Met zorg te behandelen spoedig terug te geven.
T R O U W R 1 M G
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Vertaald door
S. TJ Xj E E. S
Predikant te Rotterdam
2e Druk.
ROTTERDAM
J. M. BR ED EE
PIBUOTME^K DER
v i_r.oi f £11
U t f v £ C H T.
Voorrede bij den tweeden druk.
Bij het verschijnen van een tiveeden druk kan ik niet laten, om mijn blijdschap int te spreken, over het verschijnsel, dat hij vele jonggehuwden de behoefte gebleken is, evenals de hartelijke begeerte, om een goed woord 7nede te krijgen op hun hmvelijksiveg. Dit boek schijnt waarlijk in die behoefte te voorzien.
Moge het nog menig jong paar, als een huwelijksgeschenk medegegeven, vergezellen als een goede zegen.
S. Ulpers.
Rotterdam, 5 Maart 1897.
Bladz.
De eerste trouw..................................1
De keuze van een vrouw.............21
De keuze van een man..............45
Geheime huwelijken en uitspattingen.........07
Plichten van den man jegens de vrouw........91
Plichten van de vrouw jegens den man........115
Vrede of onmin tusschen man en vrouw........137
Het huisgezin.................-159
Der kinderen erfdeel...............181
Verstandig huishouden..............199
Eenvoud of opschik...............219
Broeders en zusters...............241
,
GENESIS 2 vers 23.
„Deze is ditmaal heen van mijn gebeente, en vleesch van mijn vleesch.quot;
Een morgen zonder wolken. Zachtruischende zefirs. Jong frisch groen zonder één dorre twijg. Effen weiden met bloemen zonder doornen. Juist een morgen voor de eerste bruiloft op aarde.
De trouw za.1 in de kerk plaats hebben, in den groeten tempel der natuur. „Wij zullen de pilaren zijn!quot; zoo roepen de bergen. „Wij zullen het koepeldak wezen!quot; zoo roepen de hemelen. „Ik zal het vergulden,quot; zoo roept de morgenzonneschijn, „vergulden, dat saffier!quot; „Ik ben de doopvont,quot; roept het blinkend water van Hiddekel en Gihon. „Wij zullen de trouwmarsch zingen,quot; fluiten leeuwerik, en goudvink en roodborstje. „Wij zullen den wierook branden in den voorhof,quot; zeggen viooltje, lelie en roos. „En ik zal mijn ranken slingeren, en mijn trossen zwaar hangen boven den uitgang van het bosch, als zij straks hier onder door komen!quot; zegt de wingerd. Alles is versierd en opgemaakt en gereed, zooals alleen een lentemorgen het kan, en geen ander.
De wilde dieren staan in den buitensten kring, nieuwsgierig en eerbiedig, zooals de familiebedienden, die bij de zijdeur zijn binnengekomen, om mede het
4
gezicht te mogen hebben. De arend, koning der vogels, de sprinkhaan, koning der insekten; de leeuw, koning der viervoetige dieren — zi] zijn daar, een iegelijk met zyn hofstoet, en zij maken him opwachting.
Groen gras als smaragd buigt teedere halmen als tapijt voor den voet van het paar, als het straks komt.
Een gegons van stemmen, vroolijk en verward, zooals er altijd is vóór een trouwplechtigheid. Wuiven van gras, fluisteren van bladeren, stil kweelen van vogels, van ieder tot zijn buur, niet te luidruchtig, eerbiedig ingehouden.
Stil, gij winden! Stil, gij vogels! Stil, gij murmelende wateren!
Zie, daar komt hij, de koning van allen, de mensch, met zijn bruid — een volmaakt man, die een volmaakte vrouw naar het altaar geleidt.
En tranen van morgendauw komen er in groote oogen van viooltjes.
En Adam neemt ten aanzien van het toeschouwend heelal de zachte ronde hand, op welke nog nimmer de misvorming door arbeid of het litteeken van pijn is gedrukt, in zijn eigen sterke hand, terwijl hij zegt: „Dit is nu heen van mijn gebeente, en vleesch van mijn vleesch!quot;
Kreten van vreugde juichen op, en al de boe men des wouds klappen in de handen; en van a,l de galerijen van het bosch barsten los het gezang en het gekweel en het gefluit; en het geluk in Edens kring is volkomen. Want, waar iedere vogel zijn vogel heeft, die hem antwoordt, en iedere visch zijn visch
5
heeft, die hem past, en ieder viervoetig dier zijn med-gezel heeft, zooals hem voegt, daar heeft ten laatste ook de man, de onsterfelijke, de medgezellin ontvangen, die hem voegt, namelijk de vrouw, ook een onsterfelijke.
Gehuwd op den tweeden Dinsdag in Mei van het jaar eén: Adam, de eerste man, met Eva, de eerste vrouw. Getuigen: de aarde en de hemel. — Weg met die ruwe lage opvatting, als was het huwelijk niets meer en niets anders dan een burgelijk contract. Het is een instelling van het Paradijs, een instelling van zesduizend jaar, een instelling van God; en al de wetten, die de burgelijke samenleving heeft uitgevonden en vastgesteld, kunnen geen twee zielen huwen, tenzij God Almachtig hen eerst heeft gehuwd.
Daar stond een verboden boom in het midden van dien schoonen hof.
Zie, daar is Eva; zij is gekomen met den zang in het hart, en met den hemel in de oogen; zij ziet op naar den boom, en zij ziet een prachtige vrucht. En zij vraagt het zich af, of die vrucht zoet is, dan, of die vrucht bitter is. En zij zegt: „Zou ik die vrucht niet in mijn handen mogen hebben? Dat zal den boom geen schade doen; neen, eten zal ik haar niet; alleen in de hand nemen wil ik haar; ik wil alleen maar weten, wat voor vrucht het is.quot; En zij neemt de vrucht in de hand, en vindt haar zoo schoon. „Zou het zoo groot kwaad zijn, als ik, maar even, haar proefde?quot; Dat is een korte weg, van de hand naar de lippen. En de vrouw, die als vrouw ook in de zondenimmer
6
zonder deelgenoot wil zijn, zegt; „Proef, o proef, Adam!quot; En ook Adam neemt en eet.
Toen opende zich voor de aarde de deur des ver-derfs, en het gruwelijk monster, dat daar door die deur binnen kwam, was de zonde.
Wee! dat de hemelen zich bedekken met donkerheid! Dat de winden zuchtend en huilend hun klachten gaan uitstorten aan de heuvelen en aan de dalen! Laten de spelonk en de woestijn, en de aarde en de lucht, een kreet opheffen, scherp en fel, boven alle klanken van een nog voortdrooraend geluk uit: „De wereld is verloren!quot;
Daar dreven wolken vol wraak aan, en tastten zicli op, laag boven de aarde. Daar schoten doornen op, scherpe doornen, tusschen het zachte gras. Daar gierden rukwinden aan tegen het- jonge groen, en kneusden het. Daar sprongen al de snaren van de ééne groote harmonie. En met den rug gekeerd naar de gelukkigste woonstede, die ooit de wereld heeft gekend, wendde zich het eerste echtpaar naar een pad, waar de smart het deel zou zijn van hen, en van al de duizend gebroken harten van een ongelukkig menschelijk geslacht.
Ziet gij hier niet, in de eerste plaats, wat het ge-voor is van te dwaas, te ver gedreven zucht tot onderzoek ?
Die vrouw wilde weten, hoe die vrucht smaakte. En zij heeft het te weten gekregen, maar zesduizend
i
jaren hebben die ongelukkige nieuwsgierigheid beweend.
Een gezonde weetgierigheid is een goede zaak, en is altijd ten bate gekomen van de letterkunde, de wetenschap, de schoone kunsten, en van den godsdienst. Zij daalde met den geoloog af in de diepten der aarde, en zag het eerste hoofdstuk van Genesis geschreven in het groote boek der natuur, gegraveerd op de rotsen. En zij stond naast den oudheidkundige, terwijl hij de bazuin der opstanding blies boven de asch van een verbrand Herculanum en Pompeji, totdat tempels, terrassen en amphitheaters van uit hunne graven herrezen. Een gezonde weetgierigheid heeft den telescopischen horizon van den sterre-kundige verwijd, totdat werelden, in de verre hemelen verborgen, voor den dag traden bij myriaden, als naar voren gedwongen, om mede haar stemmen te paren in den zang van het Zevengesternte; allen gebonden onder een reuzenwet, die planeet woog tegen planeet, en die de wildste komeet temde als meteen omgeworpen lasso. Een gezonde weetgierigheid begeleidde den duiker naar de gronden van den oceaan, en deed hem daar de voetstappen vinden van den Eeuwigen God naast den poliep en de zeester, zooals zij de majesteit van den grooten Jehova aan den bisonjager had ontdekt achter de gordijnen van het oerwoud. Zij heeft de zonnevlekken onderzocht, en ook de larven in een beukenblaadje; het licht onder de vleugeltjes vaneen lichtworm, en ook het licht in den vreeselijken oogglans van den condor, uitziende van den top van den Chimbo-
8
razo. Zij heeft de millioenen phosphordiertjes onderzocht, die achter het klievend schip het kielwater doen schuimen met spattend vonkend licht; en zij is doorgedrongen in den onmetelijken lichthof, waar zonnen en planetenstelsels en melkwegen nog den afglans geven van hot machtige licht, dat op hen afstraalde, toen God daar voorbij ging in den voortijd. Een gezonde weetgierigheid stond geestdriftwekkend naast don uitvinder, toen hij krachten, die eeuwen verbergen waren geweest, wist te dwingen om in te varen in rad, en hefboom, en cylinder en schietspoel; krachten die hij vond in de zee, die hij vond in de lucht, die hij vond in den grond; zoodat nu de aarde schudt en beeft bij het rooken en stampen en wervelen van een duizelingwekkend mechanisme, en zoodat nu de monsterschepen, met den stoomadem uit de neusgaten en met het vuurjuk op den rug, de vastelanden tot elkander naderbij rukken.
Ik heb niets tegen een gezonde weetgierigheid. Moge zij nog geweldiger uitvinding brengen dan een Leidsche flesch, en een electrische batterij, en de kolommen van Volta; moge zij het vergrootglas nog anders leeren slijpen; om met dat alles het beleg te slaan voor de gesloten kasteelen der natuur, totdat zij haar laatste geheim hebben overgegeven! Wij danken God voor de weetgierigheid van een geoloog als Hitchcok, van een mechanicus als Liebe, van een zoöloog als Cuvier, en van een electricus als Edison.
Maar wij moeten daartegenover toegeven, dat een ziekelijke nieuwsgierigheid, dat een te dwaas, te ver
9
gedreven zucht tot onderzoek duizenden en tienduizenden in het verderf heeft gestooten.
Eva deed niets meer, dan eerst maar eens de vrucht te proeven. Zij was nieuwsgierig om te weten hoe die vrucht smaakte, en die nieuwsgierigheid werd haar een vloek, en al de natiën tot een vloek.
Zoo zijn er heden ten dage ziekelijke godsdienstig-nieuwsgierigen, die getracht hebben door het sleutelgat in te zien in Gods geheimenissen, geheimenissen, waar God, tot wering van alle menschelijk onderzoek, slot en grendel op had gedaan. Hun geheele zedelijke natuur hebben zij uit het lid getrokken bij de poging om vruchten te plukken van de takken, waar zij niet bij konden; of, waar zij zich te ver op die takken hadden gewaagd, zijn zij afgegleden, gevallen en gekneusd, zonder hoop op genezing. Daar zijn duizend boomen van godsdienstige kennis, waar wij van eten mogen tot gezondheid en tot kracht; maar waarom willen nog altijd menschen hun verderf plukken aan eenige weinige boomen der verborgenheden Gods? Uitverkiezing, vrije wil, drieëenheid, opstanding des lichaams, — dat zijn onderwerpen van gesprek, waar honderden en duizenden zich een dood aan hebben gepraat. Daar zijn lieden, die werkelijk buiten de deuren van het koninkrijk Gods zijn gehouden, omdat zij maar niet konden begrijpen, wie Melchizedek niet was.
O! hoevelen hebben hun ziel verwoest door een ongezonde nieuwsgierigheid!
Wij kunnen dat zien in alle kringen. Zie daar hebt gij ze, die menschen met wijdopen mond en met
10
ver uitkijkende oogen! Zij zijn aitijd de eersten, die de leugen aanhooren, het verhaal breed uitmeten en er een paar vleugels aanzetten. Hoe een ander zich kleedt; wat andermans zaken zijn; wat de buren op tafel hebben; wat daarover binnenshuis gebeurt; zij moeten het alles weten. Geen praatje gaat er om in de straat, of het houdt zeker stil bij hun deur; en hun aangezichten staan zelf behaaglijk als zij maar zijn in dien eindeloozen kring van 's werelds gebabbel. Wien noodigen zij bij zich aan huis, en wien hebben zij gaarne bij zich op hun avondjes? Kolonel Bazelaer, Jonker Von Klets, en Mevrouw Weetalles, geboren Rammeltongen. Wie maar een schandaaltje heeft opgevangen, wie maar een leelijke toespeling kan opdisschen, wie maar een geheim heeft, laat hem tocii komen en het offeren van avond op het altaar van de godin der Praatjes!
Buizende Adam's en Eva's doen niets dan vruchten eten, die hun niet toekomen. Menschen, die een grooten naam hebben als wiskundigen, begrijpen soms niets van de volgende moreel-algebraïsche berekening: Gezond verstand plus fatsoenlijke opvoeding min nieuwsgierigheid is gelijk aan: houdjebijjezaken.
En dan, hoeveel jonge menschen jagen niet uit pure nieuwsgierigheid de heele Fransche romanwereld door, van het eene eind naar het andere eind, alleen maar om te zien of die boeken wezenlijk zoo slecht zijn, als de moralisten er van hebben gezegd. Zij loopen naar den rand van den afgrond, alleen maar om eens naar beneden te zien. Zij willen maar zien hoe diep hij
11
wel is; maar onder het zien, daar, daar verliezen zij hun evenwicht, en daar vallen zij, voor goed te pletter. Of, als zij het leven er van afbrengen, ziet, daar kruipen zij bloedend en doodsbleek tegen de rots weer op, vruchtelooze gebeden met vloeken dooreenmengend.
Zooveel als gij kunt, moedigt de gezonde weetgierigheid aan, maar gaat de ziekelijke nieuwsgierigheid te keer; als gij uw ziel lief hebt!
Ons onderwerp leert ons, in de tweede plaats, weer diep de waarheid gevoelen, dat er vruchten zijn, die eerst zeer zoet smaken, maar daarna zeer bitter.
Wat was voor Eva de verboden vrucht toch zoet! Zij noodigde ook haar man, om er van te nemen. Maar haar verbanning uit het Paradijs, en zesduizend jaren van zorg en smart en oorlog en ellende en wee waren de te betalen prijs voor die weelde.
Zonde kan zeer zoet zijn bij het begin van uw weg, maar zal straks op het midden van dien weg, of reeds eerder, een leed u baren, zooals niet is te dragen. De zonde blinkt helder en vonkend boven in den beker; maar daar onder in den beker loert de dood; en gij zult, onnadenkend, dezen meedrinken!
Het drinken van sterkedrank geeft voor een oogen-blik een vroolijke opwinding; het brengt beweging in het bloed; het maakt dat men vijf sterren ziet, waar anderen maar één ster zien; en het maakt den armen man rijk; en het brengt rozen op fletse wangen; maar wat! als daarna die ontzettendedroomen komen.
12
wanneer de man het gevoel heeft van vreeselijke hoogten neer te vallen, of het gevoel heeft neer te liggen in afgrijselijke ziekten, en wanneer het zweet hem opkomt aan het voorhoofd als nachtdauw van eeuwige duisternis, en wanneer het spook van de nachtmerrie hem mond en keel en borst toeknijpt, waarin de laatste weerklank weg gaat sterven van het woord, dat hij nog hoort hoog in de lucht: „Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw.hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap; maar weet dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht!quot;
Zonde, zoo zoete vrucht eerst, wat is zij bitter in het laatst! Ga het zien in die zaal, waar bij zwelgend genot de goddelooze uitgelatenheid zoo dol kan zwetsen en zweren. Luister naar dat verstandeloos geschetter ! Wat onzinnig! Zie daar op die aangezichten de laatste straal der rede uitgewischt, aangezichten, eertijds blinkende in de gelijkheid van Gods aangezicht. Hoor hoe de drinker de klopping van een nog niet geheel gestorven geweten lucht geeft en smoort te gelijk: „Vooruit jongens! vult de glazen nog eens! Daar, ik drink op de ellende van mijn vrouw: ik drink op de lompen van mijn kinderen; ik drink tegen God, als Hij wat durft!quot;
En die man merkt niet, dat een demon met lachen uit de hel hem het glas in de hand geeft, en dat adders zich loskronkelen uit den droesem, en de koppen opheffen met gespleten tongen, sissende boven het schuim over den rand. Daar is verdoemenis te koop
13
voor een dubbeltje! De Filistijnen schreeuwden en spotten en lachten om Simson. Ja, hij moest spelen voor hen, en zijn sterke kunsten vertoonen; dat moest hij! Wat mooi, en wat vroolijk en wat dol was voor een oogenblik dat tooneel in den tempel van Dagon! Maar daar steekt de reus de hand uit tegen een pilaar, en de andere hand tegen den anderen pilaar, daar buigt hij den rug, en drieduizend lachende menschen zijn vermorzeld als druiven in een wijnpers.
Zonde, zoo verleidelijk schoon in het eerst, wat is zij vreeselijk in het laatst! Die ééne overtreding in Eden scheen zoo erg, zoo erg niet te wezen, maar zij kwam aan met een slag, die tot op dezen dag de aarde doet duizelen, zooals een os duizelt bij den hamerslag van een slachter vóór op zijn kop. Om de gevolgen van die eene zonde te weten, zoudt gij aan de wereld moeten vragen: „Kom, open al uw gevangenissen, en laat ze eens naar buiten komen, al de misdadigers! Kom, open al uw hospitalen, en laat al uw zieken eens zien! Kom, open al uw krankzinnigengestichten, en vertoon eens al hun ellende! Kom, open al uw graven, en vertoon uw dooden! En open de deuren dei-hel, en vertoon al uw verdoemden!quot; Die ééne overtreding in Eden sloeg koorden van ellende rondom alle harten dezer aarde, en deed ze allen uitroepen in wee; en zij zond de pest met vleugelen door de lucht, en zij joeg de schepen tegen de rots in den storm, en zij leide den hongersnood als een bloedzuiger tegen het hart van kranke en stervende natiën.
Schoon in het begin, afgrijselijk in het laatst! Ach'!
14
hoevelen hebben het ervaren! Zijn er hier in ons midden, die aan het pleizier zich hebben toegewijd? Laat mij u waarschuwen, broeder! Uw pleizierjacht is al ver van de kust, en uw mooie zomerdag gaat eindigen in een stormachtigen avond; zie, de winden en de golven zingen een woesten zang, en de aandrijvende wolken vertoonen een zwartgrimmig gelaat. Gij zijt de baai reeds uitgedreven, en de zeestroom trekt u voort, en als straks de Atlantische wateren u in hun rondedans nemen, dan ziet gij uw kusten nimmer weerom. Keer de boot om, roei, roei, harder! harder! Jezus aan de kust werpt u het touw toe. Grijp het, snel, nu of nooit!
Ach! zijn er niet onder u, die al hun liefde en al hun vreugde en al hun hoop hebben ingeladen in een schip, dat nooit de haven des hemels zal bereiken? Gij drijft reeds naar de branding toe. Hoog tillen zij u op, die golven! Zwaar valt gij neer, op de klippen! Wee! wat gekraak! Nog één zoo'n stoot, en uw schip gaat te splinter, en uw lichaam wordt verbrijzeld tusschen de planken en balken! Overboord, man! om uws levens wil, overboord ! Vertrouw niet die brooze plank, en reken niet op de nabijheid van het strand. Maar snel, omvat de voeten van Jezus, die daar wandelt op het water, daar dicht bij u; en roep, roep, dat Hij het hoort: „Help, Heere! ik verga!quot;
Zonde, zoo schoon in het eerst, o hoe valsch, hoe hatelijk is zij in het laatst! De grond, waar zij u over heen leidt, is hol. De vrucht, die zij u aanbiedt, is vergiftig. De belofte, die zij u doet, is een leugen.
15
Over dien goddeloozen feestdisch hangt het scherpe zwaard van Gods oordeelen, en letteren van slechte beduidenis zijn daar geschreven aan den muur.
Ons onderwerp leidt ons echter tot nog een opmerking, namelijk dat de zonde te meer is te schuwen naar mate zij bekoorlijker is.
Sedert 'den dood van Eva is er een volmaakte vrouw zooals zij niet meer op de aarde geweest. Aan die schoonheid van lichaam en ziel had niets toegevoegd kunnen worden. Die gang kon niet sierlijker, dat oog kon niet helderder, die stem kon niet zoeter! Een volmaakt God had een volmaakte vrouw geschapen, om voor een volmaakt man de gezellin te wezen in een volmaakte woning; en haar natuur was in volkomen harmonie met de schoonheid en den zang van het Paradijs. Maar zij pleegde opstand tegen Gods bestuur, en met dezelfde hand, waarmede zij de vrucht geplukt had, goot zij over de wereld uit al die misdaden, die oorlogen, die beroeringen en die smarten, die het heelal in eeuwenlangen rouw hebben gedompeld. Een vreeselijk aanhangsel aan al haar bekoorlijkheid!
Wij vinden het natuurlijk, wanneer wij mannen en vrouwen van een gemeenen aard zich aan de zonde zien overgeven. Dat verwachten wij, dat lieden, die in het slijk leven, ook de manieren van het slijk vertoonen. Maar hoe schandelijk moeten wij het achten, als wij de zonde opmerken, versierd
16
met een beschaafde opvoeding en met al de fijnere manieren van een maatschappelijk hoogen stand! De invloed van een Maria, Schotlands schoone koningin, over Darnley, den wellusteling, vinden wij des te afschuwelijker, naarmate wij bedenken, hoe begaafd zij was. Het genie van een Catharina II van Rusland, doet bij haar de onverzadelijke eerzucht slechts des te scherper afsteken. De kennis der Grieksche en Romeinsche letterkunde van Elisabeth, en haar éénige koninklijke hoedanigheden, doen bij haar haar wisselvallige genegenheden en haar opvliegend karakter slechts te sterker uitkomen. De grootheid van Byron's geest maakt Byron's zinnelijkheid slechts des te afstoo-telijker.
Laat niemand, die mij heden hoort spreken, denken, dat beschaafde manieren, fijne smaak of wetenschappelijke opvoeding ter vergoelijking kunnen dienen voor een kwaad humeur, voor een heerschzuchtig karakter, voor onvriendelijkheid, of voor welke zonde ook. Yoor ongehoorzaamheid tegen God en voor overtreding jegens menschen is geen verontschuldiging. Talenten zoo schitterend als de hemel zijn geen vergoelijking voor misdaden, als de hel zoo zwart.
Ons onderwerp leidt ons ten laatste echter ook tot de erkenning van de koninklijke macht der vrouw.
Wanneer ik den machtigen invloed zie, dien Eva gehad heeft over Adam en over de geslachten, die gevolgd zijn, dan twijfel ik geen oogenblik meer aan
17
de groote macht, die alle vrouwen hebben ten goede en ten kwade.
Ik houd niet, en gij evenmin, van die holle, laffe vleierijen, die sommige mannen gewoon zijn van hun kansel of van hun tooneel aan de vrouwen in het aangezicht te zeggen. Onbeduidende woorden zijn het, en als nietsbeteekenende woorden laten de verstandige vrouwen ze dan ook aan haar ooren voorbijgaan. De adel van een vrouw bestaat in het uitoefenen van een Christelijken invloed; en wanneer ik dien machtigen invloed van Eva over haar man zie, en over het geheele menschelijke geslacht, dan houd ik mij overtuigd, dat de zwakke arm van een vrouw in staat is een werk te doen, waar alle eeuwigheden van gewagen zullen, en waarvan gesproken zal worden door de gevangenen daarbeneden in de hel, en door de engelen daarboven in den hemel.
Ik heb niet eens het oog op de groote, boven anderen uitstekende vrouwen, zooals Eva, die een geheel geslacht verwoestte door één vrucht te plukken; zooals Jaël, die een pin dreef door het hoofd van Sisera, den krijgsheld; zooals Esther, die een koning in kluisters van schoonheid bond; zooals Abigaël, die een legerbende tegenhield alleen met haar schoone dapperheid ; zooals Maria, die de voedster was van der wereld Zaligmaker; zooals Loïs, de grootmoeder, die onsterfelijk is geworden in haar kleinzoon Timotheus; of zooals Marie Antoinette, die zich slechts op het balkon had te vertoonen om een tierenden volkshoop te bedwingen, en die haar schavot in een troon van
Trouwring. 2
18
vergevensgezindheid en vrouwelijken moed herschiep.
Ik spreek niet van die buitengewone personen, maar van dezulken, die, niet gedreven door staatkundigen ijver, ais vrouwen en moeders en als zusters en dochters al die duizend kleine diensten verrichten, die een woning tot een zoet tehuis maken. Als wij eens de eindoorzaken willen navorschen, die het lot der volken beslissen, dan zouden wij vinden, dat de machtigste en grootste invloed uitgegaan is van die huizen, waar de vrouw de neerslachtigheid en de moeiten en zorgen des mans wist weg te tooveren met haar opgeruimdheid; waar de moeder haar kind voor den hemel opvoedde, de kleine voeten leerende, zich te richten naar de Hemelsche Stad; waar de zusters door haar teederheid de ruwe manieren van de broeders verfijnden; en waar de dochters zich beijverden om goed en vriendelijk te zijn jegens de ouden van dagen, kransen van zegen strooiend op het pad, dat vader en moeder begonnen af te dalen naar het donkere dal der schaduwen daar beneden.
Moet ik de geschiedenis te baat nemen, om de voorbeelden hiervan op te sommen?
Als ik van den invloed der vrouw spreek, dan keeren mijn gedachten altijd onwillekeurig terug naar die ééne, die oude, die wij twintig jaren geleden wegdroegen, om haar te begraven ter plaatse waar zij de opstandig verwacht. Ongeveer tachtig jaren geleden, en juist op den dag van hun huwelijk, stonden mijn vader en moeder voor den kansel in de kleine kerk te Sommerville, New-Iersey, en legden
19
zij hun belijdenis als Christenen af. Gedurende een lang leven vol wisseling leefde zij nuttig en goed voor een ieder; en haar einde was vrede. Geen arm kind kwam ooit tot haar deur, dat ledig heengezonden werd. Geen bedroefde ging ooit ongetroost heen. Niemand, die haar den weg vroeg om zalig te worden, dien zij niet wees op het Kruis. Als bij een van de buren een kind werd geboren, dan was zij daar, om zich mede te verheugen. Als de engel des doods daar inkeerde, dan was zij daar, om de gestorvene te kleeden voor de begrafenis. Dikwijls hebben wij haar hooren zeggen, als vader van huis was, en zij het gebed deed des morgens en des avonds: „Heere! ik vraag u niet voor mijn kinderen om rijkdom of eere, maar ik vraag, dat zij allen Uw vertroostende genade mogen deelachtig worden.quot; Toen haar elf kinderen allen het geloof in Christus als de beste gave hadden ontvangen, had zij slechts één wensch nog, en die was, dat zij haar zoon nog eens zien mocht, die zoolang geleden als zendeling over zee was gegaan; en toen het schip uit China in de haven van New-York het anker liet vallen, en de lang verwachte den drempel overschreed van zijn vaderlijk huis, toen zeide zij: „iaaimt, iïeere.' uio dienstmaagd heengaan in vrede, want mijn oogen hebben Uiv zaligheid gezien.quot; Dat gebed werd spoedig verhoord. Het was op een herfstdag, zoo schoon als deze, toen wij, kinderen, kwamen, ieder van zijn stad, en toen wij slechts de ledige woning vonden, waaruit de ziel voor altijd was heengegaan. Zij zag er zoo gewoon uit, alsof zij nog leefde; die gevouwen han-
20
don, het scheen als waren zij nog bezig iets te doen in liefde voor haar kinderen. Wat wij ook ooit vergeten, moeders handen nooit, die nimmer hebben gerust, ons ten goede! Toen wij bij de lijkkist stonden, konden wij niet laten om te zeggen: „Wat is zij schoon!quot; Het was een dag zonder wolken, toen wij op 't zonnig pad met zware harten haar ten grave brachten. De afgevallen bladeren stoven op onder de hoeven dei-paarden, en onder het rad van den wagen; en de zon scheen op de rivier daar ginder, tot het was alsof het water in goud stond; maar meer kalm, en meer glansrijk, en meer schoon was de ondergaande zon van dat oude pelgrimsleven. Geen zorg meer; geen tranen meer; geen ziekte meer en geen dood! Lieve moeder! Schoone moeder!
Neen, ik behoef niet in de geschiedenis te zoeken naar voorbeelden van vrouwelijke grootheid en voortreffelijkheid, zoolang ik u nog kan heenleiden langs de beeldengalerij van uw eigen herinnering, en u daar toonen kan dat schoone gelaat van die ééne, die gij zoo lief hebt gehad. Dit gelaat roept al de oude geschiedenissen weer op voor uw verbeelding, heilige herinneringen! En het spreekt en wekt u weer op tot nieuwe, altijd weer nieuwe toewijding aan God,, terwijl uw lippen dat teedere, schoone, heerlijke woord stamelen: „Moeder! moeder!quot;
RICHTEREN 14 vers 3.
„/s er geen vrouw onder de dochteren uiuer broederen, en onder al mijn volk, dat gij heen gaat, om een vrouw te nemen van de onbesneden Filistijnen?quot;
Simson, de reus, vraagt hier aan zijn vader en moeder de toestemming om te trouwen met iemand, die zij geen goede vrouw voor hem achten. Verstandig deed hij met hun raad te vragen, maar dwaas deed hij met dien raad niet op te volgen. Bekoord door haar schoone oogen, wilde de groote jongen een dochter huwen uit den vreemde, een listig, leugenachtig, temerig schepseltje, dat hem later in groote moeite bracht, en hem toen voor goed in den steek liet.
In mijn tekst wilden zijn ouders dan ook van die verkeering niets weten: „Daar zijn zooveel brave en schoone meisjes hier in uw eigen land; hebt gezoo'n haast, Simson, om u voor uw gansche leven aan iemand te verbinden, dat gij al naar een vrouw omziet? En laat gij dan nog wel het oog vallen op die vreemde, van wie gij niet veel meer kunt zeggen, dan dat zij een mooi gezichtje heeft? Zijn er zoo weinig leliën in de tuinen van Israël, dat gij een Filistijnsche distel gaat plukken om op de borst te steken? Verkiest gij een wilden appel boven de vrucht van een granaat? Is er geen vrouw onder de dochteren meer broederen
24
en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vromo te nemen van de onbesneden Filistijnen?
Zoo dwaze keus kon Sim son nimmer rechtvaardigen.
En te minder kon hij dat in een land en onder een natie, waar de vrouwen beroemd waren om schoonheid en zedelijke waarde, een land waar vrouwen gevonden werden zoo zelfverloochenend als Abigaël, zoo heldhaftig als Debora, zoo vroom als Esther, zoo schoon als Ruth, zoo roemrijk als later Maria, de moeder des Heeren. Dat haar, zoo zwart als de zwartheid van den nacht; die oogen, met den vochtigen glans der heldere meeren; die lichtheid en die zweving in den gang. als de lichtheid en de zweving van een lentemorgen ; — dat alles was slechts zwakke lichamelijke afbeelding van grootere heerlijkheid, die zetelde in geest en in ziel. Hoe kon Simson elders gaan!
Zoo zal de dwaze jonge man ook onder ons zijn keuze nimmer kunnen rechtvaardigen, die voor een leven lang zich gaat verbinden met een vrouw, die om haar karakter, om haar afkomst, om haar zeden, om haar geestelijke onbeduidendheid, en om haar betwistbare moreele eigenschappen tot de Filistijnen behoort!
Onze tijd is rijk aan vrouwen van het edelste karakter, en van de fijnst beschaafde manieren, wier leven een voortdurende openbaring is van moeder-
25
lijke, vrouwelijke en zusterlijke toewijding. Ik geloof niet dat er ooit zulk een tijd is geweest. Ik heb geen woorden genoeg om mijn bewondering voor zulke vrouwen uit te spreken.
De vrouw is niet alleen 's mans gelijke, maar in liefde en in fijn gevoel, wat het beste deel is van den mensch, is zij vijfenzeventig procent zijn meerdere. Ja, gedurende de laatste vijfentwintig jaar zijn de vrouwen van dit land, door de zooveel betere gelegenheid, die zij gekregen hebben tot ontwikkeling, voor het meerderdeel beter opgevoed dan de meeste mannen; en als zij op die wijze in verstandelijke ontwikkeling blijven voortgaan als nu het geval is, dan zal binnen niet te langen tijd het grootste deel der mannen moeite hebben ora bij de vrouwen nog zooveel domheid te vinden, dat zij zeggen kunnen: „Die kan ik trouwen, zonder er te veel bi] af te steken!quot;
Indien ik te hooge gedachten heb van de uitnemendheid der vrouwen in ons land — wat eenvoudig het gevolg is van het feit, dat ik van mijn geboorte af tot nu toe altijd van uitnemende vrouwen omringd ben geweest — dan hoop ik, dat ik onder die illusie blijven mag tot dat ik van deze planeet ga vertrekken.
En nu zult ge het verstaan, dat, wanneer ik in mijn preeken wel eens iets hards ga zeggen aan het adres van de vrouwen, ik het niet zeg, omdat ik tot de cynische of teleurgestelde naturen behoor.
Daar zijn bijna in alle boerderijen op het land, en
26
bijna in alle huizen van de groots steden edele vrouwen, godvreezende vrouwen, zelfverloochenende vrouwen, heilige vrouwen; ontelbare Maria's, die aan de voeten des Heeren zitten; ontelbare Martha's, die bezig zyn Christus te verzorgen in den persoon van Zijn lijdende discipelen; duizende grootmoeders als Lois, met de muts op, en met den bril op den neus, het hoofd gebogen over Bijbels, waarvan zij de voorschriften gevolgd zijn van den tijd af, toen zij nog meisjes waren; en tienduizende jonge meisjes, die, pas van kostschool of seminarie t'huis gekomen, de zegen willen wezen der aarde in tienduizend gelukkige woningen, gereed om jonge mannen een hemelsch geluk te doen smaken, als waarmede alleen die onzedelijke mannen kunnen spotten in hun socie-teit, die van de voetzool tot den schedel zijn bedorven.
En nog zijn er altijd jonge mannen, die, onvergeeflijker dan Simson, te midden van dien overvloed van engelen, een dwaze vrouw gaan kiezen! Is dan hun verstand op den loop?
Sommigen van u lijden reeds aan zulk een euvel, en daar is voor u geen veranderen meer aan; maar opdat anderen niet in dienzelfden afgrond gaan vallen, roep ik het hun toe in de woorden van mijn tekst: „Is er geen vrouw onder de dochteren moer broederen, en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de onbesneden Filistijnen?quot;
Daar zijn heel wat kansels in Amerika, en daar-
27
onder ook deze kansel, die schuldig zijn aan de misdaad van over sommige zaken, waarin mannen en vrouwen juist eens een practischen raad noodig hadden, gezwegen te hebben, of zich met wat praatjes er van te hebben afgemaakt. Daar is die zaak, waar zoo ontzaglijk veel voor ieders tijdelijk en eeuwig heil van afhangt: de keus van een echtgenoot, — wie heeft er bijna ooit over gesproken in de kerk? Daar zijn geen tien menschen in dit gebouw, die ooit een preek over dat onderwerp hebben gehoord. En de eenige preek, die ik er over in mijn leven heb gehoord, is deze, die ik nu uitspreek! Wij laten, — en is het niet onverantwoordelijk? — aan flauwe romans, of aan onzedelijke theaters, of aan rinkelende verzenmakers, of aan het tingeltangel van caféliedjes over, wat de inhoud moest zijn van de meest ernstige preeken, die een dominé maar houden kan, van af den dag dat hij zijn intree houdt tot op den dag dat hij zijn God zal ontmoeten in het oordeel.
Dat het huwelijk de bestemming is van het menschelijk ras, is een verkeerde beschouwing, die ik even verbeteren moet, voor ik verder ga.
Daar zijn duizenden, die nooit zullen trouwen, en nog eens zooveel duizenden, die niet geschikt zijn om te trouwen. In Engeland zijn er tegenwoordig 950.000 meer vrouwen dan mannen, en, zooals ik hoor, is dat ook de verhouding in Amerika, en in vele andere landen.
Gij ziet, dat volgens een onverbiddelijke wiskun-
28
stige wet ev millioenen vrouwen zijn, die nooit zullen trouwen. Daar is meer aanbod dan aanvraag; en de eerste les die de vrouwen hieruit leeren mogen, is, om te maken dat zij voor zichzelven kunnen zorgen, als het noodig wordt.
Bovendien zijn er duizende mannen, die geen recht hebben om te trouwen, omdat zij zoo bedorven zijn van hart, dat een huwelijksaanvraag van hun kant een beleediging is voor elke goede vrouw. De maatschappij. die voor den man en voor de vrouw tweederlei moraal er op na schijnt te houden, mag wel gecorrigeerd op dit punt; en het moet gaan vaststaan, dat als een vrouw, die haar eer heeft verloren, ongeschikt is voor het huwelijk, zoo ook een man, die onzedelijk is, evenmin recht er op heeft.
Welk recht hebt gij, o mannelijk beest, die een loszinnig leven hebt geleid! om onder uw hoede te gaan nemen de onbevlektheid van een maagd, die tot nu toe onder de veilige hoede gestaan heeft van de heiligheid in de woning harer ouders? Passen een havik en een duif bij elkander?
Maar de meesten onder u zulllen wel trouwen, en hebben er ook recht toe; en als uw zedelijk en godsdienstig leidsman ga ik u' zeggen ten opzichte van de keuze eener vrouw: allereerst: Doe in dezen niets huiten de Goddelijke leiding om.
29
Toen omstreeks vijfendertig jaar geleden Martin Tupper aan de menschen zeide: „Bidt toch eerst, voor dat ge op het punt des huwelijks een beslissing neemt,quot; toen lachten de menschen om dien raad. En verscheidene van die lachers hebben sedert een heel ander gezicht getrokken, waar het huilen op stond.
Dat wij in deze zaak Goddelijke leiding noodig hebben, maak ik op uit het feit, dat zooveel mannen, en nog wel van de sterkste en wijsste mannen, juist op dit punt hun levensgeluk hebben zien schipbreuk lijden.
Denk aan Simsom met zijn vrouw uit Thimnath. Denk aan Socrates, die door zijn Xantippe geplukhaard werd. Denk aan Job, wiens vrouw voor zijn booze zweren geen andere remedie had voor te schrijven dan een allopatische dosis godslastering en een zelfmoord. Denk aan Annanias, een leugenaar, die misschien nog door een eerlijke vrouw zou terecht gebracht zijn, maar die een even groot leugenaarster als hij zelf was, trouwde; Saffira. Denk aan John Wesley, een van de beste menschen die ooit geleefd hebben, maar die gehuwd was met een van de ellendigste vrouwen, die er ooit geleefd hebben, die altijd in de kerk tegenover hem gezichten zat te trekken om te toonen, hoezeer zij hem verachtte. Denk aan John Ruskin, en aan Frederic W. Robertson, den grooten prediker. Denk aan die duizend hellen op aarde, waar een onuitblusschelijk vuur ontstoken wordt door vrouwen, die, feeksen als zij zijn, schelden kunnen als een noordoostewind in Maart; door vrouwen.
30
die, verkwisters als zij zijn, haar mannen valsche balansen voorleggen om de verkwisting in en buiten het huishouden te bedekken en voort te kunnen zetten; of door vrouwen, die, morphinisten als zij zijn, — en daar zijn er ongeveer vierhonderdduizend in de Vereenigde Staten -- het bij den apotheker zullen halen, al moest het ook den ondergang van hun huis kosten; hartelooze, heerschzuchtige en verstandelooze vrouwen, die toch getrouwd zijn geraakt; getrouwd misschien met goede mannen!
Dat zijn ze, de vrouwen, die de schuld er van hebben, als de herbergier en de kroeghouder rijk worden; want haar mannen en zonen gaan er's avonds naar toe, omdat het t'huis niet uit is te houden.
Op deze groote zee van het huwelijksleven, waarin zoo menigeen schipbreuk heeft geleden, — o, zeg het mij! — heb ik daar geen recht om u aan te raden, dat gij u van een Goddelijken Loods voorziet?
Vooral daarom is ootmoedige smeeking om Goddelijke leiding noodig, omdat God alleen weet, hoe vol de maatschappij is van die bedriegelijke kunsten, die vrouwen aanwenden om anderen te bekoren, en in haar netten te lokken, kunsten, die de besten kunnen misleiden.
Als eerst de naaister, en dan de modiste, en dan de juwelier, en dan de kapster, en dan de dansmeester, en dan nog de man met het blanketsel, allen, de een na den ander hun kunst aan de vrouw hebben ten beste gegeven, — zal dan een ongeletterd
31
en eenvoudig man in staat zijn om die hieroglyphe te ontraadselen, en zal hij onder al die kunsteffecten door zich nog een denkbeeld kunnen maken van wat die vrouw zonder dat alles is, die vrouw, aan wie hij zijn hand en hart gaat aanbieden?
Dat is het, wat zooveel afvallige echtgenooten maakt, later!
Zij maken een eerlijk huwelijkscontract op in goed vertrouwen, maar de geleverde goederen verschillen zoo hemelsbreed van het monster, waarop die goederen zijn gekocht. Het was zwendelarij, dat merken zij nu. Zij dachten dat het Longfellow's Evangeline was, en zie het was Izebel; zij dachten dat het Martha quot;Washington was, en zie het was Lucretia Borgia!
Waarlijk, zooals de Indiaansche hoofdman pocht op het getal zijner dooden, wier skalpen hij heeft hangen aan den gordel, zoo zijn er in onze maatschappij coquette's genoeg, die pochen op het getal mannenharten, dat zij hebben genomen en verwoest.
Daar is zooveel namaak in dat soort, dat vrouw heet, dat het geen wonder is, dat men soms niet meer weet, of men wat echts voor de hand heeft of niet.
Voelt gij niet, dat gij Goddelijde leiding noodig hebt, wanneer- ik u herinner, dat vergissen mogelijk en menschelijk is in deze belangrijke zaak, en dat, als gij u eenmaal in dezen vergist, er geen herstellen meer aan is?
Geen ondraaglijker toestand dan een ongelukkig huwelijk.
32
Gij weet het, als gij samen eenmaal onder dat juk loopt, — dat juk kan niet verbroken worden. Hoe meer gij nu terzijde wilt uitspringen, hoe meer het juk knelt. De dorainé zou u beiden wel weer voor het altaar kunnen leiden; hij zou in uw tegenwoordigheid het formulier weer terug kunnen lezen van achteren naar voren; hij zou u weer ieder aan een kant kunnen plaatsen voor het altaar, tegen over elkander, zooals gij stondt, vóór gij vereenigd werdt; hij zou u den ring weer kunnen teruggeven; hij zou den bruidsluier in stukken kunnen rijten, hij zou uit den familiebijbel de aanteekeningen voorin kunnen uitscheuren; — maar dat alles zou u nog niet ongetrouwd maken!
Het is beter den misslag te voorkomen, dan den misslag te moeten verbeteren.
Maar, dewijl mannen en vrouwen al hun eigenaardigheden niet eer dan na het huwelijk vertoonen, hoe zult gij den fatalen misslag kunnen voorkomen? Daar is maar één Wezen in het heelal, die u kan zeggen, wie het is, die gij kiest; en dat is de Heer van het Paradijs. Hij schiep Eva voor Adam, en Adam voor Eva, en de een voor den ander. Adam had geen groote hoop van vrouwen, waar hij zich een vrouw uit kon kiezen; maar gelukkig voor hem, te oordeelen naar sommige fouten, die zij later beging, dat hij maar te kiezen had tusschen Eva of niets.
