blijft de z in het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel van zamen gevormd zijn, als in opzamelen, inzamelen, verzameling. {Grondheg. § 108).
43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraak geenszins, maar strijdig met beide alle zins, ander zins, eenigzins, veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijke geenszins, behoort men ook alleszins, anderszins, eenigszins, veelszins te schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. {Grondleg. § 125).
44. Het schrijven van loijssi, boosst, loosst, als overtreffende trappen van wijs, boos, loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spelling wijsste, boosste, loosste, en, naar analogie hiervan, ook vahchsf, verschst enz. Wij schrijvrn derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet te vermijden mochten zijn: wijst â wijste, loost â looste, malseht â malschfe enz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling van Friesch (niet Friessch), trotsch (niet trotssch), van Fries en trots, die zelve op s eindigen.
Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -st en -sch. Het behoudt daarom zijne s, b. v. in ziekenoppasster, mutsenwaschister enz. {Grondbeg. § 124).
De samenstellingeD.
45. Samengestelde woorden zijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v. grootschrift en kleinkind iets anders dan groot schrift en klein kind.
46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen, leden genoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v. huis-knecht, op-stellen, horloge-maker, werk-tuig, horlogemakers-werktuig.
47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van
XL
Het eersle lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppel-teekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.
Regels voor het onderkennen der samenstellingen.
{Grondleg. § 134â153).
48. Samengestelde woorden â en dus aaneen te schrijven â zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geeoen óf een verkeerden zin zouden opleveren
I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingan van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v. ijzerdraad, ijzeren draad; tweehonderd, tweemaal honderd; godmensch, goddelijk mensch; zeshoek, figuur met zes hoeken; badkuip, kuip om te baden, enz.
Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:
1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:
a. Vele zelfst. nw. op -#r, -ster en -ing, als houthakker, van hout hakken; droogscheerder, van drroog scheren; invrijheidstelling, tekortkoming, van in vrijheid stellen, te kort komen.
b. Vele bijvoegl. nw. op -ig en -sch, als vierhoekig, van vier hoeken; alledaagsch, van alle dagen, enz.
c. Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijke 9, als veeltijds, buitendijks, terloops.
2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de rede geene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelluen vorm be-noudt; b. v. grootmeester, oudoom, kleinzoon enz. Men zegt: des grootmeesters, uwen oudoom, zijne kleinzoons, niet des grooten meesters, uwen ouden oom, zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.
8. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:
a. De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken maul, of onz. 2lt;ien nv., als goedsmoeds, blootshoofds enz., dewijl men niet meer zegt: des goeds moeds, des bloots hoofds enz.
h. De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2den nv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; als aller-viiegent langzamerhand, toevalligerwijze ena.
XLI
c. De uitdrukldngeii, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2de® nv.; als binnensmonds, luitenshuis enz.
d. De nitdrnkkingen, waarin het verbogen lidwoord de in ter is veranderd; als metterdaad, mettertijd enz.
e. De uitdrukkingen, beginnende met dièr, des en wès, verouderde 2de nvll. van die en wie; als derhalve, desgelijks, deskundige, weshalve enz.
II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.
Als zoodanig worden aaneen geschreven:
1. De werkwoorden met de voorzetsels aan, achter, bij, door, om, onder, op, over, tegen-, uit en voor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoorden af, mede en toe, als: aanbinden^ doorsteken, uithalen, afgaan, medeloopen, toestemmen enz.
2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., 6f met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v. gadeslaan, rechtspreken, gevangennemen, goeddoen, vrijlaten, voortgaan, aaneenbinden, ondereenmengen enz.
Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v. staat maken en fraai schrijven geene samenstellingen, omdat men kan zeggen geen staat op iets maken, fraaier schrijven enz.
3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw. wel, vol en al, wanneer deze woorden den zin hebben van zeer, als welbespraakt, volzalig, aloud enz.; alsmede de titels, beginnende met edel, hoog, wel en zeer, als E delgeboren, Hooggeleerd, Weledel, Zeergeleerd- enz.
4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, als hooggeel, lichtblauw, donkerbruin, zwartbont enz.
5. De voornaamw. degene, diegene, hetwelk, dezulke en dezelfde.
6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, als veeleer, zoozeer, zoolang, evengoed enz. (verschillende van veel eer of eerder, zoo zeer, zoo lang, even goed)-, of uit een bijwoord en een voorzetseL dat bijwoord geworden is, als kortom, voluit enz.
7. De bijwoorden hier, daar en waar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v. hierdoor, daaruit, waaronder enz.
8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v. achterwege, overeind, overlang, voorzeker, voorgoed, vanhier, vandaar, overal, ondereen enz., verschillende van voor zeker, voor goed, van hier, van daar.
XLII
9. De bijwoorden terstond, terug en ternauwernood.
10. De voorzetsels tegenover, rondom, niettegenstaande en ingevolge.
Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, als uit
hoofde, in geval, door toedoen, met betrekking enz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; als uit hoofde van, in geval van, met betrekking tot enz.
11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v. alhoewel, zoodat, doordien, dientengevolge enz.
12. De tusschenwerpsels helaas en eilieve.
Ret gebruik van het koppelteeken.
{Qrondbeg. $ 154â158).
49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.
60. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:
1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als in Cayenne-peper, Manilla-sigaren, Tortorico-tabak, Zuid-tee-traan. Schakel-lijm enz., Berlijnsch-hlauw, Friesch-groen enz.. Eng else h-Russisch, Indo- Germaansch enz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als in 'portwijn, kwassiehout, spijkerbalsem enz.
2. In titels, bestaande:
a. Uit twee bastaardwoorden, als adjunvt-commies, minister-resident, luitenant-kolonel enz.
b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; als grootmeester-uationaal, kapitein-geweldiger. Staten-Generaal, raad-pensionaris enz.
8. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; als Groot-Britanniê, Nieuw-Holland, Noord-Brabant, West-Friesland, Beneden-Egypte enz.
Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens $ 48, I, 1, b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v. Noordhollandsch, Oostfriesch enz.
4. In samenstellingen, waarin het eerste lid â hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord â alleen betrekking heeft op hel eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; als bolvormige-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, klein-kinderschooltje, oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, Sint-Jansdag, St.-Catharinagasthuis. Lieve-Vrouwenkerk, Mijns-Heerenland, 's-Gravenhage, 's-Hertogenbosck, de Vier-Heerenlanden enz.
XLIII
De verhindingskianken tusschsn de leden der tamenstellingen.
{Grondleg, $ 161â313).
51. In de meeste sameastellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelk verlindingsklank of ver-bindmgsletter genoemd wordt.
62. Verminkingen hebben plaats:
a. Bij de woorden op eene toonlooze e, welke die e ook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. In aardbewoner, eindbesluit enz.
S. Bij de woorden, die in het mv. op -eren of -ers uitgaan. Deze werpen in de samenstelling -en of -s af, als: kalvermarkt, raderwerk enz., niet kalversmarkt, raderenwerk.
c. Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen de n weg, b. v. in spelevaren, voor spelen varen.
d. Bij de stammen op d, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eene i of u voorkomt, t. w. ij, ei, ui, ie en ou. Deze werpen, althans in dagelijksohe woorden, de d af, als in rijkunst, leiboom, luiklok, verspiejacht, houpaardje, van rijd(en), leid{en), luid(en), ver-tpiedien) en houd(en).
53. De verbindingsklanken zijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-, In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eener » achter eene toonlooze e, b. v. in paardemarkt of paardenmarkt; en ten aanzien eener s, wanneer het tweede lid met s oi z begint, b. v. in dorpschool of dorpsschool, var-kenziekte of varkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-» en der verbindings-s, vermits de n achter de toonlooze e veelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eene s in eene volgende i of « wegsmelt.
Regels voor het gebruik der verlindings-U.
54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eene h aanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping {hiatus) eene n achter de toonlooze e; b. v. in galgenaas, ganzenei, brillenhuisje, vossenhol enz.
Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbare mede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonlooze e eindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v. medearbeider, bedehuis, bodeambt, vredehandel enz. Hiertoe behoort ook minnehandel, van het oude minne, dat thans min luidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, als minnebrief, minnedicht enz.
55. In woorden als *s-Gravendeel, 's-Gravenhage, *s-Gravenland,'s-Heeren-her g, 's-Hertogenbosch. Mijns-HeerenlandM Prinsenhage, behoort eene n als teeken van den 2len r
XLIV
56. Wanneer het eerste lid noodwendig de voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonlooze e eene n gevoegd als teeken van het meervoud; b. v. in boekenkast, brievenbesteller, brillen' slijper, dievenbende, hoedenmaker, kaarsenmakerij, stoelendraaier enz.
57. Wanueer het eerste lid noodwendig een enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zonder n, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v. brille glas, bruggegeld, eendevleugel, galgebrok, mollevel, paardevijg^ speldeknop enz.
Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt; b. v. berkeboom, beukeboom, eikeboom enz.
In galgenaas, eendenei, duivenoog, brillenhuisje, bruggenhoofd, enz., kan de n, wegens de volgende klinkers of Jis niet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin das ook in berkenhout, eikenhout enz.
58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geene n ingevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigs-zins toelaat; dus niet in flesschebakje, hondeketting, pennem.es, pijpedop, hoede doos enz. â Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm met 7i onvermijdelijk, b. v. in flesschenrek, hondenkoopman, pennenkoker9 speldenkussen, speldenwerk, takkenbos enz.
59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -en vormt, als boer {boeren), heer, slaaf, vrouio enz., eischen den meervoudsvorm op n; b. v. boerendochter, heerenknecht, slavendienst, vorstentelg, vrouwenkleed' enz.
60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen met s vormt, nemen eene n als teeken van het meerv. aan, wanneer zij gewoonlijk gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v. apengezicht, berenjong, drakenbloed, hazenlip, leeuwenwelp enz.
61. Be samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn of namen van lichaama-deelen, als ganzetong; of zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangmwortel. Ia het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. in kattest aart, slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. in kaitendoorn, slangenlcruid.
62. De samengestelde namen op -loom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v. kersehoorn, kastanjeboom, rozehoom, seringehoom enz.
63. De woorden, wier eerste lid stellig nu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen
XLV
met de n, naar gelang der omstandigheden; b. v. ossevleesck en ossen-vleeschy gemzeleder en gemzenleder, 'p aar destal en paardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v. ossevleesck, maar paardenstal.
64:« Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, als hoogepriester, zoutevisch, roodekool, eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den l8ten nv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleen de hoogepriester, de eenhoorn, maar ook des hoogepriesters, den eenhoorn enz.
05. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2llen of in den 4dlt;,n nv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischeu. Zoo b. v. groot endeels (2(le nv. onz.), dewijl (4de nv. vrouwel.).
quot;Regels voor het gebruik der verbindings-s.
6G. De verbindings-5 wordt als teeken van den 2lt;lpn nv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. in bakkersnering, dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als in stadsbestuur, zielsverdriet, vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid met 5 of 2 begint, wordt zij iu-gelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eene s hebben. Zoo leeren b. v. krijgsmansdeugd, krijgsmanseed, krijgsmanseer, dorpsherberg, dorpshuis, dorpsleeraar, stadsmuur, stadswal, waarheidsliefde enz., dat men ook eene s heeft te voegen in krijgsmansstand, dorpsschool, stadszegel, waarheidszucht enz.
67. De woorden, wier eerste lid op -ier eindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen de s in als teeken van het meervoud; b. v. officierssabel, onderofficierssirepen enz.
De bastaardwoorden.
(Grondbeg. § 214â256).
68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v. ark, beest, bijbel, keten, bisschop, luipaard enz. â De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zdó als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v. facto, incognito, cadeau, souspied enz. â De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v. advocaat, of ticier, president, resolutie, sigaar enz..
XL VI
die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige be-hooren als 't ware tot twee talen en heeten daarom bastaardwoorden.
09. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. in arti-kel {arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v. majesteit {majest ai-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamde h astaar duitgang en ontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijn enz.
70. De uitgang -age werd, overeenkomstig de vroegere uitspraak aadzje, in de gebruikelijke spelling met dj (-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend de dj te vervangen door de fj, en zoodoende de woorden ala bagage, kijvage, pelgrimage, slijtage, st off age enz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling van manege, logement, gelei, genie, horloge enz.
71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; als groep, troep. Teleur, klooster, koor, sier, singel, troon enz. Uitgezonderd zijn; cedel {ceél), ceder, cel, cent, cijfer, cijns en cirkel, die men steeds met c heeft geschreven, en die, met s gespeld, niet terstond zouden herkend worden.
Cel, cent en cirkel blijven hunne vreemde herkomst verraden door de on-nederlandsch klinkende afleidsels cellulair, centesimaal, circulaire, circular tie; â cijfer door zijne /, die in v had moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woorden drijver, ijver, kijver enz. te geven.
72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v. bougie, cadeau, catalogus, museum, savoir-vivre, vaudeville enz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, als cadeaiCt {cadeaux), catalogen {catalogi), muse'èn (nevens musea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.
73. De woorden der derde klasse, de bastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden, welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allelrei stand in zwang.
74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding ver-eisehen; als dejeuneeren% disputeeren, receptie, candelaber, lorgnet, categorie, syllogisme, scrupel, lancet, tachy graaf enz.
75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:
Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zoo-
XLVlt
verre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v. executio bij ons executie, decanus â decaan, république â republiek, souverain â souverein enz.
76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve: logica, physic a, hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen; synode {synodm), categorie {categoria), geographic {geographia) enz.
77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v. penseel, vermiljoen, stukadoor, karkas, karakter, kapitaal, kastelein, kwartier enz.
78. Op de woorden dezer soort â die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan â is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v. komfoort (schoenmakersterm, fr. contrefort), penseel {penicillum), travaTje (hoefstal, fr. travail), biljart {billard), biljet {billet), kapittel {capitulum), kasteel {casteHum), sigaar {cigarro), sjees {chaise) enz.
79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niet horloge, diligence, machine. De spellingen horlozje of horloozje, dilizjanse, masjine of maasjine zouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling â en we) geheel en al â behouden worden: diligence, machine, chocolade enz., niet diligense, machiene, cho-kolade, welke noodelooze vermenging vaa tweeërlei orthographic tegen den goeden smaak zou aandruischeu.
80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht vorden, namelijk:
a. Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij, in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk be-hotiaen. Hiertoe zijn te brengen: dokter in den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel; komedie (schouwburg) nevens comedie (blijspel); kommies (beambte bij de belastingen, fr. douanier), nevens commies (ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr. commis); lokaal (vertrek, zaal) nevens het bijv. nw. locaal (plaatselijk) enz.
b. De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v. nimf, porfier, saffier, zéfir of zefier enz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemde woorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, of-
XLV1I1
schoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in
Nederlandsch gewaad populair gemaakt.
81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onder a bedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andero middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche
orm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone tn dagelijksche. Hiertoe behooren b. v. praesens (tegenwoordige tijd) en 'present (tegenwoordig), subject (onderwerp) en sujet (iu de uitdrukking een gemeen sujet), familie (Lamp;i. familia) en het gemeenzame famielje familie), dioecese en diocese, nummer en nommer, oeconomie en economie^ praepa-raten en preparatieven, fundament en fondement, secunde en seconde.
82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde cd bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerscheade richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geeu nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke óf in gewijzigde beteekenissen óf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn Men denke hier aan het koord, met zorg vervaardigd touw, de koord der koordedansers, en de koorde in de meetkunst; aan het uur en de ure, aan de ziel en de ziele, aan kleeden en kleederen, aan volken en volkeren enz.
83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen keunen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk: is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen ? Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in § 75â80 gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in § 75, de ander volgens den regel in § 78 be-
xl1x
handelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der heide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.
84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woorden der eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v. fyzika, Jcritihis, katheder, kataloog enz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat â volgens hun stelsel â fyzika eene y, maar kritikus gewone ïs, dat katheder eene ih, maar kataloog eene t hebben moet.
85. Is het bedoelde stelsell) niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in § 83 vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft men botanikzis, kritikus, logika, kreion, portefeulië, kom-jjawio», maar, geheel op Fransche wijze: bouillon, bouilli, eau de Cologne, entrepot, coup d' état, bordeaux (wijn), terwijl het stelsel volstrekt odekolonje, antre-po, koedeta of koedeeta, oor do eischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dan konsiniij, sinialenient, vini'ét, broeliëeren, akkeuliéeren, gelijk sommigen willen, die van consigne, signalement, vignet, hrouilleeren, accueüleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen als soepjee (souspied), swarree (soiree), koeduilj (coup d'oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkende ekwipaadje heeft doen ontstaan.
86. Daar men â en onzes inziens te recht â alle noodelooze inconsequen-tiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat â gelijk de spelling eener taal â op den naam van stelsel aanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren als fyzika (physica), waarin de Nederl. f tn.z plaats nemen naast de Gr. y, of als katalogus {catalogus), waar de Lat. uitgang
gt;) Zie vooral M. (j. a . alberdingk thijm). Over de Spelling van de Bastaart-tooorden. Amslerd. 1843.
us in strijd is met de Gr. of Nederl. k. Schrijfwijzen, die twee of drie verscliil-lende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr. tk en y, maar ook de c, s en pk, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat Aepk aanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige moge bedelen of legeren uitspreken alsof er bedeelen en legeeren geschreven stond, of bé ving en met bevingen verwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.
liet verdeelcn der woorden in lettergrepen,
{Grondbeg. § 257â270).
87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moeten gerekend worden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:
1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af: kwal-aal, eer-ambt, mein-eedig, door-een, elk-ander enz.
Woorden met voorvoegsels, als be-, ge-, her- enz., en die met de achtervoegsels -aard: en -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af: be-kleed en, heroveren, blauw-achtig, wreed-aard enz., met uitzondering van grijn-zaard en vein-zaard: vergel. § 33.
2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v. lief-de, hoogste, gedweeste, meeste, bakster, vleeschelijk enz. Ter wille van de uitspraak moeten naas-te en bes-te worden uitgezonderd.
Ook de t en p, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -je gevoegd worden, en evenzoo de s voor -ken of -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af: stoel-tje, boon-tje, boom-pje, 'penningske, jongske enz.
3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:
a. Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. in dee-len, ne-men, la-chen, li-chaam.
b. Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. in ber-gen, lan-den, gan-zen enz., en zoo ook bij ng in lan-ger, bren-gen, zin-gen.
c. Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk
LI
laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af: vorsten, korstig, venster enz.; maar amb-ten, erw-ten, artsen, koortsen enz.
d. In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. in le-proos, A-driaan enz.
Het gebruik der hoofdletters.
88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die èf niet óf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:
89. Men schrijft met hoofdletters:
1. Het eerste woord van eiken volzin en, in poëzie, van eiken dichtregel.
2. Alle eigennamen van personen, als Albert, Arend, Rubens, Wolf enz.
Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt
ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v. Jan Steen, De Witt, Ter Horst, Van Erp enz.
Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetsel en het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, als Van den Berg, Van der Horst, Van de Wall, Op den Heuvel enz.
Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v. Alexander de Groote, Karei de Vijfde.
3. Alle geographische eigennamen, als Italië, Alkmaar, de Rijn, de Vesuvius enz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; als Nieuw-Holland, Noord-Brabant, de Middel-landsche Zee, de Kust van Guinea enz.
4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, als Januari, Maandag, Kerstmis, Taschen, Allerheiligen, St.-Pieter enz.
5. De gemecne zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:
a. Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt: b. v. in uitdrukkingen als: de Koning (namelijk der Nederlanden); de Burgemeester (der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.
Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die al? zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v. de Booze, de overzetting der Zeventigen.
b. Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorische apostrophe aangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: TJ roep ik geenszins aan, Verbee. -ding! O ij, strenge Waarheid l gij alleen spoort me aan tot zingen.
6. Ieder hoofdwoord in titels, als: de Heer At Mijnheer, Mevrouv
Lil
Mijne Heeren, Dames, Weledelgestrenge Heer, de Stat en-Generaal, de Hooge Raad, het Hof van Cassatie euz.
7. De bijv. nw. vaa eigennamen afgeleid, als Amsterdamschy Groningsch, Engelsck, Russisch enz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zeifst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen: het Engelsck, het Groningsch.
Het sedert eenigen tijd â in navolging van andere talen â opkomende gebruik om bijv. uw. als Engelsch, Fransch, Duitsch enz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen, liet doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. uw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.
8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v. Hij, Hem, Zijn, van God gezegd; de Almacht; de Hemel\ de Kroon; de Regeering; hei Ik; in V Voorleden liqt het Heden, enz.
liet gebruik van liet samentrekkingsteeken.
90. Het samentrekkingsteeken (A) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eener d tusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als in dadn, geheén,gehién, gehoón, spoên, reen, uit daden, geleden, gebieden, geboden, spoeden, redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en â althans voor het groote publiek â niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woorden graag, kwee, kweelen. Hel (kleedingstuk), door (van een ei), samentrekkingen zijn van gradig, kwede, kwedelen, kedel of kid el en doder. Zelfs wanneer het woord nog onveranderd ia gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bij weerlichten uit wederlichten (hd. wetterlenchten), bij hnilen (bakkersw.) van huidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden van alle samentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v. dadn, leen, liên, doón, voén, vemeêren en dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter als la voor lade, mee Toor mede, slee voor slede, leer voor leder, neer voor neder, veer voor veder, weer voor weder enz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.
WOOKDENLIJST.
A.
|
:A, V., a's. A (voorz.). Aafsch, aafscher, aafscht. Aagt, Vâ aagten. Aagtje, O. -jes. Aagtappel, M., -appels en -appelen. Aai, M., aaien. Aaitje, O., -jes. Aaien, aait, aaide, heeft geaaid. Aaiing, V., aaiingen. Aak (vaartuig), V., aken. Aak (boom), M., aken. Aaks, ook Aks. V., aaksen. Aakster. Zie Ekster. Aal (priem), V., alen. Aal (meststof), V. Aal (bier), O., alen. Aal (visch). Als voorwerpsnaam M.,alen. Aaltje, O., -jes. Als stofnaam V. Aalbes, V., -bessen. Aalbesseblad, O., -bladeren. Aalbesseboom, M., -boomen; -boompje, ü., -jes. Aalbessengelei, V. Aalbessen-jam, V. Aalbessenjenever, V. Aalbessennat, o. Aalbessenrist, V., -risten. Aalbessensap, o. Aalbessensaus, V., -sausen. Aalbessentros, M., -trossen. Aalbessenvla, V., -vlaas. Aalbessenwijn, M. Aalbessestruik, M., -struiken. Aalbezie, V., -beziën. Aalbezieboom, Aalbeziënjenever enz. Zie by Aalbesseboom enz. Aalelger, m., -elgers. Aalfuik, V., -fuiken; -fuikje, O., -jes. Aalgeer, m., -geeren. Aalkaar, v., -karen; -kaartje, O., -jes. Aalkast, v., -kasten; -kastje, o., -jes. Aalkorf, m., -korven; -korfje, o., -jes. Aalkubbe of Aalkub, V., -kubben. Aalkwabbe of Aalkwab, V., -kwabben. Aalmoes, V., aalmoezen. Aalmoesje, O., -jes. Aalmoezenier, M, -nieren en -niers. Aalmoezeniershuis, O., -huizen. |
Aalmoezenierskamer, V., -kamers. Aalreep, M., -reepen. Aalschaar, V., -scharen. Aalscholver, M.f -scholvers. Aalsgeweer, O., -geweren. Aalshuid, V., -huiden. Aalskruik, V., -kruiken. Aalst. Zie Alst. Aalstal, M., -stallen. Aalsteek (recht), M.; (plaats), V., -steken. Aalstkker, M., -stekers. Aalsvel, O., -vellen. Aalszak, M., -zakken. Aalt (hetzelfde als Aal, meststof), V. A-al-tolletje, O., -tolletjes. Aalvormig. aam, o., amen. Aambeeld. Zie Aanbeeld. Aambei, V., -beien. Aambeienkruid, o. Aamborstig, -borstiger, -borstigst. Aamborstigheid, V. Aamt, V. Aamtig. Aan. Aanaarden, aardde aan, heeft aangeaard. Aanaarding, V., -aardingen. Aanaardploeg, M., -ploegen. Aanademen, ademde aan, heeft aange-ademd. Aanbaffen, bafte aan, heeft aangebaft. Aanbaggeren, baggerde aan, heeft aan- gebaggerd. Aanbaggering, V. Aanbakken, bakte aan, is en heeft aangebakken. Aanbakking, V, Aanbaksel, O., -baksels. Aanbassen, baste aan, heeft aangebast. Aanbedeelen, bedeelde aan, heeft aan-bedeeld. Aanbeeld, O., -beelden. Aanbeeldje, O., -jes. Aanbeeldsblok, O., -blokken. Aanbkenen, eende aan, heeft aangebeend. |
1
AAN.
AAN.
2
|
aanbehooren, behoorde aan, heeft aan-behoord. Aanbei. Zie Aambei. Aanbelanden, belandde aan, is aanbeland. Aanbelang, O. Aanbelangen (wat â aanbelangt). Aanbellen, belde aan, heeft aangebeld. Aanbebmen, berm de aan, heeft aange-bermd. Aanberming, V., -bermingen. Aanbesteden, besteedde aan, heeft aanbesteed. Aanbesteder, M., -besteders. Aanbesteding, V., -bestedingen. Aanbesterven, bestierf aan, bestierven aan, is aanbesterven. Aanbestoelen, bestoelde aan, heeft aan-bestoeld. Aanbeteren, beterde aan, is aangebeterd. Aanbetreffen, betrof aan, heeft aan-betroffen. Aanbetrouwen, betrouwde aan, heeft aanbetrouwd. Aanbeveelbaar, -baarder, -baarst. Aanbevelen, beval aan, bevalen aan, heeft aanbevolen. Aanbevelenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest-waardig. Aanbeveler, M., -bevelers. Aanbeveling, V., -bevelingen. Aanbevelingsbrief, M., -brieven. Aanbevelingswaardig, -waardiger, waardigst, of meer en meest-waardig. Aanbidbaar, -bare. Aanbiddelijk, -Ijjker, -lijkst. Aanbiddelijkheid, V. Aanbidden, bad aan, baden aan; ook aanbad, aanbaden; heeft aangebeden. Aanbiddenswaardig, - waardiger, -waardigst, of meer en meest-waardig. Aanbidder, M., -bidders en -bidderen. Aanbidding, V., -biddingen. Aanbidster, V., -bidsters. Aanbieden, bood aan, boden aan, heeft aangeboden. Aanbieding, V., -biedingen. Aanbijten, beet aan, beten aan, heeft aangebeten. Aanbikken, bikte aan, heeft aan gebikt. Aanbinden, bond aan, heeft aangebonden. Aanblaffen, blafte aan, heeft aangeblaft. Aanblaten, blaatte aan, heeft aange-blaat. Aanblazen, blies aan, bliezen aan, heeft aangeblazen. Aanblazing, V. Aanblijven, bleef aan, bleven aan, is aangebleven. Aanblik, M. |
Aanblikken, bükte aan, heeft aangeblikt. Aanbod, O. Aanboeken, boekte aan, heeft aange-boekt. Aanbonzen, bonsde aan, heeft aange-bonsd. Aanboord, V. Aanboorden, boordde aan, heeft aangeboord. Aanboorder, M., boorders. Aanboording, V., -boordingen. Aanbotsen, botste aan, is aangebotst. Aanbouw, M. Aanbouwen, bouwde aan, heeft aangebouwd. Aanbouwing, V., -bouwingen. Aanbouwsel, O., -bouwsels. Aanbranden, brandde aan, is en heeft aangebrand. Aanbranding, V. Aanbrandsel, O., -brandsels. Aanbrassen, braste aan, heeft aange-brast. Aanbreien, breide aan, heeft aangebreid. AanbreIsel, O., -breisels. Aanbreken, brak aan, braken aan, heeft en is aangebroken. Aanbrengen, bracht aan, heeft aangebracht. Aanbrenger, M., -brengers. Aanbrenging, V. Aanbrengpremie, V., -premiën. Aanbrengsel, O., -brengsels. Aanbrengst, V., -brengsten. Aanbeieschen, brieschte aan,is en heeft aangebriescht. Aanbrieven, briefde aan, heeft aange-briefd. Aanbruisen, bruiste aan, is en heeft aangebruist. Aanbrullen, brulde aan, heeft aange-bruld. Aanbuigen, boog aan, bogen aan, heeft aangebogen. Aanbulderen, bulderde aan, is aange-bulderd. Aandacht, V. Aandachtig, -dachtiger, -dachtigst. Aandachtigheid, V., -heden. Aandak, o., -daken. Aandammen, damde aan, heeft aange-damd. Aandamming, V., -dammingen. Aandansen, danste aan, is aangedanst. Aandeel, O., -deelen. Aandeeltje, O., -jes. Aandeelbewijs, O., -bewijzen. Aandeelhebber, M., -hebbers. Aandeelhouder, M., -houders. Aandekken, dekte aan, heeft aange-dekt. Aandenken, O. |
|
AAN. Aandichten, dichtte aan, heeft aangedicht. Aandichting, quot;V., -dichtingen. Aandienen, diende aan, heeft aangediend. Aandiepen, diepte aan, heeft en is aan-gediept. Aandieping, V., diepingen. Aandijken, dykte aan, heeft aangedijkt. Aandijking, V., -dijkingen. Aandikken, dikte aan, heeft en is aangedikt. Aandikking, V., -dikkingen. Aandoen, deed aan, deden aan, heeft aangedaan. Aandoening, V., -doeningen. Aandoenlijk, -lijker, -lijkst Aandoenlijkheid, V. Aandossen, doste aan, heeft aangedost. Aandraagster. V., -draagsters. Aandraaien, draaide aan, is en heeft aangedraaid. Aandragen, droeg aan, heeft aangedragen. Aandrager, M., -dragers. Aandrang, M. Aandraven, draafde aan, is en heeft aangedraafd. Aandrentelen, drentelde aan, is aan-gedrenteld. Aandribbelen, dribbelde aan, is aangedribbeld. Aandrift, V. Aandrijfster, V., -drijfsters. Aandrijven, dreef aan, dreven aan, is en heeft aangedreven. andrijver, M., -drijvers en -drijveren. andrt.tvtnto. v.. -driivinsrftn. aandrijver, m., -anjvers en Aandrijving, V., -drijvingen. a -----------aangt; jg en heeft -dringers. Aandringen, drong aangedrongen. Aandringer, M., -dringers. Aandrinken, dronk aan, heeft aange-dronken. Aandruischen, druischte aan,heeft aan-gedruischt. Aandrukken, drukte aan, heeft aangedrukt. Aandrukking, V., -drukkingen. Aanduiden, duidde aan, heeft aangeduid. Aanduiding, V., -duidingen. Aandurven, durfde aan en dorst aan, heeft aangedurfd. Aanduwen, duwde aan, heeft aangeduwd. Aandweilen, dweilde aan, heeft aangedweild. Aandwingen, dwong aan, heeft aange-dwongen. Aaneen. Aaneenbehooren, behoorde aaneen, heeft aaneenbehoord. Aaneenbinden, bond aaneen, heeft aaneengebonden. |
AAN. Aaneenbinding, V., -bindingen. Aaneenblijven, bleef aaneen, bleven aaneen, is aaneengebleven. Aaneenboeien, boeide aaneen, heelt aaneengeboeid. Aaneenboeiing, V., -boeiingen. Aaneenbreien, breide aaneen, heelt aaneengebreid. Aaneenbrengen, bracht aaneen, heelt aaneengebracht. Aaneenflansen, flanste aaneen, heelt aaneengeflanst. Aaneengeboren. Aaneengeschakeld. Aaneengesloten. Aaneengroeien, groeide aaneen, is aaneengegroeid. Aaneengroeiing, V. Aaneenhaken, haakte aaneen, neeft aaneengehaakt. Aaneenhangen, hing aaneen, heeit aan-eengehangen. Aaneenhechten, hechtte aaneen, heelt aaneengehecht. Aaneenhechting, V., -hechtingen. Aaneenhouden, hield aaneen, heeft aan-eengehouden. Aaneenketenen, ketende aaneen, heelt aaneengeketend. Aaneenkf.tening, V., -keteningen. Aaneenklampen, klampte aaneen, heeft aaneengeklampt. Aaneenklamping, V., -klampingen. Aaneenkleven, kleefde aaneen, heeft aaneengekleefd. Aaneenklinken, klonk aaneen, heeft aaneengeklonken. Aaneenkluisteren, kluisterde aaneen, heeft aaneengekluisterd. Aaneenkluistering, V., -kluisteringen. Aaneenknoopen, knoopte aaneen, heeft aaneengeknoopt. Aaneenknooping, V., -knoopingen. Aaneenkoppelen, koppelde aaneen, heeft aaneengekoppeld. Aaneenkoppeling, V., -koppelingen. Aaneenlasschen, laschte aaneen, heeft aaneengelascht. Aaneenleggen. legde en leide aaneen, heeft aaneengelegd en aaneenge-leid. Aaneenliggen.. lag aaneen, lagen aaneen, heeft aaneengelegen. Aaneenlijmen, lymde aaneen, heeft aaneengelijmd. Aaneennaaien, naaide aaneen, heeft aaneengenaaid. Aaneennagelen, nagelde aaneen, heeft aaneengenageld. Aaneenpassen, pasten aaneen, hebben aaneengepast. Aaneenplaatsen, plaatste aaneen, heeft aaneengeplaatst. Aaneenplaatsing, V., -plaatsingen. |
AAN.
4
AAN.
|
Aaneenplakken, plakte aaneen, heeft aaneengeplakt. Aaneenplakking, v., -plakkingen. Aaneenrijgen, reeg aaneen, regen aan-een, heeft aaneengeregen. Aaneenschakelen, schakelde aaneen, heeft aaneengeschakeld. Aaneenschakeling, V., -schakelingen. Aaneenschuiven, schoof aaneen, schoven aaneen, heeft en is (zijn) aaneen-geschoven. Aaneensluiten, sloot aaneen, sloten aaneen, heeft aaneengesloten. Aaneensluiting, V., -sluitingen. Aaneensmeden, smeedde aaneen, heeft aaneengesmeed. Aaneensnoeren, snoerde aaneen, heeft aaneengesnoerd. Aaneensoldeeren, soldeerde aaneen, heeft aaneengesoldeerd. Aaneensoldeering, v., -soldeeringen. Aaneenspijkeren, spijkerde aaneen, heeft aaneengespykerd. Aaneenstaan. stond aaneen, heeft aan-eengestaan. Aaneenstrengelen, strengelde aaneen, heeft aaneengestrengeld. Aaneenstrengeling, v., -strengelingen. Aaneenstrikken, strikte aaneen, heeft aaneengestrikt. Aaneenvlechten, vlocht aaneen, heeft aaneengevlochten. Aaneenvlechting, V., -vlechtingen. Aaneenvoegen, voegde aaneen, heeft aaneengevoegd. Aaneenvoeging, V., -voegingen. Aaneenwellen, welde aaneen, heeft aaneengeweld. Aaneenwelling,. V., -wellingen. Aaneenzetten, zette aaneen, heeft aan-eengezet. Aaneenzitten, zat aaneen, zaten aaneen, heeft aaneengezeten. Aanergeren, ergerde aan, is aange-ergerd. Aanerven, erfde aan, is en heeft aangeërfd. Aanerving, V., -ervingen. Aanfluiten, floot aan, floten aan, heeft aangefloten. Aanfluiting, v., -fluitingen. Aanfokken, fokte aan, heeft aangefokt. Aanfokker, m., -fokkers. Aanfokking, V., -fokkingen. Aangaan, gaat aan, ging aan, is en heeft aangegaan. Aangaande. Aangang, m., -gangen. Aangapen, gaapte aan, heeft aangegaapt. Aangebedene, m. en v., -gebedenen. Aangeboren. Aangedaan, sterker, heviger aangedaan, het sterkst, hevigst aangedaan. |
Aangeefster, V., -geefsters. Aangeërfd, Aangehuwd. Aangeklaagde, M. en V., -geklaagden. Aangelande, M. en V., -gelanden. Aangelegen, -gelegener, -gelegenst. Aangelegenheid, V., -heden. Aangemerkt. Aangenaam, -genamer, -genaamst. Aangenaamheid, V., -heden. Aangenomen. Aangespen, gespte aan, heeft aangegespt. Aangetogen. Aangetrouwd. Aangeven, gaf aan, gaven aan, heeft aangegeven. Aangever, M., -gevers. Aangeving, V., -gevingen. Aangezicht, O., -gezichten. Aangezichtje, O., -jes. Aangezichtspijn, V., -pijnen. Aangezien. Aangieren, gierde aan, is aangegierd. Aangieten, goot aan, goten aan, heeft aangegoten. Aangifte en Aangift, V., -giften. Aanglijden, gleed aan, gleden aan, is aangegleden. Aanglimmen, glom aan, glommen aan, is en heeft aangeglommen. Aanglinsteren, glinsterde aan, heeft aangeglinsterd. Aangloeien, gloeide aan, is en heett aangegloeid. Aangluïpen, gluipte aan, heeft aange-gluipt. Aangluren, gluurde aan, heeft aangegluurd. Aangolven, golfde aan, is aangegolfd. Aangonzen, gonsde aan, is aangegonsd. Aangorden, gordde aan, heeft aangegord. Aangording, V., -gordingen. Aangrauwen, grauwde aan, heeft; aan-gegrauwd. Aangraven, groef aan, groeven aan, heeft aangegraven. Aangraving, V., -gravingen. Aangrenzend. Aangrijnzen, grynsde aan, heeft aangegrijnsd. Aangrijpen, greep aan, grepen aan, heeft aangegrepen. Aangrijper, M., -grijpers. Aangrijping, V., -grijpingen. Aangrimmen, grimde aan, heeft aan-gegrimd. Aangrinniken, grinnikte aan, heeft aan gegrinnikt. Aangroei, M. Aangroeien, groeide aan, is aangegroeid. Aangroeiing, v., -groeiingen. |
AAN.
5
AAN.
|
Aangboenen, groende aan, is aange-groend. Aangrommen, gromde aan, heeft aan-gegromd. Aanhaken, haakte aan, heeft aange-haakt. Aanhalen, haalde aan, heeft aangehaald. Aanhalig, -haliger, -haligst. Aanhaligheid, V. Aanhaling, V., -halingen. Aanhalingsteeken, O., -teekens. Aanhang, M. Aanhangeling, M. en V., -hangelingen. V. ook aanhangelinge. Aanhangen, hing aan, heeft aangehangen. Aanhanger, M., -hangers en -hangeren. Aanhangig. Aanhangsel, O., -hangsels en -hangselen. Aanhangster, V., -hangsters. Aanhankelijk, -lijker, -lijkst. Aanhankelijkheid, V. Aanharden, hardde aan, heeft en is aangehard. Aanharding, V., -hardingen. Aanharken, harkte aan, heeft aangeharkt. Aanharking, V.. -harkingen. Aanhebben, heeft aan, had aan, hadden aan, heeft aangehad. Aanhechten, hechtte aan, heeft aangehecht. Aanhechter, M., -hechters. Aanhechting, V., -hechtingen. Aanhechtingspunt, O., -punten; -puntje, O., -jes. Aanhechtsel, O., -hechtsels. Aanhechtster, V., -hechtsters. Aanheelen, heelde aan, is aangeheeld. Aanhef, M. Aanheffen, hief aan, hieven aan, heeft aangeheven. Aanheffer, M., -heffers. Aanheffing, V., -heffingen. Aanhefster, V., -hefsters. Aanheften. Zie Aanhechten. Aanhelpen, hielp aan, heeft aangeholpen. Aanhijgen, heeg aan, hegen aan, is en heeft aangehegen; ook hygde aan, is en heeft aangehijgd. Aanhuschen, heesch aan, heschen aan, heeft aangeheschen. Aanhinken, hinkte aan, is aangehinkt. Aanhinniken, hinnikte aan, heeft aan-gehinnikt. Aanhitsen, hitste aan, heeft aangehitst. Aanhitser, M., -hitsers. Aanhitsing, V., -hitsingen. Aanhoepelen, hoepelde aan, is aange-hoepeld. Aanhoeven, hoefde aan, heeft aange-hoefd. |
Aanhollen, holde aan, is aangehold. Aanhompelen, hompelde aan, is aan-gehompeld. Aanhoogen, hoogde aan, heeft aangehoogd. Aanhooging, V., -hoogingen. Aanhoopen, hoopte aan, heeft en is aan-gehoopt. Aanhooping, V., -hoopingen. Aanhoorder, M., -hoorders en -hoor-deren. Aanhooren, hoorde aan, heeft aangehoord. Aanhoorig. Aanhoorigheid, V., -heden. Aanhoorster, V., -hoorsters. Aanhorten, hortte aan, heeft aangehort. Aanhorting, V., -hortingen. Aanhoud, M., -houden. Aanhouden, hield aan, heeft aangehouden. Aanhoudend. Aanhoudendheid, V. Aanhouder, M., -houders. Aanhouding, V , -houdingen. Aanhuilen, huilde aan, heeft aange-huild. Aanhuppelen, huppelde aan, is aangehuppeld. Aanhuwelijken, huwelijkte aan, heeft aangehuwelijkt. Aanhuwelijking, V. Aanhuwen, huwde aan, heeft aangehuwd. Aanhuwing. V. Aanijlen. ijlde aan, is aangeijld. Aanjagen, jaagde aan, heeft en is aangejaagd; ook joeg aan. Aanjager, M., -jagers. Aanjanken, jankte aan, is en heeft aan-gejankt. Aanjoelen, joelde aan, is aangejoeld. Aanjuichen, juichte aan, is en heeft aangejuicht. Aanjuiching, V., -juichingen. Aankalken, kalkte aan, heeft aangekalkt. Aankalking, V., -kalkingen. Aankankeren, kankerde aan, is aan-gekankerd. Aankankering, V., -kankeringen. Aankanten (zich â), kantte zich aan, heeft zich aangekant. Aankanting, V. Aankap, M. Aankappen, kapte aan, heeft aangekapt. Aankarren, karde aan, heeft aange-kard. Aankarring, V., -karringen. Aankeffen, kefte aan, is en heeft aan-gekeft. Aankeffing, v., -keffingen. Aankermen, kermde aan, is en heeft aangekermd. |
AAN.
6
AAN.
|
Aankerming, V., -kermingen. Aankerven, korf aan, korven aan, heeft aangekorven; ook kerfde aan. Aankerving, V., -kervingen. Aankijken, keek aan, keken aan, heeft aangekeken. Aanklaagster, V., -klaagsters en -klaags teren. Aanklacht, V., -klachten. Aanklagen, klaagde aan, heeft aangeklaagd. Aanklager, M., -klagers en klageren. Aanklageres, V., -klageressen. Aanklampen, klampte aan, heeft aangeklampt. Aanklamper, M.. -klampers. Aanklamping, V.. -klampingen. Aanklauteren, klauterde aan, is aan-geklauterd. Aanklauwen, klauwde aan, heeft aan-klauwd. Aankleeden, kleedde aan, heeft aangekleed. Aankleef, M., (met den aankleve van). Aankleefster, V., -kleefsters en -kleef-steren. Aanklemmen, klemde aan, heeft aangeklemd. Aanklemmixg, V., -klemmingen. Aankleven, kleefde aan, heeft aangekleefd. Aanklever, M., -klevers en -kleveren. Aankleving, V. Aanklimmen, klom aan, klommen aan, is aangeklommen. Aanklikken, klonk aan, heeft aangeklonken. Aanklinking, V, -klinkingen. Aankloppen, klopte aan, heeft aangeklopt. Aanklopping, V., -kloppingen. Aanklossen, kloste aan, is aangeklost. Aanklotsen, klotste aan, is aangeklotst. Aanknijpen, kneep aan, knepen aan, heeft aangeknepen. Aanknoopen, knoopte aan, heeft aangeknoopt. Aanknooping, V., -knoopingen. Aanknoopingspunt, O., -punten. Aankomeling, M. en V., -komelingen. V. ook aankomelinge. Aankomelingschap. O. Aankomen, komt aan, kwam aan, kwamen aan, is aangekomen. Aankomend. Aankomer. M., komers. Aankomst, V. Aankondigen, kondigde aan, heeft aangekondigd. Aankondiger, M., -kondigers. Aankondiging, V., -kondigingen. Aankondigster, V., -kondigsters. Aankooien, kooide aan, heeft aange-kooid. |
Aankoop, M., -koopen. Aankoopen, kocht aan,heeft aangekocht Aankooping, V., -koopingen. Aankoppelen, koppelde aan, heeft aangekoppeld. Aankoppeling, V., -koppelingen. Aankoppen, kopte aan, heeft aangekopt. Aankorsten, korstte aan, is aangekorst. Aankorsting, V., -korstingen. Aankrammen, kramde aan, heeft aan-gekramd. Aankramming, V., -krammingen. Aankrijgen, kreeg aan, kregen aan, heeft aangekregen. Aankrijten, kreet aan, kreten aan, heeft aangekreten. Aankruïen, krooi aan, krooien aan, heeft en is aangekrooien; ook kruide aan, heeft en is aangekruid. Aankruiing, V., -kruiingen. Aankruipen, kroop aan, kropen aan, is en heeft aangekropen. Aankuieren, kuierde aan, is aange-kuierd. Aankunnen, kan aan, kunnen aan, konde en kon aan, konden aan, heeft aangekund. A ank wakken, kwakte aan, heeft aangek wakt. Aankwakking, V. Aankweek, M. Aankweekeling, M. en V., -kweekelin-gen. V. ook aankweekelinge. Aankweeken, kweekte aan, heeft aangekweekt. Aankweeker, M, -kweekers. Aankweeking, V. Aankweekster. V.. -kweeksters. Aankwikken, kwikte aan, heeft aan-gekwikt. Aankwispelen, kwispelde aan, is en heeft aangekwispeld. Aanlachen, lachte aan, heeft aangelachen; ook loeg aan, loegen aan. Aanlanden, landde aan, is aangeland. Aanlandig. Aanlanding, V., -landingen. Aanlangen, langde aan, heeft aange-langd. Aanlanger, M., -langers. Aanlappen, lapte aan, heeft aangelapt. Aanlasschen, laschte aan, heeft aan-gelascht. Aanlassching, V., -lasschingen. Aanlaten, liet aan, heeft aangelaten. Aanlaveeren, laveerde aan, is en heeft a an gelaveerd. Aanleeren, leerde aan, heeft en is aangeleerd. Aanleg, M. Aanleggen, legde aan en leide aan, heeft aangelegd en aangeleid. Aanlegger, M., -leggers en -leggeren Aanlegging, V., -leggingen. |
AAN.
AAN.
7
|
Aanlegplaats, V., -plaatsen. Aanlegster, V.. -legsters en-legsteren. Aanleiden, leidde aan, heeft aangeleid. Aanleider, M., -leiders en -leideren. Aanleiding, V., -leidingen. Aanleidster, V., -leidsters en -leidste-ren. Aanlenen. Zie Aanleunen. Aanlengen, lengde aan, heeft en is aangelengd. Aanleunen, leunde aan, heeft aangeleund. Aanleuning, V., -leuningen. Aanleuningspunt, O., -punten. Aanlichten (licht geven), lichtte aan, is aangelicht. A ANLicHTEN(oplichten), lichtte aan, heeft aangelicht. Aanliggen, lag aan, lagen aan, heeft aangelegen. Aanliggend. Aanlijken, lijkte aan, heeft aangelokt. Aanlijmen, lijmde aan, heeft aangelijmd. Aanlijming, V., -lijmingen. Aanloeien, loeide aan, is en heeft aan-geloeid. Aanloeren, loerde aan, heeft aangeleerd. Aanloeven, loefde aan, heeft en is aan-geloefd. Aanlokkelijk, -lyker, -lijkst. Aanlokkelijkheid, V., -heden. Aanlokken, lokte aan, heeft aangelokt. Aanlokking, V., -lokkingen. Aanloksel, O , -loksels en -lokselen. Aanlonken, lonkte aan, heeft aange-lonkt. Aanlooden, loodde aan, heeft aange-lood. Aanloop, M., -loopen. Aanloopje, O., -jes. Aanloopen, liep aan, is en heeft aan-geloopen. Aanloopkleur, V., -kleuren. Aanloten. lootte aan, is aangeloot. Aanmaak, M. Aanmaanster, V., -maansters. Aanmaken, maakte aan, heeft aangemaakt. Aanmanen, maande aan, heeft aangemaand. Aanmaning, V., -maningen. Aanmarcheeren, marcheerde aan, heeft en is aangemarcheerd. Aanmarsch, M., Aanmatigen, (zich â), matigde zich aan, heeft zich aangematigd. Aanmatigend, -matigender, -matigendst. Aanmatiging, V., -matigingen. Aanmelden, meldde aan, heeft aangemeld. Aanmelding, V.t -meldingen. Aanmengen, mengde aan, heeft aangemengd. |
Aanmenging, V., -mengingen. Aanmennen, mende aan, heeft aange-mend. Aanmeren, meerde aan, heeft aangemeerd. Aanmerkelijk, -lyker, -lykst. Aanmerken, merkte aan, heeft aangemerkt. A anmerkens waardig, - waardiger, - waardigst, of meer en meest -waardig. Aanmerking, V., -merkingen. Aanmeten, mat aan, maten aan, heeft aangemeten. Aanmetselen, metselde aan, heeft aan-gemetseld. Aanminnig, -minniger, -minnigst. Aanminnigheid, V., -heden. Aanmoedigen, moedigde aan, heeft aangemoedigd. Aanmoediging, V., -moedigingen. Aanmoeren, moerde aan, heeft aangemeerd. Aanmoeten, moet aan, moest aan, heeft aangemoeten. Aanmogen, mag aan, mogen aan, mocht aan. Aanmonding, V., -mondingen. Aanmonsteren, monsterde aan, heeft aangemonsterd. Aanmonstering, V., -monsteringen. Aanmunten, muntte aan, heeft aange-munt. Aanmunting, V., -muntingen. Aannaaien, naaide aan, heeft aangenaaid. Aannaaiing, V., -naaiingen. Aannaderen, naderde aan, is aange-naderd. Aannadering, V. Aannagelen, nagelde aan, heeft aan-genageld. Aannageling, V., -nagelingen. Aanneemster, V., -neemsters. Aannemelijk, -lijker, -lykst. Aannemelijkheid, V. Aannemeling, M. en V., aannemelingen. V. ook aannemelinge. Aannemen, nam aan, namen aan, heeft aangenomen. Aannemer, M., -nemers. Aanneming, V., -nemingen. Aannemingsbiljet, o., -biljetten. Aannemingssom, V., -sommen. Aanopperen, opperde aan, heeft aange-opperd. Aanpakken, pakte aan, heeft aangepakt. Aanpalend. Aanpassen, paste aan, heeft aangepast. Aanpeil, M. Aanpeiling, V., -peilingen. Aanpennen, pende aan, heeftaangepend. Aanpersen, perste aan, heeft en is aangeperst. |
AAN.
8
AAN.
|
Aanpebsing, V. Aanpijpen, pijpte aan, heeft aangepapt. Aanplakbiljet, O., -biljetten. Aanplakbobd, O., -borden. Aanplakken, plakte aan, heeft aangeplakt. Aanplakkeb, M., -plakkers. Aanplakking, V., -plakkingen. Aanplant, M. Aanplanten, plantte aan, heeft aangeplant. Aanplanting, V., -plantingen. Aanpleistebf.n, pleisterde aan, heeft aangepleisterd. Aanpleistebing, V., -pleisteringen. Aanplempen, plempte aan, heeft aangeplempt. Aanplemping, V., -plempingen. Aanploegen, ploegde aan, heeft aan-geploegd. Aanploeging, V., ⢠ploegingen. Aanplompen, plompte aan, is aangeplempt. Aanpooten, (voortgang maken), pootte aan, heeft aangepoot. Aanpobdeb, M., -porders. Aanpobben, porde aan, heeft aangepord. Aanpobbing, V., -porringen. Aanporsteb, V., -porsters. Aanpoten (aanplanten), pootte aan, heeft aangepoot. Aanpoteb, M., -poters. Aanpoting, V., -potingen. Aanpbaaien, praaide aan, heeft aange-praaid. Aanpbaten, praatte aan, heeft aangepraat. Aanpbeeken, preekte aan, heeft aan-gepreekt. Aanpbessen, preste aan, heeft aange-prest. Aanpbijzen, prees aan, prezen aan, heeft aangeprezen. Aanpbuzeb, M , -prjjzers. Aanpbijzing, V., -pryzingen. Aanpbikkelaab, M., -prikkelaars en -prikkelaren. Aanpbikkelen, prikkelde aan, heeft aangeprikkeld. Aanpbikkeling, V., -prikkelingen. Aanpbikken, prikte aan, heelt aangeprikt. Aanpbuilen, pruilde aan, is aange-pruild. Aanpunten, puntte aan, heeft aangepunt. Aanpunteb, M., -punters. Aanpunting, V., -puntingen. Aanpuntbing, M., -ringen. Aanpuntschijf, V., -schijven. Aanpuntsteb, V., -puntsters. Aanbaadsteb, V., -raadsters en -raad-steren. Aanbaden, ried aan, heeft aangeraden; ook raadde aan. |
Aanbadeb, M., -raders en -raderen. Aanbaken, raakte aan, heeft aangeraakt. Aanbaking, V., -rakingen. Aanbakingspunt, O., -punten. Aanbakken, rakte aan, heeft aangerakt. Aanbammelen, rammelde aan, is aan-gerammeld. Aanbanden, randde aan, heeft aangerand. Aanbandeb, M., randers en -randeren. Aanbanding, V., -randingen. Aanbatelen, ratelde aan, is aangerateld. Aanbazeeben, razeerde aan, heeft aan-gerazeerd. Aanbazeebing, V., -razeeringen. Aanrazen, raasde aan, is en heelt aangeraasd. Aanbecht, O., -rechten. Aanbechtbank, V., -banken; -bankje, 0., -jes. Aanbechten (opdisschen), rechtte aan, heeft aangerecht. Aanbechteb. Zie Aanrichter. Aanbechting, V., -rechtingen. Aanbechtkeuken, V., -keukens. Aanbechttafel, V., -tafels. Aanbeiken, reikte aan, heeft aangereikt. Aanbeiking, V, -reikingen. Aanbekenen, rekende aan, heeft aangerekend. Aanbennen, rende aan, is en heeft aangerend; ook ron aan, is en heeft aangeronnen. Aanbicaten (veroorzaken), richtte aan, heefc aangericht. Aanbiohteb, M., -richters en-richteren. Aanbichting, V. Aanbichtsteb, V., -richtsters en -richt-steren. Aanbijden, reed aan, reden aan, is en heeft aangereden. Aanbijgen, reeg aan, regen aan, heeft aangeregen. Aanbijging, V., -rijgingen. Aanbijpen, rypte aan, is aangerijpt. Aanbisten, ristte aan, heeft aangerist. Aanbisting, V., -ristingen. Aanbit, M. Aanbitselen, ritselde aan, heeft aan-geritseld. AanbitselIng, V., -ritselingen. Aanboeien, roeide aan, is en heeft aangeroeid. Aanboepen, riep aan, heeft aangeroepen. Aanboepeb, M., -roepers. Aanboeping, V., -roepingen. Aanboeben, roerde aan, heeft aangeroerd. Aanboebing, V., -roeringen. Aanboesten, roestte aan.is aangeroest. Aanboesting, V., -roestingen. Aanbollen, rolde aan, heeft en is aangerold. |
AAN.
AAN.
9
|
Aanrooken, rookte aan, heeft aange-rookt. Aanruischen, ruischte aan, is en heeft aangeruischt. Aanrukken, rukte aan, heeft en is aangerukt. Aansarren, sarde aan, heeft aange-sard. Aansarring, V., -sarringen. Aanschaffen, schafte aan, heeft aangeschaft. Aanschaffing, V., -schaffingen. Aanschakelen, schakelde aan, heeft aangeschakeld. Aanschakeling, V., -schakelingen. Aanscharrelen, scharrelde aan, is aan-gescharreld. Aanschellen, schelde aan, heeft aangescheld. Aanschemeren, schemerde aan, is aan-geschemerd. Aanscherpen, scherpte aan, heeft aangescherpt. Aanscherping, V., -scherpingen. Aanschieten, schoot aan, schoten aan, heeft en is aangeschoten. Aanschijn, O. Aanschikken, schikte aan, is aangeschikt. Aanschimmelen, schimmelde aan, is aangeschimmeld. Aanschitteren, schitterde aan, heeft aangeschitterd. Aanschoeien, schoeide aan, heeft aan-geschoeid. Aanschoffelen (langzaam gaan), schoffelde aan, is aangeschoffeld. Aanschoffelen (losmaken), schoffelde aan, heeft aangeschofleld. Aanschoffeling, V., -schoffelingen. Aanschommelen, schommelde aan, is aangeschommeld. Aanschouw, M. Aanschouwraar, -baarder, -baarst. Aanschouwelijk of aanschouwlijk, -lijker, -lykst. Aanschouwelijkheid, V. Aanschouwen, aanschouwde, heeft aanschouwd. Aanschouwer, M., -schouwers en -schouworen. Aanschouwing, V., -schouwingen. Aanschouwingsvermogen, O. Aanschouwster, V., -schouwsters en â¢schouwsteren. Aanschrapen, schraapte aan, heeft aan-geschraapt. Aanschrappen, schrapte aan, heeft aangeschrapt. Aanschreeuwen, schreeuwde aan, heeft aangeschreeuwd. Aanschreeuwing, v. Aanschreien, schreide aan, heeft aan-geschreid. |
Aanschrijden, schreed aan, schreden aan, is aangesdireden. Aanschrijven, schreef aan, schreven aan, heeft aangeschreven. Aanschrijving, V., -schrijvingen. Aanschrijvingsriljet, O., -biljetten. Aanschroeven, schroefde aan, heeft aangeschroefd. Aanschroeving, V., -schroevingen. Aanschudden, schudde aan, heeft aan-geschud. Aanschuifelen, schuifelde aan, is aan-geschuifeld. Aanschuinen, schuinde aan, heeft aan-geschuind. Aanschuiven, schoof aan, schoven aan, heeft en is aangeschoven. Aanschuiving, V., -schuivingen. Aansijpelen, syfelde aan, is aange-sijfeld. Aansjokken, sjokte aan, is aangesjokt. Aansjorren, sjorde aan, heeft aangesjord. Aansjorring, V., -sjorringen. Aansjouwen, sjouwde aan, heeft en is aangesjouwd. Aanslaan, slaat aan, sloeg aan, heeft en is aangeslagen. Aanslag, M., -slagen. Aanslagreitel, M., -beitels. Aanslagriljet, O , -biljetten. Aanslagkom, V., -kommen. Aanslagraam, O., -ramen. Aanslagrooster, M., -roosters. Aanslagsteen, M., -steenen. Aanslagstoel, M.. -stoelen. Aanslappen, slapte aan, is aangeslapt. Aansleepen (voorttrekken), sleepte aan, heeft aangesleept. Aansleeping, V., -sleepingen. Aanslenteren, slenterde aan, is aan-geslenterd. Aanslepen (voortgaan), sleepte aan, is aangesleept. Aansleuren, sleurde aan, heeft en is aangesleurd. Aanslibren, slibde aan, is aangeslibd. Aanslibbing, V., -slibbingen. Aanslibsel, O., -slibsels. Aanslïjken, siykte aan, is aangeslijkt. Aanslijking, V., -siykingen. Aanblijmen, slijmde aan, is aangeslijmd. Aanslijming. v., -slymingen. Aanslijpen, sleep aan, slepen aan, heeft aangeslepen. Aanslingeren, slingerde aan, heeft en is aangeslingerd. Aansloffen, slofte aan. is aangesloft. Aansluiken, slook aan, sloken aan, heeft aangesloken. Aansluipen, sloop aan, slopen aan, is aangeslopen. Aansluiten, sloot aan, sloten aan, heeft en is aangesloten. |
AAN.
10
AAN.
|
Aansluiting, V., -sluitingen. Aansluitingsplaats, V., -plaatsen. Aansluitingspunt, O., -punten. Aansmeden, smeedde aan, heeft aangesmeed. Aansmeding, V. Aansmelten, smolt aan, heeft aange-smolten. Aansmelting, V. Aansmeren, smeerde aan, heeft aangesmeerd. Aansmering, V., -smeringen. Aansmeulen, smeulde aan, is aange-smeuld. Aansmijten, smeet aan, smeten aan, heeft aangesmeten. Aansnauwen, snauwde aan, heeft aangesnauwd. Aansnede en aansnee, V., -sneden. Aansnellen, snelde aan, is aangesneld. Aansnijden, sneed aan, sneden aan, heeft aangesneden. Aansnijding, V. aansnoeren, snoerde aan, heeft aangesnoerd. Aansnorren, snorde aan, is aangesnord. Aansnuiven, snoof aan, snoven aan, is aangesnoven. Aansoldeeren, soldeerde aan, heeft aan-gesoldeerd. Aanspannen, spande aan, heeft en is aangespannen. Aanspanner, M., -spanners. Aanspanning, V., -spanningen. Aanspanster, V., -spansters. Aanspatten, spatte aan, is aangespat. Aanspelden, speldde aan, heeft aangespeld. Aanspeten, speette aan, heeft aange-speet. Aanspieën en aanspijen, spiede en spijde aan, heeft aan gespied en aan-gespyd. Aanspijkeren, spijkerde aan, heeft aan-gespijkerd. Aanspijkering, V., -spijkeringen. Aanspulen, spijlde aan, heeft aange-spijld. Aanspijling, V. Aanspinnen, spon aan, sponnen aan, heeft aangesponnen. Aansplitsen, splitste aan, heeft aan-gesplitst. Aansplitsing, V., -splitsingen. Aanspoeden, spoedde aan, isaangespoed. Aanspoelen, spoelde aan, heeft en is aangespoeld. Aanspoeling, V., -spoelingen. Aanspoelsel, O., -spoelsels. Aansporen (opwekken), spoorde aan, heeft aangespoord. Aansporen (met den spoorwagen), spoorde aan, is en heeft aangespoord. Aansporing, V., -sporingen. |
Aanspraak, V., -spraken. Aanspraakje, O., -jes. Aansprakelijk en aanspraaklijk. Aansprakelijkheid, V. Aanppreekster, V., -spreeksters. Aanspreken, sprak aan, spraken aan, heeft aangesproken. Aanspreker, M., -sprekers. Aanspreking, V., -sprekingen. Aanspringen, sprong aan, is en heeft aangesprongen. Aanspugen, spoog aan, spogen aan, heeft aangespogen. Aanspuging, V. Aanspuwen, spuwde aan, heeft aangespuwd. Aanspuwing, V. Aanstaan, staat aan, stond aan, heeft aangestaan. Aanstaand. Aanstaande, M. en V., -staanden. Aanstaarten, staartte aan, heeft aan-gestaart. Aanstalte, V., -stalten. Aan.stampen, stampte aan, heeft en is aangestampt. Aanstamper, M., -stampers. Aanstamping, V.. -stampingen. Aanstampster, V., -stampsters. Aanstappen, stapte aan, is en heeft aangestapt. Aanstaren, staarde aan, heeft aangestaard Aanstaring, V. Aansteijkkast, V., -kasten. Aansteekster, V., -steeksters. Aansteigeren, steigerde aan, is aange-steigerd. Aanstekelijk, -lijker, -lijkst. Aanstekelijkheid, V. Aansteken, stak aan, staken aan, heeft en is aangestoken. Aanstekend, -stekender, -stekendst. Aansteker, M., -stekers. Aansteking, V., -stekingen. Aanstellen, stelde aan, heeft aangesteld Aansteller, M., -stellers. Aanstelling, V., -stellingen. Aanstemmen, stemde aan, heeft aangestemd. Aanstempelen, stempelde aan, heeft aangestempeld. Aanstempeling, V. Aansterken, sterkte aan, is aangesterkt. Aansterven, stierf aan, stierven aan, is aangestorven. Aanstevenen, stevende aan, is en heeft aangestevend. Aanstichten, stichtte aan, heeft aangesticht. Aanstichter, M , -stichters. Aanstichting, V. |
|
AAN. lakje, * aanstichtster, V., -stichtsters. Aanstijven (stilver worden), stijfde aan, is aangestijfd. i Aanstijven (stijver maken, t. w. linnen), steef aan, steven aan, heeft aan, aangesteven. Aanstikken,stikte aan, heeft aangestikt. ? Aanstippen, stipte aan, heeft aangestipt. I Aanstipping, V.. -stippingen. tieeft aanstoffen, stofte aan, heeft aangestoft. | Aanstoken, stookte aan, heeft aange-aan, stookt. | Aanstoker, M., -stokers. i Aanstoking, V,, -stokingen. «nge- j aanstommelen, stommelde aan, is aan-gestommeld. [ Aanstonds. leeft aanstookster, V., -stooksters. Aanstoomen, stoomde aan, is en heeft aangestoomd. (1 Aanstoot, m.1 Aanstoot, m. ï Aanstootelijk, -lijker, -lijkst. gt; Aanstootelijkheid, V., -heden, j Aanstooten, stiet aan, heeft aange-Q is I stooten; ook stootte aan. v Aanstootend. p Aanstooting, V., -stootingen, li Aanstoppen, stopte aan, heeft aange-5 stopt. 3eft 1 Aanstormen, stormde aan, is en heeft aangestormd. ige- ^ Aanstort, O., -storten. fi Aanstorten, stortte aan, heeft en is ' aangestort. h Aanstorting, V., -stortingen. | Aanstouwen (samenpakken), stouwde ge- aan, heeft aangestouwd. Aanstralen, straalde aan, heeft aangestraald. j Aanstrammen, stramde aan, is aangeeft stramd. | Aanstranden, strandde aan, is aange- strand. 'i Aanstranding, v. :| Aanstrepen, streepte aan, heeft aan-re- gestreept. I Aanstreping, V., -strepingen. 1 Aanstrijden, streed aan, streden aan, heeft aangestreden. e- ? Aanstrijken, streek aan, streken aan, is en heeft aangestreken, ft | Aanstrijking, V., -strijkingen. 1 Aanstrikken, strikte aan, heeft aange-strikt. e- Aanstrikking, V., -strikkingen. ; Aanstrompelen, strompelde aan, is aan-3, gestrompeld. Aanstroomen, stroomde aan, is en heeft 't aangestroomd. % Aanstrooming, v. i- Aanstruikelen, struikelde aan, is aan- gestruikeld. Aanstudeeren, studeerde aan, heeft aangestudeerd. |
AAN. Aanstuiken, stuikte aan, heeft aange-stuikt. Aanstdiking, V., -stuikingen. Aanstuiven, stoof aan, stoven aan, is aangestoven. Aanstuivïng, V., -stuivingen. Aansturen, stuurde aan, heeft aangestuurd. Aanstuwen (aanduwen), stuwde aan, heeft aangestuwd. Aansukkelen, sukkelde aan, is aangesukkeld. Aansullen, sulde aan, is aangesuld. Aantal, O. Aantasten, tastte aan, heeft aangetast. Aantasting, V., -tastingen. Aanteekenaar, M., -teekenaars en -teekenaren. Aanteekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Aanteekenen, teekende aan, heeft aan-geteekend. Aanteekengeld, O., -gelden. Aanteekening, V., -teekeningen. Aan-teekeningetje, O., -jes. AanteekeningspartUjV.,-partyen; -par-tytje, O., -jes. Aanteekenkantoor, O., -kantoren. Aantelen, teelde aan, heeft aange-teeld. AantelIng, V., -telingen. Aantellen, telde aan, heeft aangeteld. Aanteren, teerde aan, heeft aangeteerd. Aantergen, tergde aan, heeft aange-tergd. Aanterging, V., -tergingen. Aantichten, tichtte aan, heeft aange-ticht. Aantieren, tierde aan, heeft aangetierd. Aantijgen, teeg aan, tegen aan, hee t aangetegen; ooktijgdeaan,heeftaan-getijgd. Aantijger, M., -tijgers. Aantijging, V., -tijgingen. Aantikken, tikte aan, heeft aangetikt. Aantillen, tilde aan, heeft aangetild. Aantimmeren, timmerde aan, heeft aan-getimmerd. Aantimmering, V., -timmeringen. Aantocht, M. Aantokkelen, tokkelde aan, heeft aan-getokkeld. Aantokkeling, V.. -tokkelingen. Aantoonen, toonde aan, heeft aangetoond. Aantoonend. Aantooner, M., tooners. Aantooning, V. Aantooveren, tooverde aan, heeft aan-getooverd. Aantorsen, torste aan, heeft aange-torst. Aantrappen, trapte aan, heeft aangetrapt. |
AAN.
12
AAN.
|
Aantrede en aantree, V., -treden. Aantreden, trad aan, traden aan, is en heeft aangetreden. Aantreffen, trof aan, troffen aan, heeft aangetroffen. Aantrekkelijk, -lijker, -lijkst. Aantrekkelijkheid, V., -lieden. Aantrekken, trok aan, trokken aan, heeft en is aangetrokken. Aantrekker, M., -trekkers. Aantrekking, V. Aantrekkingskracht, V. Aantrekkingsvermogen, o. Aantrippelen, trippelde aan, is aangetrippeld. Aantrouwen, trouwde aan, heeft aangetrouwd. Aantrouwing, V. Aantuigen, tuigde aan, heeitaangotuigd. Aantuiging, V., -tuigingen. Aanturen, tuurde aan, heeft aange-tuurd. Aanvaarden, aanvaardde, heeft aanvaard, Aanvaarder, M., -vaarders. Aanvaarding, V., -vaardingen. Aanvaardster, V., -vaardsters. Aanvaart, V. Aanval, M., -vallen. Aanvallen, viel aan, is en heeft aangevallen. Aanvallend. Aanvallender wijze en -wijs. Aanvaller, M., -vallers en -valleren. Aanvallig, -valliger, -valligst. Aanvalligheid, V., -heden. Aanvalsfront, O., -fronten. Aanvalskolonne, V , -kolonnen en -kolonnes. Aanvalskreet, M., -kreten. Aanvalsmijn, V., -mijnen. Aanvalsplan, O , -plannen. Aanvalspunt, o., -punten. Aanvalssein, ü., -seinen. Aanvalsteeken. O., -teekens. Aanvalsvertooning, V., -vertooningen. Aanvalswapen. O.,-wapenen en -wapens. Aanvalswerk, O., -werken. A an vals wijze en -wijs, V., -wijzen. Aanvang. M. Aanvangen, ving aan, heeft en is aangevangen. Aanvanger, M., -vangers. Aanvangspunt, O., -punten. Aanvangster, V., -vangsters. Aanvankelijk. Aanvaren, voer aan, is en heeft aan- gevaren. Aanvaring, V., -varingen. Aanvatten, vatte aan, heeft aangevat. Aanvatter, M., -vatters. Aanvatting, V., -vattingen. Aanvechten, vocht aan, heeft aangevochten. |
Aanvechter, M., -vechters. Aanvechting, V., -vechtingen. Aanvegen, veegde aan, heeft aangeveegd. Aanverdienen, verdiende aan, heeft aanverdiend. Aanvf.rsterven, verstierf aan, verstierven aan, is aan verstorven. Aanversterving, V. Aanvertrouwen, vertrouwde aan, heeft aanvertrouwd. Aanverwant. Aanverwant, M., -verwanten. Aanverwante, V.. -verwanten. Aanverwantschap, V. Aanvetten, vette aan, heeft en is aan-gevet. Aanvijlen, vijlde aan, heeft aangevijld. Aanvlakken, vlakte aan, heeft aan-gevlakt. Aanvlakking, V., -vlakkingen. Aan vlammen, vlamde aan, is en heeft aangevlamd. Aanvlechten, vlocht aan, heeft aan-gevlochten. Aan vlechting, V., -vlechtingen. Aanvletten, vlette aan, heeft aange-vlet. Aanvliegen, vloog aan, vlogen aan, is en heeft aangevlogen. Aanvlieging, V. Aanvlieten, vloot aan, vloten aan, is aange vloten. Aanvloeien, vloeide aan, is aangevloeid. Aanvlotten (aandrijven), vlotte aan, is aan ge vlot. Aanvlotten (in vlotten aanvoeren), vlette aan, heeft aangevlot. Aanvlotting, V., -vlottingen. Aanvoeden, voedde aan, heeft aange-voed. Aanvoegen, voegde aan, heeft aangeveegd. Aanvoegend. Aanvoeging, V., -voegingen. Aanvoegsel, O., -voegsels en -voegselen. Aanvoelen, voelde aan, heeft aangevoeld. Aanvoer, M., -voeren. Aanvoerbuis, V., -buizen. Aanvoerder, M., -voerders. Aanvoerdoek, O. Aanvoeren, voerde aan, heeft aangevoerd. Aanvoering, V. Aanvoerpijp, V., -pijpon. Aanvoerrol, V., -rollen. Aanvoerster, V., -voersters. Aanvonken, vonkte aan, is aange-vonkt. Aanvraag en Aanvrage, V., -vragen. Aanvragen, vraagde aan, heeft aangevraagd; ook vroeg aan. |
AAN.
13
AAN.
|
Aanvriezen, vroor aan, vroren aan, heeft en is aangevroren en aange-vrozen. Aanvriezing, V. Aanvullen, vulde aan, heeft aangevuld. Aanvulling, V., -vullingen. Aanvullingsexamen, O., -examens. Aanvullingskohier, O., -kohieren. Aanvullingsmanschap, V., -manschappen. Aanvullingsspant, O., -spanten. Aanvullingstroepen (mv.), M. Aanvulsel, O., -vulsels. Aanvuren, vuurde aan, heeft aangevuurd. Aanvuring, V., -vuringen. Aanvuurder. M., -vuurders. Aanvuurster, v., -vuursters. Aanwaaien, waaide aan, is en heeft aangewaaid; ook woei aan, woeien aan. Aanwachten, wachtte aan, heeft aan-gewacht. Aanwaggelen, waggelde aan, is aangewaggeld. Aanwakkeren, wakkerde aan, heeft en is aangewakkerd. Aanwakkering, V., -wakkeringen. Aanwandelen, wandelde aan, is en heeft aangewandeld. Aanwapperen, wapperde aan, is aan-gowapperd. Aanwas, M., -wassen. Aanwassen, wies aan, wiesen aan, is aangewassen. Aanwassing, V., -wassingen. Aanwellen, welde aan, heeft aange weid. Aanwendbaar, -bare. Aanwenden, wendde aan, heeft aangewend. Aanwending, V. Aanwenken, wenkte aan, heeft aangewen kt. Aanwennen (zich â), wende (zich) aan, heeft (zich) aangewend. Aanwenning, V., -wenningen. Aanwensel, O., -wensels en -wenselen. Aanwenst, V., -wensten. Aanwentelen, wentelde aan, heeft en is aangewenteld. Aanwenteling, V., -wentelingen. Aanwerken, werkte aan, heeft aangewerkt. Aanwerpen, wierp aan, heeft aangeworpen. Aanwerven, wierf aan, wierven aan, heeft aangeworven. Aanwerver, M., -wervers. Aanwerving, v., -wervingen. Aanwetten, wette aan, heeft aangewet. Aanweven, weefde aan, heeft aange-weven. Aanwezen, O. |
Aanwezend. Aanwezig. Aanwezigheid, V. Aanwueren, wyerde aan, heeft aange wijerd. Aanwijsbaar, -bare. Aanwijsster, V., -wyssters. Aanwijzen, wees aan, wezen aan, heeft aangewezen. Aanwijzend. Aanwijzer, M., -wijzers. Aanwijzing, V.. -wijzingen. Aanwillen, wil aan, wilde (wou) aan, heeft aange wild. Aanwinden, wond aan, heeft aangewonden. Aanwinnen, won aan, wonnen aan, heeft aangewonnen. Aanwinning, V., -winningen. Aanwinst, V., -winsten. Aanwinteren, winterde aan, heeft aan-gewinterd. Aanwippen, wipte aan, is aangewipt. Aanwitten, witte aan, heeft aangewit. Aanwoekeren, woekerde aan, heeft en is aangewoekerd. Aanwortelen, wortelde aan, is aan-geworteld. Aanwrijven, wreef aan, wreven aan, heeft aangewreven. Aanwrijving, V , -wrijvingen. Aanwuiven, wuifde aan, heeft en is aangewuifd. Aanzaaien, zaaide aan, heeft aange-zaaid. Aanzagen, zaagde aan, heeft aange-zaagd Aanzakken, zakte aan, is aangezakt. Aanzanden; zandde aan, heeft aange-zand. Aanzeg, M. Aanzegelen, zegelde aan, heeft aange-zegeld. Aanzeggen, zeide aan, heeft aangezegd en aangezeid. Aanzegger, M., -zeggers. Aanzegging, V., -zeggingen. Aanzeghuis, O., -huizen. Aanzeilen, zeilde aan, is en heeft aangezeild. Aanzeiling, V., -zeilingen. Aanzenden, zond aan, heeft aange-zonden. Aanzetbuis, V., -buizen. Aanzethamer, M., -hamers. Aanzethout, O., -houten. Aanzetklos, M., -klossen. Aanzetrasp, V., -raspen. Aanzetriem, M., -riemen. Aanzetschroef, V., -schroeven. Aanzetsel, O., -zetsels. Aanzetstaal, O., -stalen. Aanzetster, V., -zetsters. Aanzetstuk, O., -stukken. |
AAR.
AAN.
14
|
Aanzetten, zette aan, heeft en is aangezet. Aanzetter, M., -zetters. Aanzetting, V., -zettingen. Aanzetvijl, V., -vijlen. Aanzeulen, zeulde aan, heeft en is aangezeuld. Aanzicht, o., -zichten. Aanzichten, aanzichtte. Aanzien, zag aan, zagen aan, heeft aangezien. Aanzien, O. Aanziend. Aanzienlijk, -lijker, -lykst. Aanzienlijkheid, V. Aanzijn, o. Aanzitten, zat aan, zaten aan, heeft aangezeten. Aanzitting, V. Aanzoek, O., -zoeken. Aanzoeken, zocht aan, heeft aangezocht Aanzoeten, zoette aan, heeft en is aan- gezoet. Aanzoeting, V., -zoetingen. Aanzuigen (zich â), zoog zich aan, zogen zich aan, heeft zich aangezogen. Aanzuiging, V. Aanzuiveren, zuiverde aan, heeft aangezuiverd. Aanzuivering, V., -zuiveringen. Aanzuren. zuurde aan, heeft en is aan- gezuurd. Aanzuring, V., -zuringen. Aanzweepen, zweepte aan, heeft aangezweept. Aanzwellen, zwol aan, zwollen aan, is aangezwollen. Aanzwemmen, zwom aan, zwommen aan, is en heeft aangezwommen. Aanzweven, zweefde aan, is aangezweefd. Aanzwoegen, zwoegde aan, is aange- zwoegd. Aap, M., apen. Aapje, o., -jes. Aapachtig. Aapjessnuïf, V. Aar (korenaar), V., aren. Aartje, O.,-jes. Aür (ader), V., aren. Aartje, 6., -jes. Aard, M. Aardje, O. Aardachtig. Aardachtigheid, V. Aardaker, M., -akers; -akertje, O., -jes. Aardamandel, v., -amandels. Aardangel, v. Aardappel, M., -appelen en -appels; -appeltje, O., -jes. Aardappelboer, M., -boeren; -boertje, O., -jes. Aardappel-croquette, V., -croquettes. Aardappeldeeg, o. Aardappelmeel, o. Aardappelplant, V., -planten. Aardappelsoep, V. Aardappelstijfsel, V. |
Aardappelstroop, V. Aardappeltaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes. Aardappelziekte, V. Aardbei, V., -beien. Ook Aardbezie. Aardbeitje, O., -jes. Aardbeienbed, O., -bedden. Aardbeiengelei, V. Aardbeienteelt, V. Aardbeientijd, M. Aardberging, V., -bergingen. Aardbeschrijver, M., -beschrüvers en -beschryveren. Aardbeschrijving, V., -beschrijvingen. Aardbeving, V., -bevingen. Aardbevingsmeter, M., -meters. Aardbewoner, M., -bewoners en -be-woneren. Aardbezie (aardbei), V., aardbeziën (aardbeien). Aardbezieboom, M., -boomen. Aardbeziënbed, O., -bedden. Aardbezieplant, V., -planten. Aardbeziestruik, M., -struiken. Aardbodem, M. Aardbol, M. Aardboog, M., -bogen. Aardboor, V., -boren. Aardbrand, M., -branden. Aardbrood, O. Aardbuil, V., -builen. Aardduivel, M -duivels. Aarde, V. Aardebaan, V., -banen. Aardegoed, o. Aarden, aardde, heeft geaard. Aarden (bijv. nw.). Aardewerk, o. Aardewerkschuit, V., -schuiten. Aardewerkswinkel, M., -winkels. Aardgal, V. Aardgeest, M., -geesten. Aardgewas, O., -gewassen. Aardglobe, v., -globes. Aardgoed, O. Aardgordel, M., -gordels. Aardhaling, V., -halingen. Aardhars, V. en O., -harsen. Aardhommel, M., -hommels. Aardhoop, M., -hoopen. Aardig, aardiger, aardigst. Aardigheid, V., -heden; -heidje, O.,-jes. Aardigjes. Aardklomp, M., -klompen. Aardklont, V., -klonten. Aardkloot, M., -klooten. Aardkluit, V., -kluiten. Aardkorst, V. Aardkrekel, M., -krekels. Aardkuil, M., -kuilen. Aardkunde, V. Aardkundig. Aardkundige, M. en v., -kundigen. Aardlaag, v., -lagen. |
AAR.
AAR.
15
|
aabdlevering, V., -leveringen. Aardmand, V., -manden. Aardmannetje, o., -mannetjes. Aardmeetkdnst, v, Aardmeter, M., -meters. Aardmeting, V., -metingen. Aardmier, V., -mieren;-miertje, O.,-jes. Aardmijt, V.. -mijten. Aardmolm en -mulm, o. Aardmos, O., -mossen. Aardmuis, V., -muizen; -muisje, O.,-jes. Aardnoot, V., -noten; -nootje, o., -jes. Aardolie, V., -oliën. Aardparkiet, M., -parkieten. Aardpeer, V., -peren. ^ Aardpek, O. ? Aardpimpernoot, V., -noten; -nootje, O., -jes. Aardplakker, M., -plakkers. Aardrijk, o. Aardrijksbeschrijver, M., -beschrijvers en -beschrijveren, k Aardrijksbeschrijving, V., -beschrijvingen. Aardrijkskunde, V. ' Aardrijkskundig. Aardrijkskundige, M. en V.,-kundigen. Aardroering, V., roeringen. Aardrol, V., -rollen. ;] Aardrolling, v. -Aardrook, M. Aardsch. Aardschgezind, -gezinder, -gezindst. Aardschgezindheid, v. Aardschheid, V. Aardschok, M., -schokken. Aardschors, V. Aardschudding, V., -schuddingen. Aardschuit, v., -schuiten. Aardslak, V., -slakken. Aardslang, V., slangen. Aardspin, V., -spinnen. Aardstamper, M., -stampers. Aardster, V., -sterren. Aardstrik, M., -strikken. Aardtor, V., -torren. Aardtrapper, M., -trappers. Aardvarken, o., -varkens. Aardvast. Aardveil, o. Aardverf, v., -verven. Aardverschuiving, V., -verschuivingen. Aardvloo, V., -vlooien. Aardvork, V., -vorken. Aardvrucht, V., -vruchten. Aardwas, o. Aardwerk, o., -werken. Aardwerker, m., -werkers. Aardwind, V., -winden. Aardwolf, M., -wolven. Aardworm en -wurm, M., -wormen en -wurmen; -wormpje en -wurmpje, O., -jes. Aardzak, m., -zakken. I |
Aars, M., -aarzen. Aarsje, O., -jes. Aarsvin, V., -vinnen. Aartsbedbieger, M., -bedriegers. Aartsbedbiegsteb, V., -bedriegsters. Aabtsbisdom, O., -bisdommen. Aabtsbisschop, M., -bisschoppen. Aabtsbisschoppelijk. Aabtsdeugniet, M., -deugnieten. Aabtsdiaken, M., diakenen en -diakens. Aabtsdiakenschap, O., -schappen. Aabtsdiocese, V., ook -diocees, O., -diocesen. Aabtbdomkop, M., -domkoppen. Aabtsengel, M., -engelen. Aabtshebtog, M , -hertogen. Aabtshebtogdom, O., -dommen. Aabtshebtogelijk. Aabtshebtogin, V., -hertoginnen. Aabtskanselieb, M., -kanseliers en -kanselieren. Aabtsketteb, M., -ketters. Aabtsleugenaab, m, -leugenaars en -leugenaren. Aabtspbiesteb, M., -priesters. Aartspriesterschap, O., -schappen. Aartsschelm, M., -schelmen. Aartsvader, M., -vaders en -vaderen. Aartsvaderlijk. Aabtsvijand, M., -vyanden. Aabtsvijandin, V., -vyandinnen. Aabzelen, aarzelde, heeft geaarzeld. Aabzeling, V., -aarzelingen. Aas (spys). O. Aas (gewicht en eenheid in 't spel), O., azen. Aasje, O., -jes. Aasdomsbecht, O. Aasjageb, M., -jagers. Aasklauw, M., -klauwen. Aasbaaf, M., -raven. Aastob, V., -torren. Aasvlieg, V., -vliegen. AB Of ABC, O., AB's of ABC's. Abandonneeben, abandonneerde, heeft geabandonneerd. AB-bank, V., -banken; -bankje, o., -jes. Abbebdaan. Zie Labberdaan. ab-boek, o., -boeken; -boekje, o., -jes. AB-bobd, O., -borden; -bordje, O.-, -jes. Abdij, V., abdyen. Abdis, V., abdissen. Abeel, M., abeelen. Abeeltje, O., -jes. Abel, abeler, abelst. Abelheid, V., -heden; -heidje, O., -jes. Abelmosch, V. AB-kind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes. Ablatief en ablativus, M., ablatieven. Abolitie, V. Abonneeben, abonneerde, heeft en is geabonneerd. Abonnement, o., abonnementen. Abonnementsconcebt, o., -concerten. Abonnementskaart, V., -kaarten. |
ACH.
ABO.
16
|
Abonnementsvoorstelling, V., -voorstellingen. AB-plank, V., -planken; -plankje, O., -jes. Abkacadabha, o. Abrikoos (naam van den boom), M. (naam van de vrucht), V., abrikozen. Abrikoosje, O,, -jes. Abrikozeboom, M., -boomen. Abrikozengeleï, V. Abrikozentaart, V., -taarten; -taartje, O., -jes. Abrikozepit, V., -pitten; -pitje, O., -jes. AB-school, V., -scholen; -schooltje, O., -jes. Absint, O. Absolutie, V. Absolutisme, O. Absoluut, absoluter, absoluutst. Absolveeren, absolveerde, heeft geabsolveerd. Abstract, abstracter, abstractst. Abstractie, V., abstractiën en abstracties. Abstraheeren, abstraheerde, heeft geabstraheerd. Abt, M.. abten. Abuis, O., abuizen. Abuisje, O., -jes. Abuseeren, abuseerde, heeft geabu- seerd. Abusief, abusieve. Abusievelijk. Acacia, M., acacia's. Academie, V., academiën en academies. Academiefeest, O., -feesten. Academiegebouw, o., -gebouwen. Academiejaar, O., -jaren. Academiestad, V., -steden. Academievergadering, V., -vergaderingen. Academievriend, M., -vrienden. Academisch. Accent, O., accenten. Accentje, 0., -jes. Acceptant, M., acceptanten. Acceptatie, V., acceptatiën en acceptaties. Accepteeren, accepteerde, heeft geaccepteerd. Accijns, M, accynzen. Accuraat, accurater, accuraatst. Accusatief en accusativus, M., accusatieven. Ach. Acht (ban), V. Acht (toezicht), V. Acht (telwoord). Als znw., V., achten. Achtje, 0., -jes. Achtbaar, -baa der, -baarst. Achtbaarheid, V., -heden. Achtehalf, -halve. Achtel, O., achtels en achtelen. Achteling, M., achtelingen. Achteloos, achteloozer, achteloost. Achteloosheid, V., -heden. Achten, achtte, heeft geacht. |
Achtendeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes. Achtenswaard, -waarder, -waardst. Achtenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Achtenswaardigheid, V. Achtentwintig, M., -twintigen. Achtentwintiger, M.f -twintigers. Achter. Achteraan. Achteraanblijven, bleef achteraan, bleven achteraan, is achteraangebleven. Achteraankomen, komt achteraan, kwam achteraan, kwamen achteraan, is achteraangekomen. Achteraanloopen, liep achteraan, heeft en is achteraangeloopen. Achteraanzeilen, zeilde achteraan, heeft achteraan gezeild. Achteraf, Ã., -aflen. Achteraf. Achterafbrengen, bracht achteraf, heeft achterafgebracht. Achterbaks (bijw.). Achterbaksch (bnw.). Achterbank, V., -banken. Achterbeen, O., -beenen. Achterbeslag, O., -beslagen. Achterblijfster, V., -blijfsters. Achterblijven, bleef achter, bleven achter, is achtergebleven. Achterblijver, M., -blyvers. Achterboelijn, V., -boeiyns. Achterboom, M., -boomen. Achterbout, M., -bouten. Achterbuur, M. en V., -buren. Achterbuurt, V., -buurten. Achterdeel (plank), V., -delen. Achterdeel (gedeelte), O., -deelen. Achterdeur, V., -deuren. Achterdocht, V. Achterdochtig, -dochtiger, -dochtigst. Achterdochtigheid, V, Achterdoek, O., -doeken. Achterdwarstouw, O., -touwen. Achtereen. Achtereenvolgend. Achtereenvolgens. Achtereinde, O , -einden. Achterelkander. Achteren. (Naar â, ten â, van â). Achtergaan, gaat achter, ging achter, heeft achtergegaan. Achtergang, V., gangen. Achtergrond, M., -gronden. Achterhalen, achterhaalde, heeft achterhaald. Achterhaling, V., -halingen. Achterhande (van acht soorten). Achterhandsbeentje, O., -beentjes. Achterheen. Achterhoede, V., -hoeden. Achterhoek, M., -hoeken. Achterhoofd, 0., -hoofden;-hoofdje, O., -jes. |
T
|
ACH. Achterhouden, hield achter, hoeft achtergehouden. AcHTERHouDEND,-houdender,-houdendst. Achterhoudendheid, V. achterhouding, V. Achterhuis, O., -huizen. Achterin. Achterkabel, M., -kabels. Achterkamer, V., -kamers. Achterkant, M., -kanten. Achterkasteel, O., -kasteelen. Achterklap, m. Achterklappen. Achterklapper, M., -klappers. Achterklapster, V., -klapsters. Achterkleinzoon, M., -zonen en -zoons. Achterkousig. -kousiger, -kousigst. achterkousigheid, V. Achterlader, M., -laders. Achterlap, M., -lappen. Achterlast, M., -lasten. Achterlaten, liet achter, heeft achtergelaten. Achterlating, V. Achterleen, o., -leenen. Achterlei (van acht soorten). Achterliggen, lag achter, lagen achter, heeft achtergelegen. Achterlijk, -lijker, -lijkst. Achterlijkheid, V., -heden. Achterloopen, liep achter, heeft achter-geloopen. Achterloopsch. Achterloopschheid, V. Achterluik, O., -luiken. Achtermiddag, M., -middagen. Achterna. Achternaad, M., -naden. Achternagaan, gaat achterna, ging achterna, is en heeft achternagegaan. Achternaloopen, liep achterna, is en heeft achternageloopeii. Achternarijden, reed achterna, reden achterna, is en heeft achternagereden. Achternasturen, stuurde achterna, heeft achternagestuurd. Achternazenden, zond achterna, heeft achternagezonden. Achternazetten, zette achterna, heeft achternagezet. Achternazitten, zat achterna, zaten achterna, heeft achternagezeten. Achterneef, M., -neven. Achterom. Achteromkomen, komt achterom, kwam achterom, kwamen achterom, is achteromgekomen. Achteromloopen, liep achterom, is achteromgeloopen. Achteronder, o. Achterop. Achteropkomen, komt achterop, kwam achterop, kwamen achterop, is achter-opgekomen. |
Achteroploopen, liep achterop, is ach- teropgeloopen. Achterover. Achteroverliggen, lag achterover, lagen achterover, heeft achterover- Achterovervallen, viel achterover, is ach tero verge vallen. Achterplecht, V., -plechten. Achterpoort, V., -poorten. Achterpoot, M., -pooten. Achterruim, O. Achterschip, O., -schepen. Achterspil, o., -spillen. Achterst. Achterstaan, stond achter, heeft achtergestaan. Achterstaand. Achterstal, M., -stallen. Achterstallig. Achterstand, M., -standen. Achterste, O. Achterstel, O., -stellen. Achterstellen, stelde achter, heeft achtergesteld. Achterstelling, V. Achtersteven, M., -stevens. Achterstijl, M., -stijlen. Achterstraat, V., -straten, Achterstreng, V., -strengen. Achterstuk, o., -stukken. Achtertalie, V., -talies. Achtertrap, V., -trappen. Achteruit. Achteruit, O. Achteruitje, O., -jes. Achteruitboeren, boerde achteruit, is en heeft achteruitgeboerd. Achtekuitdeinzen, deinsde achteruit, is achteruitgedeinsd. Achteruitgaan, gaat achteruit, ging achteruit, is achteruitgegaan. Achteruitgang, M. Achteruitkrabbblen, krabbelde achteruit, is achteruitgekrabbeld. Achteruitkrabben, krabde achteruit, is achteruitgekrabd. Achteruitleeren, leerde achteruit, is en heeft achteruitgeleerd. Achteruitloopen, liep achteruit, is achteruitgeloopen. Achteruitraken, raakte achteruit, is achteruitgeraakt. Achteruitrijden, reed achteruit, reden achteruit, is en heeft achteruitgereden. Achteruitschoppen, schopte achteruit, heeft achteruitgeschopt. Achteruitschuiven, schoof achteruit, schoven achteruit, heeft achteruitge-schoven. Achteruitslaan, slaat achteruit, sloeg achteruit, heeft achteruitgeslagen. Achteruittreden, trad achteruit, traden achteruit, is achteruitgetreden. 17 ACH. |
:
ACH.
ACE.
18
|
Achteruitvallen, viel achteruit, is a ch teru itge vall en. Achteruitwerken, werkte achteruit, heeft achteruitgewerkt. Achteruitwijken,week achteruitweken achteruit, is achteruitgeweken. Achteruitzeilen. zeilde achteruit, is achteruitgezeild. Achtkruitzetten, zette achteruit, heeft achteruitgezet. Achteruitzitten, zat achteruit, zaten achteruit, heeft achteruitgezeten. Achtervak, O,, -vakken. Achtervertrek, o., -vertrekken. Achtervoegen, voegde achter, heeft achtergevoegd. Achtervoeging, V. Achtervoegsel, O., -voegsels; -voeg- seltje, O., -jes. Achtervolgen, achtervolgde, is en heeft achtervolgd. Achtervolgens. Achtervolging, V., -volgingen. Achterwaarts (byw.). Achterwaartsch (bnw.). Achterweg, M., -wegen. Achterwege. Achterwerk, O., -werken. Achterwiel, O., -wielen. Achterzak, M., -zakken. Achterzeilen, zeilde achter, is en heeft achtergezeild. Achtgeving, V. Achthelmig. Achthoek, M., -hoeken; -hoekje, O., -jes. Achthoekig. Achthonderd. Achting, V. Achtjarig. Achtkant (bnw.). Achtkant, O., -kanten; -kantje, O.,-jes. Achtkantig. Achtlettergrepig. Achtmaal. Achtmaandsch. Achtmannig. Achtponder, M., -ponders. Achtpootig. Achtpuntig. Achtregelig. Achtste. Achtste, O., achtsten. Achtstetje, 0., -jes. Achtstijlig. Achttal, O., -tallen. Achttien. Achttiende. Achtvlak, O., -vlakken. Achtvlakkig. Achtvoetig. Achtvoud, O., -vouden. Achtvoudig. Achtwerf. Achtzaam, achtzamer, achtzaamst. Achtzudig. |
Acrobaat, M., -baten. Acteeren, acteerde, heeft geacteerd. Acteur, M, acteurs. Acteursloopbaan, V. Actie, V., actiën en acties. Actief, actiever, actiefst. Actief, O. Activiteit, V. Actrice, V., actrices. Actualiteit, V. Acustiek, V. Adagio, O., adagio's. Adamsappel, M., -appels en -appelen. Adamskostuum, o. Adamsvork, V. Adder, V., adders en adderen. Addertje, O., -jes. Adderachtig. Adderengebroed, O. Adderengebroedsel, O. Addertong, V., -tongen. Addervaren, V , -varens. Additioneel, additioneele. Adel, M. Adelaar, M., adelaren en adelaars. Adelaarsblik, M., -blikken. Adelaarshout, O. Adelaarsnest, o., -nesten. Adelaarsoog, o., -oogen. Adelaarssteen, M., -steenen; -steentje, O, -jes. Adelaarsveer, V., -veeren. Adelaarsvleugel, M., -vleugels en -vleugelen. Adelaarsvlucht, V., -vluchten. Adelborst,M., -borsten; -borstje, O.,-jes. Adelbrief, M., -brieven. Adeldom, M. Adelen, adelde, heeft geadeld. Adellijk. Adelstand, M. Adeltrots, M. Adem, M. Ademen, ademde, heeft geademd. Ademhalen, haalde adem, heeft ademgehaald. Ademhaling, V., -halingen. Ademhalingswerktuig, O., -werktuigen. Ademloos, -looze. Ademtocht, M. Ader (aar), V., aderen. Adertje, O.,-jes. Aderbreuk, V., -breuken. Aderig, aderiger, adengst. Aderlaten, heeft adergelaten. Aderlater, M., -laters. Aderlating, V., -latingen; -latinkje, O., -jes. Aderlijk. Aderspat, V., -spatten. Adhaesie, V. Adieu. Adjectief, o., adjectieven. Adjudant, M., adjudanten. Adjudant-onderofficier, M., -officieren. |
AES.
ADJ.
19
|
adjunct, M., adjuncten. Adjunct-administrateur, M., adjunct-administrateuren. Adjunct-commies, M., adjunct-commiezen. Adjunct-houtvester, M., adjunct-houtvesters. Administrateur, M., administrateuren en administrateurs. Administratie, V., administration en administraties. Administratief, administratieve. Admiraal, M., admiraals en admiralen. Admiraal-generaal, M., admiraals- en admiralen-generaal. Admiraalschap (ambt van admiraal), O. Admiraalsschip, O., ^schepen. Admiraalsvlag, V., -vlaggen. Admiraalzeilen, O. Admiraliteit, V., admiraliteiten. Admiraliteitscollege, O., -colleges. Admiraliteitshof, o. Admiraliteitskamer, V., -kamers. Admissie, V. Admïssie-examen, O., -examens. admitteeren, admitteerde, heeft geadmitteerd. Adonis, M., Adonissen. Adonisje, O., -jes. Adres, O., adressen. Adresje, O., -jes. Adresboek, O., -boeken. Adreskaart, V., -kaarten; -kaartje, 0.,-jes. Adressant, M., adressanten. Adressante, V., adressanten. Adresseeren, adresseerde, heeft geadresseerd. Adspirant en Aspirant, M., adspiranten en aspiranten. Adspirant-ingenieur, M., adspirant-ingenieurs. Advenant (Naar â). Advent, M. Adverteeren, adverteeirde, heeft geadverteerd. Advertentie, V., advertentiën en advertenties. Advertentieblad, O., -bladen. Advertentiekosten (mv.), M. Advies, O., adviezen. Adviesje, O., -jes. Adviseeren, adviseerde, heeft geadviseerd. Adviseur, M., adviseurs. Advocaat, M., advocaten. Advocaatje, O., -jes. Advocaat-generaal, M., advocaten-generaal. Advocatenbobrel, V. Advocatenkantoor, o., -kantoren. Advocatenstreek, M.,-streken; -streek-je, o., -jes. Advocaterij, V. Aequator, M. aëroliet, M., aërolieten. Aesculaap, M., aesculapen. Aesthetica, v. |
Aesthetisch. Aether, M. Af. Afbaabden, baardde af, heeft afgebaard. Afbaabdeb, M., -baarders. Afbaabzen, baarsde af, heeft afgebaarsd. Afbabbelen, babbelde af, heeft afge-babbeld. Afbakenen, bakende af, heeft afgebakend. Afbakening, V., -bakeningen. Afbakken, bakte af, heeft afgebakken. Afbarsten, barstte af, is afgebarsten; ook borst af, is afgeborsten. Afbasten, bastte af, heeft en is afgebast. Afbedelen, bedelde af, heeft afgebedeld. Afbeelden, beeldde af, heeft afgebeeld. Afbeelding, V., -beeldingen. Afbeel-dinkje, O., -jes. Afbeeldsel, O., -beeldsels en -beeld-selen. Afbeitelen, beitelde af, heeft afgebei-teld. Afbebsten. Zie Afbarsten. Afbestellen, bestelde af, heeft afbesteld. Afbetalen, betaalde af, heeft afbetaald. Afbetaling, V., -betalingen. Afbetten, bette af, heeft afgebet. Afbeulen, beulde af, heeft afgebeuld. Afbidden, bad af, baden af, heeft afgebeden. Afbidding, V. Afbijten, beet af, beten af, heeft afgebeten. Afbijting, V. Afbikken, bikte af, heeft afgebikt. Afbikking, V. Afbiljoenen, biljoende af, heelt afge-biljoend. Afbinden, bond af, heeft afgebonden. Afbindeb, M., -binders. Afbinding, V., -bindingen. Afblaaspijp, V., -pypen. Afbladderen, bladderde af, is afgebladderd. Afbladen, blaadde af, heeft afgeblaad. Afblakeren, blakerde af, heelt afge-blakerd. Afblaren, blaarde af, is afgeblaard. Afblazen, blies af, bliezen af, heeft afgeblazen. Afblijven, bleef af, bleven af, is afgebleven. Afbliksemen, bliksemde af, heeft afgebliksemd. Afblokken, (zich â), blokte zich af, heeft zich en is afgeblokt. Afboeken, boekte af, heeft afgeboekt. Afboenen, boende af, heeft afgeboend. Afboening, V., -boeningen. Afbonken, bonkte af, heeft afgebonkt. Afbonzen, bonsde af, heeft en is afge-bonsd. |
AFD.
AFB.
20
|
Afboomen, boomde af, heeft en is af-geboomd. Afborstelen, borstelde af, heeft afgeborsteld. Afborsteling, V., -borstelingen. Afbotsen, botste af, is afgebotst. Afbottelen, bottelde af, heeft afge- botteld. Afbotteling, V. Afbouwen, bouwde af, heeft afgebouwd. Afbraak, V. Afbranden, brandde af, is en heeft afgebrand. Afbranding, V., -brandingen. Afbrandsel, O. Afbrassen, braste af, is afgebrast. Afbreekster, V., -breeksters. Afbreien, breide af, heeft afgebreid. Afbreken, brak af, braken af, heeften is afgebroken. Afbreker, M., -brekers. Afbreking, V., -brekingen. Afbrengen, bracht af, heeft afgebracht. Afbrenger, M., -brengers. Afbrenging, V. Afbrengster, V., -brengsters. Afbreuk, V. Afbrijnen, brynde af, heeft afgebrynd. Afbroddelen, broddelde af, heeft af- gebroddeld. Afbrokkelen, brokkelde af, heeft en is afgebrokkeld. Afbrokkeling, V. Afbruien, bruide af, heeft en is afge-bruid. Afbruisen, bruiste af, is afgebruist. Afbuien, buide af, is afgebuid. Afbuigen, boog af, bogen af, heeft en is afgebogen. Afbuitelen, buitelde af, is en heeft afgebuiteld. Afdak, O., -daken. Afdakje, O., -jes. Afdakking, V., -dakkingen. Afdalen, daalde af, is afgedaald. Afdaling, V., -dalingen. Afdammen, damde af, heeft afgedamd. Afdamming, V., -dammingen. Afdam- minkje, O., -jes. Afdanken, dankte af, heeft afgedankt. Afdanking, V., -dankingen. Afdansen, danste af, heeft en is afge-danst. Afdeelen, deelde af, heeft afgedeeld. Afdeeling, V., -deelingen. Afdeelinkje, O., -jes. Afdeelings-chef, M., -chefs. Afdeinzen, deinsde af, is afgedeinsd. Afdeinzing, V. Afdekken, dekte af, heeft afgedekt. Afdekker, M., -dekkers. Afdekkerij, V., -dekkerijen. Afdekking, V., -dekkingen. Afdenken, dacht af, heeft afgedacht. Afdienen, diende af, heeft afgediend. |
Afdieven, diefde af, heeft afgediefd. Afdijken, dykte af, heeft afgedekt. Afdijkïng, V., -dijkingen. Afdingen, dong af, heeft afgedongen. Afdinger, M., -dingers. Afdinging, V. Afdingster, V., -dingsters. Afdobbelen, dobbelde af, heeft afge-dobbeld. Afdoen, deed af, deden af, heeft afgedaan. Afdoend. Afdoener, M., -doeners. Afdoening, V., -doeningen. Afdokken, dokte af, heeft afgedokt. Afdolen, doolde af, is afgedoold. Afdoling, V., -dolingen. Afdonderen, donderde af, is en heeft afgedonderd. Afdoppen, dopte af, heeft en is afgedopt. Afdorren, dorde af, is afgedord. Afdorschen, dorschte af, heeft afge- dorscht. Afdraagster, V., -draagsters. Afdraaien, draaide af, is en heeft afgedraaid. Afdraaier, M., -draaiers. Afdraaiing, V., -draaiingen. Afdragen, droeg af, heeft afgedragen, Afdrager, M., -dragers. Afdraven, draalde af, is en heeft af gedraafd. Afdreigen, dreigde af, heeft afgedreigd Afdreiging, V., -dreigingen. Afdrentelen, drentelde af, is afge drenteld. Afdribbelen, dribbelde af, is af dribbeld. Afdrift, V. Afdrijven, dreef af, dreven af, is en heeft afgedreven. Afdrijvend. Afdrijver, M., -drijvers. Afdrijving, V., -drijvingen. Afdringen, drong af, heeft afgedrongen. Afdrinken, dronk af, heeft afgedronken. Afdrogen, droogde af, heeft afgedroogd. Afdroging, V., -drogingen. Afdruipbak, M., -bakken. Afdruipen, droop af, dropen af, is afgedropen. Afdruiping, V., -druipingen. Afdruk, M , -drukken. Afdrukje, O.,-jes. Afdrukken, drukte af, heeft afgedrukt. Afdruksel. O., -druksels en -drukselen. Afdrukseltje, O., -jes. Afdruppelen, druppelde af, is afge- druppeld. Afdruppeling, V. Afdruppfn, drupte af, is afgedrupt. Afduikelen, duikelde af, heeft en is afgeduikeld. Afduwen, duwde af, heeft afgeduwd. Afdwalen, dwaalde af, is afgedwaald. |
AFG.
21
AFD.
|
Afdwaling, V., -dwalingen. Afdweilen, dweilde af, heeft afgedweild. Afdweiling, V., -dweilingen. Afdwingen, dwong af, heeft afgedwongen. Afeischen, eischte af, heeft afgeëischt. Afeten, at af, aten af, heeft afgegeten. Affaike, V.. aflaires. affeilen, feilde af, heeft afgefeild. Affiche, o., affiches. Affodil en Affodille, v., affodillen. Affront, O., affronten. Affronteeren, aflronteerde, heeft ge- afi'ronteerd. Affuit, V., affuiten. Affutselen, futselde af, heeft afge-futseld. Afgaan, gaat af, ging af, is en heeft afgegaan. Afgang, M., -gangen. Afgebliksemd. Afgebroken. Afgebruiken, gebruikte af, heeft afgebruikt. Afgedokterd. Afgedonderd. Afgedraaid. Afgeduiveld. Afgeknot, -geknotte. Afgelasten, gelastte af, heeft afgelast. Afgeleefd. Afgeleefdheid, v. Afgelegen, -gelegener, -gelegenst. Afgelegenheid, v. Afgemat, -gematte. Afgematheid, v. Afgemeten, -gemetener, -gemetenst. Afgemetenheid, v. Afgepast, -gepaster, meest afgepast. Afgepastheid, v. afge razend. Afgericht, -gerichter, -gerichtst. Afgerichtheid, v. Afgerukt. Afgescheidene, M. en v., -gescheidenen. Afgescheidenheid, v. Afgesloofd. Afgesloofdheid, V. Afgesloten. Afgeslotenheid, v. Afgesneden. Afgestampt. Afgestompt. Afgestorvene, M. en V., -gestorvenen. Afgetobd. Afgetrokken, -getrokkener, -getrok- kenst. Afgetrokkenheid, v. Afgevaardigde, M. en V., -gevaardigden. Afgevast. Afgeven, gaf af, gaven af, heeft afgegeven. Afgever, M., -gevers. Afqeving, V. |
Afgewend. Afgewonden, -gewondener, -gewonden st. Afgewondenheid, V. Afgezaagd, -gezaagder, -gezaagdst. Afgezant, M., gezanten. Afgezante, V., -gezanten. Afgezien. Afgezonderd. Afgieren, gierde af, is afgegierd. Afgieten, goot af, goten af, heeft afgegoten. Afgieter, M., -gieters. Afgieting, V., -gietingen. Afgietsel, o., -gietsels. Afgietseldiertje, O., -diertjes. afgifte en Afgift, V. Afglijden, gleed af, gleden af, is afgegleden. Afglijding, V., -glijdingen, Afglippen, glipte af, is afgeglipt. Afglipping, V., -glippingen. Afgluren, gluurde af, heeft afgegluurd. Afgod, M., -goden. Afgodje, O., -jes. Afgodeeren, afgodeerde, heeft geafgo-deerd. Afgodendienaar, M., -dienaars en -dienaren. Afgodendienst, M. Afgodentempel (van twee of meer afgoden), M., -tempels en -tempelen. Afgoderij, V., -goderyen. Afgodes, V., -godessen. Afgodisch. Afgodist, M., -godisten. Afgodsbeeld, o., -beelden; -beeldje, O., -jes. Afüodskruid, O. Afgodslang, V., -slangen. Afgodstempel (van éénen afgod), M., -tempels- en -tempelen. Afgoeden, goedde af, heeft afgegoed. Afgoeding, v., -goedingen. Afc olven, golfde af, heeft en is afgegolfd. Afgoochelen, goochelde af, heeft afge-goocheld. Afgooien, gooide af, heeft afgegooid. Afgrauw, M. Afgrauwen, grauwde af, heeft afgegrauwd. Afgraven, groef af, groeven af, heeft afgegraven. Afgraving, V., -gravingen. Afgrazen, graasde af, heeft afgegraasd. Afgrazing, V. Afgreppelen, greppelde af, heeft afge-greppeld. Afgrupen, greep af, grepen af, heeft afgegrepen. Afgrij.nbaar, -baarder, -baarst. Afgrijselijk en afgrijslijk, -lijker, -Ijjkst. |
AF Gr.
22
AFH.
|
Afgrijselijkheid en Afgrijslijkheid, V., -heden. Afgrijzen, o. Afgrijzing, V. Afgrissen, griste af, heeft afgegrist. Afgrommen, gromde af, heelt afge- gromd. Afgrond, M., -gronden. Afgronden, grondde af, heeft afgegrond. Afgruizelen, gruizelde af, heeft afge- gruizeld. Afgunst, V. Afgunstig, -gunstiger, -gunstigst. Afgunstigheid, V., -heden. Afgutsen, gutste af, is en heeft afgegutst. Afhaalster, V., -haalsters, Afhaken, haakte af, heeft afgehaakt. Afhaker, M., -hakers. Afhaking, V., -hakingen. Afhakken, hakte af, heeft afgehakt. Afhakker, M.t -hakkers. Afhakking, V.. -hakkingen. Afhalen, haalde af, heeft afgehaald. Afhaler, M., -halers. Afhaling, V. Afhameren, hamerde af, heeft afgehamerd. Afhandelen, handelde af, heeft afge- handeld. Afhandeling, V. Afhandig. Afhangeling, M. en V., -hangelingen. V. ook afhangelinge. Afhangen, hing af, heeft afgehangen. Afhangzaag, v.. -zagen; -zaagje, O., -jes. Afhankelijk en afhanklijk, -lijker, -lijkst. Afhankelijkheid en afhanklijkheid, V. Afhappen, hapte af, heeft afgehapt. Afharen, haarde af, heeft en is afge- haard. Afharing, V. Afharken, harkte af, heeft afgeharkt. Afhaspelen, haspelde af, heeft afgehaspeld. Afhaspeling, V. Afhebben, heeft af, had af, hadden af, heeft afgehad. Afhechten, hechtte af, heeft afgehecht. Afheffen, hief af, hieven af, heeft afgeheven. Afheien, heide af, heeft afgeheid. Afheinen, heinde af, heeft afgeheind. Afheining, V., -heiningen. Afheininkje, O., -jes. Afhellen, helde af, heeft afgeheid. Afhelling, v., -hellingen. Afhelpen, hielp af, heeft afgeholpen. Afhengelen, hengelde af, heeft afge-hengeld. Afhielen, hielde af, heeft afgehield. Afhijschen, heesch af, heschen af, heeft afgeheschen. Afhoeven, hoefde af, heeft afgehoefd. |
Afhollen, holde af, heeft en is afgehold. Afhompelen, hompelde af, is afgehom-peld. Afhoogen, hoogde af, heeft afgehoogd. Afhooging, V. Afhooren, hoorde af, heeft afgehoord. Afhooring, V. Afhouden, hield af, heeft afgehouden. Afhouding, v. Afhouwen, hieuw af, heeft afgehouwen. Afhouwer, M., -houwers. Afhouwing. V., -houwingen. Afhuilen, huilde af, heeft afgehuild. Afhuiven, huifde af, heeft afgehuifd. Afhuren, huurde af, heeft afgehuurd. Afhuring, V.. -huringen. Afhuurder, M., -huurders. Afhuurster, V., -huursters. Afijlen, ijlde af, is afgeyld. Afjacht, V. Afjachten, jachtte af, heeft afgejacht. Afjagen, jaagde af, heeft afgejaagd; ook joeg af. Afjakkeren, jakkerde af, heeft afgejakkerd. Afjakkering, V., -jakkeringen. Afjapen, jaapte af, heeft afgejaapt. Afkaatsen, kaatste af, heeft en is afgekaatst. Afkaatsing, V., -kaatsingen. Afkabbelen, kabbelde af, heeft en is afgekabbeld. Afkabbeling, V. Afkaden, kaadde af, heeft a'gekaad. Afkading, V., -kadingen. Afkakelen, kakelde af, heeft af gekakeld. Afkalken, kalkte af, heeft en is afgekalkt. Afkalking, V. Afkalven (van koeien), kalfde af, heeft afgekalfd. Afkalven (van aardwerken), kalfde af, is afgekalfd. Afkalving, V., -kalvingen. Afkammen, kamde af, heeft afgekamd. Afkamming, V., -kammingen. Afkantelen, kantelde af, heeft en is afgekanteld. Afkanteling, V. Afkanten, kantte af, heeft afgekant. Afkanting, V. Afkapen, kaapte af, heeft afgekaapt. Afkappen, kapte af, heeft afgekapt. Afkapper, M., -kappers. Afkapping, V., -kappingen. Afkappingsteeken, o., -teekens. Afkapsel, o., -kapsels. Afkauwen, kauwde af, heeft afgekauwd. Afkeer, M. Afkeeren, keerde af, heeft en is afgekeerd. Afkeerig, -keeriger, -keerigst. I Afkeerigheid, V., -heden. |
AFK.
23
AFK.
|
Afkeering, V., -keeringen. afkeilen, keilde af, heeft afgekeild. Afremmen. Zie Afkammen. Afkerven, korf af, korven af, heeft afgekorven; ook kerfde af. Afketsen, ketste af, heeft en is afgeketst. Afkeueder, M., -keurders. Afkeuren, keurde af, heeft afgekeurd. Afkeurenswaard, -waarder, -waardst. Afkeurenswaardig, -waardiger, «waardigst, of meer en meest -waardig. Afkeuring, V., -keuringen. Afkeurinkje, O., -jes. Afkeurster, V., -keursters. Afkijken, keek af, keken af, heeft af- Afkuker, M., -kijkers. Afkijkster, V., -kijksters. Afkijven, keef af, keven af, heeft af-gekeven. Afkladden, kladde af, heeft afgeklad. Afklagen (zich â), klaagde zich af, heeft zich en is afgeklaagd. Afklappen, klapte af, heeft en is af- geklapt. Afklapping, V. Afklaren, klaarde af, heeft en is af-geklaard. Afklauteren, klauterde af, is en heeft afgeklauterd. Afkleeden, kleedde af, heeft afgekleed. Afklemmen, klemde af,heeft afgeklemd. Afklemming, V. Afkleppen, klepte af, heeft afgeklopt. Afklepper, M., -kleppers. Afklepping, V., -kleppingen. Afkletsen, kletste af, heeft afgekletst. Afkletsing, V, Afkleuren, kleurde af, heeft afgekleurd. Afklimmen, klom af, klommen af, is afgeklommen. Afklimming, V. Afklinken, klonk af, heeft afgeklonken. Afklooven, kloofde af, heeft afgekloofd. Afkloppen, klopte af, heeft afgeklopt. Afklopper, M., -kloppers. Afklopping, V., -kloppingen. Afklopster, V., -klopsters. Afkluiven, kloof af, kloven af, heeft afgekloven. Afkluiving, V. Afknabbelen, knabbelde af, heeft afgeknabbeld. Afknabbeling, V. Afknagen, knaagde af, heeft afgeknaagd. Afknaging, V. Afknakken, knakte af, is en heeft afgeknakt. Afknakking, v. Afknallen, knalde af, is afgeknald. Afknappen, knapte af, is en heeft afgeknapt. Afknapping, v. |
Afknarpen, knarpte af, heeft afge knarpt. Afknauwen, knauwde af, heeft afge knauwd. Afknauwing, V. Afknellen, knelde af, heeft afgekneld Afknelling, V. Afknevelen, knevelde af, heeft afge- kneveld. Afkneveling, V., -knevelingen. Afknibbelen, knibbelde af, heeft af- geknibbeld. Af knibbeling, V., -knibbelingen. Afknijpen, kneep af, knepen af, heeft en is afgeknepen. Afknijper, M., knijpers. Afknijping, V., -knijpingen. Afknippen, knipte af, heeft afgeknipt. Afknipper, M., knippers. Afknipping, V., -knippingen. Afknipsel, O., -knipsels. Afkniptang, V., -tangen; -tangetje, O., -jes. Afknoeien, knoeide af, heeft afgeknoeid. Afknotten, knotte af, heeft afgeknot. Afknotter, M., -knotters. Afknotting, V., -knottingen. Afknutselen, knutselde af, heeft af- geknutseld. Afkoelen, koelde af, heeft en is afgekoeld. Afkoeler, M., -koelers. Afkoeling, V., -koelingen. Afkoelingswet, V., -wetten. Afkoken, kookte af, heeft en is afgekookt. Afkoking, V., -kokingen. Afkomen, komt af, kwam af, kwamen af, is afgekomen. Afkomst, V. Afkomstig. Afkondigen, kondigde af, heeft afgekondigd. Afkondiger, M., -kondigers. Afkondiging, V., -kondigingen. Afkondigster, V., -kondigsters. Afkooksel, O., -kooksels. Afkookseltje, O., -jes. Afkoop, M., -koopen. Afkoopbaar, -bare. Afkoopbaarheid, V. Afkoopbaarstelling, V., -stellingen. Afkoopen, kocht af, heeft afgekocht. Afkooper, M., -koopers. Afkooping, V.. -koopingen. Afkoopprijs, M., -prijzen. Afkoopsom, V., -sommen. Afkoopster, V., -koopsters. Afkoppelen, koppelde af, heeft afgekoppeld. Afkoppeling, V. Afkorsten, korstte af, heeft en is af- gekorst. Afkorsting, V. |
AFK.
24
AFL.
|
Afkorten, kortte af, heeft afgekort. Afkorting, V., -kortingen. Afkrabbelkn, krabbelde af, heeft af-gekrabbeld. Afkrabben, krabde af, heeft afgekrabd. Afkrabber, M., -krabbers. Afkrabbertje, O., -jes. Afkrabbing, V., -krabbingen. Afkrabsel, o., Afkrassen, kraste af, heeft en is afge-krast. Afkrassing, V. Afkrijgen, kreeg af, kregen af, heeft afgekregen. Afkrimpen, kromp af, is afgekrompen. Afkronen, kroonde af, heeft afgekroond. Afkronkelen, kronkelde af, is afge-kronkeld. Afkrooien, krooide af, heeft afgekrooid. Afkrooier, M., -krooiers. Afkrooiing, V. Afkruien, krooi af, krooien af, heeft en is afgekrooien; ook kruide af, heeft en is afgekruid. Afkruhng, V. Afkruimelen, kruimelde af, heeft en is afgekruimeld. Afkruipen, kroop af, kropen af, is en heeft afgekropen. Afkuieren, kuierde af, is en heeft af-gekuierd. Afkuischen, kuischte af, heeft afge-kuischt. Afkunnen, kan af, kunnen af, konde en kon af, konden af, heeft afgekund. Afkussen, kuste af, heeft afgekust. Afkwakken, kwakte af, is-en heeft af-gekwakt. Afkwanselen, kwanselde af, heeft af-gekwanseld. Afkwijnen, kwijnde af, heeft en is af-gekwijnd. Afkwispelen, kwispelde af, heeft af-gekwispeld. Aflaadster, V., -laadsters. Aflaat, M., -laten. Aflaatbrief, M., -brieven. Aflaathandel, M. Aflaatster, V., -laatsters. Aflachen (zich â), lachte zich af, heeft zich en is afgelachen. Afladen, laadde af, heeft afgeladen. Aflader, M., -laders. Aflading, V., -ladingen. Aflakken, lakte af, heeft afgelakt. Aflandig. Aflangen, langde af, heeft afgelangd. Aflappen, lapte af, heeft afgelapt. Aflaten, liet af, heeft afgelaten. Aflater, M., -laters. Aflating, V. Aflaveeren, laveerde af, is en heeft afgelaveerd. Afleenen, leende af, heeft afgeleend. |
Afleener, m., -leeners. Afleening, V. Afleeren. leerde af, heeft en is afgeleerd. Afleerin«, V. Afleesklep, V., -kleppen; -klepje, O., -jes. Aflegboel, M., -boelen; -boeltje, O., -jes. Afleggen, legde af en leide af, heeft afgelegd en afgeleid. Aflegger, M., -leggers. Afleggertje, O., -jes. Afleggerij, V. Aflegging, V., leggingen. Aflegster, V., -legsters. Afleidbaar, -bare. Afleiden, leidde af, heeft afgeleid. Afleider, M., -leiders. Atleidertje, O., -jes. Afleiding, V., -leidingen. Aüeidinkje. O., -jes. Afleidkunde, V. Afleidkundig. Afleidkundige, M. en V., -kundigen. Afleidsel, o., -leidsels. Afleken, leekte afj is afgeleekt. Aflekken, lekte af, is afgelekt. Aflekking, v. Aflenzen, lensde af, is afgelensd. Afleppen, lepte af, heeft afgelept. Afletteren, letterde af, heeft afgelet-terd. Afleven, leefde af, heeft afgeleefd. Afleveraar, M., -leveraars. Afleveren, leverde af, heeft afgeleverd. Aflevering, V., -leveringen. Afleveringsrol, V., rollen. Aflezen, las af, lazen af, heeft afgelegen. Aflezer, M., -lezers. Aflfzing, V , -lezingen. Aflichten, lichtte af, heeft afgelicht. Aflichting, V., -lichtingen. Afliggen, lag (zich) af, lagen (zich) af, heeft (zich) en is afgelegen. Aflijmen, lymde af, heeft afgelijmd. Aflijvig. Aflijvigheid, V. Aflikken, likte af, heeft afgelikt. Aflikker, M, -likkers. Aflikking, V. Afloerder, M., -loerders. Afloeren, loerde af, heeft afgeloerd. Afloering, V., -loeringen. Afloerbter, V., -loersters. Aflokken, lokte af, heeft afgelekt. Aflokking, V., -lokkingen. Aflonken, lonkte af, heeft afgelonkt. Aflooden, loodde af, heeft afgelood. Aflooding, V. Afloogen, loogde af, heeft afgeleegd. Aflooging, v. Afloop, M., -loepen. Afloopje, -jes. Afloopen, liep af, is en heeft afge-loopei*. |
1
AFM.
AFL.
|
Aflosbaar, -bare. Aflossen, loste af, heeft afgelost. £e' Aflosser, M., lossers. Aflossing, V.. -lossingen. Aflüiden, luidde af, heeft afgeluid. 0 » afluiding, v. Afluisteren, luisterde af, heeft afge-168; luisterd. 'eIt Afluizen, luisde af, heeft afgeluisd. Afmaaien, maaide af, heeft afgemaaid. 0-' Afmaaier, M., -maaiers. Afmaaiing, V , -maaiingen. Afmaanster, V., -maansters. I Afmaken, maakte af, heeft afgemaakt. Afmaker, M., -makers. Afmakertje, O., -jes. Afmaking, V., -raakingen. ?s- Afmalen (geheel malen), maalde af, J®.- heeft afgemalen. Afmalen (afschilderen), maalde af, heeft afgemaald. | Afmaler, M., -malers. | Afmaling, V., -malingen. Afmanen, maande af, heeft afgemaand. Afmaner, M., -maners. Afmaning, V., -maningen. Afmarcheeren, marcheerde af, is afgemarcheerd. Afmarsch, m. ^ Afmartelen, martelde af, heeft afgemarteld. Afmarteling, V., -martelingen. , Afmatten, matte af, heeft afgemat. Afmattend, -mattender, -mattendst. Afmatting, V., -mattingen. Afmazen, maasde af, heeft afgemaasd. Afmeetster, V., -meetsters. Afmelden, meldde af, heeft afgemeld. Afmelding, V., -meldingen. Afmelken, molk af, heeft afgemolken. Afmennen, mende af, heeft afgemend. Afmergelen, mergelde af, heeft afge-gt; mergeld. Afmergeling, v. Afmesten, mestte af, heeft afgemest. Afmeten, mat af, maten af, heeft afgemeten. Afmeter, M., -meters. Afmeting, V., -metingen. Afmetselen, metselde af, heeft afge-metseld. Afmijnen, mynde af. heeft afgemynd. Afmijner, M., -myners. Afmijning, v., -mijningen. Afmikken, mikte af, heeft afgemikt. Afmoeten, moet af, moest af, heeft afgemoeten. Afmogen, mag af, mogen af, mocht af. Afmonsteren, monsterde af, heeft afgemonsterd. Afmonstering, V., -monsteringen. Afmoorden (zich â), moordde zich af, heeft zich afgemoord. A.fmunten, muntte af, heeft afgemunt. |
Afmdren, muurde af, heeft afgemuurd Afmuring, V., -muringen. Afnaaien, naaide af, heeft afgenaaid. Afneemdoek, M , -doeken. Afneemster, V., -neemsters. Afnemen, nam af, namen af, heeft en is afgenomen. Afnemer, M., -nemers. Afnemertje, O., -jes. Afneming, V., -nemingen. Afneuzen, neusde af, heeft afgeneusd. Afneuzer, M., -neuzers. Afneuzing, V., -neuzingen. Afnijpen, neep af, nepen af, heeft afgenepen. Afnijping, V., -nijpingen. Afnommeren en Afnummeren, nommer-de (nummerde) af, heeft afgenommerd (afgenummerd). Afnommerïng en Afnummering, V. Afoogen, oogde af, heeft afgeoogd. Afoogsten, oogstte af, heelt afgeoogst. Afoorlogen, oorloogde af, heeft afge-oorloogd. Afpachten, pachtte af, heeft afgepacht. Afpadig. Afpadigheid, V., -heden. Afpakken, pakte af, heeft afgepakt. Afpakker, M., -pakkers. Afpakking, V., -pakkingen. Afpakster, V., -paksters. Afpalen, paalde af, heeft afgepaald. Afpaling, V., -palingen. Afpanden, pandde af, heeft afgepand. Afpanding, V., -pandingen. Afpassen, paste af, heeft afgepast. Afpassing, V., -passingen. Afpeil, m. Afpeilen, peilde af, heeft afgepeild. Afpeiling, V., -peilingen. Afpeinzen, peinsde af, heeft afgepeinsd. Afpelen, peelde af, heeft afgepeeld. Afpeling, V.. -pelingen. Afpellen, pelde af, heeft en is afgepeld. Afpeller, M., -pellers. Afpelling, V., -pellingen. Afpelsel, O., -pelsels. Afpelster, V., -pelsters. Afpenhamer, M., -hamers; -hamertje, O., -jes. Afpennen, pende af, heeft afgepend. Afpenner, M., -penners. Afpenning, V., -penningen. Afperken, perkte af, heeft afgeperkt. Afperking, V., -perkingen. Afpersen, perste af, heeft afgeperst Afperser, M., -persers. Afpersing, V., -persingen. Afpeuteren, peuterde af, heeft afge-peuterd. Afpeuzelen, peuzelde af, heeft afge-peuzeld. Afpijnen, pynde af, heeft afgepijnd. Afpijnigen, pijnigde af, heeft afgepy ni^d. |
|
AFP. Afpijniging, Y. Afpijning, V. Afpikken, pikte af, heeft afgepikt. Afpingelen, pingelde af, heeft afgepingeld. Afplaggen, plagde af, heeft afgeplagd. Afplakken, plakte af, heeft afgeplakt. Afplatten, platte af, heeft afgeplat. Afplatting, V., -plattingen. Afpleiten, pleitte af, heeft afgepleit. Afplekken, plekte af, heeft afgeplekt Afpletten, plette af, heeft afgeplet. Afploegen, ploegde af, heeft ploegd. Afploeging, V., -ploegingen. Afploffen, plofte af, is en heeft afge ploft. Afplooien, plooide af, heeft afgeplooid Affloten, plootte af, heeft afgeploot. Afpluizen (bij pluisjes afplukken), ploos af, plozen af, heeft afgeplozen. Afpluizen (pluisjes wegnemen of los^ laten), pluisde af, heeft en is afgepluisd. Afpluizeb, M., -pluizers. Afpluizing, V., -pluizingen. Afplukken, plukte af, heeft afgeplukt. Afplukker, M., -plukkers. Afplukking, V. Afplukstee, v., -pluksters. afplunderen, plunderde af, heeft afge- plunderd. Afplundering, V. Afpoeieren, poeierde af, heeft en is afgepoeierd. Afpoeiering, V. Afpoetsen, poetste af, heeft afgepoetst. Afpolderen, polderde af, heeft afge- polderd. Afpoldering, V., -polderingen. Afpollen, polde af, heeft afgepeld. Afpompen, pompte af, heeft afgepompt Afpomping, V. Afprakkezeeren, prakkezeerde af, heeft afgeprakkezeerd. Afpraten, praatte af, heeft afgepraat. Afpreeken, preekte af, heeft afgepreekt. Afpressen. preste af, heeft afgeprest. Afpressing, V., -pressingen. Afprevelen, prevelde af, heeft afge-preveld. Afproeven, proefde af, heeft afgeproefd. Afpunten, puntte af, heeft afgepunt. Afpunter, M., -punters. Afpunting, V., -puntingen. Afraadster, v., -raadsters en -raad-steren. Afrabbelen, rabbelde af, heeft afge-rabbeld. Afraden, ried af, heeft afgeraden; ook raadde af. Afrader, M., -raders en -raderen. Afrafelen, rafelde af, heeft en is af-gerafeld. |
Afrafeling, V. Afraffelen, raffelde af, heeft afgeraffeld. Afragen, raagde af, heeft afgeraagd. Afraken, raakte af, is afgeraakt. Aframmelen, rammelde af, heeft afgerammeld. Afranselen, ranselde af, heeft afgeranseld. Afrapen, raapte af, heeft afgeraapt. Afraspen, raspte af, heeft afgeraspt. Afrasping, V., raspingen. Afrasterdraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O. Afrasteren, rasterde af, heeft afgerasterd. Afrastering, V., -rasteringen. Afreeden, reedde af, heeft afgereed. Afreeding, V. Afreehekel, M., -hekels. Afregenen, regende af, heeft en is afgeregend. Afreiken, reikte af, heeft afgereikt. Afreis, ook afreize, V. Afreizen, reisde af, is en heeft afgereisd. Afrekenen, rekende af, heeft afgerekend. Afrekening, V., -rekeningen. Afrennen, rende af, is en heeft afgerend. Afrepelen, repelde af, heelt afgerepeld. Afrepeling, V. Africhten, richtte af, heeft afgericht. Africhter, M., -richters. Africhting, V., -richtingèn. Africhtster, V., -richtsters. Afri.7 (het afryden), M.; (helling bij 't afrijden), V. Afrijden, reed af, reden af, is en heeft afgereden. Afrijgen, reeg af, regen af, heeft af-geregen. Afrijten, reet af, reten af, heeft afge^ reten. Afrijzen, rees af, rezen af, is afgerezen Afrijzing, V. Afrikaan (persoon), M., Afrikanen. Afri kaantje, O., -jes. Afrikaan (plant), V., afrikanen. Afri. kaantje, O., -jes. Afristen, ristte af, heeft afgerist. Afristing, V. Afrit, M. Afritsen, ritste af, heeft afgeritst. Afritsing, V., -ritsingen. Afroeien, roeide af, is en heeft afge-roeid. Afroepen, riep af, heeft afgeroepen. Afroeper, M., -roepers. Afroeping, V., -roepingen. Afroepster, V.. -roepsters. Afroesten, roestte af, is afgeroest. Afroffelen, roffelde af, heeft afgeroffeld. Afrolbaar, -bare. 26 AFR. |
AFR.
AFS.
27
|
Afrolbord, O., -borden; -bordje, O., -jes. Afrollen, rolde af, heeft en Is afgerold. Afrolling, V., -rollingen. Afronden, rondde af, heeft afgerond. Afronding, V., -rondingen. A.FRONDING8FRF.EP, V., -freezen. Afrondingsmachine, V., -machines. Afrondingsvijl, V., -vijlen. Afronselen, ronselde af, heeft afge-ronseld. Afrooien, rooide af, heeft afgerooid. Afrooiing, V., -rooiingen. Afrooken, rookte af, heeft afgerookt. afrooker, M., -rookers. Afrooking, V., -rookingen. afroomen, roomde af, heeft afgeroomd. Afrooming, V. Afrooven (ontrooven), roofde af, heeft afgerooid. Afrooving, V. Afrossen, roste af, heeft afgerost. Afrosser, m., -rossers. Afrossing, V., -róssingen. Afrotten, rotte af, is afgerot. Afrotting, V. Afroven (van 't roofje ontdoen), roofde af, heeft afgeroofd. Afroving, v. Afruien, ruide af, heeft afgeruid. Afruilen, ruilde af, heeft afgeruild. Afruischen. ruischte at, heeft en is afgeruischt. Afrukken, rukte af, heeft en is afgerukt. Afrukker, M., -rukkers. Afrukking, V., -rukkingen. Afrukster, V., -ruksters. Afsabelen, sabelde af, heeft afgesabeld. Afschaafsel, o., -schaafsels. Afschacheren, schacherde af, heeft afgeschacherd. Afschaduwen, schaduwde af, heeft af- geschaduwd. Afschaduwing, V., -schaduwingen. Afschaffen, schafte af, heeft afgeschaft. Afschaffer, M., -schallers en -schaf-feren. Afschaffing, V., -schaffingen. Afschaffingsgenootschap, O., -schappen. Afschaffingsmaatschappij, V., -maatschappijen. Afschafster, V., -schafsters en -schaf-steren. Afschaften, schaftte af, heeft afgeschaft. Afschaken, schaakte af, heeft afge-schaakt. Afschalen, schaalde af, heeft afgeschaald. Afschaling, v. Afschallen, schalde af, heeft afgeschald. Afschampen, schampte af, is afgeschampt. |
Afschamper, M., -schampers. Afscham-pertje, O., -jes. Afschamping, V., -schampingen. Afschansen, schanste af, heeft afge-schanst. Afschansing, V, -schansingen. Afschaveelen en afschavielen, schaveelde (schavielde) af, is afgescha-veeld (afgeschavield). Afschaveeling en afschavieling, V. Afschaven, schaafde af, heelt en is afgeschaafd. Afschavielen. Zie Afschaveelen. Afschaving, V., -schavingen. Afscheep, M. Afscheepster, V., -scheepsters. Afscheerder, M., -scheerders. Afscheerster, V.. -scheersters. Afscheid, O. Afscheidje, O., -jes. Afscheidbaar, -bare. Afscheidbaarheid, V. Afscheidelijk. Afscheidelijkheid, V. Afscheiden, scheidde af, is en heeft afgescheiden. Afscheider, M., -scheiders. Afscheiding, V., -scheidingen. Afschel-dinkje, O , -jes. Afscheidingslijn, V., -lijnen. Afscheidingsmuur, M., -muren. Afscheidingssloot, V., -slooten. Afscheidingsvat, O., -vaten. Afscheidnemen, O. Afscheidneming, V. Afscheidsbezoek, O., -bezoeken. Afscheidsbrief, M., -brieven; -briefje, O., -jes. Afscheidsel, O., -scheidsels en scheid-selen. Afscheidseltje, O-, -jes. Afscheidsgroet, M., -groeten; -groetje, O., -jes. Afscheidskus, M., -kussen; -kusje, O., -jes. Afscheidspreek, V., -preeken. Afscheidsrede, V., -redenen. Afschelferen. Zie Afschilferen. Afschellen, schelde af, heeft afge-scheld. Afschemeren, schemerde af, heeft afge-schemerd. Afschemering, V., -schemeringen. Afschenken (afgieten), schonk af, heeft afgeschonken. Afschenken (in de pijpenmakerij), schenkte af, heeft afgeschenkt. Afschenker, M., -schenkers. Afschen-kertje, O., -jes. Afschenking, V., -schenkingen. Afschepen, scheepte af, heeft afgescheept. Afscheper, M., -schepers. Afscheping, V., -schepingen. Afscheppen, schepte af, heeft afgeschept. |
AFS. 28 AFS.
|
Afscheren, schoor af, schoren af, heeft afgeschoren. Afschering, V., -scheringen. Afschermen, schermde af, heeft afgeschermd. Af.-cherven, scherfde af, heeft en is afgescherfd. Afscherving, V., -schervingen. Afschetsen, schetste af, heeft afgeschetst. Afschetser, M., -schetsers. Afschetsing, V., -schetsingen. Afscheuren, scheurde af, heeft en is afgescheurd. Afscheuring, V., -scheuringen. Afschieten, schoot af, schoten af, heeft en is afgeschoten. Afschieting, V. Afschijn, M. Afschijnen, scheen af, schenen af, heeft afgeschenen. Afschijnsel, O., -schynsels en -schtfn-selen. Afschijven, schijfde af, heeft afgeschyfd. Afschijver, M., schijvers. Afschijving, V. Afschikken, schikte af, is en heeft afgescliikt. Afschilderen, schilderde af, heeft afgeschilderd. Afschildering, V., -schilderingen. Afschilferen en Afschelferen, schilferde (schelferde) af, is en heeft afgeschilferd (afgeschelferd). Afschilfering en Afschelfering, V., -schilferingen (schelferingen). Afschillen, schilde af, heeft en is afgeschild. Afschiller, M., -schillers. Afschilling. V., -schillingen. Afschilsel, o., -schilsels. Afschimpen, schimpte af, heeft afge-schimpt. Afschitteren, schitterde af, heeft af-geschitterd. Afschittering, V. Afschobben, schobde af, is afgeschobd. Afschoffelen (langzaam afdalen), schoffelde af, is afgeschofleld. Afschoffelen (met de schoüel losmaken), schoffelde af, heeft afgeschoffeld. Af.schoffeling, V. Afschokken, schokte af, is en heeft afgeschokt. Afschommelen, schommelde af, is af-geschommeld. Afschooien, schooide af, heeft afge-schooid. Afschoppen, schopte af, heeft afgeschopt. Afschot, O. Afschouw, M. Afschouwen, schouwde af, heeft afge-gchouwd. |
Afschouwer, M., -schouwers. Afschouwing, V. Afrchraapschaar, V., -scharen; -schaartje, O, -jes. Afschraapsel, O. Afschraapster, V., -schraapsters. Afschrabben, schrabde af, heeft afge-schrabd. Afschrabber, M., -schrabbers. Afschrabbing, V., -schrabbingen. Afschrabsel, o. Afschrabster. O., -schrabsters. Afschrapen, schraapte af, heeft afgeschraapt. Afschraper, M., -schrapers. Afschraper-tje, O., -jes. Afschraping, V., -schrapingen. Afschrappen, schrapte af, heeft afgeschrapt. Afschrapper, M., -schrappers. Afschrapping, V., -schrappingen. Afschrapsel, O. Afschrapster, V., -schrapsters. Afschreeuwen, schreeuwde (zich) af, heeft (zich) en is afgeschreeuwd. Afschreien, schreide (zich) af, heeft (zich) en is afgeschreid. Afschrift, O., -schriften. Afschriftje, O., -jes. Afschriftenbgek, O., -boeken. Afschrijfgeld, O., -gelden. Afschrijfloon, O., -loonen. Afschrijfpunt, V., -punten; -puntje, O., -jes. Afschrufster, V, -schrijfsters en -schryf.steren. Afschrijven, schreef (zich) af, schreven (zich) af, heeft (zich) en is afgeschreven. Afschrijver, M., -schryvers en -schry-veren. Afschryvertje, O., -jes. Afschrijving, V., -sciirijvingen. Afschrijvingsbank, V., -banken. Afschrik, M. Afschrikken, schrikte af, is en heeft afgeschrikt. Afschrikking, V. Afschrikwekkend, -wekkender, -wek-kendst. Afschrobben, schrobde af, heeft afgeschrobd. Afschrobbing, V., -schrobbingen. Afschroeien, schroeide af, heeft en is afgeschroeid. Afschroehng, V. Afschroeven, schroefde af, heeft afgeschroefd. Afschroeving, V., -schroevingen. Afschubben, schubde af, heeft afge-schubd. AfschubbIng, V. Afschudden, schudde af, heeft afgeschud. Afschudder, M., -schudders. Afschudding, V. |
APS.
AFS.
29
|
afschüdster, V., -schudsters. Afschuieren, schuierde af, heeft afgeschuierd. Afschuieking, v. afschuimen, schuimde af, is en heeft afgeschuimd. afschuimeb, M., -schuimers. Afschuiming, V. Afschuimsteb, V., -schuimsters. Afschuinen, schuinde af, heeft afgeschuind. Afschuining, V., -schuiningen. Afschuiven, schoof af, schoven af, heeft en is afgeschoven. Afschuiving, V., -schuivingen. Afschuren, schuurde af, heeft en is afgeschuurd. Afschuring, V., -schuringen. Afschutsel, O., -schutsels en -schutse-len. Afschutseltje, O., -jes. Afschutten, schutte af, heeft afgeschut. Afschutting, V., -schuttingen. Afschut-tinkje, O., -jes. Afschuurder, M., -schuurders. Afschuursel., O. Afschuurster. V., -schuursters. Afschuw, M. Afschuwbaar, -baarder, -baarst. Afschuwelijk, -lijker, -lijkst. Afschuwi lukheid, V., -heden. Afschuwwekkend, -wekkender, -wek-kendst. Afseinen, seinde af, heeft afgeseind. Afseining, V., -seiningen. Afseizen, seisde af, heeft afgeseisd, Afseizing, V. Afsijpelen, sijpelde af, is en heeft af-gesijpeld. Afsijpeling, V. Afsjobben, sjorde af, heeft afgesjord. Afsjouwen, sjouwde (zich) af, heeft (zich) en is afgesjouwd. Afslaan, slaat af, sloeg af, heeft en is afgeslagen. Afslag, M., -slagen. Afslagje, O., -jes. Afslageb, M., -slagers. Afslaven (zich â), slaafde zich af, heeft zich en is afgeslaafd. Afslechten, slechtte af, heeft en is afgeslecht. Afslechthameb, M., -hamers; -hamertje, O., -jes. Afslechting, V. Afsleepen (aftrekken), sleepte af; heeft afgesleept. Afsleeping, V., -sleepingen. Afslenteben, slenterde af, is afgeslen-terd. Af.-lepen (afhangen), sleepte af, heeft afgesleept. Afsleuben, sleurde af, heeft afgesleurd. Afslibbeben, slibberde af, is afgeslib-berd. Afslieren, slierde af, is afgeslierd. |
Afslijpen, sleep af, slepen af, heeft afgeslepen. Afsluper, M., -slapers. Afslijping, V., -slypingen. Afslijpsel, O Afslijten, sleet af, sleten af, heeft en is afgesleten. Afslijting, V. Afslingeren, slingerde af, heeft en is afgeslingerd. Afslobberen, slobberde af, heeft afge-slobberd. Afsloffen, slofte af, heeft en is afgesloft. Afslonsster, V., -sionssters. Afslonzen, slonsde af, heeft afgeslonsd. Afslonzer, M., -slonzers. Afslonzing. V. Afsloopen, sloopte af, heeft afgesloopt. Afslooten, slootte af, heeft afgesloot. Afslooting, V., -slootingen. Afslorpen en Afslurpen, slorpte (slurpte) af, heeft afgeslorpt (afgeslurpt). Afslorping en Afslubping, V. Afsloven, sloofde (zich) af, heeft (zich) afgesloofd. Afsloving, V. Afsluipen, sloop af, slopen af, Is afgeslepen. Afsluitdijk, M., -djjken. Afsluiten, sloot af, sloten af, heeftaf-gesloten. Afsluiteb, M., -sluiters. Afsluiting, V., -sluitingen. Afsluitinkje, O., -jes. Afsluitingsdeelen (mv.), o. Afsluitingshek, O., -hekken. Afsluitingsmuub, M., -muren. Afsluitingsstelsel, O., -stelsels. Afsluïtingstoestel.M. en ü.,-toestellen. Afslubpen. Zie Afslorpen. Afsmakken, smakte af, heeft afgesmakt. Afsmallen, smalde af, heeft afgesmald. afsmeden, smeedde af, heeft afgesmeed. Afsmeeken, smeekte af, heeft afgesmeekt. Afsmeeking, V. Afsmelten, smolt af, is en heeft afgesmolten. Afsmeben, smeerde af, heeft afgesmeerd. Afsmebing, V. Afsmetten, smette af, heeft afgesmet. Afsmijten, smeet af, smeten af, heeft afgesmeten. Afsmokkelen, smokkelde af, heeft af-gesmokkeld. Afsnauw, M. Afsnauwen, snauwde af, heeft afgesnauwd. Afsnede en Afsnee, V., -sneden. Afsnellen, snelde af, is en heeft afge-sneld. Afsnijden, sneed af, sneden af, heeft afgesneden. Afsnudeb, M., -snijders. |
AFS.
AFS.
30
|
Afsnijding, V., -snijdingen. Afsnijdsel, O., -snijdsels. Afsnijdster, V., -snijdsters. Afsnijhout, o., -houten. Afsnijschaar, V., -scharen; -schaartje, O., -jes. Afsnipperen, snipperde af, heeft afge- snipperd. Afsnippering, V. Afsnoeien, snoeide af, heeft afgesnoeid. Afsnoeier, M., -snoeiers. Afsnoeiing, V., -snoeiingen. Afsnoeisel, O., -snoeisels. Afsnoeister, V., -snoeisters. Afsnoepen, snoepte af, heelt afgesnoept. Afsnorren, snorde af, is afgesnord. Afsnuiten (eene kaars), snoot af, snoten af, heeft afgesnoten. Afsnuiten (een stuk hout), snuitte af, heeft afgesnuit. Afsnuiting, V. Afsnuitsel, o., -snuitsels. Afsollen, solde (zich) af, heeft (zich) en is afgesold. Afsoppen, sopte af, heeft afgesopt Afspaden, spaadde af. heeft afgespaad. Afspanen, spaande af, heeft afgespaand. Afspannen, spande af, heeft afgespannen. Afspanner, M., -spanners. Afspanning, V., -spanningen. Afspatten, spatte af, is afgespat. Afspatting, V., -spattingen. Afspelden, speldde af, heeft afgespeld. Afspelen, speelde (zich) af, heelt (zich) en is afgespeeld. Afspeten, speette af, heeft afgespeet. Afspeuren, speurde af, heeft afgespeurd. Afspieden, spiedde af, heeft afgespied. Afspieder, m., -spieders. Afspieding, V., -spiedingen. Afspiedster, V., -spiedsters. Afspiegelen, spiegelde af, heeft afgespiegeld. Afspiegeling, V., -spiegelingen. Afspinnen, spon af, sponnen af, heeft afgesponnen. Afspitten, spitte af, heeft afgespit. Afspluten, spleet af, spleten af, is en heeft afgespleten. Afsplijting, V., -splijtingen. Afsplinteren, splinterde af, is en heeft afgesplinterd. Afsplintering, V., -splinteringen. Afspoelen, spoelde af, heeft en is afgespoeld. Afspoeling, V., -spoelingen. Afsponsen, sponste af, heeft afge- sponst. Afsponsing, V. Afsporen, spoorde af, heeft afgespoord. Afspouwen, spouwde af, heeft afge- spouwen. Afspouwing, V. |
Afspraak, V., -spraken. Afspraakje, O., -jes. Afspreken, sprak af, spraken af, heeft en is afgesproken. Afspringen, sprong af, is en heeft afgesprongen. Afspringing, V. Afspruiten, sproot af, sproten af, is afgesproten. Afspruitsel, o., -spruitsels. Afspuiten, spoot af, spoten af, heeft afgespoten. Afstaan, staat af, stond af, heeft afgestaan. Afstammeling, M. en V., -stammelingen. V. ook afstammelinge. Afstammen, stamde af, is afgestamd. Afstamming, V. Afstampen, stampte af, heeft afgestampt. Afstand, M., -standen. Afstandsmeting, V.. -metingen. Afstandswuzer, M., -wyzers. Afstapelen, stapelde af, heeft afge-stapeld. Afstappen, stapte af, is en heeft afgestapt. Afstaren, staarde af, heeft afgestaard. Afsteekbeitel, M., -beitels; -beiteltje, O., -jes. Afsteeksel, O., -steeksels. Afsteken, stak af, staken af, heeft en is afgestoken. Afsteker, M., -stekers. Afsteking, V., -stekingen. Afstel, O. Afstelen, stal af, stalen af, heeft afgestolen. Afstellen, stelde af, heeft afgesteld. Afstelling, V., -stellingen. Afstemmen, stemde af, heeft afgestemd. Afstemmer, M., -stemmers. Afstemming, V., -stemmingen. Afstempelen, stempelde af, heeft afgestempeld. Afstempeling, V. Afsterven, stierf af, stierven af, is afgestorven. Afsterving, V. Afstevenen, stevende af, is afgestevend. Afstijgen, steeg af, stegen af, is afgestegen. Afstijging, V., -stijgingen. Afstikken, stikte af, heeft afgestikt. Afstippen, stipte af, heeft afgestipt. Afstipping, V. Afstoffen, stofte af, heeft afgestoft. Afstoffing, V., -stoffingen. Afstoken, stookte af, heeft afgestookt. Afstoking, V. Afstommelen, stommelde af, is en heeft afgestommeld. Afstompen, stompte af, heeft afgestompt. |
AFT.
31
AFS.
|
| afstomping, V. i afstoomen stoomde af, is en heeft afgestoomd. ! afstootbank, v., -banken. j afstootboom, M., -boomen. i Afstooten, stiet af, heeft afgestooten; 1 ook stootte af. Afstootek, M., -stooters. Afstootijzer, O., -ijzers. â Afstooting, V., -stootingen. I Afstoppen, stopte af, heeft afgestopt. Afstormen, stormde af, heelt en is afgestormd. ! Afstorten, stortte af, heeft en is af-| gestort. | Afstorting, V. ; Afstoven, stoofde af, heeft afgestoofd, i Afstraalsel, O., -straalsels. i Afstraffen, strafte af, heeft afge-| straft. i Afstraffing, V., -straffingen. ; Afstralen, straalde af, heeft en is afgestraald. ^ Afstraling, V., -stralingen. Afstratkn, straatte af, heeft afgestraat. ; Afstrating, V., -stratingen. ' Afstrijden, streed af, streden af, heeft afgestreden. Afstrijken, streek af, streken af, is en heeft afgestreken. Afstrijking, V. 1 Afstrompelen, strompelde af, is en heeft afgestrompeld. i Afstroomen, stroomde at, is en heeft afgestroomd. Afstroomjng, V., -stroomingen. I Afstroopen, stroopte af, heeft afgestroopt. Afstrooper, M., -stroopers. Afstrooping, V., -stroopingen. Afstroopschaaf, v., -schaven; -schaafje, O., -jes. Afstudeeren, studeerde af, heeft afgestudeerd. Afstuiten, stuitte af, is en heeft afgestuit. Afstuiting, V. Afstuiven, stoof af, stoven af, is afgestoven. Afstuiving, V., -stuivingen. Afsturen, stuurde af, heeft afgestuurd. Afstuwen, stuwde af, heeft en is af-gestuwd. Afsuffen (zich â), sufte (zich) af, heeft (zich) en is afgesuft. Afsukkelen, sukkelde af, is en heeft afgesukkeld. Afsullen, sulde af, is afgesuld. Aftafelen, tafelde af, heeft afgetafeld. Aftakelen, takelde af, heeft en is afgetakeld. Aftakeling, v. Aftandsch. Aftap, M. |
Aftapkraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes. Aftappen, tapte af, heeft afgetapt. Aftapper, M., -tappers. Aftapping, V., -tappingen. Aftafplug, V., -pluggen. Aftapster, V., -tapsters. Aftarnen, tarnde af, heeft en is af-getarnd. Aftarren, tarde af. heeft afgetard. Afteekenaar, M., -teekenaars. Afteekenen, teekende af, heeft afge- teekend. Afteekening, v., -teekeningen. Afteilen, teilde af, heeft afgeteild. Aftelegraphekren, telegrapheerde af, heeft afgetelegrapheerd. Aftellen, telde af, heeft afgeteld. Aftelliedje, o., -jes. Aftelling. V., -tellingen. Aftelrijmpje, o., -jes. Afteren, teerde af, heeft afgeteerd. Aftikken, tikte af, heelt afgetikt. Aftillen, tilde af, heeft afgetild. Aftilling, V. Aftimmeren, timmerde af, heeft afgetimmerd. Aftimmering, V. Aftobben, tobde af, heeft afgetobd. Aftocht, M., -tochten. Aftonnen, tonde af, heeft afgetond. Aftoomen, toomde af, heeft afgetoomd. Aftoonen, toonde af, heeft atgetoond. Aftooveren, tooverde af, heeft afge-tooverd. Aftoppen, topte af, heeft afgetopt. Aftornen, tornde af, heeft en is afgetornd. Aftopsen, torste af, heeft afgetorst. Aftouwen, touwde af, heeft afgetouwd. Aftouwing, V. Aftranen, traande af, heeft afgetraand. Aftraning, V. Aftrappen, trapte af, heeft afgetrapt. Aftred, M. Aftreden, trad af, traden af, is en heeft afgetreden. Aftreding, V. Aftrek, M., -trekken. Aftrekje, O.,-jes. Aftrekhekel, M., -hekels. Aftrekken, trok af, trokken af, heeft en is afgetrokken. Aj-trekker, M., -trekkers. Aftrekking, V., -trekkingen. Aftrekriem, M., -riemen. Aftrekrol, V., -rollen. Aftreksel, O., -treksels; -trekseltje, O., -jes. Aftrekspier, V., -spieren. Aftrektouw, O., -touwen. Aftrekvijl, V., -vylen. Aftreuren, treurde af^ heeft afgetreurd. Aftrippelen, trippelde af, is afgetrip-peld. I In |
il
i.;l! i
APV.
APT.
32
|
Aftboefster, V., -troefsters. aftroetelen, troetelde af, heeft afge-troeteld. Aftroeven, troefde af, heeft afgetroefd. Aftroever, M., -troevers. Aftroeving, V. Aftroffelen, troffelde af, heeft afge-troffeld. Aftroggelen, troggelde af, heeft afgetroggeld. Aftroggeling, V., -troggelingen. Aftrommelen, trommelde af, heeft af- getrommeld. Aftrompetten, trompette af, heeft af- getrompet. Aftroonen, troonde af, heeft afgetroond. Aftuigen, tuigde af, heeft afgetuigd. Aftuiging, V. Aftuimelen, tuimelde af, is afgetuimeld. Aftuinen, tuinde af, heeft afgetuind. Aftuining, V, -tuiningen. Afturen, tuurde af, heeft afgetuurd. Afturven, turfde af, heeft afgeturfd. Aftweernen, tweernde af, heelt afge-tweernd. Aftwijnen, twynde af, heeft afgetwynd. Afvaardigen, vaardigde af, heeft afgevaardigd. Af vaardiger, M., -vaardigers. Afvaardiging, Vm -vaardigingen. Afvaardigster, V., -vaardigsters. Afvaart, V., -vaarten. Afvagen, vaagde af, heeft afgevaagd. Afval (het afvallen). M. Afval (het afgevallene), O. Afvallen, viel af, is afgevallen. Afvallig, -valliger, -valligst. Afvallige, M. en V., -valligen. Afvalligheid, V. Afvangen, ving af, heeft afgevangen. Afvaren, voer af, is en heeft afgevaren. Af vechten, vocht af, heeft afgevochten. Afveegsel, O. Afveegster, V., -veegsters. Afvegen, veegde af, heeft afgeveegd. Afveger, M., -vegers. Afveging, V., -vegingen. Afvenen, veende af, heeft afgeveend. Afvening, V., -veningen. Afvergen, vergde af, heeft afgevergd. Afverging, V. Afverven, verfde af, heeft afgeverfd. Afveteren, veterde af, heeft afgeveterd. Afvieren, vierde af, heeft afgevierd. Afviering, V. Afvijlen, vjjlde af, heeft afgevyld. Afvijler, M., -vijlers. Afvijling, V., -vylingen. Afvijlrasp, V., -raspen. Afvijlael, o. Afvillen, vilde af, heeft afgevild. Af villing, V., -villingen. Afvisschen, vischte af, heeft afgevischt. |
Afvissching, V. Afvlakken, vlakte af, heeft afgevlakt. Afvlakking, V. Afvlechten, vlocht af, heeft afgevlochten. Afvleezen, vleesde af, heeft afgevleesd. Afvleezing, V. Afvleien, vleide af, heeft afgevleid. Afvlekken, vlekte af, heeft afgevlekt. Afvlieden, vlood af, vloden af, is af-gevloden. Afvliegen, vloog af, vlogen af, is en heeft afgevlogen. Af vlieten, vloot af, vloten af, is af-gevloten. Afvlijmen, vlijmde af, heeft afgevlymd. Afvlijming, V. Afvloeibuis, V., -buizen. Afvloeien, vloeide af, is en heeft afgevloeid. Afvloeiing, V., -vloeiingen. Afvloeipijp, V., -pijpen. Afvlooien, vlooide af, heeft afgevloeid. Afvlotten, vlotte af,is en heeft afgevlot. Afvluchten, vluchtte af, is afgevlucht. af voederen, voederde af, heeft afge- voederd. Afvoedering, V. Afvoegen, voegde af, heeft afgeveegd. Afvoer, M. Afvoerbank, V., -banken. Afvoerbuis, V., -buizen. Afvoerder, M., -voerders. Afvoeren, voerde af, heeft afgevoerd. Afvoergeul, V,, -geulen. Afvoering, V. Afvoerkanaal, O., -kanalen. Afvoerpijp, V., -pflpen. Afvoerrol, V., -rollen. Afvollen, volde af, heeft afgevold. Afvorderen, vorderde af, heeft afgevorderd. Afvordering, V., -vorderingen. Afvormen, vormde af, heeft afgevormd. Afvormer, M., -vormers. Afvorming, V. Afvou wen, vouwde af, heeft afgevouwen. Afvragen, vraagde af, heeft afgevraagd; ook vroeg af. Afvraging, V. Afvreten, vrat af, vraten af, heeft af- gevreten. Afvreting, V. Afvriezen, vroor af, vroren af, heeft en is afgevroren en afgevrozen. Afvriezing, V. Afvrijen, vrijde af, heeft afgevryd; ook vree af, vreeën af, heeft afgevreeën. Afvuren, vuurde af, heeft afgevuurd. Afvuring, V., -vuringen. Afwaaien, waaide af, heeft en is afgewaaid; ook woei af, woeien af. Afwaaung, V. Afwaarts (byw.). |
AFW.
33
AFW.
|
Afwaabtboh (bnw.). Afwachten, wachtte af, heeft afgewacht. Afwaohtek, M., -wachters. Afwachting, V. Afwachtsteh, V., -wachtsters. Afwaggelen, waggelde af, is afgewag-geld. Afwaken (zich â), waakte zich af, heeft zich en is afgewaakt. Afwallen, walde af, heeft afgewald. Afwalling, V., -wallingen. Afwandelen, wandelde af, is en heeft afgewandeld. Afwapperen, wapperde af, heeft afge-wapperd. Afwasschen, wiesch af, wieschen af, heeft afgewasschen; ook waschte af. Afwabsching, V., -wasschingen. Afwateren, waterde af, heeft afgewaterd. Afwatering, V., -wateringen. Afweegsteb, V., -weegsters. IAfweekenAfweeken, weekte af, heeft en is afgeweekt. Afweeking, v., -weekingen. Afweenen, weende af, heeft afgeweend. Afweer, M. Afweerbaar, -bare. Afweerder, M., -weerders. Afweebbteb, V., -weersters. Afwegen, woog af, wogen af, heeft afgewogen. Af weger, M., -wegers. Afweging, V., -wegingen. Afweiden, weidde af, heeft afgeweid. Afweiding, V., -weidingen. Afwenden, wendde af, heeft en is afgewend. Afwendeb, M., -wenders. Afwending, V., -wendingen; -wendinkje, O., -jes. Afwendsteb, V.. -wendsters. Afwenken, wenkte af, heeft afgewenkt. Afwennen, wende af, heeft en is afgewend. Afwenning, V. Afwentelen, wentelde af, heeft en is afgewenteld. Afwenteling, V. Afweben, weerde af, heeft afgeweerd. Afwebing, V., -weringen. Afwebken, werkte (zich) af, heeft (zich) en is afgewerkt. Afwebkeb, M., -werkers. Afwebking, v. Afwebkschaaf, v., -schaven. Afwebksteb, v., -werksters. Afwebpen, wierp af, heeft afgeworpen. Afwerping, v. Afweten (laten â). Afweven, weefde af, heeft afgeweven. Afwezen, o. Afwezend. Afwezendheid, v. |
Afwezig. Afwezigheid, V. Afwieden, wiedde af, heeft afgewied. Afwiegelen, wiegelde af, heeft en is afgewiegeld. Afwijken, week af, weken af, is afgeweken. Afwukeb, M., -wykers. Afwijking, V., -wykingen. Afwijksteb. V., -wijksters. Afwijzen, wees af, wezen af, heeft afgewezen. Afwijzig, afwyziger, afwijzigst. Afwijzing, V., -wyzingen. Afwillen, wil af, wilde (wou) af, heeft afgewild. Afwimpelen, wimpelde af, heeft afgewimpeld. Afwimpeling, V. Afwinden, wond af, heeft afgewonden. Afwindeb, M., -winders. Afwinding, V., -windingen. Afwindsteb, V., -windsters. Afwinnen, won af, wonnen af, heeft afgewonnen. Afwippen, wipte af, is en heeft afgewipt. Afwisschen, wischte af, heeft afge- wischt. Afwibscheb, M., -wisschers. Afwibbching, V., -wisschingen. Afwisselen, wisselde af, heeft afgewisseld. Afwisselend. Afwisseling, V., -wisselingen. Afwitten, witte af, heeft afgewit. Afwitting, V. Afwoelen, woelde af, heeft afgewoeld. Afwoeling, V. Afwbijven, wreef af, wreven af, heeft afgeweven. Afwbijving, V., -wrijvingen. Afwbingen, wrong af, heeft afgewron- gen. Afwbinging, V. Afwboeten, wroette af, heeft afgewroet. Afwuiven, wuifde af, heeft afgewuifd. Afzaaien, zaaide af, heeft afgezaaid. Afzaat, M., -zaten. Afzaatbgewïjze. Afzabbelen, zabbelde af, heeft afcre-zabbeld. Afzabbeben, zabberde af, heeft afgv zabberd. Afzadelen, zadelde af, heeft afgezadeld. Afzadeling, v. Afzagen, zaagde af, heeft afgezaagd. Afzageb, M., -zagers. Afzagïng, V.. -zagingen. Afzakken (dalen), zakte af, is afgezakt. Afzakken (in zakken doen), zakte af, heeft afgezakt, Afzakkeb, M., -zakkers, Afzakkebtje, O., -jes. Afzakking, V., -zakkingen. |
AFZ.
34
AFZ.
|
Afzanden, zandde af, heelt afgezand. Afzanderij, V., -zanderijen. Afzandïng, V., -zandingen. Afzeepen, zeepte af, heeft afgezeept. Afzeeping, V. Afzegelen, zegelde af, heeft afgezegeld. Afzeggen, zeide af, heelt afgezegd en afgezeid. Afzegging, V., -zeggingen. Afzeilen, zeilde af, is en heeft afgezeild. Af zeiling, V. Afzenden, zond af, heeft afgezonden. Afzender, M., -zenders. Afzending, V., -zendingen. Afzendster. V., -zendsters. afzengen, zengde af, heeit afgezengd. Afzenging, v. Afzet, M. Afzetbaar, -bare. Afzetbaarheid, V. Afzetnet, O., -netten. Afzetplank, V., -planken. Afzetsel, O., -zetsels en zetselen. Af- zetseltje, O., -les. Afzetster, v., -zetsters. Afzetten, zette af, heeft en is afgezet. Afzettend. Afzetter, M., -zetters. Afzetterij, V., -zetterijen. Afzettertje. O., -jes. Afzetting, V., -zettingen. Afzetzaag, V.. -zagen; -zaagje, O., -jes. Afzeulen, zeulde af, heeft afgezeuld. Afzeven, zeefde af, heeft afgezeefd. Afzichtelijk, -lijker, -lijkst. Afzichtelijkheid, V., -heden. Afzichten (met de zicht afmaaien), zichtte af, heeft afgezicht. Afzien, zag af, zagen af, heeft afgezien. Afzienbaar, -bare. Afzienbaarheid, v. Afziften, ziftte af, heeft afgezilt. Afzifting, V. Afzijgen (afzakken), zeeg af, zegen af, is afgezegen. Afzijgen (doen afvloeien), zeeg af, zegen af, heelt afgezegen. Afzijgsel, o., -zijgsels. Afzijn. Afzijn, O. Afzingen, zong af, heeft afgezongen. Afzitten, zat af, zaten af, is en heeft afgezeten. Afzoden, zoodde af, heeft afgezood. Afzoeken, zocht af, heelt afgezocht. Afzoeking, V. Afzoenen, zoende af, heeft afgezoend. Afzonderen, zonderde af, heeft afgezonderd. Afzondering, v., -zonderingen. Afzonderingsküur, V., kuren. Afzonderlijk. Afzoomen, zoomde af, heeft afgezoomd. |
Afzouten (zouten), zoutte af, heeft afgezouten. Afzouten (afschepen), zoutte af, heeft afgezout. Afzouting, V. Afzuchten, zuchtte (zich) af, heeft (zich) en is afgezucht. Afzuigen, zoog af, zogen af, heeft afgezogen. Afzuiging, V., -zuigingen. Afzwaaien, zwaaide af, heeft en is afgezwaaid. Afzwaaiing, V. Afzwalpen, zwalpte af, heeft en is afgezwalpt. Afzweepen, zweepte af, heeft afge-zweept. Afzweerder, M., -zweerders. Afzweeten, zweette (zich) af, heeft (zich) en is afgezweet. Afzwemmen, zwom af, zwommen af, heeft en is afgezwommen. Afzweren (met een eed verwerpen), zwoer af, heeft afgezworen. Afzweren (door verzwering afvallen), zwoor af, zworen af, is afgezworen. Afzwering, V., -zweringen. Afzwerven, zwierf af, zwierven af, is afgezworven. Afzwerving, V., -zwervingen. Afzwetsen, zwetste af, heeft afgezwetst. Afzweven, zweefde af, is afgezweefd. Afzwieren, zwierde af, is en heeft afgezwierd. Afzwoegen, zwoegde (zich) af, heeft (Zich) en is afgezwoegd. Agaat (stofnaam), O.; (steen), M.,agaten. Agaatje, O., -jes. Agaten (bnw.). Ageeren, ageerde, heeft geageerd. Agent, M., agenten. Agentje, O., -jes. Agentschap, ü., -schappen; -schapje, ü., -jes. Agentuur, V., agenturen. Agentuurtje, O., -jes. Agger, M. Agio, M. Agitatie, V., agitatiën en agitaties. Agiteeren, agiteerde, heeft geagiteerd. Agurk. Zie Augurk. Ah. Aha. Ahorn, M., ahornen. Ahorntje, O., -jes. Ahornen (bnw.). Ai (tusschenw.). Ai (dier), M., ai's. Ajakkes. Ajasses. Ajuin (vrucht), M., ajuinen. Als stofnaam, V. Ajuintje, O., -jes. Ajuinachtig. Akant, M., akanten. Akefietje, O., -jes. Akelei, V., akeleien. |
j
AKE.
ALGr.
35
|
Akelig, akeliger, akeligst. Akeligheid, V., -heden. Aker (eikel en emmer), M., akers. Akertje, O., -jes. Akerspek, o. Akervarken, O., - varkens. Akker, M., akkers. Akkertje, O., -jes. Akkeraarde, V, Akkerbouw, M. Akkeren, akkerde, heeft geakkerd. Akkerland, o., -landen. akkermaal, o. Akkermaalsbosch, o., bosschen. Akkermaalshout, o. Akkerman, M., -lieden en -lui. Akkoord, O., akkoorden. Akkoordje, O., -jes. Akolei. Zie Akelei. akoniet (plant), V., akonieten; (vergif). O. Aks en akst, V., aksen en aksten. Akte, V., akten. Al, als zelfst. nw., O. Al (byw. en voegw.). Alaan (bijw). Alam, O. Alant, M. Alantswijn, M. Alantswortel, M., -wortels. Alarmeeren, alarmeerde, heeft gealarmeerd. Alarmklok, V., -klokken. Alarmkreet, M., -kreten. Alarmsein, o., -seinen. Alarmtrom, V , -trommen. Albast, O. Albasten (bnw.). Albatros, M., albatrossen. Albe, V., alben. Albedil, M. en V., -bedillen. Albehoeder, M. Albeschik, M. en V., -beschikken. Albestuur, o. Albestuurder, M. Albino, M. en V., albino's. Album, O , albums. Albumblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes. Albumine, V. Albumvers, o., -verzen; -versje, o.,-jes. Alchimie, V. Alchimist, M., alchimisten. Alchimisterij, V. Alcohol, M. Aldaar. Aldra. Aldus. Aleer. Alexandrijn, M., alexandrijnen. Alft, m., alften. Alge, v., algen. Algebra, V. Algebraïsch. Algeheel, -geheele. Algemeen, -gemeener, -gemeenst. |
Algemeen, O. Algemeenheid, V., -heden. Algenoegzaam, zame. Algenoegzaamheid, V. Algoede, M. Algoedheid, V. Alhier. Alhoewel. Alias, M., aliassen. Alibi, O., alibi's. Alikab, M., alikassen. Alikruik, V., alikruiken. Alinea, V.. alinea's. Alk, V., alken. Alkje, O., -jes. Alkoof, V., alkoven. Alkoofje, O., -jes. Alkoran, M. Allebeide en allebei. Alledaagsch. Alledaagschheid, V. Alleen. Alleenblijven, bleef alleen, bleven alleen, is alleengebleven. Alleenhandel, M. Alleenheerschappij, V. Alleenheerscher, M., -heerschers. Alleenig. Alleenlaten, liet alleen, heeft alleengelaten. Alleenlijk. Alleenspraak, V., -spraken. Alleenstaan, stond alleen, heeft alleen- gestaan. Alleenzaligmakend. Allegaar. Allegaartje, O., -jes. Allegorie, V,, allegorieën. Allegorisch. Allegro, O., allegro's. Allemaal. Alleman. Allemansgading, V. Allemansgek, M., -gekken. Allemansvriend, M., -vrienden. Allengs. Allengskens. Allknthalve. Allerbest. Allerchristelijkst. Allerhande. Allerheiligen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten). Allerhoogst. Allerhoogste, m. Allerlei. Allerliefst. Allermeest. Allernaast. Allerwegen. Allerzielen ( dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten). Alles. Allesbehalve. Alleszins. Alliage, V., alliages. ! |
fi
ALL.
ALT.
36
|
Alliantie, V., alliantiën en allianties. Allicht. Alliteratie, v. Allo (tusschenwerpsel). Allocutie, V.. allocutiën en allocuties. Allodiaal, allodiale. Allodium, o. Allonge-pkuik, V., -pruiken. Allooi, O. Alluviaal, alluviale. Alluvium, O. Almacht, V. Almachtig. Almachtige, m. Almachtigheid, V. Almanak, m., almanakken. Almanakje, O., -jes. Almede. Almogend. Almogende, m. Almogendheid, v. Aloë, V., aloë's. Alom. Alomtegenwoordig. Alomtegenwoordigheid, V. Alomvattend. Aloud. Aloudheid, V. Alp (berg), m., Alpen. Alpenroos, V., -rozen. Alpenstok, M., -stokken. Alpha, V., alpha's. Alphabet, O., alphabetten. Alphabetisch. Alras. Alreede en alreé. Alreeds. Alruin, V. Als. Alsdan. Alsem, M. Alsembeker, m. Alsmede. Alsnog. Alsnu. Alsof. Alst en Aalst (alsem), V. Alstoen. Alt, V. Altaar, O. en M., altaren.Altaartje, O., -jes. Altaarstuk, O., -stukken. Altaartafel, V., -tafels en «tafelen. Altegader. Altemaal. Altemet. Alternatief, O., alternatieven. Althans. Altijd. Altijddurend. Altoos. Altoosdurend. Altpartij, V., -partyen. Altsleutel, M., -sleutels. |
Altstem, V., -stemmen. Aluin, V. Aluinaarde, V. Aluinen, aluinde, heeft gealuind. Aluinoplossing., V., -oplossingen. Aluinsteen, M. Alvast (byw.). Alvermogen, O. Alvermogend. Alvermogendheid. V. Alvleeschklier, V., -kliereru Alvleeschsap, ü. Alvorens. Alwaar. Alweder en alweer. Alwetend. Alwetende, M. Alwetendheid, V. Alwïjs. Alwijze, M. Alwillensdwaas, M., -dwazen. Alziend. Alziende, M. Alzijdig. Alzoo. Alzulk. Amalgaam, O., amalgamen, en Amalgama, O., amalgama's en amalgamen. Amandel (boom), M., amandels; (vrucht), V., amandelen en amandels. Amandeltje, O., -jes. Amandelbroodje, O., -broodjes. Amandelmelk, V. Amandelpas, ook -pars, -pers, O. Amandeltaart, V., -taarten. Amandelzeep, V. Amarant, V., amaranten. Amaril, V. Amarilletje, O., -jes. Amarilmolen, M., -molens. Amarilpapier, o. Amateur-photograaf, m., -photografen. Amazone, V., Amazonen. Amazonenkleed, o., -kleederen. Amazonenrivier, V. Ambacht, O., ambachten.1 Ambachtsbaas, M., -bazen. Ambachtsheer, M., -heeren. Ambachtsheerlijkheid, V., -lieden.J Ambachtsman, M., -lieden en -lui. Ambachtsschool, V., -scholen. Ambachtsvrouw, V., -vrouwen. Ambassade, V., ambassades. Ambassadeur, M., ambassadeuren en ambassadeurs. Amber, M. Ambergeur, M., -geuren. Ambergrijs. O. Amberlucht, V., -luchten.j Ambitie, V. Ambitieus, ambitieuzer, ambitieust. Ambrozijn, O. Ambt, O., ambten. Ambtje, O., -jes. Ambteloos, -looze. |
AMB.
ANA.
37
|
Ambtenaar, M., ambtenaars en amb- tenaren. Ambtenaartje, O., -jes. Ambtenaarsleven, o. Ambtenaarsstand, M. Ambtgenoot, M., -genooten. Ambtman, M., -lieden. Ambtsbediening, V., -bedieningen. Ambtsbezigheid, V., -heden. ambtsbroeder, M., -broeders. Ambtseed, M., -eeden. Ambtsgeheim, O., -geheimen. Ambtsgewaad, O., -gewaden. Ambtshalve. Ambtskleed, O., -kleederen. Ambtspenning, M , -penningen. Ambtsplicht, M., -plichten. Ambtstee ken, o., -teekenen. ambtsverrichting, V., -verrichtingen. Ambtsvervulling, V. Ambtsvoorganger, M.. -voorgangers. Ambulance, V., ambulances. Amechtig, amechtiger, amechtigst. Amechtigheid, v. Amen, O. Amendeeren, amendeerde, heeft geamendeerd. Amendement, O., amendementen. Amen- dementje, O., -jes. Amerij, V. Amerijtje, O., -Jes. Amerikaan, M., Amerikanen. Amerikaansch. Amersfoorder (tabak), V. Amethist, M., amethisten. Ameublement, o., -menten. Amfioen, o. Amfioenkit, V., -kitten. Amfioenpacht, v. Ammoniak, m. Ammunitie, v. Amnestie, V., amnestieën. Amokmaker, M., -makers. Amortisatie, V., amortisatiën en amortisaties. Amortisatiefonds, o., -fondsen. Amortiseeren, amortiseerde, heeft geamortiseerd. Ampel (znw.), V., ampels. Ampel (bnw. en bijw.). Amper. Amphitheater, o., amphitheaters. Amphitheatersgewijze. Amstel, m. Amstellander, M., Amstel landers. Amsterdammer, M., Amsterdammers. Amulet, V., amuletten; amuletje,0.,-jes. Amuseeren, amuseerde, heeft geamuseerd. Amusement, o., amusementen. Anachronisme, o., -ismen. Anagram, o., anagrammen. Analogie, V., analogieën. Analoog, analoge. Analyse, V., analysen. Analytisch. |
Ananas, V., ananassen. Ananassenkast, V., -kasten. Anarchie, V. Anarchist, M., anarchisten. Anarchistenproces, ü., -processen. Anathema, O., anathema's. Anatomie, V. Anatomisch. Anatoom, M., anatomen. Anciënniteit, V. Andante, O., andantes. Ander. Anderdaagsch. Anderdeels. Anderhalf, -halve. Andermaal. Anders. Andersdenkend. Andersom. Anderszins. Anderwerf. Andijvie, V. Andoren, M., andorens. Anekdote, V., anekdoten en anekdotes. Anekdotenjager, M., -jagers. Anemie, V. Anemiek. Anemisch. Anemoon, V., anemonen. Angel, M., angels. Angeltje, O., -jes. Anglicisme, O., anglicismen. Anglist, M., anglisten. Angst, M., angsten. Angstgeschrei, O. Angstig, angstiger, angstigst. Angstkreet, M., -kreten. Angstvallig, -valliger, -valligst. Angstvalligheid, V. Angstverwekkend. Angstzweet, O. Anijl, M. Anijs, M. Anijsmelk, V. Anijszaad, ü. Aniline, V. Anisette, V. Anjelier, V., anjelieren. Anjer, V., anjers. Anker, O., ankers. Ankertje, O., -jes. Ankerboei, V., -boeien. Ankeren, ankerde, heeft geankerd. Ankergrond, M., -gronden. Ankerhorloge, O., -horloges. Ankerkuil, M., -kuilen. Ankerneut, V., -neuten. Ankerrust, V., -rusten. Annexatie, V., annexatiën en annexaties. Annexeeren, annexeerde, heeft geannexeerd. Anoniem, anonieme. Anonymus, M., anonymi. Anonymiteit, V. Ansjovis, V., ansjovissen. |
APP.
ANS.
88
|
Ansjovisvangst, V. Antagonist, M., antagonisten. Antecedent, o., antecedenten. Anthologie, V., anthologieën. Anthbaciet, O. Anthropologie, V. Anthropoloog, M., anthropologen. Antichrist, M., Antichristen. Anticritiek. V., -critieken. Antiek, antieker, antiekst. Antilope, V., antilopen. Antipathie, V. Antirevolutionnair. Antwoord, O., antwoorden. Antwoordje, O., -jes. Antwoorden, antwoordde, heeft geantwoord. Antwoorder, M., antwoorders. Apart. Apartje, O., apartjes. Apegapen. Apenbakkes, O., -bakkesen. Apenbek, M , -bekken. Apenbboodboom, M., -boomen. Apengezicht, O., -gezichten. Apenhaab (tabak), O. Apenkool, V. Apenkop, M,-koppen. Apenküub, V., -kuren; -kuurtje, o.,-jes. Apenliefde, V. Apenbok, M., -rokken; -rokje, O., -jes. Apenspel, O. Apentdin, M., -tuinen. Apebu, V., aperijen. Apergtje, O, -jes. Apin, V., apinnen. Apocbief, apocriefe. Apodictisch. Apostel (godsgezant), M., apostelen. Apostel (scheepsw.), V., apostelen en apostels. Apostelschap, O. Apostolisch. Apotheek, V., apotheken. Apothekeb, M., apothekers. Apothekebsbediende, M., -bedienden. Apothekebsexamen, O., -examens. Apothekebsfleschje, O., -fleschjes. Apothekebsjongen, M., -jongens. Appel, M.. appelen en appels. Appeltje, O., -jes. Appèl (beroep), O., appèls. Appelaab, M., appelaars. Appelbloesem, M. (-bloesems); en O. (kleur, en soort van gebakken steen), zonder mv. Appelbol, M., -bollen. Appelboom, M., -boomen. appelboob, V., -boren; -boortje, o.,-jes. Appelflauwte, V., -flauwten. Appellant, M., appellanten. Appellante, V., appellanten. Appelleeben, appelleerde, heeft geappelleerd. Appelmoes, o. en V. |
Appelpent, V. Appelstboop, V. Appetijt, M. Applaudisseeben, -eerde, heeft geapplaudisseerd. Applaudissement. Apbil, V. Zie Opril. Apbil, M. Apbillen, aprilde, heeft geaprild. Appbobatie, V., approbatiën en approbaties. Appbobeeben, approbeerde, heeft ge- approbeerd. Aquabel, V., aquarellen. Ab (arreslee), V., arren. Arretje, O., -jes. Ab (bnw.) In arren moede. Ababesk, V., arabesken. Ababieb, M., Arabieren. Arabisch. Abak, V. Abbeid, m. Abbeiden, arbeidde, heeft gearbeid. Abbeideb, M., arbeiders. Abbeidebsbevolking, V., -bevolkingen Abbeidebsvbaagstük, O. Abbeidebswoning, v., -woningen. Abbeidsbeubs, V., -beurzen. Abbeidsloon, O., -loonen. Abbeidsman, M., -lieden en -lui. Abbeidsteb, V., arbeidsters. Abbeidsvebmogen, O. Abbeidsvolk, O. Abbeidzaam, -zamer, -zaamst. Abbeidzaamheid, V. Abbiteb, M., arbiters. Abbïtbage, V. Abcade, V., arcaden en arcades. Abjadia, V., arcadia's. Abceeben, arceerde, heeft gearceerd. Abceebing, V., arceeringen. Abchaeologie, V. Abchaeoloog, M , -logen. Abchaïsme, O., archaïsmen. Abchief, O, archieven. Abchiefgebodw, O., -gebouwen. Archiefstuk, O., -stukken. Abchiefwezen, O. Abchipel, M., archipels. Architect, M., architecten. Abchitectuub, V. Abchitbaaf, V., architraven. Archivaris, M., archivarissen. Arduin, O. Arduinen (bnw.). Arduinsteen (steen), M.; (stof), ö. Are (⡠roede), v., aren. Arend, M., arenden. Arendje, O., -jes. Arendsklauw, M., -klauwen. Arendsneus, M., -neuzen. Arendsoog, O., -oogen. Arendsvleugel, M., -vleugels. Arendsvlucht, V. Argeloos, -loozer, -loost. Argeloosheid, V. |
AUG.
39
ARS.
|
Argentaan, O. Arglist, v. Arglistig, -listiger, -listigst. Arglistigheid, V., -heden. Argument, o., argumenten. Argusoog, O., -oogen. Argwaan, M. Argwanen, argwaan de, heeft gearg-waand. Argwanend, -wanender, -wanendst. Aria, V., aria's. Aristocraat, M., aristocraten. Aristo- craatje, O., -jes. Aristocratie, V. Aristocratisch. Ark, V.. arken. Arm, M., armen. Armpje, O., -jes. Arm, armer, armst. Armada, V., en armade; armada's en armades. Armband, M., -banden; -bandje, o.,-jes. Armbestuur, o., -besturen. Arme, M. en V., armen. Armelijk. Armenbuurt, V., -buurten. Armengeld, o. Armenhuis en armhuis, O., -huizen. Armenkas, V., -kassen. Armenkerk en armkerk, V. Armenschool, V., -scholen. Armenverpleging, V. Armenverzorging, V. Armenzakje, O., -jes. Armenzorg, V. Armhartig, -hartiger, -hartigst. Armhartigheid, V. Arminiaan, M., Arminianen. Armlastig, Armoede, V. Armoedje, O. Armoedig, armoediger, armoedigst. Armoedigheid, V. Armozijn, o., armozynen. Armsgat, O., -gaten. Armstoel, M., -stoelen. Armwezen, O. Armzalig, -zaliger, -zaligst. Armzaligheid, V., -heden. Aroma, O., aroma's. Aromatisch. Aronskelk, M., -kelken. Arren (of narren), arde, heeft geard. Arreslede en -slee, V., -sleden en sleeën. Arrest, O., arresten. Arrestant, M.. arrestanten. Arrestante, V., arrestanten. Arrestantenhok, O., -hokken. Arresteeren, arresteerde, heeft gearresteerd. Arrondissement, o., arrondissementen. Arrondissementje. O., -jes. Arrondissements-rechtbank, v., -banken. Arrondissements-rechter, M., -rechters. |
Arsenaal, O., arsenalen. Arsenicum, O. Articuleeren, articuleerde, heeft gearticuleerd. Artikel, ü., artikelen en artikels. Artikeltje, u.. -jes. Artillerie, V. Artillerie-park, O , -parken. Artillerie-vuur, o. Artillerist, M., artilleristen. Artisjok, V., artisjokken Artist, M., artisten. Artiste, V., artisten. Artistiek. Arts, M., artsen. Artsenij, V., artsenijen. Artsenlibereidkunde, V. Artsenwet, V. Artsexamen, O , -examens. As (van een rad), V., assen. Asbest, O. Asceet, M., asceten. Asch (stof), V. Aschbelt, V., -belten. Aschbezem, M., -bezems. Aschblond. Aschdag, M. Aschhoop, M., -hoopen. Aschkar, V., -karren. Aschman, M., -lieden en -lui. Asem, M. Asperge, V., asperges. Aspergenbed, O., -bedden. Aspergentang, V., -tangen. Asphalt, O. Aspirant en adspirant, M., aspiranten. Assaut, O., assauts. Asschepoestertje, O. Assignaat, O., assignaten. Assignatie, V., assignation en assignaties. Assistent, M., assistenten. Assistent-resident, M., assistent-residenten. Assuradeur, M., assuradeuren en assuradeurs. Assurantie, V., assurantiën en assuranties. Assurantie-premie, V., -premiën. Assureeren, assureerde, heeft geassureerd. Aster, V., asters. Asthma, O. Asthmatisch. Astrant, astranter, astrantst. Astronomie, V. Astronomisch. Astronoom, M., astronomen. Asyl, O., asylen. Atavisme, ü. Aterling, M. en V., aterlingen. V. ook aterlinge. Atheïsme, O. Atheïst, M., atheïsten. |
ATH.
40
AVO.
|
Athenaeum, O., Athenaeums en Athe-naea. Athleet, M., athleten. Atlas (kaartenboek), M., atlassen. Atlas (stof), o. Atmosfeer, V., atmosferen. Atoom, O., atomen; atoompje, O., -jes. Atoomgewicht, o., -gewichten. Atoomtheorie, V. Attentie, V., attentiën en attenties. Attest, o., attesten. Attestje, o. Attestatie, V., attestatiën en attestaties. Attesteeren, attesteerde, heeft geattesteerd. Aubade, V., aubades. Auctie, V., auctiën en aucties. Auctie-prijs, M., -pryzen. Auctionaris, M., auctionarissen. audientie, V., audientiën en audienties. Audientieblad, o., -bladen. Auditeur-militair, M., auditeuren-mili- tair en auditeurs-militair. Augurk, V., augurken. Augurkje, O., -jes. Augustus, M. Aula, V., aula's. Aureool, V., aureolen. Autaar. Zie Altaar. Auteur, M., auteurs. Auteursrecht, O. Authenticiteit, V. Authentiek, authentieke. Autocraat, M., autocraten. Automaat, M., automaten. Autoriteit, V., autoriteiten. Aval, O. Aveelzaad, O. Avegaar, m., avegaars en avegaren. Aveling, V., avelingen. Averechts (byw.). Averechïsch (bnw.). Averij, V., a very en. Averij-grosse, V. Averuit, V. Avond, m, avonden. Avondje, o., -jes. |
Avondbeurt, V., -beurten. Avondblad, O., -bladen. Avond-editie, V., edities. Avondeten, O. Avondgebed, O., -gebeden. Avondgroet, M., -groeten. Avondkerk, V., -kerken. Avondlicht, O. Avondlied, o., -liederen. Avondlucht, V. Avondmaal, O. Avondmalen, -maalde, heeft geavondmaald. Avondpreek, V., -preeken. Avondrood, o. Avondschool, V., -scholen. Avondster, V. Avondzang, M. Avonturen, avontuurde, heeft geavontuurd. Avonturier, M., avonturiers. Avonturierster, V., avonturiersters. Avontuur, O., avonturen. Avontuurtje, O., -jes. Avontuurlijk. Axioma, O., axioma's. Azalea, V., azalea's. Azen, aasde, heelt geaasd. Aziaat, M., Aziaten. Azig, ook Azing (Friesche rechter), M., azigen en azingen. Azijn, M., azijnen. Azijnachtig, -achtiger, -achtigst. Azijnen, azijnde, heeft geazijnd. Azijnhout, o. Azijnmakerij, V., -makeryen. Azijnstok, M., -stokken. Azijnzuur, o. Azimuth, O. Azimuthskompas, O., -kompassen. Azimuthspeiling, V., -peilingen. Azing (Friesche rechter). Zie Azig. Azing (het azen), V. Azuren (bnw.). Azuur, o, |
|
B, T., b's. Ba. Baadje, O. Baai (wollen stof), V., baaien. Baai (zeearm), V., baaien. Baai (roode â, wijn), V. Baaierd, M. Baai-tabak, V. Baaivanger, M., -vangers. Baak, V., baken. Baakstok, M., -stokken. Baal, V., balen. Baaltje, O., -jes. Baan, V., banen. Baantje, O., -jes. |
Baanderheer, M., -heeren. Baanveger, M., -vegers. Baanwachter, M., -wachters. Baar (nieuweling), M., baren. Baar (draagwerktuig), V., baren. Baar (golf), V., baren. Baar (staaf), V., baren. Baar (bnw.), bare. Baarblijkelijk, -lyker, -lijkst. Baarblijkelijkheid, V. Baard, M., baarden. Baardje, O., -jes. Baardeloos, -looze. Baardig, baardiger, baardigst. |
I
BAA. 41 BAK.
|
Baardschrapper, M., -schrappers. Baarlijk. Baarmoeder, V., -moeders. Baars (een visch), M., baarzen. Als stofnaam, V. Baarsje, O., -jes. Baarvlies, O., -vliezen. Baas (meester), M., bazen. Baasje, o., -jes. Baas (voetstuk), V., bazen. Baasschap, O. , Baat, V., baten. quot; Baatzucht, V. Baatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Baatzuchtigheid, V. Babbelaar, M., babbelaars. Babbelaarster, V., babbelaarsters. ; Babbelachtig, -achtiger, -achtigst. Babbelarij, V., babbelarijen. ^11' Babbelen, babbelde, heeft gebabbeld. Babbelguigje, O., -jes. Babbelkous, M. en V., -kousen;-kousje, O., -jes. 'Je» Babijn, V., babynen. 1 Baboe, V., baboe's. Babok, M., babokken. Babokkig, babokkiger, babokkigst. Bacchanaal, O., bacchanalen. ^ Bacil, M., bacillen. Bacterie, V., bacteriën. quot;â gt; Bad, O., baden. Badje, O., -jes. Baden, baadde, heeft gebaad. Bader, M., baders. Badgast, M. en V., -gasten. ; Badhemd, O., -hemden. i Badhuis, O., -huizen. : Badinrichting, V., -inrichtingen. Badkamer, V., -kamers; -kamertje, ü., -jes. * Badknecht, M., -knechts. - Badkoets, V., -koetsen; koetsje, o.,-jes. Badkuip, V., -kuipen. Badkuur, V., -kuren. Badmeester, M., -meesters. . Badplaats, V., -plaatsen. Badvrouw, V., -vrouwen. Baffen, bafte, heeft gebaft. Bag, v., baggen. Bagage, V., bagages. Bagagere(;u, o., -re^u's. Bagagewagen, M.. -wagens. Bagatel, V. en o., bagatellen. Bagatelletje, O., -jes. Bagger, V. Baggeren, baggerde, heeft gebaggerd. Baggerman, M., -lieden en -lui. Baggermolen, M., -molens. Baggernet, O., -netten. Baggerpraam, V., -pramen. Baggerschuit, V., -schuiten. Bagno, o., bagno's. Bajadere, v., bajaderen en bajaderes. Bajonet, V., bajonetten. Bajonetsteek, M., -steken. Bak, m., bakken. Bakje, o., -jes. |
Bakbeest, O., -beesten. Bakboord, O., -boorden. Bakboordswacht, V., -wachten. Baken, O., bakens. Bakenen, bakende, heeft gebakend. Bakengeld, o., -gelden. Bakenmeester, M., -meesters. Bakenwezen, O. Baker, V., bakers. Bakeren, bakerde, heeft gebakerd. Bakerkind, O., -kinderen. Bakermand, V., -manden. Bakermat, V., -matten. Bakermoer, V., -moers. Bakerpop, V., -poppen. Bakerspeld, V., -spelden. Bakerstoel, M., -stoelen. Bakhuis (bakkes), O., bakhuizen. Bakkebaard, M., -baarden; -baardje, O., -jes. Bakkeleien, bakkeleide, heeft gebakkeleid. Bakken (koken), bakte, heeft gebakken. Bakken (op 't verkeerbord spelen), bakte, heeft gebakt. Bakker, M., bakkers. Bakkerij, V., bakkerijen. Bakkerïn, V., bakkerinnen Bakkersknecht, M., -knechts. Bakkersleerling, M., -leerlingen. Bakkersnering, V., -neringen. Bakkersoven, M., -ovens. Bakkersschotel, M., -schotels. Bakkerswagen, M., -wagens. Bakkerswinkel, M., -winkels. Bakkes, O., bakkesen. Bakkesje, O., -jes. Bakloon, O., -loonen. Bakoven, M., -ovens. Bakpan, V., -pannen. Baksel, o., baksels. Bakseltje, o., -jes. Baksmaat, M., -maats. Bakstag, O., -stagen. Bakbtagskoelte, V. Baksteen, M.,-steenen; -steentje,0., -jes. Baktrog, M., -troggen. Bakvisch, V. Bakzeilhalen, haalde bakzeil, heeft bakzeilgehaald. Bal (rond lichaam), M., ballen. Balletje, O., -jes. Bal (danspartij), o., bals. Balanceeren, balanceerde, heeft gebalanceerd. Balanceermes, O., -messen. Balanceerstok, M., -stokken. Balans, V., balansen. Balansje, o.,-jes. Balansenmaker, M., -makers. Balboekje, O., -boekjes. Baldadig, baldadiger, baldadigst. Baldadigheid, V., -heden. Baldakijn, M., baldakijns en baldakynen. Balderen, balderde, heeft gebalderd. Balein (de stof), o.; (het bewerkte), v., baleinen. |
BAN.
BAL.
42
|
Baleinen (bnw.). Balg, M, balgen. Balie, V., baliën en balies. Baliekluiver, M., -kluivers. Baliemand, V., -manden. Baliewelsprekendheid, V. Baljuw, M., baljuwen en baljuws. Baljuwschap, O., -schappen. Balk, M., balken. Balkje, O., -jes. Balken, balkte, heeft gebalkt. Balklaag, V., -lagen. Balkon, O., balkons en balkonnen. Balkonkamer, V.. -kaniers. Ballade, V., balladen en ballades. Ballast, M., ballasten. Ballasten, ballastte, heeft geballast. Ballastschuitje, O., -schuitjes. Ballen, balde, heeft gebald. Ballet, O., balletten. Balletmeester, M., -meesters. Balling, M. en V., ballingen. V. ook ballinge. Ballingschap, V. Ballon, M., ballons. Ballotage, V., ballotages. Balloteeren, balloteerde, heeft geballoteerd. Baloorig, balooriger, baloorigst. Baloorigheid, V. Balsem, M., balsems. Balsemachtig. Balsemen, balsemde, heeft gebalsemd. Balsemgeur, M., -geuren. Balsemine, V., balseminen. Balsturig, balsturiger, balsturigst. Balsturigheid, V. Baltoilet, O , -toiletten. Balustrade, v., balustraden en balustrades. Bamboes, O., bamboezen. Ban, M., bannen. Banaal, banaler, banaalst. Banaan, V., bananen. Banaliteit, V., banaliteiten. Banco, O. Band (de stof), O.; (een stuk der stof), M., banden. Bandje, O., -jes. Bandelier, M., bandelieren en bandeliers. Bandeloos, -looze. Bandeloosheid, V. Banderol, V., banderollen. Bandiet, M., bandieten. Bandietentroep, M., -troepen. Bandrekel, M., -rekels. Banen, baande, heeft gebaand. Bang, banger, bangst. Bangheid, V. Bangigheid, V. Bangmakerij, V., -makerijen. Banier, V., banieren. Banierdrager, M., -dragers. Banjer, M., banjers. Banjerheer, M., -heeren. |
Bank, V., banken. Bankje, O., -jes. Bankbiljet, O., -biljetten; -biljetje, O., -jes. Bankbreuk, v. Bankbriefje, O., -briefjes. Banken, bankte, heeft gebankt. Bankeroet, bankeroetier. Zie Bankroet enz. Banket, ü., banketten. Banketbakker, M., -bakkers. Banketeerder, M., banketeerders. Banketeeren, banketeerde, heeft ge- banketeerd. Bankethammetje, o., -hammetjes. Banketletter, v., -letters. Bankier, M., bankiers. Bankiertje, O., -jes. Bankiershuis, o., -huizen. Bankierskantoor, O., -kantoren. Banknoot, V., -noten; -nootje, O., -jes. Bankoctrooi, o., -octrooien. Bankpapier, o. Bankroet, O., bankroeten. Bankroetje, O., -jes. Bankroetier, M., bankroetiers. Bankschroef, V., -schroeven. Bankwerker, M., -werkers, Bankwet, V., -wetten. Bankwezen, O. Banneling, M. en V., bannelingen. V. ook bannelinge. Bannen, bande, heeft gebannen. Banning, V. Banvloek, M. Bar, barder, barst. Baraa, V., barakken. Barbaar, M., barbaren. Barbaarsch. Barbaarschheid, V., -heden. Barbarisme, O., barbarismen. Barbeel, M., barbeelen. Barbier, M., barbieren en barbiers. Barbiertje, O., -jes. Barbieren, barbierde, heeft gebarbierd. Barbiersjongen, M., -jongens. Barbierswinkel, M., -winkels. Barcarolle, V., barcarolles. Bard, M., barden. Baren, baarde, heeft gebaard. Barensnood, M. Barensteel, M., barenstelen. Barenswee, O. en V., -weeën. Baret. V., baretten; baretje, O., -jes. Barg, m., bargen. Barge, V., barges. Barghout, ü., -houten. Bargoensch. O. Barheid, V., -heden. Baring, V. Bark, V., barken. Barkas, V., barkassen. Barm, M., barmen. Barmhartig, -hartiger, -hartigst. Barmhartigheid, V., -heden. |
'
BAU.
43
BAR.
|
Babmte, V.. barmten. Barnen, barnde, heeft gebarnd. Earning, V. Barnsteen, O. Barnsteenen (bnw.). Barnsteenzuur, o. Barok, barokker, barokst. Barometer, M., barometers. Barometerstand, M., -standen. Baron, M., barons en baronnen. Barones, V., baronessen. Baronie, V., baronieën. Barouchet, V., barouchetten. Barrevoeter, M., barrevoeters. Barrevoets. Barribaal, m., barribalen. Barricade, V., barricades. Barricadeeren, barricadeerde, heeft gebarricadeerd. Barrière, V., barrières. Barrière-tractaat, o., -tractaten. Barsch, barscher, barscht. Barschheid, V. Barst, M., barsten. Barstje, O., -jes. Barsten, barstte, is gebarsten; ook borst, is geborsten. Bas (baszanger), M., bassen. Bas (speeltuig en basparty), V., bassen. Basalt, O. Basalten (bnw.). Bascule, V., basculen en bascules. Basiliek, V., basilieken. Basilisk, M., basilisken. Basis, V., basissen of bases. Bas-relief, O., bas-reliefs. Bassa, M., bassa's. Bassen, baste, heeft gebast. Bassethoorn en -horen, M., -hoorns en -horens. Bassist, M., bassisten. Basstem, V., ⢠stemmen. Bast, M , basten. Basta, V., basta's. Basta (genoeg). Bastaard en basterd, M., bastaarden en bastaards of basterds. Bastaabdij, V. Bastaabdwoobd, O., -woorden. Bastachtig. Basteloos, -looze. Bastebdnachtegaal, M., -nachtegalen en -nachtegaals. Bastebdsuikeb, V. Bastion, o., bastions. Baszangeb, M., -zangers. Bataaf, M., Bataven. Bataafsch. Bataljon, O., bataljons. Batavieb, M., Batavieren. Baten, baatte, heeft gebaat. Batig. Batist, O. Batisten (bnw.). Battebij, V., batteryen. |
Bauwen, bauwde, heeft gebauwd. Baviaan, M., bavianen. Baviaantje, O., -jes. Bavianengezicht, O., -gezichten. Bazaab en bazab,M., bazaars en bazars. Bazelen, bazelde, heeft gebazeld. Bazin, V., bazinnen. Bazinnetje, O.,-jes. Bazuin, V., bazuinen. Bazuingeschal, O. Beaabding, V. Beademen, beademde, heeft beademd. Beambte, M. en V., beambten. Beamen, beaamde, heeft beaamd. Beaming, V. Beangst. Beangstheid, V. Beangstigen, beangstigde, heeft beangstigd. Beangstiging, V. Beantwoobden, beantwoordde, heeft beantwoord. Beantwoobdeb, M., beantwoorders. Beantwoobding, v., beantwoordingen. Beabbeiden, bearbeidde, heeft bearbeid. Beabbeideb, M., bearbeiders. Beabbeiding, V., bearbeidingen. Beasemen, beasemde, heeft beasemd. Bebinden, bebond, heeft bebonden. Beblaabd. Bsbloeden, bebloedde, heeft bebloed. Beboeten, beboette, heelt beboet. Beboeting, V., beboetingen. Bebolwebken, bebolwerkte, heeft be- bolwerkt. Bebouwen, bebouwde, heeft bebouwd. Bebouweb, M., bebouwers. Bebouwing, v., bebouwingen. Becijfeben, becijï'erde, heeft becijferd. BecUfebtng, v., becijferingen. Bed, O., bedden. Bedje, O., -jes. Bedaagd, bedaagder, bedaagdst. Bedaagdheid, V. Bedaabd, bedaarder, bedaardst. Bedaabdheid, V. Bedacht. Bedachtzaam, -zamer, -zaamst. Bedachtzaamheid, V. Bedammen, bedamde, heeft bedamd. Bedamming, V., bedammingen. Bedankbbief, M., -brieven. Bedanken, bedankte, heeft bedankt. Bedanking, V. Bedankje, o., -jes. Bedaben, bedaarde, heeft en is bedaard. Bedabing, V. Bedauwen, bedauwde, heeft bedauwd. Beddedeken, V., -dekens. Beddegoed, O. Beddejak, O, -jakken. Beddekussen, O., -kussens. Beddekwast, M., -kwasten. Beddelaken, O., -lakens. Bedden, bedde, heelt gebed. Beddenmakeb, M., -makers. |
BED.
BED.
44
|
Beddenwinkel, M., -winkels. Beddepan, V., -pannen. Beddeplank, V., -planken. Beddesprei, V., -spreien. Beddetafel, v., -tafels; -tafeltje, o., -jes. Beddetijk, V. Beddewarmer, M., -warmers. Beddezak, M.f -zakken. Bedding, V., beddingen. Bede, V., beden. Bededag, M., -dagen. Bedeelen, bedeelde, heelt bedeeld. Bedeeler, M., bedeelers. Bedeeling, V., bedeelingen. Bedeesd, bedeesder, bedeesdste. Bedeesdheid, V. Bedehuis, o., -huizen. Bedekken, bedekte, heeft bedekt. Bedekking, V.. bedekkingen. Bedeksel, O., bedeksels en bedekselen. Bedekt, bedekter, bedektst. Bedektelijk. Bedelaar, M., bedelaars en bedelaren. Bedelaarsdeken, V., -dekens. Bedelaarsdoelen, M. Bedelaarskolonie, V., -koloniën. Bedelaarster, V., bedelaarsters. Bedelares, V., bedelaressen. Bedelarij, V. Bedelbrief, M., -brieven. Bedelbroeder, M., -broeders. Bedelbrok, M., -brokken. Bedelbrood, ü. Bedelen, bedelde, heeft gebedeld. Bedelkind, ü., -kinderen. Bedelmonnik, M., -monniken. Bedelorde, V., -orden. Bedelstaf, M. Bedelven, bedolf, bedolven, heeft bedolven. Bedelving, V. Bedelzak, M., -zakken. Bedenkdag, M., -dagen. Bedenkelijk, -lijker, -Ijjkst. Bedenkelijkheid, v. Bedenken, bedacht, heeft bedacht. Bedenking, V., bedenkingen. Bedenktijd, M. Bederf, o. Bederfelijk, -lijker, -lijkst. Bederfelijkheid, V. Bederven, bedierf, bedierven, heeft en is bedorven. Bederver, M., bedervers. Bedestond, M., -stonden. Bedevaart, V., -vaarten. Bedevaartganger, M., -gangers. Bedevaartgangster, V., -gangsters. Bedgenoot, M., -genooten. Bedgenoote, V., -genooten. Bedgordijn, V. en O., -gordynen. Bedienaar, M., bedienaren en bedienaars. Bediknares, V., bedienaressen. |
Bediende, M. en Vâ bedienden. Bediendenkamer, V., -kamers. Bediendentafel, V., -tafels. Bedienen, bediende, heeft bediend. Bediening, V., bedieningen. Bedijen, bedyde, is bedijd. Bedijken, bedijkte, heeft bedijkt. Bedijker, M., bedijkers. Bedijking, V., bedijkingen. Bedilal, M. en V., bedilallen. Bedillen, bedilde, heelt bedild. Bediller, M., bedillers. Bedilster, V., bedilsters. Bedilziek, -zieker, -ziekst. Bedilzucht, V, Beding, o., bedingen. Bedingen, bedong, heeft bedongen. Bedisselen, bedisselde, heeft bedisseld. Bedlegerig. Bedlegerigheid, V. Bedoelen, bedoelde, heeft bedoeld. Bedoeling, V., bedoelingen. Bedoen, bedeed, bededen, heeft bedaan. Bedompt, bedompter, bedomptst. Bedomptheid, V. Bedonderen, bedonderde, heeft bedonderd. Bedotster, V., bedotsters. Bedotten, bedotte, heelt bedot. Bedotter, M., bedotters. Bedrag, O., bedragen. Bedragen, bedroeg, heeft bedragen. Bedreigen, bedreigde, heeft bedreigd. Bedreiging, Vâ bedreigingen. Bedremmeld, bedremmelder, bedrem- meldst. Bedremmeldheid, V. Bedrsmmelen, bedremmelde, heeft bedremmeld. Bedremmeling, V. Bedreven, bedrevener, bedrevenst. Bedrevenheid, V. Bedriegen, bedroog, bedrogen, heeft bedrogen. Bedrieger, M., bedriegers. Bedriegerij, V., bedriegerijen. Bedrieglijk, -lijker, -lykst., Bedrieglijkheid, V. Bedriegster, V , bedriegsters. Bedrijf, O., bedrijven. Bedrijfal, M. en V., bedrijfallen. Bedrijfsbelasting, V., -belastingen. Bedrijfskapitaal, O., -kapitalen. Bedrijten, bedreet, bedreten, heeft bedreten. Bedrijven, bedreef, bedreven, heeft bedreven. Bedrijvend. Bedrijver, M., bedrijvers. Bedrijvig, bedrijviger, bedrijvigst. Bedrijvigheid, V. Bedrillen, bedrilde, heeft bedrild. Bedrinken, bedronk, heeft bedronken. Bedroefd, bedroefder, bedroefdst. |
BEE.
45
BED.
|
Bedboefdheid, v. Bedroeven, bedroefde, heeft bedroefd. Bedrog, O. Bedroppelen en bedruppelen, bedrop-pelde (bedruppelde), heeft bedroppeld (bedruppeld). Bedbuipen, bedroop, bedropen, heeft bedropen. Bedbukken, bedrukte, heeft bedrukt. Bedbukt, bedrukter, bedruktst. Bedruktheid, v. Bedruppelen. Zie Bedroppelen. Bedsermoen, O., -sermoenen. Bedstede en uedstee, V., -steden. Bed- steetje, O., -jes. Beducht, beduchter, beduchtst. Beduchtheid, V. Beduiden, beduidde, heeft beduid. Beduidenis, v. Beduiding, V., beduidingen. Beduimelen, beduimelde, heeft beduimeld. Beduimeling, V., beduimelingen. Bedunken, O. Beduusd. Bedwang, O. Bedwelmd. Bedwelmen, bedwelmde, heeft bedwelmd. Bedwelming, V., bedwelmingen. Bedwingen, bedwong, heeft bedwongen. Bedwinger, M., bedwingers. Beëedigen, beëedigde, heeft beëedigd. Beëedigeb, M., beëedigers. Beëediging. V., beëedigingen. Beefaal, M., -alen. Beek, V., beken. Beekje, O., -jes. Beekbunge, V. Beeld, O., beelden. Beeldje, O., -jes. Beelden, beeldde, heeft gebeeld. Beeldenaar, M., beeldenaars. Beeldendienaar, M., -dienaars. Beeldendienst, M. Beeldengalerij. V., -galeryen. Beeldenstorm. M. Beelderig, beelderiger, beelderigst. Beeldhouwen, beeldhouwde, heeft gebeeldhouwd. Beeldhouwer, M., -houwers. Beeldhouwerij, V. Beeldhouwerbwinkel, M., -winkels. Beeldhouwkunst, V. Beeldhouwwerk, O., -werken. Beeldig, beeldiger, beeldigst. Beeldjeskoop, M., -koopen. Beeldrijk, -ryker, -rijkst. Beeldrijkheid, V. Beeldschoon. Beeldspraak. V., -spraken. Beeldstormer, M , -stormers. Beeldstormebij, V., -stormerijen. Beeltenis, V., beeltenissen. Beemd, M., beemden. Beemdklaver v. |
Been, O., beenen. (Op de been.) Beentje, O., -jes. Been (gebeente), O., beenderen. Beentje, O., -jes. Beenachtig. Beenbbeuk, V., -breuken. Beendebasch, V. Beendebhuis, o., -huizen. Beendebmeel, O. Beendebsoep, V. Beendboog. Beenen (bnw.). Beeneter, M., -eters. Beenig, beeniger, beenigst. Beenzwart, O. Beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), M., beeren. Beertje, O., -jes. Beer (verscheurend dier), M., beren. Beertje, O., -jes. Beer (drek), M. Beerput, M., -putten. Beërven, beërfde, heeft beërfd. Beërving, V. Beest, O., beesten (V. in De beest spelen). Beestje. O., -jes. Beestachtig, -achtiger, -achtigst. Beestachtigheid, V., -heden. Beestenboel, M. Beestenmarkt, V., -markten. Beestenspel, O., -spellen. Beestenstal, M., -stallen. Beestentemmeb, M., -temmers. Beestig, beestiger. beestigst. Beestigheid, V., -heden. Beet (hap), M., beten. Beet (wortel). V., beeten. Beethebben, heeft beet, had beet, hadden beet, heeft beetgehad. Beetje, O., -jes. Beetkrijgen, kreeg beet, kregen beet, heeft beetgekregen. Beetnemen, nam beet, namen beet, heeft beetgenomen. Beetpakken, pakte beet, heeft beetgepakt. Beetwortel, M., -wortels en -wortelen. Beetwortelsuiker, V., -suikers. Beetwortelsuikerfabbiek, V., -fabrieken. Bef, V., beffen. Befje, O., -jes. Befaamd, befaamder, befaamdst. Befaamdheid, V. Begaafd, begaafder, begaafdst. Begaafdheid, V., -heden. Begaan, beging, heeft en is begaan. Begaanbaar, -bare. Begaanbaarheid, V. Begaffelen, begaflelde, heeft begalfeld. Begapen, begaapte, heeft begaapt. Begeefsteb, V., begeefsters. Begeeren, begeerde, heeft begeerd. Begeerig, begeeriger, begeerignt. Begeerigheid. V. Begeerlijk, -lijker, -lijkst. |
BEG.
BEG.
46
|
Begeerlijkheid, V., -heden. Begeerte, V.f begeerten. Begekken, begekte, heeft begekt. Begeleiden, begeleidde, heeft begeleid. Begeleider. M., begeleiders. Begeleiding, V., begeleidingen. Begeleidster, V., begeleidsters. Begenadigen, begenadigde, heeft begenadigd. Begenadiging, V. Begeven, begaf, begaven, heeft begeven. Begever, M., begevers. Begeving, V. Begieten, begoot, begoten, heeft begoten. Begieting, V., begietingen. Begiftigen, begiftigde, heeft begiftigd. Begiftiging, V., begiftigingen. Begijn, V., begijnen. Begijntje, O., -jes. Begijnenhof, O. Begijnenkoek, M., -koeken. Begijnenrijst, V. Begin, O. Beginnen, begon, begonnen, heeft en is begonnen. Beginner, M., beginners. Beginsel, O., beginselen en beginsels. Beginselloos. Beginselloosheid, V. Beginselvastheid, V. Beglazen, beglaasde, heeft beglaasd. Beglimpen, beglimpte, heeft beglimpt. Beglimping, V., beglimpingen. Begluren, begluurde, heeft begluurd. Beoommen, begomde, heeft begomd. Begoochelen, begoochelde, heeft begoocheld. Begoocheling, V., begoochelingen. Begraafplaats, V., -plaatsen. Begraasd. Begrafenis, V., begrafenissen. Begrafeniskosten. Begrafenisrecht, o., -rechten. Begrauwen, begrau wde, heeftbegrauwd. Begraven, begroef, begroeven, heeft begraven. Begraver, M., begravers. Begraving, V., begravingen. Begrazen, begraasde, heeft begraasd. Begrenzen, begrensde, heeft begrensd. Begrenzing, V.. begrenzingen. Begrijpelijk, -Ijjker, -lykst. Begrijpelijkheid, V. Begrijpen, begreep, begrepen, heeft begrepen. Begrimmen, begrimde, heeft begrimd. Begrinden, begrindde, heeft begrind. Begrip, O , begrippen. Begroeien, begroeide, is begroeid. Begroeiing, V., begroeiingen. Begroeten, begroette, heeft begroet. Begroeting, V., begroetingen. Begrommen, begromde, heeft begromd. Begrooten, begrootte, heeft begroot. |
Begrooting, V., begrootingen. Begrootingsdebat, O., -debatten. Begrootingsjaar, O., -jaren. Begruizen, begruisde, heeft begruisd. Beguichelen, beguichelde, heeft be- guicheld. begüicheling, V., beguichelingen. Begunstigen, begunstigde, heeft begunstigd. Begunstiger, M., begunstigers. Begunstiging, V., begunstigingen. Begunstigster, V., begunstigsters. Behaaglijk, -lijker, -lijkst. Behaaglijkheid, v. Behaagziek, -zieker, -ziekst. Behaagzucht, V. Behaard. Behagen, behaagde, heeft behaagd. Behalen, behaalde, heeft behaald. Behaling, V. Behalve. Behameren, behamerde, heeft beha-merd. Behandelen, behandelde, heeft behandeld. Behandeling, V., behandelingen. Behangen, behing, heeft behangen. Behanger, M., behangers. Behangersknecht, M., -knechts. Behangersrekemng, V., -rekeningen. Behangerstafel, V., -tafels. Behangerswinkel. M., -winkels. Behangsel, O., behangsels. Behangselpapier. O., -papieren. Behartigen, behartigde, heeft behar-tigd. Behartigenswaardig,-waardiger,-waardigst, of meer en meest -waardig. Behartiger, M., behartigers. Behartiging, V. Beheer, O. Beheerder, M., beheerders. Beheeren, beheerde, heeft beheerd. Beheering, V., beheeringen. Beheer^chen, beheerschte, heeft be- heerscht. Beheerscher, M., beheerschers. Beheerscheres, V., beheerscheressen. Beheersching. V., beheerschingen. Beheerster, v.. beheersters. Beheien, beheide, heeft beheid. Beheinen, beheinde, heeft beheind. Beheining, V., beheiningen. Beheksen, behekste, heeft behekst. Beheksing, V , beheksingen. Behelpen, behielp, heeft beholpen. Behelzen, behelsde, heeft behelsd. Behemot, M.. behemots. Behendig, behendiger, behendigst. Behendigheid, V. Behept. Behoeden, behoedde, heeft behoed. Behoeder, M., behoeders. Behoedmiddel, O., -middelen. |
1
|
BEH. Behoedster, V., behoedsters. Behoedzaam, -zamer, -zaamst. Behoedzaamheid, v. behoef, O. (Ten behoeve van.) be- Behoefte, V., behoeften. Behoeftig, behoeftiger, behoeftigst. Behoeftigheid, v. be- Behoeven, behoefde, heeft behoefd. Behooben, behoorde, heelt behoord. Behoorlijk, -lijker, -lijkst. Behoorlijkheid, v. Behoud, O. Behouden, behield, heeft behouden. Behoudenis, v. Behoudens. Behouder, M., behouders. Behouding, V. Behoudsman, M., -lieden. Behoudster. V., behoudsters. Behouwen, behieuw, heeft behouwen. Behuisd. ia- Behulf, O. Behulpzaam, zamer, -zaamst. m- Behulpzaamheid, v. Behuwdbroeder, M., -broeders. Behuwddochter, V., -dochters. Behüwdmoedeb, V., -moeders. Behuwdvadeb, M., -vaders. Behuwdzoon, M., -zonen en -zoons. Bkhuwdzusteb, V., -zusters. Bkhuwelijken, behuwelijkte, heeft be- huweljjkt. Behuwen, behuwde, heeft behuwd. Bei (Turksche titel), M., bei's. ir- Bei (bezie), V., beien. Beiaard, M.. beiaards, ir- Beiaaeden, beiaardde, heeft gebeiaard. Beide (van zaken). Beiden (van personen). Beiden, beidde, heeft gebeid. Beiderhande. Beiderlei. Beieren, beierde, heeft gebeierd. Beijveren, beijverde, heeft beyverd. )e- Beuzelen, beijzelde, heeft beyzeld. Beitel, M, beitels. Beiteltje, O., -jes. Beitelen, beitelde, heeft gebeiteld. Bejaard, bejaarder, bejaardst. Bejaardheid, v. Bejag, O. Bejagen, bejaagde, heeft bejaagd; ook bejoeg. Bejager, M., bejagers. , Bejaging, V., bejagingen. Bejammeren, bejammerde, heeft bejammerd. Bejammerenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest - waardig. i Bejammerenswaardigheid, v. Bejegenen, bejegende, heeft bejegend. Bejegening, V., bejegeningen. Bek, m., bekken. Bekje, O., -jes. Bekaaid, bekaaider, bekaaidst. |
BEK. Bekabbelen, bekabbelde, heeft bekab-beld. Bekaden, bekaadde, heeft bekaad. Bekading, V., bekadingen. Bekaf (bek-af). Bekalken, bekalkte, heeft bekalkt. Bekamen, bekaamde, is bekaamd. Bekampen, bekampte, heelt bekampt. Bekamping, v., bekampingen. Bekappen, bekapte, heeft bekapt. Bekapping, V., bekappingen. Bekeerder, M., bekeerders. Bekeeren, bekeerde (zich), heeft (zich) bekeerd. Bekeering, V., bekeeringen. Bekeeringsijver, M. Bekeeringszucht, V. Bekeerlijk, -lijker, -lykst. Bekeerlijkheid, V. Bekeerling, M. en V , bekeerlingen. V. ook bekeerlinge. Bekend, bekender, bekendst. Bekende, M. en V., bekenden. Bekendheid, V. Bekendmaken, maakte bekend, heeft bekendgemaakt. Bekendmaker, M., -makers. Bekendmaking, V., -makingen. Bekendstaan, stond bekend, heeft be- kendgestaan. Bekendwording, v. Bekennen, bekende, heeft bekend. Bekenner, M., bekenners. Bekenning, V., bekenningen. Bekentenis, V., bekentenissen. Beker, M., bekers. Bekertje, O., -jes. Bekeren, bekerde, heeft gebekerd. Bekeurder, M., bekeurders. Bekeuren, bekeurde, heeft bekeurd. Bekeuring, V., bekeuringen. Bekijk, O. Bekijken, bekeek, bekeken, heeft bekeken. Bekijker, M , bekijkers. Bekijking, V. Bekijkster, V., bekijksters. Bekijven, bekeef, bekeven, heeft bekeven. Bekken, O., bekkens. Bekkentje, O., -jes. Bekkeneel, O., bekkeneelen. Bekkesnijden (ww.). Bekkesnijder, M., -sn^ders. Beklaaglijk, -lijker, -lijkst. Beklaaglijkheip, V. Bekladden, bekladde, heeft beklad. Bekladder, M., beklade'ers. Beklag, O. Beklagen, beklaagde, heeft beklaagd. Beklagenswaardig, -waardiger, «waardigst, of meer en meest -waardig. Beklagenswaardigheid, V. Beklager, M., beklagers. Beklaging, V., beklagingen. Beklant, beklanter, beklantst. |
BEK. 48 BEK.
|
Beklappen, beklapte, heeft beklapt. Beklappeb, M., beklappers. Beklauteben, beklauterde, heeft beklauterd. Bekleeden, bekleedde, heeft bekleed. Bekleedeb, M., bekleeders. Bekleeding, V., bekleedingen. Bekleedsel, o., bekleedsels. Bekleedsteb, V., bekleedsters. Beklembbief, M., -brieven. Beklemd. Beklemdheid, V., -heden. Beklemmen, beklemde, heeft beklemd. Beklemming, V., beklemmingen. Beklembecht, O. Beklijven, beklijfde, heeft beklyfd. Beklimmen, beklom, beklommen, heeft beklommen. Beklimming, V., beklimmingen. Beklinken, beklonk, heeft beklonken. Beklonteben, beklonterde, heeft be-klonterd. Beknabbelen, beknabbelde, heeft beknabbeld. Beknagen, beknaagde, heeft beknaagd. Beknellen, beknelde, heeft bekneld. Beknibbelen, beknibbelde, heeft beknibbeld. Beknibbeling, V., beknibbelingen. Beknijpen, bekneep, beknepen, heeft beknepen. Beknopt, beknopter, beknoptst. Beknoptheid, v. Beknobben, beknorde, heeft beknord. Bekocht. Bekoelen, bekoelde, heeft en is bekoeld. Bekoeling, V., bekoelingen. Bekoken, bekookte, heeft bekookt. Bekomen, bekomt, bekwam, bekwamen, heeft en is bekomen. Bekoming, V. Bekommebd. Bekommebdheid, V. Bekommeben, bekommerde, heeft bekommerd. Bekommebing, V., bekommeringen. Bekommebnis, V., bekommernissen. Bekomst, V. Bekonkelen, bekonkelde, heeft bekonkeld. Bekoopen, bekocht, heeft bekocht. Bekoobdeb, M., bekoorders. Bekooblijk, -lijker, -lijkst. Bekooblijkheid, V., -heden. Bekoobsteb, V., bekoorsters. Bekoben, bekoorde, heeft bekoord. Bekobing, V., bekoringen. Bekobsten, bekorstte, heeft bekorst. Bekobten, bekortte, heeft bekort. Bekobting, V., bekortingen. Bekostigen, bekostigde, heeftbekostigd. Bekostiging, V. Bekbabbelen, bekrabbelde, heeft be-krabbeld. |
Bekbabben, bekrabde, heeft bekrabd. Bekbachtigen, bekrachtigde, heeft be- Belasti krachtigd. Belast] Bekbachtigeb, M., bekrachtigers. Belast: Bekbachtiging, V., bekrachtigingen. Belasti Bekbansen, bekranste, heeft bekranst. Belasti Bekbassen, bekraste, heeft bekrast. belasti Bekbeunen (zich â), bekreunde zich, Belasti heeft zich bekreund. tigen. Bekbijten, bekreet, bekreten, heeft Belasti bekreten. Belatt Bekbimpen, bekromp, heeft bekrompen. Belboe Bekbimping, V., bekrimpingen. Beleed bekbompen,bekrompener,bekrompenst. Beleed Bekrompenheid, V. Beleed Bekbonen, bekroonde, heeft bekroond. Beleed Bekboning, V., bekroningen. Beleef Bekbozen. Beleef Bekbuiden, bekruidde, heeft bekruid. Beleef: Bekbuien, bekrooi, bekrooien, heeft Beleef: bekrooien; ook bekruide, heeft be- Beleef kruid. Beleef: Bekbuipen, bekroop, bekropen, heeft Beleen: bekropen. ' Beleen: Bekbuiping, V. Beleen Bekbuisen, bekruiste, heeft bekruist. Beleen: Bekuipen, bekuipte, heeft bekuipt. Beleen: Bekuiping, V. Beleg, Bekwaam, bekwamer, bekwaamst. Belege: Bekwaamheid, 7., -heden. Belege: Bekwamen, bekwaamde, heeft be- Belege: kwaamd. Belege] Bekwaming, V. Belege: Bekweelen, bekweelde, heeft bekweeld. Belege: Bekwijlen, bekwylde, heeft bekwyld. Belege Bel V., bellen. Belletje, o., -jes. 0-. -je Belaagsteb, V., belaagsters. Belege: Be.^abbebd, belabberder, belabberdst. Belegg Belabbebdheid, V. beleglt; Belachelijk, -lyker, -lykst. Belegg: Belachelijkheid, V. Belegg: Belachen, belachte, heeft belachen; Belegh ook beloeg. Belegsi Beladen, belaadde, heeft beladen. -jes. Belading, V., beladingen. Belegs: Belagen, belaagde, heeft belaagd. Beleid, Belageb, M., belagers. Beleidi Belaging, V., belagingen. Beleidi Belakken, belakte, heeft belakt. Beleid^ Belanden, belandde, is beland. Belekk Belang, o., belangen. Belemm Belangeloos, -loozer, -loost. Belemm Belangeloosheid, V. merd. Belangen, belangde, heeft belangd. Belemm Belangende. « Belend Belanghebbende, M. en V., -hebbenden. Belend Belangbijk, -rijker, -rijkst. Belet, belangbijkheid, v. bel'éti Belangstellen, stelde belang, heeft Beletsi belanggesteld. Belet! belang8tellend,-stellender, -stellendst. Belett: Belangstelling, V. Belett: Belastbaar, -bare. Beleve: Belastbaarheid, V. Belezei [Beleze: |
BEL.
BEL.
49
|
be- Belasten, belastte, heeft belast. Belasteren, belasterde, heeft belasterd. Belastering, V., belasteringen. Belasting, V., belastingen, tst. Belastingbiljet, o., -biljetten. Belastingkantoor, O., -kantoren, ch, Belastingplichtige, M. en V., -plich-tigen. eft Belastingwet, V., -wetten. Belatten, belatte, heeft belat. en. Belboei, V., -boeien. Beleedigen, beleedigde, heeft beleedigd. ist. Beleediger, M., beleedigers. Beleediging, V., beleedigingen. d. Beleedigster, V., beleedigsters. Beleefd, beleefder, beleefdst. Beleefdelijk. [. Beleefdheid, V., -heden, eft Beleefdheidsbezoek, O., -bezoeken, be- Beleefdheidshalve. Beleefdheidsvorm, M,, -vormen, eft Beleenbaar, -bare. ' Beleenbank, V., -banken. Beleenen, beleende, heeft beleend. Beleener, M., beleeners. Beleening, V., beleeningen. Beleg, O. Belegen. Belegeraar, M., belegeraars, be- Belegeren, belegerde, heeft belegerd. Belegering, V., belegeringen. Belegeringsgeschut, O. ld. Belegeringskunst, V, l. Belegeringsspel, O.,-spellen; -spelletje, O., -jes. Belegeringstrein, M., -treinen. Beleggen, belegde en beleide, heeft belegd en beleid. Belegger, M., beleggers. Belegging, V., beleggingen, jn; Beleghout, O., -houten. Belegsel, O., belegsels. Belegseltje, O., -jes. Belegstuk, o., -stukken. Beleid, O. Beleiden, beleidde, heeft beleid. Beleider, M., beleiders. Beleidvol. Belekken, belekte, heeft belekt. Belemmeraar, M , belemmeraars. Belemmeren, belemmerde, heeft belemmerd. Belemmering, V., belemmeringen. Belenden, belendde, heeft belend. an. Belending, V., belendingen. Belet, O. Bel«étage, quot;V., -étages. aft Beletsel, o., beletselen en beletsels. Beletseltje, O., -jes. st. Beletten, belette, heeft belet. Beletting, v. Beleven, beleefde, heeft beleefd. Belezen, belas, belazen, heeft belezen. Belezen, belezener, belezenst. |
Belezenheid, V. Belezer, M., belezers. Belezing, V., belezingen. Belg, M., Belgen. Belgen (zich â), belgde zich, heeft zich gebelgd. Belgicisme, O., belgicismen. Belging, V., belgingen. Belgisch. Belgziek, -zieker, -ziekst. Belhamel, M., -hamels. Belichamen, belichaamde, heeft belichaamd. Belichaming, V. Beliegen, beloog, belogen, heeft belogen. Belieger, M., béliegers. Believen, beliefde, heeft beliefd. Verg. Blieven. Believen, o. Belijden, beleed, beleden, heeft beleden. Belijdenis, V., belydenissen. Belijdenisgeschenk, O., -geschenken. Belijder, M., belijders. Belijderes, Y.. beJijderessen. Belijmen, belijmde, heeft belymd. Belijnen, belijnde, heeft belijnd. Belikken, belikte, heeft belikt. Bellefleur, V., -fleurs en -fleuren. Bellen, belde, heeft gebeld. Bellettrie, V. Bellettrist, M., bellettristen. Beloerder, M., beloerders. Beloeren, beloerde, heeft beloerd. Belofte, V., beloften. Beloftenis, V., beloftenissen. Beloken. Belommeren, belommerde, heeft belommerd. Belommering, V. Belonken, belonkte, heeft belonkt. Beloonen, beloonde, heeft beloond. Belooner, M., belooners. Belooning, V., belooningen. Beloonin kje, O., -jes. Beloonster, V., beloonsters. Beloop, o. Beloopen, beliep, beliepen, heeft be-loopen. Beloven, beloofde, heeft beloofd. Belover, M., belovers. Belroos, V. Belt, V., belten. Beluiden (ook beluien), beluidde (be- luide), heeft beluid. Beluisteraar, M., beluisteraars. Beluisteren, beluisterde, heeft beluisterd. Belust, beluster. Belustheid, V. Belvedere, O., belvederes. Bemachtigen, bemachtigde, heeft bemachtigd. |
4
BEM. 50 BEN.
|
Bemachtig ing, V. Bemalen (met den watermolen), j bemaalde, heeft bemalen. Bemalen (.beschilderen), bemaalde, heeft bemaald. Bemaling, V., bemalingen. Bemalingswekktuig, ü., -werktuigen. Bemannen, bemande, heeft beniantl. Bemanning, V., bemanningen. Bemantelen, bemantelde, heeft bemanteld. Bemanteling, V., bemantelingen. Bemerkbaar, -baarder, -baarst. Bemerken, bemerkte, heelt bemerkt. Bemesten, bemestte, heeit bemest. Bemesting, V., bemestingen. Bemiddelaar, M., bemiddelaars. Bemiddelaarster, v., bemiddelaarsters. Bemiddelares, V., bemiddelaressen. Bemiddeld, bemiddelder, bemiddeldst. Bemiddeldheid, V. Bemiddelen, bemiddelde, heeft bemiddeld. Bemiddeling, V. Bemind, beminder, bemindst. Beminde, M. en V., beminden. Beminlijk en beminnelijk, -lijker, -lykst. Beminlijkheid, V. Beminnaar, M., beminnaren en beminnaars. Beminnares, V., beminnaressen. Beminnen, beminde, heeft bemind. Beminnenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Beminnenswaardigheid, V. Beminner, M,, beminners. Bemodderen, bemodderde, heeft be-modderd. Bemoedigen, bemoedigde, heeft bemoedigd. Bemoediging, V., bemoedigingen. Bemoeial, M. en V., bemoeiallen. Bemoeien, bemoeide, heelt bemoeid. Bemoeienis, V., bemoeienissen. Bemoeiing, V., bemoeiingen. Bemoeilijken, bemoeilykte, heeft be- moeilykt. Bemoeilijking, V., bemoeilykingen. Bemoeisel, ü., bemoeisels. Bemoeizucht, V. Bemorsen, bemorste, heeft bemorst. Bemost. Bemuren, bemuurde, heeft bemuurd. Bemuring, v., bemuringen. Ben, V., bennen. Bennetje, O., -jes. Benaaien, benaaide, heelt benaaid. Benaarstigen, benaarstigde, heeft be- naarstigd. Benaasten, benaastte, heeft benaast. Benaasting, V., benaastingen. Benadeelen, benadeelde, heeft benadeeld. Benadeeleb, m., benadeelers. Benadeeling, V., benadeelingen. |
Benaderen, benaderde, heeft benaderd. Benadering, V., benaderingen. Benaming, V., benamingen. Benard, benarder, benardst. Benardheid, V. Benarren, benarde, heeft benard. Benauwd, benauwder, benauwdst. Benauwdheid, V., -heden. Benauwen, benauwde, heeft benauwd. Benauwer, M., benauwers. Benauwing, V., benauwingen. Bende, V., benden. Beneden. Benedeneinde, O. Benedenhuis, o., -huizen. Benedenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Benedenste. Benedenswinds. Benedenwaarts. Benedenzaal, V., -zalen. Benedictijn, M., Benedictijnen. Benefice, O. Benefice-voorstelling, V., -voorstellingen. Benemen, benam, benamen, heeft benomen. Benemer, M., benemers. Beneming, V. Benepen, bénepener, benepenst. Benepenheid, V. Benevelen, benevelde, heeft beneveld. Beneveling, V., benevelingen. Benevens. Bengaalsch-vuur, o. Bengel, M., bengels. Bengelen, bengelde, heeft gebengeld. Be^gelkruid, u. Benieuwd. Benieuwen, benieuwde, heeft benieuwd. Benijden, benydde, heelt benyd. Benijdenswaardig, -waardiger, -waar digst, of meer en meest -waardig. Benijdenswaardigheid, v. Benijder, M., benyders. BenijdoTer, V., benydsters. Benupen, beneep, benepen, heeft benepen. Benoembaar, -bare. Benoembaarheid, v. Benoemde, m. en v., benoemden. Benoemen, benoemde, heeft benoemd. Benoemer, m., benoemers. Benoeming, v., benoemingen. Benoemingsbrief, M., -brieven. Benoodigd. Benoodigdheid, V., -heden. Benoorden. Bent, V. Benul, O. Benzine, V. Beoefenaar, M., beoefenaars en beoefenaren. Beoefenen, beoefende, heeft beoefend. Beoefe Beolie: Beoogi Beoogi liEOORI oordc Beoori deeld Beoori Beoori loogc Beoosi Bepaai Bepaai Bepaai Bepak1] Bepale Bepali Bepali O., -j Bepari Bepeik Bepein Bepeki heefl Beperi Beper] Beperi Beperi Beperi Bepike bepil Bepiss: Beplai Bepla: Bepla] Bepla: Bepla: Bepla: Beple; pleis Beple: Beple: Beple: Beplo Beplo Beplo Beplu Beplu Beplu bepl Bepot Bepot Bepra Bepre Bepro Bepro Bepro Beprc Beprc Beprc Beragt; Beraj raa( |
|
BEO. )r(^ Beoefening, v. Beoliën, beoliede, heeft beolied. Beoogen, beoogde, heeft beoogd. Beooging, v. Beoobdeelaab, M., beoordeelaars en beoordeelaren. Beoobdeelen, beoordeelde, heeft beoordeeld. vd. Beoobdeeling, V., beoordeelingen. Beooblogen, beoorloogde, heeft beoorloogd. Beoosten. Bepaald, bepaalder, bepaaldst. Bepaaldelijk. Bepaaldheid, V. tje, Bepakt. Bepalen, bepaalde, heeft bepaald. Bepaleb, M., bepalers. Bepaling, V., bepalingen. Bepalinkje, O., -jes. ; Bepabelen, beparelde, heeft bepareld. Bepeinzen, bepeinsde, heeft bepeinsd. Bepeinzing, V., bepeinzingen, el- Bepekken, (ook bepikken), bepekte, heeft bepekt. ae- Bepebken, beperkte, heeft beperkt. Bepebkeb, M., beperkers. Bepebking, V., beperkingen. Bepebkt, beperkter, beperktst. Bepebktheid, V. Bepikken (ook bepekken),bepikte, heeft ld. bepikt. Bepissen, bepiste, heeft bepist. Beplakkeni beplakte, heeft beplakt. Beplanken, beplankte, heeft beplankt. Beplanking, v., beplankingen. I. Beplanten, beplantte, heeft beplant. Beplanteb, M., beplanters. Beplanting, V., beplantingen. rd. Bepleisteren, bepleisterde, heeft bepleisterd. ar Bepleistering, v., bepleisteringen. Bepleiten, bepleitte, heeft bepleit. Bepleiting, v., bepleitingen. Beploegbaar, -bare. Beploegen, beploegde, heeft beploegd, .e- Beploeging, v., beploegingen. Bepluimen, bepluimde, heeft bepluimd. Bepluisd. Bepluizen, beploos, beplozen, heeft beplozen. d. Bepoten, bepootte, heeft bepoot. Bepoting, V., bepotingen. Bepraten, bepraatte, heeft bepraat, i Bepreeken, bepreekte, heeft bepreekt. Bepboefbaab, -bare. Bepboefd, beproefder, beproefdst. Bepboefsteb, v., beproefsters. Bepboeven, beproefde, heeft beproefd. Bepboeveb, m., beproevers. Bepboeving, V., beproevingen. q. Bebaad, o. Beraadslagen, beraadslaagde, heeft be-[j. raadslaagd. |
BER. Beraadslager, M., beraadslagers. Beraadslaging, V., beraadslagingen. Berad. Beraden, beried, heeft beraden; ook beraadde. Beraden, beradener, beradenst. Beradenheid, V. Beramen, beraamde, heeft beraamd. Beramer, M., beramers. Beraming, V., beramingen. Berapen, beraapte, heelt beraapt. Berberis, V., berberissen. Berberissestruik, M, -struiken. Berd, o. (te berde brengen). Berechten, berechtte, heeft berecht. Berechter, M., berechters. Berechting, V., berechtingen. Beredderaar, M., beredderaars. Beredderen, beredderde, heeft beredderd. Bereddering, V., beredderingen. Beredding, V. Bereden. Beredeneerd, beredeneerder, berede-neerdst. Beredeneeren, beredeneerde, heeft beredeneerd. Beregenen, beregende, is beregend. Bereiden, bereidde, heeft bereid. Bereider, M., berelders. Bereiding, v., bereidingen. Bereids. Bereidsel, o., bereidselen en bereid-sels. Bereidster, V., bereidsters. Bereidvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Bereidvaardigheid, v. Bereidwillig, -williger, -willigst. Bereidwilligheid, V. Bereik, o. Bereikbaar, -bare. Bereikbaabheid, V. Bebeiken, bereikte, heeft bereikt. Bebeiking, V. Bebeisd, bereisder, bereisdste. Bereizen, bereisde, heeft bereisd. Bebekenaab, M., berekenaars. Bebekenbaab, -bare. Bebekenen, berekende, heeft berekend. Bebekening, V., berekeningen. Bebenhüid, V., -huiden. Berenjong, O., -jongen. Berenklauw (klauw van een beer, en plant), M., -klauwen. Berenleider, M., -leiders. Berenmuts, v., -mutsen. Berennen, berende, heeft berend. Berenner, M., berenners. Berenning, V., berenningen. Berenoor, O., -ooren. Berg, m., bergen. Bergje, o., -jes. Bergachtig, -achtiger, -achtigst. Bergachtigheid, V. Bergaf. |
BER.
BER.
52
|
Bergafwaarts (bijw.). Bergamot, V., bergamotten. Bergamotje. O., -jes. Bergen, borg, heeft geborgen. Bergengte, V., -engten. Berger, M., bergers. Berggeld, O. Berghout, o, -houten. Berging, V. Bergketen, V., -ketenen en -ketens. Bergland, o., -landen. Bergloon, O., -loonen. Bergop. Bergpas, M., -passen. Bergplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes. Bergrede, V. Bergrug, M., -ruggen. Bergtop, M., -toppen. Beriberi, V. Bericht, O., berichten. Berichtje, O.,-jes. Berichten, berichtte, heeft bericht. Berichter, M., berichters. Berichtgever, M , -gevers. Berichtster, V., berichtsters. Berieken (ook beruiken), berook, beroken, heeft beroken. Berijdbaar, -bare. Berijden, bereed, bereden, heeft bereden. Berijder, M., berijders. Berijdster, V., berijdsters. Berijmen, berijmde, heeft berijmd. Berijmer, M., berijmers. Berijming, V., berijmingen. Beril (steen), M., berillen; (stof), O. Berin (wijfjesbeer), V., berinnen. Beringen, beringde, heeft beringd. Berispelijk, -Itfker, -lijkst. Berispelijkheid, V, Berispen, berispte, heeft berispt. Berisper, M., berispers. Berisping, V., berispingen. Berk, M., berken. Berkje, O., -jes. Berkeboom, M., -boomen. Berkemeier, M., berkemeiers. Berken (bnw.). Berkenbast, M., -basten. Berkenhout, O. Berkenhouten (bnw.). Berkoen, M., berkoenen. Berlijnsch-blauw, O. Berm, M., bermen. Bermsloot, v., -slooten. Beroemd, beroemder, beroemdst. Beroemdheid, V., -heden. Beroemen, beroemde, heeft beroemd. Beroep, o., beroepen. Beroepbaar, -bare. Beroepbaarheid, V. Beroepen, beriep, heeft beroepen. Beroepene, M. en V., beroepenen. Beroeper, M., beroepers. Beroeping, V., beroepingen. Beroepsbezigheid, V., -heden. |
Beroepsbrief, M., -brieven. Beroepshalve. Beroepsplicht, M., -plichten. Beroerd, beroerder, beroerdst. Beroerdeling, M., beroerdelingen. Beroerder, M., beroerders. Beroerdheid, V., -heden. Beroeren, beroerde, heeft beroerd. Beroering, V., beroeringen. Beroerling, M.. -lingen. Beroerte, V., beroerten. Beroesten, beroestte, is beroest, Beroesting, V. Berokkenaar, M., berokkenaars. Berokkenaarster, V., berokkenaar-sters. Berokkenen, berokkende, heeft berokkend. Berokkening, V. Beroofster, V., beroofsters. Berooid, berooider, berooidst. Berooidheid, V. Berooken, berookte, heeft berookt. Berooking, V., berookingen. Berooven, beroofde, heeft beroofd. Beroover, M., beroovers. Berooving, V., beroovingen. Berouw, O. Berouwen, berouwde, heeft berouwd. Berouwhebbend. Berrie, V., berries. Berst. Zie Barst. Bersten. Zie Barsten. Berucht, beruchter, beruchtst. Beruchtheid, V. Beruiken (ook berieken), berook, beroken, heeft beroken. Berüsten, berustte, heeft berust. Berusting, V. Bes, V., bessen. Besje, o., -jes. Besausen, besauste, heeft besaust. Besausing, V. Beschaafd, beschaafder, beschaafdst. Beschaafdheid, V. Beschaamd, beschaamder, beschaamdst. Beschaamdheid, V. Beschaarder, M., beschaarders. Beschaarster, v., beschaarsters. Beschadigen, beschadigde, heeft beschadigd. Beschadiger, M., beschadigers. Beschadiging, V., beschadigingen. Beschaduwen, beschaduwde, heeft beschaduwd. Beschaduwing, V. Beschamen, beschaamde, heeft beschaamd. Beschaming, V. Beschansen, beschanste, heeft be- schanst. Beschansino, V., beschansingen. Bescharen, beschaarde, heeft beschaard. Beschaven, beschaafde, heeft beschaafd. Beschaver, m., beschavers. |
'
BES.
BES.
|
Beschaving, V., beschavingen. Bescheid, O., bescheiden. Bescheiden, bescheidde, heeft be^ scheiden. Bescheiden, bescheidener, bescheidenst. Bescheidenheid, v. Bescheidenlijk. Beschemeren, beschemerde, heeft en is beschemerd. Beschenken, beschonk, heeft beschonken. ^ be8chenking. V. Bescheren, beschoor, beschoren, heeft beschoren. lar- beschering, V. Beschermeling, M. en V., bescherme-ok- lingen. V. ook beschermelinge. Beschermen, beschermde, heeft beschermd. Beschermengel, M., -engelen. Beschermer, M., beschermers. Beschermgeest, M., -geesten. Beschermgod, M., -goden. Beschermgodin, V., -godinnen. Beschermheer, M., -heeren. Beschermheilige, M. en V., -heiligen. Bescherming, V., beschermingen. Beschermster, V., beschermsters, d. Beschieten, beschoot, beschoten, heeft beschoten. Beschieting, v. Beschijnen, bescheen, beschenen, heeft beschenen. Beschijten, bescheet, bescheten, heeft bescheten. be- Beschik, O. Beschikal, M. en V., beschikallen. Beschikbaar, -bare. Beschikbaarheid. V. Beschikken, beschikte, heeft beschikt. Beschikker, M., beschikkers. Beschikking, V., beschikkingen. Beschikster, V.. beschiksters. Beschilderen, beschilderde, heeft best. schilderd. Beschildering, v. Beschimmeld. Beschimmeldheid, v. je- Beschimmelen, beschimmelde, is beschimmeld. Beschimpen, beschimpte, heeft beschimpt. )e- Beschimper, M., beschimpers. Beschimping, v., beschimpingen. Beschoeien, beschoeide, heeft be-gt;6- schoeid. Beschoeiing, V., beschoeiingen. Beschonken. )e. Beschonkenheid, v. Beschoren. Beschot, O., beschotten. Beschotje, o., â d. -jes' ü. Beschouwen, beschouwde, heeft beschouwd. |
Beschouwer, M., beschouwers. Beschouwing, V., beschouwingen. Beschouwster, V., beschouwsters. Beschreien, beschreide, heeft be-schreid. Beschreienswaardig, -waardiger, - waardigst, of meer en meest-waardig. Beschrijden, beschreed, beschreden, heeft beschreden. Beschrijfster, V., beschrijfsters. Beschrijven, beschreef, beschreven, heeft beschreven. Beschrijver, M., beschrijvers. Beschrijving, V., beschrijvingen. Beschrijvingsbiljet, O., -biljetten. Beschrijvingsbrief, M., -brieven. Beschroomd, beschroomder, be- schroomdst. Beschroomdheid, V. Beschuit, V., beschuiten. Beschuitje, O., -jes. Beschuitbakker, M., -bakkers. Beschuitkruimel, V., -kruimels; -kruimeltje, O., -jes. Beschuldigde, M. en V., beschuldigden. Beschuldigen, beschuldigde, heeft beschuldigd. Beschuldiger, M., beschuldigers. Beschuldiging, V., beschuldigingen. Beschuldigster, V., beschuldigsters. Beschutsel, O., beschutsels. Beschutten, beschutte, heeft beschut. Beschutter, M., beschutters. Beschutting, V., beschuttingen. Besef, O. Beseffeloos, -looze. Beseffeloosheid, V. Beseffen, besefte, heeft beseft. Besingelen, besingelde, heeft besingeld. Besingeling, V. Beslaan, beslaat, besloeg, heeft en is beslagen. Beslabberaar, M., beslabberaars. Beslabberen, beslabberde, heeft be- slabberd. Beslag, o. Beslapen, besliep, heeft beslapen. Beslaping, V. Beslechten, beslechtte, heeft beslecht. Beslechter, M., beslechters. Beslechting, V., beslechtingen. Beslechtster, V., beslechtsters. Beslijken, beslijkte, heeft beslijkt. Beslupen, besleep, besiepen, heeft besiepen. Beslissen, besliste, heeft beslist. Beslissend, beslissender, beslissendst. Beslisser, M., beslissers. Beslissïng, V., beslissingen. Beslommeren, beslommerde, heeft beslommerd. Beslommering, V., beslommeringen. Beslooten, beslootte, heeft besloot. Beslootxng, v., beslootingen. J |
BES.
54
BES.
|
Besloten. Besluipen, besloop, beslopen, heeft beslopen. Besluipeb, m., besluipers. Besluit, O., besluiten. Besluiteloos, -loozer, -loost. Besluiteloosheid, v. Besluiten, besloot, besloten, heeft be- besloten. Besluiting, V. Besmeerder, M., besmeerders. Besmeerster, V., besmeersters. Besmeren, besmeerde, heeft besmeerd. Besmettelijk, -Ijjker, -lijkst. Besmettelijkheid, V., -heden. Besmetten, besmette, heeft besmet. Besmetting, V., besmettingen. Besnaren, besnaarde, heeft besnaard. Besnauwen, besnauwde, heeft be- snauwd. Besneden. Besneeuwd. Besnijden, besneed, besneden, heeft besneden. Besnijdenis, V. Besnijder, M., besnijders. Besnijding, V., besnijdingen. Besnoeibaar, -bare. Besnoeien, besnoeide, heeft besnoeid. Besnoeier, m., besnoeiers. Besnoeiing, V., besnoeiingen. Besnuffelen, besnuffelde, heeft besnuffeld. Besnuffeling, V., besnuffelingen. Besogne, V., besognes. Besogneeren, besogneerde, heeft ge- besogneerd. Besognekamer, V., -kamers. Besommen, beoomde, heeft besomd. Bespaarder, M., bespaarders. Bespaarbter, V., bespaarsters. Bespannen, bespande, heeft bespannen. Bespanning, V., bespanningen. Besparen, bespaarde, heeft bespaard. Besparing, V., besparingen. Bespatten, bespatte, heeft bespat. Bespeelster, V., bespeelsters. Bespelen, bespeelde, heeft bespeeld. Bespeler, M., bespelers. Bespeling, V. Bespeurder, M., bespeurders. Bespeuren, bespeurde, heeft bespeurd. Bespeuring, V. Bespieden, bespiedde, heeft bespied. Bespieder, M., bespieders. Bespieding, V., bespiedingen. Bespiedster, V., bespiedsters. Bespiegelaar, M, -laars. Bespiegelen, bespiegelde, heeft bespiegeld. Bespiegeling, V., bespiegelingen. Bespikkelen, bespikkelde, heeft bespikkeld. Bespikkeling, V., bespikkelingen. |
Bespitten, bespitte, heeft bespit. Bespoedigen, bespoedigde, heeft bespoedigd. Bespoediging, V. Bespoelen, bespeelde, heeft bespeeld. Bespoeling, V., bespoelingen. Bespotster, V., bespotsters. Bespottelijk, -lyker, -lijkst. Bespottelijkheid, V., -heden. Bespotten, bespotte, heeft bespot. Bespotter, M., bespotters. Bespotting, V., bespottingen. Bespraakt, bespraakter, bespraaktst. Bespraaktheid, V. Besprek, o. Bespreken, besprak, bespraken, heeft besproken. Bespreking, V.. besprekingen. Besprengen, besprengde, heeft be- sprengd. Besprenging, V., besprengingen. Besprenkelen, besprenkelde, heeft besprenkeld. Besprenkeling, V., besprenkelingen. Bespringen, besprong, lieeft besprongen. Bespringer, M., bespringers. Bespringing, V., bespringingen. Besproeien, besproeide, heelt besproeid. Besproeiing, V., besproeiingen. Bespugen, bespoog, bespogen, heeft bespogen. Bespuiten, bespoot, bespoten, heeft bespoten. Bespuiting, bespuitingen. Bespuwen, bespuwde, heeft bespuwd. Be8se'3oom, M, -boomen; -boompje, 0., -jes. Bessengelei, V.. -geleien. Bessenjenever, V. Bessennat, O. Bessenrist, V., -risten. Bessensap (het sap van bessen), O.; (als toebereide drank), V. Bessentros, M., -trossen. Bessenvla, V., -vlaas. Bessenwijn, M. Bessestruik, M., -struiken. Best. Best foude vrouw), V., besten. Bestje, O., -jes. Bestaan, bestond, heeft bestaan. Bestaan, o. Bestaanbaar, -bare. Bestaanbaaeheid. V. Béstaken, bestaakte, heeft bestaakt. Bestaking, V., bestakingen. Bestand, O. Bestand (bnw.). Bestanddeel, O., -deelen; -deeltje, ü., -jes. Bestedeling, M. en V., bestedelingen. V. ook bestedelinge. Besteden, besteedde, heelt besteed. Besteder, M., besteders. |
1
BES. 55
BE8.
|
Besteding, V., bestedingen. Besteedster, V., besteedsters. Besteekband. M.. -banden. Besteekbel. O., besteeksels. Besteekster, Y.. besteeksters. Bestek, O., bestekken. Bestekje, O., -jes. Bestekamer. V.. -kamers. Besteken, bestak, bestaken, heeft bestoken. Besteker, M., bestekers. Besteking, V., bestekingen. Bestel, O. Bestel (beschuit), V.. bestellen. Bestelen, bestal, bestalen, heeft bestolen. Bestelgeld, O. Bestelgoed, O., -goederen. Bestelhuis, O., -huizen. Besteling, V. Bestelkantoor. o., -kantoren. Bestellen, bestelde, heeft besteld. Besteller, M.. bestellers. Bestelling, v., bestellingen. Bestel- linkje, O., -jes. Bestellingslt.tst. V.. -lysten. Bestelloon. o., -loonen. Bestelpen, bestelpte, heeft bestelpt. Bestemaat, M., -maats. Bestemaatje, O., -jes. Bestemmen, bestemde, heeft bestemd. Bestemming. V., bestemmingen. Bestemoer, V., -moers. Bestempelen, bestempelde, heeft bestempeld. Bestempeling, V., bestempelingen. Bestendig, bestendiger, bestendigst. Bestendigen, bestendigde, heeft bestendigd. Bestendigheid, V. Bestendiging. V, Bestendiglijk. Besterven, bestierf, bestierven, is bestorven. Bestevaar, M., -vaars. Bestevenen, bestevende, heeft beste- vend. Bestier, O. Bestierder, M., bestierders. Bestieren, bestierde, heeft bestierd. Bestiering. V., bestieringen. Bestijgen, besteeg, bestegen, heeft bestegen. Bestijging, V., bestijgingen. Bestippelen, bestippelde, heeft bestip-peld. Bestippen, bestipte, heeft bestipt. Bestoken, bestookte, heeft bestookt. Bestoker, M., bestokers. Bestoking, v., bestokingen. Bestoppen, bestopte, heeft bestopt. Bestormen, bestormde, heeft bestormd. Bestormer, M., bestormers. Bestorming, V., bestormingen. Bestorten,Ibestortte, heeft bestort. |
Bestorting, V., bestortingen. Bestorven. Bestoven. Bestraefen, bestrafte, heeft bestraft. Bestraffer, M , bestraffers. Bestraffing, V.. bestraffingen. Bestralen, bestraalde, heeft bestraald. Bestraling, v., bestralineen. Bestraten, bestraatte, heeft bestraat. Bestrating, V., bestratingen. Bestrijden, bestreed, bestreden, heeft bestreden. Bestrijder, M , bestrijders. Bestrijding, V., bestrijdingen. Bestrijdster. V.. bestriidstera. Bestrijken, bestreek, bestreken, heeft bestreken. Bestrijking. V.. bestrijkingen. Bestrieken, bestrikte. heeft bestri kt. Bestrooien, bestrooide, heeft bestrooid. Bfstrooung, V.. bestrooiingen. Bestruiven, bestruifde, heeft bestrnifd. Bestttiven, bestoof, bestoven, heeft en is bestoven. Besturen, bestuurde, heeft bestuurd., Besturing, V., besturingen. Bestuur, O., besturen. Bestuurder, M., bestuurders en be- stuurderen. Bestuurderes, v., bestuurderessen. Bestuurstafel, V., -tafels. Bestuurster, V., bestuursters. Bestuursvergadering, V., -vergaderingen. Bestuwen, bestuwde, heeft bestuwd. Besuikeren, besuikerde, heeft besuikerd. Betaalbaar, -bare, Betaalbrief, m.. -brieven. Betaaldag, M., -dagen. Betaalkas, V.. -kassen. Betaalmeester, M., -meesters. Betaalsheer, M., -heeren. Betaalster, V., betaalsters. Betaaltijd. M., -tijden. Betalen, betaalde, heeft betaald. Betaler, M., betalers. Betaling, V., betalingen. Betamelijk, -lijker, -lijkst. Betamelijkheid, V., -heden. Betamen, betaamde, heeft betaamd. Betasten, betastte, heeft betast. Betasting, V., betastingen. Bete, V,, beten. Beteekenen, beteekende, heeft betee- kend. Beteekening. V, Beteekenis, v., beteekenissen. Betel, V. Betemmen, betemde, heeft betemd. Betemming,1 V. Beter.v Beteren (van beter), beterde, heeft en is gebeterd. |
BET.
BET.
