ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

rüf). ^ (p amp;

HET

BURGERLIJK RECHT VOOR IEDEREEN.

BEWERKT

DOOR

n. IVT. JT. quot;W A. T T E L,

Cand. Nots. enz. te Hillegom.

%^-aSi^ *?■

OOHEN ZONEN.

jm

ocr page 6
ocr page 7

VOORBERICHT.

Het is eene oude en gegronde klacht, dat de wetten voor het volk gesloten boeken zijn. Vooral is dit eene waarheid met het oog op de burgerlijke wetten, waarmede toch ieder in de eerste plaats bekend moest wezen. Zij leeren ons onze rechten en plichten in het onderling maatschappelijk verkeer en staan het meest in betrekking tot het dagelijksch leven.

Die onbekendheid is echter licht te verklaren, want uitgebreide wetten leest niemand voor zijn genoegen en die het deed zou er zonder verklaring of voorlichting niet veel wijzer door worden. Ieder burger heeft daarom behoefte, iets te lezen over de wet: een handboek om van tijd tot tijd te raadplegen ; een eenvoudig werk, in gemakkelijken vorm, in verstaanbare taal, waarin de beginselen en de voornaamste bepalingen der wet, voor zoover men daarmede in het dagelijksch leven in aanraking kan komen, praktisch worden geschetst en verklaard; een wegwijzer, die in duistere of twijfelachtige gevallen de te volgen richting aanwijst, ook om niet in verkeerde handen te geraken en voor moeilijk-

ocr page 8

heden en kosten bewaard te blijven, en die in verschillende omstandigheden inlichtingen van allerlei aard geeft.

In die behoefte hebben wij getracht te voorzien door de bewerking van dit boek. Wij vertrouwen dat het geheel aan de eischen zal voldoen, die men in redelijkheid aan zulk een werk kan stellen en dat het alom die goede plaats zal innemen, die aan de burgerlijke wet als volkswet toekomt.

DE SCHRIJVER.

Hillegom, April 1899,

ocr page 9

IIL E ID 11G.

Iets over de geschiedenis en den inhoud van het burgerlijk wetboek.

De meeste voorschriften, die op ons bijzonder, burgerlijk leven betrekking hebben, vinden wij bijeenverzameld in één boek, het burgerlijk wetboek genaamd.

Vooral aan den inhoud van dat boek zijn de volgende bladzijden gewijd, en daar het, ofschoon dikwijls een weinig veranderd, zeer oud is, behoort het een en ander over de geschiedenis van zijn wording vooraf te gaan.

Voor rechtsgeleerden is de kennis dier geschiedenis geheel onmisbaar; maar ook voor anderen is zij belangrijk, want de historie van het wetboek is als het ware een deel der geschiedenis van ons land. We zullen deze echter niet al te diep ophalen en willen er alleen aan herinneren, dat het meerendeel der thans tot ons vaderland behoorende landstreken, sedert het laatst der zestiende eeuw, nadat de koning van Spanje van zijne heerschappij als graaf over

ocr page 10

VI

deze landen was vervallen verklaard, de Republiek der Vereenigde Provinciën vormde, die, sedert de laatste jaren der achttiende eeuw, voor korten tijd den naam van Bataafsche republiek droeg.

Vóór 1795 kon men aan algemeen werkende burgerlijke wetten niet denken, omdat elke provincie op zich zelf stond. Overal bestond groote verscheidenheid van wettelijke voorschriften, wat hoe langer hoe meer aanleiding tot moeilijkheden en verwarring gaf Toen dc vereenigde provinciën door de omwenteling van 1795 tot één Staat samensmolten en op den 1 Mei 1798 ccne staatsregeling of grondwet voor de Bataafsche republiek tot stand kwam, werd tevens besloten, dat er algemeene wetboeken zouden gemaakt worden en binnen twee jaren ingevoerd. De tijd was echter voor zulk een omvangrijk werk niet gunstig. Men hechtte nog te veel aan de oude denkbeelden, en de groote rechtsgeleerde Melchior Kemper schreef in die dagen, dat dag aan dag de meening meer algemeen werd, dat de invoering van een burgerlijk wetboek eene onmogelijkheid was.

Maar wat onmogelijk scheen geschiedde toch, ofschoon op geheel andere wijze dan men gedacht had. Door Frankrijks invloed werd Holland in 1806 een Koninkrijk, waarover tot 1811 Lode wijk Napoleon, een broeder van den Franschen keizer, regeerde. In Frankrijk bezat men reeds sinds 1804 een algemeen burgerlijk wetboek, en dit Fransche wetboek werd nu, met veel overhaasting, door eene commissie van rechtsgeleerden, voor het Koninkrijk Holland bewerkt. In de wandeling wordt het door deze commissie samengestelde en op 1 Mei 1809 ingevoerde wetboek, het wetboek van Lodewijk Napoleon genoemd Van die invoering af gold dus voor het geheele rijk hetzelfde burgerlijk recht; maar het wetboek zelf had een zeer kort bestaan. Ons vaderland werd in 1810 bij Frankrijk ingelijfd, waaruit volgt dat de Fransche wetten hier ook van kracht werden, en wel op 1 Maart 1811, om gedurende lan gen tijd bij ons van kracht te blijven. Verschillende omstandig-

ocr page 11

VII

heden waren oorzaak dat de Fransche wetgeving ook na het herstel onzer onafhankelijkheid, in 1813, haar gezag behield. Het burgerlijk wetboek waaraan keizer Napoleon zijn naam gegeven had bleef in Nederland van kracht tot 1 October 1838. Er zijn nog genoeg ouden onder ons, die zich kunnen herinneren dat zij onder de Fransche wetten leefden, en het volk was zóó aan hare werking gewend, dat men hoe langer hoe minder lust kreeg om tot de invoering van een nationaal wetboek over te gaan.

Toen Willem 1 tot vorst der Nederlanden was uitgeroepen, kwam er terstond eene grondwet, waarbij de invoering van een algemeen burgerlijk wetboek bevolen werd. Spoedig werd ook een ontwerp samengesteld, maar juist in dien tijd werd België bij ons land gevoegd, en de Belgen hadden groot bezwaar tegen het ontwerp, dat gegrond was op de Noord-Nederlandsche zeden, gewoonten en begrippen. Vandaar dat weder een ander ontwerp in gereedheid werd gebracht en ook werkelijk, in de jaren 1821 tot 1826 door de Staten-Generaal in behandeling werd genomen. De invloed van België deed zich daarbij sterk gelden, en toen het wetboek gereed was om te worden ingevoerd en daartoe in 1830 besloten werd, was het in verschillende opzichten tot de beginselen van het Fransche recht teruggekeerd. Toen brak de Belgische opstand uit; de zuidelijke Nederlanden scheurden zich van de noordelijke los en opnieuw werd nu, in 1831 en 1832, het reeds tot stand gebrachte wetboek herzien en weder in overeenstemming gebracht met de belangen der oud-Nederlandsche gewesten, tot eindelijk de werkelijke invoering op 1 October 1838 volgde. Toen werd het Fransche wetboek met de daartoe behoorende besluiten en verordeningen afgeschaft.

In het burgerlijk wetboek vinden wij in hoofdzaak al wat betrekking heeft op de rechten en verplichtingen der personen tegenover elkander. Daaronder behoort echter niet, wat meer bepaald handelszaken betreft. Want, ofschoon de algemeene beginselen der

ocr page 12

VIII

burgerlijke wet ook voor den handel gelden, bestaan daarvoor toch ook vele bijzondere voorschriften, die wij in een afzonderlijk wetboek van koophandel verzameld vinden.

Toen in 1838 het burgerlijk wetboek, waarin zooveel mogelijk alle onderwerpen die men wilde regelen waren behandeld, was ingevoerd, bleek het al spoedig dat op enkele punten verandering noodig was en die behoefte aan wijzigingen is langzamerhand toegenomen. Men trachtte dan eenige artikelen door evenveel nieuwe te vervangen en zóó het wetboek in zijn geheel te laten; maar op den duur was dit toch niet mogelijk, en zóó ontstonden die afzonderlijke wetten, waarvan er nu reeds verscheidene naast de hoofdverzameling bestaan; zoodat iemand, die een burgerlijk wetboek koopt, nog niet in het bezit is van alle voorschriften die op het burgerlijk recht in het algemeen betrekking hebben. Het wetboek zelf is trouwens alleen van wezenlijk nut voor hen die zich van het recht eene studie maken. Daarom is eenig begrip van de inkleeding en verdeeling ervan toch geene overtolligheid; want het is zeer gemakkelijk, wannee het eene enkele maal voorkomt dat men het wetboek zelf wil inzien, daarin den weg te kennen.

Het wetboek dan is verdeeld in vier hoofdafdeelingen, boeken genaamd, en elk boek weder in zoogenaamde titels of hoofdstukken, die soms weer in afdeelingen zijn gesplitst, waarvan elk eenige artikelen bevat.

Zulk een verdeeling is voor de praktijk onmisbaar. Alle wetten behandelen haar onderwerp ongeveer op dezelfde wijze. Zonder artikelsgewijze behandeling vooral zou de wet geheel onleesbaar zijn, en eene verzameling van voorschriften, zoo groot als het burgerlijk wetboek, moest voor het gebruik op zeer doelmatige wijze worden verdeeld. Elk boek en elke titel heeft dan ook een opschrift, waaruit blijkt wat er in behandeld wordt.

Het eerste boek is zeker het belangrijkste voor het algemeen. Het behandelt het zoogenaamde personen- en familierecht, dat

ocr page 13

IX

wil zeggen, de rechten en bevoegdheden der personen op zich zeiven en in betrekking tot degenen, met wie zij door persoonlijke banden, door vermaagschapping of door huwelijk b.v., verbonden zijn. Zóó vinden wij hier de rechten en verplichtingen der echtge-nooten besproken, de betrekking die er bestaat tusschen ouders en kinderen, de regelen voor de voogdij, enz.

Het tweede en het derde boek hebben vooral betrekking op het zoogenaamde vermogensrecht. Het tweede boek regelt de betrekkingen der personen tot hunne goederen en rechten. Hier vinden wij b.v. het recht van eigendom behandeld en vooral ook het zoo belangrijke erfrecht; terwijl het derde boek de verbintenissen bespreekt, die men met anderen omtrent zijne zaken of rechten aangaat, en een aantal bijzondere regelen bevat voor de in het dage-lijksch leven meest voorkomende contracten, zooals: koop, huur, maatschap, lastgeving, borgtocht en vele anderen.

En dan vinden wij ten slotte in het vierde boek, dat zeer klein is, nog een paar bijzondere onderwerpen behandeld, die in de andere boeken moeilijk plaats konden vinden en voor een deel zelfs in een ander wetboek behooren; namelijk de regelen voor het bewijs, ingeval van geschillen, en de zoogenaamde verjaring, dat wil zeggen, hoe men, door verloop van tijd, een zeker recht kan verkrijgen of van eene verplichting bevrijd worden.

Wij willen thans hierop niet verder ingaan en liever terstond het burgerlijk wetboek en de daarmee samenhangende wetten Ier hand nemen.

ocr page 14
ocr page 15

OVER GENOT EN VERLIES VAN BURGERLIJKE RECHTEN.

Wat burgerlijke rechten zijn.

Zooals wij reeds in onze inleiding' hebben verklaard, verstaan wij onder burgerlijke rechten : alle bevoegdheden, die wij. in de onderlinge samenleving, tegenover onze medemenschen en ten opzichte van onze goederen of bezittingen hebben, zooals: om in verschillende betrekkingen, b. v. als voo^.i. curator, bewindvoerder over goederen, uitvoerder van een uitersten wil enz. op te treden ; om te huwen; om contracten te sluiten en verbintenissen aan te gaan; om over onze nalatenschap te beschikken ; om een proces te voeren, enz.

Wie burgerlijke rechten mogen uitoefenen.

Om op het grondgebied van onzen Staat burgerlijke rechten uit te oefenen, is het niet noodig Nederlander te wezen. Ook de vreemdeling is daartoe bevoegd, ook al is hij hier niet bepaald gevestigd, of, zooals men dat noemt, geen ingezetene.

De aanwezigheid op het grondgebied van den Staat is zelfs niet eens noodig om hier burgerlijke rechten te kunnen hebben Een vreemdeling die nimmer ons grondgebied betreedt, is b.v bevoegd om als erfgenaam in de nalatenschap van een Nederlander op te treden.

Ui!zonderingen. Slechts eene enkele maal stelt de wet in dit opzicht eene voorwaarde De getuigen, van welke men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, moeten binnen het koninkrijk hun woonplaats hebben. De getuigen bij de huwelijksvoltrekking moeten ook binnen het koninkrijk gevestigd zijn. Dit geldt ook voor de getuigen bij het maken van een testament, en

ocr page 16

voor de leden van den zoogenaamden familieraad (die gehoord wordt over de belangen van minderjarige kinderen).

Kan het voorkomen dat iemand in het geheel geen rechten heeft?

Dat is ondenkbaar. Ook is ieder vrij en niemand kan ooit geheel in de macht van een ander wezen. Zonder iemands toestemming kan men over zijn persoon, zijn diensten, zijn werkkrachten niet beschikken.

Natuurlijk kan iemand wel tijdelijk of betrekkelijk van zijn persoonlijke vrijheid of van zijne vrijheid van handelen worden beroofd; zooals door gevangenschap, door gijzeling voor schulden, door den staat van faillissement, enz. Ook kunnen dienstboden en werklieden hun arbeidskrachten aan anderen afstaan, wat trouwens de meeste menschen doen. Maar niemand houdt daardoor op een mensch met rechten te wezen. Zelfs de persoon die levenslange gevangenschap ondergaat heeft nog rechten, al zal hij het genot daarvan bijna geheel moeten missen.

De strafrechter kan, bij veroordeeling wegens sommige zware misdrijven, als bijkomende straf het verlies van enkele rechten opleggen, maar niet alle, waaruit dus volgt, dat de mensch voor het recht bestaat zoolang hij leeft, en niet, zooals in vroegere tijden het geval was, burgerlijk dood kan worden verklaard.

Iemand kan echter vóór zijne geboorte reeds rechten bezitten.

Uit het feit dat iemand eerst door het overlijden alle rechten verliest, volgt niet dat hij vóór zijne geboorte geene rechten kan bezitten.

In de meeste gevallen komt het eenmaal bestaande schepsel levend ter wereld en daarom brengt de billijkheid mede, om het als reeds geboren aan te merken, wanneer zijn belang dat vordert. Zoo erft het kind, dat na 's vaders dood geboren wordt, en dus bij het overlijden reeds bestond, even goed van den vader als de reeds geboren kinderen. Komt het kind niet levend ter wereld, dan wordt eenvoudig gehandeld alsof het nooit bestaan had.

ocr page 17

OVER NEDERLANDERS, VREEMDELINGEN EN INGEZETENEN.

Het burgerlijk recht is hetzelfde voor Nederlanders en vreemdelingen; maar omdat een vreemdeling, die hier geen vast verblijf heeft of geen ingezetene is, toch van sommige dingen is uitge sloten, is het ook voor het burgerlijk recht noodig te weten, hoe en waardoor men Nederlander of alleen ingezetene is.

Het zal onzen lezers wel niet onbekend zijn dat men, voor de uitoefening van rechten als Staatsburger, b.v voor het recht om te kiezen of gekozen te worden, voor het bekleeden van de meeste ambten en waardigheden, werkelijk Nederlander moet zijn.

Nederlanderschap verkrijgt men op drieërlei wijze, namelijk door geboorte, huwelijk en naturalisatie

Geboorte.

Als Nederlander door geboorte wordt beschouwd :

i». het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan de vader tijdens de geboorte zelf Nederlander is ;

2°. het wettig kind van een Nederlander, die binnen drie honderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed. Dit is zoo bepaald omdat een kind, dat drie honderd dagen na de ontbinding van het huwelijk geboren wordt, onwettig is.

Een natuurlijk ot onwettig kind wordt somtijds alleen door de moeder erkend. Het kind is dan Nederlander, wanneer de moeder zelve tijdens dc geboorte eene Nederlandsche was.

Men ziet hieruit dat het in den regel de vraag is, van wien men afstamt. Maar die regel is niet toepasselijk, wanneer een kind door geen van de ouders erkend wordt. In den regel weet men natuurlijk met zekerheid welke vrouw het kind ter wereld bracht, maar, zonder erkenning, zijn moeder en kind elkaar volgens de wet vreemd. Wanneer het kind hier te lande geboren is, wordt het nu evenwel als Nederlander aangemerkt.

ocr page 18

14

Hier vragen wij dus alleen naar de plaats van geboorte, en dit moest men van zelf ook doen ten opzichte van vondelingen. Het binnen het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind, is Nederlander door geboorte, zoolang van zijne afstamming niet blijkt.

Het zijn dus in den regel kinderen van Nederlanders, die door geboorte het Nederlanderschap verkrijgen Maar ook kinderen van hier gevestigde vreemdeli igen of ingezetenen, kunnen door geboorte tot Nederland behooren. Hiertoe is noodig dat die inge zetene zelf geboren is uit eene binnen het Rijk wonende moeder.

Deze regel gaat intusschen niet altijd door. Wanneet het kind namelijk door de wet van een of ander vreemd land als inboorling van dat land beschouwd wordt, wanneer het dus, tengevolge der bepalingen van de Duitsche of Fransche wet b.v., een Duitsch ot een Fransch kind is, dan wordt het door onze wet als vreemdeling beschouwd

Huwelijk.

Alleen de vrouw wordt, door haar huwelijk met een Nederlander, Nederlandsche vrouw. Zij volgt, zooals dat uitgedrukt wordt, den staat van haren man. Een Fransch meisje, met een Nederlander trouwende, wordt dus zelve Nederlandsche.

Is er b.v. een Duitsch echtpaar, waarvan de man in Nederland genaturaliseerd wordt, dan is de vrouw ook in de naturalisatie begrepen.

Zoolang de vrouw gehuwd is, kan zij echter niet voor zich zelve de naturalisatie bekomen.

Wanneer eene vreemde vrouw door haar huwelijk Nederlandsche geworden is, dan is zij na de ontbinding van haar huwelijk weer vrij in de keuze van landaard. Zij kan binnen het jaar na de ontbinding van het huwelijk haren wil, om niet langer Nederlandsche vrouw te blijven, verklaren aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur harer laatste woonplaats in het Rijk of de overzeesche bezittingen, of wel aan den Nederlandschen gezant of hei Nederlandsche consulaat in het vreemde land waar zij woont.

ocr page 19

IS

Naturalisatie.

Een vreemdeling kan hier worden genaturaliseerd tengevolge van eene ivet; dat wil zeggen, de samenwerking van de regeering met de Staten-Generaal is voor ieder geval noodig.

Vermits er een verzoekschrift aan de regeering moet worden ingediend en ook andere formaliteiten moeten worden vervuld, behoort men zich te wenden tot eenen procureur.

In ieder geval moet een bewijs worden overgelegd, dat men meerderjarig is volgens de Nederlandsche wet, dus 23 jaar oud of gehuwd.

Alleen hij of zij kan genaturaliseerd worden, die reeds gedurende de laatste vijf jaren zijn woonplaats of zijn hoofdverblijf in Nederland of de overzeesche bezittingen heeft gehad.

Ook is het mogelijk dat men vroeger reeds Nederlander was, maar in een vreemd land genaturaliseerd werd. Ook dan kan men opnieuw door naturalisatie Nederlander worden.

Op het verzoek wordt geen acht geslagen alvorens men, voor de kosten, bij eenen ontvanger der registratie de som van honderd gulden heeft gestort, welke som echter teruggegeven wordt in geval van weigering.

De minderjarige kinderen zijn in de naturalisatie begrepen, totdat zij, meerderjarig geworden, verklaren geene Nederlanders te willen blijven.

Hoe het Nederlanderschap verloren wordt.

Dit geschiedt natuurlijk wanneer een Nederlander in een ander land genaturaliseerd wordt Zijn minderjarige kinderen deelen dan in die naturalisatie.

Een Nederlandsche vrouw, die met een vreemdeling trouwt, volgt ook den staat van haren man.

Wanneer een gehuwd Nederlander in een ander land genaturaliseerd wordt, dan deelt zijne vrouw daar ook in.

Het Nederlanderschap wordt ook verloren, wanneer men zich, zonder toestemming der regeering, in vreemden krijgs- of staatsdienst begeeft.

Vele Nederlanders houden zich voortdurend in het buitenland

ocr page 20

i6

op. Hebben zij daar gedurende tien achtereenvolgende jaren hunne woonplaats gehad, dan is het Nederlanderschap verloren. Men kan dit echter voorkomen, door vóór het einde van die tien jaren aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in Nederland of de koloniën, of anders aan den Nederlandschen gezant of het consulaat in het vreemde land waar men woont, kennis te geven dat men Nederlander wenscht te blijven.

Dit kan telkens vóór het einde van een tienjarig tijdvak worden herhaald.

Wie ingezetenen zijn.

Ingezetenen zijn zij, die hunne woonplaats in het Rijk hebben en gedurende de achttien voorafgaande maanden hier te lande of in de overzeesche bezittingen of koloniën hebben gewoond.

Men houdt op ingezetene te zijn, wanneer men zich metterwoon in het buitenland vestigt.

OVER DEN BURGERLIJKEN STAND.

De burgerlijke stand in het algemeen.

De burgerlijke stand is eene instelling, waarvan het doel is, alle bijzonderheden te verzamelen en te bewaren, die betrekking hebben op de geboorte van kinderen, de afstamming van die kinderen, het aangaan van huwelijken en de ontbinding daarvan, en het overlijden.

Wat daarop betrekking heeft noemt men ook wel den burgerlijken slaat der personen.

De maatschappij heeft er groot belang bij, dat met zekerheid kan worden uitgemaakt: wanneer, waar en uit welke ouders iemand geboren is; welke namen hem gegeven zijn; of hij al of niet ui

ocr page 21

17

een huwelijk is voortgesproten; zoo niet. of zijne ouders hem dan al of niet als hun kind hebben erkend; of er tusschen zekere personen al of niet een huwelijk bestaat; wanneer en waar iemand overleden is, enz.

Registers en ambtenaren van den burgerlijken stand.

Aan de gemcentehestnren is de verplichting opgelegd om registers van den burgerlijken stand te houden, onder toezicht van daarvoor aangewezen ambtenaren.

Tot ambtenaren van den burgerlijken stand zijn benoembaar de leden van den raad en de burgemeester.

Uit die registers blijken de feiten die het meest gewichtig zijn voor ons burgerlijk leven

Om de nauwkeurigheid en volledigheid der registers te verzekeren zijn aan verschillende personen verplichtingen opgelegd, waarvan het verzuim aan straf blootstelt.

Die verplichtingen bestaan in hoofdzaak in het afleggen eener verklaring voor den ambtenaar, die daarvan een geschrift of akte opmaakt, in tegenwoordigheid van getuigen.

De registers van den burgerlijken stand bestaan uit verzamelingen van zulke akten.

Getuigen.

De getuigen moeten meerderjarig zijn (23 jaar of gehuwd) en binnen het Rijk woonachtig.

Vrouwen mogen niet als getuigen optreden.

Akten van geboorte.

Wanneer een kind geboren is heeft de maatschappij er belang bij dat van dit feit en de bijzondere omstandigheden duidelijk blijke.

Met zoo iets moet niet gedraald worden. De aangifte bij den ambtenaar moet plaats hebben binnen drie dagen na de bevalling. Men verstaat daaronder drie volle of vrije dagen, zoodat, wordt

2

ocr page 22

i8

een kind Maandagmiddag ten 2 ure geboren, de aangifte Donderdag nog den geheelen dag kan geschieden.

De wet laat ook toe dat eene aangifte op Zondag gedaan wordt.

/

Door wie de aangifte geschiedt.

De moeder van het kind kan natuurlijk de aangifte niet doen; daarom moet dit door den vader geschieden. Deze kan afwezig of door andere oorzaken wettig verhinderd zijn, en het doet zich ook vaak voor dat er geen bekende vader is. Dan rust de verplichting op de geneesheeren, vroedvrouwen of andere personen die bij de bevalling tegenwoordig waren. Is de moeder buiten hare woning bevallen, dan is de persoon te wiens huize zij beviel tot de aangifte verplicht, dat wil zeggen, wanneer de vader of de geneeskundige het niet doet.

Voornamen.

In de akte van geboorte moeten allerlei bijzonderheden worden vermeld, waaronder ook de voornamen van het kind. De wet onderstelt dat hiervoor de ouders zorgen, die daarbij geheel vrij zijn in het aantal namen, dat zij hun kind willen geven.

Geslachtsnamen.

Terwijl de voornamen dienen om in dezelfde familie de personen van elkaar te onderscheiden, dienen geslachtsnamen ter onder scheiding van de verschillende families. Daarom gaal dezelfde naam steeds van den vader op de kinderen over.

Hieruit volgt vanzelf dat wettige kinderen den naam van hun vader dragen. De namen van beide ouders worden in de geboorteakte vermeld; ten minste wanneer het kind niet builen echt geboren is, want dan mag de naam van den vader in de akte alleen vermeld worden, wanneer hij het kind als het zijne erkent.

Later zullen wij zien hoe die erkenning kan geschieden. Zij behoeft niet terstond bij de aangifte van geboorte te worden gedaan.

Wanneer het kind buiten huwelijk geboren wordt en de vader

ocr page 23

9

het niet met toestemming van de moeder als het zijne erkent, dan draagt het den naam van de moeder

Vreemd is het, dat zonder uitdrukkelijke erkenning door die moeder, geen band tusschen moeder en kind bestaat. Voor de wet hebben zij niets met elkander te maken. Beider belang brengt daarom mede. dat de ongehuwde moeder haar kind zoo spoedig 'mogelijk bij den ambtenaar van den burgerlijken stand als het hare ga erkennen.

Verandering van voor- en geslachtsnamen.

Namen worden aan een persoon gegeven met de bedoeling dat hij ze steeds zal blijven dragen. Toch kan dit ook anders zijn.

Gesteld dat in zeker geslacht de oudste zoon steeds Willem heette. Nu heeft de laatste persoon die den naam van Willem draagt, twee zonen gekregen, die hij Willem en Pieter noemt. Het kind Willem sterft echter en nu wil men den naam van Pieter in dien van Willem veranderen.

Dit kan plaats hebben met toestemming van de rechtbank. Daartoe moet men zich wenden tot eenen procureur.

Ve'en plaatsen achter hun naam toevoegsels, zooals senior (de oude), junior (de jonge), Janszoon, enz. Dit is niet verboden, maar in de registers van den burgerlijken stand geschiedt daarvan geene aanteekening.

Wil men werkelijk zijn geslachtsnaam veranderen of een naam voegen bij dien welken men reeds heeft, dan is daartoe de koninklijke bewilliging noodig.

Ook hiervoor zorgt het best een procureur, die de noodige vormen in acht neemt.

Het verzoek tot verandering wordt medegedeeld in de «Staatscourantquot;, omdat er personen zouden kunnen zijn, die zich tegen de inwilliging wenschen te verzetten. Gesteld, er is een beroemd dokter, Jacob Smit, en in dezelfde plaats is een jonge arts, die Jacob de Smit heet, maar die uit oude papieren weet aan te toonen, dat zijn voorouders ook eenvoudig Smit heetten. Hij verzoekt nu zijn naam in Smit te veranderen en het is best mogelijk dat de andere dokter zich daartegen wil verzetten, omdat hij begrijpt dat

ocr page 24

20

de verandering gewenscht wordt om hem afbreuk te doen in zijn praktijk.

De beslissing wordt genomen minstens een jaar na de openbaarmaking in de «Staatscourantquot;, en, wordt het verzoek toegestaan, dan moet de ambtenaar van den burgerlijken stand aanteekening van het besluit doen op den kant der geboorteakte.

Vondelingen.

Het komt gelukkig niet veel voor, dat een kind te vondeling wordt gelegd. Het ligt in den aard der zaak, dat men van de geboorte van zulk een kind niet vooraf aangifte zal doen. Er zal wel sprake wezen van eene geheime bevalling. Daarom schrijft de wet voor, dat iemand, die een pasgeboren kind heelt gevonden, daarvan aangifte moet doen bij den burgerlijken stand der plaats waar het kind ontdekt is. Wordt het dadelijk in een gesticht opgenomen, dan wordt de aangifte gedaan door het hoofd daarvan of, namens hem, door een der bedienden van het gesticht.

Men moet den vondeling natuurlijk ook namen en voornamen geven. De wet laat maar in het midden wie dit moet doen. Dit moet dus maar met onderlinge schikking worden gevonden.

Geboorte gedurende eene zeereis.

Wanneer een kind gedurende een zeereis op het schip geboren wordt, kan er natuurlijk geen sprake wezen van aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand.

De gezagvoerder van het schip is in het algemeen bij geboorte en overlijden met het opmaken der akte belast. Hij schrijft dan in zijn dagboek of scheepsjournaal eene verklaring, dat op den bepaalden dag, op zeker uur, de door hem met name aangeduide vrouw is bevallen van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht; welke voornamen aan het kind gegeven zijn en, wanneer het eene gehuwde vrouw betreft, ook de namen van den vader, zijn beroep en woonplaats.

Is de moeder ongehuwd, dan zal de vermelding van haar beroep en woonplaats noodig zijn.

ocr page 25

21

Is de vader aan boord, dan geschiedt het opmaken der akte in zijne tegenwoordigheid of op zijne verklaring. Verder is de tegenwoordigheid noodig van twee getuigen, onverschillig welke, daar de gewone voorschriften omtrent de getuigen hier van zelf niet altijd kunnen worden nageleefd.

Deze akte moet worden ingeschreven binnen vier en twintig uren na de geboorte.

In de eerste Nederlandsche haven waar het schip binnenloopt moet de gezagvoerder een uittreksel uit zijn dagregister, bevattende de akte van geboorte, aan het Ministerie van Marine opzenden.

Mocht het schip eerst in een der havens onzer overzeesche bezittingen inloopen, dan moet het bedoelde uittreksel worden toegezonden aan het hoofd van de Nederlandsche regeering aldaar. Is de eerste haven, die het schip aandoet, een vreemde haven, dan moet het uittreksel worden opgezonden aan den Nederlandschen consul, die daar of in de naastbijgelegen haven gevestigd is. De bedoelde autoriteiten zenden een afschrift van het stuk aan het Ministerie van Marine in Nederland, en vandaar gaat het, ter inschrijving, naar den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van den vader van het kind, of van de moeder, als de vader onbekend is.

Akten van overlijden.

Wat hierop betrekking heeft staat in verband met eene bijzondere wet, die op het hegraven, welke men daarom gewoonlijk »de begrafeniswetquot; noemt.

Ook bij het overlijden van een persoon wordt daarvan door den ambtenaar van den burgerlijken stand eene akte opgemaakt die alle daarop betrekking hebbende bijzonderheden vermeldt.

Niemand is bepaald verplicht om van het overlijden eene aangifte te doen, maar dit moet van zelf geschieden, omdat men anders geen verlof tot begraven kan verkrijgen.

De ambtenaar maakt eene akte, op de verklaring van twee getuigen, dat het overlijden van zeker persoon heeft plaats gehad.

ocr page 26

22

Overlijden van pas geboren kinderen.

Van een pas geboren kind, dat sterft, mag geene akte van overlijden worden opgemaakt, wanneer nog geene aangifte van geboorte is gedaan. De ambtenaar van den burgerlijken stand, maakt dan alleen eene verklaring op, dat het kind als levenloos is aangegeven, en die verklaring wordt ingeschreven in het register van overlijden, ofschoon daardoor volstrekt niet bewezen wordt, dat het kind nooit geleefd heeft.

Die bepaling is noodzakelijk, omdat de vraag of een kind al of niet dood ter wereld is gekomen, van groot gewicht kan wezen. Gesteld b.v. dat iemand sterft, met achterlating eener zwangere vrouw en twee reeds geboren kinderen. Nu brengt het belang van het ongeboren kind mede om als reeds geboren te worden aangeraerkt) met het oog op 's vaders nalatenschap. Die nalatenschap wordt dus door de drie kinderen, ieder voor een derde verkregen. Nu komt het kind dood ter wereld, en nu neemt men aan dat het nooit heeft geleefd; dus komt de nalatenschap van den vader aan de beide andere kinderen, en wanneer het doode kind nu geacht werd te hebben geleefd, dan zou zijn aandeel uit de nalatenschap van den vader overgegaan zijn op de moeder en de twee overige kinderen.

Nog andere gevallen kunnen zich voordoen, waarin het al of niet geleefd hebben van een kind van invloed kan zijn.

Overlijden aan boord van een zeeschip.

Ook bij het overlijden aan boord van een schip dat een zeereis doet. moet de gezagvoerder als ambtenaar van den burgerlijken stand optreden. Hij schrijft dan binnen vier en twintig uren in zijn dagboek eene akte of verklaring van dat overlijden, in tegenwoordigheid van twee getuigen. Een uittreksel uit het dagboek, de akte van overlijden bevattende, wordt ook in dit geval aan het departement van Marine opgezonden, vanwaar het weder gericht wordt aan den betiokken ambtenaar van den burgerlijken stand.

Bij sterfgevallen aan boord van viaschersichepen, waarvan de schipper een journaal of dagboek houdt, wordt de inschrijving van het overlijden in dat register ook als wenschelijk beschouwd, en

ocr page 27

23

in dat geval wordt zulk een schip dus voor een zeeschip gehouden. Is er geen register aan boord, dan moet de akte van overlijden worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats waar het vaartuig het eerst binnenloopt.

Begraven.

Aan een tijd is men bij het doen eener aangifte van overlijden niet gebonden; maar voor het begraven is in elk geval verlof noodig van den ambtenaar van den burgerlijken stand, en deze mag het verlof niet afgeven als hij niet van het overlijden verzekerd is. Daartoe is eene aangifte in de eerste plaats noodig. Verder geven de geneeskundigen, die iemand behandeld hebben, of geroepen zijn, eene verklaring af, die eene zoo nauwkeurig mogelijke opgaaf van de oorzaak van den dood bevat. Anders heeft er doodschouw plaats.

In den regel mag geene begraving geschieden binnen zes en dertig uren en niet later dan op den vijfden dag na het overlijden en wanneer er eenig vermoeden bestaat, dat de overledene niet ten gevolge van natuurlijke oorzaken is gestorven, of, zooals de wet het uitdrukt, in geval van geweldigen dood. moet het lijk gerechtelijk worden geschouwd en het verlof tot begraven door een rechterlijk ambtenaar worden gegeven.

Vroeger of later begraven kan door den burgemeester, na verhoor van eenen geneeskundige, schriftelijk worden toegestaan.

Wanneer een geneesheer verklaart dat bespoediging of uitstel der begraving noodig is, kan het begraven op een vroeger of later tijdstip dan het gewone, door den burgemeester schriftelijk worden gelast.

ocr page 28

24

NOG EENIGE BIJZONDERHEDEN OMTRENT DE REGISTERS VAN DEN BURGERLIJKEN STAND.

De registers zijn openbaar.

Dat wil niet zeggen dat ieder ze vrij kan gaan inzien, maar dat ieder er tegen betaling van geringe kosten een uittreksel uit kan krijgen. Zulk een uittreksel uit een register is dan eigenlijk één van de daarin vervatte akten, b v. een akte van overlijden. Wil men dus weten wanneer iemand overleden is en welke zijne juiste namen waren, dan vraagt men een uittreksel of extract uit het register van overlijden. Men kan dan de geheele akte krijgen, maar daar dit meestal overbodig is, geeft men in den regel een gedeelte daarvan, waarin juist vermeld staat, wat men weten moet. Men vraagt dan een overlijdensextract van den bedoelden persoon.

Aanteekeningen.

Op zulk een extract vindt men ook de aanteekeningen die op den kant der akte zijn geschreven nadat die was opgemaakt. Daar wordt b.v. vermeld de latere erkenning van natuurlijke kind:ren en de verandering van namen (op den kant der geboorte-akte), de echtscheiding (op den kant der huwelijksakte) enz.

Zorg voor de registers.

Onophoudelijk worden de registers geraadpleegd en daarom wordt veel 7org aan het behoud er van besteed. Iemand die eene aangifte deed bij den ambtenaar, b.v. van een geboorte, of die een huwelijk sloot, zal hebben opgemerkt dat hij tweemaal zijn naam moest teekenen. De reden is, dat niet ééne akte, maar twee gelijk-luidenden worden opgemaakt; met andere woorden: van de meeste registers wordt een dubbel gehouden en elk van die dubbelen wordt op eene verschillende plaats bewaard.

ocr page 29

25

De registers zijii volkomen geloofwaardig.

De registers, of beter gezegd, de uittreksels er van, worden als volkomen juist en geloofwaardig beschouwd, totdat het tegendeel is bewezen. Ieder oogenblik kan men ingeval van twijfel onderzoeken of het stuk dat men in zijn bezit heeft met de oorspronkelijke akte overeenstemt. Ieder b.v. die een geboorte-extract heeft van een buiten huwelijk geboren kind, waarop vermeld staat dat het kind erkend is, en die aan de waarheid daarvan twijfelt, vraagt eenvoudig een nieuw extract.

Een huwelijksakte bewijst dus dat men gehuwd is, en het kan voor iemand noodzakelijk zijn dit bewijs te leveren en te bewijzen dat zijn ouders gehuwd waren. Laat ons het geval noemen dat de wettige afstammelingen van zekeren A voor eene erfenis worden opgeroepen. B. is zijn zoon, geboren uit zijn huwelijk met C. Dat B. wettig kind is en uit het huwelijk met C. afstamt, wordt nu bewezen door de huwelijksakte der ouders en de geboorteakte van het kind.

Wat het gevolg is wanneer de registers ontbreken of geschonden zijn.

Het geval kan zich voor doen, dat de huwelijksregisters verbrand zijn (ook de dubbelen, want deze worden eerst na afloop van het jaar naar de bewaarplaats, de griffie van de rechtbank, overgebracht), of dat in het register waarin de huwelijksakten zich bevinden een gedeelte is uitgescheurd of wat dan ook. Hoe moet B. nu zijn bewijs leveren ? Hij moet eerst, door getuigen of schriftelijke stukken, aantoonen dat het vermelde onheil werkelijk heeft plaats gehad. Gesteld b.v. dat zeker persoon voor dat uitscheuren tot straf was veroordeeld, dan zou dit vonnis al genoeg wezen. Staat de historie van den brand of van het uitscheuren nu eenmaal vast, dan kan hij verder bewijzen dat zijne ouders gehuwd waren, en dit doet hij weder door dezelfde middelen, getuigen of stukken ; ja zelfs zonder dat kan de rechter het bestaan van het huwelijk aannemen, als het maar uitgemaakt is dat de ouders te zamen als man cn vrouw hebben geleefd en als zoodanig zijn beschouwd en erkend.

ocr page 30

26

De mogelijkheid, dat eene zekere akte die men zocht, niet in de registers wordt aangetroffen, blijft ook met de beste voorzorgsmaatregelen bestaan. Dan wordt in het algemeen met andere middelen dan de akte genoegen genomen, tot bewijs van hetgeen bewezen moet worden.

Wil iemand aantoonen dat hij wettig van zeker persoon afstamt, zonder echter zijne geboorteakte te kunnen overleggen, dan is het voldoende wanneer hij kan aantoonen, steeds als wettig kind te zijn beschouwd en behandeld.

Wil men trouwen en kan men de geboorteakte niet vertoonen, dan is eene akte van bekendheid genoeg, eene akte namelijk, waarbij vier personen voor den kantonrechter verklaren, waar, en zoo nauwkeurig mogelijk wanneer, de betrokken persoon geboren is en hoe het komt dat de geboorteakte niet kan worden overgelegd. Ook is het voldoende wanneer de getuigen, die bij de voltrekking van het huwelijk tegenwoordig zijn, daarbij eene beëedigde verklaring afleggen, of dat de aanstaande echtgenoot zelf aan den ambtenaar van den burgerlijken stand onder eede verklaart, dat hij zich geen geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen.

Betreft het een tweede huwelijk en moet men eene akte van overlijden van den vorigen echtgenoot overleggen, dan geldt dezelfde regel.

Dwalingen en abuizen.

Dwalen is menschelijk, en daarom is het mogelijk dat eene akte is opgemaakt en in haar geheel bestaat, maar dat daarin abuizen, uitlatingen of andere misslagen hebben plaats gehad.

In al die gevallen is aanvulling en verbetering mogelijk en kan die door de rechtbank op een tot haar gericht verzoekschrift worden bevolen, waarbij men de tusschenkomst van eenen procureur dient in te roepen.

Het zal evenwel lichter gebeuren dat eene kleine onregelmatigheid is begaan, b.v. eene fout in de spelling van den naam. Voor de verbetering daarvan is geen rechterlijk bevel noodig.

Zoo zou het bij het sluiten van een huwelijk kunnen blijken dat de spelling van den naam van den bruidegom in diens geboorte-

ocr page 31

27

akte, verschilt van den naam van den vader. Dan is het voldoende wanneer de ouders of grootouders, die bij het huwelijk tegenwoordig zijn, verklaren dat de bruidegom dezelfde persoon is, als die welke in het stuk wordt genoemd.

/

j -

HET DOMICILIE.

Waar wij voor de wet onze woonplaats hebben.

Herhaaldelijk hebben wij reeds over woonplaats gesproken en zullen dit ook in het vervolg nog dikwijls doen.

Het is voor de wet volstrekt geene onverschillige zaak waar iemand woont. Tot bevordering van een geregelden gang van zaken bevat zij een aantal voorschriften die daarop betrekking hebben. In vele akten en stukken die voor de eene of andere burgerlijke handeling noodig zijn, moet de woonplaats worden vermeld. Wil iemand ons vervolgen, dan moet hij ons in den regel dagvaarden voor den rechter, binnen wiens gebied onze woonplaats ligt. De huwelijksaangifte moet gedaan worden ter woonplaats van een der partijen Voor de huwelijksvoltrekking geldt hetzelfde. Genoeg om het belang der zaak te bewijzen.

Van bijna elk mensch kan men zeggen dat hij ergens woont, dat hij ergens een vast en duurzaam verblijf heeft. Hij gaat wel eens elders heen, maar keert er steeds terug. Daarom spreekt men ook wel van een hoofdverblijf, en nu is de wettelijke woonplaats of het zoogenaamde domicilie, in den regel waar dit hoofdverblijf gevestigd is.

Op dien regel bestaan echter uitzonderingen en er zijn dan ook bijzondere voorschriften voor bijzondere gevallen. Een vreemdeling kan zich hier te lande bevinden, zonder er een vast verblijf te hebben. Een landlooper heeft geen hoofdverblijf. Een aantal

ocr page 32

28

menschen zijn niet zelfstandig in de maatschappij. Men moet dus weten waar de woonplaats van die personen voor de wet is.

Wanneer nu iemand geen hoofdverblijf heeft, dan wordt de plaats van zijn werkelijk verblijf daarvoor gehouden. Men denke zich b.v. eene moeder, die weduwe is. Zij heeft verscheidene kinderen, bij wie zij beurtelings eenigen tijd logeert; maar zij heeft geen eigen huis en geene andere bezittingen dan wat zij overal mede-neemt Het wettelijk domicilie van die weduwe is nu waar zij tijdelijk haar verblijf heeft en verandert dus telkens.

Het verblijf in schepen en andere verplaatsbare woningen.

In den regel is het domicilie gevestigd in een huis en dus in een vast verblijf. Maar dit is toch ook geen regel zonder uitzonde-ringen. Een schipper b.v. kan zeer goed wonen in een vaartuig, waarmede hij zich soms bij voorkeur in een bepaalde plaats ophoudt, maar dat ook somtijds voortdurend van de eene plaats naar de' andere gaat, terwijl de schipper nergens een andere woning heelt.

15 Z1jn hoofdverblijf het schip en zijn domicilie is dus een veranderlijk verblijf.

Een gelijke opmerking kan gemaakt worden met betrekking tot personen die in een wagen verblijf houden.

Verandering van woonplaats.

Het is dikwijls van belang om te weten of iemand al of niet van woonplaats veranderd is.

De wet denkt hier bepaald aan het overbrengen van iemands hoofdverblijf naar eene andere gemeente. Voor de wet is men veranderd, wanneer men werkelijk in eene andere plaats is gaan wonen met de bepaalde bedoeling om daar voortdurend zijn hoofdverblijf te houden. Die bedoeling blijkt uit eene verklaring, die men doet bij het bestuur zoowel der oude als der nieuwe gemeente, en is dit met geschied, dan moet naar omstandigheden worden beoordeeld of men al of niet veranderd is. De administratie onzer gemeentebesturen is zoo goed ingericht, dat dit niet licht zal voor-

ocr page 33

komen, en wel omdat, in het belang van de bevolkingsregisters, goed zorg gedragen wordt voor de zoogenaamde

V erhuisbilj etten.

De verhuisbiljetten zijn door het gemeentebestuur afgegeven verklaringen dat men werkelijk van woonplaats veranderd is

Tot bevordering van het richtig houden der bevolkingsregisters is namelijk voorgeschieven dat ieder die zijn werkelijke woonplaats uit eene gemeente naar eene andere overbrengt, eene verklaring moet doen bij het bestuur der gemeenti waar hij is ingeschreven.

Ter plaatse waar hij zijn werkelijke woonplaats overbrengt moet hij binnen eene maand na zijne aankomst daarvan eene verklaring bij het gemeentebestuur afleggen, onder overlegging van hel hem in de oude gemeente uitgereikte verhuisbiljet.

Ook is ieder hoofd van een gezin verplicht uiterlijk binnen een maand aan het gemeentebestuur kennis te geven van ieder lid dat in het huisgezin wordt opgenomen of daar uitgaat, inwonende dienst- en werkboden daaronder begrepen.

Overtreding dezer bepalingen wordt gestratt met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Nu moet men echter goed begrijpen, dat dit slechts politiemaatregelen zijn, in het belang van de huishouding der gemeente, maar dat de inschrijving in het bevolkingsregister op zich zelf niet bewijst dat men ergens zijn domicilie heeft

Het domicilie van getrouwde vrouwen, minderjarigen, onder curateele gestelden, en dienst- of werkboden.

De getrouwde vrouw heeft voor de wet dezelfde woonplaats als haar man. Een gehuwde vrouw kan zeer goed afzonderlijk wonen, hetzij dan met of zonder toestemming van den man, maar daarmede laat de wet zich niet in. Alleen wanneer tusschen de echt-genooten eene scheiding van tafel en bed door den rechter is uitgesproken, wordt het anders; dan krijgt de vrouw eene eigene woonplaats, daar waar zij haar hoofdverblijf heeft.

ocr page 34

3°

Evenals de vrouw de woonplaats van haren man volgt, zoo volgt het minderjarig kind die van zijn vader of voogd, natuurlijk tot de meerderjarigheid door leeftijd of huwelijk bereikt is. De meerderjarige kan ook, zooals wij later zullen zien, meerderjarig verklaard worden, of voor enkele handelingen zelfstandigheid verkrijgen (dit noemt men handlichting'). In het eerste geval staat hij met een meerderjarige gelijk. In het laatste geval heeft hij alleen eene eigene woonplaats voor de zaken waarvoor hij handlichting bekomen heeft, b.v. om een fabriek te drijven.

Iemand die onder curateele gesteld is en daardoor in alles met een minderjarige gelijk staat, woont waar zijn curator woont. Hierbij kunnen zich eigenaardige omstandigheden voordoen. Gesteld b.v. dat iemand die onder curateele werd geplaatst getrouwd is, en dat hij meerderjarige kinderen heeft; dan hebben hijzelf, de vrouw en de kinderen allen hun domicilie bij den curator, want, de vrouw en de kinderen volgen weer de woonplaats van den man en vader.

Staat de man echter, hetgeen de wet toestaat, onder de curateele van zijne vrouw, dan is de woonplaats der echtgenooten daar waar het hoofdverblijf der vrouw is.

Wanneer meerderjarige dienstboden of werklieden inwonen bij dengene bij wien zij dienen of werken, dan hebben zij hun domicilie in diens huis. Het spreekt trouwens vanzelf, dat daar hun hoofdverblijf is; en al heeft de meester of werkgever ergens anders zijn domicilie, dit verandert niets aan de zaak.

HET HUWELIJK.

Het meerendeel der menschen komt met dit onderwerp in aanraking en ieder weet er gaarne iets van. Het is dan ook een zeer belangrijk onderwerp.

ocr page 35

3'

De vereeniging van personen van een verschillend geslacht tot een gemeenschappelijk leven, is een geheel natuurlijk feit. Als maatschappelijke instelling bestond zij reeds toen er nog geen wettelijke regeling was, en ook zonder wettelijke regeling zou zij voortdurend blijven bestaan.

Maar juist omdat de vereeniging van man en vrouw tot een gemeenschappelijk leven zoo vele en zulke gewichtige gevolgen heeft, en het geheele familieleven er uit voortspruit, is het noodzakelijk dat de wet die gevolgen aan vaste regelen onderwerpt.

Daarom spreken wij alleen van een huwelijk, wanneer er eene vereeniging bestaat, die tot stand gekomen is met vervulling van de voorwaarden en vormen, die de wet voorschrijft. In het tegenovergestelde geval bestaat slechts een zedelijke band, waaraan de wet rechtskracht ontzegt en waarvan zij de gevolgen op geheel andere wijze regelt. Dit laatste is natuurlijk soms noodig. want, wet of geen wet, de vereeniging heeft feitelijk toch plaats, en wanneer de wet met de gevolgen daarvan in het geheel geen rekening hield, wanneer zij zich b.v. in het geheel niet bekommerde om den toestand van buiten echt geboren kinderen, dai\ zou de maatschappelijke orde daardoor niet bevorderd worden.

Wat de wet regelt.

De wet regelt alleen de burgerlijke gevolgen van het huwelijk. Met godsdienstige vraagstukken b v kan de wet zich niet inlaten, waar immers alle menschen vo r de wet gelijk moeten zijn en elk kerkgenootschap zijn eigene opvattingen van het huwelijk heeft en zijne eigene voorschriften bij de kerkelijke plechtigheden.

Wie een huwelijk mogen sluiten.

Voor de geldigheid van een huwelijk stelt de wet verschillende vereischten, maar, in de eerste plaats is noodig de vrije toestemming van de aanstaande echtgenooten zeiven.

Vandaar dat een krankzinnige geen toestemming kan geven, omdat hij geacht moet worden geen bewustheid van zijn wil te hebben. Intusschen zal het wel de vraag wezen, of de krankzinnige

ocr page 36

32

reeds onder curateele gesteld is; want, is dat niet het geval, dan zal het moeilijk wezen het huwelijk te beletten

Het gebeurt een enkele maal dat iemand, die gevoelt zwak van geestvermogens te zijn, zich onder curateele laat stellen Wat het vermogen van dezen persoon betreft om te huwen, is de wet niet duidelijk. Vrij algemeen neemt men aan, dat hij daartoe wel in staat, dat zijn toestemming dus geldig is.

Dat iemand die wegens verkwisting onder curateele staat een huwelijk kan sluiten, zegt de wet uitdrukkelijk. De verkwisting heeft niets met de geestvermogens te maken en het huwelijk kan een middel tot verbetering zijn.

Ook een doofstomme is niet onbekwaam om te trouwen. Het zal alleen de vraag wezen of hij door duidelijk verstaanbare teekens zijn wil weet te verklaren.

Trouwbeloften.

Tot het sluiten van een huwelijk kan men iemand niet noodzaken, want dan zou bij een van de partijen de vrije wil ontbreken.

Gesteld b v. dat een jongman eene jonge dochter heeft beloofd, met haar te zullen trouwen, doch later die belofte verbreekt, dan kan zij geene rechtsvordering tegen hem instellen om hem te laten veroordeelen tot het aangaan van het huwelijk.

Zeker zal het niet licht voorkomen dat men een dergelijk proces zou willen voeren; eerder zal het voorkomen dat men zich door het verbreken der trouwbelofte benadeeld acht en dus eene vordering tot schadevergoeding zou wenschen in te stellen.

