. S . ⢠- V lt; .................. v â , ..... \ . â¢..â .vv,VWgt;W||
MH SHI
- , _ _ _
â ü â
K quot; â v
' . .v; â : :: 7 ^
; i
- -Mi#?!!f
â â ;gt;.â v.. â â ;...... ;-;. â ;â \ â â N â ' . â .^p|| â â ;
pr : --.â â V. â : quot; v,, -
, ij pr . , -. â - , quot; â gt;â â â quot;â :â Vv:, gt;;
.â ⢠v il5
; mÃ
'tX'- â â¢',â¢â .â -'â . â ⢠. â â â ' - x ' ,iV 1 -â¢'.â â¢â â ⢠⢠⢠⢠â .â¢lt;â -⢠â¢gt;. .â¢â¢â¢.⢠â¢â¢â¢â }
⢠⢠⢠⢠:⢠. \ ^ (
' fe s 1 ^ â â â \ , yiii
A. gt;fcV. â .i________ . , s ⢠quot; ^
â
quot; /â¢
â ' . v- -- â¢
. â
; â ' ^ â : -
.
⢠â
-
^ /ir.
â
. nquot;;
â
|
â | |
BI GRONDSLAGEN
VAN HET
G KEST EL IJK L E VEN,
frA K ïé
DE GRONDSLAGEN
VAN HET
GEESTELIJK LEVEN,
GETROKKEN
Uit liet bock der Navolging van Christus,
Naar het fransch bewerkt door
J. DE BONT, s. j.
Nieuwe Uitgaaf.
-K-
LEIDEN,
J. W. VAN LEEUWEN,
Uitgever en Antiq. Boekliandfil. Hoogewoerd S!lt;.
1897.
IMPRIMATUR.
IIaki,emi, 2 Febquot; 1807
li. Da.nkei.man, Libr. Cens.
VOOKKEDE.
Allen, die de Groiul.tliKjcn run ltd lt;jcc*lrlijl: Irvcii gelezen hebben, hebben /e ook hoog ge-Wiiardeerd. /ij hebben er eene zalving in gevonden, die schier nergens undrrs in dlquot; nmte wordt aangetrotten. De leer van het Lvangelie wordt er niet de grootste duidelijkheid eu niet veel kracht in verklaard, en men kan zeggen, dat het rerlievenste, wat de wet van genade behelst, in dit werk is vervat. 1 iet is niets anders, dan eene uitlegging der zoo heilige zede-leer van het Boek der Navolging van ('luistus; het bevat er al de kern van; en bij de lezing ontwaart men, dat het in don waren geest dei-Navolging geschreven is. Overal maant het aan tot verachting der wereld, tot ontblooting van alles, tot «1« versterving lt;ler zinnen en de ver-looehening van zich zeiven en vindt men, dat het hier en daar wat, dikwijls op dezelfde «tot neerkomt, vervelend moet die herhaling niet voorkomen, dewijl er niets noodzakelijker is voor dc bra ve zielen, die naar de volmaaktheid verlnngen.
II
Voor zulke zielen ook is het voornamelijk geschreven, en allen zijn niet in de behoorlijke gesteltenis, om er voordeel uit te trekken. Men moet den smallen weg zijn ingesliigen, en geleerd hebben, zich zeiven te overwinnen, om deszelts grondstellingen goed te smaken, die allen ten doel hebben, de bedorven natuur te bestrijden. Echter zal het ook niet zonder vrucht gelezen worden door diegenen, welke nog onvolmaakt zijn. Het zal hun ton minste loeren, waarin het ware geestelijke loven bestaat; het zal hun in het voorbeeld des Zaligmakers, en in dat van een groot aantal Heiligen, doen zien, dat het niet zoo moeielijk is, als men zieli inbeeldt, zich van de aarde te onthechten, en tot eeno verhevene heiligheid op te klimmen; en dat niets onmogelijk is voor eeno ziel, die eenmaal het vaste besluit heeft gemaakt, van geheel aan God toe te
behooron ..............
Wat den schrijver betreft, hij heeft zijn naam niet willen noemen ; maar, welke zorg hij ook heeft aangewend, om zich verborgen te houden, toch is hij algemeen bekend. Hij werd door allen als een waarlijk inwendig menseh geprezen. God had hem iu een uitstekenden graad de gave van gebod medegedeeld: maar niets schitterde meer in hem uit, dan de zucht naar vernedering en verachting. Hij had aan God om de gunst
Ill
gevraagd, dat Hij hem als een raensch zonder oordeel en verstand voor de vcreld zou laten doorgaan; en lijj werd hierin gedurende vele jaren zoo goed verhoord, dat er zeer weinige Heiligen zijn, die onder dit opzicht zoo zware beproevingen hebben geleden als hij. Langs dien weg kwam hij tot een verheven graad van nederigheid en zelfverachting. Wat hij over deze deugd zegt, welke, zooals we weten, de grondslag van alle overige is, beoefende hij zelf op ecne uitstekende wijze, ja, men kan zeggen, dat zijn geheel werk niets anders dan cene afbeelding van hem zeiven is.
Hij had een buitengewoon talent, om op eene treffende wijze over de geestelijke zaken te spreken, waardoor hij aller harten wist te winnen; het gevolg hiervan was, dat velen zich onder zijne geestelijke leiding stelden; en het is bekend, dat een voornaam prins, die door godsvrucht uitmuntte, hom zeer dikwijls over gewetenszaken raadpleegde, en naar hem, als naar eene godspraak, luisterde. Doch zijn boek zal hem beter doen kennen, dan alles wat ik van hem zeggen kan : en dat is de schoonste lofrede, die men op hem kan houden.
Bij dit werk is oen zeer geestelijke brief gevoegd, die niet van denzelfden schrijver is, maar die in denzelfden geest is geschreven: hij be-
hulst eene oiiderrichtiiig aan cene dame, die een walg heeft gekregen van de wereld, en die verlangt te weten, hoe men, te midden van den rijkdom en den overvloed aan tijdelijke goederen, de evangelische armoede kan beoefenen. Dit geheim wordt haar verklaard; geheim, zoo diep verborgen, en zoo weinig gekend, voora aan het Hol', en dat toch de groeten der aarde moeten loeren kennen, indien zij tot de ware leerlingen van den gekruisigden Jesus willen belmoren.
Zoo leidt 1*. Brignon De i/rondsloycn van hd yeestclijl' leven bij zijne lezers in. Waarlijk, een heerlijk getuigenis, dat bij én van den schrijver én van zijn werk geeft! Rn toch geloof ik niet, dat hij zieh aan overdrijving schuldig maakt. Wat het werk aangaat, een ieder die liet leest, zal, naar ik vertrouw, zich daarvan overtuigd gevoelen, mits hij het leze in den waren geest, in die stemming des harten, waartoe de schrijver der Navolging ons aanmaant:
âGeen sierlijkheid van taal, maar icKiirlu'id al-^lccii, behoort men in de heilige schriften te zoe-,keii. (En dit geldt ook voor elk ander geesteljjk âboek.) Men moet de geheele heilige schrift met âdenzelfden geest lezen, in welken /jj is opgesteld.
âHet moet ons daarom 'ijj het lezen der heilige âSchrift, meer om nut en stichting, dan wel om âverhevenheid van taal te doen zijn. Ook hehooren âons stichtelijke boeken, ofschoon in oenvondii;-gc-âwaad gestoken, even welkom te zijn, als die, âwaarin eene diepe kennis en verhevey stijl âgevonden wordt... Wilt gij dan met het lezen âder heilige Schrift uw wezenlijk voordeel doen, âzoo lees dezelve met ootmoed en eenvoudigheid âdes harten en een oprecht geloof, en laat nim-âmer daarhij uw oogmerk zijn,'den naam eens ge-âleerden te verkrijgen.quot; Alwie met zulke gesteltenis dit werkje leest, er niets in zoekende dan de waarheid alleen, vurig verlangende den waren weg, die tot de heiligheid voert, te leereu kennen ; die waarlijk wenscht te weten, welke de grondslagen zijn, waarop hij het gebouw zijner volmaaktheid moet optrekken: hij zal, ik twijlel er niet aan, 'met groot genoegen die lezing verriehten, en er veel voordeel uif trekken tot zijn geestelijken voortgang. Hij zal hel; bij eene vluchtige lezing niet laren; maar zich aangedreven gevoelen. om door eene gestadige lezing zicli van des-zelfs grondstellingen goed te doordringen, die te proeven en te smaken, en met de genade van (iml er zijn leven naar te regelen. ,
Doch. dewijl eene voorrede altijd eenigszins verdacht voortkomt, daar de schrijver er zich in
VI
ten doel stelt, den lezer gunstig voor zijn werk te stemmen, en ik innig overtuigd ben, dat hot vermetel van mij zou wezen, anderen mijne zienswijze te willen opdringen, wil ik hier nog eenige getuigenissen aanvoeren van groote mannen en b
bevoegde beoordeelaars, die de hooge waarde der schriften van pater Surin in een helder licht stellen, en ons hem zeiven doen kennen als een der meest verlichte meesters van het geesteljjk leven.
J. B. Hossucr niet nog een ander Doctor van de godgeleerde faculteit van Parijs onderzochten Grondslaycii ran het geestel-ijk leren, en dit was het oordeel, dat zij er over uitspraken:
âWij. ondergeteekenden, priesters en doctoren âvan de faculteit der heilige godgeleerdheid van âParijs, hebben het boek, dat tot titel voert: (/lt;â âGnmihlayi'ii eau hef geestelijk leren, samengesteld door .1. 1). S. F. P., gelezen en onderzocht.
âen wij hebben er. niet alleen niets ingevonden. âwat niet overeenkomstig is met de leer van de âkatholieke, apostolische en roomsche Iverk. maar âwij hebben bovendien geoordeeld, dat dit werk âden titel . dien het voert, met volle recht ver- ;
âdient, en dat het inderdaad zeer hecht de ware âgrondslagen legt der christelijke nederigheid, op âwelke wij moeten bouwen, indien wij willen, âdat ons gebouw zich verheffe en vast sta. En ,
vn
âtor bevestiging hiervan hebben wij deze goed-,,keuring onderteekend. Parijs, den 4 Maart, 1 (gt;67.
J. B. Bossuet, deken van de kerk van Met/.
N. 1'IONA Y.
Bossuet stelde (gt;r eene eer in, dene goedkeuring aan het werk van pater Surin gegeven, geheel zijn leven te handhaven. Dit blijkt uit de werken, die hij tegen de valsche mijstieken geselireven heeft. âZelfs ])ater Surin.quot; zegt hij, âwiens ^Catcchitnnits van het yeestelijk leren (een ander âwerk van deazelfden schrijver) ik heb goed ge-âkeurd, haalt meu tegen mij aan. Maar ik mag âzoo der waarheid niet laten sehaden, nocli een âheiligen religieus, wiens werk ik beb goedgekeurd, zulk onrecht laten aandoen. Ik keur âhet nog goed. en ik zal er eeuige [daatsen uit ,,aanhalen.'quot; Volgen de aanhalingen, enlijj besluit: âZiedaar de lessen van een man. door en door âervaren in de kennis van het geestelijk leven. ,,llij is onvergelijkelijk schoon, daar waar lijj âhandelt over de beproevingen, en wij zullen elders âopmerken, hoe hij niets wil weten van die, welke 'â gt; âde valsche mijstieken ons voorstellen.'' i ilollevaut van Saint-Sulpioe, eender meest al-
geinecMi geachte mannen van deze eeuw. in Frankrijk. plaatste de learstellige werken van [)ater Surin op eene lijn met die van de bekwaamste , meesters van liet geestelijk leven, en hij raadde
VTII
ilc lezing er van iiim, aan do zielen, die zich oiuler zijne leiding stelden.
Pater Soutliwcl, in zijn werk, dat tot titel voert: Bihliothci-k dcf schrijvers ran lt;li' Sociëteit nm .Jcsii.tj zegt van hem:
âJ)ie niaii, een uitstekend dienaar (iods, schreef, âin de t'ransclie taal, vele werk('ii over lugt;t geeste-âlijk leven. Ilij zijn leven en buiten zijn weten, .,werden eenige zijner werken in 'net licht gege-âven, uit welke vele zielen zeer groote vnn-ht ,helgt;lien getrokken
Pater Champion, die, behalve andere ^verken, ons de (reestclijke leer ran Jjoiiis L((lleni(iiit s. j. een guldenboekje, heeft achtergelaten, was een van diegenen, welke pater Kurin het grondigst bestudeerden ; trouwens hij was van plan, gelijk hij zelf getuigde, zijn leven te schrijven, en zjjne geschriften in het licht te geven. In een zijner brieven un laat hij zich in dezer voege over hem uit:
âPatei1 Surin is een der groote Heiligen des ..hemels, en de meest verlichte man dezer eeuw : âeen mjjner beste vrienden in den hemel, aan âwien ik zeer groote verplichtingen heb. Ik ga âmij voortaan uitsluitend bezighouden, om zijne âschriften voor den druk gereed te maken. Won-âdere zaken heb ik over zijn leven, en van alle âkanten zendt men er mij nog toe.quot;
IX
fiiiiit illt; hier nox con luiilsjjrckcml {^etuigonis l)jjvoegen : In 1755, omtrent oene eenw nu zijn dood. gedurende welken tijd men dus zijn leven grondig luid kunnen liestudeereii, en de vruchten, die zijne geschriften uitwerkten, had kunnen gadc-slaan, gaven de paters der Provincie, waarin hij geleefd eu gewerkt had, in eene provinciale vergadering vereenigd, hunne goedkenring aan een kort hegi'ip van zijn leven, dat op lastdierzelfde vergadering was opgemaakt, welke goedkeuring daarna door hef gezag van don Oeneraal der Sociëteit werd bevestigd.
Dat kort begrip luidt aldus ;
âDen 21 April, Tfi65, stierf, in het college van Bordeaux, Pater, .1. J. Surin, in den ouderdom van (15 jaren. IIij was een man van een uitstekend vernuft en muntte door allerlei deugden uit. .Maar hijzonder schitterde hij door zijne huitengewone godsvrucht, gepaard met een verheven graad van beschouwing. Daaruit vloeide vooral die kennis voort, welke hij van de goddelijke zaken bezat, en die religieuze zachtzinnigheid, welke in hem uitblonk, in zijn dagelijksch verkeer, zoowel binnen 's huis als met personen van buiten. Daarhij was hij van zoo vurige liefde voor kruis en versmading ontvlamd, dat hjj God niet aandrang smeekte, dat hij door de men-schen voor dwaas mocht gehouden worden, liet-
X
geen hij ook eiiulelijk van Hem verkreeg; en dat noemde hij de wellusten van Christus en kostbare blijken der goddelijke liefde. Hij werd door verschillende soorten van kwellingen van wege den duivel geteisterd; waartoe liij zich aan God had opgedragen, om de ziel eener maagd voor God te winnen, eener religieuze, uit welke hij vier duivelen uitdreef. En zijne toewijding werd met een gunstigen uitslag bekroond. Zoo groot was zijn ijver voor de zielen, dat hij niets naliet van hetgeen strekken kon, om haar behulpzaam te zijn. Zijne gehoorzaamheid aan zijne oversten was volmaakt, en hij was gewoon te zeggen, dat hij door eigen ondervinding geleerd had, dat de gehoorzaamheid eene allerrijkste bron van zielskalmte is. Ten bewijze, wélke vercering hem na den dood van allen ten deel viel, moge strekken,dat zeer velen, en zelfs personen van den hoogsten rang, met aandrang iets verzochten van zijn armoedig mobilair, of van zijne haren, of andere dergelijke voorwerpen; en er werd ook gezegd, dat verscheidene zieken door het aanraken dier voorwerpen genezen zijn. De boeken, die hij over het geestelijk leven geschreven heeft, toonen genoegzaam aan, welke verhevene kennis hij had van de goddelijke zaken. Door welke boeken hij nog heden aan de christenen, en vooral aan do religieuzen, tot groot nut verstrekt op den weg der volmaaktheid.'
XI
Na zulk getuigenis mag het overbodig schijnen, nog andere aan te voeren. Vernemen we echter nog het oordeel van pater Grou, een man, die zelf verschillende werken over het geestelijk leven geschreven heeft, waarin eene diepe kennis dei-geheimen van het inwendig leven doorstraalt. In een zijner brieven drukt hij zich in dezer voege uit : âWat u betreft, N. N. wanneer gjj behagen âschept in het lezen van de werken van pater âSurin, wanneer gij daar smaak in vindt, dan be-âschouw ik dat, als eene van de grootste genaden, âwelke God u schenken kan. Zijne werken âzullen u loeren, waarin de ware dienst van God. âhet ware geestelijke leven bestaat, dat inwendige âleven, dat de ziel van onzen handel en wandel âmoet wezen. Gij kunt geen gids volgen, die âveiliger en meer verlicht is. Lees hem langhaam, en, om mij zoo uit te drukken, met lange âteugen. Onderbreek uwe lezing van tijd tot tijd. âom plaats te maken voor nadenken en voor de âindrukken der genade.quot; Kekenen wij dat ook tot ons gezegd ; volgen wij dien raad op, en de vruchten zullen ook voor ons niet uitblijven.
EERST tG BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Oveü de wooudk.x: [inrciidU/ met God wandelen, en aitwendiij dom' i/eene enkele (jenefie.nheid gebonden .zijn, dat /.s de sftnif von den inirendiyen ineuach. II. (gt;.
Vraag. Ifiit wil dat zet/yen .met God wandelend
Antwoord. Dat wil /.eggen: inwendig met God liezig zijn; en hiertoe vvovden die zaken gevorderd:
l)c eerste is een vourtdurend gedenken van de tegenwoordigheid (iods. op wien men zijne gedachten gevestigd lioudt, en dien men niet kan vergeten: omdat men Hem van ganscher liai'te bemint, en voor Hem alleen werkt.
Wanneer eene ziel vast besloten is, om (iod te dienen, en gedurende den dag verschillende oefeningen heeft, die haar tot God voeren, dan heeft ze geene moeite, om, zoodra zjj zieli een weinig van Hem heeft verwijderd, zich wederom in zijne tegenwoordigheid te stellen; omdat het heilig besluit, van zich niet van God te verwijderen, haar tot gewoonte geworden is , en maakt, dat zij de zoete gedachte aan haren Beminde niet kan verliezen.
De tweede zuak, die vereischt wordt, om voort-
durend met God om te gaan, is, dat men al zijne handelingen uit een bovennatuurlijk beginsel verrielite, liet licht volgende des heiligen Geest es, en in eene volkomene afhankelijkheid leve van den bijstand des hemels.
Deze wijze van handelen onderscheidt de inwendige menschen van hen, die liet niet zijn; want deze laten zicli in alles dooi' menschelijko beweegredenen leiden, zij raadplegen alleen hunne natuurlijke rede, volgen slechts iiun eigen wil, hechten zich aan datgene, wat volgens hun smaak is, en trachten ten hoogste, wat klaarblijkelijk kwaad is, te vermijden.
Zij, die waarlijk geestelijk zijn, gedragen zich geheel anders. Zij onderhouden zich in hun binnenste met God; al hunne werken zjjn bovennatuurlijke werken, als zijnde vruchten van het gebed; zij beijveren zich. om hunne begeerlijkheid te bedwingen, en hun eigenwil te versterven; zij ondernemen nooit iets, zonder den goeden uitslag aan God aan te bevelen; en in alles, wat zij doen, zoeken zij aan God te behagen.
Zoo handelende, slagen zjj gelukkig in alles, wat zij ondernemen, daar God niet in gebreke blijft, hen bij te staan, in de uitvoering hunner plaiuien.
Do anderen handelen of uit luim, of zonder
3
nadenken, of uit eeuig jnensehelijk belang; docli de waarlijk inwendige mensch heeft slechts God op hot oog, en wil alleen datgene, wat hij weet, dat Hem welgevallig is. Zijne meening is altijd zuiver, hij handelt steeds uit genade, de genade regelt al de bewegingen zijner ziel, en hij volgt haar getrouw, zonder ooit vrijwillig van hare leiding af te wijken; hij tracht, zooveel mogelijk, tot het bezit van God te geraken, zich in den geest met Hem te vereenigen, en geen anderen leidsman, geen anderen meester te hebben, dan God.
Zjj die dit niet ondervonden hebben, beelden zich in, dat zulk leven verdrietig en lastig is; maar zij, die cr ondervinding van hebben, zijn van het tegendeel overtuigd. Dat leven is hun zeer zoet; want behalve het onuitsprekelijk genoegen, hetwelk de tegenwoordigheid van God hun schenkt, hebben zij nog het voordeel, dat Hij altijd bereid is, om hun heilzame raadgevingen mede te deelen, volgens do woorden van Thomas a Kempis: Gelukkig de ziel, die den Heer in haar hoort spreken, m uit zijn mond een woord can troost ontvangt. Sluit de deuren uwer zinnen, opdat gij nwogt hooren, wat de Heer, uw God, inwendig tot u spreken zal. Ill, 1.
Dat geschiedt misschien niet ,terstond; maar door de voortdurende oefening der tegenwoordig-
4
heid Gods verdient eene godvruchtige ziel, wier meening altijd zuiver is, dat Hij haar de plannon openbaart, welke Hij met haar voorheeft.
De derde zaal., die van de ziel wordt gevorderd, om de tegenwoordigheid van haren beminden Bruidegom niet te verliezen, is gelegen, in zich eenige oefeningen van godsvrucht eigen te maken, die haar helpen, om zich voortdurend tot Hem te verheffen, zonder ooit te verflauwen, er. in lauwheid te vervallen; en zich aan inwendige oefeningen te gewennen, waardoor zij God leert smaken, en eene heilige gemeenzaamheid me; Hem verwerft.
Deze oefeningen nu bestaan, in het lijden des Zaligmakers veel te gedenken, de allerheiligste Maagd en do Heiligen dikwijls aan te roepen, in ijverig te streven naar het verkrijgen eener deugd, welke men niet bezit, of zich toe te leggen, om er zich in te volmaken, of zich van eer. of andere nog heersehend gebrek te ontdoen, er. andere dergelijke, die strekken, om den monsch in zich zeiven te doen keeren, en beletten, dat hij zich geheel en onbedacht en zonder vrucht aan uitwendige bezigheden overgeve.
Velen stellen zich tevreden, mot datgene te doen, waartoe zij volstrekt verplicht zijn, en waarvan zij zich redelijker wijze niet kunnen ontslaan. Zij wijden eene middelmatige aandacht
O
asm liot gebctl. hegevcu zich op gestolde tijden i;aar het koor, en waken genoegzaam op /ioli zeiven, om te voorkomen, dat zij veie aanmerkelijke fouten liegaan: maar voor het overige, leven Kij er zoo zachtjes op aan, zonder groote plannen te vormen, zonder zich veel geweld aan te doen, om tot de volmaaktheid op te klimmen.
Geheel anders is do handelwijze van diegenen, welke men inwendige menschen noemt, /ij zijn altijd in zich zeiven bezig: altijd er op uit, om eou of ander gebrek in zich te verbeteren, zich moor en meer te zuiveren, in deugd too te ne-non. in Gods tegenwoordigheid te wandelen, en tot oen gemeenzaam vorkoor mot de Heiligen te geraken.
Zuliti zij, zegt do schrijver dor Navolging, lt;li(' tot het imrendU/e doordvingen, m zich doov dage-iijksrhe oefeningen trachten ie bereiden, otn meer en weer in (le hemehche vevhovgenheden te icovden ingewijd!
V. 11«/ heteehent : uitwendig doov geene enkele genegenheid gebonden zijn 'lt;
A. Dat botookont: geen belang stollen in iets, wat buiten ons is; ongevoelig en als dood zijn voor alle uitwondigo zaken, hoe aanlokkelijk die ook mo-gon wezen; tenzij do dienst en do eer van God ei- in 1)0trokken zijn.
O! boovolon, die voor godvruchtig willen door-
t:
^iiiin: doüli die /.oei' vor van dozen griuul va;i volmaaktlieul vorwijdord zijn. De zinnolijko voor-wov[)eii Itoblx'ii voor lien oeiic hckoürlijklicid, die Imii liai't gelieel cm ai tot ziidi trekt; cu zijn zij in coiU! iicdicmiiiii', die iiun Ui'valt, dan kunnen zij er niet van selieiden. Men kan dan ook niet zegden, dat zij inwendige menselien zijn; want die drift zet lien aan. om zieli aan uitgestovt-heid over te geven; en ten teeken, dat zij in hun hart iieerselit, strekken de ontsteltenis en do lievige liowegingon en ontroeringen, welk er vaak dooi' geringe zaken worden teweeggeWraelif: men maakt zieli igt;oos, !gt;ij voorbeeld, om een glas, dat l)ij ongeluk wordt geliroken : men Urandt van verlangen, om een of andere vertooning te gaan Injwonon, of om een vorstzijn intoelit tezien houden, Wat is er noodig, om een nieuwsgierigen en verstrooiden geest in beweging te brengen?
lloevelen treft men er aan, onder ben, die vour godvruchtig willen doorgaan, die er behagen in sclieppen, om deftige huizen en prachtige paleizen te zien; zoo zelfs, dat zij een omweg zullen maken, om hunne nieuwsgierigheid te voldoen! Dat heeft zijn nut, zeggen ze, in lu!t verkeer met di' meuschen; liet i.s goed, dat men over alles kan mêespreken. Nooit ontbreekt het hun aan sehijnschoono redenen, .0111 hunne onverstor-venheid te bewimpelen; doch in den grond is hun
(
hart nog geweldig aan al die zaken gehecht. Treft men geene religieuzen aan, die met ongeduld het bevel hunner oversten afwachten, om een huis, waarin zij niet gaarne zijn, te verlaten, en zich naar een ander heen te begeven, waar zij meenen, beter op hunne plaats te zullen zijn. Velen verlangen vurig dezen of genen persoon te ontmoeten, en gemeenschap met hem to hebben, niet, om op den weg der deugd voortgang te maken, maar eenvoudig tot limine voldoening en uit natuurlijke geneigdheid. Een waarlijk geestelijk mensch is dood aan alles, wat de zinnelijkheid streelt.
Maar, zult ge mij vragen, moet men dan niet zonder gevoel zijn, om door niets getroffen te worden?
O, gelukkig hij, die dermate ongevoelig is, dat hij door niets, dan door de belangen van God alleen wordt getroffen. Eene ziel toch, die zich eenmaal aan God heeft toegewijd, moest zich schamen, iets anders dan zijne glorie te beminnen en te verlangon. De schrijver der Navolging heeft wel reden, om zich te beklagen, dat er zeer weinige mensclien worden aangetroffen, die den geest van beschouwing bezitten. Hij wil niet zeggen, dat er weinigen zijn, die in de eenzaamheid leven ; door mensclien, die den geest van beschouwing bezitten, verstaat bij diegenen,
8
wier geest en hart voortdurend met God zijn ver-eenigd. Hij wil ook niet zeggen, dat men daarom verplicht is, alle uitwendige bezigheden te laten varen ; daar vele Heiligen de beschouwing zóó wisten te vereenigen met het werkzame leven, dat zjj, zonder de gedachte aan God te verliezen, dag en nacht zich wijdden aan het zielenheil van den naaste.
Dit alleen wil hij, dat men zich van allo gehechtheid aan uitwendige zaken ontdoe, zoodat men nimmer een voet verzette, om iets aangenaams of iets nieuws te gaan zien, tenzij het strekke tot de meerdere eer en den dienst van God ; en deze beweegreden snoet men dan wol onderzoeken, en zorgen, dat men er geen voorwendsel van make, om zijne eigenliefde to verbloemen.
Men moet met een oprecht hart tot God gaan, en zijne glorie zóó zuiver zoeken, dat men in niets aan eenige ongeregelde neiging toegovc, on nooit ecne zekere natuurlijke genegenheid involge, waaraan, helaas ! de meeste menschen zich overgeven.
TWEEDE HOOEDSTUK.
Over [gt;e woorden ; Wanneer yij tot eenc vol-lomene vsrachtinlt;j ran n scire)! r/ekomen zijt,
9
weet, dat (jij dun een overvloed van vrede zult ye-nieten. Ill, 25.
Vraag. Hoe kan nieir eene oolkomene verachting van zich zeiven verkrijjen?
Antwoord. Drie trappen kan men onderscheiden, om daartoe te geraken.
Ve eerste i«, dat wij ons niet hocliten aan onze eigene belangen, dat wij weinig gevoelig zjjn voor alles, wat ons aangaat, dat wij ons zeiven weinig schatten : zoodat, wanneer men ons'aanvalt, wanneer men kwaad van ons spreekt, wanneer men ons heleedigende woorden toevoegt, wij ons daarover niet beklagen, er niet door ontroerd worden, zoolang liet enkel onze eer ot onzen goeden naam geldt; of, worden wij er een weinig gevoelig over, dat wij dan dat gevoel terstond onderdrukken.
Dat is, zich zeiven verachten. Want bij, die zich te veel laat voorstaan, en meent iets te zjjn, vindt het zeer vreemd, dat men hem zoo maar aanvalt, zonder acht te slaan, noch opzijn rang, noch op zijne verdienste. Wel is waar, indien men hem gelooven wil, gevoelt hij de beleediging, die men hem aandoet, niet erg; maar zulke valsche dingen wrijft men hem aan, dat hij niet in gebreke mag blijven, opheldering daarvan te vragen. Daarenboven, de stichting van den naaste vordert, dat hij zich rechtvaardige, en dat de waarheid gekend zij.
10
Dit zijn ilo gevoelens van een jjdel menscb, die een dekmantel zoekt voor zijne hoovaardigheid. Want hij, die eene ware en volmaakte verachting van zich zeiven heeft, laat alles aan God over, is altijd in vrede, en bekommert er zieli niet over, wat anderen van hem zeggen. Komt er eenig gevoel van ontevredenheid, van bitterheid op, hij bedwingt het terstond; want, otscboon hij zich vleien kon, en zeggen bij zich zeiven : Ik stem er niet in toe;, ik laat do menschen praten, ik bekommer me evenmin over hnnne verachting als over hunne lot'tnigingen; wanneer lijj zich toch daarmee bezig houdt, dan kan het niet anders, of hjj moet er door ontsteld worden. Dc kortste ui zekerste weg, is, terstond al die gedachten te verwijderen, in zijne gevoeligheid tot den ge-kruisten Jesus te gaan, en de ware rust iu bet Kruis te zoeken. Door dit middel verkrijgt men den inwendigen vrede, dien een ieder moest trachten te verwerven. Men komt tot een toestand, waarin men op eene goede wijze, van niemand afhankelijk is, waarin men zich over zijne belangen niet verontrust, en vrjjwillig afstand doet van het recht, om zijne eer te verdedigen, en den laster af te weren ; een recht, dat zoo billijk schijnt aan sommige lieden, die wat wijsgeerig, maar slechte christenen zijn, die dat recht willen doen gelden, zelfs door groote voldoening te eischen.
11
wat geheel en al in strijd is met hetgeen de Zaligmaker zegt, vraag uw rjoed ni?t terug van hen, die het « ontrooven. Luc. VI, 30.
De ware vrienden, de volmaakte navolgers en de getrouwe leerlingen van Jesus, dat goddelijk toonbeeld van zachtmoedigheid en nederigheid, strijden niet voor rechten, dewijl zij overtuigd zijn, dat, indien Hij niet veel van zjjne rechten Jiet varen, er voor hen geene zaligheid zijn zoude.
Deze manier van handelen, nederig en edelmoedig tevens, is Hem altijd aangenaam ; want Hij wil, dat men Hem alleen heminne, dat men zijne vriendschap alleen zoeke, en dat men, naar lier voorbeeld van den heiligen Paulus, al het overige als drek besehoutve. Phil. Ill, 8. Op deze wijze verkrijgt men den vrede, een zoeten en over-vloodigen vrede; en dit is de eerste trap tot de volkomene verachting van zich zeiven.
l)e tweede trap bestaat hierin, dat men niet alleen de gevoeligheid aflegt over de beleedigin-gen. die men te verduren heeft, en dat men zich nimmer beklaagt over hen, door wie men beleedigd is, maar dat men de vernedering met liefde omhelst, gaarne voor anderen onderdoet, overal de laatste plaats inneemt, vernedering boven verheffing kiest, zich voor God als een aardworm beschouwt, en voor de menschen als den minste van allen, dat men den smaad van bet kruis
12
bemint, daarvan zijne wellust maakt, zijn schat er in vindt.. Men komt tot deze gevoelens dooide beschouwing zijner zouden en zijner geringe verdiensten, en door een vurig verlangen, om Jesus na te volgen, die de verachting altjjd vurig bemind heeft.
Verneder u zoozeer, zegt Thomas a Kempis. dut iedereen n als het vlij/,- der aarde met de voefen kunne vertreden. Hij, die zoo in zijn niet afdaalt, geniet oen onbeschrijfelijken vrede: want wanneer God ecne ziel ziet, die zich voor zijn aanschijn vernedert, dan schept Hij er behagen in, haar te bezoeken, en deelt zich mot do grootste góedheid aan haar mede : en zij van haren kant, niets hebbende, wat haar belet, om zich met God te vereenigen, vergeet zich zelve geheel en al, en is er slechts op bedacht, om Hem te behagen.
Een hoovaardig mensch daarentegen, die slechts naai' de gelegenheid zoekt, om zich te vertoonen, en tot aanzien te geraken, is altijd onrustig, al-tjjd ontevreden : en God schopt er behagen in, hem te vernederen,. omdat God hem niet genoog is, en al zijne verlangens er naar streven, om door de menschen geëerd te worden.
De nederigen, die slechts God op het oog hebben, vinden Mem overal ; en, zoodra Hij zich aan hen heeft geopenbaard, geeft ILij hun zijnen vrede, en maakt hen deelgenooten van zijne vreug-
18
de. Want hoe verheven Hij ook is;, zijn grootste genoegen is, at' to dalen tot hen, die zich klein maken voor zijne oogen. Dit heeft do heilige M aagd doen zeggen ; Dat Hij op de gerinylirld zijner dieiistnuutijd had nedenjezien. Luc. I, 48. en David zeide: God is zeer verheven, en heeft zijne uoijen o/t het lalt;/e yevestiyd, en het hooye beschouwt Hij van verre. I's. CXXXVIi, (ï. liet is derhalve een zeer zeker middel, om aan God te behagen, en zijne genade te verdienen, dat men zicli zei ven vernedert. Om deze reden dan ook hobhen vele groote iirinsen den religieuzen staat omhelsd, als con staat, die laag en vevachtnlijk is, in de oogen der wereldlingen.
Maar wat doet een religieus, die vol van den geest der wereld, en het juk der gehoorzaamheid moede, er op uit is, om zich te verlieffen V Hij staat naar de hoogste waardigheden in de Kerk, hij .stelt zich soms in het hoofd, hisschoj) te zullen â worden. Wanneer hij vrienden heeft, hoopt hjj door hunne bemiddeling er toe te geraken, en zijne hoop wordt niet altijd te leur gesteld.
/ij, die verstorven en wjjs zijn, handelen geheel anders, /ij vluchten do eereposten, in navolging van den heiligen Amhrosius, van den heiligen Martinus en vele anderen. Zij verinijden ze als klippen ; althans, zij wachten tot Uod er hen toe roept; en wanneer zij genoodzaakt worden.
14
ze iiiiu to nemen, dan doen zij him best, om ze te ontduiken.
In de kerkelijke geschiedenis wordt verhaald, dat een religieus in Duitschland uit het klooster werd gehaald, tot Msschop word gewijd en den kardinaalshoed ontving.
Die heilige man was zoo nederig, dat hij bij zijn dood betuigde, dat niets hem meer smartte, dan dat hij genoodzaakt was geworden zijn klooster te verlaten, en dat het hem voordeeliger zou geweest zjjn, daarop zijne beurt do bediening van kok waar te nemen, dan tot waardigheid in de wereld verheven te zijn geweest. Bewonderenswaardige los voor hen, die naar hooge posten staan, en die de vernedering on de armoede niet kunnen verdragen.
Mogen zij door hunne kuiperijen ook tot hun doel geraken, en het middel vinden, om hunne eerzucht te voldoen, men ziet niet, dat hun geest er meer rust door smaakt, noch dat zij beter tevreden zijn, dan zjj het waren in de eenzaamheid, en in het oudorhoud met God. Want het is zoo ; niets is in staat het geluk van den inonsch uit te maken in zijn leven, dan hetgeen het voorwerp van zijn troost en zijne vreugde zal zijn bij den dood.
De derde trui', waarlangs men tot de verachting van zich zeiven komt, is die. welken de heilige Ignatius, de stichter van de sociëteit van Jesus
15
zijne kinderen zoo zeev aanbeveelt, wanneer hij hen aanmaant, om zich niet alleen in de verachting te houden, maar er zelfs naar te verlangen en er behagen in te scheppen; niet evenveel genoegen de lasteringen, de beleedingen en valsche getuigenissen aan te nemen, als de we-reldsche menschen de 'waardigheden en verhevene bedieningen ontvangen. Dat zijn ook waarlijk geschenken des hemels, dewijl men door den smaad des kruises vooral zich gelijkvormig maakt aan den goddelijken Zaligmaker.
In die stemming des harten zoekt men zich slechts te vernederen, en veracht men waarlijk zich zeiven. De liefde, die men den Zaligmaker toedraagt, maakt, dat men nooit beter tevreden is, en ook gelooft, het nooit meer te moeten zijn, dan wanneer men door een onvoorzien toeval, in een vernederenden toestand geraakt, wanneer men met den vinger wordt nagewezen, en als een voorwerp van verachting of medelijden be-sehouwd wordt. Alwie daarin zijne rust vindt, zonder ander inzicht dan den lijdenden Zaligmaker na te volgen, is tot de volmaakte verachting van zich zeiven gekomen. Dezen trap van nederigheid houdt do heilige Ignatius dan ook voor den verliovensten, en hij stelt hem aan zijne volgelingen, als eene bron van genaden voor. En inderdaad, allen, die hem kunnen bereiken.
16
verwerven daardoor onschatbare goederen. Ondor andere vinden zij daarin een overvloedigen vrede: want de hemel stort over hen voortdurend stroo-men van vrede en wellust uit.
Velen verbeelden zich, dat die Heilige ons eenvoudig een denkbeeld van eene heldhaftige nederigheid heeft willen geven; maar dat hij genoeg voorzag, dat men er wel naar kon verlangen, doch dat zij selder onbereikbaar was. Dat is, zegt men, het toppunt der volmaaktheid, en zonder eene buitengewone genade is het verloren moeite, er naar te streven. Ik beken, dat het oen verheven toestand is, die toestand der zie!, waarin zij zich beroemt in den smaad, en er een voorwerp van vreugde van maakt» Doch liet is geene onmogelijke zaak, zich dien voor te stellen in liet gebed, er krachtdadig naar te verlangen, hem te vragen aan God, en er het voornaamste punt van zijn onderzoek van te maken. Ja, iedereen kan dien kostbaren parel des Evangelies koopen; en om hem te verkrijgen, moet men slechts met aandacht den gekruisigden Jesus beschouwen, trachten zich naar dat goddelijk toonbeeld te vormen, en zicli innig door de liefde aan Hem hechten.
Zoo doende, komt men eindelijk tot dezen staat van volmaaktheid, zoodat men smaak vindt in dc verachting, dood is aan do wereld en aan zich zei-
17
ven, cmtlieoht van alle schepselou, en mot Cliris-tus in God verborgen; en dan heeft men, om zoo te spreken, den sleutel van de schatten des hemels, waardoor men kostbare goederen verwerft; men wordt overstroomd van heiligen wellust, en het hemelsche licht ontbreekt dan nooit. Dat maakt dien inwendigen vrede uit: vooral wanneer men zich gelijkvormig ziet aan Jesus, en Ood in zijn binnenste in vrede geniet. En door niets kan de mensch zoo gemakkelijk de vriendschap winnen van Jesus, dan door de verachting van zich zei ven.
Er zijn voorstanders van de eigenliefde, en van de bedorven natuur, die uit beginselen van eene heidensche wijsbegeerte, beweren, dat de mensch eene bijzondere zorg moet dragen voor zijne eer, als voor een natuurlijk goed, en wel een kostbaar goed, dat hij verplicht is te bewaren, ten koste zelfs van zijn leven, leder mensch, het is waar, moet zich wjjselijk gedragen, zonder aan iemand gelegenheid tot ergernis te geven, en zoo moet men de woorden verstaan van het boek Ecelesiastieus, XTl, 15: Draiu/ zon/ roor uw f/oeden naam. Maar alle Heiligen spreken hunne veroordeeling uit over de te groote gevoeligheid te dien opzichte, en lee-ren eenstemmig, dat het loffelijk is, de zorg voor zijn goeden naam geheel aan God over te laten,
18
en bereid te zijn, dien ten ofter te brengen voor de glorie van God.
Van daar, dat velen onder hen, door eene ingeving des hemels, zich niet hebben willen zuiveren van de schandelijke misdaden, waarvan zij werden beschuldigd; en dat is geheel overeenkomstig de leer van den heiligen Ignatius, die in zijne Constitutiën zegt, dat een religieus zeer verheugd moet zijn, wanneer iedereen hem veracht, ja, daarnaar moet verlangen, en dat, mits hij niets kwaads doet, en zjjn leven onberispelijk is voor God, hij zich in den smaad moet verheugen, even gelijk de wereldsche menschen zich verheugen in de eer, die hun ten deel valt. De schrijver der Navolging is, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, van hetzelfde gevoelen, daar, volgens hem, de volmaakte navolgers van Christus zich zoozeer moeten vernederen, en zich zoo klein moeten maken, dat men hen met de voeten kan vertreden.
Hoe is het dan mogelijk, dat er gevonden worden, die durven beweren, dat het eene dwaling is der mijstieken, te meenen, dat het geoorloofd is, voor dwaas te willen doorgaan, en een zoo groot goed, als de goede naam is, te verachten? De meest gewone wensch van diegenen, welke God zuiver beminnen, is, dat het Hem be-
3
19
bao-en moge, hen verachtelijk te maken in de ooo-en der wereld, indien dat kan geschieden, zonder dat zijne glorie er door verminderd wordt. Ook de heilige Ignatius, die ons aanraadt don smaad en de verachting te beminnen, leert ons, dat wij, om daartoe te geraken, moeten streven naar de grootste verachting en do volmaaktste verloochening van ons zeiven. En hoe zullen wij streven naar die grootste verachting, indien het waar is, wat die wijsgeeren zeggen, dat men verplicht is, met de uiterste zorg zijn goeden naam te bewaren.
Ja, de heilige Ignatius gaat nog verder, daar, waar hij in zijne geestelijke oefeningen den derden trap van ootmoedigheid uitlegt; want hij zegt, dat indien een waarlijk geestelijk mensch de keus had tusschen twee staten, van welke de eene nederig en de andere schitterend is, en dat hij in beide God evenzeer kon verheerlijken, dat dan liet verlangen alleen, om den gekruisigden Jesus na te volgen, hem moest doen besluiten, de vernedering boven de grootheid, de verachting boven dc eer te verkiezen.
Wat kunnen die leermeesters van eene gemakkelijke zedeleer daarop zeggen, zij, die een uitdrukkelijk bevel van God vorderen, om een weinig toe te geven op hun punt van eer? De ware0 minnaar der verachting kan zich niet verza-
20
(ligen aan smaad; lt;lo slechtste behandeling is zijn grootste wellust; daar do vernedering do wop is tot de nederigheid, verlangt hij haar, zoekt hij haar, omhelst hij ze met vreugde, wanneer hij niet, om eone hoogere reden, dat is, de meerdere oer van God, er van wordt terughouden. Inderdaad, indien wij de verachting beschouwen met liet oog des geloofs, en niet met een woreldsch oog, dan zullen we zien, dat er niets wensche-lijker is, wijl zij de bron is van onschatbare goederen ; daar zij een zeer zeker middel is, om volmaakt aan zich zeiven te sterven, om aan God te behagen, en ons geheel met Hem te vereen i-gen.
Men zegt; God schept er geen behagen in, zijne vrienden in versmading en lijden te zien; er is niets in dc verachting noch in het lijden, wat verdient verlangd te worden, omdat het op zich zelf iets kwaads is, en God het kwaad niet beminnen kan. Ik antwoord; op zich zelven beschouwd, zijn smaad en lijden geen beminnenswaardige zaken; maar toch zendt God ze ons over, omdat Hij weet, dat ze ons noodzakelijk zijn voor onze zaligheid en volmaaktheid. Zelfs do heidensche wijsgeeren hebben deze waarheid gekend; want Seneca zegt, dat het een God waardig schouwspel is, een brave met tegenhedeu bezocht te zien.
21
Men moet zich derhalve niet verwonderen, dat (jou er behagen in schept, zijne vrienden in oen toestand te zien, waarin zjj beter hunne verachtelijkheid kunnen erkennen, zich voor Hem als vernietigen, en waarin zij zoovele gelegenheden hebben, om in deugd toe to nemen.
Dc groote zielen hebben altijd zeer vurig naar smaad en lijden verlangd: getuige eene heilige Theresia, die zoo dikwijls uitriep: âof lijden of stervenquot;; wat men niet alleen moet verstaan van den marteldood, maar van alle soort van verstervingen ou kruisen, die dit gemeens hebben, dat zij den mensch van zijne gebreken zuiveren, hem verheffen boven zich zeiven en boven al liet geschapene, niet door zich zeiven, maar, gelijk wij opgemerkt hebben, door de goddelijke kracht. Het gezicht alleen van den stervenden ^esus boezemde aan dc Heiligen liefde in voor het lijden, eii zjj Wiireu overtuigd mot den heiligen Bernardus, dat het schande is, weekelijke ledematen te zien onder een hoofd met doornen gekroond.
DERDE HOODSÃÃK.
Over deze wooki.f.n ; Outhoud de ko)'k, doch
22
idles onwuttende spreuk: verlaat alles, iiiyijzult alles vinden. 111, 32.
Vraag. Hoe kan men alles verlaten?
Antwoord. Vooral op drie wijzen.
Tan eerste door zieli werkelijk van alle tijdelijke goederen, die men heeft, te ontdoen, ten einde, volgens de letter, den raad van Cliristus op te volgen; Ga en verhoop al wat (jij hehl enz. Marc: X, 21.
Dit doen alle religieuzen. Zij verlaten vader en moeder, ontdoen zich van al hunne goederen, en stellen zich voor altijd hi de onmogelijkheid. iets in eigendom te verkrijgen of te bezitten.
Op zekeren dag zeiden de Apostelen tot Jesus: Zie, wij hehhen alles verlaten, wat zult Gij ons daarvoor fjeven. Mt. XIX, 27. Hij gaf hun ten antwoord, dat Hij hun het eeuwig leven zou schenken, aan hen, en aan allen, die in de toekomst hun voorbeeld zouden volgen. Wie dus alles verlaat, verwerft alles, wijl God zelf zyn loon is. Zoo kon de Heilige Franciscus van Assisië, arm geworden, in waarheid zeggen: God is mijn deel, Hij alleen is mij alles. Hij, die alles verlaat, bevrijdt zich daardoor ook van zoovele beletselen voor zijne volmaaktheid; hij ontneemt don duivel do middelen , om hem te bekoren, en hem in zijne netten te verstrikken; hij ontledigt zijne ziel van de schepselen, en vervult ze van God.
Xiet, dat oon Christen, die al den rijkdom bezit van een Abraham, ook niet, oven gelijk deze, aan God kan toebehooren, God kan bezitten; maar liet is moeieljjk, en de goddelijke Zaligmaker lieei't wel roden gehad, om de zijnen aan to sporen. zich van alles te ontdoen, om vrijelijk tot God te kunnen gaan. De meeste Heiligen liebben dien weg gekozen; on zij zelvon, die, na do tijdelijke goederen verlaten te liebben, genoodzaakt worden , om hot bezit en hot bestuur er van weer te aanvaarden, hebben dat slechts gedaan, om ze uit te deelen voor den dienst van God. Zoo hebben zoovele heilige Prelaten, die met geweld uit hun klooster werden getrokken , en van arm rijk werden, tegen hun wil, over hunne inkomsten, niet als eigenaars eu meesters, maar eerder als zaakwaarnemers, beschikt. De ondervinding leert ook, dat, wanneer de geest Gods een sterken indruk op do ziel maakt, en haar grooto plannen voor hare volmaaktheid inboezemt, deze zich van alles ontdoet, opdat God. die altijd minnaar der armoede is, tot haar kome, en opdat zij verdiene. Hem te bezitten.
De heilige Franciseus Borgias, Hertog van Gan-dia, de grooto rijkdommen en eereposten, welke liij in de wereld bezat, verlaten hebbende, was zoo van God vervuld, dat hij zeide; al had ik alle goederen der wereld bezeten, en dat voor altijd , ik zoude te midden van dat alles niet zooveel zoet-
24
heid hebben gesmaakt, als ik ondervind in cene enkele heilige Communie. En dat genoegen ontsproot niet slechts daaruit, dat hij met zekerheid geloofde aan de tegenwoordigheid van zijn God, maar vooral, omdat hij God in zijn binnenste smaakte. Zoodat men vrij zeggen kan: verlaat alles, en (jij zult alles hezitten.
Het zegt dus niet weinig, metterdaad alle zaken der wereld te verlaten, om ze in de handen des Heeren te stellen, en Hem het eigendom er van af te staan. Zjj, die uit liefde tot God zich van de tijdelijke goederen berooven, ontvangen de onschatbare goederen des geloofs tot loon, volgens dc woorden van den heiligen apostelJaco-
bus: God heeft diegenen, welke arm waren in deze wereld, uitverkoren, om ze rijk te maken in het yeloof. II, 5; rijk in ware en eeuwige goederen , in goederen, die zij niet slechts hopen eenmaal te zullen bezitten , maar die ze nu reeds genieten, en die in dit leven hun waar geluk uitmaken, als zijnde geestelijke goederen, meer geschikt, om hen volkomen te verzadigen, dan alle goederen der aarde.
De heilige Paulus zegt, dat de geloovigen zoo vol zijn van genade in Jesus Christus, Aaigeen hoveu-natuurlijke gave hun ontbreekt. I. Cok: I, 5. Maar, dat is toch slechts in afwachting van het volmaakte bezit van God; want in deze wereld ziet men
25
Hem niet ontsluierd, ofschoon men genoegzaam zijne tegenwoordigheid gevoelt, en met Hem door de liefde vereenigd, Hem waarlijk geniet en in Hem zijne rust vindt.
Hot is er echter ver af, dat God zich in dezen eersten graad aan de ziel openbaart en mededeelt, gelijk in de twee andere; maar altijd is het waar, dat, als Hij zich ook maar een weinig aan de ziel doet gevoelen, zij de waarheid ondervindt van de belofte des Zaligmakers: Niemand zal zijne lt;joe-deren verlaten uit liefde tot Mij, en, om volgens het Evangelie te leven , of hij zal het honderdvoudige reeds in dit leven daarvoor terug ontvangen. Marc. X, 20.
Eene tweede ivijze van alles te verlaten, is, wanneer men niet alleen alles verlaat, wat men bezit, en er zich metterdaad van ontdoet, maar, wanneer men ook geene gehechtheid aan eenige zaak meer gevoelt, ca men zonder zich te vleien zeggen kan, dat men niets bemint dan God, niets verlangt dan zijn heiligen wil vervuld te zien. Iemand, die zoo gesteld is, hoewel hij behagen vindt in de plaats, waar hij verblijft, zal vrijmoedig en in opi'echtlieid des harten zeggen , dat hij bereid is te gaan, waarheen men hem zenden wil, zoodra hij den wil van God te dien opzichte zal kennen: insgelijks, zal hij verklaren , dat het hem niet moeieliik zal vallen
26
die personen te verlaten, welke lnj kent, en met wie hij sedert lang omgaat, hoe groote zoetigheid hij ook in hun omgang moge vinden. Gevoelt hij nog weerstreving, om hen te verlaten, ofschoon hij er toch toe besloten is, dan kan hij denken, dat hij van goeden wil is; maar toch , die natuurlijke neiging, om met zijne vrienden te leven, en die moeite, om van hen te scheiden, zijn een teeken, dat hij die ware inwendige onthechting nog niet heeft, en dat zijne ziel nog niet los is van alles; want was zij los, overal en met iedereen zou hij zich even goed bevinden; hij zou alle gehechtheid afleggen en alles op zijde zetten, wat zijne vrijheid kan belemmeren. Want, om volkomen vrij te zijn, moet men noch eenig goed, noch eenige betrekking, noch zelfs eenig mensch, wTio hij ook zij, beminnen, dan met het oog op den meerderen dienst van God.
IVat is er rustiger, dan een eenvoudig oog? m wat vrijer, dun een mensch, die niets op aarde begeert? vraagt Thomas a Kcmpis. Kan iemand, die nog niet tot die volmaakte onthcehtiug gekomen is, zicli in staat gelooven, om Gods tegenwoordigheid te genieten, daar het minste stroo-spiertje in staat is, het oog te ontstellen en liet te beletten zijn voorwerp te zien? Dit is eene zaak van gewicht voor de ziel, die naar de eeuwige goederen streeft. Hierover moet zij zich dikwijls
27
onderzoeken, opdat, indien zij gevoelt, dat liaar nog eene al te menscliehjke geneigdheid, eenige, al is het ook slechts geringe, gehechtheid aan de schepselen overblijft, zij er zich ten spoedigste van ontdoe, omdat zjj zonder dat, haren arbeid nooit ten einde zal zien.
De derde en de laatste wijze van alles te verlaten, is, zich zelveii te verlaten, en deze is van eene grootere volmaaktheid, dan de twee andere.
De schrijver der Navolging stelt ons een mensch voor, die alles schijnt verlaten te hebben, en vraagt, of die mensch nog niet meer kan doen dan hij gedaan heeft, en hij antwoordt: Dut het er ver af is, dat hij alles heeft gedaan; want, voegt hij er bij, het is nooclir/ dat hij, na al het overige verlaten te hebben , ook zich zeiven verlate. II, 11. Gij gelooft misschien, dat er niets is bij te voegen bij den tweeden trap van onthechting; maar gij inoet de eigenliefde nog onderdrukken in haar teerste punt, dat is,, van zich zeiven te zoeken zelfs in de geesteljjke goederen.
Het middel, om die eigenliefde te doen sterven, is, deze les van Thomas a Kempis goed in beoefening te brengen: Verlaat u zelven, overal waar (jij u zeiven vindt-, dat wil zeggen, terstond wanneer gij eenige geheime gehechtheid aan uw eigen wil, aan uw eigen oordeel aan uw eigen zin zult bemerken, ontdoe er u terstond van. Ver-
28
beeld u, dat de goddelijke Zaligmaker u deze woorden toevoegt: F- erlaat u zeiven , en gij zult Mij vinden. III, 37. God is altijd bereid, om binnen te treden in eene ziel, die van alles ont-liecht is; Hij schept er behagen in, haar met zijne gaven te verrijken. Hij laat haar door beproevingen gaan, die dienen, om haar meer en moeite zuiveren , en haar zóó van dc wereld te onthechten , dat zij enkel aan God denkt , niets wenscht, noch smaakt dan God. en hierin al haar genoegen stelt. Zij hecht zich zoo sterk aan Ood, dat zij in niets haar behagen vindt, dan in te doen, wat Hij van haar vraagt.
Zoo verkeert zij hierbeneden voortdurend in een paradijs, dewijl zij ziende , dat alles volgens den wil der voorzienigheid geschiedt, oneindig beter tevreden is , dan wanneer zij in alles haar eigen wil deed. Zij heeft alleen dc glorie van God op hot oog, zij zoekt slechts , Hom to behagen ; zij rust zacht in God door eene zuivere en belanglooze liefde: zij bezit en omhelst Hem in het binnenste haars harten; en, om zich nauwer met Hem te kunnen vereenigen, onthecht zij zich van alles , wat haar van Hem kan verwijderen ; zij vergeet zich zelve, hare gezondheid, haar leven, haar goeden naam , denkt aan niets tijdelijks en vergankelijks , om zich geheel en al te wijden , aan hetgeen betrekking heeft op de
29
eer, den dienst, Jen wil van dien God van liefde en barmhartigheid. Dan wordt vervuld, wat de Zaligmaker, van zijne beminde leerlingen sprekende , tot zijn vader zoide: Ik hen in hen , cu Gij zijt m Mij, opdat zij volmaakt één zijn. Joan: XVII, 23, en onder hen en met ons. De Vader bemint hon, gelijk Kij zijn Zoon bemint; Hij draagt hen in zijn boezem, schenkt zich aan hen, en geeft zich zeiven aan hen te genieten. Volgens de belofte van Jesus zeiven, die hun zeide: Ik zal tot n komen en Ik zal n tot Mij roepen, opdat (jij zijt, waar Ik hen. Joan : XIV, â¢5; dat wil zeggen: In den schoot, in liet hart zolt van mijn vader, opdat gij daar voor altijd verblijft.
Eene heilige ziel, alhoewel in een sterfelijk lichaam opgesloten, deelt in deze gunsten, welke de vruchten zijn van de goddelijke liefde, die de heilige Geest in liet hart dor rechtvaardigen ontsteekt. Maar de goddelijke Bruidegom doolt zich aan haar niet mede, en vervult haar niet met zijne genaden, dan nadat zij moedige pogingen heeft aangewend, om zich aangenaam in zijne oogen te maken, door zich van alles te ontdoen , op de wijze, zooals we gezegd hebben; want men komt niet tot zijne vriendschap, zonder zich veel geweld aan te doen; en ofschoon Hij zich mededeelt aan wien het Hem behaagt.
30
is liet nochtans zeker, dat men door zicli edelmoedig te overwinnen, van Hem zeer bijzondere gunsten verwerft. Indien iemand, zegt Hij, mijne geboden onderhoudt, dan zal Ik hem beminnen, en mijn Vader zal hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen , en ons verblijf bij hem vestigen, Joan: XIV, 23.
VIERDE HOOFDSTUK.
Oveu de woordes: Hoemeer gij u aait alle vertroostiny vu)i de schepselen zult onttrokken hebben, des te zoeter en machtiger vertroostingen zult gij in Mij vinden. 111, 12.
Vraag. Hoe moet men de zoetigheden, die van de schepselen komen, verachten, om zich de vertroostingen, die van God komen, waardig te maken''?
Antwoord. Door aan alle voldoening en aan allen steun, die men van de schepselen zou kunnen verwachten, vaarwel te zeggen, ten einde alleen op God te steunen, en zich in Hem alleen
te verheugen.
Het geestelijk en bovennatuurlijk leven bestaat, in zich zoodanig van alle geschapene zaken te onthechten, dat men God alleen en in alles tot voorwerp cn doelwit heeft.
31
Hieruit spruit de overvloed der goddelijke vertroostingen voort, welke aangroeien, naarmate men de zoetigheden, die de schepselen ons bieden, versmaadt.
Er zijn drie soorten van zoetigheden van we-gc de schepselen.
De eerste zijn grof zinnelijk, do tweede zijn het minder, de derde nog minder en meer geestelijk.
Om geheel aan God toe te behooren, en in Hem alleen te rusten, moet men noodzakelijk alle deze drie soorten versmaden. Dat schijnt hard; maar het is toch de weg, om tot de volmaakte rust te komen, volgens de leer van Thomas a Kempis, die op verscheidene plaatsen verzekert, dat, naarmate men de aardsche genoegens versmaadt, men zich des te meer waardig maakt, om de hemelsche te ontvangen.
De eerste soort van zoetigheden en vertroostingen, welke de wereld ons aanbiedt, zijn al die zaken, welke de zinnen streelen.
Eene dame, hijvoorbeeld, die in de wereld leeft, zoekt hare voldoening in wereldsehe genoegens: in spel, in bal, in feestpartijen, wandelingen, in gezelschappen, waar men lacht en schertst. Daardoor tracht zij hare kwade luim te verdrijven, en troost te zoeken in hare verveling, meenen-de, dat zij anders van verdriet zou sterven. Dit
32
is do oorzaak, dat zij volstrekt geen smaak vindt in de geestelijke zaken, in stichtende lectuur en andere oefeningen van godsvrucht. Indien zij den moed had, om zich aan die ijdele genoegens te onttrekken, en hare neiging voor pleizier te matigen , dan zou zij in God een' waar genoegen kunnen smaken.
In den beginne zou dc herinnering aan die gesmaakte genoegens, haar eenige kwelling baren, en een voorwerp van bekoring voor haar zijn; maar indien zij, door zich een edelmoedig geweld aan te doen, al dio banden verbrak, welke baar aan de wereld hechten, indien zij zich aan goede werken wijdde, den omgang zocht van godvruchtige personen, haar genoegen zocht in Gods woord te aanhooren, indien zij dikwijls Jesus bezocht in zijn tempel, waar hij rust in het allerheiligste Sacrament, dan zoude zij weldra een wonderbaren vrede en eene zoete rust vinden voor hare ziel. En wanneer zij zich dan somtijds door verveling overvallen gevoelde, dan zou zij zich slechts in hare bidcel behoeven te begeven, en er haar hart voor God behoeven uit te storten, om zich weder geti'oost to gevoelen; ofwel, heeft zij een afkeer van de eenzaamheid, een enkel onderhoud met godvruchtige en geestelijke personen zoude haar een grooteren troost aanbrengen, dan alle vermaken der wereld. Om
31
Hieruit spruit de overvloed der goddelijke vertroostingen voort, welke aangroeien, naarmate men de zoetigheden, die de schepselen ons bieden, versmaadt.
Er zijn drie soorten van zoetigheden van we-ge de schepselen.
De eerste zijn grof zinnelijk, do tweede zijn het minder, de derde nog minder en meer geestelijk.
Om geheel aan God toe te hehooren, en in Hem alleen te rusten, moet men noodzakelijk alle deze drie soorten versmaden. Dat schijnt hard; maar het is toch de weg, om tot de volmaakte rust te komen, volgens de leer van Thomas a Kempis, die op verscheidene plaatsen verzekert, dat, naarmate men de aardsche genoegens versmaadt, men zich des te meer waardig maakt, om de hemelsche te ontvangen.
De eerste soort van zoetigheden en vertroostingen, welke de wereld ons aanbiedt, zijn al die zaken, welke de zinnen streelen.
Eene dame, bijvoorbeeld, die in de wereld leeft, zoekt hare voldoening in wereldsche genoegens: in spel, in bal, in feestpartijen, wandelingen, in gezelschappen, waar men lacht en schertst. Daardoor tracht zij hare kwade luim te verdrijven, en troost te zoeken in hare verveling, meenen-de, dat zjj anders van verdriet zou sterven. Dit
32
is dc oorzaak, dat zij volstrekt geen smaak vindt in de geestelijke zaken, in stichtende lectuur en andere oefeningen van godsvrucht. Indien zij den moed had, om zich aan die ijdelegenoegens te onttrekken, en hare neiging voor pleizier te matigen , dan zou zij in God een waar genoegen kunnen smaken.
In den beginne zou do herinnering aan die gesmaakte genoegens, haar eenige kwelling haren, eu een voorwerp van bekoring voor haar zijn; maar indien zij, door zich een edelmoedig geweld aan te doen, al die banden verbrak, welke haar aan de wereld hechten, indien zij zich aan goede werken wijdde, den omgang zocht van godvruchtige personen, haar genoegen zocht in Gods woord te aanhooren, indien zij dikwijls Jesus bezocht in zijn tempel, waar hij rust in hot allerheiligste Sacrament, dan zoude zij weldra een wonderbaren vrede en eene zoete rust vinden voor hare ziel. En wanneer zij zich dan somtijds door verveling overvallen gevoelde, dan zou zij zich slechts in hare bidcel behoeven te begeven, en er haar hart voor God behoeven uit te storten, om zich weder getl'oost te gevoelen; ofwel, heeft zij een afkeer van de eenzaamheid, een enkel onderhoud met godvruchtige en geeste-Ijjke personen zoude haar een grooteren troost aanbrengen, dan alle vermaken der wereld. Om
33
zich to overtuigen van do waarheid, van het- zu
geen ik zog, kan zij de personen van haren at
stand ondervragen, die zicli op de godsvrucht zt
toeleggen, om van haar te vernemen, of zij ge- ki lukkig en tevreden leven, of zij rust voor haar ' zt
hart vinden. Geen enkele, die haar niet zal v( antwoorden, dat haar hart meer vreugde smaakt
in den dienst van (rod, dan de valsehe genoegens s(
der wereld kunnen schenken, die altijd in het zi
diepste der ziel wroeging en ontevredenheid ach- d
terlaten. li
Wereldsehe menschen zijn gewoon, om, wan- g
neer hun eenigo kwelling overkomt, hetzij in d
het lichaam, hetzij in de ziel, eenig verzet te r zoeken in uitwendige dingen, in zaken te zien
on te hooren, die geschikt zijn, om hunne nieuws- '1
gierigheid te voldoen. Daar geven zij zich dan z met dritt en gejaagdheid aan over, en hebben
er den geest zoodanig van vervuld, dat zij er '
aanhoudend van spreken. Daardoor worden zij 1
verre van God verwijderd, ofschoon ook de za- 2
ken, waardoor zij aangetrokken worden, op zich lt; zeiven niet zoo geheel en al slecht zijn.
Hij, die God zoekt, en Hem oprecht wil beminnen, handelt geheel anders. Hij treedt in I zich zolven, wondt zich tot Jesus en vindt bij Hem zijnen troost. Uitwendige vertroostingen wil hij slechts in zooverre genieten als het nood-
p
84
zakelijk is; en hij in er wel ver af, er zijn hart aan te hechten. En aan de znlken schenkt Ood zoo groote vreugde, en deelt hun zoo groote kracht mede, dat zij, voortgaande de wereldsehe zaken meer en meer te versmaden, mot de zoetste vertroostingen worden vervuld.
]gt;c tweede soort van zoetigheden, die in de schepselen worden gevonden, en die minder zinnelijk zijn, zijn die, welke velen, die zich overigens op de deugd toeleggen, en wars zijn van de valsclie beginselen der wereld, dikwjjIs luiiten zich zeiven gaan zoeken, zonder te bedenken, dat zij zich daardoor van vele hemelsehe vertroostingen he-rooven.
Zij zoeken die zoetigheden, dien troost inderdaad in onschuldige zaken, maar hierin misdoen zij, dat zij er op steunen, als op een vasten grond.
In eene religieuze gemeente, hij voorbeeld, zal er iemand zijn, die liet overigens goed meent, maar die eene vertrouwelinge heeft, aan wie zjj al hare kwellingen zal'open baren, zonder dat, o! ze zou sterven van verdriet; en heeft ze alles verteld, wat haar op het hart lag, en wellicht meer dan met de liefde of met de gehoorzaamheid is overeen te brengen, dan voelt zij ziehals van een zwaren last ontheven. Men moest zijn hart maar eens uitstorten. Dikwijls echter bc-
4
35
driegt men zich hierin. Men meent, zijn hart li
verruimd te hebben, doch weldra is het nog be- hlt;
nauwder dan te voren; omdat men met die open- vc
baring meer beoogde, zich zelve te voldoen, dan re
aan Grod te behagen, en zich in staat te stel- quot; tt
len, om Hem beter te dienen; en dit veroorzaakt 01
gedruktheid in plaats van troost, ofschoon men â /.(
het misschien zelf zoo niet opmerkt. Zoelct gij g(
in iets u zei ven, zegt Thomas a Kempis, zoo weet vi
dat dit het is, wat u hinder en Tcwellinq haart. \\
III, 11. k
Men denkt, veel gewonnen te hebben, wan- V
neer men alles aan een vriend heeft verteld; tc
doch intusschen mort en beklaagt men zich, is Ci
men ontroerd, om hetgeen men te lijden heeft, d laat men zich door do eigenliefde beheerschen,
en daar men op het schepsel en niet op God ii
steunt, is men laf en kleinmoedig, wat een gc- o
volg of eene straf is van dat zoeken van zich z
zelven. n
Eene groote en edelmoedige ziel kan gemakke- v
lijk allen menschelijken troost derven; is zij in t kwelling, zij stelt zich te vrede, er met God over te spreken; of heeft zij raad noodig, dan wendt zij
zich tot een geestelijk persoon, die haar aan- 1
moedigt, om haar kruis met moed en gelaten te i
dragen. gt; Het is waar, dat er sommige inwendige kwel-
36
quot;t lingen zijn, die minder voortkomen uit de zwak-
i- heid der ziel, dan van de bekoringen des dui-
i- velg. In deze moet men dikwijls tot een erva-
(i ren leidsman zijn toevlucht nemen, niet alleen,
ten einde hem om raad te vragen, maar ook, t om moed te scheppen en zich te versterken. En
n zco zich zeiven te zoeken, is geen kwaad; inte-
j gendeel, het is redelijk, het is noodig; doch ik
t veroordeel alleen dat zoeken van zich zeiven,
waarbij men veel tijd verliest in nuttelooze gesprekken, wanneer nog niet iets ergers geschiedt. Voorzeker, men brengt zicli zeiven groot nadeel ; toe, wanneer men uit gebrek aan vertrouwen op
5 God, bij de schepselen hulp en troost gaat zoeken,
, die bij Hem alleen zijn te vinden.
, Met Jesus gemeenzaam weten om te gaan
l in het binnenste zijns harten, dat is de eerste
en de nuttigste van alle kennissen. Kan men i zich daarvan eene gewoonte maken, dan zal daar
uit een voortdurende troost, een bestendige vrede, en een overvloed van alle soort van geestelijke goederen voortvloeien.
Men moet zich met allen ijver toeleggen, om daartoe te komen, in plaats van bij (ie schepselen troost te willen zoeken in zijne kweliingen, die men slechts daarom ondervindt, omdat men zijn best niet doet, oin zijne driften te versterven, er; zich van quot;ijnc verkeerde nei'.quot;ir;,9'en te
ontdoen. Alleen dr waarlijk geestelijke men-sukon, die er zicli steeds, en niet allen ernst, op toeleggen, om in (lods tegenwoordigheid te wandelen, /ij komen tot die innige gemeenzaamlieid met Hem. Zij, die de groote wereld beininnen, die er altijd op uit zjjn, om nieuws te liooren, er maar van lioudeu, om te sehertsen en over lien-/olarij 'ti te spreken, kunnen onmogeljjk tot dat innig verkeer met God geraken.
De groote /aak is, dat men /ieli op de ingetogenheid toeleggc; en het eenige middel, om daartoe te komen, is, dat men de gezelschappen vlue'.ite, en alleen met .lesus /oeke om te gaan. De Meester is hier mi roept it. Joan: 11,28, Wilt gij wijs zijn, ga Hein te genitaet, om Hem te ontvangen. Volg Magdalena na, die, wetende, dat Jesus kwam, de joden verliet, die tot haar waren gekomen, om haar te troosten, en llem terstond te gemoet snelde; zoo verlangend was /ij, om met Hem te spreken en zijne stem te hooren,
/gt;r derde .soort van vertroostingen, die men van de schepselen ontvangt, hebben schijnbaar iets goeds, en schijnen /eer onschuldig te wezen. Men /iet er niets in'dan goed, niets, wat niet tot oer van God strekt. Toch moet men er zich van berooven, dat wil God, opdat mén kunne /eggen: Ood is mijn eenig goed, mijn eenige troost. Hij wil, bijvoorbeeld, dat men niet al te vurig
3*
begecro, dezen of gmion predikant tc hooreii. deze of gene kerk te bezoeken, met dezen of genen godvruclitigen persoon to spreken, en andere dergelijke zaken, die men meent, dat zeer heilig zijn; maar waarin de eigenliefde een groote rol speelt.
Niet, dat dit alles op zieli zelf vcroordeelons-waardig is, noch verkeerd, wanneer liet noodig of nuttig is voor eene ziel, die geheel aan God wil toebehooren; maar men moet altijd bereid zijn, om dat alles te missen, wanneer de geheime gehechtheid, die men er aan heeft, ons vaii een giooter goed berooft ; God wil niet, dat wij ons over zijne voorzienigheid beklagen; wanneer Hij ons de gelegenheid daartoe niet geeft, dan kunnen wij niets beters doen, dan ons aan Hem te hechten, en ons vertrouwen te stellen op zijne oneindige goedheid.
Dit kunnen wij ook toepassen op de vrijwillige werken van boetvaardigheid, en andere oefeningen van godsvrucht, waarop men al zijn vertrouwen stelt.
God laat dikwijls toe, dat men, niettegenstaande de zoetheid, die men er in vindt, niettegenstaande het nut, dat men er uit frekt, genoodzaakt is, zo te onderbreken, of ze geheel te laten varen, of er veel meer van achter te laten, dan men gaarne wil.
39
Hot is ongelooflijk, hoeveel men daardoor toeneemt in de zuivere liefde, omdat men zijn go-luk stelt, in te doen, wat God wil, en zich te hechten aan God, en niet aan do middelen, die Hij geeft, om tot Hem te naderen.
Wanneer God aan de ziel den geestelijken smaak ontneemt, die de steun van hare godsvrucht uitmaakt, dan leert zo inzien, of hare lief-do wel zuiver was. Beklaagt zij zich daarover, en i.j zjj daarom verdrietig, dan is dat een tee-ken van gehechtheid, en van gebrek aan onderworpenheid aan den wil van Hem, die onmetelijk groot, als Hij is, toch hare verlangens niet kan verzadigen.
Van daar komt het dan ook, dat zij die zoete vertroostingen niet gevoelt, welke God gewoon is mede tc deelen aan hen, die waarlijk verstorven zijn, die een walg hebben van alles, wat God niet is, en alles buiten God gering achten. Aan zulken, die innig aan Hem gehecht zijn, deelt Hij zijne vreugde mede, een overvloedige, volko-mene vreugde, die hunne ziel geheel en al vervult, en eene onuitsprekelijke zoetigheid baart.
Dat is de vrucht van de volmaakte verloochening van zich zei ven, waardoor men al zijne belangen, zoo tijdelijke als geestelijke, in de handen des Heeren stelt, en niets van Hem verlangt te verkrijgen, dan hetgeen Hij wil , dat men Hem
40
vrage. Zoo is een waarlijk godvruchtige ten volle voldaan, wanneer God tevreden is; al zijn genoegen is, den wil Gods vervuld te zien, volgens de woorden van Thomas a Kempis:
rGij moet uw verlangen geheel en al schikken naar mijn welbehagen, en v zelven niet beminnen, maar vurig verlangen mijn wil te volbrengen. III, 11.
Het is waar, er zijn nog andere bronnen van troost, waaruit de eigenliefde in dorheid en droefheid gaat putten; maar eene ziel, die waarlijk van liefde ontvlamd is tot onzen Heer, Jesus Christus, vindt hierin alleen vreugde en troost, dat de welbehageljjke wil van God te haren opzichte vervuld worde; en daartoe komt men. door de zuivere intentie, waardoor men altjjd en in alles, slechts den wil van God op het oog heeft. Verlang en bid onophoudelijk, dat de goddelijk wil in u vervuld worde. III. 13.
Hoe meer de mensch zich beijvert, om zich te zuiveren, hoe zoeter en geestelijker do vertroostingen zijn, welke hij van den hemel ontvangt. En hij zuivert zich door de zorg, die hij aanwendt, om zijne intentie zuiverder te maken; en zij is zuiverder, naarmate hij minder zijn eigen belangen op het oog heeft, en meer het belang van God zoekt. En welk is het grootste belang van God? Ongetwijfeld, dat zijn heilige wil worde
41
volbracht, wijl zijn hart en zijn wil een en hetzelfde zijn.
Ja, men kan zeggen, dat alle volmaaktheden \ an God in zijn wil zijn begrepen; want Hij wil, wat zijne rechtvaardigheid gebiedt, wat zijne goedheid vraagt, en bij gevolg kan men zich niet nauwer met Hem vereenigen, dan dooi' zich geheel en al aan zijne leiding over te geven.
