ocr page 1

A-/

7

/

ocr page 2

VERSCHOOR amp; ZOON B V

BOEKBINDERS SINDS 1858

ocr page 3
ocr page 4

2943 131 3

ocr page 5

GEBED EN EEUWIGHEID.

ocr page 6

gunning

6]L

50

ocr page 7

GUNNING è /la

.K/ V

Gebed en Eeuwigheid

Eene poging om licht te verspreiden over een duister onderwerp

DOOR

Een bekommerde, die troost lieeft gevonden

MET EENE VOORREDE VAN

JOSEPHINE E. BUTLER

AMSTERDAM

F. W. EGELING UTRE.C H T,

ocr page 8
ocr page 9

VOORREDE.

Wanneer ik eene voorrede schrijf voor dit boekje, beteekent dit niet dat ik het in allen deele eens ben met de gedachten, daarin uitgesproken. Toch schrijf ik gaarne deze weinige regelen, omdat ik overtuigd ben, dat er honderden ootmoedige Christenen zijn in wier hart de vraagstukken zijn opgekomen, die hier behandeld worden, vraagstukken, die hen ontroeren en zich. blijven opdringen aan hunnen geest — en aan dezen brengen deze bladzijden misschien licht en troost. Deze vraagstukken worden hier met groote piëteit behandeld; er is hier geen dogmatiek, het zijn geen bloote bespiegelingen. Elk zuoord is als het ware ontperst

ocr page 10

VI

aan het hart van een beproefd en ervaren Christen, die geleden, gewaakt en gewacht heeft, de Schrift onderzoekende niet geduld, met onderworpenheid en met gebed.

Ik beveel de lezing van dit geschriftjen vooral aan, wegens den raad die er in gegeven wordt aan allen, die op denselfden zveg geleid zijn geworden, om met de geheele zaak rechtstreeks tot God te gaan; voor Hem even openhartig en even onbevreesd de smartelijkste vraagstukken, die hunne ziel bezwaren, uit te spreken, als zij Hem hunne dagelijksche nooden en zorgen, geestelijke en stoffelijke, belijden, en dezelfde zuachtende houding aan te nemen ten opzichte van deze dingen, als de profeet, die op zijn wachttoren bleef om te zien wat de Heer tot hem spreken zonde.

De bedoeling van dit boekje is vooral deze: — ons te wijzen op de mogelijkheid, die er zou kunnen bestaan, dat onze ziel ontheven werd van drukkende zorgen, die haar in 7geheim bezivaren

ocr page 11

VII

— eene mogelijkheid, die wij zelfs voor ons zeiven slechts jluisterend durfden uitspreken.

Wij hebben de belofte van de gave en de tegenwoordigheid van den Geest der Waarheid, die ons in alle ivaarheid leiden zal. Met deze belofte en dezen leidsman schijnt het ons vreemd toe, dat zoovele ware geloovigen niet beter in staat of niet eerder geneigd zijn om het oor te leenen aan hetgeen een ander, die God in oprechtheid zoekt, gelooft dat tot hem gesproken is, terwijl hij op zijn wachttoren stond, — indien namelijk deze boodschap niet geheel in overeenstemming is met hunne van te voren gevormde meeningen. Het kan noch aan de 'waarheid Gods, noch aan hare verdedigers schade doen, indien ook eens met welwillendheid geluisterd wordt naar hetgeen een nederig dienstknecht des Heer en gelooft, dat hem van Godswege geleerd is.

Het staat hem, die in oprechtheid Gods Woord en zuil onderzoekt, ten allen tijde vrij om elke

ocr page 12

vin

gedachte, die slechts eenigszins tot dwaling schijnt te leiden, te verwerpen. „Oordeelt gij hetgeen ik zegquot; spreekt de Apostel. „Beproeft alle dingen; behoudt het goedequot; „Beproeft de geesten, of zij mt God zijn.quot; Hoe is het toch moge lijk dat, — met deze voorschriften, — met de gave des oordeels welke beproefde Christenen bezitten, —■ en met de belofte dat God ons zuil leiden, —wij zoo dikivijls zien, zoowel nu als in vroegere tijden, hoe elke schemering van een nieuw licht gewoonlijk beschouwd wordt niet een zekeren onwil, zelfs niet zenuwachtigen angst en groote vrees (die o zoo dikivijls tot hevige vervolging geleid hebben), in plaats van met welwillendheid en een kinderlijk vertrouwen op God?

De kracht van iemands geloof kan genieten worden naar de kalmte, de zachtmoedigheid zvaar-mede hij alle gedachten en theorieën beoordeelt, die in botsing schijnen te komen met hetgeen hij als waarheid erkent.

ocr page 13

IX

De kinderlijke geest, welken de Heer Jezus heeft geprezen, wordt te weinig bij ons' gevonden. Onze jonge kinderen komen onbeschroomd tot ons met vragen over alle mogelijke, somtijds zeer diepe en moeilijke onderwerpen. Zij aarzelen niet hunne vermetelste gevolgtrekkingen en ivensehen tut te spreken, vertronwende dat vader of moeder hen verder zal helpen. Wij, aardse he ouders, luisteren gaarne naar die kinderlijke vragen. Wij maken er ons niet boos over, noch vinden ze te onbe-scheiden. Onze Hemclsche Vader is niet minder lankmoedig jegens ons! Waarom zouden zijne kinderen dan ooit aarzelen alle moeilijkheden, alle twijfelingen, die het onzienlijke betreffen, voor Hem bloot te leggen, vraagstukken die hen misschien hun leven lang bezwaard hebben, of in 't geheim, onuitgesproken en onbeleden, een schrikbeeld voor hen zijn geiveest? Misschien is nog niet genoegzaam tot hen doorgedrongen de beteekenis van de woorden des Hollands: „indien gij niet wordt

ocr page 14

gelijk de kinderkensquot; — tenzij wij worden als kleine kinderen, dringen wij niet door tot de verborgenheden van het Koninkrijk; ivant deze dingen zijn den kinderkensgeopenbaard, en niet aan de zuijzen en verstandigen, en daarom verheugde zich Jezus in den geest.

Josephine E. Butler.

ocr page 15

GEBED EN EEUWIGHEID.

„Laat uwe begeerten in alles bekend worden bij God.quot; Fil. 4 : 6.

1.

Ik stel mij voor mijne gedachten te uiten over een onderwerp, zóó ontzettend door de resultaten waartoe men gewoon is te komen, dat velen het niet durven aanroeren, en bevreemding, zoo al niet ontsteltenis, zullen gevoelen over de wijze waarop ik het behandel.

Wat moeten wij denken aangaande het lot van de massa der menschen, die de wereld verlaten zonder Christus? Indien wij goed verstaan wat de Bijbel ons met duidelijke woorden zegt, dat slechts diegenen bij hun dood het leven ingaan, die Hem hier op aarde hebben aangenomen, — is er dan voor de anderen geen hoop meer? Ik stel deze

ocr page 16

vraag niet om onrust te wekken in het gemoed van hen, die in staat zijn de zaak te laten rusten, of die meenen eene oplossing gevonden te hebben, maar ter wille van zoovelen, voor wie zij eene bron is van geestelijke bekommernis, die getrouw v/enschen te zijn aan Christus en Zijn woord, en er toch geen vrede bij hebben.

Een vroeger geslacht zou, globaal genomen, slechts één antwoord op zulk eene vraag gegeven hebben; maar nü zijn de meeningen verschillend, uiteenloopend als de geest van den eenen en den anderen mensch.

Sommigen veroorloven zich eene nevelachtige, onbestemde hoop te voeden.

Sommigen redeneeren in hunne oppervlakkigheid, dat God te goed is om te straffen, en zij vergeten dat zelfs hier op aarde de ellende de zonde op den voet volgt, en dat er geen uitredding is uit die ellende, zoolang in de zonde volhard wordt. Sommigen stellen zich tevreden met het treurige verschiet van algeheele vernietiging, terwijl zij toch onmogelijk kunnen erkennen dat zulk een einde

ocr page 17

13

den Schepper, die niets te vergeefs maakt, waardig zou zijn. Velen, die geene gevestigde meening hebben, doet de twijfel, waarin deze zaak als het ware gehuld is, onberekenbare schade, en brengt langzamerhand ook op andere punten hun geloof aan het wankelen.