Ook dit laatste laat de wet in het algemeen niet toe. Anders is het, wanneer de zaak reeds gedeeltelijk haar beslag gekregen had; wanneer namelijk de aanteekening heeft plaats gehad en reeds gevolgd is door eene afkondiging. Wordt op dat uiterste oogenblik door hem of haar een einde aan de zaak gemaakt, dan zal eene vordering kunnen worden ingesteld, wegens het werkelijk verlies dat daardoor geleden wordt. Gesteld b.v. dat het meisje hare betrekking had opgezegd en nu tijdelijk broodeloos is ; gesteld dat de man een huis gehuurd had en voor een bepaalden tijd aan de huur gebonden is. Nu kan de rechter eene billijke schadevergoeding toeleggen, doch, wil men die, dan zal de vordering binnen

ocr page 37

33

achttien maanden na de huwelijksafkondiging moeten worden gedaan.

Leeftijd.

Het huwelijk is reeds op betrekkelijk jeugdigen leeftijd toegestaan : achttien jaar voor den man en zestien jaar voor de vrouw.

De koning kan dispensatie verkenen, dat wil zeggen, het aangaan van een huwelijk op nog vroeger leeftijd toestaan, indien gewichtige redenen daartoe nopen. Het is duidelijk dat die gewichtige redenen wel steeds zullen bestaan in de te verwachten geboorte van een kind.

Verdere vereischten.

De aanstaande echtgenooten moeten beide ongehuwd zijn. Wanneer een man te gelijker tijd met meer dan eene vrouw is gehuwd, of omgekeerd, is dit strafbaar.

Is een der partijen reeds gehuwd, dan moet dit huwelijk eerst ontbonden zijn, vóór eene nieuwe verbintenis kan worden gesloten, of althans — hierop komen wij nader terug — tegelijk met het nieuwe huwelijk ontbonden worden.

Is het de vrouw die een nieuw huwelijk wenscht te sluiten, dan is dit niet toegestaan vóór er driehonderd dagen sedert de ontbinding van het vorige huwelijk verloopen zijn. Die bepaling is in hoofdzaak gemaakt met het oog op de mogelijke latere geboorte van een kind. De wetgever had echter de vrouw kunnen toestaan om terstond na de bevalling te huwen. Het kind kan wel één dag na 's vaders dood geboren worden en voor kind en moeder kan een nieuw huwelijk, in geval van armoede, eene uitkomst wezen. De wet is echter overbiddelijk gestreng en de moeder is gedwongen nog 299 dagen te wachten.

De termijn van 300 dagen geldt in alle gevallen, zelfs dan wanneer het huwelijk ontbonden wordt door andere oorzaken dan overlijden, b.v. echtscheiding.

Bewijs Nationale Militie.

Mannen tusschen de 18 en 40 jaren, moeten om te kunnen huwen een bewijs overleggen dat zij voldaan hebben aan de

3

ocr page 38

34

plichten ten aanzien der nationale militie, of tot geen dienst gehouden zijn.

Dat bewijs wordt afgegeven door het gemeentebestuur der plaats waar men voor de militie is ingeschreven.

Wie niet mogen trouwen.

Aan den persoon met welken men een huwelijk wil sluiten, mag men niet door een nauwen graad van bloed- of aanverwantschap verbonden zijn.

Vooreerst is het huwelijk verboden tusschen alle personen die elkander in de opgaande of nederdalende linie (hierover spreken wij nader) door wettige of onwettige geboorte bestaan, en even -zeer tusschen broeder en zuster.

Het geval dat dergelijke verbintenissen zouden gewenscht worden zal zich natuurlijk wel niet of zelden voordoen.

Wat zich op dit gebied misschien wel kan voordoen, kon de wet niet verhinderen; het is het geval dat een vader wenscht te huwen met zijne buiten echt geboren dochter, welke door hem niet is erkend. De laatste is voor hem volgens de wet een vreemde en niemand kan het bestaan der bloedverwantschap bewijzen.

Minder goed is het, dat de wet nog altijd de beletselen handhaaft, die het huwelijk verbieden tusschen oom of oudoom en nicht of achternicht, en tusschen tante of oudtante en neef of achterneef, wettig of onwettig.

Van dit verbod kan echter door den koning om gewichtige redenen ontheffing of dispensatie worden verleend. Men kan die dispensatie vrij gemakkelijk verkrijgen; er is dan ook geen afdoende reden voor het verbod

Ook hier is onwettige bloedverwantschap als reden van uitsluiting vermeld; maar zonder erkenning bestaat die bloedverwantschap niet voor de wet en baat het verbod dus niets. Het huwelijk b v. tusschen eenen man en de buiten huwelijk geboren, maar niet erkende dochter van diens broeder, zou niemand kunnen beletten

De koninklijke dispensatie wordt ook vereischt voor het huwelijk tusschen schoonbroeder en schoonzuster. Daarvoor bestaat in het

ocr page 39

35

geheel geen reden en d;e verbintenissen komen hier te lande zelfs menigvuldig voor.

Er bestaat geen verbod met betrekking tot huwelijken tusschen behuwdoom en nicht of behuwdtante en neef.

Bepaald verbiedt de wet h'et huwelijk tusschen personen, waarvan bij rechterlijk vonnis bewezen is. dat zij overspel hebben gepleegd. Zelfs na het overlijden van den echtgenoot van dengene die overspel heeft gepleegd, blijft het verbod bestaan.

Even bepaald onmogelijk is het huwelijk tusschen personen, die reeds eenmaal gehuwd waren, doch wier verbintenis door echtscheiding ontbonden is. De wet schrijft dit voor, om herhaling van ergerlijke tooneelen te vermijden.

Huwelij k stoestemming.

Vele personen die een huwelijk willen sluiten, zijn daarbij van anderen afhankelijk. Zij moeten toestemming tot hun verbintenis vragen.

Minderjarige, wettige kinderen hebben in de eerste plaats toestemming van hunne ouders noodig. Zelfs de meerderjarigverklaring (die op twintigjarigen leeftijd kan verkregen worden') maakt aan de noodzakelijkheid dezer toestemming geen einde.

Wanneer beide ouders in leven en in staat zijn om zich te verklaren, dan moet de toestemming van beiden worden gevraagd, doch alleen die van den vader is bepaald noodig. Bij verschil van meening is de verklaring van den vader, dat de toestemming der moeder gevraagd is. voldoende.

Alleen wanneer de vader overleden, of in de onmogelijkheid is om zijn wil te kennen te geven, b.v. wanneer hij wegens krankzinnigheid onder curateele staat, is de toestemming der moeder een stellig vereischte.

Wanneer de ouders niet persoonlijk bij het huwelijk tegenwoordig zijn om toestemming te geven, moet dit geschieden bij akte voor eenen notaris verleden.

Wanneer beide ouders overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid bevinden om hun wil op wettige wijze te kennen te geven.

ocr page 40

36

dan komen voor het geven van toestemming de vier grootouders achtereenvolgens in aanmerking: eerst de grootvader van vaderskant; is deze er niet dan die van moederszijde, en daarna op dezelfde wijze de grootmoeders.

Wat buiten echt geboren kinderen betreft, zij hebben, zoo zij door beide ouders zijn erkend, de toestemming van den vader noodig. Die van de moeder behoeft niet gevraagd te worden.

Heeft slechts één der ouders het kind erkend, dan staat het slechts tot dien eenen in betrekking en is diens toestemming dus vereischt.

Zijn de ouders overleden, dan kan van de toestemming van grootouders geen sprake wezen, want deze bestaan niet voor de wet Het buiten echt geboren, zoogenaamd natuurlijk kind heeft nu alleen verlof noodig van voogd en toezienden voogd. Weigeren deze, dan kan de rechter toestemming verleenen.

Wij moeten nu nog even op de wettige minderjarige kinderen terugkomen. Hebben deze noch ouders, noch grootouders meer, in staat om zich te verklaren, dan is de toestemming noodig van voogd en toezienden voogd; maar ook deze toestemming kan bij weigering vervangen worden door die van den rechter (kantonrechter), die de voogden en den familieraad tracht te hooren. Tegen zijne toestemming of weigering kunnen alle partijen bij de rechtbank opkomen.

De familieraad wordt in dit geval samengesteld uit vier der naaste, binnen het Rijk woonachtige, meerderjarige bloedverwanten, tot den vierden graad ingesloten (wat dit beteekent verklaren wij later), zooveel mogelijk van vaders en moederszijde. Bij gebreke van bloedverwanten worden aangehuwden toegelaten.

Ook meerderjarige kinderen, zijn niet geheel onafhankelijk.

Tot de volle leeftijd van dertig jaren bereikt is, zijn de kinderen verplicht de toestemming van hunne ouders, of van den langstlevende der ouders te vragen.

Erkende natuurlijke kinderen vragen die toestemming aan den

ocr page 41

37

vader die ze erkend heeft, of aan de moeder, wanneer deze alleen de erkenning heeft gedaan.

Wat echte kinderen betreft, wanneer beide ouders in leven zijn is het vragen van de toestemming des vaders voldoende.

Wanneer de kinderen de vereischte toestemming niet bekomen, dan staat het hun in dit geval vrij, de tusschenkomst van den kantonrechter te verzoeken, voor wien partijen ter verschijning worden opgeroepen en die tracht eene minnelijke oplossing aan de zaak te geven.

Al volharden de ouders in hunne weigering, dan kan het huwelijk nu toch doorgaan, maar mag in dat geval eerst voltrokken worden na verloop van drie volle maanden na den dag der verschijning

Toestemming met betrekking tot natuurlijke kinderen die niet erkend zijn.

Deze kinderen staan tot niemand in eenige betrekking voor de wet, maar zoolang zij minderjarig zijn hebben zij een voogd en een toezienden voogd, die toestemming tot het huwelijk moeten geven. Ingeval van weigering door een hunner of door beiden, kan de kantonrechter verlof verleenen, na verhoor of behoorlijke oproeping van de voogden. Tegen zijn beslissing kunnen partijen bij den hoogeren rechter opkomen.

Tot bekoming van dispensatie, verlof van den rechter of tusschenkomst, doet men het verstandigst zich tot eenen procureur te wenden, die de vereischte vormen voor de partijen in acht neemt.

Huwelijksaangifte.

Het huwelijk is eene openbare handeling. Alle personen die een huwelijk met elkander willen aangaan, zijn verplicht daarvan eene verklaring af te leggen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der partijen.

Het gebruik brengt mede, de aangifte in persoon te doen ten kantore van den ambtenaar, op het daarvoor vastgestelde uur, ter plaatse waar de aanstaande bruid haar domicilie heeft, omdat in den regel daar het huwelijk voltrokken wordt.

ocr page 42

38

De persoonlijke aangifte is evenwel geen verplichting. Zij kan ook schriftelijk (op zegel van 225 cent) worden afgelegd of door een schriftelijk gevolmachtigde geschieden, wanneer het voornemen der aanstaande echtgenooten slechts op volkomen duidelijke wijze aan den ambtenaar wordt kenbaar gemaakt.

In d; praktijk komt de huwelijksaangifte bij geschrifte wel eens voor wanneer het zoogenaamde aanteekenen plaats heeft in een andere gemeente dan waar beide partijen zich ophouden. Het beste is dan, dat belanghebbenden de welwillende tusschenkomst van den ambtenaar in laatstgenoemde plaats inroepen om het stukje voor hen op te maken en dit, na onderteekening, door hem wordt opgezonden aan zijn ambtgenoot in de plaats waar het huwelijk voltrokken zal worden, omdat dan het minst gevaar voor vertraging bestaat.

Afkondigingen.

De aangifte wordt ter openbare kennis gebracht door de zoogenaamde afkondigingen of geboden.

Er moeten twee afkondigingen geschieden voor de deur van het huis der gemeente of gemeenten waar de beide aanstaande echtgenooten hunne woonplaats hebben, en indien zij daar nog niet langer dan zes maanden gevestigd waren, ook waar de vroegere woonplaats was. Het huwelijk wordt dus somtijds in drie of vier gemeenten afgekondigd.

De afkondiging heeft plaats door het in 't openbaar voorlezen der akte van huwelijksaangifte, op de twee bondagen, onmiddellijk op de aangifte volgende. Deze formaliteit kan aanleiding geven tot het zeldzaam voorkomend verzet tegen de voltrekking van het huwelijk, bekend onder den naam van stuiting.

Zoo noodig kan de Officier van Justitie van de tweede afkondiging ontheffing of dispensatie vcrleenen.

Uitstel van het huwelijk.

Het staat aan de aanstaande echtgenooten vrij om desverkiezende na de afkondigingen het huwelijk eenigen tijd uit te stellen en dan te laten voltrekken, in welk geval geene nieuwe formaliteiten noodig zijn; maar, is er een jaar na de eerste afkondiging ver-

ocr page 43

39

loopen, dan moeten nieuwe afkondigingen plaats hebben, want in dien tusschentijd kunnen er redenen voor iemand ontstaan zijn om zich tegen de voltrekking der plechtigheid te verzetten.

Stuiting.

Zooals wij reeds met een enkel woord opmerkten, is het doel van de openbare afkondigingen, door aanplakking gevolgd, om aan personen die daartoe volgens de wet het recht hebben, gelegenheid te geven om zich tegen de sluiting van het huwelijk te verklaren. Men noemt dat verzet stuiting, omdat de voortgang der zaak er door gestuit wordt, als namelijk het verzet gegrond wordt bevonden.

Stuiting is een middel, zoowel om de wet te doen eerbiedigen, als om huwelijken te beletten, die naderhand nietig zouden kunnen worden verklaard.

De ambtenaar van den burgerlijken stand weet zich echter goed op de hoogte te stellen en er voor te waken,, dat de vormen in acht worden genomen.

Is dit niet het geval, dan kan hij den Officier van Justitie waarschuwen, ten minste wanneer zich sommige bijzondere omstandigheden voordoen ; omstandigheden namelijk, waarin de Officier verplicht is het huwelijk te stuiten, en daartoe dus zal overgaan, wanneer andere bevoegde personen de stuiting niet aanvragen.

Die omstandigheden zijn; gevaar voor dubbel huwelijk — vermoeden dat de toestemming van een der aanstaande echtgenooten niet vrij is of door ongeoorloofde middelen verkregen — onvoldoende leeftijd — te nauwe bloedverwantschap — bewezen overspel — bestaande echtscheiding en te spoedige verbintenis der vrouw.

In al deze gevallen kan ook de vader en wanneer deze overleden of niet tot handelen in staat is, de moeder het huwelijk stuiten. Zoo beide ouders ontbreken zijn de grootouders in de volgorde die voor huwelijkstoestemming is aangenomen, daartoe bevoegd, en bij ontbreken van dezen kunnen zelfs de broeders, zusters, ooms en tantes, voogd en toeziende voogd zich tegen de voltrekking verzetten.

Er zijn andere gevallen, die niet zoozeer geacht worden met het

ocr page 44

4°

algemeen maatschappelijk belang in verband te staan, maar slechts het famiJfcbelang te betreffen. In die gevallen mag de Officier van Justitie zich niet met de zaak bemoeien en hebben alleen bloedverwanten, voogd en toeziende voogd over minderjarigen, curator en toeziende curator over onder curateele gestelden, en de echtgenoot het recht van verzet.

De vader of de moeder, de laatste wanneer de vader overleden of buiten staat is, kunnen het voorgenomen huwelijk van hun kind stuiten, wanneer de huwelijksafkondiging geschied is terwijl het nog aan hun toestemming ontbreekt. Zonder die toestemming zou echter het huwelijk toch wel niet worden voltrokken, want den ambtenaar van den burgerlijken stand verschalkt men zoo gemakkelijk niet. Verder kunnen zij stuiten wanneer het kind meerderjarig maar nog geen dertig jaren oud is en de toestemming niet gevraagd is, en wanneer ée'n der aanstaande echtgenooten wegens krankzinnigheid onder curateele is gesteld of dit verzocht is. Ook wanneer de huwelijksafkondigingen geen plaats hebben gehad (ook een vrij onmogelijk geval), en wanneer een van de aanstaande echtgenooten, dat zal dan de man wel wezen, wegens verkwisting onder curateele staat en het huwelijk blijkbaar het ongeluk van hun kind, hun dochter, te weeg zou brengen. Dit is ten minste een gezonde bepaling, omdat de mogelijkheid bestaat, dat de curators geen reden vinden om hun toestemming te weigeren.

In al de gevallen waarin de ouders het recht van stuiting hebben, komt dit in geval van hun overlijden, of van verhindering, aan de grootouders toe, in de bekende volgorde; behalve dan natuurlijk waar het betreft meerderjarige kinderen ; want met de toestemming die deze aan hunne ouders moeten verzoeken hebben de grootouders niets te maken.

Wanneer de grootouders niet meer aanwezig zijn of niet in staat om zich te verklaren, dan kunnen broeders en zusters, ooms en tantes, voogd en toeziende voogd of curator en toeziende curator, zich, in verschillende gevallen, tegen de voltrekking van het voorgenomen huwelijk verzetten; de laatste natuurlijk vooral, wanneer het aan hun toestemming ontbreekt en, in het algemeen, allen, wanneer aan een der vereischten voor het huwelijk niet is voldaan.

Eenigszins opmerkelijk is het daarbij wel, dat juist het geval waarover wij hierboven spraken, dat een der partijen wegens

ocr page 45

41

verkwisting onder curateele staat, geen recht van tusschenkomst geeft aan broers en zusters, ooms en tantes.

Voor de volledigheid kunnen wij hier nog mededeelen, dat het recht van stuiting ook is toegekend aan dengene, die met eene der partijen alsnog door het huwelijk is verbonden, en aan de kinderen die uit het huwelijk geboren zijn, met het doel om een dubbel huwelijk te voorkomen, — en dat de man, wiens huwelijk door echtscheiding ontbonden is, zich tegen het huwelijk zijner vroegere echtgenoote kan verzetten, wanneer er nog geen driehonderd dagen sedert de ontbinding van het vroegere verloopen zijn.

Op welke wijze de stuiting plaats heeft, hoe de opheffing daarvan wordt gevraagd en de zaak ten slotte wordt beslist, behoeven wij hier niet te vermelden, daar partijen, om de wettelijke vormen na te komen, van zelf verplicht zijn zich tot eenen procureur te wenden.

Huwelij ksvoltrekking.

Wanneer geene dispensatie verleend wordt van de tweede afkondiging, dan mag het huwelijk niet worden voltrokken vóór den derden dag na dien der laatste afkondiging; dus niet vóór Woensdag.

De voltrekking geschiedt op eene voor allen toegankelijke plaats, namelijk in het huis der gemeente waar de woonplaats der partijen of van ééne der partijen is (niet bepaald waar de bruid woont).

Voltrekking in een bijzonder huis.

Wanneer een behoorlijk bewezen beletsel bestaat om ten raad-huize te verschijnen, kan het huwelijk in een bijzonder huis worden voltrokken.

De ambtenaar van den burgerlijken stand beslist of het opgegeven beletsel gewichtig genoeg is, b v. ernstige ziekte, terwijl het de wensch der belanghebbenden is het huwelijk toch te doen doorgaan.

In een bijzonder huis voltrokken, is het huwelijk uit den aard der zaak geen publieke handeling.

ocr page 46

42

Getuigen.

Bij voltrekking in een bijzonder huis worden zes getuigen ver-eischt. Ten raadhuize is een getal van vier voldoende.

De wet vordert bepaald de tegenwoordigheid van meerderjarige, mannelijke ingezetenen. Zij verbiedt niet dat bloed- of aanverwanten als getuigen optreden, en het is zelfs gewenscht deze te kiezen, daar zij de aanstaande echtgenooten het best kennen en, mocht het noodig zijn. met de meeste zekerheid zullen kunnen verklaren dat het huwelijk werkelijk voltrokken is, wanneer en onder welke omstandigheden.

Huwelijken met den handschoen.

De aanstaande echtgenooten verschijnen in den regel persoonlijk voor den ambtenaar van den burgerlijken stand. Dit is dan ook een stellig voorschrift, waarvan alleen wordt afgeweken om gewichtige redenen, en het is niet de ambtenaar van den burgerlijken stand, maar de hooge regeering, die deze redenen beoordeelen moet, met andere woorden, de koning moet vergunning verleenen.

Wanneer b.v. een man in de overzeesche bezittingen gevestigd, een huwelijk wil sluiten met een hier te lande wonende vrouw, die zich naar de verblijfplaats van haren aanstaanden man wenscht te begeven, dan is het voor haar wenschelijk om als gehuwde vrouw de reis te maken en wordt het huwelijk meestal hier te lande door eenen gevolmachtigde voltrokken. De aanstaande echtgenoot zendt dan eene volmacht, te zijner woonplaats door een daartoe bevoegd openbaar ambtenaar opgemaakt, en de gevolmachtigde, meestal een zijner naaste bloedverwanten, treedt dan voor hem bij de plechtigheid op.

Dit huwelijk bij volmacht noemt men in de wandeling: het huwelijk met den handschoen.

Bijzonderheden van de huwelijksvoltrekking en kerkelijke plechtigheden.

Wanneer de aanstaande echtgenooten voor den ambtenaar van den burgerlijken stand verschenen zijn, moeten zij voor hem, in

ocr page 47

43

é

tegenwoordigheid der getuigen verklaren, dat zij elkander aan nemen tot man en vrouw en getrouw al de plichten zullen vervullen, die door de wet aan het huwelijk verbonden zijn. Feitelijk geschiedt dit door met «jaquot; te antwoorden op de vragen, die de ambtenaar daartoe aan bruidegom en bruid doet. Van de handeling wordt eene akte, de huwelijksakte, opgemaakt, die door partijen met de getuigen en den ambtenaar geteekend wordt.

In sommige plaatsen is het gebruikelijk — wat vroeger eene verplichting was — dat de ambtenaar de artikelen der wet over de rechten en verplichtingen der echtgenooten voorleest.

Nadat de ambtenaar in naam der wet verklaard heeft dat partijen door den echt aan elkander verbonden zijn, wordt een bewijs van het huwelijk door hem aan de echtgenooten afgegeven, welk stuk door hen aan den geestelijke of bedienaar van den godsdienst vertoond wordt, indien het huwelijk kerkelijk ingezegend wordt.

Geene godsdienstige plechtigheden toch mogen plaats hebben vóór het huwelijk voltrokken is, en de geestelijke, die dit voorschrift overtreedt, is strafbaar.

Huwelijken in het buitenland gesloten.

Vooral in onzen tijd van veelvuldig verkeer tusschen de volken, zijn huwelijken tusschen personen van verschillenden landaard, of althans in verschillende landen gevestigd, geene zeldzaamheid.

Zoo trouwen b.v. Hollanders met Duitsche meisjes. Het huwelijk wordt dan in Duitschland gesloten en men heeft er natuurjijk belang bij dat het door de Nederlandsche wet geheel als geldig wordt beschouwd, vooral met het oog op de kinderen die uit het huwelijk mochten geboren worden, op de huwelijksgemeenschap en het erfrecht.

Onze wet bepaalt dat die huwelijken, wanneer ze gesloten zijn in de vormen die de buitenlandsche wet voorschrijft, hier als geldig worden beschouwd, onder twee voorwaarden of verplichtingen. Vooreerst moet het huwelijk hier te lande behoorlijk volgens de wet zijn afgekondigd, zonder dat het door iemand is gestuit, tenzij die stuiting weer mocht zijn opgeheven.

In de tweede plaats moeten de Nederlandsche echtgenooten voldoen aan de vereischten en voorwaarden, die de wet hier voor de bestaanbaarheid van het huwelijk stelt.

ocr page 48

44

De afkondigingen hier te lande zijn niet noodig, wanneer het huwelijk in een vreemd land gesloten is ten overstaan van een zoogenaamden consulairen ambtenaar. Dat zijn dan huwelijken tusschen twee Nederlanders in een vreemd land aangegaan. De bedoelde ambtenaren zijn gevestigd vooral in voorname handelsplaatsen in den vreemde, waar zij de belangen van onzen handel en onze nijverheid behartigen en de Nederlandsche onderdanen beschermen. In het algemeen zijn zij, ten opzichte van de daar gevestigde Nederlanders, belast met de bedieningen van ambtenaar van den burgerlijken stand, notaris en rechter.

Onze koloniën en bezittingen in andere werelddeelen worden niet als vreemde landen beschouwd

Voor huwelijken buitenslands gesloten is nog eene andere formaliteit voorgeschreven, wanneer namelijk de echtgenooten zich op het grondgebied van Nederland vestigen. Dan moet de buiten-landsche trouwakte binnen het jaar worden ingeschreven in het huwelijksregister hunner woonplaats.

Hoe men het bestaan van een huwelijk bewijst.

Hier boven hebben wij reeds medegedeeld, dat van de voltrekking van het huwelijk door den ambtenaar eene akte wordt opgemaakt, de trouwakte genaamd.

Deze akte levert volledig bewijs van het bestaan van het huwelijk op.

Wij hebben ook reeds gesproken over 't geval dat de akte ontbreekt. Wanneer dit feit bewezen is en er tevens een uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig is, dan kan de rechter, wanneer het bestaan van het huwelijk betwist wordt, elk aannemelijk bewijs toelaten, dat er werkelijk een huwelijk is of geweest is.

Uiterlijk bezit van den huwelijken staat is dan aanwezig, wanneer de personen werkelijk als man en vrouw met elkaar hebben geleefd en als zoodanig zijn beschouwd en behandeld.

Nietige huwelijken.

Reeds vroeger hebben wij opgemerkt, dat stuiting een middel is om de vereischte wettelijke vormen te doen eerbiedigen en de nietigheid van het huwelijk te voorkomen.

ocr page 49

45

Om dit wel te begrijpen, wete men, dat niet elke overtreding der wet nietigheid van het huwelijk ten gevolge heeft.

Het huwelijk is niet nietig, wanneer de vrouw getrouwd is binnen 300 dagen na de ontbinding van haar vorig huwelijk; ook niet wanneer echte kinderen, meerderjarig doch beneden 30 jaar, de toestemming der ouders niet hebben verzocht; noch wanneer het huwelijk, bij volharding der ouders in hun weigering in het laatste geval, gesloten is binnen drie maanden na de verschijning voor den rechter; en evenmin, wanneer de beide afkondigingen niet behoorlijk zijn geschied, de plechtigheid plaats had vóór den derden dag na dien der laatste afkondiging, of het huwelijk niet in het openbaar in het huis der gemeente is voltrokken.

De hier bedoelde vereischten, en nog enkele andere, zijn van meer ondergeschikt belang, zoodat de wet, ingeval van overtreding, geene nietigheid behoeft te bedreigen. De ambtenaar alleen is in deze gevallen voor de overtreding aansprakelijk en dus strafbaar.

Waar het aankomt op meer gewichtige eischen, b.v. de vrije toestemming der partijen zeiven, de toestemming die minderjarigen noodig hebben, den leeftijd, enz., daar kan de wetgever minder zacht optreden en daar bedreigt hij nietigheid tegen de overtreding zijner voorschriften.

Wat is dus een nietig huwelijk? Bestaat er door de overtreding vanzelf geen verbintenis en is de feitelijk gesloten vereeniging iets dat als een kaartenhuis ineenstort en geenerlei gevolg heeft ? Neen, dit is volstrekt het geval niet.

De nietigverklaring moet uitdrukkelijk door den rechter worden uitgesproken, op de vordering van een persoon, dien de wet daartoe bevoegd verklaart. Treedt die persoon niet op, maakt hij van zijn recht geen gebruik, dan kan van nietigheid geen sprake wezen. Ook het Openbaar Ministerie (de Officier van Justitie bij de rechtbank) kan soms de vordering tot nietigverklaring instellen.

Onnoodig is het, hier op alle bijzondere gevallen de aandacht te vestigen, daar, bij de vele wettelijke waarborgen die wij bezitten, het proces tot nietigverklaring van een huwelijk hoogst zelden voorkomt.

Laat ons eens aannemen dat een jongman, die den leeftijd van achttien jaren had bereikt, in het huwelijk wist te treden met een meisje dat den vereischten leeftijd niet bezat, en ook geen dispen-

ocr page 50

46

satie had bekomen. Behalve aan den Officier var. Justitie komt nu de vordering tot nietigverklaring alleen toe aan de te vroeg gehuwde. Hij, dus veronderstelt de wet, wist wat hij deed. maar zij niet

Zoodra echter hoogere belangen in het spel komen, bestaat voor de vordering geen grond meer en kan deze niet worden ingesteld, namelijk wanneer op den dag dat het proces zal aanvangen, de gevorderde leeftijd alreeds bereikt is, en in de tweede plaats wanneer de vrouw blijkt zwanger te zijn. Het is nu immers uitgemaakt, dat zij volstrekt niet onbekwaam was om te trouwen. Ook in het belang van het kind is het beier, dat de band tusschen de echt-genooten ongestoord blijft voortbestaan.

Gesteld eens dat er dwaling bestond, omtrent den persoon met wien iemand gehuwd'is. Voorheen kwamen daarvan wel eens voorbeelden voor; thans zeldzaam meer. De persoon nu, die meende, dat hij met A. trouwde, terwijl het later blijkt dat hij met B is gehuwd, heeft een vordering tot nietigverklaring Maar, die personen hebben dan toch feitelijk eene verbirtenis met elkaar aangegaan, en wanneer zij nu drie maanden aanhoudend met elkander hebben samengewoond, kan de vordering niet meer worden ingesteld; want nu veronderstelt de wet, niet zonder reden, dat degeen die dwaalde, vrijwel met de vergissing tevreden is.

En gesteld nu, dat het huwelijk werkelijk nietig verklaard wordt, welke zijn dan daarvan de gevolgen ? Wanneer er een kind uit de kortstondige vereeniging geboren wordt, is dat dan een wettig of een onwettig kind ?

Dat hangt van bijzondere omstandigheden af.

Wanneer beide partijen onbekend waren met het wettelijk gebod, wanneer zij duj beiden te goeder trouw handelden, dan heeft het huwelijk de gewone burgerlijke gevolgen, tot op den dag der ontbinding toe. Het kind dat later geboren wordt is wittig, wanneer het niet na dien dag is verwekt.

Is slechts één der echtgenooten te goeder trouw geweest, dan zijn de uit de verbintenis geboren kinderen ook wettig, maar de echtgenoot die te kwader trouw handelde, kan jegens den ander tot schadevergoeding worden veroordeeld. Alleen wanneer beide partijen wisten dat zij in strijd met de wet handelden, wordt het huwelijk aangemerkt als had het nooit bestaan en kunnen dus ook geen wettige kinderen uit deze verbintenis voortspruiten.

ocr page 51

47

Men kan met denzelfden persoon meer dan eenmaal trouwen.

Dit schijnt vreemd, en toch is het zoo.

Gesteld dat een huwelijk ten gevolge van wetsoverti eding nietig verklaard wordt, b v. bij gebreke van toestemming, op vordering van den vader. Wanneer nu later de toestemming niet meer noodig of de rechterlijke tusschenkomst voldoende is, dan kan niemand de betrokken personen verhinderen om voor de tweede maal een huwelijk te sluiten.

Een tweede geval heeft betrekking op de gevolgen der scheiding van tafel en bed, waarvan wij later spreken. Wanneer die scheiding tusschen echtgenooten bestaat, dan kan zij na verloop van vijf jaren door eene geheele huwelijksontbinding gevolgd worden. Wat bij de zoogenaamde echtscheiding niet mogelijk is, dat is bij deze huwelijksonthinding wel mogelijk. De voormalige echtgenooten kunnen namelijk een nieuw huwelijk met elkander sluiten.

Een derde geval heeft betiekking op de ontbinding van het huwelijk ten gevolge van aftrezigheid. Wanneer die afwezigheid zekeren tijd heeft geduurd, kan de achtergebleven echtgenoot verlof bekomen om een nieuw huwelijk aan te gaan, waardoor het oude ontbonden wordt. De nieuwe echtgenoot kan natuurlijk overlijden en de oude echtgenoot kan ongedacht terugkomen. Niets belet nu de voormalige echtgenooten den verbroken band weer aan te knoopen.

DE GEVOLGEN DIE HET HUWELIJK VOOR DE ECHTGENOOTEN HEEFT.

De verhouding tusschen de echtgenooten zeiven.

De wet doet de gehuwde vrouw in de meeste gevallen afhankelijk zijn van haren man en onthoudt haar bijna alle zelfstandigheid. Wanneer de vrouw eigen goederen heeft, of die gedurende het

ocr page 52

48

huwelijk verkrijgt, en er vóór het huwelijk geen contract is gemaakt. waarbij dit anders is bepaald, dan worden die goederen niet alleen door den man bestuurd, maar, wat de roerende goederen betreft, kan hij die zelfs wegmaken. Hij is wel voor alle wanbeheer en verzuim aansprakelijk, maar, zonder vooraf gestelde zekerheid, beteekent dit niet veel, en in ieder geval kan de vrouw hem gedurende het huwelijk geen rekenschap van zijn beheer vragen.

Van haar eigen goed mag de vrouw niets verkoopen of bezwaren, zonder toestemming en medewerking van den man, die hij desnoods schriftelijk geven kan. Bij het huwelijkscontract mag de vrouw wel bepalen dat zij haar eigen goed zal besturen en haar eigen inkomen zelf zal genieten, maar zij kan niet bedingen, dat zij over haar eigen goed het recht van vrije beschikking zal hebben.

In het algemeen heeft de gehuwde vrouw voor alle rechtshandelingen en alle verbintenissen den bijstand of de machtiging van haren man noodig.

In de praktijk is dit beginsel echter niet altijd toe te passen, en daarom zag de wetgever zich genoodzaakt om enkele uitzonderingen toe te laten. Wanneer mevrouw het dienstmeisje bij den winkelier een pond koffie laat halen, dan kan deze moeilijk onderzoeken of mijnheer van de zaak weet. Aangenomen wordt daarom, dat, voor alles wat de gewone dagelijksche uitgaven eener huishouding betreft, de vrouw de bewilliging van haren man heeft. Zij kan dus vrij handelen en zich het noodige voor het huishouden verschaffen.

Dat het aan de bewilliging van den man wel eens ontbreekt, leeren die geruchtmakende advertenties, die wij soms in de courant aantreffen; b.v. «Geene goederen op'crediet te verkoopen aan mijne huisvrouw H., als zullende door mij niet worden voldaan.quot;

Den man, die aldus de leveranciers voor de ware of vermeende verspilzucht zijner egade wenscht te waarschuwen en zich aan betaling denkt te onttrekken, kunnen wij echter niet den troost schenken, dat hij zijn doel zal bereiken. De winkelier is niet gehouden de dagbladen te lezen en zal zich wel op zijn onwetendheid beroepen en betaling vragen. Het eenige en meer kostbare middel is, dat de man eiken leverancier afzonderlijk zijne waarschuwing door een deurwaarder laat aanzeggen, en voor anderen geldt de waarschuwing dan ook niet.

Er zijn nog andere gevallen, waarin de vrouw de machtiging

ocr page 53

49

van den man niet behoeft om handelend op te treden. Zij kan en dit komt nog al vaak voor, afzonderlijk een tak van handel uitoefenen. Nu wordt zij verondersteld eene algemeene machtiging te hebben om in- en verkoopen enz te doen en te betalen en betalingen te ontvangen. Wil de man die machtiging intrekken, met andere woorden zijne vrouw verder toestemming weigeren om openbare koopvrouw te zijn, dan zal hij in dit geval met eene advertentie in de dagbladen kunnen volstaan.

Nog iets anders moeten wij vermelden, dat zeer belangrijk is. Bij de wet op de Rijkspostspaarbank is namelijk bepaald, dat gehuwde vrouwen, zonder bijstand van den man, gelden op de spaarbank kunnen beleggen. Het boekje komt op naam der vrouw en zij kan terugbetaling vorderen. In vele gevallen, b.v. van zorgloosheid of wangedrag van den man, kan de vlijtige en zuinige huisvrouw op die wijze de deugd van het sparen beoefenen, zonder dat zij eenige vrees voor hare spaarpenningen behoeft te hebben.

Ten slotte kunnen wij nog opmerken dat de vrouw geheel zelfstandig, en dat zonder medeweten van haar man, een testament kan maken of het gemaakte weer herroepen.

Weigert de man zijne vrouw tot eenige handeling machtiging te verkenen, dan kan de rechtbank haar die geven en behoort zij zich daartoe tot eenen procureur te wenden. Ook kan het voorkomen dat de man afwezig is of door andere redenen verhinderd, b.v. door lichaamsziekte of krankzinnigheid, en in dat geval kan de vrouw zich tot den kantonrechter wenden die haar een tamelijk ruime machtiging kan geven om zelfstandig te handelen.

Gesteld nu eens dat de vrouw een eigen huis bezit en dat zij dit heeft verkocht zonder bewilliging van haren man. Als de man nu de zaak toch goedkeurt en de echtgenooten willen, als de tijd daar is, het huis leveren en betaling ontvangen, kan de kooper dan van de zaak afzien, onder beweren dat de vrouw niet had mogen verkoopen? Geenszins. Alleen de man en de vrouw, of, bij overlijden, hunne erfgenamen, kunnen zich op de nietigheid van den verkoop beroepen, als de kooper van zijn kant het con tract wil uitvoeren.

4

ocr page 54

5°

Gemeenschap van goederen.

Wanneer een huwelijk gesloten wordt, zonder te voren opgemaakt huwelijkscontract, dan zijn de echtgenooten gehuwd in gemeenschap van goederen Wat de een bezit of verkrijgt behoort ook aan den ander; wat de een schuldig is of schuldig wordt, komt ook ten laste van den ander en, zoolang het huwelijk duurt, kan daaraan op geene andere wijze een einde komen, dan door de zoogenaamde, door den rechter uitgesproken scheiding van goederen. Of er dan, zonder contract, nooit iets buiten die gemeenschap valt, wat het bijzonder eigendom van man of vrouw blijft? Ja, dit is wel mogelijk.

Gesteld dat een oom zijn boedel nalaat aan zijne nicht, wier man een verkwister is. De oom is bevreesd dat zijn behuwdneef de erfenis zal doorbrengen, en daarom bepaalt hij in zijn testament dat die erfenis zal blijven buiten de gemeenschap tusschen man en vrouw, en benoemt bewindvoerders, die dat erfdeel zullen be-heeren. De man kan dan hoogstens over de rente beschikken.

Een vader of moeder kan zoo iets ook bepalen ten opzichte van de gehuwde kinderen, doch altijd maar voor een zeker deel. Over hetgeen aan de kinderen volgens de wet toekomt en aan hen niet kan worden onthouden, hebben de ouders ook niets te beschikken.

Wanneer het huwelijk door den dood ontbonden wordt, dan komen de begrafeniskosten voor rekening van de erfgenamen van den overledene. Dit is dus geen schuld van de gemeenschap.

Beheer van de gemeenschap.

Dit beheer wordt gevoerd door den man, en deze heeft eene macht, die somtijds vrij bedenkelijk is Hij kan de goederen der gemeenschap verkoopen en met schulden bezwaren.

Alleen in het weggeven van het goed is hij een weinig beperkt; maar daarvoor bestaat natuurlijk minder gevaar en dat punt kunnen wij wel onbesproken laten.

Ofschoon de gemeenschappelijke zaken het eigendom van beide echtgenooten zijn, oefent de man dus de eigendomsrechten alleen uit. omdat hij kan handelen zonder medewerking der vrouw, die

ocr page 55

SI

alleen bij testament over haar aandeel in de gemeenschap beschikken kan

Alleen wanneer de man, door afwezigheid of om andere redenen zijn wil niet kan te kennen geven of niet handelend kan optreden, kan de vrouw ingeval van noodzakelijkheid door den kantonrechter gemachtigd worden om de gemeenschappelijke goederen te vervreemden en te bezwaren.

Ontbinding van de gemeenschap.

In den regel houdt de gemeenschap op door den dood van een der echtgenooten; maar dit kan toch nog op andere wijzen geschieden, namelijk wanneer het huwelijk bij het leven der echtgenooten ontbonden wordt en wanneer, ofschoon het huwelijk blijft bestaan, de gemeenschap met rechterlijke uitspraak wordt opgeheven.

Op de gevolgen der ontbinding door den dood vestigen wij hier eerst de aandacht.

Verplichting om inventaris te maken.

Wanneer er gemeenschap bestaan heeft en minderjarige kinderen achterblijven, moet de langstlevende een inventaris opmaken of door eenen notaris doen opmaken, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd.

Dit moet geschieden binnen drie maanden na het overlijden.

In den regel is de langstlevende voogd of voogdes over de minderjarigen, en als zoodanig moet ook een inventaris worden opgemaakt van de bezittingen der kinderen, die echter meestal bestaan in hun aandeel in de gemeenschap, als erfgenamen van vader of moeder.

Het ligt gehael voor de hand dat de langstlevende in zulk een geval niet twee inventarissen, maar slechts één zal maken.

Geschiedt dit door den langstlevende zelf, bij zoogenaamde onderhandsche akte, dan moet de inventaris, na vooraf geregistreerd te zijn, voor den kantonrechter worden beëedigd en daarna ter griffie van het kantongerecht overgebracht. Wenschelijk is het dus den inventaris in duplo op te maken, dat wil zeggen in twee gelijkluidende exemplaren, opdat de langstlevende een der exemplaren zelf behouden kunne.

ocr page 56

52

Gevolgen van het verzuim van inventariseeren.

Is de inventaris niet binnen drie maanden opgemaakt, dan is de gemeenschap niet ontbonden, maar duurt die voort, zoolang tot aan de wet alsnog behoorlijk is voldaan.

Dit kan een straf zijn voor den langstlevende; want wat deze aanwint moet hij met de kinderen blijven deelen, maar hij kan niets bekomen van wat de kinderen ooit mochten verkrijgen, b.v. door erfenis.

In elk geval is het een straf, dat de langstlevende het vruchtgenot verliest, dat hij anders van de goederen der kinderen tot hun twintigste jaar heeft; en dit vruchtgenot krijgt hij door den later opgemaakten inventaris niet terug.

Scheiding van de gemeenschap.

Elke ontbinding van de gemeenschap geeft aanleiding tot scheiding. Ieder verkrijgt de helft; ofschoon dat bij huwelijkscontract anders kan worden bepaald, b.v. de man 'jg, de vrouw maar dan moeten de schulden in ieder geval in dezelfde verhouding worden betaald.

De regelen, die voor de boedelscheiding gelden, en die ook bij deze verdeeling toepasselijk zijn, worden later bij de behandeling van het erfrecht besproken.

Afstand van de gemeenschap.

De vrouw {niet de man) kan, wanneer zij weet, of het haar blijkt, dat de boedel een nadeelig slot oplevert, van de gemeenschap afstand doen, hetwelk ten gevolge heeft dat zij niets tot de betaling der schulden behoeft bij te dragen, waar tegenover natuurlijk staat dat zij ook alle recht op de baten verliest, echter met behoud van hare kleederen en haar lijislinnen.

Uit den aard der zaak volgt, dat van dit middel door de vrouw vooral gebruik zal worden gemaakt, wanneer er geene kinderen zijn of de gemeenschap niet door den dood van den man, maar op eene andere wijze, b.v. door echtscheiding ontbonden is.

Tengevolge van den afstand komen alle schulden voor rekening van de erfgenamen, die dan echter den boedel verwerpen kunnen

ocr page 57

53

of dien zoogenaamd beneficiair kunnen aanvaarden, dat wil zeggen op zoodanige wijze, dat zij niet meer in de schulden behoeven te dragen dan de baten van den boedel beloopen.

Voor den afstand van de gemeenschap geeft de wet aan de vrouw slechts een termijn van eene maand, en mocht zij binnen die maand overlijden, dan kunnen hare erfgenamen in hare plaats afstand doen.

Het is dus, tot vervulling van de noodige formaliteiten, ge-wenscht zich zoo spoedig mogelijk tot eenen procureur of notaris te wenden.

Huwelij kscontracten.

Het voorname doel van een huwelijkscontract is, buiten gemeenschap van goederen te trouwen, of althans de gemeenschap te beperken

Veelal geschiedt dit, wanneer het vermogen der aanstaande echtgenooten zeer veel verschilt, of wanneer een hunner reeds vroeger gehuwd was en voorkinderen heeft.

In beide gevallen kan dit dan ook gewenscht zijn, in het eerste voornamelijk omdat de echtgenooten elkander toch altijd bij testament kunnen bevoordeelen.

Men behoort zich daartoe in ieder geval tot eenen notaris te wenden, daar het huwelijkscontract door dezen ambtenaar vóór het sluiten van het huwelijk moet worden opgemaakt.

Om deze reden kunnen wij ons hier van de vermelding van vele bijzonderheden onthouden.

Van meer belang is het, mede te deelen, welke soorten van huwelijkscontracten het meest voorkomen en hoe dan in elk geval de verhouding is of wezen kan.

Uitsluiting van alle gemeenschap.

Men kan alle gemeenschap van goederen uitsluiten, waaruit van zelf volgt dat ieder zijn eigen goed behoudt en voor zijn eigen schulden aansprakelijk blijft.

De vrouw kan dan bedingen dat zij haar eigen goed zal be-heeren. Anders voert de man de administratie.

ocr page 58

54

De onroerende goederen der vrouw mag hij niet verkoopen of bezwaren zonder haar medewerking.

Wat de roerende goederen betreft, wij zagen reeds dat die medewerking daaromtrent niet noodig is; maar de wet stelt den man voor alle wanbeheer aansprakelijk.

De vrouw mag, zooals wij weten, zonder bijstand of machtiging van den man in het algemeen geen handelingen verrichten en dus ook niet over hare goederen beschikken.

Dikwijls wordt bepaald dat de vrouw eene vaste som uit hare inkomsten zal bijdragen tot de kosten der huishouding. Anders is alles ter beschikking van den man als hoofd der echtvereeniging.

Raadzaam is het, te doen blijken, welke meubelen en verdere roerende zaken, die niet op naam staan, zooals dat met de meeste effecten het geval is, en voorts alles wat tot inboedel gerekend wordt, door ieder worden aangebracht. Dit geschiedt bij de huwe-lijksche voorwaarden.

Verkrijgt een der echtgenooten later dergelijke zaken, dan moet daarvan door de zorg van den man een staat of beschrijving worden opgemaakt.

Bij gebreke hiervan is later de eigendom dikwijls niet te bewijzen en zöu men dus eenvoudig moeten aannemen dat ieder de helft bezit.

Gemeenschap van winst en verlies.

Behalve het bovenstaande valt hieromtrent nog het volgende op te merken:

Wanneer deze gemeenschap bij het contract wordt ingevoerd, blijven de echtgenooten den eigendom behouden van al wat zij ten huwelijk aanbrengen, later erven of ten geschenke krijgen, of voor eigen rekening aankoopen.

Alleen de winsten zijn gemeenschappelijk en de verliezen worden ook samen gedragen.

Gemeenschappelijk is dus al wat de wederzijdsche goederen opbrengen, wat man en vrouw verdienen, wat men trekt uit jaargelden, lijfrenten, pensioenen enz. Gemeenschappelijk is ook al wat uit de overschotten aangekocht of belegd wordt.

Van belang is het, uit boeken of aanteekeningen te doen blijken.

ocr page 59

SS

wat voor rekening van een der echtgenooten is aangekocht; anders wordt dit tot de winst gerekend.

Wat door louter geluk verkregen wordt is niet gemeen. In den regel wordt dit tenminste zoo beschouwd. Wanneer dus de vrouw een premielot bezit, dat met een prijs uitloot, dan is die prijs alleen voor haar.

Schulden vóór het huwelijk gemaakt en schulden door ieder voor zichzelf aangegaan, blijven voor ieders bijzondere rekening.

Andere schulden, kosten van de huishouding, van administratie, van opvoeding van kinderen en dergelijke, zijn gemeenschappelijk.

Gemeenschap van vruchten en inkomsten.

Deze gemeenschap heeft alleen ten gevolge, dat tusschen de echtgenooten gemeenschappelijk is, al wat de wederzijdsche bezittingen opbrengen en wat ieder verdient, of uit pensioenen, lijfrenten en dergelijke inkomsten geniet. Zijn deze inkomsten zeer ruim, dan is het natuurlijk mogelijk, dat men iets oplegt en daarvoor iets aankoopt en dan is dat van zelf gemeenschappelijk eigendom. Beter is het, het mogelijke saldo op geregelde tijden te verdeelen en voor ieder de helft op zijn eigen naam te beleggen.

Huwelijksgiften.

Dat bloedverwanten of vrienden aan de aanstaande echtgenooten schenkingen doen bij gelegenheid van het huwelijk, komt hier te lande hoogst zelden voor; alleen komt het voor, dat de aanstaande echtgenooten zeiven elkander een gift doen, hetgeen alleen geschieden kan wanneer zij een huwelijkscontract maken. De notaris vermeldt dan die gift in de akte.

In den regel bepalen deze giften of schenkingen zich daartoe, dat de aanstaande echtgenooten elkander het beschikbare deel der nalatenschap of het vruchtgebruik daarvan of, zoo mogelijk, van de geheele nalatenschap geven.

Van een gewone beschikking bij testament zijn die huwelijksgiften vooral daarin onderscheiden, dat zij niet kunnen worden herroepen, hetgeen met een testamentaire beschikking wel het geval is, en daar men niet te voren kan bepalen welke bijzondere

ocr page 60

56

omstandigheden zich na verloop van tijd zullen voordoen, zal de notaris in den regel den raad geven om, na het sluiten van het huwelijk, testament te maken.

Tweede en volgende huwelijken.

Deze komen veelvuldig voor. Wanneer beide echtgenooten kinderloos zijn, bestaat er, wat de verhouding der wederzijdsche goe deren betreft, met het recht in eerste huwelijken geen verschil.

Doch wanneer een der echtgenooten of beiden reeds gehuwd zijn geweest en er voorkinderen aanwezig zijn, is het eenigszins anders. Er bestaat dan ook wel gemeenschap van goederen, wanneer of zoover die niet bij huwelijkscontract is uitgesloten of beperkt; maar wanneer de gemeenschap, hetzij door den dood, hetzij op andere wijze ontbonden wordt, dan wordt de boedel niet altijd bij helfte verdeeld. De gewone regel gaat dan alleen op, wanneer de nieuwe echtgenoot, door de gemeenschap, niet met meer bevoordeeld wordt dan een kindsdeel; terwijl dat voordeel nooit meer mag bedragen dan een vierde gedeelte van hetgeen de hertrouwde echtgenoot ten huwelijk aanbracht of gedurende het huwelijk verkreeg.

Alleen hetgeen gedurende het huwelijk gewonnen of verloren wordt, deelen of dragen de echtgenooten te zamen.

In het belang van voorkinderen mag dus de nieuwe echtgenoot slechts tot op zekere hoogte bevoordeeld worden, en wanneer de gemeenschap is uitgesloten of beperkt, zoodat de wederzijdsche goederen niet vermengd worden, dan mag ook door huwelijksgift of testament aan den nieuwen echtgenoot niet meer dan het vermelde gedeelte worden gegeven of besproken.

Wij merkten op dat, ingeval van gemeenschap, de winst tus-schen de echtgenooten gelijkelijk gedeeld wordt. De helft daarvan komt dus aan den hertrouwden echtgenoot, die daarover ten behoeve van den nieuwen echtgenoot bij testament kan beschikken, doch ook niet verder dan een kindsdeel, en hoogstens een vierde

Uit het bovenstaande zal het ieder duidelijk zijn, dat ingeval van tweede of volgend huwelijk, nauwkeurig moet worden bepaald, wat door ieder bij den aanvang van het huwelijk wordt bezeten. Anders is later eene goede berekening niet te maken.

ocr page 61

57

Waar dus de echtgenooten of een van beiden bezittingen hebben, daar is het van groot belang, vooraf door eenen notaris eenen staat van aanbrengsten te doen opmaken en zoo mogelijk een boedelscheiding met de voorkinderen tot stand te brengen.

Het huwelijk zonder raadpleging van een rechtskundige tot stand te brengen, is dringend af te raden.

De zoogenaamde scheiding van goederen.

Al bestaat het huwelijk nog, de gemeenschap van goederen kan wel ophouden, voor goed of tijdelijk.

Aan het goedvinden der echtgenooten is dit echter niet overgelaten. De hier bedoelde ontbinding van gemeenschap noemt men scheiding van goederen. Deze wordt door den rechter uitgesproken en wel op verzoek van de vrouw, wanneer de man het goed der gemeenschap verspilt en het huisgezin geldelijk aan ondergang bloot stelt.

