-ocr page 1-

KERKHERVORMING

IN

NOORD-NEDERLAND

DOOR

;p. ID_ Jquot;. IVCOOIEIIEIEES,

Predikant te Vianeu.

(Volksgeschrift bekroond door de Evangelische Maatschappij.) quot;derde druk.

Vak 29

-ocr page 2-

GESCHT

...........^ W06

RKHER

^/o'r Tquot;-V S'--''fquot; ■■' V~,.-v t ■ ■ v

§fvV - - v-: ■ i-;* • -- - •—

■-vv--- ; :■ • . ' ■ -

- • -gt;..r •■•. ■

NOORD-NEI

i•/-

-- • V-

mȎamp;m

msmamp;mmmm . - ■ ■ - . quot; ■ ' -

■ • .. 'gt;■ ■

-Vv;-r - • - ^

' W^wquot; ^ v S ' ■ '

fquot;.

:: . ,.- - - ■

i H '

F. ID. CF. 3VIO

Predikant A

igesckrift bekroond door d

DERDE


. v

A R N H

G. W. VAN DE] 189i

r^,4.:iX' 'i

mÊÊÊÊÊM

i ■

■Ciamp;^Samp;mls'r

ïfi.

.■■■•■■ .

Wlmw*

^£00

ÜB

-ocr page 3-

VAK lt;^9 No, 39

3HTBDBNIS

ERVORMING

iond door de Evangelische Maatschappij.)

DERDE DRUK.

w4^

ARNHEM,

VAN DER WIEL amp; Co.

1895.

. ÜVHOOIRIR

Predikant te Vianeu.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VOORBERICHT.

Den Ssttn April 1SS0 vergaderde de Commissie, door het Hoofdbestuur der Evangelische Maatschappij benoemd (zijnde de Hoofdbestuurders Van Hoorn, Herderschee en Gooszen, bijgestaan door de welwillende medewerking van den Hoogleeraar Acquoy) tot beoordeeling van de antwoorden op de prijsvraag betreffende eene voor het volk bruikbare geschiedenis van de Hervorming in de Nederlanden.

De Commissie had uitspraak te doen over drie opstellen;

N0. 1. Luctor et emergo.

N0. 2. Niets is den mensoh zoo dierbaar als datgene, wat hij door strijd en lijden verkregen heeft.

N0. 3. Alles kan de Staatswet regelen en dwingen, maar het godsdienstig en zedelijk leven der volkeren .... dat nooit.

Keizer ilaximiliaan van Oostenrijk.

Over N0. 1 was het eenparig gevoelen, dat het niet beantwoordde aan de bedoeling der vraag. De schrijver heeft de staatkundige geschiedenis te veel op den voorgrond gesteld en in de breede lijst daarvan de historie der godsdienstige ontwikkeling te weinig doen uitkomen, terwijl de prijsvraag kennelijk bedoelde eene duidelijke beschrijving van de wijze, waarop van lieverlede de Hervorming hier te lande zich eene plaats in het hart des volks verworven heeft.

Met de literatuur der kerkelijke geschiedenis des vaderlands is de schrijver niet genoegzaam bekend, en hier en daar lijdt zijne voorstelling aan onnauwkeurigheid.

Evenwel werd hulde gedaan aan den kalmen, waardigen toon van zijn geschrift, die hem deed kennen als een beschaafd man, vrij van alle effectbejag.

-ocr page 6-

4

Wat N0. 2 aangaat, de inhoud bleek onvoldoende te zijn, wijl liet den schrijver aan de noodige kennis van onze vaderlandsche kerkhistorie in het tijdperk der Reformatie ontbrak, en de vorm kon niet tot aanbeveling strekken, wijl het dool om levendig en populair te zijn kennelijk voorbij was gestreefd, nu eens door het aanwenden van romantische opschriften, dan eens door het onrustig schetsen van allerlei tafereelen, dan weer door het gebruiken van platte woorden en uitdrukkingen, die zelfs in een leesboek voor het volk met de waardigheid der historiebeschrijving onbestaanbaar zijn.

Dat van de ingekomen antwoorden N0. 3 verreweg het beste was, werd door al de leden der Commissie aanstonds erkend. Maar zij hadden veel meer dan dezen betrekkelijken lof. De schrijver heeft zijn terrein met helderen blik overzien. Er was in zijn opstel eene klaarheid, die, vooral in een geschrift voor het volk bestemd, een eerste vereischte mag worden geacht. Zeer verdienstelijk in dit opzicht werd ook genoemd, dat aan het einde van ieder hoofdstuk een overzicht van het daarin behandelde gegeven wordt.

Evenwel had de Commissie eenige opmerkingen, die haar deden aarzelen om onvoorwaardelijk den uitgeloofden prijs toe te kennen.

De slotsom der beraadslaging over dit veelszins verdienstelijk werk is geweest, dat de Commissie geen bezwaar heeft gemaakt tot bekroning over te gaan, in de vooronderstelling, dat de schrijver de gemaakte opmerkingen zou goedkeuren en daarnaar eenige noodzakelijke verbeteringen aanbrengen.

Bij opening van het verzegelde naambriefje, bleek schrijver te zijn:

de WelEeno. Heer F. Tgt;. J. Moorrees, predikant ie Vianen.

De twee andere naambriefjes werden ongeopend verbrand.

-ocr page 7-

Onze vaderen waren gewoon, de lierinnering van de groote gebeurtenissen der zestiende eeuw te verlevendigen door het lezen en herlezen van de Martelaarsboeken. Voorzeker een krachtig middel tot opwekking vau liet godsdienstig gevoel. In die Martelaarsboeken vonden zij niet alleen de namen dei-martelaars naar tijdsorde gerangschikt, met de bijzonderheden van hunne rechtspleging en terechtstelling, maar ook de platen, waarop brandstapels, moordschavotteu en andere vree-selijke dingen waren afgebeeld. Het waren boeken, waarin als met bloedige letters stond geschreven: zoo ontzettend veel heeft de grondvesting uwer kerk aan het voorgeslacht gekost! houdt wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon roove!

Die martelaarsboeken zijn nog niet vergeten maar integendeel door eene nieuwe uitgave in duizenden exemplaren onder ons volk verspreid. Zij worden nog gelezen en herlezen, zij strekken nog tot voedsel voor het geestelijk leven van menig huisgezin.

Jammer evenwel, dat die boeken slechts op zich zelf staande geschiedenissen mededeelen. De lezer mist daardoor den samenhang der gebeurtenissen en den loop harer ontwikkeling. Om daarin eenigsiius te gemoet te komen en een geregeld overzicht van de geschiedenis der Hervorming in Noord-Nederland te geven, is dit boekje opgesteld.

Men vindt hier het verhaal van de merkwaardigste verschijnselen en gebeurtenissen, die ten deele reeds vroeger maar grootendeels in de zestiende eeuw op kerkelijk gebied hebben plaats gevonden. Met vermijding van al te groote uitvoerigheid is iu dit boekje eene poging gewaagd om een aaneengeschakeld verhaal te leveren van den gang der denkbeelden , die de toenmalige christenheid hebben bezig gehou-

-ocr page 8-

6

den en beheerscbt. Niet, zooals de Martelaarsboeken doen, op alle landen van Europa maar uitsluitend op Nederland vestigt dit boekje het oog, en wel op liet Noordelijk gedeelte van Nederland, in den eigenlijken zin des woords, op ons vaderland, op die provinciën, die tot het Koninkrijk dei-Nederlanden beboeren.

Als inleiding slaan wij een blik op de bewegingen in liet kerkelijk leven gedurende liet laatste tijdperk der middeleeuwen, om vervolgens de eigenlijke geschiedenis der Hervorming te schetsen en bij het jaar 1579, de Unie van Utrecht, ons verhaal te eindigen.

Moge de belangstellende lezing eu overdenking opwekken tot eerbiedige aanbidding van de wegen Gods en tot ernstige prijsstelling op onze duurgekochte Protestantsche voorrechten.

Ziehier den inhoud van de Geschiedenis der Hervorming in Noord-Nederland.

Inleiding. Kerkelijke verschijnselen in het laatste tijdperk der middeleeuwen.

Hoofdstuk I. Tijdperk der Sacramentisten.

Hoofdstuk II. Tijdperk der Anabaptisten.

Hoofdstuk III. Tijdperk der Gereformeerden.

Hoofdstuk IV. Volharding der Gereformeerden in den worstelstrijd met Spanje en hunne zegepraal.

-ocr page 9-

INLEIDING.

Kerkelijke verschijnselen in het laatste tijdperk der middeleeuwen.

Niets is onjuister dau de voorstelling dat Luther op het onverwachtst als uit de -wolken zou zijn komen vallen om verwarring aanterichten. Alsof de christenheid tot op dat noodlottig tijdstip in een volmaakten toestand had verkeerd! alsof zij zich nooit over hare leidslieden had te beklagen gehad! alsof die leidslieden , pastoors, priesters, bisschoppen, of hoe zij verder Iieeten mochten, steeds door kennis, door voor-beeldigen wandel, door liefdevolle zorg voor hunne gemeenten hadden uitgemunt.

Neen , maar klachten, rechtmatige en billijke klachten over de geestelijkheid zijn er reeds jaren vóór Luther opgegaan; het volk heeft zich onder zijne geestelijken vaak diep ongelukkig gevoeld, vaak te vergeefs gebeden om wegneming van zijne grieven en ieder teeken van ontwikkeling met vreugde begroet. Ook zijn er kloeke mannen opgestaan, die den fakkel der verlichting hoog verhieven en door woord en voorbeeld op zuivering van leer en wandel aandrongen. Laat ons slechts letten op hetgeen in den loop der jaren is geschied*

1 Geert Groote en de broeders en zusters des gemeenen levens.

Geert Groote — ziedaar een bekenden naam! quot;Wij zullen dien naam blijven gebruiken, ofschoon de nieuwste onder-

-ocr page 10-

8

zoekingen hebben geleerd dat liij eigenlijk Gerrit de Groot of Gerrit Groot gespeld wordt. Deze man heeft grooten invloed. op zijnen tijd uitgeoefend en werkelijk veel goeds gesticht. Was hij een geleerde? dat juist niet, ofschoon hij eene geletterde opvoeding genoten had en op de hoogte van de wetenschap zijner dagen stond. Was hij dan een aanzienlijk kerkvorst? Ook dat niet, immers hij heeft nooit eenen anderen dan den ondergeschikten rang van diaken in het kerkelijke leven bekleed. Wat dan, muntte hij uit door welsprekendheid ? Hij kon uitnemend goed eu krachtig tot het volk spreken, maar redenaar van beroep was hij niet.

Hij was een Johannes de Dooper, die het: bekeert u! bekeert u! nadrukkelijk aan zijn volk herinnerde. Toch kon hij niet, als Johannes de Dooper, een Nazireër van zijne geboorte af worden genoemd. Zoon van Werner Groot, burgemeester te Deventer, had hij aan de hoogeschool te Parijs gestudeerd in de godgeleerdheid en het kerkelijk recht en den titel van meester in de vrije kunsten verworven. Daardoor opende zicli voor hem de weg tot eene aanzienlijke plaats in de toenmalige wereld en het scheen aanvankelijk of hij zich die plaats zou laten welgevallen. De kennismaking evenwel met Hendrik van Calcar, prior der Karthuizers van het klooster Monnikenhuizen bij Arnhem, bracht hem tot andere gedachten. Hij liet zijne lange haarlokken inkorten, legde zijnen fraaien mantel af, ontdeed zich van zijn met zilver versierden gordel, en nam zijnen intrek in het klooster. Geruimen tijd oefende hij zich aldaar onder gedurig vasten en bidden. Voortaan droeg hij niet anders dan eene grove pij en getroostte zich al de ontberingen van het gestrenge leven der Karthuizers. Toen werd hij tot diaken bevorderd en ontving van den Utrechtschen bisschop het recht om overal te prediken. Van het jaar 1380 tot 1383 reisde hij als volksprediker rond. Waar hij zich liethooren, overal boeide hij scharen volks aan zijne lippen. Vaak predikte hij twee, soms drie malen op eénen dag. Als hij bepaald had, na het middagmaal weer te zullen optreden, dan bleef hij gewoonlijk, zonder zelf iets te gebruiken, in de kerk om te

-ocr page 11-

9

bidden, of liij wandelde peinzend het kerkhof om, totdat het volk terugkwam. Het was eene hoog ernstige taal, die hij deed hooren. De gebreken zijns tijds tastte hij aan met krachtige hand, en, of het priesters gold of leeken, hij spaarde hen niet. Zoo sprak hij de geestelijken, die, naar de gewoonte dier dagen , in verboden omgang met hunne huishoudsters leefden, in dezer voege aan; „Gij zijt schatbewaarders der kerk, uitdeelers der geestelijke aflaten, middelaars Gods en der menschen, die Gode de gebeden der meuschen en den menschen de gave Gods aanbiédt! Gij allen, die aldus zondigt, beseft tocli uwe taak 1quot;

Maar wat wilde hij dan met zijne boetprediking ? De menschen drijven naar het Karthuizer-klooster, in hetwelk hij zelf den weg der middeleeuwsche vroomheid had leeren bewandelen? Indien dat zijn streven ware geweest, zou hij niets nieuws hebben gesticht. Hem zweefde echter een nieuw denkbeeld voor den geest. Voor allen, die zich met ernst op een leven van devotie, d. i. vroomheid, wenschten toeteleg-gen, opende hij een ander toevluchtsoord. Zijn eigen huis en erf in de Bagijnstraat te Deventer wijdde hij aan eene godsdienstige bestemming toe en nam daarin zulke menschen op, die, zonder kloosterlingen te zijn, hunne volmaking door persoonlijke oefeningen, peinzen, bidden, lezen, schrijven en studeeren zochten te bevorderen. De eersten, die in het huis van Meester Geert werden opgenomen, waren weduwen en jonge dochters. Zij ontvingen den naam van zusters des ge-meenen d. i. gemeensehappelijken levens. Eerst was haar aantal te Deventer zestien. Weldra groeide het tot honderd vijftig aan. Dat voorbeeld vond elders navolging en langzamerhand zijn er niet minder dan acht en zestig zulke „maagdenhuizenquot; in deze en naburige landen verrezen.

Geert Groote bepaalde zich niet tot de uitvoering van dit denkbeeld, maar hij vestigde ook zijne aandacht op de leerlingen der zoogenaamde kapittelschool te Deventer. Hij begon met hen schrijfwerk te laten verrichten en stelde vervolgens uit eigen middelen een jaarlijksch inkomen tot hun onderhoud vast. Eloris Eadewijns uit Leerdam, evenals hij

-ocr page 12-

10.

meester in de vrije kuusten, en tevens vicaris der St. Lebui-nus-kerk te Deventer, voegde zich bij deze leerlingen. Op zekeren dag zeide hij tot Groote: „Geliefde meester, wat zou het ons schaden, dat ik en deze schrijvende leerlingen het geld, dat wij wekelijks ontvangen, bijeenlegden en gemeenschappelijk leefden?quot; „Beproeft hetquot;, was het antwoord, „in naam des Heeren, ik zal uw beschermer zijn.quot;

Van dien tijd af woonden Eadewijns met de leerlingen samen in een huis van Groote. Zij vormden de Broederschap des gemeenen levens. Zij waren volstrekt geen monniken, maar hielden zich toch allen met hetzelfde werk, namelijk schrijven en studeeren, bezig. Aan kloris Eadewijns waren zij gehoorzaam, en ofschoon niemand tegen zijn wil in de^broederschap behoefde te blijven, verbeurde men toch, zonder geldige redenen vertrekkende, zijn aandeel in het geld ten behoeve der algemeene kas. Weldra breidde deze Broeder-schap zicli in verschillende steden uit en openden de broeders nevens hunne Fraterhuizen ook dusgenoemde Fraterscholen. Hef spreekt van zelf dat zij door hun schrijfwerk grooten invloed hadden op de verspreiding van godsdienstige en stichtelijke boeken, terwijl zij door het onderwijs der jeugd een krachtigen stoot gaven aan de ontwikkeling des volks en eene meer algemeene beoefening van de letteren.

Eu zag de geestelijkheid het streven van Geert Groote met toejuiching aan? Voor zoover zijne boetredenen de geestelijken persoonlijk betroffen , waren zij tegen hem ingenomen en wisten te bewerken dat hem het recht van prediken ontnomen werd. Zijne vrienden wendden echter pogingen aan, om dat vonnis op te heffen en den geliefden meester in zijne eer te herstellen. Voor dat hun zulks gelukte, was Groote reeds gestorven. Hij bezweek op vier en veertigjarigen leeftijd aan de pest in 1;584. Met stervenden mond wees hij Radewijns als zijn plaatsvervanger aan. Hij stierf als een goed geloovig zoon der kerk, godvruchtig en kalm, gelijk hij geleefd had. Zijn lijk werd onder heete tranen naar de kerk gedragen, waar hij zoo dikwerf het woord Gods had gepredikt. Üoch zijn geest bleef leven en doordringen en in duizend harten

-ocr page 13-

11

lioogere begeerten wekken raar die oprechte vroomheid, die alleen rust vindt in God.

2. Klooster en kloostervereeniging van 'Windesheim.

In zijne laatste levensjaren uitte Geert Groote den wensch dat een gedeelte der broeders eene door de kerk goedgekeurde orde aannemen en tot dat einde een klooster bouwen zou. Welke orde zij moesten aannemen? Die der Karthui-zers? Neen, want de Karthuizers waren al te streng afgezonderd van de wereld. Die der Cisterciensen ? Ook deze niet, want de Cisterciensen waren volgens Geert Groote aan al te moeielijke regels gebonden. Maar die der Reguliere Kanunniken, want die kwamen het meest met de richting van de broeders des gemeenen levens overeen. Twee jaren na den dood van Groote, dus in 138(!, is er werkelijk zulk een klooster gesticht en we! te W indesheim in de parochie van Zwolle, onder de diocees van Utrecht. Daar verrees onder de leiding van 11 oris Eadewijns eene kerk, een drietal huizen en eene bakkerij, en toen deze gebouwen voltooid waren, werd de inrichting als een klooster van Reguliere Kanunniken door den bisschop van Utrecht erkend. Het leven van de mannen, die zich daar vereenigden, was zeer eenvoudig. Evenals de broeders te Deventer ontvingen zij dagelijks niet meer dan eene bepaalde hoeveelheid brood en bier, Drie malen in de week aten zij vleesch, drie dagen voedden zij zich met eieren en melkspijs, des Vrijdags werd er bijna geheel gevast. In hunne kleeding werd geen de minste opschik geduld. Zij droegen witte mantels met zwarte kappen, of, als zij niet tot de geordende monniken behoorden maar slechts tijdelijk het klooster bewoonden, grijze pijen met een zwarten gordel en een zwarten kap. Hun dagelijksch werk was zeer onderscheiden: metselen, timmeren, landbouwen, huiswerk verrichten, brood bakken, bier brouwen, maar ook boeken afschrijven. In korten tijd waren er 35 dikke boek-deelen, zorgvuldig op perkament geschreven, gereed, met duidelijke letter, de meest beroemde kerkvaders behelzende. Vooral

-ocr page 14-

legden zij zich op liet verbetereu van taal- en schrijffouten toe. Tot dat einde leenden zij van verscliillende boekerijen exemplaren van hetzelfde, werk en rustten niet. voordat de tekst door onderlinge vergelijking van de verschillende handschriften zooveel mogelijk verbeterd was. En wat zij zoo met groote inspanning tot stand gebracht hadden, dat diende dan weer om voor anderen nuttig te zijn.

Het waren dus werkzame menschen, die quot;Windesheimer kloosterbroeders, van wie een gunstige naam in den lande is uitgegaan. Hunne orderegelen. zeden en gewoonten werden langzamerhand door anderen overgenomen, die of reeds in beste and e kloosters verblijf hielden maar hervorming zochten, of geheel nieuwe kloosters in liet aanzijn riepen. Zoo verrees vijf jaren na het Windesheimer klooster dat van Marieu-bron bij Arnhem, en dat van het Nieuwe licht bij Hoorn, terwijl het klooster Eemstein bij Dordt, dat reeds vroeger gesticht was, zich niet de quot;Windesheimer broeders in nadere betrekking stelde en een huuner tot prior koos.

Deze vier kloosters, waarbij zich later nog vele anderen voegdeu, werden tot een kapittel van Reguliere Kanunniken vereenigd, dat Windesheim tot middelpunt behield. Zij volgden allen dezelfde regels, leefden op dezelfde wijze en waren in kleeding en gebruiken niet van elkander onderscheiden. Overal oefenden zij een heilzameu invloed uit en gaven het voorbeeld van een werkzaam, eerbaar, matig en aan God toegewijd leven. Zij werden dan ook door hooggeplaatste geestelijken in bescherming genomen, ja zelfs door de Pausen geëerd.

Als eene proeve van de verbetering, die bet kapittel van Windesheim in andere kloosters heeft tot stand gebracht, zij vermeld de abdij van Luinkerk bij Franeker. Deze abdij, berucht door de vechtpartijen barer bewoners, was in het begin der vijftiende eeuw zoo verwilderd dat de Utrechtsche bisschop moest ter hulp geroepen worden om er de orde te herstellen. Inderdaad, toen bleek het, dat de Luiukerker kloosterlingen noch in armoede, noch in kuischheid, noch in gehoorzaamheid aan eenigen regel leefden. Zij droegen wel

-ocr page 15-

13

witte mantels maar hadden nooit eenige gelofte afgelegd. Zij hielden zich met vechten bezig en leefden verder naar lust en welgevallen. Nadat de Utrechtsclie bisschop uitgesproken had, dat deze kloosterlingen geen monniken waren, hunne mantels moesten afleggen en het klooster verlaten, werd aan de quot;Windeslieimer broeders de taak opgedragen om het klooster te verbeteren en de nieuw aan te nemen bewoners in te lijven in de orde der Reguliere Kanunniken. Deze taak hebben zij vervolgens naar éisch volbracht.

Een der mannen, die bij zulke gelegenheid den meesten ijver openbaarde, was Johannes Busch, van Zwolle geboortig en aldaar door de broeders des gemeenen levens onderwezen. Deze man heeft gedurende veertig jaren zich schier onafgebroken bezig gehouden met het verbeteren van de kloosters. Dat hij daarbij wel eens met groote moeielijkheden te worstelen had, laat zich gereedelijk verwachten. Zoo was er een klooster in Hannover, waar het even ordeloos toeging als te Duinkerk bij Franeker. Busch bracht daar eene geheele verandering teweeg en werd er tot proost verkozen, maar zoo weinig smaak hadden die monniken in het opvolgen van zijne regels, dat er allerlei boosaardige plannen tegen zijne veiligheid werden gesmeed. De een wilde hem met een mes te lijf, de ander strooide erwten op de trap, de derde zocht des nachts zijne cel binnen te dringen. Toch ging Busch met zijn arbeid voort en smaakte de voldoening dat hij zijn doel bereikt en jaren lang met genoegen in dat klooster gewoond heeft.

In de zestiende eeuw is de Windeslieimer kloostervereeniging gaan kwijnen, terwijl de kloosters zeiven van de staatkundige beroeringen veel te lijden hadden. In 1572 werden door geheel Overijsel de kerken van haar zilver, goud, beelden en altaren beroofd. Ook de kerk te Windesheim onderging dat lot. Zes jaren later moest het kapittel 400 goudguldens aan oorlogskosten betalen, vervolgens werd bevel gegeven, de kloostergebouwen te ontruimen. De monniken vertrokken naar elders en weldra stond het klooster van Windesheim ledig. Het werd gesloopt. Het kapittel zelf is

-ocr page 16-

14

na het vervallen vau dit en vele andere kloosters wel blijven bestaan, maar tocli van zijne beteekenis en waarde berootd. Het had ook zijne eigenlijke taak volbracht. Kloosters te verbeteren was geen behoefte meer, toen de kloosters in deze landen plaats maakten voor een geheel nieuwen toestand, die de vracht der kerkhervorming zou zijn.

3. Johannes Brugman.

Johannes Brugman was geboortig van het vriendelijke stadje Kempen in Kleefsland. Tan zijne levensomstandigheden is niet alles in bijzonderheden bekend, o. a- weet men niet met zekerheid wanneer hij geboren is, vermoedelijk in het jaar 1400. Ook van zijne eerste vorming is niet veel te verhalen. Hij zelf heeft zich in later jaren beklaagd, geen van de broeders des gemeenen levens tot leermeester gehad te hebben. Dan zou hij misschien voor afdwalingen zijn bewaard gebleven. Thans, door lichtzinnige jongelingen omringd, was hij zelf lichtzinnig geworden en ofschoon hij in een klooster de gelofte van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid had afgelegd, was hij aan die gelofte niet getrouw gebleven, maar als zoovelen zijner dagen een reliijieuse, gelijk hij zich uitdrukt, zonder religie geweest.

Nog in tijds waren hem de oogen geopend. In een Observantenklooster opgenomen had hij een beter leven zoeken aan te vangen en van die gezegende verandering getuigenis afgelegd in een door hem vervaardigd geestelijk lied, waarvan de aanhef luidt:

Adieu der wereld minne, adieu, 't is al gedaan,

Ik heb in mijne zinnen, wat nieuwes aan te gaan,

Ik wil gaan aventuren te gaan oen anderen gang.

Al zou 't mij worden zure. Och! eeuwig is zoo lang!

In het Observantenklooster te St. Omer heeft hij veel kennis van de schrift en de kerkvaders opgedaan. Daar is hij zich ook zijne roeping als volksprediker bewust geworden.

-ocr page 17-

15

Sedert dien tijd heeft liij zicli als pater Brugman, nu eens hier, dan daar laten hooren, terwijl hij in de kloosters zijner orde voor langer of korter tijd verblijf hield. Zoo heeft hij zich te Gouda, te Amsterdam en te Nijmegen opgehouden. Tn laatstgenoemde stad is hij op ruim zeventigjarigen leeftijd overleden. Niet lang voor zijn dood schreef hij aan een vriend : „de palen der brug zijn vergaan en voor het bruggemannetje blijft niet meer over dan ten grave te dalen.quot;

Tot de heiligen der Kerk is hij niet gerekend maar wel hebben zijne tijdgenooten hem den lof gegeven van een devoot en godvruchtig vader, een medearbeider des Allerhoogsten in het terechtbrengen van zielen te zijn.

Twintig jaren lang was Johannes Brugman de geliefde volksprediker, die in steden en dorpen zijne stem verhief tegen de heerschende gebreken des tijds. Ontucht, ontwijding-van de heilige dagen, speelzucht, wraakgierigheid, ja wat niet al, werd door zijne wel bespraakte tong gekastijd, en dat zonder aanzien des persoons en met een uitslag die buitengewoon mag heeten.

Te Bolsward werd tengevolge van zijne prediking het dobbelen en andere boeverij van regeeringswege verboden. Te Culemborg wist hij het zoover te brengen dat de jaarmarkt van St. Jansdag op een gewonen dag werd verplaatst. Te Amsterdam, waar de geestelijkheid naijverig was op zijn roem, en met behulp der overheid hem zocht te weren, predikte hij met zulk een gevolg dat er oproer zou zijn gewekt, indien zijne prediking niet ware toegelaten. In Gaasterland overreedde hij de Schieringers en Vetklt;;opers de wapenen neder te leggen en zich met elkander te verzoenen. Tot dat einde stelde hij midden in de vergadering een kind, welks vader kort te voren door zijne medeburgers vermoord was. „Kindekequot; sprak hij tot den wees, „hebt gij liefde tot den vrede en wilt gij, als gij eenmaal groot zijt, afstand doen van alle voornemen tot wraak over den doodslag uws vaders? Zoo steek dan tot een teeken uwe rechterhand omhoog!quot; Het kindeke deed zulks. Het volk stond verbaasd en Brugman maakte van den ontvangen indruk gebruik, door hun toe te

-ocr page 18-

i6

voegen: nu dan, waar dat kind u het teeken geeft, hoe liefelijk een werk het werk der verzoening is, gaat heen eu doet ook alzoo!quot;

Brugman was in waaiheid een volksprediker. Hij hield van platte taal eu van zinnelijke voorstellingen. Ook schreeuwde hij hard en maakte heftige gebaren, maar juist daardoor hing het volk aan zijne lippen en beefde voor zijn machtig woord. Van zijn preek werk is er slechts één sermoen overgebleven en dat handelt over Psalm 25 vs. 1 de geestelijke tafels. Het is een vreemdsoortig mengsel van treffende invallen en zonderlinge beschouwingen. Brugman handelt over het spijzigen van de schare met de broodeu en de visschen, en over het genot des avondmaals. Ook schildert hij het genot van de vreugde des hemels. De hemel is een kasteel, waarin de verschillende zalen de onderscheidene soorten der zaligen bevatten. „Zusters!quot; zoo spreekt Brugman zijne hoordcressen aan, „ik zal u iets van de hemelvreugde zeggen; niet dat ik daar geweest benquot;, laat hij volgen, maar hij is overtuigd, als hij daar komt, dan zal hij niets anders doen dan gapen en kijken (teekenen van verbazing geven). Toch stelt hij zich voor, dat daar een kelder is, waarin vaten met malvezij wijn en romenij, en Jesaja, Jeremia, Daniel en andere profeten en Jezus in hun midden, om hun wijn te schenken, terwijl David door harpspel de vreugde verhoogt. Ook eene rechtzaal zal daar wezen, waar Petrus, Paulus en de andere apostelen als raadslieden Gods zijn gezeten; ook eene bibliotheek, waar de doctoren en de leeraars in het boek des levens lezen, dagelijks nieuwe wijsheid ontdekkende. „Toenquot; — vervolgt Brugman — „na al die heerlijke dingen hoorde ik ook in de verte een allerzoetst geluid van stemmen en pijp-kens (fluiten). Ik dacht: wat raag dat zijn? en ik kwam voor het allerhoogste kamerken. Dat was gesloten. Toen klopte ik daarvoor. Zij vraagden mij: wie zijt gij ? ik antwoordde : hier is Brugman. De Heer wil dat ik van alles wat zien zal. Maar zij wilden mij niet inlaten. Ik zag toen door een reetje. Daar waren Agnes, Catharina, Barbara, Urzula en allen die om den naam haars lieven Bruidegoms

-ocr page 19-

17

wil gemarteld waren, om de reinheid te behouden. Och! hoe wonderlijk waren die bruiden des Lams versierd, van het hoofd tot de voeten , en hoe wonderlijk schoone dingen hadden zij om den hals. Toen vroeg ik haar, wat lieden zijt gij en hoe zijt gij hier gekomen ? en zij antwoordden: weet gij het niet? Er staat geschreven: „Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.quot;

Ziedaar een kleine proef van den preektrant van Brugman. Zoo predikte, zoo schreef hij. Naar onzen smaak onvoldoende maar voor het volk in zijnen tijd recht geschikt om grooten roem te oogsten. Het praten als Brugman is dan ook een spreekwoord van ons volk gebleven tot op dezen dag.

Het is waar, de geschiedschrijvers uit de eeuw der reformatie hebben weinig tot zijn lof gesproken, maar het is in ouzen tijd duidelijk in het licht gesteld, dat Brugman wel geen baanbreker geweest is voor het licht der reformatie, maar dat hij toch in prediking en geschriften de ware vroomheid hartelijk heeft aanbevolen.

4. Johan Wessel Gansfoort, wegbereider der Hervorming.

Een der beroemdste leerlingen van de Broeders des ge-meenen levens was Johan quot;VVessel Gansfoort, zoon van een bakker uit Groningen, die reeds als knaap .en jongeling toonde met bijzonderen lust tot wetenschap bezield te zijn. Op de school der Broeders te Zwolle leerde hij zooveel Latijn, als noodig was om de kerkvaders te verstaan. Ook maakte hij keunis met een Latijnschen Bijbel en met het stichtelijk volksboek : de navolging van Christus, dat door Thomas a Kempis geschreven is. Deze Thomas a Kempis, een vrome monnik, was in die dagen prior van liet klooster der H. Agues bij Zwolle en werd menigmaal door den jeugdigen Gansfoort bezocht. Het schijnt echter dat de eentonige, sombere dampkring van het klooster niet de plaats was voor een geest, zoo vrij en krachtig als de zijne. Vasten, lichaamskastijding en het houden van strenge regels, hoe hoog

2

-ocr page 20-

18

ook in de middeleeuwen geprezen, hadden voor Gansfoort geene aantrekkelijkheid. Hij kwam weldra in botsing met de mannen van den stempel van Thomas a Kempis, en bij gevolg besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken. Naar Keulen trok hij heen. Daar was eene beroemde school van godgeleerden, daar kon hij studeeren en magister in de vrije kunsten of dokter in de godgeleerdheid worden. Evenwel te Keulen vond hij weinig degelijke geleerden, meestal bekrompene, oppervlakkige, onverdraagzame mannen, van wie weinig nieuws was te leeren. Gelukkig voor hem dat hij in die dagen de schriften van Ruprecht van Deutz, een helder denkend schrijver uit de 12e eeuw leerde kennen, en dat geleerde Grieken zich te Keulen ophoudende, hem in het Grieksch en geleerde joden hem in het Hebreenwsch onderrichtten. Zoo doende breidde de kring zijner kennis zich uit en werd hij tevens een beroemd man, aan wien een hoogleeraarsplaats in de wijsbegeerte te Heidelberg kon worden opgedragen.

Hoogleeraar wilde hij nog niet wezen. Eerst moest hij Parijs zien, Parijs den zetel der scholastieke wijsbegeerte, het middelpunt van den wetenschappelijken strijd dier dagen. Wessel sloot zich aan de partij der Nominalisten aan, want hij vond daar eene vrijere richting, een meer wetenschappelijken zin dan bij hunne tegenpartij, de Realisten. (') Vele Parijsche geleerden deelden zijne gevoelens en vereerden hem hoog om zijn helder inzicht. Voorts kwam bij in kennis met een aantal aanzienlijke personen, b. v. met Frans de Rovere, generaal der Minorieten, die later onder den naam van Sixtus IV Paus geworden is. Toen Wessel Gansfoort bij zijn verblijf te Rome, eenige jaren daarna, dezen Paus ontmoette, verzocht hij om eenen Griekschen en Hebreeuwschen Bijbel uit de boekerij van het Vaticaau. „Waarom vraagt

(!) Realisten waren die Godgeleerden, die de leer, hun door de Kerk gegeven, trachtten te bewijzen met gronden, aan het menschelijk nadenken ontleend. De Nominalisten oefenden kritiek op de wijsgeerige bespiegelingen der Realisten en kwamen langs dien weg tot eene vrijere opvatting van de kerkleer zelve.

-ocr page 21-

19

gij niet om een bisdom of iets dergelijks?quot; zeide de Paus. „Omdat ik zoo iets niet noodig hebquot;, antwoordde Wessel.

Neen, kerkelijke eereambten had de inan niet noodig, die zich in de geleerde wereld den naam van magister con-tradictionis (meester in het disputeeren) had verworven. Zoo groot was zijn roem als geleerd en wijsgeerig denker gestegen. Na een zestienjarig verblijf te Parijs en eeue reis door Italië vestigde hij zich te Heidelberg. Nu had hij daar wel professor willen wezen, maar volgeus den eisch der Heidel-bergers zou hij eerst de priesterwijding hebben moeten ontvangen. En daartoe kou hij niet besluiten. Na dus als bijzouder persoon te Heidelberg eenigen tijd in Latijn , Grieksch, Hebreeuwsch en Philosophic les gegeven te hebben, keerde hij in 1480 terug naar het land zijner geboorte en is er tot zijn dood in 1489 toe gebleven. De toenmalige Utrechtsche bisschop David van Bourgondië mocht hem gaarne lijden en beschermde hem, waar het noodig was, voor de listen van naijverige geleerden. Wessel Gansfoort hield bij afwisseling zijn verblijf in de abdij van Aduard, te Groningen of te Zwolle. Als de bisschop te Vollenliove op het kasteel vertoefde, liet Wessel zich daar ook onder zijne gasten vinden. Voorts komen ouder de vrienden van Wessel de namen voor van Jacob Hoek of Angularius, deken van Naaldwijk, Eu-dolf Agricola en Gosewijn van Halen, die allen door heldere kennis uitmuntten en hervormingsgezind waren.

Maar anders kunnen wij niet zeggen, dat Wessel zelf iets gedaan heeft om het sein tot reformatie te geven. Hij was er ook zeker de man niet voor. Kreupel in zijn gang, kortzichtig van oogen, miste hij lichamelijk de geschiktheid om zich veel in het openbaar te bewegen en behoorde hij meer in de studeercel thuis. Ook wenschte hij geene omverwerping vau den bestaanden toestand. De sacramenten wilde hij behouden ; de geestelijke stand, meende hij, kon nuttig zijn; kloosterleven was een middel om te leeren beseffen, dat de Heer goed is. Wel vatte hij alles dieper op dan zijne tijd-genooten en drong hij tot het wezen der dingen door, terwijl de slotsom van zijn nadenken mondeling aan zijne leerlingen

-ocr page 22-

20

medegedeeld of in zijue gescliriften neergelegd werd, maar gedurende zijn leven is bij niet voor een bestrijder van de kerkleer gehouden. Eerst in later jaren , toen zijne gescliriften, door Luther verzameld eu in druk gegeven, ijverig gelezen werden, is de ruime, vrije geest die daaruit spreekt, gevaarlijk voor de Eoomscb Katholieke kerk geacht en zijn Wessels schriften onder de verboden boeken gerangschikt. Luther verklaarde van hem, dat hij sprak als een machthebbende, die naar de profetie door God zeiven was geleerd. Ook Melanch-thon beschouwde hem als den heraut van den nieuweren tijd eu Erasmus prees niet slechts zijne geleerdheid maar ook zijne gematigdheid. ïe Groningen bleef zijn geest voortleven in Gosewinus van Halen, hoofd van het Groninger Fraterhuis en in Regnur Praedinius, rector der St. Maartenschool.

Vooral op de beschouwing van de leer des Avondmaals heeft Wessel grooten invloed gehad. Hij meende toch, en te recht, dat de persoonlijke gemoedsstemming in het Avondmaal-vieren alles afdoet. Niet aan eene vreemde, buiten ons omgaande handeling hangt ons zieleheil maar in ons moet het koninkrijk der hemelen zich vestigen. Niet de priester is de hoofdpersoon in het sacrament maar Christus zelf. Wat baat derhalve dat Avond maal vieren, dat de zaak alleen als eene ceremonie beschouwt? „Christus' dood, zegt Wessel, „is „een plaatsvervangend zoenoffer der Goddelijke gerechtigheid „eu zijn leven is geheel en al eene openbaring vau Gods „liefde. Wie zijn leven dagelijks overpeinst, dien is hij „waarlijk altoos nabij in den geest. Zoo bestaat er dus eene „inwerking van het Goddelijke in ons, beter, heerlijker dan „de kerkelijke Avondmaalsleer predikt. Er bestaat een voortdurend, geestelijk genieten van Christus' tegenwoordigheid. „ Dat is te verkiezen boven het ontvangen van zijn gewaand „lichaam uit des priesters hand. Het ware eten van Christus' „lichaam is gelooven; het ware drinken van zijn bloed is tot „Hem gaan!quot;

Ziedaar iets uit den overvloed van vrije heldere beschou-wingeu, die wij in Wessels schriften vinden eu waarmede de latere hervormers zoozeer instemden, dat Luther zelfs betuigde:

-ocr page 23-

21

„mijne vijanden zouden kunnen deuken dat ik al mijne beschouwingen aan Wessel heb ontleend.quot; In zijne laatste levensdagen werd hij nog al eens door twijfelingen overmeesterd en gevoelde zich dan zeer bezwaard maar kort vóór zijn einde legde hij 4 Oct. 1489 aan eeu zijner vrienden de troostvolle verklaring af; „ik dank God: al de nietige bedenkingen zijn verdwenen; ik weet thans genoeg, want ik blijf bij Christus en dien gekruist!quot;

5. Mystieken, Rederijkers en Humanisten.

Onder onze voorouders vonden van oudsher die schrijvers grooten bijval, die met een vreemden naam Mystieken heeteu. Men bedoelt daarmede die vromen, die zich verdiepten en als het ware verloren in de beschouwing der ontfermingen Gods. Een hunner was de edeldenkende Brabantsche priester Johan Ruijsbroek, gestorven in 1381. God lief te hebben was hem het een en het al. Gods liefde te genieten en in dat genot alle aardsche vreugd en leed te vergeten, van die liefde te getuigen, haar over te storten in anderen was liet doel van zijn leven. Hij schroomde niet de vrijer denkende men-schen, al werden zij voor ketters uitgekreten, te stellen boven de ontrouwe dienstknechten die misschien uitwendig de geboden der kerk hielden, maar inwendig verre van God leefden. Hij zeide, dat rechtvaardig genoemd moesten worden al wie in gemeenschap met God wandelen, om het even waar zij zich bevinden, in huis, op straat of in het klooster. Volgens hem bestaat het ware berouw daarin , dat men van harte en oprecht om Godswil tot alle deugden zich bekeert, en haat, wat men weet, dat Gode mishaagt. Daarbij spaarde hij de priesters niet. „Christus en de apostelenquot;, zeide hij, „waren arm aan aardsche goederen geweest en rijk in hemel-sche deugden, docli de priesters van zijn tijd waren rijk in goud en arm in deugd. Onder de twaalve was er slechts een bedorven mensch, thans daarentegen vindt men onder honderd priesters nauwlijks een, die Christus navolgt.quot; „Ach — klaagde hij — „voor de verbetering der zielen wordt niets

-ocr page 24-

22

gedaau, alleen naar openbare wanbedrijven doet men onderzoek en daarvoor moet geldboete worden betaald. Hoe rijker de bedrijvers der boosheid zijn, hoe meer zij moeten betalen en dan kunnen zij weer een jaar lang den duivel dienen. Zoo worden de zonden niet verminderd maar vermeerderd en en zoo heeft ieder wat hij verlangt: de duivel heeft de ziel, de bisschop het geld en de ongelukkig bedrogene voor een oogenblik zijn genot.quot;

Een niet minder vermaard Mystiek schrijver is Thomas a Kempis, kweekeling van de Deventer Fraterschool, die behalve vele andere stichtelijke schriften een boek getiteld de Navolging van Christus heeft opgesteld. Meer dan twee duizend uitgaven zijn er van dat boek bekend, deels in het oorspronkelijk Latijn, deels in verschillende nieuwere talen. Het wordt telkens op n ieuw uitgegeven en is door de Eoomsch-Katholieke kerk als een lezenswaardig geschrift openlijk geprezen. Hoezeer op Roomsche leest geschoeid en kloosterdeugd aanprijzend, grijpt het den lezer aan door den eenvoud, den ernst, de liefde tot Christus, de opwekking tot zelfverloochening, lijdzaamheid en gebed, die het geheel doorademen. Op den Agnitenberg bij Zwolle, waar thans eene school en een kerkhof is, stond weleer het klooster dat 72 jaren lang tot woonplaats van den vromen Thomas strekte. Zijn gebeente rust thans in de St. Michielskerk der Eoomschgezin-den te Zwolle.