56
|
Beteeen (met teer besmeren), beteerde, heeft beteerd. Beterhand, V. Betering, V. Beternis, V. Beterschap, V. Beteugelen, beteugelde, heeft beteu-geld. Beteugeling, V., beteugelingen. Beteuniebloem, V., -bloemen. Beteuterd. Beteuterdheid, V. Beteutering, V. Betichten, betichtte, heeft beticht. Betichter, M., betichters. Betichting, V., betichtingen. Betichtster, V., betichtsters. Betijen (Laten â). Betimmeren, betimmerde, heeft betimmerd. Betimmering, V., betimmeringen. Beting, V., betings. Betitelen, betitelde, heeft betiteld. Betiteling, V., betitelingen. Betogen (deelw.). Beton, O. Betonblok, O., -blokken. Betonen (den toon plaatsen), betoonde, heeft betoond. Betoning, V., betoningen. Betonnen, betonde, heeft betond. Betonning, V., betonningen. Betoog, O., betoogen. Betoogje, O., -jes. Betoogbaar, -bare. Betoogbaarheid, V. Betoogen, betoogde, heeft betoogd. Betooger, M., betoogers. Betooggrond, M., -gronden. Betooging, V., betoogingen. Betoogtrant, M. Betoomen, betoomde, heeft betoomd. Betoomer, M., betoomers. Betooming, V, betoomingen. Betoon, O. Betoonen (doen blijken), betoonde, heeft betoond. Betooning, V., betooningen. Betooveren, betooverde, heelt betoo-verd. Betoovering, V., betooveringen. Betoudovergrootmoeder, V,, -grootmoeders. Betoudovergrootvader, M., -grootvaders. Betouwen, betouwde, heeft betouwd. Betraand. Betrachten, betrachtte, heeft betracht. Betrachter, M., betrachters. Betrachting, V., betrachtingen. Betraliën, betraliede, heeft betralied. Betrappen, betrapte, heeft betrapt. Betrapping, V. Betreden, betrad, betraden, heeft betreden. |
Betreding, V. Betreffen, betrof, betroffen, heeft betroffen. Betreffende. Betrekkelijk. Betrekken, betrok, betrokken, heeft en is betrokken. Betrekker, M., betrekkers. Betrekking, V., betrekkingen. Betreubder, M., betreurders. Betreuren, betreurde, heeft betreurd. Betreurenswaardig, -waardiger, «waardigst, of meer en meest- waardig. Betrokken, betrokkener, betrokkenst. Betrokkene, M. en V., betrokkenen. Betrokkenheid, V. Betrouwbaar, -bare. Betrouwen, betrouwde, heeft betrouwd. Betten, bette, heeft gebet. Betting, V. Betuigen, betuigde, heeft betuigd. Betuiging, V., betuigingen. Betuinen, betuinde, heeft betuind. Betuinino, V., betuiningen. Betweetster, V., -weetsters. Betweter, M., -weters. Betweterij, v., -weterijen. Betwijfelen, betwnfelde, heeft betwijfeld. Betwistbaar, -baarder, -baarst. Betwistbaarheid. V. Betwisten, betwistte, heeft betwist. Betwister, m., betwisters. Betwisting, V., betwistingen. Betwistster, V., betwiststers. Beu. Beugel, M., beugels. Bengeltje, O., -jes. Beugelbaan, V., -banen. Beugelen, beugelde, heeft gebeugeld. Beugeltasch, V., -tasschen. Beuk, M., beuken. Beukje, O., -jes. Beukeblad, o., -bladen; -blaadje, o., -jes. Beukeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Beukelaar, M., beukelaars. Beuken (bnw.). Beuken, beukte, heeft gebeukt. Beukenbast, M., -basten. Beukenbosch, O., -bosschen. Beukenhout, o. Beukenhouten (bnw.). Beukenlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes. Beukenoot, V , -noten; -nootje, O.,-jes. Beuker, M., beukers. Beukerij, V. Beukhamer, M , -hamers. Beuking, V., beukingen. Beukster, V., beuksters. Beul, M., beulen. Beulachtig, achtiger, -achtigst. Beulen, beulde, heelt gebeuld. Beulin, V., beulinnen. Beuling, M., beulingen, |
BEU.
BEY.
57
|
Beulschap, o. Beulsknecht, M., -knechts en -knechten. Beulsvbouw, V., -vrouwen. Beulswerk, O, Beun (vischkaar), V., beunen. Beun (zolder), V., beunen. Beunhaas, M., -hazen. Beunhazen, beunhaasde, heeft gebeunhaasd. Beunhazerij, V. Beurder, M., beurders. Beuren, beurde, heelt gebeurd. Beuring, V., beuringen. Beurs, V., beurzen. Beursje, o., -jes. Beursbelasting, V.. -belastingen. Beursbericht, o., -berichten. Beubsbezoekep, M., -bezoekers. Beursch, beurscher, beurscht. Beurschheid, V. Beurstijd, M., -tyden. Beursuur, O., -uren. Beurt, V., beurten. Beurtje, O, -jes. Beurtelings (byw.). Beurtelingsch (bnw.). Beurtman, M., -mannen. Beurtschip, o., -schepen. Beurtschipper, M., -schippers. Beurtzang, m., -zangen. Beurzenmaker, M., -makers. Beurzensnijder, M., -snijders. Beurzig, beurziger, beurzigst. Beurzigheid, V. Beuzelaar, M., beuzelaars. Beuzelaarster, V., beuzelaarsters. Beuzelachtig, -achtiger, -achtigst. Beuzelachtigheid, V. Beuzelarij, V., beuzelarijen. Beuzelen, beuzelde, heeft gebeuzeld. Beuzeling, V., beuzelingen. Beuzelkraam, V., -kramen. Beuzelpraat, M. Beuzelpraatje, O., -jes. Beuzeltaal, V. Beuzelwerk, O. Bevaarbaab, -baarder, -baarst. Bevaarbaarheid, V. Bevallen (behagen), beviel, heeft bevallen. Bevallen (baren), beviel, is bevallen. Bevallig, bevalliger, bevalligst. Bevalligheid, V., -heden. Bevalling, V., bevallingen. Bevang, o. Bevangen, beving, heeft bevangen. Bevanging, V. Bevaren, bevoer, heeft bevaren. Bevaren, bevavener, bevarenst. Bevaring, v. Bevattelijk, -lijker, -lykst. Bevattelijkheid, V. Bevatten, bevatte, heeft bevat. Bevatting, v. Bevattingsvermogen, o. Bevechten, bevocht, heeft bevochten. Beveiligen, beveiligde, heeft beveiligd. |
Beveiliger, M., beveiligers. Beveiliging, V., beveiligingen. Beveiligster, V., beveiligsters. Bevel, o., bevelen. Bevelen, beval, bevalen, heeft bevolen. Beveler, M., bevelers. Bevelhebber, M., -hebbers. Bevelhebbebschap, o. Beveling, V., bevelingen. Bevelschrift, o., -schriften. Bevelvoerder, M., -voerders. Beven, beefde, heeft gebeefd. Bever (dier), M., -bevers; (stof), O. Bevergeil, O. Beverig, beveriger, beverigst. Beverigheid, V. Bevernel, V. Beversch. Bevestigen, bevestigde, heeft beves-tigd. Bevestigend. Bevestiger, M, bevestigers. Bevestiging, V.. bevestigingen. Bevijlen, be vijlde, heeft bevijld. Bevind, O. Bevinden, bevond, heeft bevonden. Bevinding, V., bevindingen. Beving, V., bevingen. Bevingeren, bevingerde, heeft bevingerd. Bevisschen, bevischte, heeft bevischt. Bevitten, bevitte, heeft bevit. Bevlakken, bevlakte, heeft bevlakt. Bevlekken, bevlekte, heeft bevlekt. Bevlekking, V., bevlekkingen. Bevleugelen, bevleugelde, heeft bevleugeld. Bevlijtigen (zich â), bevlijtigde zich, heeft zich bevlytigd. Bevlijtiging, V. Bevloeren, bevloerde, heeft bevloerd. Bevloering, V., bevloeringen. Bevochten, bevochtte, heeft bevocht. Bevochtigen, bevochtigde, heeft bevochtigd. Bevochtiging, V., bevochtigingen. Bevoegd, bevoegder, bevoegdst. Bevoegdheid, V., -heden. Bevoelen, bevoelde, heeft bevoeld. Bevoeling, V., bevoelingen. Bevolken, bevolkte, heeft bevolkt. Bevolking, V., bevolkingen. Bevolkingscijfer, o., -cijfers. Bevolkingsleer, V. Bevolkingsregister, o., -registers. Bevolkt, bevolkter, bevolktst. Bevolktheid, V. Bevoogden, bevoogdde, heelt bevoogd. Bevoogding, V. Bevoordeelen, bevoordeelde, heeft bevoordeeld. Bevoordeeling, V. Bevooroordeeld. Bevooroordeeldheid, V, |
BEW.
BEV.
58
|
Bevoorrechten, bevoorrechtte, heeft bevoorrecht. Bevoorrechting, V., bevoorrechtingen. Bevoorwaarden, bevoorwaardde, heeft bevoorwaard. Bevoorwaarding, V. Bevorderaar, M, bevorderaars. Bevorderaarster, V., bevorderaarsters. Bevorderen, bevorderde, heeft bevorderd. Bevordering, V., bevorderingen. Bevorderlijk, -lijker, -lijkst. Bevorens. Bevrachten, bevrachtte, heeft bevracht. Bevrachter, M., bevrachters. Bevrachting, V., bevrachtingen. Bevragen, bevraagde, heeft bevraagd; ook bevroeg. Bevraging, V. Bevredigen, bevredigde, heeft bevredigd. Bevrediger, M., bevredigers. Bevrediging, V.. bevredigingen. Bevredigster, V., bevredigsters. Bevreemden, bevreemdde, heeft bevreemd. Bevreemding, V. Bevreesd, bevreesder, bevreesdst. Bevreesdheid, V. Bevriend. Bevriezen, bevroor, bevroren, is en heeft bevroren en bevrozen. Bevriezing, V. Bevrijden, bevrijdde, heeft bevrijd. Bevrijder, M., bevrijders. Bevrijding, V. Bevrijdingsoorlog, M., -oorlogen. Bevrijdster, V., bevrijdsters. Bevroeden, bevroedde, heeft bevroed. Bevroeding, V. Bevruchten, bevruchtte, heeft bevrucht. Bevruchter, M., bevruchters. Bevruchting, V.. bevruchtingen. Bevuilen, bevuilde, heeft bevuild. Bevuiling, V. Bewaaien, bewaaide, heeft bewaaid; ook bewoei. Bewaakster, V., bewaaksters. Bewaarder, M., bewaarders. Bewaargeld, O, -gelden. Bewaargever, M., -gevers. Bewaargeving, V. Bewaarheiden en bewaarheden, be- waarheidde, heeft bewaarheid. Bewaarmiddel, O., -middelen. Bewaarnemer, M., -nemers. Bewaarneming, V. Bewaarplaats, V., -plaatsen. Bewaarschool, V., -scholen. Bewaarster, V., bewaarsters. Bewaken, bewaakte, heeft bewaakt. Bewaker, M., bewakers. Bewaking, V. Bewallen, bewalde, heeft bewald. |
Bewalling, V., bewallingen. Bewandelen, bewandelde, heeft bewandeld. Bewandeling, V. Bewangen, bewaugde, heeft bewangd. Bewapenen, bewapende, heelt bewapend. Bewapening, V. Bewaren, bewaarde, heeft bewaard. Bewaring, V. Bewasemen, bewasemde, heeft bewasemd. Bewasschen (schoonmaken), bewiesch, bewieschen, heeft bewasschen. Bewassohing, V. Bewassen (begroeien), bewies, bewiesen, is bewassen. Bewateren, bewaterde, heeft bewaterd. Bewatering, V., bewateringen. Beweegbaar, -baarder, -baarst. Beweegbaarheid, V. Beweeggrond, M., -gronden. Beweegkracht, V., -krachten. Beweeglijk, -lyker, -lijkst. Beweeglijkheid, V. Beweegrad, O., -raderen. Beweegreden, V., -redenen. Beweenen, beweende, heeft beweend. Beweerder, M.t beweerders. Beweerschrift, O., -schriften. Beweerster, V., beweersters. Bewegen, bewoog, bewogen, heeft bewogen. Beweging, V., bewegingen. Bewegingloos. Beweiden, beweidde, heeft beweid. Beweldadigen, beweldadigde, heeft be- weldadigd. Beweren, beweerde, heeft beweerd. Bewering, V., beweringen. Bewerkelijk, -lijker, -Ijjkst. Bewerkelijkheid, V. Bewerken, bewerkte, heeft bewerkt. Bewerker, M., bewerkers. Bewerking, V., bewerkingen. Bewerkstelligen, bewerkstelligde, heeft bewerkstelligd. Bewerkstelliging, V. Bewerkster, V., bewerksters. Bewerktuigen, bewerktuigde, heeft bewerktuigd. Bewerktuiging, V. Be werpen, bewierp, heeft be worpen. Bewesten. Bewettigen, bewettigde, heeft bewet-tigd. Bewettiging, V. Bewierooken, bewierookte, heeft bewierookt. Bewierooker, M., bewierookers. Bewijs, O., bewijzen. Bewijsbaar, -bare. Bewijsbaarheid, V. Bewijsgrond, M., -gronden. |
BEW.
BEZ.
59
|
Bewijskracht, V. Bewijsplaats, V., -plaatsen. Bewijsstuk, O., -stukken. Bewijsvoering, V., -voeringen. Bewijzen, bewees, bewezen, heelt bewezen. Bewilligen, bewilligde,, heeft bewil-ligd. â Bewilliger, M., bewilligers. Bewilliging, V., bewilligingen. Bewilligster, V.. bewilligsters. Bewimpelen, bewimpelde, heeft bewim-peld. Bewimpeling, V., bewimpelingen. Bewind, O. Bewinden, bewond, heeft bewonden. Bewindhebber, M., -hebbers. Bewinding, V., bewindingen. Bewindsel, O., bewindsels. Bewindsman, M., -lieden. Bewindvoerder, M., -voerders. Bewitten, bewitte, heeft bewit. Bewoelen, bewoelde, heeft bewoeld. Bewoeling, V.. bewoelingen. Bewolken, bewolkte, heeft bewolkt. Bewolking, V. Bewonderaar, M., bewonderaars. Bewonderaarster, V., bewonderaarsters. Bewonderen, bewonderde, heeft bewonderd. Bewonderenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Bewondering, V. Bewonen, bewoonde, heeft bewoond. Bewoner, M., bewoners. Bewoning, V. Bewoonbaar, -bare. Bewoonbaarheid, V. Bewoonster. V., bewoonsters. Bewoorden, bewoordde, heeft bewoord. Bewoording, V., bewoordingen. Bewust. Bewusteloos, -loozer, -loost. Bewusteloosheid, V. Bewustheid, V. Bewustzijn, O. Bezaaien, bezaaide, heeft bezaaid. Bezaaier, M, bezaaiers. Bezaaiing. V., bezaaiingen. Bezaan, V., bezanen. Bezaansmast, M., -masten. Bezabbelen, bezabbelde, heeft bezab-beld. Bezabberen, bezabberde, heeft bezab-berd. Bezadigd, bezadigder, bezadigdst. Bezadigdheid, V. Bezakken, bezakte, is bezakt. Bezanden, bezandde, heeft bezand. Bezanding, V. Bezeeren, bezeerde, heeft bezeerd. Bezeering, v, |
Bezeeveren, bezeeverde, heeft bezee-verd. : . Bezegelen, bezegelde, heeft bezegeld. Bezegeling, V., bezegelingen. Bezeild. Bezeildheid, v. Bezeilen, bezeilde, heeft bezeild. Bezem, M., bezems. Bezempje, O., -Jes. Bezembinden, O. Bezembinder, M., -binders. Bezembinderij, V., -binderyen. Bezemschoon, -schoone. Bezemstok, M., -stokken. Bezending, V., bezendingen. Bezet, bezetter, bezetst. Bezeten. Bezetene, M. en V., bezetenen. Bezetenheid, V. » Bezetheid, V. Bezetteling, M., bezettelingen. Bezetten, bezette, heeft bezet. Bezetting, V.. bezettingen. Bezichtigen, bezichtigde, heeft bezichtigd. Bezichtiger, M., bezichtigers. Bezichtiging, v. Bezie, V., beziën. Bezield, bezielder, bezieldst. Bezielen, bezielde, heeft bezield. Bezieling, V. Bezien, bezag, bezagen, heeft bezien. Bezienswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Bezig, beziger, bezigst. Bezigen, bezigde, heeft gebezigd. Beziger, M., bezigers. Bezigheid, V., -heden. Bezighouden, hield bezig, heeft beziggehouden. Bezijden. Bezingen, bezong, heeft bezongen. Bezinger, M.. bezingers. Bezingster, V., bezingsters. Bezinken, bezonk, is bezonken. Bezinking, V., bezinkingen. Bezinksel, O., bezinksels. Bezinnen, bezon, bezonnen, heeft bezonnen. Bezit, O. Bezitrecht, O. Bezitster, V., bezitsters. Bezittelijk. Bezïtten, bezat, bezaten, heeft bezeten. Bezitter, M., bezitters. Bezitting, V., bezittingen. Bezoar, M. Bezoden, bezoodde, heeft bezood. Bezoedelen, bezoedelde, heeft bezoedeld. Bezoedeling, V., bezoedelingen. Bezoek, O., bezoeken. Bezoekje, O.,-jes. Bezoeken, bezocht, heeft bezocht. Bezoeker, M., bezoekers. Bezoeking, V., bezoekingen. |
BEZ.
BEZ.
60
|
Bezoekster, V., bezoeksters. Bezoldeben, bezolderde, heeft bezol- derd. Bezoldering, V. Bezoldigen, bezoldigde, heeft bezoldigd. Bezoldiging, V., bezoldigingen. Bezolding, V., bezoldingen. Bezondigen (zich â), bezondigde zich, heeft zich bezondigd. Bezondiging, V. Bezonnen. Bezonnenheid, V. Bezoomen, bezoomde, heeft bezoomd. Bezopen, bezopener, bezopenst. Bezopenheid, V. Bezorgd, bezorgder, bezorgdst. Bezorgdheid, V., -heden. Bezorgen, bezorgde, heeft bezorgd. Bezorger, M., bezorgers. Bezorging, V., bezorgingen. Bezorgster, V., bezorgsters. Bezuiden. Bezuinigen, bezuinigde, heeft bezuinigd. Bezuiniger, M., bezuinigers. Bezuiniging, V., bezuinigingen. Bezuinigingsmaatregel, M., -maatregelen. Bezuinigster, V., bezuinigsters. Bezuipen, bezoop, bezopen, heeft bezopen. Bezuren, bezuurde, heeft bezuurd. Bezwaar, O , bezwaren. Bezwaard, bezwaarder, bezwaardst. Bezwaarder, M., bezwaarders. Bezwaaedheid, V., -heden. Bezwaarlijk, -lyker, -lykst. Bezwaarnis, V., bezwaarnissen. Bezwaarschrift, o., -schriften. Bezwachtelen, bezwachtelde, heeft be- zwachteld. Bezwadderen, bezwadderde, heeft bezwadderd. Bezwalken, bezwalkte, heeft bezwalkt. Bezwalking, V.. bezwalkingen. Bezwangeren, bezwangerde, heeft bezwangerd. Bezwangering, V. Bezwaren, bezwaarde, heeft bezwaard. Bezwarend, bezwarender, bezwarendst. Bezwaring, V. Bezweerder, M., bezweerders. Bezweerster, V., bezweersters. Bezweet, bezweette. Bezwemmen, bezwom, bezwommen, heeft bezwommen. Bezweren, bezwoer, heeft bezworen. Bezwering, V., bezweringen. Bezweringsboek, o., -boeken. Bezweringsformulier, o.,-formulieren. Bezweringsvoorschrift, o., -voorschriften. Bezwijken, bezweek, bezweken, is be-gweke». |
Bezwijmen, bezwymde, isbezw^md; ook bezweem, bezwemen, is bezwemen. Bezwijming, v , bezwijmingen. Bibberen, bibberde, heeft gebibberd. Bibbering, v. Bibliograaf, M., bibliografen. Bibliographie, V., bibliographieën. Bibliomaan, M., bibliomanen. Bibliomanie, V. Bibliothecaris, M., bibliothecarissen. Bibliotheek, V., bibliotheken. Bibi.totheekscommissie, V., -commis-siën. Bidbank, V., -banken; -bankje, O., -jes. Biddag, M., -dagen. Bidden, bad, baden, heeft gebeden. Bidder, M., bidders. Bidplaats, V., -plaatsen. Bidster, V., bidsters. Bidstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes. Biduur, o., -uren. Bidvertrek, o., -vertrekken. Biecht, V., biechten. Biechteling, M. en V., biechtelingen. V. ook biechtelinge. Biechten, biechtte, heeft gebiecht. Biechteb, m., biechters. Biechtkind, o., -kinderen. Biechtster, V., biechtsters. Biechtstoel, M., -stoelen. Biechtvader, M., -vaders. Bieden, bood, boden, heeft geboden. Bieder, M., bieders. Bi Eds tel, y., biedsters. Biefstuk, M., biefstukken. Biefstukje, O., -jes. Bier, O., bieren. Bierbottelarij, V., -bottelarijen. Bierbrouwer, m., -brouwers. Bierbrouwerij, V.. -brouwerijen. Bierbuik, M., -buiken. Bierdrinker, M., -drinkers. Bierdrager, M., -dragers. Bierenbrood, O. Bierflesch, v., -flesschen. Bierglas, o., -glazen. Bierhuis, o., -huizen. Bierkan, V., -kannen. Bierkruik, v., -kruiken. Bierpomp, V., -pompen. Biersteker, M., -stekers. Bierstekerij, V., -stokerijen. Bierton, V., -tonnen. Biervat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes. Bierwagen, M., -wagens. Bies, V., biezen. Biesje, O., -jes. Biest, v. Biesvormig. Biet, V., bieten. Bietebauw, M., bietebauwen. Biezen (bnw.). Biezenkistje, o., -jes. Bifurcatie, V., bifurcaties. |
'1
BIF.
BIJ.
|
Bifubqueeren, bifurqueerde, heeft ge- bifurqueerd. Big, V., biggen. Biggetje, O., -jes. Bigamie, V. Biggelen, biggelde, heeft gebiggeld. Biggenkbuid, 0. Bigot, bigotter, bigotst. Bigottebie, V. Bij. Bu, V., bijen. Bytje, O., -jes. Bijaldien. Bijbedoeling, V., -bedoelingen. Bijbegbip, O., -begrippen. Bijbel, M., bybels. Bybeltje, O., -jes. Bijbelboek, O., -boeken. Bijbelgeloof, o. Bijbelgenootschap, O., -genootschappen. Bijbellezing, v., -lezingen. Bijbelplaats, v., -plaatsen. br jbelsch. Bijbeltekst, M.. -teksten. Bijbelvast, -vaster, -vastste. Bijbelvebtaling, V., -vertalingen. Bijbetalen, betaalde by, heeft by betaald. Bijbetaling, V., -betalingen. Bubeteeken s, V., -beteekenissen. Bijbinden, bond by, heeft bijgebonden. Bijbinding, V., -bindingen. Bijblad, O., -bladen. Bijblaadje, O.,-jes. Bijblijven, bleef bij. bleven bij, is bijgebleven. Buboeken, boekte by, heeft bygeboekt. Bijboeking, V. Bijboeten, boette bij, heeft bijgeboet. Bijbbassen, braste bij, heeft bijgebrast. Bijbbengen, bracht by, heeft byge- bracht. Bijdehand en bijdebhand. Bijdehandsch en bijdebhandsch. Bijdenkbeeld, o., -beelden. Bijdoen, deed by, deden by, heeft by- gedaan. Budbaagsteb, V., -draagsters. Budbaaien, draaide by, heeft en is by gedraaid. Budbage, V., -dragen. Bijdraagje, O., -jes. Budbagen, droeg by, heeft by gedragen. Budbageb, M., -dragers. Budbaging, V., -dragingen. Budbukken, drukte by, heeft by gedrukt. Bijeen. Bueenbehooben, behoorde byeen, heeft byeenbehoord. Bueenblijven, bleef byeen, bleven byeen, is byeengebleven. Bueenbbengen, bracht bijeen, heeft byeengebracht. Bijeenbbenging, V. Bueendoen, deed byeen, deden byeen, heeft byeengedaan. Bueendbuven, dreef byeen, dreven byeen, heeft byeengedreven. |
Bijeenflansen, flanste byeen, heeft byeengeflanst. Bijeengooien, gooide bijeen, heeft by-eengegooid, Bijeenhalen, haalde byeen, heeft by-eengehaald. Bijeenhangen, hing byeen, heeft by-eengehangen. Bijeenhouden, hield by'een, heeft bijeengehouden. Bijeenjagen, jaagde bijeen, heeft by-eengejaagd; ook joeg byeen. Bijeenkomen, komt byeen, kwam byeen, kwamen bijeen, is byeengeko-men. Bijeenkomst, V., -komsten. Bijeenleggen, legde en leide byeen, heeft bijeengelegd en bijeengeleid. Bijeenliggen, lag bijeen, lagen bijeen, heeft byeengelegen. Bijeenplaatsen, plaatste byeen, heeft bijeengeplaatst. Bijeenplaatbing, v. Bijeenbapen, raapte bijeen, heeft bijeengeraapt. Bijeenboepen; riep byeen, heeft byeen-geroepen. Bijeenroeping, V., -roepingen. Bijeenscharrelen, scharrelde bijeen, heeft bijeengescharreld. Bijeenschrapen, schraapte byeen, heeft byeengeschraapt. Bijeenspelden, speldde byeen, heeft bijeengespeld. Bijeenstaan, staat bijeen, stond byeen, heeft bijeengestaan. Bijeentellen, telde bijeen, heeft byeen-geteld. Bijeentrekken, trok byeen, trokken byeen, heeft en is bijeengetrokken. Bijeentrekking, v., -trekkingen. Bijeenvoegen, voegde byeen, heeft bijeengevoegd. Bijeenvoeging, V., -voegingen. Bijeenwerpen, wierp bijeen, heeft by-eengeworpen. Bijeenzamelen, zamelde byeen, heeft byeengezameld. Bijeenzameling, V., -zamelingen. Bijeenzetten, zette byeen, heeft byeen-gezet. Bijeenzetting, V., -zettingen. Bijeenzijn, is byeen, was byeen, waren byeen, is by'eengeweest. Bijeenzijn, O. Bijeenzitten, zat byeen, zaten byeen, heeft byeengezeten. Bijeenzoeken, zocht byeen, heeft by-eengezocht. Bijenangel, M.. -angels. Bijenblad, O. Bijencel, V., -cellen; -celletje, O., -jes. Bijeneter, M., -eters. Bijenhouder, M., -houders. |
BIJ.
BIJ.
62
|
Bijenkoning, M. Bijenkoningin, V. Bijenkorf, M., -korven. Bijenrechï, O. Bijenteelt, V. Bijenwas, ü. Bijenzwerm, M., -zwermen. Bijgaan. gaat by, ging by, is bij gegaan. Bijgaand. Bijgelegen. Bijgeloof, O. Bijgeloovig, -gelooviger, -geloovigst. Bijgeloovigheid, v., -heden. Bijgenaamd. Bijgeval. Bijgeven, gaf by, gaven by, heeft bijgegeven. Bijgevolg. Bijgewas, O., -gewassen. Bygewasje, O., -jes. Bijgroeien, groeide by, is bygegroeid. Bijhalen, haalde by, heeft bygehaald. Bijhaling, V. Bijhangen, hing by, heeft bygehangen. Bijhanger, M., -hangers. Bijhangsel, O., -hangsels. Bijharken, harkte by, heeft by geharkt. Buhebbend. Buhooren, hoorde bij, heeft bygehoord. Bijhouden, hield by, heeft bygehouden. Bijhouding, V. Bijkaart, V., -kaarten. Bijkans. Bijker, M., bijkers. Bijkomen, komt by, kwam by, kwamen by, is by gekomen. Bijkomst, V. Bijkomstig, Bijkrabbelen, krabbelde by, is bijge-krabbeld. Bijkruipen, kroop by, kropen by, is by- gekropen. Bul, V., bijlen. Byltje, o., -jes. Bijlage, V., -lagen. Bijlaagje, O., -jes. Bijlander, M., -landers. Bijlandig. Bijleggen, legde en leide by, heeft bijgelegd en bygeleid. Bijlegger, M., -leggers. Bijlegging, V., -leggingen. Bijleman, M., -mannen en -mans. Bijlichten, lichtte bij, heeft bijgelicht. Bijliggen, lag by, lagen by, heeft bijgelegen. Bijligging, V., -liggingen. Bijloop, M. Bijloopen, liep by, is bygeloopen. Bijlooper, M., -loopers. Bijloopster, V., -loopsters. Bijmaan, V., -manen. Bijmengen, mengde by, heeft bijgemengd. Bijmenging, V. Bijna. |
Bijnaam, M., -namen. Bijnemen, nam by, namen by, heeft by genomen. Bijomstandigheid, V., -omstandigheden. Bijoogmerk, o., -oogmerken. Bijoorzaak, V., -oorzaken. Bijpaard, o., -paarden. Bijpad, O., -paden. Bypaadje, 0., -jes. Bijpassen, paste by, heeft bijgepast. Bijrekenen, rekende by, heett bij gerekend. Bijroepen, riep by, heeft bijgeroepen. Bijschaven, schaafde by, heelt by geschaafd. Bijschenken, schonk by, heeft byge-schonken. Bijschieten, schoot by, schoten bij, heeft bygeschoten. Bijschikken, schikte by, heeft en is by geschikt. Bijschilderen, schilderde by, heeft by-geschilderd. Bijschrift, o., -schriften. Bijschrijven, schreef by, schreven bij, heeft bygeschreven. Bijschrijving, V., -schryvingen. Bijschuiven, schoof by, schoven by, heeft en is bygeschoven. Bijslaap (verkeer), M. Bijslaap (persoon), M. en V., -slapen. Bijslag, M. Byslagje, O., -jes. Bijslapen, o. , Bijslaper, M., -slapers. Bi jsleepen, sleepte by, heeft by gesleept. Bijsmaak, M., -smaken. Bysmaakje, ü., -jes. Bijsmeden, smeedde by, heeft by gesmeed. Bijsmeren, smeerde by, heeft by gesmeerd. Bijsmijten, smeet by, smeten bij, heeft by gesmeten. Busnuiten (een stuk hout), snuitte by, heeft bygesnuit. Bijsom, V., -sommen. Bijspriet, M., -sprieten. Bijspringen, sprong by, heeft bijgesprongen. Bijstaan, staat bij, stond by, heeft by-gestaan. Bijstand, M. Bijstander, M., -standers. Bijsteken, stak by, staken by, heeft bygestoken. Bijstellen, stelde by, heeft bygesteld. Bijstelling, V., -stellingen. Bijster. Bijstooten, stiet by, heeft bygestooten; ook stootte by. Bijstrijken, streek bij, streken by, heeft bygestreken. Bijt, V., byten. B\jtje, O., -jes. Bijtachtig, -achtiger, -achtigst. Bijtachtigheid, V. |
BIL.
63
BIJ.
|
BrjTELLEN, telde by, heeft by geteld. Bijten (happen), beet, beten, heeft gebeten. Bijten (byt hakken), bytte, heeft gebyt. Bijtend, by tender, bytendst. Bijter, M., byters. Bijtijds. Bijtmiddel, O., -middelen. Bijtrekken, trok by. trokken bij, heeft by getrokken. Bijtsel, O., bytaels. Bijtster, V., bytsters. Bijval, M., -vallen. Bijvalletje, O., -jes. Bijvallen, viel by, is bijgevallen. Bijvoegen, voegde by, heeft bygevoegd. Bijvoegend. Bijvoeger, M., -voegers. Bijvoeging, V., -voegingen. Bijvoeglijk. Bijvoegsel, O., -voegsels en -voegselen. Bijvoet, M. Bijvorm, M., -vormen. Bijwagen, M., -wagens. Bijweg, M., -wegen. Bywegje, O., -jes. Bijwerk, O., -werken. By werkje, O., -jes. Bijwerpen, wierp by, heeft bygeworpen. Bijwezen, o. Bijwijf, O., -wyven. Bijwijlen. Bijwijzen, wees by, wezen by, heeft bygewezen. Bijwitten, witte by, heeft bygewit. Bijwonen, woonde by, heeft bygewoond. Bijwoner, M., -woners. Bijwoning, V. Bijwoonster, V., -woonstersi Bijwoord, O., -woorden. Bijwoordelijk. Bijzaak, V., -zaken. Byzaakje, O., -jes. Bijzet, M. Bijzetten, zette by, heeft bijgezet. Bijzetter, M., -zetters. Bijzetting, V., -zettingen. Bijziend, -ziender, -ziendst. Bijziendheid, V, Bijzijn, O. Bijzit, V., -zitten. Bijzitster, V., -zitsters. Bijzitten, zat by, zaten by, heeft by- gezeten. Bijzitter, M., -zitters. Bijzitterschap, o. Bijzitting, V. Bijzon, V., -zonnen. Bijzonder, byzonderder, byzonderst. Bijzonderheid, V., -heden. Bikhamer, M., -hamers. Bikkel, M., bikkels. Bikkeltje, O., -jes. Bikkelen, bikkelde, heeft gebikkeld. Bikkelspel, O. Bikken, bikte, heeft gebikt. Bikking, V., bikkingen. Biksteen, M. |
Bil, V., billen. Billetje, O., -jes. Bilateraal, -laterale. bi lh am er, M., -hamers. Bilijzer, O., -yzers. Biljart, O., biljarten. Biljartje, O., -jes. Biljartbal, M., -ballen. Biljartconcours, O., -concoursen. Biljarten, biljartte, heeft gebiljart. Biljartkamer, V., -kamers. Biljartkeu, V., -keuen en -keus. Biljartlaken, O. Biljartspel, O., -spelen. Biljartzaal, V., -zalen. Biljet, O., biljetten. Biljetje, O., -jes. Biljoen (metaal), o. Billen, bilde, heeft gebild. Biller, M., billerri. Billijk, billijker, billijkst. Billijken, billykte, heeft gebillijkt. Billijkerwijze en -wijs. Billijkheid, V. BlLLT JKHE i DSHALVE. Billijking, V. Billioen (getal), o., billioenen. Bilnaad, M. Bilzenkruid, O. Bimetallisms, o. Binden, bond, heeft gebonden. Binder, M., binders. Bindgaren, o., -garens. Binding, V. Bindrijs, O. Bindsel, O., bindsels. Bindspier, V., -spieren. Bindster, V., bindsters. Bindtouw, o., -touwen. Bindweefsel, O., -weefsels. Bink, M., binken. Binkje, O., -jes. B innen. Binnenbrengen, bracht binnen, heeft binnengebracht. Binnendeur, V., -deuren. Binnendijken, dykte binnen, heeft bin- nengedykt. Binnendijks. Binnendoorgaan, ging binnendoor, is binnendoorgegaan. Binnendringen, drong binnen, is binnengedrongen. Binnengaan, gaat binnen, ging binnen, is binnengegaan. Binnengaats. Binnenhalen, haalde binnen, heeft binnengehaald. Binnenhof, o., -hoven. Binnenhuis, o., -huizen ; -huisje, o., -jes. Binnenin. Binnenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Binnenkomen, komt binnen, kwam binnen, kwamen binnen, is binnengekomen. Binnenkoorts, V., -koortsen. Binnenkort. |
BIN.
BIT.
64
|
Binnenkruipen, kroop binnen, kropen binnen, is binnengekropen. Binnenland, O., binnenlanden. bfnnenlandsch. Binnenloodsen, loodste binnen, heeft binnengeloodst. Binnenloodsing, V. Binnenmuur, M., -muren. Binnenplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes. Binnenrukken, rukte binnen, is binnengerukt. Binnenshuis. Binnenskamers. Binnenslands. Binnensluipen, sloop binnen, slopen binnen, is binnengeslopen. Binnensmonds. Binnensrands. Binnenste, 0. Binnenstijds. Binnenstoomen, stoomde binnen, is binnengestoomd. Binnenstormen, stormde binnen, is binnengestormd. Binnentreden, trad binnen, traden binnen, is binnengetreden. Binnenvaart, V. Binnenvallen, viel binnen, is binnengevallen. Binnenvertrek, O , -vertrekken; -vertrekje, O., -jes. Binnenvetje, O., -jes. Binnenwaarts. Binnenwater, O., -wateren. Binnenweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes. Binnenwerk, O. Binnenwerks. Binnenzak, M., -zakken; -zakje, O., -jes. Binnenzeilen, zeilde binnen, is binnengezeild. Binocle, V., binocles. Bint, O., binten. Biograaf, M., biografen. Biographie, V., biographieën. brographisch. Bioloog, M., biologen. Biologie, V. Biologisch. Birkwortel, M., -wortels. Biscuit (soort van aardewerk), O. Bisdom, O., bisdommen. Bisschop (kerkvoogd), M., bisschoppen. Bisschop (drank), V. Bisschoppelijk. Bisschopsambt, o. Bisschopshoed, M., -hoeden. Bisschopsmijter, M., -meters. Bisschopsmuts, V., -mutsen. Bisschopsstaf, M., -staven. Bisseeren, bisseerde, heeft gebisseerd. Bit, o., bitten. Bitje, o., -jes. Bits, bitser, bitst. Bitsheid, V., -heden. |
Bitsig, bitsiger, bitsigst. Bitsigheid, V. Bitter, bitterder, bitterst. Bitter, O. Bitterde, O., -jes. Bitterachtig, -achtiger, -achtigst. Bitterflesch, V., -flesschen. Bitterheid, V., -heden. Bitterkaraf, V., -karaffen; -karafje, O., -jes. Bitterkers, V. Bitterkoekje, o., -jes. Bivouak, O., bivouakken. Bivouakeeren, bivouakeerde, heeft ge- bivouakeerd. Bizar, bizarre. Bizon, M., bizons. Blaadje. Zie Blad. Blaag, M. en V., blagen. Blaam, V. Blaar, V., blaren. Blaartje, O., -jes. Blaas, V., blazen. Blaasje, O., -jes. Blaasbalg, M,, -balgen; -balgje, O.,-jes. Blaasinstrument, o., -instrumenten. Blaaskaak, M., -kaken. Blaaskakerij, V. Blaaspijp, V., -pijpen. Blaasspeeltuig, O., -speeltuigen. Blad, O., bladen, bladeren, bladers en blaren. Blaadje, O., blaadjes en bladertjes. Bladeren, bladerde, heeft gebladerd. Bladerloos, -looze. Bladerrijk, -rjjker, -rijkst. Bladgoud, O. Bladgroente, V., -groenten. Bladluis, V., -luizen. Bladsteel, M., -stelen. Bladstil. Bladvulling, V., -vullingen. Bladwijzer, M., -wijzers. Bladzijde, V., -zgden. Blaffen, blafte, heeft geblaft. Blaffer, M., blaffers. Blaffer, ook blafferd (register), M., blaffers en blafferds. Blaken, blaakte, heeft geblaakt. Blaker, M., blakers. Blakertje, o.,- jes. Blakeren, blakerde, heeft geblakerd. Blameeren, blameerde, heeft geblameerd. Blanco. Blanco-krediet, O., -kredieten. Blank, blanker, blankst. Blank (zekere munt), M., blanken. Blanketsel, O., blanketsels. Blanketten, blankette, heeft geblanket. Blankheid, V. Blaren, blaarde, heeft geblaard. Blaten, blaatte, heeft geblaat. blauw, blauwer, blauwst. Blauwachtig, -achtiger, -achtigst. Blauwbaard, M. Blauwbekken, blauwbekte, heeft geblauwbekt. |
Li-
BLA.
BLI.
65
|
Blauwbes, V., -bessen. Blauwblauw (â laten). Blauwboekje, O,, -boekjes. Blauwen, blauwde, heeft geblauwd. Blauwheid, V. Blauwkiel, M., -kielen. blauwkleur'g. Blauwkous, V., -kousen. B L AUWIiAKENSCH. Blauwsel, O. Blauwselfabrfek, V., -fabrieken. Blauwtje, O., -jes. Blauwverven, o. Blauwverver, M., -ververs. Blauwvoet, M , -voeten. Blauwzijden (bnw.). Blauwzuur, o. Blazen, blies, bliezen, heeft geblazen. Bi.azer, M., blazers. Blazoen, O., blazoenen. Bleek, bleeker, bleekst. Bleek, V., bleeken. Bleekje, O., -jes. Bleekachtig, -achtiger, -achtigst. Bleeken, bleekte, heeft gebleekt. Bleeker, M., bleekers. Bleekerd, M. Bleekerij, V., bleekeryen. Bleekershond, M., -honden. Bleekerswagen, M., -wagens. Bleekheid, V. Bleekloon, o., -loonen. Bleekster, V., bleeksters. Bleekveld, O., -velden; -veldje, O., -jes. Bleekzucht, V. Blees, V., blezen. Blei, V., bleien. Bleitje, O., -jes. Blein, V., bleinen. Bleintje, O., -jes. Bles (witte vlek), V.; (paard), M., blessen. Blesje, O., -jes. Blesseeren, blesseerde, heeft geblesseerd. Blessure en blessuur, V., blessuren. Bleu. Bleuheid, v. Bliek, V., blieken. Blieven, bliefde. Verg. Believen. Blij en blijde, blijder, blydst. Blijde, V., biyden. Blijde. Zie Bly. Blijdschap, V. Blijgeestig, -geestiger, -geestigst. Blijgeestigheid, v. Blijheid, V. Blijk, O., bljjken. Blijkje, O., -jes. Blijkbaar, -baarder, -baarst. Bi.ukbaarheid, v. Blijken, bleek, bleken, is gebleken. Blijkens. Blijmoedig, -moediger, -moedigst. Blijmoedigheid, v. Blijspel, o., -spelen. Blijspeldichter, M., -dichters. Blijven, bleef, bleven, is gebleven. |
Blik (opslag der oogen), M., blikken. Blikje, O., -jes. Blik (erts en keukengereedschap), O. Blikje, O., -jes. Blikaars, M., -aarzen. Blikgat, O. Blikken (bnw.). Blikken (met de oogleden), blikte, heeft geblikt. Blikken (de schors aftrekken), blikte, heeft geblikt. Blikkeren, blikkerde, heeft geblikkerd. Bliksem, M., bliksems. Bliksemafleider, M., -afleiders. Bliksemen,bliksemde, heeft gebliksemd. Bliksems (bijw.). Bliksemsch (bnw.). Bliksemstraal, M., -stralen. Blikslager, M., -slagers. Blikslagerij, V., -slagerjjen. Blikslagersknecht, M., -knechts. Blikslagerswinkel, M., -winkels. Blikvuren, blikvuurde, heeft geblik- vuurd. Blikvuur, O., -vuren. Blikwerk, o. Blind, blinder, blindst. Blind, O., blinden. Blindje, O., -jes. Blindachtig. Blindachtigheid, V. Blinddoeken, blinddoekte, heeft geblinddoekt. Blinde, M. en V., blinden. blindeeren, blindeerde, heeft geblindeerd. Blindelings, Blindeman. M., -mannen en -mans. Blindemannetje, O. Blinden, blindde, heeft geblind. B linden-instituut, o., -instituten. Blindgeborene, M. en V., -geborenen. Blindheid, V. Blinken, blonk, heeft geblonken. Blinkerd, M., blinkerds. Blinkworm, M., -wormen. Bloed, O. Bloed (sukkel), M., bloeden. Bloedje, O., -jes. Bloedarmoede, V. Bloedbad, O. Bloedbruiloft, V. Bloeddiarrhee, V. Bloeddorst, M. Bloeddorstig, dorstiger, -dorstigst. Bloedeloos, -looze. Bloedeloosheid, V. Bloeden, bloedde, heeft gebloed. Bloederig, bloederiger, bloederigst. Bloedgeld, o. Bloedhond, M., -honden. Bloedig, bloediger, bloedigst. Bloeding, V., bloedingen. Bloedkleur, V. Bloedkleürig. |
6
BLO.
BLO.
66
|
Bloedlichaampje, O., -je3. Bloedloogzout, O. Bloedplakkaat, O., -plakkaten. Bloedraad, M. Bloedrijk, -ryker, -rykst. Bloedschande, V. Bloedspuwing, V., -spuwingen. Bloedstelpend. Bloedvat, O., -vaten. Bloedvergieten, O. Bloedverwant, M., -verwanten. Bloedverwante, V., -verwanten. Bloedverwantschap, V. Bloedvlek, V., -vlekken; - vlekje, O., -jes. Bloedwarm. Bloedwraak, V. Bloedzuiger, M., -zuigers. Bloei, M. Bloeien, bloeide, heeft gebloeid. Bloeimaand, V. Bloeisel, O. Bloeitijd, M. Bloeiwijze, V., -wyzen. Bloem, V., bloemen. Bloempje en bloemetje, O., -jes. Bloemengeur, m. Bloemenhandel, M. Bloemenmaakster, V., -maaksters. Bloemenmand, V., -manden; -mandje, O., -jes. Bloemenmeisje, o., -jes. Bloemhof, M., -hoven. Bloemig, bloemiger, bloemigst. Bloemist, m., bloemisten. Bloemisterij, V., bloemisteryen. Bloemkool, V., -kooien. Bloemkrans, M., -kransen. Bloemkroon, V., -kronen. Bloemlezing, V., -lezingen. Bloemmarkt, V., -markten. Bloemperk, o,, -perken. Bloempot, M., -potten. Bloemzaad, ü., -zaden. Bloesem, M., bloesems. Bloesempje, O., -jes. Blok, O., blokken enbloks. Blokje,0.,-je3. Blokhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Blokkade, V., blokkades. Blokkeeren, blokkeerde, heeft geblokkeerd. Blokkeering, V., blokkeeringen. Blokken, blokte, heelt geblokt. Blokkendoos, V., -doozen. Blokkenmaker, M., -makers. Blokker, M., blokkers. Blokland, o., -landen. Blom (voor bloem), v., blommen. Blommetje, O., -jes. Blond, blonder, blondst. Blondheid, V. Blondine, V., blondines. Blondje, O., -jes. Bloo, blooder, bloodst. Bloodaard, m., bloodaards. |
Bloohartig, -hartiger, -hartigst. Bloohartigheid, V. Blooheid, V. Bloot, blooter, blootst. Blootelijk. Blooten (bloot maken), blootte, heeft gebloot. Blootgeven (zich -), gaf zich bloot, gaven zich bloot, heeft zich blootgegeven. Blootleggen, legde en leide bloot, heett blootgelegd en blootgeleid. Blootlegging, V. Blootliggen, lag bloot, lagen bloot, heeft blootgelegen. Blootshoofds. Blootstaan, staat bloot, stond bloot, heeft blootgestaan. Blootstellen, stelde bloot, heeft blootgesteld. Blootsvoets. Blos, M. Blosje, o., -jes. Blouse, V., blouses. Blouwel, M., blouwels. Blouwen, blouwde, heeft geblouwd. Blozen, bloosde, heeft gebloosd. Blozend. Bluf, m., bluffen. Blufje, o., -jes. Bluffen, blufte, heeft gebluft. Bluffer, M., bluffers. Bluffebij, V., blufferyen, Blundek, M,, blunders. Bluschgereedschap, O., -schappen, Blusch-iiiddel, ü., -middelen. Bluscf.stek, V., bluschsters. Blussohen, bluschte, heeft gebluscht. Blusscher, M., blusschers. Blussching, V., blusschingen. Blut. Bluts, V., blutsen. Blutsen, blutste, heeft geblutst. Blutsing, V., blutsingen. Blutskoortp, V., koortsen. Boa, V., boa's. Bobbekop, m., -koppen. Bobbel, m., bobbels. Bobbeltje, o.,-jes. Bobbelen, bobbelde, heeft gebobbeld. Bobbelig, hobbeliger, bobbeligst. Bobbeling, V., bobbelingen. Bobberd, RI., bobberds. Bobberen, bobberde, heeft gebobberd. Bobbeking, V., bobberingen. Bobijn, V., bobynen. Bobijnen, bobijnde, heeft gebobijnd. Bochel, M.. bochels. Bocheltje, O.,-jes. Boohelaar, M., bochelaars. Bochelaarster, V., bechelaaraters. Bochelen, bochelde, heeft gebocheld. Bocheljoen, M., bocheljoenen. Bocht (afgesloten ruimte), M., bochten. Bocht (buiging), V., bochten. Bochtje, O., -jes. Bocht (slechte waar), O. Bochten, bochtte, heeft gebocht. |
BOC.
67
BOE.
|
Bochtig, bochtiger, bochtigst. Bochtigheid, V. Bod, o. Bode, M. en V., boden. Bodem, M., bodems. Bodempje, o., -jes. Bodembloemig. Bodemen, bodemde, heeft gebodemd. Bodemerij, V., bodemerijen. Bodemehijbrief, M., -brieven. Bodemloos, -looze. Bodemrad, O., -raderen. Bodemstuk, o., -stukken. Bodenbrood, O. Bodenkamer, V., -kamers; 'kamertje, O., -jes. bodenloon, o. Bodeschap, O. Bodin, V., bodinnen. Boe. Boedel (ook boel), M., boedels. Boe- de Itje, ü., -jes. Boedelafstand, M. Boedelbeschrijving, V., -beschry vingen. Boedelredder, M., -redders. Boedelscheiding, V., -scheidingen. Boef, M., boeven. Boefje, O., -jes. Boefachtig, -achtiger, -achtigst. Boefachtigheid, V. Boefsch. Boeg, M., boegen. Boeganker, ü., -ankers. Boegband, M., -banden. Boegen, boegde, heeft geboegd. Boeghout, O., -houten. Boegkruisen, boegkruiste, heeft ge- boegkruist. Boegseeren, boegseerde, heeft geboeg-seerd. Boegseering, V., boegseeringen. Boegseerlijn, V., -lynen. Boegsel, o., boegsels. Boegspriet, M., -sprieten. Boegtouw, O., -touwen. Boeha, ook Boha. Boei (kluister), v., boeien. Boei (ton), V., boeien. Boeien, boeide, heeft geboeid. Boeiend, boeiender, boeiendst. Boeier, M., boeiers. Boeiertje, O., -jes. Boeiplank, V., -planken. Boeireep, M., -reepen. Boeisel, o., boeisels. Boek, O., boeken. Boekje, O., -jes. Boekachtig, -achtiger, -achtigst. Boekanier, m., boekanieren en boekaniers. Boekbeoordeeling, v., -lingen. Boekbinden, o. Boekbinder, M., -binders. Boekbinderij, V., -binderijen. Boekbinderslijm, V. Boekbinderspers, v., -persen. Boekdeel, o., -deelen; -deeltje, o., -jes. Boekdrukken, o. |
Boekdrukker, M., -drukkers. Boekdrukkerij, V., -drukkerijen. Boekdrukkunst, V. Boekdrukpers, V., -persen. Boekeboom, M., -boomen. Boekel, M., boekels. Boekeltje, O., -jes. Boeken, boekte, heelt geboekt. Boekenhanger, M., -hangers; -hangertje, O., -jes. Boekenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Boekenkast, V., -kasten; -kastje, O., -jes. Boekenkennis, V, Boekenkist, V., -kisten. Boekenkraam, V., -kramen. Boekenlijst, V., -lasten. Boekenminnaar, M., -minnaars. Boekenplank, V., -planken. Boekenrek, o., -rekken; -rekje, o., -jes. Boekenschorpioen, M., -schorpioenen. Boekenstalletje, o,, -jes. Boekentaal, V. Boekentasch, V., -tasschen. Boekenwijsheid, V. Boeker, M., boekers. Boekerig. Boekerij, V., boekerijen. Boekerijtje, O., -jes. Boekhandel, M. Boekhandelaar, M., -handelaars. Boekhouden, O. Boekhouder, M., -houders. Boekhouderschap, o. Boeking, V. Boekjaar, o., -jaren. Boekpens, V., -pensen. Boekschuld, V., -schulden. Boekbke en Boeksken, ü., boekskes en boekskens. Boekstaven, boekstaafde, heeft geboekstaafd. Boekverkooper, m., -verkoopers. Boekverkooping, v., -verkoopingen. Boekweit, V. Boekweitebrij, V. Boekweitebrood, O. Boekweiteflensje, ü., -flensjes. Boekweitegort en boekendegort of boekedegort, v. Boekweitekoek en boekendekoek, M., -koeken. Boekweitemeel, o, Boekweiten (bnw.). Boekwerk, O., -werken. Boekwinkel, M., -winkels. Boekworm, M., -wormen. Boel (menigte), M., boelen. Boeltje, O., -jes. Boel (byzit), M. en V., boelen. Boelage, V. Boeldag, M., -dagen. Boeleerder, m., boeleerders. Boeleeren, boeleerde, heef t geboeleerd. Boeleering, V. |
BOE.
BOE.
68
|
Eoeleekster, v., boeleersters. Boelhuis, O., -huizen. Boelig. Boelijn, V., boelijns. Boelkenskruid, ü. Boelschap, O. Boeman, M. Boender, M., boenders. Boendertje, O., -jes. Boenen, boende, heeft geboend. Boener, M., boeners. Boenwas, o. Boer, M., boeren. Boertje, O., -jes. Boerachtig, -achtiger, -achtigst. Boerachtigheid, V. Boerderij, V., boerderijen. Boerderijtje, O., -jes. Boeren, boerde, heeft geboerd. Boerenarbeider, M., -arbeiders. Boerenbedrieger, M., -bedriegers. Boerenbedrijf, O. Boerenbedrog, o. Boerenboon, V., -boonen. Boerenbrood, O. Boerenbruiloft, V., -bruiloften. Boerendans, M., -dansen. Boerendeern, V., -deernen en -deerns. Boerendochter, V., -dochters. Boerendorp, O., -dorpen. Boerendracht, V. Boerenerf, o., -erven. Boerenfeest, O., -leesten. Boerengrauw (bnw.). Boerengrauw, O. Boerenherberg, V., -herbergen. Boerenhofstede, V., -hofsteden. Boerenhuis, O., -huizen. Boerenjasmijn, V., -jasmynen. Boerenjongen, M., -jongens. Boerenkermis, V., -kermissen. Boerenkers, V. Boerenkinkel, M., -kinkels. Boerenknecht, M., -knechts. Boerenkool, V., -kooien. Boerenkost, M. Boerenkrijt, O.; -krijtje, O., -krijtjes. Boerenmeid, V., -meiden. Boerenplaats, V., -plaatsen. Boerenplatting, V., -plattings. Boerenschoolmeester, M., -meesters. Boerenschromen, boerenschroomde, heeit geboerenschroomd. Boerenschroom, M. Boerenstand, M, Boerenwagen, M., -wagens. Boerenwerk, O. Boerenwinkel, M., -winkels. Boerenwoning, V., -woningen. Boerenzoon, M., -zoons en -zonen. Boerenzwaluw, V., -zwaluwen. Boerin, V., boerinnen. Boerinnetje, O., -jes. Boerinnenjak, O., -jakken. Boerinnenmuts V., -mutsen. |
Boersoh, boerscher, boerscht. Boerschheid, V., -heden. Boert, V. Boerten, boertte, heeft geboert. Boertend. Boertenderwijze en -wijs. Boerter, M., boerters. Boerterij, V., boerterijen. Boertig, boertiger, boertigst. Boertigheid, V. Boes, V., boezen. Boete, V., boeten. Boetedag, M., -dagen. Boetedoening, V., -doeningen. Boeteling, M. en V., -boetelingen. V. ook boetelinge. Boeten, boette, heeft geboet. Boeter, M., boeters. Boetgewaad, O., -gewaden. Boetgezang, O., -gezangen. Boetgezant, M., -gezanten. Boeting, V. Boetkleed, O., -kleederen. Boetpredikatie, V., -predikatiën en -predikaties. Boetprediker, M. -predikers. Boetpreek, V., -preeken. Boetpsalm, M., -psalmen. Boetseerder, M., boetseerders. Boetseeren, boetseerde, heeft geboetseerd. Boetseering, V., boetseeringen. Boetseerkunst, V. Boetseerstok, M., -stokken. Boetvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Boetvaardigheid, V. Boevenjacht, V. Boevenklok, V. Boevennet, O., -netten. Boevenpraat, M. Boevenstreek, M., -streken. Boevenstuk, O., -stukken. Boeverij, V., boeverijen.| Boezel, O. Boezeltje, O., -jes. Boezelaar. M., boezelaars. Boezelaartje, O., -jes. Boezem, M., boezems. Boezempje, O., -jes. Boezemland, O., -landen. Boezemstand, M.. -standen. Boezemvriend, m., -vrienden. Boezemwater, o., -wateren. Boezeroen, O. en M., boezeroenen. Boezeroentje, O., -jes. Bof, M., boöen. Bofje, O., -jes. Boffen, bofte, heeft geboft. Boffer, M., boffers. Bofferd, M., bofl'erds. Bogen, boogde, heeft geboogd. Bogenmaker, M., -makers. Boha, ook boeha. Bojaar, M., bojaren. Bok (dier), M, bokken. Bokje, O., -jes. Bok (vaartuig), V., bokken. Bokaal, V., bokalen. Bokaaltje, O., -jes. |
BOM.
69
BOK.
|
Bokachtig, -achtiger, -achtigst. Bokachtigheid, V., -heden. Bokkeleder en -leer, en bokkenleder en -leer, o. Bokkelederen en -leeren, en bokken- lederen en -leeren (bnw.). Bokkenaard, M. Bokkenwagen, M., -wagens. Bokkesprong, M., -sprongen. Bokkevel, 0., -vellen. Bokkig, bokkiger, bokkigst. Bokkigheid, V., -heden. Bokking, M., bokkingen. Bokkinkje, O., -jes. Bokkinghang, M, -hangen. Bokkingrookerij, V., -rookerijen. Boksbaard, m. Boksblok, 0., -blokken. Boksboon, V. Bokse, V., boksen. Boksen, bokste, heeft gebokst. Bokser, M., boksers. Bokshoorn en -horen, M., -hoorns en -horens. Bokspoot, M., -pooten. Boksvoet (sater), M., -voeten. Boktor, V.. -torren. Bol, M., bollen. Bolletje, O , -jes. Bol, boller, bolst. Bolachtig. Bolachtigheid, V. Bolbaan, V., -banen. Bolder, M., -bolders. Bolderwagen, M., -wagens. Boldriehoek, M., -driehoeken. Boldriehoeksmeting, v. Bolfünctie, V., -functies. Bolgewas, O., -gewassen. Bolheid, V. Bolk, V., bolken. Bollaag, V., -lagen. Bolleboos, M., -boozen. Bollebuis, V., -buizen; -buisje, O.,-jes. Bollen, bolde, heeft gebold. Bollenbakker, M., -bakkers. Bollig. Bolligheid, V. Bolrond. Bolster, M., bolsters. Bolsteren, bolsterde, heeft gebolsterd. Bolton, V., -tonnen. Bolus, M., bolussen. Bolvorm, m. Bolvormig. Bolvormige-driehoeksmeting, V. Bolwerk,0.,-werken. Bolwerkje, o.,-jes. Bolwerken, bolwerkte, heeft gebolwerkt. Bolworm, M , -wormen. Bolzaad, ü. Bom, V., bommen. Bommetje, O., -jes. Bombardeeren, bombardeerde, heeft gebombardeerd. Bombardement, o., -menten. |
Bombarie, V. Bombast, M. Bombastisch. Bombazijn, O., bombazijnen. Bombazijnen (bnw.). Bombeen, O., -beenen. Bomgat, O., -paten. Bomijs (bom-ijs), O. Bommel, M., bommels. Bommen, bomde, heeft gebomd. Bomschuit. V , schuiten. Bon, M., bons. Bonnetje, O., -jes. Bonbons (mv.). Bond, M., bonden. Bondgenoot, M., -genooten. Bondgenoote, V., -genooten. Bondgenootschap, O., -schappen. Bondig, bondiger, bondigst. Bondigheid, V. Bondsraad, M. Bondsstaat en bondstaat, M., -staten. Bonis (In â). Bonk, V.; voor een persoon, M., bonken. Bonkje, O., -jes. Bonken, bonkte, heeft gebonkt. Bonker, M., bonkers. Bonkerig, bonkeriger, bonkerigst. Bonne, V., bonnes. Bonnefooi (Op de â). Bonnet, V.. bonnetten. Bonnetje, O., -jes. Bons, V., bonzen. Bonsje, O., -jes. Bont, O., bonten. Bontje, O., -jes. Bont, bonter, bontst. Bonten (bnw.). Bontheid, V. Bontwerk, O. Bontwerker, M., -werkers. Bonzen, bonsdo, heeft gebonsd. Bonzing. Zie Bunzing. Boodschap, V., -schappen. Boodschaplooper, M., -loopers. Boodschappen, boodschapte, heeft geboodschapt. Boodschapper, M , boodschappers. Boog, M., bogen. Boogje, o., -jes. Boogschutter, M., -schutters. Boogswijze en -wijs. Boogvenster, o., -vensters. Boom, m., boomen. Boompje, O., -jes. Boom (slagboom), M.. boomen. Boombast, M., -basten. Boomblad, o., -bladeren. Boomen, boomde, heeft geboomd. Boomgaard, M., -gaarden. Boomig, boomiger, boomigst. Boomklimmer, M., -klimmers. Boomklimster, V., -klimsters. Boomkweeker, M., -kweekers. Boomstam, M., -stammen. Boomswijze en -wijs. Boomwol, V. Boon, V., boonen. Boontje, O., -jes. Booneboom, M., -boomen. Boonenbrood, O. |
BOO.
70
BOR.
|
Boonenkruid, o. Boonenmeel, O. Boonensoep, V. Boonenstaak, M.. staken. Boonenveld, o.. -velden. Boor, v., boren. Boortje, o., -jes. Boor (borium), o. Boord (rand enz ), M., boorden. Boordje, 0.; -jes. Boord (van een schip), O. Boorden, boordde, heeft geboord. Boordevol, -volle. Boordevolletje, o., -jes. Boordlint, O., -linten. Boordsel, O., boordsels. Boorgat, O., -gaten. Boortoestel, m. en v., -toestellen. Boorwater, O. Boorzuur, O. Boos, boozer, boost. Boosaardig, -aardiger, -aardigst. Boosaardigheid, v., -heden. Boosdoener, M., -doeners. Boosheid, V., -heden. Booswicht, M., -wichten. Boot (een vaartuig), V., booten en boots. Bootje, O . -jes. Boot (halssieraad), v., booten. Bootje, O., -jes. Bootsen, bootste, heeft gebootst. Bootsgezel, M., -gezellen. Bootshaak, M., -haken. Bootsman, M., -lieden en -lui. Bootsmansmaat, M., -maats. Bootsvolk, O. Boottocht, M., -tochten. Booze, M. Boozigheid, V., -heden. Bok at (ook brat), o. Borax, V. Bord, o., borden. Bordje, o., -jes. Bordeel, O., bordeelen. Bordeelhouder, M.. -houders. Bordes, O., bordessen. Bordesje, O., -jes. Bordig, bordiger, bordigst. Bordigheid, V. Bordpapier, O. Bordpapieren (bnw.). Borduren, borduurde, heeft geborduurd. Borduurgaren, O. Borduurkatoen, o. Borduurnaald. V., -naalden. Borduurpatroon, o., -patronen. Borduurraam, o . -ramen. Borduursel, o., borduursels. Borduurster, V., borduursters. Borduurwerk, o , -werken. Boren, boorde, heeft geboord. Borg. M., borgen. Borgen, borgde, heeft geborgd. Borgketting, m., -kettingen. Borgstelling, V., -stellingen. Borgstrop, M., -stroppen. Borgtocht, M.,'-tochten. |
Borgtochtelijk. Boring, V., boringen. Born, V., bornen. Borrel, M., borrels. Borreltje, O., -jes. Borrelen, borrelde, heeft geborreld. Borrelelesch, V., -flesschen. Borrelpraat, M. Borst (lichaamsdeel), V., borsten. Borst (knaap), M., borsten. Borstbeeld, O., -beelden; -beeldje, O.,-jes. Borstbeen, O. Borstel, M., borstels. Borsteltje, O., -jes. Borstelachtig. Borstelen, borstelde, heeft geborsteld. Borstelig, borsteliger, borsteligst. Borstkas, V. Borstklep, V., -kleppen. Borstkruis, O., -kruisen. Borstkwaal, V., -kwalen. Borstplaat, V.. -platen: -plaatje, O., -jes. Borstwering, V., -weringen. Bort (ziekte), o. Bos (bundel), M., bossen. Bosje, O.,-jes. Bos (bus), V., bossen. Bosje, o . -jes. Bosch, o., bosschen Boschje O. -jes. Boschacht:g, -achtiger, -achtigst. Boschbes, V., -bessen. Boschbrand, M., -branden. Boschduif, V., -duiven. Boschduivel, M., -duivels. Boschgeus, M., -geuzen. Boschgrond, M , -gronden. Boschjesman, M., -mannen. Boschwachter, M, -wachters. Bosschage, o , -bosschages. Bossen, boste, heeft gebost. Bosser, M., bossers. Bossing, V., bossingen. Boston, O. Bostontafeltje, O., -tafeltjes. Bot (visch), V.. botten. Bot (knop), V., botten. Bot (been), O., botten. Botje, O., -jes. Bot, botter, botst. Botanie, V. Botanisch. Botaniseeren, botaniseerde, heeft gebotaniseerd. Botboer, M., -boeren. Boter, V. Botertje, O., -jes. Boterbiesje, O., -jes. Boterbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes. Boterboer, M.. -boeren. Boteren, boterde, heeft geboterd. Boterham, V., -hammen; -hammetje, O., -jes. Boterpot, M., -potten. Botersaus, V., -sausen. Boterspaan, V., -spanen. Botertand, M., -tanden. Boterton, V., -tonnen. Botervat, o., -vaten; -vaatje, o , -vaatjes. |
BOY.
BOT.
71
|
Botervlootje, O., -jes. Boterwaag, V., -wagen. boterzuür, o. Botheid, V., -heden. Botmuil, M. en V., -muilen. Bots, V., botsen. Botsje, O., -jes. Botsen, botste, heeft gebotst. Botsing, V., botsingen. Bottel, V., bottels. Bottelarij, V., bottelaryen. Bottelen, bottelde, heeft gebotteld. Bottelier, M., bottelieren en botteliers. Botteliersmaat, M., -maats. Botteloef, M., -loeven. Botten, botte, is gebot. Botter, M., botters. Botterik, M., botteriken. botuit. Botvieren, vierde bot, heeft botgevierd. Botweg. Boud, bonder, boudst. Bouffante, V., bouffantes. Bougie, V. bougies. Bouillon, M. Bouillonkop, M., -koppen. Bouquet, M .bouquetten; bouquetje, o., -jes. Bout (ijzeren staaf, been enz.), M., bouten. Boutje, O , -jes Bout (eendvogel), M., bouten. Boutgat, O , -gaten. Boutig, boutiger, boutigst. Boutje (liefje), O., -jes. Bouw, M. Bouwboer, M., -boeren. Bouwdoos, V., -doozen. Bouwen, M., bouwens. Bouwen, bouwde, heeft gebouwd. Bouwer, M., bouwers. Bouwerij, V., bouwerijen. Bouwgereedschap, o., -schappen. Bouwgrond, M., -gronden. Bouwheer, m., -heeren. Bouwing. V. Bouwknecht, M., -knechts. Bouwkundige, M., -kundigen. Bouwkunst, v. Bouwland, o. Bouwman, m , -lieden en -lui. Bouwmateriaal. O., -materialen. Bouwmeester, M., -meesters. Bouwsteen, M., -steenen. Bouwstof, V., -stoffen. Bouwterrein, o., -terreinen. Bouwtijd, m. Bouwtrant, m. Bouwval, M., -vallen. Bouwvallig, -valliger, -valligst. Bouwvalligheid, V. Boven. Bovenaan. Bovenaardsch. Bovenal. Bovenarm, M., -armen» |
Bovenbeschreven. Bovenbroek, V., -broeken. Bovendien. Bovendrijven, dreef boven, dreven boven, heeft bovengedreven. Bovengemeld. Bovengenoemd. Bovenhuis, O., -huizen. Bovenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Bovenlander, M., -landers. Bovenlucht, V. Bovenmate. Bovennatuurkunde, V Bovennatuurlijk. Bovenop. Bovenstaand. Bovenste. Bovenswïnds. Bovenuit. Bovenzinnelijk . Bowl, M., bowl's. Braadaal, M., -alen. Braad appel, M., -appelen en -appels. Braadharing, M., -haringen. Braadoven, M., -ovens. Braadpan, V., -pannen. Braadrooster, M., -roosters. Braadspit, O., -speten en -spitten. Braadvet, O. Braadworst, V., -worsten. Braaf, braver, braafst. Braafheid, V. Braak, V. Braak (braak liggen). Braakland, o. Braakloop, M. Braakmiddel, O.,-middelen; -middeltje, O., -jes. Braaknoot, V., -noten. Braakpoeder en -poeier, O., -poeders en -poeiers; poedertje en poeiertje, O, -jes. Braaksel, O. Braakwortel, M., -wortels. Braam, V., bramen. Braampje, O., -jes. Braambosch, O., -bosschen. Braamstruik. M., -struiken. Brabander, M., Brabanders. Brabant, O. Brabantsch. Brabbelaar, M., brabbelaars. Brabbelen, brabbelde, heeft gebrabbeld. Brabbeltaal, V. Braden, braadde, heeft gebraden. Brak (jachthond), M., brakken. Brak (ook barak), V., brakken. Brak, brakker, brakst. Braken, braakte, heeft gebraakt. Braker, M., brakers. Brakheid, V. Braking, V., brakingen. Brallen, bralde, heeft gebrald. Bram, M.,'brammen. |
BRA.
72
BRA.
|
Bramra, V., -raas. Bramsteng, V., -stengen. Bramzeil, O., -zeilen. Brancard, M., brancards. Brand, M., branden. Brandje, O., -jes. Brandalarm, O. Brandassubantie, V., -assurantiën. Brandbaar, -baarder, -baarst. Bbandbaarheid, V. Bbandbbief, M., -brieven. Brandemmeb, M., -emmers. Bbandemobis, M. Brandemorisje, O., -jes. Bbanden, brandde, heeft gebrand. Bbandendheet, -heete. Brander, M.. branders. Branderig, branderiger, branderigst. Branderigheid, V. Branderij, V., branderijen. Brandewijn, M.,-wjjnen; -wijntje, O., -jes. Brandhaak, M., -haken. Brandhout, O. Brandig, brandiger, brandigst. Brandigheid, v. Brandijzer, O., -ijzers. Branding, V., brandingen. Brandkast, V., -kasten. Brandkraan, V.. -kranen. Bbandladdeb, V.. -ladders. Bbandmeester, M., -meesters. Brandmerk, o., -merken. Brandmerken, brandmerkte, heeft gebrandmerkt. Brandnetel, V., -netels. Brandoven, M., -ovens. Brandpenning, Mm -penningen. Brandpiket, o., -piketten. Brandpunt, o., -punten. Brandschatten, brandschatte, heeft gebrandschat. Brandschatting, V.. -schattingen. Brandschel, V., -schellen. Bbandschilderen, brandschilderde, heeft gebrandschilderd. Brandspiegel, M., -spiegels;-spiegeltje, O., -jes. Brandspuit, V., -spuiten; -spuitje, O., -jes. Brandspuithuisje, O., -jes. Brandstichten, O. Brandstichter, M., -stichters. Brandstof, V., -stoffen. Brand WA ABBORGMAATscHAppu, V,, -maat- schappyen. Bbandweeb, V. Bbandweebman, M., -mannen. Bbandwonde, V., -wonden. Bbandzeil, O,, -zeilen. Bbani, M., brani's. Bbas, m., brassen. Bbasem, M., brasems. Brasempje, O., -jes. Braspabtij, V.. -partijen. Bbaspenning, M., -penningen. Bbassen, braste, heeft gebrast. Brasser, m., brassers. |
Bbassebij, V., brasseryen. Bbat (ook bobat), o. Bbavade, V., bravades. Bbaveeben, braveerde, heeft gebraveerd. Bbeed, breeder, breedst. Bbeedheid, V. Bbeedsprakig, -sprakiger, -sprakigst. Breedsprakigheid, V. Breedte, V., breedten. Breedtecirkel, M.: -cirkels. Breedtegraad, M., -graden. Breedvoerig, -voeriger, -voerigst. Breedvoerigheid, v. Breedvoetig, -voetiger, -voetigst. Breefok, V., -fokken. Breekbaab, -baarder, -baarst. Bbeekbaabheid, v. Bbeekbeitel, M., -beitels. Bbeekijzeb, O , -ijzers. Bbeeuwen, breeuwde, heeft gebreeuwd. Bbeeuweb, M., breeuwers. Breeuwhamer, M., -hamers. Breeuwstoel, M. -stoelen. Breidel, M., breidels. Breideltje, O., -jes. Breidelen, breidelde, heeft gebreideld. Breideling, V., breidelingen. Breidelloos, -loozer, -loost. Breidelloosheid, v. Breien, breide, heeft gebreid. Breier, M., breiers. Breigaren, o. Breigoed, O. Breikatoen, O. Breiklos, M., -klossen. Breikoxeb, M., -kokers. Breikous, V., -kousen; kousje, o., -jes. Brein (de hersenen), o. Breinaald, V., -naalden. Breipen, V., -pennen. Breischool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes. Breister, V., breisters. Breitobbetje, O., -jes. Bbeiwebk, O. Bbeiwol, V. Breizak, M., -zakken. Bbekebeen, M., -beenen. Bbeken, brak, braken, heeft en is gebroken. Bbekeb, M., brekers. Bbekerig, brekeriger, brekerigst. Bbekespel, m. en v., -spellen. Breking, V. Bbem, V. Bbemstbuik, M., -struiken. Bbengen, bracht, heeft gebracht. Bbengsteb, v., brengsters. Bbes, V., bressen. Bbetel, V., bretellen en bretels. Bbeuk, V., breuken. Breukje, O., -jes. Bbeukband, M, -banden. Bbevieb, O., brevieren. Bbief, m., brieven. Briefje, ü., -jes, |
BRO.
BRI.
73
|
Briefkaart, V., -kaarten. Briefport en brIefporto, O., -porto's. Briefwisseling, V. Bries, V. Briesje, O., -.jes. Brieschen, brieschte, heeft gebriescht. Brievenbesteller, M., -bestellers. Brievenbode, M. en V, -boden. Brievenboek, 0.; -boeken. Brievenbus, V., -bussen. Brievengeld, o. Brievenpost (bode), M.. -posten. Brievenpost (pesterij), V., -posten. Brieventasch, V., -tasschen; -taschje, O., -jes. Brievenweger, M., -wegers. Brievenzak, M., -zakken. Brigade, V., brigaden en brigades. Brigadier, M., brigadiers. Brigantijn. V., brigantijnen. Brij, V., brijen. Brijn (zoutwater), O. Brijzel, V. Bryzeltje, O., -jes. Brijzelen, brijzelde, heeft gebrijzeld. Brik, V., brikken. Briksteen, M., -steenen. Bril, M., brillen. Brilletje, O., -jes. Brilledoos, V., -doezen. Brilleglas, O., -glazen. Brillen, brilde, heeft gebrild. Brillenhuisje, O., -jes. Brillenkooper, M., -keepers. Brillenkramer, M., -kramers. Brillenmaker, M., -makers. Brillenslijper, M., -slijpers. Brink, M., brinken. Brit, M., Britten. Britannië, O. Britannisch. Brits, V., britsen. Britsch. Britsen, britste, heeft gebritst. Broche, V.. broches. Brochure, V., brochures. Broddelaar, M., broddelaars. Broddelen, broddelde, heeft gebroddeld. Broddelwerk, O. Brodden, brodde, heeft gebrod. Broed, o. Broeden, broedde, heeft gebroed. Broeder, M., broeders en broederen. Broederdienst, m Broederlijk, -lijker, -lijkst. Broederlijkheid, v. Broederloos, -looze. Broedermoord, M., -moorden. Broederschap (de betrekking), o.; (ver-eeniging van broeders), V.,-schappen. Broedertje (gebakje), o., -jes. Broedsch. Broedschheid, v. Broedsel, o., broedsels. Broeibak, M., -bakken. Broeieend, v., -eendent |
Broeiei, O., -eieren. Broeien, broeide, heeft gebroeid. Broeierij, V., broeierijen. Broeihen, V., -hennen. Broeiing, V. Broeikas en -kast, V., -kassen en -kasten. Broeikuip, V., -kuipen. Broeinest, O., -nesten. Broeioven, M., -ovens. Broeisel, o., broeisels. Broeitijd, M. Broek (kleedingstuk), V, broeken. Broekje, O., -jes. Broek (bedijkt land), V. Broek (moerassig land), O. Broeken, breekte, heeft gebroekt. Broekengoed, O. Broekenstof en broekstof, V. Broeksband, M., -banden. Broekspijp, V., -pijpen. Broer, M., broers. Broertje, O., -jes. Brok, M., brokken. Brokje, O , -jes. Brokkelen, brokkelde, heelt gebrokkeld. Brokkelig, brokkeliger, brokkeligst. Brokkeling. V., brokkelingen. Brokken, brokte, heeft gebrokt. Brombeer, M., -beren. Bromkever, M., -kevers. Brommen, bromde, heeft gebromd. Brommer, M., brommers. Brommertje, O., -jes. Brommig, brommiger, brommigst. Bromvlieg, V., -vliegen. Bron, V., bronnen. Brons, O., bronzen. Bronskleur, V. Bronskleurig. Bronst, V. Bronsten, bronstte, heeft gebronst. Bronstig, bronstiger, bronstigst. Bronstigheid. V. Bronsttijd, M. Bronwater, O., -wateren. Bronzen, bronsde, heeft gebronsd. Bronzen (bnw.). Brood, O., brooden. Broodje, O., -jes. Broodbakker, M.. -bakkers. Broodbakkerij, V., -bakkerijen. Brooddronken, -dronkener, -dronkenst. Brooddronkenheid, V. Broodeloos, -looze. Broodfabriek, V., -fabrieken. Broodkar, v, -karren. Broodmand, V., -manden. Broodmes, O., -messen. Broodnijd, M. Broodnoodig. Broodschrijver, M., -schrijvers. Broodsgebrek, o. Broodsuiker, V. Broodtrommel, V., -trommels. Broodwinning, V., -winningen. Broodzetting, V., -zettingen. li 'i i'! I |
â v
BRU.
BRO.
74
|
Broos, V., brozen. Broosje, O., -jes. Broos, brozer, broost. Broosheid, V. Bros, brosser, brost. Brosheid, V. Brouwen (bier), brouwde, heeft gebrouwen. Brouwen (met de stem), brouwde, heeft gebrouwd. Brouwer, M , brouwers. Brouwerij, V., brouweryen. Brouwerspaard, O., -paarden. Brouwerswagen, M., -wagens. Brouwhuis, O., -huizen. Brouwketel, M., -ketels. Brouwkuip, V., -kuipen. Brouwsel, O., brouwsels. Brouwster, V., brouwsters. Bruo, V., bruggen. Bruggetje en Brugje, o., -jes. Brugbalans, V., -balansen. Bruggegeld, O. Bruggenhoofd, O., -hoofden. Bruggewachter, M., -wachters. Brui, M. Bruid, V., bruiden. Bruidje. O.. -jes. Bruidegom en bruigom, M., bruidegoms en bruigoms. Bruidsbed, O. Bruidsdagen (mv.), M. Bruidsgave en -gaaf, V., -gaven. Bruidsgift, V., -giften. Bruidsgoed, O. Bruidsjapon, V., -japonnen en -japons. Bruidsjonker, M., -jonkers. Bruidsjuffer, V., -juffers. Bruidskamer, V., -kaniers. Bruidskleed, o , -kleederen en -kleeren. Bruid'skoets, V., -koetsen. Bruidspartij, V., -partijen; -partijtje, O., -jes. Bruidsschat, M., -schatten. Bruidssuiker, V , -suikers. Bruidstooi. M. Bruidstranen (mv.), M. Bruidszusteb, V.. -zusters. Bruien, bruide, heeft en is gebruid. Bruier, M., bruiers. Bruieru, V., bruieryen. Bruigomspitp, quot;V., -pijpen. Bruikbaar, -baarder, -baarst. Bruikbaarheid, V. Bruiker, M., bruikers. Bruikleen, O., -leenen. Bruiloft, V., bruiloften. Bruiloftsdag, m.f -dagen. Bruiloftsdicht, o., -dichten. Bruiloftsdisch, M. Bruiloftsfeest, O., -feesten. Bruiloftsgast, M. en V., -gasten. Bruiloftskleed, O., -kleederen en -kleeren. Bruiloftslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes. |
Bruiloftsmaal, O., -malen. Bruiloftsvers, O., -verzen; -versje, O., -jes. Bruin, bruiner, bruinst. Bruin (bruin paard), M., bruinen. Bruintje, O., -jes. Bruin (bruine kleur), o. Bruinachtig, -achtiger, -achtigst, Bruinachtigheid, V. Bruineeren, bruineerde, heeft gebruineerd. Bruineerijzer, O., -ijzers. Bruineering, V. Bruineersel, O. Bruineersteen, M., -steenen. Bruinen, bruinde, heeft en is gebruind. Bruingeel, -gele. Bruinheid, V. Bruinig, bruiniger. Bruinigheid, V. Bruinkolen (mv.), V, Bruinoog, M. en V., -oogen. Bruinoogig. Bruinsteen, O. Bruinvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes. Bruis, V. en O. Bruisen, bruiste, heeft gebruist. Bruising, V. BruIspoeder en -poeier, O. Bruister, V., bruisters. Brullen, brulde, heeft gebruld. Brunet, V., brunetten. Brunetje, O., -jes. Brusk. Brutaal, brutaler, brutaalst. Brutaliteit, V., brutaliteiten. Bruto Bruto-gewïcht, O., -gewichten. Bruto-winst, V.. winsten. Budget, O., budgetten en budgets. Buffel, M., buffels. Buffeltje, o., -jes. Buffelachtig, -achtiger, -achtigst. Buffelachtigheid. V., -helen. Buffelen, buffelde, heeft gebuffeld. Buffelhuid, V., -huiden. Buffelleder en -leer, O. Buffelvel, O., -vellen. Buffer, M., buffers. Buffet, O., buffetten. Bufifetje, O., -jes. Buffetjuffrouw, V., -juffrouwen. Buffetmaatschappij, V. Bui, V., buien. Buitje, O., -jes. Buidel (ook buil), M., buidels (builen). Buideltje, O., -jes. Buideldier, O,, -dieren. Buien, buide, heeft gebuid. Buigbaar, -baarder, -baarst. Buigbaarheid, V. Buigen, boog, bogen, heeft en is gebogen. Buiger, M., buigers. Buigijzer, O , -Jjzers. Buiging,' V., buigingen. Buiginkje, O., -jes. |
|
BUI. Büigpunt, O., -punten. Büigbpiee, V., -spieren. Buigtang, V., -tangen. Buigzaam, -zamer, -zaamst. Buigzaamheid, V. Buiig, buiiger, buiigst. Buiigheid, V. Buik, M., buiken. Buikje, O., -jes. Buikig, buikiger, buikigst. Buikloop, M. Buikriem, M., -riemen. Buikspreken, O. Buikspreker, M., -sprekers. Buikvlies, o. Buikvi.iesontsteking, V.. -ontstekingen. Bult;l (gezwel), V.,builen. Builtje, O.,-jes. Buil (meelbuil), M., builen. Builen, builde, heeft gebuild. Builkist, V., -kisten. Builzolder. M.. -zolders. Buis (pijp), V., buizen. Buisje, O., -jes. Buis (haringbuis), V., buizen. Buisje, O., -jes. Buis (kleedingstuk), O., buizen. Buisje, O., -jes. Buisjesdag, M. Buit, m. Buitelaar, M., buitelaars. Buitelen, buitelde, heeft en is gebuiteld. Buiteling. V., buitelingen. Buiten, buitte, heeft gebuit. Buiten (lustplaats), O., buitens. Buitentje, O., -jes. Buiten. Buitenbeentje, O., -jes. Buitendien. Buitendijks. BuitenrvRiTven, dreef buiten, dreven buiten, heeft buitengedreven. Buitengaats. Buitengemeen, -gemeener, -gemeenst. Buitengemeenheid, V. Buitengemeente, V., -gemeenten. Buitengewoon, -gewoner, -gewoonst. Buitengewoonheid, V. Buitenkansje, O., -jes. Buitenland, O., -landen. Buitenlander, M.. -landers. Buitenlandsch. Buitenplaats, V,, -plaatsen. Buitensdijks. Buitenshuis. Buitenslands. ï Buitensluiten, sloot buiten, sloten buiten, heeft buitengesloten. Buitensluiting, V. Buitensporig, -sporiger, -sporigst. Buitensporigheid, v.. -heden. Buitenstaan, staat buiten, stond buiten, heeft buitengestaan. Buitenste. Buitentijds en buitenstijds. Buitenwaarts. Buitenwerks. |
BUI. Buitenwerpen, wierp buiten, heeft buiten geworpen. Buitmaken, maakte buit, heeft buitgemaakt. Buizerd, M., buizerds. Bukken, bukte, heeft gebukt. Buks, V., buksen. Buksje, O., -je?. Bul (stier), M , bullen. Bulletje, O.,-jes. Bul (oorkonde), V., bullen. Bul (koek), V. Bulderaar, M., bulderaars. Bulderbast, M., -basten. Bulderen, bulderde, heeft gebulderd Bulderig, bulderiger, bulderigst. Bulhond, M., -honden; -hondje, O.,-jes. Bulken, bulkte, heeft gebulkt. Bullebak, M., bullebakken Bullegeld, O. Bulleman, M. Bullenbijter, M., -bijters. Bullepees, V., -pezen. Bulletin, o., bulletins. Bulster, V., bulsters. Bult, M., bulten. Bult:e, o., -jes. Bultachtig. Bultenaar, M., bultenaars. Bultig, bultiger. bultigst. Bultzak, M., -zakken. Bun, V., bunnen. Bunnetje, o., -jes. Bundel, M , bundels. Bundeltje, ()., -jes. Bunder, O., bunders. Bunderbundersgelijk. Bungelen, bungelde, heet gebungeld. Bunzing (ook bonzing), M.. bunzingen en bunzings (bonzingen en bonzings). Bunzinkje en bonzinkje, O., -jes. Burcht, M., burchten. Burchtheer, m., -heeren. Burchtplein, O., -pleinen. Bureau, O., bureau's. Bureau kosten (mv.), M. Bureel, O., bureelen. Bureeltje, O , -jes. Bureelist, M., bureelisten. Buren, buurde, heeft gebuurd. Burengerucht. O. Burg, M.. burgen. Burgje. O., -jes. Burgemeester. M., -meesters. Bu r gem e e «5terlijk. Burgemeestersambt, O. Burgemeestershuik, M., -buiken. Burgemeesterschap, O. Burgemeesterskamer, V. Burgemeestersplaats, V., -plaatsen. Burger, M , burgers. Burgertje. O . -jes. Burgerachtig, -achtiger, -achtigst. Burgeres, V.. burgeressen. BuRGERir, v., burgerijen.' Burgerjongen. M., -jongens. Burgerlijk, -lijker, -lijkst. Burgerlijkheid, V. Burgerman, M., -lieden en -lui. Burgermanachtig. Burgeroorlog, M., -oorlogen. Burgerplicht, M.. -plichten. |
BUE.
76
BUS.
|
Burgerrecht, o., -rechten. Burgerschap (burgerij), V.; (burgerrecht), O. Burgerschapsrecht, O., -rechten. Burgerschool. V., -scholen. Burgerstand, M. Burgervrouw, V., -vrouwen. Burin. V., burinnen. Burinnetje, O.,-jes. Burrie (voor berrie), V., burries. Bus (bos), V., bussen. Busje, O., -jes. Busdokter, M., -dokters. Buskruit, O. Bussel, M., bussels. Busseltje, O., -jes. |
Busselen, busselde, heeft gebusseld. Bussen, buste, heeft gebust. Buste, V., busten en bustes. But, V., butten. Buur, M., buren. Buurtje, O., -jes. Buurman, M., -lieden en -lui. Buuemansgek. M. Buurschap (buurt), V., -schappen; (betrekking als buur), O. Buurt, V., buurten. Buurtmeester, M., -meesters. Buurvrouw, V., -vrouwen.5 |
C.
|
C, V., 0*8. Cabaal, O., cabalen. Cabretleder en -leer, O. Cabretleeren (bnw.). Cabriolet, V., cabrioletten. Cacao, V. Cachelot, M., cachelotten. Cache-nez, M., cache-nez's. Cachet, ü., cachetten. Cachetje, O.,-jes. Cachot, O., cachotten. Cachou, V. Cacographie, V., cacographieën. Cactus, V., cactussen. Cadanceeren, cadanceerde, heeft ge- cadanceerd. Cadans, V. Cadaver, O., cadavers. Cadeau, O., cadeau's. Cadeautje, O., -jes. Cadet (militaire kweekeling), M., cadetten en cadets. Caesuur, V., caesuren. Café, O., café's; cafeetje, O., -jes. Caféhouder, M., -houders. Cahier (schrijfboek), o., cahiers. Calangeeren, calangeerde, heeft ge- calangeerd. Calèche (ook kales), V., calèches. Caleidoscoop, M., caleidoscopen. Calligraaf, M., calligrafen. Calligraphie, V. Calorie, V., calorieën. Calorifèee, M., calorifères. Calvinisme, O. Calvinist, M., calvinisten. Camee, V., cameeën. Camera, V., camera's. Campagnetaar, O., -jaren. Canaille (ook kanalje), (menigte), O.; (persoon), v. Canapé, V., canapé's. Canapé-kussen, o., -kussens. Candelaber, V., candelabers. Candidaat, m., candidaten. Candidaat-notaris, m., candidaat-nota-rissen. |
Candidaats-examen, o., -examens en -examina. Candidatuur, v., candidaturen. Canon (regel), M., canons. Canoniek, canonieke.. Cantate, V., cantaten en cantates. Cantine, V., cantines. Caoutchouc, O. Capaciteiten-stelsel, (X Capitool, O. Capitulatie, V., capitulatiën en capitulaties. Capituleeren, capituleerde, heeft gecapituleerd. Caprice, V., caprices. Capricieus, capricieuzer, capricieust. Carambole, V., caramboles. Cardinaal (bnw.), cardinale. Carga, V. Cargadoor, M., cargadoors. Caricatuur, V., caricaturen. Carica- tuurtje, O., -jes. Carillon, o., carillons. Carnaval, O. Carré, O., carré's. Carton (verbeterblad en schets), O., cartons. Casino, O., casino's. Cassa, V. Cassatie, V. Casueel, casueele. Catacombe, V., catacomben en cata-combes. Catalogiseeren, catalogiseerde, heeft gecatalogiseerd. Catalogus, M., catalogussen. Catarrhaal, catarrhale. Catechetisch. Catechisatie, V., catechisatiën en catechisaties. Catechiseeren, catechiseerde, heeft gecatechiseerd. Catechiseermeester, M., -meesters. Catechismus, M., catechismussen. Categorie, V., categorieën. |
CAT.
CHE.
77
|
Categorisch. Gatholicisme, O. Catholïek en katholiek, M., catholie- ken en katholieken. Cautie, v. Cavalcade, V., cavalcades. Cavalerie, V. Cavaleriekazerne, V., -kazernen. Cavalerie-officier, M., -officieren. Cavalerist, M., cavaleristen. Caveeren, caveerde, heeft gecaveerd. Cayenne-peper, v. Cedel en ceèl, V., cedelen, cedels en ceêlen. Cedeltje en ceèltje, O., -jes. Ceder, M., cederen en ceders. Cederachtig. Cederen (bnw.). Ceel. Zie Cedel. Ceintuur, V., ceinturen. Ceintuurtje, O., -jes. Ceintuurbaan, V., -banen. Cel, V., cellen. Celletje, O., -jes. Celachtig. Celebriteit, V., celebriteiten. Celibaat, O. Cellebroer, M., -broers. Cellist, M., cellisten. Cellulair. Celvormig. Cement, O., cementen. Censor, M., censoren en censors. Censuur, V. Cent, M., centen en cents. Centje, O., -jes. Centenaar, M., centenaars. Centiare, V., centiaren en centiares. Centigram, O., centigrammen. Centiliter, M., centiliters. Centimeter, M., centimeters. Centraal, centrale. Centraalstation, O., -stations. Centralisatie, v, Centraliseeren, centraliseerde, heeft gecentraliseerd. Centrifugaal, -fugale. Centrum, o., centra. Ceremonie, V., ceremoniën en ceremonies. Ceremonieel, o. Ceremoniemeester, O., meesters. Certificaat, o., certificaten. Certificeeren, certificeerde, heeft gecertificeerd. Chais (ook sjees), v., chaisen. Chaisje (ook sjeesje), O., -jes. Champagne (wijn), M. Champagneglas, o., -glazen. Champignon, M., champignons. Chaos, m. Charade, V., charades. Charivari, O., charivari's. Charmant, charmanter, charmantst. Charter, o., charters. Chassinet, O., chassinetten. Chassinetje, O., -jes. |
Chef, M., chefs. Chemie, V. Chemisch. Chenille, V., chenilles. Cherub, M., Cherubs. Cherubijn, M., Cherubijnen. Cherubijntje, O., -jes. Chicane, V., chicanes. Chicaneeren, chicaneerde, heeft gechicaneerd. Chicaneur, M., chicaneurs. Chicaneurig, chicaneuriger, chicaneu-rigst. Chiffonnière, V., chiflonnières. Chijl, V. Chinaasappel, M., -appels en -appelen. Chinees, M., Chineezen. Chineesch. Chineesch, O. Chirurg, M., chirurgen. Chirurgie, V. Chirurgijn, M., chirurgijns. Chloor, V. Chloroform, V. Chloroformiseeren, chloroformiseerde, heeft gechloroformiseerd. Chocolade en chocola, V. Chocolaadje, O., -jes. Chocolaketel, M., -ketels. Cholera, V. Cholerabacil, M. Cholerabarak, V., -barakken. Choleradrank, M. Cholera-epidemie, V., -epidemieën. Choleralijder, M., -lyders. Chrestomathie, V., chrestomathieën. Christelijk, -lyker, -lykst. Christen, M., Christenen. Christendom, O. Christenheid, V. Christenmensch, O., -menschen. Christin, V., Christinnen. Christus, M. Chronisch. Chronologie, V., chronologieën. Chronometer, M., chronometers. Chrysanthemum, V,, chrysanthemums. Chrysoliet, M., chrysolieten. Ciborie, O., ciboriën en cibories. Cichorei (ook suikerij), V. Cider, M. Cijfer, O., cyfers. Cyfertje, O., -jes. Cijferaar, M., cyferaars. Cijferen, cyferde, heeft gecijferd. Cijferschrift, o. Cijfertelegram, O., -telegrammen. Cijns, M., cijnzen. Cijnsbaar, -bare. Cijnsbaarheid, V. Cimbaal en cimbel, V., cimbalen en cimbels. Cinematograaf, M., -grafen. Cipier, M., cipiers. Circa. |
COM.
CIR.
78
|
CiBcuLAiRE, V,, circulaires. Circulatie, V. Circuleeben, circuleerde, heeft gecirculeerd. Circus, M., circussen. Cirkel, M., cirkels. Cirkeltje, O., -jes. Cirkelomtrek, M., -omtrekken. Citaat, ü., citaten. Citaatje, o., -jes. Citadel, V., citadellen. Citeeren, citeerde, heeft geciteerd. Citer, V., citers. Citroen, m., citroenen. Citroentje, o.,-jes. Citroenlimonade, V. Citroenpers, V., -persen. Civetkat, V., -katten. Civiel, civieler, civielst. Civiel-ingenieur, M., civiel-ingenieurs. Civilist, M., civilisten. Classicaal, classicale. Classicisme, O. Classiek, classieke. Classis, V., classes. Clausule, V., clausules. Cleresie en cleresij, V. Clericaal, m., clericalen. Clericalisme, o. Clerus, M. Cliché, O., cliché's. Cliënt, M., cliënten. Cliënte, V., cliënten. Cliënteele, v. Climax, M. Cliniek, V. Clinisch. Club, V., clubs. Clubgeest, M. Cochenille, V. Code, M., codes. Codex, M , codices. Codicil, O., codicillen. Codille. Coëfficiënt, M., coëfficiënten. Cognac, m. COGNACGBOG, M. Cognacstelletje, O., -stelletjes. Cognossement, O., cognossementen. Cokes (my.), V. Cokesbak, M., -bakken. Collatie, V., collatiën en collaties. Collation, O., collations. Collationneeben, collationneerde, heeft gecollationneerd. Collectant, M., collectanten. Collecte, V., collecten en collectes. Collecteeren, collecteerde, heeft gecollecteerd. Collectie, v., collectiën en collecties. Collega, M., collega's. College, O., colleges. Colonne, V., colonnen en colonnes. Colportage, V. Colporteur, M., colporteurs. Combinatie, V., combinatiën en combinaties. |
Combineeben, combineerde, heeft gecombineerd. Comedie (blyspel), V., comediën en comedies. Comfobt, O. comfobtable. COMISCH. Comité, O., comité's. Commandant, M., commandanten. Commandantsvbouw, V., -vrouwen. Commandeeren, commandeerde, heeft gecommandeerd. Commandement, O., commandementeu. Commandeur, M., commandeurs en com-mandeuren. Commandeurskruis, O., -kruisen. Commando, o., commando's. Commensaal, M., commensalen. Commentaar, M., commentaren. Commersen, commerste, heeft gecom-merst. Commersspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes. Commies (ambtenaar aan een ministerie), M., commiezen. Commissariaat, o., commissariaten. Commissaris, M., commissarissen. Commissie, V., commissiën en commissies. Commissieloon, O. Commissionnair, M., commisslonnairs.] Commis-voyageur, M., -voyageurs. Committent, M., committenten. Commode (latafel), V., commodes. Commune, V., communes. Communicatie, V., communicatiën en communicaties. Commuwiceeren, communiceerde, heeft gecommuniceerd. Communie, V. Communieeren, communieerde, heeft gecommunieerd. Communisme, o. Communist, M., communisten. Compagnie, V., compagnieën. Compagnieschap, V., -schappen. Compagnon, M., compagnons. Comparant, M., comparanten. Comparante, V., comparanten. Comparatief en comparativus, M, comparatieven. Comparitie, V., comparitiën en comparities. Compendium, O., compendiums en compendia. Compensatie, V., compensatiën en compensaties. Compenseeren, compenseerde, heeft gecompenseerd. Competeeren, competeerde, heeft ge-competeerd. Competent, competenter, competentst. Competentie, V., competentiën en competenties. |
COM.
CON.
79
|
Compleet, completer, compleetst. Compleetheid, V. Complement, O., complementen. Completeeren, completeerde, heelt gecompleteerd. Compliment, O., complimenten. Complimentje, O., -jes. Complimenteeren, complimenteerde, heeft gecomplimenteerd. Componeeren, componeerde, heeft gecomponeerd. Componist, M., componisten. Componiste, V., componisten. Compote, V., compotes. Compote-lepel, M., -lepels. Compres, compresse. Compres (by w ). Compromis, O., compromissen. Compromitteeren, compromitteerde, heeft gecompromitteerd. Comptabiliteit, V. Comptant en contant. Concept, o., concepten. Conceptje, o., -jes. Concept-reglement, O., -reglementen. Concert, O., concerten. Concertvleugel, M., -vleugels. Concertzaal, V., -zalen. Concertzangeres, V., -zangeressen. CoNCESbioNARis, M., concessionarissen. Concierge, M., concierges. Concilie, O., conciliën en concilies. Conclave, O., conclaves. Conclusie, V., conclusiën en conclusies. Concordaat, o., concordaten. Concordantie, V., concordantiën en concordanties. Concours, O., concoursen. Concreet, concrete. Concurreeren, concurreerde, heeft geconcurreerd. Concurrent, M., concurrenten. Concurrente, V., concurrenten. Concurrentie, V. Conditie, V., conditiën en condities. Conditioneel, conditioneele. CoNDiTioNNEEREN,conditionneerde, heeft geconditionneerd. Con doleantie, V., condoleantiën en condoleanties. Condoleantiebezoek, o., -bezoeken. Condole antievisite, V., -visites. Condoleeren, condoleerde, heeft ge condoleerd. Condor, M., condors. Conducteur, M., conducteuren en conducteurs. Conductor, m., conductors. Conduite-lijst, V., -lysten. Confereeren, confereerde, heeft geconfereerd. Conferentie, V., conferentiën en conferenties. Confessie, V., confesslën en confessies. |
Confessioneel, confessioneele. Confidentie, V., confidentiën en confidenties. Confidentieel, confidentleele. Confirmatie, V. Confirmeeren, confirmeerde, heelt geconfirmeerd. Confiscatie, V., confiscatlën. â¬Confi8queeren, confisqueerde, heeft geconfisqueerd. Confiturentaart, V., -taart«n. Confituur, V., confituren. Conflict, O., conflicten. Conform. conformatie, v. Confrater, M., confraters. Confrontatie, V., confrontatlën en confrontaties. Confronteeren, confronteerde, heoit geconfronteerd. Confusie, V., confusiën en confusies. Confuus, confuser, confuust. Congé, O. Congestie, V., congestiën en congesties. Congregatie, V., congregatiën en congregaties. Congres, o., congressen. Congreslid, O., -leden. Conjectuur, V., conjecturen. Conjec-tuurtje, O., -jes. Conjugatie, V., conjugatiën en conjugaties. Conjugeeren, conjugeerde, heeft geconjugeerd. Conjunctief en conjunctivus, M., conjunctieven. Conrector, M., conrectoren en conrectors. Consciëntie, Y., consclëntiën en consciënties. Consciëntieus, consciëntieuzer, consciëntieust. Conscriptie, V. Consent, ü.. consenten. Consequent, consequenter, conse-quentst. Consequentie, V., consequentiën en consequenties. Conservatief, conservatiever, conservatiefst. Conservatief, M., conservatieven. Conservatisme, O. Conservatoire, O., conservatoires. Considerans, V. Consideratie, V., consideratiën en consideraties. Consignatie, V., conslgnatlön en consignaties. Consigne, O., consignes. Consistoriaal, consistoriale. Consistorie, o., consistoriën en consistories. Consistoriekamer, V., -kamers. Console, V., consoles. |
CON.
CON.
80
|
Consolideeren, consolideerde, heeft geconsolideerd. Consonant, V., consonanten. Consonantenstelsel, O., -stelsels. Consorten (mv.), M. en V. Constateeren, constateerde, heeft geconstateerd. Consternatie, V., consternatiën en con- sternatles. Constitutie, V., constitution en constituties. Constitutioneel, constitutioneele. Constructie, V., construction en constructies. Constructiewinkel, M., -winkels. Construeeren, construeerde, heeft geconstrueerd. Consul, M., consuls. Consulaat, O., consulaten. Consulent, M., consulenten. Consult, O., consulten. Consulteeren, consulteerde, heeft geconsulteerd. Consumeeren, consumeerde, heeft geconsumeerd. Consument, M., consumenten. Contant. Zie Comptant. Continentaal, continentale. Contingent, o., contingenten. Contrabande, V. Contrabas, V., «bassen. Contrabassist, M., -bassisten. Contrabezoek, O., -bezoeken. Contraboek, O., -boeken. Contract, O., contracten. Contractje, O., -jes. Contractant, M., contractanten. Contractante, V., contractanten. Contracteeren, contracteerde, heeft gecontracteerd. Contramine (In de â). Contrapunt, O. Contrast, O., contrasten Contravisite, V., -visites. Contribuant, M., contribuanten. Contribuante, V., contribuanten. Contribueeren, contribueerde, heeft gecontribueerd. Contributie, V., contribution en contributies. Contributiekaart, V., -kaarten. Controle, V., controles. Controleeren, controleerde, heeft gecontroleerd. Controleur, M., controleuren en controleurs. Contubernaal, M., contubemalen. Convent, O., conventen. Conventie, V.,convention en conventies. Conventioneel, conventioneele. Conversatie, V. Conversatie-les, v., -lessen. Converseeren, converseerde, heeft geconverseerd. |
Conversie, V., conversiën en conversies. Conversie-ontwerp, O., -ontwerpen. Converteeren, converteerde, heeft geconverteerd. Convocatie, V., convocation en convocaties. Convocatiebiljet, O., -biljetten. Convocatiebriefje, O., -briefjes. Convoceeren, convoceerde, heeft geconvoceerd. Coöperatie, V. Coöperatief, coöperatieve. Coördinatenstelsel, O., -stelsels. Coquet, coquetter, coquetst. Coquetteeren, coquettoerde, heeft ge- coquetteerd. Coquetterie, V., coquetterieën. Corporaal (altaardoek), O., corporalen. Corporatie, V., corporation en corporaties. Corpulent, corpulenter, corpulentst. Corpulentie, V. Correct, correcter, correctst. Correctie, V., correction en correcties. Correctioneel, correctioneele. Correspondeeren, correspondeerde, heeft gecorrespondeerd. Correspondent, M.. correspondenten. Correspondente, V., correspondenten. Correspondentie, V., correspondentiën en correspondenties. Corridor, M., corridors. Corrigeeren, corrigeerde, heeft gecorrigeerd. Coryphee, M., corypheeën. Cosmetiek, V. Cosmographie, V., cosmographieën. Cosmopoliet, M., cosmopolieten. Cosmopolitisch. cosmopolitisme, o. Coterie, V., coterieën. Cotillon, M., cotillons. Couplet, O., coupletten. Coupletje, O., -jes. Coupletzanger, M, -zangers. Coupon, V., coupons. Couponknipper, M., -knippers. Courant (ook krant), V., couranten. Courantenartikel, O., -artikels. Courantenbericht, O., -berichten. Courantier, M., courantiers. Courtage, V., courtages. Couvert, O., couverten. Couvertje, O., -jes. Creatuur, O., creaturen; creatuurtje, O., -jes. Credit (term in 't boekhouden), O. Crediteeren, crediteerde, heeft gecrediteerd. Crediteur, M., crediteuren. Creditzijde, V. Credo, O., credo's. Crematie, V. Creool, M. en V., creolen. |
CUR,
CRE.
81
|
Creosoot, V. Criminalist, M., criminalisten. Crimineel, crimineele. Crisis, V. CritIek (oordeelkunde), V. Critisch. Critiseeren, critiseerde, heeft gecriti-seerd. Crucifix, O., crucifixen. Culture, V., cultures. Cultuur, V. Cultuurstelsel, O., -stelsels. Curasao (drank), M. curateele, V. Curator, M., curatoren en curators. Curatorschap, O., -schappen. Cureeren, cureerde, heeft gecureerd. |
Curie (Roomsche â), V. Curieus, curieuzer, curieust. Curiositeit, V., curiositeiten. Cursief, cursieve. Cursus, M., cursussen. Cycloop, M.. Cyclopen. Cylinder, M., cylinders. Cylindertje, O., â jes. Cylinderhorloge, O., -horloges. Cylindrisch. Cynisch. Cynisme, O. Cypersch (âe kat). Cypres, M., cypressen. Cypresje, O., -jes. Cypresseboom, M., -hoornen. Cyprepsenhout, O. |
D.
|
D, V., d's. Daad, V., daden. Daagsch. Daalder, M., daalders. Daaldertje, O., -jes. Daaldersplaats, V., -plaatsen. Daar. Daaraan. Daarachter. Daarbeneden. Daarbenevens. Daarbij. Daarboven. Daardoor. Daarenboven. Daarentegen. Daarheen. Daarin. Daarlangs. Daarlaten, liet daar, heeft daargelaten. Daarmede. Daarna. Daarnaar. Daarnaast. Daarnevens. Daarom. Daaromheen. Daaromtrent. Daaronder. Daarop. Daarover. Daartegen. Daartoe. Daaruit. Daarvan. Daarvoor. Daas, V., dazen. Dadel (boom), M.; (vrucht), V., dadels. Dadeltje, O., -jes. Dadelijk. Dadelijkheid, V., -heden. |
Dadelpalm, M., -palmen. Dader, M., daders. Daderes, v., daderessen. Dading, V., dadingen. Dag, M., dagen. Dagje, O.,* dagjes. Dag (touw), V. Dagblad, O., -bladen. Dagboek, O., -boeken. Dagdief, M., -dieven. Dagdieven, dagdiefde, heeft gedagdiefd. Dagdieverij, V., -dieverijen. Dagelijks (b^jw.). Dagelijksch (bnw.). Dagen (dag worden), daagde. Dagen (voor de rechtbank roepen), daagde, heeft gedaagd. Dager, M., dagers. Dageraad, M. Daging, V., dagingen. Dagge (ook dag). V., daggen. Daggeld, o., -gelden. Daglooner, M., -looners. Dagmeisje, o., -meisjes. Dagorder, V., -orders. Dagreis, V., -reizen. Dagteekenen, dagteekende, heeft ge- dagteekend. Dagteekening, V., -teekeningen. Dagvaarden, dagvaardde, heeft gedagvaard. Dagvaarding, V., -vaardingen. Dagvaart, V., -vaarten. Dagverhaal, O., -verhalen. Dagwerk, o. Dahlia, V., dahlia's. Dak, O., daken. Dakje, O., -jes. Dakdicht. Dakvenster, O., -vensters. Dal, O., dalen. Dalen, daalde, is gedaald. Daling, V., dalingen. |
6
DAM.
DAT.
82
|
Dam (hoogte van aarde), M., dammen. Dammetje, O., -jes. Dam (dubbele schjjf). v-. dammen. Damasceeren, damasceerde, heeft geda- masceerd. Damast, O., damasten. Damasten (bnw.). Dambord, o., -borden. Dame, V., dames. Dametje, O., -jes. Damesfiets, V.. -fietsen. Damhert, O., -herten. Damlooper, M., -loopers. Dammen, damde, heeft gedamd. Damp, M., dampen. Dampen, dampte, heeft gedampt. Damper, m., dampers. Dampig, dampiger, dampigst. Dampigheid, V. Damping, v. Dampkring, M., -kringen. Dampkringslucht, V. Damschijf, V., -schyven. Damspel, o. Damspeler, M., -spelers. Dan. Danig. Dank, M. Dankbaar, -baarder, -baarst. Dankbaarheid, V. Dankbetuiging, quot;V., -betuigingen. Dankdag, M., -dagen. Danken, dankte, heeft gedankt. Dankfeest, ü., -feesten. Dankgebed, O., -gebeden. Danklied, O., -liederen. Dankoffer, o., -offers. Dankzeggen, zeide en zei dank, heeft dankgezegd. Dankzegging, V., -zeggingen. Dans, M., dansen. Dansje, O., -jes. Dansen, danste, heeft gedanst. Danser, M., dansers. Danseres, V., danseressen. Danshuis, O., -huizen. Dansmeester, M., -meesters. Danszaal, V., -zalen. Dapper, dapperder, dapperst. Dapperheid, v. Darm, M., darmen. Darmpje, o., -jes. Darmkanaal, O., -kanalen. Darmscheil, O. Dartel, darteier, dartelst. Dartelen, dartelde, heeft gedarteld. Dartelheid, V., -heden. Das (dier), M., dassen. Dasje, o., -jes. Das (halsdoek), V., dassen. Dasje, o., -jes. Dassenhaar, ü. Dassenhol, O., -holen. Dassenhuid, V., -huiden. Dassennet, O., -netten. Dassevel, O., -vellen. Dat. Dateeren, dateerde, heeft gedateerd. Dateering, V., dateeringen. |
Datgene. Datief en dativus, M., datieven. Datum, M., datums en data. Dauw, M. Dauwachtig. D auwel, V., dauwels. Dauweitje, o., -jes. Dauwelaar, M., dauwelaars. Dauwelachtig, -achtiger, -achtigst. Dauwelachtigheid, v. Dauwelarij, V., dauwelaryen. Dauwelen, dauwelde, heeft gedauweld. Dauwen, dauwde, heeft gedauwd. Daveren, daverde, heeft gedaverd. De. Deballoteeren, deballoteerde, heeft ge- deballoteerd. Debat, o., debatten. Debatteeren, debatteerde, heeft gedebatteerd. Debet, O. Debiet, O. Debietzaak, V., -zaken. Debitant, M., debitanten. Df.biteeren, debiteerde, heeft gedebiteerd. Debiteur, M., debiteuren en debiteurs. Dkbuteeren, debuteerde, heeft gedebuteerd. Debuut, O. Decadent, M., decadenten. Decadentenpoëzie, v. Decagram, o., decagrammen. Decaliter, m., decaliters. Decameter, M., decameters. Decastef.e, V., decasteren en decasteres. December, M. Df.cideeren, decideerde, heeft gedecideerd. Decigram, O., decigrammen. Deciliter, M., deciliters. Decimaal, decimale. Decimeter, M., decimeters. Decisie, v., dedsiën en decisies. Decisief, decisiever, decisiefst. Decistere, V., decisteren en decisteres. Declamatie, V. Declaratie, V., declaratiën en declara-ties. Declareeren, declareerde, heeft gedeclareerd. Declinatie, V., declinatiën en declinaties. Declinatie-uitgang, M., -uitgangen. Declineeren, declineerde, heeft gedeclineerd. Decorateur, M., decorateurs. Decoratie, V., decoratiën en decoraties. Decoratief, O. Decoratieschilder, M., -schilders. Decoreeren, decoreerde, heelt gedecoreerd. Decorum, O. Decreet, O., decreten. Deeg, O., deegen. Deegje, O., -jes. |
DEE.
DEI.
83
|
Deel (plank en dorschvloer), V., delen. Deeltje, O., -jes. Deel (gedeelte), o., deelen. Deeltje, O., -jes. Deelachtig. Deelbaae, -bare. Deelbaarheid, V. Deelen, deelde, heeft gedeeld. Deeleb, M., deelers. Deelgenoot, M., -genooten. Deelgenoote, V., -genooten. Deelgenootschap, O. Deelhebbeb, M., -hebbers. Deeling, V., deelingen. Deelinkje, o., -jes. , Deelnemen, nam deel namen deel, heeft deelgenomen. Deelnemend, -nemender, -nemendst. Deelnemer, M., -nemers. Deelneming, V. Deels. Deeltal, O., -tallen. Deelwoord, O., -woorden. Deemoed, M. Deemoedig, -moediger, -moedigst. Deemoedigen, deemoedigde, heeft ge- deemoedigd. Deemoedigheid, V. Deemoediging, V. Deen, M., Denen. Deensch. Deensch, O. Deerlijk, -lyker, -lykst. Deern (ook deerne), V., deernen. Deerntje, O., -jes. Deernis, V. Deerniswaardig, -waardiger, -waardigst of meer en meest -waardig. Deesem, M. Deesemen, deesemde, heeft gedee- semd. Defect, O., defecten. Defect, defecter, defectst. Defectenkamer, V., -kamers. Defensie, V. Defensief, defensieve. Defensiewezen, o. Deficit, o. Definitie, quot;v., definitiën en definities. Definitief, definitieve. Deftig, deftiger, deftigst. Deftigheid, v. I^egel, M., degels. Degelijk, -lijker, -lijkst. Degelijkheid, v. Degen, M., degens. Degentje, O., -jes. Degene. Degenstok, m., -stokken. Degenstoot, m., -stooten. Degradatie, v. Degradeeren, degradeerde, heeft gedegradeerd. Deinen, deinde, is gedeind. Deining, V., deiningen. |
Deinzen, deinsde, is gedeinsd. Deïsme, o. Deïst, M., deïsten. Deïstisch. Dejeuneeren, dejeuneerde, heeft gedejeuneerd. Dejeuneetje, O., déjeuneetjes. Déjeuner, O., déjeuners. Dek, O., dekken. Dekje, O., -jes. Dek balk, M., -balken. Dekbed, O., -bedden. Dekblad, O., -bladen. Dekbobd, O., -borden. Deken (overste), M., dekens en dekenen. Deken (dekking), V., dekens. Dekentje, O., -jes. Dekhengst, M., -hengsten. Dekken, dekte, heeft gedekt. Dekker, M., dekkers. Dekking, V., dekkingen. Dekkleed, O., -kleeden. Dekmantel, M., -mantels. Dekpan, V., -pannen. Dekplaat, V., -platen. Dekplank, V., -planken. Dekriet, O. Dekschild, O., -schilden. Deksel, O., deksels. Dekseltje, O., -jes. Dekselsch. Dekservet. O., -servetten. Deksteen, M., -steenen. Dekstroo, O. Dekstuk, O., -stukken. Dekstut, M., -stutten. Dekverf, V., -verven. Dekzerk, V., -zerken. Del, V., dellen. Delegatie, V., delegation. Delfstof, V., -stoffen. Delfstoffenrijk. o. Delfstofkunde, V. Delgen, delgde, heeft gedelgd. Delging, V. Deli (verkorting van delicieus). Delibebatie, V., deliberatiën en deliberaties. Delicaat, delicater, delicaatst. Delicieus, delicieuzer, delicieust. Delirium-trrmens, O. Delling, V, dellingen. Delta, V., delta's. Deluw. Delven, dolf, dolven, heeft gedolven. Delver, M., delvers. Delving, V.. delvingen. Demagoog, M.. demagogen. Demissie, V., demissiën en demissies. Democraat, M., democraten. Demo- craatje, O., -jes. Democratie, V. Democratisch. Demonstratie, V., demonstration. Demonstreeren, demonstreerde, heeft gedemonstreerd. |
DEM.
DES.
84
|
Dempen, dempte, heeft gedempt. Demper, M., dempers. Dempig, dempiger, dempigst. Dempigheid, V. Den, M., dennen. Denemarken, o. Denkbaar, -bare. Denkbaarheid, V. Denkbeeld, O., -beelden. Denkbeeldig, -beeldiger, -beeldigst. Denkbeeldigheid, V. Denkelijk. Denken, dacht, heeft gedacht. Denker, M.. denkers. Denkkracht, V. Denkvermogen, O. Denkwijze en -wijs, V., -wjjzen. Denneboom, M., -boomen. Dennen (bnw.). Dennenhout, O. Dennenwoud, o., -wouden. Departement, o., departementen. Departementaal, -ale. Departementssecretaris, M., -secretarissen. Deponeeren, deponeerde, heeft gedeponeerd. Deposito, O., deposito's. Deposito-bank, V.. -banken. Deposito-gelden (mv.), o. Depot, O., depots. Deputatie, V., deputation en deputaties. Derailleeren, derailleerde, is gederailleerd. Déraillement, 0., -inenten. Derde. Derdehalf, -halve. Derdendaagsch. Deren, deerde, heeft gedeerd. Dergelijk. Derhalve. Dermate. Derrie, V. Derrieachtig. Dertien, dertienen. Dertientje, O., -jes. Dertiende. Dertienhonderd. Dertienmaal. Dertig, dertigen. Dertiger, M., dertigers. Dertigmaal. Dertigste. Dertigvoud, o. Derven, derfde, heeft gederfd. Derver, M., dervery. Derving, V. Derwaarts. Derwijze. Derwisch, M., derwischen. Des. Desalniettemin. Desbevoegd. Desbewust. |
Descendentielrer, V. Deserteeren, deserteerde, is gedeserteerd. Deserteur, M., deserteuren en deserteurs. Desertie, V., desertiën en deserties. Desgelijks. Desinfecteeren, desinfecteerde, heeft gedesinfecteerd. Desinfectie, V. Deskundig. Deskundige, M. en V., -kundigen. Desniettegenstaande. Desniettemin. Desnoods. Desolaat, desolater, desolaatst. Desolatie-boedelkamer, V., -kamers. Desondanks. Despoot, M., despoten. Despootje, O., -jes. Despotisch. Despotisme, O. Dessendiaan, V. Dessert, O., desserten. Dessertje, O., -jes. Dessertmes, O., -messen; -mesje, O.,-jes. Dessertvork, V., -vorken; -vorkje, O., -jes. Destijds. Deswege. Detachement, o., detachementen. Detail, o., details. Determinant, INI., determinanten. Determinisme, o. Deugd, V., deugden. Deugdelijk, -l^ker, -lykst. Deugdelijkheid, V. Deugdzaam, -zamer, -zaamst. Deugdzaamheid, V. Deugen, deugde, heeft gedeugd.'^ Deugniet, M. en V., deugnieten. Deugnietje, O., -jes. Deugnieterij, V., deugnieterüen. Deuk, V., deuken. Deukje, O., -jes. Deuken, deukte, heeft en is gedeukt. Deun, M., deunen. Deuntje, O., -jes.! Deun, deuner, deunst. Deunen, deunde, heeft gedeund. Deunheid, V. Deuntjes (b^jw.). Deur, V., deuren. Deurtje, O., -jes. Deurknop, M., -knoppen. Deurwaarder, M.. -waarders.J Deurwaarderschap, O. Deuvekater, M., deuvekaters. Deuvik, M., deuviken. Deuvikje, O.,-jes. Deuviken, deuvikte, heeft gedeuvikt. deventerkoek,M.(als voorwerpsnaam), -koeken; V. (als stofnaam). Devies, o., deviezen. Devoot, devoter, devootst. Devotie, V. Dewelke. Dewijl, Dextrine, (V. |
1
DEZ.
DIE.
85
|
Deze. Dezelfde. Dezelve. Dezulke. Diacones, V., diaconessen. D1ACONE88ENHUIS, O., -huizen. Diaconie, V., diaconieën. Diaconiehuis, O., -huizen. Diadeem, M , diademen. Diagnose, V., diagnosen. Diagonaal, V., diagonalen. Diaken, M., diakenen en diakens. Diakones, V., diakonessen. Zie Diacones. Dialect, O., dialecten. Dialectensïudie, V. Dialectisch. Dialoog, M., dialogen. Diamant (stof), O.; (stuk steen), M., diamanten. Diamantje, O., -jes. Diamanten (bnw.). Diamantletteb, V., -letters. Diameter, M., diameters. Diapason, M., diapasons. Diarrhee, V. Dicht, O., dichten. Dichtje, O., -jes. Dicht, dichter, dichtst. Dichtdoen, deed dicht, deden dicht, heelt dichtgedaan. Dichten (dichtmaken), dichtte, heeft gedicht. Dichten (verzen maken), dichtte, heeft gedicht. Dichter, M., dichters. Dichtertje, O.,-jes. Dichteres, V., dichteressen. Dichterlijk, -lyker, -lykst. Dichtgenootschap, O., -schappen. Dichtheid, V. Dichtkunst, V. Dichtmaat, V., -maten. Dichtmaken, maakte dicht, heeft dichtgemaakt. Dichtregel, M,, -regels. Dichtsluiten, sloot dicht, sloten dicht, heelt dichtgesloten. Dichtstuk, o., -stukken. Dichtvuur, o. Dictaat, o., dictaten. Dictaatboekje, ü., -boekjes. Dictatenstudie, V. Dictatuur, V. Dicteeben, dicteerde, heeft gedicteerd. Die. Dieet, o. Dief, M., dieven. Diefje, O., -jes. Diefachtig, -achtiger, -achtigst. Diefachtigheid, v. Diefstal, M., -stallen. Diegene. Diemit, ö , diemiten. Diemiten (bnw.). Dienaangaande. Dienaab, m., dienaars en dienaren. Dienabes, V., dienaressen. Diendeb, M., dienders. |
Dienen, diende, heeft gediend. Dienovebeenkomstig. Dienst, M., diensten. Dienstje, O., -jes. Dienstbaar, -bare. Dienstbaabheid, V. Dienstig, dienstiger, dienstigst. Dienstigheid, V. Dienstplicht, M. Dienstplichtig. Dienstplichtigheid, V. Dienstvaabdig, -vaardiger, -vaardigst. Dienstvaabdigheid, V. Dienstvebbichting, V. Dienstwillig, -williger, -willigst. Dienstwilligheid, V. Dientafeltje, O., -jes. Dientengevolge. Dienvolgens. Diep , dieper, diepst. Diep, ü., diepen. Diepdenkend. Diepdenkendheid, V. Diepen, diepte, heeft gediept. Diepgang, M. Dieping, V., diepingen. Dieplood, O., -looden. Diepsel, O., diepsels. diepte, V., diepten. Diepzinnig, -zinniger, -zinnigst. Diepzinnigheid, V. Dier, O., dieren. Diertje, ü., -jes. Dieb, dierder, dierst. Diebbaar, -baarder, -baarst. Diebbaabheid, V. Diebenbeschebmeb, M., -beschermers. Dierenbeschebming, V. Dierengevecht, O., -gevechten. Diebenkwelleb, M., -kwellers. dlebenblü-m, m. Diebenbijk, o. Diebentemmer, M., -temmers. Diebentent, V., -tenten. Diebentuin, M., -tuinen. Diebgaabde, V., -gaarden. Diergelijk. Dieblijk, -lyker, -lykst. Dierlijkheid, V. Dies. Diets. Dievegge, V., dieveggen. Dieven, diefde, heeft gediefd. Dievenbende, V., -benden. Dievenlantaben en -lantaabn, V.,-lantarens; -lantarentje en -lantaarntje, O., -jes. Dieventaal, V. Dievebij, V., dieverijen. Diffebentiaal, V., differentialen. Diffebentiaalquotiënt, o., -quotiënten. Diffebentiaalbekening, V. Digestie, V. Digestiekoobts, V. Digestievisite, V., -visites. Diggel, V., diggelen en diggels. |
DIE.
86
DIG.
|
Dignitaris, M., dignitarissen. Du, v., dijen. Dfltje, O., -jes. Dijbeen, O., -beenderen. Dijen, dyde, is gedijd. Dijk, M., dijken, üilkje, O., -jes. Dijkage, V., dijkages. Dijkbreuk, V., -breuken. Dijken, dijkte, heeft gedekt. Dijker, M., dijkers. Dijketting, V., -ettingen. Dijkgraaf, M.; -graven. Dijking, V., djjkingen. Dijksbestuur, O., -besturen. Dijkslasten (hiv.), M. Dijkwezen, O. Dik, dikker, dikst. Dikachtig, -achtiger, -achtigst. Dikbloedig, -bloediger, -bloedlgst. Dikbloedigheid, V. Dikbuik, M. en V., -buiken. Dikbuikig, -buikiger, -buikigst. Dikheid, V. Dikhuidig. Dikken, dikte, heeft en is gedikt. Dikkerd, M., dikkerds. Dikkerdje, O., -jes Dikkop, M. en V., -koppen. Dikmaals. Dikte, V., dikten. Diktetje, O., -jes. Dikwerf. Dikwijls. Dikzak, M. en V., -zakken. Dilemma, O., dilemma's. Dilettant, M., dilettanten. Dilettante, V., dilettanten. Dilettantisme, O. Diligence, V., diligences. Diligent. Dille,v. Diminutief, O., diminutieven. Diminutiefsuffix, O., -suffixen. Dineeben, dineerde, heeft gedineerd. Diner. O., diners. Dinertje en dineetje, O., -jes. Ding, O., dingen. Dingetje, O., -jes. Dingbank, v., -banken. Dingen, dong, heeft gedongen. Dinger, M., dingers. Dingspil, o., -spillen. Dingtaal, V., -talen. Dinsdag, M., -dagen. Dinsdags (bijw.). Dinsdagsch (bnw.). Diocese, V., ook diocees, O., diocesen. Diorama, O , diorama's. Diphthong, V., diphthongen. Diploma, ü., diploma s. Diplomaat. M., diplomaten. Diplomatentaal, V. Diplomatie, V. Diplomatiek, V. Diplomatisch. Direct. Directeur, M., directeuren en directeurs. Directeurskamer, V., -kamers. |
Directeurswoning, V., -woningen. Directie, V., directiën en directies. Dirigeeren, dirigeerde, heeft gedirigeerd. Dirigeerstok, M., -stokken. Dirk, V., dirken. Dirkjespeer, V., -peren. Discant, M. Disch, M., disschen. Dischgenoot, M., -genooten. Discipel, M., discipels en discipelen. Discipline, V. Disciplineeren, disciplineerde, heeft gedisciplineerd. Disconteeren, disconteerde, heeft gedisconteerd. DiscoNto, O. Discours, O., discoursen. Discreet, discreter, discreetst. Discretie, V. Discussie, V., discussiën en discussies. Discuteeren, discuteerde, heeft gediscuteerd. Dispache, V., dispaches. Dispacheur, M., dispacheurs. Disputeeren, disputeerde, heeft gedisputeerd. Dispuut, O., disputen. Dissel (byi),M., dissels.Disseltje, O ,-jes. Dissel (aan een wagen), M , dissels. Dissertatie, V., dissertatiën en dissertaties. Distel, V., distels. Disteltje, O., -jes. Distelachtig, -achtiger, -achtigst. Distillateur, M., distillateurs. Distillef.ren, distilleerde, heeft gedistilleerd. Distilleerketel, M., -ketels. District, O., districten. Districtscommissaris, M., -commissarissen. Dit. Ditje, O., -jes. Ditmaal. Divan, M., divans. Diverteeren, diverteerde, heeft gediverteerd. Divertissement, O., divertissementen. Dividend, O., dividenden. Divisie, V., divisiën en divisies. Dobbel, M. Dobbelaar, M, dobbelaars en dobbelaren. Dobbelarij, V , dobbelarijen. Dobbelen, dobbelde, heeft gedobbeld. Dobbelkroes, M., -kroezen. Dobbelspel, O., -spelen. Dobbelsteen, M., -steenen. Dobbeltafel, V., -tafels. Dobbelziek, -zieker, -ziekst. Dobber, M., dobbers. Dobbertje, O., -jes. Dobberen, dobberde, heeft gedobberd. Dobbering, V. Doceeren, doceerde, heeft gedoceerd. |
DOL.
87
DOC.
|
Docent, M., docenten. Docentenvergadering, V., -vergaderingen. Dock. Dochter, V., dochters. Dochtertje, O., -jes» Dochterskind, O., -kinderen. Dochtersman, M. Doctor (titel), M., doctoren. Doctores, V., doctoressen. Document, O., documenten. Dodderig, dodderiger. dodderigst. Doedel, M., doedels. Doedelzak, M., -zakken. Doek (de stof), ü.; (een stuk van die stof), M., doeken. Doekje, O , -jes. Doeken, doekte, heeft gedoekt. Doel, O. Doelen, M., doelens. Doelen, doelde, heeft gedoeld. Doelmatig, -matiger, -matigst. Doelmatigheid, V. Doeltreffend, -treffender, -treffendst. Doelwit, O. Doemen, doemde, heeft gedoemd. Doemenswaardig. Zie Doemwaardig. Doemvonnis, O., -vonnissen. Doemwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Doemwaardigheid, V. Doen, doet, deed. deden, heeft gedaan. Doener, M., doeners. Doeniet, M. en V., doenieten. Doenlijk. Doenlijkheid, V. Doetje, O., -jes. Doezelaar, M., doezelaars. Doezelen, doezelde, heeft gedoezeld. Dof, M., dotten. Dolje, O., -jes. Dof, dotter, dofst. Doffen, dofte, heeft gedoft. Doffer, M., dotters. Doffertje, O., -jes. Doffig, doffiger, dotfigst. Dofheid, V. Doft, V., doften. Dog, M., doggen. Dogje, O., -jes. Doge, M., doges. Dogger, M., doggers. Doggerboot, V., -booten. Doggersbank, V. Dogma, O., dogma's en dogmata. Dogmatiek, V. Dogmatisch. Dok, O., dokken. Dokken, dokte, heeft gedokt. Dokter (geneesheer), M., dokters en doctoren. Dokteren, dokterde, heeft gedokterd. Doktersgang, M. Doktersrekening, V., -rekeningen. Dol, m., dollen. Dol, doller, dolst. Doldriest. Doldriftig, -driftiger, -driftigst. |
Doleeren, doleerde, heeft gedoleerd. Dolen, doolde, heeft gedoold. Dolfijn, M., dolfijnen. Dolfijntje, O., -jes. Dolgraag. Dolhamer, M , -hamers. Dolheid, V., -heden. Dolhuis, O., -huizen. Dolik, V. Doling, V., dolingen. Dolk, M., dolken. Dolkje, O., -jes. Dolkmes, ü , -messen. Dolkop, M. en V., -koppen. Dolkoppig, -koppiger, koppigst. Dolkruid, ü. Dollar, M., dollars. Dolle-hondsbeet, M., -beten. Dollekervel, V. Dolleman, M., -mannen en -mans. Dollemanspraat, M. Dollen, dolde, heeft gedold. Dollepraat, M. Dolligheid, V., -heden. Dolman, M., dolmans. Dolomiet (stof), O.; (voorwerpsnaam), M., dolomieten. Dolzinnig, -zinniger, -zinnigst. Dolzinnigheid, V., -heden. Dom, M., domkerken. Dom, dommer, domst. Domein, O., domeinen. Domheid, V., -heden. Domicilie, O., domiciliën en domicilies. Dominee, M., dominees. Domineeren, domineerde, heeft gedomineerd. Domineesbriefje, O., -jes. Domineesklontje, o., -jes. Dominicaan, M., Dominicanen. Domino (vermomming), M., domino's. Domino (spel), O., domino's. Dominospel, O., -spellen. Dominosteen, M., -steenen. Domkapittel, ü., -kapittels. Domkerk, V., -kerken. Domkop, M. en V., -koppen. Dommekracht, V,, -krachten. Dommel, M. Dommelen, dommelde, heeft gedommeld. Dommerik, M., dommeriken. Dommigheid, V., -heden. Domoor, M, domooren. Dompelaar, M., dompelaars. Dompelen, dompelde, heeft gedompeld. Dompeling, V., dompelingen. Dompen, dompte, heeft gedompt. Domper, M., dompers. Dompertje, O.,-jes. Dompig, dompiger, dompigst. Dompigheid. V. Domproost, M., -proosten. Donateur, M., donateurs. Donatrice, V.. donatrices. Donder, M., donders. Donderaar, M., donderaars. Donderbui, V., -buien. |
DON.
88
DOO.
|
Donderdag, M., -dagen. Donderdags (byw). Donderdagsch (bnw.). Donderen, donderde, heeft gedonderd. Donderjagen, donderjaagde, heeft gedonderjaagd. Donders (byw.). Dondersch (bnw.). Donderslag, M., slagen. Dondersteen, M., -steenen. Donker, donkerder, donkerst. Donker, O. Donkerblauw. Donkerbruin. Donkergeel, -gele. Donkergrauw. Donkergrijs, -grijze. Donkergroen. Donkerheid, V. Donkerrood, -roode. Donkerte, V. Dons, O. Donsje, O., -jes. Donzen (bnw.). Donzig, donziger, donzigst. Dood, M., dood en. Dood, doode. Doodaf. Doodarm. Doodbed, o., doodbedden. Doodbedaard. Doodbloeden, bloedde dood, is doodgebloed. Dooddoener, m., -doeners. Doode, M. en V., -dooden. Doodeenvoudig. Doodekop, V. Doodelijk, -lijker, -lykst. Doodelijkheid, V. Dooden, doodde, heeft gedood. Doodendans, M., -dansen. Doodenmarsch, m. Doodenverklikker, M., -verklikkers. Doodeh, m., dooders. Doodeter, M., -eters. Doodfamiliaar, -familiare. Doodgaan, ging dood, is doodgegaan. Doodgoed, o. Doodgoed (bnw.). Dooding, V., doodingen. Doodgraver, M., -gravers. Doodjagen, jaagde dood, heeft doodgejaagd; ook joeg dood. Doodjammer. Doodkist, v., -kisten. Doodloopen, liep dood, heeft en is dood- geloopen. Doodmoede en -moe. Doodnuchter. Doodop. Doodsangst, M., -angsten. Doodsbeenderen (mv.), O. Doodsbenauwd. Doodsbleek, -bieeke. Doodsch, doodscher. |
Doodschheid, V. Doodschieten, schoot dood, schoten dood, heeft doodgeschoten. Doodsgevaar, O., -gevaren. Doodshoofd, o., -hoofden. Doodskleur, V. Doodskop, M., -koppen. Doodslaan, sloeg dood, heeft doodgeslagen. Doodslag, M., slagen. Doodslager, M., -slagers. Doodsnood, M. Doodsschrik, M. Doodsslaap, M. Doodssnik, M. Doodsstond, M. Doodsstrijd, M. Doodsktuip, V., -stuipen. Doodsteken, stak dood, staken dood, heeft doodgestoken. Doodstraf, V., -straffen. Doodstroom. Doodsuur, o. Doodsverachting, V. Doodszweet, o. Doodverf, V. Doodverven, doodverfde, heeft gedoodverfd. Doodvreter, M. -vreters. Doodzeilen (het ty â), zeilde dood, heeft doodgezeild. Doodziek. Doodzwijgen, zweeg dood, zwegen dood, heeft doodgezwegen. Doof, doover, doofst. Doofheid, V. Doofpo:-, M., -potten; -potje, O., -jes. Doofstom, -stomme. Doofstomme, M. en V., -stommen. Doofstommen-instituut, o., -instituten. Dooi, M. Dooien, dooide, heeft gedooid. Dooier, M , dooiers. Dooiweder en -weer, O. Dook, V., doken. Doolhof, M. en O., -hoven. Doolweg, M., -wegen. Doop (ke. kplechtigheid), M. Doop (saus), V. Doopbekken, O., -bekkens. Doopceel, V., -ceelen. Doopeling, M. en v., doopelingen. V. ook doopelinge. Doopen, doopte, heeft gedoopt. Dooper, M., doopers. Doopformulier, o., -formulieren. Doophek, o., -hekken. Doopmaal, O., -malen. Doopsel, O. Doopsgezind. Doopsgezinde, M. en V., -gezinden. Doopvont, V., -vonten. Door (voorz. en byw.). Door (dooier), M. en O., dooren. |
1
|
DOO. Doorademen, ademde door, heeft doorgeademd; ook doorademde, heeft door-ademd. Doobaderen, dooraderde, heeft dooraderd. Doorarbeiden, arbeidde door, heeft doorgearbeid. Doobbabbelen, babbelde door, heeft doorgebabbeld. Doobbakken, bakte door, heeft doorgebakken; ook doorbakte, heeft doorbakken. Doobbakken (bnw.). Doobbeenen, beende door, heeft door-gebeend. Doobbiddkn, bad door, baden door, heeft doorgebeden. Doobbijten, beet door, beten door, heeft doorgebeten. Doobbladeren, bladerde door, heeft doorgebladerd; ook doorbladerde, heeft doorbladerd. Doorblaffen, blafte door, heeft door-geblaft. Doorblazen, blies door, bliezen door, heeft doorgeblazen. Doobboben, boorde door. heeft doorgeboord; ook doorboorae, heeft doorboord. Doobbobing, V., -boringen. Doobbouwen, bouwde door, heeft doorgebouwd. Doobbbaak, V., -braken. Doobbbaden (bnw.). Doobbbanden, brandde door, heeft en is doorgebrand. Doorbbeien, breide door, heeft doorgebreid. Doobbbeken, brak door, braken door, heeft en is doorgebroken; ook doorbrak, doorbraken, heeft doorbroken. Doobbbeking, V., -brekingen. Doobbbengen, bracht door, heeft doorgebracht. Doobbbengeb, M., -brengers. Doobbuigen, boog door, bogen door, heeft en is doorgebogen. Doordat. Doordenken, dacht door, heeft doorgedacht; ook doordacht, heeft doordacht. Doordien. Doordoen, deed door, deden door, heeft doorgedaan. Doordraaien, draaide door, heeft door-' gedraaid. Doordraa er, M., -draaiers. Doordraven, draafde door, heeft doorgedraafd. Doordraver, M., -dravers. Doordraverij, v. Doordrentelen, drentelde door. is door-gedrenteld. i Doordreunen, dreunde door, heeft doorgedreund. |
i DOO. Doordrijven, dreef door, dreven door, heeft en is doorgedreven. Doordrijver, M., -dryvers. Doordrijver)j, V., -draverijen. Doordringbaar, -bare. Doordringbaarheid, V. Doordringeluk. Doordringen, drong door, is en heeft doorgedrongen; ook doordrong, heeft doordrongen. Doordringend, -dringender, -dringendst. Doordringendheid, V. Doordringer, M., -dringers. Doordrinken, dronk door, heeft doorgedronken. Doordroog, droge. Doobdroomen, droomde door, heeft doorgedroomd. Doordrujpen, droop door, dropen door, is doorgedropen. Doordrukken, drukte door, heeft doorgedrukt. Dooreen. Dooreengooien, gooide dooreen, heeft dooreengegooid. Dooreenhaspelen, haspelde dooreen, heeft dooreengehaspeld. Dooreenkneden, kneedde dooreen, heeft dooreengekneed. Dooreenkoken, kookte dooreen, heeft dooreengekookt. Dooreenloopen, liep dooreen, is door-eengeloopen. Dooreenmengen, mengde dooreen, heeft dooreengemengd. Dooreenroeren, roerde dooreen, heeft dooreengeroerd. Dooreenblaan, slaat dooreen, sloeg dooreen, heeft dooreengeslagen. Dooreenvlechten, vlocht dooreen, heeft dooreengevlochten. Dooreenwarren, warde dooreen, heeft dooreengeward. Dooreenwerken, werkte dooreen, heeft dooreengewerkt. Dooreerlijk. Dooreten, at door, aten door, heeft doorgegeten. Doorgaan, gaat door, ging door, is en heeft doorgegaan. Doorgaans. Doorgalmen, galmde door, heeft doorgegalmd; ook doorgalmde, heeft door-galmd. DocRf ANG, M., -gangen. Doorgestoken. Doorgeven, gaf door, gaven door, heeft doorgegeven. Doorgieten, goot door, goten door, heeft doorgegoten. Doorg;eting, V. Doorglippen, glipte door, is doorgeglipt. Doorgoed. |
.:V
DOO.
DOO.
90
|
Doorgooien, gooide door, heeft door-gegooid. Doorgraven, groef door, groeven door, heeft doorgegraven; ook doorgroef, doorgroeven, heeft doorgraven. Doorgraving, V., -gravingen. Doorgroeien, groeide door. is doorgegroeid. Doorgronden, doorgrondde, heeft doorgrond. Doorgronding, V. Doorhakken, hakte door, heeft doorgehakt. Doorhakking, V., -hakkingen. Doorhalen, haalde door, heeft doorgehaald. Doorhaling, V., -halingen. Doorheen. Doorheet, -heete. Doorhelpen, hielp door, heeft doorgeholpen. Doorhoesten, hoestte door, heeft doorgehoest. Doorhouwen, hieuw door, heeft doorgehouwen. Doorijlen, ijlde door, heeft en is door-geyld. Doorjassen, jaste door, heeft doorge-jast. Doorkakelen, kakelde door, heeft door-gekakeld. Doorkermen, kermde door, heeft door-gekermd. Doorkeüvelen, keuvelde door, heeft doorgekeuveld. Doorkijken, keek door, keken door, heeft doorgekeken; ook doorkeek, doorkeken, heeft doorkeken. Doorkijven, keef door, keven door, heeft doorgekeven. Doorklieven, kliefde door, heeft doorgekliefd; ook doorkliefde, heeft doorkliefd. Doorklinken, klonk door, heeft doorgeklonken; ook doorklonk, heeft doorklonken. Doorkloppen, klopte door, heeft doorgeklopt. Doorknabbelen, knabbelde door, heeft doorgeknabbeld. Doorknagen, knaagde door, heeft doorgeknaagd; ook doorknaagde, heeft doorknaagd. Doorkneden, kneedde door, heeft door-gekneed. Doorkneed, -knede. Doorkneedheid, V. Doorknippen, knipte door, heeft doorgeknipt. Doorkoken, kookte door, heeft doorgekookt. Doorkomen, komt door, kwam door, kwamen door, is doorgekomen. Doorkoud. |
Doorkouten, koutte door, heeft door-gekout. Doorkrabben, krabde door, heeft doorgekrabd. Doorkrakeelen, krakeelde door, heeft doorgekrakeeld. Doorkrijgen, kreeg door, kregen door, heeft doorgekregen. Doorkronkelen, doorkronkelde, heeft doorkronkeld. Doorkruid. Doorkruien, krooi dcor, krooien door, heeft doorgekrooien; ook kruide door, heeft doorgekruid. Doorkruipen, kroop door, kropen door, heeft en is doorgekropen; ook doorkroop, doorkropen, heeft doorkropen. Doorkruisen, kruiste door, heeft doorgekruist; ook doorkruiste, heeft doorkruist. Doorlaat, M., -laten. Doorlachen, lachte door, heeft doorgelachen. Doorlaten, liet door, heeft doorgelaten. Doorlating, V. Doorlaveeren, laveerde door, heeft en is doorgelaveerd. Doorleerev, leerde door, heeft doorgeleerd. Doorleggen, legde en leide door, heeft doorgelegd en doorgeleid. Doorleiden, leidde door, heeft doorgeleid. Doorlekken, lekte door, heeft doorgelekt. Doorleven, doorleefde, heeft doorleefd en doorgeleefd. Doorlezen, las door, lazen door, heeft doorgelezen; ook doorlas, doorlazen, heeft doorlezen. Doorlezing, V. Doorliggen, lag door, lagen door, heeft doorgelegen. Doorloodsen, loodste door, heeft door-geloodst. Doorloop, M., -loopen. Doorloopen, liep door, is en heeft doorgeloopen; ook doorliep, heeft doorloopen. Doorloopend. Doorloopendheid, V. Doorlucht, -luchter, -luchtst. Doorluchtig, -luchtiger, -luchtigst. Doorluchtigheid, V., -heden. Doormalen, maalde door, heeft doorgemalen. Doormarcheeren, marcheerde door, heeft en is doorgemarcheerd. Doormarsch, M., -marschen. Doormengen, mengde door, heeft doorgemengd; ook doormengde, heeft door-mengd. Doormenging, V. |
DOO.
DOO.
91
|
Doormesten, doormestte, heeft door-mest. Doormijmeren, mymerde door, heeft doorgemijmerd; ook doormijmerde, heeft doormymerd. Doormisten, mistte door, heeft door-gemist. Doorn en doren, m., doornen en doorns. Doorntje en dorentje, O., -jes. Doornaaien, naaide door, heeft doorge-naaid; ook doornaaide, heeft door-naaid. Doornachtig, -aohtiger, -achtigst. Doornagelen, doornagelde, heeft door-nageld. Doornat, -natte. Doornemen, nam door, namen door, heeft doorgenomen. Doornen (bnw.). Doornenkroon, V., -kronen. Doorneuzen, neusde door, heeft doorgeneusd: ook doorneusde, heeft door-neusd. Doornig, doorniger, doornigst. Doornommeren, nommerde door, heeft doorgenommerd. Doorpeinzen, peinsde door, heeft doorgepeinsd; ook doorpeinsde, heeft door-peinsd. Doorpennen, pende door, heeft doorgepend. Doorpeperen, doorpeperde, heeft door-peperd. Doorpersen, perste door, heeft door-geperst. Doorpikken, pikte door, heeft doorge-pikt. Doorploegen, doorploegde, heeft doorploegd. Doorpraten, praatte docr, heeft doorgepraat. Doorpreeken, preekte door, heeft door-gepreekt. Doorpriemen, priemde door, heeft doorgepriemd; ook doorpriemde, heelt doorpriemd. Doorprikken, prikte door, heeft doorgeprikt. Doorpruimen, pruimde door, heeft door-gepruimd. Doorraken, raakte door, is doorgeraakt. Doorrammelen, rammelde door, heeft doorgerammeld. Doorrazen, raasde door. heeft doorge-geraasd. Doorredeneeren, redeneerde door, heeft doorgeredeneerd. Doorregenen, regende door, heeft en is doorgeregend. Doorreis, V., -reizen. Doorreizen, reisde door, heeft en is doorgereisd; ook doorreisde, heeft doorreisd. |
Doorrennen, rende door, heeft en is doorgerend. Doorrijden, reed door, reden door, heeft en is doorgereden; ook doorreed, doorreden, heelt doorreden. Doorrijgen, reeg door, regen door, heeft doorgeregen; ook doorreeg, doorregen, heeft doorregen. Doorroeien, roeide door, heeft en is doorgeroeid. Doorroepen, riep door, heeft doorgeroepen. Doorroeren, roerde door, heeft doorgeroerd. Doorroesten, roestte door, is doorgeroest. Doorrollen, rolde door, heeft en is doorgerold. Doorrooken, rookte door, heeft doorgerookt; ook doorrookte, heeft doorrookt. Doorrooker, M., -rookers; -rookertje, O., -jes. Doorrüischen, ruischte door. heeft doorgeruischt; ook doorruischte, heeft doorruischt. Doorrukken, rukte door, heeft en is doorgenikt. Doorschemeren, schemerde door, is en heeft doorgeschemerd. Doorschermen, schermde door, heeft doorgeschermd. Doorscheuren, scheurde door, heeften is doorgescheurd; ook doorscheurde, heeft doorscheurd. Doorschieten, schoot door, schoten door, heeft en is doorgeschoten; ook doorschoot, doorschoten, heelt doorschoten. Dqorschi jnen,scheen door,schenen door, heeft doorgeschenen; ook doorscheen, doorschenen, heeft doorschenen. Doorschijnend. Doorschijnendheid, V. Doorschouwen, doorschouwde, heeft doorschouwd. Doorschrabben, schrabde door, heeft doorgeschrabd. Doorschransen, schranste door, heeft doorgeschranst. Doorschrappen, schrapte door, heeft doorgeschrapt. Doorschrapping, V., -schrappingen. Doorschrapsel, c , -schrapsels. Doorschreeuwen, schreeuwde door, heeft doorgeschreeuwd. Doorschreien, schreide door, heeft doorgeschreid. Doorschrijven, schreef door, schreven door, heeft doorgeschreven. Doorschudden, schudde door, heeft doorgeschud. Doorschuiven, schoof door, schoven door, heeft doorgeschoven. |
|
DOO. Doobschutten, schutte door, heeft door-geschut. Doorsijpelen, sypelde door, heelt en is doorgesypeld. Doorslaan, sloeg door, heeft en is doorgeslagen. Doorslaand, -slaander, -slaandst. Doorslag, M., -slagen; -slagje, o., -jes. Doorslapen, sliep door, heeft doorgeslapen. D^orsleepen, sleepte door, heelt doorgesleept. Doorslenteren, slenterde door, heeft doorgeslenterd. Doorslepen, -slepener, -slepenst. Doorslepenheiu, V. Doorslijten, sleet door, sleten door, heeft en is doorgesleten. Doorslikken, slikte door, heeft doorgeslikt. Doorslokken, slokte door, heeft doorgeslokt. Door-luimeren, sluimerde door, heeft doorgesluimerd. Doorsluipen, sloop door, slopen door, is doorgeslopen. Doorsmeulen, smeulde door, heeft door-gesmeuld. Doorsnappen, snapte door, heeft door-gesnapt. .Doorsnede, V., -sneden. Doorsneeuwen, sneeuwde door, heeft doorgesneeuwd. Doorsnijden, sneed door, sneden door, heeft doorgesneden; ook doorsneed, doorsneden, heeft doorsneden. Door.-^nijding, V., -snydingen. D00RbN0RKEN, snorkte door, heeft door-gesnorkt. Doorsnorren, snorde door, heeft en is doorgesnord. Doorsnufeelaar, M, -snuffelaars. Doorsnuffelen, doorsnuflelde, heeft doorsnufield. Doorsnuffeling, V., -snuüelingen. Doorsnuiven, snoof door, snoven door, heeft doorgesnoven. Doorspekken, doorspekte, heeft doorspekt. Doorspelen, speelde door, heeft doorgespeeld. Doorspijkeren, do( rspykerde, heeft doorspykerd. Doorspitten, spitte door, heeft doorgespit. Doorsplijten, spleet door, spleten door, is doorgespleten; ook doorspleet, doorspleten, heeft doorspleten. Doorsplijting, V. Doorspoeden, spoedde door, heeft en is doorgespoed. Doorspoelen, spoelde door, heeft doorgespoeld. Doorspoeling, V., -spoelingen. |
Doorspraak, V., -spraken. Doorspreken, sprak door, spraken door, heeft doorgesproken. Doorspringen, sprong door, heeft doorgesprongen. Doorspuiten, spoot door, spoten door, heeft doorgespoten. Doorstaan, stond door, heeft doorgestaan; ook doorstond, heeft doorstaan. Doorstampen, stampte door, heeft door-gestampt. Doorstappen, stapte door, heeft en is doorgestapt. Doorsteek, M., -steken. Doorsteken, stak door, staken door, heeft doorgestoken; ook doorstak, doorstaken, heeft doorstoken. Doorsteker, M., -stekers; stekertje, O., -jes. Doorsteking, V., -stekingen. Doorstevenen, stevende door, is doorgestevend. Doorstikken, doorstikte, heeft doorstikt. Doorstoken, stookte door, heeft doorgestookt. Doorstoomen, stoomde door, heeft en is doorgestoomd. Doorstooten, stiet door, heeft doorge-stooten; ook stootte door; en doorstiet, heeft doorstooten. Doorstooting, V., -stootingen. Doorstormen, stormde door, heeft doorgestormd. Doorstralen, straalde door, heeft doorgestraald; ook doorstraalde, heeft doorstraald. Doorstraling, V. Doorstrepen, streepte door, heeft doorgestreept. Doorstrijden, streed door, streden door, heeft doorgestreden. Doorstrijken, streek door, streken door, heeft en is doorgestreken. Doorstrompelen, strompelde door, is doorgestrompeld. Doorstroomen, stroomde door, heeft doorgestroomd; ook doorstroomde, heeft doorstroomd. Doorstudeeren, studeerde door, heelt doorgestudeerd. Doorstuiven, stoof door, stoven door, heeft en is doorgestoven. Doorstuiving, V. Doorsturen, stuurde door, heeft doorgestuurd. Doorsukkelen, sukkelde door, heeft en is doorgesukkeld. Doortasten, tastte door, heeft doorgetast; ook doortastte, heeft doortast. Doorteekenen, teekende door, heelt doorgeteekend. Doortellen, telde door, heeft doorge-teld. 92 DOO. |
|
DOO, doortimmerd. Doortimmeren, timmerde door, heeft doorgetimmerd. Doortintelen, doortintelde, heeft door-tinteld. Doortocht, M., -tochten. Doortrappen, trapte door, heeft doorgetrapt. Doortrapt, -trapter, -traptst. Doortraptheid, V. Doortreden, trad door, traden door, heeft en is doorgetreden. Doortrekken, trok door, trokken door, heeft en is doorgetrokken; ook doortrok, doortrokken, heeft doortrokken. Doortrekking, V. Doortrillen, doortrilde, heeft doortrild. Doortrokken, Doortwisten, twistte door, heeft door-getwist. Doorvaart, V.. -vanrten. Doorvallen, viel door, is doorgevallen. Doorvaren, voer door, is en heeft doorgevaren. Doorvechten, vocht door, heeft doorgevochten. Doorvulen, vyide door, heeft doorge-vyid. Doorvlechten, vlocht door, heeft doorgevlochten; ook doorvlocht, heeft doorvlochten. Doorvlechting, V., -vlechtingen. Doorvliegen, vloog door, vlogen door, is doorgevlogen; ook doorvloog, door-vlogen, heeft doorvlogen. Doorvloeien, vloeide door, is doorgevloeid. Doorvluchten, vluchtte door, is door-gevlucht. Doorvoed. Doorvoeden, doorvoedde, heeft door-voed. Doorvoederen, voederde door, heeft doorgevoederd. Doorvoer, M., -voeren. Doorvoeren, voerde door, heeft doorgevoerd. Doorvouwen, vouwde door, heeft door-gevouwen. Doorvragen, vraagde door. heeft doorgevraagd; ook vroeg door. Doorvreten, vrat door, vraten door, heeft doorgevreten. Doorvriezen, vroor door. heeft doorgevroren en doorgevrozen. Doorwaadbaar, -bare. Doorwaadbaarhe'd, V. Doorwaaien, waalde door, heeft en is doorgewaaid; ook woei door, woeien door; en doorwaaide (doorwoei), heeft doorwaaid. Doorwaden, waadde door, heeft doorgewaad; ook doorwaadde, heeft doorwaad. |
DOO. Doorwaken, waakte door, heeft door- ⢠gewaakt; ook doorwaakte, heeft door-waakt. Doorwandelen, wandelde door, heeft en is doorgewandeld; ook doorwandelde, heeft doorwandeld. Doorwarm. Doorwasemen, doorwasemde, heeft door-wasemd. Doorwassen, wies door, wiesen door, is doorgewassen. Doorwassen (bnw.). Doorwateren, waterde door. heeft en is doorgewnterd; ook door waterde, heeft doorwaterd. Do or wreken, weekte door. is en heeft doorgeweekt; ook doorweekte, heeft doorweekt. Doorweek'ng. quot;V. Doorweenen, weende door, heeft door-geweend. Doorwerken, werkte door, heeft doorgewerkt; ook doorwerkte, heeft doorwerkt. Doorweven, weefde door, heeft doorgeweven; ook doorweefde, heeft doorweven. Doorwoeden, woedde door, heeft door-gewoed. Doorwoelen, doorwoelde, heeft door-woeld. Doorwonden, doorwondde, heeft doorwond. Doorworstelen, worstelde door, heeft doorgeworsteld. Doorworstel-ng, V. Doorwrocht, -wrochter, -wrochtst. Doorwrochtheid, V. Doorwroeten, wroette door, heeft doorgewroet; ook doorwroette, heeft doorwroet. Doorwroeting. V, Doorzaaien, zaaide door, heeft doorgezaaid; ook doorzaaide, heeft doorzaaid. Doorzagen, zaagde door, heeft doorgezaagd. Doorzag «ng, V. Doorzakken, zakte door, is doorgezakt. Doorzakking, V.. -zakkingen. Doorzeilen, zeilde door, is en heeft doorgezeild. Doorzenden, zond door, heeft doorgezonden Doorzetten, zette door, heeft doorgezet. Doorzetter. m., -zetters. Doorzicht, O. Doorztchtbaar, -bare. Doorztchtbaarhe d, V. Doorzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Doorzichtigheid, V. Doorzichtkunde, V. Doorz'en, zag door, zagen door, heeft doorgezien; ook doorzag, doorzagen, heeft doorzien. |
DOR.
DOO.
94
|
Doorziften, ziftte door, heeft doorgezift. Doorzijgen, zeeg door, zegen door, heeft en is doorgezegen. Doorzingen, zong door, heeft doorgezongen. Doorzineen, zonk door,is doorgezonken. Doorzitten, zat door, zaten door, heeft doorgezeten. Doorzoeken, zocht door, heeft doorgezocht; ook doorzocht, heeft doorzocht. Doorzoek ng, V., -zoekingen. Doorzouten, doorzoutte, heeft door-zouten. Doorzulten, doorzultte. heeft doorzult. Doorzwavelen, doorzwavelde, heeft doorzwaveld. Doorzweeten, zweette door, heeft door-gezweet. Doorzwelgen, zwolg door, heeft doorgezwolgen. Doorzwelger, M, -zwelgers. Doorzwelging, V. Doorzwemmen, zwom door. zwommen door, heeft en is doorgezwommen. Doorzweren, zwoor door, zworen door, is doorgezworen. Doorzwerven, zwierf door, zwierven door, heeft doorgezworven. Doorzweven, zweefde door, is doorgezweefd; ook doorzweefde, heeft door-zweefd. Doos, V., -doozen. Doosje, O., -jes. Doovekool, V., -kolen. Dooven, doofde, heeft gedoofd. Doovenetel, V., -netels. Doovighe'd, V. Dooving, V. Doozenfabriek. V., -fabrieken. Doozenkraam, V., -kramen. Doozenmaakster, v., -maaksters. Dop, m., doppen. Dopje, o., -jes. Dopjesspel, o., -spellen. Doppen, dopte, heeft gedopt. Dor, dorder, dorst. Doren. Zie Doorn. Dorheid, V. Dorp, O., dorpen. Dorpje, O., -jes. Dorpachtig. Dorpel, o., dorpels. Dorpeltje, o., -jes. Dorpeling, M. en V., dorpelingen. v. ook dorpelinge. Dorper, M., dorpers. Dorperheid, V. Dorpsbestuur, o., -besturen. Dorpsch. Dorpsherberg, V., -herbergen. Dorpskerk, V.,-kerken; -kerkje, ().,-jes. Dorpsleeraar, m., -leeraars en -leeraren. Dorpsschool, V., -scholen. Dorpsschout, M., -schouten. Dorren, dorde, is gedord. Dorring, V. |
Dorsch, M. Dorschdeel, V., -delen. Dorschen, dorschte, heeft gedorscht. Dorscher, M., dorschers. Dorsching, V., dorschingen. Dorschschuur, V., -schuren. Dorschtijd, M. Dorschvlegel, M., -vlegels. Dorschvloer, M., -vloeren. Dorst, M Dorsten, dorstte, heeft gedorst. Dorstig, dorstiger, dorstigst. Dorstigheid, V. Dos, M. Dosis, V., dosissen. Dossen, doste, heeft gedost. Dot, M., dotten. Dotje, O., -jes. Douairière, V., douairières. Douane, V. Douanekantoor, O., -kantoren. Douanen (mv.) (de beambten der douane). M. Douarie, V., douarieën. Doubleeren, doubleerde, heeft gedoubleerd. Doublet, O., doubletten. Doubletje, O... -jes. Douceur, V. Douceurtje, O., -jes. Douche, V. Douw, M., douwen. Douwtje, O., -jes. Dozijn, O., dozijnen. Dozijntje, O., -jes. Dra. Draad (voorwerp), M., draden; (stof), O. Draadje, O., -jes. Draadschaar, V., -scharen. Draadsgewijze en -wijs. Draadtrekken, o. Draadtrekker, M., -trekkers. Draagbaar, V., -baren. Draagbaar, -bare. Draagbak, M., -bakken. Draagbalk, M., -balken. Draagband, M., -banden. Draagboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Draaggeld, O., -gelden. Draaghemel, M, -hemels. Draagijzer, O., -iizers. Draagkoets, V., -koetsen. Draagkorf, M., -korven; -korfje, O., -jes. Draagl'jk, -lijker, -lijkst. Draagl'jkheid, V. Draagi.oon, o., -loonen. Draagriem, M , -riemen. Draagster, V., draagsters. Draagstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes. Draagstok, M., -stokken. Draagzadel, M. en O., -zadels. Draagzeel, O., -zeelen. Draagzetel, M., -zetels. Draai, M., draaien. Draaitje, O., -jes. Draaibank, V., -banken. |
j
DEA. 95 DRA.
|
Draaibas, V., -bassen. Draaibeitel, M., -beitels. Draaiblok, o., -blokken. Draaiboom, M., -boomen. Draaibord, O., -borden. Draaibrug, V., -bruggen. Draaien, draaide, heeft en is gedraad. Draaier, M., draaiers. draaierig, draaieriger, draaierigst. Draaierigheid, V. Draaierij, V., draaierijen. Draaiing, V., draaiingen. Draai kap, V., -kappen. Draaikolk, V., -kolken. Draaikruk, V., -krukken. Draaikunst, v. Draaimolen, M., -molens. Draaiorgel, O., -orgels. Draaipen, V., -pennen. Draaischijf, V., -schaven. Draaispil, V., -spillen. Draaispit, O., -spitten. Draaister, V., draaisters. Draaitol, M., -tollen. Draai werk, O. Draaiwind, M , -winden. Draak, M.} draken. Draakje, O., -jes. Draakwortel (plant), V. Drab en drabbe, V. Drabbighe'D, V. Drachme, v. en O., drachmen. Dracht, V., drachten. Drachtig. Drachtighe⢠D, V. Dradig, dradiger, dradigst. Dradigheid, V. Draf (het draven), M. Drafje, O. Draf (voeder), M. Dragen, droeg, heeft gedragen. Drager, M., dragers. Dragersplaats, V., -plaatsen. Dragon (kruid), V. Dragon (kwast), V., dragons. Dragonder, M., dragonders. Draineerbu s. V., -buizen. Draineeren, draineerde, heeft gedraineerd. Drakenbloed, O. Drakenboom, M., -boomen. Drakenkop, M., -koppen. Drakenkruid, O. Drakenplant, V., -planten. Drakenslang, V., -slangen. Dralen, draalde, heeft gedraald. Draler, M., dralers. Drama, O., drama's. Dramatiek, V. Dramatisch. Dramaturg, M., dramaturgen. Dramaturg e, v. Drang, M. Drangreden, V., -redenen. Drank, m., dranken. Drankje, O., -jes. Drankmisbruik, o. |
Drankwet, V. Drankwinkel, M., -winkels. Drapeeren, drapeerde, heeft gedrapeerd. Drapeering, V., drapeeringen. Draperie, V., draperieën. Dras, V. Dras, drasser, drast. Drassig, drassiger, drassigst. Drassigheid, V. Drastisch. Draven, draafde, heeft gedraafd. Draver, M., dravers, Dravik, V. Dreef, V., dieven. Dreefje, O., -jes. Dreet, V., dreten. Dreetje, O., -jes. Dreg en dregge, V., dreggen. Dregje, O., jes. Dreggen, dregde, heeft gedregd. Dreigbrief, M., -brieven. Dreigement, O , dreigementen. Dreigen, dreigde, heeft gedreigd. Dreiger, M., dreigers. Dreiging, V., dreigingen. Drek, M. Drekkig, drekkiger, drekkigst. drempel, M., drempels. Drempeltje, O., -jes. Drenkbak, M., -bakken. Drenkeling, M. en V., drenkelingen. V. ook drenkelinge. Drenken, drenkte, heeft gedrenkt. Drenkplaats, V., -plaatsen. Drenktrog, M., -troggen. Drenk wed, O., -wedden. Drente (gewest), O. Drentelaar, M., drentelaars. Drentelachtig, -achtiger, -achtigst. Drentelen, drentelde, heeft en is gedrenteld. Drentenaar, M., Drentenaars en Drentenaren. Drenzen, drensde, heeft gedrensd. Drenzerig, drenzeriger, drenzerigst. Dreum, M. Dreumel, M., dreumels. Dreumes, M., dreumesen. Dreumesje, O., -jes. Dreun, M., dreunen. Dreuntje, O., -jes. Dreunen, dreunde, heelt gedreund. Dreun.ng, V., dreuningen. Dreutel, M., dreutels. Dreuteltje, O., -jes. Dreutelaar, M., dreutelaars. Dreutelen, dreutelde, heeft gedreuteld. Drevel, M., drevels. Dribbel, m. en V., dribbels. Dribbeltje, O., -jes. Dribbelaar, M., dribbelaars. Dribbelaarster, V., dribbelaarsters. Dribbelen, dribbelde, heeft en is gedribbeld. Dribbelgat, M. en V., -gatten. Dribbeling, V., dribbelingen. |
DEL
96
dei.
|
Drie (telwoord). Als znw., V., drieën. Drietje, O., -jes. Driedaagsch. Driedeelen. driedeelde. heeft gedrie- deeld. Driedeelig. Driedeeling, V. Driedekker, M.t -dekkers. Driedtk, -dikke. Drtedraadsch. Driedubbel. Drieduizendste. Dr-eëenheid, V. Drieëenig. Drieërhande. DRIEÃRLEf. Driegdraad, m. Driehoek, M , -hoeken; -hoekje, O.,-jes. Driehoekig. Driehoeksmeting, V., -metingen. Driehonderd. Driehonderdste. Drieklank, m., -klanken. Driekleur, v. Driekleurig. Driekoningen (-dag, M., -dagen; -feest, O., -feesten). Driekroon, v. Drieledig. Drieling, m. en v., drielingen. v. ook drielinge. Driemaal. Drieman, M., -mannen. Driemanschap, o , -schappen. Driemast, M., -masten. Driemaster, m., -masters. Drieponder, M., -ponders. Driepuntig. Drieschijfsblok, o., -blokken en-bloks. Driesprong, m.. -sprongen. Driest, driester, driestste. Driestal, M., -stallen; -stalletje, o., -jes. Driestemmig. Driestheid, v, -heden. Drietal, O., -tallen. Drievlakshoek, M., -hoeken. Drievoet, M., drievoeten. Drievoudig. Drievuldigheid, V. Driewerf. Drift, V., driften. Driftig, driftiger, driftigst. Driftigheid, v. Driftkop, M. en v., -koppen. Driftzand, o Drijfbeitel, M., -beitels. Drijfhamer, m., -hamers. Drijfhout. o., -houten. Drijfijs, O. Drijfjacht, V., -jachten. Drijfrad, O., -raderen. Drijfsteen, M., -steenen. Drijfster, V., drHfsters. Drijftol, M., -tollen. |
Dbijfton, V., -tonnen. Drijfveer, V., -veeren. Drijfzand, O. Drunen, drynde, heeft gedr^nd. Drijten, dreet, dreten, heeft gedreten. Drijven, dreef, dreven, is en heeft gedreven. Drijver, M., dravers. Drijverij, V., draverijen. Drijving. V., dr\jvingen. Dril (werktuig en klap), M., drillen. Dril (gestold vleeschnat), V. Dril (stof), O. Drilboog, m., -bogen. Drilboor, v.. -boren. Drilgat, O., -gaten. Drilkunbt, v. Drillen, drilde, heeft gedrild. Driller, M., drillers. Drilling, V., drillingên. Drilmeester, M., -meesters. Drilplaats, v, -plaatsen. Drilschool, V., -scholen. Dringen, drong, heeft en is gedrongen. Dringend, dringender, dringendst. Dringer, m., dringers. Drinkbaar, -bare. drinkbaarhe'd; v. Drinkbak, m., -bakken; -bakje, o., -jes. Drinkbeker, M., -bekers. Drinkebroer, m., -broers. Drinken, dronk, heeft gedronken.] Drinker, m., drinkers. Drinkeru, v., drinkeriJen. Drinkgelag, o., -gelagen. Drinkgeld, o., -gelden. Drinkglas, o., -glazen; -glaasje, o.,-jes. Drinkhoorn en -horen, m., -hoorns en -horens. Drinkkan, v., -kannen. Drinklied, o., -liederen. DR'nklust, M. Drinknap, m., -nappen; -napje, o. -jes. Drinkpartij, V., -partjjen. Drinkpenning, m., -penningen. Drinkschaal, V., -schalen. Drinkvat, o., -vaten. Drinkwater, o. Droef, droever, droefst. Droefenis, v. Droefgeestig, -geestiger, -geestigst. Droefgeestigheid, V. Droefheid, V. Droelen, droelde, heeft gedroeld. Droeler, M., droelers. Droeling, V., droelingen. Droes (duivel), M. Droes (paardenziekte), M.' Droesem, M. Droesem ig. Droevig, droeviger, droevigst. Droezig, droeziger, droezigst. Droezigheid, V. Drogen, droogde, heeft en is gedroogd. |
1
DRO.
DRO.
97
|
Dbogerij, V., drogeryen. Dboging, V., drogingen. Dbogibt, Mm drogisten. Drogeeden, V., -redenen. ^ Drogredenaar, M., -redenaren en «redenaars. Drok. Zie Druk. Drol, M., drollen. Drolletje, O., -jes. Drollig, drolliger, drolligst. Drolligheid, V., -heden. Drom, M., drommen. Dromedaris, M., dromedarissen. Drommel, M., drommels. Drommeltje, O., -jes. Drommels (byw.). Drommelsch (bnw.). Dronk, M., dronken. Dronkje, O., -jes. Dronkaard, M., dronkaards en dronkaarden. Dronken. Dronkenman en dronkeman, M., -mannen. \ Dronkenschap, V. Droog, droger, droogst. Droogdoek, M., -doeken. Droogheid, V. Droogje, O. Droogjes. Drooglat, V,, -latten. ; Droogleggen, legde en leide droog, heeft drooggelegd en drooggeleid. Drooglegging, V., -leggingen. Droogloopen, liep droog, is droogge-loopen. I Droogmaken, maakte droog, heeft drooggemaakt. Droogmaking, V., -makingen. Droogmalen, maalde droog, heeft drooggemalen. Droogmaling, V., -malingen. Droogoven, M., -ovens. Droogpijp, V., -pijpen. Droogplaats, V., -plaatsen. Droograam, O., -ramen. Droogrek, O., -rekken. Droogscheerder, M., -scheerders. Droogscheren, O. Droogschuren, schuurde droog, heeft drooggeschuurd. Droogschuur, V., -schuren. Droogstok, M., -stokken. Droogte, V., droogten. Droogtouw, o., -touwen. Droogvoets en droogsvoets. Droogzolder, M., -zolders. Droom, m., droomen. Droompje,o.,-jes. Droombeeld, o., -beelden. Droomen, droomde, heeft gedroomd. Droomer, M., droomers. j Droomerig, droomeriger, droomerigst. Droomerigheid, v. Droomerij, v., droomeryen. Droomgezicht, o., -gezichten. Droomig, droomiger, droomigst. |
Droomster, V., droomsters. Droomuitlegger, M., -uitleggers. Droopen, droopte, heeft gedroopt. Drooping, V. Drop (drup). Zie Drup. Drop (geneesmiddel), V. Droppel, droppelen, enz. Zie Druppel Druppelen, enz. Dropsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O. Drossaard, M., drossaards. Drossaardschap, o. Drossen, droste, is gedrost. Drost, M., drosten. Drostendienst, M., -diensten. Drostschap, o. Druïde, M., Druïden. Druif, V., druiven. Druifje, O., -jes. Druil (zeil), M., druilen. Druil (persoon), M. en T., druilen. Druilen, druilde, heeft gedruild. Druiler, M., druilers. Druilerig, druileriger, druilerigst. Druilig, druiliger, druiligst. Druiling, V. Druiloor, M.t -ooren. Druilooren, druiloorde, heeft gedruil-oord. Druiloorig, -ooriger, -oorigst. DruiloorigheId, V. Druilsra, V., -raas. Druip, M. Druipbad, o., -baden. Druipen, droop, dropen, heeft en is gedropen. Druiper, M , druipers. Druiperd, M., druiperds. Druiping, V., druipingen. Druipnat, -natte. Druipneus, M. en V., -neuzen. Druipoog, M. en V., -oogen. Druipstaart, M. en V., -staarten. Druipstaarten, druipstaartte, heeft gedruipstaart. Druipsteen (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O. Druischen, druischte, heeft gedruischt. Druiveblad, O., -bladeren., Dbuiveboom, M., -boomen. Dbuivenbloed, O. Dbuivenkobf, M., -korven. Druivenlezen, O. Druivenlezer, M., -lezers. Druivenmand, V., -manden. Druivenmoer, V. Druivennat, O. Druivenoogst, M. Druivenpers, V., -persen. Druivenrank, V., -ranken. Druivensap, o. Druiventreden, o. Druiventreder, M., -treders. Druiventros, M., -trossen. Druivenvocht, O. iil lü ü ü! :ii if |
1 i m
1
DRIL
98
DUB.
|
Druivepit, V., -pitten. Druivebchil, V., -schillen. Druivesteel, M., -stelen. Druk, M., drukken. Drukje, o., -jes. Druk, drukker, drukst. Drukbal, M., -ballen. Drukbank, V., -banken. Drukfeil, V., -feilen. Drukfout, V., -fouten; -foutje, o., -jes. Drukinkt, M. Drukken, drukte, heeft gedrukt. Drukkend, drukkender, drukkendst. Drukker, M., drukkers. Drukkerij, V., drukkeryen. Drukkersraam, o., -ramen. Drukkersrol, .V-, -rollen. Drukkerswerk, o. Drukking, V., drukkingen. Drukkosten (mv.), M. Drukkunst, V. Drukletter, V., -letters. Drukloon, O., -loonen. Drukpapier, O., -papieren. Drukpers, V., -persen. Drukproef, V., -proeven. Druksel, O. Drukte, V., drukten. Drukvorm, M., -vormen. Drukwerk, O., -werken. Drup en drop, M., druppen (droppen). Drupje en Dropje, O., -jes. Druppel en droppel, M., druppels (droppels) en druppelen (droppelen). Druppeltje en droppeltje, O., -jes. Druppelen en droppelen, druppelde (droppelde), heeft en is gedruppeld (gedroppeld). Druppeling en droppeling, V., druppelingen en droppelingen. Druppelings en droppelings. Druppelsgewijze en -gewijs, ook drop-pelsgewijze en -gewijs, en druppels- wijze of droppelswijze. Druppen en droppen, drupte (dropte), heeft en is gedrupt (gedropt). Dryade, V., dryaden. Dualisme, O. Dualist, M., dualisten. Dubbel, ook dubbeld. Dubbelaar, M., dubbelaars. Dubbelen, dubbelde, heeft gedubbeld. Dubbelhartig, -hartiger, -hartigst. Dubbelhartigheid, V. Dubbeling, V. Dubbelpunt, o., -punten (in de wiskunde). Dubbeltje, O., -jes. Dubbeltongig, -tongiger, -tongigst. Dubbelt on gigheid, V. Dubbelzinnig, -zinniger, -zinnigst. Dubbelzinnigheid, V., -heden. Dubbelzout, 0., -zouten. Dubben, dubde, heeft gedubd. Dubber, M., dubbers. |
Dubbing, v., dubbingen. Dubieus, dubieuzer, dubieust. Dubio (In â). Dubloen, M., dubloenen. Duchten, duchtte, heeft geducht. Duchtig, duchtiger, duchtigst. Duchtigheid, v. Duchting, v. Duel, O., duellen. Duelleeren, duelleerde, heeft geduelleerd. Duellist, M., duellisten. Duet, O., duetten. Duetje, O., -jes. Duf, dufler, dufst. Duffel (stof), O.; (jas), M., duffels. Duffelsch. Duffigheid, v. Dufheid, V. Dufsteen. Zie Tufsteen. Duidelijk, -lyker, -lijkst. Duidelijkheid, v. Duidelijkheidshalve. Duiden, duidde, heeft geduid. Duiding, v. Duif, V., duiven. Duifje, O., -jes. Duig, v., duigen. Duigje, o., -jes. Duikelaar, M., duikelaars. Duikelen, duikelde, heelt geduikeld. Duikeling. V., duikelingen. Duiken, dook, doken, heelt gedoken. Duiker, M., duikers. Duikertje, O.,-jes, Duikerklok, V.. -klokken. Duiking, V., duikingen. Duim, M., duimen. Duimpje, O., -jes. Duimflen, duimelde, heeft geduimeld. Duimeling, m., duimelingen. Duimstok, M., -stokken. Duin (zandheuvel), V., duinen; (collectief), O. Duinaardappel. M., -aardappelen. Duinachtig, -achtiger, -achtigst. Duingrond, M., -gronden. Duinwater, O. Duinwaterkraan, V., -kranen; -kraantje, O., -jes. Duinwaterleiding, V., -leidingen. Duinwatkrmaatschappij, V., -maat- schappyen. Duinzand, O. Duinzang, M., -zangen. Duist, O. Duister, duisterder, duisterst. Duisterheid, V., -heden. Duisterling, M. en V., duistellingen. V. ook duisterlinge. Duisternis, V. Duit, M., duiten. Duitje, O., -jes. Duitendief, M., -dieven. Duitsch. Duitscher, M., Duitschers. Duitschland, O. Duivekater (wat â !). Duivel, m., duivels en duivelen. Dui velt^e, o., -jes. |
t
DUN.
99
DTJI.
|
Duivelachtig, -achtiger, -achtigst. Duivelachtigheid, V., -heden. Duivelarij, V., duivelaryen. Duivelin, V., duivelinnen. Duivels (byw.). Duivelsbeet, m. Duivelsbrood, o. Duivelsch (bnw.). , , Duivelsdrek, M. Duivelskop, M., -koppen. Duivelskunstenaar, M., -kunstenaars. Duivelskunstenarij, V., -kunstenarjjen. Duivelsmelk, V. Duivelspoot, M., -pooten. '⢠Duivelstoejager, M., -toejagers. Duivenboon, V., -boonen. Duivendrek, M. Duivenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes. Duivenhok, o., -hokken; -hokje, o., -jes. Duivenkervel, V. Duivenkot, O., -kotten. Duivenmarkt, V. Duivenmelker, M., -melkers. Duivenslag, O., -slagen. Duiventil, V., -tillen; -tilletje, O., -jes. ,, Duivenvlucht, V. Ia- Duizelen, duizelde, heeft geduizeld. Duizelig, duizeliger, duizeligst. . Duizeligheid, V. â Jes' Duizeling, V , duizelingen. Duizend. Duizend, O , duizenden. , Duizendbloempje, O., -jes. eia- Duizenderhande. Duizenderlei. Duizendjarig. gt;liec- Duizendmaal. Duizendschoon, V., -schoonen; -schoon- tje, O., -jes. Duizendste. Duizendvoud, O. Duizendvoudig. nquot; Duizendwerf. Dukaat, m., dukaten. Dukaatje, O., -jes. Dukatengoud, o. iaat- Dukaton, M., dukatonnen endukatons. Dukdalf, M.. dukdalven. Duldeloos. -loozer, -loost. Dulden, duldde, heeft geduld. Bulder, M., duiders. Dulding, V. Dun, dunner, dunst, gen. Dunbloedig, -bloediger, -bloedigst. Dunbloedigheid. v. Dunbuikig, -buikiger, -buikigst. Dundoek, o. Dunharig. Dunheid, V. Dunk, m. Dunken, hem dunkt, hem dachten docht. Dunlijvig, -l^viger, -Ijjvigst. Duitlijvigheid, V. Dunken, dunde, heeft en is gedund. |
Dunnetjes. DunnigheId, V. Dunning, V. Dunsel, O. Dunte, V., dunten. Duo, O., duo's. Duodecimo (bnw.). Als znw., O., duodecimo's. Duodecimootje, O., -jes. Dupe, M. en V., dupes. Dupeeren, dupeerde, heeft gedupeerd. Duplicaat, O., duplicaten. Dupliek. V., duplieken. Duplo (In â). Duren, duurde, heeft geduurd. Durfal, M. en V., durfallen. Durfniet, M. en V., durfnieten. During, V. Durk, M., durken. Durven, dorst en durfde, heeft gedurfd. Dus. Dusdanig. Dusverre en dusver. Dut, M. Dutje, O., -jes. Dutstoel, M., -stoelen. Dutten, dutte, heeft gedut. Dutter, M., dutters. Duur, M. Duur, duurder, duurst. Duurkoop. Duurte, V. Duurzaam, -zamer, -zaamst. Duurzaamheid, V. Duw, M, duwen. Duwen, duwde, heeft geduwd. Dwaal, V., dwalen. Dwaalbegrip, O., -begrippen. Dwaalgeest, M., -geesten. Dwaalleer, V., -leeren. Dwaallicht, o., -lichten. Dwaalpad, O., -paden. Dwaalspoor, O., -sporen. Dwaalster en -star, V., -sterren en -starren. Dwaalster, V., dwaalsters. Dwaalweg, M., -wegen. Dwaas, dwazer, dwaast. Dwaasheid, V., -heden. Dwaashoofd, M. en V., -hoofden. Dwalen, dwaalde, heeft gedwaald. Dwaling, V , dwalingen. Dwalinkje, O., -jes. Dwang, M. Dwangarbeid, M. Dwangbevel, o., -bevelen. Dwangbuis, O., -buizen. Dwanguitgifte, V. Dwarrel, M. Dwarrelen, dwarrelde, heeft gedwarreld. Dwarreling, V, dwarrelingen. Dwarrelstroom, |_M., -stroomen. Dwarrelwind, M., -winden. Dwars, dwarser, dwarst, Dwarsarm, m., -armen. |
DWA.
100
DWE.
|
Dwaksboomen, dwarsboomde, heeft gedwarsboomd. Dwarsdraads. Dwarsdrijfster, v., -dryfsters. Dwarsdrijven, dwarsdryfde, heeft ge- dwarsdrijfd. Dwarsdrijver, M , -drijvers. Dwarsdrijverij, V., -drijverijen. Dwarsfluit, V., -fluiten. Dwarsheid, V. Dwarshout, O., -houten; -houtje, o., -jes. Dwarskijker, M., -kijkers. Dwarskijkerij, V. Dwarskop, M. en V., koppen. Dwarsscheeps (bijw.). Dwarsscheepsch (bnw.). Dwarsstraat, V., -straten; -straatje, O., -jes. Dwarsstrooms. Dwarste, V. Dwarsuit. Dwaselijk. Dweepachtig, -achtiger, -achtigst. Dweepachtigheid, V. Dweepster, V., dweepsters. |
Dweepziek, -zieker, -ziekst. Dweepzucht, V. Dweepzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Dweil, V., dweilen. Dweiltje, O., -jes. Dweilen, dweilde, heeft gedweild. Dwepen, dweepte, heeft gedweept. Dweper, M., dwepers. Dweperij, V., dweperijen. Dwerg, M., dwergen. Dwergje, O., -jes Dwergachtig, -achtiger, -achtigst. Dwergeik, M., -eiken. Dwingeland, M., dwingelanden. Dwin- gelandje, O., -jes. Dwingelandij, V. Dwingen, dwong, heeft gedwongen. Dwinger, M., dwingers. Dwingerig, dwingeriger, dwingerigst. Dwingster, V., dwingsters. Dynamica, V. Dynamiet, O. Dynamietaanslag, M., -aanslagen. Dynamietbom, V., -bommen. Dynamometer, M., -meters. Dynast, M., dynasten. Dynastie, V., dynastieën. Dynastiek. |
E.
|
E, V., e's. Eb en ebbe, V. Ebben, ebde, heeft geëbd. Ebbenhout, O. Ebbenhouten (bnw.). Ecarté, O. Ecarteeren, ecarteerde, heeft geëcar- teerd. Echel, M., echels. Echo, V., echo's. Echt, M. Echt, echter, echtst. Echtelieden (mv.), M. Echtelijk. Echtelingen (mv.), M. Echteloor, -looze. Echten, echtte, heeft geëcht. Echter. Echtgenoot, M., -genooten. Echtgenoote, V., -genooten. Echtheid, V. Echting, V. Echtscheiding, V., -scheidingen. Echtstaat, M. Echtvereeniging, V., -vereenigingen. Eclatant, eclatanter, eclatantst. Eclips, V., eclipsen. Eclipseeren, eclipseerde, is en heelt geëclipseerd. Economie, V. Economisch. Economiseeren, economiseerde, heeft geëconomiseerd. |
Economist, m.f economisten. Econoom, M., economen. Edel, edeler, edelst. Edelaardig, -aardiger, -aardigst. Edelaardigheid, V. Edelachtbaar, -bare. Edelachtbaarheid, V. Edelgeboren. Edelgesteente, O., -gesteenten. Edelgrootachtbaar, -bare. Edelheid, V. Edelknaap, M., -knapen. Edelman, M., -lieden. Edelmoedig, -moediger, -moedigst. Edelmoedigheid, v. Edelmogend. Edelvrouw, V., -vrouwen. Edict, o., edicten. Edik, m. Editie, V., editiën en edities. Edoch. Educatie, V., educaties. Eed, M., eeden. Eedgenoot, M., -genooten. Eega en efgade, M. en V., eegaas en eegaden. Eek (eikenschors), V. Eekelaar, M., eekelaars. Eekhoorn en eekhoren, M., eekhoorns en eekhorens. Eekhoorntje en eekhorentje, O., -jes. Eel (bier), M. en O., eelen. Eelt, O. |
EEN.
EEL.
101
|
; beltachtig, -achtiger, -achtigst. ^ Eeltachtigheid, v. st. ? Eeltebig, eelteriger, eelterigst. 3S. I Eelterigheid, v. Eeltig, eeltiger, eeltigst. Eeltigheid, v. â Een, eene, een. Als zaw., V., eeaen. Eentje, O., -jes. â jes Eend, V., eenden. Eendje, O., -jes. Eendebout, M., -bouten. Eendenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes vin- en eiertjes. : Eendenjaciit, V. t Eendenkom, V., -kommen; -kommetje, ü., -jes. r Eendenkooi, V., -kooien. 3t. Eendenkboos, O. : Eendennest, O., -nesten. Eendenboeb, O., -roeren en -roers. 1 Eendbacht, V. Eendbachtelijk. Eendbachtig, -drachtiger, -drachtigst. Eendrachtigheid, V. Eendbachtiglijk. Eenebhande. Eeneblef. Eengbepig. Eenhandig. Eenheid, V., -heden. Eenhoevig. Eenhoofdig. Eenhoobn en eenhoben, M., eenhoorns en eenhorens. Eenhoorntje en eenhorentje, O., -jes. Eenhuizig. Eenig. Eenigebhande. Eenigeblei. Eenigebmate. Eenigebwijze en -wijs. Eenigheid, v. Eeniglijk. E enigszins. Eenkennig, -kenniger, -kennigst. I Eenkennigheid, v. :eenLETTEBGBEPIG. : Eenlobbig. Eenloopend. I Eenmaal. Eenmannig. I Eenoog, m. en v., eenoogen. â Eenoogig. | Eenoogigheid, v. Eenparig, -pariger, -parigst. Eenparigheid, v. en fi Eenpariglijk. Eens. Eensdeels. | Eensdenkend, rns Eenbgestemd. ek- I Eensgezind. Eensgezindheid, v. quot;1 Eensklaps. Eensluidend. |
Eensluidendheid, V. Eenspans. Eenstemmig, -stemmiger, -stemmigst. Eenstemmigheid, V. E enstemmiglijk. Eentonig, -toniger, -tonigst. Eentonigheid, V. Eenvormig, -vormiger, -vormigst. Eenvormigheid, V. Eenvoud, M. Eenvoudig, -voudiger, -voudigst. Eenvoudigheid, V. Eenwaardig. Eenwerf. Eenzaam, -zamer, -zaamst. Eenzaamheid, V. Eenzelvig, -zelviger, -zelvigst. Eenzelvigheid, V. Eenzijdig, -zjjdiger, -zijdigst. Eenzijdigheid, V. Eer, V. Eer (bijw.) Eerbaar, -baarder, -baarst. Eerbaabheid, V. Eebbetoon, O. Eebbetooning, V., -betooningen. E ebbe wus, O., -bewijzen. Eebbied, M. Eebbiedelijk. Eebbiedenis, V. Eebbiedig, -biediger, -biedigst. Eebbiedigen, eerbiedigde, heeft geëerbiedigd. Eebbiedigheid, V. Eebbiediging, V. Eebbiediglijk. Eebbiedshalve. Eebdeb. Eebeblijk, O , -blijken. Eebeboog, M, -bogen. Eebedienst en eerdienst, M.,-diensten, Eebediploma, o., -diploma's. Eebekbans, M., -kransen. Eebelid, O., -leden. Eerelidmaatschap, 0.t -schappen. Eeremetaal en eermetaal, o. Eeren, eerde, heeft geëerd. Eerepalm, M., -palmen. Eereplaats, V., -plaatsen. Eebepoobt, V., -poorten. Eebepost, M., -posten; -postje, O., -jes. Eebepbijs (belooning), M., -prijzen, Eebepbijs (plant), V. Eebeschot, O., -schoten. Eebeteeken, O., -teekenen en -teekens. Eebetitel, M., -titels. Eebewacht, V., -wachten. Eebewijn, M. Eebewoobd, O. Eebgiebig, -gieriger, -gierigst. Eebgiebigheid, V. Eebgisteben. Eeblang. Eebluk, -lyker, -lykst. |
i
T-
J
EGG.
102
EER.
|
erlijkheid. V. Eerloos, -loozer, -loost. Eerloosheid, V. Eerroof, M. Eerroover, M., -roovers. Eershalve. Eerst. Eerstaanwezend. Eerstdaags. Eerste. Eerstelijk. Eersteling, M. en V., eerstelingen, V. ook eerstelinge. Eerstgeboorte, V. Eerstgeborene, M. en V., -geborfnen. Eertijds. Eervergeten, -vergetener, -vergetenst. Eervol, -voller, -volst. Eerwaard. Eerwaardig, -waardiger, -waardigst. Eerwaardigheid, V. Eerzaam, -zamer, -zaamst. Eerzaamheid, V. Eerzucht, V. Eerzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Eerzuil, V., -zuilen. Eest, M., eesten. Eesten, eestte, heeft geëest. Eesting, V. Eetbaar, -bare. Eetbaarheid, V. Eethuis, O., -huizen. Eetkamer, V., -kamers. Eetlepel, M., -lepels. Eetlust, M. Eetster, V., eetsters. Eettafel, V., -tafels. Eetwaar, V., -waren. Eetzaal, V., -zalen. Eeuw, V., eeuwen. Eeuwenoud. Eeuwfeest, o., -feesten. Eeuwig. Eeuwigdurend. Eeuwigheid, V., -heden. Effect, O., effecten. Effectje, O., -jes. Effectenbeurs, V., -beurzen. Effectenhandel, M. Effectentrommel, V., -trommels. Effectief, O. Effectief, effectieve. Effen, effener, effenst. Effenen, effende, heeft geëffend. Effenheid, V. Effening, V., effeningen, Effentjes. Eg. Zie Egge. Egaal, egaler, egaalst. Egel, M., egels. Egeltje, o., -jes. Egelantier, M., egelantieren en egelantiers. Egelsvoet, M. Eggb en eg, V., eggen. Eggetje en egje, O., -jes. |
Eggen, egde, heeft geëgd. Egger, M., eggers. Eggerig, eggeriger, eggerigst. Eggerigheid, V. Eggig, eggiger, eggigst. Eggigheid, V. Egging, V. Egoïsme, O. Egoist, M., egoisten. Egoïstisch. Egsmid, M., -smeden. Egtand, M., -tanden. Ei (tusschenw.). Ei, O., eieren. Eitje, O., eitjes en eiertjes. Eiber, M., eibers. Eierdop, M., -doppen; -dopje, O., -jes. Eierkoek, M., -koeken;-koekje, O.,-jes. Eierkorf, M., -korven; -korfje, O.,-jes. Bierkrans, M., -kransen. Eierlepel, M., -lepels; -lepeltje, O., -jes. Eiernetje, O., -jes. Eierpruim, V., -pruimen. Eiersaus, V., -sausen; -sausje, o., -jes. Eierschaal, V., -schalen. Eierstok, M., stokken. Eierstruif, V., -struiven. Eiervrouw, V., -vrouwen. Eigen, eigener, eigenst. Eigenaar, M., eigenaren en eigenaars. Eigenaardig, -aardiger, -aardigst. Eigenaardigheid, V., -heden. Eigenares, V., eigenaressen. Eigenbaat, V. Eigeneatig, -batiger, -batigst. Eigenbelang, O. Eigendom (recht), M.; (bezitting), O., -dommen. Eigendommetje, O., -jes. Eigendomsoverdracht,V.,-overdrachten. Eigendomsrecht, o. Eigendunk, M. Eigendunkelijk, -lyker, -lykst. Eigendunkelijkheid, V. Eigenen, eigende, heeft geëigend. Eigengebakken. Eigengeërfde, M. en V., -geërfden. Eigengemaakt. Eigenhandig. Eigenheid, V., -heden. Eigenhoorig. Eigenhoorigheid, V. Eigenlijk. Eigenlof, M. Eigenmachtig, -machtiger, -machtigst. Eigenmachtigheid, V. Eigennaam, M., -namen. Eigenschap, V., -schappen. Eigenwaan, M. Eigenwijs, -wyzer, -wyst. Eigenwijsheid, V. Eigenwillig, -williger, -willigst. Eigenwilligheid, V. Eigenzinnig, -zinniger, -zinnigst. Eigenzinnigheid, V. Eik, M., eiken. Eikje, O., -jes. |
I
ELE.
103
EIK.
|
Eikeblad, O., -bladen en -bladeren; -blaadje, O., -blaadjes en -bladertjes. Eikeboom, m., -boomen; -boompje, O., -jes. elkekbans, of eiken krans, M.,-kransen. elkekroon. of eikenkroon, V.,-kronen. eikel, M., eikels. Eikeltje, O., -jes. elkeloof en eikenloof, o. Eiken (bnw.). Eikenbast, M., -basten. Eiken Bosch, O., -bosschen. Eikenhout, O. Eikenhouten (bnw.). Eikenlaan, V., -lanen; -laantje, O.,-jes. Eikenmos, O. Eikenschors, V. Eiker (vrachtschip), M., eikers. Eikestam, M., -stammen. Eiketak, M., -takken; -takje, O., -jes. Eilaas. Eiland, O., eilanden. Eilandje, O., -jes. Eilander, M., eilanders. Eilieve. Eiloof, O. Eindbesluit, O., -besluiten. Einde, ook eind en end, O., einden en enden. Eindje en endje, O., -jes. Eindelijk. Eindelinghout, O. Eindeloos, -looze. Eindeloosheid, V. Einden, eindde, heeft geëind. Eindig. Eindigen, eindigde, heeft en is geëindigd. Eindigheid, v. Eindiging, v. Eindoogmerk, o., -oogmerken. Eindoorzaak, V., -oorzaken. Eindpaal, M., -palen. Eindrijm, O., -rymen. Eindvonnis, O., -vonnissen. Eirond. Eisch, M., eischen. Eischen, eischte, heeft geüischt. Eischer, M., eischers. Eischeres, V., eischeressen. Eiwit, O. Eiwitstof, v. Eiwitten, eiwitte, heeft geëiwit. Ekster (ook aakster), V., eksters (aak- sters). Eksteroog, o., -oogen. El, v., ellen. Elletje, O., -jes. Eland, M., elanden. Elasticiteit, v. Elastiek, elastieker, elastiekst. Elders. Eldorado, o. | Elkctriciteit, V. Electriek, electrieke. Electrireeren, electriseerde, heeft geel ectriseerd. Electriseermachine, V., -machines. |
Electro-magnetisch. Eleotrotechniek, V. Electrotherapie, V. Elefant, M., elefanten. Elegant, eleganter, elegantst. Elegantie, V. Elegie, V., elegieën. Elegisch. Element, o., elementen. Elementair. Elf, elven. Elfde. Elfdehalf, -halve. Elfderhande. Elfderlei. Elf-en-dertigst (op zijn â). Elfhonderd. Elfmaal. Elfrank, V., -ranken. Elft, M., elften. Elftje, O., -jes. Elfvoud, O. Elfvoudig. Elger (aalgeer), M., elgers. Elixir en elixer, o., elixirs en elixers. Elk. Elkaar {afbreken eik-aar). Elkander (afbreken eik-ander). Elkeen. Elleboog, M., -bogen; -boogje, O.,-jes. Elleboogsbeen, O., -beenderen. Elleboogsknokkel, M., -knokkels. Elleboogslengte, V., -lengten. Elleboogsmouw, V., -mouwen. Elleboogsspier, V., -spieren. Ellemaat, V., -maten. Ellende, V., ellenden. Ellendeling, M. en V., ellendelingen. V. ook ellendelinge. Ellendig, ellendiger, ellendigst. Ellendigheid, V. Ellenijker, M., -ykers. Ellewaar, V., -waren. Ellewinkel, M., -winkels. Ellips, V., ellipsen. Ellipsoïde, V., ellipsoïden. Elliptisch. Elpenbeen, O. Elpenbeenen (bnw.). Els (boom), M., elzen. Els (priem), V., elzen. Elsje, O., -jes. Elzeblad, o., -bladen en -bladeren. Elzeboom, M., -boomen. Elzenbosch, O., -bosschen. Elzenheg, V., -heggen. Elzenhout, O. Elzenlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes. Elzestam, M., -stammen. Elzestruik, M., -struiken. Elzetak, M., -takken; -takje, o., -jes. Email, o. Emailleeren, emailleerde, heeft geëmailleerd. Emancipatie, V. |
ENQ.
EMA.
104
|
Emancipeeben, emancipeerde, heeft ge- emancipeerd. Emballage, V. Embargo, o. Emblema, o.,emblema's en emblemata. Embryo, O,, embryo's. Embryologie, V. Embryoloog, M, -logen. Emeritus. Emier, M.f emiers. Emigrant, M., emigranten. Emigrante, V., emigranten. Emigratie, V. Emigreeren, emigreerde, is geëmigreerd. Eminent, eminenter, eminentst. Eminentie, V., eminentiën. Emmer, M., emmers. Emmertje, O.,-jes. Emolument, o., emolumenten. Emphase, V. Empirie, V. Empirisch. Emplooi, o., emplooien. Emulsie, V., emulsies. En. Encyclopedie, V., encyclopedieën. Encyclopedisch. End. Zie Einde. Endeldarm, M., -darmen. Endosseeren, endosseerde, heeft geëndosseerd. Endossement, o., endossementen. Energie, V. Energiek, energieker, energiekst. Eng, enger, engst. Engageeren, engageerde, heeft geëngageerd. Engagement, O., engagementen. Engagementstijd, M. EngborstIg. Engborstigheid, V. Engel, M., engelen. Engeltje, O., -jes. Engelachtig, -achtiger, -achtigst. Engelachtigheid, V. Engelenbak, M., -bakken. Engelenkoor, o., -koren. Engelenschaar, V., -scharen. Engelenzang, M. Engelin, V., engelinnen. Engelinnetje, O., -jes. Engelsch, O. Engelsch. Engelzoet, O. Engerling, M., engerlingen. Engheid, V. Engte, V., engten. Enkel, M., enkels. Enkeltje, O., -jes. Enkel, ook enkeld. Enkelvoud, o., enkelvouden. Enkelvoudig. Enkhuizer (persoon, almanak, kabelslag), M., Enkhuizers. Enorm, enorm er, enorm st. Enormiteit, V., enormiteiten. Enquête, V., enquêtes. |
Enquête-commissie, V., -commissiën. Ent, V., enten. Enten, entte, heeft geënt. Enter, M., enters. Enterbijl, V., -byien. Enterdreg, V., -dreggen. Enteren, enterde, heeft geënterd. Enterij, V., enterden. Entering, V., enteringen. Enterluik, O., -luiken. Enternet, O., -netten. Enthusiasme, o. Enthusiast, M., enthusiasten. Enting, V. Entmes, O., -messen. Entomologie, V. Entomologisch. Entomoloog, M., entomologen. En-tout-cas, M. Entree, V., entree's. Entrée-kaart, V., -kaarten. Entrepot, O., entrepots. Entwab, O. Enveloppe, V., enveloppen. Epaulet, V., epauletten. Epidemie, V., epidemieën. Epidemisch. Epigram, O., epigrammen. Epilepsie, V. Episch. Episcopaal, episcopale. Episcopaat, O. Episode, V., episoden en episodes. Epistel, M., epistels. Episteltje, O., -jes. Epitheton, o., epitheta. Epoque, V., epoques. Epos, O. Eppe, V. Equipage, V., equipages. Equipeeren, equipeerde, heeft geëquipeerd. Ãquipement, o., équipementen. Equivalent, o., equivalenten. Er. Erachten, O. (m^ns erachtens). Erbarmelijk, -l^jker, -lykst. Erbarmelijkheid, V. Erbarmen, erbarmde, heeft erbarmd. Erbarming, V. Erf, O., erven. Erfje, O., -jes. Erfcijns, M., -cgnzen. Erfdeel, O., -deelen; -deeltje, O., -jes. Erfdochter, V,, -dochters. Erfelijk. Erfelijkheid, V. Erfenis, V., erfenissen. Erfenisje, O., -jes. Erfgenaam, M. en V., erfgenamen, V. ook erfgename. Erfgoed, O., -goederen. Erfhuis, o., -huizen. Erfkoningschap, O. Erfkoninkrijk, o., -r^ken. Erflater, M., -laters. Erfleen, O., -leenen. |
I
ERF.
ESS.
|
Erfoom, O., -ooms; -oompje, O., -jes. Erfopvolging, V. Erfpacht, V., -pachten. Erfportie, V., -portiën en -porties. Erfprins, M., -prinsen. Erfprinses, V., -prinsessen. Erfrecht, o. Erfrente, V., -renten. Erfschüld, V. Erfstadhouder, M., -stadhouders. Erfstelling, V., -stellingen. Erfstuk, O., -stukken. Erftante, V., -tantes. Erfvijand, M., -vyanden. Erfzonde, V. Erg, erger, ergst. Ergdenkend, -denkender, -denkendst. Ergdenkendheid, V. Ergens. Ergeren, ergerde, heeft geërgerd. Ergerlijk, -lyker, -lykst. Eugerlijkheid, V., -heden. Ergernis, V., ergernissen. Ergje, O. Erkennen, erkende, heeft erkend. Erkenning, V. Erkentelijk, -lyker, -lykst. Erkentelijkheid, V. Erkentenis, V. Erlangbaar,-bare. Erlangen, erlangde, heeft erlangd. Erlanging, v. Ernst, M. s. Ernstig, ernstiger, ernstigst. Ernstigheid, V. Erotisch. Erratum, o., errata. Erts, o., ertsen. Ervaren, ervoer, heeft ervaren, li. Ervaren, ervarener, ervarenst. Ervarenheid, v. Ervaring, V., ervaringen. Erven (mv.), M. Erven, erfde, heeft geërfd. Erving, V. Erwt, v., erwten. Erwtje, O., -jes. Erwtenblazer, M., -blazers. Erwtensoep, V. Esch, m., ésschen. Eschdoorn en -doren, M., -doornen en -dorens. Escorte, o. Eskader, o., eskaders. Eskadertje, o., -jes. Eskadron, o., eskadrons. 5. Esp, m., espen. V, Espeblad, o., -bladen en -bladeren. Espeboom, M., -boomen. Espenhout, o. Espenhouten (bnw.). Essaai, o. Essaieeren, essaieerde, heeft geës- saleerd. Essaieur, m., essaieurs. |
Esscheboom, M., -boomen. Esschenhout, o. Esschenhouten (bnw.). Essentieel, essentieele. Estafette, M., estafetten. Estrik, M., estriken. Etablisseeren, etablisseerde, heeft ge- etabhsseerd. Etablissement, O., etablissementen. Ãtagère, V., étagères. Eten, at, aten, heeft gegeten. Eten, O. Etenstijd, M. Etensuur, o., -uren; -uurtje, o., -jes. Eter, M., eters. Eterij, V. Etgroen, O. Etherisch. Ethnographie, V. Ethnographisch. Etiquette (briefje), V., etiquetten. Etiquette (wellevendheid), V. Etmaal, O., etmalen. Ets, V., etsen; etsje, O., -jes. Etsen, etste, heeft geëtst. Etser, M., etsers. Etsgrond, M. Etsijzer, O., -ijzers. Etsing, V. Etskunst, V. Etsnaald, V., -naalden. Etswerk, o. Ettelijke. Etter, M. Etterachtig, -achtiger, -achtigst. Etteren, etterde, heeft geëtterd. Etterig, etteriger, etterigst. Ettering, v. Etymologie, V., etymologieën. Etymologisch. Etymoloog, M., etymologen. Eunjer, M., eunjers. Europeaan, M., Europeanen. Europeesch, Europeesche. Euvel, O., euvelen. Euvel, euveler, euvelst. Euveldaad, V., -daden. Euvelmoed, M. Euvelmoedig, -moediger, -moedigst. Evangelie, O., evangeliën. Evangelisatie, V. Evangelisch. Evangelist, M., Evangelisten. Even. Evenaar, M., evenaars en evenaren. Evenaartje, O., -jes. Evenaardig. Evenaardigheid, V. Evenals. Evenaren, evenaarde, heeft geëvenaard. Evenaring, V. Evenbeeld, o., -beelden. Eveneens. Evenement, O., evenementen. |
EXE.
EVÃ.
106
|
Evengelijk. Evengoed (byw.). Evening, V., eveningen. Evenknie, M., -knieën. Evenmatig. Evenmatigheid, V. Evenmensch, M., -menschen. Evenmin. Evennaaste, M. en v., -naasten. Evennachtslijn, V. Evenredig, -rediger, -redigst. Evenredigen, evenredigde, heeft ge- evenredigd. Evenredigheid, V., -heden. Eventjes. Evenveel. Evenveeltje, O., -jes. Evenwel. Evenwicht, O. Evenwijdig. Evenwijdigheid, V. Evenzeer. Evenzoo. Ever, M., evers. Everwortel, M. Everzwijn, ü., -zwijnen. Evident, evidenter, evidentst. Evidentie, V. Evolutie, V., evolutiën. Evolutieleer, V. Exact. Examen, O., examens en examina. Examencommissie, V., -commissies en -commissiën. Examengeld, O., -gelden. Examentijd, M., -tijden. Examenvrees, V. Examinator, M., examinatoren. Examineeren, examineerde, heeft ge- examineerd. Excelleeren, excelleerde, heeft geëx-celleerd. Excellent, excellenter, excellentst. Excellentie, V., excellentiën en excellenties. Excentriciteit, V. Excentriek, excentrieker, excentriekst. Excentriek, o., excentrieken. Exceptie, V., exceptiën en excepties. Exceptioneel, exceptioneele. Excerpeeren, excerpeerde, heeft geëxcerpeerd. Excerpt, o., excerpten. Exces, O., excesses. Exclusief, exclusiever, exclusiefst. Exclusivisme, O. Excrement, O., excrementen. Excuseeren, excuseerde, heeft geëxcuseerd. Excuus, O., excusen en excuses. |
Executeeren, executeerde, heeft ge-executeerd. Executeur, M., executeuren en executeurs. Executeur-testamentair, m., executeurs-testamentair. Executie, V., executiën en executies. Executoir. Exegeet, M., exegeten. Exegese, V., exegesen. Exempel, O., exempels. Exemplaar, o., exemplaren. Exemplaartje, O., -jes. Exerceeren, exerceerde, heeft geëxerceerd. Exercitie, V., exercitiën en exercities. Exercitieplein, ü., -pleinen. Exercitiereglement, O., -reglementen. Ex-keizer, M., -keizers. Ex-minister., M., ex-ministers. Exorbitant, exorbitanter, exorbitantst, Expedieeren, expedieerde, heeft geëxpedieerd. Expediteur, M , expediteuren en expediteurs. Expeditie, V., expeditiën en expedities. Expeditiekantoor, O., -kantoren. Explicatie, V., explicatiën en explicaties. Expliceeren, expliceerde, heeft geëxpliceerd. Exploitatiemaatschappij, V., -maatschappijen. Exploot, O., exploten. Exponeeren, exponeerde, heeft geëxponeerd. Exponent, M., exponenten. Exposé, O., exposé's. Expositie, V., expositiën en exposities. Expres (byw.). Express (trein), M. Extempore, O., extempore's. Extra. Extract, O., extracten. Extratje, O., -jes. Ezel, M., ezels. Ezeltje, O,, -jes. Ezelachtig, -achtiger, -achtigst. Ezelachtigheid, V. Ezelen, ezelde, heeft geëzeld. Ezelin, V., ezelinnen. Ezelinnetje, O., â¢jes. Ezelinnenmelk, V. Ezelsbrug, V., -bruggen. Ezelskop (kop van een ezel), M., -koppen. Ezelskop (schimpnaam), M. enV., -koppen. Ezelsoor, O., -ooren. Ezelwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. |
FAM.
V.
107
F.
|
F., V., f's. Faam, V. Faas, V , fazen. Fabel, V., fabelen en fabels. Fabeltje, O., -jea. Fabelachtig, -achtiger, -achtigst. Fabelachtigheid, V. Fabelleer, V. Fabricage, v. Fabriceeren, fabriceerde, heeft gefabriceerd. ? Fabriceering, V. j Fabriek, V., fabrieken. Fabrieken, fabriekte, heeft gefabriekt. Fabrieksarbeider, M., arbeiders. Fabrieksmerk, o., -merken. Fabrieksprijs, M., -prijzen. Fabrieksstad, V., -steden. Fabrieksvolk, O. Fabrikaat, O., fabrikaten. Fabrikant, M., fabrikanten. Fabuleus, fabuleuze. Facsimile, O., facsimile's. Factie, factiën en facties. Factor, M., factoren. Factorij, V., factoryen. Factotum, M. Factuur, V., facturen. Facultatief, facultatieve. Faculteit, V., faculteiten. Faculteitsvergadering, V., -vergaderingen. Fagot, V., fagotten. Fagottist, M., fagottisten. Failleeren, failleerde, is gefailleerd. Failliet, O., faillieten. Failliet (bnw.). Faillietverklaring, V., -verklaringen. Faillissement, O., faillissementen. Fakkel, V., fakkels, Fakkeltje, O., -jes. Fakkeldans, M., -dansen. Fakkellicht, O., -lichten. Fakkeltocht, M., -tochten. Falbala, V., falbala's. Falen, faalde, heeft gefaald. | Falie, V., faliën en falies. | Faliekant. Falievouwen, falievouwde, heeft ge- falievouwd. Falievouwer, M., -vouwers. Faling, V., falingen. Falkonet, O., falkonetten. Falsaris, M., falsarissen. Fameus, fameuzer, fameust. Familiaar, familiaarder, familiaarst. Familiariteit, V., familiariteiten. Familie, V., familiën en families. Familiedag, m., -dagen. Familiegraf, O., -graven. Familiekring, M., -kringen. |
Familiekwaal, V., -kwalen. Familielid, O., -leden. Familieraad, M., -raden. Familieregeering, V., -regeeringen. Familieziek. Familiezwak, O. Fanatiek, fanatieker, fanatiekst. Fanatisme, O. Fanfare, V., fanfares. Fanfarecorps, O., -corpsen. Fanitisch. Farizeër, M., Farizeërs en Farizeën. Farizeesch. Faro (spel en drank), ü. Fascine, V., fascinen en fascines. Fat, M., fatten. Fatje, O., -jes. Fataal, fataler, fataalst. Fatalisme, O. Fataliteit, V., fataliteiten. Fatigant, fatiganter, fatigantst. Fatigeeren, fatigeerde, heeft gefati- â m 1f Fatsen (mv.), V. Fatsoen, O., fatsoenen. Fatsoentje, O., -jes. Fatsoeneeren, fatsoeneerde, heeft gefatsoeneerd. Fatsoeneerijzer, O., -ijzers. Fatsoeneering, V. Fatsoenlijk, -lyker, -lykst. Fatsoenlijkheid, V. Fatsoenshalve . Fatterig, fatteriger, fatterigst. Fatterigheid, V. Fauteuil, M., fauteuils. Faveur, V., faveurs; faveurtje, O., -jes. Favoriete, V., favorieten. Fazant, M., fazanten. Fazantenei, O., -eieren. Fazantenhaan, M, -hanen. Fazantenhen, V., -hennen. Fazantenhok, o., -hokken. Fazantenjacht, V. Fazantennest, O., -nesten. Februari, M. Februari-omwenteling, v. Fee, V., feeën. Feeks, V., feeksen. Feeksje, O., -jes. Feeksigheid, V. Feest, O., feesten. Feestje, O., -jes. Feestcatalogus, M., -catalogussen. Feestdag, M., -dagen. Feestelijk, -lijker, -lykst. Feestelijkheid, V., -heden. Feesteling, M. en V., feestelingen. V. ook feestelinge. Feestgenoot, M., -genooten. Feestgroet, M., -groeten. F eestinsigne, O., -insignes. Feestlied, o., -liederen. | fü li f i ' |
ii à jit
I
FEE.
108
FIE.
|
Feestmarsch, M., -marschen. Feestprogramma, O., -programma's. Feestterrein, O., -terreinen. Feestvieren, vierde feest, heeft feestgevierd. Feestviering, V., -vieringen. Feestvreugde, V, Feil, V., feilen. Feiltje, O., -jes. Feilbaar, -bare. Feilbaarheid, V. Feilen, feilde, heeft gefeild. Feilloos, -looze. Feilloosheid, v. Feit, O., feiten. Feitel, V., feitels. Feiteltje, O., -jes. Feitelijk. Feitelijkheid, V., -heden. Fel, feller, felst. Felheid, v. Felicitatie, v., felicitatiën en felicitaties. Felicitatiebrief, M., -brieven. IFeliciteerenFeliciteeren, feliciteerde, heeft gefeliciteerd. Femelaar, M., femelaars. Femelen, femelde, heeft gefemeld. Fenegriek, ü. Feniks, ook phoenix, M., feniksen en phoenixen. Fep, V. Feppen, fepte, heeft gefept. Fepper, M., leppers. Fepster, V., fepsters. Ferm, fermer, fermst. «Fermeteit, V.Fermeteit, V. Fermoor, O., fermoren. Festijn, O., festynen. S festival, o., festival, o., festivals. Festiviteit, V., festiviteiten. Festoen, V. en o., festoenen. Festoen- tje, O., -jes. Festonneeren, festonneerde, heeft gefestonneerd. Feuilleton, ü., feuilletons. Feuilletonschrijver, M., -schrijvers. Feziken, fezikte, heeft gefezikt. Feziker, M., fezikers. Fiacre, V., fiacres. Fiasco, O. Fiat, O. Fiatteeren, fiatteerde, heeft gefiatteerd. Fiatteering, V. Fiche, O., fiches. Fichesdoos, V., -doozen. Fichu, v., fichu's. Fictie, V., fictiën en ficties. Fideel, fideeler, fideelst. Fidei-commis, ü., -commissen. Fideliteit, V., fideliteiten. Fidibus, M., fidibussen. Fielt, M., fielten. Pieltje, O., -jes. Fieltachtig, -achtiger, -achtigst. Fieltachtigheid, v. |
Fieltenstreek, M., -streken. Fielterig, fielteriger, fielterigst. Fielterigheid, V. Fier, fierder, fierst. Fierheid, V. Fierte, V. Fiets, V., fietsen. Fietsen, fietste, heeft gefietst. Fietskostuum, O. Fietspet, V., -petten; -petje, O., -jes. Figurant, M., figuranten. Figurante, V., figuranten. Figuur, V. en O., figuren. Figuurtje, O., -jes. Figuurlijk. Figuurlijkheid, V. Fij. Fijmelaar, M., fijmelaars. Fijmelaarster, V., fijmelaarsters. Fijmelachtig, -achtiger, -achtigst. Fijmelarij, V., fymelarijen. Fijmelen, fijmelde, heelt gefyineld. Fijn, fijner, fijnst. Fijnhakken, hakte fijn, heeft fijngehakt. Fijnheid, V., -heden. Fijnigheid, V., -heden. Fitnkauwen, kauwde fijn, heeft fijnge-kauwd. Fijnmaken, maakte fijn, heeft fijngemaakt. Fijnmalen, maalde fijn, heeft fijngemalen. Fijnstampen, stampte fijn, heeft fijngestampt. Funstooten, stiet en stootte fijn, heeft fijngestooten. Fijnte, V., fijnten. Fijntjes. Fijnwrijven, wreef fijn, wreven fijn, heeft fijngewreven. Fijt, V. Fikfakken, fikfakte, heeft gefikfakt. Fikfakker, M., fikfak kers Fikfakster, V., fikfaksters. Fiks (byw.), fikser, fikst. Fiksch (bnw.), fikscher, fikscht. Fikschhkid, v. Fikshond, M., -honden; -hondje, O.,-jes. Filomeel, V., filomeelen. Filomeeltje. O., -jes. Filozel, V. Filozellen (bnw.). Filtreerdoek, M., -doeken. Filtreeren, filtreerde, heeft gefiltreerd. Filtreerkan, V., -kannen. Filtreermachine, V., -machines. Filtreerpapier, o. Filtreertoestel, M. en O., -toestellen. Finaal, finale. Finale, V. Financieel, financieele. Financiën (mv.), V. Financier, M., financieren en financiers Financiewezen, O. Fiool Firma Firma Firma ^ fiscal Fiska. | Fiscui Fiste: Fitte Fixee . Flab. Flabi Flacc Fladi Flagi Flaki Flam: bee Flam: Flam Flani Flan] F lan] Flani Flan: kee Flan-Flan: Flan â¢Flani Flap, Flap: Flap Flar Flat Flau Flau Flau Flau Flaü Flau Flau Flax] Flax: Flau Flee Fleï Flee Flee Flei Flei Flei Flei Flei Flei Flec Flec Fle( Flei Flei Flei Fle] Flei Fle] |
I
$
|
FIO. Fiool (flesch), V., fiolen. Firma, V, firma's. Firmament, o. firmant, M., firmanten. â Fiscaal, -ale. fiskaal, M., fiskalen. Fiscus, m. Fistel, V., fistels. Fisteltje, O., -jes. Fitter, M., fitters. Fixeeben, fixeerde, heeft gefixeerd. Flab. Zie Fleb. Flabbeben, llabljerde, heeft geflabberd. Flacon, Mm flacons. Flaconnetje, O., -jes. Fladderen, fladderde, heeft gefladderd. Flageolet, V., flageoletten. Flakkeren, flakkerde, heeft geflakkerd. Flambeeben, flambeerde, heeft geflambeerd. Flambouw, V., flambouwen. Flamingo, m., flamingo's. Flankeren, flaneerde, heeft geflaneerd. Flanel, O., flanellen; flanelletje, O., -jes. Flanellen (bnw.). Flank, V., flanken. Flankeeren, flankeerde, heeft geflankeerd. Flankeebing, v. IFlankeub, M., flankeurs. Flans, V., flansen. Flansen, flanste, heeft geflanst. Flap, M , flappen. Flappen, flapte, heeft geflapt. Flapuit, m. en v., flapuiten. Flarden (mv.), M. Flater, M., flaters. Flatertje, O., -jes. Flauw, flauwer, flauwst. Flauwelijk. Flauwerd, M., flauwerds. Flauwhartig, -hartiger, -hartigst. Flauwhartigheid, v. Flauwheid, V., -heden. Flauwigheid, V., -heden. Flauwiteit, V., flauwiteiten. Flauwte, V., flauwten. Flauwtjes. Fleemen, fleemde, heeft gefleemd. Pleemer, M.f fleemers. Fleemeru, V., fleemeryen. Fleemkous, M. en V., -kousen. Fleemster, V., fleemsters. Fleemtaal, V. Fleemtong, M. en V., -tongen. Fleer (klap), M., fleeren. Fleer (vrouwspersoon), V., fleeren. Pleers, m., fleerzen. Flegma, ü. Flegmatiek, flegmatieker, flegmatlekst. Flegmatisch. Plens (yzeren kraag), V., flenzen. 3'lensje (gebak), o., -jos. Flenteb, m., flenters. Flep, v., fleppen. Flepje, o., -jes. Fleppen, flepte, heeft geflept. Flerecijn, O. |
FLE. Flesch, V., flesschen. Fleschje, O., -jes. Flesschebakje, O., -jes. Flesschenblazer, M., -blazers. Flesschenglas, O. Flesschenkooper, M., -koopers Flesschenmaker, M., -makers. Flesschenmand, V., -manden. Flesschenrek, O., -rekken. Flesschentrekker, M., -trekkers. Flets, fletser, fletst. Fletsheid, v. Fleur (bloei), v. Fleur (vischlijn), V., fleuren. Fleuren, fleurde, heeft gefleurd. Fleubet, V. Zie Floret. Fleubig, fleuriger, fleurigst. Fleubigheid, V. Flikflooien, flikflooide, heeft geflikflooid. Flikflooier, M., -flooiers. Flikflooierij, V., -flooierjjen. Flikflooister, V., -flooisters. Flikje, O., -jes. Flikken, flikte, heeft geflikt. Flikkeb, M., flikkers. Flikkeben, flikkerde, heeft geflikkerd. Flikkerglans, M,, -glansen. Flikkerij, V. Flikkering, V., flikkeringen. Flikkeblicht, O., -lichten; -lichtje, O. -jes. Flikkebvlam, V., -vlammen. Flikster, V., fliksters. Flink, flinker, flinkst. Flinkheid, V. Flits, M., flitsen. Flodder, V., flodders. Flodderen, flodderde, heeft geflodderd. Floddebkous, Y., kousen. Floddebmoer, V., -moeren en -moers. Floddebmuts, V., -mutsen. Floebs, O., floersen. Flonkebbag, V., -baggen. Flonkeben, flonkerde, heeft geflonkerd. Flonkebing, V., flonkeringen. Flonkeblicht, O. Flonkebsteb en -stab, V., -sterren en -starren. Floreen, M., floreenen. Flobeenplichtig. Flobet (schermdegen), V., floretten. Flobet (zyde), O. Flobetten (bnw;). Flobun, M., florünen. Flottille, V., flottilles. Flous, V., flouzen. Flouw, V., flouwen. Fluim, V., fluimen. Fluimpje, O., -jes. Fluimachtig. Fluimen, fluimde, heeft gefluimd. Fluistebaar, M., fluisteraars. Fluistebaarster, V., fluisteraarsters. Fluisteren, fluisterde, heeft gefluisterd Fluistebing, V., fluisteringen. |
I
FLU.
FON.
110
|
Fluit, v., fluiten. Fluitje, O., -jes. Fluiten, floot, floten, heeft gefloten. Fluitenmaker, M., -makers. Fluiter, M., fluiters. Fluiting, V. Fluitist, M., fluitisten. Fluitspeler, M., -spelers. Fluks (bijw.), flukser, flukst. Fluksch (bnw.), üukscher, flukscht. Fluweel, O., fluweelen. Fluweelachtig, -achtiger, -achtigst. Fluweelachtigheid, V. Fluweelen (bnw.). Fluwijn, O., fluwynen. Fniezen, fniesde, heeft gefniesd. Fnuiken, fnuikte, heeft gefnuikt. Fnuiking, V., fnuikingen. Foedraal, o., foedralen. Foedraaltje, O., -jes. Foei. Foelie, V., foeliën. Foeliën, foeliede, heeft gefoelied. Foeteren, foeterde, heeft gefoeterd. Foetus, O., foetussen. Foezel, V. Fok, V., fokken. Fokje, o., -jes. Fokkemast, M., -masten. Fokken, fokte, heeft gefokt. Fokkenhals, M., -halzen. Fokker, M., fokkers. Fokkera, V., -raas. Fokkerij, V., fokkeryen. Fokkerust, V. Fokking, V., fokkingen. Foksia, V., foksia's. Fokster, V., foksters. Folen, foolde, heeft gefoold. Foliant, M., folianten. Folio (bnw.). Als znw., O., folio's. Folteraar, M., folteraars. Folterbank, V., -banken. Folteren, folterde, heeft gefolterd. Foltering, V., folteringen. Folterkamer, V., -kamers. Folterkoord, o., -koorden. Foltertuig, O., -tuigen. Fommelen, fommelde, heeft gefommeld. Fommeling, V. Fondament en fondement, ook fundament, O., fondamenten en fondementen (fundamenten). Fonds, O., fondsen. Fondsje, O., -jes. Fondsartikel, O., -artikelen. Fondscatalogus, M., -catalogussen. Fondsdokter, M,, -dokters. Fondsenhouder, M., -houders. Fondsenmarkt, V., -markten. Fondsveiling, V.. -veilingen. Fonkelen (overdrachtelyk), fonkelde, heeft gefonkeld. (Verg. Vonkelen). Fonkeling, V., fonkelingen. Fonkelnieuw. Fontein, V., fonteinen. Fonteintje, o., -jes. |
Fontenel, V., fontenellen. Fooi, V., fooien. Fooitje, O., -jes. Fop, M. Foppage, V. Foppen, fopte, heeft gefopt. Fopper, M., foppers. Fopperij, V , fopperyen, Fopperytje, O., -jes. Forceeren, forceerde, heeft geforceerd. Forel, V., forellen. Forelletje, o., -jes. Forellennet, o., -netten. Forellenvangst, V. Forket, O., forketten. Formaat, 0.f formaten. Formaatje, O., -jes. Formaatvel, O., -vellen. Formaatzegel, O., -zegels. Formaliteit, v, formaliteiten. Formeel, O., formeelen. Formeel, formeele. Formeerder, M., formeerders. Formeeren, formeerde, heeft geformeerd. Formeering, V. Formule, V., formules. Formulier, o., formulieren. Fornuis, O., fornuizen. Fornuisje, O., -jes. Forsch, forscher, forscht. Forschheid, V. Fort, O., forten. Fortje, O., -jes. Fortenlinie, V., -linies. Forte-piano, V., -piano's. Fortificatie, V., fortification en fortificaties FoRTriN (vermogen), O., fortuinen; (go-luk), O.; (geluksgodin), V.Fortuintje, O., -jes. Fourage, V. Foubageeren, fourageerde, heeft ge- fourageerd. Foürgon, M., fourgons. Fourier, M-, fouiiers. Foürneeren, fourneerde, heeft gefourneerd. Fout, V., fouten. Foutje, O., -jes. Foutief, foutieve. Foyer, M., foyers. Fraai, fraaier, fraaist. Fraaiheid, V., -heden. Fraaiigheid, Y., -heden. Fraaitjes. Fraas, V., frazen. Fractie, v., fracties en fractlën. Fragment, O., fragmenten. Fragmentje, O., -jes. Frak, V., frakken. Framboos, V., frambozen. Framboosje, O., -jes. Frambozeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Frambozenazijn, M. Frambozengelei, V. Feambozenkoekje, o., -jes. |
I
FRA.
FRO.
Ill
|
Fbambozennat, 0. Frambozenstroop, V. Frambozentaart, v., -taarten; -taartje, O., -jes. Franciscaan, M., Franciscanen. Franciscanenklooster, O., -kloosters. Francisoanenorde, V. Franco. Franje, V., franjes. Franjetje, O., -jes. Frank (geldstuk), M., franken. Frankje, O., -jes. Frank (bnw.). Frankeeren, frankeerde, heeft gefrankeerd. Frankeerïng, V., frankeeringen. Frankeerkosten (mv.), M. Frankeerzegel, O., -zegels. Frankisch. Fransch. Fransch, O. Fransijn, O. Fransyntje, O., -jes. Frappant, frappanter, frappantst. Frappeeren, frappeerde, heeft gefrappeerd. Fratsen (mv.), V. Fratsenmaker, M., -makers. Fraude, V., fraudes. Frauduleus, frauduleuzer, frauduleust. Frees, V., freezen. Fregat, O., fregatten. Fregatje, O.,-jes. Fresco, o., fresco's. Frescoschilder, M., -schilders. Fret, O., fretten. Fretten, frette, heeft gefret. Freule, V., freules. Freuletje, O., -jes. Fricandeau, M, fricandeau's. Fries (volksnaam), M., Friezen. Fries (in de bouwkunde), V., friezen. Friesch. Friesch, o. Friesland, O. Friezin, V., Friezinnen. 5'riezinnetje, O., -jes. Frikkadel, V., frikkadellen. Frisch, frisscher, frischt. Frischheid, v. Friseeren, friseerde, heeft gefriseerd. iquot; riseerijzer, o., -jjzers. Frisket, ook verschet, o., frisketten en verschetten. |
Frommel, M., frommels. Frommelen, frommelde, heeft gefrommeld. Frons, V., fronsen. Fronsel, V., fronsels. Fronselen, fronselde, heeft gefron-seld. Fronseling, V., fronselingen. Fronsen, fronste, heeft gefronst. Fronsing, V., fronsingen. Front, O., fronten. Frontieren (mv.), V. Frontispice, v., frontispicen; ook fron- tispieb, o., frontispiesen. Fronton, O., frontons. Fruit, V. en ü., fruiten. Fruiten, fruitte, heeft gefruit. Fruiting, v. Fruitpan, V., -pannen. Fruitschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes. Fruitvrouw, V.. -vrouwen. Fruitwinkel, M., -winkels. Fuga, V., fuga's. Fuif, V., fuiven. Fuiven, fuifde, heeft gefuifd. Fuik, V., fuiken. Fuikje, O., -jes. Fulmineeren, fulmineerde, heeft gefulmineerd. Fulp, O. Fulpen (bnw.). Functie, V., functiën en functies. Fundament. Zie Fondament. Fundeering, V., fundeeringen. Fungeeren. fungeerde, heeft gefungeerd. Furie, V., furiën en furies. Fuselier, M.f fuseliers. Fust, O., fusten. Fustage, V. Fustein, O. Fut, V. Futselaar, M., futselaars. Futselaartje, O., -jes. Futselaarster, V., futselaarsters. Futselarij, V., futselarijen. Futselboek, O. Futselen, futselde, heeft gefutseld. Futseling, V., futselingen. Futselwerk, o. Fuut, M., futen. |
G.
|
Ig, V g's. Ata. Zie Gade. JGaaf en gave, v., gaven. JGaaf, gaver, gaafst. ^Gaafheid, v. f 'AAi, V., gaaien, Gaaltje, O., -jes. I'amkx, gaaide, heeft gegaald. uaalinö, Y. |
Gaaike, gaaiken en gaaitje, O., gnalkes, gaaikens en gaaitjes. Gaal, V., galen. Gaaltje, O., -jes. Gaan, gaat, ging, is en heeft gegaan. Gaandebij, V., gaanderijen. Gaandeweg, Gaap, M., gapen. Gaapje, O., -jes. Gaapsohelp, V., -schelpen. |
J
GAA.
GAL.
112
|
Gaar, gaarder, gaarst. Gaarbak, M., -bakken; -bakje, 0.f -jes. Gaarboord, O., -boorden. Gaard, M., gaarden. Gaarde, V., gaarden. Gaardenier, M., gaardeniers en gaar- denieren. Gaarder, M., gaarders. Gaarheid, V. Gaarkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes. Gaarkok, M., -koks; -kokje, O., -jes. Gaarkookster, V., -kooksters. Gaarne. Gaarte, V. Gaarvat, 0.f -vaten; -vaatje, O., -jes. Gaas, O., gazen. Gaasje, O., -jes. Gaatels, V., -elzen. Gaatje. Zie Gat. Gaatring, M., -ringen; -ringetje, O., -jes. Gaatschijf, V., -schyven; -schylje, o., -jes. Gaatstempel, M.,-stempels; -stempeltje, O., -jes. Gabberen, gabberde, heeft gegabberd. Gabel, V., gabellen. Gade en ga, M. en V., gaden. Gadeloos, -looze. Gader (Te â). Gaderen, gaderde, heeft gegaderd. Gadergeld, o. Gadering, V., gaderingen. Gadermeester, M, -meesters. Gadeslaan, slaat gade, sloeg gade, heeft gadegeslagen. Gading, V. Gaffel, V., gaffels. Gaffeltje, o., -jes. Gaffeler, M., gaffelers. Gaffelval, O., -vallen. Gaffelvormig. Gaffelzeil, O., -zeilen. Gage, V., gages. Gagel (heester), M., gagels. Als stofnaam, V. Gagel (verhemelte), O., gagels. Gagelen. Zie Gaggelen. Gagement, O., gagementen. Gaggelen, gaggelde, heeft gegaggeld. Gal (vocht). V. Gal (gezwel), V., gallen. Galletje, O., -jes. Gal (gebrek in gegoten ^jzer), Y., gallen. Gala, O. Galabal, O., -bals. Galachtig, -achtiger, -achtigst. Galachtigheid, V. Galakoets, V., -koetsen. Galant, galanter, galantst. Galant, M., galanten en galants. Galanterie, V., galanterieën. Galanterietje, O., -jes. Galanteriewinkel, M., -winkels. Galappel, M., -appels. Galarok, M., -rokken. |
Galavoorstelling, V., -voorstellingen. Galblaas, V., -blazen. Galbuis, V., -buizen. Galeas (groot vaartuig), V., galeassen. Galei V., galeien. Galeitje, O., -jes. Galeiboef, M., -boeven. Galeislaaf, M., -slaven. Galerij, V., galerijen. Galerytje, O., -jes. Galg, V., galgen. Galgje, O., -jes. Galgebrok, M., -brokken; -brokje, O., -jes. Galgemaal, o., -maien. Galgen, galgde. Galgenaas, o., -azen. Galgetrekker, M., -trekkers. Galgetronie, V., -tronies. Galgeveld, o., Galigaan, V., galiganen. Galigaangras, O., -grassen. Galijk. Galijkheid, V. Galjas (klein koopvaardyschip), V., galjassen. Galjoen, O., galjoenen en galjoens. Gal- joentae, o., -jes. Galjoenskapitein, M., -kapiteins; -ka- piteintje, O., -jes. Galjoot, V., galjoten en galjoots. Gal- jootje, O., -jes. Galkoorts, V., -koortsen. Gallen, galde, heeft gegald. Gallicisme. O., gallicismen. Gallig, galliger, galligst. Galligheid, V. Galm, M., galmen. Galmpje, O., -jes. Galmei, O. Galmen, galmde, heeft gegalmd. Galmgat, O., -gaten. Galming, V., galmingen. Galnoot, V., -noten. Galon, O., galons en galonnen. Galop, M., galops. Galopje, O., -jes. Galoppade, V., galoppades. Galoppeeren, galoppeerde, heeft en is gegaloppeerd. Galpeiler, M., -peilers. Galpen, galpte, heeft gegalpt. Galsteen, M., -steenen; -steentje, O., â¢jes. Galsterig. Galsterigheid, V. Galvanisch. Galvaniseeren, galvaniseerde, heeft gegalvaniseerd. Galvanisme, O. Galvanoplastiek, V. Galvanoplastisch. Galvet, O. Gal vlieg, v., -vliegen. Galwesp, V., -wespen. Galziekte, V. Gamander, V. Gamanderlijn, o. |
GAP.
O-AM.
113
|
Gambiet, V., gambieten. Gamma, V., gamma's. Gander, M., ganders. Gang(Ioop), M., gangen. Gangetje, O., -jes. Gang (gaandery, weg), V., gangen. Gangetje, O., -jes. Gangbaar, -bare. Gangbaarheid, V. Gangboord, O., -boorden Gangklok, V., -klokken. Gangkruk, V., -krukken. Gangmaker, M., -makers. Gangmassa, V., -massa's. Gangpad, O., -paden; -paadje, O., -jes. Gangspil, O., -spillen. Gangwerk, O. Gannef, m., gannefen en ganneven. Gannefje, O., -jes. Gans, V., ganzen. Gansje, O., -jes. Gansch. Ganschelijk. Gaksknuppelen, o. Gansrijden, O. Ganssabelen, O. Gansslaan, O. Ganstrekken, O. Ganzebek, M., -bekken. Ganzebout, M., -bouten. Ganzegat, O., -gatten. Ganzelever, V. Ganzeleverpastei, V., -pasteien. Ganzenbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes. Ganzenbord, O., -borden; -bordje, O., -jes. Ganzendistel, V., -distels; -disteltje, O., -jes. Ganzendrek, m. Ganzenei, O., -eieren. Ganzenhagel, m. Ganzenhoeder, M , -hoeders. Ganzenhok, o., -hokken. Ganzenjacht, v. Ganzenmarkt, v., -markten. Ganzenoog, o., -oogen; -oogje, o., -jes. Ganzenroer, o., -roeren en -roers. Ganzenspel, o., -spellen. Ganzepen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes. Ganzepoot, M., -pooten; -pootje, o., -jes. Ganzerik (mannetjesgans), M., ganzeriken. Ganzerikje, O., -jes. Ganzerik (plant), V. Ganzeschacht, v., -schachten; -schachtje, O., -jes. Ganzetong, v., -tongen. Ganzeveder en ganzeveer, V., -vederen (-veeren) en -veders; -vedertje (-veertje), O., -jes. Ganzevleugel, M., -vleugels. Ganzevoet, m., -voeten. Gapen, gaapte, heeft gegaapt. Gaper, m., gapers. Gaperd, m.} gaperds. |
Gaperig, gaperiger, gaperigst. Gaping, V., gapingen. Gaps, V., gapsen. Garancine, V. Garandeeren, garandeerde, heeft gegarandeerd. Garant, M., garanten. Garantie, V. Gard, V. Zie Garde. Garde en gard (roede), V., garden. Gardje, ü., -jes. Garde (wacht), V. Garderobe, V., garderobes. Gardiaan, M., gardianen. Gareel, O., gareelen. Gareelblok, O., -blokken. Garen, O-, garens. Garen (bnw.). Garen, gaarde, heeft gegaard. Garenbalans, V., -balansen. Garenklos, M., -klossen; -klosje, O., -jes. Garenstrop, M., -stroppen. Garen winder, M., -winders. Garf en garve, V., garven. Garfboer, M., -boeren. Garfland, o., -landen. Garfplichtig. Garfster, V., garfsters. Garnaal, V.f garnalen. Garnaaltje, O., -jes. Garnalenbroodje, o., -jes. Garnalenpasteitje, o., -jes. Garnalen vangst, V. Garnalenvrouw, V., -vrouwen, Garneeren, garneerde, heeft gegarneerd. Garneering, V., garneeringen. Ctarneersel; O , garneersels. Garneer- seltje, O., -jes. Garnituur, o., garnituren. Garnituur- tje, O., -jes. Garnizoen, o., garnizoenen. Garnizoenscommandant, M., -commandanten. Garnizoensdienst, M., -diensten. Garnizoensplaats, V., plaatsen. Garoe, V. Garoeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Garst. Zie Gerst. Garstig, garstiger, garstigst. Garstigheid, V. Garven, garfde, heeft gegarfd. Garvenbinder, M., -binders. Garver, M., garvers. Garving, V., garvingen. Gas, O., gassen. Gasaanleg, M. Gasachtig, -achtiger, -achtigst. Gasco, M. Gasfabriek, V., -fabrieken. Gasfitter, M., -fitters. Gasgloeilicht, O. Gashouder, M., -houders. |
8
GEB.
114
GAS.
|
Gaskachel, V., -kachels; -kachelto'e, o., -jes. Gaskraan, V., -kranen; -kraantje, o., -jes. Gaskboon, V., -kronen. Gaslantaarn, V., -lantaarns. Gasleiding, V., -leidingen. Gaslicht, O., -lichten. Gasmeter, M., -meters. Gasmotor, M., -motoren. Gasontploffing, V., -ontploffingen, Gasornament, o., -ornamenten. Gaspeldoorn en -doren, M., -doornen en dorens. Gaspijp, V., -pupen. Gaspit, V., -pitten; -pitje, O., -jes. Gassen, gaste, heeft gegast. Gassig. Gast, M. en V., gasten. Gastje, o., -jes. Gastenbak, M., -bakken. Gastereeren en gastreeben, gastereerde (gastreerde), heeft gegastereerd (gegastreerd). Gastebij, V., gasteryen. Gastheeb, M., -heeren. Gasthuis, O., -huizen. Gastmaal, O., -malen. Gastbol, V., -rollen. Gastbonomie, V. Gastbonoom, M., gastronomen. Gastvbiend, M., -vrienden. Gastvrij, -vryer, -vryst. Gastvrijheid, V. Gastvrouw, V., -vrouwen. Gasverbruik, o. Gasvlam, V., -vlammen. Gasvormig. Gat (opening), o., gaten. Gaatje, O.,-jes. Gat (achterste), o., gatten. Gatje, o., -jes. Gaten, gaatte, heelt gegaat. Gatenplateel, o., -plateelen; -plateeltje, O., -jes. Gaterig, gaterlger, gatengst. Gauw, gauwer, gauwst. Gauwdief, M., -dieven. Gauwdievkrij, V., -dieveryen. Gauwerd, M., gauwerds. Gauwerdje, O., -jes. Gauwheid, V. Gauwigheid, V., -heden. Gauwte, V. Gave. Zie Gaaf. Gazel, V., gazellen. Gazellenoog, o., -oogen. Gazen (bnw. van Gaas). Gazon, O., gazons. Geaardheid, V., -heden. Geaarzel, O. Geabonneebd. Geadebd. Geankebd. Geappeld. Gearmd. Geassureerd. |
Gebaand. Gebaar, o., gebaren. Gebaard. Gebaarde, V., gebaarden. Gebabbel, o. Gebak, O., gebakken. Gebakje, O., -jes. Gebalder, O. Gebarenkunst, V. Gebarenspel, ü. Gebarentaal, V. Gebas, O. Gebauw, O. Gebazel, O. Gebbe, V., gebben. Gebed, O., gebeden. Gebedje, O., -jes. Gebedel, O. Gebedenboek, O., -boeken; -boekje, 0«, -jes. Gebeente, O., gebeenten. Gebeft. Gebeid (op bessen overgehaald). Gebeier, O. Gebel, O. Gebeld. Gebengel, O. Gebergte, O., gebergten. Gebeten. Gebeteren (Iets niet kunnen â). Gebeuren, gebeurde, is gebeurd. Gebeurlijk. Gebeurlijkheid, V., -heden. Gebeurtenis, V., gebeurtenissen. Gebeuzel, O. Gebied, O. Gebieden, gebood, geboden, heeft geboden. Gebiedend. Gebiedenis, V. Gebieder, M., gebieders. Gebiedster, V., gebiedsters. Gebiedswapen, O., -wapens. Gebint en gebinte, O., gebinten. Gebit, O., gebitten. Geblaard. Geblaas, O. Geblaat, O. Gebladerd. Gebladerte, O. Geblaf, O. Gebloemd. Gebloemte, O. Geblok, O. Geblokt. Gebluf, O. Gebocheld. Gebod, o , geboden. Geboefte, o. Geboegd. Geboen, O. Gebogen. Gebogenheid, V. Gebom, O. Gebonden, gebondener, gebondenat. Gobondenheid, V. |
GfflD.
GEB.
115
|
Gebons, O, Geboogd. Geboomte, O., geboomten. Geboord. Geboorte, V., geboorten. Geboortedag, M., -dagen. Geboortefeest, O., -feesten. Geboortegrond, m. Geboorteland, O. Geboortenregister, o., -registers. Geboorteplaats, V., -plaatsen. Geboorterecht, o. Geboortig. Geboren. Geborrel, O. Gebots, O. Gebouw, O., gebouwen. Gebouwtje, O., -jes. Gebraad, O. Gebrabbel, O. ; Gebrek, o., gebreken. Gebrekje, o.,-jes. Gebrekkelijk, -lyker, -lykst. Gebrekkelijkheid, v., -heden. Gebrekkig, gebrekkiger, gebrekkigst. Gebrekkigheid, V. Gebriesoh, O. Gebrild. ; Gebroddel, O. Gebroed, O. Gebroeders en gebroederen (mv.), M. j Gebroederschap, V., -schappen. Gebroedsel, o., gebroedsels. Gebroekt. Gebrom, O. ) Gebrodwte en gebrouwt, O. Gebrui, O. .Gebruik, O., gebruiken. Gebruikelijk, -lyker, -lykst. i Gebruikelijkheid, v., -heden. | Gebruiken, gebruikte, heeft gebruikt. Gebruiker, M., gebruikers. Gebruiksaanwijzing, v., -aanwyzingen. Gebruikster, v., gebruiksters. 'Gebrul, O. Gebuikt. 5Gebulder, o. ^ Gebulk, O. v Gebult. Geburin, V., geburinnen. Gebust. Gebuur, m., geburen. Gebuurschap, v. Gebuurte, V., gebuurten. Geconfedereerden (mv.), m. Gecontrarieerd. Gecontrasigneerd. Gecostumeerd. Gedaagde, M. en V., gedaagden. Gedaan, gedane. Gedaante, V., gedaanten. Gedaanteverwisseling, V., -verwisselingen. Gedachte, v., gedachten. Gedachtjeloob, -loozer, -loost. |
Gedachteloosheid, V, Gedachtengang, M. Gedachtenis, V., gedachtenissen. 6e dachtenisje, O., -jes. Gedachtenkring, M. Gedachtenloop, M. Gedachtenstreep, V., -strepen. Gedachtenwisseling, V., -wisselingen. Gedachtig. Gedamd. Gedamp, o. Gedans, o. Gedarmte, O., gedarmten. (tEDARTEL, o. Gedaver, O. Gedecideerd. Gedecideerdheid, V. Gedecolleteerd. Gedecoreerd. Gedeeld. Gedeelte, o., gedeelleri. Gedeeltelijk. Gedegen. Gedegradeerd. Gedekt. Gedenkboek, o., -boeken; -boekje, o., -jes. Gedenkdag, M., -dagen. Gedenken, gedacht, heeft gedacht. Gedenknaald, V., -naaiden. Gedenkpenning, M., -penningen. Gedenkrol, V., -rollen. Gedenkschrift, O., -schriften. Gedenksteen, M., -steenen. Gedenkstuk, o., -Stukken. Gedenktafel, V., -tafelen en -tafels. Gedenkteeken, O,, -teekenen en -tee-kens. Gedenkwaakoiit, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Gedenkwaardigheid, v., -heden. Gedenkzuil, v , -zuilen. Gedeputeerde, M., gedeputeerden. Gedicht, O., gedichten. Gedichtje, O., -jes. Gediende, M., gedienden. Gedienstig, gedienstiger, gedienstigst. Gedienstige, M. en V., gedienstigen. Gedienstigheid, V., -heden. Gedierte, O., gedierten. Gedijen, gedijde, is en heeft gedijd. Geding, O., gedingen. Gedistilleerd, O. Gedistingeerd, gedistingeerder, gedis tingeerdst. Gedobbel, O. Gedoe, O. GeDOEN, ook gedoente, O. Gedomicilieerd. Gedommel, O. Gedonder, O. Gedoogen, gedoogde, heeft gedoogd. Gedoornd en gedorend. Gedraaf, o. |
GfflD.
GEE.
116
|
(tEDRAAI, O. Oedbao, O. Ctedragen (zich -), gedroeg zich, heeft zich gedragen. Gedraging, V., gedragingen. Gedragslijn, V. Gedrang, O. Gedrentel, O. Gedreun, 0. Gedribbel, o. Gedriehoekt. Gedrocht, o., gedrochten. Gedrochtje, O., -jes. Gedrochtelijk, -lyker, -lykst. Gedrochtelijkheid, V., -heden. Gedrongen, gedrongener, gedrongenst. Gedrongenheid, V. Gedruisch, O. Gedrukt, gedrukter, gedruktst. Gedruktheid, V. Gedruppel en gedroppel, O. Geducht, geduchter, geduchtst. Geduchtheid, V. GeduIvel, O. Geduld, O. Geduldig, geduldiger, geduldigst. gedu i.digheid, v. geduldiglijk. Gedurende. Gedurig. Gedwarrel, O. Gedwarsbalkt. Gedwee, gedweeër, gedweest. Gedweeheid, V. Gedwongen, gedwongener, gedwon- genst. Gedwongenheid, V. Geef (Te â). Geefster, V., geefsters. Geel, geler, geelst. Geel (kleur), o. (teel (vischnet), V., geelen. Geelachtig, -achtiger, -achtigst. Geelachtigheid, V. Geelbal, M., -ballen. Geelbes, V., -bessen. Geelbleek, -bleeke. Geelbloem, V., -bloemen. Geelbruin. Geelgieten, o. Geelgieter, M., -gieters. Geelgieterij, V., -gieteryen. Geelgors, V., -gorsen. Geelhaar, O. Geelhart, O. Geelheid, V. Geelhout, O. Geelkoper, O. Geelpelde. Geelrood, -roode. Geelsel, O. Geeltje, O., -jes. Geelvink, M., -vinken. Geelwortkl, V. |
Geelzucht, V. Geëmancipeerd. Geen (ontkenning), geene. Geenerhande. Ge ener lei. Geëngageerd. Geëngageerden (mv.), M. Geenszins. Geep, V., geepen. Geepje, O., -jes. Geer, V., geeren. Geertje, O., -jes. Geerard (kruid), V. Geerardskruid, O. Geeren, geerde, heeft gegeerd. Geërfde, M. en V., geërfden. Geerig. Geertelsel, M., -telsels. Geerten, geertte, heeft gegeert. Geervalk, M., -valken. Geesel, M., geesels en geeselen. Geesel- tje, O., -jes. Geeselbank, V., -banken. Geeselbroeder, M., -broeders. Geeselen, geeselde, heeft gegeeseld. Geeseling, V., geeselingen. Geeselmonnik, M., -monniken. Geeselpaal, M., -palen. Geeselpaard, O., -paarden. Geeselroede, V., -loeden. Geeselslag, M., -slagen. Geeselsteen, M., -steenen. Geeselstraf, V. Geest (ziel en geestverschyning), M., geesten. Geestje, O., -jes. Geest (zandige streek), V. Geestachtig, -achtiger, -achtigst, Geestdoodend, -doodender, -doodendst. Geestdrift, v. Geestdriftig, -driftiger, -driftigst. Geestdrijvend. Geestdrijver, M., -dryvers. Geestdrijverij, V. Geestelijk. Geestelijke, M., geesteiyken. Geestelijkheid, V. Geesteloos, -loozer, -loost. Geesteloosheid, v. Geestenbanner, M., -banners. Geestendom, o. Geestenleer, V. Geestenrijk, O. Geestenwereld, V. Geestenziener, M., -zieners. Geestesgaven (mv.), V. Geestesrichting, V., -richtingen. Geestgrond, M., -gronden. Geestig, geestiger, geestigst. Geestigheid, V., -heden. Geestiglijk. Geestkracht, V. Geestrijk. Geestverheffend. Geestverheffing, V. Geestvermogen, O., -vermogens. |
GEH.
GEE.
117
|
(teestvebbchijning, v., -verschyningen. Geestverwant, M., -verwanten. Geeuw, M., geeuwen. Geeuwtje,0.,-jes. Geeuwen, geeuwde, heeft gegeeuwd. Geeuwerig, geeuweriger, geeuwerigst. Geeuwerigheid, V. Geeuwhonger, M. Geëvenredigd. Gefemel, O. Gefijmel en gefiemel, O. Gefladder, O. Gefleem, O. Geflikflooi, o. Geflikker, o. Geflonker, O. Gefluister, O. Gefluit, O. Gefoeter, o. Gefonkel, O. Geforceerd. Gefortuneerd. Gefutsel, O. Gegadigde, M. en V., gegadigden. Gegaffeld. Gegalgd. Gegalm, O. Gegeven, O., gegevens. Gegiegel, O. Gegil, O. Geginnegab en geginnegap, O. Geglansd. Gegleufd. Geglinster, o. Gegoed, gegoedst. Gegoedheid, v. Gegolf, O. Gegolfd. Gegons, O. Gegoochel, O. Gegooi, O. Gegrabbel, o. Gegradueerd. Gegradueerde, M., gegradueerden. Gegrijns, o. Gegrinnik, o. Gegroefd. Gegroept. Gegrom, O. Gegrond, gegronder, gegrondst. Gegrondheid, v. Gehaast, O. Gehaast (bnw.). Gehaat, gehater, gehaatst. Gehak, o. Gehakkel, o. Gehakketeer, o. Gehakt, O. Gehaktje, O. Gehakt (bnw.). Gehalsband. Gehalsd. Gehalte, o., gehalten. Gehamer, o. Gehandsohoend. Gehang, ü. |
Gehard, geharder, gehardst. Gehardheid, V. Geharnast. Geharrewar, o. Gehaspel, o. Gehecht. Gehechtheid, V. Geheel, geheele. Geheel, O., geheelen. Gehei, O. Geheiligd, geheiligdst. Geheim, geheimer, geheimst. Geheim, O., geheimen. Geheimpje, O., -jes. Geheimenis, V., geheimenissen. Geheimhouden, hield geheim, heeft geheimgehouden. Geheimhouding, V. Geheimschrift, O. Geheimschrijver, M., -schryvers. Geheimzinnig, -zinniger, -zinnigst. Geheimzinnigheid, V. Gehelmd. Gehemelte, O., gehemelten. Gehemelteletter, V., -letters. Geheng, O., geheugen. Gehengel, O. Gehengen, geheugde, heeft gehengd. Geheugen, O. Geheugenis, V., geheugenissen. Geheugenloos, -loozer, -loost. Geheugenwerk, O. Gehijg, O. Gehik, O. Gehinnik, o. Gehoefd. Gehoefslaagde, M. en V., gehoefslaag- den. Gehoekt. Gehoepel, o. Gehoest, o. Gehol, O. Gehoofd (gehuisd en â). Gehoor, O., gehooren. Gehoorbeen, O., -beenderen; -beentje, O., -jes. Gehoorgang, V., -gangen. Gehoorig, gehooriger, gehoorigst. Gehoorigheid, V. Gehoornd en gehorend. Gehoororgaan, o., -organen. Gehoorweg, M., -wegen. Gehoorzaal, V., zalen; -zaaltje, O., -jes. Gehoorzaam, -zamer, -zaamst. Gehoorzaamheid, V. Gehoorzamen, gehoorzaamde, heeft gehoorzaamd. Gehoorzaming, V. Gehoorzenuw, V., -zenuwen. Gehots, o. Gehouden (bnw.). Gehoudenheid, V. Gehoudenis, V., gehoudenissen. |
|
GEH. 1 Gehucht, o., gehuchten. Gehuchtje, o., -jes. Gehuichel, O. Gehuil, O. Gehuisd. Gehumeurd. Gehunker, o. Gehuppel, O. Gehuwd. Gei, V., geien. Geiblok, O., -blokken en -bloks. Geien, geide, heeft gegeid. Geijkt. Geil, geiler, geilst. Geil (vocht), O. Geil (plant), O. Geilen, geilde, heeft gegeild. Geilheid, V. Geïllustbeebd. Geinsteb, V., geinsters. Geïnteresseebd. Geit, V., geiten. Geitje, O., -jes. Geitachtig. Geitebaabd, M., -baarden. Geitebok, M., -hokken; -bokje, O.,-jes. Geiteleeb en geitenleeb, O. Geiteleeben en geitenleeben (bnw.). Gkitenblad, O. Geitenhaar, ü. Geitenhoedeb, M., -hoeders. Geitenhoedsteb, V., -hoedsters. Geitenmelk, V. Geitenmelkeb, M., -melkers. Geitenstal, M., -stallen; -stalletje, O., -jes. Geitepoot, M., -pooten. Geitevel, O., -vellen; -velletje, O., -jes. Geitevellen (bnw.). Geitevleesch en geïtenvleesch, O. Geitouw, O., -touwen. Gejaag, O. Gejaagu, gejaagder, gejaagdst. Gejaagdheid, V. Gejacht, O. Ge jakkek, O. Gejakt. Gejammeb, O. Gejank, O. Gejoel, o. Gejubel, O. Gejuich, O. Gejukt. Gek, gekker, gekst. Gek (dwaas en draaiende kap), M., gekken. Gekje, O., -jes. Gekabbel, O. Gekakel, O. Gekamd. Gekamerd. Gekapt. Gekarteld. Gekef, O. Gekelkt. Gekeperd. |
GEK. Gekerm, O. Gekeuvel, 0. Gekeuzel, o. Gekheid, V., -heden. Gekheidje, O , -jes. Gekibbel, o. Gekield. Gekieskauw, O. Gekietel, o. Gekijf, O. Gekir, O. Gekittel, O. Gekkelijk, -lyker, -IJjkst. Gekkelijkheid, V. Gekken, gekte, heeft gegekt. Gekkendag, M., -dagen. Gekkenfeest, O., -feesten. Gekkengetal, O. Gekkenhuis, o., -huizen. Gekkennommer, O. Gekkenpraat, M. Gekkentaal, V. Gekkenwerk, O. Gekkkr, M., gekkers. Gekkernij, V., gekkernyen. Gekker- nytje, O., -jes. Gekkin, V., gekkinnen. Gekkinnetje, O., -jes. Geklaag, O. Geklad, O. Geklag, O. Geklap, O. Geklapper, O. Geklater, O. Geklauter, O. Geklauwd. Geklaterd. Gekleed, gekleeder, gekleedst. Geklep. O. Geklepper, O. Geklets, O. Gekletter, O. Gekleurd. Geklikkak, O. Geklonken. Geklop, O. Geklots, o. Geklungel, O. Gekluts, O. Geknabbel, O. Geknal, O. Geknap, O. Geknabs, O. Geknetter, o. Gekneveld. Geknikt. Geknip, O. Geknipoog, o. Geknoei, O. Geknopt. Geknor, o. Geknot, geknotte. Geknuffel, O, Geknutsel, O. Gekoeter, o. Gekoï Gekof Gekob Gekoi Gekot Gekoi Gekra GEKRi GEKR4 GEKRi Gekra GEKRi Gekre gekri gekri gekri gekri gekri Gekri Gekri Gekbc GEKRf Gekrc Gekr( Gekrc Gekri Gekri Gekri Gekri Gekri Geksc gek Geksc Geksi Geksi -ka Geksi Gekse je. Geks1: Geks: Geku Geku Geku: Geku Geku Geku Geku Geku Gkkw Gekw Gekw Gkkw Gekw Gekw Gekw Gekw Gek^ Gekv gekv Gekv Gela Gela Gela |
GEK.
GEL.