De vrouw, die zich in de noodzakelijkheid ziet gebracht, tot dezen maatregel haar toevlucht te nemen, moet zich tot eenen procureur wenden, die de noodige formaliteiten voor haar in acht neemt.

Zijn de echtgenooten niet in gemeenschap van goederen getrouwd, dan kan de vrouw ook wel tot scheiding van goederen procedeeren, maar dan bepaalt deze zich hiertoe, dat de vrouw het beheer over haar eigen goed terug krijgt, wanneer de man door grof verzuim van beheer, het goed der vrouw in gevaar brengt.

Heeft er gemeenschap van goederen bestaan, dan moet er eene notariëele akte van boedelscheiding worden gemaakt. Wat daarbij aan de vrouw wordt toegescheiden komt nu onder haar eigen beheer. Zij kan van de rechtbank eene doorloopende machtiging krijgen om over haar roerend goed te beschikken, maar voor den verkoop of het bezwaren van onroerend goed moet zij in ieder voorkomend geval de bewilliging van den man vragen, die echter door machtiging van de rechtbank kan worden vervangen.

De gemeenschap kan later weer worden hersteld en de man in het beheer over de goederen zijner vrouw teruggebracht; dit geschiedt bij notariëele akte en daarvoor is alleen de toestemming

ocr page 62

58

der echtgenooten noodig. De echtgenooten behooren zich hiertoe weder tot eenen procureur of anders dadelijk tot eenen notaris te wenden. Voor de nakoming der in dit geval vereischte formaliteiten wordt dus door deze ambtenaren gezorgd.

Wanneer de scheiding van goederen uitgesproken is, moet de vrouw evenwel bijdragen in de kosten der huishouding en van de opvoeding der kinderen. Bij onvermogen van den man komen die kosten zelfs geheel te haren laste.

WELKE VERANDERIN G- IN DE VERHOUDING TUS-SCHEN DE ECHTGENOOTEN KAN WORDEN GEBRACHT EN HOE HET HUWELIJK KAN WORDEN ONTBONDEN,

ANDERS DAN DOOR OVERLIJDEN.

Scheiding van tafel en bed.

De echtgenooten kunnen tot de overtuiging komen, dat zij voor elkander minder geschikt zijn, dan zij eerst meenden Ook is het mogelijk, dat de eene echtgenoot zich onwaardig jegens den anderen gedraagt.

In die gevallen bestaat de mogelijkheid dat de echtgenooten, zonder dat het huwelijk zelf ophoudt te bestaan, toch ontheven worden van de verplichting tot een gemeenschappelijk leven. Men noemt dit scheiding van tafel en bed. Deze kan op tweeërlei wijze tot stand komen.

Scheiding van tafel en bed door den rechter uitgesproken op verzoek der echtgenooten.

De echtgenooten kunnen dat verzoek doen, wanneer zij twee jaren met elkander gehuwd zijn. De wet beschouwt dit als een soort van proeftijd.

Wanneer de echtgenooten dit verlangen, moeten zij beginnen met zich tot eenen notaris te wenden, daar deze eene zoogenaamde

ocr page 63

59

akte van regeling moet opmaken, waarin wordt vermeld, op welke voorwaarden en met welke gevolgen de echtgenooten verlangen te scheiden, zoowel te hunnen opzichte, als met betrekking tot de kinderen.

Daarna wordt de tusschenkomst van eenen procureur vereischt, waarvoor de notaris wel zal zorgen. De procureur zorgt voor al de formaliteiten, die de wet in dit geval verlangt.

Scheiding van tafel en bed door den rechter uitgesproken op vordering van een der echtgenooten.

Wanneer de echtgenooten het samen niet over eene scheiding eens zijn, dan is deze zeer moeilijk. Er moeten zeer ernstige dingen zijn voorgevallen, zal een der echtgenooten met grond tegen den anderen tot scheiding kunnen procedeeren.

De gronden, door de wet genoemd, zijn de volgende:

1. Overspel, met andere woorden de gemeenschap van een der echtgenooten met een gehuwd of ongehuwd persoon.

2. Kwaadwillige verlating, dat wil zeggen, vertrek zonder gegronde oorzaken, met het duidelijk doel om zich aan de samenwoning te onttrekken.

3 Veroordeeling wegens misdrijf, tot een gevangenisstraf van vier jaar of langer.

4. Zware verwondingen of mishandelingen, die het leven in gevaar brengen.

5. Buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan. De wet is met deze uitdrukkingen niet zeer duidelijk. De rechter zal in ieder geval moeten beslissen of het gepleegde feit een buitensporigheid is; b.v.: voortdurende dronkenschap, een der meest voorkomende buitensporigheden, schijnt er niet onder te kunnen gerangschikt worden, omdat dit geen feit is, door den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd.

Deze zaak is zeer ongelukkig in de wet geregeld, zooals wij nog nader zullen opmerken.

De echtgenoot die grond meent te hebben om den eisch tot deze scheiding in te stellen, behoort zich te wenden tot eenen advocaat-procureur, die de zaken voor hem behandelt.

ocr page 64

6o

Het duurt, door de omslachtige wijze van procedeeren, die de wet vereischt, vrij lang, eer het vonnis wordt uitgesproken.

Is dit eenmaal het geval en wordt de eisch toegewezen, dan krijgt de vrouw het beheer over haar eigene goederen terug. De gemeenschap van goederen houdt op en wordt door boedelscheiding gevolgd.

De scheiding van tafel en bed is niet onherroepelijk.

De echtgenooten kunnen zich met elkander verzoenen en de vroegere verhouding herstellen. Hiervoor zijn volstrekt geene formaliteiten noodig en de hernieuwde samenwoning is voldoende om de verzoening te bewijzen, als dit noodig mocht zijn. En dit kan noodig wezen, want gedurende den tijd dat de scheiding voortduurde, was ieder der echtgenooten persoonlijk voor zijne verbintenissen aansprakelijk.

Ontbinding van het huwelijk als een gevolg van de scheiding van tafel en bed.

Wanneer deze scheiding vijf volle jaren zonder verzoening heeft stand gehouden, kan ieder der echtgenooten tegen den anderen den eisch tot huwelijksontbinding instellen.

Maar, zonder den wil van beide echtgenooten, kan de rechtbank dezen eisch niet toewijzen. De echtgenoot tegen wien door den anderen tot ontbinding geprocedeerd wordt, kan die ontbinding altijd tegenhouden, door niet in den eisch toe te stemmen of zich eenvoudig niet te verklaren. In dit opzicht is de wet zeer gebrekkig, daar zij aldus gelegenheid geeft aan de betrokken partijen om elkander uit plaagzucht het leven te verbitteren.

Wanneer de echtgenoot, die tot scheiding wordt aangesproken, daarin toestemt, kan de rechter de zaak niet tegenhouden, maar moet de scheiding uitspreken.

De echtgenooten, wier huwelijk aldus ontbonden wordt, kunnen, zooals wij vroeger reeds opmerkten, later weder een huwelijk met elkander aangaan.

ocr page 65

6i

Echtscheiding.

Deze kan in minder gevallen worden gevraagd, dan de scheiding van tafel en bed, namelijk alleen op de gronden, hierboven onder de nrs i, 2, 3 en 4 vermeld. De aanleiding is hier dus altijd van zeer ernstigen aard en e'én van die gevallen moet bepaald aanwezig zijn. want, met onderlinge toestemming is de scheiding niet mogelijk.

De echtgenoot die dezelve wenscht, moet zich alweder van rechtskundigen bijstand voorzien en zich dus bij eenen advocaat-pro-cureur vervoegen.

Door de echtscheiding wordt het huwelijk onherroepelijk ontbonden en wanneer er gemeenschap van goederen bestond, houdt deze op en moet weder boedelscheiding plaats hebben.

Gedurende het proces wordt aan de vrouw eene verblijfplaats aangewezen ; voorts wordt de som bepaald, die de man haar zal moeten uitkeeren voor haar onderhoud en dat van de kinderen die bij haar gebleven zijn, en wordt ook beslist aan wien de kinderen zullen worden toevertrouwd.

Zooals wij vroeger gezien hebben, kunnen de aanstaande echt-genooten elkander bij huwelijkscontract onherroepelijke giften doen, b.v. van een deel der nalatenschap of het vruchtgebruik daarvan. De echtgenoot nu, tegen wien de scheiding is uitgesproken, verliest zijn recht op dat voordeel; maar de andere echtgenoot behoudt het recht.

Mochten de echtgenooten elkander bij testament hebben bevoordeeld, dan is dat testament herroepelijk en van die gelegenheid zullen zij natuurlijk wel gebruik maken.

En wanneer de echtgenoot, op wiens verzoek het vonnis is uitgesproken, geen genoegzame middelen bezit om te leven, is de ander verplicht tot verschaffing van levensonderhoud.

De verhouding tusschen ouders en kinderen ondergaat door de echtscheiding weinig verandering. Bij wien de kinderen zullen verblijven wordt door de rechtbank bepaald. Hebben zij bezittingen, die vruchten opleveren, en worden die vruchten genoten door dengenen der ouders, tegen wien de scheiding is uitgesproken, dan verliest hij dat vruchtgenot.

ocr page 66

62

DE AFSTAMMING VAN KINDEREN EN HUN VERHOUDING TOT DE OUDERS.

Zooals wij weten plant het menschelijk geslacht zich voort, in den regel tengevolge van gesloten huwelijken, maar ook dikwijls zonder dat er een door de wet erkende verbintenis tusschen man en vrouw heeft plaats gehad.

De gevolgen van afstamming in en buiten huwelijk worden door de wet op zeer verschillende wijze geregeld. Ten opzichte van onechte kinderen is die regeling zeer gebrekkig en onbillijk.

Wettige kinderen.

Wettige kinderen zijn die welke gedurende het huwelijk der ouders zijn geboren of ontstaan.

Van zulke kinderen is de man vader en zij dragen zijn geslachtsnaam.

Onechte of natuurlijke kinderen.

Dat zijn de kinderen, welke voortgesproten zijn uit de verbintenis van personen, tusschen welke geen huwelijk bestaat.

Ook is het mogelijk, dat het kind eener gehuwde vrouw onecht is, omdat, in enkele gevallen, de man het recht heeft om de wettigheid van het kind te ontkennen Wanneer nu de daartoe door hem ingestelde eisch door den rechter toegewezen wordt, is het even alsof het kind buiten echt geboren was.

Verder bepaalt de 'wet, dat een kind onecht is, wanneer het geboren wordt drie honderd dagen na de ontbinding van het huwelijk.

Verhouding der onechte kinderen tot de ouders.

Het onechte kind heeft eigenlijk voor de wet geene ouders. Zelfs tusschen dat kind en zijne moeder bestaat geenerlei burgerlijke betrekking, ofschoon de naam der moeder toch in de akte van geboorte wordt genoemd en het gebruik dan ook medebrengt dat het kind den geslachtsnaam der moeder draagt.

Hieruit volgt vanzelf, dat er ook geene betrekking bestaat tusschen onechte kinderen en de bloedverwanten hunner ouders.

ocr page 67

Erkenning van onechte kinderen.

Tusschen de ouders van onechte kinderen en die kinderen kunnen burgerlijke betrekkingen aangeknoopt worden door de erkenning. Dit is eene verklaring van de ouders of van een van hen, dat het kind het hunne is.

Ofschoon het aldus erkende kind in een beteren maatschap-pelijken toestand geraakt, wordt het toch niet met een wettig kind gelijk gesteld.

Door den vader erkend, draagt het kind ook den geslachtsnaam van den vader. Verder komt het kind ook als erfgenaam op in de nalatenschap van de ouders die het erkend hebben. Deze zijn tot opvoeding en onderhoud verplicht.

Hoe de erkenning geschiedt.

Een jongman moet, om een onecht kind als het zijne te kunnen erkennen, den leeltijd van 19 jaren bereikt hebben. Voor de vrouw is geen leeftijd voorgeschreven.

De vader kan, zoolang de moeder leeft, geen kind erkennen, zonder dat zij in de erkenning toestemt. •

De akte van erkenning wordt opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand of door eenen notaris.

Wanneer de ouders het belang van hun kind willen behartigen, doen zij het verstandigst om zich zoo spoedig als de moeder daartoe in staat is, te zamen tot den ambtenaar van den burgerlijken stand te begeven, om door hem eene akte van erkenning te doen opmaken.

Wettiging van onechte kinderen.

Dat het kind door beide ouders wordt erkend is van het hoogste belang. De mogelijkheid bestaat toch altijd en het geval doet zich zelfs zeer dikwijls voor, dat de ouders later met elkander een huwelijk sluiten Wanneer nu het kind vooraf door de beide ouders erkend is, dan wordt het, door het later gesloten huwelijk gewettigd, dat wil zeggen, het krijgt al de rechten van een wettig kind.

Ouders die met elkander niet mogen huwen zonder dispensatie,

ocr page 68

64

wegens te nauwe bloedverwantschap, kunnen hun onecht kind niet anders wettigen dan door de erkenning bij de huwelijksakte. Eene voorafgaande erkenning baat in dit geval niet.

Wanneer de ouders verzuimd hebben, vóór het sluiten van het huwelijk het kind te erkennen, of wanneer een van hen, na de erkenning sterft, zoodat het voorgenomen huwelijk niet tot stand komt, dan kan het kind toch de rechten van wettig kind verkrijgen, door zoogenaamde brieven van wettiging, door den koning te verkenen. Dit zijn echter gevallen, die zich zelden of nooit voordoen.

DE BETREKKING TUSSCHEN DE PERSONEN TENGEVOLGE VAN BLOEDVERWANTSCHAP EN AANHUWELIJKING.

Wanneer een persoon van een ander afstamt, of wanneer twee personen van denzelfden persoon afstammen, dan zeggen wij dat er tusschen die personen bloedverwantschap bestaat

Deze natuurlijke betrekking wordt op verschillende wijzen door de wet erkend en daaraan worden verschillende rechten en plichten verbonden en daarom is het van belang te weten, hoe de wet die bloedverwantschap regelt.

Ook tusschen een persoon en degenen met wie hij door aan-huwelijking verbonden is, bestaan wettelijke betrekkingen.

Bloedverwanten worden tot elkanders nalatenschap geroepen. Bloedverwanten en aangehuwden zijn verplicht in verschillende gevallen elkanders belangen te behartigen en voor elkaar te zorgen.

Hoe nauwer de personen tot elkander staan, hoe inniger meestal de wettelijke verhouding is, en omgekeerd. Die verhouding wordt op eene bepaalde wijze berekend, en wel door de onderscheiding in liniën en graden.

Bloedverwantschap.

Deze bestaat in de betrekking tusschen personen, die van elkander afstammen of denzelfden stamvader hebben.

ocr page 69

65

Die betrekking wordt bepaald door het aantal geboorten.

Iedere geboorte noemt men een graad en eene reeks van geboorten eene linie.

Er is eene rechte linie en eene zijdlinie.

De rechte linie wordt nog onderscheiden in rechte opgaande en rechte nederdalende linie.

De rechte opgaande linie maakt het verband uit tusschen een persoon en degenen van wie hij afstamt. Zoo is de grootvader van A. zijn bloedverwant in de opgaande linie en wel in den tweeden graad, omdat er twee geboorten tusschen hen zijn.

De rechte nederdalende linie maakt het verband uit tusschen een persoon en degenen welke van hem afstammen. Zoo is de achterkleinzoon van A zijn bloedverwant in den derden graad, omdat er tusschen hen drie geboorten zijn.

De volgende teekening zal dit nog duidelijker maken.

grootvader van A. i

ie graad

vader van A.

2e graad

O

C rt rt bJD O. O

ie graad

zoon van A.

p

kleinzoon van A.

2e graad

3 Cu

ocr page 70

66

De zijdlinie maakt het verband uit tusschen personen, die van een zelfden persoon afstammen, of, zooals de wet het zegt, eenen gemeenen stamvader hebben.

Hieruit volgt b v. dat oom en neef elkander in den derden graad bestaan, en om dit te berekenen klimt men, het aantal geboorten tellende, van den eenen persoon op tot den gemeenschappelijken stamvader en van dien daalt men weder af tot den anderen persoon. Dit blijkt duidelijk uit de volgende teekening.

Stamvader A.

tweede graad

Zoon van A. genaamd B.

Zoon van A. genaamd C.

derde graad

eerste graad

Zoon van C. genaamd D.

B en D zijn nu oom en neef. Van D. tot A. is 2 graden, van A. tot B is 1 graad, dus te zamen drie graden. Had B. nu ook een zoon, genaamd E, dan is het duidelijk dat de neven D. en E. elkander in den vierden graad zouden bestaan.

Aanhuwelijking of zwagerschap.

Zwagerschap is de betrekking, die bestaat tusschen een der echt-genooten en de bloedverwanten van den anderen echtgenoot.

Wanneer dus A. en B zijn gehuwd en de vrouw B. heeft een broeder genaamd C, dan zijn A. en C zwagers.

In welken graad? Dit wordt op dezelfde wijze als bij bloedverwantschap berekend. Het is dus duidelijk dat hier zwagerschap in den tweeden graad bestaat.

Men zie de onderstaande teekening.

de man A.

de vrowv

B,

ocr page 71

67

C. en B. bestaan elkaar in den tweeden graad van bloedverwantschap ; A. en C. bestaan daarom elkander in denzelfden graad van aanhuwelijking of zwagerschap.

Zoo bestaan vader en schoondochter elkander in den eersten graad van aanhuwelijking, omdat vader en zoon elkander ook in den eersten graad van bloedverwantschap bestaan.

Er bestaat geen zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten.

Vele personen verkeeren daaromtrent in dwaling.

Gesteld dat A en B zusters zijn. A trouwt met C en B trouwt met D. Nu zijn C en D geen zwagers. Zie de teekening.

De regel is trouwens dat zwagerschap de betrekking is tusschen een der echtgenooten en de blnedvenvanten van den anderen. B en C bestaan elkaar dus wel; A en D ook; maar C en D blijven elkander volkomen vreemd voor de wet.

Wanneer nu het huwelijk tusschen A. en B., door welke oorzaak dan ook, ontbonden wordt, duurt de bestaande zwagerschap toch voort. Al de burgerlijke rechten en verplichtingen, welke uit deze betrekking voortvloeien, blijven bestaan.

DE MACHT DER OUDERS.

De ouderlijke maclit in betrekking tot het kind zelf.

Zoolang de kinderen niet door meerderjarigheid of op andere wijze zelfstandig zijn geworden, wordt toezicht over hen uitgeoefend en dat wel in de eerste plaats door de ouders.

ocr page 72

68

De ouderlijke macht wordt door de wet vaderlijke macht genoemd, omdat in den fegel alleen de vader het gezag over de kinderen uitoefent en de moeder dit alleen in sommige gevallen doet, als plaatsvervangster van den man. b. v. wanneer deze door den strafrechter uit de ouderlijke macht is ontzet of wanneer hij afwezig is.

Zoodra een der ouders overleden is, bestaat er geen ouderlijke macht meer, maar staan de kinderen onder voogdij. De langstlevende der ouders is in den regel met de voogdij belast.

Rechten en verplichtingen der ouders.

De ouders zijn in de eerste plaats verplicht, hunne minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden, waar tegenover de kinderen eerbied en ontzag aan hunne ouders verschuldigd zijn en zonder hunne toestemming het ouderlijke huis niet mogen verlaten.

Verregaande verwaarloozing van den ouderlijken plicht kan een strafbaar feit opleveren, namelijk wanneer de kinderen geheel aan hun lot worden overgelaten. Ook kunnen de ouders uit hunne macht worden ontzet, wanneer zij tegen de kinderen zekere strafbare feiten plegen.

Deze regeling is echter geheel onvoldoende, want er moet altoos een veroordeelend vonnis wezen, eer die ontzetting kan worden uitgesproken; terwijl zeer vele ouders hun plicht als verzorgers der kinderen verwaarloozen, zonder daarom met den strafrechter in aanraking te komen.

Vastzetting van minderjarigen.

Wanneer de vader of de moeder, indien de laatste de langstlevende en niet op nieuw gehuwd is, gewichtige redenen van misnoegen heeft over een kind en niet bij machte is om het ouderlijk gezag voldoende te doen gelden, kan de rechtbank het kind ten koste der ouders in verzekerde bewaring doen stellen.

Is het kind beneden de vijftien jaar, dan kan de vastzetting voor niet langer dan drie maanden geschieden ; anders voor hoogstens een jaar.

ocr page 73

69

Wanneer de vader overleden en de moeder hertrouwd is, kan geene vastzetting van het kind door de rechtbank worden bevolen.

De gevolgen die de macht der ouders heeft met betrekking tot de goederen van het kind.

Wanneer een minderjarig kind reeds eigen bezittingen heeft, worden deze door den vader beheerd, die dan ook het kind daaromtrent vertegenwoordigt en in alles voor zijne belangen optreedt. Hij is voor een goed beheer verantwoordelijk, doch is niet verplicht daarvoor eenige zekerheid te geven.

Over de goederen beschikken, dat wil zeggen ze verkoopen of bezwaren, mag hij niet zonder rechterlijke tusschenkomst. Daarvoor gelden de voorschriften, die voor voogden bestaan en die wij later zullen bespreken.

Vruchtgenot der ouders.

Zoolang het huwelijk duurt heeft de vader en als het door den dood ontbonden wordt de langstlevende vader of moeder, het vruchtgenot van de goederen der kinderen.

Dat vruchtgenot duurt tot de kinderen den leeftijd van twintig jaren hebben bereikt of eerder zijn gehuwd.

Waarvan de ouders het vruchtgenot niet hebben.

Wanneer aan het kind iets wordt geschonken of bij testament vermaakt, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de ouders daarvan geen vruchtgenot zullen hebben, moeten de vruchten die de goederen opleveren, later worden verantwoord.

In zulke gevallen is het beter, dat de gever de goederen onder het beheer van eentn derden persoon stelt of wel van onderscheidene bewindvoerders. Deze zijn evenwel aan den vader reken-plichtig.

Wanneer de kinderen iets verkrijgen door afzonderlijken arbeid en vlijt, dan heeft de vader daarover wel het beheer, maar geniet hij niet de vruchten, welke door belegging daarvan worden verkregen. Men schijnt hier te moeten denken aan het geval, dat de

ocr page 74

7°

kinderen hetgeen zij verdienen geheel of gedeeltelijk mogen behouden en dat opsparen.

Hiermede stemt de bepaling der wet op de Rijkspostspaarbank overeen, dat inlagen van minderjarigen op die bank niet aan het ouderlijk vruchtgenot onderworpen zijn.

De minderjarigen kunnen zulke inlagen zonder tusschenkomst van vader of voogd doen en ook de terugbetaling daarvan eischen; doch tegeu dit laatste kan de vader of voogd zich verzetten.

Hoe het vruchtgenot verloren wordt.

Zooals reeds vroeger werd gemeld, is verlies van vruchtgenot de straf op het verzuim van den langstlevende der ouders, om binnen drie maanden na het overlijden van den eerststervende eenen inventaris van de gemeenschap op te maken.

Verder wordt het vruchtgenot verloren door de moeder die een nieuw huwelijk aangaat; niet door den vader.

Wanneer tegen een der echtgenooten echtscheiding is uitge sproken, of scheiding van tafel en bed in een geval, dat ook tot echtscheiding aanleiding had kunnen geven, wordt mede door hem of haar het vruchtgenot verloren. Wanneer het de vader is, die op deze wijze het genot verliest, kan de moeder het verkrijgen, doch eerst dan wanneer de vader overleden is.

Ook wanneer de strafrechter tengevolge van een misdrijf de ontzetting uit de vaderlijke macht uitspreekt, heeft dit verlies van vruchtgenot ten gevolge.

Er zijn echter onderscheidene gevallen, waarin de straf niet in overeenstemming is met de billijkheid, of ook te hard, omdat de ouders hunne kinderen toch moeten opvoeden en onderhouden en dat voor hen bezwarend zou zijn. Daarom kan de kantonrechter aan hen een jaarlijksche uitkeering uit de vruchten van de goederen der kinderen toeleggen, om tot bevordering van de opvoeding der minderjarigen te worden besteed.

Deze uitkeering duurt niet tot het twintigste jaar maar tot aan de meerderjarigwording toe; maar zij moet bepaald tot het doel worden aangewend en wat de ouders van de uitkeering niet besteden, moeten zij verantwoorden.

ocr page 75

71

Dit is een groot verschil met het vruchtgebruik, dat ook wel in de eerste plaats ten behoeve der kinderen zal worden besteed, maar waarvan het overschot ten bate der ouders komt.

Van de vruchten der goederen van erkende, onechte kinderen, hebben de ouders die ze erkenden geen genot, ofschoon de bepalingen omtrent de ouderlijke macht overigens ook op die kinderen van toepassing zijn.

De verplichting tot onderhoud tussehen bloeden aanverwanten.

Wanneer de ouders den plicht van onderhoud en opvoeding vervullen, kunnen de kinderen van hen niets meer eischen. De opvoeding stelt hen in staat om hunnen weg door de wereld te vinden. Zij kunnen de ouders niet noodzaken om hen een stand of betrekking te bezorgen.

Maar, ingeval van behoefte, bestaat tussehen ouders en kinderen, van welken leeftijd ook, en in het algemeen tussehen alle bloedverwanten in de opgaande en nederdalende linie, eene verplichting tot onderhoud of zoogenaamde alimentatie.

Hetzelfde is het geval tussehen natuurlijke kinderen en de ouders die ze erkenden. Van verdere bloedverwanten is hier van zelf geen sprake.

Ook schoonouders en behuwdkinderen zijn wederkeerig tot onderhoud verplicht.

Wanneer een schoonmoeder hertrouwt, behoeven hare aangetrouwde kinderen haar echter niet meer te onderhouden.

Evenmin behoeven de schoonouders hun aangehuwde dochter langer te onderhouden, wanneer deze tot een nieuw huwelijk komt. Hunne verplichting tot onderhoud eindigt mede. wanneer zoowel hun eigen kind als de kinderen uit diens huwelijk geboren, overleden zijn. Met den schoonzoon of de schoondochter is de wettelijke band dan geëindigd, ofschoon, zooals wij vroeger zagen, in het algemeen de ontbinding van het huwelijk de zwagerschap niet doet ophouden.

Het onderhoud geschiedt in evenredigheid van de behoefte aan de eene zijde en het vermogen aar. den anderen kant. In den regel

ocr page 76

72

wordt een geldelfjk bedrag uitgekeerd, waarvan, zoo noodig, het beloop moet worden bepaald door den rechter.

Is de uitkeering van een geldsom onmogelijk, dan kan de rechter bevelen dat men den onderhoudsplicht vervult door den be-hoeftigen bloedverwant in huis te nemen, en de ouders hebben altijd het recht om zich tegenover hun kinderen op die wijze van hun plicht te kwijten.

Volgens de armenwet kan de aan behoeftigen door instellingen van weldadigheid verleende onderstand, worden verhaald op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de burgerlijke wet tot hun alimentatie verplicht zijn.

VOOGDIJ OVER MINDERJARIGEN.

Wie onder voogdij staan.

Onder voogdij staan minderjarige kinderen wier ouders overleden zijn of waarvan er althans één overleden is.

Zoogenaamde halve weezen staan dus ook onder voogdij van hun vader of moeder.

Wanneer beide ouders overleden zijn en dus andere personen met de voogdij worden belast, gelden in sommige gevallen andere wettelijke regelen, dan er ten aanzien van de ouders-voogden bestaan. Wij zullen daarop als het noodig is telkens wijzen.

Ook onechte kinderen die niet erkend zijn, staan altijd onder voogdij.

Wie minderjarig is.

Minderjarig is ieder die den vollen ouderdom van 23 jaren niet heeft bereikt en niet vóór dien tijd is gehuwd.

Personen die den 2o jarigen leeftijd bereikt hebben kunnen ook meerderjarig verklaard worden ; in enkele opzichten blijven zij dan toch nog minderjarig of kunnen het althans blijven. Hierover spreken wij nader.

ocr page 77

73

Algemeene regelen voor de voogdij.

De voogdij is een plicht, waaraan in het algemeen niemand zich mag onttrekken.

Alleen de moeder kan zich onttrekken aan de voogdij over hare kinderen, wanneer zij meent dat die taak haar te zwaar zal vallen. Zij moet dan de voogdij voorloopig waarnemen tot dat een ander tot voogd benoemd is. De rechten die uit de ouderlijke macht voortspruiten blijft zij dan behouden en de taak van den voogd bepaalt zich in hoofdzaak tot het bestuur van de goederen van het kind.

Behalve over hare eigene kinderen kan eer.e vrouw geen voogdes zijn.

Familieraden.

Wanneer door den rechter een voogd moet worden benoemd of in het algemeen in de belangen van minderjarigen voorzien, moet hij in verschillende gevallen den zoogenaamden familieraad hooren.

De familieraad is samengesteld uit de naaste bloed- en aanverwanten, ten getale van vier. zoo mogelijk twee van vaders- en twee van moederszijde. Die bloed- en aanverwanten moeten meerderjarig en binnen het Rijk woonachtig zijn.

Vrouwen worden ook hier niet toegelaten.

Behalve de bloedverwanten of aangehuwden moet in vele gevallen ook de toeziende voogd door den rechter worden gehoord.

Als de rechter het vordert moeten de leden van den familieraad persoonlijk verschijnen. Anders kan men zich door een ander laten vertegenwoordigen

Die zonder voldoende reden van verschooning in het een of ander nalatig is, kan door den rechter tot boete worden veroordeeld

Hypotheekstelling.

Wanneer een voogd onroerende of zoogenaamde vaste goederen bezit, huizen of landerijen, is hij verplicht die te verbinden tot zekerheid van hetgeen hij later wegens zijn beheer aan den minderjarige zal schuldig wezen.

Tot welk bedrag die hypotheek gesteld moet worden, bepaalt

ocr page 78

74

de rechter. Hoe grooter verantwoordelijkheid, hoe grooter natuurlijk het bedrag.

Wanneer de voogd effecten van den minderjarige in zijn beheer heeit, die niet op naam staan, die dus gemakkelijk kunnen worden verkocht, zoodat de voogd daarvoor de volle verantwoordelijkheid heeft, hetgeen bij de bepaling der hypotheek natuurlijk in aanmerking genomen wordt, dan kan hij zich van die verantwoordelijkheid ontslaan door, op bevel van den kantonrechter, die stukken in bewaring te geven, in eene daarvoor bestaande Rijksinstelling, de consignatiekas genaamd.

Certificaten van aandeel in de nationale schuld worden echter niet in de consignatiekas gebracht, maar op naam van de minderjarigen op het Grootboek ingeschreven. Hierdoor kunnen ze niet weggemaakt worden en de voogd behoeft voor het bedrag dier effecten dus ook geen zekerheid te geven.

Wanneer de voogd geen vast goed bezit, kan hij tot het stellen van andere zekerheid niet worden genoodzaakt.

Pe regel is, dat de zoogenaamde voogdijhypotheek door eenen notaris wordt opgemaakt. Bijzonderheden omtrent de daarbij in acht te nemen regelen behoeven wij hier dus niet op te nemen.

Soorten van voogdij.

W ij zijn gewoon de voogdij in de volgende soorten te onderscheiden :

die der ouders over hunne kinderen ;

die van personen welke door een der ouders worden benoemd;

die van personen welke door den rechter worden aangesteld;

die van de regenten van gestichten.

Voogdij der ouders over hunne kinderen.

Deze noemt men de wettelijke voogdij, omdat de langstlevende der ouders van zelf, zonder rechterlijke benoeming voogd of voogdes is over de minderjarigen.

De ouders-voogden behoeven ook geen eed af te leggen.

ocr page 79

75

De raadsman.

De vader is bevoegd een raadsman te benoemen, die de moeder in de uitoefening van de voogdij ter zijde staat. Dit geschiedt bij notariëele akte. Natuurlijk zal de vader wel iemand benoemen, van wien hij kan onderstellen, dat hij aan de moeder aangenaam is. Mocht het anders wezen, dan kan zij voor de voogdij bedanken en dan vervalt natuurlijk de benoeming van den raadsman van zelf.

De curator over het ongeboren kind.

Het gebeurt vaak, dat bij het overlijden des vaders de vrouw zwanger is. Het natuurlijkst zou wezen dat zij door de wet als voogdes over dat kind werd beschouwd, doch dit is niet zoo. Er wordt over dat ongeboren kind een bijzonder persoon tot curator aangesteld. Deze treedt dus voor zijn belangen op.

Wanneer het kind levend ter wereld komt, dan treedt de moeder als voogdes op en de curator wordt toeziende voogd, zonder daartoe eene aanstelling te behoeven; ten minste wanneer er geen andere kinderen zijn, die reeds een toezienden voogd hebben. In dit laatste geval toch is de werkkring van den curator afgeloopen en wordt de bestaande toeziende voogd van zelf ook toeziende voogd over het thans geboren kind.

Wat er gebeuren moet wanneer de moeder-voogdes gaat hertrouwen.

In dat geval moet zij den kantonrechter verzoeken haar in de voogdij te bevestigen. Doet zij dit niet, dan verliest zij de voogdij, zonder bepaaldelijk te worden afgezet, doch kan later wel weer worden herbenoemd.

De mede-voogdij van den nieuwen man'.

Wanneer de moeder-voogden als zoodanig bevestigd of herbenoemd is, wordt haar man medevoogd, zonder dat hij daartoe opzettelijk behoeft te worden aangesteld. Beiden zijn van dat oogenblik af voor het voogHijbeheer verantwoordelijk

ocr page 80

76

Verplichting bij het aangaan van een nieuw huwelyk.

De vader of moeder, die voogd of voogdes is en een nieuw huwelijk sluit, is verplicht aan den toezienden voogd der kinderen een staat aan te bieden van hunne bezittingen.

In den regel zal dat vermogen blijken uit den vroeger opge-maakten inventaris. Van heel veel belang is dus het voorschrift niet; toch wordt de vader of moeder, ingeval van nalatigheid met verlies der voogdij gestraft; zoodat dan door den rechter in de voogdij moet worden voorzien.

Voogdij over erkende onechte kinderen.

De voogdij over deze kinderen behoort aan den vader, of bij gebreke van hem aan de moeder, wanneer deze namelijk meerderjarig zijn. Zoo niet dan wordt tot aan die meerderjarigheid door den rechter voorloopig een voogd benoemd.

Voogdij van personen welke daartoe door de ouders zijn benoemd.

Wanneer een der ouders overleden is, heeft de langstlevende het recht om bij notariëele akte een voogd over zijne na te laten minderjarige kinderen te benoemen. Het verstandigst is om verschillende personen aan te wijzen, waarvan de een bij overlijden of verhindering van den anderen kan optreden.

Zoo de langstlevende dit verlangt kan hij aan den voogd bij het testament of de akte waarin de benoeming voorkomt een loon voor zijne werkzaamheden toeleggen.

Deze door een der ouders benoemde voogd wordt niet beëedigd.

Ouders van erkende, onechte kinderep hebben dit recht van voogdbenoeming niet.

Voogdij van personen welke daartoe door den rechter worden benoemd.

Door den kantonrechter wordt een voogd benoemd, wanneer beide ouders overleden zijn en door den langstlevende geen voogd

ocr page 81

77

is aangesteld ; verder wanneer de benoemde voogden volgens de wet van de voogdij zijn uitgesloten of redenen van vrijstelling laten gelden; wanneer de ouders uit de vaderlijke macht zijn ontzet; wanneer de moeder voor de voogdij heelt bedankt; wan ■ neer de voogdij wordt verloren en wanneer de benoemde voogd wordt afgezet.

De benoeming van den voogd geschiedt na verhoor van den familieraad, op verzoek van bloedverwanten, desnoods van schuld-eischers die belang hebben bij de regeling van den boedel, of anders zonder verzoek.

Deze voogd moet, alvorens zijn werkzaamheden te aanvaarden, in handen van den kantonrechter den eed afleggen, dat hij de hem opgedragen voogdij naar behooren en getrouw zal waarnemen.

Wijze van eedsaflegging.

De zooeven genoemde eed wordt, evenals alle andere eeden, door ieder afgelegd naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid.

Men heft de beide voorste vingers der rechterhand omhoog, onder het uitspreken der woorden : «Zoo waarlijk helpe mij God almachtig.quot;

De Israëliet doet dit met gedekten hoofde.

Zij die tot het Doopsgezinde kerkgenootschap behooren, kunnen volstaan met het afleggen eener plechtige verklarirg of belofte.

Benoeming van voogden over onechte kinderen.

Tusschen deze kinderen en de bloedverwanten hunner ouders bestaat geenerlei betrekking. Die benoeming geschiedt daarom zonder verhoor van familieraad.

Voogdij der regenten van weldadige gestichten.

Alle minderjarigen, welke opgenomen worden in een gesticht van weldadigheid, staan onder voogdij der regenten van het gesticht, zoolang zij in de stichting verblijf houden.

Door het terugnemen der kinderen uit het gesticht, houdt de voogdij der regenten op en staan de kinderen weder op de gewone wijze onder de vaderlijke macht of de voogdij.

ocr page 82

78

De regenten van het gesticht leggen geen eed af. Zij stellen geen zekerheid voor het beheer van de goederen der kinderen, waarvan trouwens in den regel geen sprake is.

In deze voogdij is ook qeen toeziende voogd.

De toeziende voogd.

Alle voogden of voogdessen, behalve de regenten van gestichten, worden door een toezienden voogd ter zijde gestaan.

Deze toeziende voogd kan niet anders dan door den kantonrechter worden benoemd. Hij is ook verplicht tot het afleggen van eenen eed.

De taak van den toezienden voogd bestaat vooral hierin, dat hij nagaat of de voogd zijne wettelijke verplichtingen ten aanzien der voogdij getrouw nakomt, hoe zijn bijzonder levensgedrag en zijn geldelijke toestand zijn.

Hij moet dus acht geven of de voogd hypotheek stelt, of deze inventaris maakt van alle erfenissen die aan den minderjarige opkomen, enz.

De voogd moet aan den toezienden voogd om de twee jaren eene beknopte rekening van zijn beheer doen en hem de bewijzen toonen van hetgeen aan den minderjarige toebehoort, zooals effecten, schuldbekentenissen, hypotheken, titels van eigendom, enz.

De vader en de moeder zijn van het doen van die tweejarige rekening vrijgesteld.

Zorgt de toeziende voogd niet dat de voogd aan de bovengemelde verplichtingen voldoet, en lijdt de minderjarige daardoor schade, dan kan hij tot schadevergoeding worden veroordeeld.

Wanneer de voogd geen tweejarige rekening doet of deze de sporen draagt van ontrouw of grove nalatigheid, in het algemeen wanneer de voogd onbekwaamheid of ontrouw aan den dag legt, moet de toeziende voogd de afzetting van den voogd aan de rechtbank vragen en zich daartoe tot eenen procureur wenden. Wordt de voogd afgezet, dan moet hij voor de aanstelling van een nieuwen voogd zorgen en intusschen de verplichtingen van den voogd zelf vervullen.

ocr page 83

79

Welke geldige redenen er zijn om voor de betrekking van voogd of toeziende voogd te bedanken.

De wet noemt een aantal redenen op, waarvan echter slechts sommige in werkelijkheid voorkomen.

De voornaamste redenen zijn :

dat men krijgsman is in werkelijken dienst;

dat men den ouderdom van zestig jaren heeft bereikt, of, wanneer men vóór den zestigjarigen leeftijd benoemd is, dat men 65 jaren oud is geworden;

dat men door een zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld is;

dat men, ofschoon zelf geen kinderen hebbende, met twee voogdijen of toeziende voogdijen is belast;

dat men, zelf kind of kinderen hebbende, met ééne voogdij of toeziende voogdij is belast;

dat men op den dag zijner benoeming vijf wettige kinderen heeft (ongeboren kinderen tellen niet mee).

Welke personen tot de voogdij of toeziende voogdij onbevoegd zijn.

Het zijn :

minderjarigen;

onder curateele gestelden;

vrouwen (behalve de moeder).

Deze personen kunnen dus niet worden benoemd. Zoo zij benoemd zijn is die benoeming nietig.

Welke personen onbevoegd zijn tot de voogdij en de toeziende voogdij en daaruit zelfs kunnen worden ontzet.

Dit zijn:

zij die een bekend slecht levensgedrag leiden ;

zij die in de waarneming hunner betrekking van voogd of toeziende voogd onbekwaam of-ontrouw zijn;

zij die van eene andere voogdij of toeziende voogdij ontzet zijn; zij die in staat van faillissement zijn verklaard.

ocr page 84

8o

HET BESTUUR VAN DEN VOOGD.

Toezicht van den voogd, over den minderjarige zelf.

Dit toezicht komt natuurlijk in -het algemeen overeen met het toezicht der ouders. Ook de voogden zijn verplicht voor onderhoud en opvoeding te zorgen en de minderjarigen te beschermen, maar ten koste van de minderjarigen zelf

Ook de voogd heeft het recht om opsluiting van de minderjarigen te verzoeken, wanneer hij ernstige redenen tot ontevredenheid over hun gedrag meent te hebben.

Bestuur van den voogd over de bezittingen der minderj arigen.

In het algemeen wordt hier opgemerkt, dat de regelen welke voor dit bestuur in de wet geschreven zijn, zoowel gelden voor de ouders, die voogd of voogdes zijn, als voor vreemde voogden.

Wanneer dit eene enkele maal anders is, zal het hierna uitdrukkelijk worden gezegd.

In alle burgerlijke handelingen wordt de minderjarige door zijn voogd vertegenwoordigd, die voor hem optreedt, wanneer de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt.

Wat een minderjarige zelfstandig kan doen.

Een minderjarige, die den leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, kan zelfstandig een testament maken.

Verder is hij op ig-jarigen leeftijd bevoegd om een onecht kind te erkennen.

Hij mag het verzoek doen om meerderjarig te worden verklaard of beperkte handlichting te bekomen.

Ook kan hij zelfstandig inlagen doen op de Rijkspostspaarbank.

ocr page 85

8i

Verantwoordelijkheid van den voogd.

De voogd is aansprakelijk voor zijn beheer en moet het nadeel vergoeden, dat de minderjarige zelfs door verzuim of nalatigheid lijdt. Somtijds komt het voor, dat zaken, die minderjarigen erven, door den erflater onder beheer van bewindvoerders zijn gesteld. Over die goederen heeft de voogd dan natuurlijk geen bestuur. Ook is hij niet verantwoordelijk voor de daden van bewindvoerders, die door den rechter zijn benoemd over goederen, welke in de overzeesche bezittingen zijn gelegen.

Eerste werkzaamheden van den voogd.

Wanneer er nog geen toeziende voogd is, moet de voogd zorgen dat er onmiddellijk een benoemd wordt.

Daarna moet inventarisatie of boedelbeschrijving plaats hebben.

Zooals wij vroeger hebben opgemerkt is de langstlevende der ouders verplicht om, wanneer er minderjarige kinderen zijn, binnen drie maanden na het overlijden van den eerststervende een inventaris van de goederen der gemeenschap op te maken.

Hier hebben wij dus meer het oog op den zoogenaamden vreemden voogd.

Wat de minderjarigen bezitten zal meestal bestaan in hun aandeel in de nalatenschap der ouders. In elk geval moet de voogd van hunne bezittingen eenen inventaris opmaken, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd.

Ook hier is het gewenscht, de akte van boedelbeschrijving door eenen notaris te doen opmaken, teneinde gewaarborgd te zijn, dat alles behoorlijk in de wettelijke vormen geschiede.

De wet laat evenwel het inventariseeren bij onderhandsche akte toe, in welk geval de deugdelijkheid van den opgemaakten inventaris door den voogd voor den kantonrechter moet worden beëedigd; terwijl de akte ter griffie van het kantongerecht moet worden overgebracht. Om deze laatste reden is het wenschelijk van den inventaris twee gelijkluidende stukken op te maken, waarvan er dan, na registratie, een ter griffie van het kantongerecht kan worden gedeponeerd, terwijl het andere onder berusting van den voogd blijft.

6

ocr page 86

82

Over het stellen van hypotheek tot zekerheid van het beheer, hebben wij vroeger reeds gesproken.

Verder moet de voogd door den kantonrechter de som doen bepalen, die de minderjarige jaarlijks zal kunnen verteren en die voor het beheer der goederen mag worden besteed. Deze som wordt bij raming bepaald, naar gelang van de inkomsten, blijkende uit den opgemaakten inventaris. De bedoeling is natuurlijk, dat de voogd zich daaraan zoo na mogelijk zal houden en geene hoogere uitgaven zal toestaan zonder bepaalde noodzakelijkheid, die hij bij het doen der voogdijrekening zal moeten bewijzen.

Wanneer de wet spreekt van verteren, dan bedoelt zij daarmede natuurlijk niet, dat de minderjarige die som voor zijn genoegen zal uitgeven, maar dat de voogd dezelve voor het onderhoud. de opvoeding en al het noodige mag besteden.

Daar de ouders van de goederen der kinderen het vruchtgenot hebben en de minderjarigen door hen te hunnen koste moeten worden opgevoed en onderhouden, komt. wanneer de langstlevende vader of moeder voogd of voogdes is, het bepalen van de genoemde som niet te pas.

Verkoop van meubelen en huisraad.

Vreemde voogden moeten de meubelen en het huisraad, den minderjarige toebehoorende, door verkoop te gelde maken, evenals andere zaken die geene renten of vruchten opleveren. De rechter kan evenwel verlof geven om sommige zaken te bewaren. Hieronder zullen vooral moeten gerekend worden, stukken die op het geslacht of de tamilie betrekking hebben, waaraan eene bijzondere herinnering verbonden is, of waarvan men kan voorzien, dat zij voor den minderjarige naderhand nut of voordeel kunnen opleveren.

De verkooping geschiedt in het openbaar, door een bevoegden ambtenaar, notaris of deurwaarder; maar de rechter kan ook verlof geven tot verkoop uit de hand van bepaalde zaken, mits niet beneden de geschatte waarde; terwijl koopmansgoederen of landelijke vruchten door den voogd altijd uit de hand kunnen worden te gelde gemaakt, door middel van makelaars, tegen den koers of op de markt of tegen marktprijs.

De vader of de moeder, althans wanneer zij het vruchtgenot

ocr page 87

83

hebben van de goederen der kinderen, zijn vrijgesteld van de verplichting om de meubelen en het huisraad enz. te verkoopen.

Die goederen kunnen door hen worden bewaard om ze later aan de kinderen uit te keeren. De verkoop zal ook dikwijls niet mogelijk wezen, omdat de kinderen meestal, als erfgenamen van den vader of van de moeder, een aandeel bezitten in de goederen die tot den boedel der ouders behooren. Beter is het dan ook om, bij latere boedelscheiding, de meubelen en verdere zaken van dien aard aan den langstlevende toe te scheiden.

Gebeurt dit niet en wordt later tot eene scheiding of afrekening overgegaan, dan moet de langstlevende de geschatte waarde vergoeden van wat blijkt niet meer aanwezig te zijn.

Wanneer de vader of de moeder den inboedel willen bewaren, dan moet die bij den inventaris worden geschat door een deskundige, die door den toezienden voogd is aangewezen. Dit is een maatregel van onpartijdigheid. De benoeming van den schatter geschiedt anders door dengene die den inventaris opmaakt of laat opmaken.

Hoe de voogd de gelden van den minderjarige moet beleggen.

De contante gelden, die bij den aanvang der voogdij den voogd in handen komen, of die hij later op welke wijze ook ontvangt, moet hij zoo spoedig mogelijk beleggen.

Wat er van de gewone inkomsten van den minderjarige overschiet moet de voogd ook beleggen, zoodra dat overschot een vierde van die gewone inkomsten bedraagt. Heeft de minderjarige b.v. duizend gulden inkomen per jaar en schiet er tweehonderd vijftig gulden over, dan moet dat overschot dadelijk belegd worden

De wet laat slechts drieërlei wijze van belegging toe. Vooreerst inschrijving op het Grootboek der nationale Schuld, eene zekere belegging, die echter, door de zeer lage rente, niet voordeelig is.

Ten tweede aankoop van onroerende goederen, huizen of landerijen, welke belegging alleen mogelijk is wanneer er groote sommen beschikbaar zijn.

En ten derde hypotheken op goederen, waarvan de waarde minstens een derde meer bedraagt dan het geld dat er op ge-

ocr page 88

84

schoten wordt. Dit is meestal nog de beste wijze van belegging, die echter niet altijd even gemakkelijk uitvoerbaar is.

Gevolgen van het verzuim van belegging.

Wanneer de voogd gedurende een jaar in gebreke is gebleven om de gelden van den minderjarige te beleggen, dan is hij daarvan de zoogenaamde wettelijke renten verschuldigd, die bedragen vijf percent.

Handelingen van den voogd, waartoe bijzondere wettelijke vormen worden vereischt.

De voogd mag geen geld voor den minderjarige opnemen en ook niet-diens onroerende goederen daarvoor bezwaren, noch onroerende goederen of effecten verkoopen zonder machtiging van den kantonrechter, en dan nog alleen wanneer het bepaald noodig is of het belang van den minderjarige zulks medebrengt. De toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden worden op het verzoek gehoord en de voogd handelt verstandig, wanneer hij zich in deze en dergelijke gevallen tot een notaris wendt, die de noodige stappen voor hem doet. Te meer is dit gewenscht, daar de verkoop in den regel toch in het publiek moet plaats hebben

Onroerende goederen kunnen evenwel ook uit de hand worden verkocht, als het belang van den minderjarige zulks vordert, b.v. als de voogd kans ziet om een bijzonder voordeeligen koopprijs te bedingen. De eenparige goedkeuring van toezienden voogd en familieraad is hiertoe echter noodig. Vooraf moet het goed door drie door den kantonrechter te benoemen deskundigen worden geschat en het mag voor geen lageren prijs worden verkocht dan waarop deze het gewaardeerd hebben.

Is er sprake van verkoop van effecten, dan kan de kantonrechter bij het verleenen van het verlof altijd bepalen dat die verkoop op de gewone wijze ter beurze geschiede, voorzoover de waarde der stukken uit de gewone prijscouranten kan blijken. Dit zijn dus de zoogenaamde courante effecten. Incourante waarden kunnen op die wijze dus niet worden te gelde gemaakt.

ocr page 89

«5

Wanneer de voogd een onroerend goed, aan den minderjarige toebehoorende. zelf wil koopen dan kan dit alleen in publieke veiling geschieden en is de aankoop slechts van kracht na goedkeuring door den kantonrechter, met eenparig goedvinden van toe-zienden voogd en familieraad en na voorafgaande schatting door drie door den rechter benoemde deskundigen.

Indien de voogd een onroerend goed, aan den minderjarige toe-behoorende, zelf wil huren, dan mag dit alleen geschieden, nadat de voorwaarden van het huurcontract door den kantonrechter, na verhoor van toezienden voogd en familieraad zijn goedgekeurd.

Het huurcontract wordt dan door den toezienden voogd als verhuurder met den voogd als huurder gesloten.

Wanneer een minderjarige geld heeft op de Rijkspostspaarbank en wanneer de minderjarige den ouderdom van 12 jaren heeft bereikt, dan heeft de vader of de voogd, om terugbetaling op het boekje te bekomen, eene machtiging van den kantonrechter noodig, welke door dezen wordt verleend, ingeval van noodzakelijkheid of voordeel en na verhoor van toezienden voogd en familieraad

Heeft de minderjarige den leeftijd van twaalf jaren niet bereikt, dan is bedoelde machtiging niet noodig.

Deze bepalingen hebben betrekking op beleggingen, die door den minderjarige zelfstandig worden gedaan. De terugbetaling ervan kan ook weder door hem worden gevorderd, tenzij de vader of de voogd zich daartegen mocht verzetten.

Wanneer de minderjarige eene erfenis verkrijgt, die naar de meening van den voogd niet aannemelijk is, omdat de lasten de baten overtreffen, dan kan hij den kantonrechter verlof verzoeken om die erfenis te verwerpen. Wordt het verlof, na verhoor van toezienden voogd en bloedverwanten verleend, dan wende de voogd zich vour de verwerping tot eenen procureur, indien hij zich niet vooraf bij eenen notaris mocht hebben vervoegd om het verzoek tot verwerping te doen.