De kortste weg, om tot eene volmaakte gelijkvormigheid te geraken, is, zijne verlangens af te sterven; want, naar mate een mensch dood is aan zich zeiven. n.iar die mate is iüj geschikt, om de gaven van God te ontvangen. Daar wei-nicjen zich heijveren, om volmaakt aan zich zel-cen te sterven, (zegt de schi ijver der Navolging) en zich zeiven te verlaten, daarom smaken ook zoo weiuigen rust, en kunnen zij zich niet in den (/eest hoven zich zeiven verheffen. 111,53.
Daarom ook verklaart hij te recht: geheel het geestelijk leven bestaat in te sterven, in zich zeiven geheel te verloochenen.
Daartoe ook wekten de Heiligen hunne leerlingen op. De heilige Ignatius beveelt den zijnen niets zoozeer aan, dan eene volkomene verloochening en eene voortdurende versterving in alle zaken. De heilige Ambrosius, en; na hem alle ordestichters, hebben hunne volgelingen als eerste wet voorgeschreven, zich zei ven te overwin-
42
iicii, en zich boven allo aardsche zaken te verheffen. De heilige Franciscus droog oene bijzondere zorg, om de zijnen op te wekken, en gewoon te maken, om de loftuitingen der menschen te verachten, en niet op de sehepsclen tc steunen.
Zoo handelden allen. ])c heilige Paulus zeide tot do eerste geloovigen: Gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus in God verborgen. Col. III, 3. Zij (he ran Christus zijn hehhen hun vleesch met zijne kwade lusten en hegeerlijliteden gekruisigd. Gal. V, 24.
Het bock der Navolging van Christus herhaalt dio zelfde loer op ontelbare plaatsen.
VIJ FDE HOOFDSTUK.
Ovek de woorden : Wil guome voor schuldig doorgaan opdut gij onschuldig moogt zijn in de 'togen van God.
Vraag. If te wil voor schuldig doorgaan, ten einde onschuldig te zijn in de oog en van God
Antwoord. Dat kan gezegd worden van drie soorten van menschen.
Vooreerst van diegenen, welke zich niet verontschuldigen, wanneer men hen lastert. De on-
43
schuld wordt vaak belasterd ; maar alwie God zuiver op het oog heeft, en bedenkt, dat er op aarde niets van eenig belang is, dan Hem welgevallig te zijn, dat Hij alleen den grond onzer harten ziet, en dat de maat onzer vereenigiug met Hem de maat onzer heiligheid is ; alwie dit bedenkt, stoort zich niet aan de verachting der menschen ; wat men ook doe, om hem de achting te ontnemen, hij is altijd tevreden, mits de eer van God er niet door benadeeld wordt; en om dat te . beoordeelen, gaat hij niet bij de eigenliefde te rade; naar haar luistert hij niet.
Bijaldien derhalve de eer van God hem niet verplicht, om zich te rechtvaardigen, dan wil hij gaarne voor schuldig doorgaan; ja, hij weet een zeer nuttig gebruik te maken van zulke gelegenheid, om toe te nemen in zelfkennis, en tot inniger vereeniging metJesus te geraken; want, zich van de wereld verstoeten ziende, neemt hij zijne toevlucht tot Hem, wien de oprechtheid zijner inzichten, en de verdienste zijner werken bekend zijn.
Hij rust zacht in God, en hecht zich inniger aan Hem, zich voor den geest brengende, hoe de eenigo Zoon van God, Hij, de Heilige der Heiligen door de Joden wilde worden beschuldigd, voor een bedrieger, en een vijand van de wet, wilde worden gehouden. Zijn stilzwijgen doet hem voor
44
schuldig doorgaan; maar liet strekt tevens, om zijne onschuld bij den oppersten Eechter te ver-hoogen ; daar eenc vernedering, die, ofschoon men zich kan verontschuldigen, met vreugde verdragen wordt, eene onschatbare verdienste bij God heeft.
Do bedorven natuur is altijd gereed, om zich te verontschuldigen, om do fouten to bewimpelen en te verbloemen. Adam en Eva verontschuldigden zich, toen zij de stem van God hoorden, die hen over hunno ongehoorzaamheid berispte. De meesten hunner kinderen volgen hun voorbeeld: zij hebben altijd allerlei uitvluchten, om eene berisping te ontgaan ; en ofschoon zij zeer goed weten, dat zij misdaan hebben, werpen zij vaak de schuld op anderen, die geheel onschuldig zijn; ja, soms op God zelvon, aan den eersten mensch gelijk, die zei de: De vrome, die Gij mij tot ye-zellin litihf gegeven, Jteeft mij van de vrucht de* hoorns gegeven en ik heb er van gegeten. Gem 111, 12. Soms werpt men zoo de schuld op God, door te zeggen, dat men zich niet zou hebben laten vervoeren, om datgene te zeggen of te doen, waarover men berispt wordt, ware men niet zoo opvliegend van aard, hadde men niet een zoo lastig karakter. Aldus werpt men do schuld op God, in plaats van al de schuld toe te schrijven aan zijne lafheid en onverstorvenheid, en
45
aan het slecht beantwoorden aan de genade.
Hoe meer men zich beijvert, om God te recht-vaardigen, door zijne fouten aan zich zelvcn toe te schrijven, hoe welgevalliger men Hem is; en zoo wordt het woord bewaarheid: Wil ijuurne voor schuJcUy dooryaan, opdat gij onschuldig moogt zijn in de oogen van God. Wij zijn zoo vol hoovaardigheid, dat het ons veel moeite kost te bekennen, wie wc zijn. Eenc nederige en oprechte ziel eikent openhartig, dat zij het is, die misdreven heeft. Zij komt er rond voor uit, en wil geheel alleen de schande er van dragen, die zo verdiend heeft.
Sommigen zeggen, cn dat is dc taal van velen: Ik beken dat ik verwijderd hen van de volmaaktheid, die men van mij verlangt, en die ik hebben moest; maar, daartoe heb ik bijzondere genaden noodig, genaden, zoo als het God behaagt heeft aan de Heiligen te schenken. Zoo spreekt men, en men bedenkt niet, dat, hebben de Heiligen machtige hulp van den Hemel ontvangen, wat niet te ontkennen is, zij ook steeds hun best hebben gedaan, om daaraan te beantwoorden; dat zij veel hebben gewerkt, zich veel geweld hebben aangedaan; dat zij tien, twintig jaren hebben besteed, om zich te overwinnen, en hunne driften ten onder te brengen; in één woord dat dc volmaaktheid, die ze bereikt hebben, hun
46
veel hect't gekost, en dat zij niet dan door de edelmoedigste pogingen er toe gekomen zijn.
Wat kunnen zij daartegen inbrengen, die schijnen te willen, dat God alles doe. en die voor eiken strijd buitengewone genaden vragen!-' Do genade ontbreekt ons niet, maar wij ontbreken veeltijds aan de genade, wij zijn zoo zwak, dat wij liij het minste geweld, dat wij ons moeten aandoen, bij de minste beschaming, die wij moeten ondergaan, terugdeinzen en den moed verliezen. Wij kunnen zelfs niet van ons verkrijgen, iet* te laten staan, wat onzen smaak streelt, onze oogen afquot; te wenden van iets, wat onze nieuwsgierig-beid prikkelt. De Heiligen hebben zich op bui-tengewone wijze verstorven, en beantwoordden met de grootste getrouwheid aan de inspraken van (rod.
Eene heilige ziel verbergt hare fouten niet; zij schrijft haren geringen voortgang in de deugd alleen aan hare zwakheid en hare lalliartigheid toe; zij beschuldigt er zich van voor God; zjj vraagt Hem nederig om vergiffenis; en ter aarde nedergebogen, de tranen in de oogen, met schaamte overdekt, roept zjj zijne barmhartigheid in.
/ij daarentegen, die meenen, dat zij veel voor God hebben gedaan, en dat God hun veel is verschuldigd, houden zich in hun geest bezig
47
met al het goed, dat zij meenen verricht te hebben, tellen de jaren, die zij in den dienst van God hebben doorgebracht, en sluiten daarbij hunne oogen voor de menigte hunner fouten.
Het is ware wijsheid, zijne fouten te erkennen, te belijden, dat men schuldig is; want door zich te vernederen wordt men gerechtvaardigd voor het oog van God, die de boosheid van het inen-schelijk hart kent, en die altijd stof vindt, om de hoovaardigen te beschamen: yeen mensch die leeft, zegt de Psalmist, zal zich voor U kunnen rechtvaardigen. Ps: CXLII, 2.
Wat is er schandelijker, dan dat een mensch, stof en asch, opgeblazen is van hoovaardigheid, alsof hij uit zich zeiven iets groots vermocht. IJdele geesten, vol van u zeiven, hoort de woorden van den grooten Apostel; Indien iemand meent, dat hij iets is, dun bedriegt hij zich zelven, dewijl hij niets is. Gal: VI, 3.
Memand vindt meer toegang bij God dan hij, die zijne fouten erkennend, cn van leedwezen er over doordrongen, belijdt, dat hij zonder Gods bij-staml in zijne ellenden en in liet slijk zijner zonden verzonken zou blijven. Zoo was de gemoedsstemming der Heiligen; innig van hun niet doordrongen, hielden zij zich voor do ellendigston aller menschen. Do heilige Apostel Paulus oordeelde zich den grootsten zondaar der trereld.
48
I. Tim: I, 15. hies dus de laagste plaats, en men zal u tot de hoogste verheffen. II, 10. Overtuig u, dat gij de meest schuldige van allen zijt, en gij zult plaats nemen onder do heiligsten.
Intusschen vindt men bedilzieke menschen, die hunne veroordeeling durven uitspreken over hen, welko door iedereen om hunne wijsheid en heiligheid worden geëerd; kortzichtigen, die gewoon zijn, alles te beknibbelen, ja, do gewichtigste grondstellingen van het evangelie voor dwaling en begoocheling houden. Een Heilige, zeggen ze, door Gud zeer bemind, en volmaakt in de deugd, kan de grootste zondaar der wereld niet zijn; niets toch is meer in strijd met eene uitmuntende deugd, dan de ondeugd en de zonde; ten onrechte dus noemt hij zich den grootsten aller zondaren, /co redeneeren zij, maar hunne redenoering is op de bloote kennis der natuurlijke rede gegrond. De Heiligen, door hot geloof verlicht, vatten de zaken op, op eene wijze, die boven do natuurlijke rede verheven is. Wat zij zeggen is waar, in dien zin, welken do heilige Geest hun leert, en dien zij alleen begrijpen. Do heilige Paulus, do heilige Franciscus waren door een homelsch licht bestraald; zij zeiden niets, waarvan zij niet innig overtuigd waren, en wat zij niot meenden, zonder overdrijving on in op-reclitlieid des harten to kunnen zoggen. Wanneer
â
4i»
anderen dat niet begrijpen, dan hebben zij daar- eu
om liet recht niet, om hen te veioordeelen. j-j,
/gt;(' tweede, soort van menschen, die God dier- D(
baar zijn, omdat zij zich voor groote zondaren de
houden, zijn zij, die lijden bij algemeene ram- t\e
pen, niet om hunne eigene zonden, maar om de H
zonden van anderen; daar God, gelijk men pleegt Z\
te zoggen, den onschuldige met den schuldige ni straft. Die algemeene kastijdingen, waaronder
de braven met de boozen lijden, kunnen niet G
dan allerrechtvaardigst wezen, daar het uitwerk- g(
selón zijn van de goddelijke gerechtigheid; velen n
begrijpen dit wel niet, doch dat belet niet, dat e:
allen ze met onderwerping moeten aannemon. t(
Dikwijls straft God geheide volken door ver- o
schrikkelijke plagen, waarvan ook de braven w
niet verschoond liüjveii. De waarlijk nederigen, v
wel verre van te klagen, nemen dan die kastij- g
ding van de hand van God aan, hoe hard ze z
ook moge wezen, en oordeelen zich schuldig ge- o
noeg, om ze te verdienen, In dien geest zeiden t
de profeten en do priesters des Hoeren in het o
oude verbond: Wij hcbhen i/esoncli(/(l, wij hebben 1
vele oitfiereelitif/liedeii heyaau, vele hoosheid hedreven. i Dan: IX, o; I's. CV, 5.
Wanneer de heiligeDomiuicus de steden en ; dorpen binnen kwam, om de inwoners te onderrichten, dan wierp hij zich op de knieën neder,
50
en bad den Heer, dat zijne zonden de vervloeking des hemels niet op hen mochten aftrekken. De heilige Catharina was steeds bevreesd, dat de rampen, die, te haren tijde, de Kerk teisterden, de straf waren voor hare ongetrouwheden. De Heiligen waren meer verlicht dan wij, en onze zwakke redeneeringen kunnen met de hunne niet vergeleken worden.
Deze wijze van ons schuldig te erkennen voor God, hoe onschuldig en onberispelijk wij ook mogen zijn, is God zeer welgevallig; maar zij strookt niet met de hoovaardigheid, die ons verblindt, en die maakt, dat wij zeer wel over ons zeiven tevreden zijn, terwijl wij alle reden hebben, om ons diep te beschamen. Voorzeker het vertrouwen op Gods barmhartigheid is zeer goed; doch, wanneer het op onze vermeende onschuld gegrond is, dan is het zeer gevaarlijk. Zich als zondaar te erkennen, is alzoo het middel, om onschuldig voor God te zijn. Hoe ongeschikt, om deze gewichtige waarheid te begrijpen, zijn diegenen, welke de meest lofrijke, de méést geestelijke gevoelens der Heiligen als inbeeldingen verwerpen. Ja, wanneer men die slechts in het valsche licht der rede beschouwt, dan vindt men ze onhoudbaar, dan bestrijdt en veroordeelt men ze, in plaats van ze nederig te eerbiedigen.
51
De derde soort eindelijk van menselien, die geene verontschuldiging en zelfverdediging kennen, zijn zij, die ten onrechte beschuldigd en van hunnen goeden naam beroofd, niets te hunner verdediging willen inbrengen.
Tot dit getal behoorden de heilige Theodora, de heilige Petrus, martelaar en anderen, die liever verkozen, gedurende langen tijd, in versmaad-heid te leven, en zware boete te ondergaan, dan zich te zuiveren van de vreeselijke misdaden, die hun ten laste werden gelegd. Zij waren verheugd, dat men hen als grootc booswichten behandelde, en zij verdroegen die vernedering in stilte, uit liefde tot God, die eindelijk hunne zaak in handen nam, en hunne onschuld openbaarde. Do waarheid werd erkend, en de smaad, dien zij hadden geleden, droeg niet weinig bij, om den glans hunner heiligheid te verhoogen.
De schrijver der Navolging moedigt in de aangehaalde woorden allen aan, om, wanneer zij zich in een dergelijk geval bevinden, er hun voordeel mede te doen, en dat gedeelte van den Kelk des Heeren, als den kostbaarsten schat, met gretigheid te aanvaarden.
Dit nu geschiedt door de verachting en de verguizing als een groot voordeel te beschouwen. Doch dit is in strijd met de grondstellingen der wereldwijzen. Zij beweren, dat het niet geoorloofd is.
52
zijn goeden naam prijs te geven, maar dat men zijne eer moet verdedigen, ook ten koste van al zijne goederen, ja, van het leven zelfs, wanneer nien haar niet kan redden, zonder God te belee-digen.
Welke heleediging van God zon er in gelegen geweest zijn, indien de heilige Petrus, beschuldigd van vrouwen in zijne kamer te hebben toegelaten, verklaard had, dat het Heiligen waren, dio uit den Hemel waren afgedaald, cm hem te bezoeken? Heeft het zelfs niet den schijn, dat God er meer door verheerlijkt zou zijn geweest, dewijl hij daardoor de ergernis zou hebben vermeden, welke zijn stilzwijgen aan zijne broeders moest geven. Hij verdedigde zich echter niet, kwam niet voor de waarheid uit, omdat hij Jesus wilde navolgen, die gedurende zijn lijden geen woord heeft gesproken, om zich van de zware misdaden te zuiveren, waarvan hij beschuldigd werd. Zijne handelwijze verwierf de goedkeuring van God, die zijne bui-tengewone en heldhaftige nederigheid rijkelijk beloonde. Maar die verhevene voorbeelden zijn boven het bereik der mensehelijke wijsheid, welke leert, de eer na te jagen, de verachting te vluchten, in alles zijn eigen belang te moeken, in plaats van Christus na te volgen, die ons door de dwaasheid van het kruis heeft vcrlot-.t.
53
ZESDE HOOFDSTUK.
Over ue woorden: Stel tl altijd op de laagste plaats, en de hoogste zal u gegeven tvorden. II. 10.
Vraag. Waarin lean een nederig mensch de laagste plaats kiezen?
Antwoord. Hij kan hot vooral in doze zaken: lo. In den levensstaat, dien hij omhelst. 2o. In zijne bediening. 3o. In zijn geestelijk leven.
Zij vernederen zich waarlijk in den levensstaat, dien zij omhelzen, die van groot, rijk en machtig, als zij waren, klein cn arm worden in den religieuzen staat. Hiervan hebben wij schitterende voorbeelden in vele koningen, vorsten en voorname personen, die uit liefde tot Christus alles verlieten, het religieuze leven omhelsden, en zich tot dienaren maakten van hunne broeders, alsof zij de minsten van allen waren. Daardoor zijn zij tot een hoogen trap van volmaaktheid geklommen; en men kan zeggen, dat zij daardoor bij Ood hebben verdiend, zoover boven de ge--wone menschcu verheven te worden, als de staat, waarin zij leefden, verhevener was dan die, welken zij uit eigen verkiezing hebben omhelsd, om zich voor God te vernederen.
Onder dezen moeten ook zij gerekend worden, die, terwijl zij in het religieuze leven zelf aan anderen konden bevolen, en alle geschiktheid
54
bezaten, om de verhevenste bedieningen waar te nemen, met aandrang verzochten, dat hun de laagste zouden toevertrouwd worden; of die, terwijl zjj alle verdiensten en bekwaamheden hadden, welke voor het priesterschap worden ver-eischt, deze eer weigerden, om minder in aanzien onder hunne broeders te zijn. Dit deed de heilige Franciscus, dit de zalige broeder Jaco-bon, die verlangde do bediening van kok in het klooster waar te nemen, ofschoon hij zeer geleerd was, en geschiktheid bezat voor dc hoogste bedieningen.
Dit doen in alle Ordes en Congregaties van mannen en vrouwen zoovele heilige zielen, wier eenig verlangen en streven het is, tot de laagste bedieningen te worden gebruikt.
Bij dezen kunnen ook zij worden gevoegd, die terwijl zij reeds in hooge waardigheid waren geplaatst, er behagen in schepten, zich in de nederigste bezigheden te oefenen.
Do heilige Franciscus Borgias en pater Vin-centius Caraffa, beiden generaals der Sociëteit van Jesus, beiden van schitterende geboorte, schaamden zich dan ook niet, ook in het openbaar, de nederigste bezigheden des huizes te verrichten. In goed geregelde religieuze gemeenten ziet men nog steeds, dat zij, die de voornaamste posten beklee-den , gecne grootere vreugde kennen, dan zich te
55
kunnen vernederen, en te toonen, dat zij de minst schitterende zaken liet meest beminnen, en met de grootste liefde omhelzen.
De ticeede wijze van do laagste plaats te kiezen vindt hare beoefening in do bedieningen, ook die geestelijk zijn; wanneer ze namelijk op eene eenvoudige, zedige wijze, zonder oenige praalzucht, worden uitgeoefend. Wanneer men wel verre van te willen schitteren, de verborgenheid liefheeft; wanneer men vermijdt wat vertooning maakt, wat bewondering wekt, waardoor men blijk geeft van veel verstand en bekwaamheid. Dit moet echter niet zoo verstaan worden, alsof professoren zich moeten voordoen, als weinig in do wetenschappen ervaren; dat ware overdreven zedigheid. Integendeel, zij moeten bl[jk trachten te geven, dat zij op de hoogte hunner taak zijn. Een lecr.iar in de godgeleerdheid, bijvoorbeeld, moet zich beijveren, om den geest zijner toehoorders met degelijke kennis te verrijken, hij moet trachten de verhevenste geheimen even diepzinnig als duidelijk uit te leggen, om er meer licht over te verspreiden, en zijne hoorderen er dieper in te doen doordringen.
Doch daar de wetenschap gewoonlijk opblaast, moet men wel op zijne hoede zijn, om alle ijdel-heid en vertooning te vermijden.
Een redenaar, die den predikstoel beklimt, la-
56
leen om het volk te onderrichten, om het tot boetvaardigheid op te wekken, om het te leeren, waarlijk christelijk te leven, moet niet zinnen op diepzinnige gedachten, moet niet te fijn redeneeren, moet zijne rede niet te kunstig samenstellen, noch te sierlijke, opgesmukte taal bezigen. Hij moet gewone, eenvoudige taal gebruiken, en de geschiktste, krachtigste beweegredenen aanhalen, om de zondaars te bekeeren, en ze tot beoefening der deugd, en tot liefde van God op te wekken. Hij, die met oen eenvoudig geloof en een waren ijver voor bet heil der zielen, in het Evangelie de zuivere waarheid zoekt, zonder den tijd te verliezen met tjjne en duistere redeneeringon, die eerder strekken, om de onwetenden te verblinden, dan om de braven te stichten, hij is een waar redenaar. Zoo iemand, vervuld van den geest Gods, overtuigt de weerbarstigste geesten, breekt de meest versteende harten, brengt de ver-stoktste zondaren tot bekcering.
De heilige Geest deelt zich met voorliefde mede aan hen, die eene eenvoudige, natuurlijke wijze van spreken aan vurigen ijver paren; maar niet zoo aan hen, die schijnen, zich boven de wolken te willen verheffen, en zich door verhevenheid van stijl en gedachten te onderscheiden.
Wij hebben redenaars gehoord, in wie men geene buitengewone hoedanigheden bemerkte;
57
maar die duidelijk, op een zedigen, ernstigen toon, in zeer gewone taal, de waarheden van het Evangelie verklaarden, en die meer vruchten voortbrachten dan anderen, die met veel meer natuurlijke talenten begaafd, met verheven gedachten, in sierlijke taal gekleed, voor het volk optraden. God schept er behagen in, door zijne genade, diegenen te verheffen, welke geen misbruik maken van hunne natuurlijke talenten, die wel willen afdalen, om zich te voegen en zich verstaanbaar te maken ook aan hen, die de minste vatbaarheid hebben, en die het slechtst onderwezen zijn.
Eindelijk, en dit is de derde zaak, waarin de ware nederige de laagste plaats kiest; men moet zich wachten, in het geestelijk loven zich te hoog te willen verheffen. Men vindt er soms onder diegenen, welke zich op het geesteljjk leven toeleggen, die, wetende, dat God sommige personen langs buitengewone wegen geleidt, al hunne krachten inspannen, om zich ook op dien weg te plaatsen, zonder door God er toe geroepen te zijn.
Spreken zij over geestelijke zaken, het is in zoo verheven taal, dat men hen met moeite begrjj-pen kan; in oefeningen van godsvrucht willen zij slechts wat verheven en nieuw is, in plaats van die oefeningen te bezigen en aan te bevelen, welke
58
de Heiligen ons hebben geleerd; schrijven zij over een of ander geheim van den heiligen godsdienst, het is altijd op eene fijne en spitsvondige wijze, uiterst droog, zonder zalving of godsvrucht.
Dat komt, omdat zij te hoog wille» yliegen. Men zou hun voortdurend de woorden moeten herhalen: Vernedert u, en gij zult verheven worden. Wat kan men zich verhevener voorstellen dan de gevoelens van de heilige Theresia, van de heilige Catharina, en van eenige andere heilige zielen. Maar hoe zijn zjj daartoe gekomen.? Door terstond te willen vliegen, en zich tot de verhevenste beschouwing te willen verheffen? !Ncen, maar eerder door zich te vernederen aan de voeten van Jesus, haar bcminnelijken Bruidegom, wiens gunsten en liefkoozingen zij hebben verdiend door versterving des lichaams, door oefeningen van boetvaardigheid en door heldhaftige akten van ootmoed en liefde.
Er worden er soms gevonden, die zich verbeelden, dat zij des te meer do hemelsche dingen zullen smaken, naarmate zij verhevener gedachten voeden. Maar zij mogen zich nog zoo krachtig inspannen, om zich te verheffen, zij zullen er niet meer bij winnen, dan wanneer zij uiteen droge spons water poogden te persen. Neen, daar vindt mcii het sap der ware godsvrucht niet. God stort zijne overvloedige genaden niet uit,
59
dan over hen, die hunne eigene laagheid en geringheid beminnen, en die de christelijke eenvoudigheid en zedigheid boven alle zelfverheffing en wereldsche grootheid stellen.
De heilige Theresia deed voor niemand onder in verhevenheid van geest, en toch was zij de eenvoudigheid zelve, natuurlijk en ongedwongen in hare gesprekken. Hare manieren waren ongekunsteld, en zoover verwijderd van allen werekl-schen geest, dat zij, volgens het getuigenis van haar biechtvader, zich als een lastdier beschouwde, en dat zij zich aan de voeten van Jesus plaatste, als hebbende behoefte, om in de minste zaken onderricht te worden. Zij streefde er niet naar, om, met hetgene zij wist, vertooning te maken, ofschoon dc goddelijke Zaligmaker haar eene wijsheid had medegedeeld, die gepaard met de kracht en do levendigheid van haren geest, haar deed doorgaan, voor eene der bekwaamste vrouwen van haren tijd. Zij bezigde geene buitengewone uitdrukkingen, dan alleen wanneer zij over de mijs-tiekc godgeleerdheid handelde, waarin zij op eene bewonderenswaardige wijze ervaren was.
De natuurlijke talenten worden door velen geacht en hoog geroomd, en zij moeten voorzeker ook niet gering geschat worden; omdat men quot;r een zeer nuttig gebruik van kan maken; maar er moet altijd meer gewicht worden gehecht aan
60
de gaven der genade, die onvergelijkelijk meer bijdragen, om gewichtige zaken voor den dienst van God ten uitvoer te brengen.
quot;Wanneer sommigen iemand aantreffen, die schrander is, die gezond redeneert en zich op eene edele wijze weet uit te drukken, dan vatten zij aanstonds eent groote gedachte van hem op, en achten hem tot alles bekwaam. Doch zij zouden eerst moeten onderzoeken ol' hij nederig is, of hij niet te veel met zich zeiven is ingenomen, ot hij geen te groot vertrouwen stelt op zijn verstand, op het licht van zijn geest: want dat moet men tot maatstaf nemen, om te heoordeelen, waartoe hij geschikt is, waarin hij kan slagen; omdat de goede uitslag van de grootste plannen gewoonlijk de vrucht der nederigheid is.
Men zegt soms in eenc religieuze gemeente: dit is cone zuster met oen levendigen geest, met een fijn oordeel, zij is handig in alles, wanneer ze maar een weinig deugd heeft, dan zal zij eene uitmuntende religieuze zijn. Integendeel, er is eene andere, die daar eenvouJig heen leeft, en, uit heilige zedigheid, althans voor een tijd, de uitmuntende hoedanigheden, waarmede God haar begunstigd heeft, verborgen houdt; voor zulke zuster heeft nun geene achting. Aan dezulken, die de zaken zoo slecht heoordeelen zou ik zeggen: voedt die ware gevoelens, welke de deugd.
61
altijd tot vernedering geneigd, aan de Heiligen inboezemt: vernedert u, wacht u wel de neiging te volgen der natuur, die naar eer en vertooning haakt; en God, die de nederigen verheft, za! n zijn geest mededeelen en u met zijne genaden verrijken. Zegt dus niet, deze heeft weinig verstand, omdat zij er minder blijk van geeft dan do anderen, wanneer het slechts plichtplegingen en zuiver wereldsche beleefdheden geldt. Misschien zou zij daar beter in kunnen slagen, dan iemand anders, maar zjj acht die beuzelarijen niet, en zij kan het niet van zich verkrijgen, om zich daar op toe te leggen; omdat eene ziel, die uit deugd handelt, minder gewicht hecht aan die natuurlijke geschiktheid, dan aan de wijsheid, die uit de genade voortkomt.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Ik hen een sterlf heproecer van alle godvruchtigen. 111, 3.
Vraag. Wie zijn de waarlijk godvrucJific/en?
Antwoord. Dat zijn diegenen, welke vast besloten, om braaf te leven, er slechts op bedacht zijn, om in de deugd voortgang te maken, en zicli meer en meer met God te vereenigen.
62
Er zijn er, die voorgeven, God te willen dienen, die braaf schijnen to wezen, en het inderdaad ook wel zijn; maar die niet alles hebben, wat er gevorderd wordt, om den naam van godvruehti-gen te verdienen.
Zij zijn waarlijk godvruchtig, die niet alleen in beschouwing, maar ook in de praktijk, niets stellen boven de eer van God, en het volbrengen van zijn heiligen wil, vooral in hetgeen op hunne eigene volmaaktheid betrekking heeft. Doch ook onder hen, die het werk hunner zaligheid ter harte nemen, en die ook eenige vreeze Gods hebben, zijn er weinigen, die deze leer goed hebben begrepen.
Deze ware godvruchtigen nu worden door God zwaar beproefd, aan hevige kwellingen onderworpen. Zoo handelt Hij met do heiligen, die zich edelmoedig aan zijnen dienst toewijden; cn deze beproevingen zijn drieërlei. De eerste is. tegenspraak en tegenwerking van den kant der men-schen. Hoe vele christenen treft men aan, die zeer rustig daarheen leven en wie alles goed gelukt;' Zij worden geacht en geprezen en boven anderen gesteld; zij zijn zeer goed met zich zelven tevreden: den staat hunner zaken beschouwende, zien zjj niets, dan geluk en voorspoed. Maar indien zij goed den blik vestigen op de gesteltenis huns harten, dan zullen zjj duidelijk erkennen, dat zij
63
nog geen vast besluit hebben gevormd, om zich geheel aan God toe te wijden, in Hem al hunne vreugde en hun geluk te stellen. God, van z|jnen kant, rekent hen niet onder diegenen, welke Hij pleegt te beproeven, te volmaken, naar het beeld van zijn eenigen Zoon te vormen, volgens de woorden van den Apostel: Allen, dis godvruchtig trillen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden. II. Tim: III, 12.
Een voornaam leer.iar, zeer verlicht aangaande de geestelijke zaken, verklaart, dat God eerder hemel en aarde zou laten vergaan, dan toe te laten, dat de zijnen niet werden beproefd. De heilige Theresia verzekert, dat, van het oogen-blik af, dat ecne ziel hot plan vormt, om geheel aan God toe te behooren, allerlei stormen zich tegen haar verheffen. Waaruit volgt, dat eene groote kalmte, geen goed teeken is. En dat is gegrond op onze natuur, die altijd op genoegen uit, niet dan door het lijden, aan zich zelve kan sterven, noch tot een hoogen trap van volmaaktheid kan geraken.
Zoo laat God tot welzijn van sommige zielen toe, dat zij gedurende vele jaren, en somtijds tot aan hunnen dood, in de religieuze gemeente, waarin zjj leven, voor schuldig worden gehouden; en, na nlles g'oed onderzocht te hebben, bcvrodt men dan eindelijk, dat het zonder reden, of wel
G4
om zeer nietige redenen was. Intusschen wordt er, alvorens do waarheid aan het licht is gekomen, veel misbaar gemaakt; van alle zijden rijzen klachten en gemor; alles wordt verdacht en verkeerd uitgelegd. Het blijkt duidelijk, dat God de deugd van zulke zielen beproeven wil, nadat zij besloten hebben, om een heilig leven te leiden. Omdat gij aangenaam waart aan God, zeide de ongel tot Tobias, daarom was het noodig, dat gij door de bekoringen beproefd werdt. Tob. XII, 13. David, die man naar Gods hart, heeft zware beproevingen onderstaan. Abraham, Joseph en eene menigte andere Heiligen hebben dezen weg bewandeld; en zoo iemand niet altijd bereid is, om laster, vervolging en smaad te verduren, dan zal hij het ternauwernood tot eene middelmatige deugd kunnen brengen.
Het is de ware geest der kinderen Gods, geene rust in dit leven te zoeken; maar te willen lijden uit liefde tot God; en God in zijne vaderlijke voorzienigheid pleegt hen ook langs den smallen weg te geleiden. Helaas! hoezeer bedriegt men zich, wanneer men meent, door God bijzonder te worden bemind, en den zegen des hemels waardig te zijn; omdat men door een ieder geacht, bemind en gezocht wordt. De een zegt tot zich zeiven; Ik leef tevreden in den religieuzen staat, niemand heeft iets tegen mij, ik geniet de ach-
65
ting mijner oversten. Een ander zegt: al mijne naburen beminnen mij, ik word door een ieder met hoogachting bejegend. Dat schenkt hun vreugde cn troost. Maar zochten zij naar de reden van die zoete rust, van die algemeene achting, wellicht zouden zjj moeten bekennen, dat die rust en die achting aan hunne lafheid zijn toe te schrijven, cn aan den geringen ijver, dien zij hebben voor hun geestelijken voortgang.
Voorzeker, brave zielen worden niet altijd vervolgd en belasterd; zjj kunnen ook geacht en bemind worden, en zekere rust genieten; maar hebben zij van de menschen niets te verduren, dan laat God hun vaak inwendige kwellingen overkomen, die. ofschoon \oor het oog der menschen verborgen, een waar martelaarschap voor hen zijn. Zoodra Jesus de menschen begon te onderwijzen, vingen ook de vervolgingen aan, die tot aan zijn dood bleven voortduren. De heilige Paulus trof overal vijanden aan, die op zijn verderf uit waren. De heilige Benedictus ondervond in de stichting zijner orde schier onoverkomelijke moeielijkheden. De heilige Ignatius had bijna nimmer rust, en zijn leven was eene aaneenschakeling van vervolgingen. De religieuze gemeenten, waar God hot volmaaktst wordt gediend, hebban de wreedste vervolging van den kant der wereld te verduren. Hoeveel heeft de
66,f
orde van den heiligen Franciscus in den beginne niet geleden! Wat eene moeite heeft het de heilige Theresia niet gekost, om hare hervorming in te voeren! Verzetten alle natiën on alle machten der aarde zich niet tegen .de vestiging dei-Kerk?
Weet derhalve, dat gij van het oogenblik, dat gij het vaste besluit vormt, om geheel aan God toe te behooren, hevige aanvallen te verduren zult hebben van. den kant der wereld, die de deugd en godsvrucht vijandig is. De reden hiervan is hierin gelegen, dat de duivel zijne handlangers ophitst tegen hen, die godvruchtig en braaf willen leven; en God laat het toe, ter uitvoering der plannen, die Hij in zijne voorzienigheid met zijne uitverkorenen heeft.
De tweede soort van beproeving, welke de godvruchtigen te verduren hebben, bestaat in inwendige kwellingen. .Want zoodra iemand besloten heeft, om den smallen weg te bewandelen, zendt God hom deze soort van kruisen over ; daar Hij niets vuriger verlangt, dan tot do uitvoering van een zoo edelmoedig besluit behulpzaam te zijn.
Ja, zoo handelt Hij gewoonlijk met diegenen, in wie Hij eene zielsgesteltenis aantreft, waardoor de mensch geschikt is, om grooten voortgang in het geestelijk loven te maken. Men moot, zegt
fi
67
een geestelijk schrijver, door Treeselijke woestijnen heentrekken en lango nachten doorworstelen, dat wil zeggen, langen tijd in dorheid en duisternis doorbrengen, alvorens, niet alleen van alle uitwendige zaken, maar ook van zich zeiven onthecht te zijn; dat is ook noodig, om de eigenliefde ten onder te brengen, die zoo diep in onze natuur is geworteld. Niets is daarvoor dienstiger, dan de berooving van allen geestelijken troost, en de strijd van verschillende bekoringen. Hierdoor wordt de ziel genoodzaakt, krachtiger pogingen aan te wenden, ten einde zich zelve te overwinnen, en wordt zij opgewekt, om dikwijls te betuigen, dat zij alleen aan God wil toebehooren. Door zulken strijd wordt de ziel ook veel in de deugd geoefend en versterkt.
God heeft deze wet gesteld van de zonde onzer eerste ouders af; en altijd is Hij gewoon geweest aan zijne vrienden, of wel inwendig of uitwendig, en soms inwendig en uitwendig tevens, de gelegenheid te geven, om zich in het geduld te oefenen. De heilige Ignatius gevraagd zijnde, waardoor hij oordeelde, dat men het meest in het geestelijk leven kan vorderen, gaf ten antwoord : door te lijden. Komt er niets van buiten, dan zendt God ons inwendige kwellingen over. En wanneer Hij groote plannen met eene ziel voor heeft, dan handelt Hij met haar, gelijk weleer met zijn dienaar
68
Job. Hij kwelt haar op allerlei wijze, en wel zoo tevig, dat liet lijden de menschelijke krachten schijnt te boven te gaan.
Daarin volgt God de orde, die Hij in de natuur heeft gesteld. Nadat de landman gezaaid heeft komt de winter, gedurende welken het zaad wortel schiet, en de planten sterkte erlanigen, om in de lente bloemen te kunnen voortbrengen, en in den zomer vruchten te kunnen dragen. Zoo ook komt, nadat de ziel de genade ontvangen heeft, de koude der dorheid, opdat dat goddelijke zaad ontkieme, en te zijner tijde uitmuntende vruchten van alle goede weiken voortbrenge.
De derde beproeving van de deugd der groote Heiligen bestaat ook in inwendige kwellingen, maar in zoo verschrikkelijke, dat men ze kan vergelijken met de kwellingen van het andere leven. Die oefeningen van heldhaftig geduld trekken voorzeker, wanneer ze goed worden gebruikt, op diegenen, welke daarin volmaakt aan den goddelijke wil onderworpen zijn, buitengewone genaden van God af; maar zelden doen zij zich voor, en weinigen zijn er in staat, om die te verduren. God echter, die er behagen in schept, de zijnen geweldig te beproeven, zendt ze van tijd tot tijd over aan zielen, die 11 jj bijzonder liefheeft; en het is een zeker bewijs van het groote verlangen, dat Hij heeft naar hare volmaaktheid. Want
69
door dio hevige schokken schiet de deugd dieper wortel in de ziel, en de ziel, aldus versterkt, brengt uitmuntende en veelvuldiger akten van deugd voort. Daarenboven, dewijl men op die wijze veekvoldoening geeft aan de rechtvaardigheid Gods. wordt de ziel er gewoonlijk veel door gezuiverd en verlicht. En het licht en de vertroostingen, die men er ontvangt, zijn zuiverder en overvloediger.
Velen nochtans spotten met dat alles, en zoggen stoutweg, dat de genade er geen deel aanheeft; dat het slechts uitwerkselen zijn van zwaarmoedigheid. Maar de ondervinding van zoovele heilige zielen, welke God door die hevige kwellingen beproefd heeft, toont aan, dat daarin een geheim is gelegen, voor demenschelijke wijsheid verborgen. Be heilige Gertrudis schrijft van zich zelve, dat zij zeer groote kwellingen verduurd heeft. De heilige Angela de Folignij heeft er verschrikkelijke geleden. Zij, die het best over het mijstieke leven geschreven hebben, de heilige Joannes van het kruis, Blosius, Joannes van Jesus-Maria en vele anderen hebben boeken samengesteld, met liet bepaalde doel. om die soort van kwellingen te verklaren.
Onder de zielen, in wie ik de meeste liefde tot Jesus heb aangetroffen, heb ik er een groot getal
70
gekend, die een buitengewonen inwendigen strijd te verduren hebben gehad.
Velen, die geen kennis hebben van dat zoo doornige pad, geven aan hen, die het bewandelen, den raad om zich te verzetten en te verstrooien. Maar dat baat niet; hunne kwelling blijft voortduren, en God alleen kan er hen van verlossen. Doch God wil er hen zoo spoedig niet van bevrijden, omdat Hij, hen in het lijden latende, hunne zielen bewerkt, gelijk een tuinman zijn tuin bebouwt, waarin hij zorg draugt de booinen te snoeien, en het onkruid uit te plukken.
Wat hen betreft, die deze harde beproevingen vreezen, eu die den moed niet hebben, om zich in de handen van God over te geven, zij kunnen verzekerd zijn, dat zij altijd onvolmaakt zullen blijven ; ofschoon zij zich vaak vleien, dat alles goed gaat, en zij met hun toestand zeer tevreden schijnen te zijn.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over ue woorden: Het is eene yvoote Inoist, met Jesus weten omte gaan, en Jesus hij zich urtcn te behouden, is eene groote wijsheid. II, 8.
71
Vraag. Wat wil dat zeggen: met Je sus weten om te gaan?
Antwoord. Dat is, zich in zijn binnenste met Hem weten te onderhouden; waartoe drie zaken worden vereischt.
Vooreerst, zich in zijne tegenwoordigheid te houden, en te zorgen, dat men zich daar niet uit verwijdert.
Weinigen maken hunne voorname zorg van dezo oefening, en zij toch is de bron van alle geestelijke goederen. Zij bestaat, in er aan te denken, dat God wezenlijk in ons tegenwoordig is, dat ook zijn eenige Zoon, Jesus, in ons tegenwoordig is door zijne genade, en door de kracht van het allerheiligste Sacrament des Altaars; daarbij, in te bedenken, dat het goddelijk Woord mensch zijnde willen worden uit liefde tot ons, zijn beeld in onze ziel en in ons lichaam gedrukt heeft; eindelijk dat wij, door de genade met Jesus veree-nigd. Hem in zekeren zin bezitten, en dat Hij in ieder van ons als in zijn tempel woont.
Zoo kan een ieder zich Jesus in zijn binnenste voorstellen, en daar met Hem omgaan; daar Hij zijne tegenwoordigheid aan de ziel op eene zoo innige, ofschoon onverklaarbare wijze, doet gevoelen, dat Hij haar zijne stem doet vernemen, cn al hare vermogens doordringt, zoodat zij vol
72
vreugde met den Apostel uitroept: Ik leef, niet ik, maar Christus leeft in mij. Gal: II, 20.
De heilige Catharina van Siëna zeide tot haar biechtvader, dat zij werkelijk de tegenwoordigheid van Jesus gevoelde. Men moet zich derhalve gewoon maken, om Jesus in zijn binnenste te gevoelen. Het geheele geheim is hierin gelegen, dat men zich Christus levendig voorstelt door veelvuldige akten van een eenvoudig geloof; dat men zich innig met Hem vereenigt door eene voortdurende oefening eener teedere liefde. Leggen wij ons daarop van onzen kant toe, dan zal God ons bijstaan door de bijzondere hulp zijner genade, waardoor Hij de getrouwe ziel opwekt, om zich gemeenzaam met Hom te onderhouden.
De beste stemming, die wij kunnen aanbrengen, is, voortdurend aan Jesus te denken, zijne grondstellingen niet te vergeten, zijn leven en dood steeds voor den geest te houden. Daardoor vormt men zich ongemerkt een levendig en beminnelijk beeld van Jesus, wat ons veel helpt, om tot eene innige gemeenzaamheid met Hem te geraken. Dat beeld prent zich in de ziel, niet door geweldige inspanning, maar, als het ware, natuurlijk en zonder moeite, door dikwijls aan zijne heilige menschheid te denken.
Het tweede middel, om op eene voordeelige wijze met Jesus om te gaan, is, naar zijne goddelijke
73
inspraken te. luisteren, èn die getrouwelijk op te volgen. Om de opwekking der genade goed te gvvoeleu, moet men boven alles zorgen, zich in alle omstandigheden volgens het licht der rede en des geloofs te gedragen. Zoo wordt die opwekking steeds krachtiger in de welgestemde ziel, en doet zich allengs zoo hevig gevoelen, dat zij haar opvolgt zonder weerstand te bieden, en er zich nimmer aan onttrekt, noch uit lichtzinnigheid, noch uit zwakheid, noch door toe te geven aan de natuur, die altijd vrij wil zijn, om hare neigingen te volgen; hoe getrouwer men zich hierin aan God betoont, hoe meer men in genade toeneemt; e daaruit ontstaat dat gema'c, wat geestelijke .personen eigen is, om zich met Jesus in het gebed te onderhouden.
Allen smaken deze oefening niet; maar het is zeker, dat do slechte beantwoording aan de genade de oorzaak is, dat men zooveel vrijheid schenkt aan de natuur, en daarom in de duisternis wan-delti Gelukkig hij, die het middel kent, om met Jesus vereenigd te blijven. Hem in zijn binnenste te omhelzen; en in vrede bij Hem te rusten!
Daar dit in ieders macht is, moeten ook allen zich daartoe beijveren, gelijk ook allen er toe worden uitgenoodigd door den Zaligmaker zeiven, dio hun zegt: Komt alhn tot Mij. Mt. XI, 28. . lot Jesus moeten we gaan; niet door 'ons in
74
beweging te stellen, dat wil zeggen, door ons te verstvooicn; maar door ons toe te loggen, om 's lleeren stem te vernemen, en de opwekking zijner genade te volgen. Gelukkig de ooreu, die voor het zacht geruisch der goddelijke inspraak open staan. Ill, 1.
De schrijver der Navolging beijvert zicli, om ons van het groote gewicht te overtuigen, dat er gelegen is, in het luisteren naar de inspraken Gods. Iedereen heeft dat boek, iedereen leest het, en- desniettemin scheppen weinigen behagen in die géestelijke inwendige oefening. En waarom? Omdat de uitwendige zaken, die de zinnen treffen, gemakkelijker in do ziel binnendringen, on er oen levendiger indruk teweegbrengen.
Het is waar, dat liet in den beginne moeielijk valt, en dat er groote ijver gevorderd wordt, om zich die oefening eigen te maken; maar de schat, van geestelijke goederen, dien men er naderhand in vindt, doet alle doorgestane moeite vergeten.
\ raagt men mij derhalve, wat het inwendig leven van den volmaakten christen is, dan antwoord ik, dat het niets anders is, dan een voortdurende toeleg, om aan de gjnade van God te beantwoorden. zonder ooit liet valsche licht te volgen der rede, door do uitwendige voorwerpen misleid, en bedorven door schijnredenen van de bedriegelijke wijsheid der wereld. Alwie in dit punt niet ge-
75
trouw is, is ongeschikt voor de oefeningen van het inwendig leven.
Er zijn er, die zich inbeelden, dat dit innig verkeer en die nauwe vereeniging met God, slechts voor hen is, die in de eenzaamheid leven, en die zich uitsluitend op het beschouwende leven toeleggen. Maar ik stel hun de vraag, wat zij dan denken van den schrijver der Navolging, die in zijn tweede boek uitsluitend hierover handelt. Kunnen zij gelooven, dat hij alleen heeft geschreven voor hen, die in de eenzaamheid leven, en zich uitsluitend wijden aan het beschouwende leven?
Neen, ook de apostolische mannen, die zich aan het zielenheil des naasten wijden, en in het algemeen al diegenen, welke God volmaakt willen behagen, zij allen moeten deze oefeningen behartigen. Hoe toch zouden zij zich anders verzekerd kunnen houden, het leven der genade te bewaren, te midden van zoovele uitwendige, verstrooiende bezigheden? Hoe zouden zjj Grod in alles kunnen zoeken, hoe zich ontdoen van de liefde tot de schepselen, indien zij in hun binnenste niet eeno voortdurende gemeenzaamheid met God onderhielden? God moet hen aanwakkeren, ondersteunen en helpen, om zoovele moeielij-ke zaken, die hunne natuurlijke krachten te boven gaan, ten uitvoer te brengen.
76
De heilige Franoiscus Xaverius had zich in â¢zijn binnenste eene soort van eenzaamheid gebouwd, waar hij zijn God altijd vond, en waar hij de zoetste rust genoot, tc midden van al zijne vermoeienissen.
Gelukkig de oog en, die voor alles, wat de zinnen treft, gesloten, maar voor het inwendige alleen geopend zijn. Gelukkig zij, die tot het inwendige weten door te dringen. Ill, 1.
Het Boek der Navolging van Christus beveelt niets zoo zoer aan, dan de liefde voor de ingetogenheid, de verloochening van zich zeiven eu de inwendige versterving. Kostbaar boek! De heilige Ignatius gebruikte het zoo getrouw, dat hij er dagelijks twee hoofdstukken uit las, een bij het openslaan des hoeks, en een ander in volgorde, en hij was zoo van zijne grondstellingen doordrongen, dat zijn leven, volgens het getuigenis van zijn geschiedschrijver, er eene getrouwe afspiegeling van was. Lezen wij het ook getrouw en met aandacht, en wij zullen meer en meer van do noodzakelijkheid overtuigd worden, om ons toe te leggen op het inwendige leven, c.i aan de goddelijke inspraken te beantwoorden.
De derde zaak, die gevorderd wordt, om goed met Jcsus te kunnen omgaan, is de nederigheid. Want gelijk het de voornaamste zorg der hovelingen is, hun hof tc maken bij den vorst, zoo
77
moeten ook do ware dienaren Gods zieli toeleggen, om met Hem inwendig op de nederigste en eerbiedigst mogelijke wijze te verkeeren. Daarom bidt de schrijver der Xavolging: Leer mij. o mijn God, waard!;/ en nederig met U omyaau. Ill, 3. Alwie de ingevingen des hemels niet acht, of gesprekken voert Gods tegenwoordigheid onwaardig, bezit deze nederigheid niet. .Men moet te allen tijde en te aller plaatse een grooten eerbied betoenen voor de goddelijke Majesteit. En dat beknelt die zielen niet, die geheel en al aan God willen toebehooren; want is Hij haar Koning, ilij i.s haar Bruidegom tevens. Een Bruidegom, die haar innig bemint, die niet wil gevreesd worden, die .slechte van haar vordert, dat zij Hem getrouw trachten to zijn; en die, die getrouwheid beloont, door een overvloed van ho-melsche zoetigheden en rijke vertroostingen.
Vraag. Welk is het middel, om zich innig aan Jesus te hechten, en altijd hij Hum te hl ij ven?
Antwoord. Daartoe moet de ziel, die eenmaal de voordeden van die innige gemeenzaamheid met Jesus erkend heeft, zich uit al hare i rach-ten toe leggen, om die voortdurend te onderhouden, en niets zoozeer vreezen, dan zo weer te verliezen.
Indien zij zoo dwaas is, dat zij, in plaats van de genade, die zij verkregen heeft, te bewaren,
78
dezelve verwaarloost, dan verdampt dat kostbare reukwerk, bij gebrek aan goede sluiting, tér-stond.
Men schiet hierin dus veel te kort. door de verstrooidheid des harten en de uitgestortheid der zinnen. Want zij. die eer of genoegen najagen, zijn geheel buiten ziuh zeiven; zjj zijn er slechts op uit, om genoegen te smaken, oï zich naam in de wereld te verwerven. Zoo verwijderen zij God van zich. die hen dan ook aan hen zeiven overlaat, cn hen de neigingen huiis harten doet involgen, en hunne driften bevredigen : maar tot hun ongeluk.
Do zielen, in welke de hemelsehe wijsheid woont, laten hare lampen nooit uitgaan: zij zijn altijd van olie voorzien, om het vuur der godsvrucht te onderhouden. Zij voeden het door godvruchtige overwegingen, door gedurig na te denken over Christus' leven en dood. en door andere dergelijke beschouwingen, die haar nooit ontbreken.
Zij vervullen haren geest niet met ijdele geruchten en nieuwsberichten: do gedachten zelfs aan studie of opgelegde bezigheden, olschoon onschuldig, houden haren geest niet overmatig bezig; zij geven er niet meer tjjd aan, dan noodig is, en zorgen, er zich niet aan te hechten. Zjj smaken slechts God. en denken aan Hem alleen, als
79
een getrouwe dienaar, die er altijd op bedacht is, om zijn heer te dienen, die hem overal volgt, en hem zelden uit het oog verliest. Haar eenig verlangen is, Jesus te bezitten, en zoo van Jesus vervuld te worden, dat de wereld in haar hart niet kan binnendringen, en dc zinnelijke voorwerpen er uitgesloten bljjven; terwijl zjj toehal-tijd werkzaam zijn, en alles voor de glorie van God ondernemen.
En in dat alles ontwaren zjj geene moeielijk-heid; of indien zij er in den beginne wat moeite bij ondervinden, deze verdwijnt weldra, en wordt door eene groote zoetheid gevolgd.
Zij wenden ook alle zorg aan, om de vriendschap van God te bewaren. Haar inzicht is allerzuiverst ; en zij zijn getrouw en standvastig, in zich zeiven te overwinnen; wat noodig is, om iets van belang voor de glorie van God te verrichten.
Niemand wordt meester in zijn vak, dan door zich veel arbeid en moeite te getroosten; en men zou zich voorzeker ten onrechts over de moeite beklagen, die men moet aanwenden, om een trap van volmaaktheid te bereiken, die zoo verheven is, als deze, waarvan wij hier spreken.
80
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de 'woorden: M.en vordert meer door alles te verlaten, dan door diepzinnige navorschingen. 111, 43.
Vraag. Waarom verkrijgt men meer kennis door alles te verlaten, dan door diepzinnige navorschingen?
Antwoord. Omdat men door alles te verlaten, en aan alle voordeelen der wereld vaarwel te zeggen, zich geschikt maakt, om het goddelijk licht te ontvangen, waardoor men veel meer kennis verkrijgt, dun men door bespiegeling en lezing kan verwerven.
Om dit goed te begrijpen, moet men vooropstellen, dat men op twee verschillende wijzen kennissen kan verwerven. De eene wijze is, door te stu-deeren, te lezen, onderricht te ontvangen, zjjn geest met ijver toe te leggen op het navorschen der waarheid; de andere, door zich los te maken van alle gehechtheid aan de schepselen, en door zich te beijveren, om tot God te naderen door het gebed. Op deze laatste wijze ziet de ziel zich ongevoelig, en bijna zonder dat zij het merkt, van den hemel onderricht, en opgevoerd tot eene verhevene kennis der goddelijke volmaaktheden, en der geheimen van onzen heiligen godsdienst. Nog meer: somtijds wordt zij ook zeer verlicht aan-
81
gaande bloot natuurlijke zaken, en ondekt zij geheimen, die de wereld bewondert, die weinigen kennen en die den Heiligen krachtige beweegredenen zijn, om zich op te wekken tot ijver, den naasro behulpzaam te zijn, en God, hunn en Schepper te loven en te prijzen.
Zelden toch deelt God deze natuurlijke kennissen mede aan eenvoudige, onwetende lieden: terwijl Hij hun veel licht schenkt aangaande de bovennatuurlijke waarheden. Men treft inderdaad personen aan, die volstrekt niet hebben gestudeerd, ook vrouwen, die door het gebed op wonderdadige wijze verlicht zijn geworden, aangaande de waarheden van hot geloof. In den regel toch wordt dat overvloedige licht niet geschonken dan aan hen, die daarvoor ook natuurlijke vatbaarheid hebben, en die reeds begonnen zijn de goddelijke dingen te smaken. Maar liet is evenwel zeker, dat liet somtijds gebeurt, dat iemand door de beoefening van het gebed en.de verloochening van zich zeiven in zoo hoogen graad wordt verlicht, dat hij diep doordringt in de geheimen zoowel van de natuur als van de genade. Dit is ook hot geval geweest met sommige heilige Leeraren, onder anderen met den heiligen Bona-ventura, den heiligen Thomas, en, volgens sommigen, met Albertus den groote. Want, hadden zij ook een doordringenden geest, men kan toch
82
zoggen, dat zij tot die hooge geloerdheid gekomen zijn, eerder door hemelsche verlichting, zicli plaatsende aan don voet van het kruis, dan door het lezen van tallooze boeken.
Niet, dat zij weinig tijd aan de studio besteedden; maar zij hadden toch hunne kennis meer aan de genade te danken, dan aan do kracht en de fijnheid van hun verstand, inderdaad, niets verheft de ziel meer, niets maakt haar meer geschikt, om het hemelsche licht te ontvangen, dan de volmaakte zuiverheid des harten, de algehoele verzaking van al het geschapene, en de volko-mene overgave van zich zeiven in de handen van God.
Zij, die zich bij de studie bepalen, en bij de inspanning van hunnen geest, zullen nooit waarlijk verlicht zijn aangaande God en de goddelijke zaken. Zij zullen er over spreken als het groote getal; zij zullen er misschien over kunnen piee-ken, met bijval hunner toehoorders; maar hunne kennis zal zeer verschillend zijn van die der heilige leeraren, zij zullen er dien smaak niet in vinden, dien de Heiligen er in hebben gevonden. Zij zullen vaak de grondstellingen der christelijke zedeleer in verkeerden zin opvatten, en het verhevenste, wat het Evangelie ons leert, als verlagend beschouwen. Zij zullen dwaling noe-
83
men, wat zij niet kunnen begrijpen, en de eenvoudigste waarheden, die voor geestelijke personen zoo duidelijk.zijn, zullen zij ni»t kunnen vatten. Hierop duidde (xerson, ais hij zeide, d:jt sommige leeraren spotten met do godvruehtigen, als zijnde onwetende lieden, en die niet weten, wat zij zeggen. Wanneer zij reeds zoo weinig verlicht zjjn aangaande de zaken, die gemakkelijk te be-grijpen zijn, dan is het niet te verwonderen, dat zj geUeel en al blind zijn aangaande die waarheden, welke boven de natuurlijke rede verheven zijn; als daar zijn, eonige gevoelens der Heiligen. Bijvoorbeeld, wanneer men hun zegt, dat de heilige Paulus en de heilige Franciseus geloofden, de grootste zondaren der wereld te wezen, dat de heilige Ignatius zich beschouwde als den onvol-inaakste van alle leden der sociëteit van Jesus ofschoon hij boven allen in verdienste en heiligheid uitmuntte.
Dat zjjn voor hen wonderspreuken en raadsels, die zij niet kunnen begrijpen. Hoe, zeggen zij' konden die Heiligen, die wisten, welke genaden God hun mededeelde, in waarheid zeggen, dat zij niemand kenden, onvolmaakter, ellendiger dan zij? Dat zijn, meenen ze, van die vrome gedachten, welke geen grond hebben, die dikwijls opkomen in den geest van geestelijke personen, die door hunne nederigheid verblind zijn.
8-1
Zoo spreken zij, die alles beoordeelen naar andere regels, dan die van het Evangelie; die over alles redeneeren, en niets gelooven, dan hetgeen men hun door natuurlijke redeneering bewijst.
Wij keuren de redeneerkunde niet af; zij is zeer nuttig; maar men bedriegt zich, wanneer men te veel wil redeneeren over sommige gevoelens, die door den heiligc.i Geest aan sommige zielen worden medegedeeld.
Dit is zeker, dat de Heiligen, die zich van alles ontdoen, en die grootere verlichtingen van den hemel ontvangen, zeer goed begrijpen, wat zij zeggen; althans, de eeuwige Wijsheid, die hen verlicht, laat hun niet den minsten twijfel in den geest over. /ij maakt hun alles, wat zij onder-wijst, zoo duidelijk, dat zij er ten volle van overtuigd zijn, en er ook do bekwaamste leeraren van overtuigen. Zoo gaf dc heilige Franciscus a Paula verwonderlijke antwoorden aan hen, die hem uitleg vroegen van de moeielijkste plaatsen der heilige schriftuur. Dat komt, omdat hunne ziel, losgemaakt van de schepselen, vrij van alle aardsche genegenheid, door niets belet wordt het bovennatuurlijk licht te ontvangen; en dat een straaltje van dat goddelijk licht hun meerdere zaken ontdekt, dan zij door lange en moeitevolle studie konden leeren. Ik hen het, zegt de ongeschapen Wijsheid, die den geest eens ootmoecligcn
85
in één ooyeiiblik zoo hoog kun verheffen, dat hij in de iji'lieiiiicn der eeuwige Waarheid veel dieper doordringt, dan een ander door tienjarige oefening np de scholen, het immer zoude brengen. III, 43,
TWEEDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden : Leer het uitireridifie eer-smaden, en u. tot het hnrend'u/e Imjecen, en Æ//Æ z)i!t het rijk Gods in u zien l-omen. II, 1.
Vvaag. U'ot wil dat zeygen: het nifwendKii rei-sn iaden?
Antwoord. Dat wil zeggen, dat men in don grond zijner ziel zoo onvcrsoliillig is voor al liet uitwendige, en voor alles wat niet kan strekken, om ons welgevalliger temaken aan God. dat men er volstrekt geen belang in stolt, en vooral zijn hart er niet aan hecht.
Vooreerst dus moeten wij ons wel hoeden, dat we gcene achting opvatten of' genegenheid voeden voor alles wat uitwendig is; en zorgen, dat wij onze zinnen er niet op vestigen, tenzij de meerdere dienst van God het vordert; want in dit geval is het niet iets bloot uitwendigs; omdat God en alles wat op God betrekking heeft, zeer inwendig is; dewijl er niets is, noch in ons zel-yen, noch in eenig schepsel, wat meer inwendig voor ons is, dan God, die door den heiligen Gre-gorius liet middelpunt van alle dingen genoemd wordt.
87
p
Van daar dan ook, dat een inwendig monsch al
geest en hart voortdurend op God heeft geves- Ijj
tigd; want ofschoon do schepselen zi'ih ook in al ei
hunne bekoorlijkheid aan hom voordoen, hij houdt h
er zich niet mede bezig, maar gaat er over heen: h
oi, mdien iiij er zich al een oogenblik bij op- g
houdt, terstond verheft hij zijne gedachten ten h
hemei, veracht wat zij natuurlijk schoons hebben, e
en beschouwt er slechts in wat hem kan opwek- e
ken. om God meer te beminnen en beter te sma- \
ken. c
Hij, daarentegen, die zich niet op ingetogen- 1
heid toelegt, iiecft geen grooter genoegen, dan j
dergelijke voorwerpen te beschouwen. Hjj bc-wondert zo, prijst ze, en verlangt ze te hebben: en dat verlangen is zoo lievig, dat hij aan God niet meer denken kan, en Hem dermate vergeet, dat fiij zijne eigene voldoening stelt boven de onderdanigheid, welke hjj Hem is verschuldigd. De schrijver der Navolging vermaant allen, die naar volmaaktheid willen streven, zich zooveel mogelijk van de zinnelijke voorwerpen to verwijderen, om tot God te kunnen naderen, die de oor-sprong is van alle dingen, en die tegenwoordig is in al zijne werken.
/ij, die waarlijk geestelijk zijn, zien dan ook, waarheen zij hunne blikken ook wenden, overal God. en alleen God: alles stelt hun God voor.
88
alles spreekt hun van God; en daar de mensche-lijke geest zeer beperkt is in zijne kennissen, en zich met de geschapene zaken niet kan bezig houden, zonder voel van zijne aandacht voor de hemelsche te verliezen; daarom trachten zij zich geheel en al van do schepselen verwijderd te houden; zij verachten alles, wat beneden God is, en geenerlei betrekking op God heeft; hunne eenige zorg is, aan Hem te behagen, en zijne vriendschap te winnen, door zich toe te leggen, op eene groote zuiverheid des harten, door zich te beijveren, om in alles zijn heiligen wil te volbrengen, en zich zoo nauw mogelijk met Hem te vereenigen; door de rechtvaardigheid en de liefde tot don naaste te beoefenen; in één woord door alles te doen, wat tot het inwendige leven gevorderd wordt.
Vraag. Maar, irat wil dat nu eigenlijk zeggen : de uitwendige zake» versmaden ?
Antwoord. Dut hestaat op de eerste plaats, in niet toe te laten, dat de verbeelding worde misleid, noch de geest bedrogen door den valsehen glans, die verleidend voor de zinnen schemert. Wanneer menschen, die zich aan uitgestortheid overgeven, de wereldsche pracht, schitterenden kleede-rendos, trotsche paleizen, do luisterrijke omgeving van de koningen en vorsten dezer aarde aanschouwen, dan zijn zij daarover van bewondering op-
89
getogen, gevoelen zekere afgunst jegens hen, die u
dat alles bezitten, en kunnen zich niet weer- t
houden, van hen gelukkig te noemen. v
Maar een waarlijk geestelijk raensch denkt er ti
geheel anders over. Hij ziet in dit alles slechts a
begoocheling, ijdelheid en bedrog. Het is alles z gering in zijne oogen, omdat hij diep overtuigd
is, dat er buiten God niets groots is op aarde. )
Op de tweede plants, om de uitwendige zaken 1
naar behooren te versmaden, is het noodig, voorzorg te gebruiken tegen den gevaarlijken indruk, dio.i zij op geest e.i hart plegen te maken.
Men moet de tc groote zucht onderdrukken, die onze natuur eigen is, om prachtige gebouwen, kostbare meubelen, heerlijke schilderijen en andere schitterende voorwerpen te zien, of kan men er niet goed buiten, dan moet men zorg dragen, dat het niet is uit loutere nieuwsgierigheid. Velen scheppen vermaak in hot reizen ; overal trekken zo heen. En waarom? Met geen ander doel, dan om alles, wat de groote steden schoons en zeldzaams opleveren, in oogenschouw te nemen. Zij willen zien, hunne nieuwsgierigheid voldoen, dat uitwendige proeven en smaken. Wie God waarlijk bemint, wie God alleen zoekt, koopt eene zoo ijdele voldoening niet voor zooveel vermoeienis, met opoffering van de rust zijner ziel.
Tan derde. De volmaakte versmading van de
90
uitwendige zaken gaat altijd met groote gematigdheid gepaard. Moet men zeggen, wat men er van denkt, dan spreekt men er koel over, of ten minste men vergroot de zaken niet, men vermijdt allen overdreven lof, alles wat naar grootspraak zweemt.
Hiertoe behoort ook het vermijden van zekere gejaagdheid, welke sommigen aan den dag leggen, in het verzorgen van uitwendige zaken; gejaagdheid, die altijd met voel verstrooidheid en verwarring gepaard gaat. Zoo, bijvoorbeeld, wanneer het huis voor eene publieke vergadering moet worden versierd, wanneer er toebereidselen moeten gemaakt worden voor een of ander groot feest, wanneer een deftig personage moet worden ontvangen; dan zijn sommige menschen door de zorgen zoo ingenomen, huu geest is er zoo vol van, dat zij aan niets anders denken, dat zij or geheel in verdiept zijn; en leggen anderen niet diezelfde gejaagdheid aan den dag, dan worden zij van traagheid, onverschilligheid, luiheid beschuldigd.
Een inwendig menseh geeft zich daarbij niet aan gejaagdheid over; hij stelt meer prijs op den vrede des harten en op de innige vereeni-ging met God, dan op al het uitwendige, wat, het ook zij.
Heeft er onverwachts een ongeluk plaats, bij-
91
voorbeeld, de plotselinge dood van een aanzienlijk man, dan spreken de uitgestorte zielen er bij elke gelegenheid over, zij denken er over na, redeneeren er over, en halen er allerlei gevolgtrekkingen uit; maar zij, die inwendig zijn, kee-ren in zich zelven; z;j houden zich niet bezig niet zaken, die hen niet aangaan, en wat de zaken betreft, waarmee zij belast zijn, die verzorgen /c mot ijver, zonder iets te venvaarloozen, maar ook zonder gejaagdheid.
Vraag. Wat wil dat zeggen: zich tot het in-Kendige hegecen?
Antwoord. Dat wil op de eerste plaats zeggen: God voor oogen houden ; want de gedachte aan God maakt den geest kalm, en betoomt de ongeregelde neigingen des harten.
T a tweede: Zijn inwendige zoo wel regelen, dat er alles in orde is; en niet doen, als zij, die voortdurend allerlei zwevende gedachten in den geest hebben, en allerlei verlangens en nutteloo-ze plannen voeden, waardoor zij zich allerhande verstrooiingen op den hals halen, waarna zij dan, hun inwendig geheel verstrooid ziende, en er slechts verwarring en ongeregcldlioid vindende, zich meer dan ooit in het uitwendige werpen, en daarin hunne rust zoeken.
Wie zich derhalve in vrede wil bewaren, en altijd met God vereenigd wil zijn. die moet be-
giunen, met goede orde te stellen op al de vermogens zijner ziel, en goeden regel te stellen op al hare werkingen.
Eindelijk, zieli tot het inwendige begeven, wil zeggen; zorgvuldig onderzoeken, wat er in zijn binnenste omgaat, daarop ernstig letten, nimmer toelaten, dat er de minste ongeregeldheid insluipt, dat zelfs de minste schaduw van verslapping er indringt.
Diegenen, welke geen begrip hebben van het inwendig leven, bekommeren zich weinig over den toestand van hun geweten, zij geven zich over aan hunne natuur, vooral wanneer hen iets uitwendigs aantrekt.
Maar de inwendige menschen storten zieli nooit uit, zjj waken op zich zelven, en verliezen zich nooit uit liet oog; zoodat zij altijd met zorg zich beijveren, om in (foils tegenwoordigheid te wandelen, om niets te doen wat God zou kunnen mishagen, om niets, wat minder passend i-,, te zeggen, om iu alles do leiding, de beweging der genade te volgen, en aan de inspraken de-i hemels getrouw te beantwoorden. â Wat ik hier zeg, is niet onbekend aan diegenen, welke het ondervonden hebben, en zij stollen er het grootste belang in, ofschoon het meerendeel der menschen zich er weinig over bekommert:.
Vraag. Wat is het rijk Gods in ons gevestigd?
93
Antwoord. Dat is de gelukkigste toestand, dien men in dit leven verlangen kan. Want, wie daartoe gekomen is, gevoelt, dat God hem inwendig geleidt, dat God meester is van zijn hart, het in alles bestuurt, en dat Hij hem zelfs voor het uitwendige, bijzondere Iilijken geeft van zijne liefde: wat het ware geluk van het tegenwoordige leven uitmaakt.
Daarenboven, dat rijk van God, is het vreedzame bezit der goederen, welke God milddadig in de ziel uitstort, inderdaad, die goederen worden terecht met een rijk vergeleken; immers de koningen zijn in waardigheid boven de volken verheven, zij bezitten groote rijkdommen, zij leven in geneugten, en alles is er op aangelegd, om bun vreugde te verschaffen. Zoo is hot ook met de zielen, in welke God hoerscht: Zjj zjjn zoor vereerd, door de innige gemeenzaamheid, die zij hebben met God. hun oppersten Heer. Zij deelen gelijkelijk in liet koningschap en in het lijden van Jesus. Apoc. 19; en om met den heiligen Petrus te spreken; de eer, de (/lone, de kracht van God rusten in haar. 1 Petr: IV, 14. Daarbij zjjn zij vervuld van geestelijke schatten; ofschoon zij schijnen niets te hehhen, bezitten zij alles. II. Cor. VI, 10.
Hun verstand, altijd vereenigd met do bron van alle licht, ontvangt er de volheid van, en
04
bezit alle schatten der wijsheid en wetenschaj) Gods. Eindelijk, onuitsprekelijk zijn de heilige geneugten, waarmede die zielen overstroomd worden.
Wij hebben er elders reeds over gesproken, en do schrijver der Navolging spreekt er ook van op verschillende plaatsen. Hei rijk Gods, zegt hij, is vrede m vreugde in dm heiligen Geest, welke aan de goddeloozen niet wordt geschonken. Hij verzekert, dat, als wij Christus eene waardige woonplaats in ons binnenste bereiden, Hij tot ons zal komen, en ons zijne vertroosting zal mededeelen, dat Hij den inwendigen mensch dikwijls bezoekt, met hem zoete samenspraken houdt, hem zoeten troost schenkt, veel vrede mededeelt, en ou zeer qemeenzame wijze met hem omgaat. II, 1.
Al deze voordeelen genieten zij, die het uitwendige vluchten, om in zich zeiven te keeren, en er in vreugde de goederen, die er verborgen zijn, te genieten.
Het rijk der hemelen, zeide de goddelijke Zaligmaker, is in uw binnenste. Luc: XVII, 21. Zeg dus vaarwel aan tic schepselen; denk aan hetgeen wij gezegd hebben, en beoefen het met allen mogelijken ijver: daardoor zult gij ongetwijfeld tot hot rijk Gods komen, dat wil zeggen, tot die innige vereeniging met God, waarin gij.
I
95
behalve de ware beiligheid, ook een volmaakt geluk zult vinden.â
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Hij, die de zaken schut voor hetgeen zij zijn, en niet voor hetgeen zij gezegd of geacht worden te wezen, die is waarlijk wijs, en meer door God dan door de menschen onderwezen. II, 1.
Vraag. Welke wijsheid moet men bezitten, om een goed gébruik te maken van de tijdelijke zaken ?
Antwoord. Die wijsheid, welke ze ons doet schatten, voor hetgeen zij zijn, en niet volgens hetgeen de menschen er gewoonlijk over oordee-len.
Om dit goed te begrijpen, moet men vooropstellen, dat elke z tak twee zijden heeft, en dat men dezelve van die twee verschillende zijden kan beschouwen. Naar hetgeen ze in zich zcl-ven en in het oog van God zijn, en naar het oordeel, dat de menschen er over plegen te vellen, volgens dat do eigenliefde ze aan hen voorstelt.
De ware wijsheid nu beschouwt de zaken, zooals ze in zich zelvon zijn, overeenkomstig het
I
I
90
oordeel van God, en het doe], waartoe Hij zc gemaakt heeft. Want, in hetgeen op zedekundo betrekking heeft, is het eene groote dwaasheid, het oordeel dor menschen te willen volgen, die meestal door eene ongeregelde drift worden verblind.
Wat, bijvoorbeeld, is bisschop zijn?Dat is herder zijn van de zielen, dat is door God aangesteld zjjn, om de geloovigen op den weg dos heils te geleiden, gelijk de apostelen deden, volgens den wil des Heeren. Zoodat dit ambt allen, wie het is opgedragen, strengelijk verplicht, zich aan de zorg hunner kudde te wijden, en uit al hunne krachten te «arbeiden aan liet hei! van zoovele zielen, van welke zij eenmaal rekenschap zullen geven aan Hem, die ze door zijn bloed heeft vrijgekocht.
Dat is het ambt van bisschop in de oogen van God. Naar het oordeel dor wereld is het geheel iets anders. Volgens de opvatting van wereldschgezinden, is het een ambt, dat eer cn aanzien schenkt, is het eene verhevene waardigheid. Van daar dan ook, dat, terwijl wereldschgezinden zich in kerkcljjke waardigheden verheugen, en daar soms naar staan, de Heiligen daarentegen, die ze schatten, naar hetgeen zij in waarheid zijn, en niet zooals ze van de menschen geacht worden, de kerkelijke waardigheden met an-
97
dere oogeu besehouwdcii. Welverre van ze te zoeken, vluchten zij dezelve; en men moest geweld gebruiken, om hen te doen besluiten, die te aanvaarden.
Wat is Koning zjjn!-' Dat is, plaatsbekleeder van God zjjn op deze aarde; omdat de menschen, gemeenschappelijk moetende leven, een hoofd behoeven, dat hen bestuurt, dat onder hen den vrede bewaart, en de rechtvaardigheid handhaaft; en dat hoofd zal eenmaal rekenschap geven van zijn bestuur aan den oppersten Koning van het heelal. Dat is het koningschap volgens de inzichten Gods, en volgens het oordeel van hen, die waarlijk wijs zijn. Maar de groote menigte beschouwt liet koningschap, als een verheven stand, waarin men van uicniand afhankelijk is, geheele volken aan zijne wetten onderworpen ziet, en waarin men naar willekeur kan handelen. Een vorst, die zijn verheven stand in het licht des geloot» beschouwt, die er niets in beoogt, dan hetgeen God voorhad, met er hem in te plaatsen, gedraagt zich met wijze 'gematigdheid, zoo als de Heiligen; doch hij, die maar verlangt te heerschen en or slechts op uit is, om de genoegens en andere voordeden, die zijne waardigheid hem biedt, te genieten, de neiging zijner natuur en de algemeune dwaling der wereld volgende, zoo iemand loopt zijn verderf in, met zoovelen,
98
die in die hooge waardigheden hun ongeluk hebben gevonden.