119
|
Gekonkel, o. Gekoppeld. Gekorven. Gekots, o. Gekoust. Gekout, o. Gekbaagd. Gekraai, O. Gekraak, O. Gekras, o. Gekrabbel, o. Gekeas, o. Gekreun, O. Gekriebel, o. Gekriel, o. Gekrieuw, o. Gekriewel, O. Gekrijsch, o. Gekrijt, O. Gekrioel, O. Gekroesd. Gekromd. Gekronkel, O. Gekrookt. Gekroond. Gekruimel, O. Gekruind. Gekruist. Gekrukt. Gekruld. Gekscheeben, gekscheerde, heeft gegekscheerd. Gekscheren, O. gekskap(kap), V., -kappen; -kapje, o. ,.jes. Gekskap (persoon), M. en V., -kappen; -kapje, O., -jes. Gekskolf, V., -kolven; -kolfje, O., -jes. Geksstok (zotskolf),M.,-stokken; -stokje, O., -jes. Geksteken, O. Gekstok (van eene pomp), M., -stokken. Gekuch, o. Gekuier, O. Gekuifd. Gekuip, O. Gekuischt, gekuischter. Gekuipchtheid, V. Gekunsteld. Gekunsteldheid, V. Gkkwaak, o. Gekwak, O. Gekwansel, o. Gekwartileerd. Gek wast. Gekweek en gekwek, O. Gekweel, o. .Gekwel, o. Gekwetter, o. Gekwezel, o. Gekwul, o. Gekwispel, o. Gelaarsd. Gelaat, o. Gelaatkunde, V, |
Gelaatkundig. Gelaatshoek, M., -hoeken. Gelaatskleur, V. Gelaatsspier, V., -spieren. Gelaatstint, V. Gelaatstrek, M., -trekken. Gelaatstype, O., -typen. Gelach (het lachen), O. Gelag (drinkgelag), O., gelagen. Gelag (lot), O. Gelagkamer, V., -kamers. Gelakt. Gelambbizeebd . Gelamenteeb, O. Geland. Gelande, M. en V., gelanden. Gelang (Naar â van). Gelasten, gelastte, heeft gelast. Gelastigde, M. en V., gelastigden. Gelaten, gelatener, gelatenst. Gelaten (zich â), geliet zich, heeft zich gelaten. Gelatenheid, V. Gelatine. Gelauwebd. Geld, O., gelden. Geldje, O. Geld (bnw.), gelde. Geldboete, V., -boeten. Geldelijk, Geldeloos, -looze. Gelden, gold, heeft gegolden. Geldend. Geldgebbek, O. Geldhandel, M. Geldheffing, V., -heffingen. Geldig, geldiger, geldigst. Geldigheid, V. Geldjesdag; M. Geldkist, V., -kisten. Geldkoebs, M., -koersen. Geld i ade, V., -laden; -laatje, o., -jes. Geldleening, V., -leeningen. Geldmarkt, V., -markten. Geldmiddelen (mv.), O. Geldschieter, M., -schieters. Geldslaan. O. Geldsom, V., -sommen. Geldstuk, O., -stukken;-stukje, O.,-jes. Geldswaarde, V. Geldswaardig. Geldtrommel, V., -trommels; -trommeltje, O,, -jes. Geldverlies, O., -verliezen. Geldwinning, V. Geldzaak, V., -zaken. Geldzak, M.. -zakken; -zakje, O., -jes. Geldzucht, V. Geldzuchtig, -zuchtiger, -zuchtlgst. Geleden. Geledigd. Geleding, V.. geledingen. Geleed, gelede. Geleend. Geleerd (kundig), geleerder, geleerdst. |
GEL.
GEL.
120
|
Geleerd (geladderd). Geleebde, M. en V., geleerden. Geleerdheid, V,, -heden. Gelegen, gelegener, gelegenst. Gelegenheid, V., -heden. Gelegenheidje, O., -jes. Gelegenheidsgedicht, o., -gedichten. Gelegenheidspreek, V., -preeken. Gelegenheidsvers, o., -verzen. Gelei, V , geleien. Geleiachtig, -achtiger, -achtigst. Geleibiljet, o., -biljetten. Geleibrief, M., -brieven. Geleide, O. Geleidelijk, -lijker, -lykst. Geleiden, geleidde, heelt geleid. Geleider, M., geleiders. Geleiding, V , geleidingen. Geleidraad, M., -draden. Geleidster en -star, V., -sterren en -starren. Geleidster, V., geleidsters. Geleigeest, M., -geesten. Geleigeld, o., -gelden. Gelel, O. Gelen, geelde, heeft en is gegeeld. Geletterd. Geletterdheid, V. Geleuter, O. Gelfsch. Gelid, O., gelederen. Geliefd, geliefder, geliefdst. Geliefde, M. en V., geliefden. Geliefhebbeb, O. Geliefkoosd. Gelieven (mv.), M. Gelieven, geliefde, heeft geliefd. Gelijk, gelyker, geiykst. Gelijk, o. Gelijkbeenig. Gelijkbreien, breide gelyk, heeft ge- lijkgebreid. Gelijkdraadsch. Gelijkelijk. Gelijken, geleek, geleken, heeft geleken. Gelijkenis, V., gelijkenissen. Gelijkerwijze en -wijs. Gelijkheid, V. Gelijkhoekig. Gelijkkloppen, klopte gelyk, heeft ge- lykgeklopt. Gelijkknippen, knipte gelyk, heeft ge- geiykgeknipt. Gelukkomen, komt gelijk, kwam gelyk, kwamen gelijk, is gelijkgekomen. Gelijkloopen, liep gelijk, heeft gelyk- geloopen. Gelijkluidend. Gelijkluidendheid, V. Gelijkmaken, maakte gelyk, heeft gelijkgemaakt. Gelijkmatig, -matiger, -matigst. Gelijkmatigheid, V. Gelijkmoedig, |
Gelijkmoedigheid, V. Gelijknamig. Gelijknamigheid, V. Geli.tkschaven, schaafde gelyk, heeft gelijkgeschaafd. Gelijkslachtig. Gelijkslachtigheid, V. Gelijksoortig. Gelijksoortigheid, V. Gelijkstaan, staat gelijk, stond gelyk, heeft gelykgestaa.n. Gelijkstandig. Gelijkstellen, stelde gelijk, heeft gelijkgesteld. Gelijkstruken, streek gelijk, streken gelijk, heeft gelykgestreken. Gelijkteeken, O., -teekens. Gelijktijdig. Gelijktijdigheid. V. Gelukvijlen, vylde gelijk, heeft ge- lij kgevy ld. Gelijkvloeiend. Gelijkvloers. Gelijkvormig. Gelijkvormigheid, V. Gelijkvormigheidspunt, O., -punten. Gelijkzijdig. Gelijkzijdigheid, V. Gelijnd. Gelik, O. Gelinieerd. Gelispel, O. Gelletje, O., -jes. Gelling, V. Geloei, O. Gelofte, V., geloften. Geloftenis, V., geloftenissen. Gelol, O. Gelonk, O. Geloof, O. Geloofbaar, -baarder, -baarst. Geloofbaarheid, V. Geloofelijk, -lyker, -lykst. Geloofelijkheid, V. Geloofsartikel, O., -artikelen en -artikels. Geloofsbelijdenis, V., -belydenissen. Geloofsbrief, M., -brieven. Geloofsdwang, M. Geloofsgenoot, M., -genooten. Geloofsgenoote, V., -genooten. Geloofshaat, M. Geloofsheld, M., -helden. Geloofsleer, V. Ge loofsovertu i g i ng.V., -overtu igingen Geloofspunt, O., -punten. Geloofsstuk, O., -stukken. Geloofsverwant, M.f -verwanten. Geloofsverwante, V., -verwanten. Geloofsvrijheid, V., Geloofswaarheid, V., -waarheden. Geloofszaak, V., -zaken. Geloofwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. |
GEM.
121
GEL.
|
Geloofwaabdigheid, v. Geloop, o. Gelooven, geloofde, heeft geloofd. Geloovig, gelooviger, geloovigst. Geloovige, M. on V., geloovigen. Geloovigheid, v. Gelui, o. Geluid, O., geluiden. Geluidje, O., -jes. Geluidsleer, V. Geluiek, O. Geluimd. Geluk, O. Gelukje, O., -jes. Gelukken, gelukte, is gelukt. Gelukkig, gelukkiger, gelukkigst. Gelukkigerwijze en -wus. Geluksbode, M. en V., -boden. Geluksgodin, V., -godinnen. Gelukskind, o., -kinderen. Geluksster en -star, V., -sterren en -starren. Geluksvogel, M., -vogels. Gelukwensch, M., -quot;wenschen. Gelukwenschen, wenschte geluk, heeft gelukgewenscht. Gelukwensching, v., -wenschingen. Gelukzalig, -zaliger, -zaligst. Gelukzaligheid, V., -heden. Gelukzoeker, M., -zoekers. Ge lusten, gelustte, heeft gelust. Gemaakt, gemaakter, gemaaktst. G emaaktheID, v. Gemaal, M, gemaals en gemalen. Gemaal (gezanik), O. Gemaal , O. (Gemaal en geslacht). Gemacht, o. Gemachtigde, M. en V., gemachtigden. Gemak, O., gemakken. Gemakje, O., -jes. Gemakkelijk, -lyker, -lykst. Gemakkelijkheid, v. Gemakshalve. Gemakzucht, v. Gemal, O. Gemalin, V., gemalinnen. Gemanierd, gemanierder, gemanierdst. Gemanierdheid, V. Gemartel, o. Gemaskerd. Gematigd, gematigder, gematigdst. Gematigdheid, v. Gemauw, O. Gember, v. Gemberbier, O. Gemberlepel, M., -lepels. (lembebpot, m., -potten. Gemberstroop, v. Gembervork, V., -vorken. Gemeen, gemeener, gemeenst. (iEMEEN, O. Gemeenebest, o., -besten. Gemeenheid, V., -heden. Gemeeniteit, V., -teiten. Gemeenlandshuis, o. Gemeenlijk. Gemeenplaats, V., -plaatsen. |
Gemeenschap, V., -schappen. Gemeenschappe li jk. Gemeenslacht i g. Gemeenslachtigheid, V. Gemeensman, M., -lieden. Gemeente, V., gemeenten. Gemeente-archief, O., -archieven. Gemeente-archivaris, M., -archivarissen. Gemeentebegrooting,V., -begrootingen. Gemeentebelasting, V., -belastingen. Gemeentebestuur, O., -besturen. Gemeentehuis, O., -huizen. Gemeentenaar, M., -naren. Gemeente-ontvanger, M., -ontvangers. Gemeente-opzichter, M., -opzichters. Gemeenteraad, M., -raden. Gemeenterekening, V. Gemeenteschool, V., -scholen. Gemeentesecretaris, M.,-secretarissen. Gemeentewet, V., -wetten. Gemeentezaak, V., -zaken. Gemeenzaam, -zamer, -zaamst. Gemeenzaamheid, V., -heden. Gemeesmuil, O. Gemeet, O. Gemelijk, -lijker, -lijkst. Gemelijkheid, V. Gemengd. Gemerkt. Gemet, o., gemeten. Gemetsel, o. Gemiauw of gemiaauw, O. Gemiddelde, o., gemiddelden. Gemijmer, O. Gemijterd. Gemis, O. Gemoed, O., gemoederen. Gemoedelijk, -lyker, -lijkst. Gemoedelijkheid, v. Gemoedsaandoening, V.,-aandoeningen. Gemoedsaard, M. Gemoedsbeweging, V., -bewegingen. Gemoedsbezwaar, O., -bezwaren. Gemoedsgesteldheid, V. Gemoedsleven, O. Gemoedsrust, V. Gemoedsstemming, V., -stemmingen. Gemoet (Te gemoet). Gemok, O. Gemompel, O. Gemopper, O. Gemor, O. Gemors, o. Gems, V., gemzen. Gemsje, O., -jes. Gemshoorn, M., -hoorns. Gemurmel, o. Gemutst. Gemzeleer en gemzen leer, o. Gemzeleeren en gemzen leeren (bnw.). Gemzenhaar, O. Gemzenjacht, V. Gemzenjager, M., -jagers. Genaakbaar, -baarder, -baarst. |
GEN.
GEN.
122
|
Genaakbaarheid, V. Genaamd. Genade, V. Genadebhood, O. Genadegift, V., -giften. Genademiddel, O., .middelen. Genadeslag, M. Genadevebbond, O. Genadig, genadiger, genadigst. Genadigheid, V. Genaken, genaakte, is genaakt. Genan en gênant, M. en V., genannen en genanten. V. ook genante. Gendarme, M., gendarmes. Gendarmerie, V. Gene (gindsche). Genealogie, V., genealogieën. Genealogisch. Genealoog, M., genealogen. Geneeren (fr. gêner), geneerde, heeft gegeneerd. Geneesbaar, -bare. Geneesheer, M,, -heeren. Geneeskracht, V. Geneeskunde, V. Geneeskundige, M. en V., -kundigen. Geneeskunst, V. Geneeslijk en geneseluk, -lijker, -lykst. Geneesmeester, M., -meesters. Geneesmiddel, O., -middelen. Geneesvleesch, O. Geneeswijze en geneeswijs, V.,-Wijzen. Genegen, genegener, genegenst. Genegenheid, V., -heden. Geneigd, geneigder, geneigdst. Geneigdheid, V. Generaal, M., generaals. Generaal-majoor, M., -majoors. Generaalschap, ü. Generaliteit, V. Generaliteitslanden (mv.), o. Generen (zich â), (onderhouden), geneerde zich, heeft zich geneerd. Genereus, genereuzer, genereust. Genet, o., genetten. Geneugte, Vâ geneugten. Geneurie, o. Genezen, genas, genazen, heeft en is genezen. Genezing, V., genezingen. Geniaal, genialer, geniaalst. Genialiteit, V. Genie (wapen in 't leger), V. Genie (vernuft en vernuftig persoon), O., genieën. Geniep (In 't --), O. Geniepig, geniepiger, geniepigst. Geniepigerd, M., geniepigerds. Genikpigheid, v. Genieten, genoot, genoten, heeft genoten. Genieter, M., genieters. Genieting, V., genietingen. Genius, M., geniën. |
Genoeg. Genoegdoening, V. Genoegen, O., genoegens. Genoegen, genoegde, heeft genoegd. Genoeglijk, -lyker, -lykst. Genoeglijkheid, V., -heden. Genoegzaam, -zame. Genoegzaamheid, V. Genoffel, V., genoffels. Genomen. Genoot, M., genooten. Genoote, V., genooten. Genootschap, O., -schappen. Genootschappe l i jk . Genootschapsjaar, o., -jaren. Genot, O. Gent, M., genten. Gentiaan, V., gentianen. Genugte, V., genugten. Geograaf, M., geografen. Geographie, V. Geographisch. Geologie, V. Geologisch. Geoloog, M., geologen. Geoorloofd, geoorloofder, geoorloofdst. Geoorloofdheid, V. Gepaard. Gepalmd. Gepareld. Geparfumeerd. Gepasporteebd. Gepast, gepaster, meest gepast. Gepastheid, V. Gepatenteerd. Gepeesd. Gepeins, O., gepeinzen. Gepen, O. Gepeperd. Geperforeerd. Gepers, O. Gepeupel, O. Gepeuter, O. Gepeüzel, O. Gepiep, O. Gepijnd. Geplab, O. Geplekt. Geploeter, O. Gepluimd. Gepluimte, O. Gepluk, O. Gepoch, O. Gepomp, O. Gepooi, o. Gepook, O. Gepopel, O. Gepor, O. Geposeerd, geposeerder, geposeerdst. Gepraal, O. Gepraat, o. Gepressbbrd. Geprevel, O. Geprik, O. |
t
GER.
123
GEP.
|
geprikkel, o. Geproest, o. Gepromoveerd. Gepromoveerde, M., gepromoveerden. Gepronk, o. Gepruii., o. Gepruttel, O. Gepuf, o. Gepunt. Gepurperd. Geraakt. Geraaktheid, v. Geraamte, O., geraamten. Geraas, o. Geraaskal, o. Geraden. Gerafel, o. Geraffel, o. Gerak, O. Geraken, geraakte, is geraakt. Gerammef, o. Gerand. Geranium, V., geraniums. Geratel, o. Gerecht en gericht (rechtbank), O., gerechten en gericht en. Gerecht (spijs), O., gerechten. Gerechtje, O., -jes. Gerecht, gerechter, gerechtst. Gerechtelijk. Gerechtig, gerechtiger, gerechtigst. Gerechtigd. Gerechtigen, gerechtigde, heeftquot; gerechtigd. Gerechtigheid, V. Gerechtsbode, M., -hoden. Gerechtsdag, M., -dagen. Gerechtsdienaar, M., -dienaars en -dienaren. Gerechtsgebouw, O., -gebouwen.1 Gerechtshof, O., -hoven. Gerechtszaak, V., -zaken. Geredeneer, O. Gereed, gereeder, gereedst. Gerfedelijk. Gereedheid, V. Gereedhouden, hield gereed, heeft ge- reedgehouden. Gereedkomen, komt gereed, kwam gereed, kwamen gereed, is gereedgekomen. Gereedleggen, legde en leide gereed, heeft gereedgelegd. Gereedliggen, lag gereed, lagen gereed, heeft gereedgelegen. Gereedmaken, maakte gereed, heeft gereedgemaakt. Gereedschap, o., -schappen. Gereedstaan, staat gereed, stond gereed, heeft gereedgestaan. Gereedzetten, zette gereed, heeft gereedgezet. Gereformeerd. |
Gereformeerde, M. en V., gereformeerden. Gereget d, geregelder, geregeldst. Geregeldheid, V. Gerei, O. Gerekt, gerekter, gerektst. Gerektheid, V. Gerel, O. Geren, O. Gereutel, O. Gerevel, o. Gerfkamer, V., -kamers. Gerfschaaf, V., -schaven. Gergel, ook girgel, M., gergels en girgels. Geribd. Gericht. Zie Gerecht. Gerief, O. Geriefelijk, -lyker, -lykst. Geriefelijkheid, V., -heden. Gerieven, geriefde, heeft geriefd. Gerij, O. Gering, geringer, geringst. Geringachten. achtte gering, heeft geringgeacht. Geringachtjng, V. Geringd. Geringheid, V., -heden. Geringschatten, schatte gering, heeft geringgeschat. Geringschatting, V. Gerinkel, O. Gerinkink, O. Gerist. Geritsel, o. Germanisme, O, germanismen. Germanist, M., Germanisten. Germanistisch. Gerochel, O. Geroep, O. Geroffel, o. Gerokt. Gerol, o. Gerommei , o. Geronk, O. Geronnen. Geros, O. Geroutineerd. Gerridon, M., gerridons. Gerst, ook garst, V. Gerstje, 0., -jes. Gerstebier, O. Gerstebrij, V. Gerstebrood, O., -brooden. Gerstedrank, M., -dranken. Gerstekorrel en gerstkorrel, V. -korrels. Gerstemeel, o. Gerstenat, o. Gerstepap, V. Gerstewater, O. Gerucht, O., geruchten. Geruchtje, O. -jes. Geruim (In een geruimen tyd). Geruisch, O. |
!
GER. 124 GES.
|
Geruit. Gerust, geruster, meest gerust. Gerustelijk. Gerustheid, V. Geruststellen, stelde gerust, heeft gerustgesteld. Geruststellend. Geruststelling, V. Gerw, V. Gesar, o. Geschaard. Geschacher, o. Geschaduwd. Geschakeerd. Geschal, o. Geschapen. Gescharrel, O. Geschater, O. Gescheept. Gescheld, O. Geschemer, o. Geschenk, O., geschenken. Geschenkje, O , -jes. Gescherm, O. Gescherts, O. Geschetter, O. Gescheurd. Geschiedboek, ü., -boeken. Geschieden, geschiedde, is geschied. Geschiedenis, V., geschiedenissen. Ge- schiedenisje, O., -jes. Geschiedenisles, V., -lessen. Geschiedkunde, V. Gesch i edkundig. Geschiedkundige, M. en V., -kundigen. Geschiedrol, V., -rollen. Geschiedschrijver, M., -schryvers. Geschiedverhaal, O., -verhalen. Geschiedvorscher, M., -vorschers. Geschiet, O. Geschikt, geschikter, geschiktst. Geschiktheid, V. Geschil, o., geschillen. Geschilletje, o., -jes. Geschilpunt, O,, -punten. Geschilstuk, O., -stukken. Geschimmeld. Geschimp, O. Geschitter, O. Geschommei., o. Geschooi, O. Geschraap, O. Geschreeuw, O. Geschrei, O. Geschrift, o., geschriften. Geschriftje, O., -jes. Geschrijf, O. Geschrob. O. Geschrok, O. Geschrol, O. Geschubd. Geschuif, O. Geschuifel, 0. Geschut, O, |
Geschutbedding, V., -beddingen. Geschutstelling, V., -stellingen. Geschuttalie, V., -talies. Geschutvuur, o. Gesidder, O. Gesignaleerd. Gesis, o. Gesjor, O. Gesjouw, O. Geslacht (familie, soort), O., geslachten. Geslacht (slacht), O. Geslachtelijk. Geslachtrekening, V. Geslachtsboom en geslachtboom, M., -boomen. Geslachtsdeelen (mv.), O. Geslachtsdrift, v. Geslachtsnaam en geslachtnaam, M., â¢namen. Geslachtswapen en geslachtwapen, O., -wapens. Gesleep, O. Geslemp, O. Geslenter, O. Geslepen, geslepener, geslepenst. geslepenhe'd, V. Geslinger, O. Ges lobber, O. Gesloten, geslotener, geslotenst. Geslotenheid, v. Gesmaal, O. Gesmak, O. Gesmeek, O. Gesmeer, O. Gesmijde, O. Gesmijdig, gesmydiger, gesmydigst. Gesmijuigheid, V. Gesmook, O. Gesmul, o. Gesnaard. Gesnap, o. Gesnater, O. Gesnauw, O. Gesnedene, M., gesnedenen. Gesnik, O. Gesnoef, O. Gesnoep, o. Gesnor, O. Gesnork, O. Gesnotter, O. Gesnuif, o. Gesnurk, O. Gesoes, O. Gesorteerd. Gesp, m., gespen. Gespje, O., -jes. Gespan (span), o. Gespartel, O. Gespeel (het spelen), o. Gespelen (makkers), M. en V. Gespen, gespte, heeft gegespt. Gespenfabriek, v., -fabrieken. Gespenmaker, M., -makers. Gespierd, gespierder, gespierdst. Gespierdheid, V, |
GET.
125
GES.
|
Gebpin, O. Gesping, V., gespingen. Gespoord. Gespouwen. Gesprek, O., gesprekken. Gesprekje, O., -jes. Gesprekke (,, o. Gesprenkei.d. Gespring, O. Gespuis, O. Gespuw, O. Gest. Zie Gist. gestaai.d. Gestadig, gestadiger, gestadigst. Gestadigheid, V. Gestadigluk. Gestalte, V., gestalten. Gestaltenis, V. Gestamel, O. Gestamer, O. Gestamp, O. Gestampvoet, O. Gestand (Gestand doen). Gestarnd, gestarnte. Zie Gesternd, Gesternte. Geste, V., gestes. Gesteen, O. Gesteente, O., gesteenten. Gesteentenkenner, M., -kenners. Gestel, O., gestellen. Gestelletje, O., -jes. Gesteld. Gesteldheid, V., -heden. Gesteltenis, V. Gesternd en gestarnd. Gesternte en gestarnte, O., gesternten en gestarnten. Gesteun, O. Gesticht, O., gestichten. Gestichtje, O., -j®3- . , ... Gesticulatie, V., gesticulatiën en gesticulaties. Gesticuleeren, gesticuleerde, heeft gegesticuleerd. Gestoei, O. Gestoelte, O., gestoelten. Gestoffeerd. Gestommel, O. Gestotter, o. Gestreept. Gestreng, gestrenger, gestrengst. Gestrenge lijk. Gestrengheid, V., -heden. Gestribbel, O. Gestrikt. Gestrompel, o. Gestropt. Gestudeerd. Gestuif, o. Gesuf, o. Gesuis, o. Gesukkel, o. Getabbaard en getabberd. Getal, o., getallen (Ten getale van). Getallenleer, V. |
Getalm, O. Getalmerk, O., -merken. Getalsterkte, V. Getand. Geteekend. Geteem, o. Getemperd. Geteut, o. Getïer, O. Getij, o. Getijde, O., getjjden. Getijdenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Getijgerd. Getik, O. Getimmer, O. Getimmerte, ü., getimmerten. Getjilp, O. Getob, O. Getoet, O. Getogen (verl. deelw.). Getokkel, O. Getongd. Getouw, O., getouwen. Getralied. Getrappel, O. Getreuzel, O. Getrippel, O. Getrommel, O. Getroost. Getroosten (zich â), getroostte zich, heeft zich getroost. Getrouw, getrouwer, getrouwst. Getrouwd. Getrouwel'jk. Getrouwheid, V. Getrouwigheid, V. Getuigd. Getuige, M. en V., getuigen. Getuigen, getuigde, heeft getuigd. Getuigengeld, ü. Getuigenis, O. en V., getuigenissen. Getuigenverhoor, o., -verhoeren. Getuigschrift, o., -schriften. GETUiMEL, O. Getulband. Getuur, O. Getwist, O. Geul, V., geulen. Geultje, O., -jes. Geur, M., geuren. Geurtje, 0., -jes. Geuren, geurde, heeft gegeurd. Geurig, geuriger, geurigst. Geurigheid, V. Geurm, O. Geurstof, V., -stoffen. Geus (persoonsnaam), M., geuzen. Geus (vlag), V., geuzen. Geusje, O., -jes. Gevaar (aanhoudend varen), O. Gevaar (hachelijke kans), O., gevaren. Gevaarlijk, -lyker, -lykst. Gevaarlijkheid, V. Gevaarte, O., gevaarten. Gevaarvol, -volle. Gevaccineerd. |
ÃEV.
Q-EV.
126
|
Gevader, M., gevaders. Gevaderschap, O. Geval, O., gevallen. Gevalletje, O., -jes. Gevallen, geviel, is gevallen. Geval lig, gevalliger, gevalligst. Gevalligheid, V. Gevangen. Gevangenbewaarder, M., -bewaarders. Gevangene, M. en V., gevangenen. Gevangenhuis, O., -hulzen. Gevangenis, V., gevangenissen. Gevangenisstraf, V. Gevangeniswezen, ü. Gevangenmaken, maakte gevangen, heeft gevangengemaakt. Gevangennemen, nam gevangen, namen gevangen, heeft gevangengenomen. Gevangenneming, V., -nemingen. Gevangenpoort, V., -poorten. Gevangenschap, V. Gevangenwagen, M., -wagens. Gevangenzetten, zette gevangen, heeft gevangengezet. Gevangenzetting, V., -zettingen. Gevangenzitten, zat gevangen, zaten gevangen, heeft gevangengezeten. Gevankelijk. Gevat, gevatter, gevatst. Gevatheid, V. Gevecht, O., gevechten. Gevechtsafstand, M., -afstanden. Gevechtsstelling, V., -stellingen. Gevederd. Geveinsd. Geveinsde, M. en V., geveinsden. Geveinsdheid, V. Gevel, m., gevels. Geveltje, O., -jes. Geven, gaf, gaven, heeft gegeven. Gevensgezind. Gevensgezindheid, V. Gever, M., gevers. Geverseerd. Gevest, O., gevesten. Gevit, O. Gevlakt. Gevlamd. Gevleesd. Gevlei, o. Gevlekt. Gevleugeld. Gevlij (in 't â), o. Gevloek, O. Gevoed. Gevoedheid, V. Gevoeg, O. Gevoeglijk, -lijker, -lykst. Gevoeglijkheid, V. Gevoel, O. Gevoelen, o., gevoelens. Gevoelen, gevoelde, heeft gevoeld. Gevoelig, gevoeliger, gevoeligst. Gevoeligheid, V., -heden. Gevoelloos, -loozer, -loost. Gevoelloosheid, V. |
Gevoelsleven, O. Gevoelbmensch, M., -menschen. Gevoelszenuw, V., -zenuwen. Gevoelszin, M. Gevogelte, o. Gevolg, O., gevolgen. Gevolglijk. Gevolgtrekking, v., -trekkingen. Gevolmachtigde, M.,gevolmachtigden. Gevonkel, O. Gevorkt. Gevrij, o. Gewaad, O., gewaden. Gewaagd, gewaagder, gewaagdst. Gewaagdheid, V. Gewaai, o. Gewaand. Gewaarworden, wordt gewaar, werd gewaar, is gewaargeworden. Gewaarwording, v., -wordingen. Gewag, O. Gewagen, gewaagde, heeft gewaagd. Gewaggel, O. Gewalm, O. Gewandel, o. Gewapend. Gewapenderhand. Gewapper, O. Gewarrel, O. Gewas, o., gewassen. Gewasje, o., -jes. Gewaterd. Gewauwel, O. Geweeklaag, O. Geween, O. Geweer., ü., geweren. Geweertje, o., -jes. Geweerkogel, M., -kogels. Geweerkolf, v., -kolven. Geweerloop, M , -loopen. Geweermaker, M., -makers. Geweerrek, O., -rekken. Geweerschot, o., -schoten. Geweervuur, O. Gewei (geweide), O. Geweld, O. Gewelddadig, -dadiger, -dadigst. Gewelddadigheid, V., -heden. Geweldenaar, M., geweldenaars en geweldenaren. Geweldenarij, v., geweldenarijen. Geweldig, geweldiger, geweldigst. Gewelf, 0â gewelven. Gewelfje, o.,-jes. Gewemel, o. Gewennen, gewende, heeft gewend. Gewenscht, gewenschter, meest ge- wenscht. Gewerveld. Gewest, O., gewesten. Gewestelijk. Geweten, O., gewetens. Gewetenloos, -loozer, -loost. Gewetenloosheid, V. Gewetensbezwaar, O., -bezwaren. Gewetensdwang, m. Gewetensvraag., V., -vragen. |
GrEW.
ftEZ.
127
|
ÃKWETENgVRlJHElD, V. Gewetenszaak, V., -zaken. Gewettigd. Gewezen. Gewicht, O., gewichten. Gewichtje, O., -jes. Gewichtig, gewichtiger, gewichtigst. Gewichtigheid, V. Gewichtseenheid, V., -eenheden. Gewiekt. Gewijd. Gewijsde, O., gewijsden. Gewikst, gewikster. Gewikstheid, v. Gewild, gewilder, gewildst. Gewillig, gewilliger, gewilligst. Gewilligheid, V. Gewin, o. Gewinnen, gewon, gewonnen, heeft gewonnen. Gewinziek, -zieker, -ziekst. Gewis, gewisser, meest gewis. Gewisheid, V. Gewisse, O. Gewisse lijk. Gewoel, O. Gewo -KT. Gewoon, gewoner, meest gewoon. Gewoonheid, V. Gewoonlijk. Gewoonte, V., gewoonten. Gewobden, gewordt, gewerd, is geworden. Gewormte, o. Geworstel, O. Geworteld. Gewricht, O., gewrichten. Gewriemel, o. Gewrocht, O., gewrochten. Gewroet, O. Gewrongen, gewrongener, gewrongenst. Gewrongenheid. Ge worm, O. Gezaag, o. Gezaaide, o. Gezabber, o. Gezag, O. Gezaghebbend. Gezaghebber, M., -hebbers. Gezagvoerder, M., -voerders. Gezalfde, M., gezalfden. Gezamenlijk. Gezang, o., gezangen. Gezangetje, o.,-jes. Gezangboek,©.,-boeken; -boekje, ü.,-ie3. Gezangbundel, M., -bundels. Gezanik, o. Gezant, M,, gezanten. Gezantschap, o., -schappen. Gezantschapshotel, o., -hotels. Gezantschapssecretaris, M., -secretarissen. Gezeegd. Gezeever, O. Gezegde, o., gezegden. |
Gezegeld. Gezegend, gezegender, gezegendst. Gezeggen (zich laten â). Gezeglijk, -lyker, -l\jkst. Gezeglijkheid, V. Gezel, M., gezellen. Gezellig, gezelliger, gezelligst. Gezelligheid, V. Gezellin, V., gezellinnen. Gezellinnetjei O., -jes. Gezelschap, O., -schappen. Gezelschapslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes. Gezelschapsplicht, M., -plichten. Gezelschapsrekening, V. Gezelschapsspel, O., -spelen en -spellen. Gezelschapszaal, V., -zalen. Gezet, gezetter, gezetst. Gezeten. Gezetheid, V. Gezeur, O. Gezicht, O.,gezichten. Gezichtje,O., -jes Gezichteinder, M. Gezichtsafstand, M., -afstanden. Gezichtsbedrog, o. Gezichtshoek, M., -hoeken. Gezichtskring, M. Gezichtslijn, V., -lijnen. Gezichtsorgaan, O., -organen. Gezichtspunt, O., -punten. Gezichtsveld, o., -velden. Gezien. Gezin, O., gezinnen. Gezind. Gezindheid, V., -heden. Gezindte, V., gezindten. Gezocht, gezochter, gezochtst. Gezochtheid, V. Gezoek, O. Gezoen, O. Gezond, gezonder, gezondst. Gezondheid, V., -heden. Gezondheidsbitter, O. Gezondheidscommissie, V.,-commi33iën. Gezondheidsgordel, M., -gordels. Gezondheidsleer, V. Gezondheidsmaatregel, M., -maatregelen. Gezondheidspas, M., -passen. Gezondheidspolitie, V. Gezondheidsregel, M., -regelen. Gezondheidstoestand, M. Gezokdmakertje, O., -makertjes. Gezondmaking, V. Gezucht, O. Gezult. Gezusters en gezusteren (mv.), V. Gezwagers (mv.), M. Gezwatel, O. Gezwavel, O. Gezweef, O. Gezwel, o., gezwellen. Gezwelletje, o. -jes. Gezwsbm, O. |
GEZ.
128
GIJ.
|
Gezwets, O. Gezwind, gezwinder, gezwindst. Gezwindheid, V. Gezwoeg, O. Gezwollen, gezwollener, gezwollenst. Gezwollenheid, v. Gezworene, M., gezworenen. Gichelen, giebelde, heeft geglcheld. Gids, M. en V., gidsen. Gidsartikel, O., -artikelen. Giegagen, giegaagde, heeft gegiegaagd. Giegelen, giegelde, heeft gegiegeld. Giek, V., gieken. Giekslag, m., -slagen. Gier, M., gieren. Gierbrüg, V., -bruggen. Gierbuizerd, M., -buizerds. Gieren, gierde, heeft gegierd. Gierennest, O., -nesten. Gierig, gieriger, gierigst. Gierigaard, M., gierigaards. Gierigheid, V. Giering, V., gieringen. Gierkabel, M., -kabels. Gierketting, M., -kettingen. Gierkoning, M., -koningen. Gierpont, V., -ponten. Gierst, V. Gierstje, o., -jes. Gierstgras, O. Gierstvink, M., -vinken. Giertelsel, m,, -telsels. Giertoom, M., -toornen. Giertouw, O., -touwen. Giervalk, M., -valken. Giervogel, m., -vogels. Gierzwaluw, V., -zwaluwen. Gieteling, M., gietelingen. Gietemmer, M., -emmers. Gieten, goot, goten, heeft gegoten. Gieter, m., gieters. Gieterij, v., gieterijen. Gietgat, O., -gaten. Giethuis, o., -huizen. Gietijzer, o. Gieting, V., gietingen. Gietlepel, M., -lepels. Gietlogen, M. en V., -logens. Giettrechter, m., -trechters. Gietsel, o., gietsels. Gietstaal, o. Gietvorm, M., -vormen. Gif en gift (vergif, O., giften. Gift (geschenk), V., giften. Giftje, O., -jes. Giftbeker, M., -bekers. Giftbrief, M., -brieven. Giftig, giftiger, giftigst. Giftigheid, V. Giftklier, V., -klieren. Giftmenger, M., -mengers. Gifttand, M, -tanden. öig, V., giggen. Gu. Gijbelen, gebelde, heeft gegybeld. |
Gijk, V., gyken. Gul, O. Gijlen, gülde, heeft gegijld. Gijling, V. Gïjlküip, v., -kuipen. Gun, O., gijnen. Gijnblok, O., -blokken en -bloks. Gijnlooper, M., -loopers. Gijp, v. Gijpen, gijpte, heeft gegijpt. Gijzelaar, m., gijzelaars en gijzelaren. Gijzelen, gijzelde, heeft gegijzeld. Gijzeling, V., gijzelingen. Gijzei.kamer, V., -kamers. Gil, M., gillen. Gilletje, o., -jes. Gild en gilde, O., gilden. Gildebrief, M., -brieven. Gildebroeder, M., -broeders. Gildemeester, M., -meesters. Gi ldepatroon, M. -patroons. Gildepenning, M., -penningen. Gildos, M., -ossen. Gillen, gilde, heeft gegild. Gilling (scheepsw.), V., gillingen. Ginder. Ginds (byw.). Gindsch (bnw.). Gingang, O. Ginnegabben en ginnegappen, ginne-gabde en ginnegapte, heeft geginne-gabd en geginnegapt. Ginnegabber en ginnegapper, M., gin- negabbers en ginnegappers. Ginst, V. Gips, O., gipsen. Gipsafgietsel, O., -afgietsels. Gipsbeeld, o., -beelden; -beeldje, 0., -jes. Gipsen (bnw.). Gipsen, gipste, heeft gegipst. Gipsverband, o., -verbanden. Gipsvorm, M., -vormen. Giraffe, V., giraffen en giraffes. Girandole, V., girandoles. Girgel. Zie Gergel. Girsen, girste, heeft gegirst. Gis, V. Gisp, V., gispen. Gispen, gispte, heeft gegispt. Gisper, m., gispers. Gisping, V., gispingen. Gissen, giste, heeft gegist. Gisser, M., gissers. Gissing, v., gissingen. Gissinkje, o., -jes. Gist, V. Gisten, gistte, heeft gegist. Gisteravond. Gisteren. Gistermiddag. Gistermorgen. Gisternacht. Gisterochtend. Gisting, V. Gistkladder, M., -kladders. Gistkdip, V., -kuipen. |
GLA.
GIS.
129
|
Gist vorming, V. Gistzwam, V., zwammen. Git (stof), O.; (stuk), V., gitten. Gitje, O., -jes. Gitaak, V., gitaren. Gitaardoos, V., doozen. Gitaarharp, V., -harpen; Gitaarspeler, M., -spelers. Gittegom. Zie Guttegom. Gitten (bnw.). Gitzwart. Glaasje. Zie Glas. Glaceetjes (mv.), O. Glacéhandschoen, M., -handschoenen. Glacis, O., glacieün. Glad, gladder, gladst. Gladakker, M. gladakkers. Gladarig. Gladborstelen, borstelde glad, heeft gladgeborsteld. Gladden, gladde, lieeft geglad. Gladdigheid, V. Gladheid, V. Gladiator, m., gladiatoren. GLADPLooxiiN, plooide glad, heeft glad-geplooid. Gladschaven, schaafde glad, heeft gladgeschaafd. Gladscheren, schoor glad, schoren glad, heeft gladgeschoren. üladschuren, schuurde glad, heeft glad- geschuurd. Gladslijpen, sleep glad, slepen glad, heeft gladgeslepen. Gladstrijken, streek glad, streken glad, heeft gladgestreken. Gladvulen, vijlde glad, heeft gladge-vyid. Gladwrijven, wreef glad, wreven glad, heeft gladgewreven. Glans, M., glansen. Glansijzer, O., -ijzers. Glanspapier, O. Glanspunt, o., -punten. Glansrijk, -rijker, rijkst. Glansrijkheid, v. Glanssteen, M., -steenen. Glansstijfsel, v. Glanzen, glansde, heeft geglansd. Glanzer, M., glanzers. Glanzig, glanziger, glanzigst. Glanzigheid, v. Glanzing, V. Glas (stof), o.; (stuk), o ,glazen.Glaasje, o., -jes. Glasachtig. Glasblazen, O. Glasblazer, M., -blazers. Glasblazerij, V., -blazerijen. Glasgordijn, v. en o., -gordijnen. Glashelder. Glaskruid, o. Glasraam, O., -ramen. Glasruit, V., -ruiten. |
Glaswerk, O. Glazen (bnw.). Glazendak, O., -daken. Glazendeur, V., -deuren. Glazendoek, M., -doeken. Glazenkast, V,, -kasten. Glazenmaker, M., -makers. Glazenspuit, V., -spuiten. Glazenwasscher, M., -wasschers. Glazenwasscherij, v. Glazig, glaziger, glazigst. Glazigheid, v. Glazuur, O. Glazuursel, o. Glee, V., gleeën. Gleierwerk, o. Gleis, O. Gleiswerk, ü. Gleuf, v., gleuven. Gleufje, o., -jes. Glibberen, glibberde, is geglibberd. Glibberig, glibberiger, glibberigst. Glibberigheid, v. Glid, ü. Glidkruid, O. Glijbaan, V., -banen; -baantje, O., -jes. Glijden, gleed, gleden, heeft en is gegleden. Glltgewicht, o., -gewichten. Glim hout, O. Glimlach, M.; -lachje, O., -jes. Glimlachen, glimlachte, heeft geglimlacht. Glimmen, glom, glommen, heeft geglommen. Glimmend, glirnmender, glimmendst. Glimmer, ü. Glimp, M. Glimpend. Glimpig, glimpiger, glimpigst. Glimworm, M., -wormen; -wormpje, O., -jes. Glinster, M., glinsters. Glinsteren, glinsterde, heeft geglinsterd. Glinsterend, glinsterender, glinste-rendst. Glinsterig, glinsteriger, glinsterigst. Glinstering, V., glinsteringen. Glint, 0., glinten. Glinting, V., glintingen. Glintinkje, O., -jes. Glip, M, glippen. Glippen (ontglippen),.glipte, is geglipt. Glipper, M., glippers. Glissen, gliste, heelt en is geglist. Glit, O. Globaal, globale. Globe, V., globes. Gloed, M. Gloednieuw. Gloeien, gloeide, heeft gegloeid. Gloeiend, glooiender, gloeiendst. Gloeiendheet, -heete. Gloeierig, |
1
GOD,
130
QLO.
|
Gloeihitte, V. Gloeiing, V., gloeiingen. Gloeilamp, V., -lampen. Gloeilichaam, O., -lichamen. Gloeilicht, O. Gloeioven, M., -ovens. Gloeipan, V., -pannen. Gloeiplaat, V., -platen. Glooien, glooide, heelt geglooid. Glooiend. Gloohng, V., glooiingen. Glooiingshoek, M., -hoeken. Gloor, M. Glop, O., gloppen. Glopje, O., -jes. Globen, gloorde, heeft gegloord. Glorie, V. Glorieus, glorieuzer. Gloring, V. Glos en glosse, V., glossen. Glossarium, O., glossaria. Glui, O., gluien. Gluip, V., gluipen. Gluipen, gluipte, heeft gegluipt. Gluiper, M., gluipers. Gluiperd, M., gluiperds. Gluiperig, gluiperiger, gluiperigst. Gluipsch. Glunder, glunderder, glunderst. Glunderheid, V. Gluren, gluurde, heeft gegluurd. Gluring, V., gluringen. Gluur, M. Gluurtje, o , -jes. Gluurder, M., gluurders. Glycerine, V. Gnap, gnapper, gnapst. Gniffelen, gniflelde, heeft gegniffeld. Gnorten, gnortte, heeft gegnort. God, M. 3de nv. Gode. God (in het heidendom), M., goden. Godje, O., -jes. Goddank. Goddelijk, -lyker, -lykst. Goddelijkheid, V. Goddeloos, -loozer, -loost. Goddeloosheid, V., -heden. Godebehaaglijk. Godendom, O. Godendrank, M., -dranken. Godenleer, V. Godenmaal, O., -malen. Godenspijs, V., -spijzen. Godes, V.. godessen. Godgansch. Godganschelijk. Godgeklaagd. Godgeleerd. Godgeleerde, M., -geleerden. Godgeleerdheid, V. Godgewijd. Godheid, V., -heden. Godin, V., godinnen. Godlof. Godloochenaar, M., -loochenaars. Godloochening, V. |
Godmensch, M. Godsakker, M. Godsbegbip, O., -begrippen. Godsbestuub, O. Godsdienst, M., -diensten. Godsdiensthaat, M. Godsdienstig, -dienstiger, -dienstigst. Godsdienstigheid, V. Godsdienstleeb, V. Godsdienstleebaar, M., -leeraars. Godsdienstoefening, V., -oefeningen. Godsdienstonderwijs, O. Godsdienstonderwijzer, M., -onderwy-zers. Godpdienstcoblog, M., -oorlogen. Godsdienstplicht, M., -plichten. Godsdienstwetenschap, V. Godsdienstzin, M. Godsgericht, O., -gerichten. Godsgezant, M., -gezanten. Godshuis, O., -huizen. Godsjammerlijk, -lijker, -lijkst. Godslasteraar, M., -lasteraars en-lasteraren. Godslastering, V., -lasteringen. Godslasterlijk. Godsman, M., -mannen. Godsoordeel, O., -oordeelen. Godspenning en goodspenning, ï\r.,-penningen. Godsregeering, V. Godsrijk, o, Godsspraak, V., -spraken. Godsvereering, V. Godsvrucht, V. Godvergeten. Godvleezend, -vreezender, -vreezendst. Godvreezendheid, V. Godvruchtig, -vruchtiger, -Vruchtigst. Godvruchtigheid, quot;V. Godzalig, -zaliger, -zaligst. Godzaligheid, V. Goed, beter, best. Goed, O., goederen. Goedje, O. Goedaardig, -aardiger, -aardigst. Goedaabdigheid, V. Goeddeels. Goeddoen, doet goed, deed goed, deden goed, heeft goedgedaan. Goeddunken, o. Goeddunken, dunkt goed, dachten docht goed, heeft goedgedacht en goedge-docht. Goedendag, M., goedendags. Goedendagzeggen, zeide goedendag. heeft goedendaggezegd (-gezeid). Goedebenbubeau, o., -bureau's. Goedebenhandel, M. Goedebenkantoob, O., -kantoren. Goedebenloods, V., -loodsen. Goedebentbein, M., -treinen. Goedebenvebvoeb, o. Goedebenwagen, M., -wagens. Goedebhand (Van â). |
QON.
131
GOE.
|
Goedertieren, -tierener, -tierenst. Goedertierenheid, V., -heden. Goedgeefsch. Goedgeefschheid, V. Goedgeloovig, -gelooviger, -geloovigsfc. Goedgunstig, -gunstiger, -gunstigst, i. Goedgunstigheid, V. Goedhartig, -hartiger, -hartigst. Goedhartigheid, V. Goedheid, V., -heden. Goedig, goediger, goedigst. Goedigheid, V. Goedkeuren, keurde goed, heeft goedgekeurd. Goedkeuring, V., -keuringen. Goedkoop, «kooper, -koopst (ook beterkoop). Goedkoopheid, V. Goedlachsch. Goedleersch. Goedleven (Pater â), M. Goedmaken, maakte goed, heeft goed-!vs- gemaakt. Goedmaking, V. Goedmoedig, -iger, -igst. Goedpraten, praatte goed, heeft goedgepraat. Goedrojsd. sn- Goedrondheid, V. Goedschiks. Goedsmoeds. Goedvinden, vond goed, heeft goedgevonden. Goedvinden, O. Goedwillig, -williger, -willigst. Goedwilligheid, V. 1st. Goeierd, M., goeierds. Goelijk, -lyker, -lijkst. jst. Goelijkheid, V. Goesting, v. Golf, v., golven. Golfje, O., -jes. Golfachtig. Golfbreker, M., -brekers. Golflijn, V., -lijnen. Golfslag, M. Golfstroom, M., -stroomen. Golven, golfde, heeft gegolfd, ien Golving, V., golvingen. Gom, V., gommen. Gomachtig, -achtiger, -achtigst. cht Gombal, M., -ballen; -balletje, o., -jes. [ge- Gomboom, M., -boomen. Gomdragant, ü. Gomflesch, V., -llesschen; -fleschje, O., ia gr -jes. Gomkwast, M., -kwasten. Gomlastiek en gom-ei.astiek, o. Gomlastieken (bnw.). Gommen, gomde, heelc gegomd. Gommig, gommiger, gommigst. Gomming, v. Gondel, v., gondels. Gondeltje, O.,-jes. Gondelier, m., gondelieren en gonde-liers. |
Gong, V., gongs. Goniometrie, V. Goniometrisch. Gons, M. Gonstol, M., -tollen. Gonzen, gonsde, heeft gegonsd. Goochelaar, M., goochelaren en goo chelaars. Goochelaarskunst, V.,-kunsten; -kunstje, O., -jes. .. Goochelarij, V., goochelaryen. Goochelbal, M., -ballen. Goochelbeker, M., -bekers. Goochelen, goochelde, heeft gegoocheld. Goochelkunst, V. Goochelspel, q. Goochelstuk, O., -stukken. Goocheltasch, V , -tasscheu. Goocheltoer, M., -toeren. Goodspenning. Zie Godspenning. Gooi (worp), V., gooien. Gooi (naam eener landstreek), O. Gooien, gooide, heeft gegooid. Gooier, M., gooiers. Goor, gore, goorder, goorst. _ Goorachtig, -achtiger, -achtigst. Goorheid, V., -heden. Goot, V., goten. Gootje, O., -jes. Gootgat, O., -gaten. Gootplank, V., -planken. Gootrecht, ü. Gootsteen, M., -steenen. Gootwater, o. Gord (scheepsw.), V., gorden. Gordel, M., gordels. Gordeltje, ü., -jes Gordeldier, o., -dieren. Gordelriem, M., -riemen. Gordelroos, V Gorden, gordde, heeft gegord. Gordijn, V. en O., gordijnen. Gordijntje. O, -jes. Gordijnfranje, V. Gordijnkoord, O., -koorden. Gordijnring, M., -ringen. Gordijnroede, V., -roeden. Gording, V., gordingen en gordings. Gorgel, M., gorgels. Gorgeltje, O., -jes Gorgeldrank, M., -dranken. Gorgelen, gorgelde, heeft gegorgeld. Gorgeling, V., gorgelingen. Gorgelwater, O. Gorig, goriger, gorigst. Gorigheid, V., -heden. Gors (vogel), V., gorzen. Gors (land), V. en O., gorzen. Gorsdijk, M., -dijken. Gort (grutten), V., gorten. Gortje, O., -je.s Gortbus, V., -bussen; -busje, O., -jes. Gortenteller, M., -tellers. Gortepap, V. Gorter, m., gorters. Gorterij, V. Gortewater, O. Gortig, gortiger, gortigst. |
GRA.
132
GOR.
|
öortigheid, v. Gorzekij, V. Gorzing, V., gorzingen. Goteling, M., gotelingen. Gothiek, V. Gothisch. Goud, O. Goudader, v., -aderen en -aders. Goudbeurs, V., -beurzen. Goudblond. Goudbrons, O. Gouddorst, M. Gouddraad, o. Gouden (bnw.). Goudenregen, M., -regens. Goudessaai, o., -essaaien. Goudgeel, -gele. Goudgeld, o. Goudgewicht, O., -gewichten. Goudgulden, M., â¢guldens. Goudhaan, M., -hanen;-haantje, O.,-jes. Goudklomp, M., -klompen; -klompje, O., -jes. Goudkoorts, v. Goudlak, O. Goudlaken, O. Goudlakensch. Goudmijn, V., -mijnen. Goudsbloem, V., -bloemen. Goudschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes. Goudsmid, M., -smeden. Goudstuk, o,, -stukken; -stukje, o., -jes. Goudveld, o., -velden. Goudvink, M., -vinken. Goudzoeker, M., -zoekers. Gouvernante, V., gouvernantes. Gouvernement, ü., gouvernementen. Gouvernementsambtenaar, M., -ambtenaars en -ambtenaren. Gouverneur, M., gouverneuren en gouverneurs. Gouverneur-generaal, M., gouverneuren- en gouverneurs-generaal. Gouw, V. Gouwenaar (Goudsche pijp), M , gouwenaars. Graad, M., graden. Graadje, O., -jes. Graadboog, M., -bogen; -boogje,. O.,-jes. Graadmeting, V., -metingen. Graaf, m., graven. Graafje, o., -jes. Graafschap (in 't algemeen), O., -slt; happen. Graafschap (van Zutfen), V. Graag, grager, graagst. Graagheid, V. Graagte, V. Graan, O., -granen. Graantje, O., -jes. Graanbouw, M. Graangewas, o., -gewassen. Graankooper, M., -koopers. Graanmarkt, v., -markten. Graanoogst, M., -oogsten. Graanpakhuis, o., -pakhuizen. |
Graanrecht, O., -rechten. Graanzolder, M., - zolders. Graat, V., graten. Graatje, 0.; -jes. Grabbel, V. Grabbel aar, M., grabbelaars. Grabbelen, grabbelde, heeft gegrabbeld. Gracelijk, -lijker, -lijkst. Gracelijkheid, V. Gracht, V., grachten. Grachtje, O.,-jes. Grachtwater, O. Gracieus. Gradeeren. Gradeermachine, V. Graecisme, O., graecismen. Graf, O., graven. Grafje, O., -jes. Grafelijk en graaflijk. Grafelijkheid en graaflijkheid. Grafheuvel, M., -heuvels. Grafkelder, M., -kelders. Grafkuil, M., -kuilen. Grafmonument, O., -monumenten. Grafschrift, O., -schriften. Grafsteen, M., -steenen. Grafstem, V. Grafteeken, o., -teekens. Graftombe, V., -tombes en -tomben. Grafwaarts. Grafzerk, V., -zerken. Gram (gewicht), O., grammen. Gram, grammer, gramst. Grammatica, V., grammatica's. Grammaticaal, grammaticale. Gramschap, V. Gramstorig, -storiger, -storigst. Gramstorigheid, V. Granaat (boom), Ml; (vrucht), V., granaten. Granaat (edelgesteente), M., granaten; (stof), O. Granaatje, O., -jes. Granaat (projectiel), V., granaten. Granaatappel, M., -appels. Granaatkartets, V., -kartetsen. Granaatvrij. Granaatvuur, O. Graniet, O. Granietrots, V., -rotsen. Grap, V., grappen. Grapje, ü., -jes. Graphiet, O. Grappenmaker, M., -makers. Grappig, grappiger, grappigst. Grappigheid, V. Gras, O., grassen en grazen. Grasje, O., -jes. Grasachtig. Grasboter, V. Grasduinen (mv.), V. (In â gaan). Grasduinen, grasduinde, heeft gegrasduind. Grasetting, V. Grasgewas, O., -gewassen. Grasgroen. Grashalm, M., -halmen. Graskaas, V., -kazen. Grasland, o., -landen. |
GRA.
133
GRE.
|
öraslinnen, o. Grasmaaier, M., -maaiers. Grasmaand, V. Grasperk, O., -perken. Grasplein, O., -pleinen. Grasscheut, M.t -scheuten; -scheutje, O., -jes. Grasspriet, M., -sprieten; -sprietje, O., -jes. Grasveld, O., -velden. Grasvellig. Grasvilt, V. Graszaad, ü. Graszode, V., -zoden. Gratias, V. Gratie (bevalligheid en genade), V. Gratie (godin), V., Gratiën. Gratificatie, V., gratificatiën en grati- licaties. Gratig, gratiger, gratigst. Gratigheid, V. Gratis. Grauw (snauw), M., grauwen. Grauw (gemeen volk), O. Grauw, grauwer, grauwst. Grauwen, grauwde, heeft gegrauwd. Grauwgors, V., -gorzen. Grauwheid, V. Grauwigheid, V. Grauwtje, O., -jes. Graveel, O. Graveelachtig. Graveelig, graveeliger, graveeligst. Graveeligheid, V. Graveerder, M., graveerders. Grave eren, graveerde, heeftgegraveerd. Graveerijzer, O., -yzers. Graveering, V. Graveerkunst, V. Graveernaald, V., -naalden. Graveerstaal, O. Graveerstift, V., -stiften. Graveerwerk, O. Graven, groef, groeven, heeft gegraven. Gravenkroon, V., -kronen; -kroontje, O., -Jes. Graver, M, gravers. Graveur, M., graveurs. Gravin, V., gravinnen. Gravinnetje, o., -jes. Graving, V,, gravingen. Gravinnentooi, m. Gravure, V., gravures. Grazen, graasde, heeft gegraasd. Grazig, graziger, grazigst. Greb, v., grebben. Greel (voor gareel), O., greelen. Greep (het grijpen), m. en v., grepen. Greepje, O., -jes. Greep (handvol, handvatsel en mest- vork), v., grepen Greepje, O., -jes. Greid, v., greiden. Greidboer, m., -boeren. Greidhoek, m. |
Grein (korrel, gewicht en geweven stof), O., greinen Greintje, ()., -jes. Greinen (bnw.). Greling, M., grelingen. Grenadier, M., grenadiers. Grenadiersmuts, V., -mutsen. Grendel, M., grendels en grendelen. Grendeltje, ü., -jes. Grendelen, grendelde, heeft gegrendeld. Grendelslot, o., -sloten. Grendelsteen, M., -steenen. Grenen (bnw.). Grenenhout, O. Grenenhouten (bnw.). Grens, V., grenzen. Grensbewoner, M, -bewoners. Grenskantoor, O., -kantoren. Grenslijn, V., -lynen. Grensmuur, M., -muren. Grenspaal, M., -palen. Grensplaats, V., -plaatsen. Grensregeling, V., -regelingen. Grensscheiding, V., -scheidingen. Grensverandering, v., -veranderingen. Grensvesting, V., -vestingen. Grenzen, grensde, heeft gegrensd. Grenzenloos, -looze. Greppel, V., greppels. Greppeltje, O., -jes. Gretig, gretiger, gretigst. Gretigheid, V. Gretiglijk. Grief en grieve, V., grieven. Griefje, ü., -jes. Griek, m., Grieken. Griekje, o., -jes. Griekenland, O. Grieksch. Grieksch, O. Griel, V., grielen. Griend, V., grienden. Griendbaas, M.. -bazen. Griendgewas, O. Griendkade, V., -kaden. Griendwaard, V., -waarden. Griep, V. Grieperig. Griesmeel, O. Griet, V., grieten. Grietje, O., -jes. Grietenij, V., grietenijen. Grietjesbras, M., -brassen. Grietman, M., -mannen. Grieve. Zie Grief. Grieven, griefde, heeft gcgrield. Grievend, grievender, grievendst. Grieving, V. Griezelen, Griezelig. Zie Gryzelen, Gr^zelig. Griezeltje, O., -jes. Grif, grifler, grifst. Grif (byw.). Griffel, V., griffels. Griffeltje. O., -jes. Griffelen, griffelde, heeft gegriffeld. Griffen, grifte, heeft gegrift. |
IF
GUI.
134
ÃRI.
|
Gtriffie, v., grlffiën en griffies. (tkiffier, m., griffiers. Griffierschap, O. Griffiersplaats, V., -plaatsen. Griffioen en griffoen, M., griffioenen en griffoenen. Grifheid, V. Grift, V., griften. Griftje, O., -jes. Griftenkoker, M., -kokers. Grifweg. Grijn (knorrepot), M., grynen. Grijnen, green, grenen, heelt gegrenen; ook grijnde, heeft gegrynd. Grijnig, grijniger, grijnigst. Grijns, V., grynzen. Grijnslach, M.; -lachje, O., -jes. Grijnslachen, grijnslachte, heeft gegrijnslacht. Grijnzaard, M.. grynzaards. Grijnzen, grijnsde, heeft gegrijnsd. Grijnzing, V.. grijnzingen. Grijp, M., gry pen. Grupachtig, -achtiger, -achtigst. Grijpen, greep, grepen, heeft gegrepen. Grijpvogel, M., -vogels. Grijs, grijzer, grijst. Grijsaard, M., grijsaards. Grijsachtig, -achtiger, -achtigst. Grijsbaard, M., -baarden. Grijsblauw. Grijsharig. Grijsheid, v. Grijskop, M., koppen. Griizelen (griezelen), grijzelde, heelt gegrijzeld. Grijzen, grijsde, is gegrysd. Grijzigheid, V. Gril, V., grillen. Grilletje, O., -jes. Grillen, grilde, heeft gegrild. Grillig, grilliger, grilligst. Grilligheid, V., -heden. Grilling, V., grillingen. Grim, V. Grimas, V., grimassen. Grimassen, grimaste, heeft gegrimast. Grimassenmaker. M., -makers. Grimbekken, grimbekte, heelt gegnm-bekt. Grimlach, M.; -lachje, O., -jes. Grimlachen, grimlachte, heeft gegrimlacht. Grimmelen, grimmelde, heeft gegnm-meld. Grimmen, grimde, heeft gegrimd. Grimmer, M., grimmers Grimmig, grimmiger, grimmigst. Grimmigheid, V. Grimster, V., grimsters. Grind, o. Grindbank, V., -banken. Grind-depot, O., -depot's. Grinden, grindde, heeft gegrind. Grindweg, M., -wegen. Grindzand, O. |
Grinniken, grinnikte, heeft gegrinnikt Grisette, V., grisettes. Grissen, griste, heeft gegrist. Groef, V., groeven. Groefje, o., -jes. Groefbeitel, M., -beitels. Groefschaaf, V., -schaven. Groefverband, o., -verbanden. Groei, m. Groeien, groeide, is gegroeid. Groeiing, V. Groeikracht, V. Groeisel, O. Groeistuip, V.,-stuipen; -stuipje, O.,-jes. Groeizaam, -zamer, -zaamst. Groeizaamheid, V. Groen, groener, groenst. Groen (nieuweling), M., groenen. Groentje, O., -jes. Groen (kleur), O. Groenachtig, -achtiger, -achtigst. Groenboer, M., -boeren. Groenen, groende, heeft en is gegroend. Groengrond, M., -gronden. Groenheid, V. Groenig. Groenigheid, V. Groenlandsvaarder, M., -vaarders. Groenling, M., groenlingen. Groenloopen, liep groen, heeft groen- geloopen. Groenmarkt, V., -markten. Groensel (vogel), M., groensels. Groensel (groente en verfaarde), O. Groente, V., groenten. Groenteboer, M., -boeren. Groentesoep, V. Groentijd, M. Groenvrouw, V., -vrouwen. Groep, V., groepen. Groepje, O., -jes. Groepeeren, groepeerde, heeft gegroepeerd. Groepeering, V., groepeeringen. Groepen, groepte, heeft gegroept. Groet, M., groeten. Groete, V., groeten. Groeten, groette, heeft gegroet. Groetenis, V., groetenissen. Groeven, groefde, heeft gegroefd. Groeze, V. Groezelig, groezeliger, groezeligst. Groezeligheid, V. Grof, grover, grofst. Grofachtig. Grofgrein, O., -greinen. Grofheid, V., -heden. Grofsmederij. V., -smederijen. Grofsmid, M., -smeden. Grofte, V. Grog, M. Grogje, O., -jes. Grogglas, O., -glazen. Grogstem, V., -stemmen. Grol, V., grollen. Grollen, grolde, heeft gegrold. Grollenmaker, M., -makers. |
GEO.
GRO.
135
|
Grollig, grolliger, grolligst. Grom, O. Grombaard, M., -baarden. Grommelen, grommelde, heeft gegrommeld. Grommelig, grommeliger, grommeligst. Grommeling, V., grommelingen. Grommen (knorren), gromde, heeft gegromd. Grommen (ingewand uithalen), gromde, heeft gegromd. Grommer, M., grommers. Grommig, grommiger, grommigst. Grommigheid, V. Grompot, M. en V., -potten. Grond, M., gronden. Grondbeginsel, O., -beginselen. Grondbegrip, O., -begrippen. Grondbelasting, V., -belastingen. ; Grondbezit, o. 1 Grondbezitter, M., -bezitters, i Grondboring, V.. -boringen. â Grondeigenaar, M., -eigenaars, j Grondeigendom,M. en O.,-eigendommen, j Grondel, M., grondels. ; Grondeling, M., grondelingen. Grondeloos, -loozer, -loost. Grondeloosheid, v. Gronden, grondde, heeft gegrond, j Gronderig, grondiger, gronderigst. ; Gronderigheid, v. I Grondgebied, o. Grondgesteldheid, v. Grondig, grondiger, grondigst. \ Grondigheid, V. j Grondijs, O. Gronding, V. ; Grondlegger, M., -leggers, i Grondpapier, o. Grondsap en -sop, O. |Grondslag, M., -slagen. 1 Grondspecie, V., -speciën. Grondstof, V., -stoffen. Grondtoon, M., -tonen. Grondverf, v. | Grondvesten, grondvestte, heeft gegrondvest. ; Grondvesting, V., -vestingen. I Grondvorm, M., -vormen. | Grondwet, V., -wetten. || Grondwetgever, M., -gevers. Grondwetsherziening, V., -herzienin-gen. ; Groot, grooter, grootst. « Groot (muntstuk), M., grooten. Groot (in het â), o. I Grootachtbaar,-bare. 5 Grootachtbaabheid, V. Grootboek, o., -boeken. } Grootbrengen, bracht groot, heeft grootgebracht. Grootdadig, -dadiger, -dadigst. GrootdadigheId, V. i Grootedelachtbaar,-bare. |
Grootelijks. Grootendeels. Groothandel, M. Groothandelaar, M., -handelaars. Groothartig, -hartiger, -hartigst. Groothartigheid, V. Grootheid, V., -heden. Grootheidswaanzin, M. Groothertog, M., -hertogen. Groothertogdom, o., -hertogdommen. Groothouden (zich â), hield zich groot, heeft zich grootgehouden. Grootje, O., -jes. Grootkruis, O., -kruisen. Grootmachtig, -machtiger, -machtigst. Grootmaken (verheerlyken), maakte groot, heeft grootgemaakt. Grootmaking, V. Grootmama, V., -mama's. Grootmeester, M., -meesters. Grootmeester-nationaal, M.,-meesters. nationaal. Grootmoeder, V.,-moeders; -moedertje, O., -jes. Grootmoedig, -moediger, -moedigst. Grootmoedigheid, V. Grootouders (mv), M. Grootsch, grootscher, meest grootsch. Grootscheepsch. Grootschheid, V. Grootschrift, O. Grootspraak, V. Grootspreken, O. Grootspreker, M., -sprekers. Grootsteedsch. Grootte, V., grootten. Grootvader, M., -vaders; -vadertje, O., -jes. Grootvizier, m., -viziers en -vizieren. Grootvorst, M., -vorsten. Grootvorstin, V., -vorstinnen. Groot-zegelbewaarder, M., -bewaarders. Grop en grup, V, groppen en gruppen. Gros, O., grossen. Grosse, V., grossen. Grossier, M., grossiers. Grossierderij, V., grossierderyen. Grossierskantoor, O., -kantoren-Grossiersvak, O. Grot, V., grotten. Grotje, O., -jes. Grotesk. Grovelijk. Grüis, o. Gruisje, o., -jes. Gruisbak, M., -bakken. Gruit, V. Gruizelementen (mv.), O. Gruizen, gruisde, heeft gegruisd. Gruizig. Gruizigheid, V. Grup. Zie Grop. Grut, V, grutten. Grutje, O., -jes. Gruttenbrij, V. Gruttenmeel, O. |
GRIL
136
GUL.
|
Grutter, M., grutters. Grutterij, V., grutteryen. Gruttersmolen, M., -molens. Grutterswaar, V., -waren. Grutterswinkel, M.. -winkels. Grutto, M., grutto's. Gruwel, M., gruwelen. Gruweldaad, V., -daden. Gruwelen, gruwelde, heeft gegruweld. Gruwelijk, -lijker, -lijkst. Gruwelijkheid, V., heden. Gruwen, gruwde, heeft gegruwd. Gruwzaam, -zamer, -zaamst. Gruwzaamheid, V., -heden. Guano, V. Guf, gufïer, gufst. Gufheid, V. Guichelen, guichelde, heeft geguicheld. Guichelheil, O. Guichelspel, O. Guig, V. Guil, M., guilen. Guillotine, V., guillotines. Guineesvaarder, M., -vaarders. Guinje, V., guinjes. Guirlande, V., guirlandes. Guit, M., guiten. Guitje. o., -jes. Guitenstreek, M., -streken. Guitenstuk, O., -stukken. Guiterij, V., guiteryen. Guitig, guitiger, guitigst. Guitigheid, V., -heden. Gul, V., gullen. Gulletje, o., -jes. Gul, guller, gulst. Guldeling, M., guldelingen. Gulden, m.. guldens. Guldentje,o.,-jes. Gulden (bnw.). |
Guldengetal, O. Guldenmond, M. Guldenwater, o. Gulhartig, -hartiger, -hartigst. Gulhartigheid, V. Gulheid, V., -heden. Gulp, V., gulpen. Gulpje, O., -Jes. Gulpen, gulpte, heeft gegulpt. Guluit. Gulzig, gulziger, gulzigst. Gulzigaard, M., gulzigaards. Gulzigheid, V. Gunnen, gunde, heeft gegund. Gunner, M., gunners Gunning, V., gunningen. Gunst, V., gunsten. Gunstje, O , -jes. Gunstbejag, O. Gunstbewijs, O., -bewijzen. Gunsteling, M. en V., gunstelingen. V. ook gunstelinge. Gunstig, gunstiger, gunstigst. Gust (bnw.). Guts, V., gutsen. Gutsen, gutste, heeft gegutst. Guttapercha, V. guttegom, ook gittegom, V. Gutturaal, V., -alen. Guur, guurder, guurst. Guurheid, V. Gymnasiast, M., gymnasiasten. Gymnasium, O., gymnasiën en gymnasia. Gymnast, M., gymnasten. Gymnastiek, V. Gymnastiekmeester, M., -meesters. Gymnastiekonderwijs, ü. Gymna?tiek8Chool, V., -scholen. Gymnastisch. |
H.
|
H, V., h's. Ha. Haag, V., hagen. Haagje, o, -jes. Haagbeuk, M., -beuken. Haagdoorn en haagdoren (ook hage- doorn), M., -doornen en -dorens. Haai, M., haaien. Haaienvangst, V. Haaievel, O., -vellen. Haak, M., haken Haakje, O , -jes. Haakachtig. Haakbeentje, O., -jes. Haakboekje, O., -jes. Haakbus, V., -bussen. Haakpen, V., -pennen; -pennetje, O., -jes. Haaks (bijw.). Haaksch (bnw.). Haakster, V., haaksters. Haakswijze en -wijs. Haakvormig. Haakwerk, O. |
Haal (trek), M., halen. Haaltje, ().,-jes. Haal (werktuig), V. en ü., halen. Haalbaar, -bare. Haalbier, o. Haalboter, V. Haalkan, V., -kannen. Haalwijn, M. Haam (vis'jhnet), M, hamen. Haam (paardetuig), O., hamen. Haam* pje, O., -jes. Haan, M., hanen. Haantje, O., -jes. Haander, M., haanders. Haar. Haar, o., haren. Haartje, o., -jes. Haarachtig. Haarborstel, M., -borstels. Haarbreed, O. Haarbuisje, O., -buisjes. Haard, M., haarden. Haardje, O., -jes Haardstede, V., -steden. Haardstedengeld, O. |
HAA.
HAK.
137
|
Haarfijn. Haarkam, M., -kammen. Haarklein. Haarklooven, haarkloofde, heelt gehaarkloofd. Haarklooveuij, V., -klooverijen. Haarknippen, ü. Haarknipper, M., -knippers. Haarlemmer, M.. Haarlemmers. Haarlok, M., -lokken. Haarloos, -looze. Haarnaald, V.. -naalden. Haarsnijden, O. Haarsnijder, M , -snijders. Haarspeld, V., -spelden. Haas, M. en O., hazen. Haasje, ü., -jes. Haas (van een rund), M. Haasje, o. Haasjeover, O. Haast, V. Haast (byw.). HaastelIjk, Haasten, haastte, heeft gehaast. Haastig, haastiger, haastigst. Haastigheid, V. Haastiglijk. Haast, M. Haatdragend, -dragonder, -dragendst. Haatdragendheid, V. Habitué, M., habitué's. Hack, V. Hachje. O., -jes Hachee en hachis (gehakt vleesch), O. Hachelijk, -lijker, -iijkst. Hachelijkheid, V. Hachis. Zie Hachée. Hachje (persoon), or. hachjes. Hacht, M., hachten. Hachtje, O., -jes. Haft, V., haften. Haft, O., haften. Hagedis, V., hagedissen. Hagedisje, O., -jes. Hagedoorn. Zie Haagdoorn. Hagel, M. Hagelblank. Hagelen, hagelde, heeft gehageld. Hageljacht, V. Hagelkorrel, V., -korrels; -korreltje, O., -jes. Hagelslag, M. Hagelsteen, M., -steenen. Hagelwit, -witte. Hagenaar, M., Hagenaars en Hagenaren. Hagepreek, v., -preeken. Hak (houw), M.. hakken Hakje. O ,-jes. Hak (hiel en houweel), V., hakken. Hakbank, V., -banken. Hakbijl, V., -bijlen. Hakblok, o., -blokken. Hakbord en hakkebord, O., -borden. Hakbosch, O., -bosschen. Haken, haakte, heeft gehaakt. Hakgeld, o. Hakhout. o. Hakkebord. Zie Hakbord. |
Hakkel, M., hakkels. Hakkelaar, M., hakkelaars. Hakkelbout, M.. -bouten. Hakkelen, hakkelde, heeft gehakkeld. Hakkeling, V. Hakkeltong, M en V., -tongen. Hakken, hakte, heeft gehakt. Hakkenei, V, hakkeneien. Hakker, M., hakkers. Hakketeeren, hakketeerde, heeft ge hakketeerd. Hakketeering, V., hakketeeringen. Hakking, V. Hakmes, O., -messen. Hakmoes, O. Haksel, ü. Hakstroo, O. Hakstuk, O., -stukken. Hal (overdekte plaats), V., hallen. Hal (de hardigheid der aarde), u. Halen, haalde, heeft gehaald. Half, halve. Half acht. Halfbakken. Halfbroeder, M., -broeders. Halfdek, O. Halfdood, -doode. Halfdrie. Hafdronken. Halfgeopend. Halfheid, V. Halfhemdje, O., -jes. Halfhonderd, O. Halfhout, o. Halfjaar, O., -jaren; -jaartje, 0., -jes. Halfje, O., -jes. Halfklinkï:p., M.; -klinkers. Halfluid. Halfnegen. Halfrond, O., -ronden.' Halfslachtig. Halfslachtigheid, V. Halfsleten. Halfstok. Halfvasten, V. Halvier. Halfvijf. Halfwas, M. Halfweg. Halfwind, M , -winden. Halfzacht. Halfzes. Halfzeven. Halfzijden. Halfzuster, V., -zusters. Halleluja, O., halleluja's. Halletje, O., -jes. Halm, M., halmen. Halmpje, o., -jes. Hals, M., halzen. Halsje, ü., -jes. Halsbrekend, -brekender, -brekendst. Halsdoek, M., -doeken; -doekje, O.,-jes. Halsketting, M.f -kettingen. Halskraag, M.f -kragen. Halsrecht, O. |
HAN.
HAL.
138
|
Halsstarrig, -starriger, -starrigst. Halsstarrigheid, V. Halsstarriglijk. Halster, M., halsters. Halszaak, V., -zaken. Halt en halte, V., halten. Halter, M., halters. Halveeren, halveerde, heeft gehalveerd. Halvemaan, V. Halverwegen. Halvezolen, halvezoolde, heeft gehal-vezoold Halzen, halsde, heelt gehalsd. Ham, V., haramen Hammetje, o., -jes. Hamei, V., hameien. Hamel, M., hamels. Hamer, m.. hamers en hameren. Hamertje, O., -jes. Hameren, hamerde, heeft gehamerd. Hamkring, V., hameringen. Hamerslag (slag met een hamer), M., -slagen. Hamerslag (afspringende deeltjes van gesmeed ijzer), O. Hammebeen, o., -beenen. Hammevet, o. Hamster, V., hamsters. Hand, V., handen. Handje, O., -jes. Handboek, ü., -boeken. Handbreed, O. Handdoek, M.,-doeken; -doekje, O ,-jes. Handdruk, M., -drukken; -drukje,0., -jes. Handel, M. Handelaar, m., handelaars en handelaren. Handelbaar, -baarder. -baarst. Handelen, handelde, heeft gehandeld. Handeling, V., handelingen. Handelmaatschappij, V. Handelsblad, O., -bladen. Handelsgeest, M. Handelshuis, O., -huizen. Handelsonderneming, V., -ondernemingen. Handelsrecht, o. Handelsreiziger, M.. -reizigers. Handelsschool en ook handelschool, V., -scholen. Handelsstad, V., -steden. Handelsverdrag, O., -verdragen. Handelsverkeer, O. Handelsvrijheid, V. Handelszaak, V., -zaken. Handelwijze en -wua, V., -wijzen. Handen, handde, heeft gehand. Handenarbeid, M. Handenloos, -looze. Handenloosheid, V. Handgeklap, O. Handgeld, O., -gelden. Handgemeen. Handgreep, M., -grepen. Handhaven, handhaafde, beeft gehandhaafd. |
Handhaver, M., handhavers. Handhaving, V. Handig, handiger, handigst. Handigheid, V. Handjegauw, M. en V., -gauws. Handkus, M., -kussen. Handlanger, M., -langers Handleiding, V , -leidingen. Handlichting, V. Handreiken, handreikte, heeft gehand-reikt. Handreiking, V., -reikingen. Handschoen, M., -schoenen; -schoentje, O., -jes. Handschoenendoos, V., -doezen. Handschrift, O., -schriften. Handtastelijk, -lyker, -lijkst. h an l) tasting, V, Handteekenen, O. Handteekening, v., -teekeningen. Hanuvat, o., -vatten. Hanijvatsel, O., -vatsels. Handvest, V. en O., -vesten. Handvol, V. (mv. handen vol). Handwerk, O., -werken. Handwerksman, M., -lieden en -lui. Handwijzer, M., -wijzers. Handzaam, -zamer, -zaamst. Handzaamheid, v. Hanebalk, M., -balken. Hanekam, M., -kammen. Hanenei, O., -eieren. Hanengekraai, O. Hanengevecht, O., -gevechten. Hanenmat, V., -matten. Hanepoot, M., -pooten. Hanesche.ee, v. Hanespoor, V., -sporen. Hanetred,M., ook hanetree, V., -treden. Haneveer, V., -veeren. Hang, M., hangen. Hangbuik, M. en V., -buiken Hangebast (galgebrok), M., -basten. Hangebast (karnemelk), V. Hangen, hing, heeft gehangen. Hanger, M., hangers. Hangertje, O., -jes. Hangijzer, O., -ijzers. Hangklok, V., -klokken. Hangkompas, o,, -kompassen. Hanglamp, V., -lampen; -lampje, o., -jes. Hanglip, M. en V., -lippen. Hangmat, V., -raatten. Hangoor (persoon), M. en V., -ooren. Hangoor (tafel), V., -ooren. Hangop, V. Hangslot, O., -sloten; -slotje en slootje, O., -slootjes. Hanig, haniger, hanigst. Hannekemaaier, M., -maaiers. Hans, M., -hanzen. Hansje, O., -jes. Hanssop, M., -soppen. Hansworst, M., -worsten. Hanteeren, hanteerde, heeft gehanteerd. |
HAN.
HAR.
139
|
Hanteering, V., hanteGringen. Hanze, V. â . ^ . Haf, M., happen. Hapje, O., -jes. Haperen, haperde, heeft gehaperd. Hapering, V., haperingen. Happen, hapte, heeft gehapt. i Happig, happiger, happigst. Happigheid, V. Hapschaar, M., -scharen. 1 Har en harre, ook her en herre, y., harren en herren. Harretje en herretje, 1 O., -jes. I Haud, harder, hardst. i Harddraven,harddraafde,heeft geharddraafd. 'â Harddraver, M., -dravers. â Haiiddraverij, V., -draverijen. HARDEBoii, M , -bollen.,, , ^ Hardebollen, hardebolde, heeft gehar- debold. , , Harden, hardde, heeft gehard. Hardgeel, -gele. Hardglas, O. .. . Hardhandig, -handiger, -handigst. Hardhandigheid, V. Hardheid, V., -heden. Hardhoorig, -hoonger, -hoorigst. Hardhoorigheid, V. , .. Hardhuidig, -huidiger, -huidigst. Hardhuidigheid, V. Hardigheid, V., -heden. Hardleersch. . Hardlijvig, -lijviger, -lijvigst. Hardlijvigheid, V. Hardlooper, M., -loopers. Hardlooperij, V., -looperyen. Hardnekkig, -nekkiger, -nekkigst. Hardnekkigheid, V. Hardop. Hardrijder, M., -r\]ders. Hardrijderij, V., -rijderyen. Hardsteen, O. Hardsteenen (bnw.). . ,____ Hardvallen, viel hard, is hardgeval- Hardvochtig, vochtiger, -vochtigst. Hardvochtigheid, V. Hardzeiler, M., -zeilers. Hardzeilerij, v., -zeileryen. Harem, M., harems. Haren (bnw.). ^ ^ j Haren, haarde, heeft gehaard. Harent (Te â). Harenthalve. Harentwege. Harentwil (Om â). Harig, hariger, harigst. Harigheid, V. , . Haring (een visch), M., haringen. Harinkje, O., -jes. Als stofnaam, V. Haringbuis, V., -buizen. Haringjager, M., -jagers. Haringkaken. O. |
Haringkaker, M., -kakers. Haringsla, V. Harington, V., -tonnen. Haringvangst, V. Hark, V., harken. Harkje, O., -jes. Harken, harkte, heeft geharkt. H ark er, M., harkers. Harksel, O., harksels. Harkster, V., harksters. Harlekijn, M., harlekyns. Harmonica, V., harmonica's. Harmonie, V., harmonieën. Harmonieeren, harmonieerde, heeft geharmonieerd. Harmonieleer, V. Harmonisch. Harnas, O., harnassen. Harp, V., harpen. Harpje, O., -jes Harpen, harpte, heeft geharpt. Harpenaar, M., harponaren en harpc- naars. Harpij, V., harpijen. Harpoen, M, harpoenen. Harpoenen, harpoende, hee't gehar-poend. Harpoenier, M., harpoeniers. Harpspeelster, V., -speelsters. Harpspeler, M., -spelers. Harpuis, O. Harpuizen, harpuisde, heeft gehar-puisd. Harrewarren, harrewarde, heeft geharreward. Harrewarrerij, V.. harrewarrerijen. Hars, V. en O., harsen. Harsachtig, -achtiger, -achtigst. Harsenen en harsens. Zie Hersenen. Harst, M.. harsten. Harstje. O., -jes. Hart, O., harten. Hartje, O., -jes. Hartader, V. Hartbrekend, -brekender, -brekendst Hartebloed, O. Hartediefje, o., -jes. Harteleed, O. Hartelijk, -lijker, -lykst. Hartelijkheid, V. Harteloos, -looze. Harteloosheid, V. Hartelust, M. Harten (mv.), O. Hartenaas, O., -azen. Hartenboer, M., -boeren. Hartenet, O., -netten. Hartenheer, M , -heeren. Hartenvrouw, V., -vrouwen. Hartepijn, V. Hartewee, O. Hartewensch, M., -wenschen Hartgebrek, o., -gebreken. Hartgrondig, -grondiger, -grondigst. Hartig, hartiger, hartigst. Hartigheid, V. Hartjesdag, M., -dagen. Hartklopping, V., -kloppingen. |
HAR.
140
HAZ.
|
Hartkwaal, V., -kwalen. Hartlap en hartelap, M. en V., -lappen. Hartlapje en hartelapje, O., -jes. Hartroerend, -roerender, -roerendst. Hartseeren, hartseerde, heeft gehart-seerd. Hartseering, V., hartseeringen. Hartsteken (â dood). Hartsterking, V., -sterkingen; -ster- kinkje, O., -jes. Hartstocht, M., -tochten. Hartstochtelijk, -Jijker, -lijkst. Hartstochtelijkheid, V., -heden. Hartsvanger, M., -vangers. Hartsvriend, M , -vrienden. Hartsvriendin, V , -vriendinnen. Hartverscheurend, -verscheurender, -verscheurendst. Hartwater, o. Hartzakje, O., -jes. Hartzeer, O. Haspel, M., haspels en haspelen. Has- peltje, O., -jes. Haspelaar, M., haspelaars. Haspelarij. V., haspelarijen. Haspelen, haspelde, heelt gehaspeld. Haspeling, V.. haspelingen. Haspelraam, O., -ramen. Habpelwerk, O., -werken. Hassebassen, hassebaste, heeft gehas-sebast Hassebasserij, v., hassebasserijen. Hatelijk, -lijker, -lijkst. Hatelijkheid, V., -heden. Haten, haatte, heeft gehaat. Hater, M., haters en hateren. Have, V. Haveloos, -loozer, -loost. Haveloosheid, V. Haven, V., havens. Havenen, havende, heeft gehavend. Havenfront, o., -fronten. Havengeld, O., -gelden. Havenhoofd, O., -hoofden. Havening, V. Havenmeester, M., -meesters. Haver, V. Haverdegort, V. Haverkist, V., -kisten. Haverklap, M. Havermeel, O. Haverstroo, O. Haverzak, M., -zakken. Havezate en havezaat, v., havezaten. Havik, M., haviken. Haviksbek, M., -bekken. Havikskruid, o. Haviksneus, M., -neuzen. Havikssteen, M., -steenen. Hazardspel, o., -spelen. Hazelaar, m., hazelaren en hazelaars. Hazelaarsbosch, o., -bosschen. Hazelaarshout, O. Hazelhoen, O., -hoenders. |
Hazelnoot (vrucht), V.; (boom), M., -noten; -nootje, O., -jes. Hazelnoteboom, M., -boomen. Hazelwortel, V. Hazendistel, V., -distels. Hazenjacht, V. Hazenlip, V., -lippen. Hazenpad, O. Hazenslaap, M.; -slaapje, ()., -jes. Hazenwind, M, -winden. Hazepeper, V. Hazesprong, M., -sprongen. Hazevel, O., -vellen. He.. Heb'belijk, -lyker, -lijkst. Hebbelijkheid, V., -heden. Hebben, heeft, had, hadden, heeft gehad. Hebreër, M., Hebreërs en Hebreën. Hebreeuwsch. Hebreeuwsch, O. Hebzucht, V. Hebzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Hrcatombe, V., hecatombes en -tomben. Hecht en heft, O., hechten en heften. Hechtje en heitje, O., -jes. Hecht, hechter, hechtst. Hechtdraad, M., -draden. Hechten, hechtte, heeft gehecht. Hechtenis, V. Hechtheid, V. Hechting, V., hechtingen. Hechtpleister, V., -pleisters. Hechtsel, O., hechtsels. Hectare, V., hectaren en hectares. Hectisch. Hectogram, o., hectogrammen. Hectoliter, M., hectoliters. Hectometer, M., hectometers. Heden. Hedenavond. Hedendaags (bijw.), Hedendaagsch (bnw.). Hedenmiddag. Hedenmorgen. Heede, V. Heel, heele. Heel (by w.). Heelal, O. Heelbaar, -bare. Heelegaar. Heelemaal. Heelen (genezen), heelde, heeft geheeld. Heelheid, V. Heeling, V. Heelkracht, V. Heelkruid, o. Heelkunde, V. Heelkundig. Heelkundige, M en V., -kundigen. Heelkunst, V. Heelmeester, M., -meesters. Heelpleister, V., -pleisters. Heelshuids en heelhuids. |
HEE.
141
HEE.
|
Heelsteb, V., heelsters. Heelvleesch, O. Heem en heim, O., heemen en heimen. Heemraad, M., -raden. Heemraadschap, O., -schappen. Heen en henen. Zoo ook in de samenstellingen. Heenrrengen, bracht heen, heeft heengebracht. Heendrijven, dreef heen, dreven heen, heeft en is heengedreven. Heengaan, gaat heen, ging heen, is heengegaan. Heenkomen, komt heen, kwam heen, kwamen heen, is heengekomen. Heenkomen, ü. Heenloopen, liep heen, is heengeloopen. Heenreis, V. Heenrijden, reed heen. reden heen, is heengereden. Heenrit, M. Heenspoeden, spoedde heen, is heen-gespoed. Heentrekken, trok heen, trokken heen, is heengetrokken. Heenvaren, voer heen, is heengevaren. Heenvlieden, vlood heen, vloden heen, is heengevloden. Heenvliegen, vloog heen, vlogen hoen, is heengevlogen. Heenvluchten, vluchtte heen, is heen- gevlucht. Heep, V., hepen. Heer (meester), M., heeren: (met minachting), O. Heertje, O., -jes. Heer (leger). Zie Heir. Heerachtig, -achtiger, -achtigst. Heerachtigheid, v. Heerdoer en heereboer, M., -boeren. Heeremijntijd (tusschenw.). Heerenboon, V., -boonen. iHEERENDiENST, M.. -diensten. HEERENDiENST, M.. -diensten. Heerenhuis, O., -huizen. Heerenhuizing, V., -huizingen. Heehenknecht, M . knechts. Heerig, heeriger, hoerigst. Heerlijk, -lijker, -lijkst. Heerlijkheid, v., -heden. Heeroom, M., -ooms. Heerschap, O., -schappen. Heerschappij, V., heerschappijen. Heerschen, heerschte, heeft geheerscht. Heerscher, M., heerschers. Heerscheres, V., heerscheressen. Heerschzucht, v. Heerschzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Heerschzuchtigheid, v. Heerweg en heirweg, m., -wegen. Heesch, heescher, meest heesch. Heeschheid. v. Heester, m., heesters. Heestertje, O., -jes. Heesterachtig. Heet, heeter, heetst. |
Heeten (heet maken), heette, heeft geheet. Heeten (noemen en genoemd worden), heette, heeft geheeten. ïïeetheid, V. Heethoofd, M. en V., -hoofden. Heethoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Heethoofdigheid, V. Hef en heffe, V. Hefboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Heffen, hief, hieven, heeft geheven. Heffer, M., heflers. Heffing, V., heffingen. Hefoffer, O., -otters. Heft. Zie Hecht. Heftang, V., -tangen. Heftig, heftiger, heftigst. Heftigheid, V. Heg en hegge, V., heggen. Hegje en heggetje, O., -jes. Hei (tusschenw.). Hei (werktuig), V., heien. Heibaas, M., -bazen. Heibei, V., heibeien. Heibeien, heibeide, heeft geheibeid. Heibezem, M., -bezems. Heiblok, o., -blokken. Heiboender, M., -boenders. Heibrand, M. Heidamp, M. Heide en hei, V., heiden. Heidegrond en heigrond, m., -gronden. Heidekruid, O. Heiden (afgodendienaar), M., heidenen. Heiden (landlooper), M., heidons. Heidendom, o. Heidensch. Heideontginning, V. Heideveld, ü., -velden. Heidin, V., heldinnen. Heidinnetje, ü., -jes. Heien, heide, heeft geheid. Heier, M., heiers. Heihaas, M., -hazen. Heiing, V., heiingen. Heikrekel, M., -krekels; -krekeltje, O., -jes. Heil, O. Heiland, M. Heilbede, V., -beden. Heilbot, V., -botten. Heilig, heiliger, heiligst. Heiligavond, M. Heiligbeen, O. Heiligdom, O., heiligdommen. Heilige, M. en V., heiligen. Heiligje, O., -jes Heiligedag, M., -dagen. Heiligen, heiligde, heeft geheiligd. Heïligendienst, M. Heiligheid, V. Heiliging, V. Heiligmaking, V. |
1
HEL.
HEI.
142
|
Heiligschennis, V. Heiligverklaking, V., -verklaringen. Heilloos, -loozer, -loost. Heilloosheid, V. Heilwensch, M., heilwenschen. Heilzaam, -zamer, -zaamst. Heilzaamheid, V. Heimast, M.. -masten. Heimelijk, -lyker, -lljkst. Heimelijkheid, V., -heden. Heimpje, O., -jes. Heimwee, O. Heinde. Heinen, heinde, heeft geheind. Heining, V., heiningen. Heininkje, O., â¢jes. Heipaal, M., -palen. Heir, ook heer (leger), O., heiren en heren. Heirvaart, ook heervaart, V., -vaarten. Heisa. Heistelling, V., -stellingen. Heisteren, heisterde, heeft geheisterd. Heiwerk, O. Hek, o., hekken Hekje, O., -jes. Hekel (werktuig), M., hekels. Hekel (afkeer), M. Hekelaar, M., hekelaars. Hekelaarster, V.. hekelaarsters. Hekelachtig, -achtiger, -achtigst. Hekeldicht, O., dichten; -dichtje, O., -jes. Hekeldichter, M., -dichters. Hekelen, hekelde, heelt gehekeld. Hekelig, hekeliger, hekeligst. Hekeling, V., hekelingen. Hekelschrift, o., -schriften. Hekeltaal, V. Hekkenspringer, M., -springers. Heks, V., heksen. Heksje, o., -jes. Heksen, hekste, heeft gehekst. Heksendans, M., -dansen. Heksenmeester, M., -meesters. Heksenproces, o., -processen. Heksentoer, M, -toeren. Heksenwerk, 0. Hekserij, V., hekserijen. Hel, V. Hel, heller, helst. Helaas. Held, M., helden. Heldenarm, M., -armen. Heldendaad, V., -daden. Heldendeugd, v, -deugden. Heldendicht, O., -dichten. Heldendichter, M., -dichters. Heldendood, M. Heldenmoed, M. Heldenschaar, V., -scharen. Heldenstuk, O., -stukken. Heldentijd, M. Heldentrouw, V. Heldenzang, M., -zangen. |
Heldenzanger, M., -zangers. Helder, helderder, helderst. Helderen, helderde, is gehelderd. Helderheid, V. Heldertjes. Helderziend. Heldhaftig, -haftiger, -haftigst. Heldhaftigheid, V. Heldin, V., heldinnen. Helen (verbergen), heelde, heeft geheeld. Heler, M , helers. Helft, V., helften. Helftje, 0., -jes. Helhond, M. Helicon, M. Heling, V., helingen. Heliogravure, V., -gravuren. Heliotroop, M., heliotropen. Hellebaard, V., hellebaarden. Hellebaardier, M., hellebaardieren en hellebaardiers. Hellebrok, M. en V., -brokken. Hellen, helde, heeft geheld. Hellenist, M., hellenisten. Hellepijn, V., -pijnen. Helleveeg, v., -vegen. Hellevorst, M. Hellewicht, O., -wichten. Hellig, heiliger, heiligst. Helligheid, V. Helling, V.. hellingen. Helm (hoofddeksel), M., helmen. Helm (duingras), V. Helmdraad, M., -draden. Helmhoed, M , -hoeden. Heloo?.', M., heloten. Helpen, hielp, heeft geholpen. Helper, M., helpers. Helpster, V., helpsters. Helpzeel en hulpzeel, o., -zeelen. Helsch. Helschheid, V. Hem. Hem ((tusschenw). Hemd, O., hemden. Hemdje, O., -jes. Hemdsboord, M., -boorden. Hemdsknoop, M., -knoopen. Hemdskraag, M., -kragen. Hemdsmouw, V., -mouwen. Hemel (uitspansel), M., hemelen; (van een bed), M., hemels. Hemelglobe, V., -globes. Hemeling, M. en .V., hemelingen. v. ook hemelinge. Hemellichaam, o., -lichamen. Hemellicht, o., -lichten. Hemelrond, O. Hemelsblauw. Hemelsch. Hemelschgezind. Hemelstreek, V., -streken. Hemeltergend. Hemelvaart, V. Hemelvaartsdag, M., -dagen. Hemelval, M. |
HER.
143
HEM.
|
Hemelwaarts. Hemmen, hemde, heeft gehemd. Hen, V., hennen. Hennetje, O., -jes. Hen. Henen, en de samenstellingen. Zie Heen, enz. Heng, V., hengen. Hengel, M., hengels Hengeltje, O.,-jes. Hengelaar, M., hengelaars. Hengelen, hengelde, heeft gehengeld. Hengelroede, V., -roeden. Hengelstok, M., -stokken. Hengsel, O., hengsels. Hengseltje, O., â¢jes. Hengst (paard), M., hengsten. Hengst (vaartuig), V., hengsten. Hengstebron, V. Hengsten, hengstte, heeft gehengst. Hengstenkeuring, V., -keuringen. Hennegat, O., -gaten. Hennenei, O., -eieren. Hennep, M. Hennepolie, V. Hennepzaad, o. Hennetaster, M., -tasters. Her (bijw.).- Herademen, herademde, heeft herademd. Heraldiek, V. Heraldiek (bnw.). Heraut, M., herauten. Herbarium, O., herbariums en herbaria. Herbenoemen, herbenoemde, heeft herbenoemd. Herbenoeming, V., herbenoemingen. ^erberq, V., herbergen. Herbergje, O., -jes. Herbergen, herbergde, heeft geherbergd. Hf.rbergier, M., herbergiers. Herbergierster, V., herbergiersters. Herberging, v. Herbergzaam, -zamer, -zaamst. Herbergzaamheid, v. Herbloeien, herbloeide, is herbloeid. Herboren. Herbouw, M. Herbouwen, herbouwde, heeft herbouwd. Herdenken, herdacht, heeft herdacht. Herdenken, O. Herdenking, V., herdenkingen. Herder, m., herders. Herdertje, o., -jes. Herderin, v., herderinnen. Herderinnetje, o., -jes. Herderinnenhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes. Herderlijk. Herderloos, -looze. Herdersambt, o. Herdersdicht, o., -dichten; -dichtje, O., -jes. Herdersfluit, v., -fluiten. Herdershond, M., -honden. |
Herdershut, V., -hutten. Herdersknaap, M, -knapen. Herdersleven, O. Herderslied, O., -liederen; -liedje, O., -jes. Herdersspel, O., -spelen. Herdersstaf, M., -staven Herdersstok, M., -stokken. Herdersvolk, O, Herderszang, M., -zangen. Herdoen, herdeed, herdeden, heeft herdaan. Herdoop, M. Herdoopen, herdoopte, heeft herdoopt. Herdooper, M., herdoopers. Herdooping, V., herdoopingen. Herdruk, M., herdrukken. Herdrukken, herdrukte, heeft herdrukt. Herkenen, hereende, heeft hereend. Hereenigen, hereenigde, heeft her-eenigd. Hereeniging, V., hereenigingen. Heremiet, M., heremieten. Herexamen, O., herexamens. Herfst, M. Herfstachtig, -achtiger, -achtigst. Herfstdag, M., -dagen. Herfstdraad, M., -draden. Herfstig, herfstiger, herfstigst. Herfstlandschap, O , -landschappen. Herfstmaand, V. Herfstweder en weer, O. Hergeven, hergaf, hergaven, heeft hergeven. Hergeving, V. Herhalen, herhaalde, heeft herhaald. Herhaler, M., herhalers. Herhaling, V., herhalingen. Herhalingsonderwijs, O. Herhalingsschool, V., -scholen. Herijk, M. Herijken, herijkte, heeft herijkt. Herinneren, herinnerde, heeft herinnerd. Herinnering, V., herinneringen. Herinneringsvermogen, O. Herkauwen, herkauwde, heeft herkauwd. Herkauwer, M., herkauwers. Herkauwing, V., herkauwingen. Herkennen, herkende, heeft herkend. Herkenning, V.. herkenningen. Herkenningsteeken, O., -teekenen. Herkeuren, herkeurde, heeft herkeurd. Herkeuring, V., herkeuringen. Herkiesbaar, -bare. Herkiesbaarheid, V. Herkiezen, herkoos, herkozen, heeft herkozen. Herkiezing, V., herkiezingen. Herkomen, herkomt, herkwam, her- kwamen, is herkomen. Herkomen, o. Herkomst, V. |
HER.
HER.
144
|
Herkomstig. Herkoop, M. Herkrijgen, herkreeg, herkregen, heeft herkregen. Herkrijging, V. Herleiden, herleidde, heeft herleid. Herleiding, V., herleidingen. Herleven, herleefde, is herleefd. Herleving, v. Herlezen, herlas, herlazen, heeft herlezen. Herlezing, V., herlezingen. Hermaken, hermaakte, heeft hermaakt. Hermaking, V. Hermalen, hermaalde, heeft hermalen. Hermaling, V. Hermelijn (dier), M, hermelijnen; (bont), O. Hermelijnen (bnw.). Hermeting, v., hermetingen. Hermetisch. Hermitage, V., hermitages. Hermoes, V. Hermunten, hermuntte, heeft hermunt. Hermunting, V., hermuntingen. Hernemen, hernam, hernamen, heelt hernomen. Hernhutter, M , Hernhutters. Hernieuwen, hernieuwde, heeft hernieuwd. Hernieuwer, M., hernieuwers. Hernieuwing. V., hernieuwingen. Heroën. Zie Heros. Heroïek, heroïeker, heroïekst. Heroïsme, O. Heropenen, heropende, heeft heropend. Heropening, V. Heros, M., heroën. Heroveren, heroverde, heeft heroverd. Herovering, V., heroveringen. Herplaatsen, herplaatste,, heeft herplaatst. Herplaatsing, V. Herrie, V. Herrijzen, herrees, herrezen, is herrezen. Herrijzing, V. Herroepbaar, -bare. Herroepbaarheid, V. Herroepelijk. Herroepen., herriep, heeft herroepen. Herroeping, V., herroepingen. Herschapen. Herschatten, herschatte, heeft her-schat. Herschatting, V., herschattingen. Herscheppen (van gedaante doen veranderen), herschiep, heeft herschapen. Herschepper, M., herscheppers. Herschepping, V., herscheppingen. Herschrijven, herschreef, herschreven, heeft herschreven. Herschrijving, V. |
Hersenen en hersens, ook harsenen en harsens (mv.), V. Hersenloos, -loozer, -loost. Hersenontsteking, V., -ontstekingen. Hersenschim, V., -schimmen. Hersenschimmig, -schimmiger, -schimmig st. Hersenschudding, V., -schuddingen. Hersenverweeking, V., -verweekingen. Hersenziekte, V., ziekten. Hersmeden, hersmeedde, heeft hersmeed. Hersmelten, hersmolt, heeft hersmolten. Hersmelting, V. Herstel, O. Herstelbaar, -bare. Herstellen, herstelde, heeft en is hersteld. Hersteller, M., herstellers. Herstelling, V., herstellingen. Herstellingsoord, O., -oorden. Herstellingsteeken, O., teekens. Herstemming, V , herstemmingen. Hert, O., herten. Hertje, o., -jes. Herteheest, O., -beesten. . Hertebout, M., -bouten. Hertekop, M., -koppen. Hertenjacht, V., -jachten. Hertenkamp, M., -kampen. Hertenpastei, V., -pasteien. Hertevleesch en hertenvleesch, o. Hertimmeren, hertimmerde, heeft her- timmerd. Hertimmering, v., hertimmer in gen. Hertog, M., hertogen. Hertogiom, O., hertogdommen. Hertogelijk. Hertogin, V., hertoginnen. Hertrouw, M. Hertrouwen, hertrouwde, heeft en is hertrouwd. Hertrouwing, V. Hertshoorn en hertshoren (voorwerp), M.; als stofnaam, O. Hertsleder en -leer, o. Hertslederen en -leeren (bnw.). Hervatten, hervatte, heeft hervat. Hervatting, V. Herveilen, herveilde, heeft herveild. Herveiling, V,, herveilingen. Hervinden, hervond, heeft hervonden. Hervormd. Hervormde, M. en V., Hervormden. Hervormen, hervormde, heelt hervormd. Hervormer, M., hervormers. Hervorming, V., hervormingen. Hervormingsfeegt;t, o , -feesten. Hervormingsgezind. PIervormingswet, V., -wetten. Hervragen, hervraagde, heeft her- vraagd; ook hervroeg. Hervraging, V. Herwaarts. |
HER.
HIÃ.
145
|
Herwinnen, herwon, herwonnen, heeft herwonnen. Herwinning, V., herwinningen. Herwissel, M. herwissels. Herzeggen, herzeide, heeft herzegd en herzeid. Herzegging, v. Herzien, herzag, herzagen, heeft her-zien. Herziener, M., herzieners. Herziening, V., herzieningen. Hes (volksnaam), M., Hessen. Hes (kiel), V., hessen. Hesje, ü., -jes. Hesp, V., hespen. Hessenkar, V., -karren. Het. Heterodox, heterodoxe. Heterodoxie, v. Heterogeen, heterogene. Hette. Zie Hitte. Hetwelk. Hetzelfde. Hetzelve. Hetzij. Heude en heu, V., heuden en heuen. Heug, V. (Tegen â en meug). Heugel, M., heugels. Heugen, heugde, heeft geheugd. Heugenis, V. Heuglijk, -lijker, -lijkst. Heuglijkheid . V. Heuker, M., heukers. Heul (slaapbol), M. Heul (hulpi, O. Heul (houten bruggetje), V., heulen. Heultje, O., -jes. Heulen, heulde, heeft geheuld. Heulsap, O. Heulzaad, O. Heumig, heumiger, heumigst. Heup, V., heupen. Heupje, O., -jes. Heupbeen, O., -beenderen. Heupziekte, V., -ziekten. Heubistisch. Heusch, heuscher, meest heusch. Heusch (byw.). jHEUSCHELIJK. Heuschheid, V., -he len. Heuvel, M., heuvels en heuvelen. Heuveltje, O., -jes. Heuvelachtig, -achtiger, -achtigst. Heuvelig, heuveliger, heuveligst. Heuvelkling, V., -klingen. Heuveltop, M., -toppen. Hevel, m., hevels. Heveltje, O., -jes. Hevelbarometer, M., -meters. Hevig, heviger, hevigst. Hevigheid, V., -heden. Hexameter, M., hexameters. Hiaat (stooting van klinkers), M.; (gaping), o., hiaten Hidalgo, M., hidalgo's. Hiel, m.. hielen. Hieltje, O., -jes. Hielen, hielde, heelt gehield. |
Hieling, V., hielingen. Hielingsplaat, V., -platen. Hielingssteek, M., -steken. Hiep (verkorting van hypochonder bnw. Hier. Hieraan. Hierachter. Hieraf. Hiëarchie, V. Hiëratisch. Hierbeneden. Hierbenevens. Hierbij. Hierbinnen. Hierboven. Hierbuiten. Hierdoor. Hierheen. Hierin. Hierlangs. Hiermede. Hierna. Hiernaar. Hiernaast . Hiernamaals. Hiernevens. Hiëroglyphe en hiëroglief, V., hiëro- glyphen en hiërogliefen. Hierom. Hieromheen. Hieromtrent. Hieronder. Hierop. Hierover. Hiertegen. Hiertegenover. Hiertoe. Hiertusschen . Hieruit. Hiervan. Hiervoor. Hierzijn, O. Hu. Hijgen, hijgde, heeft gehijgd. Hijlik, O., hijliken. Hijliken, hijlikte, heeft en is gehijlikt. Hijlikmaker, M., -makers. Hijs en hijze, V., hijzen. Hysje. O., -jes. Hijschblok, O., -blokken en -bloks. Hijschen, heesch, heschen, heeft ge- heschen. Huschtouw, o., -touwen. Hijze. Zie Hijs. Hik, M., hikken. Hikje, O., -jes. Hikken, hikte, heelt gehikt. Hilletje, o., -jes. Hinde, V., hinden. Hinder, M. Hinderen, hinderde, heeft gehinderd. Hinderlaag, V., -lagen. Hinderlijk, -lyker, -lykst. Hindernis, V., hindernissen. Hinderpaal, M., -palen. |
10
HOE.
HIN.
146
|
Hinkebaan, v.,-banen; -baantje, O.,-jes. Hinkelaar, M., hinkelaars. Hinkelbaan, V., -banen; -baantje, O., -jes. Hinkelen, hinkelde, heeft gehinkeld. Hinken, hinkte, heeft gehinkt. Hinkepink, M. en V., -pinken. Hinkepoot, M., -pooten. Hinkspel, ü., -spelen. Hinniken, hinnikte, heeft gehinnikt. Hipocras, M. Hippelen, hippelde, heeft gehippeld. Hippen hipte, heeft gehipt. Hippocreen, V. Hippopotamus, M., hippopotamussen. Historie, V., historiën en histories. Historietje, u., -jes. Historieschrijver, M., -schryvers. Historiestuk, o., -stukken. Historisch. Hit, M., hitten. Hitje, O., -jes. Hitsen, hitste, heeft gehitst. Hitsigheid, V. Hitte en hette, V. Hittenwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Ho. Hobbel, M., hobbels. Hobbeltje, O., -jes. Hobbelbek, M. en V., -bekken. Hobbelen, hobbelde, heeft gehobbeld Hobbelig, hobbeliger, hobbeligst. Hobbeligheid, V., -heden. Hobbeling, V., hobbelingen. Hobbelpaard, O., -paarden; -paardje, O., -jes. Hobbelstoel, M, -stoelen. Hobben, hobde, heeft gehobd. Hobo, V., hobo's. Hoboïst, M., hoboïsten. Hoe. Hoed (hoofddeksel), M., hoeden. Hoedje, O., -jes. Hoed (maat), O. Hoedanig. Hoedanigerwijze en -wijs. Hoedanigheid, V., -heden. Hoede, V. Hoedebol, M., -bollen. Hoede doos, V., -doozen. Hoeden, hoedde, heeft gehoed. iloEDENFABRiEK, V., -fabrieken. Hoedenfabrikant, M., -fabrikanten. Hoedenmaakster, V., -maaksters. Hoedenmaker, M., -makers. Hoedenstoffeerder, M.. -stoffeerders. Hoedenwinkel, M.t -winkels. Hoeder, M., hoeders. Hoedster, V., hoedsters. Hoef (paardenhoef),M., hoeven. Hoefje, O., -jes. Hoef en hoeve (hofstede), V., hoeven. Hoefje, O., -jes. Hoefijzer, o., -nzers. Hoefslag M., -slagen. Hoefsmederij, V., -smederijen. |
Hoefsmid, M., -smeden. Hoegenaamd. Hoegrootheid, V. Hoek, M., hoeken. Hoekje, O., -jes. Hoeker, M., hoekers. Hoekhuis, O., -huizen. Hoekig, hoekiger, hoekigst. Hoekigheid, v. Hoekpunt, O., -plinten. Hoekpuntslijn, V., -lijnen. Hoeksch. Hoeksche, M. en V., Hoekschen. Hoeksteen, M., -steenen. Hoekswijze en -wijs. Hoektand, M., -tanden. Hoekzak, M., -zakken. Hoelang (ïot â). Hoen, o., hoenderen en hoenders. Hoentje, O., hoentjes en hoendertjes. Hoenderbout, M., -bouten. Hoenderdief, M., -dieven. Hoenderdrek, M. Hoenderei, o., -eieren; -eitje, o.,-eitjes en -eiertjes. Hoenderhok, ü., -hokken. Hoendermaag, V. Hoendermarkt, V., -markten. Hoendermelker, 51., -melkers. Hoendermest, M. Hoendernest, O., -nesten. Hoenderpark, O., -parken. Hoenderpastei, V., -pasteien. Hoenderpoot, M., -pooten. Hoendersoep, V., -soepen. Hoep, M., hoepen. Hoepje, o., -jes. Hoepel, M., hoepels. Koepeltje, o., -jes. Hoepelen, hoepelde, heeft gehoepeld. Hoepelrok, M., -rokken. Hoer, V., hoeren. Hoertje, ü., -jes. Hoera. Hoereerder, M., hoereerders. Hoereeren, hoereerde, heelt gehoereerd. Hof.rekind, o., -kinderen. Hoerenhuis, O , -huizen. Hoerenjager, M., -jagers. Hoerenkot, O., -kotten. Hoerenlooper, M., -loopers. Hoebenwaard, M., -waarden. Hoeren waardin, V., -waardinnen. Hoererij, V., hoererijen. Hoes, V., hoezen. Hoesje, O., -jes. Hoest, M. Hoestje, o, -jes. Hoestbui, V., -buien. Hoesten, hoestte, heeft gehoest. Hoetelaar, M., hoetelaars. Hoetelaarster, V., hoetelaarsters. Hoetelen, hoetelde, heelt gehoeteld. Hoetelwerk, o. Hoeve, Zie Hoef. Hoeveel. Hoeveelheid, v., -heden. Hoeveelste. Hoeven, hoefde, heeft gehoefd. |
HOM.
147
HOE.
|
Hoevênaar, M., hoevenaars en hoevenaren. Hoever en hoeverre. Hoewel. Hoezee. Hoezeer. Hof (tuin), M., hoven. Hof (vorstelyk verbiyf), O , hoven. Hofbal, O., -bals. Hofgabaal, O., -cabalen. Hofcharge, V., -charges. Hofdame, V., -dames. Hoffelijk, -lüker, -lijkst. Hoffelijkheid, V., -heden. Hofhoorig. Hofhoorigheid, V. Hofhouding, V., -houdingen. Hofje, o., -jes. Hofjesjuffrouw, v., -juffrouwen. Hofleverancier, M., -leveranciers. Hofmeester, M., -meesters. Hofnar, M., -narren. Hofphotograaf, M., -photografen. Hofprediker, M., -predikers. Hofrijtuig, o., -rijtuigen. Hofstad, V., -steden. Hofstede en hofstee, V., -steden. Hofstoet, M. Hoggen, hogde, heeft gehogd. Hok, O., hokken. Hokje, O., -jes. Hokkeling, M. en V., hokkelingen. : Hokken, hokte, heeft gehokt. | Hokkerig, hokkeriger, hokkerigst. Hokkerigheid, V. Hokvast. Hol (het hollen), M. Hol (uitgeholde ruimte), o., holen. Holletje, O., -jes. Hol, holler, holst. Hola en holla. i Holachtig. Holderdebolder. i Holheid, V. ; Holla. Zie Hola. Holland, o. i Hollander (volksnaam), M. Plollan-ders. ; Hollander (maal- of roerbak), m.polianders. i Hollandsch. S Hollandsch, O. Hollen, holde, heeft en is gehold. : Holligheid, V., -heden. I Holoogig. Holrond. Holsblok, o., -blokken. Holster, M., holsters. Holte, V., holten. Holwangig, -wangiger, -wangigst. ; Hom, v., hommen. Hommetje, O., -jes. : Hombaafs, M., -baarzen. Homiletiek, V. Hommel, V., hommels. Hommeltje, O., -jes. |
Hommelen, hommelde, heeft gehom- meld. Hommeles. Hommer, M., hommers. Hommergat, o., -gaten. Homoeopaat, M., homoeopaten. Homoeopathie, V. Homoeopathisch. Homogeen, homogene. Homogeniteit, V. Homologatie, V., homologation en homologaties. Homologeeren, homologeerde, heeft gehomologeerd. Homoniem. Homoniem, O., homoniemen. Homp, V., hompen. Hompje, O., -jes. Hompelaar, M., hompelaars. Hompelen, hompelde, heeft en is gehompeld. Hompelig, hompeliger, hompeligst. Hompelvoet, M. en V., -voeten. Hond, M., honden. Hondje, O., -jes. Hondefok, V., -fokken. Hondejong, O., -jongen. Hondekar, V.,-karren; -karretje, O., -jes. Hondekeutel, V., -keutels. Hondekot, O., -kotten. Hondenbaantje, ö., -jes. Hondenbelasting, V. Hondenbrood, O., -brooden. Hondendokter, M., -dokters. Hondenend, O., -enden. Hondenhaar, O. Hondenhok, O., -hokken. Hondenkost, M. Hondenleer, O. Hondenslager, M., -slagers. Hondententoonstelling,v., -stellingen. Hondenwacht, V. Hondenwagen, m., -wagens. Hondenweer, o. Hondenwerk, O. Hondenziekte, V. Hondenzweep, V., -zweepen. Hondepini, O. Hondepunt, V., -punten. Honderd. Honderd, o., honderden. Honderdarmig. Honderdjarig, Honderdmaal. Honderdoogig. Honderdste. Honderdtal, O., -tallen. Honderdvoud, o. Bonder ü voudig. Honderd werf. Hondestaart, M., -staarten. Hondetong (plant), V. Hondevel, O., -vellen. Hondsch, hondscher, meest hondsch, Hondschheid, V. Hondsdagen (mv.), M. |
HOO.
148
HON.
|
Hondsdistel, V., -distels. Hondsdolheid, V. Hondsdraf (plant), V. Hondsgesternte en -gestabnte, o. Hondskop, M., -koppen. Hondsster en «star, V. Hondsvot, M., -votten. Hongaar, M., Hongaren. Hongaarsch. Hongaarsch, o. Hongarije, o. Honger, M. Hongeren, hongerde, heelt gehongerd. Hongerig, hongeriger, hongerigst. Hongerigheid, V. Hongerkuur, V., -kuren. Hongerlijder, M., -lijders. Hongersnood,m. Honig en honing, M. Honigachti g en honingachtig, -achtiger, -achtigst. Honigbij en honingbij, V., -bijen. Honigdauw en honingdauw, M. Honigbaat en honingbaat, V., -raten.' Honigzeem en honingzeem, O. Honigzoet en honingzoet. Honk, O. Honken, honkte, heeft gehonkt. Honnig, honniger, honnigst. Honobabel, honorabeler, honorabelst. Honobaib. Honobabium, O., honoraria. Honobeeben, honoreerde, heeft gehonoreerd. Hoofd, o.f hoofden. Hoofdje, O, -jes. Hoofdadministbatie, V. Hoofdambtenaab, M., -ambtenaren en -ambtenaars. Hoofdas, V., -assen. Hoofdbewebkeb, M., -bewerkers. Hoofdbbeken, ü. Hoofddeksel, O., -deksels. Hoofddoel, O. Hoofdelijk. Hoofdeloos, -looze. Hoofdeneinde, O. Hoofdhaab, O. Hoofdig, hoofdiger, hoofdigst. Hoofdigheid, V. Hoofdingeland, M., -ingelanden. Hoofdingenieub, M., -ingenieurs en -in- genieuren. Hoofdinhoud, M. Hoofdinspecteur, M., -inspecteurs en â¢inspecteuren. Hoofdkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes. Hoofdkussen, o., -kussens. Hoofdkwartier, o., -kwartieren. Hoofdmaaltijd, m, -maaltijden. Hoofdman, M., -mannen en -lieden. Hoofdofficier, M., -officieren. Hoofdonderwijzer, M., -onderwyzers. Hoofdopzichter, M., -opzichters. |
Hoofdpersoon, M. en V., -personen. Hoofdpijn, V., -pjjnen. Hoofdbedacteub, M., -redacteurs. Hoofdschudden, o. Hoofdschudding, V. Hoofdvak, O., -vakken. Hoofdwacht, V. Hoofsch, hoofscher, meest hoofsch. Hoofschheid, V. Hoog, hooger, hoogst. Hoogaabs, V., hoogaarzen. Hoogachtbaab, -bare. Hoogachtbaabheid, v. Hoogachten, achtte hoog, heeft hooggeacht. Hoogachting, V. Hoogaltaab, O., -altaren. Hoogambt, O., -ambten. Hoogbejaabd. Hoogdag, M., -dagen. Hoogdbavend, -dravender, -dravendst Hoogdbavendheid, V. Hoogdüitsch. Hoogduitsch, O. Hoogduitscheb, M., -duitschers. Hoogeebwaabd. Hoogelied, O. Hoogelijk en hooglijk. Hoogen, hoogde, heeft gehoogd. Hoogepbiesteb, M., -priesters. Hoogepbiesteblijk. Hoogepbiestebschap, o. Hoogebhand, V. Hoogebhuis, o. Hoogeschool, V., -scholen. Hooggaand. Hooggeacht. Hooggeboben. Hooggeel, -gele. Hooggeleebd. Hooggeplaatst. Hooggeschat, -geschatte. Hooghabtig, -hartiger, -hartigst. Hooghabtigheid, V. Hoogheembaad, M., -heemraden. Hoogheembaadschap, O., -schappen. Hoogheid, V., -heden. Hooging, V., hoogingen. Hooglandeb, M., -landers. Hoogleebaab,M.,-leeraren en -leeraars. Hoogloopend. Hoogmis, V. Hoogmoed, M. Hoogmoedig, -moediger, -moedigst. Hoogmogend. Hoognoodig. Hoogoven, M., -ovens. Hoogrood, -roode. Hoogschatten, schatte hoog, heeft hooggeschat. Hoogschatter, M., -schatters. Hoogschatting, V. Hoogsel, o., hoogsels. Hoogst. |
HOP.
HOO.
149
|
hoogstammig. Hoogte, V., hoogten. Hoogtetje, O., -jes. Hoogtelijn, V., -lynen. Hoogtepunt, O., -punten. Hoogtijd, M., -tjjden. Hoogverraad, O. Hoogvlieger, M., -vliegers. Hoogwaardige, O. Hoogwelgeboren. Hoogzuinig. Hooi, O. Hooiachtig, -achtiger, -achtigst. Hooiberg, M., -bergen. hoolboter, V. Hooibouw, M. Hooien, hooide, heeft gehooid. Hooier, M., hooiers. Hooiland, O., -landen. Hooimaand, V. Hooischuur, V., -schuren. Hooivork, V., -vorken. Hooiwagen, M., -wagens. Hoon, M. Hoonen, hoonde, heeft gehoond. Hoonend, hoonender, hoonendst. Hoongelach. O. Hoop (menigte), M., hoopen. Hoopje, o., -jes. Hoop en hope (verwachting), V. Hoopen (opstapelen), hoopte, heeft gehoopt. Hoopsgewijze en -gewijs. Hoopvol, -volle. Hoorbaar, -bare. Hoorbaarheid, V. Hoorder, M., hoorders. Hoorderes, V., hoorderessen. Hooren, hoorde, heeft gehoord. Hoorn en horen (als stofnaam), O ; (als voorwerp), M., hoornen, hoorns en horens. Hoorntje en horentje, O.,-jes. Hoornachtig en horenachtig, -achtiger, -achtigst. Hoornblazer, M., -blazers. Hoornen (bnw.). Hoornist, M., hoornisten. Hoornsignaal, O., -signalen. Hoornvee, O. Hoos (waterhoos), V., hoozen. Hoos (kous), V., hozen. Hoosgat, O., -gaten. Hoosvat, O., -vaten. Hoovaardig, -vaardiger, -vaardigst. Hoovaardigheid, V. Hoovaardigluk. Hoovaardij, V. Hoozen, hoosde, heeft gehoosd. Hop (vogel), M., hoppen. Hop (plant), V. Hopeloos, -looze. Hopelooshe d, V. Hopen (verwachten), hoogte, heeft ge. hoopt. Hopje, O., -jes. |
Hopman, M., -mans en -lieden. Hoppebloem, V., -bloemen. Hoppekorrel, V., -korrels. Hoppen, hopte, heeft gehopt. Hopperd, M. Hoppestaak, M., -staken. Hoppezak, M., -zakken. Hopsasa. Hor, V., horren. Horretje, o., -jes. Horde, V., horden. Hordenvlechter, M., -vlechters. Hordenwand. M.. -wanden. Horen. Zie Hoorn. Horizon en horizont, M., horizonten. Horizontaal, horizontale. Horlepijp, V., horiepijpen. Horloge, O., horloges. Horlogetje, O., -jes. Horlogeglas, O., -glazen. Horlogeketting, M., -kettingen. Horlogemaker, M., -makers. Horlogesleutel, M., -sleutels; -sleuteltje, O., -jes. Horlogestander, M., -standers. Horlogeveer, V., -veeren. Horn, M., hornen. Horoscoop, M. en O., horoscopen. Horrel, M., horrels. Horrelvoet (misvormde voet), M., -voeten. Horrelvoet (persoon). M. en V., - voeten. Horribel, horribeler. horribelst. Hort (stoot), M., horten. Hortje, O., -jes. Hort (Op de âV. Horten, hortte, heeft gehort. Hortensia. V., hortensia's. Horzel, V., horzeis en horzelen. Horzelen, horzelde, heeft gehorzeld. Horzeling, V. Hospita, V., hospita's. Hospitaal, O., hospitalen. Hospïtaaldienst, M., -diensten. Hospitaalsoldaat, M., -soldaten. Hossebossen, hosseboste, heeft gehos-sebost. Hossen, hoste, heeft gehost. Hostie, V., hostiën en hosties. Hot, V. Hotel, O., hotels. Hotelhouder, M.. -houders. Hotsen, hotste, heeft gehotst. Hotten, hotte, heeft gehot. Hottentot, M , Hottentotten. Hottentotsch. Hou (bnw.). (Hou en getrouw). Houdbaar, -bare. Houdbaarheid, V. Houden, hield, heeft gehouden. Houder, M., houders. Houderes, V., houderessen. Houding, V., houdingen. Houkind, O., -kinderen. Houpaard, O., -paarden. Houpaardjc O., -jes. |
T
150 HUI.
Huif, V., huiven. Huifje, O., -jes.
Huig, V., huigen. Huigje, O., -jes.
Huik, V., huiken. Huikje, O., -jes. Huiken, huikte, heeft gehuikt.
Huiker, M., huikers.
Huilebalk (persoon), M. en V., -balken. Huilebalk (hoed), V., -balken. Huilebalken, huilebalkte, heeft gehuilebalkt.
Huilen, huilde, heeft gehuild.
Huilerig, huileriger, huilerigst.
Huis, O., huizen. Huisje, O., -jes. Huisbaas, M., -bazen.
Huisbakken.
Huisbel, V., -bellen; -belletje, o., -jes. Huisdeur, V., -deuren.
Huisdier, o., -dieren.
Huisdokter, M., -dokters.
Huiselijk en huislijk, -lijker, -lijkst. Huiselijkheid en huisl'jkheid, V. Huisgenoot, M., -genooten. Huisgenoote, V., -genooten. Huishoudboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes.
Huishoudelijk, -lijker, -lijkst. Huishoudelijkheid, V.
Huishouden, O., -houdens. Huishoudentje, O., -jes.
Huishouden, hield huis, heeft huisgehouden.
Huishouder, M., -houders. Huishoudgeld, O.
Huishouding, V., -houdingen. Huishoudinkje, O., -jes.
Huishcudkunde, V.
Huishoudschool, V., -scholen. Huishoudster, V., houdsters. Huishuur, V., -huren.
Huisjesmelker, M., -melkers. Huisjesslak, V., -slakken. Huisjuffrouw, V., -juffrouwen. Huiskamer, V., -kamers.
Huisknecht, M., -knechts.
Huismiddel, O.,
O., -jes.
Huismoeder, V.,
O., -jes.
Huismoederlijk.
Huisonderwijzer, M., -onderwijzers. Huisraad, O.
Huisschilder, M., -schilders. Huissleutel, M., -sleutels.
Huistiran, M., -tirannen.
Huisvader, M, -vaders.
Huisvaderlijk.
Huisvesten, huisvestte, heeft gehuisvest.
Huisvesting, V.
Huisvrouw, V., -vrouwen.
Huiswaarts.
Huiszittend.
Huiszittenhuis, O., -huizen. Huiszoeking, V., -zoekingen.
Huiven, huifde, heeft gehuifd.
HOU.
Hout, ü., houten. Houtje, o., -jes. Houtachtig, -achtiger, -achtigst. Houtazijn, M.
Houtduif, V., -duiven.
Houten (bnw.).
Houterig, houteriger, houterigst Houterigheid, V.
Houthak, M.
Houthakker, M., -hakkers.
Houthandel, M.
Houtig, houtiger, houtigst.
Houting, M., houtingen.
Houtkooper, M., -koopers.
Houtluis, V., -luizen.
Houtmarkt, V,, -markten.
Houtskool, V., -kolen.
Houtsnede, en houtsnee, V., -sneden
en -sneeën; -sneetje, O., -jes. Houtsnip, V., -snippen.
Houtvester, M., -vesters. Houtvesterij, V.
Houtzaagmolen, M., -molens. Houtzager, M., -zagers.
Houvast, O., houvasten.
Houw, M., houwen.
Houwbijl, V., -bijlen.
Houwblok, O., -blokken.
Houwbosch. O., -bosschen.
Houweel, Ã., houweelen.
Houwen, hieuw, heelt gehouwen. Houwer, m., houwers. Houwertje, o , â jes.
Houwhamer, m.. -hamers.
Houwitser, M., houwitsers.
Houwmes, o., -messen.
Hoveling, M., hovelingen.
Hoven, hoofde, heeft gehoofd. Hovenier, m., hoveniers en hovenieren.
Hovenieren, hovenierde, heeft gehovenierd.
Hovenierskunst, V.
Hoveniersmes, o., -messen.
Hugenoot, M., Hugenoten.
Hui, V.
Hui (tusschenw.).
Huiachtig, -achtiger, -achtigst. Huichelaar, m., huichelaars en huichelaren.
Huichelaarster, V., huichelaarsters. Huichelachtig, -achtiger, -achtigst. Huichelarij, V., huichelarijen. Huichelen, huichelde, heeft gehuicheld. Huid, V., huiden. Huidje, O., -jes. Huidenkooper, M, -koopers. Huidenmarkt, V., -markten.
Huidig.
Huidkleur, V.
Huidklier, v., -klieren.
Huiduitslag, M.
Huidvetten, huid vette, heeft gehuidvet. Huidvetter, m., -velters. Huidvetterij, v., -vetter^jen. Huidziekte, V., -ziekten.
-middelen; -middeltje, -moeders; -moedertje,
HUU.
HUI.
151
|
Huiverachtig, -achtiger, -achtigst. Hüiverachtigheid, V. Huiveren, huiverde, heeft gehuiverd. Huiverig, huiveriger, huiverigst. Huiverigheid, V. Huivering, V., huiveringen. Huiveringwekkend, -wekkender, -wek-kendst. Huizen, huisde, heeft gehuisd. Huizing, V.. huizingen. Hukken, hukte, heeft gehukt. Hul, V , hullen. Huiletje, O, -jes. Hulde, V. Huldebetoon, O. Huldeblijk, O., -blijken. Hulden, huldde, heeft gehuld. Huldigen, huldigde, heeft gehuldigd. Huldiging, V., huldigingen. Hulk, V., hulken. Huikje, O., -jes. Hullen, hulde, heeft gehuld. Hulp, V. Hulpbank, V., -banken. Hulpeloos, -loozer, -loost. Hulpeloosheid, V. Hulpvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Hulpvaardigheid, V. Huls en hulze, V., hulzen. Hulsel,O., hulsels. Hulseltje, O., -jes. Hulst, M., hulsten. Hulze. Zie Huls. Hulzenbosch, O., -bosschen. Hum (tusschenw.). Humaan, humaner, humaanst. Humanisme, O. Humanist, m, humanisten. Humaniteit, V. Humeur, O., humeuren. Humeurtje, O., -jes. Hummen, humde, heeft gehumd. Humor, M. Humorist, M., humoristen. Humoristisch. Hun. Hunebed en hunnebed, O., -bedden. Hunkeren, hunkerde, heeft gehunkerd. Hunkering, V., hunkeringen. Hunnebed. Zie Hunebed. Hunnent (Te â). Hunnenthalve. Hunnentwege. Hunnentwil (Om â). Huppelen, huppelde, heeft en is gehuppeld. Hupsch, hupscher, meest hupsch. Hupschheid, v. Huren, huurde, heeft gehuurd. Hurk, V., hurken. Hurken, hurkte, heeft gehurkt. Hut, v., hutten. Hutje, O , -jes. Hutselen, hutselde, heeft gehutseld. Butsen, hutste, heeft gehutst. Hutspot, v. Huur, V., huren. Huurceél, V., â¢cellen. |
Huurcontract, O., -contracten. Huurder, M., huurders. Huurhuis, O., -huizen; -huisje, (_)., -jes Huurkoets, V., -koetsen. Huurkoetsier, M., -koetsiers. Huurling, M. en V., huurlingen. Huurpenningen, (mv.), M. Huurrijtuig, O., -rijtuigen. Huurster, V., huursters. Huurwaarde, V., -waarden. Huwbaar, -bare. Huwbaarheid, V. Huwelijk, O., huwelijken. Huwelijksaanzoek, O., -aanzoeken. Huwelijksbed, O. Huwelijksbericht, O., -berichten. Huwelijksbootje, O. Huwelijksch. Huwelijkscontract, O., -contracten. Huwelijksfeest, O., -feesten. Huwelijksfuik, V. Huwelijksgeluk, O. Huwelijksgift, V., -giften. Huwelijksgoed, O. Huwelijksknoop, M. Huwelijkskoets, v. Huwelijksleven, O. Huwelijksliefde, V. Huwelijksplicht, M., -plichten. Huwelijksreis, V., -reizen; -reisje, O., â¢jes. Huwelijkstrouw, V. Huwelijksvoltrekking, V., -voltrekkingen. Huwelijksvoorwaarde, V., -voorwaarden. Huwelijkszegen, M. Huwen, huwde, heeft en is gehuwd. Huzaar, M., huzaren. Huzarenmantel, M., -mantels. Huzarensla, V. Hyacint (edelgesteente), M., hyacinten; (als stofnaam), O. Hyacint (bloem), V., hyacinten. Hybridisch. Hydra, V. Hydraulica, V. Hydraulisch. Hyena, V., hyena's. Hygiëne, V. Hymne, V., hymnen. Hyperbolisch. Hyperboloïde, V., hyperboloïden. Hyperbool, V., hyperbolen. Hypochonder. Hypochondrie, V. Hypotenusa, V., hypotunusa's. Hypotheek, V., hypotheken. Hypotheekbewaarder, M., -bewaarders Hypothese, V., hypothesen. Hypothetisch. Hysop, V. Hysterie, V. Hysterisch. |
UP.
I.
152
I.
|
I, V., i's. Ibis, M., ibissen. Ideaal, O., idealen. Ideaal (bnw.). Idealibeeren, idealiseerde, heeft geïdealiseerd. Idee, V. en o., ideeën. Ideetje, o., -jes. Identiek. Identiteit, V. Idioma, o. Idioot, M., idioten. Idiotisme, o., idiotismen. Idolaat. Idylle, V., idyllen. Idyllisch. Iedeb. Iedereen. Iegelijk. Iemand. Iep, enz. Zie Up, enz. Ieb, M., leren. Iebsch. Iets. Ietwat. Ignobeeben, ignoreerde, heeft geïgnoreerd. IJdel, ijdeler, ijdelst. IJdelheid, V., -heden. IJDELLIJK. ijdeltuit, v., -tuiten. Ijdeltuitje, o., -jes. IJdeltuitebij, V. IJdeltuitig, -tuitiger, -tuitigst. IJdeltuitigheid, v. Uf, M., ijven. Uk, M. IJken, ijkte, heeft geijkt. IJkeb, M., ykers. IJkebspost, M., -posten; -postje,o.,-jes. IJkgebeedschap, o., -schappen. IJkhameb, M., -hamers. IJkhuisje, O., -jes. Ukuzeb, O., -ijzers. IJking, V., ijkingen. IJkmaat, V., -maten. IJkmeesteb, M., -meesters. IJkpi aats, V., -plaatsen. IJl, V, (In aller ). IJl, ijler, ylst. IJlen (spoeden), ylde, heeft enisgeyld. IJlen (in de koorts), ylde, heeft geyld. IJlgoed, o., -goederen. IJlheid, v. ijlhoofd, M. en V., -hoofden. ijlhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Ijlhoofdigheid, V. IJLINGS. Up (en iep), M., jjpen (iepen). IJpeboom (en iepeboom), m., -boomen. |
IJpelaab (en iepelaar), M., ijpelaars (iepelaars). iJpeloof en ijpenloof (en iepeloof, iepenloof), o. iJpen (en iepen) (bnw.). ijpenbosch (en iepenbosch), o., -bos-schen. Upenlaan (en iepenlaan), V., -lanen. Us, O. Usbaan, V., -banen. IJsbeer, M., -beren. IJsbreker, M., -brekers. IJsclub, V., -clubs. IJselijk, -lyker, -lijkst. ijselijkheid, v., -heden. ijsgang, m. IJskegel, M., -kegels. IJskeldeb, M., -kelders. ijskoud. IJsschol, V., -schollen. IJsschots, V., -schotsen. IJsvebmaak, o., -vermaken. ijswateb, o. ijveb, m. IJveraar, M., ijveraren en ijveraars. ijveraarster, V., yveraaisters. IJveren, ijverde, heeft geijverd. IJverig, Ijveriger, yverigst. IJverloosheid, v. ijverzucht, v. ijverzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. IJzel, M. IJzelen, ijzelde, heeft geyzeld. Uzen, ijsde, heeft geysd. Uzer, o., yzers. IJzertje, o., -jes. ijzerachtig, -achtiger, -achtigst. IJzerdraad, o. IJzeren (bnw.). IJzeren-spoorweg, M, -spoorwegen. IJzererts, o. ijzergieterij, v., -gieterijen. ijzerglans, o. IJzerhard. IJzerhout, o. ijzerhouten (bnW.). IJzeroxyde, o. ijzerroest, o. ijzersmelterij, v , -smelteryen. IJzersterk. ijzervitriool, o. ijzervreter, M., -vreters. ijzerwaren (mv.), v. ijzerwinkel, M.. -Winkels. IJzig, ijziger, ijzigst. ijzigheid, v. ijzingwekkend, -wokkender, -wtk- kendst. Ik. Ikheid, v, |
T
IKK.
163
INB.
|
Ikker, M., ikkers. Ilias, V., Iliaden. Illiberaal, illiberaler, illiberaalst. illiberaliteit, V. illuminatie, V., illuminatiën en illuminaties. Illumineeken, illumineerde, heeft ge- illumineerd. Illusie, V., illusiën en illusies. Illustratie, V., illustratiën en illustraties. Illustreerkn, illustreerde, heeft geïllustreerd. Imker, M., imkers. I Immer. â Immermeer. | Immers. p Immigrant, M., immigranten. | Immigratie, V. 1 Immoraliteit, V. Immoreel, immoreeler, immoreelst. Imperatief en imperativus, M., imperatieven. Imperiaal, V., imperialen. Impertinent, impertinenter, imperti-nentst. | Impertinentie, V., impertinentiën en impertinenties. Imponeeren, imponeerde, heeft geïmponeerd. Important, importanter, importantst. ! Importantie, V. â Imposant, imposanter, imposantst. ! Impost, M , imposten. Impressie, V., impressies, j Impressionnisme. O. : Improductief, improductiever, impro- ductiefst. j Impromptu, O., impromptu's, j Improvisatie, V, improvisatiën en improvisaties. j Improvisator, M., improvisators en improvisatoren. | Improviseeren, improviseerde, heeft geïmproviseerd. | In. Inachtneming, V. Inademen, ademde in, heeft ingeademd. Inademing, v., -ademingen. Inauguratie, v., inauguration en inauguraties. Inaugureel, inaugureele. Inaugureeren, inaugureerde, heeft ge- inaugureerd. Inbakeren, bakerde in, heeft ingebakerd. Inbeelden (zich â), beeldde (zich) in, heeft (zich) ingebeeld. Inbeelding, V., -beeldingen. Inbegrip, O. Inbeslagneming, V., -nemingen. Inbewaringhouding, V. InbewarIngneming, V. Inbezitneming, V., -nemingen. |
Inbezitstelling, V. Inbijten, beet in, beten in, heeft ingebeten. Inbijten (bijt hakken), bijtte in, heeft ingebijt. Inbinden, bond in, heeft ingebonden. Inblazen, blies in, bliezen in, heeft ingeblazen. Inblazer, M., -blazers. Inblazing, V.. -blazingen. Inblijven, bleef in, bleven in, is inge-bleven. Inboedel en inboel, M., -boedels en -boelen. Inboedeltje (inboeltje), O., -jes. Inboeken, boekte in, heelt ingeboekt. Inboezemen, boezemde in, heeft ingeboezemd. Inboezeming, V., -boezemingen. Inboorling, M. en V., -boorlingen. V. ook inboorlinge. Inboren, boorde in, heeft ingeboord. Inborst,. V. Inbraak, V. Inbranden, brandde in, heeft en is ingebrand. Inbreien, breide in, heeft ingebreid. Inbreken, brak in, braken in, heeftin-gebroken. Inbreker, M., -brekers. Inbrengen, bracht in, heeft ingebracht. Inbrenger, M., -brengers. Inbrengst, V., -brengston. Inbreuk, V. Inbrokkelen, brokkelde in, heeft inge-brokkeld. Inbrokken. brokte in, heeft ingebrokt. Inbruisen, bruiste in, is ingebruist Inbuigen, boog in, bogen in, heeft en is ingebogen. Inbuiging, V. Incarnatie, V. Incasseeren, incasseerde, heeft geïncasseerd. Incasseering, V., incasseeringen. Incident, O., incidenten. Incidenteel. Inclinatie, V., inclination en inclinaties. Incltneeren, inclineerde, heeft geïnclineerd. Incluis. Incognito, O. Incommodeeren, incommodecrde, heeft geïncommodeerd. Incompatibel. Incompatibiliteit, v., incompatibili-teiten. Incompetent. Incompetentie, V., incompetentiën en incompetenties. Incompleet, incompleter, incompleetst. Inconsequent, inconse'iuenter, incon-sequentst. | i i |
IND.
INC.
154
Inconsequentie, V., inconsequentiön en |
inconsequenties.
Inconstitutioneel, inconstitutioneele. Inconvenient, O., inconveniënten. Incubabel,
Indachtig.
Indagen, daagde in, heeft ingedaagd. Indaging, V., -dagingen.
Indammen, damde in, heeft ingedamd. Indamming, V., -dammingen.
Indecent, indecenter, indecentst. Indecentie, V., indecentiën en indecenties.
Indeelen, deelde in, heeft ingedeeld. Indei.ven, dolf in, dolven in, heeft inge-dolven.
indelving, v.
Indemnisatie, V., indemnisatiën en
indemnisaties Indemniseeeen, indemniseerde, heeft
geïndemniseerd.
Indemniteit, V., indemniteiten. Indenken, dacht in, heeft ingedacht. Indekdaad.
Indeehaast.
Indebtijd.
Index, M.
Indiaan, M., Indianen.
Indiaansch.
Indicatief en jndicativus, M., indicatieven.
Indictie, V., indictiën.
Indië, o., Indiën.
Indien.
Indienen, diende in, heeft ingediend.
Indiening, V.
Indies, M., Indiërs.
Indigestie, V.
Indigo, V.
Indijken, dijkte in, heeft ingedijkt. Indijking, V., -dijkingen.
Indibect.
Indisch.
Indiscbeet, indiscreter, indiscreetst. Indiscbetie, V., indiscreties.
Individu, M. en O., individuen en individu's.
Individualisme, O.
Individualiteit, V.
Individueel, individueele. Indo-gebmaansch.
Indolent, indolenter, indolentst. Indolentie, V.
Indommelen, dommelde in, is ingedommeld.
Indommeling, V.
Indompelen, dompelde in, heeft ingedompeld.
Indompeling, V., -dompelingen. Indoopen, doopte in, heeft ingedoopt. Indooping, V., -doopingen.
In igt;BA ai en, draaide in, heeft en is in-gedraaid.
Indragen, droeg in, heeft ingedragen.
Indbaven, draafde in, is ingedraafd.
Indrijven, dreef in, dreven in, heeft en is ingedreven.
Indringen, drong in, heeft en is ingedrongen.
Indringend, -dringender, -dringendst.
Indringendhe d, V.
Indringer, M., -dringers.
Indringing, V., -dringingen.
Indringster, V., -dringsters.
Indrinken, dronk in, heeft ingedronken.
Indbogen, droogde in, is ingedroogd.
Indboging, V.
Indboog, -droge.
Indbuipen, droop in, dropen in, heeft en is ingedropen.
Indbuischen, druischte in, h- eft en is ingedruischt.
Indbuk, M., -drukken.
Indbukken, drukte in, heeft ingedrukt.
Indbukking, quot;V., -drukkingen.
Indbuksel, O., -druksels en -drukselen. Indrukseltje, O., -jes.
Indbuppelen, druppelde in, is in gedruppeld.
Inductie, V., inducties en induction.
Inductiestboom, M., -stroomen.
Induiken, dook in, doken in, heeft en is ingedoken.
Indulgentie, V., indulgentiën.
Industbie, V.
Industbieel, industrieele.
Industbieei , M , industrieelen.
Industbieschool, V.. -scholen.
Indutten, dutte in, is ingedut. i Indutting, V.
Induwen, duwde in, heeft ingeduwd.
Ineen.
Ineenhuïgen, boog ineen, bogen ineen, heeft en is ineengebogen.
Ineendbaaien, draaide ineen, heeft ineengedraaid.
Ineendbukken, drukte ineen, heeft in-eengedrukt.
Ineenfbommelen, frommelde ineen, heeft ineengefrommeld.
Ineenkbimpen, kromp ineen, is ineengekrompen.
Ineenkbimping, V.
Ineenloopen, liep ineen, is ineenge-loopen.
Ineenbollen, rolde ineen, heeft ineengerold.
Ineenschboeven, schroefde ineen, heeft ineengeschroe.'d.
Ineenschuiven, schoof ineen, schoven ineen, heeft ineengeschoven.
Ineenslaan, sloeg ineen, heeft ineengeslagen.
Ineensluiten, sloot ineen, sloten ineen, heeft ineengesloten.
Ineensmelten, smolt ineen, heeft ineengesmolten.
ING.
INE.
155
|
Ineenstorten, stortte ineen, is ineengestort. Ineenstorting, V. Ineenvloeien, vloeide ineen, is ineengevloeid. Ineenvloeiinq, V. Ineenvoegen, voegde ineen, heeft ineengevoegd. Ineenvoeging, V., -voegingen. Ineenzetten, zette ineen, heeft ineengezet. Ineenzetting, V. Ineenzinken, zonk ineen, is ineengezonken. Inenten, entte in, heeft ingeënt. Inenting, V., -entingen. Inetteren, etterde in, is ingeütterd. Infaam, infamer, infaamst. Infamie, V. Infanterie, v. Infanteriekazerne, V.. -kazernen. Infanterist, M., infanteristen. Inferieur. Inferieur, M., inferieuren. Infirmerie, V., infirmerieën. Inflikken, flikte in, heeft ingeflikt. Influenza, V. influenzalijder, M., -laders. Influisteren, fluisterde in, heeft ingefluisterd. Influistering, V. Informatie, V., informatiën en informaties. Informatiebureau, O , -bureau's. Informeeren, informeerde, heeft ge- informeerd. Infraai , -fraaie. Infusiediertje, O,, -jes. Ingaan, t'^at in, ging in, is en heeft ingegaan. Ingang, M,-gangen. Ingebeeld, -gebeelder, -gebeeldst. Ingeboren. Ingeërfde, M. en V., -geërfden. Ingegrift. Ingeland en ingelande. M., -gelanden. Inge lande, V., -gelanden. Ingenieur, M., ingenieurs. Ingenieurspi aats, V., -plaatsen. Ingenieus, ingenieuzer, ingenieust. Ingenomen, -genomener, -genomenst. Ingenomenheid, V. Ingeschapen. Ingesloten. Ingetogen, -getogener, -getogenst. Ingetogenheid, V. Ingeval (voegw.). Ingeven, gaf in, gaven in, heeft ingegeven. Ingever, m., -gevers. Ingeving, V., -gevingen. Ingevolge. Ingewand, o., -gewanden. Ingewandskwaal, V., -kwalen. |
Ingewandsziekte, V., -ziekten. Ingewikkeld, -gewikkelder, -gewik- keldst. Ingewikkeldheid, v. Ingeworteld. Ingezetene, M. en V., -gezetenen. Ingierig. Ingieten, goot in, goten in, heeft ingegoten. Ingieting, V.. -gietingen. Ing'jpen, gypte in, heeft ingegijpt. Inglijden, gleed in, gleden in, is inge- gleden. Inglijding, V. Inglippen, glipte iii, is ingeglipt. Ingoed. Ingooien, gooide in, heeft ingegooid. Ingoruen, gordde in, heeft ingegord. Ingraven, groef in, groeven in, heeft ingegraven. Ingraving, V., -gravingen. Ingrediënt, O., ingrediënten. Ingriffei.en, griflelde in, heeft inge-gri field. Ingr-jpen, greep in, grepen in, heeft ingegrepen. Ingrijping, V., -grijpingen. Ingroeien, groeide in, is ingegroeid. ingroeiing, v. ingroen. Ingroeven, groefde in, heeft ingegroefd. Inhaerent. Inhakken, hakte in, heeft ingehakt. Inhakking, V. Inhalatie, V., inhalatiën en inhalaties. Inhalatietoestel, M. en ü , -toestellen. Inhaleeren, inhaleerde, heeft geïnhaleerd. Inhalen, haalde in, heeft ingehaald. Inhalig, -haliger, -lulligst. Inhaligheid, v. Inhaling, V., -halingen. Inham, M., -hammen. Inhebben, heeft in, had in, hadden in, heeft ingehad. Inhechtenisnem ng, V., -nemingen. Inheemsch. Inheien, heide in, heeft ingeheid. Inhijschen. heesch in, heschen in, heeft ingeheschen. Inhoud, M., -houden. Inhouden, hield in, heeft ingehouden. Inhoudsmaat, V.. -maten. Inhoudsopgave, V., -opgaven. Inhout, O., -houten. Inhouwen, hieuw in, heeft ingehouwen. Inhuldigen, huldigde in, heeft ingehuldigd. Inhuldiging, V., -huldigingen. inhul'jigingsfeest, o., -feesten. Inhumaan, inhumaner, inhumaanst. Inhumaniteit, V. Inhuren, huurde in, geeft ingehuurd. Inhuring, V., -huringen. ü li if 1 lis ï T1 i AM i ; m y l ; â { mil 1 â H' |
«jiüa
INK.
INI.
156
|
Initiale, V., -initialen. Initiatief, O., initiatieven. Injagen, jaagde in, heeft ingejaagd; ook joeg in. Injectie, V., injecties. Ink, M., inken. Inkabbelen, kabbelde in, heeft inge-kabbeld. Inkalven, kalfde in, is ingekalfd. Inkalving, V., -kalvingen. Inkankeren, kankerde in, is ingekankerd. Inkankering, v. Inkarnaat, o. Inkarnaten (bnw.). Inkeep, V., -kepen. Inkeer, M. Inkeeren, keerde in, is ingekeerd. Inkelderen, kelderde in, heeft inge-kelderd. Inkepen, keepte in, heeft ingekeept. Inkeping, V., -kepingen. Inkerven, korf in, korven in, heeft en is ingekorven. Inkerving, V., -kervingen. Inikezen, koos in, kozen in, heeft in- gekozen. Inkiezing, V. Inkijk, M. Inkijkje, 0., -jes. Inkijken, keek in, keken in, heeft ingekeken. Inklaren, klaarde in, heeft ingeklaard. Inklaring, v., -klaringen. Inklauteren, klauterde in, isingeklau-terd. Inkleeden, kleedde in, heeft ingekleed. Inkleeding, v., -kleedingen. Inklemmen, klemde in, heeft ingeklemd. Inklimmen, klom in, klommen in, is ingeklommen i NKLiNKEN, klonk in, heeft ingeklonken. Inki.oppen, klopte in, heeft en is in-geklopt. Inknoopen, knoopte in, heeft inge-knoopt. Inkoken, kookte in, heeft en is ingekookt. Inkomeling, M. en V., -komelingen. V. ook inkomelinge. Inkomen, komt in, kwam in, kwamen in, is ingekomen. Inkomen, o. Inkomst, V., -komsten. Inkomstje, O., -jes. Inkomstenbelasting, V., -belastingen. Inkoop, M., -koopen. Inkoopboek, o., -boeken. Inkoopen, kocht in, heeft ingekocht. Inkooper, m., -koopers. Inkooprekening, V , -rekeningen. Inkoopsprijs, M., -prijzen. Inkorten, kortte in, heeft ingekort. Inkorting, V., -kortingen. Inkou». |
Inkrijgen, kreeg in, kregen in, heeft j iNLIjM ingekregen. . ^ . . 1 Inlijm Inkrimpen, kromp in, heeft en is m- 1 iNLIjs' gekrompen. , t , I inlijs- Inkrimping, V., -krimpingen. 1 £NLijv Irkruien, krooi in, krooien in, heeft ! i^lijv ingekrooien; ook krulde in, heeftin- | in-LIjv gekruid. , . , | inloki Inkruipen, kroop in, kropen in, is in- ^ inloo, gekropen. | lNLooi Inkruiping, V., -kruipingen. 1 Inloolt; inkruipseii, o., -kruipsels. 1 iNlooc Inkt, M. , ,, 1 Inlooi Inktbak, M., -bakken. 3 inlooi Inktflesch, V., -flesschen; -fleschje, O., | loop *Jes- , , , , i iNLOSa Inktkoker, M., -kokers; -kokertje, O., | iNL0S8 'j63- ,, , , - ^ ⢠i inluh Inkti ap, M., -lappen; -lapje, o., -jes. ^ j Inktpotlood, o., -potlooden. 1 inluil Inktspatel, V., -spatels. 8 inluis inkttafel, V., -tafels. 1 lUiSi Inktvisch, M., -visschen. { iSMAA Inktvlek, V., -vlekken. | inmaa: Inktwruver, M., -wrjjvers. j i^maa: Inkuipen, kuipte in, heeft ingekuipt. j iNMAA; Inkwakken, kwakte in, heeft ingekwakt. I iNMAK Inkwartieren, kwartierde in, heeft | iJjMAK ingekwartierd. Inmak Inkwartiering, V., -kwartieringen. Inmen Inkwartieringsbiljet, O., -biljetten. Inmen Inlaag, V., -lagen. Inmen Inladen, laadde in, heeft ingeladen. Inmen Inlader, M., -laders. Inmet: Inlading, V., -ladingen. m©t( Inlander, M., -landers. Inmet Inlandsch. met: Inlasch, M., -lasschen. lt; , ikmid Inlasschen, laschte in, heeft ingelascht. inmof Inlassching, V., -lasschingen. mof Inlaten, liet In, heeft ingelaten. ; Innaa Inlating, V. , . , Innaai Inlaveeren, laveerde in, is ingelaveera. | Innaai ini eg, m. , j innag: Inlegeren, legerde in, heeft ingelegerd, Inlegering, V., -legeringen. i iNNEM Inleggeld, O., -gelden. gen( Inleggen, legde en lelde in, heeft in- | iNNEM gelegd en Ingeleid. Innem Inlegger, M., -leggers. j Innem Inlegkas, V., -kassen. j Innem Inleiden, leidde in, heeft ingeleid. 1 ixnen Inleider, M., -leiders. j Inner: Inleiding, V., -leidingen. Innig, Inlekken, lekte in, is ingelekt, Innigi Inleveraar, M., -leveraars. lNNIN( Inleveren, leverde in, heeft ingeleverd. Innov. Inlevering, V. ⢠i- i j. Inoogj Inlichten, lichtte in, heeft ingelicht. Inoogi iNLtcHTER, M., -lichters. . Inpak] Inlichting, V., -lichtingen. . . Inpaki Inliggen, lag in, lagen in, heeft inge- Inpaki legen. Inpali Inliggend. Inpan |
INP.
INL.
157
|
Inlijmen, lijmde in, heeft ingelijmd. Inlijming, V., -lijmingen. Inlijsten, Ijjstte in, heeft ingelyst. Inlijstïng, V., -lystingen. Inlijven, lyfde in, heeft ingelyfd. Inlijving, V., -lyvingen. Inltjvingsdecreet, o., -decreten. Inlokken, lokte in, heeft ingelokt. Inloodsen, loodste in, heeft ingeloodst. Inloods ng, V., -loodsingen. Inloogen, loogde in, heeft ingeloogd. Inlooging, V. Inloop, M. Inloopen, liep in, heeft en is inge-loopen. Inlossen, loste in, heeft ingelost. Inlossing, V., -lossingen. Inluiden en inluien, luidde en luide in, heeft ingeluid. Inluiding, W. Inluisteken, luisterde in, heeft inge- luisterd. Inmaak, V. Inmaakgroente, V., -groenten. Inmaaksel, O., -maaksels. In'maaktijd, M, Inmaken, maakte in, heeft ingemaakt. Inmaker, M , -makers. Inmaking, V. Inmengen, mengde in, heeft ingemengd. Inmenger, M., -mengers. Inmenging, V., -mengingen. Inmengsel, O., -mengsels en -mengselen. Inmeten, mat in, maten in, heeft ingemeten. Inmetselen, metselde in, heeft ingemetseld. Inmiddels. Inmoffelen, moffeld. Innaaien, naaide in, heeft ingenaaid. â Innaai er, M., -naaiers. ; Innaamng, V. Innagelen, nagelde in, heeft ingena-geld. Innemen, nam in, namen in, heeft ingenomen. â¢' Innemend, -nemender-, -nemendst. | Innemendheid, V. Innemer, M., -nemers. Inneming, V. Innen, inde, heeft geïnd. [ Innerlijk, Innig, inniger, innigst. Innigheid, v. Inning, V., inningen. Innovatie, V., innovaties. Inoogsten, oogstte in, heeft ingeoogst. Inoogsting, V., -oogstingen. Inpakken, pakte in, heeft ingepakt. Inpakker, M., -pakkers. Inpakking, v. Inpalmen, palmde in, heeft ingepalmd. Inpandgeving, V., -gevingen. mofl'elde in, heeft inge- |
Inpennen, pende in, heeft ingepend. Inpeperen, peperde in, heeft ingepeperd. Inpersen, perste in, heeft ingeperst. Inpikken, pikte in, heeft ingepikt. Inplanten, plantte in, heeft ingeplant Inplanting, V., -plantingen Inploegen, ploegde in, heeft ingeploegd. Inploffen, plofte in, is ingeploft. Inplukken, plukte in, heeft ingeplukt Inpompen, pompte in, heeft ingepompt. Inpomping, v Inpoten, pootte in, heeft ingepoot. Inprangen, prangde in, heeft inge-prangd. Inpreeken, preekte in. heeft ingepreekt. Inprenten, prentte in, heeft ingeprent. Inprenting, V., -prentingen. Inpressen, preste in, heeft ingeprest. Inprikken, prikte in, heeft ingeprikt. Inproppen, propte in, heeft ingepropt. Inquisiteur, m., inquisiteuren. Inquisitie, V. Inrakelen, rakelde in, heeft ingerakeld. Inregenen, regende in, heeft in ge legend. Inrekenen, rekende in, heeft ingere kend. Inreken mo, V. Inrennen, rende in, heeft en is inge-rend. Inrichten, richtte in, heeft ingericht. Inrichter, M., -richters. Inrichting, V., -richtingen. Inrijden, reed in, reden in, heeft en ia ingereden. Inrijgen, reeg in, regen in, heeft ingeregen. Inrijging, V., -rijgingen. Inruten, reet in, reten in, heeft en is ingereten. Inrit, M. Inroeien, roeide in, heeft en is inge-roeid. Inroepen, riep in, heeft ingeroepen. Inroeper, M., -roepers. Inroeping, V. Inroesten, roestte in, is ingeroest. Inroesting, V. Inrollen, rolde in, heeft en is ingerold. Inrond, O., -ronden. Inruilen, ruilde in, heeft ingeruild. Inruil ing, V., -ruilingen. Inruimen, ruimde in, heeft ingeruimd. Inruiming, V., -ruimingen. Inrukken, rukte in, heeft en is ingerukt. Inrukking, V. Inschenken, schonk in, heeft ingeschonken. Inschenker, M , -schenkers. Inschepen, scheepte in, heeft ingescheept. Inscheping, V. I 1 |
I
|
INS. inscheppen (van de Godheid), schiep in, heeft ingeschapen. Inscherpen, scherpte in, heeft ingescherpt. Inscherp.ng, V. Inscheuren, scheurde in, heeft en is ingescheurd. Inscheuring, V. Inschieten, schoot in, schoten in, heeft en is ingeschoten. Inschikkelijk, -lijker, -lijkst. Inschikkelijkheid, V., -heden. Inschikken, schikte in, is en heeft ingeschikt. Inschikking, V. Inschoppen, schopte in, heeft ingeschept. Inschrift, o., -schriften. Inschriftje, o , -jes. Inschrijfster, V., -schrijfsters. Inschrijven, schreef in, schreven in, heeft ingeschreven. Inschrijver, M., -schrijvers. Inschrijving, V., -schrijvingen. Inschrijvingsbiljet, O., -biljetten. Inschroeven, schroefde in, heeft ingeschroefd. Inschroeving, V., -schroevingen. Inschrokken, schrokte in, heeft inge-schrokt. Inschuifsel, O., -schuifsels. Inschuiftafel, V., -tafels. Inschuiven, schoof in, schoven in, heeft ingeschoven. Inschuiving, V., -schuivingen. Inschuld, V., -schulden. Inschuldenaar, M., -schuldenaars. Inscriptie, V., inscripties en inscrip-tiën. Insect, o., insecten. Insectje, o., -jes. Insectendoos, V., -doozen. Insecteneter, M., -eters. Insectenpoeder, O. Insgelijks. Insigne, O. Insijpelen, sijpelde in, is ingesypeld. Insijpeling, V. Insinuatie, V., insinuatiën en insinuaties. Insinueeren, insinueerde, heeft geïnsinueerd. Insisteeren, insisteerde, heeft geïnsis-teerd. Inslaan, slaat in, sloeg in, heeft en is ingeslagen. Inslag, M., -slagen. Inslager, M, -slagers. Inslapen, sliep in, is ingeslapen. Insleepen, sleepte in, heeft ingesleept. Inslikken, slikte in, heeft ingeslikt. Inslikking, v. Inslobberen, slobberde in, heeft inge-slobberd. Inslokken, slokte in, heeft ingeslokt. |
8 INS. InsLorpen en ïnslurpen, slorpte (slurpte) in, heeft ingeslorpt (ingeslurpt). IN slorp ing en inslurping, V. Insluimeren, sluimerde in, is ingesluimerd. Insluipen, sloop in, slopen in, is ingeslopen. Insluiten, sloot in, sloten in, heeft in-gesloten. Insluiting, V., -sluitingen. Insluitingsteeken, o., -teekens. Ãnslurpen. Zie Inslorpen. Insmelten, smolt in, heeft en is ingesmolten. Insmeren, smeerde in, heeft ingesmeerd. Insmering, V., -smeringen. Insmijten, smeet in, smeten in, heeft ingesmeten. Insnijden, sneed in, sneden in, heeft ingesneden. Insnijding, V., -snijdingen. Insnuiven, snoof in, snoven in, heeft ingesnoven. Insolent, insolenter, insolentst. Insolentie, V., insolentiën en insolenties. Insolvent. Insolventverklaring, V. Inspannen, spande in, heeft ingespannen. .Inspanning, V., -spanningen. Inspecteeren, inspecteerde, heeft ge-inspectoerd. Inspecteur, M., inspecteuren en inspecteurs. Inspectie, V., inspectiën en inspecties. Inspectiereis, V., -reizen. Inspijkeren, spijkerde in, heeft inge-spykerd. Inspiratie, V., inspiraties. Inspireeren, inspireerde, heeft geïnspireerd. Inspit, O. Inspitten, spitte in, heeft ingespit. Inspoelen, spoelde in, is ingespeeld. Inspraak, V. Inspreken, sprak in, spraken in, heeft ingesproken. Inspringen, sprong in, is ingesprongen. Inspuiten, spoot in, spoten in, heeft ingespoten. Inspuiting, V., -spuitingen. Instaan, staat in, stond in, heeft ingestaan. Instal, M., -stallen. Installatie, V., installatiën en installaties. Instali.eeren, installeerde, heeft geïnstalleerd. Installig. Instampen, stampte in, heeft ingestampt. Instamping, V., -stampingen. |
INS.
159
INS.
|
Instandhouding, V. Instantank, O., instantanó's. inst ante lijk. Instantie, V., instantiën en instanties. Instappen, stapte in, is ingestapt. Insteekhaabd, M., -haarden. Insteekkamer, V., -kamers. Insteeksel, o., -steeksels. Insteken, stak in, staken in, heeft ingestoken. Insteker, M., -stekers. Insteking, V., -stekingen. Instellen, stelde in, heeft ingesteld. insteller, M., -Stellei'S. Instelling, V., -stellingen. Instemmen, stemde in, heeft ingestemd. Instemming, V. Instevenen, stevende in, is ingestoven d. Instigatie, V. Instijgen, steeg in, stegen in, is ingestegen. Instinct, O. Instinctmatig. Instippen, stipte in, heeft ingestipt. Instituteur, m., instituteuren en insti- tuteurs. Institütrice, V., institutrices. Instituut, O., instituten. Instommelen, stommelde in, is inge- stommeld. Instoomen, stoomde in, is ingestoomd. Instooten, stiet in, heeft ingestooten; ook stootte in. Instoppen, stopte in, heeft ingestopt. Instopping, V., -stoppingen. Instormen, stormde in, is ingestormd. Instorten, stortte in, is en heeft ingestort. Instorting, V. Instreven, streefde in, is ingestreefd. Instrijken, streek in, streken in, heeft en is ingestreken. Instrooi en, strooide in, heeft inge-strooid. Instrooiing, V., -strooiingen. Instrooi- inkje, O., -jes. Instroomen, stroomde in, is ingestroomd. Instroom ing, V. Instructeur, M., instructeurs. Instructie, V., instructiën en instructies. Instruct!e-bataillon, O., -bataillons. Instructief, instructieve. Instrueeren, instrueerde, heeft geïnstrueerd. Instrument, O., instrumenten. Instrumentje, O., -jes. Instrumentaal, instrumentale. Instrumentatie, V. Instrumentmaker, M., -makers. Instuif, M. |
Instuiven, stoof in, stoven in, is ingestoven. Insturen, stuurde in, heeft ingestuurd. Insubordinatie, V. Insuikeren, suikerde in, heeft inge- suikerd. Insulair. Insullen, sulde in, is ingcsukl. Insult, O., insulten. Insulteeben, insulteerde, heeft geïn- sulteerd. Insurgent, M., insurgenten. Insurrectie, V., insurrecties. Intact. Intanden, tandde in, heeft ingeland. intanding, v. Intappen, tapte in, heeft ingetapt. Inteekenaar. M , -teekenaren en -teekenaars. Inteekenen, toekende in, heeft inge- teekend. Inteekening, V., -teekeningen. inteekenlijst, V , -lijsteil. Integendeel. Integraal, V., integralen. Integraalrekening, V. Integreerend. Integriteit, V. Intellectueel, intellectueele. Intelligent, intelligenter, intelligentst. Intelligentie, v. Intendance, V. Intendant, M., intendanten. Intens, intense. Intensiteit, V. Intentie, Y., intenties en intentiën. Intercommun aal. Interdict, O. Interen, teerde in, heeft en is ingeteerd. Interessant, interessanter, interessantst. Interesseeren, interesseerde, heeft gein teresseerd. Interest, ook intrest, M., interesten en intresten. Interestrekening, V. Interieur, O., interieurs. Interim, O. Interjectie, V., interjecties. Interlineair. Interlinie, V., interlinies. Intermediair, o. Internationaal, internationale. Interpellatie, V., interpellatiën en im terpellaties. Interpelleeren. interpelleerde, heeft geïnterpelleerd. Interpolatie, V., interpolaties. Interpoi.eeren, interpoleerde, heeft ge- interpoieerd. Interpretatie, V., interpretaties. Interpreteeren, interpreteerde, heeft geïnterpreteerd. Interpunctie, V. |
mv.
160
INT.
|
Interregnum, O. Interval, o., intervallen. Intervenieeren, intervenieerde, heeft geïntervenieerd. Interventie, V., interventies. Intiem, intiemer, intiemst. Intijds. Intillen, tilde in, heeft ingetild. Intimiteit, V., intimiteiten. Intocht, M., -tochten. Intonatie, V., intonaties. Intoomen, toomde in, heeft ingetoomd. Intoom ing, V. Intrappen, trapte in, heeft ingetrapt. Intrapping, V., -trappingen. Intrede en intree, V. Intreden, trad in, traden in, heeft en is ingetreden. Intreebiljet, o., -biljetten. Intreekaabtje, o., -jes. Intreepreek, V., -preeken. Intrek, M. Intrekken, trok in, trokken in, heeft en is ingetrokken. Intrekking, V. Intrigant, M., intriganten. Intrigante, V., intriganten. Intrige, V., intriges. Intrigeeren, intrigeerde, heeft geïntrigeerd. Intro duceeren, introduceerde, heeft geïntroduceerd. Introductie, V., introductiën en introducties. Intuimelen, tuimelde in, isingetuimeld. intusschen. Inval, M., -vallen. Invalide, M., invaliden. Invalidenhuis, O., -huizen. Invallen, viel in, is ingevallen. Invaren, voer in, heeft en is ingevaren. Invaten, vaatte in, heeft ingevaat. Inventaris, M., inventarissen. Inventarisatie, V. Inventariseerp:n, inventariseerde, heeft geïnventariseerd. Inventie, V.. inventies. Inventief, inventiever, inventiefst. Inversie, V. Investen, vestte in, heeft ingevest. Investituur, V., investituren. Invitatie, V., invitatiën en invitaties. Inviteeren, inviteerde, heeft geïnviteerd. Invlechten, vlocht in, heelt ingevlochten. Invlechting, V., -vlechtingen. Invliegen, vloog in, vlogen in, is ingevlogen. Invlijen, vlyde in, heeft ingevlijd. Invloed, M., -vloeden. Invloeien, vloeide in, is ingevloeid. Invloeiing, V. Invluchten, vluchtte in, is ingevlucht. |
Invoege. Invoegen, voegde in, heeft ingevoegd. Invoeging, V., -voegingen. Invoegsel, ü., -voegsels en -voegselen. Invoer, M., -voeren. Invoerder, M., -voerders. Invoeren, voerde in, heeft ingevoerd. Invoering, V. Invoerrecht, O., -rechten. Involgen, volgde in, heeft ingevolgd. Involging, V. Invorderaar, M., -vorderaars. Invorderbaar, -bare. Invorderen, vorderde in, heeft ingevorderd. Invordering, V., -vorderingen. Invouwen, vouwde in, heeft ingevou-wen. Invreten, vrat in, vraten in, heeft en is ingevreten. Invrijheidstelling, V. Invullen, vulde in, heeft ingevuld. Invulling, V., -vullingen. Inwaaien, waaide in, heeft en is ingewaaid; ook woei in, woeien in. Inwaarts (bijw.). Inwaartsch (bnw.). Inwachten, wachtte in, heeft ingewacht. in wacht ing, V. inwarm. Inwateren, waterde in, heeft ingewaterd. in water ing, v. Inweefse:ü, O., -weefsels. Inwellen, welde in, is ingeweld. Inwendig. Inwentelen, wentelde in, heeft en is ingewenteld. Inwerken, werkte in, heeft ingewerkt. Inwerking, V., -werkingen. Inwerpen, wierp in, heeft ingeworpen. Inwerping, V. Inwerpsel, O., -werpsels. Inweven, weefde in, heeft ingeweven. Inwijden, wjjdde in, heeft ingewijd. Inwijding, V., -wijdingen. Inwijdingsrede, V., -redenen. Inwijk, V., -wnken. Inwijken, week in, weken in, is ingeweken. Inwijking, V., -wijkingen. Inwikkelen, wikkelde in, heeft ingewikkeld. Inwikkeling, V., -wikkelingen. Inwilligen, willigde in, heeft ingewilligd. Inwilliging, V., -willigingen. Inwinden, wond in, heeft ingewonden. Inwinnen, won in, wonnen in, heeft ingewonnen. Inwinning, V. Inwippen, wipte in, is ingewipt. Inwonen, woonde in, heeft ingewoond. |
INW.
INZ.
161
|
Inwoner, M., -woners. Inwoning, V. Inwoonster, V., -woonsters. Inwortelen, wortelde in, is ingeworteld. Inwrijven, wreef in, wreven in, heeft ingewreven. Inwrijving, V., -wrijvingen. Inzaaien, zaaide in, heeft ingezaaid. Inzage, V. Inzagen, zaagde in, heeft ingezaagd. Inzakken, zakte in, is Ingezakt. Inzakking, V., -zakkingen. Inzamelen, zamelde in, heeft ingezameld. Inzameling, V., -zamelingen. Inzeepen, zeepte in, heeft ingezeept. Inzeeping, V., -zeepingen. Inzegenen, zegende in, heeft ingezegend. Inzegening, V., -zegeningen. Inzeilen, zeilde in, heeft en is ingezeild. Inzenden, zond in, heelt ingezonden. Inzender, M., -zenders. Inzending, V., -zendingen. Inzet, M., -zetten. Inzetsel, o., -zetsels. Inzetten, zette in, heeft ingezet. Inzetting, V., -zettingen. Inzicht, O., -zichten. Inzie den, zood in, zoden in, is inge- zoden. Ineiedsel, O., -ziedsels. Inzien, zag in, zagen in, heeft ingezien. Inzinken, zonk in, is ingezonken. Inzitten, zat in, zaten in, heeft ingezeten. Inzoet. Inzonderheid. Inzouten, zoutte in, heeft ingezouten. |
Inzouting, V., -zoutingen. Inzuigen, zoog in, zogen in, heeft ingezogen. Inzuiging, V., -zuigingen. Inzulten, zultte in, heeft ingezult. Inzwachtelen, zwachtelde in, heeft ingezwachteld. Inzwachteling, V., -zwachtelingen. Inzwart. Inzwelgen, zwolg in, heeft ingezwol-gen. Inzwelger, M., -zwelgers. Inzwelging, V., -zwelgingen. Inzwemmen, zwom in, zwommen in, is ingezwommen. . Inzweven, zweefde in, is ingezweefd. Inzwiehen, zwierde in, is ingezwierd. Irenisch. Irias, V., iriassen. Ironie, V. Ironiek. Ironisch. Islam, M. Islamisme, O. Isochroon, -chrone. Isothermen (mv.), V. Israëliet, M., Israëlieten. Israëlietisch. Isthmus, M. Italiaan, M., Italianen. Italiaansch. Italiaansch, O. Italië, O. Item, O., items. Itempje, O., -jes. Iteratief, O., iteratieven. Ivoor, O. Ivoordraaier. M., -draaiers. Ivoorzwart, O. Ivoren (bnw.). |
J.
|
J, V., j's. Ja. Jaaggeld, O., -gelden. Jaaghout, O. Jaagloon, O., -loonen. Jaagpaard, O., -paarden. Jaagpad, O., -paden. Jaagschuit, V., -schuiten. Jaap, M., japen. Jaap.je, O., -jes. Jaar, O., jaren. Jaartje, O., -jes. Jaarboek, O., -boeken; -boekje, O.,-jes. Jaardag, M., -dagen. Jaargang, M., -gangen. Jaargeld, O., -gelden. Jaargetijde en jaargetij, O., -getijden en -getijen. Jaarkring, M., -kringen. Jaarlijks (bijw.). Jaarlijksch (bnw.). Jaarling, M., -lingen. |
Jaarmarkt, V., -markten. Jaartal, O., -tallen. Jaartelling, V., -tellingen. Jaarwedde, V., wedden. Jabroer, M., -broers. Jacht (het jagen), V., jachten. Jacht (vaartuig), O., jachten. Jachtje, O., -jes. Jachtakte, V., -akten. Jachtbedrijf, O. Jachten, jachtte, heeft gejacht. Jachthond, M., -honden. Jachtig, jachtiger, jachtigst. Jachtigheid, V. Jachtsneeuw, v. Jachtstoet, M. Jachttijd, M. Jachtvermaak, O., -vermaken. Jachtwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. |
11
JAS.
JAC.
162
|
tTacobijn, M., Jacobijnen. Jacobijnenmuts, V., -mutsen. Jagen, jaagde, heelt gejaagd; ook joeg. Jager, M.. jagers. Jagertje, o., -jes. Jageres, V., jageressen. Jagersflüit, V., -fluiten. Jagerskleeding, V. Jagerskost, M. Jagersleven, o. Jagersmuts, V., -mutsen. Jagerspet, V., -petten. Jagerstaal, V. Jagerstasch, V., -tasschen. Jagersterm, M., -termen. Jaging, V.. jagingen. Jak, O., jakken. Jakje. O., -jes. Jakhals, M.. jakhalzen. Jakhalzen, jakhalsde, heeft gejakhalsd. Jakken, jakte, heelt gejakt. Jakkeren, jakkerde, heelt gejakkerd. Jakobsladder, v. Jalaffe, V., jalappen. Jaloersch, jaloerscher, meest jaloersch. Jaloerschhkid, V. Jaloezie (yverzucht), V. Jaloezie (zonneblind), V., jaloezieën. Jaloezielat, V., -latten. Jam, V., jammen. Jam (Engelsch woord), V. Jambe, V., jamben. Jammer, O., jammeren. Jammerdal, O. Jammeren, jammerde, heeft gejammerd. Jammerhartig, -hartiger, -hartigst. Jammerhartigheid, v. Jammerklacht, V., -klachten. Jammerlijk, -lijker, -lljkst. Jampotje, O., -potjes. Jan, M., jannen; jantje, O., mv. -jes. Janhagel (koek), V. Janhagel (gemeen), O. Janhen, M., janhennen. Janitsaar. m , Janitsaren. Janken, jankte, heeft gejankt. Janmaat, M. Jansalie, M., jansalies. Jansalieachtig, -achtiger, -achtigst. Jansalieachtigheid, V. Jansenist, M., Jansenisten. Jansenistenkerk, V., -kerken. Januari, M. Japannees, M., Japanneezen. Japanneesch en japanslh, O. Japansch. Zie Japanneesch. Japen, jaapte, heeft gejaapt. Japon, V., japonnen en japons. Japonnetje, O., -jes. Japonstof, V., -stoffen. Jarenlang (bijw.). Jargon, O. Jarig. Jas (kleed), V., jassen. Jasje, O., -jes. Jas (troefboer), M. Jaskaart, V., -kaarten. |
| Jasmijn, V., jasmijnen. Jasmijntje, O., -jes. Jaspis (steen), M., jaspissen; (als stofnaam), O. Jassen, jaste, heeft gejast. Jassenkamer, V., -kamers. Jasspeler, M., -spelers. Java-koffie, V. Jawoord, O. Je. Jegens. Jenever, V. Jeneverachtig, -achtiger, -achtigst. Jeneverbes, V., -bessen. Jeneverflesch, V., -flesschen. Jenevermoed, M. Jeneverneus (neus), M., -neuzen. Jeneverneus (persoon), M. en V., -neuzen, i Jeneverstoker, M., -stokers, j Jengelen, jengelde, heeft gejengeld. i Jeremiade, V., jeremiaden en jeremiades. Jeruzalemmer (appel), M , jeruzalem-i mers. | Jeugd, V. i Jeugdig, jeugdiger, jeugdigst. I Jeugdigheid, V. [ Jeuk, M. Jeuken (ook joken),jeukte (jookte), heeft 1 gejeukt (gejookt). Jeuking (ook joking), V., jeukingen. Jeukte, V. Jeukziekte, V. Jezuïet, M., Jezuïeten. Jezuïetenkerk, V., -kerken. jezuïetisch. Jezuïtisme, O. Jicht, V. Jichtaanval, M., -aanvallen. Jichtig, jichtiger, jichtigst. Jichtigheid, V. Ju. Jobsbode, M. en V., -boden. Jobstijding, V., -tijdingen. Jockey, M., jockeys. Jockey-pet, V., -petten; -petje, O., -jes. Jodenbrood, O., -brooden. Jodenbuurt, V., -buurten. Jodendom, o. Jodengenoot, M.. -genooten. Jodenhoek, M. Jodenkerk, V., -kerken. Jodenkind, O., -kinderen. JODENKOEKJE, O., -jOS. JODENKOKT, M. Jodenkriek, V., -krieken. Jodenlijm, V. Jodenmengt;ch, O., -menschen. Jodenpek, O. Jodentaal, V. Jodin, V., Jodinnen. Jodinnetje, O., -jes. Jodium, O. Jodiumtinctuur, V. |
JOP.
163
JOE.
|
joechjachen, joechjachte, heeft gejoech-jacht. joedelen, joedolde, heeft gejoedeld. Joelen, joelde, heeft gejoeld. Jok, M. Joken, joking. Zie Jeuken, enz. Jokkebrok, M. en V.. -brokken. Jokken, jokte, heeft gejokt. Jokken, M., jokkens. Jokkentje, O ,-je3. Jokkenaar, M., jokkenaars. Jokker, M., jokkers. Jokkernij, V., jokkernijen. Jokkernijtje, O., -jes. Jol, V., jollen. Jolletje, O., -jes. Jolen, joolde, heeft gejoold. Jolig, joliger, joligst. Joligheid, V. Jonassen, jonaste, heeft gejonast. Jong, jonger, jongst. Jong, O., jongen. Jongedochter, V., -dochters. Jongeheer en jongenheer, M., jonge-heeren. Jongejuffrouw, V., -juffrouwen. Jongeling, M., jongelingen. Jongelingschap, V. Jongelingsdroom, M., -droomen. Jongelingsjaren (mv.), O. jongelingsvereeniging, V., -vereeni- gingen. Jongen, M., jongens. Jongetje, O., -jes. Jongen, jongde, heeft gejongd. Jongensachtig, -achtiger, -achtigst. Jongensgek, V., -gekken. Jojs'genspak, O., -pakken. Jongensstreek, M., -streken. Jongenswerk, O. Jonger, M., jongeren en jongers. Jonggeborene, M. en V., -geborenen. Jonggehuwde, M. en V., -gehuwden Jonggezel, m., jonggezellen. Jongmaatje. O., -jes. Jongmensch, O., jongelieden en jongelui. Jongs. (Van jongs af.) Jongsken en jongske, O., jongskens en jongskes. Jongstleden. Jonk, V., jonken. Jonker, M., jonkers. Jonkertje, O., -jes. Jonkerachtig, -achtiger, -achtigst. Jonkheer, M., -heeren: -heertje, ü.,-jes. Jonkheerstitel, M., -titels. Jonkheid, v. Jonkman, M., jongelieden en jongelui. Jonkvrouw, V., -vrouwen. Jonkvrouwelijk. Jood, m.. Joden en joden. Joodje, O., -jes. Joodsch. Joodschap (de Joden), V.; (het Jood zijn), O. Jool, M., jolen. Jooltje, O., -jes. Joop, V., jopen. |
Jopenbier, O. Jota, V., jota's. Jou. Journaal, O., journalen. Journalist, M., journalisten. Journalistiek, V. Jouw, M. Jouwen, jouwde, heeft gejouwd. Joviaal, jovialer, joviaalst. Jovialiteit, V. Jubel, M., jubels. Jubelen, jubelde, heeft gejubeld. Jubelfeest, o., -feesten. Jubeljaar, O., -jaren. Jubilaris, M., jubilarissen. Jubilé, O., jubilé's. Jucht, O. Juchti.eder en -leer, o. juchtlederen ou -leeren (bllW.). Judashaar, O. Judaskus, M. Juffer (juffrouw), V., juff ers en juff eren. Juffertje, O., -jes. Juffer (spar, balk), V.. juffers. jufferachtig, -aclitiger, -achtigst. jufferi.ijk, -lijker, -lijkst. jufferschap, v. juffershondje, o., -jes. juffrouw, v, juffrouwen. juichen, juichte, heeft gejuicht. juilen, juilde, heeft gejuild. juiling. V. juist, juister, juistste. juist (bijw.). juistheid, V. jujube, V., jujubes. juk, o., jukken. Jukje, o,, -jes. jukbeen, o., -beenderen. juli, M. Juni, M. Juridisch. Jurisprudentie, V. jurist, M., juristen. Juristen vereeniging, V., -vereeni-gingen. Jurk, V., jurken. Jurkje, O., -jes. Jury, V., jury's. Justeerder, M., justeerders. Justeeren, justeerde, heeft gejusteerd. Justitie, quot;V. Jut (peer), V., jutten. Jute, V. Jutmis en juttemis, V. Juttepeer (vrucht), V., -peren; (boom), M., -peren. Juweel, O , juweelen. Juweeltje, O., -jes. Juweelen (bnw.). Juweelenkistje, O., -jes. Juweelenkoffertje, O., -jes. juweelig. Juwelier, M.. juweliers. Juwelierswinkel, M., -winkels. |
KAA.
K.
164
|
K, V., k's. Ka. Zie Kade. Kaag, V., kagen. Kaai, V , kaaien. Kaaitje, O., -jes. Kaaidraaien en kadraaien,kaaidraaicle (kadraaide), heeft gekaaidraaid (ge-kadraaid). Kaaidraaier en kadraaier, M., -draaiers. Kaaien, kaaide, heeft gekaaid. Kaailooper, M., -loopers. Kaaiman, M., kaaimans en kaaimannen. Kaaiwerker, M., -werkers. Kaak (wang), V.. kaken. Kaakje, O., -jes. Kaak (schandpaal), V., kaken. Kaakje (gebakje), O , -jes. Kaakmes, O, -messen. Kaakslag, M., -slagen. Kaal, kaler, kaalst. Kaalachtig, -achtiger, -achtigst. Kaalheid, V. Kaalhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Kaalkin, M., -kinnen. Kaalkop, M. en V., -koppen. Kaam, V. Kaamachtïg, -achtiger, -achtigst. Kaamsel, O., kaamsels. Kaan, V., kanen. Kaankoek, m.. -koeken; als stofnaam V. Kaap (voorgebergte), V., kapen. Kaapje, O., -jes. Kaap (roof), V. (Ter kaap varen). Kaapsch. Kaapstander, M., -standers. Kaapvaarder, M., -vaarders. Kaapvaart, V. Kaar, V., karen. Kaarde, V., kaarden. Kaarden, kaardde, heeft gekaard. Kaardendistel, V., -distels. Kaardenmaker, M.. -makers. Kaarder, M., kaarders. Kaardsel, 0. Kaardster, V., kaardsters. Kaars, V., kaarsen. Kaarsje, O., -jes. Kaarsedief, M., -dieven. Kaarsenbak, M., -bakken. Kaarsenkatoen, O. Kaarsen kist, V., -kisten. Kaarsenkooper, M., -koopers. Kaarsenmaker, M., -makers. Kaarsenmakerij, V., -makerijen. Kaarsenwinkel, M., -winkels. Kaarsepit, V., -pitten. Kaarslicht, O., -lichten. Kaarsvet, o. Kaart, V., kaarten. Kaartje, O., -jes. Kaarteblad (eene speelkaart), O., -bladen. Kaarten, kaartte, heeft gekaart. |
l Kaartenblad (karton, en papier om eene kaart op te teekenen), o. Kaartenfabriek, V., -fabrieken. Kaartengeld, O. Kaartenhuis, o., -huizen; -huisje, o., -jes. Kaartenmaker, M., -makers. Kaartenpapier, O. Kaartenwinkel, M., -winkels. Kaartlegster, V.. -legsters. Kaas, V., kazen. Kaasje, ü., -jes. Kaasachtig, -achtiger, -achtigst. Kaasjeskruid, O. Kaaskleursel, O. Kaasmaken, o. Kaasmes, O., -messen. Kaaspakhuis, O., -pakhuizen. Kaasstolp, V., -stolpen. Kaats, V. Kaatsbaan, V., -banen. Kaatsbal, M., -ballen. Kaatsdak, O., -daken. Kaatsen, kaatste, heeft gekaatst. Kaatser, M., kaatsers. Kaatsnet, o., -netten. Kaatsspel, O., -spellen. Kaatszeef, V., -zeven. Kabaai, V., kabaaien. Kabas, V., kabassen. Kabassen, kabaste, heeft gekabast. Kabbelen, kabbelde, heeft gekabbeld. Kabbeling, V.. kabbelingen. Kabel, M, kabels. Kabeltje, O., -jes. Kabelaring of Kabellarga, V, Kabelen, kabelde, heeft gekabeld. Kabelgat, O., -gaten. Kabeljauw (visch), M., kabeljauwen; (als stofnaam), V. Kabeljauwtje, O., -jes. Kabeljauwsche, M. en V., Kabeljauw-schen. Kabelslengte, V., -lengten. Kabeltouw, O., -touwen. Kabinet, O., kabinetten. Kabinetje, O., -jes. Kabinetsorder, V., -orders. Kabinetsquaestie en -kwestie, V., -quaestiën en -kwesties. Kabinetsraad, M . -raden. Kabinetsschrijven, O. Kabinetswerk, O. Kabouter, M , kabouters. Kaboutermannetje, O., -jes. Kabuis, V., kabuizen. Kachel, V., kachels. Kacheltje, O., -jes. Kacheldeur, V,, -deuren; -deurtje, O., - jes. Kachelpijp, V., -pijpen. Kachelplaat, V., -platen. Kachelwarmtf, V. Kadaster, O. |
KAL.
KAD
165
|
Kadastraal, kadastrale. Kadastreerkn, kadastreerde, heeft gekadastreerd. Kade en ka, V., kaden. Kader, O., kaders. Kadet (broodje), V., kadetten. Kadetje, 0., -jes. Kadijk, M., kadijken. Kadonderpruik, V., -pruiken. Kadraai, V., kadraaien. Kadraaien. Zie Kaaidraaien. Kaf, O. Kaffa, O. Kaffer, m., Kaffers. Kafferland, o. Kaftan, M., kaftans. Kajapoetolie, V. Kajuit, V., kajuiten. Kajuitsjongen, M., -jongens. Kajuitswachter, M., -wachters. Kak, M. Kakebeen, 0., -beenen. Kakelaar, M., kakelaars. Kakelaarster, V., kakelaarsters. Kakelbont, -bonter, -bontst. Kakelen, kakelde, heelt gekakeld. Kakement, O., kakementen. Kaken, kaakte, heelt gekaakt. Kaker, M., ka kers. Kaketoe, V., kaketoes. Kakhiel, M., -hielen. Kakhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Kakken, kakte, heeft gekakt. Kakkerlak, M., kakkerlakken. Kakkerlakje, O., -jes. Kakschool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes. Kalamijnsteen, M., -steenen. Kalamink en kalmink, O. Kalaminken en kalminken (bnw.). Kalander, V., kalanders. Kalanderaar, M.. kalanderaars. Kalanderen, kalanderde, heeft gekalanderd. Kalandergeld, O. Kalandermolen, M., -molens. Kalebas, V., kalebassen. Kalefaten, enz. Zie Kalfaten, enz. Kalender, m., kalenders. Kales, v., kalessen. Kalesje, O., -jes. Verg. Calèche. Kalevink, M., -vinken. Kalf, O., kalveren en kalven. Kalfje, O., -jes. Kalfaathamer, m., -hamers. Kalfaatijzer, o., -ijzers. Kalfaattang, V., -tangen. Kalfaten (ook kalefaten), kalfaatte, heeft gekalfaat. Kalfateren (ook kalefateren), kalfaterde, heelt gekalfaterd. Kalfatering, V., kalfateringen. Kalfsbiefstuk, M., -biefstukken. Kalfsborst. V., -borsten. |
Kalfsgehakt, O. Kalfsgelei, V. Kalfskarbonade, V., -karbonaden. Kalfskop, M., -koppen. Kalfskotelet, V., -koteletten. Kalfslap, M., -lappen; -lapje, O., -jes. Kalfsleder en -leer, O. Kalfslederen en -leeren (bnw.). Kalfslever, Vâ -levers. Kalfsnier, V., -nieren. Kalfsoog, O., -oogen. Kai.fspoelet, O. Kalfspoot, M., -pooten. Kalfsrib, V., -ribben. Kalfsschijf, V.( -schijven; -schijfje, O., -jes. Kalfssoep, V. Kalfstong,V.,-tongen; -tongetje, O.,-jes. Kalfsvel, O., -vellen. Kalfsvleebch, o. Kalfsvoet, M., -voeten. Kalfszwezerik, M., -zwezeriken. Kaliber, O. Kai.ief, m., kaliefen. Kalifaat, O. Kalis, M., kalissen. Kalk, V. Kalkachtig, -achtiger, -achtigst. Kalkbak, M., -bakken. Kalkbranderij, V., -branderijen. Kalken, kalkte, heeft gekalkt. Kalkhydraat, O. Kalki.icht, O. Kalkoen, M., kalkoenen. Kalkoentje, O., -jes. Kalkoenenei, O., -eieren. Kalkoenennest, O., -nesten. Kalkoenenvet en kalkoenevet, O. Kalkoenenvleesch en kalkoene- vleesch, o. Kalkoensch. Kalkoentje (Va van eene flesch), o.,-jes. Kalkoven, M., -ovens. Kalkwater, O. Kallen, kalde, heelt gekald. Kaller, M., kallers. Kalm, kalmer, kalmst. Kalmink. Zie Kalamink. Kalmpjes. Kalmte, V. Kalmus, M. Kalot, v., kalotten. Kalotje, O., -jes. Kalster, v., kalsters. Kalven, kalfde, heeft gekalfd. Kalverachtig, -achtiger, -achtigst. Kalverachtigheid, V. Kalveren, kalverde, heeft gekalverd. Kalverliefde. V. Kalvijn (appel), V., kalvijnen. Kam, M., kammen. Kammetje, O., -jes. Kameel (dier), M., kameelen. Kameel (werktuig om schepen te lichten), O. Kameelshaar, O. |
KAM.
KAM.
166
|
Kameelsharen (bnw.). Kameelsrug, M., -ruggen. Kameleon, O., kameleons. Kamelot, O. Kamelotten (bnw.). Kamen, kaamde, heeft gekaamd. Kamenier, V.. kameniers en kamenie- ; ren. Kameniertje, O., -jes. Kamenieren, kamenierde, heeft geka- 1 menierd. Kameniersdienst. M., -diensten. Kamenierswerk, o. Kamer, V., kamers en kam eren. Kamertje, O., -jes. Kameraad, M. en V,, kameraden en kameraads. Kameraadje, O., -jes. Kameraadschap, O. Kameraadschappelijk. Kamerarrest, o., -arresten. Kamerbehanger, M., -behangers. Kamerbewaarder, M., -bewaarders. Kamerdienaar. M., -dienaars. Kameren, kamerde, heeft gekamerd. Kamerheer, M., -heeren. Kamerjapon, V., -japonnen. Kamerlid, O., -leden. Kamerling, M., kamerlingen. Kamermeisje, O., -meisjes. Kamermuziek, V. Kamerplant, V., -planten. Kamerverslag, O., -verslagen. Kamervleugel, M. -vleugels. Kamerzitting, V., -zittingen. Kamfer, V. Kamferachtig. -achtiger, -achtigst. Kamig, kamiger, kamigst. Kamille, V., kamillen. Kamillethee, V. Kamizool, O., kamizolen. Kamizooltje, O., -jes. Kamizoolsmouw. V., -mouwen. Kamizoolsvoering, V. KamIzoolszak, M., -zakken. Kammeling, V. Kammen, kamde, heeft gekamd. Kammenmaker, M.. -makers. Kammer, M., kammers. Kamoesleer en kamuisleer, O. Kamoesleeren (bnw). Kamp (strijd en stuk land), M., kampen. Kampje, O., -jes. Kamp (legerplaats). O. Kamp (gelyk). (bijw.). Kampanje, V.. kampanjes. Kampeeren, kampeerde, heelt gekampeerd. Kampeering, V. Kampement, O., kampementen. Kampen, kampte, heelt gekampt. Kamper, M., kampers. Kamperfoelie, V. Kampernoelie, V., kampernoelies. Kampersteur. M. Kamping, V., kampingen. |
Kampioen, M., kampioenen. Kampong, M., kampongs. Kamponghond, M., -honden. Kampster, V., kampsters. Kamuis, kamuize. Kamuisleer. Zie Kamoesleer. Kan, V., kannen. Kannetje, O., -jes. Kanaal, o., kanalen. Kanaaltje, o., -jes. Kanaaltol, M.. -tollen. Kanalisatie, V. Kanalje (ook canaille), (menigte). O.; (persoon), V. Kanarie, M., kanaries. Kanarietje. O., -jes. Kanariegeel, -gele. Kanarievogel, M., -vogels; -vogeltje, O., -jes. Kanariezaad, O. Kanaster. Zie Knaster. Kandeel, V. Kandeeltje, o., -jes. Kandeelketeltje, o., -keteltjes. Kandelaar, M., kandelaren en kandelaars. Kandelaartje, O., -jes. Kandelaarspïjp, V., -pijpen. Kandij, V. Kaneel, V. en O. Kaneelkleurig. Kaneelwater, O. Kanefas, O. Kanenbrood, o. Kangoeroe, V., kangoeroe's. Kanker, M. Kankerachtig, -achtiger, -achtigst. Kankeren, kankerde, is gekankerd. Kannegelx k, o. kannelid, o. Kannibaal. M., kannibalen. Kanon (geschut), O., kanonnen. Kanonnetje, O., -jes. Kanongebulder. O. Kanonnade, V., kanonnades. Kanonneerboot, V., -booten. Kanonnenkoorts, V. Kanonnier, M., kanonniers. Kanonnierskazerne, V., -kazernen. Kanonskogel, M., -kogels. Kanonvuur, O. Kans, V., kansen. Kansje, O., -jes. Kansbiljet, O., -biljetten. Kansel. M., kansels. Kanselarij, V., kanselarijen. Kanselier, m., kanseliers en kanselieren Kanselredenaar. M., -redenaars. Kant (zijde), M., kanten. Kantje, O.,-jes. Kant (speldenwerk), V., kanten. Kantje, O., -jes. Kant. (Kant en klaar.) Kanteel, M., kanteelen. Kantelen, kantelde, heelt en is gekanteld. Kanteling, V. Kanteloep, V., kanteloepen. |
KAN.
167
KAP.
|
Kanten (bnw.). Kanten, kantte, lieeTt gekant. Kanterstok, M.. -stokken. Kanthouwen, kanthouvvde, heeft ge- kanthouwd. Kanthouwer, M., -houwers. Kantig, kantiger, kantigst. Kantigheid, V. Kanton, O., kantons. Kantongerecht, o., -gerechten. Kantonnement, o., kan tonne menten. Kantonrechter, M., -rechters. Kantoor, O., kantoren. Kantoortje, O., -jes. Kantooragenda, V., -agenda's. Kantooralmanak, M., -almanakken. Kantoorbediende, M., -bedienden. Kantoorbehoeften (mv.), V. Kantoorboek, O., -boeken. Kantoorklerk, M., -klerken. Kantoorlessenaar, M., -lessenaars. Kantoorschrijver, M., -schrijvers. Kantoorstoel, M., -stoelen. Kantooruur, O., -uren. Kantoorwerk, o. Kantrechten, kantrechtte, heeft ge- kantrecht. Kantshaak, M., kantshaken. Kantteekening. v., -teekeningen. Kanunnik, M., kanunniken. Kanunnikenbank, v., -banken. Kap, v., kappen. Kapje, O., -jes. Kapbeitel. M.. -beitels. Kapblok, O., -blokken. Kapdoor, V.. -doozen. Kapel (heiligdom en vlinder), V., kapellen. Kapelletje, ü.. -jes. Kapelaan, M., kapelanen. Kapelmeester, M., -meesters. Kapen, kaapte, heeft gekaapt. Kaper (vrijbuiter). M., kapers. Kaper (muts), V., kapers. Kapertje, O., -jes. Kaphamer, M., -hamers. Kapitaal, o., kapitalen. Kapitaaltje, O., -jes. Kapitaal, kapitale. Kapitaalsverzekering, V., -verzekeringen. Kapitaalvorming, V. Kapitaliseeren. kapitaliseerde, heeft gekapitaliseerd. Kapitalist, M., kapitalisten. Kapiteel, o., kapiteelen. Kapitein, M., kapiteins. Kapitein-adjudant, M., kapiteins-adjudanten. Kapitein-generaal, M., kapiteins-generaal. Kapitein-ingenieur, M., kapiteinsingenieurs. Kapitein-kwartiermeester, M., kapiteins-kwartiermeesters en kapitein-kwartiermeesters. |
Kapitein-luitenant, M., kapitein- luitenants. Kapiteinschap, O. Kapiteinsplaats, V., -plaatsen. Kapiteinsrang, M. Kapiteinsuniform, V., -uniformen. Kapitorie, O., kapitories. Kapittel, O., kapittels en kapittelen. Kapitteltje, O., -jes. Kapittelen, kapittelde, heeft gekapitteld. Kapittelstok, M., -stokken: -stokje, O., -jes. Kapkamer, V., -kamers. Kaplaars, V., -laarzen. Kaplaken, O , -lakens Kapmantel, M., -mantels. Kapmes, o., -messen. Kapoen, M., kapoenen. Kapoentje, O., -jes. Kapoenen, kapoende, heeft gekapoend. Kapoeres. Kapoets (kapoetsmuts). Zie Kapuits- muts. Kapok, V. Kapokmatras, V., -matrassen. Kapot, V., kapotten. Kapotje, ü., -jes. Kapot, kapotte, Kapotgaan, ging kapot, is kapotgegaan. Kapotjas, V., -jassen. Kappelen, kappelde, is gekappeld. Kappeling, V. Kappen (hakken), kapte, heeft gekapt. Kappen (het haar optooien), kapte, heeft gekapt. Kappenmaakster. V., -maaksters. Kapper (haartooier), M., kappers. Kapper (gewas), V., kappers. Kappertje. O., -jes. Kappersbediende, M., -bedienden. Kapperswinkel, M., -winkels. Kappertjeskool, V., -kooien. Kaproen, V., kaproenen. Kapsel, O., kapsels. Kapspiegel, M., -spiegels. Kapster, V., kapsters. Kapstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes. Kaptafel, V., -tafels. Kapucijn, M , Kapucijnen. Kapucijnenklooster, O., -kloosters. Kapucijner (monnik), M., Kapucijner-. Kapucijner (erwt), M., kapucijners. Kapuitsmuts en kapoetsmuts, V., -mutsen. Kar, V., karren. Karretje, ü., -jes. Karaak en kraak, vâ karaken en kraken. Karaat, ü., karaten en karaats. Karabijn, V.. karabijnen. Karabinier, M., karabinieren en kara ⢠biniers. Karaf en kraf, V., karaffen en kraöen. Karatje en krafje, O., -jes. Karakter, O., karakters. Karaktertje, O., -jes. |
KAR.
KAR.
168
|
quot;Karakteriseeben, karakteriseerde,heeft. gekarakteriseerd. Karakteristiek, karakteristieker, karakteristiekst. Karakteristiek, v. Karakterloos, -loozer, -loost. Karakterloosheid, V, Karavaan, V., karavanen. Karavaanthee, V. Karbeel, M., karbeels en karbeelen. Karbonade, V., karbonades en karbonaden. Karbonaadje, O., -jes. Kabbonkel (steen), M., karbonkelen en karbonkels; (als stofnaam), O. Karbonkeltje, O., -jes. Kabdeel, O., -kardeels. Kabdemom, V. Kabdinaal, M., kardinalen. Kabdinaalshoed, M., -hoeden. Kabdoes (hond), m, kardoezen. Kardoesje, O., -jes. Kardoes (artillerie en bouwkunde), V., kardoezen. Kardoesje, O., -jes. Kareel, M., kareelen. Kareelsteen, M., -steenen. Karig, kariger, karigst. Karigheid, V. Karkant, M., karkanten. Karkas, o., karkassen. Karkasje, ü., -jes. Karkiet, M., karkieten. Karmeliet, M., Karmelieten. Karmelietenklooster, O., -kloosters. Karmijn, o. Karmozijn, O. Karmozijnen (bnw.). Karn, V., karnen. Karnemelk, V. Karnemelksbrij , V. Karnemelkspap, V. Karnen, karnde, heeft gekarnd. Karnoffelen, karnoflelde, heeft ge- karnoffeld. Karonje, V., karonjes. Karos, V., karossen. Kabot, V., karotten. Karotje, O., -jes. Kabottekfabbiek, V., -fabrieken. Kabottentoüw, o., -touwen. Kabottentbekkeb, M., -trekkers. Kabottentbekkebij, v., -trekkeryen. Kabpeb, m., karpers. Karpertje, O.,-jes. Kabpet, o., karpetten. Karpetje, O., -jes. Kabpoets, V., karpoetsen. Karpoetsje, O., -jes. Karbeknecht, M., knechts. Kabreman, M., -lieden en -lui. Karrepaard, O., -paarden. Karretuig, O., -tuigen. Karrevracht, V., -vrachten. Karsaai, O., karsaaien. Karsaaien (bnw.), Karsteling, M., karstelingen. Karste- lingetje, O., -jes. Kartel, m., kartels. kabtelen,kartelde,heeft en is gekarteld. |
Kabtelig, karteliger, karteligst. Kabteligheid, V. Kabteling, V., kartelingen. Kabtets, V., kartetsen. Kabtetsvuub, o. Kabton (papier), O. Kabtonneeben, kartonneerde, heeft gekartonneerd. Kabtonneebing, v., kartonneeringen. Kabtonnen (bnw.). Kabtouw, V., kartouwen. Kabtuizeb, M., Kartuizers. Kabveel, V. en O., karveels enkarveelen. Kabveelswebk, O. Kabviel, o., karviels en karvielen. Kabwats, V., karwatsen. Katwatsje, O., -jes. Kabwei (werk), V., karweien. Karweitje, O., -jes. Kabwij (zaad), V. Kas, V., kassen. Kasje, O., -jes. Kasboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Kasgeld, O. Kapkien en kaskijn, M., kaskienen en kaskynen. Kasseien, kasseide, heeft gekasseid. Kassen, kaste, heeft gekast. Kassie, V, Kassieb, M., kassiers en kassieren. Kas- si ertje, O., -jes. Kassiebdebij, V. Kassiebsboek, o., -boeken. Kassiebsbbiefje, O., -jes. Kassiebskantoob, o., -kantoren. Kassiebsknecht, M.. -knechts. Kassiebsbekening, V., -rekeningen. Kassig. Kast, V., kasten. Kastje, O., -jes. Kastanje (boom), M.; (vrucht), V., kastanjes. Kastanjeboom, M., -boomen. Kastanjebbuin. Kastanjebbuin, O. Kastdeub, V., -deuren. Kaste, V., kasten. Kasteel, O., kasteelen. Kasteeltje, O., -jes. Kastegeest, M. Kastelein, M., kasteleins. Kasteleintje, O., -jes. Kasteleines, V., kasteleinessen. Kasteleinschap, O. Kasteleinsbekening, V., -rekeningen. Kastelenij, V., kastelenijen. Kastenmakeb, M., -makers. Kastiespel, O. Kastijden, kastijdde, heeft gekastijd. Kastijdeb, M., kastijders. Kastijding V., kastijdingen. Kastoob (stof), O.; (hoed), M., kastoren. Kastoren (bnw.). Kastpapieb, O. Kastbol, V., kastrollen. Kat, V., katten. Katje, O., -jes. |
KAT.
KEE.
169
|
Kataas, O. Katafalk, V., katafalken: Katek, M., katers. Katern, V. en O., katernen. Katerntje. O., -jes. Kathalzen, kathalsde, heeft gekathalsd. Katheder (leerstoel), M., katheders. Kathedraal, kathedrale. Kathedraal, V., kathedralen. Katheter (buis), M., katheters. Katholiek en catholiek, M., Katholieken en Catholieken. Katjesspel, O. Katoen (als stof), O.; (als handelswaar), V., katoenen. Katoentje, O., -jes. Katoenbaal, V., -balen. Katoenboom, M., -boomen. Katoenen (bnw.). Katoenfluweel, O. Katoenmarkt, V. Katoenplantage, V., -plantages. Katoenspinnerij, V., -spinnerijen. Katrol, V., katrolleü. Katrolletje, O., -jes. Kattebak, M., -bakken. Kattebelletje, o., kattebelletjes. Kattekop, M., -koppen. Kattekwaad, o. Katten, katte, heeft gekat. Kattendoorn en -doren, M. Kattengemauw, O. Kattengeslacht, O. Kattenhaar, O. Kattenmuziek, V. Katterig, katteriger, katterigst. Katterigheid, V. Kattesprong, M., -sprongen. Kattestaart, M., -staarten. Kattevel, O., -vellen. Katuil, M., -uilen. Katvisch, V. Kauw, V., kauwen. Kauwen, kauwde, heeft gekauwd, Kauwoerde, V., kauwoerden. Kauwsel, 0., kauwsels. Kauwspier, V., -spieren. Kauwtand, M., -tanden. Kavalje, V. en O., kavaljes. Kavel, m., kavels en kavelen. Kavelen, kavelde, heeft gekaveld. Kaveling, V., kavelingen. quot; Kaviaar, V. Kawaan, V., kawanen. Kazak, V., kazakken. Kazemat, V., kazematten. Kazen, kaasde, heeft gekaasd. Kazerne, V., kazernen. Kazerneeren, kazerneerde, heeft gekazerneerd. Kazerneering, v. Kazuaris, M., kazuarissen. Kazuifel, v., kazuifels en kazuifelen. Ked, kedde. Zie Kid. Keel (in de bouwkunde), v., kelen. |
Keel (lichaamsdeel), V., kelen. Keeltje» O., -jes. Keel (rood), o., Verg. Kelen (bnw.). Keelband, M., -banden. Keelgat, ü. Keelgeluid, O., -geluiden. Keelletter, V., -letters. Keelpijn, V. Keeltering, V. Keelziekte, V., -ziekten. Keen, V., kenen. Keep, v., kepen. Keepje, O., -jes. Keer, M., keeren. Keerdam, M., -dammen. Keerdicht, O., -dichten. Keeren (wenden), keerde, heeft en is gekeerd. Keering, V., keeringen. Keerkring, M., -kringen. Keerkringslijn, V., -lijnen. Keerkringsplant, V., -planten. Keerkringsvogel, M., -vogels. Keerkringswarmte, V. Keerkringszon, V. Keernagel, M., -nagels. Keerpunt, O., -punten. Keertouw, O., -touwen. Keer weer, M., -weeren. Keerweg, M., -wegen. Keerzijde, V., -zijden. Kees, M , keezen. Keesje, O., -jes. Keeshond, M., -honden. Keest, M. Keet, V.. keten. Keezen, keesde, heeft gekeesd. Keezerij, V. Keffen, kefte, heeft gekeft. Keffer, M., keffers. Keffertje, O., -jes. Keg en kegge, V., keggen. Kegje en keggetje, O., -jes. Kegel, M., kegels en kegelen. Kegeltje,. O., -jes. Kegelaar, M., kegelaars. Kegelbaan, V., -banen. Kegelbal, M., -ballen. Kegelconcours, o., -concoursen. Kegelen, kegelde, heett gekegeld. Kegeljongen, M., -jongens. Kegelplaats, V., -plaatsen. Kegelsnede, V., -sneden. Kegeltop, m., -toppen. Kegelvormig. Kei, M., keien. Keitje, O., -jes. Keiachtig, -achtiger, -achtigst. Keil, M., keilen. Keiltje, O., -jes. Keilen, keilde, heeft gekeild. Keisteen, M.. -steenen; - steentje, O., -jes Keizer, M., keizers. Keizerdom, ü. Keizerin, V., keizerinnen. Keizerlijk. Keizerrijk, o., -rijken. Keizershof, O., -hoven. Keizerskroon, V., -kronen. |
KER
KEI
170
|
Iveizerssnede, V., -sneden. Keker, V., kekers. Kekeren, kekerde, hee!'t gekekerd. Kelder, M., kelders. Keldertje, 0.,-jes. Kelderachtig, -achtiger, -achtigst. Kelderen, kelderde, heeft gekelderd. Keldergat, O., -gaten. Kelderluik, O., -luiken. Kelderraam, o., -ramen. Kelderrat of -rot, v., -ratten en -rotten. Kelen, keelde, heeft gekeeld. Kelen (bnw. in de wapenkunde). Kelk, M., kelken. Kelkje, O., -jes. Kemel, M., kemels. Kemelshaar, O. Kemelsharen (bnw.). Kemphaan, M., -hanen; -haantje, O.,-jes. Kenbaar, -baarder, baarst. Kenbaarheid, V. Kenen, keende, is gekeend. Kenletter, V., -letters. Kenlijk en kennelijk, -lijker. -lykst. Kenlijkheid en kennelijkheid, V. Kenmerk, O., -merken. Kenmerken, kenmerkte, heeft geken merkt. Kenmerkend. Kennelijk. Zie Kenlijk. Kennen, kende, heeft gekend. Kennep. Zie Hennep. Kenner, M., kenners. Kennersoog, O. Kennis (wetenschap), V. Kennis (bekende), V., kennissen. Kennisje, O., -jes. Kennisgeving, V., -gevingen. Kennismaking, V., -makingen. Kennisneming, V. Kenschets, V., -schetsen. Kenschetsen, kenschetste, heeft gekenschetst. Kenspreuk, V., -spreuken. Kenster, V., kensters. Kenteeken, O., -teekens en -teekenen. Kenteekenen, kenteekende, heeft ge- kenteekend. Kenteren, kenterde, heeft en is gekenterd. Kenterhaak, M., -haken. Kentering, V., kenteringen. Kepen, keepte, heeft gekeept. Keper, V., kepers. Keperen, keperde, heeft gekeperd. Kerel, M., kerels. Kereltje, O., -jes. Keren (vegen), keerde, heeft gekeerd. Kerf, quot;V., kerven. Kerfje, O., -jes Kerfbank, V., -banken. Kerfbijl, V., -bijlen. Kerfmes, O., -messen. Kerfstok, M.. -stokken. Kerk, v., kerken. Kerkje, O., -jes. Kerkbank, V., -banken, Kerkboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Kerkdag, M., -dagen. |
! Kerkdienst, M. Kerkedienaar, M., -dienaars en -dienaren. Kerkekamer, V., -kamers. Kerkekas, V. Kerkeknecht, M., -knechts. Kerkelijk. Kerkelijkheid, V. Kerken*, kerkte, heeft gekerkt. i Kerkenorde en kerkorde, V. ' Kerkenordening, V., -ordeningen. Kerk kr, M., kerkers. Kerkeraad, M.. -raden. Kerkeren, kerkerde, heeft gekerkerd. Kerkering, V., kerkeringen. Kerkerkot, O., -kotten. Kerkezakje. O., -jes Kerkgang, M., -gangen. Kerkgebouw, O., -gebouwen. Kerkgenootschap, O., -genootschappen, i Kerkgezang, o. ; Kerkhervorming, V., -hervormingen. Kerkhof, O., -hoven; -hofje, O., -jes. ; Kerkhofsbloem, V.. -bloemen. Kerkklok, V., -klokken. ! Kerkkroon, V., -kronen. ; Kerkleer, V. j Kerkmeester, M., -meesters, j Kerkmuziek, V. Kerkorgel, O., -orgels. i Kerkportaal, O., -portalen. ' Kerkrat, V., -ratten. j Kerkrecht, O. ; Kerkrechtelijk. , Kerkroof, M. i Kerksch, kerkscher, meest kerksch. : Kerkschgezind. Kerkschgezindheid, V. j Kerkschheid, V. Kerkstoel, M., -stoelen. Kerktijd, M., -tijden. Kerktoren, M., -torens. i Kerkuil, M., -uilen. Kerkvader, M., -vaders, i Kerkvergadering, v., -vergaderingen, i Kerkvoogd, m., -voogden. | Kermen, kermde, heeft gekermd. 1 Kermer, M., kermers. ; Kermis, V., kermissen. KERMliiGAAN, O. Kermisganger, M., -gangers. Kermisgangster, v., -gangstors. Kermisgeld, o. Kermisklant, M., -klanten. Kermisstuk, o, -stukken. Kermistent, V., -tenten. Kermisvolk, O. Kermisvrijer, M., -vrijers. Kermisweek, V., -weken. Kern, V., kernen. Kernachtig, -achtiger, -achtigst. Kernachtigheid, V. Kers (vrucht), v , kersen. Kersje, O., -jes. Kers (kruid), V. |
KET.
KER.
171
|
Kerseboom, M., -boomen. Kerseboomenhout, o. Kerseboomgaard, M., -gaarden. Kersenmand, V., -manden. Kersentaart, V., -taarten. Kersentijd. M. Keesepit, V., -pitten. Kersesteel., M.. -stelen. Kersouw, V., kersouwen. Kersouwtje, O., -jes. Kerspel, O., kerspelen en kerspels. Kerstavond, m., -avonden. Kerstboom, M., -boomen; -boompje, O , -jes. Kerstbrood, O., -brooden. Kerstdag, M., -dagen. Kerstenen, kerstende, heeft gekerstend. Kerstfeest, o., -feesten. Kerstkrans, M.. -kransen. Kerstlied, O., -liederen; -liedje, O., -jes. Kerstmis, V., -missen. Kerstnacht, M., -nachten. Kersttijd, m. Kerstvacantie, V., -vacantiën en -va- canties. Kerstweek, V., -weken. Kerstzang, M, -zangen. Kersversch. Kervel, V. Kerven, korf, korven, heeft en is gekorven. Kerver, M., kervers. Kerving, V., kervingen. Kesp, V., kespen. Ketel, M., ketels. Keteltje, o., -jes. Ketelachtig. Zie Kittelachtig. Ketelbikker, M., -bikkers. Ketelboeter, m., -boeters. Ketelen. Zie Kittelen. Ketelig. Zie Kittelig. Ketelkoek, M., -koeken. Ketellapper, m., -lappers. Ketelmuziek, v. Ketelpak, O., -pakken. Ketelsteen, m. Keten, V., ketenen en ketens. Ketentje, o., -jes. Keten, keette, heeft gekeet. Ketenen, ketende, heeft geketend. Ketening, v., keteningen. Ketsen, ketste, heeft geketst. Ketsing, V., ketsingen. Ketstuig, o. Ketter, m., ketters. Ketterdom, o. Ketterij, v., ketterijen. Ketterijtje, O., -jes. Ketterjager, M., -jagers. Kettersch. Ketting, M., kettingen. Kettinkje, o., _ -jes. Kettingbreuk, v., -breuken. Kettingbrug, v., -bruggen. Kettingganger, M., -gangers. |
j Kettingkogel, M., -kogels. I Kettingregel, M. | Kettingsteek, M., -steken. 1 Keu (biljartstok), V., keuen en keus. I Keuken, V., keukens. Keukentje, ()., -jes. Keukenboek, o., -boeken. 1 Keukenmeid, V., -meiden. i Keukenpiet, M., -pieten. ! Keukenprinses, V., -prinsessen. Keukenschort, O., -schorten; -schortje. O., -jes. Keukenzout, o. Keule, V. Keulenaar (persoon), M., Keulenaars, i Keui.enaar (vaartuig), M,, keulenaars. Keui.sch. Keur. V., keuren. Keurbende, V., -benden. Keurder, M., keurders. Keuren, keurde, heelt gekeurd. I Keurig, keuriger, keurigst. : Keurigheid, V. i Keuring, V., keuringen. i Keurkorps, O., -korpsen. ! Keurlijk, -lijker, -lijkst. i Keurlijkheid, V. : Keurling, M. en V., keurlingen. V. ook keurlinge Keurmede, V., keurmeden. i Keurmeester, M.. -meesters. : Keurprins, M., -prinsen. | Keurprinses. V., -prinsessen. ; Keurs, V., keurzen. Keursje, O., -jes. j Keurslijf, O., -lijven. | Keursoldaat, M., -soldaten. ; Keurteeken, O., -teekens. | Keurteekenen, keurteekende, heeft ge- keurteekend. ! Keurverwantschap. V. ; Keurvorst, M., -vorsten. ! Keurvorstelijk. 1 Keurvorstendom, O., -dommen. Keus. Zie Keuze. Keutel, V., keutels. Keuteltje, O., -jes. i Keutelaar, M., keutelaars. Kkutelachtig, -achtiger, -achtigst. Keutelachtighetd, V. Keutelarij, v.. keutelarijen. Keutelen, keutelde, heeft gekeuteld. Keutelig, keuteliger, keuteligst. ! Keuteligheid, V. Keuteren, kenterde, heeft gekenterd, i Keuvel, V., keuvels. 1 Keuvelaar, M , keuvelaars, i Keuvelen, keuvelde, heeft gekeuveld, i Keuze en keus, V.. keuzen. ; Keuzelen, keuzelde. heel t gekeuzeld. | Kevel, M., kevels. Keveltje. O., -jes. i Kever, M., kevers. Kevertje, O., -jes. Kevie, V., kevies. kib en kibbe, v., kibben. Kibje enkib- betje, O., -jes. Kibbelaar, M., kibbelaars. Kibbelaarster, V., kibbelaarsters. |
KIB.
172
KIK.
|
Kibbelakij, V., kibbelarijen. Kibbela- rijtje, O., -jes. Kibbelen, kibbelde, heeft gekibbeld. Kibbeling (afval van zoutevisch), V. Kibbelziek, -zieker, -ziekst. Kibbelzucht, V. Kid en kidde (ook ked en kedde), V., kidden (en kedden). Kiekeboe. Kieken en kuiken, O., kiekens en kuK kens. Kiekentje en kuikentje, O.,-jes. Kiel (kleedingstuk), M., kielen. Kieltje, O., -jes. Kiel (van een schip), V., kielen. Kielbalk. m., -balken. Kielen, kielde, heeft gekield. Kielhalen, kielhaalde, heeft gekielhaald. Kieling, V. Kielkepeb, V., -kepers. Kielwater, O, Kiem, V., kiemen. Kiempje, O., -jes. Kiemblaadje, O., -blaadjes. Kiemen, kiemde, heeft gekiemd. Kieming, V. Kiem wit, O. Kienen, kiende, heeft gekiend. Kienspel, O., -spellen. Kier, M. Kiertje, O., -jes. Kïereboe, V., kiereboes. Kies, V., kiezen. Kiesje, O., -jes. Kïesch, kiescher, meest klesch. Kieschheid, V. Kieschkeurig, -keuriger, -keurigst. Kieschkeurigheid, V. Kiescollege, O., -colleges. Kiesdistrict, O., -districten. Kiesgerechtigd. Kieskauw, M. en V., kieskauwen. Kieskauwen, kieskauwde, heeft gekieskauwd. Kieskauwer, M., -kauwers. Kieskauwster, V., -kauwsters. Kiespijn, v. Kiespijndoek, M., -doeken. Kiesrecht, O. Kiesstelsel, o., -stelsels. Kiesvereeniging, V., -vereenigingen. Kiesvergadering, V., -vergaderingen. Kieswet, V., -wetten. Kietelen. Zie Kittelen. Kieuw, V., kieuwen. Kieuwdeksel, o., -deksels. Kievit, M., kieviten. Kievitsei, O., eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes. Kievitsnest, O., -nesten. Kiezel, O. Kiezelsteen, M., -steenen;-steentje,O., â¢jes. Kiezelzuur, O. KtEZEN, koos, kozen, heeft gekozen. Kiezentrekker, M., -trekkers. Kiezer, M., kiezers. |
' Kiezerslijst, V., -lijsten. j Kif, O. ! Kijf, V. (buiten kijf). Kijfachtig, -achtiger, -achtigst. ' Kijfachtigheid, v. 1 Kijfster, V., kijfsters. : Kijk, M., Kijkje, ü., -jes. j Kijkdag, M., -damp;gen. 1 Kijken, keek, keken, heeft gekeken, j Kijker, M., kijkers. Kijkertje, 0., -jes. i Kijkgat, O., -gaten. Kijkglas, O., glazen. ; Kijk-in-de-pot, M. en V., kijk-in-de-| potten. i Kijkkast, V., -kasten. : Kijkspel, O., -spellen. Kijktoren, M., -torens. Kijvage, V. Kijven, keef, keven, heeft gekeven. Kijver, M.. kijvers. Kik, M. Kikje, O. Kikken, kikte, heeft gekikt. Kikker, M., kikkers. Kikkertje, O.,-jes. Kikkerbil, V., -billen; -billetje, 0., -jes. Kikkerland, O. Kikkerpoel, M., -poelen. Kikkerrit, O. t Kikvorsch, M., -vorschen; -vorschje, O. -jes. j Kikvorschennet, O., -netten. j Kil, V., killen. | Kil, killer, kilst. i Kilheid, V. ; Killen, kilde, heeft gekild. i Killig, killiger, killigst. ! Killigheid, V. i Kilo, O., kilootje. i Kilogram, O., kilogrammen, j Kilometer, M., kilometers. Kilometerboekje, o., -boekjes. Kim, V., kimmen. Kimmeloos, -looze. ! Kimweger, m., kimwegers. I Kin, V., kinnen. Kinnetje, O., -jes. ! Kina, V. 1 Kinabast, V. (als stofnaam). | Kinawijn, M. Kind, O., kinderen en kinders. Kindje, O., kindertjes. ; Kindeken en kindeke, O., kindekens en kindekes. ; Kinderachtig, -achtiger, -achtigst. Kinderachtigheid, v., -heden, j Kinderarts, M., -artsen. Kinderbal, o., -bals. Kinderbalk, M., -balken; -balkje, o., -jes. i Kinderbed, o., -bedden. i Kinderbeul, M., -beulen en -beuls. Kinderbewaarplaatr, V.. -plaatsen. 1 Kinderbijbel, M., -bijbels, j Kindercourant, V., -couranten. ; Kinderdief, M., -dieven. i Kinderdoop, M, j Kinderdracht, V., -drachten. |
KIN.
173
KIN
|
Kinderen, kinderde, heeft gekinderd. Einderfeest, o., -feesten. Kindergeld, O. klndergeschreeuw, o. Kindergezang, o, Kindergoed, O. Kindergril, V., -grillen. Kinderhand, V., -handen. Kinderhemd, O., -hemden. Kinderhoofd, O., -hoofden. Kinderjaren (niv.), O. Kinderjuffrouw, V., -juffrouwen. Kinderjurk, V., -jurken. Kinderkamer, V., -kamers. Kinderkleed, O., -kleeren. Kinderkost, M. Kinderkuur, V., -kuren. Kinderleven, O. Kinderlied, o., -liederen; -liedje, o., -jes. Kinderliefde, V. Kinderlijk, -lijker, -lijkst. Kinderlijkheid, V. Kinderloos, -looze. Kinderloosheid, V. Kindermaal, O., -malen. Kindermand, V., -manden. Kindermeid, V., -meiden. Kindermeisje, O., -jes. Kindermoord, M., -moorden, i Kindermoordenares, V., -moordenares-'{ sen. Kindermuts, V., -mutsen. Kinderpartij, V., -partijen. Kinderplaag (plaag), V., -plagen. Kinderplaag (persoon), M. en V.,-plagen. Kinderplicht, M., -plichten. Kinderpokken (mv.), V. Kinderpraat, M. Kinderroof,m. Kinderschoen,m.,-schoenen; -schoentje, ü., -jes. Kinderschooi-, V. en o., -scholen; -schooltje, O., -jes. Kinderspeelgoed, o. Kinderspel, o., -spellen en -spelen. Kinderstoel, M., -stoelen. Kindertoon, m. Kindervraag, V., -vragen. Kindervriend, M., -vrienden. Kinderwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Kinderwereld, v. Kinderwerk, o. I Kinderzegen, m. ^ Kinderziekenhuis, o., -huizen. Kinderziekte, v. Kindlief. Kindsbeen (Van â af). Kindsch. Kindschheid (gebrek van den ouderdom), v. Kindsgedeelte. o., -gedeelten. Kindsheid (eerste jeugd), V. 1 Kindskind, O., -kinderen. |
Kinine, V. Kininedrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Kininepil, V., -pillen. Kininepoeder en -poeier, V., -poeders en -poeiers. Kink, V., kinken. Kinkel, M., kinkels. Kinkelachtig, -achtiger, -achtigst. Kinken, kinkte, heeft gekinkt. Kinkhoest, M. Kinkhoorn en kinkhoren, M.. -hoorns en -horens; -hoorntje en -horentje. O., -jes. Kinnebak, V., -bakken. Kinnebakken, O., -bakkens. Kïnnebaksblok, o., -blokken. Kinnebaksham, V., -hammen; -hammetje, O., -jes. Kinnetje (maat), O., -jes. Kiosk, V., kiosken. Kiosk-onderneming, V., -ondernemingen. Kip (band, knip, enz.). V., kippen. Kip (vogel), V., kippen. Kipje, O., -jes. Kippeborst, V., -borsten. Kippeboutje, O., -jes. Kippen, kipte, heeft gekipt. Kippenboer, M., -boeren. Kippendief, M., -dieven. Kippenei, O, -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes. KIPPENGERssT, V. Kippenhok, O., -hokken. Kippenkoopman, m , -kooplui. Kippenkuur, V., -kuren. Kippenladder, V., -ladders. Kippenloop, M., -loopen. Kippenmand, V., -manden. Kippenpastei, V,, -pasteien. Kippenren, V., -rennen. Kippensoep, V. Kippenvel, O. Kippenvoer, O. Kippetjesgort, V. Kippetjesgrutten (mv.), V. Kippetjeskost, M. Kippetjespbaat, M. Kippig, kippiger, kippigst. Kippigheid. V. Kipsel, O., kipsels. Kiptakel, M., -takels. Kirren, kirde, heeft gekird. Kissen, kiste, heeft gekist. Kist, V., kisten. Kistje, O., -jes. Kisten, kistte, heeft gekist. Kistenhout, o. Kistenmaker, M., -makers. Kister, M., kisters. Kisting, V., kistingen. Kit, V , kitten. Kits, V., kitsen. Kitsen, kitste, heeft gekitst. Kittebroer, M., -broers. Kittelaar, M., kittelaars. |
KLA.
KIT.
174
|
Kittelachtig, -achtiger. -achtigst. Kittelen (ook ketei.en en kietelen), kittelde, heeft gekitteld. Kittelig, kitteliger, kitteligst. KItteligheid, v. Kitteling, V., kittelingen. Kitteloobig, -ooriger, -oorigst. kltteloorighkid, v. Kittig, kittiger, kittigst. Kittigheid, V. Klaaghuis, O., -huizen. Klaaglied, O., -liederen. Klaaglijk, -lyker, -lykst. Klaagpsalm, M., -psalmen. Klaagrede, V., -redenen. Klaagschrift, O., -schrilten. Klaagstem, V., -stemmen. Klaagster, V . klaagsters. Klaagtoon, M., -tonem Klaagzang. M., -zangen. Klaar, klaarder, klaarst. Klaarblijkelijk, -lijker, -lykst. Klaarblijkelijkheii). V. Klaarheid, v. Klaarkomen, komt klaar, kwam klaar, kwamen klaar, is klaargekomen. Kl a arkrijgen, kreeg klaar, kregen klaar, heeft kl.iargekregen. Klaarleggen, legde en leide klaar heeft klaargelegd en klaargeleid. Klaarlicht (bnw.). Klaarliggen, lag klaar, lagen klaar, heeft klaargelegen. Klaarmaken, maakte klaar, heeft klaargemaakt. Klaarspelen, speelde klaar, heeft klaargespeeld. Klaarstaan, stond klaar, heeft klaargestaan. Klaarzetten, zette klaar, heeft klaargezet. Klaas, M., klazen. Klaasje, O , -jes. Klacht. V., klachten. Klachtenboek, O,, -boeken. Klachtig klachtiger, klachtigst. Klad (vlek), V., kladden. Kladje, o., -jes. Klad (ruw opstel), O. Kladje, O., -jes. Kladboek, O., -boeken. Kladdeboter. V. Kladden, kladde, heeft geklad. Kladder, M.. kladders. Kladderig, kladderiger, kladderigst. klai'derigheid, v. Kladdig, kladdiger, kladdigst. Kladdigheid, V. Kladpapier, o., -papieren. Kladschilder, M., -schilders. Kladschrijver. M.. -schiyvers. Kladschuld, V., -schulden. Kladster, V., kladsters. Kladwerk. O. Klagen, klaagde, heeft geklaagd. Klager, M.. klagers. Klak, V., klakken. |
Klakkebus, V., -bussen. Klakkeloos, -looze. Klakken, klakte, heeft geklakt. Klam, klammer, klamst. Klamaai, M., klamaalan, Klamaaien, klamaaide, heeft gekl.i-maaid. Klamachtig, -achtiger, -achtigst. Klamheid, V. Klamp, M.. klampen. Klampja, O., -jes. Klampen, klampte, heeft geklampt. Klamphpijker, M., spy kers. Klandizie, V. Klank, m., klanken. Klankje, o., -jes. Klankbodem. M., -bodems. Klankbord, O., -borden. Klankleer, V. Klankloos, -looze. Klanknabootsing, V., -nabootsingen. Klankverandering, V., -veranderingen. Klankwet, V., -wetten. Klankwijziging, V., -wijzigingen. Klant, M.. klanten. Klantje, O., -jes. Klap (slag), M., klappen. Klapje, O.,-jes. Klap (gepraat), M. Klapachtig, -achtiger, -achtigst. Klapbeentje, O., -jes. Klapbes, V., -bessen; -besje, O., -jes. Klapbrug, V., -bruggen. Klaphek, O., -hekken. Klaphout, O. Klaphoutje, O., -jes. Klaplcopen, O. Klapljoper, M.. -loopers. Klaplooperij, V. Klapmuts, V., -mutsen. Klappei. v., klappeien. Klappeien, klappeide, heeft geklappeid. Klappen, klapte, heeft geklapt. Klapper, M., klappers. Klapperboom, M., -boomen. Klapperen, klapperde, heeltgeklapperd. Klapperman, M., -lieden en -lui. Klappermolen, M., -molens. Klappernoot (boom), M.; (vrucht), v., -noten. Klapperolie, V. Klappertanden, klappertandde, heeft geklappertand. Klaproos, V.. -rozen. Klapspaan (molenklapper), V., -spanen. Klapster, v., klapsters. Klapstuk, O., -stukken. Klaptafel, V., -tafels; -tafeltje, O.,- jes, Klaptouw, O., -touwen. Klapwieken, klapwiekte, heeft geklapwiekt. Klare (jenever), V. Klaren, klaarde, heeft geklaard. Klarigheid, V, Klarinet, v., klarinetten. Klarinettist, M,, klarinettisten. Klaring, V. Klaringsvaartuig, o., -vaartuigen. |
KLA. 175 KLE
|
Klakoen, V., klaroenen. Klaroengeschal, O. Klasse, V., klassen. Klassenverdeelinq, V., -verdeelingen. Klater, V., klaters. Klatertje, o , -jes. Klateren, klaterde, heeft geklaterd. Klatergoud, o. Klatering, V., klateringen. Klats (tusschenw.). Klauteraar. M., klauteraars. Klauteren, klauterde, heeft en is geklauterd. Klautering, V., klauteringen. Klauterpaal, M., -palen. Klauw, m.. klauwen. Klauwtje, O., -jes. Klauwen, klauwde, heeft geklauwd. Klauwer, M., klauwers. Klauwzeer, O. Klavaatshamer, M., -hamers. Klavecimbaal en klavecimbel, V., klavecimbalen en klavecimbels. Klaver, V. Klaveren (mv.), V. Klaveren, klaverde, heeft geklaverd. Klaverenaas en klaveraas, o., -azen. Klaverenboer en klaverboer, m., -boeren. Klaverenheer en klaverheer, m., -heeren. Klaverenvrouw en klavervrouw, V., -vrouwen. Klaverig, klaveriger, klaverigst. Klaverjassen, klaverjaste, heeft geklaverjast. Klaverrijk, -rijker, -rijkst. Klavier, O., klavieren. Klavierconcert, O., -concerten. Klavierspel, o. Klavierspeler, M., -spelers. Kleed (kleedingstuk), O., kleederen en kleeren. Kleedje, O., kleedjes en kleertjes. Kleed (dekkleed), o., kleeden. Kleedje, o.. -jes. Kleeden, kleedde, heeft gekleed. Kleederdracht. V., -drachten. Kleedermaker en kleermaker (ook kleerenmaker), M., -makers. Kleederpracht, v. Kleedij, V. Kleeding, v,, kleedingen. Kleedkamer, V., -kamers. Kleefgaren, o. Kleefkruid. o. Kleefpleister, v., -pleisters. Kleefstof, v. Kleen, kleene. Zie Klein. Kleerbak, M., -bakken. Kleerborstel, m.. -borstels. Kleerenbleeker. m.. -bleekers. Kleerenmaker. Zie Kleedermaker. Kleerkast, v., -kasten. Kleerklopper, M., -kloppers. Kleerkoop, M., -koopen. ekl.i- -jes. t. jes. n. igen. js. -jes. ] s. ⢠)eld. lerd. v., i eelt len. jes. ^ lap- |
Kleerkooper, M., -koopers. Kleermaken, O. Kleermaker. Zie Kleedenn aker. Kleermakerstafel, V., -tafels. Kleermakerswinkel. M., -winkels. Kleermand, v., -manden. Kleerscheuren (zonder â). Kleerstok, M., -stokken. Kleerwinkel en kleeren winkel, M., -winkels. Kleerzolder en kleerenzolder, M., -zolders. Klef, Klei, V. Kleiaardappel. M., -aardappelen. Kleiachtig, -achtiger, -achtigst. Kleigrond, M., -gronden. Klein (ook kleen), kleiner, kleinst. Klein (in het â), ó. Kleinachten, achtte klein, heeft klein- geacht. Kleinachting, V. Klein-Azië, O. Kleindochter, V.,-dochters; -dochtertje, O., -jes. Kleinduimpje, O. Kleine, M. en V.. kleinen. Kleineeren, kleineerde, heeft gekleineerd. Kleingeestig, -geestiger, -geestigst. Kleingeestigheid, V. Kleingeld, o. Kleingeloovig, -gelooviger, -geloovigst. Kleingeloovigheid, V. Kleinhandel, M. Kleinhandelaar, M., -handelaars. Kleinhartig, -hartiger, -hartigst. Kleinhartigheid, V. Kleinheid, V. Kleinigheid, V., -heden. Kleinigheidje, O., -jes. Kleinkind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes. Klein-kinderschooltje, O., -jes. Kleinkrijgen, kreeg klein, heeft klein- gekregen. Kleinmoedig, -moediger, -moedigst. Kleinmoedigheid, V. Kleinood, O* kleinooden en kleinoo- diën. Kleinoodje. O., -jes. Kleins, V., kleinzen. Kleinschrift, ü. Kleinsmid, M., -smeden. Kleinsteedsch. Kleinsteedschheid, V. Kleinte, V. Kleintje, O., -jes. Kleinzeerig, -zeeriger, -zeerigst. Kleinzeerigheid. V. Kleinzen, kleinsde, heeft gekleinsd. Kleinzer, M., kleinzers. Kleinzing, V., kleinzingen. Kleinzoon, M., zoons en-zonen;-zoontje, O., -jes. |
KLE.
KLI.
176
|
Kleiweg, M.. -wegen. Klem, V., klemmen. Klemhaak, M., -haken. Klemmen, klemde, heeft geklemd. Klemmerblad. Zie Klimmerblad. Klemmebkruid. Zie Klimmerkruid. Klemtoon, M., -tonen. Klemvogel, m, -vogels. Klens, Klenzen. Zie Kleins, Kleinzen. Klep, V., kleppen. Klepje, O., -jes. Klepel, M., klepels. Klepeltje, O., -jes. Kleppel, M.t kleppels. Kleppen, klepte, heeft geklept. Klepper, M., kleppers. Klepperen, klepperde, heeft geklepperd. Klepperman. Zie Klapperman. Klerk, M , klerken. Klerkje, O., -jes. Klerkschap, O. Klessen. Zie Kletsen. Klet, V. Klets, V., kletsen. Kletsje, O., -jes. Klets (tusschenw.). Kletsen, kletste, heeft gekletst. Kletskop, M. en V., -koppen. Kletskous, V., -kousen. Kletsnat en klesnat, -natte. Kletspraat. M. Kletteren, kletterde, heeft gekletterd. Kleumen, kleumde, heeft gekleumd. Kleumer, M., kleumers. Kleumsch. Kleunen, kleunde, heeft gekleund. Kleur. V., kleuren. Kleurtje, O., -jes. Kleuren, kleurde, heeft gekleurd. Kleurenblind . Kleurenblindheid, V. Kleurenpracht, V. Kleurhoudend. Kleurig, kleuriger, kleurigst. Kleuring, V., kleuringen. Kleurling, M. en V., kleurlingen, y. ook kleurlinge. Kleurloos, -looze. Kleurloosheid, V. Kleurschakeering, V., -schakeeringen. Kleursel, o., kleursels. Kleurseltje, o., -jes Kleurstof, V., -stoffen. Kleuter, V., kleuters. Kleutertje, O, -jes. Kleven, kleefde, heeft gekleefd. Klevenaar. M.. klevenaars. Kleverig, kleveriger, kleverigst. Kleverigheid, V. Klevig, kleviger, klevigst. Kleving, V. Klibber, O. Kliefbaar. Kliek, V., klieken. Kliekje, O., -jes. Klieken, kliekte, heeft gekliekt. Klieker, M., kliekers. Kliekjesdag, M., -dagen. Klier, V., klieren. Kliertje, O., -jes. |
Klierachtig, -achtiger, -achtigst. Klierachtigheid, V. Kliergezwel, O., -gezwellen. Kliertering, V. Klierziekte, V. Klieven, kliefde, heeft gekliefd. Klif, O. Klijf,0. Klik, M., klikken. Klikken, klikte, heeft geklikt. Klikker. M.. klikkers. Klikklakken, klikklakte, heeft geklikklakt Klikspaan, M. en V., -spanen. Klikspillen, klikspilde, heeft geklik-spild. Klim (het klimmen), M. (een heele â). Klim (klimop). O. Klimaat, O., klimaten. Klimboon, V., -boonen. Klimmen, klom, klommen, heeft en is geklommen. Klimmer, M., klimmers. Klimmerblad en klemmerblad, O., -bladen. Klimmerij, V. Klimmerkruid en klemmerkruid, O. Klimop (het loof), O.; (de boom), M. Kling, V.. klingen. Klingetje, O., -jes. Klingelbuil, M.. -builen. Klingelingeling. Klingen (duinen), V. Klink (klap), M., klinken. Klinkje, O., -jes. Klink (van eene deur), V., klinken. Klinkje, O., -jes. Klinkbout, M., -bouten. Klinkdicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes. Klinken, klonk, heeft geklonken. Klinker, M., klinkers. Klinket, O., klinketten. Klinkhaak, M., -haken. Klinkhamer, M., -hamers. Klinkklaar, -klare. Klinkklank, M. Klinkletter, V., -letters. Klinknagel, M., -nagels. Klinknagelshaak, M., -haken. Klinkplaat, V., -platen. Klinkring, M., -ringen. Klinkwerk. O. Klip, V., klippen. Klipje, O., -jes. Klipachtig, -achtiger, -achtigst. Klipgeit, V., -geiten. Klipmuis, V., -muizen. Klipper, M., klippers. Klippertanden, klippertandde, heeft geklippertand. Klippig, klippiger, klippigst. Klipzout, O. Klis, V., klissen. Klisje, O., -jes. Klisklas, O. Kliskruid en klissekruid, O. |
KLO.
177
KLF.
|
Klissen, kliste, is geklist. Klisteer, V., klisteeren. Klisteertje, O., -jes. Klisteerder, M.. klisteerders. Klisteeren, klisteerde, heeft geklisteerd. Klisteerspuit, V., -spulten. Klit, V., klitten. Klitje, O., -jes. Klits, V., klitsen. Klitsje, o., -jes. Klodder, V., klodders. Kloek, kloeker, klqekst. Kloekhartig, -hartiger, -hartigst. Kloekhartigheid, V. Kloekheid, V. Kloekmoedig, -moediger, -moedigst. Kloekmoedigheid, V. Kloekzinnig, -zinniger, -zinnigst. Kloekzinnigheid, V. Kloen, O., kloenen. Kloentje, O., -jes. Kloet, M., kloeten. Kloetje, O., -jes. Kloeten, kloette, heeft gekloet. Kloeter, M., kloeters. Klok (teug), M., klokken. Klokje, O., -jes. Klok (klokhen), V., klokken. Klokje, O., -jes. Klok (metalen werktuig, glazen stolp enz.), V., klokken. Klokje, ü., -jes. Klokbloemig. Klok- en -hamerspel, O. Kloker, M., klokers. Klokertje, O.,-jes. Klokgelui, O. Klokhen, V., -hennen. Klokhuis, O., -huizen. Klokkegalg, V. Klokken, klokte, heeft geklokt. Klokkengieter, M., -gieters Klokkenist, M., klokkenisten. Klokkenmaker, M., -makers. Klokkenspel, o., -spellen. Klokkenspeler, M., -spelers. Klokkereep en klokreep, M., -reepen. Klokkestoel, M., -stoelen. Klokketoren, M., -torens. Klokslag, M. Klokspijs, V. Klommer, m., klommers. Klommertje, O., -jes. Klomp, M., klompen. Klompje, O., -jes. Klompachtig, -achtiger, -achtigst. Klompenmaker, M., -makers. Klompig, klompiger, klompigst. Klongel. Zie Klungel. Klongelen. Zie Klungelen. Klont, V., klonten. Klontje, O., -jes. Klonter, M., klonters. Klontert.je, O., -jes. Klonterachtig, -achtiger, -achtigst. Klonteren, klonterde, is geklonterd. Klonterig, klonteriger, klonterigst. Klontig, klontiger, klontigst. Kloof en klove, V., kloven. Kloofje, T O., -jes. Kloofbijl, V., -bylen. Kloofhamer, M., -hamers. |
Kloofhout, O. Kloofmes, O., -messen. Kloofstok, M., -stokken. Klooster, O., kloosters. Kloostertje, O.,quot; -jes. Kloosterachtig, -achtiger, -achtigst. Kloosterbroeder, M., -broeders. Kloostercel, V., -cellen. Kloosteren, kloosterde, heeft gekloos-terd. Kloostergang, V., -gangen. Kloosterhoüt, O. Kloosterkerk, V., -kerken. Kloosterleven, O. Kloosterling, M. en V.. kloosterlingen. V. ook kloosterlinge. Kloosterorde, V., -orden. Kloosterschool, V., -scholen. Kloosterzuster, V., -zusters. Kloot, M., klooten. Klootje, O., -jes. Klootvormig. Klootzak, M., -zakken. Klooven, kloofde, heeft gekloofd. Kloover, M., kloovers. Klop (slag), M., kloppen. Klopje, O., -jes. Klop (non), V., kloppen. Klopje, o.,-jes. Klopgeest, M., -geesten. Klopgeesterij, V. Klophamer, M., -hamers. Klophengst, M., -hengsten. Klophout, O. Klopjacht, V., -jachten. Kloppartij, V., -partijen. Kloppen, klopte, heeft geklopt. Klopper, M., kloppers. Kloppertje, O., -jes. Klopping, V., kloppingen. Klopscheen, V., -schenen. Klopsteen, M., -steenen. Klopzee, V., -zeeën. Klos, M., klossen. Klosje, O., -jes. Klosbaan, V., -banen. Klosbeitel, M., -beitels. Klossen, kloste, heeft geklost. Klotsen, klotste, heeft geklotst. Klove. Zie Kloof. Klovenier en kolvenier, M., klove- niers en kolveniers. Kloveniersburgwal, M. Kloveniersdoelen, M., -doelens. Klucht (boert), V., kluchten. Kluchtje, O., -jes. Klucht (mast), V., kluchten. Kluchtig, kluchtiger, kluchtigst. Kluchtigheid, V. Kluchtspel, ü., -spelen. Kluft, V.. kluften. Kluftje, O., -jes. Kluif (het kluiven), M. Kluifje, O.,-jes. Kluif (klauw), V., kluiven. Kluiffok, V., -fokken. Kluifhout, O. Kluifje (kluifbeentje), O , -jes. Kluis, V., kluizen. Kluisje, O., -jes. Kluisgat, O., -gaten. |
12
â
KLÃ. 178 KNA.
|
Kluister, V., kluisters. Kluisteren, kluisterde, heeft gekluisterd. Kluistering, V. Kluit, V., kluiten. Kluitje, O , -jes. Kluitenbreker, M., -brekers Kluitig, kluitiger, kluitigst. Kluiven, kloof, kloven, heert gekloven. Kluiver, M., kluivers. Kluiverboom, M., -boomen. Kluizen, kluisde, heeft gekluisd. Kluizenaar, m., kluizenaren en kluizenaars. Kluizenaarshut, V., -hutten. Kluizenaarsleven, o. Klungel (ook klongel), V., klungels. Klungelen (ook klongelen), klungelde. heeft geklungeld. Klungelwerk, o. Kluppel, M., kluppels en kluppelen. Kluppeltje, O., -jes. Kluppelen, kluppelde, heeft gekluppeld. Kluppelkoek, M., -koeken. Kluppelspel, o., -spellen. Kluppelvers, O , -verzen. Kluts, V. Klutsei, O., -eieren. Klutsen, klutste, heept geklutst. Kluwen, o., kluwens. Kluwentje, o., -jes. Kluwknen, kluwende, heeft gekluwend. Knaagdier, O., -dieren; -diertje, O.,-jes. Knaap, M., knapen. Knaapje, o., -jes. knaapjeskruid, o. Knabbelaar, M., knabbelaars. Knabbelen, knabbelde, heeft geknabbeld. Knagen, knaagde, heeft geknaagd. Knager, M., knagers. Knaging, V., knagingen. Knak, M., knakken. Knakje, O., -jes. Knak (bnw.). Knak (tusschenw.). Knakhamer. M., -hamers. Knakken, knakte, heeft en is geknakt. Knakking, V., knakkingen. Knal, M , knallen. Knaleffect, O., -effecten. Knalgas, O. Knalgoud, O. Knallen, knalde, heeft geknald. Knap, m., knappen. Knapje, o., -jes. Knap, knapper, knapst. Knapenleeftijd, M. Knaphandig, -handiger, -handigst. Knaphandïgheid, v. Knapheid, V. Knapjes. Knapkers, v., -kersen. Knapkoek (een koek), M., -koeken; (als stofnaam), v. Knappen, knapte, is en heeft geknapt. Knapper, M., knappers. Knappertje, O., -jes |
Knapperd (knap mensch),M.,knapperds. Knapperdje, O, -jes. Knapperen, knapperde, heeft geknapperd. Knapzak, M , -zakken. Knar, M., knarren. Knarsbeen en knarsebeen, o.; -beentje, O., -jes. Knarsen (ook knersen), knarste, heeft geknarst. Knarsetanden (ook knersetanden), knarsetandde, heeft, geknarsetand. Knarsing, V., knarsingen. Knaster. M., knasters. Knaster (tabak), V. Knauw, M., knauwen. Knauwen, knauwde, heeft geknauwd. Knauwer, M., knauwers. Knauwsel, O., knauwsels. Knecht. M, knechten en knechts. Kne:;htje, O., -jes; ook knechtken en knechtke, O., knechtkens en knecht-kes. Knechtsch. Knechtschap, O. Knechtsdienst, M., -diensten. Knechtskamer, V., -kamers. Knechtslivreï, V., -livreien. Knechtsloon, O., -loonen. Knechtswerk, O. Kneden, kneedde, heeft gekneed. Kneedbaar, -baarder, -baarst Kneedbaarheid, V. K^eep, V., knepen. Kneepje, O., -jes.; Knekelhuis, O.,-huizen; -huisje,O.,-jes. Knel, V , knellen. Knellen, knelde, heeft gekneld. Knelling, V., knellingen. Kneppel, Kneppelen. Zie Knuppel, Knuppelen. Knersen, enz Zie Knarsen, enz. Knetteren (ook knïtteren), knetterde, heeft geknetterd. Knettering, V. Knetterslag, M., -slagen. Kneu, V., kneuen. Kneutje. O., -jes.' Kneukel. Zie Knokkel. Kneuter, V., kneuters. Kneutertje. O., -jes. Kneuteraar. M.. kneuteraars. Kneuteraarster, V., kneuteraarsters. Kneuteren, kneuterde, heeft gekneuterd. Kneuterig, kneuteriger, kneuterigst. Kneutering, V. Kneuzen, kneusde, heeft gekneusd. Kneuzing, V., kneuzingen. Knevel, M., knevels. Kneveltje,O.,-jes. Knevelaar, M., knevelaars. Knevelarij, V., knevelarijen. Knevelbaard, M.. -baarden. Knevelband, M., -banden Knevelen, knevelde, heeft gekneveld. Knibbelaar, m., knibbel aars. Knibï Knibb knibi ! knibi O., Knibi Knie, Kniei Kniec Kniei Kniei Kniei Kniei Knies Knies Knie: gel Knie: Knie; Knie; Knie: Kniji Knij] Kniji Kniji i Knij] -je; Knij; Knij; Knij; Knik Knik kn Knik kn Knik Knik -je Knik ke Knik Knib knii Knii 0. Knii 0.. Knii -jc Knii Knii Knii Knii Knii oc quot;i. Knii Knii Kni; Knii Kni; Kni 0, Kni Kni |
KNO.
KNI.
179
|
Knibbelarij, V., knibbelarijen. Knibbelen, knibbelde, heeft geknibbeld. Knibbelig, knibbeliger, knibbeligst. Knibbelspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes. Knibbelziek, -zieker, -ziekst. Knie, V., knieën. Knietje, O., -jes. Knieboog, M., -bogen. Kniegezwel, O., -gezwellen. Knielen, knielde, heeft en is geknield. Knieling, V., knielingen. Knier, V., knieren. Knieriem, M., -riemen. Knieschijf, V., -schaven. Kniesoor, M. en V., -ooren. Kniezen (ook knijzen), kniesde, heeft gekniesd. Kniezer, M., kniezers. Kniezerig, kniezeriger, kniezerigst. Kniezerigheid, V. Kniezig, knieziger, kniezigst. Knijf, O., knijven. Kn\)lje, O., -jes. Knijp, V. Knijpbril. M., -brillen. Knijpen, kneep, knepen, heeft geknepen. Knijper, M., knijpers. Knypertje, O., -jes. Knijping, V. Knijptang, V , -tangen. Knijzen, enz. Zie Kniezen, enz. Knik, M., knikken. Knikje, O., -jes. Knikkebeenen, knikkebeende, heeft geknikkebeend. Knikkebollen, knikkebolde, heeft geknikkebold. Knikken, knikte, heeft en is geknikt. Knikker, M., knikkers. Knikkertje, O., -jes. Knikkeren, knikkerde, hee:t geknikkerd. Knikkerspel, O., -spelen. Knikkertijd, M. Knikstag, O., -stagen. Knip (handeling), M., knippen. Knipje, 0., -jes. Knip (werktuig), V., knippen. Knipje, 0., -jes. Knipbeurs, V., -beurzen; -beursje, O., â jes. Knipbriefje, o., -jes. Knipmes, O., -messen; -mesje, O., -jes. Knipmuts, V., -mutsen. Knipoog, M. en v., -oogen. Knipoogen, knipoogde, heeft geknipoogd. Knipoogje, o., -jes. Knippen, knipte, heeft geknipt. Knipper, M., knippers. Knipschaar, V., -scharen. Knipsel, O., knipsels. Knipseltje, O., -jes. Knipslot, O, -sloten; -slotje en-slootje, O., -slootjes. Knipster, V., knipsters. Knitteren. Zie Knetteren. |
Knobbel, M., knobbels. Knobbeltje, O., -jes. Knobbelachtig, -achtiger, -achtigst. Knobbelig, knobbeliger, knobbeligst. KnobbeljIcht, V, Knod en knodde, V., knodden. Knodje, O., -jes. Knoddestok, M., -stokken. Knoei, M. Knoeien, knoeide, heeft geknoeid. Knoeier, M., knoeiers. Knoeierig, knoeieriger, knoeierigst. Knoeierij, V., knoeierijen. Knoeierytje O., -jes. Knoeister, V., knoeisters. Knoeiwerk, O. Knoest, M., knoesten. Knoestje, O., -jes. Knoesterig, knoesteriger, knoesterigst. Knoesterigheid, V. Knoestig, knoestiger, knoestigst. Knoestigheid, V. Knoet, M., knoeten. Knoetje, O., -jes. Knoetachtig, -achtiger, -achtigst. Knoetig, knoetiger, knoetigst. Knoffelen, enz. Zie Knuffelen, enz. Knoflook, O. Knoflooksoep, V. Knok, M., knokken. Knokje, O., -jes. Knokig, knokiger, knokigst. Knokkel, M., knokkels. Knokkeltje, O., -jes. Knokkelachtig, -achtiger, -achtigst. Knol, M., knollen. Knolletje, O., -jes. Knolachtig. Knollentuin, M. Knolleschil; V., -schillen. Knolvormig. Knook, M., knoken. Knookje, 0.t -jes. Knoop, M., knoopen. Knoopje, O., -jes. Knoopen, knoopte, heeft geknoopt. Knoopendraaier, M., -draaiers. Knoopenfabriek, V., -fabrieken. Knoopenhaak, M., -haken. Knoopenmaker, M., -makers. Knoopenschaar (om knoopen te poetsen), V., -scharen. Knoopentrekker, M., -trekkers. Knoopig, knoopiger, knoopigst. Knooping, V., knoopingen. Knoopkoord, O. Knoopnaald, V., -naalden. Knoopschaar (om te knoopen), V., 1 -scharen. : Knoopsgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes. I Knoopster, V., knoopsters. ! Knoopwerk, O. ! Knoopzijde, V. i Knop, M., knoppen. Knopje, O., -jes. ; Knoppen, knopte, heeft geknopt. 1 Knor, M., knorren. ! Knorf, M., knorven. Knorlje, O., -jes. Knorhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes Knorren, knorde, heeft geknord. Knorrepot, M. en V., -potten. |
KNO.
180
KOE
|
Knorrig, knorriger, knorrigst. Knorrigheid, V. Knorvleesch, O. Knot, V., knotten. Knotje, O., -jes. Knots, V., knotsen. Knotsje, O., -jes. Knotsslag, M., -slagen. Knotten, knotte, heeft geknot. Knotting, V., knottingen. Knotwilg, M., -wilgen. Knuffelaar, M., knuffelaars. Knuffelen (ook knoffelen), knuffelde, heeft geknuffeld. Knuffeling. V., knuffelingen. Knuist, M., knuisten. Knuistje, O., -jes. Knul, M., knullen. Knullig, knulliger, knulligst. Knuppel (ook kneppel), M., knuppels. Knuppeltje, O., -jes. Knuppelen (ook kneppelen), knuppelde, heeft geknuppeld. Knuppelvers, o., -verzen. Knusjes. Knutselaar, M., knutselaars. Knutselarij, V., knutselarijen. Knutselarijtje, O., -jes. Knutselen, knutselde, heeft geknutseld. Knutseling, V,, knutselingen. Knutselwerk, o., -werkje, o., -jes. Knuttel, V., knuttels. Knutterig, knutteriger, knutterigst. Koralt, O. Kobaltrlauw, O. Kodde, V., kodden. Koddebeier, M., koddebeiers. Koddenaar, M., koddenaars. Koddig, koddiger, koddigst. Koddigheid, V., -heden. Koe, V., koeien. Koetje, o., -jes. Koebeest, o., -beesten. Koebrug, V., -bruggen. Koebrugsdek, O. Koeiekop, M., -koppen. Koeiendrijver, M., -dryvers. Koeienmelker, M.t -melkers. Koeienstal. Zie Koestal. Koeionneeren, koeionneerde, heeft ge- koeionneerd. Koek (gebak, enz.). Als voorwerpsnaam, M., koeken. Koekje, O., -jes. Als stofnaam, V. Koekamp, M. Koekbakker en koekenbakker, M., -bakkers. Koekrakkerij, V., -bakkeryen. Koekdeeg, O. Koekeloeren, koekeloerde, heeft gekoekeloerd. Koekenpan, V., -pannen. Koekhakken, hakte koek, heeft koek-gehakt. Koekoek, M., koekoeken. Koekoekje, O., -jes. Koekoeksbloem, V., -bloemen. Koekoeksbrood, O. |
Koekoekslook, O. Koekoeksplant, V. Koekoeksveer, V., -veeren. Koekoekszang, M., -zangen. Koekwinkel, M., -winkels; -winkeltje, O., -jes. Koel, koeler, koelst. Koelbak, M., -bakken. Koelbalie, V., -balies. Koelbloedig, -bloediger, -bloedigst. Koelbloedigheid, v. Koeldrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Koelemmer, M., -emmers. Koelen, koelde, heeft en is gekoeld. Koelhartig, -hartiger, -hartigst Koelhartigheid, V. Koelheid, v. Koelhuis, O., -huizen. Koeling, V., koelingen. Koelkelder, M., -kelders. Koelketel, M., -ketels. Koelkruik, V., -kruiken. Koelkuip, V., -kuipen. Koeloven, M., -ovens. Koelpan, V., -pannen. Koelte, V.. Koeltje, O., -jes. Koeltjes (bijw.). Koelvat, O., -vaten. Koelzeil, O., -zeilen. Koelzinnig, -zinniger, zinnigst. Koelzinnigheid, V. Koelzwabber, M., -zwabbers. Koeme . k, V. Koen, koener, koenst. Koenheid, v. Koepel, M., koepels. Koepeltje, O.,-jes. Koepeldak, O., -daken. Koepelkamer, V., -kamers. Koepelkerk, V., -kerken. Koepokinenting, V. Koepokstof, V. Koer, M., koeren. Koeren, koerde, heeft gekoerd. Koerier, M., koeriers. Koers, M., koersen. Koersen, koerste, heeft gekoerst. Koersing, V. Koersnoteering, V., -noteeringen. Koersverschil, O., -verschillen. Koeskoes, V. Koeskoesen, koeskoeste, heeft gekoes- koest. Koest (tusschenw). Koestal, M., -stallen. Koesteren, koesterde, heeft gekoesterd. Koestering, V., koesteringen. Koet, V., koeten. Koetje, O., -jes. Koeteraar, M., koeteraars. Koeteraarster, V., koeteraarsters. Koeteren, koeterde, heeft gekoeterd. Koeterwaal, M., koeterwalen. Koeterwaalsch, ü. |
KOK.