Daar is in de wereld altijd iemand, die voor u geschapen is, even zeker als Eva voor Adam is geschapen. En wanneer gij nu de verkeerde vrouw kiest.
33
die niet voor u was bestemd, dan komt dat, omdat Eva gemaakt is uit de rib van Adams zijde. Niemand immers weet welke van de vierentwintig ribben genomen is als basis voor die schepping. Als gij nu geheel en al van uw eigen oordeel afhangt bij de keuze van een vrouw, dan zijn er drieëntwintig gevallen mogelijk, dat gij de verkeerde rib kiest.
Wij bezweren u bij het lot van Achab, wiens vrouw hem tot diefstal bracht; — bij het lot van Macbeth, wiens vrouw hem tot een moordenaar maakte; - bij het lot van James Ferguson, den philosoof, wiens vrouw de zaal inkwam, waar hij een lezing hield, en die daar met opzet zijn astronomische toestellen omverliep, zoodat hij zich naar zijn gehoor keerde en zeide: „Dames en heeren! ik heb het ongeluk met deze vrouw getrouwd te zijn;quot; — bij het lot van Bulwer, den romanschrijver, wiens vrouw zoo lastig van humeur was, dat hij een mooi huis dicht bij Londen voor haar huurde, en van haar af ging, haar latende bij het dozijn honden, die zij liefkoosde om de beurt; — bij het lot van John Milton, die een kwelgeest huwde, nadat hij blind was geworden, en die, toen iemand haar een roos noemde, zeide: „Ik kan over de kleuren niet meer oordeelen, maar gij kunt gelijk hebben, want ik voel allen dag de doornen;quot; — bij het lot van dien Engelschman, wiens vrouw gezegd had, dat, als hij dood was, zij op zijn graf zou komen dansen, en die zich daarom in de zee liet begraven; — bij het lot van dien dorpsdominé, dien ik gekend heb, wiens vrouw een kop warme
Trouwring, Q
34
thee hem over de tafel in het gezicht wierp, omdat hij met haar van gevoelen verschilde; — o! bij al deze tooneelen van twist en huiselijke rampzaligheid, wij bezweren u om voorzichtig te zijn, en eerst tienmaal te bidden eer gij een huwelijk aangaat, dat voor den man de deur is van twee hellen of van twee hemelen, een hemel hierbeneden en een hemel hierboven, of een hel hier op aarde en een hel na den dood.
Bij den zegen van Plinius, wiens vrouw, toen haar man de pleitrede hield in den Senaat, telkens boden liet gaan om te vernemen, welken indruk hij maakte; — bij het geluk van Hugo de Groot, wiens vrouw hem uit de gevangenis bevrijdde in een koffer onder voorwendsel van de boeken te verwijderen, waarvan de studie zijn gezondheid te veel benadeelde; — bij het voorrecht van menigen man, die zoo verstandig is geweest een vrouw te kiezen, die zijn raad en gezelschap kon zijn in vreugde en in smart, — bid toch tot God Almachtig, des morgens, des middags en des avonds, dat Hij te rechter tijd en te rechter plaatse u zenden wil een goede, brave, liefelijke, gevoelvolle vrouw, en dat als zij niet tot u gezonden wordt, gij dan tot haar moogt gezonden worden!
Laat mij hier u echter ook waarschuwen, om een zaak van zulk belang niet te laten behandelen en in
35
orde brengen door die beruchte huioelijksmakelaars, die wij zoowat overal aantreffen. Ga nietquot; op Iratx oordeel af, maar op uw eigen oordeel bij het licht van Gods licht.
Deze makelaars zijn altijd bezig plannen te maken, hoe zij een armen drommel kunnen koppelen aan een rijke erfdochter, of een ongetrouwd gebleven vrouw aan een millionair of een markies, wat natuurlijk een ongelukkig huwelijk geeft.
Hoe kan iemand ter wereld, die de twee partijen niet kent, zooals God ze kent, en die van niemands toekomstig lot iets afweet, in zulke beslissende omstandigheden den doorslag geven?
Neem den raad aan van zulk een aardsche huwelijksmakelaar in plaats van den raad der Goddelijke Voorzienigheid, en gij zult te eeniger tijd er toe komen om Salomo's woorden tot de uwe te maken, wiens ervaringen in huiselijke aangelegenheden even droevig waren als talrijk.
Eens op een dag was zijn paleis, met zijn groote ruime vertrekken en zijn groote ruime zaal en zijn groote wijde deuren te eng voor hem en voor de rumoerige stem van een vrouw die hem onder handen nam om het eene of andere verzuim; en hij vluchtte naar het dak om voor het bombardement van vreese-lijke woorden zich te bergen. En terwijl hij daar was, zag hij een arm man in een hoek van het dak daar ginder, met geen ander huisraad dan een matje, en met geen ander dek dan den hemel. En Salomo benijdde hem, en riep uit: „Het is heter te iconen op een hoek
36
van het dak, clan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.quot;
En eens op een anderen dag, in den regentijd, druppelde het water door een lek van het dak in het paleis, en het viel neer, al door, in een kom, of in een emmer, die er voor neer was gezet. En tereener zijde hoorde hij het eentonig geluid van het water in den emmer, al door, al door: en aan de andere zijde hoorde hij een zijner vrouwen onophoudelijk booze woorden hem naar de ooren werpen, bitter en scherp, al door, al door; het hield niet op, aan beide kanten; en de arme koning nam de pen op, en schreef neer: „Een gedurig druipen ten dage des slagregens, en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.quot;
Als Salomo evenveel gebeden had bij het begin van zijn leven, als hij gedaan moet hebben bij het eind van zijn leven, wat huiselijke rampen zou hij zich dan hebben bespaard!
Alle bidden in deze aangelegenheden geeft niets meer als het bidden te laat is begonnen. Wacht er mede totdat gü onder de betoovering zijt, en totdat het evenwicht van uw ziel door een aantrekkelijke en schoone persoonlijkheid in uw nabijheid is verstoord, en gij zult op uw gebeden zelf het antwoord geven, en gij zult de stem van uw eigene vooringenomenheid miskennen van de stem van God.
Indien gij den geest des gebeds hebt, dan zult gij
37
u bovendien verre houden van allen spot, die van vrouwenlippen komt over den godsdienst; en daar zijn een heele hoop vrouwelijke spotters.
Het moet gezegd worden, dat hoewel de eenige macht, die de vrouwen bewaart om als een slavin, of als een dier behandeld te worden, het Christendom is, — dewijl waar het Christendom niet bestaat, zij zoo behandeld worden, — er toch nog vrouwen genoeg zijn, die er toe komen om zichzelven en haar God zoover te vergeten, dat zij de sprekers gaan hooren, die het Christendom belasteren en die spotten met de heiligste dingen der ziel. Een goede vrouw, die door haar man er toe overgehaald wordt, mag om zijnentwil misschien ook eenmaal zulk een redevoering tegen het Christendom gaan aanhooren, zonder goed vooruit te weten, wat zij er te hooren zal krijgen; maar zij zal er niet ten tweeden male heengaan.
Een vrouw, die niet eens een Christin was, maar die toch eerbied voor den godsdienst had, zeide eens tot mij: „Mijn man wilde het gaarne; en ik ging met hem mede om den ongeioovigen spreker te hooren; maar bij het naar huis gaan zeide ik tegen hem: Lieve man, daar ga ik niet weer heen, al zouden wij er ons leven lang twist bij krijgen!quot; En die vrouw had gelijk.
Indien een vrouw, na alles, wat Christus en het Christendom voor haar gedaan hebben, altijd maar weer kan heengaan om het afbreken aan te hooren van een macht, die haar verhoogd heeft, dan is zij een te vreezen schepsel, en gij deedt beter met niet te
38
dicht in de buurt te komen van zulk een besmettelijke melaatsche. Laat zij gewasschen worden en drie weken lang ontsmet worden in karbol, en een jaar lang in observaj/tie worden gehouden, eer zij weer geschikt worde geacht voor fatsoenlijk gezelschap!
Kan het niet gevergd worden, dat een vrouw vóór haar huwelijk bekeerd is, zij moet toch op het minst eerbied hebben voor den Christelijken godsdienst, of zij is een slechte vrouw, en onwaardig om uw gezellin te zijn in een leven, dat vol is van geweldigen ernst en vol van ontzaglijke lotswisselingen.
Wat gij in uw vrouw vinden moet, o man! is niet een vlinder, fladderende in zonneschijn, niet een lachende nulliteit, niet een opgeschilderde pop, niet een praatster 't honderd uit, niet een denkstertje in mooie kleeren, zoodat gij in twijfel staat waar de onzin eindigt en waar de vrouw begint, — maar een waar en ernstig gemoed; iemand die niet alleen kan lachen wanneer gij lacht, maar weenen als gij weent.
Daar zullen breede en diepe graven zijn, midden op den weg uws levens, en gij zult beiden behoefte hebben aan sterkte, wanneer gij bij den rand er van komt, ik zeg het u! Wanneer uw schatten vergaan zijn, dan zult gij behoefte hebben aan iemand, die u spreekt van schatten in den hemel, en niet aan iemand, die u den last zwaarder maakt, door u te vertellen: „Dat heb ik u vooruit gezegd!quot;
Zoo ver als ik het begrijpen kan, zijn oprechtheid en ernst de grondtrekken van een deugdelijk vrouwe-
39
lijk karakter. Zie dat te krijgen, en gij hebt alles verkregen. Krijgt dat niet, en gij krijgt niets dan wat gij zoudt wenschen nooit te hebben gekregen.
Bega ook niet den misslag, dien de man van onzen tekst beging, toen hij zijn oogen liet beslissen, waar alleen een kalm verstandelijk oordeel den doorslag had moeten geven, door de wijsheid Gods geleid.
Hij die geen andere beweegreden voor zijn keus heeft dan het mooie gezichtje, is gelijk aan den man, die een hofstede wil koopen, omdat hij mooie dahlia's gezien heeft voor bij de deur.
Schoonheid is een talent, en als God dat talent aan een vrouw geeft, dan heeft hij gewild, dat die schoonheid van haar aangezicht afstrale als een zegen, en niet anders.
Toen de goede Prinses van Wales den vorigen zomer uit den trein stapte, en ik haar schoone stralende aangezicht zag, toen kon ik het begrijpen, wat de menschen mij den vorigen dag hadden verteld, namelijk, dat toen de Prinses de zalen van het Militair Hospitaal doorwandelde, waar de gewonden en de kranken lagen uit den laatsten Egyptischen oorlog, al de zieken opgebeurd waren geworden door haar verschijning; en dat zij, die door geen dokter of door geen verpleegsters uit hun verdooving konden opgewekt worden, zich op de ellebogen hadden opgericht om even
40
haar te zien; en dat veege en dorre lippen een hoorbaar gebed hadden gepreveld: „God zegenehaar! Wat is zij schoon!quot;
Maar hoe onbestendig ligt de schoonheid op het rnenschelijk gelaat!
De ontploffing van een petroleumlamp verwoest het in één oogenblik voor een leven lang; of, een booswicht heeft dezelfde macht; of, het is de Tijd, die de raderen van zijn kar midden door dat teedere veld heendrijft, de diepe sporen en voren er in achterlatend, als hij voorbijgereden is.
Daar is echter een eeuwige schoonheid op -het gelaat van sommige vrouwen, waarvan een grove wereld vol ruwe kritiek zegt, dat het een heel ordinair gelaat is, en waarop echter, tegen alle physionomische wetten van Lavater in, bekoorlijkheden liggen uitgespreid van een dieper zieleleven, die onverwelkelijk en onaantastbaar aantrekkelijk zullen blijven voor het geheele leven, en onverderfelijk heerlijk voor alle eeuwigheid.
Daar zijn twee of drie levensomstandigheden, waarin de vrouw met het meest gewone gezicht een koningin der schoonheid is voor haar man, wat ook haar gestalte, of wat ook haar profiel moge zijn.
Zie, als er een geldkrisis is, of als de firmant een noodlottig bedrog heeft gepleegd, dan bezwijkt de moed in den man; en als hij dien avond t'huis komt, dan zegt hij: „Ik moet het u zeggen, vrouw! ik ben
41
geruïneerd; ik ben voor altijd onteerd; nu zou ik willen sterven, liever dan leven!quot;
Dat is een bedroefde geschiedenis, die hij dien winteravond aan zijn gezin heeft mede te deelen. „Het huisraad moet verkocht worden,quot; zegt hij; „het huis ook; alles; mijn positie in de maatschappij ben ik kwijt; en nu wij eenmaal failliet zijn, zult gij zien, nu zal iedereen ons den rug toekeeren.quot;
En als hij het alles heeft uitverteld en zijn vrouw het alles zwijgend heeft aangehoord, dan zegt zij: „Is dat alles? quot;Wel, gij waart niet rijker, toen gij mij trouwdet, en gij zijt alleen maar weer teruggekomen tot het punt, waar wij samen begonnen. Als gij denkt dat mijn geluk en het geluk van de kinderen afhangt van mooie meubelen en kleeren, dan kent gij mij nog niet, al hebben wij al dertig jaar bij elkaar geleefd. God is niet dood, en de staatsbank des hemels heeft de betaling niet gestaakt; en als gij het u niet wilt aantrekken, ik geef er niets om. Het weinigje, dat wij voor de rest van ons leven noodig hebben voor voedsel en kleeding, dat kunnen wij zien te verdienen, en ik ben niet van plan om te gaan zitten huilen en niets doen. Marie, geef me die stopnaald eens aan. En Jan, steek een van de andere lichten ook nog op. En Jakob, laat de haard nog eens wat flinker aanbranden. Fanny, haal vaders pantoffels eens. En verbeeld je, ik heb vergeten in de keuken naar het eten te zien!quot;
En terwijl ze in de keuken bezig is voor het avondeten te zorgen, hoort hij haar zingen, wat hij in de kerk zoo dikwijls heeft gehoord:
42
Ruwe stormen mogen woeden,
Alles om mij heen zij nacht,
God. mijn God zal mij behoeden.
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang Zijn hulp verbeiden,
Zijne liefde blijft mij leiden.
Door een nacht, hoe zwart, hoe dicht,
Voert Hij mij in 't eeuwig licht.
En die man, als zij weer binnenkomt, staart haar aan met verbazing; en hij zegt: „Vrouw, vrouw, ik heb niemand grooter gezien dan u; ik dacht, dat toen ik het u vertelde, gij het niet zoudt kunnen dragen, en dat gij het besterven zoudt.quot;
En als hij haar aanziet, dan is het hem, als zijn al de schoonheden aan het hof van Lodewijk XV en al de figuren der nieuwere schilderkunst een schaduw, vergeleken bij den bovenaardschen glans op het gelaat van die vrouw.
Daar is nog een andere dag, waarin een vrouw met het meest gewone gezicht een koningin der schoonheid is voor haar man.
Zie, daar ligt zij neer. Haar levenstaak heeft zij afgedaan. Zij heeft haar kinderen opgevoed voor God en voor den hemel, en hoewel er nog een paar jongens bij zijn, die al hun wilde haren nog niet verloren hebben, — dat zal wel terecht komen, — God heeft het haar beloofd. Zij is stervende en haar man staat naast het bed. Zij denken aan al de jaren, die zij samen hebben doorgebracht, aan de trouwen en de begrafenissen in de familie, aan het wel en het wee, aan hun voorspoed en hun tegenspoed. Zij spreken over de goedheid van
43
God en Zijn getrouwheid aan hun kinderen en kindskinderen. Zij ziet er niet tegen op om te sterven. De Heere heeft haar zoo vele jaren gesteund, zou zij dan nu kunnen nalaten op Hem te vertrouwen ?
De lippen van den een en van de ander beven, als zij elkander vaarwel zeggen, en elkander moed inspreken met een spoedig weerzien in een betere wereld. De adem wordt zwakker en zwakker; zie, nu is het over!
Zou het wel zeker zijn? Houd dat spiegeltje haar voor den mond, en zie of er een aanslag is van den adem op het glas.
Neen, het is wel zoo! Het is voorbij.
En als een van de buren den ouden man zachtkens bij den arm neemt, en zegt: „Kom, ge moest maar liever in de kamer hiernaast gaan, en wat bedaren,quot; dan zegt hij: „Goed, ja, ik zal gaan; maar laat ik nog eenmaal dat gelaat zien, en die handen!quot;
Nog schoon! nog altijd schoon!
Mijn vrienden, ik hoop niet, dat gij dat sterven noemt.
Dat is een zonsondergang na den herfstdag. Dat is een rivier van kristallen wateren, die uitloopen in de zee.
Dat is de solo van het menschelijk leven, die gaat insmelten in het eeuwig Hallelujakoor. Dat is, als wanneer de koningin wordt gekroond. Dat is de hemel.
En zoo stond mijn vader, de grijsaard van tweeën-
44
tachtig, toen hij mijn moeder van negenenzeventig zag heengaan.
Misschien was het ook aldus, dat uw vader en uw moeder van elkander afscheid namen.
Of wij ook zoo heerlijk zullen afsterven ?
RUTH 1 vers 9.
„De Heere geve u dat gij rust vindt, een iegelijk haars mans huis.quot;
Dit was de zegenwensch der vrome Naomi voor Orpa en Ruth; en wat zal men ook aan ongetrouwde vrouwen beter toewenschen ? Naomi, de goede oude vrouw, wist wel, dat als God niet voor die twee jonge vrouwen een man bestemde, de Duivel het dan doen zou, en daarom bad zij: „De Heere geve u dat (jij rust vindt, een iegelijk in haars mans huis.quot;
In mijn reeks van preeken over het huwelijk gaf ik op den vorigen Zondag goedgemeenden Christe-lijken raad aan de mannen ten opzichte van het kiezen van een vrouw; en vandaag ben ik voornemens, een even goedgemeenden Christelijken raad te geven aan de vrouwen ten opzichte van het kiezen van een man. Evenwel hoop ik, dat er in al deze preeken toepasselijks genoeg zal wezen voor alle leeftijden en alle standen.
Ik heb lof voor al die vele vrouwen, die liever ongetrouwd hebben willen blijven, en die bij zich-
48
zeiven gezegd hebben: „Liever geen keus, dan een slechte keus!quot;
Niet, dat zij geen kans hebben gehad ora te trouwen ! Zeker, dat hadden zij wel; maar zij wilden doodeenvoudig niet, omdat zij die mannen, die haar ten huwelijk vroegen, niet beschaafd genoeg vonden, en niet braaf genoeg; in één woord, hen niet vonden zooals zij meenden dat een waar echtgenoot moest zijn. En zij hadden gelijk.
Zij zagen zoovele vrouwen in het huwelijk treden met halve dwazen, met fatsoenlijke schelmen, of met beginnende dronkaards, of met schitterende nullen, of met mannen, die vóór hun huwelijk een engel waren en later een duivel, dat zij er voor geschrokken zijn, en dachten: „Daar zal ik voor oppassen.quot; Zij zagen zooveel bootjes naar den maalstroom heengetrokken worden en ondergaan, dat zij vol angst haar eigen boot naar stiller wateren koersten.
Het is veel beter voor een vrouw om op zich-zelve te blijven, al wordt zij ook duizend jaar oud, dan verbonden te worden met een van die mannelijke ongelukken, waar de maatschappij vol van is.
Zij hebben het ook zoo kwaad nog niet; let maar op: onwillekeurig is de beschermheilige in eiken familiekring altijd zulk een ongetrouwd gebleven vrouw; zij heeft haar arbeid en haar geluk gevonden tusschen de neven en nichten; haar binnenkomen in het huis is als de morgen, en haar heengaan als de avond.
In mijn groote familie, wij zijn wel met ons twintig-gezinnen, daar is tante Phebe zulk een vrouw. Paulus
49
gaf eens een brief van introductie mede aan een vrouw, die hij „Phebe, onze zusterquot; noemde, toen zij van Kenchrea naar Rome reisde; hij beval haar aan als iemand van groote vriendelijkheid en Christelijke liefdadigheid, en hij hoopte dat men haar met alle hoffelijkheid zou ontvangen. Ik geloof, dat onze tante Phebe naar haar vernoemd is.
Was er in een van onze gezinnen een zieke, dan was zij daar, en zij waakte er 's nachts, en diende den zieke de geneesmiddelen toe. Was er een bruiloft, dan hielp zij de bruid aankleeden voor de kerk. Was er een kindje geboren, dan was zij er om met haar blij gezicht de moeder te helpen en het kind. Was er een doode te beweenen, dan was zij er om te troosten. De kinderen liepen naar de deur, als zij kwam, en tot de kleinste riep : „Daar is tante Phebe.quot; en zij zou onder de liefkozende jeugd bezweken zijn, zoo hingen zij haar dan aan het lijf, als de ouders niet tusschenbeide waren gekomen, — want zij was niet heel sterk, en menige harde ziekte had haar reeds geleerd bereid te zijn voor de toekomende wereld. Op haar tafeltje lagen altijd: „De rust dei-vromen,quot; van Baxter, de „Morgen- en Avond-gedachten,quot; van Jay, en de „Pelgrimsreizequot; van Bunyan, en meer van die boeken, die reeds verscheidene geslachten op hun reize naar den hemel hebben gesterkt, waar zij nu reeds zijn binnengegaan.
„De Witt,quot; zoo zeide zij mij eens, „tweemalen in mijn leven ben ik zoo door Gods liefde overstelpt, dat ik dacht, dat ik het niet overleven zou. Laten
Trouwring.
50
ze toch niet zeggen, dat er geen hemel is; ik heb hem tweemaal gezien.quot;
Als gij weten wilt, hoe haaiquot; tegenwoordigheid een angst wegnam, een last verlichtte, een zorg verminderde, of een zegen bracht in elke kamer van het huis, vraag het dan maar aan al de Talmage's.
Zij had er vroeger nooit toe kunnen komen om haar ouderlijk huis te verlaten, omdat zij bij haar zieken vader wilde blijven, totdat de lente van haar leven ongeveer voorbij was; maar uit eenige teedere verhalen, die wij jongelieden altijd met een eigenaardige belangstelling wel eens hoorden vertellen, wisten wij zeer wel, dat zij genoeg gelegenheid had gehad om koningin te zijn in één gezin, als zij het maar gewild had, in plaats van de zegen te zijn van twintig gezinnen, zooals zij het nu was.
Zeventig jaar oud was zij, toen zij in mijn huis haar laatste bezoek bracht; en toen zij daar in mijn kerk zat te Philadelphia, toen greep het mij aan haar daar onder mijn gehoor te zien zitten; ik beefde eenigzins voor haar, meer dan voor het geheele publiek, omdat ik gevoelde, dat ik, wat godsdienst betreft, nog maar met het A, B, C bezig was, terwijl zij reeds het geheele alphabet geleerd had, en reeds voor vele, vele jaren de IJ en de Z had gehad.
Toen zij dit leven verliet voor het andere leven, — hoe zullen in den hemel van allen, die haar hier gekend hadden, de vreugdekreten weerklonken hebben van af de voorpoort tot daar in de achterste banken van de hoogste gaanderijen!
51
Ik zag eenige dagen later op het dorpskerkhof te Somerville haar rustplaats; op de zerk stonden die woorden, die zij voor dertig jaren mij reeds gezegd had, dat zij er gaarne op wilde hebben: De morgen komt.
Had zi) nu een bepaalde roeping in de wereld?
Zeker, even zeker als Carolina Herschel, eerst amanuensis bij haar beroemden broeder, en toen zijn hulp in sterrekundige berekeningen, en toen zelve de ontdekster van nog onbekende sterren, tot zij op achtennegentigjarigen leeftijd stierf, altijd bezig zijnde met de sterren tot zij ze niet meer boven maar onder zich zag; even zeker als Florence Nightingale, de verpleegster in den Krimoorlog; of Grace Darling, do dochter van den vuurtorenwachter op Longstone; of Mary Lyon, de leerares aan het Seminarie te Mount Holyoake; of Dorothea Dix, de engel der barmhartigheid voor de krankzinnigen; of Mary Shelton, die bloemen en druiven en eaudecologne ronddeelde in het Westhospitaal; even zeker als duizend andere groote vrouwen, die nooit het huwelijk hebben gekend.
Waardeer al den zegen en het geluk, dat gij hebt, en dat gij verspreiden kunt, als ongetrouwde vrouw, o mijn zuster! en bedenk u duizendmaal, eer gij een anderen staat verkiest, tenzij dat verbetering is.
Wees hij het kiezen van een man zeer behoedzaam, en bid er ernstig bij.
52
Zooals ik aantoonde in mijn vorige preek; wat heeft een man in zulk een krisis niet ernstig God te bidden om Zijn leiding! Maar hoeveel te meer hebt gij er niet om te vragen!
Het is gemakkelijker voor een man om een geschikte vrouw te vinden dan voor een vrouw om een goeden man te vinden.
Dat is rekenkundig uitgemaakt, zooals ik het de vorige maal aantoonde. De statistiek wijst het aan, dat in Massachusetts en in den Staat New-York de vrouwen bij honderden en duizenden in de meerderheid zijn. Anderen mogen uitmaken, hoe dit zoo komt. Maar mij schijnt het toe, dat de Heere in den hemel de vrouw hooger en beter heeft geacht dan den man, en dat Hij er daarom van dit soort ook meer heeft gemaakt. Te oordeelen naar de volgorde, waarin God bij de schepping na het lagere het hoogere schiep, is het duidelijk, dat de vrouw een verbeterde editie van den man is. Maar wat hiervan zij, dit is zeker, dat zij, die een man verkiest, uit een kleiner aantal een keus moet doen, dan hij, die een vrouw kiest.
Daarom moet vooral een vrouw goed toezien, wien zij tot den gezel haars levens gaat nemen. Begaat zij hierin een misslag, dan kan zij dien niet meer goed maken.
Als een man in zijn keuze heeft gedwaald, dan kan hij zijn avonden in de club gaan doorbrengen, en in tabaksrook zijn smart verdrijven; maar de vrouw heeft geen societeit, en zij zou het moeilijk vinden om zich aan een sigaar te wennen.
53
Als een vrouw in haar huwelijk ongelukkig wordt, dan is er kans, dat niets dan een begrafenis haar van die ramp ontheffen kan. Grevallen van echtscheiding mogen, bij de behandeling voor het hof, het publiek interesseeren; maar minnebrieven tusschen getrouwde lieden is een povere lectuur, behalve voor hen die ze schrijven.
Bid God, dat gij bewaard wordt voor een misslag, die onherroepelijk is en onherstelbaar.
Vermijd een verbindtenis niet een verachter van den Ghristelijken godsdienst, wat hij ook overigens zijn mag of niet zijn mag.
Ik zeg niet, dat hij een bepaald geloovig man zijn moet, want Paulus zegt: „de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw;quot; maar het huwelijk met een man, die den Ghristelijken godsdienst haat, zal u ontwijfelbaar een leven vol verdriet en ellende berokkenen.
Hij zal in zichzelven lachen om uw gewoonte van te knielen als gij bidt. Hij zal zonder eerbied of achting spreken van uw Christus. Hij zal soms onwillekeurig, soms opzettelijk, de heiligste en de teederste gevoelens van uw hart kwetsen. Hij zal uw huis stellen onder het anathema van den Heere, God Almachtig. En bij den gedurigen angst en de onrust, die hij bij u opwekt, zal hij nog dit daartoe doen, dat hij uw hoop op den hemel bederft en ver-
54
nietigt, en u den huwelijksband maakt tot een keten, die u omlaag trekt naar de hel.
Als gij met zoo iemand reeds verkeering hebt, dan is het uw eerste plicht dat engagement te verbreken.
Het kan zijn, dat mijn woord op dezen dag voor u nog juist bij tijds komt, om uw ziel te redden.
Vervolgens: trouw niet met een man van slechte zeden, in de gedachte dat gij hem nog wel heter zult maken.
Als hij nu, onder den invloed van het engagement, zijn kwade gewoonten niet opgeeft, dan kunt gij niet verwachten, dat hij het doen zal als hij den prijs gewonnen heeft.
Gij zoudt even goed een viooltje kunnen houden voor het toornige gelaat van een noorderorkaan, en zeggen: „Ruik dit, en bedaar!quot; G-ij zoudt even goed met uw scheepken kunnen aanleggen naast een brandend fregat, en denken, dat gij alzoo den brand blus-schen zoudt. Uw scheepje en het fregat, beiden, gaan straks in vlammen op, en in diepten onder.
Het armhuis zou honderd verhalen kunnen doen van vrouwen, die mannen getrouwd hebben met de gedachte van hen wel beter te maken.
Als een man van vijfentwintigjarigen leeftijd met dronkenschap behebt is, dan zou uw poging om hem in zijn vaart tegen te houden een even wanhopige zijn als wanneer gij den spoordijk opliept, om met een kruiwagen den bliksemtrein te stuiten. Wat gij
55
een dronkaard noemt tegenwoordig, is geen slachtoffer van wijn of jenever, maar van een aftreksel van campechehout met een mengsel van strychnine en nux vomica. Al deze vergiften hebben hun vuren ontstoken in zijn mond en in zijn brein, en al de tranen van een weenende vrouw kunnen die vlammen niet blusschen.
In plaats van een man te trouwen om hem beter te maken, — laat hem zeiven eerst beter worden; en geef hem dan bovendien den tijd om te toonen dat zijn beterschap duurzaam is.
Geef het hem te verstaan, dat als hij het zonder zijn kwade gewoonten niet stellen kan gedurende twee jaren, hij het dan zonder u zal moeten stellen al zijn jaren.
Tronic ook niet met een door en door zelfzuchtig man, die zoo in zichzelven opgaat, dat er hij hem geen plaats is voor een ander.
Zoo tusschenbeide ontmoeten wij op onzen levensweg een man, die de geheele breedte van het pad meent noodig te hebben, zoodat er geen ruimte naast hem overblijft voor een ander, om naast hem te ■wandelen. Hij is niet het eene lid van de schaar, dat zonder het andere lid incompleet is, maar hij is een beitel, die bestemd is om in zijn eentje er op in te snijden; of hij is een vijl, vol ruwe oneffenheden, die krassend de aanraking met de maatschappij ondervinden zal, die misschien zachter, maar misschien ook
56
harder zal zijn dan hij. De gemoedsstemming van een zoodanige is een levenslang protest tegen het huwelijk.
Anderen zijn zoo in beslag genomen door hun ambt of beroep, zijn er als het ware zoo mede getrouwd, dat het nemen van nog een andere bruid, hun als 'bigamie moet toegerekend worden. Daar zijn men-schem, die geheel opgaan in hun letterkundigen arbeid zooals Chatterton; deze was eens bezig met een opstel over den Lord Mayor, toen deze plotseling stierf en :lat opstel daardoor voor den druk ongeschikt werd. Toen maakte Chatterton bij zichzelven de volgende rekening op: Verloren aan mijn opstel door den dood van den Lord Mayor: één pond, elf shillings, en zes stuivers. Gewonnen aan de lijkrede en aan andere lofredenen op den gestorvene: vijf pond en vijf shillings.quot; Hij stelde de winst en verliesrekening over elkander, en hij schreef er onder: „En blij ben ik, dat hij gestorven is, want ik heb drie pond, dertig shillings en zes stuivers er meer door verdiend.quot; Als een man zoo hopeloos zelfzuchtig in zijn letterkundigen arbeid verzonken is, dan verdient hij eeuwiglijk een coelibatair te wezen ; zijn studeerkamer en zijn boeken zijn al het gezelschap, dat hij waard is.
En voorwaar, verscheidene van de grootste mannen, die op aarde hebben geleefd, schijnen dan ook werkelijk van het huwelijk een afkeer gehad te hebben. Cowper, Pope, Newton, Swift, Locke, Walpole, Gibbon, Hume, zijn allen ongetrouwd gebleven. Voor verscheidene van hen zou anders het huwelijk juist goed zijn geweest.
57
De ware soort van vrouw zou Cowper van zijn somberheid genezen hebben, zou Newton wat practi-scher hebben gemaakt, en zou Locke bij zijn over-matigen arbeid tot een ware uitkomst zijn geweest. Een Christelijke vrouw zou Hume en Gibbon misschien tot het geloof in Christus hebben bekeerd.
Maar Swift verdiende geen vrouw, die man, die eerst het hart brak van Jane Waring, en toen van Esther Johnson, en ten laatste van „Vanessa.quot; Wie was er geestiger clan hij in zijn dagen? Maar zijn geestigheid was niets bij zijn wreedheid.
Bij de mogelijkheid van zoovele verkeerde stappen, die gij zoudt kunnen doen, — heb ik geen gelijk ah ik u aanspoor om de onfeilbare wijsheid van God in dezen te zoeken, en dat icel, voor dat gij tot een verkeering overgaat?
De meeste gelukkige huwelijken toonen duidelijk, dat zij van God beschikt zijn.
Bijna elke wieg staat in een wonderbare betrekking tot een wieg ergens elders. Al staan zij elk aan de tegenovergestelde zijde der aarde — het eene kind kruipt hier de wieg uit, en het andere kind kruipt daar de wieg uit, en de eerste schreden, die zij doen, zijn naar elkander toe. Zij zullen misschien niet den korststen weg naar elkander toe nemen, en soms oostwaarts, soms westwaarts of noordwaarts of zuidwaarts afdwalen. Zij zullen somtijds ter aarde vallen, maar als zij opstaan, staan de aangezichten toch weer
58
naar elkander toe. En zoo komen zij elkander al nader van dag tot dag, de jongen en het meisje. En tegen den tijd, dat de een een jongeling, en de andere een jonge maagd is geworden, zullen zij niet ver meer van elkander af wezen.
Misschien dat zij vroeger nooit elkander hebben gezien. Misschien dat zij vroeger nooit van elkander hebben gehoord. Maar daar komen zij aan, de twee pelgrims, die daar ginds de reis begonnen zijn elk bij zijn wieg, achttien, twintig, of dertig jaar geleden. Zij krijgen elkander in het gezicht. Het kan zijn dat zij op het eerste gezicht elkander tegenvallen, en den stap matigen. Maar iets, dat de wereld noodlot noemt, en dat de godsdienst Voorzienigheid noemt, doet hen toch weer voortgaan. Zij moeten met elkander kennis maken, en daar, niet lang meer of zij zijn vrienden; en heel spoedig daarop zijn zij verloofden. De afgevaardigde van de eene wieg komt van de oostzijde de kerk in met haar vader. De afgevaardigde van de andere wieg komt de westdeur binnen. En de lange lange reis langs twee zoo verschillende wegen eindigt bij dat altaar, waar de bruidsluier is, en waar de ringen zijn, en de bloemen. Eén voor de aarde! Mogen zij ook één zijn voor den hemel!
Maar er zijn daartegenover toch nog zoovele uitzonderingen op dezen regel van zielsverwantschap, die de gelukkigen tot elkander aantrekt, dat alleen die menschen veilig gaan, die bidden, dat een Goddelijke hand hen leiden mag.
Alleen omdat zij op zichzelven vertrouwen, en niet
59
op God, gaan er elk jaar duizende vrouwen ten ver-derve. In Indië pleegt de weduwe zich met haar overleden man mede te verbranden; zingend bestijgt zij den brandstapel, waar haar doode man op ligt. In Amerika is er nog iets ergers te zien dan dat — ontelbaar vele vrouwen namelijk, die zingend, in den bruidsluier, met een levenden man den brandstapel bestijgen, waar de dood eerst na jaren en jaren aan de foltering van beiden een einde maakt.
Laat n niet in met huwelijksaanvragen, die door advertentie in de nieuwsbladen tot u gericht worden.
Menige vrouw heeft, alleen uit aardigheid, op zulk een advertentie geantwoord, en is toen van stap tot stap al verder gekomen in eindelooze ramp. Al die mannen, die zulke advertenties plaatsen, zijn schurken en schelmen, allen, zonder één uitzondering. Allen, allen!
En is het maar uit aardigheid, dat gij er op schrijft ?
Dan weet ik een aardigheid, waar minder gevaar in steekt voor u.
Steek uw hand eens door de tralies van het hok in de menagerie, en sla den ratelslang op zijn rug. Steek uw hoofd eens in den muil van den Numidischen leeuw, om te zien of hij toebijt. Neem eens eenige druppels Pruisisch zuur in een schuimend glas champagne.
Deze aardigheden zijn bepaald minder gevaarlijk, en bekomen u veel beter dan die aardigheid om te schrijven op een huwelijksadvertentie uit de grap.
60
Mijn raad is: Trouw een man, die een fortuin is op zichzelf.
Huizen, landerijen, en een groot erfdeel van zijn kant, zijn altemaal mooie dingen; maar het rad van fortuin draait zoo snel, dat al deze dingen in weinige jaren tijds door verkeerde geldbelegging kunnen verdwenen zijn.
Daar zijn andere dingen, die eeuwige, onverderfelijke schatten zijn: goede zeden, zielenadel, goedhartigheid, verstand, gevoel, moed, volharding, ijver en meer dingen van dat soort. Trouw zoo'n man, en gij kunt zeggen, dat gij een fortuin getrouwd hebt, die man moge 100.000 gulden of 1000 gulden inkomen hebben.
De soliditeit van een bank hangt niet van de dagelijksche of wekelijksche deposito's af, maar van haar vast kapitaal.
Die man is een rijk man, die tot een vrouw zeggen kan: „Ziehier mijn hoedanigheden, zij zijn mijn kapitaal, waarvan ik u de rente aanbied, ook al mocht de rente van mijn financieel kapitaal ons in den steek laten.quot; Als een man niet meer waard is dan zij n geld, dan is hij een arm man. Als hij een eerlijk karakter heeft, dan is hij rijk. Laat de markt dalen, zijn rijkdom is aan geen daling onderhevig. Wat heeft de effectenkoers te maken met zijn eeuwige aandeelen?
Ik zou zien te maken, mijn zuster, dat ik die aandeelen machtig werd. Een man biedt ze u soms
61
gratis aan, als de God der liefde hem drijft. Neem ze, neem ze dan!
Zoek ook, wanneer gij trouwen ivilt, geen volmaakt man.
Gij gelooft toch niet, dat er een te vinden is?
Als gij er ooit een vindt zonder gebreken, en zonder fouten; als gij er ooit een vindt, die niet in staat is een misslag te begaan, die nooit zich eens vergist heeft, die nooit eens ten einde is met zijn geduld, die onverstoorbaar is in zijn goed humeur, die altijd zijn woorden in bedwang heeft, — trouw dien man dan niet. Waarom? zoo vraagt gi]. Wel, omdat gij dan met een zwendelfirma te doen hebt, ik waarschuw u.
En dan, wat zoudt gij toch met een volmaakt man willen beginnen, gij, die zelve niet volmaakt zijt? Hoe durft gij uwe onvolmaaktheid arm in arm te laten gaan met zulk een bovennatuurlijke volmaaktheid? Wat voor figuur zoudt gij maken naast een engel? Met andere woorden: daar zijn geen volmaakte mannen. Daar was maar eens een volmaakt paar menschen, en daar, de heuvelen af van het lachend Paradijs, gingen zij heen met bange gewetens naar de velden der distels en der doornen.
Een enkelen keer ontmoeten wij wel eens een man. die zegt, dat hij geen zonde doet. Wij weten, dat hij het liegt, terwijl hij het zegt. Wij hebben wel eens geldzaken te doen gehad met twee, drie volmaakte mannen, en zij hebben ons leelijk bedrogen.
62
Daarom, zoek maar niet naar een man zonder fout, gij zult hem lang zoeken, en niet vinden.
Stel uw eischen maar wat lager; zij kunnen daarom nog hoog genoeg zijn. Word niet cynisch op dit punt.
Daar zijn in de maatschappij groote goede mannen genoeg, die u een gelukkig t'huis kunnen bezorgen.
Als die mannen getrouwd zullen zijn, dan zult gij het eens zien, wat een zielenadel en wat een geest van zelfopoffering zij kannen betoonen, zóó, dat zelfs een vrouw er over verbaasd zal staan.
Wie dat zijn? Dat zijn die mannen, die met een opgeruimd hart hard zitten te werken in donkere en vuile kantoren, tien voet bij twaalf, terwijl daar buiten de zomerzon brandt, en vrouw en dochters een zomerhuisje betrokken hebben bij lachende weilanden, of schaduwrijke bosschen, of vroolijk zeestrand. Dat zijn die mannen, die, hoewel zij in hun jeugd zelf nooit een opvoeding hebben gehad, hun zoons op studie hebben liggen in het polytechnikum of aan de akademie of op de kadettenschool. Dat zijn die mannen, die tegen hun vijftigste jaar zich half op hebben gewerkt, en begraven worden door vrouw en kinderen, die het leven kunnen voortzetten zoo ruim als hij het bij zijn leven hun reeds heeft bezorgd.
Daar zijn mannen en vaders hier, bij honderden, die voor hun gezin zouden willen sterven, als het moest. Als ooit de revolutie zonder breidel gaat losbarsten in onze steden, dan zullen zij staan in hun deur; en zij zullen met eigen vuist de indringers
63
verpletteren, een voor een, en tien voor tien, en vijftig voor vijftig. Weet gij wel, dat het dit is, de verdediging van eigen huis en altaar, wat een leger te velde zoo sterk maakt, sterker dan het leger, dat aanvalt ? Het is niet zoozeer de afgetrokken gedachte van de eer eener vlag, ay wel de liefde voor een vrouw, voor een kind, of voor een t'huis, die daar in den veldslag de zwaarste zwaardslagen doet neerkomen.
De wereld heeft zulke mannen altijd bij millioenen gehad, en laten de vrouwen nooit anders worden in haar aangeboren gevoel van bewondering voor ware ridderlijkheid en mannelijke dapperheid.
Eens hield een bruidspaar receptie. Daar stond de jonge man naast de keus van zijn hart in haar mooie en smaakvolle toilet. En toen zij daar stond in die vroolijke kamer vol bloemen en menschen, toen vulden zich de oogen van dien sterken jongen man bij de gedachte, dat die schoone bruid de zijne was.
Jaren gingen er voorbij, en daar stonden die twee weer in die zelfde kamer, bij een andere feestelijke gelegenheid. Zij droeg weer dat zelfde kleed, want de zaken waren niet zoo schitterend gegaan, als de jonge echtgenoot verwacht had, en zij hadden zuinig moeten doen; daar had voor déze gelegenheid niet eens een nieuwe japon afgekund. Haar gezicht was niet zoo helder en weelderig vroolijk, als toen bij dien eersten keer, en ook de glans van haar oogen hielden de schaduw in van vele doorgestreden zorgen. En toen de man haar aanzag, en hem het onderscheid opviel
64
in haar uiterlijk tusschen deze receptie en de vorige, toen ging hij voor haar staan en greep hij haar hand, en toen zeide hij: „Herinnert gij u wel, vrouw! den vorigen keer, dat wij hier stonden ? Gij hebt dezelfde japon aan. Het is wat anders geloopen, dan wij hoopten; maar in mijn oogen zijt gij nu schooner dan toen.quot;
Daar bestaat zoo iets als mannentrouw, en vele vrouwen onder u weten dat het zoo is, daar bij u te huis.
En alzoo na al den goeden raad, die wij u hebben kunnen geven, komen wij terug tot die gulden waarheid, waar wij van uitgingen, die geweldige waarheid, dat niemand anders dan God u veilig kan leiden in deze zaak, waar uw geluk van afhangt voor twee werelden, deze wereld en de volgende. En alzoo, mijn zuster! leg ik uw lot in de handen van Hem, in wiens handen ook Naomi het lot van Orpa en E,uth leide, toen zij zeide: „Dc Heere geve u dat gij rust vindt, een iegelijk in haars mans huis.quot;
Een eigenaardige ure is altijd die middag, als gij, na de trouwplechtigheid van de kerk naar huis gereden, weldra het oogonblik ziet naderen van afscheid.
Daar is veel vroolijk gepraat en gelach onder uw jonge vrienden, maar daar gaat toch een treurige toon ook door al dat gelach.
65
Uw keus moge allen tot blijdschap gestemd hebben, en den lof wegdragen van al uw betrekkingen, — maar, als een jonge arend op het punt staat om het nest uit te vliegen, en daar de vleugelen uitbreidt, om heen te varen de zon te gemoet. of den storm te gemoet, dan is er iets van beving in dien vleugel.