Hetzelfde kan men zeggen van hooge posten. Wat is een President van de Rechtbank? Hij is zaakgelastigde van God en van den vorst, om recht te spreken over liet volk, en het in de onderdanigheid te houden, die het aan God en aan den vorst verschuldigd is. Dat is hij in waarheid, met den zuiveren blik des geloofs beschouwd.
Maar hoe oordeelt wederom de menigte er over? Zij beschouwt dien post als een middel, om geld te verdienen, en in eere te leven; om zich vrienden te verschaffen, en vele voorrechten te genieten. Die betrekking aanvaarden met liet doel, om er zich op waardige wijze van te kwijten, vooral om aan de voornaamste verplichting te voldoen: namelijk liet recht en de goede orde te handhaven, dat is wijselijk handelen, en zich volgens Gods inzicht gedragen ; maar integendeel, het is eene dwaasheid van velen, te zoeken door kuiperijen tot dergelijke posten te geraken, uit louter menschelijke inzichten : om zich te verrijken, of in aanzien te stijgen.
Zoo hebben alle zaken, gelijk ik zeide, twee zijden. Van den eenen kant stelt liet geloo zo ons voor, gelijk ze inderdaad zijn, on gelijk
99
God wil, dat men ze beschouwe. Het geloof leert ons, dat de drie Personen der allerheiligste Drievuldigheid deze zichtbare wereld voor den menscli en den raensch voor hunnen dienst geschapen hebben; dat zij Hem eene ziel met hare vermogens hebben geschonken, om Hem te kunnen kennen, beminnen en dienen ; dat zij de vorsten hebben aangesteld, om met wijsheid en zachtheid het volk te besturen; dat zij dieren en grondstoffen en alle vruchten der aarde voortgebracht hebben, om in de behoeften van den mensch te voorzien; en dat liet hun wil is, dat de rijken Tan hunne goederen aan do armen niededeelen, opdat allo kinderen Gods, het noodzakelijke hebbende voor hun levensonderhoud, en in vrede levende, den hemelsehen Vader prijzen, en Hem uit geheel hun hart en uit alle krachten beminnen en dienen.
De geest der wereld daarentegen drijft den mensch aan, om zich van de schepselen te bedienen tegen den wil van den Schepper; om zijne hebzucht te voldoen : zoodat hij met benevelden geest de natuurlijke neiging tot het kwade in-volgende, de plichten der liefde verwaarloost, en er steeds op bedacht is, om zich te verrijken; zich niet door de rede laat leiden, maar zich door zijne driften tot zonde laat vervoeren; spreekt over do vergankelijke goederen volgens
100
leert liet verkeerde oordeel, dat hij er zich van ge-
'rie- vormd heeft, en zooals de drift, die hem ver-
isch blindt, zo hem afschildert: groote noodlottige
pen dwaasheid, waarin, helaas! zoevole zielen voort-
no- leven.
len Zij alleen zijn waarlijk wijs, die de zaken naar gt;en waarheid schatten, en, hetgeen wij gezegd heboid ben, tot richtsnoer hunner oordeelvellingen ne-d- men. Zij zijn inderdaad door een bovennatuurlijk lit licht bestraald, dat hun don rechten weg ter te heiligheid toont, hen in de waarheid doet wan-m delen, volgens de woorden van den heiligen 'J, apostel Joannes. En in dien zin moet men de )- woorden van Thomas a Kempis verstaan, e Onze gebreken komen bijna alle hieruit voort, 'i dat wij de zaken verkeerd beoordeelen, en ze
niet schatten, zooals ze in waarheid zijn, gelijk kinderen Gods moeten doen; vandaar de dwalingen en begoochelingen, waarin men vervalt, omdat men do zaken niet beschouwt met een gezuiverden blik.
Do geestelijke personen hebben drie middelen, om zich hiertegen te vrijwaren.
Het eerste is, dat zij bij al hunne bozigheden, bij al hunne handelingen, elke zaak in haar beginsel, dat God is, beschouwen; niet blijvende hangen aan de schors en aan den uiterlijken schijn, maar tot de kern doordringende, en na-
101
quot;â¢aamlo, welk het voornaine doeleinde er van is, volgons de regels van het geloof.
Is liet oen gehuwd man, eu heeft God hem kinderen gegeven, hij beschouwt het doel, wat (lod heeft gehad bij de instelling des huwelijks: dat namelijk de man in vrede met zijne vrouw leve. altijd door de banden eener ware liefde met haar vereenigd zij, dat hij zieh beijvere, om van zijne kinderen brave christenen te maken, zonder te veel bezorgd te zijn, om hen in de wereld te vestigen, en hun groote schatten na te laten. Is het een geestelijke, hij overtuigt zich wei. dat hij geen priester is, om vrijer te leven, noch om zijne dagen in ledigheid door te bren-ââ oii, noch om met de geestelijke zakon eene soort van handel te drijven, maar om God met meer volmaaktheid en ijver te dienen, en uit alle kracht aan hot zielenheil des naasten te arbeiden. Vervolgens regelt hij zijn leven daarnaar, wel beschouwende, wat de zaken in waarheid zijn, en welk doel God er zich mede voorstelt, altijd zorg dragende, dat hij zich niet laat medesleepen door den stroom der valsche meenin-o-en, en de verderfelijke handelwijze der wereld.
Hut tweede middel, waarvan de bravo zielen zich bedienen, om niet tc verdwalen op den weg haver zaligheid, bestaat, in dikwijls iu zich
102
zei ven te keer en, ton einde zieli dairdoorgo.seliikt te maken, om de goddelijke verlichtingen te ontvangen. God toch is een vijand van het gedruis, en deelt zich aan de ziel niet mode, dan in de stilte en ingetogenheid. Twee of driemaal daags moet men in zich zelven keeven; want anders gewent men zich, 0111 in duisternis te teven, en het inwendige licht, dat do lieilige Geest aan 'le zuivere zielen schenkt, weinig te achten.
Hft derde middel is, God dikwijls de genade to vragen, om do zaken te schatten, golnk Hij zoli die schat, en nielquot; naar don uiterlijken si'jiijn, die bedriegeljjk is. De wijze man zegt, dat d( (joedevm dezen leven*, die toch slcchin heiizeldj' j-eii. zijn, zekere hei.oor/rjkheid hebben, welke den (/eest degt;t nienschen verduistert, en die hem belet de icaarctchtuje goederen te erkennen. IA. ]2. Inderdaad, de duivel en de wereld iiegoochelen de meeste nienschen dermate, en vervullen lum geest met zoovele valsche denklieelden, dat de wijsten zelven moeite hehben, om zich voor de dwaling, die zoo algemeen is, te behoeden. Men doet zijn best, om eene prebende te verkrijgen, als een middel van bestaan, zonder aan de ver-plichtingen te denken, die er onafscheidelijk mede verbonden zijn. Men staat naar een post, om zich te onderscheiden, zonder te denken, wat (ïed in dien post van ons vraagt. Een ieder
103
biddo dus God, dat Hij zjjn geost verlichte, eu kracht schenke aan zijn wil, iedereen luistere, naar hetgeen de heilige Geest in zijn binnenste tot hom spreekt, en lioorc niet, naar hetgeen do wereld hem zegt. En dit geldt vooral predikanten, prelaten en oversten, en in het algemeen allen, die met dc zorg voor anderen belast zijn.
Dat zij dikwijls aan God de gave van wijsheid on onderscheiding vragen, om goed de waarde van alle tijdelijke zaken te kennen, teneinde zich te hoeden voor de begoochelingen, waarin men vervalt, wanneer men zijn leven regelt naar dc al-gemeene opinie en het voorbeeld van andoren. Inderdaad, al wie niet van boven verlicht is, valt terstond in do strikken van Satan, den vader der leugentaal, die al zijne sluwheid gebruikt, om hem van zjjn plicht te doen afwijken, tot allerlei ongeregeldheid te voeren, en hem zijn eigen wil boven don goddelijken wil te doen stellen.
DERDE HOOFDSTUK.
Over df wookden: Zooceel voortyang zuil gij maken, als gij u zeiven geteeld zult hebben aangedaan. I, 25.
104
Vraag. Welk is het zekerste middel, om tot de volmaaktheid te geraken?
Antwoord. Hot zekerste middel is, zich zelven geweld aan te doen, waar het de beoefening der deugd geldt, en zicli met kracht te verzetten tegen de moeielijkheden, dis zich daarin voordoen. Het is waar, wij hebben daartoe krachtige hulp van den kant van God noodig; maar toch blijft het waar, dat, wijl onze geestelijke voortgang afhangt van de medewerking mot de genade, wij meer zullen vorderen op den weg der deugd, naarmate wij ons meer geweld zullen aandoen, en wij ons zelven meer overwinnen.
Dat komt, omdat de volmaaktheid een bovennatuurlijke, geheel geestelijke toestand is, verheven boven onze natuur, die aardsch en zinnelijk en tot het lage en stoffelijke geneigd is.
God nu wil, dat de mensch, die met rede begaafd is, en in staat is om te verdienen, alles doe, wat van zjjn vrijen wil afhangt, om den graad van volmaaktheid te bereiken, die Hij hem voorbestemd heeft. De mensch derhalve moet zicli uit alle kracht beijveren, om de inspraken der genade te volgen, en hij kan ze onmogelijk volgen, tenzjj hij groote hinderpalen uit den wegruime. Door het geweld, dat hij zich daarvoor aandoet, verdient hij een loon, geëvenredigd aan
105
zijne moeite, en aan de oneindige milddadigheid Gods. En daarom zegt de schrijver der Navolging, dat wij, naarmate wij ons zeiven geweld zullen aandoen, om de inspraken van God op te volgen, ook naar die mate verdiensten zullen vergaderen, en in do deugd zullen vorderen.
Vraag. Waarin moeten wij ons zelveu rjeweld aandoen?
Antwoord, Voornamelijk in drie zaken.
Ten eerste, aangaande de ingetogenheid, en de aandacht, die men op de geestelijke zaken moet vestigen. Lu hierin is veel meer to doen, dan men zich gewoonlijk verbeeldt; want de menseh is van natuur genegen, om zich uit te storten: de zinnelijke voorwerpen trekken hem aan en begoochelen hem; hij houdt er zich mede bezig, schept er behagen in, vindt er zijne voldoening en rust in. Maar de ware godvruchtige treedt gaarne in ziju binnenste, en vindt er zijn genoegen in, gemeenzaam met God to verkeèren. Hij behoort niet tot die verstrooide geesten, over wie de profeet zich beklaagt, als hij zegt, dat er niemand /s, die van harte nadenkt (Jer. XII, 11.) over die dingen, welke alleen verdienen, dat'men er voortdurend mede bezig zij. Hij houdt zich 111 tle tegenwoordigheid Gods, en quot;vlucht alles, wat hem daarvan kan aftrekken; hij is volstrekt met nieuwsgierig, om, wat er in de wereld om-
106
gaat, te zien of te hooren. Doch, daar de meiisch van natuur een afkeer heeft van de afzondering, en er maar op uit is, om zicli te verstrooien, daarom is liet noodzakelijk, dat hij zich geweld aandoe, gelijk men kinderen geweld aandoet, die men dwingt, om tegen hunnen zin te studeeren. Zonder zich vrijwillig dien dwang aan to doen, zal hij nimmer erkennen, wat goed voor hem is, en zal hij altijd te zwak zijn, om de plannen, die de Voorzienigheid met hem voorheeft, ton uitvoer te brengen.
liet is een vaste stelregel, dat, wie voortgang wil maken in hef geestelijk leven, daarin niet zal slagen, indien hij niet vast besloten is, om zich zei reu te overwinnen, en in ontelbare gevallen de neigingen der natuur te bestrijden. Vooral moet hij dc te grocte zucht onderdrukken, om nuttelooze zaken, of zaken, die liem niet aangium, te weten. Want deze, eenmaal in den geest ingeprent, brengen de driften in beweging, die hom dan overhesrschen, in zware fouten doen vallen, en verre van God verwijdoren. .Maar heeft hij moed genoeg, om zich te bedwingen, en zich niet over te geven aan de neiging der natuur, die hem aanzet, om overal rond fo loopen, en altijd to praten; houdt hij zich in de eenzaamheid, legt hij zich met ijver toe op 't gebed, dan zal hij grooten voortgang maken, en smaak beginnen te
107
krijgen in die oefeningen, welke hem te voren ondragelijk waren. Daardoor zal hij ook de vriendschap van God winnen, en veel vorderen in de volmaaktheid.
Doch, om meer in het bijzonder te treden; welke zijn de gelegenheden, waarin hij moet trachten, zich zeiven te overwinnen-' Zulke gelegenheid is, bij voorbeeld, wanneer hij bemerkt, dat men nieuws gaat vertellen, dat op God noch op godsvrucht betrekking heeft; want in zulk geval moet hij trachten, zijn geest daarvan af te trekken, en in zich zelveti te keeren. Ook, wanneer zijne vrienden hem uitnoodigen, om, bijvoorbeeld, een vorst zijn intocht te zien houden, of zich in een gezelschap te begeven, waar men goede sier pleegt te maken en over beuzelarijen te spreken. Onttrekt hij zich daaraan, dan behaalt hij eene schoone overwinning op zich zeiven. Zoo beoefent men, wat we zeiden, en heemeer men zich beijvert, om het dikwijls te doen, vooral in zaken, waarin de natuur grootere tegenstreving biedt, hoe gemakkelijker men den gee^t van gebed zal verkrijgen, en hoemeer men de geestelijke vertroostingen over zich zal aftrekken.
IM tweede, zaak, om welke te verkrijgen, men zicli veel geweld moet aandoen, is de vrijheid des harten; want daar niets meer tot onze heiliging bijdraagt, dan de volkomene onthechting van
108
al het gescliapene, moeten wij ook niets verwaar-loozen, om die te verkrijgen. Stel u dus iemand Yooi', die uit geneigdheid of uit eigenbelang aan een ander gehecht is; wat moet hij doen? zijne Toorname zorg moet zijn, die banden te breken, alle te menschelijke geneigdheid af te leggen, en tot zoo groote onYerscliilligheid ten opzichte van den persoon, dien hij bemint, te geraken, alsof hij her nooit had gekend; cn daarmede moet hij niet lang wachten, omdat de minste Ycrtragiiig hem belet, zich innig met God te Ycrcenigen.
Men zal u misschien een geschenk hebben ge-gegeven, dat u zeer aangenaam is; gij gevoelt, dat uw hart er aan gehecht is, cn dat gij groote moeite zoudt hebben, om er u van te ontdoen, al was hot alleen om den persoon, van wien gij het ontvangen hebt, en wiens aandenken gij wenscht te bewaren. Ontdoe er u terstond van, indien gij wijs wilt zjjn, en eenigen ijver hebt voor uw geestcljjk welzijn. Indien uic ooy n ergert, zeide Jesus, rulx, het uit. Welnu, dit is voor u een voorwerp van ergernis; verban uit uw hart alles, wat zjjne vrijheid belemmert.
Hot gebeurde op zekeren keer, dat de heilige rranciscns iets aan hot vervaardigen was, wat hem beviel; er rees oen weinig zelfbehage:i in hem op, de gedachte er aan kwam hem daarna gedurende het gebed voor den geest. En wat
109
deed hij? Aanstonds richtte hij zich op, en giiijgt;-het verbranden, Ahvie de ware vrijheid des harten weuscht te verkrijgen moet dat voorbeeld navolgen, en hoemeer ijver hij 'aan den dag zal leggen, om zicli van alle natuuurlijke geneiglieid te ontdoen, hoemeer hij in de volmaaktheid zal vorderen. Daarom hebhen de armen veel voor, om zich met God te vereenigen. Niets, waarop men zich met meer kracht moot toeleggen, dan om zich van dergelijke gehechtheden te ontdoen; want (rod kan niet dulden, dat eeno ziel, die Hem wil toebehooren, haar hart tusschen Hem en de schepselen verdeele. Eene onvolmaaktheid, die uit loutere zwakheid voortkomt, eene plotselinge beweging van ongeduld of van eigenliefde verwijdert Hem niet zoozeer van ons. als oeuo vrijwillige gehechtheid aan eenig schepsel, welk-danig het ook zjj.
De derde snak, waarin men moet trachten, zich zei ven te overwinnen, en zijn moed te betoomn, is de te groote vrijheid der zinnen, en do hevige bewegingen der neigingen, die zich tegen de rede verzetten, ilij, die waarlijk geestelijk wil zijn, moet niet alleen niet toegeven aan de hevige bewegingen der driften; maar hij moet ook zijn best doen, om die te bestrijden en ten onder te brengen; zoodat hjj altijd meester zij van die plotselinge opwellingen, die hem neigen, om alles.
110
wat hij op liet kart lieot't, tu zeggen; eu hoorneer hij zich z;ü bedwingen, lioe grootei'zijne verdienste zal zijn. Dat hij zich dns een voortdnrenden oorlog aandoe: en God, de moeite ziende, die hij zich geeft, om zijne verkeerde neigingen te overwinnen, zal niet in gebreke blijven, hem met weldaden te overladen: behalve dat het natuurlijk is, dat die neigingen door den strijd moeten verzwakken. Het is ongetwijfeld, dat men in het geestelijke leven vordert, naarmate men zich toelegt op de versterving.
Velen verlangen naar de volmaaktheid, maar weinigen bewandelen dezen weg, om er toe te geraken. -Men smaakt de geestelijke zaken, men beschouwt en overweegt ze, men spreekt er gaarne over met godvruchtige personen, men leest veel en houdt van geestelijke boeken, men leest gaarne het boekje der Navolging van Christus, en men keurt de grondstellingen goed, die liet bevat; maar wanneer het er op aan komt, om zijne neigingen te overwinnen, zijn oordeel te onderwerpen, zich alle goed onwaardig te keuren, geen woord tegen te spreken, wanneer men wordt aangevallen, zich van nuttelooze scherts te onthouden, zijn smaak te versterven, zijne nieuwsgierigheid te betoomen, zich de voldoening te ontzeggen, om ij dele zaken te lezen ot' te bestu-deeren, zijn lichaam te kastijden, en in deze
11]
oefeningen getrouw te volharden, dan zijn er weinigen edelmoedig genoeg, om daartoe te hesluiten, en tegen dien prijs godvruchtig en deugdzaam te willen zijn.
Het getal van hen, die mot een waren ijver voor de volmaaktheid bezield zijn, is dan ook zeer gering. Mon vindt er genoeg, die uitwendig zich heel verstandig oa braaf voordoen; maar intusschen zijn hunne driften lievig cn onverstorven; hot zijn onbuigzame geesten, die slechts hun eigen wil volgen, en zich niet laten besturen. En toch gaan zij door voor deugdzame lieden, hetzij omdat zij er den uiterlijken schijn van hebben, hetzij om den heiligen, volmaakten staat, dien zij beleven.
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Steun niet op u zeiven. I, 7.
Vraag. Hoe kan men op zich zeiven steunen?
Antwoord. Dat geschiedt vooral op drie wijzen.
Vooreerst, door in alles zijn eigen belang op het oog te hebben, in alles zich zeiven te zoeken; door in alles, wat men doet, alleen op zijne schranderheid on zijne bemoeiingen te rekenen; door op genoegen en eer uit te zijn, daarvoor alleen
112
te werken, daarin alleen bedrijvigheid, ijver en beslotenheid aan den dag te leggen. Zulke men-schen toonen zich uiterst zwak, wanneer men hun datgene, waarop zij gesteld zijn, ontneemt; wan-nter men hun onder het oog brengt, hoe weinig vertrouwen zij op zich zeiven moeten stellen; wanneer men hen van de ijdele voldoening berooft, welke zij smaken in liet voorbijgaande genot dei-goederen, waarin do wereld hare voldoening zoekt; want dan zijn zij bedroefd, gedrukt en geheel terneergeslagen.
Een geloerde roemt op zijn verstand, op zijne wetenschap, een ridder op zijn moed, op zijne schitterende daden, op zijn adeldom, op zijne flinke gestalte, op do pracht van zijn gevolg en andere dergelijke zaken. Beroof hen van datgene, waarop zij zoo groot gaan, wat hunne hoovaar-digheid voedsel geeft, en gij zult zien, hoe zwak zij zijn; het schaamrood zal hen bedekken.
Eone vrouw, sierlijk getooid, die meent, dat zij schoon is, en voor schrander doorgaat, is altijd trotsch, en ziet laag op anderen neer; maar ontneem haar dien steun van hare ijdelheid, en zjj zal zich terstond geheel anders voordoen, gij zult haar niet meer erkennen: een duidelijk bewijs, dat zij op zich zelve steunt, dat de verwaandheid, welke uit die natuurlijke gaven voortkomt, de oorzaak is, dat zij overal den boventoon wil
113
voeren, in alle gesprekken liet hoogste woord wil hebben, en een toon aanslaat, die te kennen geeft, dat zij wil, dat men naar haar luistere. Ja. zonder dat zou zij niet denken aan bals, noch aan gezelschappen, waar zij zoekt te schitteren, vertooning te maken, en aller lof tot zich te trekken. Een inwendig menseh zoekt zijn steun niet in al dergelijke zaken: zijn eenige steun is de deugd en het getuigenis van een goed geweten. Zijne ziel zuiver te bewaren, in de deugd voortgang te maken, is al zijn verlangen, is zijn eenig streven; dit getuigen ook zijne gesprekken. En gelijk iemand, die een zwaron last wil optillen, zijn werktuig op een hecht voorwerp doet steunen, zoo ook heeft de inwendige menseh, bij al wat hij onderneemt, op God en niet op zich zeiven, op de waarheid en niet op de ijdelheid, zijn steun gevestigd, geheel verschillend van de wijzen dezer wereld, die alles van hunne behendigheid, van hun verstand en schanderheid verwachten; en die daardoor hunne hoovaardigheid voedsel geven. Alwie zich geheel aan God wil geven, maakt zich volkomen van zich zelvon los, en stelt onverge-lijkelijk meer belang in een goed geweten, en in een vasten wil om aan God te behagen, dan in allo voordeelen, zoo wol van de natuur als van de fortuin.
/?/⢠/.b- ceu tweede wijze, waarop men op zich
114
zeiven kan steunen, die niet zoo stoffelijk, maar meer geestelijk is dan de eerste, en die meer eigen is aan diegenen, welke zich op de beoefening van goede werken toeleggen.
Wat doen dezen dikwijls, wanneer de duivel hen met eene bekoring overvalt? Zij worden niet ontmoedigd; zij vinden hun steun in de gedachte aan het goede, wat zij verricht hebben; daarop stellen zij hun vertrouwen, in plaats van het te stellen op God, die alleen onze sterkte is. Neem een wereldseh mensch, die door droefheid overvallen wordt: wat doet hij? Alle redenen van troost, die hij in zich zeiven kan vinden, roept hij voor den geest, en zoo zoekt hij zijn troost in hersenschimmige gedachten aan allerlei zaken, die zijne eigenliefde streelen.
Zij, die meer geestelijk zijn, gaan op eene fijnere wijze te werk; want, om zich te troosten, zeggen zij bij zich zeiven: reeds lang wijd ik mij aan de beoefening van goede werken; ik ben een vijand van het spel en van de ijdelheid der wereld; ik doe boetvaardigheid en nader dikwijls tot de heilige Sacramenten. Zoo trachten zij zich op te beuren uit de neerslachtigheid, waarin ze somtijds vervallen.
Voorzeker een goed geweten schenkt vreugde aan diegenen, welke zich niets te verwijten heb-
9.
115
ben; maar eene zuivere ziel, die waarlijk deugdzaam is, voedt zulke gedachten niet; zij is overtuigd, dat de werken, die men heilig waant, aan hen, die van den hemel verlicht zijn, voorkomen als linnen met bedorven bloed besmeurd. Is. XIV, 6. Zij gaat tot God, en zoekt bij Hem haar troost en haar steun; zoodat zij zich zelve geheel en al vergeet, en noch aan het goede noch ook aan het kwade denkt, dat zij gedaan heeft.
Men hoede zich derhalve voor die twee verschillende wijzen van handelen, de eene aan on-volmaakten eigen, die vol hoogachting voor hunne goede hoedanigheden, daarin hun troost vinden, en er het voorwerp hunner vreugde van maken; de andere, die men aantreft bij lieden, die niet van deugd verstoken zijn, maar wier deugd nog zwak is, en die hun troost zoeken in de gedachte aan hunne goede werken.
In de heiligste religieuze gemeenten treft men er aan, die meenen, het ver in de deugd gebracht te hebben, en tot zich zeiven zeggen: Ik ben niet gelijk zoovele anderen, die niets uitrichten; want ik neem alleen verscheiden bedieningen waar; de oversten zijn over mij voldaan; ik leef mot allen in vrede. Men vormt en onderhoudt in zijne verbeelding ijdcle gedachten over zijne verdiensten, on in plaats van die van zich te verwijderen, om alleou aan God te denken, roept men ze
116
voortdurend voor den geest, vooral wanneer men terneergeslagen is, en men zich wil opbeuren. Dit is een zeker teeken, dat men nog ver van de volmaaktheid verwijderd is. Men moest dat alles voor altijd vergeten, en aandachtig de woorden des Zaligmakers overwegen; Wanneer gij alles zult gedaan hebben, wat u zal geboden zijn, zegt: Wij zijn nuttelooze dienstknechten. Luc. XVII, 10.
Het is zeer gevaarlijkj zich zijne deugden voelden geest te roepen, gelijk men dikwijls en zonder veel nadenken doet, in plaats van zijne oogen terstond er van af te trekken. Ging men diegenen, welke door eene geheime hoovaardigheid zich over hunne goede werken verheugen, eens onderzoeken, bracht men hun de onvolmaaktheden, die voor hen verborgen zijn, onder de oogen, aan welke ontsteltenis zouden zij ten prooi zijn? Want, vernedert men hen maar een weinig, merken zij op, dat ze weinig geacht worden, dan zijn zij zeer verdrietig; want zij zijn gewoon, zicli als zonder gebreken te beschouwen.
l[et beste middel tegen hunne verwaandheid geeft de schrijver der Navolging aan; dit namelijk, dat zo zoo volkomen zich zeiven verloochenen, dat zij niets van het hunne voor zich behouden, niets aan zich zeiven toeschrijven, en alles, wat tot hunnen lof kan strekken, geheel en al
117
vergeten. Zich zoo volkomen verloochenen, is, zich zo(
zelvcn volmaakt aan Grod schenken. iio(
Zij eindelijk, die volstrekt niet op zich zeiven no(
steunen, dat zijn de heiligen en volmaakten, die nir
niets hechts vinden, dan de liefde tot God, die tot
aan geen enkel schepsel in hun hart plaats ge- dai ven, opdat Jesus het geheel en al vervulle, op- we
dat Jesus en zijn kruis hun eenige steun zij. le\ Men moet niet op zich zeiven steunen, zoide he de heilige Vinccntius Ferrerius, noch op zijne verdiensten eu schatten, maar op Jesus alleen, die in
voor ons de uiterste armoede en verachting om- uk
helsd heeft, alle verguizingen en den dood zeiven m;
heeft willen onderstaan. Dat is waarlijk steunen, de
niet op zich zeiven, maa- op Jesus Christus. sp
God is gewoon aan de ziel, die ijver heeft he. voor hare volmaaktheid, alle reden tot ijdele glorie te ontnemen; en in plaats van haar de schatten te toonen, welke zij bezit, (wat haar tot hoo-vaardigheid aanleiding zoude geven), deelt Hij haar zijne liefde mede, opdat zij leve en handele uit liefde, vol ijver, en vast besloten, om God
zoo volmaakt mogelijk te dienen, Hem te ver- (/i
heerlijken. Hem in alles te behagen, en zijn God- le delijken wil in alles te volbrengen; welke goddelijke wil haar alles is.
Wanneer zij daarbuiten niets vindt, om op te d
steunen, ot om er zich aan te hechten; en dat zij n
J
118
licli zoo gesteld is, dat noch de gunst der menschen, noch gezondheid, noch de zinnelijke genoegens,
ven noch ook de geestelijke zoetigheden, haar voldoe-
die ning kunnen schenken, dan is zij genoodzaakt
die tot Hem te gaan, die haar eenige toevlucht is,
ge- dan werpt zij zich in de armen van God, wiens
op- welbehagen haar dierbaarder is, dan haar eigen leven; en zoo volbrengt zij op volmaakte wijze
side het voorschrift: steun niet op u zeiven.
ijne Zoo van alles ontdaan, sluit zij zich met Jesus
die in den schoot des Vaders op, om er in vrede
mi- met Hem te leven; zoodat in haar, reeds eeniger-
ven mate, dc woorden worden vervuld, die Jesus op
en, den vooravond van zijn lijden tot zijne apostelen sprak: Ik zal u tot Mij nemen, ojxlat, waar Ik
iei'f hen, ook f/ij moogt zijn. .1 o: XIV, 3.
â lo-at-
30- VIJFDE HOOFDSTUK.
Hij ___
ele
rod Over de woorden : De valsche vrijheid des
er- geestes en groot zelfvertrouwen zijn groote beletse-
)d- leu voor de hemelsche bezoeking. II, 10.
lc- V. JFat is eene hemelsche bezoeking?
A. Dat is een uitwerksel van de genade, waar-
te door de ziel wordt versterkt en verheven, en boven-
zij natuurlijke gevoelens in haar worden voortge-
119
bracht, zonder welke zij niet in staat is, den geringsten voortgang in het geestelijk leven te maken, dewijl do geest Gods door zijne tegenwoordigheid haar moet verlichten, kracht en moed schenken, haar de oefeningen der deugd moet doen smaken, en vooral moet beletten, dat zij in hare vroegere zwakheden vervalle. Hierom zeide Job : Uw bezoek, o Heer, heeft mijne ziel hehouden, en haar voor het verderf behoed. Zij, die waarlijk godvruchtig zijn, doen alles, wat in hen is, om de bezoeken dos hemels te verwerven, overtuigd als zij zijn van do groote voordoeion, dio zij hun aanbrengen. De weroldschgezinden daarentegen schatten dio niet naar Uohooren, 011 beijveren zich ook niet, om zich dezelve waardig te maken. Want, ontvangen zij die bezoeken zeldzaam, het is tot straf hunner zonden, en vooral van die, welke de schrijver der Navolging aangeeft, namelijk: eene valsche vrijheid en groot zelfvertrouwen.
Het eerste van die twee gebreken doet hen geen acht slaan op zekere wroegingen, welke in de ziel worden opgewekt door de genade des heiligen Geestes, die wil, dat alle menschen volmaakt zijn, on die gevoelens in hen opwekt, welke Hjj weet, dat hun dienstig zijn, om het te worden. Doch daar die ingevingen tot breidel dienen voor de natuur, welke altjjd tot vrijheid geneigd is.
I
120
daarom verwerpen zij, die vrij willen zijn, deze hardnekkig van zich, niettegenstaande de verwijtingen, welke er hun over gedaan worden, door den geest Gods, die, oneindig rein zijnde, niets, wat niet heilig is, kan dulden.
Die Geest Gods nu, vijand van allen dwang, noodzaakt de ziel niet, om Hem te gehoorzamen; Hij laat haar doen, wat zij wil; maar, wanneer zij Hem wederstaat, dan doet Hij haar zijne billijke verontwaardiging daarover in haar binnenste gevoelen. Na getracht te hebben, de ziel door zachtheid te winnen, verlaat Hij haar, wanneer ze voortgaat de genade te weerstreven. Dan spreekt Hij tot de ziel niet meer, maar laat haar aan haar eigen wil over.
Dit was de reden der droefheid van den Zoon Gods, als Hij, weonende over Jerusalem, zeide, dat deze ongelukkige stad den tijd harer bezoeking niet geleend hud, Luc. XIX, 44. en dat zij, tot straf van hare vrijwillige onwetendheid, zou verwoest en tot hare grondslagen geslecht worden. Hetzelfde geschiedt met eene ziel, die dikwijls weigert de bezoeken des H. Geestes te ontvangen; want daardoor berooft zjj zich van de hulp, die zij noodig heeft, om de aanvallen van hare vijanden te doorstaan, die dan, na een zwakken tegenstand, haar overmeesteren, haar van alle goederen berooven, en volslagen ongelukkig maken.
121
De tweede zaak, welke de veelvuldige bezoeken des heiligen Geestes in den weg staat, is het zelfvertrouwen, een grooter en gevaarlijker gebrek, dan men gewoonlijk wel meent.
Er zijn er, die men braaf kan noemen, doch wier deugd zeer middelmatig,zeer onvolmaakt is:die bijna altijd in een toestand van dorheid verkeeren, en van allen gevoeligen troost verstoken zijn. Zij meenen, dat Grod hen zoo verlaat, alleen om hen te beproeven ; en dat vertroost hen; maar alios wel beschouwd, is gewoonlijk de oorzaak van die inwendige verlatenheid de vrijheid, welke zij zich vcroorlooven, om, in strijd met de verlichtingen en de opwekkingen der genade, alles, waartoe zij neiging gevoelen, te doen en to zeggen. Dat zijn volstrekt geen inwendige men-schen, noch die don geest van versterving hebben ; daar zij van geen overwinnen van zich zeiven weten, en zich vele aanmerkelijke fouten veroorlooven. Deze, zoo verkeerde, vrijheid komt voort uit het te groote vertrouwen op hun eigen verstand en oordeel, waardoor zij de wijze raadgevingen van godvruchtige personen niet achten, en als ongegronde angstvalligheden beschouwen, wat zij voor waarachtige plichten, en voor ware blijken van getrouwheid jegens God, moesten aanzien.
Onder dezen nu, die zoo op zich zeiven vertrou-
122
wen, kan men twee soorten van menschen onderscheiden. Do oenen zijn ver, de anderen minder ver van God verwijderd. Door de eersten versta ik de waanwijzen, die meenen alles te weten, die over alles hun oordeel vellen, de waarheden van het geloof en de onbetwistbare leeringen der godgeleerden niet uitgezonderd. Dat zijn vrjj-denkers. Aan de jeugd (is zij ook zoover nog niet gekomen) is die neiging, om over alles te oordeelen, bijzonder eigen. Zij spreken op een toon van gezag over de zaken van don godsdienst, en beslissen stoutweg de moeielijkste vraagstukken; zij weten af te dingen op de levens der Heiligen, en ter nauwernood zijn de heilige Schriftuur en de leer der heilige Kerk voor hunne bedilzucht gevrijwaard.
Deze allen zijn zoover van de genade verwijderd, en zijn de bezoeken des heiligen Geestes zoo onwaardig, dat hun toestand zeer te beklagen, zeer deerniswaardig is. j^iets smaken ze. dan hetgeen hunnezinnelijkheid en hunne hoo vaardigheid streelt. God verlaat hen dan ook, en dat is niet te verwonderen ; daar zjj zeiven zich zoover van Hem verwijderen, dat de meest christelijke gevoelens hun als loutere kleingeestigheden voorkomen. Zjj gevoelen zich sterk, maar men kan zeggen, dat hunne stijfhoofdigheid al hunne kracht is, gelijk al de kracht der rotsen in hare hardheid gelegen is.
123
Eeuige jaren geleden stierf te Parijs een hoveling. Zijn biechtvader maande hem aan, om zich tot den dood voor te bereiden. Hij toonde hem het kruisbeeld ; maar de zieke werd er niet het minst door getroffen. Een ander dit ziende, en willende toonen, dat hij tot die vrijgeesten behoorde, van wie mij boven spraken, zeide tot den biechtvader, dat verstandige lieden zicli niet lieten bewegen door voorwerpen, die alleen voor het volk goed waren ; dat men hen van het gewone volk behoorde te onderscheiden, en dat men hun geene gewone dingen moest zeggen. Ik geloof, dat hij zicli verbeeldde, dat men hun Seneca moest aanhalen, en dat het gezicht van het kruisbeeld voor vrome vrouwen slechts goed is; dat men bij die groote geesten met diepzinnige redeneeringen moet aankomen; alsof do heilige Bonaventura geen verheven geest had, van wien men verhaalt, dat hij door veelvuldig kussen zijn kruisbeeld had afgesleten; alsof men oen heiligen Augustinus en een heiligen Thomas onder de bekrompen geesten moest rangschikken, welke Heiligen en uitstekende geleerden, aangaande de goddelijke zaken, de eenvoudigheid en nederigheid van kinderen bezaten. De heilige Augustinus zegt, dat G-od zich mededeelt aan degenen, die groot zijn, maar niet groot bij zich zeiven, dat is, in hunne eigene oogen, gelijk de grooten der wereld, die van de eer der wereld hun afgod maken.
124
De tweede soort van personen, die een verkeerd zelfvertrouwen hebben, dat zijn diegenen, welke wel deugd bezitten, en over het algemeen, het oprecht meenen, ja, aan wie hun staat zelf de bijzondere verplichting oplegt, om deugdzaam te leven; maar die te veel vertrouwen stellen in hun verstand en hunne kennis ; waardoor het komt, dat zij God niet kunnen smaken, en zelden de bezoeken des heiligen Geestes ontvangen. Dezulken meenen zeer verlicht te zijn, en gelooven, dat het bloot natuurlijk verstand in staat is, om de goddelijke dingen goed te beoordeelen. Vandaar dat zij altijd wat hebben af te keuren op de meesters van het geestelijk leven, en op hen, die zich op het inwendig leven toeleggen. Ja, zij meenen, dat die teedere gevoelens jegens God hen lichtgeloovig maken en licht aan begoocheling blootstellen. Zij gaan zelfs somtijds zoover, dat zij zich inbeelden, dat die teedere godsvrucht de ziel verzwakt, en haar veel van hare vastheid beneemt.
Zij vinden geen smaak in de oefeningen van godsvrucht; maar zij houden die dorheid voor een teeken van hechte en mannelijke deugd, zij zeggen, dat zij niet zijn als vrouwen, die om eene nietigheid weenen, en dat zij door God niet als nieuwelingen worden behandeld ; dat zij in de kinderjaren door het minste werden verteederd, maar dat ze nu, mannen geworden, genoeg
125
weten, wat zij te doen hebben: zoo strekt hunne kennis vaak, door de wijze, waarop zij er zich van bedienen, om hen nog meer in hunne verkeerde gewoonte te versterken. Zij beweren, dat de meesters van het geestelijk leven niet weten te redeneeren, zoo als zij. De zoetigheden en den gevoeligen troost, waarmede God do eenvou-digen pleegt te begunstigen, schatten zij gering, en zij hebben weinig achting voor don ijver, dien Hij hun inboezemt voor lichamelijke versterving en boetoefeningen.
Wij weten toch, dat de heilige Franciscus van Assisië voortdurend weende, en dat dc heilige Ignatius altijd door geest en hlrt met God was vereenigd, en bijna het gezicht had verloven dooide vele tranen, die hij stortte.
Vanwaar komt het dan dat zij die hemelsche bezoeken niet ontvangen ? Dat komt, omdat zij die niet genoeg achten. Sommigen hunner beklagen zich over de ongevoeligheid van hun hart; en daar zij de oorzaak niet kennen, wijten zij het aan hunne bezigheden, die hen verplichten, zeggen zo, om altijd drooge en afgetrokken zaken te behandelen, waardoor de bron der godsvrucht van lieverlede in hen opdroogt. Maar zij bedriegen zich ; want de reden van hunne ongevoeligheid voor de geestelijke zaken, is niet in hunnen toeleg op de studiën gelegen.
126
Dc heilige Thomas, de heilige Bonaveutura en zoovele andere heilige leeraren legden er zich voortduiend op toe, en desniettemin smaakten zij don zoetsten geestelijken troost. Neen, hun gebrek aan godsvrucht komt alleen voort uit het te groote vertrouwen, dat zij in zich zeiyen stellen. Daaruit vloeit ook die minachting voort, die zij voor waarlijk godvruchtige zielen aan den dag leggen ; van daar ook die hooge bewondering voor zekere talenten en handelingen, waarin niets bovennatuurlijks, maar alles nienschelijk is ; vandaar dat zij spotten met sommige uitdrukkingen, waarvan de mystieken zich in hunne schriften bedienen; vandaar dat zij Dionijsius den Kart-huizer en vele andere geestelijke schrijvers, om hunne heiligheid en kennis beroemd, stoutweg veroordeelen, omdat zij niet altijd do zaken volgens de regels van Aristoteles hebben verklaard.
/00 oordcelen zij over alles als opperste meesters, en zjj zouden willen, dat men al hunne woorden voor godspraken hield. Dat is de reden, â waarom zij de bezoeken des hemels niet ontvangen ; en dat zij bij gemis daarvan in ecne vreese-lijkc verblindheid vervallen, die soms zoover gaat, daar zij zioh laten beheerschen door de schandelijkste driften.
Er zijn er onder hen, die spotten met du ge-heime werkingen van den heiligen Ooost in
127
de zielen ; en wanneer de Heiligen in edele en geheimzinnige bewoordingen trachten weder te geven, wat er bij die goddelijke inwerkingen omgaat, dan veranderen zij hunne uitdrukkingen, en leggen die op eene lage wijze uit, om er een voorwerp van spotternij van te maken.
Dat is voorzeker eene groote verwaandheid. Leeraren en Heiligen zoo te durven gispen, voor wie alle braven te allen tijde grooten eerbied hebben gekoesterd.
Zij,die zich door het licht van den heiligen Geest, en niet door bloot menschelijke redeneeringen laten geleiden, zijn ver van zulkdanige handelwijze verwijderd ; dewijl de gemeenschap met God niet minder nederigheid dan vertrouwen aan de ziel inboezemt.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over nr. woorden: Waar iemand eich zeiven Zoeki, daar vervalt hij van de liefde. Ill, ö. V. Hoe kan men de liefde Gods verliezen? A. Door zich zeiven te beminnen en te zoeken.
Om doze waarheid goed to begrijpen moet men vooraf opmerken, dat iemand, die veel voortgang
128
wil maken op den weg der volmaaktheid, niets beters kan doen, dan al zijne bedoelingen op God te richten, en Hem alleen in alles te zoeken. Dit is het voornaamste uitwerksel der goddelijke liefde, en al wie naar volmaakte heiligheid streeft, moet noodzakelijk dien weg volgen, om er toe te geraken; hij moet zich in alles ten doel stellen aan God te behagen; daarheen moeten al zijne gedachten en al zijne verlangens gericht zijn; want, wanneer hij den blik op zich zeiven vestigt, in plaats van zich tot God te verheffen, gelijk zij doen, die Hem getrouwelijk zoeken, dan valt hij ter aarde, wordt aardsch en zinnelijk, van eigenlicldc vervuld en slaaf van zijne driften; waaruit drie groote nadeelen voortspruiten.
Het eerste is, dat hij het licht verliest, zonder hetwelk het onmogelijk is, veilig te wandelen, en dat hij bij gemis van dat licht, in verblindheid verkeert.
Hij die God op het oog heeft, en in ware nederigheid tot Hem nadert, ontvangt het licht, daar God zelf het licht is. I. Jo: T, 5. Doch van het oogenblik af, dat hij zich van God afwendt, verdwijnt dat goddelijke licht. En wat verwijdert hom van God ? Do gehechtheid aan zijne eigene belangen. quot;Want een mensch, die slechts aan zich zeiven denkt, die alleen zich zeiven bemint, is altjjd in duisternis, en in dien toestand
129
kan hij onmogelijk de waarheid erkennen, omdat hij de zaken ziet in de valsche kleuren, waarmede de eigenliefde ze hem in de verbeelding afschildert, evenals, wanneer men door een zwart glas ziet, ailes wat men ziet ook zwart schijnt te wezen.
Het tweede nadeel is, dat men licht ontmoedigd wordt, wanneer de zaken niet naar wensch uitvallen. Daardoor gebeurt het, dat men zekere zwaarmoedigheid en inwendige gedruktheid ontwaart, waarvan men de oorzaak niet goed kau achterhalen; wanneer men, na eenige pogingen te hebben aangewend, om zijne boeien te verbreken, en zich door eene zuivere bedoeling tot Ood te verheffen, wederom begint, met een weinig eigenliefde onder zijne goede werken te mengen. Moe dikwijls is het ons in het leven niet overkomen, dat wij ons loom, ontevreden en aan verveling ten prooi gevoelden. Dat kwam, (althans dit is gewoonlijk het geval,) omdat wij heimelijk ons zeiven zochten. Men heeft, naar het schijnt, de beste bedoeling der wereld; men zou zweren, in de zaak, die men onderneemt, God zuiver op het oog te hebben; en toch is men bedroefd, en gevoelt men zekere walging, die den vrede des harten verstoort. De reden daarvan moet men in de ongeregelde eigenliefde zoeken. Van den eenen kant gevoelt men moed en kracht, door do gedachte aan de oer van God, waarvoor
130
men werkt: van den anderen kant is men zwak, laf on kwijnend door zucht naar eigen belang. Indien (jij in ht* h zeken zoekt, zoo weet, dat dit het is, wat n duoryuuns zooveel hinder en kwellimj haart. Ill, 11.
Dikwijls, na een goed werk te hebben verricht, zjjt gij verrukt, wanneer men u prijst, en men het u dankweet. Die ijdele vreugde is niets anders dan het gevolg van het deel, dat gij in die zaak hebt genomen. Maar indien men bij minder goed slagen u daarover terechtwijst of den spot met u drijft, dan is dat genoeg, om gedurende verscheidene dagen uw hart met bitterheid te vervullen. Waaruit kan dat verdriet voorkomen, dat gij u wellicht tracht te ontveinzen, maar dat aan uw binnenste knaagt:1 Dat komt, omdat de zaken niet zijn uitgevallen zooals gij gehoopt hadt. Gij zoudt wol wenschon zeer hoog te vliegen, maar gij hebt nauwelijks de kracht, om u voort to sloepen en langs don grond te kruipen. Doe al uwe handelingen voor God, stel u zijne glorie alleen ton dool. en gij zult geheel vrij wezen, en niets zal in staat zijn, uwen vrede te storen.
Weinigen genieten dio volkomene vrijheid des harten, omdat or weinigen zijn, dio God zoozeer beminnen, dat zij niets buiten Hem verlangen; terwijl de moesten steeds mot ziolt zeiven bezig
10.
131
zijn, en angstig nagaan, wat de mensclien over hen denken en spreken; waardoor zij zich vrijwillig tot slaven maken van de wereld. Scheld u van u seleen zegt de heilige Augustinus, want niets verstoort u zoozeer, als gij u zeiven. Wat u kwelling veroorzaakt, dat is niet do zaak, die gij te verrichten hebt, niet de bediening, waarmede gij belast zijt; maar do ongeregelde eigenliefde en de vrees, dat u iets onaangenaams zal overkomen. Denk daar niet meer aan; geef u geheel aan God over, en wil niet tot diegenen behooren, welke hun best niet doen, om zich zeiven geheel af te sterven, en geheel en al uit zich zeiven te treden, en die daarom zoo verward blijven en zich niet in den geest boven zich zelven kiinnen verheffen. III, 53.
Hoe kan een vogel vliegen, wanneer zijne vleugels met lijm zijn bestreken of wanneer een gewicht aan zijn poot is gebonden? De te groote zucht, om in alles ons gemak te zoeken, en in alles gelukkig te slagen, is een groot beletsel, om tot God te naderen. Wanneer er groote en gewichtige belangen op het spel staan; wanneer het al onze bezittingen geldt; wanneer men ons den goeden naam wil benemen; wat laten wij onbeproefd,om dat onheil te voorkomen, dat ongeluk van ons af te weren? Vanwaar komt het, dat men zich dan zoovele moeite geelt, en al zijne overige bezigheden laat
varen? Vanwaar dan die ongeschiktheid, om de meeste zaken te verrichten, welke men vroeger met het grootste geraak ten uitvoer bracht? Dat komt, omdat de vermogens der ziel als gebonden, en op een enkel voorwerp gevestigd zijn; en de oorzaak hiervan is, dat men de leiding dier zaak, of de zorg om dien laster te weerleggen, niet in de handen der Voorzienigheid stelt. En dewijl aan de ziel nu slechts geringe kracht overblijft, om haren plicht te vervullen, daarom is het niet te verwonderen, dat zij er zich op nalatige en zeer onvolmaakte wijze van kwijt.
Het derde nadeel, dat zij lijden, die te veel zich zei ven zoeken, is gelegen in de groote menigte van fouten, die zij begaan. Want van het licht des hemels beroofd, door de driften, die hen overheerschen, verzwakt, en slechts er op uit, om in alles hunne gemakken te zoeken, moeten zij noodzakelijk in vele punten aan hunne plichten te kort blijven. Zij dulden vele ongeregeldheden, welke zij verplicht zijn te beletten: aldus de zaak van God verradende, uit laffe toegeeflijkheid voor ergerlijke zondaren. Zij buigen en toonen zich zwak, daar waar zij vastheid aan den dag moesten leggen. Zij vleien diegenen, welke zij moesten berispen. Zij vluchten in die omstandigheden, waarin zij den vijand te gemoet moesten treden. Zij slapen, terwijl liet huis Gods
in vlam staat. Dit is zeui- mishaaglijk aau (iod, wi-.ms dienst meu boven alle mensehelijk op-zielit behoort te stellen. .Men wandelt alzoo in een duisteren naelit, men verdwaalt, men valt, men wondt zieh; omdat men den weg niet ziet, dien men volgen moet.
De reden van al die ongeregeldheden is, dat men geene zuivere bedoeling hoeft, dat men God niet waarlijk bemint, en dat men niet met getrouwheid en ijver naar zijne glorie streeft. De ware dienaren Gods zijn onbezorgd voor hetgeen hen zeiven betreft; zij verachten zich zeiven, en dir nriakt hen vaardiger en vrijer, om zich met alle kracht aan de verheerljjking van hun god-deljjken Meester te wijden. Daarom ook houden do Heiligen ons boven alles voor, dar de zekerste weg, om (iod volmaakt te dienen, is, zich zeiven volkomen te vergeten, en alles op te offeren voor de glorie van God.
Do achting der nienschen te verliezen, verlaten te worden door hen, wier liefde en hoogachting men verdiend had, dat valt zeer zwaar aan ou-verstorfcn menschen. Want, al wie niet volkomen aan zich zeiven gestorven is, kan moeiljjk den blik afwenden van hetgeen zijne eigenliefde streelt: en daardoor berooft hij zich van vele genaden. en valt hij in eene groote menigte van fouten.
m
Do eigenliefde is de wortel van alle driften. Door haar opgewekt, veroorzaken zij even als woedende stormen, de hevigste beroeringen, welke doorgaans door droevige sehipbrcnken worden'gevolgd. Heeft men eenmaal aan zijne eigenliefde verzaakt, dan is men gevrijwaard voor do stormen, die zoovelen, door de eigenliefde behcevscht, on sterk tot het zinnelijke geneigd, jammerlijk ten gronde doen gaan. Waart (jij i'i'iiiiiiial tof het hiiuiensti' ran Jesus (Inovf/edroiir/cii^ zegt de Schrijver der Xavolging, en limit (jij ma-tr â â â â â n toeiniy run zijne hrandwulr liefde f/esniaali t, dan zondt cjj om eirjen yemal' of ongemak irelniy l/e-kommerd zijn, maar veeleer n verblijden, zoo dikwijls men u heleedigd had. 11, 1.
Gave God, dat wij de zoetigheid dier liefde smaakten, welke, onze harten met het hart van .fesus voreenigende, ons in zijne gevoelens doet treden, en zijne leering doet opvolgen! Dan zoude onze bedoeling volkomen zuiver blijven, on zonden we ons weinig bokommeren, wat de mensdien van ons denken of zeggen,
V. Wat moet men dus doen, om te beletten, dat men zieh zeiven zoeke, zijn eigen belang na-jagiï
A. Ojj de eerste plaats moot men, wie men ook zjj. oud of jong, en in welke bediening men ook gesteld zij, het vaste besluit vormen, van
135
niets aan God te weigeren en buiten God niets te verlangen; en wel overtuigd zjjn, dat men zonder dat onmogelijk de eigenliefde kan overwinnen. Wij wentelen ons in vleesch en bloed, zeido de heilige Augustinus; wij zijn er altijd op uit, om ons eer of genoegen te verschaffen. Niets doet ons levendig aan, dan hetgeen betrekking heeft op onze eer, ons genoegen, onze rust.
Wij vergeten do belangen van God wel niet geheel en al; maar wij behartigen ze niet met ijver en vurigheid, wij beschouwen die uit do verte. En behartigen we ze soms met meer ijver, dan geschiedt dat slechts bij buitengewone gelegenheden; maar in den regel zijn we er maar op uit, om onze kleingeestige oogmerken te bereiken.
De tweede zaak, waarop men zich moet toeleggen, is, voortdurend aan zich zeiven te sterven, niet slechts in groote zaken, maar ook in de kleinste, zicli zeiven te overwinnen ; want het is (jeene geringe zaak, ook in de kleinste zake», zich zelven te verloochenen. Ill, 39. De heilige Ignatius wil van zijne gezellen, dat het hun grootste en voornaamste zorg zij, meerdere zelfverloochening en in alles, zooveel mogelijk, gedurige versterving in den Heer te zoeken. Al wie daarvan zijne voornaamste zorg maakt, zal ongetwjjfeld de eigenliefde, dien hoofdvijand van de liefde Gods, uit zijn hart verbannen.
136
Het derde, wat men doen moet is, zicli zoodanig met geest en hart toeleggen, om zijne intentie Avel te richten, dat men, met een eenvou -digen en oprechten blik. God in alles op het oog heeft, dat men alles tot zijne glorie verricht, en zorgvuldig waakt, dat men die noch door onnadenkendheid, noch door natuurlijke gejaagdheid, uit het oog verliest, zoo zal men vrij zijn, om op te vliegen tot God, cn volgens de wet der volmaakte liefde, zich innig met Hem te vereenigen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: De eenvoudigheid zoekt God, de zuiverheid omhelst en smaakt Hem. II, 4.
Vraag. Welke zijn de gevoelens eener ziel, die zich met God verlangt te vereenigen?
Antwoord. Deze drie, welke de Bruid van het Hooglied aanduidt: Ik helt Hem gezocht, zegt, zij, dien mijne ziel liefheeft, ik heh Hem gevonden, ik heh Hem omhelsd, en ik zal Hem niet laten gaan. III, 4. De ziel, sterk genegen voor haar god-delijken Bruidegom, Hem vurig beminnende, begint met Hem te zoeken. Hem zoekende vindt zij Hem, en Hem eindelijk gevonden hebbende,
137
omhelst zij Hem, en hecht zich zoo vast aan Hem, dat niets in staat is haar van Hem te scheiden. Zij zoekt Hem door de eenvoudigheid, zij vindt en bezit Hem door do zuiverheid.
Vraag. IFat wil dat zeggen: God zoeken?
Antwoord. Dat wil zeggen, zich beijveren, om voortdurend zijn hart ten hemel te verheffen, en den wil van God in alles to volbrengen. En dit sluit drie zaken in zich.
De eerste is, altijd in Gods tegenwoordigheid te wandelen, zonder Hem ooit uit het oog te verliezen, volgens hetgeen do heilige Geest door den mond der profeten ons leert; Zoekt den Heer, terwijl gij Hem kunt vinden. Is: LV, (i. Zoek/ voortdurend zijn aangezicht. Ps: CIV, 4.
Hjj zoekt het aangezicht des Hoeren, die Hem in al zijne handelingen indachtig is, en die zich zeiven en al het geschapene vergeet. De trage zielen scheppen geen behagen in de gedachte aan God; zij vreezen zijne ingevingen en verlichtingen; omdat zij beducht zijn, van leven te moeten veranderen.
Maar zjj, die getrouw willen zjjn aan de genade, hebben altijd hun geest op God gevestigd; Zij smeeken Hem aanhoudend, hen te willen besturen, te steunen, hen in het beoefenen der deugd behulpzaam te zjjn. En zoodra die steun hun begint te ontbreken, zoodra zij den smaak van
138
God beginnen te verliezen, zijn zij in voorklu-rende onrust, tot dat zij Hem hebben wederge-vonden: al linnne zorgen, al hunne pogingen hebben ten doel, het zoete beeld in hun geheugen terug te roepen van Hem, die alleen al hunne wellust uitmaakte, en die alleen in staat is, hen tot de yolmaaktheid op te voeren.
Zij zijn niet als de tragen en onvol maakten, die zonder onrust de berooving van hot goddelijk licht verduren, en hun ongeluk niet gevoelen. Zij roepen, zjj verzuchten, zij houden niet op den Heer te zoeken, tot dat zjj Hem eindelijk hebben wedergevonden; eu dat is de vrucht der heilige eenvoudigheid, die God zuiver op het oog heeft.
De tweede wijze van God te zoeken bestaat, in die oprechte, zuivere bedoeling te hebben; in alles in het werk te stellen, om Hem te vinden; in altijd datgene te doen, wat Hem het meest behaaglijk is; in alle gevoelens in zijn hart te onderdrukken, die het monschelijk opzicht of de ijdele glorie er opwekken: in één woord : in alleen er op bedacht te zijn, om God te verheerlijken, en zijn heiligen wil te volbrengen. Alwie anders handelt, zoekt niet God, maar zioh zeiven. De eenvoudigheid zoekt (JoJ, daar zij slechts één doel hetft, en den blik van al het overige afwendt. Er is voor den eenvoudige inderdaad slechts één
139
weg; terwijl er zeer vele zijn voor hen, welke die eenvoudigheid missen. De rechte weg is oenig, en zij, die hem volgen, hebben niets anders op het oog, dan datgene te doen, wat God van hen verlangt. Heeft men weinig liefde tot God, en geringen ijver voor zijnen dienst, dan hecht men zich aan alles, wat de zinnen streelt; maar bemint men God van harte, dan wil men niets anders, dan hetgeen Hom behaaglijk is. En dat is eigenlijk gezegd: God zoeken; dat is datgene doen, waartoe de goddelijke Zaligmaker ons opwekt, wanneer Hij zegt: Zoekt eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid. Mt: VI, 33. Maar God beklaagt zich te recht, op vele plaatsen in de heilige Schriftuur, dat er niemand is, die Hem zoekt, I's: LU, 3, en die den zuiveren blik op Hem vestigt, met een ernstigen wil. om Hem volmaakt welgevallig te zijn.
De derde wijze van God te zoeken is, zijn best te doen, om zich aanstonds wederom op den goeden weg te plaatsen, zoodra men bemerkt, dat men hem verlaten heeft. Wanneer gij derhalve gewaar wordt, dat gij u te vee! hebt verstrooid: dat gij u te veel aan wereldsche vermaken en gesprekken hebt overgegeven ; wanneer gij gevoelt, dat uwe ziel te veel bezwaard is door het najagen van aardsche genoegens, of door loomheid en traagheid verslapt is, treed dan
1.^0
terstond in u zolven, versterk u door liet gebed, wend alle zorg aan, om uw binnenste weer goed te regelen; want zij, die hunne voldoening zoeken in de zinnelijke genoegens en de wereldsehe vermaken, vinden er op het einde hun uiterst ongeluk in.
De brave en getrouwe zielen worden nergens meer door gekweld, dan door de gedachte aan de verslapping, waarin zij meenen te leven. Zij hebben geene rust, zoolang zij het eerste vuur harer godsvrucht niet weer voelen branden; zij beijveren zich, om zich meer dan ooit met God te vereenigen, zij verdiïbbelen hare waakzaamheid, hare vurigheid in het gebed, en haren ijver in het beoefenen van goede werken. Zoo zoeken zij God, en de pogingen, die zij aanwenden, doen haar God eindelijk weer vinden.
Vraag. Wanneer lean men zeyr/eii, dat men God heeft gevonden?
Antwoord. Wanneer de ziel, die Hem met ijver gezocht heeft, eindelijk in een toestand verkeert, waarin God zich met haar en zij met God zich zoo innig vereenigt, dat zij Hem in haar binnenste gevoelt, waaruit zij alle zonde verbannen heeft, en waar zij eeue helderheid, een vrede en eeue inwendige vreugde geniet, welke de tegenwoordigheid van God alleen er kan aanbrengen.
Die helderheid is hot gevolg van het hemel-
141
sche licht, dat alle duisternis verdrijft; die vrede komt voort uit de verwijdering van alle voorwerpen, welke hem kunnen verstoren; die vreugde wordt voortgebracht door do genade, die do ziel geheel vervult, en waarvan al hare vermogens doordrongen zijn. In dien toestand kan zij zeggen, dat zij, wat zij zocht, heeft gevonden, en de vrucht harer volhardende pogingen ingeoogst heeft.
Er zijn er, voor wie God zich verbergt, of, om hen voor hunne ongetrouwheid te straffen, of om hunne deugd te beproeven. Brave zielen gevoelen die beproeving geweldig; dewijl, wanneer God zich aan haar onttrekt, het leven haar ondragelijker wordt dan de dood. Al weenende zeggen zij: Ik heb Hem gezocht, dien mijne ziel liefheeft, en / k heh Hem niet (jexonden. iioool. ill, l. -Maar, wanneer God, na eeno afwezigheid van vele dagen, van vele jaren somtijds, zich wederom aan haar vertoont; wanneer zij door hare gebeden en verzuelitingon, door hare boetoefeningen en verstervingen, Hem eindelijk hebben genoopt, tot haar weder to koeren, dan worden zij van eeno onuitsprekelijke vreugde vervuld, en zij gevoelen merkbaar, dat zij Hem hebben wedergevonden; want zij ontwaren in haar binnenste eene kalmte, eene sterkte en zoetigheid, die alleen van God kunnen komen. Do heilige Schriftuur en de meesters van het geestelijk leven wekken iedereen
142
op, om lt;iod onvermoeid en voortdurend to zoeken. Jesus maant ons daartoe aan, wanneer Hij zej^'t: l'ruiKjt, en u zul (jwjccen worden, i'lopf en n zal worden opeiKjeduan. Luc; XI. tl.
De geschikte middelen, om, na Hem verloren te heWUen, Hem weder te vinden, zijn gebed en geduld. Zoekt, zegt Jesus, en (jij zul/ vinden. t. ii. [). Men xoekf door gebed, door nederigheid en verstervingen; daardoor wordt Ood gevonden, en doet Hij zijne tegenwoordigheid aan de ziel weer gevoelen. Daarvan hebben wij een beeld in de vrouw van liet Evangelie, die hare drachme had wedergevonden. Do ijver, waarmede men God moet zoeken, wordt ons aangeduid door do nij vore zorg van die vrouw: zij veegt het geheele huis, ontsteekt hare lamp, verplaatst alles, doorsnutfelt alles; en do groote vreugde, welke zij aan den dag legt, van eindelijk hare drachme gevonden te hebben, stelt ons den t lestand voor eener ziel, die de genade, welke zij verloren had, heeft wedergevonden.
Vraag. If a/ heteekent: (Sod owhehen, en Hem hij zich helwuden 'lt;
Antwoord. Dat is: Hem smaken, en door niets zich van Hom laten scheiden. De ziel, na lang zoeken, haar opperste Goed gevonden hebbende, en dien inwendigen vrede, waarin zij gevoelt, hoe zoet de Heer is, genietende, hecht zich innig aan God, en verdrmt door hni'e getrouwheid, dat God
143
haar niet meer verlaat. Zóó God bezitten, is een voorrecht der zuivere zielen; trouwens, nadat zij zich eenmaal van hare gebreken hebben ontdaan,, en villi hare zonden zich hebben gezuiverd, nadat zij hare kwade gewoonten hebben uitgeroeid, deelt de heilige Geest zich aan haar mede, en vereen igt zich met haar; die Geest, welke niets vuriger verlangt, dan zielen aan te treffen, die waardig zijn, om Hem te ontvangen.
De reinheid des harten is derhalve de deugd, welke ons niet alleen in staat stelt, om het opperste Goed te kennen, maar ook zijne zoetigheid te proeven en te smaken, en ons voor altijd met God te vereenigen. Gelijk de vurige liefde, welke de zuivere ziel Gode toedraagt, haar altijd doet zoeken, wat Hem het meest welgevallig is, zoo doet zij haar ook alles, wat Hem kan mishagen, verafschuwen. En zulke ziel, van hare zonden gereinigd, en minder geneigd tot het kwaad, heeft recht, om te verwachten, dat de hemelsche Bruidegom in haar zijne woning zal vestigen.
ïwee zaken moeten dan al hare bezigheid uitmaken.
De eerste is, zich onafscheidelijk te hechten aan do opperste Goedheid, die alleen haar het licht en de kracht kan mededeelen, welke zij noodig heeft, om zich goed van hare plichten te kwijten.
Do tweede is, zich te beijveren, om in groote
144
vurigheid tc leven, en getrouw te beantwoorden aan de genade. quot;Want, gelijk Jesus de ziel gelukkig maakt door zich aan haar mede te deelen, zoo wil Hij ook, dat zij Hem altijd getrouw zij; dat zij door eene groote waakzaamheid de minste fouten en de geringste onvolmaaktheden vermijde; dat het hare voornaamste zorg zij. Hem in alles voldoening te geven, en Hem meer en meer te behagen. Dat is het middel, om zich zijn bezit waardig te maken.
Wanneer een mensch, die op zijn tijdelijk belang uit is, een vergankelijk goed heeft verworven, dan zegt hij tot zich zeiven, zoo als Pharao, toen hij werd aangezocht, om het volk Gods uit Egypte te laten vertrekken: Ik zal het niet laten (juun. Exod: V, 2; het zal niet aan mijne handen ontkomen. Ik zal het vasthouden, het koste wat het wil. Insgelijks spreekt eene ziel, die door de banden der zuiverste liefde aan God is gehecht; zij betuigt vast, dat zij Hem nooit zal verlaten, dat zij immer met Hem vereenigd zal blijven, dat zij liever het leven dan zijne vriendschap zal verliezen, dat zij Hem altijd hare getrouwheid zal betoonen, en Hem daardoor zal bewegen, om haar voortdurend zijne genade mede te deelen.
Uit dit alles blijkt, dat het geluk, van God te bezitten, het loon der zuiverheid is; dat eene
145
standvastige getrouwheid Ham bewaart en behoudt; en dat men door deze twee deugden in vereeni-ging blijft met God, die al de zoetigheid van het tegenwoordige leven uitmaakt, en welke het loon i- voor de moeite, die men aangewend hoeft.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
o vei: dk wookhex. Hij, die het hetsl weet fc lijden, zal den (/rui/tsfeii rredc i/enieten. II, 3.
Vraag. Ldiiyn welkoi ivey komt ineti In d.eze wereld tut den icaren rredc?
Antwoord. Door het geduld. Deze weg is lastig en schier ongekend door de menschen, die den vrede stellen in den overvloed van aardsche goederen en in de genoegens, der zinnen; en die niet kunnen begrijpen, dat hij in iets anders gevonden wordt, liet is waar, dat hij dooi1 voldoening wordt verkregen, maar niet door die voldoening, welke zij zoeken, en mot vurigheid nastreven. Er zijn namelijk twee soorten van vol-voldoening: De eene is laag en de andere verheven. De eerste wordt het meest gezocht, te weten, de voldoening der zinnen; deze stelt men boven de andere, die geheel zuiver en geestelijk is; terwijl toch in deze de ware vrede gevonden wordt, die
U()
alleen wordt verkregen dooi' in de waarachtige, dat is, in de geestelijke goederen de rust te zoeken, welke God aan zijne dienaren beloofd heeft, en die Jlij hun uitsluitend heeft voorbehouden. Men bedriegt zich zeer, wanneer men meent, dat hij in de zinnelijke genoegens gevonden wordt. Neen, men kan tot den vrede niet komen, dan langs het doornige pad van kruis en lijden: want het is onmogelijk, in dit leven, geest en vleesch te bevredigen. Om derhalve den geest te bevredigen, moot het vleesch worden verstorven.
Mozes, van den zondvloed sprekende, zegt, dat de wateren, naarmate zij liooyer stiKjen, de arh â meer In de hoogte verhiecen, rn can de aarde verwijderden-. Gen: VII, 17. Op gelijke wijze kan men zeggen, dat de kwellingen, door de wateren aangeduid, de ziel helpen, om zich te verheften, en den hemel te naderen. Ontstaat er eene plotselinge overstrooming, die in het beneden huis doordringt, dan klimt men op naar de tweede verdieping, en stijgt het water altijd hooger, dan klimt men op het dak. Zoo ook doet de brave, die in zijn lichaam en in zijne zinnen gekweld wordt, dat is, in het lagere gedeelte zijner ziel, hij vlucht, om zoo te spreken, naar het hoogere gedeelte, waar hij den vrede en den God van vrede zeiven vindt. Maar hij verlaat dat lagero
11.
147
gedeelte niet, wanneer de kwellingen er hem niet komen lastig vallen, en zoolang hij er blijft, zal hij altijd een zinnelijk mensch wezen, voortdurend blootgesteld aan de bekoringen van satanT en altijd in gevaar van te bezwijken.
Het is den mensch natuurlijk, datgene te beminnen, wat zijne zinnelijkheid streelt; maar tevens vindt hij allerlei beletsels, om die hevige neiging voldoening te geven; en derhalve kan hij daarin nimmer een bestendigen vrede genieten. De bovenlucht is zeer heldor; maar in de benedenlucht vormen zich bliksems en stormen.
De ware bron van den vrede is de vrijheid des harten. Kan men grootere verblinding uitdenken, dan die der wereld, welke tot grondregel stelt, van alles te vluchten, wat onaangenaam is? En die er maar op uit is, om goed gehuisvest te zijn, goed behandeld te worden, door iedereen en bij elke gelegenheid te worden geprezen en toegejuicht? Zij, die in dergelijke zaken hunnen vrede zoeken, kunnen nooit ten volle tevreden zijn, omdat hunne vreugde noodzakelijk met veel verdriet is vermengd.
Zij, daarentegen, die dat alles gering achten, en het lijden beminnen, blijven, ook wanneer zij door kwellingen worden bezocht, kalm en tevreden, door de kracht der genade, die hen inwendig versterkt.
us
In liet genot nu van dezen vrede, die het loon is van langdurigen strijd, kan men drie trappen van volmaaktheid onderscheiden. Van den eersten klimt men op tot den tweeden, van don tweeden tot den derden.
De eerste trap bestaat, in alle onaangename zaken gelaten te verdragen; en dat noemt men geduld. Een geduldig mensch, die den goddelij-ken Zaligmaker wenseht na te volgen, verdraagt alles met de grootste bereidwilligheid: armoede, ziekte, de ongemakken van koude en hitte, vervolging, en, in het algemeen, alles, wat de natuur zwaar valt en neerdrukt; ja, het onaangenaamste, wat hem in dit loven kan overkomen; en dat uit liefde tot hot kruis, en uit een edelmoedig verlangen, om de eigenliefde te dooden, welke vooral door de zinnelijke genoegens gevoed wordt.
De ziel smaakt in dat alles een zeker genoegen, dat er do bitterheid van verzoet, de ontsteltenis bedaart, en de tegenstreving wegneemt, welke zij, bij het verdragen van beleedigingen, zonder zich te verontschuldigen of zich te wreken, natuurlijk gevoelt. Zoo wordt zij tegen hot lijden verhard, en komt eindelijk tot een toestand, waarin zij de kwellingen dezes levens niet meer vreest, in de orertuiging gevestigd, dar God het is, die ze haar overzendt, eu die er zijn
149
bohngeu in schept luuir goduld to boproeveu, gelijk Hij do Heiligen Jieoft beproefd, ja, zjjn ooni-gen Zoon niet gespaard heeft.
Zij onderwerpt zich volkomen aan dien godde-lijlcen wil: zij wordt niet ongeduldig; zij uit geen enkele klacht, en verkrijgt daardoor eene kalme rust, wolke de ware vrede dos gevstes is.
Zij, die aan de genade wederstaan, en in de schepselen hunnen vrede zoeken, genieten, wel is waar, eene geringe voldoening, maar geene volmaakte bevrediging, zooals de ware minnaars van het kruis, die, het lijden met bereidwilligheid aanvnardende, zich boven het zinnelijke verheffen, waarin anderen meenen. Juin geluk op aarde te zullen vinden.
JJf tweede, soort ran rrei/e, weikeu zij genieten, die zich toeleggen, om mot ware gesteldheid het Ijjden te verduren, is niet minder zoet, en beter gevestigd en standvastiger dan de eerste. Het is die zielsgesteldheid, waarin men niet alleen de tegenheden, vernederingen en smarten met nederige onderwerping aan don goddelijken wil ontvangt, maar zelfs zich er over verheugt, uit verlangen, om aan den lijdenden Jesns gelijkvormig te worden.
Wanneer iemand zoo ten opzichte van het Ijjden gezind is, en de zwakheid der natuur, altijd wars van het lijden, zoo edelmoedig overwint.
150
(tan gevoelt hij in zich /elven eene kalmte, een moed, eene kracht en sterkte, die hem in staat stellen, om alle vervolgingen en de hevigste smarten te verduren.
Dan staat hij onwrikbaar vast, als eene rots te midden der baren, en nooit staat hij vaster, dan wanneer hij schijnt neergeworpen te zijn; zoodat hij met den Apostel kan zeggen: Wun-neer ik zwak hen, dan hen ik sterk. II Cor: XII. 10.
Die buitengewone kracht wordt hem d or de genade geschonken, welke hem in staat stcir. om alles te kunnen verdragen, en hom zoo moedig maakt, ja zoo begeerig, om te lijden, dat hij stoutmoedig tot God zegt: Zend mij kruisen over, o lieer, zend mij kruisen over: nog meer, lleere, nog meer; verzwaar mijn lijden, vermeerder mijne kwellingen. Zijn ijver stijgt zoo hoog, dat hij niet loven kan zonder te lijden; en dat hij, wanneer hij niets heett te lijden, kwijnt als een mensch, die door een hevigen honger gekweld wordt. Maar begint God hem weer te beproeven, dan keert zijn moed, dan keeren zijne krachten weder, en hij gevoelt zich weer sterk, even als iemand, die rust heeft genoten. Grelijk ware krijgslieden, aan een hard leven gewoon, wars zijn van rust en weekelijkheid, zoo ook verlangen edelmoedige zielen geene vertroostingen.
151
maar eerder harde beproevingen en zware moeie-lijkheden voor de glorie van God te verduren.
Wanneer men wil, dat de kinderen sterk worden, en tegen vermoeienis worden verhard, dan voedt men hen met grove vleeschspijzen, oefent hen in vermoeiende bezigheden, en boezemt huti afschuw in voor alle weekelijkheid.
Zoo ook handelt God met diegenen, welke Hij tot werktuigen voor zijne glorie bestemt. Hij zendt hun kwellingen over, opdat zij hot lijden goed. Ja, niet vreugde, leeren verdragen. Eu wanneer zij goed van de grooto voordeden van het kruis overtuigd zijn, dan doet Hij hun de vruchten er van zoozeer smaken, dat zij het met aandrang begeeren cn met vurigheid zoeken; dat zij er zich niet aan kunnen verzadigen, en er eene buitengewone zoetigheid in ontwaren. Maar niet alleen zoetigheid, ook sterkte wordt in dien vrede gevonden. En alwie daartoe geraken kan, wordt van zoo hevige vurigheid ontvlamd, dat hij, naar het voorbeeld der Apostelen en van vele andere Heiligen, met eene brandende begeerte verlangt, mishandeld te worden, verguizingen te onderstaan, cn tot den dood toe te worden vervolgd.
De goddelijke liefde is als eene lamp, en kwelling en lijden zijn als de olie om haar te onderhouden.
152
l)c kennis van de groote voordeeion, welke liet kruis oplevert, schenkt aan de grootmoedige zielen dat onverzaadbaar verlangen, om te lijden, en dien bestendigen vrede in allerlei kwel-â¢! lingen; een vrede en een genot, zooals er in den
overvloed aan aardsebe genoegens niet wordt gesmaakt. Of sterven of lijden, zoo verzuchten zij met de heilige Theresia.