Vergeten wij, als er van het geestelijk leven dier dagen sprake is, ook de llederijkers niet, de beoefenaars der lihe-thorica of welsprekendheid, die eerst in binnenkamers hunne vertooningen hielden maar weldra ook in het openbaar op marktpleinen en kerkhoven, op wagens en daartoe opgerichte stellaadjen. In hunne kluchten voerden zij bijzonder gaarne de gebreken der domme, trage, schraapzuchtige geestelijken ten tooneele en de misbruiken der kerk. Dikwijls behandelden zij godsdienstige onderwerpen en oefenden grooten invloed op de volksmenigte uit. Bij een wedstrijd te Antwerpen behandelden zij eens de vraag: wat is de allernoodzakelijkste en grootste verhor genheid en genade, die God tot des menschen

-ocr page 25-

23

welzijn heeft verordend'? Eu te Gent moesten zij de vraag ' beantwoorden : wat den stervenden mensch den meesten troost verschafl? Daarop antwoordde de kamer van Violieren te Antwerpen : de verrijzenis des vleesches door Christus' lijden, dood en opstanding; terwijl die van een andere Ylaamsche gemeente antwoordde: het vertrouwen dat Christus en zijn Geest u mededeelt. Waarlijk! zulke antwoorden getuigden van ernstig nadenken over het Evangelie en van diep indringen in liet Christendom. Het moet aan een onzer historieschrijvers toegestemd worden, dat zulke vragen goede teekenen waren van oprecht Christelijk geloof en van het streven dier Eederijkers om op iets hoogers het oog te vestigen dan op de bijgeloovige plechtigheden, waaraan de Kerk zoo veel waarde hechtte.

Eindelijk noemen wij de Humanisten of de beoefenaars der oude Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen, die niet in monuiken-latijn maar zuiver klassiek hoogst belangrijke werken schreven en zich voorstanders van ware geestverlich-ting betoonden. Onder hen behoort Rudolf Agricola of Huisman , in ] 442 te Baflo in Groningerland geboren. Zijne eerste vorming was hij aan de Fraterschool te Groningen verschuldigd. Van daar is hij gaan studeeren aan buitenlandsche hoogescholen en aan een dezer scholen, die te Heidelberg, is hij professor geworden. Tot zijn dood toe in 1485 heeft hij daar gearbeid en aan eene talrijke schaar van leerlingen liefde tot wijsbegeerte, welsprekendheid eu fraaie letteren ingeprent. Dat hij een geopend oog had voor de verbastering der Christenkerk laat zich begrijpen, en, ware hem een langer leven verguud geweest, hij zou in geschrifte nog veel goeds gesticht hebben, maar ziju vroegtijdig afsterven maakte de uitvoering van vele zijner letterkundige plannen onmogelijk. Toch werkte zijn verlichte geest voort in zijne leerliugen, waaronder Alexander Hegius, een Westphaler van afkomst. Deze bekwame man, die bijzondere gaven had om de jeugd te onderwijzen heeft 33 jaren lang aan het hoofd der school te Deventer gestaan. Het getal zijner leerlingen klom tot over de zeshonderd en bereikte zelfs het fabelachtig hooge cijfer

-ocr page 26-

24

vau tweeduizend. Dat liet hem boven alles om kennis en wetenscliap te doen was, blijkt uit zijne nagelaten schriften. Het Nieuwe Testament werd door hem beoefend niet zoozeer om zich zelf als wel omdat het een deel van de Grieksche letterkunde was; mair ook als zoodanig opgevat, werkte die beoefening het verspreiden van licht en waarheid in de hand en bereidde de harten voor het zaad des Goddelijken woords.

Desiderius Erasmus was de beroemdste leerling van Hegius, Indien iemand dan heeft hij de behoefte aan hervorming in het hart zijner tijdgenooten opgewekt, ofschoon het hervormen zelf zijne zaak niet was. „Ikquot; zeide hij, „verkies liever in sommigen opzichten te dwalen dan onder het tumult, dat aan het hervormen verbonden is, voor de waarheid te strijden. Niet op den kansel als volksprediker, niet aan het hoofd eener beweging als volksleider was zijne plaats, maar als geleerde in het boekvertrek, als schrijver aan de lessenaar, met papier en pen. Wat heeft de wereld niet aan hem te danken ! Zijne tot vijfmaal toe herhaalde, telkens herziene uitgave van den grondtekst des Nieuwen Testaments, zijne aanteeke-ningen op het Nieuwe Testament, uitmuntende door heldere schriftverklaring en keurigen stijl, zijn Lof der zotheid, dat de oogen heeft geopeud voor de dwaasheden en zedeloosheden der kloosterlingen, zijne samenspraken, waarin hij handelt over opvoeding der jeugd, bidden, biechten, vasten, gebruik eu misbruik der spraak enz. zijn allen zeer geschikt om een levend, beoefenend Christendom aan te prijzen. Vooral komt zijn keurig boeksken: Handwapen voor den Christen krijgsman in aanmerking. „Wij hebben allen een strijdquot; zoo vangt Erasmus aan, „doch niet met een onoverwonnen vijand maar met zulk een, die reeds ten onder is gebracht, en Jezus Christus is ons Hoofd, door Wien hij zeker ook in ons zal overwonnen worden. Zorg gij slechts, dat gij tot dat licliaam behoort, en gij zult alles vermogen door en in dat Hoofd. In u zeiven zijt gij zwak doch in Hem vermoogt gij alles. Ieder overwint, behalve hij die niet heeft willen overwinnen, üe genade van den Helper is nooit aan iemand onthouden. Zoo gij slechts zorgt, dat gij u zelf aan Zijne genade niet ont-

-ocr page 27-

25

trekt, hebt gij alreeds overwonnen. Hij zal voor u strijden en Zijn bijstand u toerekenen, als ware het uwe verdienste. U past het, de gebeele overwinning Hem dank te weten, die het eerst en alleen vrij van zonde, der zonde dwingelandij verbroken heeft.quot;

Aldus predikt Erasmus den Heer Jezus Christus, schetst ons het Christelijk leven als een leven van Christus in ons en van ons in Christus en doet dat innig en helder. En nu moge het waarheid zijn, dat een man, die zoo schreef, den hoogen moed miste, om eene beweging in het leven te roepen, zooals Luther heeft gedaan, liet is toch niet tegen te spreken, dat hij gedurende zijn rusteloos werkzaam leven als schrijver aan duizenden zijner tijdgeuooten tot zegen is geweest. Daaronder noemen wij Gerrit Gelderhauer van Nijmegen omtrent 1482 geboren en na te Leuven gestudeerd te hebben, tot aanzienlijke ambten geroepen, eerst als kapelaan van keizer Karei V, laterals secretaris en biechtvader van den Utrecht-schen bisschop Eilips van Bourgondië. Zoowel in die betrekkingen als toen hij in 1526 naar Wittenberg gezonden was, om daar den staat van kerk en school in oogenschouw te nemen, betoonde hij zich een ijverig vriend der hervorming. Hij ging zelfs openlijk tot de vrienden van Luther over en schroomde niet op zijn hoogvereerden vriend Erasmus als op een geestverwant te wijzen. Erasmus was evenwel op zulk eene lofspraak weinig gesteld en zou liever gezien hebben, dat Geldenhauer zijn naam verzwegen had.

Gelukkig voor Geldenhauer dat hij steun bij andere vrienden vond. De reeds genoemde Utrechtsclie bisschop namelijk, in 1516 door den invloed des Keizers op den zetel verheven, was aanvankelijk vrijzinnige gevoelens toegedaan. Niet slechts vonden schoone kunsten, bouw-, schilder-, beeldhouw-kunst in hem een edelaardigen beschermer maar hij bevorderde ook letterkundige studiën en werd door den dankbaren Erasmus zijn Maecenas betiteld. Hij schroomde niet de lezing van den Bijbel aan te bevelen en zijn inhoud te verheffen boven alle kerkelijke overlevering. Hij bestreed den ongehuwden staat der priesters en sprak met zijne vertrouwde vrienden dikwijls

-ocr page 28-

26

over het verminderen van de heilige dagen, het aanstellen van goede en het weren van zwetsende en domme predikers. Jammer intusschen dat de bisschop het bij zulke vrijzinnige gesprekken en betuigingen gelaten heeft. Het vervolg der geschiedenis leert ons, dat toen keizer Karei zich tegen de hervorming had verklaard, bisschop 1'ilips dat voorbeeld gevolgd en ook een ketterjager geworden is. Toch zou op den duur de geest van den nieuweren tijd niet te belemmeren zijn, de geest der waarheid, der vrijheid en des rechts, bestemd om op onzen bodem den stoot te geven aan de vestiging van eene nieuwe kerk en van een nieuwen staat.

6. Overzicht van het behandelde tijdperk.

En wat dunkt u thans, belangstellende lezer! is er in de middeleeuwen zooveel rust geweest? juichten alle menschen de geestelijken toe? waren zij onbepaald ingenomen met hunne werkzaamheid ? was er geen verzet, geene vijandschap, geen strijd ? Maar denkt dan nog eens aan de strafpredikatie van Geert Groote tegen zijne overheden in de geestelijke bediening ! Ziet de bemoeiingen der Windesheimer broeders tot verbetering van de kloosters! leent het oor aan de stem van pater Brugman! stelt u de werkzaamheid van Wessel Gans-foort, van Mystieken, Rederijkers en Humanisten voor, en gij kunt niet anders dan getuigen: ja, het gistte in die mid-deleeuwsche wereld. Er werd gewerkt, gewoeld, geworsteld om verandering. 13e edelste geesten gevoelden zich in de bestaande orde der dingen hoe langer zoo minder thuis. Het oude was aan het voorbijgaan: ziet, er moest een nieuwe tijd geboren worden.

-ocr page 29-

HOOFDSTUK I.

Tijdperk der Sacrainentisten.

Met dit hoofdstuk vangen wij het verhaal van de eigenlijk gezegde hervorming der kerk in de Nederlanden aan en geven het den naam van tijdperk der Sacramentisten.

Deze naam klinkt misschien vreemd in de ooren en wordt ook niet in alle volksgeschriften over dit onderwerp aangetroffen, maar hij is toch aan de geschiedenis ontleend en geeft te kennen, waarover in die eerste jaren der zestiende eeuw de strijd hoofdzakelijk is gevoerd. Doch laat ons geregeld verhalen.

1. De Augustijner monniken te Dordrecht.

Luther had gesproken. In 95 stellingen had hij zich tegen den Godonteerenden en menschverlagenden aflaathandel verklaard. Een geduchte strijd was aangevangen en allerwege werd het oog op dezen strijd gevestigd. Het duurde niet lang, of ook in de Nederlanden vonden Luthers woorden weerklank en wel het eerst in een der kloosters zijner orde, namelijk in het Augustijner klooster te Dordrecht.

Hendrik van Zutphen, prior aldaar, had te Wittenberg gestudeerd en vrienschappelijk met Luther omgegaan. Hoe zou hij thans zwijgen ? Hij was er diep van overtuigd, dat Luther uit het innigst gevoel gesproken en slechts vrede gevonden had in het geloof, dat rechtvaardigt voor God, zonder de aflaten der kerk. De Dordtsche prior sprak daar dikwijls over met zijne kloosterbroeders, en ziet, daar worden de monniken Pieter van Ferrewaarde, Cornelis van lliemels-

-ocr page 30-

28

waal en Gerrit de Man ook voor deze denkbeelden gewonnen. Zij herhalen in den biechtstoel en op den kansel de woorden van Luther. Zij willen ook niet meer van aflaten liooren, maar van berouw, van geloovig aannemen der goddelijke genade in Christus. De prediking wordt gretig aangehoord en vindt bijval bij de burgerij, maar Moris Oem van Wijngaarden, de pensionaris der stad, wiens geslacht meer dan twee eeuwen aan het Augustijner klooster verbonden was geweest, gevoelde zich veel te innig gehecht aan de leer, steeds door de kerk zijne]1 vaderen beleden dan dat hij zich in al die nieuwigheden vinden kon. Hij drong aan op de verwijdering van de kettersche monniken en toen de kerkelijke overheid te langzaam naar zijn zin te werk ging, overreedde hij de stadsregeering, zelve de handen aan het werk te slaan en eenige hervormingsgezinde burgers gevangen te zetten. Het bleef echter bij deze eene daad van geweld. l)e burgers werden weldra weder losgelaten, terwijl de kettersche monniken de vlucht naar Wezel namen. Toen echter kort daarna een Dominicaner predikheer in de stad verscheen om tegen Luther te prediken, waren er nog een aantal burgers, die dat niet gedoogden. Men schoolde samen, wilde den Dominicaner te lijf en zou hem gesteenigd hebben, indien hij niet ontvlucht was. Voor die oproerige tooneelen werden de Augustijner monniken aansprakelijk gesteld; het prediken werd hun verboden, de prior ontslagen en een ander in zijne plaats benoemd. Daarmede was de lust, om de gevoelens van Luther openlijk te verbreiden , te Dordrecht onderdrukt. Heimelijk mogen velen er bij gebleven zijn, maar in de eerstvolgende jaren werd er daar ter stede niet veel meer van gehoord.

Er waren echter ook elders voorstanders van Luther opgetreden. De bestuurders en leeraars der fraterscholen moeten daaronder gerekend worden. Immers tot hun onderwijs behoorde Schriftverklaring, uitlegging van Evangelie en Epistels. Welk eene gelegenheid voor die mannen om te toonen dat zij beter inzicht in de Latijnsche en Grieksche talen hadden dan hunne pastoors. Zij kwamen daardoor onder verdenking van

-ocr page 31-

29

ketterij en zagen zicli vau lieverlede beperkt tot het leeren van spraakkunst, redeneer- eu redekunst. Het Iaat zich echter denken, dat zij de voorkomende gelegenheid dikwijls aangrepen om hunne leerlingen tot verlichte denkbeelden over te halen. Mannen als Hinne Rode (Rodius) aan de fraterschool te Utrecht, Willem de Volder (Gnafeus) in den Haag en Herman Busch (Buschius) te Delft werkten op die wijze mede tot verbreiding van de nieuwe denkbeelden, doch zij waren geen Luthers, noch in gaven, noch in karakter, noch in invloed op het volk. üe werking, die er van hen uitging, was meer beperkt; ook waren zij de mannen niet, om in het openbare leven als leidslieden van de schare op te treden. Daartoe leefden zij te veel in de boeken, te weinig met het volk, te veel in hunne eigene studiën, te weinig voor de geestelijke behoeften van anderen. Zij konden aan de hervorming in sommige harten den weg banen maar de nieuwe opvatting van het Evangelie tot de zaak des volks maken — neen, dat vermochten zij niet.

2. Volksgesohriften van dien tijd.

Meer dan de bestuurders en leeraars der .Fraterscholen vermochten de geschriften, die het volk in handen kreeg. Velen daarvan zijn in den loop des tijds verloren gegaan, velen ook opzettelijk ten vure gedoemd. Zoo geschiedde reeds ten jare 1521 te Utrecht met de geschriften van Luther, die op bevel des bisschops openlijk op de Neude zijn verbrand. Toch is het een en ander der toenmalige volksge-schriften tot onze kennis gekomen. Tot de stichtelijke volksboeken dier dagen behoorden de navolgende: Hoe men den berg van Calvariën opklimmen zal; Van de vijf toonden onzes lieven Heeren, Wandeling van een Christen met Jezus; Handhoekje van de bekeering eens menschen. ]n een

!) Voeg daarbij: Summa der godliker Scrifturen, een boekje in 1523 in liet Nederduitsch versclieueu, en thans door den Amsterdamschen hoogleeraar van Toorenenbergen op niemv in het licht gegeven. (Uit het middel-neder-duitseh in hedendaagsen Hollandseh overgezet, is eeue volksuitgave verschenen bij E. J. Brill te Leiden, onder den titel; Wat een Roomsch geestelijke in 1523 aan de Christenmenschen leerde)

-ocr page 32-

30

dezer boekjes staat „verdraag een hard woord geduldig om „mijnent wil, zegt de Heer, want dat is mij liever en u „nuttiger dan of gij vijf dagen in de week vasttet op water „en brood tien jaren lang! Spreek van uwen medemenscli „geen kwaad, zegt de Heer, want dat is mij liever en u „beter dan of gij zoo lang barrevoets gingt, dat men op „eiken voetstap uw bloed zag! Wat gij van mij begeert, „zegt de Heer, van goederen, van eten, van lijf en ziel, „bid mij daarom, want dat is mij liever en u beter, dan of „Maria, mijne moeder en alle heiligen voor u baden!quot; Ziedaar uitmuntende voorschriften, van den geest des Evangelies doortrokken, en die het volk in het goede spoor leidden, al wordt ook in hetzelfde boekje de banvloek uitgesproken over hen, die het vasten en de boetedoemngen verwaarloozen.

Zoo is het ook in den Ziekentroost, waarin de vraag voorkomt: gelooft gij dat gij niet kunt behouden worden dan door den dood onzes Heeren? en het antwoord: Neen, niet anders dan door zijnen doodwaarop dan deze woorden volgen: „Zoo loof en dank God levenslang en zet uwe hoop op niemand anders en beveel uzelven aan den Heer Jezus en wil de Overste Rechter u veroordeeleu, zoo zeg: Heer! den dood van Jezus zet ik tusschen mij en Uw oordeel en anders waag ik geene tegenwerping. Zegt God dan: gij hebt verdoemenis verdiend! dan moge uw antwoord zijn: Uwe ontferming o God ! en den dood Uws zoons plaats ik tusschen mij en U!quot; Ook al weer geheel iets anders dan wat de aflaat-predikers dier dagen predikten. Tegen hen trekt de Divisiekroniek , te Leiden uitgegeven, te velde en schrijft: Och! och! wat groote sommen gelds en hoe menig honderd duizend gulden komt jaarlijks uit Duitschland te Eome. Het is geen wonder, dat wij aan goud en zilver gebrek krijgen, als het in zulke zakken vol dagelijks opgedragen en geplukt wordt.

In „de Gouden kroon van Mariaquot;, te Deventer gedrukt a0 1516 vindt gij het verhaal van een monnik, die na zijn dood aan een anderen monnik verschijnt en hem klaagt, dat hij ondanks zijn aflaatbrief voor eeuwig verdoemd is. „Hoe!quot;

-ocr page 33-

31

zegt de ander met verbazing, „was dan de brief niet in orde?quot; Wel zeker, luidt liet antwoord, maar Christus had er zijn zegel niet aan gelieclit. Nog een kloosterbroeder, aan wien al weder een verdoemde zich vertoont, krijgt op soortgelijke vraag tot bescheid: „de brief was wel in orde maar ik, ongelukkige, ben gevallen in handen van een duivel, die niet anders dan Duitsch en geen Latijn verstaat; daarom heeft mijn Latijnsche brief niet knnueu beletten, dat die duivel mij met zich naar de hel heeft gesleept.quot; Aldus de schrijver in de Gouden Kroon van Maria.

Onder de schriften dier dagen noemen wij ook den Preekbundel van Nicolaas Peters, voor wien alles zich oplost in dezen grondregel; God geeft vergiffenis van zonden en eeuwige zaligheid door Christus uit louter genade zonder verdiensten des menschen. De instellingen der kerk: vasten, bedevaarten enz. worden niet hoog aangeschreven. Van het kloosterleven wordt gezegd: „Jezus, ofschoon hij op den berg placht „te bidden, bleef evenwel niet op den berg wonen, gelijk „de monniken doen, maar hij ging weder van daar, opdat „hij steeds bereid zou zijn, de lijdende menschen te helpen. „Jezus wil niet dat de mensch steeds in stilte en rust blijve, „maar dat hij frisch daaruit te voorschijn kome, om zijne „naasten te dienen en te gerieven, waar hem menige strijd „ontmoet.quot; Ziedaar eene taal naar het Evangelie, anders dau de verheerlijkende aanprijzing van de kerk, anders dan de sermoenen der aflaatpredikers; de harten gingen open, die woorden te gemoet! Weg met de zoo weinig bevredigende leer der Kerk, zulke boeken moest de schare lezen.

3. Pogingen tot hervorming in den Haag en te Delft.

Sedert 1520 was zekere Wouter, de Luthersche monnik genaamd, te Delft aan liet prediken. Hij had het geestelijk gewaad afgelegd en predikte in burgerkleeding, eerst in huiselijke kringen, vervolgens in grootere gezelschappen. Met edele verontwaardiging trok hij te velde tegen den aflaathandel, die toen ter tijd in de St. Laurenskerk te Rotterdam gedreven werd. „Hoe!quot; zeide hij „indien vergeving van zonden voor

-ocr page 34-

32

geld te koop gesteld wordt, lioe zou God, die de Heer is van hemel en aarde, Zijnen zoon in liet vleescli gezonden hebben om door zijn bloed onze zonden te verzoenen!quot; In alles zocht hij het zuivere Evangelie te verkondigen en hij deed dat onder de toejuiching van velen zijner medeburgers. Te Delft sloot Frederik Hondebeke (Canirivus) rector der Latijnsche school zich bij hem aan, in den Haag Cornells Hoen (Honius) advocaat bij het hof van Holland en andere invloedrijke personen. De advocaat Hoen vestigde vooral het oog op de leer des Avondmaals. De afgoderij, die er gepleegd werd met dat Avondmaalsbrood, stuitte hem tegen de borst. Dikwijls deed hij zich zeiven de vraag of dan het brood door de wijding des priesters werkelijk in het lichaam des Heeren veranderde en of de Goddelijke Zaligmaker inderdaad in het gewijde brood moest aangebeden worden? Hij stond telkens in twijfel omtrent dit geloofsartikel en kwam van lieverlede tot de slotsom, dat de woorden der instelling: dat is mijn lichaam, dat is mijn bloed beteekenen moeten en niet anders beteekenen kunnen dan: dat is het onderpand, het teeken van mijn lichaam. Weldra werd zijne opvatting het eigendom zijner hoorders. Bovendien vond hij een krach-tigen steun in een geschrift, dat behoorde tot de nalatenschap van Jacob Hoek (Angularius), voorkomende in diens briefwisseling met Wessel Gansfoort. De aangenomen leer der kerk werd daarin bestreden en aan des Heeren woorden deze uitlegging gegeven: dat brood is in zooverre mijn lichaam. als ik, door het u aan te bieden, zinnebeeldig mijne eigene persoonlijkheid aan u geef en gij, door het te eten, die persoonlijkheid in u opneemt.

Zooals gezegd is, deze opvatting vond in den kring der Haagsche en Delftsche vrienden luiden bijval. Het was of Hoen liet woord gevonden had, dat zijne geestverwanten zochten en weldra werd deze opvatting van de leer des Avondmaals in vele plaatsen met warmte aanbevolen.

Maar zou zij nu ook door de geleerdsten hunner hervormingsgezinde tijdgenooten, zou zij door een man als Luther worden toegestemd? Ziedaar wat men wenschte te weten.

-ocr page 35-

33

Hinne Rode werd uit Utrecht naar Wittenberg gezonden met een uitvoerigen brief van Honius, belielzende de mededeeling van de geschriften van Wessel Gansfoort en een verzoek om voorlichting in zulk een gewichtig punt. Was werkelijk het brood des Avondmaals niet anders dan een teeken van 's Hee-ren lichaam, de wijn een teeken van zijn bloed? Het antwoord van Luther luidde ontkennend. „Neenquot;, zeide de Duitsche hervormer, die zich in dit opzicht van de leer der Roomsche kerk niet geheel kon losmaken , „het woord spreekt al te duidelijk: dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed ! daarbij moet wel degelijk aan 's Heereu lichamelijke tegenwoordigheid gedacht worden lquot; Aldus getuigde Luther, die, naar hij meende, lang en ernstig over dit aangelegen geloofspunt had nagedacht; en wat zouden nu de vrienden uit Holland en Utrecht? .... Zich buigen voor het woord van den Wittenbergschen hoogleeraar en hun gevoelen laten varen ? Of hem tegenspreken en zich aan hunne eigene opvatting houden? Zij besloten tot het laatste en lieten zich door geene geleerden, hoe ook genaamd, aan het wankelen brengen. Het was en bleef hunne overtuiging, dat het Avondmaal eene gedachtenisviering behoort te zijn van 's Heeren lijden en sterven. Zij hadden genoeg van de schepsel-vergoding, zij moesten eene geestelijke opvatting van het Avondmaal vasthouden. Daarom voortaan de weg gevolgd, dien Wessel Gansfoort in zijnen tijd reeds had aangewezen!

Bij hunne toehoorders in verschillende plaatsen vond deze leer onverdeelden bijval. De afgoderij met het gewaande, lichaam des Heeren had velen reeds lang tegen de borst gestuit. Zij verlangden naar den tijd, dat zij beter, vrucht-baarder, gezegender Avondmaal zouden vieren. De leer des Sacraments werd voortaan de hoofdzaak in den strijd. Zij werd in prediking en geschriften steeds besproken, zij stond op den voorgrond der beschuldigingen, die tegen de hervor-mingsgezinden werden ingebracht, zij gaf den naam aan den strijd. Immers voortaan werden allen, die zich tegen de heerschende kerkleer verzetten, Sacramentisten, Sacramen-tarissen of Sacrameutariers genoemd.

3

-ocr page 36-

34

4. De bijtel, meer algemeen als volksboek gebruikt.

Opmerkelijk is het, dat tegelijk met de vrijere dejikbeeklen van Hoen en anderen ook de Bijbel meer in handen van het volk is gekomen. Geheel onbekend aan de Nederlandsche Christenheid was de Bijbel in vroeger tijden niet. Een deftig burger te Leiden maakte een eigenhandig afschrift van den geheelen Bijbel, dat hij anno 1462 in de Pieterskerk beschikbaar stelde voor ieder lid der gemeente. Jan Jacobs van der Meer en Mauritius JJemants hebben voor het eerst den Bijbel in het Nederlandsch gedrukt. Men bedenke echter dat daarmede slechts bedoeld worden de Kanonieke eu Apocriefe boeken des Ouden Testaments, met uitzondering van de Psalmen. Het ontbrekende moest aangevuld worden uit de Psalmboeken , de Evangeliën en Epistelen van het kerkjaar.

Dat alles intusschen was volgens de Latijnsche overzetting en had in menig opzicht verduidelijking noodig. Wel nu ! die verduidelijking werd gegeven. Nauwelijks had Luther het Nieuwe Testament in het Hoogdaitsch overgezet, of daarvan verscheen eene Nederduitsche bewerking, gedrukt bij Adriaan van Bergen te Antwerpen. Een jaar later, in 1524, verscheen reeds eene tweede uitgave, en kort daarop bij Doen Peterszoon te Amsterdam eene derde. Terzelfder tijd zag te Delft ook eene vertaling volgens de uitgave van Erasmus het licht; nog eene andere volgde; ja, men berekent dat er in acht jaren tijds 25 uitgaven van het Nieuwe Testament zijn verschenen.

Welk eene vraag moet er dan naar die boeken geweest zijn! hoevele exemplaren moeten er van zijn verkocht! wat moeten ze druk zijn gelezen! Was eerst het Nieuwe Testament verschenen, weldra volgde het Oude. In 1525 gaf Petrus Kaetz te Antwerpen de Profeten en Apocriefen in het licht, vervolgens de Geschiedkundige Boeken. Jacob van Liesveld was de uitgever, die 6 Sept. 1526 te Antwerpen een nieuwen Bijbeldruk uitgaf, geheel volgens de overzetting van Luther. Daarop volgde alweer een tweede. Er was een lust om te lezen, grooter dan wij ons kunnen voorstellen. Het blijkt ook uit de voorrede voor een der Bijbel-

-ocr page 37-

35

drukken, hoe diep men de beteekenis des Bijbels gevoelde. „Nu kanquot; — aldus staat daar te lezen — een arm mensch, die in zonde dood is en met de helle voor oogen, niet kostelijker liooren dan al zulke liefelijke boodschap van Christus, alzoo dat zijn hart van gronde moet lachen en vroolijk worden, voor zoover het gelooft dat de boodschap waar is.quot; In eene andere voorrede staat: „wij durven niet zorgen (bevreesd te zijn) dat wij te vergeefs zullen komen, want de Heer is nu bij de zijnen sterker dan hij voortijds lichamelijk tegenwoordig was bij de Joden, want hij heeft ons de allerzuiverste aderkens van zijnen geest in het Nieuwe Testament gelaten. Daar mogen wij heengaan, zoo dikwijls ons lust. Die mogen wij altoos bij ons dragen. Daar hebben wij de fontein onzes Zaligmakers, waaruit wij anders niet scheppen noch vinden dan onze zaligheid.quot;

Waarlijk, daar is water geschept uit die bronaderen. Yier uitgaven van den geheelen Bijbel, vijf en twintig van het Nieuwe Testament in acht jaren tijds! Wat een kennis moet er zijn verspreid, wat een oordeel kon er worden gevormd over verschillende gevoelens, over leeringen voorgedragen door mannen des behouds en mannen van den vooruitgang. Van de Schelde tot den Dollart werd de Bijbel het eigendom van hen, die hem begeerden. Handelaar en ambachtsman, burger en boer kwam bijeen tot bespreking van de waarheid. Vrouwen namen deel aan die samenkomsten. Rectoren der Latijnsclie scholen en advocaten, pastoors en kloosterbroeders stonden aan het hoofd der beweging. Waartoe zou dat alles leiden ?

Daar kwam uit den vreemde krachtige aanmoediging tot een vrij en onpartijdig onderzoek bij. Uit Emden in Oost-Friesland werd vernomen, dat graaf Edzard de boeken van Luther vrij liet lezen. Menig koopman keerde uit Emden met die boeken huiswaarts. Te Antwerpen, waar zich ook, evenals te Dordrecht, een Augustijner klooster bevond, werden door de monniken Luthers gevoelens krachtig aangeprezen. Te Bremen was ook een groot deel der bevolking voor de hervorming gewonnen. Wezel had eene school, waaraan vrijzinnige leeraars onderwijs gaven en hertog Jan van Gnlik

-ocr page 38-

36

en Cleve stond aan de predikers binnen zijne landpalen toe, liet woord Gods te verkondigen. Aan de Witteubergsche lioogescliool studeerden vele Nederlandsclie studenten. Zij brachten liefde voor de leer van Luther in hun vaderland mede. Van zoo verschillende zijden werd in die dagen de geest gewekt. O! het moeten dagen van zeldzame geestdrift voor de belangen der menschheid zijn geweest! Onze vaderen namen ruimschoots deel daaraan; en toen de vervolging-tegen het Woord was uitgebroken, de vrijheid op allerlei wijs was beperkt geworden en de Antwerpsche monniken Voes en Van Essen te Brussel als martelaars gestorven waren, haastte Luther zich een brief te schrijven, waarin hij deze lofspraak tot de hervormingsgezinden in de Nederlanden richt: „nu is weer de tijd gekomen dat wij de stem der tortelduif hooren en de bloemen opengaan. Welk eene vreugd mijne liefsten! dat gij de eersten zijt, waaraan wij dat beleven; want u wordt het gegund, het Evangelie niet alleen te erkennen, maar ook om Christus' wil schade en schande, angst en nood te verdragen, ja! voor Hem uw bloed te storten.quot;

5. Plakkaten tegen de hervorming.

lieeds spraken wij van het uitbreken der vervolging en van liet bloed der martelaars. Helaas, droevige bladzijden inliet boek onzer geschiedenis, maar die niet kunnen overgeslagen worden! Nederland, wij bedoelen Noord-Nederland, was destijds onder het bestuur deels van Keizer Karei V, deels van den Utrechtschen bisschop, Eilips van Bourgondië, deels van den Gelderschen hertog Karei van Egmond. Be Keizer regeerde over Holland en Zeeland (aanvankelijk; later breidde zijn gebied zich verder uit), de bisschop over Utrecht en Overijssel en de hertog over Gelderland, Groningen en Eriesland. Beze drie vorsten duldden de hervorming niet. Zij legden de vrijheid aan banden en gaven strenge bevelen. Het eerste plakkaat was dat van Karei A7 en werd 29 April 1522 in Holland en Zeeland afgekondigd. Het bevatte een verslag van

-ocr page 39-

37

den rijksdag te Worms, waar Luther in den rijksban gedaan was, voorts het bevel, Luthers schriften te vernietigen en geen boeken optestellen, te drukken, te koopen en te ver-koopen, aan de zijnen gelijk. De bisschop van Utrecht gaf dezelfde bevelen en Karei van Gelder, die een boekje liet opstellen, waarin de hervorming werd beschreven als de komst van den antichrist, dreigde ook met de strengste maatregelen van bedwang. Het zag er dus met de zaak der vrijheid treurig uit, maar in het vervolg van tijd bleek meer en meer, dat liet gemakkelijker was, plakkaten aftekondigen dan uittevoeren. De Keizer had aan meester Van der Hulst, raadsheer in het Hof vau Brabant, de uitvoering opgedragen. Deze raadsheer, een wereldlijk, geen geestelijk persoon, had de volle, mncht, om ketters te vervolgen. Naar goedvinden zou hij hen kunnen verbannen, ter dood brengen en hunne goederen verbeurd verklaren. Van zijne vonnissen was geen hooger beroep, tenzij de voorzitter van den grooten Kaad te Mechelen er zijne goedkeuring aan onthield.

De Staten van Holland, het hof en de burgerij hadden in die uitgebreide rechtsbevoegdheid van Van der Hulst veel bezwaar en drongen er op aan, dat het plakkaat althans geene terugwerkende kracht zou hebben. Dien wensch verkregen zij, maar overigens werd er in de aanstelling van den geloofsrechter niets veranderd. De raadsheer had echter geen moed om door te tasten, hij durfde althans geen vonnis vellen, hoewel hij wist dat de ketterij hand over hand toenam. De Keizer liet vervolgens een tweede plakkaat uitvaardigen om alle nieuwe Testamenten en andere verboden geschriften te verbranden en geene boeken te drukken, te koopen of te ver-koopen dan die door de overheid waren goedgekeurd. Toen waagde meester Van der Hulst het, den advocaat Hoen, als van ketterij verdacht, uit zijne woning in den Haag te doen oplichten en naar de gevangenis te Geertruidenberg over te brengen. Ue landvoogdesse evenwel, des Keizers tante, was er ontevreden over, dat Van der rt ulst den Voorzitter van den grooten Raad niet geraadpleegd had en gaf daarom last, dat de gevangene terstond zou losgelaten en naar den Haag teruggevoerd worden.

-ocr page 40-

38

Het duurde lang, eer de zaak in den Haag behandeld werd. Meester Van der Hulst liet weken lang op zicli wacli-ten, betuigende dat liij uit vrees voor oproer niet in den Haag durfde verschijnen. De landvoogdesse stond hem toe, in plaats van in den Haag, in eene andere stad recht te spreken. Dat was evenwel niet naar den zin van de Staten van Holland, die den gevangene volstrekt niet wilden uitleveren en een protest bij de landvoogdesse indienden. Tengevolge daarvan schorste zij meester Van der Hulst en bewerkte vóór het eind des jaars zijne ontzetting uit het ambt, hem toevertrouwd.

Gedurende dien tijd had Hoen met eeuige andere mannen gevangen gezeten, zonder iets van een rechterlijk onderzoek te hooreu. Zou het optreden van een nieuwen rechter daarin verandering brengen? Zouden het voortaan geestelijke rechters zijn? Wie kon het zeggen! ])e Keizer scheen voor alle dingen de macht aan zicli te willen houden en eene geheele verandering in het bisschoppelijk bestuur der kerk te beramen. Het spreekt echter van zelf, dat onder het twisten over rechtsbevoegd lieid de ketters in aantal wonnen en hunne kans vermeerderde om ongestraft te blijven. Van de zijde der geestelijken geschiedde niets om het oude geloof aan te bevelen dan dat er tegen de ketters gepredikt werd. De stadsregeeringen ijverden voor hare eigene rechtspraak en wilden niet voldoen aan den eisch der regeering om de gevangene ketters naar elders te voeren. De Keizer mocht al zeggen, dat ketterij eene misdaad van gekwetste majesteit was, de steden bleven bij haar gevoelen. Menige stads-regeering beveiligde daarom de ketters tegen allen overlast, of, als zij zicli daartoe niet gerechtigd achtte, dan haastte zij zicli door eigene rechtspleging den Keizer vóór te zijn. Gelukkig vaak voor de ketters, die uit handen hunner regenten lichter straf ontvingen dan hun anders zou opgelegd zijn. Zoo zou David Jorisz te Delft in 1528, nadat hij aan de kerkdeur een schotschrift tegen de geestelijken had aange-plakt, volgens uitspraak der schepenen vrijgekomen zijn met zes weken in zijn huis en een jaar lang binnen zijne stad te

-ocr page 41-

39

blijven, terwijl liet Hof des Keizers liem veroordeelde tot de geeseliug en liet doorpriemen van zijne tong, benevens boete en ballingschap. Hoeveel geschrijf, hoeveel getwist, hoeveel onderhandeling was er niet aan de uitvoering van een vonnis verbonden! De schepenen bekommerden zich over de bedoelingen des Keizers niet, zij zorgden slechts voor hunne privilegiën. Tastte hij die aan, dan werkten zij hem in het uitvoeren van zijne plakkaten tegen. Om die reden is het zoo vreemd niet, dat ondanks des Keizers wil de ketterij aller-wege bleef toenemen, ja dat Erasmus in 1525 moest getuigen : het grootste deel des volks kent de leer van Luther en wordt dagelijks meer van de kerk afvallig.

6. Het eerste doodvonnis, te Utrecht ten uitvoer gebracht.

Ondanks de moeite, daaraan verbonden, zette de Keizer zijn plan door. De plakkaten moesten uitgevoerd worden, en wat de Keizer wilde, dat wilde de bisschop van Utrecht ook, en juist de stad Utrecht zou de eerste zijn om den geloofsmoed van eenen ketter aan het licht te brengen. In het laatst van 1521 werd Herman Gerrits, pastoor van de St. Jacobskerk voor de kettermeesters ontboden. Reeds was de houtmijt opgericht, die met ontzettende gewisheid aankondigde, dat hier zou doorgetast worden. Eeeds stond het volk in groote menigte om den brandstapel geschaard, toen de beschuldigde priester te midden van eene groote schare zijne gevoelens herriep en ziek opnieuw aan den Paus van Rome onderwierp. Helaas! het was den overigens goeden en achtenswaardigen man onmogelijk, den schrik des doods te overwinnen. De liefde tot het leven bewoog hem aan zijne gevoelens ontrouw te worden. ïoch waren er onder de leden zijner gemeente, die zich standvastiger hielden en de doodsgevaren trotseerden. Een dier standvastigen was Willem Dirks, stadskuiper in de Vies teeg, de Roode kuiper bijgenaamd. Hij werd ook van ketterij verdacht en in het verhoor genomen. Het bleek dat hij op de gildekamer openlijk

-ocr page 42-

40

had durven zeggen, dat een bisschop, ja! dat ieder priester behoorde gehuwd te zijn. Op de Katrijnenpoort werd hij gevangen gezet, daar hij een brief ontvangen had, beginnende met deze woorden: „Lieve broeder in Christus.quot; Daaruit werd afgeleid dat hij met Luthers leer had omgegaan. Voorts kwam ook aan het licht, dat hij had durven zeggen; Sint Petrus is nooit Paus geweest; biechten is onnoodig; bedevaarten zijn onnut, aanroepen van Maria en heiligen is ongeoorloofd en het hoogwaardig Sacrament is niets dan brood. Zijne rechters zeiden: het kwam hem als leek niet toe, zulke dingen te verkondigen. quot;Willem Dirks hervatte: hem even goed als den apostelen, die visschers geweest waren. Zij noemden zijne taal Godslasterlijk, maar hij betuigde, alles uit Paulus en de Evangeliën te kunnen bewijzen.