„Deze ontzettende leer, die de Bijbel schijnt te verkondigen,quot; zeggen zij, „kan niet letterlijk waar zijn — waarop kunnen wij dan echter staat maken?quot;

Aan den anderen kant zijn er duizenden, die zich aan de oude leer vasthouden. Zij doen het met vreeze en beven, en drukken haar in zachter bewoordingen uit, dan hunne vaderen; maar zij blijven er bij. Zij redeneeren, dat indien er geen eeuwige rampzaligheid is, de zaligheid óók niet eeuwig is, en dat het ons niet past de woorden van den Heer te beoordeelen, maar dat wij ze eenvoudig moeten gelooven. Zij zijn niet hardvochtig. Zij blijven niet gedachteloos aan de traditie hangen. Nog minder verdienen zij de beschuldiging, die hun naar het hoofd wordt geworpen, dat zij zich verheffen op de genade die hun is

ocr page 18

14

bewezen, terwijl anderen buiten gesloten zijn. Zulk een gevoel is verre van hen. Misschien hebben zij den Bijbel van het begin tot het einde doorzocht, om te zien of er mogelijk één enkel woord was, dat vrijheid gaf om te blijven hopen. Zij zouden gaarne de zwaarste beproevingen dragen, zij zouden alles, behalve hun eigen zaligheid, willen prijs geven, indien het hun daardoor vergund ware, de vreeselijke gedachte van zich af te schuiven, dat allen, die in hun ongeloof sterven, reddeloos verloren gaan. Zij zien echter geene uitkomst. Hunne eenvoudige, volkomen, kinderlijke onderworpenheid aan hun Meester en Zijn woord, doet hen bij hunne overtuiging blijven, al rijst ook de onuitgesproken begeerte in hun hart op, dat het anders mocht zijn.

Eene zekere bevreemding maakt zich somtijds van ons meester, wanneer wij opmerken hoezeer wij van onze vaderen verschillen, en zij van ons; hoe eene leer, welke vroegere geslachten, tenminste zonder tegenspraak, hebben aangenomen, ons in het diepst onzer ziel ontroert; hoe woor-

ocr page 19

i5

den, die bij hen niet de minste ontsteltenis teweegbrachten, ons als vuur in de aderen branden.

Asaf verontrustte zich in zijn geest, omdat de goddeloozen niet gestraft werden. Onze geest is in bangen tweestrijd omdat zij wel gestraft worden. Hervormers en Martelaren lieten de wraak in Gods hand, en in de steile gestrengheid huns harten verheugden zij zich dat Hij zich zoude wreken!

Wij kunnen niet met een onbewogen gemoed den ondergang eener menschelijke ziel aanschouwen. Hoe grooter, hoe afschrikwekkender de zonde, hoe dieper het medelijden, dat in ons wordt opgewekt. Wanneer wij tot een zwaarbeproefde kunnen zeggen: „Uw lijden is rechtvaardig, het is alles uw eigen schuld,quot; dan gevoelen wij, dat wij daarmede slechts de diepste diepte van ellende hebben aangeduid.

Wij koesteren geen zondigen wensch, dat God de zonden onopgemerkt voorbij zou laten gaan, of niet langer reinheid als voorwaarde zou stellen voor degenen, die Zijn koninkrijk binnen willen gaan. Wij bedenken echter hoe de Heer onze

ocr page 20

i6

zonden van zich weggedaan heeft, en wij erkennen volmondig dat er geen verschil is tusschen onze ziel, en die van al de duizenden, die God heeft geschapen. Indien wij genade hebben ontvangen, kunnen zij dan niet diezelfde genade deelachtig worden? Of is het mogelijk dat God, die liefde is, niet kan, — dat het booze de opperheerschappij voert op zijn eigen terrein, — dat God niet de eenige, almachtige Vorst van hemel en aarde is? Deze gedachte komt mij voor de ontzettendste te zijn van alle, en toch ziet men zich somtijds gedwongen er in te berusten, bij gebrek aan beter.

Zijn deze dingen niet alzoo? Ik beroep mij op u, die, ziende op het heerlijke werk der verlossing, hetwelk gij aan uw eigen hart hebt ondervonden, bitter bewogen zijt met de ellende der zielen, die zonder God leven. Arbeiders in Gods koninkrijk, zendelingen, ouders, vrienden, gij, die uw eigen vleesch en bloed van het verderf tracht te redden, en wier pogingen dikwijls zoo vruchteloos schijnen te zijn 1 maakt zich niet, nu en dan, eene diepe bekommernis van u meester, de bekommernis om

ocr page 21

i7

al die zielen, die reddeloos verloren zijn? Wat gevoelt gij, wanneer gij de stad uwer inwoning aanziet — het moge eene van God afkeerige wezen, of eene, die den naam draagt Christelijk te zijn ? Gij zoudt willen bidden voor die vele onverschilligen en goddeloozen, die er in wonen. Gij weet dat, ja in zekeren zin, allen gered knnnen worden, maar ook dat, indien de zaken niet veranderen en blijven zooals zij altijd geweest zijn, en ook zooals ook de Bijbel u doet verwachten, allen niet gered zullen worden, omdat allen Christus niet zullen aannemen. En wat geschiedt er met de overigen, voor wie uwe gebeden niet gebaat hebben? Hoe is het met hen, voor wie gij tien jaar geleden, — een jaar geleden, — een maand geleden, — gisteren gebeden hebt, — die toen leefden, en voor wie het uw plicht was te bidden, daar gij wist dat God ze liefhad — maar die heen zijn gegaan, en wier namen gij nu zelfs niet durft uitspreken voor den Troon der Genade?

Dit zijn bittere gedachten! Toch zijn zij niet zonder vrucht, indien zij u aansporen te werken,

ocr page 22

i8

zoolang het dag is. Sommigen redt gij vol vreeze, en hoe meer gij gebeefd hebt voor het gevaar dat zij liepen, zooveel te inniger zult gij u verheugen, wanneer zij aan het verderf zijn ontkomen. Gij bemant uwe reddingboot, gij keert terug met twee, met drie, welke gij aan een dreigenden ondergang hebt onttrokken, — maar, hoezeer gij u ook haast heen en weêr te gaan tusschen het wrak en de veilige kust, toch ziet gij millioenen, die door de allesverslindende zee worden verzwolgen, vergeleken bij een enkelen, dien gij hebt gered. Hun gelaat moge bekend of onbekend voor u wezen, — zij gaan verloren. Diepgezonken menigten in onze achterbuurten, — afgodendienaars in Afrika en China, — onze naaste buren, — broeders, voor wie wij gisteren nog smeekgebeden opzonden, maar voor wie heden onze lippen gesloten zijn!

Zijn het godslasterlijke gedachten, die, ondanks ons zeiven, in ons hart oprijzen? Is het zonde, indien geen koele beredeneeringen ons weêrhouden den wensch te voeden, dat er toch nog hoop mocht zijn? Is het zonde, indien het kalme recht-

ocr page 23

i9

vaardigheidsgevoel, dat onze vaderen staande hield, ons niet kan troosten? Waarom moet dit gevoel zich van ons meester maken? Waarom is ons als het ware opgelegd bekommerd te wezen om al deze menschen, indien het toch niets baat ? Zouden wij meer op Christus gelijken, indien wij dit gevoel van ons konden afwerpen, of juist het tegendeel?

„Er is zulk een bange strijd in mijn gemoed,quot; riep een ernstig Christen uit, wiens vurige begeerte was, zielen tot God te brengen. „Ik zou alles willen doen of lijden om deze arme menschen te redden, en ik vraag mij zeiven af waarom God het dan niet doet?quot;

Het was een vreemd antwoord, dat God op dezen kreet gaf; Hij nam den strijder bijna onmiddellijk op in Zijnen hemel, waar, zooals gewoonlijk wordt aangenomen, nimmermeer voor die onge-lukkigen gearbeid of gebeden kan worden.

ocr page 24

20

II.

De eenige troost, dien wij over het algemeen verwachten of zoeken, wanneer ons hart op deze wijze bezwaard is, bestaat daarin, dat wij die duistere, geheimzinnige zaak geheel overdragen aan een genadig God, en ons zeiven dwingen er niet aan te denken, terwijl wij met ijver den arbeid aanvaarden, die ons is opgelegd.

Laat mij u echter doen opmerken, dat dit niet de wijze is, waarop een kindcrlijk-geloovig christen in zijne andere moeilijkheden en beproevingen troost vindt. Wij keeren er ons niet van af, of dwingen ons niet er niet aan te denken, voordat wij eerst ons hart voor God hebben uitgestort, en de hulp van Zijn arm hebben gevoeld. Alleen deze droefheid schijnt eene uitzondering te wezen, en hiervan is de reden, dat het gebed, die gouden sleutel, die al het geslotene opent, hier van geen kracht schijnt te zijn. „Weest in geen ding bezorgd,quot; zoo luidt de tekst, „maar laat uwe begeerten in alles bekend worden.quot; Alleen om deze zaak schijnen

ocr page 25

21

wij niet te mogen bidden, en toch wordt ons hart vaneengescheurd in hangen twijfel. Wij zijn beschroomd God onze ware, werkelijke begeerten daaromtrent bekend te maken. Wij kunnen hierin niet eerlijk en openhartig te werk gaan, zooals wij op andere punten trachten te doen, want er zijn begeerten in ons binnenste, welke wij nooit geheel uitspreken, zelfs niet voor God. Hierdoor komt het dat de vrede Gods, die misschien ons deel is in elke persoonlijke droefheid, ons hier begeeft.