En zoo huilt de bruid nog eens even goed uit, voor zij haar huis verlaat; en bij de trouw huilt de vader ook, en de moeder ook altijd, of zij voelen alsof zij huilen konden.
Als gij denkt, dat het gemakkelijk is, om een dochter ten huwelijk af te staan, ook al is het met de schitterendste vooruitzichten, dan zult gij er wel anders over denken, als die dag daar is.
Als gij in dien dag er aan denken zult, bij een terugblik in haar leven, hoe gij over haar gewaakt hebt en gezorgd van toen zij een klein meisje was tot nu, zooals zij daar staat in haar vrouwelijke grootte en schoonheid; hoe gij dien angst hebt gehad toen zij zoo ziek lag; hoe zij de zonneschijn is en de vreugde- in uw huis, en hoe zij nu al dat licht en die vreugde gaat medenemen naar een ander huis, — o! al de geuren van den oranjebloesem, en al het luiden van de kerkklokken, en al de grootsche zwellende akkoorden van den trouwmarsch bij vol orgel, en al de opgewekte gelukwenschen van uw goede vrienden zuilen u niet kunnen doen vergeten, dat gij bezig zijt een onherstelbaar verlies te lijden.
En toch weet gij en voelt gij, dat het zóó goed is; en de herinnering komt u met guitige beschuldiging
Trouwrin p.
66
zeggen, dat gij zelf ook zoo scheep gegaan zijt twintig of vijfentwintig jaren geleden; en zoo goed en zoo kwaad als gij kunt, drijft gij de treurige gedachte terug, en zet gij uw gezicht op een lachen, als gij uw dochter kust, en zegt: „Vaarwel!quot;
Ik hoop, dat gij, wegreizende dochter! niet vergeten zult recht dikwijls naar huis te schrijven; want, wat u ook overkome, uw welzijn zal de oude lieden altijd ter harte blijven gaan.
Ga hen bezoeken, zoo dikwijls als gij kunt; en blijf er dan, zoo lang als gij kunt; want daar zullen spoedig veranderingen plaats hebben op die oude dierbare plek.
Bij eiken keer, dat gij er komt, zult gij meer grijs vinden op dat vaderlijk hoofd, en meer rimpels op moeders gelaat; en weer eenigen tijd later zult gij merken, dat het loopen en gaan hun moeilijker is gaan worden.
En op een zekeren dag zal er een van die twee pilaren van uw ouderlijk huis vallen; en op een anderen dag zal de andere pilaar van dat huis vallen; en het zal u een vertroosting zijn, wanneer zij heengegaan zijn, dat terwijl gij trouw waart in uw nieuwe huis, gij nooit het oude huis vergeten hebt, en gij nooit uw oudste vrienden vergeten hebt, aan wien gij meer verschuldigd zijt geweest dan aan iemand anders behalve God — ik bedoel uw vader en moeder.
En nu, o goede en schoone jonge vrouwen, ik beveel u Gode, „fZze de eenzame zet in een huisgezin.quot;
GEHEIME HUWELIJKEN EN UITSPATTINGEN.
SPEEUKEN 9 vers 17 en 18.
„De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. Maar hij iveet niet dat aldaar dooden zijn.quot;
De hof van Eden was een groote gaard, vol ooftdragend geboomte; zwaar hingen zij aan de takken, de ronde, rijpe, schoone vruchten.
Maar de hovenier en zijn vrouw, die den hof te bebouwen hadden en te bewaren, hunkerden naar de vrucht van één boom bovenal, en om geen andere reden, dan omdat die verboden was.
En zoo kreeg de menschelijke natuur van het begin af dadelijk dien leelijken trek mede, die haar bijgebleven is tot op dezen dag, waarom kinderen somtijds het een of ander doen zullen om geen andere reden, dan.omdat het verboden is.
Niet gemakkelijk zal het menschenras die eigenaardigheid afleeren.
Zeg aan een reisgezelschap, dat al de twintig kamers in dat groote huis mogen bezichtigd worden behalve die ééne, en die menschen zullen niets zoo zeer begeeren te zien dan juist die ééne kamer, al hingen die negentien vol schilderijen en al was die twintigste niets meer dan een zolderkamertje.
Laten er op een badplaats twintig bronnen beschikbaar zijn voor het publiek en laat de directie één
70
bron voor zich afgesloten houden, en ik verzeker u, dat juist die ééne aller begeerte gaande maakt, en dat de badgasten van geen der twintig andere zoo gaarne zouden willen drinken als juist van deze.
Deze menschelijke eigenaardigheid spreekt Salomo uit met de woorden van onzen tekst: „Be gestolen louteren zijn zoet; en het verborgen brood is liefelijk.quot; Maar hij laat tegelijk merken, wat de gevolgen er van zijn, als hij daarbij voegt: „Maar hij iveet niet, dat aldaar dooden zijn.quot;
In de reeks van mijn brouwpreeken wil ik heden morgen tegen de geheime huwelijken en uitspattingen optreden, met open vizier en met den degen in de hand.
Daarginder komt een schip de haven van New-York binnenvallen, dat al de kenmerken draagt van een stormachtige reis. Het zout der golven zit aan korsten opgedroogd boven tegen de stoompijp aan. De groote mast, de fokkemast, de bezaansmast, midden door gebroken. De verschansing, ingedeukt. De reddingbooten, van de davids afgeslagen. De boegspriet, weg. De kapteinsbrug, in stukken. Al de pompen aan het werk, om het schip boven water te houden, opdat het de kaai nog kan halen.
Dat schip is de heilige instelling van het Christelijk huwelijk; voor duizende jaren, toen liet de Heere God het prachtvolle vaartuig van stapel loopen aan de oevers van den Euphraat, en bewonderd cn gevierd van alle natiën kliefde het de zeeën. Maar vrije liefde bestookte het van de eene zijde; en het
71
Mormonisme bestookte het van de andere zijde; en orkanen van libertinisme bestookten het van achter en voor; en nu zoekt het oude wrak de werf om herstel aan elke plank, aan eiken balk, en zeil, en katrol, en roer en mast en ra.
Met andere woorden: op het punt van het huwelijk mag de beschouwingswijze der moderne maatschappij wel geheel nagezien en verbeterd worden. En als wij de maatschappij er weer zoo over hebben leeren denken zooals God er over dacht in het Paradijs, dan zal de aarde tegelijk van zelf weer den Paradijsstaat des geluks voor zich zien aanbreken.
Vraagt gij, waarom ik een reeks preeken over dit onderwerp noodig acht?
De man of de vrouw, die deze vraag doet, is een onwetende of een schuldige, zeg ik.
In Meuw-Engeland, dat door velen als het meest zedelijke deel der Vereenigde Staten beschouwd wordt, hebben er jaarlijks tweeduizend echtscheidingen plaats. In Massachusetts, waar men nog boven andere Staten vasthoudt en prijs stelt op de oude, goede zeden, is er één echtscheiding op elke veertien huwelijken. In den Staat Maine, waar de kwakerachtige leefwijze zoo gestreng is als nergens elders, waren er in het vorige jaar veertienhonderd achtenzeventig echtscheidingen. In Vermont is het ruilen van vrouwen geen zeldzame transactie. In Connecticut pochen de vrouwen er op, als zij reeds vier of vijf malen van man zijn veranderd, met de wet in de hand.
Over het algemeen genomen, is ons veelgeprezen
72
Protestantisme op dit punt toeschietelijker dan het Romanisme. De Eoomsche Kerk laat geen echtscheiding toe dan alleen om die reden, die Christus als de eenig wettige reden erkende. Maar het Protestantisme in onze Vereenigde Staten laat alles maar toe, en hoe meer Protestanten er in een van onze Staten wonen, hoe grooter er ook het getal echtscheidingen is. Meent gij dus niet met mij, dat zulk zoogenaamd Protestantisme op dit punt wel weer wat zuiverder van toon mag gaan worden ?
Ach! als gij u het eens indenkt, hoe de heilige en Goddelijke instelling des huwelijks, als een spot en een schande voor het geheele land, hoe langer hoe meer wijkt om plaats te maken voor geheime huwelijken en voor vrije liefde, meent gij dan ook niet, dat een opzettelijke bespreking dezer dingen, ook van den kansel, zoo noodig is als een consult in een ziekte?
Geen morgen en geen avond, of wij lezen in de courant van die schandalen; en het is er maar één van de vijftig, die de courant ons meedeelt, omdat alle partijen er belang bij hebben, dat de zaak zoo stil wordt gehouden, als maar kan. Op alle uren van den nacht hebben zij hun rendezvous, of sluipen zij de achterdeur uit, om straks den trein te nemen naar dien Staat, waar de wetten wat ruimer zijn; en zes maanden na het huwelijk houden zij eerst de receptie om aan het publiek de eerste aankondiging te doen van het feit, dat zij voor een half jaar zijn getrouwd.
Godsdienstleeraars, rechters, ambtenaars van den
73
burgerlijken stand, die niets geen bezwaar hebben om weggeloopen jongens en meisjes uit andere provinciën of steden in te schrijven en in te zegenen, die daar aan komen rijden minnekozend achterover in den landauer, of wat armer boven op den omnibus; telegrammen naar alle oorden des lands om aanhouding van voortvluchtige schoolmeisjes met de boeken en schriften nog onder den arm, die den sneltrein genomen hebben om haar gymnasiastjen op de afgesproken plaats te ontmoeten; (in de vreeselijke sneeuwjachten bij den laatsten storm, lees ik, dat er een paar van die kinderen zijn omgekomen;) duizende menschen getrouwd, die nooit getrouwd zijn geweest; ongeoorloofde samenleving; overheerschende veelwijverij ; het huwelijk een grap; — en heel de Ame-rikaansche maatschappij met het aangezicht als een kei, zoo ongevoelig over deze zonde, als vroeg zij: „Hapert er iets aan?quot;
Wee! daar kan niemand meer iets aan verbeteren, zoo God Almachtig het niet doet.
Wij kunnen wel toegeven, dat zulke geheime huwelijken en zulke uitspattingen soms aanleiding vinden in een dwaze tirannie van de ouders, die de toestemming tot een huwelijk niet geven willen.
Daar komen werkelijk altijd nog zulke gevallen voor van ouders, die aan een monomanie lijden, zoo spoedig er maar een van de kinderen van een huwe-liik durft reppen, en die ze tot monniken en nonnen schijnen bestemd te hebben.
74
Andere ouders, die zeer bijzonder overtuigd schijnen te zijn van tot een voortreffelijken en voornamen stand te behooren, stellen bij een eventueel huwelijk hunner kinderen zulke hooge eischen van stand en positie, dat het meer dan onredelijk is en dwaas.
De ouders kunnen toch niet verwachten, dat de kinderen voor het pleizier van de ouders gaan trouwen; zij doen het immers voor hun eigen pleizier.
Als de jongelui aan de volgende vier voorwaarden voldoen, dat zij namelijk van goede zeden zijn, middelen van bestaan hebben, den geschikten leeftijd bereikt hebben, en van gelijken stand zijn in de maatschappij, dan heeft geen vader of moeder het recht om een verbindtenis tegen te werken, die vrijwillig en een zaak van het hart is.
De eerwaarde Philip Henry, welbekend om zijn vroomheid en gezond verstand, zeide altijd tot zijn kinderen: „Doet wat gij wilt. maar vraagt eerst wat God wil; en ik zal het alles best vinden, wat gij wilt.quot;
Tijdens den laatsten burgeroorlog zou er een huwelijk gevierd worden te Charleston, tusschen den luitenant de Roebelle en Anna, de dochter van den exgou-verneur Pickens. Juist toen men met de plechtigheid een aanvang zou maken, viel een vijandelijke granaat door het dak in de zaal; negen van de gasten werden gewond, en ook de bruid viel doodelijk getroffen neer; met rood bloed werd haar witte kleed gekleurd; en in de armen van haar bruidegom, die bij haar geknield lag op den grond, ontsliep zij. Zoo heeft ook menigmaal een dwaas vader of moeder met hun weigering een ver-
75
nielende bom geworpen in het gebouw der hope hunner kinderen, en bloemen en rozen en feestkleederen rood gekleurd met tranen en bloed.
Als de hand, die de jonge man aanbiedt, gezwollen is door het gebruik van sterkedrank; of als zijn leven losbandig is geweest als van een wellusteling, of als hij geen toereikende middelen van bestaan heeft, en armoede en verlatenheid in de verte reeds opdagen; of als de twee jongelieden geheel ongelijk zijn van stand; — o! houdt het dan tegen, en verbiedt het, en vraagt aan uw vrienden om het de twee ook eens te zeggen, en legt hun alle wettelijke verhinderingen in den weg; dat raag, dat moet!
Maar behoort niet tot die trotsche, geldzuchtige ouders, die hun kinderen met een weigering in ellende hebben gestort, omdat zij aankwamen met een bruid of een bruidegom, die papa zich nog chiquer had ge-wenscht. Ik ken eenige weinige gevallen, waar de twee jongelieden hun huwelijk begonnen waren met den vloek der ouders, en den smaad van vrienden en familie, maar waar God Zijn goedkeuring aan had gehecht, en die dan ook een zegen hebben gehad als uit den hemel, en een geluk hebben gehad als uit het Paradijs.
Maar dewijl wij het nu hebben toegegeven, dat er werkelijk gevallen zijn, waarin de ouders zeiven de aanleiding zijn tot de geheime uitspattingen hunner kinderen, daar wil ik het nu even sterk uitspreken, dat in negenennegentig gevallen van de honderd, ja in negenhonderd negenennegentig gevallen van de
76
duizend, al die stille verkeeringen en schakingen bij sneltrein of bij maanlicht niets anders dan verderf aanbrengen, en ellende, tijdelijke en eeuwige ellende.
Ontvlucht dien verzoeker, o vrouw! maak u los uit zijn armen, wat hij ook lispelt van liefde; ontvlucht en spring neer, als het niet anders kan, in de breede rivier, om zwemmende den overkant te halen. Het is beter voor u om te verdrinken in dat water, dan om te branden in dat vuur, dat de duivel u bereid heeft, en waar hij dien jongen man gezegd heeft u heen te brengen.
Lees de geschiedenis van al die schakingen en ontvluchtingen, die de courant ons in de laatste tien jaren heeft verteld, en vind er eens tien of vijf onder, zoo gij kunt, waar voor de vrouw ten minste, de geschiedenis zich niet in deze volgorde heeft afgespeeld; ontvluchting, onteering, armoede, twist, verlatenheid, gerechtshof, scheiding, dood, en — hel. „De gestolen wateren zijn zoet. en het verborgen brood is liefelijk. Maar hij iveet niet, dat aldaar dooden zijn.quot;
Satan is het, die bij zulk een ontvluchting altijd zijn hand er in heeft. Hij brengt de beide partijen met elkander in kennis. Hij zegt hun beiden de liefdesverklaringen voor, die zij voor elkander uitspreken. Hij bepaalt het rendezvous. Hij laat hun weten, waar zij een gewillig predikant en een vriendelijk ambtenaar kunnen vinden. Hij wijst hun aan het station, waar het loket is om de kaartjes te nemen. Hij doeo hun de coupé open; en als de sneltrein zijn vaart beet heeft van tachtig mijlen in het uur, dan springt
77
hij er af, terug naar een ander paar, dat van zijn diensten gediend is; de eerste twee mogen zien hoe zij het verder zonder hem stellen.
Want is Satan een genie om menschen in moeiten te brengen, hij is geen genie om ze uit moeiten te redden.
Hij was het, die Jona overreedde om plaats te nemen op de boot naar Tarsis, toen God gezegd had, dat hij naar Nineveh moest gaan; maar hij verschafte den afvalligen profeet een landingsplaats, die niet beter was dan het midden van de Middellandsche zee.
De nieuwere romanlitteratuur is voor een groot deel schuld aan deze losbandigheid.
Gelooft gij, dat jonge vrouwen halve nachten zullen opzitten om romans te lezen, waar de held en de heldin heel gewoon met elkander in kennis komen, en heel gewoon geëngageerd raken en heel gewoon de toestemming van vader en moeder krijgen, en heel gewoon en goed in de kerk overgetrouwd worden?
Wel neen immers! Daar moet zoo iets bij komen van een schaking, een vervolging, een getrokken poig-nard, en zooveel meer; en dan moet het eindigen, alles heel mooi natuurlijk, met de vergiffenis der ouders, met de toejuiching van allen, en met zonneschijn en bloemen.
Dikwijls genoeg is het plan, om met den vriend des huizes er van door te gaan, in het heete brein der vrouw ingeplant door een goedkoopen roman, voor een dubbeltje te krijgen. In die boeken woïderi echtbreuk en verdoemenis gekroond en gesierd met oranje bloesem en een bruidsluier!
78
Deze afwijkingen op het gewone huwelijk en de aanbeveling er van, soms van wetenschappelijke zijde, zijn daarom zoo te bejammeren, omdat het bijna altijd slechte mannen zijn, die zulks aanbevelen.
Als een man goed van gedrag is, dan kan hij ook navraag lijden, en hij kan zeggen: „Indien gij het een en ander van mij weten wilt, hier hebt gij een partij namen van menschen in de stad, waar gij naar mij informeeren kunt.quot;
Maar die heeren, die den held spelen bij zulke schandaaltjes, zij zijn bijna allen bigamist, of vrij-moralist, of dronkaards, of bedriegers en oplichters van de eerste soort. Zij hebben geen goeden naam meer te verliezen.
Zij mogen gekleed gaan zoo gedistingueerd als de besten, zij mogen de zorgen vertoonen van den fijnsten coiffeur; — met hun handschoenen, met hun geuren, met hun schitterende diamanten, en hun helkleurige das, — met al wat zij hebben, zeg ik u, zijn zij dubbelgedistilleerd extract van zedelijk vuil, schurkerij en godslastering.
Hoedt u voor hen! „De gestolen wateren zijn zoet; en het verborgen brood is liefelijk. Maar hij weet niet, dat aldaar dooden zijn.quot;
79
Die geheime huwelijken zijn echter ook daarom zoo betreurenswaardig, omdat bijna altijd de vrouw er maatschappelijk lager door komt te staan; in den regel is de positie, die zij er door krijgt, een maatschappelijk lagere, dan die zij gehad heeft.
Let er eens op, en gij zult het altijd zien; als een man een vrouw neemt beneden zijn stand, dan kan hij haar met zich opheffen zoo hoog als hij zelf maar op den maatschappelijken ladder klimmen kan; maalais een vrouw een man neemt beneden haar stand, dan zinkt zij altijd tot zijn positie af. Dat is een onverbiddelijke wet; en er zijn geen uitzonderingen op. Is er één vrouw van zoo hoogen staat, wie het geen kwaad kan doen, dat zij meedoet aan een samenzwering tegen haar eigen eer ?
Geen stad in Amerika, waar niet in de laatste twintig jaar de een of andere aanzienlijke vrouw een weelderig tehuis verliet om stil weg te vluchten en te gaan leven met een man, die maar drie dollars op een dag verdiende, altijd, als hij goed werkte.
Ik weet het wel, menig huisvader heeft nooit meer dan drie dollars per dag gehad en was er toch heel gelukkig bij; maar, het is een heel ander geval, wanneer iemand met drie dollars per dag het gaat aandurven om een vrouw te onderhouden, die in een huis geleefd heeft, waar de huishouding twintig duizend 'sjaars kostte.
En dat is toch bijna altijd de geschiedenis, waar een rijke juffer een armelui's jongen trouwt; de ge-
80
schiedenis van den arend die met den os trouwde.
Het eerste jaar, dan gaat alles nog al; want het is kluchtig, romantisch, en niet alledaagsch; en daar zijn altijd vrienden, die de vertooning applaudisseeren. Het tweede jaar, dan is de aardigheid er af, en de twee hebben bepaald een afkeer van elkander. Het derde jaar, dan gaan zij van elkaar af, en zij trachten tot een echtscheiding te komen: of wat meer waarschijnlijk is, de man wordt een dronkaard, en de vrouw een bedelares op straat. „De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. Maar hij weet niet, dat aldaar dooden zijn.quot;
Voor deze soort huwelijken waarschuw ik ook daarom, omdat zij gescMeden met opzettelijke verwaar-loozing van ouderlijken raad en goedheid.
quot;Want van de meeste ouders kan het toch gezegd worden, dat zij hartelijke zorg en belangstelling hebben in het lot van hun kinderen.
Als zij nu tot een verkeering geen toestemming willen geven, en alles doen om haar tegen te houden, laten de kinderen er dan maar zeker van zijn, dat het is, omdat de ouders niets dan ellende er van zien aankomen.
Laat de dochter het gerust gelooven, dat vader en moeder beter inzicht hebben in het karakter en in de toekomst van een jong man, die losbandig is en drinkt, dan de dochter het zelve kan inzien, omdat hij zich voor haar natuurlijk wel netjes zal voordoen.
81
Laat de dochter het toch gelooven, als vader zegt, dat hij het in zijn leven zoo dikwijls heeft zien uitkomen, wat een idioot het meisje is, dat met een man gaat trouwen, die geen hersens of geen ijver genoeg heeft om zijn brood te verdienen.
Geen statistiek kan ons zeggen hoe groot het getal vrouwen is, die na het huwelijk voor zichzelven en voor haar mannen den kost moeten ophalen.
Als de man een ongeluk heeft gehad of een ziekte, waardoor hij verder onbekwaam is geworden voor zijn werk, dan is het hartverheffend om een vrouw zijn plaats te zien innemen als kostwinner van het gezin, en om haar dan aan den arbeid te zien met de naald, of met de pen, of met de ellemaat, of aan de wasch-tobbe.
Maar die groote, logge, luie vlegels, die daar voor de deur staan met de handen in den zak, en die daar de vrouw met haar zwakken arm alleen laten staan in den strijd om het brood, zij moesten uit de maatschappij uitgebannen worden! Ontelbare gevallen zijn er hier in de stad, dat de vrouw de huur betaalt, en in al de uitgaven voorziet, en de tabak en het bier bovendien nog verdient voor den grooten heer des huizes.
Geen wonder dus, als de ouders alles in het werk stellen, om zulk een huwelijk tegen te houden. Zij hebben het te dikwijls gezien bij menschen, dien zij kenden, hoe de gouden ring, bij het altaar aan den vinger gestoken, later bleek niets anders te zijn dan een ijzeren schakel aan den ketting van huiselijke slavernij.
Trouwring. 0
82
Is er grooter spotternij denkbaar, dan wanneer een man, die zijn brood niet kan verdienen, en die geen cent in de wereld heeft, een ring gaat koopen met het geld, dat hij uit zijn grootmoeders lade heeft gestolen, om dien ring daarna aan den vinger van zijn bruid te gaan steken voor het altaar, terwijl hij daarbij de woorden van het formulier uitspreekt: „Met dezen ring neem ik u tot mijn vrouw, en begiftig ik u met al mijn wereldlijk goed!quot;
Het is verbazingwekkend, hoe sommige vrouwen mannen trouwen, van wien zij zoowat niets afweten.
Geen koopman of koopvrouw zal ooit voor een honderd gulden aan goederen willen leveren op cre-diet, zonder eerst te weten of de kooper solide is. Geen man of vrouw zal ooit een huis koopen met hypotheek bezwaard, als of het een volle prijs waard was.
En toch is er in de laatste tien jaren geen dag en geen uur geweest, waarin niet de een of andere vrouw zoo maar in een overhaast huwelijk haar aardsche geluk heeft toevertrouwd aan een man, van wiens eerlijkheid zij niets afwist, en die bezwaard was met eerste hypotheek, en tweede hypotheek en derde hypotheek van slechte zeden.
Geen wonder dus, dat vader en moeder, bij het vervoegen van het werkwoord in quaestie, overgaan van de veronderstellende wijs in de aantoonende wijs, en van de aantoonende wijs in de gebiedende wijs.
Bij al de geheime huwelijken, waarvan gij nog in uw leven zult hooren, zult gij kunnen opmerken, dat
83
zij niet gesloten zijn, dan nadat de ouders er eerst op allerlei wijze hindernissen tegen in den weg gesteld hebben, waarover de twee jongelieden maar hals over kop zijn heengesprongen. „De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. Maar hij weet niet, dat aldaar dooden zijn.quot;
En dan vinden wij die stille en geheime allianties zoo betreurenswaardig, omdat het alles aan elkander hangt van bedrog, en nog eens bedrog; en bedriegen is een onhoudbare toestand, en een verdoemelijke zonde bovendien.
Gij begint met uw familie te bedriegen; en dan moet gij de maatschappij bedriegen, en ten slotte alle menschen bedriegen, behalve God, dien gij niet kunt bedriegen, al zoudt gij het wel willen.
Bedriegerij schaadt niemand zoozeer als den bedrieger zeiven. Het huwelijk is een te ernstige krisis in het leven, dan dat men met een vrouw en een man zoo maar zou kunnen doen zooals de goochelaar doet: „Hocus, pocus, pas! daar is hij weer! weg is zij!quot;
Neen, gij doet beter met geduldig te wachten, tot de tijden u wat gunstiger geworden zijn. De tijd kan misschien alle hinderpalen wegnemen. Misschien dat die jonge man, die aanzoek bij u gedaan heeft, zijn leven gaat beteren; misschien dat hij een zaak begint, of een betrekking krijgt, die brood genoeg verschaft; misschien dat die onverbiddelijke vader en moeder in dien tijd promoveeren tot burgers des hemels. Wacht den rechten tijd af, en bepaalt dan
84
den rechten dag. Gaat dan staan in de schoonste kamer van uw huis, hand in hand, met den predikant vóór u, en laat hij de wereld uitdagen met de woorden van zijn formulier, dat „als zij eenige oorzaak weten, waarom deze twee niet zouden mogen worden ver-eenigd, zij zulks nu mogen te kennen geven,quot; — dan zal er niemand meer zijn, die zich tegen uw eerlijk, openbaar huwelijk verzet, of verzetten kan; en vooruit dan, het nieuwe heerlijke leven in! met al de goede wenschen van uw buren en vrienden, en met den zegen van Gods uitgebreide handen!
Als gij toch de haven kunt uitzeilen, midden op den dag, met alle vlaggen uit, waarom zult gij dan te middernacht beproeven door te sluipen tusschen de schepen der douane?
Met al deze dingen voor oogen, vermaan ik u nu ernstig, om alle geheime verkeering of alle geheime banden af te breken, en om geen stille afspraken meer te maken tot samenkomst ginder op de brug of daar in de straat, of elders ten huize van uw wederzijdsche vrienden, of daar in het park.
Doet niet aan brieven poste-restante, onder een valsch adres.
Houdt u niet op met correspondentie, waardoor gij niet op uw gemak zoudt zijn, als anderen bij vergissing eens uw brieven open maakten.
85
Begint uw brieven niet met een dierbare aanspraak, en eindigt ze niet met een dierbare onderteekening, tenzij gij een recht hebt dat dierbare er bij te voegen.
Zij staat aan een gevaar bloot, die jonge dame, die aan haar moeder haar brieven niet durft te laten lezen.
Als gij verstandige ouders hebt, gaat dan in vertrouwen met hen te rade in alle hartszaken.
Zij zullen u in één uur meer goeden raad kunnen geven, dan gij van al de andere menschen te zamen in vijf jaar kunt krijgen. Zij hebben voor u al zoolang gewerkt, en voor u al zooveel gebeden; zij hebben u toch zoo lief; en zij willen zoo gaarne, dat het u goed gaat.
Maar laten de ouders van hun kant ook nog eens goed overwegen, of zij zoo geheel zuiver staan op het punt van weigering, en of het wel geheel uit zuivere begeerte tot welzijn van hun kind is, dat zij zoo tegen de toestemming zijn; dan wel of het uit een gril is, en uit een luim, die zelfzucht of vooroordeel tot ondergrond heeft; want dan vechten zij tegen een natuurwet, en zijn zij bezig om den Niagara naar boven terug te jagen, de dwazen!
De Engelsche minister Pitt kon altijd wijze dingen zeggen. Eens kwam de heer Walter Farquhar tot hem in groote onrust en gejaagdheid. De heer Pitt vroeg hem, wat er aan scheelde, en de andere vertelde hem, dat zijn dochter wilde gaan trouwen met iemand, wat lager dan haar stand. „Is hij van fat-
86
soenlijke familie?quot; vroeg de heer Pitt. — „Jawel.quot; — „Is hij zelf fatsoenlijk?quot; — „Jawel.quot; — „Is hij een goed man?quot; — „Jawel.quot; — „Welnu dan,waarde heer Farquhar, laat ze dan trouwen!quot; — De andere nam den goeden raad aan, en de twee hebben een heel gelukkig leven gehad.
Laten de predikanten en de ambtenaren, die aangezocht worden zulke geheime huwelijken te sluiten, eenvoudig zeggen, dat zij het niet doen.
Als zi] gevraagd worden, om op de trouwakte den datum een zes maanden vroeger te zetten, zooals wij allen wel eens gevraagd worden, laten zij dan beslist weigeren om te schrijven, dat de plechtigheid plaats had in Juli inplaats van in Januari; en laten zij evenzoo weigeren om den datum blank te laten, opdat anderen geen gelegenheid hebben dien valsch in te vullen.
Dat er een wet uitgevaardigd worde in al onze Staten, zooala zij reeds in sommige van onze Staten is ingevoerd, dat wij geen huwelijk mogen inzegenen, tenzij de menschen eerst voor de wet getrouwd zijn, en dat er geen burgerlijk huwelijk mag gesloten worden, tenzij het eerst in de nieuwsbladen is afgekondigd, zoodat, indien iemand wettige bezwaren er tegen heeft, deze kunnen ingebracht worden.
Dat is beter dan de bakens te plaatsen nadat het schip op de ondiepten geloopen en vergaan is.
87
Maar ten slotte moet ik nu op mijn onderwerp nog een ander licht laten vallen, een licht, heller dan alle aardsche licht.
Wij hebben hier vijftienhonderd electrische lampen in de kerk, en als zij, door één druk op een knopje, voor den avonddienst plotseling opvlammen, dan is dat een bijna verblindend gezicht.
De vuuroogen van den locomotief zijn een vreeselijk licht, als gij er dicht genoeg bi] staat om het goed te zien. Als daar de locomotief, met zijn trein achter zich, bij nacht den berg opklimt, of het dal instuift, of langs den afgrond heen slingert, hoe werpen dan die vuuroogen een plotseling licht op de heuveltoppen hier, die eensklaps uit de duisternis als opgeroepen worden, en op den waterval ginds, die neerschuimt wit tegen de duisternis rondom; en hoor, hoe de wilde dieren huilend hun holen invluchten!
Maar zoo fel, zoo ver schijnend, zoo plotseling, zoo vreeselijk is dat licht niet, als die lichtstroom zijn zal van den naderenden Oordeelsdag, die al de verborgene en geheime gangen des levens overstorten zal met ontdekkende glanzen. Ik haal een aangrijpend gezegde aan van de Schrift, waarbij ik allen nadruk op het woord „verborgenquot; leg: „God zal ieder toerk in het gericht brengen, met al icat veeboegen is, het zij goed of het zij kwaad.quot;
Welk een dag zal dat wezen, als van elk huis het dak zal afgelicht zijn, en als alle hart geopend zal wezen voor wie het zien wil!
88
De ongerechtigheid moge zoo sluw zijn geweest, dat zij aan alle menschelijke nasporing heeft kunnen ontkomen, maar op dien dag zal zij zoo bekend wezen als de zonden van Sodora en Gomorra, tenzij zij vergiffenis hebbe gevonden om Christus' wil. Alle hand zal beschuldigend tegen haar zijn opgeheven. Het Eeuwige Oordeel zal zijn hand tegen haar uitstrekken en met den vinger naar haar wijzen. En de Aartsengel van den Toorn zal daar staan met den bliksem, gereed om dien los te laten uit de vuist. Dan is het over met de preutschheid en de overdreven gevoeligheid, waarmede de maatschappelijke samenleving het niet toeliet op aarde om de zonden zonden te noemen; dat is dan voorbij; en de man, die onrein was, en de vrouw, die oneerbaar was, zij staan daar, met hun geheele geheime geschiedenis geschreven op hun voorhoofd, geschreven op hun wangen, op hun handen en op hun voeten; hun geheele lichaam, zooals het daar opgerezen is uit het graf, één vlam van schaamte en smart; terwijl de stemmen van uit de wereld, en de steramen van uit de hel, en de stemmen van uit den hemel, roepen; „onrein! onrein! onrein!quot;
Al die huwelijksintriges, en al die geheime ongerechtigheden, zij zullen bekend worden, als galmden alle trompetten ze uit, en als scheen er het licht van alle bliksemstralen op.
G-ij man! die ontrouw zijt geworden aan uw trouwbelofte! Gij vrouw! die u geeft aan hem, die de uwe niet is! Wat, wat zal er van uw ziel worden in die ure? Geen neerploffende Alpen en Pyreneën kunnen
89
u bedekken ; geen oceanen u scheiden van de gevolgen uwer stille zonden !
Laat het berouw liever nu komen, nu! Dan zullen uw zonden uw verklagers niet zijn in dien vreese-lijken dag! Daar is vergeving, voor den grootste der zondaren, zoo gij bij tijds die vergeving zoekt.
Maar ik laat het aan uzelven over, om het antwoord te geven op de vraag: of zij kans hebben op vergiffenis, zij allen, die op aarde sterven te midden van hun onzedelijke uitspattingen, als op dien dag diezelfde Christus, die het huwelijk zoo hoog eerde, dat Hij het als beeld nam voor de betrekking tusschen Hem en Zijn Kerk, verschijnen zal aan de deur der groote zaal van het Hoogste Gerechtshof, en als al de legerscharen en al de menigten van hemel, hel en aarde zullen opstaan en roepen met vreeze of met gejuich: „Zie, de Bruidegom komt!quot;
PLICHTEN VAN DEN MAN JEGENS DE VI^OUW.
GENESIS 24 vers 63.
„En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond: en hij hief zijne oogen ojj, en zag toe, en ziet, de hemelen kwamen!quot;
Oostersche mannen op kameelen gezeten. Tusschen hen in een vrouw, een jonge vrouw, een bruid. Zoo reist in het Oosten de bruid naar haar bruidegem toe.
Het kameel wordt het schip der woestijn genoemd. In de verte gezien heeft het met zijn schommelende beweging ook wel iets van een schip, dat met de golven rijst en daalt. Onbehaaglijk van uiterlijk zijn deze dieren; maar hoe belangwekkend toch, zooals zij daar zich voortbewegen! Al eeuwenlang zijn zij het vervoermiddel geweest van duizenden tegelijk van Bagdad naar Aleppo, of van Bassora naar Damascus.
Onze tekst stelt ons de karavaan voor oogen. Daar naderen zij, de kemelen. Merk op dien geruischloozen stap van den breeden voet; let op dien snellen gang! Wat vroolijk opgetuigd zijn zij met de gekleurde zadels en buikriemen! Hoe goed beschut voor de zon zitten zij onder het dekzeil, de ruiters en die vrouwen! En klinkt er niet vroolijk gepraat en gelach van groep tot groep, terwijl zij snel draven, en naderen! Wie zijn dat?
Wel, Izak heeft reeds lang den Heere om een vrouw gebeden. En het is hoog tijd voor hem ge-
94
worden, dat hij er een krijgt; want hij is reeds veertig jaar oud. En zijn dienstknecht, door den Heere geleid, heeft een keuze gedaan uit de dochteren van een ver land. En Rebekka is dat, met hare gezellen en slavinnen die daar aankomt, opweg naar haar nieuwe tehuis; en de zegen van haar magen en vrienden is met haar medegereisd.
Izak is in het veld; zijn gedachten zijn vervuld met den aanstaanden ommekeer in zijn levensloop ; de eenzame zal niet langer meer eenzaam zijn. En hij ziet in de verte over de heide een stip aan den horizon; straks is dat een groep kameelen en menschen ; en als hij het goed zien kan, hemel! dat is de grootste zegen op aarde, die daar nadert, de grootste zegen op aarde, die ooit een man kan overkomen!
„Knielen!quot; zoo schreeuwen de drijvers, en de kameelen, zij knielen. En een kleinen voet plaatsende op den nek van het knielende dier, stijgt zij af, de bruid, en zij groet den man, die haar waardig is, zooals zij hem waardig is. uEn Izak ivas uitgegaan in het veld om te bidden, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn oogen op, en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen.quot;
In mijn vorige preeken heb ik gesproken over de keus van een echtgenoot.
En waar ik nu aan de vijfde preek van mijn
95
Trouwring begin, daar ga ik van de veronderstelling uit, o man! dat de vrouw, welke gij genomen hebt, u van den Heere gegeven is, en dat voor u de kameelen gekomen zijn van uit het rechte land, en op den rechten tijd, en dat zij voor u de vrouw aangebracht hebben, die voor u bestemd was, een Rebekka, en niet een Izebel.
En ik ga nu verder met de bespreking, hoe gij met uw vrouw moet omgaan; en mijn plan is om u onomwonden de waarheid te zeggen, meer en krasser dan gij ooit in uw leven in een uur tijds gehoord hebt.
In de eerste plaats vermaan ik u: wees altijd doordrongen van de verantwoordelijkheid, die gij op u naamt, toen gij haar van onder de veilige hoede der ouders overbracht in uw eigen huis en onder mo eigen hoede.
Daar is heel wat moed en zelfvertrouwen bij u noodig geweest, om het op u te nemen en te zeggen: „Ik zal meer voor u zijn dan een vader en moeder, en dan al uw vrienden ooit voor u zijn geweest. Laat hen achter, en kom bij mij. Ik voel mij in staat om u veilig het leven door te leiden. Gij hebt eeuwige belangen, maar ik gevoel mij sterk genoeg om ook die te verdedigen en u gelukkig te maken. Al is uw eigen tehuis bij vader en moeder nog zoo heerlijk en nog zoo onbezorgd vroolijk; al staat daar in een van die kamers nog de kinderstoel, en boven op zolder nog de wieg, die moeder nooit heeft kunnen wegdoen;
96
en al zitten daar in de huiskamer een vader en een moeder, die al rimpels op het gelaat hebben, en grijs haar hebben gekregen, en slecht van gezicht zijn geworden door de zorgen die zij om u hebben gehad, — toch zult gij beter doen met bij mij te komen 1quot;
Ik ben er nog verbaasd over, dat ik en een ander de stoutmoedigheid hebben gehad om een meisje over te halen ons te volgen uit een huis, dat al lang goed en wel gebouwd was, naar een huis, dat nog gebouwd moest worden.
Zoudt gij niet zeggen, dat ik een dwaze waaghals was, als ik zonder kennis van sturen en zeilen op een goeden dag naar de haven ging, waar het vol ligt van schepen, en als ik daar aan boord ging van een stoomer, en, bij gebreke van een kapitein, ging zeggen: „Ik zal wel kapitein wezen, en ik zal wel zorgen, dat wij te Glasgow komen. Aan boord allemaal! Haal in de plank! Vooruit!quot; en als ik straks den oceaan inste-vende, de duisternis en den storm te gemoet ? Als een reeder de dwaasheid had mij aldus een schip toe te vertrouwen, dan zal dat het schip wezen, waar men later nooit meer van hoort.
En toch is dat de alles durvende stoutmoedigheid van een man, die een huwelijk voorslaat. „Ik zal u door de stormen heen brengen,quot; zegt hij, „door al de cyclonen en den mist heen, uw leven lang. Ik zal op geen klippen loopen, en op geen ijsbergen stooten. Ik heb wel geen ervaring of kennis van die zee, waar wij door zullen, ik heb er niet eens een kaart van, maar kom, kom mee aan hoord! Ik geef toe, dat er op deze
97
zelfde lijn al duizenden vóór ons hebben schipbreuk geleden, maar kom, aarzel niet! Nu, stil maar! huil nu niet! Op een bruiloft moeten de bruidjes niet huilen!quot;
Aan den anderen kant doet de vrouw eigenlijk volmaakt hetzelfde.
Want practisch zegt zij toch eigenlijk ook ongeveer; „Ik heb maar één leven te leven, ik vertrouw het geheel aan u toe. Mijn armen zijn niet sterk, maar ik geef mij gerust over uw aan sterke armen. Ik weet van de wereld niet veel af, maar gij zijt immers zoo verstandig en zoo wijs! Ik stel mijn lichaam, mijn ziel, mijn tijd en mijn eeuwigheid in uw hoede. Daar, geheel ben ik voor u. Zelfs van mijn naam doe ik afstand, en ik ga uw naam dragen, hoewel die naam van mij al wat er edels was in mijn vader vertegenwoordigt, met al wat er goeds was in mijn moeder, met al wat er aangenaams was bij mijn broeders en zusters. Daar, ik wil wel, en ik ga met u een reis aan, waar wij nooit van elkander zullen gescheiden worden, voordat wij komen aan uw of aan mijn graf. Ruth, de Moabitische, gaf zichzelve niet meer dan ik het doe, wanneer ik haar ontzaglijke woorden met hetzelfde vuur, dat alle eeuwen niet hebben kunnen uitdooven, op de lippen neem: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten om van achter u weder te keer en; icant ivaar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, sal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. Waar gij
Trouwring. 7
98
zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik hegraven worden; alzoo doe mij de Heere, en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u. Zijde aan zijde in dit leven. Zijde aan zijde op het kerkhof. Zijde aan zijde in den hemel. In de tegenwoordigheid Gods en der menschen zweer ik, en ik geef mijn onsterfelijke ziel als pand, dat ik u getrouw zal zijn tot in eeuwigheid.quot;
Welnu, mijn broeders! Wat zijn uw plichten jegens zulk eene?
Tenzij gij een grenzenloos ondankbare zijt, zult gij goed jegens haar zijn. Gij zult haar goed behandelen, beter dan iemand anders in het heelal dat kan, behalve uw God. Haar naam zal voor u een klank zijn, zoeter dan al wat Chopin componeerde of Bach, of Rheinberger. Haar oogen, zelfs na de afmatting van drie weken lang nachtwaken bij het bed van haar kind, dat ziek lag aan roodvonk, haar oogen zijn voor u als de helder lachende glans van den Meimorgen. Ook al is van die wangen reeds het laatste rozeblosje verkleurd en verdwenen; ook al is reeds de laatste zwarte raveveder haar uit het haar gevallen; zelfs nadat op dat voorhoofd en onder die oogen zooveel rimpels zijn gekomen, als er graven zijn, waarover zij geweend heeft; — ook dan nog zult gij met volle oprechtheid met de woorden van Salomo's lied kunnen zeggen; „Zie, gij zijt schoon, mijn liefste; zie, gij zijt schoon!quot;
Laat er eens iemand zijn, die haar naam durft
99
aantasten, en het zal u bijna onmogelijk zijn om de vuist te bedwingen; en het zou zulk een onvergeeflijke zonde niet zijn hem den schedel te verpletteren.
Zoowaar zij zich aan u heeft overgegeven met een overgave, die nergens in het heelal is geëvenaard en maar eens is onvertroffen in de zelfovergave des Zoons van God voor onze zaligheid, — ik zeg het u! — zoowaar heeft zij daardoor een recht gekregen op uw lichaam, ziel en geest, zooals niemand er recht op heeft; en dat recht is van te voren bezworen; en uw twee oogen of uw twee voeten zijn haar eigendom, niet minder dan het uwe.
Hoe langer de reis is, die Rebekka moet maken, en hoe gevaarlijker de tocht voor haar is op het zadel van haar kemel, des te meer is Izak ook verplicht om goed en vriendelijk altijd voor haar te wezen.
Daarom, wees eerlijk, mijn broeder! en betaal uw schulden. Gij hebt beloofd om haar gelukkig te maken. En doet gij dat nu?
In alle andere dingen zijt gij een eerlijk man, en het komt niet bij u op om een contract te verbreken. Als gij haar tot een huwelijk overreed hebt onder allerlei betuigingen van vriendschap en liefde, en als gij dan daarna die betuigingen niet nakomt, dan ver-diendet gij voor de rechtbank vervolgd te worden wegens
100
grove opzettelijke misleiding, en beboet moest gij worden, en tot schadeloosstelling moest gij veroordeeld voor tweemaal zooveel als gij te kort hebt gedaan!