Het einde der rechtspraak was het doodvonnis. De ket-tersche man werd ten brandstapel weggevoerd. Op de aansporing van een monnik, die hem begeleidde, om de voorspraak van Maria in te roepen, antwoordde de martelaar: „wat meent gij? was Maria dan iets anders dan mijne vrouw of die van een ander . . „Maar zij was dan toch eene moeder vol genade lquot; riep de monnik. „Neenquot; luidde het antwoord. „Gods genade alleen had haar gesterkt!quot; En in zijne weigering om Maria aan te roepen volhardende, sloeg de martelaar de oogen opwaarts en smeekte: „Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; Weldra werd hij door de vlammen van den brandstapel aangegrepen en tot asch verteerd. Dat geschiedde in de maand Juli van 1525. Met hem opent zich de rij dier bloedgetuigen, die voor de hervorming het leven hebben gelaten. Willem Dirks was niet een geleerde, maar een man uit het volk, ruw, onbeschaafd, maar moedig, standvastig. Waarlijk! zijn leven en sterven bewijst, hoe diep de hervorming in den burgerstand begon in te dringen. Dieper, steeds dieper zou zij, als eene plant des hemels, daarin wortel schieten, totdat zij niet meer zoii uit te roeien zijn.

-ocr page 43-

él

7. Het leven en sterven van Jan de Bakker (Pistorhs).

Eeu bekende naam uit de geschiedenis dier dagen is die van Jan de Bakker uit Woerden. Door den Utreclitschen rector Hinne Rode opgeleid, had hij reeds vroeg vrijzinnige gevoelens ingezogen. Te Leuven tot pastoor gevormd kreeg hij eene aanstelling tot kapelaan te Woerden. Weldra bleek het, dat de Eoomsche kerk van dezen vrijzinnigen kapelaan niet veel goeds te -wachten had. Hij werd van ketterij beschuldigd en gevangen gezet. Op voorspraak der gemeente, die hem om zijne rondborstigheid en eerlijk karakter lief gekregen had, ontslagen , verwijderde hij zich uit zijne woonplaats en leidde een tijd lang een zwervend leven. Door zijn hart gedrongen om terug te keeren, zette hij zijne prediking in denzelfden geest als vroeger voort en werd tot boetedoening veroordeeld. In plaats van zich te onderwerpen ging hij opnieuw in den vreemde zwerven, en in het diepst geheim hier en daar zijne geestverwanten bezoeken en toespreken. Toch hing zijn hart nog altoos aan zijne Woer-densche gemeente en waagde hij het nogmaals zich daar te vestigen. Hij wekte echter de niet onverklaarbare ergernis zijner rechters door een nieuwen, stouten stap. Hij — de kapelaan van Woerden — trad in het huwelijk. De vrouw, aan wie hij zich verbond, was noch rijk noch schoon noch aanzienlijk, maar hij had haar lief en wilde het bewijs geven dat hij zich niet langer aan de wet van het priesterschap gebonden rekende. Hij arbeidde nu ook voor zijn dagelijksch brood, oefende het bakkersbedrijf uit of zocht andere bezigheid. Toen er echter vanwege den Paus een nieuwe aflaat aangeboden werd, trok hij zijn geestelijk ambtsgewaad weder aan en zette zich te Woerden in den biechtstoel neder. Het vuur der edelste verontwaardiging blaakte in zijn gemoed en menig nadrukkelijk woord werd door hem gepredikt. Hij vond ecliter geen genoegzamen steun bij de gemeente om voort te gaan, boog voor zijne kerkelijke overheid het hoofd en liet er zich toe bewegen om openlijk schuld te belijden en de genade der Eoomsche kerk in te roepen. Hij, een

-ocr page 44-

42

sclmldbelijdend zoon der Roomsche kerk, hij, de vurige, de door onderzoek en nadenken verlichte man ! Neen, dat was liem op den duur onmogelijk. Hij moest zich weldra weer aan kettersche uitspraken schuldig maken, en in handen van de geloofsrechters vallen. Deze waren thans Coppin, Kose-mond en Ruard Tapper, de laatste uit Noord-Holland. Zij namen Pistorius (*) te 's Gravenhage in het verhoor. Daar vielen zij hem inzonderheid over zijn huwelijk aan. Hij verdedigde dien stap omdat hem, zooals hij zeide, de gave der onthouding niet geschonken was. „Maar hij had toch de priestergelofte afgelegd!quot; O ja, maar in onkunde. „Nu ja, maar de ketterij moest uitgeroeid worden.quot; Eu Jezus heeft geboden dat men het onkruid niet zou uitroeien ! „Ja, maar Ananias en Saffira waren toch uitgeroeid.quot; Hebt gij, o inquisiteur! de zelfde wondermacht als de apostel Petrus? „Maar wij hebben geene macht om u te ontslaan.quot; Neen, maar gij levert ons over aan den wereldlijken rechter.

Aldus was in korte trekken de loop van het gesprek tus-schen de geloofsrechters en Pistorius. Daags na dit verhoor schenen de rechters gunstiger jegens hem gestemd en drongen er op aan, dat hij schuld belijden zou. Het scheen dat hij er toe te bewegen was, maar op het beslissend oogenblik ontwaakte in hem de vurigste geloofsmoed en op de bedreiging: wij zullen u tot den brandstapel veroordeelen, luidde zijn krachtig bescheid; welaan, vervult de maat uwer vaderen, opdat al het rechtvaardige bloed op u kome, dat van Abel af is gestort!

Men beproefde nog, of het mogelijk was hem door den invloed zijus vaders tot andere gedachten te brengen; maar deze, een oud man, was zelf zoo vast overtuigd van de deugd zijns zoons en beriep zich tot verdediging van het door hem gesloten huwelijk zoo stoutmoedig op het Nieuwe Testament, dat de inquisiteur toornig uitriep : „zooals de vader is, zoo is de zoon.quot; „Jaquot;, hervatte de oude man, „het Nieuwe Testament ken ik; want dat heb ik gelezen.quot; Van toen af werd Pistorius in een akelig kerkerhol op de Voorpoort in

(*) Aldus luidt zijn hollandsche naam De Bakker in hei Latijn,

-ocr page 45-

43

deu Haag opgesloten. Met brood eu water moest hij zich vergenoegen. Gelukkig voor hein, dat slechts eeu houten beschot hem van zijnen medegevangene Gnafeus scheidde, zoodat zij samen konden spreken. Over het geheel was Pistorius kloek eu kalm gestemd. Een zijner medegevan-geneu, die van de koude hinder had, dekte hij met zijnen mantel. Zijn vader, die hem bezocht, moedigde hem aau zeggende; „ik bid u, mijn allerliefste zoon! dat gij van het woord Gods niet wijkt. Ik wil u gaarne opofferen, zooals Abraham zijueu zoon Jsalik deed.quot;

In den nazomer kwam de landvoo^desse in den Haas;, vergezeld van den stadhouder Autouie Van Lalaing. Eeue plechtige zitting van den inquisitieraad werd in de groote Hofzaal gehouden. Men wees Pistorius op de smart, die zijne vrouw en ook zijne ouders over zijnen dood zouden gevoelen, maar het geloovig en heldhaftig antwoord luidde: „hoe het hun gaan zal, beveel ik aan God Almachtig, die de zorg voor hen op zich heeft genomen.quot; Aan liuard Tapper deed hij belijdenis van zouden. Wat zijn huwelijk betreft, daaromtrent had hij geene gewetenswroeging. Dat was in zijn oog geen zonde. Zijne rechters echter verklaarden hem vervallen van zijn geestelijk ambt. Hij had het Pausdom bestreden. Luthers lessen gevolgd, het vasten overtreden, den ongehuwd eu staat geschonden, en op grond van dat alles werd hij als ketter aan de wereldlijke macht overgegeven. De wereldlijke macht aarzelde niet, terstond daarop het doodvonnis uit te spreken.

Pistorius, gedost in eeu kort geel kleed, met een zotskap op het hoofd, werd weggeleid naar het Buitenhof. Door de gevangenpoort gaande, waar Willem Ottens uit Utrecht, Gerrit Yan Wormer en Bernard ook gevangen zaten, riep de martelaar uit: „broeders! ik ga voor, zoo blij als of ik ter bruiloft ging!quot; Zij gaven hem tot antwoord: „broeder! strijd vromelijk, wij zullen u volgen!quot; Daarop hieven zij eeneu lofzang aan. Die tonen uit den kerker klonken roerend schoon. Pistorius werd nu aan den paal gebonden, die boven de houtmijt uitstak. Hij ontblootte zijne borst, waarop de

-ocr page 46-

sclierprecliter een zakje buskruit vasthechtte, hem voor die daad vergeving vragende. „Vergeving!quot; zegt Pistorius, „het is u reeds vergeven, want ik wist reeds voor een jaar, dat dit mijn einde wezen zou!quot; Toen hief hij den 31steu psalm aan en verzuchtte: „o God! Vergeving voor hetgeen zij mij misdoen.quot; Het buskruit ontploft. De martelaar uit een doordringenden kreet. De vlammen flikkeren, het hout knettert. Pistorius is niet meer. De rosse gloed des brandstapels verkondigt aan de Haagsche Burgerij dat er kettergericht gehouden is. Verschrikkelijke terechtstelling, wel geschikt om den moed in de harten te dooven!

Jan de Bakker is in het laatst van Augustus 1525 ter dood gebracht. Doorgaans wordt hij de eerste Noord-Neder-landsche bloedgetuige genoemd. Ten onrechte. Hij is de eerste geweest in het graafschap Holland , doch Willem Dirks, gelijk wij zagen, is in het bisdom Utrecht hem eeuige weken voorgegaan.

En hoe liep het af met de drie andere reeds genoemde gevangenen en met Gnafeus? Zij zijn niet tot den brandstapel veroordeeld, maar tot gevangenschap. Er moet echter bijgevoegd worden dat geen dezer mannen den onuitblusch-lijken moed van Pistorius heeft bezeten. Zij zijn allen in meerdere of mindere mate aan hunne belijdenis ontrouw geworden. Gelukkig echter voor de goede zaak der hervorming , dat, waar zij nog aarzelden, anderen des te krachtiger zouden optreden om standvastig te blijven tot den einde toe.

8. Verboden boeken.

Plakkaat volgde op plakkaat tegen kettersche boeken. Eerst werd de uitlevering van die boeken geëischt, toen het drukken verboden, tenzij de inhoud vooraf was goedgekeurd, daarna het koopen of verkoopen van buitenslands gedrukte boeken strafbaar gesteld en eindelijk de deken van Naaldwijk aangewezen , om al wat er gedrukt was na te zien en te keuren.

Sedert 1529 werden zij, die kettersche boeken ouder zich hielden, tot de straffe des doods veroordeeld met verbeurd-

-ocr page 47-

45

verklaring van hunne goederen, terwijl even strenge straffen bedreigd werden aan hen, die portretten van Luther of spotprenten van de maagd Maria in hun bezit hadden, en die beelden stuk braken. Ondanks deze plakkaten ging het volk zijn gang, het bleef kettersche geschriften lezen. Duizenden van die vlugschriften zijn ten vure gedoemd en spoorloos verloren gegaan. Aangaande dezulken, waarvan er hier of daar in bibliotheken een enkel nommer is bewaard gebleven, moet dikwijls gegist worden naar den tijd hunner herkomst, daar zij, noch van den naam des drukkers noch van de plaats van uitgaaf, voorzien zijn. Toch kunnen wij met eenigen grond zeggen, dat tot deze geschriften vertalingen van Luthers werken behoorden en van andere Duitsche hervormers, voorts de disputatie tnsschen de kettermeesters en Pistorius, de uitlegging van het geloof in God den Vader, de verklaring van den profeet Baruch, de troostelijke zendbrief en de 'postille. In een dezer boekjes wordt vrijmoedig erkend, dat er op aarde niet meer dan eene heilige, algemeene, christelijke kerk is, namelijk dc gemeenschap der vrome ge-loovige menschen, die, door den Heiligen Geest verzameld zijnde, dagelijks in de Sacramenten en liet Woord Gods versterkt worden. In het Boek Baruch staat als slotwoord dit tweeregelig vers; O mensch, wil u wachten voor afgoderij groot of klein, den Heer uwen God aanbidt en dient allein.

De Tr oostelijke Zendbrief bevat uitnemende woorden en schrijft; „is het, dat wij leden van Christus' lichaam zijn, dan moeten wij ons niet verwonderen, zijns lijdens en kruises deelachtig te worden. Is ons Hoofd met doornen gekroond geweest,, zoo kunnen wij tot het lichaam niet behooren, tenzij dezelfde smart ons ter harte ga. Is onze Koning naakt geslagen , bebloed, bespot, bespogen en opgehangen, zoo mogen wij hier in deze wereld ook niet altijd onze li artsgenoegens smaken.quot; In de Postille wordt de kerkleer heftig bestreden en het Avondmaal voorgesteld als de volkomen gemeenschap met Jezus en de toeëigening van de door Hem verworven voorrechten.

Door zulke geschriften werd de geest der hervormingsge-

-ocr page 48-

46

zinden gevoed en gesterkt, terwijl daaraan werden toegevoegd liederen en zangen, ook voor liet grootste deel verloren gegaan , maar met enkele uitzonderingen. Zoo is tot onze kennis gekomen het lied van liet arm schaepke, zijnde de klacht van eenen ongenoemde, die de geloofsvervolging tijdig ontvlucht is.

Ick arm sohaep aan de groene heijde,

Waar zal ick henengaen?

Van vrienden en magen moet ik sckeijden

En alleen op Cristum staen.

Ende mij op Hem verlaten.

Al der wereld Jolijt

En mach mijner siele niet baten.

Sij hebben een schaepke gegeten Sij en sijn noch niet versaed,

Dat wordt haar nu verweten Daarom zijn zij dus kwaed,

Dat zij ons hebben verdreven Uijt mijn vaders land Met grooter schand God de Heer wil 't haar vergeven.

Ick bidde u, ghij edel Heeren!

Wilt gij Gods oordeel ontgaen,

Dat ghij u toch wilt bekeeren En sien wat ghij hebt gedaen,

Gij brandt Gods uitverkoren!

Om seker geld Dat men u telt,

Wilt gij Gods Woord versmoren.

9. Godsdienstgesprek te Groningen.

Groningen, toen nog onder de macht van Karei van Eg-mond, hertog van Gelderland, was eene stad, waar vele vrijheidlievende geestelijken woonden. Het zaad door Wessel Gausfoort gestrooid, was welig opgegaan en had zich voorspoedig ontwikkeld. Willem Prederiks, pastoor der St. Maartenskerk, een vriend van Erasmus en voorstander van verlichting, die Gansfoort nog gekend had, arbeidde aldaar in denzelfden geest voort. Hij was het, die ten jare 1523 de geestelijken zijner parochie en den rector der St. Maartens-

-ocr page 49-

47

school aanmoedigde, om in het strijdperk te treden tegen de Dominicaner-monniken en een godgeleerd twistgesprek te houden. Dat godsdienstgesprek had in liet Dominicaner-klooster plaats en was niet onbelangrijk. De prior der Dominicanen nam bij die gelegenheid de verdediging van zes stellingen op zich, die over de wereldlijke macht des Pausen, zijn gezag in geloofszaken, de verhouding van de Kerk tot den Staat, en het vervolgen van ketters handelden. Wij zullen dat gesprek, dat in het Latijn gevoerd werd en van grondip;e kennis der heilige Schrift en der kerkvaders blijken gaf, niet in zijn geheel verhalen maar als proef iets mededeel en van de redeneering van Timmermans, een der vrijzinnige geestelijken, die zich verzette tegen de stelling, dat de kerk geroepen is, de ketters ter dood te doen brengen.

„L)e zwaarste strafquot; zeide Timmermans, „die de Kerk mag opleggen, is afsnijding van de gemeente, en Christus heeft nooit geleerd dat zijne discipelen het zwaard mochten gebruiken. Men moet de dwalenden liever door verdraagzaamheid en gezond onderwijs terecht brengen, en, ziju zij niet terecht te brengen, dan late men hen over aan hunnen eigen Heer. Dat leert de apostel in 1 Corinthe V en 2 Corinthe 11; en de Heer berispte zijne discipelen, toen zij begeerden dat er vuur uit den hemel zoude nederdalen om de Samaritanen te straffen. Niemand mag voor een ketter gehouden worden dan hij, die openlijk door apostolisch gezag van dwaling overtuigd, zijne leerstellingen niet wil laten varen. Den zoodanige moet boete worden opgelegd, opdat hij, uit de kerk verdreven, alleen blijve en door schaamte overmeesterd tot betere gezindheid kome. Zoo heeft de apostel gehandeld met Hymeneus en Alexander, die hij niet met den dood gestraft heeft volgens 1 Timotheus 1 vs. 20. „Op deze woorden riep Laurentius ,wde prior der Dominicanen verwonderd uit: „waaraan ontleent gij die fabel en waar kan ik dat lezen?quot; Timmermans antwoordde: „kent gij dan het boek van Tertullianns over het vervólgen van ketters niet, en weet gij niet, dat de apostel Titus HI vs. 10 beveelt: vermijd den ketterschen mensch na de eerste en tweede ver-

-ocr page 50-

48

maning. „Wat zou liet dan beteekeneu den zoodanige te dood en?quot;

En nu wees hij hun vervolgens op het voorbeeld van ïer-tullianus, die voor de Donatisteu was tusschen beiden getreden en op dat van Martinus van Tours, die de voorspraak der Gallische ketters was geweest. Voorts bewees hij hun, dat de zwaarste straf, die de kerk kon opleggen, de afsnijding van de gemeente, niet door den priester maar door de gemeente zelve moest uitgesproken worden.

Al te maal schoone en juiste, in het Evangelie gegronde opmerkingen, zal men zeggen, maar waartoe moest dat leiden? Wat was de vrucht van het godsdienstgesprek? Die is niet duidelijk aan te wijzen. Het godgeleerd gesprek moest dienen, om de geestelijken zei ven tot bewustheid te brengen van de meerdere of mindere beteekenis en kracht hunner bewijsvoeringen.

De prior der Dominicanen heeft te Groningen niets meer in het belang der Koomsche kerkleer ondernomen, maar wel is er eene kerkordening ingevoerd, die alle geestelijken verplichtte het rechte, heldere Evangelie Gods, met uitlegging van de schriften der Apostelen te prediken, zoodat ieder mensch daaruit kon geleerd, en niemand belioefde geërgerd te worden.

Toch waren die Groninger geestelijken niet de grondvesters van een nieuwen toestand. Zij wisten zeiven nog niet, werwaarts zich te wenden. Aan het verlaten van de Roomsclie kerk dachten zij niet. Veel zou er nog moeten gebeuren, voordat de gemeente tot het besluit kwam, om zelve iets nieuws te beginnen. Veel onrust, overspanning, dweperij zou de hoofden en harten beroeren. Zware verdrukking zou er moeten doorgestaan worden; en ofschoon Groningen voor de komst van Alva geen brandstapel heeft zien oprichten en de Evangelische vrijheid zich daar gemakkelijker dan elders heeft kunnen ontwikkelen, zijn er nog jaren verloopen, voordat men ook daar tot een wel geordenden toestand heeft kunnen overgaan.

Dezelfde opmerking kan gemaakt worden omtrent Friesland, dat in 1523 aan de ertlauden van Keizer Karei aan-

-ocr page 51-

49

gelieclit, de gestrengheid zijner plakkaten in de eerstvolgende jaren nog niet heeft gevoeld. Het wemelde er wel van viijheidlievende geestelijken en het volk mocht de leerstellingen van Luther wel hooren, maar het kwam nog niet tot eene scheuring met de kerk. Ook in ïriesland zou nog veel onrust, overspanning, dweperij de hoofden en harten beroeren, ook daar zou veel bloed worden gestort. Sedert 1526 is de inquisitie aldaar hare werkzaamheid begonnen. Toen werden twee burgers uit Stavoren wegens ketterij veroordeeld tot ballingschap. Een ander Friesch burger, die „de reine jonkvrouw Maria, de moeder Godsquot; schandelijk gelasterd had werd de tong met een ijzer doorboord. Kettersche boeken werden in ïriesland verboden en in 1530 werd Wij brand Janszoon tot asch verbrand. Met dat al kon de Keizer ook daar zijn doel niet bereiken. Ook in Friesland drong het licht eener gezuiverde kennis des Evangelies ondanks alle hinderpalen telkens verder door.

10. De uitvoering der plakkaten in Gelderland, Noord-Brabant en Zeeland.

De hertog van Gelderland wilde van geen nieuwigheden in het stuk der religie weten. In 1529 ging er van hem een plakkaat uit tegen alle lieden, gezetenen, vreemdelingen, mannen of vrouwen, die met Luthersche ketterij besmet waren en binnenshuis of in herbergen en bijeenkomsten iets deden of spraken dat naar ketterij zweemde, om hen zonder genade ter dood te brengen en hunne goederen verbeurd te verklaren. Kaar men zegt is hij zoo streng te werk gegaan dat hij iemand, die een kettersch lied. gezongen had, den scherprechter toezond met bevel, om hem zonder vorm van proces in zijn eigen huis te onthoofden. De vrijzinnige pastoor Geldenhauer te Tiel, de ons reeds bekende vriend vau Erasmus, die aandrong op de viering des Avondmaals onder gebruik van brood en wijn, kon het dan ook niet volhouden maar werd gedwongen zijne prediking te staken en naar Duitschland te vluchten. Eene vrouw te Tiel, op haar

4

-ocr page 52-

50

sterfbed de genademiddelen der kerk weigerende en het sacrament des altaars verachtende, werd veroordeeld. Haar lijk is opgegraven en door beulshanclen verbrand. De pastoor te Grave zag zich ook verplicht, om zijne vrijzinnige prediking het land te ruimen. Te Nijmegen werden twee vrouwen van deftigen stand op den brandstapel gebracht om hare Luthersche gevoelens. Te Venlo werd aan Jacob van Lowen-dael, de Lutheraan bijgenaamd, de tong met een priem doorstoken. Te Arnhem werden kettersche geestelijken onthoofd, verbannen of verdronken. Arnoud van Cuijck, rector van de Fraterschool te Doesborg werd onthoofd en zijn lijk verbrand. Op dezelfde wijze ging het in de overige Geldersche steden. De hertog had het voornemen aangekondigd, de Lutheranen uitte roeien, en waarlijk! hij heeft het zijnen her-vormingsgczinden onderdanen ontzettend bang gemaakt.

Tegelijkertijd zette de Keizer de uitvoering van zijne plakkaten in Brabant en Zeeland met gestrengheid voort. Volgens zijne bevelen mocht er niet geredetwist worden over de Heilige Schrift, geen ketter mocht worden geherbergd. Vooral ging de regeering de geheime samenkomsten te keer en ook het optreden der Kederijkers, die in min of meer bedekte termen , door toespelingen of dubbelzinnigheden, hunnen afkeer van de kerkleer lucht gaven. Ware des Keizers plakkaat naar de letter uitgevoerd, dan zou elk burger, die een verboden boek in zijn huis had, zonder het vrijwillig uit te leveren, onthoofd moeten zijn. Toch woedde de overheid buitengewoon fel, en bracht, door vrees aan te jagen, de zwakke gemoedereu tot afval. Zoo geschiedde het te 's Hertogenbosch , waar negen van de twaalf wegens „de verdoemde ketterij van Lutherquot; aangeklaagde burgers openlijk in de Sint Janskerk hunne gevoelens herriepen. Laat ons deze menschen niet hard vallen! Op het plein vóór het raadhuis stond reeds de houtmijt opgericht en kettersche boeken werden er op verbrand. Is het dan niet te begrijpen, dat zij op zulk een gezicht huiverend terugtraden? Maar des te eerbiediger noemen wij de namen van den speldemaker Joost, zoon van Gerrit De Lepper, die onthoofd, en van Peter Hoorns eenen

-ocr page 53-

wever (beiden uit Vuclit) die levend verbrand is. De laatste verklaarde niets anders, zegt het oud verhaal3 dan dat hij gaarne wilde sterven. Welk eeue geloofsgetuigenis, roerend door haren eenvoud! De snijder Einond werd onthoofd en de pottebakker Joost insgelijks, betuigende tot in de stervens-ure: „ik heb nergens mee omgegaan dan met het Woord Gods.quot; Te Bergen op Zoom werden in 1329 vier mannen om hunne gevoelens onthoofd en twee vrouwen levend begraven. De hoofden werden, om tot een afschrik te strekken, op staken gezet.

Met een paar priesters te Middelburg, ook wegens ketterij aangeklaagd, liep het nog al gunstig af, misschien omdat zij zich gewonnen gaven, maar in 1530 werden er toch vier menschen in Zeeland onthoofd. Zij hadden, zoo het heette, kwalijk gesproken van „het Sacrament, het fondament van ons Christengeloof.quot; ïe Veere was groote opgewektheid tot het bijwonen van vergaderingen, scholen genaamd, waar de godsdienstige vraagstukken besproken werden. Iemand uit het volk verklaarde die scholen niet te willen verzuimen, al moest het hem de vriendschap van zijne liefste betrekkingen kosten. Die scholen werden gehoudeu bij Cornelis den Kuiper, ïrans den mandemaker en Berend den schoenmaker, terwijl zekere Claas uit Holland de voorganger was. Alles giug daar hoogst eenvoudig toe: de voorganger zat bij zijne hoorders aan tafel, en om de zaak te verbloemen, werd het samenzijn met een maaltijd besloten; maar dat die scholen vrucht droegen , bleek, uit het gezegde van het volk op straat. Eens bij het rondgaan eener processie durfde Adam Touissen uitroepen: „ginds brengt men de ijdele kas van den profeet „Baiil aan! dat brood is niet Gods lichaam, dat in de cibo-„rie opgesloten ligt! Zij zouden Hem opsluiten! Hij wil niet „opgesloten zijn; maar God zeide aan het Avondmaal, „slaande op zijn lichaam met de hand : hoe est corpus meum.quot; Aldus sprak het volk op straat. Paschen werd een jaarmarkt genoemd, goed om aan de papen geld te bezorgen. De mis! . . , . „ik voel aan mijn beurs dat het mis isquot; spotte het volk. Priesterschap! . . . . „ik heb zelf grooter macht

-ocr page 54-

52

dan al de priesters!quot; Kloosterleven! .... „er uit, uit die kerkers.quot; Vagevuur! . . . . „dat bestaat slechts in liet hol van des priesters tasehe.quot; Laatste oliesel! . . . . „het heeft de kracht van olie, daar men de schoenen mee smeert.quot; Ruwe taal, kennelijk uit den mond van de mannen des volks, maar deze waren de kracht der hervorming in de Nederlanden. Het was de zaak des volks, en daarom hebben mandemakers, smeden, timmerlieden er zich voor laten geeselen, branden en onthoofden.

Te Zuidland op Voorne had eene vrouw bij gelegenheid van eene processie uitgeroepen: „ziet dat is der papen God,quot; en geweigerd de knie te buigen. Anderen waren haar in die oneerbiedigheid gevolgd. Twee der vurigste Sacramen-tarissen werden veroordeeld. Adriaan Cram is de tong door-priemd en Catelijne Bouwens is in den Haag verbrand, tegelijk met den martelaar Antonie F rederiks uit Naarden en Comelis Wouters, die onthoofd werd, uit Dordt.

Deze Wouters, een ongeletterde man, had vroeger zijne kettersche gevoelens herroepen, doch later zijne herroeping diep betreurd en schriftelijk teruggenomen. Voor de geloofsrechters ontboden betuigde hij gaarne voor zijn geloof te zullen sterven, niet alleen een korten dood, maar veel pijn en een langen dood te willen lijden, opdat een iegelijk zou mogen weten, dat zijne herroeping van vroeger hem leed had gedaan. De rechters, medelijden met een man gevoelende, dien het blijkbaar zoo hooge ernst was, lieten hem nog tijd om zich te bedenken, maar hij bleef bij zijn gevoelen en werd toen onthoofd.

11. Terechtstellingen in Holland.

Te Rotterdam werden bij Cornelis Pietersz samenkomsten gehouden onder voorgang van een metselaar uit Delft, een behoeftig maar welbespraakt man. Deze leerde ook dat de hostie gewoon brood is en de mis niets anders dan „beesten-missiequot; en het kruisbeeld .... „daar hangt het eene hout aan het anderequot; riep hij spottend uit. Vasten! .... waartoe het vasten ? „het vasten is anders niet dan hoofdbreken, want

-ocr page 55-

God heeft voor ous allen genoeg gedaanquot;. Aldus luidde de hoofdsom zijner ruwe maar voor het volk verstaanbare prediking. Zijn vader, dezelfde gevoelens toegedaan, werd ge-geeselfl en voor drie jaren gebannen; hem zelveu werd de tong doorpriemd, toen werd hij aan de kaak gesteld en voor zes jaar gebannen.

En hoedanig was de toestand te Delft en in den Haag? Hoen was in de gevangenis overleden, Hondebeke bad Delft verlaten, Gnafeus, na herhaaldelijk gevangen gezeten te hebben, was naar het buitenland gevlucht. Toen kwam David Jorisz aan het hoofd der Saeramentarissen te Delft, maar om zijn heftig protest tegen de afgoderij met een wonderdoend Mariabeeld in de Nieuwe Kerk werd hij gevangen gezet en nadat hij zijne straf ondergaan had, vertrok hij naar elders. Delft en den Haag aldus van voorgangers en leidslieden verstoken, zetten nog wel het onderzoek des Evangelies voort maar meer dan vroeger in het geheim. Ook op de dorpen, zooals te Ter Heide, werden de Sacramentisteu vervolgd. Eene vrouw die zich tegen de hostie uitgelaten en ketters geherbergd had, werd veroordeeld te pronk te staan en hare woonplaats uitgedreven. Zoo begreep de keizerlijke regeering hare taak. Met ijzeren arm zocht zij de hervorming te onder-drukken, en overal stuitte zij op den geest des volks. Zij kon den kleinmoedigen vrees aanjagen, deu kloekinoedigen straf opleggen, den vurigen van geest den marteldood doen ondergaan. Straks zouden weer anderen de stem verheffen en getuigen van hetgeen zij uit de Heilige Schriften en deu mond der hervormers vernomen hadden.

In den omtrek van Leiden werden druk bezochte vergaderingen gehouden van mannen en vrouwen, waarbij de voorgangers dezelfde gevoelens omtrent het Avondmaal verkondigden als elders. De knecht van een leidekker te Leiden verklaarde ronduit: „of hij den ouwel at uit de hand des priesters of een gewoon stuk brood, dat was alles hetzelfde.quot; Hij werd. veroordeeld om te pronk te staan met een rok, waarop voor en achter een kelk stond afgebeeld, en om met eene brandende waskaars in de hand, op Sint Jansdag voor de processie

-ocr page 56-

54

uit te loopeu. Een kleedermuker, die een gesclirift aan de Pieterskerk had aangeslagen met groote en zware ketterijen tegen het hoogwaardig Sacrament werd eveneens te pronk gesteld en bovendien gegeeseld.

Te Haarlem trad zekere Georgius op, leeraar in het kerkelijk zangkoor en verhief zijne stem tegen den aflaathandel, die bij gelegenheid van het jubeljaar 1525 gedreven werd. Hij vond zelfs bij de familie en vrienden van den schout grooten bijval maar zag- zich toch verplicht de stad te ontvluchten. Te Krommeniedijk woonde de Priester Cornelis Pietersz, die in verlichten geest predikte en een blinden ketterschen balling uit Leiden herbergde. Beide mannen trokken ue velde tegen het vereeren van heiligen en het ontsteken van waskaarsen en hielden vol, zooolang zij konden, in den omtrek, aan de Zaan, te prediken. Geheel Noord-Holland telde vele Sacramentarissen, en te Enkhuizeu , ofschoon de kettermeester Euard Tapper aldaar woonde, werden vele vluchtende ketters gastvrij opgenomen, verborgen gehouden en met scheepsgelegenheid naar het buitenland vervoerd. Te Hoorn werd Jan Cornelis Winter als een onverbeterlijk nieawigheidszoeker wegens het verspreiden van geestelijke geschriften gevonnisd. Hij is te Utrecht onthoofd. Op het schavot zong hij nog den lofzang: „wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam.quot; Bij den regel; „Profeten, martelaars vermelden daar Uwen eer,quot; daalde het zwaard des beuls op hem neder.

Te Amsterdam begreep de stadsregeering zelve handelend te moeten optreden en vaardigde eene keur uit, waarbij tepronkstelling of boete werd opgelegd aan hen, die vrijbrieven van de geestelijken aannamen tot het sluiten van een geheim huwelijk. De geestelijken verzetten zich tegen deze stadskeur en bewerkten bij den Utrechtschen bisschop dat de stad met de kerkelijke straf van ban en interdict bedreigd zou worden. De bisschop zond werkelijk zulk een bedreiging maar durfde haar toch niet uitvoeren, daar de Keizer hem liet weten, dat, als hij zijn woord niet introk, beslag op al de goederen en inkomsten der Hollandsche gees-

-ocr page 57-

55

telijkheid gelegd zou worden. Zoo weinig werkten de geestelijken en de wereldlijke macht in dat geval samen! Er volgden telkens moeielijklieden. De stadsregeering was tegen de geestelijkheid en de geestelijkheid riep den bisschop te hulp. De bisschop bedreigde de stad, totdat de keizer aan den twist een einde maakte. Dat alles werkte den afkeer van de geestelijkheid en de neiging tot ketterij in de hand. Invloedrijke Amsterdamsche burgers lazen de schriften der hervormers, stelden vrijzinnige pastoors op hoogen prijs, huisvestten kettersche vluchtelingen en weerstreefden de uitvoering van de plakkaten. Groote nitbreidiug kreeg de nieuwe leer in de stad, eu zij zou zich nog krachtiger hebben doen gelden, ware er geen gebrek geweest aan bekwame voorgangers. Helaas! die waren niet te verkrijgen. Menigeen was reeds het land uitgevlucht, die anders met de leiding van de gemeente belast had kunnen worden. Thans moesten de Sacramentisten zich zei ven stichten. Vonnissen werden weinig gewezen. De belangrijkste waren deze vier: de schoenlapper Jan IJsbrands werd voor zes jaar uit de stad verbannen omdat hij in de kerk geroepen had: „ik wil maar heengaan, ik heb al lang genoeg verleiders van God (*) gehoord.quot; Albert Dirks had in den vastentijd vleescli gegeten en werd gegee-seld. üe kuiper Jan Pauluszen had tegen het Sacrament gesproken en moest met een harnas aan, behangen met papieren aflaten, aan de processie op Sacramentsdag deelnemen. Hillebrand van Zwol, die het Sacrament voor gewoon brood had uitgekreten, moest met een priem door zijn tong aan de kaak staan en de stad ruimen. Deze vonnissen werden door het bestuur der stad gewezen. Het Hof van Holland liet Jan Dirks geeselen, de tong doorpriemen en te pronk staan omdat hij ook al het Sacrament had geminacht en de slotenmaker quot;Wolfert kreeg hetzelfde vonnis met twintig gulden boete omdat hij tot een priester gezegd had; „het zou wel een onwijze God zijn , die als een ouwel tusschen uwe priesterhanden zou komen.quot;

Wat verder de steden en dorpen van Noord-Holland betreft, (') Verleiders vau God , of dwaalleeraars.

-ocr page 58-

56

liet 'wemelde er van Sacrameutisteu. Bijzondere vermelding verdient eene deftige burgervrouw uit Monnikendam, Wendelmoet Claesdocliter genaamd, die liaar geloof met den marteldood bezegeld lieeft. Zij was bescliuldigd van verkeerde gevoelens omtrent liet Sacrament en vele andere instellingen der kerk, kunnende veel bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift aanhalen. De plakkaten eischten haren dood, maar het hof li ad medelijden. Haar bloedverwant Jansz, onderpastoor te Gouda, zocht haar tot andere inzichten te brengen. Vergeefs! Zij volhardde in hare gevoelens. Toen werd zij zes maanden te Woerden gevangen gehouden. Op nieuw verhoord, betuigde zij het Sacrament te houden voor brood en meel en „als gijliedenquot;, zeide zij tot hare rechters, „het voor God houdt, zeg ik dat het een duivel is.quot; Zij verlangde geen biechtvader maar biechtte bij Christus. Wie haar dat geleerd had, zeide zij niet, maar noemde slechts den Heer, van wiens schapen zij er één was. Veel bezoek ontving zij in den kerker. Eene welmeenende vrouw smeekte haar; „lieve zuster! zwijg toch en houd uwe gevoelens voor u zelve.quot; „Neenquot;, was het antwoord, „ik kan niet zwijgen; of zij mij morgen verbranden dan wel iu een zak steken en verdrinken, dat is hetzelfde. Zoo als de Heer het voorzien heeft, zoo moet geschieden.quot; Dominicaner monniken traden binnen met het kruisbeeld. „Dat is mijn God nietquot; riep zij in heftige gemoedsbeweging uit, het is een ander kruis, waardoor ik verlost ben. Werpt dit in het vuur en warmt er u bij, het is een houten God.quot; Een der monnniken beproefde nog eens haar tot andere gedachten te brengen. „Heb ik u niet gezegdquot; was haar antwoord, „dat gij mij niet van mijnen God zult aftrekken!quot;

Zij werd tot den brandstapel veroordeeld. Op de gerechtsplaats keerde zij zich nog eens naar de saamgeschoolde menigte zeggende: „ik bid u, als ik iemand misdaan of vertoornd heb, dat gij het mij vergeven wilt!quot; De aanblik van de houtmijt bracht haar niet aan het wankelen. De beul, door hare standvastigheid bewogen, riep haar toe: „moeder, blijf bij God en laat u van Hem niet aftrekken.quot; Neen, zij liet zich niet van God aftrekken. Zelve trad zij toe tot den

-ocr page 59-

worgpaal, outknoopte haren halsdoek eu wierp zich den strop om. „ Wendelmoet!quot; zegt een der monniken „wilt gij als een Christenmensch sterven?quot; „Ja ikquot; hervatte zij. „Verloochent gij dan alle ketterij ? is het u leed dat gij gedwaald hebt?quot; vraagt de monnik. „Ik heb vroeger gedwaaldquot; antwoordt de geloofsheldin, „en dat doet mij leed, maar thans dwaal ik niet meer, ik ben op den rechten weg en ik blijf bij God!quot; Het waren hare laatste woorden. De doodelijke strik werd vastgesnoerd. De vlammen stegen opwaarts, Wendelmoet Claesdochter had den geest gegeven.

12. Overzicht van het behandelde tijdperk.

Zullen wij nog aarzelen te erkennen, dat de hervorming de zaak des volks was geworden? Hoe zouden anders zoo velen de bangste verdrukkingen voor de nieuwe leer hebben uitgestaan? Het was de zaak van hun leven geworden. Zij wilden er mee overwinnen of sterven. En het waren niet vele wijzen naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen, die zich aan deze zaak verbonden maar het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren , en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken. 1 Cor. 1 vs. 26 en 28.

En wisten die kleedermakers, die wevers, die mandenmakers, wat zij wilden ? of stond hun dit nog niet klaar voor den geest? Vrijheid wilden zij om naar de uitspraak huns gewetens God te dienen, vrijheid om zich te ontslaan van dat juk van menschen-leeringen dat onverdragelijk werd, vrijheid om zich aan de Heilige Schrift te houden als regel des geloofs en vooral om zich los te maken van die schepselvergoding, die in de leer des Avondmaals zulk eene ergernis gaf. Overigens wisten zij niet, wat zij verder zouden doen. In de hitte der vervolging konden zij daar niet aan denken. Ook ontbrak het hun aan bevoegde leidslieden. Zij waren aan dwalende schapen gelijk, weerloos aan den wolf ter prooi gelaten. Het was het eerste tafereel van het bloedig treurspel. Nog veel zou er moeten volgen , voordat er eene nieuwe Kerk en een nieuwe Staat konden te voorschijn treden.

-ocr page 60-

HOOFDSTUK 11.

Tijdperk der Anabaptisten.

Het was eeu wonderlijke tijd — die tijd van Luther. Een gevoel van groote en ontzaclielijke dingen greep de mensclien aan. Zij leefden in dezelfde stemming, waarin de apostel Panlus verkeerde, toen liij de woorden terneerschreef: „liet oude is voorbijgegaan, ziet liet is alles nieuw geworden!quot; Ja nieuw en ongehoord waren de daden van Luther. In stoutmoedigheid had hij alles overtroffen wat ooit door een dienaar der kerk was ondernomen. Hij had aan den Paus de gehoorzaamheid opgezegd en den Pauselijken banbrief als een nietswaardig stuk papier aan de vlammen prijs gegeven. In zijne prediking stoorde hij zich aan geene bisschoppen of kardinalen. Hij sprak steeds zijne overtuiging uit, ontleend aan de Heilige Schrift en hij deed dat, behalve in zijne mondelinge prediking, in geschriften vol geest en vol leven. Maar waar moest dat heen? Een man als Erasmus kon er zich volstrekt niet mee vereenigen. Hij zag niets dan onheil tegemoet. „Ik verkies,quot; zoo schreef hij, „de nog bestaande inrichting der Kerk boven het verwekken van nieuwe volksbewegingen, die menig werf op geheel iets anders uitloopen dan op hetgeen men zich voorstelt. Met mijn weten ben ik nooit een leeraar der dwaling geweest noch een aanvoerder van oproermakers, en dat zal ik nooit worden.quot;

Aldus de bedachtzame en schroomvallige Erasmus, die zich bewust was niet voor kerkhervormer in de wieg te zijn gelegd ; maar of hij al behoedzaam terug trad, wat baatte het

-ocr page 61-

59

in dieu tijd van geweldige beroering der geesten? Het volk liad zich reeds lang van de denkbeelden der hervormers meester gemaakt en zou die reeds spoedig, helaas! op hoogst onberaden wijze zoeken ten uitvoer te brengen. Waar nu een Luther zelf de teugels in handen kou honden, daar bleef de menigte binnen de palen, en dat te eer, terwijl het keur-vorstelijk zwaard van Frederik den Wijze van Saksen het werk van Luther beseliermde; maar in andere streken, waar geen Luther zijne doordringende stem verhief en geen keurvorst-de zaak der bedachtzame hervorming beschermde, aan welke gevaren stond de door de nieuwe denkbeelden bedwelmde schare niet bloot! Welke uitspattingen van dweepzucht waren niet te vreezen! Welke verwarring zou er niet door woelgeesten aangericht worden! Onze vaderlandsche bodem zou daarvan getuigen. De Anabaptisten of Wederdoopers zouden door hunnen overspannen ijver en hunne buitensporige denkbeelden aan den geleidelijken voortgang der hervorming groote hinderpalen in den weg leggen.