De derde soort van 'vrede, is die volmaakte, die zoete rust in God, waardoor de ziel, in die Bron van ware genoegens, cene verzadiging vindt, welke de heilige Paulus den vrede Gods noemt, eenen vrede, die alle yevoel overtreft. Phil. IV, 9, en die noch in de natuurlijke, noch in de bovennatuurlijke goederen, welke het Opperste Goed niet zijn, wordt gevonden; eenen vrede, die geen andoren oorsprong heeft, dan de vreugde, van God bevredigd te zien; cene vreugde, onvergelijkelijk grooter, dan alle gevoelige vreugde, die men buiten God kan genieten. I n dezen toestand vereenigt de menscli zich innig met zijn Schepper, en begint hij een bovenmenschelijk, een hemelsch i leven te leiden. Vandaar, dat velen, die zich in de hevigste kwellingen, zonder eenigc tevenstreving, overgeven in den goddelijken wil, niettegenstaande de mistroostigheid, waarin zij verkeeren, zoo vurig en zoo treffend over de goddelijke zaken i spreken, dat zij de diepst bedroefden, op eene
133
wonderbare wijze vertroosten. De kracht, die in hunne woorden gelegen is, komt daaruit voort, dat hun vrede een zuivere geestesvrede is, die niet afhankelijk is van de in â of uitwendige zinnen. Ja, het gebeurt zelfs somtijds, dat zij, in groote zwaarmoedigheid gedompeld, zich verloren wanende, zondaren tot bekeering brengen, en hun oen krachtdadig verlangen inboezemen, om Hem te beminnen, door wien zij zich zeiven verlaten achten. Dat komt niet, en kan niet komen, van eenigen gevoeligen smaak; dewijl er in het lagere gedeelte hunner ziel slechts duisternis en droefheid heerschen: het kan dus slechts een uitwerksel zijn van dien vrede, die voor onrust en ontsteltenis ongenaakbaar is.
Maar welk is nu de oorzaak van zulk een volmaakten vrede? Dat is het lijden; en men kan zeggen, dat de vrede vermeerdert, naarmate de ziel in haar binnenste meer door lijden gekweld wordt; daar er niets is, waardoor zij meer in den vrede gevestigd wordt, dan door dorheid, walging, inwendige verlatenheid en andere soortgelijke kwellingen, welke de gunsten zijn, waarmede God zijne grootste vrienden begiftigd. Met het menschelijk oog beschouwd, schijnt Hij hen als vreemdelingen, ja als vijanden te behandelen; maar hij doet dit niet het dool, om hen te leeren, zich aangaande alles op Hem te veria-
154
ten; en, aan zich zeiven stervende, in zijn hart in vrede te rusten, ongenaakbaar voor verdriet of kwelling-, volgens do woorden van den profeet : Dewijl ijj yczerjcl hebt: Gij, Heere, zjt mijn toeverlaat; en den Allerhoogste cjesteld hebt tot uwe toevlucht, zoo zal (/een kwaad u wederwaren, en r/eene plaar/ zal naderen tot mre tent. Ps. XC, 9.
Hij biedt hun derhalve zijn hart tot toevluchtsoord. Daar sluiten zij zich niet Hem op, zich zeiven vergetende on mot Hem alleen bezig, terwijl al de liefde van hun hart, al hunuo verlangens op Hem zijn gericht.
Van uit dat hart stroomt dan ook in al do vermogens hunner ziel ecno geheime kracht, dio hen dermate versterkt, dat niets in staat is, hun hart te ontroeren. Heere, zeggen zij, dat uw wil, en niet de onze geschiede; terwijl zij niets ter wereld vreezen dan do gramschap van God. God werkt op hun wil en op hun vorstand; Hij alleen heeft den sleutel hunner harten; en daarom genieten zij in het hoogere gedeelte hunner ziel cenon vrede, dien alle schepselen to zamen niet in stapt zijn te storen.
155
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Wat zal hem niet goed smaken, die smaak vindt in God? III, 34.
Vraag. Welk is het middel, om God volmaakt te smaken?
Antwoord. Eon grooten walg te hebben van alle geschapene zaken.
Vraag. Hoe kan men op eene heilige wijze de schepselen smaken?
Antwoord. Wanneer men God volinaaktelijk smaakt.
Om dit geheim goed te begrijpen, moet men weten, dat er tweederlei smaak is, dien men in de schepselen kan hebben. Do eene is laag en onvolmaakt, en heeft slechts natuurlijke voldoening ten doel: de andere is verheven en zeer uitmnnteiid.
Do eerste, geheel tegenovergesteld aan don tweeden, belet den mensch, zijn hart ten hemel te verheften; en daarvan moet men zich ontdoen, daar hij oen hinderpaal is voor het ware geluk, dat bestaat in het opperste Goed te genieten.
Hjj, die er toe gekomen is, om God te smaken, smaakt alle zaken in God, als in haar beginsel: zoodat de eenvoudige blik op God gevestigd, en
156
T
dc zuivere liefde van het ongeschapen en oneindig Goed, hem alles gelijkelijk beminnelijk maken, alles, wat hij ziet, en wat hem zoets of bitters in dit loven wedervaart. Dit geeft do schrijver der gt;j Navolging te kennen in deze woorden: Hij alleen kan een gerust, en een in God tevreden hart bezitten, wien het eeuwige Woord alles in alles is, die alles naar dit Kenige weet te richten, alles in dit Eenige weet te betrachten. I, 3.
Wat hij zegt van het betrachten, kan ook van het smaken gezegd worden. Daar het 'dus niet mogelijk is, God op eene volmaakte wijze te smaken, zonder tegelijkertijd God té smaken in al het overige, daarom kan men ook nooit ontevreden zijn, wanneer men God op die volmaakte wijze smaakt; omdat die algemeene smaak, wolken men in God heeft, do ziel verheft, en van do bijzondere voorwerpen, die w alging of onaangenaamheid zouden kunnen baren, onthecht.
Te dezen opzichte misdoen zij, die slechts bepaalde betrekkingen willen bekleeden, die voor eene bepaalde soort van goede werken genegen zijn, zoodat zij zich voor andere niet willen leenen; die gaarne doen, wat van hunne keuze is, en al het overige van de hand slaan; die, wanneer zij iets moeten doen, wat met, hunne neiging niet strookt, zich niet kunne* weerhouden, van daarover hunne ontevredenheid te koimon te geven.
157
Een religieus, bijvoorbeeld, vindt zijn genoegen, in alleen in zijne kamer te blijven; alles is volgens vaste uren geregeld, en sedert langen tijd is hij aan die levenswijze gewoon: op het teeken der kloV neemt hij zijn maaltijd, een soberen maaltijd, geheel overeenkomstig met de heilige armoede, maar die voldoende is voor iemand als hij, aan een sober leven gewoon. Men kan zich misschien moeielijk voorstellen, dat de eigenliefde zich in dat- alles kan mengen; en voorzeker, men kan niet ontkennen, dat zulk een religieus veel schuldiger zou wezen, wanneer hij dikwijls het klooster verliet, om meer vrijheid te genieten; maar toch, hij kan gehecht zijn aan zijne wijze van leven. Dat men hem voorstelle, om eenigen tijd buiten, bij wereldschc menschen, door te brengen, waar zich de gelegenheid voordoet, om aan God of ann den naaste uit liefde tot God een gewichtigen dienst te bewijzen; en hij zal wellicht tegenzin daarin hebben, hij zal misschien zeggen, dat er niets verkieslijker is, dan in gemeenschap met zijne broeders te leven: dat er geen orde heerscht bij wcreldsche mensehen; dat men er onmogelijk zijne bezigheden volgens vaste u-ren kan regelen. Doch, indien hij God op volmaakte wijze smaakt, dan zal hij in die moeielijk-heid niet blijven hangen; vooral, wanneer hij volgens zijne roeping aan het heil van de zielen
158
moet arbeiden; daar zijn eenig genoegen zal bestaan, in te doen, wat God van liera vraagt.
De heilige Franciscus Xaverius bracht zijn leven deels op zee,deels op het land door,en voor hetgroot-ste gedeelte onder onbeschaafde volken. Wat rust zou hij hebben gehad, wat verdriet zon hij niet hebben geleden, wanneer hij naar die bedriegeljjko teergevoeligheid hadde geluisterd? Maar, dewijl hij slechts (rod zocht, vond hij Hem ook overal.
Zjj, die aan hun eigen wil zijn gehecht, en wie niets aanstaat, of hot moet naar hun zin zyn, zijn onbekwaam, om in alles smaak te vinden, met alles tevreden te zijn. Het gebeurt ook zeer dikwjjls, dat men bij gebrek aan zelfkennis, en omdat men zijne bedoelingen niet onderzoekt, tegenstreving gevoelt voor sommige zaken, welke de gehoorzaamheid oplegt, zonder dat men weet, of liever gezegd, zonder dat men wil weten, waar dat vandaan komt: zoozeer verbergt en vermomt men zich voor zich zelven. Men wendt redenen voor. om er van verschoond te blijven, maar het zijn loutere voorwendsels; de eigenlijke reden is de eigenliefde.
Een religieus wordt ergens heen gezonden, waar men meent, dat hij de eer van God kan bevorderen. Hij kan er niet toe besluiten, en verontschuldigt zich, omdat hij ontstichting zon geven, bjjaldien men hem zag in gezelschap van per-
159
I-oneu, die een minder welgeregeld leven leiden. Dat is de reden, die hij voorgeeft; maar het is niet do ware oorzaak van de tegenstreving, die hij gevoelt. Dring door tot het binnenste zjjner ziel, en gij zult zien, dat die tegenstreving wordt veroorzaakt door de vrees, dat hij daar niet zal vinden, wat zijne zinnelijkheid of zijne gemakzucht verlangt, of, dat hij er niet in eere zal zijn; in één woord, dat zij uit eigenliefde voortkomt. Wanneer men God waarlijk smaakt, dan is men overal goed, dan zoekt men in niets zich zelvon, dan heeft men niets, noch te vreezen, noch te verlangen.
Vraag. Welke zijn de middelen, om dien al-yemeenen smaak te verkrijgen, waardoor men alles goedvindt, en in niets tegenzin heeft?
Antwoord. Er zijn er drie.
Op de eerste plaats, zich van alle genegenheid voor de schepselen ontdoen; zijn hart geheel aan God schenken; de oogen niet te veel vestigen op het aantrekkelijke, wat de schepselen kunnen bevatten; maar zijn oog er van aftrokken, ten einde er niet door getroffen en door ingenomen to worden.
Het is den mensch van nature eigen, wanneer hem eene betrekking wordt voorgesteld, terstond de voordcelen, die ze oplevert, te beschouwen, en zo aan te nemen, alleen omdat zij eervol of
160
aangenaam is. Dikwijls liccft men dergelijke beschouwingen in den geest, en dat is een groot beletsel voor de volmaaktheid. Men moet niets anders verlangen, dan den wil van God te volbrengen; dat is liet eenige, wat men moot hoogschatten, en voor al het overige moet men niets dan minachting overhebben.
Het tweede middel is, dat, wanneer men zoo gelukkig is, yan goed te slagen, in eeno zaak, die men ondernomen heeft, of in eene betrekking, welke men bekleedt, en men daarover geprezen wordt, dat men dan wel zorg drage, van zich niet aan eeno lage, natuurlijke vreugde- over te leveren, welke slechts strekt, om onze hoovaar-öigheid voedsel to geven. Want men is zeer genegen, daarin dan zeker behagen te scheppen, hetwelk het gevoel wegneemt van de zoetigheid, die men in alles in 't algemeen, wat van God komt, zou moeten smaken. Voor datgene dus alleen, wat tot den dienst van God behoort, moet men genegenheid voeden; en in de moeielijke en onaangename zaken moet men zich geweld aandoen, en alle ander gevoel, elke andere gedachte, uit den geest verbannen.
Het derde middel eindelijk is, dat, wanneer men niet goed slaagt, en de droethcid zich van onze ziel wil meester maken, dat men haar dan den toegang tracht te sluiten; zoodat men zich
Kil
nooit, om wolk tijdelijk verlies ook, laat neder-drukken: maar dan zijn geest ten liorael verlieft; dat men door het geloof God smake, en daardoor zich van het verdriet ontdoe, wat tegen-heden ot' tijdelijk verlies gewoonlijk veroorzaken; ja, dat men even goed tevreden zij, als hadde men niets, noch aan zijno eer, noch aan zijne goederen, verloren.
Zulke onaangename zaken, ofschoon op zicli zclven niet zooveel beteekeneude, welke verdriet en ontsteltenis na zich sleepen, strekken tot groot nadeel van de ziel: omdat zij haar ongeschikt maken, óm zich van de aarde op te heffen, en tot God te naderen; waaraan dan het gevolg is, dat zij, niet meer handelende uit het beginsel, om aan God welgevallig te zijn, in dc schepselen, blijft hangen, altijd onrustig, altijd door allerlei schepselen gebonden, die in hare liefde deelen, en voortdurend den vrede haars harten verstoren.
-^4 ki)-quot;
162
DERDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden. T erloochen u overal, Kaar â gij u zeiven vindt.
Vraag. Wanneer vindt iemand zich zelven.
Antwoord. Op de eerste plaats, wanneer hij eene geheime neiging in zich gevoelt, om zich zei ven buiten God te zoeken. Wordt ons een hard of vernederend woord toegevoegd, dan gevoelen we in ons binnenste eene neiging van verontwaardiging, welke de hoovaardigheid in ons opwekt tegen dongene, door wien wc meenen be-leedigd te zijn. Daaruit worden gevoelens van afkeer en bitterheid geboren, die geheel en al met den vrede des harten in strijd zijn. Er, dan vinden wij ons zeiven. Want dan blijkt het duidelijk, dat we zeer gevoelig zijn voor hetgeen ons aangaat, en dat de eigenliefde in ons hai c heerschende is. Wat doet hij, die waarlijk aan zich zeiven gestorven is, bij dergelijke gelegenheid;-' Hij vernedert zich, en geeft zich in de handen van God over, hij rekent zich zelfs het verlies van zijne goederen en de vermindering van zijn goeden naam, als groote voordeeion aan. 12
163
Nog op eejic andere wijze vindt men zicli zeiven. Namelijk, wanneer men scliijnt vergeten te worden, en wanneer diegenen, van wie men eenig bewijs van welwillendheid verwachtte, niet aan ons denken, ons den rug toeleveren, en hunne gunsten anderen voorbehouden. Dan gevoelen we spijt, dat men ons zoo vergeet, dat we in minachting zijn, terwijl anderen geacht en begunstigd worden; en die spijt pijnigt cn bedroeft ons. We gevoelen' levendig de beleediging, die men ons aandoet, en we kunnen ons niet weerhouden, van daarover te zuchten, en er ons over te beklagen. Dat is eigenlijk, wat men noemt, zich zeiven vinden, dewijl men zich beschouwt, als ware men iets, en vergeet, dat men eigenlijk niets is.
De voorwerpen, die zich aan onze blikken voordoen, treffen ons en trekken ons gewoonlijk aan, wanneer wij de hoop koesteren, van er ons voordeel uit te zullen trekken; en ook daarin vinden wij blijkbaar ons zeiven; omdat de neiging, welke wij voor die voorwerpen hebben, en de gehechtheid daaraan, slechts een gevolg zijn van de ongeregelde liefde, welke wij van nature ons zeiven toedragen.
Er is noy eene derde soort van eigenliefde, geheel verschillend van de twee voorgaande, en waarin niets verkeerds is gelegen; zij openbaart
164
zich, wanneer men zich door eene of andere ramp ziet bedreigt, die men op eene geoorloofde wijze ontvluchten kan; wanneer men, bijvoorbeeld, bemerkt, dat iets schadelijk is voor de gezondheid, dan doet men goed, met er zich van te onthouden; tenzij eene of andere zeer gewichtige reden ons verplichte, om alles op het spel te zetten. Dat Is niet zich zeiven zoeken in den zin, door den Schrijver der Navolging bedoeld.
Men zoekt zich zeiven, en men vindt zich zeiven tot zijn ongeluk, wanneer men, oordeelcnde, dat men onrechtvaardig is aangevallen, in eene zaak, waar het ons punt van eer of ook ons leven geldt, daarover wrok in zijn binnenste voedt, of daar wraak over wil nemen. Dat toch kan uit niets anders, dan uit- de ongeregelde eigenliefde, voortkomen.
Vraag. Wanneer verloochent iemand zich zei-ven?
Antwoord. Wanneer hij bij bovengenoemde gelegenheden alleen bedenkt, hoe hij zich daar goed in gedragen zal, zonder acht te geven op zich zeiven of op zijn eigenbelang. En hiertoe worden drie zaken vereischt.
Ten eerste, dat men de gevoelens, hetzij van toorn, hetzij van droefheid, die in het hart oprijzen, om verachting, welke men te verduren heeft, of omdat men niet genoeg wordt geteld.
165
Gode edelmoedig ten offer brengt. Men kan ze ten offer brengen, of wel, door liefde tot God gedreven, of wel, ten wille van de versmadigin-gen, die do gekruisigde Jesus verduurd heeft. Door die beweegredenen gesterkt, traclite men de begeerlijkheid aan de rede, de natuur aan de genade te onderwerpen ; hetzij door de ongeregelde neigingen, die den vrede des harten verstoren, te onderdrukken; hetzij door zijn geest op iets anders te vestigen; hetzij door die neigingen te verstikken door eene of andere gedachte, die moer indruk maakt op de ziel. Worden wjj, bijvoorbeeld, veracht of verlaten, stollen wij ons dan de diepe verguizingen en do verlatenheid voor, welke Jesus in zijn lijden ondervond, en het zal zijn, alsof wij wator in hot vuur werpen, of een rottend lijk met een dikke laag aarde bedekken, opdat dat afzichtelijke voorworp zich niet meer aan onze blikken vertoone.
Het tweede, wat hij doen moot, is: al zijne belangen en al zijne verlangens in de handen van God stellen. Trouwens er vallen in deze wereld vele zaken voor, welke wij niet kunnen voorzien, en die ons pijnlijk aandoen; en bij gelegenheid daarvan gevoelen wo, en toonen we ook gewoonlijk, hoever do menschelijke zwakheid gaan kan. Het besto middel daartegen is: zich in de handen van God over te geven, op zijne oneindige
16G
barmhartigheid zijn vertrouwen te stellen, en alle zorg op zijde te zetten, behalve alleen de zorg van Hem onderworpen te zijn, en Hem in alles te behagen.
Eene vrouw, bijvoorbeeld, krijgt volstrekt geene tijding van haar man, die afwezig is; dat zij zich volkomen aan den goddelijken wil onderwer-pe, en zij zal den vrede des harten bezitten, üp gelijke wijze moet men, om zich voor alle droefheid te vrijwaren, zijne eer, zijne gezondheid, zijn leven in de handen der Voorzienigheid stjllen.
Het derde, wat bij doen kan, is: iets verrichten, wat tegenstrijdig is aan hot inwendige gevoel, dat bij in zijn binnenste ontwaart, en waardoor de geest wordt gekweld. Gevoel ik mij, bijvoorbeeld, tot zinnelijkheid en weekelijkheid geneigd, heb ik overdrevene zorg voor mijn lichaam en voor mijne gezondheid, dan moet ik eenige boetpleging oefenen; om daardoor te too-nen, dat ik mijn vleesch wil ten onderbrengen, het in onderwerping wil houden, en geene weekelijke toegeeflijkheid voor mijn lichaam wil koesteren. Bemerk ik eenige opwelling van hoo-vaardigheid, of spijt over eene ondergane belee-diging, dan moet ik do gelegenheid zoeken, om de zachtmoedigheid of de nederigheid te beoefenen, door eenigen liefdedienst te bewijzen aan dengene, die mij schijnt te minachten.
167
Zoo verlaat en verloochent men zich zeiven, niet alleen door de natuur niet in te volgen, die zoo gevoelig is voor de minste versterving; maar door er zich rechtstreeks tegen to verzetten, en juist het tegenovergestelde te doen. Zoo verbreekt men alle banden, die ons aan ons zei ven hechten; zoo ontdoet men zich van de eigenliefde, die eene onverzoenbare vijandin is van de liefde tot God; en telkens wanneer men bemerkt, dat men zich zeiven op eene ongeregelde wijze zoekt, verzet men er zich uit allo kracht tegen, zonder het minste over het hoofd te zien.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Ovee de woorden: Het is geene geringe zaak, ooL in de kleinste zaken zich zeiven te verloochenen. Ill, 39.
Vraag. Wat zijn kleine zuken'i
Antwoord. Er zijn er van tweederlei soort.
Do eene zijn gering in schijn, maar inderdaad groot; de andere gering ên in schijn ên inderdaad. Daarbij zou men nog kunnen voegen zaken, die groot schijnen, maar inderdaad gering zijn. Door deze laatste worden vreesachtige en angstvallige zielen, die zich kwellen om zaken van geene beteekenis, vaak hevig ontsteld.
168
Vraag. Maar ivelke zaken nu zijn ên in schijn ên inderdaad gering ?
Antwoord. Dat zijn die liclite fouten, welke uit eene niet zoo kwade bron voortvloeien, of die althans geenezeer nadeelige gevolgen kunnen hebben.
Vraag. Welke zijn gering in schijn, maar inderdaad groot ?
A. Dat ziju die fouten, welke in zich zeiven wel gering zijn, maar gewichtig om de bron, waaruit zij voortvloeien, en om de gevolgen, welke zij na zich sleepen.
Een onbedaehtelijk geworpen blik is in zich zeiven geen groot kwaad, en toch is hij soms oorzaak van den geestelijken dood en het eeuwig ongeluk oener ziel. Een moesje op het gelaat eener jonge jufvrouw is in zich zeiven niets, en toch getuigt het van groote ij delheid, en is het soms een teeken van verregaande ongeregeldheid. Zich onthouden van een nieuwsgierigen blik te werpen ; zich bij den maaltijd in iets, wat den smaak meer prikkelt, te versterven, schijnen slechts geringe zaken te zijn, en toch zijn ze groot, wanneer men ze doet met het inzicht, om zich te versterven naar het voorbeeld van Jesus. Ja, zulke verstervingen te beoefenen is een blijk van een ernstig verlangen naar de volmaaktheid ; en de ondervinding leert, dat zij, die, uit liefde tot God, zich vele kleine zaken ontzeggen, het gewoon-
169
lijk reeds ver in de deugd hebben gebracht. Dit deed don schrijver der Navolging zeggen : Hei is geene geringe, zaak, ook in de kleinste zaken zich -zelven te verloochenen.
Er wordt groote heiligheid gevorderd, om zich zoo getrouw en standvastig in de moest gewone zaken te overwinnen. Iemand plukt eene bloem, en ruikt er op eeno onschuldige wijze aan; een ander wil ze niot aanraken, maar brengt liever dat geringe gonoogon, wat hij, met er aan te ruik 3 a, zou smake i, Godc ten offer. De handelingen van deze twee, zegt Blosius, verschillen als hemel en aarde.
Wij zien ook, dat do Heiligen, die alleen voor God willen leven, zich alle genoegens en alle gemakken, welke zij meenen te kunnen ontberen, ontzeggen ; en zoo vergaderen zij door die verloochening in de minste zaken, zeer groote verdiensten.
Wij bewonderen in het leven van den zeer geleerden pater Lcssius van de Sociëteit van Jesus, dat hij in een brief' aan pater Olivorius Manareus, die door den heiligen Ignatius in de Sociëteit opgenomen, en door hom zelven gevormd was, dezen om opheldering verzocht, aangaande zeer gewone, bekende, en naar schijn zeer geringe zaken betrekkelijk het geestelijk loven. Beoordeelde men die eenvoudigheid volgens den geest der wereld, men
170
zoude er mede lachen; maar, mijns erachtens, is er niets, wat ons duidelijker de diepe nederigheid doe t zien van een man, die niet minder schitterde door zijne deugd dan door zijne geleerdheid.
Vraag. Waf is de reden, tvaavohi de Heiligen de kleine zaken zoozeer ter harte nemen ?
Antwoord. De reden daarvan is, dat do Geest Gods, die hen bestuurt, niets in hen duldt, wat niet uit het beginsel van deugd voortkomt; en ofschoon die Geest eene ziel, welke zich volkomen aan zijne leiding overgeeft, geheel en al in bezit heeft, en zoozeer al hare vermogens vervult, dat Hij niet toelaat, dat zij hare aandacht verdeelt, om in alle bijzonderheden af te dalen ; toch wil Hij, dat zij hare aandacht vestige op de geringste zaken, wanneer het er op aankomt, om eene of andere deugd in 't bijzonder te verkrijgen. Hij leert haar niets te verwaarloozen; omdat de minste handelingen van den vrijen wil des mensehen door de genade moeten worden bestuurd en geheiligd.
Gelijk in een uurwerk elk radertje zijn bijzondere werking heeft; en dat slechts eenige tandjes behoeven te ontbreken, om het te doen stilstaan, of ongeregeld te doen loopen, zoo moeten ook in den mensch, in wien alles moet strekken tot glorie van God, de minste handelingen goed zijn geregeld ; en men kan geene enkele gebrekkig ver-
171
richten, zonder dat de ziel, die van alles rekenschap moet geven, er een aanmerkelijk nadeel door lijdt.
Daardoor komt het, dat diegenen, welke weinig acht geven op sommige zaken, die van geringe beteekenis schijnen te zijn, veel gevaar loopen, van zeer aan God te mishagen, en van veel achteruit te gaan in de deugd, volgens de woorden van den wijzen man : Die het kleine niet acht, zal allengs tot het groote vervallen. Eccli: XIX, I.
Onder de noodzakelijke middelen, om tot de volmaaktheid te geraken, is een der voornaamste, volkomen zich zeiven af te sterven. Daarom zien we dan ook, dat zij, die waarlijk naar de volmaaktheid streven, mot vreugde de verstervingen, die men hun aandoet, verdragen, en zeiven voortdurend de eigenliefde bestrijden; overtuigd als zij zijn, dat het geen blijk van een zwakken geest, maar de eigenschap der hechte deugd is, van de geringste zaken werk te maken. Zoo verbreken die zielen, door den heiligen Geest verlicht en geleid, ook de geringste gehechtheid, welke zij aan de schepselen meenen te hebben.
Verloochen u zei ven in alles, zoowel in het kleine als in het groote. Ik zonder niets uit; maar van alles wil Ik u ontbloot vinden.
Hoe toch zult gij anders de mijne kunnen zijn, en Ik de uwe, zoo gij niet in en uitwendig van allen eigenwil ontdaan zijt. III, 37.
172
DERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Dat ik mij zeiven niet meer g'evoele. III, 21.
Vraag. Wat wil dat zeggen; zich zelcen cje-voelen?
Antwoord. Dat wil zeggen: voldoening en smaak vinden in de zaken, die op ons zei ven betrekking hebben, en die geene betrekking hebben op God.
Hierin kan men drie graden onderscheiden. Tot den eersten behooren zij, die behagen scheppen in zich zeiven te beschouwen, en zich zeiven te bewonderen; die er hunne voornaamste bezigheid van maken, zich hunne goede hoedanigheden voor den geest te roepen; die daarin hun troost en hun steun vinden; die, wanneer zij alleen zijn, met welbehagen aan zich zeiven denken : wien het nooit aan stof tot zelfbehagen ontbreekt, daar de volmaaktheden en andere gaven, welke zij meenen te bezitten, hun er altijd overvloedig oplevert. Zulke menschen komen somtijds tot zulke overmaat van eigenliefde, dat zij, niet tevreden, van zich met hunne ingebeelde goede eigenschappen bezig te houden, nog daarbij de ijdelheid hebben, van zeiven hunne portretten te maken; dat wil zeggen: hun eigen lof te ver-
173
kondigen; zich zelvcn met levendige kleuren af te schilderen; niet alleen hunne deugden af te malen, maar ook hun uiterlijk, hunne gestalte, hun gestel, alles, in één woord, wat zij maar lofwaardigs in zich me enen te bespeuren, hopende aldus hunne nagedachtenis te vereeuwigen. Maar, wat bij dat alles het meest uitkomt, dat is hunne verblindheid, eenc verblindheid, waarvoor de heidenen zelvcn zich zouden hebben geschaamd;, want, terwijl er niets meer van belang, niets eervoller voor hen is, dan zich zeiven geheel te vergeten, om zich met God alleen bezig te houden, inaken zij van zich zeiven hun afgod, dien zij overal ronddragen, om hem aan hunne vrienden te vertoonen, denkende daardoor bewondering in te oogsten, terwijl hunne hoovaardigheid hen doorgaans aan bespotting prijs geeft.
Door deze wijze van handelen geven zij blijk van drie zeer merkelijke ongeregeldheden.'
Op de eerste plaats, van een ledigen geest, omdat zij allo ernstige gedachten verbannen, en voortdurend bezig zijn met ijdele en nietswaardige zaken, die de gezonde rede alleen uit hun geest moest verdrijven.
Ten tweede, van eene groote ingenomenheid met zich zeiven, door de groote gedachte, die zij van zich zeiven koesteren; zoodat zij door hunne gewaande verdiensten opgeblazen, meenen.
174
dat iedereen aan hen moet denken, en dat al, wat hen betreft, moet gekend worden.
Ten derde, van een dwazen trek, om over zieli zeiven te spreken, en zich op velerlei zaken te beroemen, welke men niet dan mot verontwaardiging en walging kan hooren; wanneer men althans nog een weinig gezond verstand bezit.
Dat nauwkeurig nadenken over geheel zijn leven, is dan alleen goed, wanneer men eene al-gomoeno biecht wil spreken; want dan moet do boeteling mot aandacht alles nagaan, wat hem strafbaar kan maken voor den oppersten Hechter, cn wat hem verachtelijk maakt in zijne eigene oogen. Maar zijn tijd bestedon, om na te vorschen, wat goeds men al hoeft, is een uitvloeisel van de eigenliefde, en is lijnrecht in strijd mot do loev van den goddolijken Zaligmaker, die tot zijne leerlingen zcidc: Wie na Mij teil komen, verloochene zich zeiven. Mt. XVI, 24; is juist hot tegenovergostoldo van hetgeen do Schrijver der Navolging aan Grod vraagt door deze woorden: Geef, o Heer, dat ik mij zeiven niet meer gcvoele. Als wilde hij zeggen: Ik wil o Heer, mij zoo gestadig met U bezig houden, ik wil zoo g-eheol van U zijn vervuld, dat ik mij zolvcn geheel vergete, dat ik op aarde leve, als ware ik reeds in don hemel.
?
De heilige Vineentius Ferrerius vond zoo weinig stof tot ijdelheid in zich zeiven, dat hij, integendeel, van zich zeiven een grooten afschuw had, voor zich zeiven ondraaglijk was. De heilige Ignatius wilde, dat men zijn lichaam na den dood op oen vuilnisplaats zou werpen. De heilige Catharina van Genua verklaarde, dat zij liever een duivel, hoe afschuwelijk ook, wenschte te zien, dan zich zelve in hare ware gedaante te aanschouwen.
Door zich op die wijze te verachten en diep te vernederen, hebben de Heiligen verdiend, zich innig mot God te vereenigen; terwijl de anderen Hem door hunne hoovaardigheid van zich hebben verwijderd, volgens de woorden, welke de Schrijver der Navolging Jesus in den mond legt: Mijn zoon, voor zoover gij van zeiven leunt uitgaan, in zooverre kunt gij tot Mij ingaan. Ill, 56. Dat wil zeggen; hoe meer gij uwe ongeregelde eigenliefde kunt atieggen, des te nauwer wordt gij door de liefde met Mij vereenigd. Van zich zeiven uitgaan, dat is: volstrekt niet moer aan zich zelven denken, noch van zich spreken, tenzij alleen uit noodzakelijkheid, of om zijne biecht te spreken.
De ticeede graad van het gebrek, waarover wij spreken, is minder verkeerd dan de eerste. Daardoor worden zij verstaan, die alleen datgene goed-
17G
keuren, wat volgens liunno zienswijze is; die alleen genoegen vinden in don omgang met hen, die van hun humeur zijn; terwijl zij de anderen vermijden, wanneer deze zioh althans niet naar hunnen wil willen schikken en buigen, Dat is waarlijk, gevoelig zijn voor hetgene hen aangaat, maar dat is ook, zich ver verwijderen van de volmaaktheid, waarnaar hij streeft, die met den Schrijver der Navolging aan God vraagt, dat hij zich zeiven niet meer moge gevoelen.
Er zijn er, die van de eenzaamheid houden, niet omdat God er hen toeroept, maar omdat hun ongezellig karakter er toe geneigd is. Een omgang, die hen eenigszins hindert, is hun een zwaar kruis; de liefde tot de vrijheid gaat bij hen boven alles: zij willen op hunne wijze leven, en voor geen koninkrijk zouden zij hunne vrijheid aan banden willen leggen. Doch hun zwaarste kruis is wel hun grillig en eigenzinnig karakter, wat hen bij elke gelegenheid verdrietig doet worden. Ongetwijfeld zijn zij zich zeiven tot een zwaren last, en zij gevoelen het geweldig.
Een geestelijk mensch is niet met zijne eigene wijze van handelen ingenomen; alles is hem goed; in alles weet hij zich te schikken; hij is niet aan zijne eigene zienswijze gehecht, en hij volgt nauwgezet den raad op, dien wij gegeven
177
hebben, waar wij de woorden uitlegden: Steun niet op tl zeiven.
Den derden graad van dit zelfde gebrek vindt men bij velen, die wel ware deugd bezitten, docli hunne natuurlijke gevoelens nog niet hebben kunnen beheerschen; en die nog dikwijls den strijd tusschen de natuur, en hetgeen de genade van hen vraagt, ondervinden. Daardoor zijn zij veel minder gelukkig als zoovele heilige zielen, die zich zeiven zijn afgestorven, en die ongevoelig zijn geworden voor alles, wat haar zelven aangaat.
God laat hen aan zich zelven over, en laat toe. dat de natuur hen gedurende eenigen tijd, huns ondanks, medesleepe; opdat zij, nog niet van de overblijfsels hunner zonden gezuiverd, hunne zwakheid erkennen, en zuchten op het gezicht van hunne geneigdheid tot het kwaad. Zij gevoelen dan zich zelven als een zeer zwa-ren last, waaronder zij gedurig vreezen te zullen bezwijken; terwijl zij, die van God zijn vervuld, slechts God gevoelen, aan Hom alleen denken. Dit hebben zij goeds, dat die mengeling van gevoelens, de oene laag en de andere verheven, de eene natuurlijk en de andere bovennatuurlijk, hun, gelijk vroeger, geen reden moer is tot verslapping of tot voeding der eigenliefde; maar eene oefening van nederigheid en van geduld.
f
178
waardoor zij, wel verre van zicJi van God te verwijderen, worden opgewekt, om voortdurend tot God te verzuchten, en het verlangen in hen steeds levendiger wordt, van Hem alleen on steeds inniger te smaken.
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden : Indien gij u goad van alle schepsel wist te ontdoen, dan zou Jesus gaarne bij u moeten tvotien. III, 9.
V. Wat helet Jesus in eene ziel zijn verblijf te houden ?
A. Dat Hij haar niet geheel ledig vindt van de schepselen. Do meesten van hen, dio voorgeven, volkomen aan God te willen behooren, zeggen niet van gansehor harte vaarwel aan de schepselen, en daarom kan Jesus in hen niet verblijven.
V. Hoe verblijft Jesus in eenc ziel ?
A. Niet alleen door de heiligmakende genade; maar ook door zekeren smaak, zeker aangenaam gevoel, dat zijne tegenwoordigheid verwekt, en dat meerder of minder is, naarmate Hij zich meer of minder mededeelt aan de ziel, waarin Hij zijn verblijf heeft gevestigd.
Somtijds deelt Hij zich in die mate aan haar
13
179
mede, dat Hij haar gelieel en al vervult; en dan wordt de ziel van vreugde overstroomd, als iemand, die zijne koffers met geld ziet gevuld, of die, ten volle verzadigd, van een heerlijken maaltijd opstaat, of die, door oen onverwacht geluk in eens honderd duizend dukaten gewonnen heeft, llekeut zich zoo iemand overgelukkig in het bezit van een tijdelijk goed, en is hij volkomen te vredcn ; zou dan eene ziel, die op de wijze, zooals de Schrijver der Navolging zegt, Jesus bezit, en met Jesus zich, hetzij in de heilige Communie, hetzjj in het gebed, op het innigst vereenigt, niet hetzelfde geluk, niet dezelfde vreugde genieten 'i Wanneer ik zeg dezelfde vreugde, dan wil ik daardoor geene volkomene gelijkheid aanduiden ; want er is eigenlijk geene vergelijking te maken tus-schen de vreugde, die in de schepselen en die in God wordt gevonden.
Die smaak, die verzadiging, welke de tegenwoordigheid van Jesus in het binnenste teweegbrengt, is geene gunst aan alle rechtvaardigen gemeen, noch ook aan allen, die de wereld vaarwel gezegd hebben, ofschoon zij ook geen spijt gevoelen van haar te hebben verlaten, en zich in het religieuze leven voor altijd aan God te hebben toegewijd, liet is eene gunst, welke slechts aan hen wordt geschonken, dio door eene volkomene verloochening van zich zeiven, en eene algeheele
180
verzaking aan alles, wat God niet is, of op God geene betrekking heeft, alle echepselen uit hun hart hebben verbannen. Aan dezen deelt Jesus zich mede; hen vereert ll;j met zijn vertrouwe-lijken omgang; nrit hen onderhandelt Hij openhartig en op gemeenzame wijze. Hij wil wel hun leidsman zijn, hun gezel, hun steun, hun raads-gever en hun al. Hij vervult hen geheel en al. Hij verzadigt hen, en overstroomt al de vermogens hunner ziel met eene zoete vreugde; niet, dat zij Hem helder aanschouwen ; maar zoo, dat zij Hem, door een levendig geloof en eene vurige liefde, in hun binnenste gevoelen.
Vraag. Hoe moeten wij ons hart van alle yenc-yenheid tot de schepselen ontdoen ?
Antwoord. Geheel en al; en wel zoo, dat wij alleen in God en zijne oneindige volmaaktheden onze rust zoeken, en al het overige afsterven. Weinigen komen tot die hooge volmaaktheid ; en daarom ook zijn er weinigen, die vrij van alle genegenheid voor de schepselen, en van dezelve volkomen onthecht zijn.
Nemen we, bij voorbeeld, een Geestelijke, een lleligieus, die in eene groote stad is, in de hoofdstad van een groot rijk, waar al, wat groot en schitterend is, zich aan zijne blikken voordoet, zonder dat hij het ver behoeft te gaan zoeken : waar hij met grooten bijval zijne bediening uitoe-
181
tbi.r: en waar hij door de groote wereld zeer gezocht is. wordt bewonderd en toegejuicht. Dat baart hem eene groote vreugde, die in zjju hart binnendringt, zonder dat hij bemerkt, dat er iets verkeerds in gelegen is : immers hij houdt zich alleen bezig met zijne bediening : zijn arbeid heeft slechts de glorie van God en het zielenheil des naasten fon doel. Intusschen smaakt het hart dat genoegen, hetwelk veel meer menschelijks dan goddelijks hooft : hij vindt er, ik weet niet welke, zoetigheid in ; en hij moge vrij zeggen, dat hij alles tor (iod terugbrengt; het is de vraag, of hij dat nier zegt, na eerst zijne eigene voldoening gezocht, en aan de natuur het genoegen geschonken te hebben, dat zij verlangt ? Zoo gebeurt het helaas! maar al te dikwijls. Dan, maar te laat, verheft men zjjn geest tot God, betuigt men. dat men Hem wil dienen, dat men zijne gkrie wil bevorderen ; alsof dat gelegen ware, in handelingen te verrichten, die in zich zeiven wel goed zijn, doch die uit menscheljjke inzichten geschieden ; en alsof het voornaamste niet ware gelogen, in zijn hart van de genegenheid voor de wereldsehe zaken te zuiveren, en het geheel van God te vervullen.
Het zekerste middel, om naar waarheid te be-oordeelen, of men van God is vervuld, is dit; men onderzoeke zich zeiven, in welke gemoeds-
182
stemming men zoude zijn, in geval men verplicht werd dat welgevallig verblijf te verlaten, om in de dorpen aan de landlieden de christelijke leer te verklaren. Zou men dat bereidwillig doen 'i En konde men er toe besluiten, zou men niet voortdurend gekweld worden door het verlangen, om terug te keeren naar de stad, welke men met-veel moeite, met tegenzin heeft verlaten ? Is dat het geval, dan is dit een duidelijk teeken, dat men zieh nog niet volkomon van alles ontledigd heeft. Men zal misschien inbrengen : ik ;-rel er mijn laatste einde niet in. Dat kan wel waar zijn ; maar gij stelt er uwe voldoening en uwe rust in, en dat moet gij zorgvuldig vermijden.
Zie of gij geene tegenstreving gevoelt, om in eene arme en onaanzienlijke plaats te wonen, waar niets dan (rod alleen wordt gevonden. Doch ook. wanneer gij deugd genoeg bezit, om de kleine, onaanzienlijke plaatsjes boven de groote steden te stellen ; meen daarom niet, dat alles gedaan is. Misschien zult gij in de eenzaamste plaats, der wereld, wanneer gij het inwendig leven niet oprecht en van ganscher harte liet hebt, nog stof vinden, om uwe eigenliefde te voldoen, Ken of andere studie, die uwe nieuwsgierigheid prikkelt, zal wellicht voldoende zijn, om u aangenaam bezig te houden : het gelezene zal n voortdurend in de gedachte spelen, zal uwen geest
183
en uw hart vervullen. Eene ziel, die van alles onthecht is, denkt alleen aan die zaken, welke betrekking hebben op God ; daarin alleen vindt zij behagen; zij studeert en werkt altijd met het doel, om aan God w elgevallig te zijn. Wij willen nochtans de uitwendige bezigheden, die met ieders roeping en aanlog strooken, niet veroor-deelen. Maar, wat wij er in laken, dat is, die natuurlijke voldoening, welke men er in zoekt, zonder zijn oog op den wil van God te vestigen.
Deze zoo volmaakte ontblooting van alles is moeielijk ; doch zij iss het kruis der ware kinderen Gods, die, na vele overwinningen op zich zeiven behaald, na eeue langdurige beoefening van de versterving, eindelijk verdienen, dat God in hen komt wonen, geheel hunne ziel in bezit noemt, en hen met zoo groote vreugde overstroomt, dat zij in Hom alleen kunnen rusten, in Hem alleen zich kunnen verheugen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Waar wordt een zoodanige yevonden, die God om niet wil dienen. II, 11.
Vraag. Waarin bestaat die vrije en onhaut-zuchtige dienst van God?
Antwoord. In den vasten wil, om alles te doen, wat God van ons vraagt, alleen uit verlangen
184
om Hem te beliagen, en zonder ecnigszius ons eigenbelang op liet oog te hebben.
Do Schrijver der Navolging spreekt over die belangloosheid, als over eene zeer zeldzame zaak. En inderdaad, ofschoon velen betuigen, dat zij God waarlijk willen dienen, kan men hen toch in drie klassen verdeelen.
De penen hebben, in alles wat zij doen, hun eigenbelang, hunne zaligheid, hun eeuwig geluk op het oog.
Anderen worden aangetrokken door de schoonheid der deugd, of daardoor opgewekt, dat zij de redelijkheid inzien, dat liet schepsel aan den Schepper onderdanig zij.
Anderen eindelijk handelen uit de zuivere beweegreden, om aan God te behagen, van wien zij een zoo verheven denkbeeld hebben opgevat, dat niets in staat is, hen te treffen, dan de beschouwing van zijne oneindige volmaaktheden.
Deze beschouwing wekt hen op, ontvlamt hen, versterkt hen dermate, dat zij geen anderen prikkel noodig hebben, om het goede te doen, dan de gedachte, dat er een oneindig goede en milddadige God is, en dat do gunsten, welke Hij den mensehen mededeelt, uit de zuiverste bron voortvloeien.
De heilige Catharina van Genua zegt, dat de volmaakte liefde zuiver voor God handelt, zon-
185
dor in iets zieh zelve te zoeken, gelijkend op de liefde van God, die ons bemint, zonder iets van ons te verwachten. Eene ziel derhalve, die God met eene zuivere liefde bemint, op de wijze zooals de Zaligen Hem in den hemel beminnen, ziet niet meer op het loon, dat zij voor den dienst van God heeft te wachten; zij doet al het goede, wat zij kan, zonder te denken aan het groo-te loon, dat haar toegezegd is. En hierin zijn wederom drie graden te onderscheiden.
De eerste graad bestaat hierin, dut men. noch aan zijne gezondheid, noch aan zijn leven, noch aan zijne eer, noch aan zijne gemakken geheclit is, en dat men dat alles aan Gods voorzienigheid overlaat, om er naar welgevallen over te beschikken; zonder zieh te bekommeren, wat er mede gebei're ; zonder ooit iets anders te zoeken, of te verlangen, dan de glorie van God.
Zoo logde de heilige Pranciscns Xaverius de woorden van den goddelijken Zaligmaker uit: JF/'e zijne, ziel om mijnentwille verliest, die zal haar einden. Mt. X, 39. Hij oordeelde, dat men zich voor God aan alle gevaren, aan schipbreuk, aan folteringen, aan den dood zeiven moest blootstellen, zonder aan die gevaren te denken.
Tot den tweeden graad zijn zij gekomen, die zelfs guun acht schijnen te slaan, op de gaven der genade, noch op de verdiensten van hunne
186
goede werken; dat wil zeggen, dat zij zich voor dat alles zoo volkomen aan de goddelijke goedheid overgeven, dat zij er volstrekt niet aan denken. Niet dat zij die minachten: maar omdat zij vast besloten zijn, van alleen aan God te willen denken, en zich zelvcn te vergeten; daarom zien zij er niet op, hoe God hen, die Hem dienen, beloont; zij scheppen er hunne vreugde niet in, noch wekken er zicli door op, om God volmaakter te dienen. Doeb men moet niet denken, dat zulke zielen metterdaad hare geestelijke belangen verwaarloozen; integendeel, zij behartigen d' ⢠met zorg, en zij laten niets achter, wat strekken kan, om hare bovennatuurlijke schatten te behouden en te vermeerderen; maar daarin hebben zjj niet haar eigenbelang op het oog; haar eenig doel is, om meer aan God te behagen. De zie', die Hem als haar goddelijken Bruidegom beschouwt, draagt Hem eene zoo teedere, en tegelijkertijd, zoo edelmoedige liefde toe, dat al hare verlangens, al de bewegingen van haar hart slechts ten doel hebben, om Hem genoegen te schenken; en dat is voor haar, bij al het goede, wat zij verricht, de krachtigste aller beweegredenen.
Den hooysten (jruad hebben zij bereikt, die ook hunne eeuwige zaligheid in de handen van Gods voorzienigheid stellen; zonder zich over iets te verontrusten, en zonder uit te vorschen, of
187
te willen weten, wat God niet wil, dat zij weten; omdat zij God eenig beminnen, en beminnen met eene belanglooze liefde.
Men denke niet, dat dit vermetelheid is, en niet overeen te brengen met de gevoelens dei-grootste Heiligen, die de oordeelen Gods vreesden; of dat liet in strijd is met de woorden des Zaligmakers, die zegt: Ik zul u leere.ii, tcien gij rreezen moet. Luc: XII, 5. Ik wil slechts verklaren, hoe men het eerste gebod volbrengt, van God uit geheel zijn hart, uit geheel zijne ziel en rit al zijne krachten te beminnen. De volmaakte liefde, zegt de heilige Joannes drijft de rreeze uil. Jo: IV, 18. Want hij, die vreest, denkt aan zich zeiven, en aan de rampen, die hem dreigen. Die gedachte is niet nutteloos; zij is goe;l, en men moet er zich des noods door helpen; daar de mensch, van nature zwak, alles moet aanwenden, wat hem dienstig is, om zicli voor de zonde te vrijwaren. Doch, wanneer de zie! volmaakt vrij is, dan heeft] zij alleen God op het oog', en de liefde, waarvan zjj blaakt, boezemt haar zoo groot vertrouwen in, dat niets in staat is, haar schrik aan te jagen.
Dit deed vele Heiligen zeer bewonderenswaardige verklaringen afleggen. De heilige Theresia getuigde, dat zjj den dood niet vreesde, daar zij wist, dat zij stervende in de handen zou vallen
188
van Hem, dien zij boven allen beminde. Eene andere Heilige hield in de eeue hand een fakkel, in de andere eene kruik met water gevuld, en zeide, dat zij met de fakkel den hemel wilde verbranden, en met het water liet vuur der he! wilde blusschen, om alleen aan de liefde te denken. en God in het vervolg alleen om zijne goedheid te dienen. De heilige Ignatius zeide eens, dat, wanneer hij den hemel open zag, en het hem vrij stond, dien binnen te gaan, maar God liem zou voorstellen, nog op deze aarde te blijven, ten einde zijne oneindige Majesteit te verheerlijken, zich aan het gevaar blootstellende van zelf verloren te gaan, dat hij dan niet een oogenblik zou aarzelen, om dit laatste te kiezen, en alles in de waagschaal te stellen, liever dan â eene zoo sehoone gelegenheid te laten varen, om de glorie van God te bevorderen.
Wat mij aangaat, ik bon innig overtuigd, dat, wanneer men God volmaakt beminde, men gaarne, althans voor een tijd, afstand zou doen van de glorie des hemels, indien het in hot minste de belangen gold van Hem, aan wien men alles verschuldigd is. Zij derhalve, die door dat reine en hevige vuur der goddelijke liefde ontvlamd zijn. laten de beslissing over hun eeuwig geluk of ongeluk geheel aan God over, stellen hun lot geheel in zijne handen, en wel in zoo vollen
189
vrede des harten, dut zij geene andere bezorg-lieid hebben, dan, om in alles zija heiligen wil te volbrengen. Doch, waar zullen vij zulke mensehen vinden, die volmaakt aan zich zelven gestorven, voortdurend hot oog op de meerdere glorie van (rod gevestigd houden ? Men moet zeggen, dat zij zeldzaam zijn; want weinigen worden er gevonden, die verstorven genoeg zijn, om in alle omstandigheden de glorie van God boven hunne eer, hun leven, in één woord, boven de vergankelijke goederen te stellen.
Het middel, om tot dien verheven zielstoestand te geraken, is, zich zelven, en tevens al wat de eer, de gemakken, zijne eigene voldoening aangaat, te vergeten, ten einde in staat te zijn. om alles, wat ons overkomt, te heiligen, dooi' het, uit zuivere liefde, tot God terug te brengen. Maar daartoe kunnen we niet komen, dan door eene langdurige oefening van zelfverloochening; duizende malen aan God betuigende, dat wij niets verlangen buiten Hem; en ons nooit vrijwillig aan eenige vervoering van vreugde overgevende, noch om alle loftuitingen der mensehen, noch om vergankelijk geluk, noch om alle goederen der aarde.
Sommigen, die voor geestelijke menschen doorgaan, en ook voorgeven het te willen zijn, denken en spreken als de volmaakten; doch hunne
190
bedoelingen zijn niet zuiver; voel menschelijks is er onder gemengd. Begeven zij zich, bijvoorbeeld, ergens heen, om aan het heil der zielen te werken, dan denken zij er terstond aan, dat zij daar bekend zjjn, dat zij daar vrienden hebben gemaakt, dat zij er in achting zijn, dat zjj naar alle waarschijnlijkheid goed zullen slagen. Die gedachte schenkt hun vreugde en moedigt hen aan; terwijl zij niets dan het kruis, de vernedering en de verachting moesten beminnen, zich alleen aan God moesten hechten, en al hunne vreugde moesten stellen in Hem verheerlijkt te zien. En worden zjj geprezen, dan moesten ze allen lof tot God terugbrengen, zonder er deel in te nemen, zonder, ik weet niet welke zoetigheid, te willen smaken, die er in gevonden wordt, en waarmede dc hoovaardige geesten zich voeden.
/ESDE HOOFDSTUK.
Over de Woorden : Zoekt gij u zeken, dan 2nlt gij h zelren vinden. 11. 7.
V. Wat wil dat zeggen: zich zelren zoeken ? A. Dat wil niets anders zoggen, dan, gelijk wij reeds meermalen gezegd hebben, zijn eigen belang, lage en mensehelijke belangen najagen.
191
welke geene betrekking hebben op de belangen van God. Zoo vinden do meeste zwakke zielen,, in welke do geest der wereld nog heerseht, en die niet begrijpen, wat het zeggen wil, naar volmaaktheid streven, hare voldoening alleen in datgene, wat de zinnen streelt. De overdreven zuelit naar genoegen doet er haar voortdurend op uit zijn, de ijdele geneugten der wereld te smaken ; terwijl daar buiten niets in staat is, haar hart te bevredigen.
Vraag. IJ'ul verstaat (jij door. zich zelcen vinden *
Antw. Dat wil zeggen; zijne armoede, zijne ellende gevoelen ; gelijk het 't geval is met allen, die met drift naar genoegen verlangen, en die, buiten God geene ware voldoening vindende, zwaar worden gestraft, voor de pogingen, welke zij aanwenden, om eenige voldoening in de schepselen te smaken. Want na vele nutteloozo moeite, vinden zij volstrekt niet, wat zij verlangen; even-mm als zjj, die water zoeken, om zich te ver-frisschen in oen drogen, zandachtigen grond. Do menseh, die de zucht naar het ware geluk in zich gevoelt, en die meent, het in zich zeiven to kunnen vinden, moet eindelijk erkennen, dat hij zich bedrogen heeft; on dat hij, in plaats van hot ware geluk, dat hij nastreefde, een valsch geluk heeft gevonden ; een ijdel schepsel, dat niet in staat is, hem ware voldoening te geven. W at
192
toeh vindt hij in liet scliep.se!, wanneer hij er God niet in zoekt? Drie zaken, welke hem ongelukkig maken : hardheid, bitterheid en behoeftigheid. De hardheid beneemt de rust, do bitterheid het genoegen, en de behoeftigheid maakt, dat men zich niet verzadigen kan.
Het is den mensch eigen, den vrede, het genoegen, den overvloed te beminnen ; en zij, die van God zijn vervuld, bezitten dat alles in Hem ; daar Hij de Bron en de volheid van alle goed is. Doch zij, die door hunne driften in die mate worden beheerscht en verblind, dat zij overal en in alles zich zeiven, in plaats van God, zoeken, zij vinden slechts eenig schijnbaar goed, eïi ontwaren terstond die drie noodlottige gevolgen, van welke het eerste de hardheid is.
Een mensch, die rustig verlangt te leven, vindt zjjn genoegen daar, waar niets zijne rust onderbreekt noch verstoort. Het is met hem als mot een reiziger, die van vermoeienis uitgeput, en door den slaap overmand, naar eene goede legerstede zoekt, om er zich zacht op neder te vleien. Hij, die zijne rust, niet in God, maar iu zich zeiven wil zoeken, zal er nooit toe komeii, doch slechts hardheid ondervinden. Zoo oordeelde er ook de heilige Augustinus o ver, die tot God verzuchtte : I)i U ulleeii, o Heer! is rust te vinden, en buiten U is alles hard.
193
Wanneer men ill het sap uit de planten getrokken heeft, blijft er niets, dan hst harde, droge merg over; zoo ook kan men zeggen, dat eene ziel al, wat goed in haar was, heeft verloren, wanneer God niet meer in haar is: zjj wordt dor en schier voor alles ongeschikt; hare ellende blijft haar alleen over, waarin zij weder vervalt, zoodra zij Hem heeft verlaten, die haar eenige steun was.
Daaruit wordt dan allerlei ongenoegen geboren, vooral, wanneer de zaken, die zij hartstochtelijk beminde, en waarin zij hare rust zocht te vindon, haar worden ontnomen. Want, zich daardoor van allen steun en alle gevoelige vreugde beroofd ziende, zucht en klaagt zjj, zonder ergens troost te kunnen vinden. In dien toestand ondervindt zij lt;lo waarheid der woorden van den H. Augustinus, dat buiten God alles vol doornen is, en dat men zich niet kan bewegen, zonder er door gestoken te worden.
Wanneer een mensch zijn vertrouwen stelt in de gunst eu de bescherming van oen vorst, en hij komt in ongenade te vallen, dan is het hem zeer hard, dat hij nergens rust meer kan zoeken dan in zich zeiven, dnar hij van alle hulp en allen steun van buiten beroofd is. Eu wat zal iiij in zicli zelvon vinden, daar hij niets heeft, noch kan hebben, dan door bemiddeling der hem
194
omringende schepselen, of door do barmhartigheid Gods, die gaarne in hom wil komen wonen, wanneer hij zich maar bereid toont, om Hem te ontvangen. Indien God en de schepselen hem ontbreken, dan heeft hij geene toevlucht meer over; en liet is hom als iemand, die in een ont-meubeld huis geene andere legerstede vindt, dan den naakten grond.
Vraag. Wat eindt hij noy meer in zich, die zich zeiven zoekt ?
Antwoord. Hjj vindt in zicli zeiven volstrekt geene zoetigheid, maar veel bitterheid. Aristoteles zegt, dat de spijzen iets aangenaams voor den smaak moeten hebben; en de ondervinding leert genoeg, dat bittere spijzen niet smaken. Jiittorheid nu is liet deel van hen, die, in plaats van God, zich zei ven zoeken. Eene dame, bijvoorbeeld, bevindt zich in gezelschap van aanzienlijke personen. Is het voor een goed werk, zij zal liet gezelschap tevreden verlaten; maar is liet, om zich te ver-toonen, om de achting van anderen te verwerven, dan zal zij gewoonlijk schande inoogsten ; want God zal toelaten, dat men haar een vernederend woord toevoege, of dat zij zelve iets ongepast zegge, waarmede het gezelschap zal lachen. En zoo zal zij met schaamte overdekt, en bijgevolg niet bitterheid in liet hart, huiswaarts moeten
14
195
keeren. quot;Want, wat kan er bitterder zijn voor eene ziel, die door de zucht naar ijdele glorie be-heerscht wordt? Vanwaar dus dat verdriet, die bitterheid ? Dat komt, omdat zij zich zolve zoekt;; omdat zij vol hoovaardigheid is, welke eene bron is^ van bitterheid ; want dat woord, hetwelk zij onbedachtzaam gesproken heeft, of dat andere, wat men haar op een minachtenden of' spottenden toon heeft toegevoegd, komt haar voortdurend voor den geest; dat is een angel, dien zij in het hart draagt, en die haar hevige pijn veroorzaakt, ja, haar vaak de tranen in de oogea doet komen.
Die zwakheid is eigen aan al diegenen, welke vol eigenliefde zijn. Iemand, die in het openbaar moet spreken, en die hunkert naar de toejuiching der menschen, is altijd in groot gevaar van bitterheid in te oogsten ; want slaagt hij niet goed, of slaagt een ander beter dan hij, dat doet hem zeer onaangenaam aan ; terwijl hij geenszins den vrede des harten daardoor zou verliezen, wanneer hij de glorie van God alleen en zuiver beoogde.
Het is derhalve waar, dat zij, die zich zeiven zoeken, zich zeiven ook vinden, maar tot hun ongeluk; en niets kwelt hen meer dan hunne eigene ijdelheid. Wat eene kwelling is niet het deel van eergierigen, hebzuchtigen cn wellustelingen ! Altijd hebben zij een of andere wond in hunne ziel, eene of andere bitterheid in hun
196
hart; want voor eene zaak, waarin zij goed slagen, zijn er verscheidene, die mislukken. Voortdurend ondervinden zij de bitterste toleurstelling. Maar verkrijgen zij ook datgene , waar zij zoo vurig naar streven, dan nog zullen zij geen waar genoegen smaken ; daar z j zich zeiven zoeken, en in zich zeiven niets anders vin den dan ondeugden en zonden, waarvan de vruchten niet minder bitter zijn dan de wortelen.
Sommigen zijn altijd verdrietig, altijd in verkeerd humeur, altijd in zwarte droefgeestigheid gedompeld. De reden daarvan is gelegen in het zoeken van zich zeiven. Het groote voordeel van de volmaakte deugd, is, dat men zich zeiven verlaat, om zich innig aan God te hechten, in wien de ware vreugde gevonden wordt.
Er is nog een derde nadeel, dat de onverstorven ziel zich berokkent, en dat is behoeftifjhei i. liet hart verlangt vervuld te worden ; niets vreest het zoozeer dan de leegte, en dat is de reden, waarom het met vurigheid haakt naar het bezit van een goed, dat in staat is, om het volkomen te verzadigen.
Het is hard voor een reiziger, niets te vinden, na zich den geheelen dag te hebben vermoeid. Iets dergelijks overkomt aan de zielen, die zich zeiven zoeken. Immers, daar zij zich van God verwijderd houden, en derhalve door Hem niet
197
worden verfrisclit nog gevoed, staan zij daar alleen. als oj) een onbebouwden, cnvruchtbaren ii-rond : niets toeh is zoo arm en behoeftig, dan de nienscb, die zich van zicli zeiven niet kan vervullen, dan op do wijze van die dieren, welke zieli vullen met wind.
])ocli in God vindt men alles. De wijsheid is een onuitputtelijke schat. En die wijsheid, wat iszij anders dan God zelf, door de ziel bezeten en gesmaakt 'i Bij mij zoo spreekt zij, zijn rijkdom lt;â 11 erf, onschatbare goederen en gerechtigheid. I'rov: Yill. 18. Een mensch, die zicli geheel aan God toewijdt, is altijd gelukkig, daar hij God in bezit heeft door al de vermogens zijner ziel, vooral door het verstand en door den wil, welke geen schepsel verzadigen kan. God daarenboven schept er behagen in, diegenen, welke Hem zoeken, met zijne gaven te verrijken. Hij schenkt zicli aan hen bij wijze van spijs, dewijl zij voedsel behoeven. om te leven ; Hij strekt hun ook in zekeren zin tot kleed en tot woning : Hjj is hun schat, en zij vinden in Hem eene bron van zoetigheid en licht, welke hier beneden het geluk uitmaken der zuivere zielen.
Eu wat zal het deel zjjn van hem, die het opperste Good niet zoekt, maar slechts tijdelijke belangen najaagt? Niets anders dan inwendige kwellingen, hersenschimmige goederen, verkeerde
198
neigingen, belioeftiglieid en een voortdurende honger. De wereldlingen zoeken vruchtoloos, zicii te verzadigen. Zij zoeken liet geluk ; maar zij zoeken liet op aarde, en het is alleen in den hemel te vinden. Indien zij liet zochten daar, waar het te vinden is ; indien zij zich van harte toelegden, om God, hunnen Heer, te beminnen en te dienen, dan zou Hij zich aan hen mededeelen, en zij zouden waarlijk gelukkig en tevreden zijn. Docli daar God ziet, dat zij aan hunne belangen gehecht zijn, daarom laat hij lien in hunne ei'ende; en zij sterven, aan armoede en honger ter prooi.
Er zijn inderdaad geene inenschen zoo arm en behoeftig als diegenen, welke zich zeiven zoeken, gelijk er ook van den anderen kant geene zoo ruim beloond worden, zoo rijk zijn als z:j, die zich zeiven verloochenen, om zich geheel quot;n al aan God te wijden.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Ovek de woordex: Indien gij meer op mve (tk/ene rede, of op uw vernuft steunt, dan op de deuyd can onderwerping, waartoe JesnsGhristus u aanmaant, dan zult gij niet, of eerst laat een verlicht inensch wezen. I. 14.
199
V. W 'ien noemt gij een waarlijk verlicht â mensch?
A. Dat is hij, die do waarheid in hare bron, en niet alleen in hare uitwerkselen kent. Al-wie het ware licht in zich heeft, is zeer yer-schillend van diegenen, welke het slechts door mededeeling van anderen, of door eigen nadenken liczitten. Want, ofschoon voor dezen de waarheid niet verborgen is, en zij ze ook niet verkeerd opvatten, is het toch maar eono kennis, die hun wordt medegedeeld door een menscli. Hij, die onmiddelijk door God onderricht wordt, ziet de zaken gelijk zij zijn, helder en klaar, zonder die nevels, welke de menschelijke uitleggingen vergezellen, die, terwijl zij de zaken van den eenen kant ophelderen, ze van den anderen kant verduisteren.
Het zuiverste licht is datgene, wat God aan nederige zielen in het gebed mededeelt. En dat licht heeft het voordeel van het getuigenis met ziel', te brengen, van hetgeen liet is, van zicli door zich zelf te doen kennen; zoodat zij, die het ontvangen, ofschoon niet aan hun eigen oordeel gehecht, maar nederig, leerzaam en in alles aan hun geestelijken leidsman onderworpen, toch zoo vast gelooven aan de zaken, welko het hun openbaart, dat zij er niet aan kunnen twijfelen; -zco uuidslijl: dragen zij he': kenmerk vrm waar-
200
lieden, die door God worden medegedeeld. Door middel van dat licht, dat eene straal is der eeuwige Wijsheid, kent do ziel alles, wat op haar heil en op de beoefening der christelijke deugden betrekking heeft, en somtijds zelfs zeer vele bloot zedelijke en natuurlijke zaken. Het is haar ook van zeer groot nut in hare twijfelingen, zoowel voor eigene leiding als voor die van anderen. Zulke ziel nu kan men waarlijk verlicht noemen.
Vraag. Wat kan haar dat hemelsch licht on-tcaardig maken ?
Antwoord. Op de eerste plaats, de ondeugd en de zonde, de eigenliefde mot al hare ongeregelde driften. Doch daarvan wil ik hier niet spreken, maar alleen van zekere beletselen, welke ook personen, die overigens geestelijk zijn, kunnen stellen. De schrijver der Navolging zegt, dat zij daarom van dat ware licht beroofd zijn, omdat zij zich te veel verlaten op hunne eigene rede of op hun vernuft; omdat zij te veel op hunne zwakke redeneeringen steunen.
Er zjjn er, die het goed meenen en ware deugden bezitten, maar die te veel gewicht hechten aan do kennissen, welke zij door groeten toeleg van den geest, en door diep nadenken over de geheimen van den godsdienst, hebben verworven. Ziende, dat God hen te dien opzichte verlicht, schatten zij, in het verlangen naar zijne
201
glorie, dat hen bezielt, die keniiissen zoo lioog, dat zij zicli niet kunnen verbeelden, dat men iets beters verlangen kan. En nochtans is het zeker, dat het zuiverste licht door God aan zijne volmaakte dienaren wordt medegedeeld; en dat licht is niet de vrucht van inspanning des geestes en diep nadenken , (wat evenwel in den beginne niet af te keuren is); maar het is het uitwerksel der genade en der goddelijke verlichting, welke men in het gebed en in de overige oefjuingen van het inwendige leven verwertt.
Het Boek der Navolging van Christus is vol van deze leer. liet geeft op verschillende plaatsen het onderscheid aan, dat er bestaat tusschen de wijsheid van een mensch, die door God is verlicht, en de wetenschap van een geleerde; deze schrijft het aan den mensch zeiven toe, gene alleen aan God; het legt Jesus de woorden in den mond: Ik ben degene, die den mensch de wijsheid leert. Ik geef den eencoudiyen een veel helderder doorzicht, clan men ooit van eenig mensch zou kannen bekomen; en wederom; Ik hen het, die den geest eens ootmoedujen in een oog en-blik zoo hoog kan verheffen, dat hij in de geheimen der eeuwige Waarheid veel dieper doordringt, dan een ander, door eene tienjarige oefening op de scholen, het immer zon brengen. III, 43.
Nochtans vindt men vele uitstekende geleerden,
202
overigens ouder verschillende opzichten zeer prijzenswaardig; maar die zoo sterk aan hunne eigene denkbeelden gehecht zijn, dat alles, wat daarmede niet strookt, hun twijfelachtig en van weinig belangrijkheid toeschijnt. Doch het is oene zekere waarheid, dat de Heiligen veel beter onderricht waren opzichtens de geestelijko zaken, door het licht, dat hun van den hemel werd medegedeeld, dan men het door langdurige en diepzinnige overwegingen kan worden.
Niet, dat het daarom verkeerd is te redeneeren; nadenken en redeneeren is zeer noodzakelijk voor de beginnenden, en ten tijde van dorheid. Ja,de heilige Theresia zegt nog meer: zij beweert, dat niet alleen de beginnenden, maar ook zij, die reeds voortgang gemaakt hebben en de meest volmaakt n zeiven, er behoefte aan hebben. Doch do meesters van het geestelijk leven stemmen hierin overeen, en ook do heilige Theresia herhaalt het op verschillende plaatsen, dat het bovennatuurlijk licht, hetwelk wij door do beschouwing verwerven, boven het licht, dat men door studie en redeneering verkrijgt, is te stellen. Zij derhalve, die meer gewicht hechten aan de redeneeiing dan aan die soort van verlichtingen, waarmede de grootste Heiligen door God wor-den begunstigd, en die onverdiende gunsten zijn, zij zullen nooit volmaakt in den geest ver-
203
licht wezen; want welk voordeel zij uit natuurlijke redeneering ook mogen trekken, zij moeten zich altijd wel overtuigd houden, dat, hetgeen onmiddelijk van God komt, veel uitmuntender is, als zijnde een zuiver uitwerksel van do genade; en dat men door de beschouwing er toekomt, â¢om de waarheid in zich zelve te kennen.
Vraag. Hoe nu kan men dat goddelijk licht, het-tcelk voor de ziel zoo nuttig is, verkrijgen ?
Antwoord. Door de deugd van onderwerping, waartoe Jesus ons ua)iinaant, geljjk de schrijver dor Navolging zegt; waarop hij ter verduidelijking laat volgen: Trouwens het is de wil van God, dat u'ij Hem in alles volkomen onderworpen zijn, en ons op de vleugelen eener brandende liefde, hoven de beperkte grenzen van ons eigen doorzicht verheffen. Dat wil zeggen: niet slechts het hart, maar door de liefde moet ook hot verstand zich onderwerpen; dat is de wil van God, de ware ootmoed, de bron der ware verlichting. De heilige Apostel Paulus, sprekende van de liefde, die ons met Christus vereenigt, verzekert, dat zij alle wetenschap overtreft. Eph, III, 19. Door de liefde derhalve moeten wij ons verstand aan dien goddelijken Leermeester onderwerpen. Zoodat onze kennissen door do liefde worden bepaald en geheiligd.
Er zijn twee wijzen, waarop men bovennatuur-
204
lijke verlichtingen kan bekomen. De eene is, zioh te onderrichten, door zich veel op dc overweging toe te leggen, en veel over geestelijke onderwerpen te lezen, om ze aldus in het geheugen te prenten; de andere is, liet verstand door den wil tc onderrichten, door een wil, die door eene ootmoedige en vurige lietde met Ood is verhonden. Deze wijze is niet natuurlijk, noch gewoon; en niet op deze wijze komt dc niensch doorgaans onmiddelijk tot do kennis der goddelijke zaken; maar is hij eenmaal op dien weg geplaatst, dan verlicht de liefde, waarvan hij blaakt, en die als een vuur is, zijn verstand, en vervult hot met de kennis der verhevenste waarheden. Zoo werden de heilige Bonaventura en de heilige Thomas van Aquinen buitengewoon verlicht naar den geest, meer door zich aan den voet van het kruisbeeld tc plaatsen, dan door het lezen der werken van de heilige Vaders.
De Schrijver der Navolging wil dus zeggen, dat hij, die zijn vertrouwen stelt in de kracht van zijn geest en in de redeneering, nimmer, ot althans niet dan na langen duur, een waarlijk verlicht niensch zal worden; en dat het eenige middel, om hot spoedig te zijn, bestaat, in zijne rede aan do genade van Christus tc onderworpen, die hem zal binnenleiden in hot licht, dat de Heiligen verlicht, wat hjj aanduidt in deze woorden;
205
Be kennis, welke van horen, door goddelijke iu-(jeving, den. mensch wordt ingestort, is run veel edeler aard, dan die des memclien geest zich met. groote moeite verschaft. UI, 31.
Vraag. Hoe wordt deze leer in heoefening gehracht?
Antwoord. Die beoefening he vut drie zuken.
Op de eerste plaats moet mou zicli wel overtuigen, dat, ofschoon de studie goed en nuttig is, men toch altijd veel meer door goddeljjke verlichting, dan door eigen inspanning vordert. Deze overtuiging zal ons geringschatting geven voor ons eigen verstand en doorzicht, on er ons mistrouwen voor inboezemen; waaraan sommige menschen, die mccnen alles te weten, groote behoefte hebben.
Ten tweede moet men zich vernederen, lietzjj men bidt of studeert; en zijne begrippen onderwerpen aan de verlichtingen, die ons van den hemel geworden. Door zich zoo voor God te vernederen, wordt de geest, welverre van te verzwakken, en minder geschikt voor de beoefening der wetenschappen te worden, integendeel, levendiger en meer doordringend.
Ten derde, is hot van zeer groot belang, welken voortgang men ook in de wetenschappen hebbe gemaakt, zich gewoon te maken, hulde daarvoor te brengen aan de goddelijke wijsheid,
200
en te gelooven, dat men aan liaar de kennis verschuldigd is, niet alleen van do bovennatuurlijke waarheden, maar van alle in liet algemeen.
Daarenboven moet men zich wachten, van aan zijn geest eene te vrije vlucht te geven; maar zorgen, hem in eene voortdurende afnankelijkheid te houden van de genade; en dat geschiede uit het beginsel van do liefde tot God.
Op die wijze zal men een geestelijk menscli worden, zal men zicli op de studie der wetenschappen toeleggen, zonder den bovennatuurlij-ken geest te verliezen, welken men altijd met zorg moet bewaren, gelijk het de heilige Vaders en de Leeraren der Kerk hebben gedaan, alsmede vele groote mannen van deze laatste tijden, onder anderen de Kardinalen Baronius en Bel-larmimis, en vele anderen, die niet minder door hunno heiligheid dan door hunne wetenschap schitterden.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de wookden: Hij, die Jesus waarlijk he-miui. rii zich op de dcuc/d toelegt, haakt niet naar vertroostingen. II, 9.
207
Vraag. Wat wil dat zegyen; naar vertroostin-
lt;jen haken? 1
Antwoord. Dat wil niet zeggen: de vertroos- z
tingen aannemen, maar ze met vurigheid zoeken, t
en er zich aan hechten. Dat is doen als iemand, z
die door den honger geprest, zich met begeer- v
lijkheid op de spijzen werpt, en zijnen eetlust niet (]
meester is. Zie hier op welke wijze dit geschiedt: e
Iemand, die waarlijk geestelijk en aan den wil n
van God gehecht is, stelt, hetzij hij in druk is7 -y
hetzij God hem met gunsten overlaadt, al zijn (]
*
steun op do deugd, en is er slechts op bedacht, ^ om den wil van God te volbrengen, overtuigd,
dat, bij aldien hij anders handelde, liij niet God, i;
maar zich zeiven zou zoeken. I
Maar, indien hij, uit natnurlijke onstandvastig- t
heid, of door eene hevige bekoring overvallen, g
dien steun loslaat, en nederdaalt van dien ver- Ij
heven trap van heiligheid, waartoe hij was op- o
geklommen, dan moet hij noodwendig ter aarde y
vallen. Doch, kan hij vast blijven staan, dan t
tracht hij zich inniger aan God te hechten, zijne |
liefde te zuiveren; daar de liefde zijn eenige steun z
is; hij maakt zich los van alle zucht naar eigen- /
baat en zelfs naar geestelijke vertroostingen, welke i,
de heilige Geest in zijne ziel uitstort. d
Niet, dat hij die vertroostingen verwerpt, tenzij ^
hij zich daartoe sterk voelt aangedreven: hij weet, f
208
dat er omstandigheden zijn, waarin hij ergroote behoefte aan hoeft, of waarin ze hem althans-zeer nuttig zijn, om God meer te beminnen en te smaken; maar hij gedraagt zich zoo, en hangt zoo weinig af van die vertroostingen en die gevoelige vreugde, dat hij, bij volkomene berooving daarvan, eene grooto gelijkmoedigheid bewaart, en nooit terneergeslagen of bedroefd is, dan wanneer hij zijn ijver voelt verminderen; want dan vreest en zucht hij, en roept van ganscher harte de hulp des hemels in, dewijl hij meent aan de getrouwheid jegens God te ontbreken.