O! breng u nu nog eens te binnen al die mooie, nette complimentjes van u, en al die schoone en heerlijke zaken, die gij haar voor het huwelijk hebt beloofd, en zie eens na, hoe gij uw fraaie woorden hebt gehouden.
Wat zegt gij ? Dat dat alles maar scherts en gekheid was onder de sentimentaliteit van een engagement? Wat zegt gij? Dat alle mannen zoo doen?
Welnu, laat ons eens zien, hoe de grap u aanstaan zou, als men met u eens zoo te werk ging.
Gesteld; ik ben geïnteresseerd in landerijen in het westen, en ik weet u voor te hangen een prachtige speculatie; en ik vertel u verder, dat er al een stad gevestigd is bij de boerderij, die ik u wensch te ver-koopen, en dat de nieuwe spoorlijn daar al in aanleg is, met het station vlak bij; en ik voeg er verder bij, dat een acht of tien kapitalisten niet alleen geld in die landerijen gestoken hebben, maar er ook zeiven zijn gaan wonen; en dat het klimaat overheerlijk is, en dat die hooge streek heel gezond is, — geen quaestie van malaria! — en dat elke dollar, die men in dat land steekt, tien of twintig dollars aan kooin oplevert; en ik draag u dat alles voor met een geestdrift, zoo, dat gij uw geld neertelt, en de koop is gesloten.
In dien nacht zult gij niet kunnen slapen over dat Dorado, dat Elysium, dat nu uw eigendom is, en
101
waar gij morgen heen wilt om het te zien. Gij doet uw oud huis van de hand; gij zegt al uwe buren vaarwel; gij neemt den trein, en na een reis van verscheidene dagen stapt gij af aan een stil station, vanwaar gij nog dertig mijlen verder moet op eigen gelegenheid, door de wildernis, tot gij zijt, waar gij moet wezen.
Dit is uw nieuwe woonstede. Gij ziet daar bij een moeras een man zitten op een blok hout, rillende, voor de twintigste maal van de koorts overvallen; en gij vraagt hem, wie hij is. En hij zegt; „Ik ben heusch agent van een land compagnie, en al dat land, dat gij ziet, daar heb ik het opzicht over.quot; Gij vraagt hem: „Waar is het nieuwe station, dat zij bezig zijn te bouwen?quot; Hij zegt, dat het er nog niet is, maar dat het wel komen zal, als de concessie voor de nieuwe lijn bij het Parlement er door is. Gij zegt: „En waar ligt nu de nieuwe stad ?quot; En klappertandend van de koorts antwoordt hij: „Als gij wachten wilt tot deze koorts weer af is, dan zal ik u de plaats gaan wijzen; de kaart heb ik er van in den zak.quot; Gij vraagt hem, waar die villa's liggen van die nieuwe kapitalisten, die hier zijn komen wonen? — „Zie maar, daar komen de villa's, daar ginder beneden in het dal, als dat water afgevoerd is, bij dat bosch.quot;
In dien nacht slaapt gij in de hut van een heusch landagent; en als gij nog nederknielt voor het naar bed gaan, om te bidden voor al uw vrienden, dan bidt gij niet voor mij, dat weet ik wel.
Niet zoo arm als zooveel andere menschen, die er
102
ook zoo op uit gaan, en geld genoeg hebbende, keert gij terug, en hij mij komende, brult gij uw verontwaardiging uit over mijn gedrag: „Zwendelaar, gij hebt mij mijn heele kapitaal ontfutseld; wat betee-kende dat bedrog met die westelijke landcompagnie?quot; „O!quot; zoo antwoord ik, „het was maar een grap; gekheid is het! Zoo doen alle menschen het, man!quot;
En toch geloof ik, dat mijn schandelijke manier van doen heel wat vergeeflijker is dan uw handelwijze, o bedriegelijk man, die met mooie woorden en met persoonlijk magnetisme een vrouwelijke ziel hebt weten heen te leiden in een woonstede, waar gij geen moeite voor gedaan hebt om die aantrekkelijk te maken, zoodat zij, van onder het ouderlijk dak naar uw beloofde land komende, daar een oord gevonden heeft zooals bijna nergens elders, een oord zonder boomen, zonder bloemen, zonder beschutting, zonder geriefelijkheden, zonder God. Ik ben nog half zoo slecht niet als gij, ik, die u voor de waarde van een boerderij bedrogen heb, tegenover u, die een vrouw bedrogen hebt voor de waarde van een levenslang geluk.
Mijn broeder, word niet boos om wat ik zeg, maar als een eerlijk man, denk nog eens aan uw beloften terug, zooals gij ze gaaft, en zie dan nu eens, hoe gij ze houdt.
Sommigen van u waren gewoon, toen zij nog geëngageerd waren, om eiken avond bij hun meisje door
103
te brengen; maar sedert uw huwelijk brengt gij uw avonden altijd elders door, behalve wanneer gij de influenza hebt, of een andere ongesteldheid, waarora gij volgens des dokters bevel het huis moet houden.
Gij waart vroeger gewoon in uw gesprek allerlei vleiende woordjes tusschen te voegen, en nu zijt gij gaan gelooven dat het dwaas klinkt om die ééne te prijzen, die met het jaar aantrekkelijker en bekoorlijker voor u moest zijn, naarmate het leven moeilijker was in zorg en strijd, en naarmate zij te dapperder altijd naast u gestaan heeft, en naarmate zij met u geweend heeft over meerdere teleurstellingen en meerdere graven.
Brengt het u nog eens te binnen, sommigen van u! op welke wijze gij gewoon waart bij haar ouders de kamer binnen te komen, en naar haar toe te treden, toen gij haar nog winnen moest; en vergelijkt daar eens mede de manier waarop gij tegenwoordig 's avonds bij haar binnen komt. Wat een beleefdheid toen, wat liefste lachjes, wat voorkomendheid, wat toewijding toen! Het was alles zoet, zoet als de geur van de ooftboomen in vollen bloesem!
ÏSFu, nu komen sommigen van u binnen, en gij hangt uw hoed aan den muur, en gij komt, en gij zegt: „Geld verloren van daag!quot; en gij gaat aan tafel zitten, en hebt niets dan aanmerkingen over het eten, dat niet goed is gekookt. Gij schuift uw stoel achteruit, terwijl de anderen nog niet eens gedaan hebben met eten, en gij neemt de courant ter hand, en gij leest, leest, zonder er eens even om te denken
104
of te vragen, hoe het daar met die vrouw en die kinderen is gegaan den geheelen dag; de kinderen zijn bang voor u; zij loopen over van gekheid, maar zij moeten stil zijn; zij zouden u duizend dingen willen vragen, maar zij durven het niet. Die vrouw is doodop met al wat zij te doen heeft gehad van van morgen af in de kinderkamer, in de huiskamer en in de keuken; en gij maakt nu met uw gedrag ook nog haar zenuwen aan den gang. Gij denkt maar, als «gij voor het geld hebt gezorgd, dat er noodig is voor kleeren en eten, dat gij dan uw plicht hebt gedaan. Maar dat gij ook nog wat te doen hebt, om die vrouw en kinderen opgewekt te stemmen, en langs verstandelijken en zedelijken weg tot hoogere ontwikkeling te brengen, daar denkt gij maar niet aan. Dat gij dat huisgezin gelukkig hebt te maken, dat huisgezin, dat zooveel jaren niet bij elkander zal blijven, het komt niet in u op. Wordt gij nooit ontroerd bij de gedachte, dat die jongens spoedig volwassen zullen zijn, of in hun graven zullen nederliggen, en ver buiten het bereik van uw invloed zullen wezen, en dat die vrouw weldra haar aardsche taak zal volbracht hebben, en dat in uw huis anderen zullen komen inwonen, en dat gij zelf ook ver heen zult zijn weggereisd ?
Mannen! houdt u aan .'Het Christelijk
huwelijk is een liefdecontract. In de heidensche landen moet de man zijn vrouw winnen door allerlei daden. In sommige landen worden de vrouwen gekocht voor
105
zooveel geld, of voor zooveel koeien of schapen. In een ander land springt de man te paard, en hij rijdt heen ter plaatse waar eenige vrouwen bij elkander staan, en een van haar grijpt hij, die hij, hoe zij ook worstelt en tegenstreeft, bij zich op het paard tilt; en als haar broeders en vrienden haar niet inhalen voor zij aan het bosch zijn, dan is zij zijn wettige vrouw. In een ander land moet de man zich eerst laten slaan door de familie van haar, die hij als zijn bruid begeert. Schreeuwt hij onder de kastijding, dan wordt hij verworpen. Maar ontvangt hij de slagen zonder klacht, dan wordt zij de zijne. Volharding, dapperheid en behendigheid beslissen in zake het huwelijk bij de barbaarsche volken. Maar het Christelijk huwelijk is een vrijwillig contract, waarbij gij belooft uw vrouw te beschermen, te onderhouden, haar bij te blijven en lief te hebben.
Mannen van zaken hebben in hun brandkast een hoop papieren, die hun verschillende contracten bevatten, en somtijds halen zij ze er eens uit om ze nog eens over te lezen, en om te zien wat beide partijen hebben gecontracteerd tegenover elkander te doen. De predikanten van verschillende kerken hebben veelal hun eigen afzonderlijk huwelijksformulier; maar als gij vergeten hebt, wat gü bij uw bruiloft voor het altaar hebt beloofd, dan zoudt gij wel doen met een Prayerbook te koopen of te leenen, en het huwelijksformulier nog eens op te slaan, dat het zoo goed zegt als alle andere formulieren te zamen, wat uw beloften waren, met die woorden; „Ik neem u tot mijn
106
wettige vrouw, van dezen dag af en voortaan, in voorspoed of tegenspoed, in rijkdom of armoede, in gezondheid of krankheid, om u lief te hebben en te eeren naar uitwijzing van Gods heilig Evangelie, totdat de dood ons scheidt; en zulks beloof ik op mijn eer en mijn trouw.quot; Zou het niet een goed denkbeeld zijn, om dit eens in tractaatvorm te laten drukken, en bij duizenden te verspreiden?
Een feit is het, dat vele mannen beter zijn voor alle andermans vrouwen dan voor hun eigen vrouwen.
Zij zullen hun eigen vrouw een zwaren emmer met steenkool naar boven zien dragen zonder een hand uit te steken, terwijl zij met één sprong bij die andere dame zullen zijn aan den anderen kant van het vertrek om haar handschoen op te rapen.
Dat is ook een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, een getrouwd man, die overbeleefd is voor een vrouw, die de zijne niet is.
De attenties, die zulke mannen aan hun eigen vrouwen moesten bewijzen, bewijzen zij aan anderen. Iets in hun oogen en in hun lachjes leggen zij, alsof zij haar veelbeteekenend wilden zeggen: „Ik wilde, dat ik van die oude vrouw t'huis af was. Wat zoudt gij in mijn tegenwoordige omstandigheden een betere vrouw voor mij wezen!quot; En bouquets worden gezonden, en briefjes gaan over en weer; en heel toevallig hebben er ontmoetingen plaats; en als de man heel laat s'nachts t'huis komt, fluitende en vroolijk, dan
107
begrijpt hij niet waarom het natuurlijk is, dat het er zoo prozaïsch is; en hij verbaast zich tegelijk er nog over, hoe die vrouw van hem jaloersch kan zijn.
Daar zijn duizende mannen, die, al zijn zij nog niet immoreel te noemen, op dit punt een radicale verbetering behoeven. Daar ligt een ontzettende laagheid in, als een man met zijn gedrag ongeveer zooveel zegt als: „Vrouw, gij kunt het zelve niet helpen, dat gij vervelend zijt, maar ik zal onderwijl elders gaan, en ik zal mooi vinden, die ik mooi vind, en ik geef er wat om, dat gij het in mij afkeurt.quot;
Waarom hebt gij dat dan niet van te voren in uw contract laten zetten, Shylock? Waarom hebt gij haar dit punt niet duidelijk gemaakt, voor dat gij man en vrouw werdt, dat zij maar een dividend van uw genegenheden zou hebben? En waarom het haar niet eerlijk van te voren gezegd, dat, als met der tijd eenige van die mooie trekken op haar gelaat door de zorgen des levens zouden uitgewischt zijn, en dat als die sierlijkheid van haar gedaante er ook onder geleden zou hebben, gij u dan het recht voorbe-hieldt om uw genegenheden te schenken aan wangen die roziger zijn, en aan een taille, die slanker is? Dan zoudt gij, terwijl zij er in zou moeten berusten, met uw excentrieke trouwakte in de hand, op hoogen toon telkens kunnen zeggen: „Het staat in ons contract, vrouw!quot;
Als deze Rebekka van onzen tijd het van te voren geweten had, waar zij zou terecht gekomen zijn, — zij zou de kameeldrijvers geboden hebben om te
108
keeren, en de karavaan zou zich gewend hebben, terug naar Paddan-Aran.
Die zucht otm andere vrouwen te behagen heeft haar oorsprong in wellust en gebrek aan zelfrespect. De getrouwde man, die aan die zucht toegeeft, is of een bedrieger of een schurk. Al heeft hij nog zulk een hooge positie in de maatschappij, en al wordt hij in alle kringen binnengehaald en gezocht, ik zou geen tweeënhalfcentstuk, hoe gesnoeid ook, willen geven voor de zedelijke waarde van een coquet getrouwd man, en evenmin van een coquette getrouwde vrouw.
Wat duizende getrouwde mannen tot eer 'zou verstrekken, en wat de beste daad zou zijn, die zij doen konden, dat zou zijn, om van avond op den geioonen tijd te huis te komen, en vergiffenis te vragen voor gepleegd verzuim, en van voren af aan met de oude liefde weer te beginnen. Neem den ouden familiebijbel weer ter hand, en lees de aanteekening voorin.van den datum van uw huwelijk. Open de kast, waar gij al uw heilige herinneringen bewaart, en die lade in de kast, waar die oude kleine snuisterijen liggen van uw doode kind. Neem dat pakje oude geelgekleurde brieven nog eens in de hand, die geschreven werden in tijden lang geleden. Breng ze u te binnen, de tooneelen van vreugde en smart, die gij beiden hebt doorgemaakt. Leg al deze dingen als heilig hout op het altaar, en laat een vuur uit den hemel het uitgebluschte licht weer ontsteken en aanwakkeren! Het was een tochtwind uit de hel, die het uitwoei; het is een vuur
109
uit den hemel, dat het weer zal ontsteken tot een hooge vlam vol licht en warmte.
Herhaal ze nog eens, al uw gebroken beloften, en houd ze nu beter!
Raadpleeg uw vrouw in alles, in uw plannen, in uw voorspoed, in uw tegenspoeden, in uw vooruitzichten, en houd haar nergens buiten. Ga arm in arm met haar, en niet zonder haar, naar de plaatsen van amusement, en op de promenade van de badplaatsen, even zoo goed als straks het steile pad op, waar de doornen zijn, of het donkere pad af, waar de afgrond grijnst; en als de een beeft op den weg, laat de ander da,n haar sterkte zijn.
Stel u in geen geval en nergens als een ongetrouwd man aan; vertel het aan de dames, dat gij een vrouw t'huis hebt en kinderen; en beproef nooit om voor de dames als een jong man uit te zien, als gij de vijftig gepasseerd zijt.
Laat in godsdienstige zaken aan uw vrouw de vrije hand. Breng haar niet in dat vreeselijk dilemma, waarin zoovele Christelijke vrouwen door haar mannen worden geplaatst. Moet zij op uw wensch dingen doen, en naar plaatsen heengaan, die haar godsdienst haar verbiedt, dan komt de tijd zeer snel voor haar aan, waarin zij te kiezen zal hebben tusschen gehoorzaamheid aan G-od en gehoorzaamheid aan u. Veel eer dan van haar te vergen, dat zij haar Christelijk
110
karakter verloochent, moedig haar aan om nog meer en beter een Christin te zijn; want er zullen dagen in uw leven komen, wanneer gij de rente van al haar Christelijke hulpbronnen zult noodig hebben. En bovendien, als gij u herinnert, hoe groot de invloed van uw eigen moeder over u was, zoudt gij dan willen, dat de moeder van uw kinderen een minder goed voorbeeld hun gaf?
Het doet mij altijd goed, als ik een wereldsch en onbekeerd man van zijn vrouw hoor zeggen, zonder dat hij denkt, dat zij het ooit te hooren zal krijgen: „Mijn vrouw is de vroomste vrouw, die er leeft. Haar goedheid is een voortdurend verwijt tegen mijn ongeloovigheid. Zij kan geen kwaad doen. Ik hoop dat de kinderen op haar zullen gaan gelijken, en niet op mij. Als er ergens een hemel bestaat, dan ben ik zeker, dat zij er bepaald komt!quot;
En daarom, mijn broeder! gelooft gij niet, dat gij verstandig en goed zoudt doen om met haar mede te reizen op dien weg naar den hemel?
Gij vindt, dat gij een gelukkig t'huis hebt; maar hoe gelukkig zou uw huis wezen, indien gij beiden godsdienstig waart!
Welk een nieuwe wijding zou het geven aan uw onderlinge betrekking als man en vrouw; en welk een nieuw licht zou het afstralen op het voorhoofd uwer kinderen! In krankheid, wat een vertroosting! Bij tegenslagen der fortuin, wat een rijkdom! In den dood, wat een triomf!
Het was Gods bedoeling, dat gij de hoogepriester zoudt zijn in uw huis. Ga vandaag naar huis, en neem den Bijbel op uw schoot, en roep hen rondom u, uw vrouw en uw kinderen, zooveel als er nog leven; die anderen, die niet meer leven, die hooren het in een oogenblik, en zij komen aangevlogen, als dienende geesten en staan er ook eerbiedig en zegenend bij; die oude vader van u, en uw moeder en uw gestorven kinderen, uw familie uit den hemel. En kniel dan neder; en ala gij dan niet weet, wat gij bidden zult, omdat gij het nog niet, of zoolang niet gewoon zijt geweest, dan zal ik u een gebed in den mond geven, dit gebed: „Heere God! ikgeefmij-zelven aan u over, en deze vrouw die ik liefheb, en deze lieve kinderen. Vergeef ons om Christus' wil al het verledene, en help ons voor de toekomst. Wij hebben hier op aarde te zamen geleefd, wij zouden willen dat wij altijd en altijd te zamen mochten leven; amen!quot; Lieve menschen! wat een opschudding zou dat teweeg brengen bij uw vrienden op aarde en bij uw vrienden in den hemel!
Jozef de Tweede, de keizer, was zeer goed en zoo weldadig, dat duizende van zijn onderdanen onwillekeurig zijn voorbeeld volgden met onbegrensde liefdadigheid. Hij schafte de lijfeigenschap af, hij kweekte godsdienstige verdraagzaamheid aan in plaats van de oude geloofsvervolgingen, en hij leefde omringd van een gelukkig volk.
Op zekeren dag, toen hij op weg naar Ostende
112
was, ora die stad tot een vrijhaven te verklaren, en terwijl hij aan het hoofd ging van een luisterrijken stoet, zag hij aan de deur van haar hut een vrouw staan met de droefheid op het gelaat. De keizer steeg af, en vroeg haar de oorzaak van haar bedruktheid.
Zij zeide, dat haar man naar Ostende was gegaan om den keizer te zien, en dat hij haar niet mede had willen nemen; haar man was een vreemdeling, en had haar geestdrift voor den keizer maar niet kunnen begrijpen, evenmin als dat het de grootste begeerte van haar leven was geweest om den heer-scher te zien, wiens goedheid en vriendelijkheid en grootheid zij altijd had bewonderd; en dat zij nu teleurgesteld was door haar man, en den keizer nu niet zien zou, zie, dat was zoo ondraaglijk!
De keizer Jozef nam een doos uit den zak, waarop zijn eigen beeltenis stond met diamanten omzet, en hij gaf het haar; en toen het beeld haar verklaarde wie het was, met wien zij sprak, toen knielde zij in eerbied voor hem neder, en in blijdschap klapte zij in de handen.
De keizer vroeg nog naar den naam van haarman, en waar hij hem ergens in Ostende zou kunnen vinden; en daar liet hij hem drie dagen gevangen zetten, zoolang als zijn bezoek er duurde, zoodat toen de man naar huis terugkeerde, hij het hooren moest, dat zijn vrouw den keizer gezien had, terwijl hij hem niet had gezien.
In menig gezin op aarde is het de vrouw, die door de bekeerende genade Gods „den Koning in Zijne
113
heerlijkheidquot; gezien heeft, en aan wie Hij de parel van groote waarde geschonken heeft, terwijl de man „een vreemdeling is van het verhoud der belofte, zonder God en zonder hoop in de wereldquot; gevangen door de wereld en de zonde. Ach! dat zij in dezen dag hand in hand mochten gaan om Hem te zien, die niet alleen grooter is dan alle keizers der aarde, maar die hoog boven de sterren Zijn troon heeft. De aanraking van Zijn hand is leven. Zijn stem is genezend als muziek. Zijn lach is als de hemelen, geopend!
8
Trouwring.
PLICHTEN VAN DE VF^OUW JEGENS DEN MAN.
I SAMUEL 25 vers 3.
„De naam zijner huisvrouw was Abigail; en de, vrouw was goed van verstand en schoon van gedaante.quot;
De grond op Karmel is wit, niet van sneeuw, die gevallen is, maar van wol, die daar afkomt van den rug van drieduizend schapen; want zij worden geschoren. En ik hoor het geluid der ijzeren scharen, en het geblaat der kudden, die daar tusschen de knieën der scheerders onderliggen, zoolang als het scheren duurt; en onder dat alles door het gelach der landlieden.
Nabal en zijn vrouw Abigail zijn daarbij, want van hen zijn die knechten, van hen al dat vee.
David, de krijgsman, zendt een gezantschap, met verzoek om ook een klein deel te mogen hebben van hun overvloed en van hun feest; maar Nabal wijst het verzoek van de hand.
„Wraak!quot; zoo roepen David en zijn mannen.
Ginds van over de steenrotsen komen zij aan, David en vierhonderd grimmige helden, om met één slag te nemen Nabal en- zijn kudden en zijn wijnbergen. Het regiment rukt aan in versnelden pas, en de steenen van den berg laten los onder hun snelle voeten en vallen het dal in ; en „voorwaarts! voorwaarts!quot; klinkt onophoudelijk de kreet van hun bevelhebber.
118
Abigail, om haar man en zijn eigendom te redden, haast zich naar den voet van den heuvel. Zij is gewapend met geen zwaard en met geen speer, maar met haar schoonheid en zelfopoffering. En als David haar ziet knielen, daar beneden bij den ingang van het dal, dan roept hij; „Halt!quot; En de spelonken geven honderdvoudig dat „haltquot; in haar echo's terug. Abagaïl is de overwinnares!
Een vrouw met het recht aan haar zijde is sterker dan vierhonderd man met het onrecht aan hun kant. Een orkaan is tot stilstaan gekomen op het zien van een waterlelie. Een dauwdruppel, die den Niagara beschaamd achterwaarts en terug dwong.
Door haar dapperheid en beleid heeft zij haar man gered, en haar huis gered, en voor alle eeuwen het luisterrijk voorbeeld gegeven van wat een vrouw kan doen, die haar God vreest, en verstandig is, en zelfverloochenend is, en voor de belangen van haar echtgenoot waakt, en die daarbij bekoorlijk is en schoon van gedaante.
Op den voorlaatsten Sabbat nam ik de verantwoordelijke taak op mij om aan de mannen te zeggen, welke hun plichten zijn jegens hun vrouw. En hoewel ik opgemerkt heb, dat sommigen van hen een weinig onrustig in de bank gezeten hebben, zoo moet ik toch zeggen, dat zij het vrij goed verdragen hebben.
119
Nu echter neem ik de verantwoordelijke taak op mij ora aan de vrouwen te zeggen, hoe zij zich te gedragen hebben jegens hun man.
Jegens hoedanige mannen?
Ik ga veronderstellen, dat gij in uw huiselijk leven zeer gelukkig met elkander zijt geweest, en dat, hoewel gij sedert uw trouwdag eenige gebreken in uw man gevonden hebt, die gij niet bij hem verwacht hadt, het goede toch ontzaglijk meerder is geweest dan het kwade, al de dagen van uw samenzijn. En ik ga veronderstellen, dat, indien ik in het hart kon zien van honderd vrouwen hier tegenwoordig, en indien ik haar vroeg, wie de beste en vriendelijkste man is, dien zij kenden, en indien zij het hier durfden uitspreken, negenennegentig van die honderd zouden zeggen; „Zie daar ginds zit hij, mijn man is het.quot; Ik hoop, mijn zuster! dat gij een man getrouwd hebt, die een Christen is, en die nog heel wat goeds bovendien heeft.
Zal ik u leeren, hoe gij u gedragen zult jegens zulke bijzondere brave, edele, uitmuntende, prinselijke mannen, als met wien gij den weg des levens opwandelt? En zal ik u in de gelegenheid stellen onder mijn redevoering om mij telkens goedkeurend toe te knikken: „Juist, dominé, zóó verdienen die brave mannen het, dat wij met hen omgaan?quot;
Of moet ik aan de andere zijde gaan veronderstellen, dat het huwelijk u zeer droevig is tegengevallen, zooals die Abigail in onzen tekst er zoo slecht aan toe is geweest?
120
Haar man was stuursch en ondankbaar. Over haar aan tafel zat een lage, zelfzuchtige, brommende, trot-sche dwaas, en hij was ook een dronkaard. Want op denzelfden avond, dat zij een heldhaftige overwinning behaalde bij den voet des heuvels, waar zij een heel regiment gevangen nam met een geniale krijgskundige tactiek, kwam zij te huis en vond zij haar man zoo dronken, dat zij hem de geschiedenis niet eens vertellen kon, en het uitstellen moest tot den volgenden morgen.
Bedenk, dat er meer zoo ongelukkig getrouwd zijn als Abigail. En moet ik dus niet veeleer, als ik vraag, wat de plichten der vrouw zijn jegens den man, mij zulke mannen voor oogen stellen?
Wat zal ik u leeren?
In de eerste plaats raad ik de vrouw aan om er altijd aan te denken, hoe zwaar en hoe vreeselijk de strijd om het brood is, dien haar man allen dag door te strijden heeft.
Die strijd, dien hij heeft op zijn terrein, hij moge ambtenaar, handelsman, kunstenaar of werkman zijn, van 's morgens tot 's avonds toe, is als de strijd op het slachtveld van Solferino of van Sédan. Een wonder is het, dat uw man nog goed humeur en vriendelijkheid over heeft, en dat hij niet geheel en al ïn zenuwen opgaat. Om op het laatst van de negentiende
121
eeuw een broodwinning te krijgen en te behouden, dat is een reuzentaak.
Als hij 's avonds t'huis komt en neerslachtig neerzit op zijn stoel, neem het hem dan niet kwalijk. Als hij dien avond weinig lust heeft om met u een wandeling te maken, of ergens heen te gaan, denk er dan om, dat hij al den geheelen dag is uitgeweest.
Gij zegt wel eens: „Laat hij zijn kwellingen op zijn kantoor of werkplaats laten, en t'huis ten minste vroolijk wezen.quot;
Maar als een man door zijn compagnon bedrogen is, of als een klant hem voor een heele partij goederen heeft opgelicht, of als een van zijn wissels onder protest weer op zijn lessenaar wordt gelegd, of als iemand hem een leugenaar genoemd heeft, en als alles letterlijk verkeerd is geloopen van 's morgens tot 's avonds, dan moet hij wel een bijzonder talent van vergeten hebben, als hij niet de eene of andere van zijn kwellingen met zich mede naar huis brengt.
Als gij mij zegt, dat hij dat alles maar op zijn kantoor moest laten, of op zijn werkplaats of in zijn winkel, dan zoudt gij evengoed aan een storm op den Atlantischen Oceaan kunnen zeggen, om daar buiten op zijn eigen terrein te blijven en van de kust af te blijven, en geen rimpel te verheffen op het water in de haven.
Denk er om, dat hij bezig is met zich te overwerken, niet zoozeer voor zichzelven, als wel voor u en de Under en. Wat voor gevolgen zijn tegenspoed in
122
zaken op zijn huishouden hebben zal, dat is het juist, wat hem beangstigt. De meeste mannen, die over de veertig komen, leven niet meer voor zichzelven, maar voor hun gezin. Zij beginnen dan angstig genoeg zich de vraag voor te leggen: „Wat, als ik eens kwam te vallen? Wat zou er dan van de vrouw en de kinderen t'huis worden? Zouden de kinderen hun opvoeding nog voltooid kunnen krijgen? Zou mijn vrouw de wereld in moeten om voor zich en de kleinen het brood op te halen ? Mijn oogen worden hoe langer hoe slechter; hoe, als ik weldra ontslagen word door mijn patroon? Ik ben soms zoo duizelig; hoe, als ik eens een beroerte kreeg?quot; De depressie op de beurs of in de nijverheid of in den landbouw is depressie te huis.
Eenigen tijd geleden nam een Londonschejflrma het besluit, dat als een van haar klerken trouwde op een salaris van minder dan /quot;1500 'sjaars, hij ontslagen zou worden. Dit besluit werd genomen uit overweging dat voor zulke menschen de verleiding tot oneerlijkheid grooter was dan voor anderen. De meeste gezinnen in Amerika kunnen niet anders leven dan door de grootst mogelijke zuinigheid; en om al de uitgaven te bekostigen en toch eerlijk te blijven, dat is het, wat voor duizende vaders het leven tot een dagelijksch martelaarschap maakt. Laat de vrouw dit toch bedenken, als zij ziet, dat haar man afgemat 'savonds t'huis komt; en laat zij hem er geen verwijt van maken; en laat zij niet zeggen: „Ik kon even goed geen man hebben;quot; als het immers blijkt
123
dat hij bezig is om bij stukjes te sterven om zijn huishouden in het leven te houden.
Ook vermaan ik de vrouw, om na het huwelijk niet onverschillig en onachtzaam te luorden in haar uiterlijk.
Laat zij zorgen aantrekkelijk te blijven. De reden, waarom zoo menig man ophoudt zijn vrouw te beminnen is eenvoudig omdat zij ophoudt beminnelijk te zijn.
In hoevele gevallen: wat een werk van het toilet vóór het huwelijk, en wat een roekelooze onverschilligheid later! Geen weerzinwekkender gezicht op aarde dan een slonsige vrouw, ik bedoel een vrouw, die zich het haar niet kamt voor zij uitgaat, of als een nachtspook er uit blijft zien totdat het visiteuur begint.
Dat een man, die met een van zoodanige schepsels getrouwd is, zoo weinig mogelijk t'huis zit, is geen wonder. Het is wel een wonder, dat hij niet plaats neemt op een walvischvaarder, om zoo drie jaar weg te blijven, of op een lek schip, om nog langer weg te blijven.
Mooie kleeren, is niet noodig; maar, o vrouw! indien gij er geen lust in hebt, om met al uw aangeboren gevoel voor netheid en fijnheid, uzelve aantrekkelijk te maken voor uw man, dan moet gij er u ook niet over beklagen, als hij in andere gezelschappen dat prettige en dat bekoorlijke om zich heen gaat zoeken, dat gij hem onthoudt.
124
Vervolgens vermaan ik u, om nooit met anderen over de gebreken van uw man te spreken.
Sommige menschen hebben er een manier van om, zoo in scherts, heel netjes onderwijl het maar aan anderen te vertellen, wélke de ongelukkige eigenaardigheden zijn van hun man of hun vrouw. Dat gaat in scherts, maar onderwijl krijgen de anderen het toch zoo te weten.
Kom, doe dat niet; de wereld zal spoedig genoeg al de gebreken van uw echtgenoot weten. Gij behoeft ze heusch niet te adverteeren.
Volg liever die vrouwen na, die, eenmaal ongelukkig getrouwd, ditijd een sluier bij de hand hebben om te bedekken wat de liefde bedekt wil houden.
quot;Wij moeten toegeven, dat het zeldzame gevallen zijn, als een vrouw het niet langer bij haar man meer uithouden kan, en als zijn wreedheden en slagen eindelijk haar er toe brengen om van hem af te gaan en zich te laten scheiden. Maar totdat die dag komt, — o! houd al uw geheimen voor uzelve; houd ze geheim voor alle wezens in den hemel of op de aarde behalve voor uwen God, aan Wien gij wèl zult doen al uw zorgen te zeggen. Draag die smarten nog eenige jaren, en nog eenige jaren daarbij misschien, en dan moogt gij naar de andere zijde van het graf gaan, en zeggen: „Heere! ik heb het stil gehouden, en aan niemand gezegd! Gij weet wel, hoe ik het geheim heb gehouden, en ik dank u, dat de verlossing ten laatste gekomen is. Geef mij ergens een plaats, Heere! waar ik kan nederzitten om die
125
vreeselijke echtverbindtenis daar beneden geheel te vergeten, eer ik aan de vreugde des hemels kan deelnemen; ik heb zoo ontzettend veel geleden, Heere!quot;
De Heere zal dan Zijn engelen bevelen, zeg ik u; „Neemt deze Abigail, en brengt haar binnen in het beste deel mijns huizes, waar het stil is, en laten twintig der schoonste engelen haar dienen de eerste duizend jaar!quot;
Verder vermaan ik u, gedoog het niet dat een ander zich mengt in uw verhouding tot elkander.
Geen buurman, geen goed vriend, geen broeder of zuster, geen vader of moeder heeft het recht om tusschenbeide te komen.
Jonge en oudere vrouwtjes genoeg zullen er komen om u te vertellen, hoe zij het aanleggen om met den man goede vrienden te blijven. Zeg aan die menschen rondweg, dat als zij zich met haar eigen zaken willen bemoeien, gij dat ook zult doen.
Wat doen sommige menschen niet een schade met hun tong! De natuur zelve maakt er ons opmerkzaam op, welk een gevaarlijk ding de tong is, want daarom heeft zij haar opgesloten, eerst achter een barricade van tanden, en dan met de deur der lippen.
Eén valsche prater is in staat de heele buurt in opschudding te brengen. De apostel Petrus had ook geen zachte woorden tegen zulke bemoeiallen, en de apostel Paulus was evenmin van hen gediend; en die een goede huisvrouw is, zal zoo wijs zijn om zulke
126
vrouwen in het oog te houden, om nooit haar de visite terug te brengen, en om haar op een afstand te houden, zoover als maar kan.
Daarom beperk uw kringen van conversatie een weinig, en doe niet mede met die menschen, die niet tevreden zijn voordat zij alle kringen hebben geannexeerd.
In zaken uw huwelijksleven betreffende, hebt gij van niemand een raad noodig. Indien gij en uw man samen geen verstand genoeg hebt om het met elkander te vinden, dan zal alle raad, dien gij van buiten af inhaalt, het niet beter maken, maar slechter.
Wat gij voor uw scheepken noodig hebt op deze reis, is: de haven uit te komen, waar het krioelt van andere schepen, en te maken dat gij het ruime sop inkomt.
Ik vermaan u; maak dat ook in verstandelijk opzicht uw man wat aan u heeft.
Nietwaar! met dien stroom van boeken en dagbladen, dien wij tegenwoordig hebben, kan geen vrouw zich meer verontschuldigen, wanneer zij niet op de hoogte is van het heden en het verleden. Al hebt gij niet meer dan een half uur voor uzelve per dag, dan is dat nog genoeg om aangename en nuttige kennis in overvloed meester te worden. Laat de koopmansvrouw haar man bij gelegenheid verbazen, dat zij meer van den handel afweet dan hij ooit dacht. En laat de rechter, de dokter, de dominé, de staatkundige,
127
ieder op zijn terrein, zich evenzoo eens mogen verbazen over wat hun vrouwen ook al weten.
Het is heel vervelend en teleurstellend voor een man, om, als hij den ganschen dag onder denkende lieden verkeerd heeft, 's avonds te vinden, dat zijn vrouw er heelemaal geen opinie op nahoudt.
Als de vrouw niet een weinig op de hoogte is van wat er zooal omgaat in de wereld, dan verzeker ik u, dat de man, als het theeuur voorbij is en zijn courant is gelezen, zeggen zal, „dat hij nog eens uit moet, en dat hij nog eens iemand wil opzoeken.quot; In negen van de tien gevallen, dat een man 's avonds niet t'huis blijft, ligt de schuld daaraan, dat er niets is om t'huis voor te blijven.
Zeker, hij zou wel bij zijn vrouw willen blijven praten, evenzoo goed als met een ander, als zij maar-even goed kon praten als een ander.
Ik vermaan u, mijn zuster! om op alle manier uw huis aantrekkelijk te maken.
Ik heb er geen practische kennis genoeg van hoe een huis of kamer moet ingericht zijn, om het precies te kunnen zeggen, waar het onderscheid in zit. Maar hier is een huis vol weelde, bevattende al wat de rijkdom kan koopen aan meubelen, aan schilderijen, aan muziekinstrumenten, en zooveel meer, en toch heerscht daar iets als een koude uit Nova-Zembla. En daar is een ander huis, met geen twintigste deel van dien omhaal, met slechts een paar schilderstukken,
128
met een heel goedkoope piano; en toch, als gij er binnenkomt, wat straalt u daar niet een warm welkom te gemoet van huiselijken vrede en huiselijk geluk.
Iedere vrouw moest zich die heilige kunst zien deelachtig te maken ora haar huis vroolijk licht en prettig te maken met niet meer dan de middelen die zij heeft.
Bij de belegering van Argos werd Pyrrhus gedood door een dakpan, die een vrouw op hem nederwierp; en Abimelech stierf ook aan een steen, dien een vrouw van den toren van Tebes naar beneden wierp; en de G-raaf van Montfort werd ook verpletterd door een steenbrok, dien een vrouw van de wallen van Toulouse -afwierp. Maar laat een vrouw haar huishouden koud en ongezellig inrichten, en zij zal heel geen wapener noodig hebben om te dooden al wat wij mannen jiiist het aantrekkelijke vinden van onze eigene woning.
Een vrouw en moeder, die zeer rijk was, en overal gevierd werd, gaf bijna al haar tijd aan het conversatieleven. De man bracht zijn avonden elders door. De zoon nam dezelfde gewoonte aan, toen hij vijftien jaar oud was geworden, en er was alle kans op, dat de andere kinderen, zoo spoedig zij ook wat ouder zouden zijn, denzelfden weg zouden opgaan. Op een zekeren dag kwam de vrouw tot zichzelve, en de gedachte rees bij haar op, dat zij beter zou doen om haar man en haar kinderen te redden. Prettige en op-wekkelijke spelletjes liet zij toen te huis brengen. Aangename verhalen las zij toen, om aan haar kinderen
over te vertellen. Op een zekeren morgen zeide de
f
129
zoon; „Vader! daar had u bij moeten zijn gisterenavond. Wij hebben zoo'n pleizier gehad. Zulke prettige spelletjes en zulke mooie verhalen!quot; En dit ging zoo avond aan avond; en na eenigen tijd bleef de man ook eens een avond t'huis om te zien hoe dat toeging, en op het laatst vond hij het zelf aardig, en deed hij zelf mede om het prettig te maken; en het slot was, dat die vrouw en moeder haar man redde, en haar kinderen redde, en zichzelve redde.
Was dat niet een onderneming, moediger en grooter zelfs dan die van Abigail, toen zij aan den voet dei-rots vierhonderd krijgslieden tegenhield en ontwapende?
Laat u ook niet verbijsteren of in de war brengen, li ij: zuster! door de menschen, die meenen, dat het huishouden en de opvoeding der kinderen een te onhe-teekenende loophaan is voor de vrouw, en die van u willen hebben dat gij u meer openbaar beweegt en op de platforms u zult laten zien en hooren.
Daar zijn vrouwen, die een bepaalde roeping hebben voor buitenshuis; en geloof heusch niet, dat ik zal durven spotten met haar belangrijke roeping. Maar mijn meening is, dat de vrouw, die haar man sterkt tot het werk, dat hij op deze aarde te doen heeft, en die haar kinderen zoover brengt dat zij een nuttige positie in de maatschappij bekleeden, meer doet voor God en de menschen en voor haar eigen geluk dan wanneer zij gestaan had op alle platforms hier te lande, en het hoofd was geweest van honderd bewegingen.
Trouwring. 9
130
Mijn moeder heeft nooit op de zendingsbijeenkom-sten een redevoering gehouden, en ik weet niet of zij er zelfs den moed zou gehad hebben om voor of tegen te stemmen, zoo bescheiden was zij; maar zij heeft haar John opgevoed, die nu sedert veertig jaren in China en Amoy het Evangelie heeft gepredikt. Was dat niet veel beter en meerder?
Vergelijk zulk een vrouw met een van die half flauwvallende, altijd poseerende, lichtzinnige, getrouwde coquette's uit onze nieuwmodische salons, wier hemel een operaloge is op den avond van Meyerbeer's Robert le Diable, voor wie de tien Geboden altijd ongelegen komen, die arsenicum inneemt om een betere gelaatskleur te vertoonen, en wier geheele verschijning een verward resultaat is van belladonna, gekleurd haar en minerale zouten, zoodat ieder die haar ziet, wel over haar praten moet, en met verbazing het zich afvraagt, of de scheidslijn tusschen een gepast en een ongepast leven, evenals de aequator, een denkbeeldige lijn is.
Wat de wereld tegenwoordig noodig heeft, dat zijn ongeveer vijftigduizend echte onderwetsche moeders, vrouwen, die het weer kunnen toonen, dat er geen grootscher, machtiger en verhevener instelling op aarde is dan wat wij gewoon zijn ons t'huis te noemen. Ik bedoel niet, dat het bepaald noodig is, dat zij dezelfde ouderwetsche manieren hebben als die van het platteland, en dat zij dezelfde ouderwetsche boezelaar en muts en bril dragen, die de voorouders hadden; maar ik bedoel dat het noodig is, dat onze
131
vrouwen denzelfden ouden geest hebben, die daar was in Hanna, en in Lois, en in Abigail in de dagen der Schrift, en die daar ook was in de moeders van sommigen onzer, toen wij nog jong waren buiten op het land, waar nu reeds sedert lang het oude huis is neergehaald, en welke moeders wij niet meer zullen zien, totdat de verspreide kinderen weer bijeenkomen aan haar schoot daarboven in de woningen der rechtvaardigen.
Daar zijn nu nog zeer vele goede en trouwe vrouwen en moeders, misschien meer dan er ooit zijn geweest; maar laten zij oppassen! want daar zijn tegenwoordig dingen in de lucht, die de vrouwen zouden willen doen gelooven, dat haar voornaamste terrein van invloed buitenshuis is in plaats van binnenshuis.
Vandaar dat in verscheidene gezinnen de kinderen meer een last zijn dan een zegen. Wat zal de moeder kiezen: de speelkaarten of het abc-boek? De landauer of de wieg? De balzaal of de huiskamer met de kinderen om de tafel?
Vandaar die kleinkindermoord, en het tweekinderen-stelsel, dat een moord is van de geheele rest, — iets dat zoo gewoon is geworden, dat al de geneesheeren, de allopathische, de homoeopathische, de hydropa-thische en de eklektische geneesheeren, allen te zamen een kreet opheffen van schrik; — iets dat zoo gewoon is geworden, dat de predikers op den kansel met de doctoren in de geneeskunde wel samen den donder van Sinai mochten herhalen: „Gij zult niet dooclen,quot;
132
en dien vloek weer mochten bekend maken uit het Boek der Openbaringen ; „Het deel des doodslagers zal zijn in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer.1'
De man of de vrouw, die het leven uitbluscht als het leven eerst een minuut oud is, gaat even zeker naar de hel, als de man of de vrouw, die een moord pleegt aan een leven dat veertig jaar oud is.
En de luidste en de wildste kreten van angst en smart op den Oordeelsdag zullen geslaakt worden door die hooge en aanzienlijke heeren en dames, wien de Heere het als een eeuwigen vloek zal toerekenen, wat zij zoo groote wijsheid hebben geacht, toen zij, met de duivelsche hulp van medicijn uit de hel, de geboorte en de ontwikkeling van gansche geslachten tegenhielden, ieder met eigen hand.