Eu was bet vreemd, dat zulke afdwalingen plaats vonden ? Sedert Karei V al zijne krachten inspande om de ketters uit te roeien, was er voor verlichte predikers, die het volk gaarne hoorde, geene veiligheid meer. Sommigen waren reeds als martelaars gevallen, sommigen hadden, door hunne gevoelens te herroepen, zich voor een dergelijk lot in veiligheid gesteld, velen waren in ballingschap gegaan eu weer anderen hadden zich schroomvallig teruggetroken. Wie bleven er ten slotte over om het volk te leeren ? slechts hier en daar een enkele. De heilbegeerige schare was aan zich zelve overgelaten en moest in de boeken voedsel zoeken voor haren geest. Het liefst namen zij den Bijbel ter hand, zooals die, gelijk wij reeds gezien hebben, telkens beter en vollediger, in het licht werd gegeven. En wat lazen zij daarin? de woorden van de oude Godsgezanten, profeten en apostelen. Al lezende vergeleken zij zich • - arme schapen zonder herder — met dat oude Israël, dat door de ellende der woestijn was heengeworsteld eu het liefelijk Kanaan binnengeleid. Zou er ook voor hen zulk een Kanaan te vinden zijn? Of zij zagen

-ocr page 62-

60

hun beeld in die gemeente uit alle tongen en talen, die den Heer werd toebereid daar boven in het hemelsch Jeruzalem. Telkens werd hunne verbeelding getroffen door de aankondiging van den Antichrist, wiens rijk zou overwonnen worden, eu van de laatste dagen, die aanstaande waren. Hoe! als die dagen reeds gekomen waren, en de Antichrist reeds zijne macht ontwikkelde! Zij gaven acht op de teekenen des tijds en vergeleken daarmede de uitspraken des Bijbels. De Heer komt! Hij komt haastiglijk! Hij zendt Zijnen engel voor Zijn aangezicht henen! De bazuin slaat! de dooden ontwaken! wij wachten nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde!

Met zulke voorstellingen hielden vele menschen in die dagen zich bezig en overspanden zich dermate, dat zij werkelijk meenden, die teekenen des tijds aanwezig te zien. Allen, die zulke gevoelens toegedaan waren, sloten zicli bij elkander aan en noemden zich Bondgenooten, leden van het heilig verbond, dat het Godsrijk op aarde verwezenlijken zou. De vurigsten uit hun midden traden als predikers op, trokken voort van stad tot stad, al roepende: liet koninkrijk Gods is nabij gekomen; doet boete en bekeert u! Zei ven arm en behoeftig, zochten zij liefst de armen en behoeftigen op en spraken van het verderf der wereld , van het leven des geloofs en van de werken der liefde. Het was hun aan te zien, dat zij gereed waren, goed en bloed ten offer te brengen voor hetgeen zij verkondigden. En zij sleepten door hunne geestdrift alles mede en telden hunne vrienden en aanhangers wel haast bij duizenden; maar hunne vijanden noemden hen Anabaptisten of Wederdoopers, omdat zij den doop der volwassenen tot voorwaarde stelden van het deelgenootschap aan dat ware Godsrijk, waarvan zij de nadering voorspelden.

1. Anabaptisten buiten ons vaderland.

Toen Luther op den Wart burg gevangen zat, werd zijn werk door Carlstad krachtig voortgezet. Deze dreef de geestelijken uit de kerken, rukte beelden en versierselen van het altaar weg en eischte volledige vrijheid van eeredienst. Hoe-

-ocr page 63-

61

zeer die ijver opzien baarde, hij beteekende niets bij de onrust teweeggebracht door de overkomst van eenige vreemdelingen, de Zwickaner profeten genaamd, Nieolaas Storch en ïliomas Muntzer, die goddelijke openbaringen voorwendden en profeteerden dat binnen zes of zeven jaar de Turk geheel Dnilsch-land zou bemachtigen, dat alle priesters zoudeu doodgeslagen worden en geen zondaar zou ontkomen aan het verderf. Was dat alles geschied, dan zou het zichtbaar Godsrijk op aarde een aanvang nemen. Ziedaar liet eerste optreden der dweepzieke secte, en al was het een zoo helder denkend en krachtig volksman als Luther mogelijk den schadelijken invloed dier stellingen te Wittenberg binnen weinige dagen te beteugelen . de dwepers zetten toch elders hunne prediking voort en brachten in andere streken groote opschudding teweeg.

Muntzer wist zich in Thuringen aanhang te verwerven en trok met gewapende benden tegen de wettige vorsten op. „Hoort toequot; zoo luidde zijn taal, „laat uw zwaard niet koud. worden van bloed. God zelf treedt u voor!quot; In de taal dei-profeten wist Muntzer zijne scharen toe te spreken en tot wilde geestdrift op te winden. Onder liet aanheffen van psalmen en geestelijke liederen drongen de ongeoefende benden voorwaarts: „Kom, o heilige Geest, kom o Heer onze God!quot; .... zoo zongen zij, maar toen de kanonnen van den hertog van Brunswijk losbrandden, toen was het spoedig met de dwepers gedaan. Zij sneuvelden ten getale van bijna 4000, én Muntzer de leugenprofeet, die zich beroemd had de vijandelijke kogels in de plooien van zijn mantel te zullen opvangen, werd uit eene bedstede, waarin hij zich schuil hield, te voorschijn gehaald en door beulshanden omgebracht. Kicolaas Storch zwierf nog eenigen tijd door Sileziö en Beieren rond, zijne leer verkondigende, totdat hij door eeue doodelijke ziekte aangetast en weggenomen werd.

Muntzer had zich gedurende zijn reizen en trekken ook te Waldshut in Zwitserland opgehouden en daar een aantal volgelingen om zich heen verzameld. Zij bestreden den kinderdoop en achtten iets anders noodig. George Blauwrok, een hunner vrienden, sprak van eene ingeving Gods, volgens

-ocr page 64-

62

welke een iegelijk zonder uitstel zich op nieuw zou laten doopen, om aldus wedergeboren uit den Heiligen Geest, een geheel rein, zondeloos leven aan te vangen. Hij zelf ging de schare voor en liet zich doopen. De aanwezigen volgden dat voorbeeld en van toen af werden zij Anabaptisten of Wederdoopers genoemd. Er hadden in andere Zwitsersche steden de ergerlijkste tooneelen plaats. „Wee u Zurich! wee u Babylon!quot; riepen de Anabaptisten overluid op de straten. Te Sint Gallen onthoofdde een Wederdooper zijn eigen broeder , zoo hij zeide, omdat God het hem geboden had, en die broeder onderwierp zich aan de gruwzame strafoefening in het vaste geloof, dat hij er God mee verheerlijkte. Hier en daar werden beelden en altaren vernield, op eigen gezag deelde men het Avondmaal uit, de leeraarstand werd overbodig geacht, de Godgeleerde wetenschap als onnut afgekeurd en aan allerlei inbeelding waarde gehecht.

Dat ging naar het gevoelen der anders zeer vrijzinnige Zwitsersche regeering te ver, en er brak een storm van de heftigste vervolging tegen de Anabaptisten uit, zoodat dan ook velen hunner geëindigd zijn op het schavot.

Een der meest begaafde Anabaptisten, Melchior Hoffmann genaamd, reisde naar Zweden om zijne leerstellingen voort te planten. Hij predikte te Stockholm over de Openbaring van Johannes en bracht de gemoederen in hevige spanning. Het werd hem echter niet vergund, aldaar eene gemeente van wedergeborenen te vestigen. Neen, hij werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld , doch begenadigd op voorwaarde, dat hij onverwijld het. land verlaten en nimmermeer op Zweedschen bodem een voet zetten zou. Toen zwierf hij door Duitsehland en hield zich eenigen tijd te Emden in Oost-Friesland op. Aldaar was hij rusteloos bezig om eene gemeente te vestigen. Ook bezocht hij in 1532 onze vaderlandsche gewesten en doopte vele menschen, die naar hem Melchiorieten worden genaamd. Onbeschrijfelijk was de geestdrift, die zijne woorden wekten, en toen hij kort daarop te Straatsburg werd gevangen gezet, toen heette het: „die Melchior, hij is de groote profeet en Apostel! hij zal,

-ocr page 65-

63

voordat de groote dag des Heereii genaakt, in de Nederlanden verschijnen om het ware Evangelie te prediken.quot; Melchior Hoffmann is echter niet weer in de Nederlanden gekomen. Te Straatsburg is hij in handen der wereldlijke overheid gevallen eu, in plaats van, zooals voorspeld was, met honderd vier en veertig duizend ware Godsgezanten de wereld door te trekken en haar te veroveren, is hij in den kerker gestorven.

a. Anabaptisten in Nederland-

Hoffmann had Jan Trijpmaker, een Nederlander van geboorte, tot herder der Anabaptisten te Emden aangesteld eu deze man had het herderschap aanvaard, maar zich weldra genoodzaakt gezien naar Amsterdam uit te wijken. Intusschen vond hij ook te Amsterdam eene -welbereide aarde voor zijne prediking. Ook daar waren menschen, die de wederverschijning des Heeren tegemoet zagen en de stichting van het ■ware Godsrijk op aarde, die niet ter biecht gingen noch ten hoogtijde maar zich lieten doopen en in Trijpmakers gemeente inlijven. De stadsregeeriug achtte het echter gevaarlijk deze menschen hunnen gang te laten gaan. Zij waren wel vreedzaam en Godvruchtig, zoodat hun niets kon te last gelegd worden dan dat zij Gods koninkrijk zochten en in hunne samenkomsten lazen en spraken over het Evangelie, maar zij wekeu dan toch van de vastgestelde kerkleer af en moesten om die reden in het oog gehouden worden. Dat was het juist, wat Trijpmaker begeerde. Hij wilde van zich doen spreken. De gelegenheid om te ontvluchten liet hij ongebruikt voorbijgaan. Met acht zijner medgezellen is hij gevangen genomen en daar zij er niet toe te bewegen waren om hunne denkbeelden te herroepen, zijn zij allen onthoofd.

Jau Matthijsen, bakker te Haarlem, drukte het voetspoor van Trijpmaker en Hoffmann. Had de laatste zich voor den profeet Elia uitgegeven, Matthijssen wilde Henoch zijn, de tweede getuige, waarvan in Openbaring XI sprake is. \Veldra stond hij aan het hoofd van een aantal dolzinnige en gevaar-

-ocr page 66-

64

lijke dwepers. Hij verliet zijne bejaarde echtgenoote om met eeue jonge, sclioone brouwersdochter te Amsterdam te leven. Van daar zond hij eenige zoogenaamde apostelen, twee aan twee, uit om zijne leer te prediken. Bartholomeus Boekbinder en Dirk Kuiper doopten op zijn last in Friesland, terwijl Jan Beukelszoon^ een kleermaker uit Leiden, gewoonlijk Jan van Leiden genoemd en Gerrit Knipperdollinek van Amsterdam naar Munster vertrokken. Leze stad, waar zes van de zeven kerken aan de hervormingsgezinden afgestaan waren , was uitgekozen om er een nieuw Jeruzalem te sticliten. Toen Jan van Leiden en Gerrit Boekbinder in Munster aangekomen waren, begonnen zij terstond hunne leerstellingen te prediken en het aankondigen van een nieuw Godsrijk prikkelde vele menschen aan, om hunne partij te kiezen. De raad der stad meende echter tusschen beiden te moeten komen en zette de twee profeten de poort uit. Zij kwamen echter door eene andere poort de stad weer in, verzekerden hunne vrienden dat God hun bevolen had het werk te voltooien en wisteu de voordeeleu, aan hunne leer verbonden, zoo aanlokkend voor te stellen, dat hun aanhang steeds toenam en ook de predikant Eothmann zich aan hunne zijde schaarde. Zij werden meester van geheel Munster en zonden apostelen naar alle plaatsen, met uitnoodiging aan alle geloofsgenooten om zicli met hen te vereeuigen. Ook naar Holland vertrokken deze zendelingen en noodigden alle Anabaptisten uit, zich naar Hasselt aan liet Zwarte Water te begeven en van daar gezamenlijk naar Munster op te trekken. En waarlijk! hoe vreemd het ook klinke, zij vonden bij velen een geopend oor. Niettegenstaande de bedreiging der overheid, die zulke uittochten wilde verhinderen, verzamelden duizenden zich, om naar het nieuwe Jeruzalem uit te trekken. Meer dan dertig schepen, opgepropt met mannen, vrouwen en kinderen uit Amstelland en Waterland stevenden over de Zuiderzee naar Hasselt, de aangewezen plaats van samenkomst. Om ook andereu op te wekken, dat voorbeeld te volgen, liepen des audereu daags vijf dwepers op den middag naakt en met bloote zwaarden door Amsterdam, roepende: wee! wee! doet

-ocr page 67-

65

boete en gaat naar Munster, de tweede stad Davids, die den kinderen Gods gegeven is!quot; Zij werden echter gevat, naar Haarlem gevoerd en aldaar met den dood gestraft. Het ging thans niet, als vroeger met de Sacramentisten, in wier gevoelens de stedelijke overheid weinig gevaar zag; maar om deze woelgeesten onschadelijk te maken, werkten alle overheidspersonen , iiooger en lager geplaatsten, gaarne mede. Immers, het gold hier de orde, de rust, de welvaart van geheel de maatschappij. Zij, die in de schepen op reis gegaan waren, werden op des Keizers last aangehouden. De voor-naamsten werden, als verleiders der overigen, te Kampen onthalsd, doch de vrouwen en kinderen vrijgelaten.

Ook te Amsterdam werden gestrenge maatregelen tegen de Anabaptisten genomen. Zij, die bij hunne leer bleven volharden , werden met den dood gestraft; zij, die herriepen, kwamen vrij, doch moesten barrevoets, blootshoofds , in linnen gekleed en met eene toorts in de hand, een omgang door de stad doen. Vanwesre den Keizer werd alom in de Neder-landen verboden, Anabaptisten te huisvesten, te verbergen of te verzwijgen, en eene belooning toegewezen aan hen, die zulke lieden vatten en overleverden, of kennis gaven van de plaats hunner vergaderingen. De landvoogdes stelde op eene algemeene dagvaart te Mechelen aan de Staten voor, de plakkaten te verscherpen en den bisschop van Munster tegen de oproerige Anabaptisten te helpen. Dat laatste wilden de Staten niet, doch wel pogingen in het werk stellen om den voortgang der nieuwe leer te stuiten, voor zoover zulks zon-der nieuwe plakkaten mogelijk was.

Intusschen was Jan Matthijsen te Munster aangekomen en aldaar als onbeperkt alleenheerscher opgetreden. De burgers, die met zijne onzinnige dweperij niet te doen wilden hebben, werden met vrouw en kinderen verdreven, hunne goederen verbeurd verklaard en alle boeken, behalve de Bijbels, verbrand. De Anabaptisten kozen overheidspersonen uit hun midden, maar aan Jan Matthijsen van Haarlem was alles ondergeschikt. Hij beval als profeet in den naam des Hee-ren, dat elk zijn goed en verdere kostbaarheden in het Eaad-

-ocr page 68-

66

huis zou komen nederleggen. Alle goederen werden toen gemeenschappelijk eigendom verklaard. Groote voorraadschuren van krijgs- en mondbehoeften werden aangelegd en geregelde troepen uit de weerbare manschap der Anabaptisten samengesteld. Matthijsen verstond de kunst, het volk in een opgewonden toestand te houden en altijd te wijzen op liet heerlijk verschiet, dat zich van nabij aan het oog vertoonde. Voordat echter die aardscbe gelukzaligheid kon genoten worden, werd de stad Munster door haren bisschop Frans vou Waldeck belegerd en hevig bestormd. Matthijssen bleef vol moed. Hij iiad eene goddelijke openbaring ontvangen, dat hij bij een uitval al zijne vijanden dooden zou. De speer van Gideon was hem daartoe gegeven. Toen hij echter aan het hoofd van eene bende soldaten de vijandelijke troepen tegemoet trok, vond hij, in plaats van de overwinning, die hij zich voorgesteld had, den dood op het slagveld.

3. Verdere buitensporigheden der Anabaptisten.

De dood van Matthijsen, zou men zeggen, zal een schok gegeven en aan de overspanning te Munster een eind hebben gemaakt, maar neen, in Matthijsen's plaats trad Jan van Leiden op. Welsprekend en vol geestdrijverij wist hij zich zeiven en anderen op te dringen, dat Matthijsen gesneuveld was als slachtoffer van de heiJige zaak, die thans door hem zou voortgezet worden, en tevens, dat hij volgens eene openbaring des hemels de zwangere weduwe van Matthijsen huwen moest. Dat geschiedde. Het volk liet zich zonder moeite bewegen om hem als profeet te erkennen. Hij verkoos uit zijne volgelingen naar liet getal der stammen Israëls twaalf rechters en zou zelf de Mozes, de wetgever zijn. Zijn vriend Knipperdollinck, die burgemeester geweest was, kreeg een ander ambt. Hij werd beul, om dagelijks in de gelegenheid te zijn, bewijzen zijner bekwaamheid te geven.

Daar ontvangt de goudsmid Jan üuizendschoen eetie goddelijke openbaring, dat Jan van Leiden Koning moet zijn en in het nieuwe Jerusalem op Davids troon zitten. Hij zou de

-ocr page 69-

67

geheele wereld aan zich onderwerpen. Aanstonds juicht het volk deze woorden toe: Beukelszoon —Jan Benkelszoou van Leiden moet koning zijn! Eu de tot koning uitgeroepene werpt zich op de knieën , dankt God voor deze genade, verzekert aan het volk, dat aan hem dezelfde openbaring als aan Jan Duizendschoen is ten deel gevallen en neemt den koningstitel aan. Hij zet zich een gouden kroon op het hoofd, kleedt zich in zwart fluweel, rijk met edelgesteenten versierd, hangt zich een gouden keten om, en laat op zijn gordel schrijven: Gods kracht is mijn macht. Met gouden sporeu aan rijdt hij op een fraai getooid paard door de stad, gevolgd van een talrijken stoet. Voor hem uit gaan twee bedienden of pages, die zijne kroon, zijn Bijbel en zijn zwaard dragen. Hij laat geld munten, met zijne beeltenis voorzien, en neemt op zijnen troon gezeten, geheel het voorkomen van eenen koning aan. Hoe is het mogelijk! roepen wij uit, dat zulke buitensporigheid iieeft kunnen toegejuicht worden! waren de meuschen toen door waanzin aangetast! of laat het zich daaruit verklaren, dat bij gemis aan verstandige leidslieden, het volk om voor eene kerk, die niet meer aan de behoeften voldeed, eene betere in de plaats te krijgen, zich liet medeslepen en verleiden tot zinnelooze proefnemingen? In elk geval is het opmerkelijk, dat niet de wijzen en verstandigeu maar lieden van minder ontwikkeling zich aan deze proefnemingen waagden.

En nog had de buitensporigheid van koning Jan haar toppunt niet bereikt. De goddelijke instelling van het huwelijk werd door hem met voeten getreden, want ook de zinnelijkheid moest bevredigd worden. Hij voerde de veelwijverij in: Abraham, Jacob eu David hadden wel meer dan eene vrouw gehad, waarom dau hij niet! Nevens zijne vrouw, de weduwe van Matthijsen, die den naam van koningin droeg, koos hij nog veertien vrouwen en op zijn voorbeeld vergenoegde in het nieuwe Jerusalem niemand zicli meer met ééne vrouw, maar ieder gaf zich over aan de schandelijkste driften. Nonnen werden met geweld uit de kloosters, jonge, ongehuwde vrouwen uit de huizen gehaald en gehuwd. Het was eene verregaande losbandigheid. En wee dengene, die

-ocr page 70-

68

eenig blijk van misnoegen openbaarde of van verraad verdacht werd! Onmiddelijk was liet zwaard van Knipperdolünck getrokken. Zelfs eene van 's koning bijwijven ontging den dood niet, toen zij liet waagde eenigen twijfel omtrent de goddelijkheid zijner zending te opperen. .Tan van Leiden zelf sloeg haar het hoofd af en danste als een dolzinnige met zijne andere vrouwen om haar bloedig lijk.

Munster was nu eenmaal tot hoofdstad van het nieuwe Godsrijk verklaard. Dat moest de zetel der regeering blijven , maar andere steden moesten ook onderworpen worden opdat zij in de zegeningen van Sion zouden deeleu. Daartoe werden '28 apostelen uitgezonden, met name naar Arasterdam, Deventer en Wezel.

4.. Nieuwe bewegingen binnen de vaderlandsche grenzen. Einde van het Munstersche schrikbewind.

Toen de gezanten van den Munsterschen geestdrijver te Amsterdam kwamen, was de stadhouder des keizers daar aanwezig. Hij had den schout Huibertsz afgezet en gebannen, omdat deze naar zijn oordeel te flauw was in het opsporen van de ketters. Twee Anabaptisten werden gegrepen en het gerucht zeide, dat de stadhouder in den nacht tweehonderd burgers van hunne bedden zou doen oplichten. De Amsterdammers, dit als eene inbreuk op hunne rechten beschouwende, verwekten eene opschudding, die wel door den schepen Joost Buik gestild werd, maar toch aanleiding gaf tot het bezetten van den Dam. Ook liep er een gerucht, dat de stad door de Anabaptisten zou overrompeld worden; even als Leiden reeds in groot gevaar had verkeerd. Ware het plan met laatstgenoemde stad gelukt , dan zou zij aan vier hoeken in brand gestoken zijn. Vijftien mannen werden ten gevolge van die, roekelooze onderneming onthalsd en vijf vrouwen verdronken. In die dagen van spanning, bracht zekere Dirk de Snijder Amsterdam in rep en roer. Hij noemde zich een profeet en hield vergaderingen ten huize van Aagje Jansz in de Zoutsteeg. Op zijn voorbeeld trokken zes mannen en zes vrouwen de kleederen uit en gin-

-ocr page 71-

69

gen geheel naakt door de stad onder liet geroep: wee! wee! de -wrake Gods, de wrake Gods! Op eene vrouw na werden zij allen gevat en zoo ver ging hunne waanzinnigheid dat zij bij het verhoor weigerden, kleedereu aan te trekken, want „de waarheid moest naakt zijn, eu die kleederen -— zij waren niet anders dan het slijk dezer wereld.quot; Dansende en zingende gingen eenigen hunner den dood te gemoet. Ook Dirk de Snijder werd onthoofd en Aagje Jansz in de deur harer woning opgehangen. Niet ten onrechte vermoedde men, dat dit woest bedrijf met een aanslag op Amsterdam in verband stond. Spoedig toch lieten zich duizend Anabaptisten zien, dia voorgaven uit Friesland en Henegouwen te komen. Zij sloegen zich buiten de stad neder maar trokken weldra weer af, omdat zij geen kans zagen de stad te overmeesteren.

Jan van Gelen predikte de buitensporige stellingen van Jan van Leiden in Friesland. Ouder zijne aanvoering werd door driehonderd dwepers het klooster Bloemkamp bij Bolsward ingenomen, beelden en altaren vernield, de hostie op den grond gesmakt ouder den uitroep: Ziedaar den God der god-deloozen! Terstond werden de woestelingen door den stadhouder belegerd. Zij verdedigden zich met de hardnekkigheid der wanhoop, doch moesten zich ten laatste overgeven, en toen werd al, wat weerstand bood, over de kling gejaagd. Met de overigen, 62 mannen en 70 vrouwen en meisjes, trok het krijgsvolk in zegepraal Leeuwarden binnen en gaf hen aan den rechter over, die de schuldigen liet onthoofden en in het water werpen en van geeue genade wilde weten, tenzij voor de kleine kinderen. Jan van Gelen had zich door de vlucht naar Amsterdam gered. Zijn plan was met een aantal zijner volgelingen de stad te overrompelen, doch dat moest natuurlijk geheim blijven.

Met zekeren Hendrik Goedbeleid, zijnen vriend, bepaalde hij den nacht van 10 op 11 Mei 1335 tot het volvoeren van zijn aanslag. Men koos dien nacht omdat dan het jaarfeest van het Kruisbroedersgild werd gevierd. Weldra was de burgerwacht overrompeld en waren de Anabaptisten meester van het stadhuis en van den Dam.

-ocr page 72-

70

De burgemeester Pieter Kolijn trok met een vendel burgers tegen hen op, doch moest onverrichter zake aftrekken. Op den terugtocht werd hij zelf gedood. Burgemeester Eeekalf nam toen het bevel op zich. Hij liet de ingangen der straten naar den Dam met zeilen bespannen en door balen wol versperren om zich tegen het vuur der vijanden te dekken. Met het aanbreken van den dag tastte hij den woesten hoop aan, die den nacht psalmzingende had doorgebracht. Twaalf hunner werden gevangen genomen en drie dagen later werd hun bij vonnis van de overheid het hart uit het lijf gescheurd en in het aangezicht geworpen. Voorts werden zij onthalsd, gevierendeeld en hunne hoofden aan de poorten op staken tentoongesteld.

Jan van Gelen, die de bende in den waan had gebracht, dat de stad vóór tien uur in hare macht zou zijn , vluchtte naar den toren, maar werd daar door een kogel doodelijk getroffen. Kort daarop vertoonden zich driehonderd boeren uit Benschop voor de wallen. Het waren Anabaptisten, gekomen om de oproermakers daar binnen te versterken. Zij moesten onverrichter zake aftrekken en hun heil zoeken in overhaaste vlucht. Bij de terechtstelling der schuldigen werden binnen de stad 116 mannen en 25 vrouwen gedood en onder de eersten ook Jan Van Kampen, een der apostelen uit Munster. Ofschoon hij standvastig ontkende, deel aan het oproer genomen te hebben, werd hij toch ter dood veroordeeld. Afgrijselijk is hij gepijnigd. De beul stelde hem een uur lang te pronk, rukte hem de tong uit, hieuw hem vervolgens eerst de rechter] i and af, toen het hoofd, wierp den romp in liet vuur en stelde hoofd en hand op de Haarlemmerpoort ten toon. De vrouw in wier woning hij onder een hoop turf ontdekt was, werd voor het stadhuis opgehangen en eene andere vrouw insgelijks, omdat zij Van Kampen gehuisvest had.

Ziedaar afgrijselijke strafoefeningen, docli die niet van de geloofsrechters uitgingen, maar door de stedelijke overheid bevolen waren en door duizenden, vooral onder de gegoede burgers, werden toegejuicht. Het waren immers geene verstandige menschen — die Anabaptisten! het waren omver-

-ocr page 73-

71

werpers van de bestaande orde, dolle dwepers, oustuimige woelgeesten! Wie kon daarmede vrede houden?

En nu te Munster. De stad werd door het leger van haren bisschop al nauwer en nauwer ingesloten. Weldra vertoonden zich honger en gebrek in de verschrikkelijkste gedaante. De walgelijkste dingen werden verslonden. Koning Jan had wel verschijning op verschijning, en deed belofte op belofte, maar met dat al werd de toestand ellendiger. Toch vleiden de ongelukkige inwoners zich met eene wonderdadige verlossing en konden daarom te midden der grootste ellende luidruchtige feesten vieren: immers koning Jan had in den uaam des Heeren verlossing voorspeld. Maar vonden zijne voorspellingen nog geloof?

Een der Anabaptisten opende de poorten en de belegeraars geraakten binnen de stad. Wel bood Koning Jan geduchten tegenstand, maar te vergeefs. Hij, met Knipperdollinck en Krechting vielen den vijand in handen. De gewezen koning werd in eene ijzeren kooi het land rondgevoerd, waar men hem voor geld liet kijken. Toen dit zeven maanden geduurd had, werd hij met zijne twee medeplichtigen op afschuwelijke wijze ter dood gebracht. Men neep hun een uur lang met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf en stak hun ten laatste een zwaard door het hart. Hunne lijken werden in ijzeren kooien gelegd en deze aan den toren der Lambertikerk opgehangen , waar de kooien nog te zien zijn.

W elke barbaarsche terechtstellingen, maar ook welke gruwelijke afdwalingen! Wij zouden wenschen dat deze tooneelen geen plaats hadden gevonden; maar wat zullen wij zeggen? het is, zooals Joël zegt: niet zonder vreeselijke dingen, bloed, vuur en rookdamp, verschijnt de doorluchtige dag des Heeren. Niet anders dan mistastend en gedurig dwalend betreedt het menschelijk geslacht den weg, die naar hooger ontwikkeling en volmaking voert.

5. Doopsgezinden

In ] 535 was het rijk der Anabaptisten te Munster te

-ocr page 74-

72

gronde gegaan, doch daarmede waren niet alle Doopers of Bondgeuooten van liet aardrijk verdwenen. Nog bleven er velen over en een groot aantal hunner kwam te Bocholt in Westphalen bijeen, om over hunne geestelijke belangen te spreken. Al behoorden alle mannen, die daar elkander ontmoetten , niet rechtstreeks tot de Munstersche secte, zij waren er toch aan verwant en meenden, dat het koninkrijk van Jan Beukelsz niet zou gevallen zijn, als zijne vrienden in andere steden hem slechts geholpen hadden. De ruwste mannen uit hunnen kring met Jan van Batenburg aan het hoofd hielden vol: het Godsrijk moest gesticht worden met het zwaard in de vuist, en waarom zouden zij in die troebele tijden niet beproeven, hoever zij het daarmee konden brengen ? De Mel-chiorieten (aanhangers van Melchior Hoffmann) daarentegen waren van een ander gevoelen, en bij monde van Matthijs Blauwaart van Middelburg veroordeelden zij de gruwelijke plannen der Batenburgers. Zij wilden wel gelooven aan de spoedige oprichting van het Godsrijk op aarde maar zonder dat zij zich zei ven geroepen achtten, het zwaard der wraak te ontblooten. Het waarachtig Christendom in het leven te bevorderen — ziedaar hunne taak. De Obbonisten eindelijk, volgelingen van zekeren Obbo ïilips van Leeuwarden, hoezeer ook overtuigd, dat zij het Christendom moesten bevorderen, geloofden niet, dat het Godsrijk zich ooit op zulk eene schitterende wijze vestigen zou, maar dat de gemeente Gods wel altijd eene vervolgde en lijdende zou blijven. Zoover liepen de gevoelens der Doopers uiteen en de vergadering te Bocholt leidde tot niets.

De Batenburgers zonderden zich voor goed van de overigen af, zetten hun dweepziek roovers- en moordenaarswerk voort, maakten met hunne woeste benden Twente, de Graafschap van Zutphen en Oppergelder onveilig en eindigden met te vallen door het zwaard der overheid. En toch, hoever ook afdwalende, meenden zij in hunnen dweepzieken ijver Gode een dienst te doen. Van de Melchiorieten verbonden velen zich aan David Jorisz, den reeds genoemden voorstander der hervorming te Delft, die langzamerhand de meest buitensporige

-ocr page 75-

73

flenkbeelclen ontwikkelde. David Jorisz hield zich zelf' voor den derden koning David, grooter dan Isaï's zoon, grooter dan Christus. Door zijne aanhangers als koning geëerd, met de rijkste geschenken overstelpt, en zelfs nog, nadat hij vernedering bad ondergaan, voor een Godsgezant gehouden, om wiens wil men moedig het vuur des brandstapels trotseerde, heeft hij jaren lang zijne vreemdsoortige rol gespeeld, zonder iets wezenlijk goeds tot stand te brengen. Andere Melchiorieten hebben zich aan Hendrik Nicolaas aangesloten, ook een geestdrijver, die eene gemeente stichtte, het Huis der Liefde genoemd, en de meest buiteuspoiige denkbeelden koesterde. Wederom anderen sloten zich aan eene vereeniging van eenzijdig vrome gevoelsinenschen onder Hendrik Jan van Barneveld aan.

De meest bezadigden echter schaarden zich om Menno Simons heen en werden in ons vaderland Doopers of Doopsgezinden, ook wel Mennisten of Mennonieten genoemd. Menno Simons (geboren te Witmarsum in 14-96, overleden in 1561) wordt beschreven als een bescheiden en nederig man, die als priester te Witmarsum vlijtig de Heilige Schrift bestudeerde. Hij werd overtuigd van de onschriftmatigheid van den kinderdoop en stemde in dat opzicht met de Anabaptisten in. Overigens verklaarde hij zich heftig tegen de uitspattingen der Munsterschen. In 1536 legde hij zijne priesterlijke bediening neer en trad in het huwelijk. Aanvankelijk bleef hij te Witmarsum wonen en binnen de muren van zijn eigen huis in de dit pste stilte zijne geestverwanten opwekken en vermanen, maar weldra was hij aldaar niet veilig meer en moest zich elders vestigen. Vele Doopers hadden toen reeds het oog op hem gevestigd en gevraagd, of hij hun herder wilde zijn. Dat verzoek willigde hij in, en van toen af werd Groningen het middelpunt van zijne werkzaamheid. Van daar uit bezocht hij zijne ge-loofsgenooten in den omtrek, doopende, vermanende en zijne gedachten omtrent de verwezenlijking van het Godsrijk uitsprekende. Dit alles geschiedde te midden van doodsgevareu, want zelfs menschen, die hem hadden geherbergd, werden ter dood gebracht. Er was dan ook een plakkaat uitgevaar-

-ocr page 76-

74

digd, dat elk, die lieer Menno in zijn huis of op zijn erf ontving, en eten of drinken gaf, als ketter aan lijf en goed gestraft zou worden. De vervolgde rnan wist echter met omzichtigheid en vastberadenheid de lagen zijner speurhonden te ontkomen.

Nadat hij zich eerst in Groningen en later in Amsterdam opgehouden had, begaf hij zich tot het voeren van een Godgeleerd gesprek naar Einden in Oost-Friesland. Eenmaal te Einden zijnde bleef hij aldaar gevestigd, ofschoon hij nog telkens in alle stilte de Nederland sche gewesten bezocht. Meer echter dan door deze bezoeken werkte hij op zijne vrienden door geschriften. In 1533 kwam er een groot boek van hem in het licht, het Eondamentboek geheeten, dat een machtigen invloed op de vorming en ontwikkeling van de Doopsgezinde gemeenten heeft uitgeoefend. Daarbij werd hij in zijnen arbeid krachtig bijgestaan door Dirk Filips en andere vrienden in Friesland. Er traden allerwegen in het geheim menschen tot hunne denkbeelden toe. In eenzame woningen, schuren en stallen hielden zij vaak tot zelfs te middernacht hunne vergaderingen. Er werden toespraken of vermaningen gehouden, soms werd de doop en het avondmaal bediend. Het Nieuwe Testament werd gelezen en verklaard en het bondgenootschap van al deze vrienden telkens uitgebreid. Tot eer van Menno en zijne geestverwanten moet worden getuigd , dat zij alle overspannen voorstellingen der Anabaptisten hebben laten varen en dat zij als herdoopten en wedergeborenen een bescheiden, stil en ingetogen leven leidden.

De regeering des lands beschouwde hen echter als gevaarlijke onruststokers en nieuwigheidszoekers en vaardigde de strengste plakkaten tegen hen uit. Wat wisten de keizerlijke geloofsrechters van een onderscheid tusschen Anabaptisten en Doopsgezinden? Zij waren in hun oog allen ketters en boosdoeners eu moesten met geweld ten onder gebracht en uitgeroeid worden. De Doopsgezinden waren intusschen zoo vol geestdrift voor hunne gevoelens, dat zij zich vervolging en marteling getroostten en bij honderden voor hun geloof ter dood lieten brengen. Ook zij hebben hunne martelaarsboeken

-ocr page 77-

75

eu daariu vele aandoenlijke voorbeelden van onverschrokken moed en innig vromenzin. Laat ons eenigen noemen.

6. Doopsgezinde martelaars en Doopsgezinde gemeenten.

In 1545 werd Frans van Bolsward als üoopgezinde veroordeeld om levend verbrand te worden. Hij hoorde dit vonnis onverschrokken aan en dankte zelfs zijne rechters, dat zij hem gelegenheid gaven om tot zijnen Vader in de hemelen te gaan. Op den weg naar de strafplaats zag hij vele menschen in tranen, maar hij vermaande hen bedaard te blijven. Op den brandstapel bad hij: „Ileere God, wil mijne ziel ontvangen en leid haar in uwen vrede.quot;

Elisabeth, uit een klooster ontvlucht en te Leeuwarden door Doopsgezindeu opgenomen, werd voor de geloofsrechters gebracht en gevraagd, wat zij geloofde van den kinderdoop, daar zij zich had laten herdoopen. „Neen, mijne lieeren!quot; antwoordde zij „ik heb mij uiet weder laten doopen; ik heb mij eenmaal laten doopen op mijn geloof, want daar staat geschreven, dat den geloovige de doop toekomt.quot; Toen vraagden de rechters: „zijn onze kinderen verdoemd, omdat zij gedoopt worden ?quot; „TMeenquot;, hernam Elisabeth, „dat zij verre van mij, dat ik de kinderen oordeelen zou.quot; „Zoekt gij dan de zaligheid uiet in den doop?quot; zeiden de rechters. „Al het water der zeequot; betuigde Elisabeth „kan mij niet zalig maken, maar de zaligheid is bij Christus en Hij heeft mij bevolen, God lief te hebben boven alles en mijnen naaste als mij zelve.quot; Toen werd gevraagd of de priesters ook macht hebben om de zonden te vergeven? „Hoe zou ik dat geloo-venquot;, riep Elisabeth uit „Ik zegge dat Christus de eenige priester is, door wien de zouden vergeven worden.quot; En gij zegt, was het antwoord, dat gij alles gelooft wat met de Schrift overeenkomt, houdt gij dan Jacobus'woorden niet? „Jaquot; sprak Elisabeth, „zou ik niet!quot; Nudan, Jacobus zegt: ga tot de oudsten der gemeeute, dat zij voor u bidden eu u zalven.quot; „Maar mijne lieeren!quot; zeide Elisabeth „wondt gij dan zeggen dat gij van die gemeente zijt?quot; O! verklaarden

-ocr page 78-

76

de rechters, gij behoeft zeker biecht noch Sacrament! „'Neenquot;, was liet antwoord, ..ik beken wel dat ik overtreden heb de ordonnantiën van den Paus, die de Keizer met plakkaten bevestigd heeft, maar bewijst mij in eenig artikel, dat ik overtreden heb tegen mijnen Heer en God.quot; Toen werd de scherprechter geroepen om haar de duimijzers op beide duimen te zetten, totdat het bloed uit hare nagels uitsprong. Zij echter stoml deze en andere folteringen moedig door en werd eindelijk te Leeuwarden verdronken.

Pieter Wijt zen, een metselaar, 27 jaar oud, die om zijne Doopsgezinde gevoelens geworgd werd , schreef nog kort voor zijn dood aan zijne huisvrouw: „mijne lieve uitverkorene vrouw! blijf bij God en vermeng u niet met de boozen, want „is het dat de rechtvaardige wijkt, zoo zal Mijne ziel geen welbehagen in hem hebbenquot;, zegt de Heer. De tijd mijns verscheidens schijnt nabij te wezen. Met God — zoo moet het geschieden! Als de scheiding komt, zoo vrees niet, maar bewaar uwen mond 1). Blijf bij Gods genade, die u gegeven is.quot;

Reetze Ayses, een man uit Beetsterzwaag betuigde uit de Heilige Schrift dat er eene reine gemeente wezen moet, dat het gehouwene, vierkant gebeitelde steeuen moeten zijn, die aan het huis Gods toegevoegd worden, waarvan Christus de hoeksteen is. Hij werd veroordeeld om verdronken te worden en zijne goederen werden verbeurd verklaard. Behalve zijne ouders liet hij eene treurende weduwe en een halfjarig zoontje na. In den kerker schreef hij nog aan zijne huisvrouw: zie, mijne lieve, beminde huisvrouw! wees om mij niet bezwaard, maar troost u in den Heer, want Hij is mijn helper en vertroost mij. Ik weet somwijlen nauwelijks, dat ik gevangen ben, als ik denk aan de beloften Gods en dank Hem, dat hij mij daartoe verkoren heeft. Is het dat wij volstandig blijven tot den einde toe, zoo wordt ons de kroon des levens beloofd en zullen wij met witte kleederen bekleed worden en op den berg Sion staan met alle Gods uitverkorenen en zingen dat goede nieuwe lied. Och, beminde vrouw!

') Bewaar uwen mond, dat is: wees op uwe hoede bij het uoemeu van personen, breng ouze gelootsgeuooten niet in ongelegenheid.