Onder erfenis verstaat men een geheele nalatenschap of een evenredig deel daarvan, zooals de helft of een derde.

ocr page 90

86

Betreft het slechts een legaat, dat wil zeggen dat aan den minderjarige door iemand bij testament een bepaald stuk goed of het vruchtgebruik van een nalatenschap besproken is, dan kan de voogd handelen zooals hij wil.

Een blijkbaar voordeelige erfenis zal ae voogd natuurlijk niet willen verwerpen, maar die voor den minderjarige aanvaarden. Hij mag dit echter niet anders doen dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving, dat wil zeggen, de minderjarige moet gedekt wezen voor een mogelijk tegenvallen der erfenis.

Voor deze zoogenaamde beneficiaire aanvaarding moet de voogd zich tot eenen procureur wenden. Zij heeft ten gevolge dat, wanneer de lasten grooter zijn dan de baten, de minderjarige in het meerdere niet behoeft bij te dragen en dus nimmer schade kan lijden.

Wil de voogd voor den minderjarige, wiens belangen hij door iemand benadeeld acht, een proces voeren, dan is hij daartoe bevoegd, maar kan zich, om beter verantwoord te zijn, daartoe door den kantonrechter, na raadpleging van toezienden voogd en familieraad, laten machtigen.

Wordt de minderjarige omgekeerd door een ander met een proces bedreigd, dan geldt dezelfde regel. De voogd kan zich tegen den gedanen eisch verzetten en zich daartoe desgewenscht laten machtigen; maar hij mag niet zonder machtiging in de vordering toestemmen.

Wil hij eene zaak in geschil aan een beslissing van scheidsmannen onderwerpen, of, door een zoogenaamde dading aan een proces een einde maken of het voeren van zoodanig proces voorkomen, dan heeft hij dezelfde machtiging noodig.

Hoe de vader of de moeder met de minderjarigen gemeenschappelijk in eene zaak kan blijven zitten.

Wanneer man en vrouw in gemeenschap van goederen zijn ge huwd en een hunner overlijdt met achterlating van minderjarige kinderen, dan zal in den regel aller belang medebrengen, dat het bedrijf of de handel, waarin allen een bron van bestaan vonden, door den overblijvende met de kinderen wordt voortgezet, omdat.

ocr page 91

87

wanneer boedelscheiding plaats had en het geld van de kinderen werd vastgezet, dikwijls geen genoegzaam bedrijfskapitaal meer aanwezig zou zijn en dus, tot hun eigen nadeel, de zaak niet of niet behoorlijk zou kunnen worden voortgezet.

Na verhoor van toezienden voogd en familieraad kan de kantonrechter daarom den langstlevende, voogd of voogdes, machtigen om de bestaande nering, het bedrijf of den handel, voor gemeenschappelijke rekening met den minderjarige voort te zetten, voor een bepaalden tijd en zelfs tot aan de meerderjarigheid. In dat geval moet de stand des boedels uit de boedelbeschrijving den rechter blijken en ook de persoon van vader of moeder hem betrouwbaar genoeg voorkomen. In elk geval kan de verleende machtiging later weder worden ingetrokken.

Rekening en verantwoording der voogdij.

Bij het einde van de voogdij moet elke voogd of voogdes rekening en verantwoording afleggen van het geheele voogdijbeheer, alles afgeven wat tot het vermogen van den minderjarige behoort en het slot van de rekening uitkeeren.

Dit geschiedt zoodra de minderjarige op de eene ot andere wijze meerderjarig geworden is.

In geval van overlijden van den minderjarige moet de rekening gedaan worden aan zijne erfgenamen Dit ziet natuurlijk in de eerste plaats op den vreemden voogd.

Mocht de voogdij eindigen doordien de voogd op de eene of andere wijze ophoudt voogd te zijn, dan is hij verplicht om rekening en verantwoording af te leggen aan zijnen opvolger.

De voogd, die rekening gedaan heeft en hetgeen zich onder hem bevond heeft afgedragen, heeft recht om te eischen, dat hij gekweten en van zijn verplichting ontheven of gedechargeerd worde.

Hoe de voogdijrekening en de decharge behooren te worden ingericht.

In de voogdijrekening moet de voogd van den aanvang van zijn beheer at alle ontvangsten en uitgaven nauwkeurig vermelden, en

ocr page 92

vervolgens opgeven welke stukken hij van den gewezen minderjarige onder zich heeft, zooals bewijzen van eigendom, huurcontracten, effecten, enz.

De gewezen minderjarige geeft hem daarop een gezegeld bewijs, waarbij hij erkent de rekening van hem ontvangen te hebben.

Dit bewijs laat men registreeren en, minstens tien dagen na den datum der registratie, geeft de gewezen minderjarige een ander gezegeld bewijs, waarin hij erkent de rekening te hebben nagezien, die te hebben goedgekeurd, alle gelden en stukken, op het gewezen voogdijbeheer betrekking hebbende, te hebben ontvangen en overgenomen, en den voogd deswege volledige kwijting en decharge te verleenen.

Is de voogdijrekening eenigszins moeilijk of ingewikkeld, dan is het steeds het verstandigst, de tusschenkomt van eenen notaris in te roepen.

Wanneer de rekening gesloten doch het saldo niet door den gewezen voogd uitgekeerd is, dan is hij daarvan tot aan de werkelijke betaling toe, eene rente van 5 percent'sjaars verschuldigd.

OVER HANDLICHTING.

Wat handlichting is.

Onder handlichting verstaat men een toestand, waarin de minderjarige, geheel of gedeeltelijk aan het toezicht van ouders of voogden onttrokken en dus min of meer zelfstandig wordt

Men onderscheidt tweeërlei soort van handlichting, en wel:

1. de meerderjarigverklaring of algeheele handlichting;

2. de beperkte of gedeeltelijke handlichting.

Meerderj arigverklaring.

Wanneer een jongmensch, ongehuwd en beneden den leeftijd van 23 jaren, eigen zaken drijft of eene betrekking bekleedt, die

ocr page 93

89

cenige zelfstandigheid eischt, dan kan het voor hem gewenscht zijn, om niet langer in de macht van ouders of voogden te blijven. In dien toestand toch kan hij geene rechtsgeldige verbintenissen aangaan.

De meerderjarigverklaring is het middel daartoe.

Zoodra de minderjarige den ouderdom van twintig jaren heeft bereikt, kan hij daartoe het verzoek doen, waartoe het noodzakelijk is zich te wenden tot eenen procureur, die het verzoek opmaakt en behandelt en de vereischte vormen in acht neemt.

De meerderjarigverklaring wordt door de wet als eene zeer gewichtige handeling beschouwd, daar zij verleend wordt door den Hooeen Raad en koninklijke goedkeuring vereischt.

De Hooge Raad hoort over het verzoek den vader, of bij gebreke van dezen de moeder. Zoo beiden ontbreken of hun wil niet kunnen verklaren, worden de voogden en de bloedverwanten gehoord. In den regel draagt de Hooge Raad het verhoor op aan de rechtbank of den kantonrechter der plaats waar de minderjarige woont.

Het verkenen der gevraagde meerderjarigverklaring moet openlijk worden bekend gemaakt; maar voor de nakoming van deze en andere vormen zorgt de procureur, zoodat wij daarbij niet behoeven stil te staan

Welk gevolg de meerderjarigverklaring heeft.

De meerderjarigverklaarde is wel niet meerderjarig, maar staat toch nagenoeg in alle opzichten met een meerderjarig persoon gelijk.

Alleen heeft hij. tot het aangaan van een huwelijk, de toestemming van ouders of grootouders noodig, wanneer deze in leven zijn, tot hij den ouderdom van 23 jaren heeft bereikt.

Ook kan de meerderjarigverklaring eenigszins worden beperkt. De Hooge Raad kan namelijk in zijne beschikking (de zoogenaamde brieven van meerderjarigverklaring), de bepaling voegen, dat de belanghebbende zijne onroerende goederen niet zal mogen ver-koopen, of op andere wijze wegmaken of bezwaren, zonder toestemming van den kantonrechter, die den vader of, bij gebreke van dezen, de bloedverwanten of aangehuvvden moet hooren, en

ocr page 94

9°

die ook tot onderhandschen verkoop zijn toestemming kan verleenen.

De meerderjarigverklaring kan nimmer worden herroepen. Tot den staat van minderjarigheid kan de gewezen meerderjarige niet meer terugkeeren.

Beperkte handlichting.

Door de beperkte handlichting verkrijgt de minderjarige slechts enkele rechten van meerderjarigheid.

Zoodra hij den ouderdom van achttien jaren heeft bereikt, kan de minderjarige het verzoek om beperkte handlichting aan den kantonrechter doen. Daar ook in dit geval afkondiging moet plaats hebben in de wettelijke vormen, is het gewenscht zich tot eenen notaris te wenden. Aan de tusschenkomst van eenen procureur is in dit geval minder behoefte.

De kantonrechter kan geen beperkte handlichting verleenen, wanneer degene der ouders, die de ouderlijke macht uitoefent, en dit zal dus in den regel de vader zijn, zich daartegen verzet. Deze wordt daartoe gehoord en wanneer de minderjarige onder voogdij staat, worden de voogden en de familieraad gehoord. Ook de minderjarige zelf kan worden gelast voor den kantonrechter te verschijnen.

In de beslissing van den kantonrechter, waarbij het verzoek wordt toegestaan, wordt uitdrukkelijk gezegd, ten opzichte van welke handelingen de handlichting verleend wordt. Daarom moeten ook in het verzoek die handelingen worden aangeduid.

De handlichting kan alleen betrekking hebben op;

het beschikken, geheel of ten deele, over de inkomsten ;

het aangaan van huurcontracten,

het bebouwen van landerijen en het uitoefenen van de bedrijven die daartoe noodzakelijk zijn, zooals veeteelt of handel in veldvruchten,

het uitoefenen van eenig handwerk, het oprichten van of deelnemen in eenige fabriek,

het drijven van nering of handel.

Niettegenstaande de beide laatstgemelde bevoegdheden, is het den minderjarige verboden zijne onroerende goederen en rente-

ocr page 95

gevende effecten en dergelijke waarden le verkoopen, te bezwaren of te verpanden,

De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat van de verleende bevoegdheid misbruik wordt gemaakt of er gegronde vrees is dat dit zal geschieden. Dan kan de verleende handlichting weder worden ingetrokken en wel door de rechtbank, op verzoek van den vader, of, wanneer deze de vaderlijke macht niet uitoefent, van de moeder, of, wanneer de minderjarige onder voogdij staat, van zijn voogd of van zijn toezienden voogd.

Ook de intrekking der handlichting moet openlijk worden bekend gemaakt en het verstandigst is, ook in dit geval zich te wenden tot eenen procureur.

C ü E, A T E E L E.

Wat eurateele is.

Wanneer iemand, die reeds meerderjarig is, in een toestand geraakt, waardoor hij zijne eigene belangen niet behoorlijk kan waarnemen, dan behoort hij evenals een minderjarige onder toezicht te staan. Dit toezicht noemt men eurateele.

quot;Wie onder eurateele kunnen gesteld worden.

In de eerste plaats zijn dit krankzinnigen, zij die hunne verstandelijke vermogens missen.

In de tweede plaats verkwisters.

In de derde plaats zij die aan zwakheid van vermogens lijden.

Zorg voor Krankzinnigen.

Iedere meerderjarige bloedverwant of aangehuwde, mits in de zijdlinie niet verder dan in den derden graad, benevens de echt. genoot, de voogd of de curator van een krankzinnige, onverschillig

ocr page 96

92

of deze meerder- of minderjarig is, kan aan den kantonrechter van de woon- of verblijf plaats van den krankzinnige, diens voorloopige plaatsing in een gesticht verzoeken. Daarna kan de rechtbank verder verblijf in een gesticht bevelen, voor een bepaalden tijd, doch voor niet langer dan een jaar, welke termijn later kan worden verlengd.

Onder curateele-stelling van krankzinnigen.

Alleen bloedverwanten, onverschillig in welken graad, doch geen aangehuwden, benevens de echtgenoot, kunnen de onder curateele-stelling verzoeken. In sommige gevallen is ook de officier van justitie bij de rechtbank, bevoegd of verplicht om het verzoek te doen.

Verkwisters.

Het verzoek tot onder curateele-stelling van hen die hun goed doorbrengen en zichzelf daardoor aan armoede blootstellen, kan worden gedaan door den echtgenoot, verder door alle bloedverwanten in de rechte lijn en ook door bloedverwanten in de zijdlinie, doch niet verder dan in den vierden graad. Aangehuwden hebben het recht niet.

Personen die zwak van vermogens zijn.

Zulke personen hebben de bevoegdheid om 2elf hunne onder curateele-stelling te verzoeken. Zij gevoelen dat zij hunne eigene belangen niet kunnen behartigen. Daartoe zijn zij niet helder genoeg van hoofd.

Door andere personen kan daarvan de curateele niet worden verzocht.

Wijze waarop de zaak wordt behandeld.

Ieder verzoek tot onder curateele-stelling moet worden ingediend bij de rechtbank der woonplaats van den krankzinnige, den verkwister of den zwakke van vermogens.

ocr page 97

93

Er moeten dan een aantal formaliteiten worden vervuld. In der, regel zijn deze zeer omslachtig en alleen een weinig vereenvoudigd voor het geval een krankzinnige zich reeds in een gesticht bevindt, tot verlenging van zijn verblijf aldaar machtiging is verleend en daarna de curateele wordt verzocht.

Onnoodig is het, den loop der zaak hier te schetsen, daar men zich in ieder geval behoort te voorzien van eenen procureur, die voor de naleving der vereischte vormen zorgt en de zaak behandelt

Gevolgen van de curateele.

Iemand die onder curateele gesteld is, staat meestal met een minderjarige gelijk.

De wegens verkwisting onder curateele gestelde behoudt de be voegdheid om een huwelijk te sluiten. Daartoe is echter verlof noodig van den curator en den toezienden curator of anders van den kantonrechter. Wenscht hij op huwelijksche voorwaarden te trouwen, dan moeten de curators hem bij het ontwerpen daarvan bijstand verleenen en wanneer het huwelijk met rechterlijk verlof plaats heeft, dan moet bij het verzoek een ontwerp van de huwelijksche voorwaarden worden overgelegd, om door den rechter te worden goedgekeurd.

Dat iemand die wegens zwakheid van geeotvermogens op eigen verzoek onder curateele gesteld is, bekwaamheid bezit om een huwelijk te sluiten, wordt vrij algemeen aangenomen, doch door de wet niet uitdrukkelijk gezegd.

De verkwister heeft ook het recht om een testament te maken.

Of iemand die op eigen verzoek aan curateele is onderworpen, hetzelfde recht bezit, is twijfelachtig, daar de wet er geheel over zwijgt.

De onder curateele-stelling van een krankzinnige kan invloed hebben op de geldigheid van zijn vroegere daden.

Dit spreekt eenigszins van zelf, omdat, wanneer de rechter het verzoek toestaat, de krankzinnigheid reeds geruimen tijd heeft geduurd.

De vroegere handelingen van den onder curateele gestelde

ocr page 98

94

kunnen dan ook worden vernietigd, wanneer bewezen kan worden, dat, toen die handelingen verricht werden, de kwaal reeds bestond.

Wanneer een krankzinnige, die nog niet onder curateele gesteld is, sterft, dan kunnen zich verschillende gevallen voordoen.

Indien zijne onder curateele-stelling wel verzocht, doch nog niet uitgesproken is. dan moet ook bewezen worden dat de kwaal reeds bestond, toen de handeling verricht werd, die men wil doen vernietigen ; en wanneer er zelfs nog geen verzoek gedaan is, dan kunnen alleen die handelingen vernietigd worden, die zoo dwaas zijn. dat zij zelf het bewijs van de krenking der geestvermogens leveren.

Uiterste wilsbeschikkingen evenwel kunnen in elk geval op grond van krankzinnigheid worden vernietigd; met betrekking tot deze uiterst gewichtige handelingen is altijd een onderzoek toegelaten naar de geestvermogens van hem die vermoed wordt in krankzinnigheid te hebben gehandeld. Dit heeft dus met de curateele niets te maken.

Benoeming van een voorloopigen Bewindvoerder.

De procedure tot onder curateele-stelling is nog al van lang-durigen aard en de toestand van den betrokkene kan spoedige voorziening in zijne belangen noodig maken.

Daarom kan de rechtbank, na hem te hebben ondervraagd, een voorloopigen bewindvoerder benoemen, die voor den persoon en de goederen van den krankzinnige of den verkwister zorg draagt.

Hoe ver de macht van dien bewindvoerder zich uitstrekt is niet duidelijk in de wet omschreven. Veelal neemt men aan, dat hïj, tijdelijk en voorloopig, als de later te benoemen curator optreedt.

De vrouw kan ook tot voorloopig bewindvoerster voor haar man worden aangesteld.

Wanneer iemand wegens krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst, zonder dat er van onder curateele-stelling sprake is, kan mede de benoeming van zulk een voorloopigen bewindvoerder plaats vinden.

ocr page 99

95

Benoeming van een curator en een toezienden curator.

Wanneer de rechtbank de onder curaieele-stelling heeft uitgesproken en tegen haar vonnis of de latere uitspraak van den hoogeren rechter niet meer kan worden opgekomen, wordt door den kantonrechter een curator, benevens een toezienden curator benoemd, waardoor natuurlijk de functie van den voorloopigen bewindvoerder eindigt. De laatste moet nu rekening en verantwoording van zijn beheer aan den curator doen en wanneer hij zelf curator wordt, dan aan den toezienden curator.

Wanneer de gehuwde vrouw onder curateele wordt gesteld, dan is haar man van zelf curator. Hij behoeft dus niet benoemd te worden. Alleen is de aanstelling van een toezienden curator noodig.

Omgekeerd is de vrouw niet van zelf curatrice over haren man, maar zij kan wel als zoodanig worden benoemd.

Hoe lang men curator moet blijven.

De betrekkingen van curator en toeziende curator zijn uit den aard der zaak niet van de aangenaamste. De wet bepaalt daarom dat men na verloop van acht jaren zijn ontslag kan nemen.

Dit geldt echter niet voor echtgenooten en bloedverwanten in de rechte linie die, als meer door de natuur voor de zaak aangewezen, verplicht zijn de betrekking te behouden, zoolang er geen andere reden van verschooning aanwezig is. Omtrent dit laatste gelden dezelfde redenen als voor de voogdij.

Zorg voor de kinderen van iemand die onder curateele gesteld is.

Wanneer b.v. een vader onder curateele gesteld is, dan is de curator tevens voogd over zijne minderjarige kinderen, wanneer namelijk de moeder overleden is of zich in de onmogelijkheid bevindt om handelend op te treden.

Wanneer zulke kinderen een huwelijk willen sluiten, dan hebben zij de toestemming der grootouders noodig en wanneer deze er niet zijn van den curator, of, bij weigering door dezen, van den kantonrechter.

ocr page 100

96

Bijzondere zorg voor verkwisters

Het kan gevaarlijk zijn. een doorbrenger, wiens curateele verzocht is, in vrijheid te laten. Daarom kan de rechtbank bevelen dat er voorloopige maatregelen zullen worden genomen om verdere verkwisting tegen te gaan en desnoods dat de verkwister zal worden vastgezet in een huis van bewaring

Ook wanneer de curateele is uitgesproken kan zoodanige vastzetting worden bevolen, als dit voor den betrokken persoon wen-schelijk schijnt; en wel voor den tijd van een jaar, welke termijn telkens kan worden verlengd

De vastzetting kan door verschillende personen worden verzocht, namelijk door den echtgenoot, de bloedverwanten in de rechte linie, die in de zijdlinie tot in den derden graad, door den curator en zelfs door den officier van justitie.

De onder eurateele-stelling kan nog bij het leven eindigen.

Het geval toch is niet uitgesloten dat een krankzinnige of een zwakhoofdige herstelt, of ook dat er grond bestaat dat een verkwister zich zal beteren, b.v. wanneer hij in het huwelijk treedt.

Daarom kan de rechtbank de opheffing der curateele gelasten, hetgeen natuurlijk kan worden gevraagd door den belanghebbende zelf of, namens hem, door zijn .curator.

In alle gevallen van onder eurateele-stelling of wanneer er aanleiding is de opheffing daarvan te verzoeken, wende men zich in het belang van de behoorlijke behandeling der zaak tot eenen procureur.

ZORG VOOR AFWEZIGEN.

quot;Waarvoor die noodig kan zijn.

Niet alleen minderjarigen of onder curateele gestelden hebben bescherming noodig.

ocr page 101

97

Wanneer iemand niet tegenwoordig is op de plaats zijner woning en daar ook niemand is, bevoegd om voor hem op te treden, of wanneer iemand op zoodanige wijze afwezig is, dat men in twijfel verkeert omtrent zijn lot, kan zich de noodzakelijkheid voordoen om hem in het belang van het beheer zijner bezittingen te doen vertegenwoordigen.

Die afwezigheid kan zelfs voor het belang van anderen hinderlijk zijn. Gesteld dat A sterft, met achterlating van verscheidene neven als eenige wettige erfgenamen, en dat een hunner, I!, zijne woonplaats verlaten heeft, zonder dat men weet waarheen, en zonder dat hij eenige orde op zijne zaken heeft gesteld, dan zou het onbillijk zijn wanneer de andere erfgenamen de regeling der nalatenschap om hem moesten uitstellen.

Eenvoudige afwezigheid en waartoe zij aanleiding geeft.

In onzen tijd is het wereldverkeer zoo algemeen en gemakkelijk, dat men meestal van iemands verblijf kennis kan bekomen.

Toch kan het geval zich voordoen dat iemand is heengegaan, zonder dat men zijn verblijt kan opsporen.

Mocht het dan voorkomen dat zijn belang bij de eene of andere zaak betrokken is, quot;dan zal het de vraag zijn of hij een gevolmachtigde heeft benoemd om voor hem op te treden. Zoo niet, dan kan de rechtbank eenen bewindvoerder benoemen, op verzoek van belanghebbenden, b.v mede erfgenamen, achtergebleven echtgenoot, schuldeischers, enz.

Al weet men waar de afwezige zich ophoudt, dan kan in het bedoelde geval de benoeming van een bewindvoerder toch wel plaats hebben, indien de lijd dringt. Inmiddels kan men trachten zijne terugkomst te bespoedigen of eene volmacht van hem te verkrijgen.

Verplichtingen van den bewindvoerder.

De bewindvoerder kan als het ncodig schijnt den boedel des afwezigen door den kantonrechter doen verzegelen en moet in ieder geval inventaris maken, hetzij onderhands of notarieel.

Natuurlijk is dit alleen noodig, wanneer de bewindvoerder terstond komt in het bezit van goederen, die de afwezige heeft

7

ocr page 102

98

achtergelaten. Dikwijls gebeurt dit eerst later, wanneer er b.v. eene erfenis verdeeld wordt, waartoe de afwezige gerechtigd is

In ieder geval moet de bewindvoerder al hetgeen onder zijn beheer komt administreeren, evenals een voogd met betrekking tot de goederen van den minderjarige; ofschoon de rechtbank de bevoegdheid heeft om daaromtrent andere voorschriften te geven.

Contant geld moet de bewindvoerder, wanneer de rechtbank dit niet anders bepaalt, storten in de kas der gerechtelijke cousignatiën.

Dit is weer eene andere consignatiekas dan waarvan wij op blz. 74 hebben gesproken. De hier bedoelde wordt gehouden door de ontvangers der registratie voor de gerechtelijke akten in de hoofdplaatsen der arrondissementen. Wij zullen hierop later nog eens terugkomen.

Niet altijd loopt de taak van den bewindvoerder spoedig af. Dikwijls is zijn beheer van meer of minder blij venden aard. Bij terugkeer van den afwezige is hij natuurlijk verantwoording verschuldigd. Inmiddels moet hij elk jaar aan den officier bij de rechtbank die hem benoemde een beknopte rekening doen op ongezegeld papier en de bewijzen van wat hij onder zich heeft ver-toonen.

Vermoedelijk overlijden.

Het doet zich somtijds voor, dat de afwezigheid van een persoon gepaard gaat met twijfel omtrent zijn leven. In dat geval heeft de wet de gelegenheid geopend om door den rechter te doen verklaren dat de bedoelde persoon waarschijnlijk overleden is, tengevolge waarvan met zijne bezittingen gehandeld wordt alsof hij werkelijk overleden ware, maar dan toch op zoodanige wijze, dat altijd mip of meer op zijn terugkeer gerekend wordt.

Al hetgeen hierop betrekking heeft behoort ook door tusschen-komst van eenen procureur te geschieden, zoodat wij hier kunnen volstaan met het aanstippen der voornaamste punten.

Wanneer de verklaring van vermoedelijk overlijden kan worden verzocht.

Hiervoor zijn niet minder dan vier verschillende termijnen gesteld na het vei trek of het laatste bericht waaruit van het leven blijkt.

ocr page 103

99

1. tien jaar wanneer de afwezige eene volmacht achterliet of op eenige andere wijze orde op zijne zaken stelde;

2. vijf jaar als dit niet het geval was;

3. drie jaar, wanneer de afwezige behoorde tot de bemanning of de passagiers van een schip, waarvan gedurende dien tijd geene berichten inkwamen (vermoedelijke scheepsramp);

4. één jaar, wanneer op de kust of in de binnenlandsche wateren het vaartuig is verongelukt of eenig onheil aan een deel der bemanning of der passagiers overkomen is en de afwezige sedert wordt vermist {bekende scheepsramp).

Verder beloop der zaak.

Daar er verschillende oproepingen van den afwezige worden gedaan en andere formaliteiten moeten worden vervuld, kan het zeer lang duren, eer de rechtbank bij vonnis verklaart dat er vermoeden van overlijden bestaat. De afwezige wordt dan geacht gestorven te zijn op eenen bepaalden dag, die in het vonnis wordt uitgedrukt, en het is dus de vraag, wie op dien dag tot zijne erfenis gerechtigd waren.

Deze personen treden nu in het bezit van alle goederen en rechten van den vermoedelijk overledene. Zij moeten evenwel zekerheid stellen, want hun recht is voorloopig en onzeker. De overledene kan terugkeeren. Ook is het mogelijk dat hij op wettige wijze over zijn nalatenschap heeft beschikt en het testament eerst later voor den dag komt.

Daarvoor dient dan ook het stellen van zekerheid; want de erfgenamen staan ongeveer gelijk met vruchtgebruikers en zijn geen wezenlijke eigenaren. Wanneer de afwezige terugkeert moeten zij zelfs, tenzij de rechtbank anders mocht bepalen, een deel der genoten vruchten teruggeven.

Daar de vermoedelijke erfgenamen bij den aanvang van hun bezit inventaris moeten maken en later ook andere formaliteiten en rechtshandelingen te pas kunnen komen, is het zeer gewenscht van het begin af de hulp van eenen notaris tot behandeling van den boedel in te roepen.

Natuurlijk komt er eens een tijd, dat men aan den dood van den afwezige niet meer twijfelen kan. De voorloopige erfgenamen

ocr page 104

JOO

of hunne nakomelingen worden wezenlijke eigenaars dertig jaren na den dag van het vermoedelijk overlijden, of vroeger, wanneer er honderd jaren sedert de geboorte van den afwezige zijn verloopen.

En toch denkt de wet nog aan het geval dat de afwezige na dien tijd terugkeert of bewijs van zijn bestaan inkomt. Hij heeft dan recht op hetgeen van zijne bezittingen werkelijk nog aanwezig is en op den prijs of de waarde der vervreemde zaken.

Zelfs kinderen of afkotnelingen van den afwezige, wier bestaan onbekend was, kunnen nog rechten doen gelden; maar dit is natuurlijk een haast ondenkbaar geval; zoodat wij het hier niet verder behoeven te bespreken.

Welken, invloed de afwezigheid op familiebetrekkingen kan hebben.

Vroeger hebben wij al eens opgemerkt dat de ontbinding van een huwelijk mogelijk is, tengevolge van de afwezigheid van een der echtgenooten en daarop gevolgd nieuw huwelijk van den anderen echtgenoot.

Men moet dit geval echter wel onderscheiden van de kwaadwillige verlating, dat wil zeggen de opzettelijke afwezigheid met het kennelijk doel om niet weer terug te keeren.

In dit laatste geval is er grond tot echtscheiding.

Maar wanneer iemand, die gehuwd is, gedurende tien jaren afwezig is geweest, zonder dat er van kwaadwillige verlating sprake is, en zonder dat er tijding van leven of dood is ingekomen, is de achtergebleven echtgenoot (die zich daartoe tot eenen procureur bij de rechtbank zal hebben te wenden) bevoegd, om, met verlof van de rechtbank, een nieuw huwelijk aan te gaan.

Hierdoor wordt het bestaande huwelijk tegelijkertijd ontbonden en ook de afwezige is bevoegd een ander huwelijk aantegaan.

De lange termijn van tien jaren is ook in dit geval verkort tot drie en zelfs tot één jaar, voor het geval de afwezigheid in verband staat met een vermoedelijke of bekende scheepsramp.

Ook op de zorg voor minderjarige kinderen heeft de afwezigheid soms invloed.

Wanneer namelijk de vader zijne woonplaats verlaten heeft, zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld, wordt hij door de

ocr page 105

IOI

moeder vervangen, die de kinderen opvoedt en de goederen beheert, zooals trouwens altijd het geval is wanneer de vader tot de uitoefening der vaderlijke macht buiten staat verkeert.

In het hier bedoelde geval kunnen echter de bloedverwanten of aangehuwden zich daartegen verzetten en dan wordt de zaak onderworpen aan de beslissing van den kantonrechter, die dan wel een voogd zal behooren te benoemen, anders zou het verzet niet veel beteekenis hebben.

De mogelijkheid bestaat ook dat minderjarige kinderen onverzorgd achterblijven, b.v. wanneer een der echtgenooten overleden en de andere afwezig is, of wanneer beiden afwezig zijn of de achtergeblevene sterft. In die gevallen wordt voorloopig in de voogdij voorzien, door de benoeming van eenen zoogenaamden voogd bij voorraad.

Hetzelfde heeft plaats, wanneer een der ouders uit de ouderlijke macht wordt ontzet, terwijl de andere afwezig is en wanneer onechte minderjarige kinderen onverzorgd zijn achtergebleven.

ocr page 106

I02

OVER ZAKEN EN HARE VERHOUDING TOT DEN MENSCH.

Wat zaken zijn.

Totnogtoe behandelden wij bijna uitsluitend hetgeen betrekking heeft op het zoogenaamde personenrecht. Van tijd tot tijd echter waren wij verplicht ook al eens iets te zeggen over goederen of zaken, zooals bij de huwelijksgemeenschap. De personen geheel van de zaken af te scheiden is ondoenlijk. Tusschen beiden bestaat het nauwste verband.

Thans evenwel zijn wij op het punt gekomen, van waar meer opzettelijk over zaken, over menschelijke bezittingen gesproken wordt of het zoogenaamde zakenrecht wordt geschetst.

Het spreekt wel van zelf, dat daarbij nog telkens over de personen gesproken wordt, maar dan in betrekking tot hunne zaken of bezittingen. Het grootste gedeelte van het burgerlijk wetboek is hieraan gewijd en dit kan wel niet anders, omdat onze wetgeving het eigendomsrecht erkent en de betrekkingen, die er tusschen den mensch en de zaken kunnen bestaan, zoo veelvuldig en zoo onderscheiden zijn.

In plaats van zakenrecht gebruikt men ook wel eens het woord vermogensrecht, omdat de afzonderlijke zaken, b.v. huizen, landerijen, meubelen, dieren, schuldvorderingen enz., de deelen zijn, waaruit het vermogen van den mensch is samengesteld.

Alles wat tot iemands vermogen kan behooren, wat hij in zijn macht of onder zijn heerschappij kan hebben, is eene zaak.

De vruchten der zaken.

De wet leert dat, tengevolge van natrekking, alles tot een zaak behoort wat er mee vereenigd is of er één lichaam mede uitmaakt. Heeft er later afscheiding plaats, dan ontstaan er weer nieuwe, zelfstandige zaken.

ocr page 107

io3

Die bijzaken noemen wij vruchten en onderscheiden ze in natuurlijke en burgerlijke vruchten.

De wet zegt dat de burgerlijke vruchten alleen dan tot de hoofdzaak behooren. zoolang zij niet opeisnhbaar zijn.

Om dit goed te begrijpen moet men weten dat men onder burgerlijke vruchten verstaat al wat een zaak oplevert tengevolge van overeenkomst of door de bepalingen der wet.

Wanneer A. honderd gulden aan B. schuldig is, onder beding van 50'0 rente 's jaars, verschijnende jaarlijks op den eersten Juli, dan behoort het loopende jaar renten bij het kapitaal en als B. nu zijne vordering op i Juni aan C. verkoopt, zonder dat van de renten gesproken wordt, dan heeft C als kooper recht om op den i Juli de renten van A te ontvangen ; maar op vroeger reeds verschenen en achterstallige renten heeft hij geen recht.

Natuurlijke vruchten zijn die welke door de werking der natuur ontstaan. Soms is daarbij de arbeid van den mensch een ver-eischte en spreken wij ook wel van nijverheidsvruchten.

Deze vruchten behooren tot de hoofdzaak, zoolang zij daarvan niet zijn afgescheiden B.v. : die een koe koopt, koopt ook het ongeboren kalf; die een stuk land koopt, het niet gehakte hout, de vruchten aan de vruchtboomen behooren bij de boomen enz. Maar geplukte vruchten, gewonnen oogst enz. zijn afzonderlijke zaken geworden en zijn dus niet stilzwijgend onder den koop begrepen, al mochten zij zich nog op het land bevinden.

Hoe de wet de zaken in soorten verdeelt.

Men verdeelt de zaken in lichamelijke en onlichamelijke

De lichamelijke zaken zijn natuurlijk die welke men kan waarnemen ; zij zijn zichtbaar, tastbaar. Daarom noemt men ze ook goederen.

Maar men kan ook iets bezitten, wat niet uiterlijk waarneembaar is. Wanneer A. aan B honderd gulden schuldig is, dan bezit B. ten laste van A. een vordering. Die schuldvordering is ook een zaak, maar 't is een onlichamelijke.

Zulke onlichamelijke zaken noemt men rechten.

Van meer praktisch belang is de verdeeling der zaken in onroerende en roerende, die wij daarom afzonderlijk beschouwen.

ocr page 108

io4

Onroerende zaken.

Daartoe behooren in de eerste plaats gronderven, landerijen en alles wat op den grond gebouwd is.

Verder al wat met den grond een geheel vormt of aan den grond of het gebouw aard- of nagelvast is; zooals boomen en veldgewassen, die met de wortels in den grond vast zijn; onafgeplukte boomvruchten; nog niet geveld hout; ongedolven steenkolen en veen; buizen of gooten, die tot waterleiding dienen, enz.

Sommige zaken zijn door bestemming onroerend, namelijk de voorwerpen die de eigenaar tot een blijvend gebruik aan de hem behoorende onroerende zaken verbonden heeft.

Deze voorwerpen behoeven dus niet aard- of nagelvast te zijnen wanneer, bij verkoop van een onroerend goed, de verkooper ze wenscht uit te zonderen, zal hij daarvan een uitdrukkelijk beding moeten maken, te meer daar het niet altijd met zekerheid uit te maken is, of eenig voorwerp tot een blijvend gebruik aan eene zaak verbonden is.

Als voorbeelden van onroerende zaken door bestemming noemt de wet: persen, ketels, kuipen, vaten enz. in fabrieken; vaste schilderijen, spiegels enz. in woonhuizen. Men denke hierbij ook aan geschilderde plafonds en behangsels.

Als verdere voorbeelden worden opgenoemd: mesthoopen of vaalten, visschen in vijvers, enz.

Wanneer het twijfelachtig is, of zekere voorwerpen tot een blijvend gebruik aan een zaak verbonden ziju en dus tot die zaak behooren, moet men onderzoeken of zij daaraan door aard-, timmer-of metselwerk verbonden zijn en of de wegneming beschadiging zou veroorzaken. Zoo ja, dan zijn zij onroerend door bestemming.

Roerende zaken.

Eene roerende zaak kan zich zelf verplaatsen of kan verplaatst worden.

Zóó drukt de wet het uit. Men zou anders eenvoudig kunnen zeggen dat al wat niet onroerend is of als onroerend wordt beschouwd, tot de roerende zaken moet worden gerekend.

Geheel onnoodig is het, dit nog met voorbeelden op te helderen.

ocr page 109

io5

Onlichamelijke roerende en onroerende zaken.

Ook onlichamelijke zaken of rechten kunnen zoowel onroerend als roerend zijn. Voor ons doel is deze onderscheiding echter niet van veel belang.

Zoo is een recht van erfpacht een onroerend recht en een schuldvordering een roerend recht.

B.v. wie een effect bezit, eene obligatie ten laste van Portugal, die heeft een vordering ten laste van Portugal en die vordering is een roerende zaak.

Nu zal men zeggen: dat effect is toch een lichamelijke zaak? Neen, alleen het stuk papier is lichamelijk, maar dat heeft als zoodanig, afgescheiden van de schuldvordering, geen waaide.

Waartoe de onderscheiding tusschen roerend en onroerend goed dient.

Later zullen wij zien dat die onderscheiding van groot praktisch belang is Beide soorten van zaken kunnen het onderwerp zijn van verschillende verbintenissen. Zoo kan men op een onroerend goed een hypotheek nemen; op een roerend niet Dit laatste kan men weer voor een schuld verpanden. Beide zaken kan men verkoopen, maar de manier van leveren verschilt naarmate eene zaak roerend of onroerend is, enz.

quot;Wat de wet begrijpt onder de uitdrukkingen: roerend goed, meubelen, huisraad, enz.

De wet geeft van die uitdrukkingen eene verklaring, die wel eens bleek niet geheel overbodig te zijn

B.v Er was door zeker iemand bij een testament gelegateerd: een huis met al hetgeen zich daarin bevindt. En nu deed zich de vraag voor: of daarvan niets uitgezonderd was. Een persoon had aan een ander al zijn meubelen of huisraad verkocht, zonder nadere aanduiding en nu onstond er verschil over, of men daaronder ook edelgesteenten en boeken moest rekenen.

De uitdrukking roerende goederen bevat alles wat volgens de wet roerend is, dus niet onder de onroerende zaken moet gerekend

ocr page 110

io6

worden. Hierbij zou men kunnen vragen: behoort geld er dan ook onder?

Ons antwoord is, neen. Geld, dat wil zeggen gemunt geld, munt-of bankpapier behoort niet onder de zaken. Het zijn alleen maar ruilmiddelen, die zaken vertegenwoordigen.

De uitdrukking inboedel bevat al wat roerend is, met uitzondering, zooals trouwens van zelf spreekt, van geld, effecten, schuldvorderingen en dergelijke waarden, en ook van koopmanschappen en grondstoffen, werktuigen, gereedschappen en bouwstoffen.

Wanneer men spreekt van meubelen of huisraad, dan wordt het begrip al weer meer begrensd. Want nu zijn, behalve het reeds opgenoemde, ook uitgezonderd : paarden en verdere levende have, rijtuigen e i toebehooren, edelgesteenten, boeken en handschriften, teekeningen, prenten, schilderijen, beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, verdere kostbaarheden en zeldzaamheden en verder ook lijflinnen, wapens, granen, wijnen en andere levensmiddelen. Ook hier is veel wat van zelf spreekt, daar wel niemand de opgenoemde zaken onder huisraad zal begrijpen.

Gesteld nu eens dat in een testament aan iemand is gelegateerd een huis met al hetgeen zich daarin bevindt; en men treft in een schrijftafel, in dat huis staande, een pak effecten aan, behooren die stukken dan ook tot het legaat ? Neen, contante gelden, effecten, schuldvorderingen en dergelijke waarden zijn er niet onder begrepen.

En wanneer gebruikt is de uitdrukking een huis met zijn meubelen, dan begrijpt men daaronder alleen de stoffeering, dat wil zeggen, die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, zooals behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porselein en dergelijke voorwerpen. Ook schilderijen en beelden, maar geen afzonderlijke verzamelingen van schilderijen, prenten, beelden en porselein.

Er zijn zaken die aan niemand toebehooren.

Dit zijn alleen roerende zaken.

Wanneer iemand eene hem toebehoorende zaak verliest, dan wordt deze, wanneer drie jaren na het verlies verloopen zijn, be-

ocr page 111

io7

schouwd als eene zaak die aan niemand toekomt, zoodat de voormalige eigenaar dezelve niet meer van den lateren vinder kan terugvorderen.

Over het vinden van zaken spreken wij later nog.

Ook wild en visschen behooren aan niemand toe, behalve de visschen in vijvers en de konijnen in de zoogenaamde konijnenwarandes, omdat deze dieren gerekend worden tot de vijvers en de warandes te behooren en dus als onroerend goed worden beschouwd.

Hieruit volgt echter volstrekt niet, dat ieder het recht heeft zich het wild en de visschen toe te eigenen. Wij zullen later zien hoe de wet die zaak geregeld heeft.

Alle zaken, behalve die aan niemand toebehooren, zijn in meerdere of mindere mate aan de menschelijke heerschappij onderworpen. Dat wil zeggen, er is altijd een persoon of eene vereeni-ging van personen of ander wettig bestaand lichaam, dat er rechten op heeft. Maar die rechten zijn zeer verschillend en dan ook onder verschillende benamingen bekend.

Zij worden nu, voor zoover dit van praktisch belang is, ieder achtereenvolgens in bijzonderheden besproken.

Over bezit en eigendom.

Men is veelal van meening dat het begrip der uitdrukkingen bezit en eigendom volmaakt hetzelfde is. Dit is evenwel niet het geval. De bezitter eener zaak is natuurlijk wel in den regel eigenaar ; maar toch bestaat er ook een soort van onvolkomen, ge-brekkelijken eigendom, die geen wezenlijke eigendom is en alleen in sommige gevallen tot wezenlijken eigendom leiden kan.

Voorbeeld van een geval dat iemand bezitter is van een onroerende zaak.

Gesteld dat A. eene fabriek heeft, waaraan een stukje grond grenst, dat hij voor de uitbreiding der fabriek noodzakelijk behoeft, maar dat hij niet krijgen kan, omdat het stukje land wel door iemand in gebruik is genomen, maar de eigenaren, erfge namen van iemand die sinds lang overleden is, overal verspreid en ten deele zelfs onbekend zijn.

ocr page 112

io8

A. sluit evenwel ten slotte met den gebruiker B. een koopcontract, waarbij deze hem, alsof hij werkelijk de eigenaar ware, het stukje grond verkoopt. De overdracht geschiedt in de wettelijke vormen en het stukje grond wordt dan ook op de eigen-domsregisters overgebracht ten name van A.

Toch is A. geen eigenaar, maar bezitter; omdat zijn titel van eigendom gebrekkig is, want deze is niet afkomstig van degenen, die gerechtigd waren over den eigendom te beschikken.

Welk gevolg dit nu heeft.

Om het wezenlijk verschil tusschen eigendom en bezit goed te laten uitkomen, moeten wij eerst nog mededeelen dat er twee soorten van bezit zijn : te goeder trouw en te kwader trouw.

Hebben de partijen niet geweten, dat de toedracht der zaak zoo was en de titel van overdracht niet vrij van gebrek, dan verkrijgt A. een bezit te goeder trouw.

Hebben zij daarentegen, zooals in dit geval wel niet twijfelachtig zal wezen, de toedracht der zaak wel gekend, dan is er een bezit te kwader trouw ontstaan.

Laat ons nu zien welk verschil dit maakt.

Bezit te goeder trouw.

In dit geval wordt A. als eigenaar beschouwd tot dat de bezeten zaak van hem is opgevorderd en hij tot teruggaaf veroordeeld is.

Als de zaak vruchten oplevert, zijn die voor hem tot op den dag dat de rechtsvordering tegen hem is aangevangen.

Hij kan door verjaring, dat wil zeggen door langdurig tijdsverloop, werkelijk eigenaar worden.

Over deze verjaring spieken wij nader, in het algemeen, aan het einde van dit werk.

Bezit te kwader trouw.

De bezitter te kwader trouw, dat wil zeggen de persoon van wien bij rechterlijk vonnis is bewezen dat hij te kwader trouw handelde, kan nooit door verjaring eigenaar worden.

ocr page 113

109

Heeft de zaak vruchten opgeleverd of had zij die voor den waren eigenaar kunnen opleveren, dan is hij tot teruggaaf of vergoeding daarvan verplicht.

Bezit van roerend goed.

Van afzonderlijke stukken roerend goed kent de wet eigenlijk geen bezit. Dat zou allicht tot omslachtige en ingewikkelde geschillen aanleiding geven, daar roerende goederen dikwijls onophoudelijk van de eene hand in de andere overgaan.

Het is natuurlijk wel mogelijk en het zal zelfs vaak voorkomen, dat iemand een roerende zaak, b.v. meubelen of beesten, koopt van iemand die er geen eigenaar van is. De kooper, die tengevolge daarvan de zaak in zijn macht brengt, is daardoor eigenaar geworden en zijn bezit geldt als een volkomen titel.

Uitzondering hierop voor het geval van verlies en diefstal.

Degene die een roerende zaak heeft verloren, of aan wien deze is ontvreemd, kan het verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terugvorderen van dengene in wiens handen hij hetzelve vindt, en wel gedurende drie jaren, te rekenen van den dag waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad.

Voor het overige zijn de bepalingen der wet, die op het bezit betrekking hebben, van te weinig praktisch belang om er langer bij stil te staan.

Alleen willen wij hier nog opmerken, dat in het dagelij ksch leven dikwijls van bezit gesproken wordt, zonder dat dit woord gebruikt wordt in den zin dien de wet er aan toekent. Meestal bedoelt men er den eigenaar mede, maar soms ook wel een huurder of bruikleener, in één woord iemand die eene zaak van een ander in zijn macht heeft.

In wettelijken zin verstaan wij onder bezit niets anders dan het bezitten als eigenaar, maar met een gebrekkig en titel.

Personen die niet als eigenaar bezitten, zooals een huurder of bruikleener, noemen wij houders. Iemand die zonder eenig recht of titel een zaak in zijn macht heeft gekregen, al is het dan met

ocr page 114

I IO

den wil om die zaak te behouden en zich als eigenaar te gedragen, is ook een houder.

Bij de bespreking van den eigendom konen wij hierop nog even terug.

OVER EIGENDOM.

Wat eigendom is.

Eigendom is het recht om op de ruimste wijze over eene zaak te beschikken. Geen ander recht is zoo uitgestrekt als dit. Niemand kan met eene zaak die hij in zijne macht heeft zooveel doen als de eigenaar. Hij kan ze desnoods ongebruikt laten liggen, ja zelfs vernietigen.

Maar het behoeft geen betoog dat, wanneer aan ieder werd toegestaan, zijn eigendomsrecht op de volstrektste wijze uit te oefenen, het algemeen belang daardoor zeer zou worden geschaad en de vrijheid van anderen daaronder weer lijden zou. Als het noodig is, moet dus ieder van zijn eigendomsrecht een weinig opofferen.

Met betrekking tot roerende goederen is het recht van eigendom tamelijk onbeperkt; doch ten aanzien van onroerende goederen is de beperking van het recht dikwijls van groote beteekenis. In ieder geval mogen wij van ons eigendomsrecht geen gebruik maken, dat strijdig is met de rechten van anderen.

Verder bestaan er vele wettelijke bepalingen, vooral plaatselijke verordeningen, die ons verhinderen om met onze eigendommen naar welgevallen te handelen en aan het gebruik daarvan eenige voorwaarden stellen.

Maar dit alles neemt niet weg dat de zaak zelf toch van ons is en niemand ze ons ontnemen kan.

Op dezen regel is maar één uitzondering. Het recht van eigendom eener zaak, kan ons ontnomen worden door onteigening.

ocr page 115

Ill

Wat onteigening is en hoe zij door de wet wordt geregeld.

In de grondwet is bepaald dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet, dan na voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen schadeloosstelling, die vooraf moet worden betaald of waarvan de betaling ten minste vooraf moet worden verzekerd.

Bij de onteigeningswetten van 1851 en 1866 is dit nader geregeld. Gesteld b.v. dat er een spoorweg moet worden aangelegd, waarvoor een aantal grondeigenaren ieder een klein stukje grond moeten afstaan, dan wordt er een wet gemaakt, waarbij verklaard wordt dat het algemeen nut de onteigening ten behoeve van dien spoorweg vordert, en dan kan niemand dier eigenaren den aanleg van den spoorweg tegenhouden, door weigering om den grond af te staan. Hij moet verkoopen en wanneer hij niet vrijwillig wil medewerken, dan kan een rechterlijk vonnis in plaats van die medewerking den eigendom doen overgaan. Alleen kan er altijd verschil wezen over de waarde van het onteigende en ook dat verschil moet natuurlijk desnoods door den rechter worden beslist.

Er zijn ook spoedvereischende gevallen, waarin het maken van een wet niet mogelijk is en er ook geen sprake kan wezen van voorafgaande betaling of verzekering van betaling.

Dit kan zich voordoen ingeval van brand of watersnood, oproer of oorlog, wanneer de autoriteit die ter plaatse het hoogste gezag uitoefent, de beschikking over eenig goed of de vernietiging ervan noodzakelijk acht.

Behalve in deze laatste zich zelden voordoende gevallen heeft alleen de Staat het recht van onteigening.

Zoo kan b.v. een gemeentebestuur tot uitbreiding van de bebouwde kom der gemeente of tot aanleg van publieke werken geen onteigening bevelen.

Eigendom van onstoffelijke zaken.

Een onstoffelijke zaak bestaat eigenlijk niet. Wanneer iemand een gedachte heeft, dan is dit geene zaak, maar wanneer hij de

ocr page 116

112

gedachte op een stuk papier schrijft, dan kan die gedachte waarde hebben en een verhandelbare zaak wezen.

Wanneer iemand een boek schrijft, dat hij laat drukken, en een ander drukt dit onmiddellijk na, zoodat de waarde voor den schrijver en den uitgever grootendeels verloren gaat, dan heeft de nadrukker zich van eens anders eigendom meester gemaakt en dit wordt in het algemeen verboden door

De wet op het auteursrecht.

Deze wet bepaalt in hoofdzaak dat het recht om geschriften, muziekwerken, plaatwerken enz. te doen drukken en verspreiden, alleen toekomt aan den schrijver en zijn rechtverkrijgenden. Hij die een boek vertaalt heeft hetzelfde recht.

Van wetten en besluiten en alles wat door het openbaar gezag wordt bekend gemaakt, bestaat geen auteursrecht. Ieder mag dit vrij nadrukken en verspreiden.

In den regel duurt het auteursrecht vijftig jaar, mits men voldaan hebbe aan zekere formaliteiten, bij de bedoelde wet, van . 28 Juni 1881, voorgeschreven en die aan alle drukkers en uitgevers bekend zijn.

Als men een boek in een courant of tijdschrift aankondigt of bespreekt, is het geoorloofd aanhalingen uit dat boek te doen.

Verder mag men berichten of opstellen uit dag- of weekbladen overnemen, als men de bron noemt, waaruit men geput heeft Meestal echter wordt het auteursrecht voor den inhoud van het blad zich door de uitgevers voorbehouden. In dat geval is de overneming strikt genomen niet geoorloofd, ofschoon het gebruik medebrengt de overneming toetestaan, mits de bron genoemd worde.

Hoe ver het recht van eigendom zich uitstrekt.

De wet zegt dat de grondeigenaar ook eigenaar is van al hetgeen zich op of in den grond bevindt. Dit is echter geen doorgaande regel, maar alleen een algemeen beginsel.

Wanneer een mijnontginning niet uitgaat van den grondeigenaar

ocr page 117

quot;3

dan verkrijgen de exploitanten wel door de koninklijke concessie den eigendom van de mijn, maar zij hebben daardoor geen eigendom van den bovengrond.

Zoo bestaat ook wel de mogelijkheid, dat verschillende verdiepingen van een gebouw aan meer dan één eigenaar toebehobren.

Recht van terugvordering.

Een der eerste gevolgen van den eigendom is, dat men de zaak, wanneer die zich niet in ons bezit of onze macht bevindt, van den houder kan terugvorderen.