Iemand, die, daarentegen, traag en onvolmaakt is, en nog niet heeft ondervonden, wat de zuivere liefde is, voedt zich met die voorbijgaande zoetigheid; en gebeurt het, dat God hem beproeft, gelijk Hij zijne beste vrienden pleegt te doen, dan bedroeft hij zich, en geeft zich aan verdriet eit onrust over; en is hij geheel terneergedrukt, dan verzucht hij tot Hem, dien hij als zijn e enige toevlucht, zijn opperste Goed beschouwt. Doch behaagt het aan God, hem door een nieuw bezoek te vertroosten, dan vergeet hij weer weldra zich zeiven; daar zijn voornaamste streven niet is, om aan God te behagen, maar om eigen voldoening te zoeken. Hij is er op uit, om het genoegen, dat die gevoelige troost hem veroorzaakt, te smaken: daar blijft hij in hangen, en zoe kt er
209
zijne rust in; in plaats van de heilige zielen na te volgen, die van geestelijke vreugde vervuld, met de gave der tranen begunstigd, er schier niet aan denken, of slechts in zooveiTe als noodisr is,
o 7
om er de goddelijke goedheid voor te bedanken: omdat zij recht tot God gaan, en niet anders zoeken, dan Hem in alles welbehaaglijk te zijn.
Vraag. Hoe geschiedt dit?
Antwoord. Door zoodanig zijn geest tot God te verheffen, dat men Hem eenig, en alleen om Hem zeiven bemint. Daartoe brengt ons do be-langlooze liefde; en is men zoover gekomen, dan biedt men zicli vol moed tot alle lijden en alle vermoeienissen aan; ja, men verlangt die, en men voelt zich aangedreven, om aan God eenigen belangrijken dienst te bewijzen, en wel uit beginsel der zuivere liefde, waarin de ware oprechtheid des harten gelegen is.
Wanneer eene ziel nog niet volkomen van de aarde onthecht is. dan wordt zij door haar natuurlijk gewicht en hare verkeerde neigingen belet, zich tot God te verheffen, en voortdurend naar haar zelve heen getrokken; zoodat zij niet tevreden is, of zij moot haar voordeel gevonden hebben; zij werpt zicli op de voorwerpen, die hare zinnelijkheid streelen, en zoekt daarin hare rust ou haren vrede. Zoo maakt zij werktuigen tot verderf van de middelen, die God haar schenkt tot haar heil;
210
terwijl zij, van alle aardsche genegenheid ontdaan, niets anders zou beoogon, niets anders zou beminnen dan God, zich in niets buiten God zou verheugen, en zijne gaven zou ontvangen en gebruiken, zonder er haar hart aan te liechten. Dit is voorzeker zeer moeieljjk in de beoefening on eene hooge volmaaktheid; waardoor de ziel liet oog zuiver op den Schepper vestigt, en niet alleen in hare achting den Schepper de voorkeur geeft boven hot schepsel, maar ook metterdaad niets buiten Hem wil noch verlangt; terwijl zij hare eenige zorg er van maakt. God in alles getrouw te wezen, en de schepselen gebruikt, zonder er in te blijven hangen; zoodat zij zich steeds inniger aan God hecht, en de onuitsprekelijke wellusten der zuivere liefde begint te smaken.
Alwio geleerd heeft. God aldus, niet oppervlakkig, maar innig te beschouwen, laat zich niet door eene overmatige vreugde vervoeren, wanneer hij de goddelijke vertroostingen in zich gevoelt. Hij staat vast, blijft zich altijd gelijk, en is niet als de zwakken en onvolmaakten, die er meer op uit zijn, de weldaden van God, dan God zeiven te genieten.
Het is niet moeielijk, die zuivere en belang-looze liefde te beoefenen, wanneer men tot de ware armoede van geest is gekomen; want dan
15
211
kan men de goederen en de genoegens genieten, zoowel de natuurlijke als de boTennatuurlijke, welke God ons schenkt, en die de rede niet veroordeelt. Men kan ze genieten, zonder eenige â vermindering der goddelijke liefde, ja, die liefde wordt er nog meer door ontvlamd, wanneer men er een behoorlijk gebruik van maakt; want, in dat geval verliest men niets van die volmaakte onverschilligheid, welke men ten opzichte van de goederen en de zoetigheden dezes levens moet hebben; men is er even ongevoelig voor, als ware men dood; en terwijl men ze geniet, is men volkomen bereid, om er aan te verzaken. Mon geeft altijd de voorkeur aan kruis en versmading boven eer en genoegen, in de hoop, dat men zich langs dien weg inniger zal vereenigen met den goddelijken Zaligmaker, voor wien men alleen achting en genegenheid koestert, aan wien al do liefde van het hart is gewijd.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de wcorden : O hoe gelukkig is de geest en hoe zalig de ziel, die verdient U haren Heer en God waardig te ontvangen!... O hoe groot is de Heer, dien zij ontvangt, hoe beminnelijk de Gast,
212
dien zij herbergt, hoe aangenaam de Gezel, dien zij opneemt, hoe getrouw de Vriend, dien zij bekomt, hoe schoon, hoe ede! is de Bruidegom, dien zij omhelst! IV, 3.
Vraag. Wat is Jesus voor de rechtvaardigen in de H, Communie ?
Ant voord. Jesus is er hun Gast, hun Gezel huu Vriend en hun Bruidegom, volgens de woorden van den Schrijver der Navolging.
Doch er is hier geen spraak, van hetgeen Hij in de harten van allj rechtvaardigen uitwerkt, maar van een bijzonder uitwerksel, dat Hij in diegenen voortbrengt, welke Hij met zijne gemeenzame vriendschap vereert. Want, ofschoon alle rechtvaardigen, daar zij in staat van genade ver-keeren, Hem waardig ontvangen, en Hij ook voor hen een Gast, een Gezel, een Vriend en een Bruidegom is, gevoelen toch de heilige zielen, die het geluk hebben, van gemeenzaam met Hem om te gaan, zijne tegenwoordigheid op eene gelieel bijzondere wijze, zoo als het aan anderen niet i.s gegeven. Zij gevoelen, dat Hij bij haar tegenwoordig is als een Gast, dio zijn verblijf bij haar heeft gevestigd, en haar niet meer verlaten wil; als een Gezel, die zich voortdurend en op eene aangename wijze met haar onderhoudt; als een Vriend, die niet ophoudt, haar met weldaden te overladen ; als een Bruidegom, die de ziel teeder omhelst en liefkoost.
213
Wjj hebben gezegd, dat het ware geluk in dit leven bestaat, iii de innige vereeniging van de ziel met God door de zuivere liefde; die innige vereeniging nu heeft plaats, wanneer God bet wil.' maar vooral toch in de heilige Communie, waar, volgens de woorden van een groot Godgeleerde. het geestelijk huwelijk voltrokken wordt. De ziel, die zieh in het aanbiddelijk Sacrament met Jesus vereenigt. en die, niet met een gewoon, maar met een zeer levendig geloof, den goddeijj-ken Gast, die bij haar zijnen intrek neemt, als quot;t ware met de oogen aanschouwt, zulke ziel beeft, zooveel mogelijk, deel aan hot geluk der Heiligen, die Hem ontsluierd in den hemel aanschouwen. Zij gevoelt inderdaad, dat Hij in haar verblijft, en de kennis, welke dat gevoel schenkt, verwekt haar zoo groote vreugde, dat niet alleen al hare vermogens er van vervuld zijn, maar dat haar wezen zelf er innig van doordrongen en als overstroomd is; zoodat zij de waarheid ondervindt van de woorden van Jesus Die Mij bemint, dien zal Ik ook beminnen, en Ik zal Mij zelve)i aan hem openbaren. Jo: X1Y, 21. Zij is zoozeer van de tegenwoordigheid van Jesus overtuigd, dat zij zonder eenige aarzeling zegt; Mijn God is bij mij. mijn Jesus is in mij. Zoo ook beloofde het Jesus: Die mijn vleeseh eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem Jo. YJ, 57. Kan
21
zij wel een zekerder onderpand hebben van de tegenwoordigheid van dien God van liefde on barmhartigheid ? Ja, zij gevoelt liet, hoo waar bet is, wat Jesns zcidc: Wij zullen tof hem komen, en onze ironing hij hem vestigen. Jo : XIV, 2.). Hij komt tot de ziel, vestigt bij hanr zijn verblijf, e i vereenigt zich met haar zoo nauw door do genade van het allerheiligste Sacrament, dat, verondersteld ook, dat God in het overige der wereld niet tegenwoordig zou zijn, Hij d-inroni nog niet zou ophouden in haar te wouou. Terecht dus roept de schrijver der Navolging uit; Hoe hcinniiir-Iijk is de Gust, dien zij herheryt !
Doch de ziel ontvangt Jesus niet slechts als Oast, maar ook als Gezel. En dat is eeue genade, die iedereen in dit heilig Sacrament mag verhopen, wanneer hij zich beijvert, om or een waardig gebruik van te maken, /ij derhalve, die Jesus zoo toelaat tot zijn gemeenzaam verkeer, hebben Hem niet alleen in hun binnenste, maar mogen ook zijn zoet onderhoud smaken, on gaan op do innigste wijze met Hem om, eene gunst, welke do heilige Joannes aan alle christenen toe-wenscht, wanneer luj hen aanmaant, om zoo heilig te loven, dat limine gemeenschap zij met den Vader en zijn Zoon, Jesns Christus. 1. Jo:I, 3.
Zoo hebben zij altijd iemand, met wien zij zich kunnen onderhouden, bij wien zij hun hart kunnen
215
ontlasten, dien zij in al hunne twijfelingen ont raad kunnen vragen. Zij bevinden zicli nooit alleen, maar zijn altijd in het alleraangenaamste en allerzoetste gezelschap ; zij gaan gemeenzaam met Jesus om, en in dat zoete verkeer vervelen zij zich nimmer, dewijl Hij hun altijd weer iets nieuws mededeelt, of datgene, wat zij reeds weten, in een helderder licht doet aanschouwen, ja, hunnen geest van zoo overvloedig licht vervult, dat zij in st:uit zijn, ook anderen te verlichten. Stroomen van genade voelen zij dan in hun hart vloeien, eu zij drinken met vreugde van dat uitmuntende water, hetwelk springt ten eeuwigen leven ; zij verliezen allen dorst, dien zij hadden, naar de tijdelijke goederen, en z;j zijn er alleen op bedacht, om zich te vereenigen metde eeuwige Wijsheid, welke zich met ecne groote mildheid van gaven in dit heilig Sacrament aan hen mededeelt. Wat wonder dus, dat zij, met zulk een Metgezel, diu hen nimmer verlaat, altijd opgeruimd en volkomen tevreden zijn? Verbergt Hij zich somtijds, om hen tc beproeven, het is alleen met het doel, om weldra wederkeerende, hen aangenaam te verrassen, en hun, door nieuwe en onverhoopte blijken van zijne goedheid, meer dan ooit zijne tegenwoordigheid te doen gevoelen; ja, weldra keert Hij dan weder, om hun de vreugde terug te schenken, waarvan zijne afwezigheid hen he-
21G
roofd had, on hen in een toestand te brengen, waarin zij kunnen vertrouwen, van nimmer meer van zijne tegenwoordigheid te worden beroofd.
Xog moer : niet slechts hun Gast en hun Metgezel, maar ook hun Vriend wil hij wezen; en ook in die hoedanigheid deelt Hij zich aan hen mede op eene wijze, dat Hij niet tevreden is, met hen gemeenzaam te verkeeren, maar dat Hij hen â¢ook bijstaat in allo noodwendigheden, en hen met de rijkste gunsten en weldaden begiftigt; en in zijne overgroote liefde maakt Hij hen deelgonoo-ten van do verdiensten van zijnen dood, deelt hun zijn licht mede, en drukt zijne deugden in hunne ziel.
Doch, wanneer Hij bij dio blijken van vriendschap de liefkoozingen eens Bruidegoms voegt, dan gevoelt de ziel, geheel ontvlamd, en van liefde vervoerd, zaken in zich, welke zij niet kan uitdrukken, en die zij ook aan niemand wil mede-deelen. Dat zijn die omhelzingen van den godde-lijkcn Minnaar, waarvan de heilige Bernardus zegt, dat men niet moet vragen, wat ze zijn, omdat de ondervinding alleen ze leert kennen, en de liefkoozingen van een God den stempel dragen van zijne oneindige Grootheid- Wanneer Assuerus van zijn troon stijgt, om Esther in zijne armen te ontvangen, die bezwijkt op het gezicht van den schitterenden glans, waarvan zijne Majesteit
217
is omgeven; en wanneer lijj haar zijne zuster noemt en haar op eene liefdeTolle wijze vertroost, en Esther in eene andere soort van bezwijming vervalt, die door de liefde wordt veroorzaakt, en die niet minder is dan de eerste, maar van onuitsprekelijke zoetheid gepaard gaat; dan biedt dit ons een flauw beeld van hetgeen or plaats heeft, wanneer de goddelijke Bruidegom zich aan de ziel, zijne veelgeliefde bruid, mededeelt; wanneer Hij haar omhelst en lief-koost. Ja, wij weton, hoe aok sommige heilige zielen, na het lichaam des Hoeren ontvangen te hebben, hot gebruik harer zinnen verloren, en in verrukking geraakten, in God verslonden, en geheel buiten zich zeiven; en in die verrukking Hem woorden hoorden uitspreken, welke geene taal in staat is, weder te geven.
Dat is eene liefde, welke de hemelsche Bruidegom haar dan betoont, die we in zekeren zin, oneindig kunnen noemen; want ofschoon de mensch een zeer beperkt wezen is, kan men toch zeggen, dat er, door de nauwe vcreeniging, welke hij in de heilige Communie aangaat met het goddelijk Lam, iets onbegrijpelijks in hem plaats vindt, wat elk eindig wezen overtreft.
\ raag. Maar wie sal waardig zijn in die gunst te deelen?
Antwoord. Reeds dikwijls hebben we het gezegd.
218
Hij alleen, die den moed heeft, om zich van alles uit liefde tot G od te ontdoen; die, mstterdaad, of mot don wil en door volmaakte ontheeliting, alles verlaat, wat hij bezit; die niet alleen aan de tijdelijke, maar ook aan de geestelijke goederen verzaakt, en zich in het algemeen van nlle.s, wat God niet is, losmaakt. Deze volmaakte ontheeliting maakt de ziel geschikt, om God in zich op te nemen, en omgevormd te worden in God. Hij, die gehechtheid heeft aan eene of andere nietswaardige zaak, oftchoon hij ook bereid is. zich van al het overige to ontdoen, is zoo ver beneden een ander, welke die beuzelarij veracht, en aan niets is gehecht, als het eindige beneden het oneindige is; althans wat hot gevolg betreft: want ofschoon het schepsel in zich zelf zeer beperkt is, hot is niet beperkt in zijne verlangens; en wanneer hot alle verlangens naar het geschapene uit het hart verbant, dan wordt het bekwaam, om het oneindig Goed in zich op te nemen, en geschikt, om het te ontvangen.
Het is waar, dat God, om eene geiinge zaak, ^ niet geheel en al den band van vriendschap met ons verbreekt; maar het minste belet ons toch, om zijne zoetheid in hare volheid te smaken; en heeft ten gevolge, dat Hij ons niet bezoekt, ons niet tot zich trekt, en dat wij altijd ver van Hem verwijderd blijven; bijaldien Hij ons niet door
219
zijne genade voorkomt, waardoor vrij bewogen â worden, om Hem te noodzaken, tot ons te naderen, door ons van alles te ontdoen, en alle gehechtheid aan liet schepsel uit ons hart te verbannen.
Die algeheele verloochening is de weg, dien wij noodzakelijk moeten bewandelen, om tot dien toestand, waarvan wij spreken, te geraken. De reden, zegt Thomas a Kempis, dut er zoo ireini-ye menschen worden aangetroffen, die de (juaf can beschouwinj hebben, is hierin gelegen, dat er zou weinigen zijn, die zich geheel willen scheiden van de vergankelijke schepselen. 111, 31. Het is daarom niet noodig, dat zij do wereld verlaten, om zich in de woestijn of in een klooster te begeven: het is voldoende, dat zij hun hart aan de schepselen niet hechten, noch er hunne voldoening in stellen, en niets dan God verlangen noch zoeken.
Wanneer men mij derhalve de vraag stelde, hoe het komt, dat er onder zoovelen, die zich aan den dienst des Heeren wijden, zoo weinigen zijn, die tot een hoogen trap van volmaaktheid opklimmen, dan zou het mij niet moeieljjk vallen, die vraag te beantwoorden; en mijn antwoord zou ik op do eerste plaats aan het Evangelie ontleenen, waar de goddelijke Zaligmaker zegt: Indien iemand na Mij wil komen, hij ver-
220
loochene zich zeiven. Mt: XVI, 24; en op de tweede plaats aan den SchnjTer der Navolging, die verzekert, dat er weinigen zijn, die tot die vol-komene onthechting van alles geraken, weinigen die zich geheel en al overgeven in de handen der goddelijke Voorzienigheid.
God heeft een oprecht en werkdadig verlangen. niet slechts, om de menschen zalig te maken. maar ook, om hen innig door de liefde met zich te vereenigen. Doch de ongelijkheid, welke er bestaat tusschen God en den mensch, maakt die vereeniging moeielijk. De mensch is klein, en God is groot; de mensch is laag, en God is verheven; de mensch is onrein, en God is heilig. De hoedanigheden van God en die van den mensch zijn alzoo lijnrecht tegenovergesteld. Om die tegenstelling weg te nemen, moet do mensch zich toeleggen, om God uit geheel zyn hart te beminnen. Hem hoven alles hoog te achten, niet alleen in beschouwing, maar door zich met den wil aan Hem waarlijk te hechten, en voor niets dan voor God, en voor hetgeen van God komt, eenige achting te koesteren. Doch, omdat men gewoonlijk achting voedt voor de schepselen, en meent, er zijne voldoening in te zullen vinden, daarom schenkt men geheel zijn hart niet aan God; en dit belet Hem, zich met den mensch te vereenigen.
221
Besluiten wij derhalve niet Thomas aKempis: Hij, die nog iets anders groot acht, hehcdve het cenige, oneindige en eemcige Goed alleen, die zal nog lang Hein hlijren, en ter aarde liggen. Trouwens, alles, wat God niet is, is niets, en moet voor niets gehomlen worden. Ill, 31. Daarop is het geheele geestelijk leven gevestigd; en omdat weinigen er van overtuigd zjjn, daarom worden er weinige heiligen gevonden. Want, konde men zicli overtuigen, dat er niets groots is op aarde, niets, wat onze achting verdient, dan God en zijn heilige wil, dan zou men er alleen op uit zijn, om Hem te behagen; men zou zich beijveren, om Hem in alles zijne onderdanigheid te betoonen. Maar men geeft zich liever over aan de lage neigingen van de bedorven natuur, en men regelt zijn leven niet volgens het verheven licbt des gelool's. Daardoor komt hot, dat men zicli met God niet kan vereenigen; dat men uitgesloten is van zijn gemeenzamen omgang; dat men onbekwaam is, om in de heilige Communie de zoetigheden te smaken, welke de groote Heiligen er vonden. Doch, wanneer men die grondwaarheid, welke wij hebben verklaard, in beoefening kan brengen, dan nadert God terstond tot ons, en schenkt ons zijn licht; dan stort Hij zijne schatten uit in onze ziel, welke Hij niet schenkt aan diegenen, welke do tijdelijke goede-
222
ren liefhebben, en die in hnnne uiterste verblindheid meenen, dat do rechtvaardigen in den hemel, doch niet op de aarde, worden beloond: want, ofschoon dat waar is voor do glorie en do volkomene zaligheid, het is niet waar voor do vertroostingen der goddelijke liefde, welke de zoetigheid van het vjjk Gods in deze wereld reeds uitmaken.
223
VIERDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Hij, die iets groot acht, hehalce het eeniye onmetelijke, eeuwige Goed alleen, zal nog lang klein blijven, en op de aarde-blijven liggen. III, 31.
Vraag. Waarin bestaat de ware grootheid?
Antwoord. In zoo nabij mogelijk tot God to naderen. Want God alleen is waarlijk groot, en de bron van alle grootheid; is er derhalve in den mensch iets, wat groot kan geacht worden, dan zal dat de gelijkenis en de betrekking zijn, welke hij met God heeft. Nu is hut de vraag, hoe de mensch tot God moet naderen, om groot te zijn; want onder de velen, die zich op do deugd toeleggen, ziet men er weinigen, die zich uit hunne laagheid opheffen, en tot eeno verhevene heiligheid opklimmen. De meeste der dienaren Gods hebben voel moeite, om zich van de schepselen los te maken, en zich zei ven geheel en al te vergeten, en zooals Thomas a Kempis zegt;
Hij, die nog iets anders groot acht, behalve het eeuwige Goed alleen, die zal nog lang klein blijven.
224
De reden, waarom we God zoo flauw beminnen, en waarom wij, in hetgeen tot zijnen dienst behoort, zoo weinig edelmoedigheid aan den daic leggen, is hierin gelegen, dat wij Hem niet genoeg kennen, om aan Hem alleen te willen toe-hehooren. Zij, die de ware grootheid van ziel hebben, zijn overtuigd, dat God alles is, en wat God niet is, als niets moet beschouwd worden. Iedereen betuigt, dat hij die waarheid vastelijk gelooft, ja, dat liij, is het noodig, bereid is, ze met zijn bloed te onderteekenen; doch het is er verre af, dat zoovelen, die dit betuigen, door hunne daden ook toonen, dat zij er waarlijk van overtuigd zijn. Zien we derhalve, hoe we moeten gelooven, dat God alles, en al het overige, niets is; vervolgens, wat we moeten doen, wanneer we daarvan goed overtuigd zijn, en hoever we moeten gaan. om zoo groot te worden, dat we tot de innigste vereeniging met God kunnen geraken.
Hij, die eene groote gedachte van do Majesteit van God hoeft opgevat, beschouwt al het overige als van geen belang, behalve datgene, wat betrekking heeft op den wil en de glorievan God; bijgevolg heeft hij niet de minste achting voor al wat menschelijk is, hoe groot, hoe verheven het ook moge schijnen, dewijl het de grenzen van het geschapene niet te boven
225
yaat: verdei* stelt hij ziehgeonerloi doel voor, verzet don vost uioN vormt gean enkelB letter, in één woord, hij verricht niets met nadenken en overleg, wat niet onmiddelijk op God, of op zijn heiligen dienst, betrekking heeft.
Weid dit wel begrepen, dan was er niet meer noodig, om den mensch tot een verheven trap van deugd op te voeren. Dit is het gevoelen van den schrijver der Navolging, zoo als blijkt u t het een en dertigste hoofdstuk van het derde Boek, waaruit ik de woorden genomen heb, die aan het hoofd van dit hoofdstuk geplaatst zijn.
Inderdaad, alwie te gejaagd is, en met overhaasting spreekt of handelt, alwie zich niet losmaakt van alle menschelijke belangen, en er slechts op uit is, om zijne eigene voldoening te zoeken, al draagt hij ook zorg, om de groote fouten te vermijden, diens geest zal altijd laag en gering zijn in zijne bedoelingen, en hij zal op de aarde blijven kruipen, zijne gedachten zullen zich niet ten hemel kunnen verheffen; hij za! aan tal van zwakheden onderworpen zijn, die hem van die verhevene volmaaktheid verwijderen, welke liet aandeel is der kinderen Gods, wier eenige zorg liet is, altijd naar boven te streven, en daartoe alle oogenblikkcn van hun leven te gebruiken. En dat is de ware groot-
226
heid: dan is men groot, wanneer men niets laags en aardsf.li in zich duldt; wanneer men, in Gods tegenwoordigheid wandelende, het zijner onwaardig oordeelt, aan iets anders, dan aan Hem, te denken.
Do beoefening van deze leer sohijnt aan sommigen onmogelijk, anderen noemen haar hersenschimmig. Wat mij aangaat, ik ben overtuigd, dat allen, die het Boek der Navolging aandachtig hebben gelezen, en die weten, wat het geestelijk leven is, er gelieel anders over denken; want de gevoelens van inwendige menschen steinraen niet overeen met de denkbeelden van hen, die weinig in den geest des gebeds zijn gevorderd.
Ik beweer derhalve, dat hij, die, met een waar verlangen naar de volmaaktheid bezield, vast besloten is, om allo hinderpalen uit den weg te ruimen, welke hij op den weg, die er heenleidt, ontmoet, noch achting noch neiging voor eenig schepsel zal gevoekn, dan voor zoover men er achting ol'neiging voor voeden kan uit hot beginsel van geloof, van hoop en van liefde. En dat, wanneer hij eenigo natuurlijke geneigdheid in zijn hart laat binnendringen, bij zoo kloin en bekrompen zal worden, als het voorwerp, waaraan hij zijne genegenheid schenkt.
16.
227
Het is eenc dwaasheid in hen, die volmaakt wenschen te worden, uit nieuwsgierigheid zeldzame en zonderlinge zaken te willen zien. Zij gaan die zien, ja, onder schijnsehoone voorwendsels; maar op slot van rekening zoeken zij niets anders dan hunne nieuwsgierigheid te voldoen; en daar zij God niet in het hart hebben, zouden zij wenschen, het met de schepselen te vullen. Vandaar, dat zij, wat ze gezien hebben, hemelhoog verheffen en er met de grootste overdrijving van spreken.
Die het minst geestelijk onder hen zijn, prijzen de natuurlijke talenten, de welsprekendheid, de levendigheid van verbeelding en andere natuurlijke hoedanigheden, waaraan zij dikwijls moor waarde hechten, dan aan de bovennatuurlijke gaven. De oorzaak van hun verkeerd oordeel is hierin gelegen, dat zij geene groote gedachte hebben van die goddelijke gaven, en bekrompen van geest, als ze zijn, wanneer ze zich vergelijken met diegenen, welke in de wereld schitteren, zich niet kunnen weerhouden, die hoedanigheden, welke zij zeiven niet bezittten, te roemen en te bewonderen. Daarom hebben zij ook eene zoo hooge achting voor waardigheden, rijkdom, prachtige paleizen, cn voor den luister, die de gi'ooton omgeeft; daarom zijn zij zoo nieuwsgierig, om, bijvoorbeeld, den schitterenden intocht
22 8
van een vorst en andere dergelijke praal vertooningen te zien, en rekenen zij liet zich tot een groot verlies, wanneer zij niet in de gelegenheid zijn geweest, om bij zulke schouwtooneelen tegenwoordig te zijn. Dat alles toont duidelijk aan, hoe klein hot hart is van hom, die geen iiclit genoeg heett, om God te kennen, noch kracht en dengd genoeg, om tot Hem te naderen.
Wat hen betreft, die een weinig meer geestelijk zijn. Het is waar, dat zij niet geheel en al den Oorsprong en Uitdeeler van die natuurlijke gaven vergeten; maar wat aangaat het smaken van God, daarvan zijn zij verre verwijderd, daar zij de zaken naar de zinnen, en volgens de valsche denkbeelden der wereld beoordee-len.
Zij daarentegen, die zich mot God vereenigd houden, dio gemeenzaam met Hem omgaan, en door eigen ondervinding weten, hoe zoet Hij is; zij verachten in hun hart, wat anderen achten, en zoo hoog verheffen. Hij, die door het licht des hemels bestraald wordt, en zich door den waren geest der genade laat leiden, hij denkt slechts aan God, verheugt zich alleen in God, en al het overige is hem nietswaardig. Niet. dat hij niet gaarne met den naaste omgaat; maar niets drijft hem daartoe aan, dan het belang, dat hij stelt in het heil eener ziel, en in hefc bloed van Chris-
229
his. die haar door zjjii dood heett vrijgakooht; voor niets heeft hij lof over, dan voor God, en voor datgene, wat tot God voert; niets anders stelt hij zich ten doel, dan God on zijn heiligen dienst.
Wie anders handelt, is in dikke dui.sternissen gehuld, welke hij niet kan verdrijven, dan door de- beoefening van het gebed; daar wordt de geest bestraald niet een bovennatuurlijk licht, waarvan het voornaamste uitwerksel is, het hart te openen en te verruimen; zoodat het zich tot God kan verhefren, en alleen aan datgene, wat eenwig is, zjjne liefde en hoogachting wijdt.
Daar God ons door zijne genade bekwaam heeft gemaakt, om eeuwige goederen te verwerven, mogen wij ons met de tijdelijke niet ophouden, die niet zoeken, wanneer wij ons zeiven niet ongelukkig willen maken. Want van het oogen-blik af, dat wij een groote gedachte opvatten van de tijdelijke zaken, begint onze geest te verduisteren, en ons hart te vernauwen. Vandaar komt het, dat wij gevoelig zijn over het minste, wat ons wedervaart, en dat wij dikwijls door de geringste zaak worden ontsteld; was onze ziel daarentegen, groot, wij zouden altijd God voor oogen hebben, en Hem kennende gelijk Hij is, en Hem dikwijls ook smakende, zouden wij een walg voor al het overige hebben; en daardoor zonden we die neiging verstikken, welke /,00 diep
230
i; in ons liart is geworteld, van alles te willen zien,
n alles te willen weten cti alles to willen licliben.
It Waarom is er eeiie dame zoo op nit, mn zich
fc. op te schikken? Waarom is eon man zoo ver-
n heugd, wanneer liij de gunst van e( ngroote geniet,
it of door verstandige lieden geprezen wordt? I)e
e oorzaak daarvan is de bekrompenheid des luirten.
fc. Want hadden die man en dio dame begrepen,
â t hoe groot God is, en welke waarde de eeuwige
t goederen bezitten; hadden zij God, hadden zij die
fc goederen eenigszins gesmaakt, gelijk het quot;t geval
is met hen, die innig met God zijn vereenigd, i zij zouden er wel ver af zijn. zich te hechten
aan iets, wat zoo verachtelijk is, als de ijdele glans en do valsche eer van de wereld. Dit h is do algemeene regel: alwie er niet toe kan komen,
om onverschillig te wezen voor vergankelijke i goederen en tijdelijke rampen, zal altijd ter aarde
blijven liggen, en in het stot kruipen; en hij zal zich nooit boven do zichtbare zaken kunnen verheffen, Iljj zal doov alle winden worden geslingerd, en allerlei indrukken ontvangen, ilij zal drie dagen in droefheid zijn, om een verkeerd woord, dat hem is gezegd; in één woord, hij zal voortdurend in beroering en onsteltenis zijn: een duidelijke blijk van een bekrompen hart en een zwakken geest.
231
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Indien gij een inwendig leven leidt, dan zult gij weinig gewicht hechten aan woorden, die voorbijvliegen. III, 28.
Vraag. Welke zijn de woorden, die voorhij-diegen?
Antwoord. Dat zijn die woorden van lof of blaam, welke ons worden toegevoegd, waaraan zjj, die ziek op het inwendig levon toeleggen, weinig gewicht hechten, gelijk do Sohnjver der Navolging zegt.
El dors hebben wij verklaard, wat hot inwendig loven is, het zij genoog hier to zeggen, dat hij een inwendig mensch is, die in zijn binnenste een innig en voortdurend verkeer met God ondorboudt.
Zij, voor wie dat verkeer met God een geheim is, en die zich niet op de ingetogenheid toeleggen, zijn zeer gevoelig voor het minsto woord, dat hun toegevoegd wordt. Dikwijls ziot men, dat zij om een woord, dat in het voorbijgaan gezegd wordt, geheele dagon en weken met gevoelens van bitterheid blijven dragen, waarvan zg zich maar niet kunnen ontdoen. Zjjn zij alleen, terstond beginnen zij te mijmeren en to rode-neoren, over hetgeen deze of geno hun gezegd heeft, of over de bedoeling, waarmede ,'cf g:zeg' ' â¢.
232
Een wereldsch ineiiseli komt niet tot rust, of hij moot er opheldering van hebben gekregen; hà voedt wraakzuchtige gevoelens, en zoekt overal de gelegenheid, om zich van dengene, die hem beleedigd hooft, te ontdoen.
Een ander, die wel niet leett volgens do beginselen der wereld, maar die nog zwak en onvolmaakt is, is ook gevoelig voor de minste be-leediging: hij redeneert er over bij zich zeiven, en voorziet er de noodlottige gevolgen van; hij is voortdurend in onrust, verdrietig, en wil, dat men er hem eeno billijke voldoening voor geve, zijne ziel is vol bitterheid, zij wordt voortdurend gopijiii»'d, en zijn geest is van allerlei verstrooiende en nuttelooze gedachten vervuld.
Ontvangt men daarentegen eonigen lof, ofeenig toeken van hoogachting, dan baart dat aan de ziel eone onbesclirijfulijke vreugde. Men is niet zoodra ten /.ijnent teruggekeerd, of men sluit zich op in zijne kiimer, om zich met allerlei ij dele in-hoeldingen*bezig te houden. Dat woord tot zijnen lof gesproken komt voortdurend voor den geest; men denkt or over 111% men wikt en weegt het, men vindt er een wonderbaren smaak in, en men maakt er allerlei gevolgtrekkingen uit ten zijnen voordoole, die als hout, dut men op het vuur legt, stol leveren voor zijne ij lolheid, en de hooge gedachte voeden, die men van zich zeiven
233
koestert. Al dergelijke woorden behooren tot diegene, welke door de lucht vliegen, en aan pij-Ier gelijk, diepe wonden toebrengen aan de zielen, welke zwak zijn, en die voor de indrukken der eigenliefde eeno groote gevoeligheid hebben.
Het middel tegen een zoo groot kwaad bestaat hierin; dat men het inwendige leven om-hclze, zich op ingetogenheid toelegge, zijn gelootquot; yerlevendige, en zich beijvere, om de eeuwige waarin den meer nn meer te smaken.
Vraag. Welk is hrf eerste beginsel cn de grondslag van dat inwendig leven, waarvan wij spreken?
Antwoord. Dnt is die leer, welke wij in het voorgaande Hoofdstuk hebben uit elkander gezet: Ecne diepe overtuiging namelijk, dat er'Miiete groots is, dan God alleen; waarvan het gevolg is, dat men God altijd in hot hart draagt, en alzoo het eenig voorwerp van zijne vreugde en vreeze, van zijne hoop en zijne verlann-ens steeds bij zich heeft.
Een verstrooide geest, die niet in s aat is, om in zich zeiven te keeren, is genoodzaakt, zich naar buiten te begeven, en zich over de uitwendige zaken uit te storten, ten einde ijdel voedsel, nuttelooze bezigheid te zoeken, in hetgeen hij hoort en ziet en wat zijne neigingen streelt. Hij legt zich niet toe, noch om de waarheden van het geloof te overwegen, noch om gemeenzaam
234
met God in zijn binnenste te verkeeren; on duar-om brandt )iij van verlangen, om te weten, wat andoren van hem denkon of zeggen, en is hij zoor quot;ovoolig op hot punt van eer. En dat zoeken van zich zolvon, die bezorgdheid over zieb zeiven, houdt zijn hart zoo sterk gebonden. Dooh wannoor lijj begint na to denken, dat bij moet sterven, en dat do oonige troost, dien bij in het oogenblik van don dood zal genieten, hierin gelegen za! zijn, dat bij zich niot van God hoeft verwijderd; wanneer bij bedenkt, dat alles, wat het geluk dor wereld uitmaakt, in dat vorschrik-kolijk oogenblik, als rook zal verdwijnen, dan keert hij ia zicb zolvon, en begint datgene als van hot grootste gcwhbt to beschouwen, wat hem in dio stonde gerustheid en vreugde zal sohen-kon; dan ziet hij in, dat or gecne verblindheid is, aan die dor woreldlmgou gelijk, dio zich hechten aan goederen, welke zij zoodra zullen moeten verlaten; en bij ^ovoolt zich opgewekt, om de grondstellingen van hot Evangelie meer en moer te leeron kennen, en diensvolgens zijne neigingen en al zijne handelingen te regelen.
/00 leert hij in zich zolveu koeren, 011 zich op het inwendige loven toeleggen; en in die. gemoedsstemming zoekt hij niets buiten zich zeiven; is h'j niet meer verlangend, om op do oene plaats liever te verblijven dan op eene andore; is hij
235
or uiet meer op uit, z'ch beuzelarijen, allerlei nietswaardige zaken to verschaffen, waarop hij vroeger zoo hevig gesteld was; hij streeft nu slechts naar de geestelijke en eeuwige goederen; daarin stelt hij zijn geluk, daarop zijn al zijne verlangens, zijne handelingen, zijne inzichten gericht. Daaruit vloeit dan ook voort, dat hij nu onverschillig is voor alles, wat men ook van hem zog-£e of donke; dat men hem prijze als een schran-deren geest of dat men hem boschouwe als een belachelijk monsch en eon dweeper: die vliegende pijlen bereiken hem niet, zij wekken verdriet noch zelfbehagen. De eenzaamheid, welke hij voor zich in hot binnenste zijns harten gebouwd heeft, vrijwaart hem voor dat alles. Hij is boven ai liet geschapene verheven. Is' iets achtende, dan hetgeen van God komt, laat hij de wereld praten: wat men ook moge zeggen, hij wordt er volstrekt niet door bewogen. Iljj blijft koud bij lasteren hoon ; of althans, hij houdt zich in en ontsteekt niet in vuur; terwijl zij, die hunne driften niet meester zijn, bij de minste beleediging, in gramschap ontsteken, zich aan ongeduld overgeven, en zich niet kunnen weerhouden, lucht tc geven aan hunne gevoeligheid.
Het beste middel, om zich in dergelijke omstandigheden to loeren beheerschen, is, zich zelvon volkomen te verloochenen, om zich aan don lij-
236
dendeu Jesus gelijkvormig to maken; oenc diepe verachting op te vatten voor alles, wat zuiver raenschclijk is; zich gewoon to maken, om God in alles met vurigheid te zoeken, en zijne gebeden, zijn onderzoek van geweten, zijne Communiën te doen strekken, om zich die gewoonte eigen te maken; en er voortdurend aan te werken, tot dat men tot eene volmaakte onthechting van allo aardscho zaken gekomen is, waarna men in dit leven niets meer te verlangen, naar niets meer te streven zal hebben. Dat do menschen praten, denken, oordeolen zooals zij willen; hoe onrechtvaardig hunne woorden, hunne gedachten, hunne oordeel-vollingen ook mogen wezen, zij zullen zijn als die dikke regendroppels, welke bij oen hevig onweer op do daken vallen, maar er niet op blijven liggen.
Om ons tot eene zoo heilige oefening krachtig op te wekken, zal hot nuttig zijn, ons wel te overtuigen, dut het oordeel, wat God over ons velt, het eonige is, waarvan ons eeuwig geluk of ongeluk afhangt, en dat wij bij don dood geen andor oordeel te dnchten zullen hebben. Zeggen wij dus, wanneer men ons prijst: wat baat mij dio lot', wanneer God er anders over oordeelt? En wanneer men ons laakt: wat kwaad kan het mij doen, wat men ook van mij zegge, wanneer God mijne handelingen goedkeurt? Bedenken wij, dat het oordeel van God, do maatstaf der billijkheid
237
vau alle oordeelvellingen is. Bedenken wij, dat allo menschen te zamen genomen, in vergelijking van God, niet zooveel z:jn als iiet geringste zandkorreltje bij den hoogsten berg vergeleken; en zijn wij er dus verre at', van ons aan hunne oordeelvellingen te storen. Wanneer ook geheel het mensehdom aan don oenen kant mocht staan, en God alleen aan den anderen, dan zouden mij ona over geheel hot mensehdom niet moeten bekom-meren, indien God, ofschoon alleen, voor ons was.
Al wie van dat gevoel goed is doordrongen, kan gezegd worden, waavljjk groot te zijn; en aan hem moet al het overige gering toeschijnen; want allen, die innig niet God zijn vereenigd, hebben deel aan zijne Grootheid; en daar het volstrekt noodzakelijk is, om tot die vereeniging met God te geraken, dat men zich op het inwendige leveu toelegge, daarom behoort men dat met zulk een ijver te doen, dat men de woorden van den Schrij-, ver der Navolging bewaarheidt: Indien gij een imvendig leccn leidt, dan zult gij weinig gewiciU hechten aan ivoorden, die voorbijvliegen.
DERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden : Daarom worden er maar weinigen gevonden, die de gave van beschouwing
238
bezitten? Omdat maar weinigen zich geheel weien te scheiden van de geschapene m vergankelijke, saken III, 31.
quot;Vraag. Wie zijn het, die de gave can heschon-wing bezitten'?
Antwoord. Dat zijn niet allen, noch alleen v.ij, dio een afgezonderd leven leiden, noch in de eenzaamheid, noch in hot klooster; maarzij, die God waarlijk met die gave vim fiesciiouwing begunstigd heeft. Die gave is zeer verheven; maar God deelt ze slechts aan weinigen mede, en daarvan willen wij uu de reden gaan zoeken. Om die reden goed in te zien, moeten we voorop plaatsen, dat er vier soorten van menschen zijn, die zich op het gebed toeleggen.
De, eersten, mot wie het volstrekt niet gaat, of omdat zij zich niet kunnen bezig houden, of' omdat zij cr geen smaak in vinden, ofschoon zij volgens hun staat verplicht zijn, er zich dikwijls in te oefenen. Wat dezen aangaat; van hen kan men zeggen, dat gebrek aan de noodzakelijke gesteltenis hen belet, vele vruchten uit het gebed te trekken; dat zij de verzameling des geestes en de aandacht niet kunnen hebben, die vereischt worden, om er voordcel mede te doen, omdat zij te groote vrijheid aan hunne verbeeldin g veroor' oven.
De tweeden zijn diegenen, welke zich met zorjlt; en ijver van deze oefening kwijten, die er eeii«
239
zoete rust in vinden, zich or iu kalmte met God onderhouden, en wier getrouwheid met rijke genaden door God wordt beloond, hetzij zij weinig of \eei verstand en bekwaamheid bezitten.
De denleu zijn de geleerden, die gemak hebben om te bidden, maar een natuurlijk gemak : omdat zij gewoon zijn allerlei stoften fijn uit te pluizen en te beredeneeren; en daarom altijd stof genoeg vinden, waarmede zij hunnen geest kun-neu bezighouden.
Het verlangen, dat hen bezielt, om God te dienen, en hunne ziel zalig te maken, doet hen het gebed liefhebben; het kost hun niets, zich. er mede bezig te houden, maar nochtans trekken zij er niet veel vrucht uir; omdat zij veel minder tijd bestedon aan de genegenheden van den wil dan aan de redeneeringen van het verstand, en over het onderwerp der overweging allerlei fijne beschouwingen maken, die de godsvrucht eerder verstikken dan voeden; behalve dat de genade der godsvrucht hun dikwijls ontbreekt, omdat zij den noodigen ijver niet hebben. Eu zoo bepaalt zich alles bij algemeeue en onvruchtbare bespiegelingen. Zulke menschen hebben geen groot noch zeer juist denkbeeld van de deugd; en dit doet hun gelooven, dat alles zeer goed gaat, omdat zij zich inbeelden, dat zij in de best mogelijke zielsgesteldheid veikeeren: dat zij niet
240
beter kunnen doen, tenzij God hun cene buitengewone genade verleene, waarvan /ij geen begrip hebben.
Zij honden zieh innig overtuigd, dat men die niet kan verdienen, en dat de schuld niet in hen ligt, dat God hen niet opvoert tot de hoogste beschouwing.
Zij, dio zieli tot zoo weinig bepalen, zijn niet zeer verlicht: althans, zij missen in hooge mate, dat bovennatuurlijk licht, hetwelk de bron en de grondslag is van geheel het geestelijk leven. Zij hebben dat licht, hetwelk men door studie verkrijgen kan, maar dat niet voldoende is, om hen tot heiligen te maken. Zjj blijven verre van tie ware'beschouwing verwijderd, en zij geven ook geen blijk, dat zij er zieh veel om bekommeren; omdat zij meenen, dat het gebrek aan bovennatuurlijk licht door hunne wetenschap kan aangevuld worden; dat bovennatuurlijk licht, hetwelk God aan do eenvoudigen en onwetenden schenkt, maar wat, naar hun ooi deel, slecht» eenige godvruchtige gevoelens verwekt, en waardoor weinige grondige kennis wordt voortgebracht. Dat is de reden, waarom zij nooit menschen worden van verhevene beschouwing.
Door dat woord: beschouwing bedoel ik geeue visioenen, openbaringen, verrukkingen en andere dergelijke genaden, die wij in de Heiligen bewonderen.
;i41
Ik versta er slechts door: ecno verheffing van lt;ien geest tot God; een toestand, waarin de ziel van den hemel verlicht en versterkt, zonder moeite de waarheden van den godsdienst begrijpt, on zich te gelijker tijd ontvlamd gevoelt van liefde tot God en van een vurig verlangen naar do volmaaktheid.
Deze soort van beschouwing is eigen uan Je heiligen, die de pierde klasse uitmaken van hen, die zich toeleggen op het gebed. Dezen paren eene groote vrijheid des geestes, aan heldere verlichting; en door middel van dat licht, meer dan door de kracht der redeneering, dringen zij door in de kennis der goddelijke en hemelsche zaken, zoowel van die, welke tot de zuivere beschouwing, als die tot de beoefening behooren.
Tusschen dezen en diegonon, welke wij do derde soort van raonschen hebben genoemd, die zich op het gebed toeleggen, bestaat er een groot verschil. Hunne wijze van bidden is de besto van alle; zij wordt beschouwing genoemd, on God verhett er dikwijls diegenen toe. welke het gewone gebed beoefenen, wanneer zij het namelijk met ij\er en met zorg booefenen en, naar vermogen hun best doen, om aan do genade getrouw te beantwoorden. Do anderen bedriegen zich derhalve, wanneer zij zich verbeelden, dat zij, mot dc kennissen door studio verkregen, het
242
gemis van de gave der beschouwing kunnen aan-v-ullen. Vandaar ook, dat er zoo weinigen gevonden worden, die waarlijk menschen zijn van beschouwing; dezulken namelijk, die der wereld en zich zelvcn afgestorven, door geest en hart innig met God zijn vereenigd.
Do Schrijver dor Navolging geeft er de reden van aan; Omdat er zoo ivvinigen zijn, die volkomen aan zich zeioen yestorven zijn.
Trouwens, liet is niet genoeg, zich in zekere onschuld te bewaren, zoodat men zware fouten vermijdt, en zich welgevallig weten te makeu aan diegenen, met wie men moet omgaan; het is ook niet genoeg, in eene religieuze gemeento een welgeregeld loven te leiden, noch zich op eeno waardige wijze te kwijten van zekere bedieningen, waardoor men do achting der menschen verwerft. Men moet zich daarbij nog voortdurend on in alles versterven; men moot aan alle genoegen verzaken, dat men in do schepselen kan vinden, dewijl dit eeu hoofdbeletsel is, niet alleen voorde genade, maar nog veel meer voor dat bovennatuurlijk leven, hetwelk hierin bestaat, dat eeno ziel van alles onthecht, God alleen zoekt, voor Hem iilleen leeft; dat zij niets doet uit eigenbelang, noch ter voldoening des geestes, noch ter vergenoeging der zinnen. Ja, men moet do vor-
17.
243
sterving zoo ver drijven, lt;lat men, door een mystieken dood, volkomen aan zich zelven stervo.
Zonder dat, verlaten velen, vooral onder d»1 geleerden, die zich op het gebed toeleggen, hetzelve zeer koud, na vele zeer fjine beschouwiii-gen te hehben gemaakt. En daarom bemerkt men bij hen ook vaak geriugen ijver en weinig verbetering. Zij spreken over de geestelijke zaken, eu schijnen er verstand van te hebben; maar hunne kennissen zijn slechts do vrucht van veel studie, en hebben daarom weinig kracht, om do harten to treffen. Naar hunne gesprekken to oordeelen, zou men zeggen, dat zij in het geestelijk leven volmaakt ervaren zijn; en desnietto-min weten zij niet, wat beschouwing is. Eu waarom niet? Omdat zij, ofschoon geleerd, en ook wel braaf, zich veel door de natuur laten leiden, eu geheime gehechtheden hebben aan datgene, wat hunne eigenliefde en zinnelijkheid (streelt. Waaruit blijkt, dat zij nog niet geleerd hebben, zich aan de goddelijke Voorzienigheid over te geven. Zij zijn er ver af de verachting te beminnen; zij zijn zeer bezorgd, om hun goeden naam te bewaren, en zeer gevoelig op het punt van eer; zij zijn weinig geneigd, om zich van de genoegens en zoetigheden des levens te berooveu, en om hun vleesch te kastijden. Voor-iil zijn zij beducht, van niet goed te zullen sla-
244
gen in hunne bedieningen, en bcrispingou re zullen ontvangen van diegenen, van wie zo afhankelijk zijn, niet zoozeer uit vrees, dat God er door beleedigd zal worden, als om de beschaming. die er voor hen uit kan volgen. Zij hebben ook weinig liefde voor den gekruisigden, versmaden en verlaten Jesus, en zij gevoelen geen verlangen in zich. om Hem op den weg van vernedering te volgen. En toch langs dien weg nadert men tot Jesus, en komt men tot de beschouwing van zijne volmaaktheden.
Zij bedriegen zich ook zeer. wanneer zij zeggen, dat die verheven trap slechts voor een getal van uitgelezene zielen is; dat het eeno loutere genade dos hemels is; dat zij van ganscher harte er naar verlangen; dat zij zich gelukkig zouden achten, de gave van beschouwing te bezitten, maar dat men die niet kan verdienen.
ik antwoord daarop, wat ik reeds vroeger gezegd heb; namelijk, dat er twee middelen zijn, om tot do beschouwing te geraken. Het eene hangt geheel en al en eenig van God af, het andere hangt veel af van onze zorgen en van de moeite, di^-wij er voor aanwenden. Xiet, dat ik eene bepaalde leerwijze voor de beschouwing wil geven, noch een vasten weg wil aantoonen, die ons rechtstreeks tot de beschouwing zal voeren. Maar men kan er toe komen langs een weg, die of-
245
schoon niet rechtstreeks, toch oufeilbaar cr ons heoii leidt. Die weg is geen andere dan: zijne begeorijikheden versterven; zijne gehrekon verbeteren; zich, zooveel mogelijk, van alle genoegens dos levens berooven, ook van die, welke onschuldig schijnen, maar die toch altijd de werkingen des genade verhinderen.
De heilige Ignatius beval met dat inzicht, zijne leeilinger, zeer bijzonder aan. dat y,Ij de meerdere verlooclunitnj. m in alles, zooveel mogelijk, geduritje rersferciiuj in den Heer zouden zoeken. Dat is geene vaste leerwijze, maar sleclits oen middel, om die gave van gebed te verkrijgen, welke zoo noodzakelijk is voor allen, die naar een verheven .trap var. heiligheid streven. Do Schrijver dor Navolging zegt ook uitdrukkelijk, dat de oorzaak, waarom or zoo weinigen de gave van beschouwing verwerven, hierin gelegen is: Men blijft te ceel hj uiterlijke ieekenen en zinnelijke dingen staan, zonder reel werk van eene â volkomene zelfverlooeltening te uiiken. lil. 31.
VIMRDE HOUJ'DS'l'UK.
Ovki: oe woorden : (ielijk de innerlijke vrede perkregen wordt, door niets uitwendig te hegeeren, zoo ook hrengf het inici'ttdig verlaten van sirh
246
zelven de vereeniging met God te weeg. III, 50.
Vraag. Wut helpt ons het weent, om ons met God te vereenigen ?
Antwoord. Vooral twee zaken, waarvan de eerste is: al het uitwendige A'an zich verwijdereii, wat een scheidsmuur tusschen God en ons kan opwerpen ; de tweede : ook geone geliechtheid hebben aan hetgeen in ons is. Zonder die volmaakte onthechting en die voikomene vrijheid des geestes, kan men niet vertrouwen, ooit innig niet Gnd vereenigd te zullen zijn.
Vraag. Wat haat de onlhechting run alle uit-icendigc zaken voor die vereenijjing wet God'?
Antwoord. Zij draagt daartoe niet weinig bij;daui' zij den vrede schenkt aan de ziel, en dien ook bewaart. Want alwie dikwjjls en met vurigheid iets begeert, wat buiten hem is, zoo iemand is altijd in onrust: omdat er altijd iets aan de vervulling zijner verlangens in don weg staat. Daarom is er geen zekerder middel, om ware rust eu vrede te genieten, dan niets to verlangen.
Dit is niet moeielijk voor hem, die God uit ganscher harte zoekt, die Hein als zijn opperste Goed, als zijn eenig geluk beschouwt, en die duidelijk inziet, dat alle aardsche zaken zeer weinig beteekenen ; want danr hij een waar denkbeeld van Gods oneindige Grootheid heeft opgevat, en innig overtuigd is van deze grondwaarheid, dat
247
er iu God alleen ware en bestendige vreugde te vinden is, daarom zal hij er ook zijn genoegen in sclieppen, om niets buiten Hem te begeeren. Ondervindt hij daar nog moeite in, dan komt dat, omdat hij sedert lang gewoon is geweest, zijne voldoening te gaan zoeken in de zichtbare schepselen.
Die verkeerde gewoonte veroorzaakt aan de ziel -eene gevaarlijke ziekte ; namelijk eene voortdurende onrust, en eene soort van honger, die niet te verzadigen is. De ziel heeft iu zich een verslindend vuur, dat brandstof voor zijn onderhoud vraagt, en die stof vindt het in eenig goed, hetzij zinnelijk of geestelijk. De zinnelijke goederen doen zich aan de ziel voor met sterke bekoorlijkheden, waaraan liet haar moeielijk is weerstand te bieden; de natuurlijke neiging trekt haar daarheen, en van de jeugd af heeft zij zich door die neiging laten beheerschen. De goederen, welke het geloof haar voorstelt, zijn onzichtbaar, zij vallen niet onder de zinnen, en niet dan door veel te overwegen, kan men er eenige kennis ran krijgen. Eindelijk, na veel moeite, doet het geloof zo in een nevel aanschouwen, doet God zich aan de ziel gevoelen, en brengt er rust en vrede met zich. Doch, trekt Hij zich terug, en gevoelt de ziel zijne tegenwoordigheid niet meer, dan loopt zij weder terstond achter de geschapene
248
zakon, on daardooi1 neemt bare onrust weer een begin, volgens do lear van don heiligen Augus-tinus, die zegt, dat ons hart altijd in onrust is, totdat hot ruste in God, en dat er bijgevolg voor lietzolvo geen waro rust buiten God is te vinden.
Rot is eeno begoocboling van velen, die gelukkig en tevreden willen leven, dat zij overal naar gelegenheden zookon, om zich te verzotten on to vermaken ; want do ondervinding doot duidelijk genoeg zien, dat de weroldsehe geneugten, naarmate men er moer van geniet, don dorst er naar eerder vormeerdoren dan verminderen. De heiden-schc wijsgoeron zeiven leerden, dat men, om gelukkig to zjjn, do rijkdommen niet op een moet stapelen, maar het overdreven verlangen ernaar moet beteugelen. De grooto stelregel der Heiligen is : Niets te verlangen, maar ton opzichte van alles zoo volmaakt onverschillig te zijn, dat men niets anders wil, dan hetgeen God wil, on dat men dat wil uit liefde tot God. En dat, is ook al die liefde met geene teedero gevoeligheid gepaard, men toch niet nalato er neten van te stellen, en er zich toe op te wekken, door zijn geloof to verlevendigen. Hij, die het licht des geloofs volgt, zal den vrede vinden. Men moet zich innig met God trachten to vereenigen, door zich volkomen aan den goddehjkon wil gelijkvormig te maken ; want hot is door die verooniging,
249
welke al do vreugde der heilige zielen op deze aarde uitmaakt, dat men God begint te gevoelen, en zijne zoetheid te smaken.
Vraag. Hoe geschiedt die zoo zoete vereeniying van de ziel met God ?
Antwoord. Op de wijze, door den Schrijver dor Navolging aangegeven. Gelijk liet middel, om den vrede to bezitten, en zelfs den wortel van alle onrust uit te rukken, bestaat, in het verlaten van allo uitwendige goederen ; zoo bestaat het middel, om zich met God te voreonigen, in de algeheole verloochpning van zich zeiven.
En hoe dat ? Stel u voor, dat God de wacht hou lt aan do deur van ons hart, cn dat Hij er terstond binnen treedt, wanneer wij die, door algeheole zelfverloochening, voor Hem openen. Ziehier hoe dat geschiedt. Iemand, die uit hoofde van zijn staat, in uitwendige bezigheden gewikkeld is, die noodwendig de wereld moet zien, die zaken heeft en mot allo soort van menschen moet handelen, zoo iemand vindt daarin voldoening, hij heeft er genegenheid voor. Ja, hij hecht or zich zoo aan, dat hij er zijne vreugde in schept. En hij heeft er geen bezwaar over, omdat hij er geono zonde in ziet. En toch, dat genoegen neemt in zijn hart do plaats in van God, die niet wil verblijven in een hart, dat reeds door iets anders is ingenomen. Zoo belet hem zijne to
250
groote gehechtheid aan de uitwendige bezigheden, zich met God te vereenigen, en Gods zoetheid te smaken. ITij stolt zich tevreden mot zekere rust, welke het vrij onscliuldig leven van gewone bravo lieden hun schenkt, voor vvio het genoeg is, geene merkelijke fouten te begaan. Doch een inwendig mensch, die God zuiver wil zoeken, stelt zich mot geen middelmatige deugd tevreden. Jlij i« er verre af. van daarbij te willen blijven. Hij verzaakt aan die voldoening, welke Iiem te natuurlijk voorkomt; hij ontzegt zo zich zeiven vrjj-willig ; hij ontdoet zich van alles, on doet in zijn binnenste eene soort van leegte ontstaan ; en daar hij liet doet voor God, vult God ze ook terstond aan. Zoo ontstaat de vereeniging met God.
Allordeerniswaardigst voorzeker is de gewone gesteldheid van do meesten dergenen, die toch voorgeven, zich geheel en al aan God te willen wijden. Zij honden er van, om zicli uit te storten, en zich aan allerlei uitwendige verstrooiingen over te geven, zij hechten zich aan ijdelo genoegens, en verwijderen zich meer en meer â van hunne ware rust. God biedt hun allo waar-achtige, bestendige goederen, die den geest ten volle bevredigen; en weinigen zijn er, die ze ontvangen. Alleen aan zich zolven moet men hot wijten. Want hot komt, omdat men buiten God zijne voldoening zoekt, en dat men zich daarover
251
dwaselijk tnieht genist to stollen, door to zoggen, dat Ood or niet door wordt beleedigd; en onder dat voorwendsel gaatmenmenscholijke vertroostingen zoeken, die een beletsel stellen ;ia)i de vereeniging met God.
Sommigen weten niet, wat die wonderbare vereeniging is : zij is hun een liersenscliini of eene uitvinding der mijstieken, die niet verdient, dat men er zich mode ophouden. Do ware geloovigen, zeggen zij, staan er niet naar, om op deze wereld God te genieten, zij loggen zich alleen erop toe, om Hem hunnen dienst te betoonon ; niet in dit, maar in liet andere loven, hopen zij God te zullen bezitten, on van Hem liet loon voor hunnen dienst te ontvangen.
Deze opwerping is uiterst zwak, en het is niet modelijk, dio te boantwoorden. Ik beken, dat de zuivere liefde niet begeerig.is naar vertroostingen, vooral niet naar die vertroostingen, welke men in de schepselen kan smaken; maar dio menschen, welke zoo spreken, zijn met zich zeiven in tegenspraak ; en hunne handelwijze is geheel on al mot hunne grondstellingen in strijd. Zij staan er niet op, om in hot gebed te proeven en te smaken, hoe zoet do Heer is ; en toeh zijn zij er zoo zeer op uit, om hunne voldoening te zoeken, dat zij die, in alles, bij allo gelegenheden, nastreven. Alles stellen zij in het werk, om aan de menschen te behagen, om hunne achting tot zich
252
te trekken, door hen geëerd cn geprezen te worden ; zij zijn verrukt, wanneer men liun eenigc genègenheid toont, wanneer men hun oenigen dienst bewijst, eenig blijk van erkentelijkheid geeft. Men zou hun kunnen toevoegen: veracht dio voorbijgaande vertroostingen en zoetigheden, dio u van den kant der schepselen geworden; en wanneer God u de zijne weigert of onttrekt, althans tooi1 een tijd, verdraagt dan die berooving als getrouwe en ijverige dienaren, die alleen het voordeel en liet welbehagen van hun moester op het oog hebben ; maar geheel overgegeven te zijn, hij het verlies der vertroostingen des hemels, en te gelijker tijd die der aarde na te jagen, dat is eene vreemde wijze van handelen, geheel en al met de gezonde rede in strijd.
Men dwaalt ook zeer dikwijls in het oordeel, dat men zich vormt over die bovennatuurlijke vereeniging van den mensch met God. Zij draagt zeer veol bij, om Hora beter to kounon, vuriger te beminnen en ijveriger te dienen. Niemand is er, die zich beter aan don goddelijken wil gelijkvormig weet te maken, dan hij, die zich van de uitwendige zaken verwijdert, om zich te vrijer met God in het gebed te kunnen onderhouden. Want daardoor doet hij geest en hart ten hemel stjjgen, en wordt hij van een brandend verlangen ontvlamd, om God altijd en in alles getrouw
te blijven. Zij van wie wij hier spreken, en die wij hier beantwoorden, ineenen, dat die vereeni-ging van do ziel met God niets anders dan zekere geestelijke zoetigheid is, welke meer eigen is aan vrouwen dan aan mannen, en die gewoonlijk met eenige tranen van godsvrucht gepaard gaat. Zij beweren, dat men onder schoone woorden heel gewone gevoelens verborgt; dat zij zeiven die gevoelens ontwaren, maar dat zij die niet doen gelden als de mystieken, die de meest bekende zaken in geheimzinnige en opgezwollene bewoordingen uitdrukken.
Zulke taal verraadt groote onwetend'ieid, en bevat eene grove dwaling ; want do bovennatuurlijke vereeniging, waarvan de Schrijver der Navolging, met allen, die over liet mijstieka leven geschreven hebben, dikwijls gewaagt, is pIs eene deelaehtigheid aan do goddelijke natuur; zij is die volmaakte volheid Gods, Eph. III, 19, welke de Apostel aan de geloovigeu van zijnen tijd toe-â wenschte; zij is een verborgen manna. Apoc. III. 17; zij is eon onwaardeerbare schat voor do zuivere zielen, zjj is eene bron van genade en waarheid, waaruit men een geheel ander licht put, dan datgene, wat door do redetwisten der school wordt verkregen ; en waarin men geheel andere zoetigheden vindt, dan die, welke God somwijlen aan de on volmaakten doet proeven, wanneer Hij hun
254
wil toonen, (.lat hunne goede werken Hem aangenaam zijn ; x\] is eindelijk onder allo middelen liet geschiktste, om tot de volmaaktheid te geraken. Eene der gewichtigste waarheden derhalve, welke men him in den geest moet prenten, die er voor uitkomen, dat zij God willen dienen, is deze: dat, daar de mensch niet zonder eenig genoegen kan wezen, en daar God hem ook geschapen heeft om gelukkig te zijn, het noodzakelijk is, dat hij zijn geluk zoeke óf in God óf' in zich zei ven; vervolgens, dat God alleen in staat is, hem waarlijk gelukkig te maken; doch dat God, die de zuiverheid zelve is, zich met hetgeen onzuiver is niet 'ran vereenigen ; waaruit volgt, dat men moet trachten zielr meer en meer te zuiveren ; en eindelijk dat, dewijl men zich niet zuiveren kan, dan door zich zeiven te verloochenen, het daarom noodzakelijk is, zoo zeer op ziel), zeiven te waken, dat telkens, wanneer er zich iets voordoet, wat steelend is voor de zinnen, men er zich terstond van afwende, om blijk te geven, hoezeer men Dengeno bemint, die alleen alle harten verdient te bezitten.
'Wanneer men zich standvastig toelegt, om zich op die wijzo te versterven, dart voreenigt men zich meer en meer met God, dan wordt men aliijd meer en meer aan zjjne goddelijke volmaaktheden deelachtisr, en wordt de vereeniging eindé-
255
lijk zuo innig, dat men zeggen kan met den Apostel : Ik leef echter, niet meer ik\ maar Chrislttn leeft in mij. Gal. 11, 20.
Ziedaar, quot;wat de Heiligen uitmaakt; want het is ontwijfelbaar, dat liet toppunt der heiligheid bestaat, in zijn wil zoo volmaakt aan den goddelijk en wil gelijkvormig te maken, dat men God alleen in zijn binnenste voelt: handelen en heersehen.
'Dat moest men voortdurend voorhouden aan diegenen, welke naar volmaaktheid streven; en vooral aan hen, die er volgens hunnen staat toe geroepen zijn. Daartoe moest ook een iedor trachten te komen, in plaats van zich tot eene gewone deugd te bepalen; Avat doorgaans niets anders is, dan een traag en natuurlijk leven, een leven vol onvolmaaktheden leiden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Oveu dl wookdex. Hij, die God can yunscher harte hemint, vreest noch dood, noch foltering, noch oordeel, noch hel. I. 24.
Vraag. Wat is God van yanscher harte heminnan: Antwoord. Dat is doen, wat wij in het voorgaande Hoofdstuk hebben gezegd; aan God alleen toegang tot zijn hart geven, zich in G-od alleen verheugen, aan Hem alleen gehecht
25«
zijn, Hem alleen willen diciien, zijn ullerlieUig-stcn wil alleen zoeken te volbrengen, alleen in datgene belang stellen, wat op zijne glorie betrekking heeft. Ziedaar wat men noemt; God van ganscher harte beminnen.
Wanneer do menseh tot dien toestand gekomen is, dat niets hem belang inboezemt, dan de belangen van God alleen, dan is hij bevrijd van al die schrikbeelden, waardoor do meeste nienschen gekweld worden.
Moe velen treft men er aan, in wie de vreezu Gods is, die do zonde haten: maar, die niet tevreden, de noodige geriefelijkheden des levens te bezitten, nog vele zaken begceren, welke zij zeer goed konden missen, en die slechts strekken, om de weekelijkheid des lichaams te voeden, of de nieuwsgierigheid van den geest te voldoen. Zij willen goed worden verzorgd cn behandeld, zij zijn minnaars van lof, houden van wandeling, spel en gezellig verkeer met personen van een vroohjk karakter. En beelden zij zich in nog al geest te bezitten, dan besteden ze hun tijd aau de lezing van curieuze, verinakelijkc werken, van poëzie, historietjes en dergelijke; zonder er iet* anders in te zoeken, dan hunne eigene voldoening; ofschoon zij zich, doch ten onrechte, willen diets maken, dat zij alles terugbrengen tor God.
Deze soort van meiiBcben is go woon lijk zeer bevreesd voor alles, wat hun onaangenaams kan overkomen. Zij bedroeven zich zeer oyer hot verlies van verwanten en vrienden; zeiven zijn zij zeer bang voor den dood; die heeft voor hen iets allerverschrikkelijkst, en zij trachten de gedachte er aan zoo goed mogelijk uit hunnen geest verwijderd te honden; of indien zij er somtijds aan donken, dan is hun do gedachte aan het vagevuur nog eene nieuwe bron van ontsteltenis. Zij stellen er zich het vuur van voor, zjj meenen er reeds in te branden, en hunne verbeelding is er door verhit en geheel en al ontsteld. Daarom loopon zij overal hoen, om aflaten te verdienen; niet zoozeer met een lofwaardig doel en volgens den geest der Kerk, maar om zich van do schrikbeelden te verlossen, welke hen kwellen. Deze personen gevoelen zich dikwijls krachtig aangespoord tor de volmaaktheid, en het ontbreekt hun niet aan goede begeerten; maar bij dat alles zijn zij aan groote zwakheden onderhevig, en zoo geweldig aan allerlei nietigheden . gehecht, dat men niet kan zeggen, dat zjj God van ganseher harte beminnen; daar de volmaakte liefde tot God hen van al hunne onrust en al hunne ge-hechtheden zou bevrijden.
Vraag. Hoe kun wen zich ilan boven nl die s«!cen verheffen ?
258
Antwoord. Door te beoefenen, wat we reeds meermalen hebben gezegd, en wat we nooit genoeg kunnen herhalen; door namelijk, uitliefde tot God zijn eigen belang geheel te vergeten ; door zich volkomen aan Gods heiligen wil te onderwerpen; door zijne neigingen te versterven, en al het aangename en zoete, dat in de schepselen wordt gevonden, te verachten; door zijne driften zoo volmaakt te bcheerschen, dat men niets bemint, zich over niets verheugt noch bedroeft, dan alleen in betrekking tot God, en dat men, wat er ook gebeurt, er alleen op bedacht is, om Hem te dienen en te beminnen.
Zulke taal verbaast do laffe en onvolmaakte â¢zielen, die al klagende zeggen; Waarom van ons zou moeielijke zaken gevraagd? Is er dan kwaad gelegen, in zich op eene fatsoenlijke wijze te vermaken? In te wandelen, in eenigeuren zich door het spel te verzetten, in wat nieuws te hooren of te vertellen, enz. ? Kan God ons dat als zonde toerekenen ?
Daarop antwoord ik hun, zonder veel naar de onrechtmatigheid hunner klachten te onderzoeken, dat het minste, wat men zeggen kan, en wat zij welven zullen moeten toegeven, is, dat zjj God niet van ganschcr harte beminnen; omdat zij te veel genoegen scheppen in die ijdele vol-
18.
259
doening, welke de schepselen hun bieden, waardoor noodwendig hun hart, hunne liefde verdeeld is, daar zij er altijd een gedeelte van voor zich zeiven bewaren, of het schenken aan allerlei andere zaken, welke zij niet zoo veel hevigheid nastreven. Zoo dacht de heilige Augustinus er over, die zeide: Heer, het is U niet genoej beminnen, wanneer men met U iets anders hem int, dat men niet om U bemint.
Men moet zich dei-halve niet verwonderen,dat God zich jegens hen niet milddadig betoont; hoe toch kan men verwachten, dat God hun niets weigere, terwijl zij zelven niet alles aan God geven. Neen, zoolang zij zoo karig zijn ten opzichte van God, en zich slechts met voorbehoud aan God schenken, zoolang zal ook God hen niet van hunne schrikbeeldeti verlossen, en zal de gedachte aan den dood, aan het oordeel, aan de hel, aan het vagevuur, hen mot ontsteltenis blijven vervullen.
Maar, indien zij vast besluiten, niets meer to willen dan God, en in Hem alleen hun genoegen re zoeken; indien zij verlangen te sterven aan alle wereldsche zaken, om God te bezitten, en zich door de liefde mot Hem te vereenigen, dan zullen zij door de kracht dier liefde zich boven allo vrees verheven gevoelen, en zjj zullen zoo vreedzaam ruston,als een kind in de armen zijner moeder.
2G0
Wie derhalve den weg van versterving en kruis wil bewandelen, zal, ja, in den beginne wat moeite ondervinden; maar hjj zal eindelijk tot dien toestand van rust en vrede geraken; tenzij God, door eene bijzondere beschikking van zijne voorzienigheid tot zijn grooter voordeel toe-late, wat zelden gebeurt, dat zijn geest altijd door een of ander schrikbeeld ontsteld wordt. Want hij, die de goederen dezer aarde veracht; die, opdat God zijn deel zij, aan alles verzaakt; die, bij alles, wat hij verricht, zich alleen Gods meerdere glorie ten doel stelt; zoo iemand bemint God waarlijk van ganscher harte; en hij gevoelt zich doorgaans zoo van Gods zoetigheden vervuld, zoo van zijne goedheid en liefde doordrongen, dat hij zich vol liefde in zijne armen werpt, zich op Hem in alles verlaat, en Hem zelfs de zorg overlaat voor zijne zaligheid, niet uit nalatigheid, maar uit vertrouwen en liefde. Dan ondervindt hij in zich zeiven, wat de Profeet zeide: Zijn cerhljf is in den n-cih', en zijne ironing in Sion. Ps; LXXITI, 3.
' Men moge dit aan de wereld al voorhouden; zjj, die het in zich zelven ondervinden, mogen het voortdurend herhalen, weinigen zullen zij overreden, om op hun voorbeeld alles van zich te verwijderen, wat slechts dient, om de zinnen te streelon, en den geest eene ijdele voldoenin
261
te geven; weinigen zullen zij er kunnen bewegen, om God alleen en zuiver te zoeken, en ten einde alleen voor God te kunnen leven, het voetspoor van zijn eenigen Zoon te betr.eden.
Die Godmensch heeft altijd den smalsten en raoeielijksten weg bewandeld, den weg van versterving en van algeheele ontblooting; dien weg heeft Hij ook, èn door woord èn door voorbeeld aan de wereld getoond. En er is ook geen an-andere weg, die leidt tot de hoogste volmaaktheid.
Het is wel ongelukkig, dat de meeste brave zielen niet die voordeelen genieten, welke wij hebben vermeld; en dat zij altijd in vreeze ver-keeren; ofschoon zij misschien hun geweten gerust trachten te stellen, en zich trachten te bemoedigen door beschouwingen, die geringe soliditeit bezitten, en die zij eerder aan do wijsbegeerte dan aan het Evangelie ontleenen.
En vanwaar komt dat? Dat komt, omdat men zich niet ontdoet van alle gehechtheid aan oer, aan genoegen, aan de studie zelve; omdat men dikwijls op deze en niet op die plaats wenscht te verblijven, liever wenscht met .deze of gene personen dan met andere te leven; alleen om zijne eigenliefde te voldoen, die altijd,genegen is voor datgene, wat het aangenaamste en gemakkelijkste is.
2C2
Het eenige, wat zij weten in te lirengen, en wat zij voortdurend herhalen, is, dat zij er geen zonde in zien, dat God zulk een stroeve Sleester niet is, dat Hij aan diegenen, welke Hem willen dienen, onschuldige genoegens verbieden zou. Het is waar, dat God vol goedheid is, en vol toegevendheid jegens zijne dienaren; docli het is niet minder waar, dat Hij een ijverzuchtige God is, die wil dat men Hem geheel en al toegewijd zij, die geene verdeeldheid kan dulden in do harten, welke Hem volstrekt toehe-hooren, en die voor Hem alleen zijn geschapen. Hij zegt tot ons hij den Schrijver der Navolging: Verlaat u zeiven, en gij zult Mij vinden. 111,37. Verlaat alles, en (jij zult alles vinden; ontdoe n ran uwe onnereqelde neiqinnen, en gij zult rust vinden. Ill, 32.
Het ware veel beter te besluiten, den weg dei-Heiligen te bewandelen, dan allerlei ijdele uitvluchten te zoeken, om zich vrij te pleiten van te doen, gelijk zij hebben gedaan. Door hen na te volgen zou men zich waardig maken, om in de beloften van Christus te deolen: zou men een volmaakten vrede erlangen; zou ons hart worden vervuld van vertrouwen op God; zou men zich eindelijk zoover boven al het geschapene verheffen, dat men voor vrees en ontsteltenis ongenaakbaar zou wezen.
263
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Blijf zuiver en onwankelbaar in Mij, en fjj zult Mij bezitten. III, 37.
Vraag. II at is dat eigenlijk (jezegd: God bezitten?
Antwoord. ^len bezit God waarlijk, wanneer èn geest èn hart 'van God vervuld zijn. Doch men moet wel begrijpen, dat bier geen spraak is van dat volle bezit, wat aan do Heiligen in den hemel is voorbehouden; noch van dat onvolmaakte bezit, hetwelk aan alle rechtvaardigen gemeen is, en dat eenvoudig hierin bestaat, dat men in staat van genade verkeert; maar van een ander volmaakter, dat do vnuht is der vereeniging van het menschelijk hart met God; vereeniging, zoo innig, dat men in waarheid zeggen kan, dat do mensch God bezit, dat hij van God is vervuld.