-ocr page 79-

ik kou u om geen goederen der wereld verlaten, maar Christus zegt: wie niet verlaat vader, moeder, broeder, zuster, huis, hof, vrouw, kind en zijn eigen leven, die is mij niet waardig. Zie, al ben ik hier gevangen, liet zal u niet zijn tot oneer, maar tot prijs Gods. Ik ben zeer bezwaard om u en mijn kind. Wilde onze lieve Heer dat in zijn rijk halen, het zou mij tot groote blijdschap wezen, en is dat niet, moge het dan in Gods vreeze opwassen. Wees om mij niet bezwaard, maar troost u in den Heer. Ook ik bid u uit het binnenste mijner ziel dat gij den Heer uwen God de dagen uws levens niet verlaten zult. Och lieve, ik ben om mijn kind zoo zeer bezwaard en bedroefd, dat ik niet weet, waar dat ik heen zal en bid den Eeuwigen Almachtigen God dag en nacht daarover. Heb goeden moed en troost u in Hem. Of het hem behaagde, dat wij weer bij elkander kwamen! daartoe helpe Hij u en mij, wij mogen zalig worden.quot; Aldus schreef hij en onderging den marteldood met blijmoedig bewustzijn dat hij het geloof had behouden.

Geen wonder dat het volk bij het aanschouwen van den dood van zulke martelaars wel eens heeft uitgeroepen: indien dat geen Christenen zijn, dan zijn er geen op de geheele aarde. Het bloed dezer martelaars is ook het zaad der Doopsgezinde gemeenten geweest. Allerwegen nam het aantal van zulke gemeenten toe, vooral in Friesland, Groningen, Holland , ja tot in Zeeland en Vlaanderen.

Van Leendert Bouwens, oudste bij de Doopsgezinden en ijverig voorstander van hunne gevoelens, is bekend dat hij gedurende zijn reizen en trekken naai1 allerlei plaatsen een getal van tienduizend volwassenen gedoopt heeft, waarvan alleen in Friesland zesduizend. Het is wellicht niet ver bezijden de waarheid aan te nemen, dat gedurende de regeering van Karei V de helft van de hervormingsgezinde Nederlanders Doopsgezinden waren. En toch hebben de Doopsgezinden nooit de volkskerk kunnen worden, maar zijn zij eene afgezonderde , op zich zelve staande, van krachtigen invloed ontbloote schare gebleven, die ondanks hare vele. goede, uitnemende eigenschappen, niet op den voorgrond onzer ge-

-ocr page 80-

78

schiedenis trad maar eenigszins schuw in de schaduw bleef. Scheen liet ook al in het midden der zestiende eeuw, dat de geest onzes volks bijzonder sterk tot hunne gevoelens werd aangetrokken, straks zou het blijken, dat niet voor Menno Simons maar voor een geheel ander man de taak was weggelegd, den stempel zijns geestes in ons volk in te drukken en een stoot te geven aan den verderen loop der gebeurtenissen, die van onberekenbare gevolgen is geweest.

Het beginsel, vanwaar de Doopsgezinden uitgingen, werkte er toe mede om hunnen invloed te beperken. Zij wilden het zuivere Godsrijk zijn, afgezonderd van de wereld, in zeden, gebruiken, instellingen en denkbeelden duidelijk van de overige menschen onderscheiden. Niet dat zij eene omverwerping van den bestaanden toestand zochten of een losmaking van alle maatschappelijke banden, maar zij trokken zich terug uit de wereld. In eigen kringen eene heilige gemeente op aarde te vormen — ziedaar hunne hoogste begeerte! Geeue wapens te dragen, geen overheidsambt te bekleeden, geen krijgsmansstand te helpen vormen, geeue geordende leeraars aan hun hoofd te stellen, geene eeden te moeten zweren, maar op elkanders ja en neen als op eenen eed te kunnen staat maken — ziedaar hun ernstig streven. Zij verlangden in stilte hunnen God en Heer te dienen, aan ijverigen arbeid hunne krachten te wijden en op stemmigheid iu levenswijs, op eenvoud in kleeding en op strenge zeden zich toe te leggen. Nu spreekt het van zelf dat zij zoodoende ook niet op den voorgrond konden treden. Indien zij geen overheidsambt wilden bekleeden, dan kon ook uit hun midden geen regeeringspersoon opstaan! Indien zij geene wapenen wilden dragen, dan konden zij ook niet strijden in den kamp voor vrijheid en onafhankelijkheid! Indien zij geen leeraarsstand begeerden, dan kon er ook van wetenschappelij ke beoefening der Godgeleerdheid onder hen geen sprake zijn. Zij veroordeelden zich zei ven tot eene ondergeschikte rol op het tooneel der groote gebeurtenissen des tijds en hadden het aan hunne eigene beginselen te wijten, dat zij niet meegeteld werden. In hunnen eigen kring kregen zij weldra te worste-

-ocr page 81-

79

len met allerlei kleingeestig geliarwar eu getwist. Indien toch stemmigheid in kleeding en leefwijs boven alles gold, hoever moesten zij zicli in die richting bewegen ? „Geen ruim en wereldsch leven leidenquot; had Menno Simous gezegd; maar wat dan? mochten zij schoenen met zilveren gespen dragen even als andere burgers, danspartijen bijwonen, bruiloften, doopmalen en begrafenissen vieren; of was dat alles verboden? en indien sommigen hierin vrijer en ruimer waren dan anderen, moesten eerstgenoemden dan uit de gemeente gebannen worden? en zoo ja, hoever moest die ban uitgestrekt worden? Nog bij het leven van Menno Simous ontbrandde over dergelijke vragen menige twist. De twist veroorzaakte scheuring en de scheuring bleek welhaast onherstelbaar te zijn. Men sprak van Eranekers en Waterlanders, van Vlamingen en Friezen, en wijdde zicli des te ijveriger aan vaak zeer kleingeestige en beuzelachtige twistpunten, naarmate men, bij gebrek aan degelijker onderwerpen, des te meer tijd eu gelegenheid daartoe vond.

Toch kweekten diezelfde Doopsgezinde gemeenten onberekenbaar veel goeds. Zij stelden het geloof op den voorgrond dat zich in de werken openbaart; zij zochten naar den geest, die het leven van den zondigen mensch herschept eu heiligt. Het Christendom was hun geene zaak des verstands maar des gemoeds, en Christen te zijn was volgens hunne opvatting niet een ijveren voor de leer, maar het kruis dragen achter Christus met verzaking van de wereld. IJverig in hun beroep, nauwgezet en eerlijk in hunnen handel, waarheidlievend in hunne woorden, spaarzaam in hunne leveuswijs, genoten zij het vertrouwen van allen, die met hen in aanraking kwamen. Zij muntten uit door onderlinge herbergzaamheid en blijmoedig weldoen aan den lijdenden natuurgenoot en ondervonden in den tijdelijken zegen, dien zij genoten, in den bloei hunner ondernemingen en den voorspoed van hunne stoffelijke belangen de waarheid van het Schriftwoord: die Mij eeren, zal Ik eeren, zegt de Heer/'

Daarbij stelden zij tegen de bitterheid der vervolging, die zij moesten ondergaan, zulk eene lijdzaamheid over.

-ocr page 82-

80

dat zij ons den tijd der eerste Christenen voor den geest roepen en hunne vijanden beschaamden. ^Taarlijk, als wij terugzien op de uitspattingen der Anabaptisten en wij denkeu dan aan hetgeen de geschiedenis vermeldt van de Doopsgezinden, dan komen deze laatsten ons voor als het gelouterd zilver uit de smeltkroes van den zilversmid. De vuurproef was buitengewoon sterk. Eerst zag men uiet anders dan borrelend schuim maar daaronder bevond zich het gezuiverd metaal.

7. Merkwaardige persoonlijkheden 'buiten den kring der Anabaptisten.

Wij mogen de beschouwing van dit tijdperk niet eiudigeu, zonder een oogenblik onze aandacht gewijd te hebben aan die mannen, die gelijktijdig met de Anabaptisten leefden maar zelfstandig hunneu weg gingen. Al bepaalde hun invloed zich tot een kleinen kring, toch verdienen zij met eere genoemd te worden. Ook is het waarschijnlijk, dat hun optreden voor de belangen van Gods Koninkrijk veel vruchtbaarder is geweest dan al de onstuimige tooneelen, door de Anabaptisten te voorschijn geroepen. Wij hebben namelijk het oog op Angelus Merula, Anastasius Veluanus, Petrus Bloccius, Johannes Sartorius en Cornelis Kooltuin.

Angelus Merula — zijn Nederlandsche naam is Engel de Merle — was een Briellenaar van geboorte, uit welgestelde ouders gesproten. Zijn naam leeft in Den Briel nog altoos in dankbare herinnering voort, omdat hij de Stichter is van het weeshuis aldaar. Angelus Merula was een geleerd man, die, toen hij het kerkelijk notarisambt in zijne geboortestad bekleedde, het onderzoek des Nieuwen Testaments in den grondtekst ijverig ter hand nam en later gedurende zijne herderlijke bediening als pastoor te Heenvliet de vrucht daarvan aan zijne gemeente mededeelde. Zonder de lloomsche kerk, in wier dienst hij arbeidde, te verlaten, had hij toch ernstige grieven tegen haar.

Hij keurde de leer der verdienstelijke werken af. Het was bijgeloof in zijn oog, zich door lichaamspijn, door het dra-

-ocr page 83-

81

gen van eeii liareu kleed, door boetedoeningen met God te willen verzoenen. Aflaten beschouwde bij als zware lastering-tegen Christus en zijn dierbaar bloed. Maria, de moeder des Heeren, hoe hoog hij haar overigens achtte, was voor hem noch voorspraak noch middelares. Hij hield liet voor onzeker, of de heiligen ons kunnen hooren en leerde, dat men ook zonder hunne tusschenkomst genade bij God kan verkrijgen. De rechte vereering der heiligen was naar zijn oordeel een leven aan het hunne gelijk. Heiligenbeelden beschouwde hij als houten blokken, die in zijne kerk te Heen vliet geduld werden, maar met de vermaning, er geene goddelijke eer aan te bewijzen. Ziedaar de denkbeelden, die Merula telkens krachtiger en helderder ontwikkelde, totdat de alom geachte man op zijn zeventigste jaar in handen der geloofsrechters viel. Uit zijne geschriften werden 152 artikelen van beschuldiging opgemaakt en hij zelf naar den Haag gevoerd. Zeventien maanden hield men hem daar gevangen en toen werd zijn vonnis uitgesproken. Men veroordeelde hem tot levenslange gevangenis, openbare herroeping van zijne gevoelens en de proceskosten. Maar herroepen. . . ! „O mijn God,quot; riep de grijsaard uit, „zal dan iemand, die aan den rand des grafs staat, den dood vreezen en Uwe waarheid afzweren? Verre, verre zij dat van mijquot;. Hij werd opnieuw gekerkerd, van Den Haag naar Leuven vervoerd en eindelijk naar Bergen in Henegouwen, alwaar 25 Juli 1537 de brandstapel voor hem opgericht stond. Op weg derwaarts betuigde hij, dat zijn bloed de vlam niet zou uitblusschen, tegen de vervolgers der waarheid opgerezen , maar dat die vlam zich integendeel tot een oimitblusschelijk vuur zou uitbreiden. Nabij den brandstapel gekomen verwierf hij de gunst, om voor zich zei ven te mogen bidden. Knielend, met opgeheven handen, beval hij zijnen geest aan God. Toen zonk zijn lichaam een weinig naar de rechterzijde over. De beul schoot toe en ving hem op, meenende, dat zwakte of vrees hem deed bezwijmen. Het was niet alzoo. Hij had den geest gegeven. De vlammen des brandstapels waren overbodig geworden. Toch eischte de ruwe menigte, dat de brandstapel zou worden aangesto-

6

-ocr page 84-

sa

ken. De ascli werd door deu wind over de velden verstrooid, maar de ziel des vromen martelaars was opgenomen in de eeuwige heerlijkheid.

Jaarlijks wordt de dag zijns doods door de weezen in het Brielsche weeshuis dankbaar gevierd.

Oefende Merula als pastoor te Heen vliet, zonder een aanvoerder te zijn in den strijd, een verlichtenden en bezielenden invloed op zijne omgeving uit, datzelfde kan ook getuigd worden van den toemnaligen pastoor te Garderen, Jan Gerritsz. Verstege of Anastasius Veluanus, die krachtig voor de denkbeelden der hervormers ijverde. Jammer evenwel, dat, toen hij te Arnhem voor zijne rechters stond, de moed hem ontbrak , om zijn geloof gestand te doen. Hij herriep al wat hij vroeger had geschreven. Weldra echter had hij berouw over deze zwakheid en keerde tot zijne vorige gevoelens terug. Daar hij intusschen zijn leven wilde redden, ontvluchtte hij Gelderland en wist naar Duitschland te ontwijken, alwaar hij gelegenheid vond tot het schrijven en uitgeven van zijn boek der Leeken Wegwijzer, dat als godsdienstig huisboek naast het IN ieuwe Testament aan duizenden grootelijks van dienst heeft mogen zijn.

Zoo was het ook met den letterkundigen arbeid van Petrus Bloccius, schoolmeester of rector te Leiden, die ongeveer ter zelfder tijd een boek schreef over de ttvee honderd ketterijen in de Roomsche kerk, waarin de oude leer der Apostelen telkens wordt overgesteld tegen de nieuwe leer der Papisten. Ook dit boek heeft veler oog voor het licht der gezuiverde leer geopend.

En zouden wij ook niet met een enkel woord Johannes Sartorius gedenken? Eeeds als twintigjarig jongeling had hij te Amsterdam onderwijs in de oude talen gegeven en roem daarmede ingeoogst, maar zijne vrijzinnige gevoelens waren •oorzaak, dat hij gevangen naar Den Haag werd gevoerd. Na een tijd lang in den kerker te zijn opgesloten geweest, werd hij weer op vrije voeten gesteld en hervatte aan de nieuw opgerichte school te Noord wijk zijne lessen. De uitgave van een geschrift over het geloof, dat rechtvaardigt wikkelde hem echter

-ocr page 85-

83

in moeielijkheden en noodzaakte hem den vaderlandsclien grond vaarwel te zeggen en zijne woonplaats naar Bazel over te brengen. Daar wijdde liij zich geheel aan de studie toe en gaf geleerde werken ter verklaring des Bijbels in het licht. Steeds voortstudeerende werd zijn geest allengskens meer verlicht en zijn verlangen krachtig opgewekt, om als prediker der nieuwe leer in het land zijner geboorte op te treden. Hij zette zich te Delft als leeraar neder, maar moest zich eindelijk van daar terugtrekken naar datzelfde Noord wijk, waar hij eenmaal de oude talen onderwezen had. Door geschriften en lessen is hij voor velen zijner tijdgeuooteu een leidsman tot het Evangelie geweest en van zijne Noordwijksche school zijn, gelijk tijdgenooten verzekeren, meer geleerden uitgegaan, dan er eenmaal helden te voorschijn waren gekomen uit het ïrojaansche paard.

Laat ons ook Cornells Kooltuin noemen, als kapelaan eerst te Alkmaar, later te Enkhuizeu werkzaam. Vrijmoedig durfde deze geestelijke de leer der mis en der heiligen-vereering bestrijden. Weldra viel hij door zijne prediking de kettermeesters in het oog, en, ware de burgerij van Enkhuizen uiet zijne voorspraak geweest, hij zou terstond gevonnisd zijn. Nu kwam hij met eene duchtige bestraffing vrij. Zijne rondborstige prediking gaf hij echter niet op maar zette die met ijver voort, totdat het bevel van den geloofsrechter Tapper, een Enkhuizer van afkomst, hem dwong naar elders uit te wijken. Een tijd lang vertoefde hij nog te Alkmaar, vormde daar in stilte leerlingen, zooals Jan Arendsen, die later als hagepreeker is opgetreden, doch zag zich eindelijk verplicht, het land te ontwijken. De gemeente te Emdeu in Oost-Friesland verleende hem gaarne eene schuilplaats, terwijl hij door de uitgave van zijn Evangelie aan de armen het ziele-heil der Noordhollandsche geloofsgenooten bleef bevorderen.

Ziedaar dus het lot van ernstige, bekwame, gemoedelijke mannen. Hun bleef slechts de keus tusschen een geweld-dadigen dood of ballingschap. Het was der keizerlijke regeering niet genoeg, de woelingen der Anabaptisten te beteugelen en de schare der Doopsgezinden met bloedige plakkaten

-ocr page 86-

84

te vervolgen, maar zij woedde tegeu alle geestelijke eu wereldlijke lieden, die eene vrije opvatting van Let Cliristeu-dom volgden. Den dood aan de ketters! . . . ziedaar des Keizers bevel. En tocli zou hij zijn doel niet bereiken, want een Meerdere dan hij had gesproken: Zij zijn de Mijnen, Ik zal hunne zaak beschermen.

8. Overzicht van het behandelde tijdperk.

Aan bloedige plakkaten heeft Keizer Karei het niet laten ontbreken. Sedert dat eerste bevel, waarin gezegd werd, dat de Anabaptisten of W ederdoopers niet in genade zouden aangenomen worden maar dat er strafoefening geschieden zou, anderen ten exempel, zonder eenige dissimulatie, gunst of uitstel, volgden de verordeningen elkander met kleine tus-schenpoozen op. Steeds werden deze soort van ketters, van wat stand of conditie zij waren, vervallen verklaard in de verbeurte van lijf en goed en tot de uiterste straflen veroordeeld, ja de laatste maal nog met de uitdrukkelijke bijvoeging , dat andere ketters, indien zij hunne dwalingen herriepen , met ballingschap gestraft zouden worden, maar de Anabaptisten en Doopers niet dan met den hals. Het was alsof de Keizer hen van den aardbodem wilden verdelgen.

Voor zoover zulks de eigenlijk gezegde dolzinnige dwepers betrof, vonden deze strenge maatregelen genoegzamen bijval bij de gezeten burgerij. Zij begreep, dat de geestdrijvende Munsterschen, Batenburgers en dergelijken allergevaarlijkste secten waren, wier euveldaden onder het bereik van den wereldlijken rechter vielen; maar toen de Keizer steeds bleef volhouden, dreiging en moord tegen alle ketters te blazen, maakte hij veler misnoegen gaande. Vooral geschiedde zulks door het strenge plakkaat van 1550 , dat van het invoeren der Inquisitie melding maakte. Volgens genoemd plakkaat mochten de Inquisiteurs een iegelijk, in wat staat hij gesteld ware, onder eede ondervragen en door allerlei middelen niet alleen tot de verborgenheden der huizen maar ook der gemoederen zoeken in te dringen. Zulk eene Inquisitie vervulde de

-ocr page 87-

85

harten met doodelijken schrik en wekte alom verbittering. Wilde de Keizer desniettemin doortasten, hij moest weten, of liet raadzaam was, de heftigste verontwaardiging zijner onderdanen op te wekken. Doch Karei V -was vermoeid van zijne reeds langdurige regeering, teleurgesteld ook door de vele tegenspoeden, die hij had ondervonden en gaf in den jare 1555, gelijk bekend is, te Brussel kroon en schepter aan zijnen zoon Filips over. Hij deed dat echter niet zonder dien zoon op het hart te drukken, dat hij steeds hetzelfde spoor moest volgen. En Filips betoonde zich een zoon, zulk eenen vader waardig. Hij wist van geene genade, waar het ketters gold en verscherpte steeds de gegeven plakkaten. O, hij zou beter gedaan hebben, het verstandig woord van zijn overgrootvader, keizer Maximiliaan, te betrachten: alles kan de staatswet regelen en dwingen, maar het godsdienstig en geestelijk leven der volkeren — dat nooit. —

-ocr page 88-

HOOFDSTUK III.

Tijdperk der Gereformeerden.

Bij liet verhaal van dat koortsachtig en overspannen zoeken en tasten naar het volmaakte Godsrijk, dat den Anabaptisten eigen was, dringt zich de gedachte aan ons op: hadden onze vaderen in die dagen slechts een bekwamen leidsman gehad en zich kannen aansluiten aan eene groote persoonlijkheid, voor hoeveel ellende waren zij behoed gebleven! Slechts al te lang helaas, bleef de schare der hervormingsgezinden aan zich zelve overgelaten. Of zal men zeggen: maar zij hadden toch de Heilige Schrift en konden dus tot de bron der Christelijke waarheid gaan ! liet is zoo, zij hadden dat boek der boeken in hun bezit, en lazen het ook; maar — de Schrift moet in gezonden zin opgevat worden, en daartoe is ontwikkeling des geestes noodig. Op de vraag; verstaat gij ook, hetgeen gij leest ? moet niet met den kamerling behoeven geantwoord te worden: hoe zou ik dat kunnen; ik heb niemand, die mij onderricht! Allerminst was dat een ge-wenschte toestand in die dagen, toen men zich van de leiding der Eoomsch-Catholieke geestelijken had losgescheurd, maar zonder nog recht te weten, wat nu te beginnen. Voorzeker was er toen eene groote, krachtige persoonlijkheid noodig, die door geestesgaven uitmuntte, een man wiens karakter vertrouwen inboezemde, die bet der zoekende en tastende schare durfde toe te roepen: daarheen o mijne broeders en zusters, daarheen!

-ocr page 89-

87

Zulk een man was de Geneefsclie kerkhervormer Jan Cal-vijn, de grondvester, leidsman en vader der Gereformeerde kerken in Zwitserland en elders. Calvijn zocht niet, als de Anabaptisten j naar een heilig Sion, dat aan allerlei overspannen verwachtingen beantwoorden moest, maar hij sloeg het oog op de dagen der Apostelen en vroeg: hoe is in die eerste eeuw de gemeente des Heeren bestuurd? wat waren haar verordeningen ? welke leerstellingen volgde zij, wat was haar doelwit en door welke middelen zocht zij dat doelwit te bereiken? Op deze vragen vond hij liet antwoord in de Heilige Schrift en ontwikkelde dat in een uitvoerig, degelijk, voortreffelijk boek, getiteld Calvijn's Institutie, hetwelk het leerboek geworden is van de godgeleerde school, door hem in het leven geroepen. — De republiek Genève, in wier midden hij woonde en werkte, bood hem ruimte in overvloed aan, om zijne denkbeelden aangaande kerk en kerkbestuur ten uitvoer te brengen. Niet, als Luther, zag hij eeuen keurvorst aan het hoofd zijns volks, met wiens landsvaderlijk bestuur hij rekening moest houden. Hij kon naar eigen overtuiging met volle vrijheid doortasten en handelen. Aldus heeft hij op het fondament van Apostelen en Profeten, waarvan Christus de uiterste hoeksteen is, eene kerk gesticht, vrijgemaakt van de pauselijke heerschappij, geschoeid op de leest der eerste christengemeenten, die door hare strenge tucht, haar vurig geloof en haar krachtige belijdenis de bewondering heeft opgewekt van tijdgenoot en nageslacht.

Vraagt gij naar den invloed, dien hij op de Nederlandsclie christenheid heeft uitgeoefend, denk dan aan de geschriften, die er van hem zijn uitgegaan, aan het voorbeeld door zijne Geneefsclie kerk gegeven en aan de leerlingen, die hij heeft gevormd. Niet, dat Jan Calvijn zelf in onze gewesten is geweest of persoonlijk met onze vaderlandsche gemeenten in aanraking is gekomen, maar zijne leerlingen eu geestverwanten hebben op verschillende wijze door woord en werk zijne opvatting der reformatie, het Calvinisme, in de Nederlanden inheemsch gemaakt. Laat ons daarop het oog vestigen.

-ocr page 90-

88

1. Gemeenten van vluchtelingen te Emden, te Londen, in den Paltz en te Wezel.

Eeeds bij herhaling maakten vrij gewag van lieden, die om des geloofswil hetland ontweken. Waar togen zij heen? Naar oorden, waar zij veilig waren. Zoo was liet in Oost-ïriesland, onder liet bestunr van den vrijheidlieyenden graaf Edzard, later van zijnen zoon graaf Enno en diens weduwe gravin Anna. Derwaarts stroomden honderden verdrukte en vervolgde Nederlanders, waaronder de reeds vroeger genoemde Cornells Kooltuijn uit Alkmaar, die later te Emden als leeraar opgetreden is. Het aantal vluchtelingen werd gedurig grooter, zoodat er een tijd kwam dat de rivier de Eem vol lag met schepen, die den steven naar de gastvrije Oost-Eriesche steden, vooral naar Emden. richtten. En wie er aankwam, rijk of arm, geestelijke of leek, werd met hartelijke liefde ontvangen. Terecht mag boven eene dei-deuren van de groote kerk te Emden een vaartuig uitgebeiteld staan met deze woorden daaronder:

Gods kerke vervolgd, verdreven,

Heeft God hier troost gegeven.

En wat vonden zij in Oost-Friesland ? eene Hervormde kerk, door Johannes a Lasco bestuurd en geordend. Deze voortreffelijke man was in het kerkbestuur van Calvinistische beginselen uitgegaan, had de Oost-Eriesche kerk op dezelfde wijze als die van Genève ingericht en een catechismus vervaardigd naar liet voorbeeld van Calvijn. Geen wonder dus, dat de Nederlandsche vluchtelingen in Oost-Friesland met de gevoelens van Calvijn doortrokken werden. Zij leerden zich te voegen naar zulke vormen van liet kerkelijk leven, als door Calvijn aangegeven zijn. Dezelfde Johannes a Lasco, die als kerkbestuurder van Oost-Friesland opgetreden was, heeft ook te Londen tot de Nederlandsche vluchtelingen in nauwe betrekking gestaan. Eeeds sedert 1537 hadden zich te Londen uitgewekenen om

-ocr page 91-

89

des geloofswil, uit quot;Vlaanderen gevestigd en aldaar op zich zelf staande gemeenten gevormd. Onder de regeering van koning Eduard VT ontvingen deze gemeenten groote voorrechten. Twee kerkgebouwen werden aan liaar afgestaan, waarvan liet eene, behoorende tot een voormalig Augustijnerklooster , nog heden ten dage door de Hollandsche gemeente te Londen wordt gebruikt.

Weldra werd Engeland een gewenscht toevluchtsoord voor de verdrukte Nederlanders en groeiden deze gemeenten aan tot een getal van vier duizend zielen, meestal nijvere fabriekarbeiders uit Antwerpen, Henegouwen en Vlaanderen. Nu werd op des konings begeerte Johannes a Lasco uit Einden ontboden , om eene kerkorde te ontwerpen. Deze hield zich gedurende de jaren 1550 tot 1553 daarmede bezig en was als opperbestuurder aan het hoofd der kerk geplaatst, terwijl vier leeraars, bijgestaan door ouderlingen, de gemeente dienden. De Fransch sprekenden ontvingen den Catechismus van Calvijn en de kerkelijke formulieren van Straatsburg, en de Vlaamsch sprekenden de Christelijke ordonnantiën van Micron en den Oost-Friescheu catechismus. Bij de godsdienstoefeningen werd eene psalmberijming door Johannes Utenhove, een balling uit Gent, ingevoerd. Voorts was de Gereformeerde gemeente der Nederlanders, gelijk zij heette , onafhankelijk van de Engelsche kerk en werd door den koning, die zich uiet anders dan het recht van toezicht had voorbehouden, tot zelfstandigheid verheven. Profeten of doctoren werden aangesteld om wekelijks bijbeloefeningen in de moedertaal en voorlezingen over Oud- en Nieuw-Testament in het Latijn te houden. Diakenen belastten zicli met de zorg voor de armen, en vergaderingen van leeraars, ouderlingen eu diakenen dienden om de gemeente te besturen. V/ij treffen te Londen eene gemeente aan, in welke alle dingen met orde geschiedden, die om haar bestuur, om haren eeredienst, om de grondbeginselen, waarvan zij uitging , waardig is, gekend te worden en de kiem van verdere ontwikkeling zichtbaar in zich droeg.

Jammer dat hare voorspoedige uitbreiding na den dood

-ocr page 92-

90

van Ednard VI door kouiugiu Maria, de bloedige bijgenaamd, gewelddadig belemmerd is. Die vorstin woedde zoo vreeselijk tegen de Hervormden, dat de gescbiedschrijver Van Meteren getuigt: „wij zeiven hebben op eene reis dertien mannen en vrouwen samen levend zien verbranden.quot; Toen uamen duizenden de vlucht en verspreidden zich overal heen. Een aantal begaf zicb over zee naar Denemarken. Koning Chris-tiaan duldde hen echter niet in zijne staten, omdat zij in hunne gevoelens omtrent het avondmaal van de Deensche Protestanten verschilden. Zij waren dus verplicht zicb naar Dnitschland in te schepen en kwamen na het doorstaan van ontelbare moeielijkheden in Oost-Eriesland aan. Hun aantal was echter te groot om daar op den duur te blijven; zij moesten verder Duitschland in en zijn eensdeels te Wezel, anderdeels te Frankfort opgenomen.

Johannes a Lasco behoorde tot de laatsten en vond de uit Londen verdreven Fransch sprekende gemeente reeds te Frankfort gevestigd. Ook aan hem en zijne medeballingen werd aldaar een toevluchtsoord gegund; evenwel slechts kort, want de ijverige Lutheranen betwistten hem liet recht om, op andere wijze dan zij, den doop te bedienen, het avondmaal te vieren en godsdienstoefening te houden. Zij werden dus genoodzaakt Frankfort te verlaten en naar den Paltz te wijken, om onder het gebied van den Gereformeerden keurvorst van den Paltz te Heidelberg, te Frankendaal en elders eene woonplaats te vinden.

Vooral te Frankendaal bloeide weldra eene talrijke gemeente, die in nauwe betrekking op ons vaderland heeft gestaan, want haar leeraar Casper van der Heide heeft er dezelfde kerkorde ingevoerd , die vroeger reeds bij de gemeente ónder het kruis te Antwerpen aangenomen was, en Petrus Dathenus, insgelijks predikant aldaar, is de man geweest, aan wien onze vaderen eene meer volledige psalmberijming dan die van Utenbove en eene overzetting van den Heidel-bergschen Catechismus zijn verschuldigd. Men kon dus zeggen , dat die gemeenten onder bet kruis, zoo te Emden, te Londen, als in den Paltz, de grondslagen hebben gelegd van

-ocr page 93-

91

liet gebouw der kerk, dat eenmaal in de Nederlandscke gewesten zou opgetrokkeu worden.

Ook aan Wezel komt eeue eereplaats toe onder de gastvrije steden, die den ballingen herberg verleenden. Eerst in 1545 en later in 155G zetten zich velen uit Vlaanderen en Londen daar neder. O]) hunne verklaring, dat zij noch in Calvijn noch in Luther maar in Christus geloofden, werden zij welwillend opgenomen en hebben er Waalsche, Engelsche en Hollandsche gemeenten gevormd. In belijdenis en kerkorde zijn zij echter Calvinisten gebleven.

Eenige jaren later werd in diezelfde stad Wezel de eerste algemeene synode der Hervormde of Gereformeerde kerken onder het kruis gehouden, eu toen nog weer eenige jaren later de tijdsomstandigheden zoo veranderd waren, dat de ballingen naar de Nederlanden durfden wederkeeren, hebben zij den Raad der stad plechtig dank betuigd en tot gedachtenis twee kostbare zilveren bekers vereerd met het opschrift: „ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd,quot; eu : „bewaar o Heer, het beroemde Wezel, de herberg uwer kerk.quot;

Waarlijk, indien Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw gastvrijheid aan ballingen bewezen heeft, dan was dat niet anders dan dankbare en getrouwe navohing van de broederlijke liefde der buitenlandsche gemeenten.

2. Koning Pilips II van Spanje en de Eoomsoli-Catholieken in de Nederlanden.

Intusschen was Filips II van Spanje in 1555 aan de regeering gekomen. Meer dan iemand was hij een trouwe zoon der Roomsche kerk, ja hij had zich voorgesteld, de ketterij zooveel mogelijk uit te roeieu. Van hem toch is het sterk sprekend woord afkomstig, dat hij liever in het geheel niet dan over ketters wilde regeeren. Na het overlijden zijns vaders vereerde hij diens nagedachtenis door het houden van een optocht te Brussel, waarbij de kerk werd voorgesteld ouder de gedaante van eeu opgetuigd schip, dat zich statig

-ocr page 94-

92

voortbewoog door de straten. De bemanning bestond uit drie zinnebeeldige personen; geloof, hoop en liefde. Het geloof met een avondmaalskelk in de eene en een rood kruis in de andere hand, zetelde midden op liet dek; de hoop in eene bruine monnikspij stond, op een zilveren anker leunend, aan den voorsteven, en de liefde, schitterend in een vuurrood kleed, met een vlammend hart in de hand, was gezeten aan het roer. Alsof Keizer Karei zich door dat drietal christendeugden steeds had laten besturen! Wij zouden zeggen: juist het tegenovergestelde. Geloof, hoop en liefde hadden bedroefd liet aangezicht van zijné regeeriug afgewend en voor den Keizer het gelaat bedekt; maar koning Tilips kende geen ander geloof dan het geloof in de alleenzaligmakende kerkleer , geene hoop, dan die op de macht der plakkaten en geene liefde dan verlangen naar de zegepraal van Rome. Daarom was zijn vader een uitstekend vorst geweest en wilde de zoon niet minder zijn dan hij.

Filips' eerste regeeriugsdaad was het opnieuw afkondigen van het plakkaat van 1550 tot groot misnoegen vau de Staten dezer gewesten; doch in plaats van zich daarover te bekommeren, bleef hij op de naleving der plakkaten aandringen en gaf daartoe aan zijne stadhouders geheime bevelen. Ook verordende hij de vestiging van nieuw-e bisdommen, de invoering der besluiten van Trente en van de inquisitie. Door deze verordening greep hij rechtstreeks in de belangen der Eoomsch-Catholieke kerk in.

Nieuwe bisdommen waren in het oog der Nederlanders artikelen van weelde, die zij wel missen konden. Hadden zij aan den bisschop van Utrecht niet genoeg? moest dat bisdom nu tot een aartsbisdom verheven en daarnaast bisschopszetels te Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen, Middelburg en 's Hertogenbosch opgericht worden? En waar zouden de 3000 ducaten te vinden zijn, die elk dezer kerkvorsten jaarlijks behoefde? Uit de tienden en andere kerkelijke goederen der rijke abdijen en voorts uit de kas des lands.

De Roomschen — en deze maakten nog altijd meer dan vier vijfden des volks uit, en daaronder de deftigste en rijkste

-ocr page 95-

93

lieden, — waren volstrekt niet met deze maatregelen ingenomen. Uit de abdijen rezen bittere klachten over de vermindering van bare inkomsten. De hoogere geestelijken namen het kwalijk, dat liun gebied werd ingekrompen en dat de regeling dezer nieuwe kerkelijke indeeling gelieel buiten hen was omgegaan. De staten keurden het strijdig met hunne rechten, dat zulke diep ingrijpende veranderingen zonder hunne goedkeuring werden ingevoerd. Het ergerde dien aanzienlijken heeren, dat daardoor recht van zitting in de staatscolleges aan vreemdelingen moest verleend worden. Iedereen begreep, dat Filips II geen ander doel kon hebben dan als despoot over de Nederlauden te regeeren. Eu als hij nu een innemend meusch geweest ware, die door zijne persoonlijkheid de harten voor zich had weten te wiuuen, maar neeu, hij was terugstootend, leelijk vau gedaante en bovendien schuw, wantrouwend en opvliegend van aard. Zijn levensdoel was alles te kneden en te vervormen naar het despotiek Spaansch regeeringsstelsel. Daarom kwam het niet in liem op, met de omstandigheden, den landaard, de gewoonten, wenschen, rechten en vrijheden des volks te rade te gaan. Hij had de privilegiën der edelen, steden en gemeenten bezworen, maar wat golden bij hem eedeu en beloften! Hij eerbiedigde ze slechts voor zoover zijne denkbeelden omtrent het staatsbestuur er mede overeenstemden.

Intusschen waren het geene onmondigen, met wie hij zich te bemoeien had. De 17 Nederlandsche gewesten, die de Keizer, zijn vader, na 25jarige inspanning onder éénen schepter had vereenigd, zoo rijk dat zij meer dan het vierdubbele van de goud- en zilvermijnen van Peru en Mexico aan de Spaansche schatkist opbrachten, waren fier op hunne rechten.

Wij merkten reeds op, met welk een tegenzin zij het besluit omtrent de vestiging van nieuwe bisdommen ontvingen. ]Srog grooter was hunne ontevredenheid over het aanhouden van Spaansch krijgsvolk in het land. En was dan de eigen schutterij niet voldoende om de rust te bewaren ? of moesten de bloedplakkaten met kracht en geweld uitgevoerd worden

-ocr page 96-

94

en wareu daartoe die vreemde krijgsbenden noodig ? De Staten vreesden liet ergste en drongen op liet vertrek der gehate vreemdelingen aan, ja zoo sterk dat Filips bij eene woordenwisseling over dit onderwerp toornig uitriep; „ik beu ook een vreemdeling, wil men mij misschien ook wegjagen

Nu, zoo bedoelden de Staten het niet. Zij waren nog steeds bereid, hunnen heer hulde en gehoorzaamheid te bewijzen, maar als er iemand verwijderd moest worden, dan wenschten zij, dat liet Antonio Perenot zou mogen zijn, de bisschop van Mechelen , die bij de nieuwe kerkelijke indeeling tot aartsbisschop verheven en door den paus tot kardinaal benoemd was. Deze heerschzuchtige man, algemeen bekend als de heer van Granvelle, was de vertrouweling van Filips en nadat deze zich naar Spanje ingescheept had, de raadsman zijner halve zuster Margaretha, thans als landvoogdesse opgetreden. Hij werd beschouwd als de gevaarlijkste vijand van de Nederlandsche rechten en privilegiën. Aan hem werden alle hatelijke maatregelen, die de regeering nam, toegeschreven. Op zijne verwijdering werd aangedrongen, ja, het scheen of de toestand des lauds verbeteren moest, zoodra slechts die gehate vreemdeling zou verwijderd zijn.

Toch was dat niet liet geval. Granvelle vertrok, maar het regeeringsstelsel van Filips bleef onveranderd. De scherpste plakkaten tegen Anabaptisten, Lutheranen, Sacramentisten en andere ketters werden telkens afgekondigd. Het was een stelsel van schavotten en beulen, van verklikkers en geloofsrechters, dat ook de kleinste vonk van vrijheid uitdooven moest. Eenige verzen uit een kettersch liedeboek over te schrijven werd met den dood gestraft. Vóór twee, drie, ja vóór zestien, achttien jaren eene kettersche samenkomst bijgewoond te hebben, was voldoende om iemand op den brandstapel te brengen. Ja zelfs, een heiligenbeeld scheef aan te zien, werd eene halsmisdaad gerekend.

Wat bleef er onder den druk van zulke plakkaten van de aloude vrijheden en voorrechten over? De Eoomschen zeiven waren bekommerd en zagen zulke strenge maatregelen met leede oogen aan. Maar wat moesten zij dan wel denken van

-ocr page 97-

95

het afkondigen der besluiten van Trente? Volgens deze moesten de namen van alle ingezetenen, hunne bedienden en verdere huisgenooten opgeschreven worden met vermelding van hunne meerdere of mindere trouw in liet kerk gaan, het hoogtijd vieren, de mis enz. Dat wekte ieders verontwaardiging en gramschap op. Over niets anders werd er gesproken dan over de inquisitie. Waar ook, op straat, in den winkel, op de markt, overal, op het slot van den edelman en in de hut van den arme werd er geklaagd. Het ware beter, meende men, dadelijk te sterven dan in zulk een staat te leven te midden van spionnen en verklikkers, die woord en daad bespiedden, ja gedachten en gelaatsuitdrukking op het ongunstigst trachtten uit te leggen.

Hier en daar dreigde een volslagen oproer. Vlugschriften, vliegende blaadjes, spotprenten werden dagelijks in het licht gegeven. Te Antwerpen stond een stuk aangeplakt, dat Filips voor het gericht van het Duitsche Rijk gedaagd moest worden. In die sterk bevolkte stad heerschte schrik en ontsteltenis. Kooplieden, fabrikanten en werklieden maakten plan, om het land uit te wijken, als ware de pest er uitgebroken.

Groot en klein vatte tegenzin op tegen een vorst, die zoo ineedoogenloos te werk ging; en toen straks de hoop op verzachting der plakkaten in rook vervloog, kwam de tijd, dat het volk, hoe lijdzaam anders van aard, zich als de getergde leeuw ophief en aangordde tot een strijd op leven of dood.

■3. Gereformeerden in Antwerpen, Vlaanderen en Henegouwen.