Stel b. v. dat men iemand eenige zaak voor een bepaalden tijd in bruikleen heeft afgestaan, maar de teruggave na verloop van dien tijd geweigerd wordt, dan is men wel verplicht eene actie of rechtsvordering tegen dien persoon in te stellen.

Verder blijft de ware eigenaar altijd bevoegd eene zaak op te vorderen, die door iemand wel als eigenaar bezeten wordt, maar op zoodanige wijze dat hij werkelijk slechts bezitter is. Wat daarbij het onderscheid is tusschen bezit te goeder en bezit te kwader trouw, met betrekking tot het genot der vruchten, hebben wij vroeger reeds vermeld. Terugvordering van roerend goed komt uit den aard der zaak niet veel voor. Over het bezit van zulke zaken hebben wij vroeger reeds gesproken, maar zullen dit punt hier nog even ophelderen.

Het vinden van een roerende zaak.

Gesteld dat iemand een horloge op den openbaren weg vindt en dat opraapt, is hij dan eigenaar van die zaak? Neen, hij is maar houder, omdat hij geen titel van eigendomsverkrijging heeft. De eigenaar heeft het recht de zaak terug te vorderen. Meestal worden dergelijke voorwerpen gedeponeerd bij de politie, wat evenwel geen verplichting is. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat in zulke gevallen de eigenaar zich dikwijls niet opdoet en het dan feitelijk op hetzelfde neerkomt, of de vinder, als hij ten minste in het bezit gebleven is, al of niet als eigenaar door de wet wordt aangemerkt.

ocr page 118

114

Wat er gebeuren kan als men een roerend voorwerp koopt van iemand, die er geen eigenaar van is.

Gesteld dat een boer een koe koopt van iemand die de koe ter beweiding van een ander had aangenomen, en die dus geen recht had het beest te verkoopen. Nu is de titel van eigendom van den boer onvolkomen. Hij wordt maar bezitter, maar, zooals wij vroeger reeds hebben opgemerkt, zijn bezit geldt voor volkomen titel. De wet merkt hem als eigenaar aan en het beest kan niet van hem worden teruggevorderd, ofschoon, zooals van zelf spreekt, tegen den verkooper door den vroegeren eigenaar eene actie tot schadevergoeding kan worden ingesteld.

Wat er gebeurt wanneer men een roerende zaak koopt

van iemand die de zaak heeft gestolen of gevonden.

In deze gevallen is de kooper bezitter geworden, en, zooals wij boven reeds hebben gezegd, de eigenaar kan de zaak gedurende drie jaren terugvorderen van dengene in wiens handen hij dezelve vindt.

Wanneer nu de eigenaar die ontvreemde of verloren zaak terugvordert van den houder, die ze kocht, moet hij dan den koopprijs vergoeden,

dien deze er voor besteedde?

Neen, daartoe ü hij in het algemeen niet verplicht. De wet schijnt eenigszins van de onderstelling uit te gaan, dat de kooper wel iets van de zaak zal geweten hebben.

Maar gesteld dat een boer een gestolene koe op de markt koopt en het beest wordt van hem opgevorderd?

Ja, dan moet men hem den koopprijs teruggeven.

Dat schijnt zonderling, want nu betaalt de eigenaar zijn eigen dier; maar de zaak is moeilijk anders te schikken; daar de boer aan de zaak wel geheel onschuldig zal wezen en de eigenaar wellicht aan het bezit veel waarde zal hechten.

Op dezelfde wijze gaat het, wanneer men een zaak terugvordert, die gestolen of verloren was, en die de houder gekocht heeft op

ocr page 119

US

een publieke veiling of van een koopman die bekend staat in dergelijke zaken handel te drijven.

De eigenaar, die op deze wijze zijne eigene zaak koopt, heeft natuurlijk zijn verhaal op den dief of den vinder, die den koopprijs in zijn zak gestoken heeft, maar dit is een schrale troost.

Op welke manieren men den eigendom van eene zaak verkrijgen kan.

De meest voorkomende en door de wet uitdrukkelijk genoemde wijzen, waarop men eigendom van zaken verkrijgen kan zijn de volgende:

Toeëigening.

Dat deze wijze van verkrijgen niet van groot practisch belang kan geacht worden, dit is duidelijk genoeg. Men kan zich alleen zaken toeëigenen, die aan niemand toebehooren, die nog geen eigenaar hebben. In hoofdzaak zijn dit wild en visschen. Maar alleen de grondeigenaar heeft het recht zich deze zaken toe te eigenen; hetgeen natuurlijk niet beletten kan, dat iemand zich wild op den grond van een ander, dus onrechtmatig toeeigent, en, welk recht de grondeigenaar nu tegen den strooper heeft, wordt door de wet niet beslist.

Het vinden van een schat.

De schatvinding was voorheen geen zeldzaamheid, daar, in troebele tijden, velen hun geld en kostbaarheden in den grond begroeven, zonder altijd in de gelegenheid te zijn ze later weder te voorschijn te brengen Wanneer nu deze verborgen en begraven zaken, waarop niemand zijn recht kan laten gelden, door een louter toeval ontdekt worden, dan zijn zij voor den vinder, wanneer deze tevens grondeigenaar is. Vindt iemand den schat op den grond van een ander, dan is de helft voor den vinder en de helft voor den grondeigenaar.

ocr page 120

ii6

Natrekking.

Over natrekking hebben wij vroeger in het algemeen reeds iets medegedeeld. Wanneer iemand eene zaak bezit, dan gebeurt het dikwijls dat met deze zaak iets vereenigd wordt, het zij door de werking der natuur of door toedoen van den mensch, of ook wel door beide oorzaken. De eigenaar verkrijgt dan ook den eigendom van datgene wat met zijne zaak vereenigd wordt. Wanneer de grond bebouwd, beplant en bezaaid wordt, wanneer de vruchtboomen oogst opleveren, wanneer een aan een water liggend land door aanslibbing grooter wordt, dan komt dit ook ten bate van den grondeigenaar, al is dan ook het planten of zaaien niet door hem geschied.

Wat er gebeurt wanneer iemand op den grond bouwt met de grondstoffen van een ander.

De mogelijkheid hiervan is natuurlijk niet uitgesloten. Bij toepassing van den evengemelden regel, is dan het met den grond vereenigde gebouw toch het eigendom van den grondeigenaar, die alleen tot betaling en desnoods tot schadevergoeding is gehouden, terwijl de eigenaar der bouwstoffen het gebouwde niet mag wegnemen.

Wat er gebeurt wanneer iemand met zijn eigene bouwstoffen op den grond van een ander bouwt.

Dit komt meermalen voor. hetzij dan bij vergissing, hetzij dat men op zeker perceel aanspraak maakt. Passen wij nu den gewonen regel toe, dan volgt daaruit, wat de wet ook zegt, dat het gebouwde van den grondeigenaar is, tenzij deze mocht verkiezen dat het gebouwde weer wordt weggebroken, waarop hij recht heeft. In het eerste geval moet hij natuurlijk de waarde van de bouwstoffen en de arbeidsloonen betalen of vergoeden.

ocr page 121

ii7

Planten en zaaien.

Dezelfde regel wordt bij beplantingen en bezaaiingen toegepast.

Wanneer b.v. iemand boomen plant op eens anders grond, dan zijn die boomen voor den grondeigenaar, die evenwel ook aan de ontruiming van den grond de voorkeur kan geven.

Gebruikt iemand het zaad van een ander om zijn grond te bezaaien, dan moet hij de waarde der zaden vergoeden, maar wordt eigenaar van hetgeen ten gevolge van de bezaaiing met zijn grond vereenigd wordt.

Verjaring.

Reeds vroeger hebben wij opgemerkt dat de bezitter, namelijk hij die te goeder trouw is, eigenaar kan worden door verjaring, dat wil zeggen door langdurig tijdsverloop.

Op dit onderwerp komen wij echter later terug, omdat de verjaring niet alleen een middel is om eigenaar te worden, maar ook om bevrijd te worden van een verplichting, en het dus beter is het in zijn geheel te behandelen.

Erfopvolging.

Dat erfrecht eigendom veroorzaakt of tengevolge heeft is duidelijk genoeg; maar beter is het, het geheele erfrecht in zijn vollen omvang afzonderlijk te behandelen, waartoe wij dan ook weldra zullen overgaan.

Levering.

Leveren is eene algemeene benaming, die in het dagelijksch leven voor elke inbezitstelling gebruikt wordt, ook zonder dat er overgang van eigendom mee bedoeld wordt. De wet bedoelt er mede de eigendomsoverdracht van een bepaalde zaak van den eenen persoon op den anderen.

Over titels.

Wanneer er eigendomsoverdracht van een zaak plaats heeft, dan

ocr page 122

iiS

is dat een gevolg van een rechtstitel, ook wel eenvoudig titel genoemd.

De titel is de wettige oorzaak van den overgang. Als A. een huis gekocht heeft van B., dan is zijn titel koop, zoo zijn ruilimj en schenking ook titels.

In het dagelijksch leven verstaat men onder titel ook wel het schriftelijk bewijs, dat van de overeenkomst wordt opgemaakt.

Intusschen, die een titel heeft is nog geen eigenaar. Als A een huis gekocht heeft, al is ook van dien koop een schriftelijk be wij-3 opgemaakt, dan is hij nog geen eigenaar van het huis. Zijn titel, dat wil zeggen de overeenkomst van koop, waarvan een schriftelijk bewijs bestaat, verschaft hem alleen het recht om van B levering van de verkochte zaak te vragen en desnoods voor den rechter te eischen. Vóór dat die levering heeft plaats gehad is hij evenwel geen eigenaar.

De wet veronderstelt dat de eigendomsoverdracht berust op een vrijwillige handeling van weerskanten; maar in de praktijk gaat dit niet altijd op.

Wij hebben reeds gewezen op de zoogenaamde ontzetting of onteigening. In de meeste gevallen werken de grondeigenaars vrijwillig tot den eigendomsovergang mede; maar wanneer zij dat niet willen en na veroordeeld te zijn ook niet willen medewerken om een koopakte op te maken, dan moet het vonnis van den rechter daarvoor in de plaats treden.

Men denke eens aan het geval dat iemand zijn belasting niet betaalt en zijn boedel daarvoor bij executie verkocht wordt, of dat de hypotheekhouder het verbonden goed tot verhaal der schuld verkoopt.

Er zijn nog meer van die gevallen, waarop wij later in bijzonderheden terugkomen

Thans moeten wij opmerken dat de wijze waarop levering plaats heeft, verschilt, naar gelang van den aard van de zaak, die in eigendom overgaat.

Levering van lichamelijke, roerende zaken.

Dit zijn, zooals wij weten, alle zichtbare, tastbare voorwerpen, zooals: meubelen, huisraad, levende haaf, kleederen, linnengoed,

ocr page 123

ng

kostbaarheden, eet- en drinkwaren en andere koopmanschappen enz.

Al deze zaken worden geleverd door de enkele overgifte; dat wil zeggen, ze worden eenvoudig in het bezit van den nieuwen verkrijger gesteld, of deze wordt in staat gesteld om zich zelf in het bezit te stellen.

Levering van Schepen.

Ofschoon een schip een lichamelijke, roerende zaak is, wordt het alleen dan door de enkele overgifte en dus zonder formaliteiten geleverd, wanneer het eene inhoudsgrootte heeft van minder dan tien last. (i last is gelijk aan 1,89143, dus bijna twee scheepston.)

Andere schepen worden geleverd door de overschrijving van eene akte in de daarvoor bestemde openbare registers. Er moet dus eene akte worden opgemaakt, in onderhandse tien vorm of door tusschenkomst van eenen notaris. In het laatste geval zorgt deze voor de overschrijving. Maakt men eene onderhandsche akte op, dan moet men die eerst laten registreeren en vervolgens ter overschrijving aanbieden aan het kantoor van bewaring der hypotheken en scheepsbewijzen.

Levering van onlichamelijke roerende zaken.

Dit zijn, zooals wij vroeger hebben opgemerkt, rechten, zooals het recht om van zeker iemand een som geld te vorderen, een schuldvordering.

Wel bestaat van die vordering dikwijls een schriftelijk bewijs of titel, maar het is de vordering zelve en niet het bewijs, dat van eigenaar verandert.

Voor de levering van deze zaken is eene akte of schriftelijk bewijs noodig, hetzij onderhands of notarieel opgemaakt. Deze akte van overdracht noemt men ook wel cessie.

Om tegen hem te kunnen werken, moet die akte aan den schuldenaar door een deurwaarder worden beteekend, dat wil zeggen, het gebeurde moet hem door een bevoegd ambtenaar worden aangezegd.

Daar dit kosten en moeite veroorzaakt, is het veel eenvoudiger wanneer de schuldenaar tot de acte van overdracht medewerkt,

ocr page 124

I20

dat wil zeggen, wanneer hij die ook teekent en verklaart zich te verbinden om de overgedragen vordering en de renten voortaan ten behoorlijken tijde aan den nieuwen eigenaar te zullen voldoen.

Het oorspronkelijke schuldbewijs wordt in den regel aan den Kooper ter hand gesteld, daar het voor den verkooper geen waarde heeft en voor den kooper wel waarde kan hebben, wanneer hij namelijk verplicht mocht wezen om den schuldenaar wegens wanbetaling te vervolgen.

Levering van wissels en ander handelspapier.

Handelspapier is ook voor overdracht vatbaar. De overdracht en de levering geschieden door endossement en door het stuk aan den kooper, den zoogenaamden geëndosseerde, over te geven.

Wat hierop betrekking heeft behoort meer tot het gebied van het handelsrecht. Echter willen wij de zaak hier met een voorbeeld ophelderen.

Gesteld dat A geld te vorderen heeft van B B geeft hem daarvoor een zoogenaamd accept, waarbij hij zich verbindt om op een bepaalden dag het geld aan A, of order (dat wil zeggen aan den lateren eigenaar van het accept) te betalen.

A heeft echter dadelijk geld noodig en nu geeft hij het accept bij een kassier in disconto ; dat wil zeggen : deze geeft hem het geld, met een kleine korting, mits hij gesteld worde in den eigendom van het accept, om het bedrag later te kunnen invorderen. De overdracht geschiedt nu door endossement. Dit is eene verklaring op de achterzijde van het stuk, door A geteekend, b.v. van den volgenden inhoud : »Voor mij aan den Heer P. te L. of order, waarde genoten.

Amsterdam, den ....

(Hieronder de handteekening).

Levering van effecten aan toonder.

Wij kennen tweeërlei soort van effecten, die op naam en die aan toonder.

Die op naam worden in het algemeen, even als andere onlichamelijke roerende zaken, door eene akte overgedragen.

ocr page 125

121

De meeste effecten staan echter niet op naam van een bepaald persoon. Zij zijn het eigendom van den houder, of, zooals men meestal zegt, zij luiden aan toonder.

Hoewel het ook schuldvorderingen, dus onlichamelijke zaken zijn, worden zij evenwel, als gewone roerende zaken, door overgifte van hand tot hand geleverd.

Levering van onroerende zaken.

Onroerende goederen, huizen, gronderven en landerijen, en onroerende rechten, zooals het recht van erfpacht, het tiendrecht, worden geleverd door overschrijving aan het hypotheekkantoor, van eene akte.

Deze akte kan in onderhandschen vorm worden opgemaakt; maar het is zeer aan te bevelen om daartoe steeds de hulp van een notaris in te roepen. Van groot belang is het toch voor den kooper of anderen verkrijger, om met zekerheid te weten of de eigenaar het recht van beschikking over de zaak heeft, of zij niet met andere lasten of met meer hypotheken is bezwaard dan opgegeven wordt Verder hebben beide partijen er belang bij, dat de voorwaarden der overeenkomst in zoodanige bewoordingen worden opgesteld, dat men later geen gevaar voor geschil of misverstand loopt. Ook zorgt de notaris van zelf voor de registratie en de overschrijving der akte.

Door de overschrijving ten hypotheekkantore, komt het goed op naam van den nieuwen verkrijger te staan, die er van dat oogen-blik af als eigenaar over beschikken en het met hypotheek kan bezwaren.

OVER BURENRECHT OF WETTELIJKE SERVITUTEN EN OVER ERFDIENSTBAARHEDEN.

Vele gronderven of daarop gestelde gebouwen zijn met lasten bezwaard, die het vrije gebruik of genot beperken, en wel ten behoeve van de eigenaars van naburige erven.

Sommige van die lasten of servituten zijn een gevolg van bestaande bepalingen der wet, in het belang der billijkheid genomen,

ocr page 126

122

en daarom noemt men ze gewoonlijk wettelijke servituten of begrijpt ze onder den algemeenen naam van burenrecht.

Andere lasten van dien aard zijn of worden tusschen de eigenaars bij overeenkomst daargesteld en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van erfdienstbaarheden.

Voor zoover dit onderwerp van practisch belang is, zullen wij er hier eenige bijzonderheden over mededeelen.

Servituten die een. gevolg zijn van de ligging der erven.

Wanneer van twee aangrenzende erven het eene hooger dan het andere ligt, is de eigenaar van het lager erf verplicht om het water, dat van zelf afvloeit, zijn natuurlijken loop te laten. Dijken of dammen mag hij tegen het water niet opwerpen, evenmin als de eigenaar van het hooger erf iets doen mag om den toestand van het lagere erf te verergeren.

In het algemeen moet hier de opmerking worden gemaakt, die voor alle gevallen geldt, dat de eigenaars het recht hebben eene overeenkomst te sluiten, ten einde de zaak onderling te regelen; maar dit geldt in ieder geval slechts voor de partijen die tot de overeenkomst zijn toegetreden en de toestand der erven van andere eigenaars kan daardoor niet worden verslimmerd.

Wanneer twee erven onmiddellijk aan elkander grenzen kan ieder eigenaar den ander noodzaken om voor gemeenschappelijke rekening eene afscheiding daar te stellen. Op welke wijze zulk eene afscheiding moet plaats hebben wordt echter niet door de wet beslist, zoodat, in geval van geschil, de rechter dit zal moeten uitmaken. Hij zal daarbij behooren te letten op het doel waartoe de afscheiding verlangd wordt of de wijze van afscheiding van erven, die ter plaatse gebruikelijk is.

De eigenaar van een erf heelt het recht dat erf geheel af te sluiten en dus den overgang door anderen te beletten. Later zullen wij echter zien, dat er gevallen zijn, waarin deze regel niet opgaat en men wel verplicht is, aan anderen zoodanigen overgang toe te staan.

ocr page 127

123

Servituten die alleen in het publiek belang door den wetgever zijn daargesteld.

De hieromtrent door de wet gegeven voorschriften hebben vooral betrekking op afscheiding van gebouwen, gemeenschappelijke muren, op het recht van uitzicht op het erf van zijn buurman enz. Daar de toestand der gebouwde eigendommen in de steden en de bebouwde kom der dorpen veelal door de voorschriften der plaatselijke verordeningen beheerscht wordt en de partijen dikwijls bij contract in de wettelijke servituten verandering brengen, is de practische waarde van de daaromtrent bestaande en zeer verouderde artikelen van het burgerlijk wetboek niet groot.

Alle muren waardoor gebouwen, landerijen, erven of tuinen onderling worden afgescheiden, worden vermoed gemeenschappelijke muren te zijn. Zij kunnen dus door geen der aangrenzende eigenaars willekeurig worden weggenomen of veranderd en blijven voor gemeenschappelijke rekening, wat het onderhoud en de vernieuwing betreft.

Nu komt het wel eens voor. dat de aangrenzende gebouwen niet even hoog zijn, en dan wordt de scheidsmuur slech's vermoed gemeenschappelijk te zijn, tot de plaats waar het laagste gebouw eindigt. Echter kan het voorkomen dat de muur niet gemeenschappelijk is, maar aan een der eigenaars toebehoort, en dat kan men natuurlijk zoo mogelijk bewijzen.

De wet zelf neemt als teekenen aan, dat een muur met gemeen is, de volgende omstandigheden:

1. dat de muur aan één kant loodrecht op zijn voetstuk staat en aan den anderen kant schuin afloopt;

2. dat de muur een gebouw of terras steunt, zonder dat er aan den anderen kant een gebouw ot ander werk bestaat;

3. dat bij het bouwen van den muur slechts aan een kant een kap, steenen lijsten of vooruitstekende steenen zijn geplaatst.

In dat laatste geval wordt de muur geacht het eigendom te zijn van hem aan wiens kant het gebouw, het terras, de lijsten of de vooruitstekende steenen, of de goot van de kap gevonden wordt.

Een mede-eigenaar van een gemeenschappelijken muur, kan zich onttrekken aan zijn verplichting om bij te dragen in de kosten

ocr page 128

124

van onderhoud, herstel en vernieuwing, door zijn recht op den muur te laten varen. Dat kan echter niet, wanneer de scheidsmuur een hem toebehoorend gebouw schraagt of steunt of in de steden, of de bebouwde kom der dorpen, tot afscheiding strekt van aan elkander grenzende huizen, open plaatsen en tuinen.

Wanneer iemand mede-eigenaar is van een gemeenschappelijken muur, dan mag hij daartegen aanbouwen en daarin, tot op de helft der dikte, balken, ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen, mits de muur daardoor geen schade lijdt.

Hij heeft ook het recht dien muur hooger te doen optrekken, maar dan te zijnen koste, terwijl ook de kosten van onderhoud en herstel van dat verhoogde gedeelte voor zijne rekening zijn.

Verder mag hij op dat gedeelte van den gemeenschappelijken muur, dat aan hem toebehoort, een goot leggen.

En wanneer de mede-eigenaar van den muur ook mede eigenaar van het verhoogde gedeelte wenscht te worden, dan heeft hij daar recht op, mits hij de helft in de betaalde kosten bijdrage.

Zonder toestemming van den anderen mag geen der mede-eigenaars in den gemeenschappelijken muur eenige holte of diepte maken, noch daartegen eenig werk aanbrengen of doen steunen.

In de steden en aaneengebouwde dorpen kan ieder zijn nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of stellen eener afsluiting, dienende tot afscheiding van de huizen, open plaatsen en tuinen.

Op hoedanige wijze die afsluitingen zullen worden daargesteld, laat de wet in dit geval aan de plaatselijke verordeningen over. of, waar deze niet bestaan, aan de plaatselijke gebruiken.

Plaatselijk gebruik of gewoonte acht men dan te bestaan, wanneer gedurende zeer langen tijd, in dezelfde zaak, op dezelfde wijze is gehandeld.

Of er werkelijk een zoodanig plaatselijk gebruik geacht moet worden te bestaan, zal, ingeval van geschil, de rechter moeten uitmaken. Trouwens, wanneer noch verordening, noch gewoonte bestaat, zal de zaak op dezelfde wijze moeten worden beslist.

Wanneer tusschen twee erven een gemeenschappelijke heining

ocr page 129

bestaat, heeft ieder der aangrenzende eigenaars het recht om die te zijnen koste door een muur te vervangen. De muur wordt toch weer gemeenschappelijk eigendom.

Een heining doen stellen in plaats van een muur mag niet anders dan met onderlinge toestemming

Wanneer een gemeenschappelijke scheidsmuur bestaat, mag geen der mede-eigenaren daarin een venster of andere opening maken. Hij mag dit alleen doen in dat gedeelte van den muur, dat hij te zijnen koste optrekt. Evenwel moet dit dadelijk bij het optrekken van den muur geschieden en de vensters of openingen moeten voorzien zijn van dichte ijzeren traliën; de ramen moeten vaststaan ; tusschen de traliën mag niet meer dan een palm tus-schenruimte zijn; verder mogen zij niet lager gemaakt worden dan 25 palmen boven den vloer of den grond der kamer welke men verlichten wil, wanneer die gelijkvloers met de straat is. en voor hoogere verdiepingen niet lager dan 30 palmen boven den vloer.

Onder dezelfde voorwaarden mag de eigenaar van een muur, die niet gemeenschappelijk is en waartegen het erf van een ander onmiddellijk aan ligt, in dien muur lichten of vensters maken.

Over het erf van zijn nabuur mag men geene rechtstreeksche uitzichten hebben, noch vensters, waardoor men op dat erf ziet, noch balkons of andere vooruitspringende werken, tenzij er een afstand van 20 palmen worde gelaten.

Ter zijde of in de schuinte bedraagt de afstand, dien de wet toelaat, vijf palmen.

Die afstand wordt gerekend van den buitenkant van den muur waarin de opening gemaakt wordt, of van den buitensten rand van het balkon of ander vooruitspringend werk.

Al hetgeen wij hierboven over gemeene scheidsmuren gezegd hebben, geldt, voor zoover het toepasselijk kan wezen, ook voor houten afsluitingen, die dienen tot scheiding tusschen gebouwen, open plaatsen en tuinen.

Wanneer een gebouw gerepareerd moet worden en het daartoe

ocr page 130

126

noodig is om op den grond van zijn buur eenig steigerwerk te plaatsen of over dien grond te gaan tot het aanbrengen van bouwstoffen, is de aangrenzende grondeigenaar verplicht dit te dulden. Als er reden toe is heeft hij evenwel recht op schadeloosstelling.

Een dak van een gebouw moet op zoodanige wijze worden ingericht dat het water niet uitloopt op het erf van den aangren-zenden eigenaar.

Door de goten van een ander mag men geen water of vuilnis laten loopen.

Alle gebouwen, schoorsteenen en muren of andere scheidingen, die, door welke oorzaak dan ook, dreigen in te storten en daardoor gevaar opleveren voor een aangrenzend erf of daarover heen hangen, moeten, op de eerste aanmaning van den eigenaar van dat erf, afgebroken, opgebouwd of hersteld worden.

Bij het plaatsen, in de nabijheid van een muur, van putten, riolen, stookplaatsen, stallen, mestverzamelingen, verzamelplaatsen van bijtende stoffen, of andere schadelijke of gevaarlijke werken, geeft de burgerlijke wet geen bijzondere voorschriften, maar verwijst naar bijzondere verordeningen of gebruiken.

Eene algemeene regeling welke op dit onderwerp betrekking heeft, is gemaakt bij de wet tot regeling van het toezicht, bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken (de zoogenaamde hinderwet).

Wanneer regenbakken, putten, riolen, goten en dergelijke inrichtingen, tusschen naburige erven gemeen zijn, dat wil zeggen aan de eigenaars gemeenschappelijk toebehooren, moeten zij ook voor gemeenschappelijke rekening worden onderhouden en gereinigd. De ruiming van gemeenschappelijke privaten moet beurtelings, dan over het eene, dan over het andere erf geschieden.

Wanneer gronderven door grachten of slooten zijn gescheiden, worden deze vermoed gemeenschappelijk te wezen. De grenslijn loopt dus door het midden van de sloot.

Natuurlijk kan de sloot ook aan den eigenaar van een der erven

ocr page 131

27

voor het geheel beboeren en deze wordt tot het bewijs daarvan toegelaten. Het wordt, behoudens tegenbewijs, beschouwd als een teeken dat de sloot niet gemeenschappelijk is, wanneer aan de eene zijde zich eene kade of opwerping van aarde bevindt. Die aarde wordt dan geacht uit de sloot te zijn voortgekomen en hij op wiens grond de kade ligt wordt dus vermoed voor het geheel eigenaar van de sloot te zijn.

Is de gracht of sloot gemeen, dan moet zij ook voor gemeenschappelijke rekening worden onderhouden en ieder der aangrenzende eigenaars mag er water uit scheppen, zijn beesten drenken, er in visschen en zoo mogelijk varen.

Een heg, die twee eiven van elkander scheidt, wordt vermoed gemeenschappelijk te zijn, tenzij er een teeken van het tegendeel aanwezig mocht zijn. De boomen die in de gemeenschappelijke heg staan zijn ook het eigendom van beiden en ieder heeft recht te vorderen dat die boomen omgehakt worden.

Wanneer slechts een der erven een afgesloten erf is, wordt de heg vermoed aan den eigenaar van dit erf te behooren.

Hoog opschietende boomen of heggen mag men niet planten dan op den afstand van de aangrenzende erven, door de plaatselijke reglementen of door de gebruiken vastgesteld. Waar deze niet aanwezig zijn is de wettelijk toegestane afstand : voor hoog opschietende boomen twintig palmen van de scheiding en voor heggen vijf palmen.

Staan de boomen of heggen op korteren afstand, dan moeten zij op last van den aangrenzenden eigenaar worden uitgeroeid.

Ondanks den bedoelden afstand komen de takken der boomen toch dikwijls over het erf van den nabuur, die dan vorderen kan dat de takken worden afgesneden, en wanneer de wortels op zijn erf doorschieten, heeft hij het recht die zelf weg te hakken. Hij mag trouwens ook de takken afsnijden, als de eigenaar weigert dit te doen, mits hij op zijn eigen erf blijve.

Voor wie dan de takken of de wortels zijn, maakt de wet niet uit. De wortels waren met het erf van den buurman vereenigd; er is dus iets te zeggen voor de meening dat ze hem toebehooren; maar met betrekking tot de takken is zulk een grond niet aanwezig.

ocr page 132

128

Wanneer een stuk land of erf zoodanig tusschen andere ligt ingesloten dat het geen uitweg heeft naar weg of vaart en de grondeigenaar dus ingesloten is is deze bevoegd om een uitweg te vorderen, tegen betaling van schadevergoeding.

Deze uitweg moet genomen worden aan den kant waar de toegang tot weg of vaart de kortste is, zóó echter dat de richting gevolgd wordt, waardoor de minste schade wordt toegebracht aan het land waarover de uitweg is verleend.

De ingesloten eigenaar mag van den uitweg geen gebruik meer maken, als hij niet langer ingesloten is. Door den aankoop van een stuk land b v. tusschen zijn erf en den weg is hij vrij geworden.

Ten slotte bevat de wet eene bepaling omtrent de zoogenaamde huunoegen. Dit zijn voetpaden, dreven of wegen, die door verscheidene eigenaren gemeenschappelijk worden gebruikt en waarvan niet bekend is of bewezen kan worden, wie eigendomsrecht heeft, wie het recht van gebruik hebben of verplicht zijn tot onderhoud. Deze buurwegen kunnen niet anders dan met gemeenschappelijke toestemming der gebruikers worden verlegd, vernietigd, of aangewend tot een ander gebruik dan waartoe zij steeds bestemd waren.

Erfdienstbaarheden.

Wij behandelen nu de servituten, die niet uit de ligging der erven, noch uit bestaande wetsbepalingen voortvloeien, maar uit overeenkomsten tusschen de eigenaars gesloten.

Tal van gronderven zijn met zulke servituten bezwaard. Soms betreft het servituut den grond zelf, dan weer eens het gebruik van den grond of wat er zich op bevindt, en dan weer de inrichting of het gebruik der gebouwen die er op gesteld zijn.

In ieder geval komt het servituut feitelijk daarop neer, dat de eigenaars van zeker gronderf verplicht zijn iets te dulden of na te laten, ten behoeve van de eigenaars van een ander erf. Het erf zelf wordt dus, voortdurend of tijdelijk, belast ten behoeve van een ander erf.

Tijdelijk of voortdurend, want het is niet twijfelachtig dat men ook voor een bepaalden tijd eene erfdienstbaarheid kan verkrij-

ocr page 133

129

gen; maar in den regel gebeurt dit toch niet en wanneer geene bepaling daaromtrent in het contract voorkomt, is de erfdienstbaarheid voor goed op het perceel gevestigd, onverschillig wie er later den eigendom van verkrijgen. Alleen met onderlinge toestemming kan het servituut dan weer worden veranderd of vernietigd.

Verschil met persoonlijke vergunningen en dergelijke rechten.

Dikwijls komt het voor, dat men iemand iets toestaat met betrekking tot een erf, zonder dat daardoor een last op het erf zelf wordt gelegd.

Wanneer A. b v. aan B. schriftelijk vergunning geeft om steeds over zijn land te gaan, om daardoor spoediger den openbaren weg te kunnen bereiken, dan geldt dat niet voor een ander, die latei-eigenaar mocht worden van den grond van B. Ook de opvolgers van A zijn niet gebonden en deze kan zelf de vergunning altijd intrekken.

En al hadden B en zijn opvolgers nog zoo lang hun weg over het land van A genomen, zij zouden toch niet met grond kunnen beweren, dat zij daardoor een voortdurend en onherroepelijk recht hadden verkregen.

Soms evenwel neemt de zaak een anderen vorm aan, die het verschil met een erfdienstbaarheid minder duidelijk in het licht doet vallen.

Stel b.v. dat A en B een contract aangaan, waarbij A verklaart dat B, als eigenaar van een zeker perceel grond, en zijne rechtverkrijgenden, ten allen tijde het recht zullen hebben om over het aan A behoorende perceel naar den publieken weg te gaan. Wanneer nu in het contract de beide gronderven nauwkeurig zijn aangeduid en het contract wordt in de wettelijke vormen behandeld, dat wil zeggen in de openbare registers aan het hypotheekkantoor overgeschrevin, dan zal hier niemand betwisten dat een wezenlijke erfdienstbaarheid is gevestigd.

Toch is in dit contract niet uitdrukkelijk gezegd, zooals toi voorkoming van alle verkeerde uitleggingen wenschelijk is, dat het erf van A met een erfdienstbaarheid ten behoeve van het erf van B belast wor Jt; en bij de minste onnauwkeurigheid of on volledige

9

ocr page 134

• 3°

vermelding, zou men gevaar loopen dat het contract later niet werd geacht een servituut daar te stellen, waaruit allerlei moeilijkheden zouden kunnen voortkomen.

Om die reden is het dringend noodzakelijk om bij elke vestiging van erfdienstbaarheid of verandering daarin, de hulp van eenen notaris in ie roepen.

Van hoeveel belang dit is en hoezeer het op de juiste bewoordingen aankomt, blijkt onder anderen nog uit de volgende wetsbepalingen :

Wanneer de erfdienstbaarheid van licht is gevestigd, wordt daaronder alleen het noodige licht verstaan en geen uitzicht.

Onder de erfdienstbaarheid van waterloop en drop verstaat men alleen het recht om schoon water te doen uitloopen.

De erfdienstbaarheid van voetpad is het recht om te voet over eens anders land te gaan ; die van rijpad of dreef is het recht om daarover te paard te rijden of beesten te drijven; die van weg is het recht om er met een wagen, een rijtuig enz. over te rijden.

Als de breedte van voetpad, dreef of weg niet bepaald is, moeten plaatselijke verordeningen of plaatselijke gebruiken beslissen; maar deze niet bestaande is er steeds aanleiding tot allerlei geschillen.

Onder de erfdienstbaarheid van rijpad of dreef is die van voetpad en onder die van weg die van rijpad of dreef stilzwijgend begrepen.

Afwijking van al deze bepalingen moet uitdrukkelijk in den titel worden vermeld.

Onderscheiding der erfdienstbaarheden en praetiseh belang daarvan.

De wet onderscheidt de volgende soorten :

1. Voortdurende erfdienstbaarheden, b.v. recht van licht, van uitzicht, van waterloop enz

Men noemt deze servituten voortdurend, niet omdat b v. het water altijd maar doorloopt, maar omdat er geen bijzondere handeling van den mensch voor de uitoefening noodig is.

2. Niet-voortdurende erfdienstbaarheden, zooals: het recht van overpad of overweg, het recht om water te halen, om beesten te weiden.

ocr page 135

i3i

Hier is het juist andersom en is voor de uitoefening van het recht steeds een bijzondere verrichting van den mensch noodig.

3. Zichtbare erfdienstbaarheden, waarvan door een uitwendig teeken of werk blijkt, zooals een weg, een watergang, een venster.

4. Niet-zichtbare erfdienstbaarheden, waatbij het juist andersom is, zooals het verbod om op een erf te bouwen of te planten, om beesten te weiden en dergelijke. Hier bestaat geen uitwendig teeken. Is er voor de uitoefening een daad van den mensch noodig, dan is de erfdienstbaarheid altijd onzichtbaar.

Al deze erfdienstbaarheden kunnen worden daargesteld bij titel, dat wil zeggen bij schriftelijk contract, dat aan het hypotheekkantoor moet worden overgeschreven.

Maar wanneer eene erfdienstbaarheid voortdurend en tevens zichtbaar is, zooals een overweg, een waterleiding, dan kan zij ook wettig worden verkregen door verjaring, dat wil zeggen, dat men, na er dertig jaren lang zonder titel feitelijk het genot van te hebben gehad, zich op wettige verkrijging door tijdsverloop beroepen kan en het recht dus niet meer kan worden ontnomen.

Hoe een erfdienstbaarheid nog op andere wijze dan door een schriftelijken titel of door verjaring kan ontstaan.

Wanneer er twee van elkander afgescheiden erven zijn, die vroeger aan één eigenaar behoorden, die ze gebracht heeft in zoo-danigen toestand, dat feitelijk het eene erf bezwaard was met eene voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid ten behoeve van het andere erf, dan geldt deze bestemming; die de eigenaar er aan gegeven had, voor een titel van erfdienstbaarheid. Een weg of watergang, die van het eene erf over het andere naar den openbaren weg voert, of het water van het eene erf over het andere doet vloeien, is zulk een servituut, dat dus in zoodanig geval voortdurend moet worden geduld.

Wanneer een erf, waarop een servituut rust (het zoogenaamde lijdende of dientbare erf) en een ander ten behoeve waarvan het servituut bestaat (het zoogenaamde heerschende erf,) der zelfden eigenaar krijgen, dan gaat het servituut te niet. Doch wanneer nu

ocr page 136

132

van dit servituut een zichtbaar teeken bestaat, b.v. een venster, een waterleiding, en de eigenaar staat een der erven weer aan een ander af, dan herleeft het servituut van zelf, en is er dus geen nieuwe titel noodig.

Hoe servituten te niet gaan.

Zoo even zagen wij reeds, dat dit geschiedt wanneer de twee erven in dezelfde hand vereenigd worden.

Hetzelfde heeft onder anderen plaats, wanneer in dertig jaren van de erfdienstbaarheid geen gebruik is gemaakt.

B.v. iemand heeft een erfdienstbaarheid van een rijweg over het perceel van zijn buurman. Dertig jaar lang rijdt, noch hij, noch iemand van zijnent wege over dien weg. Is het servituut nu verjaard? Geenszins. Het enkele niet gebruiken heeft zulk een gevolg niet. Die dertig jaren beginnen eerst te loopen, wanneer hij die tot het servituut gerechtigd is, eene daad verricht, die duidelijk aantoont dat het zijn bepaalde voornemen is er geen gebruik van te maken; b.v. in dit geval, wanneer hij over zijn eigen landen een rijweg naar hetzelfde punt maakt.

Mocht eene erfdienstbaarheid slechts voor eenen bepaalden tijd zijn verleend, dan spreekt het van zelf, dat zij bij het einde van het bepaalde tijdvak ophoudt.

OVER DE RECHTEN VANquot; OPSTAL EN ERFPACHT.

Van deze rechten, die iemand op zijn grond kan toestaan, komen de eerste weinig, de laatste daarentegen in sommige streken veelvuldig voor. Die deze rechten wil vestigen, verzuime vooral niet, daartoe de hulp van eenen notaris in te roepen, die eene behoorlijke akte opmaakt, welke in de registers aan het hypotheekkantoor moet worden overgeschreven. Dit is des te meer noodig. omdat deze contracten in den regel de bestemming hebben om gedurende zeer langen tijd te werken en het erfpachtsrecht dik wijls zelfs altoosdurend gevestigd wordt.

ocr page 137

Reoht van opstal.

Bij het contract van opstal geeft een grondeigenaar aan iemand het recht om op zeker perceel gebouwen te stichten, andere werken aan te leggen of beplantingen te hebben.

De persoon die het recht verkrijgt noemt men opstalhouder. In den regel geeft men hem het recht voor een bepaald aantal jaren voor een zekere som per jaar.

Door dit recht wordt iemand die niet in staat is om den grond te koopen of daaraan slechts tijdelijk behoefte heeft, in staat gesteld om zich zelf in zijn bedrijf te helpen, b.v. door een eigen stal te bouwen of een woonhuis of iets dergelijks.

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat die gebouwen, of de boomen die op den grond worden geplant, het eigendom zijn van den opstalhouder. De gewone regel, dat den grondeigenaar ook behoort al wat met den grond vereenigd is, gaat niet op, wanneer het tegendeel uit een contract blijkt.

Welke rechten de opstalhouder heeft.

Wanneer iemand een perceel grond in opstal heeft en daarop een gebouw zet, dan kan hij :

i zijn recht aan een ander overdragen ;

2. dat gebouw met het recht van opstal voor hypotheek verbinden. Wanneer hij dus geen geld bezit om geheel voor eigen rekening te bouwen, dan stelt het recht van opstal hem daartoe in staat, want nu kan hij op het gebouw met het erfpachtsrecht geld opnemen.

Echter komt het dikwijls voor, dat de grondeigenaar, tot zekerheid der betaling van de, jaarlijks verschuldigde som, zelf hypotheek op het recht van opstal bedingt, en dan zal de opstalhouder dus alleen maar geld onder verband van tweede hypotheek kunnen opnemen.

3 Kan de opstalhouder den grond die hem afgestaan is met servituten bezwaren.

Het spreekt echter wel van zelf, dat èn het recht van hypotheek èn dat van erfdienstbaarheid slechts kunnen worden toegestaan voor den tijd dat het recht van opstal duurt en dus in den regel uit den aard der zaak tijdelijk zullen wezen.

ocr page 138

134

Wat er gebeurt wanneer geen tijd bepaald is.

Indien het recht van opstal voor een onbepaalden tijd gegeven is, heeft de grondeigenaar de bevoegdheid om het te doen eindigen, wanneer het dertig jaren heeft geduurd. Hij is echter verplicht in dat geval een jaar te voren behoorlijk opzegging te doen.

Wat er by het eindigen van het recht met den opstal

gebeurt.

Al de gebouwen, werken en beplantingen, die zich bij het eindigen van het recht op den grond bevinden, behooren dan aan den grondeigenaar. Hij wordt daarvan vanzelf eigenaar, door de werking van het recht van natrekking; maar hij is natuurlijk tot betaling van de waarde verplicht, en zoolang hij dit niet doet heeft de opstalhouder de bevoegdheid om de bedoelde zaken onder zich te houden.

Mocht het recht van opstal gevestigd zijn op een stuk grond, waarop zich bij den aanvang van het recht reeds gebouwen of beplantingen bevonden, die door den opstalhouder niet betaald zijn, dan neemt de grondeigenaar ze bij het eindigen van het recht zonder schadevergoeding terug.

Dat van al deze voorschriften door de partijen bij hunne overeenkomsten kan worden afgeweken, zegt de wet uitdrukkelijk. Dit geldt voor alle dergelijke rechten, en het geldt voor alle overeenkomsten. tenzij d- wet uitdrukkelijk bepaalt dat van de eene of andere verordening niet kan worden afgeweken Men noemt dit dan zoo, dat die bepaling van opeulmre orde is.

Recht van erfpacht.

Het recht van erfpacht is van grooter omvang dan het recht van opstal. Het bestaat daarin, dat iemand het volle genot heeft van een onroerend goed dat aan een ander toebehoort, onder verplichting om een jaarlijksche pacht, de erfpacht, te voldoen in geld of in natura (dat wil zeggen in geld of in voortbrengselen van den grond).

ocr page 139

135

Bechten en verplichtingen van den erfpachter.

Wanneer geene andere bedingen gemaakt zijn, dan gelden de

volgende bepalingen.

De erfpachter mag niets doen. waardoor de waarde van den grond zou worden verminderd. Daarom mag hij b.v. geen klei uitgraven, geen turf steken, geen steenkool uitdelven, geen zand afgraven Hij mag dit alleen doen, wanneer de zoogenaamde ontginning van den grond reeds aangevangen is wanneer het recht

van erfpacht begint.

Boomen die sterven of door een toeval worden omgeworpen zijn voor hem, onder verplichting van aanplant van nieuwe.

Over beplantingen die hij zelf aanlegt heeft hij de vrije beschikking.

Het onderhoud van het goed en de gewone reparation der gebouwen komen voor zijne rekening.

Op een andere plaats van het wetboek worden als grove ol buitengewone reparation genoemd: die van zware muren en gewelven; de herstelling van balken en geheele daken; de geheele herstelling van dijken en winterkaden, gemetselde waterwerken, steun- en scheidsmuren. Wij moeten hierbij echter opmerken dat de uitgiften in erfpacht zich in den regel tot gronderven bepalen, die dan door den erfpachter zelf worden bebouwd.

De erfpachter is verplicht om alle belastingen van het erf te betalen.

Wanneer door eenig voorval het genot van den erfpachter vermindert of ophoudt, kan hij in het algemeen geen kwijtschelding of vermindering der pacht vorderen. Alleen wanneer het gemis van genot door eenig onheil vijf jaar of langer duurt, kan hij kwijtschelding voor den lijd van zijn gemis eischen.

Evenals de opstalhouder kan ook de erfpachter voor den tijd van zijn genot hypotheek geven en den grond met erfdienstbaarheden bezwaren; terwijl hij tevens zijn recht aan een ander kan overdragen.

Wat er bij het eindigen van het erfpachtsrecht gebeurt.

De grondeigenaar treedt niet, als bij het eindigen van het recht van opstal, vanzelf in den eigendom van hetgeen de erfpachter op

ocr page 140

136

den grond gesteld heeft. De erfpachter kan de door hem gestelde gebouwen en beplantingen wegnemen, maar hij moet de daardoor aan den grond te veroorzaken schade vergoeden en de eigenaar heeft het recht om alles onder zich te houden, totdat het aan hem verschuldigde ten volle is voldaan. Hieronder zal men in de eerste plaats de nog verschuldigde pacht moeten verstaan. Nooit is de grondeigenaar te verplichten tot overneming van de gebouwen en beplantingen.

Wanbetaling van de pacht.

Wanbetaling van vijf volle jaren erfpacht geeft aanleiding tot eene vordering tot vervallenverklaring van het recht.

OVER GRONDRENTEN EN TIENDEN.

De rechten die wij kennen onder den naam van grondrenten en tienden worden tegenwoordig zelden meer gevestigd. De bepalingen der wet, die hierop Hetrekking hebben, en die alleen gelden voor zoover de partijen in hun contract geene andere voorwaarden maken, zijn dan ook niet van groot ge.vicht.

In het algemeen verstaat men onder eer. grondrente de voortdurende verplichting om een jaarlijksche som te betalen aan den voormaligen eigenaar van een stuk grond, dat men gekocht heeft, zonder daarvoor een koopsom te betalen 't Is alsof men de koopsom schuldig blijft en van die som de rente betaalt, maar zóó, dat de koopsom nooit kan worden teruggeeischt.

Hoewel in den regel eene jaarlijksche uitkeering in geld moet plaats hebben, kan ook worden bepaald dat dit geschieden moet in voortbrengselen of vruchten van den grond.

Tienden zijn ook grondrenten, in zooverre dat het recht van tiend op dezelfde wijze gevestigd wordt bij de vervreemding van een stuk grond; maar toch bestaat er een wezenlijk verschil.

Verschil tusschen grondrenten én tienden.

De grondrenten, eenmaal op een perceel gevestigd, hetzij dan in geld, hetzij in vruchten betaalbaar, zijn altijd verschuldigd.

ocr page 141

37

De tienden, die bestaan in de verplichting om zeker evenredig deel van de voortbrengselen van den grond af te staan, maar soms ook wel in geld worden betaald, zijn alleen verschuldigd wanneer het land wezenlijk bebouwd is en ook vruchten heeft opgeleverd.

Verschillende soorten van tienden.

De tienden zijn onder verschillende benamingen bekend, zooals: krijtende tiend (jongen van beesten), groote of korentiend, smal-tiend (van mindere vruchten) enz.

Schijnbaar is altijd een tiende van de vruchten verschuldigd en toch wordt de tiend op tweeërlei wijze berekend. Bij het plaatsen b.v. van korenschoven op het land, is soms de tiende schoof voor den tiendhefter, maar ook soms de elfde.

Afkoop van tienden en grondrenten.

Men mag niet bedingen dat de tienden en grondrenten nooit zullen kunnen worden afgekocht. Zulk een bepaling is nietig, daar deze schuldplichtigheden geacht worden niet in het belang van den landbouw te zijn.

Men is echter bevoegd om bij het contract, waarbij het techt gevestigd wordt, de voorwaarden te bedingen, waaronder die afkoop zal mogen plaats hebben.

Ook kan men bepalen dat de schuldplichtigheid dertig jaren zal moeten duren, alvorens de afkoop geschieden kan.

Bij gebreke van bepalingen omtrent den afkoop tusschen partijen, moeten de volgende regelen worden in acht genomen

Als een grondrente in geld moet worden betaald, kan de schuld-plichtige volstaan met de aanbieding van het twintigvoudig bedrag.

Is zij in voortbrengstlen of vruchten verschuldigd, dan bestaat de afkoopsom in twintigmaal de waarde daarvan. Deze waarde wordt berekend door de landelijke marktprijzen der laatstverloopen tien jaren, door elkander gerekend.

Wanneer die marktprijzen niet bestaan, dan heeft prijsbepaling plaats door deskundigen welke met onderling goedvinden door partijen of anders door den rechter worden benoemd.

ocr page 142

138

Wanneer het bepaaldelijk tienden betreft, wordt de jaarlijksche opbrengst, waarvan het twintigvoud als afkoopsom verschuldigd is, op de volgende wijze berekend. Men neemt de zuivere opbrengst der laatste vijftien jaren, door elkander, na aftrek van de twee voordeeligste en van de twee slechtste jaren. De opbrengst wordt door de verpachtingen bewezen en als er geen verpachting heeft plaats gehad, dan door marktprijzen of taxatie, zooals hierboven is gemeld.

Bekend is het, dat de meeste tiendheffers de tienden niet zelf van het land laten halen of ontvangen, maar de opbrengst verpachten aan den hoogsten bieder, die daardoor eenig voordeel tracht te behalen, maar dan ook voor eigen rekening het verschuldigde van de schuldplichtigen moet trachten te innen.

Afkoop van oude tienden.

De meeste tienden dagteekenen uit vroegere eeuwen. De bepalingen van het burgerlijk wetboek zijn daarop niet toepasselijk en dientengevolge konden die zoogenaamde tienden niet worden afgekocht.

Dit is echter veranderd door de wet van 12 April 1872.

Volgens die wet kunnen de oude tienden, op vordering van den tiendplichtige worden afgekocht, ook wanneer het tegendeel bedongen is

De afkoopprijs bestaat in het twintigvoud van de jaarlijksche opbrengst. Tot maatstaf daarvan strekt de gemiddelde zuivere opbrengst der vijftien laatste jaren, na aftrek der twee voordeeligste en der twee nadeeligste.

De waarde der jaarlijksche opbrengst wordt bepaald door de verpachtingen en anders door de landelijke marktprijzen, en kan de waarde op die manier niet worden bepaald, dan wordt de afkoopprijs door den rechter vastgesteld na verhoor van deskundigen-

OVER HET VRUCHTGEBRUIK.

Het recht van vruchtgebruik komt bij ons niet zelden voor, en wel in dien vorm, dat een erflater bij testament aan zijne echt-genoote of zijne bloedverwanten, soms ook wel aan vreemden, het

ocr page 143

139

levenslange of kortere vruchtgebruik toekent van zijne nalatenschap of een gedeelte daarvan, of van bepaalde zaken die tot zijne nalatenschap behooren.

Om die reden wordt door de wet eene uitgewerkte regeling gegeven van den omvang van het vruchtgebruik, de verplichtingen van den vruchtgebruiker en den eigenaar en alles wat daarmede in betrekking staat.

Intusschen kan het vruchtgebruik ook bij overeenkomst worden gevestigd. B.v. A. verkoopt aan B zijn huis met land voor eenen in geld bepaalden prijs en bovendien onder bepaling dat de ver-kooper er levenslang het vruchtgebruik van genieten zal.

Een kenmerk van het vruchtgebruik is, dat de vruchtgebruiker van het goed het genot heeft, maar zorgen moet, dat de zaak zelf in stand blijft.

Nu is dit laatste echter niet altijd mogelijk. Gesteld dat iemand het vruchtgebruik eener nalatenschap heeft verkregen en dat daartoe behoort een pakhuis met de zich daarin bevindende granen De granen kunnen niet in stand blijven. Zij hebben de bestemming om verbruikt te worden, en men noemt ze dan ook verbruikbare zaken.