Die vereeniging nochtans is niet even innig bij al degenen, welke er deel aan hebben. Bij sommigen is zij zeer nauw, zooals bij hen, die het toppunt van heiligheid hebben bereikt, die door de kracht der goddelijke liefde en door het heldere licht van hun geloof, waarlijk God bezitten en genieten, uit welk bezit zij de wonderr baarste voordeelen trekken, welke wij op ver-' schillende plaatsen hebben aangeduid.
In anderen is zj minder volmaakt, maar toch
264
voldoende, om hun een innig gevoel te geven van de tegenwoordigheid Gods, en een groot denk-b eeld van zijne oneindige Majesteit; en in dien toestand leven zij in een volmaakten vrede, en zijn zij geheel vrij van do angsten en schrikbeelden, waardeer anderen gewoonlijk worden gekweld: zij gevoelen de tegenwoordigheid Gods in hun binnenste, en zij smaken er de onuitsprekelijke zoetigheid van.
God nu deelt zich op die wijze aan de ziel in meerdere of mindere mate mede, naar gelang zij Hem vuriger of' minder vurig bemint, en meerdere of' mindere gehechtheid heeft aan de schepselen. Daarom trachten de godvruchtige zielen zich altijd meer in het bezit van God te bevestigen, zij leeren zjjne tegenwoordigheid altijd merkbaarder in zich gevoelen, en de middelen, welke zij daartoe gebruiken, zijn het gebed, het dikwijls naderen tot de heilige Sacramenten, en andere godvruchtige oefeningen. Vooral beijveren zij zich, om de twee zaken, welke de Schrijver der Navolging aanbeveelt, goed in beoefening te brengen. De eerste is: zich zuiver in God te vestigen; en clc tweede: zich standvastig en voor altijd aan Hem te hechten. Daardoor komen zij er eindelijk toe, om God op eene min of meer volmaakte wijze te bezitten, naarmate do vurigheid van den ijver, die haar bezielt.
265
Vraag. Wat wil dat zeggen: zich zuiver in God zij
vestigen? er
Antwoord. Dat is, God met een zuiver oog vc
beschouwen, met een oprechte bedoeling Hem in h;
alles op het oog hebben, zonder zijne blikken ie
eenigszins op de schepselen te vestigen. ei
Verre zijn zij hier van verwijderd, die zich z
aan hunne luimen overgeven, en die hunne na- dlt;
tuurlijke neigingen involgen; wanneer ik spreek z(
van personen, die de neigingen hunner na- d
tuur involgen, en zich daardoor vnn het bezit v
van God verwijderen, dan onderscheid ik hen in d
drie klassen. ir
De eersten zijn zij, die vast besloten zijn, zi
zich voor doodzonde te behoeden; maar die zich n
over al het overige zeer weinig bekommeren. v
Dezen vreezen God, maar zij stellen geen belang z
in zijne verheerlijking; daar niets indruk op hen z maakt, en zij aan niets anders denken, dan aan
hunne eigene zaligheid. b
De tweeden gaan veel verder: niet tevreden met o
de doodzonde te vermijden, trachten zij zich ook, b
zoo goed mogelijk, voor alle dagelijksche zon- i]
den te hoeden, voor zulke dagelijksche zonden, v
die met beradenheid en met vrijen wil worden r bedreven. Nochtans geven zij niet altijd acht, op
hetgeen zij doen; zijn zij niet oplettend, om niets te 1
doen, wat aan God kan mishagen; en zoo vervallen i
266
zij in vele onvolmaaktheden. Bij gebrek aan licht, en aan aandacht op hetgeen hun plicht van hen vordert, mengt zich veel eigenliefde in al hunne handelingen. Zij zullen zich wel onthouden van iets, wat zij merken, dat verboden is, al zien zij er ook maar eene dagelijksche zonde in; doch zij bedriegen zich door te denken, dat dat voldoende is, om volmaakt te wezen. Men kan voorzeker niet ontkennen, dat men door een onschuldig leven, vrij van vrijwillige dagelijksche zonden, vele verdiensten voor den hemel vergadert; maar desniettemin zullen zij toch nooit tot het volmaakt bezit van God geraken; want ofschoon zij weinige zonden, met volle kennis en zekere mate van boosheid bedrijven, bedrijven zij er toch vele uit zwakheid en uit onnadenkendheid; zoodat zij nooit op den weg komen, die tot de volmaakte zuiverheid geleidt.
Hierop wandelen zij, die tot de derde klasse behooren; dezen vallen maar zelden in fouten, ook in dezulke, die alleen uit onbedachtzaamheid bedreven worden. Ik zeg: maar zelden; want ik beweer niet, dat men zoozeer meester kan worden over zich zeiven, dat men volstrekt niet meer zondigt.
Men kan derhalve drie graden van volmaaktheid onderscheiden. In den eersten, vermijdt men de doodzonden; in den tweeden, onthoudt
267
men zich ook van vrijwilligeagolijkhdsce zonden; in den derden, hoedt men zich daarenboven voor een groot getal lichtere fouten, die uit onbedachtzaamheid en uit loutere zwakheid geschieden. In dezen derden graad alleen verkrijgt de ziel die zuiverheid, welke er gevorderd wordt, om God te kunnen bezitten.
Hot spreekt van zelf, dat wij hier den weg niet willen aanwijzen, om geheel onverdiende genaden, buitengewone gaven van God te verwerven; ons doel is slechts te loeren, hoe men zijne ziel bereiden kan, om tot het bezit van God te geraken, door zich goed toe te leggen op de gewone oefeningen van het inwendig leven. Want het is duidelijk, dat het, met de hulp der goddelijke genade, niet boven de krachten van den mensch is, de groote zonden te vermijden, zich ook voor mindere fouten te hoeden, die met vrijen wil geschieden; ja, zoo zorgvuldig op zich zeiven te waken, zoo goed op alles te letten, dat men zich in den regel vrijware voor de minste gebreken.
Vraag. Leer ons in het bijzonder, hoe dat geschiedt.
Antwoord. Door altijd het oog op zich zeiven gevestigd te houden, en door zich te beijveren, om niets te doen uit natuurlijke aandrift, :iocli uit eene geheime neiging der eigenliefde, welke
268
wij zonder eene groote waakzaamheid .onmogelijk kunnen opmerken. De inwendige en ijverige zielen laten er zich niet door medesleepen; want zij loggen zich met alle mogelijke zorg toe, om zelfs hunne minste handelingen te onderzoeken, om na te gaan, welke do geest is, die hen aandrijft, welke de beweegreden is, die hen doet handelen, welke het doel is, waar zij naar stre-ven. Bovenal dragen zjj zorg, om altijd de glorie van God op het oog tc hehben, en bij al hunne werken de versterving te beoefenen, opdat noch de ijdelheid, noch do nieuwsgierigheid, noch de voldoening der zinnen, er zich in mengen.
Ziedaar wat hot eigenlijk zegden wil: God in allfs zoeken. Doch dit schijnt ondoenlijk aan diegenen, welke weinig geestelijk zijn; en toch treft men vele heilige zielen aan, die er niets dan rust en vrede en ware zoetigheid in vinden. Zij, tot wie wij ons hier richten, en die wij willen onderwijzen, zijn diegenen, welke zich met eene middelmatige deugd tevreden willen stellen ; die het goede willen, en afschuw hebben van het kwaad, maar die de noodige pogingen niet aanwenden, om tot dien verheven trap van volmaaktheid op te klimmen, dien wij hier voorstellen; of die hem als hersenschimmig aanzien; of zich geen gewold genoeg kunnen aandoen, om or toe te
269
naderen; die zich derhalve ontslaan van de oefening, welke zoo heilzaam is, en die hun wordt aanbevolen door de woorden: Hecht u aan Mij alleen, blijf in Mij, en (jij zult u in mijn bezit verheugen.
Xiet, dat God hen niet beloont voor de goede werken, die zij verrichten, gelijk Hij in het algemeen alle rechtvaardigen beloont. Hij weigert hun zijne vertroostingen niet. Hij schenkt hun den vrede des harten en de rust, welke het goede geweten met zich brengt; maar Hij deelt zich niet in ruime mate aan hen mede, en zij bezitten Hem slechts op eeno onvolmaakte wijze. Zij daarentegen, die zorgvuldig onderhouden, wat de Schrijver der Navolging hun aanbeveelt, zij komen tot het ware bezit van God, dat aan de volmaakte zuiverheid beloofd is. Zalig zijn de zuiveren van harte, zeide Jesus, want zij zullen God zien. Mt. V. 8.
De tweede voorwaarde van deze heilige oefening, is, dat men er niet in verflauwe, maar er zich aanhoudend en standvastig op toelegge. quot;Velen laten ze varen, om de moeite, die zij er in ondervinden, en dezen vorderen niet op den weg naar het bezit van God. Trouwens, om zich geschikt te maken, om op de aangeduide wijze God te bezitten, om aan zijne verlichtingen deelachtig te worden, geheel en al vervuld te wor-
270
den van God, is hot noodig, dat er geene leegte zij in de ziel, dat men er alle plaats inruime voor God, en dat de ziel zich zoo innig aan God hechte, dat zij door niets van Hem gescheiden kan -worden. Verlaat zij God een oogenblik uit zwakheid, dan moet zij zorgen ten spoedigste tot Hem weder te keeren, en zich wel wachten, van uit traagheid gcruimen tijd van Hem verwijderd te blijven.
Dit punt is van zooveel belang, dat men zeggen kan, dat liet 't beginsel is van geheel het geestelijk leven. Zonder dit, zal men nooit tot de volmaaktheid geraken; maar onderhoudt men bet getrouw, dan zal men er zeker toe komen. Zoodat de reden, waarom er zoo weinigen volmaakt zjjn, hierin moet gezocht worden, dat de moed ontbreekt, en dat men daarom allerlei voorwendsels vindt, om zich ontheven te achten van deze zoo heilige en zoo heilzame oefening, welke de Zoon Gods ons aanbeveelt, wanneer Hij zegt: Klopt, en u zal open gedaan worden. Mt. VII, 7.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Hij, tot ivien het Eeuw'nj Woord spreekt, ivordt van celerlei i/croelena ontdaan. I, 3.
271
Vraag. IFien onderricht het Eeuwig Woord, en wie kan die Goddelijke stem verstaan?
Antwoord. Hiertoe worden drie zaken vereischt.
Vooreerst, dat men zich in inwendige rust beware, dat het hoogere gedeelte dor ziel in groote kalmte zij, aan de zee gelijk, wanneer geen stormen haar beroeren. Deze kalmte nu wordt niet verkregen dan door het versterven van do ongeregelde neigingen der ziel, waardoor men zieli niet overgeeft aan de zucht naar tijdelijke en vergankelijke zaken, maar God alleen liet doel is van alle verlangens. Daardoor komt de ziel tot zoo groote rust, dat de ongeschapen Wijsheid, het goddelijk Woord, liet Beeld van Gods Majesteit, zich gemakkelijk en duidelijk in die kalme on stille zee afspiegelt. En dan spreekt het Woord tot de ziel, die, door niets in het lagere gedeelte beroerd, gemakkelijk den goddelijken indruk ontvangt, en zij smaakt eenen vrede, die alle hegrip te hoven gaat, en die door den Apostel de vrede Gods wordt genoemd. Pun.: IV, 7.
God derhalve, gelijk de Sell rij ver der Navolging bemerkt, spreekt niet tot de ziel onder gedruis van ivoorden, 111,43; dat is niet de wijze, waarop Hij haar onderricht; maar door zich aan haar mede te deelen, cn haar zijn beeld in te drukken. Te voren is zij in ontsteltenis, en weinig geschikt, om hot goddelijk licht te aanschouwen, en
272
om duidelijk de stem van het ongeschapen Woord te vernomen.
Zij dus, dio nog niet geleerd hebben, hunne verbeelding te beheerschen, hunne verlangens to matigen, hunne driften te beteugelen, de bewegingen hunner zinnelijke neigingen te regelen, zij zijn altijd in onrust, en hooren slechts ten halve, en met veel moeite de onderrichtingen, welke de Geest Gods hun geeft. Zoo is het ook met hen, die nog niet geheel en al onverschillig zijn, zich aan den goddclijken wil niet weten te onderwerpen; want ook dezen zijn licht ontsteld, en hebben moeite om te verstaan, wat Hij hun zegt, wanneer Hij in stilte tot hen spreekt, en fluistert aan hot oor huns harten.
De tweede voonvaarde, om de stem van het Woord in zijn binnenste wel te verstaan, is deze: dat men zijne rede er volkomen aan onderwerpe. En daartegen misdoen sommige lieden gewoonlijk, die vol achting voor hunne eigene genoegzaamheid zijn; want ofschoon velen van hen wel zekere eenvoudigheid hebben, ja zelfs tot do geringen eu de kleinen wel willen afdalen, stellen zij toch te veel vertrouwen in hun eigen verstand eu doorzicht, en worden zij boos, wanneer zij meenen te bemerken, dat men hen niet in dio mate viert, als zij zouden wenschen. Daardoor nu, door die laatdunkenheid, verwijderen zij zich
273
van God, en zijn zij nooit dicht genoeg bij Hem, om zijne stem goed te hooren, die niet met go-druis spreekt, en zelfs in de stilte maar even gehoord wordt.
Do goede gedachte, die zij van zich zeiven koesteren, gaat zoover, dat zij, zonder goed te weten, wat zij doen, eeniger mate de goddelijke inspraak verachten.
Hoewel God aan dezulken, wanneer zij overigens toch braaf zijn, zijne verlichtingen niet weigert, is het evenwel zeker, dat de geheimen der hemelsche Wijsheid voor hen verborgen zijn, en dat, wat men eigenlijk geestelijk leven noemt, hun onbekend is en blijft, totdat zij zich voor God vernederen, en ootmoedig belijden, dat zij weinig beteekenen, en beginnen met zich zeiven en hunne wijsheid te mistrouwen; want dan worden zij bekwaam, om het goddelijk woord niet alleen te vernemen, maar ook, om in den zin daarvan door te dringen.
Dn (lercli; vereischte, welke gevorderd wordt, om met voordeel do stem van het Woord te kunnen vernemen, is deze: dat men weinig als uit zich zeiven handelt, en veel uit den Geest Gods, die de waarachtige Vader des lichts is.
Zjj, die wetenschap hebben verworven, zijn datgene, wat zij weten, aan hun verstand en aan hun arbeid verschuldigd. Zijn zij godgeleerden.
274
dan bedienen zij zich van de kennissen, die het geloof hun schenkt, on zij voegen er hunne eigene redeneeringen bij; en uit de kennissen, welke zij op die wijze hebben verkregen, maken zij hunne gevolgtrekkingen , welke zeer nuttig zijn voor de Kerk, die zich door middel haren leeraren tegen de ketters staande houdt en verdedigt. God zelf bevestigt hunne beslissingen in de Kerkvergaderingen, waar zij geholpen worden door don bijstand des heiligen Geestes, die daar voorzit. Waar hot dus het algemeen welzijn van de Kerk geldt, en een of ander punt des Geloofs, daar onderricht hen de heilige Geest, en verlicht en geleidt hen in hunne redeneeringen; maar daarbuiten, waar hot het geestelijk loven betreft, is het oordeel van een geleerde niet van zoo groote waarde; wanneer liet niet gesteund wordt door eene langdurige beoefening van het geestelijk leven. Do diepe geleerdheid is daarvoor van minder nut, dan de verlichtingen, welke God in het gebod aan de ootmoedige zielen mededeelt. Want die verlichtingen worden niet door studie en veel lezen verkregen, maar de heilige Geest stort zö zelf in de ziel uit, en hij deelt ze soms mede aan geleerden van uitmuntende deugd, niet om hunne kennis, maar om hun heilig leven. Wat dus het nut betreft, dat men uit de wetenschap voor het
19.
275
inwendig leven kan trekken, dat kan niet in vergelijking komen met het nut, dat voortkomt van de genade en van de gaven des heiligen Geestes.
Tocli worden er gevonden, die mecnen, dat zij, uit hoofde hunner geleerdheid de bevoegde rechters zijn in de geestelijke zaken, en die alles, wat zij door studie niet kunnen begrijpen, als droombeelden verwerpen. Maar zij bedriegen zich; want de mijstickc godgeleerdheid is eene bijzondere wetenschap, welke hare eigene beginselen heeft, hare eigene termen, hare eigene gevolgtrekkingen, onafhankelijk van elke andere wetenschap. Om er derhalve wijselijk over te spreken, moet men ze bestudeerd hebben. En nochtans treft men er velen aan, die zonder veel schrijvers, die over dc mijstieke godgeleerdheid handelen, gelezen te hebben, meenen, gerechtigd te zijn, om er hunne kritiek over te vellen, ja, die zelfs te veroordeelen.
Hot is vreemd, dat men in alle wetenschappen gaarne liet woord laat aan diegenen, welke er meester in zijn, en dat in deze alleen een ieder meent meester te wezen, niet bedenkende, wat de Schrijver der Navolging zegt, dat er een (/root verschil bestaat tusschen de wijsheid van ecu verlicht en godvruchtiy man, en de. wetenschap run een geletterd en geleerd geestelijke. III, 31.
Dit verschil bestaat hierin, dat men de laatste
27G
door eigen studie verkrijgt, terwijl de eerste eene gave van God is.
Dan kan men goed oordeelen over hetgeen het inwendige aangaat, wanneer men geleerd heelt zich zei ven te beheerselien, en in vrede met zich zeiven te leven; wanneer men ootmoedig is, en goed gestemd, om de goddelijke indrukken, onder de leiding des heiligen Geestes, to ontvangen; want dan is er niets wat verhindert, de stem van het eeuwig Woord te hooren, wanneer het spreekt tot ons hart.
Vraag. Wat voordeel trekt eene stel daaruit, dat zij aan al die cooncanrdeti voldoet?
Antwoord. De Schrijver der Navolging verklaart het ons, door te zeggen, dat zij zich daardoor van velerlei gevoelens bevrijd zal zien, die haar voortdurend lieen en weder slingeren. En inderdaad, zij, die geene andere wetenschap bezitten, dan die, welke zij door studie verkregen hebben, zijn nu van deze mceniug, en dan omhelzen zij weer eene andere; zij hebben geene vastheid en zekerheid; terwijl zij, die op de boven aangegeven wijze zich gedragen, volgens de leiding van liet goddelijk licht, aan geen twijfel en aarzeling onderworpen zijn, en niet telkens van gevoelen veranderen; zoodat de woorden van den Schrijver der Navolging worden bewaarheid: niemand kan iets wel verstaan, af juist heoordeel-
len zonder dat Woord. En Hij, voor wien dat ('â éne Woord alles is, en die alles tot dat ééne Woord teruyhrenyt, en alles in dat ééne Woord ziet, die kan yelijknwedig zijn, en een in God ter reden hart bezitten. ], ;i. Hij staat onveranderlijk vast, gelijk liet Woord, waarin hij alles ziet, waartoe hjj alles terugbrengt. Deze waarheid, goed begrepen, vestigt den geost zoo zeer, dat hij zich niet meer laat medesleepen door don stroom van onbestemde en onzekere gedachten, waardoor men pleegt geslingerd te worden, wanneer men een ander licht volgt, dan datgene, wat van den hemel komt. Ongelukkig zij, die te veel op huimo wetenschap vertrouwen! want de Heer spreekt niet tot hun hart, daar Hij niet wordt gehoord, wanneer de geest door allerlei voorwerpen verstrooid is.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over dk wookden : Indien uw iutrtgoed zuioer was, zoudt gij uit alles voordeel optrekken.
Vraag. Van wien kan men zeggen, dat hij volkomen gezuiverd is ?
Antwoord. ' Van hem, die alle wegen doorwandeld heeft, die door alle beproevingen gegaan is,
278
door welke God eene ziel tot de volmaakte zxiiver-lieid pleegt te geleiden.
Vraag. Welke zijn die wegen en die heproevin-gen ?
Antwoord. Men kan er zich een juist denkbeeld van vormen, door zich voor te stellen, op welke wijze men een huis zuivert, dat door de peSt besmet is. Men ruimt er alle onreinheid uit weg, eu men brandt er wierook in en andere welriekende stoften ; mou wit liet op nieuw ; meu ontsteekt er vuur in, dat alle kwade lucht wegneemt; daarna meubileert men het en oordeelt men het volkomen gereinigd : zoodat men niet vreest het weder te betrekken. God doet iets dergelijks in een vleescliclijk en wereldseh mensoh, wanneer Hij hein wil bekeeren. Zoo iemand, door het goddelijk licht, bestraald, denkt er eerst aan, om zijne ziel te zuiveren door boetvaardigheid en door eene algemeene biecht, die van een innig leedwezen over zijne fouten vergezeld gaat; vervolgens tracht hij allen kwaden reuk der zonde er uit weg te nemen, door vele goede gedachten te voeden, door verschillende godvruchtige beschouwingen te maken, en vooral door de herinnering aan de goede voorbeelden der Heiligen ; vervolgens gaat hij aan 't werk, om haar te witten door de oefeningen van een gestreng en boetvaardig leven; eindelijk voltooit hij de zuive-
279
ring door het vuur der goddelijke liefde, die, goed in het hart ontvlamd zijnde, de verpeste lucht der wereld en der ondeugd er uit verdrijft. En dan is de ziel volkomen gereinigd. Zij, die haar zagen, met misdrijven bezoedeld, bemerken duidelijk de verandering, welke in haar heeft plaats gehad; zij ziet, zij gevoelt het ook zelve, niettegenstaande hare nederigheid ; het wonderbare uitwerksel, dat de heilige Geest zich gewaardigd heeft, door zijne genade in haar te wrochten, is haar niet onbekend. En dit schenkt haar dien inwendigen vrede, die haar altijd en overal vergezelt, en die haar nooit en door niets wordt ontnomen.
Nog op eene andere uitmuntende wijze kunnen de zielen gezuiverd worden ; eene wijze, welke veel overeenkomst heeft met die, waarop vaatwerk gereinigd wordt. Men neemt asch met water, en wrijft het daarmede in, en maakt het daardoor zoo vuil, dat het den schijn heeft alsof men het nog onreiner wil maken. En toch heeft men juist het tegendeel voor; want het vervolgens mot helder water wasschende, maakt men het veel schooner en blinkender, dan het te voren was. Op dezelfde wijze handelt God'somtijds met de zielen , welke Hij tot een hoogen graad van zuiverheid wil verheffen. Hij laat toe, dat zij van den kant des boozen geestes of der bedor-
280
ven natuur lievige indrukken van allo soort van ondeugden ontvangen ; de bekoring gaat zelts dikwijls zoover, en het gevoel er van is zoo levendig, dat zij zich niet gerust durven stollen, dat zij niet hebben toegestemd. Er ontstaan in hen geweldige neigingen van hoovaardigheid, van afkeer van den naaste, van onzuiverheid, van gramstorigheid, en soms zelfs van wanhoop, terwijl de geest mét zoo dikke duisternis wordt ever-togen, dat zij zich zeiven niet meer kennen, dat zij meenen, zeer mishaaglijk te zijn in de oogen van God, en dat zij ondraaglijk voor zich zeiven worden.
Door dat gevoel van het kwaad, wat niet met toestemming gepaard gaat, en wat slechts strekt, om hen meer en meer te zuiveren, keeren zij weder tot dien gelukkigen staat van volmaakte onschuld, waarin zij na hun doopsel verkeerden.
Wie, die daar geen kennis van heeft, zou niet zeggen, wanneer hij het vaatwerk met aseh ziet inwrijven, dat men het doet met het doel, om het noK vuiler te maken. En toch doet men het maar, om hot meer te doen blinken. Wie, die de wegen Gods niet kent, zou insgelijks niet meenen, dat eene ziel, van afschuwelijke gedachten en gevoelens vervuld, moet gelijken op den duivel, die ze haar inboezemt ? En nochtans strekt dat alles slechts, om haar meer en meer te zuiveren.
281
Immers, God ran harte beminnende, en in het binnenste haars harten altijd die goddelijke liefde bewarende, Avelke wel onder de asch is verborgen, maar niet wordt uitgedoofd, doet zij zich, hoemeer zij door de bekoring wordt lastig gevallen, ook des te meer geweld aan, om haar te overwinnen. Zoo is het met alle tegenovergestelde neigingen ; door wrijving en strijd helpt de eene, om de andere to versterken. De brand van dat hemelsch vuur, waarvan do ziel inwendig blaakt, neemt tne, naarmate het meerderen tegenstand ondervindt.
Niets derhalve draagt meer bij, om eene ziel volkomen te zuiveren, dan de krachtige pogingen, dio zij moet aanwenden, on soms moet verdubbelen, om aan den vijand weerstand te bieden, die alles in het werk stelt, om haar tot de zonde over te halen.
L it die aanvallen van haren vijand trekt zij nog een ander groot voordeel; namelijk, dat zij aan de goddelijke rechtvaardigheid voldoening geeft voor hare zonden ; want, indien do vlammen, des vagevuurs de kracht bezitten, om al de vlokken der zonde weg te nemen, welke na dit loven de zielen der rechtvaardigen nog aankleven, kunnen wij er dan aan twijfelen, of die hevige bekoringen, met edelmoedigheid onderstaan, dragen er voel toe bij, om de zielen te zuiveren, welke
282
Grod aan zoo geweldige beproevingen onderwerpt.
Vraag. Welke toestand brengen in de ziel die heproevingen te weeg, ivaardoor het God behaagt haar meer en meer te zuiveren ?
Antwoord. liet loon voor haar geduld en liare getrouwheid in do kwellingen dos levens; do vrucht van zoovele biechten, die zij gesproken heeft; van zoovele boetplegingen en goede werken,die zij heeft geoefend; vooral van zoovele acten van liefde,die zij verwekt heeft, is deze: dat zij in een bestendigen vrede gevestigd is, en alles haar ten goede keert.
Wanneer men personen aantreft, die bovenmate bevreesd zijn voor kwellingen of rampen, die zij meenen, dat hen dreigen; en die in de lievigheid hunner ontsteltenis als radeloos zijn, dan kan men zeggen, dat de oorzaak hunner onrust cn neerslachtigheid hierin gelegen is, dat zij zich nog niet geheel en al van hunne zonden en ondeugden hebben gezuiverd.
Iemand, dio vreest, dat hij zich naar deze of gene plaats zal moeten begeven, of dat hij met dezen of genen, van wien hij een afkeer heeft, zal moeten wonen, toont duidelijk, dat hij nog niet meester is van zijne ongeregelde neigingen; want, is zijn inwendig eenmaal wel geregeld, dan wordt datgene, wat hem te voren eene bron van verdriet was, nu een voorwerp van vreugde. En hij staat dikwijls verwonderd, te zien, dat de Voorzienig-
283
heid dc zaken zoo heeft geregeld, dat hij veel voordeel trekt uit datgene, wat hem vroeger zooveel ontsteltenis pleegde te baren.
Zoo strekt hem in alle omstandigheden alles, het goede en het kwade, het zoete en het bittere tot heil. En dan blijkt het duidelijk, dat dc grooto Apostel waarheid sprak, als hij zeide : Voor hen, die God beminnen, werkt alles mede ten goede. Rom : VIII, 28. En dit is voorzeker voor de zielen, wolkc het goed meenen, eone krachtige â beweegreden, om naar de volmaakte zuiverheid des harten te verlangen, en om alles in het werk te stellen, ten einde er toe te geraken.
NEGENDE HOOFDSTUK.
over de woorden : o, wat een groot vertrouwen zal een stervende hebben, ivien geene genegenheid voor eenige zaak in de wereld terughoudt! III, 53,
Vraag. Welke is de beste wijze, om zich tot den dood voor te bereiden ?
Antwoord. Wat diegenen betreft, welke sedert langen tijd hun geweten in orde hebben gebracht, en die naar volmaaktheid willen streven; dezen moeten zich beijveren, om hun hart zoo volko-
284
men te zuiveren, dat zij geenerlei genegenheid voor eenige aardscho zaak in zicli dulden, geene gehechtheid, aan welke zaak ook, bewaren. Men kan echter verschillende graden van zuiverheid, en inwendige verloochening onderscheiden; en naarmate do graad van zuiverheid volmaakter of minder volmaakt is, zal ook de voorhereiding tot den dood volmaakter of minder volmaakt wezen.
Dn eerste graad bestaat hierin, dat men zoo-danigen afschuw heeft van de doodzonde, dat mc-n alle gelegenheden daartoe zorgvuldig vermijdt, en dat men niets zoo zeer vreest, dan zijn geweten er door te bezoedelen.
De tweede is deze, dat men ook de dageljjksche zonde verafschuwt en vlucht, vooral die dage-lijknche zonden, die met vollen vrijen wil worden bedreven. Zoodat men noch uit zinnelijkheid, noch uit menschelijk opzicht, noch uit vervoering van xlrift, zich ooit iets veroorlooft, wat men duidelijk ziet, dat verkeerd is, en a,an God mishaagt. Deze zuiverheid is groot; zij is het kenteeken der kinderen Gods, en moet daarom ook eene groote gerustheid schenken in het uur van den dood.
De derde graad, waarover wij nu willen spreken, voegt bij de twee vorige het vaste besluit, van niet de minste gehechtheid, aan welk schepsel quot; ook, in zich te dulden, noch aan plaatsen.
285
noch aan personen, nocli aan bedieningen; in één woord, aan niets, wat do eigenliefde voedt en versterkt.
Wanneer eene ziel volkomen van alles ont-lieclit is, wanneer zjj, na velo jaren strijds, eindelijk tot zulk een toestand is gekomen, dat niets tor wereld in staat is, noch haar verdriet te veroorzaken, noch door aantrekkelijkheid te bekoren, dan is zij waarlijk vrij; dan kan zij vliegen als de duif, die do ark verliet; en zich ten hemel verheffen, om er in de armen van haar Schep-per te rusten. God zelf bevrijdt haar, bij de aannadering des doods, niet slechts van alle vrees, maar Hij schenkt haar ook de zekere boop op de eeuwige zaligheid. Zij is ook /00 zuiver, dat zij schijnt do oorspronkelijke reinheid als terug-bekomen te hebben; daar zij niets anders heeft, dan eenvoudig haar wezen, gelijk liet uit Gods hand is voortgekomen, maar met de sieraden van genade en deugden verrijkt.
Naakt, zoido do heilige man Job, hen ik uit den schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik. er ook in wederkeeren. Job: I, 21. Deze woorden kunnen toegepast worden op eene ziel, die volmaakt is gezuiverd, en van alle aardsche genegenheid ontdaan is. Door de wateren des Doopsels werd zij geheel rein gewassehen, met de genade en de gaven dos heiligen Geestes ver-
286
sierd, was zij welgevallig in de oogen des Heo-ren, zonder cenige verkeerde hebbelijkheid, zonder eenige kennis van het kwaad, in eene volmaakte onschuld, in eene gesteldheid, die haar geschikt maakte, om voor God alleen te leven, en zich innig met Hem te vereenigen.
Maar eene groote menigte aangename voor-werpen deed zich daarna in het verkeer met de wereld aan hare blikken voor, en zij begon die te kennen en te smaken; zij gal' er zich aan over, en hare eerste zuiverheid ging verloren. Eindelijk besloot zij, zich to bekeeren, en zij onthechtte zich zoo volmaakt van zich zelve en van al liet geschapene, dat zij hare vrijheid terug erlangde; zij verbrak hare boeien, en niets belette haar meer, om in den schoot van God weder te keeren: want, had de last harer zonden haar bezwaard e;i ter aarde gebogen, zjj bevrijdde er zich van door de boetvaardigheid, en zij ontdeed zich van alles. God schonk haar zijne genade terug, ontvlamde haar op nieuw van zjj-ne liefde, en dat goddelijk vuur voort haar met zich ten hemel.
Hij, die zoo gezuiverd en van alle schepselen onthecht is, is reeds in dit leven volmaak-telijk vrij, en niets belet hem, om op te vliegen tot God.
Velen gevoelen zich als met een last bevracht.
287
die hen neerdrukt, die lien doet kwijnen en machteloos maakt; en x'j kunnen de oorzaak daarvan niet achterhalen. Daardoor gevoelen zij zich dan tot verslapping geneigd, en aangedreven, om in vele zaken hunne zinnelijkheid te voldoen, en zich uit te storten in uitwendige zaken.
Dat komt alles hieruit voort, dat zij zich afgemat hebben in hot najagen van allerlei zaken, die niet in staat zijn hun hart te bevredigen; ja, de vervulling zelve van hunne begeerten is hun een ondraaglijke last geworden.
âWanneer- eene edelmoedige ziel, die aan God getrouw is, zich van al hare gehechtheden ontdaan heeft, en daardoor de ware vrijheid heeft verkregen, dan begint zij eene zoo zuivere en aangename lucht in te ademen, dat men het niet zeggen kan, wanneer men het niet heeft ondervonden. En dat vervult haar met vertrouwen, wanneer zij zich aan den dood herinnert, en wanneer het uur van steryen is aangebroken, dan gevoelt zij, w-J verre van schrik en angst, eciu» onbeschrijfelijke vreugde.
In ,h(:t leven van don beroemden Godgeleerde, Franciscus Suarez, van do Sociëteit van Jesus, wordt ons verhaald, dat, toen zijn laatste uur naderde, de overvloed van vertroostingen, waarmede zijne ziel overstroomd word, hem deze woorden deed uiten: âIk hnd niet eedacbt.
288
dat liet zoo zoet was te sterven.quot; Dat gevoel kwam voort uit do buitengewone zuiverheid van ziel, die hij verworven had, door eene volmaakte onthechting van alle zaken der wereld. Gewoonlijk zijn dan ook do vrede en de vreugde, op hot gelaat der Heiligen, bij hun verscheiden uit deze wereld, te lezen.
Het is nog niet lang geleden, dat ik een religieus in zijn stervensuur bijstond: terwijl ik geheel alleen mot hem was, hoorde ik op eens zoo luiden gil, dat ik vreesde, dat hem eene hevige smart overvallen was. Ik naderde tot zijne legerstede, mot het doel, om hem te troosten; maar ik bevond, dat het eene vervoering van vreugde was, veroorzaakt door het vaste vertrouwen op het eeuwig geluk, waartoe Gods goedheid hem opriep. Die heilige religieus had in zijn leven het vaste besluit gemaakt, van niets anders dan God alleen in alles te zoeken. Daarom smaakte bij, zijn einde voelende naderen, zoo grooteu troost, dat bij eenige uren in zoo lievige vervoering doorbracht, dat zijn hart er waarljjk door gewond was, en dat hij scheen te zijn als iemand, wion de smart het ademhalen bolct. De zwakheid van zijn lichaam kon de overmaat van zijne vreugde niet meer verdragen.
Ik herinner mij oök, dat ik, nog jong zijnde, tegenwoordig was bij het sterfbed van een ouden
289
religieus, die een zeer inwendig en verstorven leven geleid had; zijne kwaal was eene lievige koliek, welke liem in korten tijd uit het leven wegrukte. Zoodra was hij niet alleen, of hij onderhield zich met den gekruisigden Verlosser, op zulk eene te^dere wijze, dat allen, die in huis waren, er levendig door getroffen werden; en men liet alles staan, om aan de deur der zieke-kamer naar hem te gaan luisteren. Ik maakte toen terstond bij mij zeiven de bemerking, dat eene zoo volmaakte kalmte, vrede en vreugde, met zooveel godsvrucht gepaard, alleen de vrucht konden zijn van de zuiverheid eener ziel, die volkomen der wereld was afgestorven, en geheel en al van God was vervuld.
Iedereen oordeelt waarlijk zoo bij dergelijke gelegenheden; maar zeer weinigen zijn er, die zich niet laten medesleepen door de bedorven neiging hunner natuur, en die, bij gebrek aan beslotenheid, niet steeds wederkecrcn tot hunne oude gewoonten, daarin verblijvende tot aan den dood, zonder ooit de banden af te leggen, welke lt;le dood eindeljjk, huns ondanks, verbreken moet; maar die zij, uit verlangen naar vrijheid, reeds lang zeiven hadden behooren te slaksn.
290
VIJFDE BOEK
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de -woorden: Wemch, onbekend in zijn. I, 2.
Vraag. Hoe kan men zich verbergen en onbekend op aarde leven.
Antwoord. Op drie wijzen.
De eerste is, dat men zich geheel en al aan liet gezelschap der menschen onttrekt, en op aarde leeft, als ware men er niet. Dit hebben vele kluizenaars gedaan, die zich in de woestijnen gingen verbergen, ver van hunne verwanten en van hun vaderland verwijderd: dit meldt de geschiedenis van den heiligen Paulus Eremijt, van den heiligen Arsenius en van zoovele anderen, die er hunne veiligheid en volmaaktheid in zochten, als dooden op deze aarde te leven, en zich levend te begraven. Dezen volgen ongetwijfeld letterlijk den raad van den Schrijver dei-Navolging. Wensch, onbekend te zijn.
De tweede wijze is. dat men in de wereld geregeld daarheen leeft, zonder iets bijzonders te willen schijnen, uitwendig een gewoon leven leidende, terwijl men inwendig zeldzame en buitengewone deugden beoefent. 20
291
Zij, die zoo handelen, willen alleen gekend zijn door God, die de harten doorgrondt; voor Hem all oen leggen zij zich bloot; en aldus beoefenen zij op eene bewonderenswaardige wijze den stelregel van Thomas a Kempis: WenscJi, onbekend te zijn-, daar men inderdaad niets van hen weet, dan hetgeen zij onmogelijk kunnen verbergen.
Wij lezen in het leven van den heiligen Ignatius, insteller van de Sociëteit van Jcsus, dat God hem buitengewone genaden schonk cn hem zeer dikwijls met een bezoek vereerde, waarbjj Hij zich innig aan hem mededeelde; en dat hij daarover met niemand anders sprak, dan met zijn biechtvader, pater Jacobus Eguia. Deze Pater was gewoon te zeggen, dat, indien hij den heiligen Ignatius maar drie uren overleefde, hij dingen zou openbaren, die iedereen met verbazing zouden vervullen. Maar de Heilige, die liever verlangde verborgen te blijven dan te schitteren, bad zoo dringend tot God. dat hij pater Eguia drie dagen overleefde, en zoo bleef de schat, dien hij in zich besloten hield verborgen.
Naderhand verscheen hij aan een persoon van groote godsvrucht, het gelaat in eene wolk gehuld, die hot geheel en al bedekte; en dat was, gelijk hij zelf verklaarde, om aan te duiden, dat het zonderbaarste in zijne heiligheid was quot;ge-
292
weest, (lat hij zooveel zorg had gedragen, om die to verbergen, ook voor diegenen, welke het meest met hem in aanraking waren.
Vraag. Welke is de derde ivijse, om den raad op te volgen: wensch, onbekend te zijn?
Antwoord. Dat men, aan de blikken der men-schen blootgesteld,in zulken toestand versehijnt,dat men eeniger wijze voor hunne oogen verborgen is, zicli voor hou vertoonende met smaad on verguizing overladen. Zoo vertoonde zich de Zoon Gods gedurende zijn' lijden aan al de bewoners van Jerusalem; en men kau zeggen, dat Hij nooit meer verborgen, nooit minder kenbaar was, uan gedurende zijn lijden. Hij was waarlijk de Koning van het heelal, 11 jj bezat alle schatten der wijsheid, der wetenseliap en der liriligheid Gods; en toeh ging Hij lgt;ij liet volk, ja zelfs lijj de priesters en de oversten door voor een bedrieger. Hij werd als'een boosdoener behandeld; men plaatste Hem eene doornenkroon op het hoofd, en gaf Hem een vietstok voor scheptcr in do hand; men knielde spottenderwijze voor Hem neer, men grootte Hem als een spotkoning en spuude Hem in liet aangezicht. Hoe konden te midden van al die vergui/ingen, zijne Grootheid en ziju^ Macht worden erkend ? Zou Hij in de diepste eenzaamheid meer verborgen geweest zijn ?
Zoo zich verbergen uit liefde tot Jesus, e;i
293
'/.oo de oogcii dei' wereld misleiden, is eene held-haf'tige deugd, en toont eene grooto volmaakt-Iieid. Dit is een geheim van liet Evangelie, hetwelk sleuhts aan de heiligen is geopenbaard, aan hen namelijk, die brandende van verlangen, om aan hun Verlosser gelijkvormig te wezen, gelijk Hij, veracht, verworpen, gelasterd en veroordeeld te worden, volmaakt de eerste christenen navolgden, welke de heilige Paulus ons voorstelt, als yehrek ijclende aau alles, als altijd hoeUiny en tervolyiny verdurende, wier de wereld niet waardiy wax. Heb. XI, 37.
Z;j liebbeu zich niet tevreden gesteld, met dit zeiven te beoefenen, zij hebben het ook als eene heldhaftige deugd aan alle geloovigen voorgehouden. Doch niemand heeft het in duidelijker en krachtiger woorden uitgedrukt, dan de heilige Ignatius, die wil, dat zijne volgelingen niets vuriger verlangen, dan, waar zulks zonder eenige beleediging der goddelijke Majesteit of ergernis van den naaste geschieden kan, smaad, valsehe getuigenis en onrecht te lijden, en voor dwaas aangezien en gehouden te worden, (zonder hiertoe nochtans eenige aanleiding te geven;) omdat zij wenschen Jesus Christus, onzen Heer, eenigszins te gelijken en na te volgen, en mot zijne kloedingen ondorscheidingsteekenen bekleed te worden.
21)4
Dit is op eene uitmuntende wijze den raad oji-volgen Tan den Schrijver der Navolging: Wenach, onbekend te zijn.. Want men moet zicli niet inbeelden, dat het voldoende is, hetgeen die woorden bevatten, als iets zeer uitmuntends en van hooge volmaaktheid te roemen en te bewonderen; neen, men moet er ook naar verlangen, het niet aandrang aan God vragen, en alles in liet werk stellen, om het te verkrijgen. Dat verwacht men van een waar leerling van Jesus Christus, en van al wie voorgeeft, de Heiligen te willen navolgen.
TWEEDE HOOFDS'I'UK.
Over de woorden: Uit het ééne woord kotnt (dies voort, en alles verkondigt dat alleen. I, 3.
Vraag. Hoe spreken alle schepselen slechts eene taal, en leggen zij van dat eeuwige Woord getuigenis af?
Antwoord. Doordat de van God verlichte zielen den eenvoudigen blik op het goddelijk Woord alleen vestigen, dat haar in alle schepselen zijne volmaaktheden veropenbaart, en ze haar onder een verheven oogpunt doet aanschouwen, terwijl zij al het overige ter zijde stellen.
Dc zuivere zielen beschouwen allo zaken in haar beginsel, God alleen beschouwen zij er in; en welke bekoorlijkheid, welke schoonheid of goedheid dc schepselen ook mogen hebben, daarop letten zij niet. In alles wat zij zien, bij alles, wat zij zich voornemen, bij alles, wat zij doen, maken zij geen onderscheid tusschen hoog of laag, groot of klein, aangenaam of onaangenaam; zij beschouwen in alles slechts God, en wat van God is, en volgens zijn heiligen wil.
En die zuiverheid van bedoeling bewaren en volmaken zij op dc volgende wijze: Zjj beoefenen drie zaken, welke door dc meesters van het mystieke leven genoemd worden: gelijkvormigheid, eenvormigheid en Godvormigheid.
Vraag. Wat is geljkvormigheid?
Antwoord. Dat is eone heilige gewoonte, welke wij ons hebben eigen gemaakt, van ons in alles aan den wil van God gelijkvormig te maken, en do schepselen, slechts in zooverre als God hot wil, te gebruiken.
Zoo moet een man in de wereld, die zijne vrouw, zijne kinderen, zijne goederen heeft, zich alleen afvragen: hoe wil God, dat ik mij jegens mijne vrouw, mijne kinderen gedrage? Welk gebruik wil Hij, dat ik van mijne goederen make? Hij moet zich bij alle gebeurtenissen en lotgevallen des levens geheel en al aan Gods Voor-
296
zienighoid overgeven, en kunnen zeggen met Jesus: Ik doe altijd wat mijnen Vader behaaglijk. is. Jo. VIII, 29.
Vraag. Wat is de eenvormigheid?
Antwoord. Dat is de gesteltenis van ziel, waarin hij zieli bevindt, voor wien, nadat liij zich langen tijd geoefend heeft, in te doen, wat God wil, allo zaken dezelfde schijnen, in betrekking tot den goddelijken wil; daar hij niet ziet op de bijzondei-e redenen, die hij kan hebben, deze of gene zaak te beminnen of te haten; maar deze reden alleen waarde bij Hein heeft: God verlangt het. God wil het, God beveelt het. Dat noemt men eigenlijk eenvormigheid: daar deze eóno beweegreden alle andore overheerscht, en alles een en hetzelfde maakt; zoodat men evenzeer de vernedering als do verheffing bemint, dewijl men innig overtuigd is, dat de goddelijke wil alleen alle waarde aan de zaken geeft. En inderdaad, alle beweegredenen veroe-nigen zich in deze ééne: den wil van den oppersten Heer te volbrengen, die alleen verdient bemind en gediend te worden.
Vraag. Wat verstaat gij door de Godvormig-heid.
Dat is eene nog uitmuntender gesteldheid, waarin de ziel, gewoon, van niets anders, dan die algemeene beweegreden te beschouwen, welke
297
haar alles als hetzelfde doet voorkomen, en die haar voor alles onverschillig maakt, in God als verzinkt, en niet meer in staat is, om in de voorwerpen, die zich aan haar voordoen, iets anders, dan den goddelijken wil te beschouwen. Daar zij door langdurige oefening do beelden dei-schepselen, althans in die mate, uit haren geest heeft gewischt, dat zjj geen indruk meer maken op haren wil, zijn al hare bedoelingen en al hare neigingen op den Schepper gericht; zjj beschouwt Hem in alles, zij ziet Hem overal, zij stelt Hem zich voor den geest in al hare werken; en wanneer zij aan de schepselen denkt, dan is het, als denkt zij er niet aan; omdat zij geheel van God is vervuld, mot Hem alleen bezig is, en buiten Hem niets bemint. Dat beschouwen van God in alles, en met dat eenvoudige oog, onderricht haar veel beter, en doet haar de zaken veel inniger kennen, dan, wanneer men ze in zich zeiven, cn niet in God, haar beginsel, beschouwt. Dit leert ons de Schrijver der Navolging, waar hij zegt: Hij, tot wien hei eeuwige Woord spreekt, ziet zich van velerlei gevoelens bevrijd. I, 3.
298
DEEDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Mijn zoon, gij moet alles voor alles geven, en niets van het uwe voor u terughouden. III, 27.
Vraag. Wat wil dat zeggen: alles voor alles geven?
Antwoord. Dat wil zeggen: niets aan Uod weigeren, in alles zijn heiligen wil volbrengen, zich lilt liefde tot Hem van alles onthechten.
Op de eerste plaats vraagt God, dat wij I lom alle uitwendige zaken ton otter brengen, welke wij op eene ongeregelde wijze kunnen beminnen: zoo moet men geene gehechtheid hebben aan eene of andere plaats, noch aan zijne gemakken, noch aan tijdelijke goederen, noch aan personen, noch aan iets anders, wat öf het vlcosch óf den geest voldoening kan geven.
Op de tweede plaats moet men van alle bedieningen en bezigheden, waarin de natuur genoegen kan vinden, onthecht zijn.
Op de derde plaats komen alle zoetigheden, alle genaden en bovennatuurlijke gaven, teu opzichte van welke men zich moet overgeven in de handen van Hem, van wien men ze ontvangen heett; zoodat men altijd bereid zij, om er van beroofd te worden, en dat er niets zij, wat men
299
niet gaarne mist, om liet bezit van God te verdienen, en om zijn heiligen wil te volbrengen; waarin ons alles gelegen moet zijn.
Alwic, tot eigen voldoening, eene van die zaken, welke wij opgenoemd hebben, zich voorbehoudt, en er zich aan hecht, is ver verwijderd van de volmaaktheid, die in den grondregel van den Schrijver der Navolging ligt opgesloten.
Vraag. Wat verstaat cjij door dat alles, dat aan Hem, die alles yeeft, wordt beloofd ?
Antwoord. Dat is de volkomene beschikking over alles, ook over de geestelijke goederen. God weigert niets aan dengene, dia Hem alles geeft; laten wij Hem dus ook alles opofferen, wat Hij van ons vraagt. God is milddadig jegens allen, die milddadig zijn jegens Hem. Hij, die weinig geeft, ontvangt weinig, die alles geeft, ontvangt alles; maar hij, die zich ook slechts het minste voorbehoudt, geeft niet alles. In die onderlinge mededeeling derhalve tusschen God en den mensch, bestaat een zeer groot onderscheid tusschen alles en veel. Trachten we dus, volgens den raad des Apostels te zorgen, dat niets in eenige genadegave ons ontbreke. I. Cob. I, 7.
Doch, behalve dien overvloed van geestelijke en bovennatuurlijke goederen, ontvangt men nog een ander good van oneindige waarde: God zeiven, den Drieëenigen God, die zich aan do ziel
300
TOcdedeoltf om floor ccnc innige vereeniging haar geheel toe te lioliooren; eene gunst, welke alleen aan diegenen, welke God alles geven, geschonken wordt.
Vraag, Wat moet men doen, om niets van het zijne voor zich te behouden ?
Antwoord. Daartoe moet de ziel zich zelve vergeten, zoodat al hare genegenheid aan God zij gewijd. En hiertoe worden drie zaken gevorderd.
Vooreerst, moet zij hare blikken afwenden van hare eigene belangen, en alles, wat haar aangaat, hare gezondheid, haar leven, alles, wat haar in tijd en eeuwigheid kan overkomen, in de handen ran haren Hoer en God stollen. Die volstrekte ontheehting van alle eigenbelang stelt haar in staat, om in alles uit de zuiverste beweegreden te handelen, namelijk, om aan God te behagen. Niet, dat de beweegreden van de belooning, die men verhoopt, verkeerd en afkeurenswaardig is; maar de loftolijkste en volmaakste beweegreden is toch altijd de bebanglooze liefde, welke zich de glorie van God alleen ten doel stelt. Uit die belanglooze liefde handelende, mag men alles verhopen van dien Vader van barmhartigheid, voor vvien men aan alles verzaakt.
Op de tweede plaats, moot de ziel zich zelve vergeten, door in al hare handelingen de leiding
301
der genade te volgen, en zich niet aan do neigingen dor natuur over te geven. Velen ontbreken in dit punt, door te veel volgens liunno luimen en neigingen to leven, en door oene te groote gehechtlicid aan hunne manier van handelen, die meestal baatzuchtig on natuurlijk is.
Ten derde moet de ziel, om niets van liet hare voor zich terug te houden, God zoo innig beminnen, on Hem zoo oppermachtig alle vermogens laten bestieren, dat zij zich zelve niet meer lt;/evoele, gelijk do Schrijver der Navolging zegt. III, 21.
Deze oefening bevat eone verhevene volmaaktheid, on hangt veel moor af van do werkingen der genade, dan van de pogingen, die het schepsel aanwendt. Alsdan gevoelt de raensch, bezield en gedreven door den Geest Gods, zijne eigene neigingen niot meer, maar alleen de aandrift van den heiligen Geest, die het beginsel is van al zijne geneigdheden, volgens de woorden van den Apostel: Zoo velen door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Ron: VIII, 14. Eeno ziel, welke God op deze wijze geleidt, wordt niet moor gewaar, dat zij zelve handelt, on de ondervinding leert haar, dat hij, die alles geeft, niets van het zijne voor zich terughoudt.
302
VIERDE HOOFDSTUK.
Over ije woorden: Foor zooeer (jij van n zeiven kunt niti/aaii. in zoover zult (jij in Mij kunnen overgaan. 111, 56.
Vraag. Hoe kan men van zich zelveii uitgaan?
Antwoord. Dat geschiedt voorname!jjk op drio wijzen:
Vooreerst, door de eigenliefde te bestrijden, die verkeerde of al te natuurlijke liefde, welke zich in alles mengt, en die allerlei kunstgrepen gebruikt, om zich to verbergen. Hoevelen zien wo er niet, die don naam hebben van deugdzaam te zijn, en die bij voorkomende gelegenheden vele goede werken verrichten, doch die zich niet kunnen ontdoen van zekere genegenheid, zekere natuurlijke gevoeligheid voor hunne eigene belangen. en vooral voor hetgeen hun persoon betreft. Zij vluchten alles, wat moeieljjk is; zij zijn aan hunne gemakken gehecht, en houden van rust; en bjj do minste pijn, die zij gevoelen, klagen on zuchten zij, en toonen zo op allerlei wijze, hoe hevig zij hun lijden gevoelen.
Deze teergevoeligheid, welke zoozeer in strijd is met de gestrengheid der grondstellingen var hot Evangelie, en met de grootmoedigheid der ware kinderen dos kruises, edelmoedig bekampen,
303
dat noemt men van zich /.elven uitgaun. om 'm God te kunnen overgaan.
Maar nog op eene andere wijze kan men \v.;i zich zeiven uitgaan; door, namelijk, zijne Ledigt;-ning waar te nemen zonder er zicli zeiven in zoeken, zonder zich er aan te hechten, zonder or zich te veel aan over te geven, zonder er te veel zorg en bekommering over te hebben. Waut de meesten van hen, die zaken te behandc ' j hebben, of' die in het openbaar moeten spreken, of die liooge posten bekleeden, oi' gewichtige â -dicningen waarnemen, denken daar dug en mu-Ut over na: zij zijn vol onrust over den uitslag, lt;l!c;i hunne werkzaamheden zullen hebben, over 'iet oordeel, dat de menschen er over zullen vel!c;i; daar is hun geest voortdurend mede bezig.
Stellen we ons eene religieuze voor, die na langen tijd overste te zijn geweest van haren pj-t onizet is, en tot den rang van gewone zuster is afgedaald. Hot is haar, alsof men haar in eene nieuwe wereld heeft overgeplaatst, of als ware zij in eene groote woestenij. Eu dat is niet slechts met vrouwen het geval, waar ook niet zelden met mannen, ook dezen zijn dikwijls zeer verwondei-i], wanneer hun het bestuur wordt ontnomen, of wanneer hun de behandeling van zaken onttrokken wordt. De eenige reden van hunne ontstelti ais is, hun te vurig verlangen, om in hunne bed'c-
304
ningeu goed te slagen; want hun geest zoude in rust zijn, en zij zouden altijd tevreden 'wezen, wanneer zjj alleen God op het oog hadden; daar zij, van God vervuld, Hem altjjd bij zich zouden hebben, en zjjne zoete tegenwoordigheid zouden genieten.
Waardig zijne bediening trachten waar te nemen, met het eenige doel, om aan God te behagen, is een middel, om vuu zich zeiven uit ^e gaan; en daartoe is hot noodig, dat men nimmer uit lage en raenscholijko beweegreden voortga, welke do eigenliefde gewoon is in te geven. Men moet weinig bekommerd zijn. om aan de mensehen te behagen, of door hen geprezen te worden; jn, men moet slechts minachting over hebben, voor hetgeen de wereld zegt, en eone zaak slechts verlangen, immelijk. dat God tevreden zjj. Dat is, zich waarlijk verloochenen, en een inwendig leven leiden.
ygt; derde- wijze, waarop men van zich /.elven uitgaat, is ongetwijfeld de moeieljjkste, en slechts zeer weinigen hebben den moed, 0111 dezelve te beoefenen. Zij bestaat in zijn lichaam te haten en hard te behandelen: lichaamskastijdingen te beoefenen, en de ziel, om zoo te spreken, van liet lichaam te scheiden, waarin zij zoo gaarne hare rust zoekt. Velen, die voor geestelijke mensehen willen doorgaan, weten niet, van hoe-
305
veel nut deze heilige oefening is; en daar zij zich niet toeleggen, om de bedorven natuur te bestrijden, kunnen zij niet uit zich zclven treden, noch bij gevolg, zich vereenigen met God.
Heeft de niensch de ondeugd vaarwel gezegd, zich van alle natuurlijke voldoening, welke hem zijne bediening geven kon, ontdaan, dan leeft hij nog niet geheel en al voor God; hij moet nog volmaakter uit zich zeiven treden, door zich hard te behandelen, door de ziel, om mij zoo uit te drukken, te dwingen, de zoete rust, die zij in het lichaam vindt, ten offer te brengen. Hij moet met zijn lichaam handelen, gelijk men met zekere dieren handelt, welke men wil gewennen om daar te blijven, waar liiin meester hen hebben wil. Wat doet men dan? Men slaat ze overal elders, en wanneer zij daar zijn. waar ze zijn moeten, dan streelt men hen, en doet hen gevoelen, dat ze daar moeten zijn, om rust te genieten. Zoo ook moet men doen met de ziel; wil men haar dwingen, om in bet hoogere gedeelte te verblijven, dat is: in den geest, dan vervolgt men haar in hot lagere gedeelte, dat is: in bet vleesch; en men geeft haar geene verpoozing, totdat zij door een zoo harden en voortdurenden oorlog afgemat, eindelijk naar hoven klimt, waarheen God haar roept, om haar vreugde en troost te - doen genieten.
306
Met dat doel beoefenen de ijverige zielen groote gestrengheden. Zij willen de ziel door strenge boetplegingen dwingen, om het vleesch te verlaten, opdat zij zieli vandaar uit tot God verheffe, die, een zuivere Geest zijnde, alleen in den geest zijn behagen schept. Wij hebben reeds opgemerkt, dat velen, die zich op de deugd toeleggen, hiervan weinig werk maken; omdat zij zich verbeelden, vrij goed met God te staan, en tevreden met hun toestand, niet gelooven, dat van hen eene strengere levenswijze gevorderd wordt. Maar hun ijver zou veel verder kunnen gaan, en zij zouden het niet laten bij hetgeen zij doen, indien zij de aandrift der goddelijke liefde, die sterk en edelmoedig is, volgende, zieli zeiven den oorlog verklaarden door de lichamelijke versterving, welke de heiligen zoo hoog hebben geacht, die zij zoo zeer hebben geprezen, welker onbe-schrijfelijk zoete vruchten zij hebben gesmaakt, vruchten, welker zoetheid de ondervinding alleen ons kan leeren kennen.
Om dit in oefening te brengen, moet men zich aan God als brandoffer opdragen zonder zich in iets te willen vleien noch sparen, en Hem vurig bidden, dat Hij tc dien opzichte zijn heiligen wil verklare. Dan kan men verhopen, dat God den geest zal verlichten,en de noodige krachten ter volvoering zijner heilige plannen zal verleenen. 21
307
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de Woorden : Al wie zich aan de gehoorzaamheid zocli te onfirel'lrn, onttrelt zich nun de genade, en alwie hijzondere zaken zoekt te hebben, verliest dc algnncenc. [II, 13.
Vraag. Waarom (uittrekt diegene zich aan de genade, die zich aan de gehoorzaamheid onttrekt?
Antwoord. Omdat do gclioorzaamlicid noodig is, om dc gaven des liemcl:; to bewaren, even gelijk do regen noodig is, om de boomen te doen schieten, en om de bloemen te doen ontluiken.
Er zijn zielen, die groote gaven van den hemel hebben ontvangen, en voor wie het gemakkelijk is, zich tot eene hooge heiligheid te verheffen, en tot eene innige vreeniging met God te geraken ; ma.ar vertrouwen /ij te veel op liet licht van haren geest, steunen zij te veel op de groote zaken, welke de Geest Gods in haar binnenste uitwerkt, dan vervallen zjj terstond in begoocheling; en die genaden, welke niet meer door de nederigheid, noch door hot geloof, waaruit zij voortsproten, worden gesteund, worden haar weldra ontnomen.
Niet zoo is het mot diegenen gelegen, welke eene volmaakte onderwerping van geest en wil aan hunne oversten betoonen ; want, terwijl zjj.
.â 508
om to gohoorzamon, zioh van do gunsten des goddelijkon Bruidegoms soliijncn te berooven, zijn zij des te zekerder, van die gunsten te zullen ontvangen. . En liieruit Idijkt het duidelijk, dat men zich niet aan de gehoorzaamheid kan onttrekken zonder zich te onttrokken aan de genade.
Wjj lezen van den heiligen Simeon Stijlites, dat hij hoven op eeno kolom, ter hoogte van veertig ellen, op eene wonderbare wijze leefde. Daar had hij, niet op hevel of volgens den raad van een mensch, maar op ingeving van God zeiven zijn verblijf gevestigd; en toch bad hij zoo goed den geest van gehoorzaamheid bewaard, dat bij, toen de bisschoppen, te zijner beproeving, hem deden aanzeggen, dat lijj de kolom moest verlaten, aanstonds bereid was, om bun bevel ten uitvoer te brengen: en daardoor bewaarde hij die bewonderenswaardige gunsten, welke bij van God bad ontvangen. Zoo moeten zij. in wie de heilige Geest groote en buitengewone zaken uitwerkt, altijd bereid zijn, om te gehoorzamen, daar zij anders ongetwijfeld van do genade verlaten zouden worden.
Vraag. Hoe komt het, lt;l«t zij, fhe iets h jzon-clers willen hehhen, hel nh/emeene rerliezen ?
Antwoord. De reden daarvan heb ik reeds aangegeven : onder dé geestelijke gaven namelijk, zijn eenige algemeen, andere bijzonder. De al-
309
genicene zijn voor ecu ioder noodzakelijk, zooals: de deugden Oj) geloof, nederigheid, gehoorzaam-hoid, liefde, enz. gevestigd. De bijzondere zijn zekere gevoelens van godsvrucht, verhevene gedachten, verlichtingen en andere gaven, die God uit vrijgevigheid schenkt, aan wie het Hem goeddunkt, en die Hem voorzeker aangenaam zijn; doch, waarin Hij veel minder behagen schept, dan in de gewone gaven, welke tot grondslag moeten dienen van de buitengewone.
Yelen hechten zicb zoo zeer aan bijzondere devoties, dat zjj volstrekt geen smaak vinden in de oefeningen van godsvrucht, die door de gewone geloovigen algemeen worden verricht. Spreekt men hun over het Lijden des Zaligmakers, over zijne heilige wonden, over de deugden zijner kindsheid, over de pordeelen Gods of over de regels, die door de Heiligen worden aangegeven, om christelijk te leven, dat maakt op hen geen indruk, daarvoor zijn zij schier ongevoelig.
Dat is eene fijnheid, eene kieschkeurighcid in de geestelijke zaken, die zeer gevaarlijk is, en die men zorgvuldig vermijden moet; want zij, die te veel op het bijzondere uit zijn, verliezen de vrucht van het algemeene; en zij, die door een geest van zonderlingheid gedreven, om zich van anderen te onderscheiden, oefeningen van godsvrucht omhelzén, welke zij alleen smaken en achten, ver-
310
wijderen zich daardoor van de ware godsvrucht, en dwalen somtijds zooverre af, dat zij liet geloof zelfs verliezen ; want het is zeer gevaarlijk, dat men van het bijzondere tot begoocheling overgaat, en door de begoocheling in de grootste dwaling vervalt.
Personen van eene hechte godsvruclit, ofschoon God ook gemeenzaam met hen omgaat, en hun bijzondere genaden verleent, prijzen desniettemin de heilige oefeningen, welke door de heilige Kerk aan hare kinderen worden aanbevolen ; maar die overkiesche zielen, die niets gewoons, ni(!ts algemeens voor zich willen, vinden in niets smaak, kunnen niets lezen, dan do Grootheden van Jesus, en andere werken, die over verhevene onderwerpen handelen. De heilige Franciscus van Sales is hun niet verheven genoeg: Ludovicus van Grenada en Alphonsus Rodriguez bevallen hun volstrekt niet; zij moeten iets fijners, iets lioog-dravenders hebben, iets, wat niet zoo gemakkelijk door een ieder begrepen kan worden.
Ik wil daarom niet zeggen, dat men niet vee! kan leeren uit de werken, die over het mjjstieke leven handelen, en dat men er niet veel nut uit kan trekken ; maar eene waarlijk geestelijke ziel, heeft altijd smaak, schept immer behagen, in het lezen van zulke werken, waarin de meest bekende zaken worden uitgelegd; en geen enkel i.s
meei- naar haar smaak, dan de Navolging van Christus, hoe convoudig, liou liciit verstaanbaar het ook is.
Er wordt verhaald in het kven van Zuster Maria van de Menschwording, carmelitcs van zeer groote heiligheid, d.it zij zeer werd getroffen doorde eenvoudigste proeken, on dat er zeer weinig noodig was, om hare godsvrucht op te wekken. De zielen, welke zoo gesteld zijn, zijn als zij, die een goede maag hebben, dio alles kunnen verteeren, en wie de grofste vleeschspijzon zeer goed bekomen; terwijl men de anderen kan vergelijken met dezulken, die zich alleen voeden met lekkernijen. quot;Wanneer men zich aan die zoetigheden gewent, dan beneemt men zich allengs den smaak voor brood en voor andere ge wone spijzen, en men loopt zeer groot gevaar, do gezondheid te verliezen.
Wij moeten hier echter eene belangrijke bemerking maken. De zielen namelijk, die door God langs den gewonen weg worden geleid moeten diegenen niet benijden, welke hij geleidt langs buitengewone wegen, en die Hij op die wijze tot de heiligheid wil voeren. Maar ook de andere van haren kant moeten zich wel hoeden, van niet re veel te steunen op die bijzondere gunsten, welke God haar mededeelt; omdat het altijd het beste en het veiligste is, die oefeningen van godsvrucht lief te hebben, welke in de heilige Kerk
312
lief incest yobmlkclijk zijn ; on overigens met con oprecht hurt or naar to streven, in alles aan God te hehagen, zieh toeleggen op de beoefening der deugden, on vooral wel van ootmoed on gehoorzaamheid. Want stellen zij hare deugd in de Ijuitengewone zaken, welke de heilige Geest in haar uitwerkt, dan is liet te vreezen, dat zij met-tertijd de gewone genaden verliezen, die zoo noo-dig zijn, om zich goed te kwijten van de wezenlijke plichten van het christelijk leven.
Do heilige Therosia verscheen na haren dood aan een harer religieuzen, en verzocht haar, dat zij van harentwege alle provincialen der orde zou waarschuwen, van allen, die zij aannamen, en met wier leiding zij belast werden, te vermanen, van niet te vurig naar visioanon, openbaringen, en andere dergelijke gunsten te verlangen, maar veeleer zich te beijveren, om hechte deugden te verwerven. Zij verklaarde, dat, wat haar zelve betrof, indien God haar wol barmhartigheid had willen bewjjzon, dat niet was geschied, om dergelijke gunsten, maar om andere veel betore zaken, welke Hij zich gewaardigd had haar te leeren, en waardoor Hij haar tot do glori ad opgevoerd, welke zij nu genoot.
313
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de woorden : Er is een groot verschil tusschen de wijsheid van een vroom en door God verlicht man, en de wetenschap van een geletterd en geleerd geestelijke. III, 31.
Vraag. Waarin bestaat dat verschil?
Antwoord. Voornamelijk in drie zaken.
De eerste is, dat de wijsheid van een man des gebods van den Vader dos lichts komt, en dat hij die van boven ontvangt. I, 3; terwijl, integendeel, de wetenschap van een geloerde, slechts de vrucht zijner studie is. Waaruit volgt, dat die wijsheid, welke van den hemel komt, niet anders dan waar kan zijn, daar zij uit de bron van alle licht, de ongeschapen Waarheid, voortvloeit. Daarom is zij altijd vast, altijd zeker, onbeneveld, zonder duisternis; terwijl de kennissen, door redeneering verkregen, den stempel dragen van de zwakheid van den menschelijken geest, die van natuur aan twijfel en dwaling onderworpen is.
De heidensche wijsgeeren zeiven getuigden, dat die gedachten, welke als van zelf in onzen geest komen, zonder dat wij er naar zoeken, meer waarde hebben, dan allo voortbrengselen van onzen geest. Is dit zelfs in de ongewijde
314
wetenschappen waar, hoeveel te meer moot het dan waar zijn in de bovennatuurlijke zaken, die ons verstand te boven gaan, en welke het goddelijk licht alleen in staat is, ons te ontsluieren.
Het tweede verschil bestaat hierin, dat do wijsheid, welke den monsch' door God in liet gebed wordt medegedeeld, zonder moeite in zijn geest binnendringt; terwijl de menschel ijke kennissen hem veel inspanning kosten, en niet dan door langdurigen arbeid verkregen worden. Het bovennatuurlijk licht heeft dit eigen, dat liet vertroost en 't hart verruimt; terwijl het licht, dat door studie en overdenking verworven wordt, den geest vermoeit, volgens de woorden van den wijzen Man: wie zijne wetenschap vermeerdert, vermeerdert ook zijne moeite. Eccl; I, 18.
Het derde verschil is hierin gelogen, dat de kennissen, dio men door eene straal van liet eeuwig Licht verwerft, zich altijd, of bijna altijd, eensklaps in do ziel prenten, terwijl dio, welke men er door inspanning van don geest doet binnenkomen, er allengs en langzamerhand indringen, gelijk do Schrijver der Navolging leert, als hij J esus de woorden in den mond logt: Ik hen het, die den yeest eens ootmoedicjen in één ooyen-hlik zoo hoocj kan verheffen, dat hij in de geheimen der eeuwige Waarheid veel dieper doordringt, dan een ander, door eene tienjarige oefening op
315
de scholen, het immer sonde hrenyen. III, 43. Dat geschiedt door do working des heiligen Gees-tes, en door do instorting van een zeer eenvoudig licht, waarbij men geene bijzondere voorwerpen onderschoidt, maar dat op uitmuntende wijze zeer vele onderscheidene waarheden in :t kort in zich bevat.
Om u daar oen goed denkbeeld van te vormen, stel u twee menschen voor, van welke de oeno eene redevoering schrijft, en de andere er eene drukt. Do eerste heeft veel tijd noodig, om al do letters te vormen, om die te rangschikken, en aan elkander te voegen; de tweede kan, door eens de pers te drukken, oen geheel blad afmaken. Op gelijke wijze kan oen mensch van studie mettertijd oonigvs kennis van de goddelijke zaken opdoen, maar hij die er door hot bo-vennatuurlijk licht in onderricht wordt, is eensklaps zoo verlicht, dat hij in staat is, om langen tijd op eene uitmuntende wijze over do ver-hovensto punten van hot goostolijk loven to sproken.
Doch, wat nog meer dezen laatste van den eerste onderscheidt: God deelt hein zijn Geest mede, volgens do belofte des Zaligmakers, die tot zij uo leerlingen zei de: De Geest der waarheid, die van den Vader voortkomt, zul n alle waarheid leeren. Jo: XVI, 3. Daardoor komt liet.
31G
wat de heilige Schriftuur bemerkt, en wat wij dagelijks zien gebeuren, dat een heilige heter de waarheid leert dan zeven anderen, geleerder dan hij, die als wachters op een verheven plaats gezeten zijn, om hun Mik over alles te laten gaan. Eccli: XXXVII, 18.
Zeer vele voorbeelden zijn daar, om dit te bewijzen; doch vooral dat van do heilige There-isia. Vijftien leeraren waren tc Avila vergaderd, om te beoordeeleu, door welken geest zij geleid werd. Na alles goed onderzocht te hebben, besloten zij eindelijk, dat de buitengewone zaken, die God iu haar uitwerkte, het werk van den duivel waren. Intussehen erkende en verzekerde een heilige Religieus van de orde van den heiligen Franciseus, de heilige Petrus van Alcantara, die daar in liet voorbijgaan kwam, dat zij door den Geest Gods werd bestuurd; en dit oordeel werd bevestigd door den heiligen Franciseus Borgias, minder uitmuntende in kennis, dan door de gave van beschouwing, die hij van God had ontvangen.
Wij lezen iu het leven van de heilige Clara de Monto-Falco dat zij een verborgen ketter ontdekte, die door iedereen als eeu heilige werd beschouwd en vereerd. Nog geheel andere wonderen heeft God in zijne dienaren uitgewerkt. Hij zond den heiligen Bernardus, om vele dwa-
317
lingon uit te roeien, en om vele ketters van den dwaalweg terug te brongen. En tocli had die Heilige in zijne jeugd zeer weinig tijd aan de studie besteed; en ook bij al zijn verstand, zoude toch zijne kennis niet toereikond geweest zijn, om zoovele bewonderenswaardige werken, die hij ons nagelaten heeft, te vervaardigen. Vrouwen zeiven, zooals de heilige Catharina van Siena, de heilige Theresia en andere, hebben zoo goed geschreven over de geheimen van het geloof, dat men hare werken niet zonder bewondering kan lezen. De heilige Ignatius, Stichter van de Sociëteit van Jesus, had zoo groote verlichtingen ontvangen aangaande bet onuitsprekelijk geheim der heilige Drievuldigheid, dat hij het ondernam, er een boek over te schrijven, alvorens nog gestudeerd te hebben. De heilige Franciscus van Assisië over verschillende moeielijke plaatsen der heilige Schriftuur geraadpleegd, antwoordde terstond met zooveel juistheid, dat bekwame leeraren er over verbaasd stonden. Men behoeft slechts de kronijken zijner orde te lezen, om er merkwaardige voorbeelden van te zien; en dat alles is niet do vrucht van de kracht en de doordringendheid van den menschelijken geest, maar van de goddelijke verlichting. Daarom ook wordt die kennis eerder wijsheid dan wetenschap genoemd.
318
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over dis woorden : Waart gij eenmaal diep in het binnenste van Jesus door gedrongen, en hadf gij een weinig van zijne brandende liefde gesmaald. II, 1.
Vraag. Wat wil dat zeggen: in het binnenste van Jesus doordringen?
Antwoord. Dat wil zeggen; beschouwen en smaken, wat iti dat binnenste te vinden is. Daar nu vindt men voornamelijk drie zaken: Ten eerste, de teedere gevoelens, die Hij altijd gehad heeft èn voor zijn Vader èn voor ons. Ten tweede, do zedekundige grondstellingen, die Hij ons het meest heelt aanbevolen, en die Hem liet meest ter harte gingen. Ten derde, zijne inwendige kwellingen en smarten.
Vraag. Welke zijn de teederste gevoelens van het hart van Jesus?
Antwoord. Ten opzichte van zijn Vader, eene edelmoedige liefde, eene voortdurende afhankelijkheid van zijne bevelen, een brandend verlangen, dat in alles zijn wil werd volbracht. Uc doe altijd, zeide Hij, wat Hem behaaglijk is. .lo. VIIl, 29. En op eene andere plaats: Mijne spijze is den 'ril te volbrengen van Deng ene, die Mij gezonden heeft. Jo: IV, 34.
319
Voor ons had Jesus cene vaderlijke genegenheid, en oen zeer hevigen dorst naar ons heil.
Alwie dus in hot binnenste van Josus quot;â .vil doordringen, moet zijne gevoelens smaken, en trachten ook dergelijke in zich op to wekken, ten einde zich daardoor innig met Hem te vereenigen, en volgens den wensch des Apostels, dit gevoelen in zich te hebben, dat ooi: in Christus Jesus was. Phil: II, 5.
Vraag. Welke zijn de zedekundige yrondstd-lingen, die voor de christen zielen het meest van helamj zijn?
Antwoord. Dat zijn de voornaamste punten, van de leerling dos Zaligmakers, in welke zijn geest is vervat. Die punten kan men terugbrengen tot do beoefening van ootmoed en zachtmoedigheid, van geduld iu do rampen dezes levens, van liefde tot het kruis en versterving, van liefde tot don naaste, van evangelische armoede, en vooral van liet verlangen, om veracht en verguisd te worden, gelijk Hij zelf gedurende zijn lijden veracht en verguisd is willen worden; want dat is, tot de zijnen behooren, dat is, zijne onderscheidingsteekenen dragen, dat is, in zijn binnenste doordringen. Dit is een geheim, in Hem verborgen, dat slechts door weinigen wordt gekend.