Hebben wij ons voorgesteld, uitsluitend op Noord-Nederland het oog te vestigen, wij kunnen niet geheel van het Zuiden zwijgen, omdat vele Gereformeerde gemeenten zich juist aldaar ontwikkeld en mannen aan haar hoofd gehad hebben, die voor het Noorden tot grooten zegen zijn geweest. Het laat zich begrijpen, dat de naar Engeland en Duitschland uitgeweken \ lamingen vele betrekkingen met hunne achter-

-ocr page 98-

96

gebleven familie en vrienden onderhielden en in limine brieven een beschrijving gaven van liet kerkelijk leven, dat zij in den vreemde leidden. De begeerte om op vaderlandsclien bodem datzelfde leven aan te kweekeu, werd daardoor krachtig opgewekt. Maar hoe dat buiten het oog der alles bespiedende ketterrichters te doen ? Het moest geschieden, zonder opzien te baren. Geestdrijvers lieten zich met die bedachtzame pogingen niet in. Nieuwsgierigen gaven zich op den duur ook zooveel moeite niet. Slechts de waarlijk belangstellende en heilbegeerige zielen sloten zich aan elkander aan en stichtten in liet verborgene kleine gemeenten, die naar het voorbeeld der uitgeweken geloofsgenooten werden ingericht eu in waarheid gemeenten onder het kruis konden lieeten. Volgden zij, gelijk sommigen deden, de leer van Luther, dan heetten zij „van de Confessiequot;, en volgden zij Calvijn, dan werden zij „van de Religiequot; genaamd. Op gezette tijden hielden zij vergaderingen om Gods woord te liooren verkondigen , gemeenschappelijk te bidden en Doop en Avondmaal te vieren. Toen de inquisiteurs te llijssel in 1556 Boudewijn üquier vraagden: wat men in de vergaderingen der ketters deed, antwoordde hij: „als wij allen in 's Heeren naam vergaderd zijn om Zijn woord te hooren, dan vallen wij op de aarde neder op onze knieën, in ootmoedige harten onze zouden voor Gods aangezicht belijdende. Daarna bidden wij, dat het woord Gods oprecht en rein gepredikt moge worden. Wij bidden ook voor onzen Heer den koning en voor zijnen raad, opdat de gemeente in vrede moge geregeerd worden. Ook wordt gij, mijne heeren! niet vergeten, want wij hebben u ook in gedachtenisse als onze heeren en oversten, biddende onzen goeden God voor u en voor de gansche stad, opdat God u m'alle deugdeu onderhouden zou. Ziet dat zijn de stukken, die wij bedrijven. Dunkt u, mijne heeren, dat wij zoo groot kwaad doen, zoodanige vergadering houdende ? Waar heeft men ooit gelezen, dat diegenen, die bijeen kwamen om voor de regeering des lauds te bidden, den dood waardig waren ? Bovendien, begeert gij de gebeden te hooren , die wij doen, ik ben bereid u die te zeggen.quot; Toen viel üquier

-ocr page 99-

97

op de knieëu eu begou de gebeden uit te spreken die uit zijne ziel oprezen, met zooveel vuur, dat er nooit zulk een brand des geestes noch zoo sterke beroering in hem is te zien geweest, zoodat velen van de rechters de tranen uit de oogen vloeiden. Daarna opstaande van het gebed zeide hij: „ziet mijne heeren, dat is het, wat men in onze vergaderingen doet.quot; Hoerende getuigenis! En toch heeft deze man vol van den geest des gebeds en der genade den brandstapel moeten beklimmen. Ja, maar hij deed het, tegelijk met zijn vader, moeder en broer, op God verheerlijkende wijze.

Reeds tijdeus de regeering van Karei V had zich te Antwerpen eene gemeente van Calvinisten verzameld. Zij wordt in de schriftelijke stukken dier dagen als de gemeente la Vigne (de Wijngaard) aangeduid. Een barer eerste leeraren was Caspar Van der Heiden. Toen in 1558 de vervolging in Antwerpen uitbrak, was hij op het punt van gevangen genomen te worden, maar omdat men hem geknield in het gebed Itad aangetroffen, had men hem vrij gelaten; de diaken Anthonie Verdikt en de ouderling Hobolt daarentegen waren om het leven gebracht. Voorts werd er een prijs van 300 gulden op het hoofd van eiken leeraar en van 50 gulden op dat van eiken ouderling of diaken gesteld , tengevolge waarvan Van der Heijde het raadzaam achtte naar Duitschland uit te wijken en zich aan de Frankendaalsche gemeente te verbinden.

Met dat al bleef de gemeente te Antwerpen in stand, ja breidde zich telkens uit. Op meer dan twintig plaatsen hield zij samenkomsten. Zoo gebeurde het, dat Charles De Niëlles iu 1560 in zijn huis aan het prediken was, toen de opstijgende vlam des brandstapels door de vensterruiten gezien werd. „Knieltquot; sprak hij toen „broeders, laat ons voor die arme martelaars bidden.quot; Zijne gebeden waren vurig. Er vloeiden heete tranen. De vergadering ging uiteen. Eenigen vielen in het naar huis gaan hunnen vervolgers in handen, en de slotemaker Hallewijn, de tapijtwerker Leheu, de wapensmid Jansen, de schilder Adriaan en de kleedermaker Hendrik moesten het bekoopen met den dood. De overigen ontkwamen het gevaar, om reeds den volgenden avond,

7

-ocr page 100-

van vele anderen vergezeld, weer godsdienstig bijeen te komen.

Welk een moed in die gemeenten onder het kruis! maar zij hadden ook leeraars aan haai hoofd van zeldzame geestkracht, waaronder Adriaan van Haemstede, de schrijver van het bekende martelaarsboek. Herman Moded of de Strijcker, en Jan Taffin. Opmerking verdient het dat, terwijl er tevens eene Luthersche gemeente te Antwerpen gevestigd was, tot welke vooral vele Duitsche kooplieden behoorden, de meest doortastende ijver en offervaardigheid bij de Gereformeerden gezien werd , die daarom ook het felst zijn bestookt geworden.

Het is ons doel niet de geschiedenis der Gereformeerde gemeente te Antwerpen van den aanvang tot het einde te schetsen, evenmin die der andere gemeenten in de zuidelijke Nederlanden, maar met een enkel woord wijzen wij op Gent en Doornik.

In de talrijke en bloeiende gemeente te Gent (zij wordt la Glaive, het Zwaard genoemd) treffen wij Petrus Dathenus als leeraar aan. Hadden de bloedplakkaten dien man een geruimen tijd gedwongen, buiten het land te vertoeven en zich aan de Prankendaalsche gemeente te wijden, zoodra hij er gelegenheid toe vond, keerde hij naar V laanderen terug en bracht er zijne psalmberijming en de overzetting van den Catechismus mede. Zijne vurige welsprekendheid, ofschoon tamelijk ruw, viel zoozeer in den smaak der Vlaamsche gemeenten, dat hij voor groote scharen predikte en die allen met geestdrift bezielde. ïe Gent, Antwerpen , Maastricht, Vlissingen en elders trad hij op en eindelijk zette hij zich metterwoon te Gent neder, waar men hem kende als den leeraar met den rossen haard, totdat de verdere loop der gebeurtenissen hem op nieuw naar Duitschland verdreef.

Naast hem vinden wij een tijdlang Herman Moded of de Strijcker, een man van zeldzame stoutmoedigheid. Hij meet onverschrokken geweest zijn tot roekeloosheid toe. Kort nadat aan alle hoeken der straten een plakkaat was afgekondigd , waarbij op het hoofd van eiken leeraar honderd pond Ylaamsck

-ocr page 101-

99

gesteld was, durfde hij tot den president vau Vlaanderen doordringen, zeggende; „mijnheer, zie, hier ben ik. Wilt gij honderd pond verdienen, hier ben ik.quot; En toen de bevende president, het ergste vreezende, zich zoo spoedig mogelijk trachtte te verwijderen, werd hem door Moded toegeroepen : „stel schelmen en dieven op geld, maar mij niet.quot;

Werd deze onverschrokken taal door Moded gesproken in het besef, dat hij eene eerlijke zaak voorstond, datzelfde besef gaf aan Petrus Brullius, leeraar te Doornik (la Palme genoemd en een tijd lang de bloeiendste van al de gemeenten) den moed om als martelaar te sterven. Vrienden hadden hem in eene mand neergelaten, om zijne ontvluchting mogelijk te maken. Daar valt een stuk steen en verbrijzelt een zijner beenen. Onder hevige pijnen blijft hij liggen, totdat zijne vijanden hem ontdekken. Meedoogenloos sluiten zij hem in de gevangenis en nadat hij vier maanden zwaar gefolterd is, beklimt hij met denzelfden moed den brandstapel, waarmede hij steeds zijne gevoelens verkondigd heeft.

4. De geloofsbelijdenis der Gereformeerde gemeenten.

Naarmate de Gereformeerde gemeenten zich krachtiger ontwikkelden, werd ook de behoefte grooter om hare leerbegrippen duidelijk voor te stellen en aan hare geloofsbelijdenis een vasten vorm te geven. Er waren toch van de zijde harer tegenstanders zulke zware beschuldigingen tegen haar ingebracht. Zij waren uitgemaakt voor oproerlingen, die niets liever wilden dan alles 't onderst boven keeren en zich niet alleen aan alle gezag onttrekken maar ook hunnen sonverein den schepter uit de handen wringen. Die beschuldigingen mochten den Anabaptisten gegolden hebben, maar op de Gereformeerden behoefde dat niet toepasselijk te worden gemaakt. Er rees althans in het hart van Guido De Brés, leeraar der Gereformeerden te Valenciennes of Valencijn het verlangen op, om uitdrukking te geven aan het gemeenschappelijk geloof zijner broeders en zusters onder het kruis. Deze Guido De Brés, geboortig uit Henegouwen, had te

-ocr page 102-

100

Geuève gestudeerd en liet ouderwijs van Calviju genoten. Geheel in den geest zijns leermeesters ingedrongen, was hij onder zijne leiding tot leeraar geordend en met heiligen ijver te Rijssel en te Doornik opgetreden. Toen hij in Sept. 1562 laatstgenoemde stad verliet, deden zijne vrienden hem uitgeleide en begaven zich onder weg met hem in een bosch, om een laatst gebed op te zenden, toen een aantal gewapenden met den bisschop van Doornik aan liet hoofd, hen overviel. Velen hunner waren gevangen genomen, maar De Brés had gelegenheid gevonden om te ontsnappen. Doch waarheen zich nu gewend ? waar zich in veiligheid gesteld ? In het vast geloof dat God hem riep om doodsgevaren te trotseeren, vestigde hij zich als leeraar te Valencijn, bestuurde daar de gemeente en stelde er eene geloofsbelijdenis op voor allen, die wensch-ten te leven volgens de zuiverheid van het Evangelie onzes Heeren Jesu Christi. Die geloofsbelijdenis werd aan zijne ambtgenooten in andere plaatsen ter verbetering en aanvulling medegedeeld en op eene vergadering van Gereformeerde gemeenten onder het kruis, te Armeutières in 1563 gehouden, goedgekeurd en aangenomen.

Zij had niet ten doel, tot vasten geloofsregel van alle Gereformeerde gemeenten te dienen maar wel om aan de wereld te toonen, dat deze gemeenten zulke afschuwlijke en goddelooze denkbeelden niet koesterden, als hare vijanden beweerden. Daarom werd zij voorafgegaan door een brief aan koniug Filips, waarin Guido De Brés namens zijne geloofs-geuooten de gemeenschappelijke zaak bepleit.

„Ware het ons vergundquot; zoo luidt de aanhef, „ons voor Uwe Majesteit te vertoonen, om ons te verdedigen op de beschuldigingen, die tegen ons worden ingebracht, wij zouden dezen verborgen weg niet bewandelen, om u het bitter zuchten van uw volk te doen hooren door eeue geschrevene belijdenis: maar aangezien onze vijanden u de ooren met zoovele valsche berichten hebben vervuld, dat het ons niet alleen onmogelijk is, voor uw aangezicht te verschijnen maar wij ook uit uwe landen worden verjaagd, vermoord en verbrand, zoo vergun ons, senadisste Heer! in den naam van God althans dit,

-ocr page 103-

101

wat geen meusch kan weigeren aan de dieren, dat wij ous klagelijk roepen als van verre tot uwe ooren laten komen, opdat, indien Uwe Majesteit, na ons gehoord te hebben, ons schuldig oordeelt, de vuren in uw koninkrijk worden verdubbeld, de martelingen en tormenten klimmen; doch, als daarentegen onze onschuld u mocht duidelijk geworden zijn, wij ii tot schut en hulp mochten hebben tegen de woede onzer vijanden. Want, helaas, Sire, als het genoeg is, iemand te beschuldigen en elk middel van verdediging den aangeklaagde ontnomen wordt, wie zal dan rechtvaardig bevonden worden?quot;

Na deze treilende inleiding werpen zij de beschuldiging van oproer verre van zich af en verzekeren dat zij in het woord Gods geleerd worden, dat elke overheid van God is, en dat, wie de overheid wederstaat, zich verzet tegen de ordonnantiën Gods. Zij beroepen zich op de geduldig doorgestane vervolgingen en betuigen niets anders te begeeren dan verlof om Gode te geven, wat Godes is en wat Hem niet kan geweigerd worden, omdat Hij menschen tot zijne onderdanen vormt.

Maar zij worden ook ketters, vijanden van Gods kerk genoemd. quot;Was daar reden toe'1 Koning Filips moge dat zelf beoordeeleu, als hij hunne belijdenis leest, eene belijdenis, die zich aansluit aan de woorden van apostelen en kerkvaders en slechts de menschelijke overlevering der latere tijden afkeurt en bestrijdt. Laat de Koning er slechts kennis van nemen, en hij zal er toe gebracht worden, de onschuld te handhaven van hen, die tot dusver meer verdrukt dan verhoord zijn geworden.

Koning filips heeft dat verweerschrift waarschijnlijk nooit ingezien , en anders heeft het hem toch niet bewogen, om een gunstig oordeel over zijne Gereformeerde onderdanen uit te spreken. Zij bleven in zijn oog onruststokers, woelgeesten, vijanden van Gods kerk. Yoor dezulken was eigenlijk iedere andere doodstraf onvoldoende; zij moesten levend verbrand worden.

Was daarom het opstellen van de geloofsbelijdenis eene over-

-ocr page 104-

102

tolligheid? Waarlijk niet. Dat verweerschrift predikte aau de toenmalige wereld, dat Gereformeerden volstrekt niet op gelijke lijn gesteld mochten worden met Anabaptisten. „Wij verwerpen — zegt artikel 36 — de wederdoopers en andere oproerige menschen en in het algemeen degenen, die de overheden en magistraten aantasten en de justitie om willen stooten, invoerende gemeenschap van goederen en verwarrende-de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft.quot; Gij hoort in die woorden nog een nagalm van de scherpe protesten, die door alle weldenkeilden tegen de gruwelen van Munster zijn ingebracht. Weg, weg met die afschuwelijke dwaalgeesten! — zoo getuigt Guido De Brés — mijne ziele kome niet in hunnen raad!

Overigens is de geloofsbelijdenis er op aangelegd, om de instemming der Gereformeerden te betuigen met de oude conciliën van Nicea en latere, ten einde daardoor hun Cliris-telijk karakter in liet oog der toenmalige -wereld te wettigen. „Hunne zaak — zoo staat er in art. 37 — die nu tegenwoordig van vele rechters en overheden als kettersch en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn.quot;

Uit dit oogpunt beschouwd, blijft de geloofsbelijdenis een schoon gedenkstuk van het mannelijk en krachtig geloof dier dagen. Wil men er echter de uitdrukking in blijven zoeken van het geloof der volgende eeuwen, ook zelfs van onzen tijd, dan geraakt men aan het dwalen, en de mannelijke, krachtige getuigenis van Guido De Brés wordt voor verstand eu hart een knellende baud.

5. Gereformeerden en hunne consistoriën in de noordelijke gewesten.

Omtrent denzelfden tijd dat zich in het Zuiden Gereformeerde gemeenten vormden, geschiedde zulks ook in Holland en Zeeland, zonder dat men nauwkeurig alles kan beschrijven, wat met den oorsprong dier gemeenten samenhangt. Men denke evenwel niet, dat zij van den beginne aan bijzonder

-ocr page 105-

103

talrijk waren. De Eoomscli-Catlioliekeu vormden nog altijd twee derden der bevolking, waartoe de deftigste, rijkste eu aanzienlijkste burgers behoorden. De overigen waren in Holland, Zeeland en Friesland grootendeels tot de Doopsgezinden toegetreden. Hier en daar hielden sommigen de leer van Luther vast en slechts het overblijvende negende deel des volks kan Gereformeerd worden genoemd, maar dat Gereformeerde deel had de bijzondere gave, om inwendig goede orde op de zaken te stellen en naar buiten zich krachtig te doen gelden. Het was of in dat opzicht de geest van Calvijn in hen leefde en werkte.

De Gereformeerden hadden hunne predikanten; in den beginne waren het meest reizende predikanten, die zich nu hier dan daar lieten hooren, veelal vroegere monniken en priesters, ofschoon er zich ook handwerkslieden, zooals glasschilders en mandenmakers, ouder bevonden. Deze predikanten waren mannen uit het volk, zonder eigenlijke geleerdheid maar met natuurlijke welsprekendheid en bovenal met heilige bezieling en vurig geloof. Voorts hadden de gemeenten hunne kerkeraden of consistoriën, die bestonden uit ouderlingen en diakenen. In gemeenten, waar men vaste predikanten had, behoorden ook dezen er toe, en dan bekleedden zij tevens in de vergaderingen het voorzitterschap. Het aantal ouderlingen en diakenen was grooter of kleiner naarmate van de meerdere of mindere talrijkheid der gemeente. De vergadering werd gehouden bij een der leden aan huis, die tevens secretaris was en het lidmatenboek hield. De diakenen bedeelden de armen uit de giften, die onder de preek in een zakje of bordje werden ingezameld. De predikanten werden vanwege hunne kerkeraden onderhouden door lieilige-geest-meesters. Ook had men loopers of kosters, die boodschappen overbrachten. Zoolang de predikatiën nog in het geheim gehouden werden, geschiedden die boodschappen ook zeer in liet geheim, maar toen men wat meer durfde wagen, plakten de kosters geschreven aankondigingen openlijk aan.

De Gereformeerden hadden hunne bijbels en' kerkboeken-Wij hebben reeds vroeger van de eerste bijbeloverzettingen

-ocr page 106-

104

en bijbeldrukkeu gesproken. Laat ons nu nog daarbij voegen, dat de eigenlijk gezegde bijbel der Gereformeerden te Emden is uitgegeven ten jare 1559 en algemeen bekend staat als Bijbel der Deux Aas. Deze bijbel is menigmaal herdrukt en om de vele ophelderende verklaringen (1) bijzonder geliefd en veelvuldig gebruikt tot den tijd der staten-overzetting in 1637 toe. Sedert den jare 1563 is onder de Gereformeerde gemeenten de Heidelbergsclie Gathismus als leerboek voor jong en oud in zwang gekomen. Drie jaren later gaf Da-thenus zijne psalmberijming in druk, tegelijk met eene nieuwe overzetting van den Catechismus, voorts de vereischte formulieren en een bundel gebeden. Aldus was alles vereenigd, wat eene welgeordende gemeente in haar kerkboek noodig heeft.

Waren nu de kerkeradeu of consistoriën aanvankelijk zuiver kerkelijke lichamen, die zorgden voor het prediken des woords, de bedeeling der armen, de bediening van Doop en Avondmaal , de kerkelijke huwelijksinzegening eu liet uitoefenen van de kerkelijke tucht, langzamerhand kregen zij ook staatkundige beteekenis en knoopten verstandhouding met edellieden aan, die destijds zich begonnen aan te gorden tot verzet tegen de Inquisitie. Van weerszijden gevoelde men behoefte aan elkanders steun. De kerkeradeu hoopten met behulp der edelen den Koning des te eerder tot toegefelijkheid te stemmen, en de edelen beschouwden de kerkeraden als een niet te versmaden steun uit den boezem des volks. Die kerkeradeu bestonden immers uit lieden van doortastende beginselen. Men wist dat zij niet opzagen tegen openbaar verzet, als de regeering trots recht en rede, weigerde toe te geven. Had de Koning als heer der Nederlanden privi-

1

De ophelderende verklaring, aangeteekend bij Nehemia 3 vs. 5, heeft aan het geneele boek den vreemden naam gegeven van Bijbel der Deux Aas. Men leest aldaar de volgende woorden: »bij hem bouwden die van Thekoa: doch hare gheweldigen en brachten haren hals niet ten dienste harer heeren.quot; De kantteekening zegt: de armen moeten het kruijce draagen, de rijken en geven niets: deux aas en heeft niet, six cinque en geeft niet. Quater dry, die helpen vrij. Deux aes (2 en 1 bij het werpen van de dobbelstfenen) heeft niet, six cinquê (6 en 5) geeft niet, quater dry (4 en 3) die helpen vrij, d. i. mild en vrijgevig. Hiermede wordt de middelstand bedoeld, die mild hulp verleent.

-ocr page 107-

105

legieii bezworen, dan moest hij ^ zoo beweerden de cousistoriëu, zijnen eed ook houden. Deed hij dat niet, dan moest men . zoo beweerden zij verder, zich eerst met verzoekschriften tot hem wenden, en , indien zulks niet baatte, dan behoefde men zich verder, al was hij ook koning, niet meer om hem te bekommeren. Het was nu eenmaal met de Christenheid zoo ver gekomen, dat de oude Eoomsche kerk hare behoefte niet meer bevredigen kon. De heiligste overtuiging dreef velen aan om zich tegen die pauselijke oppermacht te verzetten. Welnu, zij hadden ook het recht en achtten zicli zelfs verplicht, de pauselijke kerk te verlaten en, als koning l'ilips door inquisitie zijn volk wilde dwingen, dan bleef er voor eerlijke harten slechts één uitweg over: God meer te gehoorzamen dan menschen.

Zoo dachten de consistoriën. Zoo werd hun geleerd door hunne vurigste predikanten. Het zou eenmaal de stelregel van het Calvinisme worden: de kerk moet onafhankelijk zijn van den Staat. Voor het oogenblik gingen de Consistoriën nog niet zoover. Zij ijverden slechts tegen den druk van de inquisitie. Wij zullen verder zien met welk een gevolg.

6. Prins Willem van Oranje sn de Neder-landsohe Edelen.

Tot dusver vonden wij bepaaldelijk bij den burgerstand de vrienden en aanhangers der hervorming, thans moeten wij den naam van een edelman noemen, en wel den doorluch-tigsten van allen — den naam van prins Willem van Oranje.

Het heeft God in Zijne voorzienigheid behaagd, dien voor-treffelijken staatsman aan de zaak der hervorming te verbinden en juist in diezelfde jaren, waarin de Gereformeerden zich ontwikkelden, is hij op het staatstooneel verschenen. Prins Willem, geboren J4 April 1533 te Dillenburg, was de zoon van graaf Willem van Nassau en gravin Juliane von Stolberg. Op elfjarigen leeftijd kwam hij aan het hof des Keizers, en ofschoon zijne ouders de gevoelens van Luther toegedaan, en zelfs met vurige overtuiging toegedaan waren, moest hun zoon te Brussel in de Roomsche kerkleer opgeleid worden.

-ocr page 108-

106

Wat was er van den Keizer anders dan groote gestrengheid in de godsdienstige opleiding zijns kweekeliugs te -wachten! De prins ontwikkelde zich gunstig. Zijn doordringend verstand, zijn helder oordeel, zijn scherpzinnige geest en zijne voorzichtigheid strekten hem tot aanbeveling bij den Keizer. Nauwelijks twiutig jaren oud werd zijn raad reeds dikwijls ingewonnen. Elk vierde hem om zijne begaafdheden, elk vleide, elk ontzag hem. Overigens deelde prins Willem in al de genoegens van het toenmalige hofleven, verkeerde aan maaltijden, bij tournooien, maskeraden, jachtvermaken en toonde zich volstrekt niet begeerig naar ernstiger opvatting van het leven. Toch waren er twee trekken in zijn karakter die de hoop wettigden, dat hij zich aan het ijdel hofleven ontworstelen en tot een groot, zelfstandig staatsman vormen zou, namelijk zijne liefde tot vrijheid en zijn afkeer van alle vervolging om des geloofswil. Sedert de troonsbestijging van koning Filips werd hij geroepen , in den Raad van State zitting te nemen. Daar leerde hij den toestand des lands nader kennen. Later, als gijzelaar van den Koning naar Parijs gezonden, had hij eene merkwaardige ontmoeting in het bosch van Vincennes, die hem den naam van den Zwijger gegeven en op zijne toekomst beslissenden invloed uitgeoefend heeft. De koning van Frankrijk namelijk deelde hem in vertrouwen eene heimelijke overeenkomst mede, tusschen genoemd land en Spanje gesloten, ten doel hebbende, al de aanhangers van de nieuwe leer uit te roeien. Prins Willem bewaarde het geheim. maar na zulk een blik in de staatkunde van twee machtige koninkrijken geslagen te hebben, rijpte er in zijne ziel een voornemen, om al die menschen, die ter dood en ten verderve bestemd waren, zoo mogelijk te redden.

Door koning Filips tot Stadhouder van Holland en Zeeland aangesteld, ving hij met eene gematigde uitvoering van de plakkaten aan, waarschuwde deze en genen, die gevaar liepen den inquisiteurs in handen te vallen, gaf aan dezulken de gelegenheid om te ontvluchten, zocht de invoering van nieuwe bisdommen te keereu en sprak in den Raad van State als

-ocr page 109-

107

zijn gevoelen uit, dat de koning liet stelsel der bloedplakkaten afschaffen moest. De dertigjarige prins, door deelneming in het lijden des volks tot ernst gestemd, gevoelde zich aangetrokken tot de beginselen der hervormers. Hij was los geworden van de Eoomsche kerk en begon belang te stellen in de samenkomsten der ketters. Maar bij wie zich aan te sluiten ? bij de Lutherschen, omdat zijn stamhuis te Dillenburg Luthersch was en zijne vrome moeder hem in die leer was voorgegaan? Of bij de Gereformeerden, omdat hij in zijne omgeving voortreffelijke Calvinisten, zooals i'ilips van Marnix en Franciscus Junius, leerde kennen? Prins Willem verlangde niet aan den leiband van eenige kerkelijke partij te loopen. Hij zocht naar vrijheid in zijne denkwijze, gelijk hij aan anderen dezelfde vrijheid gaarne vergunde. In godgeleerde bespiegelingen verdiepte hij zich niet. Tntusschen moest hij zich dan toch ergens bij aansluiten, want hoe kon liet anders blijken, dat hij de zaak der hervorming was toegedaan? En zoo besloot hij, na eerst een sterke voorliefde tot de Lutherschen te hebben getoond, zich aan te sluiten bij de Nederlandsche Gereformeerden, van welke kerk hij in vervolg van tijd lidmaat geworden en te Dordrecht bij den predikant Bartholdus Wil hel mi (in Oct. 1573) aangenomen is.

Doch laat ons de gebeurtenissen niet vooruitloopen. Terwijl prins Willem sedert zijne aanstelling tot stadhouder des Konings in Holland en Zeeland hoe langer zoo meer voor de zaak der hervormden werd gewonnen, waren er ook andere edellieden, die zich aan zijne zijde schaarden. Een hunner, de Zeeuwsche edelman Eilips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd des prinsen boezemvriend en neemt, om zijne groote gaven zoowel als om zijn karakter, onder de mannen van dien tijd eene eereplaats in. Ook Lodewijk van Nassau, broeder van prins Willem, hoog geroemd om zijn ridderlijken aard, Eloris van Culemborgh, Hendlik van Brederode eu vele anderen deelden dezelfde inzichten. Uit den kring dier hervormingsgezinde edelen kwamen er in Oct. 1565 eenigen te Brussel in het huis van den graaf van Culemborgh bijeen, om de belangen des lands te bespreken.

-ocr page 110-

108

Hunue vergadering werd geopend door liet gebed van den Calviuistisclien predikant Franciscus Junius, eenen mau van groote kunde, welsprekendheid er. zeldzamen moed, zoodat hij reeds menig doodsgevaar getrotseerd had. Door dezen man stonden de edelen rechtstreeks in verband met de kerkeraden der Gereformeerden, die hun groot consistorie te Antwerpen hadden en belangstellend het oog gevestigd hielden op hetgeen te Brussel tot stand zou komen. Een door de edelen onderteekend schriftelijk verbond kwam aldaar tot stand, waarbij men elkander beloofde, de invoering van de Inquisitie, onder welken naam ook, met alle macht te zullen bestrijden.

Zoodra van dat verbond iets was uitgelekt, verspreidde zich het gerucht, dat de adel was opgestaan. De laud-voogdesse te Brussel zat in groote ongerustheid, en hare vrees nam nog toe, toen op 5 April 1566 bijna vierhonderd edelen, ofschoon ongewapend , met Lodewijk van Nassau en Hendrik Van Brederode aan het hoofd, tot haar kwamen, hoffelijk voor haar bogen en den heer Van Brederode lieten voortreden, om met kordate toespraak uit aller naam een smeekschrift te overhandigen. Daarin werd verzocht om opschorting der inquisitie tot den tijd toe, dat de Koning anders zou hebben geordonneerd.

Het is bekend, hoe dit smeekschrift beantwoord werd, en dat het optreden der edelen aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van den Geuzennaam. Aanvankelijk schenen de edelen hun doel te zullen bereiken maar weldra bleek het, dat de landvoogdesse besloten had, met de grootste gestrengheid de ketters te vervolgen.

7. De Hageprseken.

Omstreeks denzelfden tijd, toen de edelen zich met hun smeekschrift tot de landvoogdesse wendden, begon het volk in Vlaanderen de eerste godsdienstige vergaderingen te houden, aanvankelijk in de bosschen en op het veld, waar soms duizenden bij elkander naar de prediking luisterden en psalmen aanhieven.

-ocr page 111-

109

In de maand Juni 1 566 werden deze vergaderingen reeds in de buitenwijken van Antwerpen, Gent en Doornik gehouden. Landvolk en stadspoorters wapenden zich met snaphanen, pistolen, hellebaarden en knuppels, om zich te verdedigen. De lloom-sche geestelijken trokken op hunne kansels allerheftigst tegen die zoogenaamde hagepreeken te velde en verkondigden, dat de Koning, zoo hij die preeken toestond, wegens medeplichtigheid aan ketterij door den paus ter verantwoording zou geroepen worden. De landvoogdesse liet nog in Juli een plakkaat uitvaardigen, dat den dood bedreigde aan alle hervormde predikanten en aan hen, die gemeene zaak met hen maakten. Verbanning wachtte dc roekeloozen, die gewapend ter preek gingen, de overige hoorders zouden naar het goedvinden der overheid gestraft worden.

Het volk morde heftig tegen dit plakkaat, dat in strijd was met de gegeven belofte. Immers de landvoogdesse had beloofd, de vervolging te zullen staken, totdat zij den wil des Konings zou vernomen hebben. Te Antwerpen weigerde de stadsregeering het plakkaat af te kondigen. Het getal menschen, dat aldaar de hagepreek bijwoonde, groeide dan ook gestadig aan en was tot dertig duizend geklommen. Te Doornik durfde een handwerksman, als leeraar optredende, openlijk God te danken, daar hij, na drie jaren lang het evangelie in kelders en verscholen plaatsen verkondigd te hebben, het thans bij helder zonlicht mocht doen. Huiten Gent meende een baljuw eene poging te kunnen aanwenden om de vergadering te storen en dreef zijn paard op de menigte aan, een bloot zwaard in de eene en een geladen pistool in de andere hand houdend, maar het volk greep naar steenen en knuppels en dreef dien baljuw op de vlucht.

Intusschen maakte Moris graaf van Culemborgh gebruik van zijne souvereine rechten en ruimde de gasthuiskerk te Cu-lemborg voor den prediker. Schele Gerrit genaamd, in. Üat deed velen uit den omtrek naar die stad stroomen, om aldaar de nieuwe leer te hooren. Weldra volgde de eerste hagepreek in Noord-Holland. De afspraak daartoe werd gemaakt buiten de St. Anthonie-poort te Amsterdam, alwaar Jan

-ocr page 112-

110

Arendsz, de mandemaker , met eenige Amsterdamsche burgers tot liet besluit kwam, alle gevaar en vreeze des doods ter zijde te stellen en de openbare prediking te beginnen. Den l^den Juli had die eerste hagepreek even buiten Hoorn plaats. Jan Arendsz liet de toegestroomde menigte eerst een psalm zingen, daarna bidden. Toen preekte hij. De burgemeester van Hoorn, terzelfder tijd in liet naburig Regaliersklooster met eenige edelen ter maaltijd, verbaasde zich over de stoutlieid des volks en sloeg de samenkomst gade, docli durfde haar niet storen. Het voorbeeld van Hoorn werd 21 Juli te Overveen bij Haarlem, onder het gebied van den heer van Brederode nagevolgd. In tijds werd het voornemen tot het houden van die preek te Amsterdam ruchtbaar gemaakt. Het wekte de levendigste belangstelling op en de stadsregeering wist geen beter middel, om de samenkomst te doen mislukken, dan liet valsche bericht uit te strooien, dat een Amsterdamsch burger terzelfder tijd aan den Overtoom zou prediken. Deze burger, Reinier Kant genaamd, was echter door dat verzinsel volstrekt niet in verwarring gebracht. Hij vroeg of de burgemeester opzettelijk leugens verspreidde en vertelde aan ieder die het wilde hooren, dat er niet aan den overtoom, maar te Overveen gepredikt zou worden.

Intusschen was de man, die dat werk zou verrichten, de prediker Pieter Gabriel, heimelijk binnen de stad Haarlem gekomen. Er was van zijne komst zeker wel iets ruchtbaar geworden, althans de stadsregeering werd met klokgeklep des avonds nog bijeengeroepen. Zij liet de poorten sluiten, zoodat de Amsterdammers. die reeds in groot getal te Haarlem overnachtten, niet naar Overveen konden komen. Sommigen lieten zich van de stadsmuren zakken en zwommen de grachten over, anderen ontsnapten door middel van eenige aldaar aangevoerde schuiten. Te elf uur gingen echter de poorten open en Pieter Gabriel, zoowel als al het volk, dat hem wilde hooren, kon de stad verlaten. Toen zij te Overveen aankwamen, vonden zij in het veld eene verbazend groote schare vereenigd, waarvan de meesten den nacht onder

-ocr page 113-

Ill

den blooten hemel hadden doorgebracht. Ten behoeve van den prediker werden twee stokken in den grond gestoken en met een derden aan elkander verbonden, opdat hij steun voor zijne handen zou hebben. De menigte zong en bad en hoorde de leerrede aan. Het was over de woorden: „uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Godes gave, niet uit de werken, opdat niet iemand roeme; want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelenquot; Ephez. II vs. 8 tot 10. Gabriel's woord was eene getuigenis van geest en van kracht, eene bezielde rede, die bijna vier uren aanhield, en, hoewel uitgesproken in de heete middagzon, toch de aandacht van de hoorders spande. Welk een genot, zulk eene prediking onder den toevloed van zoovele duizenden aan te hooren! welk een genot bij zulk eene gelegenheid met elkaar te zingen en te bidden.

Wat in die dagen buiten Hoorn en Haarlem geschiedde, liad bijna overal in den lande plaats. In Gelderland, Overijssel, Utrecht, ja allerwege werd hagepreek gehouden. Te Gorkum werd er bij eene van die samenkomsten ook een kind gedoopt. De burgemeester van Gorinchem was er bij tegenwoordig en gebruikte 's middags met den prediker. die den doop bediend had, het middagmaal. Het spreekt van zelf, dat de moed des volks door dit alles telkens hooger steeg en het land in de zeldzaamste spanning verkeerde. Die spanning bereikte haar toppunt in eene gebeurtenis van anderen aard, die onmiddellijk volgde.

8. De Beeldenstorm.

Is het wonder, dat de menschen, die in den zomer bij gunstig weder ^godsdienstoefening in het openbaar gehouden hadden, bij het naderen van den herfst naar andere plaatsen van samenkomst gingen uitzien, en toen, als van zelf het oog lieten vallen op die groote en ruime kerkgebouwen, waarin de Roomsche geestelijkheid haren dienst verrichtte, die kerkgebouwen met hunne breede zuilenrijen en statige

-ocr page 114-

112

gewelven, Imiine slanke boogvensters en sierlijke torenspitsen , alles zoo verliefl'end en schoon. Maar de altaren, de beelden, de reliquieënkasten en ontelbare sieradiën behoorden daar immers niet te huis! Er stond immers in de Schrift: gij zult u geen gesneden beeld maken. De apostelen en eerste christengemeenten hadden niets van dien aard gewild. heelden en altaren brachten immers niets tot stichting bij. Neen, maar de ondervinding had geleerd, hoe jammerlijk de Christenheid door die uitwendige vormen aan het dolen, aan het aanbidden van hout en steen en aan schepselvergoding was geraakt. Geen wonder, dat de Gereformeerde predikers wel eens een woord over de wenschelijk-heid van zuivering der kerkgebouwen lieten hooren. Of zij het ook geweest zijn, die den beeldstormers bijlen, mokers, en knuppels in de hand gegeven hebben, is niet stellig te verzekeren, maar men mag het voor waarschijnlijk houden. De heethoofden althans zullen er wel niet onschuldig aan zijn geweest. Hoe dat zij, op 14 Aug. 1566 liep in de omstreken van St Omer, Bailleul, Menen en Kortrijk eeue bende woestelingen te hoop, en begon de kerken te plunderen, de kloosters te verbranden en de geestelijken te mishandelen. 15 Aug. wendde de woeste hoop zich naar Iperen en zette daar het werk der verwoesting voort. Al de kloosters en kerken aldaar werden uitgeplunderd. Van Iperen ging het verder in Vlaanderen. 18 Aug. sloeg de dolle woede der beeldstormers naar Antwerpen over, en 20 Aug. was de heerlijke Lieve Vrouwekerk aldaar inwendig geheel vernield. Met zware hamers waren orgels, altaren, heiligenbeelden tot puin en gruis geslagen (*). Zoo snel verspreidde zich het gerucht van dat vernielingswerk, dat reeds den 23steu te Amsterdam eenige brokken van te Antwerpen gebroken altaarbladen vertoond zijn geworden.

Toeu lieten de burgemeesters van Amsterdam de geestelijken waarschuwen, dat zij hun kostbaar kerkgereedschap

O Doch inzouderheid Toorwernen die tot bijïeloovige vereering leiddeu werden vernield, b. v. het beeld van Jezus werd verbrijzeld, dat van de medekruiselingen gespaard.

-ocr page 115-

113

moesten bergen. De verschrikte pastoors wisten niet, hoe spoedig zij aan die waarschuwing gevolg zouden geven. Gouden zilverwerk, keikeu, misgewaden, sacraraenthuisjes brachten zij in veiligheid. Dat weid door de burgerij gezien en wekte achterdocht. Sommigen vielen do pastoors aan en dwongen hen, hunne schatten terug te brengen. Anderen liepen naar de Oude en Nieuwe kerk. In laatstgenoemde viel niets onordelijks voor, maar in de Oude kerk ging het anders toe. Daar wierp de volksmenigte steeneu naar de altaren, brak beelden stuk en bedreef velerlei moedwil. De Schout deed vergeefsche moeite om haar uiteen te drijven; de beeldstormers hadden de overhand.

Te 's Gravenhage, verhaalt men, waren twee mannen zoo onversaagd, dat zij van den president van liet Hof werklieden durfden vragen om do beelden weg te ruimen. Door dien maatregel had alles een geregelden gang. Woester ging het werk te Delft, Leiden, Harderwijk, Elburg en meer andere plaatsen toe. Op Walcheren, zegt men, bleef geen enkele kerk ongeschonden. ïe Utrecht daarentegen stond men bij verdrag de St. Jacobskerk af. Ook in Friesland en Groningen is het veel minder heftig toegegaan; maar over het algemeen zijn er weinig kerken ongedeerd gebleven.

Scliaudelijk! roepen de lioomsche schrijvers uit, heiligschennend ! die heerlijke kunstgewrochten te vermorzelen! Wat wilden de beeldstormers toch? de Christenheid terugvoeren tot de eeuw der barbaarschheid? Neen, is ons antwoord , maar zij streden voor hooger belangen, dan die door snij-, beeldhouw- en schilderkunst zijn te bevredigen. Zij streden voor de zuivere aanbidding Gods volgens den eisch des gewetens, voorgelicht door de H. Schrift. Was de kerkelijke overheid voor hunne smeekstem doof gebleven, dan moest zij het nu ook maar aan zich zelve wijten, dat de volksmenigte de kerkgebouwen zuiverde en daarbij te werk ging op eene wijze, die alle maat overschreed.

Wij betreuren, dat in die beeldstormerij kunstgewrochten zijn verloren gegaan, ofschoon niet alle vermorzelde beelden even groote kunstwaarde hadden; maar wij merken het toch

8

-ocr page 116-

114

met erkeutelijklieid op, dat, al is liet door middel vail znlk vernielingswerk, het volk zijne rechten heeft doen gelden en eene groote schrede voorwaarts gewaagd tot verkrijging van die vrijheid des gewetens, die elk Christen liefhebben en op hoogen prijs stellen moet.

9. De mislukte krijgsonderneming der Gereformeerden.

Vóór de gebeurtenissen van 1566 hadden de Gereformeerde gemeenten onder het kruis, vertegenwoordigd door hare consistoriën of kerkeraden, er niet aan gedacht zich tegen den Koning te verzetten, maar nu zij de duizenden allerwegen hadden zien heensnellen tot de hagepreeken , waren zij zich van hare kracht bewust geworden en durfden iets meer te ondernemen. In navolging der edelen hadden zij zich vereenigd tot een verbond of compromis, het verbond der kooplieden genaamd. Dat verbond dagteekent waarschijnlijk van de laatste dagen van het jaar 1565. De Zuid-Nederlandsche kerkeradeu beloven daarin plechtig, de hand aan elkander te zullen houden en niet te dulden dat hun eenige moeite of overlast worde aangedaan ter zake van den godsdienst hunuer harten. Zij nemen God tot getuige van hunne oprechtheid , Hem biddende dat Hij hun verleene raad, kracht en beleid om dit verbond niet slechts in schrift te handhaven maar er ook hunne lichamen en goederen voor ten offer te brengen. Toen nu de beeldenstorm het verbond der edelen uit elkander had doen spatten en de landvoogdes eene aanzienlijke krijgsmacht samenbracht om de ergste oproermakers te tuchtigen, beraadslaagden de kooplieden over de vraag, of een deel der Nederlanders met wapengeweld tegeu de overheid zou mogen opstaan, indien deze de privilegiën schond en onrecht pleegde. Het antwoord luidde bevestigend. Doch waar een opperhoofd, geld en troepen te vinden? Geld was genoegzaam voorhanden. Immers nog kort te voren hadden zij aan Tilips 30 tonnen goads aangeboden, mits hij vrijheid van godsdienst verleende. Troepen waren voor geld aan te werven. Maar een opperhoofd.....