Ben ik bezijden de waarheid gegaan? Van sommigen weet ik, dat zij geheel eensdenkende met mij zijn.

Misschien vraagt gij: „kunnen wij meer doen, dan onzen last op den Heer werpen? Kunnen wij meer doen, dan bidden om onderworpenheid, om de wegneming van den twijfel, die ons benauwt? Is er nog iets anders dat wij kunnen doen, nog iets anders waarom wij kunnen bidden?quot;

Ik antwoord; — Wees bij u zeiven ten volle verzekerd, dat gij uwen Vader in den Hemel ge-

ocr page 26

22

zegd hebt wat gij werkelijk begeert, en alles wat gij begeert. Alleen op die wijze zal er vrede nederdalen in uwe ziel. Gesteld dat u een half uur gegund ware, waarin het u vrijstond alles te wen-schen en te bidden, zooals uw hart het u ingaf, wat zou dan uwe smeekbede zijn?

„Hoop voor hen, die zonder hope zijn! Een nieuwe genadetijd voor de verlorenen!quot;

Zou dit het niet wezen ? En toch hebt gij het nooit gewaagd in uwe gebeden dezen geheimen wensch uws harten te bekennen, — gij hebt er nooit openhartig, als een kind, tot den Heer over gesproken!

Gij zegt dat gij geene vrijheid gevoelt een wensch uit te spreken, die vruchteloos, ja misschien zondig is. Gij herinnert u echter den tijd, toen de eene of andere zware beproeving u, persoonlijk, bedreigde; gij wist dat zij niet te keeren was, of ten minste, gij waart in uw hart overtuigd, dat het Gods wil niet was, haar af te wenden, en toch hebt gij er, kinderlijk geloovig, om gebeden en niet opgehouden te bidden. Gij hebt met uw geheele hart om

ocr page 27

23

uitredding gevraagd, al naamt gij naderhand uwe woorden terug, en zeidet: „Uw wil geschiede.quot; En de slag is gevallen, en nu weet gij, waarom het goed was dat hij viel; hebt gij echter ooit berouw gehad over de vermetelheid van uw gebed ?

Wij allen bidden om vele dingen, die niet goed voor ons zouden zijn, — maar o, welk een troost, welk eene verlichting geeft het, gebeden te hebben!

De Heiland achtte het niet beneden zich ook hierin ons voorbeeld te zijn. Zelfs Hij, die gezegd had — „Ik wist, dat Gij mij altijd hoortquot; — zelfs Hij bad, in bangen zielestrijd, om hetgeen Hem niet gegeven kon worden. Hij was in de wereld gekomen, om een onvermijdelijken dood te sterven, om een lijden te ondergaan, waaraan geen ontkomen mogelijk was, en toch bad Hij — Hij bad niet om onderworpenheid, om kracht, om kalmte — maar om het voorbijgaan van den beker. Hij wist dat die beker niet voorbij kon gaan; Hij bad dus eenvoudig om het onmogelijke, en daarna voegde Hij er aan toe: „Doch niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.quot; Wat baatte het echter, vragen wij, aldus

ocr page 28

22

zegd hebt wat gij werkelijk begeert, en alles wat gij begeert. Alleen op die wijze zal er vrede nederdalen in uwe ziel. Gesteld dat u een half uur gegund ware, waarin het u vrijstond alles te wen-schen en te bidden, zooals uw hart het u ingaf, wat zou dan uwe smeekbede zijn?

„Hoop voor hen, die zonder hope zijn! Een nieuwe genadetijd voor de verlorenen!quot;

Zou dit het niet wezen ? En toch hebt gij het nooit gewaagd in uwe gebeden dezen geheimen wensch uws harten te bekennen, — gij hebt er nooit openhartig, als een kind, tot den Heer over gesproken!

Gij zegt dat gij geene vrijheid gevoelt een wensch uit te spreken, die vruchteloos, ja misschien zondig is. Gij herinnert u echter den tijd, toen de eene of andere zware beproeving u, persoonlijk, bedreigde; gij wist dat zij niet te keeren was, of ten minste, gij waart in uw hart overtuigd, dat het Gods wil niet was, haar af te wenden, en toch hebt gij er, kinderlijk geloovig, om gebeden en niet opgehouden te bidden. Gij hebt met uw geheele hart om

ocr page 29

23

uitredding gevraagd, al naamt gij naderhand uwe woorden terug, en zeidet: „Uw wil geschiede.quot; En de slag is gevallen, en nu weet gij, waarom het goed was dat hij viel; hebt gij echter ooit berouw gehad over de vermetelheid van uw gebed ?

Wij allen bidden om vele dingen, die niet goed voor ons zouden zijn, — maar o, welk een troost, welk eene verlichting geeft het, gebeden te hebben !

De Heiland achtte het niet beneden zich ook hierin ons voorbeeld te zijn. Zelfs Hij, die gezegd had — „Ik wist, dat Gij mij altijd hoortquot; — zelfs Hij bad, in bangen zielestrijd, om hetgeen Hem niet gegeven kon worden. Hij was in de wereld gekomen, om een onvermijdelijken dood te sterven, om een lijden te ondergaan, waaraan geen ontkomen mogelijk was, en toch bad Hij — Hij bad niet om onderworpenheid, om kracht, om kalmte — maar om het voorbijgaan van den beker. Hij wist dat die beker niet voorbij kon gaan; Hij bad dus eenvoudig om het onmogelijke, en daarna voegde Hij er aan toe: „Doch niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.quot; Wat baatte het echter, vragen wij, aldus

ocr page 30

24

te bidden? Ik antwoord, dat op dat oogenblik de Zoon niet anders tot den Vader kon spreken. Hij uitte de begeerte, die in Zijn menschclijk hart opkwam. Hij sprak ze uit, en daardoor werd, voor zoover dat mogelijk was, de zwaarte van Zijn lijden verlicht, en ontving Hij kracht om het overige te dragen.

Indien onze Heiland aldus Zijn hart uitstortte, en verlichting vond van Zijn lijden, mogen ivij dan niet hetzelfde doen? Indien Hij bad om wegneming van het onvermijdelijke, mogen zvij het dan ook niet doen? Indien het geen zonde in Hem was, is het dan zonde in ons? Zal onze Vader het in ons afkeuren, indien wij in onzen zielenood iets vragen, dat Hij niet ten volle kan geven?

Ik kan u slechts toefluisteren: Beproef het. Indien het verkeerd is, dan zal God u terechtwijzen. Wees toch ééns eerlijk, met het oog op deze ontzettende verborgenheid. Vraag u zeiven niet meer „welke smeekgebeden mag ik wettiglijk opzenden?quot; — maar vraag u zeiven af, wat gij werkelijk begeert, en bid daarom — want dat, dat alleen,

ocr page 31

25

is eene oprechte bede. Ja, Iaat mij er u opmerkzaam op maken, dat juist datgene wat gij den moed niet hebt te vragen, reeds door u gevraagd is, want voor God is de verborgen begeerte reeds een gebed. Slechts voor u zelf brengt die begeerte geen verlichting, geen troost, maar loopt gevaar een voortwoekerende kanker te worden, een bron van twijfel en van aanvechtingen, een scheidsmuur tusschen uwe ziel en God. Hoe kunt gij behooren tot diegenen „in wier geest geen bedrog is,quot; indien er zelfs maar eene gedachte is, die gij instinctmatig verbergt? Spreek uw hart dan uit, bid zonder terughouding. Indien het geloof is, wat gij begeert, onderworpenheid, of wel het oplichten van een tipje van den sluier welke die verborgenheid voor u bedekt houdt, welnu, vraag er dan om. Indien dit niet alles is, o, heb dan den moed waar te zijn. Spreek de woorden uit, als zij u tot de lippen komen: „Vader, indien er nog iets te doen is voor deze verlorenen, o doe het dan; doch niet gelijk wij willen, maar gelijk Gij wilt.quot; Breng diezelfde bede voor God, dag

ocr page 32

26

aan dag, zoo menigmaal de last u neêrdrukt, de smart terugkeert. Wacht op het antwoord, want eenig antwoord zal zekerlijk tot u komen; minstens zal uw vertrouwen vaster worden, dat de Heer zal doen wat Hij kan, en dat Zijn hart medegevoelt met het uwe.