Velen hebben eerbied voor Jesu», zij aanbid-
320
den Hem, buigen de knieën voor Hem als voor hun Hoer, en toch hebben zij altijd een geheimen aikeer voor de wezenlijkste punten zijner zedeleer; zij kennen het uitwendige van Jesus, zijne opperste Macht, zijne Grootheid, zijne Majesteit, het verlangen, dat Hij heeft, om alle men-sclion zalig to maken, en andere dergelijke zaken: maar niet, wat het meest verborgen in .Te-sus is, en wat Hem liet meest ter harte gaat. Daarom zou men hun kunnen zeggen met den Schrjjver der Navolging: Wnart (jij eenmaal diep in hef hiimenste ran Jesus doorgerlronycn, on/.. Kil wat hjj op cone andere plaats zegt: Hij, die den i/eest ran Christus hezat. zou daarin ecu verhori/en iinnua einden. 1. I. Dat hemelsch manna is niets anders, dan do overvloed van genaden, van verlichtingen, vertroostingen en geestelijke wellusten, die Jesns aan diegenen doet smaken, welke zich goed van zijne grondstellingen doordringen en die doorgronden.
Vraag. Welhe, is de derde zaal', die men, in het inwendige van Jesus moet beschouwen ?
Antwoord. Dat is zijn lijden, hetwelk men in zijn geest moot trachten te prenten, door het voortdurend, en op eeno teedore wijze, met een medelijdend hart, te overwegen. Wanneer «lus iemand verlangt te weten en te gevoelen, wat er omgaat in het binnenste van Jesus, van
321
droefheid en smart overstelpt, dan'moet bij zich zijn lijden voortdurend voor den geest brengen, en niet alleen zijne gedachten daarop vestigen, maar wat nog meer van belang is, een innig gevoel van modelijden in zich opwekken.
Een ander, nog krachtiger, middel, om do smarten van Jesus in zich te gevoelen, is, die eeni-gev mate te ondervinden: Niemand, zegt do Schrijver der Navolging, begrijpt zoozeer de grootheid van Christus' lijden, als hij, wien het te beurt is i/erallen, iets dergelijks te lijden. II, 12. l)c heilige Bonaventura leert ons, dat dit geschiedt, wanneer men, dat goddelijk toonbeeld van geduld beschouwende, in zich zelvcn de hevigheid zijner kwellingen tracht te gevoelen. Om, bijvoorbeeld, door eigen ondervinding te begrijpen, wat Hij leed aan de geeselkolom gebonden, moet men, /egt die heilige Leeraar, zich ten bloede toe geeselen.
Eene ziel, die Jesus oprecht bemint, en die niets zoozeer verlangt, dan in zijne smarten te deelen, begrijpt dan beter dan ooit, boe wreed zijne goeseling was, en hoeveel smart Hom de nagelen veroorzaakten, die zijne handen en voeten doorboorden.
Vele godvruehtigen van onzen tijd, in de valsche meening verkeerende, dat hot voldoende is, alleen aan de verbetering van het inwendige te werken.
322
â¢zouden door do ondervinding kunnen loeren, dat do uitwendige oefeningen der deugd van geen gering nut zijn voor de ziel, die, met Christus begraven, in God verborgen wenscht te leven.
Ik voeg hierbij, dat die religieuzen, welke geene grootc bezigheid naar buiten hebben, en die derhalve veel tijd in hunne kanier kunnen doorbrengen, zich gelukkig moeten rekenen, dat zij zich met den gekruisigden Jesus gemeenzaam kunnen onderhouden. Maar dat zij dit dan ook doen; in plaats van hun tijd tc verspillen door beuzelachtige, nietswaardige lectuur, ot' door bekommering over hunne gezondheid, en hot zinnen op middelen, om ingebeelde zwakheden to voorkomen of' te genezen. Dat zoude hun heel wat voordeeliger zijn; de geest zou er vuriger, en het lichaam gezonder er sterker door worden.
Wat aangaat de inwendige smarten vanJesus, ook daarin te mogen doelen, is zeer zoet voor de ziel. Gebeurt het derhalve, dat zij somwijlen verlatenheid ondervindt, of inwendige smarten en benauwdheden, waarvan wij vroeger reeds hebben gesproken, dan moet zij daar voordeel uit trekken, en denken, dat deze als deuren zijn, waarlangs zij kan binnengaan in het binnenste van Jesus, die niet slechts in zijn lichaam, maar ook in zijne ziel lieeft geleden, en dat de heilige zie-
22
323
len zich daardoor met den goddeljjken Bruidegom vereenigen.
Daarom ook liad de lieilige Bernardus Jesus, en dien gekruisigd, voortdurend voor den geest, en was de gcdaohte aan zijn dood altijd levendig bij hem, gelijk hij op vele plaatsen in zijne geschriften, en vooral in zijne toespraken over het Hooglied, getuigt.
Iletzelfde verhaalt men van den heiligen Fran-ciscus,en in de Kronijken zijner Orde wordt gemeld, dat een voorbijganger hem eens zeer luide kreten hoorde slaken, en dat hij, meenende, dat men iemand vermoordde, terstond naar de plaats heen-snelde, vanwaar de stem zich deed liooren, maar, dat !ijj ter plaatse gekomen, zeer verbaasd stond, als hij den Heilige in tranen badende ter aarde zag liggen. Hij erkende hem. en vroeg hem, waarom hij toch zoo weende; en de Heilige gaf ten antwoord: âMijn Verlosser is gestorven, Hij lieeft zooveel geleden, en gij vraagt mij naar de oorzaak mijner tranen.quot; Die hevige smart had haren oorsprong in de liefde, waarvan hij brandde, en waardoor hij diep in het binnenste van Jesus was doordrongen.
Allen, die op liet voorbeeld van die Heiligen, het lijden van hun goddelijken Meester tot stof hunner overwegingen nemen, zullen met hen hevig getroffen worden, door de geweldige smarten,
324
welke die Godmenscli lieeft: willen verduren, die üioh voor hun heil en voor het heil van itlle zondaren geslachtofferd heelt.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ovkr de woordkx : Drink met verlanyen den kelk des Heeren, en had he.t aan God over, of Hij u vertroostingen tril c/even. 11, 12.
Vraag. Koe kan men he.t lijden henUnhen en omhelzen, en zich voor de vertroostinf/en aan den yoddeiijj-en iril overc/ecen ï
Antwoord. Dat kan men op drie wijzen. Vooreerst door den goddeljjken Zaligmaker op den smalsten weg te volgen, wanneer men hem beter oordeelf dan een anderen, die breeder is, waarop men Hem niet zoo volmaakt kan volgen en dienen.
Niets is algeineener, dan mensehen aan to tretïen, die voorgeven zich op de deugd te willen toeleggen, maar die intusschen slecht beantwoorden aan de goede gevoelens, welke God hun inboezemt, ofschoon zij die goed schijnen to ontvangen, of althnns ze niet geheel en al verwerpen. Doch niet danrin is de ware geestelijke voortgang gelegen; maar in het ten uit-
voer lu'cn^cn van de goede verlangens, die God hun instort; in liet leiden van een geregeld leven; in de liefde voor de ingetogenheid, de stilzwijgendheid en liet gebed; in het versterven der ongeregelde neigingen; in het aandaehtig luisteren naar hetgeen God in het binnenste doet hooren; en in dat alles met de uiterste nauwkeurigheid en grooten ijver te doen.
De/e weg, die do weg ter volmaaktheid is, is niet gemakkelijk te bewandelen; het is een doornige weg; tveinigen volgen hem, en men heeft veel moed noodig, om er zich op te durven begeven. Willen wij derhalve volmaakt zijn, wekken wij dan onzen moed op, om edelmoedig onze zinnelijkheid te bestrijden, ons niet te laten medcsleepen door de neiging onzer natunr, niet onze gemakken te zoeken, maar te leven als kinderen van het kruis en vooral te onderhouden, wat Jesus tot allen zegt: Indian iemand na Mij wil komen, hij verloocJiene zich zelritn, en neni'-zijn lends op. Mt. XVI, 24.
Dat is de eerste wijze om het lijden van Jesus te beminnen.
Vraag. Welk is de tweede wijze '?
Antwoord. De tweede wijze bestaat hierin, dat men niet alleen een grooten ijver betoont, om do wet Gods stipt te onderhouden, maar, dat men ook metterdaad verlangt te lijden, wetende, dat
32(i
lt;T hi de kwellingen en moeicljjklieden dezes Je-vens schatten verborgen zijn. Het groote voordeel, dat men hieruit trekt, is, dat men do vvoe-kelijkheid leert vluchten, zich dagelijks moer in de deugd versterkt, en toeneemt in do liefde tot .1 esus.
Het beste deel dor minnaars van liet kruis zijn kwellingen en smarten; eu alles goed gewogen, kan men zeggen, dat hij de rijkste is. die liet meest heelt te lijden. Maar slechts weinigen kennen de waarde van een zoo grooten schat.
De Schrijver der Navolging, die zoo goed do waarde er van kende, raadt do geestelijke men-schen aan, al hun genoegen en hun goluk in het lijden te stellen. Wij hebben elders breedvoerig over het lijden en over de voordooien, die hot aanbrengt, gesproken.
Vraag. Welk is de derde, wijze., waarop men het liriiis ran Christus omhelzen Iran ?
Antwoord. Wanneer men niet alleen van gan-soher harte do versterving, de verachting en allo lijden omhelst, maar zich boven alles daaraan hecht, met het bijzondere doel, om zich aan Jesus gelijkvormig te maken, volgens den regel, dien de heilige Ignatius, in zijne geestelijke oefeningen ons geeft; namelijk, dat wij wenschen on verkiezen, teu einde den goddelijken Verlosser na te volgen, en metterdaad meer op Hem
te gelijken, liever, indien de meerdere eer on glorie van God niet iiet tegenovergestelde ver-eiselit, arm te zijn met den armen Christus, dan rijk: verguisd met den Vbrguisden Christus, dan in oer on aanzien; als dwaas en nietswaardig geaulit voor Christin, die eerst voor zoodanig gelioudeu is, dan als wijs en voorzichtig op do-ze wereld beschouwd te worden.
De lietde, die onze harten aan Christus hecht, en ons van alle soort van goederen vervult, doet ons volmaakter smaken, wie Hij is, on wat Hij geloden heeft, naarmate wij ons beijveren, om in ons zeiven zijne smarten to gevoelen, op de wijze, die wij in het voorgaande Hoofdstuk hebben aangegeven.
Josus pleegt zich te vereenigon met diegenen, welke Hij bemint, daar liet der liefde eigen is, naar vereeniging te streven; en Hij veroenigt zich mot hen, naar do verschillende toestanden, waarin Hij zich in den loop van zijn sterfelijk leven bevonden heeft, nu als kind, door in hunne ziel bet merk zijner heilige kindsheid te prenten; dan als glorieus, en als op Thabor van gedaante veranderd, door hun oene straal zijner glorie mede te deelen; dan als lijdende, door hun inwendig zijne smarten te doen gevoelon; dan weder als in doodstrijd verkeerende aan het kruis, door hun kwijning on doodsingsten te doen on-
328
tlerstaan. Op die wijze vereenigt Hij hen zoo innig niet zicli, dat men zoude zeggen, dat zij â¢slechts één met Hem uitmaken.
Eene ziel, die dien verborgen schat heeft ontdekt, verlaat alles, om hem te bezitten; zij kiest do kwellingen voor haar aandeel, zj heeft die lief, zij schept er haar behagen in, en beschouwt zo als middelen, om meer tot haar God en Zaligmaker te naderen.
Vraag. Hoe kan men zich verloochenen aaiu/aan-lt;]e de vertroostingen, en zich, voor dezelve aan den goddelijken wil overgeven ?
Antwoord, Door niets te doen, om die zoetigheden te verkrijgen, en, integendeel, altijd naar kruisen te verlangen, gelijk do kuische minnares van Jesus, do heilige Catharina van Siëna deed, die eens, haar goddelijken Bruidegom aanschouwende, welke haar twee Kronen bood, de eene van goud en do andere van doornen, de eerste daar liet, en do andere aannam, en in haar hootd drukte.
Zoo moet ook elke getrouwe en edelmoedige ziel handelen: voor vreugde en gevoelige vertroostingen moet zij zich geheel aan haren be-minnelijken Verlosser overgeven, die, haar zoo onderworpen ziende, haar honderdmaal meer troost zal schenken, dan zij zou kunnon verlangen. Indien wij met Hein medelijden, zegt de
329
Apostel, opdat wij ook mede verheerlijkt worden. Kom: VIII, 17. Dit is nu wel van de toekom-Btige lieerlijkheid gezegd, maar Lij ondervond tocli ook, welke vreugde het lijden baart, dat voor Christus verdragen wordt; wat hij getuigt, waar hij aan de Corinthiërs schrijft: Overvloeiende hen ik van vreugde hij al onze verdrukking. TI, Coi'. Vil, 4.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de woordkk : God wil, dat wij Hem volkomen ön der worpen zijn, en dat wij ons door eene brandende liefde hoven alle rede verheffen. I, 14.
Vraag. Hoe kan me i zeggen, dat de hrandende liefde zich hoven de natuurlijke rede verheft, en ter het hereik van het menschelijk verstand ie bovengaat ?
Antwoord. Vooreerst, omdat de ziel, die dooide liefde God heeft leeron smaken, door de oudor-vinding veel beter begrijpt, wat God is, lt;lan men Hom door alle doordringendheid en allo licht van den geest kan kennen. Do reden hiervan is, volgens de meesters der mijstieke godgeleerdheid: omdat de mensch, onder den sluier des geloofs, tot God kan naderen, en zich door de
330
liefde, niet middeljjk, maar onmiddelijk met God kan veroonigon. Daarom overtreft de liefde do natuurlijke rode ver, omdat zjj rechtstreeks tot (xod nadert, zonder nochtans Hem te /ien gelijk Hij is; maar Hem geloovende gelijk Ilij is. Daarom zegt men ook, dat hot geloof, hoe duister het ook zij. al de kennis overtreft, die men, buiten liet aanschouwen van God van aanschijn tot aanschijn, van 'iet wezen cn de volmaaktheden Gods kan bezitten.
De gewone geloovigen zelven, die goloovon wat zij niet zien, hebben even goed God bij zich tegenwoordig als de Gelukzaligen ; met dit ouderscheid evénwel, dat de Gelukzaligen Hem zien gelijk Hij is; maar de geloovigen, ofschoon zij Hem gelooven gelijk Hij is, in verre na die duidelijke kennis niet van Hem hebben, als /ij, die Hem van aanschijn tot aanschijn aanschouwen.
Heeft men nochtans door de zuivere liefde, welke God doet gevoelen en smaken, het geluk verworven, van Hom te omhelzen, dan vereenigt men zich onmiddelijk met God op de wijze der Gelukzaligen : en in dio zoo innige vereeuiging krijgt men eeue kennis van God, welke onvergelijkelijk volmaakter is, dan die,quot;welke de bekwaamste leeraren door al hunne studie kunnen verwerven.
Stel u een geleerd en welsprekend mau voor, uit de noordelijke landen, die nooit wijn gedron-
331
leen hebbende, er in het openbaar over gaat spreken, en daartoe alles verzamelt, wat er ooit over geschreven is. Wat zal men van hem denken? Zij, die hem hooren, zullen zeker oordeclen, dat, hetgeen hij er van weet. niets beteekent, in vergelijking van de kennis, welke de gering-, ste landbouwer, die hem gedronken heeft, er van bezit, ofschoon hij overigens niet in staat is, om or juist en schoon over te spreken.
Vraag, Hoe wordt de natuurlijke keiDiis nog door de kennis, die de liefde voortbrengt, overtroffen ?
Antwoord. Door zoo na mogelijk tot God to naderen, eerder door de genegenheid des harten, dan door redeneering en nadenken van bet verstand; want hot is zeker, dat men op die wj)zc gemakkelijker en zekerder tot God nadert, dan door allo beschouwingen, hoe fijn ze ook mogen wezen. Pico van Mirandola, die nog meer door zijne geleerdheid, dan door zjjne hoogo geboorte uitschitterde, verklaarde eindelijk, na veel gelezen en veel geschreven tc hebben, dat het eeno groote dwaasheid is, zooveel te studeeren, ten einde de kennis van God te verkrijgen, daar men ze eerder en met minder moeite verwerft door do liefde dan door veel nadenken, terwijl er ook niets gemakkelijker is dan beminnen.
Deze wijze, om tot do kennis van God te komen,
332
beveelt de heilige Ignatius zijne volgelingen aan, aan wie Hij wil, dat na hunne studiën een jaar worde gegeven, om te loeren, zich op het innigst met God te vereenigen ; en dat jaar noemt hij «ene school, om liefdegevoelens in het hart op te wekken. Zijn inzicht is, dat zij, na zich langen tjjd te hebben toegelegd, om God door do studie te loeren kennen, tot Hem trachten to naderen, door de oefeningen der zuivere liefde.
Ons streven zij derhalve vooral in nederig-heid en liefde toe te nemen. God met kinderlijken eenvoud te zoeken, in Hem als to verzinken; zonder te diep in do goddelijke zaken te willen doordringen, maar ons tevreden stellende mot hetgeen het geloof ons dienaangaande leert; daar onze rede aan onderwerpende, en ons blind makende, om zoo te spreken, en in alles, niet liet licht des verstands, maar hot licht des he-Tficls volgende, ja, zelfs in de afhankelijkheid van een leidsman levende, om tot God te gaan, op de wjjze, zooals het de eenvoudigste men-â¢schcn doen.
Do ware godsvrucht bestaat niet in redenosren, noch in verhevene gedachten to vormen over do waarheden van het geloof; maar in nederige onderdanigheid van geest en hart, en heilige genegenheid, welke onzen wil aan God hecht en onzen geest verlicht. Inderdaad, de goddelijke liefde is
333
een vuur, dat niet minder licht dan warmte geeft: zoodat zij, in wie dat vuur gloeit, ofschoon zij overigens onwetend en weinig onderricht zijn, verhevene gedachten en gevoelens hebben over de geheimen van den godsdienst; zoo zelfs, dat zij in staat zijn, om de meest verlichten er van mede te deelen. Het is derhalve onnoodig, zich dag en nacht af te tobben, om door ingespannen studie zich vele kennissen te verwerven, daar do liefde geljjk is aan oen immer kalmen vloed, die, zonder gedruis, schatten van kennis en wijsheid in de ziel doet stroomen.
Vraag. Welk is de derde wijze, waarop de liefde de kennis overtreft?
Antwoord. Doordat zij den geest, hoe verheven die ook zij, aan het licht des geloofs onderwerpt, en eenc vurige liefde baven eene verhevene wetenschap doet stellen.
Deze wijze is weinig verschillend van de voorgaande; zjj voegt er alleen zeker geweid, zekere inbinding van het verstand bij, om deszells natuurlijke levendigheid te betoonen.
Sommigen zeggen: onze godsvrucht is geene godsvrucht van onwetende lieden; zij is verstandig, beredeneerd. Willen zij daardoor te kennen geven, dat zij op goede beginselen, op eene grondige kennis rust; dan is dat voorzeker zeer goed. Maar moet dat beteekenen, dat zij in de godde-
334
lijke zaken bloot redeneeren en bewijsvoeren als |)liilosofen, dan zijn zij in dwaling. De godsvrucht van den heiligen Bonaventura was van geeno andere soort, dan die van broeder Agidius; maar dit was het onderscheid tusschon beide, dat die van broeder Aegidius geheel van God kwam, en dat die van den heiligen Leeraar word gesteund door de kennis, die lijj door studio verkregen had. Doch wanneer de heilige Bonaventura met God onderhandelde, dan deed hij dit metovenveeleenvoudigheid als broeder Aegidiushet deed. De godsvrucht van den uitstekenden godgeleerde, pater Franciscus Suarez, was van denzelfden aard als die van den eenvoudigen broeder Xi-menes. Hierin alleen verschilden zij, dat pater Hu-arez de gronden voor zijne godsvrucht kon aangeven uit de godgeleerdheid, terwijl broeder Ximenes dat voordeel miste. Maar in de oefening van het gebed deed hij in nederigheid en eenvoudigheid voor den eenvoudigen Broeder niet onder. Hij schatte ook zijne godgeleerde kennis veel minder, dan de uitstekende gave van gebed, welke God hem geschonken had, en bij verklaarde, dat bij liever al zijne wetenschap wilde derven, dan een enkel uur aan zijn go-wjjon onderhoud met God te ontbreken.
Er is een zeer groot onderscheid tusschen het licht, dat uit do liefde en uit de genade voort-
335
vloeit, en het licht, dat door studie verkregen â wordt. Daarom bedriegen zij zich zeer, die raee-nen, dat men moet redeneeren over de zaken, welke de godsvrucht betreffen, even gelijk men redeneert over een wetenschappelijk onderwerp; en dat men dezelfde middelen moet aanwenden, om een geestelijk mensch te worden, als men gebruikt, om in de godgeleerdheid of in de wijsbegeerte te vorderen. Dat is eene gevaarlijke begoocheling, die zeer vele geleerden belet, om op den weg der volmaaktheid grooten voortgang te maken. Al de voortgang, dien men er op maken kan, hangt veel minder af van de beschouwingen des verstands dan van de genegenheden van den wil en van de blinde onderwerping, die men moet oefenen, èn aan God èu uan diegenen, welke Gods, plaats over ons bekleeden.
Men moet wel het woord gedenken der heilige Schriftuur: Indien (jij niet gelooft, suit gij nooit de waarheden, die u worden voorgehouden, begrijpen. Is. Vil, 9.
Velen lezen op gelijke wijze de Schrijvers der mijstieke als der schoolsche godgeleerdheid, zou-dci to bedenken, dat het voornaamste dool van de eersten niet is, het verstand te verlichten, maar den wil te ontvlammen. Hn daarom vinden zij aanstoot in het lezen van hunne werken, wel verre van die te smaken. Terwijl zij,
33G
ilie lozende in den geest, waarin xlij gesehreveit zijn, er niet alleen niets duisters in zouden vinden, maar, wat voor den menseheljjken geest een geheim is, zouden begrijpen, en een waar verlangen naar do volmaaktheid in hun binnenste zouden gevoelen. Met vurige liefde derhalve doet men voel meer, dan met diepe geleerdheid.
TIENDE HOOFDSTUK.
Over ue woordes. Hij in waarlijk yucd gt-h-erd, die den wil ran Oud duet. I, 3.
Vraag. Wat most men doen, out den wit van God ie colbrenyeu?
Antwoord. Daartoe worden vooral twee zaken gevorderd. De eene is, nooit iets te doen, wat men niet volkomen gelijkvormig oordeelt aanden goddelijken wil; de andere, dat alles, wat meti doet, alleen gedaan worde, omdat God het beveelt.
Wat de eerste betreft: het moeielijkste, nadat men eenmaal vast besloten heeft, van nooit iets anders te doen, dan hetgeen God wil, is, te weten waar die wil van God gevonden wordt; zoodat men met zekerheid kan zeggen: God wil dit; omdat een menseh van goeden wil, die overtuigd is van het groote belang, dat er voor Hem gelegen is in te doen, wat God van hem verlangt.
337
geeno moeite 'zal hebben, om er toe te besluiten, â wanneer hij hem maar kent; doch hierin is de grootste moeielijkheid gelogen.
Meu moet derhalve weten, dat er vooral drie zaken zjjn. waardoor men den wil van God met zekerheid onderselieidt van hetgeen de wil van God niet is. J)e eerste is do wet Gods, de tweede de beschikking der Voorzienigheid, de derde de ge-hoorzaamheid; Merbjj kan men eene vierde voegen, die meer verborgen en moeielijker te erkennen is. namelijk, de goddelijke ingeving.
Door (h wet Gods, verstaan wij alles, wat in de tien geboden vervat is, en alle verordeningen, die van eene wettige macht uitgaan, hetzij zij geselireven zjjn. of door de gewoonte zijn gewettigd en bekrachtigd. Daartoe behooren ook do algemeene bepalingen en verordeningen, die door Prelaten of geestelijke overheden gemaakt zijn. Dat alle:-! getrouwelijk nakomen, is, zich onderwerpen en gelijkvormig maken aan den goddelij-ken wil,
/gt;.- heschikkinf/cii der l 'oorsiettiyheid, te weten : de gebeurtenissen, die in geenen deele van den wil des mensehen afhangen, zijn ook duidelijke teekenen van den wil Gods, Tot deze moeten gebracht worden: ziekten, wederwaardigheden, slecht weder, onvoorziene toevallen, verlies van góederen, vervolgingen, in één woord, alles, wat
;gt;38
G(i(l niet aan on/e vrije beschikking overlaat; want wanneer wij al die zaken goed beschouwen, dan is liet duidelijk, dat, ofschoon de boosheid der menschen or deel aan kan hebben, het toch beschikkingen zijn van Gods Voorzienigheid, en uitwerkselen van zijn heiligen wil.
Daarbij komt nog de gehoorzaaniheicl, welke wij moeten betoonen aan hen, aan wie wij wet-tiglijk onderworpen zjjn. Want wij kunnen er niet aan twijfelen, of door hunne bevelen na te komen, volvoeren wij de bevelen van God; daar Jcsus tot zijne Apostelen, en in hen tot al zijne dienaren, gezegd hoeft: J)itgt; a hoort, hoort Mij. Luc: X, IG: en Paulus in het algom een aan allo geloovigen bevoelt, aan hunne oversten te gehoorzamen. Hebk: XIII, 17. Zij, dio in eene religieuze gemeente leven, onder een hoofd, dat hen bestuurt, hebben dat voordeel boven diegenen, welke vrij zijn, dat zij, door de gehoorzaamheid te beoefenen, altijd doen, wat God wil.
Wat de imjevmcj aangaat, daarin bedriegt men zich somtijds; en de moeite, die het kost, om de ware van de valsche te onderscheiden, laat den geest in groote onzekerheid aangaande den goddelij-ken wil. Het is nochtans zeker, dat eene ziel, wier inzicht volmaakt zuiver is, niet aan pijnlijke twijfelingen is blootgesteld, dewijl zij te
23.
__
339
goeder trouw handelende, en willende doen, wat het besto is, zich niet licht nal bedriegen ; en dat zij in alle geval te verontschuldigen zal zijn, wanneer zij, alvorens te handelen, de ingeving heeft onderzocht, en tot meerdere zekerheid personen, in het geestelijke leven ervaren, geraadpleegd heeft. Daarenboven volgen zij, die sedert langen tjjd door Gods Geest bestuurd worden, gewoonlijk de ingeving der genade en de leiding van dien heiligen Geest, en kunnen bijgevolg niet missen, van den goddelijken wil te doen.
De grootste moeielijkheid betreft die zaken, waartoe wij niet verplicht zijn, en die God aan onze eigen keuze overlaat; want daarin loopt men gevaar zich te bedriegen, en denkende den wil van God te volbrengen, zijn eigen wil te volgen. Dat is het geval met trage en onverstorven men-schen. Geheel hun gedrag is menschelijk, natuurlijk, en zij gaan in alles uit eigenliefde voort; of, schijnen zij eene handeling uit het beginsel van geloof en uit bovennatuurlijke beweegreden te verrichten, dan zoekt toch de natuur er dikwijls zich zelve in, en heeft er evenveel deel in als de genade.
Men moet zich derhalve niet verwonderen, dat er zoo weinige volmaakten zijn; omdat er zoo weinigen zijn, die zich naar behooren toeleggen, om den wil van God te kennen, in die zaken
' 7
340
welke aan liiuiuc vrije keuze zijn overgelaten. Men treft er maar al te velen aan, die in eet! heiligon, in lt;lo;i raligioazen staat leven, en die, tjuiteu hetgeen de regel hun voorsehrijft, en wat hun uitdrukkelijk door de oversten is hevolrn. bijna in alles de neiging der natuur involgen, zonder zich moeite te geven, om te onderzoeken, wat aan God het aangenaamste kan zijn. Vormen zij eenig plan, leggen zij zicli op deze o ' gene wetenschap toe, omhelzen zij eenige oe e-ning, het is niet, omdat God er hun do gedachte van ingeeft, maar, omdat zij er geneigdheid t gt;e gevoelen, er alleen het stoffeljjkc. het zinnelijk-.' in op het oog hebbende: omdat zij er, in t'én woord, Imnno voldoening in vinden; terwijl zi: zich inbeelden, dat men hun niets te verwijten heeft, daar God de zaak aan hunne vrije keus overlaat, en zij er niet het minste kwaad in zien.
Vraag. Hoe kan men dus erhennen, irelke de wil Gods is in die zap», waartoe men nietstren-f/elijk verplicht is?
Antwoord. Daartoe moet men op de eerste, plaats zorg dragen, van niet te doen zooals liet meerendeel der menschen, die vol eigenliefde zijn, en niets minder op het oog hebben, dan aan God te behagen. Dezulken handelen gewoonlijk uit drie verkeerde beginselen, welke zijn: luim, drift en eigenbelang. Daardoor ver-
341
wijdereu /.ij zich dan ook noi- van don wil van Gou, die sleclits gekend wovdï door kalme, bedaarde en onl)aiitzuclitige zielen. Voor alles dus moeten zij zich bcjjveren, om die drie oorzaken van ongeregeldheid uit zicli weg te ruimen; en dat is het eerste middel om te erkennen, wat God van hen vraagt, en het vervolgens ten uitvoer te brengen.
Hi't tweede middel is het i/ebed, waarin wij God vragen, al was het ook maar door eene eenvoudige verzuchting, dat liet Mem moge behagen, ons op den weg van zijn heiligen wil te geleiden. Daardoor verkrijgt men licht, om den god-delijken wil te kennen, en de ziel, aldus verlicht, kiest zeker het beste, en is in volkomen gerustheid aangaande alles, wat zij te doen heeft.
Het derde middel, wanneer men twijfelt, of men dit moet doen of' iets anders, is altijd meer, zicli te neigen tot hetgeen de zinnen versterft, dan tot hetgeen ze streelt; want, daar de Zaligmaker ons verzekert, dat de weg des hemels smal is, kan hij, die datgene verkiest, wat het meest niet het vleesch en de zinnelijkheid in strijd is, vast vertrouwen, dat hij den weg van den goddelijkcn wil bewandelt, en doet, wat Hem het meest welgevallig is. Daarenboven, dewijl hij hierdoor meer deugd betoont, en de eigenliefde hom niet doc-t handelen,kan God zijn licht hem niet weigeren.
842
Uit dit alles blijkt, lino mociolijk liet is, den wil Gods te erkennen, in die zaken, waartoe wij niet strengelijk verplicht zijn, en .lat die genade niet wordt geschonken dan aan hen. die God op-rechtelijk en in alles zoeken. Maar dezen ook, daar zij naar de hoogste volnianktheid streven, en God, die meer op den goeden wil. dan op iets anders ziet, altijd wil, wat het volmaaktste is, zullen voorzeker gemakkelijk erkennen, wat God liet meest welgevallig is.
Vraag. UW/.' is iln tweede ndii'. die luihdii/ is. om goed deit wil vctu Ood te rolhreiiyeuï
Antwoord. Daartoe is het niet voldoende, dat men stipt datgene doe. wat God wil: men moet het ook doen, omdat God liet wil: zoodat wij tot niets besluiten, ja, zelfs geene geneigdheid, voor welke zaak ook, in ons toelaten, dan alleen uit motief, omdat God het verlangt. Dit is een punt van het grootste gewicht, wat men nooit genoeg kan aanbevelen; want vooreerst, deze beweegreden is zoo uitmuntend, dat zij de verdiensten van onze goede werken zeer verhoogt: ten tweede, zij is zoo zuiver, dat er zich geen eigenbelang onder mengt: eindelijk, zij is zoo verheven, dat zjj ons recht tot de volmaakte liefde voert. Heett eene ziel goed begrepen, wat God wil, en is zij er goed van doordrongen, dan schat zij al het overige gering.
343
Maar men moet wol bemerken, dat, isquot; dit verheven, het ook zeer geestelijk is, en dat weinigen daartoe in staat zijn; zij, namelijk, alleen, die zuiver uit den geest des geloofs leven; want in die zaken, waartoe men niet streng verplicht is, vestigt men gewoonlijk den blik steeds op datgene, wat gro t en verheven is. Doch zij, die zich alleen den wil Gods ten doel stellen, zien weinig op de zaak zelve, die zij te verrichten hebben, in vergelijking van de beweegreden, die hen doet handelen. Aau die beweegreden hechten zij zich; dat is het eenige. wat zij achten; en zij zijn zoo onverschillig voor al het overige, dat goud en stroo hun volkomen hetzelfde zijn. Zij zijn er slechts op bedacht, om den wil van God ten uitvoer te brengen, en daarin alleen stellen zij hunne bevrediging en hunne rust.
Voor zoo iemand, bijvoorbeeld, zal zich de gelegenheid voordoen, om een beroemd redenaar te hooren, of om iets zeldzaams en buitengewoons te gaan zien; en te zelfder tijd stelt men hem voor eene of andere zaak te doen, die in zich zelve gering is, maar die aan God welge-valligor schijnt te zijn: Een religieus, bijvoorbeeld, zal door zijn overste aan een ander tot gezel worden gegeven, die moet uitgaan, om eenig goed werk te verrichten, zulk een religieus, overtuigd, dat God dit van hem vraagt, zal, wanneer
344
hij met don waren geest is bezield, alles vaarwel zeggen, om daar heen te gaan, waar hij gezonden wordt, en zal niet meer denken aan de preek, waarnaar hij wilde gaan luisteren, noch aan die zeldzame zaak, welke hij wilde gaan zien. Gevoelt hij tegenstreving, om zich daarin tc versterven, dan is dat een zeker teeken. dat hij nog niet goed begrijpt, welke de hooge waarde is der beweegreden, van Gods wil tc volbrengen, en dat hij niet weet, wat de zuivere liefde is. En daarom zal hij ook, wat hij ook moge doen, nooit iets groots verrichten; omdat hij zijn eigen wil boven dien van God stelt; en allo omwegen, die hij maakt, om zich van het tegendeel te overtuigen, zijn louter begoochelingen.
Men moet nochtans bemerken, dat, wanneer men ook besloten heeft, van niet meer, dan uir die zuivere beweegreden te handelen, en zich aan de geringste bezigheden te wijden, indien God het zoo wil; dat men er daarom niet terstond veel genoegen in vindt, wanneer men althans gewoon is geweest, meer schitterende bedieningen waar te nemen. Neen, daar men de zoetigheid nog niet geproefd en gesmaakt heeft, die in den goddelijken wil is opgesloten, ondervindt men walging in vele vernederende bezigheden. en vooral in dezulke, welke zwaar en lastig zijn. Doch, wanneer men eenigen tijd in die heilige
345
oefening heeft volhard, dan begint men te smaken, wat vroeger smakeloos scheen, en men vindt er eindelijk eene groote voldoening in. Dan ondervindt men een zoo groot genoegen in eene kamer te vegen, om aan God, die dat wil, te gehoorzamen, dat men die nederige bezigheid hoo-ger acht dan de schitterendste bedieningen, wanneer men daartoe door God niet geroepen is. Dit genoegen wordt somtijds zoo groot, dat men, eene bijzondere leiding der Voorzienigheid over zich ondervindende, mettertijd tot den hoogsten tra;) van eenvoudig.leid komt, wa^r men niets meer ziet, niets meer smaakt noch gevoelt dan God in alle zaken, welte die gelukkige toestand is, dien men een hemel op aarde kan noemen.
Men moet derhalve allen, die het geestelijk leven omhelzen, waarschuwen, dat zij zich niet moeten laten afschrikken dooi' de moeielijkheden, die zij in den beginne ondervinden; want het zal er mede gaan, evenals met het manna, waarvan de Israëlieten in don beginne een walg hadden, als van eene smakelooze en weinig voedzame spijs; doch, waarin zij naderhand don smaak vonden van de uitgezochtste vleeschspijzen. Dat zij standvastig in die oefening volharden, en zij zal hun een zekere weg zijn, om daar te komen, waartoe zij willen geraken, namelijk, tot den waren vrede des harten, en de innigste verecniging van de ziel met God door eene oprechte liefde.
346
ELFDE HOOFDSTUK.
Dn nederigheid, de (/rondsla;/ ran geheel het geestelijk leven.
Over dk woorden: Des metmhen verdiensten zijn niet af te meten, naar de menigte eer openharingen of vertroostingen, welke hij heeft noch naar de kennis de)' heilige Schrift, die hij he zit. noch naar den heggen rang, waarin hij geplaatsf is; maai' hierop komt het alleen aan, of hij in waren ootmoed goed is gevestigd, i 11, 7.
Vraag, ^\rat noemt gij den grondslag ran gelt eel het geestelijk leven'?
Antwoord. Datgene, wat tot steun verstrekt aan al do oefeningen, die noodig zijn, om wezenlijk deugdzaam te worden. Doch, daar het geestelijk leven, naar de verschillende staten, versehiliend kan beschouwd worden, kan men in het algemeen zeggen, dat liet op twee grondslagen rust, de eene meer verwijderd, om mij zoo uit te drukken, do andere nader lijj hetgeen men volmaaktheid noemt.
De meer verwijderde grondslag, volgens hetgeen we elders gezegd hebben, is de eerste stap, welken men doen moet op den weg dor lieilig-lieid, en die bestaat in het vaste besluit van .um God niets te weigeren, en van niets na te
317
laten, wat Hem welgevallig kan zijn. Alles, wat men doet, alvorens dit plan gevormd te hebben, kan, eigenlijk gezegd, niet tot het geestelijk leven gerekend worden, ofschoon het op zich zelt' ook goed zij.
Zij, bijvoorbeeld, die lange gebeden verrichten, eenige boetoefeningen plegen, ja, zelfs vele goede werken doen, maar die niet vast besloten hebben, van alles te doen, wat noodig is, om Clod ten volle te bevredigen, hebben de eerste gesteltenis nog niet, om volmaakt te worden; want al leefden zij ook tot aan het einde der wereld, in dezelfde gesteltenis blijvende, denzelfden gang gaande, zonder iets bij hunne gewone oefeningen te voegen, dan zouden zij nog altijd onvolmaakt wezen; en verwierven zjj ook al ee-nig verdiensten, zij zouden toch altijd verre beneden dien graad blijven, welken wij graad van volmaaktheid noemen.
Doch besluit men eenmaal, van niets achter te laten, van hetgeen men meent aan God welgevallig te moeten zijn, dan betreedt men den weg, die tot do volmaakte heiligheid voert. Ma ar men is nog aan hot begin, ofschoon velen zicli verbeelden, reeds den eindpaal bereikt te hebben. Ziedaar, wat men den grondslag van het geeste-Ijjk leven kan noemen; doch het is slechts de verwijderde grondslag.
348
Vraag. Welk is dan de nadere grondslag'?
Dat is die gesteltenis van de ziel, waarin men, de groote voordeden, dio de kennis van zicli zel-ven aanbrengt, door Gods verlichting erkend hebbende, zich zoozeer voelt aangedreven, om zich voor God en voor de menschen te vernederen, dat men zich volstrekt niet liekommert, over hetgeen men van ons kan zeggen of denken; die gesteltenis, waarin men noch eenig voorrecht, noch eenig blijk van onderscheiding verlangt; waarin men terstond de aangedane beleedigingen vergeet, zonder eenig gevoel van wraak in zijn hart te bewaren; ja, waarin men als ongevoelig wordt voor alles, wat op zijn eigen belang betrekking heeft. Alwie tot dien toestand is klinken geraken, moge hij ook vele verdiensten hebben, moge hij ook in jaren gevorderd zijn, hij verdraagt met vreugde, dat men hem als een kind behandele; daarover beklaagt hij zich niet, hij meent ook niet, dat men te weinig achting voor hem hoeft. !s hij in het religieuze leven onder gehoorzaamheid gesteld, dan is hij er volkomen mede tevreden, dat de Overste al zijne brieven leze, dat hij die wegzende ot terughoude, zooals het hem goeddunkt; en wanneer hij ook O]) de beroemdste kansels, niet alleen voor het volk, maar ook voor prinsen en vorsten, met al-gemeenen bijval gepredikt mocht hebben, hij neemt
349
niet kwalijk, dat men hem vernedert; integendeel, in do vernedering' stelt hij zijn genoegen, hij vindt er zijne rust in als in zijn middelpunt, altijd even vurig naar verachting verlangende, als de woroldsche meuschen op eer on hoogo waardigheden uit zijn.
Heeft eene ziel zich goed in die gesteltenis gevestigd, niet door een eenvoudig welgevallen, maar door eene edelmoedige en werkdadige lief-do voor de vernedering, dan kan men zoggen, dat zij weet, wat tic ware nederigheid is; en dat, heeft zij nog niet geloerd dio in al hare volmaaktheid ro heoefenen, zij toch het waie he-grip er van en liet verlangen er naar heeft.
Ziedaar, waarop liet geheele geestelijk loven gevestigd is; en deze grondslag wordt de nadere genoemd; dewijl men, deze eenmaal gelegd heh-bende, daarop een hecht gebouw kan optrekken, en dat gebouw der christelijke volmaaktheid tot zijne hoogste hoogte kan opvoeren.
Heeft iemand dien grondslag goed gelegd, dan is hij geschikt, om alle posten waar te nemen, om zich op waardige wijze van alle bedieningen te kwijten; aan zoo iemand kan God zonder gevaar zijne gaven toevertrouwen. Doch is die grondslag niet goed gelogd, en wordt hij door God tot een hoogen trap van beschouwing verheven, of wordt hij door de menschon do hoogste
350
eereposton waardig gekeurd, dan kan bij du speelbal der duivelen worden, en zich door den wind van lioovaardiglieid en eerzucht laten vervoeren. Vandaar dan ook, datzoovelon, die bet God behaagd heeft, met buitengewone genaden te begunstigen, door de bekoring overwonnen, in den atgr md nederstorten. Anderen zijn ei', die de duivel, gewoon zieh onder lt;le gedaante van oen engel des lichts te verbergen, zoodanig verblindt, dat zij hem niet erkennen, en lie zoo goede gedachte van zich zelven koesteren, zoozeer van hunne zelfgenoegzaamheid doordrongen zijn, dat zij naar den raad van niemand meer luisteren.
Daarom schatten de Heiligen de nederigheid zoo hoog, en wordt het verlangen naar verachting door den heiligen Ignatius een uitmuntende trap in hot geesteljjk leven genoemd. Dikwijls ook beval hij dien zijne eerste gezellen aan; en eenigen van ben, opgewekt door do onderrichtingen, welke hij hun daarover gaf, beoefenden die deugd op eene uitstekende wijze. In de geschiedenis van de Sociëteit wordt verhaald, dat Pater Jacobus Laijnez, do geleerdste Jezuïet van zijn tijd, een vermaard redenaar en Provinciaal vau de Italiaansche provincie zich beklaagde bij den heiligen Ignatius, zijn Generaal, dat deze al de beste werklieden zijner provincie naar Rome riep, waarvan hot gevolg
351
â was, dat de bezigheden in de colleges niet behoorlijk werden waargenomen. Do heilige Ignatius antwoordde hem zeer wijselijk, dat liet billijk was, liet algemeen belang boven liet bijzondere te stellen, en dat het van belang was voor den godsdienst, dat Rome beter van goede werklieden voorzien was, dan de andere steden. Doch, Laijnez ziende, dat de Heilige doorging met verschillende van zijn beste evangelische arbeiders weg te nemen, meende hem nogmaals het nadeel, dat hij daardoor lood, onder iiet oog te mogen brengen. Toen konde de Heilige zich niet weerhouden van hem een briefte schrijven, waarin hij hem zijn misnoegen te kennen gaf, dat hij, in weerwil van zijne verklaring, waarom hij aldus handelde, toch voortging met zich te beklagen, en zich daardoor minder gehoorzaam te toonen, dan het betaamde. âMeld mij,quot; voegde de Heilige er bij, âof gij, na alles wel overwogen te hebben, niet meent, eenc fout te hebben begaan, en zoo gij u schuldig bevindt. Iaat mij dan weten, tot welke boetdoening gij u zei ven veroordeelt.quot; Het antwoord van Pater Laijnez behelst een duidelijk bewijs van zijne diepe ootmoedigheid, en zijn brief heeft de geschiedenis letterlijk geboekt. Hij begint met don heiligen Ignatius te bedanken voor do goedheid, die hij gehad heeft, van hem zijne fout onder
het oog te brengen; vervolgens bekent hij ootmoedig, dat hij scliuldig is, en vraagt vergiffenis over liet leed, dat hij hem, vvien hij als den vader zijner ziel vereert, en wien hij allen eerbied verschuldigd is, door zijn ontijdig aarulnn-gen heeft aangedaan. Oj) de vraag van den aei-ligen Ignatius, om te weten, welke straf hij voor zijn gebrek aan gehoorzaamheid dacht verdiend te hebben, antwoordt hij, dat die, welke het zijn vader zal gelieven hem op te leggen, hem de aangenaamste zal wezen; doch daar de heilige Ignatius wil, dat hij zich zelf eeno straf op-legge, dat de minste straf, die hij meent te verdienen, is, dat men hem van zyn post ontzette, hem de studie verbiede, en dat men hem geen ander boek dan zijn brevier late behouden; dat men hem, zijn geheel leven lang, aan de kleine kinderen de spraakkunst late loeren, in één woord, dat men hom als het uitvaagsel beschouwe.
Hierbij voegt liij nog vele andere boetoefeningen, als: vasten en lijfkastijdingen: en hiertoe veroordeelt hij zich vrijwillig, en dat om eene fout, die anderen zoo licht zouden geoordeeld hebben, dat zij nauwelijks zouden hebben gedacht, dat het eene wezenlijke fout was; Maar dewijl hij door zijn overste er over is terec gewezen, keort hij in zich zelven, en beschuldigt hij er zich van met een ootmoed, dien wij niet
353
genoeg kumieji bewonderen in een man van buitengewone verdienste, een mai;, dien de Paus voor zjjn predikant liad uitgekozen, dien hij naar Tronte bad gezonden, om in Iioedaniglieid van zijn i^odgeleerde bij de Kerkvergadering tegen-â woordig fc zijn, die eindelijk do opvolger was van den lieiligeii Ignatius, als Generaal van do Sociëteit van Jesns.
Die voortreffelijke deugd moet men als den naasten grondslag van allo genaden en geestelijke gaven besrbouwen. Do heilige Ignatius wil ook, dat men, bij het onderzoek van hen, die zieli geroepen gevoelen tot de Boeiëteit, hen in t bijzonder vragó, en dat men van hen wete, ot zij nederigheid genoeg bezitten, om even vurig beleedigingen, valsche beschuldigingen en smaad te beminnen en er naar te verlangen, als de wereldlingen eereposten en waardigheden beminnen en begeeren. Daarop moet het geestelijk gebouw worden gevestigd, volgens de woorden van den heiligen Augustinns: âWilt gij uw gebouw hoog optrekken, wee.s er wel op bedacht, het goed op de nederigheid tc vestigen.quot; Daar de heilige Ignatius boven alles wensehte, dat allen, die in do Sociëteit werden opgenomen, naar eene verhevene deugd streefden, daarom wilde hjj, dat men hun die volkomeuo verachting van zich zeiven, als den grondslag van al het ove-
354
rigo zou voorstellen, en hij zelf liet niet na, zoolang hij leefde, diegenen, welke hij bestuurde, daarin te oefenen.
Vraag. IVat moet men doen, om tot dien trap van nederigheid te geraken?
Antwoord. Daartoe worden vooral drie zaken gevorderd.
Op de eerste plaat*, moet men goed beschouwen, waarin de deugd van nederigheid bestaat, en wel begrijpen, van hoe groot belang' het is, zich zelven te verachten; daarbij ijverig in oefening brengen, wat wc daarover gezegd hebben, en dikwijls zjjne voornemens dienaangaande vernieuwen en versterken; vooral zich wachten, van vertoornd te worden of ai'keerige gevoelens te koesteren, welk ongelijk men o ik te verduren moge hebben.
Ten tweede zorge men. bij al de gelegenheden, waarin men zich beleedigd acht, terstond het gevoel van gramschap, dat iu het hart ontstaat, te onderdrukken; en ten einde het te stillen, wa-pene men zich met het geloof, en roepe men zich de heilige gedachten voor don geest, die men in het gebed heeft gevoed.
Ten derde, lette men telkens bijzonder daarop in zijn gewetensonderzoek, als op een punt van hot hoogste belang: on bemerkt men, dat men er
24.
355
in ontbroken hoeft, dat men zich eenig luivd en onvriendelijk woord heeft laten ontvallen, dan verwekke men daarover een oprecht berouw, heschame men er zich over voor God, kastijde men zijn lichaam er strengelijk voor; en ton einde den geest door het vloesch tc vernederen, zij men waakzaam, om altijd mot groote terughouding te sproken, in die gelegenheden, waarin men van zijne nederigheid, zedigheid en zachtmoedigheid blijken moeten geven.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Het volmaakt (jehruik can het geloof.
Over de wookden: Leg u toe, om uw lud't van de liefde tot de zichtbare zaken te ontdoen, en u tot de onzichtbare te begeven. I, 1.
Vraag. Waarin is het ware gebruik van het geloof (jelegen?
Antwoord. Dat men zich toelegt, om zijn geest geheel en al te vestigen, niet op de voorwerpen, die de zinnen treffen, maar op datgene, wat hot God behaagt heeft ons te openbaren.
Do mensch is van nature geneigd, zich met die voorwerpen bezig te houden, welke de â¢zinnen troffen, daarop zijne aandacht te vestigen.
or behagen in to sclieppen; tlocli zoo handelen, is handelen uit natuur, en niet volgens hot go-loo!', dat aan onzen geest voorworpen voorstelt, die voor onze zinnen ongenaakbaar zijn. Do geestelijke mensch vestigt zijne aandaoht alleen op hetgeen God door zijne tolken, dat is, door de apostelen en de profeten geopenbaard heeft; namelijk, op do zaken des homels en der eeuwigheid, o[) de geheimen van het leven en op de loer van Christus. Dat hobben zij voortdurend voor oogen; daarvoor voeden zij liefde; daar honden zjj zich niet minder mede bozig, als zij, dio zich door de zinnon laten leiden, met de tij-dol jjke zaken.
Een wereldseh mensch, dio uit natuur of volgens de menschelijke rede handelt, denkt alleen aan hetgeen het tegenwoordige leven aangaat, om zijne fortuin goed to vestigen, om zijne kinderen goed in de wereld te plaatsen, om een aanzienlijkon post te verkrijgen, dat is het doel van al zijne zorgen, van al zijn zwoegen. Maar hij, die volgens den geest dos geloots leeft, beijvert zich slechts, om de goederen der eeuwigheid en do grondstellingen des Evangelies te kennen en te smaken. Daarop zijn al zijne gedachten gevestigd, dat is het voorwerp van al zijne verlangens, daarnaar streeft hij niet don vurigston ijver, ja, vuriger dan anderen do ver-
35 7
gaukelijke goederen verlangen en nastreven.
K gt;11 voorbeeld zui ons deze waarlieid ophelderen.
BüsoIiouw hot leven, dat de heilige Jozef op aarde leidde. Hij was bijna do eenige, aan wien öod het grootste en verhevenste van alle geheimen geopenbaard had. Altijd had hij in zij-ne woning, en bijna altijd voor de oogen ecne Maagd, die Moeder was van oen Kind, dat God, en de eenige Zoon van den eeuwigen Vader was, een Kind, dat alle schatten der hemelsehe wijs-hoid bezat, en dat alleen in staat was, den men-sel'on do wetenschap des heil» te leeren, en hen van don dood te verlossen. De kennis, die hij van dit geheim had, was zeker; want hij had die door openbaring verkregen. De gedachte er aan was hem zeer gemeenzaam en zeer zoet geworden; wont God vereenigde in hem zoo goed de zorg voor de uitwendige zaken met de besohou-wjnr der goesteljjke, dat hij, zondoi veel moeite, al do vermogens zijner ziel voortdurend op den Godmensch,. en op de heilige Moedermaagd gevestigd hield. Desniettemin verrichtte hij zijne bezigheden, en hij was niet genoodzaakt, die te onderbreken, daar hij, met welke uitwendige zaken ook bezig, zich inwendig aangetrokken gevoelde, door het eenige. voorwerp zijner liefde, dat hem altijd voor den geest zweefde.
358
/,oo ook leggen zij, die volmaakt uit den geest van geloof trachten te leven, zicli zoozeer op liet inwendige leven toe, dat zij al liet overige daartoe terugbrengen, en daaraan dienstbaar maken. Vandaar, dat zij zeer weinig belang -teilen in do zaken van het tegenwoordige leven, en in alles, wat de zinnen kan streelen. \ erlies van goederen, de dood van diegenen, welke zij hot hoogste achten en het vurigste beminnen, en andere dergelijke voorvallen treffen beu, als liet ware, niet, in vergelijking yan datgene, wa_ op do zaak hunner zaligheid betrokking hooft; daar zij zich op die belangrijke zaak met allen mogelijken ijver toeleggen, en slechts eene matige zorg wijden atm de zaken dezer aarde, volgens de vermaning van den Apostel: Dit dan^hroed'-i's, zeg ik: de tijd is beperkt; er blijft over. duf ook die wouwen hebben, zijn, alsof zij ze niet hebben ; i'ii die ireeuen, «hof zij niet weenen; en die zich verblijden, alsof zij zich niet veMijden; en die Icoopen, alsof zij niet bezitten; en die gebruik maken ran deze wereld, alsof zij niet i/ebrnik maken; want de gedaante dezer w -reld lt;/uat voorbij. I, Cor. VII, 29-31.
Vraag. Wat moet men doen, urn tot die eolko-mene onthechtiny van alles te geraken?
A. Men moet zich tijdig oefenen, en langen tijd voortgaan, met al de vermogens der ziel, voor-
359
al liet verstand en den wil, te gebruiken, om de zaken, die ons door hot geloof bekend zijn, goed te begrijpen, on genegenheid daarvoor in zijn hart te voeden. Mon moet de ongeregelde neigingen des harten onderdrukken, wanneer het met te voel genegenheid en drift tot de zaken der aarde getrokken wordt.
liet verschil tusschon de gewone rechtvaardigen en den heiligen Jozef, wiens voorbeeld wij hebben voorgesteld, bestaat hierin, dat die groote Heilige volstrekt geene moeite gevoelde, om zijn geest op die voorwerpen te vestigen, waaraan een ieder voortdurend moest donken, maar die wij weldra uit liet geheugen verliezen. Zelden verloor hij do twee beminnelijkste personen der wereld uit hot oog, Maria namelijk, zijne Bruid, en Jesus, die in de mooning dor wereld voor zijn Zoon doorging; Jesus, dien hij beminde met al de teederheid, welke do natuurlijke liefde aan een waaraelitigen vader of aan eene moeder kan inboezemen; gelukkig van zooveel gemak te vinden in datgene, wat voor anderen zoo mooiolijk is; zoo nioeieljjk, zeg ik; want zonder zich veel geweld aan te doen, kan men zijn geest niet voortdurend op die voorwerpen gevestigd houden,hoe beminnelijk en bekoorlijk ze ook mogen zijn, en men moot zich veel moeite geven, alvorens do ziel er geheel ou al van doordrongen is.
300
Niets zal ons daartoe meer helpen, dan de beoefening van het gebed en deoverweging; daarbij kan men nog vele andere middelen voegen, van welke wij elders reeds gesproken hebben, en die ons door de geestelijke schrijvers worden aangegeven. Maar do zwakheid van den men-schelijken geest is als een gewicht, dat hem altijd, bijna zijns ondanks, naar dc stoffelijke zaken heentrekt; zoodat hij eene groote vastbeslotenheid noodig heeft, om zien staande te houden, en altijd hooger op te klimmen in de beschouwing van de verhevenste geheimen dos ge-toofs.
Het is waar, dat men onder de dienaren Gods twee soorten kan onderscheiden. Dc eencn hebben bijzondere genaden ontvangen, die zeer veel helpen om hun geloof to versterken, en die hen eoniger wijze deelachtig maken aan hot groote voorrecht, hetwelk, zooals we zeiden, de heilige Jozef genoot; want bij die hemelsche bezoeken ontvangen zij zulke heldere verlichtingen, en ge-voelen zij zich zoozeer boven de zichtbare schepselen verheven, dat zij dikwijls de tegenwoordigheid van Jesus of van de heilige Maagd of van de heilige Engelen in zich gevoelen; hetgeen hun op eene wonderbare wijze de waarheden van den heiligen godsdienst doet begrijpen.
De andoren hebben dion overvloed van ver-
361
lichtingen niet. Zi] zijn slechts op gewone wijze verlicht, en het kost hun altijd moeite en inspanning, om de geestelijke zaken in hunnen geest te prenten. Dezen moeten zich nochtans niet ontmoedigen. Maar, wat zij moeten doen? Zij moeten de grondstellingen van liet Evangelie bestudeeren; zij moeten zich uit alle kracht toeleggen, om de christelijke deugden te verwerven, volgens de kennis, die zij er van hebben, zonder het verlangen te koesteren, zich op eene andere wijze, dan door eene st uidvastige getrouwheid, tot God te verheffen.
Zoo doende, zal hot geschieden, dat ófwel God hunnen geest zal verlichten, en hun dc bovennatuurlijke cn goddelijke zaken zal doen begrijpen, volgens de belofte, die Jesus aan zijne leerlingen deed, dat Hij zich aan hen zou openharen. Jo: XIV, 21; otwel dat zij zonder andere hulp dan een gewoon geloof, een volmaakten vrede des geestes verwerven, en dagelijks toenemen in de kennis en in de liefde van onzen Heer, Jcsus Christus.
Maken zij daarin zoo grooten voortgang, dat zij vast besloten zijn, van alles te volbrengen, wat God van hen zal vragen, dan zal Hij hun ongetwijfeld schenken, wat Jesus aan henT die zijn woord onderhouden, beloofd heeft: na-m el ijk, het honderdvoudiye reeds in dezen tijd.
362
Marc: X, 30; zoodat zij, stcods toenemende in geloof en in liefde, geen ander verkeer meer zullen hebben dan in den hemel, on reeds in dit tegenwoordige leven God zullen genieten op eene wijze, die volgens het getuigenis der Mei-ligen voor de rechtvaardigen een hemel O] narde is.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
2)',' IwrinneriiKj aan het Lijden des Jleere*'.
Over de woorden: Zijt gij niet in stiuit, de hemelsche en verhevene zaken te hesclioniren, olijf dan hij de overweging van J'esus' Lijden â -â Ukiii, en vertoef gaarne in zijne heilige wonden, il. I.
Vraag. Welke is de geschiktst'' oefen in;/, om eene volmaakte liefde tot God te verkrijgen i
Antwoord. Dat is; zich het Lijden van Jesus voor oogen te stellen, daar altijd aan te denken, totdat men zijn hart van een levendig modelijden doordrongen gevoelt voor een God. die, om de wereld te verlossen, een man van smarten geworden is. De heilige Franeiscus zeide, dat hij zich in zijne ziekten nooit verveelde, omdat hij altijd, in het beschouwen van de smarten des Zaligmakers, stof vond tot heilige gedachten.
363
Hij, die tot de ware godsvruclit en de zuivere liefde tot God wil geraken, moet zich dikwijls het geheele leven van Jesus voor den geest brengen, maar vooral den smaad en de smarten van zijn dood: en om or een levendig beeld van in zijn geest te prenten, moot hij zieh van eene gemakkeljjke wijze bedienen; bijvoorbeeld, zich een berg verbeelden, waarop zich verschillende kapellen bevinden, welke als zoovele staties zijn, die ieder een bijzonder tafereel van het Lijden des zaligmakers voorstellen. In de eerste stelle men zieh Jesus voor, bedroefd en in doodsangst, als in den hof van Olijven; in do tweede, versmaad en geslagen bij de twee hoogepriesters, Annas en Caïphas: in de dorde, bespot en als een dwaas behandeld aan het hof van Herodes; in de vierde, gegeeseld, met doornen gekroond, en ter dood veroordeeld voor de rechtbank van Pilatus; in de vijfde, stervende aan het kruis; in de , zesde, gestorven en begraven. Zich gewoon makende, dat alles te overwegen, doet men in den geest, wat do heilige Carolus Borromeus in werkelijkheid deed, op den berg Varallo, waar men verscheidene bidplaatsen ziet, gelijkend op die, waarvan wij een denkbeeld gaven; en daarin hield de heilige Kerkvoogd mot veel godsvrucht zjjne staties. In vele oorden der christen wereld worden dergelijke plaatsen, toegewijd aan de ge-
364
(lachten is van hot Lijden des Zaligmakers, gevonden. Dit is de eerste oefening, waarvan men zich bedienen kan, om zich het beeld van liet Lijden en van den dood van Jesus in den geest tc prenten.
De tweede is, dat men bij alle smarten, die men te verduren hoeft, hetzij ziekten, hetzij kwellingen, hetzij vervolgingen of vrijwillige boetoefeningen, zich liet bitter Lijden en de wonden van Jesus herinnert. Daardoor wordt een diepe indruk in de ziel teweeggebracht, die zicli van liefde ontvlamd gevoelt voor Hem, die zooveel voor haar heeft geleden, volgens deze woorden van den Schrijver der Navolging; Niemand c/e-roelt het Lijden van Jesus zoo hartelijk, als hij, die ids dergelijks heeft moeten verduren. II, 12; zoo moet men ook in verdriet, verveling, angstvalligheden en ongerustheden, die ons in dit leven overkomen, denken aan de verlatenheid, aan de droefheid, aan al de inwendige smarten, waarvan de ziel van Jesus overstelpt werd, en zich aldus door geest en hart met Hem vereenigen.
T)e derde is eeno gevoelvolle rede, of een ot andere godvruchtige overweging over het Lijden van Jesus te lezen, ten einde er ten volle over onderricht te worden. Pater Ludovicus van Grenada is een van diegenen, welke het best over deze stof hebben geschreven. Het is ook goed,
305
in de goede week, een of ander vurig en ijverig redenaar te gaan hoeren; want liet is zeker, dat eene goed gestelde en goed voorgedragen preek over deze stof lievige gevoelens in de li rten voortbrengt, en wel om drie redenen.
De eerste- is, omdat men komt luisteren in eene goede stemming dos harten, en met het doel om er voordeel uit te trekken, dewijl men er aan denkt, om te biechten en zich met God te verzoenen.
De tweede is, omdat hij, die preekt, zoolang kan spreken als het hem goed dunkt, zonder dat men zich verveelt; omdat het volk, dat gewoonlijk klaagt, dat de preeken te lang duren, op goeden vrijdag besloten is, naar de geheele geschiedenis van liet Lijden des Zaligmakers, met alle bemerkingen, die er bij gemaakt zullen worden, te luisteren.
De derde, omdat er geun onderwerp zoo schoon en zoo gevoelvol is als dir. Daarom is den redenaar oen ruim veld gegeven, om zich uit te breiden, en veel nut onder zijne hoorder- te stichten.
Ik kan verzekeren, dat ik het zelf ondervonden heb, en dat ik uit ondervinding spreek: want in het jaar 1628 had ik het geluk een beroemd redenaar te hoeren, die gedurende drie a vier uren met zooveel kracht en op eene zoo gevoel-
3 «6
vol!o wijze, over liet Lijden van Jesus sprak, dat ik ev levendig door getroffen werd, waardoor ik begreep, hoe krachtig een goede preek over het Lijden werkt, en nooit heli ik er naderhand aan gedacht, of de eerste indruk werd terstond in mijn hart hornieuwd. Die redenaar was een Jezuïet, die toen ter tijd zeer bekend was, en in hcoge achting stond. Ziehier liet plan en de verdeoling zijner rede. In hot eerste 11111- oegon hij niet do grootheid en de waardigheid vooi te stellen van Dengene, die voor ons gestorven is; wat tot grondslag van al het overige moet dienen. Vervolgens verhaalde hij op eene eenvoudige wijze de geschiedenis van het Lijden, dat hij in verschillende doelen verdeelde. In het tweede uur vervolgde en voltooide hij, na eene korte pauze, wat er van de geschiedenis overbleef. Lu het derde uur, na wederom eene pauze gemaakt te hebben, nam hij het crucifix in de hand, vertoonde liet aan liet volk, en noo-digde zijne toehoorders uit. vooral drie za-ken tc bemerken, bij liet bcschouwen van het^ beeld van een gekruisigden God. A ooreerst, de uiterste gestrengheid van de gerechtigheid, welke de Vader ten opzichte van zijn Zoon heeft geoefend; ten tweede, de waarde eener ziel, voor wier zaligheid de eenige Zoon van God zijn bloed niet gespaard heeft; ten derde, de oneindige liet-
307
de, die God voor de mensclieu gehad lieoff.
Al deze zaken, in gezegde orde, en zeer bri jd-voerig, met grooten ijver eu op eone gevoelvolle wijze, uitgelegd, bi-acliteu wonderbare uitwerkselen in do harten teweeg. Vooral verwekten zij er eene teedere liefde voor den lijdende). Je us, wiens beeld, in de ziel gegrift, esu onwaardeerbare schat is; want, wanneer men zicli eene gewoonte gemaakt heeft, van aan Hem te denken, cn medelijden met zijne smarten te voeden, dan kan het niet anders, of men moet Hem beminnen; dewijl liet medelijden, dat men met Hem gevoelt, en het beginsel èn het uitwerksel van zijne liefde is.
li m
i 'i'ii
VEERTIENDE HOOFDSTUK'.
De goederen, tvelke zij, die de deuyd 0)nlie/-zen, in dit leven kunnen verwachten.
Over de wooudex : Zij, die zich orijwillvj zullen onderworpen hebben aan uwen cdlerheüigst'U dienst, zullen f/roote genaden, ontvangen; zij, di â mt liefde tot U alle zinnelijk genotgen zullen verworpen hebben, zullen de allerzoetste vertroi/s-ting des heiligen Geestes smaken. Ill 10.
368
Vraag- Wc it kan hij, die de deuyd omhelst, in dit lecen verhopen?
Antwoord. Dat luj tot liot ware geluk zal komen, in zoo verre do menseli dat in dit ballingsoord genieten kan.
Vraag. Waarin bestaat dat ware yeluk?
Antwoord. In met God vereenigd on van God vervuld te zijn; en don overvloed te genieten van do kostbaarste goederen, die 0|gt; deze wereld gevonden worden.
Vraag. Maar welke zijn meer in 't hijzonder die soort van goederen?
Antwoord. Vooreerst, datgene, wat de heilige Paulus, in zijn brief aan de Ephesiers, all e di' volheid Gods noemt. Epli: III. 19. Dat wil zeggen: die volheid van gaven en volmaaktheden, welke God in al de vermogens van den mensch uitstort, wanneer Hij, tot loon van de pogingen, welke hij aanwendt, om Hem welbehaaglijk te zijn, om mij zoo uit te drukken, tot in zijn binnenste doordringt, en hem geheel en al vervult. In dien toestand bezit men God, is men vervuld van God, eu het lichaam zelf wordt er geheel door geheiligd. Zoo ondervindt men, dat onze goede werken reeds overvloedig in deze wereld worden beloond, zonder te spreken van de belotte, die de goddelijke Zaligmaker gedaan heeft aan diegenen, welke in zijnen dienst volharden, dat Hij, name-
869
melijk, na lien in dit leven met gunsten overladen hee
te hebben, hun daarenboven liet eeuwig loven no(
selienken zul. Dit verzekert Hij hun door deze wa
av oord on: En ahrie huis, of hroeders, of zusters, me of â o/f';', of moeder, of erouw, of kinderen, of i roe ah'hrs, om mijnen naam verlaat, die zal hetho)i-
derdvoud ontcanyen, en het eeuwiij leren bezitten. Zo
Sit. XIX. 29. vo
Het is dan waar, dat God iu zijne goedheid en in
milddadigheid, aan diegenen, welke zijn woord or
nauwgezet onderhouden, die zijne geboden na- ge
komen, en zijne raden opvolgen, een volmaakten de
vrede schenkt, en dat deze de vrucht is van zijne h(
genade en van de liefde, die Hem zoo nauw met di
hen vereenigt; zoodat zij zich waarlijk gelukkig vi
kunnen noemen, daar )ioeh dood, noch, leven, noch li
het zwaard, noch vervolging,noch hoogte,noch diepte, d
noch- ecnig ouder schepsel hen scheiden kan van z
de liefde (rods. Rom: VII i. 35, 38, 39. Maar k
elke liefde is niet voldoende; daartoe wordt eeno «
liefde gevorderd als die, waarvan de heilige Pan- z
lu^ brandde, en waarvan de Heiligen ontstoken ö
waren, die God in hun binnenste voelden wer- c
ken, on die zoozeer van Hem vervuld waren, dat t
de genade zich somtijds van den geest aan het lt;
vieesrli mededeelde. Sommigen dan ook passen, i zoo als we elders reeds hebben aangemerkt,
hierop toe, wat do heilige Paulus zegt: noch oog
heeft gezien, noch oor heeft gehoord, en het is nooit in de gedachte van den mensch opgekomen, wat God bereid heeft, niet slechts in liet toekomende leven, maar ook in liet tegenwoordige, voor diegenen, welke Hem beminnen. 1. Cor: II. J.
Inderdaad, al wie, volgens liet woord van den Zoon Giods, zich volkomen van de genegenheid voor de aardsche zaken ontdoet, wordt zoozeer in liefde tot Hem ontvlamd, on zoodanig in Hem omgevormd, dat alle genietingen van konin gen niets zijn, in vergelijking der zoetigheden en der gevoelige vreugde, wolko de tegenwoordigheid Gods in zijne ziel voortbrengt. Dit blijkt
duideljjk uit vele beloften des Zaligmakers, waarvan ik reeds gesproken heb. Zoo iemand Mij liefheeft, zeide Hij, hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebhenj en Wij zullen tot hem komen, en ivoningfi bij hem maken. Jo: XIV, 23. Eu elders; Indien iemand mijne Mem zal hooren, en de deur opendoen, Ih zal tot hem inkomen, en met hem maaltijd honden, en hij met Mij. Openb: 111, 20. Kn wederom; Er is niemand, die huis, of broeders.,, verlaten heeft, of hij zal honderdmaal zooceel ontvangen. Marc; X, 29, 30: dat wil zeggen: onwaardeerbare schatten van genade.
Stellen wij ons dus den rijksten, den geluk-
371
kigsten mensch der wereld voor, of die tot do 00,1 hoogste waardigheid op deze aarde verheven is. 1ÃV Indien deze uit liefde tot Jezus aan zijne goede-ren, aan zjjne genoegens, a:in zijne waardighe- quot;a; den vaarwel zegt, dan zal hij, al mocht hij ook ku het uiterste gebrek lijden, en aan allerlei vervol- 'nl gingen ter prooi zijn, in dit loven reeds het ^01 honderdvoudige er voor erlangen. En wat zal 1,lf hem gegeven worden? Ofschoon de Zaligtnaker '/AC: schijnt to zeggen, dat hem die zaken, waarvan se hij zich ontdaan hoeft, ruimschoots zullen teruggeschonken worden, hetgeen ook somtijds lt;j;e- 111 beurt, zoo moet men toch, in het algemeen ge- Vl sproken, dat honderdvoudige niet letterlijk nemen, ''' niet in don stoffel ijken, maar in den geestelijken l'' zin, het verstaande van dien imvendigen vrede, j s( welken de Heiligan genieten. Immers, men moet ^ zich niet verbeelden, dat men voor één vader, n voor ééne moeder, voor één huis, dat men ver- v laat, er honderd andere terug zal ontvangen; t maar men zal een volkmaakten vrede smaken, c overvloedige geestelijke vertroostingen erlangen, waardoor alles, wat men voor God heeft verlaten, ' rijkelijk zal worden vergoed. 1
Hetgeen wij zeggen, wordt ook èn door do voorbeelden der Heiligen, èn door do rede zelve, bevestigd. Want, daar God, wiens milddadigheid grenzeloos is, ter verlossing der mensch en zijn
372
eenigen /0011 aau den kruisdood hooft overgeleverd, en Hem ter hunner heiliging in het heilig Sacrament des altaars heeft geschonken, en hun daarbij nog zijn heiligen Geest heeft gezonden, kunnen wij met recht daaruit besluiten, dat Hij hun zulke groote gaven niet heeft willen mede-deelen, of Hij moet ook willen, dat zij er voordeel mee zouden doen; maar hij vraagt ook, dat zij zich dezelve waardig maken, en dat zij de beletselen uit den weg ruimen, die zij zeiven aan zijne liefdegaven stellen. Men ziet het licht, zoodra men datgene wegneemt, wat het voor onze oogen verbergt. Verwijderen wij de schepselen van ons, die ons van het gezicht des hemels berooven, ontdoen wij ons van de genegenheid voor het aard-«che en van de liefde voor ons zeiven, en terstond zal God zich aan ons mededeelen. Naarmate men de zinnelijke voorwerpen uit geest en hart verwijdert, doet men de geestelijke daarbinnen treden. Is God goed. Hij is niet minder heilig: en niemand is waardig. Hem te ontvangen, die niet zuiver is, gelijk God zuiver is. Van hot oogenblik af, dat de ziel is gezuiverd, treedt God er binnen, en vestigt er zijne woning.
Ontvangen wij die groote 'gunsten niet, welke Hij aan anderen mededeelt, dan komt dat, omdat wij die niet verdienen; wij moeten do schuld daarvan slechts aan ons zeiven toeschrijven; want
37a
Hij heeft alle nienschen geschapen, met het doel, om zich aan hen te openbaren, in deze wereld door het geloof, en in het andere leven door het zaligend aanschouwen. Allen derhalve, die zicli niet ijver toeleggen, om hun vleesch te versterven, hun hart te zuiveren, kunnen zich verzekerd houden, dat God in hen is, dat Hij al hunne vermogens: hun verstand, hunnen wil, hun geheugen, ja, hun zinnelijk begeervermogen en hun vleesch zelfs vervult, en dat Hij milddadig zijne gaven in hen uitstort; gaven , welke de apostel, hemelsche yaven en kvach-Un 'h:)' toekomende eeuwen noemt. Hebr: VI, 4, 5; opdat zij daardoor geholpen een engelachtig loven kuni 1c' u leiden.
Dat is dus het eerste, wat het geluk uitmaakt van de zielen, die door de genade gezuiverd zjjn. En om meer in hot bijzonder te treden; hun verstand is helder verlicht, ten opzichte van alles, wat God en hen zei ven aanbelangt; hun wil is van vurige liefda voor hut opperste Good ontvlamd; hun geheugen is zoodanig van de zoete herinnering aan God vervuld, dat zij aan niets anders denken dan aan God. en aan do plichten, die zij te vervullen hebben; hunne verbeelding stelt hun slechts bovennatuurlijke voorwerpen voor, terwijl de natuurlijke er worden afgeteekend in do verhouding en in de orde, waarin zij moe te n
874
staan ten opzichte van God; hun zinnelijk begeervermogen wordt bestuurd door den heiligen Geest, die al deszelfs bewegingen zoodanig regelt, dat zij niet weinig bijdragen tot hunne meerdere volmaaktheid; hun lichaam zelf deelt eeniger mate in de genoegens des geestes. en verheugt zich met den geest in God; geheel de mensch eindelijk is zoo vol van bewondering op het gezicht van do goedheid, die God hem betoont, en zoo verrukt door den heldoren glans zijner zuiverheid, dat hij er door opgetogon on buiten zich zelven is.
Wat wij hier zeggen, overkomt somtijds aan personen, die zioh nog niet volmaakt hebben gezuiverd, en die God tot een hoogen trapquot;,van deugd wil opvoeren; maar het is de gowono^toe-stand van diegenen, welke tot de volmaakte zuiverheid gekomen zijn; en dit maakt ook hun geluk in doze wereld uit, en een waar en standvastig geluk; want zonder visioenen, zonder openbaringen, zonder verrukkingen, door de getrouwe medewerking mot de genade alleen, komen zij tot eene nauwe vereeniging mot God, waaruit een rijke schat van geestelijke goederen voor hen voortvloeit; on wel goederen, die hun door niemand kunnen ontnomen worden. Men kan dan ook zeggen, dat zij waarlijk gelukkig zijn; en men moge tegenwerpen, dat, wan-
neer dit waar was, men dan een veel grooter getal menselien gelukkig moest zien, als men ei-aantreft, en er ook werkelijk zjjn; tooit blijft het waar, dat dit de orde is door God gesteld, en dat, wanneer allen die uitwerkselen niet gevoc-lon, do oorzaak daarvan to zoeken is in hun gebrek aan getrouwheid in het beantwoorden aan de ingevingen des lioniols.