-ocr page 117-

115

wie wilde dat ziju? De prins van Oranje niet; ten eerste omdat hij toen nog niet besloten was tot de Gereformeerde gemeenten toe te treden, ten andere omdat hij liet er voor schijnt gehouden te hebben, dat het nog de tijd niet was, om tegen Koning Filips op te staan. Toen viel liet oog der kooplieden op Hendrik van Brederode, den aanvoerder der Edelen, en deze verklaarde zich bereid het opperbevel over de aan te werven troepen te voeren.

Nog zonder de bevelen van Brederode af te wachten hadden de Gereformeerden in Vlaanderen de wapens opgevat en onder het zingen van een Geuzenlied ;

Slaat op de trommele van dirredomdijne

Slaat op de trommele van dirredomdom

zich op weg begeven naar Valencijn, dat door de troepen der landvoogdes belegerd werd. Doch wat vermag eene ordelooze bende tegen geoefende en goed aangevoerde soldaten! Binnen veertien dagen was zij verstrooid.

Inmiddels was het krijgsplan der consistoriën ontworpen en aan Jan van Marnix, heer van Toulouse opgedragen, het. eiland Walcheren te bezetten. Toen dat echter door de waakzaamheid der landvoogdes mislukte, was genoemde lieer genoodzaakt met zijn krijgsvolk bij Oosterweel tegenover Antwerpen te landen. Vergeefs zag hij naar hulp van de Gereformeerden binnen Antwerpen uit. Prins quot;Willem, die zich aldaar ter stede bevond, hield de poorten gesloten en was volstrekt niet te bewegen om eenigen bijstand te verleenen. Jan van Marnix met zijn krijgsvolk is dan ook als 't ware onder de oogen van den prins terneergesabeld. Tien dagen later viel ook Valencijn de troepen der landvoogdes in handen. De stad gaf zich over op voorwaarde, dat het leven der burgers gespaard zou worden; maar, helaas, zij ondervond dat er op het woord van den vijand niet te rekenen viel. Valencijn is uitgemoord en uitgeplunderd. De opsteller der geloofsbelijdenis Guido de Bres, werd naar de galg verwezen. Hij ontving dat vonnis als eene blijde boodschap

-ocr page 118-

116

en bereidde zich blijmoedig voor op het sterven, alsof hij ter bruiloft ging. De Brés stelde er prijs op, de reden te noemen, waarom hij zoo rustig kon slapen in zijn vunzigen kerker, opdat ook anderen daar nut uit mochten trekken. Die reden was — een goed geweten. „Ziet wel toequot; zeide hij tot zijne medegevangenen „dat gij niets tegen uw geweten dóet. Uwe vijanden zullen alles in het werk stellen, om u te doen wankelen, doch dan zoudt gij een beul in uw binnenste hebben en een hel in uw gemoed. Broeders, wat is liet eene goede zaak, eene goede conscientie te kweeken!quot; Guido de Bres knielde op liet schavot om zijn gebed te doen, maar de beul rukte hem overeind en sleepte hem op den doodsladder. Met den strop om den hals vermaande de martelaar het volk, zich eerbiedig te gedragen jegens de overheid en niet te wijken van het woord van God, dat hij hun zuiver had verkondigd. Nog zette hij zijne rede voort, toen de beul hem van den ladder stiet en aan zijn leven een eind maakte.

Zoodra Valencijn was uitgemoord, scheen de moed dei-Gereformeerden in Vlaanderen uitgebluscht. Brederode , die zich te Antwerpen niet kon staande houden , was naar zijne stad Vianen gegaan en had later gelegenheid gevonden om binnen Amsterdam te komen, opdat hij de burgerij aldaar tot zijne partij zou overhalen. Vergeefs! Wel wist hij er zich twee maanden lang staande te houden, maar eene poging om Amsterdam te dwingen mislukte. Toen bleef er voor den eersten Edele van Holland niets anders over dan zijn heil te zoeken in vrijwillige ballingschap.

Tegelijkertijd werden de meest verontrustende tijdingen uit Spanje vernomen. De koning, zeide men, had gezworen bij de ziel zijns vaders , dat hij de beleediging, den beelden en heiligdommen aangedaan, zou afwasschen met het bloed der Nederlanders. Een leger onder den hertog van Alva zou gezonden worden om de euveldoeners te straffen. De prins van Oranje wachtte de komst van dat leger niet af, maar maakte zich tot vertrek gereed. 11 April 1567 verliet hij zijn paleis te Antwerpen. Met zijne hofhouding, zijne edel-knapen, bedienden, paarden eu wapenen ging hij heen, den

-ocr page 119-

117

weg op naar Breda. Duizenden deden hem uitgeleide en afscheid nemende luidde des prinsen laatste groet: „wie Gods woord liefheeft, volge mij.quot;

Yier dagen later verliet hij Breda en trok over Grave naar Dillenburg in Nassau. Nauwelijks was hij vertrokken, of allerwegen maakten men zich tot vluchten gereed. Tal van edelen volgde hem, kooplieden haastten zich ook om te vertrekken. Men nam wat men vinden kon, schepen, wagens, karren; men trok te paard of te voet. Ouders met kinderen aan de hand, moeders met zuigelingen in den arm. Men zocht zich te bergen voor den Spanjaard, wiens naderende komst werd te gemoet gezien. En gelukkig wie nog vluchten kou, want niet lang zou het duren , of de vlucht zelf werd met den dood bedreigd, terwijl aan schippers en voerlieden, insgelijks op doodstraf, verboden werd, vluchtelingen behulpzaam te zijn.

Treurige afloop van die eerste poging om zich van de Inquisitie vrij te maken. Het scheen of het werk der reformatie vernietigd was. Vernietigd! neen. God heeft niet gewild, dat de uitgestrooide zaden van evangelisch licht en leven in ons volk verloren zouden gaan. Eerst moest er nog een vreeselijke storm woeden, maar te midden daarvan zouden die zaden zich ontwikkelen tot zegen voor tijdgenoot en nageslacht.

10. Overzicht van het 'behandelde tijdperk.

Hoe opmerkelijk is de loop der thans beschouwde gebeurtenissen ! Juist als de behoefte aan leiding en voorlichting-het grootste is, doet de invloed van Calvijn zich gelden. Die invloed dringt rechtstreeks uit Frankrijk in de Zuidelijke Nederlanden en zijdelings uit Engeland en Oost-Eriesland in de Noordelijke Provinciën binnen. Aan het regelen der kerkelijke gemeenten wordt thans de aandacht gewijd. Het is niet langer een zoeken en tasten in den blinde, maar men weet, dat men naar het voorbeeld van Genève kerken stichten kan. Uie kerken ontwikkelen zicli op leerstellig en liturgisch gebied. En het

-ocr page 120-

118

zijn niet enkel geringe lieden — die zich daarbij aansluiten; ook de edelen, ja de edelsten in den lande. Er wordt doorgetast, en krachtig openbaart zich de steeds klimmende beteekenis der Gereformeerden. Zij schuilen niet langer in liet verborgene. Het kruis der verdrukking werpen zij van zich af. Zij eischen openbaarheid. Zij vergaderen in de open lucht. Eeikhalzend zien zij naar bezit van eigen bedehuizen uit. Nog één stap, en zij vergruizelen de altaren en beelden, zij vestigen zich in de bestaande Ivoomsclie tempels .....maar neen, niet door geweld zullen zij hun doel

bereiken. Niet dan door bloedige verdrukking wordt eene kerk groot op aarde. Die dag der verdrukking is voor de Gereformeerde kerken in Nederland niet uitgebleven.

-ocr page 121-

HOOFDSTUK IV.

Volharding der Gereformeerden in den worstelstrijd met Spanje en hunne zegepraal.

ilee.r dan dertig jaren lang had Karei V de hervorming inet geweld onderdrukt, meer dan dertig jaren lang had zijne dweepzucht en staatkunde het bitterste lijden aan duizenden zijner onderdanen aangedaan. Desniettemin -was de nieuwe leer hoe langer zoo meer het dierbaar kleinood van het volk geworden, en ofschoon Koning Pi lips , in den trant van Keha-beam, Salomo's zoon, openlijk verklaarde: „mijn vader heeft n met geesels geslagen, maar ik zal u met schorpioenen kastijden,quot; het Nederlandsclie volk deinsde voor de schorpioenen van den Spaanschen koning niet terug maar aanvaardde den hachelijken kamp. Door Spanje's tirannie tot den opstand gedwongen bevochten de Nederlandsclie gewesten èn de godsdienstige èn de burgerlijke vrijheid. Daardoor krijgen de gebeurtenissen die wij beschrijven, hoe langer zoo meer een staatkundig karakter en vloeit de geschiedenis der kerkhervorming met die van de grondvesting der Nederlandsclie Republiek inéén. Wij zullen echter niet verder, dan hoog noodig is, het gebied der staatkunde betreden en ons bepalen tot het verhaal van die gebeurtenissen, die de Gereformeerde kerken tot de openlijk erkende volkskerk in Nederland hebben gemaakt.

-ocr page 122-

120

1. De hertog van Alva en de raad van beroerten.

Het gerucht, dat de Koning van Spanje een leger zou zenden, om de heiligscberniende Nederlanders te straften, had waarheid gesproken. De hertog van Alva was van wege koning Filips belast met de taak om de beeldstormers te straffen en den Eoomschen godsdienst te herstellen. Deze benoemde tot dat einde een raad van beroerten, door het volk niet den naam van bloedraad bestempeld en niet zonder reden in onze vaderlandsche geschiedenis als werktuig der gruwelijkste dwingelandij berucht geworden. De raad van beroerten moest vonnis spreken over allen, die in de volksbeweging der laatste jaren betrokken waren geweest, en, vermits de inquisitie in Spanje schier alle Nederlanders den dood schuldig had verklaard , vloeide daaruit een onnoemelijk aantal rechtsgedingen voort. Tn den aanvang was de raad van beroerten uit 1'2 leden samengesteld, 2 Spanjaards en 10 Nederlanders, maaide meesten hunner namen aan de zitting geen deel, zoodat Alva ten slotte slechts op één der raadsheeren rekenen kon. Die eene trouwe handlanger der dwingelandij was de Spanjaard , Jan de Vargas, een man, bloeddorstig en meedoogcn-loos gelijk Alva zelf. Hij vond er geen bezwaar in, om zonder medewerking van de overige raadsleden een doodvonnis uit te spreken. Niet slechts de beeldstormers maar ook zij, die aan het verbond der edelen deel genomen, de hagepreeken bijgewoond, de leeraars geherbergd en de geuzenliederen gezongen hadden, inzonderheid zij die leden der consistoriën waren geweest, werden voor den bloedraad gedaagd.

Het was geen kerkelijke rechtbank, die volgens de regelen der quot;Roomsche kerk de ketters moest vonnissen, maar een burgerlijke vierschaar, ingesteld met het oog op de voorafgegane staatsberoeringen. Men verhaalt dat Vargas gewoon was te zeggen: „de kettersche Nederlanders hebben de kerken geschonden , de Roomsche Nederlanders hebben dat heiligschennend werk niet verhinderd; daarom hebben zij allen den dood verdiend.quot;

Eeu verbazend groot aantal menschen, Roomschen en On-

-ocr page 123-

121

roomschen , zijn door (Ten raad gevoimisd , sommigen op grond van de gebeurtenissen van 1566, sommigen op grond van hetgeen zij vroeger, misschien jaren geleden, gesproken , gedaan of toegelaten hadden. Te vergeefs trachtte men Alva te verbidden. Hij was van ijzer en staal. Op vastenavond van 1568 deed hij midden in de vroolijkheid , waaraan het volk zich b zulke gelegenheden overgaf, 800 menschen tegelijkertijd oplichten en aldus hunne vroolijkheid in wanhoop verkeeren. Soms werden er in eene zitting van den bloedraad tachtig menschen ter dood veroordeeld. Onder zestig Utrechtsche burgers, die ter dood verwezen waren, behoorde de 84jarige weduwe van Diemen, die indertijd een Geuzeu-leeraar geherbergd had. Het oude mensch werd op een stoel gebonden en onthalsd. De 70jarige hopman Pieter Kaars uit Amsterdam moest naar de Spaansche galeien. Een vrouw die hare pantoffel naar een Mariabeeld geslingerd had, met hare dienstmaagd, die van deze daad de stilzwijgende getuige w:as geweest, werden verdronken. Zoo willekeurig en wreed ging het in den bloedraad toe. Alva getuigt zelf dat hij gedurende zijn zesjarig bewind 18,000 menschen heeft laten ombrengen, en hoevele vonnissen er ook uitgevoerd zijn, nog waren in 1573 vijftien duizend zaken onafgedaan gebleven. Het waren voor alle Nederlanders bange dagen. Zij hadden eigenlijk geen oogenblik verademing en moesten voortdurend vreezen bij den hals gevat te zullen worden.

Ook in hunne beurs werd diep getast. De gewone belastingen waren ontoereikend voor de schatkist. Er werd eene nieuwe belasting van den honderdsten, den twintigsten en den tienden penning ingevoerd. De honderdste penning voud geene tegenkanting, de Algemeene Staten keurden die goed. De twintigste echter, dat is vijf ten honderd van alle roerende goederen, vond bezwaar, terwijl de tiende, dat is tien ten honderd , zoo dikwijls roerend goed van de eene hand in de andere overging, het misnoegen ten top voerde. Ketter of geen ketter, ieder gevoelde, dat moest tot geheelen ondergang van handel en nijverheid leiden. Tien ten honderd , zoo menigmaal roerend goed verkocht werd — het was on-

-ocr page 124-

122

gehoord. Alva scheen wel een zoou vau den Mammon, wiens gouddorst niet te lessclien was, een verscheurende wolf, die met het bloed des volks zich vet mestte. Voeg daarbij de kostbare en geweldige kasteelen , die hij liet bouwen om de belangrijkste steden in bedwang te houden , kasteelen te Utrecht, Groningen, Vlissingen en Antwerpen, en het laat zich genoegzaam begrijpen dat de verbittering van het gansche volk telkens hooger rees.

Zelfs ijverige Roomschgezinden werden op Alva verbitterd, ja met den diepsten afkeer van hem vervuld. Zij spraken openlijk den weusch uit, dat God zijn hart veranderen mocht. Zij, die vluchten konden, vluchtten naar het buitenland om even als de prins van Oranje betere tijden af te wachten. Uit Vlaanderen, Brabant en Zeeland togen fabriekanten, kooplieden en geleerden naar Engeland heen. Zij brachten hunnen handel en hunne fabrieken derwaarts over tot onberekenbare schade van het land, dat zij verlieten. Uit 's Hertogenbosch vluchtte wel een derde deel der bevolking naar Kleefslaud. In Kleef, Gocli, Duisburg en Wezel zetten zij zich met vele andere uitgewekenen neder eu wonnen er hun brood met allerlei nering eu bedrijf. N;uvr Einden richtte zich het oog van duizenden in Noord-Holland, Friesland, Groningen eu Ommelanden heen. Zij vonden er goede herberg. Uit Enkhuizen kwamen er des winters over het ijs wel 350 burgers aan. Dat er onder de uitgewekenen waren, die van wraakzucht gloeiden eu in de bitterste taal aan hunnen boozen hartstocht lucht gaven, laat zich gereedelijk denken. Het was immers zulk een vreeselijke tijd, dien zij hadden doorleefd! Vrienden en magen hadden zij door de Spanjaards zien vermoorden, zeiven waren zij van hunne goederen beroofd, uit hunne huizen verdreven, aan hunne zaken onttrokken, en thans in den vreemde aan allerlei ellende ten prooi! Zij moesten wel eene zeldzame mate van zachtmoedigheid bezitten, om onder zooveel lijden, door menschen hun aangedaan, kalm te blijven. En toch waren ev innig vrome zielen, die hunne schouders geloovig bogen ouder liet kruis en zeiden Hiet zijn woorden uit een brief van een balling): „Zoo is Gods handelwijze: die hij ten hemel voeren

-ocr page 125-

123

wil, die stoot Hij eerst ter helle; en die Hij levend maakt, die doodt Hij eerst. Laat ous niet treuren. God is met ons, eu Hij lioudt Zijn woord. Hij zal de christelijke leer gewisselijk voortgang laten hebben; laat ons Hem bidden en vast gelooven!quot;

2. De Synode onder het kruis te Wezel en te Emden.

Een treilend teeken van het levend geloof, dat de ballingen bezielde, zijn de kerkelijke vergaderingen in den vreemde gehouden. Die zwaar beproefde mannen en vrouwen, die hun goed verloren hadden, gevoelden dat zij voor de toekomst moesten zorgen en dat in het oord der ballingschap de band der onderlinge liefde versterkt en goede orde op alles gesteld moest worden. Kwam er dan eenmaal een betere tijd, dan waren zij ook aanstonds met alles gereed en konden zich in het vaderland vestigen.

Eu wie waren het, die zich tot het houden van deze kerkelijke vergaderingen gedrongen voelden ? in welke kringen heerschte de krachtigste werkzaamheid ? Komt die eer aan de Doopsgezinden toe ? of treden de Lutherschen met nieuwe aanvoerders op? wijzen zij aan de schare eene nieuwe, nog niet betreden baan? Neen, het zijn de Gereformeerden, die overal heen oproepingen zenden en afgevaardigden van hunne geloofsverwanten onder het kruis naar Wezel samenroepen. Het aantal ballingen was zoo groot geworden dat men vragen moest, waar de Gereformeerde kerken meer te zoeken waren, buiten of binnen de grenzen der Nederlanden. Regeling en aaneensluiting was derhalve noodig, om vastheid aan het geheel te geven ; en daar liet achtergebleven deel onder den druk van Alva's schrikbewind gedwongen was stil te zitten, waren de ballingen de aangewezen personen om werkzaam op te treden.

Plet zijn 38 ballingen, die op 3 Nov. 1568 te 'Wezel ter synode samenkomen. Wij tellen daaronder den beroemden Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, godgeleerde en staatsman tegelijk, vriend en vertrouweling van Oranje, Jhr.

-ocr page 126-

124.

quot;Willem van Zuylen van Nijeveld, lieer van St. Arendsberg, drossaard van Culemborg, en Jhr. Petrus de Kijcke uit Gent. Het voorzitterscliap werd opgedragen aau Petras Dathenus, den weisprekenden leeraar uit ïrankendaal, den dichter der psalmberijming, terwijl wij nevens hem den vermaarden Herman Moded, een der eerste Hageprekers uit Vlaanderen en Cornells Walraven, leeraar uit Armentiers en Sylvanus uit Antwerpen aantreffen. Moeten zij beschouwd worden als afgevaardigden van onderscheiden kerken? Aau wettelijke afvaardiging was toen nou- niet te denken, maar de aandacht

.. -i ii zal van zelf gevallen zijn op de moedigste en bekwaamste

mannen. Zij maken plannen, die verdere uitwerking behoeven en waarop de goedkeuring der kerk moet worden gevraagd. Zij gaan uit van het denkbeeld, dat die kerken, zooals zij in het geheim in Henegouwen, Vlaanderen en Holland bestaan, één lichaam zullen vormen, verdeeld in klassen, terwijl het opperbestuur berust bij eene synode. Overigens zal iedere kerk eene ruime mate van vrijheid genieten en zelve b. v. bepalen hoe dikwijls de doopeling met water be-sprengd moet worden, of de doop voor of na de preek zal worden bediend; of er bij het bevestigen der leeraars handoplegging plaats zal hebben en dergelijke zaken meer. De leeraars zouden op voordracht der kerkeraden door de gemeente uit dubbeltallen gekozen worden. De gebeden zouden of naar het Geneefsche formulier of naar vrije inspraak gedaan , de psalmen van Dathenus gezongen en de kinderen uit den Heidelbergschen Katechismus, en wat de Fransch sprekenden betreft uit den Geneefschen, onderwezen worden. Ziedaar iets van hetgeen de ballingen te Wezel tot welstand der kerken noodig achtten. Het waren echter geene voorschriften , die zij durfden geven. Neen, dat veroorloofden de tijden niet. Het zeide reeds veel, dat zij het oog op de toekomst durfden vestigen. Voor het oogenblik moest er geduld geoefend en in stilte voortgearbeid worden.

Drie jaren later werd er eene nieuwe poging gedaan en tegen 5 Oct. 1571 eene synode te Emden uitgeschreven. Deze synode met Caspar Van der Heijde, leeraar te Ant-

-ocr page 127-

125

werpen, als voorzitter en Polyander, leeraar te Emdeu, als schrijver aan liet hoofd, was meer dan die te Wezel uit werkelijk afgevaardigde leeraars en opzieners der consistoriëu samengesteld en durfde artikelen vaststellen, die door alle Gereformeerde kerken geërbiedigd moesten worden. Ook zij hield hoopvol den blik op de toekomst gevestigd. Het is opmerkelijk dat de mannen te Einden liet wijd en zijd verspreide lichaam der kerken verdeelden in eene Duitsche, eene Engelsche en eene Hollandsche provincie, door synoden te vertegeuwoordigen, wier afgevaardigen zich jaarlijks tot eene nationale synode vereenigen moesten om de onderlinge eenheid te bevorderen. De Nederlandsche provincie zou vier onderdeelen tellen; de Waalsche, de Vlaamsche, de Bra-bantsche en de Nooi'd-Nederlandsclie. Waarlijk, als wij die plannen vernemen en denken aan hetgeen daarvan geworden is, dan mogen wij wel zeggen: de mensch wikt, God beschikt! Die Vlaamsche en Brabantsche Gereformeerde kerken, waarvan toen nog sprake kon zijn, hoe spoedig zijn zij voor het geweld der Roomsche staatsmacht bezweken! Waalsche Gereformeerden zijn er tot op onzen tijd toe gebleven, maarniet in de streken, waar zij oorspronkelijk behoorden. Ook daar heeft Eome getriomfeerd. Slechts in Noord-Nederland hebben Gereformeerde kerken inderdaad gebloeid. En de onderlinge eenheid der Duitsche, Engelsche en Hollandsche kerken — wat zullen wij daarvan zeggen? Ook daarvan is in den loop der eeuwen weinig tot stand gekomen.

Toch getuigde het van den ruimen blik en den edelen zin der ballingen, dat zij zich zulk eene toekomst durfden denken. Het doet ons goed, hen in Alva's bange dagen aldus te hooren beraadslagen. Toorts maakten zij eene lijst op van buiten dienst zijnde en van nog niet geordende leeraars, waaruit vacante gemeenten zich konden voorzien, voerden het stelsel van geregelde briefwisseling met naburige gemeenten in, ontwierpen het plan tot beschrijving van de geschiedenis hunner kerken en bespraken de wenschelijkheid van eene nieuwe bijbelvertaling.

Men denke echter niet, dat de synode te Emdeu tijdens

-ocr page 128-

126

hare zittingen eenig aanzien genoot. In alle stilte en als in het geheim, om bij de Spaansche regeering niet in het oog te vallen, hielden de afgevaardigden hunne samenkomsten. Er is iu de Emdensche geschriften dier dagen bijna niets van de synode medegedeeld. Dat de vergaderde ballingen nochtans quot;eene kerkorde samenstelden, getuigt van hunne inwendige kracht. Zij gevoelden zich geroepen om iets groots te -worden. Zij geloofden, daarom vergaderden zij.

3. Betere vooruitzichten sedert de inneming van den Briel door de Watergeuzen.

De dageraad der vrijheid verscheen met de inneming van Den Briel door de Watergeuzen, 1 April 1572. Welk eene heuchelijke gebeurtenis! Nauwelijks was het gerucht daarvan tot in de oorden der ballingschap doorgedrongen of de uitgewekenen gingen er aan deuken, op te breken uit hunne tijdelijke woonplaatsen en naar het vaderland terug te keeren. Immers, waar het juk van Alva werd afgeworpen, daar trad ook de Gereformeerde kerk openlijk op.

Zulks geschiedde het eerst in Den Briel. De Watergeuzen waren er nu juist de mannen niet naar, om bezadigd te werk te gaan. Die woeste zeeschuimers hadden er smaak in, kerken te schenden, beelden te breken, priesters te mishandelen en kloosters te berooven. In strijd met den lastbrief, die voorschreef, niemand hinder, letsel of stoornis aan te doen, veroorloofden zij zich hier en daar grove buitensporigheden. Toch werd hunne komst als een begin van verlossing beschouwd en in ongeloofelijk korten tijd sloten een aantal steden zich bij de Brielsche Watergeuzen aan. Eeeds den gden April was Ylissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen, Enkhuizen volgde, Zalt-Bommel trad ook toe, straks Oudewater, Gouda, Leiden , Dordrecht, Gorinchem, Delft, den Haag en Schoonhoven. Weldra ontplooiden al de West-Eriesche steden de Geuzenvlag. Hetzelfde geschiedde met de meeste steden in Zeeland, Overijssel, Gelderland en Friesland ,

-ocr page 129-

127

Het was of de burgerij slechts op de roepstem van Den Briel gewacht had, om op te staan en aau den hertog van Alva den oorlog te verklaren.

En overal, waar die omwenteling plaats greep, daar trad ook de Gereformeerde kerk openlijk op. De gevluchte leeraars werdeu teruggeroepen. Nieuwe leeraars zocht men te verkrijgen. Kon men ze niet voor goed aan eenige plaats verbinden , dan leende men ze tijdelijk van elkander. De vroedschappen namen de kerkgebouwen in bezit en stonden ze aan de Gereformeerden ten gebruike af. Van het bedienen der mis mocht geen sprake meer zijn. Het volk, dat thans op den voorgrond trad, wenschte vrijheid niet alleen van het juk van Alva maar ook van dat van Eome. Plet duldde de geestelijken, die aan den paus getrouw bleven, wel in zijn midden, maar onder beding van zich stil te houden en volstrekt niet met den vijand te heulen. Den 19den Juni 1572 kwamen de Staten van Holland binnen Dordrecht bijeen en verbonden zich tot voortzetting van de heilige zaak. Prins Willem werd tot wettig stadhouder van Holland en Zeeland uitgeroepen en tevens als beschermer en hoofd des volks erkend. En deze, die zich reeds zoovele opofferingen voor de zaak des volks had getroost, die zijne kleinodiën, zijn zilverwerk en huissieraad te geld had gemaakt maar tot dusver in zijne krijgsondernemingen tegen Alva ongelukkig was geweest, greep met geestdrift de taak, hem opgedragen, aan.

Hij verzamelde troepen en viel daarmee in de zuidelijke Nederlanden. Zou hij de steden in het Zuiden niet kunnen bewegen om het kloeke voorbeeld, door het Noorden gegeven , na te volgen? Hij hoopte het, want hij had nog altijd goede verwachting van het Brabantsche en Ylaamsche volk. Reeds is Roermonfl veroverd, Mechelen, Dender 111onde, Oudenaarde, zijn ingenomen, Gent, Brugge , Brussel zelfs schenen gunstig gezind, toen plotseling uit Frankrijk als een donderslag de tijding overkwam, dat de Protestanten in den vreeselijken Bartholomeusnacht vermoord waren. Het was, of die tijding-de opgewekte geestdrift op eenmaal uitdoofde. Prins Willem's

-ocr page 130-

128

troepen waren door schrik bevangen en tot verdere onder-nemingeu volstrekt onbekwaam. De veldheer werd tot den aftocht gedwongen en zag in weinige dagen de vrucht van zijn krijgstocht verloren gaan. Al de steden van Henegouwen, Brabant en Vlaanderen werden weer door Alva's troepen ingenomen en, uit gebrek aan die taaie veerkracht, die den Geuzen van Holland en Zeeland eigen was, gingen ze voor de zaak der vrijheid verloren.

De prins moest zich, na zijne troepen afgedankt te hebben, naar Noord-Holland begeven en een tijd laug te raidden der burgerij van Enkhuizen vertoeven. Vandaar reisde hij over Haarlem naar Delft en vestigde zich in laatstgenoemde plaats als stadhouder. Maar ach, welke Jobstijdingen werden hem daar geboodschapt! Zutfen en Naarden door de Spaansche troepen op het allerwreedst uitgemoord , Overijssel, Gelderland en Friesland geheel in hunne handen, terwijl steden als Utrecht en Amsterdam nog steeds aan Alva's zijde bleven, en eindelijk Haarlem, na een langdurig beleg en groote dapperheid van de zijde der burgerij, voor den Spanjaard bezweek ! In die benauwde tijden richtte Jhr. Diderik Sonoi tot den prins de vraag, of hij niet raet eenige groote mogendheid een vast verbond gesloten had, om de Nederlanden uit dezen nood te redden. Daarop volgde dit treilend, uit het diepst van een godvruchtig hart gewelde antwoord: „gij vraagt naar mijne verbintenis met andere vorsten! Vóór het aanvaarden van den strijd heb ik een vast verbond met den Potentaat der Potentaten aangegaan, niet God almachtig, die nooit zijne dienaren teleurstelt en gewisselijk zijne en hunne vijanden te schande maakt.quot;

Het was omstreeks denzelfden tijd, dat prins Willem openlijk tot de Gereformeerde kerk overging en zich nog in nauwere betrekking dan vroeger tot de zaak van Holland en Zeeland stelde. quot;Wie gevoelt niet, dat hij daardoor des te dierbaarder aan zijne onderdanen werd! Zij hingen hem aan als hunnen vader en stelden onbeperkt vertrouwen in zijn edel karakter. Vader Willem noemden zij hem. Vader Wil-

-ocr page 131-

129

lein „dat edel bloed„die vader excellentquot; zoo heette hij èu toen èn later in de volkszangen.

Waren die tijden gekenmerkt doer de allergruwelijkste wreedheid van de Spaansche soldaten, ook door de Watergeuzen en het krijgsvolk van den prins is meermalen wreedheid gepleegd; en indien de lloomschen beweren, dat de Geuzen onverantwoordelijke daden verricht hebben, kunnen wij hen niet geheel ongelijk geven. Barbaarsch was de handelwijze der Geuzen met de 17 priesters, die hun te Gorin-chem in handen vielen en die zij op den 8stei1 Juli 1572 in Den Briel ter dood gebracht hebben. Afkeurenswaardig was de handelwijs van den graaf Van der Mark, heer van Lumei, die te Schoonhoven twee monniken liet worgen en den hoog bejaarden Delftschen pastoor Cornells Mulste Leiden ophangen, verfoeilijk de daad van Michel Krok, een van Lumei's ondergeschikten, die eenen priester neus en ooren afsneed en na vele mishandelingen eindelijk liet onthalzen. Hetzelfde ongunstige oordeel spreken wij uit over de soldaten van prins Willem, als zij te Roermond eenige oude priesters vermoordden en te Ondenaarde zestien geestelijken met gebonden handen en voeten in het water wierpen. Zulke barbaarsch-heden schandvlekken de mannen, die ze bedreven! Maar als Roomsche schrijvers onzer dagen die enkele wanbedrijven gelijk stellen met al de wreedheden op last der Inquisitie aan de Protestanten aangedaan, dau zijn wij verplicht daartegen op te merken, dat er een groot onderscheid is tusschen het eene bedrijf en het andere.

De Inquisitie moordde uit beginsel en op grond van kerkelijke wetten, maar de Geuzen deden liet uit hartstocht, in strijd met de ontvangen bevelen en dikwijls uit weerwraak. Welke uitgezochte folteringen hadden zij zei ven verduurd! welk een ellendigen dood hadden zij hunne liefste betrekkingen zien sterven! Geen wonder, dat de zucht naar wraak de ziel der woeste- krijgslieden iu vlam zette en hen het „oog om oog, tand om tandquot; in toepassing deed brengen. Het waren vreeselijke tijden: wat was er toen van den krijgsmansstand te wachten.

9

-ocr page 132-

130

4. De eerste Gereformeerde synode op vader-landschen bodem te Dordrecht 1574.

Welkom is ons die eerste synode te Dordrecht, zoo spoedig na de inneming van Den Briel. In 1571 vergaderden de afgevaardigden der Gereformeerde kerken nog buiten onze grenzen, en 16 Juni 1574 reeds te Dordrecht. Zoo was dan de dag der vrijheid gekomen. Op de vreeselijke gebeurtenissen, die wij vermeldden, waren gunstiger omstandigheden gevolgd. Had Haarlems burgerij, in weerwil van hare dapperheid, zich aan den Spanjaard moeten overgeven, niet alzoo die van Alkmaar. Van Alkmaar begon de victorie, Noord-Holland bleef zijne onafhankelijkheid met goed gevolg verdedigen. De Spaansche vloot op de Zuiderzee werd door de schepen der Geuzen overmeesterd, en nog voor het einde des jaars 1573 werd de blijmare vernomen dat de hardvochtige hertog van Alva met zijnen handlanger De Vargas voorgoed het land zouden verlaten. Dat vertrek van Alva schonk aan ons volk verademing, en al deed ook zijn opvolger don Eequesens nieuwe pogingen om het geschokt gezag van Spanje te herstellen, de leidslieden der Gereformeerde kerken begrepen thans niet langer te mogen dralen met het bijeenroepen van eene synode, die orde op de zaken der gemeente moest stellen.

De stad Dordrecht werd tot plaats van samenkomst gekozen, maar niet, even als Einden, voor de vertegenwoordigers van binnen- en buitenlandsche kerken. Het zou thans slechts eene synode der Hollandsche en Zeeuwsche kerken zijn. Deze kerken, vertegenwoordigd door een klein getal afgevaardigden ouder voorzitting van denzelfden Van der Heijde, die ook in de synode te Einden voorgezeten had, bleven van 16 tot 28 Juni 1574 bijeen. Het was hun niet te doen om, zooals de Emdensche synode gewild had, Oost-Eriesche, Paltzische. Kleefsche en Engelsche kerken nauwer aan elkaar te verbinden, maar zij bepaalden zicli tot hunnen eigen kring en verdeelden Holland en Zeeland in 14 klassen. De ge-

-ocr page 133-

131

loofsbelijdenis van Guido de Bres werd als formulier van eenheid aangenomen en de Huidelberg'sclie Catechismus als leerboek erkend. Overigens hielden zij rekening met de oinstan-digheden des tijds en toonden een open oog te hebben voor de behoeften van stad en land. Bestond daar leitelijk nog de Koomsche kerk met hare priesters en heiligdommen, het was hun streven, tegen het pausdom op te treden. Diep in het gemoed des volks zochten zij de overtuiging in te prenten dat de Gereformeerde kerken lijnrecht tegen de schepselver-goding en het uiterlijk vertoon des pausdoms overstaan.

Te betreuren is het dat zij deze denkbeelden niet hebben zoeken uit te drukken in hout en steen. Zij hadden zeiven kerken moeten bouwen en daarbij te rade gaan met de behoeften van hun geloof. Na bleef hun niet anders over dan zich te behelpen met veel te groote, voor het gehoor ondoelmatige gebouwen. Zij vergenoegden zich met de voormalige Koomsche kerken. Een Gereformeerde Bouwstijl is er nooit ontstaan.

Hadden zij voor de bouwkunst geen oog, anders was het gesteld met de zorg voor de leer en den eeredienst. Van monniken en priesters, die predikanten wilden worden, werd eene openlijke afzwering van de Koomsche leer geëischt, de bevestiging door het opleggen der handen, als tot bijgeloof leidend, afgeschaft, de in zwang zijnde avondbiduren, als riekend naar den Koomschen vesper verboden, lijkpredikatiën en gebeden bij begrafenissen afgekeurd, orgelspel bij het psalmgezang niet toegelaten, feestdagen, behalve den Zondag, evenmin veroorloofd. Doop, Avondmaal, godsdienstoefening — alles zooveel mogelijk vereenvoudigd. Het volk moest kunnen gevoelen en tasten, dat het Gereformeerde geloof geheel iets anders is dan het Koomsche : de hoogste eenvoud in de vormen van den eeredienst tegenover Rome's pracht en praal, de strengste opleiding tot geestelijke aanbidding tegenover Koine's zinnelijke godsvereering.

Niet minder streefden de synodale mannen van 1574 naar eenheid in leer en belijdenis. Zij eischten dat leeraars, ouderlingen en diakenen het formulier van eenheid zouden

-ocr page 134-

132

oaderfceekeueu, dat ook de schoolmeesters zulks zouden doeu. Immers zij meenden, dat zulk eeue eenheid noodig was om de Gereformeerde kerken groot en krachtig te maken. Overigens wenschten zij de gansche kerk te besturen zonder inmenging der regeering. Zij verlangden naar eigen keus leeraars te benoemen en ook iu het kiez,èn van afgevaardigden naar classis en synode volkomen vrij Ie zijn. Het vervolg der geschiedenis doet echter zieu, dat deze volledige onafhankelijkheid van de regeering niet zoo voetstoots is toegestaan. Neen, de Staten des lands waren bevreesd voor de al te groote macht der kerkelijke collegiën. Het stuitte hun tegen de borst, dat de consistoriën de kerkelijke tucht dikwijls met niets ontziende gestrengheid uitoefenden. Het wekte tegenzin dat de predikanten opeidijk van den predikstoel de leden van de vroedschap allerscherpst bestraften. Vandaar dat de Staten zich verplicht achtten, kerkelijke wetten naar hunnen smaak te ontwerpen om de heerschzucht der kerkelijke mannen tegen te gaan. Jammer, dat er zulk een strijd der partijen ontstond, maar toch ook goed dat beiden zoo standvastig ijverden voor hetgeen zij het beste keurden; want zoo doende heeft de eene de andere bedwongen en zijn zij in den regel voor uitersten bewaard.

Doch het was in 1574 nog de tijd niet om over de verhouding tusschen Kerk en Staat een goed oordeel te vellen; het was oorlog met Spanje. Datzelfde jaar had reeds in April de tijding gebracht van Lodewijk van Nassau's neerlaag op de Mookerheide en in Mei van Leiden's tweede beleg.

5. Stichting van de Leidsche hoogeschool.

Terwijl de Gereformeerde gemeenten steeds in aantal toenamen, nam ook de behoefte aan bekwame en wel ouderwezen leeraars toe. In den beginne toch waren het meestal ongeletterde mannen zooals mandenmakers, wevers, glasschilders enz. Het ontbrak zulken predikers geenszins aan geestdrift en zeggingskracht. Zij boeiden de schare vaak onweer-

-ocr page 135-

133

staaubaar aan limine redenen; maar, hoe tiituemend Imnne gaven waren, op den duur bleken zij onvoldoend te zijn. Er was ook godgeleerde wetenschap noodig eu algemeene ontwikkeling des geestes, zoouls alleen liet academisch onderwijs die geven kan. En waar die te zoeken? Te Leuven was wel eene godgeleerde school gevestigd, maar de lessen, daar gegeven, waren uitsluitend lloomsch en konden slechts tot opleiding van Eoomsche priesters dienen. In het Noorden moest de plek aangewezen worden, geschikt om eene school voor godgeleerden te stichten. Die plek is gevonden te Leiden. Vier maanden na het heuchelijk onzet der lang belegerde stad is daar, 8 Eebruari 1575 , de hoogescliool gesticht.

Reeds vóór dien tijd was van het oprichten eener hoogc-school in Holland sprake geweest. Het was echter bij voornemens gebleven. In December 1574 trad Gouda bij de Staten te voorschijn met verzoek om zulk eene school binnen hare muren te vestigen. Zij verklaarde zich tot groote opofferingen bereid. Welwillend werd dit verzoek door de Staten opgenomen, maar toch na rijp beraad afgewezen. Geene burgerij, die zooveel aanspraak op dit voorrecht had als die van Leiden , nadat zij zoo standvastig den nood en den last des oorlogs had verduurd ; en de prins van Oranje , die aan de Leidenaars had beloofd: ik zal aan u, uwe kinderen en kindskinderen denken, drong dan ook ten sterkste op de keus van Leiden als academiestad aan.

Aldaar werd dus eene vrije school gesticht, niet slechts voor één vak van kennis maar ten dienste van de wetenschap der Godheid, des rechts, der medicijnen, der philosophie en der doode talen. De wetenschap der Godheid wordt het eerst genoemd, en zonder twijfel lag het in de plannen van den prins om daarmede aan de behoefte der Gereformeerde kerken te gemoet te komen. Voortaan zouden de aanstaande leeraars te Leiden wetenschappelijk gevormd worden.

8 Februari 1575 trok een schitterend uitgedoste stoet langs de voornaamste straten. Eerst eene koets, waarin eene vrouw in 'twit, vertoonende de TI. Schrift met de vier

-ocr page 136-

134

Evangelisten nevens zich, dan Justitia te paard, omstuwd door vier rechtsgeleerden, vervolgens Medicina met vier beroemde geneeskundigen , eindelijk Minerva, tusschen wijsgeeren en dichters in, terwijl Apollo en de negen Muzen volgden. Deze zinnebeeldige optocht getuigde van hetgeen de hooge-school eenmaal voor de wetenschap worden moest. In de Pieterskerk werd voorts ecne godsdienstige toespraak en een plechtig gebed gehouden, en daarmede de nieuwe school aan de hoede des Allerlioogsten aanbevolen.