Misschien zult gij meer ontvangen.

III.

Er staan vreemde dingen in den Bijbel geschreven; het standpunt, dat de menschen somtijds innemen tegenover God, en Gods handelingen met de menschen kunnen door geen menschclijke redeneering verklaard worden.

Ziehier een voorbeeld.

De Heer zeide eens tot Mozes: „Laat mij toe dat mijn toorn tegen dit volk ontsteke, en hen vertere; zoo zal Ik u tot een groot volk maken.quot; (Ex. 32 : 10—14). Mozes echter verzette zich. In plaats van „toe te laten,quot; ging hij voort met

ocr page 33

27

smeeken. Hoe! zijn wij geneigd te zeggen, was dit geen vreemde eigenzinnigheid en aanmatiging, en was de Heer niet toornig? Was het geen bewijs, dat hij twijfelde aan den waarachtigen God? Meende hij, dat Gods toorn en Zijne bedreigingen slechts ijdele woorden waren, en waagde hij het daarom er tegen te pleiten?

Geenszins. Mozes geloofde. (Deut. 9 : 19). Indien hij getwijfeld had aan het vreeselijk oordeel dat hangende was, zou hij zich nooit met zulk een aandrang aangegord hebben om tusschen beide te treden. Juist omdat God het gezegd had, en hij het geloofde, spande hij alles in om het vonnis af te wenden. Dit zegt hij ons met duidelijke woorden; „Dewijl de Heer gezegd had, dat Hij u verdelgen zoude, bad ik tot den Heer en zeide: Heere, Heere, verderf uw volk niet.quot; (Deut. 9 : 25, 26). En op eene andere plaats lezen wij: „Hij zeide dat Hij ze verdelgen zoude, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijne grimmigheid af te keeren, dat Hij ze niet verdierf.quot; (Ps. 106 : 23)

ocr page 34

28

Hoe zullen wij dit verklaren?

Hield de Heer zich niet aan Zijn woord? Is Hij een mensch, dat Hem iets berouwen zoude? Ik zal niet ondernemen het te verklaren. Het zijn feiten, geen theorieën, welke deze geschiedenis ons voorlegt.

Het is werkelijk eenmaal gebeurd.

Het lot van een volk werd op Mozes' smeekgebed veranderd ; en Mozes' eigen lot werd ook veranderd, want er is geen groot volk uit hem voortgesproten. Moeten wij aannemen dat de Heer zijne liefde op de proef stelde, door hem, in plaats van de verlossing van zijn volk, zegeningen voor hem en zijn geslacht aan te bieden, en dat hij tweemaal achtereen het aanbod afsloeg? ') ,,Delg mij uit Uw boek,quot; zoo riep hij. Wie kan zeggen, wat deze woorden voor hem beteekenden! Evenals Esther zette hij alles op het spel — en zoodoende overmocht hij. De loop der geschiedenis werd veranderd. De naam „Israëlquot; staat aan het hoofd van het volk, waar de naam „Mozesquot; had kunnen

') Tweemaal — op den Horeb en te Kades-Barnea. (Zie Num. 14 : 12 en Ex. 32 : 10).

ocr page 35

29

zijn, indien hij gekozen had door de vernietiging van dat volk groot te worden.

Wijst alleen het verleden zulke feiten aan ? Hebben wij minder of meer vrijheid van toegang tot God dan in de dagen van Mozes? Is Christus inderdaad gekomen om ons met vrees te vervullen, ons openhartig spreken, onze persoonlijke gemeenschap met God weg te nemen?

Weder lezen wij, dat een profeet heeft gepredikt: „Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd.quot; Toch werd Ninevé niet omgekeerd, en de reden hiervan was, dat het volk geloofde, zich bekeerde en zich vernederde. Toen „berouwde het God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en deed het niet.quot;

Een koning ontving door een profeet de boodschap, dat hij zou sterven. Maar omdat hij de boodschap geloofde, bad hij, en de boodschap werd veranderd. Toch heeft dezelfde Hizkia, toen hem naderhand het kwaad werd aangekondigd, dat zijne zonen zou treffen, hierin berust, en de slag is gevallen. Was dit omdat hij meende, dat

ocr page 36

zijn gebed vruchteloos zou zijn? Of trof liet lot van zijne ongeboren kinderen hem minder dan zijn eigen lot? Had hij ook niet voor hen kunnen pleiten en zijne zaak gewonnen hebben? Wie zal het zeggen! Welk eene verrassende opsomming zal er hiernamaals wezen, aan den eenen kant van de gebeden, die op wonderbare wijze verhoord werden, aan den anderen kant van gebeden, waarop verhooring gevolgd zou zijn, maar die nooit werden opgezonden, — van lotsbeschikkingen, die geheel anders zouden geweest zijn, indien slechts Gods volk geloofd had welk eene macht het bezat in het gebed.

In de drie kenmerkende voorvallen, die ik heb aangehaald, weten wij wat er gebeurd zou zijn, indien de bede was teruggehouden.

Gesteld dat Mozes en Hizkia en de mannen van Ninevé gewacht hadden met bidden om eerst de kansen te overwegen, — wat ware dan geschied? Of gesteld dat zij lang en ernstig hadden nagedacht over de juiste beteekenis van de waarschuwing, om te zien of zij misschien voor eene

J

ocr page 37

3i

minder strenge uitlegging vatbaar was, — hoe zou het dan geweest zijn?

Ninevé zou gevallen zijn, en Hizkia ware gestorven in den bloei zijns levens, en het volk Israels zou slechts in het geslacht van Mozes voortgeleefd hebben. Gesteld dat zij geredeneerd hadden, of uitgelegd, of gecritiseerd, of gehoopt, of gewanhoopt ; gesteld dat zij alle denkbare dingen gedaan hadden, behalve dit eene, bidden — de uitkomst zou overal dezelfde geweest zijn.

Wij hebben hieraan nog een voorbeeld toe te voegen. Eene vrouw zocht den Heer Jezus ter wille van hare dochter, die geen genade voor zich zelve wilde of konde zoeken, daar zij in de macht van den duivel was. De vrouw zelve was eene heidensche en kende de beloften niet. Alles wat zij wist, was, dat er een mensch was, die anderen had genezen, die macht, die ook liefde had. Toen Deze haar zonder omwegen zeide, dat de zaligheid niet voor haar en de haren was, geloofde zij niet aan Zijn woord, maar wel in Hemzelven, en evenals Mozes ging zij voort met vragen. Keurde

ocr page 38

32

de Heer het af dat zij bleef aandringen? Werd zij verhoord of niet?

IV.

Mijne vrienden, hoe komen wij toch aan dat vastgewortelde begrip, dat wij slechts dan het recht hebben te bidden, wanneer wij eene duidelijk gegeven belofte, of ten minste een „antecedentquot; hebben, zooals men dat heet? Kunt gij, als gij er over nadenkt, één antecedent vinden voor een gebed om de bekeering van een enkel persoon, en voor de verhooring van die bede? Ik kan er mij geen te binnen brengen, en het is gemakkelijk dit te verklaren. De Bijbel is een zeer beknopt boek ; hij geeft ons de beginselen, waarnaar wij ons te richten hebben. De heiligen uit het Oude Testament waren zeer vervuld met de openbaring van de heerlijkheid Gods in de uitwendige geschiedenis van zich zeiven en hun volk. In de Evangeliën was het ook de uitwendige.

ocr page 39

33

zichtbare macht van den Heer Jezus, welke het meest de aandacht trok. Misschien niet vóórdat de Heilige Geest op het Pinksterfeest was neergedaald, werd Zijne rechtstreeksche macht om af-keerige harten te hervormen ten volle erkend. Daarna worden ons geen bijzonderheden omtrent de geschiedenis van gezinnen of van enkele personen medegedeeld. Wij hooren niets van de dringende gebeden der eerste geloovigen voor hunne ongeloovige vrienden. Wie zou daaruit echter opmaken, dat omdat nóch het Oude, nóch het nieuwe Testament met duidelijke woorden melding maken van gebeden om de bekeering van bepaalde personen, God die beden daarom niet toelaat en erkent ? Hoe! Moeten wij een antecedent of een voorbeeld zoeken, voordat wij gelooven dat de bede, die uit het diepst van ons hart oprijst voor hen, die ons dierbaar zijn en nog buiten Christus leven, genade vindt in Gods oog? Stellig niet.

Voorbeelden kunnen ons zeer zeker bemoedigen, maar het is onze plicht niet te wachten totdat wij ze vinden. Onze plicht is om altijd al onze be-

3

ocr page 40

34

geerten voor God te belijden — hoe ontelbaar, samengesteld, tegenstrijdig zij ook dikwijls zijn.