KOE.
181
|
Koeterwalen, koeterwaalde, heeft gekoeterwaald. Koets (rytuig), V., koetsen. Koetsje, O., -jes. Koets (bed), V. Koetsen, koetste, heeft gekoetst. Koetser, M., koetsers. ! Koetshuis, O., -huizen. Koetsier, M., koetsiers. Koetspaard, O., -paarden. Koevoet, M., -voeten. Kof, V., koffen. Kofje, O., -jes. Koffer, M., kofiers. Koflertje, O., -jes. Kofferen, kollerde, heeft gekofierd. Koffermaker, M., -makers. Koffie, V. Koffieboon, V., -boonen; -boontje, o., -jes. Koffiebrander, M., -branders. Koffiecultuur, V. Koffiedik, O. Koffiedrinken, O. Koffiehuis, O., -huizen. Koffiehuishouder, M., -houders. Koffieijs, O. Koffiekamer, V., -kamers. Koffiekan, V., -kannen. Koffiekleurig. Koffiekopje, o., -kopjes. Koffiemolen, M., -molens. Koffieplantage, V., -plantages. Koffiepot, m., -potten; -potje, o., -jes. Koffiestroop, V. Koffietrommel, V., -trommels. Koffieveiling, V., -veilingen. Koffiewater, O. Kog en kogge, V., koggen. Kogel, M., kogels. Kogeltje, o., -jes. Kogelbaan, V., -banen. Kogelen, kogelde, heeft gekogeld. Kogelflebch, V., -flesschen; -fleschje, O., -jes. Kogelregen, M., -regens. Kogelrond. Kogelvormig. Kohier, o., kohieren, Kohort, V., kohorten. Kok, M., koks. Kokje, O., -jes. Kokarde, V., kokardes. Koken, kookte, heeft gekookt. Kokendheet, -heete. Koker (persoon), M.f kokers. ^ Koker (voorwerp), M., kokers. Kokertje, O., -jes. Kokerellen, kokerelde, heeft gekoke-reld. Kokeren, kokerde, heeft gekokerd. Kokerij, V., kokerijen. Kokerijtje, O., -jes Kokermuilen, kokermuilde, heeft ge-kokermuild. , Kokhalzen, kokhalsde, heeft gekokhalsd. |
Koking, V., kokingen. Kokinje, V., kokinjes. Kokkelen, kokkelde, heeft gekokkeld. Kokkerd, m., kokkerds. Kokosboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Kokosnoot, V., -noten Kokospalm, M., -palmen. Kokoszeep, V. Koksjongen, M., -jongens. Koksmaat, M., -maats. Kokspomp, V., -pompen. Kokbwerk, O. Kol (slag), M., kollen. Kol (bles en heks), V., kollen. Kolletje, O., -jes. Kolbak, M., kolbaks. Kolbijl, V., -bylen. Kolder, M., kolders. Keldertje, O.,-jes. Kolderen, kolderde, heeft gekolderd. Koldertg, -iger, -igst. Kolenbak, M., -bakken. Kolenbrander, M., -branders. Kolendamp, M. Kolendrager, M., -dragers. Kolenemmer, M,, -emmers. Kolenhok, O , -hokken. Kolenkooper, M., -koopers. Kolenmaat, V., -maten. Kolenmagazijn, O., -magazijnen. Kolenmeter. M., -meters. Kolenmijn, V., -mijnen. Kolenpakhuis, O., -pakhuizen. Kolenschip, o., -schepen. Kolenschop, V., -schoppen. Kolenvuur, O., -vuren. Kolenwagen, M., -wagens. Kolenzak, M , -zakken. Kolf, V., kolven. Kolfje, O., -jes. Kolfbaan, V., -banen. Kolfbal, M., -ballen. Kolfhout, O. Kolfspel, O. Kolhamer, M., -hamers. Kolibrie, M., kolibries. Kolibrietje, O. -jes. Koliek, o. Kolk, V., kolken. Kolkje, O., -jes. Kolken, kolkte, heeft gekolkt. Kollebloem, V., -bloemen; -bloempje O., -jes. Kollen, kolde, heeft gekold. Kolokwint, M., kolokwinten. Kolom, V., kolommen. Kolommetje, O. -jes. Kolomkachel, V.. -kachels. Kolonel, M., kolonels. Kolonel-ingenieur, M., kolonels inge nieurs. Kolonelschap, o. Kolonelsplaats, V., -plaatsen. Koloniaal, koloniale. Koloniaal, M., kolonialen. Kolonie, V., koloniën en kolonies. |
|
KOL. Kolonisatie, V.. kolonisatiën. Koloniseeren, koloniseerde, heeft ge* koloniseerd. Kolonist, M., kolonisten. Koloriet, O. Kolos, M., kolossen. Kolossaal, kolossale. Kolrijdster, V., -rydsters. Koisem, M., kolsems. Kolter, M., kolters. Kolven, kolfde, heeft gekolfd. Kolvenier, enz. Zie Klovenier, enz. Kolver, M., kolvers. Kom, V., kommen. Kommetje, O., -jes. Komaan. Komaf (Van hooge â), V. Kombaars, V., kombaarzen. Kombof, V., kombofs en komboffen. Kombuis, V., kombuizen. Komediant, M., komedianten. Komediantentroep, M., -troepen. Komedie (schouwburg), V., komedies. Komediespel, o. Komedievertooning, V., -vertooningen. Komeet, V., kometen. Komen, komt, kwam, kwamen, is gekomen. Komfoor, o., komforen. Komfoortje, O., -.ies. Komiek, komieker, komiekst. Komiek, M., komieken, Komijn, M. Komijntje, O., -jes. Komijnekaas en komijnkaas, V., -kazen. Komynekaasje, O., -jes. Komkommer, V., komkommers. Kom- kommertje, O., -jes. Komkommerschaaf, V., -schaven. Komma, V. en O., komma's. Kommaliebehoefte, V., -behoeften. Kommaliewant, O. Kommapunt, V., -punten. Kommer (zorg), M. Kommer (hazendrek), V. Kommerlijk, -lijker, -lykst. Kommerloos, -looze. Kommernis, V., kommernissen. Kommies (ambtenaar by de belastingen), M., kommiezen. Kommiesbrood, o. Kompanje, V. Kompas, O., kompassen. Kompasje, O., -jes. Kompashuisje, O., -huisjes. Kompasnaald, V., -naalden. Komplot, O., komplotten. Kompres, v., kompressen. Kompresje, O., -jes. Komst, V. Kond (âdoen). Kondschap, V., -schappen. Kondschappen, kondschapte, heeft ge- kondschapt. Kondschapper, M., -schappers. Konfijt, O. 182 |
KON. Konfijten, konfijtte, heeft gekonfijt. Kongeraal, M., -alen. Konijn, O., konijnen. Konijntje, O., -jes. Konijnenberg, M., -bergen. Konijnenbi ad, ö. Konijnenfokker, M., -fokkers. Konijnenfokkerij, V., -fokkeryen. Konijnenhok, o., -hokken. Konijnenhol, O., -holen. Konijnenjacht, V. Konijnenkruid, O. Konijnenpastei, V., -pasteien. Konijnenveld, O., velden. Konijnevel, O., -vellen. Koning, M., koningen. Koninkje, O., -jes. Koningin, V., koninginnen. Koninginnenkroon, V., -kronen. Koninginnenmantel, M., «mantels. Koningsarend, M., -arenden. Koningschap, o. Koningsdag, M., -dagen. Koningsdochter, V., -dochters. Koningsgeel, o. Koningsgezind. Koningsgezindheid. V. Koningshof, O., -hoven. Koningskind, O., -kinderen. Koningbkrakeling, M., -krakelingen. Koningskroon, V., -kronen. Koningsmantel, M., -mantels. Koningsmoord, M., -moorden. Koningfmoorder, M., -moorders. Koningstijger, M., -tijgers. Koningstroon, M., -tronen. Koningswater, o. Koningszeer, O. Koningszetel, M., -zetels. Koningszoon, M., -zonen. Koninklijk, -lyker, -lykst. Koninkrijk, O., -rijken; -rijkje, O., -jes. Konkel (slag), M., konkels. Konkel (persoon), V., konkels. Konkeltje, O., -jes. Konkelaar, M., konkelaars. Konkei aarster, V., konkelaarsters. Konkelachtig, -achtiger, -achtigst. Konkelboei., M., -boelen. Konkei en, konkelde, heeft gekonkeld. Konkelhuis, O., -huizen. Konkeikous, V.. -kousen. Konkelmoer, V., -moers. Konserf, O., konserven. Konstabel, M., konstabels. Konstabei skamer, V., -kamers. Konstabelsmaat, M., -maats. Konstabei stent, v., -tenten. Kont, V., konten. Kontje, O., -jes. Konterfeiten, konterfeitte, heeft gekonterfeit. Konterfeitsel, o., konterfeitsels. Konvooi, o., konvooien. Konvooibiljet, O., -biljetten. Konvooilooper, M., -loopers. |
KOO.
KON.
183
|
Konzenielje (voiksterm voor cochenille), v. Koog, V., kogen. Kooi, V., kooien. Kooitje, O., -jes. Kooien, kooide, heeft gekooid. Kooihoüt, O., -houten. Kooikeb, M., kooikers. Kook, V. Kookboek, O., -boeken. Kookfobnuis, o., -l'ornuizen. Kookgebeedschap, o., -schappen. Kookhok, o., -hokken. Kookhuis, O., -huizen. Kookkachel, V., -kachels. Kookketel, M., -ketels. Kookkunst, V. Kookmachine, V., -machines. Kookpan, V., -pannen. Kookplaats, V., -plaatsen. Kookschool, V., -scholen. Kooksel, O., kooksels. Kookseltje, O., -jes. Kooksteb, V., kooksters. Kookstuk, O., -stukken. Kooktoestel, M. en ü., -toestellen. Kookvbouw, V., -vrouwen. Kool (brandstof), V., kolen. Kooltje, O., -jes. Kool (gewas), V., kooien. Kooltje, O., -jes. Koolblad, O., -bladeren. Kooldbuk, M. Koolhaas, M., -hazen. Koolmees, V., -meezen. Koolbaap, V., -rapen. Koolsla, V. Koolstof, V. Koolstofvebbinding, V., -verbindingen. Koolstbonk, M., -stronken. Koolteeb, V. Kooltje-vuub, O. Koolwatebstofgas, o. Koolzaad, O. Koolzuub, o. Koolzuubhoudend. KooMENij, V., koomenijen. Koomenuswinkei., M., -winkels. Koon, V., koonen. Koontje, O., -jes. Koop, M.t koopen. Koopje, O., -jes. Koopakte, v., akten. Koopbbief, M., -brieven. Koopdag, M., -dagen. Koopen, kocht, heeft gekocht. Koopeb, M., koopers. Koopgiebig, -gieriger, -gierigst. Koopgoed, o., -goederen. Koopgbaag, -grager, -graagst. Koophandel, M. Kooplust. M. Kooplustig, -lustiger, -lustigst. Koopman, M., -lieden en -lui. Koopmansbeubs, v., -beurzen. Koopmansboek, O., -boeken. Koopmansbbief, M., -brieven. |
Koopmanschap, V. Koopmansgeest, M. Koopmanshuis, o., -huizen. Koopmanskantoob, o., -kantoren. Koopmansstijl, M. Koopmanszoon, M., -zoons en -zonen. Kooppenning, M., -penningen. Kooppbijs, M., -prijzen. Koopstad, V., -steden. Koopsteb, V., koopsters. Koopvaabdeb, M, -vaarders. Koopvaabdij, V. Koopvaabdijkapitein, M., -kapiteins. Koopvbouw, V., -vrouwen. Koopwaab, V., -waren. Koopziek. Koopzucht, V. Koopzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Koob, O., koren. Koobd (touw), V. en ü., koorden. Koordje, O., -jes. Koobde (in de meetkunde), V., koorden. Koobdedansen, o. Koobdedanseb, M., -dansers. Koobdedansebes, V., -danseressen. Koobdenschaal, V., -schalen. Koobdfabbiek, V.f -fabrieken. Koobgestoei.te, O., -gestoelten. Koobgezang, o. Koobknaap, M., -knapen. Koobn. Zie Koren. Koobts, V., koortsen. Koortsje, O., -jes. Koobtsachtig, -achtiger, -achtigst. Koobtsachtigheid, V. Koobtsbitteb, o. Koobtsdbank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Koobtsig, koortsiger, koortsigst. Koobtsigheid, V. Koobtsmiddel, O., -middelen. Koobtsvebwekkend. Koobzangeb, M., -zangers. Koot, V., kooten. Kootje, O., -jes. Kooten, kootte, heeft gekoot. Kootspel, O. Koozen, koosde, heeft gekoosd. Koozebij, V., koozeryen. Kop (hoofd), M., koppen. Kopje, O.,-jes. Kop (beker, maat enz.), M., koppen. Kopje, O., -jes. Kopbout, M., -bouten. Kopek, M., kopekken. Koper, O. Koperachtig, -achtiger, -achtigst. Koperdraad, O. Koperdruk, M. Koperen (bnw.). Koperen, koperde, heeft gekoperd. Kopergeld, O. Kopergieter, M., -gieters. Kopergieterij, V., -gieterijen. Koperkleubig. Kopermijn, V.. -mijnen. Koperroest, O. |
KOE.
KOP.
184
|
Koperrood, O. Koperslager, M., -slagers. Koperslagerij, V., -slageryen. Kopervitriool, O. Koperwerk, o. Kopglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes. Kopie (nabootsing), V., kopieën. Kopietje, O., -jes. Kopieboek, O., -boeken. Kopieeren, kopieerde, heeft gekopieerd. Kopieermachine, V., -machines. Kopieerpers, V., -persen. Kopieerwerk, O. Kopiïst, M., kopiisten. Kopij (handschrift voor de pers), V., kopyen. Kopijrecht, o. Koppel (band), M., koppels. Koppeltje, O., -jes. Koppel (paar), O., koppels. Koppeltje, O., -jes. Koppelaar, M., koppelaars. Koppelaarster, V., koppelaarsters. Koppelarij, V., koppelarijen. Koppelbout, M., -bouten. Koppelen, koppelde, heeft gekoppeld. Koppeling, V., koppelingen. Koppelkompas, O., -kompassen. Koppelriem, M., -riemen. Koppelstuk, o., -stukken. Koppelteeken, o., -teekens. Koppelwoord, o., -woorden. Koppen, kopte, heeft gekopt. Koppensneller, M., -snellers. Koppenzetster, V., -zetsters. Koppenzetter, M., -zetters. Kopper, M., koppers. Kopper- en koppertjesmaandag, M., -maandagen. Koppig, koppiger, koppigst. Koppigheid, V. Kopping, V., koppingen. Kopshout, O. Kopstuk, O., -stukken. Koraal (koorknaap), M., koralen. Koraal (koorzang), O., koralen. Koraal (stof), O ; (voorwerp), V.. koralen. Koraaldier, O., -dieren. Koraalgezang, O., -gezangen. Koraalmuziek, V. Koraalrif, O., -riffen. Koraalrood. Koraai vereeniging, V,, -vereenigingen. Koralen (bnw.) Koran, M. Korbeel, M., korbeelen. Korbeeltje, O., -jes. Kordaat, kordater, kordaatst. Kordaatheid, V. Kordelier, M., kordeliers en kordelier en. Kordon, O., kordons. |
Kordonbeugel, M., -bengels. Koren en koorn, o. Koren, koorde, heeft gekoord. Korenaar, V., -aren. Korenbeurs, V., -beurzen. Korenbloem, V., -bloemen. Korendrager, M., -dragers. Korenkooper, M., -koopers. Korenland, O., -landen. Korenmarkt, V., -markten. Korenmolen, M , -molens. Korenschoof, V., -schooven. Korenschop, V., -schoppen. Korenschuur, V., -schuren. Korenveld, O., -velden. Korenzolder, m., -zolders. Korf, M., korven. Korfje, O., -jes. Korhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Korhoen, O., -hoenderen en -hoenders; -hoentje, O., -jes. Koriander, M. Korint en korent. Zie Krent. Kornak, M., kornaks. Kornel, V. Kornet (vaandrig), M., kornetten. Kornet (muts en kromme hoorn), V., kornetten. Kornetje, O., -jes. Kornis, V., kornissen. Kornoelje, V.. kornoeljes. Kornoeljen (bnw.). Kornuit, M., kornuiten. Kornuitje, O., â¢jes. Koroester, V., -oesters. Korporaal, M.. korporaals en korpo- ralen. Korporaaltje, O., -jes. Korporaai.rchap, O. Korps. O., korpsen. Korre, V., korren. Korrel, V., korrels en korrelen. Korreltje, O., -jes. Korrelen, korrelde, is gekorreld. Korrelig, korreliger, korreligst. Korren (oesters vangen), korde, heeft gekord. KoRREN(vanduiven),korde, heeft gekord. Korset, o., korsetten. Korsetje, o.,-jes. Korsettenmaakster, V., -maaksters. Korsetveer, V., -veeren. Korsetveter, M., -veters. Korst, V., korsten. Korstje, O., -jes. Korstacht g. Korsten, korstte, is gekorst. Korstig, korstiger, korstigst. Korstigheid, V. Kort, korter, kortst. Kortachtig. Kortademig, -ademiger, -ademigst. Kortademigheid, V. Kortaf. Kortegaard, V., kortegaarden. Korte las, V., kortelassen. Kortelijk. Korte ling, M., kortelingen. Korte r.iNGs. |
KOU.
185
KOR.
|
Korten, kortte, heeft en is gekort. Kobtheid, V. kortheidsh a l.ve. kortijd, M. Korting, V., kortingen. Kortjan, O. Kortom. KoRTooREN.kortoorde, heeft gekortoord. Kortschaaf, V., -schaven. Kortschaven, kortschaafde, heeft ge- kortschaafd. Kortstaart, M. en V., -staarten. Kortstaarten, kortstaartte, heeft gekortstaart. Kortswijl, V. Kortvoer, O. Kortweg. Kortwieken, kortwiekte, heeft gekortwiekt. Kortzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Kortzichtigheid, V. Korven, korfde, heeft gekorfd. Korvet, V., korvetten. Korzel, korzeler, korzelst. Korzelheid, V. Korzelhoofu, M. en V., -hoofden. Korzelig, korzeliger, korzeligst. Korzeligheid, V. Kossem, M., kossems. Kost (spy's), M., kosten. Kostje, O., -jes. Kost (uitgaaf), M., kosten. Kostbaar, -baarder, -baarst. Kostbaarheid, V., -heden. Kostelijk, -lyker, -lykst. Kostelijkheid, V., -heden. Kosteloos, -looze. Kosten, kostte, heeft gekost. Kosteb, M, kosters. Kostebes, V., kosteressen. Kostebin, V., kosterinnen. Kostebschap, O. Kostgangeb, M., -gangers. Kosthuis, O., -huizen. Kostkind, O., -kinderen. Kostschool, V., -scholen. Kostschoolhoudeb, m., -houders. Kostuum, O., kostumen en kostumes. Kostuumpje. O., -jes. Kostwinneb, M., -winners. Kostwinning, V., -winningen. Kot, O., kotten. Kotje, O., -jes. Kotelet, V., koteletten. Koteletje, O., -jes. Koteben. koterde, heeft gekoterd. Kotsen, kotste, heeft gekotst. Kotteb, M., kotters. Kottertje, o., -jes. Koubeitel, M.. -beitels. Koud, kouder, koudst. Koudbloedig. Koudbbos, -brosse. Koude en kou, V. Koudekeuken, V. Koudeschaal, v. |
Koudheid, V. Koudjes. Koudvochtig, -vochtiger, -vochtigst. Koudvochtigheid, V. Koudvuub, O. Koukleum, M. en V., -kleumen en -kleums. Kous, v., kousen. Kousje, O., -jes. Kouseband, M., -banden. Kousenbbeien, O. Kousenbbeisteb. V., -breisters. Kousenkoopeb, M., -koopers. Kousenwever, M., -wevers. Kousenwinkel, M., -winkels. Kousjesbbandeb, M., -branders. Kout, M. Kouten, koutte, heeft gekout. Kouteb (prater), M., kouters. Kouteb (ploegyzer), O., kouters. Kouw, v., kouwen. Kouwtje, O., -jes. Kouwelijk, -lyker, -lykst. Kouweltjkhe-d, V. Kozak, M., Kozakken. Kozijn, O , kozynen. Kozyntje, O., -jes. Kbaag, M., kragen. Kraagje, O., -jes. Kbaagmantel, M., -mantels. Kbaai (vaartuig), V., kraaien. Kraai (vogel), V., kraaien. Kraaitje. O., -jes. Kraaien, kraaide, heeft gekraaid. Kraaienmarsch, M.. Kraaiennest, O., -nesten. Kraaienoog, O., -oogen. Kraaier, ]\1., kraaiers. Kraak (krak), M. Kraak (vaartuig), V., kraken Kraakamandel, V., -amandels. Kraakbeen, O., -beenderen; -beentje, O., -jes. Kraakbes, V., -bessen. Kraakporselein, O. Kr a akzinde lijk. Kraal (koraal), V., kralen. Kraaltje, O., -jes. Kraal (gehucht), V., kralen. Kraam (tent), V., kramen. Kraampje. O., -jes. Kraam (bevalling), V. Kraambed, O., -bedden. Kraamheer, M., -heeren. Kraamkamer, V., -kamers. Kraamkind, O., -kinderen. Kraamster, V., kraamsters. Kraamvisite, V., -visites. Kraamvrouw, V., -vrouwen. Kraan (kraanvogel), M., kranen. Kraan (persoon), M. en V., kranen. Kraan (tap en hijschtuig), V., krane n Kraantje, O., -jes. Kraanbalk, M., -balken. Kraanboom, M., -boomen. Kraanoog, O., -oogen. Kraanoogen, kraanoogde, heeft ge-kraanoogd. |
KRA.
186
KRA.
|
Kbaanvogel, M., -vogels. Krab (krauw), V., krabben. Krabje, O., -jes. Krab en krabbe (schaaldier), V., krabben. Krabbetje, O., -jes. Krabbedieven, krabbediefde, heeft ge- krabbediefd. Krabbedieverij, V. Krabbel, V., krabbels. Krabbei aar, M.f krabbelaars. Krabbei aarster, V., krabbelaars!ers. Krabbelen, krabbelde, heeft gekrabbeld. Krabbelig, krabbeliger, krabbeligst. Krabbeling, V., krabbelingen. Krabbelschrift, o. Krabbe LvuisTEN, krabbelvuistte, heeft gekrabbelvuist. Krabben, krabde, heeft gekrabd. Krabbeneter, M., eters. Krabber, M., krabbers. Krabbing, V., krabbingen. Krabsel, o., krabsels. Krabster, V., krabsters. Kracht, V., krachten. Krachtdadig, -dadiger, -dadigst. Krachtdadigheid, v. Krachteloos, -loozer, -loost. Krachteloosheid, v. Krachtens. Krachtig, krachtiger, krachtigst. Krachtmeter, M., -meters. Krachtsinspanning. V. Krachtsoefening, V., -oefeningen. Kraf. Zie Karaf. Krak, M., krakken. Krakje, O., -jes. Krak (tusschenw.). Krakeel, o., krakeelen. Krakeelen, krakeelde, heel t gekrakeeld. Krakeeler, M.. krakeelers. Krakeellust, m. Krakeelster, V., krakeelsters. Krakeelzïek, -zieker, -ziekst. Krakeelzucht, V. Krakeling, M., krakelingen. Krake- lingfctje, O., -jes. Krakelingentrommel, V., -trommels. Kraken, kraakte, heeft gekraakt. Kraker, M., krakers. Kraking, V., krakingen. Krakken, krakte, heelt en is gekrakt. Kram, V,, krammen. Krammetje, o., -jes. Kramen, kraamde, heeft gekraamd. Kramer, M., kramers. Kramerij, V., kramerijen. Kramerskans, v. Kramerswaar, V., -waren. Krammen, kramde, heeft gekramd. Krammer, M., krammers. Kramming, V., krammingen. Kramp, V., krampen. Krampachtig, -achtiger, -achtigst. Krampachtigheid, V. Kramphoest, m. Kramwerk, o., -werken. |
Kranen, kraande, heeft gekraand. Kranig, kraniger, kranigst. Kranigheid, V. Krank, krank er, krankst. Kranke, M. en V., kranken. Krankheid, V., -heden. Krankte, V. Krankzinnig, -zinniger, -zinnigst. Krankzinnigengesticht, o., -gestichten. Krankzinnigenhuis, o., -huizen. Krankzinnigheid, v. Krans, M., kransen. Krans.,e, O., -jes. Kransen, kranste, heeft gekranst. Krant en courant (zoo ook in de samenstellingen), V., kranten. Krantje, O., -jes. Krantenbericht, o., -berichten. Krantendrukker, M., -drukkers. Krantendrukkerij, V., -drukkerijen. Krantenjongen, M., -jongens. Krantenman, M., -mannen. Krantennieuws, O. Krantenombrenger, M., -ombrengers. Krantenschrijver, M., -schrijvers. Krantenstijl, M. Krantenvrouw, V., -vrouwen. Krap (meekrap), V. Krap (kram aan een boek), V., krappen. Krapje, O., -jes. Krap (varkensrib), V., krappen. Krapje, O., -jes. Kkap (bijw.). Krapgeslagen. Krapjes. Krapschuitswijze en -wijs. Kras (schrap), V., krassen. Krasje, O., -jes. Kras, krasser, krast. Kras. (By kris en kras). Kras (tusschenw.). Krasheid, V. Krassen, kraste, heeft gekrast. Krasser, m., krassers. Krat, O., kratten. Kratje, O., -jes. Krater, M., kraters. Krates, M., kratessen. Kraton, M., kratons. Krauw, v., krauwen. Krauwtje, O., -jes. Krauwel, M., krauwels. Krauwen, krauwde, heeft gekrauwd. Kreatuur, o., kreaturen. Kreatuurtje, O., -jes. Kreb. Zie Krib. Krediet (vertrouwen, enz.), O., kredieten. Kredietbank, V., -banken. Kredietbrief, M., -brieven. Kredietinstelling, V., -instellingen. Kredietwet, V., -wetten. Kreeft, M., kreeften. Kreeftje, O., -jes. Kreeftengang, m. Kreeftensla, V. Kreeftskeerkring, M. Kreeftsoog, O., -oogen. |
KRE.
KRI.
187
|
Kreeftsschaak, V., -scharen. Kbeek, V., kreken. Kreekje, Ã., -jes. Kreel, V., kreelen. Kreeltje, O., -jes. Kreelen, kreelde, heeft gekreeld. Kreet, M., kreten. Kregel, kregeler, kregelst. Kregelheid, V. Kregelig, kregeliger, kregeligst. Kregeltgheid, V. Kregelkop, m. en V., -koppen. Kreits, M., kreitsen. Krekel, m., krekels. Krekeltje, o.,-jes. Kreng, O., krengen. Krengen, krengde, heeft gekrengd. Krenging. V., krengingen. Krenken, krenkte, heeft gekrenkt. Krenking, V., krenkingen. Krent, V., krenten. Krentje, O., -jes. Krenteboom, M., -boomen. Krentenbaard, M., -baarden. Krentenbrood, o., -brooden; -broodje, O., -jes. Krentenkakker, M., -kakkers. Krentenkoek, M., -koeken; -koekje, O., -jes. Krenterig, krenteriger, krenterigst. Krenterigheid, V. Krepuzer, O., -ijzers. Kreppen, krepte, heeft gekrept. Krkuk, V., kreuken. Kreukje, O., -jes. Kreukel, V., kreukels. Kreukeltje, O., -jes- Kreukelen, kreukelde, heeft en is gekreukeld. Kreukelig, kreukeliger, kreukeligst. Kreuken, kreukte, heeft en is gekreukt. Kreuking, V., kreukingen. Kreunen, kreunde, heeft gekreund. Kreupel, kreupeler, kreupelst. Kreupelbopch, o., -bosschen. Kreupele, M. en V., kreupelen. Kreupelheid, V. Kreupelhout, O. Kreus, V., kreuzen. Krevel, V. Krevelen, krevelde, heelt gekreveld. Kreveling, V., krevelingen. Krevelkruid, o. Krevelzaad, o. Krib en kribbe, V., kribben. Kribje en kribbetje, O., -jes. Krib (kribbige vrouw), V., kribben. Kribbebijter, M., -byters. Kribbebijtster, V., -bytsters. Kribbekat, V., -katten; -katje, O., -jes. Kribbelen, kribbelde, heeft gekribbeld. Kribbeling, V., kribbelingen. Kribben, kribde, heeft gekribd. Kribberij, V., kribberyen. Kribbig, kribbiger, kribbigst. Kribbigheid, V. Kriebelen, kriebelde, heeft gekriebeld. Kriebelig, kriebeliger, kriebeligst. |
Kriebelschrift, O. Kriek (krekel), V., krieken. Kriekje, O., -jes. Kriek (zwarte kers), V., krieken. Kriekje, O., -jes. Kriekeboom, M., -boomen; -boompje,O., -jes. Kriekelaar, M., kriekelaars. Krieken (piepen), kriekte, heeft gekriekt. Krieken (van den dag), O. Kriekentaart, V., -taarten. Kriel (persoon), M. en V., krielen. Krieltje, O., -jes. Kriel (mand), V., krielen. Kriel (klein goed), O. Kriel, kriel er, krielst. Krielen, krielde, heeft gekrield. Krielhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Krielheid, V. Krielhen, V., -hennen; -hennetje, O., -jes. Kriemelen, kriemelde, heeft gekriemeld. Kriemelig, kriemeliger, kriemeligst. Krieuwel, V. Krieuwelen, krieuwelde, heeft gekrieuweld. Kriewelig, krieuweliger, krieuweligst. Krieweligheid, V. Krieuweling, V , krieuwelingen. Krieuwen, krieuwde. heeft gekrieuwd. Kriezel, V., kriezels. Kriezeltje, O., -jes. Kriezelen, kriezelde, heeft gekriezeld. Krijg, M., krygen. Krijgen (ontvangend, kreeg, kregen, heeft gekregen. Krijgen (oorlogen), krijgde, heeft ge- krijgd. Krijger, M., kr^gers. Krijgertje, O. (â spelen). Krijgsartikel, o.,-artikels en - artikelen. Krijgsbanier, V., banieren. Krijgsbedrijf, O., -bedrijven. Krijgsbehoefte, V., -behoeften. Krijgsbeleid, o. Krijgsbende, V., -benden. Krijgsbewind, O. Krijgsdaad, V., -daden. Krijgsdeugd, V., -deugden. Krijgsdienst, M. Krijgseed, M., -eeden. Krijgseer, V. Krijgsgebruik, o., -gebruiken. Krijgsgeroep, O. Krijgsgevangene, M., -gevangenen. Krijgsgeweld, O. Krijgsgod, m. Krijgsgodin, V. Krijgshaftig, -haftiger, -haftigst. Krijgshaftigheid, V. Krijgsheld, M., -helden. Krijgshoofd, o., -hoofden. Krijgskans, V., -kansen. Krugskas, V., -kassen. |
KEI.
188
KEI.
|
Krijgsklaroen, V., -klaroenen. Krijgsknecht, M., -knechten. Krijgskosten (mv.), M. Krijgskunde, V. Krijgskundig. Krijgskunst, V. Krijgslied, ü., -liederen. Krijgslist, V., -listen. Krijgsmacht, V. Krijgsmakker, m.. -makkers. Krijgsman, M., -lieden. Krijgsmanseer, V. Krijgsmansstand, m. Krijgsmuziek, V. Krijgsorde, V. Krijgsordening, V., -ordeningen. Krijgsoverste, M., -oversten. Krijgsplicht, M., -plichten. Krijgsplichtig. Krijgspltchtigheid, v, Krijgsraad, M., -raden. Krugsrecht, o. Krijgsroem, M. Krijgsrumoer, O. Krijgsschool, V., -scholen. Krijgstocht, M., -tochten. Krijgstoerusting, V., -toerustingen. Krijgstrompet, V., -trompetten. Krijgstucht, V. Krijgsverr chting, V., -verrichtingen. Krijgsvolk, ü. Krijgsvoorraad, M. Krijgswet, V., -wetten. Krijgswetenschap, V., -schappen. Krijgswezen, o. Krijgszaak. V., -zaken. Krijgzuchtig, -zuchtiger, zuchtigst. Krusch, M., kryschen. Kruschen, kreesch, kreschen, heeft gekreschen; ook krijschte, heeft ge-krijscht. Krusching, V., krijschingen. Krijt (stof), O. Kratje, O., -jes. Krijt (strydperk), O. Krijtachtig, -achtiger, -achtigst. Krijtberg, M., -bergen. Krijten, kreet, kreten, heeft gekreten. Krijtend, krytender, krjjtendst. Krijter, M., krijters. Krytertje, O., -jes. Krijthouder, M., -houders. Krutmolen, m., -molens. Krijtstreep, v., -strepen; -streepje, O., -jes. Kruzeltanden, krijzeltandde, heeft ge- kry zei tand. Krik (tusschenw.). Krikkemik, V., -mikken. Krikkrakken, krikkrakte, heeft gekrik- krakt. Krtm, V. Krimp, V. Krimp (bnw.). Krimpen, kromp, heeft en is gekrompen. Krimperd, m., krimperds. |
Krimpig, krimpiger, krimpigst. Krimping, V., krimpingen. Krimpkabeljauw, V. Krimpschoi., v. Krimpvisch, V. Krimpvrtj. Krimpzalm. V. Kring, M., kringen. Kringetje, o., -jes. Kringelen, kringelde, beeft gekringeld. Kringloop, M. Kringswijze en -wijs. Kringvormig. Krinkel, M., krinkels. Krinkeltje, O., -jes. Krinkelen, krinkelde, heeft en is gekrinkeld. Krinkeltng, V., krinkelingen. Krioelen, krioelde, heeft gekrioeld. Krip, O. Krippeltje, O., -jes. Krippen (bnw.). Kris (dolk), V., krissen. Krisje, O.,-jes. Kris. (Bij kris en kras). Krissen, kriste, heelt gekrist. Kristal, O., kristallen. Kristalhelder. Kristallen (bnw.). Kristallig. Kristallijn, O. Kristallijnen (bnw.). Kristallisatie, V., kristallisatiën. Kristallisiüeren, kristalliseerde, heeft gekristalliseerd. Kristalwater, O. Kritiek (hachelijk), kritieker, kritiekst. Krocht, V., krochten. Krodde, V. Kroeg, V., kroegen. Kroegje, O., -jes. Kroegen, kroegde, heeft gekroegd. Kroeger, M., kroegers. Kroeghouder, M., -houders. Kroeglooper, M , -loopers. Kroep, V. Kroes, M., kroezen. Kroesje, O., -jes. Kroes, kroezer, kroest. Kroeskop (kroes hoofd), m., -koppen. Kroeskop (persoon), M., koppen. Kroezen, kroesde, heeft en is gekroesd. Krok, V., krokken. Kroken, krookte, heeft gekrookt. Krokodil, M., krokodillen. Krokodilletje, O., -jes. Krokodillentranen (mv.), m. Krokus, M., krokussen. Krokusje, O , -jes. Krol, O., krollen. Krollen, krolde, heeft gekrold. Krollig, krolliger, kroliigst. Krolsch (bnw.), krolscher, meest krolsch. Krolschheid, V. Krolziek, -zieker, -ziekst Krom, krommer, kromst. Kromachtig. |
KRO
189
KRO
|
Keombeen, M. en V., -beenen. Krombek (boon), M., -bekken. Kromhals (persoon), M. en V.,-halzen. Kromhals (retort), V., -halzen. Kromhals (plant), V. Kromheid, V. Kromhout, o., houten. Kromliggen, lag krom, lagen krom, heeft krom gelegen. Kromloopen, liep krom, is kromge- loopen. Kromme, V., krommen. Krommen, kromde, heeft en is gekromd. Kromme», M., krommers. Kromming, V., krommingen. Kromneus, M. en V., -neuzen. Kromsluiten, sloot krom, sloten krom, heeft kromgesloten. Kromstaart, M., -staarten. Kromstaf, M., -staven. Kromsteven, V., -stevens. Kromtaal, V. Kromte, V., kromten. Kromtevi.ak, o., -vlakken. Kromtong, M. en V., -tongen. Kromtongen, kromtongde, heeft ge- kromtongd. Kromtongig, -tongiger, -tongigst. Kromtrekken, trok krom, trokken krom, is kromgetrokken. Kromvoet, M. en v., -voeten. Kronen, kroonde, heeft gekroond. Kbonengoud, O. Kroniek, V., kronieken. Kroniekje, o., -jes. Kroniekachtig, -achtiger, -achtigst. Kroniekschrijver, m., -schrijvers. Kroning, V., kroningen. Kroningsfeest, O., -feesten. Kroningsplechtigheid, V., -heden. Kronkel, M., kronkels. Kronkeltje, O., -jes. Kronkelacht.g, -achtiger, -achtigst. Kronkelbocht, V., -bochten. Kronkelen, kronkelde, heeft en is gekronkeld. Kronkelig, kronkeliger, kronkeligst. Kronkeling, V., kronkelingen. Kronkelkoord, O., -koorden. Kronkelpad, O.,-paden -paadje, O.,-jes. Kronkelweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes. Kroon, V., kronen. Kroontje, O., -jes. Kroonbai.k, M., -balken. Kroondomein, o., -domeinen. Kroonlijst, V., -listen. Kroonprins, M., -prinsen. Kroonprinses, V., -prinsessen. Kroontjeskrüid, O. Kroos, O. Kroos (kuipersterm), V., krozen. Kroosje (pruim), o., -jes. Kroost, o. Kroot, v., kroten. Krootje, o., -jes. |
Krop (voormaag en gezwel), M., kroppen. Kropje, O., -jes. Krop (salade), V., kroppen. Kropje; O., -jes. Krop (meel), o. Kropader, v., -aderen. Kropbrood, O. Kropgans, V., -ganzen. Kropgezwel, O., -gezwellen. Kroppen, kropte, heeft en is gekropt. Kropper, M., kroppers. Kroppertje, O., -jes. Kropperd, m., kropperds. Kropperdje, O., -jes. Kroppig, kroppiger, kroppigst. Kropsla, V. Krot, O., krotten. Krotje, O., -jes. Krotenstroop, V. Krotensuiker, v. Krotten, krotte, heeft gekrot. Krozen, kroosde, heeft gekroosd. Kbuchen, kruchte, heeft gekrucht. Kruid (gewas), o., kruiden. Kruidje, O., -jes. Kruidachtig. Kruidboek, O., -boeken. Kruiden, kruidde, heeft gekruid Kruidenazijn, m. Kruidenier, M., kruideniers. Kruideniersvak, O. Kruidenierswaren (mv.), v. Kruidenierswinkel, m., -winkels. Kruidenthee, v. Kruidenwijn, M. Kruiderij, V.. kruiderijen. Kruidig, kruidiger, kruidigst. Kruidigheid, v. KrUIDJE-roer-MIj-niet, O. Kruidkaas, V. Kruidkoek, M., -koeken. Kruidkunde, V. Kruidkundige, M., -kundigen. Kruidnagel, M., -nagels; -nageltje, O., -jes. Kruidnoot, V., -noten; -nootje, O.,-jes. Kruidtuin, M., -tuinen. Kruien, krooi, krooien, heeft gekrooien; ook kruide, heeft gekruid. Kruier, M., kruiers. Kruiersloon, O., -loonen. Kruierswerk, O. Krui ing, V., kruiingen. Kruik, V., kruiken. Kruikje, O., -jes. Kruikeblad, O., -bladen en -bladeren. Kruiken, kruikte, heeft gekruikt. Kruil, v. Kruilen, kruilde, heeft gekruild. Krui ling, m., kruilingen en kruilings. Kruiloon, O., -loonen. Kruim, v., kruimen. Kruimpje, o.,-jes. Krui machtig, -achtiger, -achtigst. Kruimel, v., kruimels en kruimelen. Kruimeltje, O., -jes. Kruimelaar, M.. kruimelaars. |
KRU.
KRU.
190
|
Kruimelen, kruimelde, heelt en is gekruimeld. Kruimelig, kruimeliger, kruimeligst. Kruimeling, V., kruimelingen. Kruimen, kruimde, is gekruimd. Kruimig, kruimiger, kruimigst. Kruin, V., kruinen. Kruintje, O., -jes. Kruinpunt, O. Kruipelings. Kruipen, kroop, kropen, heeft en is gekropen. Kruipend, kruipender, kruipendst. Krui per, M., kruipers. Kruipertje, O.,-jes. Kruiperwt, V., -erwten. Kruiphaantje, O., -jes. Kruiphennetje, O., -jes. Kru'phol, O , -holen. Kruipwilg, M., -wilgen. Kruis, O., kruisen. Kruisje, O., -jes. Kruisberg, M. Kruisbes, V., -bessen. Kruisbesseboom, M., -boomen Kruisbezie, V., -beziën. Kruisboog, M., -bogen. Kruisdrager, M , -dragers. Kruiselings. Kru.sen, kruiste, heeft gekruist. Kruiser, M., kruisers. Kruisgewelf, O , -gewelven. Kruisheuve'., M., -heuvels. Kruishout. O., -houten. Kruisigen, kruisigde, heeft gekruisigd. Kru-siging, V., kruisigingen. Kru sing, V., kruisingen. Kruisjassen, kruisjaste, heeft gekruisjast. Kru skerk, V., -kerken. Kruispaal, M., -palen. Kruisra, V., -raas. Kruisraam, O., -ramen. Kruissteek, m., -steken. Kruisstraat, V., -straten. Kruisstraf, V. Kruistocht, M.. -tochten. Kruisvaarder, M., -vaarders. Kruisverheffing, V. Kruisvinding, V. Kruisvormig. Kruisvuur. O. Kruisweg, M., -wegen. Kruisw.'jze en -w.js. Kruiswoord, O., -woorden. Kruiszeil, O., -zeilen. Kru t (poeder), O. Kruitdamp, m. Kruithoorn, M., -hoorns. Kru tkamer, V., -kamers. Kruitmagazijn, o., -magazijnen. Kruitmolen, m, -molens. Kruittoren, M., -torens. Kruitwagen, M., -wagens. Krui ven, kruifde, heelt gekruifd. Kruiwagen, m, -wagens; -wagentje, O., -jes. |
Kruizeel, O., -zeelen. Kruizemunt, V. Kruk (persoon), M., krukken. Kruk (voorwerp), V., krukken. Krukje, O., -jes. Krukken, krukte, heeft gekrukt. Krukkig, krukkiger, krukkigst. Krukk gheid, V. Krul, v., krullen. Krulletje, O., -jes. Krulhaar, O. Krulhond, M., -honden. Krulijzer, O., -jjzers. Krulkop en krullekop (hoofd), M., -koppen. Krulkop en krullekop (persoon), M. en V., -koppen. Krullebol. (hoofd), M., -bollen. Krullebol (persoon), M. en V.,-bollen. Krullen, krulde, heeft gekruld. Krullenjongen, M., -jongens. Krullenmand, V., -manden. Krullig, krulliger, krulligst. Krulligheid, V. Krulling, V. Krulpriem, M., -priemen. Kru lsa lade, V. Krultabak, V. Krultang, V., -tangen. Kub en kubbe, V., kubben. Kubje en kubbetje, O., -jes. Kubboot, V, -booten. Kubiek, kubieke. Kubiekget-il, ü., -getallen. Kubiekwortel, M., -wortels. Kuch (hoest), V. Kuchje, O., -jes. Kuch (droog kommiesbrood), o. Kuchen, kuchte, heeft gekucht. Kudde, v., kudden. Kuddetje, o.,-jes; ook kuddeken en kuddeke, O., kud-dekens en kuddekes. Kuf, V., kuffen. Kufje, O., -jes. Kuier, M. Kuiertje, O., -jes. Kuieren, kuierde, heeft en is gekuierd. Kuif, V., kuiven. Kuifje, O., -jes. KUiFPOOTlG. Kuiken. Zie Kieken. Kuil, M., kuilen. Kuiltje, O., -jes. Kuildek, ü., -dekken. Kuilen, kuilde, heeft gekuild. Kui lig, kuiliger, kuiligst. Kuip, V., kuipen. Kuipje, O., -jes. Kuipen, kuipte, heeft gekuipt. Kuiper, M , kuipers. Ku per j, V., kuiperijen. Kuiperytje, O., -jes. Ku-persambacht, o. Ku'Persboor, V., -boren. Kuipersd ssel, M., -dissels. Kuipershaak, M., -haken. Kuiperswinkel, M., -winkels. Kuiphout, O. Kuiploon, O., -loonen. Kuis, V., kuizen. Kuisch, kuischer, meest kuisch. |
KUK.
KUL
191
|
Kuischboom, m, -boomen. Kufschen, kuischte, heeft gekuischt. Kuischhe'd, V. Kuischmolen, M., -molens. Kuit (lichaamsdeel), V., kuiten. Kultje, O., -jes. Kuit (zaad van een visch), V., kuiten. Kuitje, O., -jes. Kuitbeen, o. Kuitendekker, M., -dekkers. Kuitenflikker, M., -flikkers. Kuiter, V., kuiters. Küivig. Kul, V., kullen. Kulas, V., kulassen. Kul lage, V. Kullekenskru.d, o. Kullen, kulde, heeft gekuld. Kunde, V. Kundig, kundiger, kundigst. Kund-ghe ïd, V., -heden. Kunne, V. Kunnen, kan, kunnen, konde of kon, gij kondt, konden of konnen, heeft gekund. Kunst, V., kunsten. Kunstje, o., -jes. Kunstbeen, O., -beenen. Kunstbeschouwing. V., -beschouwingen. Kunstbloem, V., -bloemen. Kunstboter, V. Kunstdraaier, M., -draaiers. Kunsteloos, -loozer, -loost. Kunstenaar, m., kunstenaars en kunstenaren. Kunstenaarsloopbaan, v. Kunstenares, V , kunstert3vessen. Kunstenar j, V., kunstenai^en. Kunstenmaker, M., -makers. Kunstgenoot, M., -genooten. Kunstgenoote, V., -genooten. Kunstgevoel, O. Kunstgreep, m., -grepen. Kunstig, kunstiger, kunstigst. Kunstigheid, V. Kunstkooper, M., -koopers. Kunstliefde, V. Kunstmevend, -lievender, -lievendst. Kunstlievendhe'd, V. Kunstmatig, -matiger, -matigst. Kunstmiddel, O , -middelen. Kunstnaaldwerk, o. Kunstoog, O , -oogen. Kunstre^, V., -reizen. Kunstschilder, M , -schilders. Kunststuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes. Kunsttand, M., -tanden. Kunstterm, M., -termen. Kunsttheor e, V., -theorieën. Kunstvaard'g, -vaardiger, -vaardigst. Kunstvaard:ghe'd, v. Kunstwerk, o., -werken. Kuras, O., kurassen. Kurass'er, m., kurassiers. Kurass erslaars, V., -laarzen. |
Kurassiersstal, M., -stallen. Kuren, kuurde, heeft gekuurd. Kurenmaker, M., -makers. Kurk (stof), o., (voorwerp), V., kurken. Kurk je, O., -jes. Kurkegeld, O. KurkE'K, M., -eiken. Kurken (bnw.)-Kurkenmandje, O., -jes. Kurketang, V., -tangen. Kurketrekker, m, -trekkers. Kurkuma, V. Kus, M., kussen. Kusje, O, -jes. Kushandje, O., -jes Kussen, O., kussens. Kussentje,O.,-jes. Kussen, kuste, heeft gekust. Kussensloop, V., -sloopen. Kust (oever), V., kusten. Kust (verkiezing), V. Kustbatter'j, V., -batterijen. Kustbewoner, M , -bewoners. Kust:ng, v., kustlngen. Kustlijn, V., -lijnen. Kustontwikkeling, V. Kustvaarder, M., -vaarders. Kustverded ging, V. Kut, V., kutten. Kuun, V. Kuur,V., kuren. Kuurtje, O., -jes. Kwaad, kwader, kwaadst; ook erger, ergst. Kwaad, o. Kwaadaardig, -aardiger., -aardigst. Kwaadaardigheid, V. Kwaaddoener, M., -doeners. Kwaaddoenstbr, V., -doensters. Kwaadheid, V. KwAADSAPPiG, -sappiger, -sappigst. Kwaadsappigheid, V. Kwaadschiks. Kwaadspreekster, V., -spreeksters. Kwaadspreken, sprak kwaad, spraken kwaad, heeft kwaadgesproken. Kwaadsprekend, -sprekender, -sprekendst. Kwaadsprekendheid, V. Kwaadspreker, M., -sprekers. Kwaadwillig, -williger, -willigst. Kwaadwilligheid, V. Kwaal, V., kwalen. Kwaaltje, O., -jes. Kwab en kwabbe, V., kwabben. Kwab- betje, O., -jes. Kwabbig, kw.xbbiger, kwabbigst. Kwajongen, m., kwajongens. Kwajongensachtig, -achtiger, -achtigst. Kwajongensstreek, m., -streken. Kwak, M., kwakken. Kwakje, O., -jes. Kwaken, kwaakte, heeft gekwaakt. Kwaker, M., kwakers. Kwakerij, v., kwakerijen. Kwakerskerk, V., -kerken. Kwakkel, M., kwakkels en kwakkelen. Kwakkeltje, O., jes. Kwakkelaar, , kwakkelaars. |
KWA.
KWE.
192
|
Kwakkelen, kwakkelde, heeft gekwakkeld. Kwakkelwintek, M., -winters. Kwakkelziekte, V. Kwakken, kwakte, heeft gekwakt. Kwakzalven, kwakzalfde, heeft gekwak-zalfd. Kwakzalver, m, -zalvers. Kwakzalverij, V., -zalverijen. Kwal, V., kwallen. Kwalie, V., kwaliën en kwalies. Kwaliemoer, V., -moers. Kwaliën, kwaliede, heeft gekwalied. Kwalijk. Kwalijkheid, V. Kwalijkvaren, o. Kwalm, m. Kwalmen, kwalmde, heeft gekwalmd. Kwalster, M., kwalsters. Kwalstertje, O., -jes. Kwanselaar, M., kwanselaars. Kwanselaarster, V , kwanselaarsters. Kwanselarij, V., kwanselariien. Kwanselen, kwanselde, heeft gekwanseld. Kwanseling, V., kwanselingen. Kwansuis. Kwant, M., kwanten. Kwantje, O., -jes. Kwapsch, kwapscher. Kwarrel, M., kwarrels. Kwarreltje, ü., -jes. Kwarrelachtig, achtiger, -achtigst. Kwarrelig, kwarreliger, kwarreligst. Kwart, O., kwarten. Kwartje, ü., -jes. Kwartaal, o., kwartalen. Kwartaalstaat, M., -staten. Kwartanker, 0., -ankers; -ankertje, o., -jes. Kwartel, M., kwartels. Kwarteltje, o., â Jes* Kwartgulden, M., -guldens. Kwartier, o., kwartieren. Kwartiertje, O., -jes. Kwartiereoom, M., -boomen. Kwartiermaker, M., -makers; -makertje, O., -jes. Kwartiermeester, M., -meesters. Kwartiersvergadering, V., -vergaderingen. Kwartijn, M., kwartijnen. Kwartjesvinder, M., -vinders. Kwartrond, o., -ronden Kwartrust, V., -rusten. Kwarts, o., kwartsen. Kwartsachtig. Kwassiehout, o. Kwast (voorwerp en persoon), M., kwasten. Kwastje, O., -jes. Kwast (drank), V., kwasten. Kwastelorum, m., kwastelorums. Kwasterig, kwasteriger, kwasterigst. Kwasterigheid, V. Kwastig, kwastiger, kwastigst. Kwast igheid V. |
Kwee, V., kweeën. Kweetje, O., -jes. Kweeappel, M., -appels en -appelen. Kweek, V. Kweekeling. M. en V., kweekelingen. V. ook kweekeiinge. Kweeken, kweekte, heeft gekweekt. Kweeker, M., kweekers. Kweekeru, v., kweekerijen. Kweekgras, o. Kweekhof, M., -hoven. Kweeking, V., kweekingen. Kweekplaats, V., -plaatsen. Kweekschool, V., -scholen. Kweekster, V., kweeksters. Kweektuin, M., -tuinen. Kweelen (zingen), kweelde, heelt gekweeld. Kweeltje, O., -jes. Kween, V., kwenen. Kweern, V., kweernen. Kweerntje, O., -jes. Kweesten, kweestte, heeft gekweest. Kweken en kwekken. Zie Kwaken. Kwel, V. Kwelacht g, -achtiger, -achtigst kwelachtigheid, v. Kwelbast, M., -basten. Kweldam, M., -dammen. Kwelder, V., kwelders. Kweldijk, M., -dijken. Kwelduivel, M.; -duivels. Kwelgeest, M., -geesten. Kwellage, V., kwellages. Kwellen, kwelde, heeft gekweld. Kweller, M., kwellers. Kwelling, V., kwellingen. Kwelwater, O. Kwelziek, -zieker, -ziekst. Kwelzucht, V. Kwended (wilde tgm), V. Kwestie, V., kwesties. Zie ook Quaestie. Kwets, V., kwetsen. Kwetsje, O., -jes. Kwetsbaar, -baarder, -baarst. Kwetsbaarheid, V. Kwetsen, kwetste, heeft gekwetst. Kwetsing, V., kwetsingen. Kwetsuur, V., kwetsuren. Kwetsuurtje, O., -jes. Kwetteraar, M., kwetteraars. Kwetteren, kwetterde, heeft gekwetterd. Kwezel, v., kwezels. Kwezeltje, O., -jes. Kwezelaar, M., kwezelaars en kwezelaren. Kwezei aarster, V., kwozelaarsters. Kwezelachtig, -achtiger, -achtigst. kwezelacht 1ghe ⢠d, V, Kwezelarij, V., kwezelariïen. Kwezelen, kwezelde, heeft gekwezeld. Kwibus, M., kwibussen. Kwibusje, 0., -jes. Kwidam, M., kwidams. Kwijl, V. Kwijlbaard, M., -baarden. |
KWI.
KWI.
193
|
Kwijlbab, V., -babben; -babje, O., -jes. Kwijlen, kwijlde, heeft gekwijld. Kwijler, M., kwyiers. Kwijn, M. Kwijnen, kwynde, heeft gekwijnd. Kwijning, V. Kwijt. KwuTBRrEF, M., -brieven. Kwijten, kweet, kweten, heeft gekweten. Kwijting, V., kwytingen. Kwijtraken, raakte kwflt, is kwijtgeraakt. Kwijtschelden, schold kwijt, heeft kwijtgescholden. Kwijtschelding, V. Kwik (beuzeling), V., kwikken. Kwikje, O., -jes. Kwik (kwikzilver), O. Kwik, kwikker, kwikst. Kwikachtig, -achtiger, -achtigst. Kwikbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes. Kwikbarometer, M., -barometers. Kwikkolom, V.,-kolommen. Kwikkudr, V., -kuren. Kwikoxyde, o. Kwikstaart, M., -staarten;-staartje,O., â¢jes. |
Kwikstaarten, kwikstaartte, heeft ge- kwikstaart. Kwikzalf, V. Kwikzilver, o. Kwinkei.eeren, kwinkeleerde, heeft gekwinkeleerd. Kwinken, kwinkte, heeft gekwinkt. Kwinkerd, M., kwinkerds. Kwinkslag, M., -slagen. Kwint (streek), V., kwinten. Kwintig, kwintiger, kwintigst. Kwipsch, kwipscher, meest kwipsch. Kwipschheid, V. Kwispedoor, o., kwispedoren. Kwispedoortje, O., -jes. Kwispel, M., kwispels. Kwispeltje, O., -jes. Kwispelen, kwispelde, heeft gekwispeld. Kwispeling, V., kwispelingen. Kwispelstaarten, kwispelstaartte, heeft gekwispelstaart. Kwisten, kwistte, heeft gekwist. Kwistgeld, M., en V., -gelden. Kwistgoed, M. en V. Kwistig, kwistiger, kwistigst. Kwistigheid, V. Kwistpenning, m., en V., -penningen. |
L.
|
L, V., I'S. La. Zie Lade. Laadbus, V., -bussen. Laadgat, O., -gaten. Laadgereedschap, O., -schappen. Laadstok, M , -stokken. Laag, lager, laagst. Laag, V., lagen. Laagje, O., -jes. Laaghartig, -hartiger, -hartigst. Laaghartigheid, V. Laagheid, V., -heden. Laagjes. Laagte, V,, laagten. Laai en laaie, V. (In lichter -). Laakbaar, -baarder, -baarst. Laakbaarheid, V. Laakziek, -zieker, -ziekst. Laakzucht, V. Laan, V., lanen. Laantje, O., -jes. Laars, V., laarzen. Laarsje, o., -jes. Laarzen, laarsde, heeft gelaarsd. Laarzenknecht, M., -knechts Laarzenmaker, M., -makers. Laarzentrekker, M., -trekkers. Laarzenwinkel, M., -winkels. laarzeschacht, V., -schachten. Laas (tusschenw.). Laat, later, laatst. Laatband, M., -banden. Laatbekken, o., -bekkens. Laatdunkend, -dunkerder, -dunkendst. |
Laatdunkendheid, V. Laatijzer, O , -ijzers. Laatkop, M., -koppen. Laatst. Laatstelijk. Laatstleden. Laatstmaal. Laatvlijm, V., -vlijmen. Laatwindsel, O., -windsels. Labaar, V, labaren. Labbei, V., labbeien. Labbeien, labbeide, heeft gelabbeid. Labbekak, M. en V., labbekakken. Labbekakken, labbekakte, heeft ge- labbekakt. Labbekakker, M., labbekakkers. Labbekakkerij, V., labbekakkerijen. Labbekakster. V., labbekaksters. Labben, labde, heeft gelabd. Labber (bnw ). Labberdaan, ook abbkrdaan, V. Labberen, labberde, heeft gelabberd. Labberkoelte, V. Labberlot (nachtbraker), M., labber-lotten. Labberlot (sloep), V., labberlotten. Labberlottig. Labiaal, -ale. Laboratorium, o., laboratoria. Laboreeren, laboreerde, heeft gelaboreerd. |
13
LAM.
194
LAB.
|
Labyrint, o., labyrinten. Lach, M. Lachje, o., -jes. Lachebek, M. en V., -bekken; -bekje, O., -jes. Lachen, lachte, heeft gelachen. Lacher, M., lachers. Lachlust, M. Lachspier, V., -spieren. Lachstuip, V., -stuipen. Lachverwekkend, -verwekkender, -ver- wekkendst. Laconiek, laconieker, laconiekst. Laconisme, O. Lacune, V., lacunes. Ladder, V., ladders. Laddertje, O.,-jes. Laddersport, V., -sporten. Lade en la, V., laden. Laatje, O., -jes. Laden, laadde, heeft geladen. Lader, M., laders. Lading, V., ladingen. Ladinkje, O., -jes. Lad.ngsbrief, M., -brieven. Ladingspoort, V., -poorten. Lady, V., lady's. Laf, lafl'er, lafst. Lafaard, M., lafaards. Lafbek, M., -bekken. Lafenis, V., lafenissen. Lafenisje, o., -jes. Lafhartig, -hartiger, -hartigst. Lafhartighe d, V. Lafheid, V., -heden. Lagerhand, V. Lagerhuis, O. Lagerwal, m. Lagune, V., lagunen. Laisser-aller, O. Lak (lastering), M. Lak (stof), O., lakken. Lak (bnw.). Lakei, M., lakeien. Lakeitje, O., -jes. Laken, O., lakens. Lakentje, O., -jes. Laken, laakte, heeft gelaakt. Lakenfabriek, V., -fabrieken. Lakenhal, V., -hallen. Lakenkooper, M., -koopers. Lakensch. Lakenvelder, M. en V., -velders. Lakenwinkel, M., -winkels. Laker, M., lakers. Laking, V.. lakingen. Lakken, lakte, heeft gelakt. Lakmoes, O. Lakmoesfabriek, V., -fabrieken. Lakmoespapier, O. Lakooi, v., lakooien. Lakooienbed, o., -bedden. Lakooienzaad, o Lam, O., lammeren. Lammetje, O., lam- metjes en lammertjes. Lam, lammer, lamst. Lambrizeering, v., lambrizeeringen. Lamentabel, lamentabeler, lamenta-belst. |
Lamenteeren, lamenteerde, heeft gelamenteerd. Lamfer, M. en O., lamfers. Lamheid, V., -heden. L am lend1 g, -lendigei', -lendigst. Lamlendigheid, v. Lammeling, M. en V., lammelingen. Lammelot, M. en V., lammelotten. Lamme lottig, -lottiger, -lottigst. Lammelottigheid, v. Lammeren, lammerde, heeft gelammerd. Lammergier, M., -gieren. Lammermarkt, V., -markten. Lammertjesbaai, V. Lammertjespap, V. Lammerzoet. Lammigheid, V., -heden. Lamoen. Zie Lemoen. Lamp, V., lampen. Lampje, O., -jes. Lampeglas, O., -glazen. Lampekap, V., -kappen. Lampekleedje, Ã., -jes. Lampekousje, o., -jes. Lampenfabriek, V., -fabrieken. l\mpenkatoen, o. Lampenmaker, M., -makers. Lampeschaar, V.. -scharen. Lampet, O., lampetten. Lampetje, O., -jes. Lampion, V., lampions. Lampoot, M. en v., -pooten. Lamprei (visch), V., lampreien. Lamprei (jong konijn), ü., lampreien. Lampreitje, O., -jes. Lampzwart, O. Lamspout, m., -bouten; -boutje, o.,-jes. Lamskop, M., -koppen. Lamskotelet, V., -koteletten. Lamsoor, o., -ooren. Lamspoot, M., -pooten. Lamsvacht, V., -vachten. Lamsvel, ü., -vellen. Lamsvleesch, O. Lamswol, V. Lamzalig, -zaliger, -zaligst. Lamzaligheid, v. Lancet, ü., lancetten. Lancetje, O., -jes. Land, O., landen. Landje, O., -jes. Landaard, M. Landauer, M., landauers. Landbouw, M. Landbouwcongres, O., -congressen. Landbouwer, M., -bouwers. Landbouwkrediet, O. Landbouwschool, V., -scholen. Landbouwtentoonstelling, V., -tentoonstellingen. Landedelman, M., -edelliedèn. Landelijk. Landen, landde, is geland. Landengte, V.. -engten. Landerig, landeriger, landerigst. Landerigheid, V. Landerijen (mv.), V. Landgenoot, M , -genooten. |
LAN.
LAN.
195
|
Landgenoote, v., -genooten. Landgoed, O., -goederen. Landhuis, O., -huizen. Landhuishoudkunde, V. Landhuishoudkundig. Landhuur, V., -huren. Landing, V., landingen. Landingsboot, V., -booten. Landingsplaats, V., -plaatsen. Landingstroepen (mv.), M. Landjuweel, O., -juweelen. Landkaart, V., -kaarten. Landkrab (persoon), M., -krabben. Landleven, O. Landloopen, O. Landlooper, M., -loopers. Landlooperij, V. Landman (landbouwer), M., -lieden. Landmeter, M., -meters. Landnationalisatie, v. Landontginning, V., -ontginningen. Landouw, V., landouwen Landraad, M., -raden. Landrecht, O., -rechten. Landrente, V., -renten. Landrot (persoon), M., -rotten. Landsbediening, V., -bedieningen. Landschap, O., landschappen. Landschapje, O., -jes. Landschapschilder, M., -schilders. Landscheiding, V., -scheidingen. Landsheer, M., -heeren. Landsheerlijk. Landskind, O., -kinderen. Landslasten (mv.), M. Landsman (landgenoot), M., -lieden. Landstad, V., -steden; -stadje, O., -stadjes. Landstreek, V., -streken. Landsvrouw, V., -vrouwen. Landtaal, V., -talen. Landtong, V., -tongen. Landverhuizer, m., -verhuizers Landverhuizing, v. Landverraad, o. Landverrader, M., -verraders. Landvoogd, M., -voogden. Landvoogdes, V., -voogdessen. Landvoogdij, V. Landwaarts. Landwind, M., -winden. Landwinning, V., -winningen. Landzaat, M.. -zaten. Landziekig, -ziekiger, -ziekigst. Landziekte, V. Lang, langer, langst. Langbaard, m., -baarden. Langbaardig, -baardiger, -baardigst. Langbeen (persoon), m en v., -beenen. Langbeen (ooievaar), m., -beenen. Langbeen (mug), V.. -beenen. Langbeenig, -beeniger, -beenigst. Langdradig, -dradiger, -dradigst. Langdradigheid, v. |
Langdurig, -duriger, -durigst. Langdurigheid, V. Langen, langde, heeft gelangd. Langet, v., langetten. Langetje, o., -jes. Langeveld, O. Langhals (persoon), M. en V., -halzen Langhals (flesch), V., -halzen. Langhalzig, -halziger, -halzigst. Langharig. Langheid, V. Langjarig. Langlenden, M. en V., -lendens. Langlijf, M. en V., -lijven. Langlijvig. Langneus, M. en V., -neuzen. Langoor (persoon), M. en V., -ooren. Langoor (ezel), M., -ooren. Langpoot, M., -pooten. Langs. Langscheeps (bijw.). Langscheepsch (bnw.). Langsgaan, ging langs, is langsgegaan. Langsloopen, liep langs, heeft en is langsgeloopen. Langsrijden, reed langs, reden langs, heeft en is langsgereden. Langstaart, M., -staarten. Langstlevend. Langsvaren, voer langs, heeft en is langsgevaren. Langtand, m. en v., -tanden. Langtong, M. en V., -tongen. Langtongig, -tongiger, -tongigst. Langwerpig, -werpiger, -werpigst. Ook Lankwerpig. Langwerpigheid, v. Langwijlig, -wijliger, -wijligst. Langwijligheid, v. Langzaam, -zamer, -zaamst. Langzaamheid, v. Langzamerhand. Lan ng, V., laningen. Lankmoed g, -moediger, -moedigst. lankmoedighe'd, v. Lankwerpig. Zie Langwerpig. Lans, V., lansen Lansje, o , -jes. Lansier, M., lansiers. Lanskenet (kaartspel), o. Lantaarnopsteker, M., -opstekers. Lantaren en lantaarn, V., lantarens en lantaarnen. Lantarentje en lantaarntje, O., -jes. Lantarenpaal, M , -palen. Lanterfant, M., lanterfanten. Lanterfanten, lanterfantte, heeft gelanterfant. Lanterfanterij, V., lanterfanteryen. Lantert.u, O, Lap, M., lappen. Lapje, O., -jes. Lapidair. Lappen, lapte, heeft gelapt. Lappendag, M , -dagen. Lappendeken, V., -dekens. Lappendief, M., -dieven. |
LAP.
196
LAT.
|
Lappenmand, V., -manden. Lappenmarkt, V., markten. Lappeb, M.. lappers. Lappebij, V., lapperken. Lapsteb, V., lapsters. Lapweek, O. Lapwoobd, o., -woorden. Lapzalf, V. Lapzalven, lapzalfde, heeft gelapzalfd. Lapzalveb, M., -zalvers. Lapzalvebij, V., -zalveryen. Labdeeren, lardeerde, heeft gelardeerd. Labdeebpbiem, M., -priemen. Labdeebsel, O., lardeersels. labdeeb8peetje, O., -jOS. Labdeebspek, o. Labgo, O., largo's. Labie, V. Labiemoeb, V., -meers. Labiën, lariede, heeft gelaried. Labiks, M., lariksen. Lariksje, o., -jes. Labiksboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Labve, v., larven. Lasch, V., lasschen. Laschje, O., -jes. Laschijzeb, o., -^zers. Lasghmes, O., -messen. Laschnagel, M., -nagels. Laschwoobd, O., -woorden. Lasschen, lasch te, heeft gelascht. Lassching, V., lasschingen. Last (vracht, bevel), M., lasten. Last (maat), O., lasten. Lastage, V. Lastbbief, M., -brieven. Lastdbageb, M., -dragers. Lasten, lastte, heeft gelast. Lasteb, M. Labtebaab, M, lasteraars en lasteraren. Lastebdicht, O., -dichten. Lasteben, lasterde, heeft gelasterd. Lastebing, V., lasteringen. Lasteblijk, -lyker, -lijkst. Lastebmond, M. en V., -monden. Lastebpen, V., -pennen. Lastebbede, V., -redenen. Lastebschbift, O., -schriften. Lastebstue, O., -stukken. Lastebtaal, V. Lastebtong, M. en V , -tongen. Labtebziek, -zieker, -ziekst. Lastebzucht, V. Lastgeveb, m., -gevers. Lastgeving, V., -gevingen. Lasthebbeb, M., -hebbers. Lastig, lastiger, lastigst. Lastigheid, v. Lat, V., latten. Latje, O., -jes. Latafel, V., -tafels; -tafeltje, o., -jes. Laten, liet, heeft gelaten. Latebaal, laterale. Latiebboom, M., -boomen. Latijn, O. Latijnsch. |
Latijnzeil, O., -zeilen. Lating, V., lating:en. Latinkje, O., -jes. Latinisme, O., latinismen. Latinist, M., latinisten. Latiniteit, V. Latoen, O. Lats en latse, V., latsen. Latten, latte, heeft gelat. Lattenstek, o., -stekken. Latuw, V. Laudanum, o. Laubieb, M., laurieren. Laubiebbes, V., -bessen. Laubieben, laurierde, heeft gelaurierd. Laubiebkebs (vrucht), V. Laubiebkebswateb, o. Lauw, lauwer, lauwst. Lauwen, lauwde, heeft en is gelauwd. Lauweb, M., lauweren en lauwers. Lauweben, lauwerde, heeft gelauwerd. Lauwebkbans, M., -kransen. Lauwebkboon, V., -kronen. Lauwheid, V. Lauwte, V. Lava, V. Lavas, V. Lavastboom, M., -stroomen. Laveeben, laveerde, heeft en is gelaveerd. Lavei, V. Laveien, laveide, heeft gelaveid. Lavement, O., lavementen. Lavementje, O., -jes. Laven, laafde, heeft gelaafd. Lavendel, V. Lavendelolie, V. Lawaai, o. Lawaaimaker, M., -makers. Lawine, V., lawinen en lawines. Laxans, O. Laxeeben, laxeerde, heeft gelaxeerd. Laxeebmiddel, O., -middelen. Lazabet, O., lazaretten. Lazabij, V. Lazabusklep, V., -kleppen. Lazuben (bnw.). Lazuub (steen), M., lazuren; (stof), O. Leb en lebbe, V., lebben. Lebaal, V. Lebbig, lebbiger, lebbigst. Lebbigheid, V. Lectob, M., lectoren. Lectobaat, O., lectoraten. Lectuub, V. Ledebbaae en leebbaak, V. Ledebbaken en leebbaken,ledebraakte. heeft geledebraakt. Ledebbeuk, V. Ledekant (ook ledikant), O., ledekanten. Ledekantje, O., -jes. Ledekantgobdun, O., -gordjjnen. Ledeman. Zie Leeman. Ledematen. Zie Lidmaat. i Ledenvebgadebing, V., -vergaderingen |
LED.
LEE.
197
|
Ledenzetteb, M, -zetters. Ledepop, V., -poppen. Leder en leer, ü. Leertje, o., -jes. Lederachtig en leerachtig. Lederen en leeren (bnw.). Lederwaren, (mv.), V. Lederwerk, o. Ledewater en leewater, O. Ledig (ook leeg), lediger, ledigst. Ledigen (ook leegen), ledigde, heeft geledigd. Lediggang, M. Ledigganger, M., -gangers. Lediggieten (ook leeggieten), goot ledig, goten ledig, heeft lediggegoten. Ledigheid, V. Lediging, V. Ledigloopen (ook leegloopen), liep ledig, heeft en is lediggeloopen. Ledigmaken (ook leegmaken), maakte ledig, heeft lediggemaakt. Ledigpompen (ook leegpompen), pompte ledig, heeft lediggepompt. Ledigscheppen (ook leegscheppen), schepte ledig, heeft lediggeschept. Ledigst a an (ook leegstaan), stond ledig, heeft lediggestaan. Ledigzitten (ook leegzitten), zat ledig, zaten ledig, heeft lediggezeten. Leebraak, leebraken. Zie Ledebraak, enz. Leed. Leed, o. Leedwezen, O. Leefregel, M., -regels. Leeftijd, M., -tyden. Leeftocht,M. Leefwijze en -wijs, V., -wijzen. Leeg (voor ledig), leeger, leegst. Leegen (voor ledigen), leegde, heeft Leeglooper, M., -loopers. Leegloopster, V., -loopsters. Leegte, V. Leek, M., leek en. Leekebroeder, M., -broeders. Leekezuster, V., -zusters. Leelijk, leelijker, leelijkst. Leelukerd, M., leel\jkerds. Leelijkheid, V., -heden. Leem, O. Leemachtig, -achtiger, -achtigst. Leeman, M., leemans en leemannen. Leemen, leemde, heeft geleemd. Leemen (bnw.). Leemgroeve, V., -groeven. Leemput, M., -putten. Leemte, V., leemten. Leen, V. (Ter leen en te leen). Leen, O., leenen. Leenbrief, M., -brieven. Leeneed, M., -eeden. Leenen, leende, heeft geleend. Leener, m., leeners. |
Leenheer, M., -heeren. Leenheerschap, O. Leening, V., leeningen. Leenman, M., -mannen. Leenmanschap, o. Leenplicht, M., -plichten. Leenrecht, O. Leenroerig. Leenroerigheid, V. Leenspreuk, V., -spreuken. Leenspreukig. Leenstelsel, O. Leentjebuur, V. (â spelen). Leep, V. Leep (slim), leeper, leepst. Leep (druipoogig), leper, leepst. Leeperd, M., leeperds. Leeperdje, O., -jes. Leepheid, V. Leepigheid, V. Leepoog, M. en V., -oogen. Lkepoogig, -oogiger, -oogigst. Leepoogigheid, V. Leer (leering), V. Leer (ladder), V., leeren. Leer. Zie Leder. Leeraar, M., leeraren en leeraars. Leeraarsambt, O., -ambten. Leeraarsbetrekking, V., -betrekkingen. Leeraarschap, o. Leeraarsvergadering, V., -vergaderin-gen. Leerachtig. Zie Lederachtig. Leeraren, leeraarde, heeft geleeraard. Leerares, V., leeiaressen. Leerbegrip, o., -begrippen. Leerbereiden, o. Leerbebeider, M., -bereiders. Leerboek, O., -boeken; -boekje, O.,-jes. Leerdicht, O., -dichten. Leeren (bnw.) Zie Lederen. Leeren, leerde, heeft geleerd. Leergang, M., -gangen. Leergeld, O. Leergierig, -gieriger, -gierigst. Leergierigheid, V. Leergraag, -grager, -graagst. Leering, V., leeringen. Leerjaar, O., -jaren. Leerjongen, M., -jongens. Leerkamer, V., -kamers. Leerknaap, M., -knapen. Leerling, M. en v,, leerlingen. V. ook leerlinge. Leerling consul, M. Leerlingschap, o. Leerlooien, O. Leerlooier, M., -looiers. Leerlooierij, V., -looieryen. Leermarkt en ledermarkt, V., -markten. Leermeester, M., -meesters. Leermeesteres, V., -meesteressen. Leermeesterschap, o. |
.LEE.
198
LEE.
|
Leermeisje, O., -jes. Leermiddel, O., -middelen. Leerplan, o. Leerplicht, M. Leerrede, V., -redenen. Leerschool, V., -scholen. Leerstellig. Leerstelling, V., -stellingen. Leerstelsel, O., -stelsels. Leerstoel, M., -stoelen. Leerstuk, o., -stukken. Leertijd, M. Leertouwen, O. Leertouwer, M.. -touwers. Leertouwerij, v., -touweryen. Leeruur, o., -uren. Leervak, O., -vakken. Leerwijze en -wijs, v., -wijzen. Leerzaam, -zamer, -zaamst. Leerzaamheid, v. Leerzucht, v. Leesbaar, -baarder, -baarst. Leesbaarheid, v. Leesbeurt, v., -beurten. Leesbibliotheek, v., -bibliotheken. Leesboek, o., -boeken; -boekje, o., -jes. Leesgezelschap, o., -schappen. Leesinrichting, v., -inrichtingen. Leeskabinet, o., -kabinetten. Leeskamer. Vm -kamers; -kamertje, O., -jes. Leesmuseum, o., -museums. Leesoefening, v., -oefeningen. Leest, v., leesten, Leestje, o., -jes. Leestafel, V., -tafels. Leesteeken, ü., -teekens; -teekentje, O., -jes. Leestenhout, o. Leestenmaker, M., -makers. Leestijd, m. Leestoon, M., -tonen. Leestrant, m. Leesuur, o., -uren. Leeswijze en -wijs, v., -wijzen. Leeszaal, v., -zalen; zaaltje, o., -jes. Leeuw, M., leeuwen. Leeuwtje, O., -jes. Leeuwachtig. Leeuwenbek (bek van een leeuw), M., -bekken. Leeuwenbek (plant),m.,-bekken; -bekje, O., -jes. Leeuwendeel, o. Leeuwenhart, o. Leeuwenhol, O, -holen. Leeuwenhuid, v., -huiden. Leeuwen jong, O., -jongen. Leeuwenkop, M., -koppen. Leeuwenkuil, M., -kullen. Leeuwenmanen (mv.), v. Leeuwenmoed, M. Leeuwenwelp, o., -welpen; -welpje, O., -jes. Leeuwerik, m., leeuweriken. Leeuwerikje, O., -jes. |
Leeuwerikskooi, v., -kooien. Leeuweriksnest, O., -nesten. Leeuweriksstaart, M., -staarten. Leeuwerikszang, M. Leeuwin, v., leeuwinnen. Leeuwinnetje, O., -jes. Leewater. Zie Ledewater. Leg (het leggen), M. Leg en legge (lichaamsdeel van vogels), V., leggen. Legaal, legaler, legaalst. Legaat, O., legaten. Legaatje, O , -jes. Legaliseeren, legaliseerde, heeft gelegaliseerd. Legataris, M., legatarissen. Legateeren, legateerde, heeft gelegateerd. Legbord, O., -borden. Legeeren, legeerde, heeft gelegeerd. Legeering, V., legeeringen. Legende, v., legenden en legendes. Legendendichter, M., -dichters. Leger, o., legers. Legertje, o., -jes. Legerafdeeling, V., -afdeelingen. Legerbende, V., -benden. Legerbericht, O., -berichten. Legeren, legerde, heeft gelegerd. Legerhoofd, O., -hoofden. Legering, V., legeringen. Legerkorps, O.,- korpsen. Legermacht, V., -machten. Legerplaats, V., -plaatsen. Legerschaar, V., -scharen. Legersterkte, v. Legertent, V., -tenten. Legertrein, M., -treinen. Legerwet, V., -wetten. Leges (mv.), V. Leggen, legde en leide, heeft gelegd en geleid. Legger, M., -leggers. Leghen, V., -hennen; -hennetje, O.,-jes. Legioen, O., legioenen. Legitiem, legitieme. Legitimeeren, legitimeerde, heeft gelegitimeerd. Legitimist, M., legitimisten. Legitimiteit, v. Legkaart, V., -kaarten; -kaartje,O.,-jes. Legpenning. M., -penningen. Legprent, V., -prenten. Legsel, O., legsels. Legster, V., legsters. Legtijd, M., -tijden. Leguaan, M., leguanen. Lei (voorwerp), V , leien; (stof), O. Leitje, O., -jes. Leiband, M., -banden. Leiboom, M., -boomen. Leidekker, M., -dekkers. Leiden (stad), O. Leiden, leidde, heeft geleid. Leidenaar, M, Leicenaars en Leide-naren. |
LEN.
199
LEI
|
Leider, M., leiders. Leiding, V., leidingen. Leidraad, M., -draden. Leidsch. Leidsel en leisel, O., leidsels en leisela. Leidsman, M., -lieden. Leidster en -star, V., -sterren en -starren. Leidster, V., leidsters. Leidsvrouw, v., -vrouwen. Leien (bnw.). Leiendak, O., -daken; -dakje. O. Leigroeve, V., groeven. Leikleur, v. Leikleurig. Leireep, M., -reepen. Leis, V., leisen. Leisel. Zie Leidsel. Leist (leizeel). v., leisten. Leizeel, o., -zeelen. Lek, v. Lek (het lekken), M. Lek (lekgat), O., lekken. Lek, lekke. Lekbier, ü. Leken, leekte, heeft en is geleekt. Lekgat, o., -gaten. Lekkage, V., lekkages. Lekken (druipen), lekte, heelt en is gelekt. Lekken ivoor likken). Zie Likken. Lekker, lekkerder, lekkerst. Lekkerbeetje, ü., -jes. Lekkerbek, M. en V., -bekken. Lekkerbekken, lekkerbekte, heelt gelekkerbekt. Lekkerbekkerij, V., -bekkerijen. Lekkerheid, V. Lekkernij, V., lekkernijen. Lekkernijtje, O., -jes. Lekkers, o. Lekkertjes. Lekking, V., lekkingen. Leksteen, M., -steenen. Lekton, V., -tonnen. Lekvat, O., -vaten. Lekwater, o. Lekwijn, M. Lekzak, M., -zakken. Lel, V., lellen. Lelletje. O., -jes. Lelie, v., lelies en leliën. Lelietje, O., -jes. Lelienbed, O., -bedden. Leliewit, -witte. Lellen, lelde, heeft geleld. Lemma, o., lemmata. Lemmen, lemde, heeft gelemd. Lemmer, o., lemmers en lemmeren. Lem- mertje, O., -jes. Lemmet, o., lemmeten. Lemmetje, o., -jes. Lemoen (ook lamoen), O., lemoenen. Lende, V., lenden en lendenen. |
Lendekussen, O., -kussens; -kussentje. O., -jes. Lendenpijn, V. Lendestuk, O., -stukken. Lenen. Zie Leunen. Leng (stokvisch), V., lenden. Leng (touw). O., lengen. Lengen, lengde, heeft en is gelengd. Lengsel, o., lengsels. Lengte, V., lengten. Lengtecirkel, M., -cirkels. Lengtegraad, M., -graden. Lengtemaat, V., -maten. Lenig, leniger, lenigst. Lenigen, lenigde, heeft gelenigd. Leniger, M., lenigers. Lenigheid, V. Leniging, V., lenigingen. Lenigster, v., lenigsters. Lens (spiets), V.t lensen. Lens (glas), V., lenzen. Lens (ledig), lenze. , , . Lensen (spietsen), lenste, heeft gelenst. Lensgat, ü., -gaten. Lenspomp, V., -pompen. Lente, V. Lenteavond, M., -avonden. Lentebloem, V., -bloemen. Lentedag, M., -dagen. Lentelied, O., -liederen. Lentemaand, V. Lenteren, lenterde, heelt gelenterd. Lenteteeken, O., -teekens. Lentetijd, M. Lenzen (ledigmaken). lensde, heelt gelensd. Lenzen (scheepsw.), lensde, heelt enis gelensd. Lenzing, V., lenzingen. Lep , M., leppen. Lepel, M., lepels. Lepeltje, O., -jes. Lepelaar, M., lepelaars en lepelaren. Lepelblad, O. Lepeldoos, V.. -doozen; -doosje, O.,-jes. Lepelen, lepelde, heeft gelepeld. Lepelkost, M. Lepelspijs, V. Lepelvaasje, 0., -vaasjes. Leplam, O., -lammeren. Leppen, lepte, heelt gelept. Lepper, m., leppers. Lepperen, lepperde, heeft gelepperd. Lepra, V. Leproos, leproze. Leprozenhuis, O., -huizen. Les, V., lessen. Lesje, O., -jes. Lesboek en lessenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Leschbak, M., -bakken. Leschdrank, M., -dranken. Leschtrog, M., -troggen. Leschwater, O. Lesgeefster, V., -geefsters. Lesgever, M., -gevers. |
LEU.
LES.
200
|
Lesschen, leschte, heeft gelescht. Lessching, V. Lessen aae, M., lessenaars. Lessenaartje, O., -jes. Lessenplan, o. Lethargie, V. Letsel, O. Letten, lette, heeft gelet. Letter, V., letters en letteren. Lettertje, O., -jes. Letterarbeid, M. Letterbanket, O. Letterbode, M., -boden. Letterdief, M., -dieven. Letterdieverij, V., -dieverijen. Lbttebeindje, o., -eindjes. Letteren, letterde, heeft geletterd. Lettergieten, o. Lettergieter, M., -gieters. Lettergieterij, V., -gieteryen. Lettergreep, V., -grepen. Letterkast, V., -kasten. Letterklank, m., -klanken. Letterknecht, m., -knechten. Letterknechterij, v. Letterkunde, V. Letterkundig. Letterkundige, M. en V., -kundigen. Letterlievend. Letterlijk, -lijker, -lijkst. Letterproef, V., -proeven. Letterraadsel, o., -raadsels. Letterschrift, o. Letterslot, O., -sloten; -slootje, O., -jes. Letterspecie, v. Letterteeken, O., -teekens. Letterwijs, -wijze. Letterzetten, O. Letterzetter, M., -zetters. Leugen (ook logen), V., leugens. Leugentje, O., -jes. Leugenaar en logenaar, M., leugenaars en leugenaren. Leugenaarster, v., leugenaarsters. Leugenachtig, -achtiger, -achtigst. Leugenachtigheid, v. Leugentaal, v. Leugenzak, M., -zakken. Leuk, leuker, leukst. Leukheid, v. Leukweg. Leunen, leunde, heeft geleund. Leuning, V., leuningen. Leuninkje, O., -jes. Leuningstoel, M., -stoelen. Leunspaan, V., -spanen. Leunstoel, M., -stoelen. Leur (drank), V. Leus en leuze, V., leuzen. Leuter, M. Leuteraar, M., leuteraars. Leuteraarster, v., leuteraarsters. Leuteren, leuterde, heeft geleuterd. |
Leuterig, leuteriger, leuterigst. Leuterkous, M. en V., -kousen. Leuterwerk, O. Leuver, M., leuvers. Leuze. Zie Leus. Levant, V. Levantijn (Oosterling), M., Levantynen. Levantijn (stormwind), M.,levantynen. Levantijn (z^den stof), V. Levantijnsch. Levantsch. ^ Leven, leefde, heeft geleefd. Leven, o., levens Leventje, o. Levend (niet dood). Levendbarend. Levendig (vroolyk), levendiger, leven- digst. Levendigheid, v. Levenloos, -looze. Levenmaken, O. Levenmaker, M., -makers. Levensbaan, V. Levensbeginsel, o. Levensbehoud, O. Levensbericht, O., -berichten. Levensbeschrijver, M., -beschrjjvers. Levensbeschrijving, v,, -beschrijvingen. Levensbijzonderheden (mv.), V. Levensbron, V. Levensdagen (mv.), M. Levensdoel, O. Levensdraad, M. Levensduur, M. Levenseinde, o. Levensgedrag, o. Levensgeesten (mv.), M. Levensgeluk, O. Levensgenot, o. Levensgevaar, O. Levensgezellin, V., -gezellinnen. Levensgroot, -groote. Levensgrootte, V. Levenskracht, V., -krachten. Levenslang. Levenslicht, o. Levensloop, M. Lnvenslust, M. Levenslustig, -lustiger, -lustigst. Levensmiddelen (mv.), o. Levensmoede en -moe. Levensmoeheid, V. Levensonderhoud, o. Levenspad, O. Levensschets, V., -schetsen. Levensteeken, O., -teekenen. Levensverzekering, V. Levenswandel, M. Levenswijze en -wijs, V., -wyzen. Levenwekkend. Lever. V., levers. Levertje, o., -jes. Leveraar, M., leveraars. Leverancier, M.. leveranciers. Leverantie, V., leverantiën en leveranties. |
LEV.
201
LIC.
|
Leverbaar, -bare. Leveren, leverde, heeft geleverd. Levering, V., leveringen. Leveringstermijn, M.. -termijnen. Leveringstïjd, M., -tijden. Leverkleurig. Leverkwaal, V,, -kwalen. Levertraan, V. Leverworst, V., -worsten. Leverzucht, V. Leverzuchtig. Leviathan, M., leviathans. Lexicograaf, M., lexicografen. Lexicographie, V. Lexicographisch, Lexicon, o., lexica. Lezen, las, lazen, heeft gelezen. Lezenaar, M., lezenaars. Lezenaartje, O., -jes. Lezenswaardig, - waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Lezer, M., lezers. Lezeres, V., lezeressen. Lezing, V., lezingen. Lezinkje, o., -jes. Lus, v., liassen. Libel, o., libellen. Liberaal, liberaler, liberaalst. Liberaal, M., liberalen. Liberalisme, o. Liberaliteit, V. Libertijn, M., libertynen. Lichaam, o., lichamen. Lichaampje, o., -jes. Lichaamsarbeid, M. Lichaamsbeweging, V., -bewegingen. Lichaamsbouw, M. Lichaamsdeel, o., -deelen. Lichaamsgebrek, O., -getreken. Lichaamsgestel, o., -gestellen. Lichaamskracht, V., -krachten. Lichaamsoefening, V., -oefeningen. Lichaamsstraf, V., -straffen. Lichamelijk. Licht, O., lichten. Lichtje, O., -jes. Licht (helder), lichter, lichtst. Licht (niet zwaar), lichter, lichtst. Lichtbeeld, o., -beelden. Lichtblauw. Lichtbron, V., -bronnen. Lichtbruin. Lichtdruk, M. Lichtekooi, v., -kooien. Lichtelijk. Lichten (licht geven), lichtte, heeft gelicht. Lichten (opheffen), lichtte, heeft gelich t. Lichter, M., lichters. Lichtergeld, o., -gelden. Lichterlaaie en lichtelaaie (b\jw.). Lichtgas, o. Lichtgeel, -gele. Lichtgeloovig, -gelooviger, -geloovigst. Lichtgeloovigheid, V. Lichtgeraakt, -geraakter, -geraaktst. |
Lichtgeraaktheid, V. Lichtgevend. Lichtgewapend. Lichtgrauw. Lichtgrijs, -gr^ze. Lichtgroen. Lichthart, M. en V., -harten. Lichtheid, v. Lichthoofd, M. en V., -hoofden. Lichthoofdig. Lichthoofdigheid, V. Lichtigheid, V. Lichting, V., lichtingen. Lichtkegel, M., -kegels. Lichtkogel, M.. -kogels. Lichtmis (losbol), m., lichtmissen. Licht - misje, O., -jes. Lichtmis (Vrouwendag), V. Lichtmissen, lichtmiste, heeft gelicht-mist. Lichtmisseru, V., lichtmisseryen. Lichtrood, -roode. Lichtvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Lichtvaardigheid, V. Lichtzinnig, -zinniger, -zinnigst. Lichtzinnigheid, V., -heden. Lid, O., leden. Lidje, O., leedjes. Lidmaat (medelid), M. en V., lidmaten. Lidmaat (deel des lichaams), O., ledematen. Lidmaatschap, O. Lidmatencatechisatie, V., -catechisa- tiën en -catechisaties. Liebaard, m., liebaards. Lied, O., liederen. Liedje, O., -jes. Lieden (mv.), M. Zie ook Lui. Liederboek en liedboek of liedeboek O., -boeken; -boekje, O., -jes. Liederlijk, -Ujker, -l(jkst. Liederlijkheid, V., -heden. Liedertafel, V., -tafels. Liedjeszanger, M., -zangers. Liedjeszangster, V., -zangsters. Lief, liever, liefst. Lief, o. Liefdadig, -dadiger, -dadigst. Liefdadigheid, V. Liefde, V. Liefdeblijk, o., -blaken. Liefdedienst, M., -diensten Liefdegave, V., -gaven. Liefdegift, V., -giften. Liefdeloos, -loozer, -loost. Liefdeloosheid. V. Liefderijk, -rijker, -rijkst. Liefderijkheid, V. Liefdesbetrekking, V., -betrekkingen. Liefdesbetuiging, V., -betuigingen. Liefdeshistorie, V., -histories. Liefdesverklaring, V., -verklaringen. Liefelijk, -lijker, -lljkst. Liefelijkheid, v., -heden. Liefhebben, heeft lief, had lief, hadden lief, heeft liefgehad. |
LIJ.
202
LIE
|
Liefhebber, M., -hebbers; -hebbertje, O., -jes. Liefhebberen, liefhebberde, heeft geliefhebberd. Liefhebberij, V., -hebberijen. Liefhebster, V., hebsters. Liefje, o., -jes. Liefkoozen, liefkoosde, heeft geliefkoosd. Liefkoozerij, V., -koozerüen. Liefkoozing, V., -koozingen. Liefst (bijw.). Liefste, M. en V,, liefsten. Lieftallig, -talliger, -talligst. Lieftalligheid, V. Liegen, loog, logen, heeft gelogen. Lier, V., lieren. Liertje, o., -jes. Lierdicht, ü., -dichten. Lierdichter, M., -dichters. Liereman, M., -mannen. Lieren, lierde, heeft gelierd. Lierlauw. Lierzang, M., -zangen. Lies, V., liezen. Liesje, o., -jes. Lieveling, M. en V., lievelingen. V. ook lievelinge. Lievelingetje, O., -jes. Lievelingsbezigheid, V., -bezigheden. Lievelingsdichter, M., -dichters Lievelingskleur, V., -kleuren. Lievelingsplaats, V., -plaatsen. Lievelingsplekje, o., -jes. Lievelingsschrijver, M., -schryyers. Lievelingsuitdrukking, V., -uitdrukkingen. Lievelingswerk, O. Lievelingswoord, O., -woorden. Lievemoederen, O. Lieven, liefde, heeft geliefd. Lieverd, M., lieverds. Lieverdje, O,,-jes. Lieverlede (Van â). Lieve-vrouwen-bedstroo, O. Lieve-vrouwenkerk, V., -kerken. Lievigheid, V., -heden. Liflaffen, liflafte, heeft geliflaft. Liflafferij, V.. liflafl'eryen. Liflafje, O., liflafjes. Ligdag, M., -dagen. Liggeld, O. Liggen, ligt, lag, lagen, heeft gelegen. Ligger, M., liggers. Ligging, V., liggingen. Ligplaats, V., -plaatsen. Ligue, V. Liguster, M., ligusters. Lu (scheepsw.), V. Lijboelijn, V., -boelyns. Lijdelijk, -lijker, -lijkst. Lijdelijkheid, V. Lijden (dulden), leed, leden, heeft geleden. Lijden (duren), leed, is geleden. Lijden, O. Lijdend. Lijdensbeker, M. |
Lijdensgeschiedenis, V., -geschiedenissen. Lijdenskelk, M. Lijdenspreek, V., -preeken. Lijdenstekst, M., -teksten. Lijdensweek, V., -weken. Lijdensweg, M., -wegen. Lijder, M., lijders. Lijderes, V.. lijderessen. Lijdzaam, -zamer-. -zaamst. Lijdzaamheip, V. Lijf, O., lijven. Lijfde, O., -jes. Lijfarts, M., -artsen. Lijfeigene, M. en V., -eigenen. Lijfeigenschap, V. Lijfelijk. Lijfgoed, O., -goederen. Lijfknecht, M., -knechten. Lijfrente, V., -renten. Lijfsbehoud, O. Lijfsberging, V. Lijfsdwang, M. Lijfsgevaar, O., -gevaren. Lijfssieraad, O., -sieraden. Lijfstraf, V., -straften. Lijfstraffelijk. Lijfstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes. Lijftocht, M. Lijftochten, l^ftochtte, heeft gelijf-tocht. Lijftochttdnaar, M., -tochtenanrs. Lijftochten a res, V., -tochtenaressen. Lijfwacht (persoon), M., -wachten. Lijfwacht (de gezamenlijke wachten), V., -wachten. Lijk (touw), o., lyken. Lijk (dood lichaam), O., lijken. Lijkje, O., -jes. Lijkachtig. Lijkbaar, V., -baren. Lijkbus, V., -bussen. Lijkdienst, M., -diensten. Lijken (geljjken), leek, leken, heeft geleken. Lijken (scheepsw.), lijkte, heeft gelijkt. Lijkenhuis,O., -huizen; -huisje, O.,-jes. Lijkenverbranding, V. Lijkgaren, O. Lukklacht, V., -klachten. Lijkkleed, o., -kleeden. Lijkkleur, V. Lijkkleurig. Lijkkoets, V., -koetsen. Lijklucht, V. Lijknaald, V., -naalden. Lijkopening, V. Lijkplechtigheid, V., -plechtigheden. Lijkrede, V., -redenen. Lijkschouwing, V., -schouwingen. Lijkstaatsie, V., -staatsies. Lijkstoet, M. Lijkwade en lijkwa, V., -waden. lijkwagen, M., -wagens. Lijm, V. |
LIL.
LIJ.
203
|
Lijmachtig, -achtiger, -achtigst. Lijmachtigheid, V. Lijmen, lijmde, heeft gelijmd. Lijmer, M., lijmers. Lijmerig, lijmeriger, lijmerigst. Lijmerigheid, V. Lijmerij, V., lijmerijen. Lijmig, lijmiger, lijmigst. Lijmigheid, V. Lijming, V., lijmingen. Lijmkamer, V., -kamers. Lijmketel, M., -ketels. Lijmkokerij, V., -kokeryen. Lijmkwast, M., -kwasten. Lijmpot, M., -potten. Lijmstok, M., -stokken. Lijn (touw), V., lijnen. Lijntje, o., -jes. Lijn (streep), V., lynen. Lyntje, O., -jes. Lijnbaan, V., -banen. Lijndraaier, M., -draaiers. Lijnen, lijnde, heeft gelynd. Lijnmeel, O. Lijnolie, V. Lijnrecht. Lijnwaad, O., -waden. Lijnzaad, O. Lus, M. en V., lijzen. Lijspond, O., -ponden. Lijst, V., lijsten. Lystje, O., -jes. Lijsten, lystte, heeft gelyst. Lijstenmaker, M., -makers. Lijster, V., lysters. Lijsterbes, V., -bessen. Lijstwerk, O. Lijvig, lyviger, lijvigst. Lijvigheid, V. Lijwaarts. Lijzeil, O., -zeilen. Lijzig, lyziger, lijzigst. Lik, M., likken. Likje, O., -jes. Likdoorn en likdoren, M., -doorns en â dorens; -doorntje en -dorentje, O., -jes. Likdoornsnijder, M., -snijdors. Likeur, V., likeuren. Likeurtje, o., -jes. Likeurglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes. Likeurstoker, M., -stokers. Likhout, o., -houten. Likkebaard, M., -baarden. Likkebaarden, likkebaardde, heeft gelikkebaard. Likkebroer, M., -broers. Likken en lekken, likte en lekte, heeft gelikt en gelekt. Likken (gladmaken), likte, heeft gelikt. Likkepot, M., -potten; -potje, o., -jes. Liksteen, M., -steenen. Likstok, M., -stokken. Lil, O. Lila, O. Lillen, lilde, heeft gelild. Lillig, lilliger, lilligst. Lilling, V., lillingen. |
Lilliputter, M., lilliputters. Limiet, V., limieten. Limietpaal, M., -palen. limoen, M., limoenen. Limoentje, O., -jes. Limoensap, O. Limonade, V. Limonadeverkoopster, V. Linde, V., linden. Lindeblad, o., -bladen en -bladeren; -blaadje, O., -blaadjes en -bladertjes. Lindebloesem^ M. Lindeboc m, m., -boomen; -boompje, o., -jes. Linden (bnw.). Lindenhout, o. Lindenlaan, V., -lanen. Lineair. Linguist, M., linguïsten. Linguïstiek, V. Linguïstisch. Liniaal, V., linialen. Liniaaltje, O., -jes. Linie, V., liniën en linies. Linieeren, linieerde, heeft gelinieerd. Linieerfabriek, V., -fabrieken. Linieermachine, V., -machines. Linieerpen, V., -pennen. Linieschip, O., -schepen. Linietroepen (mv), M. Link, V., linken. Linkerarm, M., -armen. Linkerbeen, O., -beenen. Linkerhand, V., -handen. Linkerkant,M. Linkermouw, V., -mouwen. Linkeroever, M. Linkeroog, O., -oogen. Linkeroor, o., -ooren. Linkervleugel, M., -vleugels. Linkervoet, M , -voeten. Linkerzijde, V. Links. Linksaf. Linksch, linkscher, meest linkych. Linkschheid, V. Linksom. Linnen, O., linnens. Linnen (bnw.). Linnengoed, o. Linnenkast, V., -kasten. Linnenkoopman, M., -kooplieden. Linnenmeid, V., -meiden. Linnennaaister, V., -naaisters. Linnenwever, M., -wevers. Lint, O., linten. Lintje, O., -jes. Lintwinkel, M, -winkels. Lintworm, M., -wormen. Linze, V., linzen. Linzeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Linzenakker, M., -akkers. Linzenmaal, o., -malen. Linzenmeel, o. Linzensoep, V. |
LOE.
LTP.
204
|
Lip, v., lippen. Lipje, O., -jes. Lipbloemig. Liplap, M., liplappen. Lipletter, V., -letters. Lippen, lipte, heeft gelipt. Lippenpommade, V., -pommades. Lippenzalf, V.,-zalven; -zalfje, O.,-jes. Liquidatie, V., liquidation en liquidaties. Liquideeren, liquideerde, heeft geliquideerd. Lis en lus, V., lissen en lussen. Lisje en lusje, O., -jes. Lisch, O., lisschen. Lischbloem, V., -bloemen. Lispelen, lispelde, heeft gelispeld. Lispen, lispte, heeft gelispt. Lispeb, M., lispers. Lisping, V., lispingen. Lisptong, M. en V., -tongen. Lissen, liste, heeft gelist. List, V., listen. Listje, o., -jes. Listig, listiger, listigst. Listigheid, V. Listiglijk. Liteb, M., liters. Litebarisch. Literator, M., literatoren. Litebatuub, V., literaturen. Litebatuubgeschiedenis, V. Litebglas, o., -glazen. Lithograaf, M., lithografen. Lithographeeren, lithographeerde. heeft gelithographeerd. Lithographie, V., litho^raphieën. Lithophanie, V., lithophanieën. Litteeken, o., -teekens en -teekenen. Litteekentje, O., -jes. Liturgie, V., liturgieën. Livbei, V., livreien. Livbeibediende, M., -bedienden. Livbeiknecht, M., -knechts. Livbeirok, M., -rokken. Livret, o., livretten. Lob, V., lobben. Lobbetje. O., -jes. Lobberen, lobberde, heeft gelobberd. Lobberig, lobberiger, lobberigst. Lobbes, M., lobbesen. Lobbig, lobbiger, lobbigst. Loboor, M., -ooren. Locaal (plaatselijk), locale. Locaaltrein, M., -treinen; -treintje, O., -jes. Localiteit, V., localiteiten. Locomotief, V., locomotieven. Lodder, M., lodders. Lodderen, lodderde, heeft gelodderd. Lodderig, lodderiger, lodderigst. Lodderigheid, v, Lodderlijk, -lijker, -lykst. Lodderoog (oog), o., -oogen; -oogje. o., â¢jes. Lodderoog (persoon). m. en v., -oogen. Lodderoogen, lodderoogde, heeft gelodderoogd. |
Loeder, M., loeders. Loef, V. Loefbalk, M., -balken. Loefboom, M., -boomen. Loefgiebig. Loefhouden, o. Loefhoudeb, M., -houders. Loefwaarts. Loefzijde, V. Loeien, loeide, heeft geloeid. Loensch. Loep, V., loepen. Loepje, O., -jes. Loer (lomperd), M., loeren. Loer (het loeren), V. Loeren, loerde, heeft geloerd. Loeres, M., loeresen. Loeresje, o., -jes. Lobrgat, o., -gaten. Loeroogen, loeroogde, heeft geloeroogd. Loerplaats, V., -plaatsen. Loervogel, M., -vogels. Loet, V., loeten. Loeven, loefde, heeft en is geloefd. Loevert en loever (Te â). Lof, M. Lof, O. Zie Loof. Lof (kerkwoord), o. Lofdicht, o., -dichten. Loffelijk, -Ijjker, -lykst. Loffelijkheid, v. Lofgalm, M., -galmen. Loflied, o., -liederen. Lofpsalm, M., -psalmen. Lofrede, V., -redenen. Lofspraak, V., -spraken. Loftrompet, V., -trompetten. Loftuiten, loftuitte, heeft geloftuit. Loftuiter, M., -tuiters. Loftuiting, T., -tuitingen. Lofwaardig, -waardiger, -waardigst, ot meer en meest -waardig. Lofwaardigheid, v. Log, logger, logst. Log, V., loggen. Logabithme, V., logarithmen. Logabithmentafel, v., -tafels. Logboek, o., -boeken. Loge, V., loges. Logé, M. en V., logé's. Logeabel. Logeeben, logeerde, heeft gelogeerd. Logeebgast, M. en V., -gasten. Logeebkameb, V., -kamers: -kamertje, O., -jes. Logement, o., logementen. Logementje, O., -jes. Logementhoudeb, M., -houders. Logen, enz. Zie Leugen, enz. Logenstbaffen, logenstrafte, heeft gelogenstraft. Loggen, logde, heeft gelogd. Loggeb, M., loggers. Loggertje, O., -jes. Logglas, O., -glazen. Logheid, V. Logica, V. |
LOG.
LON
205
|
Logies, O. Logisch. Loglijn, V., -lynen. Logplankje, o., -plankjes. Lok, V., lokken. Lokje, o., -jes. Lokaal (vertrek), o., lokalen. Lokaaltje, O., -jes. Lokaas, O., -azen. Lokbrood, O. Lokbroodje, O., -jes. Lokduif, V., -duiven. Lokeend, V., -eenden. Loket, O., loketten. Loketje, O., -jes. Loketkast, V., -kasten. Lokfluitje, o., -jes. Lokgeld, o., -gelden. Lokken, lokte, heeft gelokt. Lokkig, lokkiger, lokkigst. Lokmees, V.f -meezen. Loksel, o., loksels. Lokspijs, V., -spijzen. Lokvink, M., -vinken. Lokvogel, M., -vogels. Lokwoord, O., -woorden. Lol, V. Lolletje, o., -jes. Lollen, lolde, heelt gelold. Lollepot, M., -potten. Loller, m., lollers. Lolster, v., lolsters. Lombard en lomberd. Zie Lommerd. Lombarden en lomberden. Zie Lommerden. Lommer, o. Lommerachtig, -achtiger, -achtigst. Lommerd (ook lomberd en lombard), M., lommerds. Lommerdbriefje, O., -jes. Lommerden, (ook lomberden en lombarden), lommerdde, heeft gelom-merd. Lommeren, lommerde, heeftgelommerd. Lommerig, lommeriger, lommerigst. Lomp, V., lompen. Lompje, O., -jes. Lomp, lomper, lompst. Lompenbak, m., -bakken. Lompengaarder, M., -gaarders. Lompenkoopman, m , -kooplieden. Lompenkramer, M., -kramers. Lompenmand, Y., -manden. Lompenpakhuis, o., -pakhuizen. Lompenschuur, V., -schuren. Lompenzak, M., -zakken. Lompenzolder, M., -zolders. Lomperd, M., lomperds. Lomperdje, o., -jes. Lompheid, V., -heden. Lompigheid, V., -heden. Long, V., loogen. Longetje, o., -jes. Longengymnastiek, V. Longontsteking, V., -ontstekingen. Longtering, V. Longziekte, V., -ziekten. Lonk, m., lonken. Lonkje, o., -jes. Lonkaard, M, lonkaards. Lonken, lonkte, heeft gelonkt. |
Lonker, M., lonkers. Lont, V., lonten. Lontje, O., -jes. Loochenaar, M., loochenaars en loochenaren. Loochenaarster, v., loochenaarsters. Loochenen, loochende, heeft geloochend. Loochenïng, v., loocheningen. Lood (metaal), O. Lood (gewicht), O., looden. Loodje, O., -jes. Loodachtig, -achtiger, -achtigst. Loodazfjn, M. Loodboom, M., -boomen. Looden (bnw.). Looden, loodde, heeft gelood. Loodgieter, M., -gieters. Loodgieterij, V., -gieteryen. Loodglans, o. Loodglit, O. Loodïng, V., loodingen. Loodkoliek, O. Loodlijn, V., -lynen; -lintje, Ã., -jes. Loodlijnig. Loodoxyde, O. Loodrecht. Loods (persoon), M., loodsen. Loods (houten gebouw), V., loodsen Loodsje, O., -jes. Loodsen, loodste, heeft geloodst. Loodsgeld, o., -gelden. Loodsmannetje, o,, -mannetjes. Loodsmansboot, V., -booten. Loodsmanswater, o., -waters. Loodsuiker, V. Loodswezen, O. Loodvergiftiging, V. Loodwit, O. Loodwitfabriek, V., -fabrieken. Loodwitfabrikant, M., -fabrikanten. Loodwitmolen, m., -molens. Loof en lof, O. Loofdak, O., -daken. Loofhut, V., -hutten. Loofhuttenfeest, O., -feesten. Loofhuttenzetting, V. Loofrijk, -ryker, -rykst. Loofwerk, O. Loog, V. Loogachtig, -achtiger, -achtigst. Loogasch, V. Loogbak, m., -bakken. Loogdoek, M., -doeken. Loogen, loogde, heeft geloogd. Looger, M., loogers. Looging, V., loogingen. Loogkuip, V., -kuipen. Loogwater, O. Loogzout, O., -zouten. 1 Looi, v. 1 Looien, looide, heeft gelooid. Looier, M., looiers. j Looierij, V., looieryen. Looikrskalk, V. |
LOO.
206
LOS.
|
Looiersmes, o., -messen. Looikuip, V., -kuipen. Looistof, v. Look, O. Looksaus, V., -sausen. Loom, loomer, loomst. Loomheid, V. Loomig, loomiger, loomigst. ⢠Loomigheid, V. Loon, o., loonen. Loontje, o. Loondienaar, M., -dienaars. Loonen, loonde, heeft geloond. Loonheer, M., -heeren. Loonsverhooging, V., -verhoogingen. Loontrekkend. Loontrekker, M., -trekkers. Loop, m., loopen. Loopje, o., -jes. Loopbaan, V., -banen. Loopbrug, V., -bruggen. Loopen, liep, heelt en is geloopen. Looper, m., loopers. Loopertje, ü.,-jes. Loopgraaf, V., -graven. Loopjongen, M., -jongens. Loopmeisje, o., -jes. Loopplaats, V., -plaatsen. Loopplank, V., -planken. Loopsch. Loopschheid, v. Loopstag, O., -stagen. Loopstrijd, m., -strijden. Loopveld, O., -velden. Loopwagen, M., -wagens. Loos (touw), V., loozen. Loos (listig), loozer, loost. Loos (ledig), looze. Looselijk. Loosheid, V., -heden. Loot, V., loten. Lootje, o., -jes. Loover, O. Loovertje, (blaadje klatergoud, enz.), O, -jes. Loozen, loosde, heeft geloosd. Loozing, V., loozingen. Loozinkje, O.,-jes. Lor, V., lorren. Lorretje, O., -jes. Lord, M., lords. Lording, v., lordings. Lorgneeren, lorgneerde, heeft gelor-gneerd. Lorgnet, olorgnetten. Lorgnetje, o., -jes. Lorgnon, o., lorgnons. Lorkeboom, M, -boomen. Lorren, lorde, heeft gelord. Lorrenpraaien, lorrendraaide, heeftge- lorrendraaid. Lorrendraaier, M., -draaiers. Lorrendraaierij, V., -dmaieryen. Lorrendraaister, v., -draaisters. Lorrenkist, V., -kisten. Lorrenmand, V., -manden. Lorretje (papegaai), o., -jes. Lorrewerk. o. Lorrig, lorriger, lorrigst. Los (lynx), M., lossen. |
Los, losser, lost. Losbaar, -bare. Losbak, M., -bakken. Losbandig, -bandiger, -bandigst. Losbandigheid, V., -heden. Losbarsten en losbersten, barstte los. is losgebarsten; ook borst los, is los-geborsten. Losbarsting, V., -barstingen. Losbersten. Zie Losbarsten. Losbinden, bond los, heeft losgebonden. Losblijven, bleef los, bleven los, is losgebleven. Losbol, M, -bollen; -bolletje, O., -jes. Losbranden, brandde los, heeft en is losgebrand. Losbreken, brak los, braken los, heeft en is losgebroken. Losgeêl, V., -ceêlen. Losdag, M., -dagen. Losdooien, dooide los, is losgedooid. Losdraaien, draaide los, heeft losgedraaid. Losdrukken, drukte los, heeft losge-drukt. Losgaan, gaat los, ging los, is losgegaan. Losgeld, O., -gelden. Losgespen, gespte los, heeft losgegespt. Losgooien, gooide los, heeft losgegooid. Losgraven, groef los, groeven los, heeft losgegraven. Losgrendelen, grendelde los, heeft los-gegrendeld. Loshaken, haakte los, heeft losgehaakt. Loshakeen, hakte los, heeft losgehakt. Loshangen, hing los, heeft losgehangen. Losheid, V., -heden. Loshoofd, M. en V., -hoofden. Loshoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Loshoofdigheid, V. Loshouwen, hieuw los, heeft losge-houwen. Losjes. Losknippen, knipte los, heeft losgeknipt. Losknoopen, knoopte los, heeft losgeknoopt. Loskomen, komt los, kwam los, kwamen los, is losgekomen. Loskoopen, kocht los, heeft losgekocht. Loskrijgen, kreeg los, kregen los, heeft losgekregen. Loslaten, liet los, heeft losgelaten. Loslating, V. Loslijvig, -lijviger, -lijvigst. loslijvighi id, v. Losloopen, liep los, heeft losgeloopen. Losmaken, maakte los, heeft losgemaakt. Losplaats, V.. -plaatsen. Losprijs, M., -prijzen. Losraken, raakte los, is losgeraakt. |
LOT.
207
LOS.
|
Losrente, V., -renten. Losrijgen, reeg los, regen los, heeft losgeregen. Losrukken, rukte los, heeft losgerukt. Losscherp, o. Losscheuren, scheurde los, heeft en is losgescheurd. Losschieten, schoot los, schoten los, is losgeschoten. Losschroeven, schroefde los, heeft losgeschroefd. Lossen, loste, heeft gelost. Losser, M., lossers. Lossigheid, V., -heden. Lossing, V., lossingen. Losslaan, slaat los, sloeg los, heeft en is losgeslagen. Lossmijten, smeet los, smeten los, heeft losgesmeten. Lossnijden, sneed los, sneden los, heeft losgesneden. Losspelden, speldde los, heeft losge-speld. Losspil, O., -spillen. Losspringen, sprong los, is losgesprongen. Losstaan, staat los, stond los, heeft losgestaan. Losstrikken, strikte los, heeft losge-strikt. Lobtarnen, tarnde los, heeft losge-tarnd. Lostornen. Zie Lostamen. Lostrekken, trok los, trokken los, heeft losgetrokken. Losvliegen, vloog los, vlogen los, is losgevlogen. Losvriezen, vroor los, vroren los, is losgevroren en losgevrozen. Loswaaien, waaide los, is losgewaaid; ook woei los, woeien los. Losweeken, weekte los, heeft en is losgeweekt. Loswinden, wond los, heeft losge wonden. Loswringen, wrong los, heeft losgewrongen. Loswroeten, wroette los, heeft losge-wroet. Loszagen, zaagde los, heeft losgezaagd. Loszinnig, -zinniger, -zinnigst. Loszinnigheid, V., -heden. Loszitten, zat los, zaten los, heeft losgezeten. Lot (in de loterö), O., loten. Lotje en lootje, O., lootjes. Lot (levenstoestand), o. Lotbus, V., -bussen. Loteling, M., lotelingen. Loten, lootte, heeft geloot. Loter, M., loters. Loterij, V., loterijen. Loterijtje, o., â jes. |
Loterijbriefje, O., -briefjes. Loterijjood, M., -joden. Loterijkantoor, O., -kantoren. Loterijlijst, V., -lijsten. Loterijzaal, V. Lotgemeen. Lotgenoot, M., -genooten. Lotgenoote, V., -genooten. Lotgeval, O., -gevallen. Loting, V., lotingen. Lotsbedeeling, V., -bedoelingen. Lotsbestel, o. Lotsverwisseling, V., -verwisselingen. Lotto, ü., lotto's. Lottospel, O. Lotus, M., lotussen. Lotusbloem, V., -bloemen. Loupe (vergrootglas), V., loupen. Louter, louterder, louterst. Louteraar, M., leuteraars. Louteren, louterde, heeft gelouterd. Louterheid, v. Loutering, V., louteringen. Louterpan, V., -pannen. Louterstal, M. Loutertrog, M., -troggen. Louw, V., louwen. Louwtje, O., -jes. Louwmaand. V. Loven, loofde, heeft geloofd. Loyaal, loyaler, loyaalst. Loyaliteit, V. Lub en lubbe, V., lubben. Lubben, lubde, heeft gelubd. Lubber, M., lubbers. Lubbing, V., lubbingen. Lubmes, O., -messen. Lucht, V., luchten. Luchtje, O., -jes. Luchtballon, M., -ballons. Luchtband, M., -banden. Luchtbol, M., -bollen. Luchtboog, M., -bogen. Luchtdicht, Luchtdruk, M. Luchten, luchtte, heeft gelucht. Luchter, M., luchters. Luchtgat, ü., -gaten; -gaatje, o., -jes. Luchthart, M. en v., -harten. Luchthartig, -hartiger, -hartigst. Luchthartigheid, v. Luchtig, luchtiger, luchtigst. Luchtigheid, V. Luchtigjes. Luchtkasteel, O., -kasteelen. Luchtkolom, V., -kolommen. Luchtledig. Luchtledig, O. Luchtpijp, v., -pijpen. Luchtpomp, V., -pompen. Luchtreis, v., -reizen. Luchtreiziger, M., -reizigers. Luchtsgesteldheid, v. Luchtsoort, V., -soorten. Luchtspiegeling, V., -spiegelingen. Luchtstreek, V., -streken. |
LUC.
208
LUI.
|
Luchtverschijnsel, o., -verschijnselen. Luchtvebversching, v. Lucifer, M., lucifers. Lucifertje, o., -jes. Lucifersdoosje, O., -jes. Lucifersfabriek, v., -fabrieken. Luciferskop, M., -koppen. Lucbatief, lucratiever, lucratiefst. Lui (lieden), mv., M. Luitjes, rav., O. Lui, luier, luist. Luiaabd, M., luiaards. Luibak, m. en V., -bakken. Luibakken, luibakte. heeft geluibakt. Luibuis, M., -buizen. Luibuizen, luibuisde, heeft geluibuisd. Luid (Naar â van). Luid, luider, luidst. Luiden (ook luien), luidde en luide, heeft geluid. Luideb (ook luieb), M., luiders en luiers. Luidkeels. Luidruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst. Luidruchtigheid, v. Luien, enz. Zie Luiden, enz. Luieb, V. Luiertje, O., -jes. Luiebbboekje, O., -broekjes. Luieben, luierde, heeft geluierd. Luiermand, V., -manden. Luifel, V., luifels. Luifeltje, O., -jes. Luiheid, v. Luik, o., luiken. Luikje, o., -jes. Luiken, look, loken, heeft geloken. Luikerwaal, M., -walen. Luiklok, V., -klokken Luilak, M. en V., luilakken. Luilakken, luilakte, heeft geluilakt. Luilekkerland, o. Luim, V., luimen. Luimpje, O., -jes. Luimen, luimde, heeft geluimd. Luimig, luimiger, luimigst. Luimigheid, v. Luip, M., luipen. Luipaard, M., luipaarden. Luipaardje, O., -jes. Luipen, luipte, heeft geluipt. Luiperd, m., luiperds. Luis, V., luizen. Luisje, O., -jes. Luishark (persoon), M., -harken. Luister, M. Luisteraar, M., luisteraars. Luisteraarster, V., luisteraarsters. Luisteren, luisterde, heeft geluisterd. Luisterrijk, -ryker, -rijkst. Luistervink, M. en V., -vinken. Luistervinken, luistervinkte, heeft geluistervinkt. Luit, V., luiten. Luitenant, M., luitenants. Luitenantje, O., -jes. Lui tenant-adjudant, M., luitenants- adjudanten. Luitenant-admiraal, M., luitenantadmiraals. |
Luitenant-generaal, M., luitenant- generaals. Luitenant-ingenieur, M., luitenantsingenieurs. Luitenant-kolonel, M., luitenant-kolo-nels. Luitenantstraktement, O., -traktementen; -traktementje, O., -jes. Luiwagen, M., -wagens. Luiwammes, M., -wammesen. Luiwijvengoed, O. Luizen, luisde, heeft geluisd. Luizenkam, M., -kammen. Luizenmarkt, V., -markten. Luizenzalf, V. Luizig, luiziger, luizigst. Luk, O. Lukje, O., -jes. Lukken, lukte, is gelukt. Lukraak. Lul (stagzeil), M., lullen. Lul (pyp), V., lullen. Lulletje, O., -jes. Lullen, lulde, heeft geluld. Lullepijp, V., -pijpen. Lullepraat, M. Lumieren, O. Lumineus, lumineuzer, lumineust. Lumme, V., lummen. Lummel, M., lummels. Lummelachtig, -achtiger, -achtigst. Lummelachtigheid, V. Lummelen, lummelde, heeft gelummeld. Lummelig, lummeliger, lummeligst. Lummeligheid, V. Lummebhabst, M., -harsten. Lummebstuk, O., -stukken. Lundeben, lunderde, heeft gelunderd. Lunet, V., lunetten. Luns, V., lunzen. Lunsje, O., -jes. Lunteben, lunterde, heeft gelunterd. Lunzen, lunsde, heeft gelunsd. Lubf, V., lurven. Lubken, lurkte, heeft gelurkt. Lus. Zie Lis. Lust, M., lusten. Lusteloos, -loozer, -loost. Lusteloosheid, v. Lusten, lustte, heeft gelust. Lustig, lustiger, lustigst. Lustigheid, V. Lustig jes. Lustoobd, O., -oorden. Ltstpbieel, o., -prieelen. Lustbe, O. Lustbum, O., lustra. Lustbumfeest, o., -feesten. Lustwabande, V., -waranden. Luthebaan, M, Lutheranen. Luthebsch. Lutje, O, Luttel (byw.). Luttel, O. Luub, V., luren. Luurtje, O., -jes. Luw, luwer, luwst. |
LUW.
209
LYC.
Luwen, luwde, heeft en is geluwd. Luwte, V., luwten.
Luxe, V.
Luxe-artikel, o., -artikelen. Luxueus, luxueuze.
Lyceum, O., lycea. Lynx, M., lynxen. Lykiek, V. Lyrisch.
Lyrisme, O.
M.
|
M, v., m's. Ma. Zie Mama. Maag (bloedverwant), M. en V., magen. Maag (lichaamsdeel), V., magen. Maagje, O., -jes. Maagbitter, O. Maagd, V., maagden. Maagdelijk. Maagdelijkheid, V. Maagdelijn, O., maagdelijns. Maagdenblos, M. Maagdenhart, o., -harten. Maagdenpalm, V., -palmen. Maagdenpeer, V., -peren. Maagdenbei, M., -reien. Maagdenkoof, M. Maagdenschaar, V., -scharen. Maagdenschennis, V. Maagdenwas, O. Maagdevlies, O., -vliezen. Maagdom, M. Maagkanker, M. Maagkramp, V., -krampen. Maagkwaal, V., -kwalen. Maagpijn, V., -pijnen. Maagpomp, V., -pompen. Maagsap, O. Maagschap (magen), V.; (ver maagschap- ping), O. Maagstreek, V. Maaien, maaide, heeft gemaaid. Maaier, M., maaiers. Maaigeld, O. Maaiing, V., maaiingen. Maailand, O. Maailoon, O., -loonen. Maaitijd, M. Maaiveld, O., -velden. Maaivoet, M. en V., -voeten. Maaivoeten, maaivoette, heeft gemaal-voet. Maaiweder en -weer, O. Maak, V. Maakloon, O., -loonen. Maaksel, O. Maakseltje, O., -jes. Maakster, V., maaksters. Maal (keer), V., malen. Maal (kollèrzak), V., malen. Maal (maaltijd), O., malen. Maaltje. O., -jes. Ma alge ld, O. Maalloon, O., -loonen. Maalsteen, M., -steenen. Maalster, V., maalsters. |
Maalstok, M., -stokken. Maalstroom, M., -stroomen. Maaltand, M., -tanden. Maaltijd, M., -tijden. Maan (hemellichaam), V., manen. Maantje, O., -jes. Maanbewoner, M., -bewoners. Maanbbief, M., -brieven. Maand, V., maanden. Maandje, o., -jes. Maandag, M., -dagen. Maandaghoudeb, M., -houders. Maandagsch. Maandblad, o., -bladen. Maandbloeiers (mv.), M. Maandelijks (b\jw.). Maandelijksch (bnw.). Maandgeld, o., -gelden. Maandkaart, V., -kaarten. Maandkamer, V., -kamers. Maandpaard, o., -paarden. Maandroos, V., -rozen. Maandschrift, o., -schriften. Maandstaat, M., -staten. Maandstonden (mv.). M. Maaneclips, V., -eclipsen. Maanjaar, O., -jaren. Maankop (kop of zaadhuisje), M.; (de plant), V., -koppen; (slaapmiddel), O. Maanlicht, O. Maansverduistering, V., -verduisteringen. Maanziek, -zieker, -ziekst. Maanziekte, V. Maar. Maar. Zie Mare. Maarschalk, M., -schalken. Maarschalksstaf, M., -staven. Maarschalkstafel, V., -tafels. Maart, M. Maartsch. Maas (rivier), V. Maas (van een net), V., mazen. Maasje. O., -jes. Maasbal, M., -ballen. Maat (makker), M., maats. Maatje, o., -jes. Maat (van meten), V., maten. Maatje, O., -jes. Maatglas, o., -glazen; -glaasje, o.,-jes. Maatjesharing, V. Maatjespeer. V., -peren. Maatregel, M., -regelen en -regels. Maatschap, V., -schappen. Maatschap peli jk. |
14
MAA.
MAG.
210
|
Maatschappij, V., maatschappyen. Maatstaf, M., -staven. Maatstok, M., -stokken. Maatstreep, V., -strepen. Maatvast, -vaster. Maatverdeeling, V., -verdeelingen. Macadamweg, M., -wegen. Macaroni, V. Macaroni-schoteltje, O., -schoteltjes. Macedoine, V., macedoines. Machiavellisme, O. Machinaal, machinale. Machine, V., machines. Machinekamer, V., -kamers. Machinekamer-behoeften, (mv.), V. Machine-olie, V. Machinerie, V., machinerieën. Machinist, M., machinisten. Machinistenschool, V., -scholen. Macht, V., machten. Machteloos, -loozer, -loost. Machteloosheid, V. Machthebbende, M. en Vâ -hebbenden. Machthebber, M., -hebbers. Machtig, machtiger, machtigst. Machtigen, machtigde, heeft gemachtigd. Machtiging, V., machtigingen. Machtsaanwijzer, M., -aanwijzers. Machtsbetoon, O. Machtsoefening, V., -oefeningen. Machtspreuk, V., -spreuken. Machtsverheffing, V., -verheffingen. Machtsvertoon, O. Macon. M., masons. Made, V., maden. Madelief, V., madelieven. Madeliefje, O., -jes. Madera, V. Maderakaraf, V., -karaffen. Madig, madiger, madigst. Madonna, V., madonna's. Madonnabeeld, O., -beelden. Madrigaal, O., madrigalen. Maecenas, M., Maecenaten. Maestro, M., maestro's. Maf, malfer, mafst. Maf (geldstuk), M., malfen. Mafje, O., -jes. Mafheid, V. Magazijn, o., magazijnen. Magazyntje, O., -jes. Magazijnhouder, M., -houders. Magazijnmeester, M., -meesters. Mager, magerder, magerst. Mageren, magerde, is gemagerd. Magerheid, V. Magerte, V. Magertjes. Magistraat, M., magistraten. Magistraatspersoon, M., -personen. Magistratuur, V. Magneet, M,, magneten. Magneetnaald, V., -naalden. |
Magnesia, v. Magnesium, O. Magnesiumlicht, O. Magnetisch. Magnetiseeren, magnetiseerde, heeft gemagnetiseerd. Magnetiseur, M., magnetiseurs. Magnetisme, O. Mahomedaan, M., Mahomedanen. Mahomedaansch. Mahoniehout, O. Mahoniehouten (bnw.). Mail, V., mails Mailboot, V., -booten. Mailbrief, M., -brieven. Mail-editie, V., -edities. Mailpapier, O. Mainteneeren, mainteneerde, heeft gemainteneerd. Zie ook Mentineeren. Maïs, V. Maïsoogst, M. Majesteit, V., majesteiten. Majesteitsschennis, V. Majolica, O. Majoor, M., majoors. Majoor-ingenieur, M., majoors-inge- nieurs. Majoorschap, O. Majoraat. O., majoraten. Mak, makker, makst. Makelaar (persoon en zaak), M,. makelaars en makelaren. Makelaartje, O., -jes. Makelaardij, V. Makelaarschap, o. Makelaarsprovisie, V. Makelares, V., makelaressen. Makelarij, V.. makeiaryen. Makelen, makelde, hee.t gemakeld Maken, maakte, heeft gemaakt. Maker, M., makers. Makheid, V. Making, V., makingen. Makkelijk, -lijker. -lijkst. Makker, M., makkers. Makkertje, O., -jes. Makreel, M., makreelen. Makreeltje, O., -jes. Makrol, V., makrollen. Makrolletje, O.» -jes. Mal (vorm), M., mallen. Halletje, O., -jes. Mal, maller, malst. Malachiet, O. Malaria, V. Malder en maller (werkman), M., mal- ders en mailers. Malder (maat), o , malders. Maleier, M. Maleiers. Maleisch. Malen (fijnmaken), maalde, heeft gemalen. Malen (schilderen), maalde, heeft gemaald. |
MAN.
211
MAL.
|
Malen (lastig zfln), maalde, heeft gemaald. Maler, M., malers. Malerij, V., malerijen. Malheid, V., -heden. Malicieus, malicieuzer, malicieust. Malie (ring en nestel), V., maliën en malies. Malie (kolf), V., maliën en malies. Maliebaan, V.. -banen. Maliën, maliede, heett gemalied. Maliënkolder, M., -kolders. Malieveld, O., -velden. Maling, V. Malkaar (afbreken malk-aar). Malkander {afbreken malk-ander). Malkruid, O. Mallejan, M., -jans. Mallemolen, M., -molens. Mallen, malde, heelt gemald. Mallepraat, M. Malligheid, V., -heden. Malloot (vrouwmensch), V., malloten. Mallootje, O., -jes. Mallote (steenklaver), V. Malsch, malscher, malscht. Malschheid, V., -heden. Maltentig, maltentiger, maltentigst, Maltentigheid, V. Malthusianisme, O. Maluwe, V., maluwen. Malve, V., malven. Malversatie, V., malversatiën. Malvezij, V. Malzolder, M., -zolders. Mam, V., mammen. Mammetje, o., -jes. Mama en ma, V., mama's en ma's. Mamaatje en maatje. O., -jes. Mamier ing, V., mamieringen en ma- mierings. Mammekenskruid, o. Mammeluk, M. Mammei ukken. Mammen, mamde, heeft gemamd. Mammon, M. Man, M., mannen en mans. Mannetje, O., -jes; ook manneken en manneke, O., mannekens en mannekes. Manachtïg, -achtiger, -achtigst. Manbaar, -bare. Manbaarheid, V. Manchet, V., manchetten. Manchetje, O., -jes. Manchetknoop, M.,-knoopen; -knoopje, O., -jes. Manco, O. Mand, V., manden. Mandje, o , -jes. Mandaat, o., mandaten. Mandarijn, M., mandarynen. Mandarijntje, o., mandaryntjes. Mandataris, M., mandatarissen. Mandement, O., mandementen. Manden, mandde, heeft gemand. Mandenmaken, O. Mandenmaker, M., -makers. |
Mandenwinkel, M., -winkels. Mandewagen, M., -wagens: -wagentje. O., -jes. Mandewerk, O. Mandewerker, M., -werkers. Mandjeskoop. M , -koopen. Mandoline, V.. mandolines. Mandragora, V. Mandril, M., mandrils. Mandvol, V. (mv. manden vol). Manege, V., maneges. Manegepaard, O., -paarden. Manen (haren), mv, V. Manen, maande, heeft gemaand. Maner, M., maners. Maneschijn, M.; -schyntje, O. Mangaan, O Mangat en mannegat, o., -gaten. Mangel (werktuig), M., mangels. Mangeltje, O., -jes. Mangel (gebrek), o. Mangelbord, o.. -borden. Mangelen (gladmaken), mangelde, heeft gemangeld. Mangelen (ontbreken), mangelde, hoeft gemangeld. Mangelgeld, O. Mangelgoed, O. Mangeling, V., mangelingen. Mangelkamer, V., -kamers. Mangelrol, V., -rollen. Mangelvrouw. V., -vrouwen. Mangelwortel, M., -wortels. Manhaftig, -haftiger, -haftlgst. Manhaftigheid, v. Manheid, V. Manier. V.. manieren. Manierlijk, -lijker, -lykst. Manierlijkheid, v. Manifest, o., manifesten. Manifestatie. V., manifestaties en manifestatü-n. Manilla, V., manilla's. Manilla-sigaar. V.. -sigaren. Manille, V., manilles. Maning, V , maningen. Mank, manker, mankst. Mankeeren, mankeerde, heeft gemankeerd. Mankement, O., mankementen. Mankementje, 0., -jes. Mankheid, v. Mankpoot, M. en V., -pooten. Manlief. Manlijk en mannelijk, -lyker, -lykst. Manlijkheid, v. Manmoedig, -moediger, -moedigst. Manmoedigheid, v. Manmoediglijk. Manna, O. Mannegeld, O., -gelden. Mannen, mande, heeft gemand. Mannenhuis, o., -huizen. Mannenklooster, O., -kloosters. |
MAR.
MAN.
212
|
Mannenkoor, O., -koren. Mannenkracht, V. Mannenmoed, M. Mannenstem, V., -stemmen. Mannentaal, V. Mannenvertrek, O., -vertrekken. Mannetjes. De diernamen, /wei mannetjes verbonden, als samenstellingen aaneen te schrijven, b.v. mannetjeseend, mannetjesvink enz. Mannetjesboon, V., -boonen. Mannetjesnoot, V., -noten. Mannin, V., manninnen. Manoeuvre, V., manoeuvres. Manoeuvreeren, manoeuvreerde, heeft gemanoeuvreerd. Manometer, M., -meters. Mans. (Mans genoeg). Mansbloed, O. Manschap (bemanning), V. Manschappen (mv.), V. Manshemd, O., -hemden. Manshoed, M., -hoeden. Manshoofd, o. Manshoogte, V. Manskerel, M., -kerels. Manskleed, o., -kleederen en -kleeren. Manskleermaker, M., -kleermakers. Manslaars, V., -laarzen. Manslag, M., -slagen. Manslengte, V. Mansmoeder. V. Mansnaam, M., -namen. Manspersoon, O , -personen. Mantel (kleedingstuk), M., mantels. Manteltje, O., -jes. Mantel (takel), M., mantels. Mantelen, mantelde, heeft gemanteld. Manteling, V., mantelingen. Manteljas, V., -jassen. Mantelmagazijn, O., -magazijnen. Mantelstof, V., -stoffen. Mantelzak, M., -zakken. Mantille, V., mantilles. Manuaal, O., manualen. Manufacturen (mv.), V. Manufacturier, M., manufacturiers. Manufactuurwinkel, M., -winkels. Manuscript, O., manuscripten. Manvolk, o. Manwijf, o., -wyven. Manziek, -zieker, -ziekst. Marcheeren, marcheerde, heeft en is gemarcheerd. Mare en maar (tijding), V., maren. Marechaussee (politie), V.; (persoon), M., marechaussees. Margarine, V. Margarineboter, V. Mariabeeld, O., -beelden. Maria-boodschap, V. Mariadienst, M. Marialied, O., -liederen. Mariavereering, V. |
Marine, V. Marineblauw, O. Marineeren, marineerde, heeft gemarineerd. Marine-officier, M., -officieren. Marinewerf, V., -werven. Marinier, M., mariniers. Mariolein en marjolein, V. Marionet, V., marionetten. Marionettenspel, O., -spellen. Mark (landstreek), V., marken. Mark (geldstuk), V., marken. Mark (gewicht), O., marken. Marketenter, M., marketenters. Mar- ketentertje, O., -jes. Marketentster, V., marketentsters. Marketentstertje, O., -jes. Marketentstersvaatje, o., -jes. Markeur, M., markeurs. Markgenoot, M., -genooten. Markgraaf, M., -graven. Markgravin, V., -gravinnen. Markies, M., markiezen. Markiezaat, O., -aten. Markiezin, V., markiezinnen. Markje, O., -jes. Markt, V., markten. Marktbericht, O., -berichten. Marktdag, M., -dagen. Markten, marktte, heeft gemarkt. Marktganger, M., -gangers. Marktgangster, V., -gangsters. Marktgeld, O. Marktmeester, M., -meesters. Marktvlaats, V., -plaatsen. Marktplein, O., -pleinen. Marktpolitie, V. Marktprijs, M., -prijzen. Marktschip, O., -schepen. Marktwaar, V., -waren. Marlen, marlde, heeft gemarld. Marlijn, V., marlijnen. Marling, V., marlingen. Marlpriem, M., -priemen. Marlreep, M., -reepen. Marltouw, o. Marmel, M., marmels. Marmelade, V., marmeladen en marmelades. Marmeladepotje, o., -potjes. Marmelen, marmelde, heeft gemarmeld. Marmer, O., marmers. Marmeren (bnw.). Marmeren, marmerde, heeft gemarmerd. Marmergroeve, V., -groeven. Marmerkleur, V. Marmerzaag, V., -zagen. Marmot, V., marmotten. Marmotje, O., -jes. Marmottenhok, o., -hokken. Marmottevel, o., - vellen. Marokijn, O. Marokijnen (bnw.). |
MAR.
MAT
213
|
Marren, marde, heeft gemard. Mars, V., marsen. Marsje, O., -jes. Marsch, M., marschen. Marschroute, V. Marschtende, V. marschv aardig. Marsepein, V. en O., marsepeinen. Marse- peintje, O., -jes. Marsepeinen (bnw.). Marsiliaan (vaartuig), M.,marsilianen. Marskramer, M., -kramers. J Marslantaarn, V., -lantaarns. Marszeil, o., -zeilen. Martelaar, M., martelaren en martelaars. Martelaartje, O., -jes. Martelaarsboek, O., -boeken. Martelaarschap, O. Martelaarskroon, V., -kronen. Martelaarster, V., martelaarsters. Martelares, V., martelaressen. Martelarij, V., martelar^en. Marteldood, M. Martelen, martelde, heeft gemarteld. Marteling, V., martelingen. Martelkroon, V., -kronen. Marteltuig, O., -tuigen. Marter (dier), M., marters; (bont), o. Martertje, O., -jes. Martiaal, martialer, martiaalst. Maske, V., masken. Maskeeren (verbergen), maskeerde, heeft gemaskeerd. Masker, O., maskers. Maskertje, O., -jes. Maskerade, V., maskeraden. Maskeradefeest, O., -leesten. Maskeradepak, O., -pakken. Maskeren (vermommen), maskerde, heeft gemaskerd. Massa, V., massa's. Massief, massiever, massiefst. Mast, m., masten. Mastje, O., -jes. Mastboom, M., -boomen. Mastbosch, O., -bosschen. Masteloos, -looze. Masteluin, o., masteluinen. Masteluin- tje, O., -jes. Masteluinen (bnw.). Masten, mastte, heeft gemast. Mastenmaker, M., -makers. Mastenmakerij, V., -makerijen. Mastik, M. Mastklimmen, o. Mastkoker, M., -kokers. Mat (geldstuk), M., matten. Mat (vlechtwerk), V., matten. Matje, O., -jes. Mat (landmaat), O., matten. Mat, matter, matst. Matador, M., matadors. Matelijk. Mateloos, -looze. Materiaal, o., materialen. Materialisme, O. Materialist, M., materialisten. |
Materie, V., materiën en materies. Materieel, materieeier, materieelst. Matglas, o. Matheid, V. Mathematicus, M., mathematici. Mathematisch. Mathesis, V. Matig, matiger, matigst. Matigen, matigde, heeft gematigd. Matigheid, V. Matigheidsgenootschap, O., -genootschappen. Matiging, v. Matiglijk. Matras, v., matrassen. Matrasje, o.,-jes. Matrassenmaker, M., -makers. Matres, V.,matressen. Matresje, O.,-jes. Matresseschool, V., -scholen. Matrijs, V., matryzen. Matrone, V., matronen en matrones. Matroos, M., matrozen. Matroosje, o., -jes. Matrozenbroek, V., -broeken. Matrozendracht, V. Matrozenherberg, V., -herbergen. Matrozenhoed, M., -hoeden. Matrozenkist, V., -kisten. Matrozenkleeding, V. Matrozenkroeg, V., -kroegen. Matrozenlied, o., -liederen. Matrozenpak, O. Matrozenplunje, V. Matschudding, V. Matsen, matste, heeft gematst. Mattekeesje, O., -keesjes. Matten (stoelen matten), matte, heeft gemat. Matten (mat maken), matte, heeft gemat. Mattenmaken, o. Mattenmaker, m., -makers. Mattenvlechter, m., -vlechters. Matter, m., matters. Mausoleum, O., mausolea. Mauwen, mauwde, heeft gemauwd. Maximum, ü. Maximum-thermometer, M., -thermometers. Mazelen (mv.), V. Mazelen, mazelde, heeft gemazeld. Mazen, maasde, heeft gemaasd. Mechanica, v. Mechaniek, V. en O. Mechanisch. Mechanisme, o. Medaille, V.. medailles. Medaillon, o., medaillons. Medaillonnetje, 0., -jes. Mede en mee (drank), V. Mede en mee (meekrap), V. Mede en mee, byw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen.) Medeafgevaardigde, M. en V., -afgevaardigden. |
MED.
MED.
214
|
Medeabbeiden, arbeidde mede, heeft medegearbeid. Medeakbeiigt;er, M., -arbeiders. Medearbeidster, v., -arbeidsters. Medebestuurder, M., -bestuurders. Medebewoner, M , -bewoners. Medebrengen, bracht mede, heeft medegebracht. Medebroeder, M., -broeders. Medeburger, M., -burgers. Medeburgeres, V., -burgeressen. Medeburgerschap, o. Medechristen, M., -christenen. Medecommissaris, M., -commissarissen. Medecrediteur, M., -crediteuren. Mededansen, danste mede, heeft mede-gedanst. Mededeelbaar, -bare. Mededeelen, deelde mede. heeft medegedeeld. Mededeeling, V., -deelingen. Mededeelzaam, -zamer, -zaamst. Mededeelzaamheid, v. Mededingen, dong mede, heeft medegedongen. Mededinger, M., -dingers. Mededoen, deed mede, deden mede, heeft medegedaan. Mededoggen, o. Mededoogend. Zie Meedoogend. Mededoogendheid, v. Zie Meedoogend-heid. Mededoogenloos. Zie Meedoogenloos. Medeëigenaar, M., -eigenaars en -eigenaren. Medeëigenares, quot;v., -eigenaressen. Medeërfgenaam, M. en V.. -erfgenamen. V. ook -erfgename. Medeëten. at mede, aten mede, heeft medegegeten Medegaan, gaat mede, ging mede, is medegegaan. Medegaand. Zie Meegaand. Medegetuige, M. en V., -getuigen. Medegevangene, M. en V., -gevangenen. Medegeven, gaf mede, gaven mede, heeft medegegeven. Medehelper, M., -helpers. Medehuurder, M., -huurders. Medeïngezetene, m. en v., -ingezetenen. Medeklinken, klonk mede, heeft medegeklonken. Medeklinker. M., -klinkers. Medekomen, komt mede. kwam mede, kwamen mede, is medegekomen. Medeleeraar.m., -leeraars en -leeraren. Medeleerling, M. en V., -leerlingen. V. ook leerlinge. Medelid, o., -leden. Medelijden, leed mede, leden mede, heeft medegeleden. Medelijden, ü. Medelijdend, -lydender, -lydendst. Medelijdendheid, v. |
Medelijdenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Medelokken, lokte mede, heeft mede-gelokt. Medeloopen, liep mede, heeft en is medegeloopen. Medelooper (persoon). M., -loopers. Medelooper (buitenkansje). Zie Mee-looper. Meuemensch, M., -menschen. Medeminnaar, M., -minnaars. Medeminnares, V., -minnaressen. Meden, meedde, heeft gemeed. Medenemen, nam mede, namen mede, heeft medegenomen. Medeonderteekenaar, M., -onderteekenaars. Medeoorzaak, V., -oorzaken. Medepakken, pakte mede, heeft mede-gepakt. Medeplichtig. Medeplichtige, M. en V., -plichtigen. Medepraten, praatte mede, heeft mede-gepraat. Medeprater. Zie Meeprater. Mederedacteur, M., -redacteurs. Mederee der, M., -reeders. Mederegeeren, regeerde mede, heeft medegeregeerd. Medereizen, reisde mede, heeft en is medegereisd. Mederekenkn, rekende mede, heeft medegerekend. Mederi/den, reed mede, reden mede, heeft, en is medegereden. Medeschepsel, o., -schepselen. Medeschreeuwen, schreeuwde mede, heeft medegeschreeuwd. Medeschuldige, M. en V., -schuldigen. Medesleepen, sleepte mede, heeft mede-gesleept. Medespelen, speelde mede, heeft mede-gespeeld. Medespeler, M., -spelers. Medespreken, sprak mede, spraken mede, heeft medegesproken. Medestander, M., -standers. Medestemmen, stemde mede, heeft me-degestemd. Medestrijden, streed mede, streden mede, heeft medegestreden. Medestrijder, M , -strijders. Medetrekken, trok mede, trokken mede, heeft en is medegetrokken. Medetroonen, troonde mede, heeft me-degetroond. Medevallen, viel mede, is medegevallen. Medevaller. Zie Meevaller. Medevoeren, voerde mede, heeft medegevoerd. Medevrijer, M., -vryers. Medewandelen, wandelde mede, heeft en is medegewandeld. |
MED.
215
MEE.
|
Medewerken, Werkte mede, heeft medegewerkt. Medewerker, M., -werkers. Medewerking, V. Medewerkster, quot;V., -werksters. Medeweten, O. Medeweter, M., -weters. Medezingen, zong mede, heeft medegezongen. Mediaan (papier), O. Mediaan (lettersoort). V, Medicament, ü., medicamenten. Medicijn, V., medicijnen. Medicijnflesch, V., -üesschen; -lleschje, O., -jes. Medicijnmeester, M., -meesters. Medicinaal. Medicineeren, medicineerde, heeft gemedicineerd. Medicus, M., medici. Mediocriteit, V., mediocriteiten. Medisch. Medium. O., mediums. Mee. Zie Mede. Meedoogend, -doogender, -doogendst. Meedoogendheid, V. Meedoogenloos, -looze. Meegaand, -gaander, -gaandst. Meegaandheid, V. Meekrap, V. Meekrapplant, V., -planten. Meekraprups, V., -rupsen. Meekrapwortel (stofnaam), V. Meel, O. Meelachtig, -achtiger, -achtigst. Meeldauw, M. Meeldraad, M., -draden. Meelfabriek, V., -fabrieken. Meelkost, M., -kosten. Meelmolen, M.. -molens. Meelooper (buitenkansje), M., -loopers; -loopertje, O., -jes. Meelspijs, V., -spüzen. Meelworm, M., wormen. Meelzak, M., -zakken. Meelzolder. M., -zolders. Meemaler, M., -malers. Meenen, meende, heeft gemeend. Meenens. (Het is â.) Meening, V., meeningen. Meeprater, M., -praters. Meepsch, meepscher, meest meepsch. Meepschhkid, v. Meer (water), o., meren. Meertje, 0.,-je3. Meer (drooggemaakt meer), v. Meer. Meerboeï, v., -boeien. Meerder. Meerdere, M. en v., meerderen. Meerderen, meerderde, heelt en is gemeerderd. Meerderheid, v., -heden. Meerderjarig. Meerderjarigheid, v. |
MeerderjarigvebkLaring, V., -verklaringen. Meerendeel, o. Meerendeels. Meergeld, o., -gelden. Meergemeld. Meergenoemd. Meerkat, V., -katten. Meerketting, M., -kettingen. Meerkoet, V., -koeten. Meerkol, M,, -kollen. Meerkollenei, O., -eieren. Meerle en merel, V., meerlen en merels. Meerlenei, o., -eieren. Meermalen. Meermin, V., -minnen. Meerpaal, M., -palen. Meerring, M., -ringen. Meerschuim, O. Meerschuimen (bnw.). Mrerslachtig. Meertouw, O., -touwen. Meervoud, O., meervouden. Meervoudig. Meervoudsvorm, M., -vormen. Mees, V., meezen. Meesje, O., -jes. Meesmuilen, meesmuilde, heeft gemeesmuild. Meest. Meestal. Meest amper, M., -stampers. Meestbiedende, M., -biedenden. Meestendeels. Meestentijds. Verg. Meesttijds. Meester, M., meesters en meesteren. Meestertje, O., -jes. Meessterachtig, -achtiger, -achtigst. Meesterachtigheid, V. Meesteren, meesterde, heeft gemeesterd. Meesteres, V., meesteressen. Meestergast, M., -gasten. Meesterhand, V. Meesterknecht, M., -knechts. Meesterlijk, -l^ker, -iijkst. Meesterschap, o. Meesterstitel, M., -titels. Meesterstuk, O., -stukken; -stukje, 0., â jes. Meesterwerk, O., -werken; -werkje, O., -jes. Meestoof, V., -stoven. Meesttijds en meestentijds. Meet, V. (Van meet aan). Meetbaar, -bare. Meetbaarheid, V. Meetbrief, M., -brieven. Meetgeld, O. Meetkan, V., -kannen. Meetketting, M., -kettingen. Meetkunde, V. Meetkundig. Meetkundige, M. en V., -kundigen. |
MEE.
MEL.
216
|
Meetkunst, V. Meetkunstig. Meetlijn, V., -lynen. Meetloon, O., -loonen. Meetkoede, V., -roeden. Meetstok, M., -stokken. Meettafeltje, O., -jes. Meeuw, V., meeuwen. Meeuwtje, O., -jes. Meeuwenei, O., -eieren. Meeuwennest, O., -nesten. Meeuweveer, V., -veeren. Meevaller, M., -vallers; -vallertje, o., â¢jes. Meevat, O., -vaten. Meewerf, V. Meewarig, -wariger, -warigst. Meewarigheid, V. Mei (Bloeimaand), M. Mei (tak), M., meien. Meiavond, M., -avonden. Meid, V., meiden. Meidendracht, v. Meidenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Meidenkleeding, V. Meidenloon, o., -loonen. Meidenplaag (persoon), V., -plagen. Meidenpraat, M. Meidenwerk, O. Meier, M., meiers. Meierij, V., meierijen. Meikers, V., -kersen. Meikevep, M., -kevers. Meineed, M., -eeden. Meineedig, -eediger, -eedigst. Meineedige, M. en V., -eedigen. Meisje, O., -jes. Meisjesachtig, -achtiger, -achtigst. Meisjesboek, O., -boeken. Meisjesburgerschool, V., -scholen. Meisjesgek, M., -gekken. Meisjeshand, V., -handen. Meisjeskleeding, V. Meisjeskleeren (mv.), o. Meisjesschool, V., -scholen. Meisjesstem, V., -stemmen. Mejuffer, v., mejuflers. Mejuffertje. O., -jes. Mejuffrouw, V., mejuffrouwen. Mekken, mekte, heeft gemekt. Melaatsch, meJaatscher, meest melaats oh. Melaatschheid, V., -heden. Melancholie, V. Melancholiek, melancholieker, melan- choliekst. Melancholisch. Melasse, V. Melde, V. Melden, meldde, heeft gemeld. Meldenswaardig, -waardiger, -waar- digst, of meer en meest -waardig. Melder, M., melders. Melding, V., meldingen. |
Meltg, meliger, meligst. Meligheid, V. Melis (suiker), V. Melis en melisse (plant), V. Melisseblad, o., -bladen en -bladeren. Melissekruid , O. Melk, V. Melkachtig, -achtiger, -achtigst. Melkbaard, M., -baarden. Melkboer, M., -boeren. Melkchocolade, V. Melkemmer, M-, -emmers. Melken, molk, heeft gemolken. Melker, M., melkers. Melkerij, V., melkerijen. Melkig. Melkinrichting, V., -inrichtingen. Melkkoe, V., -koeien; -koetje, O., -jes. Melkkuur, V. Melkmuil, M., -muilen. Melkpot, M., -potten. Melkschuit, V., -schuiten. Melkster, V., melksters. Melksuiker, V. Melktand, M., -tanden. Melkuur, O., -uren. Melkvee, o. Melkwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Melkweg, M. Melkweger, M., -wegers. Melodie, V., melodieën. Melodieus, melodieuzer, melodieust. Melodrama, O., -drama's. Meloen, M., meloenen. Meloentje, 0., -jes. Melomaan, M., manen. Melomanie, V. Meltbak, M., -bakken; -bakje, O, -jes. Melter, M., melters. Melteru, V., melterijen. Memelig, memeliger, memeligst. Memoriaal, O., memorialen. Memorie (geheugen), V. Memorie (geschrift), V., memories en memoriën. Memoriseeren, memoriseerde, heeft gememoriseerd. Men. Menage, V., menages. Menageeren, menageerde, heeft gemenageerd. Menageketel, M., -ketels. Menagerie, V., menagerieën. Mengbaar, -bare. Mengel, o., mengelen. Hengeltje, o., -jes. Mengeldichten (mv.), O. Mengelen, mengelde, heeft gemengeld. Mengeling, V., mengelingen. Mengelklomp, M. Mengelmoes, O. Mengelwerk, O. Mengen, mengde, heeft' gemengd. |
MEN.
217
MER.
|
Menger, M., mengers. Menging, V., mengingen. Mengingbekening, V. Mengkoeen, O. Mengsel, o., mengels. Mengseltje, 0., -jes. Mengster, V., mengsters. Menie, V. Meniën, meniede, heeft gemenied. Menig. Menigeen. Meni gerhande. Menigerlei. Menigmaal. Menigte, V., menigten. Menigvuldig, -vuldiger, -vuldigst. Menigvuldigheid, V. MENiGWERF. Menist, M., Menisten. Menistje, O.,-jes. Menistenkerk, V. Mennen, mende, heeft gemend. Menner, M., menners. Mennoniet, M., Mennonieten. Mensch, M., menschen; (met minachting), O. Menschje, O., -jes. Menschdom, o. Menschel uk, -lyker, -lykst. Menschelijkheid, V. Menschenbeeld, O., -beelden. Menschenbloed, O. Menscheneteb, M., -eters. Menschengedaante, V. Menschengunst, V. Menschenhaat, M. Menschenhateb, M., -haters. Menschenkenneb, M., -kenners. Menschenkennis, V. Menschenkind, o., -kinderen. Menschenleven, O., -levens. Menschenliefde, V. Menschenlof, M. Menschenmin, V. Menschenoffeb, o., -offers. Menschenpaab, o., -paren. Menschenplicht, M., -plichten. Menschenbas, O., -rassen. Menschenschuw, -schuwer, -schuwst. Menschenvbees, V. Menschenvb end, M., -vrienden. Menschenwaabde, V. Menschheid, V. Menschlievend, -lievender, -lievendst Menschlievendheid, V. Menschvobmig. Menschwobd'NG, V. Mentenee en mentinee, V., mentenee's. Mentineeben, mentineerde, heelt ge- mentineerd. Mentob, M., Mentors. Menu, O., menu's. Menuet, V., menuetten. Menuetje, o., -jes. Mep, m., meppen. Mepje, O., -jes. Meppen, mepte, heeft gemept. |
Mebcantiel. Mebel. Zie Meerle. Meren, meerde, heeft gemeerd. Merg, O. Mergachtig. Mergel, V. Mergelachtig, -achtiger, -achtigst. Mergelen, mergelde, heeft gemergeld. Mergelgroeve, V., -groeven. Mergelput, M., -putten. Mergpijp, V., -pypen. Meridiaan, M., meridianen. Meridiaancirkel, M., -cirkels. Meridiaankijker, M., -kijkers. MerInos, O. Merinossen (bnw.). Merk, O., merken. Merkje, O., -jes. Merkbaar, -baarder, -baarst. Merkbaarheid, V. Merkelijk, -lyker, -lijkst. Merkels (mv.), M. Merken, merkte, heeft gemerkt. Merker, M., merkers. Merkkatoen, ü. Merklap, M., -lappen. Merkletter, V., -letters. Merknaald, V., -naalden. Merkpaal, M., -palen. Merkteeken, O., -teekenen. Merkteekenen, merkteekende, heeft gemerkteekend. Merkwaabdig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Mebkwaabdigheid, V., -heden. Merrie, V., merries en merriën. Mer- rietje, O., -jes. Mes, O., messen. Mesje, O., -jes. Messekoker en messenkoker, M., -kokers. Messenbak, M., -bakken; -bakje, O.,-jes. Messenhandel, M. Messenlade, V., -laden. Messenleggeb, M., -leggers; -leggertje, O., -jes. Messenmaker, M., -makers. Messenmandje, o., -jes. Messenslijper, M., -slijpers, Messenvvinkel, M., -winkels. Messescheede, V., -scheeden. Messias, M. Messing (van eene plank), V., messingen. Messing (metaal), o. Mest (meststof), ook mist, M., mesten en misten. Mesten, mestte, heeft gemest. Mester, M., mesters. Mesthaak, M., -haken. Mesthoop, M., -hoopen. Mesties, M. en V., mestiezen. Mesting,, V., mestingen. Mestkalf, O., -kalveren. Mestkar, V., -karren. Mestkoe, V., -koeien. Mestspecie, V. |
MEU.
MES.
218
|
Meststof, V., -stoffen. Mestvaalt, V., -vaalten. Mest varken, O., -varkens. Mestvoeder en -voer, O. Mestvork, V., -vorken. Mestwagen, M., -wagens. Met (gehakt vleesch), o. Met (voorz). Metaal, O., metalen. Metaalachtig. Metaalgieter, M., -gieters. Metaalgieterij, V., -gieterijen. Metalen (bnw.). Metalloïde, o., metalloïden. Metallurgie, V. Metamorphose, V., metamorphosen. Metamorphoseeren , metamorphoseer- de, heeft gemetamorphoseerd. Metaphoor, V., metaphoren. Metaphor sch. Metaphysica, V. Metaphysisch. Meteen. Metempsychose, V. Meten, mat, maten, heeft gemeten. Meteoor, M., meteoren. Meteoorsteen, M.f -steenen. Meteorolog'e, V. Meter (persoon die meet), M., meters. Meter (el), M.. meters. Meter (peet), V., meters. Meterschap, O. Metgezel, M., -gezellen. Metgezellin, V., -gezellinnen. Methode, V., methoden en methodes. Methodisch. Methodist, M., methodisten. Meting, V., metingen. Metr'Ek, V. Metr ek, metrieke. Metrisch. Metropool, V., metropolen. Metropolitaan, M., -tanen. Metrum, O. Metselaar, M., metselaren en metselaars. Metselaarsbaas, M., -bazen. Metselaarsknecht, M., -knechts. Metselaarswerk, O. Metselaru, V., metselaryen. Metselen, metselde, heeft gemetseld. Metselhamer, M., -hamers. Metselkalk, V. Metselsteen, M., -steenen. Metselverband, o., -verbanden. Metselwerk, o. Metselzand, O. Metten (mv.), V. Metterdaad. Mettertijd. Metterwoon. Metworst, V., -worsten. Meubel, O., meubelen en meubels. Meubeltje, O., -jes. |
Meubelgordijn, O., â¢gordynen. Meubelmagazijn, O., -magazijnen. Meubelmaker, M., -makers. Meubelpap.er, o., -papieren. Meubelstuk, o., -stukken. Meubileeren, meubileerde, heeft gemeubileerd. MeUB! leering, V. Meug, V. (Tegen heug en meug.) Meugebet, M. en V.; ook Muggebet. Meuk, V. Meuken, meukte, heeft gemeukt. Meulen. Zie Molen. Meuzelaar, M., meuzelaars. Meuzelaarster, v., meuzelaarsters. Meuzelen, meuzelde, heeft gemeuzeld. Mevrouw, V., mevrouwen. Mevrouwtje, O., -jes. Mevrouwschap, O. Miasma, O., miasmen. Miauw en miaauw. Miauwen en miaauwen, miauwde, heeft gemiauwd. Micrometer, M., -meters. Mcroscoop, M. en ü., microscopen. Microscopisch. Middag, M., middagen. Middagje, O., -jes. Middagbeurt, V., -beurten. M ddageten, O. M ddaghoogte, V. Middagmaal, O., -malen, -maaltje, O., -jes. Middagmalen, middagmaalde, heeft gemiddagmaald. Middagpreek, V., -preeken. Middagslaapje, O., -slaapjes. Middagtrein, M., -treinen. Middaguur, o., -uren. Middagzon, V. Middel (middellyf), V. en O., middels. Middeltje, O., -jes. Middel (om een doel te bereiken), o., middelen. Middeltje, O., -jes. Middelaar, M., middelaren en middelaars. Middelaarschap, O. M ddelbaar, -bare. M ddeldeur, V., -deuren. Middeleeuwen (mv.), V. middeleeu wsch. Middelen, middelde, heeft gemiddeld. Middelerwijl. Middelevenredig. Middelhanigt;, V. Ml d delhoogi lUITSCH. Middellanusch (bnw.). Middellijf, ü., -lyven. Middellijk. Middellijn, V., -Ijjnen. Middelmaat, V. Middelmatig, -matiger, -matigst. Middelmatigheid, V., -heden. Middelmoot, v., -mooten; -mootje, o. -jes. |
MIJN.
MID.
219
|
Middelmuur, M., -muren. Ml DDE l.NE ÃEBLAND8CH. Middelperk, O., -perken. Middelpunt, O., -punten. Middelpuntvliedend. Middelrif, O., -riffen. Middelschot, O,, -schotten; -schotje, O., -jes. Middelslag, O. Middelsoort, V. en O., -soorten. Middelstand, M. Middelste. Middelstuk, o., -stukken; -stukje, o., -jes. Middelterm, M., -termen. Middelvinger, M., -vingers. Middelweg, M., -wegen. Middelzout, O., zouten. Midden, O. Midden (byw.). Middenbeurs (bijw.). Middenboords (byw.). Middending, O., -dingen. Middendoob. mid deneubopeesch. Middenin. Middenman, M., -mannen. Middenstof, V., -stoffen. Middebnacht, M., -nachten. Middebnachteluk. Middebnachtsuub, O., -uren. Middebnachtzendeling, M., -zendelingen. Middebnachtzending, V. Midscheeps (bijw.). Midscheepsch (bnw.). Midwinter, M., -winters. Mier (insect), V., mieren. Miertje, O., -jes. Mier (afkeer), V. mi krachtig. Mierenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes. Miereneter, M., -eters. Mierenhoop, M., -hoepen. Mierenjager, M., -jagers. Mierennest, o., -nesten. Mierenzuur, O. Mierik, M. Mierikswortel en mierikwortel (wortel), M., -wortels; (stof), V. Miezerig. Mij. Mijden, meed, meden, heeft gemeden. Mul, V., mijlen. Mijltje, O., -jes. Mijlpaal, M.. -palen. Mijlsteen, M., -steenen. Mijmeraar, M., mijmeraars. Mijmeren, mijmerde, heeft gemijmerd. Mumerig, mijmeriger, mymerigst. Mijmerij, V., my merken, Mijmering, V., mijmeringen. Mumervlaag, V., -vlagen. Mijn, myne, myn. Mïjn, V., mynen. |
Mijnen (eene myn maken), mijnde, heeft gem\jnd. Munen (bij eene verkooping), mijnde, heeft gemijnd. Mijnent (Te â). Mijnenthalve. Mijnentwege. Munentw l (Om â). Mijner, M., mijners. Mijngang, V., -gangen. Mijngas, O. Mijnheer, M., Mijne Heeren en Myn-heeren. Munontginning, V., -ontginningen. Munpomp, V., -pompen. Mijnschacht, V., -schachten. M-jnwerker, M., -werkers. Mijt (munt), Vâ mijten. Mytje, O., -jes. Mijt (worm), V., mijten. Mytje, O.,-jes. M jt (houtstapel), V., mijten. Mijtje, O., -jes. M jten, mijtte, heeft gemijt. Muter, M., mijters. M jteren, mijterde, heeft gemijterd. Muterig, mijteriger, mijterigst. Mijterstad, V., -steden. Mik (het mikken), M. Mik (paal). V., mikken. Mikje, O., -jes. Mik (brood), V., mikken. Mikje, O ,-jes. Mik (meel), V. Mikken, mikte, heeft gemikt. Mikmak, M. Mikmakje. Mikpunt, O., -punten. Mild, milder, mildst. Milddadig, -dadiger, -dadigst. Milddadigheid, V. M ldelijk. Mildheid, V., -heden. Milicien, M., miliciens. Militair (bnw.). Militair, M., militairen. MiL'tie, V. Militiecommissaris. M., -commissarissen. M i l1ti ep lichtig. Militieraad, M., -raden. Milliard, O., milliarden. Milligram, O., milligrammen. Millimeter, M., millimeters. Millimeteren, millimeterde, heeft gemillimeterd. Mjllioen, O., millioenen. Millioentje, O., -jes. mill10enen8peech, V. Milt, V., milten. Milter, M., milters. Miltvuur, O. Miltziek, -zieker, -ziekst. Miltzucht, V. Miltzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Mimiek, V. Mimisch. Min (liefde), V. Min en minne (zoogster), V., minnen. |
MIN.
220
MIN.
|
Min (byw.). Minachten, minachtte, heeft geminacht. Minachting, V. Minaret, V., minaretten. Minbekend. Mindeb. Minderbboedee, M., -broeders. Minderdeel, O. Mindere, M. en V., minderen. Minderen, minderde, heeft en is geminderd. Minderheid, V., -heden. Mindering, V., minderingen. Minderjarig. Minderjarigheid, V. Mineraal, minerale. Mineraal, o., mineralen. Mineraalwater, O. Mineralogie, V. Mineraloog, M., mineralogen. Minerval, O., minervalia. Mineur, M., mineurs. Mingele, O., mingelen. Miniatuur, V., miniaturen. Miniatuurschilder, M., -schilders. Minimum, O., minima. Minister, M., ministers. Ministerie, o., ministeriën en ministeries. Ministerieel, ministerieele. Ministerraad, M. Minister-resident, M., ministers-residenten. Ministerschap, O Ministersportefeuille, V., -portefeuilles. Minlijk en minnelijk, -Ijjker, -lykst. Minlukheid en minnei.ijkheid, V. Minnaar, M., minnaars en minnaren. Minnares, V., minnaressen. Minnarij, V., minnarjjen. Minne. Zie Min. Minnebband, M. Minnebrief, M., -brieven; -briefje. o., -jes. Minnedicht, O., -dichten; -dichtje, O., -jes. Minnedichter, M., -dichters. Minnedrank, M., -dranken. Minnegloed, M. Minnegod, M. Minnegodje, o., minne- goodjes. Minnehandel, M. Minnekoorts, V., -koortsen. Minnekoozen. minnekoosde, heeft geminnekoosd. Minnekoozeru, V., -koozerijen. Minnekoozing, V., -koozingen. Minnelied, o., -liederen; -liedje, o., -jes. Minnelijk. Zie Minlijk. Minnelijkheid. Zie Minlykheid. Minnelonk, M.,-lonken; -lonkje,O.,-jes. Minnelust, M. |
Minnemoer, V., -moers. Minnen, minde, heeft gemind. Minnenijd, M. Minnenswaabdig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Minnepijn, V., -pynen. Minnesmabt, V. Minnespel, O. Minnevlaag, V., -vlagen. Minnevuub, o. Minnezang, M., -zangen. Minst. Minste, M. en V., minsten. Minste (Ten â). Minutieus, minutieuzer, minutieust. Minuut en minute (opstel), V., minuten. Minuutje, O,, -jes. Minuut (ty dmaat),V., minuten. Minuutje O., -jes. Minuutglas, O., -glazen. Minuutwijzeb, M., -wijzers. Minvebmogend. Minzaam, -zamer, -zaamst. Minzaamheid, V. Minziek, -zieker, -ziekst. Mibabel, V., mirabellen. Mibaculeus, miraculeuzer, miraculeust. Mibakel, O., mirakelen en mirakels. Mirakeltje, O., -jes. Mibakelspel, O., -spelen. Mgt;bbe en mybbhe, V. Mibt, M., mirten. Mieteblad, o., -bladen en -bladeren. Mibtfboom, M., -boomen. Mibt.tskbans, M., -kransen. Mirteloof, O. Mirtenbosch, O., -bosschen. Mirtestruik, M., -struiken. Mirtetak, M., -takken. Mis en misse, V., missen. Misje. O., -jes. Mis (bijw.). Misachten, misachtte, heeft misacht. Misachting, V. Misanthroop, M., misanthropen. Misanthropie, V. Misanthropisch. Misbaab, O. Misbak, O., -bakken. Misbakje, O., -jes. Misbakken (bnw ). Misbaksel, O., -baksels. Misboek, O., -boeken. Misbbood, O. Misbbuik, O., -bruiken. Misbruikje, O., -jes. Misbbuiken, misbruikte, heeft misbruikt. M sbbuikeb, M., -bruikers. Misdaad, V., -daden. Misdadig, -dadiger, -dadigst. Misdadigeb, M., -dadigers. Misdadigsteb, v., -dadigsters. Misdeelen, misdeelde, heeft misdeeld. |
MIS.
MIS.
221
|
Misdoen, deed mis, deden mis, heeft misgedaan; ook misdeed, misdeden, heeft misdaan. Misdbacht, V., -drachten. Misdragen (zich â), misdroeg (zich), heeft (zich) misdragen. Misdrijf, O., -drijven. Misdrijven, misdreef, misdreven, heeft misdreven; ook dreef mis, dreven mis, is misgedreven. Misdruk, O. Misduiden, misduidde, heeft misduid. Mise, V. Miserabel, miserabeler, miserabelst. Misère, V., misères. Misgaan, ging mis, is misgegaan; ook misging, is misgaan. Misgeboobte, V., -geboorten. Misgewaad, O., -gewaden. Misgewas, o., -gewassen. Misgewasje, O., -jes. Misgissen, giste mis, heeft misgegist; ook misgiste izich), heeft (zich) mis-gist. Misgissing, v., -gissingen. Misgooïen, gooide mis, heeft misge- gooid. Misgbeep, M., -grepen. Misgbi jpen, greep mis, grepen mis, heeft misgegrepen; ook misgreep (zich), misgrepen (zich), heeft (zich) misgrepen. Misgunnen, misgunde, heeft misgund. Misgunneb, M., -gunners. Misgunning, V. Mishagen, mishaagde, heeft mishaagd. Mishagen, O. Mishaging, V. Mishakken,hakte mis, heeft misgehakt. Mishandelen, mishandelde, heeft mishandeld. Mishandeling, V., -handelingen. Mishebben, heeft mis, had mis, hadden mis, heeft misgehad. Mishooben, hoorde mis, heeft misge-hoord. Mishouwen, hieuw mis, heeft misge- houwen. Misje (miskraampje), O., -jes. Miskennen, miskende, heeft miskend. Miskenning, V., -kenningen. Misk.jken, keek mis, keken mis, heeft misgekeken; ook miskeek (zich), mis-keken (zich), heeft (zich) miskeken. Miskoopen (zich â), miskocht (zich), heeft (zich) miskocht. Miskbaam, V., -kramen. Misleiden, misleidde, heeft misleid. Misleideb, M., -leiders. Misleiding, V., -leidingen. Misleidsteb, V., -leidsters. Mislezen, las mis, lazen mis, heeft misgelezen; ook mislas (zich), mislazen (zich), heeft (zich) mislezen. |
Misloopen, liep mis, is misgeloopen. Mislukken, mislukte, is mislukt. Mislukking, V., -lukkingen. Mismaakt, -maakter, -maaktst. Mismaaktheid, V., -heden. Mi smaken, mismaakte, heeft mismaakt. Mismas, M., mismassen. Mismasje, O., -jes. Mismoedig, -moediger, -moedigst. Mismoedigheid, V. Misnoegd, noegder, -noegdst. Misnoegdheid, V. Misnoegen, misnoegde, heeft misnoegd. Misnoegen, O. Misoobdeelen, oordeelde mis, heeft mis-geoordeeid. Mispas, M., -passen. Mispasje, O., -jes. Mispel (vrucht), V., (boom), M.,mispels en mispelen. Mispeltje, O., -jes. Misplaatsen, misplaatste, heeft misplaatst. Misplaatstheid, V. Mispbuselïjk, -lyker, -lijkst. Mispbijzen, misprees, misprezen, heeft misprezen. Mispbuzeb, M., -prijzers. Mispbijzing, V., -prijzingen. Mispunt, O., -punten. Mispuntje. 0.t-Jes. Mi sb aden, ried mis en raadde mis, heeft misgeraden ; ook misried en misraadde, heeft misraden. Misbamen, raamde mis, heeft misge-raamd; ook misraamde (zich), heeft (zich) misraamd. Misbekenen, rekende mis, heeft mis-gerekend; ook misrekende zich), heeft (.zich) misrekend. Misbekening, V., -rekeningen. Missaal, O., missalen. Misschapen (bnw.). Misschapenheid, V. Misschatten, schatte mis, heeft misge-schat. Misschien. Misschieten, schoot mis, schoten mis, heeft misgeschoten. Misschoppen, schopte mis, heeft mis-geschopt. Misselijk, -lyker, -lijkst. Misselijkheid, V.,-heden. Missen, miste, heeft gemist. Missie, V., missiën. Missing, V., missingen. Missionabis, M., missionarissen. Missive, V.. missiven en missives. Misslaan, slaat mis, sloeg mis, heeft misgeslagen. Misslag, M., -slagen. Misslagje, O.,-jes. Misspbïngen, sprong mis, heeft en is misgesprongen. Misstaan, misstaat, misstond, heeft misstaan. Misstal, M, Misstand, M. |
MIS.
MIS.
222
|
Misstap, M., -stappen. Misstapje,O.,-jes. Misstappen, stapte mis, heelt en is misgestapt. Misstekf.n, stak mis, staken mis, heeft misgestoken. Misstelling, V,, -stellingen. Misstooten, stiet mis, heeft misge-stooten; ook stootte mis. Mipsturen, stuurde mis, heeft misge-stuurd. Mist (damp), M., misten. Mist (meststof). Zie Mest. mistachtig. Mistasten, tastte mis, heeft misgetast. Mistasting, V., -tastingen. Mistelboom. M.. -boomen. Mistellen, telde mis, heeft misgeteld. Mistelling, V., -tellingen. Misteltak, M., -takken. Misten, mistte, heeft gemist. Misthoobn. M., -hoorns. Mistig, mistiger, mistigst. Mistigheid, V. Mistbal, M., mistrals. Mistbappen, trapte mis, heeft mlsge-trapt. Mistbed, M., -treden. Mistbeden, trad mis, traden mis, heeft en is misgetreden. Mistboostig, -troostiger, -troostigst. Mistboostigheid, v. Mistbouwen (wantrouwen), mistrouwde, heeft mistrouwd. Mistbouwen, O. Mi stbouwend, -trouwender, -trou-wendst. Mistbou\vendhe«d, V. Mistbouwig, -trouwiger, -trouwigst. mistbouw'ghe'd, v. Misval (miskraam), M., -vallen. Mis-valletje, 0., -jes. Misval (ongeluk), O., -vallen. Misval-letje, O., -jes. Misvallen, viel mis, is misgevallen; ook misviel, heeft misvallen. Misvallen, O. Misvaben. voer mis, heeft en is mis-gevaren. Misvatten, vatte mis, heeft misgevat. Misvatting, V., -vattingen. Misvebstaan, verstond mis, heeft misverstaan. Misvebstand, o., -verstanden. Misvobmen, misvormde, heeft misvormd. Misvobm'g, -vormiger, -vormigst. misvobmighe'd, v. M'svobming, v., -vormingen. Miswas, o., -wassen. Miswasie, o., -jes. Miswebpen, wierp mis, heeft misge-worpen. Miszeggen, miszeide, heeft miszegd en miszeid. |
Miszien, zag mis, zagen mis, heeft misgezien; ook miszag (zich), miszagen (zich), heeft (zich) miszien. Mitbaïlleuse, V., mitrailleuses. Mits. Mitsdien. M i tsgadebs. Mixtdtjb, V., mixturen. Mnemoniek, V. Mnemotechnisch. Mobiel, mobieler, mobielst. Mobilisatie, V., mobilisatiën. Mobilisatieplan, o., -plannen. Mobiliseeben, mobiliseerde, heeft gemobiliseerd. Modaal. Modaliteit, V. Modde, V., modden. Modden, modde, heeft gemod. Moddeb, V. Moddebaab, M., modderaars. Moddebachtig, -achtiger, -achtigst. Moddeben, modderde, heeft gemodderd. Moüüebig, modderiger, modderigst. Moddebigheiü. V. Moodebkuil, m., -kuilen. Moddeblaabs, V., -laarzen. Modderman, M., -lui. Moddebmolen, M., -molens. Moddebplas. M., -plassen. Modderpoel, M., -poelen. Moddebschuit, V., -schuiten. Moddersloot, V.. -slooten. Mode, V., modes. Modetje, O., -jes. Mode-artikel, O., -artikelen. Modegek, M., -gekken. Modekleur, V., -kleuren. Model, O., modellen. Modelletje, O., -jes. Mode-lectuur, V. Modelhoeve, v., -hoeven. Modelkamer, V., -kamers. Modelleeren, modelleerde, heeft gemodelleerd. Modemaakster, V., -maaksters. Modemagazijn, o., -magazjjnen. Modeplaat, V., -platen; -plaatje, O., -jes. Modepop, V., -poppen. Als persoonsnaam ook M. Modkrateurlamp, V., -lampen. Moderato, O., moderato s. Modern, moderner, modernst. Moderni^eeren, moderniseerde, heeft gemoderniseerd. Modernisme, O. Moderniteit, V. Modewinkel, M., -winkels. Modieus, modieuzer, modieust. Modiste, V., modisten. Modulus, M. Moe. Zie Moede. Moed, M. Moede en moe, moeder, meest moede. Moedeloos, -loozer, -loost. Moedeloosheid, V. |
MOE.
223
MOE.
|
Moedeb, V., moeders. Moedertje, O.,-jes. Moederborst, V., -borsten. Moederhart, O. Moederkerk, V. Moederkoorn, O. Moederkwaal, V., -kwalen. Moederland, O. Moederlief. Moederliefde, V. Moederlijk, -lyker, -lijkst. Moederloos, -looze. Moedermelk, V. Moedernaakt. Moederplant, V., -planten. Moederschap, O. Moederschoot, M. Moei-ersk.nd, O.,-kinderen;-kindje, O., -kindjes en -kindertjes. Moedertaal, v. Moedervlek, V., -vlekken. Moederzegen, M. moederz' elalleen en moerzielalleen. Moedig, moediger, moedigst. Moedwil, M. Moedwillig, -williger, -willigst. Moedwillioheid, V., -heden Moeheid, V. Moei, V., moeien. Moe'al, M. en V., moeiallen. Moeien, moeide, heeft gemoeid. Moe lijk en moegelijk, -lijker, -lijkst. Moeilijkheid en moeielijkheid, V., -heden. Moeite, V., moeiten. Moelje, V., moeljes. Moer (droesem), V. Moer (van eene schroef), V., moeren. Moertje, O., -jes. Moer (moerassig land), O., moeren. Moeras, o., moerassen. Moerasje, o., -jes. Moerasachtig, -achtiger, -achtigst. Moerasdamp, M., -dampen. Moerasplant, V., -planten. Moerassig, moerassiger, moerassigst. Moerassigheid, V. Moerbalk M., -balken. Moerbei. Zie Moerbezie. Moerbeiengelei, V. Moerbeiénsap, o. Moerhezie en moerbei, v., -beziën en -beien. Moerbezieboom en moerbeiboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Moeren, moerde, heett gemoerd. Moerig, moeriger, moerigst. Moerzee, V., -zeeën. Moes, O. Moesgroente, v., -groenten. Moesje (moedertje), O., -jes. Moesje (pleistertje), O., -jes. Moesjesdoos, V., -doozen. Moesson, M., moessons. Moestuin, M., -tuinen; tuintje, o., -jes. Moet, v., moeten. Moetje, O., -jes. |
Moeten (voortduwen), moette. heeft gemoet. Moeten (verplicht zyn), moest, heeft gemoeten. Moezeru, V., moezerijen. Mof (Westfaling), M., Moflen. Mofje, o., -jes. Mof (bontwerk), V., moffen. Mofje, O., -jes. Moffel (oven). M., moffels. Moffel (mof, mouw), V., moffels. Mof- feitje. O., -jes. Moffelaar, M. Moffelar^j, V., moffelaryen. Moffelen, moffelde, heelt gemoffeld. Moffenland, O. Moffenpup, V., -pijpen; -pypje, 0.,-jes- Moffentaal, V. Moffentoer, M., -toeren. Moffin, V., Moffinnen. Moffinnetje, 0.t -jes. Mogelijk. Mogelijkheid, V., heden. Mogen, mag, mogen, mocht. Mogendheid, V., -heden. Mohammedaan, M., Mohammedanen. Moker, M., mokers. Mokeren, mokerde, heeft gemokerd. Mokka-kopje, O., -kopjes. Mokkel, M. en V., mokkels. Mokkeltje.. O., -jes. Mokkelen, mokkelde, heeft gemokkeld. Mokken, mokte, heeft gemokt. Mol (dier), M., mollen. Molletje, O., -jes. Mol (bier), V. Mol (in de muziek), V., mollen. Molen (ook mfulen), M., molens (meu- lens). Molentje (meulentje), O., -jes. Molenaar. M.t molenaars en molenaren Molenaarsknecht, M., -knechts. Molenaarspak, O. Molenaarster, V., molenaarsters. Molenas, V., -assen. Molenkap, V., -kappen. Molenmaker, M., -makers. Molenpaard, O., -paarden. Molenpad, O., -paden. Molenrad, O., -raderen. Molenroede, V., -roeden. Molensteen, M., -steenen. Molenwiek, V., -wieken. Molferd, M., molferds. Molik, M., moiiken. Mollen, molde, heeft gemold. Mollenkrtjid, O. Mollenval, V., -vallen. Mollepoot, M., -pooten. Mollevel, O., -vellen. Mollevellig. Mollig, molliger, molligst. Molligheid, V. Molm, M. en O. Molmen, molmde, is gemolmd Molos, M., molossen. |
MON.
224
MOL.
|
molsem, M. Molsemen, molsem de, is gemolsemd. Molsgat, o., -gaten. Molshoop, M., -hoopen. Molsla, V. Molteeken, O., -teekens. Molton, O. Moltonnen (bnw.). Mom (bier), V. Mom (masker), V., mommen. Mombakkes, O., -bakkesen; -bakkesje, O., -jes. Momber. Zie Momboor. Momboor en momber, M., momboren en mombers. Momboorschap, o. Moment, O., momenten. Momentje, O., -jes. Mommekleeren (mv.), O. Mommelen, mommelde, heeft gemommeld. Mommeling, V. Mommen, momde, heeft gemomd. Mommer, M., mommers. Mommeru, V., mommeryen. Mommespel, O. Mompelen, mompelde, heeft gemompeld. Mompeling, V., mompelingen. Monarch, M., monarchen. Monarchaal, monarchale. Monarchie, V., monarchieën. Mond, M., monden. Mondje, O., -jes. Mondbehoeften (mv.), V. Mondeling. Monden, mondde, heeft gemond. Mondgesprek, O., -gesprekken. Mondhoek, M., -hoeken. Mondig. Mondigheid, V. Mondjesmaat, V. Mondklem, V. Mondkost, M. Mondspoeling, V., -spoelingen. Mondstopper, M., -stoppers. Mondstuk, O., -stukken. Mondvol, M. Mondwater, O. Mondzeer, O. Monnik en munnik, M., monniken en munniken. Monnikje en munnikje, O., -jes. Monnikachtig. Monnikengeleerdheid, V. Monnikenklooster, O., -kloosters. Monnikenlatijn, o. Monnikenorde, V., -orden. Monnikenschrift, O. Monnikenwerk, O. Monnikenwezen, o. Monnikskap, V., -kappen. Monnikskleed, O. Monnikspij, V., -pyen. Monnikswezen, O. |
Monogamie, V. Monogram, O., -grammen. Monographie, V., monographieën. Monoloog, M., monologen. Monomaan. Monomanie, V., -manieën. Monopolie, O., monopoliën en monopolies. Monster (staaltje), O., monsters. Monstertje, O., -jes. Monster (gedrocht), O ,monsters. Monstertje, O., -jes. Monsterachtig, -achtiger, -achtigst. Monsterachtigheid. V. Monsterconcert, O., -concerten. Monsteren, monsterde, heeft gemonsterd. Monsterheer, M., -heeren. Monstering, V., monsteringen. Monsterplaat, V., -platen. Monsterrol, V., -rollen. Monsterzak, O., -zakken; -zakje, O., -jes. Monstrueus, monstrueuzer, monstrueust. Montant, o. Monteeren, monteerde, heeft gemonteerd. Monteering, V., monteeringen. Monter, monterder, monterst. Monterheid, V. Montuur, V., monturen. Monument, O., monumenten. Monumentje, O., -jes. Monumentaal, -tale. Mooi, mooier, mooist. Mooiheid, V. Mooiigheid, V., -heden. Mooiprater, M., -praters. Moois, O. Mooitjes. Mookhamer, M., -hamers. Moor (persoon), M., mooren. Moortje, O., -jes. Moor (stof), o., moren. Moord, M., moorden. Moordaanslag, M., -aanslagen. Moorddadig, -dadiger, -dadigst. Moorddadigheid, V. Moorden, moordde, heeft gemoord. Moordenaar,M., moordenaren en moordenaars. Moordenaarster, V., moordenaarsters. Moordenares, V., moordenaressen. Moorderij, V., moorderijen. Moordschavot, o., -schavotten. Moordtooneel, o., -tooneelen. Moordtuig, O., -tuigen. Mooren dans, M., -dansen. Moorenland, O. Moorin, V., Moorinnen. Moorinnetje, O., -jes. Moorsch. Moot, V., mooten. Mootje, O., -jes. Mop (hond), M., moppen. Mopje, O., -jes. |
MOP.
225
MOR
|
Mop (steen en koekje), V., moppen. Mopneus, M. en V., -neuzen. Moppen, mopte, heeft gemopt. Moppentrommel, V., -trommete. Mopper, M., moppers. Mopperen, mopperde, heeft gemopperd. Mops, M., mopsen. Mopsje, o., -jes. Moraal, V. Moralisatie, V., moralisaties. Moralist, M., moralisten. Moraliteit, V. Moraliteitsbeginsel, O., -beginselen. Moreel, moreele. Morel, V., morellen. Morelletje, O.,-jes. Morelleboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Morellenbranoewijn, M. Morellenwijn, M. Morganatisch. Morgen (ochtend), M., morgens. Mor- gentje, O., -jes. Morgen (landmaat), O., morgens. Morgen (bijw.). Morgenavond. Morgenbezoek, o., -bezoeken. Morgendrank, M., -dranken. Morgengebed, o., -gebeden. Morgengewaad, O.,, -gewaden. Morgenjapon, V., -japonnen. Morgenland, O. Morgenlicht, O. Morgenlied, O., -liederen, Morgenmi d dag. Morgenochtend. Morgenrood, O, Morgenspraak, Morgenster, V. Morgenstond, M. Morgenuur, O., -uren. Morgenwandeling, V,, -wandelingen, Moriaan, M., Morianen. Moriaantje, O,, -jes. Morille, V., morilles. Mormeldier, O., -dieren; -diertje, O., -jes. Morphine, V. Morphine-inspuiting, quot;V., -inspuitingen. Morphinist, M. en morphiniste, V., morphinisten. Morphinepoeder, V., -poeders. Morphologie, V. Morrelen, morrelde, heeft gemorreld. Morren, morde, heeft gemord. Morrig, morriger, morrigst. Morrigheid, V. Mors, V., morsen. Morsbroek, V., -broeken. Morsdood. Morsebel, V., -bellen; -belletje, O.,-jes. Morsen, morste, heeft gemorst. Morseru, v., morserijen. Morsig, morsiger, morsigst. Morsigheid, v. Mobsjdrk, V., -jurken. |
Morsmouw, v., -mouwen. Morspak, O., -pakken. Morspot, M. en V., -potten; -potje, O,, -jes. Mortaliteit, V. Mortel,. V. Mortelbak, M., -bakken. Mortelen, mortelde, heeft en is gemorteld. Mortelmolen, M., -molens. Mortier, M., mortieren. Mortiertje, o., -jes. Morzel, M,, morzelen en morzels. Mor- zeltje, O,, -jes. Morzelen, morzelde, heeft gemorzeld. Morzeling, V., morzelingen. Mos, O., mossen. Mosachtig. Mosch. Zie Musch. Moskee, V., moskeeën. Mossel, V., mosselen en mossels. Mosseltje, O., -jes. Mosselbank, V., -banken. Mosselkraam, V., -kramen. Mosselman (persoon), M.; (vaartuig), V., -mannen. Mosselwagen, M., -wagens. Mosselwijf, O., -wyven. Mossig. Most, M. Mosterd en mostaard, M. Mosterd jongen, M,, -jongens. Mosterdlepeltje, O,, -lepeltjes. Mosterdmolen, M,, -molens. Mosterdpap, V., -pappen. Mosterdpleister, V.. -pleisters. Mosterdpot, M,,-potten; -potje, O.,-jes. Mosterupapier, O. Mosterdsaus, V. Mosterdzaad, O. Mot (insect), V., motten. Motje, O,, -jes Mot (fijne regen), V. Mot (turfmolm), O. Motie, V., motiën en moties. Motief, O,, motieven, Motiveeren, motiveerde, heeft gemotiveerd. Motiveering, V., motiveeringen. Motregen, M. Motregenen, motregende, heeft gemotregend. Mots (paard), M., motsen. Motse (schippersbroek), V,, motsen. Motsen, motste, heeft gemotst. Motten, motte, heeft gemot. Motterig, motteriger, motterigst. Mottig, mottiger, mottigst. Mottigheid, v, Motto, O., motto's. Motto-album, o., -albums. Moude, V. Mousseeren, mousseerde, heeft gemousseerd. Mousseline, V. |
15
MOU.
MUL
226
|
Mousselinen (bnw.). Moustache, V., moustaches. Mout, o. Mouteest, M., -eesten. Mouten, moutte, heeft gemout. Mouter, M., mouters. Mouterij, V., mouteryen. Moutwijn, M. Mouw, v., mouwen. Mouwtje, o., -jes. Mouwstrepen (mv.), V. Mouwvest, o., -vesten. Mozaïek, o. Mozaïsch. Mud, V. en O., mudden. Mudje, O., -jes. Mudde, V., mudden. Mudszak, M., -zakken. Muf, muffer, mufst. Mufachtig, -achtiger, -achtigst. Muffen, mufte, heeft gemuit. Muffig, muffiger, muffigst. Muffigheid, V. Mufheid, V. Mug, V., muggen. Mugje, O., -jes. Muggebeet, M., -beten. Muggendoek, O., -doeken. Muggengegons, o. Muggenziften, muggenziftte, heeft gemuggenzift. Muggenzifter, M., -zifters. Muggenzifterij, V., -zifteryen. Muggesteek, M., -steken. Muil (dier), M., muilen. Muil (bek), M., muilen. Muil (schoeisel), v., muilen. Muiltje, O., -jes. Muilband, M., -banden. Muilbanden, muilbandde, heeft gemuilband. Muildier, O., -dieren. Muildierdrijver, m., -drijvers. Muilezel, M., -ezels. Muilkorf, M., -korven. Muilpeer, V., -peren. Muis. V., muizen. Muisje, O., -jes. Muisgrauw. Muisje (suikergebak en aardappel), o., -jes. Muiskat, V., -katten. Muisstil, -stille. Muit en muite, V., muiten. Muiteling, M. en v., muitelingen. V. ook muitelinge. Muiten, muitte, heeft gemuit. Muiter, M., muiters. Muiterij, V . muiterijen. Muitziek, -zieker, -ziekst. Muitzucht, V. Muizen, muisde, heeft gemuisd. Muizendrek, M. Muizengat, o., -gaten. Muizengerst, v. Muizenis, Y., muizenissen. Muizenkeutel, V., -keutels. Muizenmaaltijd, M., -maaltijden. |
Muizennest, O., -nesten. Muizenoor, O. Muizentarwe, V. Muizenval, V., -vallen. Muizen vanger, M., -vangers. Mui zestaart, M., -staarten. Muizetand, M., -tanden. Muizevel, O., -vellen. Muizing, V., muizings. Mul, V. Mul, muller, malst. Mulat, M.# mulatten. Mulattin, V., mulattinnen. Mulheid, V. Mullen, mulde, is en heeft gemuld. Mullig, mulliger, mulligst. Mulligheid, V. Mummelen, mummelde, heeft gemummeld. Mummie, V., mummiën en mummies. Munitie, V. Munnik. Zie Monnik. Munt (geld en muntplaats), V., munten. Muntje, O., -jes. Munt (kruid), V. Muntbiljet, O., -biljetten. Muntboek, O., -boeken. Muntconferentie, V., -conferenties. Munten (geldslaan), muntte, heeft gemunt. Munten (doelen), muntte, heeft gemunt. Muntenkabinet, O., -kabinetten. Munter, M., munters. Muntgasmeter, M., -meters. Munting, V., muntingen. Munti oon, O. Muntmeester, M., -meesters. Muntrecht, O. Muntslag, M. Muntsoort, V., -soorten. Muntspecie, V,, -speciën. Muntstelsel, O., -stelsels. Muntstempei., M., -stempels. Munt-unie, V. (De Latynsche â)-Muntvoet, M. Muntvoorraad, M. Muntwezen, O. Muren, muurde, heeft gemuurd. Murf, V., murven. Murik, V. Murmelen, murmelde, heeft gemurmeld. Murmureerder, M., murmureerders. Murmureeren, murmureerde, heeft gemurmureerd. Murmureer ng, V., murmureeringen. Murw, murwer, murwst. Murwen, murwde, heelt en is gemurwd. Murwhe d. V. Musch en mosch, V., musschen en mos-schen. Muschje en moschje, O., -jes. Muscus, V. Muscusdier, O., -dieren j Muscusgeur, M. |
1
MUZ.
MUS.
227
|
Museum,O., museums, musea en museën. j Musiceeren, musiceerde, heeft gemusiceerd. Musicus, M., musici. Muskaat (wyn), M. Muskaatnoot, V., -noten. Muskaatwijn, M. Muskadel, V., muskadellen. Musket, o., musketten. Musketje, 0., -jes. Musketier, M., musketiers. Musketkogel, M., -kogels. Musket vuur, O. Muskiet, M., muskieten. Musschenhagel, M. Musschennest, O., -nesten. Musschenpot, M., -potten. Musscheveer, V., -veeren. Mutatie, V., mutatiën en mutaties. Muts, V., mutsen. Mutsje, O., -jes. Mutsaard en mutserd, M., mutsaards en mutserds. Mutsebol, M., -bollen. Mutsenband, O. Mutsenl'Nt, O. Mutsenmaakster, V., -maaksters. Mutsenstijfster, V., -stytsters. Mutsenwaschster, V., -waschsters. Mutsje (maat), O., -jes. Muur, M., muren. Muurtje, O., -jes. Muur (murik, kruid), V. Muurplaat, V., -platen. Muze, V., Muzen. Muzelman, M., Muzelmannen. Muzentempel, M., -tempels. Muzenzoon, M., -zonen. Muziek, V. Muziekavondje, O., -avondjes. Muziekboek, O., -boeken. |
Muziekcorps, O., -corps. Ook wel muziekkorps, 0., -korpsen. Muziekfeest, O., -feesten. Muziekgezelschap, O, -gezelschappen. Muziekinstrument, 0., -instrumenten. Muziekles, V., -lessen. Muziekliefhebber, M., -liefhebbers. Muzieknoot. V., -noten. Muziekmeester, M., -meesters. Muziekpapier, O. Muziekschool, V., -scholen. Muziekstuk. O., -stukken. Muziektent, V., -tenten. Muziekzaal, V., -zalen.) Muzikaal, muzikaler, muzikaalst. Muzikant, M., muzikanten. Muzikantje, O., -jes. Myoop. Myopie, V. Myriade, V., myriaden. Myriagram, o., myriagrammen. Myriameter, M., myriameters. Myrrhe. Zie Mirre. Mysterie, O., mysteriën en mysteries. Mysteriespel, O., -spelen. Mysterieus, mysterieuzer, mysterieust. Myst cisme, O. Mystiek, V. Mystiek, mystieker, mystiekst. Mystificatie, V., mystification en mystificaties. Mystif ceeren, mystificeerde, heeft gemystificeerd. Mystisch. Mythe, V., mythen. Mythisch. Mythologie, V., mythologieën. Mythologisch. Mytholoog, M., mythologen. |
IM.
|
N, V., n's. Na. Na, nader, naast. Naaapster, v., -aapsters. Naad, m., naden. Naadje, ü., -jes. Naaf, V., naven. Naaibank, v., -banken. Naaibout, m., -bouten. Naaidoos, V , -doozen. Naaien, naaide, heeft genaaid. Naaigaren, O. Naaikamer, V., -kamers. Naaikistje, O., -jes. Naaikussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes. Naaimachine, V., -machines. Naaimand, V., -manden; -mandje, 0., -jes. Naaimeisje, O., -jes. Naainaald, V., -naalden. |
Naaischool, V., -scholen; -schooltje,O. -jes. Naaister, v., naaisters. Naaistertje, O., -jes. Naaisterswerk, O. Naaitafel, V., -tafels; -tafeltje, O.,-jes. Naaiwerk, O. Naaiwinkel, M., -winkels. Naaizak, M, -zakken. Naaizude, V. Naakt, naakter, naaktst. Naaktheid, V. Naald, V., naalden. Naaldje, O., -jes. Naaldenboekje, o., -boekjes. Naaldenfabriek, V., -fabrieken. Naaldengeld, o. Naaldenkoker, M., -kokers. Naaldenmaker, M., -makers. Naaldenoog, o. Naaldenwerk, ö. |
NAA.
228
NAB.
|
Naaldenwinkel, M., -winkels. Kaaldbwijze en -wijs. Naam, M., namen. Naampje, o., -jes. Naambord, o., -borden, -bordje, O., -jes. Naamcijfer, o., -cijfers. Naamdag, M., -dagen. Naamgenoot, M., -genooten. V. ook naamgenoote. Naamhaftig, -haftiger, -haftigst. naamhaftigheii), V. Naamkaartje, o., -kaartjes. Naamloos (zonder naam), -looze. Naamloosheid, V. Naamlijst, V., -lijsten. Naamstempel, M., -stempels. Naamsverandering, v., -veranderingen. Naamval, M., -vallen. Naamvalsuitgang, M., -uitgangen. Naamwoord, O., -woorden. Naapen, aapte na, heeft nageaapt. Naaper, M., -apers. Naaperu, V., -aperyen. Naaping, V., -apingen. Naar, naarder, naarst. Naar (voorz.). Naardien. Naargeestig, -geestiger, -geestigst. Naargeestigheid, V. Naarheid, V., heden. Naarmate (voegw.). Naars. Zie Aars. Naarstig, naarstiger, naarstigst. Naarstigheid, V. Naarstiglijk. Naast. Naastbestaande, M. en V ,-bestaanden. Naaste, M. en V., naasten. Naasten, naastte, heeft genaast. Naasting, V., naastingen. Nababbelen, babbelde na, heeft nage-babbeld. Nabaffen, bafte na, heeft nagebaft. Nabanket, O., -banketten. Nabassen, baste na, heeft nagebast. NABAuwEN,bauwde na, heeltnagebauwd. Nabauwer, M., -bauwers. Nabericht, o., -berichten; -berichtje, O,, -jes. Naberouw, O. Nabestaande, M. en V., -bestaanden. Nabetrachting, V., -betrachtingen. Nabier. O. Nabij (bijw.). Nabijgelegen. Nabijheid, V. Nablaffen, blafte na, heeft nageblaft. Nablijven, bleef na, bleven na, is nagebleven. Nablijver, M., -blyvers. Nabloeden, bloedde na, heeft nagebloed. Nabloeding, v., -bloedingen. Nabloeien, bloeide na. heeft nagebloeid. Nabloeier, M., -bloeiers Nabootsen, bootste na, heeft nagebootst. |
Nabootser, M., -bootsers. Nabootsing, V., -bootsingen. Nabootsster, V., -bootssters. Nabouwen, bouwde na, heeft nagebouwd. Nabrengen, bracht na, heeft nagebracht. Nabroodje, O., -jes. Nabrullen, brulde na, heeft nagebruld. Naburig, -buriger, -burigst. Nabuur, M., -bi.ren. Nabuurtje, O,-jes. Nabuurschap, V. Nacht, M., nachten. Nachtje, O., -jes. Nachtbezoek, O., -bezoeken. Nachtblaker, M., -blakers. Nachtbraken, nachtbraakte, heeft genachtbraakt. Nachtbraken, o. Nachtbraker, M., -blakers. Nachtbraking, V., -brakingen. Nachtbroek, V., -broeken. Nachtdoek, M, -doeken. Nachtdienst, M. Nachtegaal, M., nachtegalen en nachte- gaals. Nachtegaaltje, O., -jes. Nachtegaalskooi, v., -kooien. Nachtegaalsnest, o., -nesten. Nachtegaalsslag, m. Nachtegaalsstem, V., -stemmen. Nachtegaalstong, V., -tongen. Nachtegaalstoon, M., -tonen. Nachtegaalszang, M. Nachtelijk. Nachtevening, V. Nachtgewaad, O , -gewaden. Nachtglas, O., -glazen. Nachtgoed, o. Nacsthemd, O., -hemden. Nachthuisje, O., -huisjes. Nachtjapon, V., -japonnen. Zie ook Nachtpon. Nachtkaars, V., -kaarsen. Nachtkwartier, O., -kwartieren. Nachtlamp, V., -lampen; -lampje, 0.,-jes. Nachtlicht, o. Nachtlichtje, o., -jes. Nachtlijst, V., -lijsten. Nachtlooper, M., -loopers. Nachtlucht, V. Nachtmaal, O. Nachtmaalganger, M., -gangers. Nachtmaalsbeker, M., -bekers. Nachtmaalsbrood, O. Nachtmaalstafel, V., -tafels. Nachtmaalszang, M, -zangen. Nachtmerrie, v., -merries. Nachtmuts, V., -mutsen. Nachtpon, V., -ponnen; -ponnetje, O. -jes. Nachtroofvogel, M., -vogels. Nachtraaf, M., -raven. Nachtraven, nachtraafde, heeft ge- nachtraafd. Nachtschade, V. Nachtschuit, V., -schuiten. Nachtsein, O., -seinen. |
|
NAG. Nachtslot, O. Nachtspiegel, M., -spiegels. Nachttafeltje, O., -tafeltjes. Nachttrein, M., -treinen. Nachtuil, M., -uilen. Nachtvekblijf, o., -verblyven. Nachtvlinder, M., -vlinders. Nachtvogel, M., -vogels. Nachtvorst, V., -vorsten. Nachtwacht (wachter), M.; (het wachthouden en de gezamelijke wachters), V., -wachten. Nachtwaker, M., -wakers. Nachtwerk, O. Nachtwerken, nachtwerkte, heeft ge- nachtwerkt. Nachtwerker, M., -werkers. Nachtwind, M. Nachtzoen, M., -zoenen. Nacijferen, cjjferde na, heeft nage- c-yferd. Nadag, M., -dagen. Nadansen, danste na, heeft nagedanst. Nadat. Nadeel, O., -deelen. Nadeeltje, O., -jes. Nadeelig, -deeliger, -deeligst. Nademaal. Nadenken, dacht na, heeft nagedacht. Nadenkend, -denkerder, -denkendst. Nadenking, V., -denkingen. Nader. Zie Na. Naderbij. Naderen, naderde, is genaderd. Naderhand. Nadering, V., naderingen. Nadezen. Nadir, O. Nadoen, deed na, deden na, heeft nagedaan. Nadoener, M., -doeners. Nadorschen, dorschte na, heeft nage- dorscht. Nadorst, M. Nauragen, droeg na, heeft nagedragen. Na draven, draafde na, heeft en is na-gedraafd. Nadrentelen, drentelde na, heeft en is nagedrenteld. Nadreunen, dreunde na, heeft nagedreund. Nadruk (nagedrukt hoek), M., -drukken. Nadrukje, O., -jes.. Nadruk, (het nadrukken), M. Nadruk (klem), M. Nadrukkelijk, -lijker, -Iftkst. Nadrukken, drukte na, heeft nagedrukt. Nadrukker, m., -drukkers. Nadruksel, O., -druksels. Naduiken, dook na, doken na, is nage-doken. Nadweilen, dweilde na, heeft nage-dweild. Naëten, at na, aten na, heeft nage-geten. |
) NAF. Nafluiten, floot na, floten na, heeft nagefloten. Nagaan, gaat na, ging na, heeft en is nagegaan. Nagalm, M. Nagalmen, galmde na, heeft nagegalmd. Nageboorte, V., -geboorten. Nagebuur, M., -geburen. Nagedachte, V., -gedachten. Nagel (aan het lichaam), M., nagels en nagelen. Nageltje, O., -jes. Nagel (spyker), M., nagels en nagelen. Nageltje, O., -jes. Nagelbank, V., -banken. Nagelbijter, M., -byters. Nagelbloem, V., -bloemen. Nagelborstel, M., -borstels; -borsteltje, O., -jes. Nagelen, nagelde, heeft genageld. Nagelhout (rookvleesch), O. Nagelijzer, O., -ijzers. Nagelkruid, o. Nagelolie, V. Nagelvijltje, O., -jes. Nagelwortel (stofnaam), V. Nagenoeg. Nagepeins, O. Nagerecht, o., -gerechten. Nageslacht, O., -geslachten. Nageven, gaf na, gaven na, heeft nagegeven. Nageving, V. Nagezang, O., -gezangen. Nagieren, gierde na, heeft nagegierd. Nag'eten, goot na, goten na, heeft na-gegoten. Nagillen, gilde na, heeft nagegild. Nagisten, gistte na, heeft nagegist. Naglijmen, gleed na, gleden na, is na-gegleden. Nagluren, gluurde na, heeft nagegluurd. Nagooien, gooide na, heeft nagegooid. Nagras, O. Naherfst, M. Nahinken, hinkte na, heeft en is na-gehinkt. Nahollen, holde na, heeft en is nage- hold. Nahooi, O. Nahouden, hield na, heeft nagehouden. Nahunkeren, hunkerde na, heeft nage-hunkerd. Nahupp» len, huppelde na, heeft en is nagehuppeld. Naïef, naïever, naïefst. Naijlen, ylde na, is nageijld. Naijver, M. Naijverig, -flveriger, -ijverigst. Naïveteit, V., naïveteiten. Najaar, o , -jaren. Najaarsblad, O., -bladen en -bladeren. Najaarsbloem, V.,-bloemen; -bloempje, O., -jes. Najaarskoorts, V., -koortsen. |
NAL.
NAJ.
230
|
Najaarsloover, O. Najaabsmis, V., -missen. Najaabsofruiming, V., -opruimingen. Iïajaarsregen, M., -regens. Najaarsreis, V., -reizen. Najaarsveiling, V., -veilingen. Najaarsvergadering, V., -vergaderingen. Najaarsweder en -weer, O. Najaarsziekte, V., -ziekten. Najaarszon, V. Najade, V., najaden. Najagen, jaagde na, heeft nagejaagd; ook joeg na. Najager, M., -jagers. Najanken, jankte na, heeft nagejankt. Najouwen, jouwde na, heeft nagejouwd. Nakakelen, kakelde na, heeft nage-kakeld. Naken, naakte, is genaakt. Nakerm.s, V., -kermissen. Nakijken, keek na, keken na, heeft nagekeken. Nakinu, O., -kinderen. Naking, V. Naklauden, kladde na, heeft nageklad. Naklank, M. Naklappen, klapte na, heeft nageklapt. Naklauteren, klauterde na, is nage-klauterd. Naklimmen, klom na, klommen na, is nageklommen. Naklinken, klonk na, heeft nageklonken. Nakluiven, kloof na, kloven na, heeft nagekloven. Nakoeteren, koeterde na, heeft nage-koeterd. Nakoken, kookte na, heeft nagekookt. Nakomeling, M. en V., -komelingen. V. ook nakomelinge. Nakomelingschap, V. Nakomen, komt na, kwam na, kwamen na, is nagekomen. Nakomer, M., -komers; -komertje, o., -jes. Nakoming, V. Nakoop, M. Nakraam, V. Nakrijschen, kreesch na, kreschen na, heeft nagekreschen; ook kr^schte na, heeft nagekr^scht. Nakroost, O. Nakruipen, kroop na, kropen na, heeft en is nagekropen. Nakuieren, kuierde na, heeft en is nagekuierd. Nakweelen, kweelde na, heeft nage-kweeld. Nalaten, liet na, heeft nagelaten. Nalatenschap, V., -schappen. Nalatig, -latiger, -latigst. Nalatigheid, V. Nalating, V. |
Nalekken, lekte na, heeft nagelekt. Naleven, leefde na, heeft nageleefd. Naleving, V. Nalezen, las na, lazen na, heeft nagelezen. Nalezing, V., -lezingen. Nalezinkje, O., -jes. Nalikken, likte na, heeft nagelikt. Naloeven, loefde na, is nageleefd. Naloop, M. Naloopen, liep na, heeft en is nage- loopen. Nalooper, M., -loopers. Nalooping, V. Naloopster, V., -loopsters. Naluiden en naluien, luidde na en luide na, heeft nageluid. Namaag, M. en V,, -magen. Namaagschap (namagen), V.; (vermaag- schapping), o. Namaaien, maaide na, heeft nagemaaid. Namaahng, V., -maaiingen. Namaaisel, O., -maaisels. Namaak, V. Namaakje, o., -jes. Namaaksel, O., -maaksels. Namaaksel- tje, O., -jes. Namaakster, V., -maaksters. Namaals. Namaand, V. Namaken, maakte na, heeft nagemaakt. Namaker, M., -makers. Namaking, V., -makingen. Namalen (molenaarsterm), maalde na, heeft nagemalen. Namap.kt, V. Namauwen, mauwde na, heeft nage- mauwd. Namelijk. Nameloos (onnoemeiyk), -looze. Nameloosheid, V. Namens. Nameten, mat na, maten na, heeft nagemeten. Namiddag, M., -middagen. Namiddagje, O., -jes. Namiddagpreek, v., -preeken. Namiddaguur, O., -uren. Namis, V., -missen. Nanacht, M., -nachten. Naneef, M., -neven. Naneuriën, neuriede na, heeft nage- neuried. Nanking, O. Nanoemen, noemde na, heeft nage-noemd. Naoogen, oogde na, heeft nageoogd. Naooging, V. Naoogst, M. Naoogsten, oogstte na, heeft nage-oogst. Nap, M., nappen. Napje, O., -jes. Napeinzen, peinsde na, heeft nagepeinsd. Napeinzing, V. |
NAP.
231
NAS.
|
Naphtha, V. Napleisteben, pleisterde na, heeft na- gepleisterd, Napleiten, pleitte na, heeft nagepleit. Naploegen, ploegde na, heeft nage-ploegd. Napluizen, ploos na, plozen na, heett nageplozen. Napluizeb, M., -pluizers. Napluizing, V., -pluizingen. Napok, V., -pokken. Napokje, o., -jes. Napraat, M. Napbaten, praatte na, heeft nagepraat. Naprateb, M., -praters. Napbating, V. Napbeeken, preekte na, heeft nage-preekt. Napbet, V. Napretje, O., -jes. Nab, M., narren. nabaad, m. Nabcis, V., narcissen. Narcisje, O., -jes. Nabcissenbed, O., -bedden. Nabcotisch. Nabdus, V. Nabdusgeub, M. Nabede, V., -redenen. Nabeizen, reisde na, heeft en is nagereisd. Narekenen, rekende na, heeft nagerekend. Nabekening, V., -rekeningen. Nabennen, rende na, is nagerend. Nabioht, O. Nabigheid, V., -heden. Nabijden, reed na, reden na, heeft en is nagereden. Naboep, m. Naboepen, riep na, heeft nageroepen. Nabooken, rookte na, heeft nagerookt. Naboomen,roomde na, heeft nageroomd. Nabouwen, rouwde na, heeft nage- rouwd. Narben. Zie Arren. Nabbenkap, V., -kappen. Nabbenschoenen (mv.), M. Nabbeslede Zie Arreslede. Narrig, narriger, narrigst. Narrigheid, V., -heden. Narwal, M., narwals en narwallen. Nasaal, nasale Nasaal, V., nasalen. Nasaleering, V. Naschaven, schaafde na, heeft nage-schaafd. Naschetsen, schetste na, heeft nageschetst. Naschilderen, schilderde na, heeft nageschilderd. Naschildering, V., -schilderingen. Naschip, o., -schepen. Naschouw, V. Naschouwen, schouwde na, heeft nage- schouwd. Isaschouwing, V., -schouwingen. |
Naschreeuwen, schreeuwde na, heeft nageschreeuwd. Naschreien, schreide na, heeft nage-schreid. Naschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes. Naschbuven, schreef na, schreven na, heeft nageschreven. Naschbijveb, M., -schryvers. Naschbobben, schrobde na, heeft nage-schrobd. Naschuieben, schuierde na, heeft na-geschuierd. Naslaan, slaat na, sloeg na, heeft nageslagen. Naslag, M., -slagen. Nasleep, M. Nasleepen (bedr.), sleepte na, heeft na-gesleept. Naslenteben, slenterde na, is nage-slenterd. Naslepen (onz.), sleepte na, heeft na-gesleept. N ASLuiPEN, sloop na, slopen na, is nageslopen. Nasmaak, M., -smaken. Nasmaakje, O., -jes. Nasmabt, V. Nasmijten, smeet na, smeten na, heeft nagesmeten. Nasnede, V., -sneden. Nasnellen, snelde na, is nagesneld. Nasnijden. sneed na, sneden na, heeft nagesneden. Nasnoeien, snoeide na, heeft nage-snoeid. Nasnuffelaab, M., -snuffelaars. Nasnuffelen, snuffelde na, heeft nagesnuffeld. . Nasnuffeling, V., -snuffelingen. Nasopje, o., -jes. Naspel, O., -spelen. Naspelletje, O.,-jes. Naspelen, speelde na, heeft nagespeeld. Naspellen, spelde na, heeft nagespeld. Naspeuben, speurde na, heeft nage-speurd. Naspeubing, V., -speuringen. Naspeublijk. Naspoeden, spoedde na, is nagespoed. Naspoelen, spoelde na, heeft nagespoeld. Nabpoeling, V. Nasponsen, sponste na, heeft nage-sponst. Naspoobdeb, M., -spoorders. Naspoben (onderzoeken), spoorde na, heeft nagespoord. Naspoben (inet den spoorwagen nary-den), spoorde na, is nagespoord. Naspobing, V., -sporingen. Naspbingen, sprong na, is nagesprongen. Naspbokkelen, sprokkelde na, heeft nagesprokkeld. Naspui, O. |
NAS.
232
NAT.
|
Nastamelen, stamelde na, heeft nage-stameld. Nastappen, stapte ra, heeft en is na-gestapt. Nastaren, staarde na,heeft nagestaard. Nastevenen, stevende na, is nageste-vend. Nastugen, steeg na, stegen na, is na-gestegen. Nastoomen, stoomde na, is nagestoomd. Nastobmen, stormde na, heeft en is na- gestormd. Nastorten, stortte na, is nagestort. Nastreven, streefde na, heeft en is nagestreefd. Nastroomen, stroomde na, is nage-stroomd. Nastuiven, stoof na, stoven na, is na-gestoven. Nastuk, O., -stukken. Nastukje, 0.,-jes. Nasturen, stuurde na, heel t nagestuurd. Nasukkelen, sukkelde na, is nagesukkeld. Nasüllen, sulde na, is nagesuld. Nat, natter, natst. Nat, o. Natje, o. Natafelen, tafelde na, heeft nagetafeld. Nateekenen, toekende na, heeft nage- teekend. Nateekening, V. Natellen, telde na, heeft nageteld. Natelling, V. Nater, V., naters. Nateren, teerde na, heeft nageteerd. Nathals, M. en V., -halzen. Nathalsje, O., -jes. Natheid, V. Natie, V., natiën en naties. Natievlag, V., -vlaggen. Natijd, M. Natimmeren, timmerde na, heeft na- getimmerd. Nationaal, nationale. Nationaliteit, V., nationaliteiten. Nationaliteitsgevoel, O. Natorsen, torste na, heeft nagetorst. Natrachten, trachtte na, heeft nage- tracht. Natred, M. Natreden, trad na, traden na, heeft en is nagetreden. Natrekken, trok na, trokken na, heeft en is nagetrokken. Natten, natte, heeft genat. Nattig, nattiger, nattigst. Nattigheid, V. Naturalisatie, V., naturalisation en naturalisaties. Naturaliskeren, naturaliseerde, heeft genaturaliseerd. Naturalisme, O. Naturelletje, O., -jes. Naturen, tuurde na, heeft nagetuurd. Natuur, V., naturen. |
i Natuurboter, V. Natuurgenoot, M., -genooten. , Natuubgenoote, V., -genooten. j Natuubkennis, V. ; Natuubkbacht, V., -krachten. ; Natuubkunde, V. I Natuurkundig. j Natuurkundige, M. en V., -kundigen. I Natuurlijk, -lyker, lijkst. Natuurlijkerwijze. ! Natuurlijkheid, v. â Natuuronderzoeker, M., -onderzoekers. Natuurproduct, O , -producten. Natuurrecht, O. ! Natuurstaat, m. ! Natuurverschijnsel, O., -verschynselen. : Natuubwet, V., -wetten, i Natuubwetenschap,v., - wetenschappen. I Nautiek, V. Nauw, nauwer, nauwst. Nauwelijks, i Nauwgezet, -gezetter, -gezetst, i Nauwgezetheid, V. Nauwheid, V. Nauwkeubig, -keuriger, -keurigst. Nauwkeubigheid, V. Nauwlettend, -lettender, -lettendst. Nauwlettendheid, V. Nauwnemend, -nexiiender, -nemendst. Nauwnemendheid, v. Nauwte, V. Nauwtjes. Navaben, voer na, is nagevaren. Navel, m., navels. na velt je, o., -jes. Navelband, M., -banden; -bandje,o.,-jes. Navelbbeuk, V., -breuken. Navelmebk, O., merken. Navelstbeng, V., -strengen. Navelswijze en -wijs. Navebhaal, o. Navebhalen, verhaalde na, heeft na-verhaald. Navebtellen, vertelde na, heeft naverteld. Navebtelling, V. Navebven, verfde na, heeft nageverfd. Navebwant, M., -verwanten. Navebwantechap, V. Navijlen, vyide na, heeft nagevjjld. Navloed, m. Navloeien, vloeide na, heeft nage-vloeid. Navloeiing, V., -vloeiingen. Navloeken, vloekte na, heeft nage-vloekt. Na vluchten, vluchtte na, is nage-vlucht. Navoeben, voerde na, heeft nagevoerd. Navolgbaab, -bare. Navolgen, volgde na, heeft nagevolgd. Navolgend. Navolgenswaabdig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Navolgeb, M., -volgers. |
NAV.
NAZ.
233
|
Navolging, V., -volgingen. Navolgster, V., -volgsters. Navorschen, vorschte na, heeft nage- vorscht. Navorscher, M., -vorschers. Navorsching, V., -vorschingen. Navouwen, vouwde na, heeft nage- vouwen. Navraag, V. Navragen, vraagde na, heeft nagevraagd; ook vroeg na. Navraging, V., -vragingen. Navrucht, V., -vruchten. Nawaggelen. waggelde na, heeft en is nagewaggeld. Nawandelen, wandelde na, heeft en is nagewandeld. Nawee, O., -weeën. Naweek, V. Naweenen, weende na, heeft nageweend. Nawegen, woog na, wogen na, heeft nagewogen. Naweging, V. Naweïde, V. Nawerken, werkte na, heeft nagewerkt. Nawerking, V. Nawerpen, wierp na, heeft nageworpen. Naweven, weefde na, heeft nageweven. Na wijn, M. Nawijzen, wees na, wezen na, heeft nagewezen. Nawinter, M., -winters. Nawintertje, O., -jes. Nawitten, witte na, heeft nagewit. NazaaIen, zaaide na, heeft nagezaaid. Nazaaiing, v. Nazaat, M., -zaten. Nazamelen, zamelde na, heeft nage- zameld. Nazameling, v. Nazang, M., -zangen. Nazegen, M. Nazeggen, zeide na, heeft nagezegd en nagezeid. Nazegger, M., -zeggers. Nazegster, V., -zegsters. Nazeilen, zeilde na, is nagezeild. Nazenden, zond na, heeft nagezonden. Nazending, v. Nazetten, zette na, heeft nagezet. Nazien, zag na, zagen na, heeft nagezien. Nazingen, zong na, heeft nagezongen. Nazitten, zat na, zaten na, heeft nagezeten. Nazoeken, zocht na, heeft nagezocht. Nazoeking, V., -zoekingen. Nazomer, M., -zomers. Nazomertje, o., -jes. Nazorg, V., -zorgen. Nazwemmen, zwom na, zwommen na, heeft en is nagezwommen. Nazweren (van een eed), zwoer naf heeft nagezworen. |
Nazweven, zweefde na, is nagezweefd. Nazwieren, zwierde na, is nage-zwierd. Neb en nebbe, V., nebben. Nebje en nebbetje, O., -jes. Nebbeling (nebaal), M., nebbelingen. Als stofnaam, V. Necrologie, V., necrologieën. Necroloog, M., necrologen. Nectar, M. Nectarteug, V., -teugen. Neder en neer. (Zoo ook in de meeste samenstellingen). Neder-betuwe, V. Nederbiggelen, biggelde neder, is nedergebiggeld. N ederbliksemen , blik scmde neder, heeft nedergebliksemd. Nederbonzen, bonsde neder, heeft en is nedergebonsd. Nederbrengen, bracht neder, heeft nedergebracht. Nederbruisen, bruiste neder, is neder-gebruist. Nederbuigen, boog neder, bogen neder, heeft en is nedergebogen. Nederbuigend, -buigender, -buigendst. Nederbuigendheid, V. Nederbüiging, V., -buigingen. Nederbukken, bukte neder, heeft en is nedergebukt. Nederbukking, V. Nederdalen, daalde neder, is nedergedaald. Nederdaling, V., -dalingen. Nederdonderen, donderde neder, is en heoft nedergedonderd. Nederdrijven, dreef neder, dreven neder, heeft en is nedergedreven. Nederdringen, drong neder, heeft neder-gedrongen. Nederdruipen, droop neder, dropen neder, is nedergedropen. Nederdrukken, drukte neder, heeft nedergedrukt. Nederdrukking, V. Nederduiken, dook neder, doken neder, is nedergedoken. Nederduiking, V., -duikingen. Nederduitsch. Nederdüitsch, o. Nederduitscher, M., -duitschers. Nederduwen, duwde neder, heeft neder-geduwd. Nederflansen, flanste neder, heeft nedergeflanst. Nedergaan, gaat neder, ging neder, is nedergegaan. Nedergieten, goot neder, goten neder, heeft nedergegoten. Nedergluden, gleed neder, gleden neder, is nedergegleden. Nedergolven, golfde neder, is neder-gegolfd. |
|
NED. ^edergooien, gooide neder, heeft neder-gegooid. Nederhagelen, hagelde neder, is neder-gehageld. Nedi-bhalen, haaldeneder, heeft neder-gehaald. Nedebhaler. Zie Neerhaler. Nedebhangen, hing neder, heeft neder-gehangen. Nedebhellen, helde neder, heeft neder-geheld. | Nedebhelling, V. Nedebhouwen, hieuw neder, heeft neder-gehouwen. Nedebig, nederiger, nederigst. Nedebigheid, V. Nedebkammen, kamde neder, heeft nedergekamd. Nedebkuken, keek neder, keken neder, heeft nedergekeken. Nedebkladden, kladde neder, heeft nedergeklad. Nedebklimmen, klom neder, klommen neder, is nedergeklommen. Nedebklimming, V. Nedebknielen, knielde neder, heeft en is nedergeknield. Nedebknieling, V. Nedebkomen, komt neder, kwam neder, kwamen neder, is nedergekomen. Nedebkbijgen, kreeg neder, kregen neder, heeft nedergekregen. Nedebkbuipen, kroop neder, kropen neder, is nedergekropen. Nedeblaag, V., -lagen. Nederlaagje, o., -jes. Nedebland, O., -landen. Nedeblandeb. M., -landers. Nedeblandebschap, O. Nedeblandsch. Nedeblandsch, O. Nedeblaten, liet neder, heeft neder-gelaten. Nedeblating, V. Nedebleggen, legde en leide neder, heeft nedergelegd en nedergeleid. Nedebliggen, lag neder, lagen neder, heeft nedergelegen. Nedebloopen, liep neder, heeft en is nedergeloopen. Nedebpebsen, perste neder, heeft neder-geperst. Nedebploffen, plofte neder, is en heeft nedergeploft. Nedebplompen, plompte neder, is neder-geplompt. Nedebplonzen, plonsde neder, heeft en is nedergeplonsd. Nedeb-bijn, M. nedebbollen.roldeneder.isnedergerold. Nedebbukken, rukte neder, heeft neder-gerukt. Nedebsabelen, sabelde neder, heeft nedergesabeld. |
t NED Nedebsaksisch. Nedebsaksisch, o. Nedebschieten, schoot neder, schoten neder, heeft en is nedergeschoten. Nedebschijnen, scheen neder, schenen neder, heeft nedergeschenen. Nedebschbijven, schreef neder, schreven neder, heeft nedergeschreven. Nedebschuiven, schoof neder, schoven neder, heeft en is nedergeschoven. Nedebsijpelen, sypelde neder, is neder-gesypeld. Nedebslaan, sloeg neder, heeft en is nedergeslagen. Nedebslag. Zie Neerslag. Nedebsmakken, smakte neder, heeft en is nedergesmakt. Nedebsmijten, smeet neder, smeten neder, heeft nedergesmeten. Nederspbeiden, spreidde neder, heeft nedergespreid. Nedebspbikgen, sprong neder, is neder-gesprongen. Nedebstampen, stampte neder, heeft nedergestampt. Nedebstooten, stiet neder, heeft neder-gestooten; ook stootte neder. Nedebstobmen, stormde neder, heeft en is nedergestormd. Nedebstobten, stortte neder, heeft en is nedergestort. Nedebstobting, V. Nedebstralen, straalde neder, is neder-gestraald. Nedebstbekken, strekte neder, heeft nederges trekt. Nedfbstbijken, streek neder, streken neder, heeft en is nedergestreken. Nedebstboomen, stroomde neder, is nedergestroomd. Nedebstuiven, stoof neder, stoven neder, is nedergestoven. Nedebsullen, sulde neder, is neder-gesuld. Nedebtbappen, trapte neder, heeft nedergetrapt Nfdebtbeden, trad neder, traden neder, heeft nedergetreden. Nei-ebtbekken, trok neder, trokken neder, heeft nedergetrokken. Nedebtbekking, V. Nedebtuimelen, tuimelde neder, is nedergetuimeld. Nedebval, M. Nedebvallen, viel neder, is nederge-vallen. Nedebvalling, V. Nedebvellen, velde neder, heeft neder-geveld. Nedebvelling, V. Nedebvliegen, vloog neder, vlogen neder, is nedergevlogen. N EDEBVLiETEN, vloot neder, vloten neder, is nedergevloten. |
NEG-
235
NED.
|
Nedebvlïjen, vlyde neder, heeft neder-gevUjd. Nedervloeien, vloeide neder, is neder-gevloeid. Nedebwaaien, waaide neder, heeft en is nedergewaaid; ook woei neder. Nederwaarts (byw). Nederwaartsch (bnw.). Nederwerpen, wierp neder, heeft neder-geworpen. Nederwerping, V. Nederzakken, zakte neder, is neder-gezakt. Nederzakkino, V., -zakkingen. Nederzeilen, zeilde neder, is nederge-zeild. Nederzetten, zette neder, heeft nedergezet. Nederzetting, V., -zettingen. Nederzien, zag neder, zagen neder, heeft nedergezien. Nederzugen, zeeg neder, zegen neder, is nedergezegen. Nederzinken, zonk neder, is nederge-zonken. Nederzitten, zat neder, zaten neder, heeft nedergezeten. Nederzuigen, zoog neder, zogen neder, heeft nedergezogen. Nederzweven, zweefde neder, is neder-gezweefd. Neef, M.. neven. Neefje, O., -jes. Neefje (mugje), O., -jes. Neefschap, O. Neen (tusschenw.). Als znw., O. Neep, V., nepen. Neepje, O., -jes. Neepjeskapje, O., -jes. Neepjesmuts, V., -mutsen; -mutsje, o., jes. Neer, V. Neer, Zie Neder. Neerhaal, M., -halen. Neerhaler, M., -halers. Neerslachtig, -slachtiger, -slachtigst. Neerslachtigheid. V. Neerslag (het nederslaan), M. Neerslag (rustbed), V., -slagen. Neerslag (bezinksel), O., -slagen. Neet (luizenei), V., neten. Neetje, O., -jes. Neet, ook niet (klinknageltje), V., neeten. Neetje, O., -jes. Neeten, ook nieten (klinken), neette, heeft geneet. Neetoor, M. en V., -ooren. Neffens. Neg en negge, V., neggen. Negatie, V., negatiën en negaties. Negatief, negatieve. Negatief (in de photographie), o.,negatieven. Negeeren, negeerde, heeft genegeerd. Negen (telwoord). Als znw., V., negens. ITegentje, O , -jes. |
j Negendaagsch. | Negende. Negendehalf, -halve. Negenderhande. Negenderlei. N egenduizendste . Negenhonderd. Negenmaal. Negenoog, V., -oogen; -oogje, O., -jes. Negenponder, M., -ponders. Negentallig. Negentien. Negentig. Negenwerf. Neger, M., negers. Negertje, O., -jes. Negerbevolking, V. Negeren, negerde, heeft genegerd. Negerhut, V., -hutten. Negerin, V., negerinnen. Negerinnetje, O., -jes. Negerland, O. Negerslaaf, M., -slaven. Negge. Zie Neg. Négligé, O. Negorij, V., negoryen. Negotiatie, V., negotiatiën en nego-tiaties. Negotie, V., negotiën en negoties. Negotieeren, negotieerde, heeft gene- gotieerd. Neigen, neigde, heeft geneigd. Neiging (begeerte), V., neigingen. Nek, M., nekken. Nekje, O., -jes. Nekken, nekte, heeft genekt. Nekslag, M. Nel, V., nellen. Nemen, nam, namen, heeft genomen. Neologie, V. Neologisme, O., neologismen. Neoloog, M., neologen. Nephritis, V. Nepotisme, o. Neppe (ook nippe), V. Nereïde, V., nereiden. Nerf, V. Nergens. Nering, V., neringen. Neringdoende, M. en V., -doenden. Neringloos, -looze. Neringloosheid, V. Nerveus, nerveuzer, nerveust. Nervositeit, V. Nes, V., nessen. Nest, O., nesten. Nestje, O., -jes. Nestei, O., -eieren. Nestel, M., nestels en nestelen. Nes- teltje, O., -jes. Nestelaar, M., nestelaars. Nestelen (toerijgen enz.), nestelde, heeft genesteld. Nestelen (een nest maken), nestelde, heeft genesteld. Nesteling (dier), M., nestelingen. Nesteling, V., nestelingen. |
NEV.
NES.
236
|
Nestebij, V., nesteryen. Nesterijtje, o., -jes. Nestig, nestiger, nestigst. Nestigheid, V., -heden. Nestvederen (mv.), V. Net, O., netten. Netje, O., -jes. Net (netschrift), O. Net, netter, netst. Net (bjjw.). Netbord, O., -borden. Netel, V., netels en netelen. Neteltje, O., -jes. Netelachtig, -achtiger, -achtigst. Netelachtigheid, V. neteldoek, o. neteluoeksch. Netelen, netelde, heeft geneteld. Netelig, neteliger, neteligst. Neteligheid, V. Netelboos, V. Netenkam (kam), M., -kammen. Netenkam (persoon), M. en V., -kammen. Netheid, V. Netjes. Netschbift, o. Netten, nette, heeft genet. Nettenbbeien, O. Nettenbbeieb, M., -brelers. Nettenknoopen, O. Nettenknoopeb, M., -knoopers. Nettigheid, V. Netto. Netto-winst, V. Netvlies, O. Neulen, neulde, heeft geneuld. Neubiën, neuriede, heeft geneuried. Neus, M., neuzen. Neusje, O., -jes. Neusbeen, O. Neusbloeding, V., -bloedingen. Neusdoek, M.,-doeken; -doekje, o.,-jes. Neusgat, o., -gaten. Neusholte, V. Neushoobn en neushoben, M., -hoorns en -horens. Neuskijkeb, M., -kijkers. Neusklank, M., -klanken. Neusknijpeb, M., -kn^pers. Neusstem, V., -stemmen. Neuswijs, -wyze. Neut, V., neuten. Neutelaab, M., neutelaars. Neutelaabsteb, V., neutelaarsters. Neutelabu, v., neutelaryen. Neutelen, neutelde, heeft geneuteld. NeutelIg, neuteliger, neuteligst. Neuteligheid, V. Neutbaal, neutrale. Neutbaliseeben, neutraliseerde, heeft geneutraliseerd. Neutbaliteit, V. Neuzelaab, M., neuzelaars. Neuzelaabsteb, V., neuzelaarsters. Neuzelen, neuzelde, heeft geneuzeld. Neuzen, neusde, heeft geneusd. |
Nevel, M., nevels en nevelen. Neveltje, O., -jes. Nevelachtig, -achtiger, -achtigst. Nevelen, nevelde, heeft geneveld. Nevelig, neveliger, neveligst. Nevelvlek, V., -vlekken. Nevens. Nevensgaand. Nicht, V., nichten. Nichtje, O., -jes. Nicotine, V. Nicotinevebgifticing, V. Niemand. Niemendal. Nieb, V., nieren. Niertje, o., -jes. Niebbed, o. Niebbboodje, o., -broodjes. Niebsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes. Niebvobmig. Nïebziekte, V., -ziekten. Nieskbuid, O. Niesmiddel, O., -middelen. Nieswobtel, V. Niet (in de lotery), V., nieten. Nietje, O., -jes. Niet (klinknageltje). Zie Neet. Niet (niets), o. Niet (stof), O. Niet (byw.). Nieten (klinken). Zie Neeten. Nietig, nietiger, nietigst. Nietigheid, V., -heden. Niets. Nietsbeteekenend. Nietsv/aabdig. Niettegenstaande, Nietiemin. Nieuw, nieuwer, nieuwst. Nieuwbakken. Nieuweling, M. en V , nieuwelingen. V ook nieuwelinge. Nieuwelings. Nieuwemaan, V. Nieuwebwets (bijw.). Nieuwebwetsch (bnw.),-wetscher, meest -wetsch. Nieuwgebonden. Nieuwgebouwd. Nieuwgemunt. Nieuwgevebfd. Nieuwgevobmd. Nieuwheid, V. Nieuw-holland, O. Nieuwigheid, V., -heden. Nieuwlgheidje, O., -jes. Nieuwigheidsbejag, O. Nieuwigheidszucht, V. Nieuwjaab, O. Nieuwjaabsbezoek, o., -bezoeken. Nieuwjaabsbbief, M., -brieven. Nieuwjaabsdag, M., -dagen. Nieuwjaabsfooi, V., -fooien. Nieuwjaabsgeschenk, O., -geschenken. Nieuwjaabsgboet, M., -groeten. |
NIE 237 NOE.
|
Nieuwjaarskaart, V., -kaarten; -kaartje, O., -jes. Nieuwjaarsmorgen, M., -morgens. Nieuwjaarsprent, V., -prenten. Nieuwjaarswensch, M., -wenschen. Nieuwkoop, M., -koopje, O. Nieuwlichter, M., -lichters. Nieuwlichterij, V. Nieuwmodisch. nieuws, o. Nieuwsgierig, -gieriger, -gierigst. Nieuwsgierigheid, V. N ieu wsgierigli jk. Nieuwspapier, O., -papieren. Nieuwstijding, V., -tydingen. Nieuwtje, O., -jes. Niezen, niesde, heeft geniesd. Niezing, V., niezingen. Nihilisme, O. Nihilist, M., nihilisten. NihilIste, V., nihilisten. Nijd, M. Nijdas, M., nijdassen. Nijdasserig. nijdig, nijdiger, nijdigst. Nijdigaard, M., nijdigaards. Nijdigheid, V. Nijgen, neeg, negen, heeft genegen. Nijging (buiging), V., nijgingen. Nijnagel en nijdnagel, M., -nagels. Nijnageltje, O., -jes. Nijpen, neep. nepen, heeft genepen. Nijper, M., nijpers. Nypertje, O., -jes. Nijping, V., nijpingen. Nijptang. V., -tangen. Nijver, nyverder, ny verst. Nijverheid, V. Nik, M., nikken. Nikkel (onkruid), V. Nikkel (metaal), O. Nikkelen (bnw.). Nikken, nikte, heeft genikt. Nikker, M., nikkers. Nikkertje, O.,-jes. Niks. Nimf, V., nimfen. Nimfje, O., -jes. Nimfenstoet, M. Nimmer. Nimmermeer. Nippe. Zie Neppe. Nippen, nipte, heeft genipt. Nippertje, O. Nis, V., nissen. Nisje, O., -jes. Niveau, O., niveau's. Nïvelleeren, nivelleerde, heeft genivelleerd. Nobel, M., nobels en nobelen. Nobel, nobeler, nobelst. Noch (ook niet). Nochtans. Nocturne, V., nocturnes. Noembaar, -bare. Noemen, noemde, heeft genoemd. Noemenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. |
Noemer, M., noemers. Noen,M. Noenmaal, O. Noest (ook oest), M., noesten. Noest, noester, noestste. Noesterig, noesteriger, noesterigst. Noesterigheid, V. Noestheid, V. Noestig, noestiger, noestigst. Noestigheid, V. Nog (daarenboven, tot nu toe). Noga, v. Nogal. Nogataart,V.,-taarten; -taartje, O.,-jes. Nogmaals. Nok (snik), M., nokken. Nokje, O., -jes. Nok (van het dak enz.), V., nokken. Nokje, O., -jes. Nokbalk, M.. -balken. Nokken, nokte, heeft genokt. Nomaden (mv), M. Nomadenleven, O. Nomadenstam, M., -stammen. Nomadisch. Nomenclatuur, V., nomenclaturen. Nominaal, nominale. Nominalisme, O. ! Nominalist, M., nominalisten. Nominatie, V., nomination en nominaties. i Nommer en nummer, O., nommers en nummers. Nommertje en nummertje, ! O., -jes. ; Nommeraar, M., nommeraars. i Nommeren en nummeren, nommerde, j heeft genommerd. Nommerijzer. o., -ijzers : Nommering, V., nommeringen. ; Nommerverwisselaar, M., -verwisse-i laars. i Non, V., nonnen. Nonnetje, O., -jes; ook nonneken en nonneke, O., nonnekens en nonnekes. | Non actief, nonactieve. | Nonactiviteit, V. Nonactiviteits-traktement, o., -traktementen. Nonchalance, V. Nonchalant, nonchalanter, noncha- lantst. Nonnecel, V., -cellen. Nonnengewaad, o. Nonnenkleed, O., -kleederen. Nonnenklooster. O., -kloosters. Nonnenleven, O. i Nonnenorde, V., -orden, i Nonnensluier, M., -sluiers. i Nonsens. M. i Nonsensicaal, -cale. j Nonvaleur, M., nonvaleurs. i Nood. M., nooden. ! Noodbrug, V., -bruggen. Nooddeur, V., -deuren. I Nooddruft, V. |
NOO.
238
NOO.
|
Nooddruftig, -druftiger, -druftigst. Nooddruftigheid, V. Noode (Van noode). Noode (ongaarne). Noodeloos, -looze. Noodeloosheid, V. Nooden, noodde, heeft genood. Nooder, M., nooders. Noodhaven, V., -havens. Noodhulp, m en V., -hulpen. Noodig, noodiger, noodigst. Noodigen, noodigde, heeft genoodigd. Noodiger, M., noodigers. Noodiging, V., noodigingen. Noodigster, V., noodigsters. Noodklok, V., -klokken. Noodlijdend. Noodlijdende, M. en v., -lydenden. Noodlot, O. Noodlottig, -lottiger, -lottigst. Noodlottigheid, V. Noodmunt, V., -munten. Noodrem, V., -remmen. Noodschot, O., -schoten. Noodsein, O., -seinen. Noodweer (tegenweer), V. Noodweer en noodweder (hevig on- weder), O. Noodwendig, -wendiger, -wendigst. Noodwendigheid, V. Noodwet, V., -wetten. Noodzaak, V. Noodzakelijk, -lijker, -lijkst. Noodzakelijkheid, V. Noodzaken, noodzaakte, heeft genoodzaakt. Nooit. Noopijzer. O., -üzers. Noor, M., Noren. Noord (byw.). Noord (het Noorden), Ã.; (denoordelyk gelegen landen), v. Noord-brabant, O. Noordelijk, -lyker, -lijkst. Noordelijken, noordelijkte, is genoor- deiykt. Noorden, O. Noordenwind, M., -winden. Noorderbreedte, V. Noorderlicht, O. Noorderzon, V. Noordfriesch. Noord-holland, O. Noordhollandsch. Noordnoordoost (bijw.). Als znw., o. Noordnoordwest (bijw.). Als znw., O. Noordoost (bijw.). Als znw., o. Noordoostelijk. Noordoosten, o. Noorhoosteren, noordoosterde, is ge- noordoosterd. Noordpool, V. Noordpoolexpeditie, V., -expedities. NoordpoolreIziger, M., -reizigers. |
Noordpoolvaarder, M., -vaardera. Noordsch. Noordwaarts. Noordwest (b^jw.). Als znw., O. Noordwestelijk. Noordwesten, o. Noordwesteben, noordwesterde, is ge- noordwester d. Noordzee, V. Noorman, M., -mannen. Noorsch (Noorweegsch). Noorsch, o. Noorweegsch. Noorwegen, o. Noot (zangnoot en aanteekening), V., noten. Nootje, O., -jes. Noot (vrucht), V., noten. Nootje, 0.,-jes. Nop, V., noppen. Nopje, O., -jes. Nopen, noopte, heelt genoopt. Nopens. Nopijzer, O., -yzers. Nopjeslaken, o. Noppen, nopte, heeft genopt. Nopper, M., noppers. Noppig, noppiger, noppigst. Nopschaar, V., -scharen. Nopster, V.. nopsters. Normaal, normale. Normaallessen (mv.), V. Normaalschool, V., -scholen. Normaliseeren, normaliseerde, heeft genormaliseerd. Normaliteit, V. Norrch, norscher, meest norsch. Nobschelijk. Norschheid, V., -heden. Nota, V., nota's. Notabel, notabeler, notabelst. Notabele, M.f notabelen. Notariaat, O., notariaten. Notarieel, notarieele. Notaris, M., notarissen. Notarisambt, o. Notarishuis, O., -huizen. Notariskantoor, O., -kantoren. Notarisklerk, M.. -klerken. Noteboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Noteboomen (bnw.). Noteboomhout, o. Notedop, M., -doppen; -dopje, O., -jes. Noteeren, noteerde, heeft genoteerd. Noteering, V., noteeringen. Notemuskaat (noot), v., -muskaten; (stof), O. Notemuskaatje, O., -jes. Notenbalk, M , -balken. Notendruk, M, Notenkraker, M., -krakers. Notenschrift, o. Notie, V., notiën en noties. Notificatie, V., notification en notificaties. Notitie, V., notitiën en notities, i Notitieboekje, O., -boekjes. |
NUM.
239
NOT.
|
Notulen (mv.), V. Notulenboek, O., -boeken. Notweg, M., -wegen. Novelle, quot;V., novellen. Novellist, M., novellisten. November, M. Novice, M. en V., novices. Noviciaat, O. Nu. Nuance, V., nuances en nuancen. Nuanceeren, nuanceerde, heeft genuanceerd. Nuanceering, V., nuanceeringen. Nuchter, nuchterder, nuchterst. Nuchterhkid, V. Nuf, V., nuffen. Nufje, O., -jes. Nuffen, nufte, heeft genuft. Nuffig, nuttiger, nuttigst. Nuffigheid, V. Nuk, V., nukken. Nukje, O., -jes. Nukkig, nukkiger, nukkigst. Nukkigheid, V. nul, V., nullen. Nulletje, o., -jes. Nulliteit, V., nulliteiten. Nulpunt, o, Numero, O. Numismatiek, V. |
Numismatisch. Nummer, nummeren, enz. Zie Nommerj, Nommeren, enz. Nurk, M., nurken. Nurken, nurkte, heeft genurkt. Nurkig, nurkiger, nurkigst. Nurkigheid, V. Nurksch, nurkscher, meest nurksch. Nurkschheid, V. Nusselaar, M., nusselaars. Nusselen, nusselde, heeft gehusseld. Nut, O. Nut, nutter, nutst. Nutslezer, M., -lezers. Nutslezing,. V., -lezingen. Nutsvergadering, V., -vergaderingen. Nut8verhandeling,V.,-verhandelingen Nutteloos, -loozer, -loost. Nutteloosheid, V. Nutten, nutte, heeft genut. Nuttig, nuttiger, nuttigst. Nuttigen, nuttigde, heeft genuttigd. Nuttigheid, V. Nuttigheidsbejag, O. Nuttiging, V. Nuttiglijk. |
O-
|
O, v., o's. O (tusschenw.). Als znw., O., o's. Ootje, O., -jes. Oase, V., oasen. O-BEENEN (mv.), O. O-beentyes, O. Obelisk, M., obelisken. Object, O., objecten. Objectie, V.. objectiën en objecties. Objectief, objectiever, objectiefst. Objectief, O., objectieven. Objectiviteit, V. Oblie, V., oblieën. Oblietje, O., -jes. Oblieman, M., -mannen. Oblietrommel, V., -trommels; «trommeltje, O., -jes. Obligaat (bjjw.), â spelen, â zingen. Als znw., O., obligaten. Obligatie, V., obligatiën en obligaties. Obligatiehouder, M., -houders. Obligeeren, obligeerde, heeft geobli-geerd. Obscoen en obsceen^ obscene. Obscoeniteit, V., -teiten. Obscurantisme, O. Obscuur, obscure. Observatie, V., observatiën en observaties. Observator, M., observatoren. Observatorium, O., observatoriums en observatoria. Obrerveeren, observeerde, heeft geobserveerd. |
Obstakel, O., obstakels. Obstetrie, v. Obstructie, V., obstructies. Obstructionisme, O. Obstructionist, M.. -isten. Oceaan, M., oceanen. Och. Ocharm en ocharmen (tusschenw.). Ochtend en uchtend, M., ochtenden. Ochtendje, O., -jes. Ochtendbezoek, O., -bezoeken. Ochtenddienst. M., -diensten. Ochtend Med, O., -liederen. Ochtendlucht, V. Ochtendstond, M., -stonden. Ochtendtrein, M., -treinen. Octaaf, V., octaven. Octaafje, O., -jes. Octant, V., octanten. Octavo (bnw.). Als znw., O., octavo's Octavootje, O., -jes, en Octaafje, O. -jes. October, M. Octrooi, O., octrooien. Octrooitje, O. -jes. Octrooieeren, octrooieerde, heeft ge octrooieerd. Oculist, M., oculisten. Ode, V., oden. Odendichter, M., -dichters. Odenstijl, M. Odeur, V., odeuren; odeurtje, O., -jes. Odeurfleschje, O., -jes. |
OFF.
240
OEC.
|
Oeconomie (staathuishoudkunde), V.; ook Economie. Oeconomisch, ook Economisch. Oeconoom, M., oeconomen; ook Econoom. Oef (tusschenw.). Oefenaar, M., oefenaars en oefenaren. Oefenaarster, v., oefenaarsters. Oefendag, M., -dagen; -dagje, O.,-daag-jes. ⢠Oefenen, oefende, heeft geoefend. Oefening, V., oefeningen. Oefeningetje, O., -jes. Oefeningskamp, O., -kampen. Oefenkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Oefenperk, o., -perken. Oefenplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes. Oefenschool, V., -scholen; -schooltje, O., -jes. Oefentijd, M. Oefenzaal, V., -zalen: -zaaltje, O.,-jes. Oefenzdster, V., -zusters. Oeh (tusschenw.). Oei (tusschenw.). Oeken, oekte, heeft geoekt. Oele (tusschenw.). Oer (yzerhoudende aarde), O. Oerachtig, -achtiger, -achtigst. Oergrond, M., -gronden. Oerig, oeriger, oerigst. Oerlaag, V., -lagen. Oeros, M., oerossen. Oest, oestig, enz. Zie Noest, enz. Oester, V., oesters en oesteren. Oester- tje, O., -jes. Oesterbank, V., -banken. Oesterhandel, M. Oesterhuis, O., -huizen. Oesterpartij, V., -partijen. Oesterpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes. Oesterput, M., -putten. Oesterschelp, V., -schelpen. Oestebteelt, V. Oever, M., oevers. o ever a as, o. Oeverhaam, M , -hamen. Oeverlicht, O., -lichten. Oeverlooper, M., -loopers. Oeverval, M., -vallen. Of. Offensief, offensiever, offensiefst. Offer, O., otters en offeren. Offertje, O., -jes Offeraar, M., offeraren en offeraars. Offeraltaar, O., -altaren. Offerambt, O., -ambten. Offerande, V., offeranden. Offerbeest, O., -beesten. Offerbijl, V., -bfllen. Offerblok, o., -blokken. Offerbus, V., -bussen. |
Offerdienaar, M., -dienaars en -dienaren. Offerdienst, M., -diensten. Offerdier. O., -dieren. Offeren, offerde, heeft geofferd. Offerfeest, O., -feesten. Offergave, V., -gaven. Offergeld, O. Offergift, V., -giften. Offering, V., oiferingen. Offerkelk, M,, -kelken. Offerkist, V., -kisten. Offerlam, O., -lammeren. Offermaal, O., -malen. Offermes, O., -messen. Offerpenning, M.. -penningen; -penningske, O., -kes. Offerplaats, V., -plaatsen. Offerplechtigheid, V., -plechtigheden. Offerpriester, M., -priesters en -pries-teren. Offerschaal, V., -schalen. Offerstier, M., -stieren. Offerte, V., offertes en offerten. Offervaardig, -vaardiger, -vaardigst. Offervlam, V., -vlammen. Offerwijn, M. Offerwillig, -williger, -willigst. Officiant, M., officianten. Officie, O., officiën en officies. Officieel, offlcieele. Officier, M., officieren en officiers. Offi- ciertje, O., -jes. Officierensociëteit, V., -sociëteiten. Officiersdegen, M., -degen. Officiersepaulet, V., -epauletten. Officierskind, O., -kinderen. Officierskleeding, V. Officierskok, M., -koks. Officiersmonteering, V., -monteeringen. Officierspensioen, O., -pensioenen. Officiersplaats, v., -plaatsen. Officiersrang. M . -rangen. Officiersroeier, M., -roeiers. Officierssloep, v., -sloepen. Officierstafel, v., -tafels. Officierstenue, v. Officierstraktement, O., -traktementen; -traktementje, O., -jes. Officiersuniform, V. Officiersweduwe, V., -weduwen. Officieus, officieuze. Ofschoon. Ogief (kruisboog), O., ogieven. Ogiefje, O., -jes. Ogief en ojief (vloeilyst), O., ogieven en ojieven. Ogiefje en ojiefje, O., -jes. Ogiefsgewijze en -gewijs. Ogivaal. ogivale. Oho (tusschenw.). Oi (tusschenw.). Oir (nakroost). O. Ojief, O.. Zie Ogief. |
OLl.
OJI.
241
|
Ojief (ojiefschaaf), V., ojieven. Okeb, V. Okerachtig, -achtiger, -achtigst. Okekkleubiq. Okernoot. Zie Okkernoot. Okkernoot en okernoot, V., -noten. Okkernoteboom, M., -boomen. Oksaal, O., oksalen. Oksaaltje, O., -jes. Oksel, M., oksels en okselen. Okseltje, O., -jes. Okselhaab, o. Okselschbooi, V., -schroeien. Okshoofd, O., okshoofden. Oldebman, M., -mans, -mannen en -lieden. Oleandeb, M., oleanders. Oleandertje, O., -jes. olie, V., oliën. Olietje, O., -jes. Olieachtig, -achtiger, -achtigst. Olieachtigheid, V. Oliebol, M., -bollen. üliebollenkbaam, V., -kramen. Oliedom, -domme. Oliekan, V., -kannen; -kannetje, O., -jes. Oliekoek, M., -koeken. Oliekoop, M., -koopen. Oliekop, M., -koppen; -kopje, O., -jes. Olielamp, V., -lampen; -lampje,O.,-jes. Oliemolen, M., -molens. Oliën, oliede, heelt geolied. Oliesel, O. Olieslageb, M., -slagers. Olieslagebij, V. Oliesteen, M., -steenen; -steentje, o., -jes. Olievebf, V., -verven. Oliezaad, o. Olifant, M., olifanten. Olifantje, O.,-jes. Olifantenjacht, V., -jachten. Olifantenjageb, M., -Jagers. OlIfantenkbaal, V., -kralen. Olifantsbeen, O., -beenderen. Olifantshuid, V., -huiden. Olifantskeveb, M., -kevers; -kevertje, O., .jes. Olifantsluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes. Olifantsobde, V., -orden. Olifantspapieb, O. Olifantsbiddeb, M., -ridders. Olifantssnuit, M., -snuiten. Olifantstand, M., -tanden. Olifantstob, V., -torren; -torretje, O., -jes. Olifantstbomp, V., -trompen. Olifantsvoet, M., -voeten. Olijf (boom), M.; (vrucht), V., olyven. Olyfje, O., -jes. Olijfachtig, -achtiger, -achtigst. Olijfbebg, M., -bergen. Olijfgboen. Olijfkleubig. Olijftak, M., -takken. Olijven, olyfde, heeft geolijfd. Olijvenhout, O. |
Olijvenolie en olijfolie, V. Olijvenoogst, M. Olijvenpebs, V., -persen. Olijventijd, M. Olm, M., olmen. Olmpje, O.j -jes. Olmenhout en olmhout, O. Ologbaphisch. Olympisch. Olympus, M. Om. Oma (grootmama), V. Omaatje, O. Omademen, ademde om, heeft omge-ademd; ook omademde, heeft om-ademd. Omakkeben, akkerde om, heeft omge-akkerd. Omabmen, omarmde, heeft omarmd. Omabming, V., -armingen. Omabben, ook omnabben, arde (narde) om, heeft en is omgeard (omgenard). Ombaksen, bakste om, heeft omgebakst. Omballing, V. Ombanen, baande om, heeft omgebaand. Ombedelen, bedelde om, heeft omge-bedeld. Ombellen, belde om, heeft omgebeld. Ombeb (aardsoort), V. Omber (in 't kaartspel), M., ombers. Ombertje, O., -jes. Ombebaab, M., omberaars. Ombebaabster, V., omberaarsters. Ombebdoos, V., -doezen; -doosje, O., -jes. Ombeben, omberde, heeft geomberd. Ombebgezelschap, O., -gezelschappen. Ombebkaabten (mv.), V. Ombebkleub, V. Ombebkbans, M., -kransen; -kransje, O., -jes. Ombebpabtij, V., -partyen; -partijtje. O., -jes. Ombebspel (het spel), O.,-spelen; -spelletje, O.,-jes; (stel kaarten), O.,-spellen; -spelletje, O., -jes. Ombebtafel, v., -tafels;-tafeltje,O.,-jes. Ombebvisch, M., -visscnen. Ombebvogel, M., -vogels. Ombijten, beet om, beten om, heeft omgebeten. Ombinden, bond om, heeft omgebonden; ook ombond, heeft ombonden. Omblazen, blies om, bliezen om, heeft omgeblazen. Omblijven, bleef om, bleven om, is om-gebleven. Omblikken, blikte om, heeft omgeblikt. Ombliksemen, bliksemde om, heeft om-gebliksemd. Ombloeien, ombloeide, heeft ombloeid. Ombocht, V., -bochten. Omboenen, boende om, heeft omgeboend. Omboeben, boerde om, heeft omgeboerd. Ombonzen, bonsde om, heeft omge-bonsd. |
16
OMD.
OMB.