Men stelle zich evenwel niet voor, dat er reeds van den aanvang af een voldoend getal hoogleeraars te vinden was, noch dat er eene groote menigte van jongelieden te Leiden samenvloeide! Hoe zou zulks in die zorgelijke, ja bange tijden mogelijk zijn geweest! Of trok de Spanjaard in 1575 niet moordend en plunderend het land door! Hij verwoestte Noord-Holland, wendde zich naar Gelderland om Buren in den brand te steken, overviel Oudewater en moordde dat uit, nam Schoonhoven in, kreeg de schansen bij Krimpen en Papendrecht in bezit en heroverde geheel Zeeland. De toestand werd zoo wanhopig, dat de Prins, die anders niet spoedig den moed verloren gaf, den daarop volgenden winter den voorslag deed, om dijken en dammen door te steken, met vrouwen, kinderen en tilbare have scheep te gaan en elders een nieuw vaderland te zoeken.

Hoe zou zich in die dagen de pas gestichte hoogeschool in grooten toevloed van jongelieden hebben kunnen verheugen ! Neen , dan moesten er eerst betere tijden aanlichten. En toen die kwamen, is de krachtige ontwikkeling der hoogeschool ook niet achtergebleven. Daaraan heeft gedurende een tiental jaren medegewerkt de beroemde hoogleeraar Eranciscus Junius, Eransch edelman van geboorte, leerling van Calvijn en sedert 156fi als welsprekend prediker te Antwerpen en elders bekend. Hij verhaalt in zijn levensbericht, hoe hij, opgevoed door lieden, die met God en goddelijke dingen den spot dreven, eens het Nieuwe Testament had opengeslagen en bij de woorden bepaald werd Joh. 1 vs. 1 „in den beginne was het Woord.quot; „Ik las,quot; zoo beschrijft hij

-ocr page 137-

135

het gebeurde „een deel van dat hoofdstuk en werd zoo ontroerd , dat ik terstond de goddelijkheid van het daar geschrevene gevoelde en zijne alle nienschelijke welsprekendheid te boven gaande majesteit. Mijn lichaam beefde, mijn gemoed was ontsteld, den gauschen dag was ik zoo aangegrepen, dat ik niet meer wist, wie ik was. Gij, o Heer mijn God, Gij zijt mijner gedachtig geweest in uwe grondelooze barmhartigheid en hebt liet verloren schaap tot uwe kudde teruggebracht.quot; Aan een man, die zulk een gevoel had voor de verhevenheid der Heilige Schrift en die haren leveuwekkenden inhoud zoo diep in zich had opgenomen, werd de vorming der studenten in de godgeleerdheid toevertrouwd. Mochten van zijn onderwijs geene gezegende vruchten verwacht worden ?

Vooral sedert de stichting van het Staten-College in 1593 nam het aantal studenten toe. Dat college verschafte aan 30, later aan 60, jongelieden van goeden aanleg doch van weinig bemiddelde ouders huisvesting en opleiding tot het leeraarsambt. Het heeft jaren lang te Leiden bestaan en een groot aantal leeraars aan de kerk geleverd. In het tijdperk, waar wij ons mee bezig houden, was daarvan echter uog geene sprake. Toen waren de leeraars nog meestal uitgewekenen, die teruggeroepen werden, of ook wTel pastoors, die tot de Gereformeerde leer toetraden of, zooals wij in den aanvang van dit hoofdstuk zeiden, ongeletterden. Thans evenwel was er eene hoogeschool gesticht en daarmede het uitzicht geopend op den toevoer van wetenschappelijk ontwikkelde mannen.

6. De Pacificatie van G-ent in verband, met kerkelijke zaken.

Intusschen, al hield onder nameloos lijden de Gereformeerde burgerij van Holland en Zeeland de Geuzenvaan omhoog, prins Willem richtte nog menigmaal zijn blik naar het Zuiden. Moesten dan die schooue gewesten voor zijne vlag verloren gaan ? moesten Ylaanderen, Antwerpen, Henegouwen geheel en al Spaansch worden ? was zooveel edel martelaarsbloed ver-

-ocr page 138-

136

geefs geplengd! Kon Noord en Zuid niet vereenigd zijn? waren er geene gemeenschappelijke belangen meer? Wel zeker die belangen waren er, en zij zouden ten nutte van de zaak der vrijheid aangewend worden, zoodra liet slechts mogelijk was. Het geschikte oogenblik daartoe was de dood van don Requesens en de muiterij der Spaansche soldaten. Toen die woeste benden, klagend over wanbetaling, het platte land van Vlaanderen brandschatten, de steden bedreigden , Maastricht en ten laatste ook Antwerpen met gruwelen van roof en moord vervulden, toen werd uit eenen mond de vraag vernomen: waarom dat vreemde krijgsvolk niet uit het land gedreven? Waarom ons niet vereenigd tot geineenschappelijken strijd? Van deze stemming des volks werd door den Prins gebruik gemaakt en na langdurige onderhandeling kwam op 8 November 1576 de Paciticatie van Geut tot stand, waarbij Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, eenige steden in Namen, Mechelen en Utrecht zich met Holland en Zeeland — uitgezonderd Amsterdam, Haarlem, en andere plaatsen, die nog in de macht des Spanjaards bleven — vereenigden, om de vreemde soldaten ïiit te drijven en de algemeeue Staten te verzoeken, orde op 's lands zaken, inzonderheid op den godsdienst, te stellen.

Hoe verheugde zich prins Willem in het sluiten van dit verbond! Het verlevendigde het uitzicht op verbroedering van al de Nederlandsche gewesten. Voortaan zonden zij gezamenlijk strijden tegen den gehaten Spanjaard en des te grooter kans op zegepraal hebben. Wel moest er eene bepaling worden opgenomen dat de Roomsche godsdienst zou gehandhaafd blijven, maar dat betrof Holland en Zeeland niet. Deze beide gewesten, voor zoover zij niet Spaansch waren, konden vrijelijk voortgaan het Gereformeerde geloof te belijden. Voorts zouden de door den hertog van Alva verbeurd verklaarde goederen aan de oorspronkelijke eigenaars teruggegeven worden. De Prins werd dus in het bezit van zijne goederen hersteld; desgelijks de graaf van Culemborg eu een aantal andere Nederlanders. En wat vooral van groote be-teekenis was — de bloedplakkaten werden geschorst. Onder-

-ocr page 139-

137

zoek naar iemands geloofsovertuiging zou vooreerst niet meer worden gedaan. Men moest slechts in liet oog houden, dat, met uitzondering van het grootste deel van Holland en Zeeland, de Eoomsche kerk nog steeds de volkskerk was, tegen welke niets vijandigs mocht ondernomen worden.

Dit verbond tusschen het Noorden en liet Zuiden was werkelijk velen ten zegen en bracht eene menigte uitgewekenen terug in het vaderland. Jammer slechts dat de spanning tusschen lioomsch en Onroomsch liet heeft doen uiteenspatten. Iedere partij maakte zich op hare beurt aan overtreding van de vastgestelde bepalingen schuldig. De Staten van Holland en Zeeland legden aan de Roomfchen allerlei moeielijkheden in den weg. Zij wilden slechts die Roomschen toelaten, die beloofden geene andere religie te zullen uitoefenen , gebruiken of invoeren dan die door de overheid openlijk werd toegelaten; en daar deze het Gereformeerde geloof verdedigde, werd het verblijf in de meeste plaatsen van Holland en Zeeland aan de trouwe aanklevers van het pausdom onmogelijk gemaakt. Dat was prins Willem althans zeer slecht naar den zin!

In liet Zuiden roerden zich inzonderheid de vroeger uitgewekene en thans wederkeerende Gereformeerden. Zij eischten volledige vrijheid van belijdenis. Zij vonden het ergerlijk, dat er te Brussel eene Unie gesloten werd tot handhaving van het Roomsche geloof. Zij morden en klaagden luid. Hunne stemming werd nog ongunstiger, toen in Juni 1577 zekere kleedermaker Pieter Panis te Mechelen ter dood veroordeeld werd, omdat hij eene Gereformeerde preek had bijgewoond. Een doodvonnis om des geloofswil en dat terwijl de uitvoering der plakkaten was geschorst! De volksmenigte kwam in de heftigste beweging; zij verwachtte dat het uitgesprokene vonnis zou ingetrokken worden, maar welk eene moeite ook werd aangewend, alles te vergeefs. Pieter Panis werd in het openbaar onthalsd.

Is het vreemd, dat de oude bitterheid in volle kracht te voorschijn trad? De uitgewekene maar teruggekeerde burgers waren hun vroeger lijden nog niet vergeten. Zij dreigden

-ocr page 140-

138

Immie Koomsclie overheid en mntigdeu zieli allerlei vrijheden aan. In Gent hielden zij vergaderingen van vier, vijf, zes honderd menschen op onderscheiden plaatsen. Te Antwerpen werden de scherpe ordonnantiën der overheid in den wind geslagen. Zelfs te Amsterdam, tot dusver zoo getrouw in het handhaven van het Eoomsche geloof, werden in die troebele dagen schout en wethouders uit de stad geleid ouder den uitroep: „voert ze naar de galg, daar zij zoo menigeen aan geholpen hebben.'quot; De kerken werden in Mei 1578 aan de liooinsche geestelijkheid ontweldigd en door de Gereformeerden ingenomen. Drie dagen later had datzelfde tooneel ook te Haarlem plaats, waar in het woest gedrang binnen de muren der Groote Kerk zelfs een priester doodgeslagen werd. Zoo handelden de verbitterde en opgewonden Gereformeerden. Ergernis van weerszijden! Toen werd na eiude-looze onderhandelingen door den prins van Oranje eeu ontwerp van Geloofsvrede aangeboden, volgens hetwelk alle mishandeling ter zake van den godsdienst zou vergeven eu vergeten worden, terwijl een ieder vrij zou blijven om naar het hem geschonken inzicht God te dienen. In het benoemen van overheidspersonen zou er niet op geloofsgezindheid maar alleen op bekwaamheid gelet worden. Buiten Holland en Zeeland zouden de Gereformeerden de Eoomsche heilige dagen door het sluiten hunner winkels en het doen stilstaan van handwerk en koopmanschap vieren; terwijl overal, op verzoek van honderd burgers, hetzij Gereformeerde, hetzij Koomsche, godsdienstoefening zou moeten toegelaten worden.

AVie erkent in dat staatsstuk niet een milden, edelen, verdraagzamen geest? Geheel eu al de geest van prins Willem, die er altoos op had aangedrongen, dat er vrijheid van godsdienst zoowel voor Koomschen als voor Onroomschen zou zijn eu de openbare kerken evenzeer aan de eersten als aan de laatsten zouden ingeruimd worden. Maar zijne denkbeelden vonden nog geen weerklank in de harten zijner tijdgenooten. De ijverige lloomschen wilden er op geenerlei manier van hooren of spreken. Hunne kerk was de alleenzaligmakende en duldde geene andere nevens zich. De ijverige Gerefor-

-ocr page 141-

139

meerden dacliteu, wel beschouwd, evenzoo, want zij hielden staande dat de eere Gods niet gedoogde, openlijk den af-godsdienst der Roomschen toe te laten.

Niemand, die zoo heftig tegen den Prins uitvoer als Da-thenus, destijds leeraar te Gent. Hij strooide uit dat de Prins een man was, die om God noch godsdienst gaf maar van staatsbelangen en staatkundige berekeningen zijnen afgod maakte. „Ik hebquot; zoo verklaarde Dathenus, „nergens in de Schrift of in de kerkelijke historie gelezen dat een christelijk vorst ooit de openlijk uitgeroeide afgoderij weer in eere hersteld heeft of die met een goed geweten in eere herstellen kan.quot; Overal, waar de staten Uoomsch, waren, weigerde men den godsdienstvrede in te voeren, en waar de overheid Gereformeerd was , deed men het evenmin, üe heftigste tooneelen hadden er te Brussel, Gent en andere steden en dorpen plaats. Plundering, gevangenneming en wat niet al. Helaas, het werd met eiken dag duidelijker, dat er van gemeen-schappelijken strijd tegen Spanje niets kou komen. Het Zuiden en het Noorden zouden elk huns weegs moeten gaan. Het Zuiden was grootendeels Roomsch en zag naar een lloom-schen beschermer uit. Het Noorden, met name Holland en Zeeland, was grootendeels Gereformeerd en schaarde zich om prins Willem heen, en deze behoorde krachtens zijne eigene belijdenis en geheel zijn verleden aan het Noorden toe.

7. De Synode der Gereformeerde kerken te Dordrecht in 1578.

Terwijl de klove, die er tusschen Eoomsch en Ouroomsch gaapte, hoe lange!1 zoo dieper werd, sloten de Gereformeerde kerken in Holland en Zeeland zich des te nauwer aaneen en ziende op de uitbreiding, door de Pacificatie van (jent verkregen en o]) de aanwinst van zulke aanzienlijke steden als Amsterdam en Haarlem, gaven zij uitvoering aan vroeger genomen besluiten en riepen eene synode bijeen.

Het zou ditmaal niet een provinciale maar eene generale zijn. Afgevaardigden uit Brabant, Vlaanderen, Gelderland ,

-ocr page 142-

140

Friesland, Holland en Zeeland zouden zitting daarin hebben. Het was tocli zonneklaar, dat riich in al die gewesten talrijke gemeenten gevestigd hadden. Eeeds waren vele kerkgebouwen openlijk in bezit genomen. De zaken waren evenwel nog niet overal naar wensch geregeld, en hoe armelijk werd bij gebrek aan leeraars in den dienst des woords voorzien. Waarlijk raad en voorlichting hadden de consistoriën noodig en de generale synode, die van 2 tot 18 Juni 1578 te Dordrecht zitting hield, deed geen overtollig werk, toen zij de inwendige aangelegenheden der kerk met zorgvuldigheid behandelde, en op de leer, den eeredienst, het bestuur en de tucht goede orde stelde.

Haar voorzitter was Petrus Dathenus, de welbekeude Calvinist, de krachtige ij veraar voor het geloof.

In hoofdzaak bevestigde deze synode, wat reeds vier jaren vroeger in dezelfde stad besloten was. Zij behield de geloofsbelijdenis van Guido de Brés als formulier van eenheid, en drong er krachtig op aan, dat er bij de aanstelling van leeraars, waaronder vele voormalige pastoors, zou toegezien worden, of zij wel zuiver en bestendig waren in de Gereformeerde leer en oprecht van leven. De psalmberij ining van Dathenus werd bij voortduring in gebruik gehouden. Men denke evenwel niet, dat Dathenus in zijne hoedanigheid van voorzitter dit besluit heeft doorgedreven, want hij was zelf met zijne berijming weinig ingenomen en erkende dat zij in grooten haast vervaardigd , ja, als eene ontijdige geboorte hem afgedwongen was. Het gebruik der orgels werd ook op deze synode afgekeurd, eveneens het klokgelui bij sterven en begraven. Waalsche en Nederlandsche kérken werden wegens de verscheidenheid der talen, wat haar bestuur aangaat, van elkander afgescheiden, alhoewel zij in de leer eenstemmig bleven. Ook was de aandacht der vergadering bijzonder gevestigd op de samenstelling van kerkelijke geschriften. Eene historie der Nederlandsche hervorming, eene volledige uitgaaf van het boek der martelaren, eene verbeterde vertaling van Calvijn's institutie, het drukken van traktaatjes en boven alles het uitvaardigen van eene zuivere bijbeloverzetting werd ver-

-ocr page 143-

141

langd. Iu het kort, er werd op deze synode eeue kerkordening ontworpen, die waakzaamheid en leven, samenhang en eenheid in het gansche lichaam der Gereformeerde kerken bevorderen moest.

Vraagt men, of deze synode, die zich de nationale synode der Nederlandsche, Duitsche en Waalsche kerken zoowel iu-als uitlandsche noemde, werkelijk uit afgevaardigden van al die lauden was samengesteld? Uit Kleefslaud waren twee Gereformeerde leeraars gekomen, Dathenns was afgevaardigd uit den Paltz, maar de overigen waren allen uit de Nederlandsche gewesten. Het verband tusschen de wijd uiteen verspreide kerken, dat in 1571 te Emden met zorg gelegd was, werd dus in de samenstelling dezer synode wel niet geheel uit het oog verloren, maar het bleek toch reeds bij deze gelegenheid, dat de Gereformeerde kerken zich in de Zuidelijke Nederlanden sdles behalve krachtig ontwikkelden.

De stedelijke overheid van Dordrecht ontving de synodale mannen hoffelijk en bewees hun achting, en liefde. 13ij het regelen van de verhouding tusschen Kerk en Staat hield de Synode het beginsel in het oog, dat de kerk meesteresse in haar eigen huis behoort te zijn. Toch was zij niet vijandig jegens de Staten gezind, maar willigde in sommige opzichten hunne wenschen in, en bood eindelijk de op schrift gestelde kerkorde aan de heeren aan, die vriendelijk bogen en betuigden: „als wij haar willen zien, zullen wij er u wel om vragen.quot;

Tijdens de vergaderingeu der synode bevond de prins van Oranje zich voortdurend in de Zuidelijke Nederlanden. Met groote vreugde had men hem in 1577 te Antwerpen, te Brussel en te Gent ontvangen, ja, iu deze laatste stad met den geloofsheld Judas den Maccabeër vergeleken en door huldebetoon des volks verheerlijkt. Tot Ruwaard van Brabant was hij uitgeroepen en hooger nog zou hij geklommen zijn, had de ijverzucht der groote heeren zulks niet verhinderd. Deze wilden niet jbeneden hem staan. De Prins, eigenlijk slechts de zoon van een Duitschen Graaf uit Dillenburg; en zij ... de machtige heeren, hertogen. prinsen uit Brabant en quot;Vlaanderen. Liever den aartshertog Matthias of den hertog

-ocr page 144-

142

van Anjou met liet algemeen staclliouderschap bekleed dan den prins van Oranje! Ziedaar de oorzaak, waarom de verdere bemoeiingen des prinsen in de Zuidelijke Nederlanden met onvruclitbaarheid geslagen werden. Bovendien was de talrijke partij der Gereformeerden te Gent onder aanvoering-van den heer .lohan van Hembijze, een het'tigen volksleider, alle palen te buiten gegaan en had zich aan allerlei buitensporigheid overgegeven. l)at kon van de zijde der tegenpartij, die zich Malcontenten noemden, niet ongewroken blijven en er brak in hetzelfde jaar 1578 in Vlaanderen eene soort van burgeroorlog uit, waarin de partij der Gentenaars het onderspit dolf.

Van dien tijd af beraadslaagden de Roomsche Staten over liet sluiten van eene nieuwe Unie. Den ö11611 Jan. 1579 werd deze Unie, onder de leiding van den nieuwen Spaanschen landvoogd, Alexander Faruèse, hertog van Panna, te Atrecht gesloten. Volgens deze overeenkomst zou de Eoomsche godsdienst gehandhaafd blijven maar tevens de uitvoering der plakkaten geschorst. Voorts beloofde de koning van Spanje aan allen, die tot dat verbond toetraden , algeheele vergiffenis en herstelling der vroegere privilegiën.

De Zuidelijke Nederlanden lieten zich, helaas, voor deze overeeukomst winnen. Zij bogen zich op uieuw onder het Spaansche juk. Zoo scheidden zij zich van de algemeene zaak der vrijheid af en sloten weer vriendschap met Filips II. Treurige uitslag van zooveel ernstige pogingen door prins Willem aangewend, om het Zuiden met het Noorden onder dezelfde banier te vereenigen.

8. Toestand der Eoomsche kerk in de Noordelijke Nederlanden.

Het wordt tijd nog eens liet oog op de Roomsche kerk in het Noorden te vestigen, die bij den aanvang vau Filips' regeering meer dan twee derden der bevolking uitmaakte en daaronder de deftigste en rijkste lieden. Wij vernamen reeds dat de Nederlandsche abten de besluiten des konings omtrent

-ocr page 145-

143

de vestiging der nieuwe bisdommen met tegenzin begroetten, maar hebben zij desniettemin bissclioppen gekregen ? is Utrecht een aartsbisdom geworden? Zijn er te Haarlem, te Deventer, te Leeuwarden, te Groningen, te Middelburg en te 's Hertogenbosch bisschopszetels gesticht? Dat is geschied, docli niet zonder heftige botsing en velerlei strijd. In 1561 trad volgens besluit des Konings, daartoe gerechtigd door den toenmaligen paus Paulus IV, Frederik Scheuk, heer van Touteuburg, als eerste aartsbisschop van Utrecht op, terwijl het vereischte aantal bissclioppen was benoemd geworden; maar van de zes benoemden konden voor het oogenblik slechts die van Haarlem, Middelburg en den Bosch hun ambt aanvaarden, de overigen moesten wachten op gelukkiger dagen.

Doch wanneer zouden die dagen voor de Boomsche kerk in Nederland komen? Van 15(jl tot 1566 verloor, zooals wij zagen, de Kerk dagelijks aan macht en invloed. De leer der Hervormers won allerwegen veld. Openlijk traden de hagepreekers tot onder de oogen der hooge geestelijken op. De gruwel van den beeldenstorm woedde tot in de aartsbisschoppelijke stad. Hoe diep zullen toen de Nederlandsche kerkbestuurders zijn verslagen geweest! welke eene heiligschennis in de oogen van al die mannen, die geene zaligheid buiten het pausdom kenden! de altaren, de beelden, de banieren, de schilderijen vergruisd eu vermorzeld! Op hun standpunt zuilen zij den hertog van Alva als redder hebben begroet, gezonden om de vervallen hutte Davids weder op te richten!

De hertog van Alva verleende hun zijn sterken arm. Hij hielp hen de geschonden kerken herstellen, altaren, beelden, sieradiën vernieuwen, zorgde voor het geregeld bezoldigen der bisschoppen en weldra werden de nog openstaande zetels te Deventer, Leeuwarden en Groningen vervuld. De hulp, door den hertog van Alva verleend, was slechts van korten duur. Daar treden de Watergeuzen op. Zij geven door de inneming van Den Briel het sein tot den opstand en in alle steden, waar zij bijval vinden, worden de kerken op nieuw

-ocr page 146-

144

van altaren, beelden en andere kostbaarheden beroofd en voor den dienst van het pausdom onbruikbaar gemaakt. In liet jaar 1566 was dat slooperswerk door liet onstuimig gepeupel verricht, in 1572 geschiedde liet met medeweten van de nieuw opgetreden overheid en met haar goedvinden zelfs. Het moest strekken om de kerk voor de prediking, den doop en het avondmaal der Gereformeerden in te richten. elk eene smart voor allen, die in gemoede aan het pausdom hingen! het bedienen van de mis was verboden, processiën mochten niet meer gehouden worden, heiligenbeelden werden weggenomen, kloosters moesten ontruimd en tot andere doeleinden gebezigd worden. Het deed oog en hart der oprecht geloovige lioomschen ontzettend pijnlijk aan, dat hunne lieer-lij ke kerkgebouwen, die pronkstukken der gothieke bouwkunst , zoo geheel geschikt voor hunnen weidschen, statelijken, schitterenden eeredienst, van allen tooi beroofd werden en de witselkalk de kleuren op muren, pilaren en geweiven overdekte! nergens een kruisbeeld meer, om bij te knielen; nergens een altaar om liet otter des Heeren op te dragen; geen schilderij, geen koorkleed, geen wierookvat! alles hol en ledig in de kerken! Zelfs de heerlijke Domkerk te Utrecht, de statige St. Bavo te Haarlem, de fraaie bt. Gunera te Rh enen en zooveel andere eerbiedwaardige gewrochten der middeleeuwen inwendig van allen tooi beroofd! Het viel den gemoedelijken Roomschen zwaar. Zij zagen met weemoed die kerken aan en beschouwden ze als ontzielde lichamen, lijken in een wit doodskleed gehuld, bestemd ter begrafenis.

De geestelijke goederen werden gebruikt om Gereformeerde leeraars te bezoldigen, scholen te stichten en oorlog te voeren. De afval van de Roomsclie kerk werd dagelijks grooter. Op vele plaatsen verwisselden de dorpspastoors hun koorkleed zonder lang beraad met den leeraarsmantel, /ij werden door hunne dorpelingen eenvoudig tot predikanten aangesteld. Op meer dan één plaats geschiedde het, dat de pastoor aan zijne gemeente bekend maakte: wij zullen aanstaanden Zondag de mis voor het laatst volgens de oude manier bedienen, om

-ocr page 147-

145

den daarop volgenden Zondag over te gaan tot den dienst des Gereformeerden geloofs.

Het werd met eiken dag duidelijker dat in Holland en Zeeland het pausdom van heerschende kerk, die liet geweest was, afdaalde tot den staat van verdrukte en lijdende kerk. Het aantal lloomschen werd in liet oog vallend kleiner. Don Eequesens moest reeds in 1574 verklaren, ndat de Katholieken zeer verminderden, sommigen vertrokken en dat in hunne plaats kwamen vreemde ketters, die groote naarstigheid doen om de jonkheid te verleiden en de kinderen dwingen tot hunne scholen te gaan, waar onderwijs in hunne verdoemelijke opiniën gegeven wordt.'quot;'

Aldus llequesens. De lloomschen zijn, gelijk wij zagen, nu en dan wreedaardig gepijnigd en ter dood gebracht. Voor zoover zij geduld werden, mochten zij hunnen godsdienst niet in het openbaar uitoefenen. Naar achterafgelegene plaatsen moesten zij zich terugtrekken. Hunne gemeenten versmolten, hunne bisschopszetels bleven onbezet. De aartsbisschop van Utrecht overleefde zooveel smart en ellende niet lang. In 1580 op zijn kasteel bij Wijk te Duurstede stierf hij van hartzeer en verdriet. Wel is zijn lijk naar Roomsch gebruik in de Domkerk bijgezet, maar die kerk werd toen reeds door de Gereformeerden in bezit genomen. Sedert dien tijd hield Utrecht op, de zetel van den aartsbisschop te zijn.

Een aantal Roomsche geestelijken vluchtte naar het buitenland om daar een werkkring te vinden. IJVerige leeken volgden hun voorbeeld. Velen namen dienst bij den Spanjaard en streden in de Spaansche gelederen tegen de legers der Staten. En juist dat overloopen tot den vijand heeft voor de lloomschen in Holland, Zeeland en de overige gewesten wrange vruchten gedragen , want sedert dien tijd vertrouwde men hen niet meer. De Staten zagen in hen de Spionnen van Spanje, waarvoor men steeds op zijne hoede zocht te zijn. Zij werden, en waarlijk niet zonder reden, met argwaan bejegend.

Toch is de diep vernederde en verdrukte Roomsche kerk in de Nederlanden tot heden toe in wezen gebleven, ja, zij

10

-ocr page 148-

146

heeft zich met veerkracht opgericht. 1) Wel een teeken , dat er ook in onze vaderlandsche gewesten steeds inenschen worden aangetroffen, die juist in de Koomsche kerkleer en in haar kerkpraal de meeste bevrediging van hunne godsdienstige behoeften vinden.

9. De Gereformeerde kerk sedert de Unie van Utrecht openlijk erkend als volkskerk in de Vereenigde Provinciën.

Sedert 1578 treedt graaf Jan van Nassau, eenig overgebleven broeder van prins Willem in onze geschiedenis op en wel als stadhouder van Gelderland, tot welke waardigheid liij door de Staten van dat gewest verkozen was. Met hart en ziel liet Gereformeerde geloof toegedaan, ijverde hij in Gelderland allerwege voor de vestiging van gemeenten. Hij moedigde de oproerige bewegingen der Gereformeerden aan en verheugde zich in het verbrijzelen van beelden en altaren. Onder zijn bestuur vestigden zich in Nijmegen, Arnhem, Zutphen eu Harderwijk geregelde gemeenten met eigen leeraars, terwijl plaatsen van minder omvang, zoodra er slechts leeraars opdaagden, het voorbeeld dezer steden volgden.

Was het wonder dat de Prins zijne aandacht op dezen ijveraar voor het Gereformeerde geloof gevestigd hield! In hem had hij den rechten man gevonden om een nader verbond van de noordelijke gewesten met Holland en Zeeland tot stand te brengen. Dat verbond, in vergaderingen te Arnhem, Geertruidenberg en Gorinchem aanvankelijk besproken, werd eindelijk iu December ] 578 te Utrecht voorloopig opgemaakt en den 23sten Januari 1579 in het groot Kapittelhuis van de Utrechtsche Domkerk plechtig gesloten. De verbonden staten waren Gelderland , Zutphen, Holland, Zeeland, het Sticht van Utrecht, en de Friesche Ommelanden tusschen Eeins en Lauwers. Later zijn de overige noordelijke Staten en nog eenige

1

Daarbij lette men op het gelijktijdig bestaan iu ous vaderland van de kerk der Bisschoppelijke klerezie en de Roomsch Katholieke kerk.

-ocr page 149-

147

steden uit liet. zuiden toegetreden en J3 Mei 1580 is de Unie ook dooi1 den prins van Oranje goedgekeurd.

Dat de Prins Iiooge waarde aan de Unie hechtte, blijkt uit de woorden, waarmede hij haar aanbeveelt, zeggende tot de gemachtigdeu: „onderhoudt uwe Unie wel, ziet naarstig toe dat gij niet alleen met woorden en geschriften maar inderdaad ten uitvoer legt, wat het bundelke pijlen met eénen band samengesnoerd in uw zegel (zinspeling op het wapen der Unie: de leeuw met den bundel van zeven pijlen in zijn klauw) medebrengt en beduidt.quot;

De Unie bepaalde dat de Provinciën ten eeuwigen dage verbonden zouden blijven, alsof zij maar een enkel landschap waren, onverminderd de bijzondere privilegiën, vrijheden, rechten en gewoonten van ieder landschap, stad of ingezetene. Aangaande den godsdienst luidt artikel 13 dat die van Holland en Zeeland zich zullen gedragen naar hunlieder goeddunken en de overige Provinciën zich mogen reguleeren naar den inhoud van den godsdienstvrede, of anders zulke orde zullen mogen stellen, als zij tot rust en welvaart der provinciën, steden en particuliere leden, tot behoud van hun geestelijk en wereldlijk goed dienstig achten , terwijl niemand ter oorzake van zijn godsdienst zal 'mogen achterhaald of onderzocht worden, zooals reeds in de Pacificatie ivas bepaald.

Ziedaar hoogst belangrijke bepalingen. Aan Holland en Zeeland werd nu voor goed geschonken, wat de Pacificatie van Gent slechts voorloopig had toegestaan: zij mochten ten opzichte van deu godsdienst naar liuu goeddunken handelen. En welk was hun goeddunken ? Dat behoeft niet twijfelachtig te zijn. Deze beide Provinciën vonden goed, de uitoefening der Roomsche leer, als contrarieerende met den Evangelio te doen ophouden. Zy verklaarden zich belijders van het Gereformeerde geloof. En de overige gewesten? Zij moesten overal, waar honderd Gereformeerde huisgezinnen zulks eischten, vrijheid van godsdienstoefening toestaan of zoodanige verordeningen maken, als voor rust en welvaart dieustig zouden worden geacht.

Er was dus bij de Unie van Utrecht nog wel geen sprake

-ocr page 150-

148

van eeue lieersclieiiflc leer, maar liet is zeker, dat de Gereformeerde kerken er zicli alles goeds vau mochten beloven. Zoo krachtig breidden zij zich dan ook onder den invloed dier bepalingen uit, dat reeds vier jaar later de vraag moest besproken worden^ of het niet geraden was, artikel 13 der Unie met algemeene stemmen te veranderen, aangezien alle gewesten door Gods genade de evangelisch Gereformeerde religie eendrachtelijk hadden aangenomen.

Wel is op deze vraag geeu besluit genomen, maar zij bewijst genoegzaam, tot welken kerkdijken toestand men in de Noordelijke Nederlanden gekomen was. De Gereformeerde kerk was de volkskerk geworden. De Roomsche heeft moeten zwichten, voor haar is de Gereformeerde in de plaats getreden.

Hoogst opmerkelijke uitkomst, verkregen door de taaie volharding der burgerij, de standvastige trouw van Oranje, den on wankelbaren geloofsmoed der martelaars, den ijver dei-eerste predikers en de levenskracht, die in de beginselen der Gereformeerde leer schuilt.

Levenskracht in de beginselen der Gereformeerde leer! Onwillekeurig staat men bij deze woorden stil en vraagt: wat wordt daarmede bedoeld ? de eigenaardige opvatting dei-Gereformeerde kerk aangaande Gods volstrekte souvereiuiteit en zijne vrijmachtige genade! Schuilt daarin zooveel levenskracht? Of is het verkeerd, juist in de leer de kracht dei-kerk te zoeken? In die bange jaren, toen de Gereformeerde kerk zich vestigde, zal de Godgeleerde bespiegeling toch wel niet op den voorgrond hebben gestaan! Is nochtans de Gereformeerde leer met voorliefde door een groot en krachtig deel onzes volks aangenomen, dan moet zulks vooral daaraan toegeschreven worden, dat die leer van de grondstelling uitging : de eeuige die over ons heerschen mag, is God door middel van Zijn woord. Verwonderlijke veerkracht deelde die-grondstelling aan de zielen mede; rustelooze ijver om zich te ontworstelen aan de geweldenarij van den Spaanschen koning en aan de macht van het pausdom.

Tegelijkertijd viel de inrichting van de Gereformeerde kerk bijzonder in den smaak van ons volk. Zeiven zich tot gemeenten

-ocr page 151-

149

te vereenigen, mannen uit eigen kring tot ouderlingen en diakenen le verkiezen, aan dezen de beroeping van predikanten op te dragen, geene heerschappij over elkander toe te laten, niet in rang, alleen in ambt den een boven den ander te stellen — ziedaar wat de Gereformeerde kerk volkskerk heeft doen worden, omdat die eigen werkzaamheid zich gereedelijk aansloot aan den Nederlandsehen vrijheidszin.

Wil dat nu zeggen, dat het geheele volk tot de Gereformeerde kerk is overgegaan? Neen, daar bleven altijd lloomsehe gemeenten, zij het ook met steeds verminderend zielental. In Friesland en Holland trof men voortdurend Doopsgezinden aan, en velen hunner, al mochten zij het zwaard niet voeren , ondersteunden toch de oorlogvoerende Vereenigde Provinciën met groote sommen gelds. Op eene enkele plaats, zooals te Woerden, was een Luthersche gemeente. Te Utrecht vond men in die dagen de kerk van Hnibert Duifhuis, eene kerk die geheel op zich zelve stond, en door milden, verdraag-zamen geest uitmuntte boven velen. Maar de meeste men-schen traden tot de Gereformeerde kerk toe en onderwierpen zich aan hare verordeningen. Hare belijdenis werd aan de jeugd geleerd, hare psalmen werden door de gemeente gezongen, haar geest drong in de harten door, haar stempel werd in het kerkelijk leven ingedrukt. Het volk van Noord-Nederland is een Gereformeerd volk geworden.

10. Besluit

Onze taak is afgewerkt. Wij hebben de geschiedenis der Hervorming in de Nederlanden , bepaaldelijk in de Noordelijke gewesten, geschetst. Moge onze schets den lust hebben opgewekt naar kennismaking met uitvoeriger geschriften. Immers eerst, als wij tot de bijzonderheden afdalen, beginnen de gestalten uit het verleden voor ons te leven en zich te bewegen, Dan eerst dringen wij in de diepte der historic in.

Toch kan deze schets er toe strekken om ons van den gang der gebeurtenissen een helder denkbeeld te doen verkrijgen en tot het verstaan van onze Martelaarsboeken goede

-ocr page 152-

150

diensten bewijzen. Zij maakt ons opmerkzaam op de gestadige ontwikkeling der denkbeelden en vielitingen in de zestiende eeuw en beantwoordt de vraag, boe liet komt, dat, toen in de Nederlanden de zaak der Hervorming triomfeerde, juist het Gereformeerde geloof volkseigendom is geworden.

Wij zijn gewoon den tijd, waarin wij zelven leven, een veel bewogenen te noemen en elkander af te vragen, of er wel ooit zulk een tijd van ver uiteeuloopcnde gevoelens is geweest. Maar wat getuigt de schets, die wij ontwierpen? waren er in de zestiende eeuw geeue uitersten? was er toeu geene beroering? wat predikt ons het optreden der Sacra-mentisten? wat zegt het Munstersch schrikbewind?... de beeldenstorm, de hagepreek, het gewapend verzet der Gereformeerden? waren dat geene vreemdsoortige gebeurtenissen? denkt aan Pistorius , .1 au van Leiden, Menno Simons, Merula, Datheuus; , . . waren dat geen ver uiteenloopende persoonlijkheden? De zestiende eeuw mag meer nog dan de negentiende eene veel bewogene heeten.

En iu die fel beroerde eeuw had prins Willem tot zinspreuk gekozen: Saevis trauquillus in undis, d. i. gerust te midden der woedende baren. Schoone zinspreuk, maar ook waarheid ? waarheid in zijn leven ? . . . Inderdaad , hij was gerust te midden der stormen, die loeiden. Moedig schreed hij voorwaarts, ofschoon doodsgevaren dreigden. De grond waarop hij bouwde, was een vast en onwankelbaar vertrouwen op God.

Heil ons, indien de gebeurtenissen van onzen tijd ook ons niet schokken in ons kinderlijk vertrouwen op God. Hij is

het, die het bruisen deh zeeën stilt, het kruisen harep golven en het rumoer der volken, Psalm G5 vs. 8. Hij heeft gezegd; „mijn raad zal bestaan, en ik zal al mijn welbehagen doenquot; Jesaia 46 vs. 11. Uit de Openbaring-van Johannes klinkt de stem der bazuin ons bemoedigend in de ooreu: de koninkrijken der wereld zijn geworden van onzen Heer en van zijnen Christus , en Hij zal als koning heerschen in alle eeuwigheid. Opeub. 11 vs. 15.

-ocr page 153-

1 HST lEÏ O Tjr ID.

Ulz.

INLEIDING.

Kerkelijke verschijnselen in het Idalste tijdperk der middeleeuwen. 7.

1. Geert Groote en de Broeders en Zusters cles gemeenen levens....................................7.

2. Klooster en kloostervereeniging' van Windesheim . . 11.

3. Johannes Brugman..........................14.

4. Johan quot;Wessel Gansfort......................17.

5. Mystieken, Rederijkers en Humanisten............21.

0. Overzicht van het behandelde tijdperk............20.

HOOFDSTUK I.

Tijdperk der Sacrameniisten..........................27.

1. De Augustijner monniken te Dordrecht............27.

2. Volksgeschriften van dien tijd..................29.

3. Pogingen tot hervorming in den Haag en te Delft . 31.

4. De Bijbel, moer algemeen als volksboek gebruikt . 31.

5. Plakkaten tegen de hervorming................30.

0. Het eerste doodvonnis, te Utrecht ten uitvoer gebracht. 3(J.

7. Het leven en sterven van Jan de Bakker (Pistorius). 41.

8. Verboden boeken............................44.

9. Godsdienstgesprek te Groningen................40.

10. De uitvoering der plakkaten in Gelderland, Noord-Brabant en Zeeland..........................49.

11. Terechtstellingen in Holland..................52.

12. Overzicht van het behandelde tijdperk............57.

HOOFDSTUK II.

Tijdperk der Anabaptisten............................58.

1. Anabaptisten buiten ons vaderland..............GO.

2. Anabaptisten in Nederland....................03.

3. Verdere buitensporigheden der Anabaptisten. . . . 00.

4. Nieuwe bewegingen binnen de vaderlandsche grenzen.

Einde van het Munstersche schrikbewind..........08.

5. Doopsgezinden..............................71.

0. Doopsgezinde martelaars en Doopsgezinde gemeenten. 75.

7. Merkwaardige persoonlijkheden buiten den kring der Anabaptisten..............................80

8. Overzicht van het behandelde tijdperk............84

-ocr page 154-

152

HOOFDSTUK III.

Tijdperk der Gereformeerden........

1. Gemeenten van vluchtelingen te Einden, te in den Paltz en te Wezel......

2. Koning Pilips II van Spanje en de Roomsch-Cai in de Nederlanden........

3. Gereformeerden in Antwerpen, Vlaanderen e gouwen............

4. De geloofsbelijdenis dor Gereformeerde gemee

5. Gereformeerden en hunne consistoriën in de lijke gewesten......... . . .

(5. Prins Willem van Oranje en do Nederlandsche

7. De Hagepreeken...........

8. De Beeldenstorm...........

9. De mislukte krijgsonderneming der Gereformeeuj 10. Overzicht van het behandelde tijdperk. . .

HOOFDSTUK IV.

Volharding der Gereformeerden in den worstelstrijd met en hunne zegepraal..........

1. De hertog van Alva en de raad van beroerten

2. De Synode onder het kruis te Wezel en te Em

3. Betere vooruitzichten sedert de inneming van Briel door de Watergeuzen.......

4. De eerste Gereformeerde synode op vaderlands bodem te Dordrecht, 1574 ...... . .

5. Stichting van de Leidsche hoogeschool . .

6. DePacificatie van Gent in verband met.erkelijke za

7. De Synode der Gereformeerde kevken te Dordr in 1578 .............

8. Toestand der Roomsche kerk in de noordelijke Ne landen ..............

9. De Gereformeerde kerk sedert de Unie van Utr openlijk erkend als volkskerk in de vereenigde vinciën...............

10. Besluit...............

---

-ocr page 155-
-ocr page 156-