Ik geloof dat wij ons eenvoudig deze voorstelling moeten maken van het gebed. Onze slechte, zelfzuchtige begeerten zijn van onszelven ; zij kunnen en mogen daarom niet toegestaan worden. Onze rechtmatige, reine begeerten daarentegen zijn uit den Heiligen Geest, en daarom zal Hij ze vervullen. De vraag komt echter bij ons op, hoe wij in onzen toestand van verblinding onderscheid kunnen maken tusschen het goede en het kwade, tusschen „de bede, die voortkomt uit onzen onverzaad-baren lustquot; zooals iemand haar noemde, en het gebed ter verheerlijking van God? Het antwoord is eenvoudig: dat wij niet kunnen schiften, en dat ons daarom gezegd wordt met al onze begeerten te komen, en te verwachten dat zij alle, vroeg of laat vervuld zullen worden, tenzij zij slecht zijn. Wat naar onze meening goed voor ons is, en wat slecht voor ons is, — mogelijke en onmogelijke, — redelijke en onredelijke dingen, —- dingen voor dit leven en voor het toekomende, — wij moeten

ocr page 41

35

ze alle voor God brengen „zooals zij zijn,quot; evenals wij eens tot God zijn gekomen, zooals wij waren.quot; God zal de tarwe van het kaf scheiden. Hij heeft beloofd dat Hij alles, op de eene of andere wijze ons ten goede zal doen keeren. Naarmate wij nauwer aan Hem verbonden worden, zien wij onze onheilige, slechte begeerten in het ware daglicht, en wij zouden niet eens willen dat zij werden vervuld — al het dwaze, al het verkeerde zinkt weg voor den stroom van een krachtiger, hooger streven. Andere begeerten daarentegen, waarvan wij ons op het oogenblik zelf eigenlijk geen rekenschap wisten te geven, blijken ons geheel in overeenstemming te zijn geweest met Gods wil, en hebben ons leven ten goede gekeerd, het vervormd en geheiligd; al het goede, al het reine waarom wij bidden, wordt voller en krachtiger in ons, totdat wij de volle verzekerdheid hebben dat in Christus die begeerten waarlijk de onze zijn. Juist omdat wij niet van te voren kunnen weten tot welke categorie een bepaalde wensch van ons behoort, moeten wij niets bedekt houden.

ocr page 42

36

De geheele Bijbel is vol gebeden waarvoor geen antecedent, of bevel, of bijzondere machtiging was. Had Abraham's dienstknecht een antecedent voor zijn gebed bij de waterput? Had Abraham een bevel of eene belofte, toen Hij voor den Heer stond en voor Sodom pleitte ? Indien aan Hanna gevraagd was, of zij het recht had om een zoon te bidden, meer dan eenige andere vrouw, zou zij het antwoord schuldig zijn gebleven. Had Elia een antecedent voor een zijner machtige gebeden? En dan die heerlijke opsomming in Hebreen II, — traden al die heiligen, die de beloften ontvangen hadden, slechts in de voetstappen van anderen, die hun vóór waren gegaan?

Is het een bewijs van geloof of van ongeloof indien men niets wil vragen, voordat men zeker weet dat het verzoek wettig en naar den eisch is? Is het een bewijs van geloof of van ongeloof, indien men al zijne nooden, al zijne begeerten voor God brengt, zonder zich te laten terughouden door eenig bezwaar, door eenige aarzeling ?

De Heer prees het geloof van de Kananeesche

ocr page 43

37

vrouw, juist omdat zij tegen eiken regel, elk voorschrift in handelde. In die dagen werd algemeen aangenomen dat de Christus alleen voor Israël was gekomen. Hij zelf sprak ten haren aanhoore Zijne instemming daarmede uit — en toch liet zij zich niet afschrikken.

V.

„Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?quot; (Rom. 8 : 32)

„Alle dingen die wij noodig hebben tot onze zaligheid,quot; antwoordt gij met eene zucht. Uw eigen zaligheid! Zijt gij daarmede tevreden? Was de Kananeeschc vrouw daarmede tevreden ? Of de hoofdman over honderd ? Of de vader van den bezetene? Is het niet, integendeel, alsof allen, die de Heer Jezus bijzonder prees, allen, die blijken gaven van een krachtig, onwederstaanbaar geloof in Hem, niet voor zich zeiven, maar voor anderen kwamen vragen ?

Was de Heiland zelf er mede tevreden voor

ocr page 44

38

Zich alleen te vragen? Was dat de vervulling van Zijn priesterschap? En wij, voor zoover wij door God zijn aangenomen, zijn ook gemaakt tot „Priesters Gode,quot; (Openb. i ; 6) en hebben „vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdomquot; (Hcbr. 10; 19) (d. w. z. als priesters, want alleen priesters hadden daartoe den toegang.)

„Priesters Gode!quot; En waartoe? Alleen om Zijn lof te zingen? Zoo ja, dan is het priesterlijk karakter in den grond veranderd. Tot het Levietische priesterschap behoorden in hoofdzaak de offeranden, de voorbiddingen. Zooals altijd was ook toen de grondtrek van het priesterschap alles voor anderen. Het priesterschap van den Christus was alles voor anderen. Is het priesterschap der heiligen iets nieuws, verschilt het van elk ander priesterschap, dat vooraf is gegaan ? Moeten wij inderdaad of slechts in naam, aan Christus gelijk zijn?

„Priesters Gode!quot; En wij aarzelen voor anderen te bidden!

„Vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus!quot;

ocr page 45

39

Hoe! en geene vrijmoedigheid om datgene uit te spreken wat wij vurig begeeren, al breekt ons ook het harte?

Hoe! zijn wij zoo ontzettend bevreesd voorden toorn van onzen Vader — onzen Vader — dat wij niet eens durven wagen, hetgeen Esther ondernam tegenover een heidenschen tiran? „Kom ik om, zoo kom ik om/' zeide zij en — zij ging binnen. Het was haar te doen om de verlossing van haar volk. De wet, die hen veroordeelde was eene wet der Meden en der Perzen — dus niet te veranderen. Tóch werd er een middel gevonden. Het vonnis werd niet gewijzigd, maar er werd iets tegenovergesteld, en het volk werd verlost. Hoe geheel anders ware alles geweest, indien zij niet had durven zeggen „Kom ik om, zoo kom ik om.quot; Is deze oude geschiedenis voor ons de inkleeding eener ernstige waarheid ?

ocr page 46

40

VI.

„Maar,quot; zal misschien iemand antwoorden, „wij gelooven dit alles met het oog op dingen in onze eigen sfeer, maar sommige dingen gaan buiten onze sfeer. Wij weten niet wat God mogelijk nog zal doen, maar voor ons is alleen dit leven het terrein waarop wij kunnen arbeiden en bidden.quot;

Gij hebt gelijk aldus te spreken, indien er niets buiten dit leven is, dat ooit uw hart bezwaart. In dat geval is dit leven uwe sfeer; blijf er bij, en gedenk op uwe knieen de levenden om u heen. Gaat uwe ziel echter met innige smart, met onuitsprekelijk verlangen uit naar degenen, die niet meer hier zijn, is dit dan niet het bewijs dat zij óók tot uwe sfeer behooren? Ware dit niet zoo, dan zou uw hart koud blijven. Indien het zondig is voor hen te bidden, dan is ook de droefheid, die gij voor hen gevoelt, zonde.

I/ '

- y.

^ *6 - A quot; - - 4

ocr page 47

41

VII.

„Bedenk echter,quot; zegt gij, „waar dit alles heenleidt, naar gebeden voor afgestorvenen, naar papisme, naar allerlei dwaalbegrippen.quot; Ik geef toe dat de vrees om in de strikken der Roomsche leer verward te geraken, niet zonder grond is, maar Iaat ons trachten ongelijksoortige dingen van elkander te onderscheiden.

De Roomsche kerk heeft den toestand der afgestorvenen nauwkeurig omschreven en vastgesteld; zij heeft gebeden voor hen afgemeten en afgewogen, alsof het grutterswaren gold; zij heeft de uitkomsten berekend; zij heeft geloofd, geboden en de prijzen bepaald, — zóóveel gebeden, zóóveel profijt. Geen wonder dat het geheele stelsel als een gruwel werd weggevaagd !

Maar heeft dit alles iets gemeen met de eenvoudige bede van een kind Gods, dat zijn hart uitstort en vraagt hetgeen het vurig verlangt, met een vertrouwen dat geene uitkomsten berekent?