Deze zaken worden bij den aanvang van het vruchtgebruik geschat en bij het einde wordt de geschatte waarde betaald of de vruchtgebruiker geeft eene gelijke hoeveelheid van dezelfde hoedanigheid en waarde terug.

Het vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve van meer dan één persoon

A. kan b v. bij testament liet vruchtgebruik zijner nalatenschap aan zijn drie broeders geven.

Hij kan ook bepalen dat B vruchtgebruiker zal zijn; bij diens overlijden C. en bij overlijden van dezen laatste D

Kan hij ook bepalen dat het vruchtgebruik steeds zal voortduren en telkens van den vader op den oudsten zoon zal overgaan, of iets dergelijks?

Neen, want de wet zegt, dat, ingeval van genot bij opvolging.

ocr page 144

140

alleen zij tot het vruchtgenot geroepen worden, die bestaan op het oogenblik dat het vruchtgebruik van den eersten genieter een aanvang neemt.

Gesteld nu dat B., de eerste vruchtgebruiker, bij den aanvang van zijn genot een zoon en een kleinzoon heeft, dan kunnen, na hem, de zoon en de kleinzoon genieten, maar de later geboren achterkleinzoon wordt door de wet uitgesloten en het vruchtgebruik neemt van zelf een einde.

Welke rechten de vruchtgebruiker heeft bij aanvang van het genot.

De vruchten die aan boomen of wortels vast zijn, behooren den vruchtgebruiker. Omgekeerd behooren, bij het einde van het genot, die zaken aan den grondeigenaar; zoodat geene verrekening deswege te pas komt.

De burgerlijke vruchten, zegt de wet, worden van dag tot dag verkregen en behooren aan den vruchtgebruiker naarmate zijn vruchtgebruik duurt, op welk tijdstip zij ook betaalbaar zijn.

Gesteld dus dat aan vruchtgebruik onderworpen zijn eenige effecten, waarvan de coupons vervallen April en October en dat het vruchtgebruik i Juli aanvangt, dan knipt de vruchtgebruiker de October-coupon, maar de rente van i April tot i Juli is voor den eigenaar.

Vruchtgebruik van zaken die door het gebruik in waarde verminderen.

Dat zijn kleederen, linnengoederen, huisraad en dergelijke zaken. Deze slijten af, hetgeen niet wegneemt dat de vruchtgebruiker er zich, volgens de bestemming die deze zaken hebben, van bedienen mag. Hij geeft ze later terug in den staat waarin zij zich bevinden.

Vruchtgebruik van hakhout en boomen.

De vruchtgebruiker mag het hakhout hakken zooals de eigenaars dat gewoon waren te doen. Voor opgaande boomen, die regelmatig gehakt worden, geldt dezelfde regel.

ocr page 145

Hi

Overigens mag hij zich geene opgaande boomen toeëigenen, maar door toeval uit den grond gerukte of afgebroken boomen, mag hij gebruiken voor de reparation waartoe hij verplicht is Als het noodig is kan hij tot dit laatste zelfs hout doen omhakken, onder voorwaarde dat hij van de noodzakelijkheid ten overstaan van den eigenaar doet blijken

Recht om boomen tot brandhout te kappen heeft hij niet: maar hetgeen jaarlijks of op andere gezette tijden van de boomen afkomt, zooals b.v. de boombladeren, heeft hij wel Ook daarbij moet hij de plaatselijke gebruiken en de gewoonten der eigenaars volgen en ditzelfde geldt voor de wederaanvulling der bootnen die de vruchtgebruiker uit eene kweekerij trekt, waartoe hij het recht heeft, mits aan de kweekerij geene schade toebrengende.

Doode, bij toeval uit den grond gerukte of afgebroken vrucht boomen zijn voor den vruchtgebruiker, onder verplichting om andere in de plaats te stellen

De vruclitgebruiker behoeft zijn recht van vruchtgenot niet persoonlijk uit te oefenen.

Vooral wanneer het bij testament als een legaat bemaakt is, is het vruchtgebruik een gunst, aan een bepaald persoon toegestaan. Toch is dc vruchtgebruiker niet verplicht om zijn recht in persoon uit te oefenen. Hij kan de goederen, die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn niet alleen verhuren of verpachten, maar hij kan zelfs, ofschoon vruchtgebruiker blijvende, zijn geheele recht van genot verkoopen of weggeven. Ook kan hij het voor eene schuld met hypotheek bezwaren, namelijk wanneer het een vruchtgebruik van onroerende goederen betreft.

Bijzondere bepalingen daaromtrent.

In ieder geval moet de vruchtgebruiker of die zijn recht van genot verkrijgt, zich bij dat genot houden aan de plaatselijke gebruiken en de gewoonten der eigenaars.

Dit heeft vooral betrekking op verhuring van onroerende goederen.

Wanneer zulke bepaalde gebruiken of gewoonten niet mochten

ocr page 146

142

bestaan, mogen huizen voor hoogstens vier en landerijen voor hoogstens zeven jaren worden verhuurd.

Door zulk een huurcontract te sluiten, lang vóór den tijd waarop de huur ingaat, zou deze bepaling gemakkelijk kunnen worden ontdoken. Daarom bepaalt de wet dat alle verhuringen, aangegaan meer dan twee jaar voor het ingaan daarvan, ten verzoeke van den eigenaar kunnen worden vernietigd, wanneer het vruchtgebruik binnen dien tijd eindigt

B v. Vruchtgebruiker A. verhuurt aan B. op i Januari 1899 een onroerend goed voor zeven jaar, ingaande 1 Februari 1901. Wanneer nu het vruchtgebruik op 1 Aug. 1S99 eindigt, dan kan de eigenaar tot vernietiging van het huurcontract procedeeren.

Verdere rechten die de vruchtgebruiker heeft of mist, met betrekking tot onroerende goederen.

De vruchtgebruiker, die in het algemeen alle rechten kan uitoefenen waarvan de eigenaar zelf het genot kan hebben, heeft ook het genot van de jacht en visscherij.

Hij mag delfstoffen uitgraven, zooals turf en steenkolen, maar alleen, wanneer de ontginning bij den aanvang van het genot reeds begonnen was.

Vreemd is het, dat de vruchtgebruiker den grond niet met erfdienstbaarheden mag belasten, voor den tijd van zijn genot, even als iemand die het recht van opstal of van erfpacht heeft. Tenminste, de wet zwijgt er geheel van.

Verplichtingen van den vruchtgebruiker. Inventarisatie.

De wet zegt dat de vruchtgebruiker inventaris en staat van de roerende en onroerende goederen moet maken, in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van den eigenaar

Hier veronderstelt de wet evenwel dat iemand zijn goederen bij zijn leven in vruchtgebruik afstaat en, zooals wij reeds hebben opgemerkt, dit komt zelden voor.

Bijna altijd wordt het vruchtgebruik bij testament gelegateerd. Betreft het een enkel stuk goed, dan komt inventarisatie niet

ocr page 147

'43

te pas. Betreft het daarentegen eene geheele of gedeeltelijke nalatenschap, dan wordt bij het overlijden van den erflater van zelf een inventaris opgemaakt.

De beschrijving moet dan notarieel worden opgemaakt, wanneer de eigenaars, dat zijn hier de erfgenamen, niet tegenwoordig zijn. Anders is de onderhandsche beschrijving wel toegelaten, maar in ieder geval af te raden.

Zekerheidstelling.

De vruchtgebruiker moet zekerheid stellen, voor de teruggave in behoorlijken toestand bij het einde van zijn genot. Voor ver-waarloozing of het brengen der zaken in een minderen toestand is hij verantwoordelijk.

In de praktijk komt er van die zekerheidstelling weinig. Staat iemand bij zijn leven het vruchtgebruik van zaken af, dan is daf gewoonlijk aan iemand die zijn vertrouwen geniet en legateert hij het vruchtgebruik zijner nalatenschap, dan is dat gewoonlijk onder de bepaling, die de wet toelaat, dat de vruchtgebruiker geen zekerheid zal behoeven te stellen.

Het behoeft geen betoog dat op die wijze de waarborg voor de erfgenamen, dat zij het goed werkelijk zullen krijgen, niet heel groot is; maar in den regel betreft het niet de allernaaste, maar verdere erfgenamen. De erflater is niet verplicht hun iets na te laten en zij moeten dus de beschikking voor lief nemen.

Wordt er zekerheid gegeven, dan moet de rechter desnoods be-oordeelen of zij voldoende is. De zekerheid kan zoowel persoonlijk als zakelijk wezen, en onder persoonlijke zekerheid verstaan wij borgtocht

Zakelijke zekerheid is hypotheek op vast goed, verband van eene inschrijving op het grootboek of van een schip, enz.

Wie in geen geval zekerheid behoeven te stellen.

Dit zijn de ouders die het wettelijk vruchtgenot van de goederen van hun minderjarige kinderen hebben.

In de tweede plaats zijn het degenen die hun goed bij hun leven aan anderen ten geschenke geven of verkoopen, maar dan

ocr page 148

144

onder voorwaarde dat zij zelf het vruchtgenot zullen behouden,

In de derde plaats zijn zij vrij, die het vruchtgebruik hebben van zaken, die door den eigenaar of erflater onder het beheer of bewind van andere personen zijn gesteld

Bewindvoerders.

Dikwijls komt het voor, dat vruchtgebruik wordt gemaakt aan personen, die zelf niet bekwaam genoeg zijn om het aan vruchtgebruik onderworpen goed te beheeren of te besturen. Om deze of om andere redenen kan de eigenaar, en dit zal in den regel een erflater wezen, bij zijn testament of bij eene afzonderlijks notariëele akte, een of meer bewindvoerders benoemen om het goed te beheeren.

Het beste is om meer dan een persoon aan te wijzen, die elkan der bij overlijden of andere verhindering opvolgen.

Ook kan menquot; een bewindvoerder aanstellen, onder verplichting dat deze zelf zijn opvolger zal aanwijzen. Wanneer de benoemde in gebreke blijft, kan de rechtbank zijn opvolger benoemen.

De bewindvoerder is ook verplicht om persoonlijke of zakelijke en door den rechter goedgekeurde zekerheid te stellen; maar er is geen bezwaar om hem bij de akte van benoeming van die verplichting vrij te stellen, wanneer de erflater daar reden voor meent te hebben.

De erflater is bevoegd om den bewindvoerder een loon toe te kennen; maar dan is dringend noodig om duidelijk uit te maken te wiens laste dit loon komt.

Het is ongetwijfeld billijk dat het gebracht wordt ten laste van den vruchtgebruiker, en daar de bewindvoerder, wanneer daaromtrent geen andere bepalingen gemaakt zijn, jaarlijks aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording moet doen en het slot van rekening uitkeeren, kan het toegelegde loon in die rekening worden gebracht

Verder moet, bij het geheel eindigen van het beheer, door den bewindvoerder ook aan de eigenaren van het goed rekening worden gedaan.

Deze eigenaren noemt men gewoonlijk bloote eigenaren, omdat zij den eigendom hebben zonder genot.

ocr page 149

145

Nog eenige rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en bloote eigenaren.

De vruchtgebruiker van een onroerend goed is alleen verplicht om de reparatiën tot gewoon onderhoud voor zijne rekening te nemen.

Grove reparatiën blijven voor rekening van den eigenaar, namelijk die van zware muren en gewelven, de herstelling van balken en geheele daken, benevens de geheele herstelling van dijken, winterkaden, gemetselde waterwerken, steun- ol scheidsmuren.

Dat die opgaaf door volledigheid of duidelijkheid uitmunt zal niemand beweren. Daarom is het zeer gewenscht om bepalingen daaromtrent te maken bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt ingesteld of gevestigd.

Wanneer iets door ouderdom instort of door toeval vernield wordt, is niemand tot wederopbouwing verplicht.

Grondrenten en belastingen, die van het erf geheven worden, komen voor rekening van den vruchtgebruiker, zooals grond- en polderlasten.

Tijd. van duur van het vruchtgebruik.

Men kan het levenslang of gedurende eenen bepaalden tijd toekennen.

Het kan zelfs voor een onbepaalden tijd geschieden, namelijk wanneer het eindigen van het vruchtgebruik van eene gebeurtenis afhangt.

Zoo komt het nog al eens voor, dat de man, aan zijne vrouw, vooral wanneer het huwelijk kinderloos is gebleven, het vruchtgebruik zijner nalatenschap geeft, totdat zij een nieuw huwelijk aangaat en anders levenslang. Dit laatste is eigenlijk overbodig, want het spreekt van zelf dat het vruchtgebruik levenslang duurt, wanneer de vrouw nooit tot een huwelijk komt.

Hierboven hebben wij reeds opgemerkt dat het vruchtgebruik niet altoos-durend kan worden gevestigd.

Men kan het ook geven aan een zoogenaamd zedelijk lichaam, b.v. eene vereeniging tot nut of vermaak, een stichting, een kerkgenootschap, maar dan voor niet langer dan dertig jaar. Zulk eene

IQ

ocr page 150

146

bepaling moest de wet wel opnemen, want het zedelijk lichaam kan altoos blijven voortbestaan en dan zou toch weer de eigendom van het goed altijd van het genot afgescheiden blijven.

Wanneer iemand het vruchtgenot heeft van eene rente of van eene rentegevende schuldvordering en de hoofdsom wordt afgelost, dan houdt het vruchtgenot niet op, maar de eigenaar moet het geld opnieuw ten voordeele van den vruchtgebruiker beleggen.

Wanneer het vruchtgebruik eindigt, gaan de huurcontracten van onroerende goederen, die er aan onderworpen zijn, niet te niet, wanneer zij op wettige wijze zijn aangegaan. Hierboven hebben wij reeds opgemerkt dat de vernietiging kan worden gevraagd, wanneer zij zijn aangegaan meer dan twee jaren voor het ingaan van de huur.

Over het recht van gebruik en bewoning.

Dit is een minder uitgestrekt recht, dat bij ons weinig voorkomt. Het bestaat vooral hierin, dat een persoon het recht verkrijgt om een erf of een woning zelf of met zijn gezin te gebruiken of te bewonen.

Indien iemand het recht van gebruik van een erf heeft, mag hij daarvan geene meerdere vruchten genieten dan hij voor zich en zijn gezin noodig heeft en hij mag zijn recht aan geen ander afstaan of verhuren.

Ook het recht van bewoning van een huis mag niet worden afgestaan of verhuurd. Die dit recht heeft mag het huis met zijn gezin bewonen, ook al is hij bij den aanvang van zijn genot niet getrouwd.

Gewoon onderhoud en belastingen komen voor zijne rekening.

Mocht iemand het gebruik hebben van bosschen of beplantingen, dan heeft hij alleen het recht om zich van het doode hout te bedienen en om van het hakhout te nemen wat voor hem en zijn gezin noodig is.

Mocht dit recht al een enkele maal in de praktijk voorkomen, dan worden de voorwaarden waaronder het verleend wordt natuurlijk in het contract of den titel meer in bijzonderheden geregeld.

ocr page 151

147

HET ERFRECHT.

Erfopvolging in het algemeen.

De goederen en rechten, die iemand op het oogenblik van zijn dood bezit, moeten natuurlijk eene bestemming hebben.

Was het recht van eigendom meer beperkt, dan zouden zij aan den Staat vervallen. Thans echter heeft de eigenaar in den regel de bevoegdheid om te bepalen wat er na zijn dood met zijne goederen gebeuren zal, of worden die goederen door de wet zelf toegekend aan de personen, die tot den erflater in meer of minder nauwe betrekking staan.

Soorten van erfopvolging.

Voor het geval iemand niet over zijn nalatenschap heeft beschikt of voor zoover hij daarover niet mag beschikken, bevat de wet een aantal regelen, waarbij bepaald wordt wie de nalatenschap verkrijgen en op hoedanige wijze.

Men noemt dit, de regelen voor de wettelijke erfopvolging, of erfopvolging bij versterf.

De andere erfopvolging, door den erflater zelf geregeld, geschiedt bij testament en noemt men daarom ook testamentaire erfopvolging.

Wettelijke erfopvolging.

Door de wet worden tot de erfenis geroepen;

l. De bloedverwanten, mits niets verder dan in den twaalfden graad. Dit laatste is natuurlijk een nimmer voorkomend geval.

2; Als er geen bloedverwanten zijn, in den graad waarin men erven mag, de langstlevende echtgenoot.

De echtgenoot erft dus nooit uit kracht van de wet.

Ten minste, het geval dat er geen bloedverwanten aanwezig zijn in den graad waarin men erven kan, is zoo weinig denkbaar, dat dit met een uitsluiting van den echtgenoot volkomen gelijk staat.

ocr page 152

148

Echtgenooten, die elkanders belangen willen behartigen, behooren er dus steeds op bedacht te zijn, om tijdig een testamentaire beschikking ten behoeve van elkander te maken. Zijn er kinderen, dan is dat belang natuurlijk niet zoo groot; maar anders zou men gevaar loopen, dat het belang van den langstlevende aan dat van verre bloedverwanten werd opgeofferd.

Wat er gebeurt bij gebreke van bloedverwanten en van eenen overgebleven echtgenoot.

Dan vervallen de goederen aan den Staat. Er is dan een zoogenaamde onbeheerde nalatenschap. Deze kan zich echter nog op andere wijzen voordoen. Vandaar dat wij er later op terugkomen.

Onwaardige erfgenamen.

Het geval dat er onwaardige erfgenamen zijn, die daarom van. de erfenis zijn uitgesloten, doet zich gelukkig zelden voor.

De wet noemt onwaardig:

hij die veroordeeld is omdat hij den overledene heeft omgebracht, of getracht dit te doen; of omdat hij tegen den erflater lasterlijk eene beschuldiging heeft ingebracht van een misdrijf, waarop een straf staat van ten hoogste vier jaar of meer. — Verder, die den overledene door geweld of feitelijkheden belet heeft zijn uitersten wil te maken of te herroepen, en eindelijk die het testament van den overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalscht.

Gesteld nu, dat A door B wordt omgebracht en de laatste het eenig kind van den overledene is. Nu kan B niet erven; maar wel zijn kinderen; echter onder bepaling dat B van de goederen die de kinderen erven, geen vruchtgenot zal hebben.

Wat plaatsvervulling is.

In vele gevallen worden personen, die door de wet tot iemands erfenis geroepen zijn, wanneer zij vóór den erflater sterven, door hunne kinderen of nakomelingen vertegenwoordigd.

Wanneer b.v. A stertt met achterlating van een eigen kind, benevens het kind van een reeds vroeger overleden kind, dan erven

ocr page 153

149

kind en kleinkind te zamen, ofschoon het kleinkind toch een graad verder is; maar de overledene wordt geacht de genegenheid, die hij het kind toedroeg, op het kleinkind te hebben overgedragen.

De afkomelingen van een overleden persoon komen dus voor diens rechten in de nalatenschap op.

Deze plaatsvervulling is altoos toegelaten wanneer eene erfenis door bloedverwanten in de nederdalende linie verkregen wordt. B.v.

A erflater.

B. zoon. C. dochter. D. overleden zoon.

E. zoon van D. F. overleden zoon van D.

G. zoon van F.

Nu krijgen B. en C. ieder een derde part; het derde part van D. zou voor E. en F. geweest zijn, maar F. wordt ook bij plaatsvervulling vertegenwoordigd, zoodat het kleinkind E. 1l6 en het achterkleinkind G. ook ii6 krijgt.

In de zijdlinie, dat wil dus zeggen wanneer broers of zusters, neven of nichten, ooms of tantes enz. erven, heeft er maar in twee gevallen vertegenwoordiging plaats

Vooreerst dan wanneer de overledene broers of zusters met afkomelingen van vroeger overledenen, of zulke alstammelingen alleen, nalaat Die afstammelingen komen dan in de plaats van de vroeger gestorvenen.

Duidelijk is het, hoe de nalatenschap in het volgende geval verdeeld wordt:

A. erflater.

B. broeder. C. zuster. D. broeder, overleden.

E. F. G.

zoon van D. zoon van D. overleden dochter van D.

H.

1

zonen van G.

ocr page 154

150

Nu krijgen 1!. en C. ''3. Het '/3 van D. wordt bij plaatsvervulling geërfd. Dus krijgen de neven ieder V3 van '/3 of Vgi terwijl het '/9 van G. geërfd wordt door H. en I., de achterneven, die elk '/is krijgen.

In andere gevallen van vererving in de zijdlinie wordt de plaatsvervulling alleen maar toegelaten, wanneer, behalve degene, die den erflater het naast bestaat, er nog kinderen of afkomelingen zijn van gestorven broeders of zusters van dezen laatste.

B.v.:

A erflater.

Hij laat na

B. oom. U en E, kinderen van C, overleden

tante.

Nu krijgt de oom niet de geheele nalatenschap, maar D en E vertegenwoordigen hun moeder en krijgen dus samen de helft of ieder ili, omdat zij kinderen zijn van een vroeger gestorven zuster van B, die den erflater het naast bestaat.

Doet zich dit laatste geval niet voor, dan krijgt hij, die den erflater het naast bestaat, wel degelijk de geheele erfenis.

B.v.:

A erflater.

Laat na

B die eene dochter is van wijlen zijne tante C, en

D die een kleinzoon is van wijlen zijn oom E.

De nicht B is de naaste, en de achterneef D is geen afstammeling van een vooroverleden broer of zuster van B.

D is dus uitgesloten en B krijgt de geheele erfenis.

Verdeeling bij staken en by hoofden.

De verdeeling bij staken is die, waarin geheel of gedeeltelijk bij plaatsvervulling geërfd wordt.

B.v. A sterft met achterlating van B zoon, C zoon en D, E en F kinderen van wijlen zijn zoon G.

Nu zijn er in dezen boedel drie staken, die van B, C en G. De staak van G zou zich, wanneer zijne afstammelingen ook

ocr page 155

ISI

gestorven waren en nakomelingen nalieten, zooals men het noemt in takken hebben gesplitst.

De personen die tot denzelfden tak behooren, erven bij hoofden; dat wil zeggen, zij verdeelen wat hun te zamen toekomt, ieder voor een gelijk deel.

De erfenis van een vader, die aan zijn drie zoons koml, wordt dus ook tusschen hen hoofdelijk gedeeld.

Een levend persoon kan men niet in iemands nalatenschap vertegenwoordigen.

B.v. A en B zijn erfgenamen van C. A wil de erfenis niet hebben en verwerpt die; nu kunnen zijn kinderen hem niet vertegenwoordigen en de erfenis is voor B.

Een paar algemeene regels over de vererving in de opgaande linie en in de zijdlinie.

Erfenissen die door bloedverwanten in de opgaande en zijdlinie verkregen worden, gaan voor de eene helft aan de bloedverwanten van vaderskant, voor de wederhelft aan die van moederszijde.

B.v.:

A sterft en laat na:

van vaderszijde zijn grootouders B en C;

van moederszijde zijne oud-tante D.

Nu verkrijgen de genoemde grootouders samen de helft en de oud-tante de andere helft.

Wanneer nu echter in de eene linie geen bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie aanwezig waren, dan zouden de bloedverwanten in de andere linie de geheele erfenis verkrijgen.

Wanneer de erfenis op de boven omschreven wijze in tweeën is gekloofd, dan krijgen eenvoudig in iedere linie de naaste erfge namen de helft. De naaste erfgenamen of die hen vertegenwoordigen bij plaatsvervulling, voor het zeldzaam geval dat dit is toegelaten.

Uitzonderingen op den regel dat in de opgaande-en zijdlinie de erfenis in tweeën gekloofd wordt voor de twee liniën.

Op deze gevallen moeten wij later vanzelf de aandacht vestigen.

ocr page 156

152

Het zijn die waarin iemand sterft met achterlating van zijne ouders of een hunner, benevens broers en zusters; waarin hij alleen halve broers of zusters van een kant nalaat en waarin hij alleen nalaat een langstlevende vader of moeder.

Verdeeling van erfenissen, als er wettige afstammelingen zijn.

Deze erven, onverschillig of zij al of niet uit verschillende huwelijken zijn voortgesproten, bij hoofden of voor gelijke deelen, of wel bij staken als er plaatsvervulling is Andere bloedverwanten erven nu niet Dit geval behoeft geen opheldering meer.

Verdeeling als er geen afstammelingen en ook geen broers of zusters of hun afstammelingen zijn.

Dan wordt, zooals wij reeds gezien hebben, de nalatenschap in tweeën gedeeld tusschen de bloedverwanten in de vaderlijke en die, in de moederlijke linie, b.v. de grootouders aan den eenen kant en een oudoom aan den anderen kant.

Uitzondering op dien regel.

Als iemand een vader of een moeder nalaat, die de langstlevende echtgenoot is, dan krijgt deze de geheele nalatenschap

Verdeeling tusschen ouders, broers en zusters.

Dit moeten wij weder met voorbeelden ophelderen.

A sterft en laat na:

i. Zijn ouders B en C en één broer D (of zooals van zelf spreekt en wij nu niet meer behoeven te herhalen, de afstammelingen daarvan).

Nu krijgen B, C en D ieder Va-

2 Zijn ouders B en C en twee bioers D en E. Nu krijgt ieder 14.

3 Zijn ouders B en C en drie broers D, E en F.

Nu verandert het deel van de ouders niet meer. Zij behouden ieder 14 of samen de helft en de andere helft is voor de broers, onverschillig hoeveel er zijn.

ocr page 157

153

En nu wanneer een der ouders reeds overleden is

A laat na.

1. Zijn vader B en zijn broeder C. Nu krijgt ieder de helft.

2. Zijn vader B en zijn twee broers C en D Nu krijgt ieder Va-

3. Zijn vader B en zijn drie broeders C, D en E. Nu krijgt ieder '/-i-

4. Zijn vader B en zijn vier broeders C, D, E en F. Nu behoudt de vader zijn vierde part en de broers krijgen de overige drie vierden, hoeveel er ook zijn mogen.

Verdeeling tusschen broers en zusters.

Wanneer deze achtergebleven en de ouders overleden zijn, erven zij de geheele nalatenschap Grootouders of ooms b v kunnen niets bekomen.

Wat er gebeurt wanneer er heele en halve broeders of zusters zijn.

Van halve en heele broers of zusters bestaan de heele den overledene van weerskanten, de halve slechts van één kant. Vandaar dat, wanneer dit geval zich voordoet, de nalatenschap in twee deelen voor de vaderlijke en de moederlijke linien gesplitst wordt en de volle broers en zusters hun deel in beide liniën bekomen, terwijl de halve slechts meeërven in de linie tot welke zij behooren.

B.v.:

A is tweemaal getrouwd geweest, eerst met B en toen met C.

Uit het huwelijk van A en B zijn twee kinderen, D en E, en uit dat van A en C zijn ook twee kinderen, F en G.

Nu sterft ü, terwijl de ouders reeds overleden zijn.

Hij Iaat na zijn heele broer E en zijn halve broers F en G.

Nu behoort E tot de vaderlijke en de moederlijke linie.

F en G behooren siechts tot de vaderlijke linie alleen.

Een helft is daarom voor E alleen ; de andere helft deelen zij met hun drieën, dat maakt voor ieder 'fo. E krijgt dus de helft en '/c of 2 3 en F en G ieder '/b-

Ander voorbeeld.

A trouwt eerst met B en daarna met C. welke laatste ook al eens was getrouwd geweest met D.

ocr page 158

154

Uit het huwelijk van A en B zijn twee kinderen E en F.

Uit dat van A en C zijn ook twee kinderen. G en H.

En uit het huwelijk van C en D zijn drie kinderen, I, K en L.

Nu sterft G.

Hij laat na: zijn volle broer H en zijn halve broers van vaderskant E en F, benevens zijn halve broers van moederskant I, K en L.

Tot de vaderlijke linie behooren dus H, E en F.

Tot de moederlijke H, I. K en L.

In de eene helft krijgen dus H, E en F ieder '/3 of '/e gt; in de andere helft H, I, K en L ieder 1/4 of '/s-

Dus krijgt H, de heele broeder en dat is te zamen 7/54, de twee halve broers van vaderskant ieder '/b en de drie halve broers van moederskant ieder '/s-

Verdeeling als er geen broers en zusters en aan één kant geen bloedverwanten in de opgaande linie zijn.

Dit geval doet zich b.v. voor, wanneer iemand nalaat, aan vaderskant een overgrootvader en aan moeders kant twee oudooms Nu erft de overgrootvader de helft en de twee oudooms de andere helft.

Wanneer er geen andere bloedverwanten dan die twee oudooms waren, dan zouden zij de geheele erfenis bekomen, dan zou dus de erfenis van de eene linie in de andere overgaan.

Doch wanneer iemand overlijdt, geen afstammelingen nalatende en ook geen broers en zusters, maar wel zijn vader öf zijn moeder, dan erft die langstlevende vader of moeder de geheele nalatenschap, al waren er b.v. aan den anderen kant ook ooms of oudooms.

Hoe bloedverwanten in dezelfde zijdlinie erven, die van denzelfden graad zijn.

Wanneer A sterft en deze laat na van vaderszijde, drie zoons van wijlen zijn oom B., twee zoons van wijlen zijn oom C. en één zoon van wijlen zijn oom D., dan verkrijgen die zes neven ieder '/e-

Plaatsvervulling komt hier niet te pas, anders zouden de drie

ocr page 159

ISS

zoons van B. samen '/si de twee van C. ook 1'3 en de zoon van D. het laatste */3 gekregen hebben.

In welke gevallen bij vererving in de zijdlinie wèl plaatsvervulling is toegelaten, hebben wij vroeger reeds medegedeeld.

Hoe de erfenis verdeeld wordt als er onechte kinderen zijn.

Zooals wij reeds hebben gezegd, moeten deze kinderen, om erfrecht te hebben, erkend zijn, voor zoover dit met wettig gevolg geschieden kan.

Ook dan nog is hun erfrecht zeer beperkt.

Natuurlijk erven zij slechts van den vader of de moeder die ze erkend heeft, en. in het algemeen althans, niet van de bloedverwanten van deze; niet b.v. van de grootouders, ooms of tantes, die voor de wet niet bestaan.

Wanneer iemand (A.) overlijdt, met achterlating zoowel van wettige als van onechte kinderen, dan krijgen de laatsten een derde van het deel dat zij zouden gehad hebben, wanneer zij zelf ook wettig waren geweest.

B.v.

A. laat na 3 wettige kinderen en een onecht kind

Wanneer dat onecht kind wettig geweest was, zou het 1/4 gehad hebben. Nu krijgt het dus maar 'i3 van 1/4 of 112. Dus schieten er voor de drie wettige kinderen over.

Heeft A. geen wettige afstammelingen, maar wel bloedverwanten in de opgaande linie of broers en zusters nagelaten, dan krijgt het onwettig kind de helft der nalatenschap; de andere helft wordt dan volgens de gewone regelen tusschen de wettige bloedverwanten verdeeld.

Heeft A niets dan bloedverwanten in een verderen graad achtergelaten, dan krijgt het onecht kind 3/4, terwijl het overige 1/4 voor de wettige bloedverwanten is, b.v. een oom of tante.

Gesteld nu dat A., behalve het onechte kind, een grootvader van vaderszijde en een oudoom van moederskant nalaat. Krijgt het onechte kind nu de helft of drie vierde ?

ocr page 160

156

Het krijgt slechts de helft, omdat de naaste belanghebbende, dat is de grootvader, zijn deel bepaalt, en niet verdere bloedverwanten.

Onwettige kinderen kunnen de geheele nalatenschap bekomen en worden door hun wettige nakomelingen vertegenwoordigd.

Gesteld dat A. wel een echtgenoot nalaat, doch, behalve dan het onechte kind, volstrekt geen bloedverwanten, of althans geen bloedverwanten in den graad waarin men erven kan (den twaalfden), dan krijgt het kind de geheele nalatenschap en gaat dus altijd nog vóór den echtgenoot.

En wanneer het onwettig kind reeds overleden is en zelf wettige kinderen nalaat, dan komen die wettige kinderen in zijne plaats.

Wat er met de nalatenschap van een onecht kind gebeurt.

Wanneer zulk een kind zonder nakomelingen overlijdt en reeds eenige bezittingen had, dan worden die bezittingen geërfd door den vader of de moeder die het erkend heeft, of, zoo zij het beiden deden, door ieder voor de helft.

Ofschoon er tusschen het onechte kind en de bloedverwanten zijner ouders geen betrekking bestaat, vordert toch de billijkheid dat zij vóór den Staat opkomen. Daarom kent de wet aan hen de nalatenschap van het onechte kind toe, wanneer dit zonder afkomelingen, ouders, onechte broeders of zusters of echtgenoot sterft.

Ook het omgekeerde doet zich voor.

Het onecht kind is namelijk bevoegd om de erfenis te beuren van een overleden bloedverwant van de ouders die hem erkenden, wanneer die bloedverwant sterft zonder zelf bloedverwanten of echtgenoot na te laten.

ocr page 161

157

OVER TESTAMENTEN.

De behandeling van dit onderwerp neemt in het burgerlijk wetboek eene zeer groote plaats in:

In ons overzicht zal die behandeling niet zulk een ruime plaats innemen, daar het in de meeste gevallen niet mogelijk is, over zijne nalatenschap te beschikken, zonder de hulp van eenen notaris in te roepen.

Wij hebben vroeger reeds opgemerkt, dat de wet de bloedver; wanten en bij gebreke daarvan den langstlevenden echtgenoot tot de erfenis roept, wanneer daarover niet door den erflater op wettige wijze is beschikt.

Zulk een wettige beschikking noemen wij een testament of uiterste wil.

Vereischten om een testament te maken.

Een eerste vereischte om over zijne nalatenschap te beschikken, is het bezit zijner verstandelijke vermogens.

Het testament van een krankzinnige staat dus aan nietigheid bloot; het kan na zijn overlijden op dien grond worden aangevallen en altijd is een onderzoek naar de geestvermogens van den testateur toegelaten.

Twijfelachtig is het (zie pag. 93) of iemand die wegens zwakheid van vermogens op eigen verzoek onder curateele staat, een testament kan maken.

Verder wordt vereischt de leeftijd van achttien jaar.

Het huwelijk maakt meerderjarig en de vrouw, die vóór den achttienjarigen leeftijd huwt, is dus bevoegd om een testament te maken.

Deze bevoegdheid is echter beperkt. Ofschoon den ouderdom van 18 jaren bereikt hebbende, mag een minderjarige ten voordeele van zijn voogd geen beschikking maken; en, wanneer hij meerderjarig is geworden, dan mag hij dit toch niet doen dan na het

ocr page 162

158

afleggen en sluiten van de voogdijrekening, opdat hij tegenover den voogd volkomen vrij in zijne handelingen zij.

Op bloedverwanten in de opgaande linie, die voogden zijn, vader en grootvader b.v., is dit niet toepasselijk.

Andere beperkingen van dien aard zijn voor de praktijk van minder belang.

Vereisehten om uit kracht van een testament te kunnen genieten.

Om uit kracht van een testament te genieten, moet men reeds bestaan op het oogenblik van den dood des erflaters.

Wanneer b.v. een legaat is gemaakt aan de kinderen van A, en deze heeft op het oogenblik van het overlijden van den erflater twee kinderen, benevens één kind hetwelk nog niet geboren is, dan is dit kind, levend ter wereld komende, mede gerechtigd.

Sommige instellingen hebben, voor de aanvaarding van hetgeen aan dezelve bij testament mocht gemaakt zijn, machtiging van de hooge regeering noodig.

Als zoodanig noemt de wet: openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken en armen-in richtingen.

Onder openbare instellingen verstaat men hier b.v. de polders en waterschappen en de armen-instellingen die onder het burgerlijk gezag staan; godsdienstige gestichten zijn kerkelijke instellingen van weldadigheid als anderszins; onder de kerken verstaat men de kerkgenootschappen en hunne afzonderlijke gemeenten en parochieën; terwijl met de armen-inrichtingen die bedoeld worde^ welke door de kerk of door particulieren worden beheerd.

Wanneer (op dit geval hebben wij vroeger reeds gewezen) een man of eene vrouw, die voorkinderen heeft, een nieuw huwelijk aangaat, dan kan de nieuwe echtgenoot uit het testament van den hertrouwden echtgenoot geen meer voordeel genieten, dan het minste deel dat een der wettige kinderen geniet en in geen geval meer dan -/4 des boedels van den hertrouwden echtgenoot. (Zie meer hierover op pag 56).

ocr page 163

J 59

Geneeskundigen, apothekers en bedienaars van den godsdienst, kunnen geen voordeel genieten uit het testament van iemand, dien zij in de laatste ziekte, waaraan hij dus gestorven is, bijgestaan hebben, wanneer dat testament in den loop der ziekte gemaakt is.

Matige beschikkingen, bij wijze van legaat voor verleende diensten zijn echter toegelaten. Onder legaat verstaat men giften van bepaalde zaken of van zaken van een bepaalde soort, vooral ook geldsommen.

Ook geldt het hierbedoelde verbod niet voor den echtgenoot van den erflater, en, als deze geen erfgenamen in de rechte linie nalaat, ook niet voor bloedverwanten in de zijdlinie, die niet verder dan den vierden graad zijn.

Een onecht kind kan uit het testament van de ouders die het erkend hebben, niets genieten boven hetgeen de wet hem reeds toekent.

Niet erkende onechte kinderen zijn natuurlijk vreemden voor de wet. Men kan ze dus vrijelijk bij testament bevoordeelen, voor zoover men de beschikking over zijne nalatenschap heeft.

Verder kunnen er nog onwaardige personen zijn, want de wet zegt dat hij, die veroordeeld is omdat hij den erflater heeft omgebracht, die den uitersten wil van den erflater heeft verdonkerd, vernietigd of vervalscht en die den erflater door geweld of dadelijkheden heeft belet zijn uitersten wil te herroepen of te veranderen, uit het testament geen voordeel kan genieten, evenmin als zijn echtgenoot en zijne kinderen.

Hoever de bevoegdheid gaat om over zijne nalatenscliap te beschikken.

De kinderen erven, zooals wij gezien hebben, van hunne ouders en verdere bloedverwanten in de opgaande linie. Zij hebben daarop ten deele een recht, dat hun niet ontnomen kan worden. Zij kunnen niet worden onterfd en de ouders of grootouders kunnen dus slechts beschikken over een zeker deel hunner nalatenschap. Het deel dat den kindeten enz. niet kan worden ontnomen, noemen wij het wettelijk erfdeel of de legitieme portie.

ocr page 164

i6o

Omgekeerd hebben de bloedverwanten in de opgaande linie, de ouders of grootouders, ook recht op een zeker deel der nalatenschap hunner kinderen of kleinkinderen.

Hoe groot de legitieme portie is.

Als A., vader, één wettig kind heeft, is de helft der nalatenschap legitiem en kan hij dus over de helft beschikken. Wanneer er twee kinderen zijn is het wettelijk erfdeel voor ieder kind ''3, dus beschikbaar ' 3. Zijn er meer kinderen dan is ieders legitieme portie 3/4 van hetgeen zonder testament zou genoten zijn en het overige beschikbaar.

Stel eens dat A. acht kinderen heeft. Zonder testament zou ieder kind 18 krijgen. Nu is sj4 van '/8, 3/3,, samen genieten zij dus S4/3j of 3/4 en i/4 is beschikbaar.

Eenvoudig gezegd komt dit hierop neer. Naarmate er 1, 2 of meer kinderen zijn, is 1/2, Va of 1/4 beschikbaar en het overige is de legitieme portie van al de kinderen samen.

In de opgaande linie is altijd de helft legitiem van het aandeel bij versterf, dat wil zeggen het deel dat men zonder testament zou gekregen hebben.

Wanneer dus A. zijn ouders B. en C. nalaat, die alleen erven, dan heeft ieder volgens de wet de helft; maar van die helft is de helft legitiem en het overleden kind kon dus ieder een vierde ontnemen, om het bij testament aan een ander te geven.

Ook de legitieme portie van een natuurlijk kind bedraagt de helft van hetgeen hem de wet toekent. De andere helft kan hem weer ontnomen worden.

Zijn er geen wettige bloedverwanten in de opgaande of nederdalende linie en geen onechte, erkende kinderen, dan mag men over zijne geheele nalatenschap beschikken.

Nu is het natuurlijk toch wel mogelijk, dat iemand over meer beschikt dan hij mag. Gesteld dat A, vader van B, die zijn eenige zoon is, zijn geheele nalatenschap aan C geeft. Welk recht heeft B nu? Hij heeft recht om te eischen, dat de beschikking ten

ocr page 165

l6oa

behoeve van C, zal worden verminderd of ingekort, tot hij aan zijn legitieme portie is. Doet hij dit niet, dan is C onherroepelijk erfgenaam

B kan echter niet tot inkorting procedeeren vóór de nalatenschap openvalt, al mocht hij met het bestaan van het testament bekend zijn.

In het algemeen geldt de regel, dat een testament geacht wordt gemaakt te zijn op den dag van het overlijden, daar het tot zoolang steeds kan worden veranderd of vernietigd.

De rechtsvordering tot inkorting wegens benadeeling door een testament kan somtijds van zeer ingewikkelden aard zijn. Het is voor het doel van dit werk echter niet van belang, dit in bijzonderheden na te gaan, daar het geheel behoort tot den werkkring van een rechtsgeleerden raadsman.

Vormen der testamenten.

Veel van hetgeen op deze vormen betrekking heeft, is alleen voor den notaris van gewicht.

Wil men handelen zonder tusschenkomst van eenen notaris, dan is dit tot op zekere hoogte wel toegelaten. Men kan namelijk maken eene zoogenaamde

Onderhandsche beschikking.

Zulk eene beschikking schrijft men eenvoudig op een stuk papier, b v. een vel postpapier. Men moet het stuk bepaald zelf schrijven en vervolgens den datum er onder stellen en het onderteekenen.

Men kan het stuk daarna, al of niet verzegeld, in een bureau of op eene andere plaats bewaren. Het beste is natuurlijk eene plaats, waar het spoedig na het overlijden zal worden gevonden.

Wil men de beschikking herroepen, dan kan men het stuk eenvoudig vernietigen. Is dit niet mogelijk, b.v. omdat men zich bevindt op eene andere plaats dan waar het stuk ligt, dan kan men de herroeping doen, door op dezelfde wijze een nieuw stuk te maken, waarin men verklaart de vroeger gemaakte onderhandsche beschikking te herroepen,

ioa

ocr page 166

lóoi

Wat de onderhandsche beschikking kan bevatten.

Bij deze beschikkingen kan men alleen:

1. executeurs van zijn uitersten wil benoemen;

2. bepalingen maken omtrent zijne begrafenis;

3. legaten maken van kleederen en verder lijfstoebehooren, van bepaalde lijfssieraden en van bijzondere meubelen.

Geldelijke legaten mag men niet maken, hetgeen evenwel niet belet, dat men den executeur, in plaats van het hem bij de wet toegekende loon. eene bepaalde som als loon kan toeleggen.

Gevolgen bij overlijden.

Wanneer het stuk na het overlijden gevonden wordt, moet het aan den kantonrechter worden aangeboden Deze opent het stuk, als het gezegeld is en geeft het aan eenen notaris in bewaring.

Olographisehe testamenten.

Deze testamenten worden gebezigd, wanneer men wezenlijk over zijne nalatenpchap beschikken wil. dus in meer uitgebreiden vorm dan bij de onderhandsche beschikking is toegestaan, maar toch die beschikkingen aan niemand wil kenbaar maken.

Men kan bij zoodanig stuk volledig over het zijne beschikken, erfgenamen en executeurs benoemen, bijzondere legaten maken, enz. Men moet het eigenhandig schrijven en teekenen. Dag-teekening is geen vereischte. Men kan den uitersten wil vervolgens in een enveloppe sluiten en dit stuk verzegelen. Daarna moet het aan eenen notaris worden aangeboden, die het in bewaring neemt en daartoe de verdere formaliteiten verricht, of doet verrichten, die de wet voorschrijft.

Men kan het stuk ook open aan den notaris ter hand stellen; doch dit is in de praktijk niet gebruikelijk.

Geheime testamenten.

Uit het bovenvermelde volgt dat iemand, die de schrijfkunst niet verstaat, geen onderhandsche beschikking en geen olographisch testament kan maken.

ocr page 167

i6oc

Voor hem is dus de eenvoudigste weg het doen opmaken van een gewoon of openbaar testament, door eenen notaris.

Heeft hij daar bezwaar in, dan kan hij zijn testament door een vriend of bloedverwant laten schrijven. Hij moet dan echter zelf onderteekenen en vervolgens moet het stuk aan eenen notaris worden ter hand gesteld Het moet gesloten en verzegeld worden of anders moet die formaliteit in tegenwoordigheid van den notaris geschieden, die voor het verder noodige zorgt.

Openbare testamenten.

Hieronder verstaan wij de testamenten, zooals die in den regel gemaakt worden, dat wil zeggen waarbij de verklaring van den testamentmaker door eenen notaris in geschrift wordt gebracht. Behalve zijn wil opgeven, doet de testateur niets dan de akte teekenen, nadat die aan hem in tegenwoordigheid van getuigen is voorgelezen en hem is afgevraagd of het voorgelezene zijnen uitersten wil bevat.

Testamenten in den vreemde gemaakt.

Iemand kan in den vreemde zijn testament verlangen te maken. Om hier geldig te wezen moet dat testament bepaald bij een daartoe bevoegd openbaar ambtenaar en in de daar gebruikelijke wettelijke vormen worden gemaakt.

Erfstellingen over de hand.

Een regel van ons recht is, dat men over zijne nalatenschap slechts éénmaal beschikken mag. Indien men kon bepalen, dat de erfgenaam de erfenis steeds moest bewaren en deze bij zijn dood aan een ander overging, dan zouden de goederen zooals men dat noemt in de doode hand komen; die erflater zou er voor altijd over beschikt hebben en daarom wordt dit door de wet verboden. Die verboden erfstellingen noemen wij erfstellingen over de hand.

Er zijn echter toegelaten beschikkingen, die eenigszins hierop gelijken en daarom geoorloofde erfstellingen over de hand heeten.

Geoorloofd is b.v. de beschikking, waarbij iemand het beschikbare deel zijner nalatenschap (in het overige is hij niet vrij) geeft

ocr page 168

lóod

aan zijne kinderen, onder den last om de daartoe beboerende goederen te bewaren en uit te keeren aan hunne kinderen, reeds geboren of later geboren wordende.

Den erfgenaam noemt men dan bezwaarde erfgenaam. Hij is slechts vruchtgebruiker van de goederen en deze worden bij zijn dood aan zijne kinderen, de zoogenaamde verwachters, uitgekeerd.

Dergelijke beschikkingen kunnen ook worden gemaakt ten voor-deele van kleinkinderen, als de kinderen reeds overleden zijn, of van broeders of zusters of hunne afstammelingen.

Geoorloofde beschikkingen, die geene erfstellingen over de hand zijn.

Men kan iemand tot erfgenaam benoemen, of hem een legaat maken, op zoodanige wijze, dat hij daarmede naar welgevallen mag handelen, maar onder bepaling, dat, hetgeen bij zijn dood nog van het gemaakte over is, zal komen aan een bepaald aangeduid persoon, en, is deze reeds gestorven, aan zijne kinderen, reeds geboren of die later geboren worden.

Verder is het ook geoorloofd om A tot erfgenaam of legataris te benoemen, onder bepaling dat wanneer deze onbekwaam is of het gemaakte verwerpt, de erfenis of het legaat aan B zal komen.

Ook kan men van eene erfenis of legaat aan den eenen persoon den eigendom en aan een ander persoon het vruchtgebruik maken. Dat vruchtgebruik kan men geven levenslang, of voor een bepaalden tijd of tot aan het plaats hebben van een zekere gebeurtenis, b v. aan eene weduwe tot op haar hertrouwen.

Degene, die alleen eigendom heeft, noemt men bloote eigenaar. Houdt het vruchtgebruik op, dan komt hij tot het volle genot, of, met andere woorden, het vruchtgebruik wordt weder met den blooten eigendom vereenigd.

Beschikkingen die eerst na den dood werken, maar toch niet in den vorm van een testament behoeven te worden gemaakt.

Men herinnere zich dat de vader aan de langstlevende moeder een raadsman kan toevoegen en dat de langstlevende der echtge-nooten een voogd over zijne minderjarige kinderen kan benoemen.

ocr page 169

i6ce

Later zullen wij nog spreken over uitvoerders van uiterste willen en over bewindvoerders over een erfdeel.

Al deze beschikkingen werken eerst na den dood, maar men kan deze benoemingen doen bij eene gewone notariëele akte en de benoeming van een executeur zelfs bij een onderhandsch stuk. Men kan »e ook op dezelfde wijze ongedaan maken, namelijk door ze bij notariëele akte te herroepen of door het onderhandsche stuk te vernietigen.

Herroeping van testamenten.

Wezenlijke testamenten of verklaringen waarbij men over zijn nalatenschap beschikt, zijn ook herroepelijke handelingen.

Wij hebben hierboven reeds medegedeeld, dat de onderhandsche beschikkingen, waarbij men alleen legaten van meubelen of lijfgoed maakt, een executeur benoemt ot zijn begrafenis bestelt) kunnen worden herroepen door op dezelfde wijze eene nieuwe beschikking te maken of de oude te vernietigen.

In alle andere gevallen moet men de tusschenkomst van een notaris inroepen.

Heeft men b.v. een olographisch testament gemaakt, dan is het eenvoudigste, dat men zich bij den notaris, die het in bewaring heeft vervoegt, en het stuk terugvraagt Deze is tot de afgifte verplicht, doch de belanghebbende is verplicht bij akte te verklaren dat hij het stuk heeft terug ontvangen.

Intusschen is deze wijze van handelen geen vereischte. De her. roeping kan ook bij een nieuw testament geschieden, maar, zooals «ij reeds opmerkten, is de tusschenkomst van een notaris noodig en kunnen wij ons dus van verdere bijzonderheden onthouden.

Dit echter moeten wij nog uitdrukkelijk opmerken, dat de testamenten, voor eenen notaris verleden of bij hem in bewaring gesteld, nooit bij onderhandsche beschikking kunnen worden herroepen.

Aanwas.

Het gebeurt somtijds dat eene erfenis of legaat is gemaakt aan verscheidene personen gezamenlijk, b.v. aan de zes kinderen van A.

Wanneer nu een dezer kinderen de erfenis verwerpt, of om een

ocr page 170

i6of

andere reden niet geniet, dan komen de anderen voor zijn deel op. Dat noemt men aanwas.

Wanneer de erflater ieder afzonderlijk voor 'l6 tot erfgenaam had benoemd, dan zou geen aanwas plaats hebben, maar het vrijgevallen deel gekomen zijn aan de bloedverwanten, die volgens de wet geroepen worden.

Aanwas kan ook plaats hebben ingeval de erfenis niet krachtens testament maar krachtens de wet overgaat. B.v. A laat tot eenige wettelijke erfgenamen achter B, C en D. Wanneer B nu zijn deel in de nalatenschap verwerpt, dan erven C en D ieder de helft.

OVER EXECUTERS-TESTAMENTAIR.

Vooral wanneer er vele erfgenamen zijn en er bijzondere beschikkingen zijn gemaakt, waarvan de uitvoering het best kan worden toevertrouwd aan een of meer bepaalde personen, die bij het overlijden dadelijk bij de hand zijn en de zorg voor den boedel op zich kunnen nemen, is het wenschelijk gebruik te maken van de bevoegdheid, die de wet geeft, om uitvoerders van zijn uitersten wil ot executeurs te benoemen.

Wie men tot executeur benoemen kan en hoe.

Tot executeur van zijn testament kan men benoemen alle meerderjarige mannelijke personen.

Zij die onder curateele zijn gesteld worden uitdrukkelijk uitgesloten.

Gehuwde vrouwen mogen geen executrice zijn, maar weduwen wel en daarom is er ook geen bezwaar dat de man zijn vrouw tot uitvoerster van zijnen uitersten wil benoemt

Men behoeft niet één persoon te benoemen; men kan b.v. ook benoemen A en B.

In dat geval treden A en B gelijktijdig op en heeft men het recht te bepalen wat tot ieders werkkring zal behooren.