Wanneer op dien laatsten dag het groote gerechtshof zal zitting houden, en de deuren zullen geopend wezen, en de Rechter des Heelals met Zijn donder de natiën verschrikken zal, zoodat zij stil zijn, en Hij het verhoor zal aanvangen van allen, die hun vader, of moeder, of broeder, of zuster, of kind hier op aarde hebben gedood, dan zal geen van mijn hoorders of lezers kunnen zeggen; „Heere, wij hebben niet geweten, wat wij deden!quot;
Almachtige God! keer het kwaad, dat de groote zonde van onze eeuw gaat worden ! Het wordt duister over het licht van onzen tijd.
Ik vermaan u, mijn zuster! dat gij uw man mede-neemt op den xceg naar den hemel.
133
Dit sluit natuurlijk in, dat gij zelve reeds Christin zijt. Dat moet ik voor aangenomen houden.
Het kan niet mogelijk zijn, na alles wat het Christendom voor de vrouw gedaan heeft, en bij de hooge verantwoordelijke positie die gij hebt aan het hoofd van uw huishouden; het kan niet mogelijk zijn, zeg ik, dat gij een tegenover Christus vijandige houding inneemt.
Geloof niet, dat ik het mij bij ongeluk uit den mond liet vallen, toen ik daar juist zeide, welk een verantwoordelijke positie gij aan het hoofd van uw huishouden inneemt. Wij, mannen, pochen er wel eens op, dat wij het hoofd des gezins zijn, maar dat is niets meer dan een aangename inbeelding. Tot wien wenden de kinderen zich altijd, als zij verdriet hebben? Als er een zieke vinger te verbinden is, of als een van de tandjes los zit, die er uit moet om plaats te maken voor die er onder zit, bij wien gaat het kind dan om hulp? Wien roepen de kinderen 's nachts, als zij wakker schrikken uit den naren droom ? Ja, bij wien gaat de man zelf om raad als hij moeilijkheden in zaken heeft, die te delicaat zijn voor ooren buitenshuis?
Wij, mannen, zijn het hoofd des gezins in naam, maar gij, vrouwen! zijt het in der daad, en het is uw plicht om uw man met u mede te nemen naar het koninkrijk Gods, tot hij binnengaat en het huis ziet, dat voor hem en voor u bereid is.
Gij kunt het! Natuurlijk, het is de genadige almacht van God alleen, die hem bekeeren kan; maar gij moet het instrument zijn.
134
Sommige vrouwen houden haar man buiten den hemel. Indien uw godsdienst, o vrouw! nergens anders in bestaat dan in uw huishoudelijke plichten; indien gij liever naar de comedie gaat, dan naar de gebedsure; indien uw man u nooit naast het bed ziet knielen, voor gij slapen gaat; indien het eenige, waaide familie aan merkt, dat gij nog betrekking op de kerk hebt, dit is, dat gij op den dag dat er weer avondmaalsviering is, wat later te huis komt; dan zeg ik u, dat gij niet in staat zult zijn om uw man mede naar den hemel te nemen, om de eenvoudige reden, dat gij er zelve niet komen zult.
Maar neen, ik veronderstel, dat uw godsdienst echt is en oprecht, en dat de man het voelt, dat daar binnen in uw ziel iets eeuwigs leeft; en dat, hoewel gij van nature wat driftiger zijt dan hij, en vele gebreken hebt, die u meer leed zijn, dat gij aan iemand zeggen kunt, gij toch bestemd zijt voor den hemel, wanneer de korte tooneelen van dit leven voorbij zijn. Welnu, hoe zult gij hem met u mede brengen? — Daar zijn twee riemen aan die boot: het gebed en het heilige voorbeeld.
„Maar,quot; voert gij mij te gemoet, „mijn man behoort bij zulk een echt wereldsche club, en hij gelooft geen woord van den Bijbel;quot; of, denkt gij in stilte bij u zelve: „hij is zoo'n dronkaard, en is zoo losbandig.quot;
Wat gij mij daar zegt toont eenvoudig, dat gij niet begrijpt, dat terwijl gij aan het eene eind des gebeds staat. God aan het andere einde staat, en dat eenvoudig de quaestie hiervan afhangt, of Zijn
135
Almacht sterk genoeg is en of Hij Zijn woord houdt.
Ik ben vast overtuigd, dat er in den hemel groote vergaderingen zullon gehouden worden, om Gods daden op aarde te gedenken en te vieren, en dat, als bij die gelegenheid de heiligen het elkander zullen vertellen, wat of wie hen tot God heeft gebracht, tienduizend maal tienduizenden zullen zeggen; „Mijn vrouw!quot;
Ik geef hier naast elkander twee getuigenissen van mannen aangaande hun vrouw, om de tegenstelling te laten zien.
Aan een oud man was gevraagd, hoe hij tot genade gekomen was. Met tranen in de oogen zeide hij: „Mijn vrouw was tot bekeering gebracht een paar jaren eerder dan ik. Ik heb haar om haar geloof vervolgd en het haar moeilijk gemaakt. Maar zij bewees mij vriendelijkheid daartegenover, en deed niets dan wat zij kon om het mij aangenaam te maken en om mij gelukkig te stemmen; en haar beminnelijk gedrag was het, onder al mijn mishandelingen door, dat het eerst mij leerde nadenken over het heil mijner ziel.quot;
Het andere getuigenis is dat 'van een stervend man; „Henriette, ik ben een verloren man. Gij zijt er altijd tegen geweest, dat ik aan het ontbijt den Bijbel wilde lezen; en gij hebt mij uitgelachen als gij mij wel eens knielende vondt in het geheim. Gij hebt mij er toe gebracht om met al mijn godsdienstplichten te breken, en dat heeft mij de deur geopend voor velerlei verzoekingen. Ik geloof dat mijn lot beslist
136
is. Henriette, gij zijt de oorzaak van mijn eeuwige verdoemis!quot;
Hoevele getrouwde menschen zijn er nu in den hemel: Adam en Eva, Abraham en Sara, Lapidoth en Debora, Izak en Rebekka, Jacob en Rachel, Zacharia en Elisabeth, Jozef en Maria; en vele anderen, die wij zoo goed hebben gekend!
Zooals gij eens gestaan hebt in de kerk op uw dorp of in uw stad, op dien nooit te vergeten dag, zoo staat nu nog eens op, man en vrouw, onder het kruis van een alles vergevend Verlosser! Ik ga u inzegenen voor een eeuwig huwelijk! Geeft elkander de rechter hand! Ik verklaar u één voor den hemel! En gij, man en vrouw! zegt tot elkander: „Wij gaan voortaan denzelfden weg, achter Jezus! Ook de dood zal niet meer scheiding maken tusschen u en mij!quot; Hemelsche klokken, luidt! Engelen zingt den trouw-marsch!
VREDE OF ONMIN TUSSCHEN MAN EN VF^OUW.
AMOS 3 vers 3.
„Kunnen twee te samen wandelen, tenzij zij met elkander overeengekomen zijn?quot; 1)
') Volgans de Engelsche vertaling.
Neen, Amos! dat kunnen zij niet! Want zij zullen elkander van het pad afduwen, of elkander op de teenen trappen of tegen de hielen. Het huwelijksleven onder zulke omstandigheden zal gelijk zijn aan een krijgsgeschreeuw zonder eind.
In de reeks preeken van mijn Trouwring wensch ik heden te spreken over de wederkeerige plichten tusschen man en vrouw, als aanhangsel van de preeken over hun bijzondere plichten.
Een kerk in de kerk, een staat in den staat, een wereld in de wereld, — dat is ons tehuis. Als de zaken daar goed gaan, dan gaan zij overal elders goed. Als de zaken daar slecht gaan, dan gaan zij overal elders slecht. Van over den drempel van onze woonhuizen komt het wèl of het wee tot den staat of tot de kerk.
Een man zal nooit hooger stijgen dan zijn eigen zolderkamertje, en nooit lager zinken dan zijn eigen kelder. Dat wil zeggen: het huiselijke leven is de basis van alle andere leven.
»31
140
Geen hooger Parlement dan de leden van ons huisgezin; geen hoogere troon dan de wieg in de kinderkamer. George quot;Washington voerde de troepen aan der Vereenigde Staten; maar Mary Washington voerde het bevel over hem. Chrysosthomus schreef met de pennen, die zijn moeder voor hem vermaakte.
Al wilde een man een vaart nemen zeventig jaar lang in een vaste richting aldoor, dan zou hij nog niet van onder de schaduw van zijn schoorsteen uit komen.
Ik spreek daarom heden morgen tot u over een onderwerp van oneindig en eeuwig belang, als ik tot u spreek over uw eigen tehuis.
Als individuen zijn wij fragmenten. God maakt het menschengeslacht eerst in gedeelten, en dan voegt Hij ons trapsgewijze in elkander.
Wat ik te kort kom, hebt gij te veel; wat ik te veel heb, komt gij te kort; het te veel en het te weinig in onze karakters zijn zoo de tanden van de raderen, die in elkander moeten grijpen in het groote maatschappelijke mechanisme.
De een heeft het geduld, de ander heeft den moed; de een heeft de kalmte, de ander heeft de geestdrift; wat bij den een ontbreekt, wordt door den ander aangevuld, of door het geheel aangevuld.
De buffels loopen in kudden; de korhoenders leven bij broedsels; de kwartels in troepen; het menschelijk geslacht leeft in gezinnen verdeeld. God heeft zeer wijs en goed dit alles beschikt.
141
Op deze manier is het, dat Hij het evenwicht bewaart in de maatschappij; deze conservatief en die radicaal houden samen de dingen gelijk. Elk schip moet zijn mast hebben, en zijn scheg en zijn hakkebord en zijn ballast.
Ik heb niet meer recht om een man te berispen, dat hij anders is dan ik ben, dan het drijfwiel recht heeft om den ijzeren straal te berispen, die het aan zijn as bindt. De Institutie van Calvijn wordt in evenwicht gehouden door John AVesley. Een koel denker gaf aan Schotland het sterke geraamte van zijn theologie; Dr. Guthrie geeft er het kloppend hart en het warme vleesch aan.
De moeilijkheid zit hierin, dat wij niet tevreden zijn met juist dat werk te doen, dat Gods ons te doen heeft gegeven. Het rad van den watermolen wil binnen in den molen staan, en het koren malen; en de steenen willen buiten draaien en in het water plassen. Onze nuttigheid en het welvaren van de maatschappij hangen af van ons blijven in juist die plaats, waar God ons heeft gesteld.
En opdat wij vaster aan elkander zouden hangen, en nuttiger voor elkander zouden zijn, daarvoor bestaan nu van Godswege die kleinere kringen: de familiekringen.
En daar hebben wij alweder diezelfde verscheidenheden ; broeders, zusters, man en vrouw; allen verschillend in temperament en smaak.
Gelukkig dat het zoo is! Als de man één en al
142
geestkracht en geestdrift is, dan moet de vrouw één en al voorzichtigheid zijn. Als de ééne zuster sanguinisch is in haar temperament, dan moet de ander phlegmatisch zijn. Maria en Martha zijn beiden noodzakelijkheden. Daar zal geen maaltijd voor Christus zijn, als er geen Martha is; en Jezus zal geen gehoor hebben, als er geen Maria is. Die inrichting van wat wij het huisgezin noemen is heerlijk schoon uitgedacht. Eden is er niet meer; de lustwaranden zijn er allen verwoest; één klein overblijfsel is er maar van dat Paradijs; het dreef af op de wateren van Hiddekel naar buiten. Dat is de instelling des huwelijks. En het huwelijk is niet meer,, zooals bij het begin, het verlies van een rib. Het is nu een vermeerdering van ribben.
Deze instelling van het huwelijk is in onze dagen in oneere geraakt; en daar geschiedt een werk in onzen tijd om deze aarde te veranderen in een grooten Turkschen harem of in een groote Salt Lake City. O
Terwijl de kansels bijna geheel gezwegen hebben, hebben de romans het op zich genomen, — die romans, wier ono ver treffelijke goedkoopte slechts overtroffen wordt, door hun vervloekte verderf — om deze natie op te voeden op het punt van huwelijk en huwelijksbegrippen, waar het wèl en het wee voor tijd en eeuwigheid van afhangen.
O! het huwelijk is niet een quaestie van hoe gij
^ Zooals bekend de groote stad der Mormonen.
143
wonen en hoe gij u kleeden zult, zonder meer! Het is een quaestie van engelen vreugde of duivelensmart, een quaestie van hemel of hel! Jammer, die nieuwe dispensatie van George Sand! Helaas! dat onder de bloemen van den bruiloftskrans ook die vergiftige, de nachtschade, is tusschen gevlochten! Helaas! dat de adders vergif in de bekers gespuwd hebben! Helaas! dat de witte adem van den eeuwigen dood ais vorst zich legt op den geurenden oranjebloesem ! Het Evangelie van Jezus Christus is daar om te bevestigen wat goed is, en om te bevestigen wat kwaad is.
Men heeft beproefd om de huwelijksinstelling, die het menschelijk geslacht gelukkiger en beter moest maken, te veranderen in een zuivere handelsonderneming, — een ruil in huizen en landerijen en equipages ; een compagnieschap van twee, die volop voorraad hadden van romantisme, engelenschoonheid, ontrouw en ridderlijk Donquichotisme. Maar die twee kwamen weidra tot de ontdekking, dat inplaats van het Paradijs, dat zij zich gedroomd hadden, zij niets gekregen hadden dan een nagemaakte diergaarde vol losgebroken tijgers en wilde katten.
Tachtigduizend echtscheidingen in één jaar tijds te Parijs waren het voorspel van de vreeselijkste revolutie, die er ooit is uitgebroken. Dat was eenvoudig het eerste nummer van het menu van het groote banket, dat de hel er ging geven.
En ik vertel u iets, wat gij even goed weet als ik, namelijk, dat als er tegenwoordig zooveel afval is van God en Zijn gebod, geen oorzaak krachtiger daartoe
144
medewerkt dan de slechte begrippen op het punt van het Christelijk huwelijk.
Daar zijn sommige dingen, die ik u onder de aandacht wensch te brengen.
Ik weet, dat er onder u zijn, die al voor vele, vele jaren hun huishouden hebben opgezet; en anderen die eerst kort geleden er aan begonnen zijn, en die dus dat nieuwe leven eerst een paar maanden of een paar jaar kennen. En dan zijn er nog anderen, die nog slechts het voornemen hebben om hun eigen huishouden te beginnen, wanneer het zal kunnen.
En het is daarom goed, dat ik eens over dit punt kom te spreken.
Mijn eerste raad aan u is: Laat Jezus hij u imvo-nen in iciv nieuwe tehuis, en laat Hem, die in Bethanië de toelkome gast loas, dat ook zijn in utv familiekring.
Laat de zegen Gods afdalen op elk plan van u, op elke hoop van u, en op al uw verwachtingen. De jonge menschen, die met God beginnen, eindigen met den hemel. Draag aan uw rechterhand den engagements-ring, dien Gods liefde daaraan steekt.
Indien een van u beiden een Christen is, laat die dan den Bijbel nemen, en 's avonds een paar verzen lezen; en knielt dan samen neder, en beveelt uzelven dan Gode, die de eenzamen zet in een huisgezin. Dan beloof ik u, dat de slaande engel daarbuiten uw
145
huis voorbij gaat zonder den drempel te overschrijden; want hij zal zien dat er bloed des eeuwigen verbonds is gestreken aan uw deurpost.
Hoe komt het, dat in sommige familiën alles tegenloopt, en in andere familiën alles medeloopt? Ik heb nagegaan wat de oorzaken er van konden zijn, en ik ben tot een besluit gekomen.
In het eerste geval: niets ging er goed en prettig, en toen gingen de zaken achteruit, en toen kwamen allerlei ziekten, en toen raakten zij van elkander vervreemd, de twee gehuwden. Waarom? Zij waren verkeerd begonnen.
In het andere geval waren er ook wel beproevingen en groote zorgen, en hadden de twee gehuwden ook wel het een en ander bij te leggen, en toch ging alles goed tot het laatste toe. Waarom? Zij waren goed begonnen.
Een tweede raad, dien ik u geef, is; Verdraagt van elkander alles, alles, zooveel als uw natuur maar verdragen kan.
Bidden alleen kan t'huis niet alles goed maken.
Het zijn dikwijls de beste menschen, die de moeilijksten zijn om mede om te gaan.
Daar zijn lieden, die, als er oefening gehouden wordt, altijd opstaan om te spreken, en dan bidden kunnen als een engel, maar die te huis erg lastig zijn en onaangenaam en brommig.
Trouwring, 2Q
146
Gij kunt niet alle dingen hebben, zooals gij ze hebben wilt.
Dan eens zal het de plicht van den man zijn om toe te geven, en dan weer zal het de plicht der vrouw zijn; doch staat beiden maar eens strak en stijf op uw stuk, en gij zult een Waterloo hebben zonder een Blucher, die tegen den avond een eind aan het gevecht komt maken.
Weest nooit beschaamd om het voor elkander te-bekennen, als gij verkeerd he.bt gedaan in huiselijke zaken.
Laat dat een vaste wet zijn bij u t'huis.
Het beste wat ik van mijn grootvader gehoord heb, dien ik zelf nooit heb gekend, was dit: dat hij, toen hij eens ten onrechte een van zijn kinderen bestraft had, omdat hij driftig was geworden, of verkeerd was ingelicht, toen hij zijn fout inzag, dien avond zijn geheele gezin rondom zich vergaderde, en zeide: „Nu heb ik een bekentenis af te leggen, en daarbij wat te vragen. Thomas, van morgen heb ik u onschuldig bestraft. Dat spijt mij zoo. Ik bestrafte u in tegenwoordigheid van de geheele familie, en nu vraag ik u ook om vergiffenis waar zij allen bij zijn.quot; Daar is toch wat moed toe noödig geweest om dat te doen.
Maar zoo hoorde het toch, vindt gij niet?
Laat u nooit door valsche schaamte beletten om uw fouten voor elkander te belijden.
147
Vindt de zwakke punten van elkander, maar vergeeft ze, en verdraagt ze van elkander!
Kom niet te dicht bij het buskruit, als het vuur van uw toorn ontstoken is.
Als gij een vrouw hebt, die gauw boos wordt wanneer niet alles netjes op zijn plaats staat, let er dan wel op, o man! waar gij uw pantoffels neergooit.
Als de man 's avonds van zijn werk t'huis komt, heel en al uit zijn humeur, laat de vrouw dan niet onnoodig hem lastig vallen.
Willen zij dat niet, en willen zij beiden op hun rechten blijven staan, dan beloof ik hun, dat het krijgsgeschreeuw in hun landen nimmer eindigen zal.
Hun leven zal een optelling en aaneenschakeling van grieven zijn, en hun huwelijk een vloek zonder verlichting.
Ik raad u aan, om al uw genoegens niet huiten het verband van uw familieleven te zoeken.
Het is heel ongelukkig als het anders is.
Als de man zijn meeste avonden buitenshuis doorbrengt, en dat zonder bepaalde oorzaak, dan is hij niet het hoofd des gezins; dan is hij alleen de kassier. Als de vrouw de zorgen van het huishouden overlaat aan de meid, en vijf avonden in de week doorbrengt
148
in de opera of in da comedie, — al kleedde zij haar kinderen in satijn met borduursel en linten, waar een Fransche modemaakster verstomd over zou staan, — dan zijn zij nog niets meer dan weezen.
Ach! dat is zulk een droevig gezicht, als het kind voor zijn bedje knielt om zijn avondgebed te doen, en als er niemand bij staat, omdat moeder uit is op een partij of naar een pleiziertje!
In Indië neemt men de kinderen, en werpt men ze voor de krokodillen ; en dat schijnt al heel wreed. Maar de kaken, die de New-Yorksche en Brooklijnsche amusementen opsperren, verzwelgen meer kinderen heden ten dage dan al de monsters gedaan hebben, die ooit zich daar rondwentelden in het slijk aan de oevers van den Ganges!
Ik heb eens de smart van een goddelooze moeder gezien bij den dood van een van haar kinderen, dat zij verwaarloosd had. Zij was er niet zoozeer bedroefd over, dat haar kind dood was, dan wel daarover dat zij het zoo verwaarloosd had. Zij zeide: „Ach! als ik maar meer om het kind gegeven had, en als ik er wat beter voor gezorgd had, dan zou God het niet van mij weggenomen hebben!quot; Schreien kon zij niet; het was een droog onweer; bliksem, maar geen regen; een alles verschroeiende samoem uit de woestijn. Als zij de handen wrong, dan scheen het, als zou zij de vingers zich uit de voegen rukken; en als zij zich de haren uit het hoofd trok, dan scheen het, in haar wilden angst, als hield zij daar een giftige slang in de opgeheven hand.
149
Geen tranen! De speelmakkertjes van de kleine kwamen binnen, en weenden bij het doodkistje; de buren kwamen binnen, en toen zij het stille gezichtje van het doode kind zagen, konden zij de tranen niet houden! Alleen de moeder had geen tranen. God geeft de tranen, zooals de zomer den regen geeft voor den verdroogden grond; maar in het gansche heelal is er niets zoo droog, en zoo dor, en zoo heet en zoo gloeiend als het moederhart, van wien het kind dood -is, dat zij verwaarloosd heeft. God mag het haar vergeven, maar zijzeive vergeeft het zich niet. De gedachtenis er van zal haar de oogen dieper in de kassen doen zinken, zal de rimpels haar op het gelaat leggen, zal haar het zwartste haar doen wit worden; de gedachtenis er van zal wezen als aten de gieren haar hart, de onverzadigbare gieren met hun ijzeren snavels, die, hoe dikwijls verjaagd, toch telkens wederkeeren.
O gij, die zooveel uit huis zijt! Keert terug tot uw plicht, en tot uw kinderen, eer zij dood in de kist liggen!
De schoonste bloemen op de geheele aarde zijn die, welke in de gaarde groeien van een Christelijk gezin, die daar klimmend ranken over de poort van een Christelijk huis.
Ik raad u ook aan, dat gij belang stelt in elkanders arbeid, en dat gij die belangstelling aankweekt.
150
De heer James Mackintosh, een van de uitmun-tendste en fijnst beschaafde menschen, die ooit geleefd hebben, zeide eens, toen de roem zijn naam overal verbreidde, in een groote studentenvergadering, waar hij het woord voerde: „Mijn vrouw heeft mij gemaakt, wat ik ben.quot;
De vrouw moest adviseur zijn in elke firma. Zij moest op de hoogte gehouden worden van alle verliezen en van alle winsten in den winkel en in het pakhuis. Zij moest het recht hebben — en zij heeft dat recht — om alles te weten. Als een man zich in zaken steekt, waar hij zijn vrouw niets van durft te vertellen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat hij op weg is naar een financieel bankroet of naar een zedelijk bankroet. Daar mogen eenige dingen zijn, waar hij zijn vrouw niet mede lastig wil vallen; maar als hij het haar niet durft te vertellen, dan is hij op weg naar een nederlaag.
Daartegenover moet de man ook belangstelling toonen in de werkzaamheden van de vrouw. Dat is zoo gemakkelijk niet, om goed huis te houden. Menige vrouw, die even goed de grootheid des geestes zou gehad hebben om een martelares te zijn zooais Margaret, het Schotsche meisje, is letterlijk afgewerkt door huishoudelijke zorgen. Daar zijn duizende martelaressen, wier brandstapel de keuken of de kinderkamer is geweest. Dat is zeer grievend, als de vrouw den geheelen dag bezig is geweest met koken, met de kleeren, met de kinderen, met visite ontvangen en zooveel meer, om dan 's avonds den man te hooren
151
zeggen: „Wat weet gij van zorgen af? gij moest eens een half uur in den winkel zijn, of op het kantoor!quot; Stelt belang in elkanders werk!
Als het werk, dat de man doet, hem het roet op het gelaat legt, of zijn kleederen doortrekt met den reuk van leer of zeep, laat de vrouw dan den neus niet optrekken over die zwarte handen of vieze geuren. Gij moet er van leven, vrouw! Uw belangen zijn dezelfde, uw winsten en verliezen zijn dezelfde als de zijne; houdt het werk, dat gij om uws broods wil te doen hebt, met beide handen vast. Eendrachtig! dat zijn dan vier handen, om den strijd te strijden; dat zijn dan vier handen, om het gevaar af te keeren; dat zijn dan vier schouders om de beproevingen te dragen. Het is altijd heel jammer voor een schilder, als hij een vrouw heeft, die niet van schilderijen houdt. En het is heel droevig voor een muziekonderwijzer, als hij een vrouw heeft, die heelemaal niet van muziek houdt.
Treurig is het, als een vrouw laag neer ziet op de broodwinning van haar man, en niet tevreden is voor hij verandert, en eens „een heel nette zaakquot; begint. Zoover als ik het begrijp, is dan „een heel nette zaakquot; iets, waar hij 's morgens om tien uur pas naar toe behoeft te gaan, en waar hij 's middags om twee uur al weer van terug komt, en waar hij een heele partij geld verdient met niets doen. Dat is, geloof ik, wat sommigen onder „een heel nette zaakquot; verstaan; en menige vrouw is er geweest, die de fout heeft gehad van niet tevreden te zijn geweest, totdat de man de leerlooierij opgaf, of de kolenzaak.
152
of de metselaarszaak, om zich in kringen te gaan bewegen waar hij niets te doen had dan sigaren te rooken en wijn te drinken, en waar hij gewoonten aannam, die hem er onder brachten, zoodat hij in den maalstroom te recht kwam, hij, en zijn vrouw en zijn kinderen tegelijk natuurlijk.
Daar loopen een massa treinen van deze aarde naar het verderf. Zij gaan op alle uren van den dag, en op alle uren van den nacht. Daar zijn de nachttreinen; zij gaan zeer langzaam en zeer zwaar. En dan hebben wij de gewone treinen, die naar het verderf voeren: deze stoppen overal, en laten iemand in en uitstappen, waar hij maar wil. Maar dat hebben van „een heel nette zaakquot;, dat halve leegloopen, dat is een sneltrein; Satan is de stoker, en de Dood is de machinist; en al komt daar nu iemand op de rails den trein te gemoet met de roode vlag in de hand. en met den kreet: „Gevaar, stop !quot; voort gaat het toch den spoordijk af naar beneden, met gillen, met schokken, met doodskreten, met gekraak, met vloeken, — krak! krak!
Daar zijn twee klassen onder het volk, die zeker ten verderve gaan: vooreerst, de menschen, die niets te doen hebben, en in de tweede plaats, zij, die wel wat te doen hebben, maar die er te lui of te verwaand voor zijn.
Ik heb nog een goeden raad te geven aan hen, die
153
een gelukkig tehuis willen hebben, en dat is: Laat de liefde er de heerschappij voeren.
Wanneer uw gedrag t'huis zuiver een zaak van berekening is, dat wil zeggen, als gij uw liefkozingen uitdeelt, niet omdat de natuur u drijft, maar zooals het gevoel van uw waardigheid u dat gebiedt, dan ligt uw huiselijk geluk dood, dood voor uw uitgebran-den haard.
Als de man zijn positie als hoofd des gezins moet handhaven door te toonen, hoe luid zijn stem is, en hoe sterk zijn arm is, en hoe geweldig zijn toorn is, dan is die republiek van huiselijken zegen een despotisme geworden, dat geen God of mensch meer kan verdragen.
O! gij, die elkander liefde beloofd hebt voor het altaar, hoe durft gij uw eed tot een meineed te maken ?
Laat er geen schaduw van verdenking op uw liefde komen.
Het is gemakkelijker, om die bloem te dooden, dan om haar weer levend te maken. Als een wind uit de hel dat licht uitblaast, dan staat gij in het duister, in het zwarte duister voor eeuwig.
Ziehier een man en een vrouw; zij komen in niets overeen; maar zij zijn wel overeengekomen om samen te trouwen. Zij zullen hun huishouding prachtig opzetten; en zij meenen, dat, als zij een huis hebben, zij dan vanzelf ook een tehuis zullen hebben. Architecten maken het plan; en de bekwaamste werklieden voeren het uit. Het huis zal en mag een honderdduizend dollars kosten, en tweemaal zooveel.
154
En alzoo geschiedt het. De kleeden zijn gelegd, de gaskronen zijn opgehangen, de gordijnen vallen sierlijk, en de invitatiekaarten zijn rondgezonden. De paarden in gouden tuigen houden stil aan de poort. De gasten komen binnen en nemen hun plaatsen in. De muziek begint, dansende paren zweven arm in arm. En in één groote dwarreling draait daar de rijkdom en de beschaving en de vroolijkheid van een geheele stad binnen vier prachtig beschilderde muren rond.
Ha! dat is nu geluk! Het geluk dampt uit weelderige schotels; het geluk klinkt uit de muziek; het geluk zwaait in de maat van den dans; het geluk schijnt uit den witten glans van marmeren beelden; het geluk weerklinkt uit de vlugge stappen op den wenteltrap; het straalt uit de lichten van de kroon. Ja, dit is geluk! Komt! Laat ons in het midden van de zaal een troon opstellen, een troon voor het geluk! Laat al de gasten, als zij binnenkomen, hun bloemen, en hun paarlen en hun diamanten brengen, en ze voor dien troon nederwerpen; en laat dan het geluk daarop plaats nemen, als koningin; en wij zullen er allen om heen gaan staan, en met de bekers in de omhoog-geheven hand zullen wij roepen; „Deze dronk, ter eere van u, koningin! Dat zij leve!quot;
Maar de gasten vertrekken; de muziek zwijgt; het laatste geratel der wegsnellende rijtuigen versterft aan het eind van de straat; en het jonge echtpaar, na het afscheid van de vrienden, komt terug om den troon van de koningin des geluks nog eens aan te zien in het midden van de zaal. Maar helaas! als zij
155
terugkomen, zijn de bloemen verwelkt; de zoete geuren hebben iets gekregen van de reuke van een grafkelder; en op de plaats waar straks de koningin des geluks zat, zit nu de grove gedaante van de wroeging, met ingezonken oog, zich op de lippen bijtende en met asch in het haar.
Het vroolijk maatgeluid van de voeten der dansers, die weg zijn, schijnt toch nog langs den vloer te zweven, maar onderbroken als door verafzijnden onderaardschen donder, die den vloer doet dreunen, en de vensters doet rinkelen, van lijst tot lijst.
De op den grond gemorste wijn krijgt de kleur van geronnen bloed. De bloemen van veeren, die daar van de japonnen afgevallen neerliggen, schijnen kruipend gedierte. De vrees, in allerlei gedaante, schuilt weg en kijkt door tusschen de gordijnen boven de sofa. Een sterke tocht van wind komt den gang in, en de huiskamer door, en de zaal door, en de slaapkamer in, en blaast overal de lichten uit. En van den rand der wijnbekers komen de woorden: „Het geluk is niet in ons.quot; En van de gewelven antwoordt het terug: „Het is niet in ons.quot; En de muziekinstrumenten, die daar nog liggen, alsof onzichtbare vingers ze nu aanroeren, antwoorden: „Het geluk is niet in ons.quot; En de doodsbleeke lippen van de Wroeging openen zich; en gezeten op dien troon van verwelkte bloemen, slaat zij haar ontvleeschte handen ineen boven haar hoofd, en kermt zij : „Het is niet in mij.quot;
152
of de metselaarszaak, om zich in kringen te gaan bewegen waar hij niets te doen had dan sigaren te rooken en wijn te drinken, en waar hij gewoonten aannam, die hem er onder brachten, zoodat hij in den maalstroom te recht kwam, hij, en zijn vrouw en zijn kinderen tegelijk natuurlijk.
Daar loopen een massa treinen van deze aarde naar het verderf. Zij gaan op alle uren van den dag, en op alle uren van den nacht. Daar zijn de nachttreinen; zij gaan zeer langzaam en zeer zwaar. En dan hebben wij de gewone treinen, die naar het verderf voeren: deze stoppen overal, en laten iemand in en uitstappen, waar hij maar wil. Maar dat hebben van „een heel nette zaakquot;, dat halve leegloopen, dat is een sneltrein; Satan is de stoker, en de Dood is de machinist; en al komt daar nu iemand op de rails den trein te gemoet met de roode vlag in de hand, en met den kreet: „Gevaar, stop !quot; voort gaat het toch den spoordijk af naar beneden, met gillen, met schokken, met doodskreten, met gekraak, met vloeken, — krak! krak!
Daar zijn twee klassen onder het volk, die zeker ten verderve gaan: vooreerst, de menschen, die niets te doen hebben, en in de tweede plaats, zij, die wel wat te doen hebben, maar die er te lui of te verwaand voor zijn.
Ik heb nog een goeden raad te geven aan hen, die
153
een gelukkig tehuis willen hebben, en dat is: Laat de liefde er de heerschappij voeren.
Wanneer uw gedrag t'huis zuiver een zaak van berekening is, dat wil zeggen, als gij uw liefkozingen uitdeelt, niet omdat de natuur u drijft, maar zooals het gevoel van uw waardigheid u dat gebiedt, dan ligt uw huiselijk geluk dood, dood voor uw uitgebran-den haard.
Als de man zijn positie als hoofd des gezins moet handhaven door te toonen, hoe luid zijn stem is, en hoe sterk zijn arm is, en hoe geweldig zijn toorn is, dan is die republiek van huiselijken zegen een despotisme geworden, dat geen God of mensch meer kan verdragen.
O! gij, die elkander liefde beloofd hebt voor het altaar, hoe durft gij uw eed tot een meineed te maken ?
Laat er geen schaduw van verdenking op uw liefde komen.
Het is gemakkelijker, om die bloem te dooden, dan om haar weer levend te maken. Als een wind uit de hel dat licht uitblaast, dan staat gij in het duister, in het zwarte duister voor eeuwig.
Ziehier een man en een vrouw; zij komen in niets overeen; maar zij zijn wel overeengekomen om samen te trouwen. Zij zullen hun huishouding prachtig opzetten; en zij meenen, dat, als zij een huis hebben, zij dan vanzelf ook een tehuis zullen hebben. Architecten maken het plan; en de bekwaamste werklieden voeren het uit. Het huis zal en mag een honderdduizend dollars kosten, en tweemaal zooveel.
154
En alzoo geschiedt het. De kleeden zijn gelegd, de gaskronen zijn opgehangen, de gordijnen vallen sierlijk, en de invitatiekaarten zijn rondgezonden. De paarden in gouden tuigen houden stil aan de poort. De gasten komen binnen en nemen hun plaatsen in. De muziek begint, dansende paren zweven arm in arm. En in één groote dwarreling draait daar de rijkdom en de beschaving en de vroolijkheid van een geheele stad binnen vier prachtig beschilderde muren rond.
Ha! dat is nu geluk! Het geluk dampt uit weelderige schotels; het geluk klinkt uit de muziek; het geluk zwaait in de maat van den dans; het geluk schijnt uit den witten glans van marmeren beelden; het geluk weerklinkt uit de vlugge stappen op den wenteltrap; het straalt uit de lichten van de kroon. Ja, dit is geluk! Komt! Laat ons in het midden van de zaal een troon opstellen, een troon voor het geluk! Laat al de gasten, als zij binnenkomen, hun bloemen, en hun paarlen en hun diamanten brengen, en ze voor dien troon nederwerpen; en laat dan het geluk daarop plaats nemen, als koningin; en wij zullen er allen om heen gaan staan, en met de bekers in de omhoog-geheven hand zullen wij roepen: „Deze dronk, ter eere van u, koningin! Dat zij leve!quot;
Maar de gasten vertrekken; de muziek zwijgt; het laatste geratel der wegsnellende rijtuigen versterft aan het eind van de straat; en het jonge echtpaar, na het afscheid van de vrienden, komt terug om den troon van de koningin des geluks nog eens aan te zien in het midden van de zaal. Maar helaas! als zij
155
terugkomen, zijn de bloemen verwelkt; de zoete geuren hebben iets gekregen van de reuke van een graf kelder; en op de plaats waar straks de koningin des geluks zat, zit nu de grove gedaante van de wroeging, met ingezonken oog, zich op de lippen bijtende en met asch in het haar.
Het vroolijk maatgeluid van de voeten der dansers, die weg zijn, schijnt toch nog langs den vloer te zweven, maar onderbroken als door verafzijnden onderaardschen donder, die den vloer doet dreunen, en de vensters doet rinkelen, van lijst tot lijst.
De op den grond gemorste wijn krijgt de kleur van geronnen bloed. De bloemen van veeren, die daar van de japonnen afgevallen neerliggen, schijnen kruipend gedierte. De vrees, in allerlei gedaante, schuilt weg en kijkt door tusschen de gordijnen boven de sofa. Een sterke tocht van wind komt den gang in, en de huiskamer door, en de zaal door, en de slaapkamer in, en blaast overal de lichten uit. En van den rand der wijnbekers komen de woorden: „Het geluk is niet in ons.quot; En van de gewelven antwoordt het terug; „Het is niet in ons.quot; En de muziekinstrumenten, die daar nog liggen, alsof onzichtbare vingers ze nu aanroeren, antwoorden: „Het geluk is niet in ons.quot; En de doodsbleeke lippen van de Wroeging openen zich: en gezeten op dien troon van verwelkte bloemen, slaat zij haar ontvleeschte handen ineen boven haar hoofd, en kermt zij; „Het is niet in mij.quot;
156
Dien zelfden avond gaat er een kantoorbediende — met een salaris van duizend gulden per jaar, slechts één duizend — naar zijn huis, zijn tehuis, sedert hij drie maanden geleden daar zijn jonge vrouw binnenleidde.
Liefde komt hem te gemoet aan de deur. Liefde zit met hem aan de tafel. Liefde praat met hem over zijn werk van vandaag. Liefde reikt hem den Bijbel aan. En hij leest van Hem, die kwam om onze zielen te redden. En zij knielen.
En terwijl zij knielen, — daar in de eenvoudige kamer, op dat eenvoudige vloerkleed — bouwen daar de engelen van God een troon, niet uit bloemen, die verwelken en vergaan, maar uit de guirlanden des hemels, krans op krans, amaranth op amaranth, totdat de troon klaar is. Toen vingen de harpen Gods aan te klinken, en plotseling verscheen er Eene, die den troon beklom, met oogen zoo helder, en een gelaat zoo blinkend, dat die twee er geen oogenblik aan twijfelden, wie of zij wel was, maar fluisterden; „Daar is zij zelve, de Christelijke liefde.quot; En zij knielden voor den troon, en elkander de hand op het hoofd leggende, zegenden zij elkander, en zeiden zij: „Wat ben ik gelukkig!quot;
En die troon van hemelsche bloemen verwelkte niet, met het voorbijgaan der jaren; en de koningin verliet dien troon niet, totdat op zekeren dag dat trouwpaar zich oud voelde en der dagen zat, en zich weggeroepen voelde. En zij wisten niet welken weg te gaan, en stonden voor een oogenblik verlegen. Maar toen steeg
157
die koningin van haar troon af, en zij zeide: „Volgt mij, en ik zal u den weg toonen naar het rijk der eeuwige liefde!quot;
En zoo gingen zij heen, om zangen der liefde te zingen, om te zamen in tempels der liefde te wonen, en voor eeuwig zich te verheugen in de waarheid, dat God liefde is.
MARCUS 5 vers 19.
„Ga heen naar uw huis tot de uiven, en boodschap hun, wat groote dingen u de Heere gedaan heeft.quot;
Daar zijn vele menschen, die altijd verlangen om God eens te mogen dienen in belangrijker sfeeren, dan waarin zij op het oogenblik verkeeren. Zij bewonderen Luther op den rijksdag te Worms, en zij zouden zoo gaarne wenschen om ook eens zulk een groote gelegenheid te hebben, waarbij zij zouden kunnen toonen hoe Christelijk dapper zij waren. Zij bewonderen Paulus, die Felix voor zich deed beven, en hun grootste wensch is om ook eens zulk een groote gelegenheid te hebben, waarin zij zouden kunnnen prediken van rechtvaardigheid, matigheid, en oordeel. Het eenige wat hun schijnt te ontbreken, is alleen de gelegenheid om hun Christelijke heldhaftigheid ten toon te spreiden.
En nu komt de Apostel ons zeggen: Ik zal u een plaats toonen, waar gij al wat groot en schoon is in het Christelijk karakter kunt ontplooien, en die plaats is het huisgezin.quot;
Als iemand niet getrouw is in een onbeduidende betrekking, boe zal hij getrouw zijn in hoogere sfeeren? Als Petrus den kreupele niet helpen wil aan de poort des tempels, dan zal hij nooit de man
Trouwring, i i
162
zijn, die met zijn prediking duizend man het koninkrijk Gods binnenbrengt op Pinksteren. Als Paulus het niet de moeite waard wil achten om aan dien gevangenbewaarder te Philippi het Evangelie uit te leggen, dan zal hij ook nooit een Felix doen beven. Hij, die niet getrouw is in een schermutseling, zal ook niet trouw zijn in een Armageddon. De zaak is, dat wij allen juist in dien toestand geplaatst zijn, waarin wij God het beste en het meeste tot Zijn eer kunnen dienen; en het voegt ons niet, om altijd er over te zitten denken, welke hoogere betrekking wij nu zouden kunnen krijgen, om God in te dienen. De vraag zou zich voordoen, of het meer om de hoogere betrekking dan om God te doen was. De eenige quaestie, waar al het andere voor zwijgen moet, is eenvoudig: „Heere! wat wilt Gij, dat ik (nu en hier) doen zal?quot;
Daar is één woord in mijn tekst, waar zich bijna al onze gedachten in dezen morgen om heen zullen groepeeren. ,.Ga heen naar uw huis,quot; naar uw huis, zegt daar de Heere.
Wat is dat, ons tehuis? Vraag tien verschillende menschen naar de beteekenis van dat woord, en zij zullen u er tien verschillende uitleggingen van geven.
Voor den een be teekent het het gevoel van gezelligheid bij den haard, den overvloed op zijn tafel, den overvloed van werk in zijn winkel, het genot van zijn studieboeken, de toewijding aan zijn geestelijken arbeid. En voor hem beteekent het een groet bij de deur, en een lach bij zijn stoel, een kus op zijn mond, daar, waar de vrede breede vleugelen uitbreidt,.
163
waar de vroolijkheid de handen klapt van pleizier, waar het leven zoo stil is als een glad meer, waar de schaduwen slapen op de rimpels, nauwlijks van een windjen bewogen.
Vraag aan een ander wat dat is, zijn tehuis, en hij zal zeggen, dat het gebrek is, gebrek, met koude oogen uit een vuurloozen haard uitziende, of bij den broodtrog den honger kneedende als deeg voor een vreemden maaltijd. Dat is de woning waar de vochtige lucht trilt van de vloeken, en waar geen Bijbel op de plank ligt. Dat zijn de kinderen, die roovers en moordenaars zijn in den dop. Liederlijke zangen zijn hun wiegelied geweest. Daar is elk gelaat een ruïne. Daar in de schaduw achter in de kamer loert het gebrek; en hier op den voorgrond staat de zonde, brutaal en leelijk. Geen sabbat schrildt dien drempel over. Een voorportaal van de hel is het. Die duisternis, schaduwen zijn het der muren van den afgrond. Dit is de oven, waar de eeuwige ketenen worden gesmeed. Hier worden de blokken gekloofd voor een eeuwig vuur. Ook een tehuis. Vreeselijk woord! Hier wordt het gespeld met vloeken, hier wordt het gesproken met wee, met den doodsangst der wanhoop.
In het eene geval beteekent het woord al wat heerlijk is. In het andere geval beteekent het woord al wat vreeselijk is.
Ik zal u in dezen morgen spreken over uw tehuis. 1. Daar zien wij uw ware karakter. 2. Daar vindt gij uw veiligste toevluchtsoord. 3. Daar ligt de hoeksteen
164
van den staat. 4. Daar is uw beste school. 5. En daar aanschouwt gij het liefelijkste afbeeldsel des hemels.
In de eerste plaats merken wij op, dat gij uw ware karakter nergens zoo toont als te huis.