„Maar het is ons verboden voor de afgestorvenen

ocr page 48

42

te bidden.quot; Ik geef toe, dat het ons niet geboden is. Indien gij mij een duidelijk verbod wilt aanwijzen, zal ik dit in aanmerking nemen. Ik vind echter nergens een woord, dat ons verbiedt te bidden om hetgeen onze harten vervult en bezwaart, maar wel het herhaalde gebod om al de begeerten van ons hart, welke zij ook mogen zijn, uit te spreken. Daarenboven wordt ons gezegd, dat wij niet weten wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar dat de Geest zelf voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Mijne vrienden, ik raad u niet aan voor de afgestorvenen te bidden. Indien gij geene bekommernis over hen gevoelt, bidt dan niet voor hen, want zulk een gebed zou dan niet anders zijn dan hetgeen het u toeschijnt; eene bespotting en eene dwaasheid. Maar indien er begeerten in uw hart oprijzen, die gij zeiven niet hebt opgeroepen, die gij niet kunt onderdrukken, wie zal u dan bewijzen dat zij niet uit den Heiligen Geest zijn? Indien gij nooit beproefd hebt ze voor God te brengen, hoe kunt gij het dan weten?

ocr page 49

43

Eene onbijbelsche, bijgeloovige opvatting van het gebed acht ik: het onderwerpen van mijne gebeden aan menschelijke regels en voorschriften, het stellen tusschen mij en God van een priester, een kerk, een zeker genootschap van menschen, die mij zeëëen wat ik moet bidden, en hoe en hoeveel. Misschien is het wel een protestantsch dwaalbegrip, dat verbiedt voor clt afgestorvenen te bidden.

VIII.

Bedenk echter ééne zaak. Diegenen, voor wie gij gaarne zoudt bidden, indien gij er den moed toe hadt, leefden toen gij begonnen zijt voor hen te bidden, en het is mogelijk dat gij eens toegang tot God hadt of meendet te hebben voor hen. Evenals Jaïrus zondt gij tot den Meester, denkende dat Hij op weg was naar u toe. Maar terwijl Hij toefde te komen, stierf het voorwerp uwer gebeden, en gij denkt, dat uw gebed vruchteloos is geweest, dat gij of niet hebt gevraagd zooals het

ocr page 50

44

behoorde, óf dat de Heer nooit beloofd heeft te komen. In sprakelooze droefheid staat gij daar — evenals Jaïrus zou gedaan hebben, indien de Heer hem niet zoo spoedig gerust had gesteld — en diezelfde vurige begeerte, die u zoo dikwijls tot den Heiland heeft getrokken, is zonde in uwe oogen geworden.

Men zal mij zeggen dat dit geval niet denkbaar is, want dat alle gebeden, in den geloove gedaan, in dit leven verhoord worden. Gode zij dank dat dit met zoo vele het geval is. Van die tallooze menschen, die naar den Heer Jezus heenstroomden, werden bijna allen dadelijk genezen. Er was (zoover wij weten) slechts cene dochter van Jaïrus, slechts één Lazarus, die stierven terwijl de Heer toefde te komen. Toch is hier en daar in ons midden een hart, te verbijsterd door de slagen waaronder het gebukt gaat, te verslagen om zijne geschiedenis te kunnen vertellen, voor hetwelk het gebed, het ernstige, geloovige, lang voortgezette gebed uitgeloopen schijnt te zijn in een hopeloos graf.

ocr page 51

45

Mijne vrienden, zou dit werkelijk het einde zijn? Als dit waar is, dan staat er meer op het spel dan uw eigen zaligheid, meer dan de ziel van uw vriend of broeder! Gods trouw, Gods beloften aan eiken geloovigen bidder staan op het spel. Ga in Gods heiligdom, evenals Asaf, en vraag wat er van deze moet worden ? Indien gij niet voor uw broeder kunt bidden, zooals vroeger, dan kunt gij toch uwen Heer herinneren aan uwe gebeden en Zijne beloften in de dagen, die achter u liggen, en Hem vragen wat Hij er mede doen zal.

Asaf stond voor even groote vraagstukken als gij, want, wanneer hij de beloften naar de letter opvatte, en daarna zijn oog liet gaan over hetgeen in de wereld voorviel, zag hij niet dat die beloften tot vervulling kwamen. „Verheuging voor de rechtvaardigen, ellende voor de goddeloozen,quot; had God gesproken. Asaf zag dit echter niet. Hij was te oprecht om voor te geven dat hij het zag. Hij wilde niet beproeven feiten in overeenstemming te brengen met beloften, waarmede zij niets gemeen hadden, noch wilde hij de beloften ont-

ocr page 52

46

zenuwen om ze met de tegenstrijdige feiten des levens te laten overeenstemmen. Hij wilde ze beide aannemen, — beide beschouwen, — en openhartig erkennen: „De goddeloozen hebben voorspoed, de rechtvaardigen allerlei rampen; deze uitkomst kan ik niet verwachten, waar schuilt nu de fout?quot; Toen hij daarna in de oprechtheid zijns harten tot God ging, kwam hij eensklaps tot deze gevolgtrekking:

„De fout is, dat ik de beloften binnen het bestek j van dit leven trachtte te wringen. Dit leven is te kort. Er moet een ander leven zijn, en daarin zal de waarheid van elk woord van God blijken.quot;

Deze gevolgtrekking makende, was het Asaf gegeven een helder bewustzijn der onsterfelijkheid te erlangen, en daarop zijne stellige verwachtingen te bouwen.

Indien wij ook, met al ons worstelen, en al onze onderworpenheid en ons vertrouwen, op feiten stuiten, die niet in overeenstemming zijn met de beloften, wat blijft ons dan anders over dan het voorbeeld van Asaf te volgen? Laat ons beginnen

ocr page 53

47

met volkomen en onwrikbaar vast aan te nemen, dat de belofte, die God aan het geloof heeft gegeven, ivaar is, dat wij er niet te zeker van kunnen zijn, noch er eene te groote, te ver-strek-kende beteekenis aan kunnen hechten. Indien wij voor onze oogen zien, dat de belofte op aarde nooit vervuld werd, moeten wij juist om die reden gelooven, dat zij ergens anders vervuld wordt. Wij kunnen slechts een van deze twee dingen aannemen; — of Gods belofte heeft gefaald, of werd in oneigenlijken zin uitgesproken; óf zij is nog van kracht in een ander leven. De laatste vooronderstelling vervult u met ontzetting? De eerste schijnt mij veel ontzettender toe! Welke kiest gij?

Indien wij iets in de Schrift leeren, dan is het dit, dat eene belofte Gods nooit afhankelijk is van een vasten tijd ; de meeste menschen, die beloften ontvingen, dwaalden, omdat zij de vervulling te spoedig verwachtten. De wetenschap, dat er nog honderden van jaren zouden verloopen, ware misschien te veel voor hen geweest. Dit was het heerlijke van

ocr page 54

48

Abraham's geloof, dat hij wachtte, — dat hij henen-ging van deze aarde en niets had gezien, — dat hij eeuwen lang wachtte, — en, naar ik meen, nog wacht op de volkomene vervulling der beloften, die aan hem werden gegeven. En toch denken wij, dat indien eene belofte niet voor ons vervuld wordt in deze korte spanne tijds van ons aardsche leven, wij hare vervulling nooit zullen zien!

„Daarna zeide ik; Dit krenkt mij, maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des Heeren gedenken, ja, ik zal gedenken uwer wonderen van oudsher.quot; (Ps. 77 ; 11.) God heeft een langen, langen tijd voor het beantwoorden van onze gebeden; laat ons er dan niet op aandringen, dat wij heden dat antwoord moeten hebben, of in het geheel niet.

Wij zijn allen voor niets zoo bevreesd, als voor dwaalbegrippen ; dit is, meen ik, een dwaalbegrip. Wij zijn bang voor aanmatiging; is aanmatiging.

ocr page 55

49

IX.

Ik ga nu over tot eene andere gedachte, welke mij zeer bezig houdt. Ik stel mij voor welk een klein gedeelte uwe gebeden en de mijne uitmaken van dat groote aantal, dat tot den Troon is opgeklommen, van de gebeden der gemeente door alle eeuwen heen! Denk aan de bede van Stefanus: „Heer, reken hun deze zonde niet toe.quot; Denk aan de martelaren en al die getuigen des Heeren, wier namen voor ons verloren zijn gegaan, die stierven met smeekgebeden op de lippen voor de godde-looze, verdorven Roomsche wereld, waarin zij geleefd hadden. Denk aan de martelaren der Hervorming, die uit hun kerker of van den brandstapel hunne gebeden opzonden voor een volk, dat zich niet bekeerde. Denk aan leeraars die voor hunne gemeente, anderen die voor hun land, of weder anderen, die voor verre heidenlanden hebben gebeden, en ze als het ware hebben willen op-eischen voor Christus. En denk dan ook aan die zendelingen, die hun leven lang gearbeid hebben,

4

ocr page 56

So

zonder dat zij veel vruchten zagen, en die zooveel te meer gedreven werden tot het gebed, als het hun niet gegeven was dadelijk zegen op hun werk te ontvangen. Denk aan anderen, wier leven kort is geweest, die slechts een blik hebben kunnen slaan op het volk waarnaar hun harte uitging, en die daarna zijn gestorven; voor zoover wij kunnen zien heeft het niets gebaat dat zij gegaan zijn, dan alleen om in hun hart te doen ontvonken een hoogopvlammend vuur van gebeden, opstijgende tot Gods troon, voor die heidenen, die zij niet konden redden. O, bedenk dit; wat moet dit alles beteekenen? Is één dezer gebeden onopgemerkt gebleven bij God? Zijn zij alle beantwoord geworden? Of kan dit nog gebeuren, volgens het begrip dat wij hebben van een antwoord ?