Men kan echter ook verschillende personen benoemen ten einde elkander bij ontstentenis (dat wil zeggen wanneer een benoemde

ocr page 171

i6og

niet kan of niet wil optreden) op te volgen B.v. men benoemt A, en bij ontstentenis van dezen B; enz.

Dat de benoeming bij onderhandsche beschikking kan geschieden hebben wij reeds gezegd. De regel is echter, bij het testament waarbij men over zijne nalatenschap beschikt, of anders bij eene bijzondere akte voor eenen notaris verleden.

Recht van bezit.

Aan de executeurs kan door den erflater bij de benoeming het recht worden gegeven om de nalatenschap in bezit te nemen. De executeurs houden dan de goederen, tot den boedel beboerende, tot betere afwikkeling der zaken tijdelijk onder zich.

Het bezitrecht kan voor een bepaalden tijd gegeven worden; anders duurt het een jaar.

In elk geval evenwel kunnen de erfgenamen, mits in deze eenstemmig zijnde, het bezit doen ophouden, wanneer zij maarzorgen dat de uitvoerder zijn taak behoorlijk kan vervullen en hem in staat stellen om de legaten te voldoen die voor dadelijke voldoening in aanmerking komen of anders aantoonen dat die legaten reeds door hen zijn uitgekeerd.

In ieder geval is het uitgemaakt dat het bezit niet kan ophouden dan nadat eerst de boedel is ontzegeld en geïnventariseerd, terwijl de executeur ook executeur blijft en deze betrekking eerst eindigt op de wijze als de wet dit bepaalt.

Plichten en rechten van den executeur.

Verzegeling.

Wanneer er minderjarige of onder curateele gestelde erfgenamen zijn, die niet van voogden of curators mochten voorzien zijn, of wanneer er erfgenamen zijn, die niet in persoon tegenwoordig zijn en ook geen gemachtigde hebben aangesteld, zijn de executeurs verplicht de nalatenschap te doen verzegelen.

In elk geval is de executeur bevoegd om verzegeling te vragen, met het oog op zijne verantwoordelijkheid.

Deze formaliteit kan nooit te spoedig geschieden en het is ieder die een executeur benoemt, aan te raden, dezen daarvan in kennis

ocr page 172

i6o/i

te stellen. De benoemde executeur zal wel handelen, wanneer hij zorgt bij het overlijden onverwijld tegenwoordig te kunnen zijn.

Boedelbeschrijving, enz.

In den regel is het verstandig zich tot eenen notaris te wenden, opdat deze desnoods voor de verzegeling door den kantonrechter en voor de latere ontzegeling kunne zorg dragen, en omdat er bij de ontzegeling een inventaris moet worden opgemaakt. De executeur is overigens wel bevoegd een onderhandschen inventaris op te maken.

De notariëele tusschenkomst is des te meer gewenscht, wijl eene aangifte voor het recht van successie moet worden gedaan, waartoe de executeur bevoegd is, en feitelijk is deze de eenige, die in staat is den vereischten eed af te leggen van alles nauwkeurig te hebben aangegeven. Het opmaken eener zoogenaamde memorie voor het recht van successie, is dikwijls een moeilijk werk.

Afgifte van legaten, verkoop en boedelscheiding.

Het afgeven van legaten, het innen der vorderingen, waartoe de executeur ook in rechten kan optreden, het betalen van successierechten en schulden, hierin bestaat de voornaamste taak van den uitvoerder.

Is er geen geld genoeg aanwezig, om de geldlegaten te betalen, dan kan de executeur daartoe roerende goederen verkoopen en desnoods ook wel een of meer vaste goederen, maar de laatste niet anders dan met toestemming der erfgenamen of anders met rechterlijk verlof.

De gewoonte is dat de executeur den geheelen boedel tot effenheid en dus in staat van scheiding en verdeeling brengt en dan tot die scheiding medewerkt, daarbij rekening en verantwoording doet en door de erfgenamen ontheven of gedechargeerd wordt.

Het is de plicht van den uitvoerder om bij het opmaken der scheiding de behulpzame hand te bieden, maar wanneer de erfgenamen, als zijn werk afgeloopen is, liever zijne verantwoording ontvangen om dan later zelf tot de scheiding over te gaan, dan staat het hun vrij.

Iioon van den executeur.

Niemand is verplicht, de betrekking van executeur aan te nemen;

ocr page 173

i6oi

maar die eenmaal aangenomen hebbende, is men verplicht de taak geheel te voleindigen.

Trouwens, de betrekking van executeur is een bezoldigde. Hij kan bij het doen zijner rekening voor zich als loon uittrekken, twee en een half percent van de ontvangsten en een en een half percent van de uitgaven.

Dit is hetzelfde loon, dat door de wet wordt toegekend nan bewindvoerders over de goederen van afwezigen.

Maar de erflater kan, in plaats van het wettelijk loon, aan den executeur eene bepaalde som als loon toeleggen.

BEWINDVOERDERS OVER EEN ERFDEEL.

Op verschillende plaatsen van het wetboek wordt van bewindvoerders gesproken, zooals wij reeds hebben opgemerkt.

Zoo kan men aan minderjarigen of onder curateele gestelden goederen vermaken onder bepaling dat die goederen onder het beheer van een bepaald persoon zullen komen, niet b.v. van den vader, den voogd of den curator.

Zoo kent men b.v. bewindvoerders over goederen, die behooren tot eene erfstelling over de hand of een vruchtgebruik.

In het algemeen mag iemand, die over zijne nalatenschap beschikt, bij zijn testament of bij eene andere notariëele akte, een of meer bewindvoerders benoemen, om tijdelijk of levenslang, hetgeen erfgenamen of legatarissen uit zijn boedel verkrijgen, te be-heeren.

Natuurlijk geldt dit alleen voor zoover de erflater over zijne nalatenschap de vrije beschikking heeft, zoodat personen, aan wie een legitieme portie is toegekend, met dat bewind geen genoegen behoeven te nemen.

Mocht het voorkomen dat de bewindvoerder sterft of buiten staat geraakt tot het waarnemen zijner betrekking en er geen opvolger is aangewezen, dan kan de aanwijzing van zoodanigen opvolger aan de rechtbank gevraagd worden.

Men neemt algemeen aan, maar het wordt door de wet niet

ocr page 174

i6o;

gezegd, dat de bewindvoerder het loon mag rekenen, aan den executeur toegekend. Voor alle zekerheid is het verkieslijk het loon van den bewindvoerder bij de akte van aanstelling te bepalen.

OVER BENEFICE VAN INVENTARIS.

Wanneer aan iemand een erfdeel opkomt, dat wil zeggen een zeker evenredig deel eener nalatenschap, dan is hij niet alleen bevoegd om zijn deel in de baten te eischen, maar moet ook zijn deel in de schulden betalen.

Aanvaarding van den boedel stelt den erfgenaam voor zijn deel aansprakelijk en het is dus altijd voorzichtig om een onderzoek in te stellen, alvorens zich bepaaldelijk als erfgenaam te gedragen.

Hiertoe heeft de wet een middel aan de hand gedaan, hetwelk bestaat in gebruik van het zoogenaamde

Eeeht van beraad.

Die de gesteldheid van eene nalatenschap mocht willen onderzoeken om fe kunnen beoordeelen wat zijn belang vordert, heelt het recht om zich te beraden, en aangezien hiervan eene verklaring moet worden uitgebracht ter griffie van de rechtbank, behoort men zich tot eenen procureur te wenden.

Nadat die verklaring is uitgebracht heeft men vier maanden tijd om den boedel te doen inventariseeren en zich te beraden, welke termijn desnoods nog kan worden verlengd.

In den regel is die termijn lang genoeg om de gesteldheid van den boedel te onderzoeken en eerst na afloop van denzelven kunnen belanghebbenden, b.v. schuldeischers ol legatarissen, den erfgenaam noodzaken om een besluit te nemen

Wordt hij daartoe niet genoodzaakt, dan is hij altijd bevoegd, zoolang hij zich niet werkelijk als erfgenaam gedraagt.

Men gedraagt zich als erfgenaam, wanneer men in een geschrift den titel van erfgenaam aanneemt, en vooral wanneer men daden verricht, waartoe men slechts als erfgenaam bevoegd is, b.v. goederen verkoopen of weggeven.

ocr page 175

i6ofc

Benefice van Inventaris.

Wanneer het den erfgenaam blijkt, dat de gesteldheid van den boedel tamelijk onzeker is met betrekking tot voor- of nadeel, dan aanvaardt hij dien onder het voorrecht van boedelbeschrijving, of, zooals men gewoonlijk zegt, beneficiair.

Voor de beneficiaire aanvaarding moet ook een verklaring ter griffie van de rechtbank worden uitgebracht.

Waarom spreken wij van benefice of voorrecht ?

Die eene nalatenschap beneficiair aanvaard heeft, is niet verder voor de schulden aansprakelijk dan ten beloope van de baten. Zijn eigen vorderingen ten laste van den boedel kan hij ook laten gelden en hij is zelfs bevoegd om de tot de nalatenschap behoo-rende goederen aan de beschikking der schuldeischers en legatarissen over te laten. Hij wordt daardoor van alle verantwoordelijkheid ontslagen. In ieder geval kan hij niets verliezen en kunnen zijn eigene bezittingen voor de schulden niet worden aangesproken

Beneficiaire afdoening van een boedel.

Niet altijd wordt een boedel, die onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard is, ook zooals men het noemt beneficiair afgehandeld, dat wil zeggen te gelde gemaakt en voor zoover de opbrengst strekt verdeeld. Dit geschiedt alleen wanneer het werkelijk blijkt dat de schulden de baten overtreffen.

Voor die beneficiaire afwikkeling is de tusschenkomst van eenen notaris zeer gewenscht, indien deze nog niet in de zaak betrokken is.

De goederen worden door de beneficiaire erfgenamen ih het openbaar en volgens de plaatselijke gebruiken verkocht, of door makelaars, voor zoover koopmansgoederen betreft.

Er worden oproepingen van schuldeischers gedaan en hunne vorderingen worden in evenredigheid van het beloop van den boedel voldaan, nadat de hypotheken reeds betaald zijn uit de opbrengst van het daarvoor verbonden onroerend goed.

De mogelijkheid bestaat dat niet alle schuldeischers zich aanmelden. Komen zij later op, dan worden zij, is er nog een overschot, voldaan naarmate zij zich aanmelden. Legatarissen komen eerst voor voldoening of afgifte van het hun gemaakte in aan-

ocr page 176

lóol

merking, wanneer de opgekomen schuldeischers betaalJ zijn, en wanneer zich dus later nog meer schuldeischers opdoen, en er niets meer is om hen te betalen, dan hebben zij nog gedurende eenigen tijd hun verhaal tegen de legatarissen; want de schuldeischers gaan altijd voor. Men ziet hieruit dat zich in deze zaak ingewikkelde gevallen kunnfn voordoen, die het dringend noodig maken om nimmer zonder rechtskundigen bijstand te handelen.

OVEE HET AANVAARDEN EN VERWERPEN VAN ERFENISSEN.

Zuivere en beneficiaire aanvaarding.

Zooals wij reeds gezien hebben kan men een boedel beneficiair of onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden.

Is de gesteldheid van den boedel blijkbaar goed, dan is natuurlijk aan dit rechtsmiddel geen behoefte. Men aanvaardt dan den boedel zuiver Daarvoor is geen gerechtelijke handeling noodig; het zuiver aanvaarden blijkt op een der wijzen, die wij hierboven reeds hebben vermeld.

Men gedraagt zich echter niet als erfgenaam, wanneer men daden verricht of daaraan deelneemt, die geen uitstel dulden en alleen strekken tot behoud van den boedel en tot beheer van daartoe behoorende goederen.

Door b.v. deel te nemen aan de begrafenis, door vruchten in te zamelen, door eene aangifte te doen voor het recht van successie, wordt men niet geacht stilzwijgend de erfenis aanvaard te hebben.

Verschil tussohen de erfgenamen.

Somtijds komt het voor, dat de eene erfgenaam zuiver, de ander beneficiair aanvaarden wil. Gemakshalve neemt 'de wet nu aan,

ocr page 177

i6om

dat de verklaring van beneficiaire aanvaarding, door een of meer der erfgenamen ter griffie van de rechtbank afgelegd, voor allen geldt. Niemand is dus een zuiver erfgenaam en desnoods kunnen allen van het voorrecht gebruik maken.

Is eenmaal de boedel zuiver aanvaard, dan kan men daarop niet weer terugkomen, of het moest bewezen kunnen worden, dat er dwang of bedrog had plaats gehad.

Na verloop van dertig jaren na het overlijden van den erflater is men niet meer tot aanvaarding eener erfenis bevoegd, tenminste niet wanneer die aanvaarding intusschen door een der mede-erige namen is geschied; anders blijft men altijd gerechtigd.

Zelfs hij die een erfenis verworpen heeft kan later nog weer aanvaarden, zoolang zij nog niet aanvaard is door anderen, die tengevolge van zijn verwerping zijn gerechtigd geworden, of zoolang de Staat zich nog niet in het bezit heeft doen stellen.

Verwerping.

Het verwerpen van eene erfenis, waartoe men altijd gerechtigd blijft, is eene gerechtelijke handeling en geschiedt mede door eene verklaring, die uitgebracht wordt ter griffie van de rechtbank.

Verwerping eener nalatenschap komt natuurlijk dan te pas, wanneer men, of terstond, of na gebruik te hebben gemaakt van het recht van beraad, tot de overtuiging komt dat de gesteldheid der nalatenschap het niet wenschelijk maakt dezelve te aanvaarden, daar de schulden kennelijk de baten overtreffen.

Wat nu betreft een legaat, indien men dit niet verlangt aan te nemen, kan men er eenvoudig voor bedanken en behoeft geen verklaring ter griffie uit te brengen. Een bewijs is niet noodig omdat een legataris toch niet voor de schulden van den boedel aansprakelijk is

Zooals wij opmerkten kan de verwerping altijd geschieden. Het recht daartoe vergaat niet. Natuurlijk komt die verwerping niet meer te pas, wanneer men eenmaal aanvaard heeft, hetzij dan beneficiair, hetzij zuiver, uitdrukkelijk of stilzwijgend, dan alleen voor het geval de zuivere aanvaarding een gevolg is van dwaling of bedrog, zoodat men er op kan terugkomen.

ocr page 178

16cm

OVER BOEDELSCHEIDING.

In den regel vallen erfenissen niet aan één enkel persoon, maar aan onderscheidene erfgenamen te beurt. Deze worden daardoor gezamenlijk gerechtigden, ieder voor een onverdeeld gedeelte, van den boedel van den overledene.

Die boedel bestaat echter meestal uit verschillende zaken, zoodat moet worden uitgemaakt, welke bepaalde zaken in ieders deel zullen vallen. Dit geschiedt door eene overeenkomst, die men boedelscheiding noemt.

Ook nog in andere gevallen kan boedelscheiding te pas komen.

Gesteld b.v. dat A en B op eene publieke veiling te zamen een huis koopen. Nu bezitten zij ieder een onverdeelde helft daarin Men kan niet zeggen welke helft A en welke helft B heeft, en wanneer A of B, of beiden, niet langer gemeenschappelijk eigenaar willen blijven, dan moet er een scheiding gemaakt worden, die aan den onverdeelden toestand een einde maakt.

Gesteld dat man en vrouw in gemeenschap van goederen gehuwd zijn en de gemeenschap b v. door echtscheiding ontbonden wordt. Nu moet weder scheiding plaats hebben van de goederen tot de gemeenschap behoorende.

Over de actie tot boedelscheiding.

Zooals wel van zelf spreekt is niemand verplicht, in een onverdeelden boedel te blijven. De mogelijkheid bestaat dat een of meer mede erfgenamen niet tot scheiding willen medewerken. Nu hebben de anderen, of heeft ieder van hen het recht om die in rechten te vorderen of de zoogenaamde actie tot boedelscheiding in te stellen, waartoe hij zich bij eenen procureur behoort te vervoegen.

ocr page 179

i6i

Een erflater mag dan ook niet in zijn testament bepalen dat de boedel gedurende eenigen tijd onverdeeld moet blijven.

De erfgenamen zelf hebben evenwel het recht om overeen te komen, dat de scheiding gedurende eenigen tijd zal worden opgeschort of uitgesteld. Maar dit kan voor niet langer dan vijfjaar worden overeengekomen, ofschoon deze termijn dan weer op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Voogden en curators hebben daarvoor geen toestemming van den rechter noodig

Men heeft geen actie tot verkoop.

Men kan zijn mede eigenaar of mede-erfgenaam niet dwingen tot verkoop van het gemeenschappelijk goed. In het algemeen kan zoodanige verkoop dus niet plaats hebben tegen den wil van een of meer deelgenooten.

Verkoop op bevel van de rechtbank.

Het is evenwel geene zeldzaamheid dat, tegen den wil van een of meer der deelgerechtigden, wordt overgegaan tol verkoop van de gemeenschappelijke zaken of van een deel daarvan.

Dit betreft echter alleen onroerende zaken.

Wanneer er minderjarige of onder curateele gestelde erfgenamen zijn, of zulke erfgenamen die onwillig zijn om tot de scheiding mede te werken, en wanneer een of meer erfgenamen van oordeel zijn, dat de onroerende goederen of sommige daarvan, tot betaling van schulden of om tot eene goede verdeeling te geraken, moeten worden te gelde gemaakt, kan de rechtbank dien verkoop bevelen.

De verkoop geschiedt in het openbaar, ten overstaan van eenen notaris en volgens de plaatselijke gebruiken. De tegenwoordigheid, althans de oproeping, van toeziende voogden en toeziende curators is een vereischte.

Indien evenwel geen der belanghebbenden den openbaren verkoop verlangt, dan kan de rechtbank ook een onderhandschen verkoop toestaan, en moet er vooraf een taxatie door drie deskun-

ocr page 180

102

digen plaats hebben. De verkoop mag voor geen lageren prijs geschieden, dan waarop het goed geschat is.

Loop van de procedure tot boedelscheiding.

Wanneer de eene partij de andere tot boedelscheiding gedagvaard heeft en de rechtbank oordeelt dat de vordering gegrond is, dan wordt de scheiding bevolen.

Wanneer partijen het daaromtrent niet eens zijn, wordt er ook een notaris aangewezen om de boedelscheiding tot stand te brengen, in den regel onder bepaling van een dag waarop partijen ten kantore van dien notaris zullen verschijnen om de scheiding te doen opmaken.

Nu kunnen er zich twee gevallen voordoen. De gedagvaarde partij kan verder vrijwillig medewerken, of wel weigeren of nalatig zijn om mede te werken.

Voor dit laatste geval benoemt de rechtbank een onzijdig persoon om den nalatige te vertegenwoordigen en zijn deel te be-heeren. tot hij het in ontvang neemt.

Vorm van de boedelscheiding.

Wanneer alle belanghebbenden tot de boedelscheiding medewerken en zich onder hen geene minderjarige of onder curateele gestelde personen bevinden, dan hebben zij het in hunne macht om den boedel op te maken en die te verdeelen zooals zij verkiezen. Zij kunnen desnoods zelf de goederen schatten.

Natuurlijk zullen zij altijd verstandig handelen, om een bewijs op te maken en te teekenen, dat zij met elkander hebben afgerekend.

Hieruit volgt dat een schriftelijk bewijs eigenlijk niet noodig is; wel is zulk eene akte noodig, wanneer er onroerende goederen in den boedel zijn. Deze behooren dan nauwkeurig te worden vermeld, met aanduiding der kadastrale kenmerken, en dan moet de akte, na geregistreerd te zijn, aan het hypotheekkantoor worden overgeschreven, opdat de bedoelde goederen behoorlijk kunnen worden overgebracht ten name van de nieuwe verkrijgers.

Er zijn nog meer gevallen, waarin de wenschelijkheid of nood-

ocr page 181

163

zakelijkheid bestaat om eene akte op te maken, b.v. wanneer bij de scheiding op naam staande aandeden in naamlooze vennootschappen, inschrijvingen op het grootboek of schepen en vaartuigen grooter dan tien last worden toebedeeld.

Meer of minder gewenscht is de notariëele tusschenkomst bij de afwikkeling van een boedel altijd, maar in ieder geval wordt deze stellig vereischt. wanneer er minderjarige of onder curateele gestelde personen zijn.

De akte moet dan worden verleden in tegenwoordigheid van toeziende voogden of toeziende curators en ten overstaan van den kantonrechter.

Kunnen partijen het over de keuze van den notaris niet eens worden, dan wordt deze door de rechtbank aangewezen.

In de meeste gevallen echter is er reeds een inventaris gemaakt en bestaat dus omtrent de keuze van een notaris geen verschil; anders kan die inventaris alsnog vooraf of gelijktijdig met de scheiding worden opgemaakt, wat echter in de praktijk niet gebruikelijk is.

Taxatie van goederen.

De meeste baten die men verdeelen wil, moeten in de scheiding worden gebracht tegen de daaraan door deskundigen toegekende waarde.

Men kan de goederen bij den inventaris doen schatten, hetgeen ten aanzien der roerende lichamelijke zaken steeds geschiedt.

De onroerende goederen worden ot bij den inventaris öfbij een afzonderlijke akte van taxatie gewaardeerd.

Voor roerende goederen is ée'n, voor onroerende zaken zijn drie deskundigen noodig.

De schatters worden door belanghebbenden benoemd en door den kantonrechter beëedigd.

Bij verschil tusschen partijen geschiedt de aanwijzing van schatters door den kantonrechter.

Tegen welke waarde de goederen in de scheiding worden gebracht.

Hoe de lichamelijke roerende goederen, zooals: meubelen, huisraad, linnengoed, kleederen, gewerkt goud en zilver, enz., benevens

ocr page 182

164

de onroerende goederen in de scheiding worden gebracht, hebben wij boven reeds gezien, namelijk voor de geschatte waarde.

Effecten, voorzoover die op de officiëele prijscourant zijn vermeld, die elke week in de Staatscourant voorkomt, worden berekend volgens den koers, op die prijscourant vermeld.

Daarbij komt dan de rente sedert den laatsten vervaldag tot den dag van de scheiding of een anderen dag, zoo kort mogelijk aan de scheiding voorafgaande.

Effecten, die niet op de prijscourant voorkomen, kunnen worden gewaardeerd door deskundigen, b. v. makelaars, bij den inventaris of later bij afzonderlijke verklaring.

Verkoop van roerende goederen om tot scheiding te geraken.

Wanneer de gezamenlijke erfgenamen van oordeel zijn, dat de verkoop der roerende goederen of een deel daarvan wenschelijk of noodig is, dan geschiedt die verkoop in het openbaar ten overstaan van een bevoegden ambtenaar. Bevoegde ambtenaren zijn in dit geval notarissen, griffiers en deurwaarders.

Met toestemming van den kantonrechter kunnen echter, wanneer alle erfgenamen het daarover eens zijn, de goederen ook uit de hand, doch niet beneden de geschatte waarde worden verkocht.

Ook effecten kunnen, wanneer er noodzakelijkheid is om geld te maken voor betaling van schulden of successierechten als anderszins, met toelating van den kantonrechter worden verkocht, natuurlijk ter beurse volgens de koers van den dag.

De toelating door den kantonrechter blijkt feitelijk uit zijn goedkeuring van de ontworpen boedelscheiding, waarin de opbrengst van het verkochte wordt verantwoord.

Op welke wijze feitelijk gescheiden wordt.

In de boedelscheiding worden de te verdeelen zaken nauwkeurig omschreven en de daaraan toegekende waarde uitgetrokken.

Daarbij wordt gevoegd wat aan contanten in den boedel aanwezig was en later is ontvangen, wegens verkoop van roerende goederen of effecten.

ocr page 183

165

Van het totaal wordt afgetrokken wat aan schulden, kosten en rechten is betaald, en vervolgens aangewezen wat aan ieder in het zuiver saldo komt en wat hem in voldoening daarvan wordt toebedeeld.

Is er een executeur, dan doet deze meestal zijne rekening en verantwoording bij de scheiding en het door hem afgedragen saldo wordt onder de contante gelden gebracht.

Aan het einde der verdeeling verklaren de deelgenooten, dat zij het hun toebedeelde of de titels daarvan tot zich hebben genomen, dat zij elkander kwijting verkenen en, zoo dit voorkomt, den executeur dechargeeren van zijn beheer.

Zijn er onroerende goederen verdeeld, dan geven de deelgenooten voor zooveel noodig toestemming in de overschrijving der akte van boedelscheiding (of van een uittreksel daarvan voor zooveel die onroerende goederen betreft) in de openbare registers ten hypotheek-kantore, waardoor die goederen ten name van de nieuwe verkrijgers worden overgebracht.

Wordt de scheiding notarieel verleden, dan worden van zelf alle formaliteiten door den notaris vervuld.

Bestaat er bepaalde aanleiding voor de erfgenamen, die allen zelfstandig zijn, om de scheiding zelf op te maken, dan zijn zij, zooals wij boven opmerkten, aan geen vormen gebonden, maar kunnen zij in hun belang toch van de bovenstaande aanwijzingen gebruik maken.

INBRENG.

Dikwijls komt het voor, dat ouders aan sommige hunner kinderen reeds bij hun leven eenig goed of eene som gelds schenken, b. v. bij het aangaan van een huwelijk of ter aanvaarding van een ge-vestigden stand in de maatschappij.

Hieruit volgt volstrekt niet, dat de ouders het eene kind boven het andere willen bevoordeelen, waartoe zij, zooals wij vroeger gezien hebben, bevoegd zijn, wanneer zij geen inbreuk maken op de vrije uitkeering der legitieme portie.

Wanneer het eene geldsom betreft, dan is de eenvoudigste weg, die som tegen behoorlijk bewijs te leenen; het spreekt dan van

ocr page 184

66

zelf dat later bij de scheiding der ouderlijke nalatenschap verrekening moet plaats hebben.

Echter worden somtijds ook onroerende of roerende goederen afgestaan, zoodat het dan moeilijk wordt, om aan de zaak den vorm eener leening te geven. Bovendien is schenking, vooral ter zake des huwelijks, eigenaardiger en meer in gebruik.

Gesteld nu dat ouders aan hun dochter bij gelegenheid van haar huwelijk eene som geld geven, tegen behoorlijk ontvangbewijs, maar zonder voorwaarden of bepalingen. Dan wordt deze gift eenvoudig geacht een voorschot op de erfenis te zijn. Dit voorschot moet dan bij de latere boedelscheiding weer worden ingebracht of met het erfdeel verrekend.

Door welke personen inbreng geschieden moet.

Vooreerst zijn hiertoe verplicht alle erfgenamen in de nederdalende linie; kinderen en kleinkinderen, die van ouders of grootouders eene gift ontvangen.

Willen de ouders door de gift het kind, dat dezelve ontving, bevoordeelen boven andere, dan moeten zij, hetzij bij het huwelijkscontract of bij het stuk waaruit van de gift blijkt, of bij testament verklaren dat de gilt met vrijatelling van inbreng is geschied

In de tweede plaats moeten alle andere erfgenamen dan die in de nederdalende linie inbrengen wat zij bij wijze van gift of schenking ontvangen hebben; maar alleen dan, wanneer die inbreng uitdrukkelijk door den schenker is bevolen of bedongen, of latei-bij testament bevolen wordt.

De mogelijkheid bestaat, dat het erfdeel, hetwelk iemand uit eene nalatenschap verkrijgt, minder bedraagt dan hetgeen hij reeds bij wijze van gift ontvangen heeft. In dat geval behoeft het meerdere niet te worden teruggegeven en heeft er dus geene gelijke verdeeling van erfenis plaats. Alleen dan, wanneer hierdoor de andere erfgenamen minder krijgen dan hun wettelijk erfdeel bedraagt, hebben zij de vordering tot vermindering van het geschonkene.

ocr page 185

67

Bijzondere regelen voor den inbreng.

Als zoodanig noemt de wet de volgende:

1. Inbreng heeft alleen plaats in de nalatenschap van den schenker zelf.

Het zou b. v. mogelijk wezen, dat een der grootouders aan hun kleinkind een gift deed uit zijn eigen vermogen. Wanneer de andere dezer grootouders het eerst sterft, en het kleinkind erfgenaam is, behoeft het in deze nalatenschap niets in te brengen.

2. Alleen erfgenamen behoeven in te brengen.

Wanneer b. v. eene bruid ter zake des huwelijks van hare aanstaande schoonouders eene gift ontvangt, dan behoeft bij overlijden van die schoonouders geen inbreng te geschieden.

Mocht de schenking aan beide aanstaande echtgenooten gedaan zijn, dan is zij, daar slechts een der echtgenooten later erft, ook slechts voor de helft aan inbreng onderworpen.

Manier waarop men inbrengt.

De regel is dat men het ontvangene verrekent, door minder te ontvangen dan zijne mede-erfgenamen.

Met betrekking tot andere schenkingen dan die van geldsommen is dat natuurlijk niet mogelijk. Stel b. v. dat een onroerend goed bij het leven geschonken is. Nu heeft de begiftigde erfgenaam de keus om de waarde in den boedel te brengen die het goed tijdens het doen der gift had, of wel het goed zelf weer af te staan in den staat waarin het zich bevindt, vrij van de hypotheken waarmede hij het mocht hebben bezwaard, en onder verplichting om te vergoeden de waardevermindering die het goed door zijn schuld ondergaan heeft.

Het is gemakkelijk te begrijpen dat inbreng van onroerend goed niet veel voorkomt, daar er den eigenaar alles aan gelegen is om het te behouden en hij bovendien als mede erfgenaam evenveel aanspraak als de anderen zou hebben, om het weer in zijn deel te krijgen.

ocr page 186

i68

Twijfelachtige gevallen.

Ter voorkoming van alle misverstand beslist de wet uitdrukkelijk, voor het geval niet bepaaldelijk in den vorm van een schenking mocht gegeven zijn, dat aan inbreng onderworpen is:

i al wat gegeven is om den erfgenaam een stand, beroep of bedrijf te bezorgen, b v. om een kind in een zaak te zetten, daar de ouders hiertoe niet verplicht zijn;

2. wat verstrekt is ter betaling van schulden;

3. wat ten huwelijk is gegeven.

Dit laatste behoeft nu juist niet bij den aanvang des huwelijks te zijn geschonken ; het kan b v. ook verstrekt zijn bij wijze van jaargeld. Maar wanneer het als onderhoud is gegeven, dan is het vrij van inbreng, zooals hierna blijkt.

Op dezelfde wijze en met hetzelfde doel maakt de wet uit wat niet als gift wordt beschouwd en dus niet behoeft te worden ingebracht.

Als zoodanig wordt het volgende vermeld:

1. kosten van onderhoud en opvoeding;

2. uitkeeringen tot noodzakelijk levensonderhoud ;

3. uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;

4. kosten van studie ;

5. bruiloftskosten, kleederen en kleinodiën, tot huwelijksuitzet gegeven.

OVER BETALING VAN SCHULDEN.

Bij het vereffenen van eenen boedel is het van groot belang, zooveel mogelijk vóór de scheiding alle schulden te voldoen of eene regeling omtrent de betaling daarvan te treffen.

Vóór de scheiding hebben de schuldeischers hun recht van verhaal tegen den geheelen boedel. Hun belang brengt dus mede dat zij vóór de verdeeling betaald worden en daarom hebben zij zelfs recht om zich tegen de boedelscheiding te verzetten.

ocr page 187

69

Nadat de boedel verdeeld is kan ieder ertgenaam slechts door de schuldeischers voor zijn deel worden aangesproken.

Zooals wij later zullen zien heeft dit geen betrekking op schulden waarvoor onroerende goederen bij wijze van hypotheek verbonden zijn. De schuldeischer spreekt desnoods het verbonden goed tot verhaal van de geheele schuld aan, in wiens handen dit goed zich ook bevinden moge en welke regeling daaromtrent onderling tusschen de ergenamen mocht zijn gemaakt.

Ook een legataris is in zooverre een schuldeischer van den boedel dat hij recht heelt op het hem gemaakte en, wanneer niet een bepaald persoon met de afgifte is belast, evenals een schuldeischer zijn recht van verhaal heeft op den onverdeelden boedel, en zich tegen de scheiding verzetten kan.

OVER EEN BIJZONDER SOORT VAN BOEDEL-VERDEELING.

Niet zelden komt het voor, dat reeds tijdens het leven van eenen erflater tusschen zijne erfgenamen over de latere verdeeling van zijnen boedel geschil bestaat.

Wanneer de erflater voorziet dat na zijn dood zich moeilijkheden tusschen hen over de verdeeling zullen voordoen, dan doet hij verstandig te bepalen, welke goederen, desnoods tegen eene bepaalde v/aarde, in ieders deel zullen vallen.

Dergelijke bepalingen zouden echter niet gelden, voorzoover zich onder de erfgenamen minderjarigen of onder curateele gestelde personen bevinden, ten aanzien waarvan de wettelijke vormen moeten worden in acht genomen.

Bloed vei wanten in de opgaande linie evenwel, ouders en grootouders, hebben bijna onvoorwaardelijk het recht om bij hun leven eene verdeeling en scheiding hunner toekomstige nalatenschap tusschen hunne erfgenamen te maken; waardoor alle wettelijke

ocr page 188

i7o

formaliteiten overbodig worden en geen geschil over de verdeeling der goederen kan plaats hebben.

Vreemd genoeg is het dat van deze door de wet gegeven bevoegdheid zoo zelden wordt gebruik gemaakt. De reden is waarschijnlijk deze, dat er na de scheiding weder verandering in den stand van den boedel komen kan en vooral dat de baten van den boedel nog kunnen vermeerderen. Dit laatste is echter geen bezwaar, daar dan toch al vast de hoofdbestanddeelen worden verdeeld en van het overige gemakkelijk later een kleine scheiding tusschen de erfgenamen te maken is.

Vorm dezer boedelverdeeling.

De ouders of grootouders, die zoodanige boedelverdeeling tot stand willen brengen, moeten zich te dien einde tot eenen notaris vervoegen, daar de akte door dezen moet worden opgemaakt, hetzij in den vorm van een testament, hetzij op andere wijze.

Voorwaarden voor de geldigheid der verdeeling.

De verdeeling moet geschieden tusschen alle kinderen of hunne afkomelingen. Bij gebreke hiervan is zij nietig.

Benadeeling met meer dan een vierde gedeelte, door de wijze waarop gedeeld is, of verkorting van het wettelijk erfdeel, levert mede een grond tot betwisting der verdeeling op.

De erflater kan natuurlijk, zonder de legitieme portie te benadeelen, den eenen erfgenaam boven den anderen bevoordeelen. Met benadeeling wordt hier dan ook geen opzettelijke ongelijke deeling bedoeld, maar een tekort doen van een erfgenaam, b.v. door fouten bij de berekening van waarde of van erfdeelen, of iets anders van dien aard.

ocr page 189

lyi

OVER ONBEHEERDE NALATENSCHAPPEN.

Eene nalatenschap kan op drieërlei wijze onbeheerd zijn:

1. wanneer zich niemand als erfgenaam opdoet;

2. wanneer alle erfgenamen dezelve verwerpen;

3. wanneer alle erfgenamen door onwaardigheid zijn uitgesloten.

Natuurlijk moet op de goederen, tot zoodanige nalatenschap behoor ende, orde worden gesteld. De schuldeischers van den boedel hebben er belang bij en zoowel zij als de officier van justitie bij de rechtbank kunnen de benoeming van eenen curator door de rechtbank verzoeken.

quot;Werkkring van den curator.

- De curator is de persoon die als voorloopig beheerder optreedt.

Hij is verplicht door eenen notaris een boedelbeschrijving te doen opmaken, nadat de vooraf verzegelde boedel ontzegeld is.

Hij is verplicht de erfgenamen op te sporen. Hij moet zorg dragen voor het behoud der goederen, de schuldvorderingen ten voor-deele van den boedel innen en daarentegen lasten en kosten betalen. Hij schijnt ook bevoegd te zijn om den geheelen boedel te gelde te maken. De wet zegt ten minste dat hij de gereede gelden en de opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen moet storten in de kas der gerechtelijke consignatiën.

Als loon mag de curator in rekening brengen 2 '/^ % vai1 de ontvangsten en 1'/, 0/0 van de uitgaven.

Wat er met de onbeheerde nalatenschap gebeurt.

Deze vervalt aan den Staat, die voorloopig door den rechter in het bezit gesteld wordt.

Wanneer zich binnen drie jaren na het openvallen der nalatenschap geen bevoegd erfgenaam heeft opgedaan, doet de curator rekening aan den Staat (den minister van financiën).

Mocht zich naderhand nog een wettig erfgenaam opdoen, dan is deze bevoegd het hem komende op te eischen. Eerst na verloop van dertig jaren is de Staat onherroepelijk eigenaar geworden.

ocr page 190

172

BEVOORRECHTE SCHULDEN OF PRIVILEGES.

Over schulden in het algemeen.

Schuldeischers worden door de wet op verschillende wijzen in bescherming genomen. Tegenover het feit, dat zij ons het een of ander hebben verschaft, staat hun recht om daarvoor betaling te erlangen

Dit blijkt al dadelijk uit de omstandigheid, dat al onze goederen in het algemeen voor alle schulden door de wet verbonden worden verklaard en den schuldeischers de middelen worden verschaft, om hun recht feitelijk te verhalen.

De schuldeischer kan zijn schuldenaar door den rechter tot betaling doen veroordeelen en, met het vonnis gewapend, roerende en onroerende goederen in beslag doen nemen en gerechtelijk, zoogenaamd bij executie, doen verkoopen, teneinde uit de opbrengst op die wijze te worden voldaan.

Doen zich meerdere schuldeischers op en blijkt het dat hunne gezamenlijke vorderingen niet ten volle kunnen worden voldaan, dan wordt de opbrengst der goederen, zooals de wet dat noemt, onder hen ponds ponds gelijk verdeeld. Dat wil zeggen, ieder krijgt zijn deel in evenredigheid van zijn vordering.

Uitzonderingen op dezen regel.

Er zijn schuldeischers die boven anderen gaan, die dus bij voorkeur worden betaald.

Deze voorrang kan voortspruiten uit drieërlei oorzaak:

1. uit privilege;

2. uit pand;

3. uit hypotheek.

Over pand en vooral over hypotheek wordt later door ons gesproken. Wij bepalen oiij nu voorloopig tot eene beschouwing van het privilege.

ocr page 191

173

Wat een privilege is.

Dat is een voorrecht, dat de wet zelf den eenen schuldeischer boven den anderen toekent, alleen op grond van den aard der schuld, uit een oogpunt van billijkheid

Bij overeenkomst kunnen privileges niet worden daargesteld.

Gesteld dat A twee schuldeischers heeft, B en C, en dat hij met B een contract maakt, waarbij bepaald wordt dat hij bij voorkeur boven anderen uit de opbrengst der goederen van A zal betaald worden. Dit contract is nietig.

Wanneer B of C niet op grond der wet zelf een voorrang heeft, of zooals men dat noemt, niet preferent is, dan hebben zij gelijke rechten. Zij zijn concurrente schuldeischers.

Verhouding tusschen privilege, pand en hypotheek.

Wanneer een roerend goed verpand of een onroerend goed met hypotheek bezwaard is, en op datzelfde goed rust ook een privilege, dan gaan pand en hypotheek voor, en kan dus de schuldeischer, die het privilege heeft, niets krijgen voor de schuld, waarvoor pand of hypotheek gegeven is, geheel is afbetaald.

Pand en hypotheek gaan dus boven privilege.

Uitzonderingen op dezen regel.

Kosten van boedelredding, b.v. van verzegeling en van een gerechtelijke verdeeling van de schulden, en de kosten van uitwinning of van een gerechtelijken verkoop, worden eerst voldaan, voor de pand- of hypotheekhouder in aanmerking komt.

Later zullen wij zien dat de verhuurder voorrang heeft voor zijn huurpenningen op zekere goederen van den huurder, en dat hij dat voorrecht behoudt, al zijn die zaken aan een ander verpand. Verder dat, wanneer een roerende zaak voor een schuld in pand gegeven is, vooraf de kosten moeten betaald worden, die na de in pandgeving tot behoud van het goed gemaakt zijn.

ocr page 192

174

Soorten van privileges.

Sommige schulden zijn bevoorrecht op de opbrengst van bepaalde goederen: de crediteur kan alleen op die goederen zijn schuld bij voorkeur verhalen.

Andere schulden zijn verhaalbaar op den geheclen boedel des schuldenaars.

De privileges van de tweede soort spruiten uit verschillende oorzaken voort en zijn om die reden onderling ook nog bevoorrecht, zoodat de schulden op de opbrengst verhaald moeten worden- in een zekere door de wet aangeduide volgorde.

Voorrechten op zekere bepaalde goederen.

Deze worden door de wet opgenoemd in de volgorde waarin wij ze hier beschouwen zullen.

1. De kosten van den gerechtelijken verkoop of uitwinning.

Hierboven hebben wij reeds opgemerkt dat deze kosten zelfs

gaan boven de vordering van een pand- of een hypotheekhouder.

2. De huurpenningen van onroerende goederen, de kosten van reparatie waartoe de huurder verplicht is en al wat tot de nakoming van het huurcontract betrekking heelt.

Deze waarborg voor verhuurders van onroerend goed is zeer groot. De verhuurder kan zijn voorrecht doen gelden op de vruchten, welke door takken aan de boomen of door wortels aan den grond zijn vastgehecht; voorts op de ingeoogste en niet ingeoogste vruchten welke zich op den bodem bevinden, en op al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffeering van het verhuurde huis of de bouwhoeve, als tot bebomving of gebruik van .het land, zooals het vee, de bouwgereedschappen en dergelijke zaken, b v. boeken en liefhebberijen, enz. enz.

De verhuurder kan dit voorrecht doen gelden, onverschillig of de genoemde zaken al of niet aan den huurder toebehooren. De verhuurder behoeft en kan ook niet onderzoeken of de zaken van een ander in beslag worden genomen, onverminderd natuurlijk het recht van den eigenaar om het hem toekomende op te vorderen.

ocr page 193

175

Wat niet dient tot stofifeering, bebouwing of gebruik, kleederen en lijfstoebehooren, kunnen evenwel niet voor de huur in beslag worden genomen.

Wanneer de huurder een gedeelte van het door hem gehuurde aan een ander bij wijze van onderhuur heeft afgestaan, dan kunnen de zich daarin bevindende zaken slechts in beslag worden genomen ten beloope van dat bedrag van den huurprijs, hetwelk door den onderhuurder verschuldigd is en toont deze aan dat hij zijn huur volgens de overeenkomst voldaan heeft, dan kan zoodanig beslag bij hem niet gelegd worden.

Het is een algemeene regel, dat een privilege verloren gaat, als de zaak waarop het rust zich niet meer in handen van den schuldenaar bevindt. Maar hier is het anders. De verhuurder behoudt zijn voorrecht ook dan, wanneer de goederen buiten zijn toestemming naar elders vervoerd zijn, al mocht het zelfs wezen door een koopman, die ze te goeder trouw kocht en betaalde.

Dit privilege gaat boven pand, want de wet zégt uitdrukkelijk dat de verhuurder zijn voorrecht behoudt, al ware het goed aan een derde door inpandgeving verbonden. De verhuurder moet dan evenwel de voorwerpen gerechtelijk opeischen, binnen veertig dagen, wanneer het roerende goederen betreft tot eene landhoeve behoo-rende, en binnen veertien dagen wanneer het zaken betreft die tot stoffeering van een huis hebben gestrekt.

Dit voorrecht van den verhuurder van een onroerend goed strekt zich uit tot de vervallen huur of pachtpenningen gedurende de laatste drie jaren en het loopende jaar, natuurlijk voorzoover de huurpenningen verschenen zijn.

Intusschen zijn er nog privileges, die boven dat van den verhuurder gaan. De verkooper van door den huurder gekochte zaden en zij die eene vordering hebben wegens de kosten van den oogst van het loopende jaar, gaan nog voor; want zonder die zaden en zonder den verrichten arbeid zou er geen oogst geweest zijn.

De verhuurder behoeft om zijn voorrecht uit te oefenen, niet met alle maatregelen te wachten tot de huurder onherroepelijk tot betaling veroordeeld is; anders zouden misschien de voorwerpen zijn weggemaakt en het voorrecht dus geheel of gedeeltelijk waarde

ocr page 194

176

hebben verloren. De verhuurder kan een voorloopig beslag laten leggen, pandbeslag genaamd, én wanneer hij zich daartoe tot eenen procureur wendt, kan hij zich binnen den kortst mogelijken tijd de noodige zekerheid verschaffen.

3. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen.

Iemand die roerende goederen verkocht, zonder daarvoor betaling te ontvangen, heeft een voorrecht op de opbrengst van die goederen; altijd zoolang ze zich nog in handen van den schuldenaar bevinden.

Wanneer de betaling contant had moeten geschieden, dan heeft de verkooper bovendien het zoogenaamde recht van reclame. Dat wil zeggen, hij kan de goederen zelf terugvorderen, maar dan moet die terugvordering geschieden binnen dertig dagen na de aflevering, terwijl het bovendien een vereischte is, dat zij zich nog in denzelfden toestand bevinden. Wat meubelen en huisraad betreft, gewerkt goud en zilver enz., zal dit wel steeds het geval wezen; maar met andere zaken, zooals linnengoed en vooral eetwaren, zal het dikwijls anders loopen.

Uitdrukkelijk wordt hieromtrent door de wet beslist, dat dit voorrecht komt na dat van den verhuurder, tenzij de verhuurder mocht geweten hebben dat de meubelen enz. niet waren betaald Hij had den huurder, wetende dat deze zijne meubelen enz. niet betaald had, geen vertrouwen moeten schenken.

4. De kosten tot behoud eener zaak gemaakt, zijn op de opbrengst van die zaak bevoorrecht.

5. De kosten tot bearbeiding eener zaak aan den werkman verschuldigd.

De werkman, die eenig goed van een ander onder zich genomen had om daaraan eenig werk te verrichten, is bovendien bevoegd om de zaak onder zich te houden, tot de volle voldoening der kosten en arbeidsloonen daaraan besteed, tenzij de eigenaar voor de voldoening daarvan zekerheid mocht stellen. Men noemt dit het recht van retentie.

ocr page 195

177

6. Hetgeen door een herbergier aan een reiziger is geleverd, is bevoorrecht op de goederen die door den reiziger in de herberg zijn gebracht.

Men begrijpt wel, dat de wet aan den herbergier niet het recht van terughouding of retentie geeft. Het voorrecht gaat niet verloren doordat de reiziger weer met zijn goederen vertrekt, maar het bewijs zal moeilijk te leveren zijn, welke zaken door den reiziger in de herberg waren gebracht.

7. De vrachtloonen en bijkomende onkoste.i zijn bevoorrecht op het vervoerde goed.

8. Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en ai.dere werkbazen is verschuldigd wegens den opbouw, den aanbouw en de reparatiën van onroerende goederen, is op die goederen bevoorrecht, zoolang de eigendom van het goed niet in andere handen is overgegaan. Het voorrecht duurt drie jaar.

Voorreelit op den geh.eel.eii boedel.

Wanneer nu de schulden, die op zekere bepaalde goederen bevoorrecht zijn, uit de opbrengst van die goederen zijn voldaan, dan wordt nog niet terstond het overschot van den boedel gelijkelijk tusschen de overige schuldeischers naarmate van het beloop hunner vorderingen verdeeld, maar kunnen sommige hunner nog voorgaan

Kunnen deze op den geheelen boedel bevoorrechte schuldeischers niet alle worden voldaan, dan worden zij betaald in de volgorde die hier is opgenoemd.

1. Gerechtskosten. Dat behoeft nu geen verdere toelichting meer.

2. Begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid van den rechter om ze te verminderen wanneer zij overmatig zijn.

3. Kosten van de laatste ziekte; waai onder men wel in de eerste plaats de rekeningen van geneeskundigen, apothekers, verplegers enz. zal moeten verstaan.

12

ocr page 196

178

4- Het loon van dienst- en werkboden over het verschenen jaar en hetgeen over het loopende jaar verschuldigd is.

5. De schuldvorderingen wegens levering van levensmiddelen aan den schuldenaar en zijn huisgezin, gedurende de laatste zes maanden.

6. De schuldvorderingen van kostschoolhouders over het laatste jaar.

7. De schuldvorderingen van minderjarigen of onder curateele gestelden ten laste van de voogden of curators, terzake van der-zelver beheer, wanneer daarvoor geen of geene genoegzame zekerheid is gesteld.

Bijzondere privileges.

Voor de Rijks directe belastingen is aan het Rijk een voorrang toegekend boven alle anderen en zelfs boven pand en hypotheek, met uitzondering van de gerechtskosten.

Voor de verschuldigde rechten van successie en overgang heeft de Staat gedurende twee jaren een voorrang op de goederen die door het overlijden worden geërfd, welk voorrecht onmiddellijk op alle andere voorrechten volgt.

Ook is nog een voorrang na alle andere privileges toegekend aan de armbesturen, wegens verplegings- en begrafeniskosten, op de bezittingen en nalatenschappen der verpleegden.

ocr page 197

179

RECHT VAN TERUGHOUDING OF RETENTIE.

Hierover hebben wij reeds een paar malen gesproken.

Terughouding of retentie is het recht, dat de wet aan iemand toekent, om zekere zaken tot waarborg van het aan hem verschuldigde onder zich te houden, zonder evenwel eenig recht op het voorwerp zelf te hebben of het voor de schuld te mogen doen verkoopen.

De voornaamste gevallen, waarin dit recht bestaat, zijn de volgende:

Werklieden die eenig goed van een ander onder zich hebben om daaraan iets te verrichten, zijn gerechtigd om het goed onder zich te houden tot de kosten zijn voldaan.

Die eene zaak van een ander in bewaring genomen heeft is bevoegd om de zaak onder zich te houden, tot aan hem zijn voldaan, de kosten die hij tot behoud der zaak heeft gemaakt en de vergoeding der schade die hij door de bewaring geleden heeft.

Een lasthebber heeft het recht om wat hij van zijn lastgever onder zich heeft, zoolang terug te houden, tot aan hem is voldaan wat hij te vorderen heeft, b.v. gedane voorschotten en bedongen loon.

PAND.

Men kan pp verschillende wijzen tot zekerheid van een schuld goederen verbinden, en wel roerende zaken onder de benaming van pand en onroerende zaken onder de benaming van hypotheek.

De schuldenaar die pand of hypotheek heeft, is ook bevoorrecht, want hij kan, wat hij te vorderen heeft, bij voorkeur op het verbonden goed verhalen, terwiji hij, indien dit onvoldoende mocht blijken, voor het restant zijner pretentie concurrent crediteur wordt of met alle niet bevoorrechte schuldeischers gelijk staat.

ocr page 198

i8o

Het onderscheid tusschen privilege aan den eenen kant en pand en hypotheek aan de andere zijde, bestaat onder anderen hierin, dat privilege uit de enkele kracht der wet bestaat, terwijl pand en hypotheek uitdrukkelijk moeten bedongen of gegeven zijn.

Welke zaken men voor eene schuld in pand kan geven.

Dit zijn alle roerende zaken, zoowel lichamelijke als onlichamelijke, dus ook vorderingen.

Men behoeft niet bepaaldelijk zijne eigene zaak te verpanden. Evenals iemand zich borg kan stellen voor een ander, zoo kan hij ook zijn goed voor de schuld van een ander verpanden.

Hoe het bewijs geleverd wordt dat eene zaak voor eene schuld verpand is.

Stel dat A aan 15 honderd gulden schuldig is. A geeft aan B een brandkast in bruikleen. Later vraagt hij die brandkast terug. Nu beweert B dat hij de kast als pand voor de schuld gekregen heeft. A ontkent dit. Hoe moet B nu bewijzen?

Dit kan hij bewijzen door dezelfde middelen, die hij zou kunnen aanwenden om het bestaan van de schuld zelf te bewijzen, wanneer die ook betwist werd.

In dit geval zou hij daarom getuigen kunnen bijbrengen, omdat het bestaan van een schuld van niet meer dan driehonderd gulden ook door getuigen bewezen kan worden.

Is de schuld grooter dan moet men en om de schuld èn om de inpandstelling te bewijzen, naar andere middelen omzien, zoodat in dergelijke gevallen en trouwens in het algemeen, het opmaken van een schriftelijk bewijs zeer gewenscht is.