Uw gemoedsstemming kan in het publiek zich ver-toonen in een vroolijk gewaad, maar te huis zal zij alle kleeren uittrekken. Even als comedianten heel anders kunnen optreden op het tooneel dan achter de schermen, zoo verschillend kan ook uw karakter zich voordoen in het openbare leven en in uw private leven. Het private leven van iemand is dikwijls zijn openbare leven het binnenste buiten gekeerd. De menschen kunnen u soms in hun salon ontvangen één en al glimlachjes, terwijl hun hart een moeras is vol brandnetels. Daar zijn kooplieden, die jegens de menschen, met wien zij te doen hebben, den geheelen dag goedgehumeurd en vriendelijk en voorkomend en beleefd zijn, en die dan heel goed hun drift, hun hoogmoed en hun onbeschaamdheid kunnen inhouden; maartegen den avond, dan breekt de dam door, en de ingehouden booze woorden vloeien als een overstrooming over de medelijdenswaardige vrouw en kinderen.
Iemands goede naam is niets meer dan de schaduw, die zijn karakter afwerpt; en een zeer klein huis kan somtijds een heel lange schaduw afwerpen. De lippen van een vrouw schijnen soms zoo zoet, en niets dan myrrhe en cassia af te druppen; en haar gemoed lijkt
165
soms zoo warm en licht als een bundel van zonnestralen ; en toch is dat alles dikwijls niets meer dan een schitterende uitstalling voor de winkelruiten van bedorven goederen uit het pakhuis. Daar is menig man, die minzaam is op zijn kantoor en op de beurs en op straat, maar die als een lafaard zijn boosheid en zijn onbeschaamdheid naar huis meeneemt, om ze daar uit te gieten over zijn gezin.
De oorzaak waarom de menschen hun slecht humeur niet in het openbaar durven luchten, is dat zij bang zijn daar er van langs te krijgen. Daar zijn menschen, die hun drift en booze luim bij anderen inhouden, om dezelfde reden waarom zij hun wissels inhouden; zij krijgen ze onder protest terug. Even als bij zonsopgang de wind opsteekt, zoo kan er op een prachtig zonnigen dag een stormachtige nacht volgen. Daar zijn menschen, die voor het publiek den philanthroop spelen, maar die te huis den Nero spelen in pantoffels en huisjas.
Audubon, de groote ornitholoog, doorreisde met geweer en potlood de bosschen van Amerika, om een verzameling schetsen en opgezette vogels te hebben; en jaren van veel inspanning en gevaar kostte het hem, eer hij zijn handschrift gereed had, dat hij zoolang in een koffer legde te Philadelphia, toen hij voor een paar dagen naar huis ging om rust en uitspanning. Toen hij na die paar dagen terug kwam. vond hij zijn handschrift door de ratten verscheurd en geheel verwoest. Maar zonder eenige uiterlijke ontsteltenis, en zonder eenig kwaad humeur of wrok, nam hij alweer
166
zijn geweer en zijn potlood op, en ging hij voor de tweede maal al de bosschen van Amerika rond. Het is onsterfelijk werk, dat hij heeft geleverd. Hoe kunnen er nu toch menschen zijn, die geen tienduizendste van zulk een teleurstelling lijden, en die geheel en al vol wrok zijn, en die bij het verliezen van een potloodje of sieraadje kunnen razen als een feilen Noordooster?
Welnu, de man, die in zijn openbare leven een minzaam man is, en die te huis een boos personage is, is iemand, die bezig is om als een bedrieger te verkoopen wat hij niet heeft; en hij is even slecht als een bank, die vier of vijf honderd duizend dollars in papier heeft rondloopen, zonder eenige specie in de kelders. Laten wij toch leeren om „onze vroomheid te huis te betoonen.quot; Als wij binnen de muren van ons huis niet de ware onvervalschte vriendelijkheid hebben, dan is al de aangename behaagzucht daarbuiten eenvoudig het gevolg van menschenvrees of niets anders dan een optrekkende damp uit den verdorven poel onzer zelfzucht.
Ik verzeker het u, wilt gij het ware karakter der menschen leeren kennen, leer hen dan te huis kennen.
Wat gij te huis zijt, dat- zijt gij immers ook overal elders, al slaat gij u een mantel om, voor dat gij uitgaat.
In de tweede plaats, beschomo uio tehuis als uw veiligste wijkplaats.
167
Het leven is aan het Amerikaansche leger gelijk, op weg naar Mexico; een lange marsch is het, met telkens en telkens een schermutseling en een veldslag. Tegen den avond slaan wij onzen tent op, en zetten wij onze geweren aan rotten; wij hangen de chacot op, en wij leggen het hoofd ter ruste op den ransel; en wij slapen tot 's morgens het signaal gegeven wordt van opstaan en opraarcheeren. Wat een genot is het, om van den aanval en van de hinderlaag, en van de overwinning te hooren vertellen, als alles voorbij is, bij het kalme vuur van den huiselij-ken haard!
Zeker, stormachtig genoeg kan het leven zijn, als op zee. Met gebroken masten en gescheurde zeilen en bijna zinkenden romp, zeilen wij de haven van onze woning binnen. Gezegende haven, daar gaan wij om reparatie in het droogdok, in dat kalme, stille leven. De lamp, in het venster gezet, is voor den rondreizenden koopman, als hij zijn dagwerk verricht heeft, het licht van den vuurtoren, dat hem in de haven geleidt. Als de kinderen naar buiten komen om hun vader ,te verwelkomen, dan is dat als wanneer de loodsen, in hunne kleine kotters de groote stoomers te gemoet zeilen, om ze de haven binnen te loodsen. De drempel van de woning is als de kade, waar de zware vracht des levens wordt ontladen.
Daar is de plaats, waar wij kunnen spreken over wat wij gedaan hebben, zonder dat wij onszelven be-behoeven te beschuldigen van zelfverheffing. Dat is de plaats, waar wij eens mogen leegzitten en nietsdoen,
168
zonder dat het leelijk staat. Dat is de plaats, waar wij aan ons gevoel van liefde mogen toegeven, zonder dat de menschen kunnen zeggen: „Zie eens, hoe flauw!quot;
Dat is de plaats, waar wij onze verdrietelijkheden mogen vergeten, en onze teleurstellingen en moeiten.
Dwalende pelgrim ! Hebt gij nergens een tehuis ? Sterf dan, dat is beter. Het graf is vroolijker en lichter en heerlijker dan deze wereld, ais wij hier geen tent hebben na de dagreis, en geen haven na den storm, en als wij hier geen rustplaats hebben na de wisselingen van winst en verlies.
God moge medelijden hebben met den man of de vrouw, die geen tehuis heeft!
Wil bovendien opmerken, dat ons tehuis de hoeksteen van het gebouw van den staat is.
De veiligheid van den staat is gebouwd op de veiligheid van uw tehuis.
Waarom kan Frankrijk nooit een rustige, bestendige republiek zijn? Altijd en altijd is daar gevaar van omverwerping der bestaande regeering.
Het is omdat de Fransche natie niet heeft, wat men elders zijn tehuis noemt.
De deugden, die in den schoot des gezins aangekweekt worden, zijn een noodwendigheid voor het leven van den staat. Als er geen zedelijk beginsel genoeg aanwezig is, om de leden van een gezin aan elkander te verbinden, dan zal er ook nimmer staat-
169
kundig beginsel genoeg aanwezig zijn om het volk eendrachtig te maken.
„Geen tehuis,quot; dat wil zeggen, een leven als van de Gothen en van de Vandalen; dat wil zeggen, een leven als van de Nomadische stammen in Azië, als van de Numidiërs in Afrika, die van plaats tot plaats trekken, al naar de steppen groen zijn en gras hebben.
Vervloekt mogen zij zijn, al die Babels der ongerechtigheid, waar het huiselijk leven ondergaat in een leven op de straat of in het café!
Dezelfde storm, die het familieleven doet vergaan zal ook het machtige schip van staat doen omkomen.
Gevangenissen en tuchthuizen en legers en vloten, zijn niet de beste verdedigingsmiddelen onzer vrijheid en veiligheid. Daar binnen de deur van uw woning, in uw gezin, zit het geheim van uw beste krachten.
Geen tehuis, geen republiek!
Merk verder op, hoe ons tehuis een ware leerschool is.
Oude, altijd gebruikte grond moet diep omgeploegd, en dan geëgd en nog eens geëgd worden, en dan zal er de oogst nog niet eens zoo groot wezen als de oogst van een verschen grond met veel minder bewerking. Welnu, zoo is de jeugd ook een versche grond, en alle invloeden, in het hart der kinderen gezaaid, zullen in hun later leven opschieten en vrucht voortbrengen, menigvuldiglijk. Elke keer, dat gij hun goedkeurend toegelachen hebt, zal u later in hen een
170
oogst doen zien van onuitputtelijk goed humeur en vroolijkheid. En elke opwelling van drift, en elke keer dat gij uw opkomende boosheid niet bedwingen kunt, zal voedsel wezen voor hun eigen aangeboren booze nukken, waarvan eerst twintig of dertig jaren later u den vollen groei zullen laten zien. Gij prijst de knapheid van uw jongen somtijds te veel, als gij denkt dat hij het niet merkt, en gij zult er de gevolgen van zien, voor hij tien jaar oud is, in zijn aanstellerige manieren. Gij prijst zijn schoonheid, in de meening dat hij nog niet groot genoeg is om te begrijpen wat gij zegt, en gij zult hem op een goeden dag op een grooten stoel zien staan voor den spiegel. Woorden en daden en voorbeelden zijn de zaden, waar het karakter uit opgroeit; en kinderen hebben altijd veel aanleg om de tweede, niet altijd verbeterde, editie te zijn van hun ouders. Abraham gewon Izak, en zoo kon de deugd afdalen langs de aartsvaderlijke lijn; maar Herodes gewon Archelaus, en zoo plantte de ongerechtigheid zich voort. Wee! welke verantwoordelijkheid rust er op u, ouders, in dit opzicht!
O! maakt, dat uw huis de heerlijkste plaats op aarde is, indien gij uw kinderen wilt trekken naar het hooge pad der deugd en der rechtschapenheid en van den godsdienst! Sluit de blinden niet altijd halfdicht. Laat de zon, die goud legt op de kleur van de gentiaan, en die de kleuren dieper ophaalt op het viooltje, haar stralen niet afgewezen zien aan de vensters van uw woning. Hang aan uw muren ook geen schilderijen of platen, zooals van „De dood op het vale paardquot;
171
of „De kindermoord te Bethlehem.quot; Maar kies liever platen als „De valkenjacht,quot; „De molen bij de beek,quot; „De vossenjacht,quot; „De kinderen tusschen de bloemen,quot; „De maaiers aan den oogst.quot;
Wint de opgeruimdheid het niet bij u op de neerslachtigheid, wanneer gij buiten zijt, en gij den sprinkhaan ziet opspringen, en de lammeren ziet dartelen, en als gij dan die babbelachtige beek ginds boven van den berg een sprong naar de diepte ziet doen met vroolijk schateren, om hier langs uw voeten voortjagend te spelen met de steenen en met de bloemen aan den kant, terwijl zij duizend dingen onderwijl aan u vertelt ? Indien de luchten niets anders meer voorspelden dan storm; indien een eeuwigdurende storm de zee bestookte; indien elke bergstroom verwoestend zijn oevers doorbrak, met het woedend schuim op den bek; indien geen andere winden meer dan samoems over de heuvelen waaiden; en indien er geen gekweel meer was van leeuwerik of zangvogel, en indien er niets anders meer gehoord werd dan het gebrom van den beer, en het gehuil van den wolf, en het gebrul van den tijger, — ja, dan, sluit dan uw blinden, en verzamel dan alleen de schaduwen binnen uw vensteren. Maar als God op het gelaat der aarde en tegen het gewelf der hemelen Zijn schoonheid en vroolijkheid gestrooid heeft, laten wij dan ook in onze woningen binnenhalen alle onschuldige pret, en al wat licht is, en al wat zingt en juicht. Een sombere woning maakt slechte mannen en vrouwen.
172
Boven alles, mijn vrienden! laat het een Christelijk beginsel zijn, dat in uw huis den boventoon voert. Zou het waar zijn, dat in een paar van die rijke huizen in mijn gemeente nooit de stem tot een gebed wordt verheven ? Hoe! geen gebed om bescherming des avonds? Hoe! geen dankgebed voor de betoonde trouw des morgens ? O! mijn broeder en zuster! hoe zult gij God in den Dag des Oordeels antwoorden, met betrekking tot uw kinderen? Het is een zaak, die u aanbelangt; en daarom vraag ik het u. In het tiende hoofdstuk van Jeremia zegt God, dat Hij Zijn toorn zal uitgieten over die gezinnen, die Hem niet aanroepen. O, ouders! als gij dood zijt, en deze aarde verlaten hebt, en het overgroeiend mos de namen van uw grafsteen onleesbaar maakt, zullen uw kinderen dan nog wel eens aan u denken, als aan ouders die nederknielden om met hen te bidden bij het avondgebed? Zullen zij, als zij den ouden familiebijbel ter hand nemen, daarin nog de sporen van uw tranen vinden, die gij geweend hebt uit berouw, of die gij geweend hebt, overstelpt door het gevoel van Gods rijke genadige beloften? — Of niets van dat alles? — O! indien gij geen Christelijke beginselen inplant in de harten uwer kinderen, en gij hen niet waarschuwt tegen den Booze, en indien gij hen niet tot heiligheid vermaant en tot God leidt, en zij afdwalen tot een los leven en tot ongeloof, en zij ten slotte schipbreuk lijden rnet hun ziel, — dan zullen zij op hun doodsbed en in den Dag des Oordeels u vloeken! Welk een geschiedenis kan dat worden, de geschiedenis
173
van het sterfelijk en van het onsterfelijk leven uwer kinderen, die gij liefhebt! Alle ouders schrijven zeiven de geschiedenis hunner kinderen, zooals die komen zal. Zij schrijven, en het zal klinken als een jubelend lied, of als een kennende zucht.
Mijn gedachten keeren zich naar een woning, — liefelijker tehuis heb ik toen nergens gezien! Het gebed was als een dak daarover. Vrede was er de atmosfeer. De ouders waren verpersoonlijkingen van geloof, in licht en duisternis beproefd. De twee pilaren van die aardsche woning zijn nu reeds lang gevallen en tot stof vergaan. Maar zal ik dat tehuis ooit vergeten ? Ja, als de bloem de zon vergeet, die haar koesterde. Ja, als de zeeman de ster vergeet, die hem leidde. Ja, als de liefde in het hart zooals een vuur op het altaar is uitgegaan; en als de herinnering haar urne heeft geledigd in de oneindige vergetelheid. Dan, o huis van mijn jeugd! dan zal ik u vergeten ; het huisaltaar van mijns vaders doortastendheid en mijner moeder zachtheid; die stemmen met den klank dei-liefde; die begrafenis van mijn moeder, en toen van mijn vader, — ja, dan zal ik u vergeten, maar dan ook alleen. Gij weet, mijn broeder! dat gij honderdmaal van de verleiding der zonde u afgekeerd hebt, omdat zulke beelden in die oogenblikken voor u oprezen, gelijk ik u daar beschreef. Gij hebt vreeselijk sterke verzoekingen gehad, maar gij weet, wat met bovennatuurlijke kracht u vasthield.
Ik verzeker u, iemand die zulk een goed, ouderlijk huis gehad heeft, behoudt den invloed er van tot aan
174
zijn dood; en iemand, die een slecht ouderlijk huis heeft gehad, komt onder den invloed er van niet uit, ook niet na zijn dood.
En ten slotte, wil het opmerken, hoe zulk een tehuis het afbeeldsel des hemels is.
Om ons een hemelsch tehuis te bezorgen, verliet Christus Zijn huis.
Zeer, zeer lang in de geschiedenis des hemels geleden, was er een tijdperk, dat de doorluchtigste burger aldaar een verre reis zon gaan doen. Het was niet te doen om een reis van de eene baai naar de andere baai; dat hebben wij dikwijls gedaan. Het was niet te doen om een reis van het eene halfrond naar het andere halfrond; verscheidene van ons hebben dat ook gedaan. Neen, hij ging een reis aan van wereld tot wereld, van ster tot ster, ver, ver heen, door ruimten en onmetelijkheden, waar niemand nog was voorgegaan. Geen wereld had nog ooit den hemel bij zich ontvangen, noch had ooit de hemel een wereld begroet. Ik stel mij voor, dat de vensters en balkons van het hemelsche paleis vol toeschouwers waren, en dat de zee van glans aan den oever vol, vol zaligen stond, die allen een vaarwel wilden toewuiven aan Hem, die daar de haven des lichts ging uitzeilen naar de oceanen onder Hem. Voort en voort en voort ging het, en lager en lager en lager, totdat Hij op een zekeren nacht, met slechts één mensch om Hem
175
te verwelkomen, hier aankwam. Zijn aankomst was zoo zonder praal, en zoo stil, dat het op aarde niet eens geweten werd, totdat een vreugdegejuich in de wolken het te kennen gaf, dat er iets groots en heerlijks was gebeurd.
Wie kwam daar? Waar kwam Hij vandaan? Waarom kwam hij hier op deze plaats? Ik vraag het aan de schaapherders, ik vraag het aan de kameeldrijvers, ik vraag het aan de engelen. Ach, ik hoor het; hij was een banneling, zeggen zij.
Maar, de wereld heeft zoovele bannelingen gehad! Abraham, den banneling uit Ur der Chaldeën ; Johannes, den banneling uit Epheze; Kosciusko, den banneling uit Polen; Mazzini, den banneling uit Rome: Victor Hugo, den banneling uit Frankrijk; Kossuth, den banneling uit Hongarije. Maar deze, van wien ik daar spreek, had ginder zulk een juichend en hartelijk vaarwel gehad, en werd hier zoo koud ontvangen — want zelfs ging de herbergier niet naar buiten met een lantaarn om Hem binnen te laten — dat Hij meer eer en roem waardig is dan eenig ander banneling van den hemel of van de aarde.
Wij zijn hier drieënnegentig millioen mijlen van de zon verwijderd, en alle sterrekundigen zeggen, dat ons zonnestelsel slechts een van de kleine raderen is van het groote mechanisme des heelals, allen te zamen wentelend rondom een groot middelpunt ergens zoo ver, ver af, dat de afstand boven alle berekening en verbeelding gaat; en als, zooals sommigen denken, dat groote middelpunt in de verte de hemel is, dan
176
moet Christus ver van huis gekomen zijn, toen Hij hier kwam. Hebt gij er ooit aan gedacht, of Christus heimwee zou gehad hebben? Sommigen van u weten wat heimwee is, al zijt gij nog niet langer dan drie weken van huis, Christus was drieëndertig jaren van huis. Sommigen van u voelen heimwee, als zij maar honderd of duizend mijlen van huis af zijn. Christus was meer millioenen mijlen van huis af dan gij zoudt kunnen uitrekenen, ook al deedt gij uw heele leven niets anders dan dat uitrekenen. Gij weet wat het is om heimwee te hebben, zelfs te midden van een goede en liefelijke omgeving; maar Christus sliep in hutten, en dat niet eens altijd; en Hij leed wel eens dorst, en Hij leed wel eens honger, en toen Hij geboren werd, was het in een andermans stal, en toen Hij begraven werd, was het in een andermans graf. Ik heb gelezen, hoe de Zwitsers, wanneer zij ver van hun vaderland in den vreemde zijn, als zij hun volkslied maar hooren, zoo aan heimwee kunnen gaan lijden, dat zij weldra, door droefgeestigheid vermeesterd, er aan sterven. Maar dat heimwee van Christus dan! Armoede had Hij, die heimwee gevoelde naar Zijn hemelsche rijkdommen. Vervolging leed Hij, die heimwee gevoelde naar het Hosanna Zijner engelen. Vermoeid was Hij, die heimwee had naar de rust van Zijn Paradijs. Gescholden en gelasterd werd Hij, die heimwee had naar Zijn medgezellen, de engelen en aartsengelen. Heimwee had Hij, om hier die zwarte nachten te mogen verlaten, om onder dien storm uit te komen, en om deze wereld met haar vloek achter
177
zich te laten! En al dat heimwee en die ballingschap leed Hij om ons t'huis te brengen, om ons een eeuwig tehuis te verschaffen.
In onzen besten en rijksten staat zijn wij hier nog niets meer dan pelgrims en vreemdelingen. De hemel is ons huis. De dood zal nooit aan de deur van die woning aankloppen; en in dat land is er geen enkel graf. Hoe blij zijn de ouders, als zij met vakantie al hun kinderen weer om zich heen hebben! Maar ik heb opgemerkt, dat er bijna altijd een zoon of dochter aan ontbrak, die uit de stad was, het land uit was, of die misschien de wereld uit was. O! hoe blijde zal onze Hemelsche Vader zijn, als Hij al Zijn kinderen weer bij zich t'huis zal hebben in den hemel! En hoe verrukkelijk zal het zijn voor broeders en zusters om daar elkander te ontmoeten na lange scheiding! Eens namen zij afscheid van elkander bij de deur van het graf; nu ontmoeten zij elkander aan de poort der onsterfelijkheid. Eens zagen zij allen „als door een spiegel duistere beelden;quot; nu is het „van aangezicht tot aangezicht,quot; verderf tegenover onverderfelijkheid, sterfelijkheid tegenover onsterfelijkheid. Waar zijn nu al hun zonden en zorgen en moeiten? Verdronken in de Roode Zee des Doods, terwijl zij er doorgingen droogvoets en veilig.
Poorten van paarlen, kapiteelen van amethist, tronen van goud, — die zijn het niet zoozeer, die mijn ziel beroeren, als wel de gedachte te huis te zijn. Eenmaal daar zijnde, — laat de aardsche zorgen dan maar huilen als de stormen en bruisen als de
Trouwring. 19
178
zeeën. Te huis! Laat de troonen dan maar verteren, en de koninkrijken vergaan! Te huis! Laat de wereld dan maar ondergaan in een worsteling met de aardbeving, en begraven worden door een lijkstoet van planeten en onder den lijkzang der afeeren. Te huis! Laat de eeuwen dan binnenkomen, de eeuwen met haar dageraadssleep! Te huis ! geen smart; geen tranen ; geen dood; te huis, in die schoone, onvergankelijke, zoete woning; te huis bij elkander, bij de engelen, bij God!
Op zekeren avond lag ik vermoeid op de sofa. Mijn kinderen stoeiden door de kamer, vol lach en vroolijK-heid. Half wakende, half slapende, droomde ik dezen droom:
Ik was in een ver land. Perzië was het niet; evenwel in meer dan Oostersche pracht schitterden die steden. Een tropisch land was het niet; evenwel was het meer dan tropische weelde, die de tuinen versierde. Italië was het niet; evenwel was het meer dan Italiaansch blauw, waar de lucht zich mee kleurde. Ik wandelde rond om te zien of er ook doornen en distelen groeiden; maar ik zag, dat die er niet waren.
En ik zag de zon opgaan tot middaghoogte, en ik wilde haar zien ondergaan, maar zij ging niet onder.
Ik zag de menschen in zondagsgewaad, enikzeide: „Wanneer zullen zij het afleggen, en hun werkkleeren aantrekken, om naar de mijnen af te dalen of te zwoegen in de smidse?quot; Maar zij bleven aldoor in het zondagsgewaad.
179
Ik ging naar de buitenwijken van de stad, om de plaats te vinden, waar de dooden sliepen; en ik overzag de geheele lengte der schoone heuvelen, waar ik veronderstelde, dat de plaats moest zijn der dooden, en ik aanschouwde torens en kasteelen; maar geen , mausoleum of grafteeken of marmeren zerk kon ik ontdekken.
Ik ging in den tempel van die groote stad, en ik vroeg: „Waar zijn de plaatsen en de harde banken, waarop de armen zitten onder de preek?quot; En tot antwoord kreeg ik: „Er zijn geen armen in dit land.quot;
En toen ging ik uit om te zoeken naar de hutten van het gemeene volk, maar ik vond huizen van barnsteen en ivoor en goud.
En ik aanschouwde nergens een traan, en hoorde nergens een zucht.
En ik was ontsteld; en ik zat neder onder de takken van een grooten boom; en ik zeide: „Waar ben ik? en van waar deze begoocheling?
En toen kwam er van uit die liefelijke boschjes, en langs die bloemrijke paden, en van over de glinsterende stroomen een menigte van schoone menschen, allen om mij heen. En toen ik hen hoorde naderen, meende ik hun stap te kennen. En toen zij riepen, meende ik hun stem te kennen. Maar zij waren gekleed in zulke heerlijke kleederen als ik nimmer nog had gezien, zoodat ik opstond en groette, als tegen vreemdelingen.
Maar toen zij mij aanspraken, en in de handen klapten, en juichten: „Welkom! welkom!quot; toen week
180
al het geheimzinnige, en ik begreep dat „er geen tijd meer was,quot; en dat de eeuwigheid gekomen was, en dat wij weer allen bij elkander waren in ons nieuwe huis in den hemel.
En ik zag rond, en ik vroeg: „Zijn wij er allen?quot; En de stemmen van vele geslachten antwoordden: „Ja, allen!quot;
En terwijl tranen van blijdschap ons van het gelaat liepen, en de takken van de cederen de handen klapten naar omhoog, en de torens van de groote stad met hun klokken het welkom gingen luiden, begonnen wij allen te springen en te roepen en te zingen: „Tehuis! te huis! te huis!quot;
I SAMUEL 17 vers 58, „Wiens zoon zijt gij, jongeling?quot;
Nooit was er een meer ongelijke strijd dan tusschen David en Goliath. David, vijf voet hoog, Goliath tien voet. David, een schaapherdersjongen, op het land grootgebracht; Goliath, een krijgsman van beroep. Goliath, een snoever zonder eind; David, een toonbeeld van bescheidenheid. Goliath, gewapend met een ijzeren spies; David, gewapend met een slinger en steenen uit de beek.
In de Assyrische legers had men ook een regiment slingeraars, en in de Egyptische legers evenzoo; en gevreesd waren zij, want zij konden een steen met evenveel kracht en juistheid werpen als wij een kogel uit geweer of kanon. De Grieken hadden slingeraars in hun leger, die met stukken lood wierpen, waaide uittartende woorden op stonden: „Neem dit!quot; En een machtig wapen was het dus wel, waarmede David in dat strijdperk trad.
Een Joodsche Rabbi heeft gezegd, dat Goliath, in zijn diepe verachting voor David, denkelijk schaterend van lachen zijn hoofd achterover wierp, zoodat zijn helm afviel; en dat David, het onbedekte hoofd ziende, toen zijn kans schoon zag, zijn slinger nam, hem
184
twee of drie keer rondom zijn hoofd zwaaide, op Goliaths voorhoofd aanlegde, en het verbrijzelde als een eierschaal.
Toen de strijd over was, wat een echt tafereel uit het heldentijdvak was dat: Saul, de koning, zittende voor zijn tent; David, de jongen, voor hem staande, met zijn uitgestrekte hand het afgeslagen hoofd van Goliath bij de haren houdende. Saul ziet David met welgevallen aan, zooals die pasgeboren held die bloedende, dampende, afzichtelijke trophee omhoog houdt, als een bewijs hoe Gods wrake vreeselijk is voor die Hem haten; en de koning bewondert hem, en nieuwsgierig naar het geslacht, dat zulke helden kweekt, vraagt hij, zooals wij het in onzen tekst hooren; „Wiens zoon zijt gij, jongeling?
De koning, evenals gij en ik, geloofde in de over-erfelijkheid van goede en kwade eigenschappen, en hij vond, dat alles voor een mensch in zijn leven daarvan afhing.
Hoe langer ik leef, hoe meer ik geloof in bloed, — in goed bloed, in kwaad bloed, trotsch bloed, nederig bloed, eerlijk bloed, driftig bloed, dapper bloed, laf bloed. Het mag wezen, dat de eigenschappen één of twee geslachten achterwege blijven, maar zij komen zeker weer voor den dag, zooals men in een klein kind de trekken van grootvader terug vindt, wiens
185
portret in de zaal hangt. Dat lichamelijke, geestelijke en zedelijke eigenschappen overerfelijk zijn, is voor niemand betwistbaar meer, die zijn oogen open heeft. De gelijkenis is soms zoo treffend, dat het bijna onbegrijpelijk is. Wat is het niet merkbaar geweest in sommige dynastieën, hoe de karakteristieke eigenschappen van geslacht op geslacht overerfden. Duizend jaren konden er soms geen verandering in brengen.
De leden van het Huis van Oostenrijk hebben altijd eigenaardig groote breede lippen gehad, Habs-burgsche lippen, zooals zij spreekwoordelijk worden genoemd.
Het Huis Stuart vertegenwoordigt in de geschiedenis wreedheid, dweepzucht en zinnelijkheid. Denk maar aan Maria, de koningin der Schotten; aan Karei den Eerste, aan Karei den Tweede. Denk maar aan Jacobus den Eerste en aan Jacobus den Tweede en aan de afstammelingen van dat huis.
Schotsch bloed beteekent volharding; Engelsch bloed beteekent vasthoudendheid aan het oude; Wallische bloed beteekent godsdienstige zin; Noorsch bloed beteekent liefde voor de zee; Keltisch bloed beteekent doortastendheid; E,omeinsch bloed beteekent staatkundig overleg.
De Joodsche aanleg voor handelen en rekenen kunt gij gerust tot Abraham terugbrengen, van wien de Bijbel zegt: „Hij was zeer rijk aan zilver en in goud en in veequot; en tot Izak en Jacob, die dezelfde karaktertrekken hadden.
186
Sommige familiën schijnen de pacht te hebben van een lang leven, en die zijn bepaald afkomstig van Methusalem. Andere familiën zijn merkwaardig om hun groote Goliathachtige gestalte, en gij kunt die eigenaardigheid zien overerven in twee, vijf, tien, in alle volgende geslachten. Ultra-orthodoxie is een zeer erfelijke eigenschap. Al de Kemble's zijn treurspeldichters. Letterkundige arbeid is de lust van al de Trollope's. De Wilberforce's hebben allen philan-thropisch bloed in de aderen. In Adams, vader, zoon en kleinzoon, in staatskunst aangeboren. Hendrik en Catharina van Navarra zijn godsdienstig, — hun geheele familie is het ook. Het beroemde geslacht der Casini — al te maal wiskunstenaars. Het beroemde geslacht der Medici — al te maal scherpe geesten. Het beroemde huis van Gustaaf Adolf — al te maal oorlogshelden.
Die wet der erfelijkheid stoort zich geenszins aan maatschappelijke of staatkundige onderscheidingen; want gij vindt de onedelen dikwijls in de hooge plaatsen, en de edelen somtijds in de zeer lage plaatsen. Een afstammeling van Eduard den Eerste : een tolgaarder. Een afstammeling van Eduard den Derde: een portier. Een afstammeiing van den Hertog van Northumberland : een koffermaker. Sommige der machtigste familiën uit Engeland zijn uitgestorven, terwijl andere geslachten van den hoogsten adel afstammen van lieden met harde knokkels en boersche gezichten, nog niet zoo heel lang geleden. Die wet der erfelijkheid stoort zich niet aan maatschappelijke of staatkundige toestanden.
187
Voorts kunt gij opmerken, hoe gierigheid, ijverzucht, zinnelijkheid en bedriegelijkheid in sommige familiën vrij terrein hebben. Het heftige karakter van Friedricb Wilhelm is zijn erfenis van Frederik den Groote.
Dit is geen theorie, alleen door onze wijsbegeerte uitgedacht; neen. Goddelijk gezag bevestigt haar. Herinnert gij u niet, hoe de Bijbel spreekt van „een uitverkoren geslachtquot; van „het geslacht der oprechtenquot; van „het adderengebroedselquot; van „een verkeerd geslachtquot; van „een hardnekkig geslacht,quot; en van „de ongerechtigheid der vaderen, die bezocht wordt aan de kinderen in het derde en vierde geslacht?quot; Zoodat onze tekst heden tot ons komt, als een steen, van den geweldigsten slinger op ons algeworpen: „ Wiens zoon zijt gij, jongeling?quot;
„Kom aan,quot; zegt er een, „die theorie ontlast mij van alle verantwoordelijkheid. Geboren uit vrome ouders, worden wij van zelf goed, het kan niet anders. Geboren uit goddelooze ouders, worden wij van zelf slecht, en daar is niets aan te doen.quot; Deze gevolgtrekking lijdt aan een dubbele onnauwkeurigheid.
Gij zoudt evengoed, of even dwaas, bedoel ik, kunnen zeggen: „De aantrekkingskracht in de natuur heeft een neiging om alles naar haar middelpunt toe te trekken, en dus gaan alle dingen naar dat middelpunt toe. De middelpuntvlietende kracht in de natuur heeft een neiging om alles de oneindigheid in te jagen, en dus gaat alles, van het centrum uit, de oneindigheid in.quot; Gij weet even goed als ik, dat wij de aan-
188
trekkingskracht sterker kunnen maken dan de mid-delpuntvlietende kracht, en dat wij de middelpunt-vlietende kracht sterker kunnen maken dan de aantrekkingskracht.
En zoo kan er een tijd lang een krachtige goede stroom door een geslacht gaan, totdat straks de slechte stroom sterker wordt; terwijl daartegenover sommige van onze beste mannen en vrouwen uit een omgeving afstammen van menschen, die wij in fatsoenlijk gezelschap niet eens zouden willen noemen.
. Het practisch nut, dat ik met mijn preek beoog, is om u aan te toonen, dat als gij van Christelijke voorouders afstamt, gij dan de heilige plicht hebt om uw roemrijke erfenis wèl te bewaren, en te vergrooten ; of als gij van slechte voorouders afstamt, gij u dan wel moogt sterken tegen uw boozen aanleg door gedurig gebed en Christelijke vastberadenheid, en dat gij dan wel moogt onderzoeken welke uw familiegebreken zijn, om bij het bewapenen van uw kasteel de sterkste wacht te stellen bij de zwakste poort.
En als ik toepasselijk u zulks ga vermanen, dan is het met gladde steenen uit de beek, dat ik hoop u te treffen, niet waar David Goliath raakte, tegen het hoofd, maar waar Nathan David trof, in het hart. „Wiens zoon zijt gij, jongelincj?quot;
Als wij vakantiedagen of feestdagen hebben, dan is er altijd iets, dat ons aan onze ouders herinnert.
Als het winter is, en wij hebben een feestdag, en
189
het is avond, en wij zitten bij den haard, en wij zijn weer eens allen bij elkander, dan is het ons somtijds, alsof de oude tijden weer teruggekeerd zijn, en alsof, zie, onze eigen ouders er ook weer bij zijn. Wat waren die goede ouders in hun tijd ook altijd druk bezig op zulke feestdagen om ons pleizier te doen, en zulks met heel wat minder hulpmiddelen, dan wij nu hebben om onze zonen en dochters pleizier te doen! Een gevoel alsof zij weer tegenwoordig zijn; alsof zij de sneeuw, die twee voet hoog op hun graf ligt, van zich afgeschud hebben, en hier weer onze deur zijn binnengekomen, met dienzelfden gang, die gebogen schouders, die grijze haren, die rimpels, die ouderwetsche snit van jas en rok, denzelfden glimlach, dezelfde stembuiging!
Ik hoop, dat gij allen uw ouders nog gekend hebt. En zoo niet, dan hoop ik, dat anderen het u hebben verteld, hoe zij waren, tot gij hen u precies kunt voorstellen, en dat er in uw huis nog een kleedingstuk of een meubel is, dat u dikwijls aan hen doet denken.
Ik wil de heiligste herinneringen in uw hart wakker roepen, om ze vermanend tot u te laten spreken, terwijl ik u naar uw afkomst vraag: „ Wiens zoon zijt gij, jongeling?''''
In de eerste plaats spreek ik u aan, die van Christelijke ouders en grootouders afstamt.
Ik vraag niet, of uw ouders volmaakte menschen
190
zijn geweest. Daar zijn tegenwoordig geen volmaakte menschen, en ik veronderstel dat er toen ook geen volmaakte menschen zijn geweest. Misschien, dat uw ouders wel eens wat te driftig zijn geweest, als zij u klappen gaven. Maar zoover als ik u ken, kreegt gij nog te weinig naardat gij verdiendet, en misschien zou een weinigje meer u geen kwaad gedaan hebben. Maar gij zijt nu zelf heel en al overtuigd, dat zij wat goede ouders voor u geweest zijn, niet waar?
Zooals gij hen onder elkander hebt hooren praten; zooals gij hen gezien hebt, als zij aan tafel den Bijbei lazen, of als zij bij de buren op begrafenis waren; neen, dat waren menschen, die God in hart en wandel verheerlijkten! Daar was iets, dat die oude menschen met bovennatuurlijke kracht steunde en staande hield Gij twijfelt niet, of zij zijn in den hemel; en gij verwacht, als gij er zelf ooit komt, hen daar te zullen ontmoeten, even zeker als gij hoopt er den Heer Jezus Christus te zullen vinden.
Welnu, die verhouding, waarin gij tot zulke ouders stondt van uw vroege jeugd af, heeft als een krachtige zegen over u gewerkt.
Daar was eens een tijd, toen gij, in een huis der zonde binnengegaan, daar eensklaps rechtsomkeert maaktet naar buiten, de frissche lucht in, omdat het u plotseling was, als hadden de oogen uwer moeder u aangezien. Gij hebt nooit recht van de zonde kunnen genieten, omdat een lief oud gezicht altijd zich aan u vertoonde te midden dier zonden. Zachte, bevende stemmen uit het verleden spraken toen tot
191
u, tot zij zeer duidelijk verstaanbaar werden, en gij omzaagt, om te weten, wie daar tegen u spraken.
In hun laatsten wil of testament was er een groot kapitaal, dat niet genoemd was, hoewel gij dat ook geërfd hebt, namelijk het groote kapitaal van hun vele gebeden en goed voorbeeld en Christelijke vermaningen en heerlijke gedachtenis. De achterblijvenden en de familie kwamen bij elkander om het testament te hooren voorlezen; en dit moest gehouden worden, en dat moest verkocht worden, en eerlijk moest er gedeeld. Maar daar was nog een onbeschreven testament, dat ongeveer aldus luidde: „In den naam van God, amen. Ik, goed bij mijn verstand, vermaak aan mijn kinderen al den zegen van mijn gebeden tot hun heil; ik vermaak hun al wat ik bij een leven van hard werken verkregen heb; ik vermaak hun den Christe-lijken godsdienst, die van zoo veel troost voor mij is geweest, en dien ik hoop dat voor hen een troost mag zijn; ik vermaak hun een hope des wederziens, wanneer al de scheidingen des levens voorbij zijn; mogen zij ieder een gelijk deel hebben van deze mijn eeuwige rijkdommen! Ik vermaak hun den wensch, dat zij mijn dwalingen mogen vermijden, en mogen navolgen al, wat het eenigszins waardig is. In den naam van God, die mij schiep, en van Christus, die mij verloste, en van den Heiligen Geest, die mij geheiligd heeft, maak ik dezen mijn laatsten wil en testament. Getuigen: al de engelen des hemels; getuige: de tijd ; getuige: de eeuwigheid. Geteekend, gezegeld, en gedaan, in dit mijn stervensuur. Vader en moeder.quot;
192
Gij zult op het kantoor van den notaris naar een dubbel exemplaar van dit testament niet behoeven te zoeken; maar ik heb het hier, en ik lees het ulieden voor; ik haal het te voorschijn uit de geheime laden van uw hart; ik schud het stof af, dat er op ligt, en ik vraag u, of gij die erfenis aanvaardt, dan wel niet aanvaardt?
O gij, die Christelijke ouders gehad hebt! gij hebt een verantwoordelijkheid boven mate! God zal niet tevreden met u zijn, dat gij even goed zijt als andere menschen, gij die zooveel vóór hebt gehad; gij zult beter moeten zijn. Moet een bloem, die in de warme kas geplant is, niet beter groeien, dan een bloem, die daar buiten aan den storm is blootgesteld ? Moest gij, die van jongs af in zulke omstandigheden van genade zijt grootgebracht, niet beter zijn dan dezulken, boven wier wieg de vloek zweefde?
Daar is een vader, die zijn zoon in zakeri zet. Van al de uitgaven daarvoor houdt hij nauwkeurig aan-teekening. Zooveel voor meubileering, zooveel voor huishuur, zooveel voor dit, zooveel voor dat, en alles, nauwkeurig opgeteld. En de vader verwacht natuurlijk, dat de zoon ook nauwkeurig tegen het eind van het jaar zijn boeken zal openleggen.
Zoo heeft uw Hemelsche Vader u ook niet rnet niets de wereld ingezonden; Hij gaf u vooruit al de voordeden van een vrome opvoeding — zooveel gebeden, zooveel Christelijk voorbeeld, zooveel goede vermaningen — een ontzaglijke som, al deze gezegende invloeden bij elkander; en Hij zal u verantwoording daarvan vragen.
193
Moest gij niet veel beter zijn, dan dezulken die al die voordeelen niet hebben gehad ? Het ware u beter, een vondeling geweest te zijn, van de straat opgeraapt, dan dat gij, met een rijke erfenis van Christelijke zegeningen beginnende, toch eindigdet met een ongeloovige en onverschillige te zijn.
Moest gij, mijn broeder, die een Christelijken aanleg hebt gehad, niet oneindig veel beter zijn dan die man, die naar waarheid dezen morgen kan zeggen: „Het eerste woord, dat ik mij herinner, dat vader tegen mij gesproken heeft, was een vloek; de eerste keer, dat ik mij herinner, dat mijn vader mij in zijn armen hield, was in woede; ik heb nooit een Bijbel gezien dan to§n ik eerst tien jaar oud was, en toen zeide men mij, dat het een hoop leugens was; de eerste twintig jaar van mijn leven ging ik om met geen andere dan gemeene lieden. Ik scheen van alle kanten door zonde en dood ingesloten.quot;
Daarom, mijn broeder! — en ik laat de beantwoording dier vraag nu geheel over aan uw eigen gevoel van billijkheid — behoordet gij niet veel, veel beter te zijn dan al die menschen, die in hun jeugd den Christelijken invloed gemist hebben?
Gij, die tusschen twee geslachten in staat, het geslacht, dat voorbij gegaan is, en het geslacht dat komt; wat zult gij? Zult gij den zegen overreiken van de ouderen aan de jongeren, of zal uw leven de golf zijn, waarin die zegen zich wel heeft uitgestort, maar tegelijk voor altijd ten onder is gegaan?
Trouwring. i o
194
Gij zijt op het oogenblik de beheerder van dat fonds der vroomheid, dat uw ouders en voorouders hebben bijeengebracht; zult gij dat u toevertrouwd fonds vergrooten onder uw beheer, of doorbrengen? Gaat gij uw zonen en dochteren onterven van die erfenis, die uw ouders u achtergelaten hebben?
Gij zorgt zeer wel voor uw levensverzekering; gij zorgt zeer wel voor al uw pandbrieven, voor uw hypotheken, en ook daarvoor dat uw eigendom goed op naam staat, omdat gij wilt, dat als gij van het tooneel afgaat, niets aan uw kinderen ontgaan kan. Niet waar, zorgt gij er niet bijtijds voor, dat zij het alles krijgen zullen?
En zorgt gij dan gansch niet er voor, dat zij door u ook grootvaders en grootmoeders godsdienst krijgen ?
Ach' wat zal dat dan voor een testament zijn, dat gij hun achterlaat! „In den naam van God, amen. Ik, gezond en wel bij mijn verstand, maak bij dezen mijn laatsten wil en testament. Ik vermaak aan mijn kinderen al het geld, dat ik verdiend heb, en al de huizen, die ik bezit; maar ik onterf hen, ik beroof hen van al de Christelijke invloeden en van al den godsdienstigen zegen, die ik van mijn ouders geërfd heb. Ik heb dat alles verkwist en weggeworpen, ik, die de wereld liefhad. Gelijkelijk zullen zij deelen, mijn kinderen, in dit ongeluk en in de eeuwige verdoemenis. Geteekend, gezegeld en gedaan in de tegenwoordigheid van God en menschen en engelen en duivelen en van alle geslachten van hemel, aarde en hel.quot;
195
O gij, die wel van hoog bevoorrechte ouders afstamt! ontwaakt dezen morgen toch tot het besef van uw eigen goede kansen, en van uw verantwoordelijkheid !