Ik hoor sommigen zeggen; zij zullen beantwoord worden wanneer alle landen zich tot God zullen keeren, en de geheele aarde zich zal verheugen, en de afstammelingen van deze menschen gezegend zullen worden.

Hoe! leest God waarlijk hetgeen in het hart

ocr page 57

SI

verborgen is of niet? Werd dit vurige medelijden, dit innige gebed aan de harten van Gods kinderen ontperst voor den grond, het land, de verre nakomelingen van de menschen, die zij naast zich zagen verloren gaan? Of golden die gebeden de mannen en de vrouwen met wie zij leefden ? Beoordeel hunne harten naar uw eigen hart, gij zende-delingen, gij die vrouwen en kleine kinderen aan het verderf tracht te ontrukken. Indien de kinderen, die u dierbaar zijn, verloren gaan, zal het u dan troosten, dat Jmnne kindskinderen in de verste geslachten voor God zullen staan? En indien uwe smeekingen u te zwak toeschijnen, indien er nog te veel zondigs aan kleeft, en gij niet de volle verzekerdheid hebt, dat God ze heeft gehoord, welnu, schakel ze dan vast aan de gebeden van al de heiligen uit vroeger tijden, want zij gevoelden hetzelfde als gij ! Dit is eene stellige waarheid.

Wie kan den inhoud bepalen, wie de onweerstaanbare kracht, die uitgaat van de gebeden van alle eeuwen, wanneer de dag daar is, die éénmaal komen zal, als al de gebeden van al de heiligen

ocr page 58

52

bijeen vergaderd zullen worden in het groote gouden wierookvat, en zullen worden uitgegoten te gelijk met den kostelijken wierook van Christus? Zou het waar zijn — is het mogelijk, dat het antwoord op al deze kostbare, driemaal kostbare gebeden niets anders zou zijn, dan de redding van eenige weinigen, het ontrukken van eenig wrakhout aan de alles verslindende zee? Indien dit zoo is, dan zijn zij, die het meest hebben liefgehad, het langst hebben gehoopt, het vurigst hebben gebeden (omdat alleen in dit leven hunne hoop vervuld kan worden), de ellendigsten van alle menschen!

X.

„Maar, zult gij zeggen, er moet toch ergens eene grens zijn voor de verwachtingen van den christen. Daar is er altijd eene geweest.!quot;

Ja, er is altijd eene grens geweest. Maar wie heeft die gesteld?

Deze grens bestond, onbewegelijk, onoverschrijd-

ocr page 59

53

baar, voor hen, die de wonderen van den Heer Jezus op aarde aanschouwden. Het was dezelfde grens, die nog gesteld wordt. Alle mogelijke zieken, hoe ongeneeslijk hunne kwaal ook geacht werd, bracht men tot den Heiland, maar we lezen nergens, dat iemand een doode bracht. Men meende dat tegen den dood zelfs de hulp van den Heer Jezus niets vermocht. Wij lezen van drie opwekkingen, maar geen van de drie geschiedde in antwoord op eene bede; de Heer deed deze wonderen ongevraagd, uit eigen beweging. De weduwe van Naïn sprak alleen door hare tranen. Jaïrus, en de zusters van Lazarus hadden de hulp van den Heer ingeroepen zoolang er nog leven was, niet na den dood.

„Uwe dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeielijk?quot; zoo sprak het volk, en zouden niet velen in ons midden evenzoo gesproken hebben? En Jaïrus zou misschien diepbedroefd naar huis zijn gegaan om zijn doode te begraven, ware de Meester niet tusschenbeide gekomen. „Vrees niet, geloof alleenlijk,quot; waren woorden.

ocr page 60

54

„Te laat,quot; zeide Martha. ,,Hij is reeds vier dagen dood.quot;

„Heb Ik u niet gezegd,quot; antwoordde de Levens-vorst, „dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?quot;

Wij zien dus, dat die grenzen niet door den Heer waren gesteld, maar dat het de grenzen waren van het geloof der beste, der vurigste aanhangers van den Heer, zelfs van het geloof der zusters, die Jezus liefhad. Omdat er bij dezulken nog zooveel ongeloof was, kon Hij zoo zelden dat heerlijkste wonder doen.

Wij hebben allen leeren inzien dat de wonderen van Christus zinnebeelden, teekenen zijn, welke verricht waren om eene goddelijke waarheid in het licht te stellen. Waarvan zijn dan deze drie opwekkingen het teeken? Die drie opwekkingen, waarboven geschreven scheen te staan; „te laat?quot;

Toch was het niet te laat. „In de plaats waar de boom valt, daar zal hij wezen.quot; Maar de boom bleef daar niet.

Misschien zal het later blijken, dat wij in deze

ocr page 61

55

geheele zaak grootelijks dwalen, de Schrift niet kennende, noch de macht Gods. „God is niet een God der dooden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.quot; (Luk. 20 : 28.)

„God, die de dooden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn alsof zij waren,quot; dat is Zijn naam. Wie dan zijn de dooden? Want in Gods oogen zijn ze geene dooden, spreekt de Heer. (Rom. 4 : 17.)

Wij weten zeer weinig aangaande al deze dingen, misschien veel minder dan wij zelf denken. „Wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele,quot; zeide Paulus. Er is ons maar weinig van medegedeeld. En zelfs datgene, wat ons is medegedeeld, is niet tot ons doorgedrongen tengevolge van ons ongeloof.

XI.

Hebt gij wel opgemerkt tot welke groote dingen de Heer zelf, in Zijne afscheidsrede aan Zijne

ocr page 62

56

discipelen, het gebed opriep, — dingen zoo ontzaglijk groot, dat zelfs de geloovigste Christenen uit alle eeuwen hebben moeten erkennen, dat zij er nooit de beteekenis van gevat hebben, dat in hun hart een vreemd en onverklaarbaar ongeloof is achtergebleven ten opzichte van beloften zoo wonderbaar, zoo alle grenzen overschrijdend.

Luistert! „Die in mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij óók doen, en zal meerdere doen dan deze; want Ik ga henen tot mijnen Vader. (Joh. 14 : 12—14.)

Meerdere! Meerdere dan het opwekken van dooden! Meerdere dan het uitwerpen van duivelen! Welke werken worden bedoeld, en zijn zij inderdaad ooit gedaan? De Heer heeft er nooit eene verklaring van gegeven. Zijn antwoord op alle verdere vragen aangaande den aard dezer werken is eenvoudig dit: — „Spreek uwe begeerten uit, dan zal het u wel duidelijk worden.quot; Want dit moet de beteekenis zijn van de woorden, die onmiddellijk volgen: „Zoo wat gij begeeren zult in Mijnen Naam, dat zal Ik doen, opdat de

ocr page 63

57

Vader in den Zoon verheerlijkt worde.quot; ') Hij zeide dus in hoofdzaak: — „indien gij Mij zegt, wat gij zelfquot; zoudt wenschen dat geschiedde, dan zal Ik u de meerdere werken toonen, die gij macht zult hebben te doen.quot;

Luistert verder: „Zoo wie tot dezen berg zal zeggerl •quot; Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal ge-looven, dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij zegt.quot; (Mark. 9 : 23.)

Is ooit aan deze oproepingen gehoor gegeven ?

Wij gelooven ten volle het woord: „Wie tot mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot;

Gelooven wij in even onbeperkten zin dat andere woord: „Al zvat gij zult bcgeeren, dat zult gij ontvangen ?quot;

') Deze woorden schijnen duidelijk in te houden, dat de dingen, die men begeert, en do werken die gedaan moeten worden, één en dezelfde zijn — evenals in Joh. 15 : 16 de vrucht, die gedragen moet worden niet anders is dan do zaak, die men van God moet begeeren.

ocr page 64

58

Hoort ook dit: „Alle dingen zijn mogelijk, dengenen die gelooft.quot; (Mark. 9 : 23)

„Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.quot; (Matth. 28 : 18)

„Ik heb de sleutels der hel en des doods,quot; (Openb. 1 : 18) en omdat Hij de sleutels heeft, heeft Zijne gemeente ze ook.

„Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen.quot; „De poorten der hel zullen dezelve (zijne gemeente) niet overweldigen.quot; (Matth. 16 : 18, 19)

En nog steeds dringt de beteekenis van deze beloften niet tot ons door, en wij vragen ons af, wat er mede bedoeld wordt!

Nog steeds deinzen wij terug voor de poorten der hel, die wij, zooals de Heer heeft gezegd, zullen overheerschen!

Indien de komst des Heeren aanstaande is, — en velen, die deze bladzijden lezen, gelooven stellig dat dit zoo is, — dan zijn er nog bijzondere beloften, die betrekking hebben op den tijd Zijner wederkomst: „In dien dag,quot; zegt de Heer Jezus

ocr page 65

59

(wanneer uwe droefheid in blijdschap zal zijn overgegaan), „ir dien dag zult gij Mij niets vragen.quot; {d. iv. z. geen vragen doen). „Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, zoo wat gij begeeren zult in Mijnen naam, dat zal Hij u geven.quot; „In dien dag zult gij in Mijnen naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; want de Vader zelf heeft u lief, dewijl gij Mij lief hebt gehad, en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan.quot; (Joh. 16 : 22, 23 en vers 26, 27).

Het is mogelijk dat de onopgeëischte beloften van zoovele eeuwen voor dit geslacht zijn weggelegd ; wie zal het zeggen! Laat ons echter, hoe dit ook zij, zorgen dat Hij, wanneer Hij komt, geloof vinde op aarde.

XII.

Leid ik te veel af uit deze beloften ?

Geloof, zoo wordt mij gezegd, is geen geloof, wanneer het de stellige uitspraken van den Heer

ocr page 66

6o

voorbij streeft, er eene andere beteekenis aan hecht, dan Hij heeft bedoeld.

Wat heeft echter de Kananeesche vrouw gedaan ? Het is een feit, dat Hij harde woorden bezigde, moeilijk om te verstaan. Ook ons schijnt het toe, alsof Hij ons niet wil hooren. Ook tot ons schijnt Hij te zeggen, dat Hij alleen is gekomen voor de verloren schapen van Israel, ') en dat het eene nuttelooze zaak is voor anderen tot Hem te gaan, Is echter de scheidsmuur, die voor ons wordt opgeworpen, schrikwekkender, meer onoverkomelijk dan voor die vrouw? En toch is zij teruggedeinsd, ja, wat meer is, wij weten dat het de bedoeling van den Heer was, dat zij dien muur zonde overkomen, en dat Hij hem juist daarom haar in den weg stelde; en wij bedenken dat Hij, die zoo handelde, God was, geopenbaard in het vleesch ; — Hij , wiens doel het was in elk woord, in elke daad Zijne gelijkheid aan den Vader te doen blijken.

Indien de onzichtbare God gelijk is aan den zichtbaren Christus, — wat zal Hij ons dan ant-

') Israël, d. w. z. de uitverkorenen, de gemeente

ocr page 67

6i

woorden, wanneer wij tot Hem gaan evenals deze vrouw? Zullen het „meerdere werkenquot; zijn, of mindere? Zal het zijn „boven al wat wij bidden of denken,'' of minder?

Het is misschien nutteloos, in onzen tegenwoor-digen toestand, al de verschillende uitspraken der Schrift aangaande de toekomende tijden te willen verklaren of in overeenstemming brengen. ')

Wat wij ook begrijpen of niet begrijpen, wij moeten de beloften gelooven. Behalve de weinige,

*) „Eeuwige rampzaligheidquot; — zoo wordt ons altijd voorgéhouden

— moet worden afgemeten naar „eeuwig leven.quot; Er is echter nog een derde „eeuwig,quot; en wel het „eeuwig evangeliequot; (Openb. 14 : 6.) Moet dit niet evenzoo afgemeten worden? In plaats daarvan neemt men aan, dat er geen evangelie meer zal zijn na de wederkomst van Christus. Dus geen openstellen meer van de poorten des heils,

— en wat is het evangelie anders? Een evangelie, dat niet is voor degenen, die het noodig hebben, — een evangelie, 7iiet meer voor zondaren, maar alleen voor rechtvaardigen, wat is dat dan ? En indien „evangeliequot; in dezen tekst, evenals overal elders in de Schrift „blijde boodschapquot; beteekent, eene „blijde boodschap voor zondaren,quot; hoe kan dat dan een eeuwig evangelie genoemd worden, wanneer het zoo snel voorbijgaat ? Ik verdiep mij niet verder in deze tegenstrijdigheid. Ik heb haar nooit hooren oplossen, ofschoon ik haar dikwijls heb hooren wegcijferen, en indien het „eeuwige evangeliequot; werkelijk de blijde boodschap is, die aan alle volken gepredikt zal worden vóór de komst des Heeren, dan is het toch van belang te weten wat zij inhoudt.

ocr page 68

62

die ik heb opgenoemd, zijn er nog honderden andere, eene lange reeks, waaraan geen einde schijnt te komen. ')

Wat ook de beteekenis zij der dreigende waarschuwingen, is het onze plicht de beloften op de proef te stellen. Hier helpt geen critische kennis. Er is slechts eene manier om te leeren wat eene belofte beteekent, en dat is: haar volkomen te gelooven, en ons door niets te laten terughouden om haar geheel tot ons eigendom te maken. Indien, — zooals velen moeten erkennen, — wij dit nog nooit gedaan hebben, indien menige belofte ons nog te veelomvattend toeschijnt om haar in haar geheel aan te kunnen nemen, dan kan er ook geen flauw besef tot ons doordringen van hare ware beteekenis.

Volgens mijne meening, welke ik met eerbiedigen schroom uitspreek, wordt in de Schrift ook onderscheid gemaakt tusschen de wijze waarop

1) „Hij gaat naar het verlorene, totdat Hij hetzelve vindt.quot; „Boven al wat wij bidden of denken.quot; „In (niet voor) den Naam van Jezus zal alle knie zich buigen.quot; „Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest,quot; enz, enz.

ocr page 69

63

God zich aan Zijne bedreigingen houdt, en die waarop Hij Zijne beloften houdt. Deze laatste zijn de begeerten van Zijn hart; in de andere heeft Hij geen welbehagen. Zij worden noodzakelijk gemaakt door de menschelijke zonden en moeten duren zoolang als hare oorzaak blijft bestaan. De beloften daarentegen vloeien uit God zelf voort, zij vinden haar oorsprong in de eeuwige bron van licht en van leven. Wat kan er ooit verandering in brengen? Dit is geen bloote theorie, want in de gevallen, die ik heb opgenoemd, hebben wij haar tot werkelijkheid zien worden, daar werd het oordeel afgewend in antwoord op het gebed. Behalve deze voorbeelden zijn er nog vele andere. Kan iemand, daarentegen, mij een voorbeeld geven van ééne belofte, die ingetrokken werd ? Is er ééne te vinden in de geheele Schrift?

Neen. „De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.quot; (Rom. II : 29.) „Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.quot; (Joël 2 : 13)

Zoude de Heer zooveel beloofd hebben; zoude

ocr page 70

64

Hij ons zoo vurig hebben doen verlangen; zou Hij ons aangemoedigd hebben zulke groote dingen te vragen; zoude Hij in ons zulk een diep gevoel van medelijden — gewekt hebben voor onze mede-menschen, eene afstraling van Zijn eigen goddelijk medelijden, indien Hij ons eindelijk, zelf bewogen met onze bittere teleurstelling, niets anders te zeggen had, dan dat Hij een groot gedeelte van hetgeen wij gevraagd hadden niet kon doen (zelfs al wilde Hij)?

Mijne vrienden, wij kunnen niets anders doen dan er de proef van nemen. Laat ons dan meer en meer de macht, die het gebed geeft, tot de onze maken, laat ons de gouden koorden strak aanhalen die van den Hemel reiken tot ons, laat ons steunen op Gods beloften, volkomen, zonder vrees; Zijne beloften falen niet,

„Roept tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken groote en vaste dingen, die gij niet weet.quot;

ocr page 71
ocr page 72
ocr page 73
ocr page 74
ocr page 75
ocr page 76

'i

ifi

::: \-W

■■4

•■'. ■■ H ■' •• l' ■• 4 • •';■■''«id

^ ^ -t- = ^ ■:•■ : «Isi : ' :

...

■ ■■ | *'quot;gt;j fliS

4