242
|
Omboomen, boomde om, is en heelt om-geboomd. Omboorden, boordde om, heeft omgeboord; ook omboordde, heeft omboord. Omboobding, V., -boordingen. omboordsel, ü., -boordsels en -boord-selen. Ombrassen, braste om, heeft omgebrast. ombreien, breide om, heeft omgebreid. Ombrengen, bracht om, heeft omgebracht. Ombrenger, M., -brengers. ombrenging, v. Ombrengster. V., -brengsters. Ombruisrn, bruiste om, heeft omge-bruist; ook ombruiste, heeft ombruist. Ombuigen, boog om, bogen om, heeft en is omgebogen. Ombuiging, V,, -buigingen. ombuitelen, buitelde om, heeft en is omgebuiteld. ombuiteding, V., -buitelingen. Omdammen, omdamde. heeft omdamd. omdamming, V., -dammingen. Omdam- minkje, O., -jes. Omdansen, danste om, heeft en is om-gedanst; ook omdanste, heeft om-danst. omdartelen, dartelde om, heeft omge-darteld; ook omdartelde, heeft om-darteld. ()mdat. Omdeelen, deelde om, heeft omgedeeld. omdeeler, M., -deelers. omdeeling, V.. -deelingen. Omdijken, omdykte. heeft omdykt. Omdijking, V., -dijkingen. Omdobberen, dobberde om, heeft om- gedobberd. Omdoen, deed om, deden om, heeft omgedaan. Omdolen, doolde om, heeft omgedoold; ook omdoolde, heeft omdoold. Omdoling, V., -dolingen. Omdonderen, donderde om, is en heeft omgedondord. Omdouwen. Zie Omduwen. omdraai, M., -draaien. Omdraaien, draaide om, is en heeft omgedraaid. Omdraaiing, V., -draaiingen. Omdracht, V., -drachten. omdragen, droeg om, heeft omgedragen. Omdraven, draafde om, heeft en is om-gedraafd. Omdrentelen, drentelde om, heeft en is omgedrenteld. Omdribbelen, dribbelde om, heeft en is omgedribbeld. Omdrijven, dreef om, dreven om, is en heeft omgedreven; ook omdreef, om-dreven, heeft omgeven. |
Omdrinken, dronk om, heeft omgedron-ken. Omdrogen, droogde om. heeft omge-droogd. Omduikelen, duikelde om, heeft en is omgeduikeld. Omduiken, dook om, doken om, is om-gedoken. Omduwen, duwde om, heeft omgeduwd. Omdwalen, dwaalde om, heeft omgedwaald. Omdwaling, V., -dwalingen. Omdwarrelen, dwarrelde om, heeft om-gedwarreld. Omdwarreling, V. Omdweilen, dweilde om, heeft omge-dweild. Omega, V., omega's. Omeggen, egde om, heeft omgeëgd. Omegging, V. Omelet, V., omeletten. Omeletje, O , -jes. Omfladderen, fladderde om, heeft om-gefladderd: ook omfladderde, heeft omfladderd. Omflikkeren, omflikkerde. heeft om-flikkerd; ook flikkerde om, heeft en is omgeflikkerd. Omfloersen, omfloerste, heeft omfloerst. Omgaan, gaat om, ging om, heeft en is omgegaan; ook omgaat, omging, heeft omgaan. Omgang, M., -gangen. Omgekeerd. OmgeuAnden (mv.), M. en V. Omgelegen. Omgeschreven. Omgespen, gespte om, heeft omgegespt. Omgeuren, omgeurde, heeft omgeurd. Omgeven, gaf om, gaven om, heeftom-gegeven; ook omgaf, omgaven, heeft omgeven. Omgeving, V. Omgezetenen (mv.), M. en V. Omgier, M., -gieren. Omgieren (zich zijdelings bewegen), gierde om, is omgegierd. Omgieren (schreeuwen), gierde om, heeft omgegierd; ook omgierde, heeft omgierd. Omgieten, goot om, goten om, heeft omgegoten; ook omgoot, omgoten, heeft omgoten. Omgieting, V. Omglijden, gleed om, gleden om, is en heeft omgegleden. Omglinsteren, omglinsterde, heeft om-glinsterd. Omgloren, omgloorde, heeft omgloord. Omgluren, gluurde om, heeft omge-gluurd. Omgolven, golfde om. heeft omgegolfd; ook omgolfde, heeft omgolfd. Omgolving, v. Omgooien, gooide om, heeft omgegooid. |
OMH.
OMG.
248
|
Omgorden, gordde om, heeft omgegord; ook omgordde (zich), heeft (zich) omgord. Omgokding, V. Omgkabbelen, grabbelde om, heeft om- gegrabbeld. Omgraven, groef om, groeven om, heeft omgegraven; ook omgroef, omgroeven, heeft omgraven. Omgraving, V., omgravingen. Omgrenzen, omgrensde, heeft omgrensd. omgrenzing, V., -grenzingen. Omgrijpen, greep om, grepen om, heeft omgegrepen; ook omgreep, omgrepen, heeft omgrepen. Omgrijping, v. Omgroeien, omgroeide, heeft omgroeid. Omgroenen, omgroende. heeft om-groend. Omhaal, m., -halen. Omhaaltje, o., -jes. Omhaken, haakte om, heeft omgehaakt; ook omhaakte, heeft omhaakt. Omhakken, hakte om, heeft omgehakt. Omhakking, V., -hakkingen. Omhalen, haalde om, heeft omgehaald. omhaling, v., -halingen omhalzen, halsde om, heeft en is om-gehalsd. Omhangen, hing om. heeft omgehangen; ook omhing, heeft omhangen. omhangerig, -hangeriger, -hangerigst. Omhanging, v. Omhangsel, O., -hangsels en -hangselen. Omhangseltje, O., -jes. Omhaspelen, haspelde om, heeft omgehaspeld. Omhebben, heeft om, had om, hadden om, heeft omgehad. Omheen (byw.). Omheinen, omheinde, heeft omheind. Omheining, v., -heiningen. Omheininkje, O., -jes. Omhelpen, hielp om, heeft omgehol-pen. omhelzen, omhelsde, heeft omhelsd. omhelzing, v., -heizingen. omhoepelen, hoepelde om, heeft en is omgehoepeld; ook omhoepelde, heeft omhoepeld. Omhokken, hokte om, heeft omgehokt. omhollen, holde om, heeft en is om- gehold. omhoog. Omhoogbeuren, beurde omhoog, heeft omhooggebeurd. omhoogblazen, blies omhoog, bliezen omhoog, heeft omhooggeblazen. Omhoogdruven, dreef omhoog, dreven omhoog, heeft omhooggedreven. Omhoogdrukken, drukte omhoog, heeft omhooggedrukt. omhoogduwen, duwde omhoog, heeft omhooggeduwd. |
Omhooggaan, gaat omhoog, ging omhoog, is omhooggegaan. Omhooghalen, haalde omhoog, heeft omhooggehaald. Omhoogheffen, hief omhoog, hieven omhoog, heeft omhooggeheven. Omhooghouden, hield omhoog, heeft omhooggehouden. Omhoogjagen, jaagde omhoog, heeft omhooggejaagd; ook joeg omhoog. Omhoogkijken, keek omhoog, keken omhoog, heeft omhooggekeken. Omhoograken, raakte omhoog, is omhooggeraakt. Omhoogrichten, richtte omhoog, heeft omhooggericht. Omhoogruzen, rees omhoog, rezen omhoog, is omhooggerezen. Omhoogschieten, schoot omhoog, schoten omhoog, heeft en is omhoogge-schoten. Omhoogslaan, slaat omhoog, sloeg omhoog, heeft en is omhooggeslagen. Omhoogspringen, sprong omhoog, is omhooggesprongen. Omhoogstaan, staat omhoog, stond omhoog, heeft omhooggestaan. Omhoogstaren, staarde omhoog, heeft omhooggestaard. omhoogsteken, stak omhoog, staken omhoog, heeft omhooggestoken. Omhoogstijgen, steeg omhoog, stegen omhoog, is omhooggestegen. Omhoogstuiven, stoof omhoog, stoven omhoog, is omhooggestoven. Omhoogtillen, tilde omhoog, heeft omhooggetild. Omhoogtrekken, trok omhoog, trokken omhoog, heeft omhooggetrokken. Omhoogturen, tuurde omhoog, heeft omhooggetuurd. Omhoogvliegen, vloog omhoog, vlogen omhoog, is omhooggevlogen. Omhoogvoeren, voerde omhoog, heeft omhooggevoerd. Omhoogwerken (zich â), werkte (zich) omhoog, heeft (zich) omhooggewerkt. Omhoogwerpen, wierp omhoog, heeft omhooggeworpen. Omhoogzien, zag omhoog, zagen omhoog, heeft omhooggezien. Omhoogzitten, zat omhoog, zaten omhoog, heeft omhooggezeten. Omhoogzwaaien, zwaaide omhoog, heeft omhooggezwaaid. Omhooren, hoorde om, heeft omgeboord. Omhouden, hield om, heeft omgebonden. Omhouwen, hieuw om, heeft omgehouwen. Omhouwer, M., -houwers. Omhouwer-tje, O., -jes. Omhouwing, V. Omhuilen, huilde om, heeft omgehuild; ook omhuilde, heeft omhuild. |
OMH.
OMK.
244
|
Omhullen, omhulde, heeft omhuld. Omhulling, V., -hullingen. Omhulsel, O., -hulsels en -hulselen. Omhunkeren, hunkerde om, heeft om-gehunkerd. Omhutselen, hutselde om, heeft om-gehutseld. Omijlen, yide om, heeft en is omgejjld. Omineus, omineuzer, omineust. Omissie, V., omissiën en omissies. Omjagen, jaagde om, heeft en is om-gejaagd; ook joeg om. Omjanken, jankte om, heeft omgejankt. Omkaatsen, kaatste om, heeft omge-kaatst. Omkabbelen, omkabbelde, heeft om-kabbeld. Omkaden, omkaadde, heeft omkaad. Omkading, v., -kadingen. Omkantelen, ook omkentelen, kantelde om, heeft en is omgekanteld. Omkanteling, V., -kantelingen. Omkanten, kantte om, heeft omgekant. Omkantijzer, O., -yzers; -ijzertje, O., -jes. Omkappen, kapte om, heeft omgekapt. Omkapping, V. Omkeer, ook ommekeer, M. Omkeeren, keerde om, heeft en is'omgekeerd. Omkeering, V., -keeringen. Omkegelen, kegelde om, heeft omgekegeld. Omkenteren, kenterde om, is omge-kenterd. Omkijken, keek om, keken om, heeft omgekeken. Omkleeden, kleedde (zich) om, heeft (zich) en is omgekleed; ook omkleedde, heeft omkleed. Omkleeding, V., -kleedingen. Omkleedsel, O., -kleedsels en -kleed-selen. Omklemmen, omklemde, heeft omklemd. Omklemming, V-, -klemmingen. Omkleppen, klepte om, heeft omgekiept. Omkletsen, kletste om, heeft en is omgekletst. Omklimmen, klom om, heeft en is omgeklommen. Omklinken, klonk om, heeft omgeklonken; ook omklonk, heeft omklonken. Omklinking, V., -klinkingen. Omkloppen, klopte om, heeft omgekiept. Omklopping, V. Omklotsen. klotste om, heeft omgekletst; ook omklotste, heeft omklotst. Omkluisteren, omkluisterde, heeft om-kluisterd. Omklungelen, klungelde om, heeft omgeklungeld, omklutsen, klutste om, heeft omge-klutst. |
Omknabbelen, knabbelde om, heeft omgeknabbeld. Omkneden, kneedde om, heeft omge-kneed; ook omkneedde, heeft omkneed. Omknellen, omknelde, heeft omkneld. Omknelling, V., -knellingen. Omknielen, omknielde, heeft omknield. Omknikkeren, knikkerde om, heeft omgeknikkerd. Omknippen, knipte om, heeft omgeknipt. Omknoopen, knoopte om, heeft omgeknoopt. Omknuffelen, knuffelde om, heeft om-geknufleld. Omknutselen, knutselde om, heeftom-geknutseld. Omkogelen, kogelde om, heeft omgekegeld. Omkomen, komt om, kwam om, kwamen om, is omgekomen. Omkoop, M. Omkoopbaar, -bare. Omkoopbaarheid, V. Omkoopen, kocht om, heeft omgekocht. Omkooper, M., -keepers. Omkooperij, V., -kooperijen. Omkooping, V., -koopingen. Omkorsten, omkorstte, heeft omkorst. Omkorsting, V., -korstingen. Omkoud (er â zjjn). Omkrabbelen, krabbelde om, heeftom-gekrabbeld. Omkrabben, krabde om, heeft omge-krabd. Omkbabsel, O. Omkragen, omkraagde, heeft omkraagd. Omkransen, omkranste, heeft omkranst. Omkransing, V., -kransingen. Omkrassen, kraste om, heeft omgekrast: ook omkraste, heeft omkrast. Omkrauwen, krauwde om, heeft omge-krauwd. Omkreuken, ook omkroken, kreukte om, heeft en is omgekreukt. Omkrijgen, kreeg om, kregen om, heeft omgekregen. Omkrijschen, kreesch om, kreschen om, heeft omgekreschen; en krijschteom, heeft omgekryscht; ook omkreesch, omkreschen, heeft omkreschen. Omkroken. Zie Omkreuken. Omkrommen, kromde om, heeft en is omgekromd. Omkromming, V., -krommingen. Om-kromminkje. O., -jes. Omkronen, omkroonde. heeft omkroond. Omkronkelen, kronkelde om, heeft en is om gekronkeld; ook omkronkelde, heeft omkronkeld. Omkronkeling, V., -kronkelingen. Omkruien, krooi om, krooien om, heeft en is omgekrooien; ook kruide om, heeft en is omgekruld. |
OMK.
OML.
245
|
Omkbuimelen, kruimelde om, heeft om-gekruimeld. Omkbuipen, kroop om, kropen om, is en heeft omgekropen; ook omkroop, omkropen, heeft omkropen. Omkbuisen, kruiste om, heeft omge-kruist. Omkrullen, krulde om, heeft en is omgekruld; ook omkrulde, heeft om-kruld. Omkrulling, V., -krullingen. Omkuieren, kuierde om, heeft en is om gekuierd. Omkuiering, V., -kuieringen. Omkuipen, kuipte om, heeft omgekuipt; ook omkuipte, heelt omkuipt. Omkunnen, kan om, kunnen om,konde en kon om, konden om, heeft omge-kund. Omkwakken, kwakte om, is en heeft omgekwakt. Omkwanselen, kwanselde om, heeft omgekwanseld. Omkwirpelen, kwispelde om, heeft om-gekwispeld; ook omkwispelde, heeft omkwispeld. Omlaag. Omlaagbrengen, bracht omlaag, heeft omlaaggebracht. Omlaagbuigen, boog omlaag, bogen omlaag, heeft omlaaggebogen. Omlaagdrukken, drukte omlaag, heeft omlaaggedrukt. Omlaagduwen, duwde omlaag, heeft omlaaggeduwd. Omlaaggaan, gaat omlaag, ging omlaag, is omlaaggegaan. Omlaaghouden, hield omlaag, heeft omlaaggehouden. Omlaagkijken, keek omlaag, keken omlaag, heeft omlaaggekeken. Omlaagrukken, rukte omlaag, heeft omlaaggerukt. Omlaagschieten, schoot omlaag, schoten omlaag, is omlaaggeschoten. Omlaagslaan, slaat omlaag, sloeg omlaag, heeft en is omlaaggeslagen. Oml aagsprin gen, sprong omlaag, is omlaaggesprongen. Omlaagstorten, stortte omlaag, heeft en is omlaaggestort. Omlaagvallen, viel omlaag, is omlaag-gevallen. Omlaagvoeren, voerde omlaag, heeft omlaaggevoerd. Omlaagzien, zag omlaag, zagen omlaag, heeft omlaaggezien. Omladen, laadde om, heeft omgeladen. Omlading, V. Omlangen, langde om, heeft omge-langd. ümlaten, liet om, heeft omgelaten. Omlauweren, omlauwerde, heeft om-lauwerd. |
Omlaveeren, laveerde om, heeft en is om gelaveerd. Omlegeren, omlegerde, heeft omlegerd. Omlegering, V., -legeringen. Omleggen, legde om en leide om, heeft omgelegd en omgeleid; ook omlegde en omleide, heeft, omlegd en omleid. Omlegging, v. Omlegsel, O., -legsels en -legselen. Omlegseltje, O., -jes. Omleiden, leidde om, heeft omgeleid. Omleiding. V., -leidingen. Omleven, leefde om, heeft omgeleefd. Omlezen, las om, lazen om, heeft om-gelezen. Omliggen, lag om, lagen om, heeft omgelegen. Omliggend (bnw.). Omlijsten, omlijstte, heeft omlyst. Omlijsting, V., -lijstingen. Omlikken, likte om, heeft omgelikt. Omlispelen, omlispelde, heeft omli speld. Omloeien, loeide om, heeft omgeloeid; ook omloeide, heeft omloeid. Omlommeren, omlommerde, heeft om-lommerd. Omloofd. Omloop, M., -loopen. Omloopdijk, M., -dyken. Omloopen, liep om, is en heeft omge-loopen; ook omliep, heeft omloopen. Omlooper, M., -loopers. Omlooperij, V. Omlooping, V. Omloopstijd, M., -tijden. Omlooveren, omlooverde, heeft omloo-verd. Omluiden, ook omluien, luidde en luide om, heeft omgeluid. Omluisteren (hooren), luisterde om, heeft omgeluisterd, Omluisteren (van luister, glans), omluisterde, heeft omluisterd. Omlummelen, lummelde om, heeft om-gelummeld. Ommaken, maakte om, heeft omgemaakt. Ommalen, maalde om, heeft omgemaald. Ommangelen, mangelde om, heeft om-gemangeld. Ommantelen, ommantelde, heeft om-manteld. Ommanteling, V. Ommarcheeren, marcheerde om, heeft en is omgemarcheerd. Ommekant, M., -kanten. Ommelanden (mv.), O. Ommelander, M., -landers. Ommelander (bnw.). Ommelandsch. Ommennen, mende om, heeft omgemend. Ommering, ook omring. M. Ommestaand. Zie Omstaand. Ommeten, mat om, maten om, heeft 1 omgemeten. |
OMM.
246
OMP.
|
Ommezien, ook omzien, o. Ommezientje, O. (In een â). Ommezijde, V., -zyden. Ommezwaai. Zie Omzwaai. Ommoeten, moet om, moest om, heeft omgemoeten. Ommogen, mag om, mogen om, mocht om. Ommuren, ommuurde, heeft ommuurd. Ommuring, V., -muringen. Omnaaien, naaide om, heeft omgenaaid; ook omnaaide, heeft omnaaid. Omnaeren. Zie Omarren. Omneeten, ook omnieten, neette om, heeft omgeneet. Omneuriën, neuriede om, heeft omge-neuried. Omnevelen, omnevelde, heeft omneveld. Omnkveling, V. Omnibus, m., omnibussen. Omnibusje, O., -jes. Omnxbusdienst, M., -diensten. Omnibusmaatschappij, V., -maatschap-pyen. Omnibuspaard, O., -paarden. Omnieten. Zie Omneeten. Omoog, O., -oogen. Omoogje, O., -jes. ompaarlen. Zie Omparelen. Ompagaaien, pagaaide om, heeft en is omgepagaaid. Ompakken, pakte om, heeft omgepakt. Ompakking, V. Ompalen, ompaalde, heeft ompaald. Ompaling, v., -palingen. Ompalinkje, O., -jes. Ompanseren. ook ompantseren, ompan-serde, heeft ompanserd. Ompansering, V. Ompantseren. Zie Ompanseren. Ompappen, ompapte, heeft ompapt. Omparelen, ook ompaarlen, omparelde, heeft ompareld. Ompassen, paste om, heeft omgepast. Omperken, omperkte, heeft omperkt. Omperking, v., -perkingen. Ompeuteren, peuterde om, heeft om-gepeuterd. Omplaatsen, plaatste om, heeft omge-plaatst. Omplaggen, plagde om, heeft omge-plagd. Omplagging, V. Omplakken. plakte om, heeft omge-plakt; ook omplakte, heeft omplakt. Omplakking, V. omplaksel, o., -plaksels. Omplanten, plantte om, heeft omge-plant; ook omplantte, heeft omplant. Omplanting, v., -plantingen. Omplan-tinkje, O., -jes. Omplassen, plaste om, heeft omgeplast; ook omplaste, heeft omplast. Ompleiten, pleitte om, heeft omge-pleit. |
Omploegen, ploegde om, heeft omgeploegd. Omploeging, V., -ploegingen. Omploeteren, ploeterde om, heeft om-geploeterd. Omploffen, plofte om, is en heeftom geploft. Omploffing, V. Omplooi, V., -plooien. Omplooien, plooide om, heeft omge-plooid; ook omplooide, heeft omplooid. Omplooiing, V. Ompoten. pootte om, heeft omgepoot; ook onipootte, heeft ompoot. Ompoting, V. Ompraat, M. Omprakkezeeren, prakkezeerde om, heeft omgeprakkezeerd. Omprangen, omprangde, heeft om-prangd. Ompraten, praatte om, heeft omgepraat. Omprevelen, prevelde om, heeft om-gepreveld. Ompruttelen, pruttelde om, heeft om-geprutteld. Ompurperen, ompurperde, heeft om-purperd. Omraden, ried om, heeft om geraden. Omraken, raakte om, is omgeraakt. Omrammeien, rammeide om, heeft om-gerammeid. Omranden, omrandde, heeft omrand. Omranding, V., -randingen. Omranselen, ranselde om, heeft omge-ranseld. Omrasteren, omrasterde, heeft omrasterd. Omrastering, V., -rasteringen. Omratelen, ratelde om, is en heeft om-gerateld. Omreiken, reikte om, heeft om gerei kt. Omreis, V., -reizen. Omreisje, O., -jes. Omreizen, reisde om, heeft en is omge-reisd: ook omreisde, heeft omreisd. Omrennen, rende om, heeft en is om-gerend; ook omrende, heeft omrend. Omrenning, V. Omrijden, reed om, reden om, is en heeft omgereden. Omring. Zie Ommering. Omringdijk, M., -dyken. Omringelen, omringelde, heeft omrin-geld. Omringen (in ringen zetten), ringde om, heeft omgeringd. Omringen (omgeven), omringde, heeft omringd. Omringing, V., -ringingen. Omringkade, V., -kaden. Omrit, M., -ritten. Omritje, O., -jes. Omroeien, roeide om, heeft en is omgeroeid. Omroepen, riep om, heeft omgeroepen. Omroeper, M., -roepers. |
OMR.
OMS.
247
|
omboepersbaantje, o. Omroepersbekken, o., -bekkens. ümboeper8plaat8, V., -plaatsen. Omroeping, V., -roepingen. Omroeren, roerde om, heeft omgeroerd. Omroering, V., -roeringen. Omroersel, O., -roersels en-roerselen. Omroerseltje, O., -jes. Omrollen, rolde om, heeft en is omgerold; ook omrolde, heeft omrold. Omrolling, V., -rollingen. Omruil, m. Omruilen, ruilde om, heeft omgeruild. Omruiling, V., -ruilingen. Omruischen, omruischte, heeft om-ruischt. Omrukken, rukte om, heeft en is omgerukt. Omrukking, V. Omsabelen, sabelde om, heeft omge-sabeld. Omschauuwen. Zie Omschaduwen. Omschaduwen, ook omschaduwen, om-schaduwde (omschaauwde), heeft om-schaduwd (omschaauwd). Omschaduwing, V. Omschallen, omschalde, heeft om-schald. Omschansen, omschanste, heeft om-schanst. Omschansing, V., -schansingen. Omscharrelen, scharrelde om, heeft en is omgescharreld Omschaven, schaafde om, heeft omge-schaafd. Omschellen, schelde om, heeft oinge-scheld. Omschelling, V. Omschemeren, schemerde om, heeft om-geschemerd; ook omschemerde, heeft omschemerd. Omschenken, schonk om, heeft omge-schonken. Omschepen, scheepte om, heeft omge-scheept. Omscheping, V. Omscheppen (putten), schepte om, heeft omgeschept. Omscheppen (maken, vormen), schiep om, heeft omgeschapen. Omschepping, V., -scheppingen. Omscheren, schoor om, schoren om, heeft omgeschoren. Omschering, V. Omschermen, schermde om, heeft om-geschermd. Omscheuren, scheurde om, heeft om-gescheurd. Omscheuring. V. Omschieten, schoot om, schoten om, heeft en is omgeschoten. Omschijnen, omscheen, omschenen, heeft omschenen. |
Omschikken, schikte om. is omge-schikt. Omschikking, V. Omschitteren, omschitterde, heeft om-schitterd. Omschoeien, omschoeide, heeft om-schoeid. Omschoffelen (langzaam gaan), schoffelde om, heeft en is omgeschofCeld. Omschoffelen (losmaken), schoffelde om, heeft omgescholleld. Omschokken, schokte om, is en heeft omgeschokt. Omscholen, schoolde om, heeft omgeschoold; ook omschoolde, heeft om-schoold. Omschommelen, schommelde om, heeft en is omgeschommeld. Omschommeling, V. Omschooien, schooide om, heeft omge-schooid. Omschoppen, schopte om, heeft omgeschept. Omschorsen, omschorste, heeft omschorst. Omschrabben, schrabde om, heeft om-geschrabd. Omschrafelen, schrafelde om, heeft omgeschrafeld. Omschrapen, schraapte om, heeft om-geschraapt. Omrchreeuwen, schreeuwde om, heeft omgeschreeuwd. Omschrift, O., -schriften. Omschriftje, O., -jes. Omschrijfbaar, -bare. Omschrijven, schreef om, schreven om, heeft omgeschreven; ook omschreef, omschreven, heeft omschreven. Omschrijver, M., -schrijvers. Omschrijving, V., -schrjjvingen. Omschudden, schudde om, heeft om-geschud. Omschudding, V. Omschuieren, schuierde om, heeft om-geschuierd. Omschuifelen, schuifelde om, heeft om-geschuifeld: ook omschuifelde, heeft omschuifeld. Omrchuiven, schoof om, schoven om, heeft en is omgeschoven. Omschuiving, V. Omschulpen, schulpte om, heeft omge-schulpt. Omschulping, V., -schulpingen. Omschuren, schuurde om, heeft omge-schuurd. Omsingelen, omsingelde, heeft omsin- geld- . ,. Omsingeling, V , -singelingen. Omsjokken, sjokte om, heeft en is om-gesjokt. Omsjouwen, sjouwde om, heeft omge-sjouwd. |
OMS.
248
OMS.
|
Omslaan, slaat om, sloeg om, heeft en is omgeslagen; ook omslaat, omsloeg, heeft omslagen. Omslachtig, -slachtiger, -slachtigst. Omslachtigheid, V. Omslag (omhaal, drukte), M. Omslag (in de belasting enz.), M., -slagen. Omslag (voorwerp), M. en O., -slagen. Omslagje, O., -jes. Omslagboor, V., -boren. Omslagdoek, m., -doeken; -doekje, O., -jes. Omslager, m., -slagers. Omslagertje, O., -jes. Omsleepen (bedr.), sleepte om, heeft omgesleept. Omslenteren, slenterde om. heeft en is omgeslenterd. Omslepen (onz ), sleepte om, heeft omgesleept. Omsleuren, sleurde om, heeft om gesleurd. Omslingeren, slingerde om, heeft en is omgeslingerd; ook omslingerde, heeft omslingerd. Omslingering, V. Omsloffen, slofte om, heeft en is om-gesloft. Omsluieren, omsluierde, heeft omsluierd. Omsluiering, V., -sluieringen. Omsluipen, sloop om, slopen om, heeft en is omgeslopen. Omsluiten, omsloot, omsloten, heeft omsloten. Omsluiting, v., -sluitingen. Omsmakken, smakte om, heeft en is omgesmakt. Omsmeden, smeedde om, heeft omgesmeed. Omsmeding, V. Omsmelten, smolt om, heeft omgesmolten. Omsmelting, V. Omsmeren, smeerde om, heeft omge-smeerd; ook omsmeerde, heeft om-smeerd. Omsmijten, smeet om, smeten om, heeft omgesmeten. Omsnellen, snelde om, heeft en is om-gesneld. Omsnijden, sneed om, sneden om, heeft omgesneden. Omsnoeren, snoerde om, heeft omge-snoerd; ook omsnoerde, heeft omsnoerd. Omsnorren, snorde om, is en heeft om-gesnord; ook omsnorde, heeft om-snord. Omsnuffelen, snuffelde om, heeft om-gesnuffeld. Omsnuiven, snoof om, snoven om, heeft omgesnoven. |
Omsollen, solde om, heeft omgesold. Omspannen, spande om, heeft omgespannen; ook omspande, heeft omspannen. Omspanning, V., -spanningen. Omspant, V. Omspatten, spatte om, heeft omgespat; ook omspatte, heeft omspat. Omspelden, speldde om, heeft omgespeld; ook omspeldde, heeft omspeld. Omspelen, speelde om, heeft ongespeeld ; ook omspeelde, heeft omspeeld. Omspinnen, omspon, omsponnen, heeft omsponnen. Omspinning, V., -spinningen. Omspitten, spitte om. heeft omgespit. Omspitting, v., -spittingen. Omspoelen, spoelde om, heeft omgespoeld; ook omspoelde, heeft omspoeld. Omspoeling, V., -spoelingen. Omspoelsel, O. Omspoken, spookte om, heeft omge-spookt; ook omspookte, heeft om-spookt. Omspraak, V. Omspreiden, spreidde om, heeft omge-spreid. Omspringen, sprong om, heeft en is omgesprongen; ook omsprong, heeft omsprongen. Omstaan, staat om, stond om, heeft omgestaan. Omstaand en ommestaand. Omstander, M., -standers. Omstandïg, -standiger, -standigst. Omstandigheid, V., -heden. Omstapelen, stapelde om. heeft omge-stapeld; ook omstapelde, heeft omstap eld. Omstapeling, V. Omstappen, stapte om, heeft en is omgestapt. Omstaren, staarde om, heeft omgestaard. Omsteken, stak om, staken om, heeft omgestoken. Omstevenen, stevende om, heeft en is omgestevend; ook omstevende, heeft omstevend. Omstikken, stikte om, heeft omgestikt; ook omstikte, heeft omstikt Omstoeien, stoeide om, heeft omge-stoeid; ook omstoeide, heeft omstoeid. Omstoomen, stoomde om, heeft en is omgestoomd. Omstootbaar, -bare. Omstooten, stiet om, heeft omgestoo-ten; ook stootte om. Omstooting, V. Omstormen, stormde om, heeft en is omgestormd; ook omstormde, heeft omstormd. |
OMS.
249
OMT,
|
Omstorten, stortte om, heeft en is omgestort; ook omstortte, heeft omstort. üm8torting, V. Omstralen, straalde om, heeft omge-straald; ook omstraalde, heeft omstraald. Omstraling, V. Omstreek, V., -streken. Omstreeks. Omstrengelen, omstrengelde, heeft om-strengeld. Omstrengeling, V. Omstrepen, omstreepte, heeft om-streept. Omstreping, V. Omstreven, streefde om, heeft en is omgestreefd; ook omstreefde, heeft omstreefd. Omstrikken, strikte om, heeft omge-strikt; ook omstrikte, heeft omstrikt. Omstrikking, v. Omstrompelen, strompelde om, heeft en is omgestrompeld. Omstrooien, strooide om, heeft omge-strooid; ook omstrooide, heeft om-strooid. Omstroomen, stroomde om, heeft en is omgestroomd; ook omstroomde, heeft omstroomd. Omstroopen, stroopte om, heeft omge-stroopt. Omstrooping, V., -stroopingen. Omstuiven, stoof om, stoven om, heeft en is omgestoven; ook omstoof, om-stoven, heeft omstoven. Omstulpen, ook omstelpen, stulpte om, heeft omgestulpt. Omsturen, stuurde om, heeft omge-stuurd. Omstuwen, omstuwde, heeft omstuwd. Omsuffen, sufte om, heeft omgesuft. Omsuizen, omsuisde, heeft omsuisd. Omsukkelen, sukkelde om, heeft en is omgesukkeld. Omsukkeling, v. Omsullen, sulde om, is en heeft om-gesuld. Omtasten, tastte om, heeft omgetast; ook omtastte, heeft omtast. Omtellen, telde om, heeft omgeteld. Omtieren, tierde om, heeft omge-tierd. Omtimmeren, timmerde om, heeft om-getimmerd; ook omtimmerde, heeft omtimmerd. Omtobben, tobde om, heeft omgetobd. Omtocht, M., -tochten. ; Omtogen (deelw.). Omtollen, tolde om, heeft en is omgetold. Omtonnen, tonde om, heeft omgetond; ook omtonde, heeft omtond. Omtoomen, toomde om, heeft omge-toomd. |
Omtooveren, tooverde om, heeft om-getooverd. Omtoovering, V., -tooveringen. Omtrappen, trapte om, heeft omgetrapt. Omtrede en omtree, V., -treden. Omtreden, trad om, traden om, is en heeft omgetreden. Omtrek, M., -trekken. 0mtrekje,0., -jes. Omtrekken, trok om, trokken om, heeft en is omgetrokken; ook omtrok, omtrokken, heeft omtrokken. Omtrekking, V. Omtrent. Omtrippelen, trippelde om, heeft en is om getrippeld. Omtrommelen, trommelde om, heeft omgetrommeld. Omtrommen, tromde om, heeft omge-tromd. Omtromming, V. Omtuimelen, tuimelde om, is en heeft omgetuimeld. Omtuimeling, V., -tuimelingen. Omtuinen, omtuinde, heeft omtuind. Omtuining, V., -tuiningen. Omvaart, V. Omvademen, omvademde, heeft omva-demd. OmvademIng, V. Omval, M., -vallen. Omvallen, viel om, is omgevallen. Omvang, m, Omvangen, omving, heeft omvangen. Omvangrijk, -rijker, -rijkst. Omvaren, voer om, heeft en is omgevaren. Omvaring, V. Omvatten, omvatte, heeft omvat. Omvatting, V. Omveilen, veilde om, heeft omgeveild. Omvellen, velde om, heeft omgeveld. Omventen, ventte om, heeft omgevent. Omventing, V., -ventingen. Omver. Omverbeuken, beukte omver, heeft om-vergebeukt. Omverblazen, blies omver, bliezen omver, heeft omvergeblazen. Omverdansen, danste omver, heeft om-vergedanst. Omverdringen, drong omver, heeft omvergedrongen. Omverdrukken. drukte omver, heeft omvergedrukt. Omverdüwen, duwde omver, heeft om-vergeduwd. Omvergooien, gooide omver, heeft omvergegooid. Omverhakken, hakte omver, heeft om-vergehakt. Omverhalen, haalde omver, heeft omvergehaald. Omverhelpen, hielp omver, heeft om-vergeholpen. |
OMY.
OMY
250
|
Omvebhouwen, hieuw omver, heeft om-vergeh ouwen. Omvehjagen, jaagde omver, heeft om-vergejaagd; ook joeg omver. Omvebkantelen, kantelde omver, is omvergekanteld. Omvebkappen, kapte omver, heeft om-vergekapt. Omvebkeqelen, kegelde omver, heeft omvergekegeld. Omvebkbijgen, kreeg omver, kregen omver, heeft omvergekregen. Omvebliggen, lag omver, lagen omver, heelt omvergelegen. Omvebloopen, liep omver, heeft omver-geloopen. Omvebbaken, raakte omver, is omver-geraakt. Omvebbennen, rende omver, heeft om-vergerend. omvebbïjden, reed omver, reden omver, heeft omvergereden. Omvebbukken, rukte omver, heeft om-vergerukt. Omvebschieten, schoot omver, schoten omver, heeft omvergeschoten. Omvebslaan, slaat omver, sloeg omver, heeft en is omvergeslagen. Omvebsmakken, smakte omver, heeft omvergesmakt. Omvebsmijten, smeet omver, smeten omver, heeft omvergesmeten. OmvebspbIngen, sprong omver, heeft omvergesprongen. Omvebstooten, stiet omver, heeft om-vergestooten; ook stootte omver. Omvebstobten, stortte omver, heeft en is om ver gestort. omvebtbekketc, trok omver, trokken omver, heeft omvergetrokken. Omvebtuimelen, tuimelde omver, is omvergetuimeld. Omvebvallen, viel omver, is omver-gevallen. Omvebwaaien, waaide omver, is en heeft omvergewaaid; ook woei omver, woeien omver. Omvebwebpen, wierp omver, heeft omvergeworpen. Omvebwebping, V. Omvlechten,vlocht om,heeft omgevloch-ten; ook omvlocht, heeft omvlochten. OMVIiECHTING, V. OmvijEugelen, omvleugelde, heeft om-vleugold. Omvleugeling, V. Omvliepen, vlood om, vloden om, is Oingevloden. Omvliegen, vloog om, vlogen om, is en heeft omgevlogen; ook omvloog, omvlogen, heeft omvlogen. Omvlieten, vloot om, vloten om, heeft en is omgevloten; ook omvloot, omvloten, heeft omvloten. |
Omvloeien, vloeide om, heeft en is om-gevloeid; ook omvloeide, heeft om. vloeid. Omvloeiing, V. Omvoeben, voerde om, heeft omgevoerd. Omvoebing, V. Omvouwen, vouwde om, heeft en is omgevouwen. Omvouwing, V. Omvbaag en omvbage, V. Omvbagen, vraagde om, heeft omge-vraagd; ook vroeg om. Omvbaging, V,, -vragingen. Omwaaien, waaide om, is en heeft omgewaaid; ook woei om, woeien om; en omwaaide (omwoei, omwoeien), heeft omwaaid. Omwaggelen, waggelde om, is en heeft omgewaggeld. Omwallen, omwalde, heeft omwald. Omwalling, v., -wallingen. Omwalmen, walmde om, heeft omgewalmd; ook omwalmde, heeft om-walmd. Omwandelen, wandelde om, heeft en is omgewandeld; ook omwandelde, heeft omwandeld. Omwandeling, V., -wandelingen. Omwappeben, wapperde om, heeft om-gewapperd; ook omwapperde, heeft omwapperd. Omwaben, waarde om, heeft 01 n ge waard; ook omwaarde, heeft omwaard. Omwasschen, wiesch om, wieschenom, heeft omgewasschen; ook waschte om. Omwabsen, omwies, omwiesen, heeft om wassen. Omwateben, omwaterde, heeft om-waterd. Omweg, M., -wegen. Omwegje, O., -jes. Omweiden, weidde om, heeft omgeweid. Omwelven, omwelfde, heeft omwelfd. Omwelving, v., -welvingen. Omwemelen, wemelde om, heeft omge-wemeld; ook omwemelde, heeft om-wemeld. Omwenden, wendde om, heeft en is omgewend. Omwending, V., -wendingen. Omwentelen, wentelde om, heeft en is omgewenteld. Omwenteling, V., -wentelingen. Omwentelingsab, V., -assen. Omwentelingslichaam, O., -lichamen. Omwentelingsoppebvlak, O., -oppervlakken. Omwentelingstijd, M., -tijden Omwentelingsvlak, O., -vlakken. Omwebken, werkte om. heeft omgewerkt; ook omwerkte, heelt omwerkt. Omwebking, V., -werkingen. Omwebpen, wierp om, heeft omgewor pen. |
OMW. 251 OMZ.
|
om- om werping, V. om. Omweven, omweefde, heeft omweven. Omwibbelen, wibbelde om, is omge-wibbeld. lerd. Omwiegelen, wiegelde om, heeft om-gewiegeld. i is Omwikkelen, wikkelde om, heeft omgewikkeld- ook omwikkelde, heeft ; omwikkeld. ; Omwikkeling, V. age- Omwillen, wil om, wilde (wou) om, heeft omgewild. Omwimpelen, omwimpelde, heeft om-om- wimpeld. om; Omwinden, wond om, heeft omgewon-len). 00^; omwond, heeft omwonden. ' Omwinding, V., -windingen. eeft | Om wippen, wipte om, heeft en is om-gewipt. Omwisschen, wischte om, heeft omge-wischt. ^ge. Omwissching, v. om- Omwisselen, wisselde om, heeft omgewisseld. b en Omwisseling, V., -wisselingen. ïlde Omwoeden,'woedde om, heeft omgewoed. ' Omwoelen, woelde om, heeft omgewoeld; ook omwoelde, heeft omwoeld, om- Omwolken, omwolkte, heeft omwolkt, eeft Omwonend. Omwoners (mv.), M. ar(j. Omwrijven, wreef om, wreven om, heeft ' omge wreven. om Omwrikbaar, -bare. chtè Omwrikken, wrikte om, heeft omge-wrikt. Leeft Omwringen, wrong om, heeft omgewrongen. om- Omwroeten, wroette om, heeft omgewroet. ies. Omwroeting. V. reid Omwuiven, omwuifde, heeft omwuifd. Ifd. Omwurmen, wurmde om, heeft omge-wurmd. nge- Omzaaien, omzaaide, heeft omzaald. om- Omzadelen, zadelde om, heeft omge-zadeld. n js Omzagen, zaagde om, heeft omgezaagd. Omzakken (op zyde vallen), zakte om, en is is omgezakt. Omzakken (in een anderen zak doen), zakte om, heeft omgezakt. Omzaten (mv.), M. en V. 3n Omzeg, M. 3per- Omzeggen, zeide om, heeft om gezegd en omgezeid. Omzegging, v. Omzeilen, zeilde om, heeft en is om-mge- gezeild; ook omzeilde, heeft omzeild, erkt. Omzeiler, M., -zeilers. Omzeiling, V., -zeilingen. jwor t Omzenden, zond om, heeft omgezonden. , mzending, v., -zendingen. |
Omzet, M. Omzetijzer, O., -jjzers; -^zertje, O.,-jes. Omzetsel, O., -zetsels en-zetselen. Om-zetseltje, O., -.les. Omzetspade, V., -spaden. Omzetten, zette om, heeft en is omgezet; ook omzette, heeft omzet. Omzetting, V., -zettingen. Omzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Omzichtigheid, V., -heden. Omzien, zag om, zagen om, heeft omgezien. Omzien, O. Zie Ommezien. Omziend. Omzitten, zat om, zaten om, heeft omgezeten. Omzitters (mv.), M. Omzoeken, zocht om, heeft omgezocht. Omzoomen, zoomde om. heeft omgezoomd; ook omzoomde, heeft omzoomd. Omzooming, V., -zoomingen. Omzwaai en ommezwaai, M., -zwaaien. Omzwaaien, zwaaide om, heelt en is omgezwaaid; ook omzwaaide, heelt omzwaaid. Omzwaajing, V., -zwaaiingen. Omzwabberen, zwabberde om, heeft om-gezwabberd. Omzwachtelen, omzwachtelde, heelt omzwachteld. Omzwachteling, V , -zwachtelingen. Omzwalken, zwalkte om, heeft omgezwalkt. Omzwalking, v., â zwalkingen. Omzwalpen, zwalpte om, heeft omge-zwalpt; ook omzwalpte, heelt om-zwalpt. Omz weepen, zweepte om, heeft omge-zweept. Omzwemmen, zwom om, zwommen om, heeft en is omgezwommen; ook om-zwom, omzwommen, heelt omzwom-men. Omzwenken, zwenkte om, is en heelt omgezwenkt. Omzwenking, V., -zwenkiwgen. Omzwermen, zwermde om, heeft omge-zwermd; ook omzwermde, heeft omzwermd. j Omzwerven, zwierf om. zwierven om, heeft omgezworven; ook omzwierf, omzwierven, heeft omzwerven. Omzwerving, V., -zwervingen. Omzweven, zweefde om, heeft en is omgezweefd; ook omzweefde, heeft omzweefd. Omzwiepen, zwiepte om, is omgezwiept. ⢠Omzwier, M. Omzwieren, zwierde om, heeft en is omgezwiei-d; ook omzwierde, heeft omzwierd. Omzwikken, zwikte om, is omgezwikt. Omz wikking, V. |
i
OMZ.
ONA.
252
|
Omzwoegen, zwoegde om, heeft en is omgezwoegd. On ( â of even). Onaandachtig, -dachtiger, -dachtigst. Onaandachtigheid, V. Onaandoenlijk, -lijker, -Ijjkst. Onaandoenlijkheid, V. Onaangebeten. Onaangedaan. Onaangediend. Onaangekleed, -gekleede. Onaangeleund. Onaangemeld. Onaangemengd. Onaangemerkt. Onaangenaam, -genamer, -genaamst. Onaangenaamheid, V., -heden. Onaangeraakt . Onaangerand. Ona angero erd. Onaangesneden. Onaangesproken. Onaangestoken. Onaangetast. Onaangevallen. Onaangevochten. Onaangevuld. Onaangezegd. Onaangezet, -gezette. Onaangezien. Onaangezocht. Onaangezuiverd. Onaanlokkelijk, -lijker, -IQkst. Onaanmerkelijk, -lyker, -lykst. Onaannemelijk, -lijker, -lykst. Onaannemelijkheid, V. Onaanrandbaar, -bare. Onaanrandbaarheid, V. Onaansprakelijk. Onaansprakelijkheid, V. Onaanstootelijk, -lijker, -lykst. Onaanstootelijkheid, V. Onaantastbaar, -bare. Onaantastbaarheid, V. Onaantastelijk. Onaantrekkelijk, -lijker, -lykst. Onaanvaard. Onaanvalbaar, -bare. Onaanzienlijk, -lyker, -lijkst. Onaanzienlijkheid, V. Onaardig, onaardiger, onaardigst. Onaardigheid, V., -heden. Onachtzaam, -zamer, -zaamst. Onachtzaamheid, V., -heden. Onadellijk. Onafgebakend. Onafgeborsteld. Onafgebroken. Onafgedaan, -gedane. Onafgedeeld. Onafgehandeld, Onafgehuurd. Onafgekondigd. Onafgeleverd. |
Onafgemaakt. Onafgeperkt, Onafgeschaafd. Onafgescheiden. Onafgesneden. Onafgewend. Onafgewerkt. Onafhankelijk, -lijker, -lykst. Onafhankelijkheid, V, Onafkeerbaae, -bare. Onafkoopbaar, -bare. Onafkoopbaarheid, V. Onaflosbaar, -bare. Onaflosbaarheid, V. Onafscheidbaar, -bare. Onafsoheidbaarheid, v. Onafscheidelijk. Onafscheidelijkheid, V. Onafschrikbaar, -bare. Onafweerbaar, -bare. Onafwendbaar, bare. Onafwijsbaar, -bare. Onafwischbaar, -bare. j Onafzetbaar, -bare. Onafzetbaarheïd, V. Onafzettelijk. Onafzienbaar, -bare. Onafzienbaarheid, V. Onbaatzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Onbaatzuchtigheid, V. Onbarmhartig, -hartiger, -hartigst. Onbarmhartigheid, V., -heden. onbeangst. Onbeangstigd. Onbeantwoord. Onbearbeid. Onbebouwd. Onbecijferbaar, -bare. Onbedaard. Onbedaarlijk. Onbedacht, onbedachter, onbedachtst. Onbedachtelijk. Onbedachtheid, V., -hoden. Onbedachtzaam, -zamer, -zaamst. Onbedachtzaamheid, V., -heden. Onbedeeld. Onbedeesd. Onbedekt. Onbedenkelijk. Onbederfelijk. Onbediend. Onbedijkt. Onbedorven, onbedorvener, onbedor- venst. Onbedorvenheid, V. Onbedreven, onbedrevener, onbedreven st. Onbedrevenheid, V. Onbedriegbaar, -bare. Onbedrieglijk, -lijker, -lijkst. Onbedrieglijkheid, V. Onbeduidend, onbeduidender, onbeduidendst. i Onbeduidendheid, V., -heden. |
ONB.
253
ONB.
|
ÃNBEDWINGBAAB, -bare. ONBEDWINGBAABHEID, V. ONBEDWINGETjIJK. Onbedwongen. Onbeëedigd. Onbefaamd. Onbegaafd. Onbegaanbaab, -bare. Onbegaanbaabheid, V. Onbegeebd. Onbegeebig. Onbegeebigheid, V. ONBEGEEBLiJK, -lyker, -lijkst. Onbegeeblijkheid, V. Onbegonnen. Onbegbaven. Onbegbensd. Onbegbensdheid, V. Onbegbepen. onbegbïjpbaab, -bare. Onbegbijpbaabheid, V., -heden. Onbegbijpelijk, -lijker, -lijkst. onbegbijpelijkheid, V., -heden. Onbegbootbaab, -bare. Onbehaaglijk, -lijker, -lykst. Onbehaaglijkheid, V. Onbehaabd. Onbehangen. Onbeheebd. Onbehelpelijk, -lyker, -lijkst. Onbehelpelijkheid, V. Onbehendig, onbehendiger, onbehendigst. Onbehendigheid, V. Onbehoed. Onbehoedzaam, -zamer, -zaamst. Onbehoedzaamheid, V. Onbeholpen, onbeholpener, onbehol- penst. Onbeholpenheid, V. Onbehooblijk, -lijker, lykst. Onbehooblijkheid, V., -heden. Onbehouwen, onbehouwener, onbehou- wenst. Onbehouwenheid, V. Onbehulpzaam, -zamer, -zaamst. Onbehulpzaamheid, V. Onbekeebbaab, -bare. Onbekeebd. ONBEKEEBLlJK. Onbekeeblijkheid, V. Onbekend, onbekender, onbekendst. Onbekendheid, V., -heden. Onbeklaagd. Onbekleed, onbekleede. Onbeklemd. Onbeklimbaab, -bare. Onbeklimbaabheid, V. Onbekommebd, onbekommerder, onbekommerdst. Onbekommebdheid, V. Onbekookt, onbekookter, onbekooktst. Onbekooktheid, V. Onbekooblijk, lyker, -lykst. |
Onbekooblijkheid, V. Onbekbachtigd. Onbekrompen, onbekrompener, onbe- krompenst. Onbekrompenheid, V. Onbekboond. Onbekwaam, onbekwamer, onbekwaamst. Onbekwaamheid, V. Onbekwamelijk. Onbeladen. Onbelangrijk, -ryker, -rijkst. Onbelangrijkheid, V. Onbelangzuchtig. Onbelast. Onbelastbaar, -bare. Onbelastbaarheid, V. Onbeleedigd. Onbeleefd, onbeleefder, onbeleefdst. Onbeleefdelijk. Onbeleefdheid, V., -heden. Onbelegd. Onbelegen. Onbelemmerd, onbelemmerder, onbelemmerdst. Onbelemmerdheid, V. Onbelet. Onbelezen. Onbelezenheid, V. Onbelichaamd. Onbelogen. Onbelommerd. Onbeloonbaar, -bare. Onbeloond. Onbeluisterd. Onbelust. Onbemand. Onbemast. Onbemerkbaar, -bare. Onbemerkt. Onbemest. Onbemiddeld. Onbemind. Onbeminlijk en onbeminnelijk, -lijker, -Ijjkst. Onbeminlijkheid, V. Onbemuurd. Onbenaderbaar, -bare. Onbenauwd. Onbenepen. Onbeneveld, onbenevelder, onbene- veldst. Onbenijd. Onbenijdbaar, -bare. Onbenoembaar, -bare. Onbenoembaarheid, V. Onbenoemd. Onbenul, M. en V., onbenullen. Onbenullig, onbenulliger, onbenulligst. Onbenulligheid, V. Onbeoordeeld Onbepaalbaar, -bare. Onbepaalbaabheid, V. Onbepaald, onbepaalder, onbepaaldst. |
ONB.
254
ONB.
|
Onbepaaldheid, V. Onbeperkt, onbeperkter, onbeperktst. Onbeperktheid, V. Onbeproefd. Onberaden, onberadener, onberadenst. Onberadenheid, V. Onberecht. Onbereden. Onberedeneerd, onberedeneerde!', on- beredeneerdst. Onberedeneerdheid, v. Onbereid. Onbereikbaar, -bare. Onbereikbaarheid, V. Onbereisd. Onberekenbaar, -bare. Onberekend. Onberijdbaar, -bare. Onberijmd. Onberispelijk, -lyker, -lykst. Onberispelijkheid, v. Onberoemd. Onberoemdheid, V. Onberoepbaar, -bare. onberoepbaarheid, v. Onberoerd. Onbebouwd. Onberouwelijk. Onbeschaafd, onbeschaafder, onbeschaafdst. Onbeschaafdheid, V., -heden. Onbeschaamd, onbeschaamder, onbe- schaamdst. Onbeschaamdheid, V., -heden. Onbeschadigd. Onbeschaduwd. Onbescheid, O. Onbescheiden, onbescheidener, onbe- scheidenst. Onbescheidenheid, v., -heden. Onbescheidenlijk. Onbeschenen. Onbeschermd. onbeschoft, onbeschofter, onbeschoftst. Onbeschoftheid, V., -heden. Onbeschreid. Onbeschreven. Onbeschrijfbaar, -bare. Onbeschrijfbaarheid, v. Onbeschrijfelijk, -lyker, -lykst. Onbeschroomd, onbeschroomder, onbe- schroomdst. Onbeschroomdelijk. Onbeschroomdheid, V. Onbeschut, onbeschutte. Onbesefbaar, -bare. Onbeslagen. Onbeslapen. Onbeslecht. Onbeslist. Onbeslistheid, V. Onbesloten. Onbesmet, onbesmette. Onbesneden. |
Onbesnoeibaar, -bare. Onbesnoeid. Onbespeeld. Onbespied. Onbesproken. Onbesprokenheid, V. Onbestaanbaar, -bare. Onbestaanbaarheid, V. Onbestand. Onbesteed, onbestede. Onbestelbaar. Onbesteld. Onbestendig, onbestendiger, onbestendigst. Onbestendigheid, V. Onbestierd. Onbestijgbaar, -bare. Onbestookt. Onbestorven. Onbestreden. Onbesuisd, onbesuisder, onbesuisdst. Onbesuisdheid, V., -heden. Onbetaalbaar, -baarder, -baarst. Onbetaald. Onbetamelijk, -lyker, -lykst. Onbetamelijkheid, V., -heden. Onbete ekenend, onbeteekenender, on- beteekenendst. Onbetembaar, -bare. Onbetembaarheid, V. Onbktemd. Onbeteugelbaar, -bare. Onbeteugeld. Onbeteuterd. Onbetoogbaar, -bare. Onbetoombaar, -bare. Onbetoombaarheid, V. Onbetoomd. Onbetraand. Onbetraoht. Onbetreden. Onbetreurd. Onbetrouwbaar, -bare. Onbetuigd. Onbetwijfelbaar, -baarder, -baarst. Onbetwist. Onbetwistbaar, -baarder, -baarst. Onbetwistbaarheid, V. Onbevaarbaar,-bare. Onbevaarbaarheid, V. Onbevallig, onbevalliger, onbevalligst. Onbevalligheid, V. Onbevaren. Onbevattelijk, -lyker, -lijkst. Onbevattelijkheid, V. Onbevlekt. Onbevlektheid, V. Onbevochten. Onbevoegd. Onbevoegdheid, V. Onbevolkt. Onbevooroordeeld. Onbevooroordeeldheid, V. Onbevoorrecht. |
ONB.
ONB.
255
|
Onbevredigd. Onbevredigdheid, V. 1 Onbevredigend. I Onbevreesd. 1 Onbevreesdheid, V. | Onbevriesbaar, -bare. ! Onbevroren en onbevrozen. Onbevrucht. Onbewaakt. Onbewassen. Onbeweegbaar, -bare. Onbeweegbaarheid, V. ten- Onbeweeglijk, -lyker, -lykst. Onbeweeglijkheid, V. . Onbeweend. Onbeweidbaar, -bare. Onbewerkt. Onbewerktuigd. Onbewezen. I Onbewijsbaar, -bare. t. Onbewijsbaarheid, V., -heden. Onbewimpeld, onbewimpelder onbe- wimpeldst. Onbewogen. Onbewolkt. Onbewoonbaar, -bare. on- Onbewoonbaarheid, V. Onbewoond. Onbewust. Onbewustheid, v. Onbezaaid. Onbezeerd. Onbezegeld. Onbezeilbaar, -bare. Onbezeilbaarheid, V. Onbezeild. Onbezet, onbezette. Onbezichtigd. Onbezield. Onbezien. Onbeziens. Onbezocht. Onbezoedeld. Onbezoldigd. i. Onbezonnen, onbezonnener, onbezon- nenst. Onbezonnenheid, V., -heden. Onbezorgd, onbezorgder, onbezorgdst. Onbezorgdheid, V. Onbezwaard, gst. Onbezwalkt. Onbezwangerd. j Onbezweken. | Onbijbelsch. Onbillijk, -lyker, -lijkst. Onbillijkheid, V., -heden. Onbloedig. Onbluschbaar, -bare. Onboetvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Onboetvaardigheid, v. Onbrandbaar, -bare. Onbrandbaarheid, V. Onbreekbaar, -baarder. -baarst. Onbreekbaarheid, V. |
Onbroederlijk. Onbruik (znw.). Onbruikbaar, -baarder, -baarst. Onbruikbaarheid, V. Onbuigbaar, -baarder, -baarst. Onbuigbaarheid, V. Onbuigzaam, -zamer, -zaamst. Onbuigzaamheid, V. Onburgerlijk. Once (medicinaal gewicht), V., oneen. Onchristelijk, -lyker, -lijkst. Onchristelijkheid, V. Onchristen, M.. onchristenen. Ondaad, V., ondaden. Ondank, M. Ondankbaar, -baarder. -baarst. Ondankbaarheid, V., -heden. Ondanks. Ondeeg. (Te â). Ondeelbaar, -bare. Ondeelbaarheid, V. Ondeelnemend. Ondegelijk, ondegelyker, ondegelijkst. Ondegelijkheid, V. Ondenkbaar, -bare. Ondenkbaarheid, V. Ondenkelijk. Onder. Onderaan. Onderaannemer, M., -aannemers. Onderaardsch. Onderadjudant, M., -adjudanten. Onderaf. Onderafdeeling, V., -afdeelingen. Onderarm, M.. -armen; -armpje, O., -jes, onderbaas (meesterknecht), M., -bazen. Onderbaas (voetstuk van een pilaar), V., -bazen. Onderbaggeren, baggerde onder, heeft ondergebaggerd. Onderbaggering, V. Onderbalk, M , -balken. Onderband, M., -banden. Onderbank, V., -banken. Onderbanket, O., -banketten. Onderbast. M., -basten. Onderbatterij, V., -batterijen. Onderbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes. Onderbeek, V., -beken; -beekje, O.,-jes. Onderbek, M., -bekken. Onderbekken, O., -bekkens. Onderberghout, O., -berghouten. Onderberm, M., -bermen. Onderbeschuit, V., -beschuiten. Onderbevelhebber, M.. -bevelhebbers. Onderbevelhebberschap, O. Onderbibliothecaris, M., -bibliothecarissen. Onderbikkel, M.. -bikkels. Onderbil, V., -billen. Onderbinden, bond onder, heeft ondergebonden; ook onderbond, heeft onderbonden. Onderbinding, V., -bindingen. |
OND.
OND.
256
|
Onderblad, O., -bladen. Onderblijven, bleef onder, bleven onder, is ondergebleven. Onderboekhoüder, M., -boekhouders. Onderboom, M., -boomen. Onderboord (rand), M., -boorden. Onderboord (plank), O., -boorden. Onderborg, M., -borgen. Onderborstrok, M., -borstrokken; -borstrokje, O., -jes. Onderbouw, M. Onderbouwen, bouwde onder, heeft ondergebouwd. Onderbraak, V., -braken. Onderbreken, onderbrak, onderbraken, heett onderbroken. Onderbreking, V., -brekingen. Onderbrengen, bracht onder, heeft ondergebracht. Onderbroek, V., -broeken; -broekje, O., -jes. Onderbroeksknoop, M., -knoopen. Onderbuik, M., -buiken- -buikje, O., -jes. Onderbuikskwaal, V., -kwalen. Onderbuiksziekte, V., -ziekte. Onderbuis, O.,-buizen; -buisje, o., -jes. Onderburgemeester, m., -burgemeesters. Onderbuur, M., -buren. Ondercommissaris, M., -commissarissen. Ondercommissarisschap, O. Onderconsul, M., -consuls. Onderdaags. Onderdaan, M. en V., onderdanen. V. ook onderdane. Onderdanig, onderdaniger, onderda-nigst. Onderdanigheid, v. Onderdeel, O., -deelen;-deeltje, ü.,-jes. Onderdek, O., -dekken. Onderdeken (persoon), M., -dekens. Onderdeken (dekkleed). v., -dekens; -dekentje, O., -jes. Onderdekken, dekte onder, heeft on-dergedekt. Onderdeks. Onderdeksplank, V., -planken. Onderdeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes. Onderdiaken, M., -diakenen en -diakens. Onderdies. Onderdijk, M., -dyken. Onderdijken, heeft ondergedykt. Onderdijking, V. Onderdoen, deed onder, deden onder, heeft ondergedaan. Onderdompelen, dompelde onder, heeft ondergedompeld. Onderdompeling, V., -dompelingen. Onderdoor. Onderdoorgaan, gaat onderdoor, ging onderdoor, is onderdoorgegaan |
Onderdoorglijden, gleed onderdoor, gleden onderdoor, is onderdoorgegleden. Onderdoorkruipen, kroop onderdoor, kropen onderdoor, is onderdoorge-kropen. Onderdoorloopen, liep onderdoor, is onderdoorgeloopen. Onderdoorrijden, reed onderdoor, reden onderdoor, is onderdoorgereden. Onderdoorsluipen, sloop onderdoor, slopen onderdoor, is onderdoorgeslo-pen. Onderdoorspelen, speelde onderdoor, heeft onderdoorgespeeld. Onderdoorvaren, voer onderdoor, is onderdoorgevaren. Onderdoorzeilen, zeilde onderdoor, is onderdoorgezeild. Onderdoorzwemmen, zwom onderdoor, zwommen onderdoor, is onderdoor-gezwommen. Onderdorpel, M., -dorpels. Onderdrempel, M., -drempels. Onderdrukken, drukte onder, heeft ondergedrukt; ook onderdrukte, heeft onderdrukt. Onderdrukker, M., -drukkers. Onderdrukking, V,, -drukkingen. Onderduiken, dook onder, doken onder, is en heeft ondergedoken. Onderduiking, v. Onderduwen, duwde onder, heeft ondergeduwd. Ondereen. Ondereengooien, gooide ondereen, heet jndereengegooid. Ondereenklutsen, klutste ondereen, heeft ondereengeklutst. Ondereenknoeien, knoeide ondereen, heeft ondereengeknoeid. Ondereenmengen, mengde ondereen, heelt ondereengemengd. Ondereenroeren, roerde ondereen, heeft ondereengeroerd. Ondereensmelten, smolt ondereen, heeft en is ondereengesmolten. Ondereensmuten, smeet ondereen, smeten ondereen, heeft ondereengesmeten. Ondereenwarren, warde ondereen, heeft ondereengeward. Ondereenwerpen, wierp ondereen, heeft ondereengeworpen. Ondereggen, egde onder, heeft onder-geëgd. Onderegging, V. Ondereinde, O., -einden. Onderen. (Naar â, van â, tot â). Ondergaan, gaat onder, ging onder, is ondergegaan; ook ondergaat, onderging, heeft ondergaan. Ondergang (het ondergaan), M. Ondergang (benedengang), V., -gangen; -gangetje. O., -jes. |
OND.
OND.
257
|
Ondergast, M., -gasten; -gastje, O., -jes. Ondergebit, O., -gebitten. Ondergedeelte, O,, -gedeelten. Ondergei, V., -geien. Ondergeschikt, -geschikter, -geschiktst. Ondergeschikte, M. en V., ondergeschikten. Ondergeschiktheid, V. Ondergeschoven. Ondergeschrevene, M. en V., -geschrevenen. Ondergestel, O., -gestellen. Ondergestoken. Ondergeteekende, M. en V., -geteekenden. Ondergewaad, O., -gewaden. Ondergewas, O. Ondergieten, goot onder, goten onder, heeft ondergegoten. Ondergilling, V., -gillingen. Ondergist, V. Ondergisting, V. ünderglas, o., -glazen. Ondergod, M., -goden. Ondergoed, O.; -goedje, O. Ondergooien, gooide onder, heeft on- dergegooid. Ondergorden, ondergordde, heeft on- dergord. Ondergording, V., -gordingen. Ondergouverneur, M., -gouverneurs. Ondergraatsch. Ondergrauw, O. Ondergraven, groef onder, groeven onder, heeft ondergegraven; ook ondergroef, ondergroeven, heeft ondergraven. Ondergraving, V., -gravingen. Ondergrond, M., -gronden. Ondergrondsch. Ondergrondsploeg, m., -ploegen. Onderhaam, O., -hamen. Onderhagelen, hagelde onder, is on- dergehageld. Onderhalen, haalde onder, heeft ondergehaald; ook onderhaalde, heeft onderhaald. Onderhaling, V., -halingen. Onderhals, M., -halzen. Onderhand, V., -handen. Onderhandelaar, M., -handelaars en -handelaren. Onderhandelen, onderhandelde, heeft onderhandeld. Onderhandeling, V., -handelingen. Onderhandelingsvlag, V., -vlaggen. Onderhandsch (bnw.). Onderhave en onderhaaf, V. Onderhavenmeester, M., -havenmeesters. Onderhebben, heeft onder, had onder, hadden onder, heeft ondergehad. Onderhebbend. |
Onderheien, heide onder, heeft onder-geheid; ook onderheide, heeft onderheid. Onderhelpen, hielp onder, heeft onder-geholpen. Onderhemd, O., -hemden; -hemdje, O., -jes. Onderhevig. Onderhoeven, hoefde onder, heeft on- dergehoefd. Onderhoofdman, M., -hoofdlieden. Onderhooren, onderhoorde, heeft on- derhoord. Onderhoorig. Onderhoorigb, M. en V., -hoorigen. Onderhoorigheid, V., -heden. Onderhoud, O. Onderhouden, hield onder, heeft ondergehouden; ook onderhield, heeft onderhouden. Onderhoudend, -houdender, -houdendst. Onderhoudendheid, V. Onderhouder, M., -houders Onderhouding, V. Onderhoudplichtig. Onderhoudskosten (mv.), m. Onderhoudster, V., -houdsters. Onderhout, O. Onderhouw, M. Onderhuid, V., -huiden. Onderhuidsch. Onderhuis, O., -huizen; -huisje, O.,-jes. Onderhuren, onderhuurde, heeft onderhuurd. Onderhuring, V., -huringen. Onderhuur, V. Onderhuurder, M., -huurders. Onderhuurster, V., -huursters. Onderijzer, O., -ijzers. Onderin. Onderjurk, V., -jurken. Onderkaak, V., -kaken. Onderkaaksbeen, O., -beenderen. Onderkam, M., -kammen; -kammetje, O., -jes. Onderkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Onderkanselier, M., -kanseliers en -kanselieren. Onderkant, M., -kanten; -kantje, O., â¢j03- , , . . Onderkap, V., -kappen; -kapje, O., -jes. Ondebkapitein, M., -kapiteins. Onderkast, V., -kasten; -kastje, O.,-jes. Onderkelder, M,, -kelders. Onderkennen, onderkende, heeft onderkend. Onderkenning, V. Onderkerk, V., -kerken. Onderkeuken, V,, -keukens. Onderkiesdistrict, O., -kiesdistricten. Onderkimweger, M., -kimwegers. Onderkin, V., -kinnen; -kinnetje, O., -jes. |
17
Tquot;
OND. 258 OND.
|
Ondekklauw, m., -klauwen. ündekklavieb, o., -klavieren. Onderkleed (kleedingstuk), o., -kleederen en -kleeren; -kleedje, O., -kleertjes. Onderkleed (dekkleed), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes. Onderkleeding, V. Onderkok, M., -koks. Onderkoksmaat, M.f -maats; -maatje, O., -jes. Onderkomeling, M. en V., -komelingen. V. ook onderkomelinge. Onderkomen, komt onder, kwam onder, kwamen onder, is ondergekomen. Onderkomen, O. Onderkoning, M., -koningen. Onderkoningschap, O. Onderkooi, V., -kooien. Onderkorst, V., -korsten; -korstje, O., -jes. Onderkoster, M., -kosters. Onderkous, V.,-kousen; -kousje, O.,-jes. Onderkrassen, onderkraste, heeft on-derkrast. Onderkrijgen, kreeg onder, kregen onder, heeft ondergekregen. Onderkrop, M., -kroppen. Onderkruier, M., -kruiers. Onderkruipen, kroop onder, kropen onder, is ondergekropen; ook onderkroop, onderkropen, heeft onderkropen. Onderkruiper, M., -kruipers. Onderkruiperij, V., -kruiperijen. Onderkruipertje, O., -jes. Onderkruiping, V., -kruipingen. Onderkruipster, V., -kruipsters. Onderkruipstertje, O., -jes. Onderkuil, V. Onderkunnen, kan onder, kunnen onder, konde en kon onder, konden onder, heeft ondergekund. Onderkussen, O., -kussens; -kussentje. O., -jes. Onderlaag, V., -lagen; -laagje, O., -jes. Onderlaken, O., -lakens; -lakentje, O., -jes. Onderlandvoogd, M., -landvoogden. Onderlandvoogdij, V. Onderlangs. Onderlast, M. Onderlaten, liet onder, heeft ondergelaten. Onderleen, O., -leenen. Onderleenheer, M., -leenheeren. Onderleenman, M., -leenmannen. Onderlegd en onderleid. Onderleggen, legde en leide onder, heeft ondergelegd en ondergeleid; ook onderlegde en onderleide, heeft onderlegd en onderleid. Onderlegger, M., -leggers. Onderlegsel, O., -legsels. |
Onderleid. Zie Onderlegd. Onderlel, V., -lellen; -lelletje, O., jes. Onderliggen, lag onder, lagen onder, heeft ondergelegen. Onderliggend. Onderligger, M., -liggers. Onderlijf, O., -lijven; -lijfje, O., -jes. Onderlijk, O., -lyken. Onderlijnen, onderlijnde, heeft onder-lynd. Onderlijning, V,, -lijningen. Onderlijzeil, O., -lijzeilen. Onderling. Onderlinnen, O Onderlip, V., -lippen; -lipje, O., -jes. Onderloopen, liep onder, is onderge- loopen. Onderloopsch. Onderloopschheid, V. Onderlucht, V. Ondermaansch. Ondermaansche, O. Ondermaat, V. Ondermatras, V., -matrassen; -matrasje, O., -jes. Ondermeester, M., -meesters; -meestertje, O., -jes. Ondermeesteres, V., -meesteressen. Ondermelk, V. Ondermengen, ondermengde, heeft on- dermengd. Ondermenging, V. Ondermijnen, ondermijnde, heeft onder-mijnd. Ondermijner, M., -mijners. Ondermijning, V., -mijningen. Ondermolen, M., -molens. Ondermouw, V., -mouwen; -mouwtje, O., -jes. Ondermuts, V., -mutsen; -mutsje, O., -jes. Ondermuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes. Ondernemen, ondernam, ondernamen, heeft ondernomen. Ondernemend, -nemender, -nemendst. Ondernemer, M., -nemers. Onderneming, V., -nemingen. Ondernemingsgeest, M. Ondernemingszucht, V. Ondernok, V., -nokken. Onderofficier, m., -officieren en -officiers; -officiertje, O., -jes. Onderofficiersstrepen (mv.), V. Onderom. Onderom, V. en O. Onderonsje, O., -jes. Onderoog, O., -oogen. Onderooglid, O., -oogleden. Onderopzichter, M., -opzichters. Onderoven, M., -ovens. Onderpacht, V. Onderpachten, onderpachtte, heeft onderpacht. |
OND.
259
OND.
|
Onderpachter, M., -pachters. Onderpand, O., -panden; -pandje, O., -jes. Onderpastoor, M., onderpastoors. Onderpijp, V., -pypen. Onderpikeur, M., -pikeurs. Onderplaat, V., -platen; -plaatje, O., -jes. Onderploegen, ploegde onder, heeft ondergeploegd. Onderploeging, V. Onderplompen, plompte onder, heeft en is ondergeplompt. Onderplomping, V. Onderpompen, pompte onder, heeft on- dergepompt. Onderprefect, M., -prefecten. Onderprefectuur, v., -prefecturen. Onderprior, m., -priors. Onderpriores, V,, -prioressen. Onderpriorschap, O. Onderproevenlezer, M., -proevenlezers. Onderra, V., -raas. Onderraaklijn, V-, -raaklijnen. Onderra am, O., -ramen. Onderraken, raakte onder, is ondergeraakt. Onderrand, M., -randen; -randje, O.,-jes. Onderrechter, M., -rechters. Onderreep, M., -reepen. Onderregel, M., -regels. Onderregenen, regende onder, is on- dergeregend. Onderregent, M., -regenten. onderregentes, V., -regentessen. Onderregentschap, O. Onderrekenen, rekende onder, heeft ondergerekend. Onderricht, O. Onderrichten, onderrichtte, heeft onderricht. Onderrichter, M., -richters. Onderrichting, V., -richtingen. Onderriem, M., -riemen; -riempje, O., â jes. Onderrijden, reed onder, reden onder, is en heeft ondergereden. Onderrok, M., -rokken; -rokje, O., -jes. Onderrooken, onderrookte, heeft onder- rookt. Onderruim, o. Onderschatten, onderschatte, heeft onderschat. Onderscheid, O. Onderscheiden (bnw.). Onderscheiden, onderscheidde, heeft onderscheiden. Onderscheidenlijk. Onderscheiding, v., -scheidingen. Onderscheidingsgave, v. Onderscheidin gsteeken, O., -teekens en -teekenen. Onderscheidingsvermogen, O. Onderscheidingsvlag, V., -vlaggen. |
Onderscheppen, onderschepte, heeft onderschept. Onderschepping, V., -scheppingen. Onderschikken, onderschikte, heeft onderschikt. Onderschikkend. Onderschip, O. Onderschoren, onderschoorde, heeft onderschoord. Onderschoring, V., -schoringen. Onderschout, m., -schouten. Onderschragen, onderschraagde, heeft onderschraagd. Onderschrappen, onderschrapte, heeft onderschrapt. Onderschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes. Onderschrijven, onderschreef, onderschreven, heeft onderschreven. Onderschrijving, V., -schrijvingen. Onderschuiven, schoof onder, schoven onder, heeft ondergeschoven. Onderschuiver, M., -schuivers. Ondershands (byw.). Onderslaan, ondersloeg, heeft onderslagen. Onderslag, M., -slagen. Onderslede, V., -sleden. Ondersmijten, smeet onder, smeten onder, heeft ondergesmeten. Ondersnede,ook ondersnee, V., -sneden ( sneeën); -sneetje, o., -jes. Ondersneeuwen, sneeuwde onder, is ondergesneeuwd. Onderspannen, onderspande, heeft onderspannen. Onderspil, O., -spillen. Ondeespit, O. Onderspitten, spitte onder, heeft ondergespit. Onderspüiten, spoot onder, spoten onder, heeft ondergespoten. Onderst. Onderstaan, onderstond, heeft onderstaan. Onderstaand. Onderstampen, stampte onder, heeft ondergestampt. Onderstand, M. Onderstandig. Onderstandsgeld, O., -gelden. Onderstboven. Onderste, O. Ondersteek, O., -steken. Ondersteeksel, O., -steeksels. Onderstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes. Onderstellen, onderstelde, heeft ondersteld. Onderstelling, V., -stellingen. Ondersteunen, ondersteunde, heeft ondersteund. Ondersteuning, V., -steuningen. Onderstof, V., -stoffen. |
OND.
260
OND.
|
Ondeestrepen, onderstreepte, heeft onderstreept. Onderstreping, V., -strepingen. Onderstroom, M., -stroomen. Ondebstuk, O., -stukken. Onderstut, M., -stutten. Onderstutten, onderstutte, heeft onderstut. Onderstuurman, M., -lieden en -lui. Ondertand, M., -tanden. Ondertasten, ondertastte, heeft ondertast. Onderteekenaar, M., -teekenaren en -teekenaars. Onderteekenen, onderteekende, he eft onderteekend. Onderteekening, V., -teekeningen. Ondertijds. Ondertrouw, M. Ondertrouwde, M. en V., -trouwden. Ondertrouwen, ondertrouwde, heeft ondertrouwd. Ondertrouwing, V., -trouwingen. Ondertusschen. Onderuit. Onderuitreven, reefde onderuit, heeft onderuitgereefd. Ondervat, O., -vaten. Onderverdeelen, heeft onderverdeeld. Onderverdeeling, V., -verdeelingen. Ondervest, O., -vesten. Ondervinden, ondervond, heeft ondervonden. Ondervinding, V., -vindingen. ondervloer, M., -vloeren. Ondervoorzitter, M., -voorzitters. Ondervraagster, V., -vraagsters. Ondervragen, ondervraagde, heeft ondervraagd; ook ondervroeg. Ondervrager, M., -vragers. Ondervraging, V., -vragingen. Ondervrukn, ondervryde, heeft onder-vryd. Onderwal, M., -wallen. Onderwant, O. Onderwater, O. Onderwaterzetting, V., -zettingen. Onderweg, M., -wegen; -wegje, 0.,-jes. Onderweg (bijw.). Onderwelven, onderwelfde, heeft on- derwelfd. Onderwereld, V. Onderwerken, werkte onder, heeft ondergewerkt. Onderwerp, O., -werpen; -werpje, O., -jes. Onderwerpen, onderwierp, heeft onderworpen. Onderwerping, V., -werpingen. Onderwerpszin, M., -zinnen. Onderwicht, O. Onderwijl. Onderwijs, O. Onderwijskrachten (mv.), V. |
Onderwijswet, V., -wetten. Onderwijszaken (mv.), V. Onderwijzen, onderwees, onderwezen heeft onderwezen. Onderwijzer, M., -wijzers. Onderwijzeres, V., -wijzeressen. Onderwijzersgenootschap, O., -genootschappen. Onderwijzerspersoneel, O. Onderwijzerstraktement, O., -traktementen. Onderwijzing, V., -wyzingen. Onderwind, O. Onderwinden (zich â), onderwond zich, heeft zich onderwonden. Onderworpeling, M. en V., -worpelin- gen. V. ook onderworpelinge. Onderworpen, -worpener, -worpenst. Onderworpenheid, V. Onderwroeten, onderwroette, heeft on- derwroet. Onderzaat, M., -zaten. Onderzeesch. Onderzeil, O., -zeilen. Onderzetting, V., -zettingen. Onderzinken, zonk onder, is ondergezonken. Onderzoek, O. Onderzoeken, onderzocht, heeft onderzocht. Onderzoeker, M., zoekers. Onderzoeking, V., -zoekingen. Onderzoekster, V., -zoeksters. Onderzwaveligzuur, O. Ondeugd (gebrek), V., ondeugden. Ondeugd (persoon), M. en V., ondeugden. Ondeugdje, O., -jes. Ondeugdelijk. Ondeugdzaam, -zamer, -zaamst. Ondeugend, ondeugender, ondeugendst. Ondeugendheid, V., -heden. Ondicht, O. Ondicht (bnw.). Ondichterlijk, -lijker, -lykst. Ondienst, M., ondiensten. Ondienstig, ondienstiger, ondienstigst. Ondiep, ondieper, ondiepst. Ondiepte, V., ondiepten. Ondier, O., ondieren. Onding, O., ondingen. Ondoelmatig, -matiger, -matigst. Ondoeltreffend, -treffender, -treffendst. Ondoenlijk, -lyker, -lijkst. Ondoenlijkheid, V. Ondoofbaar. Ondoordacht. Ondoordringbaab, -bare. Ondoordringbaabheid, V. Ondoorgrond. Ondoorgrondelijk, -lijker, -lijkst. Onpoorgronuelijkheiu, V. Ondoorkomelijk, -lijker, -Ijjkst. Ondoorschijnend. |
om
ONE.
261
|
Ondoorschijnendheid, V. Ondoobstaanbaar. Ondoobwaadbaab, -bare. Ondoobwaadbaabheid, V. Ondoobwobstelbaab, -bare. Ondoobzichtig, -zichtiger, -zichtigst. OndoobzichtigheId, V. Ondoobzienbaab. Ondoobzocht. Ondbaagbaab, -bare. Ondraaglijk, -Igker, -lykst. Ondbaaglijkheid, V. Ondbinkbaab, -bare. Ondbinkbaabheid, V. Ondubbelzinnig, -zinniger, -zinnigst. Ondubbelzinnigheid, V. Onduidelijk, -lyker, -lykst. Onduidelijkheid, V., -lieden. Onduitsch. Onduldbaab, -bare. Onduldelijk, -lijker, -lykst. Onduline, V., ondulines. Onecht, M. Onecht, onechter, onechtst. Onechtheid, V. Onedel, onedeler, onedelst. Onedelaabdig. Onedelmoedig, -moediger, -moedigst. One delmoedighei I), V. Oneendbachtig. Oneenig, oneeniger, oneenigst. Oneenigheid, V., -heden. Oneenpabig. Oneenpabigheid, V., -heden. Oneens. Oneensgezind. Oneensgezindheid, V. Oneenstemmig. Oneeb, V. Oneebbaab, -baarder, -baarst. Oneebbaabheid, V. Oneebbiedig, -biediger, -biedigst. Oneebbiedigheid, V., -heden. Oneebbiediglijk. Oneeblijk, -lyker, -lijkst. Oneeblijkheid, V., -heden. Oneetbaab, -bare. Oneffen, onefiener, onoft'enst. Oneffenheid, V., -heden. Oneigen. Oneigenaabdig, -aardiger, -aardigst. Oneigenaabdigheid, V. Oneigenlijk. Oneigenlijkheid, V. Oneindig. Oneindigheid, V. Oneindigmaal. Onebeus, onereuzer, onereust. Onebgdenkend, -denkender, -denkendst. Onebgeblijk, -lyker, -lijkst. Onebkend. Onebkentelijk, -lyker, -lykst. Onebkentelijkheid, V. Onebvaben, onervarener, onervarenst. |
Onebvabenheid, V. Oneven. Onevenheid, V. Onevenmatig, -matiger, -matigst. Onevenmatigheid, V. Onevenbedig, -rediger, -redigst. Onevenbedigheid, V., -heden. Onfaalbaab, -bare. Onfatsoenlijk, -lijker, -lykst. Onfatsoenlijkheid, V., -heden. Onfeilbaab, -bare. Onfeilbaabheid, V. Onfbaai. Onfbisch, onfrisscher, onfrischt. Onfbischheid, V. Ongaaf, ongaver, ongaafst. Ongaab, ongare. Ongaabheid, V. Ongaabne. Ongalijk, -lyker, -lykst. Ongalijkheid, V. Ongangbaab, -bare. Ongangbaabheid, V. Ongansch, O. Ongansch. Ongastvbij, -vrijer, -vrjjst. Ongastvbijheid, V. Ongeacht. Ongeadeld. Ongeadebd. Ongebaand, ongebaander, ongebaandst. Ongebaandheid, V. Ongebaabd (baardeloos). Ongebakken. Ongeballast. Ongebalsemd. Ongebeden. Ongebeft. Ongebeubd. Ongebeublijk, -lijker, -lykst. Ongebezigd. Ongebiecht. Ongeblanket, ongeblankette. Ongebleekt. Ongebloemd. Ongebluscht. Ongeboeid. Ongeboekt. Ongeboend. Ongebogen. Ongebonden, ongebondener, ongebon-denst. Ongebondenheid, V., -heden. Ongeboobd. Ongebobduubd. Ongeboben. Ongebbeideld. Ongebboken. Ongebbuikelijk, -lijker, -lijkst. Ongebbuikelijkheid, V. Ongebbuikt. Ongebbuineebd. Ongebuild. Ongedaan (onverricht), ongedane. |
ONGr.
262
ONG.
|
Ongedaan (er slecht uitziende), onge- daner, ongedaanst. Ongedacht. Ongedachtig. Ongedagteekend. Ongedateerd . Ongedeeld. Ongedeerd. Ongedekt. Ongedienbtig, on gedienstiger, ongedienstigst. Ongedienstigheid, V. Ongedierte, O. Ongedoopt. Ongedopt. Ongedorscht. Ongedrongen. Ongedroogd. Ongedroomd. Ongedrukt. Ongeduld, O. Ongeduldig, ongeduldiger, ongeduldigst. Ongeduldigheid, V. Ongedurig, ongeduriger, ongedurigst. Ongedurigheid, v. Ongedwongen, ongedwongener, ongedwongen st. Ongedwongenheid, V. Ongeëgd. Ongeestig. Ongefatsoeneerd. Ongefoelied. Ongeformeerd. Ongegist. Ongeglansd. Ongegoed. Ongegomd. Ongegord. Ongegrendeld. Ongegrond, ongegronder, ongegrondst. Ongegrondheid, V. Ongehard. Ongeharnast. Ongehaspeld. Ongehavend. Ongehekeld. Ongehinderd. Ongehoopt. Ongehoord, ongehoorder, ongehoordst. Ongehoordheid, V. Ongehoornd en ongehorend. Ongehoorzaam, -zamer, -zaamst. Ongehoorzaamheid, V., -heden. Ongehouden. Ongehoudenheid, V. o n6ehuicheld. Ongehuwd. Ongekaakt. Ongekamd. Ongekantrecht. Ongekapt. Ongekarteld. Ongekend. |
Ongekeperd. Ongeketend. Ongekeurd. Ongekleed, ongekleede. Ongekleurd. Ongekluisterd. Ongeknakt. Ongekneusd. Ongeknield. Ongeknot, ongeknotte. Ongekookt. Ongekoperd. Ongekorven. Ongekrenkt. Ongekreukt. Ongekroond. Ongekruid. Ongekruld. Ongekuifd. Ongekuischt. Ongekunsteld. Ongekunsteldheid, V. Ongekurkt. Ongekweld. Ongekwetst. Ongel, V. Ongelaagd. ongelaakt. Ongelaarsd. Ongelachtig, -achtiger, -achtigst. Ongelachtigheid, V. Ongelakt. Ongelasterd. Ongelauwerd. Ongeld, O., ongelden. Ongeleerd. Ongelegen, ongelegener, ongelegenst. Ongelegenheid, V., -heden. Ongeletterd. Ongeletterde, M. en V., ongeletterden. Ongelezen. Ongelig, ongeliger, ongeligst. Ongeligheid, V. Ongelijk, ongelyker, ongelykst. Ongelijk, O. Ongelijke a ar. -bare. ongelijkbreken d. Ongelukelijk. Ongelijkheid, V., -heden. Ongelijkmatig, -matiger, -matigst. Ongelijkmatigheid, V., -heden. Ongelijknamig. Ongelijkslachtig, -slachtiger, -slach-tigst. Ongelijkslachtigheid, V. Ongelijksoortig. Ongelijksoortigheid, V. Ongelijkvormig, -vormiger, -vormigst. Ongelijkvormigheid, v. Ongelijmd. Ongelijnd. Ongelikt, ongelikter, ongeliktst. Ongeliktheid, V. Ongelinieerd. |
ONG.
263
ONG.
|
Ongelogen. Opgeloken. Ongeloochen d. Ongeloof, O. Ongeloofbaak, -baarder, -baarst. Ongeloofbaarheid, V. Ongeloofelijk, -lyker, -lykst, Ongeloofelijkheiu, V. Ongeloofwaabuig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Ongeloofwaabdigheid, V. Ongeloogd. Ongelooid. Ongeloovig, ongelooviger, ongelooyigst. Ongeloovige, M. en V., ongeloovigen. Ongeloovigheid, V. Ongeloüterd. Ongeluk, O., ongelukken. Ongelukje, O., -jes. Ongelukkig, ongelukkiger, ongeluk-kigst. Ongelukkigebwijze en -wijs. Ongeluksbode, M. en V., -boden. Ongeluksdag, M., -dagen. Ongelukskind, O., -kinderen. Ongeluksprofeet, M., -profeten. Ongeluksvogel, M., -vogels. Ongemaaid. Ongemaakt, ongemaakter, ongemaaktst. Ongemaaktheid, V. Ongemachtigd. Ongemak, O., ongemakken. Ongemakje, O., -jes. Ongemakkelijk, -lyker, -lykst. Ongemakkelijkheid, V. Ongemalen. Ongemangeld. Ongemanierd, ongemanierder, ongema- nierdst. Ongemanierdheid, V., -heden. Ongemabmerd. Ongemaskerd. Ongemeen, ongemeener, ongemeenst. Ongemeend. Ongemeenheid, V. Ongemengd. Ongemerkt. Ongemest. Ongemeten. Ongemeubeld. Ongemeubileebd. Ongemoeid. Ongemuilband. Ongemunt. Ongenaakbaab, -baarder, -baarst. Ongenaakbaabheid, V. Ongenade, V. Ongenadig, ongenadiger, ongenadigst. Ongeneesbaar, -bare. Ongeneesbaabheid, V. Ongeneeslijk en ongeneeselijk,-lyker, -lykst. Ongeneeslijkheid, V. Ongenegen, ongenegener, ongenegenst. |
Ongenegenheid, V. Ongeneigd. Ongeneigdheid, V. Ongeneugte, V., ongeneugten. Ongenietbaar, -bare. Ongenoegen, O. Ongenoeglijk, -lijker, -lijkst. Ongenoegzaam, -zamer, -zaamst. Ongenoegzaamheid, V. Ongenoemd. Ongenommerd. Ongenood. Ongenoodigd. Ongeoefend, ongeoefender, ongeoe- fendst. Ongeoefendheid, V. Ongeolied. Ongeoorloofd, ongeoorloofder, onge- oorloofdst. Ongeoorloofdheid, V. Ongeopend. Ongeordend. Ongepaard. Ongepast, ongepaster, ongepastst. Ongepastheid, V. Ongepekeld. Ongepeld. Ongepeperd. Ongepermitteerd. Ongeplaveid. Ongepleisterd. Ongeplet, ongeplette. Ongeploegd. Ongepluimd. Ongepolijst. Ongepolijstheid, V. Ongepolitoerd. Ongeprf.zen. Ongepunt. Orgeraden, ongeradener, ongeradenst. Ongeradenheid, V. Ongerand. Ongerechtig, ongerechtiger, ongerech-tigst. Ongerechtigheid, V., -heden. Ongereede, O. Ongeregeld, ongeregelder, ongere-geldst. Ongeregeldheid, V., -heden. Ongereinigd. Ongerekend. Ongerept. Ongerezen. Ongerief, O. Ongeriefelijk, -lyker, -lykst. Ongeriefelijkheid, V., -heden. Ongerijmd, ongeremder, ongerijmdst. Ongerijmdheid, V., -heden. Ongerimpeld. Ongeroepen. Ongeroosterd. Ongerust, ongeruster, ongerustst. Ongerustelijk. Ongerustheid, V. |
ONG.
264
ONG.
|
üngeschaafd. Ongeschapen. Ongescheiden. Ongescheurd. Ongeschift. Ongeschikt, ongeschikter, ongeschiktst. Ongeschiktheiu, v. Ongeschoeid. Ongeschokt. Ongeschonden, ongeschondener, onge- schondenst. Ongeschondenheid, V. Ongeschoren. Ongeschreven. Ongeschubd. Ongeslepen. Ongesloten. Ongesluierd. # Ongesmeerd. Ongesmolten, Ongesnoeid. Ongesnoerd. Ongespannen. Ongespleten. Ongesplitst, Ongesponnen. Ongestadig, ongestadiger, ongestadigst. Ongestadigheid, v. Ongestampt. Ongesteeld. Ongesteld. Ongesteldheid, V., -heden. Ongestempeld. Ongesteven. Ongestoffeerd. Ongestoord. Ongestraft. Ongestreept. Ongestudeerd. Ongesuikerd. Ongetakt. Ongetand. Ongeteerd. Ongeteld. Ongetemd. Ongetemperd. Ongetiteld. Ongetoomd. Ongetroost. Ongetrouw, ongetrouwer, ongetrouwst. Ongetrouwd. Ongetrouwelijk. Ongetrouwheid, V. Ongetwijfeld. Ongetwijnd. Ongevaarlijk, -lyker, -lijkst. Ongeval, O., ongevallen. Ongevalletje, O., -jes. Ongevallig, ongevalliger, ongevalligst. Ongevalligheid, V. Ongevederd. Ongeveer. Ongeveinsd,ongeveinsder,ongeveinsdst. Ongeveinsdheid, V. |
Ongeverfd. Ongevergd. Ongevernist. üngevleid. Ongevlekt. Ongevleugeld. Ongevoeglijk , -lyker, -lykst. Ongevoeglijkheid, V. Ongevoelig, ongevoeliger, ongevoeligst. Ongevoeligheid, V. Ongevolgd. Ongevorderd. Ongevormd. Ongevouwen. Ongevraagd. Ongewaarschuwd. Ongewapend. Ongewasschen. Ongewast. Ongewaterd. Ongeweekt. Ongeweigerd. Ongewenscht. Ongeweven. Ongewied. Ongewijd. Ongewild. Ongewillig, ongewilliger, ongewilligst. Ongewilligheid, V. Ongewis, ongewisser, meest ongewis. Ongewisheid, V., -heden. Ongewisseld. Ongewit, ongewitte. Ongewond. Ongewoon, ongewoner, ongewoonst. Ongewoonheid, V., -heden. Ongewoonte, V. Ongewroken. Ongewrongen, ongewrongener, onge- wrongenst. Ongewrongenheid, V. Ongezaagd. Ongezaaid. Ongezadeld. Ongezalfd. Ongezegeld. Ongezeglijk, -lyker, -lykst. Ongezeglijkheid, V. Ongezellig, ongezelliger, ongezelligst. Ongezelligheid, V. Ongezien. Ongezift. Ongezind. Ongezocht, ongezochter, ongezochtst. Ongezochtheid, V. Ongezond, ongezonder, ongezondst. Ongezondheid, v. Ongezoold. Ongezoomd. Ongezouten. Ongezuiverd. Ongezuurd. Ongezwaveld. Ongoddelijk. |
ONG.
ONK.
265
|
ükgodist, m., ongodisten. Ongodisterij, V. Ongodsdienstig,-dienstiger,-dienstigst. Ongodsdienstigheid, V. Ongbaceluk. Ongrondwettig, -wettiger, -wettigst. Ongrondwettigheid, V. Ongunst, V. Ongunstig, ongunstiger, ongunstigst. Ongunstigheid, V. Onguur, onguurder, onguurst. Onguurheid, V., -heden. Onhandelbaar, -baarder, -baarst. Onhandelbaarheid, V. Onhandig, onhandiger, onhandigst. Onhandigheid, V., -heden. Onharmonisch. Onhebbelijk, -lijker, -lijkst. Onhebbelijkheid, V., -heden. Onheelbaar, -bare. Onheil, O., onheilen. Onheiltje, O., -jes. Onheilig, onheiliger, onheiligst. Onheiligheid, V. Onheilsbode, M., -boden. Onheilsdag, M., -dagen. Onheilspellend. Onherbergzaam, -zamer, -zaamst. Onherbergzaamheid, V. Onherkenbaar, -bare. Onherkenbaarheid, V. Onherkiesbaar, -bare. onherkiesbaarheid, V. Onherleidbaar, -bare. Onherleidbaarheid, V. Onherroepbaar, -bare. Onherroepbaarheid, V. Onherroepel 1jk. Onherroepelijkheid, V. Onherstelbaar, -bare. Onheuglijk. Onheusch .onheuscher, meest onheusch. Onheuschheid, V., -heden. Onhistorisch. Onhoffelijk, -lijker, -lijkst. Onhoffelijkheid, V., -heden. Onhollandsch. Onhoudbaar, -baarder, -baarst. Onhoudbaarheid, V. Onhout, O. Onhuiselijk en onhuislijk, -lijker, -lykst. Onhuiselijkheid en onhuislijkheid, V. Oningebonden. Oningelicht. Oningemaakt. Oningenaaid. Oningevuld. Oningewijd. Oninneembaar, -bare. Onjoodsch. Onjuist, onjuister, onjuistst. Onjuistheid, V., -heden. Onkenbaar, -baarder, -baarst. Onkenbaarheid, V. |
Onkerkelijk. Onkiesch, onkiescher, meest onkiesch.. Onkieschheid, V., -heden. Onklaar, onklaarder, onklaarst. Onklaarheid, V. Onknap. Onkostbaar, -baarder, -baarst. Onkosten (mv.), m. Onkreukbaar, -baarder, -baarst. Onkreukbaarheid, V. Onkruid, O., onkruiden. Onkruidje, O., -jes. Onkuisch, onkuischer, meest onkuisch. Onkuischheid, V. Onkunde, V. Onkundig, onkundiger, onkundigst. Onkwetsbaar, -bare. Onkwetsbaarheid, V. Onland, O., onlanden. Onlangs. Onledig. Onleesbaar, -baarder, -baarst. Onleesbaarheid, v. Onlekker. Onleschbaar, -bare. Onleverbaar, -bare. Onlichamelijk. Onlief, onliever, onliefst. Onlijdelijk, -lijker, -lijkst. Onlijdelijkheid, V. Onlogisch. Onloochenbaar, -baarder, -baarst. Onloochenbaarheid, V. Onlust (lusteloosheid), M. Onlusten (woelingen), (mv.), M. Onlustig, onlustiger, onlustigst. Onlustigheid, V. Onmacht, V. _ . J Onmachtig, onmachtiger, onmachtigst, Onmanierlijk, -l\jker, -lijkst. Onmanierlijkheid, V., -heden. Onmanlijk, -lijker, -lykst. Onmanlijkheid, V. Onmatig, onmatiger, onmatigst. Onmatigheid, V. Onmeedoogend, -doogender, -doogendst-Onmeedoogendheid, V. Onmeetbaar, -bare. Onmeetbaarheid, v. Onmensch, O., onmenschen. Onmenschelijk, -lyker, -lijkst. Onmenschelijkhei d, V., -heden. Onmerkbaar, -baarder, -baarst. Onmetelijk, -lyker, -lijkst. Onmetelijkheid, v. Onmiddellijk. Onmin, V. Onmisbaar, -baarder, -baarst. Onmisbaarheid, v. Onmiskenbaar, -baarder, -baarst. Onmiskenbaarheid, V. Onmoed, M. Onmogelijk, -lyker, -lijkst. Onmogelijkheid, V., -heden. |
ONM.
266
ONO.
|
Onmondig. Onmondigheid, V. Onnadenkend, -denkender, -denkendst. Onnauenkendheiu, V. Onnaspeurbaar, -bare. Onnaspeurlijk, -lijker, -lykst. Onnaspeurlijkheiij, V., -heden. Onnatuurlijk, -lyker, -lijkst. Onnatuurlijkheid, V., -heden. Onnauwkeurig, -keuriger, keurigst. Onnauwkeurigheid, V., -heden. Onnavolgbaar, -baarder, -baarst. Onnavolgbaarheid, v. Onnederlandsch. Onneembaar, -bare. Onnoemelijk, -Igker, -lykst. Onnoouig, onnoodiger, onnoodigst. Onnoodigheid, V. Onnoodiglijk. Onnoozel, onnoozeler, onnoozelst. Onnoozelheid, v. Onnut, onnutter, onnutst. Onnuttig. Onomkoopbaar, -bare. Onomkoopbaarheid, V. Onomstootelijk, -lijker, -lykst. Onontbeerlijk, -lijker, -lykst. Onontbeerlijkheid, V. Onontbindbaar, -bare. Onontbindbaarheid, V. Onontdekt. Onontgonnen. Onontvlambaar, -bare. Onontvlambaarheid, v. Onontwijkbaar, -bare. Onontwikkeld. Onooglijk, -lyker, -lijkst. Onooglijkheid, V. Onoorbaar, onoorbaarder, onoorbaarst. Onoorbaarheid, v. Onoordeelkundig, -kundiger, -kundigst. Onoorspronkelijk. Onopengesneden. Onopgebonden. Onopgelost. Onopgemaakt. Onopgemerkt. Onopgeschreven. Onopgesierd. Onopgesmukt. Onopgesneden. Onopgeteekend. Onopgetoomd. Onopgetuigd. Onopgevoed. Onopgewekt. Onophoudelijk. Onoplettend, -lettender, -lettendst. Onoplettendheid, v. Onoplosbaar, -bare. Onoplosbaarheid, V. Onopmerkzaam, -zamer, -zaamst. Onopmerkzaamheid, V. onoprecht, -rechter, -rechtst. |
Onoprechtheid, V. Onopzegbaar. Onopzettelijk. Onordelijk, -lyker, -lykst. Onordelijkheid, v., -heden. Onordentelijk, -lyker, -lykst. Onordentelijkheid, v., -heden. Onoverdacht. Onoverdekt. Onovergankeli jk. Onoverkomelijk, -lijker, -lijkst. Onoverlegd. Onovertrefbaar, -bare. Onovertroffen. Onoverwinbaar, -bare. Onoverwinlijk en onoverwinnelijk, -lyker, -lykst. Onoverwinlijkheid, V. Onoverwonnen. Onoverzienbaar, -bare. Onpaedagogisch. Onpartijdig, onpartijdiger, onparty- digst. Onpartijdigheid, V. Onpartijdiglijk. Onpas (Te â). Onpasselijk. Onpasselijkheid, V. Onpeilbaar, bare. Onpeilbaarheid, V. Onpersoonlijk. Onpleizierig, -iger, -igst. Onplooibaar, -baarder, -baarst. Onpractisch. Onprofijtelijk, -lyker, -lykst. Onprofijtelijkheid, v. Onraad, M. Onraadzaam, -zamer, -zaamst. Onraadzaamheid, V. Onrecht, O. Onrechtmatig, -matiger, -matigst. Onrechtmatigheid, V. Onrechtvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Onrechtvaardigheid, V., -heden. Onrecht vaar diglijk. Onrechtzinnig, -zinniger, -zinnigst. Onrechtzinnigheid, V., -heden. Onredbaar, -bare. Onredelijk, -lyker, -lijkst. Onredelijkheid, V., -heden. Onredzaam, -zamer, -zaamst. Onredzaamheid, v. Onregelmatig, -matiger, -matigst. Onregelmatigheid, v., -heden. Onrein, onreiner, onreinst. Onreinheid, V., -heden. Onreinigheid, V., -heden. Onreisbaar, -bare. Onridderlijk, -lyker, -lykst. Onrijm, O. Onrijp, onryper, onrijpst. Onrijpheid, V. Onroerend. Onroomsch. |
ONE.
267
ONT.
|
Onrust, V., onrusten. Onrustig, onrustiger, onrustigst. Onrustigheid, V. Onruststoker, M., -stokers. Ons (pers. vnw.). Ons, onze, ons. Ons (hectogram), O., onsen. Onsje, O., -jes. Onsamenhangend. Onschadelijk, -lijker, -lykst. Onschadelijkheid, V. Onschatbaar, -baarder, -baarst. Onscheidbaar, -bare. Onscheidbaarheid, V. Onschendbaar, -bare. Onschendbaarheid, V. Onschriftmatig, -matiger, -matigst. Onschriftmatigheid, V. Onschriftuurlijk. Onschuld, V. Onschuldig, onschuldiger, onschuldigst. Onschuldiglijk. Onsierlijk, -lyker, -lykst. Onsierlijkheid, V. Onslutbaar, -bare. Onsmakelijk, -lyker, -lijkst. Onsmakelijkheid, V. Onsmeltbaar, -bare. Onsmeltbaarheid, V. Onspoed, M., onspoeden. Onstaatkundig, -kundiger, -kundigst. Onstandvastig, -vastiger, -vastigst. Onstandvastigheid, V. Onstan d vast i gl i jk. Onsterfelijk. Onsterfelijkheid, V. Onsterk, onsterker, onsterkst. Onsterkheid, V. Onsterkte, V. Onstichtelijk, -lijker, -lykst. Onstichtelijkheid, V., -heden. Onstoffelijk. Onstoffelijkheid, V. Onstraffelijk. Onstrijdbaar, -bare. Onstuimig, onstuimiger, onstuimigst. Onstuimigheid, V., -heden. Ontaalkundig. Ontaard, ontaarder, ontaardst. Ontaarden, ontaardde, is ontaard. Ontaardheid, V. Ontaarding, V., ontaardingen. Ontadelen, ontadelde, heeft ontadeld. Ontalluk, -lijker, -lykst. Ontastbaar, -bare. Ontbaarden, ontbaardde, heeft onthaard. Ontbeerluk, -lyker, -lykst. Ontbeerlijkheid, V., -heden. Ontberen, ontbeerde, heeft ontbeerd. Ontbering, V., ontberingen. Ontbieden, ontbood, ontboden, heeft ontboden. Ontbieder, M., ontbieders. |
Ontbieding, V., ontbiedingen. Ontbijt, O., ontbijten. Ontbijtje, O., -jes. Ontbijten, ontbeet, ontbeten, heeft ontbeten. Ontbijtgoed, O. Ontbijtkamer, V., -kamers. Ontbijtkoek (voorwerp), M , -koeken; (stofnaam), V. Ontbijtservies, O., -serviezen. Ontbijttafel, V., -tafels. Ontbindbaar. Ontbindbaarheid, V. Ontbinden, ontbond, heeft ontbonden. Ontbinding, V., ontbindingen. Ontbindingsrecht, O. Ontbladeren, ontbladi-rde, heeft ontbladerd. Ontbladering, V. Ontblooten, ontblootte, heeft ontbloot. Ontblootinw, V., ontblóotingen. Ontboeien, ontboeide, heeft ontboeid. Ontboehng, V. Ontboezemen, ontboezemde, heeft ont- boezemd. Ontboezeming, V., ontboezemingen Ontbolsteren, ontbolsterde, heeft ontbolsterd. Ontbolstering, V. Ontbrandbaar, -bare. Ontbrandbaarheid, V. Ontbranden, ontbrandde, is ontbrand. Ontbranding, V., ontbrandingen. Ontbreidelen, ontbreidelde, heeft ont-breideld. Ontbreken, ontbrak, ontbraken, heeft ontbroken. Ontbreking, V. Ontburgeren, ontburgerde, heeft ont-burgerd. Ontchristenen, ontchristende, heeft ontchristend. Ontcijferen, ontcijferde, heeft ontcijferd. Ontcijfering, V., ontcijferingen. Ontdaan. Ontdacht. Ontdekken, ontdekte, heeft ontdekt. Ontdekker, M., ontdekkers. Ontdekking, V., ontdekkingen. Ontdekkingslust, M. Ontdekkingsreis, V., -reizen. Ontdekkingsreiziger, M., -reizigers. Ontdekkingstocht, M., -tochten. Ontdelven, ontdolf, ontdelven, heeft ontdelven. Ontdoen, ontdeed, ontdeden, heeft ontdaan. Ontdooien, ontdooide, heeft en is ontdooid. Ontdooiing, V. Ontdraaien, ontdraaide, heeft en is ont- draaid. Ontdraaiing, V. Ontdragen, ontdroeg, heeft ontdragen. |
ONT.
ONT.
268
|
üntdraven, ontdraafde, is ontdraafd. Ontdrijven, ontdreef, ontdreven, heeft en is ontdreven. Ontdubbelen, ontdubbelde, heeft ontdubbeld. Ontdubbeling, V. Ontduiken, ontdook, ontdoken, heeft en is ontdoken. Ontduiking, V., ontduikingen. Onteerder, M., onteerders. Ontkeren, onteerde, heeft onteerd. Onteerend, onteerender, onteerendst. Onteering, V., onteeringen. Ontegensprekelijk, -lijker, -lykst. Ontegensprekelijkheid, V. Ontegenzeglijk, -lyker, -lykst. Ontegenzeglijkheid, V. Onteigenen, onteigende, heeft onteigend. Onteigening, V., onteigeningen. Onteigeningswet, V., -wetten. Ontelbaar, -bare. Ontelbaarheid, V. Ontembaar, -bare. Ontembaarheid, V. Onterven, onterfde, heeft onterfd. Onterving, V., ontervingen. Ontevreden, ontevredener, ontevre- denst. Ontevredenheid, V. Ontfermen (zich â), ontfermde zich, heeft zich ontfermd. Ontfermer, M. Ontferming, v. Ontfronsen, ontfronste, heeft ontfronst. Ontfutselen, ontfutselde, heeft ontfutseld. Ontfutseling, v., ontfutselingen. Ontgaan, ontgaat, ontging, is ontgaan. Ontgelden, ontgold, heeft ontgolden. Ontgespen, ontgespte, heeft ontgespt. Ontgeven (zich â), ontgaf zich, ontgaven zich, heeft zich ontgeven. Ontginnen, ontgon, ontgonnen, heeft ontgonnen. Ontginner, M., ontginners. Ontginning, V., ontginningen. Ontglijden, ontgleed, ontgleden, is ontgleden. Ontglimmen, ontglom, ontglommen, is ontglommen. Ontglippen, ontglipte, is ontglipt. Ontgloeien, ontgloeide, heeft en is ontgloeid. Ontgolven, ontgolfde, is ontgolfd. Ontgommen, ontgomde, heeft ontgomd. Ontgoochelen, ontgoochelde, heeft ontgoocheld. Ontgoocheling, V., ontgoochelingen. Ontgraten, ontgraatte, heeft ontgraat. Ontgraven, ontgroef, ontgroeven, heeft ontgraven. Ontgraving, V., ontgravingen. |
Ontgrendelen, ontgrendelde, heeft ontgrendeld. Ontgrendeling, v. Ontgroeien, ontgroeide, is ontgroeid. Ontgroenen, ontgroende, heeft ontgroend. Ontgroening, V., ontgroeningen. Ontgroenpartij, V., -partijen. Ontgronden, ontgrondde, heeft ont-grond. Ontgronding. V., ontgrondingen. Onthaal, O. onthaken, onthaakte, heeft onthaakt. Onthaking, v. Onthalen, onthaalde, heeft onthaald. Onthaling, V. Onthalsteren, onthalsterde, heeft ont-halsterd. Onthalzen, onthalsde, heeft onthalsd. Onthalzing, V., onthalzingen. Onthanden, onthandde, heeft onthand. Onthaspelen, onthaspelde, heeft ont- haspeld. Onthaspeling, V. Ontheffen, onthief, onthieven, heeft ontheven. Ontheffing, V., ontheffingen. Ontheiligen, ontheiligde, heeft ontheiligd. Ontheiliger, M., ontheiligers. Ontheiliging, V., ontheiligingen. Ontheisteren, ontheisterde, heeft ont- heisterd. Ontheibtering, V. Onthersenen, onthersende, heeft ont- hersend. Onthersening, V. Onthollandschen, onthollandschte; heeft onthollandscht. Onthollen, ontholde, is onthold. Onthoofden, onthoofdde, heeft onthoofd. Onthoofding, V., onthoofdingen. Onthouden, onthield, heeft onthouden. Onthouder, M., -houders. Onthouding, V. Onthuiden, onthuidde, heeft onthuld. Onthullen, onthulde, heeft onthuld. Onthulling, V., onthullingen Onthuppelen, onthuppelde, is onthup-peld. Onthutsen, onthutste, heeft en is onthutst. Ontijd, M., ontyden. Ontijdig, ontydiger, ontijdigst. Ontijdigheid, V. Ontijlen, ontijlde, is ontijld. Ontilbaar, -bare. Ontilbaarheid, V. Ontjagen, ontjaagde, heeft en is ont- jaagd; ook ontjoeg. Ontkapen, ontkaapte, heeft ontkaapt. Ontkaping, V., ontkapingen. Ontkennen, ontkende, heeft ontkend. |
ONT.
269
ONT
|
Ontkenner, M., ontkenners. Ontkenning, V., ontkenningen. Ontkenningswoord, O., -woorden. Ontkerkeren, ontkerkerde, heeft ont- kerkerd. Ontkerkering, V. Ontketenen, ontketende, heeft ontketend. Ontketening, V. Ontkiemen, ontkiemde, is ontkiemd. Ontkieming, V. Ontkleeden, ontkleedde, heeft ontkleed. Ontkleeding, V. Ontkleuren, ontkleurde, heeft ontkleurd. Ontkleuring, V. Ontklimmen, ontklom, ontkllt; »mmen, is ontklommen. Ontklinken, ontklonk, heeft ontklonken. Ontkluisteren, ontkluisterde, heeft ontkluisterd. Ontkluistering, V. Ontknevelen, ontknevelde, heeft ont-kneveld. Ontknoopen, ontknoopte, heeft ontknoopt. Ontknooping, V., ontknoopingen. Ontkolen, ontkoolde, heeft ontkoold. Ontkomen, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, is ontkomen. Ontkoming, V., ontkomingen. Ontkoopen, ontkocht, heeft ontkocht. Ontkoppelen, ontkoppelde, heeft ontkoppeld. Ontkoppeling, V. Ontkorrelen, ontkorrelde, heeft ont-korreld. Ontkorsten, ontkorstte, heeft ontkorst. Ontkorsting, V. Ontkrachten, ontkrachtte, heeft ontkracht. Ontkrachting, V. Ontkruipen, ontkroop, ontkropen, is ontkropen. Ontkuipen, ontknipte, heeft ontknipt. Ontkurken, ontkurkte, heeft ontkurkt. Ontkurking, V. Ontlaadtang, V., -tangen. Ontladen, ontlaadde, heeft ontladen. Ontlader, M.t ontladers. Ontlading, V., ontladingen. Ontlasten, ontlastte, heeft ontlast. Ontlasting, V. Ontlastpijp, V... -püpen. Ontlaten, ontliet, heeft en is ontlaten. Ontlating, V. Ontleden, ontleedde, heelt ontleed. Ontleder, M., ontleders. Ontledigen, ontledigde, heeft ontledigd, Ontlediging, v., ontledigingen. Ontleding, v., ontledingen. Ontleedkamer, V., -kamers. |
Ontleedkunde, V. Ontleedkundi g. Ontleedkundige, M. en V., -kundigen. Ontleedkunst, V. Ontleedmes, O., -messen. Ontleenen, ontleende, heeft ontleend. Ontleening, V., ontleeningen. Ontleeren, ontleerde, heeft ontleerd. Ontleggen, ontlegde en ontleide, heeft ontlegd en ontleid. Ontluken, ontlijkte, heeft ontljjkt. Ontlijven, ontlijfde, heeft ontlijfd. Ontlijver, M., ontlijvers. Ontlijving, V., ontlyvingen. Ontlokken, ontlokte, heeft ontlokt. Ontlooden, ontloodde, heeft ontlood. Ontloopen, ontliep, is ontloopen. Ontlooping, V., ontloopingen. Ontlooveren, v., ontlooverde, heeft ont-looverd. Ontluiken, ontlook, ontloken, heeften is ontloken. Ontluiking, v. Ontluisteren, ontluisterde, heeft ont- luisterd. Ontluistering, V. Ontmaagden, ontmaagdde, heeft ontmaagd. Ontmaken, ontmaakte, heeft ontmaakt. Ontmak ing, V. Ontmannen, ontmande, heelt ontmand. Ontmanning, v. Ontmantelen, ontmantelde, heeft ontmanteld. Ontmanteling, v., ontmantelingen. Ontmaskeren, ontmaskerde, heeft ontmaskerd. Ontmaskering, v., ontmaskeringen. Ontmast. Ontmasten, ontmastte, heeft ontmast. Ontmenscht. Ontmergeld. Ontmergen, ontmergde, heeft ont-mergd. Ontmeubelen, ontmeubelde, heeft ont-meubeld. Ontmeubeling, V. Ontmoedigen, ontmoedigde, heeft ontmoedigd. Ontmoediging, V. Ontmoeten, ontmoette, heeft en is ontmoet. Ontmoeting, V., ontmoetingen. Ontmunten, ontmuntte, heeft ontmunt. Ontnederlandschen, ontnederlandsch- te, heeft ontnederlandscht. Ontnemen, ontnam, ontnamen, heeft ontnomen. Ontneming, V. Ontnestelen, ontnestelde, heeft ont-nesteld. Ontnuchteren, ontnuchterde, heeft en is ontnuchterd. Ontnuchtering, V., ontnuchteringen. |
1
om.
270
ONT.
|
Ontoegankelijk, -lyker, -lykst. Ontoegankelijkheid, V. Ontoepasselijk. Ontoereikend. Ontoereikendheid, V. Ontoerekenbaar, -bare. Ontoerekenbaarheid, v. Ontoerekeningsvatbaar, -bare. Ontoombaar, -bare. Ontoonbaar, -bare. Ontpakken, ontpakte, heeft ontpakt. Ontpakking, V., ontpakkingen. Ontpantseren, ontpantserde, heeft ont-pantserd. Ontparen, ontpaarde, heeft ontpaard. Ontpersen, ontperste, heeft ontperst. Ontplanken, ontplankte, heeft ont-plankt. Ontpleisteren, ontpleisterde, heeft ontpleisterd. Ontpleiten, ontpleitte, heeft ontpleit. Ontploffen, ontplofte, is ontploft. Ontploffing, v., ontploffingen. Ontploffingsgeluid, O., -geluiden. Ontplooien, ontplooide, heeft ontplooid. Ontplooiing, v. Ontpluizen, ontploos, ontplozen, heeft ontplozen. Ontplukken, ontplukte, heeft ontplukt. Ontpolderen, ontpolderde, heeft ont-polderd. Ontpoortkren, ontpoorterde, heeft ont- poorterd. Ontpoortering, V. Ontprachen, ontprachte, heeft ont-pracht. Ontpraten, ontpraatte, heeft ontpraat. Ontraadselen, ontraadselde, heelt ontraadseld. Ontraadseling, v, Ontraden, ontried, heeft ontraden; ook ontraadde. Ontrading, v. Ontrafelen, ontrafelde, heeft ontrafeld. Ontrakken, ontrakte, heeft ontrakt. Ontrampeneerd. Ontredderd. Ontrefbaar, -bare. Ontreinigen, ontreinigde, heeft ont-reinigd. Ontreiniging, V., ontreinigingen. Ontremmen, ontremde, heelt ontremd. Ontrennen, ontrende, is ontrend. Ontrieven, ontrielde, heelt ontriefd. Ontrieving, V. Ontrijden, ontreed, ontreden, is ontreden. Ontrugen, ontreeg, ontregen, heeft ont-regen. Ontruzen, ontrees, ontrezen, is ontrezen. Ontrimpelen, ontrimpelde, heeft ont- rimpeld. Ontrimpeltng, V. |
Ontroeien, ontroeide, is ontroeid. Ontroeren, ontroerde, heeft en is ontroerd. Ontroerend. Ontroering, V., ontroeringen. Ontrollen, ontrolde, heeft en is ontrold Ontronselen, ontronselde, heeft ont-ronseld. Ontroostbaar, -baarder, -baarst. Ontroostbaarheid, V. Ontroostelijk, -l\jker, -lykst. Ontrooven, ontroofde, heeft ontroofd. Ontrooving, V. Ontrouw, V. Ontrouw, ontrouwer, ontrouwst. Ontrouwelijk. Ontrouwigheid, V. Ontruimen, ontruimde, heeft ontruimd. Ontruiming, V., ontruimingen. Ontrukken, ontrukte, heeft ontrukt. Ontrukking, V. Ontrusten, ontrustte, heeft ontrust. Ontschaken, ontschaakte, heeft ontschaakt. Ontscheeden, ontscheedde, heeft ont-scheed. Ontschepen, ontscheepte, heeft ontscheept. Ontscheping, V., ontschepingen. Ontscheuren, ontscheurde, heeft ont-scheurd. Ontschieten, ontschoot, ontschoten, is ontschoten. Ontschi llen, ontschilde, heeft ontschild. Ontschoeien, ontschoeide, heeft ont-sohoeid. Ontschoei ing, V. Ontschuilen, ontschool, ontscholen, heeft en is ontscholen. Ontschuldigen, ontschuldigde, heeft ontschuldigd. Ontschuldiging, V., ontschuldigingen. Ontschutteren, ontschutterde, heeft ontschutterd. Ontsieren, ontsierde, heeft ontsierd. Ontsiering, V., ontsieringen. Ontslaan, ontslaat, ontsloeg, heeft ontslagen. Ontslag, O. Ontslagbrief, M., -brieven. Ontslagneming, V., -nemingen. Ontslapen, ontsliep, is ontslapen. Ontslippen, ontslipte, is ontslipt. Ontsluieren, ontsluierde, heeft ontsluierd. Ontsluiering, V., ontsluieringen. Ontsluimeren, ontsluimerde, is ont-sluimerd. Ontsluipen, ontsloop, ontslopen, is ontslopen. Ontsluiping, V. Ontsluiten, ontsloot, ontsloten, heeft ontsloten. |
ONT.
ONT.
271
|
ontsluiter, M., ontsluiters. Ontsluiting, V. Ontsmetten, ontsmette, heeft ontsmet. Ontsmetting, V., ontsmettingen. Ontsmettingsmiddel, O., -middelen. Ontsmettingsoven, M., -ovens. Ontsnaaed. Ontsnappen, ontsnapte, is ontsnapt. Ontsnapping, V., ontsnappingen. Ontsnappingswerk, O. Ontsnellen, ontsnelde, is ontsneld. Ontsnoepen, ontsnoepte, heeft ont-snoept. Ontsnoeren, ontsnoerde, heeft ont-snoerd. Ontsnoering, V. Ontspannen, ontspande, heeft ontspannen. Ontspanning, V., ontspanningen. Ontspartelen, ontspartelde, is ont-sparteld. Ontspatten, ontspatte, is ontspat. ontspelden, ontspeldde, heeft ontspeld. Ontspinnen, 'ontspon, ontsponnen, heeft ontsponnen. Ontspinten, ontspintte, heeft ontspint. Ontsporen, ontspoorde, is ontspoord. Ontsporing, V., ontsporingen. Ontspringen, ontsprong, is ontsprongen. Ontspruiten, ontsproot, ontsproten, is ontsproten. Ontstaan, ontstaat, ontstond, is ontstaan. Ontstapelen, ontstapelde, heeft ont-stapeld. Ontstapeling, V. Ontstappen, ontstapte, is ontstapt. Ontsteigeren, ontsteigerde, is ontstei-gerd. Ontsteken, ontstak, ontstaken, heeft en is ontstoken. Ontsteking, V., ontstekingen. Ontstekingskoorts, V., -koortsen. Ontstekingsmiddel, o., -middelen. Ontstekingswijze, V., -wyzen. Ontsteld. Ontstelen, ontstal, ontstalen, heeft ontstolen. Ontsteling, V. Ontstellen, ontstelde, heeft en is ontsteld. Ontsteltenis, V. Ontstemd. Ontstemdheid, V. Ontstemmen, ontstemde, heeft en is ontstemd. Ontstentenis, v. Ontsterven, ontstierf, ontstierven, is ontstorven. Ontstichten, ontstichtte, heeft ontsticht. Ontstichting, v. Ontstijgen, ontsteeg, ontstegen, is ontstegen. |
Ontstoken. Ontstrengelen, ontstrengelde, heeft ontstrengeld. Ontstrijden, ontstreed, ontstreden, heeft ontstreden. Ontstrikken, ontstrikte, heeft ontstrikt. Ontstroomen, ontstroomde, is ont-stroomd. Onttakelen, onttakelde, heeft en is onttakeld. Onttakeling, V., onttakelingen. Onttanden, onttandde, heelt onttand. Onttogen (deelw.). Onttooveren, onttooverde, heeft ont-tooverd. Onttrekken, onttrok, onttrokken, heeft onttrokken. Onttroggelen, onttroggelde, heeft ont-troggeld. Onttronen (van den troon stooten), onttroonde, heeft onttroond. Onttroning, V., onttroningen. Onttroonen (aftroonen), onttroonde, heeft onttroond. Onttrouwen, onttrouwde, heeft ont-trouwd. Onttuien, onttuide, heelt onttuid. Onttuigen, onttuigde, heeft onttuigd. Ontucht, V. Ontuchtelijk. Ontuchtig, ontuclitiger, ontuchtlgst. Ontuig, O. Ontvademen, ontvademde, heeft ont- vademd. Ontvallen, ontviel, is ontvallen. Ontvang, M. Ontvangbak, M., -bakken. Ontvangbewijs, O., -bewyzen. Ontvangen, ontving, heeft ontvangen. Ontvangenis, V. Ontvanger, M., ontvangers. Ontvangerskantoor, O., -kantoren. Ontvangerspost, M., -posten. Ontvanging, V. Ontvangkamer, V., -kamers. Ontvangst, V., ontvangsten. Ontvangstbewijs, O., -bewijzen. Ontvankelijk, -lyker, -lykst. Ontvankelijkheid, V. Ontvaren, ontvoer, is ontvaren. Ontvechten, ontvocht, heeft ontvochten. Ontveiltgen, ontveiligde, heeft ont- veiligd. Ontveiliging, V. Ontveinzen, ontveinsde, heeft ont veinsd. Ontveinzing, V. Ontvellen, ontvelde, is ontveld. Ontvelling, V., ontvellingen Ontvetten, ontvette, heelt ontvet Ontvlambaar, -baarder, -baarst. Ontvlambaarheid, V. |
ONT.
ONT.
272
|
ontvlammen, ontvlamde, heeft en is ontvlamd. Ontvlamming, V. Ontvlechten, ontvlocht, heeft ontvlochten. Ontvleezen, ontvleesde, heeft ontvleesd. Ontvleezing, V. Ontvleien, ontvleide, heeft ontvleid. Ontvlieden, ontvlood, ontvloden, is ontvloden. Ontvlieding, v. Ontvliegen, ontvloog, ontvlogen, is ontvlogen Ontvloeien, ontvloeide, is ontvloeid. Ontvloeisel, O., ontvloeisels en ont-vloeiselen. Ontvluchten, ontvluchtte, is ontvlucht. Ontvluchting, V., ontvluchtingen. Ontvoerder, Mm ontvoerders. Ontvoeren, ontvoerde, heeft ontvoerd. Ontvoering, V., ontvoeringen. Ontvolken, ontvolkte, heeft ontvolkt. Ontvolking, V. Ontvonkbaar, -bare. Ontvonken, ontvonkte, heeft en is ontvonkt. Ontvonking, V. Ontvoogden, ontvoogdde, heeft ontvoogd. Ontvoogding, V. Ontvouwen, ontvouwde, heeft ontvouwd en ontvouwen. Ontvouwing, V. Ontvreemden, ontvreemdde, heeft ontvreemd. Ontvreemding, V., ontvreemdingen. Ontvrijen, ontvrjjde, heeft ontvrijd. Ontwaaien, ontwaaide, is ontwaaid; ook ontwoei, ontwoeien. Ontwaken, ontwaakte, is ontwaakt. Ontwaking, V. Ontwapenen, ontwapende, heeft ontwapend. Ontwapening, V. Ontwaren, ontwaarde, heeft ontwaard. Ontwarren, ontwarde, heeft ontward. Ontwarring, V. Ontwassen, ontwies, ontwiesen, is ontwassen. Ontwateren, ontwaterde, heeft ontwaterd. Ontweien, ontwelde, heeft ontweid. Ontweiing, V. Ontweldigen, ontweldigde, heeft ontweldigd. Ontwel diger, M., ontweldigers. Ontweldiging, V. Ontwennen, ontwende, heeft en is ontwend. Ontwenning, V. Ontwerp, O., ontwerpen. Ontwerpje, O., -jes. Ontwerpen, ontwierp, heeft ontworpen. |
Ontwerper, M., ontwerpers. Ontwerp-tractaat, o., -tractaten. Ontwijden, ontwijdde, heeft ontwyd. Ontwijder, M., ontwijders. Ontwijding, v. Ontwijfelbaar, -baarder, -baarst. Ontwijk, O. Ontwijken, ontweek, ontweken, heeft en is ontweken. Ontwijking, V. Ontwikkelbaar, -bare. Ontwikkelen, ontwikkelde, heeft ontwikkeld. Ontwikkeling, V., ontwikkelingen. Ontwikkelingsgang, M. ontwikkelingsgeschie den is, V. Ontwikkelingsleer, V. Ontwikkelingstijdperk, O., -perken. Ontwinden, ontwond, heeft ontwonden. Ontwinding, V. Ontwoekeren, ontwoekerde, heeft ontwoekerd. Ontwolken, ontwolkte, heeft ontwolkt. Ontworstelen, ontworstelde, is ontworsteld. Ontwortelen, ontwortelde, heeft ontworteld. Ontwrichten, ontwrichtte, heeft ontwricht. Ontwrichting, V., ontwrichtingen. Ontwringen, ontwrong, heeft ontwrongen. Ontzadelen, ontzadelde, heeft ontzadeld. Ontzag, O. Ontzaglijk, -lijker, -lykst. Ontzaglijkheid, V. Ontzagverwekkend. Ontzagwekkend, -wekkender, kendst. Ontzakken, ontzakte, is ontzakt. Ontzegbrief, M., -brieven. Ontzegelen, ontzegelde, heeft zegeld. Ontzegeling, V., ontzegelingen. Ontzeggen, ontzeide. heeft ontzegd en ontzeid. Ontzegging, v. Ontzeilen, ontzeilde, is ontzeild. Ontzenuwen, ontzenuwde, heeft ontzenuwd. Ontzenuwing, V. Ontzet, O. Ontzetbaar,-bare. Ontzetten, ontzette, heeft en is ontzet. Ontzettend, ontzettender, ontzettendst. Ontzetter, M., ontzetters. Ontzetting, v., ontzettingen. Ontzielen, ontzielde, heeft ontzield. Ontzien, ontzag, ontzagen, heeft ontzien. Ontzijgen, ontzeeg, ontzegen, is ontzegen. Ontzind. -wek ont- |
ONT.
273
ONY,
|
Ontzinken, ontzonk, is ontzonken. Ontzinking, V. Ontzondigen, ontzondigde, heeft ont- zondigd. Ontzondiging, V. Ontzdigen, ontzoog, ontzogen, heeft ontzogen. Ontzdiveren, ontzuiverde, heeft ont- zuiverd. Ontzuivering, V. Ontzuren, ontzuurde, heeft en is ontzuurd. Ontzuring, V. Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld. Ontzwachteling, V. Ontzwavelen, ontzwavelde, heef ontzwaveld. Ontzwaveling, V. Ontzwellen, ontzwol, ontzwollen, is ontzwollen. Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen. Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd. Onuitbaar, -bare. Onuitbluschbaar, -bare. Onuitdelgbaar, -bare. Onuitdoofbaar, -bare. Onuitdrukbaar, -bare. Onuitgedrukt. Onuitgegeven. Onuitgekleed, -gekleede. Onuitgelezen. Onuitgeloot, -gelote. Onuitgemaakt. Onuitgesproken. Onuitgevoerd. Onuitgevorscht. Onuitgewerkt. Onuitgezocht. Onuitputtelijk, -lyker, -lykst. Onuitputtelijkheid, V. Onuitroeibaar, -bare. Onuitspreekbaar, -bare. Onuitsprekelijk, -Ijjker, -lijkst. Onuitsprekelijkheid, v. Onuitstaanbaar, -bare. Onuitstaanbaarheid, V. Onuitvoerbaar, -bare. Onuitvoerbaarheid, v. Onuitvoerlijk, -lyker, -lykst. Onuitvoerlijkheid, V. Onuitvorschbaar, -bare. Onuitwischbaar, -bare. Onvaarbaar, -bare. Onvaderlandsch. Onvaderlijk. Onvast, onvaster, onvastst. Onvastheid, V. Onvatbaar, -baarder. -baarst. Onvatbaarheid, V. Onveilig, onveiliger, onveiligst. Omveiligheid, V. Onver. |
Onveranderbaar, -bare. Onveranderd. Onveranderlijk, -lijker, -lykst. Onveranderlijkheid, V. Onverantwoord. Onverantwoordelijk, -lijker, -lijkst. Onverantwoordelijkheid, V. Onverbasterd. Onverbergbaar, -bare. Onverbeterbaar, -baarder, -baarst Onverbeterbaarheid, V. Onverbeterd. Onverbeterlijk, -lijker, -lykst. Onverbeterlijkheid, V. Onverbiddelijk, -lyker. -lijkst. Onverbiddelijkheid, V. Onverbleekt. Onverblind. Onverbloemd. Onverboden. Onverbogen. Onverbolgen. Onverbonden. Onverborgen. onverbrand. Onverbrandbaar, -bare. Onverbreekbaar, -bare. Onverbreekbaarheid, V. Onverbrekelijk, -lyker, -lijkst. Onverbrekelijkheid, V. Onverbroken. Onverbuigbaar, -bare. Onverbuigbaarheid, V. Onverdacht. Onverdedigbaar, -bare. Onverdedigbaarheid, V. ⢠Onverdedigd. Onverdeeld. Onverdelgbaar, -bare. Onverderfelijk, -lijker, -lijkst. Onverderfelijkheid, V. Onverdicht. Onverdichtbaar, -bare. Onverdiend. Onverdienstelijk. Onverdoofbaar, -bare. Onverdoofbaarheid, V. Onverdord. Onverdorven. Onverdorvenheid, V. Onverdraaglijk, -lijker, -lykst. Onverdraaglijkheid, V. Onverdraagzaam, -zamer, -zaamst. Onverdraagzaamheid, V. Onverdroten. Onvbreeniobaar, -bare. Onvereenigbaarheid, V. Onverflauwd. Onverfoelied. Onvergankelijk, -lijker, -lykst. Onvergankelijkheid, V. Onvergeeflijk en onvergefelijk,-lyker, -Ujkst. Onvergeeflijkheid, V. |
IS
ONV.
ONV.
274
|
Onvergeetbaar, -bare. Onvergelijkbaar, -bare. Onvergelijkelijk, -lijker, -lijkst. Onvergenoegd, onvergenoegder, onver- genoegdst. Onvergenoegdheid, V. Onvergetelijk, -lyker, -lykst. Onvergezeld. Onverglaasd. Onverguld. Onverhaalbaar, -bare. Onverhelpelijk, -lyker, -lijkst. Onverhinderd . Onverhoeds (byw.). Onverhoe r sch (bnw.). Onverholen. Onverhoopt. Onverhoord. Onverhuurbaar, -bare. Onverhuurd. Onverjaard. Onverkiesbaar, -bare. Onverkiesbaarheid, v. Onverkieslijk en onverkieselijk, -lyker, -lykst. Onverklaarbaar, -baarder, -baarst. Onverklaarbaarheid, V. Onverkleed, onverkleede. Onverkleinbaar, -bare. Onverkleinbaarheid, V. Onverkocht. Onverkoopbaar, -bare. Onverkort. Onverkrijgbaar, -bare. Onverkwikkelijk, -lijker, -lijkst. Onverlaat, M., onverlaten. Onverlakt. Onverlept. Onverlet. Onverlicht. Onverlost. Onvermaard, onvermaarder, onver-maardst. Onvermaardheid, V. Onvermagerd. Onvermakelijk, -lyker, -lykst. Onvermakelijkheid, V. Onvermeld. Onvermengbaar, -bare. Onvermengd. Onvermijdbaar, -bare. Onvermijdbaarheid. V. Onvermijdelijk, -lyker, -lykst. Onvermijdelijkheid, V. Onverminderd. Onverminkt. Onvermoeibaar, -baarder, -baarst. Onvermoeibaarheid, V, Onvermoeid. Onvermogen, O. Onvermogend, onvermogender, onver- mogendst. Onvermomd. Onvermurwbaar, -bare. |
Onvermurwbaarheid, V. on vermurwd. Onvernielbaar, -bare. Onvernietigbaar, -bare. Onvernieuwd. Onvernuftig, -iger, -igst. Onveroordeeld. Onverouderd. Onveroverbaar, -bare. o veroverd. Onverpacht. Onverpand. on verplant. Onverplicht. Onverpoosd. Onverricht. Onversaagd, onversaagder, onver- saagdst. Onversaagdheid, v. Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst. Onverschilligheid, V., -heden. Onverschoonbaar, -bare. Onverschoonbaarheid, V. OnverSchoonluk, -lyker, -lijkst. Onverschoonlijkheid, V. On verschoten . Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst. Onverschrokkenheid, V, Onversierd. Onverslapt. Onverslijtbaar, -bare. Onverslijtelijk, -lijker, -lykst. Onversneden. Onverstaald. Onverstaanbaar, -bare. Onverstaanbaarheid, V. Onverstand, O. Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst. Onverstandjgheid, V. Onverstandiglijk. Onversterfelijk. Onverstoorbaar, -bare. Onverstoorbaarheid, V. Onverstoord. Onverstoorlijk, Onverstorven. Onvertaalbaar, -bare. Onvertaald. Onverteerbaar, -bare. Onverteerd. Onvertind. Onvertogen. Onvertraagd. Onvertrokken. Onvertroostbaar, -bare. Onvervaard. Onvervaardheid, V. Onvervalscht. Onvervoegbaar, -bare. Onvervoegbaarheid, V. Onvervoerbaar, -bare. |
ONV.
ONV.
276
|
Onvervreemd. Onvervreemdbaar, -bare. Onvervreemdbaarheid, V. Onvervuld. Onverwacht. Onverwaohthlid, V. Onverwachts (byw.). Onverwarmd. Onverweerd. Onverwelkbaar, -bare. OnverwelkbaarheId, V. Onverwelkelijk. Onverwelkt. Onverwerpelijk. Onverwijld. Onverwinbaar, -bare. Onverwinbaarheid, V. Onverwinlijk en onverwinnelijk, -lü- ker, -lijkst. Onverwittigd. Onverwonnen. Onverwrikbaar, -baarder, -baarst. Onverwrikbaarheid, V. Onverwrikkelijk. Onverwulfd. Onverzaadbaar, -bare. Onverzadelijk, -Ijjker, -lykst. Onverzadelijkheid, v. Onverzadigbaar, -bare. Onverzadigd. Onverzeerd. Onverzegeld. Onverzekerd. Onverzeld. Onverzetbaar,-bare. Onverzetbaarheid, V. Onverzettelijk, -lijker, -lykst. Onverzettelijkheid, V. Onverzocht. Onverzoenbaar, -bare. Onverzoenbaarheid, V. Onverzoend. Onverzoenlijk, -lyker. -lijkst. Onverzoenlijkheid, V. Onverzorgd. Onverzwaard. Onverzwakt. Onverzwegen. Onverzwelgbaar, -bare. Onvindbaar, -bare. Onvlaamsch. Onvoedzaam. Onvoeglijk, -lijker, -lykst. Onvoeglijkheid, V. Onvoegzaam, -zamer, -zaamst. Onvoegzaamheid, V. Onvoelbaar, -bare. Onvolbouwd. Onvolbracht. Onvoldaan, -daner, -daanst. Onvoldaanheid, V. Onvoldoenbaar, -bare. Onvoldoend. Onvoldoendheid, V. |
Onvoldragen. Onvoleind. Onvoleindigd. Onvolkomen, -komener, -komenst. Onvolkomenheid, V., -heden. Onvolkomenlijk. Onvolledig, -lediger, -ledigst. Onvolledigheid, V. Onvolmaakt, -maakter, -maaktst. Onvolmaaktheid, V., -heden. Onvolprezen. Onvoltallig. Onvoltalligheid, V. Onvoltooid. Onvoltrokken. onvolvoerbaar, -bare. Onvolvoerd. Onvolwassen. Onvoorbedacht. Onvoorbedachtelijk. Onvoorbereid. Onvoordeelig, -deeliger, -deeligst. Onvoordeeligheid, V. Onvoorkomelijk, -lijker, -lykst. Onvoorwaardelijk. Onvoorzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Onvoorzichtigheid, V., -heden. Onvoorzichtiglijk. Onvoorzien. Onvoorzienbaar, -bare. Onvoorziens (bijw.). Onvorstelijk, -lyker, -lykst. Onvrede, M. Onvriend, M., onvrienden. Onvriendelijk, -lyker, -lijkst. Onvriendelijkheid, V., -heden. Onvriendschappelijk, -lyker, -lykst. Onvrij, onvrijer, onvrijst. Onvrijheid, v. Onvrijwillig, -williger, -willigst. Onvrijzinnig, -zinniger, -zinnigst. Onvrijzinnigheid, v. Onvroom, onvromer, onvroomst. Onvrouwelijk, -lyker, -lijkst. Onvruchtbaar, -baarder, -baarst. Onvruchtbaarheid, V. Onwaar, onware. Onwaarachtig, -achtiger, -achtigst. Onwaard. Onwaarde, V. Onwaardeerbaar, -bare. Onwaardeerbaarheid, V. Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst. Onwaardigheid, V., -heden. Onwaardiglijk. Onwaarheid, V., -heden. Onwaarneembaar, -bare. Onwaarschijnlijk, -lyker, -lijkst. Onwaarschijnlijkhud, V., -heden. Onwankelbaar, -baarder, -baarst. Onwankelbaarheid, v. Onweder en onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., -jes. Onwederlegbaar, -baarder, -baarst. |
ONW.
276
ONZ.
|
Onwederlegbaarheid, V. Onwederroepelijk. Onwedersprekelijk, -lyker, -lijkst. Onwederstaanbaar, -baarder, -baarst. Onwederstaanbaarheid, V. Onwederstreefbaar, -bare. Onweer. Zie Onweder. Onweerbaar, -bare. Onweerbaarheid, V. Onweeren, onweerde, heeft geonweerd. Onweersbui, v., -buien. Onweersvlaag, V., -vlagen. Onweersvogel, M., -vogels. Onweerswolk, V., -wolken. Onwel. Onwelgevallig, -gevalliger, -gevalligst. Onwelkom. Onwellevend, -levender, -levendst. Onwellevendheid, V. Onwelluidend, -luidender, -luidendst. Onwelluidendheid, V. Onwelmeenend. Onwelsprekend, -sprekender, -sprekendst. Onwelsprekendheid, V. Onwelvoeglijk, -lyker, -lykst. Onwelvoeglijkheid, V. Onwetend, onwetender, onwetendst. Onwetendheid, V. Onwetens. Onwetenschappelijk, -lyker, -lykst. Onwettelijk, -lyker, -lykst. Onwettelijkheid, V. Onwettig, onwettiger, onwettigst. Onwettigheid, V., -heden. Onwettiglijk. Onwezenlijk. Onwijs, onwyzer, onwyst. Onwusgeerig, -geeriger, -geerigst. Onwijsgeerigheid, V. Onwijsheid, V. Onwijslijk en onwijselijk. Onwil, M. Onwillekeurig, -keuriger, -keurigst. Onwillens. Onwillig, onwilliger, onwilligst. Onwilligheid, V. Onwinbaar, -bare. onwinbaarheid, v. Onwinlijk en onwinnelijk. Onwis. Onwisheid, V. Onwraakbaar, -baarder, -baarst. Onwraakbaarheid, V. Onwraakgierig, -gieriger, -gierigst. Onwraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Onwraakzuchtigheid, V. Onwrikbaar, -baarder, -baarst. Onwrikbaarheid, V. Onyx, M., onyxen. Onzacht, onzachter, onzachtst. Onzachtheid, v. Onzalig, onzaliger, onzaligst. Onzaligheid, V. |
Onzedelijk, -lijker, -lijkst. Onzedelijkheid, V. Onzedig, onzediger, onzedigst. Onzedigheid, V. Onzeglijk, -lijker, -lykst. Onzeilbaar, -bare. Onzeker, onzekerder, onzekerst. Onzekerheid, V., -heden. Onzelfstandig, -standiger, -standigst. Onzelfstandigheid, V. Onze-lieve-heersbeestje, O., -beestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O. Onzent (Te â). Onzenthalve. Onzentwege. Onzentwil (Om- â ). Onzerzijds. Onze-vader, O. Onzichtbaar, -bare. Onzichtbaarheid, V. Onzienlijk, -lyker, -lykst. Onzienlijkheid, v. Onzijdig, onzydiger, onzydigst. Onzijdigheid, v. Onzijdigverklaring, V., -verklaringen. Onzin, M. Onzindelijk, -lyker, -lykst. Onzindelijkheid, V., -heden. Onzinnelijk. Onzinnig, onzinniger, onzinnigst. Onzinnigheid, V., -heden. Onzoet, onzoeter, onzoetst. Onzondig. Onzondigheid, V. Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst. Onzuiverheid, V., -heden. Ooft, O. Ooftboom, M., -boomen. Ooftkelder, M., -kelders. Oog, O., oogen. Oogje, O., -jes. Oogappel, m., -appels. Oogarts, M., -artsen. Oogbad, O., -baden; -badje, O., -jes. Oogelijn, O., oogelyns. Oogen, oogde, heeft geoogd. Oogenblik, O. en M., -blikken; -blikje, O., -jes. o o ge nblikkelijk. Oogendienaar, m., -dienaars en -dienaren. oogendienst, m. Oogendokter, M., -dokters. oogenklaar, o. oogenpaar, o. Oogenpchijnlijk, -lijker, -lijkst. oogenscuijnlijkheid, v. oogenschouw, v. oogentaal, v. oogentroost, V. Ooggetuige, M. en V., -getuigen. Ooghaar, O., -haren; -haartje, O., -jes. Oogheelkunde, V. Oogholte, V., -holten. Oogkas, V., -kassen. |
OOG.
OOR.
277
|
Ooglid, O., -leden. Ooglijder, M., -lijders. Ooglijk, -lyker, -lijkat. Oogluikend. Oogluiking, V. Oogmerk, O., -merken. Oogontsteking, V., -ontstekingen. Oogopslag, m. Oogpunt, O., -punten. Oogspiegel, M., spiegels. Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., -jes. Oogsten, oogstte, heeft geoogst. Oogster, M., oogsters. Oogsting, V., oogstingen. Oogstmaand, V. Oogsttijd, M. Oogtand, M., -tanden. Oogwater, O.; -watertje, O., -jes. Oogwenk, M., -wenken. Oogwit, O. Oogziekte, V., -ziekten. Ooi, V., ooien. Ooitje, O., -jes. Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., -jes. Ooievaarsbeen, O., -heenen. Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., -beenen. Ooievaarsbek, M., -bekken. Ooievaarsei, O., -eieren. Ooievaarshals, M , -halzen. Ooievaarskop, M., -koppen. Ooievaarsnest, O., -nesten. OoiEVAARSVLUCHT, V. Ooievaren, ooievaarde, heeft geooie- vaard. Ooit. ^ Ook.'^7 Oolijk, ooiijker, oolijkst. Oolijkerd, M., oolijkerds. oolijkheid, v. -» 'iquot;'! Oom, m., ooms en oomen. Oompje, O., -jes. Oomzegger, M., -zeggers. Oomzegster, V., -zegsters. Oonen, oonde, heeft geoond. Oor, 0., ooren. Oortje, O., -jes. Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst. Oorbaar, O. Oorbaarheid, V. Oorband, M., -banden. Oorbel, V., -bellen; -belletje, O., -jes. Oorbiecht, V. Oorblazer, M., -blazers. Oord (plaats), O., oorden. Oordeel, O., oordeelen. Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren. Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld. Oordeelkunde, V. Oordeelkundig, -kundiger, -kundigst. Oordeelsdag, M. Oordeelskracht, v. Oordeelvelling, V., -vellingen. Oorhanger, M., -hangers. |
Oorklep, V., -kleppen. Oorkonde, V., oorkonden. Oorkondenboek, O., -boeken. OoRKRutPER, M., -kruipers. Oorlam, O., oorlammen. Oorlel, V., -lellen; -lelletje, O., -jes. Oorlepeltje, O., -jes. Oorliëtblok, O., -blokken en -bloks. Oorlof, O. Oorlog, M., oorlogen. Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd. Oorlogsbende, V., -benden. Oorlogsgeweld, O. Oorlogsgezïnd, -gezinder, -gezindst. Oorlogsgod, M. Oorlogshaven, V., -havens. Oorlogsheld, M., -helden. Oorlogskaart, V., -kaarten. Oorlogskans, V., -kansen. Oorlogskas, V., -kassen. Oorlogskosten (mv.), M. Oorlogskreet, m., -kreten. Oorlogskunst, V. Oorlogslasten (mv.), m. Oorlogsmateriaal, O. Oorlogsramp, V., -rampen. Oorlogsrecht, ü. Oorlogsroem, M. Oorlogsschip, O., -schepen. Oorlogsterrein, O. Oorlogstijd, M. Oorlogstoestand, M. Oorlogstooneel, O., -tooneelen. Oorlogstuig, O. Oorlogsvaan, V., -vanen. Oorlogsvaartuig, O., - vaartuigen. Oorlogsveld, O. Oorlogsverklaring, V., -verklaringen. Oorlogsvloot, V., -vloten. Oorlogsvuur, O. Oorlogswapen, O., -wapenen. oorlogswet, V. Oorlogswoede; V. Oorlogszwaard, -O., -zwaarden. Oorlogvoerend. Oorlogzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Oorring, m., -ringen; -ringetje, O., -jes. Oorschelp, V., -schelpen. Oorsprong, M,, oorsprongen. Oorspronkelijk, -lyker, -lijkst. Oorspronkelijkheid, V. Oorspuitje, O., -jes. Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O,, -jes. Oortrompet, V,, -trompetten. Oorveeg, M,, -vegen. Oorveegje, O., -jes. Oorvijg, V,, -vijgen, Oorvijgje, O., -jes. Oorworm, M., -wormen. Oorzaag, V., -zagen. Oorzaak, V., oorzaken. Oorzakelijk. Oost (het Oosten), O,; (Nederlands Oost-indische bezittingen), V. | Oost (bijw,). |
OPB.
oos.
278
|
Oostelijk, -lyker, -lijkst. Oosten, O. Oostenwind, M., -winden. Oosteben, oosterde, is geoosterd. Oostergoo, O. Oostergrens, v., -grenzen. oosterhoek, m. Oosterkim, V. Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge. oosterlucie, V. oostersch. Oosterzon, V. oostfriesch. Oost-friesland, O. oost-indië en oostinje, o. Oostindievaarder en oostinjevaarder, M., -vaarders. oostindisch. Oostinje. Zie Oost Indië. Oostnoordoost (byw.). Als znw., O. oostvlaamsch. oost-vlaanderen, o. Oostwaarts. Oostzee, v. Oostzuidoost (byw.). Als znw., O. Ootje, O. (In het â nemen). Ootmoed, M. Ootmoedig, -moediger, -moedigst. Ootmoedigheid, V. Ootmoediglijk. Op. Opaal (stof), O ; (steen), M., opalen. Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd. Opbaggebing, V. Opbakken, bakte op, heeft opgebakken. Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied. Opbabsten, bastte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten. Opbabsting, v., -barstingen. Opbedelen, bedelde op, heeft opge-bedeld. Opbellen, belde op, heeft opgebeld. Opbebgen, borg op, heeft opgeborgen. Opbebsten. Zie Opbarsten. Opbeuben, beurde op, heeft opgebeurd. Opbeubing, v. Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht. Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden. Opbieding, V., -biedingen. Opbijten (byt hakken), bijtte op, heeft opgebyt. Opbikken, bikte op, heeft opgebikt. Opbillen, bilde op, heeft opgebild. Obbinden, bond op, heeft opgebonden. Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen. Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt. Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven. |
Opbobbelen, bobbelde op, is opga-bobbeld. Opbod, O. Opboedelen, boedelde op, heeft opge-boedeld. Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid. Opboeisel, O., -boeisels. Opboenen, boende op, heeft opgeboend. Opboeien, boette op, heeft opgeboet. Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd. Opboben, booide op, heeft opgehoord. Opbobing, V. Opbobbelen, borrelde op, is opgeborreld. Opbobreling, V. Opbobstelen, borstelde op, heeft op. geborsteld. Opbossen, boste op, heeft opgebost. Opbouw, M. Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd. Opbouweb, M., -bouwers. Opbouwing, V. Opbbaden, braadde op, heeft opgebra-den. Opbbanden, brandde op, heeft en is opgebrand. Opbbassen (verteren), braste op, heeft opgebrast. Opbbassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast. Opbbeeuwen, breeuwde op, heeft opge-breeuwd. Opbbeien, breide op, heeft opgebreid. Opbbeken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken. Opblekeb, M., -brekers. Opbreking, V. Opbbengen, bracht op, heeft opgebracht. Opbbengeb, M., -brengers. Opbbengst, V., -brengsten. Opbbouwen, brouwde op, heeft opge-brouwen. Opbbuinen, bruinde op, heeft opge-bruind. Opbbuisen, bruiste op, heeft en is opgebruist. Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen. Opbuldeben, bulderde op, heeft opge-bulderd. Opcent, M., -centen. Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd. Opdagen (verschynen), daagde op, is opgedaagd. Opdammen, damde op, heeft opgedamd. Opdampen, dampte op, heeft en is opge-dampt. Opdansen, danste op, is opgedanst. Opdat. Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven. Opdelveb, M., -delvers. Opdelving, V., -delvingen. |
|
OPD. 27 I Opdienen, diende op, heeft opgediend, ft Opdiepen, diepte op, heeft opgediept. | Opdieping, V. I Opdijken, dykte op, heeft opgedykt. J Opdijking, V., -dykingen. \ Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt, i Opdisschen, dischte op, heeft opge-discht. :| Opdisscher, M., -disschers. i Opdoeken, doelcte op, heeft en is opgedoekt. j Opdoemen, doemde op, is opgedoemd, t Opdoeming, V. Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan. Opdoening, V. Opdokken, dokte op, heeft opgedokt. Opdonderen, donderde op, is opgedon-J derd. ^ Opdonkeren, donkerde op, heeft en is j opgedonkerd. Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid. Opdracht, V., -drachten. Opdrachtig, -drachtiger, -drachtigst. Opdrachtigheid, V. Opdragen, droeg op, heeft opgedragen. Opdraven, draafde op, is opgedraafd. Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund. Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven. Opdrijver, M., -drijvers. Opdrijving, V. Opdril, M., -drillen. Opdrilden, drilde op. heeft opgedrild. Opdringen, drong op, heett en is opgedrongen. Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken. Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd. Opdroging, V. Opdrossen, droste op, is opgedrost. Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt. Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken. Opdunnen, dunde op, is opgedund. Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd. Opdwarsen, dwarste op, heeft opge-dwarst. Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild. Opdwingen, dwong op, heeft opgedwon-gen. Opeen. Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven. Opeengooien, gooide opeen, heeft op-eengegooid. Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt. Opeenjagen, jaagde opeen, heeft op-eengejaagd; ook joeg opeen. |
OPE. Opeenladen, laadde opeen, heeft op-eengeladen. Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid. Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen. Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt. Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst. Opeenplakken, plakte opeen, heeft op-eengeplakt. Opeensmuten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten. Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld. Opeenvolgen, volgde opeen, is opeen-gevolgd. Opeenvolging, V., -volgingen. Opeenwerpen, wierp opeen, heeft op-eengeworpen. Opeenzetten, zette opeen, heeft opeen-gezet. Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten. Opeisch, M. Opeischen, eischte op, heeft opgeüischt. üpeisching, V., -eischingen. Open, opener, openst. Openbaar, -baarder, -baarst. Openbaar, O. Openbaarheid, V. Openbaarmaken, maakte openbaar,heeft openbaargemaakt. Openbaarmaking, V. Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard. Openbaring, V., -baringen. Openbaringsleer, V. Openbreken, brak open, braken open, heelt en is opengebroken. Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan. Openen, opende, heeft geopend. Opengaan, ging open, is opengegaan. Openhartig, -hartiger, -hartigst. Openhartigheid, V. Openheid, V. Openhouden, hield open, heeft opengehouden. Opening, V., openingen. Openingetje, O., -jes. Openingsrede, V., -reden. Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld. Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd. Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen. Openlaten, liet open, heeftopengelaten. Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid. Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen. |
OFF.
OPE,
280
|
Openlijk. Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt. Openprikken, prikte open, heeft open-geprikt. Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten. Openrukken, rukte open. heeft opengerukt. Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd. Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven. Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen. Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten. Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden. Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt. Openspringen, sprong open, is open-gesprongen. Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan. Openstaand. Openstellen, stelde open, heeft opengesteld. Openstooten, stiet open, heeft open-gestooten; ook stootte open. Openteren, enterde op, is opgeënterd. Op-en-top. Opentrappen, trapte open, heeft open-getrapt. Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken. Openvallen, viel open, is opengevallen. Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen. Openzeilen, zeilde open, heeft open-gezeild. Opera, V., opera's. Operaatje, O., -jes. Operateur, M., operateuren en operateurs. Operatie, V., operatiën en operaties. Operatiekamer, V., -kamers. Operatielijn, V., -lijnen. Operazanger, M., -zangers. Opereeren, opereerde, heeft geopereerd. Operette, V., operettes. Operment, O. Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten. Opfladderen, fladderde op. is opge-fladderd. . Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd. Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd. Opfleuring, V. Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt. Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd. Opflikkering, v., -flikkeringen. |
Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten. Opfokken, fokte op, heeft opgefokt. Opfokker, M., -fokkers. Opfokking, v. Opfrisschen, frischte op, heett en is opgefrischt. Opfrissching, V. Opgaaf en opgave, V., -gaven. Op- gaafje, O., -jes. Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan. Opgaand. Opgaarder, M., -gaarders. Opgaderen. Zie Opgaren. Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd. Opgang,quot; M., -gangen. Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard. Opgave. Zie Opgaaf. Opgeblazen, -geblazener, -geblazenst. Opgeblazenheid, v. Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt. Opgeien, geide op, heeft opgegeid. Opgeld, O., -gelden. Opgeruimd, -geruimder, -geruimdst. Opgeruimdheid, v. Opgeschikt, -geschikter, -geschiktst. Opgeschiktheid, v. Opgeschoten. Opgesmukt, -gesmukter, -gesmuktst. Opgesmuktheid, v. Opgespen, gespte op, heeft opgegespt. Opgetogen, -getogener, -getogenst. Opgetogenheid, V. Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven. Opgever, M., -gevers. Opgeving, V. Opgewekt, -gewekter, -gewektst. Opgewektheid, V. Opgewonden, -gewondener, -gewon-denst. Opgewondenheid, V. Opgezet. Opgezetene, M. en V., -gezetenen. Opgezwollen, -gezwollener, -gezwol- lenst. Opgezwollenheid, V. Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten. Opgisten, gistte op, is opgegist. Opglanzen, glansde op, heeft opge- glansd. Opglanzing, quot;V. Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen. Opglinsteren, glinsterde op, is opge-glinsterd. Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt. Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid. Opgloehng, v. Opgloren, gloorde op, is opgegloord. Opgooien, gooide op, heeft opgegooid. |
OPH.
OPCT.
281
|
Opgobdbn, gordde op, heeft opgegord. Opgording, V. Opgrabbelen, grabbelde op, heeft op- gegrabbeld. Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven. Opgraver, M., -gravers. Opgraving, V., -gravingen. Opgrïjpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen. Opgroeien, groeide op, is opgegroeid. Opgroenen, groende op, is opgegroend. Ophaal, M., -halen. Ophaaltje, O., -jes. Ophaalbrug, V., -bruggen. Ophaalnet, O., -netten. Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt. Ophakken, hakte op, heeft opgehakt. Ophakker, M., -hakkers. Ophakkertje, O., -jes. Ophakkerig, -hakkeriger, -hakkerigst. Ophakkerigheid, V. Ophakkerij, V., -hakkerjjen. Ophalen, haalde op, heeft opgehaald. ; Ophaler, M., -halers. Ophaling, V., -halingen. Ophanden. Ophangen, hing op, heeft opgehangen. Ophanging, V., -hangingen. Ophappen, hapte op, heeft opgehapt. Opharken, harkte op, heeft opgeharkt. Ophaspelen, haspelde op, heeft opge-haspeld. Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad. Ophef, M. Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven. Opheffing, V., -heffingen. Ophekelen, hekelde op, heeft opge-hekeld. Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd. Opheldering, quot;V., -helderingen. Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen. Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld. Ophemeling, V., -hemelingen. Ophicleïde, V., ophicleïdes. Ophielen, hielde op, heeft opgehield. Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen. Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst. Ophitser, M., -hitsers. Ophitsing, v., -hitsingen. Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld. Ophoesten, hoestte op, heeft opgehoest. Ophokken, hokte op, heeft opgehokt. Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd. Ophooging, V., -hoogingen. Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt. Ophooping, V., -hoopingen. Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord. Ophouden, hield op, heeft opgehouden. |
Ophouder, m., -houders. Ophthalmoloog, M., -logen. Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld. Opïjken, ijkte op, heeft opgejjkt. Opium, O. Opiumkit, V., -kitten. Opiumpacht, V. Opiumschuiver, M., -schuivers. Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op. Opkalanderen, kalanderde op, heeft opgekalanderd. Opkamer, V., -kamers. Opkamertje, o.r -jes. Opkammen, kamde op, heeft opgekamd. Opkappen, kapte op, heeft opgekapt. Opka.tten, katte op, heeft opgekat. Opkauwen, kauwde op, heeft opgekauwd. Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd. Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd. Opkiemen, kiemde op, is opgekiemd. Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken. Opkikken, kikte op, heeft opgekikt. Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd. Opkisten, kistte op, heeft opgekist. Opkisting, V., -kistingen. Opkladden, kladde op, heeft opgeklad. Opklampen, klampte op, heeft opge-klampt. Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt. Opklaren, klaarde op, heeft en is op-geklaard. Opklap.jng. V. Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd. Opklauwen, klauwde op, heeft opge-klauwd. Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept. Opkleuren, kleurde op, heeft en is op-gekleurd. Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen. Opklimming, V., -klimmingen. Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken. Opklooven, kloofde op, heeft opge-kloofd. Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt. Opklossen, kloste op, heeft opgeklost. Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven. Opknagen, knaagde op, heeft opge-knaagd. Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt. Opknapping, V., -knappingen. Opknïjpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen. Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt. Opknooping, V., -knoopingen. |
OPK.
282
OPL.
|
Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld. Opkoeling, V. Opkoesteren, koesterde op, heeft opgekoesterd. Opkoesterinq, V. Opkofferen, kofiferde op, heeft opge-kofferd. Opkoken, kookte op, heeft opgekookt. Opkoking, V. Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen. Opkomer, M., -komers. Opkomst, V. Opkooien, kooide op, heeft opgekooid. Opkooksel, O., -kooksels. Opkoop, M. Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht. Opkooper, M., -koopers. Opkooping, V., -koopingen. Opkoopster, V., -koopsters. opkorten,kortte op,heeft en is opgekort Opkraaien, kraaide op. heeft opge-kraaid. Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld. Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld. Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd. Opkramen, kraamde op, is opgekraamd. Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast. Opkrauwen, krauwde op, heeft opge-krauwd. Opkreppen, krepte op, heeft opgekrept. Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen. Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen. Opkrimping, V. Opkroezen, kroesde op, heeft opge-kroesd. Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt. Opkropping, v. Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid. Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen. Opkrullen, krulde op, hoeft en is opgekruld. Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt. Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund. Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt. Opkweeker, M., -kweekers. Opkweeking, v. Opkweekster, V., -kweeksters. Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt. Opkwikking, V. Oplaag en oplage, V., -lagen. Oplaagje. O., -jes. Opladen, laadde op, heeft opgeladen. Oplader, M., -laders. |
Oplading, V., -ladingen. Oplage. Zie Oplaag. Oplangen, langde op, heeft opgelangd. Oplanger, M., -langers. Oplappen, lapte op, heeft opgelapt. Oplapping, V, -lappingen. Oplaten, liet op, heeft opgelaten. Oplaveeren, laveerde op, is opgela-veerd. Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid. Oplegging, V. Oplegsel, O., -legsels. Oplegseltje, O., -jes. Opleiden, leidde op, heeft opgeleid. Opleider, M., -leiders. Opleiding, V., -leidingen. Opleidingsschip, O., -schepen. Opletten, lette op, heeft opgelet. Oplettend, -lettender, -lettendst. Oplettendheid, V., -heden. Opletter, M., -letters. Opleven, leefde op, is opgeleefd. Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen. Oplezer, M., -lezers. Oplezing, V. Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht. Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.) -lichtte op,'heeft opgelicht. Oplichter, M., -lichters Oplichterij, V., -lichteryen. Oplichting, V., -lichtingen. Oplichtster, V., -lichtsters. Oploeven, loefde op, is opgeloefd. Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., -jes. Oploop (scheepsw.), M., -loopen. Oploopen, liep op, is en heeft opge-loopen. üploopend, -loopender, -loopendst. Oploopendheid, V. Oplooping, V. Oplosbaar, -bare. Oplosbaarheid, V. Oplossen, loste op, heeft opgelost. Oplossing, V., -lossingen. Opluiken, look op, loken op, is opgeloken. Op luiking, V. Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd. Opluistering, V. Opmaakster, V., -maaksters. Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt. Opmaker, M., -makers. Opmaking, V. Opmalen, maalde op, heeft opgemalen. Opmaling, V., -malingen. Opmerkelijk, -lyker, -lijkst. Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt. Opmerkenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. |
OPM.
28B
OPP.
|
Opmebkeb, M., -merkers. Opmerking, V., -merkingen. Opmerkzaam, -zamer, -zaamst. Opmerkzaamheid, V. Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten. Opmeter, m., -meters. Opmeting, V., -metingen. Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld. Opmetseling, V. Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd. Opmontering, V. Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid. Opnaaisel, O., -naaisels. Opnaaiseltje, O., -jes. Opname, v. Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen. Opnemer, M., -nemers. Opneming, V., -nemingen. Opnieuw. Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd. Opnoeming, V., -noemingen. Opodeldoc, V. Opofferen, otterde op, heeft opgeofferd. Opoffering, V., -offeringen. Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden. Opontbieding, V., -ontbiedingen. Opontbod, O. Oponthoud, O. Oppakken, pakte op, heeft opgepakt. Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd. Oppassen, paste op, heeft opgepast. Oppassend, -passender, -passendst. Oppassendheid, V. Oppasser, M., -passers. Oppasseres, V., -passeressen. Oppassing, V. Oppasster, V., -passters. Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., -jes. Opper en opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., -jes. Opperbest. Opperbestuur, O. Opperbestuubder, M., -bestuurders. Opperbevel, O. Opperbevelhebber, M., -bevelhebbers. Opperbewind, O. Opperbbandmeester, M., -meesters. Opperceremoniemeester, M., -meesters. Opperen, opperde, heeft geopperd. Oppergebied, O. Oppebgebieder, M., -gebieders. Oppergezag, O. Opperheer, II., -heeren. Opperheerschappij, V. Opperhoofd, O., -hoofden. |
Opperhuid, V. Oppering, V., opperingen. Opperjager, m., -jagers. Opperjagermeester, M., -meesters. Opperkamerheer, M., -heeren. Opperkleed, O., -kleederen. Opperkoopman, M., -kooplieden. Opperleenheer, M., -leenheeren. Oppermacht, V. Oppermachtig. Oppermajesteit. V. Opperman, M., -lieden en -lui. Opperpriester, M., -priesters. Opperpriesterlijk. Opperpriesterschap, O. ! Opperrabbijn, M., -rabbynen. Oppebschenkee, M., -schenkers. : Oppersen, perste op, heeft opgeperst. Oppersing, v., -persingen, i Opperstalmeester, M., -stalmeesters. Opperste. Opperstuurman, M., -stuurlieden. Oppertoezicht, O. Oppervlak, O., -vlakken. Oppervlakkig, -vlakkiger, -vlakkigst. Oppervlakkigheid, V., -heden. Oppervlakkiglijk. Oppervlakte, V., -vlakten. Opperwal, M. | Opperwater, O. Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opge-I peuzeld. ; Oppikken, pikte op, heeft opgepikt. Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt. Opplakking, V. Opploegen, ploegde op, heeft opge- ploegd. Opploeging, V. Oppoetsen^ poetste op, heeft opgepoetst, i Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft. Oppoken, pookte op, heeft opgepookt. Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd. Opponent, M., opponenten. Opporren, porde op, heeft opgepord. Opportuniteit, V. Opposant, M., opposanten. Oppositie, V., oppositlën en opposities. Oppositieblad, O., -bladen. Oppotten, potte op, heeft opgepot. Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt. Opproppen, propte op, heeft opgepropt. Oppropping, V. : Oppuilen, puilde op, is opgepuild. Oppuiling, V., -puilingen. Opraapsel, O., -raapsels. Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld. Oprakeling, V. Opraken, raakte op, is opgeraakt. Oprammeien, rammeide op, heeft op- gerammeid. Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt. |
OPR.
284
OPS.
|
Oprecht, -rechter, -rechtst. Oprechtelijk. Oprechtheid, V. Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd. Opreddering, V. Opreiken, reikte op, heeft opgereikt. Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend. Oprekening, V., -rekeningen. Oprekken, rekte op, heeft opgerekt. Oprichten, richtte op, heeft opgericht. Oprichter, M., -richters. Oprichting, v. Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden. Oprijlaan, V., -lanen. Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten. Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen. Oprijzing, V. Opril, V., oprillen. Oprispen, rispte op, heeft opgerispt. Oprisping, V., -rispingen. Oprit, M., -ritten. Opritsen, ritste op, heeft opgeritst. Opritsing, v., -ritsingen. Oprochelen, rochelde op,- heeft opge-rocheld. Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid. Oproep, M. Oproepen, riep op, heeft opgeroepen. Oproeper, M., -roepers. Oproeping, V., -roepingen. Oproepingsbrief, M,, -brieven. Oproer, O., -roeren. Oproertje, O., -jes. Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd. Oproerig, -roeriger, -roerigst. Oproerigheid, V. Oproerkraaier, M., -kraaiers. Oproerkreet, M., -kreten. Oproerling, M. en V., -roerlingen. Oproermaker, M., -makers. Oprokkenen, rokkende op, heeft op- gerokkend. Oprokkening, V. Oprollen, rolde op, heeft opgerold. Oprolling, V. Oproosteren, roosterde op, heeft opge- roosterd. Opruien, ruide op, heeft opgeruid. Opruier, M., -ruiers. Opruiing, V., -ruiingen. Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd. Opruimer, M., -ruimers. Opruiming, V., -ruimingen. Opruimster, V , -ruimsters. Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt. Opschakelex, schakelde op, heeft op- geschakeld. Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld. |
Opschaven, schaafde op, heeft opge-schaafd. Opschellen, schelde op, heeft opgescheld. Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken. Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept. Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept. Opschepper, M., -scheppers. Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren. Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt. Opscherping, V., -scherpingen. Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd. Opscheuring, V., -scheuringen. Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten. Opschik, M. Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt. Opschikking, V. Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd. Opschildering, V., -schilderingen. Opschoeien, schoeide op, heeft opge-schoeid. Opschoeiing, V., -schoeiingen. Opschoffelen, schoffelde op, heeft op-geschoffeld. Opschokken, schokte op, heeft en is opgeschokt. Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld. Opschooien, schooide op, heeft opge-schooid. Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt. Opschorsen, schorste op, heeft opgeschorst. Opschorsing, V., -schorsingen. Opschorten, schortte op, heeft opgeschort. Opschorting, V., -schortingen. Opschotelen, schotelde op, heeft opge* schoteld. Opschrabben, schrabde op, heeft opge-schrabd. Opschransen, schranste op, heeft opge-schranst. Opschrapen, schraapte op, heeft opge-schraapt. Opschraping, V. Opschrift, O., -schriften. Opschriftje, O., -jes. Opschrijfboek, O., -boeken; -boekje, O., â jes. Opschrijfster, V., -schrijfsters. Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven. Opsohruver, M., -schrijvers. |
OPS.
OPS.
285
|
Opschrijving, V. Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt. Opschrobben, schrobde op, heeft opge-schrobd. Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd. Opschroeving, V., -schroevingen. Opschrokken, schrokte op heeft opgeschrokt. Opschrokker, M., -schrokkers. Opschudden, schudde op, heeft opgeschud. Opschudding, V., -schuddingen. Opschuieren, schuierde op, heeft op- geschuierd. Opschuiering, V. Opschuimen, schuimde op, heeft opge-schuimd. Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven. Opschuiving, V., -schuivingen. Opschuren, schuurde op, heeft opge-schuur d. Opschutten, schutte op, heeft opge- schut. Opschutting, V. Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd. Opsieren, sierde op, heeft opgesierd. Opsiering, V., -sieringen. Opsiersel, O., -siersels en -sierselen. Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord. Opsjorring, V. Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen. Opslag, M., -slagen. Opslechten, slechtte op, heeft opge-slecht. Opsleepen, sleepte op, heeft opge-sleept. Opslenteren, slenterde op, is opge-slenterd. Opbleuren, sleurde op, heeft opge-sleurd. Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen. Opslijping, V. Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt. Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd. Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt Opslooten, slootte op, heeft opgesloot. Opslorpen en opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt). Opslorping en opslurping, V., -slor pingen (⢠slurpingen). Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten. Opsluiting, V., -sluitingen. Opsluitschïjf. v., -schyven. Opsluitwig, V., -wiggen. Opslurpen. Zie Opslorpen. |
Opsmeden, smeedde op, heeft opge-smeed. Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt. Opsmukking, V. Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld. Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt. Opsnapper, M., -snappers. Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden. Opsnijder, M., -snyders. Opsnijderij, V., -snyderijen. Opsnijding, V., -snydingen. Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept. Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord. Opsnuffelen, snuffelde op, heeft opgesnuffeld. Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven. Opsnuiving, V. Opsommen, somde op, heeft opgesomd. Opsomming, V., -sommingen. Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt. Op spalking, V. Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen. Opspanning, V., -spanningen. Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard. Opspelden, speldde op, heeft opgespeld. Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld. Opsperren, sperde op, heeft opgesperd. Opsperring, V. Opspinnen, spon op, sponnen op, heeft opgesponnen. Opspitsen, spitste op, heeft opgespitst. Opspitten, spitte op, heeft opgespit. Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en Is opgespleten. Opsplijting, V. Opspoelen, spoelde op, heeft opgespeeld. Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord. Opsporing, V., -sporingen. Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen. Opspraak, V. Opspringen, sprong op, is opgesprongen. Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten. Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen. Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten. Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan. Opstal, M., -stallen. Opstallen, stalde op, heeft opgestald. Opstalling, V. Opstand, M., -standen. Opstandeling, M. en V., -standelingen. V. ook opstandelinge. Opstanding, V. Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld. |
OPT.
OPS.
286
|
Opstapeling, V., -stapelingen. Opstappen, stapte op, is opgestapt. Opsteigeren, steigerde op, is opge-steigerd. Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken. Opsteker, M., -stekers. Opsteking, V. Opstel, O., -stellen. Opstelletje, 0.,-jes Opstellen, stelde op, heeft opgesteld. Opsteller, M., -stellers. Opstelling, V., -stellingen. Opstemmen, stemde op, heeft opgestemd. Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen. Opstijging, V., -stijgingen. Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven. Opstijving, v. Opstoffen, stofte op, heeft opgestoft. Opstoken, stookte op, heeft opgestookt. Opstoker, m., -stokers. Opstokeru. v., -stokeryen. Opstoking, V., -stokingen. Opstookster, v., -stooksters. Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op. Opstooter, m , -stooters. Opstooting, V. Opstootje, O., -jes. Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt. Opstopper, M., -stoppers. Opstopping, V., -stoppingen. Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd. Opstoving, V. Opstreven, streefde op, is opgestreefd. Opstruden, streed op, streden op, heeft opgestreden. Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken. Opstrijking, V., -strijkingen. Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld. Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt. Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit. Opstuiter, M., -stuiters. Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven. Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd. Opstutten, stutte op, heeft oj (gestut. Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd. Opstuwer, m., -stuwers. Opstuwing, V. Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld. Optakeling, V, -takelingen. Optarnen, tarnde op, heeft en is op-getarnd. Optassen, taste op, heeft opgetast. Optatief, M., optatieven. Opteekenaar, M.. -teekenaars. Opteekenen, teekende op, heeft opge-teekend. |
Opteekening, V., -teekeningen. Opteeren, opteerde, heeft geopteerd. Optellen, telde op, heeft opgeteld. Opteller, M., -tellers. Optelling, V., -tellingen. Optelsom, V., -sommen. Optelsteb, V., -telsters. Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd. Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd. Optica, V. Optie, V. Optijgen, teeg op, tegen op, heeft opgetogen; ook tijgde op, heeft opgetygd. Optijging, V., -tijgingen. Optillen, tilde op, heeft opgetild. Optimisme, O. Optimist, m., optimisten. Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd. Optimmering, V., -timmeringen. Optisch, Optocht, M., -tochten. Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst. Optooien, tooide op, heeft opgetooid. Optooiing, V., -tooiingen. Optooisel, O., -tooisels en -tooiselen. Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd. Optooming, V., -toomingen. Optoppen, topte op, heeft opgetopt. Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd. Optreden, trad op, traden op, is opgetreden. Optreding, V., -tredingen. Optrek, M., -trekken. Optrekje, O., -jes. Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken. Optrekker, M., -trekkers. Optrekking, V., -trekkingen. Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd. Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd. Optuiger, M., -tuigers. Optuiging, V., -tuigingen. Opulent, opulenter, opulentst. Opulentie, V. Opvaart, V. Opvangen, ving op. heeft opgevangen. Opvaren, voer op, is opgevaren. Opvarende, M. en V., -varenden. Opvatten, vatte op, heeft opgevat. Opvatting, V., -vattingen. Opvegen, veegde op. heeft opgeveegd. Opveilen, veilde op, heeft opgeveild. Op veiling, V. Opverven, verfde op, heeft opgeverfd. Opverving, V., -vervingen Opveteren, veterde op, heeft opgeveterd. Opvijlen, vijlde op, heeft opgevyld. Opvijling, V. Opvuzelaar, M , -vijzelaars. Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevy-zeld. |
OPW.
287
OPV.
|
Opvijzeling, V., -vijzelingen. Opvisschen, vischte op, heeft opge-vischt. Opvlechten, vlocht op, heeft opge-vlochten. Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen. Opvliegend, -vliegender, -vliegendst. Opvliegendheid, V. Opvlieging, V. Opvlijmen, vlijmde op, heeft opgevlijmd. Opvlijming, V. Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed. Opvoeder, M., -voeders. Opvoeding, V., -voedingen. Opvoedingsgesticht, O., -gestichten. Opvoedingskunst, v. Opvoedkunde, V. Opvoedkundig. Opvoedkundige, M. en V., -kundigen. Opvoedster, V., -voedsters. Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd. Opvoering, V., -voeringen. Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd. Opvolger, m., -volgers. Opvolging, V , -volgingen. Opvolgster, V., -volgsters. Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen. Opvouwing, V. Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten. Opvroolijken, vroolijkte op, heeft op- gevroolijkt. Opvroolijking, V. Opvullen, vulde op, heeft opgevuld. Opvuller, M , -vullers. Opvulling, V., -vullingen. Opvulsel, o., -vulsels. Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op. Opwaarts (bijw.). Opwaartsch (bnw.). Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht. Opwachter, M., -wachters. Opwachting, v. Opwaken, waakte op. is ópgewaakt. Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd. Opwakkering, v. Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd. Opwarming, V. Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen. Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen. Opwekkelijk, -lijker, -lijkst. Opwekken, wekte op, heeft opgewekt. Opwekkend, -wekkender, -wekkendst. Opwekking, V., -wekkingen. |
Opwellen, welde op, heeft en is opge-weld. Opwelling, V.. -wellingen. Opwentelen, wentelde op, heeft opge-wenteld. Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt. Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen. Opwerping, V., -werpingen. Opwinden, wond op, heeft opgewonden. Opwinder, M., -winders. Opwinding, V., -windingen. Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt. Opwitten, witte op, heeft opgewit. Opwrijven, wreef op , wreven op, heeft opgewreven. Opwroeten, wroette op, heeft opge-wroet. Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld. Opzagen, zaagde op, heeft opgezaagd. Opzakken, zakte op, heeft opgezakt. Opzamelaar, M., -zamelaars. Opzamelaarster, V., -zamelaarsters. Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld. Opzameling, V., -zamelingen, i Opzegbaar, -bare. Opzegbaarheid, V. Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid. Opzegging, V. Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild. Opzenden, zond op, heeft opgezonden. Opzending, V. Opzet (het opgezette), M., -zetten. Opzet (bij geschut), M., -zetten. Opzet (beraamd plan), O. Opzetdoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes. Opzetsel, O. Opzettelijk, -lijker, -lykst. Opzetten, zette op, heeft opgezet. , Opzetter, M., -zetters. Opzetting. V. Opzicht, O., -zichten. Opzichter, M., -zichters. Opzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Opzichtigheid, V, Opzieden, zood op, zoden op, heeft opgezoden. Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien. Opzien, O. Opziener, M., -zieners. Opzienersambt, O. Opzingen, zong op, heeft opgezongen. Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten. Opzitter, M., -zitters. Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht. Opzoeking, V., -zoekingen. Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd. Opzoldering, V. Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten. |
ORE.
OPZ.
288
|
Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft op-gezogen. Opzuipen, zoop op, zopen op, heeftop-gezopen. Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid. Opzwalpen, zwalpte op, heeft opge-zwalpt. Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept. Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen. Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen. Opzwelling, V., -zwellingen. Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen. Opzweben, zwoer op, heeft opgezworen. Orakel, O., orakels en orakelen. Obakelen, orakelde, heeft georakeld. Oeakel8preuk, v., -spreuken. Obakeltaal, v. Obang-oetang, M., orang-oetangs. Obanje (boom), M., (vrucht), V., oranjes. Obanje (kleur), O. Obanje (bnw.). Obanjeappel, M., -appels en -appelen. Obanjebloesem, m. Obanjeboom, M.f -boomen. Obanjehüis, o. Obanjeklant, M. en V., -klanten. Obanjekleub, v. Obanjelint, O. obanjemabjklelade, v. Obanjebie, V., oranjerieën. Obanjesciiil, V., -schilleh. Obanjestbik, M., -strikken; -strikje,O., -jes. Obatie, V., oratiën en oraties. Obatobium, O., oratoriums en oratoria. Obbeben, orberde, heeft georberd. Obchidee, v., orchideeën. Obde, v., orden. Obdeluk, -lyker, -lijkst. Obdelijkheid, V. Obdeloos, -loozer, -loost. Obdeloosheid, V. Obdenen, ordende, heeft geordend. Obdening, V., ordeningen. Obdentelijk, -lyker, -lykst. Obdentelïjkhetd, v. Obdeb, V., orders. Obdebbbiefje, o., -briefjes. Obdïnaat, V., ordinaten. Obdinabis, v., ordinarissen. Obdineeben, ordineerde, heeft geordineerd. Obdonnans, m., ordonnansen. Obdonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties. Obdonnateub, m., ordonnateuren en ordonnateurs. Obdonneeben, ordonneerde, heeft geordonneerd. Obeeben, oreerde, heeft georeerd. |
Obego, V. Obeillonspassebtje, O., -jes. Obgaan, O., organen. Organiek, organieke. Obganisatie, V., organisatiën en organisaties. Obganisch. Obganiseeben, organiseerde, heeft georganiseerd. Obganisme, O., organismen. Organist en gbgelist, M., organisten en orgelisten. Obgeade, V. Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., -jes. Orgelconcert, O., -concerten. Orgeldraaier, M., -draaiers. Orgelen, orgelde, heeft georgeld. Orgelist. Zie Organist. Orgelmuziek, V. Orgelpunt, V., -punten. Orgeltoon, M., -tonen. Orgeltrapper, M., -trappers. Originaliteit, V. Origineel, orlgineeler, origineelst. Origineel, O., origineelen. Orkaan, M., orkanen. Orkest, O., orkesten. Orkestmeester, M., -meesters. Orkesttoon, M. Orleaan, O. Ornament en ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., -jes. Orneeren, orneerde, heeft georneerd. Orthodox (bnw.). Orthodoxe, M. en V., orthodoxen. Orthodoxie, V. Orthographïe, V., orthographieën. Orthographisch. Ortolaan, M., ortolanen. Os, M., ossen. Osje, O., -jes. Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties. Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd. Osculatievlak, O., -vlakken. Ossegebraad, O. Ossekop, M., -koppen. OSSELAPJES (mv.), O. Osseleder en -leer, en ossenleder en -leer, o. osseleeren OU ossenleeren (bUW.). ossemerg ou ossenmerg, o. Ossenbloed, O. Ossendrift, V., -driften. Ossenhaas, M., -hazen; -haasje, O., -jes. Ossenhoorn en ossenhoren, M.,-hoorns en -horens. Ossenhuid, V., -huiden. OSSENKOOPER, M., -kOOperS. Ossenmarkt, V., -markten. Ossenoog, O., -oogen. Ossenstal, M., -stallen. Osserib, V., -ribben. |
|
OSS. 2 Ossetand, M., -tanden. Ossetong, V.,-tongen; -tongetje, o., -jes. ossevleesch en ossenvleesch, o. Ostentatie, V. Osteologie, V. Ostracisme, o. Otter, M., otters. Ottertje, O., -jes. Oubollig, oubolliger, oubolligst. Oud, ouder, oudst. Oudachtig, -achtiger, -achtlgst. Oudbakken, -bakkener, -bakkenst. Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., -jes. [ Oudkjaar, o. Oudejaarsavond, M., -avonden. Oude-kleerenmarkt, V, -markten. Oude-kleerkoop, M., -koopen. oude-mannenhuis, o., -huizen. Ouderdom, M. Ouderdomskwaal, V., -kwalen. Ouderhuis, O. Ouderliefde, V. Ouderlijk. Ouderling, M., ouderlingen. Ouderlingenbank, V., -banken. Ouderlingschap, O. Ouderloos, -looze. Oudermin, V. Ouderpaar, o. Ouders en ouderen (mv.), M. Oudervreugde, en -vreugd, V. Ouderwets (bijw.). ouderwetsch (bnw.), -wetscher, meest -wetsch. Ouderwetschheid, V. Oude-vrouwenhuis, O., -huizen. Oudgast, M., -gasten. Oudheid, V., -heden. Oudheidkenner, M., -kenners. Oudheidkunde, V. Oudheidkundig. oüdhollandsch. Oudoom, M., -ooms. Oudovergrootmoeder, V., -moeders. oüdovergrootvader, M., -Vaders. Oudroest, M. Oudtante, V., -tantes. Oudtestamentisch. Oudtijds. Oudvader, M., -vaders. Oudvaderlijk. Oudwijfsch. oulings. Outaar en outer, O., outaien en outers. Ouverture, V., ouverturen en ouvertures. Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O, -jes. Ouwelen, ouwelde, heelt geouweld. Ouwelijk, -lijker, -lykst. Ovaal, ovale. Ovaal, O., ovalen. Ovatie, V., ovatiën en ovaties. Oven, M., ovens. Oventje, O., -jes. Ovenpaal, M., -palen. |
OVE. Over. Over (scheepsw.), M., overs. Overaardig. Overademen, overademde, heeft over-ademd. Overal. Overalomtegenwoordig. Overalomtegenwoordigheid, V. Overasemen, overasemde, heeft over-asemd. Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld. Overbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes. Overbekend. Overbekendheid, V. Overbeleefd. Overbeschaafd. Overbeschaafdheid, V. Overbescheiden. Overbevolking, v. Overbevolkt. Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden. Overbinden, bond over, heeft overge-bonden. Overblaffen, overblafte, heeft over-blaft. Overblazen, blies over, bliezen over, heeft overgeblazen; ook overblies, overbliezen, heeft overblazen. Overbleeken, bleekte over, heeftover-gebleekt. Overblijfsel, O., -blijfsels en -biyfse-len: -blyfseltje, O , -jes. Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven. Overbluffen, overblufte, heeft overbluft. Overbluffing, V., -bluffingen. Overbodig, -bodiger, -bodigst. Overbodigheid, V., -heden. Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt. Overboeking, V., -boekingen. Overboenen, boende over, heeft over-geboend. Overhoord. Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd. Overborrelen, borrelde over, is over-geborreld. overborreling, V. Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld. Overbouwen. bouwde over, heeft over-gebouwd; ook over bouwde, heeft overbouwd. Overbraden, braadde over, heeft over-gebraden. Overbreeuwen, breeuwde over, heeft overgebreeuwd. overbreeuwing. v. o verbreien, breide over, heeft over-gobreid. |
19
OVE.
OVE.
290
|
Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht. Overbrenger, M., -brengers. Overbrenging, V., -brengingen. Overbrengster, V., -brengsters. O verbriefster, V., -briefsters. Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd. Overbriever, M , -brievers. Overbrieving, V., -brievingen. Overbrouwen, brouwde over, heeft overgebrouwen. Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd. Overbrugging, V., -bruggingen. Overbruisen, bruiste over. heeft en is overgebruist. O verbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen. O verbuiging, quot;V., -buigingen. Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld. Overbukken, bukte over, heeft over-gebukt. Overbusselen, busselde over, heeft overgebusseld. Overbuur, M., -buren; -buurtje, O., -jes. Overcijferen, cyferde over, heeft over-gecyferd. Overcompleet, -complete. Overdaad, V. Overdadig, -dadiger, -dadigst. Overdadigheid, V. Overdansen, danste over, heeft over-gedanst; ook overdanste (zich), heeft (zich) overdanst. Overdeelen, deelde over, heeft over-gedeeld. Overdek, 0., -dekken; -dekje, O., -jes. . O verdeken, M.f -dekens. Overdekken, overdekte, heeft overdekt. Overdekking, V., -dekkingen. overdeksel, o., -deksels. Overdenken, overdacht, heeft overdacht. Overdenking, V., -denkingen. O verdeur, V.. -deuren. Overdik, -dikke. Overdikken, overdikto, heeft overdikt. o verdobbelen, dobbelde over, heeft overgedobbeld. Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan. Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld. Overdoezeling, V. Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd. Overdoopen, doopte over, heeft over-gedoopt. Overdorschen, dorschte over, heeft overcredorscht. |
Overdracht, V., -drachten. Overdrachtelijk. Overdrachtsbrief, m., -brieven. Overdragen, droeg over. heeft overgedragen. Overdrager, M., -dragers. Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd. Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld. Overdreven, -drevener, -drevenst. Overdrevenheid, V., -heden. o verdribbelen, dribbelde over, heeft en is overgedribbeld. Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven. Overdrijving, V., -dry vingen. o verdrinken, (zich â), o verdronk zich, heeft zich overdronken. Oveedrogen, droogde over, heeft over-gedroogd. Overdruk, m., -drukken; -drukje, O., -jes. Overdruk (bnw.), -drukke. Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt. Overduivelen, overduivelde, heeft over-duiveld; ook Overduvelen. Overduwen, duwde over, heeft over-geduwd. Overdwars. Overdwarsen, overdwarste, heeft overdwars t. Overeen. Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht. Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen. Overeenkomst, V., -komsten. Overeenkomstig. Overeenkomstigheid, V. Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd. Overeenstemming, V. Overeerten, eestte over, heeft over-geëest. Overeggen, egde over, heeft overgeëgd. Overeind Overeischen, overeischte, heeft over-eischt. Overeischer, M., -eischers. Overeisching, V., -eischingen. Overenten, entte over, heeft over-geënt. Overerfelijk. overernstig. Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd. Overerving, V. Overeten (zich â), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten. |
0\rE.
OVE.
291
|
üveretsen, etste over, heeft overgeëtst. overfijn. Ovebflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd. Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgetiuisterd. o verfluiten, üoot over, üoten over, heeft overgefloten; ook overfloot, overlloten, heeft overfloten. Overfoeliën, overfoeliede, heeft over-foelied. Overforsch. Overgaaf en overgave, V. Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan. Overgaar, -gare. Overgalmen, overgalmde, heeft over-galmd. Overgang, M., -gangen. Overgangsbepaling, V, -bepalingen. Overgangsexamen, O., -examens. Ovkbgangstijdpeek, O., -tijdperken. Ovebgangsvobm, M., -vormen. Overgankelijk. o vergapen, o vergaapte, heeft overgaapt. Overgaken, gaarde over, heeft overge-gaard. Overgauw. Overgave. Zie Overgaaf. Overgedienstig. overgedwee. Overgegeven, -gegevener, -gegevenst. Overgegevenheid, V. Overgelukkig. o vergetogen (deelw.). Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven. Overgeving, V., -gevingen. Overgevoelig. Overgevoeligheid, V. Overgewicht, O. Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten. Overgieting, V. Overgipsen, gipste over, heeft over-gegipst; ook overgipste, heeft over-gipst. o verglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden. Overgloeien, gloeide over. heeft over-gegloeid. ()verg -ed. Overgolven, overgolfde, heeft over-golfd. Overgommen, gomde over, heeft over-gegomd; ook overgomde, heeft over-gomd. Overgooien, gooide over, heeft overgegooid. Overgraveeren, graveerde over, heeft overgegraveerd. Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft ©vergrepen. |
Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid. Overgronden, grondde over, heeft over-gegrond. Overgroot, -groote. Overgrootmoeder, V., -moeders. Overgrootvader, M., -vaders. o vergutsen, gutste over, heeft en is overgegutst. Overhaal, M., -halen. Overhaalschuit, V., -schuiten. Overhaalster, v., -haalsters. Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast. Overhaastig. Overhaasting, V. Overhagelen, overhagelde, heeft over-hageld. Overhaken, haakte over, heeft over-gehaakt. Overhalen, haalde over, heeft overgehaald. overhaler, m., -halei's. Overhaling, V., -halingen. Overhand, V. Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd. Overhandiging, V. Overhands. Overhangen, hing over, heeft overgehangen. Overharken, harkte over, heeft over-geharkt. Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad. Overheen. Overheeren, overheerde, heeft over-heerd. overheering, v, Overheerlijk, -lyker, -lijkst. Overheerbchen, overhcerschte, heeft overheerscht. Overheerscher, M., -heerscliers. Overheersching, V., -heerschingen. Overheet, -heete. Overheid, V., -heden. Overheidsambt, O., -ambten. Overheidspersoon, M., -personen. Overhellen, helde over, heeft overgeheld. Overhelling, v. Overhemd, 0.f -hemden; -hemdje, O., -jes. Overhemdsknoop, M., -knoopen. Overhemdsmouw, V., -mouwen. Overhoef, M., -hoeven. Overhoeks (byw.). overhoeksch (bnW.). Overhoop. Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen. Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt. Overhooren, overhoorde, heeft overhoord. |
OVE.
OVE.
292
|
Overhooring, V., -hooringen. Overhouden, hield over, heeft overgehouden. o verhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft over-gehouwd. Overhouwing, v., -houwingen. Overig. Overigens. Overijken, ^jkte over, heeft overgeykt. Overijlen (zich â), overy 1de zich, heeft zich overbid. Overijling, V. Overijverig. Overjachten, overjachtte, heeft over-jacht. Overjagen, jaagde over, heeft overge-jaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg. Overjarig. Overjarigheid, V. Overjas, v., -jassen; -jasje, O., -jes. Overkaatsen, kaatste over, heeft over-gekaatst. Overkakelen, kakelde over, heeft over-gekakeld; ook overkakelde, heeft overkakeld. Overkalken, overkalkte, heeft over-kalkt. Overkammen, kamde over, heeft over-gekamd. Overkant, M. Overkantelen, kantelde over, is over-gekanteld. Overkappen (opnieuw kappen), kapte over, heeft overgekapt. Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt. Overkapping, V., -kappingen. Ovekkarnen, karnde over, heeft over-gekarnd. Overkegf.len, kegelde over, heeft over-gekegeld. overkeurig. Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken. Overkisten, kistte over, heeft overge-kist. Overkladden, kladde over, heeft over-geklad; ook overkladde, heeft over-klad. Overklappen, klapte over, heeft over-geklapt. Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd Overkleed (kleedingstuk), o., -kleederen en -kleeren; -kleedje, O., -kleedjes en -kleertjes Overkleed (dekkleed), O., -kleeden; -kleedje, O., -jes. Overkleeden, kleedde over, heeft over-gekleed; ook overkleedde, heeft overkleed. |
Overkleeding, V, -kleedingen. Overkleedsel, O., -kleedsels. overklein. Overkleuren, kleurde over, heeft over-gekleurd. Overklikken, klikte over, heeft over-geklikt. Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen. overklimming, v. Overklinken, klonk over, heeft over-geklonken; ook overklonk, heeft over-klonken. Overkneden, kneedde over, heeft over-gekneed. Overknikken, knikte over, is overge-knikt. Overknippen, knipte over, heeft over-geknipt. Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt. o verkol ven, kolfde over, heeft over-gekolfd. Overkomelijk. Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, Is overkomen. Overkomst, V. Overkop (bijw.). Overkoperen, overkoperde, heeft ©verkoperd. o verkorsten, ovorkorstte, heeft over korst. overkort. Overkraaien, overkraaide, heeft over-kraald. Overkrugen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen. Overkroppen, overkropte, heeft over-kropt. overkropping, v. Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen. Overkuierkn, kuierde over, heeft en is overgekuierd. Over kuipen, kuipte over, heeft over-gekuipt. Overkwikken, overkwikte, heeft over-kwikt. Overlaars. V., -laarzen. Overlaat, M . -laten. Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft over laden. Overlading, V., -ladingen. Overland (b\jw,). o verlandmail, v. o verlandreis, V., -reizen. Overlang (byw.). Overlangen, langde over, heeft over-gelangd. Overlangs (bijw.). Overlangsch (bnw.). |
ï
OVE,
293
OVE.
|
overlangzaam, -zame. Overlappen, lapte over, heeft overge-lapt. Overlast, M. Overlasten, overlastte, heeft overlast. overlastig. Overlasting, V. Overlaten, liet over, heeft overgelaten. Overlating, v. Overledene, M. en V., -ledenen. overleder en -leer, o. Overleep, -leepe. Overleeren, leerde over, heeft over-geleerd. Overleg, O. Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid. Overlegging, V., -leggingen. O verleiden, leidde over, heeft overgeleid. o verleunen, leunde over, heeft over-geleund. Overleven, overleefde, heeft overleefd. Overlevende, M. en V., levenden. Overlevendig. Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd. Overlevering, V., -leveringen. Overleving, V. Overlevingscontract, O., -contracten. Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen. Overlezing, V. Overlieden. Zie Overman. Overliegen, overloog, overlogcn, heeft overlogen. Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen. Overlijden, overleed, overleden, is overleden. Overlijden, O. Overlijmen, lymde over, heeft over-gelgmd. ' Overlijnen, lynde over, heeft over-gelynd. Overlokken, lokte over, heeft over-gelokt. Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd. Overlooden, overloodde, heeft over-lood. Overloogen, overloogde, heeft over-loogd. Overloon, O., -loonen. Overloop, M., -loopen; -loopje, o., -jes. Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen. Overlooper. M., -loopers. O verlog ping, V., -loopingen. Overloven, overloofde, heeft overloofd. |
Overluchtig. Overluid. o verluiden, ook overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heelt overluid. OvERMAASCH. Overmaat, V. Overmacht, V. Overmachtig. Overmachtigen, overmachtigde, heeft overmachtigd. Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt. Overmalen, maalde over, heeft over-gemalen. Overmaling, V. Overman, M., -lieden en -lui. Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld. Overmannen, overmande, heeft overmand. Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd. o vermarmeren, marmerde over, heeft overgemarmerd. Overmast (bnw.). Overmatig (de maat te boven gaande), -matiger, -matigst. Overmatig (te matig). Overmatten, matte over, heelt over-gemat: ook overmatte, heeft overmat. Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd. Overmeestering, V. Overmengen, mengde over, heeft over-gemengd. Over merken, merkte over, heeft over-gemerkt. Overmesten, mestte over, heeft over-gemest. Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten. Overmkting, V., -metingen. Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld. overmidden. Overmits. Overmoed, m. Overmoedig, -moediger, -moedigst. Overmogen, overmag, overmocht, heeft overmocht. Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd. Overmorgen. Overmouw, V., -mouwen; -mouwtje, O., -jes. Overnaad, M., -naden; -naadje, O.,-jes. o vernaaien, naaide over, heeft over-genaaid. Overnaaisel, O., -naaisels. Overnachten, overnachtte, heeft overnacht. Overnachting, V. |
1
OVE.
OVE.
294
|
üvernauwkeurig. Ovebneigen, neigde over, heeft over-geneigd. Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen. Overneming, V. Overnet, -nette. Overneuriën, neuriede over, heeft over-geneuried. Overnoeming, V., -noemingen. Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd. Overoud. Overpad, O , -paden; -paadje, O., -jes. Overpakken, pakte over, heeft over-gepakt. Overpakking, V., -pakkingen. Overpalmen, overpalmde, heeft over-palmd. Overpappen, papte over, heeft over-gepapt. Overpassen, paste over, heeft overge-past. Overpeilen, peilde over, heeft over-gepeild. Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd. Overpeinzer, M.t -peinzers. Overpeinzing, V., -peinzingen. Overpekken, pekte over, heeft overge-pekt. Overpersen, perste over, heeft over-geperst. Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst. Overplaatsing, V., -plaatsingen. Overplakken, plakte over, heeft over-geplakt; ook overplakte, heeft over-plakt. Overplakking, V., -plakkingen. Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd. Overplanken, ovorplaukte, heeft over-plankt. Overplanten, plantte over, heeft overgeplant. Overplanting, V., -plantingen. Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd. Overpleistering, V., -pleisteringen. Overpletten, plette over, heeft over-geplet. Overploegen, ploegde over, heeft over-geploegd. O verplooien, plooide over, heeft over-geplooid. Overpoederen, poederde over, heeft overgepoederd; ook overpoederde, heeft overpoederd. Overpoetsen, poetste over, beeft over-gepoetst. overpolusten, polystte over, heeft over-gepolijst. |
Overpond, o., -ponden. Overpoten, pootte over, heeft overgepoot. Overprachtig. O verpraten, praatte over, heeft over-gepraat; ook overpraatte, heeft o verpraat. O verpriester, M., -priesters. Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld. Overprikkeling, V., -prikkelingen. Overraken, raakte over, is o vergeraakt. Overreden, overreedde, heeft overreed. Overreding, V. Overredingskracht, V. Overreiken, reikte over, heeft overgereikt. o verrei king, v. Overrekenen, rekende over, heeft over-gerekend; ook overrekende, heeft overrekend. Overrekken, rekte over, heeft over-gerekt; ook overrekte (zich), heeft (zich) o verrekt. Overrennen. rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend. Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden. Overrijp. Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid. Overroepen, riep over, heeft overge-roepen; ook overriep, heeft over roepen. Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld. Overrompeling, V., -rompelingen. Overrooken, rookte over, heeft over-gerookt. overruim. Oversausen, oversauste, heeft over-saust. Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd. Overschaduwing, v. Overschatten, overschatte, heeft overschat. Overschatting, V. o verschaven, schaafde over, heeft over-geschaafd. Ãverschenken, schonk over, heeft over-geschonken. Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept. Overscheping, V., -schepingen. O verscheppen, schepte over, heeft over-geschept. O verschepping, V., -scheppingen. Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren. overscherp. |
OVE.
295
OVE.
|
Ovebschetsen, schetste over, heeft overgeschetst. Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten. Overschijnen, overschoen, overschenen, heeft overschenen. Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd. Overschildering, V. Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd. Overschoen, M., -schoenen. Overschoffelen, schoffelde over, heeft overgeschofleld. Overschoon, -schoone. Overschort, V., -schorten; -schortje, O., -jes. Overschot, O.,-schotten; -schotje, O., -jes. Overschraal, -schrale. Overschreeuwen, overschreeuwde, heeft overschreeuwd. overschreeüwing, v. Overschrijden, overschreed, overschreden, heeft overschreden. Overschrijding, V., -schrydingen. Overschrijven, schreef over, schreven over, heeft overgeschreven. Overschrijver, M., -schrüvers. Overschrijving, V., -schr^jvingen. Overschrobben, schrobde over, heeft overgeschrobd. Overschudden, schudde over, heeft overgeschud. O verschuieren, schuierde over, heeft overgeschuierd. Overschuimen, schuimde over, heeft en is overgeschuimd. Overschuiven, schoof over, schoven over. heeft overgeschoven. Overschuren, schuurde over, heeft overgeschuurd. Overschuw. Overseinen, seinde over, heeft overgeseind. Oversjouwen, sjouwde over, heeft over-gesjouwd; ook oversjouwde (zich), heeft (zich) oversjouwd. Overslaan, slaat over, sloeg over, heeft en is overgeslagen. Overslag, M., -slagen; -slagje, O., -jes. Overslap, -slappe. Oversleepen, sleepte over, heeft over-gesleept. Overslenteren, slenterde over, heeft en is overgeslenterd. Overslibben, overslibde, heeft over-slibd. overslibbing, v. Overslijpen, sleep over, slepen over, heeft overgeslepen. overslijping, v. O verslingeren, slingerde over, heeft en is overgeslingerd. |
overslingering, v. Oversloof, V., -slooven. OvERSLuiPEN, sloop over, slopen over, is overgeslepen. Oversmal, -smalle. Oversmeden, smeedde over, heeft over-gesmeed. Oversmelten, smolt over, heeft over-gesmolten. Oversmelting, V. Oversmeren, smeerde over, heeft over-gesmeerd; ook oversmeerde, heeft oversmeerd. oversmering, v. Oversmijten, smeet over, smeten over, heeft overgesmeten. o versnappen, snapte over, heeft over-gesnapt. Oversneeuwen, lt; gt;versneeuwde, heeft oversneeuwd. Oversnellen, snelde over, is overge-sneld. Oversnoeien, snoeide over, heeft over-gesnoeid. Oversnoeven, oversnoefde. heeft over-snoefd. Oversnood, -snoode. Oversnorken, oversnorkte, heeft over-snorkt. Oversoldeeren, soldeerde over, heeft overgesoldeerd. Overspannen, spande over, heeft over-gespannen; ook overspande, heeft overspannen. Overspanning, V., -spanningen. Oversparen, spaarde over, heeft overgespaard. Oversparing, V. Overspatten, overspatte, heeft over-spat. Overspeelster, V., -speelsters. Overspel, O. Overspeler, M., -spelers. Overspelig. Overspellen, spelde over, heeft over-gespeld. Overspijkeren, spykerde over, heeft overgespykerd. Overspikkelen, overspïkkelde, heeft overspikkeld. Overspinnen, spon over, sponnen over, heeft overgesponnen; ook overspon, o versponnen, heeft oversponnen. o verspitten, spitte over. heeft over-gespit. Overspoeden, spoedde over, is overge-spoed. Overspoelen, spoelde over, heeft overgespeeld. Oversporen, spoorde over, heeft en is overgespoord. O versprei, V., -spreien. o verspreiden, overspreidde, heeft over-spreid. |
OVE.
296
OVE.
|
Oversprenkelen, oversprenkelde, heeft oversprenkeld. Overspringen, sprong over, heeft en is overgesprongen; ook oversprong (zich), heelt (zich) oversprongen. Oversprong, M. Overstaan, staat over, stond over, heeft overgestaan. Overstaan, O. (Ten â). Overstag (byw.). o verstampen, stampte over, heeft over-gestampt. Overstapelen, stapelde over, heeft over-gestapeld. OVERSTAPKAARTJE, O., -jOS. Overstappen, stapte over, heeft en is overgestapt; ook overstapte (zich), heeft (zich) overstapt. Overstapping, v. Overste, M., oversten. OvERSTEEKSEii, ü., -steoksels. Overstek, o , -stekken; -stekje,o.,-jes. Oversteken, stak over, staken over, heeft en is overgestoken. Oversteking, v. Overstelpen, overstelpte, heeft overstelpt. O VERSTELPIN g, V. Overstemmen, stemde over, heeft overgestemd; ook overstemde, heeft overstemd. Overstemming, V., -stemmingen. Overstempelen, stempelde over, heeft overgestempeld. OVERSTEMPELING, V. oversterk. Overstijf, -styve. Overstijgen, oversteeg, overstegen, heeft overstegen. Overstijven, steef over, steven over, heeft overgesteven. Overstof, V., -stollen. Overrtoomen, stoomde over, heeft en is overgestoomd. Overstooten, stiet over, heeft overge-stooten; ook stootte over. o verstoppen, stopte over, heeft over gestopt. Overstorten, stortte over, heeft over-gestort; ook overstortte, heeft overstort. overstorting, v. Overstralen, overstraalde, heeft overstraald. overstreng. Overstrijden, overstroed, overstreden, heeft overstreden. Overstruken, streek over, streken over, heeft en is overgestreken; ook o verstreek, overstreken, heelt overstrek en. Overstrompelen, strompelde over, heeft en is overgestrompeld. OvERSTRooiEN, overstrooide, heeft over-strooid. |
Overstroomen, stroomde over, heeft overgestroomd; ook overstroomde, heeft overstroomd. Overstrooming, V., -stroomingen. Overstudeeren, studeerde over, heeft overgestudeerd. o verstuiven, stoof over, stoven over, is overgestoven; ook overstoof, over-stoven, heeft overstoven. Oversturen, stuurde over, heeft over-gestuurd. Oversturing, V. Overstuur. Oversuikeren, cvorsuikerde, heeft over-suikerd. Oversukkelen, sukkelde over, heeften is overgesukkeld. Overtal, O. Overtappen, tapte over, heeft overgetapt. Overtapping, V. Overteekenen, toekende over, heeft overgeteekend. Overteekening, V. Overtelegrapheeren, telegrapheerde over, heelt overgetelegrapheerd. Overtellen, telde over, heeft overgeteld. Overtelling, V., -tellingen. Overtent, v.. -tenten. Overtillen, tilde over, heeft overge-tild; ook overtilde (zich), heeft (zich) o vertild. Overtimmeren, overtimmerde, heeft o vertimmerd. o vertinnen, overtinde, heeft o vertind. Overtocht, M., -tochten. O VERTOGEN (deelw.). Overtollig, -tolliger, -tolligst. Overtolligheid, V., -heden. Overtonnen, tonde over, heeft overge-tond. Overtoom, M., -toornen. Overtopt. Overtreden, trad over, traden over, is overgetreden; ook overtrad, overtraden, heeft overtreden. Overtreder, M., -treders. Overtreding, V., -tredingen. Overtreedster, V., -treodsters. Overtreffen, overtrof, overtroffen, heeft overtroffen. Overtrek, O., -trekken; -trekje, O.,-jes. Overtrekken, trok over, trokken over, heeft en is overgetrokken; ook overtrok, overtrokken, heeft overtrokken. Overtreksel, O., -treksels; -trekseltje, O., -jes. o vertrippelen, trippelde over, isover-getrippeld. Overtroeven, overtroefde, heeft overtroefd. Overtuigen, overtuigde, heeft overtuigd. |
OVE.
297
OVE.
|
Overtuigend, -tuigender, -tuigendst. Overtuiging, V., -tuigingen. Overvaart, V. Overval (aanval), M., -vallen. Overval (toeval), O., -vallen; -valletje, O., -jes. Overval (sluitwerk), M., -vallen. Overvallen, viel over, is overgevallen; ook overviel, heeft overvallen. Overvaren, voer over, heeft en is overgevaren. Overvegen, veegde over, heeft over-geveegd. Oververfijnd. Oververfijning, V. Oververnissen, verniste over, heeft overgevernist. oververstandig. Oververtellen, vertelde over, heeft oververteld. Oververven, verfde over, heeft over-geverfd. Oververzadigd. Overvet, -vette. Overvijlen, vylde over, heeft over-gevijld. Overvlechten, vlocht over, heeft over-gevlochten. Overvleugelen, overvleugelde, heeft overvleugeld. Overvleugeling, V. Overvliepen, vlood over, vloden over, is overgevloden. Overvliegen, vloog over, vlogen over, is overgevlogen. Overvlieger, M., -vliegers; -vliegertje, O., -jes. Overvlieten, vloot over, vloten over, is overgevloten. Overvloed, M. Overvloedig, -vloediger, -vloedigst. Overvloedigheid, v. Overvloeien, vloeide over, heeft en is overgevloeid. O ver vloeiing, V. Overvluchten, vluchtte over, is over-gevlucht. overvlug, -vlugge. Overvoeden, overvoedde, heeft overvoed. overvoederen OU overvoeren, OVOr- voederde, heeft overvoederd; en overvoerde, heeft overvoerd. Overvoeding, V. Overvoeren (overbrengen), voerde over, heeft overgevoerd. Overvoeren (overvoederen). Zie Over-voederen. Overvoering, V. Overvol, -volle. overvoldoend. overvolledig. Overvormen, vormde over, heeft over-gevormd. |
Overvouwen, vouwde over, heeft over-gevouwen. Overvracht, V., -vrachten. Overvragen, vraagde over, heeft overgevraagd, en vroeg over; ook overvraagde, heeft overvraagd en overvroeg. o ver vriendelij k. overvrochtbaar, -bare. Overwaaien, waaide over, is overgewaaid; ook woei over, woeien over. Overwaardig. Overwaggelen, waggelde over, isover-gewaggeld. Overwaken (zich â), over waakte zich, heeft zich overwaakt. o verwalmen, walmde over, is over-gewalmd; ook overwalmde, heeft overwalmd. Overwalsen, walste over, heeft over-gewalst. o verwandelen, wandelde over, heeft, en is overgewandeld. overwarm. Overw asemen, overwasemdo, heeft over-wasemd. Overwasschen, wiesch over, wieschen over, heeft overgewasschen. o verwassen, wies over, wiesen over, is overgewassen. Overweek, -weeke. Overweeken, weekte over, heeft over-geweekt Overweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes. Overweg (â kunnen). Overwegen, woog over, wogen over, heeft overgewogen; ook overwoog, overwogen, heeft overwogen. Overwegend, -wegender, -wegendst. Overweging, V., -wegingen. Overweldigen, overweldigde, heeft overweldigd. Overweldiger, M., -weldigers. Overweldiging, V. overwelfsel, o., -Welfsels. Overwelven (ook overwulven), overwelfde, heeft overwelfd. Overwelving, V. Overwenden, wendde over, heeft over-gewend. overwending, V. Overwerk, O. Overwerken, werkte over, heeft overgewerkt; ook overwerkte (zich), heeft (zich) overwerkt. Overwerking, V. Overwerpen, wierp over, heeft over-geworpen. Overwetten, wette over, heeft over-gewet. Overwicht, O. overwichtig. overwichtigheid, V. o verwijd. Otbrwijs, -wijze. |
OVE.
O VB.
298
|
Ovebwinden, wond over, heeft overge-wonden. Overwinnaar, M., -winnaars en -win-naren. Overwinnares, V., -winnaressen. Overwinnen, won over, wonnen over, heeft overgewonnen; ook verwon, overwonnen, heeft overwonnen. Overwinning, V., - winningen. Overwinst, V., -winsten. Overwinteren, overwinterde, heeft overwinterd. Overwintering, V. Overwippen, wipte over, heeft en is overgewipt. o verwitten, witte over, heeft over-gewit. Overwitting, V., -wittingen Overwonneling, M. en V., -wonneüngen. V. ook overwonnelinge Overwreed, -wreede. Overwrijven, wreef over, wreven over, heeft overgewreven. Overwulven. Zie Overwelven. Overzaaien, zaaide over. heeft overge-zaaid; ook overzaaide. heeft overzaaid. | Overzacht. Overzakken, zakte over, is overgezakt. 1 Overzakking, V., -zakkingen. Overzalven, zalfde over, heeft over- i gezalfd; ook overzaifde, heelt over-zalfd. Overzamelen, zamelde over, heeft over-gezameld. overzedig. overzeebch. Overzegelen, zegelde over, heeft over-gezegeld. o verzegeling. V. Overzeggen, zoide over, heeft overge-zegd en overgezeid. Overzeilen, zeilde over, is overgezeild; ook overzeilde, heeft overzeild. Overzeiler, M., -zeilers. O verzeiling, V., -zeilingen. Overzenden, zond over, heeft overgezonden. |
Overzender, M., -zenders. Overzending, V., -zendingen. overzetster, V., -ZetSterS. Overzetten, zette over, heeft overgezet. overzetter, M., -Zetters. Overzetting, V., -zettingen. Overzicht, O., -zichten; -zichtje, O., -jes. Overzieden, zood over, zoden over, heeft overgezoden. Overzien, zag over, zagen over, heeft overgezien; ook overzag, overzagen, heeft overzien. Overzienbaar, -bare. Overzijde en -zij, V. Overzijdsch. o verzilveren, o verzilverde, heeft over-zilverd. overzindelijk. Overzingen, zong over, heeft overge-zongen. Overzitten, zat over, zaten over, heeft overgezeten. o verzoet. Overzolderen, overzoldordo, heeft over-zolderd. Overzout. Overzouten, zoutte over, heeft over-gezouten. overzuinig. overzulkp. o verzwaar, -zware. Overzwalpen, overzwalpte, heeft over-zwalpt. Overzwarten, zwartte over, heeft over-gezwart. Overzwemmen, zwom over, zwommen over, heeft en is overgezwommen; ook overzwom (zich), overzwommen (zich), heeft (zich) overzwommen. o verzwikken, zwikte over, is overge-zwikt. Oxydatie, V., oxydatiën en oxydaties. Oxyde, o. Oxydeeren, oxydeerde, is geoxydeerd. Ozon, O. |
P.
|
P, V., p's. Pa. Zie Papa. Paadje. Zie Pad, O. Paai, M., paaien. Paaiement, O., paaiementen. Paaien, paaide, heeft gepaaid. Paaiskist, V., -kisten. Paal, M., palen. Paaltje, O., -jes. Paalbalk, M., -balken. Paalgeld, O., -gelden. Paalgording, V., -gordingen. Paalvast. |
Paalwerk, O., -werken. Paalwoning, V., -woningen. Paalworm, M., -wormen. Paander, V., paanders. Paap, M., papen. Paapje (vogeltje), O., -Jes. Paapsch. Paapsche, M. en V., paapsch en. Paapschgezind. Paapschgezindheid, V. Paar, O., paren. Paartje, O., -jes. Paard, O., paarden. Paardje, O., -jes. |
PAA.
PAA.
299
|
Paaedebek, M., -bekken. Paabdeborstel, m., -borstels. Paabdedek, O, -dekken. Paabdekleed, 0.. -kleeden. Paabdekop, M., -koppen. Paabdekbacht (de kracht van een paard als maatstaf), V., -krachten. Verg. Paardenkracht. Paabdeleeb en paabdenleeb, O. PAABDELEEBENen paabdenleeben (bnW.). Paabdelijn, V., -lijnen. Paabden, paardde, heeft gepaard. Paabdenabts, M., -artsen. Paabdenbloem, V., -bloemen. Paabdenboeb, M., -boeren. Paabdenboon, V., -boenen. Paabdendief, M., -dieven. Paabdendokteb, M., -dokters. Paabdenfokkeb, M., -fokkers. Paabdenfokkebu, V., -fokkerijen. Paabdenhaab, O. Paabdenhals, M. Paabdenhandel, M. Paabdenhaben (bnw.). Paabdenhoef, M., -hoeven. Paabden kastanje (boom),M., (vrucht), V. Paabdenkenneb, M., -kenners. Paabdenkennis, V. Paabdenknecht, M., -knechts. Paabdenkoopeb, M., -koopers. Paabdenkbacht (kracht als van een paard), V. Verg. Paardekracht. Paabdenmabkt, V., -markten. Paabdenmest, M. Paabdenmiddel, o., -middelen. Paabdenbas, o., -rassen. Paabdenslachteb, M., -slachters. Paabdenslachtebij, V., -slachteryen. Paabdensmid, M., -smeden. Paabdenspel, O., -spellen. Paabdenbtal, M.. -stallen. Paabdenteelt, V. Paabdentuischeb, M., -tuischers. Paabdenvlieg, V., -vliegen. Paabdenvolk, o. Paabdenvbacht, V., -vrachten. Paabdenwebk, o. Paabdenziekte, v. Paabdepoot, M., -pooten. Paabdestaabt, M., -staarten. Paabdetoom, M., -toomen. Paabdetuig, o., -tuigen. Paabdevijg, V., -vygen. Paabdevleesch en paabdenvleesch, o. Paabdevoet (voet van een paard), M., -voeten. Paabdevoet (horrelvoet), M., -voeten. Paabdbijden, O. Paabdbijdeb, M., -rijders. Paabdbijdsteb, V., -rijdsters. Paabl. Zie Parel. Paablemoeb en pabei.moeb, O. Paablemoeben en pabelmoeben (bnw.). PaABs, paarser, paarst. |
Paabsgewijze en -gewijs. Paahchavond, M., -avonden. Paaschbest, O. Paaschbest (byw.). Paaschbeubt, V., -beurten. Paaschbloem, V., -bloemen. Paaschbbood, O., -brooden. Paaschdag, M., -dagen. Paaschei, O., -eieren. Paaschfeest, O., -feesten. Paaschgezang, ü., -gezangen. Paaschkoek, M., -koeken. Paaschlam, o., -lammeren. Paaschmaandag, M. Paaschnacht, M. Paaschos, M., -ossen. Paaschpbeek, V., -preeken. Paaschtijd, M. Paaschvacantie, V., -vacantiën en -vacanties. Paaschvuub, O., -vuren. Paaschweek, V. Paaschzondag, M. i Paatje. Zie Papa. Pacha en pasja, M., pacha's en pasja's. Pacht, V., pachten. Pachten, pachtte, heeft gepacht. Pachteb, M., pachters. Pachtgeld, O., -gelden. Pachthoeve, V., -hoeven. Pachting, V., pachtingen. Pachtsom, V., -sommen. Pachtspel, O. Pachtsteb, V.. pachtsters. Pachttijd, M., -tijden. Pacificatie, V., pacilicatiën. Pacifiek, pacifieker. pacifiekst. Pad (weg), O., paden. Paadje, O., -jes. Pad en padde (dier), V., padden. Padje en paddetje, O., -jes. Paddengif en -gift, O. Paddengbas, O. Paddenstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes. Paedagogie, v. Paedagogiek, V. Paedagogisch. Paedagoog, M., paedagogen. Paf, M., paffen. I Paf, paffer, pafst. ' Paf (tusschenw.). j Paffen, pafte, heeft gepaft. j Paffebig, pafferiger, pafferigst. Paffebigheid, V. Paffig, paffiger, paffigst. Paffigheid, V. Pafzak, M. en V,, -zakken. Pagaai, V , pagaaien. Pagaaien, pagaaide, heeft gepagaaid. Pagadet, V., pagadetten. Pagadetje, O., -jes. Pagadettebig. Page (edelknaap), M., pages. Pagina, y., pagina's. |
PAG.
300
PAL.
|
Paginatuur, V., paginaturen. Paqineeren, pagineerde, heeft gepagineerd. Pagineebing, V., pagineeringen. Pagode, V., pagoden en pagodes. Pair, M., pairs. Pairschap, O. Pak, O., pakken. Pakje, o, -jes. Paketboot, V., -booten. Paketvaabt, V., -vaarten. Pakezel, M., -ezels. Pakgoed, O., -goederen. Pakhuis, O., -huizen. Pakhuishuub, V., -huren. Pakhuisknecht, M., -knechts. Pakhuismeesteb, M., -meesters. Pakkage, V., pakkages. Pakken, pakte, heeft gepakt. Pakkendbageb, M., -dragers. Pakkeb, M., pakkers. Pakket, o., pakketten. Pakketje, o., -jes. Pakketpost, V. Pakking, V. Paknaald, v., -naalden. Pakpapieb, o., -papieren. Pakschuit, V., -schuiten. Pakschuitdienst, m., -diensten. Paksteb, V., paksters. Pakwagen, M., -wagens. Pakzadel, M., -zadels. Pal, M., -palien. Pal (byw.). Paladijn, M., paladynen. Palaeogbaaf, M., palaeografen. Palaeogbaphie, V. Palaeontologie, V. Palankijn, M., palankyns. Palei, V., paleien. Paleis, O., paleizen. Palen, paalde, heeft gepaald. Palet (kaatstuig), V., paletten. Palet (schilderswoord), O., paletten. Paletje, O., -jes. Paletot, V., paletots. Paletten, palette, heeft gepalet. Palfbenieb, M., pallreniers. Paling (visch), m., palingen. Als stofnaam, v. Palinkje, O., -jes. Palingtbekken, o. Palingvel, o., -vellen. Palissade, V., palissaden. Palissadeeben, palissadeerde, heeft ge- palissadeerd. Palissadeebing, v., palissadeeringen. Palissandeb, o. Palissandebhouten (bnw,). Paljas, M., paljassen. Palklamp, m., -klampen. Palladium, o. Pallas, M., pallassen. Palliatief, o., palliatieven. Palm (boom), M., palmen. Palm (palmtak), M., palmen. Palmpje, O., -jes. |
Palm (vlakke hand en lengtemaat), T., palmen. Palmpje, O., -jes. Palm (kruid), V. Palmboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Palmen, palmde, heeft gepalmd. Palmhout, O. Palmhouten. Palmiet, O. Palmolie, V. Palmtak, M.. -takken. Palmzondag, M., -zondagen. Palsteb, M., palsters. Paltbok, m., paltrokken. Palts, V. Pamflet, O., pamfletten. Pamfletje, O., -jes. Pamflettist, M., pamflettisten. Pampelen, pampelde, heeft gepampeld. Pampebnoelje, v.. pampernoeljes. Pan, V., pannen. Pannetje, O., -jes. Panaabzen, panaarsde, heeft gepan- aarsd. Panacee, V. Panache, V., panaches. Pand (onderpand), O., panden. Pandje, O., -jes. Pand (rokslip), O., panden. Pandje, O., -jes. Pandecten (mv.), v. Panden, pandde, heeft gepand. Pandeb, M., panders. Panding, V., pandingen. Pandjeshuis, o., -huizen. Pandoeb, M., pandoeren. Pandoeben, pandoerde, heeft gepandoerd. Iandbecht, O. Pandspel, O., -spellen; -spelletje, O., -jes. Pandvebbeuben, o. Paneel, o., paneelen. Paneeltje, o., -jes. Paneelzager, M., -zagers. Panharing (een visch), M., -haringen. Als stofnaam, V. Paniek, V. Panisch. Panje, V., panjes. Panlikken en pannelikken, panlikte, heeft gepanlikt. Panlikker en pannelikkeb, M., -likkers. Panlikkebij, V., -likkeryen. Pannedeksel, O., -deksels. Pannekoek, M., -koeken; -koekje, O., -jes. Pannenbakkeb, M., -bakkers. Pannenbakkebij, V., -bakkeryen. Pannendak, o., -daken. Panopticum, o., panopticums. Panorama, o., panorama's Panser, ook pantser, o., panseis en pantsers. Panserschip, O., -schepen. PanslavIsme, O. |
PAN.
301
PAR.
|
Pantalon, V., pantalons. Pantalonnetje, O., -jes. Panter, M., panters. Pantertje, O., -jes. Pantheïsme, O. Pantheïst, M., pantheïsten. Pantheon, o. Pantoffel, V., pantoffels. Pantoffeltje, O., -jes. Pantoffelheld, M., -helden. Pantoffelparade, V. Pantograaf, M., pantografen. Pantomime, V., pantomimen en pantomimes. Pantomimisch. Pantomimist, m., pantomimisten. Pantser. Zie Panser. Panvisch en pannevisch, V. Pap, V., pappen. Papje, o., -jes. Papa en pa, M., papa's en pa's. Papaatje en paatje, O., -jes. Papachtig, -achtiger, -achtigst. Papaver, V., papavers. Papaverstroop, V. Papegaai, M., papegaaien. Papegaaitje, O., -jes. Papegaaiekop, M., -koppen. Papegaaiennest, o., -nesten. Papegaaietong, v., -tongen. Papegaaisbek, M., -bekken. Papegaaiskooi, v., -kooien. Papenaad, M., -naden. Papenbloem, V., -bloemen. Papendom, o. Paperij, V. Papeterie, V., papeterieën. Papier, O., papieren. Papiertje, O., -jes. Papierachtig. Papieren (bnw.). Papierfabriek, V., -fabrieken. Papiermagazijn, O., -magazijnen. Papiermaker, M., -makers. Papiermerk, O , -merken. Papiermolen, M., -molens. Papillot, V., papillotten. Papillottenpapier, O. Papist, M., papisten. Papje (papegaaitje), o., -jes. Paplepel, M., -lepels. Pappen, papte, heelt gepapt. Pappig, pappiger, pappigst. Pappigheid, v. Papping, V., pappingen. Pappot, M., -potten. Papsel, O., papsels. Papyrus, M., papyrussen. Paraaf, V., parafen Parabel, V., parabelen en parabels. Parabolisch. Paraboloïde, V., paraboloïden. Parabool, V.. parabolen. Parachute, V.f parachutes. Paracleet, M. Parade, V., parades. |
Paradeeren, paradeerde, heeft geparadeerd. Paradigma, O., paradigma's en paradigmata. Paradijs, O., paradijzen. Paradysje, O., -jes. Paradijpappel, M., -appelen. Paradijsgeschiedenis, V. Paradijskostdum, O. Paradijsvogel, M., -vogels. Paradox, V., paradoxen. Paradox (bnw.). Parafeeren, parafeerde, heeft geparafeerd. Paragraaf, V., paragrafen. Paragraafje, O., -jes. Parallel, V., parallellen. Parallelogram, O., parallelogrammen. Paranimf, M., paranimfen. Paraphrase, V., paraphrasen. Parapluïe en paraplu, V., parapluies en paraplu's. Parapluutje, O., -jes. Paraplustander, M.. -standers. Parasiet (persoon), M., (plant), V., parasieten. Parasol, V., parasols. Parasolletje, O., -jes. Pardel, M., pardels. Pardoen, V., pardoens. Pardoes (tusschenw). Pardon, o. Pardonneeren, pardonneerde, heeft gepardonneerd. Pareeren, pareerde, heeft gepareerd. Parel en paarl, V., parelen, parels en paarlen Pareltje en paarltje, O.,-jes. Parelen, parelde, heelt gepareld. Parelgerst, V. Parelgort, V. Parelgrar, o. Parelkleurig. Parelmoer. Zie Paarlemoer. Parelmoeren. Zie Paarlemoeren. Parelmossel, V., -mosselen. Pareloester, V., -oesters. Parelsnoer, O., -snoeren. Parelvisscher, M., -visschers. Paren, paarde, heeft gepaard. Parentage, V. Parfum, O., parfums. Parfumeeren, parfumeerde, heeft geparfumeerd. Parfumerie, V., parfumerieën. Pari, O. Paria, M. en v., paria's. Parieeren. parieerde, heeft geparieerd. Parijsch, Parijsche. Paring, V. Park, O., parken. Parket, O., parketten. Parketvloer, m.. -vloeren. Parkiet, M., parkieten. Parkietje, O., -jes. Parlement, O., parlementen. |
PAR.
302
PAS.
|
Parlementair (onderhandelaar), M., par- lementairs en parlementairen. Parlementair (bnw.). Parlementsgebouw, O., -gebouwen. Parlementslid, O., -leden. Parlementszitting, V., -zittingen. Parmantig, parmantiger, parmantigst. Parmantigheid, V. Parmezaan (iemand uit Parma), M., Parmezanen. Parmezaan (kaas), V., parmezanen. Parnas, M. Parochiaan, M., parochianen. Parochie, V., parochiën. Parochiekerk, V., -kerken. Parodie, V., parodieën. Parodieeren, parodieerde, heeft geparodieerd. Parool, O., parolen. Part (poets, streek), V., parten. Partje, O., -jes. Part (deel), O., parten. Partje, O., -jes. Parterre, o. Particularist, m., particularisten. Particulariteit, V., particulariteiten. Particulier, particuliere. Particulier, M., particulieren. Particuliere, V., particulieren. Partieel, partieele. Partij, v., partyen. Partytje, O., -jes. Partijbelang, o., -belangen. Partijdig, partijdiger, party digs t. Partijdigheid, v. Partijganger, M, -gangers. Partijgeest, M. Partijgenoot, m., -genooten. Partijhoofd, O., -hoofden. Partijschap, v.. -schappen. Partijzucht, V. Partituur, V., partituren. Partuur, o. Paruik. Zie Pruik. Parvenu. M., parvenu's. Pas (tred, doortocht en vrijbrief), M., passen. Pasje, O., -jes. Pas (tijdstip), O. Pas (byw.). Pascha, o. Paschen, V. Pasganger, M., -gangers. Pasgeboren. Pasgeld, o. Pasja. Zie Pacha. Pasjes. Paskaart, V,, -kaarten; -kaartje, O.,-jes. Pasklaar. Paskwil, O., paskwillen. Paskwilletje, O., -jes. Paslood, O., -looden; -loodje, O., -jes. Pasmunt, V. Paspoort, o., paspoorten. Passaat, M., passaten. Passage, V., passages. Passagebil.tet, O., -biljetten. |
Passagier, M., passagiers. Passagieren, passagierde, heeft gepassagierd. Passagiersgoed, o. Passagierstrein, M., -treinen. Passant, M., passanten. Passantenhuis, o., -huizen. Passediesje, o. Passediezen, passediesde, heeft gepas-sediesd. Passeeren, passeerde, heeft en is gepasseerd. Passelijk, -lyker, -lijkst. Passement, o., passementen. Passé- mentje, O., -jes. Passement winkel, M., -winkels. Passen, paste, heeft gepast. Passe-partout, M., passe-partouts. Passer, M., passers. Passertje, O., -jes. Passerdoos, V., -doozen. Passie (het lijden en de lijdensweken), V. Passie (hartstocht), V., passies en pas-siën. Passiebloem, V., -bloemen. Passief, passiever, passiefst. Passief, o. Passiespel, o., -spelen. Pastei, V., pasteien. Pasteitje, O., -jes. Pasteibakker, M., -bakkers. Pasteikorst, V., -korsten. Pastel (weede), V. Pastel (kleurstift), O., pastellen. Pastille, V., pastilles. Pastinak, V., pastinaken. Pastinakenzaad, O. Pastoor, M., pastoors en pastoren. Pastoortje, O., -jes. Pastoraal, pastorale. Pastoraal, V. Pastorie en pastorij, V., pastorieën en pastoryen. Patas, V., patassen. Patent, O., patenten. Patentje, O., -jes. Patent, patenter, patentst. Patentbelasting, V., -belastingen. Patenteeren, patenteerde, heeft gepatenteerd. Patentolie, V. Patentplichtig. Patentwet, V., -wetten. Pater, M., paters. Patertje, O., -jes. Paternoster, o., paternosters. Pathologie, V. Pathos, O. Patiënt, M. en V., patiënten. V. ook patiënte. Patiëntje, O., -jes. Patiëntie, V. Patik (kruid), O. Patriarch, M., patriarchen. Patriarchaal, patriarchale. Patriciër, M., patriciërs. Patricisch. Patrijs, M., patrijzen. Patrijsje,O.,-jes Patrijshond, M., -honden. |
PAT.
PEG.
303
|
Patrijspoort, V., -poorten. Patrijzen ei, O., -eieren. Patrijzennest, O., -nesten. Patrimonium, O. Patriot, M., patriotten. Patriotisme, O. Patriotsch. Patronaat, O., patronaten. Patrones, V., patronessen. Patroon (beschermer, heer), M., patronen en patroons. Patroon (iading), V., patronen. Patroon (model), O., patronen. Patroontje, O., -jes. Patroontasch, V., -tasschen. Patrouille, V., patrouilles. Patrouilleeren, patrouilleerde, heeft gepatrouilleerd. Pauk, V., pauken. Pauken, paukte, heeft gepaukt. Paukenslager, M., -slagers. Pauker, M., paukers. Pauperisme, o. Paus, M., pausen. Paus, V. Zie Pauze. Pausdom, O. Pauseeren, pauseerde, heeft gepau-seerd. Pauseering, V., pauseeringen. Pauselijk en pauslijk. Pausschap, O. Pauw, M., pauwen. Pauwtje, O., -jes. Pauwenei, O., -eieren. Pauwestaart, M., -staarten. Pauweveer, V., -veeren; -veertje. o., -jes. Pauwin, V., pauwinnen. Pauwinnetje, O., -jes. Pauze en paus, V., pauzen. Paviljoen, O., paviljoenen. Paviljoen- tje, O., -jes. Peauxer. Zie Piauter. Pecco, V. Pecunieel, pecunieele. Pedaal, O., pedalen. Pedaalharp, V., -harpen. Pedant, M., pedanten. Pedantje, ü.,-jes. Pedant, pedanter, pedantst. Pedanterie, V., pedanterieën. Pedel, M., pedels en pedellen. Pedelskamer, V., -kamers. Pedestal, O., pedestallen. Pedestalletje, O., -jes. Peel (haarband), V., pelen. Peel (moerassig land), V., pelen. Peen, V.. penen. Peentje, O., -jes. Peer (vrucht), V., (boom), M, peren. Peertje, O., -jes. Peervormig. Pees, V., pezen. Peesje, O., -jes. Peesachtig. Peet, M. en V., peten. Peetje, O., -jes. Peetoom, M., -ooms. Peetschap, O. Peettante, V., -tantes. |
Pegel, M., pegels. Pegeltje, u., -jes. Pegelen, pegelde, heeft gepegeld. Peil, O., peilen. Peiltje, O., -jes. Peilen, peilde, heeft gepeild. Peiler, M., peilers. Peiling, V., peilingen. Peilketting, M., -kettingen. Peillood, O., -looden. Peilschaal, V., -schalen. Peilstok, M., -stokken. Peinzen, peinsde, heeft gepeinsd. Peinzer, M., peinzers. Peis, V. Pek en pik, O. Pekel (zilt vocht), V.; (zeewater), O. Pekelachtig, -achtiger, -achtigst. Pekelen, pekelde, heeft gepekeld. Pekelharing (een visch), M.,-haringen. Als stofnaam, V. Pekelzonde, V., -zonden. Pekken (ook pikken), pekte, heeft gepekt. Pekkrans, M., -kransen. Pel, V., pellen. Pelen, peelde, heeft gepeeld. Pelerine, V., pelerines. Pelerwt, V., -erwten. Pelgrim, M., pelgrims. Pelgrimage, V., pelgrimages. Pelgrimsgewaad. O., -gewaden. Pelgrimshoed, M., -hoeden. Pelgrimskleed, O., -kleederen. Pelgrimsmantel, m., -mantels. Pelgrimsreis, V., -reizen. Pelgrimsstaf, M., -staven. Pelgrimstasch, V., -tasschen. Pelgrimstocht, M., -tochten. Pelikaan, M., pelikanen. Pelikaantje, O., -jes. Pelikaanskrop, M.. -kroppen. Pellen, pelde, heeft gepeld. Pellen, ü., pellens. Pellengoed, O. Pellies, v., pelliezen. Pelliesje, ().,-jes. Pelmolen, M., -molens. Peloton, O., pelotons. Pelotonsvuur, O. Prls, M., pelzen. Pelsje, O, -jes. Pelswerk, O. Pelterij, V , pelteryen. Peluw. Zie Peuluw. Pen (schryfpen), V., pennen. Pennetje, O., -jes. Pen (houten nagel), V., pennen. Pennetjes, O., -jes. Penant, O., penanten. Penantkast, V., -kasten. Penantspiegel, M., -spiegels. Pendant, o., pendanten. Pendantje, o., -jes. Pendule, V., pendules. Penibel, penibeler, penibelst. Pennekunst, V., -kunsten. Pennelikker, M., -likkers. |
PER.
PEN.
|
Pennemes, o., -messen; -mesje, o,, -jes. Pennen, pende, heeft gepend. Pennenbak, M., -bakken. Pennenhouder en pennehouder, M., -houders. Pennenkoker, M., -kokers. Pennenkooper, M., -koopers. Penner, M., penners. Penneschacht, V., -schachten. Pennestreek, V., -streken. Pennestrijd, M. Penning, M., penningen. Penninkje, penningsken, penningske, penninksken en penninkske, O., -jes, -kens en -kes. Penningkabinet, O., -kabinetten. Penningkruid, O. Penningkunde, V. Penningmeester, M., -meesters. Penningswaarde, V. Pens, V., pensen. Pensje, O., -jes. Penseel, o., penseeien. Penseeltje, o., -jes. Penseelen, penseelde, heeft gepenseeld. Pensioen, o., pensioenen. Pensioentje, O., -jes. Pensioenfonds, o., -fondsen. Pensioenkas, V., -kassen. Pensioenwet, V., -wetten. Pensionaat, O., pensionaten. Pensionaris, M.. pensionarissen. Pensionnaire, M. en V., pensionnaires. Pensionneeren, pensionneerde, heeft gepensionneerd. Pentameter, M., pentameters. Pentateuch, M. Penterhaak, M., -haken. Pentertalie, V., -talies. Peper, V. Peperachtig, -achtiger, -achtigst. Peperbus, V., -bussen. Peperen, peperde, heeft gepeperd. Peperhuisje, O., -huisjes. Peperkoek, M., -koeken. Als stofnaam, V. Pepermunt en peperment, V. Pepermuntje en pepermentje, O., -jes. Pepermuntdoosje, O., -doosjes. Pepermuntolie, V. Pepermuntwater, o. Pepernoot en -neut, V., -noten en -neuten; -nootje en -neutje, O.,-jes. Perceel,0., perceelen. Perceeltje, O., -jes. Perceelsgewijze en -gewijs. Percent, o., percenten. Percentje, O., â¢jes. Verg. Procent. Percentsgewijze. Percussiegeweer, O., -geweren. Pereboom, M., -boomen; -boompje, o., -jes. Perendrank, M. Perenmost, M. Perensap, o. Perentaart, V., -taarten. Perepit, V., -pitten. |
Pereschil, V., -schillen. Perfect, perfecter, perfectst. Perfectie, V. Perforeeren, perforeerde, heeft geperforeerd. Perikel, O., perikels. Periode, V., perioden. Periodenbouw, M. Periodiek, periodieke. Peripatetisch. Periphrase, v., periphrasen. Perk, o., perken. Perkje, o., -jes. Perkament, g., perkamenten. Perkamenten en perkementen (bnw.). Permanent. Permissie, V. Permitteeren, permitteerde, heeft gepermitteerd. Permutatie, V., permutaties en per- mutatiën. Perpetueel, -eele. Perron, o., perrons. Perronkaart,V.,-kaarten; -kaartje, O., -jes. Pers, V., persen. Persje, O., -jes. Persdelict, O., -delicten. Persen, perste, heeft geperst. Perser, M., persers. Persico, V. Persiflage, V., persiflages. Persifleeren, persifleerde, heeft gepersifleerd. Persijzer, O., -yzers. Persing, Vâ persingen. Pfrststeeren, persisteerde, heeft gepersisteerd. Persloon, O., -loonen. Personage, V. en O., personages. Personaliteit, V., personaliteiten. Personeel, personeele. Personeel, o. Personentrein, M., -treinen. Personenverkeer, O. Personificatie, V., personificatiën en personificaties. Persoon, M. en V., personen. Persoontje, O., -jes. Persoonlijk- Persoonlijkheid, V., -heden. Persoonsverbeelding, V., -verbeeldingen. Persoonsverwisseling, V., -verwisselingen. Persoverzicht, O., -overzichten. Perspectief (doorzichtkunde), V. Perspectief (vergezicht, vooruitzicht), O., perspectieven. Perspomp, V., -pompen. Persrevisie, V., -revisies. Pertinent. Pertizaan, V., pertizanen. Perversiteit, V. Perzik (vrucht), V., (boom), M., perziken. Perzikje, O., -jes. |
PHA.
305
PER,
|
Perzikeboom en perzïkboom, M., -boo- men. Perzikboompje. O., -jes. Pebzikepit, v., -pitten. Pessimisme, O. Pessimist, M., pessimisten. Pest, V., pesten. Pestachtig, -achtiger, -achtigst. Pestbuil, V., -builen. Pesthol, o., -holen. Pesthuis, O., -huizen. Pestilentie, V., pestilentiën. Pestkoorts, V., -koortsen. Pestlucht, V. Pestziekte, V., -ziekten. Pet, V., petten. Petje, o., -jes. Petard, M., petarden. Petegift, quot;V., -giften. Petekind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes. Petemoei, V., -moeien. Peter, M., poters. Peterschap, o. Peterselie en pieterselie, V. PeterselIeachtig. Peterseliesaus, V. Petitie, V., petitiën en petities. Petitionneeren, petitionneerde, heeft gepetitionneerd. Petitionnement, O., petitionnementen. Petroleum, V. Petroleumbron, V., -bronnen. Petroleumlamp, V., -lampen. Petroleummotor, M., -motoren en -motors. Petroleumtoestel, O., -toestellen. Petroleumvat, O., vaten. Pettenqoed, O. Pettenmaker, M., -makers. Pettenwinkel, M., -winkels. Peueraar, M., peueraars. Peueren, peuerde, heeft gepeuerd. Peukel. Zie Pukkel. Peul (vrucht), V., peulen. Peultje, o., -jes. Peul (peuluw), V., peulen. Peuluw, ook peluw, V., peuluwen. Peurder, M., peurders. Peuren, peurde, heeft gepeurd. Peuter (gereedschap), M., peuters. Peuter (persoon), M.f peuters. Peuteraar, M., peuteraars. Peuteren, peuterde, heeft gepeuterd. Peutering, V., peuteringen. Peuzel, V., peuzels. Peuzeltje, O., -jes. Peuzelaar, M., peuzelaars. Peuzelen, peuzelde, heeft gepeuzeld. Peuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes. Pezerik, M., pezeriken. Phaëton, M., phaëtons. Phalanx, V., phalanxen. Phantaseeren, phantaseerde, heeft ge- phantaseerd. PhantasIe, V., phantasieën. Phantasiehoed, M., -hoeden. |
Phantasiepak, ü., -pakken. Phantasmagorie, V., phantasmagorieën. Phantast, M., phantasten. Phantastisch. Phase, V., phasen en phases. Philanthroop, M., phüanthropen. Philanthropie, V. Philanthrópisch. Philologencongres, O., -congressen. Philologie, V. Philologisch. Philoloog, M., philologen. Philosoof, M., philosofen. Philosopheeren, philosopheerde, heeft gephilosopheerd. Philosophie, V. pailosophisch. Phoenix. Zie Fenix. I'honetiek, V. Phonograaf, M., phonografen. Phosphorus, M. Photograaf, M., photografen. Photogram, O., photogrammen. Photographeeren, photographeerde, heeft gephotographeerd. Photographie, V., photographieön. Pho- tographietje, O., -jes. Photographie-artikelen (mv.), o. Photographiestander, M., -standers; -standertje, O., -jes. Photographietoestel, o., -toestellen. P 30t0gr aphisch. Phrase, V., phrasen en phrases. Phraseologie, V. Physica, V. PHYsiEK, physieke. Physiek, O. Physiologie, V. Physiolouisch. PHYstoLooG, M., physiologen. PHYSIONOMIE, V., physionomieën. p hyblsch. Pianino, V., pianino's. Pianist, M., pianisten. piano, V., piano's. Piano, bijw. (- aan). Pianoconcert, O., -concerten, pi and-forte, v., piano-fortes, pianokist, V., -kisten. Pianoklasse, V., -klassen. Pianoles, V., -lessen. Pianomeester, M., -meesters. Pianomuziek, V. Piano-orgel, O., -orgels. Piaster, M., piasters. plauter, OOk peauter, o. Piefpafpoef (tusschenw.). Piek, V., pieken. Piekje. o., -jes. Piekenier, M., piekeniers. Piekeval, O., piekevallen. Piepen, piepte, heeft gepiept. Pieper, M., piepers. Piepertje, O., -jes. Pieperig, pieperiger, pieperigst. pleperigheid, V. u i |
â
20
mmm
PIJ.
PIE.
306
|
Piepjong. Piepkuiken, o., -kuikens. Pier, V., pieren. Piertje, o., -jes. pieren, pierde, heeft gepierd. plerenkruid, o- Pierenverschrikkertje, o., -verschrik-kertjes. Pierewaaien, pierewaaide, heeft gepierewaaid. Pierewaaier, M., pierewaaiers. Piesen. Zie Pissen. Piet, M., pieten. Piëteit, V. Pieterig, pieteriger, pieterigst. Pieterman (visch). Als voorwerpsnaam, M., pietermans. Als stofnaam, V. Pietermannetje, O., -jes. Pieterselie. Zie Peterselie. Pieterspenning, M. Piëtisme, o. Piëtist, M., piëtisten. Piëtisterij, V. pietje (munt), o., -jes. Pietlut, M. en V., pietlutten. Pietluttig, pietluttiger, pietluttigst. Pietluttigheid, V. Pieus, pieuzer, pieust. Pu, v., pyen. Pytje, O., -jes. Pijjakker, M., pyjakkers. Pjjjakkertje, O., -jes. Pijl, M., pijlen. Pyltje, o., -jes. Pijler, M., pijlers. Pijlkruid, O. Pijlsnel, -snelle. Pijlstaart, M., -staarten. Pijlvormig. Pijn (pynboom), M., pijnen. Pijn (smart), V., pijnen. Pijnappel, M., -appels. Pijnbank, V., -banken. Pijnboom, M., -boomen. Pijne, V. (de â waard). Pijnen, pynde, heeft gepynd. Pijnigen, p^nigde, heeft gepynigd. puniger, M., pynigers. Pijniging, V., pijnigingen. Pijnkamer, V., -kamers. Pijnlijk, -l^jker, -lykst. Pijnlijkheid, V., -heden. Pijnstillend. Pijp, V., pijpen. Pypje, O., -jes. Pijpaarde, V. Pijpedop, M., -doppen; -dopje, O., -jes. Pijpekop, M., -koppen. Pijpen (op eene fluit spelen), peep, pepen, heeft gepepen. Pijpen (eene pyp rooken), pijpte, heeft gepijpt. pijpenbakker, M., -bakkei'S. Pijpenbakkerij, V., -bakkeryen. Pijpenboor, V., -boren. Pijpenfabriek, V., -fabrieken. Pijpenlade, V., -laden. Pijpenmakerij, V., -makeryen. 1 â 11 I |
Pijpenmand, V., -manden; -mandje, O. â jes. Pijpenrek, o., -rekken; -rekje, o., -jes. Pijpenstander, M., -standers. Pijpenuithaler, M., -uithalers. Pijpepeuter, m., -peuters. Pijper, M., pijpers. Pijperoer, O., -roeren. Pijpesteel, M., -stelen. Pijpewroeter, M., -wroeters. Pijphout, o. Pijpkaneel, V. Pijpwerk, o., -werken. Pijpzwavel, V. Pik (haat, wrok), M. Pik, O. Zie Pek. Pikant, pikanter, pikantst. Pikanterie, V., pikanterieën. Pikbroek, M., -broeken. Pikdonker. Pikdraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O. Pikeeren, pikeerde, heeft gepikeerd. Piket, o., piketten. Piketpaal, M., -palen. Piketspel, O. Piketten, pikette, heeft gepiket. Pikeur, M., pikeurs. Pikhaak, M., -haken. Pikken (bytengt;, pikte, heeft gepikt. Pikken (pekken), pikte, heeft gepikt. Pikol, O., pikols. Pikzwart. Pil, V., pillen. Pilletje, O., -jes. Pilaar, M., pilaren. Pilaartje, O., -jes. Pilaarbijter, M., -byters. Pilister, M., pilasters. Piilegift, V., -giften. Pillendoos, V., -doozen; -doosje, O., -jes. Pillendraaier, M., -draaiers. Piloot, M., piloten. Piment, O. Pimpel, M., pimpels. Pimpeltje, O.,-jes. Pimpelaar, M., pimpelaars. Pimpelaarster, V., pimpelaaisters. Pimpelen, pimpelde, heeft gepimpeld. Pimpelmees,V., -meezen; -meesje, O., -jes. Pimpelpaars, -paarse. Pimpernel, V., pimpernellen. Pimpernoot, V., pimpernoten. Pimper- nootje, O., -jes. Pin (ijzeren nagel), V., pinnen. Pinnetje, O., -jes. Pinacotheek, V., pinacotheken. Pinas, V., pinassen. Pince-nez, M., plnce-nez's. Pincet, O., pincetten. Pincetje, O., -jes. Pingel, V., pingelen. Pingelaar, m., pingelaars. Pingelaarster, V., pingelaarsters. Pingelen, pingelde, heeft gepingeld. Pink (vinger), M., pinken. Pinkje, O., -jes. Pink (jong rund), M. en v., pinken. Pinkje, O., -jes. |
PIT.
PIN.
307
|
Pink (vaartuig), V., pinken. Pinkje, o., -jes. Pinken, pinkte, heeft gepinkt. Pinker, M., pinkers. Pinkering en pinkring, M. -ringen. Pinkeringetje, O., -jes. Pinkoogen, pinkoogde, heeft gepinkoogd. Pinkster en pinksteren, V. Pinksterbloem, V., -bloemen. Pinksterdag, M., -dagen. Pinksterfeest, o. Pinksternakel, V.f pinksteniakels. Pinkstervuur, O. plnksterweek, v. Pinkstier, M., -stieren. Pinnen, pinde, heeft gepind. Pinsbek, ook spinsbek, o. plnsbekken en spinsbekken (bnW.). Pint, V., pinten. Pintje, O., -jes. Pinter, V., pinters. Pioen en pioene (roos), V., pioenen. Pioenroos, V., -rozen. Pion (in 't schaakspel), M., pions. Pionier, M., pioniers. Piot, M., piotten. Pip, V. Pippeling, M., pippelingen. Pippelinkje, O., -jes. Pipsch, pipscher, meest pipsch. plpschheid, v. Piramidaal en pyramidaal, piramidale en pyramidale. Piramide en piramide, V., piramiden en pyramiden. Pis, V. Pisachtig. Pisang, V., pisangs. Pisbak, M., -bakken. Pisbroek, m., -broeken. Pisflesch, V., -flesschen. Als persoonsnaam M. Pispot, M., -potten. Pissebed (insect), V., -bedden. Pisse- bedje, O., -jes. Pissebed (van een klein kind), M. en V., -bedden. Pisselings. Pissen, piste, heeft gepist. Pisser, M., pissers. Pissertje, O., -jes. Pistache, V., pistaches. Pistool (munt), v., pistolen. Pistool (schietgeweer), V. en O., pistolen. Pistooltje, O., -jes. Pistoolschot, o., -schoten. Pit (van eene lamp), V., pitten. Pitje, O., -jes. Pit (kern), V., pitten. Pitje, O., -jes. Pit (merg), O. Pïtoor, ook putoor, M., pitoren en putoren. Pitsjaar, M., pitsjaren. pltsjaarsvlag, v., -Vlaggen. Pitsjaren, pitsjaarde, heeft gepitsjaard. |
Pïttig, pittiger, pittigst. Pittigheid, V. Pittoresk. Plaag, V., plagen. Plaagje, O., -jes. Plaagbeest, O., -beesten. Plaagduivel, M., -duivels. Plaaggeest, M., -geesten. Plaagster, V., plaagsters. Plaagziek, -zieker, -ziekst. Plaagzucht, v. Plaat, V., platen. Plaatje, O., -jes. Plaatdruk, M. Plaatdrukken, o. Plaatdrukker, M., -drukkers. Plaathandel, M. Plaatijzer, O. Plaatkoek, M., -koeken. Plaats, V., plaatsen. Plaatsje, O., -jes. Plaatsbeschrijving, V., -beschryvingen. Plaatsbespreking, V. Plaatsbewaarder, m., -bewaarders. Plaatsbriefje, o., -briefjes. Plaatsbureau, o., -bureau's. Plaatscommandant, m., -commandan- -ten. Plaatselijk. Plaatsen, plaatste, heeft geplaatst. Plaatsing, V., plaatsingen. Plaatskaart, v., -kaarten; -kaartje, O., -jes. Plaatsnijden, O. Plaatsnijder, M., -snijders. Plaatsopneming, v., -opnemingen. Plaatsvervangend. Plaatsvervanger, M., -vervangers. Plaatsvervanging, V. Plaatwerk, o., -werken. Placet, o. Pladijs en pladdtjs, V., pladijzen en pladdyzen. Pladysje en pladdijsje, O., -jes. Plafond, O., plafonds. Plafonnetje, O. -jes. Plafonneeren, plafonneerde, heeft geplafonneerd. Plag en plagge, V., plaggen. Plagen, plaagde, heeft geplaagd. Plager, M., plagers. Plagerij, V., plagerijen. Plagerijtje, O. -jes. Plaggensteker, M., -stekers. Plagiaat, O., plagiaten. Plagiaris, M., plagiarissen. Plaid, V., plaids. Plak, V., plakken. Plakje, O., -jes. Plakboek, o., -boeken. Plakbrief je, o., -jes. Plakkaat, O., plakkaten. Plakkaatboek, o., -boeken. Plakken, plakte, heeft geplakt. Plakker, m., plakkers. Plakkerig, plakkeriger, plakkerigst. Plakplaat, v., -platen -plaatje, O., |
PLA.
308
PLA.
|
Plakster, v., plaksters. Plakwerk, O. Plakzegel, o., -zegels. Plammoten, plammootte, heeft geplam-moot. Plamuren, plamuurde, heeft geplamuurd. Plamtjursel, o. Plan, o., plannen en plans. Plannetje, O., -jes. Planeeren, planeerde, heeft geplaneerd. Planeerhamer, M., -hamers. Planeet, V., planeten. Planetenstelsel, o. Planimetrie, V. Plank, V., planken. Plankje, o., -jes. Plankenloods, V., -loodsen. Plankenschuur, V., -schuren. Plankenvloer, M., -vloeren. Planket, O., planketten. Planketsel, O., planketsels. Plankier, o., plankleren. Plankiertje, O., -jes. Plannenmaker, m., -makers. Plant, v., planten. Plantje, o., -jes. Plantaardig. Plantage, V., plantages. Planten, plantte, heeft geplant. Plantenbebchrijving, V., -beschryvin-gen. Plantenboek, o., -boeken. Plantengif, o. Plantengroei, M. Plantenkenner, M., -kenners. Plantenkennis, V. Plantenkunde en plantkunde, V. Plantenleer, V. Plantenleven, O. Plantenrijk, O. Plantentuin, M., -tuinen. Plantenzuur, o,, -zuren. Planter, M., planters. Planterij, V., planteryen. Planting, V., plantingen. Plantsoen, O., plantsoenen. Plantsoentje, O., -jes. Plapperen, plapperde, heeft geplapperd. Plas, M., plassen. Plasje, o., -jes. Plasdankje, O., -jes. Plasregen, M., -regens. Plasregenen, plasregende, heeft geplas-regend. Plassen, plaste, heeft geplast. Plasserij, V. Plastiek, V. Plastisch. Plat, O., platten. Platje, O., -jes. Plat, platter, platst. Plataan, M., platanen. Platachtig, -achtiger, -achtigst. Platbek, M., -bekken. Platboomde. Plateau, O., plateau's. Plateel, O., plateelen. |
Plateelbakker, m., -bakkers. Platheid, V., -heden. Platina, O. Platinadraad (voorwerp), M., -draden; (stof), O. Plating, V., platingen. Platje, O., -jes. Platlood, O. Platluis, V., -luizen. Platneus, M. en V., -neuzen. Platonisch. Platschieten, schoot plat, schoten plat, heeft platgeschoten. Platslaan, slaa.t plat, sloeg plat, heeft platgeslagen. Platte-driehoeksmeting, V. Plattegrond, M., -gronden. Platteland, o. Plattelandicus, M., plattelandici. Ook Platlandicus. Plattelandsheelmeester, M., -heelmeesters. Platten, platte, heeft geplat. Platterd, m., platterds. Platting (scheepw.), V., plattings. Plattrappen, trapte plat, heeft platgetrapt. Platvoet, M. en V., -voeten. Platvoet (scheepsw.), M. Platvoeten, platvoette, heeft geplatvoet. Platvoetwacht, V. Platzak. Platzetten, zette plat, heeft platgezet. Plausibel, plausibeler, plausibelst. Plavei, V., plaveien. Plaveitje, O., -jes. Plaveien, plaveide, heeft geplaveid. P;^aveier, M., plaveiers. Plaveiing, V., plaveiingen. Plaveisel, o., plaveisels. Plavuis, V., plavuizen. Plebejer, M., plebejers. Plebejisch. Plebs, O. Plecht, V., plechten. Plechtanker, O., -ankers. Plechtgewaad, o., -gewaden. Plechtig, plechtiger, plechtigst. Plechtigheid, V., -heden. Plechtstatig, -statiger, -statigst. Plechtstatigheid, v. Pleegbroeder, M., -broeders. Pleegdochter, V., -dochters. Pleegkind, o., -kinderen. Pleegmoeder, V., -moeders. Pleegouders (mv.), M. Pleegvader, M., -vaders. Pleegzoon, M., -zoons en -zonen. Pleegzuster, V., -zusters. Pleet, O. Plegen (gewoon zyn), placht, plachten. Plegen (bedryven), pleegde, heeft gepleegd. Plei V., pleien. |
PLE.
PLI.