Ik geloof dat er in uw huis nog ergens een oude wieg of stuk van een wieg te vinden zal zijn, die u zou kunnen vertellen van moeders worstelingen in het gebed te middernacht, lang, lang geleden. Waar is zij, die wieg, waarin gij in slaap werd gesust met dat oude, vrome, heilige wiegeliedje!
Waar is die oude klok, die de langzame oogen-blikken, de trage uren afmat van dien vreeselijken nacht, toen gij zoo stervenskrank laagt, en toen er maar drie wakker waren van uw geheele gezin: gij, en God, en uw moeder?
Is er niet ook nog een oude wandelstok in uw kast?
Is er niet ook nog een oude familiebijbel op de eene of andere plank, die tot u schijnt te zeggen alsof uw ouders tot u spraken: „mijn zoon, mijn dochter! hoe kunt gij dien God verwerpen, die zoo goedertieren met ons gehandeld heeft al onze levensdagen, en aan wien wij u opgedragen hebben in onze gebeden tot op ons sterfbed toe! Wij smeeken u, bij de gedachtenis aan dat dierbare oude huis, bij de gedachtenis aan ons doodsbed, bij het graf, waar onze lichamen slapen, wij smeeken u om een nieuwe bladzijde in uw leven te beginnen, een nieuw jaar in de genade onzes Gods.quot;
196
II. Maar ik keer mij in mijn rede in de tweede plaats tot hen, die slechte ouders gehad hebben; en u wensch ik te zeggen, dat de hoogste tronen in den hemel en de heerlijkste triomfen en de schitterendste kronen voor hen zullen wezen, die slechte ouders hebben gehad, en die toch door de genade van God hebben overwonnen. Een man, zoo goed en zoo braaf een heer als ik er maar één ken, had als vader iemand, die zoo vloekende en lasterende gestorven is, dat de buren zich de ooren toehielden om de schande niet te hooren. Een van onze nuttigste en met zegen werkzame Christelijke leeraars is de zoon van een dronken paardeknecht. In sommige familiën is de stroom des kwaads vreeselijk aan het wassen; als de waterval van den Niagara, zoo stort zich daar het kwaad over de arme kinderen en kindskinderen uit; en toch hebben sommigen zich aan de rots weten vast te klemmen, en zij zijn gered.
Zeker, gij kunt het weerstaan; daar zijn er, die den invloed van overgeërfde zonden weerstaan hebben. Als gierigheid uw familiegebrek is, oefen u dan in onbaatzuchtigheid en liefdadigheid, en leer dan aan uw kinderen om nooit een appel te eten zonder aan een ander de helft te geven. Is uw familiegebrek twis-gierigheid, houd u dan buiten het gezelschap van driftige menschen, en geef nooit antwoord op een onbeschaamde vraag, totdat gij tot honderd geteld hebt en terug; en als gij een boozen brief hebt geschreven, houd dien dan een week bij u, eer gij hem verzenden gaat, en verbrand hem dan! Als uw familie-
197
gebrek vreesachtigheid is en lafheid, ontwikkel dan uw ruggegraat, lees de levensgeschiedenis van dappere mannen als Jozua of Paulus, en zie, of gij niet wat staal in het bloed kunt krijgen. Zie er achter te komen wat uw farniliegebrek is, en stel uw lichaam, ziel en geest in slagorde, en overwin dan met Gods hulp uw eigen wil.
Ik geloof dat in het eerste hoofdstuk van het Nieuwe Testament de stamboom van Jezus is opgenomen, niet alleen om Zijn afkomst aan te wijzen, maar ook om te toonen, hoe de leden van een geslacht vervallen kunnen van vroegere deugd en gerechtigheid, en weer stijgen kunnen na een tijdperk van zonde en ongerechtigheid, als zij de booze erfelijke eigenschappen weer overwinnen. Merk maar op in dien stamboom, hoe de goede koning Asa de zoon was van een slechten koning Abia. Merk maar op in dien stamboom, hoe Jozef en Maria, en de meest luisterrijke Heer, dien ooit onze aarde aanschouwde, een schandelijke Kachab en Tamar en Bathseba onder hun voorouders konden hebben. Als deze aarde ooit weer een Paradijs zal worden — en dat zal zij — dan zullen alle met zonde besmette geslachten wedergeboren moeten worden, en dan zal er in elke familie minstens één moeten zijn, die een nieuwen stamboom begint. Daar zal een Jozef in elk geslacht moeten komen, die den invloed van een Rehabeam in het bloed te niet maakt; en daar zal een Maria in elk geslacht moeten komen, die den invloed van een Bathseba in het bloed te niet maakt.
198
Maar, wat ook uw afkomst moge wezen, en welke zedelijke erfenis gij ook moogt medegckregen hebben, laat mij u zeggen, dat gij moogt zonen en dochteren zijn van den Heere God, van den Almachtige. Gij, kinderen, die vervreemd zijt van het huis uws Vaders, keert weer door de open deur; Hij neemt afvallige kinderen weer aan. Daar is koninklijk bloed in uw aderen. Daar staan kronen op uw wapenschild. Onze Vader is een koning. Onze Broeder is een koning. Wii kunnen ook koningen zijn en koninginnen voor God, eeuwiglij k!
LUCAS 10 vers 40.
„Heere! trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.quot;
Een mooi dorp, en een liefelijke woning is het daarginder! De man van het huis is dood; en zijn weduwe bestuurt nu het erf. Martha van Bethanië heet zij. En die bij haar inwoont, de lieveling van allen in dat huis, is Maria, haar jongere zuster. Zie, daar staat zij, met een boek in de hand; geen zweem van zorg of angst over iets op het gelaat.
Maar daar komt bezoek van daag. Christus staat daar buiten aan de deur, en Hij klopt. En daar is niet op gerekend. De zusters zetten snel het een en ander recht, wat niet op zijn plaats stond, en zij schikken weerbarstige lokken met een handgebaar achter den sluier, en in een oogenblik staan zij bij de deur om open te doen.
Zij laten Christus niet buiten staan, totdat zij zich verkleed hebben of zich het haar hebben opgemaakt, om dan, met gemaakte verrassing naar voren te komen, alsof zij de twee eerste keeren het kloppen niet hebben gehoord, en te zeggen: „Wat, zijt gij dat?quot; Neen, zij waren welopgevoede vrouwen, en altijd toonbaar, ook al hadden zij haar beste kleeren niet aan. Niemand van ons heeft altijd zijn beste
Een mooi dorp, en een liefelijke woning is het daarginder! De man van het huis is dood; en zijn weduwe bestuurt nu het erf. Martha van Bethanië heet zij. En die bij haar inwoont, de lieveling van allen in dat huis, is Maria, haar jongere zuster. Zie, daar staat zij, met een boek in de hand; geen zweem van zorg of angst over iets op het gelaat.
Maar daar komt bezoek van daag. Christus staat daar buiten aan de deur, en Hij klopt. En daar is niet op gerekend. De zusters zetten snel het een en ander recht, wat niet op zijn plaats stond, en zij schikken weerbarstige lokken met een handgebaar achter den sluier, en in een oogenblik staan zij bij de deur om open te doen.
Zij laten Christus niet buiten staan, totdat zij zich verkleed hebben of zich het haar hebben opgemaakt, om dan, met gemaakte verrassing naar voren te komen, alsof zij de twee eerste keeren het kloppen niet hebben gehoord, en te zeggen: „Wat, zijt gij dat?quot; Neen, zij waren welopgevoede vrouwen, en altijd toonbaar, ook al hadden zij haar beste kleeren niet aan. Niemand van ons heeft altijd zijn beste
202
kleeren aan; anders zouden spoedig onze beste kleeren het dragen niet waard meer zijn. Zij doen de poort open, en zij begroeten Christus. „Goeden morgen, Meester!quot; zoo zeggen zij, „kom binnen en ga bij ons zitten.quot;
Christus bracht een gezelschap van vrienden met zich mede; en het binnenkomen van zoovele bezoekers uit de stad bracht wel te begrijpen in het stille landelijke huis eenige opschudding te weeg. Ik veronderstel bovendien, dat door de flinke wandeling van de stad naar hier de bezoekers een flinken eetlust ook hadden medegebracht. En de keuken is dus voor dien dag de plaats, waar de niet minst belangrijke dingen moeten gebeuren: en ik geloof dan ook dat Martha, zoo spoedig als zij de gasten gegroet heeft, zich naar die plaats terugtrekt.
Maria scheen te gevoelen, dat de maaltijd niet op haar aankwam. Zij had goed vertrouwen in haar zuster. Niemand in Bethanië was het zoo goed toevertrouwd om voor een maaltijd te zorgen. En minder met haar woorden dan met haar daad zeide zij: „Nu Martha, laten wij het werk verdoelen! Gij zult koken, en ik zal hier nederzitten en mij laten leeren.quot;
Hetzelfde onderscheid, dat gij nu tusschen zusters soms aantreft.
Ziedaar Martha, ijverig, werkzaam, huishoudelijk, vindingrijk in de keuken, netjes en helder en bedrijvig overal. En ziehier Maria, prettig in het gesprek, goed t'huis in de boeken, en haar hoofdje zoo vol vragen van geestelijken aard, dat er geen plaats meer is voor vragen van huishoudelijken aard.
203
Het is middag. Maria is in de ontvangkamer. Martha is in de keuken. Het zou voor beiden beter zijn geweest als zij het werk verdeeld hadden, dan zouden zij ook beiden een eerlijk deel hebben gehad van de gelegenheid om naar Christus te luisteren. Maar Maria neemt het monopolie van Christus, terwijl Martha verschroeit voor het vuur. Voorwaar, dat was geen kleine zaak, waar zij zich dien dag mede bezig hield, het gereed maken van een flinken maaltijd; want Christus was hongerig en het was niet dikwijls, dat hij een weelderig middagmaal had. Ai mij! als de verantwoordelijkheid van eten en drinken op Maria had gerust! Wat zouden zij dan op tafel hebben gehad!
En toch was er iets in de keuken, dat niet goed ging. Misschien dat het vuur niet wilde branden, of dat het brood niet wilde bakken, of dat iets zwart uit den oven kwam, dat er bruin uit had moeten komen, of dat Martha zich brandde! Het een of het ander was het! Maar Martha vergat haar deftigheid voor deze gelegenheid, en met het zweet op haar voorhoofd liep zij de keuken uit, de ontvangkamer in, misschien met de tang in de eene hand, en den emmer in de andere hand, en riep zij uit: „Heere trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.quot;
Christus had geen hard woord voor haar. En al waren het harde woorden, ik zou van Hem liever harde woorden hebben dan van alle andere menschen een zegen. Daar was niets bitters of scherps in het
204
antwoord van den Zaligmaker. Hij wist, dat Martha bezig was geweest met zich af te tobben om voor Hem wat eten gereed te maken, en Hij had waardeering voor haar goedheid; en in dat gevoel was het, dat Hij zeide: „Goede vrouw! maak geen onmin om den maaltijd, dat komt wel te recht; kom hier zitten op de bank naast uw zuster Maria: laat ons over wat anders praten. Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar één ding is noodig.quot;
Terwijl Martha bij de geopende deur staat, krijg ik een blik, achter haar om, niet alleen in de zorgen, moeiten en beproevingen van haar huishouding, maar vau vele, vele huishoudingen. En daarover is het, dat ik nu wensch te spreken, indien de Heere van Maria en Martha en Lazarus mij wil bijstaan met Zijn genade.
In de eerste plaats zie ik, toat het zijn moet voor de huisvrouw, om niet gewaardeerd te icorden.
Dat was het, wat Martha in Maria zoo onaangenaam vond. Maria, de jongere zuster, besefte nauw-lijks iets van de huishoudelijke moeiten en lasten der andere zuster.
Even als tegenwoordig, wanneer het aan de mannen eens niet voordeelig is gegaan op de fabriek of in den winkel of op de beurs, en zij 's avonds t'huis
205
komen, en de vrouw hooren vertellen van wat zij gehad heeft in haar huishouden, en zij haar antwoorden; „O! dat is niets! gij moest eens een dag op de fabriek zijn, en tien of twintig of honderd knechts onder u hebben; dan zoudt gij eerst weten wat ergenis is; gij kunt nog niet medepraten.quot;
O man ! laat mij u zeggen, dat een vrouw en moeder de zorg en het bestuur heeft over een universiteit, een kleerenmagazijn, een restauratie, een waschin-richting, een bibliotheek, alles bij elkander, en dat zij tegelijkertijd de dokter, de politiecommissaris en de president van haar geheele koninkrijk heeft te zijn! Zij heeft honderd dingen om op te letten, en honderd dingen om zelve te doen, en alles moet goed, en mag niet verkeerd gaan; en dat is het, wat de zenuwen en de hersenen van een vrouw op een meer dan zwaren proef stellen.
Ik weet wel, dat er uitzonderingen zijn op den regel. Somtijds zult gij een vrouw aantreffen, die den geheelen d^g in een gemakkelijken stoel kan zitten met een boek in de hand zonder zich iets aan te trekken van wat er in de andere kamers gebeurt; en die alles aan de dienstboden maar overlaat, die een groot loon hebben en er goed voor berekend zijn; maar dit is een uitzondering. Ik spreek van al de andere, ontelbare huisvrouwen, voor wie het leven een strijd is, en die tegen dat zij dertig zijn, er uitzien alsof zij veertig zijn.
De gesneuvelden te Chalons en te Austerlitz en te Waterloo zijn weinigen in getal, in vergelijking met
206
degenen, die het leven verloren hebben in den strijd tegen de huiselijke zorgen. Loop eens naar buiten op een schoonen dag, en ga eens de opschriften lezen op de graven. Zij zijn allen mooi en dichterlijk, die opschriften; maar als die graven de waarheid konden vertellen, dan zouden duizende van die graven zeggen: „Hier ligt een vrouw, die gedood is door te veel naaien en verstellen en koken en wasschen.quot; Het wapen, waarmede zij geveld werd, was een bezem, of een naaimachine, of een potlepel.
De huisvrouw is 's morgens reeds het bed uit, als zij nog niet half haar rust heeft gehad. Op een onherroepelijk vast uur moet zij het ontbijt klaar hebben. En als de kachel dan niet wil branden? En als de klok 's nachts stil is gaan staan? En als de bakker er nog niet geweest is? Het doet er niet toe; het ontbijt moet klaar zijn op dat onherroepelijk vaste uur.
Dan moeten de kinderen klaar voor school. En als de kleeren dan niet heel zijn? En als zij dan hun lessen nog niet kennen ? En als de hoed of de handschoen niet te vinden is ? Het doet er niet toe; zij moeten klaar zijn voor school.
En dan moet eens even overdacht, wat er te doen is voor vandaag! En als de slager dan oneetbaar vleesch zendt? En als de kruidenier vervalschte levensmiddelen levert? En als er van de zilveren lepels en vorken één weg is, of als het glas, waar de vader zoo gaarne uit drinkt, gebroken is, of als ergens een lek is in de goot, of als er een van de andere duizend onheilen gebeurt? Het doet er niet toe. Alles moet klaar zijn.
207
De lente is in het land, en daar begint de revolutie in al de kleerkasten; of de herfst is aangebroken, en een tegenrevolutie breekt uit. Maar wat, als de mot de kast is binnengegaan eer dan gij ? En wat, als de kleeren van verleden zomer of winter de kinderen niet meer passen? En wat, als zij uit de mode zijn geraakt? Het doet er niet toe; alles moet klaar zijn.
Soms moet het huis eensklaps veranderd worden in een ziekenhuis en apotheek: en dan moet er hulp zijn voor alle soorten van kwalen; iets om verlichting aan te brengen voor de kroep; iets om verkoeling aan te brengen, zóó heet als het kind is; iets om de ontstoken plaats te pappen; iets om de tandjes, die op het doorbreken zijn, te helpen; iets om de pijn in het oor wat weg te nemen!
O man van -zaken! als gij voor zooveel dingen te zorgen hadt als ik daar opnoem, dan zoudt gij al lang een geschikt candidaat zijn geweest voor het gekkenhuis ! En als uw Martha, onder zulke omstandigheden, eens ongeduldig uw studeerkamer of de huiskamer komt binnenloopen, wees gij geduldig, wees gij zachtmoedig !
O mijn zusters! al kan mijn woord het niet gedaan krijgen, dat alle mannen uw zwoegen gaan waardeeren, laat mij u verzekeren, dat, naar de vriendelijkheid te oordeelen, waarmede Christus Martha bejegende, Hij wel waardeering heeft voor al uw beproevingen en zorgen van den zolder tot den kelder; u verzekeren, dat de God van Debora, en Mirjam en Abigail, de God is van de huisvrouw!
208
Christus huwde nooit; en daardoor is het, dat Hij de bijzondere vriend en vertrouwde kan zijn van alle bedroefde en neergebogen vrouwen der geheele wereld. Neen, ik vergis mij. De Bijbel zegt, dat de Kerk „de bruid des Zoonsquot; is, en als zoodanig heeft elke vrouw het recht om met al haar verdriet en haar verlegenheid en haar vermoeidheid tot Christus te gaan; Hij heeft met eede bezworen, dat Hij als trouwe Bruidegom deelen wil in al haar smarten.
Een jonge vrouw, die een schitterende opvoeding had genoten, en goed rijk was, moest beneden in de keuken eens helpen, omdat de meid om een boodschap was. Er werd gebeld, en zij ging zelve de deur open doen. Dat was een van haar aanbidders, dien zij binnen liet. „Ik dacht dat ik muziek hoorde in huis,quot; zeide deze hoffelijk, „was het uw harp of de piano?quot; „Wel neen,quot; zoo lachte zij hem uit, „het was de muziek van de braadpan, die den pot accompagneerde. Begrijpt gij het niet? Ik moest in de keuken helpen. Ik begreep, dat ik het toch eens moest leeren, en nu ben ik maar begonnen.quot;
Wanneer zal de wereld leeren, dat elk werk, dat goed is, geen schande is, maar een eer?
Terwijl Martha in de geopende deur staat, krijg ik een blik, achter haar om, niet alleen in de zorgen, moeiten en beproevingen van haar huishouding, maar
209
van vele, vele huishoudingen. En in de tweede plaats zie ik. wat het zijn moet voor de huisvrouw, om het zoo heel zuinig te moeten doen, en nog bijna niet rond te komen.
Van de duizend huisvrouwen zijn er negen honderd negenennegentig, die niet anders dan alleen zeer zuinig kunnen rondkomen, en die meer of minder het drukkende van dezen last gevoelen. En dat zal vooral het geval zijn, waar de man-gewoon is dure sigaren te rooken en in dure restauraties zijn eten te gebruiken, terwijl zoo iemand tegelijk de ware man er naar is, om te huis zijn vrouw het ernstig op het gemoed te drukken, dat zij zuiniger moet doen. Dat is het, wat honderde vrouwen doodt, — de poging om van een gulden er twee te maken.
Het is verbazend, hoe sommige mannen het geld voor het huishouden beknibbelen. Als gij geen geld hebt, zeg het dan. Hebt gij het wel, geef het dan gaarne; gij kunt het niet beter besteden. Uw vrouw zal verstandig genoeg zijn, om niet meer te vragen, als gij niet meer hebt.
„Hoe lang duren de wittebroodsweken, moeder?quot; vroeg een jonge vrouw, die op het punt van trouwen stond. De moeder antwoordde: „De wittebroodsweken, kind! duren zoolang totdat gij uw man om geld gaat vragen.quot;
„Hoeveel hebt gij noodig?quot; vraagt de werkman. — „Een gulden.quot; — „Een gulden? Kunt gij niet met vijftig cent toe? Gij hebt altijd een gulden noodig.quot; Die dertigjarige oorlog tegen hooge prijzen, die nimmer
Tromvring. 14
210
eindigende poging om de uitgaven met de inkomsten te dekken, heeft ontelbare huisvrouwen ten onder gebracht.
Welnu, laat ik haar zeggen, dat dit een deel is van Gods wijze tucht. Als het goed voor u zijn zou, dan zou alles wat gij hadt te doen, niets meer zijn dan dit: de vensters te openen vóór aan uw huis, en de raven zouden binnenvliegen met brood; en nadat gij vijftig maal een brood gebakken hadt van het meel in het vat, evenals uit het onuitputtelijke vat van Zarfath, zou het vat nog vol zijn; en de schoenen van uw kinderen zouden het even lang uithouden als de schoenen der Israëlieten in de woestijn, — veertig jaren.
O, mijn vrienden! al deze huishoudelijke beproevingen en lasten dienen daartoe, om u tot den hemel voor te bereiden; want te schitterender zal daar voor u de tegenstelling wezen. Aan een stervend soldaat vroeg eens zijn vriend: „Hebt gij nog wat aan uw vader te zeggen?quot; - „Ja,quot; zeide hij, „zeg hem, dat ik naar huis ben gegaan.quot; — „En,quot; vroeg de vriend, „hebt gij ook nog wat aan uw vrouw te zeggen?quot; -„Ja, zeg haar, dat ik naar huis ben gegaan.quot; — „En aan uw vrienden, moet ik hun ook nog iets van u zeggen?quot; — „Ja, geef hun dezelfde boodschap; zij zullen het allen begrijpen; zeg hun, dat ik naar huis ben gegaan.quot; En dat hemelsche huis daar boven zal een vergoeding, zal een volkomen vergoeding zijn voor al de ongemakken, en voor al den druk, en voor al de kwellingen van het aardsche huis hier
211
beneden. In dat land lijdt niemand meer honger, en derhalve behoeft geen moeder er meer beangst te zijn, waarmede zij den honger van haar kinderen zal stillen. In dat land der witte kleederen behoeven zij geen verstelwerk meer te doen; en de lucht op de groene heuvels maakt allen gezond. Zij behoeven er geen huishuur te betalen; iedereen heeft er een eigen huis, en een schoon huis zal het zijn. De verandering zou voor u zoo groot niet wezen, als gij op aarde altijd eigen rijtuig hadt gehouden, om in te stappen in den hemelwagen met vurige paarden. De verandering zou voor u zoo groot niet wezen, als gij op aarde altijd overvloed en weelde om u heen hadt gehad. De verandering zou voor u zoo groot niet wezen, om daar mede te zitten aan de oevers van de rivier des levens, als gij op aarde ook reeds een zomerhuis hadt gehad buiten op het land. Maar stel u daartegenover voor de vreugde, die gij nu zult smaken, met vermoeide voeten in te stappen in des hemels wagenen! En evenzoo de vreugde, die zij zullen hebben, voor wie het aardsche huis daarbeneden slechts een martelaarschap was, als zij zullen ingaan in dat huis, waar zij nooit meer iets zullen behoeven te doen als een last! Wat een verandering, dan den scepter in de hand te houden, vergeleken met den tijd toen zij den rolstok hanteerden! Als Chatsworth-Park en het paleis van Vanderbilt werden overgeplaatst in de Hemelsche Stad, dan zouden zij daar onbewoonbare rookerige hutten gelijken, en zelfs Lazarus zou zich schamen om daar in en uit te gaan, zoo groot
212
en heerlijk zijn de paleizen, die Gods dierbare kinderen wachten, en zooveel grootscher is de hemelsche bouwkunst dan de aardsche.
Dikwijls is het niet alleen het werk, wat aan de huismoeders een last is en een zorg, maar veelmeer is het de eene of andere krankheid, die zij onder alles door nog mede te dragen hebben.
Het is wezenlijk waar, dat de helft van de vrouwen in ons land invaliden zijn, iets hebben, daar zij aan lijden.
Dat een meisje uit de bergen nooit ziek is of nooit pijn heeft en het huiswerk licht vindt en gemakkelijk, en van geen moeheid iets afweet, als het 's avonds de bergen opgaat om het vee te zoeken en huiswaarts te drijven, en als het tot 's avonds tien uur de berghut laat weerklinken van haar gelach en haar gezang, — natuurlijk! Maar om het huiswerk te doen met een ziekelijk gestel, nadat de kinderen zes weken den kinkhoest hebben gehad, zoodat er van slapen al dien tijd niet veel is kunnen komen, dat is wat anders!
En hoe dikwijls gebeurt dat niet, dat het huiswerk al weer aangevat moet worden, terwijl de zenuwen nog niet eens zijn hersteld van een schok en een scheiding, die alle kamers verlaten en eenzaam hebben gemaakt, en die de wieg van de huiskamer naar den zolder deden verhuizen, omdat die er in lag, in een slaap is geval-
213
len, waar geen moeders-wiegeliedje ooit meer voor noodig zal zijn.
Ach! het viel haar toch wezenlijk nog gemakkelijker om voor het geheele getal te zorgen, toen zij nog allen bij elkander waren, can nu er eenigen zijn weggegaan! Gij moogt haar vertroosten en zeggen, dat haar gestorven kinderen in Gods armen liggen op Zijn schoot, maar, als een echte moeder, zal zij wenschen ze in haar eigen armen te hebben op haar eigen schoot. Een kudde hierbeneden, en een kudde daarboven, — het is heel gelukkig, dat het zoo is, — maar zij zou liever één kudde willen hebben, en zij in het midden daarvan. Zij zou de zorg van de anderen ook nog op zich willen hebben. En ten slotte is er toch niets, dat de vrouw door al haar huiselijke nooden heenhelpt, dan die oude godsdienst van Jezus Christus. Al die nieuwerwetsche godsdiensten geven niets. Zij helpen niet. Zij geven geen troost, als er een dood kind is in huis. Weg er maar mede! En geef ons den ouden godsdienst van Jezus Christus weerom, die al zoovelen heeft getroost in hun dagen van smart en van rouw.
Men kan wel beproeven om het huishouden romantisch in te richten, zooals het in de boeken staat, en een tijd lang kan zoo de troost van den godsdienst wel gemist, niet eens noodig geacht worden. Zeker! En het beste gelukt die proef in een jong huishouden, dat daar pas de bruiloft achter den rug heeft gehad. Daar voelt men geen huiselijke zorg, bij
214
de gedachte, dat zij nu voor goed bij elkander wonen, en dat er, als de avond daalt, niet een naar huis behoeft te gaan, zooals in den engagementstijd. Al de kleine teleurstellingen en moeiten in dat huishouden, — zij tobben er niet over, maar zij lachen en schertsen er om. Oud brood aan tafel doet hem nog niet zuur zien, den jongen man, maar doet hem plagend vragen, of dat een steen is uit het voorhistorische tijdperk, terwijl zijn oogen zoo heel iets anders zeggen dan zijn mond. O! het is zulk een helder en vroolijk licht, dat daar schijnt in de kamer van een jonggehuwd paar. En het romantische van dat leven vergoedt alles, verzoet alles, wat voor een oogen blik bitter had kunnen smaken.
Maar na eenigen tijd, dan is dat romantische toch verdwenen, en de jonge vrouw staart droef uit het venster, met den blik heel, heel in de verte, alsof zij zocht naar iets, dat zij heeft verloren. En de jonge man is stroef, en ziet zwart, en spreekt weinig, — en het is niet anders, dan omdat ook hij voelt, dat er iets is, dat ook hij heeft verloren.
Verloren! neen! gij hebt het nog nooit zelfs gehad, jonge vrienden! Wat gij voelt dat gij mist, is het hemelse,he geluk. Uw ziel is niet tevreden met een spel, en een vertooning en een scherts. Daal neder, Heere God! het ware huiselijk geluk is van U, van U alleen!
Salomo schreef uit eigen ongelukkige ervaring — want hij was zeer ongelukkig getrouwd — want geen man kan gelukkig leven met twee vrouwen, veel minder met zeven honderd: „Beter is een gerecht van
215
groen moes, waar ook liefde is, clan een gemeste os, en ook haat daarbij.quot; Welk een verant A'oordelijkheid hebben de huisvrouwen! Koningen, doordat zij aan een slechte spijsvertering leden, hebben koninkrijken verloren, en veldheeren hebben veldslagen verloren om dezelfde reden. Een van onze groote statistici zegt, dat er op de duizend ongetrouwde mannen dertig misdadigers zijn, en op de duizend getrouwde mannen achttien misdadigers; toont dat niet de macht en den goeden invloed van het huiselijk leven? Wat een verantwoordelijkheid hebben de huisvrouwen! Met het eten, dat zij opdisschen; met het bed, dat zij opmaken; met de boeken, die zij laten lezen; met al haar invloed te huis van den morgen tot den avond, zijn zij aansprakelijk voor het lichamelijk, verstandelijk, zedelijk en eeuwig welzijn van het menschelijk geslacht. Welk een verantwoordelijkheid!
Die vrouw, die heden in Gods huis hier zit, wordt te huis misschien gansch niet gewaardeerd. Zij is te huis de kassier, de directeur, de bankier, de betaalmeester, de discontoklerk; en er is altijd iets van een paniek aan de lucht. God weet haar zorgen en haar angsten, en Hij weet dat deze preek geen nut-telooze preek is, en dat er hier honderde vrouwen zijn, die hopen dat de Goddelijke genade haar niet alleen zal laten, als voor haar de ure van moeite en huiselijke zorgen gaat aanbreken.
216
De wereld hoort van haar beproevingen nooit iets. Zij spreken er nooit over. Zelfs de folteringen van de inquisitie zouden bij haar de waarheid er niet uit krijgen. Zij houden het stil. Zij zeggen niets. Zij verdragen maar, en zullen het verdragen totdat God en het oordeel haar recht zullen doen.
„Maar,quot; zegt iemand van de zusters hier, „zijt gij nu niet eigenlijk bezig met het te doen voorkomen, alsof het leven van een huisvrouw een en al opoffering en zelfverloochening is en moet zijn?quot;
Zeker, mijn zuster! en dat is de eenige manier van leven, die de moeite van het leven waard is.
Dat is het leven geweest van Florence Nightingale; dat is het leven geweest van Edward Poyson; dat is het leven geweest van den Heere Jezus Christus; dat is het leven van ieder man of iedere vrouw, die gelukkig is — een leven van zelfverloochening.
Die menschen, die voor zichzelven leven, — zijn zij gelukkig? Toon mij er eens één. Ik geef u verlof om dien éénen te zoeken onder al de natiën dei-aarde. — Niet gevonden? — Neen, niet gevonden!
Het zijn alleen de zichzelf verloochenende men-schen, die gelukkig zijn, want God geeft hun weder, op schitterende en ongeëvenaarde wijs, de eeuwige verzadiging hunner zielsbegeerte.
Zelfverloochening! Ja, wij willen haar wel bij anderen bewonderen. Maar hoe weinig brengen wij zeiven haar in toepassing! Hoeveel is het, dat wij bereid zouden zijn voor anderen te dragen, te verduren?
Daar was eens een zeer ruw schoolmeester; en een
217
jongen had tegen de regels van de school gezondigd; en de meester beval hem om bij hem te komen. ,.Trek dadelijk uw kiel uit,quot; zeide hij, „slagen hebben zult gij.quot; Maar de jongen deed het niet, en nog boozer zeide de meester: „Trek uw kiel uit, zeg ik u; dadelijk!quot; Maar de jongen weigerde alweder. Het was niet omdat hij bang was voor de lat; daar was hij te huis wel gewoon aan geworden van zijn eigen ruwen vader. Maar het was uit schaamte, want hij had geen onderkleeren; en toen hij ten laatste zijn kiel uittrok, ging er een kreet van medelijden op van al de banken, toen zij zagen waarom het was, dat hij zijn kiel niet had uit willen trekken, en toen zij zagen, hoe zijn schouderbladen bijna door het vel heen staken. Toen de meester zijn lat ophief om te slaan, sprong er een flinke jongen met rozen op de wangen uit de bank, en zeide: „Houd op, meester, sla mij! 't Is zoo'n arme jongen; hij zal het niet uit kunnen houden, sla mij!quot; „Zoo,quot; zeide de meester, „wilt gij in zijn plaats de slagen hebben, mij wèl; maar denk er om, het zal niet min wezen, want hij heeft heel wat verdiend.quot; De jongen zeide; „Goed, meester! het kan mij niet schelen; hij is zoo'n arme jongen; ziet gij niet, dat de ribben hem door het vel heen steken? Sla mij maar!quot; En toen de slagen neerkwamen op den rug van den knaap, toen gaf die gezonde, stevige jongen geen enkelen schreeuw; hij verdroeg het zonder één klacht.
Van zulk een jongen zeggen wij allen; „Bravo! bravo! Dat is mooi!quot;
218
Ja, dat is de geest van Christus!
Hoeveel slagen, hoeveel smaad, hoeveel angsten zoudt gij wel van anderen willen afnemen om ze voor hen te dragen?
Ach! dat wij iets mochten hebben van het hart van dien jongen!
Ja! dat wij iets mochten hebben van den geest van Christus; want denken wij er aan, de gelegenheid om in onze bezigheden, in onze zaken, in ons leven binnenshuis en in ons leven buitenshuis iets te doen in zelfopoffering voor anderen 'zal spoedig genoeg voorbij zijn!
JESAJA 3 vers 16, 18-23.
„Nog spreekt de Heere: Dewijl Zions clochteren zoo trotsch zich houden, en daarheen gaan met uitgestrekter, hals, met de oogleden geblanket, met trippelenden tred, als met gekluisterde voeten: — In dien dag zal de Heere afrukken den tooi der voetringen; de zonnetjes en de maantjes, waarmede zij zich sieren; de paarlen en armbanden en sluiers; de kapsels en voet-ketentjes; de gordels en reukdoosjes en amuletten; de ringen en neussieraden; het kostbaar overkleed en het gewaad, en de mantels en de tasschen; de zijden stoffen en linnen onderkleederen, en de hoofd- en boezem-hulsels.quot;
Ziehier een Jeruzalemsche modeplaat. Zij verplaatst ons in een tijd, zesentwintig honderd jaren terug, verplaatst ons in een oude stad. Mannen en vrouwen gaan en komen de straat af, — een vroolijk gezicht. Het is midden in het seizoen.
De gewone verstandige menschen loopen in zoo bescheiden kleederdracht, dat zij onze opmerkzaamheid nauwlijks trekken.
Maar daar komen de aristocratiscne dochters van Jeruzalem! Onnatuurlijke coquettes! Maar schoon genoeg, dat is zeker! Maar trotsch en ijdel en vol kunsten, in haar blanketsel, in haar kleeding, in haar gang, in haar houding; zooals mijn tekst haar beschrijft: „Zij gaan daarheen met uitgestrekten hals, met trippelenden tred, als met gekluisterde voeten.quot;
Zie, dat is een prinses. Kijk, dat is een zwaardveger uit Damascus. Dat is een koopman uit Syrië.
Het rinkelen der ketentjes, het zwieren van de hoofddoeken, en al dat algemeen vertoon van opschik trekken de aandacht van den profeet Jesaja, en een billijke ergernis doet hem luide spreken en met verachting dat alles veroordeelen, en bewaart aldus voor
222
ons die schilderij van Jeruzalem's straten voor alle tijden.
De schilderij alleen! Want waar zijn die vroolijke straten zelf? Waar zijn die mannen en schoone, ijdele vrouwen? Waar zijn de handen, de armen, de halzen, de aangezichten, de schouders, de voeten, waar al dat mooie sieraad aan hing?
Asch, asch, asch.
Dat wij allen gekleed moeten loopen, daar is geen twijfel meer aan, sedert in het Paradijs het eerste kleed uit de kast werd gehaald, van donker groen. Dat wij, zoover als onze middelen het toelaten, ons zoo goed en zoo sierlijk mogelijk moeten kleeden, dat blijkt uit het feit, dat God nooit golven maakt, of Hij versiert ze met gulden zonnestralen; boomen, of Hij hangt er kransen van bloesems aan; hemelen, of Hij strooit er sterren tegen aan. Zelfs den rook van een schoorsteen laat hij nooit opstijgen, zonder hem de vormen te geven van zuilen, kolommen, krullen, en wolken, van de schoonste ronding. Als ik de appel- en pereboomgaarden aanzie in de lente, en de praalvertooning der bosschen in den herfst, dan kom ik tot het besluit, dat, al mag de natuur eenige overeenkomst hebben met de Kwakers in het stille en het zwijgende van haar godsvereering, zij nooit een Kwaker worden zal in de wijze van zich te kleeden. Waarom die kerfjes op het blad van den
223
varen, en waarom die sierlijkheid in de meeldraden van de waterlelie ? Waarom laat de dag, als hij heengaat, de poort van den hemel zoo lang openstaan, terwijl hij toch in eens de poort kon binnengaan en haar sluiten? Op een morgen heb ik eens een milli-oen speren gezien, elke speer met een diamant aan de punt van het edelste water — ik bedoel het gras met den dauw er op.
Toen de verloren zoon te huis kwam, gaf zijn vader hem niet alleen een kleed voor de naaktheid van den rug, maar juweelen aan de vingers; Christus droeg een baard; Paulus, de ongetrouwd gebleven apostel, die nooit sentimenteel is geweest, had bewondering voor de schoone vlechten van een vrouwenhoofd, toen hij zeide in zijn brief; „Zoo een vrouw lang haar draagt, het is haar een eer.quot; Zoo goed als er een mode is op aarde, zoo goed zal er een mode zijn in den hemel, maar een heel andere mode. De lieden uit dat land, toen zij een kleur kozen voor hun gewaad, hebben beslist bij eene schoone wet, dat het witte kleederen zullen zijn, die daar gedragen moeten worden.
Ik zeg deze dingen vooraf, om te laten zien dat ik op het punt van kleeren volstrekt niet stijf of kleingeestig ben.
Maar de godin van de mode heeft haar troon opgericht in dit land, en op het geluid der trommelen verwacht men, dat allen zich zullen neerbuigen en aanbidden! Haar altaren rooken met de offers der
224
lichamen en der zielen van tienduizend verslagenen.
En daar moet tegen geprofeteerd!
Als ik de slachtoffers der mode ga tellen, dan vind ik er evenveel onder de mannen als onder de vrouwen. De mannen kunnen gemakkelijk genoeg de vrouwen beschuldigen, dat zij de voornaamste aanbidders zijn in dien afgodischen tempel. En misschien, dat op dit oogenblik reeds de heeren in de bank veelbeteekenen-de blikken werpen naar de damesbanken daar over, alsof zij verwachten dat het woord van den kansel heden morgen in die richting wel iets zal laten vallen. Maar ik kan u verzekeren, dat mijn preek voor den een zoowel als voor den ander iets te zeggen heeft.
De mannen zijn veel meer de slaven van de mode dan de vrouwen; maar zij offeren aan een andere zijde van het altaar. Bij de mannen is het de mode om aan rooken te doen, om van een societeit lid te zijn, om een zeiljacht te houden, en wijnavondjes te hebben. In de Vereenigde Staten kauwen en rooken de mannen één honderd millioen dollars aan tabak per jaar.
Dat is nu zoo hun mode.
En dat nu de mannen op hun kleeren geen garneersel of kant of iets anders van dien aard gebruiken, is volstrekt niet, omdat zij meer van eenvoudigheid houden dan de vrouwen. Het is alleen maar, omdat zij er geen last van willen hebben bij hun werk. Wat zouden zij er aan hebben, aan sjerpen en slepen van drieëneenhalf el lang, op de effectenbeurs? En evenwel zijn de mannen evejn kieskeurig en grillig op hun kleeren als de vrouwen. Sommigen van hen
225
dragen laarzen, die zoo nauw zijn, dat zij nauwlijks op de paden der gerechtigheid kunnen wandelen; en zoo zijn er mannen, die de kostbaarste stellen kleeren koopen, zonder ze te betalen; en zoo zijn er anderen, die langs de straten loopen in groote strepen en ruiten, zoodat zij levende, wandelende schaakborden gelijken.
Ik zeg deze dingen alleen, om u te toonen hoe onpartijdig ik ben in mijn redevoeringen, en hoe ik beide seksen altijd gelijk op laat deelen.
Moge God mij helpen, wanneer ik nu de kwade gevolgen u laat zien van onwelvoegelijke kleeding of van de slavernij der mode!
Het is een eenvoudige waarheid, die gij allen kent, al is zij nog nooit van eenige preekstoel uitgesproken, dat de manier, waarop vele vrouwen zich kleeden in onsen tijd, voor vele menschen de oorzaak is van tijdelijk en eeuwig verderf.
Daar is een onbeschaamdheid in het toilet bij de zoogenaamde hooge kringen, waar een protest tegen moet opgaan. Het streven van velen schijnt daarop uit, om te zien hoe dicht zij bij den rand van den afgrond der onbetamelijkheid kunnen komen, zonder er in te vallen. De losbandigheid bij de mannen zal niet verminderen, voordat er een bepaalde hervorming is gekomen in de manier, waarop de vrouwen zich kleeden.
Ik sta geheel en al aan de zijde van dien politie-
Trouwring. i ^
226
commissaris, die gedurende den vorigen winter bij een levée te Philadelphia naar een zoogenaamde dame toetrad, en haar gebood, wegens haar onbetamelijk weinige kleeding, om het huis te verlaten of zich on-middelijk anders te kleeden.
Hoog tijd is het, dat onze goede en verstandige vrouwen een ernstig protest indienen tegen die fatsoenlijke onbetamelijkheden; en als onze huismoeders niet practisch hun afkeer van die buitensporigheden in de kleeding der vrouwen gaan betoonen, door zeiven het voorbeeld der betamelijkheid in kleedi] te geven, dan vind ik, dat het hoog tijd wordt voor de mannen om hun vrouwen hierover in rechten te gaan vervolgen, en om aan hun dochter te zeggen: „Uw moeder verbiedt het u niet, maar ik verbied het u.quot;
Het euvel gaat overheerschend worden, en het is een ontzettend euvel.
Ik geloof ook, dat het Amerikaansch tooneel veel schuld heeft in dezen.
Ik ga zelf nooit naar de komedie, en daarom dat ik mij moet beroepen op de ervaring van anderen, bijvoorbeeld van tooneeldirecteuren en tooneelspelers zooals Gilbert, Palmer en Bandmann. Zij hebben het ons laatst zeiven gezegd, dat het optreden der actrices, „suffisamment decolletées,quot; de pest is voor het theater, dat door sommigen nog altijd beschouwd wordt als een school der deugd, en in dezen zelfs als een hoogere school dan de kerk.
De heer Palmer zegt: „Over het geheel zijn de
227
tooneelvoorstellingen oneerbaar en verderfelijk. De tooneeldirecteuren leggen het er op aan om zoo dicht mogelijk bij de verboden lijn te komen, zonder in de handen der wet te vallen. Nog op geen enkel tooneel in onze stad, nergens, zijn er zulke costumes gedragen als er onlangs gedragen zijn door de koristen van de nieuwe opera comique.quot; Aangaande de operazangeressen zegt hij: „Het is niet zoozeer de quae^tie, of zij kunnen zingen, dan wel of zij willen contracteeren het minimum van kleeren aan te hebben bij de uitvoeringen.quot;
De heer Bandmann, die negen-en-twintig jaren aan het tooneel is verbonden geweest in bijna alle groote steden, ook van Europa, zegt: „Zonder eenige aarzeling constateer ik, dat de smaak van het tegenwoordige Amerikaansche theaterpubliek, over het geheel genomen, een vuile en gemeene smaak is. De Hindoe zou met walging van zulke tafereelen zich afkeeren, als hier in ons land juist verlangd en toegejuicht worden op het tooneel. Onze winkelramen en onze muren hangen vol van platen en aanplakbiljetten, die een schande zijn voor zulk een verlicht volk als het onze, en die een beleediging zijn voor het oog van een beschaafd mensch.quot;
De heer Gilbert zegt: „Zulke uitstallingen zijn de ondergang van de goede zeden onzer maatschappij. Zijn dat schilderijen en platen, die goed zijn om er naar te zien voor onze mensch en? Een schande is het!quot;
Ik, die geen komedie bezoek, ik moet mij houden aan de getuigenissen van de vrienden van het theater,
228
welke ik bevestigd zie op de advertentieborden en op ■de platen voor den winkel, die het duidelijk genoeg toonen, hoe de actrices zich kleeden.