Want, gelijk God allo menselien, niemand uitgezonderd, wil zalig maken, en er toch velen zijn, die door hunne eigene schuld verloren gaan, zoo ook zijn er velen tot do volmaaktheid geroepen, terwijl er echter slechts weinigen toe komen, ter oorzake van den halsstarrigen wederstand, dien zij bieden aan de goddelijke roeping.
Vraag. If- at kan derhalve dm yecMoaardiye verhinderen, om tot dien zoo volmaakten toestand te komen?
Antwoord. Wij hebben elders reeds gezegd, dat do minste zaak, met gehechtheid bezeten, daarvoor een wezenlijk beletsel is, gelijk een klein vliegje, dat zich voor den oogappel bevindt, voldoende is, om ons het gezicht der zon te benemen.
A raag. Welk is het tweede voordeel van die zielsgesteldheid ?
Antwoord. Dat is een voortdurende omgang
ü7 G
van do ziel met God en inct Jesus; een omgang gelijk aan dien van eene gade mot haren echtgenoot, die haar nimmer verlaat. Ook kan men zeggen, dat, wanneer do ziel van alles ontdaan i#, God zich ten haren opzichte gedraagt, bijna gelijk eene moeder opzichtens haar kind. Zij houdt het bij de hand, helpt het in hot loepen, onderricht het, berispt het, liefkoost het van tijd tot tijd, en verzorgt het in al zijne behoeften. Zoo ook ondersteunt God de ziel door zijne almachtige hand, spreekt tot haar, zegt haar wat zij te doen heeft, staat haar bij door zijn raad, wijst haar terecht, wanneer zij verkeerd handelt, on doet haar zijne zoetigheden smaken, op eene wijze, die men alleen kan kennen, door het te ondervinden.
Hot geluk, dat zij smaakt in dat genieten van God, baart haar veel grootere yreugdo, dan een vriend kan smaken in den omgang met een vriend, die hij op het hartelijkst liefheeft, ot een vorst te midden van zijn volk, door hetwelk hij aanboden wordt.
Voeg hierbij, dat die gemeenzame omgang met God en met J esus altijd gepaard gaat met gunsten, met gaven, met zoete vertroostingen, met alle mogelijke lie-vijzen van genegenheid en vertrouwen. Zoodat op haar kunnen toegepast worden de woorden van den profeet Isaias: Dun zulf gij (de grootheid uwer gaven) zien, en gij zult
377
overvloed hebben, en uw hart sal verwonderd zijn, en can vreugde verruimd worden. Is: LX, 5.
Vraag. Welk is het derde voordeel van dien gelukkigen toestand?
Antwoord. Dat is iets, wat raoeielijk uit te drukken is. Dat is eene indompeling, indien ik dat woord mag gebruiken, van het wezen der ziel in het wezen van God; zoodat de ziel van een helder licht en van oen vuurgloed omgeven, in een oceaan van vrede gedompeld, in God als verzonken is, gelijk de vissollen, dio zich in de zee ophouden. Een visch, hoe klein hjj ook zij, heelt geheel de uitgestrektheid en de gehoele diepte der zeeën tot zijn verblijf. Daar zwemt hij heen, waar hij wil, geheel de ruimte is voor hem, en met volle vrijheid kan hij er gebruik van maken, kan hij ze genieten. Zoo ook bezit de ziel de geheele onmetelijkheid van God, om zich daarin elk oogenblik en op eene zoete wijze te verliezen. Zij zingt en juicht van blijdschap in dien oceaan van vreugde, van zoetigheden en geneugten, niets dan God beminnende, niets dan God ziende,^.in God als in haar element verblijvende, en in Hem alleen voldoening vindende. Ja, geheel haar leven brengt zij door in dat aangename verblijf; en wat er ook gebeure, niets is in staat, hare rust te verstoren. Alles strekt, om haarjiog meer in God te doen ver-
378
zinken, en gelijk het vuur, dat een woud heeft aangetast, steeds toeneemt, daar het altijd nieuwe brandstof vindt, zoo ook ontvlamt de liefde, waarvan zij brandt, altijd meer; en zij is te gelijker tijd als opgesloten in een onmetelijkeu vuuroven, en in eene bodemlooze zee: zjj bevindt zich te zelfder tijd, én in een vuur, dat haar doot gloeien, én in een water, dat haar verfrischt.
jn,
ien
uit at et ïr
511
Is
le
j,
e t
t
GEESTELIJKE BRIEF
AAN
EE NE DAME YAN HOOGEN RANG.
M c c r o u iv.
D'if hef 1,-riiis mn Jesm uw deel, en zijne liefde me schat zij.
Mij dunkt, dat ik u niet racei- als aan een menseh van de wereld moet schrijven. God boe-zemr mij andere gevoelens voor u in; en gij moet de valsche grondstellingen der wereld vergeten heMion, daar gij begonnen zijt de waarheden va:; liet Evangelie te smaken.
Ik wil u dus antwoord geven op de vragen, die ijj mij gesteld hebt, en mijn antwoord zal zijn in den geest van Christus; dat wil zeggen: Zeer eenvoudig, en geheel en al volgens zijne grondbeginselen.
Gij wilt weten:
lo. Moe men de ware armoede dos geestes te midden van de rijkdommen kan beoefenen, en door welke middelen men die deugd kan verkrijgend
2°. Of men zoodanig van alles onthecht moet
380
zijn, dat men de onaangenaamste voorvallen des levens volstrekt niet gevoelt?
3o. Of men, zonder zich te verdedigen, zonder te klagen, ja met vreugde, zich van zijne goederen moet laten berooven?
4°. Wat men inwendige ontblooting noemt, waarin zij bestaat en hoe men dezelve moot beoefenen?
5°. Op welke wijze, eindelijk, gij zult kunnen erkennen, of gij Ood, of wel u zelve zoekt in de zaken, waarnaar gij verlangt; daar do eigenliefde zich dikwijls met zooveel sluwheid verborgt, dat zij geheel en al de uitwendige gedaante en den schijn van de liefde Gods aanneemt.
Op die waarlijk heilige en geestelijke vragen, kan ik niet beter antwoorden, dan met de woorden, waarmede ik begonnen ben. Gij zult er in het kort dc opheldering in vinden van al uwe twijfelingen, en dc oplossing van al uwe moeie-lijkheden: Dot hel kruis ran Jesus mo deel, en zijne liefde tnr schaf zij.
Indien gij dit geheim goed hadt doorgrond, indien gij goed hadt begrepen, langs welke wegen God de zielen geleidt, die Hij tot de volmaaktheid roept, dan zoudt gij inzien, dat die wegen geheel en al met den geest der wereld in strijd zijn: dan zoudt gij begrijpen, dat zijn rijk niet van deze wereld is, en dat diegenen, welke Hem
381
in geest en waarheid aanbidden, zich gelukkig: achten in de armoede, in de versmadingen, in de smarten van Jesus te deelen. Hierin met Jesus in gemeenschap te treden, dat wil zeggen: zijn kruis dragen; en op deze wijze arm zijn, is arm zijn ook temidden van den rijkdom on van den overvloed.
Maar, opdat gij de armoede des Zaligmakers liooger moogt schatten, en ze moogt beschouwen als den grondslag van de christelijke zedeleer, als de grondvest van het Evangelie, als de eerste der acht zaligheden, als het beginsel der volmaakte heiligheid, daarom itid ik God, dat Hij uw hart moge verruimen, en uwen geest verlichten, en u duidelijk doen zien, welkdanig de godsdienst is, dien gij belijdt; wat eene ziel is, die in Christus herboren, en door de genade een nieuw schepsel Gr al; VI, 15, geworden is; want, daarop zijn de Evangelische raden gegrond, en dat is het begin van al de wegen, die tot de volmaaktheid geleiden.
De zedeleer, welke gjj omhelsd hebt, is de zedeleer van Christus. Gij komt er voor uit, dat gij die wilt volgen, gij hebt er u ook toe verbonden in den heiligen Doop, door eene plechtige betui-ging, welke gij naderhand dikwijls hebt hernieuwd en bekrachtigd, en welke gij nog voortdurend vernieuwt in het gebruik van de heilige Sacra-
88-2
meuten, van de Biecht en de heilige Communie. Die betuiging moet oprecht en werkdadig zijn; zij moet uit het hart komen, en niet alleen in woorden bestaan; want geene woorden, maar werken worden er van u gevraagd. Do christelijke deugden zijn geene deugden, welke alleen in beschouw ing bestaan, maar zij moeten zich door daden toonen. Beminnen, handelen en lijden, dat maakt do geheelc oefening uit van eene ziel, die naar de hoogste heiligheid streeft.
Bedenk derhalve, dat de eeuwige Wijsheid liet mensch geworden Woord, do valsche wijsheid dor wereld te niet heeft willen doen door het geheim van het kruis, dat den joden wd eryerni* en den heidenen dwaasheid iva.s; maiirden geroepenen zei-een, Uiideu, Joden en Grielien, Israelii Gods en wijs/ieid Gods. I. Oor: l, 28, 24. Daarop heeft Hij de nieuwe wet gevestigd; en wanneer gij het christendom in zijn geheelen omvang beschouwt, dan zult gij erkennen, dat het een godsdienst is, die in het hart zijn zetel heeft, en die door middel der genade er dien nieuwen mensch voortbrengt, die in de heilige Schriftuur i-eii nieuw schepsel in Christus genoemd wordt. II, C'ou: V, 17.
Dit vooropgesteld zijnde, moet ge vast overtuigd zijn, dat het leven van oen waarlijk godvruchtig mensch, die er vooruitkomt, geene andere
383
groiulstellingen te willen volgen, dan die van een gekruisigden Godnienseh, een leven uit geloof, een leven van verloochening en lijden, een aanhoudend kruis en een voortdurend sterven is. Hot i ijk van Jesus is een geestelijk rijk, dat men door liet geloof alleen kan kennen, waarin men alleen door de versterving kan binnengaaii, waarin men door do liefde alleen kan blijven.
Zij derhalve, die Jesus Christus toe koning hebben, die door den heiligen Doop liet geluk hebben gehad, van in zijn bloed herboren te worden, die tot de volmaaktheid zijn geroepen, zij moeten in dozo wereld zijn als waren zij er niet; zij moeten alles, wat zij eenmaal zullen verlaten, zonder gehechtheid gebruiken, en het oog alleen op de eeuwige goederen vestigen. Hun gedrag derhalve moet niet alleen van dat der wereld verschillen, maar zij moeten de handelwijze dei-wereld veroordeelen en verbetoren; zij moeten hun genoegen vinden in een eenvoudig, stil en verborgen loven; daar zij er alleen op bedacht moeten zijn, om hun goddelijlcen Meester voldoening te geven, door wien zij nitgenoodigd worden, om hun kruis met Hem tc dragen.
Daaruit volgt dan, dewijl zij in alles volgen den geest handelen, daar men in den waren god dienst de zaken alleen niet het oog des gelool's beschouwt, dat zij geheel geest zijn, tl at wil
zeggen: dat hunne gad achten, hunne in/.ichten, huune genegenheden, hunne werken geheel geestelijk zijn, en dat het vleesch er geen deel aan heeft. Zij moeten derhalve der wereld e^ de wereld hun gekruisigd zijn. Gal: VI, 14: opd.it zij het leven van Jesus leiden, die het ll'.- '1 der Kerk, en het toonbeeld der volmaakten is.
Maar, dewijl het te vreezen is, dat zij op hunne deugd vermetel vertrouwen, daarom i.- het voor hen van het hoogste belang, dat zij zich goed overtuigen, dat zij uit zich zeiven zwak. en tot niets goeds in staat zijn; dat hun hart vol boosheid en bederf is, waarvan zij zich niet kunnen ontdoen, tenzij zij van boven versterkt worden; dat hun verstand verduisterd en hun wil bedorven is; dat hunne zinnen verzwakt, en hunne driften ongeregeld zijn; in één woord, dat zij onbekwaam zijn, om iets goeds te verrichten, zonder de hulp, die de Verlosser hun door zijn dood heeft verdiend. Zij moeten zich derhalve door Gods Geest laten besturen, die hen in al hunne werken bezielen moet; en van hunnen kant moeten zij medewerken, om de bedorven natuur in zich te verdelgen, ten einde zich de genade waardig te maken, die hen niet kan vervullen, alvorens zij zich van zich zeiven hebben ontledigd.
Zoo zullen zij uit het geloof leven, zjj zullen wandelen in het licht des geloofs, van dat geloof,
385
hetwelk dour de liefde werkt. Dan overtuigen zij zich ook gemakkelijk, zoowel door dat goddelijk licht, als door hunne eigene ondervinding, dat de grondstellingen der wereld lijnrecht tegenovergesteld zijn aan die, welke zij willen volgen; daar zij niets anders inhouden, dan de voldoening van het vleeseh en der zinnen, wier begeerlijkheden altijd in strijd zjjn met de verlangens des geestes. Daarom verfoeien en vluchten zij dezelve, als beletselen voor de genade,die hun leert, zich van alles te ontdoen, hunne zwakheid, hunne ellende en hun niet te erkennen, en al Juin vertrouwen op de barmhartigheid Gods en op de verdiensten van Christus te stellen.
Alzoo, tot een godsdienst behoorende, die geheel geestelijk is, on die het oog alleen op do eeuwigheid vestigt, beschouwen zij zich zeiven hier beneden als in een ballingsoord, als in een harden kerker, waartoe de goddelijke gerechtigheid hen om hunne zonden veroordeeld heeft. De haat. dien zij der wereld toedragen, doet hen geheel en al voor altijd met haar breken, overtuigd als zjj zijn, dat zij er zich niet aan kunnen hechten, zonder hunne zonden te vermenigvuldigen en hunne kwellingen te vergrooten. Door de herinnering aan hunne zouden worden zij niet beschaming vervuld; het is hun, alsof' alle schepselen gereed .staan om den Schepper
386
op lien te wreken, en zij straffen zich zelven zwaar voor de beleedigingen, die zjj Hem aangedaan hebben; ootmoedig bidden zjj Hem om vergiffenisquot;; en in diep stilzwijgen, de tranen in â de oogen, wachten zij de verhooring hunner bede ootmoedig af; zij verachten al, wat de wereld zoets en bekoorlijks heeft, en hechten zich aan het kruis, als aan hun eenige toevlucht.
Door het licht der genade, dat hen bestraalt, onderscheiden zij duidelijk het kostbare van het nietswaardige, het ware van liet valsche, het volstrekt noodzakelijke van hetgeen slechts tot do welvoegelijkheid behoort. Zij schatten de zaken naar waarde; zij erkennen, dat al het aardsche slechts begoocheling is; dat alle grootheid spoedig voorbijgaat; dat de goederen der aarde onbestendig zijn; dat de eerbewijzingen niets anders zijn dan ijdele en hersenschimmige goederen; dat er voor het bovennatuurlijk leven geen onderscheid van stand is; dat de menschen onder dat opzicht allen broeders zijn, eu allen eerstgeborenen, allen kinderen van één Vader, allen op gelijke wijze door den heiligen Doop herboren, allen voor denzelfden prijs, het bloed namelijk van den Grodmensch vrijgekocht, allen tot hetzelfde erfdeel, de eeuwige glorie geroepen. Daaruit besluiten /.ij, dat niemand aanzicn-
26.
387
lijk is door geboorte, clan hij, die geboren is uit den Heiligen Geest; dat de ware adeldom geen quot;andere is, dan dien de cliristelijke deugd schenkt; dat onder alle standen, die van kinderen Gods te zijn, de voornaamste is: dat er niets zoeter en ti-oostvoller is, dan de hoop op oen geluk, waaraan nooit een einde zal komen.
Alles, wat de mensehen hoogsehatten, schijnt in hunne oogen niets meer te wezen, en zij schamen zich over zich zeiven, bij het zien, hoe arm aan deugden zjj zijn, aan hoevelc wisselvalligheden zij zijn blootgesteld, aan hoavole ellenden zjj zijn onderworpen. Dan verheffen zij hunne blikken ten hemel, bewonderen de grootheid van God, en beschouwen Hem in zijne glorie; en door den glans zijner stralen verblind, verbergen zij zich in hun niet, en zij zouden, indien het mogelijk ware, in het middelpunt der aarde willen neerdalen, om zich dieper voor die opperste Majesteit te vernederen.
Van den anderen kant, de heilige menschheid van Jesus, die zich op het kruis heeft geslachtofferd, beschouwende, stellen zij zich, met een gevoelig leedwezen en eene diepe beschaming, hunne ondankbaarheden voor den geest; zij beschuldigen zich over hunne ongetrouwheden, zij erkennen zich den dood schuldig, en spreken zeiven hunne veroordeeling uit; terwijl zjj de god-
388
(k'ljjko barmhartigheicl smoeken, de uitvoering van het vonnis op te Jieffen, door do verdiensten van Christus, die zich gewaardigd heeft, zijn bic od te vergieten, tor uitboeting van alle /onden der wereld.
Na dat alles beschouwd te hebben, meen ik. dat het gemakkelijk is. Mevrouw, uwe vragen te [beantwoorden, en u do middelen aan te geven, welke gij verlangt, om op den weg der christelijke volmaaktheid voortgang te maken.
I. Gij verlangt derhalve te weten, hoe men te midden der rijkdommen do vrijwillige armoede beoefenen kan.
Voor alles moot gjj bemerken, dut de rijkdommen, waarvan gij spreekt, slechts natuurlijke, en bijgevolg, denkbeeldige goederen zijn, daar zij onbestendig, vergankelijk zijn. Schijnen zij iets te hebben van wezenlijke en hechte goederen, dat is alleen in de oogen van hen, die ze naaide zinnen, en niet volgens do rede, beoordeelen. Gij knnt eigenlijk niet zeggen, dat iets u toebehoort, wanneer gij hot moet verlaten, wanneer de dood het n moet ontrooven, wanneer gij het onmogelijk langen tijd kunt bezitten.
Mank altijd goed onderscheid tusschen hetgeen kostbaar en hetgeen nietswaardig is, tusschen het ware en het slechts schijnbare: schat elke zaak
naar hare waarde. Die goederen alleen moet L-jj voor ware goederen houden, welke op de eeuwigheid betrekking hebben, al wat daarop geene betrekking heeft, verdient niets dan verlichting.
De ware goederen, dat zijn do bovonnatuur-lijke gaven; dat zijn ook lijden, vervolging, de verdienste der goede werken, in één woord, allo oefeningen van godsvrucht, die ons door den god-delijken Zaligmaker in hot Evangelie zijn aanbevolen. Daarvan wordt gezegd, dat men zich soharton moet vergaderen in den hemel. Mt: VI, -0 ; die worden ons afgebeeld door de talenten van de i goeden en getrouwen dienaar, Mt: XXV, 21; door de lampen der wijze maagden, i[t: XXV, 1 ; on door hot bruiloftskleed van hen, die tot de bruiloft van den goddeljjken Bruidegom ge-uoodigd zijn. Mt: XXII, 1.
Indien het dan waar is, waaraan niemand kan twijfelen, dat er in de orde der genadegeen verschil van stand in aanmerking komt; dat de goddelijke Voorzienigheid hare zorgen over allo men-schon, zoo armen als rijken, uitstrekt; dat zij hun du aarde tot erfdeel heeft gegeven, en aan allen gelijkelijk, hot recht heeft geschonken, om zich liet noodzakelijke te verschaffen en te vragen; dan moet het ons genoeg zjjn, volgens den regel van hot Evangelie, het noodige te hebben,
390
oet om in onze dringende behoeften te voorzien : al de liet overige behoort ons ook eigenlijk niet toe: op het ;s voor ons overtollig, en wij zijn verplicht, ?r- cr oen wettig gebruik van te maken, tot ondersteuning van onzen evenmensch; want do eeu-ir- wige Wijsheid, heett het zoo door eene wonderde bare beschikking gewild, d it onder de mensche l Ie sommigen rijk en anderen arm zouden zijn. opdat 3- yAj de onderlinge liefde zouden kunnen beoefene;!, i- en dat zij zouden weten, dat in do orde der geil nade allen gelijk zijn. De rijken zjjn voov her I, tijdelijke als eerstgeborenen bedeeld, de armen n als jongere kinderen: maar, dewijl zij allen broe-r ders, allen kinderen yan God en van Christus zijn, P, moeten de eerstgeborenen, volgens natuurlijk en
t goddelijk recht, aan de jongeren hun wettig deel
⢠geven, dat wil zeggen: zooveel als voor hun onderhoud noodig is: zoodat zij alleen het noodige i voor zieli behouden. Bemerk hier derhalve, Me
vrouw, eenige waarheden, welke God mij ingeeft, dat ik ze u ter uwer onderrichting zal voorstellen.
De eerste is, dat, wanneer men spreekt van het noodige, daardoor zekere welvoegelijkheid, zeker ruim bestaan niet wordt veroordeeld, dat aan ieders stand eigen is; daar God zeil verschillende trappen in de standen der maatschappij onderscheiden heeft. Dit meer of minder ruime moot afgemeten worden naar den ouderdom.
391
de kunne, de lichaamsgesteldheid, naar de geboorte, naar de waardigheid, zonder het nochtans te ver uit te strekken, maar het altijd besluitende binnen de grenzen der matigheid en der christelijke zedigheid.
God is hot, die do machtvoerders dêr aarde heeft aangesteld, en Hij is niet minder de gever van nlles, in de orde der natuur, dan in de orde der genade, Gelijk er dus in de orde dei-genade, iu de kerkelijke hiërarchie, verschillende waardigheden zijn en overheidsposten, welke aan elkander ondergeschikt zijn, zoo ook zijn er in de natuurlijke orde, in de mensehelijke maatschappij, verschillende machtvoerders, van welke de eenc boven den anderen gesteld is; maar de grooten der wereld, welke God boven anderen verheven heeft, zijn slechts zijne plaatsbekleeders, en zij hebben alleen het bestuur van de goederen, welke Hij hun heeft toevertrouwd.
Daar dit zoo is, daarom is het ook geoorloofd, ja, bestaat or ook zekere verplichting, zijn rang te bewaren, en de eer van zijne bediening op te houden, zoowel in de geestelijke ambtsverrichtingen, gelijk de heilige Paulus gedaan heeft, als lnj bezit van tijdelijke macht, gelijk do heilige Lodewijk en zoovele anderen hebben gedaan, die eerwaardiger zijn door hunne heiligheid, dan door den koningstitel, dien zij voerden. Het is
392
waar, dat men zich hierin moet regelen, niet volgens de neigingen der natuur, die altijd op hare gemakken uit is, maar volgens de inspraken der genade, welke men gemakkelijk erkennen kan, wanneer men do leiding van een bo-langloozen leidsman wil volgen; want hot licht ontbreekt nimmer aan nederige en leerzame zielen. Ik voeg hierbij, dat zij, die eenige ondervinding hebben van de inwendige bewegingen dos heiligen Geestes, lichtelijk erkennen, hoever zij gaan moeten, en zich hierin gemakkelijk volgens den regel van het Evangelie weten te matigen. Dit is do eerste trap der volmaaktheid voor alle standen der wereld.
De iweedc waarheid is, dat men alle redelijke middelen kan aanwenden, om zich de zaken, die men noodig heeft, en die aan zijn staat passen, te verschaffen, zonder gejaagdheid nochtans en zonder onrust, doende wat van ons afhangt, en overigens voor alles in Gods Voorzienigheid berustende, vast overtuigd, dat zonder haar al onze zorgen ijdel zullen zijn.
De derde waarheid is, dat, wat de menschen in do wereld betreft, het hun niet alleen geoorloofd is, maar dat zij zelfs verplicht zijn, voor hun onderhoud te zorgen, en wel volgens hun stand en rang; dat zij hunne belangen met eene matige zorg moeten behartigen, zich moeten toe-
393
leggen, om hun huisgezin goed tc regelen, hunne rechten langs gerechtelijken weg moeten handhaven; dat zij zich tegen verdrukking moeten verdedigen, en zelfs den overweldiger moeten aanvallen, wanneer het noodig is; dat zij over de opvoeding hunner kinderen moeten waken, en hun best moeten doen, om hen tot stand te brengen; dat zij diegenen, welke onder hen staan moeten beschermen; dat zij geld moeten trachten te winnen, ton einde hunne schulden te betalen, en vele andere zaken moeten doen, welke eene strenge verplichting voor hen zijn. Ik zeg strenge verplichting; omdat de rechtvaardigheid het vordert en dat, wat de rechtvaardigheid vordert, moet gaan voor alles, wat tot de liefde behoort. Niet alsof alle rechtvaardigheid niet eene soort van liefde is; want de liefde heeft hare graden, en de goed geregelde liefde moet met zich zelve beginnen; maar toch kunnen we zeggen, en men zegt het gewoonlijk, dat de werken van liefde voor de werken van rechtvaardigheid moeten wijken, omdat van deze twee deugden de eene volstrekt noodzakelijk is, de andere niet zoo, of althans altijd minder.
Velen van hen, die zich op het gebed, en op de beoefening van liefdewerken toeleggen, geven zich aan klaarblijkelijke misleiding over; want zij verwaarloozen merkelijk hunne huiselijke za-
lt;594
ken; alsof de zorg, die men daaraan moet besteden, een beletsel ware voor liet gebed en de beoefening van goede werken. Vandaar dan, dat zij, in plaats van aan hunne verplichtingen te voldoen, zieli op gemakkelijker oefeningen toeleggen, en die meer hunne eigenliefde streelen.
En toch, daar zij eigenlijk gesproken, slechts uitdeelers zijn van do goederen, welke zij van Gods hand hebben ontvangen, moeten zij e-r even goed zorg voor dragen als een zaakvoerder moet zorg dragen voor de goederen, waarover zjjn lieer hem de besturing heeft toevertrouwd. Zij werken dus niet voor hunne eigene belangen, maar voor de belangen van God, die hen met de behandeling zijner goederen belast heeit, waarvan een ander Hem misschien veel beter rekenschap zou kunnen geven. Dit blijkt duidelijk ui: de parabel van den getrouwen dienaar en den huisvader.
Sinds langen tijd heb ik opgemerkt, dat een bijzondere zegen des hemels rust op die menschen in de wereld, welke in dien geest de tijdelijke zaken behartigen, en zich beijveren, om zich good te kwijten van de plichten van hunnen staat. Langs dien weg maken zij zeer grooten voortgang in de volmaaktheid, omdat zij doen, wat God wil, en getrouw den post bewaren, waarop God hen gesteld heeft; want de goddelijke Voorzienigheid
395
lieel't alle standen, hoe verschillend zy ook zijn, geheiligd, en Hij schenkt met dezelfde milddadigheid zjjne genaden aan hen, die Hij tot die verschillende standen geroepen heeft; en men treft zelis somtijds meer ingetogenheid, moer inwen-digen vrede, meer vereeniging met God aan, in menschen, die vele beslommeringen hebben, dan in hen, die in de afgetrokkenheid leven of liefdewerken beoefenen, waar zich ijdele glorie of eigenliefde in mengt.
Dii vierde waarheid is, dat iedereen moet bedenken. dat hij rekenschap zal moeten geven, niet alleen van zijne goederen, maar ook van alle gaven der natuur en der genade, die hij ontvangen heeft: van zijne gezondheid, zijne kracli-te:i, zijne kennis, zijn gezag, zijn tijd, en vooral van de bovennatuurlijke goederen der genade. Zoo is hij verplicht, om zoo nauwkeurig te letten op alles, wat hij zegt, dat hem nimmer een woord, dat met de liefde in strijd is, ja, zelfs geen ijdel woord ontsnappe; al zijne blikken moeten naar den hemel gericht zijn; in alles, wat hij doet moet hij slechts God op het oog hebben; al zijne handelingen moeten met oordeel en voorzichtigheid geschieden; zoo goed eindelijk moet hij zjjn tijd gebruiken, dat hij al zijne plichten ver vuile, en aan al de verbintenissen van zijn staat voldoe.
Ik stel mij tevreden met u heel eenvoudig de
396
zaken te zeggen zonder er dieper in te gaan, en zonder in liet brcode uit te leggen, wat het Evangelie ons dienaangaande leert. Weet slechts, dat het eene groote dwaling is, in zake van godsvrucht, te denken, dat men een zeer geestelijk mensch is geworden, omdat men eene aalmoes gegeven heeft, of eenig ander liefdewerk heeft verricht: trouwens, daar men verplicht is, God uit geheel zijn hart, uit geheel zijn verstand, uit al zijne krachten en uit al de vermogens zijner ziel te beminnen, moet men bijgevolg zich niets voorbehouden, maar alles aan God ten otter brengen. en geene perken stellen aan de liefde, die men Hem toedraagt.
De vijfde grondwaarheid eindelijk is, dat het gebruik, hetwelk men maakt van zijne goederen cn zijne talenten tot nut van den naaste, zonder gehechtheid en zonder eigenliefde moet plaats hebben, en zuiver voor God en in den geest van Ghristns geschieden moet, van wien dc armen do ledematen zijn. Bemerk wel, dat men onder den naam van naaste inhotalgemeen allen begrijpt, welke de Voorzienigheid tot ons voert, om hun hulp te verstrekken. Deze zijn allen onze broeders; en wanneer onze algemeene Vader ons als cerstge-boronen behandelt, dan legt Hij ons daardoor den last op. om de goederen, die Hij ons schenkt, met hen te doelen. Wij moeten hen bijstaan in
397
al liuiino behoeften, en niet dulden, dat hun ooit iets ontbreko, noch raad, noch troost, noch onderrichting, noch iets anders, wat in onze macht is hun to schenken. En hei is goed, dat men dat, zoo veel mogelijk, zelf doe, en dat men do zorg daarvoor niet aan anderen overlate; want liet is een misbruik van de menschen dor wereld, dat zij de liefde beoefenen door do handen van anderen, om zich de moeite er van te sparen. Die weekelijke kieschheid vermindert aanmerkelijk de verdiensten van de handeling, waarvan men vaak slechts een vrij algemeen en oppervlakkig begrip heeft.
Dat komt voort uit gebrek aan geloof; want gewoonljjk laten wij ons meer door de zinnen, dan door de rede geleiden, en minder de liefde, dan een natuurlijk medelijden, drijft ons aan. om te handelen.
Het is zeker, wanneer wij met de oogen des geloof* Christus beschouwden onder het kleed van don arme verborgen; wanneer wij dien arme als onzen broeder beschouwden, gelijk hij het inderdaad is door de aanneming tot kind van God, die ons allen gemeen is; wanneer wij bedachten, dat hij Christus zelfs nader is dan wij, aan wien hij door zijne armoede en door zijn lijden meer gelijkvormig is; dan zouden wij in hem het kenmerk eerbiedigen van den Godmensch, voor het
398
heil van alle mensclien gestorven aan t kruis; en er zoude niets zijn, wat wc niet gaarne zouden doen voor eene ziel, naar Gods Imeld geschapen, en even gelijk wij tot het bezit der glorie des hemels geroepen; wij zouden in de gevoelens traden van den harmhartigen Samaritaan, die zijn naaste wist te erkennen in den jood, die door de roovers van alles ontdaan en gewond was.
Wanneer gij goed van die waarheden overtuigd en doordrongen zijt; dan zal het u niet moeielijk vallen, om, zonder uwe goederen te verlaten, de vrijwillige armoede te beoefenen. Bedenk, dat alle aardsche goederen valschc goederen zijn, en dat alleen de goederen der genade ware goederen kunnen genoemd worden. Bedenk, dat zij u geschonken zijn, met den last, om er rekenschap van te geven, en dat gij zeer streng zult worden gestraft, wanneer gij er geen goed gebruik van gemaakt znlc hebben; dat gij geen recht hebt, om er meer van te nemen, dan wat voor eene persoon van uwen stand noodig is; dat al het overige u niet toebehoort, dat liet het deel uwer broeders is. en dat Christus het zien voorbcnoudt tot spijze der armen. En zult gij dan nog ge-looven, dat ge rijkdommen bezit? Zult ge dan nog kunnen zeggen, dat iets u toebehoort.-' Zult ge dan meenen een goed in eigendom te bezitten, waarvan gij eens rekenschap moet geven.-' Is
399
liet gecne zwakheid en geenc onwetendheid, of beter gezegd, eene grootc verblindheid, zich to heehtcn aan datgene, wat voorbijgaat, te beminnen, wat men niet in eigendom bezit, en waarvan hot bezit maar korten tijd kan duren-'
Wie loeft er volgens dat natuurlijk licht, hetwelk ons leert, dat we allen gelijk geboren wordend Wie leeft er volgens het licht des Evangelies, hetwelk ons doet zien, dat men de zaken dezer wereld moet gebruiken als gebruikte men ze niet; dat men ze moet bezitten zonder gehechtheid; zo genieten zonder geest van eigendom, en ze zonder overdreven zorg moet bewaren? Waar is de ijver en de onbaatzuchtigheid der eerste christenen, die, nauw door de liefde met elkander verbonden, hunne goederen gemeenschappelijk bezaten, en één hart on ééne ziel hadden? Ziedaar het voorbeeld, dat ik u voorstel, en ik kan u geen beter denkbeeld geven van de volmaaktheid des Christendoms, waarvan ik u eene beschrijving gegeven heb; want, daar het leven van den christen geheel liefde is, is het ook werkdadig, dewijl de liefde én tot God én tot den naaste nooit werkeloos kan wezen, maar altijd in werking is: hetzij veelvuldige akten van liefde tot God verwekkende, hetzij zich met ijver toeleggende, om den naaste te helpen en te ondersteunen.
Maar, om u duidelijk te doen zien, hoe gij de
-too
evangelische armoede beoefenen moet, heb ik u slechts voor den geest te brongen, hotteen gij voor uwe oogen ziet geschieden, en wat gij weet door uwe eigene ondervinding.
Beschouw, bid ik u. Mevrouw, diegenen, welke gij belast hebt met de zorg voor de opbr :
sten van die schoone bezittingen, welke uwe voorouders u hebben verworven, en welke de goddelijke Voorzienigheid gewild heeft, dat zij u nalieten, opdat de groote inkomsten, welke gij er van trekt, in uwe handen linlpbronnen voor de armen zouden zijn. Beschouw hunne wijze van handelen. Zij volgen uwe bevelen niet eerbied op; zij kwijten zich getrouw van hunne plichten; zjj behartigen uwe zaken zonder bekommering en zonder onrust, daar zij slechts zaakwaarnemers zijn van de goederen, waarover gij hun de zorg hebt toevertrouwd. De noodlottige voorvallen veroorzaken hun weinig verdriet; het is voldoende, dat zij u van alles rekenschap geven, en dat zij uwe bevelen stiptelijk ten uitvoer brengen. Hunne betrekking is slechts tijdelijk, en gij kunt er naar goedvinden over beschikken, daar gij ze hun hebt gegeven, en liet u vrijstaat, zo hun te o ntnemen. Zouden zij niet berispenswaardig zijn, wanneer zij aan hunne verdienste en aan hunne schranderheid toeschreven, wat niet van hen af-
401
hangt? En zouden zij verschoonbaar zijn, wanneer zij als eigenaars en als heeren handelden, z[j, die geen recht hebben, om over iets te be-schikknn, en aan wie niets van alles toebehoort?
Pas dat voorbeeld op u zelve toe. Gij er-kenr, dat God de Heer, de Eigenaar is van al de goederen, die gij bezit: gij hebt slechts het beheer, niet alleen van de rijkdommen, maar ook van alle gaven, zoowel der natuur als dei-genade, welke gjj bezit, en die gij van Hem hebt ontvangen. Gij moet er Hem rekenschap van geven, en gjj hebt geen recht, om meer van zoovele goederen te nemen ot' te behouden, dan u volgens uwen stand juist noodig is; en dat moet gij nog als eene aalmoes aannemen van de hand van den Opperheer van alles, en ge-looven, dat gij, na zoo dikwijls zijne weldaden misbruikt te hebben, u dezelve onwaardig hebt gemaakt, en dat anderen er een beter gebruik van gemaakt zouden hebben, dan gij.
Bezit derhalve uwe goederen zonder gehechtheid; bewaar zo zonder onrust; deel ze uit met voorzichtigheid en eenvoudigheid; bestuur ze, zoo goed mogelijk, met eene redelijke zorg; en moet ge ze verliezen, bedroef er u niet te veel over : uw verlies zal niet groot zijn; gij zult daardoor van een last worden ontheven; en indien gij wilt, dan zult gij er meer rust door genieten. Het
402
kan ook gebeuren, dat God uwe deugd op de proef wil stellen, om te zien, of ge volmaakt van alle schepselen onthecht zijt; want de eigenliefde sluipt overal tusschen, en zij vindt haar voedsel niet alleen in het genot, maar ook inde uitdeeling van tijdelijke goederen.
Dat de wil van God nu en altijd geschiede. Alwie volmaakt wenscht te zijn, moet zich zoodanig aan den wil van God gelijkvormig maken, dat hij niet alleen wil, wat God wil, maar ook vast besloten is, van niets te willen, dan hetgeen God wil.
Uit hetgeen ik gezegd hebt, zal het u duidelijk zijn, hoe men in het bezit van vele aardsche goederen de vrijwillige armoede kan beoefenen; en overtuigd van de uitmuntendheid, dezer eerste der acht zaligheden, waaraan het rjjk der hemelen als loon is toegezegd, zult gij u inwendig van al uwe goederen onthechten; zult gij er u van ontdoen, on ze in de hand stellen van Den-gene, van wien gij ze ontvangen hebt; zult gij er Hem een offer van zoeten geur van maken. Gij zijt te goed begonnen, om niet verder uw offer te voltooien. Zoudt gjj nu, na u van de wereld gescheiden te hebben, en terwijl gij toont, dat gij do meest geoorloofde genoegens en de onschuldigste vermaken wilt vluchten, nog eenige
27.
403
genegcnlieicl kunnen voeden voor de tijdelijke zaken? Zoude eene heilige Bruid van Jesus Christus een anderen schat willen hebben, dan Jesus zcl-ven? Heeft de liefde, welke g|j dien kuischen Bruidegom toedraagt, u het kruis doen omliel-/en, en edelmoedig alle aardsche grootheid doen verachten, wat blijft er dan nog over, dan dat gjj in uw hart het eigc .dom van uwe goederen aan Jesus opdraagt? De bruid moet van denzelfden stand zijn als de bruidegom; en welke zijn de rijkdommen van Hem, dien gij eenig bemint, wat anders, dan de volmaakte armoede, en de algeheele ontblooting van alles ?
[I. Nu wil ik uwe tweede vraag beantwoorden, die betrekking heeft op de wijze, waarop men de armoede des Zaligmakers beminnen kan. Nogmaals voeg ik u den wensch toe: Daf het Kruis van Jesus uw deel, zijne liefde mr schut zij. Indien gij Jesus, voor u lijdende en stervende, bemint, en indien gij, geljjk het uw plicht is, niets buiten Hem bemint, dan zult gij ook die zaken beminnen, welke Hem het dierbaarste waren, en die Hem gedurende zijn gansche leven vergezelden: armoede namelijk, verachting en lijden. Dat is waarlijk zjjn kruis dragen, dat is in zijne gevoelens treden, dat is met Hem aan de wereld gekruisigd zijn. Hebt gij Hem ooit aandachtig beschouwd in zijne geheele ontblooting?
404
Hebt gij goed zijne liaudelingen en ;'4jne grondstellingen overwogen? Dan lielgt;t gij ongetwijfeld opgemerkt, dat Hij vrijwillig vaarwel heeft gezegd aan de gemakken des levens, dat llji slechts het eenvoudig geliruik van datgene, wat voor liet leven noodig is, voor zich iieeft behouden, ja, veel tijds van aalmoezen leefde. Gij zulr zelfs bevonden hebben, dat Hij meer dan dat heeft gedaan; zoozeer verlangde Hij de menschen, door zijn voorbeeld, tot de hoogste volmaaktheid te brengen.
Inderdaad, zoozeer heeft Hij de verborgenheid bemind, dat, ofschoon Hij van koninklijken bloede was, en uit het bloed der grootste koningen der wereld gesproten, Ilij zijne adelijke afkomst verbeelde, en voor een eenvoudigen werkman wilde doorgaan. Hij is er altijd op uit geweest, om gezag en aanzien bij de mensehen te ontvluchten, en zijne wijsheid en wetenschap voor de wereld verborgen te houden; Hij wilde voor een gewoon mensch doorgaan, en had niets, wat Hem van de andere menschen onderscheidde; niets dan do heiligheid zijner handelingen en de zuiverheid zijner leer. Voeg daarbij de voortdurende vervolgingen, de bcleedigingen en verguizingen, welke Hij verduurd heeft tot bet einde zijns levens, waarvan ik vele omstandigheden voorbijga, om niet van mijn onderwerp af te
405
wijken, dat vooral de vrijwillige armoede betreft.
Baschouw slechts in het algemeen, hoe Hij do laagste der menschen en het uitvaagsel des volks is willen wezen; aanschouw zijn hoofd met doornen gekroond, zijn lichaam geheel gekneusd, verscheurd en met wonden bedekt. Naakt sterft Hij aan het Kruis, in de diepste versmading, als een boosdoener, tusschen twee moordenaren, van alle hulp verstoken, van smarten overstelpt, terwijl Hij zelfs geen druppel water kan erlangen, om eonigszins zijn brandenden dorst te stillen, terwijl er geen gezond lidmaat van het hoofd tot de voeten in Hem is tc vinden, zoo mismaakt, dat Hij niet kenbaar meer is, en om alles in één woord te zeggen, waarljjk ren inuii van smarten tjeworden. Is: LUI, 3. Wat zegt gij, op het gezicht van dat smartvol toonecl? Wordt gij daardoor niet getroffenY Wordt uw hart er niet door vertoederd? Is dat niet in staat, om u liefde en hoogachting in to boezemen voor da armoede, voor de verachting en voor het lijden, wannoor gij nog geen moed genoeg mocht hebben, om bet te zooken 'i
.Maar ik denk er niet aan, dat ik mij door imjn ijver te ver laat voeren, en dat ik ongemerkt de grenzón te buiten ga, van hetgeen oen juist antwoord op uwe vraag vordert.
Men dwaalt aangenaam en gelukkig af,indien
406
men althans afdwalen kan, wanneer men Jesus vindt, in do uitmuntendste en de volmaaktste beoefening van zijne liefde voor de mensclien. Maar, welaan, daar gij een God bemint, die Uo-van alles beminnelijk is, die zijn leven voor n ten beste geeft, bemin Hom zoo, dat men van u zeggen kan, dat nwe liofdo gekruisigd is. Vereenig ii mot Hem, niet alleen door toodero gevoelens, maar door een edelmoedig verlangen om zijn kruis te dragen. De liefde moet n aan God hechten, en de versterving aan Jesns. De liefde tot bet kruis is onafscheidelijk van de verloochening van zich zeiven, en beiden zijn noo-dig, om zich volmaakt en bestendig mot den Verlosser te vereenigon. Is hot niet billijk, dat wij leven en sterven gelijk llij, dat wij beminnen, wat llij bemint, dat wij doen, wat. Hij ons leert!'' /gt; leerling is niet meer dan de Meester. Mt: X, 24. Hij heeft ons het voorbeeld gegeven van eene volmaakte onthechting van alles: wij moeten in zijne voetstappen treden, en anderen loeren, hoe zij Hom volgen moeten. Bid Hom ootmoedig, dat Hij or u de ge-iade too geve, en wees Hom getrouw; daar Hij zich ge-waardigd hoeft uwen geest to verlichten, zal Hij ook uwen wil aanvuren; want de verlichtingen worden door de genegenheden gevolgd; doch wo moeten beiden goed van elkander onderscheiden.
407
Verneem dan nu liet geheim van liet inwendig leven. Dc verlichtingen strekken, om den goost op te helderen; zij zijn stralen van do zon dor gerechtigheid, waardoor de ziel eensklaps getroffen, op eene wonderbare wijze en tot hare groote vreugde do geheimen des gcloofs, dc schoonheid der liemelsche [zaken, en de grootheid der goddelijke volmaaktheden begrijpt. Do genegenheden zijn bewegingen,quot; welke de liciligu Geest in de ziel voortbrengt, en die uit zich zeiven, zonder eenigo redeneering, den wil medevoeren, hem tot het goede opwekken, en hem zoetjes overhalen, om de heilige grondstellingen, welke het verstand hem voorhoudt, in beoefening te brengen. Dat alles is geheel geestelijk, en geschiedt door de werking des heiligen Geestes in liet hoogere gedeelte der ziel. Het is voldoende, u dit in het voorbijgaande op te merken, om u de schoone orde en de wonderbare werking van de genade te doen zien. Aan dc volgende teekenen nu zult gij erkennen, of gij waarlijk de aardsche goederen veracht, en de armoede liefhebt.
Zie en beschouw voor Gods aanschijn, of die valsehe, die schijnbare goederen u tot last zijn: of gij er het gewicht van gevoelt; of gij onder dien zwaren last zucht; of gij meer afkeer dan neiging hebt , om die te behouden; of gij met
408
vreeze aan de verplichting deukt, welke op u rust, om ze getrouw en volgens de inzichten van God uit te deelen; of gij goed overtuigd zijt, dat de aardsche goederen slechts verachting verdienen; of uw hart geenc gehechtheid heeft aan do grootheid der wereld; of gij de waarde kent dei-eeuwige goederen, niet door Idoote redeneering, waardoor ook do wijzen der wereld ze even goed kunnen kennen als gij, maar door een inwendig gevoel, een inwendigen smaak, die een louter uitwerksel is van de genade; of gij in eene vol-komene onverschilligheid zijt voor alles, wat u aangenaams of onaangenaams kan overkomen; of gij een grooten inwendigen vrede geniet, hij de onaangenaamste voorvallen des levens; of gij de vernedering zoekt; of gij naar lijden verzucht.
Onderzoek u over alle die punten; en wanneer gij een ot ander van die geneigdheden in u ontwaart-, weet dan, dat dit voldoende is, om de liefde tot de armoede en een lieilig verlangen, ont u van alles te ontdoen, in uw hart voort te brengen. En dan zult gij groote goederen kunnen bezitten, zonder het kruis van Christus te verloochenen, gij zult rijk en arm tevens kunnen zijn, en volgens de woorden des Apostels, overvloed weten te hebben en f/ehrek te lijden. Phil: IV, 12. Gij zult en God kunnen verheerlijken in het bezit zijner gaven en Jesus Chris-
409
tus tevens door de deelneming in zijne smarten. Het is niet noodig, n er meer over te zeggen, ten einde u aan te vuren, om die heilige gevoelens in u te voeden, en diensvolgens uw leven in te richten; daar de genade des heiligen Grees-tes u reeds gestemd heeft, om datgene te doen, wat de Verlosser u leert, en om zijne voorbeelden te volgen. Wat mij betreft, ik volg slechts zijne aandrift, en ik ben mijne pen nauwelijks meester; want zonder er aan te denken, schrijf ik oen boek in plaats van een brief. Maar wjj moeten don heiligen Geest, die ons aandrijft, laten werken. Hij zal ons niets ingeven, wat verkeerd is. Doch het is nu genoeg, en om uwe twijfelingen op te helderen, en om uw gedrag te regelen. Zoovele waarheden, deug-delijk gestaafd, zullen niet weinig bijdragen, om ook uwe overige moeielijkheden op te losssen, die in de eerste als opgesloten liggen. Er komen mij toch nog eenige zaken voor den geest, welke ik meen u niet te mogen onthouden.
Het ongeduld, dat gij hebt, om spoedig tot de volmaaktheid te geraken, maakt, dat gij wenseht te weten , of [men zoozeer onthecht moet zijn van de tijdelijke zaken, dat men derzelver verlies volstrekt niet gevoelt, wel verre van er verdrietig over te worden, en zich er over te beklagen. Die inzage. Mevrouw, is zeer verheven.
410
en geeft eene edelmoedige gesteltenis te kennen, om de evangelisclie raden volmaakt te beoefenen. Maar het is niet noodig, de zaken altijd letterlijk te nemen, het is genoeg, dat men ze heoefene, zooveel men kan, de behoefte of de betamelijkheid aan zijn stand passende, in aanmerking genomen.
Die evangelische raden hebben verschillende trappen, én op zich zeiven beschouwd, én met betrekking tot de verschillende gesteldheid van ziel.
De volmaakte verloochening begint mot eene groote onthechting van de zaken der wereld: zij neemt toe, wanneer men in vrede des harten het verlies van goederen en alle tegenheclen verduren kan; zij groeit nog moer aan, wanneer men de kracht heeft, om ze met vreugde te verduren; maar zij is in hare hoogste volmaaktheid, wanneer men alles verlaat, en hot van ganscher harte verlaat, om Christus te volgen. Dat is het groote offer van eene ziel, die door de genade herboren is. Maar het vooronderstelt de verachting der tijdelijke goederen, den geest van afzondering en ingetogenheid, de liefde tot het kruis, de vereoniging ca gelijkvormigheid met den gekruisigden Jesus. Doch er is verschil tusschen hot leven in de afzondering en het gewone leven in de burgerlijke maatschappij, dat
411
Jesus ook door zijn voorbeeld geheiligd lieeft; daar heett men namelijk fondsen noodig tot in-standhouding der familie en tot onderhoud der personen.
Allen zijn tot do volmaaktheid geroepen, zoowel zij. die in de wereld, als die in de afzondering leven. Daarom zeide Jesus tot zijne apostelen: Wat Ik h zey, dat zeg Ik tot alle» . Mare: XI11, 37. Zoo sprak Hij, die het leven en de wudrlicid is. Jo: XIV, 6. Hoe tocli zou men op de zee dezer wereld niet kunnen varen, zonder schipbreuk te lijden? Zou men, met de hulp van God in liet broze lichaam geene engelachtige reinheid kunnen bewaren? Is liet onmogelijk, in de wereld aan God toe te beboeren, en volgens de:; geest van genade te leven? Is het onmogelijk, de geboden van God te onderhouden, en do heilzame raadgevingen van zijne Herders op te volgen? Is het onmogelijk, de schepselen alleen tot den dienst van God te gebruiken? Gaat dat alles de krachten te boven van eene ziel, die Jesus door sterke koorden tot zich trekt, welke de heilige Geest inwendig bestuurt, die Geest, die haar getuigenis geeft, dat zij tot het getal der kinderen Gods behoort? Is niets van dat alles onmogelijk, volgt daar dan niet uit, dat een menseh in de wereld, die door God tot de volmaaktheid geroepen is, er toe kan geraken, met
412
te leven op eene wijze, die mot zijn stand overeenkomt?
III Gij vraagt mij, of men het bezit zijner goederen ook mag verdedigen. Onget'.vijield is dat geoorloofd, ik zeidc liet u reeds. Want is de verdediging noodig, dan kan zij niet anders dan gewettigd zijn. Do rede zegt liet, dat een iedei, ook langs den weg des gerechts, zijne goederen mag trachten te bewaren met hot oog op God, omdat, gelijk wij gezegd hebben, hij er slechts de beheerder van is: het Evangelie stolt ons hiervan een heerlijk beeld voor, in de parabol van den getrouwen dienaar cn den vader des luiis-gezins.
Maar. indien niettegenstaande al onze zorgen en al onze bewijzen van getrouwheid, om het ons toevertrouwde goed met nauwgezetheid te besturen, de goddelijke Voorzienigheid het aan onze handen onttrekt, en ons berooft van dat beheer, hetwelk voor de natuur zoo zoet en aangenaam is, dan hebben wij geduld noodig, dan moeten wij trachten kalm te blijven te midden van den storm. Verzet zich de natuur, dan moeten wij in don beginne liaie zwakheid wat toegeven, en niet met te hevig geweld tegen haar ingaan. De deugd wordt langzamerhand door den strijd volmaakt; er. hoe heviger do strijd is. hoe roemrijkei de
413
overwinning. Zijn die eerste bewegingen ook geweldig, zij zijn niet vrijwillig; men verzet er zich tegen met de hulp der genade; maar men moet niet denken, dat men zoover zal komen, dat men volstrekt geene opwellingen meer zal gevoelen. Dat is eene voortdurende stof van vernedering voor ons; daar zij ons zoo natuurlijk en zoo gewoon zijn, dat ook zij, die in de eenzaamheid, ver van de gelegenheden leven, dezelve ondervinden. Het is voldoende, dat wij er geene vrijwillige toestemming aan geven, en dat wij onzen wil aan de beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, liet verlies moge ons op eene gevoelige wijze treffen of niet, dat hetee-kent weinig, mits wij het maar met onderwerping, met eerbied en liefde van de hand van God aannemen.
IV. Maar dat is nog niet de grootste moeie-Ijjkheid; het kost nog veel meer, volkomen aan zich zelven te sterven, een volstrekt beheer over zich zelven te verkrijgen, en geen eigen wil en eigen oordeel meer te hebben. Dit is het onderwerp van uwe vierde vraag, welke eene stof betreft, waarvan gij beseft, dat hetmoeielijk is den omvang en de verhevenheid te begrijpen. Niets is er heldhaftiger, niets verhevener dan dat; het is het toppunt der volmaaktheid; en als ik er u van gesproken heb, dan was dat niet zoozeer, om u
414
te verplichten, het in beoefening te brengen, als oin er u eenig denkbeeld van te geven. Hoe heb ik het durven wagen, u iets te willen uitleggen, hetgeen ik' zelf niet begrijp, en waarvan mij nauwelijks de eerste gronden bekend zijn? Altijd leven, en altijd sterven; altijd strijden, en altijd overwinnen; een lichaam en zinnen hebben, cn alleen volgens den geest leven; onderworpen zijn aan de bedorvenheid der natuur en in alles de beweging der genade volgen; met rede begaafd zijn, en toch steeds uit het geloof leven; dat alles vraagt die volkomcne on volstrekte onthechting van u zelve.
Om u derhalve dit punt zoo duidelijk mogelijk te verklaren: Verlangt gij tot dien verheven trap van volmaaktheid op te klimmen, dan moet gij het besluit maken, om uw lichaam en uwe ziel, het licht van uwen geest, de geneigdheden van uw hart en al uwe verlangens aan den Heer ten offer te brengen; zoodat al uwe inwendige en uitwendige zinnen zich aan niets anders hechten, dan aan datgene, wat u tot God kan doen naderen. Het zoude mij te ver voeren, wilde ik u dar in het bijzonder uitleggen. Om het in het kort te doen: Gij moet zorgen, uwe oo-gen niet op sclioone voorwerpen te vestigen, dan alleen, om daardoor tot de kennis en tot bewondering van den Schepper te worden opgevoerd;
415
uwe ooreii moeten niet luisteren, dan naar zaken, die u nuttig' zjjn, en die met uwen stand overeenkomen; uw smaak moquot;t zijne voldoening niet zoeken in hetere spijzen, maar die slechts gebruiken, om de natuur te onderhouden en te ver,sterken; zoo ook voor de overige zinnen: gij moet uwe verbeelding vervullen van do geheimen des geloofs, van de kwellingen en het lijden dos Zaligmakers, van de eeuwige goederen des hemels; uw geheugen moet diezelfde voorwerpen in den geest bewaren, en alle zaken dei-wereld vergeten, welke aan uwen staat niet passen, en voor uwe zaligheid niet dienstig zijn: uw verstand moet niet op zijne inzage vertrouwen, de wijsten zeiven moeten zicli zoo vernederen, dat zij gelooven, dat al hunne kennis slechts onwetendheid, al hunne wijsheid slechts dwaasheid is; uw wil eindelijk moet alle gehechtheden verbreken, en zoozeer van neiging en smaak veranderen, dat de zoete zaken hem'bitter, en de bittere zoet worden.
Stel dus al uw geluk in liet kruis, al uwe vreugde in liet lijden, en wees wel overtuigd, dat gij van n zelve niets hebt dan onvermogen, nutteloosheid, boosheid, ongeregeldheid en liedert'. Dat is waarlijk dood zjjn aan allo zinnelijke voorwerpen. Dat is, volgens de woorden des Apostels: de scheiding van ziel en cjeest, Ilebr: 1Y,
4 Ui
12, van do natuur on van do genade. J)at is de verdelging van den ouden mensch, en do voortbrenging en het leven van dat nieuwe schepsel in Christus Jesus, waarvan dezelfde Apostel zoo dikwijls gewaagt.
Ten slotte, hoe moeielijk, hoe onuitvocriia .r, hetgeen ik zeg, u ook moge toeschijnen, meen niet, dat het onmogelijk is, of' dat liet een beeld der volmaaktheid is, dat ik ter bewondering, en niet ter navolging, voor uwe oogen ophang: Het Evangelie stelt het ons als navolgbaar voor: het moge moeielijk zijn, het in zich te verwezenlijken, door de genade is alles mogelijk. Ik beken, dat God slechts eenige uitgelezene zielen langs dien weg geleidt, en dat derzelver getal veel geringer is in onze dagen dan in de eerste tijden des Christendoms. Maar ik durf u, tot uwen troost, toch zeggen, dat ik er velen ken, die tot die volmaaktheid zijn opgeklommen, ja, die nog hoo-ger gestegen zijn, en door de liefde in Christus omgevormd, een leven leiden, dat meer engelachtig dan meuscheljjk is, die in alles de indrukken der genade volgen, in dit leven reeds do zoetigheden van het Paradijs beginnen te smaken, en kunnen zeggen met den heiligen Paulus: 11- leef echtef, niet meer ik, maar ChviMus leeft in mij. Gal: 11, 20.
Gij vraagt mij, hoe men dat leven van verhe-
417
venc heiligheid leiden kan. Ik moet verklaren, dat ik niet in staat ben, u dat te zeggen; trouwens, daar dat leven een goddelijk leven is, is ook God alleen in staat, het u te leeren. Ik hel) ii getoond, hoe gij sterven moet, het is het werk van den heiligen Geest u te leeren, hoe gij moet leven. Hij moet zijne hemolsche zalving in uwe ziel uitstorten, en u op zijne wegen leiden; Hij moet u de diepe geheimen ontsluieren, die in Christus verborgen zijn, en u de genade geven, niet alleen, van in Hem te geloo-ven, maar ook van voor Hem te lijden. Smeek Hem met ootmoed en vertrouwen, dat Hij u die gunst verleene. Gij kunt steunen op zijne beloften; nooit weigert Hij iets aan diegenen, welke geloof hebben, en die op zijne oneindige barmhartigheid hun vertrouwen stellen.
Doch het wordt tijd, dat ik aan mijn schrijven een einde make. Uwe vragen voeren metever; en ik zou nooit aan een einde komen, indien ik er u een volledig antwoord op wilde geven. Nog een enkel woord echter ter beantwoording uwer vijfde vraag.
V. Gij wilt quot;net middel kennen, om goed te kunnen onderscheiden, of uwe verlangens de glorie van God, of wel uwe eigene voldoening ten doe! hebben; of uwe werken Gode aangenaam, en zoodanig zijn, als Hij ze van u wenscht: of
41S
de natuur er geen deel aan heeft; in een woord, of gij waarlijk getrouw zijl: aan de genade.
Daar schuilt, dnnkt me, een weinig nieuwsgierigheid onder, en iets, ik weet niet wat, dat in strijd is met die christelijke eenvoudigheid, welke gesteund wordt door een levendig geloof, on zich niet ophoudt met dat voortdurend terugblikken, met die haarkloverijen, dat eeuwig nadenken over zich zeiven. Nochtans, daar ik overtuigd ben, dat gij oprecht voortgaat, en naar de hoogste volmaaktheid streeft, zal ik u in weinige woorden do gedachten mededeelen, die God mij daarover geeft, en ik zal er eonige oefeningen bijvoegen, die u veel zullen helpen, om n zelve te leeren kennen.
Onderzoek dus de bewegingen uws harten; vraag u zelve af, of gij besloten zijt, om liever te sterven, dan God to beleedigen; of gij een waar verlangen hebt, om Hem welgevallig te zijn, en aan niemand anders dan aan Hem te behagen. Bijaldien gij u onder dit opzicht niets te verwijten hebt, dan kunt gij vast vertrouwen, dat al uwe gedachten cn al uwe handelingen welgevallig zijn in zijne oogen; want, dat is het zekerste toeken van eene zuivere meening cn van een waar christelijk gedrag.
Maar om merkelijk do verdienste van uwe goede
28.
419
werken te verhoogen moet gij die vorriehten uit het l)eginsel van liefde tot God; met het zuivere doel, om God glorie te geven; en in den geest van Christus. Wanneer die drie zaken uwe handelingen vergezellen, dan zullen zij waarlijk heilig en volmaakt zijn.
Maar blijven wij hier een weinig bij stil staan. Deze gevoelens zijn zeer verheven, en eigen aan groote zielen, en vei'scheidene boekdeelen zouden nauwelijks toereikende zijn, om die te verklaren. Alleen de heilige Geest kan u die in het hart prenten. Het zij u genoeg te weten, wat er door verstaan wordt.
Wat het ijdel zelfbehagen aangaat, dat heimelijk in onze werken insluipt, en de liefde tot God in den weg treedt: ik raad u aan den strijd er tegen te aanvaarden, maar zonder onrust, in vrede des harten. Men heeft er niets van te vreezen, wanneer men do zaken verricht op de wijze, zooals ik gezegd heb; en hoe lastig het ons ook moge vallen, de wil is altijd vrij, om er aan te wederstaan. Men zal er van te lijden liebhcn; daaraan is niets te doen; men rukt dien kwaden wortel zoo maar niet uit als men wil. De mensch bestaat uit geest en. vleesch. Is de geest ook sterk, het vleesch is zwak; en ongelukkig genoeg, het zwakkere deel sleept dikwerf hot sterkere mede. Dat is een strijd, dien men
42n
geheel zjjii leven lang moet onderstaan; maar het is tevens ocno reden, om ons te vernederen, en daardoor strekt het tot tegenwicht van de buitengewone gunsten, welke men van den hemel ontvangt.
Ga altijd met grooto eenvoudigheid en met oprechtheid voort; besnoei dat nadenken over u zelve, wat u tot angstvalligheid voert, en wat slechts strekt om uw geweten in de war te brengen. Denk slechts, dat gjj uit u zelve tot alle goed onbekwaam zijt, dat gij uit u zelve niets kunt, en dat gij in alles van de goddelijke barmhartigheid atbankelijk zijt. Bid God. dat Hij u ingeve, wat gij te doen hebt, dat Hij u den moed sehenke, om het te ondernemen, dat Hij u helpe, om het ten uitvoer te brengen; dewijl het ge-lieele werk Hem toebehoort, daar Hij er de oorsprong van is, en er de laatste hand aan moet leggen; terwijl Hij in u niets vindt dan beletselen voor dc genade.
En zoudt gij dan nog eenig zelfbehagen kunnen voeden, ot'ccnige gehechtheid kunnen hebben aan uwen eigen wil? Zoudt g-ij dan nog moeite kunnen ondervinden, om te onderscheiden tusschen do bewegingen der genade en do bewegingen der natuur, die zoozeer aan elkander tegenstrijdig zijn, en zulke verschillende uitwerkselen voortbrengen?
421
Eindelijk, wilt gij den toestand van uw inwendige grondig kennen? Wilt gij weten, of uw gedrag welgevallig is aan de goddelijke Majesteit, of uwa gevoelens en uwe begeerten van dc genade voortkomen, of gij handelt in den geest van Christusquot;? Gra dan bij u zelve na, of gij te midden van hot gewoel der wereld don vrede des luirtvn bewaart: of gij den lof en dc toejuiching der nienschen vlucht; of gij de grootheid en de goederen der aarde veracht, of gij u zelve een waren haat toedraagt, en uwe vijanden opvechte-lijk bemint; of gij het lijden liethebt; of gij on-ver.-chillig /ijt voor alles, wat u kan overkomen; o? gij niets buiten God zoekt; of gij zijne tegenwoordigheid, zijne gaven, zijne bekoorlijkheid in u gevoelt: bekoorlijkheid en zoetigheid, die men niet goed kan kennen, tenzij men ze ondervonden beeft; of uw eigen geweten u geene verwijtingen doet; of do heilige Geest u getuigenis geeft, dat gij in staat van genade verkeert, en tot het getal der kinderen Gods behoort.
Onderzoek u naarstig opziebtens al deze punten; en kunt gij op alle, of althans op eenige derzelve een bevestigend antwoord geven, dan durf ik u wol niet met volstrekte zekerheid verklaren, dat gij in goeden staat zijt; immers, de heilige Schriftuur zegt ons, dat niemand tveet of hij h'iat nf liefde waardirj is. Eccles: [X, 1;
m
maar dan zeg ik u toch, dat het aller waarschijnlijkst is, on dat men u het woord kan toevoegen van dén Profeet: zegt den rechtvaardige, dat het goed met hem is, want hij zal het loon voor zijne irer-ken ontvangen. Is: UI, 10. Wanneer uwe /.iel in die gesteltenis zal â /ijn, wees dan verzekerd, dat het kruis van Christus nw deel, en zijne liefde
mee schat is.
Ik eindig met datgene, waarmede ik begonnen ben; en daaruit zult gij bemerken, dat liet altijd dezelfde Geest is, die mij doet spreken. l)e gevoelens, die Hij mij heeft ingegeven, en welke ik n tracht in te boezemen, zijn zeer zuiver en zeer geestelijk. Beijver u, om er uw voordeel mede te doen. Lees en herlees dezen brief dikwijls: gij zult er de wijze uit leeren kennen, om u' goed te gedragen, in den staat, waartoe God u geroepen heeft. Voor u is hij geschreven, en , geschreven in den geest van eenvoudigheid. Stel mijne ellenden den goddelijken Zaligmaker voor,
opdat Hij zich gewaardige er mij van te genezen; bid Hem om genade en barmhartigheid voor een zondaar, die, in vereeniging van zijn geest,
zich noemt:
Mevrouw,
Uw ootmoedigen dienaar.
X -\.
INHOUD.
EERSTE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Inwendig met God wandelen, en uitwendig door geene enkele genegenheid gebonden zijn, dat is do staat van den inwendigen menseh. II, G. .
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over do woorden: Wanneer gij tot eene volkomene verachting van u zeiven gekomen zijt, weet dat gij dan een overvloed
van vrede zult genieten. III, 25.....
DERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Onthoud de korte en alles omvattende spreuk : verlaat alles, en gij zult alles vinden. III, 32.....
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Hoemeer gij u aan alle vertroosting van de schepsclen zult onttrokken hebben, des tc zoetere en machtigere vertroostingen zult gij in Mij vinden. III, 12............
424
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de woo vden : Wil gaarne voor schuldig doorgaan, opdat gij onschuldig moogt zijn in de oogen van God. . . .
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Stel u altijd op de laagste plaats, en de hoogste zal u gegeven worden. II, 10........
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Ik ben een sterk beproever van alle godvruchtigen. Ill, 3. ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Het is ecne groote kunst, met Jesus weten om te gaan, en Jesus bij zich weten te behouden, is
eene groote wijsheid. II. 8......
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Men vordert meer door alles te verlaten, dan door diepzinnige navorschmgen. III, *13. . . â¢
TWEEDE BOEK
EERSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Leer het uitwendige versmaden, en u tot het inwendige begeven, en gij zult het rijk Gods in u zien komen. II, ..........
425
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over do woorden; Hij, die de zaken schat voor hetgeen zij zijn, en niet voor hetgeen zij gezegd of geacht worden te wezen, die is waarlijk wijs, en meer door God dan door de menschen onderwezen. II, 1. 95. DERDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Zooven! voortgang zult gij maken, als g-ij u zei ven geweld zult hebben aangedaan. J, 25. . . 103 VIERDE HOOFDSTUK.
Over d e w oorden: Steun niet op
u zeiven. I, 7...........]
VIJFDE HOOFDSTUK.
O v e r d e w o o r d c ii: De valsche vrijheid des geestes en groot zelfvertrouwen zijn groote beletselen voor de hemelsche
bezoeking. II, 10............
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Waar iemand zich zeiven zoekt, daar vervalt hij van de
liefde. [II, 5...........X27
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: De eenvoudigheid zoekt God, de zuiverheid omhelst en
smaakt Hem. 11, 4.........13(j
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Hij, die het best
426
weet te lijden, zal den grootsten vrede genieten. II, 3...........145
NEGENDE HOOFDSTUK. quot;
Over de woorden: Wat zal liem niet reeht smaken, die smaak vindt in God? IIT, 34..........155
DERDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK;.
Over de woorden; Verloochen u,
overal waar gij n zeiven vindt.....162
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Het is geene geringe zaak, ook in de kleinste zaken, ziek
zeiven te verloochenen. III, 3iJ.....167
DERDE HOOFDSTUK.
Over de w o o r den: Dat ik mij zei ven
niet meer gevoele. lil, 2!......172
VIERDE HOOFDSTUK.
Over do woorden: Indien gij u goed van alle schepsel wist te ontdoen, dan zou Jesus gaarne hij u moeten wonen. II. 7. . 178 VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Waar wordt een zoodanige gevonden, die God om niet wil dienen? 11, 11...........183
427
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Zoekt gij u zeiven, dan zult gij u zeiven ook vinden. 11,7. 190 ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Indien gij meer op uwe eigene rede ot' op uw vernutt steunt, dan op de deugd van onderwerping, waartoe Jesus Christus u aanmaant, dan zult gij niet lielit, of eerst laat een verlicht mensch
wezen. F, .............
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de w oord e n : Hij, die Christus waarlijk bemint, en zich met ijver op de deugd toelegt, haakt niet naar vertroostingen. II, ...........
NEGENDE HOOFDSTUK.
O v e r d e woo r d e n : O, gelukkig de geest en zalig de ziel, die verdient, U, haren Heer en God godvruchtig te ontvan-
sren'.. O ! hoe Kroot is de Heer, dien zij ® ⢠-i ⢠⢠opneemt, hoe dierbaar de Gast, dien zij bij
zich binnenleidt, hoe aangenaam de Gezel,
dien zij ontvangt, hoe getrouw de Vriend,
dien zij bekomt, hoe schoon en edel... is
de Bruidegom, dien zij omhelst! IV, 3. . 211
428
VIERDE BOEK-
EERSTE HOOFDSTUK.
O v er de w oorden: Hij, die iets groot acht, behalve het eenige, onmetelijke, eeuwige Goed alleen, zal lang klein zijn en 0]i aarde bljjven liggen. III, 31.. . . 223 TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de w o orden: Indien gij een inwendig leven leidt, dan zult gij weinig gewicht hechten aan woorden, die voorbijvliegen. lil. 28.......... 231
DERDE HOOFDSTUK.
O v er de w oorden; Daarom worden er maar weinigen gevonden, die de gave van beschouwing bezitten, omdat maar weinigen zich geheel weten te scheiden van de geschapene en vergankelijke zaken. II1,31. 237 TIERDE HOOFDSTUK.
O v e r d e w oorden: Gelijk men,
door niets uitwendig te begeeren, den in-wendigen vrede verkrijgt, zoo ook brengt het inwendig verlaten van zich zei ven, de vereeniging met God te weeg. III, 56. . 245 VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: Die God van ganseher harte bemint, vreest noch dood,
noch foltering, noch oordeel, noch hel. I, 24. 255
429
ZESDE HOOFDSTUK.
(j v c r de \v o o r den; Blijf zuiver en onwankelbaar in Mij, en gij zult Mij bezitten. Ill, .............-6:d
ZEVENDE HOOFDSTUK.
O v e r d e w oorden: Hij, tot wien liet eeuwige Woord .spreekt, wordt 4\aii velerlei gevoelens ontdaan. 1, 3......
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over d e w oorden: 1 ndien uw hart goed zuiver was, zoudt gij uit alles voordeel trekken. II, 4.........
NEGENDE HOOFDS TUK.
O v e r d e woo r den: O'. wat een groot vertrouwen zal een stervende lieb-ben, wien geene genegenheid vo )r eenige zaak in de wereld terughoudt. 111, 53. . 290
VIJFDE BOEK
EERSTE HOOFDSTUK.
O v er de w oorden: Wenscb, onbekend te zijn. I, 2..........
TWEEDE HOOFDSTUK. Over de w o o r den: Uit het eéne, Woord komt alles voort, on alles verkondigt dat alleen. I, 3.........
430
DERDE HOOFDSTUK.
Over d c woorden: Mijn zoon, gij moet alles voor alles geven, üii niets van liet mvo voor u terughouden, lil, 27. . . 298 VIERDE HOOFDSTUK.
O v e r d e \v o o r d e n : \ oor zoover gij van ii zeiven kunt uitgaan, in zooverre zult gij in Mij kunnen overgaan. Ill, 5B.. VIJFDE HOOFDSTUK.
O v e r d e \v o orde n ; Al wie zicli aan de gelioorzaamheid zoekt te onttrekken, onttrekt zich aan de genade, en al wie bij-zondoro zaken zoekt te hebben, verliest de
algemeene. ill, 13.........307
ZE SDH HOOFDSTUK.
O v c r de w oorden: Er is een groot onderscheid tusschen de wijsheid van een door God verlicht en godvruchtig man, v en de wetenschap van een geletterd en
geleerd geesteljjke . 111, 31......313
ZEVENDE HOOFDSTUK.
O v c r d e w o orden: Waart gij eenmaal diep in liet binnenste van Jesus door-gedrongen, en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde gesmaakt, enz. II, 1. . 318 ACHTSTE HOOFDSTUK.
O v e r d e woo r den: Drink met ver-
302
431
langen den Kelk des Heeren... en laat de vertroostingen aan God over. 11, 12. . . 324 NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de woorden: God wil, dat wij Hem volkomen onderworpen zijn, en dar wij ons door eene brandende liefde boven
alle rede verheffen. I. 14......329
TIENDE HOOFDSTUK.
Overdo woorden: Hij is waarlijk goed geleerd, die den wil van God doet.
T, 3..............33lt;
ELFDE HOOFDSTUK.
De nederigheid, de gromlsluy can geheel het geestelijk leven.
Over de woorden: Des menschen verdiensten zijn niet daarnaar af te meten, of hij vele visioei.eii of vertroostingen heeft, noch of hij ervaren is in de Schrift,
noch of hij in een hoogen rang is geplaatst,
maar of hij in waren ootmoed gevestigd is.
III, 7............' . . 34(
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Het colniuakt g(éruil: van het geloof.
Over de woorden: Leg u toe, om uw hart van do liefde tot de zichtbare zaken te ontdoen, en n tot do onzichtbare te begeven. I. 1..........35-
432
DEK TIENDE HOOFDSTUK.
De herinnering aan het Lijden van Jestts. Over d c woorden: Zijr igt;-ij niet in staat, de hemelsche en verhevene zaken te beschouwen, blijf dan bij do ovérwegiiig' van Jesus' Lijden staan, en vertoef gaarne
in zijne heilige wonden. 11, 1.....362
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De goederen, welke zij, die zich op dt- deugd
toeleggen, hier heneden kunnen verhopen. Over do woorden: Zij, die zieb vrijwillig zullen onderworpen hebben aan uwen allerheiligsten dienst, zullen groote genaden ontvangen. Zij, die uit liefde tot IJ, alle zinnelijk genoegen zullen verworpen hebben, zullen de allerzoetste vertroosting des heiligen Greestes vinden. III, 10. 367
Geestelijke Brief aan eene dame van hoogen rang..........379
EINDE.
IMPRIMATUR.
Tl a aken, 21 Junii 1880.
J. CUIJTEN,
Libr. Ceng.
-
': ; â ..-V â :r
.
- â¢â¢ â â¢. ' , â -: ' ⢠, ' â i. â
â i
'
â â .
.
' . i'' f â â
.
â ⢠.
: â , v'. â ; t:
- (
_
â T
â
; t â ,
_