309
|
Pleidooi, o., pleidooien. Plein, O., pleinen. Pleintje, o., -jes. Pleinvbees, v. Pleistek (heelmiddel), V., pleisters. Pleistertje, o., -jes. Pleister (gips), o. Pleisteraar, M., pleisteraars. Pleisterafgietsel, o., -afgietsels.! Pleisterbeeld, o., -beelden. Pleisteren (gipsen), pleisterde, heeft gepleisterd. Pleisteren (vertoeven),pleisterde, heeft gepleisterd. Pleistering, V., pleisteringen. Pleisterkalk, V. Pleisterplaats, V., -plaatsen. Pleisterwerk, O. Pleit (vaartuig), V., pleiten. Pleit (rechtsgeding), ü. Pleiten, pleitte, heeft gepleit. Pleiter, M., pleiters. Pleiterij, V. Pleitkamer, V., -kamers. Pleitktjnst, V. Pleitrede, V., -redenen. Pleitster, V., pleitsters. Pleitzaal, V., -zalen. Pleizier en plezier, O., pleizieren. Pleiziertje, O., -jes. Pleizierboot, V., -booten. Pleizieren, pleizierde, heeft gepleizierd. Pleizierig, pleizieriger, pleizierigst. Pleiziermaker, M., -makers. Pleizierreis, V., -reizen. Pleiziertrein, M., -treinen. Pleiziervaartuig, o., -vaartuigen. Plek, V., plekken. Plekje, o., -jes. Plemp, V., plempen. Plempje, o., -jes. Plempen, plempte, heeft geplempt. Plengen, plengde, heeft geplengd. Plengfeest, o., -feesten. Plenging, V., plengingen. Plengoffer, o., -offers. Plengwijn, M. Pleonasme, O., pleonasmen. Pleonastisch. Pletbord, o., -borden. Pleten (bnw.). Plethamer, M., -hamers. Pleti, V., pieti's. Ook Plee, mv., plee's. Pletipapier, o. Pletiruimer, M., -ruimers. Pletmolen, M., -molens. Pletpers, V., -persen. Pletrol, V., -rollen. Pletten, plette, heeft geplet. Pletter, m., plotters. Pletter, M. (ïe â). Pletteren, pletterde, heeft gepletterd. Pletterij, v., pletterijen. Pletwerk, O. Pleuris, V., pleurissen. Plicht, M., plichten. Plichtbesef en plichtsbesef, o. |
Plichtelijk. Plichtmatig, -matiger, -matigst. Plichtpleging, v., -plegingen. Plichtsbetrachting, V. Plichtshalve. Plichtverzuim, O. Plint, V., plinten. Plintje, O., -jes. Ploeg (landbouwwerktuig), M., ploegen. Ploegje, O., -jes. Ploeg (ploegschaaf), V., ploegen. Ploeg (aantal werklieden), V., ploegen. Ploegbaas, M., -bazen. Ploegboom, M., -boomen. Ploegen, ploegde, heeft geploegd. Ploeger, M., ploegers. Ploeghout, O., -houten. Ploegijzer, o., -jjzers. Ploeging, V., ploegingen. Ploegos, M., -ossen. Ploegschaar, V., -scharen. Ploegstaart, M., -staarten. ' Ploert, m., ploerten. Ploertje, o., -jes. i Ploertendom, o. Ploertenstreek, M., -streken. Ploerterij, V., ploerteryen. Ploertig, ploertiger, ploertigst. Ploertigheid, V., -heden. Ploeteraar, M., ploeteraars. Ploeteraarster, V., ploeteraarsters. | ploeteren, ploeterde, heeft geploeterd. Plof, M., ploffen. Plof (tusschenw.). Ploffen, plofte, heeft en is geploft. Plok, M., plokken. Plokje, O,, -jea. Plokgeld, o. i Plokpenning, M., -penningen. Plombeeren, plombeerde, heeft geplombeerd. i Plombeersel, O., plombeersels. Plomp, M., plompen. Plompje, O., -jes. Plomp, plomper, plompst. Plomp (tusschenw.). Plompaard, M., plompaards. Plompeblad, o., -bladen, -bladeren en -blaren. Plompen, plompte, heeft en is geplompt. Plomperd, M., plomperds. Plompheid, V., -heden. Plompverloren. Plonderen. Zie Plunderen. Plonzen, plonsde, heeft en is geplonsd. Plooi, V., plooien. Plooitje, O., -jes. Plooibaar, -baarder, -baarst. Plooibaarheid, V. 1 Plooibout, m., -bouten. Plooien, plooide, heeft geplooid. Plooier, M., plooiers. Plooierij, V., plooierüen. Ploohng, V., plooiingen. Plooiloos, -looze. Plooischaar, V., -scharen. Plooisel, o., plooisels. Plooïster, V., plooisters. Ploten, plootte, heeft geploot. |
PLO.
310
POC.
|
Ploteb, M., ploters. Ploterij, v., pioteryen. Plots (tusschenw. en byw.). Plotseling (bnw.). Plotseling en plotselings (bjjjw.). Plotsen, plotste, heeft en is geplotst. Pluche, o. Plug (ploert), M., pluggen Plug (stop), V., pluggen. Plugje, O., -jes. Pluim, V., pluimen. Pluimpje, O., -jes. Pluimachtig. Pluimage, V., pluimages. Pluimeloos en pluimloos, -looze. Pluimen, pluimde, heeft gepluimd. Pluimenbed, O., -bedden; «bedje, O.,-jes. Pluimgedierte, o. Pluimgraaf, M., -graven. Pluimstrijken, pluimstrijkte, heeft gepluimstrijkt. Pluimstrijker, M., -strikers. Pluimstrijkerij, V,, -strijkerijen. Pluis, v., pluizen. Pluisje, O., -jes. Pluis (werk), O. Pluis (bnw.). Pluisachtig, -achtiger, -achtigst. Pluistouw, o., -touwen. Pluizen (rafelen, plukken), ploos, plozen, heeft geplozen. Pluizen (pluizen afgeven), pluisde, heeft gepluisd. Pluizer, m., pluizers. Pluizerig, pluizeriger, pluizerigst. Pluizerij, V. Pluizig, pluiziger, pluizigst. Pluk, M. Plukhaak, M., -haken. Plukharen, plukhaarde, heeft geplukhaard. Plukken, plukte, heeft geplukt. Plukker, M., plukkers. Plukking, V., plukkingen. Plukmand, V., -manden. Pluksel, O., pluksels. Plukselmaken, o. Plukster, V., pluksters. Pluktijd, m. Plunderaar, M., plunderaars. Plunderaarster, v., plunderaarsters. Plunderen en plonderen, plunderde (pionderde), heeft geplunderd (geplon-derd). Plundering, V., plunderingen. Plundermarkt, V.f -markten. Plunderziek, -zieker, -ziekst. Plunje, v. Pluralis, M. en o. Plus. Plusminus. Pluvier, V., pluvieren. Pluviertje, o., -jes. Pneumonie, V. Pochel, M., pochels. Pocheltje, O., -jes. Pochen, pochte, heeft gepocht. Pocher, M., pochers. |
Pocherij, V., pocheryen. Pochhans, M., -hanzen; -hansje, o., -jes. Pochhanzerij, V., -hanzeryen. Pochster, V., pochsters. Podagra, O. Podagreus, podagreuzer, podagreust. Podagrist, M., podagristen. PoDDiNGen pudding, m., poddingen. Pod- dinkje, O., -jes. Poddingtrommel, V., -trommels. Poddingzak, M., -zakken. Poedel, M., poedels. Poedeltje, O., -jes. Poeder en poeier (stof), O.; (fijngestampt geneesmiddel), V., poeders en poeiers. Poedertje en poeiertje, O., -jes. Poederchocolade, V. Poederen en poeieren, poederde, heeft gepoederd. Poedermantel, m., -mantels. Poëet, M., poëten. Poëetje, O., -jes. Poef (tusschenw.). Poeha. Ook Poehaai. Poehaan, M., -hanen Poeierdoos, V., -doozen; -doosje, o., -jes. Poeïerig, poeieriger, poeierigst. Poel, M., poelen. Poeltje, O., -jes. Poelepetaat, M , poelepetaten. Poelet, o. Poelier, M., poeliers. Poelje, V., poeljes en poeljen. Poelsnip, V., snippen. Poen, M., poenen. Poenig, poeniger, poenigst. Poep, M., poepen. Poepje, O., -jes. Poep (Mof), M., Poepen. Poepen, poepte, heelt gepoept. Poeren, poerde, heeft gepoerd. Pc es (kat). V., poesen. Poesje, O., -jes. Poes (uitslag van de kalk), O. Poeslief. Poespas, M. Poesten, poestte, heeft gepoest. Poester, m., poesters. Poëtaster, M., poëtasters. Poëtastertje, O., -jes. Poëtisch. Poets, V., poetsen. Poetsje, O., -jes. Poetsen, poetste, heeft gepoetst. Poetsgoed, o. Poetsig, poetsiger, poetsigst. Poetspommade, V. Poezel (bnw.). Poezelig, poezeliger, poezeligst. Poezeligheid, V. Poëzie en poëzij, V. Poëzie-album, O., -albums. Pof, M., poffen. Pofje, O., -jes. Pof (tusschenw.). Poffen, pofte, heeft gep|Oft. Poffer, m., poffers. Poffertje, o., -jes. Pofferd, M., pofferds. Poffertje (gebakje), o., -jes. Poffertjeskraam, V., -kramen. Poffertjespan, V., -pannen. |
POF.
311
POL.
|
Pofhans, M., -hanzen. Pogen, poogde, heeft gepoogd. Poging, V., pogingen. Pok, V., pokken. Pokje, O., -jes. pokaohtig. Pokdaal, v., -dalen. Pokdalig, -daliger, -daligst. Poken, pookte, heeft gepookt. Pokhout, o. Pokkel. Zie Pukkel. Pokken, pokte, heeft gepokt. Pokkenepidemie, V. Pokput, M., -putten. Pokstof, V. Pokziekte, V., -ziekten. Pol, M., pollen. Polak, M., Polakken. Polarisatie, v. Polarisatievlak, o., -vlakken. Polder, M., polders. Poldertje, O., -jes. Polderbestuur, o., -besturen. Polderdijk, M., -dyken. Poldergast,- M., -gasten. Polderjongen, M., -jongens. Polderkeet, V., -keten. Poldermolen, M., -molens. Polderreglement, O., -reglementen. Poldersluis, V., -sluizen. Polei, V. Polemiek, V. Polemiet, O. Polemisch. Polemiseeren, polemiseerde, heeft gepolemiseerd. Polichinel, M., polichinels. Poliep, V., poliepen. Poliet, polieter, polietst. Polijsten, polijstte, heeft gepolijst. Polijsthamer, M., -hamers. Polijststaal, O., -smalen. Polijststeen, M., -steenen. polijstwerk, o. Polis, V., polissen. Politie, V. Politieagent, M., -agenten. Politiebureau, O., -bureau's. Politiecommissaris, M., -commissarissen. Politiedienaar, M., -dienaars. Politiehuisje, o., -huisjes. Politiek (staatkunde), V. Politiek (burgerkleeding), O. Politiek, politieker, politiekst. Politiekamer, V., -kamers. Politiemaatregel, M., -maatregelen. Politiemacht, V. Politiemuts, V., -mutsen. Politiepost, M., -posten. Politieverordening, V.. -verordeningen. Politiewacht, v., -wachten. Politiezaak, V., -zaken. Politiezaal, V., -zalen. Politiseeren, politiseerde, heeft gepolitiseerd. |
Politoer, O. Politoeren, politoerde, heeft gepolitoerd. Polka, V., polka's. Polka-mazurka, V., -mazurka's. Pollepel, M., -lepels. Pollevij, V., pollevyen. Pollevijtje, O., -jes. Pols (slagader), M., polsen. Pols (springstok), M., polsen. Polsader, V., -aderen. Polsen (in alle beteekenissen), polste, heelt gepolst. Polsing, V., polsingen. Polsmof, V., -moffen; -mofje, o., -jes. Polsslag, M., -slagen. Polsstok, M., -stokken. Polygamie, V. Polygoon, M., polygonen. Polytechnisch. Polytheïsme, o. Pomerans, V., pomeransen. pomeransbitter, o. Pomeransen, pomeranste, heeft gepo- meranst. Pommade, V. Pommadepot, M., -potten; -potje, O.,-jes. Pomp, V., pompen. Pompje, O., -jes. Pompbak, M., -bakken. Pompdaal, V., -dalen. Pompelmoes, V., pompelmoezen. Pompen, pompte, heeft gepompt. Pompenmaker, M., -makers. Pomper, m., pompers. Pompernikkel, M., pompernikkels. Pompoen, M., pompoenen. Pompoentje, O., -jes. Pompstok, M., -stokken. Pompwater, O. Pon, v., ponnen; ponnetje, O., -jes. Pond, O., ponden. Pondje, O., -jes. pondegoed, o. Pondgaarder, M., -gaarders. Pondspeer, V., -peren. Pondspondsgewijze en -gewijs. Ponjaard, M., ponjaarden. Ponjaardje, O., -jes. Pons en punch, V. Ponsglaasje, O., -jes. Pont (schouw), V., ponten. Pontje, O., -jes. Pontegat, o. pontekoek, v. Pontificaal, O. Ponto, V., ponto's. Ponton, V., pontons. Pontonbrug, V., -bruggen. Pontonnier, M., pontonniers. Pony, M., pony's Pony-haar, O. Pooien, pooide, heeft gepooid. Pooier, M., pooiers. Pook, M., poken. Pookje, O., -jes. Pool (Polak), M., Polen. |
POK.
POO.
812
|
Pool (aspunt), V., polen. Poolcirkel, m., -cirkels. Poolsch. Poolsch, o. Poolshoogte, V. Poolster, V. Poolzee, V. Poort, V., poorten. Poortje, O., -jes. Poorter, M., poorters. Poorteren, poorterde, heeft gepoorterd. Poorterij, V., poorterijen. Poorterschap, o. poortsluiten, o. Poortwachter, M., -wachters. Poos, V., poozen. Poosje, O., -jes. Poot (been), M., pooten. Pootje, O.,-jes. Poot (twijg), V., poten. Pootje, O., -jes. Pootig, pootiger, pootigst. Pootje (podagra), O. Pootvisch, M.. -visschen. Collectief, V, Poover, pooverder, pooverst. pooverheid, v. poovertjes. Poozen, poosde, heeft gepoosd. Pop, V., poppen. Popje en poppetje, O., -jes. Popachtig, -achtiger, -achtigst. Popel, M., popels. Popelen, popelde, heeft gepopeld. Popeling, V., popelingen. Poppegoed, O. Poppejurk, V., -jurken. Poppen, popte, heeft gepopt. poppenkamer, v., -kaniGI's. Poppenkast, V., -kasten. Poppenkraam, V., -kramen. Poppenledikant, o., -ledikanten. Poppenspel, o. Poppenwagen m., -wagens; -wagentje, O., -jes. Popperig, popperiger, popperigst. Poppig, poppiger, poppigst. Populair. Populariseeren, populariseerde, heeft gepopulariseerd. Populier, M., populieren. Populiertje, O., -jes. Populierenhout en populierhout, o. Por, M. Porder, M., porders. Poreus, poreuzer, poreust. Poreusheid, v. Porfier, O. Porfieren (bnw.). Porie, V., poriën. Porijzer, o., -yzers. Porren, porde, heeft gepord. Porring, quot;V. Porselein en postelein (groente), V. Porselein (aardewerk), O., porseleinen. porseleinaarde, v. Porseleinen (bnw.). Porseleinkast, v., -kasten. Porseleinwinkel, M., -winkels. |
Port (wyn), M. Port (vrachtloon),.'O., porten. Portaal, O., portalen. Portaaltje, O.,-jes. Porte, v. Portefeuille, V., portefeuilles. Portefeuille-almanak, M., -almanakken. Portelaar, M., portelaars. Portelbier, o. Portelen, portelde, heeft geporteld. porteltobbe, v., -tobben. Portel wei, V. Portemonnaif, V., portemonnaies; por- temonneetje. O., -jes. Portie, v., porties en portiën. Portietje, O., -jes. Portiek, V., portieken. Portier (deurwachter), M,, portiers. Portier (van eene koets), O., portieren. Portierster, V., portiersters. Portierswoning, V., -woningen. Portkaraf, V., -karaffen; -karafje, O., -jes. Portret, O., portretten. Portretje, ^O., -jes. Portret-album, o., -albums. Portretschilder, M., -schilders. Portretteeren, portretteerde, heeft geportretteerd. Portugees, m., Portugeezen. Portugeesch, Portugeesche. portugeesch, o. Portuurlijn, V., -lynen. Portwijn, m. Pose, V., poses. Poseeren, poseerde, heeft geposeerd. Positie, V., positiën en posities. Positief, positiever, positiefst. Positief en positivus (in de spraakkunst), M., positieven. Positief (in de photographie), o., positieven. Positieve, v. Possessie, V., possessiën en possessies. Post (styl), M., posten. Post (van eene rekening), M., posten. Postje, O., -jes. Post (standplaats en ambt), M., posten. Postje, O., -jes. Post (postbode), M., posten. Post (postery, postkantoor en postwagen), V., posten. Post (visch), V., posten. Postje, O., -jes. Postambtenaar, M., -ambtenaars en â¢ambtenaren. Postbeambte, M., -beambten. Postbewijs, O., -bewyzen. Postblad, O., -bladen. Postbode, M., -boden. Postdienst, m. Postdirecteur, M., -directeuren. Postduif, V., -duiven. Posteeren, posteerde, heeft geposteerd. Postelein. Zie Porselein. |
POT.
313
POS.
|
Posterij, V., posteryen. Postgids, M., -gidsen. Posthoorn en -horen, M., -hoorns en â¢horens. Postiljon, M., postiljons. Postiljonshoorn en -horen, M., -hoorns en -horens. Postkaart, V., -kaarten. Postkantoor, o., -kantoren. Postkar, V., -karren. Postlijst, V., -lysten. Postlooper, M., -loopers. Postmeester, M., -meesters. Postmerk, O., -merken. Postpaard, o., -paarden. Postpakket, O,, -pakketten. Postpakketdienst, M. Postpapier, o. Postquitantie, V., -quitanties. Postscriptum, O. Postspaarbank, V., -spaarbanken. Postspaarbankboekje, p., -jes. Poststempel, O., -stempels. Postulaat, O., postulaten. Postuur, O., posturen. Postuurtje, O., -jes. Postverkeer, o. Postwagen, M., -wagens. Postwet, V., -wetten. Postwezen, o. Postwissel, M., -wissels. Postzegel, O. en M., -zegels. Postzegelalbum, O. Postzegeldoosje, O. Postzegelhandel, M. Postzegelverzamelaar, M., -verzamelaars. Postzegelverzamelïng, V., -verzamelingen. Pot, M., potten. Potje, O., -jes. Potage, V., potages. potasch, V. potaschloog, V. Potbuis, V., -buizen. Potdeksel, o., -deksels. Potdicht. Poteling, m., potelingen. Poten, pootte, heeft gepoot. Potentaat, M., potentaten. Potentaatje, O., -jes. Potentiaal, V., potentialen. Poter (persoon), M., poters. Poter (pootaardappel), M., poters. Petertje, O., -jes. Potestaat, M., potestaten. Pothuis, O., -huizen. Poting, V. Potjeslatijn, o. Potkachel, V., -kachels. Potkijker, M., -kekers. Potlood, o., -looden; -loodje, o., -jes. Potlooden, potloodde, heeft gepotlood. Pots, V., potsen. Potsje, O., -jes. Potscherf, V, -scherven. |
Potsenmaker, M., -ma-kers. Potsierlijk, -lijker, -lykst. Potstuk, O., -stukken. Potten, potte, heeft gepot. Pottenbakker, M., -bakkers. Pottenbakkerij, V., -bakkerijen. Pottenkast, V., -kasten. Pottenmarkt, V., -markten. Pottenschip, o., -schepen. Pottenwinkel, m., -winkels. Potter, M., potters. Potvisch, M., -visschen. Poularde, V., poulardes. Praaibeurt, V., -beurten. Praaien, praaide, heeft gepraaid. Praal, V. Praalbed, o., -bedden. Praalgewaad, O., -gewaden. Praalgraf, ü., -graven. Praalhans, M., -hanzen. Praalhanzerij, V., -hanzeryen. Praalkoets, V.. -koetsen. Praalster, V., praalsters. Praalziek, -zieker, -ziekst. Praalzucht, V. Praam, v., pramen. Praampje, O., -jes Praat, m. Praatje, o., -jes. Praatachtig, -achtiger, -achtigst. Praatal, M. en V., praatallen. Praatgraag, M. en V., praatgragen. Praatkoup, M. en V., -kousen. Praatmoer, V., -moers. Praatster, V., praatsters. Praatstertje, O., -jes. Praatstoel, M. Praatvaar, M., vaars. Praatziek, -zieker, -ziekst. Praatzucht, V. Prachen, prachte, heeft gepracht. Pracher, M., prachers. Prachster, V., prachsters. Pracht, V. Prachtband, M., -banden; -bandje, O., -jes. Prachtig, prachtiger, prachtigst. Prachtigheid, V. Prachtuitgave, V., -uitgaven. Prachtwerk, O., -werken; -werkje, O., -jes. Practijk (tegenover theorie), V. PractIbch. Praeceptor, M., praeceptoren. Praeceptoraat, o., praeceptoraten. Praedicaat, o., praedicaten. Praefix, O., praefixen. Praeparaat, O., praeparaten. Praepa- raatje, O., -jes. Praepareeren (in de ontleedkunde)^ praepareerde, heeft gepraepareerd. Praesens, o. Praeses, M., praesides. Praesidium, o. Praetor, M., praetoren. Praetorschap, o. |
PRA.
314
PRE.
|
Praetuuk, V. Prakkezeeren, prakkezeerde, heeft ge- prakkezeerd. Ook Prakkizeeren. Praktijk (handeling), V.. praktijken. Praktijk (van een advocaat of dokter), V. Praktizeeren, praktizeerde, heeft ge- praktizeerd. Praktizijn, M., praktizyns. Praktizijnsleekling, M., -leerlingen. Pralen, praalde, heeft gepraald. Praler, M., pralers. Pralerij, V.. praleryen. Pram, V., prammen. trammetje, O., -jes. Prang, V., prangen. Prangen, prangde, heeft geprangd. Pranger, M., prangers. Prat, pratter, pratst. Pratatief, pratatiever, pratatiefst. Praten, praatte, heeft gepraat. Prater, M., praters. Pratertje, O., -jes. Praterij, V. Pratersbaas, M., -bazen. Pratheid, V. Pratten, pratte, heeft geprat. pratziekte, v. Prauw, V., prauwen. Prauwel, V., prauwels. Prauweitje, O., -jes. Preadamitisch. Prebende, V,, prebenden. Precies, preciezer, preciest. Precisie, V. Predestinatie, v. Predestïneeren, predestineerde, heeft gepredestineerd. Predikambt, O. Predikant, m, predikanten. Predikantenvereeniging, V., -vereeni-gingen. Predikantsplaats, V., -plaatsen. Predikantstraktement, O., -traktementen. Predikantsweduwe, V., -weduwen. Predikantswoning, V., -woningen. Predikatie, V., predikatiën. Prediken, predikte, heeft gepredikt. Prediker, M., predikers. Prediking, V., predikingen. Predikstoel en preekstoel, M.,-stoelen. Preek, v., preeken. Preekje, o., -jes. Preekbeurt, v., -beurten. Preeken, preekte, heeft gepreekt. Preeker, M., preekers. Preekmanier, V., -manieren. Preekstijl, M., -stijlen. Preekstoel. Zie Predikstoel. Preektoon, M. Preektrant, m., -tranten. Preekwuze, V., -wüzen. Prefect, M., prefecten. Prefectuur, V., prefecturen. Prefereeren, prefereerde, heeft geprefereerd. |
Preferent. Preferentie, V., preferentiën en preferenties. Prei, V., preien. Preitje, O., -jes. Prelaat, M., prelaten. Prelaatschap, O. Premie, V., premiën en premies. Premieleening, V., -leeningen. Premieplaat, v., -platen. Prent (ook print), V., prenten. Prentje, O., -jes. Prentachtig, -achtiger, -achtigst. Prenten, prentte, heeft geprent. Prentenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Prentenkraam, V., -kramen. Prentenwinkel, M., -winkels. Preparatief, o., preparatieven. Prepareeren (voorbereiden enz.), prepareerde, heeft geprepareerd. Prerogatief, o., prerogatieven. Presbyterl\an, M., presbyterianen. Presenning, V., presennings. Present, O., presenten. Presentje, O., -jes. Present (bnw.). Presenteerblaadje, o., -jes. Presenteeren-, presenteerde, heeft ge- presenteei d. Presenteertrommeltje, o., -jes. Presentie, V. Presentiegeld, O., -gelden. Presentielijst, V., -lasten. Preservatief, o., preservatieven. Presideeren, presideerde, heeft gepresideerd. President, m., presidenten. President-diaken, m. Presidentschap, o. Presidentshamer, M., -hamers. Presidentsplaats, V., -plaatsen. Presidentsstoel, M., -stoelen. Pressant, pressanter, pressantst. Pressen, preste, heeft geprest. Presser, M., pressers. Pressing, V. Prestige, o. Presumeeren, presumeerde, heeft gepresumeerd. Presumtie, V., presumtiën en presumties. Pret, V. Pretje, O., -jes. Pretendeeren, pretendeerde, heeft gepretendeerd. Pretendent, M., pretendenten. Pretensie, V., pretensiën en pretensies. Ook, en juister. Pretentie. Pretentieus, pretentieuzer. Pretext, o., pretexten. Pretmaker, M., -makers. Prettig, prettiger, prettigst. Prettigheid, V. Preukelen, preukelde, heeft gepreu-keld. |
PRE.
PEL
315
|
Pbeutelaak, M., preutelaars. Preutelaarster, V., preutelaarsters. Preutelen, preutelde, heeft gepreuteld. Preutelig, preuteliger, preuteligst. Preuteling, V. Preutsch, preutscher, meest preutsch. Preutschheid, V. Preuve en prove, V., preuven en proven. Prevaleeren, prevaleerde, heeft geprevaleerd. Prevelaar, M., prevelaars. Prevelaarster, V., prevelaarsters. Prevelarij, V., prevelarijen. Prevelen, prevelde, heelt gepreveld. Preveling, V. Previeliën, previeliede, heeft gepre-vielied. Prieel, O., priëelen. Prieeltje, ü., -jes. Priegel, M. Priegelen, priegelde, heeft gepriegeld. Priel, M., prielen. Priem, M., priemen. Priempje, O., -jes. Priemdonker. Priemen, priemde, heeft gepriemd. Prïemgetal, O., -getallen. Priester, M., priesters en priesteren. Priesterambt, o. Priesterdom, O, Priesteres, V., priesteressen. Priestergewaad, O., -gewaden. Priesterlijk. Priesterschai' (priesterlijke waardigheid), ü; (de gezamenlijke priesters), V. Priesterwijding, V. Prij, V., prijen. Prijken, prijkte, heeft geprijkt. Prijs (lof, eereblyk en waarde), M., prijzen. Prijsje, O., -jes. Prijs (buit), V., pryzen (voor goede â verklaren). Prijsbepaling, V., -bepalingen. Prijscourant, V., -couranten. Prijselijk en prijslijk, -lijker, -lykst. Prijsgeven, gaf pr^js, gaven prys, heeft prijsgegeven. Prijshoudend. Prijskamp, M., -kampen. Prijslijst, V., -lijsten. Prijsnoteering, V., -noteeringen. Prijsopgaaf (en -opgave), V., -opgaven. Prijsuitdeeling, V., -uitdeelingen. Prijsverhandeling, V.,-verhandelingen. Prijsverklaren, heeft prijs verklaard. Prijsvermindering, V. Prijsvraag, V., -vragen. Prijzen, prees, prezen, heeft geprezen. Prijzenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Prik, M., prikken. Prikje, O., -jes. Prikkel, M., prikkels en prikkelen. Prikkeltje, O., -jes. Prikkelbaab, -baarder, -baarst. Prikkelbaaeheid, v. Prikkelen, prikkelde, heeft geprikkeld. |
Prikkeling, V., prikkelingen. Prikken, prikte, heeft geprikt. Prikker, M., prikkers. Prikslee, V., -sleeën; -sleetje, O., jes. Priktol, M., -tollen. Pril, priller, prilst. Primaat, M., primaten. Primaatschap, o. Primair. Principaal, M., principalen. Principe, o., principes. Principieel, -eele. Prins, M., prinsen. Prinsje, ü., -jes. Prinsdom, ü., prinsdommen. Prinselijk. Prinsenhof, o. Prinsenvlag, V. Prinses, V., prinsessen. Prinsesje, O., -jes. Prinsessenbier, o. Prinsessenboonen (mv.), V.; -boontjes, ü. Print. Zie Prent. Prior, M., priors. Priores, V., prioressen. Priorin, V., priorinnen. Priorschap, o. Priseerder, m., priseerders. Priseeren, priseerde, heeft gepriseerd. Priseering, V., priseeringen. Prisma, O., prisma's en prismata. Privaat, private. Privaat, o., privaten. Privaatbezit, o. Privaatles, v., -lessen. Privaatrecht, O. Privaatrechtelijk. Privaattrechter. M., -trechters. Privilege, O., privilegiën en privileges. Proüeeren,probeerde, heeft geprobeerd. Probeersel, O., probeersels. Probeerseltje, O., -jes. Probleem en problema, O., problemen. Problematiek, problematieke. Problematisch. Procedeeren, procedeerde, heeft geprocedeerd. Procedure, V., proceduren en procedures. Procent. Zie Percent. Proces, O., processen. Procesje, O.,-jes. Proceskosten (mv.), M. Processie, V., processiin en processies. Processtuk, o., -stukken. Proces-verbaal, o., processen-verbaal. Proclamatie, V., proclamaties en pro- clamatiën. Procuratie, V., procuratiën en procuraties. Procuratiehouder, M., -houders. Procurator, M., procurators en procuratoren. Procureur, M., procureurs. Procureur-crimineel, M., procureurscrimineel. |
PRO.
PRO.
316
|
Procureur-geneeaal, M., procureursgeneraal. Procureurschap, O. Procureurskantoor, o., -kantoren. Procureursklerk, M., -klerken. Producent, M., producenten. Product, O., producten. Productief, productiever, productiefst. Productiekosten (mv.), M. Productiviteit, V. Proef en proeve, V., proeven. Proefje, O., -jes. Proefblad, o., -bladen; -blaadje, o., -jes. Proefdruk, M. Proefflescii, quot;V., -flesschen. Proefhoudend. Proefkunst, V. Proeflokaal, o., lokalen. Proefnaald, V., -naalden. Proefneming, V., -nemingen. Proefnummer, O., -nummers. Proefondervindelijk. Proefpreek, V., -preeken. Proefrit, M., -ritten. Proefschrift, o., -schriften. Proefstation, O., -stations. Proefstuk, o., -stukken; -stukje, o., -jes. Proeftijd, M., -tyden. Proeftocht, M., -tochten. Proesten, proestte, heeft geproest. Proeven, proefde, heeft geproefd. Proevenlezer, M., -lezers. Proever, M., proevers. Profaan, profaner, profaanst. Profaneeren, profaneerde, heeft geprofaneerd. Profeet, M., profeten. Professie, V. Professor, M., professoren en professors. Professoraal, professorale. Professoraat, o., professoraten. Professorenkrans, M. Profeteeren, profeteerde, heeft geprofeteerd. Profetenbrood je, o., -jes. Profetenschool, V., -scholen. Profetes, V., profetessen. Profetie, V., profetieën. Profetisch. Profiel, o., profielen. Profijt, O., profijten. Prof\jtje, O., -jes. Profijtelijk, -lijker, -lykst. Profijtelijkheid, V. Profijtertje, o., -jes. Profiteeren, profiteerde, heeft geprofiteerd. Programma, o., programma's. Progressief. Progressist, M., progressisten. Progressistisch. Progymnasium, O., -gymnasia. Project, o., projecten. |
Projecteeren, projecteerde, heeft geprojecteerd. Projectie, v., projection en projecties. Projectief. Projectiel, o., projectielen. Projectieteekenen, o. Prol, V. Proletariaat, o. Proletarier, M., proletariërs. Prollig, prolliger, prolligst. Prolongatie, v. Proloog, M.. prologen. Promesse, V., promessen. Promotie, V., promotion en promoties Promotiepariij, V.1, -partijen. Promotieplaat, V., -platen. Promotor, M., promotors en promotoren. Promoveeren, promoveerde, heeft en is gepromoveerd. Prompt, prompter, promptst. Pronk, M. Pronkje, O., -jes. Pronk aard en pronkerd, M., pronk-aards en pronkerds. Pronkerdje, O., -jes. Pronkbed, O., -bedden. Pronkbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes. Pronken, pronkte, heeft gepronkt. Pronker, M., pronkers. Pronkerig, pronkeriger, pronkerigst. Pronkerigheid, V. Pronkerij, V., pronkerijen. Pronkjuweel, o., -juweelen. Pronkkamer, V., -kamers. Pronksieraad, o., -sieraden. Pronkster, V., pronksters. Pronkstuk, o., -stukken; -stukje, o., -jes. Pronselaar, m., pronselaars. Pronselen, pronselde, heeft gepronseld. Pronselgeld, o. Pronselwerk, O. Prooi, V., prooien. Prooitje, O., -jes. Proosdij, V., proosdyen. Proost, M., proosten. Proostschap, o. Prop, V., proppen. Propje, O., -jes. Propaedeutisch. Propaedeutisch, o. Propaganda, V. Propdarm, M., -darmen. Proper, properder, properst. Properheid, V. Propertjes. Proponeeren, proponeerde, heeft geproponeerd. Proponent, M., proponenten. Propo- nentje, O., -jes. Proponentsplaats, V., -plaatsen. Propoost, o., propoosten. Propositie, V., propositiën en proposities. Proppen, propte, heeft gepropt. |
PRIL
PEO.
317
|
Peoppenschieter, M., -schieters. Propvol, -volle. Prorector, M., -rectoren. Prosector, M., -sectoren. Proseliet, M., proselieten. Proselietenmaker, M., -makers. Proselietenmakerij, V. Prosodie, V. Prosopographie, V., prosopographieën. Prospectus, O., prospectussen. Prostitutie, V. Protest, o., protesten. Protestant, M., protestanten. Protestantenbond, M. Protestantendom, O. Protestantisme, o. Protestantsch. Protestatie, V., protestaties en protes-tatiën. Protesteeren, protesteerde, heeft geprotesteerd. Protocol, O., protocollen. Prove. Zie Preuve. Provenier, M., proveniers. Proveniershuis, O., -huizen. Proviand, V. Proviandeeren, proviandeerde, heeft geproviandeerd. pRoviANDEERiNG, V., proviandeeringen. Provinciaal, provinciale. Provinciaal, M., provincialen. Provincialisme, o., provincialismen. Provincie, V., provinciën en provincies. Provinciehout, o. Provincieroos, V., -rozen. Provisie, V., provisiën en provisies. Provisiekamer, V., -kamers. Provisiekast, V., -kasten. Provisioneel, provisioneele. Provisor, M., provisors en provisoren. Provoost (persoon). M., provoosten. Provoost (lokaal), V. Proza, O. Prozaïsch. Prozaïst, M., prozaïsten. Prozamensch, M., -menschen. Prozaschrijver, M., -schryvers. Prozastijl, M. Pruik, ook paruik, V.,!pruiken. Pruikje, O., -jes. Pruik (ouderwetsch man), M., pruiken. Pruikebol, m., -bollen. Pruikebrood, o. Pruikedoos, V., -doozen. Pruiken, pruikte, heeft gepruikt. Pruikenmaker, M., -makers. Pruikentijd, M. Pruikenwinkel, M., -winkels. Pruikerig, pruikeriger, pruikerigst. Pruilen, pruilde, heeft gepruild. Pruiler, M., pruilers. Pruilhoek, M., -hoeken. Pruilmond, M. en v., -monden. Pruim, v., pruimen. Pruimpje, o., -jes. |
Pruimeboom, m., -boomen; -boompje, O., -jes. Pruimedant, V., pruimedanten. Pruimemond, M., -monden; -mondje. ., -jes. Pruimen, pruimde, heeft gepruimd. Pruimenkonserf, o. Pruimensap, O. Pruimentaart, V., -taarten. Pruimepit, V., -pitten. Pruimer, M., pruimers. Pruimerij, V., pruimerijen. Pruimesteen, M., -steenen. Pruimtabak, V. Pruis, M., Pruisen. Pruisen, o. Pruisisch. Pruisisch-zuur, o. Prul, O., prullen. Prulletje, O., -jes. Prulachtig, -achtiger, -achtigst. Prullaria (mv.), O. Prullenboel, M. Prullenkast, V., -kasten. Prullenkist, V., -kisten. Prullenkraam, V., -kramen. Prullenmand, V., -manden. Prullerij, V., prulleryen. Prullig, prulliger, prulligst. Prulschruver, M., -schr^vers. Prulwerk en prullewerk, o., -werken. Prumel en prunel, V., prumellen en prunellen. Prut, V. Prut (bnw.). Pruthuis, o., -huizen. Pruttelaar, M., pruttelaars. Peuttelaarster, V., pruttelaarsters. Pruttelarij, V. Pruttelen, pruttelde, heeft geprutteld. Pruttelig, prutteliger, prutteligst. Prutter, M., prutters. Prutterig, prutteriger, prutterigst. Psalm, M., psalmen. Psalmpje, o., -jes. Psalmberijming, V., -berijmingen. Psalmdichter, M., -dichters. Psalmgezang, O. Psalmist, M., psalmisten. Psalter, O., psalters. Pseudoniem, O., pseudoniemen. Pst (tusschenw.). Psychiater, M., psychiaters. Psychiatrie, V. Psychologie, V. Publicatie, V., publicatiën en publicaties. Publiceeren, publiceerde, heeft gepubliceerd. Publicist, M., publicisten. Publiciteit, V. Publiek, publieker, publiekst. Publiek, o. Pudding. Zie Podding. |
PUN.
PUF.
318
|
Puf, V. Puffen, pufte, heeft gepuft. Pufferig, pufferiger, pufferigst. Pufferigheid, v. Pur, V., puien. Puitje, O., -jes. Puik, o. Puikje, o., -jes. Puilader, V., -aders. puilader! g. Puilen, puilde, heeft gepuild. Puiloog (oog), o., -oogen. Pui loog (persoon), M. en V., -oogen. Puiloogig. Puimsteen, M., -steenen. Als stofnaam, O. Puimsteentje, O., -jes. Puin, O. en V., puinen. Puingras, o. Puinhoop, M., -hoopen. Puist, V., puisten. Puistje, O., -jes. Puistachtig, -achtiger, -achtigst. PüISTIGHEID, V. Puit, M., puiten. Puitje, O., -jes. Puitaal, M., -alen; -aaltje, O., -jes. Pukkel, ook peukei, en pokkki,, V., pukkels (peukels, pokkels). Pukkeltje (peukeitje, pokkeltje). O., -jes. Pul, v., pullen. Pulletje, o., -jes. Pulken, pulkte, heeft gepulkt. Pullebroer, M., -broers. Pullen, pulde, heeft gepuld. Pulp, V. Pulseeren, pulseerde, heeft gepulseerd. Pulver, o. Punch. Zie Pons. Punt (spits en leesteeken). V., punten. Puntje, O., -jes. Punt (onderwerp, tydpunt en wiskundig punt), O., punten. Puntje. O., -jes. puntbeitel, M., -beitels. puntdicht, o., -dichten; -dichtje, o., -jes. Punteeren, punteerde, heeft gepunteerd. |
PüNTEERIJZER, O., -yZei'S. Punten, puntte, heeft gepunt. Puntenreeks, V., -reeksen. Puntig, puntiger, puntigst. Puntigheid, v, -heden. Puntkogel, M., -kogels. Pupil, M. en V., pupillen. Pupillenschool, V., -scholen. Puren, puurde, heeft gepuurd. Purgatie, V., purgaties en purgatiën. Purgeerdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Purgeeren, purgeerde, heeft gepurgeerd. Purgeermiddel, o., -middelen. Purgeerpoeier, V., -poeiers. Purim, O. Purist, M., puristen. Pdristerij, V. Puritein, M., puriteinen. Purmer (naam van een polder), V. Purper, O. Purperachtig, -achtiger, -achtigst. Purperen (bnw.). Purperen, purperde, heeft gepurperd. Purperkleur! g. Purperslak, V., -slakken. Put, M., putten. Putje, O., -jes. Putgalg, V., -galgen. Puthaak, M., -haken. Putoor. Zie Pitoor. Puts, V., putsen. Putsen, putste, heeft geputst. Putster, V., putsters. Putten, putte, heeft geput. Putter, M., putters. Puttertje, O., -jes. Putting (scheepsw.), V., puttings.' Putwater, O. Puur, pure. Pyramid a al. Zie Piramidaal/ Pyramide. Zie Piramide. Pyrotechnisch. Pyrrhonisme, o. |
Q-
|
Q, V., q's. Quadraat, O., quadraten. Quadrant, O., quadranten. Quadratuur, V. Quadreeren, quadreerde, heeft gequa-dreerd. Quadrille, V., quadrilles. Quadrilleeren, quadrilleerde, heeft gequadrilleerd. Quadrillioen, O., quadrillioenen. Quaestie, V., quaestiën en quaesties. Zie ook Kwestie. Qüaestieus, quaestieuze. Quaestor, M , quaestoren. Quaestuur, V. Qualificatie, V., qualificatiën en qua-lificaties. |
i Qualificeeren, qualificeerde, heeft fge- qualificeerd. ; Qualttatief, qualitatieve. Qualiteit, V., qualiteiten. Quantitatief, quantitatieve. Quantiteit, V., quantiteiten. Quantiteitsverschil, o., -verschillen. Quantum, O. Quarantaine, V. Quarantaine-maatregel, M., -maatregelen. Quarterone, M. en V., quarteronen. I Quartet en kwartet, O., quartetten en kwartetten. i Quartetvereeniging, V., -vereenigin-gen. ; Quarto (bnw.). Als znw., O., quarto's. |
QUA.
319
QUI.
|
Quarto-formaat, O. Quasi. Quatertemper, M., quatertempers. Quatre-mains, V. Quatre-mains-speler, M., -spelers. Quiëtisme, O. Quietist, M., quiëtisten. Quint (in de muziek), V., quinten. Quintaal, O., quintalen. |
Quintessence en quintessens, V. Quintet, O., quintetten. Qui-pro-quo, O., qui-pro-quo's. Quitantie, V., quitantiën en quitanties-Quitantiezegel, O., -zegels. Quiteeren, quiteerde, heeft gequiteerd. Quitte (bnw.). Quota, V., quota's. Quotiënt, o., quotiënten. |
R.
|
E, V., r's. Ra, V., raas. Raad, M., raden. Raadgeving, V., -gevingen. Raadhuis, O., -huizen. Raadkamer, V., -kamers. Raad-pensionaris, M., raad-pensionarissen. Ook wel Eaadpensionaris. Raadplegen, raadpleegde, heeft geraadpleegd. Raadpleger, M., -plegers. Raadsbesluit, o., -besluiten. Raadsel, O., raadselen en raadsels. Raadseltje, O., -jes. Raadselachtig, -achtiger, -achtigst. Raadselachtigheid, V. Raadselboek,. O., -boeken; -boekje, O., -jes. Raadsheer, M., -heeren. Raadsheerlijk. Raadslid, O., -leden. Raadsman, M., -lieden. Raadsvergadering, V., -vergaderingen. Raadsverslag, o., -verslagen. Raadszitting, V., -zittingen. Raadvragen, O. Raadzaal, V., -zalen. Raadzaam, -zamer, -zaamst.. Raadzaamheid, V. Raaf, V., raven. Raafje, O., -jes. Raagbol. Zie Ragebol. Raaghoofd en raagshoofd,O.,-hoofden. Raagstok, M., -stokken. Raak, V., raken. Raak (b^jw.). Raakgooien, gooide raak, heeft raak- gegooid. Baaklijn, v., -lynen. Raakpunt, O., -punten. Eaakschieten, schoot raak, schoten raak, heeft raakgeschoten. Raakslaan, sloeg raak, heeft raakge-slagen. Raaksmuten, smeet raak, smeten raak, heeft raakgesmeten. Raam (raming), M. Raam (venster), O., ramen. Raampje, O., -jes. Raampost, M., -posten. Raamzaag, V., -zagen. |
Raap, V., rapen, Raapje, O., -jes. Raapkoek, m., -koeken. Raapolie, v. Raapzaad, o. Raar, raarder, raarst. Raarheid, V. Raasbol, M., -bollen; -bolletje, O., -jes. Raasbollen, raasbolde, heelt geraas-bold. Raaskallen, raaskalde, heeft geraaskald. Raaskop, M., -koppen. Raasmaandag, M. Raat, V., raten. Rabarber, v. Rabarbersteel, M., -stelen. Rabat, O., rabatten. Rabatje, O., -jes. Rabatijzer, O., -ijzers. Rabatschaaf, V., -schaven. Rabatteeren, rabatteerde, heeft gerabatteerd. Rabatten, rabatte, heeft gerabat. Rabauw (appel), V.. rabauwen. Rabbelaar, M., rabbelaars. Rabbelaarster, v., rabbelaarsters. Rabbelen, rabbelde, heeft gerabbeld. Rabbeling, V., rabbelingen. Rabbeltaal, v. Rabbi, M., rabbi's. Rabbijn, M., rabbijnen. Rabbïjnsch. Rachitis, v. Rachter. Zie Rafter. Rad, O., raden en raderen. Radje, O.^ raadjes en radertjes. Rad, radder, radst. Radbraken, radbraakte, heeft geradbraakt. Raddigheid, v. Raddraaier, M., -draaiers. Radeermesje, O., -mesjes. Radeloos, -loozer, -loost. Radeloosheid, V. Raden, ried, heeft geraden; ook raadde. Radenmaker, M., -makers. Radenmakerij, V., -makeryen. Rader, M., raders. Raderbaar, V., -baren. Raderboot, V., -booten. Raderkast, V., -kasten. |
RAD.
320
RAM.
|
Raderwerk, o. Radheid, V. radicaal, radicale. Radicaal (persoon), M., radicalen. Radicaal (toelating), o. Radicalisme, O. Radijs, V., radyzen. Radysje, O., -jes. Radijszaad, o. Raf, V. Rafel, V., rafels. Rafeltje, O., -jes. Rafelachtig, -achtiger, -achtigst. Rafeldraad, M., -draden. Rafelen, rafelde, heeft en is gerafeld. Rafeling, V. Rafelzijde, V. Raffelen, raffelde, heeft geraffeld. Raffinaderij, V., raffinaderijen. Raffinadeur, M., raffinadeurs. Raffineeren, raffineerde, heeft geraffineerd. Raffinement, O. Rafter, M., rafters. Rag, O. Ragebol en raagbol, M., -bollen. Ragen, raagde, heeft geraagd. Rager, m., ragers. Ragout, M., ragouts. Rahout, o., -houten. Railleeren,railleerde, heeft.gerailleerd. Raillerie, V., raillerieën. Rails (mv.). Raisonnabel, raisonnabeler, raisonna- belst. Raisonnement, O. Rak, O., rakken. Rakje, O., -jes. Rakbeugel, M., -beugels. Rakel, M., rakels. Rakeitje, O., -jes. Rakelen, rakelde, heeft gerakeld. Rakelijzer, o., -yzers. Rakelings. Rakelstok, M., -stokken. Raken, raakte, heeft en is geraakt. Raket (kruid). V. Raket (kaatstuig), o., raketten. Raketje, O., -jes. Raketten, rakette, heeft geraket. Raking, V., rakingen. Rakker, M., rakkers. Rakkertje, o., -jes. Rakkestrop, M., -stroppen. Rakketalie, V., -talies. Rakketouw, o., -touwen. Rakketros, M., -trossen. Rallen, ral de, heeft gerald. Ram, m., rammen. Kammetje, o., -jes. Ramen, raamde, heeft geraamd. Ramenas, V., ramenassen. Ramenasje, O., -jes. Ramenasloof, O. Raming, V., ramingen. Rammei, V., rammeien. Rammeien, rammeide, heeft gerammeid. Rammel (rammelaar en rammelaarster), M. en V., rammels. |
Rammelaar (babbelaar, konijjn en speeltuig), M., rammelaars. Rammelaartje, O., -jes. Rammelaarster, V., rammelaarsters. Rammelen, rammelde, heeft gerammeld. Rammeling, V. Rammelkast, V., -kasten. Rammen, ramde, heeft geramd. Ramp, V., rampen. Rampaard, O., -paarden. Rampspoed, M., -spoeden. Rampspoedig, -spoediger, -spoedigst. Rampspoediglijk. Rampzalig, -zaliger, -zaligst. Rampzaligheid, V., -heden. Ramshoorn en -horen, M., -hoorns en -horens. ramskop, m., -koppen. Rancune, V., rancunes. Rand, m., randen. Randje, o., -jes. randen, randde, heeft gerand.1 Randgaar, V. Randschrift, O., -schriften. Rang, M., rangen. Rangeeren, rangeerde, heeft gerangeerd. Rangeertrein, M., -treinen. Ranglijst, V., -lysten. Rangorde, V. Rangregemng, V. Rangschikken, rangschikte, heeft gerangschikt. Rangschikking, V., -schikkingen. Rank (list), V., ranken. Rank (twyg), V., ranken. Rankje, O., -jes. Rank, ranker, rankst. Rankheid, V. Ranonkel, V., ranonkels. Ranonkeltje, O., -jes. Ranonkelgewas, o., -gewassen. Rans, ranser, ranst. Ransel (soldatentasch), M., ransels. Ran- seltje, O., -jes. Ransel (slaag), M. Ranselen, ranselde, heeft geranseld. Ranseling, V., ranselingen. Ransheid, V. Ransig, ransiger, ransigst. Ransigheid, V. Ransuil, M., -uilen. Rantsoen en ransoen (losgeld), O., rantsoenen. Rantsoen (hoeveelheid spijs en drank), O., rantsoenen. Rantsoentje, O., -jes. i Rantsoeneeren en ransoeneeren, rantsoeneerde, heeft gerantsoeneerd. Rantsoenhout, o., -houten. Rantsoenkist, V., -kisten. Raout, M., raoujs. Rap, rapper, rapst. Rap (Jan â). Rap al je, O. Rapé, V. Rapen, raapte, heeft geraapt. |
RAT.
RAP.
321
|
rapesteel, M., -stelen. Rapheid, V. rapier, o., rapieren. RAPPiG, rappiger, rappigst. Rappigheid, V. rapport, o., rapporten. Rapportje, o., -jes. Rapporteeren, rapporteerde, heeft gerapporteerd. Rapporteur, M., rapporteurs. Rapsodie, V., rapsodieën. rarekiek, M., rarekieken. Rarigheid, V., -heden. Rariteit, V., rariteiten. Eariteitje, O., -jes. Rariteitenkamer, V., -kamers. rariteitenkast, V., -kasten. ras (draaikolk), o., rassen. ras (kleedingstof), o. ras (geslacht), o., rassen. ras (byw.), rasser, rast. rasch (bnw.), rasscher, meest rasch. Raschheid, V. Rasp, V., raspen. Raspje, O., -jes. raspen, raspte, heeft geraspt. Rasper, M., raspers. Rasphuis, O., -huizen. Rasping, V. Raspvijl, V., -vijlen. Raspzaag, V., -zagen. Rasschelijk. Rassen (bnw.)-Rassenhaat, M. Rastering, V., rasteringen. Rasterinkje» O., -jes. Rasterwerk, O. Rat en rot, V., ratten en rotten. Ratje en rotje, O., -jes. Ratel, M., ratels. Rateltje, O., -jes. Ratelaar, M., ratelaars. Ratelen, ratelde, heeft gerateld. Rateling, V. Ratelkous, M. en V., -kousen. Ratelmond, M. en V., -monden. Ratelslag, M., -slagen. Ratelslang, V., -slangen. Ratelwacht, M., -wachten. Ratificatie, V., ratificatiën en ratificaties. Ratificeeren, ratificeerde, heeft geratificeerd. ratijn, o., ratijnen. Ratijnen (bnw.). Rationalisme, O. Rationalist, M.f rationalisten. Rationeel, rationeeler, rationeelst. Ratjetoe, V. Rattenhol, O. Rattenklem, V., -klemmen. Rattenknip, V., -knippen. Rattenkruit, O. Rattennest., O., -nesten. Rattenval, V., -vallen. Rattestaart (vyl), m., -staarten. |
rattevel, o., -vellen. Rauw, rauwer, rauwst. Rauwachtig, -achtiger, -achtigst. Rauwachtigheid, V. Rauwelijk. Rauwelings. Rauwheid, V. Rauwigheid, V. Ravelijn, O., ravelijnen. Ravenaas, O., -azen. Ravengekras, ü. Ravennest, o., -nesten. Ravenzwart. Ravijn, O., ravynen. Ravotten, ravotte, heeft geravot. Ravotter, M., ravotters. rayon, o., rayons. razeeren, razeerde, heeft gerazeerd. Razeil, o., -zeilen. razen, raasde, heeft geraasd. Razend, razender, razendst. razer, m., razers. Razernij, V., razernjjen. RazIjn. Zie Rozijn. Reaal, M., realen. Reactie, V. reactionnair, M., reactionnairen. Reactionnair (bnw.). Reageerbuis, V., -buizen; -buisje, O., -jes. Reageeren, reageerde, heeft gereageerd. Reagens, O., reagentia. Realisatie, V., realisatiën en realisaties. Realiseeren, realiseerde, heeft gerealiseerd. Realisme, O. Realist, M.t realisten. Realistisch. Realiteit, V. Rebel, M., rebellen. Rebelleeren, rebelleerde, heeft gerebelleerd. Rebellie, V. Rebellig, rebelliger, rebelligst. Rebelligheid, V. Rebelsch, rebelscher, meest rebelsch. Recapitulatie, V., recapitulaties en recapitulatiën. Recenseeren, recenseerde, heeft gerecenseerd. Recensent, M., recensenten. Recensie, V., recensiën en recensies. Recent, recenter, recentst. Recepis, o., recepissen. Recept, O., recepten. Receptje, O., -jes. Recepteeren, recepteerde, heeft gerecepteerd. Receptenboek, O., -boeken. Receptie, V., receptiën en recepties. Receptiekamer, V., -kamers. Receptiekosten (mv.), M. Receptiezaal, V., -zalen. Receptuur, V. |
21
REG.
REG.
322
|
Reces, o. Recherche, V., recherches. Rechercheur, M., rechercheurs. Recherche-vaartuig, O., -vaartuigen. Recht, rechter, rechtst. Recht, o., rechten. Rechtaan. Rechtbank, V., -banken. Rechtbuigen, boog recht, bogen recht, heeft rechtgebogen. Rechtdraads. Rechten, rechtte, heeft gerecht. Rechtens. Rechter, M., rechters en rechteren. Rechterarm, M., -armen. Rechterbeen, O., -beenen. Rechter-commissaris, M., rechters-com ⢠missarissen. Rechterhand, V., -handen. Rechterkant, M. Rechterlijk. Rechtermouw, V., -mouwen. Rechteroever, M. Rechteroog, O., -oogen. Rechtersambt, O. Rechterschap, O. Rechtervoet, M., -voeten. Rechterzak, M., -zakken. Rechterzijde, V. Rechtgeaard. rechtgeloovig, -gelooviger, -geloovigst. Rechtgeloovigheid, V. Rechtheid, V. Rechthoek, M., -hoeken. Rechthoekig. Rechthuis, o., -huizen. Rechtlijnig. rechtmatig, -matiger, -matigst. Rechtmatigheid, V. Rechtop. Rechtopstaand. Rechts (b^w.). Rechtsaf. riECHTSBAN, M. rechtsbedeeling, v. Rechtsbegrip, O., -begrippen. Rechtsbron, V., -bronnen. Rechtsch (bnw.). Rechtschapen, -schapener, schapenst. Rechtschapenheid, V. Rechtscollege, O., -colleges. Rechtsdwang, M. Rechtsfeit, O., -feiten. Rechtsgebied, O. Rechtsgebouw, o., -gebouwen. Rechtsgeding, O., -gedingen. Rechtsgeldigheid, V. Rechtsgeleerd. Rechtsgeleerde, M., -geleerden. Rechtsgeleerdheid, V. Rechtsgeschiedenis, V. Rechtshandel, M. Rechtsingang, M. Rechtskundig. ; ;! |
Rechtsmacht, V. Rechtsmiddel, o., -middelen. Rechtsom. Rechtsomkeert (-- maken). Rechtspersoon, M. en V., -personen. Rechtspersoonlijkheid, V, Rechtspleging, V., -plegingen. Rechtspraak, V. Rechtspreken, sprak recht, spraken recht, heeft rechtgesproken. Rechtsschool, V., -scholen. Rechtstaal, V. Rechtstandig. Rechtstandigheid, V. Rechtsterm, M., -termen. Rechtstreeks (bijw.). Rechtstreeksch (bnw.). Rechtsverdraahng, V., -verdraaiingen. Rechtsverkrachting, V., -verkrach. tingen. Rechtsvervolging, v. Rechtsvordering, V., -vorderingen. Rechtsvraag, V., -vragen. Rechtswege (â van). Rechtsweigering, V. Rechtswezen, o. Rechttoe. Rechtuit. Rechtuitgaan, gaat rechtuit, ging rechtuit, is rechtuitgegaan. Rechtuitloopen, liep rechtuit, heeft en is rechtuitgeloopen. Rechtvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Rechtvaardigen, rechtvaardigde, heeft gerechtvaardigd. Rechtvaardigheid, V. Rechtvaardiging, V. Rechtvaardiglijk. Rechtvaardigmaking, V. Rechtvleugelig. Rechtzaak, v., -zaken. Rechtzaal, V., -zalen. Rechtzinnig, zinniger, -zinnigst. Rechtzinnigheid, V. Recidive, V. Recidivist, M., recidivisten. Reciet, O. Recipieeren, recipieerde, heeft gerecipieerd. Recitatief, O. Reciteeren, reciteerde, heeft gereciteerd. Reclame, V., reclames. Reclameeren, reclameerde, heeft gereclameerd. Reclameprent, V., -prenten. Recognitie, V., recognitiën en recognities. Recommandatie, V., recommandatiën en recommandaties. Recommandeeren, recommandeerde, heeft gerecommandeerd. Reconvalescent, M., reconvalescenten. Reconvalescente, V., reconvalescenten. |
li
EED.
323
REG.
|
Recruteeren, recruteerde, heeft gere- cruteerd. Recruteering, V. Recrutenschool, Vm -scholen. ^ecruut, M., recruten. Rectificatie, V. Rector, M., rectoren. Rectoraal, rectorale. Rectoraat, o., rectoraten. REf/u, O., regu's. Redacteur, M., redacteuren en redacteurs. Redactie, V., redactiën en redacties. Redactiekosten (mv.), m. Redactiewerk, o. Reddeloos, -loozer, -loost. Reddeloosheid, v. Redden, redde, heeft gered. Redder, M., redders. Redder a ar, M., redderaars. Redderen, redderde, heeft geredderd. Reddering, V. Redding, V., reddingen. Reddingboei, V., -boeien. Reddingboot, V., -booten. Reddingplank, V., -planken. Rede (toespraak), V., reden. Rede (denkvermogen), V. Rededeel, O., -deelen. Redekavelen, redekavelde, heeft geredekaveld. Redekaveling, V., -kavelingen. Redekunde, V. Redekundig. Redekunst, v. Redekunstig. Redelijk, -lijker, -lijkst. Redelijkerwijze en -wijs. Redelijkheid, V. Redeloos, -loozer, -loost. Redeloosheid, V. Reden (oorzaak), V., redenen. Reden (verhouding), V., redens. Redenaar, M., redenaren en redenaars. Redenaarsgave, V., -gaven. Redenaarsgestoelte, O., -gestoelten. Redenaarstalent, o., -talenten. Redeneerder, M., redeneerders. Redeneeren, redeneerde, heeft geredeneerd. Rbdeneering, v., redeneeringen. Redeneerkunde, v. Redengevend. Rederijk, -rijker, -rijkst. Rederijker, M., rederijkers. Rederijkerskamer, V., -kamers. Rederijkheid, V. Redetwisten, redetwistte, heeft geredetwist. Redevoeren, redevoerde, heeft geredevoerd. Redevoering, V., -voeringen. Redewisselen, redewisselde, heeft ge-redewisseld. |
Redewisseling, V., -wisselingen. redeziften, redeziftte, heeft geredezift. Redigeeren, redigeerde, heeft geredigeerd. Redmiddel, o., -middelen. Redoute, V., redoutes. Redres, O. Redresseeren, redresseerde, heeft geredresseerd. Redster, V., redsters. Reductie, V., reducties. Ree (dier), V., reeën. Reetje, O., -jes. Ree (ligplaats). Zie Reede. Reebok, M., -bokken; -bokje, O., -jes. Reebout, M., -bouten. Reede en ree, V., reeden en reeën. Reede en ree, reeder. reedst. Reeden, reedde, heeft gereed. Reeder, M., reeders. Reederu, V., reederyen. Reederskantoor, O., -kantoren. Reeding, V., reedingen. Reeds. Reëel, reëele. Reef en rif, O., reven. Reefje, O., -jes. Reeftalie, V., -talies. Reegeit, V., -geiten; -geitje, o., -jes. Reekalf, o., -kalven; -kalfje, o., -jes. Reeks, V., reeksen. Reeling, V., reelings. Reep (smalle strook), M., reepen. Reepje, O., -jes. Reep (hoepel), M., reepen. Reepje, O., -jes. Reephout, o. Reeschaaf, V., -schaven. Reet (spleet), V., reten. Reetje, o., -jes. Reet en rete (werktuig), v., reten. Reetrekker, M., -trekkers. Reeuw, o. Reeuwen, reeuwde, heeft gereeuwd. Reeuwer, M., reeuwers. Reeuwster, V., reeuwsters. Reevleesch en reeënvleesch, o. Referaat, o., referaten. Refereeren, refereerde, heeft gerefereerd. Referein en refrein, o., refereinen en refreinen. Refereintje en refreintje, O., -jes. Referendaris, M., referendarissen. Referent, M., referenten. Referentie, V., referenties en referentiën. Reflexie, V., reflexies. Reformatie, V. Reformeeren, reformeerde, heeft gereformeerd. Refugié, M., refugié's. Refuus, O., refuzen. Regaal, O., regalen. Regeerder, M., regeerders. Regeeren, regeerde, heeft geregeerd. Regeering, V., regeeringen. |
EEG.
REG.
324
|
Regeeringloos, -looze. Regeeringloosheid, V. Regeeringsbank, V., -banken. Regeeringscommissaris, M., -commissarissen. Regeeringsontwerp, O., -ontwerpen. Regeeringspersoon, M., -personen. Regeerïngsreglement, O., -reglementen. Regeeringstijd, M. Regeeringsverslag, O., -verslagen. Regeeringsvorm, M., -vormen. Regeeringszaak, V., -zaken. Regeerkunde, V. Regel, M., regelen en regels. Regeltje, O., -jes. Regelaar, M., regelaars. Regeldraads. Regelen, regelde, heeft geregeld. Regeling, V., regelingen. Regelingscommissie, V., -commission. Regelloos, -loozer, -loost. Regelloosheid, V. Regelmaat, V. Regelmatig, -matiger, -matigst. Regelmatigheid, V. Regelrecht. Regen, M., regens. Regentje, O., -jes. Regenachtig, -achtlger, -achtigst. Regenachtigheid, V. Regenbak, M., -bakken. Regenboog, M., -bogen. Regenbui, V., -buien. Regendroppel, M , -droppels. Regenen, regende, heeft geregend. Regenjas, V., -jassen. Regenmaand, V., -maanden. Regenmantel, M., -mantels. Regenmeter, M., -meters. Regenscherm, o., -schermen. Regent, M., regenten. Regentenkamer, V., -kamers. Regentes, V., regentessen. Regentijd, M., -t\jden. Regenton, V., -tonnen. Regentschap, o. Regenwater, o. Reggen, regde, heeft geregd. Regie, V. Regime, o., regimes. Regiment, o., regimenten. Regimentscommandant, M., -commandanten. Regimentsdokter, M., -dokters. Regimentskind, O., -kinderen. Regimentsoverste, M., -oversten. Regisseur, M., regisseurs. Register, o., registers. Registertje, o., -jes. Registratie, V. Registratiekantoor, O., -kantoren. Registratiekosten (mv.), M. Registreeren, registreerde, heeft geregistreerd. Registreering, V., registreeringen. |
Reglement, O., reglementen. Regiementje, O., -jes. Reglementair. Reglementeeren, reglementeerde, heeft gereglementeerd. Reglet, m., regletten. Regulatief, O., regulatieven. Regulator, M., regulators en regulatoren. Reguleeren, reguleerde, heeft gereguleerd. Regulier, M., Regulieren. Regulier, reguliere. Rei (koor), M., reien. Reien (dansen), reide, heeft gereid. Reiger, M., reigers. Reigertje. O., -jes. Reigerbosch, O., -bosschen. Reigervalk, M., -valken. Reigerveer, V., -veeren. Reiken, reikte, heeft gereikt. Reikhalzen, reikhalsde, heeft gereikhalsd. Reikhalzing, V. Reilen. (Als het reilt en zeilt). Reiltop, M., -toppen. Rein, reiner, reinst. Reinheid, V. Reinigen, reinigde, heeft gereinigd. Reiniging, V., reinigingen. Reinigingsdienst, M. Reinigingsmiddel, O., -middelen. Reinvaar, V., -varen. Reis, V.# reizen. Reisje, O., -jes. Reisapotheek, V., -apotheken. Reisbaar, -bare. Reisbehoeften (mv.), V. Reisbenoodigdheden (mv.), V. Reisbeschrijving, V., -beschrijvingen. Reisboek, O., -boeken. Reisdeken, V., -dekens. Reisgeld, O. Reisgelegenheid, v., -gelegenheden. Reisgenoot, M., -genooten. Reisgenoote, V., -genooten. Reisgezelschap, O., -gezelschappen. Reisgids, M., -gidsen. Reiskleed, O., -kleederen. Reiskoets, V., -koetsen. Reiskosten (mv.), M. Reiskostuum, o. Reismakker, M., -makkers. Reispenning, m., -penningen. Reisplan, O., -plannen. Reisroute, V. Reistasch, V., -tasschen; -taschje, O., -jes. Reisvaardig. Reisverhaal, O., -verhalen. Reiswijzer, M., -wijzers. Reiszak, M., -zakken; -zakje, O., -jes. Reizen, heeft en is gereisd. Reiziger, M., reizigers. Reizigster, V., reizigsters. Rek (het rekken), M. |
BEK.
REM.
325
|
Rek (latwerk), O., rekken. Eekje, O., -jes. Rekbaar, -baarder, -baarst. Rekbaarheid, V. Rekbank, V., -banken. Rekel, M., rekels. Rekeltje, O., -jes. Rekelachtig, -achtiger, -achtigst. Rekenaar, M., rekenaars en rekenaren. Rekenaarster, V., rekenaarsters. Rekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Rekenbord, O., -borden. Rekenen, rekende, heeft gerekend. Rekenfout, V., -fouten. Rekening, V., rekeningen. Eekeningetje, O., -jes. Rekening-courant, V., rekenlngen-cou- rant. Rekenkamer, v. Rekenkunde, V. Rekenkundig. Rekenkundige, M. en V., -kundigen. Rekenles, V., -lessen. Rekenmachine, V., -machines. Rekenmeester, M., -meesters. Rekenplichtig. Rekenplichtigheid, V. Rekenschap, V. Rekenuur, o., -uren. Rekenwijze en -wijs, V., -wyzen. Rekest, enz. Zie Request, enz. Rekhout, O., -houten. Rekijzer, o., -yzers. Rekke, V., rekken. Rekkelijk, -lijker, -lykst. Rekkelijkheid, V. Rekkeling, V. Rekken, rekte, heeft en is gerekt. Rekker, M., rekkers. Rekkerig, rekkeriger, rekkerigst. Rekking, V. Relaas, O., relazen. Eelaasje, O., -jes. Relatie, V., relatiën en relaties. Releveeren, releveerde, heeft gereleveerd. Reliëf, O., reliëfs. Religie, V., religiën en religies. Religietwist, M., -twisten. Religieus, religieuzer. Reliquie, v., reliquieën. Reliquieënkastje, o., -jes. Rellen, relde, heeft gereld. Relletje, O., -jes. Relmuis, V., -muizen; -muisje, ü., -jes. Rem, V., remmen. Remedie, v. en O., remedies en reme-diën. Remise, V., remises. Remitteeren, remitteerde, heeft geremitteerd. Remketting, M., -kettingen. Remmen, remde, heeft geremd. Remonstrant, M., Remonstranten. Remonstrantendom, o. Remonstrantsch. |
Remonstreeren, remonstreerde, heeft geremonstreerd. Remonte, V. Remontoir, O., remontoirs. Rempla(;ant, M., rempla^anten. Remplaceeren, remplaceerde, heeft geremplaceerd. Remschoen, M., -schoenen. Remtoestel, M. en O., -toestellen. Ren, M., rennen. Ren (kippenren), V., rennen. Renaissance, V. Renaissancestijl, M. Renbaan, V., -banen. Renbode, M., -boden. Rendement, O. Rendez-vous, o. Rendier, O , rendieren. Rendiermos, ü. rendiervel, o., -vellen. Renegaat, M., renegaten. Renet, V., renetten. Eenetje, O., -jes. Renetteboom, M., -boomen. Rennen, rende, heeft en is gerend. Renonce, V. Renonceeren, renonceerde, heeft gerenonceerd. Renperk, O., -perken. Renspel, ü. Rentbaar, -bare. Rente, V., renten. Rentebetaling, V., -betalingen. Rentebrief, M., -brieven. Rentegevend. Renteloos, -looze. Renten, rentte, heeft gerent. Rentenier, M., renteniers en rentenieren. Rentenieren, rentenierde, heeft gerentenierd. Rentenierster, V., renteniersters. Rentestandaard, M. Rentmeester, M., -meesters. Rentmeesterschap, O., -schappen. Renversaal, O., renversalen. Renvooi, O., renvooien. Reorganisatie, V., reorganisaties en reorganisatiën. Rep, M. (In â en roer). Reparatie, V., reparation en reparaties. Repareeren, repareerde, heeft gerepareerd. Repel, M., repels. Repeltje, O., -jes. Repelaar, M., repelaars. Repelen, repelde, heeft gerepeld. Repertoire, O., repertoires. Repeteeren, repeteerde, heeft gerepeteerd. Repeteergeweer, o., -geweren. Repetent, M., repetenten. Repetitie, V., repetitiën en repetities. Repetitiehorloge, O., -horloges. Repetitor, M., repetitoren. |
REP.
326
EES.
|
Repliceeren, repliceerde, heeft gerepliceerd. Repliek, V., replieken. Reppen, repte, heeft gerept. Representatiekosten (mv.), M. Reprimande, V., reprimandes. Republiek, V., republieken. Republiekje, O., -jes. Republikein, M., republikeinen. Republikeinsch. Reputatie, V., reputaties en reputatiën. Request, O., reciuesten. Requestje, O., -jes. Requestrant, M., requestranten. Requestrante, V., requestranten. Requestreeren, requestreerde, heeft gerequestreerd. Requiem, O., requiems. Requisiet, O., requisieten. Requisitie, V., requisities en requisitiën. Requisitoir, o., requisitoiren. Rescontreeren, rescontreerde, heeft gerescontreerd. Rescript, o., rescripten. Reseda, V., reseda's. Reserve, V., reserves. Reserveeren, reserveerde, heeft gereserveerd. Reservefonds, o., -fondsen. Reservekapitaal, O., -kapitalen. Reservetroepen (mv.), m, Reservist, M., reservisten. Reservoir, o., reservoirs. Resideeren, resideerde, heeft geresideerd. Resident, M., residenten. Residentie, V., residentiën en residenties. Residentiestad, V., -steden. Residu, o., residuen en residu's. Resolutie, V., resolutiën en resoluties. Resoluut, resoluter, resoluutst. Respect, O. Respectabel, -Ier, -1st. Respecteeren, respecteerde, heeft gerespecteerd. Respijt, O. Respondeeren, respondeerde, heeft gerespondeerd. Responsiecollege, o., -colleges. Ressort, o. Ressorteeren, ressorteerde, heeft geressorteerd. Rest, V., resten. Restje, O., -jes. Restant, O., restanten. Restantje, O., -jes. Restaurant, O., restaurants. Restaurateur, M., restaurateurs. Restauratie, V., restauratiën en restauraties. Resteeren, resteerde, is geresteerd. Resten, restte, is gerest. Resultaat, o., resultaten. Resultante, V., resultanten. |
Resulteeren, resulteerde, is geresul* teerd. Resumé, O., resumé's. Resumeeren, resumeerde, heeft geresumeerd. Resumtie, V., resumtiën en resumties. Resumtievergadering, V., -vergaderingen. Reticule, V., reticules. Retig, retiger, retigst. Retirade, V., retirades. Retort, V., retorten. Retour (te/ugvracht), V., retouren. Retour (biljet), O., retours. Retourbiljet, O., -biljetten. Retourkaart, V., -kaarten. Retourrekening, V. Retourschip, O., -schepen. Retourvloot, V., -vloten. Reu, M., reuen. Reutje, O., -jes. Reuk, M., reuken. Reukje, O., -jes. Reukeloos, -loozer, -loost. Reukfleschje, ü., -fleschjes. Reukwater, O., -wateren. Reukzenuw, V., -zenuwen. Reünie, V., reünies. Reünie-commissie, V., -commissies. Reus, M., reuzen. Reusachtig, -achtiger, -achtigst. Reusachtigheid, V. Reutel (reuteling), M. Reutel (reutelaar en reutelaarster), M. en V., reutels. Reutelaar, M., reutelaars. Reutelaarsteü, V., reutelaarsters. Reutelen, reutelde, heeft gereuteld. Reuter, M.. reuters. Reutertje, O., -jes. Reuzel (lichaamsdeel), M., reuzeis, (stof), V. Reuzeltje, O., -jes. Reuzenbeeld, o., -beelden. Reuzengeslacht, o., -geslachten. Reuzenkracht, V., -krachten. Reuzenplan, o., -plannen. Reuzenschrede, V., -schreden. Reuzenslang, V., -slangen. Reuzenstap, M., -stappen. Reuzenstrijd, M. Reuzentaak, V. Reuzenwerk, O., -werken. Reuzin, V., reuzinnen. Reveille, V. Revelaar, M., revelaars. Revelaarster, V., revelaarsters. Revelen, revelde, heeft gereveld. Reveling, V. Reven, reefde, heeft gereefd. Revenu, O., revenuen. Reverbère, V., reverbères. Revisie, V., revisies en revisiën. Revolutie, V., revolutiën en revoluties. Revolutiegeest, M. Revolutiemannen (mv.), M. Revolutietijd, M. Revolutionnair. |
REV.
RIE
327
|
Revolver, V., revolvers. revolverschot, o., -schoten. revue, V., revuen en revues. Rhetor, M., rhetoren en rhetors. Rhetoric a, V. Rhetoriek, V. Rbetorisch. Rheumatiek, V. Rheumatisch. Rheumatisme, O. Rhinoceros, M., rhinocerossen. Rbythmisch. Rhythmus, M. Rib en ribbe, v., ribben. Ribje en ribbetje, O., -jes. Ribbebreuk, V., -breuken. Ribbeling, M., ribbelingen. Ribbenband, M., -banden. Ribbenkast, V. Ribbestoot, M., -stooten. Ribbevlies, ü., -vliezen. Ribbezakken, ribbezakte, heeft gerib-bezakt. Richel, V., richels. Eicheltje, O., -jes. Richtbaak, V., -baken. Richten, richtte, heeft gericht. Richter, M., richters en richteren. Richtgat, O., -gaten. Richtig, richtiger, richtigst. Richtigheid, V. Richting, V., richtingen. Richtlat, v., -latten. Richtlijn, V,, -lynen. Richtliniaal, V., -linialen. Richtlood, o., -looden. Richtsnoer, o., -snoeren. Ridder, M., ridders en ridderen. Ridderen, ridderde, heeft geridderd. Riddergedicht, o., -gedichten. Ridderkruis, O., -kruisen. Ridderlijk, -lijker, -lijkst. Ridderlijkheid, V. Riddermatig. Ridderorde, V., -orden. Ridderroman, M., -romans. Ridderschap (de ridders), V.,-schappen; (de waardigheid), O. Ridderslag, M. Ridderspoor, V., -sporen. Ridderstand, M. Riddertijd, M., -tijden. Ridderwezen, O. Ridderwoord, O. Ridderzaal, v., -zalen. Rieken. Zie Ruiken. Riem (lederen strook en roeispaan), M., riemen. Riempje, O., -jes. Riem (papiermaat), M., riemen. Riemblad, o., -bladen. Riemer, M., riemers. Riemslag, M., -slagen. Riet, O., rieten. Rietje? O., -jes. Rietdekker, M., -dekkers. Rieten (bnw.) (rieten dak). |
Rietgors, V., *görzen. Rietgras, O., -grassen. Rietland, O., -landen. Rietpeer, V., -peren; -peertje, O., -jes. Rietsuiker, V. Rietvink, M., -vinken. Rif (geraamte, klip), 0., riflen. Rifje, O., -jes. Rif (in een zeil). Zie Reef. Riga-balsem, M. Rij (reeks), V., rijen. R^tje, O., -jes. Rijbaan, V., -banen. Rijden, reed, reden, heeft en is gereden. Rijder, M., rijders. Rijdster, V., rijdsters. Rijf, V., rjjven. Rijfje, O., -jes. Rijfelaar, M., rijfelaars. Rijfelbeker, M., -bekers. Rijfelbord, O., -borden. Rijfelen, rijfelde, heeft gerijfeld. Rufelspel, o., -spelen. Rijfeltrechter, M., -trechters, Rijgdraad, M., -draden. Rijgen, reeg, regen, heeft geregen. Rijglaars, V., -laarzen; -laarsje, O., -jes. Rijglijf, O., -lijven. Rugnaald, V., -naalden. Rijgpen, V., -pennen. Rijgsnoer, O., -snoeren. Rijgveter, m, -veters. Kijk, O., rijken. Rijkje, O., -jes. Rijk, ryker, rykst. Rijkaard, M., rijkaards. Rijkdom, M., rijkdommen. Rijkelijk, -lijker, -lijkst. Rijkgeladen. Rijkheid. Rijkleed, O., -kleederen. Rijkmaker, M., -makers. Rijknecht, M., -knechts. Rijksacademie, V., -academiën. Rijks adel, M. Rijksadvocaat, M., -advocaten. Rijksambtenaar, M., -ambtenaars en â¢ambtenaren. Rijksarchief, O., -archieven. Rijksbelasting, v., -belastingen. Rijksbetrekking, v., -betrekkingen. Rijksbeurs, v., -beurzen. Rijksdaalder, M., -daalders. Rijksdag, M., -dagen. Rijksgebied, o. Rijksgesticht, O., -gestichten. Rijksgrond, M., -gronden. Rijksgroote, M., -grooten. Rijkshoogereburgerschool, V., -scholen. Rijkskanselier, M., -kanseliers en -kanselieren. Rijkskweekschool, V., -scholen. Rijksmuseum, O., -museums, -musea en â¢museën. Rijkspolitie, V. |
RIJ.
RIJ.
328
|
Kijkspostspaakbank, V. Rijksstad, V., -steden. Rijksstaf, M., -staven. Rijkssubsidie, O., -subsidiën. Rijksuniversiteit, V., -universiteiten. Rijksveeartsenijschool, V. Rijksveldwachter, M., -wachters. Rijksvorst, M., -vorsten. Rijksvorstin, V., -vorstinnen. Rijkswaterstaat, M. Rijkswege. (Van â). Rijkunst, V. Rijlaars, V., -laarzen. Rijles, V., -lessen. Rijm (de ryp), M. Rijm (gelykheid van eindklanken), O., rymen. Rijmelaar, M.,rymeiaars en rymeiaren. Rijmelarij, V., rymelaryen. Rijmelen, rijmelde, heelt gerijmeld. Rijmeloos en rijmloos, -looze. Rijmen, rymde, heeft gerymd. Rijmer, M., rymers. Rijmerij, V., rymer^jen. Rijmkunst, V. Rijmpje, O., -jes. Rijn, M. Rijn (in een molensteen), M., rynen. Rijnaak, V., -aken. Rijnboot, V., -booten. Rijnlander, M., -landers. Rijnlandsch. Rijnprovincie, V., -provincies en -provinciën. Rijnsch. Rijnsche-wijnflesch, V., -flesschen. Rijnschip, o., -schepen. Rijnstreek, V., -streken. Rijntol, M., -tollen. Rijnvaart, V. Rijnwater, O. Rijnwijn, M., -wijnen. Rijp (de rym), M. Rijp (rups), V., rypen. Rypje, O., -jes. Rijp, ryper, rijpst. Rijpaard, o., -paarden; -paardje, o., -jes. Rijpartij, V., -partyen; -partytje, o., -jes. Rijpelijk. Rijpen (ryp maken en ryp worden), rypte, heeft en is gerijpt. Rijpen (door de vorst), rypte, heeft gerapt. Rijpheid, V. Rijping, V. Rijrok, M., -rokken. Rus, O., ryzen. Rysje, O., -jes. Rijsbedding, V., -beddingen. Rijsberm, M., -bermen. Rijschool, V., -scholen. Rijsdam, M., -dammen. Rijshout, O. Rijst, V. |
Rijstbouw, m. Rijstebrij, V. Rijstemeel, o. Rijstemelk, V. Rijstepap, V. Rijstesoep, V. Rijstetaart, V., -taarten. Rijstpapier, o. Rijstveld, o., -velden. Rustvogel, M., -vogels; -vogeltje, O., -jes. Rijstwateb, O. Rijswerk, o. Rijten, reet, reten, heeft en is gereten. Rijting, V. Rijtoer, M., -toeren; -toertje, O., -jes. Rijtuig, o., -tuigen; -tuigje, o,, -jes. Rijtuiglak, o. Rijtuigmaatschappij, v., -maatschappijen. Rijtuigschilder, M., schilders. Rijtuigverhuurder, M., -verhuurders. Rijven, reef, reven, heeft gereven. Rijweg, M., -wegen. Rijwiel, o., -wielen. Rijwielhersteller, M., -herstellers. Rijzen, rees, rezen, is gerezen. Rijzig, ryziger, ryzigst. Rijzing, V., ryzingen. Kijzweep, V., -zweepen. Rikketikken, rikketikte, heeft gerik- ketikt. Ril, M. rillen, rilde, heeft gerild. Rilling, V., rillingen. rimpel, M., rimpels. Rimpeltje, O., -jes. Rimpelachtig, -achtiger, -achtigst. Rimpelen, rimpelde, heeft en is gerimpeld. Rimpelig, rimpeliger, rimpeligst. Rimpeling, V. Ring, M., ringen. Ringetje, O., -jes. Ringbout, M., -bouten. Ringdijk, M., -dyken. Ringelduif, V., -duiven. Ringelen, ringelde, heeft geringeld. Ringelmusch, V., -musschen. Ringelooren, ringeloorde, heeft geringeloord. Ringen, ringde, heeft geringd. Ringhout, O., -houten. Ringkraag, M., -kragen. Ringmuur, M., -muren. Ringrijden, O. Ringsloot, V., -slooten. Ringsvergadering, V., -vergaderingen. Ringswijze en -wijs. Ringvalk, M., -valken. Ringvinger, M., -vingers. Rinkel, M., rinkels. Rinkeitje, O., -jes. Rinkelaar (vaartuig), M., rinkelaars. Rinkelbel, V., -bellen. Rinkelbom, V., -bommen. Rinkelen, rinkelde, heeft gerinkeld. |
HOE.
329
RIN.
|
Rinkelrooien, rinkelrooide, heeft gerinkelrooid. i Rinkelrooier, M., -rooiers. Rinket, O., rinketten. Rinketje, O.,-jes. Rinkinken, rinkinkte, heeft gerinkinkt. I Rtnsch, rinscher, meest rinsch. r Rinschheid, V. rioleeren, rioleerde, heeft gedoleerd. Rioleeeing, V., rioleeringen. Riool, ü., riolen. Riooltje, o., -jes. Rioolstelsel, O., -stelsels. Risico, O. en V. rist, V., risten. Ristje, O., -jes. â . Risten, ristte, heeft gerist. Rit, M., ritten. Ritje, O., -jes. Ritmeester, M., -meesters. Rits (tusschenw.). Ritselen, ritselde, heeft geritseld. Ritseling, V., ritselingen. Ritsig, ritsiger, ritsigst. Ritsigheid, V. Ritsijzer, O., -ijzers. i Ritten, ritte, heeft gerit. j Rituaal, O., ritualen. Ritus, M. 1 Rivier, V., rivieren. Riviertje, O., -jes. | Rivierarm, M., -armen, j Rivierbedding, V., -beddingen. I Rivierbericht, O., -berichten. | Rivierkreeft, M., -kreeften. I Riviermond, M., -monden Riviervisch (stofnaam), V.; (voorwerpsnaam), M. Rivierwater, O. Rob (dier), m., robben. Robbetje, o.,-jes. Rob (maag), V., robben. Robbedoes, M. en V., robbedoezen. Robbedoezen, robbedoesde, heeft gerobbedoesd. Robbeknol, M., -knols en -knollen. Robbenhuid, V., -huiden. Robbenjacht, V., -jachten. Robbentraan, V. Robbenvangst, V. Robber, M., robbers. Robbertje, o., -jes. Robbespek en robbenspek, O. Robbevel, ü., -vellen. Robbevellen (bnw.). Robijn (steen), M., robijnen; (stof), O. Robyntje, O., -jes. Rochel, V., rochels. Rochelaar, M., rochelaars. Rochelen, rochelde, heeft gerocheld. Roebel, M., roebels. Roede en roe, V., roeden. Roetje, O., -jes. Roef, v., roeven. Roefje, o., -jes. Roef (tusschenw.). Roeibank, V., -banken. Roeiboot, V., -booten; -bootje, o., -jes. Roeidol, M., -dollen. Roeidolpen, V., -pennen. Roeien, roeide, heeft en is geroeid. Roeier, M., roeiers. |
Roeiklamp, M., -klampen. Roeipen en roeipin, V., -pennen en -pinnen. Roeiriem, M., -riemen. Roeischuit, V., -schuiten; -schuitje, O., -jes. roeispaan, V., -spanen. Roeisport, V. roeister, V., roeisters. roeistrop, m., -stroppen. Roeivaartuig, o., -vaartuigen. roeivereeniging, v., -vereenigingen. Roeiwedstrijd, M., -wedstrijden. Roek, M., roeken. Roekeloos, -loozer, -loost. Roekeloosheid, V., -heden. Roekoeken, roekoekte, heeft geroe- koekt. Roem, M. Roemen, roemde, heeft geroemd. Roemenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Roemer en romer, M., roemers en romers. Roemertje enromertje, o.,-jes. Roemrijk, -rijker, -rykst. Roemruchtig, -ruchtiger, -ruchtigst. Roemruchtigheid, V. Roemvol. Roemwaardig, -waardiger, -waardigst. Roemwaardigheid, V. Roemzucht, V. Roemzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Roep, M. Roepen, riep, heeft geroepen. Roeper, M., roepers. Roeping, V., roepingen. Roepstem, V., -stemmen. Roer, M. (In rep en â). Roer (stuur), O., roeren en roers. Roer- tje, O., -jes. Roer (buis), O., roeren en roers. Roer- tje, O., -jes. Roerbak, M., -bakken. Roerdomp, M., -dompen; -dompje,0.,-jes. Roeren, roerde, heeft geroerd. Roerend, roerender, roerendst. Roerganger, M., -gangers. Roerhard, -harder, -hardst. Roerig, roeriger, roerigst. Roerigheid, V. Roering, V., roeringen. Roerkruid, O. Roerlepel, M., -lepels. Roerloos, -looze. Roerloosheid, V. Roerom, M., roerommen en roeroms. Roerpen en roerpin, V., -pennen en -pinnen. Roersel, O., roerselen en roersels. Roersleuf, V., -sleuven. Roerspaan, V., -spanen. Roerstang, V., -stangen. Roerstel, O., -stellen. Roertalie, V., -talies. ü lli ' 1 |
'iÃ
ROE.
330
EOL.
|
Roervink, M., -vinken. roes, M., roezen. Roesje, O., -jes. roest (het roesten), M.,; (roestigheid) ,0. roestachtig, -achtiger, -achtigst. roesten, roestte, is geroest. roestig, roestiger, roestigst. Roestigheid, v. roestvlek, V., -vlekken. Roet, o. roetachtig, -achtiger, -achtigst. Roeterig, roeteriger, roeterigst. Roeterigheid, V. Roetig, roetiger, roetigst. Roetigheid, v. Roetzwart. O. Roetzwart. Roezemoezen, roezemoesde, heeft geroezemoesd. Roezemoezig, moezigst. Roezen, roesde, heeft geroesd. Roezig, roeziger, roezigst. Roezigheid, V. Roffel (tromslag en berisping), M., roffels. Roffeltje, O., -jes. Roffel (schaaf). M., roffels. Roffeltje, O., -jes. Roffelaar, M., rofielaars. Roffelaarster, V., roffelaarsters. Roffelen, roffelde, heeft geroffeld. Roffelig, roff eliger, roff'eligst. Roffeling, V. Roffelschaaf, V., -schaven. Roffelwerk, O. Roffelzaag, V., -zagen. Roffiaan, M., roffianen. Rog (visch), M., roggen. Rogje en rog- getje, O., -jes. Rogge, ook rog (graansoort), V. Roggebrood, o., -brooden. Roggemeel, O. Roggenvangst, V. Roggestroo, O. Roggevel, O., -vellen. Roggeveld, O., -velden. Rok (kleedingstuk), M., rokken. Rokje, O., -jes. Rok (spinrokken). Zie Rokken. Rokken en rok, O., rokkens en rokken. Rokkentje, O., -jes. Rokken, rokte, heeft gerokt. Rokkenband (collectieve stofnaam), O. Rokkenen, rokkende, heeft gerokkend. Roksband (een band), M., -banden. Roksknoop, M., -knoopen. Rokskraag, M., -kragen. Roksmouw, V., -mouwen. Rokspand, O., -panden. Rokszak en rokzak, M., -zakken. Rol, M. (Aan den rol). Rol, V., rollen. Rolletje, o., -jes. Rolband, O. Rolbank, V., -banken. Rolbed, O., -bedden. roezemoeziger, roeze- |
Rolgordijn, o., -gordynen. Rolkorf, M., -korven. Rollaag, V., -lagen. Rolleeren, rolleerde, heeft gerolleerd. Rolleering, v. Rollen, rolde, heeft en is gerold. Rollende, V , -lenden. Roller, M., rollers. Rolling, V. Rolpaard, O., -paarden. Rolpens, V., -pensen. Rolplank, V., -planken. Rolschaats, V., -schaatsen. Rolschot, o., -schoten. Rolsteen, M., -steenen. Rolstoel, M., -stoelen. Rolstok, M., -stokken. Rolverdeeling, v., -verdeelingen. Rolwagen, M., -wagens. Romaansch. Roman, m., romans. Romannetje, o., -jes. Romance, V., romancen en romances. Romanesk, romanesker. Romanheld, M., -helden. Romanist, M., romanisten. Romanlectuur, V. Romanlezer, M., -lezers. Romanschrijver, M., -schrijvers. Romantiek, V. Romantisch, romantischer, meest ro- mantisch. Romantisme, o. Romein, M., Romeinen. Romeinsch. Romer. Zie Roemer. Rommel, M., rommels. Rommeltje, O., -jes. Rommelaru, V., rommelarijen. Rommelen, rommelde, heeft gerommeld. Rommeling, V., rommelingen. Rommelkamer, V., -kamers. Rommelkruid, O. Rommelpot, M., -potten. Rommelzolder, M., -zolders. Rommelzoo en rommelzooi, V., -zooien; -zootje, O., -jes. Romp, m., rompen. Rompje, o., -jes. Rompelig, rompeliger, rompeligst. Rompslomp, M. Rond, ronder, rondst. Rond, o., ronden. Rondje, o., -jes. Rondachtig. Rondas, V., rondassen. Rondbazuinen, bazuinde rond, heeft rondgebazuind. Rondbezorgen, bezorgde rond, heeft rondbezorgd. Rondborstig, -borstiger, -borstigst. Rondborstigheid, V. Rondbrengen, bracht rond, heeft rondgebracht. Rondbrieven, briefde rond, heeft rondgebriefd. |
|
RON. ronddeelen, deelde rond, heeft rondgedeeld. Ronddobberen, dobberde rond, heeft rondgedobberd. Ronddolen, doolde rond, heeft rondgedoold. Ronddraaien, draaide rond, heeft en is rondgedraaid. Ronddraven, draafde rond, heeft en is rondgedraafd. Ronddrentelen, drentelde rond, heeft rondgedrenteld. Ronddrijven, dreef rond, dreven rond, heeft rondgedreven. Ronddwalen, dwaalde rond, heeft rondgedwaald. Ronde, V., rondes. Rondeau, o., rondeau's. Rondedans, M., -dansen. Rondeel, O., rondeelen. Rondeeltje, O., -jes. Ronden, rondde, heeft gerond. Rondfladderen, fladderde rond, heeft rondgefladderd. Rondgaan, gaat rond, ging rond, is rondgegaan. Rondgaand. Rondgat, O., -gatten. Rondgeven, gaf rond, gaven rond, heeft rondgegeven. Rondgluren, gluurde rond, heeft rond-gegluurd. Rondgrabbelen, grabbelde rond, heeft rondgegrabbeld. Rondheid, V. Rondhout, O. Rondigheid, V. Ronding, V., vondingen. Rondkijken, keek rond, keken rond, heeft rondgekeken. Rondkomen, kom'j rond, kwam rond, kwamen rond, is rondgekomen. Rondkop, M. en V., -koppen. Rondkraaien, kraaide rond, heeft rond-gekraaid. Rondleiden, leidde rond, heeft rondgeleid. Rondloopen, liep rond, heeft en is rondgeloopen. Rondlooper, M., -loopers. Rondom. Rondreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes. Rondreisbiljet. O., -biljetten. Rondreizen, reisde rond, heelt en is rondgereisd. Rondrijden, reed rond, reden rond, heeft en is rondgereden. Ronds, V., rondsen. Rondsje, o., -jes. Rondschenken, schonk rond, heeft rond-geschonken. Rondsel, O., rondsels. Rondseltje, O., -jes. Rondslenteren, slenterde rond, heeft rondgeslenterd. |
1 RON. Rondsnuffelen, snuffelde rond, hééft rondgesnuffeld. Rondspringen, sprong rond, heeft rondgesprongen. Rondsturen, stuurde rond, heeft rondgestuurd. Rondtasten, tastte rond, heeft rondgetast. Rondte, V., rondten. Rondtrompetten, trompette rond, heelt rondgetrompet. Ronduit. Rondventen, ventte rond, heeft rondgevent. Rondventer, M., -venters. Rondvertellen, vertelde rond, heeft rondverteld. Rondvliegen, vloog rond, vlogen rond, heeft en is rondgevlogen. Rondvoeren, voerde rond, heeft rondgevoerd. Rondwandelen, wandelde rond, heeft rondgewandeld. Rondwaren, waarde rond, heeft rondgewaard. Rondzien, ziet rond, zag rond, zagen rond, heeft rondgezien. Rondzwalken, zwalkte rond, heeft rondgezwalkt. Rondzwerven, zwierf rond, zwierven rond, heeft rondgezworven. Rondzwieren, zwierde rond, heeft rondgezwierd. Rong, V., rongen. Ronken, ronkte, heeft geronkt. Ronker, M., ronkers. Ronselaar, M., ronselaars. Ronselen, ronselde, heeft geronseld. Ronseling, V., ronselingen. Ronzebons, V., ronzebonzen. Rood, rooder, roodst. Rood, O. Roodaarde, V. Roodaarden, roodaardde, heeft gerood-aard. Roodachtig, -achtiger, -achtigst. Roodachtigheid, V. Roodbaard, M., -baarden. Roodbont. Roodborstje, O., -jes. Roodbros, -brosse. Roodbruin. Roodekool, V., -kooien. Roodeloop, M. Roodgieter, M., -gieters. Roodgloeiend. Roodgrond, O. Roodharig. Roodheet, -heete. Roodheid, V. Roodkleurig, -kleuriger, -kleurigst. Roodkop, M. en V., -koppen. Roodkoper, o. Roodkoperen. |
KOO.
BOO.
332
|
Koodkoralen (bnw.). liOODKRIJT, O. Roodrok (Engelsch soldaat), M., rood- rokken. Rood-busland, 0. Roodsel, O. Roodvonk, O. Roodvos, M., -vossen. Roodwangig, -wangiger, -wangigst. Roodzijden (bnw.). Roof (het rooven), M. Roof (korst), V., roven. Roofje, O., -jes. Roofdieb, O., -dieren. Roofgiebig, -gieriger, -gierigst. Roofgiebigheid, V. Roofgoed, o. Roofhaai, M., -haaien. Roofkeveb, M., -kevers. Roofnest, O., -nesten. Roofschip, O., -schepen. Roofspei.onk, V., -spelonken. RooFvoGEii, M., -vogels. Roofziek, -zieker, -ziekst. Roofzucht, V. Roofzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Rooi, V. Rooien, rooide, heeft gerooid. Rooieb, M., rooiers. Rooiing, V., rooiingen. Rooilijn, V., -lijnen. Rooimeesteb, M., -meesters. Rooisteb, v., rooisters. Rooitijd, M. Rook (damp), M. Rook (hooistapel), V., rooken. Rookje, O., -jes. Rookachtig, -achtiger, -achtigst. Rookachtigheid, V. Rookeloos. (â kruit). Rooken, rookte, heeft gerookt. Rookeb, M., rookers. Rookebig, rookeriger, rookerigst. Rookebigheid, V. Rookebij, V., rookeryen. Rookgat, O., -gaten. Rookgebei, O. Rookhok, o., -hokken. Rookkameb, V., -kamers. Rookkast, V., -kasten. Rookkolom, V., -kolommen. Rooklucht, V. Rooknest, O., -nesten. Rookschebm, o., -schermen; -schermpje, O., -jes. Rookspek, O. Rooktabak, V. Rooktafeltje, o., -tafeltjes. Rookvang, V., -vangen. Rookvebdbijveb, m., -verdryvers. Rookvleesch, O. Rookvbij. Rookwagen, M., -wagens. Rookwalm, M., -walmen. Rookwobst, V., -worsten. |
Rookzoldeb, M., -zolders. Room, M. Roomachtig, -achtiger, -achtigst. Roomboteb, V. Roomen, roomde, heeft geroomd. Roomhuis, o., -huizen. Roomijs, O. Roomkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes. Roomsch. Roomschgezind. Roomschgezinde, M. en V., -gezinden. Roomsch-katholiek en -catholiek. Roomtaart, V.,-taarten; -taartje,O.,-jes Roopaabd. Zie Rolpaard. Roos (bloem), V., rozen. Roosje, O., -jes Roos (ontsteking), V. Roosachtig, -achtiger, -achtigst. Roosachtigheid, V. roosjessnudeb, M., -snjjders. Rooskleurig. Roosten, roostte, heeft geroost. roosteb, M., roosters. Roostertje, O., -jes roosteben, roosterde, heeft geroosterd Roosting, v., roostingen. roostoven, m., -ovens. Roostpan, V., -pannen. Roosvobmig. Rooven (stelen), roofde, heeft geroofd rooveb, M., roovers. Roovertje,0.,-jes Roovebbende, V., -benden. roovebhoofdman, M., -mannen. roovebij, v., rooverijen. roovebshol, o., -holen, ropij, V., ropijen. Ros, O., rossen. Rosje, O., -jes. Ros, rosser, rost. rosachtig, -achtiger, -achtigst. Rosachtigheid, v. rosbaab, V., -baren. rosbeieb, M., -beiers. Rosharig. Roskam, M., -kammen. Roskammen,roskamde, heeft geroskamd Roskammer, M., -kammers. Rosmarijn en rozemarijn, M. Rosmolen, M., -molens. Rossen, roste, heeft en is gerost. Rossig, rossiger, rossigst. Rossigheid, V. Rossinant, M., rossinanten. Rot (dier). Zie Rat. Rot (vereeniging van personen), O. rotten. Rot, rotter, rotst. Rotatiepers, V., -persen. Roten, rootte, heeft geroot. Rotgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes. Rotgezel, M., -gezellen. Rotheid, V. Rotkoorts, V., -koortsen. Rotneus, M. Rotonde, V., rotonden en rotondes. Rots, V., rotsen. Rotsachtig, -achtiger, -achtigst. |
ROT.
ROZ.
333
|
rotsachtigheid, V. Rotsblok, O., -blokken. Rotsig, rotsiger, rotsigst. Rotskloof, V., -kloven. Rotsspelonk, V., -spelonken. Rotten, rotte, is gerot. rottenkbuit. Zie Rattenkruit. Rottig, rottiger, rottigst. Rottigheid, V. Rotting (riet), M., rottingen. Rottinkje, O., -jes. Rotting (het rotten), V. Rottingolie, V. Rottingslag, M., -slagen. Rottingstraf, V. Rouleeben, rouleerde, heeft gerouleerd. Roulette, V. Routine, V. Rouw, M. rouw (bnw.). Zie Ruw. RouwABTiKEL, O., -artikelen. rouwband, m., -banden. Rouwbeklag, O. Rouwbrief, M., -brieven. rouwen, rouwde, heeft gerouwd. rouwfloebs, o. rouwgesp, M., -gespen. Rouwgewaad, O., -gewaden. Rouwgoed, o., -goederen. Rouwhandschoen, M., -handschoenen. rouwig, rouwiger, rouwigst. Rouwjapon, V., -japonnen. rouwklagen, rouwklaagde, heeft ge- rouwklaagd. Rouwkleed, o., -kleederen. Rouwkoets, V., -koetsen. Rouwkoop, M. Rouwmantel, M., -mantels. Rouwpapieb, o. Rouwband, M., -randen. rouwstbik, M., -strikken; -strikje, o., -jes. Rouwtijd, M. Roven (de korst afnemen), roofde, heeft geroofd. Royaal, royaler, royaalst. Royalist, M., royalisten. Royaliteit, V., royaliteiten. Rozeblad, O., -bladen, -bladeren en -blaren; -blaadje, O., jes. Rozeboom, M., -boomen; -boompje, o., -jes. Rozebottel, V., -bottels. Rozeknop, M., -knoppen; -knopje,O.,-jes. Rozelaab, M., rozelaars en rozelaren. Rozelaartje, O., -jes. Rozemabijn. Zie Rosmaryn. Rozenbed, o., -bedden; -bedje, o., -jes. Rozenbout, M., -bouten. Rozengaabd, M., -gaarden. Rozengeub, M. Rozengeubig. Rozenhoed, M., -hoeden; -hoedje, O., -jes. Rozenhonig en -honing, M. |
rozenhout, o. rozenhouten (bnW.). rozenkleub, V. rozenkleubig. rozenkbans, M., -kransen. rozenmond, m. Kozenobel, M., rozenobels. rozenolie, V. rozentijd, m. Rozentint, V. rozenwateb, o. rozebood, -roode. rozebood, o. rozestek, V., -stekken; -stekje, O.,-jes. rozestbuik, M., -struiken; -struikje, O., -jes. Rozet, V., rozetten. Rozetje, O., -jes. Rozetak, M., -takken; -takje, O., -jes. Rozig, roziger, rozigst. Rozigheid, V. Rozijn (ook bazijn), V., rozijnen. Rozijntje, O., -jes. Rozijnenbaabd, m. Rozijnenbaabd (persoon), M. en V., -baarden. Rozijnenbbood, o., Rozijnenkobf, M., -korven. rubbiek, V., rubrieken. Ruchtbaab. Ruchtbaabheid, V. Rug, M. ruggen. Rugje en ruggetje, ü., -jes. Ruggebeen, O., -beenen. Ruqgegbaat, V., -graten. Ruggelen, ruggelde, heeft en is gerug-geld. Ruggelings (byw.). Rcqqelïngsch (bnw.). Ruggemebg, O. Ruggemebgstebing, V. ruggepaabd, o., -paarden. Ruggespbaak, V. Rugleuning, V., -leuningen. Rugpijn, V., -p\jnen. Rugspieb, V., -spieren. Rugtitel, M., -titels. Rugzaag, V., -zagen. Rugzenuw, V., -zenuwen. Rui, M. Rui dig, ruidiger, ruidigst. Ruidigheid, V. Ruien, ruide, heeft geruid. Ruif, V., ruiven. Ruif je, O., -jes. Ruifel, V., ruifels. Ruig, ruiger, ruigst. Ruigheid, V. Ruigpootig. Ruigschaaf, V., -schaven. Ruigte, V., ruigten. Ruiing, V., ruiingen. ruiken en bieken, rook, roken, heelt geroken. Ruikeb, m., ruikers. Ruikertje, o., -jes. ! Ruil, M., ruilen. Ruiltje, O., -jes. |
RUL
RUI.
334
|
lluiLBAAB, -bare. Rcilbaarheid, V. Ruilebuiten, ruilebuitte, heeft geruilebuit. Ruilebuiteb, M., -buiters. Kuilen, ruilde, heeft geruild. Ruileb, M., ruilers. Ruilhandel, m. Ruiling, V., ruilingen. Ruilingrekening, V. Ruim, ruimer, ruimst. Ruim, O. Ruimbaan, v. Ruimbalk, M., -balken. Ruimeluk. Ruimen, ruimde, heeft geruimd. Ruimer, M., ruimers. Ruimheid, V. Ruimijzeb, o., -ijzers. Ruiming, V., ruimingen. Ruimkraan, v., -kranen. Ruimnaald, V., -naalden. Ruimpen, V., -pennen. Ruimschoots (bjjw.). Rutmschootsch (bnw.). Ruimschotig, -schotiger, -schotigst. Ruimschotigheid, V. Ruimster, v., ruimsters. Ruimte, V., ruimten. Ruimteparabool, V., -parabolen. Ruimteuitgebreidheid, V., «uitgebreidheden. Ruin, m., ruinen. Ruintje, o., -jes. Ruïne, V., ruïnen en ruïnes. Ruïneeren, ruïneerde, heeft geruïneerd. Ruinen, ruinde, heeft geruind. Ruischen, ruischte, heeft geruischt, Ruisching, V. Ruischpijp, V., -pijpen. Ruisvoren en -voorn, M., -vorens en â¢voorns; -vorentje en -voorntje, O., -jes. Ruit, V., ruiten. Ruitje, O., -jes. Ruit (schurft), V. Ruit (kruid), V. Ruiten (mv.), V. Ruiten, ruitte, heeft geruit. Ruitenaas, O., -azen. Ruitenboer, M., -boeren. Ruitenheer, M., -heeren. Ruitenvrouw, v., -vrouwen. Ruiter, m., ruiters. Ruitertje, o., -jes. Ruiterbende, v., -benden. Ruiterij, v, Ruiterliedje, O., -liedjes. Ruiterlijk, -lijker, -lijkst. Ruitermantel, m., -mantels. Ruitersabel, V., -sabels. Ruiterstandbeeld, O., -standbeelden. Ruiterszalf, v. Ruiterwacht, V., -wachten. Ruiterweg, M., -wegen. Ruitijd, M. Ruiting, V. |
Ruitswijze en -wijs. Ruitvormig. Ruk, M., rukken. Rukje, O., -jes. , Rukken, rukte, heeft gerukt. Rukking, V., rukkingen. Rukwind, M., -winden. Rul, V., rullen. Rulletje, O., -jes. Rul, ruller, rulst. Rum, v. Rummetje, o., -jes. Rumflesch, V., -flesschen. Rumgelei, V., -geleien. Rumgrog, M., -grogs. Rumoer, O., rumoeren. Rumoeren, rumoerde, heeft gerumoerd Rumoerig, rumoeriger, rumoerigst. Rumoerigheid, V. Rumoermaker, M., -makers. RUMPUDDiNG, M., -puddingen. rumtaart, v., - taarten; -taartje, o., -jes. run (eikenbast), V. : rund, o., runderen en runders. Runderhaas, M., -hazen. Runderharst, M., -harsten. Runderlapjes (mv.), O. Runderpest, v. runderrib, V., -ribben. i runderstal, m., -stallen, i runderziekte, V. ! rundvee, o. Rundveestamboek, O., -boeken. ; rundvet, o. i rune, V., runen. i Runenschrift, O. Runnen, runde, heeft gerund. i Runsel, o. rups, v., rupsen. Rupsje, o., -jes. Rupsendooder, M., -dooders. Rqpsenei, o., -eieren; -eitje, o., -eitjes en -eiertjes. Rupsennest, O., -nesten. Rupsenschaar, V., -scharen. Rupsen vanger, M., -vangers. Rupsklaver, v. Rus, M., Russen. Rusch, M., russchen. Rusleder en -leer, O. Ruslederen en -leeren (bnw.). Russchen (bnw.). Russisch. Russisch, O. Rust (het rusten), V. Rust (scheepsw.), V., rusten. Rustbank, V., -banken. Rustbed, o., -bedden. Rustdag, M., -dagen. Rusteloos, -loozer, -loost. Rusteloosheid, V. Rusten, rustte, heeft gerust. Rustiek. Rustig, rustiger, rustigst. Rustigheid, V. Rustigjes. Rustiglijk. Rusting, V., rustingen. |
RUW.
335
RUS.
|
Rustjaar, O., -jaren. Rustlijn, V., -Ignen. Rustplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes. Rustpunt, O., -punten. Rustteeken, O., -teekens. Rusttijd, M., -tijden. Rustuur, o., -uren; -uurtje, o., -jes. Rustverstoorder, M., -verstoorders. Rustverstoring, V., -verstoringen. Ruw, ook rouw, ruwer (rouwer), ruwst (rouwst). |
Ruwaard, M., ruwaards en ruwaar den. Ruwaardschap, O. Ruwbladig. Ruwelijk. Ruwhartig. Ruwheid, V., -heden. Ruwigheid, V., -heden. Ruwkruid, O. Ruzie, V., ruzies. Ruzietje, O., -jes. Ruziemaker, M., -makers. Ruziezoeker, M., -zoekers. |
S.
|
s, v., s's. Sa (tusschenw.). Saai, O. en V., saaien. Saai, saaier, saaist. Saaiem, O., saaiems. Saaien (bnw.). Saaihal, V., -hallen. Saaiheid, V. Saam. Zie Samen. Sabbat, M., sabbatten. Sabbatsdag, M., -dagen. Sabbatskleed, O., -kleederen en -kleeren. Sabbatsreis, V., -reizen. Sabbatsrust, V. Sabbatsschender, M., -schenders. Sabbatsschennis, v. Sabbatsvrouw, V., -vrouwen. Sabel (dier), m., sabels; (bont), o. Sabeltje, O., -jes. Sabel (zwaard), v., sabels. Sabeltje, O., -jes. Sabel (zwart in de wapenkunde), o. Sabeldier, o., -dieren. Sabelen, sabelde, heeft gesabeld. Sabelhouw, M., -houwen. Sabelkling, V., -klingen. Sabelkoppel, M., -koppels. Sabelpunt, V., -punten. Sabelscheede, V., -scheeden. Sacrament, o., sacramenten. Sacramenteel, sacramenteele. Sacramentsdag, M., -dagen. Sacristein, M., sacristeinen. Sacristie en hacristij, v., sacristieën en sacristijen. Sadduceër, m., Sadduceërs en Saddu- ceën. Sadduceesch. Saffier (stof), O.; (steen), M., saffieren. Saffieren (bnw.) Saffloer en saffloers, O. Saffraan, v. Saffraanachtig, -achtiger, -achtigst. Saffraangeel, -gele. Saffranig. Sage, v., sagen. |
Sago, V. Sagomelk, V. Sagopalm, M., -palmen. Sagosoep, V. Sajet, V. en O., sajetten. Sajetfabriek, V., -fabrieken. Sajetten (bnw.). Sak, M., sakken. Sakje, O., -jes. Sakerdaanhout, O. Sakerdaanhouten (bnw.). Sakkerloot (tusschenw.). Saks, M., Saksen. Saksen, O. Saksisch. Salade en sla, V., saladen. Slaatje, o. -jes. Salamander, M., salamanders. Salaman dertje, O., -jes. Salarieeren, salarieerde, heeft gesalarieerd. Salaris, O., salarissen. Saldo, o., saldo's. Salep, V. Salepdrank, M., -dranken. Salet, o., saletten. Saletje, o., -jes. Saletjonker, M., -jonkers. Salie, V. Saliemelk, V. Salmoniak, V. Salon, O., salons. Salonnetje, O., -jes. Salonboot, V., -booten. Salonmuziek, V. Salonspiegel, M., -spiegels. Salonwagen, M., -wagens. Salpeter, O. Salpeteracht i g. Salpeterig. Salpeterkokerij, V., -kokerijen. Salpeterzuur, O. Salpeterzuur, -zure. Salueeren, salueerde, heeft gesalueerd. Saluut, O., saluten. Saluutschot, O., -schoten. Salvo, O., salvo's. Samaar, V., samaren. Samaartje, O., -jes. |
SAM.
336
SAM.
|
Samen en te zamen. Als eerste lid van samenstellingen ook saam. Samenbinden, bond samen, heeft samengebonden. Samenbinding, V. Samenblijven, bleef samen, bleven samen, is samengebleven. Samenbrengen, bracht samen, heeft samengebracht. Samenbuigen, boog samen, bogen samen, heeft samengebogen. Samendoen, deed samen, deden samen, heeft samengedaan. Samendragen, droeg samen, heeft sa-mengedragen. Samendrijven, dreef samen, dreven samen, heeft samengedreven. Samendringen, drong samen, heeft samengedrongen. s amendrükb a ar. Samendrukbaarheid, V. Samendrukken, drukte samen, heeft samengedrukt. Samendrukking, v. Samenduwen, duwde samen, heeft sa-mengeduwd. Samenflansen, flanste samen, heeft samengeflanst. Samenflansing, v. Samengaan, gaat samen, ging samen, heeft en is samengegaan. Samengesteld. Samengesteldbloemig. Samengezworenen (mv.), M. Samengieten, goot samen, goten samen, heeft samengegoten. Samengieting, V. Samengroeien, groeide samen, is samengegroeid. Samengroeiing, v. Samenhalen, haalde samen, heeft sa-mengehaald. Samenhang, M. Samenhangen, hing samen, heeft samengehangen. s amenh angend. Samenhechten, hechtte samen, heeft samengehecht. Samenhechting, v. Samenhoopen, hoopte samen, heeft sa-mengehoopt. Samenhooping, v, Samenknijpen, kneep samen, knepen samen, heeft samengeknepen. Samenknoopen, knoopte samen, heeft samengeknoopt. Samenknooping, v. Samenkomen, komt samen, kwam samen, kwamen samen, is samengekomen. Samenkomst, V., -komsten. Samenkoppelen, koppelde samen, heeft samengekoppeld. Samenkoppeling quot;v. |
Samenlappen, lapte samen, heeft sa-mengelapt. Samenleggen, legde samen en leide samen, heeft samen gelegd en samen-geleid. Samenleving, v. Samenlijmen, lijmde samen, heeft sa-mengelymd. Samenlijming, v. Samenloop, m. Samenlooi-en, liep samen, is samen-geloopen. Samenmengen, mengde samen, heeft samengemengd. Samenmenging, V. Samennaaien, naaide samen, heeft sa-mengenaaid. Samenpakken, pakte samen, heeft en is samengepakt. Samenpersen, perste samen, heeft samengeperst. Samenpersing, V. Samenplakken, plakte samen, heeft samengeplakt. Samenplakking, V. Samenraapsel, o., -raapsels. Samenrapen, raapte samen, heeft samengeraapt. SAMENRAPIiTG, V. Samenrijgen, reeg samen, regen samen, heeft samengeregen. Samenroepen, riep samen, heeft samengeroepen. Samenroeping, v. Samenrotten, rotte samen, heeft en is samengerot. Samenrotting, V., -rottingen. Samenschakelen, schakelde samen, heeft samengeschakeld. Samenschakeling, v. Samenscharrelen, scharrelde samen, heeft samengescharreld. Samenschikken, schikte samen, heeft samengeschikt. Samenschikking, v. Samenscholen, schoolde samen, heeft en is samengeschoold. Samenscholing, V., -scholingen. Samenschraapsel, o., -schraapsels. Samenschrapen, schraapte samen, heeft samengeschraapt. Samenschroeven, schroefde samen, heeft samengeschroefd. Samensmelten, smolt samen, heeft en is samengesmolten. Samensmelting, V,, -smeltingen. Samensnoeren, snoerde samen, heeft samengesnoerd. Samensnoering, v. Samenspannen, spande samen, heeft en is samengespannen. Samenspanning, V., -spanningen. Samenspelden, speldde samen, heeft samengespeld. |
SAM.
SAN.
337
|
Samenspraak, V., -spraken. Samen- spraakje, O., -jes. Samenspbeken, sprak samen, spraken samen, heelt samengesproken. Samenspreking, V., -sprekingen. Samenstel, O. Samenstellen, stelde samen, heeft samengesteld. Samensteller, M., -stellers. Samenstelling, V., -stellingen. Samenstemmen, stemde samen, heeft samengestemd. Samenstemming, V. Samentreffen, trof samen, troffen samen, heeft samengetroflen. Samentrekken, trok samen, trokken samen, heeft en is samengetrokken. Samentrekkend. Samentrekking, V., -trekkingen. Samentrekkingsteeken, ü., -teekens. Samenvatten, vatte samen, heeft samengevat. Samenvatting, V. Samenvlechten, vlocht samen, heeft samengevlochten. Samenvlechting, V. Samenvloeien, vloeide samen, is samengevloeid. Samenvloeiing, V., -vloeiingen. Samenvoegen, voegde samen, heeft samengevoegd. Samenvoeging, V., -voegingen. Samenvoegsel, O., -voegsels. Samenvouwen, vouwde samen, heeft samengevouwen. Samenvouwing, V., -vouwingen. Samenwassen, wies samen, wiesen samen, is samengewassen. Samenweefsel, O., -weefsels. Samenwerken, werkte samen, heeft samengewerkt. Samenwerking, V. Samenweven, weefde samen, heeft sa- mengeweven. Samenweving, V. Samenwinden, wond samen, heeft sa- mengewonden. Samenwonen, woonde samen, heeft samengewoond. Samenwoning, V. Samenwringen, wrong samen, heeft sam ongewrongen. Samenzweerder, M., -zweerders. S vmenzweren, zwoer samen, heeft samengezworen. Samenzwering, V., -zweringen. Sammelaar, M., sammelaars Sammelaarster, V., sammelaarsters. Sammelarij, V., sammelaryen. Sammelen, sammelde, heeft gesammeld. Sanatorium, o., sanatoria. Sanctie, V., sanctiën. Sanctionneeren, sanctionneerde, heeft gesanctionneerd. |
Sandaal, V., sandalen. Sandelboom, M., -boomen. Sandelhout, O. Sandelhouten (bnw.). sandrak, o. Sanguinisch. S vnhedrin, O. Sanitair. S vnskrit, O. Sanskritist, M., sanskritisten. Sanskritsch. Sant, M., santen. Santje,. O., -jes. Santenkraam, V. Santin, V., santinnen. Santonine, V. Santorie, V. Sap, O., sappen. Sapanhout, ü. Sapgroen, O. Sappe (loopgraaf). Vâ sappen. Sappeeren, sappeerde, heeft gesappeerd. Sappeloos en saploos, -looze. Sapperloot. Sappeur, m., sappeurs. Sappeursbaard, M., -baarden. Sappig, sappiger, sappigst. Sappigheid, v. Saprijk, -rijker, -rijkst. Saprijkheid, V. Sap verf, V., -verven. Saraceen, M., Saracenen. Saraceensch. Sarcasme, o., sarcasmen. Sarcastisch, sarcastischer, meest sarcastisch. Sarcophaag, V., sarcophagen. Sabdijn en sardine, V., sardijnen en sardines. Sardijntje en sardientje, O., -jes. Sabdijnenvangst, V. Sabdinenblikje, O., -jes. Svbdgnyx (stof), O.; (steen), M., sardonyxen. Sabge. Zie Serge. Sabong, V., sarongs. Sabben, sarde, heeft gesard. Sabbig, sarriger. sarrigst. Sas (.soort van buskruit), V., sassen. Sas (sluiskolk), O., sassen. Sassefbas, O. Sasseb, M., sassers. Satan, M., satans.. Satansch. Satanskind, o., -kinderen. Satanswebk, O. Satelliet, M., satellieten. Sateb, M., saters. Satertje, O., -jes. Satebsgezicht, O., -gezichten. Satijn, O., satynen. Satijnachtig, -achtiger, -achtigst. Satijnen (bnw.). Satijnwevebij, V., -weverijen. Satineeben, satineerde, heeft gesatineerd. |
22
338 SOH.
SAT.
|
Satinet, O. Satire, V., satiren. Satirendichter, M., -dichters. Satiriek, satirieker, satiriekst. Satraap, M., satrapen. Saucijs, V., saucijzen. Saucjjsje, O.,-jes. Saucijzebroodje, O., -jes. Saus, V., sausen. Sausje, O., -jes. Sausen, sauste, heeft gesaust. Sauskom, V., -kommen. Sauslepel, M., -lepeis. Savonet, V., savonetten. Savonetje, O., -jes. Savoyekool, V., -kooien. Scalp, M., scalpen. Scalpeeren, scalpeerde, heeft gescal-peerd. Scandeeren, scandeerde, heeft gescandeerd. Scansie, V. Scaphander, M., scaphanders. Scapulier, o., scapulieren. Scepticisme, O. Scepticus, M., sceptici. Sceptisch. Schaaf, V., schaven. Schaaf je, O., -jes. Schaafrank, V., -banken. Schaafbeitel, M., -beitels. Schaafmes, O., -messen. Schaafsel, O. schaafstroo, o. Schaak. Schaakbord, o., -borden. Schaakgezelschap, o., -gezelschappen. Schaakmat. Schaakpartij, V., -partijen. Schaakprobleem, O., -problemen. Schaakspel, O., -spellen. Schaakspelen, O. Schaakspeler, M., -spelers. Schaakwedstrijd, M., -wedstryden. Schaal, V., schalen. Schaaltje, ü., -jes. Schaalcollecte, V., -collecten. Schaaldier, o., -dieren. Schaamachtig, -achtiger, -achtigst. Schaamachtigheid, V. Schaambeen, O., -beenderen. Schaamdeel, O., -deelen. Schaamlid, O., -leden. Schaamrood, -roode. Schaamte, V. Schaamtegevoel, O. Schaamteloos, -loozer, -loost. Schaamteloosheid, V. Schaap, O., schapen. Schaapje, O., -jes. Schaapachtig, -achtiger, -achtigst. Schaapherder, M., -herders. Schaapskleederen, (mv.), o. Schaapskooi, V., -kooien. Schaapsleder en -leer, O. Verg. Schapeleder. Schaapslederen en -leeren (bnw.). Schaapsvacht, V., -vachten. Schaar (menigte), V., scharen. |
Schaar (werktuig), V., scharen. Schaartje, O., -jes. Schaarbosch, O., -bosschen. Schaard, V., schaarden. Schaardje, O., -jes. Schaardig, schaardiger, schaardigst. Schaars (bijw.). Schaarsch (bnw.), schaarscher, meest schaarsch. Schaarschheid, V. Schaarschte, V. Schaarslijp en -sliep, M., -slypen en -sliepen. Schaarstok, M., -stokken. Schaarstrook, V., -strooken. Schaats, V., schaatsen. Schaatsje, O., -jes. Schaatsenriem, M., -riemen. Schaatsenrijden, O. Schaatsenrijder, M., -ryders. Schaatsenrijdster, V., -rydsters. Schaatshout, O., -houten. Schaatsijzer, O., -ijzers. Schabberig, schabbedger, schabberigst. Schabberigheid, V. j Schabel, V., schabellen. Schabelletje, O., -jes. i Schabouwelijk, schabouwelijker, scha-bouwelykst. Schabouwerig, schabouweriger, scha-bouwerigst. Schabrak, V. en O., schabrakken. Schabrakje, O., -jes. : Schacheraar, M., schacheraars. ! Schacheren, schacherde, heeft ge-schacherd. Schacherij, V., schacherijen. Schacht en schaft, V., schachten en schaften. Schachtje en schaftje, O., -jes. Schachtenleder en -leer, O. Schade, V. Schadelijk, -lyker, -lykst. Schadelijkheid, V. Schadeloos (zonder schade). Schadeloos (beschadigd). Zie Schaloos. Schadelooshouding, V. Schadeloosstellen, stelde schadeloos, heeft schadeloosgesteld. Schadeloosstelling, V. Schaden, schaadde, heeft geschaad. Schadevergoeding en schavergoeding, V., -vergoedingen. Schadeverhaling en schaverhaling, V., -verhalingen. Schaduw (ook scHAauw),V., schaduwen. Schaduwtje, O., -jes. Schaduwachtig, -achtiger, -achtigst. Schaduwbeeld, O., -beelden. Schaduwen, schaduwde, heeft geschaduwd. Schaduwing, V., schaduwingen. Schaduwloos, -looze. Schaduwrijk, -rijker, -rijkst. |
SCH.
SCH.
339
|
Schaduwzijde, V., -zijden. Schaffen, schafte, heeft geschaft. Schaffeb, M., schaffers. Schaft. Zie Schacht. Schaften, schaftte, heeft geschaft. Schaftgat, O., -gaten. Schaftklok, v., klokken. Schaftlijst, V., -lijsten. Schaftmeester, M., -meesters. Schafttijd, m. Schaftuur, o., -uren; -uurtje, o., -jes. Schakeeren, schakeerde, heeft geschakeerd. Schakeering, v., schakeeringen. Schakel, v., schakels. Scha keltje, O., -jes. Schakelen, schakelde, heeft geschakeld. Schakeling, V.. schakelingen. ; schakellijm, v. schakelnet, o., -UGtten. Schaken (ontvoeren), schaakte, heeft geschaakt. Schaken (spelen), schaakte, heeft geschaakt. Schaker, M., schakers. Schaking, V., schakingen. Schako en sjako, V., schako's en sjako's, i Schal, M. Schalen, schaalde, heeft geschaald. Schalie, V., schaliën en schalies. Schaliedak en bchaliëndak, O., -daken. ⢠Schalk, M., schalken. Schalkje, O., -jes. Schalk, schalker, schalkst. Schalkachtig, -achtiger, achtigst. Schalkachtigheid, V., -heden. Schalkheid, v., -heden. Schalks (byw.), schalkser, schalkst. Schalksch (bnw.), schalkscher, meest schalksch. Schalkschheid, V., -heden. Schallebijter. Zie Scharrebyter. Schallen, schalde, heeft geschald. Schalm, M., schalmen. Schalmpje, O., -jes. Schalmei, v., schalmeien. Schalmeitje, O., -jes. Schalmen, schalmde, heeft geschalmd. schalmgeld, o. Schalmhout, O. Schaloos en schadeloos, -looze. Schamel, schameler, schamelst. Schamelheid, v. Schamen (zich â), schaamde zich, heeft zich geschaamd. _ Schamp, m. Schampdek, o., -dekken. Schampen, schampte, is geschampt. Schamper, schamperder, schamperst. Schamperheid, V., -heden. schamperlijk. Schamppaal, M., -palen. Schampscheut (schamper gezegde), m., -scheuten. |
Schampschot (schot), o., -schoten. Schandaal, o., schandalen. Schandaaltje, O., -jes. Schandaleus, schandaleuzer, schandaleust. Schandalig, schandaliger, schandaligst. Schan d aliseeren, schandaliseerde, heeft geschandaliseerd. Schandbord, O., -borden. Schanddaad, V., -daden. Schande, V. Schandek, O., -dekken. Schandekoop. Schandelijk, -lyker, -lykst. Schandelijkheid, V., -heden. Schandgeld, o. Schandgewaad, O., -gewaden. schandjongen, M., -jongens. Schandkleed, O., -kleedeien. Schandmerk, O., -merken. Schandmerken, schandmerkte, heeft geschandmerkt. Schandpaal, M., -palen. Schandteeken, O., -teekens en -teekenen. Schandvlek, V., -vlekken. Schandvlekken, schandvlekte, heeft geschandvlekt. Schans, V., schansen. Schansje, O.,-jes. Schansen, schanste, heeft geschanst. Schansgraver, M., -gravers. Schanskorf, M., -korven. Schanslooper, M., -loopers. Schap, V., schappen. Schapebout, M., -bouten; -boutje, O., -jes. Schapekop, M., -koppen. Schapeleder en -leer, en schapenleder en -leer, O. Verg Schaapsleder. Schapelever, V. Schapenboter, V. Schapendief, M., -dieven. Schapenfokker, M., -fokkers. Schapenhok, O., -hokken. Schapenhuid, V., -huiden. Schapenkaas, V., -kazen; -kaasje, O., -jes. Schapenluis, V., -luizen. Schapenmarkt, V, Schapenmelk, V. Schapenstal, M., -stallen. Schapenwol, V. Schapenwolkje, O., -jes. Schapepoot, M., -pooten. Schapevacht, V., -vachten. Schapevel, o., -vellen. Schapevleesch en schapenvleesch, O. Schappelijk, -Ijjker, -lykst. Schappelijkheid, V. Schaprade en schapraai, V., -raden en â¢raaien. Schar, V., scharren. Scharretje, O.,-jes. Scharbier. Zie Scharrebier. |
SCH.
340
SCH.
|
Scharen, schaarde, heeft geschaard. Schabenslijper, M., -slypers. Scharing, V. Scharlaken, O. Scharlaken (bnw.). Scharlakenkoorts, V. Scharlakenrood, -roode. scharlakensch. scharlei Oil kcherlei, V. Scharluin en bcherluin, M., scliar- luinen en scherluinen. Scharminkel en scherminkel.M., scharminkels en scherminkels. Scharnier, o., scharnieren. Scharnier- tje, O., -jes. Scharrebier en scharbieb, O. Scharbebijteb en schallebijteb, M., -bijters. Schabbelaab, M., scharrelaars. Schabbelbeenen, schaiTelbeende, heeft gescharrelbeend. Schabbelen, scharrelde, heeft en is gescharreld. Schat, M., schatten. Schatje, O., -jes. Schatbaab, -baarder, -baarst. Schatbaabheid, V. Schatbewaarder, M., -bewaarders. Schateren, schaterde, heeft geschaterd. Schaterlach, M. ^Schaterlachen, schaterlachte, heeft geschaterlacht. Schatgraver, M., -gravers. Schatkamer, V.. -kaniers. Schatkist, V., -kisten. Schatkistbiljet, O., -biljetten. Schatkistbon, M., -bons. Schatmeesteb, M., -meesters. Schatplichtig. Schatbuk. Schatten, schatte, heeft geschat. Schatteb, M., schatters. Schatting, V., schattingen. Schaveelen en schavielen, schaveelde (schavielde), heeft en is geschaveeld (geschavield). Schaveeling en schavieling, V. Schaveling, M., schavelingen. Schaven, schaafde, heeft geschaafd. Schavebgoeding. Zie Schadevergoeding. Schavebhaling. Zie Schadeverhaling. Schavielen. Zie Schaveelen. Schaving, V. tScHAvoT, O., schavotten. Schavotje, O., -jes. schavotkleub, V. Schavotteeben, schavotteerde, heeft geschavotteerd. Schavotteebing, V., schavotteeringen. Schavuit, M., schavuiten. .Schavuitje, O., -jes. Schavuitenbtbeek, M., -streken. Schavuitenstuk, O., -stukken. Schedel, M., schedels. Schedelboor, V., -boren. |
Schedelbbeuk, V., -breuken. | Schedelhuid, V. Schedelleeb, v. Schedelmeting, V., -metingen. scheede, schee ou schik, V., schee- den, scheeën en schieën. Scheetje en schietje, O., -jes. Scheef, scheever, scheefst. Scheefbeen, M. en V., -beeneu. Scheefheid, V. Scheefhoek, M., -hoeken. Scheefhoekig. Scheefnek, M. en V., -nekken. Scheefneus, M. en V., -neuzen Scheefte, V. Scheefvoet, M. en V., -voeten. Scheel (deksel), o., scheelen. Scheeltje, O., -jes. Scheel, scheler, scheelst. Scheelaabd, m., scheelaards. Scheelachtig. Scheelen (scheiden, schoonmaken), scheelde, heeft gescheeld. Scheelheid, V. Scheeloog, M. en V., -oogen. Scheelzien, O. Scheen, V., schenen. Scheentje, O.,-jes. Scheenbeen, O., -beenderen. Scheep (Te â). Scheepje. Zie Schip. Scheepbijk, -ryker, -rykst. Scheepsbed, o., -bedden. scheepsbehoeften (hiv.), V. Scheepsbebicht, o., -berichten. Scheepsbeschuit, V., -beschuiten. scheepsbestieb, o. Scheepsbewijs, O., -bewijzen. scheepbboobd, o. Scheepsbouw, M. scheepsbouweb, m. Scheepsbouwmeesteb, M., -meesters. Scheepsch (Geen â verstaan). Scheepsdek, O., -dekken. Scheepsdokteb, M., -dokters. Scheepsgebbuik, O., -gebruiken. Scheepsgelegenheid, V., -gelegenheden. Scheepsgevecht, O., -gevechten. : Scheepsgezel, M., -gezellen. Scheepsjongen, M., -jongens. Scheepsjoubnaal. o , -journalen. Scheepskameel, o., -kameelen. Scheepskapitein, M., -kapiteins. Scheepskist, V., -kisten. Scheepsklebk, M., -klerken. Scheepskok, M., -koks. Scheepskost, M. Scheepskroon, V., -kronen. Scheepslading, V., -ladingen. Scheepslantaben, V., -lantarens. Scheepslengte, V., -lengten. Scheepsmaat, M.. -maats. Scheepsmakelaab, M., -makelaars. Scheepsofficieb, M., -officieren. Scheepspapieren (mv.), o. |
SCH.
341
SCH.
|
scheepsprovisie, v. Scheepsraad, M., -raden. Scheepsrecht, O. scheepsruimte, v. :liee- Scheepsstrijd, M., -strijden, e en Scheepstagrijn, M., -tagrynen en -tagryns. Scheepsterm, M., -termen. Scheepstijding, V., -tijdingen. Scheepstimmerman, M., -lieden en -lui. Scheepstimmerwerf, V., -werven. Scheepstocht, m., -tochten. Scheepstoebehooren, o. Scheepstoerüsting, V., -toerustingen. Scheepstuig, o. Scheepsvolk, O. 3ltje, Scheepsvoogd, M., -voogden. Scheepsvracht, V., -vrachten. Scheepswerk, O. Scheepswoord, O., -woorden. Scheepvaart, v. ken), Scheepvaartbelangen (mv.), O. Scheepvaartrecht, O., -rechten. Scheer (zandbank), V., scheren. ; Scheerbekken, O., -bekkens, i Scheerhout, M., -bouten, -jes. Scheerder, M., scheerders. 1 Scheerderswinkel, M., -winkels. Scheerdoek, M.,-doeken; -doekje, O.,-jes. Scheerdoos, v., -doozen. i Scheerdraad, M., -draden. â Scheergang, V., -gangen. scheergeld, o. Scheergereedschap, o. Scheerhaak, M., -haken. Scheerklant, M., -klanten. Scheerkoffertje, ü., -jes. scheerkoker, M., -kokers. Scheerkwast, M., -kwasten; -kwastje, ü., -jes. s. Scheerlijn, V., -lynen. Scheerling, v. Scheerloon, ü , -loonen. Scheermes, O., -messen. Scheerriem, M., -riemen. iden. Scheersel, O. Scheerspiegeltje, O., -jes. Scheerstok, M., -stokken. Scheertijd, m. Scheerwater, O. Scheerwinkel, M., -winkels. Scheerzeep, v. Scheet, m., scheten. Scheg en schegge, V., scheggen. Scheggelood. o. Schei, V,, scheien. Scheiboter, v. Scheidbaar, -bare. Scheidbaarheid, v. Scheidboom, M., -boomen. Scheidboor, v., -boren Scheidbrief, m.. -brieven. Scheiden, scheidde, heeft en is gescheiden. |
Scheiding, V., scheidingen. Scheidinkje O., -jes. Scheidpaal, M., -palen. Scheidsman, M., -lieden. Scheidsmuur, M., -muren. Scheidsrechter, m., -rechters. Scheidsvrouw, V., -vrouwen. Scheikunde, V. Scheikundig. Scheikundige, M., -kundigen. Scheikunst, V. Scheilijn, V., -lynen. Scheimuur, M., -muren. Scheinagel, M., -nagels. Scheisel,. O., scheisels. Scheisloot, V., -slooten. scheiteeken, o., -teekous. scheivocht, o. Schel (bel), V., schellen. Schelletje, O., -jes. Schel (schil). Zie Schil. Schel, scheller, schelst. Schelden, schold, heeft gescholden. Scheldnaam, M., -namen. Scheldwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes. Schelen (verschillen), scheelde, heeft gescheeld. Schelf, V., schelven. Schelheid, V. Schelklinkend, -klinkender, -klin- kendst. Schelknop, M., -knoppen. Schelkoord, O., -koorden. Schelkruid, O. Schellak, O. Schellen, schelde, heeft gescheld. Schelling, M., schellingen. Schellinkje, O., -jes. Schellinkje (in de komedie), O. Schelm, M., schelmen. Schelmpje, O., -jes. Schelmachtig, -achtiger, -achtigst. Schelmachtigheid, v. Schelmerij, V., schelmerijen. Schelmsch, schelmscher, meest schelmsch. Schelmstuk, O., -stukken. Schelp en schulp, V., schelpen en schulpen. Schelpje en schuipje, O., -jes. Schelpdier, o., -dieren. Schelpenpad, o., -paden. Schelpweg, M., -wegen. Scheluw. Schelvisch (een visch), M., -visschen. Als stofnaam, V. Schelvischlever, V., -levers. Schel visch oog, O., -oogen. Schelvischvangst, V. Schelwortel, V. Schema, O., schema's. Schemer, M. Schemerachtig, -achtiger, -achtigst. Schemeravond, m., -avonden. |
SCH.
342
SCH.
|
Schemeren, schemerde, heeft geschemerd. Schemerig, schemeriger, schemerigst. Schemering, V., schemeringen. Schemerlicht, O. schemertijd, M. Schemeruur, o.; -uurtje, o., -jes. Schendbrok, M. en V., -brokken. Schenden, schond, heeft geschonden. Schender, M., schenders. Schenderij, V., schenderijen. Schendig, schendiger, schendigst. Schending, V., schendingen. Schenk, m., schenken. Schenkje, o., -jes. Schenkage, V., schenkages. Schenkblad, o., -bladen; -blaadje, o., -jes. Schenkbord, o., -borden; -bordje, o., -jes. Schenkel en schinkel, M., schenkels en schinkels. Schenkeltje en schinkeitje, O., -jes. Schenken, schonk, heeft geschonken. Schenker, M., schenkers. Schenking, v., schenkingen. Schenkingsakte, v., -akten. Schenkkan, v., -kannen; -kannetje, o., -jes. Schenkketel, M., -ketels; -keteltje, o., -jes. Schenkster, V., schenksters. Schennis, V. Schenziek, -zieker, -ziekst. Schep, M., scheppen. Schepje, O., -jes. Schepbord, O., -borden. Schepel, o., schepels. Schepeltje, o., -jes. Schepeling, M. en V., schepelingen. V. ook schepelinge. Schepelsmand, V., -manden. Schepelszak, M., -zakken. Schepen, M., schepenen. Schepen, scheepte, heeft gescheept. Schepenbank, V., -banken. Schepenbrief, M., -brieven. Schependom, O. Schepenkennis, V., -kennissen. Schepenschap, O. Schepgat, O., -gaten. Scheplepel, M., -lepels. Schepnet, o., -netten; -netje, o., -jes. Scheppen (voortbrengen), schiep, heeft geschapen. Scheppen (putten), schepte, heeft geschept. Schepper, M., scheppers. Schepping, V., scheppingen. Scheppingsgeschiedenis, V. Scheppingskracht, V. Scheppingsverhaal, O., -verhalen. Scheppingsvermogen, O. Scheppingswerk, o, Scheprad, O., -raden en -raderen. Schepsel, O., schepselen en schepsels. Schepseltje, O., -jes. |
Schepter, M., schepters. Schepvat, O., -vaten. Scheren, schoor, schoren, heeft geschoren. Scherf, V., scherven. Scherfje, O., -jes. Schering, V., scheringen. Scherlei. Zie Scharlei. Scherluin. Zie Scharluin. Scherm, O., schermen. Schermpje, O.,-jes. ScHERMBi'joemig. Schermdegen, M., -degens; -degentje, O., -jes. Schermen, schermde, heeft geschermd. Schermer (persoon), M., schermers. Schermer (naam van een polder), V. Schermhandschoen, M., -handschoenen. Scherminkel. Zie Scharminkel. Schermkunst, V. Schermles, V., -lessen. Schermmasker, O., -maskers. Schermmeester, M., -meesters. Schermutselaar, M., schermutselaars. Schermutseling, V., schermutselingen. Schermutsen, schermutste, heeit ge-schermutst. schermzaal, v., -zalen. Scherp, scherper, scherpst. Scherp, O. Scherpachtig. Scherpelijk. Scherpen, scherpte, heeft en is gescherpt. Scherper, M., scherpers. Scherpheid, V., -heden. Scherphoekig. Scherping, V., scherpingen. Scherpkort. Scherplang. Scherprechter, M., -rechters. Scherpschutter, M., -schutters. Scherpschuttersvereeniging, V., -ver- eenigingen. Scherpsnijdend. Scherpte, V., scherpten. Scherpziend. Scherpzinnig, -zinniger, -zinnigst. Scherpzinnigheid, V., -heden. scherpzinniglijk. Scherts, V. Schertsen, schertste, heeft geschertst. Schertsenderwijze en -wijs. Schertser, M., schertsers. Scherven, scherfde, is gescherfd. Schets, V., schetsen. Schetsje, O., -jes. Schetsboek, O., -boeken. Schetsen, schetste, heeft geschetst. Schetser, Mâ schetsers. Schetsteekening, V.. -teekeningen. Schetteraar, M., schetteraars. Schetterbuik, M., -buiken. Schetteren, schetterde, heeft geschetterd. Schettering, v, schetteringen. Scheur, v., scheuren. Scheurtje, o.,-jes. |
SCH.
SCH.
343
|
Scheurbuik, V. Verg. Scorbut. Scheurder, M., scheurclers. scheurdoek, M., -doeken. Scheuren, scheurde, heeft en is gescheurd. Scheuring, V., scheuringen. Scheurkalender, M., -kalenders. scheurlaken, o. Scheurlinnen, ü. Scheurmaker, M., -makers. scheurmakerij, V., -inakeryen. Scheurpapier, o. Scheursel, O., scheursels. Scheurziek, -zieker, -ziekst. Scheut, M., scheuten. Scheutje, 0.,-jes. Scheutig, scheutiger, scheutigst. Scheutigheid, V, ScHiBBoiiETH, O., schibboleths. Schicht, M., schichten. Schichtje,O., -jes. Schichtig, schichtiger, schichtigst Schichtigheid, V., -heden. Schie. Zie Scheede. Schielijk, -lijker, -lijkst. Schielijkheid, V. Schieman, M., -lieden en -lui. Schiemannen, schiemande, heeft geschiemand. Schiemansgaren, O. Schiemansgast, M., -gasten. Schiemansmaat, M., -maats. Schier. Schiereiland, o., -eilanden; -eilandje, O., -jes. Schieringer, M., Schieringers. Schietbaan, V., -banen. Schietbout, M., -bouten. Schieten, schoot, schoten, heeft en is geschoten. Schieter, M., schieters. Schietgat, O., -gaten. Schietgebedje, o., -jes. Schietgeweer, O. Schietkatoen, O. Schietlood, o., -looden. Schietoefening, V., -oefeningen. Schietschijf, V., -schijven. Schietschool, V., -scholen. Schietschouw, V., -schouwen. schietschuit, V., -schuiten. Schietsleuf, V., -sleuven. Schietspel, o., -spellen; -spelletje, o., -jes. Schietspoel, V., -spoelen. Schiettuig, O. Schietwedstrijd, M., -wedstrijden. Schiften (scheiden), schiftte, heeft geschift. Schiften (van vochten), schiftte, is geschift. Schieter, M., schifters. Schifting, V., schiftingen. Schietster, V., schiftsters. Schijf, V., schijven. Schijfje, O., -jes. Schijfschieten, O. |
Schijn, M.; schijntje, O., -jes. Schijnaanval, M., -aanvallen. Schijnbaar, -bare. Schijnbeeld, O., -beelden. Schijnbeweging, V., -bewegingen. Schijnchristen, M., -christenen. Schijndeugd, V., -deugden. Schijndood, m. Schijndood, -doode. Schijndoode, M. en V., -dooden. Schijnen, scheen, schenen, heeft geschenen. Schijngeleerde, M., -geleerden. Schijngeloof, O. Schijngeluk, O. Schijnglans, m, -glansen. Schijngrond, M., -gronden. Schijnheilig, -heiliger, -heiligst. Schijnheilige, M. en V., -heiligen. Schijnheiligheid, V. Schijnreden, V., -redenen. Schijnschoon, -schoone. Schijnsel, O., schynsels. Schignseltje, O., -jes. Schijnvermaak, O., -vermaken. Schijn vriend, M., -vrienden. Schijnvroom, -vrome. Schijnzoet, O. Schijten, scheet, scheten, heeft gescheten. schijtgeel, o. Schijtgeel, -gele. Sohijtlaars, M., -laarzen. Schijtvalk, M., -valken. schijtwortel, V. Schik, M. Schikgodin, V., -godinnen. Schikkklijk, -lijker, -lykst. Schikkelijkheid, V. Schikken, schikte, heeft en is geschikt. S hikker, m., schikkers. Schikking, V., schikkingen. Schikster, V., schiksters. Schil en schel, V., schillen en schellen. Schilletje en schelletje, O., -jes. Schild, O., schilden. Schildje, O., -jes. Schilder, M., schilders. Schildertje, O., -jes. Schilderachtig, -achtiger, -achtigst. Schilderachtigheid, V. Schilderen (malen), schilderde, heeft geschilderd. Schilderen (op schildwacht staan), schilderde, heeft geschilderd. Schilderes, V., schilderessen. Schilderhuisje, O., -jes. Schilderij, V. en O., schilderyen. Schil- derytje, O., -jes. Schilderijententoonstelling, V., -tentoonstellingen. schilderijkoord, o. Schilderijlijst, V., -lijsten. Schildering, V., schilderingen. Schilderkamer, V., -kamers. |
SCH.
344
SCH.
|
Schilderkunst, v. Schildersbent, v. Schilderschool, V., -scholen. Schildersezel, M.t -ezels. Schildersgordijn, O., -gordijnen. Schilderskwast, M., -kwasten. Schildersleven, O. Schilderstok en schildersstok, m., -stokken. Schilderstuk, O., -stukken; -stukje,O., -jes. Schildersvak, o. Schilderswinkel, M., -winkels. Schilderwerk, O. Schilderswerkplaats, V., -werkplaatsen. Schildhouder, M., -houders. Schildknaap, M., -knapen. Schildluis, V., -luizen. Schildpad (dier en scheepsw.), v., -padden; (stof), O. Schildpadje, O., -jes. Schildpadden (bnw.). Schildpadsoep, v. Schildvleugelïg. Schildwacht (een wachter), M., -wachten. Schildwacht (het wachthouden), v. Schildwachthuisje, O., -huisjes. Schilfer, v., schilfers. Schilfertje, O., -jes. Schilferachtig, -achtiger, -achtigst. Schilferen, schilferde, is geschilferd. Schilferig, schilferiger, schilferigst. Schilfering, V., schilferingen. Schillen, schilde, heeft geschild. Schillenmand, v., -manden. Schiller, M., schillers. Schilmesje, o., -jes. Schim, Y., schimmen. Schimmetje, o., -jes. Schimmel (paard), m., schimmels. Schim- meltje, O., -jes. Schimmel (uitslag), v. Schimmelachtig, -achtiger, -achtigst. Schimmelbles, M., -blessen. Schimmelen, schimmelde, heeft en is geschimmeld. Schimmelig, schimmeliger, schimme- ligst. Schimmeling, V. Schïmmelkleurig. Schimmelplant, V., -planten. schimmelspel, o. Schimmenrijk, o. Schimp, m. Schimpbrief, M., -brieven. Schimpdicht, o., -dichten. Schimpdichter, M., -dichters. Schimpelijk. Schimpen, schimpte, heeft geschimpt. Schimper, M., schimpers. Schimperij, V., schimperijen. Schimpig, schimpiger. schimpigst. Schimping, V., schimpingen. |
Schimpkreet, M.. -kreten. Schimplied, O., -liederen. Schimpnaam, M., -namen. Schimprede, V., -redenen. Schimpscheut, M., -scheuten; -scheutje, O., -jes. Schimpschrift, O., -schriften. Schimptaal, v. Schimpvogel, M., -vogels. Schimpwoord, O., -woorden. Schink, M., schinken. Schinkje, O,-jes. Schinkel (lichaamsdeel). Zie Schenkel. Schinkel en schenkel (scheepsw.), M., schinkels en schenkels. Schinkelhaak, M., -haken. Schip, ü., schepen. Scheepje, o., -jes. Schipbreuk, V., -breuken. Schipbreukeling, M. en v., -breukelin- gen. V. ook -breukelinge. Schipbrug, V., -bruggen. Schipper, M., schippers. Schippertje, O., -jes. Schipperen, schipperde, heeft en is geschipperd. Schipperij, V., schipperijen. Schippersboek, O., -boeken. Schippersbroek, V., -broeken. Schippershuis, O., -huizen. Schippebshut. V., -hutten. Schippersknecht, M., -knechts. ScHIPPERSLOON, O., -Iconen. Schippersmuts, V., -mutsen. Schippond, O., -ponden. Schisma, O., schisma's. Schitteren, schitterde, heeft geschitterd. Schitterend, schitterender, schitterendst. Schittering, V., schitteringen. schitterlicht, o. Schob. Zie Schub. Schobbejak, M., -jakken. Schobbejakken, schobbejakte, heeft ge- schobbejakt. Schobben, schobde, heeft geschobd. Schobberd, M., schobberds. Schobberdebonk (Op). Schoef, v., schoeven. Schoeien, schoeide, heeft geschoeid. Schoeiing, v., schoeiingen. Schoeisel, O., schoeisels. Schoeiseltje, O., -jes. Schoelje, M., schoeljes. Schoeljeachtig, -achtiger, -achtigst. Schoen, M., schoenen. Schoentje, O.,-jes. Schoenenwinkel, M., -winkels. Schoener. Zie Schooner. Schoengesp, M., -gespen. Schoenhoorntje, O., -hoorntjes. Schoenlappen, O. Schoenlapper (persoon, insect en gebak), M., -lappers; -lappertye, O., -jes. Schoenleder, O. Schoenmaken, O. |
SCH.
SCH.
345
|
Schoenmakeb, M., -makers; -makertje, O., -jes. Schoenmakersjongen, M., -jongen.s. Schoenpoetser, M., -poetsers. Schoenpoetsersbak, M., -bakken. Schoensmeer, O. Schoenzool, V., -zolen. Schoep, V., schoepen. Schoer, M., schoeien. Schoffeerder, M., schofleerders. Schoffeeren, sclioJIeerde, heeft geschoffeerd. Schoffeering, V., schoft'eeringen. Schoffel, V., schoffels. Schoiï'eltje, O., -jes. Schoffelaar, M., scholielaars. Schoffelen, schoffelde, heeft geschoffeld. Schoft (schavuit), M, schoften. Schoft (schouder), V., schoften. Schoftje, ü., -jes. Schoft (werktyd), V., schoften. Schoftachtig, -achtiger, -achtigst. Schoften, scholtte, heeft geschoft. Schofterig, schofteriger, schofterigst. Schoftig, schoftiger, schoftigsb. Schofttijd, M. Schoftuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes. Schok (stoot), M,, schokken. Schokje, O., -jes. Schok (boonenpeul), V., schokken. Schok (zestigtal), o., schokken. Schokken, schokte, heeft geschokt. Schokker, M., Schokkers Schol (IJsschots), V., schollen. Schol (visch), V., schollen. Scholletje, O., -jes. Scholastiek, v. Scholen, schoolde, heeft geschoold. Scholier, M., scholieren. Scholiertje, O., -jes. Scholierster, V., scholiersters. Scholium, O., scholia en scholiën. Schollevaar. Zie Scholver. Scholpen, scholpte, heeft geschelpt. Scholver, ook scholverd en schollevaar, M., scholvers, scholverds, schollevaars en schollevaren. Scholvertje, scholverdje en scuollevaartje, 0.,-jes. Schommel (schop), M., schommels. Schommeltje, o., -jes. Schommel (dik vrouwspersoon), V., schommels. Schommelaar, M., schommelaars. Schommelen, schommelde, heeft geschommeld. Schommelig, schommeliger, schomme-ligst. Schommeling, V., schommelingen. Schommelstoel, M., -stoelen. ScHOMPERMuiLEN,schompermuilde,heelt geschompermuild. Schongel, m., schongels. Schongeltje, O., -jes. |
Schongelen, scliongelde, heeft ge- schongeld. Schongeling, V., schongelingen. Schonk, V., schonken. Schonk,je, 0.,-jes. Schonkig, schonkiger, schonkigst. Schoof, V., schooven. Schoofje, ü., -jes. Schooien, schooide, heeft geschooid. Schooier, M., schooiers. Schooister, V., schooisters. School (leerschool enz.), V.; (schoolgebouw), V. en O., scholen. Schooltje, O., -jes. School (menigte visschen), V., scholen. Schoolbank, V., -banken. Schoolbezoek, O. Schoolbibliotheek, V., -bibliotheken. Schoolblijven, bleef school, bleven school, is schoolgebleven. Schoolboek, 0.,-boeken; -boekje,o.,-jes. Schoolboekhandel, m. Schoolbord, o., -borden. Schoolcommissie, V., -commissiën. Schooldistrict, o., -districten. Schoolfeest, O., -feesten. Schoolgaan, ging school, heeft schoolgegaan. Schoolgebouw, O., -gebouwen. Schoolgeld, o., -gelden. Schoolgeldheffing, V., -heffingen. Schooljaar, O., -jaren. Schooljeugd, V. Schooljongen, M., -jongens. Schooljuffrouw, V., -juffrouwen. Schoolkameraad, M.. -kameraden. Schoolkind, O., -kinderen. Schoolklok, V., -klokken. Scmoolliggen, lag school, lagen school, heeft schoolgelegen. Schoollokaal, o., -lokalen. Schoolmakker, o., -makkers. Schoolmeester, M., -meesters. Schoolmeesterachtig, -achtiger, -achtigst. Schoolmeesterswijsheid, V. Schoolmeisje, o., -meisjes. Schoolmeubel, O., -meubelen. Schoolopziener, m., -opzieners. Schoolpaard, O., -paarden. Schoolreglement, O., -reglementen. Schoolsch,schoolscher,meest schoolsch. schoolschheid, V. Schooltijd, M., -tijden. Schooltucht, V. Schooluur, O., -uren. Schoolvertrek, o., -vertrekken. Schoolverzuim, o. Schoolvos, M., -vossen. Schoolwerk, O. schoon, schooner, schoonst. Schoon, O. Schoon (voegw.) Schoonbroeder, M., -broeders. Schoondcchter, V., -dochters. Schoondruk, M. |
SCH.
SCH.
346
|
Schoone (schoone vrouw), V., schoonen. Schoone (hetgeen schoon is), O. Schoonen, schoonde, heeft en is geschoond. Schooner, ook schoener, M., schooners en schoeners. Schoonheid, V., -heden. schoonheidsgevoel, o. Schoonheidsleer, V. Schoonheidszin, M. Schoonhouden, hield schoon, heeft schoongehouden. Schoonklinkend, -klinkender, -klin- kendst. Schoonmaak, V. schoonmaakduivel, M. Schoonmaakster, V., -maaksters. Schoonmaken, maakte schoon, heeft schoongemaakt. Schoonmoeder, V., -moeders. Schoonouders (mv.), M. Schoonschijnend, -schynender, -schij-nendst. Schoonschrift, O., -schriften. Schoonschrijven, O. Schoonschrijver, M., -schrijvers. Schoontjes (bjjw.). Schoonvader, M., -vaders. Schoonzicht, O. Schoonzoon, M., -zoons en -zonen. Schoonzuster, V., -zusters. Schoor, M., schoren. Schoortje, O.,-jes. Schoorbalk, M., -balken. Schoorhoek, M., -hoeken. Schoorlat, v., -latten. Schoorpaal, M., -palen. Schoorpilaar, M., pilaren. Schoorpost, M., -posten. Schoorsteen, M., -steenen; -steentje, O., -jes. Schoorsteenbrand, M., -branden; -brandje, O., -jes. Schoorsteenmantel, M.. -mantels. Schoorsteenpijp, V., -pypen. Schoorsteenplaat, V., -platen. Schoorsteenrand, M., -randen. Schoorsteenstuk, o., -stukken. Schoorsteenval, M., -vallen; -valletje, O., -jes. Schoorsteenveger, M., -vegers. Schoorstuk, O., -stukken. Schoorvoeten, schoorvoette, heeft ge- schoorvoet. Schoorvoetend. Schoot (van een kleed), M., schooten. Schootje, ü., -jes. Schoot (touw), M., schooten. Schootje, O., -jes. Schoot (loot en deel van een slot), V., schoten. Schoot (bepaalde hoeveelheid), V., schoten. Schootje (ook als naam van zeker brood), O., -jes. Schootblok, O., -blokken. |
Schoothondje, O., -jes. Schootkind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes. Schootknechten (mv.), M. Schootsvel, O., -vellen. Schootvrij. Schooven, schoofde, heeft geschoofd. Schoovenbinder, M., -binders. Schoovenbindster, V., -bindsters. Schooverzeil, O., -zeilen. Schop (stoot), M., schoppen. Schopje, O., -jes. Schop (schommel), V.. schoppen. Schop (spade), V., schoppen. Schopje, O., -jes. Schoppen (mv.), V. Schoppen, schopte, heeft geschopt. Schoppenaas, o., -azen. Schoppenboer, M., -boeren. Schoppenheer, M., -heeren. Schoppenvrouw, V., -vrouwen. Schopstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes. Schor, schorder, schorst. Schoren, schoorde, heeft geschoord. Schorheid, V. Schoring, V., schoringen. Schorpioen, M., schorpioenen. Schorpioentje, O., -jes. Schorre en schor, V., schorren. Schorrimorrie, o. Schors, V., schorsen. Schorsje, o., -jes. Schorselwoensdag, M., -dagen. Schorsen, schorste, heeft geschorst. Schorseneer, V., schorseneeren. Schorsing, V., schorsingen. Schort, V. en o., schorten. Schortje, o., -jes. Schorteldoek, M., -doeken. Schortelkleed, o., -kleeden. Schorten, schortte, heeft geschort. Schorthaak, M., -haken. Schorting, V. Schot (Schotlander), M., Schotten. Schot (voortgang), ü. Schot (schut), O., schotten. Schotje, O., â¢jes. Schot (het schieten enz.), O., schoten. Schot (belasting), o. Schotbalk, m., -balken. Schotbout, M., -bouten. Schotel (vaatwerk), M., schotels en schotelen. Schoteltje, O., -jes. Schotel (bakkerswerktuig en deel van een slot), M., schotels. Schotelen, schotelde, heeft geschoteld. Schots, V., schotsen. Schetsje, O., -jes. Schots (byw.), schotser, schotst. Schotsch (scheef, lomp), schotscher, meest schotsch. Schotsch (van Schotland). Schotsch (Schotsche tongval), O. schotschbont. |
SCH.
SCH.
847
|
Schotschrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes. ⢠Schotspijeeb, M., -spijkers. Schotvaars, V., -vaarzen. Schotvrij. Schouder, M., schouders en schouderen. Schoudertje, O., -jes. Schoüderbedeeking, V., -bedekkingen. Schouderblad, O., -bladen. Schouderbeeedte, V. Schouderen, schouderde, heeft geschouderd. Schoudermantel, M.. -mantels; -manteltje, O., -jes. Schoudernaad, M., -naden. Schouderophalen, O. Schouderstuk, O., -stukken. Schout, M., schouten. Schout-bij-nacht, M., schouten-by-nacht en schout bij-nachts. Schout-bij-nachtsschip, o., -schepen. schout-bij-nachtsvlag, v., -Vlaggen. Schoutschap, o. Schouw (schoorsteen), V., schouwen. Schouw (schuit), V., schouwen. Schouwtje, O., -jes. Schouw (toezicht), V., schouwen. Schouwburg, M., -burgen. Schouwburgbezoeker, M., -bezoekers. Schouwburgcommissie, V., -commissiën. Schouwburgpubliek, o. Schouwburgzaal, V., -zalen. Schouwen, schouwde, heeft geschouwd. Schouwer, M., schouwers. Schouwing, V., schouwingen. schouwlustig, -lUStlgOr, -lustlgst. Schouwplaats, V., -plaatsen. Schouwspel, o., -spelen. Schouwspeler, M., -spelers. Schouwtooneel, O., -tooneelen. Schouwveger, M., -vegers. Schraag, V., schragen. Schraagje, O., -jes. Schraag (b\jw.). Schraagbalk, M., -balken. Schraagbeeld, o., -beelden. schraagpijler, m., -pyleis. schraagte, V. Schraal, schraler, schraalst. Schraalhans, M., -hanzen. Schraalheid, V. Schraalte, V. Schraaltjes. Schraap, V., schrapen. schraapachtig, -achtigor, -achtigst. Schraapachtigheid, V. schraapijzer, o., -ijZei'S. Schraapmes, o., -messen. Schraapsel, O., schraapsels. Schraapster, V., schraapsters. Schraapzucht, V. Schraapzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Schrab, V., schrabben. Schrabje, O., -jes. Schrabben, schrabde, heeft geschrabd. |
Schrabber, M., schrabbers. Schrabber-tje, O., -jes. schrabijzer, o., -jjzers. Schrabmes, ()., -messen. Schrabsel, O., schrabsels. Schrafelaar, M., sclu*afelaars. Schrafelen, sclirafelde, heeft geschra-feld. Schragen, schraagde, heeft geschraagd. Schraging, V. Schralen, schraalde, is geschraald. Schram, V., schrammen. Schrammetje en schrampje, O., -jes. Schrammen, schramde, heeft geschramd. Schrander, schranderder, schranderst. Schranderheid, V. Schrank, V., schranken. Schrankje, O., -jes. Schrankelaar, M., schrankelaars. Schrankelbeen, M. en V., -beeuen. Schrankelbeenen. schrankelbeende, heeft geschrankelbeend. Schrankelen, schrankelde, heelt ge- schrankeld. Schranken, schrankte, heeft geschrankt. Schranking, V., schrankingen. Schransen, schranste, heelt geschranst. Schranser, M., schransers. Schranserij, V. Schrap, V., schrappen. Schrapje, O.,-jes. Schrap (byw.). Schrapen, schraapte, heelt geschraapt. Schraper, M., schrapers, öchrapertje, O., -jes. Schraperig, schraperiger, schraperigst. Schraperigheid, V. Sourapuzer, O., -ijzers. Schrappen, schrapte, heeft geschrapt. Schrapper, M., schrappers. Schrapper- tje, O., -jes. Schrapsel, ü., schrapsels. Schred, m., schreden. Schrede, V., schreden. Schreetje, O., -jes. Schreef, V., schreven. Schreefje. O., -jes. Schreeuw, M., schreeuwen. Schreeuwtje, O., -jes. Schreeuwachtig, -achtiger, -achtigst. Schreeuwen, schreeuwde, heeft geschreeuwd. Schreeuwer, m, schreeuwers. Schreeuwerig, schreeuweriger, schreeu- werigst. Schreeuwerigheid, V. Schreeuwleelijk, M. en V., -leelijken. Schreien, schreide, heeft geschreid. Schreier, M., schreiers. Schreister, V., schreisters. Schrepel, M., schrepels. Schrepel, schrepeler, schrepelst. Schrepelen, schrepelde, heeft geschre-peld. Schriel, schrieler, schrielst. |
w
SCH.
348
SCH.
|
Schrielheid, v. Schrieligheid, V., -lieden. Schrift (de bijbelboeken), V. Schrift (liet geschrevene), O., schriften. Schriftje, O., -jes. Schriftelijk. Schriftgeleerde, M., -geleerden. Schriftmatig, -matiger, -matigst. Schriftmatigheid, v. Schriftuur, v., schrifturen. Schriftuurlijk. Schrijbeenen, sclirijbeende, heeft ge-schrybeend. SCHRUDELINGS en SCHRIJLINGS (bijW.). SCHRIJDELINGSCH en SCHRIJLINGSCH (bnw.). Schrijden, schreed, schreden, heeft geschreden. Schrijfbehoeften (mv.), V. Schrijfboek, o., -boeken; -boekje, o., â¢jes. Schrijfbureau, o., -bureau's. Schrijfcassette, V., -cassetten. Schrijffout, V., -fouten;-foutje, o.,-jes. schrufgeld, o. Schrijfgereedschap, o. Schrijfgerei, o. Schrijfinkt, M. Schrijfjeukte, V. schrijfkistje, o., -job. Schrijfkramp, v. Schrijfkunst, V. Schrtjflade, V., -laden. Schrufles, V., -lessen. Schrijflessenaar, M., -lessenaars. Schrijfletter, V., -letters. Schrijfloon, o , -loonen. Schrijfmachine, V., -machines. Schrijfmappe, V., -mappes. Schrijfmeester, M., -meesters. Schrijfpapier, o. Schrijfpen, V., -pennen. Schrijfportefeuille, V., -portefeuilles. Schrijfster, V., schrijfsters. Schrijfstift, V., -stiften. Schrijftaal, v. Schrijftafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes. Schrijftrant, M. Schrijfuur, o., -uren. Schrijfwerk, o. Schrijfwijze en -wijs, V., -wijzen. Schrijfwoede, V. Schrijlings. Zie Schrydelings. Schrijn, o. en m., schrijnen. Schrijnen, schrynde, heeft geschrynd. Schrijning, V., schrijningen. Schrijnwerker, M., -werkers. Schrijven, schreef, schreven, heeft geschreven. Schrijverij, V., schrijverijen. Schrijversgild, O. Schrik, M., schrikken. Schrikje, O.,-jes. Schrikachtig, -achtiger, -achtigst. |
! Schrikachtigheid, V. i Schrikbarend, -barender, -barendst. Schrikbeeld, O., -beelden. : Schrikbewind. (gt;. j Schrikkeldag, m., -dagen. ! Schrikkelijk, -lijker, -Ijjkst. | Schrikkeljaar, O . -jaren. Schrikkelmaand, V., -maanden. 1 Schrikken, schrikte, is en heeft geschrikt. Schrikmiddel, O., -middelen; -middel-| tje, O., -jes. ScHRiKPOEiER, V., -poeiers; -poeiertje, O., -jes. ! Schrikrol, V., -rollen. Schrikverwekkend. j Schrikwekkend, -wekkender, -wek- kendst. i Schril, schriller, schrilst. | Schrobbeering, V., schrobbeeringen. I Schrobben, schrobde, heeft geschrobd, j Schrobber, M., schrobbers, öchrobber- tje, O., -jes. ; schrobdag, M., -dageil. i Schrobnet, O., -netten. 1 schrobster, v., schrobsters. schrobtud, m. ; schrobviéfscherij, v. i schrobvbouw, V., -VrOUWOU.. Schrobzaag, V., -zagen. ; Schroef, V., schroeven. Schroefje, O., I -jes. Schroefboor, V., -boren. schroefboot, V., -bOOten. Schroefbout, M.. -bouten. Schroefdraad, M., -draden. Schroefgang, V., -gangen. Schroefsleutel, M., -sleutels. Schroefvormig . Schroeien, schroeide, heeft en is geschroeid. Schroeier, M., schroeiers. Schroeiijzer, o., -yzers. Schroeiing, V. Schroeveboom, M., -boomen. Schroevedraaier, M., -draaiers. Schroeven, schroefde, heeft geschroefd. Schrok, M., schrokken. Schrokje, O., - jes. Schroken, schrookte, heeft geschrookt. Schrokken, schrokte, heeft geschrokt. Schrokker, M., schrokkers. Schrokkig, schrokkiger, schrokkigst. schrokkigheid, V. Schrokster, v, schroksters. Schrollen, schrolde, heeft geschrold. Schromelijk, -lyker, -lykst. Schromelijkheid, V., -heden. Schromeloos, -loozer, -loost. ScHROMEN.schroomde.heeft geschroomd. Schromig, schromiger, schromigst. Schrompel, V., schrompels. Schrompelig, schrompelige!', schrom- peligst. Schroodbeitel, M., -beitels. |
ü
m
SCH.
SCH.
349
|
Schroodijzer, O., -ijzers. Schrooien, schrooide, heeft geschrooid. Schrooitouw, o , -touwen. schroom, M. Schroomachtig, -achtiger, -achtigst. Schroomachtigheid, V. Schroomvallig, -valliger, -valligst. schroomvalligheid, v. schroot, o. schrootvuur, o. Schub en schubbe, V., schubben. Schubje sn schubbetje, O., -jes. schubachtig. Schubben, schubde, heelt geschubd. Schubbig, schubbiger, schubbigst. Schubdier, o., -dieren. Schubmes, O , -messen. Schuchter, schuchterder, schuchterst. schuchterheid, v. Schuddebol, m. en v., -bollen. Schuddebollen, schuddebolde, heeft geschuddebold. Schudden, schudde, heeft geschud. Schudder, M., schudders. Schudding, V , schuddingen. Schuier, m., schuiers. Schuiertje, O., -jes. Schuieraar, M., schuieraars. Schuieren, schuierde, heeft geschuierd. Schuif, V., schuiven. Schuifje, O., -jes. Schuifblad, O., -bladen. Schuifblind, O., -blinden. Schuifdeur, V., -deuren. Schuifelaar, M., scliuifelaars en schui-felaren. Schuifelen, schuifelde, heeft geschuifeld. Schuifelïng, V. Schuifhout, O., -houten. Sc huifkar, V., -karren. Schuifknoop, m., -knoopen. Schuiflade, V., -laden; -laatje, O., -jes. Schuifluik, O., -luiken; -luikje, O., jes. Schuifpaal, M., -palen. Schuifraam, O., -ramen. Schuifslot, O., -sloten. Schuiftang, V.. -tangen. Schuiftrompet, V., -trompetten. Schuilen, school, scholen, 1 leeft gescholen; ook schuilde, heeft geschuild. Schuilevinkje, o. Schuilgaan, gaat schuil, ging schuil, is schuilgegaan. Schuilhoek, M., -hoeken; -hoekje, o., -jes. Schuilhouden (zich â), hield zich schuil, heeft zich schuilgeliouden. Schuilplaats, V., -plaatsen. Schuim, O. Schuimachtig, -achtiger. -achtigst. Schuimbekken, schuimbekte, heeft geschuimbekt. Schuimblad, o. Schuimen, schuimde, heeft geschuimd. |
Schuimer, M., schuimers. Schuimig, schuimiger, schuimigst. schuimlooper, m., -lOOpei'S. Schuimpje (gebakje), O., -jes. Schuimsciiop, V., -schoppen. Schuimspaan, V., -spanen; -spaantje, O., -jes. Schuin, schuiner, schuinst. Schuinen, schuinde, heeft geschuind. Schuinheid, V. Schuins (bijw.), schuinser, schuinst. Schuinsch (bnw.), schuinsciier, meest schuinsch. schuinfcciiheid, V., -heden. Schuinsmarcheerder, M.,-niarcheerders. Schuinte, V., schuinten. Schuit, V., schuiten. Schuitje, O., -jes. Schuitepraatje, o., -jes. Schuitevoerder, M., -voerders. Schuitevracht, v.. -vrachten. Schuithuis en schuiten huis, O.,-huizen. Schuitjevaren, O. Schuiven, schoof, schoven, heeft en is geschoven. Schuiver, M., schuivers. Schuivuit, M., schuivuiten. Schuld, V., schulden. Schuldje, O., -jes. Schuldbekentenis, V., -bekentenissen. Schuldbesef, O. Schuldbrief, M., -brieven. Schuldeischer, M., -eiscliers. Schuldeloos, -loozer, -loost. Schuldeloosheid, v. Schuldenaar, M., schuldenaars en schuldenaren. Schuldenares, V., schuldenaressen. Schuldenlast, M., -lasten. Schuldig, schuldiger, schuldigst. Schuldigverklaring, V. Schuldvergeving, V. Schuldvordering, V., -vorderingen. Schulp. Zie Schelp. Schulpen, schulpte, heeft geschulpt. Schulper, M., schulpers. Sc hulplijn, v., -lijnen. Schulpzaag, V., -zagen. Schuren (in de schuur brengen), schuurde, heeft geschuurd. Schuren (wrijven), schuurde, heeft geschuurd. Schurft, V. en O. Schurft, schurfter, schurftst. Schurftachtig, -achtiger, -achtigst. Schurftheid, V. Schurftig, schurftiger, schurftigst. Schurftigheid, V. Schuring, V., schuringen. Schurk, M.. schurken. Schurkje, O.,-jes. Schurkachtig, -achtiger, -achtigst. schurkachtigheid, v. Schurken, schurkte, heeft geschurkt. Schurkenstreek, M., -streken. Sc hurken werk, O- Schurkerij, V., schurkeryen. |
SCH.
350
SEC.
|
Schut (geschut), O. Schut (scherm), O., schutten. Schutje, O., -jes. Schutblad, o., -bladen. Sc hutmeester, M., -meesters. Schuts, v. Schutsel, o., schutsels. Schutseltje, o., -jes. Schutsengel, M., -engelen. Schutsheer, M., -heeren. Schutsluis, V., -sluizen. Schutspatroon, M., -patroons. Schutsvrouw, V, -vrouwen. Schutten, schutte, heelt geschut. Schutter, m., schutters. Schuttertje, O., -jes. Schutterig, schutteriger, schutterigst. Schutterigheid, v. Schutterij, v., schutterijen. schutterijmuziek, v. schutterplichtig. Schuttersdienst, m. Schuttersdoelen, m., -doelens. Schuttersgeweer, O., -geweren. Schuttersmaaltijd, m., -maaltijden. Schuttersraad, m., -raden. Schuttersuniform, V., -uniformen. Schutting, V., schuttingen. Schuttinkje, O., -jes. Schuur, V., -schuren. Schuurtje, O., -jes. Schuurbak, M., -bakken. Sen uurborstel, M., -borstels. Schuurdoek, M., -doeken. schuürgoed, o. Schuurhok, O., -hokken. Schuurlap, M., -lappen. Sc huurmand, V., -manden. Schuurplank, v., -planken. schuursel, o. Schuursteen, m., -steenen. Sc huurster, V., schuursters. Schuurzand, O. Schuw, schuwer, schuwst. Schuwen, schuwde, heeft geschuwd. Schuwheid, v. Scorbut, o. Verg. Scheurbuik. Scorbutiek. scrofuleus. Scrupel, O., scrupels. Scrupuleus, scrupuleuzer. Sculptuur, v. Secans, V., secanten. Secondant, M., «econdanten. Secondante, V., secondantes. Seconde en secunde, V., seconden en secunden. Secondenwijzer, M., -wijzers. Secondeslinger, M., -slingers. Secreet (geheim), o., secreten. Secretaire, V., secretaires. Secretariaat, o., secretariaten. Secretarie, V., secretarieën. Secretaris, M., secretarissen. |
Secretaris-generaal, M., secretarissen generaal. Sectaris, m., sectarissen. Sectie, V., sectiën en secties. Sector, M., sectoren en sectors. Secureeren, secureerde, heeft gesecu reerd. Securiteit, V. Sedert. Seffens. Segment, o., segmenten. Segmentje O., -jes. Segrun, O., segrijnen Segrijnen (bnw.). Sein, o., seinen, seintje, o., -jes. Seinboek, o., -boeken. i Seinen, seinde, heeft geseind. Seiner, M., seiners. Seinfluit, V., -fluiten. Seingever, M., -gevers. Seinontvanger, M., -ontvangers. : Seinpaal, M., -palen. Seinschip, O., -schepen. i Seinschot, O., -schoten. Seinvlag, V., -vlaggen. 1 Seinwachter, M., -wachters. 1 Seinwimpel, M., -wimpels. Seizen, seisde, heeft geseisd. Seizing, V., seizings. Seizoen, o., seizoenen. Sek, V. Sekreet (gemak), O., sekreten. Sekreet je, O., -jes Sekreetpapier, O. Sekreetruimer, M., -ruimers. Sekse, V., seksen. Sekte, V., sekten. Sektegeest, M. Sektenhaat, M. Sekuur, sekuurder, sekuurst. Selderij, V. Seldrement (tusschenw.). Semester, O., semesters. Seminarist, M., seminaristen. Seminarium, O., seminariums en seminaria. Semitisch, o. Senaat, M., senaten. Senaatsvergadering, V., -vergaderin gen. Senator, M., senatoren. Seneblad, O, -bladen. Senegroen, o. Seneplant, V., -planten. Sensualisme, O. Sensualist, M., sensualisten. Sensualiteit, V. Sensueel, sensueeler, sensueelst. Sent (scheepsw.), V., senten. Sententie, V., sententiën en sententies. Sententieus. Sentimentaliteit, V. Sentimenteel, sentimenteeler, sentimenteelst. |
SEP.
351
SIE.
|
Separatisme, O. Separatist, M., separatisten. Separatistisch. Sepia, v. September, M. Septet, O., septetten. Sequester, O. Sequestreeren, sequestreerde, heeft gesequestreerd. Seraf, m., serafs. Serafijn, M., serafijnen. Serafijntje, o., -jes. Serafine, V., serafines. Serafine-orgel, O., -orgels. Serafsvleugel, m., -vleugels. Serafsvlucht, v. Serail, O., serails. Serenade, V., serenades. Serenademuziek, v. Serge en sarge, V., serges en sarges. Sergeant, M., sergeanten en sergeants. Sergeant-majoor, M., sergeant-majoors. Sergeant-schrijver, M., sergeants- scliryvers. Sergeantsstrepen (mv.), V. Serie, V., serieën. Serielot, O., -loten. Sering en syring, V., seringen. Seringebloesem, M. Seringeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Seringestruik, M., -struiken; -struikje, O., -jes. Sermoen, o., sermoenen. Seroen, M., seroenen. Serpent, O., serpenten. Serpentig, serpen tiger, serpen tigst. Serpentijn (stuk geschut), v., serpen- tynen. Serpentijnsteen, o. Serpentijnsteenen (bnw.). Serpentslook, O. Serpentstong, V., -tongen. Servet, o., servetten. Servetje, o.,-jes. Servetgoed, o. Servetring, m., -ringen. Servies, 0â serviezen. Serviesje, o.,-jes. Serving, V., servings. Servituut, o., servituten. Sessie, v., sessies en sessiën. Sextant, V., sextanten. Sextet, o., sextetten. Sexueel, sexueele. | Sfeer, V., sferen. 1 Sferisch. Sfinx, V., sfinxen. Sidderaal, m.. -alen. Sidderen, sidderde, heeft gesidderd. Siddering, V.. sidderingen. Sideraal, siderale. Siderisch. siepel, v., siepels. Sier, v. |
Sieraad, 0., sieraden en sieradiën. Sieraadje, O., -jes. Sierage, V., sierages. Sieren, sierde, heeft gesierd. Siering, V., sieringen. Sierlijk, -lyker, -lijkst. Sierlijkheid, V., -heden. Sierplant, V., -planten. Siersel, O., siersels. Sigaar, V., sigaren. Sigaartje, O., -jes. sigarenasch, v. Sigarendamp, M. Sigarenfabriek, V., -fabrieken. Sigarenfabrikant, M., -fabrikanten. Sigarenkist, V., -kisten; -kistje, O.,-jes. Sigarenkoker, M., -kokers. Sigarenmaker, M., -makers. Sigarenpijpje, O., -jes. Sigarenrook, M. slgarenschaartje, o., -jeS. Sigarenstandaard en -standerd, m., -standaards en -standerds. Sigarenwinkel, m., -winkels. Sigarenzakje, o., -jes. Sigaret, V., sigaretten; sigaretje, O., -jes. Doch ook cigarette, v., cigaretteii. Signaal, O., signalen. Signalement, O., signalementen. Signatuur, V., signaturen. Signet, O., signetten. Signetje, O., -jes. Sijfelen, stifelde. heeft gesijfeld. Sijpelen, sypelde, heeft en isgesypeld. Sus (snaak, kwant), M., süzen. Sijsje (vogeltje), O., -jes. Sik (kinbaard), V.,sikken. Sikje, O.,-jes. Sik (geit), V., sikken. Sikje, O., -jes. Sikkel (munt), M , sikkelen en sikkels. Sikkel (maaiwerktuig), V., sikkels en sikkelen. Sikkeltje, O., -jes. Sikkepit, V. Sikkepitje, O. Silhouet en silhouette, V., silhouetten. Sim (aap), quot;V.. simmen. Simmetje, O., -jes. Sim (snoer, touw), V., simmen. Simmetje,, O., -jes. Simonie, V. Simpel, simpeler, simpelst. Simpelachtig. Simpelachtigheid, V. Simpelheid, V. Simpeltjes. Sindel. Zie Sintel. Sinds. Sinecuur, V., sinecuren. Singel, M., singels. Singeltje, O., -jes. Singelbewoner, M., -bewoners. Singelen, singelde, heeft gesingeld. Singularis, M. slngulariteit, v. Singulier, singulierder, singulierst. Sint- (vóór namen van Heiligen). slnt-antonieskruid, o. Sintel, M., sintels. Sinteltje, O., -jes. slnterklaas Oil sint-nicolaas, m. |
SLA.
SIN.
352
|
Sinterklaasavond, M. Sinterklaasfeest, O. Sinterklaasgeschenk, O., -geschenken. slnterklaasgoed, o. slnt-jacobskruid, o. slnt-lambertsnoot, V., -noteil. Sint-nicolaas, enz Zie Sinterklaas. Sint-teünisüloem, V.f -bloemen. Sint-vitusdans, M. Sinus, M., sinussen. Sip (bjjw.). Siphon, M., siphons. Sipperlippen, sipperlipte, heeft gesip- perlipt. Sire, M. Sirene, V., sirenen. Sirenenzang, M., -zangen. Siroop. Zie btroop. Sisklank, M., -klanken. Sisletter, V., -letters. Sissen, siste, heeft gesist. Sisser, M.. sissers, sissertje, O., -jes. Sits, oâ sitsen. Sitsje, o., -jes. Sitsen (bnw.). Sitsenwinkel, M., -winkels. Situatie, V., situaties. Situatiekaabt, V., -kaarten. Situatieteekening, V., -teekeningen. Sjaal (ook chule), V., sjaals (chales). Sjalot, V., sjalotten. Sjamberloek, M., sjamberloeks. Sjappen, sjapte, heeft gesjapt. Sjappetouwen, sjappetouwde, heeft ge- sjappetouwd. Sjappetouwer, M., sjappetouwers. Sjees, v., sjeezen. Sjeesje, 0.,-jes. Verg. Chais. Sjeezen, sjeesde, is gesjeesd. Sjerp, V., sjerpen. Sjerpje, O., -jes. Sjofel, sjofeler, sjofelst. Sjofelheid, V. Sjofeltjes. Sjokken, sjokte, heeft en is gesjokt. Sjor, M. Sjorklamp, M., -klampen. Sjorren, sjorde, heeft gesjord. Sjortouw, O., -touwen. Stouw, V., sjouwen. Sjouwtje, O., -jes. Sjouwbeest, O., -beesten. Sjouwen, sjouwde, heeft gesjouwd. Sjouwer, M., sjouwers. Sjouwerij, V., sjouweryen. Sjouwerman, M., -lieden en -lui. Skelet, O., skeletten, skeletje, O., -jes. Skeletteeren, skeletteerde, heeft geskeletteerd. Sla. Zie Salade. Slaaf, M., slaven. Slaafje, O., -jes. Slaafs (byw.). Slaafsch, slaafscher, meest slaafsch. Slaag (â krijgen). Slaags (â raken). Slaak, O., slaken. Slaan, slaat, sloeg, heeft en is geslagen |
Slaap (rust), M. Slaapje, O., -jes. Slaap (van liet hoofd), M., slapen. Slaapbeen, O., -beenderen. Slaapbol, M., -bollen. Slaapdrank, M., -dranken; -drankje. O., -jes. Slaapdronken. Slaapgod, M. Slaapkamer, V., -kamers; -kamertje. O., -jes. Slaapkameraad, M. en V., -kameraden en -kameraads; -kameraadje, O., -jes. Slaapkop, M. en V., -koppen. Slaapmiddel, O., -middelen. Slaapmuts (voorwerp), V., -mutsen. Als persoonsnaam ook M. Slaapplaats, V., -plaatsen. Slaappoeder, V., -poeders. Slaapsalet, O., -saletten. Slaapstede en -stee, V., -steden en steeën. Slaapster, V., slaapsters. Slaapvertrek, O., -vortrekken; -vertrekje, O., -jes. Slaap vlooien (mv.), V. Slaapwandelaar, M., wandelaars. Slaapzaal, V., -zalen. Slab en slabbe, V., slabben. Slabbetje, O., .jes. Slabak, M., -bakken. Slabakken, slabakte, heeft geslabakt. Slabakker, M., slabakkers. Slabbe. Zie Slab. Slabben, slabde, heeft geslabd. Slabber, M., slabbers. Slabberen, slabberde, heeft geslabberd. Slabbetje, O , slabbetjes. Slabed, O., -bedden. Slaboon, V., -boonen. Slacht, V. Slaciitbaar, -bare. Slachtbank, V., -banken. Slachtbeest, O., -beesten. Slachtbijl, V., -byien. Slachten (gelyken), slachtte, heeft geslacht. Slachten (dooden), slachtte, heeft geslacht. Slachter, M., slachters. Slachterij, V., slachteryen. Slachthamer, M., -hamers. Slachthuis, O., -huizen. Slachting, V., slachtingen. Slachtmaand, V. Slachtmasker, O., -maskers. Slachtoffer, O., -offers. Slachtplaats, V., -plaatsen. Slachttijd, M. Slachtvee, o. Sladood (lange â), M. en V. Slag (klap), M., slagen. Slagje, Omslagjes en slaagjes. Slag (soort), O. Slagje, O. Slag (knip). o., slagen. |
SLA.
SLA.
353
|
Slagader, V., -aderen. Slagaderlijk. Slagbeitel, M., -beitels. Slagboeg, M. Slagboom, M., -boomen. Slagdeur, V., -deuren. Slagdrempel, M., -drempels. Slagen, slaagde, is geslaagd. Slager, M., slagers. Slagertje, O., -jes. Slagerij, V., slageryen. Slagersbank, V., -banken. Slagersbijl, V., -bylen. Slagersblok, O., -blokken. Slagersboekje, o., -boekjes. Slagershond, M., -honden. Slagersknecht, M., -knechts. Slagersmes, o., -messen. Slagersrekening, V., -rekeningen. Slaghamer, M., -hamers. Slaghoedje, o., -jes. Slagkruit, O. Slagkwik, O. Slaglijn, V., -Ijjnen. Slagnet, o., -netten. Slagorde, V., -orden. Slagpen, V., -pennen. Slagregen, M., -regens. Slagschaduw, V., -schaduwen. Slagtand, M., -tanden. Slaguurwerk, O., -uurwerken. Slagvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Slagveder en -veer, V., -vederen en -veeren; -veertje, O., -jes. Slagveld, o., -velden. Slagverband, o., -verbanden. Slagwerk, O. Slagzïjde, V., -zjjden. Slagzwaard, O., -zwaarden. Slak, ook blek, V., slakken (slekken). Slakje (slekje), O., -jes. Slaken, slaakte, heeft geslaakt. Slaking, V. Slakkengang, M. Slakkenhuisje, o., -jes. Slalepel, M., -lepels. Slamand, V.,-manden; -mandje, O.,-jes. Slampampen, slampampte, heeft geslampampt. Slampamper, M., slampampers. Slampamperij, V., slampamperyen. Slang, V., slangen. Slangetje, O., -jes. Slangachtig. Slangebeet, M., -beten. Slangekop, M., -koppen. Slangelijn, V., -lynen. Slangenbezweerder, M., -bezweerders. Slangenbloem, V., -bloemen. Slangenei, O., -eieren. Slangengeblaas, O. Slangengesijfel, O. Slangengif en -gïft, O. Slangenhol, O., -holen. Slangenhoofd, O., -hoofden. Slangenkruid, O. |
Slangenwagen, m., -wagens. Slangenwortel, V. Slangetong, V., -tongen. Slangevel, ü., -vellen. Slangvormig. Slank, slanker, slankst. Slankheid, V. Slaolie, V. Slap, slapper, slapst. Slapachtig, -achtiger, -achtigst. Slapeloos, -looze. Slapeloosheid, V. Slapen, sliep, heeft geslapen. Slaper, M., slapers. Slaperig, slaperiger, slaperigst. Slaperigheid, V. Slaphartig, -hartiger, -hartigst. SlaphartïgheId, V. Slapheid, V. Slapjes. Slaplenden, M. en V., -lendens. Slaplendig (byw.). Slapmoedig, -moediger, -moedigst. Slapmoedigheid, V. Slappelijk. Slappen, slapte, is geslapt. Slappigheid, V. Slapte, V. Slatten, slatte, heeft geslat. Slatting, V., slattlngen. Slatuin, M., -tuinen; -tuintje, O., -jes. Slaven, slaafde, heeft geslaafd. Slavenaard, M. Slavenarbeid, M. Slavendienst, M., -diensten. Slavenhaler, M., -halers. Slavenhandel, M. Slavenhouder, M., -houders. Slavenjuk, O. Slavenketen, V., -ketens en -ketenen. Slavenleven, O. Slavenmarkt, V., -markten. Slavenwerk, O. Slavenziel, V., -zielen. Slavernij, V. Slavin, V., slavinnen. Slavinnetje, O., -jes. Slavork, V., -vorken. Slecht, slechter, slechtst. Slechtbijl, V., -bijlen. Slechtelijk. Slechten, slechtte, heeft geslecht. Slechtheid, V. Slechthoofd, M. en V., -hoofden. Slechtigheid, V., -heden. Slechtijzer, O., -ijzers. Slechting, V. Slechtje, O., -jes. Slechts. Slechtweg. Slede en slee, V., sleden en sleeën. Sleetje, O., -jes. Sledevaart, V., -vaarten. Slee (pruim), V., sleeën. |
23
SLE.
SLE.
354
|
Slee en sleeuw (bnw.). Sleeheid en sleeuwheid, V. Sleep, M., slepen. Sleepje, o., -jes. Sleepberrie, V., -berries. Sleepboot, V., -booten. Sleepdeken, V., -dekens. Sleepen (voorttrekken), sleepte, heeft gesleept. Sleeper, M., sleepers. Sleeperij, V., sleeperijen. Sleepersknecht, M., -knechts. Sleeperspaard, O., -paarden. Sleeperswagen, M., -wagens. Sleeperswerk, O. Sleepgewaad, O., -gewaden. Sleephelling, V., -hellingen. Sleeploon, O., -loonen. Sleepnet, O., -netten. Sleepsabel, V., -sabels. Sleeptouw, O., -touwen. Sleeptros, M., -trossen. Sleepvoet, M. en V., -voeten. Sleepvoeten, sleepvoette, heeft gesleepvoet. Sleet, V. Sleetsch, sleetscher, meest sleetsch. Sleetschheid, V. Sleeuw, enz. Zie Slee, enz. Sleeuwigheid, V. Slegel, M., slegels. Slegge, V., sleggen. Slei (hamer), V., sleien. Slek. Zie Slak. Slemp (brassery), M. Slemp (drank), V. Slempje, O. Slempdag, M., -dagen. Slempen, slempte, heeft geslempt. Slemper, M., slempers. Slemperij, V., slempersen. Slemphout, O., -houten. Slemplooper, M., -loopers. Slempmaal, O., -malen. Slemppartij, V., -partyen. Slempster, V., slempsters. Slemptijd, M. Slenk, V., slenken. Slenkje, o., -jes. Slenter (lap), m., slenters. Slenter (sleur, streek), M., slenters. Slenteraar, M., slenteraars. Slenteren, slenterde, heeft en is geslenterd. Slentergang, M. Slepen (gesleept worden), sleepte, heeft gesleept. Slet, v., sletten. Sletje, o., -jes. Sleter, M., sleters. Slettig, slettiger, slettigst. Sletvink, M., -vinken. Sleuf, V., sleuven. Sleufje, O., -jes. Sleur, V. Sleuren, sleurde, heeft gesleurd. Sleurwerk, O. Sleutel, M., sleutels en sleutelen. Sleuteltje, O., -jes. |
Sleutelbeen, O., -beenderen. Sleutelbos, M., -bossen. Sleutelgat, O., -gaten. Sleutelmandje, O., -mandjes. Sleutelring, M., -ringen. Sleutelstuk, O., -stukken. Slib, V. Slibachtig, -achtiger, -achtigst. Slibber, V. Slibberachtig, -achtiger, -achtigst. Slibberachtigheid, V. Slibberen, slibberde, heeft geslibberd. Slibberig, siibberiger, slibberigst. Slibberigheid, V. Slier, M., slieren. Sliertje, O., -jes. Slierbaan, V., -banen. Slieren, slierde, heeft geslierd. Sliersperge en slierasperge, V., -sper ges en -asperges. Sliet, V., slieten. Slu (zeelt), V., slyen. Slijtje, O., -jes. Slijk en slik, o. Slijkachtig, -achtiger, -achtigst. Slijkachtigheid, V. Slijkerig en blikkerig, slykeriger, sly kerigst. Slijkerigheid en slikkerigheid, V. Slijkgras, O., -grassen. Slijkspoor, V., -sporen. Slijm, O., slijmen. Slijmachtig, -achtiger, -achtigst. Slijmachtigheid, V. Slijmafdrijvend. Slijmerig, slijmeriger, siymerigst. Slijmerigheid, V. Slijmhoest, M. Slijmïg, slijmiger, slijmigst. Slijmigheid, V. Slijmslier, V., -klieren. Slijmsuiker, V. Slijmvlies, O., -vliezen. Slijp, O. Slijpbak, M., -bakken. Slijpbord, o., -borden. Slijpen, sleep, slepen, heeft geslepen. Slijper, M., sljjpers. Slijpgeld, O. Slijping, V. Slijpmolen, M., -molens. Slijpplank, V., -planken; -plankje, O. -jes. Slijpsel, O. Slijpsteen, M., -steenen; -steentje, O. -jes. Slijtachtig, -achtiger, -achtigst. Slijtachtigheid, V. Slijtage, V. Slijten, sleet, sleten, heeft en is ge sleten. Slijter, M., sljjters. Slijtertje, O., -jes. Slijterij, V., slijteryen. Sluting, V. Slik, o., slikken (siykgronden). Slikken, slikte, heeft geslikt. |
SLO.
356
SLI.
|
Slikker, M., slikkers. Slikkerig. Zie Sljjkerig. Sliknat, -natte. Slikop, M. en V., slikoppen. Slim, slimmer, slimst. Slimheid, v. Slimmerd, M., slimmerds. Slimmerdje, O., -jes. Slimmeren, slimmerde, is geslimmerd. Slimmigheid, V., -heden. Slinden, slond, heelt geslonden. Slindkolk, V., -kolken. Slinger, M,, slingers. Slingertje, O., -jes. Slingeraap, M., -apen. Slingeraar, M., slingeraars. Slingerboom, M., -boomen. Slingerbosch, O., -bosschen. Slingeren, slingerde, heeft en is ge slingerd. Slingering, V., slingeringen. Slingerlaan, V., -lanen; laantje, O., -jes. Slingerpad, O., -paden; -paadje, O.,-jes. Slingerpardoen, V., -pardoens. Slingerplant, V., -planten. Slingerslag, m. Slingersteen, M., -steenen. Slingertijd, M., -tyden. Slingeruurwerk, o., -uurwerken. Slingerwijdte, V., -wjjdten. Slinken, slonk, is geslonken. Slinkerhand, V. Slinkerzijde, V. Slinking, V. Slinks (bijw.), slinkser, slinkst. Slinksch (bnw.), slinkscher, meest slinksch. Slip, v., slippen. Slipje, O., -jes. Slippedrager, m.j. -dragers. Slippen, slipte, is geslipt. Slipper, M., slippers. Slippertje, O.,-jes. Slipsteek, M., -steken. Sliptouw, O., -touwen. Slissen, sliste, heeft geslist. Slissing, V. Slobbe, V., slobben. Slobbetje, O., -jes. Slobberdoes, M. en V., slobberdoezen. Slobberen, slobberde, heeft geslobberd. Slobbering, V. Slobbïg, slobbiger, slobbigst. Slobkous V., -kousen; -kousje, O., -jes. Slodder, M., slodders. Slodderachtig, -achtlger, -achtigst. Slodderen, slodderde, heeft geslodderd. Slodderig, slodderiger, slodderigst. Slodderigheid, V. Slodderkous, V., -kousen. Sloddervos, M. en V., -vossen. Sloep, V., sloepen. Sloepje, O., -jes. Sloeproeier, M., -roeiers. Sloeren, sloerde. heeft gesloerd. Sloerie, V., sloeries. Sloeriemoer, V., -moers. Slof. V., sloffen Slofje, O., -jes. |
Slof, sloffer, slofst. Sloffen, slofte, heeft gesloft. Sloffig, sloffiger, sloffigst. Sloffigheid, v. Slofhak, M. en v., -hakken. Slofheid, V. Slofstuk, o., -stukken Slok, M., slokken. Slokje, O., -jes. Slokachtig, -achtlger, -achtigst. Slokachtigheid. V. Slokdarm, M., -darmen. Slokken, slokte, heeft geslokt. Slokker, M., slokkers. Slokkertje, O., -jes. Slokop, M. en V., slokoppen. S lommer, M. Slomp (warklomp), M., slompen. Slons (havelooze vrouw), v., slonzen. Slonsachtig, -achtiger, -achtigst. Slonsachtigheid, v. Slonsje (dievenlantarentje), O., -jes. Slonzen, slonsde, heeft geslonsd. Sloof (sukkelaarster). V., sloven. Sloofje, O., -jes. Sloof (voorschoot en balk), v., slooven. Sloofje, O., -jes. Sloofachtig, -achtiger, -achtigst. Slooien, slooide, is geslooid. Slooiknie, V., -knieën. 1 Sloop, V., sloopen. Sloopje, O., -jes. Sloopen, sloopte, heeft gesloopt. Slooper, M., sloopers. i Slooping, v., sloopingen. Sloopnagel, M., -nagels. Sloot, V., slooten. Slootje, O., -jes. Slooten, slootte, heeft gesloot. Slootjespringen, o. 1 Slootkant, m., -kanten. ! Slop, o., sloppen. Slopje, o., -jes. Slordevos. M. en V., -vossen. Slordig, slordiger, slordigst. Slordigheid, V. Slorp en slurp, M., slorpen. Slorpje, O -jes. Slorpdrank, M., -dranken. Slorpei, o., -eieren. Slorpen en slurpen, slorpte (slurpte), heeft geslorpt (geslurpt). Slot (sluitmiddel), O., sloten. Slotje en slootje, O., slootjes. Slot (kasteel), O., sloten. Slot (einde), O. Slot (saldo), O., sloten. Slotakkoord, O., -akkoorden. Slotbewaarder, M., -bewaarders. Slotbewoner, M., -bewoners. Slotenmaker, M., -makers. Slothout, O., -houten. Slotklank, m., -klanken. Slotkoers, m., -koersen. Slotletter, v., -letters. Slotpi.aat, V., -platen. Slotpoort, V., -poorten. Slotregel, m., -regels. |
SLU.
SLO.
356
|
Slotbom, V., -sommen. Slot vast. Slotvoogd, M., -voogden. Slotwoord, O., -woorden. Slotzang, M., -zangen. Sloven (zwoegen), sloofde, heeft gesloofd. Sloveb, M., slovers. Sluier, M., sluiers. Sluiertje, O., -jes. Sluieren, sluierde, heeft gesluierd. Sluik, V. (Ter â). Sluik, sluiker, sluikst. Sluiken, slook, sloken, heeft gesloken. Sluiker, M., sluikers. Sluikerij, V., sluikerijen. Sluikhandel, M. Sluikheid, V. S luiking, V., sluikingen. Sluimer, M. Sluimeren, sluimerde, heeft gesluimerd. Sluimering, V. Sluimerkussen, o., -kussens; -kussentje, O., -jes. Sluimerrol, V., -rollen. Sluip, V. (Ter -). Si.riPDEUR, V., -deuren. Sluipen, sloop, slopen, is geslopen. Sluiper, M., sluipers. Sluipertje, O., -jes. Sluiphaven, V., -havens. Sluiphoek, M., -hoeken. Sluiphol, o., -holen, Sluipkoorts, V., -koortsen. Sluipmoord, M., -moorden. Sluipmoordenaar, M., -moordenaars. Sluis, V., sluizen. Sluisje, O., -jes. Sluisbalk, M., -balken. Sluisbedding, V.. -beddingen. Sluisdeur, V., -deuren. Sluiswachter, M., -wachters. Sluiswerken (mv.). O. Sluitbalk, M., -balken. Sluitband, M., -banden. Sluitboom, M., -boomen. Sluitbout, M., -bouten. Sluitdoos, V., -doozen. Sluiten, sloot, sloten, heeft en is ge- sloten. Sluiter, M., sluiters. Sluitgat, O., -gaten. Sluitgeld, O. Sluithek, O., -hekken. Sluithout, O., -houten. Sluiting, V., sluitingen. Sluitjas, V., -jassen. Sluitkool, V., -kooien. Sluitletter, V., -letters. Sluitmand, V.f -manden; -mandje, O., -jes. Sluitplank, V., -planken. Sluitrede, V., -redenen. Sluitspier, V., -spieren. Sluitsteen, M., -steenen. Sluitstuk, o., -stukken. Sluïttoebtel, m. en O., -toestellen. |
Sluitveer, V., -veeren. Sluitwerk, o., -werken. Slungel, M., slungels. Slungelen, slungelde, heeft geslungeld. Slurf, V., slurven. Slurfje, O., -jes. Slurp. Zie Slorp. Slurpen. Zie Slorpen. Sluw, sluwer, sluwst. Sluwheid, V., -heden. Sluwigheid, V., -heden. Smaad, m. Smaadheid, V., -heden. Smaadnaam, M., -namen. Smaadrede, V., -redenen. Smaadschrift, o., -schriften. Smaadwoord, o., -woorden. Smaak, M., smaken. Smaakje, O., -jes. Smaakloos (in eigeniyken zin), -looze. Smaakvol, -volle. Smacht (buik van een haring), V,, smachten. Smachten, smachtte, heeft gesmacht. Smachtend, smachtender, smachtendst. Smachterig, smachteriger, smachte-rigst. Smadelijk, -lyker, -lykst. Smadelijkheid, V., -heden. Smaden, smaadde, heeft gesmaad. Smader, M., smaders. Smak (van smakken), M., smakken. Smakje. O., -jes. Smak (vaartuig), V., smakken. Smakje. O, -jes. Smak (gewas). Zie Sumak. Smakelijk, -Ijjker, -lykst. Smakelijkheid, V. Smakeloos (overdrachtelijk), -loozer, -loost. Smakeloosheid, V. Smaken, smaakte, heeft gesmaakt. Smakken (werpen), smakte, heeft gesmakt. Smakken (met den mond), smakte, heeft gesmakt. Smakker, M., smakkers. Smakschip, o., -schepen. Smakwater, o. Smakzeil, O., -zeilen. Smal, smaller, smalst. Smalbladig. Smaldeel, o., deelen. Smaldeelen, smaldeelde, heeft gesmal-deeld. Smaldeeling, V., -deelingen. Smaldoek, O. Smalen, smaalde, heeft gesmaald. Smaler, M.. smalers. Smalhans, m., -hanzen. Smalheid, V. Smalletjes. Smalligheid, V. Smalt, V. Smalte, V. |
SMA.
SME.
357
|
Smaragd (stof)» o.; (steen), m., smaragden. Smaragden (bnw.). Smart ook smert, V., smarten. Smartelijk, -lijker, -lijkst. Smartelijkheid, V. Smarteloos, -looze. Smarteloosheid, v. Smarten, ook smerten (bedroeven), smartte, heeft gesmart. Smarten (scheepsw.), smartte, heeft ge smart. Smarting (ontvelling), v., smartingen. Smarting (scheepsw.), V., smartings. Smartkreet, M., -kreten. Smartoor, o., -ooren. Smeden, smeedde, heeft gesmeed. Smeder, M., smeders. Smederij, V., smederijen. Smedig. Zie Smedig. Smeding, v. Smeedbaar, -bare. Smeedbaarheid, V. Smeedbar, M., -bakken. Smeedijzer, O. Smeedkunst, v. Smeedster, V., smeedsters. Smeedwerk, o. Smeegruis, O. Smeekbede, V., -beden. Smeekdicht, O., -dichten. Smeekeling, m. en V., smeekelingen. V. ook smeekelinge. Smeeken, smeekte, heeft gesmeekt. Smeeker, M., smeekers. Smeekeru, v. Smeekgebed, O., -gebeden. Smeeking, V., smeekingen. Smeekolen (mv.), v. Smeekschrift, o., -schriften. Smeekster, V., smeeksters. Smeektaal, v. Smeer, O. Smeerbaar, -bare. Smeerder, M., smeerders. Smeerdoos, V., -doozen. Smeergoed, o. Smeergording, V., -gordings. Smeerkwast, M., -kwasten. Smeerlap (voorwerp en persoon), m., -lappen. Smeerlapperij, v., -lapperyen. Smeerplank, v., -planken. Smeerpoes, M. en V., -poesen. Smeerprop, V., -proppen. Smeerrak, O., -rakken. Smeersel, o., smeersels. Smeerseltje, O., -jes. Smeerster, V., smeersters. Smeerwortel, v. Smeerzalf, V., -zalven. Smeet, m., smeten. Smeetang, v., -tangen. Smelt, V., smelten. Smeltje, O., -jes. |
Smeltbaar, -bare. Smeltbaarheid, V. Smeltbak, M., -bakken. Smelten, smolt, heeft en is gesmolten. Smelter, M., smelters. Smelterig, smelteriger, smelterigst. Smelterij, V., smelteryen. Smelting, V., smeltingen. Smeltkroes, M., -kroezen. Smeltmiddel, O., -middelen. Smeltoven, M., -ovens. Smeltpan, V., -pannen. Smelttijd, m. Smeltvisscher, M., -visschers. Smeren, smeerde, heeft gesmeerd. Smergel, V, Smerig, smeriger, smerigst. Smerigheid, V., -heden. Smering, V., smeringen. Smert. Zie Smart. Smerten. Zie Smarten. Smerthoofd, O., -hoofden. Smet, V., smetten. Smetje, O., -jes. Smetachtig, -achtiger, -achtigat. Smetlijn, V., -lynen. Smetstof, V., -stoffen. Smetteloos, -loozer, -loost. Smelteloosheid, V. Smetten, smette, heeft gesmet. Smeulen, smeulde, heeft gesmeuld. Smeuling, V. Smeuren, smeurde, heeft gesmeurd. Smid, M., smeden. Smidje, O., -jes. Smidsaanbeeld, O., -aanbeelden. Smidsbaas, M., -bazen. Smidse, V., smidsen. Smidshamer, M., -hamers. Smidsknecht, M , -knechts. Smidskolen (mv.), V. Smidsoven, M., -ovens. Smidswagen, M., -wagens. Smidswater, O. Smidswerk, o. Smidswinkel, M., -winkels. Smient, V., smienten. Smientje, O.,-jes. Smijdig, ook smedig, smydiger, smy-digst. Smijdigen, smijdigde, heeft gesmydigd. Smijdigheid, V. Smijt, V., smijten. Smijten, smeet, smeten, heeft gesmeten. Smijter, m., smijters. Smodderen, smodderde, heeft gesmodderd. Smodderig, smodderiger, smodderigst. Smoddermuil, M. en V., -muilen; -muil- tje, O., -jes. Smoddermuilen, smoddermuilde, heeft gesmoddermuild. Smoddervisch, V. Smoddig, smoddiger, smoddigst. Smoel, M., smoelen. Smoeltje, O., -jes. Smoelwerk, O., -werken. Smoken, smookte, heeft gesmookt. |
SNA.
SMO.
358
|
Smokeb, M., smokers. Smokebig, smokeriger, smokerigst. Smokebigheid, V. Smokkel, M. Smokkelaab, m., smokkelaars. Smokkelaabsteb, V., smokkelaarsters. Smokkelabij, V., smokkelaryen. Smokkelen, smokkelde, heelt gesmokkeld. Smokkelgoed, O., -goederen. Smokkelhandel, M. Smokkeling, V., smokkellngen. Smokkelschip, O., -schepen. Smokkelwaab, V., -waren. Smook, M. Smoobdbonken. Smoobheet, -heete. Smoobluk. Smoobpan, V., -pannen, Smoobpot, M., -potten. Smoobvol, -volle. Smoben, smoorde, heeft en is gesmoord. Smobing, V. Smots, V., smotsen. Smotsje, O., -jes. Smotsen, smotste, heeft gesmotst. Smotsig, smotsiger, smotsigst. Smous, M., smousen. Smousje, O., -jes. Smousachtïg, -achtiger, -achtlgst. Smousen, smouste, heeft gesmoust. Smousentaal, V. Smousenwinst, V. Smousebij, V., smouserjjen. Smoushond, M.,-honden; â¢hondje, O.,-jes. Smousjassen, smousjaste, heeft ge- smousjas t. Smout, O. Smoutachtig, -achtiger, -achtigst. Smouten, smoutte, heeft gesmout. Smoutebig, smouteriger, smouterigst. Smoutig, smoutiger, smoutigst. Smoutigheid, V. Smoutwebk, O. Smoutzetteb, M., -zetters. Smuigen, smuigde, heeft gesmuigd. Smuigeb, M., smuigers. Smuik, V. (Ter â). Smuk, m. Smukken, smukte, heeft gesmukt. Smul, v., smullen. Smulletje, O., -jes. Smulbaabd, M., -baarden. Smulbboeb, M., -broers. Smuldagen (mv.), M. Smullen, smulde, heeft gesmuld. Smulleb, M., smullers. Smullig, smulliger, smulligst. Smulligheid, V. Smulling, V. Smulpaap, M., -papen; -paapje, o., -jes. Smulpapen, smulpaapte, heeft gesmulpaapt. Smulpapebij, V., -paperyen. Smulpabtij, V., -partyen; -partijtje, O., -jes. Snaak, M., snaken. Snaakje, O., -jes. |
Snaaks (byw.). Snaaksch, snaakscher, meest snaaksch. Snaakschheid, V. Snaakshoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes. Snaak (koord, riem), V., snaren. Snaartje, O., -jes. Snaab (schoonzuster), V., snaren. Snaabinstbument, O., -instrumenten. Snak, m., snakken, snakje, O., -jes. Snakebig, snakeriger, snakerigst. Snakebigheid, V. Snakebij, V., snakerjjen. Snakken, snakte, heeft gesnakt. Snap, M., Snapje, O. Snapachtig, -achtiger, -achtigst. Snapachtigheid, v. Snaphaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Snappen, snapte, heeft en is gesnapt. Snappeb, m., snappers. Snappertje, o., -jes. Snappebij, V., snapperyen. Snaps, M., snapsen. önapsje, O., -jes. Snapsteb, V., snapsters. Snapstertje, O., -jes. Snab, snarder, snarst. Snabenmakeb, M., -makers. Snabenspeeltuig, o., -speeltuigen. Snabenspel, o. Snabenspeleb, M., -spelers. Snabentuig, O., -tuigen. Snabheid, V. Snabbig, snarriger, snarrigst. Snabbigheid, v. Snabs en snebs, V. Snarsje, O., -jes. Snateb, M., snaters. Snatertje, O., -jes. Snatebaab, M., snateraars. Snatebachtig, -achtiger, -achtigst. Snatebachtigheid, V. Snateben, snaterde, heeft gesnaterd. Snauw (het snauwen), M., snauwen. Snauwtje, O., -jes. Snauw (vaartuig), v.. snauwen. Snauwachtig, -achtiger, -achtigst. Snauwbbik, V., -brikken. Snauwen, snauwde, heelt gesnauwd. Snauweb, M., snauwers. Snauwebig, snauweriger, snauwerigst. Snauwebigheid, v. Snavel, M., snavels. Snaveltje, O., -jes. Sneb en snebbe, V., snebben. Snebje en snebbetje, O., -jes. Snebbig. Zie Snibbig. Snede en snee, V., sneden en sneeën. Sneetje, O., -jes. Snedeling, M. en v., snedelingen. V. ook snedelinge. Snedig, snediger, snedigst. Snedigheid, V. Sneeg, sneeger, sneegst. Snees (schacheraar), M.,8neezen.Sneesje. O., -jes. Snees (twintigtal), o., sneezen. |
SNE.
SNI.
359
|
Sneeuw (stof), V.; (blankheid), O. Sneeuwachtig, -achtiger, -achtigst. Sneeuwbal, M., -ballen; -balletje, O., -balletjes. Sneeuwballengooien, o. Sneeuwblind. Sneeuwblindheid, V. Sneeuwen, sneeuwde, heeft gesneeuwd. Sneeuwig, sneeuwiger, sneeuwigst. Sneeuwijs, o. Sneeuwjacht, V. Sneeuwklokje, O., -klokjes. Sneeuwklomp, M., -klompen. Sneeuwlinie, V. Sneeuwlucht, V., -luchten. Sneeuwman, M., -mannen. Sneeuwploeg, M., -ploegen. Sneeuwpop, V., -poppen. Sneeuwschoen, M., -schoenen. Sneeuwstorm, :M., -stormen. Sneeuwvlaag, V., -vlagen. Sneeuwvogel, M., -vogels. Sneeuwwater, o. Sneeuwwit, -witte. Sneezen, sneesde, heeft gesneesd. Snek (in een uurwerk), V., snekken. Snekrad, o., -raderen. Snel (kan), V., snellen. Snelletje, 0.,-jes. Snel, sneller, snelst. Sneldicht, O., -dichten. Snelheid, V., -heden. Snellen, snelde, is gesneld. Snelligheid, V. Snellijk. Snelpers, V., -persen. Snelpersdruk, m. Snelschrijven, o. Snelschrijver, M., -schrijvers. Sneltrein, M., -treinen. Snelvoetig, -voetiger, -voetigst. Snelvuur, o. Snelvuurkanon, O., -kanonnen. Snelzeiler, M., -zeilers. Snepper, M., sneppers. Sneppertje, O., -jes. Snerken, snerkte, heeft gesnerkt. Snerking, V. Snerpen, snerpte, heeft gesnerpt. Snerpend, snerpender, snerpendst. Sners. Zie Snars. Snert, V. Sneukelaar, M., sneukelaars. Sneukelen, sneukelde, heeft gesneu-keld. Sneukeren, sneukerde, heeft gesneu-kerd. Sneuvelen, sneuvelde, is gesneuveld. Sneven, sneefde, is gesneefd. Snibbig, ook snebbig, snibbiger, snib- bigst. Snibbigheid, V. Snijbank, V., -banken. Snijboon, V., -boonen; -boontje, O.,-jes. Snijboonenmesje, o., -jes. |
Snijboonenmolen, BI., -molens. Snijbord, O., -borden. Snijden, sneed, sneden .heeft gesneden. Snijdend, snijdender, snijdendst. Snijder, M., snijders. Snydertje, O.,-jes, Snijderen, snyderde, heeft gesnyderd. Snijdersambacht, O. Snijdersgezel, M., -gezellen. Snijdersgild, O., -gilden. Snijderstafel, V., -tafels. Snijding, V., snijdingen. Snijdsel, O., snydsels. Snijkamer, V., -kamers. Snijkoek (voorwerpsnaam), M., -koe- ken; (stofnaam), V. Snijlijn, V., -lynen. Snijmachine, V., -machines. Snijpers, V., -persen. Snijpunt, O., -punten. Snijtafel, V., -tafels. Snijtand, M., -tandeu. Snijveld, O., -velden. Snijwater, O. Snijwerk, O. Snik (het snikken), M., snikken. Snikje, O., -jes. Snik (vaartuig), V., snikken. Snik (bnw.). (Niet â). Snikheet, -heete. Snikken, snikte, heeft gesnikt. Snip, V., snippen. Snipje, O., -jes. Snippedrek, M. snippel. Zie Snipper. Snippen, snipte, heeft gesnipt. Snippenei, O., -eieren. Snïppenjacht, V. Snippennet, O., -netten. Snippentijd, M. Snippenvangst, V. Snipper, V., snippers. Snipperaar, M., snipper aars. Snipperaarster, V., snipperaarsters. Snipperbaal, V., -balen. Snipperen, snipperde, heeft gesnipperd. Snipperkoek, M., -koeken. Snippermand, V., -manden. Snipperuur, O., -uren; -uurtje, O., -jes. Snipperwerk, O. Snirsen, snirste, heeft gesnirst. Snirsing, V. Snit, M., snitten. Snoefster, V., snoefsters. Snoeftaal, V. Snoeien, snoeide, heeft gesnoeid. Snoeier,M., snoeiers. Snoeiertje, O., -jes. Snoeihout, O. Snoeiing, V., snoeiingen. Snoeikunst, V. Snoeilust, M. Snoeimes, O., -messen; -mesje,O., -jes. Snoeisel, o., snoeisels. Snoeitijd, M. Snoeiwagen, M., -wagens. Snoeiwerk, O. |
SNO.
SNO.
360
|
Snoek (een visch), M., snoeken. Als stofnaam, V. Snoekje, o., -jes. Snoekachtig. Snoekenvangst, V. Snoekestaart, M., -staarten. Snoep, M. Snoepachtig, -achtiger, -achtigst. Snoepachtigheid, V, Snoepen, snoepte, heeft gesnoept. Snoepek, m., snoepers. Snoepertje, O., -jes. Snoeperig, snoeperiger, snoeperigst. Snoeperigheid, V. Snoeperij, V., snoeperijen. Snoeperijtje, O., -jes. Snoepgoed, O. Snoepig, snoepiger, snoepigst. Snoepigheid, V. Snoeplust, M. Snoepreisje, O., -jes. Snoepsch, snoepscher, meest snoepsch. Snoepschheid, V. ' Snoepster, V., snoepsters. Snoeptafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes. Snoepwinkeltje, O., -jes. Snoepzücht, V. Snoer, O., snoeren. Snoertje, O., -jes. Snoeren, snoerde, heeft gesnoerd. Snoes, M., snoezen. Snoesje, O., -jes. Snoeshaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Snoet, M.f snoeten. Snoetje, O., -jes. Snoeven, snoefde, heeft gesnoefd. Snoever, M., snoevers. Snoeverij, V., snoeverijen. Snoezig, snoeziger, snoezigst. Snol, V., snollen. Snolletje, o., -jes. Snood, snooder, snoodst. Snoodaard, M., snoodaards. Snoodelijk. Snoodheid, V., -heden. Snor (snorrend geluid en roes), M. Snorretje, O., -jes. Snor (knevelbaard), V., snorren. Snorretje, O., -jes. Snorbaard, M., -baarden. Snork, M., snorken. Snorkje, O., -jes. Snorkachtig, -achtiger, -achtigst. Snorken en snurken, snorkte (snurkte), heeft gesnorkt (gesnurkt). Snorker, M., snorkers. Snorkerij, V., snorkelden. Snorrebot, O., -botten. Snorren, snorde, heeft en is gesnord. Snorrepijperij, V., -paperyen. Snorwagen, M., -wagens. Snot, O. Snotachtig, -achtiger, -achtigst. Snotbaard, M., -baarden. Snotjongen, M., -jongens. Snotkoker, M., -kokers. Snotneus, M. en V., -neuzen. Snotolf, Mâ -olven; -olfje, O., -jes. Snottebel, V., -bellen. Snotteren, snotterde, heeft gesnotterd. |
Snotterig, snotteriger, snotterigst. Snuf, V. Snufje, o., -jes. Snuffelaar, M., snuffelaars en snuffelaren. Snuffelen, snuffelde, heeft gesnuffeld. Snuffeling, V. Snuffen, snufte, heeft gesnuft. Snugger, snuggerder, snuggerst. Snuggerheid, V. Snuif, V., snuiven. Snuilje, O., -jes. Snuifdoos, V., -doozen. Snuifmolen, M., -molens. Snuifneus, M. en V., -neuzen. Snuifrasp, V., -raspen. Snuifster, V., snuifsters. Snuiftabak, V. Snuifwinkel, M., -winkels. Snuisterij, V., snuisteryen. Snuistery- tje, O., -jes. Snuit (lichaamsdeel), M., snuiten. Snuitje, O., -jes. Snuit (grof vlas), V. en o. Snuiten (den neus, de kaars), snoot, snoten, heeft gesnoten. Snuiten (een stuk hout), snuitte, heeft gesnuit. Snuiter (werktuig en persoon), M., snuiters. Snuitertje, O., -jes. Snuitsel, O. Snuitspinner, M., -spinners. Snuiven, snoof, snoven, heeft gesnoven. Snuiver, M., snulvers. Snuivertje, O., -jes. Snurken. Zie Snorken. Sober, soberder, soberst. Soberheid, V. Soberlijk. Sobertjes. Sociaal, socialer, sociaalst. Socialisme, o. Socialist, M., socialisten. Socialistencongres, o., -congressen. Socialistisch. Sociëteit, V., sociëteiten. Societeitsbal, o., -bals. Sociëteitsbediende, M., -bedienden. Sociëteitsleven, o. Soda, V. Sodawater, O. Sodazeep, V. Soebatten, soebatte, heeft gesoebat. Soebatter, M., soebatters. Soep, V., soepen. Soepje, O., -jes. Soepbord, O., -borden. Soepcommissie, V., -commissies. Soeperig, soeperiger, soeperigst. Soeperigheid, V. Soepgroente, V., -groenten. Soepkokerij, V., -kokeryen. Soeplepel, M., -lepels. Soepterrine, V., -terrines. Soepuitdeeling, V., -uitcleelingen. soepvleesch, o. Soes (dommel), M., soezen. |
SOM.
361
SOE.
|
fst. Soes (gebak), V., soezen. Soesje, ü., -jes. Soesa, en ook soeza, V. snuf- soezen, soesde, heeft gesoesd. Soezer, M., soezers. uffeld. soezerig, soezeriger, soezerigst. Soezerigheid, v. Soezig, soeziger, soezigst. soezigheid, v. Sofa, V., sofa's. es. Soiree, v., soiree's. Soireetje, O., -jes. Soja, V. Sok, V., sokken. Sokje, O., -jes. Sokkerig, sokkeriger, sokkerigst. Soldaat, M., soldaten. Soldaatje, O., -jes. soldaatjespelen, o. soldatenbrood, o. soldatengat (SCheepSW.), o. stery- soldatenkind, o., -kinderen. Soldatenkroeg, V., -kroegen. Uiten. soldatenkleeding, V. Soldatenleven, O. Soldatenlied, O., -liederen. moot, soldatenmeid, V., -meiden. soldaterij.. v. heeft Soldeer, o. Soldeerbout, M., -bouten. snui- Soldeerder, M., soldeerders. Soldeeren, soldeerde, heeft gesoldeerd. soldeerijzer, o., -yzois. Soldeering, V., soldeeringen. oven. Soldeersel, O. ö, O., Soldeerwerk, O. Soldenier, M., soldeniers. Soldij, V., soldijen. Solenneel, -eele. Solfer. Zie Sulfer. Solide, solider, soliedst. Soliditeit, v. Solist, M., eolisten. Solistenkamer, V., -kamers. Sollen, solde, heeft gesold. 3n. Sollicitant, M., sollicitanten. Sollicitante, V., sollicitanten. Sollicitatie, V., sollicitatiën en sollicitaties. a. Sollicitatiebrief, M.. -brieven. Solliciteeren, solliciteerde, heeft gesolliciteerd. Solliciteur, M., solliciteurs. Solo, M., solo's. at. Soloecisme, O., soloecismen. Soloklasse, V., -klassen. Solospel, O. Solostem, V., -stemmen. Solozang, M. Solozanger, M., -zangers. Som, V., sommen. Sommetje, O., -jes. Somber, somberder, somberst. Somberheid, v. Sommatie, V., sommatiën en sommaties. Sommeeren, sommeerde, heeft gesommeerd. Sommer (scheepsw.), M., sommers. |
Sommige. Sommigen. Sommiteit, V., sommiteiten. Somnambule, M. en V., somnambules. Somnambulisme, O. Somp, V., sompen. SoMPiG, sompiger, sompigst. sompigheid, v. Sompschuit, V., -schuiten. sompvogel, M., -vogels. Soms. Somtijds. Somwijlen. Sonate, V., sonaten en sonates. Sonatine, V., sonatines. Sonde (werktuig), V., sondes. Sondeeren, sondeerde, heeft gesondeerd. Sondeerijzer, O., -yzers. Sondeering, V., sondeeringen. Sonnet, o., sonnetten. Sonnetje, o.,-jes. Sonnettendichter, M., -dichters. Soort, V. en O., soorten. Soortje, O.,-jes. Soortelijk. Soortgelijk. Soortnaam, M., -namen. Sop, O. en V., soppen. Sopje, O., -jes. Sopbrood, O. Sophisme, O., sophismen. Sophist, M., sophisten. Sophisterij, V., sophisterijen. Sophistisch. soporifiek. Soppedoppen, soppedopte, heeft gesop-pedopt. Soppen, sopte, heeft gesopt. Sopper, M., soppers. Sopperdegroen, V., -groenen; -groentje, O., -jes. Sopperig, sopperiger, sopperigst. Sopperigheid, V. Soppig, soppiger, soppigst. Soppigheid, V. Sopraan, V., sopranen. Sopraanpartij, V., -partyen. Sopraansolo, M., -solo's. Sopraanstem, v., -stemmen. Sorbe, V., sorben. Sorbeboom, M., -boomen. Sorbet, O. Sorbetje, O., -jes. Sorteerder, M., sorteerders. Sorteeren, sorteerde, heeft gesorteerd. Sorteering, V., sorteeringen. Sorteerster, V., sorteersters. Sortie, V., sorties. Soudenier, M., soudenieren en soudeniers. Souffleur, M., souffleurs. Souffleurshokje, O., -hokjes. Soupeeren, soupeerde, heeft gesoupeerd. Souper, O., soupers. Soupertje en soupeetje, O., -jes. Souspied, M., souspieds. Souvenir, O., souvenirs. Souvenirtje, O., -jes. |
sou.
362
SPA.
|
Souverein, M., souvereinen. sotjvereiniteit, v. Souvereiniteitsrecht, o., -rechten. Spa. Zie Spade. Spaak, V., spaken. Spaakje, O., -jes. Spaak (byw.). (â loopen). Spaan, V., spanen. Spaantje, O., -jes. Spaander, M., spaanders. Spaandertje, O., -jes. Spaandershaak, M., -haken. Spaansch. Spaansch, O. Spaanschgezind. Spaansch-groen, O. Spaarbank, v.^ -banken. Spaarbankboekje, O., -boekjes. Spaarder, M., spaarders. Spaargeld, O. Spaargoed, O. Spaarhaard, M., -haarden. Spaarkachel, V., -kachels. Spaarkas, V., -kassen. Spaarlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes. Spaaroven, M., -ovens. Spaarpenning, M., -penningen. Spaarpijp, V., -pijpen. Spaarpot, M., -potten; -potje, O., -jes. Spaarzaam, -zamer, -zaamst. Spaarzaamheid, V. Spade en spa, V., spaden. Spade (bnw.). Als byw. ook spa. Spadeling, M., spadelingen. Spaden, spaadde, heeft gespaad. Spadesteel, M., -stelen. Spadille, V., spadilles. Spakeren, spakerde. Spalier, O., spalieren. Spalk, V., spalken. Spalkje, o., -jes. Spalken, spalkte, heeft gespalkt. Spalkhout, O., -houten. Spalking, V., spalkingen. Spalling, M., spallingen. Span en spanne (lengtemaat),V., spannen. Span (gespan), O., spannen. Spannetje, O., -jes. Spanader, V., -aders. Spanbroek, V., -broeken. Spanen (bnw.). Spanen, spaande, heeft gespaand. Spang, v., spangen. Spangetje, o., -jes. Spangordel, M., -gordels. Spanjaard, M., Spanjaarden en Spanjaards. Spankracht, V. Spanne. Zie Span, V. Spannen, spande, heeft gespannen. Spanning, V., spanningen. Spanraam, O., -ramen. Spanrib, V., -ribben. Spanriem, M., -riemen. Spanrups, V., -rupsen. Spanseeren, spanseerde, heeft en is gespanseerd. |
Spanbel, O., spans els. Spant, O., spanten. Spantje, O., -jes. Spantvullingen (mv.), V. Spanwant, O. Spanzaag, V., -zagen. Spar (sparreboom), M., sparren. Sparretje, O., -jes. Spar (tang), V., sparren. Sparretje, O., -jes. Sparen, spaarde, heeft gespaard. Sparing, V. Spark, V., sparken. Sparkelen, sparkelde, heeft gesparkeld. Sparreboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Sparregroen, O. Spartelbeenen, spartelbeende, heeft gespartelbeend. Spartelen, spartelde, heeft gesparteld. Sparteling, V., spartelingen. Spat (vlekje), V., spatten. Spatje, O., -jes. Spat (aderspat), V., spatten. Spatel, v., spatels. Spateltje, o., -jes. Spatie, v., spaties. Spatieeren, spatieerde, heeft gespatieerd. Spatkleed, O., -kleeden. Spatpennetje, O., -jes. Spatten, spatte, heeft en is gespat. Spatterig, spatteriger, spatterigst. Spattig, spattiger, spattigst. Spatting (scheepsw.), V. Specerij, V., speceryen. Specerijachtig. Specerijhandel, M. Specht, M., spechten. Spechtje, O., -jes. Spechtenei, O., -eieren. Spechtmees, V., -meezen. Speciaal, speciale. Specialiteit, V., specialiteiten. Specie, v., speciën en species. Speciebriefje, O., -briefjes. Specificatie, V., specificatiën en specificaties. Specificeeren, specificeerde, heeft gespecificeerd. Specifiek, specifieke. Specimen, o., specimens en specimina. Spectator, M., spectators. Spectatoriaal, spectatoriale. Speculant, M., speculanten. Speculatie, v., speculation en speculaties. Speculeeren, speculeerde, heeft gespeculeerd. Speek, v., speeken. Speeksel, O. Speekselklier, V., -klieren. Speelavond, m., -avonden; -avondje, O., -jes. Speelbal, M., -ballen. Speelbank, V., -banken. Speeldoos, V., -doozen; -doosje, O.,-jes. Speelgeld, O. SPEELGEt Bpeelgeï Speelgoi Speelgoi Speelhui gpEELJAC SPEELKAi Bpeelkai en -ka Bpeelkii bpeelkl' fcpeelma tie, O. Bpeelma BpEELNO' BpEELNO' Bpeelpa; O., -jes Bpeelpl Bpeelpo Bpeelre Bpeelru Bpeelsci Bpeelsc: Bpeelbc: Bpeelsc: Bpeelst Speelta Speelti Speelti Speeltx Speelui Speelv^ Speelw, O., -je Speelw Speelzi Speelzi Speen, Speenk Speenm Speenv O., -j {Speer, Speerh ISpeer\\ Speetj: Speetj: Speetj Spek,( Spekac Spekbc Spekh^ Spekja Spekki Spekki Spekki Spekki spekni Spekni Spekni Spekpj SpeksiSpeer\\ Speetj: Speetj: Speetj Spek,( Spekac Spekbc Spekh^ Spekja Spekki Spekki Spekki Spekki spekni Spekni Spekni Spekpj Speksi speks] |
SPE.
363
SPE
|
Speelgenoot, M., -genooten. Speelgenoote, V., -genooten. Speelgoed, O. Speelgoedwinkel, M., -winkels. Speelhuis, O., -huizen. Speeljacht, O., -jachten. Speelkaart, V., -kaarten. Bpeelkamebaad, M en V., -kameraden en -kameraads; kameraadje, O., -jes. Speelkind, O., -kinderen. Speelklok, V., -klokken. Speelmakker, M., -makkers; -makkertje, O., -jes. Speelman, M., -lieden en -lui. Speelnoot, M., -nooten, Speelnoote, V., -nooten. Speelpartij, V., -partyen; -partijtje, O., -jes. Speelplaats, V., -plaatsen. Speelpop, V., -poppen; -popje, O., -jes. Speelreisje, O., -jes. Speelruimte, V. Speelsch, speelscher, meest speelsch. Speelschheid, V. Speelschuit, V., -schuiten. Speelschuld, V., -schulden. Speelster, V., speelsters. Speeltafel, V., -tafels; -tafeltje, O.,-jes. Speeltijd, M. Speeltuig, O., -tuigen. Speeltuin, M., -tuinen. Speeluur, o., -uren; -uurtje, o., -jes. Speelvaart, V. Speelwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Speelwerk, O., -werken. Speelziek, -zieker, -ziekst. Speelzucht, V. Speen, V., spenen. Speentje, o., -jes. Speenkruid, o. Speenmaal, o., -malen. Speenvarken, O., -varkens; -varkentje, O., -jes. Speer, v., speren. Speertje, ü., -jes. Speerhaak, M., -haken. Speerwortel (stofnaam), V. Speetje. Zie Spit. Speetjesaal, V. Speetjespaling, V. Spek, o. Spekachtig. Spekbokking, M., -bokkingen. Spekhaak, M.f -haken. Spekjan, M., -jannen. Spekken, spekte, heeft gespekt. Spekkig, spekkiger, spekkigst. Spekkigheid, v, Spekking, v. Speknaald, V., -naalden. Speknek (nek), M., -nekken. Speknek (persoon), M. en V., -nekken. Spekpannekoek, M., -pannekoeken. Spekslager, m., -slagers. Spekslagerij, v., -slagerijen. |
Speksteen, M.; als «tofnaam, V. Spektakel, o., spektakels. Spektakelstuk, o., -stukken. Spekvet, O. Spel, O., spelen en spellen. Spelletje, O., -jes. Spelboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Spelbreeksteb, V., -breeksters. Spelbreker, M., -brekers. Speld, v., spelden. Speldje, O., -jes. Speldeknop, M., -knoppen. Speldekop, M., -koppen. Spelden, speldde, heeft gespeld. Speldenbakje, O., -jes Speldendoosje, o., -jes. Speldenfabriek, V., -fabrieken. Speldengeld, o. Speldenkoker, M., -kokers. Speldenkussen, O., -kussens; -kussentje, O., -jes. Speldenmaker, M., -makers. Speldenwerk, O., -werken; -werkje. O., -jes. Speldenwerkster, V., -werksters. Speldeprik,M.. -prikken; -prikje,o.,-jes. Spelemeien, spelemeide, heeft gespelemeid. Spelen, speelde, heeft gespeeld. Speler, M., spelers. Spelevaren. Speling, V., spelingen. Spelkunst, V., -kunsten. Spellen, spelde, heeft gespeld. Spelling, V., spellingen. Spelonk, V., spelonken. Spelonkje, O., -jes. Spelregel, M., -regels. Spelt, V. Spencer, M., spencers. Spendeeren, spendeerde, heeft gespendeerd. Spenen, speende, heeft gespeend. Spening, V. Sperboom, M., -boomen. Sperfort, o., -forten. Sperge. Zie Asperge. In samenst. ook sperzie. Spergelkruid, O. Sperketting, M., -kettingen. Sperren, sperde, heeft gesperd. Sperwer, M., sperwers. Sperwertje, o., -jes. Sperwersnest, O., -nesten. Sperzieboon, V., -boonen. Speten, speette, heeft gespeet. Speuren, speurde, heeft gespeurd. Speurhond, M., -honden. Spiauter. Zie Piauter. Spichtig, spichtiger, spichtigst. Spichtigheid, V. Spie (spion), M., spieën. Spie en spij (bout of wig). V., spieën en spy en. Spietje en spijtje, O., -jes. Spiebout, M., -bouten. |
SPI.
364
SPI.
|
Spiegat. Zie Spuigat. Spiegel, M., spiegels. Spiegeltje, o., -jes. Spiegelbeeld, O., -beelden. Spiegelboog, M., -bogen. Spiegelei, O., -eieren. Spiegelen, spiegelde, heeft gespiegeld. Spiegelgevecht, o., -gevechten. Spiegelglad. Spiegelglas, o., -glazen. Spiegeling, V., spiegelingen. Spiegellijst, V., -lysten. Spiegelmagazijn, O., -magazynen. Spiegelmakeb, M., -makers. Spiegelmees, V., -meezen. Spiegelbuit, V., -ruiten. Spiegelvisch, M., -visschen. Spiemouw, V., -mouwen. Spiee (in het lichaam), V., spieren. Spiertje, O., -jes, Spieb (zwaluw), V., spieren. Spiebachtig. Spiebbeugel, M., -beugels. Spiebing (een visch), M., spieringen. Als stofnaam, V. Spierinkje, O.,-jes. Spiebingvangst, V. Spiebkbacht, V. Spiebnaakt. Spiebveblamming, V. Spiebwit, -witte. Spiesglans, o. Spiets en spies, V., spietsen. Spietsje, O., -jes. Spietsen, spietste, heeft gespietst. Spiezak, M., -zakken. Spij. Zie Spie. Spijbelen, spijbelde, heeft gespijbeld. Spijgat. Zie Spuigat. Spijk, V. Spijkeb (nagel), M., spijkers. Spijkertje, O., -jes. Spijkeb (pakhuis), M., -spykers. Spijkebbak, M., -bakken. Spijkebbalsem, M. Spijkebboob, V., -boren. Spijkeben, spijkerde, heeft gespijkerd. Spijkeboat, o., -gaten. Spijkebïng, V. Spijkebkop, M., -koppen. Spijkebschbift, O. Spijkebvast. Spijkebwinkel, M., -winkels. Spijkijzeb, o., -ijzers. Spijl, V., spijlen. Spijltje, O., -jes. Spijs, V., spijzen. Spijsbebeiding, V. Spijsbbij, V. Spijskokebij, V., -kokerijen. Spijskaabt, V., -kaarten. Spijskeldeb, M., -kelders. Spijsuitdeeling, V., -uitdeelingen. Spijsvebtebing, V. Spijt, V. Spijten, speet, speten, heeft gespeten. Spijtig, spy tiger, spytigst. |
Spijtigheid, V. Spijzen, spijsde, heeft gespijsd. Spijzigen, spijzigde, heeft gespijzigd. Spijziging, V. Spijzing, V. Spikkel, M., spikkels. Spikkeltje, O., -jes. Spikkelachtig, -achtiger, -achtigst. Spikkelen, spikkelde, heeft gespikkeld. Spikkelig, spikkeliger, spikkeligst. Spikkeling, V. Spikspeldebnieuw. Spiksplintebnieuw. Spil, v. en O., spillen. Spilletje, O., -jes. Spilboom, M., -boomen. Spilboob, V., -boren. Spilgat, o., -gaten. Spilgioen, M., spilgioenen. | Spillebeen, M. en V., -beenen. I Spilleleen, O., -leenen. I Spillemaag, M. en V., -magen. | Spillen, spilde, heeft gespild. Spilpal, M., -pallen. Spilpan, V., -pannen. Spilpenning, M. en V., -penningen. Spilziek, -zieker, -ziekst. Spilzucht, V. i Spin, V., spinnen. Spinnetje, O., -jes. i Spinaal, o. Spinachtig. Spinazie, V. Spinaziebed, O., -bedden. Spinaziezaad, O. Spinde, V., spinden. Spinet, O., spinetten. Spinetje, O., -jes. Spinhuis, O., -huizen. Spinhuisboef, M., -boeven. Spinmachine, V., -machines. Spinnekop, V., -koppen; -kopje, o., -jes. Spinnen, spon, sponnen, heeft gesponnen. Spinneb, M., spinners. Spinnebij, v., spinnerijen. Spinneweb, O., -webben; -webje, O.,-jes. Spinnewebachtig. Spinneweefsel, O., -weefsels. Spinnewiel, o., -wielen; -wieltje, o., -jes. Spinosisme, O. Spinbokken, O., -rokkens. Spinsbek. Zie Pinsbek. Spinsel, o., spinsels. Spinsteb, V., spinsters. Spint, O. Spintabak, V. Spintachtig. Spintig, spintiger, spintigst. Spion, M., spionnen en spions. Spionnetje, O., -jes. Spionneeben, spionneerde, heeft gespi-onneerd. Spibaal, V., spiralen. Spiraaltje, O., -jes. Spiritisme, O. Spibitist, M., spiritisten. |
SPO.
SPI.
365
|
Spiritistisch. Spiritualiën (mv.), V. Spiritualisme, O. Spiritueel, spiritueeler, spiritueelst. Spiritus, M. Spirituslamp, V., -lampen; -lampje, o., -jes. Spit, O., speten en spitten. Speetje en spitje, O., -jes. Spits (punt), V., spitsen. Spits, O. (Het â afbijten). Spits, spitser, spitst. Spitsbaard, M., -baarden. Spitsboef, M., -boeven. Spitsbogenstijl, m. Spitsboog, M., -bogen. Spitsbroeder, M., -broeders. Spitsen, spitste, heeft gespitst. Spitsheid, V. Spitshoofd, M. en V., -hoofden. Spitsig, spitsiger, spitsigst. Spitsigheid, v. Spitskin, M. en V., -kinnen. Spitsmuis, V., -muizen; -muisje, O., -jes. Spitsneus, M. en V., -neuzen. Spitsroeden (mv.), V. Spitsvondig, -vondiger, -vondigst. Spitsvondigheid, v. Spitszinnig, -zinniger, -zinnigst. Spitszinnigheid, v. Spitten, spitte, heeft gespit. Spitter, M., spitters. Spitvarkentje, O., -jes. Spleet, V., spleten. Spleetje, o., -jes. Spleetbreuk, V., -breuken. Spletig, spletiger, spletigst. Splijten, spleet, spleten, heeft en is gespleten. Splijting, quot;V. Splint, O. Splinter, M., splinters. Splintertje, O., -jes. Splinterbreuk, V., -breuken. Splinteren, splinterde, heeft en is gesplinterd. Splinterig, splinteriger, splinterigst. Splinternieuw. Splintertrekker, M., -trekkers. Split, O., splitten. Splitje, O., -jes. Splitbout, M. -bouten. Splits, V., splitsen. Splitsen, splitste, heeft gesplitst. Splitser, m., splitsers. Splitsgang, v., -gangen. Splitshamer, M., -hamers. Splitshoorn en splitshoren, M., -hoorns en -horens. Splitsing, V., splitsingen. Splitstong, V., -tongen. Splitsvaantje, o., -jes. Splitten, splitte, heeft gesplit. Splitter, M., splitters. Spoed, m. Spoedbestelling, v., -bestellingen. |
Spoedcebtificaat, O., -certificaten. Spoeden, spoedde, is gespoed; ook spoedde (zich), heeft (zich) gespoed. Spoedig, spoediger, spoedigst. Spoediglijk. Spoel, V., spoelen. Spoeltje, O., -jes. Spoelbak, M., -bakken. Spoeldbank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Spoelen, spoelde, heeft en is gespoeld. Spoelhok, O., -hokken. Spoeling, V., spoelingen. Spoelingbak, M., -bakken. Spoelingdistrict, O. Spoelkom, V., -kommen; -kommetje, O., -jes.. Spoelsel, O., spoelsels. Spoelworm, M ,-wormen; -wormpje,O., -jes. Spog, o. Spoken, spookte, heeft gespookt. Spoker, M., spokers. Spokerij, V., spokeryen. Spon, V., sponnen. Sponnetje, O., -jes. Sponde, V., sponden. Spong, V., spongen. Sponning, V., sponningen. Sponninkje, O., -jes. Spons, V., sponsen. Sponsje, O., -jes. Sponsachtig, -achtiger, -achtigst. Sponsachtigheid, V. Sponsen, sponste, heeft gesponst. Spontaan, spontane. Spontaneïteit, V. Sponturf, V. Spook, O., spoken. Spookje, O., -jes. Spookachtig, -achtiger, -achtigst. Spookdier, O., -dieren. Spookgeschiedenis, V., -geschiedenissen; -geschiedenisje, O., -jes. Spookhuis, O., -huizen. Spooksel, O., spooksels. Spookster, V., spooksters. Spookuur, O. Spookverschijning, V., -verschijningen. Spoor (prikkel), V., sporen. Spoortje, O., -jes. Spoor (voetstap en wagenspoor), O., sporen. Spoortje, O., -jes. Spoorbaan, V., -banen. Spoorbalk, M., -balken. Spoorbijster. Spoorboekje, O., -boekjes. Spoorhout, O., -houten. Spoorkaartje, O., -kaartjes. Spoorklok, V., -klokken. Spoorloos. Spoorslags. Spoorstaaf, V., -staven. Spoorstok, M., -stokken. Spoortijd, M. Spoortrein, M., -treinen. Spoorwagen, M., -wagens. Spoorweg, M., -wegen. |
SPR.
SPO.
366
|
Spoorwegaandeel, O., -aandeelen. Spoorwegbeambte, m., -beambten. Spoorwegbrug, V., -bruggen. Spoorwegdienst, m., -diensten. Spoorwegfonds, o., -fondsen. Spoorwegkaart, v., -kaarten. Spoorwegleening, v., -leeningen. Spoorwegmaatschappij, v., -maatschap-Pijen. Spoorwegnet, o., -netten. Spoorwegrijtuig, o., -rjjtuigen. Spoorwegstation, o., -stations. Spoorwegverbinding, V., -verbindingen. Spoorwegverkeer, o. Spoorwegwagon, M., -wagons. Spoorwijdte, V. Sporen (aansporen), spoorde, heeft gespoord. Sporen (met den spoorwagen rijden), spoorde, heeft en is gespoord. Sporrelig, sporreliger, sporreligst. Sporreligheid, v. Sporreling, V., sporrelingen. Sport, V., sporten. Sportje, O., -jes. Sport (Engelsch woord), V. Sport-artikfl, O., -artikelen. Sporthemd, O., -hemden. Sportkar, V., -karren. Sportnieuws, o. Sportterrein, O., -terreinen Spot, m. Spotachtig, -achtiger, -achtigst. Spotachtigheid, v. Spotboef, M., -boeven. Spotdicht, O., -dichten. Spotgeld, o. Spotlijster, V., -lijsters. Spotlust, m. Spotprijs, M., -pryzen; -prysje, O., -jes. Spotrede, V., -redenen. Spotschrift, O., -schriften. Spotster, V., spotsters. Spotten, spotte, heeft gespot. Spotter, M., spotters. Ãpottertje, O., -jes. Spotternij, V., spotternyen. Spotvogel, M.. -vogels. Spotziek, -zieker, -ziekst. Spotzucht, v. Spouw, V., spouwen. Spouwen, spouwde, heeft en is gespou-wen. Spouwer, M., spouwers. Spouwing, v. Spraak, v. Spraakgebruik, O. Spraakvermogen, o. Spraakwater, O. Spraakwerktuig. O., -tuigen. Spraakzaam, -zamer, -zaamst. Spraakzaamheid, v. Sprakeloos, -looze. Sprakeloosheid. v. Sprank, V., spranken. Sprankje, O., -jes. 3 bil |
Sprankel, V., sprankels. Sprankeitje, O., -jes. Sprankelvuur, O., -vuren. Spreekbeurt, V., -beurten. Spreekbuis, V., -buizen. Spreekgestoelte, o., -gestoelten. Spreekhoorn en -horen, M., -hoorns en -horens. Spreekkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Spreekster, V., spreeksters. Spreektaal, V. Spreektrant, M. Spreektrompet, V., -trompetten. Spreekuur, O., -uren. Spreekvertrek, O., -vertrekken. Spreekwijze en -wijs, V., -wijzen. Spreekwoord, O., -woorden; -woordje, O., -Jes. Spreekwoordelijk. Spreekwoordenboek, O., -boeken. Spreeuw, M., spreeuwen. Spreeuwtje, O., -jes. Spreeuwebek, M., -bekken. Spreeuwen, spreeuwde, heeft ge- spreeuwd. Spreeuwenei, o., -eieren. Spreeuwennest, o., -nesten. Sprei, V., spreien. Spreitje, o., -jes. Spreiden, spreidde, heeft gespreid. Spreken, sprak, spraken, heeft gesproken. Spreker, M., sprekers. Sprengbekken, O., -bekkens. Sprengen, sprengde, heeft gesprengd. Sprenger, M., sprengers. Sprenging, V., sprengingen. Sprengkwast, M., -kwasten. Sprengvat, o., -vaten. Sprenkel (rattenknip), M., sprenkels. Sprenkel (sprank), V., sprenkels. Spren- keltje, O., -jes. Sprenkelen, sprenkelde, heeft gesprenkeld. Sprenkeling, V., spvenkelingen. Sprenkelpot, M., -potten. Sprenkelvat, 0., -vaten. Spreuk, V., spreuken. Spreukje, O., -jes. Spreukachtig. Spreukenboek, O., -boeken. Spreukrijk, -ryker, -rykst. Spriet, M., sprieten. Sprietje, O., -jes. Sprietbeugel, M., -beugels. Sprietoogen, sprietoogde, heeft ge- sprietoogd. Spring, M., springen. Springader, V.. -aders. Springbok, M., -bokken. Springboog, M., -bogen. Springbron, V., -bronnen. Springen, sprong, heeft en is gesprongen. Springer, M., springers. Springhengst, M., -hengsten. Spring-in-'t-veld, M. en V., -velden. |
SPU.
SPR.
367
|
Spkingkever, M., -kevers. Springkoorts, V., -koortsen. Springkruid, O. Springlading, V., -ladingen. Springlevend. Springmatras, V., -matrassen. Springnet, O., -netten. Springpaard (scheepsw.), O., -paarden. Springpoot, M., -pooten. Springproef, V., proeven. Springriem, M., -riemen. Springspin, V., -spinnen. Springster, V., springsters. Springstier, M., -stieren. Springstok, M., -stokken. Springstopper, M., -stoppers. Springtij, o., -tijen. Springton, V., -tonnen. Springveer, V., -veeren. Springvloed, M., -vloeden. Springvuur, O. Sprinkhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Sprits, V., spritsen. Spritsje, O., -jes. Spritsen, spritste, heeft gespritst. Sproeien, sproeide, heeft gesproeid. Sproeiwagen, M., wagens. Sproet, V., sproeten. Sproetje, o., -jes. Sproetachtig, -achtiger, -achtigst. Sproeterig, sproeteriger, sproeterigst. Sproetig, sproetiger, sproetigst. Sproke, V., sproken. Sprokkel (afgebroken takje), M., sprokkels. Sprokkel (heester), V. Sprokkelaar, M., sprokkelaars. Sprokkelaarster, V., sprokkelaarsters. Sprokkelen, sprokkelde, heeft gesprokkeld. Sprokkelhout, o. Sprokkeling, V., sprokkelingen. Sprokkelmaand, V. Sprong, M., sprongen. Sprongetje, 0.,-jes. Sprookje, O., -jes. Sprookjesverteller, M., -vertellers. Sprot, V., sprotten. Sprotje, o., -jes. Spruit (van eene plant), V., spruiten. Spruitje, o., -jes. Spruit (van een gieter), V., spruiten. Spruitje, O., -jes. Spruit (touw), o., spruiten. Spruitblok, O., -blokken en -bloks. Spruiten, sproot, sproten, is gesproten. Spruitgewas, O. Spruiting, v. Spruitkool, V., -kooien. Spruitsel, O., spruitsels. Spruw, v. Spugen, spoog, spogen, heeft gespogen. Spui, o., spuien. Spuidok, o., -dokken. Spuien, spuide, heeft gespuid. Spuigat, ook spiegat en spijgat, o., -gaten. |
Spuiing, V., spuiingen. Spuisluis, V., -sluizen. Spuit, V., spuiten. Spuitje, O., -jes. Spuiten, spoot, spoten, heeft gespoten. Spuitenhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Spuiter, M., spuiters. Spuitgast, M., -gasten. Spuiting, V., spuitingen. Spuitmeester, M., -meesters. Spuitvisch, M., -visschen; -vischje, O., -jes. Spuitwater, O. Spuitworm, M.,-wormen; -wormpje, O., -jes. Spurrie, V. Spuug, O. Spuwbak, M., -bakken; -bakje, O., -jes. Spuwdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Spuwen, spuwde, heeft gespuwd. Spuwing, V., spuwingen. St (tusschenw.). Staaf, V., staven. Staafje, O., -jes. Staafijzer, O. Staag. Staagjes. Staak, M., staken. Staakje, O., -jes. Staal (grondslag van een dijk), M., stalen. Staal (monster), O., stalen. Staaltje, O., -jes. Staal (metaal), o. Staal (werktuig), O., stalen. Staalachtig. Staaldraad, M., -draden. Als stof-! naam, O. j Staaldruppels (mv.), M. ; Staalgravure, V., -gravures, j Staalhof, O., -hoven. i Staalkaart, V., -kaarten. Staalmeester, M., -meesters. Staalpillen (mv.), V. Staalplaat, V., -platen. Staalwater, O. Staalwaterbron, V., -bronnen. Staan, staat, stond, heeft gestaan. Staande. Staander, M., staanders. Staandevoets en staandsvoets. Staangeld, ook stageld, O., -gelden. Staanplaats, V., -plaatsen; -plaatsje, O., -jes. Staar, V. Staart, M., staarten. Staartje, O., -jes. Staartachtig. Staartbeen, O., -beenderen. Staarteloos, -looze. Staartpruik, V., -pruiken. Staartriem, M., -riemen. Staartster, V., -sterren. Staartstuk, O., -stukken. Staartvin, V., -vinnen. Staat, M., staten. Staatje, O., -jes. |
STA.
368
STA.
|
Staathuishoudkunde, V. Staathuishoudkundige, M. en V., -kun- digen. Staatkunde, V. Staatkundig, -kundiger, -kundigst. Staatkundige, M. en V., -kundigen. Staatsalmanak, M., -almanakken. Staatsambt, O., -ambten. Staatsambtenaab, M., -ambtenaren. Staatsbankkoet, O., -bankroeten. Staatsbeambte, M., -beambten. Staatsbediening, V., -bedieningen. Staatsbegbooting, V., -begrootingen. Staatsbelang, O., -belangen. Staatsbesluit, O., -besluiten. Staatsbestuub, O., -besturen. Staatsbewind, O. Staatsblad, O., -bladen. Staatsbubgeb, M., -burgers. Staatsbubgebschap, O. Staatschen (mv.), M. Staatscommissie, V., -commissiën en -commissies. Staatscoubant, V., -couranten. Staatsdienaab, M., -dienaren. Staatsdienst, M. Staatsexamen, o., -examens. Staatsgeheim, O., -geheimen. Staatsgeschiedenis, V. Staatsgevangene, M. en V., -gevangenen. Staatshulp, V. Staatsie, V. Staatsiekoets, V., -koetsen. Staatsiemantel, M.f -mantels. Staatsinkomsten (mv.), V. Staatsinstelling, V., -instellingen. Staatslichaam, O., -lichamen. Staatslotebij, v., -loteryen. Staatsman, M., -lieden. Staatsmisdaad, V., -misdaden. Staatsomwenteling, V., -omwentelingen. Staatspapieb, O., -papieren. Staatspartij, V., -partijen. Staatsbaad, M., -raden. Staatsbecht, O. Staatsbechtelijk. Staatsbegeling, V., -regelingen. Staatsschuld, V., -schulden. Staatsspoobweg, M., -spoorwegen. Staatstoezicht, O. Staatsvebgadebing, V., -vergaderingen. Staatsvobm, M., -vormen. Staatswege. (Van â). Staatswet, V., -wetten. Staatszaak, V., -zaken. Staatzucht, V. Stad, V., steden. Stadje, O., -jes. Stade en btl. (Te â komen). Stadgenoot, M., -genooten. Stadgenoote, V,. -genooten. Stadhoudeb en stedehouder, M., -houders. |
Stadhoudebluk. Stadhoudebloos, -looze. Stadhoudebschap, o. Stadhoudersgezind. Stadhuis (het raadhuis), O., -huizen. Stadhuisklok, V., -klokken. Stadhuistoren, M., -torens. Stadhuiswoord, O., -woorden. Stadie, V., stadiën Stadig. Stadsaannemer, M., -aannemers. Stadsadvocaat, M., -advocaten. Stadsarbeideb, M., -arbeiders. Stadsabchitect, M., -architecten. Stadsarmenschool, V., -scholen. Stads-bank-van-leening, V. Stadsbediening, V., -bedieningen. Stadsbestuur, O. Stadsbibliotheek, V., -bibliotheken. Stadsbode, M., -boden. Stadsdokter, M., -dokters. Stadsgebouw, O, -gebouwen. Stadsgeld, O. Stadsgeneesheer, M., -geneesheeren. Stadsgrond, M. Stadshuis (eigendom der stad), 0., -huizen. Stadskas, V. Stadskeur, V., -keuren. Stadskleuren (mv.), V. Stadslantaren, V., -lantarens. Stadslast, M., -lasten. Stadsmuur, M., -muren. Stadsnieuws, o. Stadsomroeper, M., -omroepers. Stadsontvanger, M., -ontvangers. StadsregeerIng, V. Stadsreiniging, V. Stadsreinigingsdienst, M. Stadsschool, V., -scholen. Stadsschout, M., -schouten. Stadstimmerwerf, V., -werven. Stadsvest, V., -vesten. Stadswaag, V. Stadswal, M., -wallen. Stadswapen, O., -wapens. Stadswater, o., -wateren. Stadszegel, O., -zegels. Stadwaarts en stedewaarts. Staf, M., staven. Stafje, O., -jes. Staffier, M., staffieren. Stafkaart, V., -kaarten. Stafmuziek, V. Stafmuzikant, M., -muzikanten. Stafofficier, M., -officieren. Stag, o., stagen. Stageld. Zie Staangeld. Staggelen, staggelde, heeft gestaggeld. Stagnatie, V., stagnatiën en stagnaties. Staken, staakte, heeft gestaakt. Staket, O., staketten. Staketsel, o., staketsels. Staketseltje, O., -jes. Staking, V., stakingen. |
STA.
STA.
369
|
Stakker en stakkerd, m., stakkers en stakkerds. Stakkertje en stakkerdje, O., -jes. Stal, M., stallen. Stalletje, O., -jes. Stalbezem, m., -bezems. Stalen (bnw). Stalen, staalde, heeft gestaald. Stalhouder, M.. -houders. Stalhouderij, V., -houderyen. S -ling, V. Staljongen, M., -jongens. Stalknecht, M., -knechts. Stallen, stalde, heelt gestald. Stalletje (verkoopplaats), O., -jes. Stalling, V., stallingen. Stalmeester, M., -meesters. Stalmest, M. Stalvoeder, O. Stalziek. Stam, M., stammen. Stammetje, O., -jes. Stamboek, O., -boeken. Stamboekvee, O. Stamboeknummer, O., -nummers. Stamboom, M., -boomen. Stamelaar, M., stamelaars. Stamelaarster, V., stamelaarsters. Stamelen, stamelde, heeft gestameld. Stameling, V. Stameltaal, V. Stameltong, M. en V., -tongen. Stamet, O., stametten. Stametten (bnw.). Stamgenoot, M , -genooten. Stamhuis, O., -huizen. Stamijn, V. Stamijnen (bnw.). Stammen, stamde, is gestamd. Stampage, V. stampeienfstampeide, heeft gestampeid. Stampen, stampte, heeft gestampt. Stamper, M., stampers. Stampertje, O., -jes. Stamping, V., stampingen. Stampmolen, M., -molens. Stampstag, O., -stagen. Stampstooten, O. Stampvoeten, stampvoette, heeft gestampvoet. Stampvol, -volle. Stampwerk, O. Stamroos, V., -rozen. Stamvader, M., -vaders. Stamverwant, M. en V., -verwanten. Stamwoord, O., -woorden. Stand, M., standen. Standaard en standerd,M., standaarden, standaards en standerds. Standaardwerk, o., -werken. Standbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes. Standblok, o., -blokken en -bloks. Standelkruid, O. Stander, m., standers. Standertje, O., -jes. |
Standhouden, hield stand, heeft standgehouden. Standje (ruzie en persoon), O., -jes. Standolie, V. Standpenning, M., -penningen. Standplaats V., -plaatsen. Standpunt, O., -punten. Standrecht, o. Standverwisseling, V. Standvastig, -vastiger, -vastigst. Standvastigheid, V. Standvastiglijk. Standvink, M., -vinken. Standvizier, O., -vizieren. Stang, V., stangen. Stangetje, O., -jes. Stangenstelsel, o., -stelsels. Stank, M., stanken. Stankje, O., -jes. Stanza, V., stanza's. Stap, M., stappen. Stapje, O., -jes. Stapel, M., stapels. Stapeltje, O., -jes. Stapelaar, M., stapelaars. Stapelbaar,-bare. Stapelblok, o., -blokken. Stapelen, stapelde, heeft gestapeld. Stapelgek, -gekke. Stapelgoed, O., -goederen. Stapelhuis, o., -huizen. Stapeling, V., stapelingen. Stapelmarkt, V., -markten. Stapelplaats, V., -plaatsen. Stapelrecht, O. Stapelwaar, V.. -waren. Stapelzot, -zotte. Stappen, stapte, heeft en is gestapt. Stapper, M., stappers. Stapvoets. Star. Zie Ster. Staren, staarde, heeft gestaard. Stakoogen, staroogde, heeft gestaroogd. Statelijk, -lijker, -Ijjkst. Statelijkheid, Y. Statenbijbel, M., -bijbels. Statenbode, M., -boden. Statencollege, O. Staten-generaal (mv.), m. Statenkamer, v., -kamers. Statenvertaling, V. Statica, V. Statie, V., statiën. Statig, statiger, statigst. Statigheid, V. Station, o., stations. Stationnetje, o., -jes. Stationnair. Stationneeren, stationneerde, heeft gestationneèrd. Stationschef en stationchef, M.,-chefs. Stationsgebouw, O., -gebouwen. Stationsklok, V., -klokken. Stationsplein, O., -pleinen. Stationsstraat, V., -straten. Stationsweg, m., -wegen. Statistiek, V. Statistisch. |
24
STA.