Ik veronderstel dat zij daarop afgebeeld zijn, zooals zij werkelijk zijn; want zijn die afbeeldingen in de reclame onwaar, dan plegen die zoogenaamd nuttige en zedelijke comedie's een leelijk bedrog, met de men-schen naar het theater te lokken door de belofte van halfnaakte vrouwen te laten zien, welke belofte zij dan niet vervullen.
Zie, dat alles maakt het publiek gemeenzaam met onbetamelijke kleedij, en leert de publieke conscientie gaandeweg zwijgen, waar het spreken moest met heilige verontwaardiging.
De salon en de huiskamer wedijveren nu reeds met het theater en de opera boutfe. Waar kleedt men zich nog het betamelijkst? Ik weet niet wie het wint, zoo houden zij elkander bij; misschien dat de laatsten nog wat voor zijn. Maar de salon en de huiskamer winnen hard op de anderen, en de tijd is misschien spoedig op handen, dat de helft van alle duivelen in de handen zal klappen, omdat de huiskamer het gewonnen heeft in onbetamelijke kleedij, en dat de andere helft van alle duivelen in de handen zal klappen en beweren, dat het theater het gewonnen heeft in onbetamelijke kleedij.
O! laat toch de pers, en de platform, en de predikstoel hun vloeken slingeren tegen de onbeschaamde stoutmoedigheid, waarmede de vrouwen zich kleeden, of, niet kleeden.
229
Ik bezweer u. gij Christelijke vrouwen! om noch door de snit van uw japon, noch door losheid of stijfheid van uw kleed, de zaakwaarnemers te zijn van den Booze.
Toon mij de modeplaten van welk jaar gij wilt tusschen onzen tijd en dien van Lodewijk XIY van Frankrijk, of Hendrik VIII van Engeland, en ik zal u zeggen, hoe het met de zeden stond of niet stond ia elk van die jaren. Die regel gaat vast, en laat geen uitzondering zien.
Zedige kleedij beteekent een zedelijk, heilig volk. Onzedelijke kleederdracht beteekent altijd een bezoedelde en ontaarde maatschappij.
Het is niet alleen dat onbeschaamde, maar ook het buitensporige in de kleeding, dat tegengegaan moet worden. Dit laatste is oorzaak van oneindig veel roekeloos bedrog. Weet gij wel dat Arnold, bij de omwenteling, voorstelde om zijn land te verkoopen, om geld te hebben voor betere kleeren? Ik verklaar hier voor God en al dit volk, dat al die pogingen om een mooi huis en mooie kleeren te hebben meer kooplieden doet failliet gaan dan alle andere oorzaken bij elkander. Dit is het gewoonlijk, wat eertijds knappe boekhouders een toevlucht doet nemen tot valsche balansen, en wat directeuren van een levensverzekering mein-eedige verklaringen doet afleggen van hun boedel, en wat sommigen van hen in het tuchthuis brengt, en
230
wat al onze Amerikaansche financiën naar den Duivel helpt.
Maar wat behoef ik u op die groote faillieten te wijzen, als het gevolg van dat ellendige mooie leven boven zijn stand in meubels en in kleeding? Kent gij zeiven niet menschen bij dozijnen, in uw eigen omgeving, die door dezelfde oorzaak geen raad meer weten en in den brand zitten van Januari tot December? Geen wet en geen staatsinstelling verhoogt en verbetert den geldelijken staat van ons land, tenzij wij leeren op ons hoofd en aan onze voeten en op onzen rug en aan onze handen niet meer te dragen, dan wat wij betalen kunnen.
Daar zijn kantoorklerken en ambtenaars, die van een beperkt salaris moeten leven, en die in de wanhopige poging om de kleerkast van hun gezin even fijn in orde te houden als de kleerkast van andere menschen, den dood sterven aan moffen en bont, en diamanten en kemelsharen shawls, en dure hoeden, behalve aan wat zij voor zichzelven verteren aan wijn en sigaren, arme drommels! En zij sterven vóór hun tijd natuurlijk, en in de zekere verwachting, dat, als wij dominé's in het sterfhuis of op het kerkhof de lijkrede komen houden, wij hen zullen roemen als slachtoffers der hoogste zelfverloochening en vaderliefde. En na een begrafenis eerste klasse, in een kist met zilver beslag, zoo mooi als weinigen het hebben, vindt de ondernemer bij slot van rekening een ledige beurs om er zijn onkosten uit te betalen. Vraag mij nooit om de lijkrede te komen houden bij een man,
231
die op die manier is gestorven. Tk zou de geheele waarheid uitschreeuwen, en vertellen, dat hij gewurgd is met de linten van zijn vrouw!
Het land kleedt zich dood, als het zoo voortgaat!
Verbaas er u nooit over, wanneer gij hoort, dat een nieuw gebouw aan de stad New-York weer een rail-lioen dollars meer heeft gekost dan noodig was, als gij tegelijk verneemt dat de man, die voor de stad de aanbesteding uitschreef, meer dan vijfduizend dollars noodig heeft gehad voor de trouwjapon van zijn dochter. Cashmirejaponnen, van duizend dollars elk, zijn niet zeldzaam in Broadway. Men heeft uitgerekend, dat er achtduizend vrouwen in deze twee steden zijn, die alleen voor haar kleeren twee duizend dollars per jaar noodig hebben.
Wat moeten de mannen nu doen om zulke garderobes in orde te houden? Stelen, — dat isheteenige, wat zij doen kunnen! Gedurende de laatste vijftien jaren zijn er ik weet niet hoeveel nette kooplieden te gronde gegaan aan de garderobes van hun vrouw! De verzoeking begint op deze manier: de man houdt meer van zijn vrouw en kinderen dan van alles ter wereld; en als zij nu den avond doorbrengen met hem te vertellen, hoeveel mooier de menschen aan den overkant gekleed gaan dan zij, en dat het eigenlijk een onverdraaglijk gezicht is, zooals zij van den overkant haar de oogen er mede uitsteken, dan is dat ook meer dan de liefde en de familietrots van dien man dragen kunnen; en zonder zich geheel rekenschap te geven van wat hij gaat doen, is hij
132
reeds bezig met knoeien in de boeken voor zijn lessenaar, of schrijft hij met zijn prachtig handschrift de naam van een ander achter op den wissel; en ten onder gaan zij, allen te zamen! De man naar de gevangenis; de vrouw overal vragende om een naai-huis; en de kinderen onder de familie verdeeld, die zij vroeger gewoon waren „hun arme familiequot; te noemen.
O! dat er een Shakespeare opstond om vhet treurspel van de kleerenquot; neer te schrijven!
Eerste akte: Een eenvoudige, maar nette woning. Komt binnen: een pas getrouwd paar. Komt binnen: eenvoudigheid in doen en laten. Komt binnen: zooveel geluk als ooit in een huis is gevonden.
Ticeede akte: Ontevredenheid met de nederige woning. Komt binnen: afgunst. Komt binnen: jaloerschheid. Komt binnen: de behoefte aan opschik en weelde.
Derde akte: Vermeerdering van uitgaven. Komen binnen: al de voornaamste kleermakers uit de stad. Komen binnen: de Fransche modistes.
Vierde akte: In de hoogste kringen. Komen binnen: de prinsen en prinsessen van het New-Yorksche leven. Komen binnen: livereibedienden met zilveren schalen. Komt binnen: al wat maar schitterend is.
Vijfde en laatste akte: Komt binnen: de deurwaarder. Komen binnen: de schuldeischers. Komt binnm: de vernedering. Komt binnen: de wrake Gods. Komt binnen: de publieke verachting. Komt binnen: de dood.
Kom, laat het scherm vallen. De grap is ten einde en de lichten gaan uit.
233
Zult gij het mij kwalijk nemen, wanneer ik het met de zachtste woorden zeg, dat sommige mannen in dit land moeten bedriegen en stelen en valsche eeden zweren, om hun vrouws kleeren te betalen? Ik zal het evenwel zeggen, of gij het mij kwalijk neemt of niet.
Buitensporige kleedij is de dood aan alle Christelijke aalmoezen.
Mannen en vrouwen hebben soms zooveel noodig voor hun opschik, dat zij niets meer over hebben voor God en voor de lijdende menschheid.
Een Christen, wiens Palais-Royal-handschoen boven op de hand scheurt, omdat hij zijn hand te veel sloot in de poging om den cent niet te laten zien, dien hij in het collectezakje deed! Een Christelijke vrouw, die bij een verhaal over de Hottentotten overvloed van tranen stort in haar zakdoek van vijf-en-twintig dollars, en dan een cent geeft in de schaalcollecte, hem onder de andere geldstukken en bankjes wegschuivende, opdat de menschen niet zullen weten, dat zij ook een goudstukje gaf! Honderd dollars aan wierook voor de mode — twee centen voor God!
God geeft negentig cent van eiken gulden voor ons. De andere tien cent behooren, volgens het gebod van Zijn Bijbel, aan Hem. Is Hij niet vrijgevig en mild, onze Heere, volgens dit stelsel van tienden geven, zooals wij het vinden in het Oude Testament? Is
234
Hij niet vrijgevig en mild, onze Heere, dat Hij ons negentig cent geeft van een gulden en zelf er maar tien behoudt? Wij vinden de verdeeling niet goed. Wij willen negen-en-negentig cent voor ons zeiven hebben, en één aan God geven.
Welnu, ik zou veel liever tien cent van u willen stelen dan van God. Ik geloof dat een van de redenen, waarom sommige menschen niet beter vooruitkomen in de wereld, deze is, dat zij zich aan dezen van God gestelden regel niet houden. God zegt: „Indien deze man niet tevreden is met negentig cent van een gulden, dan zal Ik den gulden geheel houden, en schenken aan dien man of die vrouw, die eerlijk met Mij handelt.quot;
Niets staat in de Christelijke kerk tegenwoordig de liefdadigheid zoo in den weg als het feit, dat de mannen zooveel uitgeven voor hun tafel, en de vrouwen zooveel uitgeven voor haar kleeren, zoodat zij niets meer over hebben voor het werk van God en voor het lijden der menschheid!
Buitensporige kleedij leidt in de kerk de aandacht der menschen af hij de Godsver eer ing.
Gij weet even goed als ik, dat vele menschen naaide kerk gaan om dezelfde reden als waarom zij naar de wedrennen gaan, namelijk om uit te blinken.
Stel u voor: mannen en vrouwen, die een ziel hebben te verliezen of te behouden, bezig zijnde onder
235
de godsdienstoefening met zich te verbazen, waar dat die man ginds zijn das toch wel kocht, en bi] welke modiste die vrouw toch altijd haar japonnen laat maken.
In verscheidene van onze kerken wordt de tijd, waarin de voorlezer zijn hoofdstuk leest, en den voorzang laat zingen, bepaald gebruikt om over hoedjes en veeren en mantels te praten. Dat is de voorbereiding tot het gebed van den leeraar, die dan optreedt. Dat is de stemming, waarin men zich er toe zet om de predikatie aan te hooren. 't Is zonde!
Is het geen wonder, dat de Heere Zijn bliksem niet loslaat om de bedehuizen te vernielen?
Wat een zwerven der gedachten bij den openbaren eeredienst! Mannen en vrouwen, die op sterven liggen, ten minste, voor wie de dood spoedig genoeg komen zal, en wier lichamen weldra tot stof zullen verteren, en die zich van trots opschikken zooals de kalkoen zich opblaast! Menschen die daar in de bank zitten met het gezangboek in de hand, allen verdiept in hun mooie kleeren en in die van anderen, terwijl hun lippen zingen:
Pracht en schoonheid moog wat schijnen, 't Is aan d'ijdelheid gelijk;
Bij 't gebruik zal 't ai verdwijnen.
Goud en zilver is als slijk.
Ik kan hier niet meer van zeggen dan: „Heere, bekeer ons!quot;
236
Buitensporige kleedij werkt slecht op het verstand en leidt tot idiotisme.
Al naar het onderwerp is, waar iemand zich veel mede bezig houdt, zal zijn verstand zich ontwikkelen, of achteruitgaan. En is er een klein-zieliger onderwerp denkbaar dan hoe men zich opschikken zal ?
Ik zie dikwijls genoeg menschen op straat, die te oordeelen naar dat zij er uit zien, minstens twee uur hebben noodig gehad om zich te kleeden. Als die mensch een paar jaar op die manier voortgegaan is, welk vergrootglas zal dan sterk genoeg zijn om nog wat oorspronkelijk karakter te vinden in dien hoop vleesch en kleeren? Wat moet er van het verstand van een vrouw te recht komen, als al haar gepraat jaar in jaar uit altijd over zulke dingen gaat ? Zij belanden al te maal in idiotisme.
Ik heb des zomers op onze badplaatsen mannen gezien, die door modezucht de ruïne waren geworden van wat zij eens waren. Bleek van wangen. Mager van leden. Ingevallen op de borst. Voor geen ooge-wektheid meer vatbaar, behalve als zij naar het andere einde van de kamer zich spoeden om een waaier op te rapen voor de dame bij het venster. Buiten op het terras dezelfde complimentjes opdreunende, die zij twintig jarun geleden reeds opgezegd hebben.
237
En toch, mijn vrienden! heb ik u nog slechts de minst nadeelige gevolgen van dit euvel laten zien. Dit kwaad houdt ontelbaar velen uit den hemel.
De eerste donderslag, die Sinaï deed dreunen tot op zijn grondvesten, riep uit: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben,quot; en gij zult dus te kiezen hebben tusschen de godin der mode en dei-Christenen God.
Daar zijn zeer vele zetels gereed gezet in den hemel, en aangename zetels zijn het, maar daar is er geen bij voor u, aanbidder van de mode! De hemel is voor eenvoudige en bescheidene zielen. De hemel is niet voor hen, die meer aan hun lichaam denken dan aan hun ziel.
Geef deze afgoderij van de mode op, of geef den hemel op.
Hoe zoudt gij uw eigen figuur vinden, als gij daar kwaamt te staan naast de gravin van Huntingdon, wier vreugde het was, om bedehuizen te laten bouwen voor de armen; of naast die Christelijke vrouw uit Boston, die aan vijftien honderd kinderen van de straat eten uitdeelde, op Nieuwjaarsdag in Fanuell-Hall, terwijl zij hun bovendien, bij wijze van slotzang, bij het naar huis gaan ieder nog een paar schoenen mede gaf; of naast die Dorcassen van onzen tijd, die haar naalden den Heere hebben toegewijd, en die eeuwige belooning zullen hebben voor eiken steek, dien zij doen?
238
O, mannen en vrouwen! pleegt niet langer afgoderij met uw kleeding! De wedijver en de mededinging op dat punt leiden tot een ontzettend verderf.
Daar zal toch altijd weer iemand mooier zijn dan gij, wiens kleeding veel vorstelijker is, wiens huis veel schitterender is, en wiens handschoenen nog nauwer sluiten. En als gij het eene gekocht hebt, zult gij wenschen iets anders gekocht te hebben, voor gij nog begonnen zijt het te dragen. En de kwellingen van zulk een leven zullen u oud doen worden vóór den tijd; en als gij eenmaal gaat neerliggen op uw laatste bed, dan zal het een akelige tijd zijn.
Ik heb zulk soort menschen wel zien sterven, en ik heb er nooit een gelukkig zien sterven. Zonder tooi, zonder versiersel, zoo lagen zij daar, onrustig, op het kussen; en twee dingen waren het, die hen kwelden: een verwoest leven en een naderende eeuwigheid. Mijn woorden konden bij hen geen rust brengen; want zij, die met hun lichaam, ziel en geest altijd bezig waren geweest in de sfeeren der kleederen, konden het Evangelie niet begrijpen Als ik naast hun bed knielde om te bidden, kermden zij, de handen wringend; „O God! O God!quot; Hun mooie kleeren hingen in de kast, hun oogen zouden ze nooit meer zien. Zonder één uitzondering, zoover als mijn geheugen mij niet bedriegt, stierven zij zonder hoop, en gingen zij onvoorbereid de eeuwigheid in.
De twee akeligste sterfbedden op aarde zijn: het eene, van een man, die aan dilirium tremens sterft; het andere, van een vrouw, die al de talenten en
239
krachten van lichaam, ziel en geest opgeofferd heeft in den modedienst.
Mijn vrienden! in het oordeel zullen wij verantwoording moeten afleggen van wat wij aan ons lichaam gedragen hebben, even goed als van wat wij onze ziel hebben aangedaan!
„En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten icat hem gedaan zou worden.quot;
16
Trouwring.
De prinses Thermutis, dochter van Farao, uitziende van het balkon van haar badhuis, aan den oever van den Nijl, zag een merkwaardig bootje op de rivier. Het had geen roer en geen riemen, en zij zouden nutteloos zijn geweest bovendien. Daar was maar één reiziger in, en dat was een klein kind. Maar de „Mayflowerquot;, die de Pelgrimvaders naar Amerika bracht, had zoo kostbare lading niet in als dit bootje. Het was gemaakt van de breede bladeren van den papyrus, met bithumen aan elkander gepleisterd. Men maakte toen wel eens meer bootjes van dat materiaal, zooals wij lezen in Plinius, in Herodotus en in Theo-phrastus.
„Doodt eiken Hebreeuwschen jongen, die geboren wordt,quot; zoo was het bevel van Farao geweest. Maar om haar zoon te redden, had Jochebed, de moeder van den kleinen Mozes, hem in dat merkwaardige schip gelegd, en het van stapel laten loopen. Zijn zuster Mirjam stond aan den oever, uitziende wat er van dat vaartuig met zijn kostbaren last worden zou. Zij stond er ver genoeg af, om geen aandacht te trekken, maar dicht genoeg bij, om hulp te verleenen, als het
244
noodig werd. Daar staat zij aan den kant, Mirjam, de dichteres; Mirjam, de verstandige; Mirjam de getrouwe; hoewel zij ook, als een mensch, haar gebreken had; want in lateren tijd werd zij zoo boos op dienzelfden broeder, omdat hij een vrouw trouwde, die zij haatte, dat zij hevige familieonaangenaam-heden verwekte, en later met melaatschheid geslagen werd.
Mirjam was een beste zuster, al had zij haar fouten zooals ieder ander van ons. Met welk een bange zorg zag zij dat bootje achterna, waar haar broeder in lag! Een flinke rukwind kon het doen omslaan. De buffels, die daar hun drinkplaats hadden, zouden het onder kunnen trappen, wanneer zij straks, wild van dorst, het water kwamen instuiven. De een of andere roofvogel zou uit de lucht kunnen neerschieten, en den jongen zijn oogen kunnen uitpikken met ijzeren bek. Een krokodil of een nijlpaard, van tusschen het riet opduikende, zou hem straks met zijn tanden kunnen verbrijzelen. Daarom hield Mirjam de wacht; en zij wachtte en wachtte, totdat Thermutis de prinses zou aankomen om te baden, hier vlak bij, in haar badhuis, zooals zij gewoon was te doen.
En zie, daar kwam zij, aan eiken kant een slavin, die palmbladeren haar boven het hoofd hielden tegen de zonnestralen. En toen zij van haar balkon dat bootje zag, toen beval zij het te halen; en toen het gezicht van dat kindje voor den dag kwam tusschen de biezen van het kistje, en die jongen opzag, toen schreeuwde hij luid op, want hij had honger, en hij
245
was bang, en wilde in de armen der prinses niet zijn.
Nu komt Mirjam, incognito, want niemand mag weten, dat zij in eenige betrekking tot dat jongske staat, van haar schuilplaats aangeloopen; en zij biedt aan een min te halen, om den honger van het kind te stillen. Toegestaan wordt het. Ja, gauw maar! En daar brengt zij Jochebed, de moeder van den knaap, incognito, wier hart beeft bij de gedachte, dat zij het eens te weten mochten komen dat het haar kind is. En als Jochebed komt, dan houdt het kind op met schreien, want het is niet bang meer, en de honger wordt gestild.
Bewonder Jochebed, als gij wilt, en laten alle eeuwen Mozes bewonderen; maar ik klap in de handen en prijs het gedrag van Mirjam, de getrouwe, de brave, de verstandige zuster!
„Ga naar huis,quot; zoo zou iemand tot Mirjam hebben kunnen zeggen; „waarom stelt gij uw leven in gevaar aan den oever van den Nijl; moet gij daar de mias-men inademen en ziek worden? Of wilt gij door een wild beest of door een roover aangevallen worden? Naar huis. Mirjam !quot; Neen, die zuster, die haar hroeder zoo liefhad, zij hield de wacht bij kleinen Mozes, en verdedigde hem dapper.
Is hij iemand, die haar zorg en haar moed waardig is geworden?
O ja! want in de zestig eeuwen der wereldgeschiedenis zijn er bijna geen feiten geweest, die grooter beteekenis inhielden, dat het landen van die kleine papyrusboot met bithumen bepleisterd. Daar was onder de menschen geen tweede in de wereldgeschie-
246
denis aan dien passagier gelijk, die daar aan wal stapte. Wetgeleerde, staatsman, wetgever, volksleider, oorlogsheld, verlosser.
Hij was zoo buitengewoon schoon als kind, dat Josephus zegt, dat, als hij naar buiten werd gedragen, de menschen bleven staan om naar hem te zien, en dat de werklieden hun werk lieten liggen om hem te komen bewonderen. Toen de koning eens, met hem spelende, hem zijn kroon op het hoofd zette, wierp hij die met verontwaardiging op den grond, en zette hij er zijn voet op. De koning, die bang was, dat dit een voorteeken mocht zijn, dat het kind hem nog eens van den troon zou stooten, wilde zekerheid hiervan hebben door een andere proef. Volgens de Joodsche legende beval de koning toen twee bekers voor het jongske neer te zetten, den eenen met robijnen, den anderen met brandende kolen. En als hij zijn hand uitstrekte naar de kolen, dan zou hij blijven leven; maar als hij naar de robijnen greep, dan moest hij sterven. Om de een of andere reden nam het kind een van de kolen, die het aan den mond bracht, zoodat zijn leven gespaard was, hoewel de kool zijn tong brandde, zoodat hij later altijd gebrekkig van taal is gebleven. Een man geworden zijnde, strekte hij zijn handen uit tot God in het gebed, en de Roode Zee scheidde haar wateren om twee millioen vijfhonderd duizend menschen door te laten ter ontkoming. En hij hield op met zijn handen uit te strekken in het gebed, en de Roode Zee sloot zich weder boven een verdronken leger.
247
Zijn leven was onuitsprekelijk verheven en grootsch. En daaraan evenredig moest ook zijn sterven zijn. God wilde niet hebben dat een mensch, of een heilige, of een aartsengel hem het doodskleed zou weven, of voor hem het graf zou graven. De Almachtige God verliet daarom op zekeren dag Zijn troon, en toen de vraag gedaan werd met fluisteren door de engelen: „Waar gaat de Koning des heelals heen?quot; toen was het antwoord: „Ik ga Mozes begraven.quot; En God ging heen en stelde den grootste der menschenkinderen bij zich op den top van een heuvel; en het was een heldere dag; en Mozes kon uitzien over een prachtige landstreek. Hier, de vallei van Esdrelon, waar de laatste slag van alle natiën zal uitgestreden worden; en ginds, de bergen Hermon en Libanon en Gerizim, en de heuvelen van Juda; en daar, het dorpje Bethlehem; en verder op, de stad Jericho, en een land, een land, waar de oogen zich ook heen-richtten, zoo schoon, dat de oude wetgever, alsof de borst te nauw was, zwoegde van ademen, bij het verlangen om daar den voet te mogen zetten.
En toen, zonder een oogenblik van benauwdheid, zooals ik opmaak uit de verklaring, dat zijn oog niet verdonkerd was en zijn kracht niet verzwakt was, raakte God de oogen aan van den grooten wetgever, en zij werden gesloten; en zijn longen, en zij hielden op van ademen; en zijn hart, en het stond stil; en God beval, zeggende: „Opwaarts naar de hemelen, gij onsterfelijke geest!quot; En toen werd één hand van den Heere tegen den rug van Mozes gelegd, en de
248
andere hand werd tegen zijn borst gelegd, en God leide hem zóó zachtkens neder op den grond, op den berg Nebo; en toen werd de wetgever opgenomen in de armen van den Almachtige, heengedragen naar den ingang van een spelonk, en daar in een grafsteen gelegd; en toen de Almachtige hem met de hand over het gelaat streek, toen kwam er over dat gelaat een kalmte als uit de eeuwigheid; en toen werd er een rotssteen voor den ingang gezet. En de eenige begrafenis, waarbij God den dienst verrichtte van den priester, van den ondernemer, van den doodgraver en van den rouwdrager, was geëindigd.
O! deed Mirjam, de zuster van Mozes, geen goede zaak, geen belangrijke zaak, geen verhevene zaak, toen zij de wacht hield bij de boot, die geweven was uit rivierplanten, en die waterdicht was gemaakt met bithumen, en waar maar één passagier in lag? Verplichtte zij niet alle eeuwen van den tijd en alle tijden der eeuwigheid aan zich, toen zij haar hulpe-loozen broeder verdedigde tegen de gevaren des waters, der beesten en der roofvogels? Zij was het, die dien wondervollen knaap weer met zijn moeder samen bracht, zoodat hij kon opgevoed worden om de bevrijder van zijn volk te worden, terwijl hij anders, indien hij al gered ware van tusschen de biezen van den Nijl, slechts een Godverloochenende Farao te meer zou geworden zijn; want Thermutis, de prinses uit het badhuis, zou de kroon van Egypte hebben geërfd, en dewijl zij geen kind had, zou deze aangenomen zoon tot den troon zijn gekomen.
249
Was er geen Mirjam geweest, daar zou geen Mozes zijn geweest.
Een krans, een krans voor zóó trouwe zuster!
Hoe menig wetgever, hoe menig held, hoe menig verlosser, hoe menig heilige zijn de wereld en de Kerk niet verschuldigd aan een trouwe, liefhebbende, zorgzame zuster?
Komt hier, uit uw hofsteden, uit uw onaanzienlijke huizen! Komt hier, van de oevers van den Hudson, van de oevers van den Savanna, en van den Mobile, en van den Mississippi, en hoe al die andere Nijlstroomen der aarde mogen heeten, en laat ons u mogen zien, gij Mirjams, die gewaakt hebt en gezorgd, toen zij nog klein waren, voor onze groote voorgangers in de staatkunde, in de geneeskunde, in den koophandel, in de kunst, in den landbouw, in de nijverheid, en in den godsdienst.
Als ik eens vroeg aan al de geneesheeren, en kooplieden, en advokaten en predikanten en aan alle andere menschen, die het ver in de wereld gebracht hebben: „Wie van u heeft zijn voorspoed en geluk te danken gehad aan den goeden invloed en aan de zorg of aan de opvoeding van een zuster?quot; dan geloof ik, dat er honderden zouden opstaan om te zeggen: „Ik!quot; God weet, hoevele van onze Grieksche lexicons, en hoeveel van het noodige schoolgeld voor ons, betaald zijn
250
geworden met geld, dat anders besteed zou zijn om de kleerkast van een zuster wat beter in orde te brengen! Terwijl de broeder van wal stak en de zeilen uitzette naar de sfeeren van den roem, stond de zuster wakende aan den oever der zelfverloochening, en zij glimlachte tevreden, toen zij zag, dat het wèl met hem ging.
Mirjam was de oudste van het gezin; ook Aaron, haar broeder, was jonger. Wat heeft de ouderB zuster een macht, om een beslissing ten goede te helpen tot stand brengen in het karakter van haar broeder, en om van hem wat te maken voor de wereld en voor den hemel! Zij kan meer rampen en booze verzoekingen van haar broeder verre houden, dan Mirjam roofvogels en krokodillen. Het is de oudere zuster, die de richting beslist, waarin de wiegboot zal heen-zeilen. Met zachtheid, met verstand, met Christelijken zin kan zij het schip sturen naar het paleis, niet van een slechten Farao, maar van een heiligen God; en het zal een grooter vorstin zijn dan Thermutis, die hem uit allen nood zal uitrukken, namelijk, de Godsvrucht, wier wegen wegen der verheuging zijn, en „al hare paden zijn vrede.quot;
De oudere zuster — hoeveel is de wereld haar niet verschuldigd! Geboren, toen de familie het nog niet zoo ruim kon doen, moest zij op de jongere broertjes passen. En als er iemand is, waar ik altijd mede te doen heb, dan is het een klein meisje, dat een groote dikke jongen moet zoet houden, en 'dat klappen krijgt, omdat zij hem niet stil heeft kunnen houden. Tegen den
251
tijd dat zij volwassen ia, is zij een meisje, dat er afgewerkt uitziet; en al haar bekoorlijkheden zijn geofferd op het altaar der zusterlijke toewijding; en zij is opgeschreven tot den ongehuwden staat, en de maatschappij is niet altijd even beleefd, als zij haar een naam geeft; maar in den hemel noemen zij haar Mirjam.
Ik vind de twee minst begeerlijke plaatsen in de rij der kinderen, die van de eerstgeborene en die van de laatstgeborene; de eerste, omdat zij overladen wordt met de zorgen van een gezin, dat nog niet rijk genoeg is om hulp te huren; en de laatste, omdat zij als aller lieveling bedorven wordt. Die daar in den hemel zullen rijden in de prachtigste wagenen met de schitterendste paarden, dat zijn de zusters, die zich hebben opgeofferd voor haar broeders! Het zullen zijn van de schoonste Apocalyptische witte paarden, die haar daar zullen rondvoeren; en menigeen, die hier op aarde wat laag op haar nederzag, zal daar uit den weg hebben te gaan, opdat hij niet overreden worde!
Laten de zusters geen spijt hebben over den tijd en de zorg, die zij aan een broeder hebben besteed.
Het zou toch vreeselijk zijn om te denken, dat het met iemand, dien gij zoo goed kent en liefhebt als uw broeder, ongelukkig zou afloopen. En dat zou toch kunnen.
Ik weet wel, hij behoeft geen Mozes te worden.
252
Van dat soort is er maar één noodig in de zesduizend jaar.
Maar ik zal u zeggen wat er van uw broeder worden kan: öf een zegen, öf een vloek voor de maatschappij ; öf een candidaat voor den hemel, öf een candidaat voor de hei. Hij zal, evenals Mozes, de keus hebben tusschen robijnen en brandende kolen; en van uw invloed zal het veel afhangen, hoe hij beslist.
Al wordt hij niet zooals Mozes de verlosser van een groot volk, dan kan hij toch wellicht, als uw vader en moeder zijn heengegaan, de verlosser en onderhouder worden van een huisgezin, dat anders op straat zou staan. Hoeveel duizend huisgezinnen zijn er tegenwoordig niet, waar een broeder de loods is! Daar zijn nu zaken, die door goed beleid inkomen genoeg geven om de zusters en de jongere broeders te onderhouden, en zulks, omdat de oudere broeder zich aan het hoofd stelde van het gezin sedert den dag, dat vader het hoofd neerleide om te sterven.
Al wat gij aan uw broeder doet, komt zeker op uw hoofd terug. Geeft gij hem een boosaardig, ongemakkelijk en twistgierig voorbeeld, dan zult gij er later de vruchten van plukken in zijn kwaadaardige, hatelijke natuur en manieren. Maar wilt gij die weinige jaren, die gij samen zijt, bij hem wonen met alle geduld en edelmoedigheid, ook waar hij zich dat wel eens onwaardig maakt, dan zult gij op zekeren dag tot uw eigen verwondering een karakter zien ontwikkelen, dan nooit het zijne zou geweest zijn zonder u.
253
Haal hem niet door. Schat hem niet onder de waarde. Spreek nooit ontmoedigend over zijn toekomst. Laat Mirjam zelve toch niet het water van den Nijl inloopen, en het biezen kistje omwerpen! Plaag hem, maar plaag hem niet tot moedeloosheid. Broeders en zusters zien er geen kwaad in om elkander te plagen. En toch is er een manier van plagen in sommige gezinnen, die laag en uit den Duivel is. Daar is een prettig plagen, en dat is niet anders dan een vorm van onschuldige en nuttige scherts; maar die plagerij, die het bloed opzet, en den toorn oproept, en die iets van den bliksem in het oog te voorschijn roept, komt niet te pas. Het zou niet half zoo erg zijn, om een bundel doornen te nemen, en ze dwars over de wangen van uw zuster te halen, of een scherp mes te nemen, en het in uw broeders arm te steken tot het bloed er uit spoot; want dat zou slechts aan het lichaam schade doen; maar treiteren, dat is het mes en de doornen bij elkander, snijdende en stekende en scheurende in een onsterfelijke ziel. Het is de vloek van ontelbare huisgezinnen, dat de zusters de broeders kwellen en de broeders de zusters. Somtijds is het om de kleur van het haar; somtijds is het om een trek in het gelaat, of om een liefdegeschiedenis. Somtijds is het de openbaarmaking van iets geheims, of een uitlachen, of niets meer dan een: „Hm, hm!quot; waardoor het leven onderling vergald wordt. In 's hemels naam, laat het! laat het toch!
Christus zegt: „Die zijn broeder haat is een moordenaar.quot;
254
Daarom, als gij uw broeder of zuster kwelt, en zoo den haat opwekt in het binnenste, dan maakt gij hem of haar tot een moordenaar of moordenares.
Zuster! laat ook de jaloerschheid nooit in uw hart oprijzen, zooals zoo dikwijls gebeurt, omdat uw broeder meer eer geniet of omdat hij rijker wordt dan gij.
Zelfs Mirjam, de heldin van onzen tekst, was bevangen door den boozen hartstocht van de afgunst. Zij had altijd onbeperkten invloed op Mozes gehad, en zie, daar gaat hij nu trouwen, en dat niet alleen, maar trouwen met een zwarte vrouw uit Ethiopië; en Mirjam vindt het zoo min; en Mirjam wordt zóó boos op Mozes, vooreerst omdat gij getrouwd is, maar bovendien omdat hij beneden zijn stand getrouwd is, dat zij half waanzinnig wordt, en dat zij wit wordt, zoo wit als een lijk, en dan nog witter dan een lijk.
Haar gelaatskleur wordt als kalk. Dat is de melaatsch-heid, de Egyptische melaatschheid. Maar nu is het de broeder, dien zij op den Nijl verdedigd heeft toen hij nog een kleine jongen was, die haar komt redden in een gebed, dat haar de gezondheid weeromgeeft.
Laat er in uw geheele huis geen plaats zijn voor jaloerschheid, geen zitplaats en geen staanplaats. Het is een melaatschheid, een besmettelijke gruwel. Uw broeders succes, o zuster! is uw eigen succes. Zijn overwinningen zullen uw overwinningen zijn. Toen Mozes, haar broeder, na den doortocht door de Roode Zee, den zang leidde, leidde Mirjam den tegenzang,
255
met twee blinkende bekkens van koper, schitterende in de zon, hoog in de handen; en zij sloeg de cym-balen, totdat het gehinnik van het laatste steigerende ros in de golven, en de laatste Egyptische helm wegzonken onder het water.
Welk een gevoel van macht geeft het aan een gezin, wanneer de broeders en zusters eendrachtig zijn! En wat zijn de leden van dat gezin als schipbreukelingen, uit elkander geslagen op de zee, wanneer zij de goede verhouding verbreken, en twisten met elkander over het testament van een vader, en de gerechtszaal vervullen met hun schelden en met hun schande! Weet gij nog wel, dat gij als kleine kinderen op de kinderkamer reeds uw kleine twisten hadt? Het ware beter, dat gij toen bij ongeluk elkander met uw houten hamer de hersens hadt ingeslagen, dan dat gij nu als volwassen mannen en vrouwen elkander slag levert boven het graf van uw ouders op het kerkhof!
Och! als gij er altijd maar aan wildet denken, dat uw belangen dezelfde zijn. Bij geen enkele familie is het ooit duidelijker zichtbaar geweest, wat het zeggen wil elkander eendrachtig bij te staan, dan bij de familie Rothschild. Toen Meijer Anselmns Rothschild in het jaar 1812 op sterven lag, liet hij al zijn kinderen bij zich komen, Anselmus, Nathan, Karei en Jacob; en hij liet hen beloven dat zij altijd één lijn met elkander zouden trekken op de „Beurs.quot; En aan die belofte getrouw, zijn zij de grootste financieele macht op aarde geworden, en zooals hun scepter het
256
aanwees, rezen of daalden de natiën. Dat laat helder en op een groote schaal zien, hoe een eendrachtige familie haar zelfzuchtige bedoelingen kan bereiken. Maar hoeveel edeler zou het zijn, en grootscher, en verhevener, als het groote doel der onderlinge eendracht niet was het bejagen van een zoo groot mogelijk getal guldens, maar het zooveel mogelijk verspreiden van geluk en zaligheid onder de kinderen dezer diepgezonken wereld! Zuster, doe gij uw deel van het werk, en de broeder zal zijn deel van het werk doen. Als Mirjam in liefde de wacht wil houden bij de boot op den Nijl, dan zal Mozes haar helpen, wanneer de melaatschheid haar treft.
Wanneer vader en moeder heengegaan zijn, — en dat zal spoedig genoeg wezen, als het nog niet gebeurd is, — dan is de band tusschen broeders en zusters nog de eenige band, die de familie aan elkander bindt. Wat hebt gij niet vele redenen, om elkander onveranderd en innig te blijven liefhebben! Gij hebt geslapen in dezelfde wieg. Dezelfde moeder boog zich zachtkens over u heen. Dezelfde vader werkte voor u tot zijn arm moede was en zijn hoofd pijn deed. Dezelfde familiegeheimen hebt gij gelijkelijk te bewaren. Dezelfde wenschen hadden uw ouders voor uw tijdelijk en uw eeuwig heil. O, ik smeek u bij dit alles: Weest goed voor elkander en vergeeft ■elkander! Als de zuster het niet ziet, dat haar broeder behoefte heeft aan sympathie, dan zal haar broeder het nooit zien, dat zij behoefte heeft aan steun.
Ach! als de zusters maar half wisten welke vree-
257
selijke en duivelsche verleidingen hun broeder omringden in de stad, zij zouden nauwlijks kunnen slapen uit angst voor de zaligheid zijner ziel! En als gij een heilige samenzwering tegen hem wildet maken met goede woorden, vriendelijke attenties en ernstige gebeden, dan zou dat zijn ziel van den dood redden en menigten van zonden bedekken. Maar laat de zuster de eene zijde opgaan in dienst van de wereld, en de broeder den anderen kant op, de verzoekingen achterna, en lang zal het niet duren, of zij zullen elkander ontmoeten aan de poort van Wanhoop, daar staande met de voeten vol blaaren, en het lichaam vol wonden, arme zielen 1 door het loopen in het vuur, dat zij ontstoken hadden, en van de spranken, waarmede zij zich hadden omgord ! Helaas! dat broeders en zusters jaren aaneen bij elkander kunnen wonen, zonder elkander te leeren kennen, en dat zij al dien tijd alleen elkanders gebreken hebben leeren zien, en niet elkanders deugden !
Generaal Bauer, van de Russische cavallerie, had zeer jong dienst genomen bij het leger; en toen zijn familie in lang niets van hem hoorde, hielden zij hem voor dood. Maar toen hij fortuin had gemaakt, kwam hij eens in garnizoen te liggen in Husam, zijn geboorteplaats; en toen gaf hij een groot gastmaal; en behalve de hooge militairen, die hij bij zich ten eten genoodigd had, had hij ook een eenvoudigen molenaar en zijn vrouw gevraagd, die daar dicht bij woonden; en deze kwamen met groote vreeze, mee-nende dat hun wat kwaads zou geschieden. De mole-
Trouwring, i n
258
naar en zijn vrouw kregen ieder een plaats aan tafel aan weerszijden van den generaal. De generaal vroeg den molenaar allerlei vragen over zijn gezin, en de molenaar vertelde, dat hij twee broeders had en een zuster. - „Niet meer broeders?quot; — „Mijn jongste broeder nam dienst, lange jaren geleden, in het leger; maar die is bepaald al lang dood, gestorven in den slag.quot; Toen zeide de generaal: „Kameraden! ik ben de jongere broeder van dezen man, dien hij voor dood hield.quot; En hoe luide was het gejuich, en hoe warm was de omhelzing!
Broeder en zuster! gij moet ook nog aan elkander bekend gemaakt worden, evenals zij. Gij kent elkander niet. Gij denkt dat uw broeder grof is en dwars en onverschillig; en hij denkt dat gij trotsch zijt en afstootend. Beiden mis! Daar zal menige vrouw zijn, in wier oogen uw broeder een prins is; en daar zal menig jongman wezen, die opziet in bewondering naar uw zuster als tot een koningin. Die broeder is een beste jongen, en die zuster is een Junimorgen. quot;Kom, laat ik u aan elkander voorstellen; „Mozes, dit is Mirjam.quot; „Mirjam, dit is Mozes.quot; Verhoogt uw onderlinge waardeering met vijfenzeventig procent, en als gij elkander goeden morgen kust, houdt dan uw wang niet zoo, alsof gij het kussen heel en al haat. Laat hem al de kostelijkheid en de liefde gevoelen, die er zijn kan in de kus van een zuster.
Maakt uzelven nuttig en aangenaam voor elkander,
259
zooveel als gi] maar kunt, met de gedachte, dat gij spoedig genoeg uit elkander moet gaan.
De weinige en korte jaren, dat gij jongen en meisje zijt, zullen spoedig voorbij zijn; en dan zult gij uw eigen strijd gaan strijden tegen de wereld met altijd wisselend geluk; en gij zult uw eigen gangen gaan op paden, waar graven zijn gedolven, en die steil opvoeren langs de rots, en laag afdalen in de bergkloof. Maar, Heere, mijn God en Zaligmaker! geef toch, dat het einde van den weg zijn moge als het begin van den weg, namelijk aan moeders knieën, als zij het koninkrijk Gods beërven.
Evenals in de dagen van onze jeugd, wanneer wij een dag van huis geweest waren, wij binnen kwamen stormen, en zooveel te vertellen hadden van al wat wij dien dag hadden beleefd, en vader en moeder ons tusschen de knieën namen en evenveel genoten van het verhaal als wij zeiven, zoo zullen wij dan, tegen de glooiing der hemelsche heuvelen gezeten, hun alles vertellen van onze aardsche reis, al de tafereelen; en zij zullen ons welkom heeten, welkom, als wij zeggen: „Hier zijn wij, vader en moeder! en wij hebben onze kinderen medegebracht!quot;
Ik heb eens gelezen van een kind, buiten op het land, dat 's avonds wat laat bij een buurman was gebleven onder het verhaal van allerlei mooie geschiedenissen, die men hem daar had verteld. Het was onderwijl gaan onweeren. Het kind zag eens uit buiten de deur, maar het was zoo donker, dat het niet naar huis durfde gaan. — Het verbaal boeide mij te
260
meer, omdat mij als kind eens hetzelfde overkomen was. — De knaap vroeg aan zijn makkers om met hem mede te gaan; maar zij durfden het niet. Het werd al later en later, — zeven uur, acht uur, negen uur. „O! was ik maar t'huis!quot; schreide hij. Toen hij voor de laatste maal nog eens de deur opende, flikkerde er een bliksemstraal, die zijn oogen verblindde; en een geweldige donder dreunde door de lucht. Maar toen zijn oogen weer zien konden, zag hij in de verte een lantaarn, en zie! dat was zijn broeder, die hem kwam halen; en de jongen liep naar buiten, met groote sprongen, zijn broeder te gemoet, die hem t'huis bracht, waar zij hem omhelsden van blijdschap, en waar het avondeten nog wachtende op tafel stond.
Zoo moge het ons zijn, als de nacht des doods komt, en onze aardsche vrienden ons niet vergezellen kunnen, en wij toch ook niet alleen durven gaan.
Moge onze Broeder, onze oudere Broeder, onze Vriend, die ons dierbaarder is dan een broeder, ons dan te gemoet komen met het licht der beloften, die een lamp zijn voor den voet; komen, om ons t'huis te brengen, daar binnen bij de dierbaren, die ons wachten met het avondmaal, het avondmaal van de bruiloft des Lams!
^^imi'iïtin'i JhhjJ ••SI; lVVA'.VA*
gamp;VfAV«mjlllllllHllllllll^
Itv^VAttVAquot;''»1,!^ V/:*VAVgt;^yKvJ
!••••■
gt;*»