370
STB.
|
Statu-quo, O. Statuur, V. Statuut, O., statuten. Stavast. (Van â). Staven, staafde, heeft gestaafd. Staving, V. Stearine, V. Stearinekaars, V., -kaarsen. Stede en stee. (In â van). Stedehouder. Zie Stadhouder. Stedehouderschap, O. Stedekroon, V., -kronen. Stedelijk. Stedeling, M. en V., stedelingen. V. ook stedelinge. Stedewaarts. Zie Stadwaarts. Stee. Zie Stede. Stee (plekje), V., steeën. Steetje, O.,-jes. Steeds. Steedsch (bnw.). Steeg, V., stegen. Steegje, O., -jes. Steeg, steeger, steegst. Steegheid, V. Steek, M., steken. Steekje, O., -jes. Steekbeitel, M., -beitels. Steekbekken, O., -bekkens. Steekbes, V., -bessen. Steekblad, O., -bladen. Steekboor, V., -boren. Steekdicht, O., -dichten. Steekgaren, o. Steekhevel, M., -hevels. Steekijzer, O., -ijzers. Steekind, O., -kinderen. Steekkan, V., -kannen. Steeklijn, V., -lijnen. Steekpalm, V. Steekpenning, M., -penningen; -penninkje, O., -jes. Steekpil, V., -pillen; -pilletje, O., -jes. Steekpomp, V., -pompen. Stkekpriem, M., -priemen. Steekspeen, V., -spenen. Steekspel, O., -spelen. Steekte, V., steekten. Steekturf (voorwerpsnaam), M,, -turven; (stofnaam), V. Steekvru. Steekwiek, V., -wieken. Steekwulf, O., -wulven. Steel, M., stelen. Steeltje, O., -jes. Steelieden en steelui (mv.), M. Steelster, V., steelsters. Steelswijze en -wijs. Steen (voorwerp), M., steen en. Als collectieve stofnaam, V. Als abstracte stofnaam, O. Steentje, O., -jes. Steenachtig, -achtiger, -achtigst. Steenachtigheid, V. Steenbakker, M., -bakkers. Steenbakkerij, V., -bakkerjjen. Steenbikker, M., -bikkers. Steenbok, M., -bokken. Steenbolk, M., -bolken. |
Steenbreek, V. Steendruk, M. Steendrukken, steendrukte, heeft gesteendrukt. Steendrukker, M., -drukkers. Steendrukkerij, V., -drukkerijen. Steendrukpers, V., -persen. Steendrukplaat, V., -platen. Steeneik, M., -eiken. Steenen (bnw.). Steenglooiing, V., -glooiingen. Steengoed, O. Steengroeve, V., -groeven. Steenhard. Steenhouwen, o. Steenhouwer, M., -houwers. Steenhouwerij, V., -houweryen. Steen ig, steeniger, steenigst. Steenigen, steenigde, heelt gesteenigd. Steenigheid, V. Steeniging, V. Steenklaver, V. Steenkolenbedding, v., -beddingen. Steenkolengas, O. Steenkolengruis, O. Steenkolenlaag, V., -lagen. Steenkolenloods, V., -loodsen. Steenkolenmijn, V., -mynen. Steenkool, V., -kolen. Steenoven, M., -ovens. Steenpuist, V., -puisten. Steenrots, V., -rotsen. Steenslijper, M., -slijpers. Steensoort, V., -soorten. Steenuil, M., -uilen. Steenvalk, M., -valken. Steenvorming, V. Steenworp, M., -worpen. Steenzager, M., -zagers. Steevoogd, M., -voogden. Steevoogdij, V., -voogdijen. Steg, M. (Weg noch â weten). Stegel, M., stegels. Stegeltje, O , -jes. Stegelreep, M., -reepen. Steiger, M., steigers. Steigertje, O., -jes. Steigeren, steigerde, heeft gesteigerd. Steigering, V., steigeringen, Steigerwf.rk, o. Steil, steiler, steilst. Steilheid, V. Steiloor, M. en V., -ooren; oortje, o., -jes. Steiloorig, -ooriger, -oorigst. Steiloorigheid, V. Steilte, V., steilten. Stek (spruit), V., stekken. Stekje, O., -jes. Stek (bergplaats), O., stekken. Stekje, O., -jes. Stekade, v., stekaden. Stekeblind. Stekel, M., stekels. Stekeltje, O., -jes. Stekelachtig, -achtiger, -achtigst. Stekelachtigheid, V,, -heden. |
STE.
STE.
371
|
Stekelbaabs, M., -baarzen; -baarsje, O., -jes. Stekelig, stekeliger, stekeligst. Stekeligheid, V., -heden. StekelIng, M., stekelingen. Stekelin- getje, O., -jes. Stekelvabken, o., -varkens. Steken, stak, staken, heeft gestoken. Stekeb, M., stekers. Stekertje, O., -jes. Stekken, stekte, heeft gestekt. Stel (stand), M. Stel (stelling, verzameling), o., stellen. Stelletje, O., -jes. Stelen, stal, stalen, heeft gestolen. Steleb, M., stelers. Stelhout, O, -houten. Stelkalf, O,, -kalven. Stelkunde, V. Stelkunst, V. Stelkunstig. Stellage, V., stellages. Stellen, stelde, heeft gesteld. Stelleb, M., stellers. Stellig, stelliger, stelligst. Stelligheid, V. Stelling, V., stellingen. Stellinkje, O., -jes. Stelpen, stelpte, heeft gestelpt. Stelping, V., stelpingen. Stelpnet, O., -netten. Stelbegel, M., -regels. Stelschboef, V., -schroeven. Stelsel, o., stelsels. Stelseltje, o.,-jes. Stelselloos, -loozer, -loost. Stelselloosheid, V. Stelselmatig, -matiger, -matigst. Stelselmatigheid, V. Stelselzucht, V. Stelstok (persoon), M. en V., -stokken. Stelt, V., stelten. Steltenloopeb (persoon), M.. -loopers. Steltloopeb (vogel), M., -loopers. Stelwig, V., -wiggen. Stem, V., stemmen. Stemmetje, O.,-jes. Stemband, M., -bai.den. Stembiljet, o., -biljetten. Stembbiefje, o., -jes. Stembuiging, V. Stembubeau, o., -bureau's. Stembus, V., -bussen. Stemdistbict, o., -districten. Stemgebechtigd. Stemgebechtigde, M. en V.,-gerechtigden. Stemhameb, M., -hamers. Stemhebbend. Stemkaabt, V., -kaarten. Stemkameb, V., -kamers. Stemlijst, V., -lysten. Stemmeloos, -looze. Stemmeloosheid, V. Stemmen, stemde, heeft gestemd. Stemmeb, M., stemmers. Stemmig, stemmiger, stemmigst. |
Stemmigheid, V. Stemmigjes. Stemming, V., stemmingen. Stemopnemeb, M., -opnemers. Stemopneming, V. Stempel (voorwerp), M.; (afdruk), M. en O.; stempels. Stempeltje, O., -jes. Stempelaab, M., stempelaars. Stempelband, M., -banden. Stempelbout, M., -bouten. Stempelen, stempelde, heeft gestempeld. Stempeling, V., stempelingen. Stempelpebs, V., -persen; -persje, O., -jes. Stempelsnijdeb, M., -snijders. Stempen, stempte, heeft gestempt. Stemping, O. Stembecht, O. Stemspleet, V., -spleten. Stemvebheffing, V. Stemvobk, V., -vorken. Stemvobming, V. Stemwijze en -wijs, V., -wyzen. Stenen (zuchten), steende, heeft gesteend. Steng, V., stengen. Stengetje, O., -jes. Stengel, M., stengels. Stengeltje, O., -jes. Stenogbaaf, M., stenografen. Stenogbaphie, V. Stenogbaphisch. Stentobstem, V., -stemmen. Steppe, V., steppen. Steppenbewoneb, M., -bewoners. Steb en stab, V., sterren en starren. Sterretje en starretje, O., -jes. Stebanijs, M. Stebe (kubieke el), V., steren en steres. Stebeometbie, V. Stebeoscoop, M., stereoscopen. Stebeotiep, stereotiepe. Stebeotypeeben, stereotypeerde, heeft gestereotypeerd. Stebeotypeub, M., stereotypeurs. Stebeotypie, V. Stebfbed, O., -bedden. Stebfdag, M., -dagen. Stebfelijk. Stebfelijkheid, V. Stebfgeval, O., -gevallen. Stebfhuis, O., -huizen. Stebfjaab, O., -jaren. Stebflijst, V., -lysten. Stebfte, V. Stebftecijfeb, O., -cjjfers. Stebftetafel, V., tafels. Stebftijd, M. Stebfuub, O., -uren. Stebk, sterker, sterkst. Stebkbeenig. Stebken, sterkte, heeft gesterkt. Stebkgespiebd. Stebkgezenuwd. Stebking, quot;V. |
STE.
372
STI.
|
Sterkte, V., sterkten. Sterktestaat, M., -staten. Sterkwater, o. Sterrebloem, V. Sterrebosch, O. Sterrekerp, V. Sterrekerszaad, O. Sterrekruid, O. Sterrenbeeld, o., -beelden. Sterrendak, O. Sterrengewelf, o. Sterrenhemel, M. Sterrenkaart, V., -kaarten. Sterrenkijker, M., -kijkers. Sterrenkijkerij, V., -kijkeryen. Sterrenkunde, V. Sterrenkundig. Sterrenkundige, m, -kundigen. Sterrenlicht, o. Sterrentoren, M., -torens. Sterrenwacht, V., -wachten. Sterrenwichelaar, m., -wichelaars. Sterrenwichelarij, V., -wichelaryen. Sterreschot, o. Sterveling, M. en V., stervelingen. V. ook stervelinge. Sterven, stierf, stierven, is gestorven. Stervensnood, M. Stervensuur, O., -uren. Stervormig. Stethoscoop, M,, stethoscopen. Steun, M., steunen. Steuntje, O., -jes. Steunbalk, M., -balken. Steunbladen (rav ), O. Steunder, M., steunders. Steunen (rusten, stutten), steunde, heeft gesteund. Steunen (stenen), steunde, heeft gesteund. Steuning, V. Steunmiddel, O., -middelen. Steunpilaar, M., -pilaren. Steunpunt, O., -punten. Steunsel, O., steunsels. Steunseltje, O., -jes. Steunstuk, O., -stukken. Steunweger, M., -wegers. Steur, M., steuren. Steurtje, O., -jes. Stevel, M., stevels. Steveltje, O., -jes. Steven, M., stevens. Steventje, O., -jes. Stevenen, stevende, is gestevend. Stevig, steviger, stevigst. Stevigen, stevigde, heeft gestevigd. Stevigheid, V. Sticht, ook stift, O. Stichtelijk, -lijker, -lykst. Stichtelijkheid, V. Stichten, stichtte, heeft gesticht. Stichtenaar, M., Stichtenaars en Stichtenaren. Stichter, M., stichters en stichteren. Stichting, V., stichtingen. Stichtingsfeest, o., -feesten. Stichtingsoorkonde. V.. -oorkonden. |
Stichtsch. i Stichtster, V., stichtsters. Stiefbroeder, m., -broeders. Stiefdochter, y., -dochters. Stiefkind, o., -kinderen. i Stiefmoeder, V., -moeders, i Stiefmoederlijk, -lyker, -lykst. j Stiefvader, M., -vaders. Stiefzoon, M., -zonen en -zoons. Stiefzuster. V., -zusters. Stier, m., stieren. Stiertje, o., -jes. Stieracettg, -actitiger, -achtigst. Stierekop, M., -koppen. Stieren. Zie Sturen. Stierengevecht, O., -gevechten. Stierenhuid, v., -huiden. Stierenoffer, O., -offers. Stierevleesch en stierenvleesch, o. Stierkalf, o., -kalveren. Stift (puntig voorwerp), V., stiften. Stiftje, O., -jes. Stift (kerkwoord). Zie Sticht. Stigma, O. Stijf, stiver, stijfst. Stijfachtig. Stijfheid, v., -heden. Stijfhoofd, M. en V.,-hoofden; -hoofdje, O., -jes. Stijfhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Stijfhoofdigheid, V. i Stijfkop, m. en v., -koppen; -kopje, o., i -jes. Stijfkoppig, -koppiger, -koppigst. I Stijfkoppigheid, V. i Stijfsel, V. Stijfselen, styfselde, heeft gestijfseld. ; Stiffselglans, O. Stijfselhuis, o., -huizen. Stijfselkwast, M., -kwasten. Stijfselmaker, M., -makers. Stijfselpodding, M., -poddingen. Stijfselpot, M., -potten. Stijfselwater, O. Stijfster, V., styfsters. Stufte, v. Stijfzinnig, -zinniger, -zinnigst. Stijfzinnigheid, V. Stijg, V. en O., stijgen. Stijgbeugel, M., -beugels; -bengeltje, O., -jes. Stijgen, steeg, stegen, is gestegen. Stijging, v., stijgingen. Stijl (schryf, schilder- en bouwtrant), M., stolen. Stjjlt.ie. O., -jes. Stijl (stut), M., stijlen. Styitje, ü., -jes. Stijlleer, V. Stijloefening, V., -oefeningen. Stijven (stijf maken), steef, steven, heeft gesteven. Stijven (sterken), styfde, heeft gestyfd. Stijvigheid, v. Stijving, v. Stikdonker. Stikgaren. o. |
STI.
373
STL
|
Stikgbond, M., -gronden. Stikhoest, M. Stikken (verstikken), stikte, heeft en is gestikt. Stikken (steken, borduren), stikte, heeft gestikt. Stikker, M., stikkers. Stiklucht, V. Stiknaad, M., -naden. Stiknaald, V., -naalden. Stiksel, O., stiksels Stikseltje, O., -jes. Stikster, V., stiksters. Stikstof, V. Stikstofverbinding, V., -verbindingen. Stikvol, -volle. Stikwerk, o. Stikziend. Stikziendheid, V. Stikzijde, V. Stikzinking, V.,-zinkingen en -zinkings. Stil, stiller, stilst. Stileeren, stileerde, heeft gestileerd. Stilet, O., stiletten. Stiletje, O., -jes. Stilheid, V. Stilhouden, hield stil, heeft stilgehouden. Stilist, M., stilisten. Stillekens. Stillen, stilde, heeft en is gestild. Stilletje, O., -jes. Stilletjes. Stilleven, O., -levens. Stilliggen, lag stil, lagen stil, heeft stilgelegen. Stilligheid, V. Stilling, V. Stilmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes. Stilstaan, staat stil, stond stil, heeft stilgestaan. Stilstaand. Stilstand, M. Stilte, V. Stilzitten, zat stil, zaten stil, heeft stilgezeten. Stilzwijgen, zweeg stil, zwegen stil, heeft stilgezwegen. Stilzwijgen, O. Stilzwijgend, -zwijgender, -zwygendst. Stilzwijgendheid, V. Stinkbok, M., -bokken. Stinkboom, M., -boomen. Stinkdier, O., -dieren. Stinken, stonk, heeft gestonken. Stinkerd, M., stinkerds. Stinkhout, O. Stinkkever, M., -kevers. Stinkpoel, M,, -poelen. Stinkpot, M., -potten. Stinksloot, V., -slooten. Stinkstok (slechte sigaar), M., -stokken. Stinkvlieg, V., -vliegen; -vliegje, o., -jes. Stip, V., stippen. Stipje, o., -jes. |
Stippel, V., stippels. Stippeltje, O., -jes. Stippelen, stippelde, heeft gestippeld. Stippeling, V. Stippellijn, V., -Lynen. Stippen, stipte, heeft gestipt. Stipt, stipter, stiptst. Stiptelijk. Stiptheid, V. Stoeien, stoeide, heeft gestoeid. Stoeierij, V., stoeierijen. Stoeiig, stoeiiger, stoeiigst. Stoeiziek, -zieker, -ziekst. Stoeizucht, V. Stoel, M., stoelen. Stoeltje, O., -jes. Stoeldraaier en stoelendraaier, M. -draaiers. Stoelengeld, O., -gelden. Stoelenmaker, M., -makers. Stoelenmatten, O. Stoelenmatter, M., -matters. Stoelenzetster, V., -zetsters. Stoelgang, M. Stoelvast, -vaster, -vastst. Stoelvastheid, V. Stoep, V., stoepen. Stoepje, O., -jes. Stoepen, stoepte, heeft gestoept. Stoepje (stadssoldaat), ü., -jes. Stoer, stoerder, stoerst. Stoerheid, V. Stoet (gevolg, optocht), M. Stoet (brood), V., stoeten. Stoeterij, V., stoeterijen. Stoethaspel, M., -haspels. Stof (stoflage en onderwerp), v.,stoffen. Stofje, O., -jes. Stof (stuifzand, enz ), O. Stofje, O.,-jes. Stofdeeltje, O., -deeltjes. Stofdoek, M., -doeken. Stofdoekenmandje, O., -mandjes. Stoffage, V., stotiages. Stoffeerder, M., stoffeerders. Stoffeeren, stoffeerde, heeft gestoffeerd. Stoffeering, V., stoffeeringen. Stoffeersel, O., stoffeersels. Stoffeerster, V., stofieersters. Stoffel, M., stoffels. Stoffelachtig, -achtiger, -achtigst. Stoffelaohtigheid, V. Stoffelijk. Stoffelijkheid, V. Stoffeloos en stofloos, -looze. Stoffen (bnw.). Stoffen (pochen), stofte, heeft gestoft. Stoffen (van stof reinigen), stofte, heeft gestoft. Stoffer, M , stoffers. Stoffertje,0.,-jes. Stofferig, stoffenger, stolferigst. Stofferigheid, V. Stoffig, stoffiger, stoffigst. Stoffigheid, V. Stofgoud, o. Stofhagelen, stofhagelde, heeft ge-stofhageld. |
STO.
374
STO.
|
Stofloos. Zie Stoffeloos. Stofnaam, M., -namen. Stofbegen, M. Stofbegenen, stofregende, heeft ge- stofregend. Stoïcijn, M., stoïcynen. Stoïcunsch. Stok, M., stokken. Stokje, o., -jes. Stokdoof. Stokebband, M. en V., -branden; -brandje, O., -jes. Stokebbanden, O. Stoken, stookte, heeft gestookt. Stokeb, M., stokers. Stokebij, v., stokeryen. Stokerytje, o., -jes. Stoking, v. Stokkeknecht, M., -knechts. Stokken (van by en en ankers), stokte, heeft gestokt. Stokken (bljjven steken), stokte, is gestokt. Stokkebig, stokkeriger, stokkerigst. Stokkebigheid, V. Stokoud. Stokboos, V., -rozen. Stokstijf, -styve. Stokvisch, als voorwerpsnaam, M., -visschen. Als stofnaam, V. Stollen, stolde, is gestold. Stolling, v. Stolp, V., stolpen. Stolpje, O., -jes. Stolpen, stolpte, heeft gestolpt. Stom, stommer, stomst. Stomdbonken. Stomheid, V., -heden. Stomme, m. en V., stommen. Stommetje, O., -jes. Stommeknecht,m., -knechts; -knechtje, O., -jes. Stommelen, stommelde, heeft gestommeld. Stommeling (domoor), m. en V., stommelingen. Stommeling (van stommelen), V., stom- melingen. Stommen, stomde, heeft gestomd. Stommebik, M., stommeriken. Stommigheid, V., -heden. Stommiteit, V., stommiteiten. Stomp (stoot), m., stompen. Stompje, O., -jes. Stomp (overbiyfsel, romp), V., stompen. Stompje, O., -jes. Stomp, stomper, stompst. Stompen, stompte, heeft gestompt. Stompheid, V. Stomphoekig. Stompneus, M. en V., -neuzen; -neusje, O., -jes. Stompzinnig, zinniger, -zinnigst. Stompzinnigheid, V. Stond, M., stonden. Stoof, V., stoven. Stoofje, O., -jes. |
, Stoofketel, M., -ketels. Stoofpan, V., -pannen. i Stoofpeeb, V., -peren. i Stoofpot, M., -potten, i Stookappabaat, O., -apparaten. ; Stookgat, O., -gaten. Stookkast, V., -kasten. Stookoven, M., -ovens. Stookplaats, V., -plaatsen. Stooksteb, v., stooksters. Stool, V., stolen. 1 Stoom, M. 1 Stoombaggebvaabtuig, O., -vaartuigen. Stoomboot, V.,-booten; -bootje, O.,-jes. Stoombootdienst, M., -diensten. Stoombootmaatschappij, V., -maat- schappyen. Stoombbandspuit, V., -brandspuiten. Stoomen, stoomde, heeft en is gestoomd. Stoomfabbiek, v., -fabrieken. Stoomfluit, V.,-fluiten; -fluitje,O.,-jes. Stoomgemaal, O., -gemalen. , Stoomjacht, o., -jachten. Stoomketel, M., -ketels. Stoommachine, V., -machines. Stoompebs, V., -persen. Stoompijp, V., -pypen. Stoompomp, V., -pompen. i Stoompont, v.,--ponten. Stoombijstpellebij, v., -pelleryen. Stoomschip, o., -schepen. Stoomschuif, V., -schuiven. Stoomsleepeb, M., -sleepers. : Stoomtbam, V., -trams. Stoomtbamvebbinding, V., -verbindingen. Stoomvaabt, v. Stoomvaabtlijn, V., -lynen. Stoomvaabtmaatschappij, V., -maatschappijen. Stoomvaabtuig, O., -vaartuigen. Stoomvebmogen, O. Stoomwebktuig, O., -werktuigen. Stoomwezen, O. Stoop, V., stoopen. Stoopje, O., -jes. Stoobdeb, M., stoorders. Stoobloos en stobeloos, -looze. ! Stoobnis, V., stoornissen. | Stoobsteb, v., stoorsters. Stoot, M., stooten. Stootje, O., -jes. Stootbalk, M., -balken. Stootbodem, M., -bodems. Stootbok, M., -bokken. Stootbobd, O., -borden. Stootdegen, M., -degens. Stooten, stiet, heeft gestooten; ook stootte. Stootend, stootender, stootendst. Stooteb, M., stooters. Stootebig, stooteriger, stooterigst. Stootgaben, O. i Stootig, stootiger, stootigst. Stootijzeb, O., -yzers. Stootkant, M.,-kanten; -kantje,O.,-jes. |
STO.
875
STO.
|
Stootkeg, V., -keggen. Stootklamp, M., -klampen. Stootlap, M., -lappen. Stootmat, V., -matten. Stootplaat, V., -platen. Stootsch, stootscher, meest stootsch. Stootschaal, V., -schalen. Stootschheid, V. Stoottalie, V., -talies. Stootvru, -vr^je. Stop, V., stoppen. Stopje, O., -jes. Stopdoek, M., -doeken. Stopflesch, V., -flesschen. Stopgaren, O. Stophamer, M., -hamers. Stophars, V. en o. Stophout, O., -houten. Stopkatoen, o. Stoplap, M., -lappen; -lapje, O., -jes. Stoploon, O., -loonen. Stopmes, o., -messen. Stopnaald, V., -naalden. Stoppage, V. Stoppegeld, O. Stoppel, M., stoppels en stoppelen. Stoppeltje, O., -jes. Stoppelbaard, M., -baarden. Stoppelbrand, M., -branden. Stoppelen, stoppelde, heelt gestoppeld. Stoppelig, stoppeliger, stoppeligst. Stoppelland, O., -landen. Stoppelveld,'O., -velden. Stoppen, stopte, heeft gestopt. Stoppend. Stopper, M., stoppers. Stoppertje, O., â¢jes. Stopping, V., stoppingen. Stoprad, o., -raderen. Stopsajet, O. Stopsel, o., stopsels. Stopseltje, o.,-jes. Stopbteen, M., -steenen. Stopster, V., stopsters. Stopstuk, O., -stukken. Stopverf, V. Stopwas, O. Stopwerk, O. Stopwoord, O., -woorden; -woordje, O., -jes. Stopzijde, V. Storhloos. Zie Stoorloos. Storen, stoorde, heeft gestoord. Storing, V., storingen. Stork, M., storken. Storm, M., stormen. Stormpje. O., -jes. Stormachtig, -achtiger, -achtigst. Stormachtigheid, V. Stormen, stormde, heeft gestormd. Stormenderhand. Stormgevaarte, O., -gevaarten. Stormhoed, M , -hoeden. Stormhoek, M., -hoeken. Stormig, stormiger, stormigst. Stormkat, V., -katten. Stormklok, V., -klokken. |
Stormladder, V., -ladders. Stormloopen, liep storm, heeft storm- geloopen. Stormlooper, M., -loopers. Stormpaal, M., -palen. Stormram, M., -rammen. Stormschade, V. Stormtuig, O., -tuigen. Stormvogel, M., -vogels. Stormweder en -weer, O. Stormwind, M., -winden. Stortbad, O., -baden. Stortbui, V., -buien. Stortebed, O., -bedden. Storten, stortte, heeft en is gestort. Stortgoed, o., -goederen. Storting, V., stortingen. Stortkar, V., -karren. Stortkoker, m., -kokers. Stortregen, M., -regens. Stortregenen, stortregende, heeft gestortregend. Stortvloed, M., -vloeden. Stortzee, V., -zeeën. Stotteraar, M., stotteraars. Stotteraarster, V., stotteraarsters. Stotteren, stotterde, heeft gestotterd. Stout, stouter, stoutst. Stouterd, M., stouterds. Stouterdje, O., -jes. Stoutheid, V. Stoutigheid, V., -heden. Stoutmoedig, -moediger, -moedigst. Stoutmoedigheid, V. Stoutmoediglijk. Stouwen, stouwde, heeft gestouwd. Stoven, stoofde, heeft gestoofd. Stovengeld, O. Stovenhok, O., -hokken. Stovenzetster, V., -zetsters. Stoving, V. Straal, M., stralen. Straaltje, O., -jes. Straalbreking, V., -brekingen. Straalbundel, M., -bundels. Straalpijp, V., -pijpen. Straalsgewijze. Straat, V., straten. Straatje, O., -jes. Straatdeun, M, -deunen; -deuntje, O., quot;j08- Straatgevecht, O., -gevechten. Straatjongen, M., -jongens. Straatlantaren, V., -lantarens. Straatliedje, O., -liedjes. Straatmaker en stratenmaker, M., -makers. Straatmeid, V., -meiden. Straatmuzikant, M., -muzikanten. Straatprediker, M., -predikers. Straatroover, M., -roovers. Straatrumoer, O. Straatschender, M., -schenders. Straatschenderij, V., -schenderijen. Straatslijpen, O. Straatslijper, M., -slypers. |
I:
STR.
STR.
376
|
Straatsteen, M., -steenen. Straattaal, V. Straatvaarder, m., -vaai'derSi Straatveger, m., -vegers. Straatverlichting, V, Straatweg, M., -wegen. Straatwerker, M., -werkers. Straf en straffe, V., straften. Strafje, O., -jes. Straf, straffer, strafst. Strafbaar, -baarder, -baarst. Strafbaarheid, V. Strafbepaling, V., -bepalingen. Straffeloos, -looze. Straffeloosheid, V. Straffen, strafte, heeft gestraft. Straffer, M., straffers. Strafgericht, o., -gerichten. Strafheid, V. Strafkolonie, V., -kolonies. Strafoefening, V., -oefeningen. Strafplaats, V., -plaatsen. Strafrecht, O. Strafrechter, m., -rechters. Strafschuldig, -schuldiger, -schuldigst. Strafechuldigheid, V. Straftijd, M., -tijden. Strafvordering, V. Strafwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Strafwaardigheid, V. Strafwerk, o. Strafwet, V., -wetten. Strafwetboek, O., -boeken. Strafzaak, V., -zaken. Strak, strakker, strakst. Strakheid, V. Strakjes. Straks. Stralen, straalde, heeft gestraald. Stralenkrans, M., -kransen. Stralenkroon, V., -kronen. Straling, V. Stram, strammer, stramst. Stramheid, v. Stramien, V. en O. Strammigheid, V. Strand, O., stranden. Strandbericht, O., -berichten. Strandbewoner, M., -bewoners. Stranden, strandde, is gestrand. Strandgoed, O., -goederen. Stranding, V., strandingen. Strandjut, m., -jutten. Strandjutter, M., -jutters. Strandi.ooper, M, -loopers. Strandmuur, M., -muren. Strandstoel, M., -stoelen. Strandvogel, m., -vogels. Strandvond, M.. -vonden. Strandvonder, M., -vonders. Strandvonderij, V. Strategie, V. Strategisch. I n 1 i â if 11 1 i ! 1 ' 1; â 1 :il ij T |
Straten, straatte, heeft gestraat. Strater, m., straters. Streek (list), M., streken. Streekje, O., -jes. Streek (striking, landstreek, enz.), V., streken. Streekje, O., -jes. Streektafel, O., -tafels. Streelen, streelde, heeft gestreeld. Streeling, V., streelingen. Streep, V., strepen. Streepje, O., -jes. Streepjesgoed, O. Strekei, m., strekels. Strekken, strekte, heeft gestrekt. Strekking, v. Streksch. Strekzaam, -zamer, -zaamst. Strekzaamheid, V. Stremmen, stremde, heeft en is gestremd. Stremming, V., stremmingen. Stremsel, O. Streng, v., strengen. Strengetje, o., -jes. Streng, strenger, strengst. Strengelen, strengelde, heeft gestrengeld. Strenge lijk. Strengei.ing, v., strengelingen. Strengen, strengde, heeft gestrengd. Strengheid, v., -heden. Strepen, streepte, heeft gestreept. Streven, streefde, heeft gestreefd. Stribbelaar, M., stribbelaars. Stribbelen, stribbelde, heeft gestrib-beid. Stribbelig, stribbeliger, stribbeligst. Stribbeligheid, V. Stribbeling, V., stribbelingen. Strib- belingetje, O., -jes. Striem, v., striemen. Striempje, O., -jes. Strijd, M., strijden. Strijdbaar, -baarder, -baarst. Strijdbaarheid, V. Strijdbijl, V., -bjjlen. Strijden, streed, streden, heeft gestreden. Strijder, M., stryders. Strijdgenoot, M., -genooten. Strijdhamer, M., hamers. Strijdhengst, M., -hengsten. Strijdig, strydiger, strijdigst. Strijdigheid, V., -heden. Strijdknots, V., -knotsen. Strijdkolf, V., -kolven. Strijdkrachten (mv.), V. Steijdleus en -leuze, V., -leuzen. Strijdlust, m. Strijdlustig, -lustiger, -lustigst. Strijdmakker, M., -makkers. Strijdperk, O., -perken. Strijdpi aats, V., -plaatsen. Strijdros, o., -rossen. Strijdschrift, o., -schriften. Strijdvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Strijdvaardigheid, V. Strijdvlag, V., -vlaggen. |
m
STR.
STR.
377
|
Strijdvraag, V., -vragen. Strijkage, V., strykages. Strijkband, M., -banden. Strijkbloem, V., -bloemen. Strijkblok, O., -blokken en -bloks. Strijkbord, O., -borden. Strijkdeken, V., -dekens. Strijkel, M., strekels. Strijkelings. Strijken, streek, streken, heeft gestreken. Strijker, M., strikers. Strijkgeld, O. Strijkgoed, O. Strijkhoek, M., -hoeken. Strijkhout, O., -houten. Strijkijzer, O., -yzers. Strijkinstrument, O., -instrumenten. Strijkkachel, V., -kachels. Strijkkalk, V. Strijkkwartet, o., -kwartetten. Strijk lap, M., -lappen. Strijklijn, V., -Ijjnen. Strijkmuziek, V. Strijkorkest, (X Strijkplank, V., -planken. Strijkriem, M., -riemen. Strijksel, O., strjjksels. Strijkseltje, O., -jes. Strijksteen, M., -steenen. Strijkster, V., stryksters. Strijkstok, M., -stokken. Strijktafel, V., -tafels. Strijkvoeten, strykvoette, heeft ge- strykvoet. Strijkweer, V., -weren. Strijkwerk, O. Strik, M., strikken. Strikje, O., -jes. Strikken, strikte, heeft gestrikt. Striki.is, V., -lissen; -lisje, O., -jes. Strikrede, V., -redenen. Striksnoer, O., -snoeren. Strikt, strikter, striktst. Strikte lijk. Striktheid, V. Strikvraag, V., -vragen. Stripmeid, V., -meiden. Strippeling (gestripte tabak), V. Strippen, stripte, heeft gestript. Strips (â kragen). Stripster, V., stripsters. Stripzolder, M., -zolders. Stroef, stroever, stroefst. Stroefheid, V. Strompelen, strompelde, heeft en is gestrompeld. Strompelig, strompeliger, strompeligst. Stronk, M., stronken. Stronkje, O., -jes. Stront, V. Strontje, O., -jes. Stronterig, stronteriger, stronterigst. Strontig, strontiger, strontigst. Strontjongen, M., -jongens. Stroo, O. Strootje, O., -jes. Stroobos, M., -bossen. |
Stroodok, V., -dokken. Stroogeel, -gele. Stroohalm, M., -halmen. Stroohoed, M., -hoeden. Stroohut, V., -hutten. Strooibiljet, O., -biljetten. Strooien, strooide, heeft gestrooid. Strooien (bnw.). Strooier, M., strooiers. Strooiing, V., strooiingen. Strooijonker, M., -jonkers. Strooilepel, M., -lepels. Strooimandje, o., -jes. Strooimeisje, O., -jes. Strooipenning, m., -penningen. Strooisel, O. Strooister, V., strooisters. Strooisuiker, V. Strook, V., strooken. Strookje, O., -jes. Strooken (streelen), strookte, heeft gestrookt. Strooken (overeenstemmen), strookte, heeft gestrookt. Strooking (scheepsw.), V. Strookleurig. Stroo leger, O., -legers. Stroom, M., stroomen. Stroompje, O., â jes. Stroomafwaarts. Stroomatras, V., -matrassen. Stroomen, stroomde, heeft en is gestroomd. Stroomgebied, o. Stroomgod, M., -goden. Strooming, V., stroomingen. Stroomkaart, V., -kaarten. Stroomlaag, V., -lagen. Stroomling en stroomeling, M., stroom- lingcn en stroomelingen. Stroomopwaarts. Stroomrijk, -rijker, -rykst. Stroomsnelheid, V., -snelheden. Stroomversnelling, V., -versnellingen. Stroop (het stroopen), M., stroopen. Stroop en siroop, V., stropen en siropen. Stroopje, O., -jes. Stroopachtig, -achtiger, -achtigst. Stroopapier, O. Stroopen, stroopte, heeft gestroopt. Strooper, M., stroopers. Strooperij, V., strooperyen. Stroopkan, V., -kannen. Stroopmond, M. en V., -monden. Stroopnagel, M., -nagels. Stroopop, V., -poppen. Strooppartij, V., -partyen. Strooppot, M., -potten. Strooptocht, M., -tochten. Stroosnijder, M., -snyders. Stroowibch, V., -wisschen. Stroozak, M., -zakken. Strop, M., stroppen. Stropje, O., -jes. Stropdas, V,, -dassen. Stroperig, stroperiger, stroperigst. |
STU.
STE.
378
|
Stroperigheid, V. Strophe, V., strophen. Stbophisch. Stroppen, stropte, heeft gestropt. Stroptouw, O., -touwen. Strot, M., strotten. Strotje, O., -jes. Strottenhoofd, O. Strubbeling, V., strubbelingen. Structuur, V., structuren. Struif, V., struiven. Struifje, O., -jes. Struik, M., struiken. Struikje, O., -jes. Struikachtig. Struikelaar, M., struikelaars. Struikelblok, O., -blokken; -blokje,O., -jes. Struikelen, struikelde, heeft en is gestruikeld . Struikeling, V., struikelingen. Struikgewas, O., -gewassen. Struikrooven, O. Struikroover, M., -roovers. Struikrooveru, V., -rooveryen. Spruikwinde, V., -winden. Struis (vogel), M., struisen. Struisje, O., -jes. Struis (loodwit), V. Struisch (bnw.). Struisen, struiste, heeft gestruist. Struishoen, o., -hoenders. Struisveder en -veer, V., -vederen en -veeren. Struisvogel, M., -vogels. Struisvogelpolitiek, V. Strumpel, v., strumpels. Struweel, o., struweelen. Stuc, o. Studeeren, studeerde, heeft gestudeerd. Studeerkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Studeerlamp, V., -lampen; -lampje, O., -jes. Studeerstoel, M., -stoelen. Studeervertrek, O., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes. Student, m., studenten. Studentje, o., -jes. Studentenbank, V., -banken. Studentencorps, O., -corpsen en -corps. Studentenfeest, O., -feesten. Studentengrap, V.. -grappen. Studentenhaver, V. Studentenkamer, V., -kamers. Studentenkleeding, V. Studentenleven, O. Studentenlied, -liederen; -liedje, O., -jes. Studentenoppasser, M., -oppassers. Studentenpartij, V., -partijen. Studentensocièteit, V., -sociëteiten. Studententaal, V. Studententafel, V., -tafels. Studentenvereeniging, V., -vereenigin- gen. Studentikoos. |
Studie, V., studiën en studies. Studiebeurs, V., -beurzen. Studieboek, O., -boeken. Studiegeest, M. Studiejaar, O., -jaren. Studiekop, M., -koppen. Studiekosten (mv.), M. Studietijd, M. Stug, stugger, stugst. Stugheid, V. Stuifaarde, V. Stuifmeel, O, Stuifwol, V. Stuifzand. O. Stuifzwam, V. Stuik, M., stuiken. Stuiken, stuikte, heeft gestuikt. Stuikmand, V., -manden. Stuinder, M., stuinders. Stuip, V., stuipen. Stuipje, O., -jes. Stuipachtig, -achtiger, -achtigst. Stuiptrekking, V., -trekkingen. Stuit (het stuiten), M., stuiten. Stuitje, O., -jes. Stuit (lichaamsdeel), V., stuiten. Stuitje, O., -jes. Stuitbalk, M., -balken. Stuitbeen, O., -beenderen. Stuiten, stuitte, heeft en is gestuit. Stuitend, stuitender, stuitendst. Stuiter, M., stuiters, ötuitertje, o., -jes. Stuiteren, stuiterde, heeft gestuiterd. Stuiting, V. Stuitklamp, M., -klampen. Stuitknikker, M., -knikkers. Stuitwind, M., -winden. Stuiveling (turf), v. Stuiven, stoof, stoven, heeft en is gestoven. Stuiver, M., stuivers. Stuivertje, O., -jes. Stuiversblad, O., -bladen. Stuiversmagazijn, o., -magazijnen. Stuivertjewisselen, o. Stuk, O., stukken en stuks. Stukje, O., -jes. Stuk (b^jw.). Stukadoor, M., stukadoors. Stukadoorswerk, O. Stukadóoren, stukadoorde, heeft gestukadoord. Stukbreken, brak stuk, braken stuk. heeft stukgebroken Stukeeren, stukeerde, heeft gestukeerd. Stukgaan, ging stuk, is stukgegaan. Stukgooien, gooide stuk, heeft stukgegooid. Stukhout, O. Stukkend. Stukmaken, maakte stuk, heeft stukgemaakt. Stuksgewijze en -gewijs. Stukslaan, sloeg stuk, heeft stukgeslagen. |
SUB.
379
STU.
|
Stükbmijten, smeet stuk, smeten stuk, heeft stukgesmeten. Stukvallen, viel stuk, is stukgevallen. Stukwerk, O. Stulp, V., stulpen. Stulpje, O., -jes. Stulpkooi, V., -kooien. Stolpluik, O., -luiken. Stumper en stumperd, M., stumpers en stumperds. Stumpertje en stumperdje, O., -jes. Stumperachtig, -achtiger, -achtigst. Stumperachtigheid, V. Stumperig, stumperiger, stumperigst. Stumperigheid, V. Sturen en stieren, stuurde (stierde), heeft gestuurd (gestierd). Sturing, V. Stut, M., stutten. Stutje, O., -jes. Stutbalk, M., -balken. Stutsel, o., stutsels. Stutten, stutte, heeft gestut. Stutting, V. Stuur, O. Stuurboom, M., -boomen. Stuurboord, O. Stuurboordsboeg, M. Stuurboordbwacht, V., -wachten. Stuurgerei, o. Stuurlast, M. Stuurlastig. Stuurlastigheid, V. Stuurman, M., -lieden en -lui. Stuurmanschap, o. Stuurmanskunst, V. Stuuerad, O., -raderen. Stuurreep, M., -reepen. Stuurriem, M., -riemen. Stuursch, stuurscher, meest stuursch, Stuurschheid, V., -heden. Stuurstoel, M., -stoelen. Stuurstok, M., -stokken. Stuw, V., stuwen. Stuwadoor, M., stuwadoors. Stuwage, V. Stuwen, stuwde, heeft gestuwd. Stuwer, M., stuwers. Stuwing, V. Styx, M. Subaltern. Subcommissie, V., -commissiën en commissies. Subiet. Subject, o., subjecten. Subjectief, subjectiever, subjectiefst. Subjectiviteit, v. Subjunctief en subjunctivus, M., subjunctieven. Subliem, subliemer, subliemst. Sublimaat, O., sublimaten. Sublimeeren, sublimeerde, heeft gesublimeerd. Subsidiair. Subsidie, V. en O., subsidiën en subsidies. |
Subsidieeren, subsidieerde, heeft gesubsidieerd. Substantie, V., substantiën en substanties. Substantieel, -eele. Substantief, O., substantieven. Substantiveeren,substantiveerde,heeft gesubstantiveerd. Substituut-griffier, M., -griffiers. Substituut-officier, M., -officiers. Subtiel, subtieler, subtielst. Subtiliteit, V., subtiliteiten. Succes, O. Successie, V. Successie-oorlog, M., -oorlogen. Successierecht, O., -rechten. Successievelijk. Succursale, V., succursalen. Suf, suffer, sufst. Suffen, sufte, heeft gesuft. Suffer, M., suflers. Sufferij, V., sufleryen. Suffisant, suffisanter, suffisantst. SUFFISANTIE, V. Sufheid, v. Suggereeren, suggereerde, heeft gesuggereerd. Suggestie, V., suggesties. Suiker, V., suikers. SüIKERACCI JNS, M. Suikerachtig, -achtiger, -achtigst. Suikeramandel, V., -amandels. Suikerbakker, M., -bakkers. Suikerbiet, y., -bieten. Suikerboon, V., -boonen; -boontje, O., -jes. Suikerbrood, o., -broeden. | Suikercontract, O., -contracten. Suikeren, suikerde, heeft gesuikerd. Suikererwt,V., -erwten; -erwtje, O., -jes. Suikergoed, O. Suikerig, suikeriger, suikerigst. suïkerigheid, v. SUIKERIJ (OOk CICHOREI), V. SüIKERKRISTALLEN (mV.), O. Suikermarkt, V. Suikerpan, V., -pannen. Suikerpeer, V., -peren. Suikerplantage, V., -plantages. Suikerpot, M., -potten; -potje, O., -jes. Suikerraffinaderij, V., -raffinaderyen. Suikerraffinadeur, M., -raffinadeurs. Suikerrasp, V., -raspen. Suikerriet, O. Suikerstrooier, M., -strooiers. Suikerwater, O. Suikerwerk, O. Suikerziekte, V. Suikerzoet. Suilen, suilde, heeft gesuild. Suizebollen, suizebolde, heeft gesuizebold. Suizelen, suizelde, heeft gesuizeld. |
i
SUP.
SUL
380
|
SuizELiG, suizeliger, suizeligst. Suizeling, V., suizelingen. Suizen, suisde, heeft gesuisd. Suizing, V., suizingen. Sujet, o., sujetten. Sukade, v. Sukadekoek, M., -koeken. Sukkel (het sukkelen), M. Sukkel (sukkelaar), M., sukkels. Sukkeltje, O., -jes. Sukkelaar, M., sukkelaars. Sukkelaartje, O., -jes. Sukkelaarstee, V., sukkelaarsters. Sukkelachtig, -achtiger, -achtigst. Sukkelarij, V. Sukkeldraf, M.; -drafje, O. Sukkelen, sukkelde, heeft en is gesukkeld. Sukkelgang, M.; -gangetje, O. Sukkeling, V., sukkelingen. sukkelpartl.t, v. Sukkeltrein, m., -treinen. Sukkel werk, O. Sul, M., sullen. Sulletje, O., -jes. Sulachtig, -achtiger, -achtigst. Sulachtigheid, V. Sulfer en solfer, o. en V. Sulferstank, M. Sullebaan, V., -banen; -baantje, o., -jes. Sullen, sulde, heeft gesuld. Sullig, sulliger, sulligst. Sulligheid, V. Sultan, M., sultans. Sultanaat, o., sultanaten. sultana-rozijnen (mV.), v. Sultane, V., sultanes. Sultansregeering, V., -regeeringen. Sumak en smak, V. Supercarga, M., supercarga's. Superieur (bnw.). Superieur, M, superieuren. Superioriteit, V. Superlatief en superlativus, M., superlatieven. Suppediteeren, suppediteerde, heeft gesuppediteerd. Suppleeren, suppleerde, heeft gesuppleerd. |
Supplement, O., supplementen. Supple- mentje, O., -jes. Suppletie, V. Suppletietroepen (mv.), M. Suppoost, M., suppoosten. Suprematie, V. Surnumerair, M., surnumerairs. Surplus, O. Surprise, V., surprises. Surrogaat, o., surrogaten. Surséance, V. Sus (tusschenw.). Suspect, suspecter, suspectst. Sussen, suste, heeft gesust. Sustenu, C., sustenu's. Suzereïn, M., suzereinen. Suzereiniteit, V. Syllabe, V., syllaben. Syllabus, M. Syllogisme, M. en O., syllogismen. Syllogistisch. Symboliek, V. Symbolisch. Symbolisme, O. Symbool, O., symbolen. Symmetrie, V. Symmetrisch. Sympathie, V., sympathieën. Sympathiek. Sympathipeeren, sympathiseerde, heeft gesympathiseerd. Symphonie, V., symphonieën. Symptoom, o., symptomen. Synagoge, V., synagogen. Syndicaat, O., syndicaten. Synodaal, synodale. Synode, V., synoden. Synoniem. Synoniem, o., synoniemen. Synonymiek, V. Syntactisch. Syntaxis, V. Syphilis, V. Syphilitisch. Syrïng, enz. Zie Sering, enz. Systeem, O., systemen. Systematisch. Systematiseeren, systematiseerde, heeft gesystematiseerd. |
|
T, V., t's. Taai, taaier, taaist. Taaiheid, V. Taaiigheid, V. Taai-taai, O. Taak, v., taken. Taakje, o., -jes. Taal, v , talen. Taaltje, O. Taalcongres, o., -congressen. Taaleigen, O. |
Taalfonds, O. Taalfout, V., -fouten. Taalgeleerde, M. en V., -geleerden. Taalkenner, M., -kenners. Taalkennis, V. Taalkunde, V. Taalkundig. Taalkundige, M. en V., -kundigen. Taalman, M., -mannen en lieden. |
TAA.
TAG.
381
|
Taalregel, M., -regels. Taalschat, M. Taalstudie, V. Taalwet, V., -wetten. Taalwetenschap, V. Taan, V. Taanhuis, O., -huizen. Taankleubig, -kleuriger, -kleurigst. Taankuep, V., -kuipen. Taart, V., taarten. Taartje, O., -jes. Taabtenbakker, M., -bakkers, Taabtendeeg, O. Taabtepan, V., -pannen. Taabteschotel, M., -schotels. Taabis en teebts, V.,taartsen en teert-sen. Taats, V., taatsen. Taatsje, O., -jes. Tabak, V., tabakken. Tabaksasch, V. Tabaksblad, O., -bladen. Tabaksbouw, M. Tabakscultuub, v. Tabaksdoos, V., -doozen. Tabaksfabbikant, m., -fabrikanten. Tabakshandel,M. Tabakshandelaab, M., -handelaars. Tabakskebveb, M., -kervers. Tabakskebvebij, V., -kerverijen. Tabakskistje, o., -jes. Tabakskomfoob, O., -komforen; -komfoortje, O., -jes. Tabakskoopeb, M., -koopers. Tabakslucht, V. Tabakspijp, V., -pijpen. Tabaksplant, V., -planten. Tabaksplantage, V., -plantages, Tabaksbol, V., -rollen. Tab-aksbook, M. Tabaksspinneb, M., -spinners. Tabaksstank, M. Tabakssteel, M., stelen. Tabaksteelt, V. Tabaksvat, o., -vaten. Tabaksveld, O., -velden, Tabaksvebkoopeb, M., -verkoopers. Tabakswalm, M. Tabakswa i eb, O. Tabakswinkel, M., -winkels. Tabakszak, M., -zakken. Tabbaabd en tabbebd, M., tabbaarden, tabbaards, tabberden en tabberds. Tabel, V., tabellen. Tabelletje, O., -jes. Tabellabisch. Tabebnakel, M. en O., tabernakelenen tabernakels. Tabebnakelen, tabemakelde, heeft ge- tabernakeld. Tabijn, O., tabynen. Tabijnen (bnw.). Tableau, o,, tableau's. Tabletje, O., -jes. Taboubet, v., tabouretten. Tabouretje, O., -jes. Tachtig, tachtigen. |
Tachtigeb, M., tachtigers. Tachtigjabig. Tachtigmaal. Tachtigste. Tachiigvoud, O. Tachtigvoudig. Tachtigwebf. Tachygraaf, M., tachygrafen. Tachygbaphie, V. Tachygbaphisch. Tact, M. Tacticus, M., tactici. Tactiek, V. Tactisch. Taf, V., taffen. Tafel, V., tafels en tafelen. Tafeltje,O. -jes. Tafelbel, V., -bellen. Tafelbobd, O., -borden. | Tafeldans, M. tafeldekken, o. Tafeldienen, O. i tafeldbank, M., -dranken. | tafelen, tafelde, heeft getafeld. I Tafelgeld, o., -gelden. | tafelgenoot, M,, -genooten. i tafelgenoote, V., -genooten. i tafelgebeedschap, o. tafelgespbek, o., -gesprekken. Tafelgoed, O. I tafelkleed, O., -kleeden. ! Tafelkout, M. Tafellaken, o., -lakens. Tafellinnen, O. Tafelmes, O., -messen. | Tafelmuziek, V. 1 Tafelolie, V. 1 Tafelschel, V., -schellen, j ïafelsokuieb, M., -schuiers, i Tafelschuimeb, M., -schuimers, j Tafelservies, O., -serviezen, i Tafelwateb, o. ! Tafelwet, V., -wetten. Tafei.wijn, M., -wijnen. Tafebeel, ü., tafereelen. Tafereeltje O., -jes. Taffen (bnw.). Tagbijn. M., tagrijnen en tagryns. Taille, V., tailles. Tak, M., takken. Takje, O., -jes. Takbout, M , -bouten. Takel, M., takels. Takeltje, O., -jes. Takelaab, M., -takelaars. Takei.age, V. Takelen, takelde, heeft getakeld. Takeling, V. Takelloods, V., -loodsen. Takelzoldeb, M., -zolders. Takkeiing (jonge vogel), M., takke lingen. Takkenbos, M., -bossen; -bosje, O.,-jes Takkig, takkiger. takkigst. Takmos, o. Taks (hond), M., taksen. Taksje,O.,-jes |
TAN.
TAK.
382
|
Taks (taak), V., taksen. Tal, O. Talen, taalde, heeft getaald. Talent, o., talenten. Talentje, O., -jes. TAiiENTRUK, -ryker, -rykst. Talentvol, -volle. Talhout, O., â¢houten. Talie, V., talies. Taliehaak, M., -haken. Taliën, taliede, heeft getalied. Taling, M., talingen. Talinkje, O., -jes. Talisman, M., talismans. Talk, v. Talloos, -looze. Talm, M. en V., talmen. Talmpje, O., -jes. Talmachtig, -achtiger, -achtigst. Talmachtigheed, v. Talmen, talmde, heeft getalmd. Talmer, M., talmers. Talmerij, V. Talmster, V., talmsters. Talmud, M. Talmudisch. Talmudist, m., talmudisten. Talon, M.t talons. Talrijk, -ryker, -rykst. Talrijkheid, V. Talud, O. Tam, tammer, tamst. Tamarinde, V., tamarinden. Tamarinderoom, M., -boomen. Tamarindenhout, o. Tamarisk, V., tamarisken. Tamboer (trommelslager), m., tamboers. Tamboertje, O., -jes. Tamboer (trommel), V., tamboeren. Tamboeren, tamboerde, heeft getamboerd. Tamboerijn, V., tamboerijnen. Tamboer-majoor, M., tamboer majoors, j Tamelijk. Tamheid, v. Tampon, V., tampons. Tamtam, V., tamtams. Tand, M., tanden. Tandje, o., -jes. Tandarts, M., -artsen. Tandeloos, -looze. Tandeloosheid, V. Tandenborstel, M., -borstels; -borsteltje, O., -jes. Tandenstoker, M., -stokers; -stokertje, O., -jes. Tandentrekker, M., -trekkers. Tandheelkunde, v. Tandheelkundige, m. en V., -kundi-gen. Tandletter, V., -letters. Tandmeester, M., -meesters. Tandpijn, v., -pijnen. Tandpoeder, o. Tandrad, o., -raderen. Tandvleesch, o. Tandwerk, o. Tandzeep, V. |
Tanen (met taan bereiden), taande, heeft getaand. Tanen (verduisteren), taande, is getaand. Tang, v., tangen. Tangetje, o., -jes. Tangens (raaklyn), v., tangenten. Tangent (klavierpennetje), v., tangenten. Tanig, taniger, tanigst. Taning, V. Tantaliseeren, tantaliseerde, heeft getantaliseerd. Tante, V., tantes. Tantième, o., tantièmes. Tap, m., tappen. Tapje, o., -jes. Tapeet. Zie Tapjjt. Tapijt en tapeet, O., tapijten en tapeten. Tapjjtje, O., -jes. Tapijtfabriek, V., -fabrieken. Tapijtwerk, O. Tapijtwever, M., -wevers. Tapisserie, V., tapisserieën. Tapisseriepatroon, O., -patronen. Tapisseriewerk, O. Tapisseriewinkel, M., -winkels. Tapkan, V., -kannen. Tapkast, V., -kasten. Tappelen, tappelde, heeft getappeld. Tappelings. Tappen, tapte, heeft getapt. Tappenstuk, O. Tapper, M., tappers Tapperij, V., tapperijen. Tapperijtje, O., -jes. Tappersnering, V. Tapsch. Tapster, V., tapsters. Taptoe, V., taptoes. Tapvormig. Tarantula, V., tarantula's. Tarbot, V., tarbotten. Tarbotje, O.,-jes. Tarief, o., tarieven. Tariefje, o., -jes. Tarievenoorlog, M., -oorlogen. Tarm, M., tarmen. Tarnen, tarnde, heeft getarnd. Tarra, V. Tartaan, V., tartanen. Tarten, tartte, heeft getart. Tarwe, V. Tarwebloem, V. Tarwebrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes. Tarwemeel, O. Tarwenoogst, m. Tarwestijfsel, V. Tarwestroo, O. Tas (stapel), M., tassen. Tasje, O., -jes. Tas (vrouwspersoon), V., tassen. Tasch, V., tasschen. Tasohje, O., -jes. Taschkruid en taschjeseruid, O. Tassen, taste, heeft getast. Tast, M. Tastbaar, -baarder, -baarst. Tastbaarheid, V. Tastelijk. -lijker, -lykst. Tasten, tastte, heeft getast. |
TAS.
383
TEE.
|
Taster, M., tasters. Tateren, taterde, heeft getaterd. Tatewalen, tatewaalde, heeft getate-waald. Tautologie, V., tautologieën. Tautologisch. Taxateur, M., taxateurs. Taxatie, V., taxatiën en taxaties. Taxeeren, taxeerde, heeft getaxeerd. Taxis, M., taxissen. Te. Technicus, M., technici. Techniek, V. Technisch. Technoloog, M., -logen. Technologie, V. Te-deum, O., Te-Deums. Teeder en teer, teederder, teederst, en teerder, teerst. Teedergevoelig en teergevoelig, -gevoeliger, -gevoeligst. Teedergevoeligheid en teergevoeligheid, V. Teederhartig en teerhartig, -hartiger, -hartigst. Teederhartigheid en teerhartigheid, V. Teederheid en teerheid, V., -heden. Teeder lijk. Teedertjes en teertjes. Teef, V., teven. Teefje, o., -jes. Teek en tiek, V., teken en tieken. Teeken. o., teekenen en teekens. Teekentje, O., -jes. Teekenaap,M,-apen. Teekenaar, M., teekenaars. Teekenacademie, V., -academiën. Teekenachhg, -achtiger, -achtigst. TeekenachtigheId, V. Teekenbehoeften (mv.), V. Teekenboek, O., -boeken; -boekje, O., -jes. Teekenbord, O., -borden. Teekendoos, V., -doozen. Teekenen, teekende, heeft geteekend. Teekengereedschap, O. Teekening, V., teekeningen. Teeke- ningetje, O., -jes. Teekenkrijt, O. Teekenkunst, V. Teekenles, V.f -lessen. Teekenmeester, M., -meesters. Teekenmethode, V., -methoden en â¢methodes. Teekenonderwijs, O. Teekenpapier, O. Teekenpen, V., -pennen. Teekenpi.ank, V., -planken. Teekenschool, V., -scholen. Teekenschrift. o. Teekenstift, V., -stiften. Teekenvoorbeeld, o., -voorbeelden. Teekenwerk, O. Teelaarde, V. |
Teelbal, M., -ballen. Teeldeel, O., -deelen. Teeldrift, V. Teelgewas, O., -gewassen. Teelland, O., -landen. Teellid, O., -leden. Teelt, V. Teeltijd, M. Teem, M. Teemachtig, -achtiger, -achtigst. Teemachtigheid, V. Teems, V., teemsen. Teemsje, O., -jes. Teemsen, teemste, heeft geteemst. Teemster, V., teemsters. Teen (toon), M., teenen. Teentje, O., -jes. Teen (twyg), V., teenen. Teentje, O., -jes. Teenen (bnw.). Teer, o. Teer, enz. Zie Teeder, enz. Teerachtig. Teercapsule, V., -capsules. Teergeld, o. Teerkleed, O., -kleeden. Teerkost, M. Teerkwast, M., -kwasten. Teerling, M., teerlingen. Teerlinkje, O., -jes. Teerlingsworp, M., -worpen. Teerlingswortel, M., -wortels. Teerpenning, M., -penningen. Teerpii-, V., -pillen. Teerton, V., -tonnen. Teerts. Zie Taarts. Teerzeep, V. Teezen, teesde, heeft geteesd. Teffens. Tegel, M., tegels. Tegeltje, O., -jes. Tegei bakker, M., -bakkers. Tegelbakkerij, V., -bakkeryen. Tegelvloer, M., -vloeren. Tegemoetkoming, V., -komingen. Tegen. Tegenaan. Tegenaanmerking, V., -aanmerkingen. Tegenademen, ademde tegen, heeft tegengeademd. Tegenartikel, O., -artikelen en -artikels; -artikeltje, O., -jes. Tegenbabbei.en, babbelde tegen, heeft tegengebabbeld. Tegenbede, V., -beden. Tegenbedenking, V., -bedenkingen. Tegenbeeld, O., -beelden; -beeldje, O., -jes. Tegenbeklag, O. Tegenbeleediging, V., -beleedigingen. Tegenbeleid, o. Tegenbericht, o., -berichten; -berichtje, Ã., -jes. Tegenbeschikking, V., -beschikkingen. Tegenbeschuldiging, V., -beschuldigingen. Tegenbestuur, O. |
TEG.
384
TEG.
|
Tegenbetoog, o., -betoogen. Tegenbevel, o., -bevelen. Tegenbeweging, v., -bewegingen. Tegenbewijs, o., -bewijzen. Tegenbewind, o. Tegenbezending, V., -bezendingen. Tegenbezoek, O., -bezoeken. Tegenbezwaar, o., -bezwaren. Tegenbieden, bood tegen, boden tegen, heeft tegengeboden. Tegenblaffen, blafte tegen, heeft tegen -geblaft. Tegenblikken, blikte tegen, heeft tegen-geblikt. Tegenblïnken, blonk tegen, heeft tegen-geblonken. Tegenbod, O. Tegenboord, M., -boorden. Tegenbrassen, braste tegen, heeft tegen-gebrast. Tegenbruisen, bruiste tegen, heeft tegengebruist. Tegencandidaat, M., -candidaten. Tegendeel, O. Tegendeur, V., -deuren; -deurtje, o., -jes. Tegendienst, M., -diensten. Tegendraad, M., -draden. Tegendraads (btyw.). Tegendraadsch (bnw.). Tegendraven, draafde tegen, is tegen-gedraafd. Tegendrijven, dreef tegen, dreven tegen, heeft en is tegengedreven. Tegendringen, drong tegen, heeft tegen-gedrongen. Tegendrinken, dronk tegen, heeft tegen-gedronken. Tegendruipen, droop tegen, dropen tegen, is tegengedropen. Tegendruk, M., -drukken; -drukje, O., -jes. Tegendrukking, V., -drukkingen. Tegenebbe, V. Tegeneisch, M., -eischen. Tegeneten, at tegen, aten tegen, heeft tegengegeten. Tegenflank, V., -flanken. Tegengaan, gaat tegen, ging tegen, is en heeft tegengegaan. Tegengaleru, V., -galerijen. Tegenga i.m, M., -galmen. Tegenga i.men, galmde tegen, heeft tegengegalmd. Tegengeschenk, O, -geschenken; -geschenkje, O., -jes. Tegengesteld. Tegengeuren, geurde tegen, heeft tegen-gegeurd. Tegengif en -gift (tegenvergif), O., -giften. Tegengift (tegengeschenk), V., -giften; -giftje, O., -jes. Tegenglimmen, glom tegen, glommen tegen, heeft tegengeglommen. |
Tegenglinsteren, glinsterde tegen, heeft tegengeglinsterd. Tegengrauwen, grauwde tegen, heeft tegengegrauwd. Tegengraven, groef tegen, groeven tegen, heeft tegengegraven. Tegengroet, M., -groeten. Tegengrond, M., -gronden. Tegengunst, V., -gunsten. Tegenhanger, M.,-hangers; -hangertje, O., -jes. Tegenheid, V., -heden. Tegenhinniken, hinnikte tegen, heeft tegengehinnikt. Tegenhouden, hield tegen, heeft tegengehouden. Tegenhouding, V. Tegenhuilen, huilde tegen, heeft tegen-gehuild. Tegenhuppei.en, huppelde tegen, is tegengehuppeld. Tegenjanken, jankte tegen, heeft tegen-gejankt. Tegenjuichen, juichte tegen, heeft tegen gejuicht. Tegenkaart, V., -kaarten. Tegenkamp, M., -kampen. Tegenkamping, V., -kampingen. Tegenkans, V., -kansen; -kansje, O., -jes. Tegenkant, M., -kanten. Tegenkanten, kantte tegen, heeft tegen-gekant. Tegenkanting, V.t -kantingen. Tegenki.ach r, v., -klachten. Tkgenki inken, klonk tegen, heeft tegengeklonken. Tegenkomen, komt tegen, kwam tegen, kwamen tegen, is tegengekomen. Tegenlachen, lachte tegen, heeft tegen-gelachen. Tegenlast, M., -lasten. Tegenleer, V. Tegen liggen, lag tegen, lagen tegen, heeft tegengelegen. Tegen list, V., -listen; -listje, O., -jes. Tegenloop, M. Tegenloopen, liep tegen, is tegenge-loopen. Tegenloopgraaf, V., -loopgraven. Tegenmarcheeren, marcheerde tegen, is tegengemarcheerd. Tegenmarsch, M., -marschen. Tegenmerk, O., -merken. Tegenmiddel, O., -middelen; -middeltje, O., -jes. Tegenmïjn, V., -mynen. Tegenbiompe len. mompelde tegen, heeft tegengemompeld. Tegenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes. Tegenn atuur lijk. Tegenomwenteling, V., -omwentelingen. Tegenontwerp, O., -ontwerpen. |
T
TEG.
TEG.
385
|
Tegenoveb. tegenovekge legen. Tegenovergesteld. Tegenover liggend. Tegenoverstaand. Tegenoverstellen, stelde tegenover, heeft tegenovergesteld. Tegenoverstelling, V. Tegenpartij, V. Tegenpartijder, M., -partyders. Tegenpleiter, M., -pleiters. Tegenpraat, M Tegenpraten, praatte tegen, heeft tegengepraat. Tegenpruttelen, pruttelde tegen, heeft tegengeprutteld. Tegenreden, V., -redenen. Tegenrekening, V., -rekeningen; -rekeningetje, O., -jes. Tegenrennen, rende tegen, is tegen-gerend. Tegenrollen, rolde tegen, is tegen-gerold. Tegenruimte, V., -ruimten. Tegenruischen, ruischte tegen, heeft tegengeruischt. Tegenrükken, rukte tegen, heeft en is tegengerukt. Tegenschreeuwen, schreeuwde tegen, heeft tegengeschreeuwd. Tegenschreeuwer, M., -schreeuwers. Tegenbchrift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes. Tegenschrijven, schreef tegen, schreven tegen, heeft tegengeschreven. Tegenschroef, V., -schroeven. Tegenslaan, sloeg tegen, is tegen-geslagen. Tegensleepen, sleepte tegen, heeft tegengesleept. Tegensmaak, M. Tegensnellen, snelde tegen, is tegen-gesneld. Tegenspartelen, spartelde tegen, heeft tegengesparteld. Tegensparteling, V., -spartelingen. Tegenspeelster, V., -speelsters. Tegenspel, o., -spellen. Tegenspelen, speelde tegen, heeft tegengespeeld. Tegenspeler, M., -spelers. Tegenspoed, M., -spoeden. Tegenspoeden, spoedde tegen, is tegen-gespoed. Tegenspraak, V. Tegenspreken, sprak tegen, spraken tegen, heeft tegengesproken. Tegenspreker, M., -sprekers. Tegenspreking, V., -sprekingen. Tegenspringen, sprong tegen, is tegen-gesprongen. Tegenstaan, staat tegen, stond tegen, heeft tegengestaan. Tegenstand, M. |
Tegenstander, M., -standers. Tegenstellen, stelde tegen, heeft tegengesteld. Tegenstelling, V., -stellingen. Tegenstem, V., -stemmen. Tegenstemmen, stemde tegen, heeft tegengestemd. Tegenstemmer, M., -stemmer^. Tegenstralen, straalde tegen, heeft tegengestraald. Tegenstreven, streefde tegen, heeft tegengestreefd. Tegenstrever, M., -strevers. Tegenstrevig, -streviger, -strevigst. Tegenstreving, V., -strevingen Tegenbtribbelaar, M., -stribbelaars. Tegenstribbelen, stribbelde tegen, heeft tegengestribbeld. Tegenstribbeling, V., -stribbelingen. Tegenstrijden, streed tegen, streden tegen, heeft tegengestreden.' Tegenstruder, M., -stryders. Tegenstrijdig, -strydiger, -strydigst. Tegenstrijdigheid, V., -heden. Tegenstroom, M., -stroomen. Tegentij, o., -tyen. Tegentrekken, trok tegen, trokken tegen, is tegengetrokken. Tegenval, M. Tegenvallen, viel tegen, is tegengevallen. Tegenvaller, M., -vallers; -vallertje, O., -jes. Tegenvergif en -vergift, o.,-vergiften. Tegenverklarisg, v., -verklaringen. Tegenverzekering, V., -verzekeringen. Tegenvloed, M. Tegenvoeter, M., -voeters. Tegenwaaien, waaide tegen, heeft en is tegengewaaid; ook woei tegen, woeien tegen. Tegenweer, V. Tegenwerken, werkte tegen, heeft tegengewerkt. Tegenwerker, M., -werkers. Tegenwerking, V., -werkingen. Tegenwerpen, wierp tegen, heeft tegengeworpen. Tegenwerping, V., -werpingen. Tegenwicht, O., -wichten; -wichtje, O., -jes. Tegenwil, M. Tegenwind, M., -winden; -windje, O., -jes. Tegenwoelen, woelde tegen, heeft tegengewoeld. Tegenwoord, o.; -woordje, o. Tegenwoordig. Tegenwoordigheid, V. Tegenworstelen, worstelde tegen, heeft tegengeworsteld. Tegenworsteling, V., -worstelingen. Tegenzang, M., -zangen. Tegenzee, V., -zeeën. I |
k
25
TEG.
386
TEL.
|
Teqenzegel, o., -zegels. Teqenzïjde, V., -zyden. Tegenzin, M. Tegenzobg, V., -zorgen. Tegoeds en te goed (byw.). Tehuis en thuis, O. Tehuiskomen, o. Tehuiskomst, v. Tehuisbeis, V., -reizen. Teil, v., teilen. Teiltje, O., -jes. Teint, O. Teisteraab, M., teisteraars. Teisteben, teisterde, heeft geteisterd. Teistebing, V., teisteringen. Tekobt, o., tekorten. Tekobtdoening, V., -doeningen. Tekobtkoming, V., -komingen. Tekst, M., teksten. Tekstje, O., -jes. Tekstboekje, o., -boekjes. Teksthaak, M., -haken. Tekstuitgave, V., -uitgaven. Tekstvebbetebing, V., -verbeteringen. Tekstvebklabing, V., -verklaringen. Tekstwoobd, O., -woorden. Tel (telgang), M. Tel (het tellen), M. Tel en telle (paard), V., tellen. Telastlegging, V., -leggingen. Telbaab, -bare. Telbaabheid, V. Telegbaaf, V., telegrafen. Telegbaafdienst, M. Telegbaafdbaad, M., -draden. Telegbaafkabel, M., -kabels. Telegbaafkantoob, o., -kantoren. Telegbaafnet, o., -netten. Telegbaafpaal, M., -palen. Telegbafist, M., telegrafisten. Telegbam, o., telegrammen. Telegbam-adbes, o., -adressen. Telegbapheeben, telegrapheerde, heeft getelegrapheerd. Telegbaphie, v. Telegbaphisch. Telen, teelde, heeft geteeld. Telephoneeben, telephoneerde, heeft getelephoneerd. Telephonisch. Telephoon, v., telephonen. Telephoondienst, M. Telephoondbaad, M., -draden. Telephoonlijn, V., -liinen. Telephoonnet, o., -netten. Telephoonnummeb, o., -nummers. Telephoonpaal, M., -palen. Telephoonvebbinding, V., -verbindin. gen. Teleb, M., telers. Telescoop, M., telescopen. Telescopisch. Teleubstellen, stelde teleur, heeft teleurgesteld. Teleubstelling, V., -stellingen. Telg (spruit), V., telgen. Telgje, O., -jes. |
Telg (afstammeling), M. en V., telgen. Telgje, O., -jes. Telgang, m. Telgangeb, m., -gangers. Teling, V. Teljoob, O., teljoren. Telkenmale of telkenmaal. Telkenbeize- Telkens. Tellen, telde, heeft geteld. Telleb, M., tellers. Telling, V., tellingen. Teloobgaan, gaat teloor, ging teloor, is teloorgegaan. Telpas, M. Telsel, M., telsels. Telwoobd, O., -woorden. Tembaab, -bare. Temen, teemde, heeft geteemd. Temeb, M., temers. Temebig, temeriger, temerigst. Temet. Temig, temiger, temigst. Temmen, temde, heeft getemd. Temmeb, m., temmers. Temming, V. Tempeest, O., tempeesten. Tempel, M., tempels en tempelen. Tempeltje, O., -jes. Tempelbouw, M. Tempelieb, M., Tempelieren en Tempeliers. Tempelbiddeb, M., -ridders. Tempeb, M. Tempebament, o., temperamenten. Tempebatuub, V., temperaturen. Tempebatuubvebschil, o., -verschillen. Tempeben, temperde, heeft getemperd. Tempebing, V., temperingen. Tempebmes, o,, -messen. Tempeboven, M., -ovens. Tempo, o., tempo's. Tempobaib. Tempobiseeben, temporiseerde, heeft getemporiseerd. Temptatie, V., temptaties en temptatiën. Tempteeben (kwellen), tempteerde, heeft getempteerd. Ten. Tendeb, M., tenders. Tengel, M., tengels. Tengeb, tengerder, tengerst. Tengebheid, V. Tenietdoening, V., -doeningen. Tenob, M., tenors en tenoren. Tenobist, M., tenoristen. Tenobstem, quot;V., -stemmen. Tenobzangeb, M., -zangers. Tent, V., tenten. Tentje, O., -jes. Tentamen, O., tentamens en tentamina. Tenteeben (ondervragen), tenteerde, heeft getenteerd. Tenten, tentte, heeft getent. |
'
TEN.
TER.
387
|
Tentenmaker, M., -makers. Tentïjzeb, o., -ijzers. Tentoonspbeiding, V. Tentoonstelling, V., -stellingen. Tentoonstellingscommissie, V. Tentoonstellingsgebouw, O., -gebouwen. Tentwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Tenue, V., tenuen. TENuiTvoEBBBENGiNG, V., -brengingen. Tenuitvoebleggikg, V., -leggingen. Tenwabe. Tenzelfden. Tenzij. Teobbe, V., teorben. Tepel, M., tepels. Tepeltje, o., -jes. Tepbonkstelling, V., quot;Stellingen. Teb. Tebaabdebestelling, V., -bestellingen. Tebdege en tebdeeg. Tebdoodbbenging, V., -brengingen. Tebechtbbengen, bracht terecht, heeft terechtgebracht. Tebechthelpen, hielp terecht, heeft terechtgeholpen. Tebechtkomen, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, is terechtgekomen. Tebechtstaan, staat terecht, stond terecht, heeft terechtgestaan. Tebechtstellen, stelde terecht, heeft terechtgesteld. Tebechtstelling, V., -stellingen. Tebechtwijzen, wees terecht, wezen terecht, heeft terechtgewezen. Tebechtwijzing, V., -wyzingen. Tebechtzitting, V., -zittingen. Teben (verteren), teerde, heeft geteerd. Teben (met teer bestryken), teerde, heeft geteerd. Tebgen, tergde, heeft getergd. Tebgend, tergender, tergendst. Tebgeb, M., tergers. Tebging, V., tergingen. Tebhandstelling, V. Tebig, teriger, terigst. Tebing, V. Tebingachtig, -achtiger, -achtigst. TebingachtIgheid, V. Tebïnglijdeb, M., -lyders. Tebinglijdebes, V., -lyderessen. Tebleengeving, V., -gevingen. Tebloops. Tebm, M., termen. Tebmun, M., termijnen. Termijntje, o., -jes. Tebmijnhandel, M. Tebminatie, v., terminaties. Tebmineeben, termineerde, heeft ge- termineerd. Tebminologie, t., terminologieën. Tebnauwebnood. Tebne, V., ternes. |
Tebnedebliggen, lag terneder, lagen terneder, heeft ternedergelegen. Tebnedebslaan, sloeg terneder, heeft ternedergeslagen. Tebnedebwebpen, wierp terneder, heeft ternedergeworpen. Tebnedebzetten, zette terneder, heeft ternedergezet. Tebnedebzinken, zonk t«rneder, is ter-nedergezonken. Tebnedebzitten, zat terneder, zaten terneder, heeft ternedergezeten. Tebp, V., terpen. Tebpentijn, V. Tebpentijnboom, M., -boomen. Tebpentijnolie, V. Tebba-cotta, V. Tebbas, O., terrassen. Terrasje, O.,-jes. Tebbasseeben, terrasseerde, heeft geterrasseerd. Tebbein, O., terreinen. Tebbeinkaabt, V., -kaarten. Tebbeinkennis, V. Tebbine, V., terrines. Tebbixoob, O., territoren. Tebbitobiaal, territoriale. Tebsluiks en teb sluik. Tebstond. Tebts, V., tertsen. Tebug. Tebugbekomen, bekomt terug, bekwam terug, bekwamen terug, heeft terugbekomen. Tebugbezobgen, bezorgde terug, heeft terugbezorgd. Tebugbluven, bleef terug, bleven terug, is teruggebleven. Tebugbbengen, bracht terug, heeft teruggebracht. Tebug bbengIng, V. Tebugdeinzen, deinsde terug, is teruggedeinsd. Tebugdbnken, dacht terug, heeft teruggedacht. Tebugdbijven, dreef terug, dreven terug, heeft en is teruggedreven. Tebugeischen, eischte terug, heeft teruggeëischt. Tebugeisching, V., -eischingen. Tebuggaan, gaat terug, ging terug, is teruggegaan. Tebuggang, M. Tebuggave en -gaaf, V. Tebuggeven, gaf terug, gaven terug, heeft teruggegeven. Tebughalen, haalde terug, heeft teruggehaald. Tebughouden, hield terug, heeft teruggehouden. Tebughoudend, -houdender, -houdendst. Tebughoudendheid, V. Tebughouding, V. Tebugjagen, jaagde terug, heeft teruggejaagd; ook joeg terug. ; r |
L
TER.
TER.
388
|
Tebugkaatsen, kaatste terug, heeft teruggekaatst. Terugkaatsing, V., -kaatsingen. Tebugkeeb, M. Tebugkeeeen, keerde terug, is teruggekeerd. Tebugkomen, komt terug, kwam terug, kwamen terug, is teruggekomen. Tebugkomst, V. Tebugkbijgen, kreeg terug, kregen terug, heeft teruggekregen. Tebugloopen, liep terug, heeft en is teruggeloopen. Tebugmabcheeben, marcheerde terug, is teruggemarcheerd. Tebugmabsch, M. Tebugnemen, nam terug, namen terug, heeft teruggenomen. Tebugneming, V. Tebugreis, V. Tebugreizen, reisde terug, is teruggereisd Tebugbijden, reed terug, reden terug, is teruggereden. Tebugboepen, riep terug, heeft teruggeroepen. Teeugboeping, V. Tebugschelden, schold terug, heeft teruggescholden. Tebugslaan, sloeg terug, heeft teruggeslagen. Tebugslag, M. Tebugspbingen, sprong terug, is teruggesprongen. Tebugstoot, M. Tebugstooten, stiet terug, heeft terug-gestooten; ook stootte terug. Tebugstuiten, stuitte terug, is terug-gestuit. Tebugtocht, M. Tebugtbed, M. Terugtbeden, trad terug, traden terug, is teruggetreden. Tebugtbekken, trok terug, trokken terug, heeft en is teruggetrokken. Tebugvaben, voer terug, is teruggevaren. Tebugvloeien, vloeide terug, is teruggevloeid. Tebugvoeben, voerde terug, heeft teruggevoerd. Tebugvbagen, vraagde terug, heeft teruggevraagd; ook vroeg terug. Tebugwebken, werkte terug, heeft teruggewerkt. Tebugwebking, v. Tebugwebpen, wierp terug, heeft teruggeworpen. Tebugwijken, week terug, weken terug, is teruggeweken. Tebugwijking, V. Tebugwijzen, wees terug, wezen terug, heeft teruggewezen. Tebugwijzing. V. |
Tebugwinnen, won terug, wonnen terug, heeft teruggewonnen. Terugzenden, zond terug, heeft teruggezonden. Tebugzending, v. Terugzien, zag terug, zagen terug, heeft teruggezien. Tebwijl. Tebzelfdeb. Tebzijdelating, V. tebzijdest ellin g, v. Test, V., testen. Testje, O., -jes. Testament, O., testamenten. Testamentje, O., -jes. Testamentaib. Testateub.M., testateurs en testateuren. Testatbice, V., testatrices. Testeeben, testeerde, heeft getesteerd. Testimonium, o., testimoniums en testimonia. Tets, tetser, tetst. Tetsheid, v. Tetsig, tetsiger, tetsigst. Tetsigheid, V. Tettebig, tetteriger, tetterigst. Tettebigheid, v. Tettig, tettiger, tettigst. Tettigheid, V. Teug, v., teugen. Teugje, o., -jes. teugel, M., teugels. Teugeltje, O., -jes. Teugelen, teugelde, heeft geteugeld. Teugeling, v. Teugelloos, -loozer, -loost. Teugelloosheid, V. Teut, M. en V., teuten. Teutaohtig, -achtiger, -achtigst. Teutachtigheid, v. Teuten, teutte, heeft geteut. Teuteben, teuterde, heeft geteuterd. Teutebig, teuteriger, teuterigst. Teutebigheid, v. Teutig, teutiger, teutigst. Teutkous, M. en V., -kousen; -kousje, O., -jes. Tevens. Tevebgeefs (en vebgeefs). Tevbeden, tevredener, tevredenst. Tevbedenheid, V. Tevbedenstellen, stelde tevreden, heeft tevredengesteld. Tevbedenstelling, V. Teweegbbengen, bracht teweeg, heeft teweeggebracht. Textueel, -eele. Thaleb, M., thalers. Thalertje, O., -jes. Thans. Theateb, O., theaters. Theatertje, O., -jes. Theatebcoup, M. Theatebheld, M., -helden. Theatraal, theatrale. Thee, V., theeén. Theebanket, o. Theeblad, O., -bladen. |
THE.
TIE.
389
|
Theebus, V., -bussen. Theedepot, O., -depots. Theedoek, M., -doeken. Theegoed, O. Theehandel, M. Theeketel, M., -ketels. Theekopje, o., -kopjes. Theelepeltje, o., -lepeltjes. Theelood, O. Theemakelaar, M., -makelaars. Theeoogst, M. Theepot, M., -potten. Theerandje, O., -jes. Theeschoteltje, o., -schoteltjes. Theeservies, o., -serviezen. Theestoof, V., -stoven. Theestruik, M., -struiken. Theetafel, V., -tafels. Theevisite, V., -visites. Theewater, O. Theewinkel, M., -winkels. Thema (onderwerp, grondgedachte), o., thema's; (opstel), V., thema's. Themaboek, o., -boeken. Theocratie, V. Theocratisch. Theologant, M., theologanten. Theologie, V. Theologisch. Theologiseeren, theologiseerde, heeft getheologiseerd. Theoloog, M., theologen. Theorema, O., theorema's. Theoretisch. Theorie, V., theorieën. Theriakel en triakel, V. Thermometer, M., thermometers. Thermometerschaal, V., -schalen. Thermometerstand, M., -standen. Thesaurie, V., thesaurieën. Thesaurier, M., thesauriers. Thesis, v., theses. Thuis en te huis (bjjw.). Thyrs, m., thyrzen. Tichel, M., tichels en tichelen. Tichelaar, M., tichelaars. Tiek. Zie Teek. Tien, tienen. Tiend, O., tienden. Tiendaagsch. Tiendboek, O., -boeken. Tiende. Tiendeelig. Tiendehalf, -halve. Tiendeischer, M., -eischers. Tienderhande. Tienderlei. Tiendheffer, M., -heifers. Tiendheffing, V., -heffingen. Tiendplichtig. Tiendrecht, O. Tiendschuldig. Tiendubbel. Tienduizendste. |
Tiendverpachtïng, V., -verpachtingen. Tienguldenstuk, O., -stukken. Tienheid, V., -heden. Tienhoek, M., -hoeken. Tienhoekig. Tienjarig. Tienmaal. Tienmaandsch. Tienman, M., -mannen. Tienmanschap, O. Tienponder, M., -ponders. Tienregelig. Tienstuiverstuk, O., -stukken; -stukje, O., -jes. Tiental, O., -tallen. Tientallig. Tientje, O., -jes. Tienvoud, o., -vouden. Tienvoudig. TIenwerf. Tienzijdig. Tier, V. Tiërceeren, tiërceerde, heeft getiër-ceerd. Tiërceering, V., tiërceeringen. Tierelantijntje en tierlantijntje, O., -jes. Tierelieren, tierelierde, heeft getierelierd. Tieren (razen), tierde, heeft getierd. Tieren (groeien), tierde, heeft getierd. Tierig, tieriger, tierigst. Tierigheid, V. Tiersje, o., -jes. Tij, O., tyen. Tijd, M., tyden. Tydje, O. Tijdaanwijzing, V. Tijdbepaling en tijdsbepaling, V., â¢bepalingen. Tijdbesparing, V. Tijdelijk. Tijdeloos. Zie Tyloos. Tijdens. Tijdgenoot, M., -genooten. Tijdgenoote, V., -genooten. Tijdig, tijdiger, tydigst. Tijdigheid, V. Tijding, V., tijdingen. Tijdinkje, O., -jes. Tijdingzaal, V., -zalen. Tijdkorter, M., -korters. Tijdkorting, V., -kortingen. Tijdlang (Een â). Tijdpasseering, V. Tijdregeling, V., -regelingen. Tijdrekenkunde.. V. Tijdroovend . Tijdruimte en tijdsruimte, V.,-ruimten. Tijdsbepaling, V. Tijdsbestek, O. Tijdschrift, O., -schriften. Tijdsomstandigheid, V., -heden. Tijdsorde, V. Tijdstip, O., -stippen. Tijdsverloop, O. |
TIN.
TIJ.
390
|
Tijdsveeschil, o., -verschillen. Tijdvak, O., -vakken. Tijdveedeijf, O.; -verdryfje, O. Tijdveelies, o. Tijgen, toog, togen, is getogen. Tijgee, M., tygers en tijgeren. Tjjgertje, O., -jes. Tijgeein, V., tijgerinnen. Tijgeejacht, V. Tijgeekat, V., -katten. Tijgeevel, O., -vellen. Tijk (overtrek), v., tyken; (stof), o. Tijloos en tijdeloos, v., -loozen. Tij- loosje, O., -jes. Tijm, M. Tuns, M., tjjnzen. Tik, M., tikken. Tikje, O., -jes. Tikken, tikte, heeft getikt. Tikkee, M., tikkers. Tikkertje, o., -jes. Tiktak, o. Tiktakken, tiktakte, heeft getiktakt. TIktakkee, m., tiktakkers. Tiktakschijf, V., -schyven. Tiktakspelee, m., -spelers. Til (het tillen), M. Til en tille (ophaalbrug, duivenhok enz.), V., tillen. Tilbaae, -bare. Tileuet, V., tilbury's. Tillen, tilde, heeft getild. Timbee, M., timbers. Timide. Timiditeit, V. Timmeeage, V., timmerages. Timmeebijl, v., -byien. Timmeeen, timmerde, heeft getimmerd. Timmeegeeeedschap, o., -schappen. Timmeehout, O. Timmeeing, V., timmeringen. Timmeeloods, v., -loodsen. Timmeeman, M., -lieden en -lui. Timmeemansbaas, M., -bazen. Timmeemansjongen, M., -jongens. Timmeemansvak, o. Timmeemanbweek, o. Timmeemans winkel, M., -winkels. Timmeeweef, V., -werven. Timmeeweek, O. Timpaan, O., timpanen. Timpje, O., -jes. Tin, o. Tinaohtig, -achtiger, -achtigst. Tinctuue, V., tincturen. Tingelingeling. Tinhandel, M. Tinkelen, tinkelde, heeft getinkeld. Tinmijn, V., -mynen. Tinne, V., tinnen. Tinnegietee, M., -gieters. Tinnegieteeij, V., -gieteryen. Tinnegoed, o. Tinnekast, V., -kasten. Tinnekeaam, V., -kramen. Tinnen (bnw.). |
Tint (wyn), M. Tint (kleur), V., tinten. Tintje, O., -jes. Tintel, v. Tintelen, tintelde, heeft getinteld. Tinteling, V., tintelingen. Tinteloogen, tinteloogde, heeft getin- teloogd. Tïnten, tintte, heeft getint. Tinveiling, V., -veilingen. Tin week, O. Tip, M., tippen. Tipje, O., -jes. Tippen, tipte, heeft getipt. Tieade, V., tirades. Tieailleeeen, tirailleerde, heeft getirailleerd. Tieailleue, M., tirailleurs. Tieailleubsvuue, o. TIean en tyean, M., tirannen en tyran- nen. Tirannetje, O., -jes. Tieannie en ttrannij, V., tirannieën en tirannijen. Tieanniek. Tibanniseeeen, tiranniseerde, heeft getiranniseerd. Tieas (net), V., tirassen. Tirasje, O., -jes. Tieas (soort van cement). Zie Tras. Tieetein, o. Tieeteinen (bnw.). Titel, M., titels. Titeltje, O., -jes. Titelblad, O., -bladen. Titelen, titelde, heeft getiteld. Titelplaat, v., -platen. Titelpeent, V., -prenten. Titeleol, V., -rollen. Titeluitgave, V., -uitgaven. Titelvignet, o., -vignetten. TIteage, V. Titeeeeen, titreerde, heeft getitreerd. Tittel, M., tittels. Titteltje, O., -jes. Titulaie. Titulatuue, V., titulaturen. Tituleeeen, tituleerde, heeft getitu-leerd. Tjalk, V., tjalken. Tjalkje, O., -jes. tjanken, tjankte, heeft getjankt. Tjankee, M., tjankers. Tjeek, V., tjerken. Tjerkje, O., -jes. Tjilpen, tjilpte, heeft getjilpt. Tjingelen, tjingelde, heeft getjingeld. Tjottee, V., tjotters. Tobbe, V., tobben. Tobbetje, O., -jes. Tobben, tobde, heeft getobd. Tobber en tobbeed, M., tobbers en tobberds. Tobbeeig, tobberiger, tobberigst. Tobbebij, V., tobberijen. Tobster, V., tobsters. Toccadielje, o. Toch. Tocht, M., tochten. Tochtje, O., -jes. Tochtdeur, V., -deuren. Tochten, tochtte, heeft getocht. Tochtgat, O., -gaten. |
TOE.
391
TOO.
|
Tochtgenoot, M., -genooten. Tochtgenoote, v., -genooten. Tochtig, tochtiger, tochtigst. Tochtigheid, V. Tochtlat, V., -latten. Tochtschut, O., -schutten. Tochtsloot, V., -slooten. Tod en todde, V., todden. Todje en toddetje, O., -jes. Toe. Toebakeren, bakerde toe, heeft toege-bakerd. Toebedeelen, bedeelde toe, heeft toebedeeld. Toebehooben, behoorde toe, heeft toebehoord. Toebehooben, O. Toebebeiden, bereidde toe, heeft toebereid. Toebebeiding, V., -bereidingen. Toebebeidsel, o., -bereidsels en -bereid-selen. Toebeschikken, beschikte toe, heeft toebeschikt. Toebeschikking, V. Toebetbouwen, betrouwde toe, heeft toebetrouwd. Toebeurs, V., -beurzen. (Met â betalen). Toebidden, bad toe, baden toe, heeft toegebeden. Toebidding, V. Toebijten, beet toe, beten toe, heeft toegebeten. Toebinden, bond toe, heeft toegebonden. Toeblazen, blies toe, bliezen toe, heeft toegeblazen. Toeblinken, blonk toe, heeft toege-blonken. Toebbeeuwen, breeuwde toe, heeft toe-gebreeuwd. Toebbeien, breide toe, heeft toege-breid. Toebbengen, brasht toe, heeft toegebracht. Toebrommen, bromde toe, heeft toege-bromd. Toebuigen, boog toe, bogen toe, heeft en is toegebogen, Toedammen, damde toe, heeft toege-damd. Toedeelen, deelde toe, heeft toegedeeld. Toedeeling, V. Toedekken, dekte toe, heeft toegedekt. Toedenken, dacht toe, heeft toegedacht. Toedichten, dichtte toe, heeft toegedicht. Toedienen, diende toe, heeft toegediend. Toeduken, djjkte toe, heeft toegedijkt. Toedoen, deed toe, deden toe, heeft toegedaan. Toedoen, O. Toedbaaien, draaide toe, heeft toegedraaid. Toedracht, V. |
Toedragen, droeg toe, heeft toegedragen. Toedrijven, dreef toe, dreven toe, heeft en is toegedreven. Toedrinken, dronk toe, heeft toegedronken. Toedrukken, drukte toe, heeft toegedrukt. Toeduwen, duwde toe, heeft toege-duwd. Toeëigenen, eigende toe, heeft toege-eigend. Toeflappen, flapte toe, heeft en is toe-geflapt. Toefluisteren, fluisterde toe, heeft toegefluisterd. Toefluiten, floot toe, floten toe, heeft toegefloten. Toegang, M., -gangen. Toegangsbewijs, O., -bewyzen. Toegangsbiljet, o., -biljetten. Toegangskaart, V., -kaarten; -kaartje, ö., -jes. Toegankelijk, -lyker, -lykst. Toegankelijkheid, V. Toegeeflijk en toegefelijk, -lijker, -lÃkst. Toegeeflijkheid, V., -heden. Toegenegen, -genegener, -genegenst. Toegenegenheid, V. Toegespen, gespte toe, heeft toegegespt. Toegeven, gaf toe, gaven toe, heeft toegegeven. Toegevend, -gevender, -gevendst. Toegevendheid, V. Toegeving, V. Toegieten, goot toe, goten toe, heeft toegegoten. Toegift, V., -giften. Toegiftje, O., -jes. Toegommen, gomde toe, heeft toege-gomd. Toegooien, gooide toe, heeft toegegooid. Toegrendelen, grendelde toe, heeft toegegrendeld. Toegrijnzen, grynsde toe, heeft toege-grynsd. Toegrijpen, greep toe, grepen toe, heeft toegegrepen. Toegroeien, groeide toe, is toegegroeid. Toehaken, haakte toe, heeft toegehaakt Toehaking, V. Toehalen, haalde toe, heeft toegehaald. Toehappen, hapte toe, heeft toegehapt. Toeheiligen, heiligde toe, heeft toege-heiligd. Toeheiliging, V. Toehoorder, M., -hoorders. Toehoorderes, V., -hoorderessen. Toehooren, hoorde toe, heeft toegehoord. Toehoorster, V., -hoorsters. Toehouden, hield toe, heeft toegehouden. |
TOE.
TOB.
392
|
Toehuib, o., -huizen. Toeijlen, ylde toe, is toegeijld. Toejaqen, jaagde toe, heeft toegejaagd; ook joeg toe. Toejuichen, juichte toe, heeft toegejuicht. Toejuiching, v., -juichingen. Toekaatsen, kaatste toe, heeft toege-kaatst. Toekeeben, keerde toe, heeft toegekeerd. Toekennen, kende toe, heeft toegekend. Toekenning, V. Toekijken, keek toe, keken toe, heeft toegekeken. Toekijker, M., -kykers. Toekijkster, V., -kyksters. Toeklemmen, klemde toe, heeft toege-klemd. Toeklinken, klonk toe, heeft toegeklonken. Toeknellen, knelde toe, heeft toege-kneld. Toeknijpen, kneep toe, knepen toe, heeft toegeknepen. Toeknikken, knikte toe, heeft toegeknikt. Toeknippen, knipte toe, heeft toege-knipt. Toeknoopen, knoopte toe, heeft toege-knoopt. Toekomen, komt toe, kwam toe, kwamen toe, is en heeft toegekomen. Toekomend. Toekomst, V. Toekomstig. Toekrugen, kreeg toe, kregen toe, heeft toegekregen. Toekrimpen, kromp toe, is toegekrom-pen. Toekruid, O., -kruiden. Toekuipen, kuipte toe, heeft toegekuipt. Toekurken, kurkte toe, heeft toege-kurkt. Toelaag en -lage, V., -lagen. Toelachen, lachte toe, heeft toegelachen; ook loeg toe, loegen toe. Toelakken, lakte toe, heeft toegelakt. Toelast, M., -lasten. Toelaten, liet toe, heeft toegelaten. Toelating, V. Toelatingsexamen, o., -examens. Toelatten, latte toe, heeft toegelat. Toeleg, M. Toeleggen, legde toe en leide toe, heeft toegelegd en toegeleid. Toelichten, lichtte toe, heeft toegelicht. Toelichting, V., -lichtingen. Toeliggen, lag toe, lagen toe, heeft toegelegen. Toelijmen, lymde toe, heeft toegeljjmd. Toelonken, lonkte toe, heeft toegelonkt. Toeloop, M. |
Toeloopen, liep toe, is toegeloopen. Toeluisteren, luisterde toe, heeft toegeluisterd. Toemaat, V., -maten. Toemaatje, O., -jes. Toemaken, maakte toe, heeft toege maakt. Toemand, V., -manden. Toemandje, O., -jes. Toemeten, mat toe, maten toe, heeft toegemeten. Toemetjng, V. Toemetselen, metselde toe, heeft toe-gemetseld. Toemoffelen, mofTelde toe, heeft toe-gemoffeld. Toemuren, muurde toe, heeft toege-muurd. Toen. Toenamen, naaide toe, heeft toegenaaid. Toenaam, M., -namen. Toenaderen, naderde toe, is toegena-derd. Toenadering, V. Toenagelen, nagelde toe, heeft toege-nageld. Toenemen, nam toe, namen toe, heeft en is toegenomen. Toeneming, V. Toenmaals. Toenmalig. Toepad, O., -paden; -paadje, O., -jes. Toepakken, pakte toe, heeft toegepakt. Toepalen, paalde toe, heeft toegepaald. Toepasselijk, -lyker, -Ijjkst. Toepasselijkheid, V. Toepassen, paste toe, heeft toegepast. Toepassing, V., -passingen. Toepekken, pekte toe, heeft toegepekt. Toepersen, perste toe, heeft toegeperst. Toeplakken, plakte toe, heeft toege-plakt. Toeplanken, plankte toe, heeft toege-plankt. Toepleisteren, pleisterde toe, heeft toegepleisterd. Toeproppen, propte toe, heeft toege-propt. Toer, M., toeren. Toertje, O., -jes. Toeraken, raakte toe, is toegeraakt. Toerechten, rechtte toe, heeft toegerecht. Toereeden, reedde toe, heeft toegereed. Toereeding, V. ToEREGENEN,regende toe, is toegeregend. Toereiken, reikte toe, heeft toegereikt. Toereikend. Toereiking, V. Toerekenbaar, -bare. Toerekenbaarheid, V. Toerekenen, rekende toe, heeft toegerekend. Toerekening, V. Toerekeningsvatbaae, -bare. ToEEEKENINGSVATBaarheid, V. |
iii
k
TOE.
393
TOE.
|
â¢en. Toeren, toerde, heeft getoerd. ft toe- Toebijden, reed toe, reden toe, heeft en is toegereden. âº.,-jes. Toerijgen, reeg toe, regen toe, heeft toege toegeregen. Toerijtuig, o., -rytuigen. je, O., Toerist, M., toeristen. Toerit, m., -ritten. heeft Toeroepen, riep toe, heeft toegeroepen. Toerollen, rolde toe, heeft en is toegerold. quot;t toe- Toeruischen, ruischte toe, heeft toege-ruischt. 't toe- Toerukken, rukte toe, heeft toegerukt. Toerusten, rustte toe, heeft toegerust, oege- Toerusting, V., -rustingen. Toeschietelijk, -lyker, -lykst. Toeschietelijkheid, V. laaid. Toeschieten, schoot toe, schoten toe, heeft en is toegeschoten. gena- Toeschijnen, scheen toe, schenen toe, heeft toegeschenen. Toeschikken, schikte toe, heeft toege-oege- schikt. Toeschouwen, schouwde toe, heeft toe-heeft geschouwd. Toeschouwer, M., -schouwers. Toeschouwster, V., -schouwsters. Toeschreeuwen, schreeuwde toe, heeft toegeschreeuwd. 3S. Toeschrijven, schreef toe, schreven toe, pakt. heeft toegeschreven. aald. Toeschroeien, schroeide toe, heeft toe-geschroeid. Toeschroeven, schroefde toe, heeft toepast. geschroefd. Toeschuiven, schoof toe, schoven toe, Dekt. heeft toegeschoven. erst. Toeseinen, seinde toe, heeft toegeseind. )ege- Toesjorren, sjorde toe, heeft toege-sjord. )ege- Toeslaan, slaat toe, sloeg toe, heeft en is toegeslagen. leeft Toeslag, M. Toeslede, V., -sleden. Toesleetje, o., â¢ege- -jes. Toesleepen, sleepte toe, heeft toege-sleept. et. Toeslibben, slibde toe, is toegeslibd. ege- Toeslibbing, V. Toeslingeren, slingerde toe, heeft toeeed. geslingerd. Toesluiten, sloot toe, sloten toe, heeft Bnd. toegesloten. likt. Toesluiting, V. Toesmakken, smakte toe, heeft toege-smakt. Toesmeden, smeedde toe, heeft toege-smeed. 3ge- Toesmijten, smeet toe, smeten toe, heeft toegesmeten. Toesnauwen, snauwde toe, heeft toegesnauwd. Toesnellen, snelde toe, is toegesneld. |
Toesnoeren, snoerde toe, heeft toegesnoerd. Toesoldeeren, soldeerde toe, heeft toe* gesoldeerd. Toespelden, speldde toe, heeft toegespeld. Toespeling, V., -spelingen. Toesperren, sperde toe, heeft toege-sperd. Toespijkeren, spijkerde toe, heeft toe-gespijkerd. Toespijkering, V. Toespijs, V., -sp^zen. Toespraak, V., -spraken. Toespraakje^ O., -jes. Toespreken, sprak toe, spraken toe, heeft toegesproken. Toespringen, sprong toe, is toegesprongen. Toestaan, staat toe, stond toe, heeft toegestaan. Toestand, M., -standen. Toesteken, stak toe, staken toe, heeft toegestoken. Toestel, M. en O., -stellen. Toestelletje» O., -jes. Toestellen, stelde toe, heeft toege-steld. Toestemmen, stemde toe, heeft toegestemd. Toestemming, V. Toestooten, stiet toe, heeft toegestoo-ten; ook stootte toe. Toestoppen, stopte toe, heeft toegestopt. Toestralen, straalde toe, heeft toege-straald. Toestrikken, strikte toe, heeft toege- strikt. Toestroomen, stroomde toe, is toegestroomd. Toestuiven, stoof toe, stoven toe, is toegestoven. Toesturen, stuurde toe, heeft toegestuurd. Toetakelen, takelde toe, heeft toegetakeld. Toetakeling, V. Toetasten, tastte toe, heeft toegetast. Toetellen, telde toe, heeft toegeteld. Toeten, toette, heeft getoet. Toeter, M., toeters. Toetertje, O., -jes. Toeteren, toeterde, heeft getoeterd. Toethoorn en -horen, M., -hoorns en ⢠-horens. Toetrappen, trapte toe, heeft toege-trapt. Toetreden, trad toe, traden toe, is toegetreden Toetreding, V., -tredingen. Toetrekken, trok toe, trokken toe, heeft en is toegetrokken. Toets, M., toetsen. Toetsje, O., -jes. Toetsen, toetste, heeft getoetst. |
f
TOE.
TOE.
394
|
Toetser, M., toetsers. Toetsing, V. Toetssteen (een steen), M., -steenen; (stof), O. Toetuigen, tuigde toe, heeft toegetuigd. Toevaart, Y-vaarten. Toeval, O., -vallen. Toevallen, viel toe, is toegevallen. Toevallig, -valliger, -valligst. Toevalligerwijze en -wua. Toevalligheid, V., -heden. Toeven, toefde, heeft getoefd. Toeverlaat, M. Toevertrouwen, vertrouwde toe, heeft toevertrouwd. Toevliegen, vloog toe, vlogen toe, is toegevlogen. Toevloed, M. Toevloeien, vloeide toe, is toegevloeid. Toevlucht, V. Toevluchtsoord, o., -oorden. Toevoegen, voegde toe, heeft toegevoegd. Toevoeging, V., -voegingen. Toevoegsel, o., -voegsels. Toevoer, M., -voeren. Toevoeren, voerde toe, heeft toegevoerd. Toevoorzicht, O. Toevouwen, vouwde toe, heeft toegevouwen. Toe vriezen, vroor toe, vroren toe, is toegevroren en toegevrozen. Toewaaien, waaide toe, heeft en is toegewaaid; ook woei toe, woeien toe. Toewagen, M., -wagens. Toewagentje, O., -jes. Toewallen, walde toe, heeft toegewald. Toewas, M. Toewassen, wies toe, wiesen toe, is toegewassen. Toewater, o. Toewegen, woog toe, wogen toe, heeft toegewogen. Toewelven, welfde toe, heeft toege-welfd. Toewenden, wendde toe, heeft toegewend. Toewenken, wenkte toe, heeft toegewenkt. Toewenschen, wenschte toe, heeft toe-gewenscht. Toewensching, V. Toewerpen, wierp toe, heeft toegeworpen. Toewicht, O. Toewijden, wydde toe, heeft toegewijd. Toewijding, V, Toewijzen, wees toe, wezen toe, heeft toegewezen. Toewijzing, V. Toewinden, wond toe, heeft toegewonden. |
Toewringen, wrong toe, heeft toegewrongen. Toewuiven, wuifde toe, heeft toegewuifd. Toezang, M., -zangen. Toezeggen, zeide toe, heeft toegezegd en toegezeid. Toezegging, v., -zeggingen. Toezenden, zond toe, heeft toegezonden. Toezender, M., -zenders. Toezending, V., -zendingen. Toezicht, O. Toezien, zag toe, zagen toe, heeft toegezien. Toeziener, M., -zieners. Toezingen, zong toe, heeft toegezongen. Toezuigen, zoog toe, zogen toe, heeft en is toegezogen. Toezwaaien, zwaaide toe, heeft toegezwaaid. Toezweren (met een eed), zwoer toe, heeft toegezworen. Toezweren (door verzwering), zwoor toe, zworen toe, is toegezworen. Toffel, V., tofiels. Toffeltje, o., -jes. Toga, V., toga's. Togen (onvolm. verl. tijd, mv.). Toilet, O., toiletten. Toiletje, O., -jes. Toiletartikel, o., -artikelen. Toiletspiegel, M., -spiegels. Toilettafel, v., -tafels. Toiletteeren, toiletteerde, heeft ge- toiletteerd. Toiletzeep, V., -zeepen. Tokkelaar, M., tokkelaars. Tokkelen, tokkelde, heeft getokkeld. Tokkeling, V., tokkelingen. Toko, M., toko's. Tokohouder, M., -houders. Tol (schatting), M., tollen. Tol (speeltuig), M., tollen. Tolletje, O., -jes. Tolbaas, M., -bazen. Tolerant, toleranter, tolerantst. Tolerantie, V. Tolereeren, tolereerde, heeft getolereerd. Tolgaarder, M., -gaarders. Tolgeld, O., -gelden. Tolhek, O., -hekken. Tolhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Tolk (vertaler), M., tolken. Tolk (scheepsw.) M., tolken. Tollen, tolde, heeft getold. Tollenaar, M., tollenaars en tollenaren. Toltarief, O., -tarieven. Tolvrij. Tomaat, V., tomaten. Tomatensaus, V., -sausen. Tombak, O. Tombe, V., tombes. Tombola, V., tombola's. Ton, V., tonnen. Tonnetje, O., -jes. Tondel en tonder, O. |
i r ^ li ^
TON.
TOO.
396
|
Tondeldoos, V., -doezen. Tong (lichaamsdeel), V., tongen. Tongetje, O., -jes. Tong (visch), V., tongen. Tongetje, o., -jes. Tongbeen, O., -beenderen. Tongblaab, V. Tongkijkeb, M., -kekers. Tongbiem, m. Tongschbapeb, m., -schrapers. Tongval, M., -vallen. Tonijn, M., tonvjnen. Tonyntje, O., -jes. Tonijnenvangst, V. Tonmolen, M., -molens. Tonneboei, V., -boeien. Tonneboeieb, M., -boeiers. Tonnen, tonde, heeft getond. Tonnengeld, O. tonnenmaat, ook tonnemaat, v. Tonnenmeesteb, M.,-meesters. Tonnenstelsel, O. Tonneb, m., tonners. Tonsteb, V., tonsters. Tonsuub, V. Tontine, V., tontines. Toog, M., togen Toogje, o., -jes. Toog (onvolm. verl. tyd). Tooi, M. Tooien, tooide, heeft getooid. Tooisel, O., tooisels. Toom, M., toornen. Toompje, O., -jes. Toomeloos, -loozer, -loost. Toomeloosheid, V. Toomen, toomde, heeft getoomd. Tooming, V. Toon (teen), M., toonen. Toontje, O., -jes. Toon (klank), M., tonen. Toontje, O., -jes. Toon. (Ten â). Toonbaab, -bare. Toonbank, V., -banken. Toonbeeld, o., -beelden. Toonbbood, O., -brooden. Toondeb, M., toonders. Toondichteb, M., -dichters. Tooneel, O., tooneelen. Tooneeltje, ()â¢gt; â j®8- Tooneelcbiticus, m., -critici. Tooneelcbitiek, v. Tooneelgezelschap, o., -gezelschappen. Tooneelheld, M., -helden. Tooneelist, M., tooneelisten. Tooneelkijkeb, M., -kykers. Tooneelkunstenaab, M., -kunstenaars. T ooneelmatig. Tooneelpokzie, V. Tooneelschool, V., -scholen. Tooneelschbijveb, M., -schryvers. Tooneelspel, O., -spelen. Tooneelspeleb, M., -spelers. Tooneelstuk, o., -stukken. Tooneelvebbond, O. Tooneelvebslag, O., -verslagen. Tooneelvebtooning, V., -vertooningen. |
Tooneelwoede, V. Toonen, toonde, heeft getoond. Toongevend. Toongeveb, M., -gevers. Toonhoogte, V., -hoogten. Toonkunst, V. Toonkunstenaab, M., -kunstenaars. Toonladdeb, V., -ladders. Toonloos, -looze. Toonloosheid, V. Toonschaal, V., -schalen. Toonsoobt, V., -soorten. Toonsteb, V., toonsters. Toon vast, -vaster, meest -vast. Toobn, M. Toobnen, toornde, heeft getoornd. Toobnig, toorniger, toornigst. toobnigheid, v. Toobts, V., toortsen. Toobtslïcht, O. Toost, M., toosten. Toostte, O., -jes. Toosten, toostte, heeft getoost. Toosteb, M., toosters. Toot, V., toten. Tootje, O., -jes. Toovenaab, m., toovenaars en toove-naren. Toovenaabsteb, V., toovenaarsters. Toovenabes, V., toovenaressen. Toovebachtig, -achtiger, -achtigst. Toovebbeeld, O., -beelden. Toovebblik, M., -blikken. Toovebboek, O., -boeken. Toovebcibkel, M., -cirkels. Toovebdbank, M., -dranken. Tooveben, tooverde, heeft getooverd. Toovebes, V., tooveressen. Toovebfigüub, V. en O., -figuren. Toovebfluit, V., -fluiten. Toovebfobmulieb, O., -formulieren. Toovebgeschiedenis, V., -geschiedenissen. Toovebgodin, V., -godinnen. Toovebheks, V., -heksen. Toovebij, V., too ver yen. Toovebkaabt, V., -kaarten. Toovebklank, M., -klanken. Toovebkol, V., -kollen. Toovebkbing, M., -kringen. Toovebkunst, V., -kunsten; -kunstje, O., -jes. Tooveblantaben en -lantaabn,V.,-lantarens en -lantaarns. Toovebmiddel, O., -middelen. Toovebpaleis, o., -paleizen. Toovebspiegel, M.f -spiegels. Toovebbtaf, M., -staven. Toovebviebkant, O., -vierkanten. Toovebwebk, o. Toovebzalf, V. Top, M., toppen. Topje, O., -jes. Top (tusschenw.). Topaas (steen), M., topazen; (stof), O. Topaasje, O., -jes. Topazen (bnw.). |
TOU.
TOP.
396
|
Topograaf, M., topografen. Topoqbaphie, V. Topogbaphisch. Toppen, topte, heeft getopt. Toppenant, V., toppenanten; ook top- penend, o., -enden. Toppenantsblok, O., -blokken en -bloks. Toppeb, M., toppers. Toppertje, O., -jes. Toppebshoed, M., -hoeden. Topstandeb, M., -standers. Topzeil, o., -zeilen. Topzeilskoelte, v. Topzwaab, -zware. Tob, V., torren. Torretje, O., -jes. Tobbok, M., -bokken; -bokje, o., -jes. toben, m., torens. Torentje, o., -jes. Tobenachtig. Tobenblazeb, m., -blazers. Tobenbband, M., -branden. Tobenhoog, -hooge. Tobenklok, V., -klokken. Tobenspits, V., -spitsen. Tobenuil, M., -uilen. Tobenwacht (een wachter), M., -wachten; (de gezamenl^ke wachters), V. Tobment, o., tormenten. Tobmenteeben, tormenteerde, heeft getormenteerd. Tobn (het tornen), M., tornen. Tobn (in een kleed), V., tornen. Torntje, O., -jes. Tobnen, tornde, heeft getornd. Tobnmesje, o., -jes. Tobnooi, o., tornooien. Tobnooien, tornooide, heeft getornooid. Tobntouw, o., -touwen. Tobpedist, M., torpedisten. Tobpedo, v., torpedo's. Tobpedoboot, v., -booten. Tobpedodienst, M. Tobs, V., torsen. Tobsen, torste, heeft getorst. Tobtel, m. en V., tortels. Torteltje, O., -jes. Tobtelduif, V., -duiven. Tot. Totaal, O., totalen. Totaal, totale. Totdat. Totebel, v., totebellen. Totebelletje, O., -jes. Totstandbbenging. V. Totstandkoming, V. Toubnube, V., tournures. Touteb, M., touters. Toutertje, O., -jes. Touteben, touterde. heeft getouterd. Touw, O., touwen. Touwtje, O., -jes. Touwbaan, V., -banen. Touwen (bnw.). Touwen, touwde, heeft getouwd. Touweb, M., touwers. Touwebij, V., touwerijen. Touwladdeb, V., -ladders. Touwpluizen, o. |
Touwslageb, M., -slagers. Touwslagebij, V., -slageryen. Touwstoppeb, M., -stoppers. Touwtjespbingen, o. touwwebk, o. Tbaag, trager, traagst. Tbaagheid, V. Tbaagloopeb, M., -loopers. Tbaan (oogvocht), M., tranen. Traantje, O., -jes. Tbaan (vischolie), V. Tbaanachtig, -achtiger, -achtigst. Traanbuis, V., -buisje, o., -jes. Tbaanklieb, V., -klieren. Tbaankokeb, M., -kokers. Tbaankokebij, V., -kokeryen. Tbaanoog, O., -oogen. Tbaanoogen, traanoogde, heeft getraanoogd. Tbacasseeben, tracasseerde, heeft ge- tracasseerd. Tbacassebie, v., tracasserieën. Tbachten, trachtte, heeft getracht. Tbactaat (verdrag), o., tractaten. Tbacteeben (behandelen), tracteerde, heeft getracteerd. Tbaditïe, V., traditiën en tradities. Tbaditioneel, traditioneele. Tbafiek, V., trafieken. Tbagedie, V., tragediën en tragedies. Tbagisch. Tbaject, O., trajecten. Tbaktaatje (vertoogje), O., -jes. Tbaktant, M., traktanten. Tbaktatie, V., traktaties. Tbakteeben (onthalen), trakteerde, heeft getrakteerd. Tbaktement, o., traktementen. Trak- tementje, O., -jes. Tbaktementsdag, M., -dagen. Tbaktementsvebhooging, V., -verhoo-gingen. Tbalie, V., tralies en traliën. Tralietje, O., -jes. Tbalieluik, O., -luiken. Tbaliën, traliede, heeft getralied. Tbalievensteb, O., -vensters. Tbaliewebk, O. Tbam, V., trammen en trams. Tbamboekje, o., -boekjes. tbamconducteub, M., -conducteurs. Tbamdienst, M., -diensten. Tbamkaabtje, O., -kaartjes. Tbamkilometeb, M., -kilometers. Tbamlijn, V., -lynen. Tbammen, tramde, heeft en is getramd. Tbamontane, V. Tbambeizigeb, M., -reizigers. Tbamvebkeeb, o. Tbamwagen, M., -wagens, Tbamweg, M., -wegen. Tbanen, traande^ heeft getraand. Ibanendal, o. Tbanenlach, M. |
TRA.
TRE.
397
|
Tbanenvloed, M. Tbanig, traniger, tranigst. Tbanigheid, V. Tbans, M., transen. Tbansaotie, V., transactiën en transacties. Tbanscendentaal, -ale. Tbansigeeben, transigeerde, heeft getransigeerd. Tbanbitief, transitieve. Tbansito, o. Tbansito-handel, M. Tbansitoib. Tbanslaat, O., translaten. Tbanslateeben, translateerde, heeft ge- translateerd. Tbanslateub, M, translateurs. Tbanspaeant. Tbanspabant, O., transparanten. Trans- parantje, O., -jes. Tbanspobt, O., transporten. Transportje, O., -jes. Tbanspobteeben, transporteerde, heeft getransporteerd. Tbanspobteub, M., transporteurs. Tbanspobtkosten (mv.), M. Tbanspobtschip, O., -schepen. Tbanspobtwagen, M., -wagens. Tbansspibatie, V. Tbansspibeeben, transspireerde, heeft getransspireerd. Tbanssubstantiatie, V. Tbant, M. Tbap (schop), M., trappen. Tbap (trede), M., trappen. Trapje, o., -jes. Tbap (al de treden te zamen), V., trappen. Trapje, O., -jes. Tbapezium, o., trapeziums. Tbapezoïde, V., trapezoïdes. Tbapgans, V., -ganzen; -gansje, O., -jes. Tbapleuning, V., -leuningen. Tbaploopeb, M., -loopers. Tbappelen, trappelde, heeft getrappeld. Tbappen, trapte, heeft getrapt. Tbappobtaal, O., -portalen. Tbapsgewijze en -gewijs. Tbapswïjze en -wijs. Tbapwagen, M., -wagens; -wagentje, O., -jes. Teas, O. Tbasmolen, M., -molens. Tbasbaam, O., -ramen. Tbasbok, M., -rokken. Tbassen, traste, heeft getrast. Tbavaat, M., travaten. Tbavalje V., travaljes. Tbaven, traafde, heeft getraafd. Tbavebse en tbavebs, V.. traversen. Tbavebseeben, traverseerde, heeft getraverseerd. T ba want, M., trawanten. Tbechteb, M., trechters. Trechtertje, O., -jes. |
Tbechtebvobmig. Tbed, M., treden. Tredje, O., -jes. Tbede, V., treden. Treetje, O., -jes. Tbeden, trad, traden, heeft en is getreden. Tbedeb, M,, treders. Tbeedsel, o., treedsels. Tbeeft, V., treeften. Treeftje, O., -jes. Tbeee, M., treken. Treekje, O., -jes. Tbeemolen, M., -molens. Tbeebad, o., -raderen. Tbef, M. Tbeffelijk, -lijker, -lijkst. Tbeffelijkheid, V. Tbeffen, trof, troffen, heeft getroffen. Tbeffen, o. tbeffend, treffender, treffendst. Tbefkans, V. Tbefpunt, o., -punten. Tbeil, M., treilen. Tbeilen, treilde, heeft getreild. Tbeileb, M., treilers. Tbein, M., treinen. Treintje, O., -jes. Tbeinbeambte, m., -beambten. Tbeincompagnie, V., -compagnieën. Tbeinenloop, M. Tbeinpebsoneel, O. Tbeinsmid, M., -smeden. Tbeinsoldaat, M., -soldaten. Tbeitebaab, M., treiteraars. Tbeitebaabsteb, V.. treiteraarsters Tbeiteben, treiterde, heeft getreiterd. Tbeitebing, V., treiteringen. Tbek, M., trekken. Trekje, O., -jes. Tbekbank, V., -banken. Tbekbeest, O., -beesten. Tbekbeugel, M., -beugels. Tbekdag, M., -dagen. Tbekdieb, O., -dieren. Tbekezel, m., -ezels. Tbekgeld, O. Tbekhaak, M., -haken. Tbekkab, V., -karren Tbekkast, V., -kasten. Tbekkebeenen, trekkebeende, heeft getrekkebeend. Tbeekebeeken, trekkebekte, heeft getrekkebekt. Tbekken, trok, trokken, heeft en is getrokken. Tbekkeb, M., trekkers. Tbekking, V., trekkingen. Tbekkoobd, O., -koorden. Tbekletteb, V., -letters. Tbeklijn, V., -lijnen. Tbekmuts, V., -mutsen. Treknet, O., -netten. Trekos, M.f -ossen. Trekpaard, O., -paarden. Trekpen, V., -pennen. Trekpleister, V., -pleisters. Trekpot, M., -potten. Trekschuit, V., -schuiten. | Treksel, O., treksels. |
TRE.
TRI.
398
|
Trekslede, V., -sleden. Trekster, V., treksters. Trektafel, V., -tafels. Trekvaart, V., -vaarten. Trekvogel, M., -vogels. Trekweg, M., -wegen. Trekzaag, V., -zagen. Trema, O., trema's. Tremel, M., tremels. Trens, V., trenzen. Trensje, O., -jes. Trenzen, trensde, heeft getrensd. Trenzing, V. Trepaan, M., trepanen. Trepaneerroor, V.f -boren. Trepaneeren, trepaneerde, heeft getrepaneerd. Trepaneering, V., trepaneeringen. Tres, V., tressen. Tretjrrerk, M , -berken. Treurbeuk, M., -beuken. Treurdicht, O., -dichten. Treuren, treurde, heeft getreurd. Treuresch, M., -esschen. Treurgewaad, O., -gewaden. Treurig, treuriger, treurigst. Treurigheid, v. Treurkleed, o., -kleederen. Treurmare, V., -maren. Treurmarsch, M., -marschen. Treurmuziek, V. Treurroos, V., -rozen. Treurspel, O., -spelen. Treurspeldichter, M., -dichters. Treurtooneel, O., -tooneelen. Treurwilg, M., -wilgen. Treurzang, M., -zangen. Treuzel, m. en v., treuzels. Treuzeltje, O., -jes. Treuzelaar, M., treuzelaars. Treuzelaarster, V., treuzelaarsters. Treuzelachtig, -achtiger, -achtigst. Treuzelachtigheid, V. Treuzelen, treuzelde, heeft getreuzeld. Treuzelig, treuzeliger, treuzeligst. Treuzeligheid, v. Treuzelwerk, O.; -werkje, O., -jes. Trezoor, o., trezoren. Trezorie, V., trezorieën. Trezorier, m., trezoriers. Trezorierschap, O. Triakel. Zie Theriakel. Triangel, M., triangels. Triangeltje, o. -jes. Triangulatie, V., triangulatiën. Tribulatie, V., tribulatiën en tribula-ties. Tribunaal, O., tribunalen. Tribunaat, o. Tribune, V., tribunes. Tribuun, m., tribunen. Trichine, V., trichinen. Tricot (stof), O.; (kleed), V., tricots. Trielje, V., trieljes. Trieljen (bnw.). |
Triest, triester. Trigonometrie, V. i Trigonometrisch. Trijp, O., trjjpen. Trijpen (bnw.). Trijs, M., trijsen. Trijsblok, o., -blokken en -bloks. Trijsen, tryste, heeft getrijst. Triktrak, o. Triktrakbord, O., -borden. Triktrakken, triktrak te, heeft getrik- trakt. Tril, M. Trilborstel, M., -borstels. Trilgras, O. Trilhaar, O., -haren; -haartje, O., -jes. Trillen, trilde, heeft getrild. Triller, M., trillers. Trilling, V., trillingen. Trillioen, O., trillioenen. Trimester, O., trimesters. i Trio, O., trio's. Triomf en triumf, M., triomfen. Triomfant. Triomfantelijk. Triomfboog, M., -bogen. Triomfeeren, triomfeerde, heeft getriomfeerd. Triomflied, O., -liederen. Triomftocht, M., -tochten. Trip, V., trippen. Tripje, O., -jes. : Tripel, O. i Trippelaar, M., trippelaars. Trippelaarster, v., trippelaarsters. Trippelen, trippelde, heeft en is getrip-i peld. ; Trippen, tripte, heeft getript. Trits, V., tritsen. | Triumf, enz. Zie Triomf, enz. Triviaal, trivialer, triviaalst. Trivialiteit, V., trivialiteiten.ï Troebel, troebeler, troebelst. Troebelachtig, -achtiger, -achtigst. Troebelheid, V. Troef, V., troeven. Troefje, O., -jes. Troefkaart, V., -kaarten. Troep, M., troepen. Troepje, O., -jes. Troepenmacht, V. Troepsgewijze en -wijs. ; Troetel, M., troetels. Troetelaar, M., troetelaars en troete-i laren. Troetelaartje, O., -jes. Troetelen, troetelde, heeft getroeteld. Troeteling, V., troetellngen. Troetelkind, O., -kinderen; -kindje, O., -jes. Troeven, troefde, heeft getroefd. Troffel, M., troffels. Troffeltje, O.,-jes. Trog, M., troggen. Trogje, O., -jes. Troggelaar, M., troggelaars. Troggelarij, V., troggelarijen. Troggelen, troggelde, heelt getroggeld. Troggelwinst, V., -winsten. Troggelzak, M., -zakken. |
TRO.
399
TRO.
|
Trom, V., trommen. Trombone, V., trombones. Trommel, V., trommels en trommelen. Trommeltje, O., -jes. Trommelen, trommelde, heeft getrommeld. Trommelslag, M., -slagen. Trommelslager, M., -slagers. Trommelstok, M., -stokken. Trommelvlies, O., -vliezen, 'ik- Trommen, tromde, heeft getromd. Trommer, M.. trommers. Tromp, V., trompen. Trompen, trompte, heeft getrompt. Trompenaar, M., trompenaars, ies. Trompet, v., trompetten. Trompetje, O., -jes. Trompetten, trompette, heeft getrompet. Trompetter, M., trompetters. Tronen (zetelen), troonde, heeft getroond. Tronie, V., tronies. Tronietje, O., -jes. Tronk, M., tronken. Tronkje, O., -jes. Troon, M., tronen. Troonen (lokken), troonde, heeft ge-ge- troond. Troonhemel, M., -hemels. Troonopvolger, M., -opvolgers. Troonrede, V., -reden. Troonzaal, V., -zalen. Troop, M., tropen. Troost, M. Troostbrief, M., -brieven, ip- Troostelijk, -Iflker, -lykst. Troosteloos, -loozer, -loost. Troosteloosheid, V. Troosten, troostte, heeft getroost. Trooster, M., troosters. Troosteres, V., troosteressen. Troostgrond, M., -gronden. Troosting, V. Troostlied, o., -liederen. Troostrede, V., -redenen. Troostrijk, -rijker, -rjjkst. Troostschrift, O., -schriften. Troostvol, -volle. Troostwoord, o., -woorden. Tropee (niet trofee), V., tropeeën. Tropisch. be- ' tros, M., trossen. Trosje, O., -jes. Trossen, troste, heeft getrost, ld. Trots, M. Trots (b^jw.). je, Trots (voorz.). Trotsch, trotscher, trotscht. Trotschaard, M., trotschaards. 9S. Trotschhart, M. en v., -harten. Trotschhartig, -hartiger, -hartigst. Trotschhartigheid, V. Trotschheid, V., -heden, ld. Trotseerder, M., trotseerders. Trotseeren, trotseerde, heeft getrotseerd. |
Trotseering, V. Trotsen, trotste, heeft getrotst. Trottoir, o., trottoirs. Troubadour, M., troubadours. Trouw, V. Trouw, trouwer, trouwst. Trouwbelofte, V., -beloften. Trouwbreuk, V. Trouwdag, M. Trouwelijk. Trouweloos, -loozer, -loost. Trouweloosheid, V. Trouwen, trouwde, heeft en is getrouwd Trouwens. trouwhartig, -hartiger, -hartigst. Trouwhartigheid, V. Trouwheid, V. Trouwjapon, V., -japonnen. Trouwkamer, V., -kamers. Trouwkleed, O., -kleederen. Trouwlustig, -lustiger, -lustigst. Trouwpartij, V., -partijen. Trouwplechtigheid, V. Trouwring, M., -ringen. Trouwrok, M., -rokken. Trouwzaal, V., -zalen. Truffeeren, trufieerde, heeft getruf- feerd. Truffel, V., truffels. Truffelsaus, V., -sausen. Truffelworst, V., -worsten. Trui, V., truien. Truweel, O., truweelen. Truweeltje, O. â jes. Tsaar, M., tsaren. Tsarewitsj, M. Tsaritsa, V., tsaritsa's. Tuberculeus, tuberculeuze. Tuberkel, M., tuberkels. Tuberoos, V., tuberozen. Tuberoosje. O., -jes. Tucht, V. Tuchteling, M. en V., tuchtelingen. V. ook tuchtelinge. Tuchteloos, -loozer, -loost. Tuchteloosheid, V. Tuchthuis, O., -huizen. Tuchthuisboef, M., -boeven. Tuchthuisstraf, V. Tuchtigen, tuchtigde, heeft getuchtigd. Tuchtiging, V., tuchtigingen. Tuchtroede, V., -roeden. Tufsteen, ook dufsteen, (een steen), M., -steenen; (als stofnaam), O. Tui, V., tuien. Tuianker, O., -ankers. Tuier, M., tuiers. Tuieren, tuierde, heeft getuierd. Tuiertouw, O., -touwen. Tuig, o., tuigen. Tuigje, o., -jes. Tuigage, V. Tuigen, tuigde, heeft getuigd. Tuighuis, o., -huizen. Tuiging V., tuigingen. |
TUM.
400
TUI.
|
Tüil, M., tuilen. Tuiltje, O., -jes. Tuimelaar, M., tuimelaars. Tuimelaar- tje, O., -jes. Tuimelbank, V., -banken. Tuimelen, tuimelde, is getuimeld. Toimelgeest, M. TumELiNG, V., tuimelingen. Tuimelinkje, O., -jes. Tuimelvisohje, O., -jes. Tuin, M., tuinen. Tuintje, O., -jes. Tuin anjelier, V., -anjelieren. Tuinbaas, M., -bazen. Tuinbank, V., -banken. Tuinboon, V., -boenen; -boontje, O., -jes. Tuinbouw, M. Tuinbouwschool, V., -scholen. Tuinder, M., tuinders. Tuindeur, V., -deuren. Tuinen, tuinde, heeft getuind. Tuingereedschap, o., -gereedschappen. Tuingewas, O., -gewassen. Tuinhoed, M., -hoeden. Tuinhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Tuinier, M., tuiniers en tuinieren. Tuinieren, tuinierde, heeft getuinierd. Tuiniersalmanak, M., -almanakken. Tuiniersbedrijf, O. Tuiniers werk, O. Tuinman, M., -lieden en -lui. Tuinmanswoning, V., -woningen. Tuinpad, o., -paden. Tuinschaar, V., -scharen. Tuinsieraden (mv.). O. Tuinstoel, M., -stoelen; -stoeltje,0.,-jes. Tuintafel, V., -tafels; -tafeltje, O.,-jes. Tuinwerk, O., -werken. Tuischen, tuischte, heeft getuischt. Tdischer, M., tuischers. Tuischerij, V., tuischeryen. Tuit, V., tuiten. Tuitje, o., -jes. Tuitelachtig, -achtiger, -achtigst. Tuitelen, tuitelde, heeft getuiteld. Tuitelig, tuiteliger, tuiteligst. Tuiten, tuitte, heeft getuit. Tuitkan, V., -kannen. Tuitpot, M., -potten. Tuk, M. Tuk (bnw.). Tukje, O., -jes. Tul, V., tullen. Tulletje, O., -jes. Tulband (Turksch hoofddeksel en gebak), M., tulbanden. Tulbandje, O., -jes. Tulbandsvorm, M., -vormen. Tule, V. Tulen (bnw.). Tulp, V., tulpen. Tulpje, O., -jes. Tulpebol, M.t -bollen. Tulpeboom, M., -boomen. Tulpenbed, O., -bedden. Tulpenhandel, M. Tulpenkweeker, M., -kweekers. Tulpenzaad, o. Tult, V., tulten. Tumbler, M., tumblers. |
Tdmult, O., tumulten. Tunica, V., tunica's. Tunnel, V., tunnels. Tureluur, m., tureluren en tureluurs. Tureluurtje, O., -jes. Türeluursch. Turen, tuurde, heeft getuurd. Turf (een enkele turf), M., turven; (collectief), V. Turfje, O., -jes. Turfbak, M., -bakken. Turfdrager, M., -dragers. Turfgraven, o. Turfhok, o., -hokken. Turfkokkr, M., -kokers. Turfmand, V., -manden. Turfmeter, M., -meters. Turfmolm, M. en O. Turfschip, O., -schepen. Turfschipper, M., -schippers. Turfsteken, O. Turftijd, M. Turftonnen, O. Turftonster, V., -tonsters. Turftrapper, M., -trappers. Turfvuur, O., -vuren. Turfzolder, M., -zolders. Turk, M., Turken. turken, turkte, heeft geturkt. Turkoois (steen), M., turkooizen; (stof),0. Turkooizen (bnw.). Turksch. Turksch, O. Turven, turfde, heeft geturfd. Tusschen. tusschenbedrijf, o., -bedryven. Tusschenbeide (bijw.). Tusschendek, o., -dekken. Tusschendeks. Tusschendeks, o. tubschendeksbatterij, V., -batterijen. Tusschendekspassagier, M., -passagiers. Tusschendijk, M., -dijken. Tusschendijks. Tubschendoor. Tusschenerf, O., -erven; -erfje, O., -jes. Tusschengelegen. Tusschengezang, O., -gezangen. Tusschenin. Tusschenkleur, V., -kleuren; -kleurtje, O., -jes. t üsschenkomend. Tusbchenkomst, V. Tubbchenkoning, M. Tubbchenkwartier, O., -kwartieren; -kwartiertje, O., -jes. Tusschenlaag, V., -lagen; -laagje, O., jes. t usschenliggend. Tusschenmuur, M., -muren; -muurtje, O., -jes. Tubschenpersoon, M. en V., -personen. Tubschenpoob, V., -poozen; -poosje, o., -jes. Tusschenrak, O., -rakken. |
|
TUS. Tüsscheneang, M., -rangen. Tusschenbegeeeing, V., -regeeringen. Tüsschenbuimte, V., -ruimten. Tusschenschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes. Tüsschensluib, V., -sluizen; -sluisje, O., -jes. Tüsschenspel, O., -spelen. Tüsschenbpraak, V. Tusschenspbeken, O. Tüsschenspbekeb, M , -sprekers. Tüsschenstaat, M. Tusschenstand, M., -standen. Tüsschensteeg, V., -stegen. Tusschentijd, M., -tijden. Tüsschentijds (bijw.). Tüsschentoon, M., -tonen. Tusschenuit. Tusschenuub, o., -uren; -uurtje, o.,-jes. Tusschenvak, O., -vakken; -vakje, O., -jes. Tdsschenvlaag, V., -vlagen; -vlaagje, O., -jes. Tdsschenvoeging, V. Tusschenvoegsel, o., -voegsels en -voegselen; -voegseltje, o., -jes. TüSBCHENWAIi, M., -Wallen. Tdsschenwand, M., -wanden. TUSSCHENWEG, M., -WOgeU. TüSSCHENWEGEB, M., -WOgerS. TüSSCHENWEBPSEL, O., -WOrpSelS. Tüsschenzang, M., -zangen. Tüsschenzee, V., -zeeën. Tüsschenzin, M., -zinnen. Twaalf, twaalven. twaalfdaagsch. Twaalfde. Twaalfdehalf, -halve. Twaalfdebhande. Twaalfdeblei. Twaalfdoobnig. Twaalfduizendste. Twaalfhoek, M., -hoeken. Twaalfhoekig. T wa alfhondebd. Twaalfhondebdste. Twaalfjabig. Twaalfmaal. - Twaalfpondeb, M., -ponders. Twaalftal, O., -tallen. Twaalftallig. Twaalfvingebdabm, M., -darmen. Twaalfvingerig. Twaalfvlak, O., -vlakken. Twaalfvoud, o., -vouden. Twaalfvoudig. Twee (telw.). Als znw., V., tweeën. Tweetje, O., -jes. Tweeabmig. Tweeblad, o. Tweede. Tweedbaadsch. Tweedbacht, V. Tweedbachtig, -drachtiger, -drachtlgst. 401 |
TWE. tweedbachtsappel, M., -appels. Tweeduizendste. tweeëbhande. tweeëblei. Tweegevecht, O., -gevechten. Tweehandig. Tweehondebd. Tweehondebdste. Tweehoofdig. Tweehoobnig. Tweehuizig, Tweejabig. Tweeklank, M,, -klanken. tweekleubig. Tweeledig. tweelettergpepig. Tweeling, M. en V., tweelingen. V. ook tweelinge. Tweelingbroeder, M., -broeders. Tweelingzuster, V., -zusters. Tweelippig. Tweelobbig. Tweemaal. Tweemasteb, M., -masters. Tweebegelig. Tweebiemsgiek, V., -gieken. tweebn, M. Tweebnen, tweernde, heeft getweernd. Tweeschijfsblok, O., -blokken en -bloks. tweeslachtig. Tweesnijdend. tweesoobtig. Tweespalt, V. Tweespan, O., -spannen. tweespans. Tweespbaak, V., -spraken. Tweespbong, M., -sprongen. Tweestemmig. Twefstbijd, M. Tweetal, O., -tallen. T weetallig. Tweetandig. Tweetongig. Tweetongigheid, V. T weevleugelig. Tweevoetig. Tweevobmig. Tweevoud, O., -vouden. Tweevoudig. Tweewebf. Twente (gewest), O. Twentenaab, M., Twentenaars en Twentenaren. Twentsch. Twijfel, M. Twijfelaab, M., twijfelaars. Twijfelachtig, -achtiger, -achtigst. Twijfelachtigheid, V. Twijfelabij, v. Twijfelbaab, -bare. Twijfelen, twijfelde, heeft getwijfeld. Twijfeling, V., twijfelingen. Twijfelmoedig, -moediger, -moedigst. Twijfelmoedigheid, V. |
26
TWI.
402
TWI.
|
Twijfelstuk, O., â¢stukken. Twijfelzinniq, -zinniger, -zinnigst. Twijfelzinnigheid, V. Twijfelzucht, V. Twijfelzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Twijg, V., twygen. Twygje, O., -jes. Twijn, M. Twundeb, M., twynders. Twijnderu, V., twynderijen. Twijndraad (voorwerpsnaam), M., -dra- den; (stofnaam), O. Twijnen, twijnde, heeft getwynd. Twijngaren, o. Twijnmolen, M., -molens. twijnster, V., twijnsters. Twijnwiel, O., -wielen. Twil, M., twillen. Twintig, twintigen. Twintiger, M., twintigers. t wint igerhande Twintigerlei. Twintigjarig. Twintigmaal. Twintigponder, M., -ponders. Twintigste. Twintigtal, o., -tallen. |
Twintigvlak, o., -vlakken. Twintigvoud, o., -vonden. Twintigvoudig. Twintigwerf. Twist, M., twisten. Twistappel, M., -appels. Twisten, twistte, heeft getwist. Twister, M., twisters. Twistgeschrijf, o. Twistgierig, -gieriger, -gierigst. Twistgierigheid, V. Twistig, twistiger, twistigst. Twistrede, V., -redenen. Twistredenaar, M., -redenaars. Twistschrift, O., -schriften. Twistziek, -zieker, -ziekst. Twistzucht, v. Type (drukletter), V., typen. Type (uitgedrukt beeld), O., typen. Typheus, typheuze. Typhus, M. Typisch. Typograaf, M., typografen. Typographie, V. Typographisch. Tyran, enz. Zie Tiran, enz. |
U.
|
U, V., u's. Uchtend. Zie Ochtend. Ui, M., uien. Uitje, O., -jes. Uienbed, O., -bedden. ulenloof, o. uienreuk, M. ulensalade ou uiensla, V. Uiensaus, V., -sausen. ulensmaak, m. Uiensoep, V., -soepen. Uienzaad, O. Uieplant, V., -planten. Uier, M., uiers. Uiertje, O., -jes. Uieschil, V., -schillen. Uiig, uiiger, uiigst. Uil, M., uilen. Uiltje, O., -jes. Uilebek, M., -bekken. Uileklauw, M., -klauwen. Uilekop (kop van een uil), M., -kop-pen. Uilennest, O., -nesten. Uilenoog, O., -oogen. Uilenvlucht, V. Uilenspiegel, M., -spiegels. Uileveee, V., -veeren. Uilig, uiliger, uiligst. Uilskop (stommeling), M., -koppen. Ui i-skuiken, O., -kuikens. Uit. Uitademen, ademde uit, heeft uitgeademd. |
Uitademing, V., -ademingen. Uitbaggeren, baggerde uit, heeft uitgebaggerd. Uitbaggering, V. Uitbakenen, bakende uit, heeft uitgebakend. Uitbaliën, baliede uit, heeft uitgebalied. Uitbannen, bande uit, heeft uitgebannen. Uitbanning, V., -banningen. Uitbarsten, barstte uit, is uitgebarsten; ook borst uit, is uitgeborsten. Uitbarsting, V., -barstingen. Uitbazuinen, bazuinde uit, heeft uitgebazuind. Uitbeelden, beeldde uit, heeft uitgebeeld. Uitbeelding, V., -beeldingen. Uitbeitelen, beitelde uit, heeft uitgebeiteld. Uitbersten. Zie Uitbarsten. Uitbesteden, besteedde uit, heeft uitbesteed. Uitbesteding, V., -bestedingen. Uitbetalen, betaalde uit, heeft uitbetaald. Uitbetaler, M., -betalers. Uitbetaling, V., -betalingen. Uitbijten (van tanden, scherpe vochten, enz.), beet uit, beten uit, heeft en is uitgebeten. |
UIT.
UIT.
|
Uitbijten (door 't hakken van by ten), bijtte uit, heeft uitgebyt. üitbijter, M., -byters. Uitbijting, V. Uitbikken, bikte uit, heeft uitgebikt. Uitblakeren, blakerde uit, heeft uit-geblakerd. Uitblazen, blies uit, bliezen uit, heeft uitgeblazen. Uitbleeken, bleekte uit, heeft en is uitgebleekt. Uitblijven, bleef uit, bleven uit, is uitgebleven. Uxtblijveb, M., -blijvers. Uitblikremen, bliksemde uit, heeft uitgebliksemd. Uitblinken, blonk uit, heeft uitgeblonken. Uitbloeden, bloedde uit, heeft en is uitgebloed. Uitbloeien, bloeide uit, heeft en is uitgebloeid. Uitblurschen, bluschte uit, heeft uit-gebluscht. ultbltjssching, V. Uitboegseeben, boegseerde uit, heeft uitgeboegseerd. Uitboeken, boekte uit, heeft uitgeboekt. ultboeking, v. Uitboenen, boende uit, heeft uitgehoond. Uitboezemen, boezemde uit, heeft uit-geboezemd. Uitboezeming, V., -boezemingen. Uitboomen, boomde uit. heeft uitge-boomd. Uitboben, boorde uit, heeft uitgeboord. Uitbobrelen, borrelde uit, is uitge-borreld. Uitbobbeling, V. Uitborstelen, borstelde uit, heeft uit-geborsteld. ultborsteling, V. Uitbotten, botte uit, is uitgebot. Uitbotting, V. Uitbouwen, bouwde uit, heeft uitgebouwd. Uitboüwing, V. Uitbouwsel, O., -bouwsels. Uitbouw-seltje, O., -jes. Uitbraak, V. Uitbbaaksel, O., -braaksels. Uitbraden, braadde uit, heeft uitgebraden. Uitbraken, braakte uit, heeft uitgebraakt. ultbbaklng, v. Uitbbanden, brandde uit, heeft en is uitgebrand. Uitbrander, M., -branders. Uitbranding, V., -brandingen. Uitbbeiden, breidde uit, heeft uitgebreid. Uitbbeider, M., -breiders. Uitbreiding, V., -breidingen. |
Uitbreken, brak uit, braken uit, heeft en is uitgebroken. Uitbreking, v. Uitbrengen, bracht uit, heeft uitgebracht. Uitbrenger, M., -brengers. ultbrenging, v. Uitbboeden, broedde uit, heeft uitgebroed. UiTBROEDiNG, V., -broedingen. Uitbboedsel, O., -broedsels. Uitbruien, bruide uit, heeft uitgebruid. Uitbrullen, brulde uit, heeft uitgebruld. Uitbuien, buide uit, heeft uitgebuid. Uitbuigen, boog uit, bogen uit, heeft en is uitgebogen. Uitbuiging, V. Uitbuilen, builde uit, heeft uitgehuild. Uitbuldeben, bulderde uit, heeft uitgebulderd. Uitbundig, -bundiger, -bundigst. Uitbundigheid, V. uitbundiglijk. Uitbuurt, V., -buurten. Uitbuurtje, O., -jes. Uitcijferen, cyferde uit, heeft uitge-cyferd. Uitcijeering, V., -cyferingen. Uitdagen, daagde uit, heeft uitgedaagd. Uitdager, M., -dagers. Uitdaging, V., -dagingen. ultdagingsbbief, M., -brieven. Uitdampen, dampte uit, heeft en is uitgedampt. Uitdamping, V., -dampingen. Uitdeelen, deelde uit, heeft uitgedeeld. ultdeeler, M., -dOOlerS. Uitdeeling, V., -deelingen. Uitdeelster, V., -deelsters. Uitdelgen, delgde uit, heeft uitgedelgd. Uitdelger, M., -dolgerS. ultdelging, v. Uitdelven, dolf uit, dolven uit, heeft uitgedolven. Uitdelving, V., -delvingen. Uitdenken, dacht uit, heeft uitgedacht. Uitdenker, M., -denkers. Uitdienen, diende uit, heeft uitgediend. Uitdiepen, diepte uit, heeft uitgediept. Uitdieping, V., -diepingen. Uitdijen, dijde uit, is uitgedyd. Uitdijing, v. Uitdoen, doet uit, deed uit, deden uit, heeft uitgedaan. Uitdompen, dompte uit, heeft uitge-dompt. Uitdonderen, donderde uit, heeft uit- gedonderd. Uitdooven, doofde uit, heeft en is uitgedoofd. ultdoovlng, v. Uitdorschen, dorschte uit, heeft uitge-dorscht. |
UIT.
UIT.
|
Uitdossen, doste uit, heeft uitgedost. Uitdossing, v., -dossingen. Uitdbaagsteb, V., -draagsters. Uitdraaien, draaide uit, heeft en is uit-gedraaid. Uitdragen, droeg uit, heeft uitgedragen. Uitdrager, M., -dragers. Uitdragerij, V., -drageryen. Uitdragerswinkel, M., -winkels. uitdraven, draafde uit, heeft en is uitgedraafd. Uitdrijven, dreef uit, dreven uit, heeft uitgedreven. Uitdrijver, M., -drijvers. Uitdrijving, V., -dryvingen. Uitdringen, drong uit, heeft en is uitgedrongen. Uitdrinken, dronk uit, heeft uitgedronken. Uitdrogen, droogde uit, heeft en is uitgedroogd. Uitdroging, V., -drogingen. Uitdruipen, droop uit, dropen uit, heeft en is uitgedropen. Uitlrukkelijk, -lüker, -lykst. Uitdrukken, drukte uit, heeft uitgedrukt. Uitdrukking, V., -drukkingen. Uitdruksel, O., -druksels. Uitdruppelen, druppelde uit, is uitge-druppeld. Uitduiden, duidde uit, heeft uitgeduid. Uitduiding, V., -duidingen. Uitduidseii, o., -duidsels. Uitduwen, duwde uit, heeft uitgeduwd. Uitdweilen, dweilde uit, heeft uitgedweild. Uiteen. Uiteenbarsten, barstte uiteen, is uiteengebarsten; ook borst uiteen, is uiteengeborsten. Uiteenbebsten. Zie Uiteenbarsten. Uiteendbijven, dreef uiteen, dreven uiteen, heeft uiteengedreven. Uiteengaan, gaat uiteen, ging uiteen, is uiteengegaan. Uiteengooien, gooide uiteen, heeft uit-eengegooid. Uiteengboeien, groeide uiteen, is uit-eengegroeid. Uiteenjagen, jaagde uiteen, heeft uiteengejaagd; ook joeg uiteen. Uiteenloopen, liep uiteen, is uiteen-geloopen. UiTEENDoopEND, -loopender, -loopendst. Uiteenbollen, rolde uiteen, heeft en is uiteengerold. Uiteenslaan, slaat uiteen, sloeg uiteen, heeft en is uiteengeslagen. Uiteensmijten, smeet uiteen, smeten uiteen, heeft uiteengesmeten. Uiteenspatten, spatte uiteen, is uiteengespat. |
Uiteenspbingen, sprong uiteen, is uit-eengesprongen. Uiteenstuiven, stoof uiteen, stoven uiteen, is uiteengestoven. üiteentbappen, trapte uiteen, heeft uit-eengetrapt. Uiteenvallen, viel uiteen, is uiteengevallen. Uiteenvliegen, vloog uiteen, vlogen uiteen, is uiteengevlogen. Uiteen werpen, wierp uiteen, heeft uit-eengeworpen. Uiteenzetten, zette uiteen, heeft uiteengezet. Uiteenzetting, V., -zettingen. Uiteggen, egde uit, heeft uitgeëgd. Uiteinde, O., -einden. Uiten, uitte, heeft geuit. Uitenten, entte uit, heeft uitgeënt. Uitenteben, enterde uit, heeft uitge-enterd. Uitenting, V., -entingen. Uitentbeuben (bjjw.). ulteblijk. Uiterlijk, o. Uiterlijkheid, V., -heden. uitermate. ultebst. ultebste, o. Uitebton, V., -tonnen. Uitebwaabd, V., -waarden. Uiteten, at uit, aten uit, heeft uitgegeten. Uiteteb, M., -eters. Uitetteben, etterde uit, is uitgeëtterd. Uitflappen, flapte uit, heeft uitge-flapt. Uitflappeb, M., -flappers. Uitfluiten, floot uit, floten uit, heeft uitgefloten. Uitfluiteb, M., -fluiters. Uitfluiting, V. Uitfbeezen, freesde uit, heeft uitge-freesd. ultfbeezlng, v. Uitgaaf en uitgave, V., -gaven. Uitgaafje, O., -jes. Uitgaan, gaat uit, ging uit, is uitgegaan. Uitgaand. Uitgaansdag, M., -dagen. Uitgaanskas, V., -kassen. Uitgalmen, galmde uit, heeft uitgegalmd. Uitgalming, V., -galmingen. Uitgang, M., -gangen. Uitgangetje, O., -jes. Uitgangspunt, O., -punten. Uitgave. Zie Uitgaaf. Uitgebbeid, -gebreider, -gebreidst. Uitgebbeidheid, V., -heden. Uitgediend. Uitgeefsteb, V., -geefsters. Uitgelaten, -gelatener, -gelatenst. |
UIT.
UIT.
405
|
Uitgelatenheid, V. Uitgeleefd. Uitgeleerd. Uitgeleide, O. Uitgelezen, -gelezener, -gelezenst. Uitgelezenheid, V. Uitgemaakt. Uitgenomen. Uitgestreken, -gestrekener, -gestre-kenst. Uitgestrekt, -gestrekter, -gestrektst. Uitgestrektheid, V., -heden. Uitgestudeerd. Uitgetogen (verl. deelw.). Uitgeven, gaf uit, gaven uit, heeft uitgegeven. Uitgever, M., -gevers. Uitgeversfirma, V., -firma's. Uitgeverszaak, V., zaken. Uitgewekene, M. en V., -gewekenen. Uitgewerkt, -gewerkter, -gewerktst. Uitgezocht, -gezochter, -gezochtst. Uitgezonderd. Uitgieben, gierde uit, heeft uitgegierd. Uitgieten, goot uit, goten uit, heeft uitgegoten. Uitgieting, V. Uitgifte en uitgift, V. Uitgillen, gilde uit, heeft uitgegild. Uitgilling (scheepsw.), V. Uitgisten, gistte uit, heeft en is uitgegist. Uitglijden, gleed uit, gleden uit, is uitgegleden. Uitglijding, V. UiTGLiNSTEREN, glinsterde uit, heeft uitgeglinsterd. Uitglippen, glipte uit, is uitgeglipt. Uitgooien, gooide uit, heeft uitgegooid. Uitgorden, gordde uit, heeft uitgegord. Uitgraven, groef uit, groeven uit, heeft uitgegraven. Uitgraving, V., -graviugen. Uitgroeien, groeide uit, is uitgegroeid. Uitgroeisel, O., -groeisels. Uitgroeven, groefde uit, heeft uitge-groefd. Uitgulpen, gulpte uit, heeft uitgegulpt. Uithaal, M., -halen. Uithaaltafel, V., -tafels. Uithaken, haakte uit, heeft uitgehaakt. Uithakken, hakte uit, heeft uitgehakt. Uithakking, V., -hakkingen. Uithaksel, O., -haksels. Uithalen, haalde uit, heeft uitgehaald. Uithaler, M., -halers. Uithaling, V., -halingen. Uitham, M.t -hammen. Uithangbord, O., -borden; -bordje, O., -jes. Uithangen, hing uit, heeft uitgehangen. ulthangteeken, o., -teekeus. Uithebben, heeft uit, had uit, hadden uit, heeft uitgehad. |
Uitheemsch. Uitheemschheid, V. Uithelpen, hielp uit, heeft uitgeholpen. Uithelper, M., -helpers. uithijsohen, heesch uit, heschen uit, heeft uitgeheschen. ulthijsching, V. Uithoek, M., -hoeken. Uithoekje, O., -jes. Uithoesten, hoestte uit, heeft uitgehoest. Uithollen, holde uit, hoeft uitgehold. Uithongeren, hongerde uit, heeft uitgehongerd. Uithongering, V. uithooren, hoorde uit, heeft uitgehoord. Uithooring, V. Uithoozen, hoosde uit, heeft uitge-hoosd. Uithouden, hield uit, heeft uitgehouden. Uithouder, M., -houders. Uithouwen, hieuw uit, heeft uitgehouwen. Uithuilen, huilde uit, heeft uitgehuild. Uithuizig, -huiziger, -huizigst. Uithuizigheid, V. Uithuwelijken, huwelykte uit, heeft uitgehuwelijkt. Uithuwelijking, V. Uithuwen, huwde uit, heeft uitgehuwd. uithuwing, V., -huwingen. Uitijzen, ysde uit, heeft uitgeysd. Uiting, V., uitingen. Uitjagen, jaagde uit, heeft en is uitgejaagd; ook joeg uit. ultjaging, V. Uitjammeren, jammerde uit, heeft uit-gejammerd. Uit janken, jankte uit, heeft uitgejankt. Uitjouwen, jouwde uit, heeft uitgejouwd. Uitjouwer, M., -jouwers. Uit jouwing, V., -jouwingen. Uitkaarden, kaardde uit, heeft uitge-kaard. Uitkaatsen, kaatste uit, heeft uitge-kaatst. Uitkaatser, M., -kaatsers. Uitkaatsing, V., -kaatsingen. Uitkakelen, kakelde uit, heeft uitge-kakeld. Uitkallen, kalde uit, heeft uitgekald. Uitkammen, kamde uit, heeft uitgekamd. uitkankeren, kankerde uit, is uitge-kankerd. uitkankering, V. Uitkappen, kapte uit, heeft uitgekapt. Uitkarnen, karnde uit, heeft uitgekamd. Uitkauwen, kauwde uit, heeft uitgekauwd. Uitkauwing, V. Uitkauwsel, o., -kauwsels. |
UIT.
406
UIT.
|
Uitkavelen, kavelde uit, heeft uitge-kaveld. Uitkeeben, keerde uit, heeft uitgekeerd. Uitkeebing, v., -keeringen. UlTKEEBlNGSFONDS, O., -fondsen. Uitkepen, keepte uit, heeft uitgekeept. Uitkebmen, kermde uit, heeft uitge-kermd. Uitkebven, korf uit, korven uit, heeft uitgekorven. Uitkiemen, kiemde uit, Is uitgekiemd. UlTKIEMING, V. Uitkiezen, koos uit, kozen uit, heeft uitgekozen. Uitkijk (uitzicht), M. Uitkykje,0., -jes. Uitkijk (uitkyker), M., -kijken. Uitkijken, keek uit, keken uit, heeft uitgekeken. Uitkijkeb, m., -kykera. Uitkippen, kipte uit, heeft uitgekipt. Uitklagen, klaagde uit, heeft uitge-klaagd. Uitklappen, klapte uit, heeft uitgeklapt. Uitklaben, klaarde uit, heeft uitgeklaard. Uitklabing, V., -klaringen. Uitkleeden, kleedde uit, heeft uitgekleed. UlTKLEEDING, V. Uitkleien, kleide uit, heeft uitgekleid. Uitkleiing, V., -kleiingen. Uitkleinzen, kleinsde uit, heeft uit-gekleinsd. Uitklimmen, klom uit, klommen uit, is uitgeklommen. Uitklinken, klonk uit, heeft uitgeklonken. Uitklinkeb, M., -klinkers. Uitkloppen,klopte uit, heeft uitgeklopt. Uitkloppeb, M., -kloppers. Uitknagen, knaagde uit, heeft uitge-knaagd. Uitknijpen, kneep uit, knepen uit, heeft en is uitgeknepen. Uitknippen, knipte uit, heeft uitgeknipt. Uitknipsel, O., -knipsels. Uitknoppen, knopte uit, is uitgeknopt. Uitkoken, kookte uit, heeft en is uitgekookt. Uitkomen, komt uit, kwam uit, kwamen uit, is uitgekomen. Uitkomst, V., -komsten, üitkomstje, O., -jes. UlTKOOKSEL, O., -kooksels. Uitkoop, M., -koopen. Uitkoopen, kocht uit, heeft uitgekocht. Uitkoteben, koterde uit, heeft uitge-koterd. Uitkotsen, kotste uit, heeft uitgekotst. Uitkbaaien, kraaide uit, heeft uitge-kraaid. Uitkbabben, krabde uit, heeft uitgekrabd. |
Uitkbamen, kraamde uit, heeftl uitgekraamd. Uitkbassen, kraste uit, heeft uitgekrast. Uitkbugen, kreeg uit, kregen uit, heeft uitgekregen. Uitkbijten, kreet uit, kreten uit, heeft uitgekreten. Uitkbuipen, kroop uit, kropen uit, is uitgekropen. Uitkbuipsel, O., -kruipsels. Uitkruip- seltye, O., -jes. Uitkuieben, kuierde uit, is uitgekuierd. Uitkunnen, kan uit, kunnen uit, konde of kon uit, gij kondt uit, konden uit, heeft uitgekund. Uitlachen, lachte uit, heeft uitgelachen. Uitlacheb, M., -lachers. Uitladen, laadde uit, heeft uitgeladen. Uitlading, V. Uitlandeb, M., -landers. ultlandig. ultlandigheid, V. ultlandsch. Uitlaten, liet uit, heeft uitgelaten. Uitlating, V., -latingen. ultlatingsteeken, o., -teekeus. uitleenen, leende uit, heeft uitgeleend. Uitleeneb, M., -leeneis. Uitleeben, leerde uit, heeft uitgeleerd. Uitleg, M. Uitleggen, legde uit en leide uit,heeft uitgelegd en uitgeleid. Uitleggeb (persoon), M., -leggers. Uitleggeb (wachtschip), M., -leggers. ultleggebshoofd, o. Uitlegging, V., -leggingen. Uitlegkunde, V. Uitlegkundig. Uitlegkundige, M., -kundigen. Uitlegsteb, V., -iGgStei'S. Uitleiden, leidde uit, heeft uitgeleid. Uitleiding, V. Uitlekken, lekte uit, is uitgelekt. Uitleppen, lepte uit, heeft uitgelept. Uitleven, leefde uit, heeft uitgeleefd. Uitleveben, leverde uit, heeft uitgeleverd. UitlevebIng, V., -leveringen. Uitlevebingstbactaat, O., -tractaten. Uitlezen (doorlezen en uitzoeken), las uit, lazen uit, heeft uitgelezen. Uitlichten, lichtte uit, heeft uitgelicht. Uitliggen, lag uit, lagen uit, heeft uit- Uitlikken, likte uit, heeft, uitgelikt. Uitlokkelijk, -lyker, -lykst. Uitlokken, lokte uit, heeft uitgelokt. Uitlokking, V., -lokkingen. Uitloksel, o., -loksels. Uitloodsen, loodste uit, heeft uitge-loodst. Uitloggen, loogde uit, heeft uitgeloogd. Uitloop, M., -loopen. |
UIT.
407
UIT.
|
Uitloopen, liep uit, is en heeft uitge-loopen. üitloopee, M., -loopers. Uitloopertje, O., -jes. Uitloopebij, V., -looperijen. ultloopsel, o., -loopsels u1tloop8teb, V., -loopsters. UiTLoozEN, loosde uit, heeft uitgeloosd. Uitloozing, V., -loozingen. Uitlossen, loste uit, heeft uitgelost. ultlossing, v. Uitloten, lootte uit, heeft uitgeloot. Uitloting, V., -lotingen. Uitloven, loofde uit, heeft uitgeloofd. Uitloving, V., -lovingen. Uitluchten, luchtte uit, heeft uitge-lucht. Uitluiden en uitluien, luidde en luide uit, heeft uitgeluid. Uitluiding, V. Uitmaken, maakte uit, heeft uitgemaakt. Uitmalen, maalde uit, heeft uitgemalen. Uitmaling, V., -malingen. Uitmelken, molk uit, heeft uitgemolken. Uitmelkee, M., -melkers. Uitmergelen, mergelde uit, heeft uit-gemergeld. Uitmergeling, V. Uitmeten, mat uit, maten uit, heeft uitgemeten. Uitmiddelpuntig. üitmiddelpuntigheid, V. Uitmoeten, moet uit, moest uit, heeft uitgemoeten. Uitmogen, mag uit, mogen uit, mocht uit. Uitmonding, V., -mondingen. Uitmonsteren, monsterde uit, heeft uitgemonsterd. Uitmonstering, V. Uitmoorden, moordde uit, heeft uitgemoord. Uitmunten, muntte uit, heeft uitgemunt. Uitmuntend, -muntender, -muntendst. Uitmuntendheid, V. Uitmunter, M., -munters. Uitnemen, nam uit, namen uit, heeft uitgenomen. Uitnemend, -nemender, -nemendst. Uitnemendheid, V. Uitnijpen, neep uit, nepen uit, heeft uitgenepen. Uitnooden, noodde uit, heeft uitgenood. Uitnoodtgen, noodigde uit, heeft uit-genoodigd. Uitnoodiger, M., -noodigers. Uitnoodiging, V., -noodigingeu. Uitoefenen, oefende uit, heeft uitgeoefend. Uitoefening, V. Uitpakken, pakte uit, heeft uitgepakt. |
Uitpakker, M., -pakkers. Uitpakking, V. Uitpalmen, palmde uit, heeft uitge-palmd. Uitpellen, pelde uit, heeft uitgepeld. Uitpennen, pende uit, heeft uitgepend. Uitpersen, perste uit, heeft uitgeperst. Uitpersing, V., -persingen. Uitpeuteren, peuterde uit, heeft uit-gepeuterd. Uitpeuzelen, peuzelde uit, heeft uit-gepeuzeld. Uitpikken, pikte uit, heeft uitgepikt. Uitploegen, ploegde uit, heeft uitge-ploegd. Uitpluizen, ploos uit, plozen uit, heeft uitgeplozen. Uitpluizer, M., -pluizers. Uitpluizing, V., -pluizingen. Uitplukken, plukte uit, heeft uitgeplukt. Uitplunderen, plunderde uit, heeft uitgeplunderd. Uitplundering, V. Uitpoepen, poepte uit, heeft uitgepoept. Uitpoetsen, poetste uit, heeft uitge-poetst. Uitpoken, pookte uit, heeft uitgepookt. Uitpompen, pompte uit, heeft uitge-pompt. Uitpooien, pooide uit, heeft uitgepooid. Uitpoten, pootte uit, heeft uitgepoot. Uitpraten, praatte uit, heeft en is uitgepraat. Uitproesten, proestte uit, heeft uitgeproest. Uitpuilen, puilde uit, heeft en is uitgepuild. Uitpuiling, V., -puilingen. Uitputten, putte uit, heeft uitgeput. Uitputting, V. Uitrafelen, rafelde uit, heeft en is uitgerafeld. ultrafelïng, V. Uitraken, raakte uit, is uitgeraakt. Uitrammelen, rammelde uit, heeft uitgerammeld. Uitrazen, raasde uit, heeft uitgeraasd. Uitredden, redde uit, heeft uitgered. Uitredder, M., -redders. Uitredding, V., -reddingen. Uitreeden, reedde uit, heeft uitgereed. Uitreeder, M., -reeders. Uitreeding, V., -reedingen. Uitregenen, regende uit, heeft en is uitgeregend. Uitreiken, reikte uit, heeft uitgereikt. Uitreiker, M., -reikers. Uitreiking, V., -reikingen. Uitreis, V., -reizen. Uitreizen, reisde uit, is uitgereisd. Uitrekenen, rekende uit, heeft uitgerekend. Uitrekening, V., -rekeningen. |
UIT.
UIT.
408
|
Uitbekken, rekte uit, heeft en is uitgerekt. Uitbekking, V., -rekkingen. Uitrennen, rende uit, is uitgerend. Uitrichten, richtte uit, heeft uitgericht. Uitrijden, reed uit, reden uit, is en heeft uitgereden. Uitrijzen, rees uit, rezen uit, is uitgerezen. Uitroeien (verdelgen), roeide uit, heeft uitgeroeid. Uitroeien (met een vaartuig), roeide uit, is en heeft uitgeroeid. Uitroeier, M., -roeiers. Uitroeiing, V. Uitroep, M., -roepen. Uitroepen, riep uit, heeft uitgeroepen. Uitroeper, M., -roepers. Uitroeping, V., -roepingen. Uitroepingsteeken, O., -teekens. Uitroepteeken, O., -teekens. Uitrollen, rolde uit, heeft en is uitgerold. UiTRONKEN, ronkte uit, heeft uitge-ronkt. UiTRooKEN, rookte uit, heeft uitgerookt. UiTROTTEN, rotte uit, is uitgerot. Uitrukken, rukte uit, heeft en is uitgerukt. Uitrukking, V. Uitrusten (z^jne rust nemen), rustte uit, heeft en is uitgerust. Uitrusten (van 't noodige voorzien), rustte uit, heeft uitgerust. Uitrusting, V., -rustingen. Uitschampen, schampte uit, is uitge-schampt. Uitschateren, schaterde uit, heeft en is uitgeschaterd. Uitsckaven, schaafde uit, heeft uitgeschaafd. Uitscheiden, scheidde uit, is uitgescheiden. Uitschelden, schold uit, heeft uitgescholden. Uitschenken, schonk uit, heeft uitgeschonken. Uitscheppen, schepte uit, heeft uitgeschept. Uitschepping, V. Uitscheren, schoor uit, schoren uit, heeft uitgeschoren. Uitschetteren, schetterde uit, heeft uitgeschetterd. Uitscheuren, scheurde uit, heeft en is uitgescheurd. Uitschieten, schoot uit, schoten uit, heeft en is uitgeschoten. Uitschiften, schiftte uit, heeft uitgeschift. Uitschijnen, scheen uit, schenen uit, heeft uitgeschenen. |
Uitschijnsel, o., -schijnsels. Uitschilderen, schilderde uit, heeft uitgeschilderd. Uitschitteren, schitterde uit, heeft uitgeschitterd. Uitschoppen, schopte uit, heeft uitgeschopt. Uitschot, O., -schotten. Uitschotje, O., -jes. Uitschraapsel, o., -schraapsels. Uitschrabren, schrabde uit, heeft uit-geschrabd. Uitschrabbing, V., -schrabbingen. Uitschp.ab8el, o., -schrabsels. Uitschrapen, schraapte uit, heeft uit-geschraapt. Uitschrappen, schrapte uit, heeft uitgeschrapt. Uitschrapping, V., -schrappingen. Uitschrapsel, O., -schrapsels. Uitschreeuwen, schreeuwde uit, heeft uitgeschreeuwd. Uitschreien, schreide uit, heeft uitgeschreid. Uitschrijven, schreef uit, schreven uit, heeft uitgeschreven. Uitschrijver, M., -schryvers. Uitschrijving, v., -schrijvingen. UiTscHROBBEN, schrobde uit, heeft uit-geschrobd. Uitschudden, schudde uit, heeft uitgeschud. Uitschudding, v. UtTscHuiEREN, schuierde uit, heeft uit-geschuierd. Uitschuiven, schoof uit, schoven uit, heeft en is uitgeschoven. Uitschuiving, v. Uitschuld, v., -schulden. Uitschulpen, schulpte uit, heeft uitge-schulpt. Uïtschulping, v., -schulpingen. Uitschutten, schutte uit, heeft uitgeschut. UiTsupELEN, sijpelde uit, heeft en is uitgesypeld. Uitslaan, slaat uit, sloeg uit, heeft en is uitgeslagen. Uitslag, M. Uitslapen, sliep uit, heeft en is uitgeslapen. Uitslijpen, sleep uit, slepen uit, heeft uitgeslepen. Uitslijten, sleet uit, sleten uit, heeft en is uitgesleten. uitsluter, m., -slijters. Uitslijting, v. UiTSLOBBEREN, slobberde uit, heeft uit-geslobberd. Uitsloopen, sloopte uit, heeft uitge-sloopt. uitslorpen en uitslurpen, slorpte (slurpte) uit, heeft uitgeslorpt (uitge-slurpt). |
UIT.
409
UIT.
|
Uitsloven (zich â), sloofde zich uit, ft uit- heeft zich uitgesloofd. Uitsluipen, sloop uit, slopen uit, is )ft uit- uitgeslepen. Uitsluiten, sloot uit, sloten uit, heeft uitge- uitgesloten. Uitsluitend. â¢je, O., Uitsluiting, V. Uitsluitsel, O. Uitslurpen. Zie Uitslorpen. 't uit- uitsmeden, smeedde uit, heeft uitge-smeed. Uitsmelten, smolt uit, heeft uitgesmol-ten. t uit- Uitsmelting, v. Uitsmijten, smeet uit, smeten uit, heeft b uit- uitgesmeten. Uitsnappen, snapte uit, heeft uitge-snapt. Uitsnellen, snelde uit, is uitgesneld, heeft Uitsnijden, sneed uit, sneden uit, heeft en is uitgesneden. itge- Uitsnijding, v., -snijdingen. Uitsnijdsel, O., -snijdsels. i uit, Uitsnorken, snorkte uit, heeft uitge-snorkt. Uitsnuiten, snoot uit, snoten uit,heeft uitgesnoten. uit- Uitsnuiven, snoof uit, snoven uit, heeft en is uitgesnoven. itge- Uitsoppen, sopte uit, heeft uitgesopt. Uitspanen, spaande uit, heeft uitge-spaand. uit- Uitspannen, spande uit, heeft uitgespannen. uit. Uitspanning, V., -spanningen. Uitspan-ninkje, O., -jes. Uitspanningsplaats, V., -plaatsen. Uitspansel, O. tge- Uitsparen, spaarde uit, heeft uitgespaard. Uitsparing, V., -sparingen. ;ge- Uitspatten, spatte uit, heeft en is uitgespat. is Uitspatting, V., -spattingen. Uitspelen, speelde uit, heeft uitge-en speeld. Uitspellen, spelde uit, heeft uitgespeld. ge- Uitspinnen, spon uit, sponnen uit, heeft en is uitgesponnen, eft Uitspitten, spitte uit, heeft uitgespit. Uitspoelen, spoelde uit, heeft en is 3ft uitgespoeld. Uitspoeling, v., -spoelingen. ultspoelsel, o., -spoelsels. Uitspoken, spookte uit, heeft uitge-it- spookt. Uitsporig, -sponger, -sporigst. e- Uitsporighetd, v., -heden. Uitspraak, V., -spraken, te Uitspreiden, spreidde uit, heeft, uitge-e- spreid. Uitspreiding, V. |
Uitspreken, sprak uit, spraken uitr heeft uitgesproken. Uitspringen, sprong uit, heeft en is uitgesprongen. Uitspruiten, sproot uit, sproten uit,, is uitgesproten. Uitspruit ing, V. Uitspruitsel, o., -spruitsels. Uitspugen, spoog uit, spogen uit, heeft uitgespogen. Uitspuien, spuide uit, heeft uitgespuid. Uitspuiing, V., -spuiingen. Uitspuiten, spoot uit, spoten uit, heeft uitgespoten. Uitspuwen, spuwde uit, heeft uitgespuwd. Uitspuwing, V. Uitspuwsel, O., -spuwsels. Uitstaan, staat uit, stond uit, heeft uitgestaan. Uitstallen, stalde uit, heeft uitgestald. Uitstalling, V., -stallingen. Uitstamelen, stamelde uit, heeft uitgestameld. Uitstampen, stampte uit, heeft uitge-stampt. ultstamping, v. Uitstap, M., -stappen. Uitstapje, O., -jes. Uitstappen, stapte uit, is uitgestapt. Uitsteeksel, O., -steeksels. Uitstek, O., -stekken. Uitstekje, O., -jes. Uitsteken, stak uit, staken uit, heeft uitgestoken. Uitstekend, -stekender, -stekendst. Uitstekendheid, V. Uitstel, O. Uitstellen, stelde uit, heeft uitgesteld. Uitsterven, stierf uit, stierven uit, is uitgestorven. Uitsterving, V. Uitstoelen, stoelde uit, heeft uitgestoeid. Uitstoffen, stofte uit, heeft uitgestoft. Uitstooten, stiet uit, heeft uitgestoo-ten; ook stootte uit. Uitstooting, v. Uitstorten, stortte uit, heeft uitgestort. Uitstorting, V., -stortingen. Uitstoven, stoofde uit, heeft en is uit-gestoofd. Uitstralen, straalde uit, heeft en is uitgestraald. Uitstraling, V. Uitstralingsvermogen, o. Uitstrekken, strekte uit, heeft uitgestrekt. Uitstrekking, V. uitstrepen, streepte uit, heeft uitge-streept. Uitstrijken, streek uit, streken uit, heeft uitgestreken. Uitstrijker, M,, -strikers. Uitstrooien, strooide uit, heeft uitgestrooid. |
UIT.
410
UIT.
|
XJiTSTBooiEE, M., -strooiers. ultstbooiing, V. Uitstrooisel, O., -strooisels. Uitstkooisteb, V., -strooistors. Uitstboomen, stroomde uit, heeft en is uitgestroomd. üitstbooming, V. Uitstboopen, stroopte uit, heeft uitge-stroopt. Uitstudeeben, studeerde uit, heeft en is uitgestudeerd. Uitstuiven, stoof uit, stoven uit, is uitgeste ven. uitstuben, stuurde uit, heeft uitgestuurd. Uitsullen, sulde uit, is uitgesuld. Uittakelen, takelde uit, heeft uitge-takeld. Uittanden, tandde uit, heeft uitgetand. Uittanding, V., -tandingen. Uittappen, tapte uit, heeft uitgetapt. Uittabten, tartte uit, heeft uitgetart. Uittabting, V., -tartingen. Uitteekenen, teokonde uit, heeft uit-geteekend. Uitteezen, teesde uit, heeft uitgeteesd. Uittellen, telde uit, heeft uitgeteld. Uitteben, teerde uit, heeft en is uitgeteerd. ulttebing, v. Uittieben, tierde uit, heeft uitgetierd. Uittocht, M., -tochten, Uittoeten, toette uit, heeft uitgetoet. Uittbappen, trapte uit, heeft uitgetrapt. Uittbeden, trad uit, traden uit, heeft en is uitgetreden. Uittrekken, trok uit, trokken uit, heeft en is uitgetrokken. ulttbekking, V. Uittbeksel, o., -treksels. Uittrekseltje, O., -jes. ulttbektafel, v., -tafels. Uittbommelen, trommelde uit, heeft uitgetrommeld. Uittbompetten, trompette uit, heeft uitgetrompet. Uittbouwen, trouwde uit, heeft uitge- -Strouwd. Uitvaagsel, O., -vaagsels. Uitvaabdigen, vaardigde uit, heeft uitgevaardigd. ultvaabdiging, V. Uit va abt, V., -vaarten. Uitval, M., -vallen. Uitvallen, viel uit, is uitgevallen. Uïtvalpoobt, V., -poorten. Uitvaben, voer uit, is en heeft uitgevaren. Uitvasten, vastte uit, heeft uitgevast. Uitveegsel, o., -veegsels. Uitvegen, veegde uit, heeft uitgeveegd. Uitveilen (verkoopen), veilde uit, heeft uitgeveild. Uit veiling, V. |
Uitvenen, veende uit, heeft uitgeveend. Uitvening, V., -veningen. Uitventen, ventte uit, heeft uitgevent. Uitventeb, M., -venters. Uitventing, V. ultvebkiezing, v. ultvebkoop, M. Uitvebkoopen, verkocht uit, heeft uitverkocht. Uitvebkoopeb, M., -verkoopers. ultvebkoben (bnW.). Uitvebkobene, M. en V., -verkorenen. Uitvebtellen, vertelde uit, heeft uitverteld. Uitvebzoeken, verzocht uit, heeft uit-verzocht. Uitveteben, veterde uit, heeft uitge-veterd. Uitvetebing, V., -veteringen. Uitvezelen, vezelde uit, is uitgevezeld. Uitvieben, vierde uit, heeft uitgevierd. UïTVIEBING, V. Uitvijlen (met eene vyl), vjjlde uit, heeft uitgevyld. ultvijling, v. Uitvinden, vond uit, heeft uitgevonden. Uitvindeb, M., -vinders. Uitvinding, V., -vindingen. Uitvindsel, O., -vindsels en-vindselen. Uitvindsteb, V., -vindsters. Uitvisschen, vischte uit, heeft uitge-vischt. Uitvlakken, vlakte uit, heeft uitgevlakt. Uitvliegen, vloog uit, vlogen uit, is uitgevlogen. Uitvliegeb, M., -vliegers. Uitvloeien, vloeide uit, is uitgevloeid. Uitvloeiing, V. Uitvloeisel, O., -vloeisels en - vloeiselen. Uitvloeken, vloekte uit, heeft uitgevloekt. Uitvlucht, V., -vluchten. Uitvluchtje, O., -jes. Uitvoeb, M., -voeren. uitvoebabtikel, o., -artikelen. Uitvoebbaab, -bare. Uitvoebbaabheid, V. Uitvoebdeb, M., -voerders. Uitvoeben, voerde uit, heeft uitgevoerd. Uitvoebhandel, M. Uitvoebig, -voeriger, -voerigst. Uitvoebigheid, V. Uitvoering, V., -voeringen. ultvoeblijk. ultvoeblijkheid, v. Uitvoebbecht, o., -rechten. Uitvoebsteb, V., -voorsters. Uitvobschen, vorschte uit, heeft uitgevers cht. Uitvobsching, V. Uitvouwen, vouwde uit, heeft uitgevouwen. Uitvbaagsteb, V., -vraagsters. |
UIT.
411
UIT.
|
Uitvragen, vraagde uit, heeft uitgevraagd; ook vroeg uit. Uitvrager, M., -vragers. Uitvraging, V., -vragingen. Uitvreten, vrat uit, vraten uit, heeft uitgevreten. Uitvreting, v. Uit vriezen, vroor uit, vroren uit, heeft en is uitgevroren. Uitwaaien, waaide uit, heeft en is uitgewaaid; ook woei uit, woeien uit. ultwaarts. Uitwaren, waakte uit, heeft en is uit-gewaakt. Uitwandelen, wandelde uit, heeft en is uitgewandeld. Uit wannen, wande uit, heeft uitge-wand. Uitwas, O., -wassen. Uitwasje, O., -jes. Uitwasemen, wasemde uit, heeft uitgewasemd. Uitwaseming, V., -wasemingen. Uitwasschen, wiesch uit, wieschen uit, heeft uitgewasschen. Uitwassching, V., -wasschingen. Uitwassen, wies uit, wiesen uit, is uitgewassen. Uitwateren, waterde uit, heeft en is uitgewaterd. Uitwatering, V., -wateringen. Uitwateringskanaal, o., -kanalen. Uitwateringssluis, V., -sluizen. Uïtweeken, weekte uit, heeft en is uit-geweekt. Uitweeking, V., -weekingen. Uitweenen, weende uit, heeft uitgeweend. Uitweg, M., -wegen. Uitwegje, O., -jes. Uitwegen, woog uit, wogen uit, heeft uitgewogen. Uitweiden, weidde uit, heeft uitgeweid. Uitweiding, V., -weidingen. Uitwendig. Uitwerken, werkte uit, heeft uitgewerkt. Uitwerker, M., -werkers. Uitwerking, V., -werkingen. Uitwerksel,o., -werksels en -werkselen. Uitwerpen, wierp uit, heeft uitgeworpen. Uitwerping, V. Uitwerpsel, O., -werpsels en -werp-selen. Uitwieden, wiedde uit, heeft uitgewied. Uitwijkeling, M. en V., -wijkelingen. V. ook -wykelinge. Uitwijken, week uit, weken uit, is uitgeweken. Uitwijking, V. Uitwijzen, wees uit, wezen uit, heeft uitgewezen. Uitwijzing, V. Uitwinden, wond uit, heeft uitgewonden. |
Uitwinnen, won uit, wonnen uit, heeft uitgewonnen. Uitwinning, V., -winningen. Uitwippen, wipte uit, heeft en is uitgewipt. Uitwisschen, wischte uit, heeft uitge-wischt. ultwissching, V. Uitwisselen, wisselde uit, heeft uitgewisseld. Uitwisseling, V., -wisselingen. Uitwoeden, woedde uit, heeft uitgewoed. Uitwoekeren, woekerde uit, heeft uit-gewoekerd. Uitwonen, woonde uit, heeft uitgewoond. Uitwrijven, wreef uit, wreven uit, heeft uitgewreven. Uitwringen, wrong uit, heeft uitgewrongen. Uitzaaien, zaaide uit, heeft uitgezaaid. Uitzaaiing, v Uitzagen, zaagde uit, heeft uitgezaagd. Uitzakken, zakte uit, is uitgezakt. Uitzakking, V., -zakkingen. Uitzeemen, zeemde uit, heeft uitge-zeemd. Uitzeilen, zeilde uit, heeft en is uitgezeild. ultzeiling, V. Uitzenden, zond uit, heeft uitgezonden. Uitzending, V., -zendingen. Uitzet, O., -zetten. Uitzetje, O., -jes. Uitzetijzer , O., -jjzers. Uitzetten, zette uit, heeft en is uitgezet. Uitzetting, V., -zettingen. Uitzettingscoëfficiënt, M., -coëfficiënten. Uitzettingsdecreet, o., -decreten. Uitzicht, O., -zichten. Uitzieden, zood uit, zoden uit, heeft uitgezoden. Uitzieken, ziekte uit, heeft en is uitgeziekt. i Uitzien, zag uit, zagen uit, heeft uitgezien. i Uitziften, ziftte uit, heeft uitgezift. j ultzifter, m., -zifters. | ultzifting, V. ; UiTzuGEN, zeeg uit, zegen uit, heeften is uitgezogen. ; Uitzingen, zong uit, heeft uitgezongen. Uitzinnig, -zinniger, -zinnigst. ! Uitzinnigheid, V. ! Uitzitten, zat uit, zaten uit, heeft uitgezeten. ; Uitzoeken, zocht uit, heeft uitgezocht. ! Uitzoeking, V., -zoekingen. j Uitzonderen, zonderde uit, heeft uitgezonderd. ! Uitzondering, V., -zonderingen. |
UNI.
:UIT
412
|
Uitzuigen, zoog uit, zogen uit, heeft uitgezogen. Uitzuiger, M., -zuigers. Uitzuiging, V. Uitzuigsteb, quot;V., -zuigsters. Uitzuinigen, zuinigde uit, heeft uitge-. zuinigd. Uitzuiniging, V., -zuinigingen. Uitzuipen, zoop uit, zopen uit, heeft uitgezopen. Uitzuren, zuurde uit, heeft en is uit-gezuurd. Uitzwavelen, zwavelde uit, heeft uit- gezwaveld. uitzweepen, zweepte uit, heeft uitge-zweept. Uitzweeten, zweette uit, heeft uitgezweet. Uitzwemmen, zwom uit, zwommen uit, is en heeft uitgezwommen. Uitzweren, zwoor uit, zworen uit, heeft en is uitgezworen. Ukaze, V., ukazen. Ulaan, M., ulanen. Ulevel, V., ulevellen. Ulevelletje, O., -jes. Ulevellepapiertje, O., -jes. Ulster, M., ulsters. Ultimatum, O., ultimatums. Ultra, M., ultra's. Ultramarijn, O. Ultramontaan, M., ultramontanen. Ultramontaansch. Unaniem, unanieme. Unanimiteit, V. Unie, V., unies. Uniek, unieke. Uniform, V., uniformen. Uniformpet, V., -petten. V. V., v's. Vaag, V. Vaag, vager, vaagst. Vaagheid, V. Vaak, M. Vaak, vaker, vaakst. Vaal, valer, vaalst. Vaalbont. Vaalbruin. Vaalgeel, -gele. Vaalgroen. Vaalheid, V. Vaalt, V., vaalten. Vaam (vadem, als houtmaat), M., vamen. Vaamhout, o. Vaan, V., vanen. Vaantje, O., -jes. Vaandel, o., vaandels en vaandelen. Vaandeldrager, M., -dragers. Vaandrig, m., vaandrigs. Vaandrigsplaats, V., -plaatsen. |
Universeel, universeele. Universiteit, V., universiteiten. Universiteitsbibliotheek, V., -bibliotheken. Universiteitsfonds, o., -fondsen. Univebpiteitsgebouw, ö., -gebouwen. Unjer (plant), V. Unster, V., unsters. Unstertje, O., -jes. Ure. Zie Uur. Urgent, urgenter, urgentst. Urgentïe, V. Urine, V. Urineeren, urineerde, heeft geiirineerd. Urinoir, O., urinoirs. Urmen, urmde, heeft geürmd. Urne en ubn, V., urnen. Ubantie en usance, V., usantiën, usan- ties en usances. Uso, O. Usubpatie, V., usurpatiën en usurpaties. Usubpeerbn, usurpeerde, heeft geüsurpeerd. Utiliseeren, utiliseerde, heeft geütili- seerd. Utiliteitsbeginsel, o. Utopie, V., utopieën. Uur, O., en ure, V., uren. Uurtje, O., -jes. Uuraanwijzer, M., -aanwyzers. Uurbord, O., -borden. Uurglas, O., -glazen. Uurwerk, O., -werken. Uurwerkmaker, M.. -makers. Uurwijzer, M., -wijzers. Uw. Uwent. (Te â). Uwenthalve. Uwentwege. Uwentwil. (Om â). V. Vaanstaart, M., -staarten. Vaaraal, M., -alen. Vaarbaar, -bare. Vaardig, vaardiger, vaardigst. Vaardigheid, V. Vaardiglijk. Vaargeul, V., -geulen. Vaarkoe, V., -koeien; -koetje, O., -jes. Vaars, V., vaarzen. Vaarsje, O., -jes. Vaarschroef. V., -schroeven. Vaart, V., vaarten. Vaartje, O., -jes. Vaartuig, O., -tuigen; -tuigje, O., -jes. Vaarwater, O., -waters en -wateren. Vaarwel, O. Vaarwelzeggen, zeide vaarwel, heeft vaarwelgezegd en -gezeid. Vaas, V., vazen. Vaasje, O., -jes. Vaatdoek, M., -doeken; -doekje, O.,-jes. Vaatgeld, O. Vaatgestel O., -gestellen. vaathi Vaatji Vaatsc Vaatsc Vaatw Vaatw Vac an: Vac an: Vac an: Vac an' vacan Vacatj Vac at: Vacati en v Vaccii Vaccii Vacciï Vacciï cine' Vacee Vacht Vadem Vadea Vadem Vader O., -Vadeb Vadeb Vadei Vadeb Vadeb Vadei Vadeb Vadei Vadei Vadeb O., â Vadei Vadei Vadei Vadei Vadei Vadei Vade] Vadsi Vadsi Vagei Vage-Vak, Vake] Vakgi Vakli Vaksc Vaksi Vakv] Val O., Val O., Val ( Val a: Valbi Valb: |
VAA.
413
YAL.
|
Vaathout, O. Vaatje. Zie Vat. Vaatsch. Vaatschheid, V. Vaatwateb, O. Vaatwerk, O. Vacant. Vacantie, V., vacantiën en vacanties. Vacantiedag, m., -dagen. Vacantietijd. M. Vacantiewebk, O. Vacatie, V., vacatiën en vacaties. Vacatiegelden (mv.), O. Vacatuüb en vacatube, V., vacaturen en vacatures. Vaccinatie, V. Vaccinatiebewijs, o., -bewyzen. Vaccine, V. Vaccineeben, vaccineerde, heeft gevaccineerd. Vaceeben, vaceerde, heeft gevaceerd. Vacht, V., vachten. Vachtje, O., -jes. Vadem, M., vademen. (Verg. Vaam). Vademecum, o., vademecums. Vademen, vademde, heeft gevademd. Vadeb, M., vaders en vaderen. Vadertje, O., -jes. Vadebachtig. Vadebland, O. Vadeblandeb, M., -landers. Vadeblandlievend. Vadeblandmïnnend. Vadeblandsch. v adeblandschgezind. Vadeblandsliefde, V. Vadeblief (lieve vader). Vadeblief (slaapmuts), M., -liefs; -liefje, O., -jes. Vadebluk, -lyker, -lykst. Vadebloos, -looze. Vadebmoobd, M. Vadebmoobdeb, M., -moorders. Vadebschap, O. Vadebstad, V. Vadebvbeugde, V. Vadsig, vadsiger, vadsigst. Vadsigheid, V. Vagebond, M., vagebonden. vagevuub, o. Vak, o., vakken. Vakje, o., -jes. Vakebig, vakeriger, vakerigst. Vakgenoot, M. en V., -genooten. Vakleebling, M. en V., -leerlingen. Vakschool, V., -scholen. Vakstudie, V. Vakvebeeniging, V., -vereenigingen. Val (het vallen), M., vallen. Valletje, O., -jes. Val (vangknip), V., vallen. Valletje, O., -jes. Val (talie, lyn), o., vallen. Valabel. Valbijl, V., -byien. Valblok, o., -blokken en -bloks. |
Valbbug, V., -bruggen. Valdeub, V., -deuren. Valebiaan, V. Valebiaanzuub, o. Valgobdijn, O., -gordjjnen. Valhoed, M., -hoeden; -hoedje, O.,-jes. Valideeben, valideerde, heeft gevalideerd. Validiteit, V. Valies, O., valiezen. Valiesje, O., -jes. Valk, m., valken. Valkje, O., -jes. Valkenei, O., -eieren. Valkenieb, M., valkenieren en valkeniers. Valkeniebshandschoen, M.,-handschoenen. Valkeniebstasch, V., -tasschen. Valkenjacht, V., -jachten. Valkenoog, O., -oogen. Valkenvlucht, V. Valkebij, V. Valkeveeb, V., -veeren. Valkbuid, O. Vallei, V., valleien. Valleitje, o., -jes. Vallen, viel, is gevallen. Vallicht, o., -lichten. Valling, V. Valluik, O., -luiken; -luikje, O., -jes. Valmdub, M., -muren. Valnet, o., -netten. Valpoobt, V., -poorten. Valbeep, M., -reepen. Va- beepsbobd, O., -borden. Valbeepsgast, M., -gasten. Valbeepsklamp, M., -klampen. Valbeepsknoop, M., -knoopen. Valbeepstbap, V. Valsch, valscher, meest valsch. Valschaabd, M., valschaards. Valschelijk. Valschebm, o., -schermen. Valschheid. V., -heden. Valschut, O., -schutten. Valstbik, M., -strikken; -strikje, O., -jes. Valwind, M., -winden. Vampieb, M., vampiers. Van. Van (geslachtsnaam), M., vannen. Vandaag. Vandaal, M., Vandalen. Vandaan. Vandaab. Vandalisme, o. Vandehandsch en vandebhandsch (bnw.). Vaneen. Vaneenbabsten, barstte vaneen, is van-eengebarsten; ook Dorst vaneen, is vaneengeborsten. Vaneenbebsten. Zie Vaneenbarsten. Vaneenbijten, reet vaneen, reten vaneen, heeft vaneengereten. Vaneenbukken, rukte vaneen, heeft vaneengerukt. |
VAN.
VAR.
414
|
Vaneenscheiden, scheidde vaneeiijiieeft en is vaneengescheiden. Vaneenscheuken, scheurde vaneen, heeft en is vaneengescheurd. Vaneensplijten, spleet vaneen, spleten vaneen, heeft en is vaneengespleten. Vaneenspringen, sprong vaneen, is van- eengesprongen. Vang, V., vangen. Vangarm, M., -armen. Vangband, M., -banden. Vangboom, M., -boomen. Vangbord, o., -borden. Vangdam, M., -dammen. Vangdraad, M., -draden. Vangen, ving, heeft gevangen. Vanger, M., vangers. Vangertje, o., -jes. Vanghaak, M., -haken. Vangijzer, O., -yzers. Vanglijn, V., -lynen. Vangrad, O., -raderen. Vangst, V., vangsten. Vangstje, o.,-jes. Vangster, V., vangsters. Vangstok, M., -stokken. Vangtouw, O., -touwen. Vangwater, O. Vangwiel, o., -wielen. Vanhier. Vanielje, V. Vanieljeboom, M., -boomen. Vanielje-ijs, O. Vanieljelikeur, V. Vanieljestokje, O., -jes. Vannieuws. Vanouds. Vanwaar. Vanwege. Vanzelf en vanzelve. Var, M., varren. Varen, v., varens. Varen, voer, heeft en is gevaren. Vareneed, O., -bedden; -bedje, O., -jes. Varenkussen, o., -kussens; -kussentje, O., -jes. Varensgezel, M., -gezellen. Varensman, M., -lieden en -lui. Varenstijd, M. Varensvolk, o. Variant, V., varianten. Variatie, V., variaties en variatiën. Varieeren, varieerde, heeft gevarieerd. Variëteit, V,, variëteiten. Varinas, V. Varken, o., varkens. Varkentje, o.,-jes. Varkenachtig, -achtiger, -achtigst. Varkenen, varken de, heeft gevarkend. Varkensblaas, V., -blazen. Varkensborstel, m., -borstels. Varkensbrood, o. Varkensdarm, M., -darmen. Varkensdistel, V., -distels. Varkensdrap, M. Varkensdrijver, M., -drivers. |
Varkensfokker, M., -fokkers. Varkensfokkerij, V., -fokkerijen. Varkensgras, O. Varkenshaar, O. Varkenshok, o., -hokken. Varkenshoofd, O., -hoofden. Varkenshuid, V., -huiden. Varkenskarbonade, V., -karbonaden. Varkenskers, V. Varkensklaver, V. Varkenskluifje, O , -kluifjes.. Varkenskooper, M., -koopers. Varkenskop, M., -koppen. Varkenskost, M. Varkenskot, o., -kotten. Varkenskrap, V., -krappen; -krapje, o.,, -jes. Varkensleder en -leer, O. Varkenslever, V., -levers. Varkensmaag, V., -magen. Varkensmarkt, V., -markten. Varkensmest, M. Varkensnier, V., -nieren. Varkensoog, O., -oogen. Varkensoor, 0., -ooren. Varkenspoot, M., -pooten. Varkensreuzel, V. Varkensrib, V., -ribben; -ribje en -ribbetje, O., -jes. Varkensrug, M., -ruggen. Varkensschijf, V., -schyven; -schyfje, O., -jes. Varkensschot, o., -schotten. Varkensslachter, M., -slachters. Varkenssi.ager, M., -slagers. Varkenssnuit, M., -snuiten. Varkensspek, O. Varkensspoeling, V. Varkensstaart, M., -staarten. Varkensstal, M., -stallen. Varkenstrog, M., -troggen. Varkensvet, O. Varkensvleesch, O. Varkensvoer, O. Varkensworst, V., -worsten. Varkensziekte, V. Varkenszwoord, o. Varschebalie. Zie Verschebalie. Vast, vaster, vastst. Vast (bijw.). Vastbakken, bakte vast, is vastgebakken. Vastberaden, -beradener, -beradenst. Vastberadenheid, V. Vastbinden, bond vast, heeft vastgebonden. Vastblijven, bleef vast, bleven vast, is vastgebleven Vastboeien, boeide vast, heeft vastge-boeid. Vastdraaien, draaide vast, heeft vastgedraaid. Vastdrukken, drukte vast, heeft vastgedrukt. |
VAS.
415
VAS.
|
Vasteland, o. Vabtelandsklimaat, O. Vastelijk. Vasten, V. Vasten, vastte, heeft gevast. Vastenavond, M., -avonden. Vastenavondgek, M., -gekken. Vastenavondvreugd, V. Vastendag (dag van kerkelijke vasten), M., -dagen. Vastentijd, M. Vastgespen, gespte vast, heeft vast. gegespt. Vastgbijpen, greep vast, grepen vast, heeft vastgegrepen. Vastgroeien, groeide vast, Is vastgegroeid. Vasthaken, haakte vast, heeft vastgehaakt. Vasthebben, heeft vast, had vast, hadden vast, heeft vastgehad. Vasthechten, hechtte vast, heeft vastgehecht. Vastheid, V. Vasthouden, hield vast, heeft vastgehouden. Vasthoudend, -hondender, -houdendst. Vasthoudendheid, V. Vastigheid, V., -heden. Vastkeggen, kegde vast, heeft vastge-kegd. Vastketenen, ketende vast, heeft vastgeketend. Vastklampen, klampte vast, heeft vastgeklampt. Vastklemmen, klemde vast, heeft vastgeklemd. Vastkleven, kleefde vast, is vastgekleefd. Vastklinken, klonk vast, heeft vastgeklonken. Vastkloppen, klopte vast, heeft vast-geklopt. Vastkluisteren, kluisterde vast, heeft vastgeklulsterd. Vastknoopen, knoopte vast, heeft vastgeknoopt. Vastkoppelen, koppelde vast, heeft vastgekoppeld. Vastkrüien, krooi vast, krooien vast, is vastgekrooien; ook kruide vast, Is vastgekruid. Vastlakken, lakte vast, heeft vastge-lakt. Vastleggen, legde vast en lelde vast, heeft vastgelegd en vastgeleid. Vastliggen, lag vast, lagen vast, heeft vastgelegen. Vastlijmen, Hjmde vast, heeft vastge-lijmd, Vastloopen, liep vast, is vastgeloo-pen. Vastmaken, maakte vast, heeft vastgemaakt. |
Vastmetselen, metselde vast, heeft vastgemetseld. Vastnaaien, naaide vast, heeft vastgenaaid. Vastnagelen, nagelde vast, heeft vastgenageld. Vastnestelen (zich â), nestelde zich vast, heeft zich vastgenesteld. Vastplakken, plakte vast, heeft en is vastgeplakt. Vastpluggen, plugde vast, heeft vast-geplugd. Vastpraten, praatte vast, heeft vastgepraat. Vastprikken, prikte vast, heeft vastgeprikt. Vastraken, raakte vast, is vastgeraakt. Vastredeneeben, redeneerde vast, heeft vastgeredeneerd. Vastrijgen, reeg vast, regen vast, heeft vastgeregen. Vasteoeien, roeide vast, heeft en is vastgeroeid. Vastschroeien, schroeide vast, heeft en is vastgeschroeid. Vastschroeven, schroefde vast, heeft vastgeschroefd. Vastslaan, slaat vast, sloeg vast, heeft vastgeslagen. Vastsmeden, smeedde vast, heeft vast-gesmeed. Vastsnoeren, snoerde vast, heeft vastgesnoerd. Vastsoldeeren, soldeerde vast, heeft vastgesoldeerd. Vastspelden, speldde vast, heeft vastgespeld. Vastspijkeren, spijkerde vast, heeft vastgespijkerd. Vaststaan, staat vast, stond vast, heeft vastgestaan. Vaststeken, stak vast, staken vast, heeft vastgestoken. Vaststellen, stelde vast, heeft vastgesteld. Vaststelling, V. Vaststrikken, strikte vast, heeft vast-gestrikt. Vaststuren, stuurde vast, heeft vast-gestuurd. Vaststüwen, stuwde vast, heeft vast-gestuwd. Vasttimmeren, timmerde vast, heeft vastgetimmerd. Vasttrappen, trapte vast, heeft vast-getrapt. Vastvaren, voer vast, heeft en Is vast-gevaren. Vastvlechten, vlocht vast, heeft vast-gevloohten. Vastvriezen, vroor vast, vroren vast, Is vastgevroren en vastgevrozen. Vastwerken, werkte vast, heeft vastgewerkt. |
YAS.
416
VEE
|
Tastwiggen, wigde vast, heeft vastge-wigd. Vastwoelen, woelde vast, heeft vast-gewoeld. Vast wortelen, wortelde vast, is vast- geworteld. Vastzeilen, zeilde vast, heeft en is vastgezeild Vastzetten, zette vast, heeft vastgezet. Vastzitten, zat vast, zaten vast, heeft vastgezeten. Vat (greep), M. Vat (ton, enz.), O., vaten. Vaatje, O., -jes. Vatbaab, -baarder, -baarst. Vatbaarheid, V. Vatboter, V. Vaten, vaatte, heeft gevaat. Vatenwasschen, o. Vaticaan, o. Vatsel, O., vatsels. Vatten, vatte, heeft gevat. Vatvuil. Vaudeville, V., vaudevilles. Vauxhal, M. Vazal, M., vazallen. Vechtachtig, -achtiger, -achtigst. Vechten, vocht, heeft gevochten. V echtenderhand. Vechter, M., vechters. Vechterij, V., vechteryen. Vechterytje, O., -jes. Vechtersbaas, M., -bazen; -baasje, o., -jes. Vechtlust, M. Vechtpartij, V., -partyen; -partytje, O., -jes. Vechtplaats, V., -plaatsen. Vedel en veel, V., vedels, vedelen en veelen. Vedeltje, O., -jes. Vedelaar, M., vedelaars. Vedelen, vedelde, heeft gevedeld. Veder en veer, V., vederen, veders en veeren. Vedertje en veertje, O., -jes. Vederachtig. Vederbos, M., -bossen. Vederloos, -looze. Vedervormig. Vedette, V., vedetten en vedettes. Vee, o. Veearts, M., -artsen. Veeartsenijkunde, V. Veeartsenijschool, V., -scholen. Veeboot, V., -booten. Veefokkeb, m., -fokkers. Veeg (het vegen), M., vegen. Veeg (feeks), v., vegen. Veeg, veeger, veegst. Veegheid, V. Veegkruid, O. Veegmachine, V., -machines. Veegmes, o., messen. Veegsel, O. Veehoeder, M., -hoeders. Veekoek (stofnaam), V. |
Veekooper, M., -koopers. Veel. Zie Vedel. Veel, vele, meer, meest. Veelal. Veelbemind. Veelbladig. Veelbloemig. Veeleer. Veelgeliefd. Veelgodendom, o. Veelgodebij, V. Veelhalmig. Veelheid, V. Veelhoek, M., -hoeken. Veelhoekig. Veelhoofdig. Veeljarig. Veelkleurig. Veelkleurigheid, V. v eellettergrepig. Veelmaal en veelmaals. Veelmeer. Veelmin. Veelnamig. Veelpootig. Veelregelig. Veelschrijver, M., -schrijvers. Veelschrijverij, V. Veelslachtig. Veelsoortig. Veelstemmig. Veelszins. Veelte, V. Veelterm, M., -termen. veeltijds. Veelvervig. Veelvlak, O., -vlakken. V eelvlakkig. Veelvoet, M., -voeten. Veelvoetig. V eelvormig. Veelvoud, O., -vonden. Veelvoudig. Veelvraat, M., -vraten. Veelvuldig. Veelvuldigheid, V. Veelw aardig. Veelweter, M., -weters. Veelweterij, V. Veelwijvebu, V. Veelzijdig, -zydiger, -zydigst. Veelzijdigheid, V. Veem, V. en o., veemen. Veemarkt, V., -markten. Veemgericht, O., -gerichten. Veen, O., venen. Veenachtig, -achtiger, -achtigst. Veenbaas, M., -bazen. Veenboer, M., -boeren. Veenbrand, M., -branden. Veendamp, M. Veenderij, V., veenderyen. Veengraveb, M., -gravers. Veengrond, M., -gronden. |
VEE.
417
VEI.
|
Tebnland, O., -landen, Veenwebker, m., -werkers. Veenwobtel, V. Veepest, V. Veepestkobdon, o., -kordons. Veeb (van een vogel). Zie Veder. Veeb (springveer, enz.), V., veeren. Veeb (overvaart), O., veren. Veebboot, V., -booten. Veebbout, M., -bouten. Veeben, veerde, heeft geveerd. Veebenbed, O., -bedden; -bedje, O., -jes. Veebgeld, O. Veebing, V., veeringen. Veebkbacht, V. Veebkbachtig, -krachtiger, -krachtigst. Veebloon, O. Veebman, M., -lieden en -lui. Veebpasseb, M., -passers. Veebploeg, V., -ploegen. Veebpont, V., -ponten. Veebschip, O., -schepen. Veebschippeb, M., -schippers. Veebschdit, V., -schuiten. Veebtien, veertienen. V eebtiendaagsch. Veebtiende. V eebtienderhande. v eebtiendeblei. Veebtienhondebd. V eebtienjabig. Veebtienmaal. Veebtienvoud, o., -vouden. V eebtïenvoddig. Veebtig, veertigen. V eebtigda ag8ch. Veebtigeb, M., veertigers. Veebtigebhande. V eebtigeblei. Veebtig jabig. Veebtigmaal. Veebtigpondeb, M., -ponders. Veebtigste. Veebtigtal, o., -tallen. Veebtigvoud, o., -vouden. Veebtigvoudig. Veest, M., veesten. Veestal, M., -stallen. Veestapel, M. Veesten, veestte, heeft geveest. Veete, V., veeten. Veeteelt, V. Veetentoonstelling, V., -tentoonstellingen. Veevoedeb, O. Veevoedebketel, M., -ketels. Veeziekte, V., -ziekten. Vegen, veegde, heeft geveegd. Veger, M., vegers. Vegertje, O., -jes. Vegetabiëb, M., vegetariërs. Vegetatie, V. Vegeteeben, vegeteerde, heeft gevegeteerd. Veil, O. |
Veil, veiler, veilst. i Veilbaab, -bare. Veildag, M., -dagen. Veilen (verkoopen), veilde, heeft geveild. Veileb, M., -veilers. Veilheid, V. Veilig, veiliger, veiligst, Veiligen, veiligde, heeft geveiligd. Veiligheid, V. Veiligheidsdienst, M. Veiligheidshalve. Veiligheidskaabt, V., -kaarten. Veiligheidsklep, V., -kleppen. Veiligheidslamp, V., -lampen. Veiligheidslucifebs (mv.), M. Veiligheidsmaatbegel, M., -maatregelen. Veiligheidspolitie, V. Veiligheidsspeld, V., -spelden. I Veiling, V., veilingen. Veinzaabd, M., veinzaards. i Veinzen, veinsde, heeft geveinsd. Veinzeb, M., veinzers. ; Veinzebes, V., veinzeressen. I Veinzebij, V., veinzeryen. Vel, O., vellen. Velletje, O., -jes. ; Veld, O., velden. Veldje, O., -jes. I Veldanjelieb, V., -anjelieren. : Veldabbeid, M. Veldabtillebie, V. Veldbatterij, V., -batteryen. Veldbed, O., -bedden. Veldbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes. , Velddienst, M. Velddistel, V., -distels. Vkldflesch. V., -flesschen. ! Veldfluit, V., -fluiten. Veldgeschrei, o. j Veldgeschut, o. Veldgod, M., -goden. Veldhaas, M., -hazen. Veldheer, M., -heeren. Veldheersbekwaamheid, V.,-bekwaamheden. Veldheersstaf, M., -staven. Veldhoen, O., -hoenders. Veldijs, O. Veldlazaret, O., -lazaretten. Veldleger, O., -legers. Veldmaarschalk, M., -maarschalken. Veldmuis, V., -muizen. Veldnimf, V., -nimfen. Veldoverste, M., -oversten. Veldpost, V., -posten. Veldprediker, M., -predikers. Veldpriester, m., -priesters. Veldsla, V. Veldslag, M., -slagen. Veldsnip, V., -snippen, Veldspaath, o. Veldstuk, O., -stukken; -stukje, O.,-jes. Veldteeken, O., -teekens. |
27
VER.
VEL.
418
|
Veldtocht, M., -tochten. Veldvrucht, V., -vruchten. Veldwacht, V, -wachten. Veldwachter, M., -wachters. Velen (werkw.). Velerhande. Velerlei. Velg, V., velgen. Velgje, O., -jes. Velijn, O. Vehjnpapier, O. Vellen, velde, heeft geveld. Vellenkooper, M., -koopers. Vellenploten, O. Vellenpi.oter, M., -ploters. Vellig, veiliger, veiligst. Velling, V. Velocipede, V., vélocipèdes. Ven, V., vennen. Vendel, O., vendelen en vendels. Vendetta, V. Venduhuis, o., -huizen. Vendumeester, M., -meesters. Venen, veende, heeft geveend. Venerisch. Venig, veniger, venigst. Venijn, o. Venijnig, venigniger, venynigst. Venijnigheid, V. Venizoen, o. Venkel, V. Venkelwater, O. Venkelzaad, O. Vennoot, M., vennooten. Vennootschap, V., -schappen. Venster, O., vensters en vensteren. Venstertje, O., -jes. Vensterbank, V., -banken. Vensterbeslag, o. Vensterblind, o., -blinden. Venstergeld, o. Vensterglas, o., -glazen. Venstergordijn, O., -gordynen. Vensterraam, O., -ramen. Vensterruit, V., -ruiten. Vent, M., venten. Ventje, O., -jes. Venten, ventte, heeft gevent. Venter, M., -venters. Ventilatie, V. Ventilator, M., ventilators. Ventileeren, ventileerde, heeft geventileerd. Ventjagen, O. Ventjager, M., -jagers. Ventjagerij, V. Ventjelief, O. Ventster, V., ventsters. Ver en vebre, verder, verst. Veraangenamen, veraangenaamde, heeft veraangenaamd. Veraangenaming, V. Veraanschouwelijken, veraanschouwelijkte, heeft veraanschouwelijkt. Veraanschouwelijking, V. Veraarden, veraardde, is veraard. I I 1 ï' I, li |
Veraccijnzen, veraccynsde, heeft ver-acqjnsd. Veraccijnzing, v., veraccynzingen. Verachtelijk, -lyker, -l\jkst. Verachtelijkheid, V., -heden. Verachteloozen, verachteloosde, heeft verachteloosd. Verachteloozing, V. Verachten, verachtte, heeft veracht. Verachter, M., verachters. Verachteren, verachterde, is en heeft verachterd. Verachteriijg, V. Verachting, V. Verachtster, V., verachtsters. Verademen, verademde, heeft verademd. Verademing, V. Veraf. Verafgelegen. Verafschuwen, verafschuwde, heeft verafschuwd. Veranda, V., veranda's. Veranderen, veranderde, heeft en is veranderd. Verandering, V., veranderingen. Veranderingetje, O., -jes. Veranderlijk, -Ijjker, -lykst. Veranderlijkheid, V. Verankeren, verankerde, heeft verankerd. Verantwoordelijk, -l^jker, -lykst. Verantwoordelijkheid, V. Verantwoorden, verantwoordde, heeft verantwoord. Terantwoorder, M., verantwoorders. Verantwoording, V., verantwoordingen. Verarmen, verarmde, heeft en is verarmd. Verarming, V. Verbaal, verbale. Verbaasd. Verbaasdheid, V. Verbabbelen, verbabbelde, heeft ver-babbeld. Verbakken, verhakte, heeft verbakken. Verbaliseeren, verbaliseerde, heeft geverbaliseerd. Verband, o., verbanden. Verbandje, o., -jes. Verbandbrief, M., -brieven. Verbandkist, V., -kisten. Verbandleer, V. Verbandmateriaal, O., -materialen. Verbandstoffen (mv.), V. Verbannen, verbande, heeft verbannen. Verbanning, V., verbanningen. Verbasteren, verbasterde, is verbasterd. Verbastering, V., verbasteringen. Verbazen, verbaasde, heeft verbaasd. Verbazend, verbazender, verbazendst. Verbazing, V. Verbedden, verbedde, heeft verbed. |
VER.
419
VER.
|
Verbeddenstijd, m. Verbedding, V., verbeddingen. Verbeelden, verbeeldde, heeft verbeeld. Verbeelding, V. Verbeeldingskracht, V. Verbeenkn, verbeende, is verbeend. Verbeesteluken. verbeestelijkte, is ver- beesteiykt. Verbeiden, verbeidde, heeft verbeid. Verbeider, m., verbeiders. Verbeiding, V. Verbergen, verborg, heeft verborgen. Verberger, M., verbergers. Verberging, V. Verbeteraar, M., verbeteraars. Verbeterblad, O., -bladen; -blaadje, O., -jes. Verbeteren, verbeterde, heeft en is verbeterd. Verbeterhuis, O., -huizen. Verbetering, V., verbeteringen. Verbeteringsgesticht, o., -gestichten. Verbedrbaar, -bare. Verbeurdverklaren, verklaarde verbeurd, heeft verbeurdverklaard. Verbeurdverklaring, V., -verklaringen. Verbeuren, verbeurde, heeft verbeurd. Verbeurte, V. Verbeuzelen, verbeuzelde, heeft verbeuzeld. Verbidden, verbad, verbaden, heeft verbeden. Verbieden, verbood, verboden, heeft verboden. Verbijsteren, verbijsterde, heeft verbasterd. Verbijstering, V. Verbijten, verbeet, verbeten, heeft verbeten. Verbiljarten, verbiljartte, heeft ver-biljart. Verbinden, verbond, heeft verbonden. Verbinding, V., verbindingen. VerbIndingsklos, M., -klossen. Verbindingsroede, V., -roeden. Verbindingsspoorweg, m.,- spoorwegen. Verbindingsteeken, O., -teekens. Verbintenis, V., verbintenissen. Verbitterd, verbitterder, verbitterdst. Verbitterdheid, V. Verbitteren, verbitterde, heeft verbitterd. Verbittering, V. Verbleeken, verbleekte, heeft en is verbleekt. Verbleeking, V. Verblijden, verbiydde, heeft verblyd. Verblijdend, verblijdend er, verbljj- dendst. Verblijding, V. Verblijf, o., verblijven. Verbiyfje, o., -jes. Verblijfkosten (mv.), m. Verblijfplaats, V., -plaatsen. |
Verblijven, verbleef, verbleven, heeft en is verbleven. Verblind, verblinder, verblind^t. Verblinden, verblindde, heeft verblind. Verblindheid, V., -heden. Verblinding, V. Verbloemd. Verbloemen, verbloemde, heeft verbloemd. Verbloeming, V., verbloemingen. Verbluffen, verblufte, heeft verbluft. Verbluffing, V. Verbod, O., verboden. Verbodemen, verbodemde, heeft ver- bodemd. Verbodeming, V. Verbodsbepaling, V., -bepalingen. Verbodsdag, m., -dagen. Verbodsstelsel, O., -stelsels. Verbodswet, V., -wetten. Verboeken, verboekte, heeft verboekt. Verboeking, V. Verboeren, verboerde, heeft verboerd. Verbolgen, verbolgener, verbolgenst. Verbolgenheid, V., -heden. Verbond, O., verbonden. Verbondsark, V. Verbondsbeker, M., -bekers. Verbondsboek, o., -boeken. Verbondsbreuk, V. Verbondsbrïef. m , -brieven. Verbondseed, m., -eeden. Verbondsgod, M. Verbondskist, V. Verbondsmaal, o., -malen. Verbondsoffer, o., -offers. Verbondstafel. V. Verbondswet, v., -wetten. Verboorden, verboordde, heeft verboord. Verborgen, verborgener, verborgenst. Verborgenheid, V., -heden. Verbouw, M. Verbouwen, verbouwde, heeft verbouwd. V erbouvvereerd. Verbouwereerdheid, V. Verbouwing, V., verbouwingen. Verbrabbelen, verbrabbelde, heeft verbrabbeld. Verbrandbaar, -bare. Verbranden, verbrandde, heeft en is verbrand. Verbranding, V. Verbrandingsproces, o., -processen. Verbrandingsproduct, O., -producten. Verbrassen, verbraste, heeft verbrast. Verbreeden, verbreedde, heeft verbreed. Verbreeding, V.. verbreedingen. Verbreedingsstuk, O., -stukken. Verbreedsel, O., verbreedsels. Verbreekbaar, -bare. j Verbreekster, V., verbreeksters. |
VER.
VER.
420
|
Vebbbeiden, verbreidde, heeft verbreid. Vebbbeider, m., verbreiders. Vebbbeiding, V. Vebbbeidsteb, V., verbreidsters. Vebbbeken, verbrak, verbraken, heeft verbroken. Vebbbeker, M., verbrekers. Vebbbkking, V. Vebbbijzelen, verbryzelde, heeft ver- bryzeld. Vebbbijzeling, V. Vebbboddelen, verbroddelde, heeft verbroddeld. Vebbbodden, verbrodde, heeft verbrod. Vebbboedeben, verbroederde, heeft verbroederd. Vebbboedebing, V., verbroederingen. Vebbboedebingsfeest, o., -feesten. Vebbboeien, verbroeide, heeft en is verbroeid. Vebbeokkelen, verbrokkelde, heeft verbrokkeld. Vebbbokkeling, V. Vebbbuid. Vebbbuien, verbruide, heeft verbruid. Vebbbuik, o. Vebbbuiken, verbruikte, heef t verbruikt. Vebbbuikeb, M., verbruikers. Vebbbuikleen, O., -leenen. Vebbbuiksbelasting, V., -belastingen. Vebbuigbaab, -bare. Vebbuigbaabheid, V. Vebbuigen, verboog, verbogen, heeft verbogen. Vebbuiging, V., verbuigingen. Vebbussen, verbuste, heeft verbust. Vebcijfeben (zich â), vercyferde zich, heeft zich vercijferd. Vebdacht. Vebdachtmaking, v., -makingen. Vebdagen, verdaagde, heeft en is verdaagd. Vebdaging, V., verdagingen. Vebdampen, verdampte, is verdampt. Vebdamping, V., verdampingen. Vebdansen, verdanste, heeft verdanst Vebdedigbaab, -bare. Vebdedigbaabheid, V. Vebdedigen, verdedigde, heeft verdedigd. Vebdedigeb, M., verdedigers. Vebdediging, V., verdedigingen. Vebdedigingslinie, V., -liniën. Vebdedigingsmiddel, O., -middelen. Vebdedigingswapen, o., -wapenen. Vebdedigsteb, V., verdedigsters. Vebdeeldheid, V., -heden. Vebdeelen, verdeelde, heeft verdeeld. Vebdeeleb, M., verdeelers. Vebdeeling, V., verdeelingen. Vebdeelpunt, O., -punten. Vebdeelsteb, V., verdeelsters. Verdeemoedigen,verdeemoedigde, heeft verdeemoedigd. lil H PI J Ir li : II f T Ãquot; 1: |
Vebdeemoediging, V., verdeemoedigingen. Vebdek, O., verdekken. Vebdeksbalk, M., -balken. Vebdelgen, verdelgde, heeft verdelgd. Vebdelgeb. M., verdelgers. Vebdelging, V., verdelgingen. Vebdelgingsooblog, M., -oorlogen. Vebdenken, verdacht, heeft verdacht. Vebdenktng, V., verdenkingen. Vebdeb. Vebdebf, o. Vebdebfelijk, -l^jker, -lijkst. Vebdebfei/L'kheid, V. Vebdebven, verdierf, verdierven, heeft en is verdorven. Vebdebveb, M., verdervers. Vebdebving, V., verdervingen. Vebdichten (dichter maken), verdichtte. heeft verdicht. Vebdichten (uitdenken), verdichtte, heeft verdicht. Vebdichteb, M., verdichters. Vebdichting, V., verdichtingen. Vebdichtsel, O., verdichtselen en verdichtsels. Verdichtseltje, O., -jes. Vebdict, O., verdicten. Vebdienen, verdiende, heeft verdiend. Vebdienste, V., verdiensten. Vebdiensteluk, -lyker, -lykst. Vebdienstelijkheid, V. Vebdiepen, verdiepte, heeft verdiept. Vebdieping, V., verdiepingen. Vebdiepschaaf, V., -schaven. Vebdiebluken, verdierhjkte, heeft en is verdieriykt. Vebdieblijking, V. Vebdietschen, verdietschte, heeft ver-dietscht. Vebdietsching, V., verdietschingen. Vebdijd. Verdijen, verdyde, heeft verdijd. Verdikken, verdikte, heeft en is verdikt. Verdikking, V., verdikkingen. Verdobbelen, verdobbelde, heeft verdobbeld. Vebdoeken, verdoekte, heeft verdoekt. Vebdoeking, V., verdoekingen. Vebdoemd. Vebdoemde, M. en V., verdoemden. Vebdoemelijk, -lijker, -lijkst. Vebdoemeling, M. en V., verdoemelin-gen. Vebdoemen, verdoemde, heeft verdoemd. Verdoemenis, V. Verdoemer, M., verdoemers. Verdoeming, V. Verdoen, verdeed, verdeden, heeft verdaan. Verdoener, M., verdoeners. Verdoffen, verdofte, is verdoft. Verdokteren, verdokterde, heeft verdokterd. |
YER.
VER.
421
|
Vebdolen, verdoolde, is verdoold. Vebdoling, V., verdolingen. Verdonkeremanen, verdonkeremaande, heeft verdonkeremaand. Verdonkeren, verdonkerde, heeft en is verdonkerd. Verdonkering, V., verdonkeringen. Verdoofdheid, V. Verdoopen, verdoopte, heeft verdoopt. Verdooping, V., verdoopingen. Verdooven, verdoofde, heeft en is verdoofd. Verdooving, V., verdoovingen. Verdord (byw.). Verdordheid, V. Verdorren, verdorde, is verdord Verdorring, V. Verdorven, verdorvener, verdorvenst. Verdorvenheid, V. Verdraaglijk, -lyker, -lykst. Verdraagzaam, -zamer, -zaamst. Verdraagzaamheid, V. Verdraaid. Verdraaidheid, V. Verdraaien, verdraaide, heeft en is verdraaid. Verdraaier, M., verdraaiers. Verdraaiing, V., verdraaiingen. Verdrag, O., verdragen. Verdragen, verdroeg, heeft verdragen. Verdraging, V. Verdriedubbelen, verdriedubbelde, heeft verdriedubbeld. Verdriet, O. Verdrietje, O., -jes. Verdrietelijk, -lijker, -lykst. Verdrietelijkheid, V., -heden. Verdrieten, verdroot, verdroten, heeft verdroten. Verdrietig, verdrietiger, verdrietigst. Vebdrievoudigkn, verdrievoudigde, heeft verdrievoudigd. Verdrijven, verdreef, verdreven, heeft verdreven. Verdrijving, v. Verdringen, verdrong, heeft verdrongen. Verdringer, M., verdringers. Verdringing, V. Verdrinken, verdronk, heeft en is verdronken. Verdrogen, verdroogde, heeft en is verdroogd. Verdboging, V. Vebdbukken, verdrukte, heeft verdrukt. Vebdbukkeb, M., verdrukkers en verdrukkeren. Vebdbukking, V., verdrukkingen. Vebdubbelen, verdubbelde, heeft en is verdubbeld. Vebdubbeling, V., verdubbelingen. Vebduideluken, verduidelijkte, heeft verduidelijkt. Vebduidelijking, V. |
Vebduisteben, verduisterde, heeft en is verduisterd. Vebduistebing, V., verduisteringen. Verduitschen, verduitschte, heeft ver- duitscht. Vebduitrcheb, M., verduitschers. Vebduitsching, V,, verduitschingen. Vebduiveld. Vebduizendvoudigen, verduizend vou- digde, heeft verduizendvoudigd. Vebdunnen, verdunde, heeft en is verdund. Vebdunning, V., verdunningen. Vebduben, verduurde, heeft verduurd. Vebdubing, V. Vebdutten, verdutte, heeft verdut. Vebduwen, verduwde, heeft verduwd. Vebduwing, V. Vebdwaasd. Vebdwalen, verdwaalde, is verdwaald. Vebdwijnen, verdween, verdwenen, is verdwenen. Vebdwijning, V. Vebedelen, veredelde, heeft veredeld. Vebedeling, V. Vebeelten, vereeltte, heeft en is vereelt. Vebeeltheid, V. Vebeelting, V. Vebeenen, vereende, heeft vereend. Vebeenigbaab, -bare. Vebeenigbaabheid, V. Vebeenigen, vereenigde, heeft veree-nigd. Vebeenigeb, M., vereenigers. Vebeeniging, V., vereenigingen. Vebeenigingsbout, M., -bouten, Vebeenigingspunt, O., -punten. Vebeenigingsteeken, O., -teekens. Vereenigster, V., vereenigsters. Vereenvoudigen, vereenvoudigde, heeft vereenvoudigd. Vereenvoudiging, V., vereenvoudigingen. Vereenzelvigen, vereenzelvigde, heeft vereenzelvigd. Vereenzelviging, V. Vereerder, M., vereerders. Vereeren, vereerde, heeft vereerd. Vereerenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Vereering, V., vereeringen. Vereerinkje, O., -jes. Vereerster, V., vereersters. Vereeuwigen, vereeuwigde, heeft vereeuwigd. Vereeuwiging, V. Vereffenen, vereffende, heeft veretiend. Vereffening, V., vereffeningen. Vereisch (Naar â van). Vereischen, vereischte, heeft vereischt. Veretschte, o., vereischten. Verengen, verengde, heeft verengd. Verenging, V., verengingen. |
VER.
VER.
422
|
Vebenkelen, verenkelde, heeft verenkeld. Vebenkeling, V. Verebgeren, verergerde, heeft en is verergerd. Verergering, V., verergeringen. Vereten, verat, veraten, heeft vereten. Veretteren, veretterde, is veretterd. Verettering, V. Verevenen, verevende, heeft verevend. Verevening, V., vereveningen. Verf, V., verven. Verfje, O., -jes. Verfdoos, V.,-doozen; -doosje, o., -doosjes. Verfijnen, verfijnde, heeft verfynd. Verfijning, V., verfijningen. Verfkooper, M., -koopers. Verfkuip, V., -kuipen. Verfkwast, M., -kwasten. Verflaag, V., -lagen. Verflauwen, verflauwde, is verflauwd. Verflauwing, V. Verflensen, verflenste, is verflenst. Verflensing, V. Verfmolen, M., -molens. Verfoeien, verfoeide, heeft verfoeid. Verfoeienswaabdig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Vebfoehng, V., verfoeiingen. Vebfoeilijk, -lijker, -lijkst. Vebfoeilijkheid, V., -heden. Vebfoeisel, O., verfoeisels. VEBroELiÃN/verfoeliedejheeftverfoelied. Vebfoeliesel, O. Vebfomfaaien en vebfomfooien, verfomfaaide, heeft verfomfaaid. Vebfommelen, verfommelde, heeft ver- fommeld. Vebfpot, M., -potten. Vebfbaaien, verfraaide, heeft en is verfraaid. Vebfbaaiing, V., verfraaiingen. Verfbanschen, verfranschte, heeft ver- franscht. Vebfbansching, V. Verfrisschen, verfrischte, heeft ver-frischt. Verfrissching, v., verfrisschingen. Ver- frisschinkje, O., -jes. Verfrommelen, verfrommelde, heeft verfrommeld. Verfronselen, verfronselde, heeft ver- fronseld Verfstof, V., -stoffen. Vebfwaren (mv.), V. Verfwinkel, M., -winkels. Vergaan, verging, is vergaan. Vebgaabbak, M., -bakken. Vebgaabdeb, M., vergaarders. Vebgaabsel, o., vergaarsels. Vebgadeben, vergaderde, heeft en is vergaderd. Vebgadebing. V., vergaderingen. Vergaderingetje, ü., -jes. |
Vebgadebplaats, v., -plaatsen, Vebgadebtijd, M. Vebgadebzaal, V., -zalen. Vergallen, vergalde, heeft vergald. Vebgalling, V., vergallingen. Vebgaloppeeben (zich â), vergaloppeerde zich, heeft zich vergaloppeerd. Vebgankelijk, -lijker, -lykst. Vebgankeli.tkheid, V. Vebgapen, vergaapte, lieeft vergaapt. Vebgaben, vergaarde, heeft vergaard. Vebgasten, vergastte, heeft vergast. Vebgeeflijk en vebgefelijk, -Inker, -lijkst. Vebgeeflijkeeid, v. Vebgeefs (byw.). Vebgeefsch (bnw.). Vebgeestelijken, vergeestelykte, heeft vergeestelijkt. Vergeetachtig, -achtiger, -achtigst. Vebgeetachtigh e1d, V. Vebgeetal, M. en V., vergeetallen. Vebgeetboek, O. ver geet-mij-niet ou vergeet-me-n1et, V., vergeet-m ij-nieten. Vergeet-mij. nietje, O., -jes. Vergelden, vergold, heeft vergolden. Vergelder, M., vergelders. Vergelding, V., vergeldingen. Vergelijk, o., vergelijken. Vergelijkbaar, -bare. Vergelijken, vergeleek, vergeleken, heeft vergeleken. Vergelijkenderwijze en -wijs. Vergelijking, V., vergelijkingen. Vergen, vergde, heeft gevergd. Vergenoegd, vergenoegder, verge- noegdst. Vergenoegdheid, V. Vergenoegen, vergenoegde, heeft vergenoegd. Vergenoeging, V. Vergetelheid, V. Vergetelijk, -lyker, -lykst. Vergetelijkheid, V. Vergeten, vergat, vergaten, heeft en is vergeten. Vergetenheid, V. Vergeven, vergaf, vergaven, heeft vergeven. Vergevensgezind, -gezinder, meest -gezind. Vergevensgezindheid. V. Vergever, M., vergevers. Vergeving, V. Vergewissen, vergewiste, heeft vergewist. Vergezellen, vergezelde, heeft vergezeld. Vergezelschappen, vergezelschapte, heeft vergezelschapt. Vergezicht, o., -gezichten. Vergieten, vergoot, vergoten, heeft vergoten. |
VER.
VER.
423
|
Vebgieter, M., vergietery. Vergieting, V., vergietingen. Vergiettest, V., -testen. Vergif en vergift, O., vergiften. Vergiffenis, V. Vergiften, vergiftte, heeft vergift. Vergiftenleer, V. Vergiftig, vergiftiger, vergiftigst. Vergiftigen, vergiftigde, heelt vergiftigd. Vergiftiger, M., vergiftigers. Vergiftiging, V., vergiftigingen. Vergiftigster, V., vergiftigsters. Vergissen (zich â), vergiste zich, heeft zich vergist. Vergissing, V., vergissingen. Vergis- sinkje, O., -jes. Vergisten, vergistte, is vergist. Vergisting, V. Verglaassel, O. Verglazen, verglaasde, heelt verglaasd. Verglimmen, verglom, verglommen, is verglommen. Vergoddelijken, vergoddelijkte, heeft vergoddelijkt. Vergoddelijking, V. Vergoden, vergoodde, heeft vergood. Vergoder, m., vergoders. Vergoding, V. Vergoeden, vergoedde, heeft vergoed. Vergoeding, V., vergoedingen. Vergoelijken, vergoelykte, heeft vergoelijkt. Vergoelijking, V., vergoeUjkingen. Vergooien, vergooide, heeft vergooid. Vergramd, vergramder, vergramdst. Vergramdheid, V. Vergrammen, vergramde, heeft en is vergramd. Vergraven, vergroef, vergroeven, heeft vergraven. Vergraving, V., vergravingen. Vergrazen, vergraasde, heeft ver-graasd. Vergrijp, O., vergrijpen. Ver grapje, O., -jes. Vergrijpen, vergreep, vergrepen, heeft vergrepen. Vergrijzen, vergrysde, is vergrysd. Vergroeien, vergroeide, is vergroeid. Vergroeiing, V., vergroeiingen. Vergrooten, vergrootte, heeft vergroot. Vergrooter, m., vergrooters. Vergrootglas, O., -glazen; -glaasje, O., â¢jes. Vergrooting, V., vergrootingen. Vergroven, vergroeide, heeft vergroofd. Vergruizelen, vergruizelde, heeft ver- gruizeld. Vergruizeling, V. Vergruizen, vergruisde, heeft vergruisd. Vergruizing, V. Verguizen, verguisde, heeft verguisd. |
Verguizing, V., verguizingen. Vergulden, verguldde, heeft verguld. Vergulder, M., vergulders. Vergulding, V. Verguldmes, O., -messen. Verguldpenbeel, O., -penseelen. Verguldsel, O., verguldsels. Verguldwerk, O. Vergunnen, vergunde, heeft vergund. Vergunning, V., vergunningen. Vergunningsrecht, o. Verhaal (bericht), O., verhalen. Verhaaltje, O., -jes. Verhaal (herstel), o. Verhaalreep, M., -reepen. Verhaalster, V., verhaalsters. Verhaaltrant, M. Verhaasten, verhaastte,heeft verhaast. Verhabbezakken, verhabbezakte, heeft verhabbezakt. Verhaken, verhaakte, heeft verhaakt. Verhakken, verhakte, heeft verhakt. Verhakking, V., verhakkingen. Verhakstukken, verhakstukte, heeft verhakstukt. Verhalen, verhaalde, heeft en is verhaald. Verhalenderwijze, -wijs. Verhaler, M., verhalers. Verhalvezolen, verhalvezoolde, heeft verhalvezoold. Verhandelaar, M., verhandelaars. Verhandelaarsstijl, M. Verhandelbaar, -bare. Verhandelen, verhandelde, heeft verhandeld. Verhandeling,V., verhandelingen; ver- handelingetje, O., -jes. Verhang, O. Verhangen, verhing, heeft verhangen. Verhanging, V. Verhanselen, verhanselde, heeft ver- hanseld. Verhard, verharder, verhardst. Verharddraven, ver harddraafde, heeft verharddraafd. Verharden, verhardde, heeft en is verhard. Verhardheid, V. Verharding, V., verhardingen. Verharen, verhaarde, is verhaard. Verhaspelen, verhaspelde, heeft verhaspeld. Verhaspeling, V., verhaspelingen. ' Verheeren, verheerde, heeft verheerd. V erheergewaden, verheorgewaadde, heeft verheergewaad. Verheering, V. Verheerlijken, verheerlijkte, heelt verheerlijkt. Verheerlijking, V. Verheffen, verhief, verhieven, heeft verheven. | Verheffing, V., verheffingen. |
VER.
424
VER.
|
Verhelderen, verhelderde, heeft en is verhelderd. Verheldering, V. Verhelen (verbergen), verheelde, heeft verheeld. Verhelpen, verhielp, heeft verholpen. Verhelping, V. Verhemelen, vei-.emelde, heeft ver- hemeld. Verhemelte, O., verhemelten. Verhemelteletter, V., -letters. Verheugd, verheugder, verheugdst. Verheugen, verheugde, heeft verheugd. Verheuging, V., verheugingen. Ver- heuginkje, O., -jes. Verheveling, V., verhevelingen. Verheven, verhevener, verhevenst. Verhevenheid, V., -heden. Verhinderen, verhinderde, heeft ver-hinderd. Verhindering, V., verhinderingen. Verhit, verhitter, verhitst. Verhitheid, V. Verhitten, verhitte, heeft verhit. Verhitting, v., verhittingen. Verhoeden, verhoedde, heeft verhoed. Verhoeding, v. Verhoefslagen, verhoefslaagde, heeft verhoefslaagd. Verhoefslaging, V., verhoefslagingen. Verholen, verholener, verholenst. Verholenheid, v. Verhollandschen, verhoilandschte, heeft verhollandscht. Verhollandsching, V. Verhonderdvoudigen, verhonderdvoudigde, heeft verhonderdvoudigd. Verhongeren, verhongerde, heeft en is verhongerd. Verhongering, v. Verhoogen, verhoogde, heeft verhoogd. Verhooger, M., verhoogers. Verhooging, V., verhoogingen. Verhoogsel, o., verhoogsels. Veriioogstuk, O., -stukken. Verhoopt. Verhoor, O., verhooren. Verhoorder, M., verhoorders. Verhooren, verhoorde, heeft verhoord. Verhooring, V., verhooringen. Verhoovaardigen (zich â), verhoovaar-digde zich, heeft zich verhoovaardigd. Verhouding, V., verhoudingen. Verhuisdag, M., -dagen. Verhuisdrukte, V. Verhuiswagen, M., -wagens. Verhuizen, verhuisde, is verhuisd. Verhuizing, v., verhuizingen. Verhuren, verhuurde, heeft verhuurd. Verhuring, V., verhuringen. Verhutselen, verhutselde, heeft ver- hutseld. Verhuurder, M., verhuurders. Verhuurkantoor, O., -kantoren. |
Verhuurster, V., verhuursters. Verhuurtijd, m. Verhypothekeeren, verhypothekeerde, heeft verhypothekeerd. Verificateur, M., verificateurs. Verificatie, V., verificatiën en verificaties. Verifieeren, verifieerde, heeft geverifieerd. Verijdelen, verijdelde, heeft veredeld. Verijdeling, V. Verinteresten, verinterest te, heeft verinterest. Verjaardag, M., -dagen. Verjaardicht, o., -dichten. Verjaarfeest, O., -feesten. Verjaargeschenk, o., -geschenken. Verjaarmaal, o., -malen. Verjagen, verjaagde, heeft verjaagd; ook verjoeg. Verjaging, V. Verjaren, verjaarde, is verjaard. Verjaring, V., verjaringen. Verjaringsfeest, o., -feesten. Verjaringsgeschenk, o., -geschenken. Verjaringsrecht, o. Verjaringstermijn, M., -termijnen. Verjongen, verjongde, heeft en is verjongd. Verjonging, v. Verjongingskuur, V., -kuren. Verk aarten, verkaartte, heeft verkaart. Verkabbelen, verkabbelde, heeft ver-kabbeld. Verkakelen, verkakelde, heeft ver-kakeld. Verkalken, verkalkte, heeft en is verkalkt. Verkalking, V. Verkankeren, verkankerde, is verkankerd. Verkankering, V. Verkappen, verkapte, heeft verkapt. Verkapping, V., verkappingen. Verkassen, verkaste, is verkast. Verkassing, V. Verkavelen, verkavelde, heeft verka-veld. Verkaveling, V., verkavelingen. Verkeer, o. Verkeerbord, O., -borden; -bordje, O., -jes. Verkeerd, verkeerder, verkeerdst. V erkeerdelijk. Verkeerdheid, V., -heden. Verkeeren, verkeerde, heeft en is verkeerd. Verkeering, V., verkeeringen. Verkeerspel, O., -spellen. Verkeertje (verkeerspel), o. Verkegelen, verkegelde, heeft ver- kegeld. Vereenbaar, -bare. Verkennen, verkende, heeft verkend. |
VER.
425
VER.
|
Verkenning, V., verkenningen. Vebkenningstocht, M., -tochten. Verkebven, verkorf, verkorven, heeft verkorven. Verketteren, verketterde, heeft verketterd. Verkettering, V., verketteringen. Verkeuren, verkeurde, heeft verkeurd. Verkeuvelen, verkeu velde, heeft ver-keuveld. Verkielen, verkielde, heeft verkield. Verkiesbaar, -bare. Vebkiesbaabheid, V. Vebkieslijk en vebkieselijk, -lyker, -lykst. Vebkiezen, verkoos, verkozen, heeft verkozen. VebkIezing, V., verkiezingen. Vebkiezingsdag, M., -dagen. Vebkiezingsleeb, V. Vebkiezingbmanoeuvbe, V., -manoeuvres. Vebkiezingsstrijd, M. Vebkiezingswebk, o. Vebkuken, verkeek, verkeken, heeft verkeken. Verklaarbaar, -baarder, -baarst. Verklaarder, M., verklaarders. Verkladden, verkladde, heeft verklad. Verklappen, verklapte, heeft verklapt. Verklappeb, M , verklappers. Vebklapping, V., verklappingen. Vebklaben, verklaarde, heeftverklaard. Vebklabing, V., verklaringen. Vebkleeden, verkleedde, heeft verkleed. Vebkleeding, V., verkleedingen. Vebkleedpabtij, V., -partijen. Vebkleefd, verkleefder, verkleefdst. Vebkleefdheid, V. Vebkleinaap, M., -apen. Vebkleinbaab, -bare. Vebkleinen, verkleinde, heeft verkleind. Vebkleinglas, O., -glazen; -glaasje, O., -jes. Vebkleining, V., verkleiningen. Vebkleiningsuitgang, m., -uitgangen. Vebkleinwoobd, o.,-woorden; -woordje, O., -jes. Vebkledmd, verkleumder, verkleumdst. Vebkledmdheid, V. vebkleumen,verkleuinde,is verkleumd. Verkleuming, v. Verkleuren, verkleurde, heeft en is verkleurd. Verkleuring, V. Verklikken, verklikte, heeft verklikt. Verklikker, M., verklikkers. Verklikking, V., verklikkingen. Verkloeken, verkloekte, heeft verkloekt. Verklungelen, verklungelde, heeft verklungeld. |
Verkneukelen (zich â), verkneukeld© zich, heeft zich verkneukeld. Verkneuteren (zich â), verkneuterde zich, heeft zich verkneuterd. Verkneuzen, verkneusde, heeft ver-kneusd. Verkniezen en verknijzen (zich â), verkniesde zich, heeft zich verkniesd, Verknijpen (zich â), verkneep zich, verknepen zich, heeft zich verknepen. Verknijping, V. Verknijzen. Zie Verkniezen. Vebknippen, verknipte, heeft verknipt. Vebknocht. Vebknochtheid, V. Vkbknoeien, verknoeide, heeft verknoeid. Vebknoeiing, V., verknoeiingen. Vebknollen, verknolde, heeft verknold. Vekknoopen, verknoopte, heeft verknoopt. Vebknuefelen, verknufTelde, heeft ver-knuffeld. Vebknutselen, verknutselde, heeft ver-knutseld. Vebkoeldbank, M., -dranken. Vebkoelen, verkoelde, heeft en is verkoeld. Vebkoelend, verkoelender, verkoe-lendst. Vebkoelïng, V., verkoelingen. Vebkoelingsmiddel, O., -middelen. Vebkoken, verkookte, heeft en is verkookt. Vebkolen, verkoolde, is verkoold. Vebkoling, V. Vebkomen, verkomt, verkwam, ver-kwamen, is verkomen. Vebkonden, verkondde, heeft verkond. Vebkondeb, M., verkonders. Vebkondigen, verkondigde, heeft verkondigd. Vebkondigeb, M., verkondigers. Vebkondiging, V. Vebkonding, V. Vebkonkelen, verkonkelde, heeft ver-konkeld. Vebkonkeling, V. Vebkoop, M., verkoopen. Vebkoopbaar, -bare. Vebkoopdag, M., -dagen. Vebkoopen, verkocht, heeft verkocht. Vebkoopeb, M., verkoopers. Vebkoophuis, O., -huizen. Vebkooping, V., verkoopingen. Verkoo pinkje, O., -jes. Vebkooppbijs, M., -prijzen. Vebkoopster, V., verkoopsters. Verkooptijd, M. Terkoperen, verkoperde, heeft verkoperd. Verkopering, V. Verkoren. Verkorsten, verkorstte, is verkorst. |
VER,
VER.
426
|
Verkorten, verkortte, heeft verkort. Verkorter, M., verkorters. Verkorting, V., verkortingen. Verkortingsteeken, O., -teekens. Verkouden. Verkoudheid, V., -heden. Verkrachten, verkrachtte, heeft verkracht. Verkrachter, M., verkrachters. Verkrachting, V., verkrachtingen. Verkreukelen, verkreukelde, heeft verkreukeld. Verkreukeling, V., verkreukelingen. Verkrijgbaar, -bare. Verkrijgen, verkreeg, verkregen, heeft verkregen. Verkrijger, M., verkrijgers. Verkrijging, V. Verkrimpen, verkromp, is verkrompen. Verkrimping, V. Verkrommen, verkromde, heeft verkromd. Verkromming, V., verkrommingen. Verkroppen, verkropte, heeft verkropt. Verkropping. V. Verkruien, verkrooi, verkrooien, heeft en is verkrooien; ook verkruide, heeft en is verkruid. Verkruiing, V. Verkruimelen, verkruimelde, heeft en is verkruimeld. Verkuilen, verkuilde, heeft verkuild. Verruiling, V. Verkuipen, verknipte, heeft verknipt. Verkuischt. verkvvakkelde, heeft verkwanselde, heeft B Ã- S jiquot; f- tlt; i ii Verkwakkelen , verkwakkeld. Verkwanselen, verkwanseld. Verkwanseling, V. Verkwezelen, verkwezelde, heeft ver-kwezeld. Verkwezeling, V. Verk wijlen, verkwiilde, heeft ver-kwjjld. Verkwijnen, verkwynde, is verkwynd. Verkwijning, V. Verkwikkelijk, -lyker, -lykst. Verkwikkelijkheid, V. Verkwikken, verkwikte,heeft verkwikt. Verkwikkend, verkwikkender, ver-kwikkendst. Verkwikking, V., verkwikkingen. V ERKwisTEN, verkwistte, heeft verkwist. Verkwistend, verkwistender, verkwis-tendst. Verkwister, M., verkwisters. Verkwisting, V., verkwistingen. Verlaat, O., verlaten. Verladen, verlaadde, heeft verladen. Verlading, V. Verlagen, verlaagde, heeft en is verlaagd. Verlaging, V. |
i Verlak, o. Verlakken (met verlak bekleeden), verlakte, heeft verlakt. Verlakken (bedriegen), verlakte, heeft verlakt. Verlakker, M., verlakkers. Verlakking, V., verlakkingen. Verlaksel, O. Verlakt, O. Verlammen, verlamde, heeft en is verlamd. Verlamming, V., verlammingen. Verlanden, verlandde, is verland. Verlanding, V., verlandingen. Verlangen, verlangde, heeft verlangd. Verlangen, o., verlangens. Verlanglijst, V., -lijsten; -lystje, o.,-jes. Verlangst, V. v erlanterfanten, verlanterfantt e, heeft verlanterfant. ; Verlappen, verlapte, heeft verlapt. Verlapping, V., veiiappingen. Verlariën, verlariede, heeft verlaried. Verlaten (begeven), verliet, heeft verlaten. Verlaten (zich â), (vertrouwen), verliet zich, heeft zich verlaten. Verlaten, verlatener, verlatenst. Verlatenheid, V. Verlater, M., verlaters. Verlating, V. Verleden en voorleden. Verleden en voorleden, O. Verledigen (zich â), verledigde zich, heeft zich verledigd. j Verleenen, verleende, heeft verleend. Verleening, V. Verleeren, verleerde, heeft verleerd. Verlegen, verlegener, verlegenst. I Verlegenheid, V. Verleggen, verlegde en verleide, heeft verlegd en verleid. Verlegging, V. Verlei (beleening), O. Verleidelijk, -Ijjker, -lykst. Verleidelijkheid, V., -heden. Verleiden, verleidde, heeft verleid. Verleider, M., verleiders. Verleiding, V.. verleidingen. Verleidster, V., verleidsters. Verleien (beleenen), verleide, heeft verleid. I Verleiing, v., verleiingen. Verlekkeren, verlekkerde, heeft en is verlekkerd. Verlengbaar, -bare. Verlengen, verlengde, heeft verlengd. Verlenging, V. Verlengstuk, O., -stukken. Verleppen, verlepte, is verlept. Verlepping, V. Verlet, O. Verletsel, o., verletsels. Verletten, verlette, heeft verlet. |
é'
VER.
VER
427
|
Verleuteben, verleuterde, heeft ver-leuterd. Veblevendigen, verlevendigde, heeft verlevendigd. Veblevendiginö, V. Verlezen (uitlezen, uitzoeken), verlas, verlazen, heeft verlezen. Verlezen (zich â), (verkeerd lezen), verlas zich, verlazen zich, heeft zich verlezen. Verlicht, verlichter, verlichtst. Verlichten (verhelderen), verlichtte, heeft verlicht. Verlichten (minder zwaar maken), verlichtte, heeft verlicht. Verlichter, M., verlichters. Verlichting (beschaving), V. Verlichting (ontheffing), V. Verliederlijken (zich â), verlieder- lykte zich, heeft zich verliederlijkt. Verliefd, verliefder, verliefdst. Verliefde, M. en V., verliefden. Verliefdheid, V., -heden. Verlies, O., verliezen. Verliesje. ü.,-jes. Verlieven, verliefde, is verliefd. Verliezen, verloor, verloren, heeft verloren. Verliezer, M., verliezers. Verliggen, verlag, verlagen, is en heeft verlegen. Verlijden, verleed, verleden, heeft verleden. Verlof, O., verloven. Verlofganger, M., -gangers. Verlofpas, M., -passen. Verloftijd, M. Verlokkelijk, -lijker, -lykst. Verlokkelijkheid, V., -heden. Verlokken, verlokte, heelt verlokt. Verlokker, M., verlokkers. Verlokking, V., verlokkingen. Verloksel, O., verlokselen en verloksels. Verlokster, V., verloksters. Verloochenaar, M., verloochenaars. Verloochen ares, V., verloochenaressen. Verloochenen, verloochende, heeft verloochend. Verloochening, V . Verlooden, verloodde, heeft verlood. Verlooding, V. Verloofde, M. en V., verloofden. Verloomen, verloomde, is verloomd. Verloonen (Laten â). Verloop, o. Verloopen, verliep, heeft en is ver- loopen. Verlootdag, M., -dagen. Verloren. Verloskunde, V. V erloskdndig. Verloskundige, M. en V., -kundigen. Verlossen, verloste, heeft en is verlost. Verlosser, M., verlossers. Verlossing, V., verlossingen. |
Verlossingswerk, ü. Verlosster, V., verlossters. Verloten, verlootte, heeft verloot. Verloter, M., verloters. Verloting, V., verlotingen. Verloven, verloofde, heeft verloofd. Verloving, V., verlovingen. Verlovingsdag, M., -dagen. Verlovingsfeest, o., -feesten. Verlovingsring, M., -ringen. Verluchten, verluchtte, heeft verlucht. Verluchtigen, verluchtigde, heeft verluchtigd. Verluchtiging, V. Verluchting, V. Verluiden (Zich laten â). Verluieren, verluierde, heeft verluierd. Verlustigen, verlustigde, heeft verlustigd. Verlustiging, V., verlustigingen Vermaagschappen, vermaagschapte, heeft vermaagschapt. Vermaagschapping, V., vermaagschap- pingen. Vermaak, O., vermaken. Vermaakshalve. Vermaan, o. Vermaanbrief, M., -brieven. Vermaanster, V., vermaansters. Vermaard, vermaarder, vermaardst. Vermaardheid. V., -heden. Vermageren, vermagerde, heeft en is vermagerd. Vermagering, V. Vermakelijk, -lyker, -lijkst. Vermakelijkheid, V., -heden. Vermaken, vermaakte, heeft vermaakt. Vi RMAKiNG, V., vermakingen. Vermaledijd. Vermalen, vermaalde, heeft verraaien. Vermaling, V. Vermallen, vermalde, heeft vermald. Vermanen, vermaande, heeft vermaand. Vermaner, M., vermaners. Vermangelen, vermangelde, heeft vermangeld. Vermaning, V., vermaningen. Verma- ninkje, O., -jes. Vermannen, vermande, heeft vermand. Vermeend. Vermeenen, vermeende, heeft vermeend. Vermeerderaar, M., vermeerderaars. Vermeerderen, vermeerderde, heeft en is vermeerderd. Vermeerdering, V., vermeerderingen. Vermeesteraar, M., vermeesteraars. Vermeesteren, vermeesterde, heeft verin eesterd. Vermeestering, V. Vermeiden. Zie Vermeien. Vermeien, ook vermeiden (zichâ), vermeide en vermeidde zich, heeft zich vermeid. |
VER.
428
VER
|
Vermelden, vermeldde, heeft vermeld. Vermelder, M., vermelders. Vermelding, V., vermeldingen. Vermengen, vermengde, heeft vermengd. Vermenger, M., vermengers. Vermenging, V., vermengingen. Vermengster, V., vermengsters. Vermenigvuldigen, vermenigvuldigde, heeft en is vermenigvuldigd. Vermenigvuldiger, m., vermenigvuldigers. Vermenigvuldiging, V., vermenigvuldigingen. Vermenigvuldigtal, O., -tallen. Vermerken, vermerkte, heeft vermerkt. Vermetel, vermeteler, vermetelst. Vermetelheid, V. Vermeten, vermat, vermaten, heeft vermeten. Vermeten (zich â), vermat zich, vermaten zich, heeft zich vermeten. Vermetselen, vermetselde, heeft ver- metseld. Vermetseling, V. Vermicelli, v. Vermicellipodding, M., -poddingen. Vermicellisoep, V. Vermijdbaar, -bare. Vermijdelijk. Vermijden, vermeed, vermeden, heeft vermeden. Vermijding, V. Vermumeren, vermymerde, heeft ver- mijmerd. Vermijten, vermatte, is vermflt. Vermiljoen, O. v ermil j oen achtig. Verminderen, verminderde, heeft en is verminderd. Vermindering, V., verminderingen. Verminken, verminkte, heeft verminkt. Verminking, V., verminkingen. Vermissen, vermiste, heeft vermist. Vermits. Vermodderen, vermodderde, heeft ver- modderd. Vermoedelijk. Vermoeden, vermoedde, heeft vermoed. Vermoeden, O., Aermoedens. Vermoeid, vermoeider, vermoeidst. Vermoeidheid, v. Vermoeien, vermoeide, heeft vermoeid. Vermoeiend, vermoeiender, vermoeiendst. Vermoeienis, V., vermoeienissen. Vermoeiing, V. Vermoffen, vermofte, heeft en is verin o ft. Vermoffing, v. Vermogen, vermag, vermogen, vermocht. Vermogen, O., vermogens. Vermogend, vermogender, vermogendst. |
Vermogensbelasting, V., -belastingen. Vermolmen, vermolmde, is vermolmd. Vermolming, V. Vermolsemen, vermolsemde. is vermol- â¢semd. Vermolseming, V. Vermomde, M. en V., vermomden. Vermommen, vermomde, heeft vermomd. Vermomming, V., vermommingen. Vermooien, vermoeide, heeft en is vermoeid. Vermoorden, vermoordde, heeft vermoord. Vermoorde»., M., vermoorders. Vermoording, V., vermoordingen. Vermorsen, vermorste, heeft vermorst. Vermorsing, V. Vermorzelen, vermorzelde, heeft vermorzeld. Vermorzeling, V. Vermotten, vermotte, is vermot. Vermotting, V. Vermuffen, vermufte, is vermuft. Vermuffing, V. Vermunten, vermuntte, heeft vermunt. Vermunting, V., vermuntingen. Vermurwen, vermurwde, heeft en is vermurwd. Vermurwing, V. Vernaaien, vernaaide, heeft vernaaid. Vernachten, vernachtte, heeft vernacht. Vernagelen, vernagelde, heeft vernageld. Vernageling, V. Vernauwen, vernauwde, heeft en is vernauwd. Vernauwing, V., vernauwingen. Vernederen, vernederde, heeft vernederd. Vernederend, vernederender, vernederendst. Vernedering, V., vernederingen. Verneembaar, -bare. Vernemen, vernam, vernamen, heeft vernomen. Vernestelen, vernestelde, heeft ver-nesteld. Vernielachtig, -achtiger, -achtigst. Vernielachtigheid, V. Vernielal, M. en V., vernielallen. Vernielen, vernielde, heeft vernield. Vernielend, vernielender, vernielendst. Vernieler, M., vernielers. Vernieling, V. Vernielster, V., vernielsters. Vernielzucht, V. Vernietigbaar, -bare. Vernietigen, vernietigde, heeft vernietigd. Vernietiger, M., vernietigers. Vernietiging, V. Vernieuwen, vernieuwde, heeft vernieuwd. |
VER.
VER.
429
|
Tebnieuweb, m., vernieuwers. Vernieuwing, V., vernieuwingen. Vernis, o., vernissen. Vernisje, o., -jes. Vernissen, verniste, heeft gevernist. Vernoegd, vernoegder, vernoegdst. Vernoegdheid, V. Vernoegen (zich â), vernoegde zich, heeft zich vernoegd. Vernoeging, V. Vernoemen, vernoemde, heeft vernoemd. Vernoeming, V., vernoemingen. Vernuft, o., vernuften. Vernuftje, o., -jes. Vernuftig, vernuftiger, vernuftigst. Veronaangenamen, veronaangenaamde, heeft veronaangenaamd. Veronaangenaming, v. Veronachtzamen, veronachtzaamde, heeft veronachtzaamd. Veronachtzaming, V. Veronderstellen, veronderstelde, heeft verondersteld. Veronderstelling, V., veronderstellingen. Verongelijken, verongelukte, heeft verongelijkt. Verongelijking, V., verongelijkingen. Verongelukken, verongelukte, is verongelukt. Verontheiligen, verontheiligde, heeft veronthéiligd. Verontheiliger, M., verontheiligers. Verontheiliging, V., verontheiligingen. Verontreinigen, verontreinigde, heeft verontreinigd. Verontreiniger, M., verontreinigers. Verontreiniging, V., verontreinigingen. Verontrusten, verontrustte, heeft verontrust. Verontrusting, V. Verontschuldigen, verontschuldigde, heeft verontschuldigd. Verontschuldiging, V., verontschuldigingen. Verontwaardigen, verontwaardigde, heeft verontwaardigd. Verontwaardiging, V. Veroordeel a ar, M., veroordeelaars. Veroordeelen, veroordeelde, heeft veroordeeld. Veroordeeling, M., veroordeelingen. Veroorloven, veroorloofde, heeft veroorloofd. Veroorloving, V. Veroorzaken, veroorzaakte, heeft veroorzaakt. Veroorzaker, M., veroorzakers. Veroorzaking, V. Verootmoedigen, verootmoedigde, heeft verootmoedigd. Verootmoediging, V., verootmoedigingen. |
Verorberen, verorberde, heeft verorberd. Verordenen, verordende, heeft verordend. Vebobdening, V., verordeningen. Vebobdineeren, verordineerde, heeft verordineerd. Vebouden, veroudde, is en heeft veroud. Veboudeben, verouderde, is en heeft verouderd. Veboudebing, V. Vebouwelijken, verouwelijkte, is en heeft verouwelykt. Vebovebaab, M., veroveraars. Veroveben, veroverde, heeft veroverd. Vebovebing, V., veroveringen. Vebovebingsooblog, M., -oorlogen. Vebovebingszucht, V. Vebpachten, verpachtte, heeft verpacht. Vebpachteb, M., verpachters. Vebpachting, V., verpachtingen. Vebpakken, verpakte, heelt verpakt. Vebpakking, V., verpakkingen. Vebpanden, verpandde, heeft verpand. Vebpanding, V., verpandingen. Vebpappen, verpapte, heeft verpapt. Vebpassen, verpaste, heeft verpast. Vebpekelen, verpekelde, heeft en is verpekeld. Vebpekken, verpekte, heeft verpekt. Vebpebsoonlijken, verpersoonlijkte, heeft verpersoonlykt. Vebpebsoonlijking, V. Vebpesten, verpestte, heeft verpest. vebpestend,verpestender,verpestendst. Vebpesting, V. Vebpietebd, verpieterder, verpieterdst. Vebpijnen (zich â), verpijnde zich, heeft zich verpijnd. Vbbplaatsbaab, bare. Vebplaatsen, verplaatste, heeft verplaatst. Vebplaatsing, V., verplaatsingen. Vebplakken, verplakte, heeft verplakt. Vebplanten, verplantte, heeft verplant. Vebplanting, V., verplantingen. vebplassen, verplaste, heeft verplast. Vebpleegsteb. V., verpleegsters. Vebplegen, verpleegde, heeft verpleegd. Vebplegeb, M., verplegers. Vebpleging, V. Vebplegingskosten (mv.), M. Vebpleisteben, verpleisterde, heeft ver-pleisterd. Vebpletten, verplette, heeft verplet. Vebpletteben, verpletterde, heeft verpletterd. Vebplettebing, V. Vebplichten, verplichtte, heeft verplicht. Vebplichtend, verplichtender, ver- plichtendst. Vebplichting, V., verplichtingen. Vebplooien, verplooide, heeft verplooid. |
VER.
430
VER.
|
Verponding, V., verpondingen. Vebpoozen, verpoosde, heeft verpoosd. Vebpoozing, V., verpoozingen. Verpoten, verpootte, heeft verpoot. Verpoting, V., verpotingen. Verpotten, verpotte, heeft verpot. Verpotting, V. Verpraten, verpraatte, heeft verpraat. Verpronken, verpronkte, heeft verpronkt. Verpruilen, verpruilde, heeft verpruiid. Verraad, O. Verraden, verried, heeft verraden. Verrader, m., verraders en verraderen. Verraderes, V., verraderessen. Verraderij, V., verraderyen. Verraderlijk, -l^ker, -lijkst. Verrafelen, verrafelde, heeft en is verrafeld. Verrammelen, verrammelde, heeft ver- rammeid. Verrassen, verraste, heeft verrast. Verrassing. V., verrassingen. Verras- sinkje, O., -jes. Verre. Zie Ver. Verregaand, -gaander, -gaandst. Verreiken (zich â), (te ver reiken), verreikte zich, heeft zich verreikt. Verreizen, verreisde, heeft verreisd. Verrekenen, verrekende, heeft verrekend. Verrekening, V., verrekeningen. Verrekijker, M., -kykers; -kiikertie. O., -jes. Verrekken, verrekte, heeft en is verrekt. Verrekking, V., verrekkingen. Verrel, O., verreis. Verrelt.je, O., -jes. Verreweg. Verreziend en verziend. Verrichten, verrichtte, heeft verricht. Verrichting, V., verrichtingen. Verrijken (rijker maken), verrykte, heeft verrijkt. Verrijking, V. Verrijzen, verrees, verrezen, is ver- rezen. Verrijzenis, V. Verrijzing, V. Verrimpelen, verrimpel de, heeft en is verrimpeld. Verroeien, verroeide, heeft en is ver-roeid. Verroekeloozen, verroekeloosde, heeft verroekeloosd. Verroekeloozing, V. Verroeren, verroerde, heeft verroerd. Verroesten, verroestte, is verroest. Verroesting, V. Verrollen, verrolde, heeft verrold. Verrolling, V. Verronken, verronkte, heeft verronkt. Verronselen, verronselde, heeft verronseld. |
Verrocken, verrookte, heeft verrookt Verrot, verrotter, verrotst. Verrotten, verrotte, is verrot. Verrotting, V. Verrottingsproces, O., -processen. Verruilen, verruilde, heeft verruild. Verruiling, V., verruilingen. Verruimen, verruimde, heeft verruimd. Verruiming, V. Verrukkelijk, -lyker, -lykst. Verrukkelijkheid, V. Verrukken, verrukte, heeft verrukt. Verrukking, V., verrukkingen. Vers, O., verzen. quot;Versje, O., -jes. Versaagd, versaagd er, versaagdst. Versaagdheid, V. Versagen, versaagde, is versaagd. Versbouw. m. Versch, verscher, verscht. Verschacheren, verschacherde, heeft verschacherd. Verschaffen, verschafte, heeft verschaft. Verschaffing, V. Verschalen, verschaalde, is verschaald. Verschaling, V. Verschalken, verschalkte, heeft verschalkt. Verschalking, V., verschalkingen. Verschansen, verschanste, heeft verschanst. Verschansing, V., verschansingen. Verschebalie en vabbchebalie, M., -balies. Vebrcheiden, verscheidde, is verscheiden. Verscheiden, o. Verscheiden (bnw. en telw.). Verscheidenheid, V., -heden. Verschelen, verscheelde, heeft verscheeld. Verschelijk. Verschen, verschte, heeft geverscht. Verschenken, verschonk, heeft verschonken. Verschepen, verscheepte, heeft verscheept. Verscheping, V., verschepingen. Verscherpen, verscherpte, heeft verscherpt. Verscherping, V., verscherpingen. Verschertsen, verschertste, heeft ver-schertst. Verscherven, verscherfde. heeft ver- scherfd. Verschet. Zie Frisket. Verscheuren, verscheurde, heeft verscheurd. Verscheuring, V. Verschheid, V. Verschiet, O., verschieten. Verschietje, O., -jes. Verschieten, verschoot, verschoten, heeft en is verschoten. |
VER.
431
VER.
|
Verschijndag, M., -dagen. Verschijnen, verscheen, verschenen, is verschenen. Verschijning, V., verschiiningen. Verschijnsel, o., verschynselen en ver-schynsels. Verschikken, verschikte, heeft en is verschikt. Verschikking, V., verschikkingen. Verschil, o., verschillen. Verschilletje, O., -jes. Verschilferen, verschilferde, is ver-schilferd. Verschillen, verschilde, heeft verschild. Verschillend. Verschilpunt, o., -punten. Verschimmelen, verschimmelde, is verschimmeld. Verschimmeling, V. Versching, v. Verschoffelen, verschottelde, heeft verschofleld. Verschokken, verschokte, heeft en is verschokt. Verschommelen, verschommelde, heeft en is verschommeld. Verschoonbaar, -baarder, -baarst. Verschoonbaarheid, V. Verschoonen, verschoonde, heeft verschoond. Verschooning, V., verschooningen. Verschoonluk, -lyker, -lykst. Verschoonlijkheid, V. Verschoppeling, M. en V., verschoppelingen. V. ook verschoppelinge. Verschoppen, verschopte, heeft verschopt. Verschopping, V. Verschot, O., verschotten. Verschotje, O., -jes. Verschotlijstje, O., -lystjes. Verschoveling, M. en V., verschove-lingen. V. ook verschovelinge. Verbchreedwen (zich â), verschreenw-de zich, heeft zich verschreeuwd. Verschrijven, verschreef, verschreven, heeft verschreven. Verschrijving, V., verschrijvingen. Verschrikkelijk, -lyker, -lykst. Verschrikkelijkheid, V., -heden. Verschrikken, verschrikte, heeft en is verschrikt. Verschrikker, M., verschrikkers. Verschrikking, V., verschrikkingen. Verschroeien, verschroeide, heeft en is verschroeid. Verschroeiing, V. Verschroeven, verschroefde, heeft ver-schroefd. Verschroeving, V. Verschrompelen, verschrompelde, is verschrompeld. Verschrompeling, v. |
Verschronkelen, verschronkelde, is verschronkeld. Verschudden, verschudde, heeft verschud. Verschudding, V. Verschuilen (zich â), verschool zich,, verscholen zich, heeft zich verscholen. Verschuimen, verschuimde, heeft ver-schuimd. Verschuinen, verschuinde, heeft ver-schuind. Verschuiven, verschoof, verschoven, heeft en is verschoven. Verschuiving, V., verschuivingen. Verschuldigd. Verschuren, verschuurde, heeft en verschüurd. Versierder, Mm versierders. Versieren, versierde, heeft versierd. Versiering, V., versieringen. Versieringskunst, V. Versieringsmotief, O., -motieven. Versiersel, o., versiersels en versierselen. Versierster, V., versiersters. Versificatie, V. Versjouwen, versjouwde, heeft versjouwd. V erslaafd. Verslaafdheid, V. Verslaan, verslaat, versloeg, heeft ert is verslagen. Verslag, O., verslagen. Verslagje, O.^ -jes. Verslagen, verslagener, verslagens!. Verslagenheid, V. Verslaggever, M., -gevers. Verslampampen, verslampampte, heeft verslampampt. Verslapen, versliep, heeft verslapen. Verslappen, verslapte, heeft en is verslapt. Verslapping, V., verslappingen. Verslaven (zich â), verslaafde zich heeft zich verslaafd. Verslaving, V. Verslechten, verslechtte, heeft en is verslecht. Versleepen, versleepte, heeft versleept. Verslempen, verslempte, heeft verslempt. Verslensen, verslenste, is verslenst. â Verslenteren, verslenterde, heeft ver-slenterd. Versleuren, versleurde, heeft versleurd. Verslibben, verslibde, is verslibd. Verslibbing, V., verslibbingen. Verslijken, verslijkte, is verslikt. Verslijking, V., versiykingen. Verslijmen, verslijmde, is verslijmd. Verslijming, V.. verslymingen. Verslijtbaar, -bare. Verslijten, versleet, versleten, heeft en is versleten. |
VER.
432
VER.
|
Verslijting, V. Verslikken, verslikte, heeft verslikt. Verslikking, V., verslikkingen. Verslinden, verslond, heeft version-den. Verslinder, M., verslinders. Verslinding, V. Verslindster, V., verslindsters. Verslingerd. Verslingerdheid, V. Verslingeren, verslingerde, heeft en is verslingerd. Yerslodderen, verslodderde, heeft ver-slodderd. Versloffen, verslofte, heeft versloft. Verslonzen, verslonsde, heeft verslonsd. Versloven, versloofde, heeft versloofd. Versluizen, versluisde, heeft versluisd. Versmaadheid, V. Versmaadster, v., versmaadsters. Versmachten, versmachtte, is versmacht. Versmachting, V. Versmaden, versmaadde, heeft versmaad. Versmader, M., versmaders. Versmading, V. Versmakken, versmakte, heeft versmakt. Versmallen, versmalde, heeft versmald. Versmalling, v., versmallingen. Versmeden, versmeedde, heeft versmeed. Versmeding, V., versmedingen. Versmelten, versmolt, heeft en is versmolten. Versmelting, v. Versmeren, versmeerde, heeft ver-smeerd. Versmeulen, versmeulde, is versmeuld. Versmijten,versmeet, versmeten, heeft versmeten. Versmoren, versmoorde, heeft en is versmoord. Versmoring, V., versmoringen. Versmullen, versmulde, heeft ver-smuld. Versnapering, v., versnaperingen. Versnaperingetje, O., -.ies. Versnellen, versnelde, heeft versneld. Versnelling, v. Versnijden, versneed, versneden, heeft versneden. Versnijding, V., versnijdingen. Versnipperen, versnipperde, heeft ver-snipperd. Versnippering, v. Versnoepen, versnoepte, heeft versnoept. Versnoeren, versnoerde, heeft ver-snoerd. Versollen, versolde, heeft versold. |
Verspannen, verspande, heeft verspannen. Verspanning, V., verspanningen. Verspelden, verspeldde, heeft verspeld. Verspelen, verspeelde, heeft verspeeld. Versperren, versperde, heeft versperd. Versperring, V., versperringen. Verspieden, verspiedde, heeft verspied. Verspieder, M., verspieders. Verspieding, V., verspiedingen. Verspiedster, V., verspiedsters. Verspiejacht, O., -jachten. Verspillen, verspilde, heeft verspild. Verspiller, m., verspillers. Verspilling, V., verspillingen. Verspilster, V., verspilsters. Verspinnen, verspon, versponnen, heeft versponnen. Verspitten, verspitte, heeft verspit. Verspitting, V. Versplinteren, versplinterde, is versplinterd. Versplintering, V. Versplitsen, versplitste, heeft ver- splitst. Versplitsing, V. Verspoelen, verspoelde, is verspeeld. Verspoeling, V. Verspreiden, verspreidde, heeft verspreid. Verspreider, M., verspreiders. Verspreiding, V. Verspreidster, V., verspreidsters. Verspreken (zich â), versprak zich, verspraken zich, heeft zich versproken. Versprenkelen, versprenkelde, heeft versprenkeld. Verspringen, versprong, is en heeft versprongen. Verspringing, V. Verspuiten, verspoot, verspoten, heeft verspoten. Verstaald, verst aalder, verstaaldst. Verstaaldheid, V. Verstaan (te lang staan), verstaat, verstond, is verstaan. Verstaan (begrijpen), verstaat, verstond, heeft verstaan. Verstaanbaar, -baarder, -baarst. Verstaanbaarheid, V. Verstaander, M., verstaanders. Verstalen, verstaalde, heeft verstaald. Verstaling, V. Verstallen, verstalde, heeft verstald. Verstalling, V., verstallingen. Verstand, O., verstanden. V erst andelijk. Verstandelijkheid, V. Verstandeloos, -loozer, -loost. Verstandeloosheid, V. Verstandhouding, V. Verstandig, verstandiger, verstandigst. |
VER.
VER.
433
|
Verst andiglijk. Verstandskies, V., -kiezen. Verstandsontwikkeling, V. Vkrstandsverbijster f ng, V. Verstapelen, verstapelde, heeft ver-stapeld. Verstappen (zich â), verstapte zich, heeft zich verstapt. Versteend, versteender, versteendst. Versteendheid, v. Versteenen, versteende, heeft en is versteend. Versteening, V., versteeningen. Verstek, O. Versteken, verstak, verstaken, heeft verstoken. Verstekhaak, M., -haken. Verstekwerk, O. Verstellen, verstelde, heeft versteld. Versteller, M., verstellers. Verstelling, V., verstellingen. Verstelster, v., verstelsters. Verstelwerk, O. Verstempelen, verstempelde, heeft ver- stempeld. Verstempeling, V., verstempelingen. Versterf, O. Versterfbaar, -bare. Versterfrecht, o. versterken, versterkte, heeft versterkt. Versterkend, versterkender, verster-kendst. Versterking, V., versterkingen. Versterkingskunst, V. Versterven, verstierf, verstierven, is verstorven. Versterving, V. Verstijfd, verstyfder, verstij fdst. Verstijfdheid, V. Verstijven, verstyfde, heeft en is verstijfd. Verstijving, V., verstijvingen. Verstikken, verstikte, heeft en is verstikt. Verstikking, V. Verstoelen, verstoelde, heeft verstoeld. Verstoeling, V., verstoelingen. Verstoken, verstookte, heeft verstookt. Verstoking, V. Verstokken, verstokte, heeft en is verstokt. Verstokt, verstokter, verstoktst. Verstoktheid, V. Verstommelen, verstommelde, heeft verstommeld. Verstommen, verstomde, heeft en is verstomd. Verstomming, V, Verstompen, verstompte, heeft en is verstompt. Verstomping, V. Verstoomen, verstoomde, heeft en is verstoomd. Verstoorbaar, -bare. |
Verstoord, verstoorder, verstoordst. Verstoorder, M., verstoorders. Verstoordheid, V. Verstoorster, V., verstoorsters, Verstooteling, M. en V., verstoote- lingen. v. ook verstootelinge. Verstooten, verstiet, heeft verstooten; ook verstootte. Verstoppen, verstopte, heeft en is verstopt. Verstoppertje, O. Verstopping, V,, verstoppingen. Verstoppinkje, O., -jes. Verstoptheid, v. Verstoren, verstoorde, heeft verstoord. Verstoring, V., verstoringen. Verstorten, verstortte, heeft verstort. Verstouten, verstoutte, heeft verstout. Verstouwen, verstouwde, heeft verstouwd. Verstrammen, verstramde, beeft en is verstramd. Verstramming, V. Verstrekken, verstrekte, heeft verstrekt. Verstrekking, V., verstrekkingen. Verstrijken, verstreek, verstreken, is verstreken. Verstrikken, verstrikte, heeft verstrikt. Verstrikking, V., verstrikkingen, Verstrooid, verstrooider, verstrooidst. Verstrooidheid, V. Verstrooien, verstrooide, heeft verstrooid. Verstrooiing, V., verstrooiingen. Verstuiken, verstuikte, heeft verstuikt. Verstuiking, V., verstuikingen. Verstuiven, verstoof, verstoven, is verstoven. Verstuiving, V., verstuivingen. Verstuwen, verstuwde, heeft verstuwd. Versuffen, versufte, heeft en Is versuft. Versuft, versufter, versuftst. Versuftheid, V. Versukkelen, versukkelde, heeft en is versukkeld. Vertaalbaar, -bare. Vertaalloon, O., -loonen. Vertaalrecht, O. Vertaalster, V., vertaalsters. Vertaalwerk, o. vrrtaalwoede, v, Vertakelen, vertakelde, beeft verta- keld. Vertakeling, V. Vertakking, V., vertakkingen. Vertalen, vertaalde, heeft vertaald. Vertaler, M., vertalers. Vertaling, V., vertalingen. Vertalmen, vertalmde, heeft vertalmd. Vertappen, vertapte, beeft vertapt. Vertappïng, V. Vertasten (zich â), vertastte zich, heeft zich vertast. |
28
VER.
434
VER
|
Verte, V. Vebteederen, verteederde, heeft en is verteederd. Verteedering, V. Verteerbaar, -bare. Verteerder, M., verteerders. Verteersteb, v., verteersters. Vertegenwoordigen, vertegenwoordigde, heeft vertegenwoordigd. Vertegenwoordiger, M., vertegenwoordigers. Vertegenwoordiging, V. Vertegenwoordigster, V., vertegenwoordigsters. Vertellen (verhalen), vertelde, heeft verteld. Vertellen (zich â), (verkeerd tellen), vertelde zich, heeft zich verteld. Vertellenswaardig, - waardiger, - waardigst, of meer en meest -waardig. Verteller, M., vertellers. Vertelling, v., vertellingen. Vertellinkje, O., -jes. Vertelsel, o., vertelsels. Vertelseltje, O., -jes. Vertelster, V., vertelsters. Verteren, verteerde, heeft en is verteerd. Vertering, V., verteringen. Verteringsbelasting, V., -belabtingen. Verteuten, verteutte, heeft verteut. Verticaal, verticale. Vertienden, vertiendde, heeft vertiend. Vertiender, M., vertienders. Vertiending, V., vertiendingen. Vertienvoudigen, vertienvoudigde, heeft vertienvoudigd. Vertier, o. Vertikken, vertikte, heeft vertikt. Vertillen, vertilde, heeft vertild. Vertimmeren, vertimmerde, heeft vertimmerd. Vertimmering, V,, vertimmeringen. Vertinnen, vertinde, heeft vertind. Vertinneb, M., vertinners. Vertinning, V. Vertinsel, O. Vertobben, vertobde, heeft vertobd. Vertoef, O. Vertoefplaats, V., -plaatsen. Vertoeven, vertoefde, heeft vertoefd. Vertolken, vertolkte, heeft vertolkt. Vertolker, M., vertolkers. Vertolking, V., vertolkingen. Vertollen, vertelde, heeft verteld. Vertolling, V., vertellingen. Vertonnen, vertonde, heeft vertond. Vertonning, V. Vertoog, o., vertoogen. Vertoogje, o., -jes. Vertoon, O. Vertoonbaar, -bare. Vertoondag, M., -dagen. Vbrtoonen, vertoonde, heeft vertoond. |
Vertooner, M., vertooners. Vertooning, V., vertooningen. Vertoo-ninkje, O., -jes. Vertoonplaats, V., -plaatsen. Vertoonster, V., vertoonsters. Vertoornen, vertoornde, heeft vertoornd. Vertooveren, vertooverde, heeft ver-tooverd. Vertorsen, vertorste. heeft vertorst. Vertragen, vertraagde, heeft en is vertraagd. Vertraging, V., vertragingen. Vertrappelen, vertrappelde, heeft ver-trappeld. Vertrappeling, m. en V., vertrappe-lingen. Vertrappen, vertrapte, heeft vertrapt. Vertrapper, M., vertrappers. Vertrapping, V. Vertreden, vertrad, vertraden, heeft vertreden. Vertbedeb, M., vertreders. Vertreding, V. Vertreedster, v., vertreedsters. Vertrek (kamer), O., vertrekken. Vertrekje, O., -jes. Vertbek (afreis). O. Vertrekken, vertrok, vertrokken, heeft en is vertrokken. Vertrekking, V., vertrekkingen. Vertreuren, vertreurde, heeft ver-treurd. Vertreuzelen, vertreuzelde, heeft ver-treuzeld. VertreuzelIng, V. Vertroetelen, vertroetelde, heelt vertroeteld. Vertroeteling, V. Vertroostbaar, -bare. Vertroosten, vertroostte, heeft vertroost. Vertroostend, vertroostender, ver-troostendst. Vertrooster, M., vertroosters. Vertroosteres, V., vertroosteressen. Vertroosting, V., vertroostingen. Vertrouwd, vertrouwder, vertrouwdst. Vertrouwde, M. en V., vertrouwden. Vertbouwdheid, V. Vertrouwelijk, -lijker, -lykst. Vertrouwelijkheid, V. Vertrouweling, M. en V., vertrouwelingen. V. ook vertrouwelinge. Vertrouwen, o. Vertrouwen, vertrouwde, heeft vertrouwd. Vertuianker, o., -ankers. Vertuien, vertuide, heeft vertuid. Vertuigen, vertuigde, heeft vertuigd. Vertuiging, V., vertuigingen. Vertuiing, V. Vertuind. Vertuining, V.# vertuiningen. |
VER.
VER.
435
|
Vebuitziend. Vervaard, vervaarder, vervaardst. Vervaardheid, V. Vervaardigen, vervaardigde, heeft vervaardigd. Vervaardiger, M., vervaardigers. Vervaardiging, V. Vervaardigster, v., vervaardigsters. Vervaarlijk, -lljker, -lykst. Vervaarlijkheid, V. Verval (vermindering), O. Verval (voordeel), ü., vervallen. Vervalletje, O., -jes. Vervaldag, M., -dagen. Vervallen, verviel, is vervallen. Vervallen, vervallener, vervallenst. Vervallenheid, V. Vervalbchen, vervalschte, heeft ver-valscht. Vervalscher, M., vervalschers. Vervalhching, V., vervalschingen. Vervaltijd, M. Vervangen, verving, heeft vervangen. Vervanging, V. Vervaren (vervaard maken), vervaarde, heeft vervaard. Vervaren (vervoeren enz.), vervoer, heeft en is vervaren. Vervaten, ver vaatte, heeft ver vaat. Vervatten, vervatte, heeft vervat. Vervederen. Zie Verveeren. Verveeren en vervederen, verveerde, is verveerd. Verveering, V., ver veeringen. Vervelen, verveelde, heeft verveeld. Vervelend, vervelender, vervelendst. Vervelendheid, V. Verveling, V. Vervellen, vervelde, is verveld. Vervelling, V., vervellingen. Verveloos, -loozer, -loost. Verveloosheid, V. Verven, verfde, heeft geverfd. Vervenen, verveende, heeft verveend. Vervening, V., verveningen. Verver, M., ververs. Ververij, V., ververyen. Ververschen, ververschte, heeft ver-verscht. Verversching, V., ververschingen. Ver- verschinkje, O., -jes. Ververschingskanaal, o., -kanalen. Ververschingsplaats, V., -plaatsen. Verversknecht, M., -knechts. Ververskuip, V., -kuipen. Ververswinkel, M., -winkels. Vervetten, vervette, is vervet. Vervetting, V. vervierddbbelen, vervierdubbelde, heeft vervierdubbeld. Vervulen, vervelde, heeft vervijld. Vervlechten, vervlocht, heeft vervlochten. Vervlechting V |
Vervliegen, vervloog, vervlogen, is vervlogen. Vervlieging, V. Vervlieten, vervloot, vervloten, is vervloten. Vervloeien, vervloeide, is vervloeid. Vervloeiing, V. Vervloeken, vervloekte, heeft vervloekt. Vervloeking, V., vervloekingen. Vervloekt. Vervloeren, vervloerde, heeft ver-vloerd. Vervluchtigen, vervluchtigde, heeft vervluchtigd. Vervluchtiging, V, Vervoederen, ver voederde, heeft ver- voederd. Vervoegbaar, -bare. Vervoegbaarheid, V. Vervoegen, vervoegde, heeft vervoegd. Vervoeging, V., vervoegingen. Vervoer, O. Vervoerbaar, -bare. Vervoerder, M., vervoerders. Vervoeren, vervoerde, heeft vervoerd. Vervoering, V., vervoeringen. Vervoermiddel, O., -middelen. Vervoerprijs, M., -prezen. Vervolg, O., vervolgen. Vervolgje, O., -jes. Vervolgbaar, -bare. Vervolgbaarheid, V. Vervolgbundel, M., -bundels. Vervolgdeel, O., -deelen. Vervolgen, vervolgde, heeft vervolgd. Vervolgens. Vervolger, M., vervolgers. Vervolging, V., vervolgingen. Vervolgingsgeest, M. Vervolgingswaanzin, M. Vervolglijst, V.,-lijsten; -lijstje, O., -jes. Vervolgster, V., vervolgsters. Vervolgwerk, o., -werken. Vervolgzucht, V. Vervolgzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Vervoogden, vervoogdde, heeft vervoogd. Vervorderen, vervorderde, heeft vervorderd. vervormen,vervormde, heeft vervormd. Vervormer, M., ver vormers. Vervorming, V., vervormingen. Ver vouwen, vervouwde, heeft vervou-wen. Vervrachten, vervrachtte, heeft vervracht. Vervrachter, M., vervrachters. Vervrachting, V., vervrachtingen. Vervreemdbaar, -bare. Vervreemden, vervreemdde, heeft en is vervreemd. Ver vreemdheid, V. Vervreemding, V., vervreemdingen. |
VER.
436
VER
|
Vervreten, vervrat, vervraten, heeft vervreten. Vervriezen, vervroor, vervroren, is vervroren en vervrozen. Vervriezing, v. Vervroegen, vervroegde, neeft en is vervroegd. Vervroeging, V., vervroegingen. Vervroolijken, vervroolykte, heeft \ er- vroolykt. Vervrooluking, V. Vervtjii-en, vervuilde, is vervuild. Vervuiling, V. . ., Vervullen, vervulde, heeft vervuld. Vervulling, V. Vervuren, vervuurde, is vervuurd. Verwaaid, verwaaider, verwaaidst. Verwaaien, verwaaide, heeft en is verwaaid; ook verwoei, verwoeien. Verwaaiing, V. Verwaand, verwaander, verwaandst. v erw a andelijk. Verwaandheid, V., -heden. Verwaardigen, verwaardigde, heeft verwaardigd. Verwaarloosster, V., verwaarloossters. Verwaarloozen, verwaarloosde, heelt verwaarloosd. Verwaarloozer, M., verwaarloozers. Verwaarloozing, V. Verwachten, verwachtte, heeft verwacht. Verwachter, M., verwachters. Verwachting, V., verwachtingen. Verwakkeren, verwakkerde, is verwak- kerd. Verwakkering, V. Verwalmd. Verwant. Verwant, M., verwanten. Verwante, V., verwanten. Verwantschap, V. v erwantschapt. Verward, verwarder, verwardst. v erwardelijk. Verwardheid, V. Verwaren, verwaarde, heeft verwaard. Verwaring, V., verwaringen. Verwarmen, verwarmde, heeft verwarmd. Verwarming, V. Verwarmingsbuis, V., -buizen. Vbrwarmingskosten (mv.), M. Verwarmingstoestel, M. en o.,-toestellen. Verwarren, verwarde, heeft verward. Verwarring, V., verwarringen. Verwasemen, verwasemde, is verwa-semd. Verwassen, verwies, verwiesen, is verwassen. Verwassing, V. Verwaten, verwatener, verwatenst. Verwatenheid, V. |
Verwateren, verwaterde, heeft verwaterd. Verwatering, V. Verwedden, verwedde, heeft verwed. Verweekklijken, verweekeiykte, heeft verweekelijkt. Verweekelijking, V. Verweeken, verweekte, heeft en is verweekt. Verweeking, V. Verweerbaar, -bare. Verweerd (Irgw. en tusschenw.). Verweerder, M., verweerders. Verweeren (bederven), verweerde, is verweerd. Vebweering, V. Verweerschrift, o., -schriften. Verweerster, V., verweersters. Verwegen (ww.). Verweiden, verweidde, heeft verweid. Verweiding, V. Verwekken, verwekte, heeft verwekt. Verwekker, M., verwekkers. Verwekking, V. Verwekster, V., verweksters. Verweldigen, verweldigde, heeft ver-weldigd. Verwelf en verwulf, o., verwelven en verwulven. Verwelfsel en verwulfsel, O., verwelfsela en verwulfsels. Verwelkbaar, -bare. Verwelkbaarheid, V. Verwelkelijk. Verwelken, verwelkte, is verwelkt. Verwelking, V. Verwelkomen, verwelkomde, heeft verwelkomd. Verwelkoming, V., verwelkomingen. Verwelven en verwulven, verwelfde en verwulfde, heeft verwelfd enver-wulfd. Verwennen, verwende, heeft verwend. Verwenning, V. Verwenschen, verwenschte, heeft ver- wenscht. Verwenbching, V., verwenschingen. Verweren (zich â), (verdedigen), verweerde zich, heeft zich verweerd. Verwering, V. Verwerkelijken, verwerkelykte, heeft verwerkelijkt. Verwerkelijking, V. Verwerken, verwerkte, heeft verwerkt. Verwerking, V. Verwerpelijk, -lijker, -lijkst. Verwerpelijkheid, V. Verwerpen, verwierp, heeft verworpen. Verwerping, V. Verwerven, verwierf, verwierven, heeft verworven. Verwerving, V. Verwezenlijken, verwezenlykte, heeft verwezeniykt. |
VER.
437
VER.
|
Vebwezenlijkins, V. Verwiggelen, verwiggelde, heeft ver-wiggeld. Verwijden, verwedde, heeft en is verwed. Verwijderd, verwyderder,verwüderdst. Verwijderen, verwyderde, heeft ver-wyderd. Verwijdering, V., verwijderingen. Verwijding, V., verwijdingen. Verwijfd, verwijfder, verwyfdst. Verwijfdheid, V., -heden. Verwijl, O. Verwijlen, verwijlde, heeft verwyld. Verwijt, O., verwijten. Verwijten, verweet, verweten, heeft verweten. Verwijting, V., ver wijtingen. Verwijven, verwijfde, heeft en is ver-wyfd. Verwijzen, verwees, verwezen, heeft verwezen. Verwijzing, V., verwyzingen. Verwikkelen, verwikkelde, heeft verwikkeld. Verwikkeling, V., verwikkelingen. Verwikken (ww.). Verwilderd, verwilderder, verwil-derdst. Verwilderdheid, V. Verwilderen, verwilderde, heeft en is verwilderd. Verwildering, V. Verwilligen, verwilligde, heeft verwil-ligd. Verwilliging, V. Verwinbaar, -bare. Verwinden, verwond, heeft verwonden. Verwinnaar, M , verwinnaars en ver-winnaren. Verwinnares, v.. verwinnaressen. Verwinnen, verwon, verwonnen, heeft verwonnen. Verwinning, V., ver winningen. Verwinteren, verwinterde, is verwinterd. Verwintering, v. Verwisselaar, M., verwisselaars. Verwisselbaar, -bare. Verwisselen, verwisselde, heeft en is verwisseld. Verwisseling, v., verwisselingen. Verwittigen, verwittigde, heeft verwittigd. Verwittiging, v. Verwoed, verwoeder, verwoedst. Verwoedheid, V. Verwoesten, verwoestte, heeft ver-woest. Verwoester, M., verwoesters. Verwoesting, V., verwoestingen. Verwonden, verwondde, heeft verwond. Verwonderen, verwonderde, heeft verwonderd. |
Verwondering, V. * Verwonderlijk, -lijker, -lijkst. i Verwonding, V., verwondingen. I Verwonen, verwoonde, heeft verwoond. | Verwonneling, M. en V., verwonne- lingen. v. ook verwonnelinge. ; Verworden, verwerd, is verworden. Verwording, V. i Verworgen, ook verwurgen, verworgde (verwurgde), heeft verworgd (verwurgd). ! Verworging, ook verwurging, V., verworgingen (verwurgingen). Verwormen, verwormde, is verwormd. Verworpeling, M. en V., verworpelingen. V. ook verworpelinge. Verworpen, verwurpener, verworpenst. Verworpenheid, V. Verwortelen, verwortelde, is verwor-teld. Verwrikken, verwrikte, heeft verwrikt. Verwrikking, V. Verwringen, verwrong, heeft verwron-i gen. i Verwringing, V. Verwulf, verwulven, verwulfsel. Zie | Verwelf enz. Verwurgen. Zie Verworgen. Vehzaadbaab,-bare. Verzaadheid, V. Verzachten, verzachtte, heeft en is verzacht. Verzachtend, verzachtender, verzai h-tendst. Verzachting, V., verzachtingen. Verzaden, verzaadde, heeft verzaad. Verzadigbaar, -bare. Verzadigdheid, V. Verzadigen, verzadigde, heeft verzadigd. Verzadiging, V. Verzading, V. Verzagen, verzaagde, heeft verzaagd. Verzaken, verzaakte, heeft verzaakt. Verzaker, M., verzakers. Verzaking, V. Verzakken, verzakte, is verzakt. Verzakking, V., verzakkingen. Verzak- kinkje, O., -jes. Verzamelaar, M., verzamelaars. Verzamelaarster, V.. verzamelaarsters. Verzamelen, verzamelde, heeft verzameld. Verzameling, V., verzamelingen. Ver- zamelingetje, O., -jes. Verzamelplaats, V., -plaatsen. Verzamelwoord, O., -woorden. Verzamen, verzaamde, heeft en is ver-zaamd. ! Verzanden, verzandde, is verzand. Verzanding, V., verzandingen. Verzeeuwd. Verzegelaar, M., verzegelaars. Verzegelen,verzegelde,heeft verzegeld- |
VER.
VER.
438
|
Verzegeling, V., verzegelingen. Vebzeggen, verzeide, heeft verzegd en verzeid. Vebzeilen, verzeilde, heeft en is verzeild. Verzeiling, V. Verzekeraar, M., verzekeraars. Verzekerbrief, M., -brieven. Verzekerdheid, V. Verzekeren, verzekerde, heeft verzekerd. Verzekergeld, o. Verzekering, V., verzekeringen. Verzekeringsfonds, o., -fondsen. Verzekeringspremie, V., -premiën. Verzekerkantoor, o., -kantoren. Verzellen, verzeide, heelt verzeid. Verzelschappen, verzeischapte, heeft verzelschapt. Verzenboek, ü., -boeken; -boekje, O., -jes. Verzenden, verzond, heeft verzonden. Verzender, M., verzenders. Verzending, V., verzendingen. Verzendlijst, V., -lysten. Verzendster, V., verzendsters. Verzenen (mv.), V. Verzengen, verzengde, heeft verzengd. Verzenging, V. Verzenmaker, M., -makers. Verzenmakerij, V. Verzet, O. Verzetje, O., -jes. Verzetten, verzette, heeft verzet. Verzetting, V. Verzieden, verzood, verzoden, is verzoden. Verzien, verzag, verzagen, heeft verzien. Verziend. Verziendheid, V. Verzilveraar, M., verzilveraars. Verzilveren, verzilverde, heeft verzilverd. Verzilvering, V. Verzingen, verzong, heeft verzongen. Verzinkboor, V., -boren. Verzinken, verzonk, is verzonken. Verzinking, V. Verzinlijken, verzinlykte, heeft ver-zinlykt. Verzinlijking, V., verzinlü kingen. Verzinnen, verzon, verzonnen, heeft verzonnen. Verzinner, M., verzinners. Verzinsel, o., verzinsels en verzinselen. Verzinseltje, O., -jes. Verzitten, verzat, verzaten, heeft verzeten. Verzoek, o., verzoeken. Verzoekje, o., -jes. Verzoeken, verzocht, heeft verzocht. Verzoeker, M., verzoekers. Verzoeking, V., verzoekingen. |
Verzoekschrift, o., -schriften. Verzoekster, V., verzoeksters. Verzoenbaar, -bare. Verzoenbaarheid, V. Verzoendag, M., -dagen. Verzoendeksel, o., -deksels. Verzoenen, verzoende, heeft verzoend. Verzoenend, verzoenender, verzoe- nendst. Verzoener, M., verzoeners. Verzoening, V., verzoeningen. Verzoeningsverk, O. Verzoeten, verzoette, heeft verzoet. Verzoeting, V. Verzolen, verzoolde, heeft verzoold. Verzorgen, verzorgde, heeft verzorgd. Verzorger, M., verzorgers. Verzorging, V. Verzorgster, V., verzorgsters. Verzot. Verzotheid, V. Verzotten, verzotte, is verzot. Verzouten, verzoutte, heeft verzouten. Verzuchten, verzuchtte, heeftverzucht. Verzuchting, V., verzuchtingen. Verzuim, O., verzuimen. Verzuimpje, O., -jes. Verzuimen, verzuimde, heeft verzuimd. Verzuiming, V. Verzuipen, verzoop, verzopen, heeft en is verzopen. Verzuren, verzuurde, heeft en is verzuurd. Verzuring, V. Verzusteren, verzusterde, heeft ver-zusterd. Verzustering, V., verzusteringen. Verzwageren, verzwagerde, heeft verzwagerd. Verzwagering, V. Verzwakken, verzwakte, heeft en is verzwakt. Verzwakking, V., verzwakkingen. Verzwaren, verzwaarde, heeft en is verzwaard. Verzwarend, verzwarender, verzwa- rendst. Verzwaring, V. Verzwelgen, verzwolg, heeft verzwolgen. Verzwelger, M., verzwelgers. Verzwelging, V. Verzwendelen, verzwendelde, heeft verzwendeld. Verzweren (met een eed), verzwoer, heeft verzworen. Verzweren (veretteren), verzwoor, verzworen, is verzworen. Verzwering, V., verzweringen. Verzwieren, verzwierde, heeft ver-zwierd. Verzwijgen, verzweeg, verzwegen, heeft verzwegen. Verzwijging, V. |
VER.
VIC.
439
|
Verz wijken, verzwijnde, heeft ver-zwijnd. Verzwikken, verzwikte, heeft verzwikt. Verzwikking, V., verzwikkingen. Vesper, V., vespers. Vesperklok, V. Vespertijd, M. Vest (wal), V., vesten. Vest (kleedingstuk), o., vesten. Vestje, O., -jes. Vesten, vestte, heeft gevest. Vestengoed, O. Vestenstof, V., -stoffen. Vestibule, V., vestibules. Vestigen, vestigde, heeft gevestigd. Vestiging, V., vestigingen. Vesting, V., vestingen. Vestinkje, o., -jes. Vestingartillerie, V. Vestingbouw, M. Vestinggeschut, O. Vestingstelsel, O. Vestingstraf, V. Vestingwerk, o., - werken. Vestzak, M., -zakken; -zakje, o., -jes. Vet, O. Vet, vetter, vetst. Vetachtig. Veter, M., veters. Vetertje, O., -jes. Veteraan, M., veteranen. Veterband, O. Veteren, veterde, heeft geveterd. Vetergat, O., -gaten. Vetheid, V. Vetkaars, V., -kaarsen. Vetklomp, M., -klompen. Vetleder, O. Vetlederen en vetleeren. Veto, O., veto's. Vetstaart, M., -staarten. Vettewarier, M., vettewariers. Vettig, vettiger, vettigst. Vettigheid, V. Vettik (veldsla), V. Vetvorming, V. Vetweiden, vetweidde, heeft gevetweid. Vetweider, M., -weiders. Vetweiderij, V., -weideryen. Vetzak, M. en V, -zakken. Vetzuur, o. Veulen, O., veulens. Veulentje, O., -jes. Vexatie, V., vexatiën en vexaties. Vexeeren, vexeerde, heeft gevexeerd. Vezel, V., vezelen en vezels. Vezeltje, O., -jes. Vezelachtig, -achtiger, achtigst. Vezelachtigheid, V. Vezelig, vezeliger, vezeligst. Vezeligheid, V. Viaduct, V., viaducten. Vicariaat, o., vicariaten. Vicaris, M., vicarissen. Vice-admiraal, M., -admiraals. Vice-consul, M., -consuls. |
Vice-president, m, -presidenten. Vicieus, vicieuzer, vicieust. Victorie, V., victcriën en victories. Victorieus. Victualie en victalie, V., victualiën en victaliën. Victualiemeester, M., -meesters. Vier (telw.). Als znw. V., vieren. Viertje, O., -jes. Vieravond, M., -avonden. vierbeenig. vierbladig. vlerdaagsch. Vierdag, M., -dagen. Vierde. Vierdehalf, -halve. vlerdendaagsch. Vierdepart, O., -parten; -partje,O.,-jes. vierderhande. Vierderlei. vlerdraadsch. Vierdubbel. VierduitsbroodJE, O.. -jeS. v lerduizendste. Vierel, O., vierels. Vieren, vierde, heeft gevierd. Vierendeel, 0.,-deelen; -deeltje, O.,-jes. VIERENDEELEN, vierendeelde, heeft gevierendeeld. Vierhandig. Vierhoek, M., -hoeken. Vierhoekig. Vierhonderd. Vierhonderdste. Viering, V. Vierjarig. Vierkant (bnw.). Vierkant, O., -kanten; -kantje, O., -jes. Vierkantig. Vierkleurig. Vierledig. vierlettergrepig. Vierling, M. en V., vierlingen. Vierlooper, M., -loopers. Viermaal. vlerma andelijksch. Vierponder, m,, -ponders. vierpootig. Vierpuntig. Vierregelig. Vierschaar, V., -scharen. Viersnarig. Vierspan, O., -spannen. Viersprong, M., -sprongen. Vierstemmig. Vierstoot, M., -stoot en. Viertal, O., -tallen. viertallig. viertandig. Viertijd, M. vierv akkig. viervingerig. Viervlak, O., -vlakken. vlervl akkig. |
VIE; 440 VU.
|
vlervleugelig. Viervoet, M. (Te â). Viervoeter, M., -voeters. Viervoetig. Viervorst, M., -vorsten. Viervorstendom, O., -dommen. Viervoud, O., -vouden. Viervoudig. vlerwekig. vlerwerf. Vierwielig. Vierzijdig. Vies, viezer, viest. Viesheid, V., -heden. Viezevazen (mv.), V. Viezigheid, V., -heden. Vigeeren, vigeerde, heeft gevigeerd. Vigilante, V., vigilantes. Vigileeren, vigileerde, heeft gevigileerd. Vignet, o., vignetten. Vignetje, o.,-jes. Vijand, M., vyanden. Vijandelijk. Vijandelijkheid, V., -heden. Vijandig, vijandiger, vyandigst. Vijandigheid, V., -heden. Vijandin, V., vijandinnen. Vijandschap, v., -schappen. Vijf (telw.). Als znw. V., vyven. Vijfje, O., -jes. Vijfdaagsch. Vijfde. vljfdehalf, -halve. Vijfdepart, o., -parten;-partje,O.,-jes. vljfderhande. vljfderlei. Vijfduizendste. Vijfhoek, M., -hoeken. Vijfhoekig. Vijfhonderd. Vijfhonderden (smousjassen), vijfhon- derdde, heeft gevijf honderd. Vijfhonderdje, o., -jes. vijfhonderdste. Vijfjarig. Vijfde (geldstuk), o., -jes. vijfkantig. Vijfmaal. Vijfponder, M., -ponders. Vijfstoot, M., -stooten. Vijftal, O., -tallen. Vijftallig. Vijftien, vijftienen. Vijftiende. Vijftiendehalf, -halve. vijftienderhande. vijftienderlei. Vijftienhonderd. Vijftienjarig. Vijftienmaal. Vijftienvoud, O., -vouden. vijftienvoudig. Vijftig, vijftigen. Vijftiger, M., vijftigers. |
1 Vijftigjarig. ; Vijftigmaal. Vijftigponder, m., -ponders. Vijftigste. I Vijftigtal. O., -tallen. VijFTiGvoud, O., -vouden. I Vijfvingerig. Vijfvoetig. 1 Vijfvoud, O., -vouden. Vijfvoudig. 1 Vijfwouter, ook wiewouter, m., vyf-wouters en wiewouters. j vljfzijdig. Vijg, V., vijgen. Vygje, O., -jes. Vijgeblad, O., -bladeren. Vijgeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. Vijgenkorf, M., -korven. Vïjgenmand, V., -manden. Vijgenmat, v.,-matten; -matje, o.,-jes. Vijgepeer, V., -peren. Vijgetouw, O., -touwen. Vijl, V., vyien. Vyltje, O, -jes. Vijlen (met eene vyi), vijlde, heeft ge-vyid. Vijling, V., vylingen. Vijlsel, O. ; Vijver, M., vyvers. Vijvertje, O., -jes. Vijzel (stampvat), M., vyzels. Vyzeltje, O., jes. Vijzel (schroef), V., vijzels. Vijzelen, vyzelde, heeft gevyzeld. Vijzelmolen, M., -molens. Vilder, M., vilders. Vilderij, V., vilderyen. â '.'ildersbedrijf, o. Vilderskar, V., -karren. Vilderspaard, O., -paarden. Vilderswerk, O. Vilhout, o., -houten. Villa, V., villa's. Villatje, O., -jes. Villen, vilde, heeft gevild. Vilmes, O., -messen. Vilt, O., vilten. Viltachtig. Vilten (bnw.). Vim, V., vimmen. Vimmetje, O., -jes. Vin, V., vinnen. Vinnetje, O., -jes. Vinden, vond, heeft gevonden. Vinder, M., vinders. Vinding, V. Vindingrijk, -ryker, -rykst. Vindingrijkheid, V. Vindingskracht, V. Vindster, V., vindsters. Vinger, M., vingers en vingeren. Vingertje, O., -jes. Vingerbreed, O. Vingerdik, -dikke. Vingerdoekje, O., -doekjes. Vingerhoed,M., -hoeden; -hoedje, O.,-jes. Vingerhoedskruid, O. Vingerling, M., vingerlingen. Vinger-lingetje, O., -jes. |
VIN.
VIS.
441
|
Vingerring, M., ringen. Vingertop, M., -toppen. vinqerzetting, V., -zettingen. Vink, m., vinken. Vinkje, o., -jes. Vinkekooi, V., -kooien. Vinken, vinkte, heeft gevinkt. Vinkenbaan, V., -banen. Vinkenei, O., -eieren. Vinkenhuisje, o., -jes. Vinkennest, o., -nesten. Vinkennet, O., -netten. Vinkenslag (knip), O., -slagen. vlnkentijd, m. Vinkenvangst, v. Vinker, M., vinkers. Vinkeslag (zang), M. Vinnig, vinniger, vinnigst. Vinnigheid, V , -heden. Violeeren, violeerde, heeft gevioleerd. Violenbed, O., -bedden. VIOLENSTROOP, V. Violet, violette. Violet (bloem), V., violetten. Violetje, O., -jes. Violetbruin. Violetkleurig. Violier, V.,violieren. Violiertje, O., -jes. Violist, m., violisten. Violoncel, V., violoncels. Violoncellist, m., violoncellisten. Viool (bloem), V., violen. Viooltje, O., -jes. Viool (instrument), V., violen. Viooltje, O., -jes. Vioolblok, O., -blokken. Vioolconcert, O., -concerten. Vioolhars, O. en V. Vioolkast, V., -kasten. Vioollessenaar, M., -lessenaars. Vioolsleutel, M. Vioolsnaar, V., -snaren. Vioolsonate, V., -sonaten. Vioolspel, O. Vioolspeler, M., -spelers. Virtuoos, M., virtuozen. Virtuositeit, v. Visch (als voorwerpsnaam), m., vis-schen; (als stofnaam), V. Vischje, O., -jes. Visch achtig. Vischakte, V., -akten. VlSCHANGEL, M,, -angels. Vischarend, M.. -arenden. Visohbank, V., -banken. Vischboer, M., -boeren. VlSCHGAREN, O. Vischgraat, V., -graten. Vischhaak, M., -haken. Vischhandelaar, m.. -handelaars. Vischhoek, M., -hoeken. Vischhoeker, M., -hoekers. Vischhouder, m., -houders. Vischkar, V.. -karren. Vischlepel, M., -lepels. |
vlschlucht, V. Vischmarkt, V. Vischnet, O., -netten. VlSCHOTTER, M., -otters. Vischpastei, V., -pasteien; -pasteitje, O., -jes. Vischplaats, v., -plaatsen. Vischrecht, O. Vischrijk, -rijker, -rijkst. Vischrijkheid, V. Vischschub, V., -schubben. Vischsloep, V., -sloepen. VlSCHSOEP, V. Vischtuig, O., -tuigen. Vischvangst, V. Vischvrouw, V., -vrouwen. Visch water, o., -waters en -wateren. Vischwijf, o., -wijven. Vischwijventaal, o. Visch winkel, M . -winkels. Viseeren, viseerde, heeft geviseerd. Visie, V. Visioen, O., visioenen. Visitatie, V., visitatiën en visitaties. Visite, V., visites. Visiteboekje, O., -boekjes. Visiteeren, visiteerde, heeft gevisiteerd. Visitekaartje, O., -kaartjes. Visiteur, M., visiteurs. Visite-uur, o., -uren. Visschen, visc:hte, heeft gevischt. Visschengeslacht, o. Visscher, M., visschers en visscheren. Visschertje, O., -jes. Visscherij, v., visscherijen. Visscherijtentoonstelling, V. vlsscherman, m., -llü. vlsschersbedrijf, o. Vipschersboot, V., -booten. Visschersdorp, o., -dorpen. Visscherslieü, O., -liederen; -liedje, O., -jes. Visscherspink, V., -pinken. Visschersschuit, V., -schuiten. Visschig, visschiger, visschigst. Vissing (scheepsw.), V., vissings. Visum, O. Vitachtig, -achtiger, -achtigst. Vitachtigheid, V. vltlust, m. Vitrine, v , vitrines. Vitriool, V. en O. Vitse, v., vitsen. Vitster, v., vitsters. Vitstertje, O.,-jes. Vitten, vitte, heeft gevit. Vitter, M., vitters. Vittertje, O., -jes. Vitterig, vitteriger, vitterigst. Vitterigheid, V. Vitterij, v., vitteryen. Vitzucht, V. Vivaciteit, V Vivat, O., vivats. Vivisectie, V. |
VLA.
VIZ.
442
|
Vizier (Turksch minister), M., viziers en vizieren. Vizier (van een geweer en helm), O., vizieren. Vizierkorrel, V., -korrels. Vizierlijn, V., -lynen. Vla. Zie Vlade. Vlaag, V., vlagen. Vlaagje, O., -jes. Vlaak, V., vlaken. Vlaamsch. Vlaamsch, o. Vlade en vla, V., vladen en vlaas. Vlaatje, O., -jes. Vlag, V., vlaggen. Vlagje en vlaggetje, O., -jes. Vlag (plant), O. Vlaggejongen, M., -jongens. Vlaggejonker, M., -jonkers. Vlaggekapitein, M., -kapiteins. Vlaggekoord, O., -koorden. Vlaggelijn, V., -lijnen. Vlaggen, vlagde, heeft gevlagd. Vlaggendoek, o. Vlaggenkaart. V., -kaarten. Vlaggenkist, V., -kisten. Vlaggeschip en vlagsghip, o., -schepen. Vlaggestok, M., -stokken. Vlaggetouw, o., -touwen. Vlagofficier, M., -officieren. Vlagvertoon, o. Vlak (vlek, smet), V., vlakken. Vlakje, O., -jes. Vlak (vlakte), O., vlakken. Vlak, vlakker, vlakst. Vlak (byw.). Vlaken, vlaakte, heeft gevlaakt. Vlakgang, V., -gangen. Vlakheid, V. Vlakken (vlekken), vlakte, heeft en is gevlakt. Vlakken (elfen maken), vlakte, heeft gevlakt. Vlakkerig, vlakkeriger, vlakkerigst. Vlakkig, vlakkiger, vlakkigst. Vlakte, V., vlakten. Vlaktemaat, V., -maten. Vlakweger, M., -wegers. Vlam, V., vlammen. Vlammetje, O.,-jes. Vlammen, vlamde, heeft gevlamd. Vlammig. Vlamoven, M., -ovens. Vlampijp, V., -pijpen. Vlamvormïg. Vlas, o., vlassen. Vlasachtig, -achtiger, -achtigst. Vlasbaard, M., -baarden. Vlasboer, M., -boeren. Vlasbouw, M. -hekelaars. -koppen; -kopje, O., Vlasdotter, V. Vlashekelaar, m. Vlaskop, M. en V. -jes. Vlasland, O., -landen. Vlassen (bnw.). |
Vlassen, vlaste, heeft gevlast. Vlasser, M., vlassers. Vlassig, vlassiger, vlassigst. Vlaszaad, O. Vlecht, V., vlechten. Vlechtje, o., -jes. Vlechten, vlocht, heeft gevlochten. Vlechter, M., vlechters. Vlechting, V., vlechtingen. Vlechtriet, O. Vlechtsel, O., vlechtsels. Vlechtster, V., vlechtsters. Vlechtwerk, O. Vledermuis en vleermuis, V.,-muizen; -muisje, O., -jes. Vleesch, O., vieezen. Vleeschbank, V., -banken. Vleeschelijk. Vleeschextract, O. Vleeschhal, V., -hallen. Vleeschhouwer, M., -houwers. Vleeschkleur, v. Vleeschklomp, M., -klompen. Vleeschmaatschappij, V., -maatschappijen. Vleeschmes, O., -messen. Vleeschnat, O. Vleeschpastei, V., -pasteien; -pasteitje, 0,, -jes. Vlbeschpot, m., -potten. Vleeschschotel, m., -schotels. Vleeschspijzen (mv.), V. Vleeschuitdeeling, V. Vleeschvork, V., -vorken. Vleet, V., vleten. Vleezen (bnw.). Vl.eezig, vleeziger, vleezigst. Vleezigheid, V, Vlegel, M., vlegels. Vlegeltje, O., -jes Vlegelachtigheid, V. Vleien (mooi praten), vleide, heeft gevleid. Vleiend, vleiender, vleiendst. Vleier, M., vleiers. Vleiertje, O., -jes. Vleierij, V., vleieryen. Vleister, V., vleisters. Vleistertje, O., -jes. Vleitaal, V. Vleiwoord, o., -woorden; -woordje, o., -jes. Vleizucht, V. Vlek (vlak), V., vlekken. Vlekje, O., -jes. Vlek (gehucht), O., vlekken. Vlekje, O., -jes. Vlekkeloos, -looze. Vlekkeloosheid, V. Vlekken, vlekte, heeft en is gevlekt. Vlekkenwater, O. Vlerk, V., vlerken. Vlerkje, O., -jes. Vlerken, vlerkte, heeft gevlerkt. Vlet, V., vletten. Vletje, O., -jes. Vletten, vlette, heeft gevlet. Vletter, M., vletters. Vleug, V., vleugen. Vleugje, o., -jes. |
VLO.
443
VLE.
|
Vleugel, M., vleugels en vleugelen. Vleugeltje, O., -jes. Vleugeladjudant, M., -adjudanten. Vleugelen (de armen binden), vleu- gelde, heeft gevleugeld. Vleugelman, M., -mannen. Vleugelpiano, V., -piano's. Vlieboot, V., -booten. Vlieden, vlood, vloden, is gevloden. Vlieg, V , vliegen. Vliegje, 0.f -jes. Vliegekop, M., -koppen. Vliegen, vloog, vlogen, heeft en is gevlogen. Vliegenaas, O. Vliegend. Vliegenei, O., -eieren; -eitje, O., -eitjes en -eiertjes. Vliegeneter, M., -eters. Vliegenkampernoelie, V. Vliegenkap, V., -kappen. Vliegenkast, V., -kasten. Vliegenklap, M., -klappen. Vliegenkleed, O., -kleeden. Vliegenlijm, V. Vliegenmasker, O., -maskers. Vliegennet, O , -netten. Vliegenpapier, o. Vliegens. Vliegensvlug (byw.). Vliegenvanger, M., -vangers. Vliegenvangertje (plant), O., -jes. Vliegenvergif, O. Vliegenwaaier, M., -waaiers. Vliegepoot, M., -pooten. Vlieger, M., vliegers. Vliegertje, o., -jes. Vliegluib, V., -luizen. Vliegpartij, V., -partyen; -partijtje, o., -jes. Vliegwerk, o. Vliegwiel, O., -wielen. Vlier, V., vlieren. Vliering, V., vlieringen. Vlierinkje, o., -jes. Vlies, O., vliezen. Vliesje, O., -jes. Vliesachtig, -achiiger, -achtigst. Vliesvleugelig. Vliet, M., vlieten. Vlietje, O., -jes. Vlieten, vloot, vloten, is gevloten. Vliezig, vlieziger, vliezigst. Vlij, V., vlijen. Vlijen (voegen, schikken), vlyde, heeft gevl\)d. Vlijing, V. Vlijm, V., vljjmen. Vlympje, O., -jes. Vlijmen, vlijmde, heelt gevlymd. Vlijt, V. Vlijtig, vlijtiger, vlijtigst. Vlinder, M., vlinders. Vlindertje, O., -jes. Vloed, M., vloeden. Vloedanker, O., -ankers. Vloeddeur, V., -deuren. Vloeibaar, -baarder, -baarst. Vloeibaarheid, V. Vloeibaarmaking, V. |
Vloeibaarwording, V. Vloeiboek, O., -boeken. Vloeien, vloeide, is en heeft gevloeid. Vloeiend, vloeiender, vloeiendst. Vloeiendheid, V. Vloeimiddel, O., -middelen. Vloeipapier, o., -papiertje, o., -jes. Vloeipijp, V., -pypen. Vloeiplank, V., -planken. Vloeirol, V., -rollen. Vloeistof, V., -stollen. Vloek, M., vloeken. Vloekje, ü., -jes. Vloekbaar, -baarder, baarst. Vloekbeest, O-, -beesten. Vloeken, vloekte, heeft gevloekt. Vloeker, M., vloekers. Vloekgenoot, M., -genooten. Vloekgenoote, m., -genooten. Vloekgenootschap, ü. Vloekgespan, o. Vloekverwant, M., -verwanten. Vloekverwante, V., -verwanten. Vloekverwantschap, V. Vloekwaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Vloekwaardigheid, V. Vloekwoord, O., -woorden. Vloer, M., vloeren. Vloertje, O., -jes. Vloerbalk, M., -balken. Vloerdweil, V., -dweilen. Vloeren, vloerde, heeft gevloerd. Vloering, V., vloeringen. Vloerkleed, O., -kleeden. Vloermat, V., -matten. Vloertapijt, o., -tapyten. Vloerzand, O. Vloerzeil, O., -zeilen. Vloghaver, V. Vlok, V., vlokken. Vlokje, O., -jes. Vlokachtig. Vlokken, vlokte, is en heelt gevlokt. Vlokkig, vlokkiger, vlokkigst. Vlonder, M., vlonders. Vlonderye, ü., -jes. Vloo, V., vlooien. Vlooitje, O., -jes. Vlooiebeet, M., -beten. Vlooien, vlooide, heelt gevlooid. Vlooienkruid, O. Vloot, V., vloten. Vlootje, ü., -jes. Vlootvoogd, M., -voogden. Vlos, O. Vlossen (bnw.). Vlossig, vlossiger, vlossigst. Vlossigheid, V. Vloszijde, V. Vlot, O., vlotten. Vlotje, O., -jes. Vlot, vlotter, vlotst. Vloteling, M., vlotelingen. Vlotgaand. Vlotgras, O. Vlotten, vlotte, heeft en is gevlot. Vlotter, M., vlotters. Vlouw, V., vlouwen. i Vlucht, V., vluchten. |
VLU.
444
VOE.
|
Vluchteling, M. en V., vluchtelingen. V. ook vluchtelinge. Vluchten, vluchtte, is gevlucht. Vluchthaven, V.. -havens. Vluchtheuvel, M., -heuvels. Vluchtig, vluchtiger, vluchtigst. Vluchtigheid, V. Vluchtigjes. Vlug, vlugger, vlugst. Vlugheid, v. Vlugschkift, O., -schriften; -schriftje, O., -jes. Vlugzout, O. Vocaal, V., vocalen. Vocaal, vocale. Vocaalspelling, V , -spellingen. Vocatief en vocativus, M , vocatieven. Vocht, O., vochten. Vochten, vochtte, heeft gevocht. Vochtig, vochtiger, vochtigst Vochtigheid, v. Vod en vodde, V., vodden. Vodje, O., -jes. Voddenkooper, M., -koopers. Voddenkoopster, V., -koopsters. Voddenkraam, V., -kramen. Voddenkrauber, M., -krabbers. Voddenmarkt, V., -markten. Voddenraapster, V., -raapsters. Voddenraper, M., -rapers. Vodderij, V., vodderijen. Vodderytje, O., -jes. Vodde werk, O. Voddig, voddiger, voddigst. Voddigheid, V. Voeden, voedde, heeft gevoed. Voeder (persoon), M., voeders. Voeder en voer (voedsel), o. Voertje, O., -jes. Voederen en voeren, voederde en voerde, heeft gevoederd en gevoerd. Voeding, v. Voedingscommissie, v., -commissies en -commissiën. Voedingsmiddel, O., -middelen. Voedingsproces, o., -processen. Voedingsstof, V., -stoffen. Voedmiddel, o., -middelen. Voedsel, O, Voedster, V., voedsters. Yoedstertje, O., -jes. Voedsteren, voedsterde, heeft gevoed-sterd. Voedsterheek, m., -heeren Voedsterkind, O., -kinderen. Voedsterling, M. en V.. voedsterlingen. v. ook voedsterlinge. Voedzaam, -zamer, -zaamst. Voedzaamheid, v. Voeg, V., voegen. Veegje, O., -jes. Voegblok, O., -blokken. Voege, V. (In dier â). Voegen, voegde, heeft gevoegd. Voeghout, o., -houten. Voegijzer, O., -yzers. |
Voeglijk, -lyker, -lykst. Voeglijkheid, V. Voegwerk, O. Voegwoord, o., -woorden. Voegzaam, -zamer, -zaamst. Voegzaamheid, V. Voelbaar, -bare. Voeldraad, M., -draden. Voelen, voelde, heeft gevoeld. Voeler, M., voelers. Voelhoorn en voelhoren, M., -hoorns en -horens. Voeling, V. Voelspriet, M . -sprieten. Voer (wagenvracht), O., voeren. Voertje, O., -jes. Voer (voedsel). Zie Voeder. Voerder, M., voerders. Voeren (vervoeren, brengen enz.), voerde, heeft gevoerd. Voeren (van binnen bekleeden), voerde, heeft gevoerd. Voering, V., voeringen. Voerinkje, O., -jes. Voerkatoen, O. VOERLAKEN, O. Voerloon, O., -loonen. Voerman, M., -lieden en -lui. Voerstraal, M, -stralen. Voertuig, O., -tuigen. VoERwiEL, O., -wielen. Voet, M., voeten. Voetje, o., -jes. Voetangel, M., -angels. Voetbad, O., -baden. Voetboei, V., -boeien. Voetbreed, O. Voeteerder, M., voeteerders. Vceteeren, voeteerde, heeft en is ge- voeteerd. Voetenbankje, O,, -bankjes. Voeteneinde en -eind, O. Voetenkussen, O., -kussens. Voetenzak, M., -zakken. Voeteuvel, o. Voetganger, M., -gangers. Voetgangster, V., -gangsters. Voetkus, M. Voetlicht, O. Voetpad, O., -paden. Voetreis, V., -reizen; -reisje, O., -jes. Voetspoor, ü. Voetstoots. Voetstuk, O., -stukken. Voetval, M. Voetveeg, M., -vegen. Voetvolk, O. VoETWASSCHING, V. Voetzand, O. Voetzoeker, M., -zoekers. Voetzool, V., -zolen. Vogel, M., vogels en vogelen. Vogeltje» O., -jes. Vogelaar, M., vogelaars en vogelaren. Vogelbekdier, O., -dieren. |
YOG.
VOL.
445
|
Vogelen, vogelde, heeft gevogeld. Vogelknip, V., -knippen. Vogelkooi, V., -kooien. Vogellijm, V. Vogelmarkt, V. Vogelnest, o., -nesten; -nestje, o.,-jes. Vogelperspectief, o. Vogelroek, o., -roers. Vogelschieten, o. Vogelschrik, M., -schrikken. Vogelslag, o., -slagen. Vogelvlucht, v. Vogelvrij. Vogelvrijverklaring, V. Vogelzaad, o. Voile, V., voiles. Vol, voller, volst. Volaarde, V. Volbloed (bnw.). Volbloedig, -bloediger, -bloedigst. Volbloedigheid, V. Volbouwen,volbouwde, heeft volbouwd. Volbrassen, braste vol, heeft volgebrast. Volbrengen, volbracht, heeft volbracht. Volbrenger, M., -brengers. Volbrenging, V. Voldaan. Voldaanheid, V. Voldingen, voldong, heeft voldongen. Voldingend, -dingender, -dingendst. Voldoen, voldeed, voldeden, heeft voldaan. Voldoend, -doender, -doendst. Voldoendheid, V. Voldoener, M., -doeners. Voldoening, V. voldoeningsleer, V. Voldragen, voldroeg, heeft voldragen. Vole, V., voles. Voleinden, voleindde, heeft voleind. Voleinder, M., -einders. Voleindigen, voleindigde, heeft voleindigd. Voleindicer, M., -eindigers. Voleindiging, V. Voleinding, V. Volgbriefje, O., -jes. Volgeestig. Volgeling, M. en V., volgelingen. V. ook volgelinge. Volgen, volgde, heeft en is gevolgd. Volgenderwijze en -wïjs. Volgens. Volger, M., volgers en volgeren. Volgieten, goot vol, goten vol, heeft volgegoten. Volgkoets, V., -koetsen. Volgnummer, O., -nummers. Volgooien, gooide vol, heeft volgegooid. Volgorde, V. Volgreeks, V., -reeksen. Volgroeid. Volgzaam, -zamer, -zaamst. Volgzaamheid, V. |
Volgziek, -zieker, -ziekst. Volgzucht, V. volhandig. Volhandigheid, V. Volharden, volhardde, heeft volhard. Volharder, M., -harders. Volharding, V. Volhardingsvermogen, O. Volheid, V. i Volhouden, hield vol, heeft volgehouden. Volhouder, M., -houders. Volhouding, v. volhoudster, v., -houdsters. Volière, V., volières. Volijverig, -ijveriger, -ijverigst. v oljarig. Volk, O., volkeren en volken. Volkje, O., -jes. Volkenkunde, v. Volkenrecht, O. 1 Volkenrechtelijk. ! Volkomen, -komener, -komenst. Volkomenheid, V. 1 Volkplanter, M., planters. Volkplanting, V., -plantingen. Volkrijk, -ryker, -rijkst. Volkrijkheid, v. i Volksaard, M. i Volköbadhuis, O., -badhuizen. Volksbegrip, o., -begrippen. Volksbestaan, o. Volksbeweging, V., -bewegingen. Volksbibliotheek, V., -bibliotheken. Volkbbueenkomst, V., -bijeenkomsten. Volksblad, o.,-bladen;-blaadje,o.,-jes. Volksboek, o.,-boeken; -boekje, o.,-jes. Volksconcert, o., -concerten. Volksdichter, M., -dichters. Volksdracht, V., -drachten. Volksdrank, M.. -dranken. Volksdwaling, V., -dwalingen. Volkseditie, V., -edities. Volksfeest, O., -feesten. Volksgaarkeuken, V., -keukens. Volksgebruik, O., -gebruiken. Volksgezondheid, V. Volksgeest, M. Volksgeloof, O. Volksgeluk, O. Volksgewoonte, V., -gewoonten. Volksgezang, O. Volksgodsdienst, M., -godsdiensten. Volksgunst, V. Volkshaat, M. Volkshoop, M., -hoopen. Volksklasse, V., -klassen. volkskleeding, v. Volksi.eeraar, M., -leeraars. Volksi.eeszaal, V , -zalen. Volksleider, M., -leiders. Volkslied, O., -liederen; -liedje, O.,-jes. Volksman, M., -mannen. Volksmeening, V., -itieeningen. |
VOL.
VOL.
446
|
Volksmenigte, v. Volksmenner, m., -menners. Volksnaam, M., -namen. Volksonderwijs, o. Volksoploop, M., -oploopen. Volksopstand, M., -opstanden. Volksoverlevering, V., -overleveringen. Volkspark, O., -parken. Volkspartij, V. Volksredenaar, m., -redenaars. Volksregeering, V., -regeeringen. Volksroman, M., -romans. Volksschool, v., -scholen. volkssouvereiniteit, V. Volksspel, O., -spelen. Volksspraak, V. Volkssprookje, o., -jes. Volksstam, M., -stammen. Volksstem, V. Volkstaal, V. Volkstrots, M. Volksuitgave, V., -uitgaven. Volksvergadering, V., -vergaderingen. Volksverhaal, o., -verhalen. Volksverhuizing, V., -verhuizingen. Volksvermaak, o., -vermaken. Volksvertegenwoordiger, Mm -vertegenwoordigers. Volksvertegenwoordiging, V., -vertegenwoordigingen. Volksvlijt, v. Volksvoordracht, V,, -voordrachten. Volksvoorlezing, V., -voorlezingen. Volksvooroordeel, o., -vooroordeelen. Volksvriend, M., -vrienden. Volkswil, M. Volkswoede, V. Volkszaak, V., -zaken. Volkuip, V., -kuipen. Volledig, -lediger, -ledigst. Volledigheid, V. Volleerd. VoLLEMAAN, V. Vollemaansgezicht, o., -gezichten. Vollen, volde, heeft gevold. Voller, M., vollers. Vollerij, V., volleryen. vollersaarde, v. Vollerskuip, V., -kuipen. vollersmolen, m., -HlOlenS. vollerswerk, o. Volling, V., vollingen. Volloopen, liep vol, is volgeloopen. Volmaakt, -maakter, -maaktst. Volmaaktheid, V., -heden. Volmacht, V., -machten. Volmachtigen, volmachtigde, heeft gevolmachtigd. Volmaken, volmaakte, heeft volmaakt. Volmaking, V. Volmolen, M., -molens. Volmondig, -mondiger, -mondigst. Volontair, M., volontairs. Volop. |
Volprijzen, volprees, volprezen, heeft volprezen. Volschenken, schonk vol, heeft volgeschonken. Volschoon, -schoone. Volslagen, -slagener, -slagenst. Volsmijten, smeet vol, smeten vol, heeft volgesmeten. Volstaan, volstaat, volstond, heeft volstaan. Volstandig, -standiger, -standigst. Volstrekt, -strekter, -strektst. Volstrekt (b\1w.). Volstrektelijk. Volstrektheid, V. Volstroomen stroomde vol, is volgestroomd. Voltallig, -talliger, -talligst. Voltalligheid, V. volte (volheid), V. Volte (in de rijkunst), V., voltes. V o lteekend. Voltigeeren, voltigeerde, heeft gevoltigeerd. Voltigeur, M., voltigeurs. Voltobbe, V., -tobben. Voltooien, voltooide, heeft voltooid. Voltooier, M., -tooiers. Voltooiing, V., -tooiingen. VoLTooisTER, V., -tooisters. Voltrekken, voltrok, voltrokken, heeft voltrokken. Voltrekker, M., -trekkers. Voltrekking, V., -trekkingen. Voluit. Volume, ü. Volumineus, volumineuzer, volumi-neust. Voluptueus, voluptueuzer. Volvaardig, -vaardiger, -vaardigst. Volvaardigheid, V. Volvoerder, M., -voerders. Volvoeren, volvoerde, heeft volvoerd. Volvoering, V. Volwassen. Volwerpen, wierp vol, heeft volge-worpen. volwichtig. Volzalig. volzee. Volzin, M.f -zinnen; -zinnetje, O., -jes. Vomeeren, vomeerde, heeft gevomeerd. Vomitief, O., vomitieven. Vond, M., vonden. Vondje. O., -jes. Vondel, M., vondels. Vondeling, m. en V., vondelingen. v. ook vondelinge. Vondelingetje, O., -jes. Vondelingshuis, O., -huizen. Vonder, M., vonders. Vondst, V., vondsten. Vonk, V., vonken. Vonkje, O., -jes. Vonkelen (eigenlijk), vonkelde, heeft gevonkeld. Verg. Fonkelen. Vonkeling, V. |
VON.
VOO.
447
|
Vonken, vonkte, heeft en is gevonkt. Vonnis, O., vonnissen. Vonnissen, vonniste, heeft gevonnist. Vonnissing, V. Vont, V., vonten. Voogd, M., voogden. Voogdes, V., voogdessen. Voogdij, V., voogdijen. Voogdijschap, V., -schappen. Voois (zangwijs), V., vooizen. Voor en vore, V., voren. Voor en vóór. Vocraan, Vooraf. Voorafgaand. Voorafspraak, V., -spraken; -spraakje, O., -jes. Vooral. Vooralsnog. VOORABBEID, M. Voorabbeiden, arbeidde voor, heeft voorgearbeid. Voorarm, M. -armen. Vooravond, M., -avonden. Voorbaan, V. Voorbaat, V. Voorbabbelen, babbelde voor, heeft voorgebabbeld. Voorbank, V.,-banken; -bankje, o.,-jes. Voorbarig, -bariger, -barigst. Voorbabigheid, V., -heden. Voorbedacht. v oorbedachteliijk. Voorbedachtheid, V. Voorbede, V., -beden. Voorbeding, O., -bedingen. Voorbedingen, bedong voor, heeft voorbedongen. Voorbeduiden, beduidde voor, heeft voorbeduid. Voorbeduiding, V., -beduidingen. Voorbeduidsei/, O., -beduidsels en -be-duidselen. Voorbeeld,o.,-beelden; -beeldje,o.,-jes. Voorbeeldeloos, loozer, -loost. Voorbeeldig, -beeldiger, -beeldigst. Voorbeeldigheid, V. Voorbehoedmiddel, O., -middelen. Voorbehoedsel, O., -behoedsels en -be- hcedselen. Voorbehoud, O. Voorbehouden, behield voor, heeft voorbehouden. Voorbehouding, V., -behoudingen. Voorbereiden, bereidde voor, heeft voorbereid. Voorbereider, M., -bereiders. Voorbereiding, V., -bereidingen. Voorbereidsel, O., -bereidsels en -be-reidselen. Voorbericht, O., -berichten; -berichtje, O., -jes. Voorbeschikken, beschikte voor, heeft voorbeschikt. |
Voorbeschikking, V., -beschikkingen ; Voorbestaan, o. Voorbestemmen, bestemde voor, heeft voorbestemd. Voorbestemming, V. Voorbeurt, V., -beurten. Voorbezit, O. Voorbidden, bad voor, baden voor, heelt voorgebeden. Voorbidder, M., -bidders. Voorbidding, V., -biddingen. Voorbij. Voorbijdragen, droeg voorbij, heeft voorbygedragen. Voorbijdraven, draafde voorbij, heeft en is voor by gedraafd. Voorbijdringen, drong voorby, is voor-bjjgedrongen. Voorbijgaan, gaat voorbij, ging voorbft. heeft en is voorbijgegaan. Voorbijgaand. Voorbijgang, M. Voorbijganger, M., -gangers. voorbijiji.en, yide voorbij, is voorbij-geyid. Voorbijkomen, komt voorby, kwam voorby, kwamen voorbij, is voorbijgekomen. VooRBUi.aten, liet voorby, heeft voor-bygelaten. Voorbijleeren, leerde voorbij, heeften is voorby'geleerd. Voorbiji.oopEN, liep voorbij, heelt en is voorbijgeloopen. Voorbijrijden, reed voorby, reden voorby, heeft en is voorbygereden. Voorbijstreven, streefde voorbij, is^ voorbijgestreefd. Voorbijtrekken, trok voorbyquot;, trokken voorby, is voorbijgetrokken. Voorbijvliegen, vloog voorby, vlogen voorbij, is voorbygevlogen. Voorbijzeilen, zeilde voorbij, heelt en is voorby gezeild. Voorbinden, bond voor, heelt voorgebonden. Voorbode, m. en V., -boden. Voorboezem, M., -boezems. Voorbout, m., -bouten; -boutje, o.,-jes. Voorbramra, V., -raas. Voorbramsteng, V., -stengen. Voorbramzeil, O., -zeilen. Voorbrengen, bracht voor, heelt voorgebracht. Voorburg, M., -burgen. Voorbuur, M., -buren. Voorcijferen, cyferde voor, heelt voor-gecyferd. VOORCIJFERING, V. Voordacht, V. Voordans, M.. -dansen; -dansje, O., -jes. Voordansen, danste voor, heeft voori gedanst. , Voordanser, M., -dansers. |
VOO.
VOO.
448
|
voobdansebes, v., -4011861638011. voobdat, Toobdeel, o., -deelen; -deeltje, o., -jes. Voobdeelig, -deeliger, -deeligst. voobdeei.igheid, v. Voobdeub, V., -deuren. voobbewind, m. Toobdewind (byw.). voobdezen. Voobdienen, diende voor, heeft voor- gediend, VooBDiENEii, M., -dieners. voobdiening, v. VooBDisscHEN, dischte voor, heeft voor-gedischt. Voobdochtek, v., -dochters; dochtertje, O., -jes. quot;Voobdoen, deed voor, deden voor, heeft voorgedaan. Voobdbaaien, draaide voor, heeft voor- gedraaid. Voobdbacht, V., -drachten. Voobdbagen, droeg voor, heeft voorgedragen. Voobdbinken, dronk voor, heeft voor-gedronken. voobdwarstouw, o., -tOUWOn. Voobeb en voobebbe, V. V oobeebgi8teben. v Voobeebst. Voobeinde, o., -einden. Voobgaan, gaat voor, ging voor, is voorgegaan. Voobgaats, voobgang, m. voobgangeb, M., -gangOl S. Voobgangsteb, V.. -gangsters. Voobgebed, O., -gebeden. VooBGEBEfiGTE, o., -gebergten. Voobgebouw, O., -gebouwen. voobgemeld. Voobgenoemd, Voobgebecht, O., -gerechten. Voobgestoelte, o., -gestoelten. Vooboevel,^!.,-gevels; -geveltje,O.,-jes. Voobgeven, gaf voor, gaven voor, heeft voorgegeven. Voobgeven, O. Voobgeving, V. voobgevoel, o. Voobgezang, O., -gezangen. Voobgoed (byw.). Voobgoochei.en, goochelde voor, heeft voorgegoocheld. voobgooi, v. Voobgooien, gooide voor, heeft voorge-gooid. Voobgkacht, V., -grachten. Voobgrond, M., -gronden. voobhaab, o. voobhamer, M , -hamers. Voobhand, V., -handen. Voorhanden (bijw.). Voorhang, M., -hangen. |
1 Voorhangen, hing voor, heeft voorge-hangen. i Voorhangsel, O., -hangsels en -hang-selen. j Voorhaven, V., -havens. Voorhebben, heeft voor, had voor, hadden voor, heeft voorgehad. : voobheen. ; voobhistobisch. i Voorhoede, V., -hoeden Voorhoef, m., -hoeven. Voorhof, o., -hoven. Voorhoofd, O., -hoofden; -hoofdje, O., -jes. Voorhouden, hield voor, heeft voorgehouden. Voorhuid, V., -huiden. Voorhuis, O., -huizen; -huisje, O., -jes. Voorijzer, O., -üzers. Voorin. Voor-indië, o. Vooringenomen, -genomener, geno-menst. Vooringenomenheid, V. Voorinnemen, nam voorin, namen voorin, heeft vooringenomen. Voorjaar, o., -jarfti; -jaartje, o., -jes. Voobjaabsbloem, V., -bloemen; -bloempje, O., -jes. voorjaabskoobts, v., -koortsen. Voorjaabsnachtevening, V., -eveningen. voorjaabsopbuim1ng, v., -ou. Voorjaabsbegen, M., -regens; -regentje, O., -jes. Vcobjaabsbeis, V., -reizen. Voobjaabsveiling, V., -vellingen. Voorjaabsvebgadebing, V., vergaderingen. Voorjaabswedeb en -weeb, o. Voorkamer, V., kamers; -kamertje, O., -jes. Voorkasteel, O., -kasteelen. Voorkauwen, kauwde voor, heeft voorgekauwd. Voorkennis, V. Voorkeuken, V., -keukens; -keukentje, O., -jes. l Voorkeur, V. Voorkind, 0.f -kinderen. Voorklimmen, klom voor, klommen voor, heeft en is voorgeklommen. Voorkomen, komt voor, kwam voor, kwamen voor, is voorgekomen; ook voorkomt, voorkwam, voorkwamen, heeft voorkomen. j Voorkomen, o. Voorkomend, -komender, -komendst. Voorkomendheid, V. Voorkoming, V. Voorkoop, M., -koopen. Voorkooper, M., -koopers. j voorkoopsteb, v., -koopsters. | Voobkbijgen, kreeg voor, kregen voor, heeft voorgekregen. |
VOO.
VOO.
449
|
Voorkwabtieb, O., -kwartieren. VOOBIiAATST. Voorland, o. vooblanq. Voorlast, M. VOOBLASTIG. V00BLATEN, liet voor, heeft voorgelaten. Voobleden. Zie Verleden. voobledeb en voobleeb, o. Voorleggen, legde voor en leide voor, heeft voorgelegd en voorgeleid. VOOBLEGGING, V. Vooblezen, las voor, lazen voor, heeft voorgelezen. Vooblezeb, M., -lezers. VooBLEziNG, V., -lezingen. VooBLicHTEN, lichtte voor, heeft voorgelicht. VooBLicHTEB, M., -lichters. VOOBLICHTING, V. VOOBLIEFDE, V. VooBLiEGEN, loog voor, logen voor, heeft voorgelogen. VooBLiGGEN, lag voor, lagen voor, heeft voorgelegen. VooBLUF, O., -UJven; -lijfje, O., -jes. VooBLiJK (scheepsw.), O., -lyken. VooBLUK, -l\)ker, -lijkst. VOOBLIJKHEID, V. Voobloop (geestryk vocht), V. Voobloopen, liep voor, heeft en is voor- geloopen. Voobloopeb, M., -loopers. voobloopig. voobluik, o., -luiken. voobmaals. Voobmaand, V., -maanden. Voobmaken, maakte voor, heeft voor-gemaakt. voobmalig. voobman, m., -ibi. Voobmabs, V., -marsen. VooBMABszEiL, O., -zeilen. Voobmast, M., -masten. Voobmeten, mat voor, maten voor, heeft voorgemeten. Voobmiddag, M., -middagen; -middagje, O., -jes. voobmiddagwacht, V. Voobmouw, V., -mouwen. VooBMuuB, M., -muren. Voobn. Zie Voren. Voobnaam, M., -namen. Voobnaam, -namer, -naamst. voobnaamwoobd, o., -WOOrdOU. v00bnacht, M., -nachten. v00bnamel1ijk. Voobnemen, O., -nemeus. Voobnemen, nam voor, namen voor, heeft voorgenomen, voobnoemd. Voobnoen, M. Vooboeveb, M., -oevers. |
Voobondeb, o., -onders; -ondertje, o., -jes. Voobondebstellen, vooronderstelde, heeft voorondersteld. VooBGNDEBSTELLiNG, V., -stellingen. Vooboobdeel, O., -oordeeleu. Voobop. Voobopstellen, stelde voorop, heeft vooropgesteld. Voobopzetten, zette voorop, heeft vooropgezet. vooboudeblijk. Vooboudebs en vooboudeben (mv.), M. vooboveb. Vooboveblijden (het vroeger sterven), O.. Voobovebloopen, liep voorover, heeft voorovergeloopen. Voobovebvallen, viel voorover, is voorovergevallen. Voobpaabd, O., -paarden. Voobpand, O., -panden; -pandje, O., -jes. Voobplaats, V., -plaatsen;-plaatsje, O., -jes. V00BPLECHT, V., -plechten. VooBPLEiN, O., -pleinen. Voobpoobt, V., -poorten. Voobpoot, M., -pooten; -pootje, O.,-jes. Voobpobtaal, O., -portalen. Voobpost, M., -posten. Voobpostengevecht, o., -gevechten. Voobpostenl1nie, V., -llniën. V00BPBATEN, praatte voor, heeft voorgepraat. VooBPKEDiKEN en vooBPBEEKEN, predikte voor en preekte voor, heeft voor-gepredikt en voorgepreekt. Voobpboef, V.; -proefje, O., -jes. Voobpboeven, proefde voor, beeft voorgeproefd. Voorpboeveb, M., -proevers. VOOBBAAD, M. Voorraadkamer, V., -kamers. Voorraadschuur, V., -schuren. Voorraam, O., -ramen. Voorrad, o., -raderen. Voorrang, M. Voorrecht, o., -rechten. Voorrede, V., -redenen; -redetje, O., -jes. Voorredenaar, M., -redenaars. Voorrekenen, rekende voor, heeft voorgerekend. Voorriem, M., -riemen. Voorrijden, reed voor, reden voor, heeft en is voorgereden. Voorrijder, M., -ryders. Voorroepen, riep voor, heeft voorgeroepen. Voorschans, V., -schansen. Voorschenken, schonk voor, heeft voor-geschonken. Voorschenker, M., -schenkers. |
VOO.
VOO.
450
|
Voorsohepen, M., -schepenen en-sche-pens. Voorschieten, schoot voor, schoten voor, heeft voorgeschoten. Voorschieter, M., -schieters. Voorschijn (Te â). Voorschilderen, schilderde voor, heeft voorgeschilderd. Voorschip, O. Voorschoen, M., -schoenen. Voorschoenen, voorschoende, heeft ge-voorschoend. Voorschoot, O., -schooten; -schootje, O., -jes. Voorschot, O., -schotten; -schotje, O., -jes. Voorschoteank, V., -banken. Voorschreven. Voorschrift, O., -schriften. Voorschrijven, schreef voor, schreven voor, heeft voorgeschreven. Voorschrijving, V. Voorschuiven, schoof voor, schoven voor, heeft voorgeschoven. voorschutttng, V. Voorshands. Voorslaan, slaat voor, sloeg voor, heeft voorgeslagen. Voorslag (voorstel), M., -slagen. Voorslag (van een klokkenspel en in de muziek), O. voorslemphoüt, o., -houten. Voorsmaak, M.; -smaakje, O. Voorsmijten, smeet voor, smeten voor, heeft voorgesmeten. Voorsnijden, sneed voor, sneden voor, heeft voorgesneden. Voorsnijder, M., -snyders. Voorsnijdster, V., -snydsters. Voorsnijmes, O., «messen. Voorspan, O., -spannen. Voorspannen, spande voor, heeft voorgespannen. Voorspel, o., -spelen; -spelletje, 0.t -jes. Voorspelden, speldde voor, heeft voorgespeld. Voorspelder, M., -spelders; -speldertje, O., -jes. Voorspelen, speelde voor, heeft voorgespeeld. Voorspeler, M., -spelers. Voorspellen (de letters voorzeggen), spelde voor, heeft voorgespeld. Voorspellen (voorzeggen), voorspelde, heeft voorspeld. Voorspeller, M., -spellers. Voorspelling, V., -spellingen. Voorspelster, V., -spelsters. Voorspiegelen, spiegelde voor, heeft voorgespiegeld. Voorspiegeling, V., -spiegelingen. Voorspijs., V,, -spjjzen. Voorspits, V., -spitsen. Voorspoed, M., |
Voorspoedig, -spoediger, -spoedigst. v oorspoedigluk. Voorspook, o., -spoken. Voorspraak (persoon), M. en V., -spraken; (het voorspreken), V. Voorspreken, sprak voor, spraken voor, heeft voorgesproken. Voorspreker, M., -sprekers. Voorstaan, staat voor, stond voor, heeft voorgestaan. Voorstad, V., -steden. Voorstand, M. Voorstander, m., -standers. Voorstandster, V., -standsters. Voorstappen, stapte voor, heeft en is voorgestapt. Voorste. Voorsteek, M., -steken. Voorsteken, stak voor, staken voor, heeft voorgestoken. Voorstel, O., -stellen; -stelletje, O., -jes. Voorstellen, stelde voor, heeft voorgesteld. Voorsteller, M., -stellers. Voorstelling, V., -stellingen. voorstellingsgave, v. Voorstellingskracht, V. Voorstellingsvermogen, o. VoORSTELSTERj V., -stelsters. Voorstemmen, stemde voor, heeft voorgestemd. Voorstemmer, M., -stemmers. Voorsteng, V., -stengen. Voorsteven, M., -stevens. Voorstoot, m. Voo^stooten, stiet voor, heeft voorge-stooten; ook stootte voor. Voorstraat, V., -straten. Voorstrijden, streed voor, streden voor, heeft voorgestreden. Voorstrijder, M., -stryders. Voorstuk, O.,-stukken; -stukje, O.,-jes. Voort. Voortaan. Voortafel, V., -tafels. Voortand, M., -tanden; -tandje, O., -jes. Voortarbeiden, arbeidde voort, heeft voortgearbeid. Voortkabbelen, babbelde voort, heeft voortgebabbeld. Voortbeuzelen, beuzelde voort, heeft voortgebeuzeld. Voortblaffen, blafte voort, heeft voort-geblaft. Voortblazen, blies voort, bliezen voort, heeft voortgeblazen. Voortbonzen, bonsde voort, heeft voort-gebonsd. Voortboomen, boomde voort, heeft voortgeboomd. Voortbouwen, bouwde voort, heeft voortgebouwd. Voortbreien, breide voort, heeft voort-gebreid. |
VOO.
VOO.
451
|
Voortbbengen, bracht voort, heeft voortgebracht. Voortbrenger, M., -brengers. voortbbenginq, v. Voortbrengingskracht, V. voortbrengingbvermogen, o. Voortbrengsel, O., -brengsels en -breng-selen. Voortbrengster, V., -brengsters, Voortbulderen, bulderde voort, heeft voortgebulderd. Voortdansen, danste voort, heeft en is voortgedanst. Voortdommelen, dommelde voort, heeft voortgedommeld. Voortdragen, droeg voort, heeft voortgedragen. Voortdraven, draafde voort, is voort-gedraafd. Voortdrentelen, drentelde voort, is voortgedrenteld. Voortdrijven, dreef voort, dreven voort, heeft en is voortgedreven. Voortdrijver, M., -drivers. Voortdrijving, V. Voortduren, duurde voort, heeft voortgeduurd. Voortdurend. Voortduring, V. Voortduur, M. Voortduwen, duwde voort, heeft voortgeduwd. Voorteeken, o., -teekenen en -tee-kens. Voorteekenen, toekende voor, heeft voorgeteekend. Voorteekening, V. Voortellen, telde voor, heeft voorgeteld. Voortelling, V. Voortempel, M., -tempels. Voortent, V. Voorteten, at voort, aten voort, heeft voortgegeten. Voortfladderen, fladderde voort, is voortgefladderd. Voortfokken, fokte voort, heeft voort-gefokt. Voortgaan, gaat voort, ging voort, is voortgegaan. Voortgang, M., -gangen. Voortgetogen (verl. deelw.). Voortgeven, gaf voort, gaven voort, heeft voortgegeven. Voortglijden, gleed voort, gleden voort, is voortgegleden. Voortglippen, glipte voort, is voort-geglipt. Voortgonzen, gonsde voort, heeft en is voortgegonsd. Voorthelpen, hielp voort, heeft voortgeholpen. Voorthinken, hinkte voort, heeft en is voortgehinkt. |
Voorthollen, holde voort, heeft en is voortgehold. Voorthuppelen, huppelde voort, heeft en is voortgehuppeld. Voortijd, M., -tyden. Voortijds. Voortijlen (voortsnellen), ijlde voort, is voortgeyld. Voortjagen, jaagde voort, heeft en is voortgejaagd; ook joeg voort. Voortkomen, komt voort, kwam voort, kwamen voort, is voortgekomen. VooRTKRUGEN, kreeg voort, kregen voort, heeft voortgekregen. V oortkruien, krooi voort, krooien voort, heeft en is voortgekrooien; ook kruide voort, heeft en is voortgekruid. Voortkruiing, V. Voortkruipen, kroop voort, kropen voort, is voortgekropen. Voortkuieren, kuierde voort, is voort-gekuierd. Voortlaveeren, laveerde voort, is en heeft voortgelaveerd. Voortleiden, leidde voort, heeft voort-geleid. Voortlokken, lokte voort, heeft voort-gelokt. Voortloopen, liep voort, is en heeft voortgeloopen. Voortmaken, maakte voort, heeft voortgemaakt. Voortmalen, maalde voort, heeft voortgemalen. Voortocht, M., -tochten. Voortooveren, tooverde voor, heeft voorgetooverd. Voortop, M., -toppen. Voortpakken (zicli - ). pakte zich voort, heeft zich voortgepakt. Voortplanten, plantte voort, heeft voortgeplant. Voortplanting, V. Voortplantingsorgaan, o., -organen. Voortpraten, praatte voort, heeft voort-gepraat. Voortraken, raakte voort, is voortgeraakt. Voortrap, V. Voortreden, trad voor, traden voor, is voorgetreden. Voortredeneeben, redeneerde voort, heeft voortgeredeneerd. Voortreffelijk, -lyker, -lykst. Voortreffelijkheid, V., -heden. Voortregenen, regende voort, heeft voortgeregend. Voortrein, M., -treinen. Voortreizen, reisde voort, is voortge-reisd. Voortrekken (voor-trekken), trok voor, trokken voor, heeft voorgetrokken. Voortrekken (voort-rekken), rekte voort, heeft voortgerekt. I |
VOO.
VOO.
452
|
Voobtbennen, rende voort, is en heeft voortgerend. Voobtbijden, reed voort, reden voort, heeft en is voortgereden. Voobtboeien, roeide voort, heeft en is voortgeroeid. Voobtbollen, rolde voort, Leeft en is voortgerold. V00BTB088EN,roste voort, is voortgerost. Voobtbukken, rukte voort, heeft en is voortgerukt. Voobtb. Voobtschabbelen, scharrelde voort, is voortgescharreld. Voobtschieten, schoot voort, schoten voort, heeft en is voortgeschoten. Voobtschoffelen, schoffelde voort, heeft voortgeschofield. Voobtschoppen, schopte voort, heeft voortgeschopt. Voobtschuiven, schoof voort, schoven voort, heeft en is voortgeschoven. Voobtslaan, sloeg voort, heeft en is voortgeslagen. V00BT8LEEPEN, sleepte voort, heeft voortgesleept. V00BT8LENTEBEN, slenterde voort, is voortgeslenterd. Voobtsleuben, sleurde voort, heeft voortgesleurd. V00BT8LUIPEN, sloop voort, slopen voort, is voortgeslopen. V00BT8MIJTEN, smeet voort, smeten voort, heeft voortgesmeten. VoobtsnelijEn, snelde voort, is voortgesneld. Voobtspoeden, spoedde voort, is voort-gespoed; ook spoedde zich voort, heeft zich voortgespoed. VooBTsPBiNGEN, sprong voort, is en heeft voortgesprongen. V00BT8PBUITEN, sproot voort, sproten voort, is voortgesproten Voobtstappen, stapte voort, is en heeft voortgestapt. Voobtstoomen, stoomde voort, is voort-gestoomd. V00BT8T00TEN, stiet voort, heeft voort-gestooten; ook stootte voort. V00BT8TBEVEN, streefde voort, is voort-gestreefd. V00BT8TB0MPELEN, strompelde voort, is voortgestrompeld. Voobtstboomen, stroomde voort, is en heeft voortgestroomd. VOOBT8TUDEEBEN, studeerde voort, heeft voortgestudeerd. VooBTSTurvEN, stoof voort, stoven voort, heeft en is voortgestoven. Voobtstuben, stuurde voort, heeft voortgestuurd. V00BT8TUWEN, stuwde voort, heeft voortgestuwd. V00BT8TDWEB, M., -stuwers. |
VooBTsuKKELEN, sukkelde voort, heeft en is voortgesukkeld, Voobttelen, teelde voort, heeft voort-geteeld. VOOBTTELING, V. Voobttellen, telde voort, heeft voort-geteld. Voobttbeden, trad voort, traden voort, is voortgetreden. Voobttbekken, trok voort, trokken voort, heeft en is voortgetrokken. VooBTTBippELEN, trippelde voort, is voortgetrippeld. Voobttuimele.v, tuimelde voort, is voortgetuimeld. Voobtvaben, voer voort, is en heeft voortgevaren. Voobtvabend, -varender, -varendst. voobtvabendheid, V. Voobtvebtellen, vertelde voort, heeft voortverteld. Voobtvlieden, vlood voort, vloden voort, is voortgevloden. Voobtvliegen, vloog voort, vlogen voort, heeft en is voortgevlogen. Voobtvloeien, vloeide voort, is voortgevloeid. Voobtvluchten, vluchtte voort, is voortgevlucht. voobtyluchtig. Voobtvbagen, vraagde voort, heeft voortgevraagd; ook vroeg voort. Voobtvuben, vuurde voort, heeft voort-gevuurd. Voobtwaaien, waaide voort, heeft en is voortgewaaid; ook woei voort, woeien voort. Voobtwaggelen. waggelde voort, is voortgewaggeld. Voobt wandelen, wandelde voort, heeft en is voortgewandeld. Voobtwebpen, wierp voort, heeft voort-geworpen. VooBTwiLLEN, wilde voort, heeft voort-gewild. Voobtwoekeben, woekerde voort, heeft en is voortgewoekerd. Voobtzeggen, zeide voort, heeft voortgezegd en voortgezeid. Voobtzeilen, zeilde voort, heeft en is voortgezeild. Voobtzenden, zond voort, heeft voort-gezonden. Voobtzetten, zette voort, heeft voortgezet. V00BTZETTEB, M., -zetters. voobtzetting, V. VooBTzoNDiGEN, zondigde voort, heeft voortgezondigd. Voobtzweepen, zweepte voort, heeft voortgezweept. Voobuït. VooBuiTBE8TELiiEN, bestelde vooruit, heeft vooruitbesteld. |
VOO.
453
VOO.
|
Voortjitbestelling, V., -bestellingen. Vooruitbetalen, betaalde vooruit, heeft vooruitbetaald. Vooruitbetaling, V., -betalingen. Vooruitbrengen, bracht vooruit, heeft vooruitgebracht. Vooruitdraven, draafde vooruit, is vooruitgedraafd. Vooruitdrijven, dreef vooruit, dreven vooruit, heeft en is vooruitgedreven. Vooruitdringen, drong vooruit, heeft en is vooruitgedrongen. Vooruitduwen, duwde vooruit, heeft vooruitgeduwd. Vooruitgaan, gaat vooruit, ging vooruit, is vooruitgegaan. Vooruitgang, M. Vooruithebben, heeft vooruit, had vooruit, hadden vooruit, heeft voor-uitgehad. Vooruithelpen, hielp vooruit, heeft vooruitgeholpen. Vooruitijlen, ijlde vooruit, is vooruit-geyld. Vooruitjagen, jaagde vooruit, heeft en is voor uitgejaagd; ook joeg vooruit. Vooruitkomen, komt vooruit, kwam vooruit, kwamen vooruit, is vooruitgekomen. Vooruitloopen, liep vooruit, is voor-uitgeloopen. VooRuiTMAKiNG, V., -makingen. Vooruitnemen. nam vooruit, namen vooruit, heeft vooruitgenomen. Vooruitraken, raakte vooruit, is voor-uitgeraakt. Vooruitreizen, reisde vooruit, is vooruitgerei sd. Vooruitrennen, rende vooruit, is voor-uitgerend. Vooruitruden, reed vooruit, reden vooruit, is en heeft vooruitgereden. Vooruitsnellen, snelde vooruit, is vooruitgesneld. Vooruitsteken, stak vooruit, staken vooruit, heeft vooruitgestoken. Vooriiitstreven, streefde vooruit, is vooruitgestreefd. Vooruitstrevend. Vooruitvliegen, vloog vooruit, vlogen vooruit, is vooruitgevJogen. VooRuiTZEiLEN, zeilde vooruit, is voor-uitgezeild. Vooruitzenden, zond vooruit, heeft vooruitgezonden. Vooruitzicht, o., -zichten. Vooruitzien, zag vooruit, zagen vooruit, heeft vooruitgezien. Vooruitziend. Voorvader, m., -vaderen en -vaders. Voorvaderlijk. Voorval, o., -vallen; -valletje, o., -jes. Voorvallen, viel voor, is voorgevallen. |
Voorvechter, M., -vechters. Voorvenster, o., -vensters. Voorvertrek, o., -vertrekken; -vertrekje, O., -jes. Voor vul, V., -vijlen. Voorvinger, M., -vingers. Voorvlak, o., -vlakken. voorvliegen, vlOOg vool', vlogen vool', heeft en is voorgevlogen. Voorvloed, M. Voorvoegen, voegde voor, heeft voor- gevoegd. Voorvoeging, V. Voorvoegsel, o., -voegsels. Voorvoet, M., -voeten. Voorwaar. Voorwaarde, V., voorwaarden. Voorwaardelijk. Voorwaarts (byw.). voorwaartsch (bnW.). Voorwacht, v., -wachten. Voorwagen, M., -wagens. Voorwal, M., -wallen. Voorwand, M., -wanden. Voorwegen, woog voor, wogen voor, heeft voorgewogen. Voorwenden, wendde voor, heeft voorgewend. Voorwending, V. Voorwendsel, o., -wendsels en -wend- selen; -wendseltje, O., -jes. Voorwereld, v. Voorwereldlijk. Voorwerk, o. Voorwerken, werkte voor, heeft voor- gewerkt. Voorwerker, M., -werkers. Voorwerp, o., -werpen; -werpje, o. -jes. Voorwerpen, wierp voor, heeft voorgeworpen. Voorwerping, V. Voorwerpsnaam, M., -namen. Voorwerpszin, M., -zinnen. Voorweten, O. Voorwetend. Voorwetendheid, V. Voorwetenschap, V. Voorwiel, O., -wielen. Voorwimpel, M., -wimpels. Voorwind, M. Voorwinter, M., -winters; -wintertje O., -jes. Voorworp, M. Voorzaal, V., -zalen. Voorzaat, M., -zaten. Voorzang, M., -zangen. Voorzanger, M., -zangers en -zangeren Voorzangersambt, o. Voorzangerschap, o. Voorzeggen, zeide voor, heeft voorge zegd en voorgezeid; ook voorzeide heeft voorzegd en voorzeid. Voorzegger, M., -zeggers. |
VOR.
VOO.
454
|
Voorzegging, V., -zeggingen. Voobzegster, V., -zegsteis. Voorzeil, O., -zeilen. Voorzeiler, M., -zeilers. Voorzeker. Voorzet, M. Voorzetsel, o., -zetsels. V oorzetten, zette voor, heeft voorgezet. Voorzichtig, -zichtiger, -zichtigst. Voorzichtigheid, V. v oorzichtigheid6halve. Voorzien, voorzag, voorzagen, heeft voorzien. Voorzienig. Voorzienigheid, V. Voorziening, V., -zieningen. Voorzijde, V., -zjjden. Voorzingen, zong voor, heeft voorgezongen. Voorzingen, o. Voorzinger, M., -zingers. Voorzitten, zat voor, zaten voor, heeft voorgezeten. Voorzitter, M., -zitters en -zitteren. Voorzitterschap, o. Voorzittersplaats, V., -plaatsen. voorzittersstoel, m., -stoelen. Voorzitting, V. Voorzolder, M., -zolders. Voorzomer, M., -zomers. Voorzoom, M., -zoomen. Voorzoon, M., -zonen en -zoons. Voorzorg, V., -zorgen. V oorzorgsmaatregel, M., -maatregelen. Voorzwemmen, zwom voor, zwommen voor, heeft en is voorgezwommen. Voos, voozer, voost. Voosheid, v. Vorderen (eischen), vorderde, heeft gevorderd. Vorderen (voortkomen), vorderde, is gevorderd. Vordering, V., vorderingen. Vore. Zie Voor. Voren en voorn, M., vorens en voorns. Vorentje en voorntje, O., -jes. Voren (Te â). Vorenstaand. Vorig. Vork, V., vorken. Vorkje, o., -jes. Vorm, M., vormen. Vormpje, O., -jes. Vormbak, M., -bakken. Vormbank, V., -banken. Vormelijk, -lyker, -lykst. Vormelijkheid, V. Vormen (den vorm geven), vormde, heeft gevormd. VoRMEN(het vormsel toedienen),vormde, heeft gevormd. Vormer, M., vormers. Vorming, V., vormingen. Vormkracht, V. Vormleer, V. Vormloos en vormeloos, -looze. |
Vormloosheid, V. Vormnaad, M., -naden. Vormoog, O., -oogen. Vormschool, V., -scholen. Vormsel, o., vormsels. Vormster, V., vormsters. vormzand, o. Vormzijde, V., -zjjden. Vorsch, m., vorschen. Vorschje, o.,-jes. Vorschen, vorschte, heeft gevorscht. Vorst (heerscher), M., vorsten. Vorstje, O., -jes. Vorst (van het dak), V., vorsten. Vorst (koude), v. Vorstje, o., -jes. Vorstelijk, -lyker, -lijkst. Vorstendeugd, v., -deugden. Vorstendom, O., vorstendommen. Vorstengunst, V. Vorstenhuis, o., -huizen. Vorstenkroon, V., -kronen. Vorstentelg, M. en V., -telgen. Vorstenzoon, M., -zonen en -zoons. Vorstin, V., vorstinnen. Vorstvrij. Vos, M., vossen. Vosje, O., -jes. v oskleurig. vossebont ou vossenbont, o. Vossekop, M., -koppen. Vossengat, O., -gaten. Vossenhaar, o. Vossenhol, O., -holen. Vossenjacht, V., -jachten. Vossenjager, M., -jagers. Vossenjong, O., -jongen. VossENKuiL, M., -kuilen. Vossenval, V., -vallen. VoiSESTAART, M., -staarten. Vossevel, o., -vellen. Votum, o., votums. Vouw, V., vouwen. Vouwtje, O., -jes. Vouwbeen, O., -beenen; -beentje, O., -jes. Vouwblind, o., -blinden. Vouwdeue, V., -deuren. Vouwdoos, V., -doozen. Vouwen, vouwde, heeft gevouwen. Vouwer, M., vouwers. Vouwing, V., vouwingen. Vouwmachine, V., -machines. Vouwster, V., vouwsters. Vouwstoel, M., -stoelen; -stoeltje, O., -jes. Vouwtafel, V., -tafels; -tafeltje, O., -jes. Vraag, V., vragen. Vraagje, O., -jes. Vraagachtig, -achtiger, -achtigst. Vraagal, M. en V., vraagallen. Vraagbaak, V., -baken. Vraagpunt, O., -punten. Vbaagspel (vragen opgeven), o., -spelen. Vbaagspel (van kaartspelers), o., -spellen. Vbaagsteb, V., vraagsters. Vbaagstuk,o.,-stukken; -stukje, o.,-jes. Vbaagteeken, o., -teekens. Vraagwoord, o., -woorden. |
VRA.
455
VRE.
|
Vbaat, M., vraten. Vraatje, O., -jes. Vbaatachtig, -achtiger, -achtigst. Vbaatachtigheid, V. Vbaatzucht, V. Vbaatzuchtig, -zuchtiger, zuchtigst. Vbacht, V., vrachten. Vrachtje, O., -jes. Vbachtboot, V., -booten. Vbachtbbief, M., -brieven. Vbachtgeld, O. Vbachtkab, V., -karren. Vbachtloon, O., -loonen. Vbachtpaabd, o., -paarden. Vbachteijdeb, M., -ryders. VBACHT8CH1P, O., -schepen, Vbachtschuit, V., -schuiten. Vbachtslede, v., -sleden. Vbachtvaabt, V. Vbachtvaabdeb, M., -vaarders. Vbachtvbij. Vbachtwagen, m., -wagens. Vbagen, vraagde, heeft gevraagd; ook vroeg. Vbagenboek, o., -boeken; -boekje, O., -jes. Vbagendebwuze en -wijs. Vbageb, M., vragers. Vbank, ook fbank (bnw.). Vbatig, vratlger, vratigst. Vbatigheid, V. Vbede, M. Vbedebbeuk, V. Vbedehandel, M. Vbedelievend, -lievender, -lievendst. Vbedelievendheid, V. Vbedebechteb, M., -rechters. Vbedebondebhandeling, V., -onderhandelingen. Vbedespijp, V. Vbedestichteb, M., -stichters. Vbedestijd, M. Vbedesvebdbag, o., -verdragen. Vbedesvoobslag, M., -voorslagen. Vbedig, vrediger, vredigst. Vbediglijk. Vbeedzaam, -zamer, -zaamst. vbeedzaamheid, V. Vbeemd, vreemder, vreemdst. Vbeemde (In den â). Vbeemdelïjk. Vbeemdeling, M. en V., vreemdelingen. V. ook vreemdelinge. Vbeemdelingenboek, o., -boeken. Vbeemdelingenvebkeeb, O. Vbeemdelingschap, O. Vbeemdelingsbecht, o. Vbeemdenlegioen, O., -legioenen. Vbeemdheid, V. Vbeemdigheid, V., -heden. Vbeemdsoobtig, -soortiger, -soortigst. Vbeemdsoobtigheïd, V. Vbees en vbeeze, V., vreezen. Vbeesachtig, -achtiger, -achtigst. Vbeesachtigheid, V., -heden. Vbeeselijk en vbeeslijk,-lyker,-lykst. |
Vbeeselijkheid, V., -heden. Vbeetschip, O., -schepen. Vbeetsteb, V., vreetsters. Vbeetwolf, M., -wolven. Vbeevuub, o., -vuren. Vbeezen, vreesde, heeft gevreesd. Vbek, vrekker, vrekst. Vbek, M., vrekken. Vrekje, O., -jes. Vbekachtig, -achtiger, -achtigst. Vbekachtigheid, V. Vbekheid, V. Vbekkig, vrekkiger, vrekkigst. Vbekkigheid, V. Vbeten, vrat, vraten, heeft gevreten. Vbeteb, M., vreters. Vbetebij, V. Vbeugde en vbeugd, V. Vbeugdebedbijf, O., -bedrijven. Vbeugdebetoon, O. Vbeugdeloos, -loozer, -loost. Vbeugdetbaan, M., -tranen. Vbeugdevol, -volle. Vbeugdevuub, O., -vuren. Vbiend, ook vbind, M., vrienden en vrinden. Vriendje en vrindje, O.,-jes. Vbiendelijk, -lyker, -lykst. Vbiendelijkheid, V,, -heden. Vbiendendienst, M., -diensten. Vbiendenfeest, O., -feesten. Vbiendengboet, M., -groeten. Vbiendenkbing, M., -kringen. VBIENDENMAAIi, O., -malen. Vbiendhoudend, -houdender, -hou- dendst. Vbiendhoudendheid, V. Vbiendin, V., vriendinnen. Vriendinnetje, O., -jes. Vbtendinnenkbing, M., -kringen. Vbiendlief, M.; -liefje, O. Vbiendschap, V., -schappen. Vbiendschappelijk, -lyker, -lijkst. Vbiendschappelijkheid, V. Vbiendschapsband, M., -banden. Vbiendschapsbekeb, M., -bekers. Vbiendschapsbetoon, O. Vbiendschapsbetbekking, V., -betrek-kingen. Vbiendschapsbetuiging, V., -betuigin-gen. Vbiendschapsdienst, M., -diensten. Vbiendschapslied, O., -liederen. Vbiendschapsplicht, M., -plichten. Vbiendschapsteeken, O., -teekenen. Vbiendschapsvebbond, O., -verbonden. Vbiespunt, O. Vbieswedeb en -weeb, O. Vbiezen, vroor, heeft gevroren en ge- vrozen. Vbu, vryer, vrijst. Vbijaf. Vbijage, V., vryages. Vbublijven, bleef vrij, bleven vrij, is vrygebleven. Vbijbbief, M., -brieven. |
VEIJ.
VRIJ.
|
Veubuiten, vrybuitte, heeft gevrybuit. Vbijbuiteb, m., -buiters. Vbijbuitebïj, V., -buiterijen. Vbijbubq, M., -burgen. Vbjjdag, M., -dagen. Vbijdaqsch. Vbuden en vbijen (bevrijden), vrydde en vryde, heeft gevryd. Vbijdenkeb, m., -denkers. Vbijdenkebij, V. Vbijdingen, dong vry, heeft vrygedon-gen. Vbijdobbelen, dobbelde vrij, heeft en is vrjjgedobbeld. Vbijdom, m., vrydommen. Vbijeluk. Vbijen (liefde betoenen), vryde, heeft gevrijd; ook vree, vreeën, heeft gevreeën. Vbijen (bevrijden). Zie Vrflden. Vbueb, M., vryers. Vryertje, O., -jes. Vbijebij, V., vryeryen. Vryerytje, O., -jes. Vbijebschap, o. Vbijqeboben. Vbijgeest, M., -geesten. Vbijqeestebij, V. Vbijgelatene, m. en v., -gelatenen. Vbijgeleibbief, m., -brieven. Vbijgeleide, O. Vbijgeven, gaf vry, gaven vry, heeft vrygegeven. Vbijgevig (mild), -geviger, -gevigst. Vbijgevigheid, v. Vbijgezel, M., -gezellen. Vbijgbaaf, M., -graven. Vbijgbaafbchap , o. Vbijhandelstelsel, O. Vbijhaven, V., -havens. Vbijheeb, m., -heeren. Vbijheeblijk. Vbijheebschap, O. Vbijheid, v., -heden. v bi jheidlie vend, Vrijheidminnend. Vbuheidsboom, M., -boomen. Vrijheidsgeest, M. Vbijheidshoed, M., -hoeden. Vrijheidsliefde, V. Vrijheidsmaagd, V. Vbijheidsmin, V. Vbijheidsmuts, V., -mutsen. Vrijheidszin, M. Vrijheidszoon, m., -zonen. Vbijheidszucht, V. Vbijhouden, hield vrij, heeft vry gehouden. Vbijhuis, O., -huizen. Vbijjaab, o., -jaren. Vbijkaabt,V.,-kaarten; -kaartje,o.,-jes. Vbukennen, kende vry, heeft vryge- kend. Vbijkenning, V. Vbijkomen, komt vry, kwam vry, kwamen vrij, is vrygekomen. |
Vbijkoop, M. Vbijkoopen, kocht vry, heeft vrijgekocht. Vbijkooping, V., -koopingen. Vrijkorps, o., -korpsen. Vrijlaten, liet vry, heeft vrygelaten. Vrijlating, V., -latingen. Vruleen, o., -leenen. Vruloopen, liep vry, is vrygeloopen. Vrijlot, o., -loten; -lootje, O., -jes. Vrijloten, lootte vrij, heeft en is vry-geloot. Vrijmachtig, -machtiger, -machtigst. Vrijmachtigheid, V. Vrijmaken, maakte vry, heeft vry gemaakt. Vbijmakeb, M., -makers. Vbïjmaking, V., -makingen. Vbijmabkt, V., -markten. Vbijmetselaab, m., vrymetselaars en vrijmetselaren. Vbijmetselaabsloge, V., -loges. Vbijmetselabij, V. Vbijmoedig, -moediger, -moedigst. Vbijmoedigheid, V., -heden. V bi jmoediglijk. Vbijplaats, V., -plaatsen. Vbijpleiten, pleitte vrij, heeft vrijgepleit. Vbijpostig, -postiger, -postigst. Vbijpostigheid, V. V bijpostigli jk. VbIjspbaak, V., -spraken. Vbuspbeeksteb, V., -spreeksters. Vbuspbeken, sprak vry, spraken vry, heeft vrygesproken. Vbïjspbekeb, M., -sprekers. Vbijspbeking, V., -sprekingen. Vbustaan, staat vry, stond vry, heeft vrijgestaan. Vbïjstaat, m., -staten. Vbustad, V., -steden. Vbijstellen, stelde vry, heeft vry gesteld. Vbustelling, V., -stellingen. VBijsTEB,V.,vrysters.Vrystertje, O., -jes. Vbijstebschap, o. Vbijuit. Vbijvallen, viel vrjj, is vrygevallen. Vbuvaben, voer vry, heeft vrygevaren. Vbijvechten, vocht vry, heeft vry gevochten. Vbuvebklaben, verklaarde vry, heeft vrijverklaard. Vbijvebklabing, V., -verklaringen. Vbijvbouw, v., -vrouwen. Vbijwaabder, m., -waarders. Vrijwaren, vry waarde, heeft gevry- waard. Vrijwabing, V., -waringen. Vbijwillig, -williger, -willigst. Vrijwilliger, M., -willigers. Vbijwilligheid, V. Vbijzetten, zette vry, heeft vrijgezet. |
YRIJ.
457
VRO.
|
Vrijzinnig, -zinniger, -zinnigst. Vrijzinnigheid, V. Vrind. Zie Vriend. Vroed, vroeder, vroedst. Vroedheid, V. Vroedkunde, V. Vroedkundig. Vroedkundige, M. en V., -kundigen. Vroedmeester, M., -meesters. Vroedschap (vergadering), V.; (een lid daarvan), M., -schappen Vroedschapsbank, V., -banken. Vroedschapspenning, M., -penningen. Vroedschapsplaats, V., -plaatsen. Vroedschapsvergadering, V., -vergaderingen. Vroedvrouw, V., -vrouwen. Vroeg, vroeger, vroegst. Vroegbeurt, V., -beurten. Vroegbloem, V., -bloemen. Vroegdienst, M. Vroegkerk, V. Vroegpreek, V., -preeken. Vroegrijp. Vroegte, V. Vroegtijdig, -tydiger, -tydigst. Vroegtijdigheid, V. Vromelijk. Vromigheid, V. Vroolijk, -lyker, -lykst. Vroolijkheid, V., -heden. Vroom, vromer, vroomst. Vroomheid, V. Vroon, o., vroonen. Vroondienst, M., -diensten. Vroongeld, O., -gelden. Vroongoed, o., -goederen. Vroonheer, M., -heeren. Vroonland, O., -landen. Vroonmeester, M.. -meesters. Vroonrecht, o., -rechten. Vroonvisscherij, v., -visscheryen. Vroonwater, o., -wateren. Vrouw, V., vrouwen. Vrouwtje, o., -jes. Vrouwachtig, -achtiger, -achtigst. Vrouwachtigheid, V. Vrouwebeeld, o., -beelden. Vrouwelijk. Vrouwelijkheid, V. Vrouwenaard, M. Vrouwenarbeid, M. Vrouwendag, M. Vrouwendeugd, V. Vrouwendienst, M. Vrouwengek, M., -gekken. Vrouwenhaar, O. Vrouwenhand, V., -handen. Vrouwenhater, M., -haters. Vrouwenhemd, o., -hemden. Vrouwenhoed, M., -hoeden. Vrouwenhuis, O., -huizen. Vrouwenkerk, v. Vrouwenklap, M. Vrouwenkleed, o., -kleederen. |
Vrouwenkleeding, V. Vrouwenklooster, o., -kloosters. Vrouwenkracht, V. Vrouwenleen, O., -leenen. Vrouwenliefde, V. Vrouwenlist, V., -listen. Vrouwenmelk, V. Vrouwenmin, V. Vrouwenmuts, V., -mutsen. Vrouwennaam, M., -namen. Vrouwenregeering, V. Vrouwenrok, M., -rokken. Vrouwenroof, M. Vrouwenschender, M., -schenders. Vrouwenschennis, V. Vrouwenschoen, M., -schoenen. Vrouwenslaaf, M., -slaven. Vrouwenstem, V., -stemmen. Vrouwentimmer, o., -timmers. Vrouwenverkrachter, M., -verkrachters. Vrouwenvertrek, O., -vertrekken. Vrouwenwerk, O. Vrouwlief. Vrouwmensch, O., -lieden en -lui. Vrouwspersoon, o., -personen. Vrouwtjelief, O. Vrouwtjesappel, M., -appels. Vrucht, V., vruchten. Vruchtje, O.,-jes. Vruchtbaar, -baarder, -baarst. Vruchtbaarheid, V. Vruchtbeginsel, o., -beginsels. v ruchtdragend. Vruchteloos, -loozer, -loost. Vruchteloosheid, V. Vruchtenmesje, o., -mesjes. Vruchtenschaal, V., -schalen. Vruchtgebruik, o. Vruchtgebruiker, M., -gebruikers. Vuig, vuiger, vuigst. vuigheid, v. Vuil, vuiler, vuilst. Vuil, O. Vuilaardig, -aardiger, -aardigst. vuilaardigheid, v., -heden. V uilaardiglijk. Vuilbek, M. en V., -bekken. V uilbekken, vuilbekt e, heeft gevuilbektv Vuilbekkerij, V. Vuilheid, v., -heden. Vuiligheid, V., -heden. Vuilik, m., vuiliken. Vuilikje, o., -jes. Vuilmaken, maakte vuil, heeft vuilgemaakt. Vuilnis, V. (Verg. Vullis). Vuilnisbak, M., -bakken. Vuilnisman, M., -mannen. Vuilte, V. Vuist, V., vuisten. Vuistje, o., -jes. Vuistgevecht, o., -gevechten. Vuistrecht, O. Vuistslag, M., -slagen. Vulbier, O. Vulgair. J1 |
VUL.
458
VUU.
|
vulgabiteït, V. Vulgata, V. Vulgus, O. Vulhaak, O. Vulhout, O., -houten. Vulkaan, M., vulkanen. Vulkanisch. Vullen, vulde, heeft gevuld. Vulling (het vullen), V. Vulling (scheepsw.), V., vullings. Vullingsgat, O., -gaten. Vullingsplank, V., -planken. Vullingsstuk, O., -stukken. Vullis, o. (Verg. Vuilnis). Vullisblik, O., -blikken. Vullisvat, o., -vaten; -vaatje, o., -jes. Vulpomp, V., -pompen. Vulsel, O., vulsels. Vul wijn, M. Vuns, vunzer, vunst. Vunsheid, V. Vunzig, vunziger, vunzigst. Vunzigheid, V. Vuren, vuurde, heeft gevuurd. Vuren (bnw.). Vurenhout, o. Vurenhouten (bnw.). Vurig, vuriger, vurigst. Vurigheid, V., -heden. Vuriglijk. Vuring, V., vuringen. Vuur, o., vuren. Vuurtje, o., -jes. Vuuraanbidder, M., -aanbidders. |
Vuurraak, V., -baken. Vuurdood, M. Vuurgevecht, o. Vuurgloed, M. Vuurhaard, M., -haarden. vuurhoudend. vuurlak, o. Vuurlander, M., -landers. Vuurlijn, V. Vuurmand, V., -manden. Vuurmond, M., -monden. Vuurpijl, M., -pylen. Vuurpijl affuit, V., -affuiten. Vuurpijltoestel, M. en O., ⢠toestel-len. Vuurplaat, V., -platen. Vuurpoel, M. Vuurproef, V., -proeven. Vuurroer, O., -roers en -roeren. Vuurrood, -roede. Vuurscherm, o., -schermen. Vuurschip, o., -schepen. Vuurslag, O., -slagen. Vuurstroom, M., -stroomen. Vuurtoren, M., -torens. Vuurvast. Vuurvreter, M., -vreters. Vuurwapen, o., -wapenen. Vuurwerk, O., -werken. Vuurwerker, M., -werkers. Vuurwerkmaker, M., -makers. vuurwerkerij, v. Vuurzee, V. |
W.
|
w., v., w's. Waadbaab, -baarder, -baarst. Waag, V., wagen. Waaghals, M. en V., -halzen; -halsje, O., -jes. Waaghalzerij, V., -halzer^en. Waagschaal, V. Waagspel, O., -spelen. Waagstuk, O., -stukken; -stukje, O.,-jes. Waaien, waaide, heeft gewaaid; ook woei, woeien. Waaier, M., waaiers. quot;Waaiertje, O., -jes. Waaierpalm, M., -palmen. Waaiersluis, V., -sluizen. Waaiervormig. Waak, V., waken. Waakhond, M., -honden. Waaksch, waakscher, meest waaksch. Waakster, V., waaksters. Waakzaam, -zamer, -zaamst. Waakzaamheid, V. Waal (Luikerwaal), M., Walen. Waal (rivier), V. Waal (scheepsw.), V., walen. |
Waalsch. Waalsch, O. Waalsteen (stofnaam), O. Waalwortel, V. Waan, m. Waanwijs, -wyzer, -wyst. Waanwijsheid, V. Waanzin, m. Waanzinnig, -zinniger, -zinnigst. Waar, V., waren. Waar, ware. Waar (byw.). Waaraan. Waarachter. Waarachtig, -achtiger, -achtigst. Waarachtigheid, V. Waarachtiglijk. Waarrij. Waarborg, M., -borgen. Waarrorgen, waarborgde, heeft gewaarborgd. Waarrorgfonds, O., -fondsen. Waarrorging, V., -borgingen. Waarborgkapitaal, 0., -kapitalen. |
WAA.
WAA.
459
|
Waabboven. Waabd, ook woobd en woebd (mannetjeseend), M., waarden (woorden, woerden). Waardje (woordje, woerdje), O., -jes. Waabd (kastelein), M., waarden. Waabd (ingedekt land), V., waarden. Waabd, waarder, waardst. Waabde, V., waarden. Waabdeebbaab, -bare. Waabdeebdeb, M., waardeerders. Waabdeeben, waardeerde, heeft gewaar-deerd. Waabdeebing, V., waardeeringen. Waabdeebsteb, V., waardeersters. Waabdeloos. Waabdeloosheid, V. Waabdevebmindebing, v, Waabdgeldeb, M., -gelders. Waabdig, waardiger, waardigst. Waabdigheid, V., -heden. Waabdiglijk, Waabdij, V. Waabdun, M., waardyneo en waardijns. Waabdin, V., /aardinnen. Waardinnetje, O., -jes. Waabdoob. Waabdschap, O., -schappen. Waabgeest, M., -geesten; -geestje, o., -jes. Waabgoed, O. Waabheen. Waabheid, V., -heden. w a abheidlie vend. Waabheidsliefde, V. Waabheidszin, M. Waabheidbzucht, V. Waabin. Waablangs. waablijk. Waabloos, -looze. Waabmaken, maakte waar, heeft waargemaakt. Waabmaking, V.f -makingen. Waabmede. Waabmebk, O., -merken, Waabmebken, waarmerkte, heeft gewaarmerkt. waabmebking, v. Waabna. Waabnaab. Waabnaast. Waabneembaab, -bare. Waabneembaabheid, V. Waabneemsteb, v., -neemsters. Waabnemen, nam waar, namen waar, heeft waargenomen. Waabnemeb, M., -nemers. Waabneming, V., -nemingen. w a abnemin gspl a ats, v., -plaatsen. Waabnemingsvebmogen, O. w aabnevens. Waabom. Waabomheen. |
Waabomstbeeks. Waabomtbent. Waabondeb. Waabop. Waaboveb. Waabschap, M., -schappen. Waabschijnluk, -Hjker, -lykst. Waabschijnlijkheid, V., -heden. Waabschijndijkheidsbekening, V. Waabsohuwen, waarschuwde, heeft gewaarschuwd. Waabschüweb, M., -schuwers. Waabschüwing, V., -schuwingen. Waabteeken, O., -teekens. Waabteekenen, waarteekende, heeft gewaarteekend. Waabtegen. Waabtegenoveb. Waabtoe. Waabuit. Waabvan. Waabvoob. Waabzeggen, zeide waar, heeft waar- gezegd en waargezeid. Waabzeggeb, M., -zeggers. Waabzeggebij, V., -zeggeryen. Waabzegging, V., -zeggingen. Waabzegsteb, V., -zegsters. Waabzeil, O., -zeilen. Waabzondeb. Waas, O. Waasje, O. Wacht (een wachter), M., wachten. Wacht (het wachthouden en de gezamenlijke wachters), V., wachten. Wachtel, M., wachtels. Wachteltje, O., jes. Wachten, wachtte, heeft gewacht. Wachteb, M., wachters. Wachtgeld, O., -gelden. Wachthond, M., -honden. Wachtkameb, V., -kamers. Wachtmeesteb, M., -meesters. Wachtplaats, V., -plaatsen. Wachtpost, M., -posten. Wachtsch, wachtscher, meest wachtsch. Wachtschip, o., -schepen. Wachttoben, M., -torens. Wachtvuub, o., -vuren. Wachtwoobd, o., -woorden. Wad, O., wadden. Wade, V., waden. Waden (door het water gaan)), waadde, heeft en is gewaad. Waden (lykgewaad aandoen), waadde, heeft gewaad. Wadmeb, O. Wafel, V., wafels en wafelen. quot;Wafeltje, O., -jes. Wafelbakkeb, M., -bakkers. Wafelijzeb, o., -jjzers. Wafelkbaam, V., -kramen. Wafelmeisje, O., -meisjes. Wafelvobmig. Wagen, M., wagens. Wagentje, O., -jes |
WAG.
460
WAL.
|
quot;Wagen, waagde, heeft gewaagd. Wagenaar, M., wagenaars. Wagenas, V., -assen. Wagenhuis, o., -huizen. Wagenhxjub, V. Wagenmaker, M., -makers. Wagenmeebteb, M.t -meesters, Wagenmenneb, M., -menners. Wagenschot, O. Wagenschotten (bnw.). Wagensmeeb, O. Wagenvbacht, V., -vrachten. Wagenweg, M., -wegen. Wagenwijd. Waggelbeenen, waggelbeende, heeft gewaggelbeend. Waggelen, waggelde, heeft en is gewaggeld. Wagon, M., -wagons. Wagonlading, V., -ladingen. Wak, O., wakken. Wak, wakker, wakst. Waken, waakte, heeft gewaakt. Waker, M., wakers. Wakebsloon, O., -loonen. Wakheid, V. Wakkeb, wakkerder, wakkerst. Wakkeben, wakkerde, is gewakkerd. Wakkebheid, V. Wal, M., wallen. Walletje, O., -jes. Waldhoobn en waldhoben, M., -hoorns en -horens. Waldhoobnist, M., -hoornisten. Walen, waalde, heeft gewaald. Walendïbtel, V., -distels. Walengang, V. Walg, V. Walgang, V. Walgen, walgde, heeft gewalgd. Walging, V., walgingen. Walglijk, -lyker, -Ijjkst. Walglijkheid, V.f -heden. Walhalla, O. Waling, V., walingen. Walken, walkte, heeft gewalkt. Walkeb, M., walkers. Walkhameb, M., -hamers. Walking, V. Walkmolen, m., -molens. Walkplaats, V., -plaatsen. Walkstok, M., -stokken. Walm, M., walmen. Walmpje, o., -jes. Walmen, walmde, heeft gewalmd. Walmgat, O., -gaten. Walmte, V. Walnoot (boom), m.; (vrucht),v., -noten. Walnoteboom, M., -boomen.i Walbos en walbus, M., -rossen en -russen. Walbossenvangst, V. Wals, V., walsen. quot;Walsje, O., -jes. Walschot, O. Walsen, walste, heeft gewalst. Walseb, M., walsers. |
Walsebes, V., walseressen. Walstempo, o. Walstboo, O. Walvisch, M., -visschen. Walvibchvaabdeb, M., -vaarders. Walvischvangst, V. Wam, V., wammen. Wammetje, O.,-jes. Wambuis, O., wambuizen. Wambuisje, O., -jes. Wamen, waamde, heeft gewaamd. Wammen, wamde, heeft gewamd. Wammes, O. Wan (wanmana), v., wannen. Wan (scheepsw.), O., wannen. Wanbedbijf, O., wanbedrijven. Wanbegbip, O., wanbegrippen. Wanbeleid, O. Wanbebaad, o. Wanbebef, O. Wanbebluit, o., wanbesluiten. Wanbebtuub, o. Wanbetaling, V., wanbetalingen. Wanbof, M. Wanboffen, wanbofte, heeft gewanboft. Wanboffeb, M., -boflers. Wand, M., wanden. Wandaad, V., wandaden. Wandalmanak, M., -almanakken. Wandel, M. Wandelaab, M., wandelaars en wandelaren. Wandelaabsteb, V., wandelaarsters. Wandelbbug, V., -bruggen. Wandeldbeef, V., -dreven. Wandelen, wandelde, heeft en is gewandeld. Wandeling, v., wandelingen. Wandelingetje, O., -jes. Wandelkaabt, V., -kaarten. Wandelkostuum, o., -kostumen. Wandelpad, o.,-paden; -paadje,o.,-jes. Wandelplaats, V., -plaatsen. Wandelbit, M., -ritten; -ritje, o., -jes. Wandelstaf, M., -staven. Wandelstok, M., -stokken; -stokje, O., -jes. Wandeltoilet, O., -toiletten. Wandelwedeb en wandelweeb, O. Wandelweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes. Wandgediebte, o. Wandkalendeb, M., -kalenders. Wandluis, V., -luizen. Wanen, waande, heeft gewaand. Wang, v., wangen. Wangetje, O., -jes. Wangedbag, O., wangedragingen, V. Wangedbocht, O., wangedrochten. Wangeloof, o. Wangeluid, O., wangeluiden. Wangen, wangde, heeft gewangd. Wangunst, V. Wangunstig, wangunstiger, wangunstigst. Wanhebbelijk, -lyker, -lijkst. |
WAN.
WAN.
461
|
quot;Wanhebbelijkheid, V., -heden. Wanhoop, V. Wanhoopskreet, M., -kreten. Wanhopen, wanhoopte, heeft gewanhoopt. Wanhopend, wanhopender, wanho-pendst. Wanhopig, wanhopiger, wanhopigst. Wanhout, O. Wankant, M., wankanten. Wankantig. Wankel, wankeler, wankelst. Wankelbaar, -baarder, -baarst. Wankelbaarheid, v. Wankelen, wankelde, heeft gewankeld. Wankelheid, V. Wankeling, V., wankelingen. Wankelmoedig, -moediger, -moedigst. Wankelmoedigheid, V. Wanklank, M., wanklanken. Wan- klankje, O., -jes. Wanklinkend, wanklinkender, wan- klinkendst. Wankoers, M., wankoersen. Wanluidend, wanluidender, wanlui- dendst. Wanluidendheid, V. Wanlust, m., wanlusten. Wanlustig, wanlustiger, wanlustigst. Wanmolen, M., -molens. Wanneer. Wannen, wande, heeft gewand. Wanner, M., wanners. Wanorde, V. Wanordelijk, -lyker, -lykst. Wanschapen, wanschapener, wanscha- penst. Wanschapenheid, V. Wanschepsel, O., wanschepsels. Wanschikkelijk, -lyker, -l(jkst. Wanschikkelijkheid, V. Wansmaak, M., wansmaken. Wan- smaakje, O., -jes. Wansmakelijk, -lyker, -lykst. Wanspelling, V.f wanspellingen. Wanspraak, v. Wanstaltig, wan staltiger,wanstaltigst. Wanstaltigheid, V. Want (handschoen), V., wanten. Wantje, O., -jes. Want (visch- en scheepstuig), O. Want (voegw.). Wantaal, V. Wanten (ww.). Wantij, O., wantijen. Wantrouwen, o. Wantrouwen, wantrouwde, heeft gewantrouwd. Wantrouwig, wantrouwiger, wantrou- wigst. Wantrouwigheid, V. Wantstrop, M., -stroppen. Wanttalie, V., -talies. Wanvangst, V. |
Wanvoeglijk, -lyker, -lykst. Wanvoeglijkheid, V., -heden. Wanzijde, V., wanzyden. Wapen (strydtuig), o., wapenen en wapens. Wapen (familieteeken), o., wapens. Wapenboek, o., -boeken. Wapenbroeder, M., -broeders. wapenen, wapende, heeft gewapend. Wapenfeit, o., -feiten. Wapengekletter, o. wapenhandel, M. Wapening, V., wapeningen. Wapenkamer, V., -kamers. Wapenkoning, M., koningen. Wapenkreet, M., -kreten. wapenkunde, V. Wapenkundige, M., -kundigen. Wapenmagazijn, o., -magazijnen. Wapenrok, M., -rokken. Wapenrusting, V., -rustingen. Wapenschilder, M., -schilders. Wapenschorsing, V., -schorsingen. Wapenschouwing, V., -schouwingen. Wapenstilstand, M. Wapenstok, M., -stokken. Wapentuig, O. Wapper, M., wappers. Wapperen, wapperde, heeft gewapperd. War, V. (In de â). Warande, V., waranden. Warboel, M., -boelen. Wardiertje, O., -jes. Warempel. Waren, waarde, heeft gewaard. Warenkennis, V. Warentig. Wargaren, O., -garens. Wargeest, M., -geesten. Warhoofd, M. en V., -hoofden. Warhoop, M., -hoopen. Waring, V., waringen. Warklomp, M., -klompen. Warkop, M., -koppen. Warkruid, O. Warm, warmer, warmst. Warmen, warmde, heeft gewarmd. Warming, V. Warmoes, o. Warmoezenier, M., warmoezeniers en warmoezenieren. Warmoezenierster, V., warmoezenier-sters. Warmoezier, M., warmoeziers en warmoezieren. Warmoezierster, V., warmoeziersters. Warmpjes. Warmte, V. Warmtegraad, M., -graden. Warmwaterbuis, V., -buizen. Warmwaterkraan, V., -kranen. Warnest, O., -nesten. Warnet, O., -netten. Warrel, M. |
I
WAT.
WAR.
462
|
Warrelen, warrelde, heeft gewarreld. Wabreljnq, v., warrelingen. Wabbelklomp, M., -klompen. Wabbelwind, M., -winden. Wabben, warde, heeft geward. wabs. Wabstbuik, m., -struiken. Wabtaal, V. Wabtel, M., wartels. Wabtelblok, O., -blokken. Wabtelhaak, M., -haken. Wabziek, -zieker, -ziekst. Was (groei), M. Was (van by en), O. Wasachtig. Wasbal, m., -ballen. Wasch, v., wasschen. quot;Waschje, o., -jes. Waschbad, o., -baden. Waschbank, V., -banken. Waschbeeb, M., -beren. Waschbekken, O., -bekkens. Waschdag, M., -dagen. Waschgeld, O. Waschgoed, O. Waschhok, o., -hokken. Waschhuis, o., -huizen. Waschinbichting, V., -inrichtingen. Waschketel, m., -ketels. Waschkom, v., -kommen. Waschkuip, V., -kuipen. Waschlust, v., -Ijjsten. Waschloon, O., -loonen. Waschmachine, v., -machines. Waschmand, v., -manden. Wabchmolen, M., -molens. Waschplaats, v., -plaatsen. Waschtafel, v., -tafels; -tafeltje, o., -jes. Waschsteb, v., waschsters. Waschtobbe, v., -tobben. Waschvat, o., -vaten. Waschvrouw, v., -vrouwen. Waschwateb, o. Wasdoek, O. Wasdom, M. Wasem, M., wasems. Wasemen, wasemde, heeft gewasemd. Waseming, v. Wasgeel, -gele. Waskaabs, V., -kaarsen. Waskleubig. Wasschen, wiesch, wieschen, heeft ge- wasschen; ook waschte. Wasscheb, M., wasschers. Wasschebu, v., wasscheryen. Wassching, v., wasschingen. Wassen (bnw.). Wassen (met was bestrijken), waste, heeft gewast. Wassen (groeien), wies, wiesen, is gewassen. Wassenaar, M., wassenaars. Wassenbeeldenspel, O., -spellen. Wat. |
Wateb, O., wateren en waters. quot;Watertje, O., -jes. Watebachtig, -achtiger, -achtigst. Watebachtigheid, V. Watebafvoeb, M. Watebbaabs (als stofnaam), V. Watebbak, M., -bakken. Watebblauw. Watebbloem, V., -bloemen. Watebbouw, M. Watebbouwkunde, V. Watebbouwkundig. Watebbouwkundige, M., -kundigen. Watebbboodje, O., -jes. Watebchocolade, V. Watebdicht. Watebdieb, o., -dieren. Watebdbageb, M., -dragers. Watebdbuppel, m., -druppels. Wateben, waterde, heeft gewaterd. Wateb-en-vuubnebing, V., -neringen. Watebflesch, V., -flesschen. watebgeus, m., -gOUZen. Watebgezwel, o., -gezwellen. Watebglas, o., -glazen. Watebheld, M., -helden. Watebhoen, o., -hoenders. Watebhol, O., -holen. Watebhoofd, O., -hoofden. Watebig, wateriger, waterigst. Watebigheid, V. Watebing. Zie Wetering. Watebkan, V., -kannen. Watebkeebing, V., -keeringen. Waterketel, M., -ketels. Watebkoud. Watebkbaan, V., -kranen. Watebkbuik, V., -kruiken. Waterlaag, V., -lagen. Wateblaabs, V., -laarzen. Wateelandebs (mv.), M. Watebleggeb, M., -leggers. Watebleiding, V., -leidingen. Wateblelie, V., -leliën. Watebloos, -looze. Watebloozing, V. Watebmebk, O., -merken. Watebmolen, M., -molens. Watebpabtij, V., -partyen. Watebpas, o., -passen. Waterpas (byw.). Waterpassen, waterpaste, heeft gewaterpast. Waterpassing, V., -passingen. Waterplaats, V., -plaatsen. Waterplant, V., -planten. Waterplas, M., -plassen. Waterpokken (mv.), v. Waterpolitie, V. Waterpoort, V., -poorten. Watebpot, M., -potten. Waterrat en -rot (dier), V.; (persoon), M.; -ratten en -rotten. Waterrijk, -ryker, -rykst. |
WED.
WAT.
463
|
Waterschap, o., -schappen. Waterschapsbestuur, O., -besturen. Waterschapsreglbment. o., -reglementen. Waterschoenen (mv.), m. Waterschout, M., -schouten. Waterschouw, V. Watersnood, M. Watersnoodpoëet, M., -poëten. Waterspiegel, M. Waterstaat, M. Waterstaatsbelang, O., -belangen. Waterstaatswerken (mv.), o. Waterstand, m., -standen. Waterstof, V. Waterstoof, V., -stoven. Waterstraal, M., -stralen. Waterstroom, M., -stroomen. Watertanden, watertandde, heeft gewatertand. Watertocht, M., -tochten; -tochtje, o., -jes. Waterton, V., -tonnen. Wateruurwerk» O., -uurwerken. Waterval, M., -vallen. Waterverf, V., -verven. Waterverval, o. Waterverversching, V. Watervlak, O. Watervlek, V., -vlekken. Watervogel, M., -vogels. Watervoorbaad, M. Watervrees, V. Watervrij. Waterweegkundige, M., -kundigen. Waterweg, M., -wegen. Waterwerken (mv.)f o. Waterwild, O. Waterzeil, O., -zeilen. Waterzucht, V. Waterzuchtig, -zuchtlger, -zuchtigst. Watteerbn, watteerde, heeft gewatteerd. Watten (mv.), V. Watje, O., -jes. Watten (bnw.). Wattenfabriek, V., -fabrieken. Wauw, wauwer, wauwst. Wauwelaar, M, wauwelaars. Wauwelaarster, v., wauwelaarsters. Wauwelen, wauwelde, heeft gewauweld. Web, O., webben. Webbe, V. en O., webben. Webbetje, O., -jes. Wed, O., wedden. Wedde, V., wedden. Wedden, wedde, heeft gewed. Weddenschap, V., -schappen. Wedden- achapje, O., -jes. Wedder, M., wedders. Weder en weer (ram), M., weders en weeren. Weder en weer (luchtgesteldheid), O. Weertje, O. |
Weder en weer, byw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen). Wederantwoord, O., -antwoorden. Wederantwoorden, antwoordde weder, heeft wedergeantwoord. Wederbegeeren, begeerde weder, heeft wederbegeerd. Wederbrengen, bracht weder, heeft wedergebracht. Wederbrenger, M., -brengers. Wederbrenging, V. Wederdienst, M., -diensten. Wederdoop, M. Wederdooper, M., -doopers. Wederdooperij, V. Wederdoopster, V., -doopsters. Wedereisch, M. Wedereischen, eischte weder, heeft wedergeëischt. Wedereblangen, erlangde weder, heeft wedererlangd. Wederga. Zie Wedergade. Wedergaaf en wedergave, V. Wedergade, ook wederga en weerga, V, Wedergeboobte, V. Wedergeboren. Wedergeven, gaf weder, gaven weder, heeft wedergegeven. Wedergroet, M. Wedergroeten, groette weder, heeft wedergegroet. Wedergunst, V. Wederhalen, haalde weder, heeft we-dergehaald. Wederhelft, V., -helften. Wederhoorig, -hooriger, -hoorigst. Wederhoorigheid, V. Wederhouden, wederhield, heeft we-derhouden. Wederinstorting, V. Wederkaatsen. Zie Weerkaatsen. Wederkant. Zie Weerkant. Wederkeer, M. Wederkeeren, keerde weder, is wedergekeerd. Wederkeerig. Wederkeerigheid, V. Wederkomen, komt weder, kwam weder, kwamen weder, is wedergekomen. Wederkomst, V. Wederkoopen, kocht weder, heeft we-dergekocht. Wederkrugen, kreeg weder, kregen weder, heeft wedergekregen. Wederlegbaar, -bare. Wederlegbaarueid, V. Wederleggen, wederlegde en weder-leide, heeft wederlegd en wederleid. Wederlegger, M., -leggers. Wederlegging, V., -leggingen. Wederleveren, leverde weder, heeft, wedergeleverd. Wederlevering, V. Wederliefde, V. |
quot;WED.
464
WED.
|
quot;Wedebmin, V. quot;Wedebnemen, nam weder, namen weder, heeft wedergenomea. Wedebnoodiqing, V., -noodigingen. Wedebom. Wedebontmoetïng, V., -ontmoetingen. Wedebopbouw, M. Wedebopbouwing, V. Wedebopbiohteb, M.f -oprichters. Wedebopbichting, V. Wedebopstanding, V. Wedebpabtij, V., -partyen. Wedebpabtijdeb, M., -partijders. Wedebbechtelijk, -lyker, -lykst. Wedebbechtelijk (byw.). quot;Wedebbechtelijkheid, V, Wedebboepelijk. Wedebboepen, wederriep, heeft wederroepen. Wedebboeping, V. Wedebschelden, schold weder, heeft wedergescholden. quot;Wedebspanneling, M. en V., -spanne- lingen. V. ook -spannelinge. quot;Wedebspannig. -spanniger, -spannigst. Wedeb8pannigheid, V. tvedebspoed,m. Wedebspbaak, V. quot;VVedebspbeken, wedersprak, weder- spraken, heeft wedersproken. Wedebspbeker, M., -sprekers. quot;Wederspreking, V., -sprekingen. Wedebstaan, wederstaat, wederstond, heeft wederstaan. Wederbtaanbaar, -bare. quot;Wederstand en weerstand, M. Wederstander, M., -standers. Wederstandsvermogen en weerstandsvermogen, o. Wederstreven, wederstreefde, heeft wederstreefd. Wederstrever, M., -strevers. Wederstrevig, -streviger, -strevigst. Wederstrevigheid, V. Wederstreving, V., -strevingen. Wederstdren, stuurde weder, heeft wedergestuurd. Wedervaren, wedervoer, is wedervaren. Wedervaren, O. Wedervergelden, vergold weder, heeft wedervergolden. Wedervergelding, V. Wederverschijning, V. Wedervinden, vond weder, heeft we- dergevonden. Wederwaardigheid, V., -heden. Wederwoord, O., -woorden. Wederwraak, V. Wederzee, V. Wederzeggen, wederzeide, heeft weder- zegd en wederzeid. Wederzenden, zond weder, heeft weder- gezonden. quot;Wederzending, v. li ; I |
Wederzien, ziet weder, zag weder, zagen weder, heeft wedergezien. Wederzijde, V. Wederzijds (bijw.). Wederzijdsch (bnw.). Wedijver, M. Wedijveren, wedijverde, heeft gewed- yverd. Wedloop, M., -loopen. Wedloopen, o. Wedlooper, M., -loopers. Wedprus, m., -prijzen. quot;Wedren, M., -rennen. Wedster, V., wedsters. Wedstrijd, M., -streden. Weduwe, ook weduw en weeuw.V., weduwen. Weeuwtje, O., -jes. Weduwendracht, V. Weduwenfonds en weduwfonds, o., -fondsen. Weddwenkas, V., -kassen. Weduwgeld, O., -gelden. Weduwgift, quot;V., -giften. Weduw ja ar, O. Weduwlijk. Weduwnaar en weeuwenaar, M., weduwnaars en weeuwenaars. Weduwschap, ü. Weduwstaat, M. Weduwvrouw, V., -vrouwen. Wee, O., weeën. Wee (bnw.). Wee (tusschenw.). Weedasch, V. Weede, V. Weedom, M. Weefgetouw, O., -getouwen. Weefkunst, V. Weefsel, O., weefsels en weefselen. Weefster, V., weefsters. Weegblad, o. Weegbree, V. Weegbrug, V., -bruggen. Weegglas, O., -glazen. Weegkunde, V. Weegluis, V., -luizen; -luisje, O., -jes. Weegschaal, V., -schalen; -schaaltje, O., -jes. Weegsteen, M., -steenen. Weegster, V., weegsters. Weeheid, V. Week (het weeken), quot;V. Week (zeven dagen), v., weken. Weekje, 0.f -jes. Week (week gedeelte), O. Week, weeker, weekst. Weekbak, M., -bakken; -bakje, o., -jes. Weekbakken. Weekbericht, O., -berichten. W7eekblad, O., -bladen;-blaadje, O.,-jes. Weekboekje, O., -boekjes. Weekdarm, M., -darmen. Weekdier, o., -dieren. Weekelijk, -IjJker, -lykst. |
(L
WEE.
WEE.
465
|
Weekelijkueid, V. Weekei.ino. M. en v., weekelingen. V. ook weekelinge. Weeken, weekte, heelt en is geweekt. Weekgeld, O., -gelden. Weekhartig, -hartiger, -hartigst. Weekhaktigheiu, v. Weekheid, v. Weekhoevig. Weeklacht, V., -klachten. Weeklagen, weeklaagde, heeft geweeklaagd. Weekloon, o., -loonen, Weekmaken, maakte week, heeft week- gemaakt. Weekmarkt, V., -markten. Weekstaat, M., -staten. Weelde, V., weelden. Weelderig, weelderiger, weelderigst. Weelderigheid, v. Weeldig, weeldiger, weeldigst. Weemoed, M. Weemoedig, -moediger, -moedigst. Weemoedigheid, v. Weemoe digli.tk. Weenen, weende, heeft geweend. Weening, V. Weepsch, weepscher, meest weepsch. Weepschheid, v. Weer (ram). Zie Weder. Weer (wering), V. weer (luchtsgesteldheid). Zie Weder. Weer (bijw.). Zie Weder. weerbaar, -baarder, -baarst. Weerbaarheid, V. weerbaarheidsbond, o. Weerbarstig, -barstiger, -barstigst. weerbarstigheid, v. Weerbericht, O., -berichten. weerdruk, m. weerga, v. Wekrgaasch, weergasche. We erg al, V., -gallen. Weergalm, M. weergalmen, weergalmde, heeft weergalmd. Weergaloos, -looze. Weergeld, O, weerglans, m. Weerglas, O., -glazen. Weerhaak, M., -haken; -haakje, o.,-jes. Weerhaan, M., -hanen; -haantje, O., -jes. Weerhanerij, v. Weerhüisje, O., jes. weerkaatsen, weerkaatste, heeft weerkaatst. Weerkaatsing, V. Weerkant en wederkant, M. Weerkauwen, weerkauwde, heeft weer- kauwd. Weerklank, M. Weerklinken, weerklonk, heeft weerklonken. Weerkunde, V. |
Weerkundig. Weerkundige, M. en V., -kundigen. Weerlicht (natuurverschijnsel), O. Weerlicht, V. (Naar de â en Als de â). Weerlichten, weerlichtte, heeft ge- weerlicht. Weerlichts (bijw.). Weerlichtsch (bnw.). Weerloos, -loozer, -loost. Weerloosheid, V. Weeromreis, V., -reizen. Weeromstuit, M. Weerpijn, V., -pynen. Weerplicht, M, Weerplichtig. Weerplichtigheid, V. Weerprofeet, m., -profeten. Weerschijn, M. Weerschijntje, O., -jes. Weerschijnen, weerscheen, weerschenen, heeft weerschenen. Weerschijnsel, ü., -schijnsels. Weersgesteldheid, V., -heden. Weerskanten (Van â of Aan â). Weerslag, M , -slagen. Weersmaak, m. Weerspannig, -spanniger, -spannigst. Weerspannigheid. V. Weerstand. Zie Wederstand. Weerstroom, M. Weerstuit, M. Weersverandering, V., -veranderingen. Weerszijden (Van â of Aan â). Weertafel, V., -tafels. Weertij, O., -tijen. Weervloed, M. Weerwijs, -wiize. Weerwijzer, M., -wijzers. Weerwil, M. (In â). Weerwolf, M., -wolven. Weerwolfsziekte, v. Weerziek, -zieker, -ziekst. Weerzin, M. Wees, m. en v., weezen. V. ook weeze. Weesje, O., -jes. Weeshuis, o., -huizen. Weesje (prieeltje), o., -jes. Weesjongen, M., -jongens. Weeskamer, V., -kamers. Weeskind, o., -kinderen. Weesmeisje, O., -meisjes. â Weesmoeder, V., -moeders. 1 Weesvader, M., -vaders. Weet, V. Weetje, O. Weetal, m. en V., weetallen. Weetgierig, -gieriger, -gierigst. Weetgierigheid, V. Weetgraag, -grager, -graagst. Weetlust, M. Weetniet, M. en V., weetnieten. Weeuwkrop, V., -kroppen. Weeuwplant, V., -planten. Weeuwtje. Zie Weduwe. Weezenfonds, O., -fondsen. |
30
WE(J.
466
WEG.
|
Weg, Mâ wegen. Wegje, o., -jes. Weg (b(jw.). Wegbannen, bande weg, heeft wegge-bannen. Wegbehgen, borg weg, heelt weggeborgen. Wegbijten, beet weg, beten weg, heeft en is weggebeten. Wegblazen, blies weg, bliezen weg, heeft weggeblazen. Wegblijven, bleef weg, bleven weg, Is weggebleven. Wegbuegseeben, boegseerde weg, heeft weggeboegseerd. Wegbürstelen, borstelde weg, heeft weggeborsteld. Wegbranden, brandde weg, heeft en is weggebrand. Wegbkeken, brak weg, braken weg. heeft en is weggebroken. wegb keking, V. Wegbrengen, bracht weg, heeft weggebracht. Wegbeekging, V. Wegcijeeren, cyferde weg, heeft weg-gecijferd. Wegcijfering, V. Wegdampen, dampte weg, is wegge-dampt. Wegdenken, dacht weg, heeft weggedacht. Wegdieven. diefde weg, heeft wegge-diefd. Wegdoen, deed weg, deden weg, heeft weggedaan. Weguooien, dooide weg,ls weggedooid. Wegdragen, droeg weg, heelt weggedragen. Wegdraven, draafde weg, is weggedraaid. Wegdrijven, dreef weg, dreven weg, heeft en is weggedreven. Wegdringen, drong weg, beeft en is weggedrongen. Wegdrogen, droogde weg, is wegge-droogd. Wegdruipen, droop weg, dropen weg, is weggedropen. Wegdrukken, drukte weg, heeft weggedrukt. Wegduiken, dook weg, doken weg, is weggedoken. Wegduwen, duwde weg, heeft weggeduwd. Wegdwalen, dwaalde weg, is wegge-dwaald. Wegedoorn en wegedoren, V. Wegen, woog, wogen, heeft gewogen. Wegens. Weger, M., wegers. Wegeben, wegerde, heeft gewegerd. Wegering, V. Wegeten, at weg, aten weg, heeft weg-gegeten. |
Wegfrommelen, frommelde weg, heeft weggefromme! d. Weggaan, gaat weg, ging weg. is weggegaan. Wegbaloi'peeren, galoppeerde weg, is weggegaloppeerd. Wegge, V., weggen. Weggetje, O., -jes. Weggeven, gaf weg, gaven weg, heeft weggegeven. Weggieten, goot weg, goten weg hoeft weggegoten. Wegglijden, gleed weg, gleden weg, Is weggegleden. Weggoouhelen, goochelde weg, heeft weggegoocheld. Weggooien, gooide weg, heeft weggegooid. Weggraven, groef weg, groeven weg, heelt weggegraven. Weggraving, V. Weggrijpen, greep weg, grepen weg, heeft weggegrepen. Weghakken, hakte weg, heeft weggehakt. Weghakking, V. Weghalen, haalde weg, heeft weggehaald. Weghaling, V. Wegharken, harkte weg, heeft wegga-harkt. Weghebben, heeft weg, had weg, hadden weg, heeft weggehad. Weghelpen, hielp weg, heeft weggeholpen. Weghouwen, hieuw weg, heeft weg-gehouwen. Weqhüppelrn, huppelde weg, is weg-gehuppeld. Wegijlen, ijlde weg, is weggeijld. Weging, V., wegingen. Wegjagen, jaagde weg, heeft weggejaagd; ook joeg weg. Wegkaatsen, kaatste weg, heeft weg-gekaatst, Wegkabbelen, kabbelde weg, heeft en is weggekabbeld. Wegkankeren, kankerde weg, is weg-gekankerd. Wegkankering, v. Wegkapen, kaapte weg, heeft weggekaapt. Wegknippen, knipte weg, heeft weggeknipt. Wegkomen, komt weg, kwam weg, kwamen weg, is weggekomen. Wegkrabbelen, krabbelde weg, heeft weggekrabbeld. Wegkrabben, krabde weg, heeft weg-gekrabd. Wegkrijgen, kreeg weg, kregen weg, heeft weggekregen. Wegkruipen, kromp weg, is wegge-krompen. |
WEG.
WEG.
467
|
Wegkruien, krooi weg, krooien weg, heeft en is weggekrooien; ook kruide weg, heelt en is weggekruid. Wegkruipen, kroop weg, kropen weg, is weggekropen. Wegkunnen, kan weg, kunnen weg, , konde of kon weg, gij kondt weg, 1 konden weg. heeft weggekund. Wegkwijnen, kwijnde weg, is weggekwijnd. Wegkwijning, V. Weglaten, liet weg, heeft weggelaten. Weglating, V., -latingen. Wegleggen, legde weg en leide weg, heeft weggelegd en weggeleid. Wegleiden, leidde weg, heeft weggeleid. Wegleiding, V. Weglokken, lokte weg, heeft weggelokt. Wegloodsen, loodste weg, heeft weg-geloodst. Wegloopen, liep weg, is weggeloopen. Weglooper, M., -loopers. WegloopsteR; V., -loopsters. Wegmaaien, maaide weg, heeft weggemaaid. Wegmaaiing, V. Wegmaken, maakte weg, heeft weggemaakt. Wegmalen, maalde weg, heeft wegge-malen. Wegmaling, V. Wegmarcheeren, marcheerde weg, is weggemarcheerd. Wegmarcheering, V. Wegmoffelen, moffelde weg, heeft weggemoffeld. Wegmolmen, molmde weg, is wegge-molmd. Wegnemen, nam weg, namen weg, heeft weggenomen. Wegneming, V. Wegpakken, pakte weg, heeft weggepakt. Wegpleisteren, pleisterde weg, heeft weggepleisterd. Wegplukken, plukte weg, heeft weggeplukt. Wegpraten, praatte weg, heeft weg-gepraat. Wegraken, raakte weg, is weggeraakt. Wegrapen, raapte weg, heeft wegge-raapt. Wegredeneeken, redeneerde weg, heeft weggeredeneerd. Wegreizen, reisde weg, is weggereisd. Wegrekenen, rekende weg, heeft weg-gerekend. i Wegrijden, reed weg, reden weg,heeft i en is weggereden. Wegroeien, roeide weg, heeft en is weggeroeid. Wegroepen, riep weg, heeft weggeroepen. |
Wegroesten, roestte weg, is weggei ucst. Wegrollen, rolde weg, heeft en is weggerold. Wegrooven, roofde weg, heeft weggc-roofd. Wegrotten, rotte weg, is weggerot. Wegrotting, V. Wegruimen, ruimde weg, heeft weggeruimd. Wegruiming, V. Wegrukken, rukte weg, heeft en is weggerukt. Wegschaven, schaafde weg, heeft weg-geschaafd. Wegschenken, schonk weg. heeft weggeschonken. Wegschenking, V. Wegscheppen, schepte weg, heelt weggeschopt. Wegscheren (scherende wegnemen), schoor weg, schoren weg, heeft weggeschoren. Wegscheren (zich ), (wegpakken), scheerde zich weg, heeft zich weggescheerd. Wegscheuren, scheurde weg, heeft on is weggescheurd. Wegschieten, schoot weg, scholen weg, heeft en is weggeschoten. Wegschillen, schilde weg, hoeft weg-geschild. Wegschoffelen, schoffelde weg, heeft weggescho field. Wegschoppen, schopte weg, heeft weggeschopt. Wegschrabben, schrabde weg, heeft weggeschrabd. Wegschrapen, schraapte wejr. heeft weggeschraapt. Wegschrappen, schrapte wog. heeft weggeschrapt. Wegbchudden, schudde weg, heeft weg-geschud. Wegsciiuieren, schuierde weg, heeft weggeschuierd. Wegschuilen, school weg. scholen weg. is weggescholen. Wegschuimen, schuimde weg. heeft weggeschuimd. Wegschuiven, schoof wog, schoven weg, heeft en is weggeschoven Wegschuiving, V. Wegschuren, schuurde weg, heeft en is weggeschuurd. Wegschuking, V. Wegsijpelen, sypelde weg. is weggesijpeld. Wegsjouwen, sjouwde weg, heeft wog-gesjouwd. Wegslaan, slaat weg, sloeg wog, heeft en is weggeslagen. Wegsleepen, sleepte weg, heeft weggesleept. Wegsleepend, -sleepender,. sleependst. |
WEG.
468
|
Wegslenteren, slenterde weg, is weg-geslenterd. Wegslijten, sleet weg, sleten weg, is weggesleten. Wegslijting, V. Wegslingeren, slingerde weg, heelt en is weggeslingerd. Wegslinken, slonk weg, is weggeslonken. Wegsluipen, sloop weg, slopen weg, is weggeslopen. Wegsluiten, sloot weg, sloten weg, heeft weggesloten. Wegsluiting, V. Wegsmelten, smolt weg, is weggesmolten. Wegsmelting, V. Wegsmijten, smeet weg, smeten weg, heeft weggesmeten. Wegsnappen, snapte weg, heeft en is weggesnapt. Wegsnellen, snelde weg, is weggesneld. Wegsnijden, sneed weg, sneden weg, heeft weggesneden. Wegsnijding, V. Wegsnoeien, snoeide weg, heeft weggesnoeid. wegsnoeiing, v. Wegsnorken, snorde weg, is wegge-snord. Wegspatten, spatte weg, is weggespat. Wegspoeden, spoedde weg, is wegge-spoed. Wegspoelen, spoelde weg, heeft en is weggespoeld. Wegspoeling, V. Wegsporen, spoorde weg, is wegge-spoord. Wegspringen, sprong weg, is weggesprongen. Wegstappen, stapte weg, is weggestapt Wegsteken, stak weg, staken weg, heeft weggestoken. Wegstelen, stal weg, stalen weg, heeft weggestolen. Wegsterven, stierf weg, stierven weg. is -weggestorven. Wegstommelen. stommelde weg, heeft weggestompeld. Wegstompen, stompte weg, heeft weg-gestompt. Wegstoomen, stoomde weg, is wegge-stoomd. Wegstooten, stiet weg. heeft wegge-stooten; ook stootte weg. Wegstoppen, stopte weg, heeft weggestopt. Wegstormen, stormde weg, heeft en is weggestormd. Wegstrijken, streek weg, streken weg, heeft en is weggestreken. Wegstrooien, strooide weg, heeft weg-gestrooid. |
Wegstroopen, stroopte weg, heeft weggestreept. Wegstuiven, stoof weg, stoven weg, is weggestoven. Wegsturen, stuurde weg, heeft weggestuurd. Wegstuvten, stuwde weg, heeft wegge-stuwd. Wegsukkelen, sukkelde weg, is weg-gesukkeld. Wegtimmerem, timmerde weg, heeft weggetimmerd. Wegtooveren, tooverde weg, heeft weggetooverd. Wegtrappen, trapte weg, heeft weggetrapt. Wegtrekken, trok weg, trokken weg, heeft en is weggetrokken. Wegtroonen, troonde weg, heeft weg-getroond. Wegvallen, viel weg, is weggevallen. Wegvaren, voer weg, heeft en is weggevaren. Wegvegen, veegde weg, heeft weggeveegd Wegvenen, veende weg, heeft wegge-veend. wegvijlen, vijlde weg, heeft wegge-vyld. Wegvisschen, vischte weg, heeft weg-gevischt. Wegvlieden, vlood weg, vloden weg, is weggevloden. Wegvliegen, vloog weg, vlogen weg, is weggevlogen. Wegvloeien, vloeide weg, is weggevloeid. Wegvluchten, vluchtte weg, is weggevlucht. Wegvoeren, voerde weg, heeft weggevoerd. Wegvoering, V. Wegvreten, vrat weg, vraten weg, heeft en is weggevreten. Wegwaaien, waaide weg, heeft en is weggewaaid; ook woei weg, woeien weg. Wegwandelen, wandelde weg, is weggewandeld. Wegwasschen, wiesch weg, wieschen weg, heeft weggewasschen. W*egwedstrijd, M., -wedstrijden. W'egwenschen, wenschte weg, heeft wegge wen scht. Wegwentelkn, wentelde weg, heeft weggewenteld. Wegwerken, werkte weg, heeft weggewerkt. Wegwerker, M., -werkers. Wegwerpen, wierp weg, heeft weggeworpen. Wegwerping, v. Wtegwillen, wilde weg, heeft wegge-wild. |
WEK.
WEG.
469
|
Wegwippen, wipte weg, is weggewipt. Wegwisschen, wischte weg, heelt weg-gewischt. Wegwbijven, wreef weg, wreven weg, heeft wegge wreven. Wegzagen, zaagde weg, heeft weggezaagd. Wegzakken, zakte weg. is weggezakt. Wegzeilen, zeilde weg, is weggezeild. Wegzenden, zond weg, heeft weggezonden. Wegzending, V. Wegzetten, zette weg, heeft weggezet. Wegzijgen, zeeg weg, zegen weg, is weggezegen. Wegzinken, zonk weg, is weggezonken. Wegzwemmen, zwom weg, zwommen weg, is weggezwommen. Wegzweven, zweefde weg, is weggezweefd. Wei (veld). Zie Weide. Wei (hui), V. Weiachtig, -achtiger, -achtigst. Weiachtigheid, V. Weide en wei, V., weiden. Weidegrond, M., -gronden. Weiden (grazen en hoeden), weidde, heelt geweid. Weider, M., weiders. Weiderij, V., weiderijen. Weiding, V., weidingen. Weidmes en weimes, o., -messen. Weidsch, weidscher, meest weidsch. Weidschheid, V. Weifelaar, M., weifelaars en weifelaren. Weifelachtig, -achtiger, -achtigst. Weifelen, weifelde, heelt geweifeld. Weifeling, V., weifelingen. Weifelmoedig, -moediger, -moedigst. Weifelmoedigheid, V. Weigeld, O. Weigeraar, M., weigeraars en weigeraren. Weigerachtig, -achtiger, -achtigst. Weigeren, weigerde, heeft geweigerd Weigerig. Weigering, V., weigeringen. Weigroen, o. Weikaas, V., -kazen. Weiland, O., -landen. Weiman, M., -lieden en -lui. Weimes. Zie Weidmes. Weinig, minder, minst. Weinigje, O. Weit, V. Weitasch, V., -tasschen. Weitebrood, o., -brooden. Weitekoek, m., -koeken. Weitemeel, ü. Wekelijks (b^w.). Wekelijksch (bnw.). Wekken, wekte, heoft gewekt. Wekker, M., wekkers. Wekkertje, O., -jes. |
Wekkerklok, V., -klokken; -klokje, O., -jes. Wekstem, V., -stemmen. Weester, V., wek.sters. Wel, V., wellen. Welletje, O., -jes. Wel, beter, best. Welaan. welde arbeid. Welbebouwd. Welbedacht. Welbegrepen. Welbehaaglijk. welbehagen, o. Welbeklant. Welbekomen, ü. Welbekoökt. Welbemand. Welbemind. Welberaamd. Welberaden. Welbereid. Welbespraakt, -bespraakter, -be- spraaktst. Welbespraaktheid, V. Welbesteed. Welbevolkt. Welbewaakt. welbe werkt. Welbewoond. Welbezeild, -bezeilder, -bezeildst. Welbezeildheid, V. Welbezocht. Welboot, V., -booten. Weldaad, V., -daden. Weldadig, dadiger, -dadigst. Weldadigheid, V., -heden. Weldadigheidsbazar, M., -bazars. Weldadigluk. Weldoen, doet wel, deed wel, deden wel, heeft welgedaan. Weldoen, O. Weldoener, M., -doeners. Weldoenster, V., -doensters. Weldoordacht. Weldoorkneed, -doorknede. w kldoortimmerd. Weldoorvoed. Weldra. Weledel. Weledelgeboren. Weledelgestreng. Weledelheid, V., -heden. Weledelzeergeleerd. Weleer. Weleerwaard. weleerwa ardig. Welfsel, o., welfselen en welfsels. Welgaan, gaat wel, ging wel, heeft welgegaan. Welgat, O., -gaten. Welgeaard. Welgeboren. Welgebouwd. Welgedaan, -gedaner, -gedaanst. |
WEL.
WEL.
470
|
Welgedaanheid, V. Welgegoed, -gegoeder, -gegoedst. Welgegrond. Welgelegen, -gelegener, -gelegenst. Welgeliefd. Welgelijkend. Welgelukken, o, Welgelukkig. Welgelukzalig. Welgemaakt, -gemaakter, -gemaaktst. Welgemaaktheid, V. Welgemanierd, -gemanierder, -geraa- nierdst. Welgemanierdheid, V. Welgemeend. Welgemoed. Welgemoedheid, V. Welgemutst. Welgeordend. w elgeschapen. Welgesteld, -gestelder, -gesteldst. Welgesteldheid, V. w elgetroffen. Welgevallen, O. Welgevallig, -gevalliger, gevalligst. Welgevalligheid, V. Welgevormd. Welgezeten. Welgezind, gezinder, -gezindst. Welgezindheid, V. Welgrond, M., -gronden. Welhaast. Welig, weliger, weligst. Weligheid, V. Welingericht. Welk. Welkom (bijw.). Welkom (bnw.), meer â en meest â. Welkomst, V. Welkomstgroet, M., -groeten. Welkomstlied, O., -liederen. Welkomthuis (geschenk), ü. Welkom- thuisje, O., -jes. Wellen (koken), welde, heelt geweld. Wellen (smidsw.), welde, heeft geweld. Wellen (opborrelen), welde, is geweld. Wellevend, -levender, -levendst. Wellevendheid, V. Wellicht. Welltng. v., wellingen. Welluidend, -Inidender, -hndendst. Welluidendheid, V. w elluidendheidsh alve. Wellust, M., -lusten. Wellusteling, M. en V., -lustelingen. V. ook wellustelinge. Wellustig, -lustiger, -lustigst. Wellustigheid, V., -heden. Welmeenend, -meenender, -meenendst. Welmeenendheid, V. Welnemen, O. Welnu. Welopgevoed, -gevoeder, gevoedst. Welp, O., welpen. quot;Welpje, O., -jes. | 1 |
Welpomp, V., -pompen. Welput, M., -putten. Welriekend, -riekender, -riekendst. Welriekendheid, V. Welslagen, O. Welsmakend. Welsprekend, -sprekender, - sprekendst. Welsprekendheid, V. Welstaan, staat wel, stond wel, heeft wel ges taan. Welstaanshalve. Welstand, M Weltevreden. Welvaart, V. Welvaren, O. Welvaren, voerwel, heeft weigevaren. Welvarend, -varender, -varendst. Welvarendheid, V. Welven, welfde, heeft gewelfd. welverbonden. Wflvereenigd. Welverschanst. Welversierd. W elversneden. Welverstaande. Welversterkt. Welving, V., welvingen. Welvoeglijk, -lijker, -l\jkst. Welvoeglijkheid, V., -heden. Welvoorzien Welwater, O. Welwezen, O. Welwijs, -wyze. Welwillend, -willender, -willendst. Welwillendheid, V., -heden. Welzalig. Welzand, O. Welzijn, o. Wem, M., wemmen. Wemelen, wemelde, heeft gewemeld. Wen, V., wennen. quot;Wennetje, O., -jes. Wen (voegw.). Wenden, wendde, heeft gewend. Wending, V., wendingen. Wenk, M., wenken. Wenkje, O., -jes. Wenkbrauw, V., -brauwen; -brauwtje, O., -jes. Wenken, wenkte, heeft gewenkt. Wennen, wende, heeft en is gewend. . Wensch, M., wenschen. Wenschje, o., -jes. Wf.nschelïjk, -lijker, -lykst. Wenschelijkheid, V. Wenschen, wenschte, heeft gewenscht. Wentelen, wentelde, heeft gewenteld. Wenteling, V., wentelingen. Wentelspil, V., -spillen. Wentelsteen, M., -steenen. Wen celstok, M., -stokken. Wentelteefje, O., -jes. Wenteltrap, V., -trappen. Wenteltrapvormig. Wepeldorenknop, M., -knoppen. Wereld, V., werelden. |
WER.
WER.
471
|
wkllkldbeschouwikg, V., -beSchOUWill- gen. Wereldbol, M. Wekeldbukger, M., -burgers Wereldburgerschap, o. Werelddeel, O., -deelen. W'ereldgebeurtenis, V., -gebeurtenissen. Wereldgeschiedenis, V. Wereldgodsdienst, M., -godsdiensten. Wereldkaart, V., -kaarten. Wereldkampioenschap, ü. wereldkundig, -kundiger, -kundigst. Wereldlijk. W'ereldling, M. en V., wereldlingeii. Wrereldrond, O. Werelds (bijw.). Wereldsch (bnw.)- W'ereldschgezind, -gezinder, -gezindst. Wtereldschgezindheid, V. wereldstad, V., -steden. Wereldtentoonstelling, V., -tentoonstellingen. Wereldtooneel, o. weren, weerde, heeft geweerd. Werf, V., werven. Werfje, O., -jes. Werfbrief, M., -brieven. Werfdepot, O., -depots. Werfgeld, O. Werfhuis, O., -huizen. Werfkantoor, o., -kantoren. Werfofficier, M.t -officieren en -oftl- ciers. Wering, v. Werk (arbeid, gewrocht), o,, werken. quot;Werkje, ü., -jes. Werk (vlas), o. Werkbaas, M., -bazen. Werkbank, V., -banken. Werkbeest, O., -beesten. Werkbij, V., -bijen. Werkdadig, -dadiger, -dadigst. Werkdadigheid, V. Werkdag, M., -dagen. wr erkelijk. Werkelijkheid, V. Werkeloos, -looze. Werkeloosheid, V. Werken, werkte, heeft gewerkt: ook wrocht, heeit gewrocht. Werker, M., werkers. Werkezel, M., -ezels. Werkgast, M., -gasten. Werkgever, M., -gevers. Werkheilig, -heiliger, -heiligst. Werkheilige, M. en V., -heiligen. quot;Werkheiligheid, V. Werkhuis, O., -huizen. Werking, v., werkingen. Werkinrichting, v., -inrichtingen. Werkkracht, V., -krachten. Werkkring, M., -kringen. Werkliedenverbond, O. Werkloon, o, -loonen. |
Werkloos, -looze. Werkman, M., -lieden en -lui. Werkmeester, M., -meesters en -meesteren. Werkmeid, V., -meiden. Werknemer, M., -nemers. Werkpak, O., -pakken; -pakje, O., -jes. Werkplaats, V., -plaatsen. Werkstaker, M., -stakers. Werkstaking, V., -stakingen. Werkstellig. Werkster, V., werksters. Werkstoel, M., -stoelen. Werkstuk, O., -stukken; -stukje, O., -Jes. . . Werktafel, V., -tafels; -tafeltje,O.,-jes. Werktijd, M., -tyden. Werktuig, o., -tuigen; -tuigje, o., -jes. Werktuigkunde, V. Werktuigkundige, M., -kundigen. Werktuiglijk, -lyker, -lykst. Werktuiglijkheid, V. Werkuur, O., -uren. Werkverschaffing, V. Werkvolk, O. Werkvrouw, V., -vrouwen. Werkwoord, O., -woorden; -woordje,O., -jes. Werkwoordelijk. Werkzaam, -zamer, -zaamst. Werkzaamheid, V., -heden. Werkzijde, V., -zijden. Werpanker, O., -ankers. W7erpdraad, M., -draden. Werpen, wierp, heeft geworpen. Werpgaren, o. Werplijn, V., -lynen. Werplood, O. Werpnet, O., -netten. Werpschicht, M., -schichten. Werpschijf, V., -schyven. Werpspeer, V., -speren. Werpspel, O., -spelen. Werpspiets en werpspies, V., -.spietsen. Werpstoot, M., -stooten. Wf.rptol, M., -tollen. Werptros, M., -trossen. Werptuig, O., -tuigen. W'erst, V., wersten. Wervel, M., wervels en wervelen. Wervelen, wervelde, heelt gewerveld. Wervelwind, M., -winden. Wervelziek, -zieker, -ziekst. Werven, wierf, wierven, beeft geworven. Werver, M., wervers. Werving, V., wervingen. Werwaarts. wreshalve. Wesp, V., wespen. Wespje, O., -jes. Wespenangel, M., -angels. Wespenei, o., -eieren; -eitje, o., -eitjes en -eiertjes. Wespennest, O., -nesten. |
quot;WES.
472
WET.
|
Wespesteek, M., -steken. West (het Westen), O.; (Nederlands Westindische bezittingen), V, West (bijw.). Westelijk, -lyker, -lijkst. WEhTELUKEN, westelykte. is gewestelijkt. Westen, O. Westenwind, M., -winden. Westeegang, V. Westekgoo, o. Westergrens, V., -grenzen. Westerhoek, M. Westerkim, V. Westerling, M. en V., westerlingen. V. ook westerlinge. Webtersch. Westerzon, V. Westfrïesch. West-friesland, O. West-indië en westïnje, O. westindievaarber en westinjevaarder , M., -vaarders. Westindisch. Westïnje. Zie West-Indië. Westland, O. Westnoordwest (bijw.). Als znw., O. Westvlaamsch. West-vlaanderen, O. Westwaarts. Westzuidwest (bijw.). Als znw., O. Weswege. Wet, V., wetten. quot;Wetje, O., -jes. Wetboek, O., -boeken Weten, wist, heeft geweten. Weten, O. Wetens. (Willens en â). Wetenschap, v., -schappen. Wetenschappelijk, -lijker, -lykst. Wetenschappelijkheid, V. Wetenswaardig, -waardiger, -waardigst, of meer en meest -waardig. Wetering, V., weteringen. Wetgeleerde, M., -geleerden. Wetgetrouw. Wetgevend. Wetgever, M., -gevers. Wetgeving, V., -gevingen. Wethouder, M-, -bouderen en-houders. Wethouderschap (de wethouders), V., -schappen; (de waardigheid), O. Wetplank, V,, -planken. Wetsartikel, O., -artikelen en -artikels. Wetsbepaling, v., -bepalingen. Wetsherziening, quot;V., -herzieningen. Wetsinterpretatie, v. Wetsontwerp, o., -ontwerpen. Wetsovertreding, v., -overtredingen. Wetstaal, O., -stalen. Wetsteen, M., -steenen. Wetsverandering, V., -veranderingen. Wetsvoorstel, o., -voorstellen. Wettelijk. Wettelijkheid, V. |
Wetteloos, -loozer, -loost. Wetteloosheid, V. Wetten, wette, heeft gewet. Wêttenverzameling, v., -verzamelin gen. Wettig, wettiger, wettigst. Wettigen, wettigde, heeft gewettigd. Wettigheid, V. Wettiging, V., wettigingen. Wettiglijk. Wettisch. Weveling, V.. wevelingen. Weven, weefde, heeft geweven. Wever, M., wevers. Weverij, V., weveryen. Weversboom, M., -boomen. Weversklos, M.. -klossen. Weversknoop, M., knoopen. Weversspoel, V., -spoelen. Weving, V., wevingen. Wezel, V., wezels. Wezeltje, O., -jes. Wezen, was, waren, is geweest (Verg. ZUn). wezen, o., wezens. Wezentje, o., -jes. Wezenheid, V. Wezenlijk, -lyker, -lykst. Wezenlijkheid, V. Wezenloos, -loozer. -loost. Wezenloosheid, V. Wezenstrek, m., -trekken. Whist (spel). O.; (maat, medehelper), M., whisten. Whistavondje, O., -avondjes. Whisten, whistte, heeft ge whist. Whister, M., whisters. Whistkaart, V., -kaarten. Whistspel, o., -spellen. Wichelaar, M., wichelaars en wichelaren. Wichelaarskunst, V., -kunsten. Wichelaarster, V., wichelaarsters. Wichelarij, V., wichelarijen. Wichelroede, V., -roeden. Wicht (kind), O., wichten. Wichtje, O., -jes. Wicht (gewicht), O., wichten. Wichtje, O., -jes. Wichtig, wichtiger, wichtigst. Wichtigheid, V. Wie. Wiebelen, wiebelde, heeft gewiebeld. Wiedbaas, M., -bazen. Wieden, wiedde, heeft gewied. Wieder, M., wieders. Wiedijzer, O., -ijzers. Wiedloon, o., -loonen. Wiedmes, O., -messen. Wiedster, v., wiedsters. Wiedvolk, O. Wieg, V., wiegen. Wiegje, O., -jes. Wiegekap, V., -kappen. Wiegekleed, O., -kleeden; -kleedje, O., -jes. Wiegekoord, O., -koorden. |
WIE.
WIJ.
473
|
wiegelen, wiegelde, heeft gewiegeld. Wiegelied, o., -liederen; -liedje, o., -jes. Wiegeling, V., wiegelingen. Wiegelstoel, M., -stoelen. Wiegen, wiegde, heeft gewiegd. Wiegetouw, o., -touwen. Wiek (vlerk en lemmet), V., wieken. Wiekje, O., -jes. Wiel, O., wielen. Wieltje, O., -jes. Wielenaar, T»I., wielenaais. Wieleb, M., wieiers. Wielerbaan, V., -banen. Wieleben, wielerde, heeft en is gewie- lerd. Wielersport, V. Wielewaal, M., wielewalen. Wieling, V., wielingen. Wielrijden, O. Wielrijder, M., -rjjders. Wielrijdersbond, M., -bonden. Wielrijschool, V., -scholen. Wieltros, M., -trossen. Wier, ü., wieren. Wierig, wieriger, wierigst. wlebigheid, v. wlebook, M. Wiebookdamp, M., -dampen. Wiebooken, wierookte, heeft gewierookt. wlebookgeub, m. Wiebookvat, O., -vaten. Wiewauwen, wiewauwde, heeft gewie-wauwd. Wiewoüteb, M. Zie Vijfwouter. Wig en wigge, V., wiggen. Wigje en wiggetje, O., -jes. Wiggebeen, o., -beenderen. Wiggelen, wiggelde, heeft gewiggeld. wlgvobmig. Wu. Wijbisschop, M., -bisschoppen. Wijbbood, O., -brooden. Wijd, wyder, wijdst. Wijdbeens. Wijdberoemd. Wijden (heiligen), wjjdde, heeft ge- wjjd. Wijders. Wijding, V., wydingen. Wijdloopig, -loopiger, -loopigst. Wijdloopigheid, V. Wijdluftig, -luftiger, -luftigst. wljdluftigheid, v. Wijdte, V., wijdten. Wijdvermaard. Wijf, O., wyven. WJjfje, O., -jes. Wijfachtig, -achtiger, -achtigst. wljfachtigheid, v. Wijfjes. Be diernamen, met wijfjes verhonden, als samenstellingen aaneen te schrijven, h. v. wijsjes vos, wysjesvink enz. Wijfsch, wyfscher, wijfscht. |
Wijk (vlucht), V. Wijk (afdeeling eener gemeenre), V. wyken. Wijken, week, weken, is geweken. Wijkgebouw, o., -gebouwen. Wijkmeester, m, -meesters. Wijkplaats, V., -plaatsen. Wijkwast, M , -kwasten. Wijl en wijle (sluier), V., wjjlen. Wijl en wijle (poos), V. Wijl (voegw.). Wijlen (bijw.). Wijn, M., wijnen. Wijntje, O., -jes. Wijnachtig, -achtiger, -achtigst. Wijnappel, M., -appelen. Wijnazijn, M. Wijnbouw, M. Wijnbouwer, M., -bouwers. Wijnfle^ch, V., -flesschen. Wijngaard. M., -gaarden. Wijngaardenier, M , -gaardeniers. Wijngeest, M. wijnglas, o., -glazen. Wijnhandel, M. Wijnkaraf, V., -karaflen. Wijnkelder, M., -kelders. Wunkklk, m., -kelken. Wijnkooper, M., koopers. Wijnkoopebij, V., wijnkooperijen. Wijnlezen, O. Wijnlezeb, m, -lezers. Wijnlezing, V., -lezingen. Wijnmaand, V. Wijnmaat, v., -maten. Wijnoogst, M. Wijnoogsten, O. Wijnoogsting, V. Wijnpakhuis, O., -pakhuizen. WlJKPEILEN, O. Wijnpeiler, M., -peilers. Wijnpebs, V., -persen. Wijnpboef, V., -proeven. Wijnpboeveb, M., -proevers. Wijnbank, v., -ranken. wljnboeien, o. Wijnboeieb, M , -roeiers. Wijnsoep, V. Wijnsteen (stofnaam), V. Wijnsteenzuub, O. Wijnstok, M., -stokken. Wijnvat, O., -vaten. Wijnveblateb, M., -verlaters. Wijnvebvalscheb, M., -vervalschers. Wijnvlek, V.. -vlekken. Wijs (znw.). Zie Wyze. Wijs, wijzer, wijst. Wijsbegeebte, V. Wijselijk. Wijsgeer, m., -geeren. W^sgeertje, o -Jes- . . f Wijsgeebig, -geenger, -geengst. Wijsgeebigheid, V. Wijsheid, V., -heden. Wijshoofd, M. en V., -hoofden. |
WIL.
WIJ.
474
|
Wijsmaken, maakte wys, heeft wijsgemaakt. Wijsneus, M. en V., -neuzen; -neusje, O., -jes. Wijsneuzig, -neuziger, -neuzigst. Wijsvinger, M., -vingers. Wijten, weet, weten, heeft geweten. Wijting (visch), M., wijtingen; (als stofnaam), V. Wijvenpraat, M. Wijwater, O. Wijwaterbakje, O., -jes. Wijwatervat, o., -vaten. Wijze (persoon), M., wyzen. Wijze en wijs (manier, enz.), V., wijzen. Wijsje, O., -jes. Wijzen, wees, wezen, heeft gewezen. wijzer, m., wijzers. Wijzertje. o., -jes. Wijzerearometer, m., -barometers. Wijzerplaat, v., -platen. Wijzigen, wijzigde, heeft gewijzigd. wijziging, V., wijzigingen. Wik (by het wegen), V., wikken. Wik en wikke (peulvrucht), V., wikken. Wik (bijw.) (â of wak). wlkgeld, o. Wikkelen, wikkelde, heeft gewikkeld. Wikken, wikte, heeft gewikt. wlkkenstroo, o. Wikking, v. Wik- en weegloonen (mv.), O. Wil, M. quot;Willetje, O. Wild, wilder, wildst. Wild, o. Wildachtig. Wildbraad, O. Wilddief, M., -dieven. Wilde, M. en v., wilden. Wildebras, M. en V., -brassen. Wildeling, M., wildelingen. Wildeman (persoon), M., -mannen. Wildeman (in de wapenkunde), M., -mans. Wildernis, V., wildernissen. Wildheid, V. Wildpastei, V., -pasteien. Wildschut, M., -schutten. Wildvang, M., -vangen. Wildvreemd. Wildzang (gezang), m. Wildzang (persoon). M. en V., -zangen. Wilg, M., wilgen. Wilgje, O., -jes. Wilgeblad, O,, -bladen en -bladeren. Wilgeboom, M., -boomen; -boompje, O., -jes. wllgeloot, V., -loten. Wilgenbloesem, M. Wilgenbosch, O., -bosschen. Wilgenhout, o. Wilgenlaan, V., -lanen. wllgenloover, ü. Wilg enz wam, v. Wilgetak, M., -takken; -takje, O., -jes. Willekeur, V. |
Willekeurig, -keuriger, -keurigst. Willekeurigheid, V., -heden. Willeloos, -loozer, -loost. Willeloosheid, V. Willempje (tienguldenstuk), o., -jes. Willemsorde, V. Willen, wil, wilde, heeft gewild. Willens. Willig, williger, willigst. Willigen, willigde, is gewilligd. Willigheid, V. Williglijk. Wilskracht, V. Wimpel, M., wimpels. quot;Wimpeltje, O., -jes. Wimpelman, M., -mannen. Wimpelstok, M., -stokken. wimper, V., wimpers. Wimpertje, O., -jes. Winbaar, -baarder, -baarst. Wind (luchtstroom), M., winden. Windje, O., -jes. Wind (windhond), M., winden. Windas, O., windassen. Windboom, M., -boomen. windbreken, o. Windbrekend, Windbreker, M., -brekers. Windbrekerij, V., -brekerijen. Windbuil, M., -builen; -builtje, O., -jes. Winde, V,, winden. Windei, o., -eieren. Windel, M., windels en windelen. Winden, wond, heeft gewonden. Winder, M., winders. Winderig, winderiger, winderigst. Winderigheid, v Windgat, O., -gaten. Windhandel, M, Windhoek, M,, -hoeken. Windhond, M., -honden. Windhoos, V., -hoozen. Windig, windiger, windigst. Winding, V., windingen. Windkant, M. Windmaker, M., -makers. Windmolen, M., -molens. Windreep, M,, -reepen. Windroer, O., -roeren. Windroos, V., -rozen. Windsel, O., windsels en windselen. Windseltje, O., -jes. Windspaak, V., -spaken. Windspil, V., -spillen. Windstil. Windvang, M. Windvlaag, V., -vlagen. w indwaarts. Windwerk, O, Windwijzer, M., -wijzers. Windzak, M., -zakken; -zakje, ü., -jes. Wingerd, M., wingerden en wingerds. Wingewest, O., -gewesten. Winkel, M., winkels. Winkeltje, O., -jes. |
WIN.
WIN.
475
|
Winkelbediende, M., -bedienden. quot;Winkeldochter, V., -dochters. Winkelen, winkelde, heeft gewinkeld. Winkelhuis, O., -huizen. Winkelier, M., winkeliers. Winkelierster, V., winkeliersters. Winkeljuffrouw, V., -juffrouwen. Winkelkast, V,, -kasten. Winkelknecht, M., -knechts. Winkellade, V., -laden. Winkelnering, V., -neringen. Winkelraam, O., -ramen. Winkelschuld, V. Winkelstand, M., -standen. wlnkelvereenlging. V. Winkelwaar, V., -waren. Winket, O., winketten. Winnaar, M., winnaars. Winnen, won, wonnen, heeft gewonnen. Winner, M., winners. Winst, V.. winsten. Winstje, o., -jes. Winstderving, v., -dervingen. wlnst-en-verliesrekening, V. Winstgevend. wlnstgierig. wlnstgif.righeid, v. Winter, M., winters. Wintertje, o.,-jes. Winteraardappelen (mv.), M. _ Winterachtig, -achtiger, -achtigst. Winteravond, M., -avonden. Winterconcert, O., -concerten. Winterdags. wlnterdienst, M., -diensten. Winterdracht, V., -drachten. Winteren, winterde, heeft gewinterd. Wintergerst, V. Wintergezicht, O., -gezichten; -gezichtje, O., -jes. Wintergoed, O., -goederen. Wintergroenten (mv.), V. Winterhanden (rnv.), V. Winterhoed, M., -hoeden. Winterjas, V., -jassen. Winterkoninkje, O., -jes. Winterkoren, O. wlnterkost, M. Winterkoude, V. Winterkwartier, O., -kwartieren. Winterling, V. Wintermaand, V., -maanden. Wintermantel, M., -mantels. Winternacht, M., -nachten. Winterpaleis, o., -paleizen. Winterprovisie, V. Wintersch. Winterseizoen, O. Winterslaap, m. Winterstof, V., -stoffen. wlntertering, V. Wintertuin, M., -tuinen. Winterverblijf, o., -verbiyven. Wintervermaak, O., -vermaken. Wintervoeten (mv.), M. Wintervoorraad, M., -voorraden. |
Winterweder en -weer, O. Winterzon, V.; -zonnetje, O. Winzucht, V. Winzuchtig, -zuclitiger, -zuchtigst. Wip, M. (In een -). Wip (werktuig), V., wippen. Wipje, O., -jes. Wip (tusschenw.). Wipbrug, V., -bruggen. Wipgalg, V., -galgen Wiphout, O., -houten. Wipmolen, M., -molens. Wipneus (neus), M., -neuzen; -neusje, O., -jes. Wipneus (persoon), M. en V., -neuzen. Wippen, wipte, heeft en is gewipt. Wipper, M., wippers. Wippertje, O., -jes- WippERiG, wipperiger, wippengst. Wipplank, V., -planken. Wipstaart, M., -staarten. wiptrog, m., -troggen. Wis, wisser, wist. Wisch (veegdoek), V., wisschen. Wisch (twijg), V., wisschen. Wischje, O., -jes. Wischdoek, m, -doeken. Wisheid, V. Wiskunde, V. Wiskundig. Wiskundige, M. en V., -kundigen. Wiskunst, V. Wiskunstenaar, M., -kunstenaars. Wiskunstig. Wispelturig, -turiger, -turigst. Wispelturigheid, V. Wisschen, wischte, heeft gewischt. Wisscher, M., wisschers. Wisschersklos, M., -klossen. Wisschrp.stouw, o., -touwen. Wisse, V., wissen. Wissel, M., wissels. Wisseltje, O., -jes. Wisselaar, M., wisselaars en wisselaren. Wisselagent, M., -agenten. Wisselarbitrage, V. Wisselbaar, -baarcler, -baarst. Wisselbaarheid, V. Wisselbank, V., -banken. Wisselbrief, M., -brieven. Wisselen, wisselde, heeft gewisseld. Wisselhandel, M. Wisselhond, M., -honden. wlssell jk. Wisseling, V., wisselingen. Wisselkans, V., -kansen. Wisselkantoor, O., -kantoren. Wisselkleed, O., -kleederen. Wisselkoers, M., -koersen. Wisselkoorts, V., -koortsen. Wisselmakelaar, M., -makelaars. Wisselnoteering, V., -noteeringen. Wisselpaard, O., -paarden. Wisselplaats, V., -plaatsen. Wisselrecht, O. |
WOE.
476
WIS.
|
Wisselruiterij, V. Wisseltand, M., -tanden. Wisselvallig, -valliger, -valligst. Wisselvalligheid, V., -heden. Wisselwachter, M., -wachters. Wisselzegel, O., -zegels. Wissewasje, O., wissewasjes. Wit, witter, witst. Wit (doel), O. Witachtig, -achtiger, -achtigst. wltbont. Witgeld, O. Witgepleisterd. Witharig, -hariger, -harigst. Witheid, V. Without, O. Witje, O., -jes. Witkalk, v. Witkop (persoon), M. en V., -koppen; -kopje, o., -jes. Witkop (vogel), M., -koppen. Witkwast, M., -kwasten. Witpoot, M., -pooten. Wit-rusland, o. Witsel, O. Witstaart, M., -staarten. Wittebrood, O., -brooden; -broodje, O., -jes. Wittebroodskind, o., -kinderen. Wittebroodsweek, V., -weken. Wittekool, V., -kooien. Witten, witte, heeft gewit. Witter, M., witters. Witvisch, V. Witwerk, o. Wit werker, M., witwerkers. wltwerkersgoed, ü. Witzijden (bnw.). Woede, V. Woeden, woedde, heeft gewoed. Woedend, woedender, woeclendst. Woeker, M. Woekeraar, M., woekeraars en woekeraren. Woekeraarster, V., woekeraarsters. Woekerachtig, -achtiger, -achtigst. Woekeren, woekerde, heeft gewoekerd. woekergeest, m. Woekergeld, O. Woekerhandel, M. Woekerplant, V., -planten. Woekerwinst, V., -winsten. Woekerzucht, v. Woelachtig, -achtiger, -achtigst. Woelen, woelde, heeft gewoeld. woelgaren, o. Woelgeest, M., -geesten. Woelig, woeliger, woeligst. Woeligheid, V. Woeling, V., woelingen. Woelsel, O. Woelwater, M. en V., -waters. Woelziek, -zieker, ziekst. Woensdag, M., -dagen. |
Woensdagsch. Woerd (eend). Zie Waard. Woerd (waard, land), V., woerden. Woerhaan, M., -hanen; -haantje, O. -jes. Woerhen, V., -hennen; -hennetje, O. -jes. Woest, woester, woestst. Woestaard, M., woestaards. Woestaardig, -aardiger, «aardigst. Woesteling, M. en V., woestelingen V. ook woestelinge Woestenij, V., woestenijen. Woestheid, V., -heden. Woestijn, V., woestynen. Woestijnbewoner, M., -bewoners. Wol, V., wollen. Wolletje. O., -jes. Wolachtig, -achtiger, -achtigst. Wolachtig heid, V. Wolbaal, V., -balen. wolbereiden, o. wolf, M., wolven. Wolfje, O., -jes. wolfachtig. wolfram, o. wolfsangel, M., -angels. Wolfsbalk, M., -balken. WOLFSBEziE, V., -beziën. Wolfsboon, V., -boonen. WOLFSEiNDE, O., -einden. wolfsgebit, O., -gebitten. wolfsgras, o. wolfshond, M., -honden. wolfshonger, M. wolfshuid, V., -huiden. wolfsklauw (klauw), M.f -klauwen. Wolfsklauw (plant), V. Wolfsklem, v., -klemmen. wolfskrutd, o. wolfskuil, M., -kuilen. wolfsleger, o. wolfsmelk (plant), v. wolfsmuil, M., -muilen. Wolfspels, M., -pelzen. Wolfspoot, M., -pooten. Wolfstand, M., -tanden. Wolfsvel, O., -vellen. wolfswortel, v. Wolk, V., wolken. Wolkje, O., -jes. Wolkaarden, O. Wolkaarder, M., -kaarders. Wolkachtig, -achtiger, achtigst. Wolkammen, O. Wolkammer, M., -kammers. Wolkbreuk, V., -breuken. Wolkig, wolkiger, wolkigst. Wolkruid, O. Wollen (bnw.). Wollenaaien, O. Wollenaaisteb, V., -naaisters. Wollig, wolliger, wolligst. Wolligheid, V, Wolmarkt, V. wolplukken, o. wolscheiden, o. |
WOO.
477
WOL.
|
wolspinnen, o. wolspinner, m, -spinners. WOLSPiNNEBij, V., -spinnerijen. Wolspinster, V., -spinsters. Wolvebeet, M., -beten. Wolvedak, o., -daken. wolvenaard, m. wolvenjacht, v., -jachten. Wolvenjager, M., -jagers. Wolveprent, v., -prenten. wolverven, o. Wolverver, M., -ververs. wolververij, V.. -ververyen. Wolvespoor, o., -sporen. Wolvin, V., wolvinnen. wolwasschen, o. Wolweven, O. Wolwever, M., -wevers. Wond, V., wonden. Wondje, O., -jes. Wondbaar, -baarder, -baarst. wondbaarheid, V. wonden, wondde, heeft gewond. Wonder, O., wonderen. Wonderbaar, -baarder, -baarst. Wonderbaarheid, V. wonderboom, m, -boomen. Wonderdadig, -datliger, -dadigst. Wonderdadigheid, V. Wonderdier, O., -dieren. Wonderdoend. Wonderdoener, M., -doeners. Wonderdokter, M., -dokters. Wonderen, wonderde, heeft gewonderd. Wondergroot, -groote. Wonderkind, o., -kinderen. Wonderklein. Wonderlijk, -lijker, -lykst. Wonderlijkheid, V., -heden. Wonderman, M., -mannen. Wonderolie, V. Wonderschoon, -schoone. Wonderspreukig, -spreukiger, -spreu-kigst. Wonderteeken, O., -teekenen. Wonderverhaai., ()., -verhalen. Wondheeler, M., -heelers. Wondkoorts, V., -koortsen. Wonen, woonde, beeft gewoond. Woning, V., woningen. Woninkje, o.,-jes. Woninggids, M., -gidsen. Woon. Zie Metterwoon. Woonachtig. Woonhuis, O., -huizen. Woonkamer, V,, -kamers. Woonplaats. V., -plaatsen. Woonstede, V., -steden. Woonvertrek, O., -vertrekken. Woord (eend). Zie Waard. Woord, O., woorden. Woordje, O., -jes. Woordafleiding, V. Woordbreker. M., -brekers. Woordbreuk, v. Woordelijk, -lyker, -lijkst. Woordenaar, M., woordenaars. |
Woordenboek, o., -boeken; boekje, o., -jes. Woordenboekschrijver. M., -schryvers. Woordenlijst, V., -lysten; -lijstje, O., -jes. Woordenpraal, V. Woordenrijk, -rijker, -rijkst. Woordenrijkheid, V. Woordenschat, M. Woordenspel, O. woordenstrijd, M. woordentwist, M. Woordenvitter, M.f -vitters. Woordenvitterij, V., -vitterijen. Woordenwisseling, V., -wisselingen. WOORDENZIFTEN, O. Woordenzifter, M,, -zifters. WooRDENZiFTEiiij, v., -zlfterjjen. Woordschikking, V. Woordspeling, V., -spelingen. Woordvoerder, M , -voerders. Worden, wordt, werd, is geworden. Wording, V. Worg, M. Worgen en wurgen, worgde (wurgde), heeft geworgd (gewurgd). Worging en wurging, V. Worgkoord, O., -koorden. Worgpaal, M., -palen. Work, M., worken. Worken, workte, heeft geworkt. Worm en wurm (diertje). M., wormen en wurmen. Wormpje en wurmpje, O., 'jes. Verg. Wurm. Wormachtig. Wormer (naam van een polder), V. Wormig, wormiger, wormigst. Wormkruid, O. Wormstekig, -stekiger, -stekigst. Wormstekigheid, V. Worp, M., worpen. Worst, V., worsten. Worstje, O., -jes. Worstelaar, M., worstelaars en worstelaren. Worstelen, worstelde, heeft geworsteld. Worsteling, V., worstelingen. Worstelkunst, V. Worstelmeester, m., -meesters. Worstelperk, o., perken. Worstelplaats, V., -plaatsen. Worstelspel, O. Worstelwedstrijd, M., -wedstrijden-Worstelstrijd, M. Worstenmaker, m , -makers. Worstepen, V., -pennen. Wortel, M., wortels en wortelen. Worteltje, O., -jes. Wortelachtig, -achtiger, -achtigst. Wortelboer. M., -boeren. Wortelen, wortelde, is geworteld. Wortelgrootheid, V., -grootheden. Wortelloof, O. Wortelteeken, O., -teekens. Worteltrekken, O. |
WOR.
WEI.
478
|
Worteltbekking, V.. -trekkingen. Wortelvorm, M , -vormen. Woud, O., wouden. Woudachtig, -achtiger, -achtigst. Woudduif, V., -duiven. Woudezei., M., -ezels. Wouterman, M., -mans; -mannetje, o., -jes. Wouw (vogel), M., wouwen. Wouw (plant), V. Wraak en wrake, V. Wraakbaar, -baarder, -baarst. Wraakbaarheid, V. Wraakgierig, -gieriger, -gierigst. Wraakgierigheid, V. Wraakgodin, V., -godinnen. Wraakzucht, V. Wraakzuchtig, -zuchtiger, -zuchtigst. Wraddel, M., wraddels. Wrak, wrakker, wrakst. Wrak, o., wrakken. Wraken, wraakte, heeft gewraakt. Wrakheid, V. Wraking, V., wrakingen. Wrang, V., wrangen. Wrang, wranger, wrangst. Wrangheid, V. Wrangkruid, O. Wrat, V., wratten. Wratje, O., -jes. Wratachtig, -achtiger, -achtigst. Wrattenkruid, O. Wrattig, wrattiger, wrattigst. Wreed, wreeder, wreedst. Wreedaard, M., wreedaards. Wreedaardig, -aardiger, -aardigst. Wreedaardigheid, v. Wreedaardiglijk . Wreedelijk. Wreedheid, V., -heden. Wreef, V., wreven. Wreekster, V., wreeksters. Wreken, wreekte, heeft gewroken. Wreker, m., wrekers. Wreking, V. Wrenschen, wrenschte, heoft ge- wrenscht. Wrevel, M. Wrevel, wreveler, wrevelst. Wrevelig, wreveliger, wreveligst. Wreveligheid, V. Wriemelen, wriemelde, heelt gewriemeld. Wriemeling, V. Wriggelen, wriggelde, heeft gewrig-geld. Wrijfbak, M, -bakken. Wrijfborstel, M., -borstels. |
WRUfdoek, M., -doeken; -doekje, o., -jes. WRUfgoed, O. ; wrijfhout, O., -houten. wruflap, M., -lappen; -lapje, O., -jes. Wrijf mand, V., -manden. WRUfmolen, m., -molens. wrijfpaal, M., -palen. WRUFpakking, v. wrufrol, V., -rollen. wrijfsteen. M , -steenen. WRufster, v., wrijfsters. wrijf was, ü. ' WRUten, wr;itte, heeft ge wry t. i wRiJTER» wrijters. wrijven, wreef, wreven, heeft ge wreven. wrijver, M., wry vers. wrijving, v., wrijvingen. Wkuvingssas, V., -sassen. wrikken, wrikte, heeft gewrikt. wrikking, v. WRiRRiKM, M., -riemen. WRiKwiEL, O., -wielen. Wringen, wrong, heeft gewrongen. Wringhaak, M., -haken. Wringhout, O., -houten. wringing, v. Wrocht. Zie quot;Werken. Wroegen, wroegde, heeft gewroegd. Wroeging, vquot;,, wroegingen. Wroeten, wroette, heeft gewroet. Wroeter, M., wroeters. Wroeting, V. Wrok, M. Wrokken, wrokte, heeft gewrokt. Wrokkig, wrokkiger, wrokkigst Wrong, V., wrongen. Wrongetje, O., -,ies. Wrongel, V. Wrongstuk, O., -stukken. Wuft, wufter, wuftst. Wuftheid, V. Wui, V., wuien. Wuitje, O., -jes. Wuit, v., wuiten, Wuitje, O., -jes. 1 wuiven, wuifde, heeft gewuifd, i Wuiving, V., wuivingen. Wulf, O., wulven. Wulk, V., wulken. Wulkje, o., -jes Wulp, M., wulpen. Wulpsch, wulpscher, wulpscht. Wulpschheid, v. Wurg, M , wurgen. Wurgdraad, M.. -draden. Wurgen. Zie Worgen. Wurm (diertje). Zie Worm. Wurm (stumper, sukkel), M., wurmen. Wurmpje, O., -jes. Wurmen (moeite doen), wurmde, heelt gewurmd. |
ZAB.
479
z.
|
z, v., z's. Zaad, O., zaden. Zaadje, O., -jes. Zaadachtig. Zaadbakje, O., -bakjes. Zaadhandelaar, M., -handelaars. Zaadkorrel, V., -korrels. Zaadleider, M., -leiders. Zaadlob, V., -lobben. Zaadwinkel, M., -winkels. Zaadzolder, M., -zolders Zaag, V., zagen. Zaagje, O., -jes. Zaagbek, M., -bekken. Zaagbok, M,-bokken. Zaagkruid, O. Zaagkuil, M., -kullen. Zaagloon, o Zaagmeel, O. Zaagmolen, M., -molens. Zaagmolenaar, M., -molenaars. Zaagmolm, M. en o. Zaagpeul, V., -peulen. Zaagsel, O. Zaagswtjze en -wus. Zaagvijl, V., -vyien. Zaagvormig. Zaaibaar, -bare. Zaaibloem, V., -bloemen. Zaaiboon, V., -boonen. Zaaien, zaaide, heeft gezaaid. Zaaier, M.. zaaiers. Zaaigoed, O. Zaaiing, V., zaaiingen. Zaaikoren, O. Zaaikorf, M., -korven. Zaailand. O., -landen. Zaailing (zaaiplant). m., zaailingen. Zaailing (hennep), V. Zaaimaand, V., maanden. Zaaimachine, v., -machines. Zaaiplant, V., -planten. Zaaiploeg, M., -ploegen. Zaaisel, O., zaaisels. Zaaitijd, M. Zaaiveld, O., -velden. Zaaizak, M., -zakken. Zaak, V., zaken. Zaakje, o . -jes. Zaakgelastigde, M., -gelastigden. Zaakkennis, V. Zaakrijk, -ryker, -rjjkst. Zaakrijkheid, V. Zaakwaarnemer, M., -waarnemers. Zaal (ruime kamer), v., zalen. Zaaltje, O., -jes. Zaai. (zadel), o., zalen. Zaan, V. Zaat, V.; zaatje, O. Zaathout, O. |
Zabbelaar, M., zabbelaars. Zabbelaarster, V., zabbela:!raters. Zabbelen, zabbelde, hee;t gezabbeld. Zabbe i.Ing, V. Zabberaar, M., zabberaars. Zabberdoek, M., -doeken. Zabberen, zabberde, heeft gezabberd. Zabbering, V. Zacht, zachter, zachtst. Zachtaardig, -aardiger, -aardigst. Zachtaardigheid, V. Zachtaardigi.ijk. Zachtblad, O. Zachte i.uk. Zachtheid, V. Zachtigheid, V. Zachtjes. Zachtkens. Zachtmoedig, -moediger, -moedigst. Zachtmoedigheid, V. Zachts. Zachtzinnig, -zinniger, -zinnigst. Zachtzinnigheid, V. Zadel, M. en O , zadels. Zadeltje. (gt;., -jes. Verg. Zaal. Zadelboog, M., -bogen. Zadelen, zadelde, heeft gezadeld. Zadelknop, m,-knoppen. Zadelmaker, M., -makers. Zagen, zaagde, heeft gezaagd. Zagerj M., zagers. Zagersbok, M.. -bokken. Zak, M., zakken. Zakje, O., -jes. Zakalmanak, M., -almanakken. Zakbijbeltje, O., -bijbeltjes. Zakdoek, M., -doeken; -doekje, O., -jes. Zakelijk, -lijker, -lijkst. Zakelijkheid, V. Zakformaat, O. zakgeid, o. Zakinktkoker, M., -inktkokers. Zakkammetje, O., -kammetjes. Zakken (in den zak steken), zakte, heeft gezakt. Zakken (dalen), zakte, is gezakt. Zakkendrager, M., -dragers. Zakkenlinnen, O. Zakkenrollen, O. Zakkenroller. M., -rollers. Zakking, V., zakkingen. Zakwoordenboek, O., -woordenboeken; -boekje, O., -jes. Zalf, V., zalven. Zalfje, O., :jes. Zalfachtig, -achtiger, -achtigst. Zalfachtigheid, V. Zalfolie, V., -oliën. Zalig, zaliger, zaligst. |
ZAN.
480
ZAL.
|
Zaligen, zaligde, heeft gezaligd. Zaliger (gedachtenis). Zaligheid, V., -heden. Zaliging, V. Zaligmakend. Zaligmaker, M, Zaligmaking, V. Zaligspreking. V. Zaling, V., zalings. Zalm (een visch). M., zalmen. Als stofnaam, V.' Zalmpje, ü., -jes. Zalmachtig. Zalmtractaat , O., -tractaten. Zalmvisscherij, V. Zalven, zalfde, heeft gezalfd. Zalvend, zalvender, zalvendst. Zalverig, zalveriger, zalverigst. Zalving, V., zalvingen. Zamelen, zamelde, heeft gezameld. Zameling, V., zamelingen. Zamelplaats, V., -plaatsen. Zamen. Te zamen en samen Als eerste lid eener samenstelling altyd samen of SAAM. Zand, O., zanden. Zandje, O , -jes. Zandaardappel, M., -aardappelen. Zandachtig. Zandbad, o., -baden. Zandbak, M., -bakken. Zandbank, V., -banken. Zandbestorting, v., -bestortingen. Zanden, zandde, heeft gezand. Zanderig, zanderiger, zanderigst. Zanderigheid, V. Zanderij, V., zanderyen. Zandgoed,O. Zandgrond, M., -gronden. Zandhoop, M., -hoopen. Zandig, zandiger, zandigst. Zandigheid, V. Zandkorrel, V., -korrels. Zandlooper, M., -loopers; -loopertje, O., -jes. Zandraap, V., -rapen. Zandruiter, M , -ruiters. Zandschïp, o., -schepen. Zandschipper, M., -schippers. Zandvlakte, V., -vlakten. Zandweg, M., -wegen. Zandwoestijn, V., -woestijnen. Zang, M., zangen. Zangberg, m. Zangbodem, M., -bodems. Zangcursus, M., -cursussen. Zanger, M., zangers. Zangeres, V., zangeressen. Zangerig, zangeriger, zangerigst. Zangerigheid, V. Zangersfeest, o., -feesten. Zangkoor, O., -koren. Zangkunst, V. Zangles, V., -lessen. Zanglijster, V., -lysters. Zangoefening, Y., -oefeningen. |
Zangster, V., zangsters. Zangstuk, O., -stukken. Zangvereeniging, V., -vereenigingen. Zangvogel. M., -vogels. Zanik, M. en V., zaniken. Zaniken, zanikte, iieeft gezanikt. Zaniker. M.. zanikers. Zat, zatter, zatst. Zaterdag, m., -dagen. Zaterdagsch. Zatheid, V. Zavel, O Zavelachtig, -achtiger, -achtigst. Zavelboom en zevenboom, M.,-boomen; -boompje, O , -jes. Zavelig, zaveliger, zaveligst. Zebra, M., zebra's. Zede, V., zeden. Zedelijk. Zedelijkheid, V. Zedeloos, -loozer, -loost. Zedeloosheid, V. Zedenbederf, O. Zedenbedervend, -bedervender, -beder-vendst. Zedenbederver, M., -bedervers. Zedenkunde, V. Zedenkundig. Zedenleer, V. Zedenleeraar, V., -leeraars. Zedenles, V., -lessen. Zedenmeester, M , -meesters. Zedenpreek, V., -preeken. Zedenspreuk, V., -spreuken. Zedenverbastering, V. Zedig, zediger, zedigst. Zedigheid, V. Zediglijk. Zee, V., zeeën. Zeetje, O., -jes. Zeeanemoon. V., -anemonen. Zeearend, M., -arenden. Zeeassurantie, V. Zeebad, o., -baden. Zeebadplaats, V., -plaatsen. Zeebanket, o. Zeebonk, M., -bonken. Zeebeer (waterkeering), M., -beeren. Zeebeer (dier), M., -beren. Zeebrak, O. Zeedienst, M. Zeedier, O., -dieren. Zeedijk, M., -dijken. Zeedorp, O., -dorpen. Zeedrift, V. Zeef, V., zeven. Zeefachtig. Zeefvormig. Zeeg, ook zeegt (scheepsw.), v. Zeegat, O., -gaten. Zeegevecht, O., -gevechten. Zeegezicht, O., -gezichten. Zeeghaftig. Zeeghaftigheid, v. Zeegod, M., -goden. |
ZEE.
ZEE.
481
|
Zeeobas, o. Zeegroen. Zeehandelaar, M., -handelaars. Zeeheld, M., -helden. Zeehond, M., -honden. Zeekaart, V., -kaarten. Zeekasteel, o., -kasteelen. Zeekust, V., -kusten. Zeel, O., zeelen. Zeeltje, O., -jes. Zeelt, v., zeelten. Zeeltje, o., -jes. Zeem, O. Zeemacht, V. Zeeman, m., -lieden en -lui. Zeemanschap, V. Zeemanshuis, o., -huizen. Zeemanstaal, V. Zeemeeuw, V., -meeuwen. Zeemen, zeemde, heelt gezeemd. Zeemen (bnw.). Zeemleder en -leer, O. Zeemlederen en -leeren (bnw.). Zeemogendheid, V., -mogendheden. Zeemonster, O., -monsters. Zeeofficier, M., -officieren. Zeeoorlog, M., -oorlogen. Zeep, V., zeepen. Zeepaard, O., -paarden. Zef.paccijns, M. Zeepachtig. Zeepbakje, O., -bakjes. Zeepen, zeepte, heeft gezeept. Zeeper, M., zeepers. Zeeperig, zeeperiger, zeeperigst. Zeeperij, V., zeeperyen. Zeephout, O. Zeepig, zeepiger, zeepigst. Zeepsop, o. Zeeptonnetje, o., -tonnetjes. Zeepzieden, o. Zeepzieder, M., -zieders. Zeepziederij, V., -ziederijen. Zeer, O. Zeer, zeerder, zeerst. Zeer (byw). Zeerecht, o. Zeereis, V., -reizen. Zeergeleerd. Zeergestreng. zeerig, zeeriger, zeerigst. Zeerigheid, V. Zeerob, M., -robben. Zeeroof, M. Zeeroover, M., -roovers. Zeeschilder, M., -schilders. Zeeschip, O., -schepen. Zeesoldaat, M., -soldaten. Zeestad, V., -steden. Zeestoomboot, V., -stoombooten. Zeestraat, V., -straten. Zeet, V., zeten. Zeetje, O., -jes. Zeeterm. M., -termen. Zeetijding, V., -tydingen. Zeetocht, M., -tochten. Zeeuw, M., Zeeuwen. |
Zeeuwsch. Zeevaarder, M., -vaarders. Zeevaardig Zeevaardigheid, V. Zeevaart, V. Zeevaartkunde, V. Zeevaartschool, V., -scholen. Zeevang, V. Zeevast. Zeever, V. Zeeveraar, M., zeeveraars. Zeeveren, zeeverde, heeft gezeeverd. Zeevering, V. Zeevisch, V. (stofnaam). Zeevisscherij, V., -visscheryen. Zeevogel, M., -vogels. Zeevoogd, M., -voogden. Zeewaardig. Zeewater, O. Zeewering, V., -weringen. Zeewezen, O. Zeezaken (mv.), V. Zeezand, O. Zeeziek, -zieker, -ziekst. Zeeziekte, V. Zefier en zefir, M., zefiéren en zéfirs. 1 Zege, V. Zegel, O , zegels. Zegeltje, O., -jes. Zegelbelasting, V. Zegelen, zegelde, heeft gezegeld. Zegeling, V., zegelingen. Zegelkantoor, O., -kantoren. Zegellak, O. Zegelrecht, o. Zegelring, M., -ringen. Zegelwei, V. Zegen (heil), M. Zegen (net), V , zegens. Zegenaar, M., zegenaars. Zegenen, zegende, heeft gezegend. Zegening, V., zegeningen. Zegenrijk, -rijker, -rykst. Zegepraal, V., -pralen. Zegepralen, zegepraalde, heeft gezegepraald. Zegevimren, zegevierde, heeft gezegevierd. Zeggen, zeide en zei, heeft gezegd en gezeid. Zegger, M., zeggers. Zeggingskracht, V. Zegsman, M., -lieden en -lui. Zegster, V., zeg.sters. Zegsvrouw, V., -vrouwen. Zegswijze en wus, quot;V., -wijzen. Zeiken, zeikte, heeft gezeikt. Zeil, O., zeilen. Zeiltje, O., -jes. Zeilage, V. Zeilbaar, -baarder, -baarst. Zeilboot, V., -booten. Zeildoek, O. Zeilen, zeilde, heeft en is gezeild. Zeiler, M., zeilers. Zeiljacht, O., -jachten. 8L |
ZEL.
ZEI.
482
|
Zeilklaar. Zeilmaker en zeilenmaker, M., -makers. Zeilmakerij en zeilenmakerij, V., - makerijen. Zeilorde, v. Zeilpriem, M., -priemen. Zeilpünt, O. Zeilree. Zeilschip, O., -schepen. Zeilsteen (voorwerp), M., -steenen; (stofnaam), O. Zeiltocht, M., -tochten. Zeilvaardig. Zeil vaartuig, o., -vaartuigen. Zeilweder en -weer, o. Zeilwedstrijd, M., -wedstryden. Zeilwind, M., -winden. Zeis, V., zeisen. Zeisen, V., zeisenen en zeisens. Zeisenkramer, M., -kramers. Zeisensmederij, V., -smederijen. Zeisensmid, M., -smeden. Zeisvormig. Zeker, zekerder, zekerst. Zekerheid, V. Zekerheidshalve . Zekerlijk. Zelden. Zeldzaam, -zamer, -zaamst. Zeldzaamheid, V., -heden. Zelf, zelve. Zelfbedrog, o. Zelfbegoocheling, V. Zelfbehaaglijk. Zelfbehagen, O. Zelfbeheersching, V, Zelfbehoud, O. Zelfbeoordeeling, V. Zelfbeproeving, V., -beproevingen. Zelfbeschuldiging, V., -beschuldigingen. Zelfbevlekking, V. Zelfbewust. Zelfbewustheid, V. Zelfbewustzijn, O. Zelfgenoegzaam, -zame. Zelfgenoegzaamheid, V. Zelfgevoel, O. Zei fheid, V. Zelfkant, M., -kanten. Zelfkanten (bnw.). Zelfklinker, M., -klinkers. Zelfkweller, M., -kwellers. Zelfkwelling, V., -kwellingen. Zelfmoord, M., -moorden. Zelfmoordenaar, M., -moordenaars. Zelfonderricht, o. Zelfonderzoek, O. Zelfopoffering, V. Zelfs. Zelfstandig, -standiger, -standigst. Zelfstandigheid, V., -heden. Zelfstrijd, M. Zelfverbranding, V. |
Zelfverdediging, V. Zelfverheffing, V. Zelfverlaging, V. Zelfverloochening, V. Zelfvernedering, V. Zelfvertrouwen, O. Zelfverwijt, o., -verwytingen, v. Zelfverzaking, V. Zelfvoldoening, V. Zelfwerkend. Zelfzucht, V. Zelfzuchtig, -zuchtiger, -zuchtig^t. Zelling, V., zellingen. Zeloot, M., zeloten. Zemelachtig. Zemelen (mv.), V. Zemeltje, O., -jes. Zemelig, zemeliger, zemeligst. Zemelknoopen, zemelknoopte, heeft go- zemelknoopt. Zemelknooper, M., -knoopers. Zemelknoopster, V.. -knoopsters. Zendbrief, M., -brieven. Zendeling, M. en V. zendelingen. v. ook zendelinge. Zendelingsgenootschap, O. Zenden, zond, heeft gezonden. Zender, M., zenders. Zending, V., zendingen. Zendingsfeest, O., -feesten. Zendingswerk, O. Zendster, V., zendsters. Zeng, V., zengen. Zengen, zengde, heeft gezengd. Zenging, V. Zenith, O. Zenuw, V., zenuwen. Zenuwtje, O., jes. Zenuwaandoening, V., -aandoeningen. Zenuwachtig, -achtiger, -achtigst. Zenuwachugheid, V. Zenuwberoerte, V., -beroerten. Zenuwkoorts, V., -koortsen. Zenuwkwaal, V., -kwalen. Zenuwlijder, M., -lijders. Zenuwloos, -looze. Zenuwknoop, M., -knoopen. Zenuwpijn, V., -pynen. Zenuwstelsel, O. Zenuwtrekking, V., -trekkingen. Zenuwziekte, V., -ziekten. Zerk, V., zerken. Zerkje, O., -jes. Zerkenlichter, M., -lichters. Zerp, zerper, zerpst. Zerpheid, V. Zes (telw.). Als znw., v., zessen. Zesje, O., -jes. Zesbladig. Zesdaagsch. Zesde. Zesdehalf, -halve. Zesderhande. Zesderlki. Zesdraadsch. Zesduizendste. Zeshoek, M., -hoeken. |
ZEU.
ZES.
483
|
Zeshoekig. Zeshondebd. Zeshonderdste . Zesjarig. Zeseantig. Zesmaal. Zesponder, M., -ponders. Zesregelig. Zestal, O., -tallen. Zestallig. Zesthalf, M., zesthalven.Zesthalfje, O., -jes. Zestien, zestienen. Zestiende. Zestiendehalf, -halve. Zestienderhande. Zestienderlei. Zestienhonderd. Zestienjarig. Zestienmaal. Zestienvoud, O., -vouden. Zestienvoudig. Zestig, zestigen. Zestiger, M., zestigers. Zestigjarig. Zestigmaal. Zestigponder, M., -ponders. Zestigste. Zestigtal, o., tallen. Zestigvoud, O., -vouden. Zestigvoudig. Zesvoud, O., -vouden. Zesvoudig. Zet, M., zetten. Zetje, ü., -jes. Zetangel, M., -angels. Zetbaas, M., -bazen. Zetboeb, M., -boeren. Zetbobd, O., -borden. Zetel, M., zetels. Zeteltje, o., -jes. Zetelen, zetelde, heeft gezeteld. Zetfout, V., -fouten. Zetgang, V., -gangen. Zethaak, M., -haken. Zethameb, M., -hamers. Zetijzeb, O., -flzers. Zetlijn, V., -lynen. Zetmeel, o. Zetpil, V., -pillen; -pilletje, ü., -jes. Zetplank, V., -planken. Zetschippeb, M., -schippers. Zetsel, O., zetsels. Zetseltje, O., -jes. Zetten, zette, heeft gezet. Zetteb, M., zetters. Zettebij, V., zetteryen. Zetting, V., zettingen. Zetwegeb, M., -wegers. Zeug, V., zeugen. Zeulen, zeulde, heeft gezeuld. Zeub (zeurder. zeurster), M. en v., zeuren. Zeub (vod), V., zeuren. Zeubdeb, M., zeurders. Zeuren, zeurde, heeft gezeurd. Zeurig, zeuriger, zeurlgst. |
Zeurkous, M. en V., -kousen. Zeven (telw.). Als znw., V., zevens Zeventje, O., -jes. Zeven, zeefde, heeft gezeefd. Zevenblad, O. Zevenbladig. Zevenboom. Zie Zavelboom. Zevendaagsch. Zevende. Zevendehalf en zevendhalf, -halve. Zevendebhande. Zevendeblei. Zevendhalfje, o., -jes. Zevenduizendste. Zevengestebnte, ü. Zevengetijde, O. Zevenhoek, M., -hoeken. Zevenhoekig. Zevenhondebd. Zevenhonderdste. Zevenjaarsbloem, V., -bloemen. Zevenjabig. Zevenklappeb, M., -klappers; -klapper tje, O., -jes. Zevenkleubig. Zevenkbameb (koopman in zeven), M. -kramers. Zevenmaal. Zevenmaandsch. Zevenmakeb, M., -makers. Zevenmijlslaabs, V., -laarzen. Zevenoog, V., -oogen; -oogje, o., -jes. Zevenslapeb, M., -slapers. Zevenstoot, M., -stooten. Zevental, O., -tallen. Zeventallig, Zeventien, zeventienen. Zeventiendaagsch. Zeventiende. Zeventiendehalf, -halve. Zeventiendebhande . Zeventiendeblei. Zeventienhondebd. Zeventienjabig, Zeventienmaal. Zeventienvoud, O., -vouden. Zeventienvoudig . Zeventig, zeventigen. Zeventigeb, M., zeventigers. Zeventigjabig. Zeventigmaal . Zeventigste. Zeventtgvoud, O., -vouden. Zeventigvoudig. Zevenvoud, o., vouden. Zevenvoudig. Zich. Zicht (kleine zeis). V., zichten. Zicht (vertoon), O. Zichtbaar, -baarder, -baarst. Zichtbaabheid, V. Zichten, zichtte, heeft gezicht. zledaab. Zieden, zood, zoden, heeft gezoden. |
ZIE.
ZIE.
484
|
ziedek, M., zieders. Zieding, V. . Ziegezagen, zlegezaagdo, heeft gezie- gezaagd. Ziehier. Ziek, zieker, ziekst. Ziekbed, O., -bedden. Zieke, m. en V., zieken. Ziekelijk, -lyker, -lykst. Ziekelijkheid, V. Zieken, ziekte, heeft geziekt. Ziekenbewaarder, M., -bewaarders. Ziekenbewaarster, V., -bewaarsters. Ziekenboeg, M., -boegen. Ziekenfonds, o., -fondsen. Ziekenhuis, o., -huizen Ziekenkamer, V., -kamers. Ziekenmoeder, V., -moeders. Ziekenoppasser, M., -oppassers. zlekenoppassing, v. Ziekenoppasster, V., -oppassters. Ziekenstal, M.t -stallen. Ziekentroost, M. Ziekentrooster, M., -troosters. Ziekenvader, M.. -vaders. Ziekenverpleegster, v., -verpleegsters. Ziekenverpleger, M., -verplegers. Ziekenverpleging, v. Ziekenwagen, M., -wagens. Ziekenzaal, V., -zalen. ziekestoel, m., -stoelön. Ziekte, V., ziekten. Ziektekiem, V., -kiemen. Ziektestof, V., -stoffen. Ziekteverschijnsel, O., -verschijnselen. Ziel, ook ziele, V., zielen. Zieltje, O , -jes. zleleleed, o. zleleleven, o. zleleluden, o. zielenadel, m. Zielenherder, m., -herders. Zielental, o. zielesmart Bli zielssmart, v. zlelevreugde en zielsvreugde, v. Zielloos, -looze. Zielmis, V., -missen. Zielroerend, -roerender, -roerendst. Zielsangst, M., -angsten. Zielsbedroefd. Zielsbeminde, M. en V , -beminden. Zielsblij en -blijde. Zielsgedachte, V., -gedachten. Zielsgeliefde, M. en V., -geliefden. Zielsgenoegen, o. Zielskracht, V. Zielskwelling, V., -kwellingen. Zielsrust, V. Zielsstrijd, M. Zielsveel. Zielsverdriet, O. Zielsverhuizing, V. Zielsverrukking, v. Zielsvervoering, v. Zielsvriend, M., -vrienden. |
Zielsvriendin, V., -vriendinnen. Zielsziekte, V., -ziekten. Zieltogen, zieltoogde, heeft gezieltoogd. Zieltoging, V. Zielverkooper, M., -verkoopers. Zien, zag, zagen, heeft gezien. Ziener, M., zieners. Zienersblik, M., -blikken. Zienersoog, o. Zienlijk. Zienswijze en -wus, V., -wijzen. Zier, V. Ziertje, O., -jes. Ziezoo. Zift, V., ziften. Ziften, ziftte, heeft gezift. Zifter, M., zifters. Zifting, V., ziftingen. Ziftsel, O., ziftsels. Zij. Zij (znw.). Zie Zyde. Zijbalk, M., -balken. Zijblad, O., -bladen. zijdak, o., -daken. Zijdam, M., -dammen. Zijde en zu (kant), V., zijden. Zijtje, O., -jes. Zijde en zu (stof), V. Zijdeachtig. Zijdelings (byw.). zljdelingsch (bnW.). Zijden (bnw.). Zijderups, V., -rupsen. Zijdestof, V. Zijdeur, V., -deuren; -deurtje, O., -jes. Zïjdewever, M., -wevers. Zijdeworm en zijworm, M., -wormen. Zijdgeweer, O. Zijgang (het gaan), M., -gangen. Zijgang (gaandery), V., -gangen; -gangetje, O., -jes. . Zijgen, zeeg, zegen, heeft en is gezegen. Zijkamer,V., -kamers; -kamertje, O.,-jes. Zijl (waterloop), V., zyien. Zijlaan, V., -lanen; -laantje, O., -jes. Zijlijn, V. Zijlinie, V. Zijlvest, O., -vesten. zijlvestenu, V., -vestenden. Zijmuur, M., -muren. Zijn. Zijn, is, was, waren, is geweest. Zijnent (Te â). zljnenthalve. Zijnentwege. Zijnentwil (Om â). Zijpad, o., -paden; -paadje, o., -jes. Zijraam, o., -ramen; raampje, o., -jes. Zijreedeb, m,t -reeders. Zijbeederij, V., -reeder\jen. Zijsprong. M., -sprongen; -sprongetje, O., -jes. Zijstraat, V., -straten; -straatje, O., -jes. Zijstdk, O., -stukken. Zijtak, M., -takken. |
ZIN
485
ZIJ.
|
Zijwaarts (byw.). Zijwaabtsch (bnw.). Zijwang, V., -wangen. Zijweg, M., -wegen; -wegje, O., -jes. Zijworm. Zie Zydeworm. Zijzak, M., -zakken. zilt, zilter, ziltst. Ziltheid, V. Ziltig, ziltiger, ziltigst. Ziltigheid, V. Zilver, O. Zilveraanmunting, V. Zilverachtig, -achtiger, -achtigst. Zilverader, V., -aderen. Zilverblank. Zilverdraad (stof), O. Zilveeen (bnw.). Zilvebfazant, m., -fazanten. zllvebgaas, o. zllvebge i.d, o. Zilvebkast, V., -kasten. Zilvebling, M., zilverlingen. ZiLVEBMUN, V., -mynen. Zilvebpbijs, M., -pryzen. zllvf.bpboef, v. Zii.vEBSMiD, M , -smeden. ZlLveb8mid8winkeL, M., -WÃlkelS. Zi lvebvi.oot, V., -vloten. zllvebwebk, o. Zii.vebwit, -witte Zin, M., zinnen. Zinnetje, O., -jes. Zinbouw, M. Zindelijk, -lyker, -lykst. zlndei ijkheid, v. Zingen, zong, heeft gezongen. Zingeb, M., zingers. Zink, O. Zinkboob, V., -boren. Zinken (bnw.). Zinken, zonk, is gezonken. Zinkgat, O., -gaten. Zinking, V., zinkings. Zinkingachtig. Zinklaag, V., -lagen. Zinklood, O., -looden. Zinki.uik, O., -luiken. zlnkoxyde, o. zinkput, M., -putten. zinkbus, o. Zinkboeb, O., -roers en roeren. Zinksel, O., zinksels. Zinkstuk, O., -stukken. Zinkwit, O. Zinledig. Zinlijk en zinnelijk, -lyker, -Ijjkst. Zinlijkheid, quot;V. Zinloos (zonder zin), -looze. Zinnebeeld, o., -beelden. Zinnebeeldig. Zinneloos (zonder verstand), -loozer, -loost. Zinneloosheid, V. Zinnen, zon, zonnen, heeft gezonnen. Zinnenwebeld, V. |
Zinnespel, O., -spelen. Zinbijk, -rjjker, -rykst. zlnbijkheid, v. zin8bedbog, o. zlnsbegooche 1 ing, V. Zinkrpe len, zinspeelde, heeft gezinspeeld. Zinspeling, V., -spelingen. Zinspbeuk, V., -spreuken. zlnspbeukig. zlnsvebband, o. zlnsvebbijstebing, v. Zintuig, O., -tuigen. zlnvebwant. Zit, M. Zitje, O., -jes. Zitbank, V., -banken; -bankje, O., -jes. Zitdag, M., -dagen. Zitkameb, V., -kamers. Zitplaats, V., -plaatsen. Zitten, zat, zaten, heeft gezeten. Zitting, V., zittingen. Zittingsjaab, O., -jaren. Zittingsvebslag, ü., -verslagen. Zituub, O., -uren. Zitvlak, O., -vlakken. Zitvleesch, O. Zode (kooksel). Zie Zoo. Zode (van gras), V., zoden. Zodenploeg, M., -ploegen. Zodensnijdeb, M., -snyders. zodenwebk, o. Zodiak, M. Zoek (byw.). Zoekbbengen, bracht zoek, heeft zoek- gebracht. Zoeken, zocht, heeft gezocht. Zoekeb, M., zoekers. Zoekebbout, M., -bouten. Zoekmaken, maakte zoek, heeft zoekgemaakt. Zoekbaken, raakte zoek, is zoekgeraakt. Zoel, zoeler, zoelst. Zoelheid, V. Zoen, M., zoenen. Zoentje, O., -jes. Zoenbloed, O. Zoendood,M. Zoenen, zoende, heeft gezoend. Zoeneb, M., zoeners. Zoengeld, O. Zoenoffeb, o., -offers. Zoet, zoeter, zoetst. Zoetachtig, -achtiger, -achtigst. Zoetekauw, M. en V., -kauwen. zoetekoek, v. Zoetelaab, M , zoetelaars en zoetelaren. Zoetelaabsteu, v., zoetelaarsters. Zoetelen, zoetelde, heeft gezoeteld. Zoetelief. Zoeteliefje, o., -jes. Zoetelijk. Zoetemelk, V. Zoetemelksch. Zoeten, zoette, heeft gezoet. Zoetebd, M., zoeterds. Zoeterdje, O., -jes- |
ZON.
ZOE.
486
|
zoetheid, V. zoethout, o. zoetig. Zoetigheid, V., -heden. Zoetjes. Zoetbasp, V., -raspen. Zoetsappig, -sappiger, -sappigst. Zoetsappigheid, V. Zoetvijl, V., -vylen. Zoetvijlen, zoetvijlde, heeft gezoetvijld. Zoetvloeiend, -vloeiender, -vloeiendst. Zoetvloeiendheid. v. Zoetvoerig, -voeriger, -voerigst. Zoetvoebigheid, V. Zoetwater, O. Zoetwatervisch, M., -visschen; (als stofnaam), V. Zog, O. Zogkoorts, V., -koortsen. Zolder, M., zolders. Zoldertje, O., -jes. Zolderen, zolderde, heeft gezolderd. Zoldering, V., zolderingen. Zolderkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes. Zolderraam, O., -ramen. Zolderschuit, V., -schuiten. Zomer, m., zomers. Zomertje. O., -jes. Zomerachtig, -achtiger, -achtigst. Zomeravond, M . -avonden. Zomerdag, M., -dagen. Zomerdienst, M., -diensten. Zomeren, zomerde, heeft gezomerd. Zomergraan, O. Zomergroente, V., -groenten. Zomerhoed, M., -hoeden. Zomerkade, V.. -kaden. Zomermaand, V., -maanden. Zomermantel, M., -mantels. Zomernacht, M., -nachten. Zomerpaleis, O., -paleizen. Zomerreis, V., -reizen. Zomersch. Zomerseizoen, o. Zomersproeten (mv.), V Zomervacantie, V. Zomerverblijf, O., -verblijven. zomervtarmte, v. Zomerweder, O. Zon, V., zonnen. Zonnetje, O., -jes. Zondaar, M., zondaren en zondaars. Zondaarsbankje, O., -jes. Zondaarsgezicht, O., -gezichten. Zondag, m., -dagen; -dagje, o., -jes. Zondagsbeurt, V., -beurten. Zondagsblad, O., -bladen. Zondagsch. Zondagskind, O., -kinderen. Zondagskleed, O., -kleederen. zondagskost, m. Zondagsletter, V., -letters. Zondagspak, O.,-pakken; -pakje, O.,-jes. Zondagspreek, V., -preeken. Zondagsrust, V. Zondagsschool, V., -scholen. |
zondagsweder en -weer, o. zondagswerk, o. Zondares, V., zondaressen. Zonde, V., zonden. Zondeloos, -looze. Zondeloosheid, V. Zondenbok, M., -bokken Zondenregister, o., -registers. Zonder. Zonderbaar, -baarder, -baarst. Zonderbaarheid, V. Zonderling, zonderlinger, zonderlingst. Zonderling, M. en V., zonderlingen. V. ook zonderlinge. Zonderlingheid, V. Zondig, zondiger, zondigst. Zondigen, zondigde, heeft gezondigd. Zondvloed, M. Zone (aardgordel), V., zonen. Zonkant, M. Zonnebaan, V., -banen. Zonnebeeld, o. Zonneblind, O., -blinden. Zonneblind (bnw.). Zonnebloem, V., -bloemen. Zonnecirkel, M., -cirkels. Zonnedak, O., -daken. Zonnedauw, M. Zonneglas, O., -glazen. Zonnegloed, M. Zonnegod, M. Zonnejaar, o., -jaren. Zonneklaar. Zonnelicht en zonlicht, O. Zonnemaand, V., -maanden. Zonnepaard, O., -paarden. Zonnescherm, O., -schermen. Zonneschijf, V. Zonneschijn, M.; -schyntje, O. Zonnestand, M. Zonnesteek, M., -steken. Zonnestelsel, O., -stelsels. Zonnestraal, M., -stralen. Zonnetent, V., -tenten. Zonnetijd, m. zonnevlecht, v. Zonnevlek, V., -vlekken. Zonnevuur, O. zonnewachter, m., -wachtei's. Zonnewarmte, V. Zonnewende, V. Zonnewijzer, M., -wijzers. Zonnig, zonniger, zonnigst. Zonshoogte, V. Zonsondergang, M. Zonsopgang, M. Zonsverduistering, V., -verduisteringen. Zoo. Zoo en zooi (zode, kooksel), V., zooien. Zootje en zooitje, O., -jes. Zooals. Zoodanig. Zoodat. Zoodoende. |
ZOT.
487
zoo.
|
Zoodra. Zooeven. Zoogbroeder, M., -broeders; -broertje, O., -jes. Zoogdier, O., -dieren. Zoogen, zoogde, heeft gezoogd. Zoogenaamd. Zoogenoemd. Zoogezegd. Zoogkind, O., -kinderen; -kindje, O., -kindertjes. Zooglam, o., -lammeren. Zoogoed, bjjw. (â als). Zoogster, V., zoogsters. Zoogvrouw, V., -vrouwen. Zoogzuster, V., -zusters; -zustertje en -zusje, O., -jes. Zoohaast. Zooï (menigte), V. Zooitje, O., -jes. Zool, V., zolen. Zooltje, O., -jes. Zoolang. zoolgangers (mV.), m. zoolleder, o. Zoölogie, V. Zoölogisch. Zoöloog, M., zoölogen. Zoom, M., zoomen. Zoompje, O., -jes. Zoomen, zoomde, heeft gezoomd. Zoomer, M., zoomers. Zoomin. Zoomwerk, o. Zoon, M., zonen en zoons. Zoontje, O.,-jes. Zoonlief. Zoonschap, O. Zoopje, O., -jes. Zoopjesman, M., -lui. Zoor, zoorder, zoorst. Zoorheid, V. ZOÃTOMIE, V. zoötomisch. Zooveel, -vele. Zooveel (byw.). Zooveelste. Zooverre en zoover. Zoowel. Zoozeer. Zorg, V., zorgen. Zorgband, M., -banden. Zorgdragend. Zorgeloos, -loozer, -loost. Zorgeloosheid, V. Zorgen, zorgde, heeft gezorgd. Zorggras, O., -grassen. Zorgketting, M., -kettingen. Zorglijk, -lyker, -lykst. Zorglijkheid, V. Zorglijn, V., -lynen. Zorgstoel, M., -stoelen. Zorgvuldig, -vuldiger, -vuldigst. Zorgvuldigheid, V. zorgvuldiglijk. zorgzaad, o. Zorgzaam, -zamer, -zaamst. Zorgzaamheid, V. |
Zot, zotter, zotst. Zot, M., zotten. Zotje, O., -jes. Zotheid, V , -heden. Zotskap (muts), V., -kappen. Zotskap (persoon), M. en V., -kappen. Zotteklap, M. Zottepraat, M. Zotternij, V., zotternyen. Zotternytje, O., -jes. Zottigheid, V., -heden. Zottin, V., zottinnen. Zottinnetje, O., -jes. Zou en zoude. Zie Zullen. Zout, O., zouten. Zout, zouter, zoutst. Zoutachtig, -achtiger, -achtigst. Zouteloos, -loozer, -loost. Zouteloosheid, V,, -heden. Zouten, zoutte, heeft gezouten. Zouter, M., zouters. Zoutevisch, V. i Zoutheid, V. ; Zoutig. ZOUTIGHEID, V. Zoutkeet, V., -keten. | Zoutkorrel, V., -korrels; «korreltje, O., -jes. Zout lepeltje, O., -lepeltjes. Zoutmijn, V., -mynen. Zoutpakhuis, O., -pakhuizen. Zoutpan, V., -pannen. Zoutpilaar, M., -pilaren. i Zoutpot, M., -potten. Zoutte (van â), V. I Zoutvat, O., -vaten; -vaatje, O., -jes. ; Zoutwater, O. Zoutweger, M., -wegers. Zoutzak (persoon), M. en V., -zakken. Zoutzieder, M., -zieders. Zoutziederij, V., -ziederjjen. Zoutzuur, O. Zucht (ademhaling), M., zuchten. Zuchtje, ü., -jes. Zucht (zwelling, ziekte, begeerte), V. Zuchten, zuchtte, heeft gezucht. Zuchtig, zuchtiger, zuchtigst. Zuchtigheid, V. Zuid (byw.). Zuid (het Zuiden), O.; (de zuidelijke streken), V. . zuid-brabant, o. | /uideinde, o. j Zuidelijk, -lijker, -lijkst. Zuidelijken, zuidelijkte, is gezuidelijkt, i Zuiden, o. ! Zuidenwind, M., -winden. 1 Zuiderbreedte, V. j Zuiderzee, v. zuiderzeevereeniging, v. Zuiderzon, v. | Zuid-holland, O. i Zuidhollandsch. Zuidoost (byw). Als znw.. ü. i Zuidoostelijk. |
ZUR.
ZUL
488
|
Zuidoosten, O. züidwaabts. Zuidwest (bijw.). Als znw., O. Zuidwestelijk. Zuidwesten, o. Zuidwester, M., -westers. Zuidzee, V. zuidzee-traan, v. Zuidzeevaarder, M., -vaarders. Zuien, zuide, heeft gezuid. Zuigeling, M. en V., zuigelingen. V. ook zulgelinge. Zuigelingetje, O., -jes. Zuigen, zoog, zogen, heeft gezogen. Zuiger, M., zuigers. Zuigertje, O., -jes. Zuigerstang, V., -stangen. Zuigflesch, V., -fle.sschen. Zuigglas, O., -glazen. Zuiging, V. Zuigkalf, O., -kalven. Zuigkind, O., -kinderen. Zuigklep, V., -kleppen. Zuiglam, O., -lammeren; -lammetje, O., -jes. Zuigpijp, V., -pypen. Zuigpomp, V., -pompen. Zuigsponning, V., -sponningen. Zuigster, V., zuig^ters. Zuigtand, M.t -tanden. Zuil, V., zuilen. Zuiltje, O., -jes. Zuilengang, V., -gangen. Zuilenrij, V., -rijen Zuimachtig, -achtiger, -achtigst. Zuimen, zulmde, heeft gezuimd. Zuinig, zuiniger, zuinigst. Zuinigheid, V. Zuinigje, O. Zuinigjes. Zuip, V. Zuipachtig, -achtiger, -achtigst. Zuipen, zoop, zopen, heeft gezopen. Zuiper, M., zuipers. Zuiplap, M , -lappen. zuiplust , m. Zuippartij, V., -partijen. Zuipster, V., zuipsters Zuivel, O. Zuivelbereiding, V. Zuiver, zuiverder, zuiverst. Zuiveraar, M., zuiveraars. Zuiveren, zuiverde, heeft gezuiverd. Zuiverheid, V. Zuivering, V., zuiveringen. Zuiveringseed, M., -eeden. Zuiveringszout, O. Zulk. Zulks. Zullen, zal, zoude en zou, zouden. Zult, O. Zulten, zult te, heeft gezult. Zulting, V. zultspek, o. Zundgat, O., -gaten. Zuren, zuurde, heeft gezuurd. Zurigheid, v. |
Zuring, V. Zus (bijw.). Zuster en zus (persoon), V., zusters en zusteren. Zustertje en zusje, O., -jes. Zuster (gebak), V., zusters. Zustertje, O., -jes. Zusterlijk, -lyker, -lykst. Zusterschap (de betrekking), O.; (ver-eeniging van zusters), quot;V.,-schappen. Zustersdochter, V.t -dochters. Zusterskind, o., -kinderen. Zusterszoon, M., -zoons. Zustervereeniging, V., -voreenigingen. zutfen, o. zutfensch. Zuur, o., zuren. Zuurtje, o., -jes. Zuur, zuurder, zuurst. Zuurachtig, -achtiger, -achtigst. Zuurdeeg, O. zuurdeesem, M. Zuurheid, V. Zuurkijker, M,, -kijkers. Zuurkool, V. Zuurkoolvat, O., -vaten. Zuurkraam, V., -kramen; -kraampje, O., -jes. Zuurmuil, M. en V., -muilen. Zuurstof, V. Zuurstof verbinding, V., -vert indingen. Zuurtjes. Zwaai, M., zwaaien. Zwaaien, zwaaide, heeft en is gezwaaid. Zwaaihaak, M., -haken. Zwaaiing, V., zwaaiingen. Zwaan, M., zwanen. Zwaantje, O., -jes. Zwaar, zwaarder, zwaarst. Zwaard, O., zwaarden. Zwaardveger, M., -vegers. Zwaardvisch, M., -visschen. Zwaarhoofd, M. en V., -hoofden. Zwaarhoofdig, -hoofdiger, -hoofdigst. Zwaarhoofdigheid, V. Zwaarlijvig, -lijviger, -lyvigst. Zwaarlijvigheid, V. Zwaarmoedig, -moediger, -moedigst. Zwaarmoedigheid, v. Zwaarte, V. Zwaartillend, -tillender, -tillendst. Zwaartillendheid, V. Zwaarwichtig, -wichtiger, -wichtigst. Zwaarwichtigheid, V. Zwabber, M., zwabbers. Zwabbertje, O., -jes. Zwabberen, zwabberde, heeft gezwabberd. Zwabberkapitein, M., -kapiteins. Zwachtel, M., zwachtels. Zwachteltje, O., -jes. Zwachtelen, zwachtelde, heeft gezwachteld. Zwachteling, v. Zwad. Zie Zwade. Zwadder, M. zwadderig. |
ZWA.
ZWA.
489
|
Zwade en zwad, V., zwaden. Zwageb, M., zwagers. Zwagertje, O., -jes. zwagerschap, v. en o. zwak, O., zwakken. Zwakje, O., -jes. Zwak, zwakker, zwakst. Zwakheid, V., -heden. Zwakjes. Zwakkelijk, -lijker, -lijkst. Zwakkeltjkheid, v. Zwakte, V. Zwalken, zwalkte, heeft gezwalkt. Zwalker, M., zwalkers. Zwalp, M., zwalpen. Zwalpen, zwalpte, heeft gezwalpt. Zwalping, V. Zwaluw, V., zwaluwen. Zwaluwtje, O., â¢jes. Zwaluwenkruid, O. Zwaluwennest, O., -nesten. Zwaluwetong, v. Zwaluwstaart, M., -staarten. zwaluwstaartig. Zwam (gewas), V., zwammen; (tonder), o. Zwammetje, O., -jes. zwamachtig. Zwanedons en zwanendons, O. Zwanenbloem, V., -bloemen. Zwanenborst, V., borsten. Zwanendrift, V., -driften. Zwanenei, O., -eieren. Zwanenhals, M., -halzen. zwanennest, o., -uosten. Zwanepen, V., -pennen Zwaneschacht, V., -schachten. zwanezang, m. Zwang, M. (In â). Zwanger. Zwangerschap, V. Zwarigheid, V., heden. Zwart, zwarter, zwartst. Zwartachtig, -achtiger, -achtigst. Zwartbont. Zwartbruin. Zwarte, M. en V., zwarten. Zwartje, O., -jes. zwartekunst, v. Zwarten, zwartre, heeft gezwart. Zwartepieten, zwartepiette, heeft gezwartepiet. Zwartgallig, -galliger, -galligst. Zwartgalligheid, V. Zwartgroen. Zwartharig. Zwartheid, V. Zwartigheid, V. Zwartin, V., zwartinnen. Zwartinnetje, O., -jes. Zwartkop, M. en V., -koppen;-kopje, O., -jes zwartkrijt, o. Zwartkrijtteekening, V., -teekeningen. zwartlakensch. Zwartoog, m. en V., -oogen. Zwartoogig. |
Zwartsel, O. Zwartzijden (bnw.). Zwatelen, zwatelde, heeft gezwateld. Zwavel, V. Zwaveltje, O., -jes. Zwavelachtig, -achtiger, -achtigst. Zwavelbron, V., -bronnen, i Zwaveldamp, M., -dampen. Zwavelen, zwavelde, heefl gezwaveld. zwavelerth, ü. Zwavelgeel, -gele. Zwavelig. zwaveligzuür, o. zwavelkoper, o. Zwavelstok,M., â¢stokken; ..stokj6,ü.,-jes. zwavelwaterstofgas, o. Zwavelzuur, O. Zwavelzuur, -zure. Zweden, O. Zweed, m., Zweden. Zweedsch, O. Zweem, M. Zweempje. O. Zweemen, zweemde, heeft gezweemd. zweemsel, ü. Zweep, V., zweepen. Zweepje, 0., -jes. zweepen, zweepte, heeft gezweept. Zweeping, V. Zweepslag, M., -slagen. Zweer, v., zweien. Zweertje, ü., -jes. Zweet, O. Zweetje, O., -jes. Zweetbad, O., -baden. Zweetbank, V., -banken. Zweetdoek, M., -doeken. Zweetdrank, M., -dranken; -drankje, O., -jes. Zweetdruppel, M., druppels. Zweeten, zweette, heeft gezweet. Zweeterig, zweeteriger, zweeterigst. Zweeterigheid, V. Zweetgat, ()., -gaten;-gaatje, 0., -jes. Zweeting, V., zweetingen. Zweetkamer, V., -kamers; -kamertje, O., -jes Zweetkoorts, V., -koortsen. Zweetkuur, V., -kuren. Zweetmiddel, o., -middelen; -middeltje, O., -jes. Zweetpoeder en -poeier (stolnaam), O.; (fijngestampt geneesmiddel), V., -poeders en -poeiers; -poedertje en poeiertje, o., -jes. Zweetvos, M., -vossen; -vosje, O, -jes. Zweetziekte, V. Zwei, V., zweien. Zwelen, zweelde, heeft gezweeld. Zweler, M., zwelers. Zwelg, m. Zwelgen, zwolg, heeft gezwolgen. Zwelger, M., zwelgers. Zwelgerij, V., zwelgerijen. Zwelgpartij, V., -partyen. Zwellen, zwol, zwollen, is gezwollen. Zwelling, V., zwellingen. Zwemblaas, V., -blazen. Zwemboei, V., -boeien. |
ZWE.
ZWI.
490
|
ZwEMiiROEK,V.,-broeken;-broekje,O.,-jes. â zwemqobdel, m., -gOldelS. Zweminrichting, V., -inrichtingen. Zwemkunst, V. Zwemmen, zwom, zwommen, heeft en is gezwommen. Zwemmer, M., zwemmers. Zwemmerig, zwemmeriger, zwemmerigst. Zwemplaats, V., -plaatsen. Zwempoot, M., -pooten. Zwemschool, V., -scholen. Zwemvlies, O., -vliezen. Zwemvoet, M., -voeten. Zwemvogel, M., -vogels. Zwemwedstrijd, M., -wedstryden. Zwendelaar, M., zwendelaars. Zwendelaarster, V., zwendelaarsters. Zwendelarij, v., zwendelarijen. Zwendelen, zwendelde, heeft gezwendeld. Zwengel, M., zwengels. Zwenk, M., zwenken. Zwenken, zwenkte, heeft en is gezwenkt, j Zwenker, m., zwenkers. Zwenkgras, O. Zwenking, V., zwenkingen. Zweren (een eed doen), zwoer, heeft | gezworen. Zweren (etteren), zwoor, zworen, heeft ! gezworen. Zwerfster, V., zwerfsters. Zwerftocht, M., -tochten. Zwering, V., zweringen. Zwerk, O. Zwerm, M., zwermen. Zwermen, zwermde, heeft gezwermd. Zwermer, M., zwermers. Zwerveling, M. en V., zwervelingen. , V. ook zwervelinge. Zwerven, zwierf, zwierven, heeft ge- ; zworven. Zwerver, M., zwervers. Zwerving, V., zwervingen. Zwetsen, zwetste, heeft gezwetst. Zwetser, M., zwetsers. Zwetserij, V., zwetserijen. Zweven, zweefde, heeft gezweefd. Zwezerik, M., zwezeriken. Zwezerikje, O., -jes. zwichtband, M., -banden. Zwichten, zwichtte, heeft en is ge- zwicht. Zwichting (scheepsw.), V. Zwichtlijn, V., -lijnen. Zwiepen, zwiepte, heeft gezwiept. Zwieper, M., zwiepers. Zwieping, V. Zwier, M. Zwiertje, O., -jes. Zwierrol, M., -bollen. Zwierhollen, zwierbolde, heeftgez wier-bold. Zwieren, zwierde, heeft gezwierd. |
Zwierig, zwieriger, zwierigst. Zwierigheid, V. Zwierig jes. Zwijgen, zweeg, zwegen, heeft gezwegen. Zwijger, M., zwagers. Zwijgster, v., zwijgsters. Zwijgteeken, O., -teekens. Zwijm, V. Zwijmel, M. Zwijmelbeker, M., -bekers. Zwijmeldrank, M., -dranken. Zwijmeldronken. Zwijmelen, zwymelde, heeft gezwy meld. Zwijmeling, V. Zwijmen, zwymde, heeft gezwijmd. Zwijn, O., zwynen. Zwyntje, O., -jes. Zwijnachtig, -achtiger, -achtigst. Zwijnen, zwynde, heeft gezwijnd. Zwijnenaard, m. zwijnenboel, m. zwijnendistel, v. zwijnengras, o. Zwijnenhoeder, M., -hoeders. Zwijnenjacht, V., -jachten. Zwijnenkost, M. Zwijnenkot, o., -kotten. Zwijnenstal, M., -stallen. Zwijnentrog, M., -troggen. Zwijnerij, V. zwijnevleesch en zwijnenvleesch, o. Zwijnjak, M., -jakken. Zwijnshoofd, O., -hoofden. Zwijnskop, M., -koppen. Zwik, m. Zwikboor, V., -boren; -boortje, O., -jes. Zwikgat, O., -gaten; -gaatje, O., -jes. Zwikhout, O., -houten. Zwikje (pennetje), o., -jes. Zwikken, zwikte, heeft en is gezwikt. Zwikking, V., zwikkingen. Zwikstelling, V., -stellingen. Zwilk, o. Zwilken (bnw.). Zwin, O., zwinnen. Zwingel, M., zwingels. Zwingelaar, M., zwingelaars. Zwingelbord, O., -borden. Zwingelen, zwingelde, heeft gezwingeld. Zwingelkeet, V., -keten. Zwingelkooi, V., -kooien. Zwingelspaan, V., -spanen. Zwirrelen, zwirrelde, heeft gezwirreld. zwirreling, V. Zwitser, M., Zwitsers. Zwitserland, o. Zwitsersch. Zwoegen, zwoegde, heeft gezwoegd. Zwoeger, M., zwoegers. Zwoel, zwoeler, zwoelst. zwof.lheid, V. Zwoord, O.,zwoorden. Zwoordje, O., -jes. |