Op welke wijze de inpandstelling plaats heeft.

Roerende lichamelijke zaken, zooals meubelen, schilderijen, kostbaarheden enz. worden gesteld in de macht en het bezit van den schuldeischer of van een derden daartoe door partijen aangewezen persoon.

ocr page 199

i8i

Ditzelfde geldt voor vorderingen of zoogenaamde inschulden, die aan toonder luiden, met andere woorden, niet op naam staan maar het eigendom van den houder zijn, zooals gewone effecten

Wissels, die aan order luiden en promessen of accepten, kunnen in pand gegeven worden door overgifte van het stuk en endossement.

Op naam staande vorderingen, zooals aandeelen in naamlooze vennootschappen of gewone obligatiën, worden in pand gegeven door kennisgeving daarvan aan den schuldenaar, die er een bewijs van vorderen kan.

Deze kennisgeving behoort naar de bedoeling der wet te geschieden bij deurwaardersexploit, doch men doet verstandiger een schriftelijk bewijs op te maken, waaruit het aangaan van de schuld, de verpanding daarvoor van het aandeel of de obligatie, en de verklaring dat de vereischte kennisgeving is geschied, duidelijk blijken.

Hoe het pandrecht feitelijk wordt uitgeoefend.

Iemand die een pand heeft, mag zich, als de schuld niet betaald wordt, de zaak niet toeëigenen. Zelfs al ware dit tusschen partijen bepaald overeengekomen, dan zou die overeenkomst toch nietig zijn.

Maar wanneer de' schuldenaar niet aan zijne verplichtingen voldoet, dan is de pandhouder bevoegd om de in pand gegeven zaak in het openbaar, volgens de plaatselijke gebruiken te doen ver-koopen. en om uit de opbrengst zijne vordering met de renten en kosten te verhalen.

Men noemt dit het houden van parate executie. Partijen hebben de bevoegdheid om overeen te komen, dat de schuldeischer tot zoodanige executie niet zal gerechtigd zijn; maar dit neemt riet weg dat de rechtbank dan toch op zijn vordering den verkoop bevelen kan of bepalen dat het pand aan hem tot verhaal der schuld in betaling zal verblijven, natuurlijk voor een bepaald bedrag en onder verplichting om het overschot aan den schuldenaar uit te keeren.

ocr page 200

i82

HYPOTHEEK.

Terwijl, uitgenomen de verpanding van effecten, die door de handelsgebruiken geregeld wordt, de pandovereenkomst zich ten onzent zeer weinig voordoet, is het geven van zakelijke zekerheid op onroerend goed, door de wet onderzetting of hypotheek genaamd, zoo algemeen, dat hetgeen hierop betrekking heeft, als een der belangrijkste gedeelten van het burgerlijk wetboek kan worden beschouwd.

Om die reden zullen wij verplicht zijn, dit onderwerp met eenige meerdere uitvoerigheid te behandelen.

Onderacheid met pand.

Behalve dat het recht van hypotheek alleen op onroerende goederen gevestigd wordt, en het pandrecht daarentegen op roerende, is een groot verschil in de uitgestrektheid ervan hierin gelegen, dat in den regel het pandrecht verloren gaat, zoodra de daaraan onderworpen zaak zich niet meer in de macht van den pandhouder bevindt

Bij hypotheek is het juist andersom, daar de verbonden goederen met de hypotheek belast blijven, in welke handen dezelve ook mochten overgaan.

Welke onroerende zaken men hypothecair verbinden kan.

Dit zijn niet alleen huizen en landerijen, maar onderscheidene rechten, die men op onroerende goederen hebben kan. Wij hebben die rechten vroeger reeds grootendeels opgenoemd. Het zijn: het vruchtgebruik, de rechten van opstal en erfpacht, grondrenten en tienden, en eindelijk het slechts in een gedeelte van ons land voorkomende recht van beklemming, waarop wij later de aandacht zullen vestigen.

ocr page 201

183

Uitgestrektheid van het recht.

Wanneer een perceel grond voor hypotheek verbonden is, dan strekt het recht van den hypotheekhouder zich uit tot al hetgeen later op het erf wordt geplant en gezaaid en al hetgeen er op wordt gebouwd of aangebouwd. Gesteld b.v. dat iemand een perceel weiland heeft gehypothekeerd en daarop later een woning bouwt; nu is het onderpand met de waarde van het gebouwde verbeterd, zonder dat er een bijzondere overeenkomst voor noodig is.

Maar wanneer nu de schuldenaar door aankoop of door erfenis of op andere wijze een perceel grond verkrijgt, dat onmiddellijk aan zijn perceel__grenst, en zijne bezitting op die wijze vergroot of vermeerdert, dan is die nieuwe bezitting niet voor de hypotheek verbonden.

Hypotheek op een onverdeeld aandeel.

Gesteld dat A en B op een publieke veiling een perceel grond koopen. Zooals wij weten worden zij dan daarvan eigenaar ieder voor de onverdeelde helft, zonder dat men zeggen kan welke helft aan A en welke aan B toebehoort.

Wanneer A nu geld noodig heeft, kan hij dat dan opnemen onder verband van zijn onverdeeld aandeel in het perceel ?

Ja, dit laat de wet toe, en het komt er dus maar op aan iemand te vinden, die 'ust heelt, op die wijze zijn geld te plaatsen.

Zoolang A en B het goed samen houden is er geen gevaar, want wanneer A in gebreke blijft kan de hypotheekhouder het onverdeelde aandeel voor de schuld aanspreken, ofschoon het altijd minder gemakkelijk is, voor een onverdeeld aandeel een kooper te vinden-

Maar gesteld nu dat A en B tot scheiding overgaan en het ge-heele perceel aan B toebedeeld wordt, dan is de hypotheek nietig.

Nu kan de hypotheekhouder wel procedeeren tot nietigverklaring van de scheiding, wanneer hij namelijk bewijzen kan dat partijen wisten dat hij daardoor benadeeld werd

Heeft er werkelijk eene scheiding plaats waarbij aan ieder een deel van het goed wordt toebedeeld, dan blijft de hypotheek gevestigd op het deel dat aan A werd toegewezen.

Maar dit deel kan wel minder dan de helft zijn.

ocr page 202

184

Hieruit volgt dus duidelijk, dat het geven van hypotheek op onverdeelde aandeelen in onroerende goederen altijd te ontraden is, daar irfen steeds in meerdere of mindere mate van de goede trouw van den schuldenaar afhangt.

Vorm van de hypotheek.

Eene hypotheek kan niet anders dan bij notariëele akte worden verleden, behalve die welke voogden of curators verplicht zijn te stellen ten behoeve der minderjarigen of onder curateele gestelden Ook deze echter worden in den regel op dezelfde wijze tot stand gebracht.

Verstandig is het, van begin a( aan, de geheele regeling dei-hypotheek aan den notaris op te dragen. Deze onderzoekt of de schuldenaar wel als eigenaar de bevoegdheid heeft om het pand onvoorwaardelijk te verbinden, of het pand reeds al of niet ten behoeve van een ander is verbonden, enz.

Het kantoor van bewaring van het kadaster en de hypotheken.

Ofschoon de handeling eigenaardig bij den notaris tehuis behoort, heeft ieder het recht om aan de hypotheekkantoren een onderzoek in te stellen, omtrent den eigendom van vaste goederen en de hypotheken of andere lasten, waarmede zij mochten bezwaard zijn.

Dat kan zich b v. ook voordoen, wanneer men zich door dit middel van iemands gegoedheid op de hoogte wenscht te stellen.

Het doel van het kadaster is juist, ieders onroerend goed nauwkeurig aan te wijzen en te doen blijken van de hypotheken en andere rechten, die erop rusten, b. v. vruchtgebruik, opstal en erfpacht

Een hypotheek kan men niet vestigen op toekomstige

goederen.

Wat beteekent deze bepaling van de wet ?

Zij beteekent dat men niet verbinden kan, goederen die men nog niet in eigendom bezit.

ocr page 203

185

Maar men kan zich wel verbinder, om onroerende goederen te hypothekeeren, wanneer men die later in eigendom mocht verkrijgen. Men kan dit zelfs in het algemeen doen, zonder aanduiding van bepaalde perceelen. Verkrijgt men dan onroerend goed, dan kan men uit kracht der overeenkomst genoodzaakt worden om het te verbinden.

Voorwaardelijke en erediethypotheken.

Een eerste vereischte voor de geldigheid der hypotheek is, dat bij de akte bepaaldelijk worde opgegeven, tot welk beloop zij gesteld is. In den regel is dit het beloop van de schuld.

Maar nu is dit niet altijd mogelijk. Het komt zelfs wel voor, dat er bij het stellen der hypotheek in het geheel geen schuld is en de mogelijkheid bestaat, dat er nimmer een schuld zal wezen.

Wanneer een voogd hypotheek stelt ten behoeve van den minderjarige, dan geschiedt dit tot zekerheid van zijn beheer. Ingeval van richtig beheer zal er nooit een schuld wezen, maar in elk geval is het niet te zeggen hoe groot het mogelijke tekort van den voogd wezen zal. De som moet nu worden bepaald, tot welker bedrag de schuld desnoods op het onroerend goed zal kunnen worden verhaald. Zooals wij weten schrijft de wet voor, dat het bepalen van die som door den kantonrechter zal geschieden.

Van ongeveer gelijke strekking zijn de crediet-hypotheken, met dit onderscheid, dat van het crediet altijd gebruik wordt gemaakt en er dus altijd eene schuld is, maar men kan niet te voren weten hoe groot die schuld zijn zal, wanneer de schuldenaar in gebreke mocht blijven om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Een winkelier b.v heeft tot tijdelijke aanvulling van zijn bedrijfskapitaal geld noodig: nu eens meer, dan weer minder Hij maakt een akkoord met een kassier, die hem toestaat om tegen vastgestelde rente, naar gelang van behoefte bij hem geld op te nemen en het weer bij kasruimte telkens geheel of gedeeltelijk af te dragen. De kassier moet evenwel zekerheid voor zijn geld hebben en nu geeft de winkelier hem hypotheek op zijn winkelhuis, ten beloope van de som, die hij hoogstens van den kassier kan opnemen.

Dit noemt men eene crediet-hypotheek.

ocr page 204

186

Eerste en tweede hypotheken, enz.

Dat de hypotheek altijd tot een bepaald bedrag moet worden gesteld, is ook een voordeel voor den schuldenaar.

Immers, wanneer een pand, dat eene waarde heeft van twee duizend gulden, voor duizend gulden is gehypothekeerd, dan is er ovenvaarde en de mogelijkheid bestaat dat de eigenaar, wanneer hij nogmaals geld noodig mocht hebben, iemand vindt, die hem dat verschaft, tegen verband van het goed, waarop reeds (eene hypotheek gevestigd is.

Zulk een verband noemt men eene tweede hypotheek en wij zullen later zien, welk verschil er tusschen eerste en volgende hypotheken bestaat.

Feitelijke uitoefening van het recht van hypotheek.

Evenals bij pand treffen wij hier de bepaling aan, dat de hypotheekhouder zich het goed niet tot verhaal der schuld mag toeeigenen. Al ware dit uitdrukkelijk overeengekomen, dan zou zulk een beding toch nietig zijn.

Maar de eerste hypotheekhouder heeft het recht om bij de akte, waarbij de hypotheek gesteld wordt, uitdrukkelijk te bedingen dat, bij gebreke van voldoening der hoofdsom of van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk zal zijn gemachtigd, om het verbonden perceel in het openbaar te doen verkoopen. teneinde uit de opbrengst te verhalen zoowel de hoofdsom als de renten en kosten.

Deze verkooping, die mede onder den naam van parate exce-cutie bekend is, wordt in het openbaar, volgens de plaatselijke gebruiken en ten overstaan van eenen notaris gehouden.

Daarom is het, ingeval van wanbetaling van den debiteur, gewenscht zich terstond tot eenen notaris te wenden, ten einde door dezen de noodige stappen te laten doen om tot de verkooping te geraken.

ocr page 205

18/

Verschil tusschen eerste en volgende hypotheken.

Alleen de eerste hypotheekhouder heeft het recht om te bedingen dat het verbondene voor zijne vordering zal kunnen worden verkocht.

Een tweede hypotheekhouder kan dit beding alleen maken voor het geval dat hij eerste worden mocht, namelijk wanneer de eerste hypotheek wordt afgedaan en op de registers doorgehaald.

Alle hypotheken worden namelijk aan het hypotheekkantoor ingeschreven en het is van het grootste gewicht om, onmiddellijk na het verlijden van de notariëele akte van hypotheek de inschrijving te nemen, waarvoor de notaris trouwens zorgt.

Men noemt wel een tweede hypotheek de akte waarbij een tweede geldschieter hypotheek bedingt, maar de zoogenaamde rang der hypotheken hangt niet van den datum van de akte. maar in het algemeen althans, van den datum der inschrijving aan het hvpotheekkantoor af, en wanneer een derde geldschieter liet inschrijven vóór den tweeden, dan zou hij tweede hypotheek hebben of, met andere woorden, in de tweede plaats voor betaling in aanmerking komen

Hoever de voorrang zich uitstrekt.

Wanneer, zooals in den regel het geval is, hypotheek wordt gesteld tot zekerheid van eene rente-gevende schuldvordering, dan kan bij de zoogenaamde borderellen, dat zijn de stukken waarbij de inschrijving wordt verzocht, tevens inschrijving verzocht worden voor twee jaar en het loopende jaar renten. Voor deze renten is men dan op dezelfde wijze gedekt als voor de hoofdsom.

Blijft de rente achterstallig, dan kan men later zelfs nog afzonderlijk inschrijving nemen, voor wat meer dan die drie jaar verschuldigd is, maar komt dan daarvoor achteraan, wanneer reeds tweede of volgende hypotheken mochten zijn ingeschreven.

Bijzondere bedingen bij hypotheek.

In de hypotheekakte komen dikwijls bijzondere bedingen voor, die gebruikelijk zijn en daarom steeds door den notaris worden opgenomen, maar waarvan de strekking niet altijd door partijen begrepen wordt.

ocr page 206

i88

B.v. de volgende:

dat de schuldenaar het verbonden onroerend goed, buiten toestemming van den schuldeischer niet zal mogen verhuren (of voor niet langer dan een bepaalden tijd zal mogen verhuren) en dat hij in geen geval eenige vooruitbetaling van huurpenningen zal mogen bedingen of ontvangen, op straffe van nietigheid;

dat bij vrijwillige verkooping van het verbondene geene zuivering zal mogen plaats hebben.

Wat het eerst bedoelde beding betreft, bedenke men, dat door verhuringen voor zeer langen tijd en door de vooruitbetaling, waardoor de eigenaar de vruchten misschien lang te voren geniet, de waaide van het goed in geval van verkoop vermindert. Daarom wordt deze bepaling gemaakt en wanneer zij ook door middel van het borderel in de registers is ingeschreven, dan werkt zij zoowel tegen den schuldenaar als tegen den huurder. De huur kan vernietigd of de huurpenningen van den huurder gevorderd worden.

En wat nu de zuivering betreft, de mogelijkheid bestaat dat de eigenaar het goed verkoopt voor eenen minderen prijs, dan de hypotheek die er op gevestigd is bedraagt Maar de hypotheekhouder is met het bedoelde beding niet verplicht om toestemming tot doorhaling van de hypotheek te geven en deze kan ook niet op eene andere wijze worden verkregen De schuldenaar zal dus wel geen kooper vinden of althans niet kunnen handelen zonder goedkeuring van den schuldeischer en regeling der zaken met hem en den kooper.

Op dit punt komen wij echter nog nader terug, wanneer wij hierna spreken over de wijze waarop hypotheken te niet gaan.

Doorhaling van hypotheken.

Wanneer eene hypotheek wordt afgedaan, namelijk de schuld betaald, dan moet het onroerend goed weder van het verband ontheven worden. Daartoe behoort de schuldeischer, die er desnoods bij rechterlijk vonnis toe kan gedwongen worden, zich bij eenen notaris te vervoegen, die eene zoogenaamde akte van roiement opmaakt, welke aan het hypotheekkantoor wordt overgelegd.

ocr page 207

iSg

Het is echter geene zeldzaamheid, dat van verscheidene verbonden perceelen er een of meer door den schuldenaar worden verkocht met toestemming van den curator. Deze verlijdt nu eene notariëele akte, waarbij hij verklaart die bepaalde perceelen uit het verband te ontslaan. Overigens blijft de inschrijving dan van volle kracht.

Vermindering van de hypotheek.

Somtijds doet zich het geval voor, dat een schuldenaar, in staat een gedeelte zijner schuld af te lossen, hiertoe met toestemming van den crediteur overgaat.

Nu is het billijk dat de inschrijving, die op de perceelen rust, ook wordt verminderd ; dat wil zeggen tot een mindere som blijft voortbestaan, en om hiertoe te geraken wordt weder eene notariëele akte verleden, die ten hypotheekkantore wordt overgelégd.

Verband tusschen recht van hypotheek en inschrijving.

Door roiem^nt gaat het recht van hypotheek niet te niet. Het recht van hypotheek is juist het recht om inschrijving te nemen, bij gebreke waarvan de hypotheek alle waarde mist.

Nu spreekt het wel van zelf, dat een roiement in den regel ten gevolge van de afdoening der schuld gegeven wordt. De schuld-eischer verleent dan kwijting en is van zelf zijn hypotheekrecht kwijt.

Toch kan het geval zich voordoen, dat de hypotheek geroieerd wordt, zonder afdoening van de schuld.

B.v. A heeft aan B geld gegeven op eerste hypotheek. B heeft weer geld noodig, maar A kan het niet verschaffen. C wil het geld geven, maar onder verband van eerste hypotheek. Daartoe wil A medewerken en zelf genoegen nemen met een tweede hypotheek. Nu verlijdt hij eene akte van roiement. Daarop wordt de hypotheek ten behoeve van C gemaakt, en wanneer deze is ingeschreven neemt A opnieuw eene inschrijving en volgt nu in rang op C, die eerste hypotheekhouder is geworden.

ocr page 208

190

De hypotheek blijft op het goed gevestigd in welke handeu het ook moge overgaan.

Al kan de schuldenaar een kooper voor zijn bezwaard perceel vinden, dit deert den schuldeischer niet. De hypotheek blijft er toch op gevestigd en wanneer de schuldenaar de schuld niet betaalt. wordt het goed niettemin aangesproken.

Nu kunnen zich echter twee gevallen voordoen ; de hypotheekhouder kan van den eigendomsovergang onkundig zijn gebleven en in dat geval handelt hij juist alsof de schuldenaar nog eigenaar ware en verkoopt hij uit kracht van zijn titel, zonder dat eenige andere formaliteit noodig is.

Is hem evenwel de eigendomsovergang gerechtelijk aangezegd, dat wil zeggen bij deurwaardersexploit, dan kan hij geen parate executie houden en is hij alleen bevoegd tot de gewone executie, dat wil zeggen om het goed te verkoopen na voorafgaande inbeslagneming, zoodat hij zich dan aanstonds van de tusschenkomst van eenen procureur zal behooren te bedienen. De verkoop heeft dan plaats ter terechtzitting van de rechtbank, even als zulks het geval is, wanneer men een onroerend goed aanspreekt voor eene gewone schuldvordering, nadat de schuldenaar bij vonnis tot betaling is veroordeeld.

Op welke wijzen hypotheken te niet kunnen gaan.

De hypotheek wordt gegeven tot zekerheid van eene bestaande schuld, althans tot zekerheid van een schuld die op een zeker tijdstip zou kunnen bestaan, zooals bij de voogdij hypotheek en de crediethypotheek.

Hieruit volgt van zelf, zooals wij reeds vroeger opmerkten, dat afbetaling van de schuld het hypotheekrecht vervallen doet, en ditzelfde heeft plaats zoodra de persoon die de hypotheek gaf, niet meer verbonden is, zooals de gewezen voogd, nadat hem volledige kwijting en ontheffing verleend is.

Vrijwillige afstand van het hypotheekrecht is natuurlijk den crediteur geoorloofd en doet het verband mede te niet gaan.

Wanneer de zaak vergaat, waarop de hypotheek gevestigd is, dan is het voortbestaan van dit recht van zelf niet denkbaar. Stel

ocr page 209

igi

b.v. dat een huis, waarop een zoodanig verband rust, door brand vernield wordt, dan schiet alleen het gronderf als onderpand over.

De wet heeft echter een middel aan de hand gedaan om dit gevaar te voorkomen. In het wetboek van koophandel is daaromtrent bepaald dat wanneer de hypotheekhouder en de hypotheekgever overeenkwamen dat ingeval van brandschade, de assurantiegelden in de plaats van de hypotheek zullen komen, tot het beloop van de schulJ en de renten, de assuradeur verplicht is om de door hem verschuldigde schadevergoeding met den hypotheekhouder te verrekenen

Zoodanig beding komt dan ook in alle hypotheken voor, waarbij gebouwde eigendommen worden verbonden. Het moet den assuradeur gerechtelijk worden aangezegd, maar deze aanzegging wordt met hetzelfde gevolg vervangen door eene aanteekening op de polis, waarbij de assurantiemaatschappij verklaart er kennis van te dragen.

Gerechtelijke rangschikking.

Een andere zeer belangrijke oorzaak van het te niet gaan der hypotheken is de zoogenaamde gerechtelijke rangschikking.

De kooper van een onroerend goed heeft altijd het recht om zuivering te vorderen, dat wil zeggen om te vorderen dat het perceel worde ontlast van de hypotheken, ook wanneer de koopsom minder bedraagt dan het gezamenlijk beloop van de hypotheken die er op rusten.

Den eersten hypotheekhouder deert dit echter niet, daar hij, zooals wij reeds zagen, het recht heeft om te bedingen dat bij vrijwillige verkooping van het verbondene geene zuivering kan worden gevorderd.

Hieruit volgt dat de eigenaar het pand wel niet anders vrijwillig zal verkoopen, dan wanneer de eerste hypotheekhouder uit de opbrengst kan worden betaald. De kooper kan dan vorderen dat het perceel ook van de overige verbanden worde ontheven.

Wanneer een eerste hypotheekhouder een met onderscheidene hypotheken bezwaard perceel voor de schuld wil verkoopen, moet deze verkooping niet alleen in het openbaar en volgens de plaat-

ocr page 210

192

selijke gebruiken geschieden, maar ook ten overstaan van den kantonrechter.

Wanneer deze formaliteiten zijn nagekomen, dan kan de kooper van het perceel vorderen dat het gekochte worde ontlast van alle hypotheken die er op rusten. De eerste hypotheekhouder geeft natuurlijk in dat geval vrijwillig roiement, maar ook de overigen, al worden zij niet betaald, kunnen er toe worden genoodzaakt.

De tweede en volgende hypotheekhouders moeten minstens dertig dagen te voren gerechtelijke aanzegging van den verkoop bekomen.

Daarna moet de kooper binnen dertig dagen na de toewijzing eene gerechtelijke rangschikking openen. Hij moet daartoe door middel van eenen procureur een verzoek tot de rechtbank wenden, die een rechter-commissaris aanwijst om de rangregeling te bewerkstelligen.

Deze rangregeling komt hierop neer, dat beslist wordt welke hypotheekhouders al of niet en, zoo ja in hoeverre, voor betaling in aanmerking komen.

Van alle hypothecaire inschrijvingen die niet geheel voor uitbetaling vatbaar zijn, wordt de doorhaling door de rechtbank bevolen. De overige blijven voortbestaan; de kooper treedt in de plaats van den oorspronkelijken schuldenaar en de hypotheekhouders kunnen dus tegenover hem hunne rechten doen gelden.

ocr page 211

193

OVER VERBINTENISSEN.

Het vermogen van den mensch bestaat voornamelijk uit zaken of uit rechten op zaken. Al die zakelijke rechten hebben wij nu reeds besproken.

Maar niet alleen goederen en rechten kunnen voor den mensch waarde hebben.

Als bestanddeelen van het vermogen noemen wij ook vorderingen, die daaruit ontstaan, dat een zeker persoon zich tegenover hem tot iets verbonden had.

De verbintenissen vormen daarom een belangrijk onderdeel van het recht.

Wanneer iemand een huis in eigendom heeft, dat hij kocht, dan moet er toch altijd iemand geweest zijn, die het hem verkocht, die dus daardoor verbonden was om de zaak te leveren. De koo-per had dus tegen dezen verkooper eene vordering, uit zijn verbintenis voortspruitende, en wanneer hij dat vorderingsrecht niet ten uitvoer kon leggen, dan zou zijn koop hem weinig baten, wanneer de verkooper in de levering nalatig bleef.

De meeste verbintenissen hebben de strekking om eene zekere zaak aan een persoon te geven of te leveren.

Soms echter hebben zij ook de strekking om iets te doen of te laten.

B.v. een zeker schrijver verbindt zich om voor een uitgever een boekwerk te maken; nu heeft de uitgever het recht om te vorderen dat dit ook werkelijk geschiede, want hij hoopt door de uitgaaf eenig voordeel te behalen. Zijn vordering heeft dus waarde voor hem en behoort tot zijn vermogen.

Of wel, een eigenaar van een perceel grond, waar tegenover het woonhuis van A ligt, verbindt zich ten behoeve van A om gedurende een zeker aantal jaren op zijn perceel geen woonhuis te stichten, noch opgaande boomen te planten. In meerdere of mindere mate zal deze verbintenis, wier nakoming, wanneer daar-

ocr page 212

194

tegen gehandeld wordt, kan worden geëischt, de waarde van het eigendom van A verhoogen.

Men kan tegenover iemand verbonden zijn, tengevolge van een met hem aangegaan contract; maar men kan het ook wezen tengevolge van een bestaande wetsbepaling.

In ieder geval is men verbonden om iets te geven, te doen of te laten.

Verbintenissen om iets te geven.

Wanneer men zegt dat eene verbintenis de strekking heeft om iets te geven, dan beteekent dat eigenlijk, om iets te leveren, b.v. een verkochte koe, een verhuurd huis, een in bruikleen afgestaan boek.

In alle deze gevallen is men verbonden om eene zaak in het bezit van een ander te stellen.

Steeds is de schuldenaar, dat wil zeggen hij die de zaak leveren moet, verplicht om voor het behoud daarvan tot op het tijdstip van de levering zorg te dragen, en in het algemeen om te zorgen dat hij, wanneer de tijd daar is, aan zijne verbintenis kan voldoen.

Een kassier b.v., die zich verbond om een ander tegen zakelijke zekerheid geld te verschaffen voor zijn handel, is gehouden dat crediet te bezorgen, wanneer de bepaalde tijd daar is.

Onmogelijkheid om deze verbintenis na te komen.

Het is best mogelijk dat de kassier door een ramp die hem treft op den bepaalden tijd in gebreke zal moeten blijven. Kan hij het bewijs daarvan leveren, dan is hij tot niets gehouden. Er is dan zoogenaamde overmacht.

De zaak kan zich evenwel ook anders toedragen.

Gesteld dat A aan B een huis verhuurde, doch later hetzelfde huis verhuurde en ook leverde aan C. Nu heeft hij zich zelf in de onmogelijkheid gesteld om aan B te leveren, en deze heeft nu tegen hem eene vordering tot vergoeding van de schade, welke hij daardoor lijdt.

Ditzelfde geldt ook wanneer de schuldenaar, dat wil zeggen de

ocr page 213

195

man die verplicht was eene zaak te leveren, die zaak door zijne nalatigheid of onachtzaamheid doet verloren gaan.

Niet-nakoming van eene verbintenis.

Het geval dat iemand zichzelf in de onmogelijkheid heeft gesteld om eene zaak te leveren, of dat door zijne nalatigheid die levering niet kan plaats hebben, doet zich betrekkelijk weinig voor.

Meermalen echter komt het voor dat de verbonden persoon, door de wet in het algemeen schuldenaar genaamd, eenvoudig weigert om de verbintenis na te komen, of in ieder geval daarin nalatig blijft.

Ook dit geeft aanleiding aan den schuldeischer, dat wil zeggen, aan hem die de zaak te vorderen heeft, tot eene actie tot schadevergoeding.

quot;Weigering om een verkocht onroerend goed te leveren.

Iemand die tengevolge van eene verbintenis eene zaak in zijne macht of bezit hoopt te verkrijgen, is het natuurlijk om die zaak zelf en niet om schadevergoeding te doen en zoolang de zaak werkelijk bestaat, zal hij al het mogelijke aanwenden om haar in zijn bezit te krijgen.

Bij bepaalden onwil van de zijde van den schuldenaar zal dit echter in vele gevallen bezwaarlijk gaan, daar men hem wel tot levering kan doen veroordeelen, maar niet feitelijk tot overgifte dwingen.

Volgens sommige rechtsgeleerden kan een verkocht onroerend goed, geleverd worden door de overschrijving aan het hypotheekkantoor, van het vonnis vUn den rechter, waarbij de verkooper tot medewerking en levering is veroordeeld, wanneer dit uitdrukkelijk in het vonnis vermeld staat.

De kooper, die op deze wijze eigenaar wordt, tenminste op het papier, kan dan het onroerend goed als zoodanig opvorderen en den verkooper tot ontruiming doen noodzaken.

Wij moeten hier echter opmerken, dat de wet niet uitdrukkelijk

ocr page 214

196

beslist, dat levering van gekochte onroerende zaken op die wijze kan worden verkregen en de rechtsgeleerden de zaak in verschillenden zin uitleggen.

Voor wiens rekening eene zaak staat die geleverd moet worden.

t

Dit hangt er van af of het een bepaalde of geen bepaald aangeduide zaak is.

Een verkocht huis staat van het oogenblik der verbintenis at voor rekening van den kooper, al heeft de levering nog niet plaats gehad. Het belang van den kooper brengt dus b v. mede om het huis tegen brandschade te verzekeren, indien dit nog niet mocht zijn geschied.

Maar gesteld nu dat een veekoopman zich verbindt om op 1 November een zeker aantal tweejarige ossen aan een slager te leveren. Deze dieren zijn wel bepaald ten aanzien van hunne soort, maar er is niet bepaaldelijk aangewezen welke ossen geleverd moeten worden; dat zou trouwens ook niet mogelijk wezen, daar de koopman ze misschien zelf nog niet in bezit heeft. Maar al ware het anders, de ossen staan in ieder geval voor rekening van den verkooper, die het bepaalde aantal op zijn tijd leveren moet en zelf de schade dragen, wanneer de dieren in dien tusschentijd ziek worden of sterven.

Verbintenissen om iets te doen of te laten.

Deze verbintenissen hebben de strekking om persoonlijk iets te verrichten of te zorgen dat iets niet geschiedt.

Het zich als dienstbode verhuren is b.v. eene verbintenis om iets te doen.

De nakoming der verbintenis hangt dus geheel van den persoon af, die verbonden is. Men kan hem laten veroordeelen om te doen waartoe hij verplicht is, maar men kan er hem feitelijk nimmer toe noodzaken. Vandaar dat niet-koming der verbintenis, voorzoover dit de schuld is van hem die zich verbonden heeft, weder aanleiding geeft tot eene actie tot schadevergoeding.

ocr page 215

197

Toch kan het geval zich voordoen, dat de belangen van den schuldeischer door de niet-nakoming der verbintenis ernstig worden benadeeld, en daar zich hier het geval voordoet, dat de verbintenis soms ook door een ander kan worden verricht, geeft de wet aan den schuldeischer de bevoegdheid om het werk ten koste van den schuldenaar te doen uitvoeren.

B v. A heeft aangenomen voor B een gracht door zijn land te graven. A blijft echter in gebreke en nu laat B het werk maken door C ten koste van A. Feitelijk zal dit hierop neerkomen dat, wanneer door de nalatigheid van A meerdere kosten veroorzaakt worden dan waarop B gerekend had, die ten laste van A komen.

Zoo is het ook, maar in veel sterker mate, met de verbintenis om iets niet te doen.

B v. A verbindt zich ten behoeve van B om gedurende vijf jaren op zeker erf niet te bouwen. Nu bouwt hij toch en de schadevergoeding die B kan vorderen, is niet in staat hem van den last te ontheffen; want. het gebouw staat er eenmaal.

Maar nu geeft de wet aan B het recht om vernietiging te vorderen van hetgeen in strijd met de verbintenis verricht is. In dit geval kan hij zich door den rechter doen machtigen om het gebouw van A te doen wegbreken.

Zoo er aanleiding toe bestaat blijft de vordering tot schadevergoeding niettemin toegelaten.

Schadevergoeding.

De wet noemt dit, meer omslachtig, vergoeding van kosten, schaden en interessen, omdat niet alleen de voldoening der schade wordt geëischt, maar ook veroordeeling in de gemaakte kosten, met de renten.

Om deze schadevergoeding tegen den nalatigen schuldenaar Ie kunnen vorderen, is het intusschen noodig dat hij in gebreke worde gesteld, dat wil zeggen, dat op eene wettige wijze worde aangetoond, dat de verbintenis niet is nagekomen.

In het algemeen geschiedt dit door aanzegging bij deurwaarders-exploit.

Soms echter is dit niet noodig. Er zijn verbintenissen die van zelf tengevolge hebben dat de schuldenaar in gebreke is, door het verloop van zekeren tijd. Bij een huurcontract kan worden bepaald

ocr page 216

ig8

dat de huurder de huur zal moeten betalen op i November van ieder jaar, en dat hij door het enkel verloop van dien bepaalden termijn geacht zal worden in gebreke te zijn. Eene aanzegging is nu niet noodig.

Gesteld dat iemand aangenomen heeft eene illuminatie Ie leveren vóór den verjaardag der koningin. Indien hij nu op dien dag de illuminatie niet geleverd heeft, behoeft het niet meer wettig te worden aangetoond dat hij in gebreke is.

Hoe groot de schadevergoeding zijn zal moet natuurlijk langs den wettigen weg worden uitgemaakt; doch wanneer bij de verbintenis bepaald is dat degene, die in gebreke blijft om dezelve na te komen, als schadevergoeding eene vaste som zal betalen, komt de bepaling van eene andere som niet te pas.

Eene dergelijke bepaling eener vaste som als boete is in de meeste gevallen aan te raden.

Gesteld b.v. dat A zijn zaak, de uitgifte van een blad, aan B verkoopt. B maakt de voorwaarde dat A nimmer, hetzij in persoon, hetzij door tusschenkomende personen, een blad van gelijke strekking in dezelfde plaats zal mogen uitgeven, noch op eenigerlei wijze aan die uitgave deelnemen of medewerken, op straffe eener boete van tienduizend gulden. Is dit niet bepaald, dan zal A, wanneer hij tegen deze verbintenis om iets te laten, handelt, wel tot schadevergoeding kunnen worden aangesproken, maar vooreerst is het de vraag of die vergoeding voor B wel voldoende zal zijn, en in de tweede plaats kan B niet gedwongen worden om op zijn daad terug te komen. Het betreft geen huis dat men kan laten afbreken; en er is overigens eenvoudig niets aan de zaak te doen.

Voor verbintenissen die alleen betrekking hebben op de betaling van een verschuldigde geldsom, bestaat de schadevergoeding in de zoogenaamde wettelijke renten, namelijk 50i0 in burgerlijke en 60/0 in handelszaken.

Die renten zijn soms ten gevolge van eene bepaling der wet van zelf verschuldigd: zoo draagt b.v. het slot van rekening, door een voogd aan den gewezen minderjarige te betalen, renten van den dag af dat de rekening gesloten is.

ocr page 217

199

Intrest van Intrest.

Deze kan verschuldigd zijn, natuurlijk tengevolge van een beding tusschen partijen gemaakt, doch ook tengevolge van eene rechterlijke beslissing op vordering van den schuldeischer, b.v. op grond dat deze die renten had kunnen genieten, wanneer hij op den vervaltijd de verschenen renten genoten had.

Verbintenissen om iets te doen. die geen aanleiding geven tot eene vordering tot schadevergoeding.

Hierop hebben wij reeds gewezen. Wanneer de verbintenis op zoodanige wijze is aangegaan, dat op de niet-nakoming straf of boete is gesteld, dan komt verdere ot andere schadevergoeding niet te pas.

Iets dergelijks kan men opmerken omtrent de trouwbeloften. Men zie daaromtrent uitvoerig het medegedeelde op pag. 32.

Verbintenissen waarvan de nakoming niet in rechten kan worden gevorderd.

Dit zijn de zoogenaamde natuurlijke of bloot zedelijke verbintenissen. Zoo is de schuld, uit spel of weddenschap voortspruitende in het algemeen eene natuurlijke verbintenis. De speelschuld kan niet in rechten worden gevorderd

In welke soorten de wet de verbintenissen onderscheidt.

Dit onderwerp, grootendeels voor rechtsgeleerden van belang, behandelen wij alleen in zooverre als het eenige practische waarde kan hebben, en maken dus over elke der door de wet op genoemde soorten van verbintenissen, slechts enkele opmerkingen.

Voorwaardelijke verbintenissen.

Men kan zich voorwaardelijk verbinden; en belooft dan iets te geven of te doen, wanneer eene gebeurtenis, waarvan het onzeker is of zij ooit zal plaats hebben, voorvalt, of wanneer het bekend

ocr page 218

200

wordt, dat eene gebeurtenis, waaromtrent men thans in het onzekere verkeert, is voorgevallen.

B.v. A verbindt zich om aan B een zeker huis te verhuren, wanneer B een huwelijk mocht sluiten. Of, A verbindt zich aan B een som geld te betalen, wanneer hij binnen tien jaren geen huis bouwt op zeker perceel waarop A het uitzicht heeft.

Of, nog anders. A verbindt zich om aan B eene partij koffie voor een bepaalden prijs te verkoopen, wanneer zijn lasthebber op de koffieveiling, waarvan de uitslag hem nog onbekend is, dezelfde koffie voor denzelfden prijs zal gekocht hebben.

In al deze gevallen kan de nakoming der verbintenis geëischt worden, wanneer de voorwaarde vervuld wordt, dat wil zeggen, wanneer het huwelijk gesloten wordt, de tien jaar om zijn zonder dat gebouwd is of het blijkt dat de koffie gekocht was. Anders is de verbintenis van zelf vervallen.

Wanneer de voorwaarde onmogelijk te vervullen is of strijdig is met de wet of de goede zeden, dan is zij nietig en vervalt tengevolge daarvan de geheele verbintenis, zoodat er niets kan gevorderd worden.

Nog een ander voorbeeld:

A verkoopt aan B een huis, met beding dat hij gedurende vijf jaar het recht van terugkoop zal hebben B is eerst onherroepelijk eigenaar geworden wanneer de vijf jaar verloopen zijn zonder dat de wederinkoop heeft plaats gehad.

In dit laatste geval noemt men de voorwaarde ontbindend; immers er was verkocht en de verkoop was feitelijk uitgevoerd, maar als de voorwaarde vervuld wordt, dat wil zeggen, wanneer A van zijn recht gebruik maakt, dan keert alles tot den vorigen toestand terug.

De meeste voorwaarden echter zijn zoogenaamd opschortend, d it wil zeggen, er is wel een verbintenis, maar de uitvoering ervan wordt uitgesteld tot den tijd dat de gebeurtenis heeft plaats gegrepen of het bekend wordt dat zij is voorgevallen.

Nog iets over de ontbindende voorwaarde

Een eigenaardigheid van de ontbindende voorwaarde is deze, dat zij bij zoogenaamde wederkeerige overeenkomsten, altijd stilzwijgend bestaat.

ocr page 219

201

Onder wederkeerige overeenkomsten verstaat men de zoodanige, die elk der partijen in de verplichting brengen om iets te geven, te doen of te laten. Van dien aard is een koopcontract, want de een moet een zaak leveren en de ander den prijs betalen

Wanneer nu eene der partijen niet aan hare verplichting voldoet, de verkooper b.v. niet het goed levert, dan heeft de kooper het recht om de ontbinding der overeenkomst in rechten te eischen, ofschoon dit bij de akte niet bedongen is.

Hij heeft met andere woorden de keus, om tot nakoming te procedeeren of ontbinding te eischen, in dit laatste geval met schadevergoeding.

Wanneer de ontbindende voorwaarde uitdrukkelijk bij de overeenkomst was opgenomen, moet de vernietiging door den rechter worden uitgesproken. Anders heeft hij de bevoegdheid om de partij die in gebreke is, op haar verzoek nog een termijn van hoogstens eene maand te gunnen om alsnog aan hare verplichting te voldoen.

Verbintenissen met tijdsbepaling.

Gesteld dat A zich verbindt om aan B zeker huis te verkoopen, wanneer de tegenwoordige bejaarde huurder sterft.

Is dit eene voorwaardelijke verbintenis ? — Neen, het is eene verbintenis met tijdsbepaling. Er is niets onzekers in dit geval; het staat vast dat de huurder eenmaal sterven zal en dan kan de levering gevorderd worden.

Dergelijke tijdsbepalingen komen zeer veelvuldig in onderscheidene overeenkomsten voor. Zoo wordt b.v. in een koopcontract veelal bepaald op welken dag de kooppenningen zullen moeten worden betaald. In huurcontracten wordt steeds overeengekomen dat de huurpenningen in verschillende termijnen verschijnen, die op vaste tijdstippen moeten worden betaald.

Het gevolg nu van zulk eene tijdsbepaling is, dat niets kan ge-eischt worden voor dat de vervaltijd verschenen is.

Gesteld evenwel dat een huurder, die eerst met November moest betalen, dit reeds met Augustus deed. Kan hij dan op i September, geld benoodigd hebbende, zijne huurpenningen weer terugvorderen ? Neen, dit vermogen wordt hem ontzegd.

ocr page 220

202

Het vervroegde betalen staat hem overigens vrij en in het algemeen kan iemand vóór den bepaalden tijd aan eene verbintenis voldoen, tenzij de tijdsbepaling in het belang van den schuldeischer mocht gemaakt zijn. Wanneer b.v. aan B met i November een koe moet geleverd worden kan A, de verkooper, hem het beest niet reeds met I October opdringen.

Hoewel dit eene handelszaak betreft willen wij hier wel even vermelden dat de houder van een wisselbrief niet genoodzaakt kan worden om de betaling vóór den vervaldag aan te nemen.

Verbintenissen ter keuze.

In de praktijk doen deze verbintenissen zich zelden voor. Zij hebben de strekking om van twee of mf er zaken er e'éne te leveren of van twee handelingen ééne te doen. Zonder uitdrukkelijk beding van het tegendeel, heeft dan de schuldenaar de keus, welke van de twee zaken hij leveren wil enz.

Gesteld b v., dat iemand zes woonhuizen bouwt en zich verbindt om aan een ander één van die woonhuizen, zoo zij gereed zijn, te verhuren. Het belang van den aanstaanden huurder zal nu wel medebrengen dat hij de keus aan zich houdt, doch, zooals wij opmerkten, clan moet hij dit uitdrukkelijk bedingen.

Solidaire of hoofdelijke verbintenissen.

Wanneer zulk eene verbintenis bestaat, dan zijn er twee of meer schuldeischers. die elk afzonderlijk de voldoening der geheele verbintenis kunnen vorderen of wel, er zijn twee of meer schuldenaren, die desnoods verplicht zijn om, elk afzonderlijk, de verbintenis in haar geheel na te komen

Een kenmerk van de hoofdelijke verbintenis is, dat zij ook uit de wet kan voortvloeien. Zoo hebben wij b v. vroeger opgemerkt, dat de moeder, die hertrouwd is en wier man dientengevolge medevoogd is geworden, met haren man hoofdzakelijk voor de gevolgen der voogdij verbonden is. Heeft ieder eigen bezittingen, dan kan dus ieder voor het geheel worden aangesproken voor hetgeen de minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, ter zake van de voogdij mocht te vorderen hebben.

ocr page 221

203

In het algemeen echter moet de hoofdelijkheid uitdrukkelijk bedongen zijn Zoo wordt bij borgtocht, wanneer twee of meer personen zich als borg verbinden, door den schuldeischer bedongen dat zij hoofdelijk zullen verbonden zijn om te betalen, indien de schuldenaar in gebreke blijft. De schuldeischer kan nu dengenen voor het geheel aanspreken, dien hij verkiest.

Is niet bepaaldelijk bedongen, dat de borgen hoofdelijk verbonden zijn, dan kunnen zij vorderen dat de schuldeischer ieder voor zijn deel aanspreekt, of, zooa'.s de wet dat noemt, zij kunnen gebruik maken van het voorrecht van schuldsplitsing, tenzij van dat voorrecht uitdrukkelijk afstand gedaan worde.

Deelbare en ondeelbare verbintenissen.

Eene deelbare verbintenis is de zoodanige, die feitelijk bij gedeelten kan worden nagekomen.

Wanneer A, B en C te zamen negenhonderd gulden schuldig zijn aan D, dan kan ieder van hen driehonderd gulden betalen. Wanneer zij te zamen hebben aangenomen eene sloct van driehonderd meters te graven, dan kan ieder honderd meters opleveren.

Is zoodanige gedeeltelijke uitvoering feitelijk niet mogelijk, dan noemt men de verbintenis ondeelbaar, b.v. wanneer drie eigenaren van een huis, dat huis te zamen hebben verkocht.

Eene verbintenis wordt evenwel voor ondeelbaar qehouden, wanneer zij bepaaldelijk de strekking heeft om als één geheel te worden uitgevoerd. Vandaar dat het graven van de sloot in het zooeve11 genoemde geval geen ondeelbare verbintenis is, want aan een derde gedeelte zou de grondeigenaar niets hebben. Wanneer dus een of twee werklieden in gebreke blijven om het werk uit te voeren, dan is de derde er in zijn geheel toe verplicht.

Hoe is het nu met het betalen van de geldsom door A, B en C. Deze verbintenis is werkelijk deelbaar, b.v., wanneer zij met hun drieën een zekere zaak voor die sotn gekocht hebben, kan ieder volstaan met zijn derde deel te betalen. In de praktijk is het gebruikelijk om in zoodanig geval te bedingen, dat, wanneer twee of meer personen te zamen koopen, zij ieder hoofdelijk tot betaling kunnen worden verplicht.

ocr page 222

204

Gesteld nu, dat iemand aan een ander duizend gulden te betalen heeft. Dat is natuurlijk eene deelbare verbintenis, want men kan b.v. tien maal honderd gulden afdragen. Is hem dit geoorloofd?

Neen, de wet zegt, dat de verbintenis, die voor verdeeling vatbaar is, tusschen partijen moet worden ten uitvoer gebracht, even alsof dezelve ondeelbaar ware. De deelbaarheid is slechts van toepassing ten opzichte van de erfgenamen, die alleen verplicht zijn om hun eigen aandeel te betalen en dus niet voor het geheel kunnen worden aangesproken.

Den hypotheekhouder kan dit laatste natuurlijk niet deren. En ook wanneer de schuld in eene bepaalde zaak bestaat, het leveren van een verkocht goed b v., dat een der erfgenamen in zijn bezit heeft, kan de erfgenaam die in het bezit is van die zaak, voor het geheel vervolgd worden, behoudens zijn verhaal op zijne medeerfgenamen.

Verbintenissen met eene strafbepaling.

Toen wij het een en ander mededeelden over de actie tot schadevergoeding bij niet-nakoming eener verbintenis, hebben wij op deze strafbepaling de aandacht reeds gevestigd.

In het algemeen bestaat de strafbepaling daarin, dat iemand tot zekerheid van de nakoming eener verbintenis tot iets bepaalds verplicht is, wanneer die niet nagekomen wordt.

In dat geval komt de vordering tot schadevergoeding niet te pas en kan de rechter niets meer of minder dan de bepaalde straf opleggen.

De strafbepaling belet evenwel niet, dat de schuldeischer tot nakoming van de verbintenis kan procedeeren, maar de straf wordt in den regel opgelegd in die gevallen, waarin de schuldenaar, ofschoon in rechten aangesproken en veroordeeld, toch feitelijk niet gedwongen kan worden om te doen of te laten waartoe hij verplicht is. Men kan b.v. gemachtigd worden om een gebouw te laten wegnemen dat strijdig met een gesloten contract op zeker erf is opgetrokken, maar men kan iemand niet dwingen om het koffiehuis te sluiten dat hij in strijd met zijne verbintenis geopend heeft, of om een werk te maken, waartoe hij zich alleen verbonden had, en waartoe hij alleen in staat is.

ocr page 223

205

Er is echter nog eene andere soort van straf of boete, die namelijk welke alleen op vertraging gesteld is.

Zoo kan men een aannemer zich doen verbinden om zekere som te betalen voor eiken dag dat hij het werk na zeker tijdstip oplevert.

In zoodanige gevallen moet natuurlijk niet alleen de boete worden betaald, maar bovendien de verbintenis geheel nagekomen.

Boven merkten wij op, dat de rechter niets meer of minder dan de bepaalde straf kan opleggen. Dit geldt echter alleen voor het geval de verbintenis in het geheel niet is nagekomen. Mocht dit echter voor een gedeelte het geval wezen, zoodat de schuldeischer daarvan toch werkelijk eenig nut of voordeel heeft, dan heeft de rechter de bevoegdheid om de straf te wijzigen.

OVEREENKOMSTEN OF CONTRACTEN.

Hierboven hebben wij opgemerkt, dat men tegenover iemand verbonden kan zijn, öf ten gevolge van een met hem gesloten contract, of tengevolge van eene bepaling der wet.

Het eerste doet zich het meest, en in allerlei vormen voor. Bijna oneindig is het aantal overeenkomsten, die voortdurend gesloten worden, ofschoon zij meestal geen blijvende gevolgen hebben en daarom ongemerkt voorbijgaan

Soms echter zijn er wel degelijk blijvende gevolgen aan verbonden, en is het dus van belang om steeds goed te weten, waartoe men zich verbonden heeft, onder welke voorwaarden, en welke gevolgen daaruit kunnen voortkomen.

In het algemeen hebben wij de bevoegdheid, om die voorwaarden en gevolgen zelf te regelen. Is dit geschied, dan geldt dat evengoed als de wet. Maar toch stelt de wet hier en daar eenige algemeene bepalingen vast, waaraan partijen zich steeds hebben te houden, en ook regelen die dan in acht moeten genomen worden, wanneer partijen zelve verzuimden nauwkeurig uit te maken welke voorschriften bij de uitvoering der overeenkomst van kracht zullen zijn.

ocr page 224

2o6

Wat eene overeenkomst is.

De wet noemt eene overeenkomst iedere handeling, waarbij een of meer personen zich jegens een of meer anderen verbinden.

Tengevolge van deze handeling is er dus altijd één, maar zijn er ook dikwijls twee of meer personen, die gehouden zijn om iets te geven, te doen of te laten, en meestal zijn zij tegenover elkander verbonden ; dat wil zeggen, er zijn twee partijen, die elk van hare zijde, of wederkeerig, tot iets gehouden zijn.

De overeenkomst bestaat om zoo te zeggen uit twee bestand-deelen, namelijk het aanbod en de aanneming ervan. Eerst wanneer de eene partij verklaard heeft tot iets bereid te zijn en de andere dat heeft aangenomen, zijn de partijen aan elkander verbonden. Stel b.v. dat A. zich tot B. begeeft om hem een huis voor een bepaalden prijs in koop aan te bieden. B. kan daaromtrent niet onmiddellijk beslissen, doch belooft dit zoo spoedig mogelijk te doen. Wanneer A. vóór die beslissing hem wordt kenbaar gemaakt zijn bod weder intrekt, dan kan geen overeenkomst tot stand komen

Algemeene regels voor de overeenkomsten.

Het spreekt wel van zelf, dat iemand, die zich bij een contract tot iets verbindt, dat in het algemeen voor zich zelf doet. Hij kan er evenwel ook door een ander toe gemachtigd wezen. Wordt dit niet uitdrukkelijk te kennen gegeven, dan handelt men voor zich zelf.

Eenigszins eene uitzondering op dezen regel vindt men in het geval, dat iemand zich voor een ander sterk maakt.

Wij zullen dit met een voorbeeld ophelderen.

A. heeft een broeder B. in Indië, met wien hij niet gemakkelijk van gedachten kan wisselen.

A. en B. zijn samen eigenaar van zeker stuk grond, dat C. wenscht te koopen en, tot een bepaald doel, zeer spoedig in eigendom wenscht te bezitten. Tijd om een volmacht uit Indië te verkrijgen is er niet A. verkoopt nu aan C., als eigenaar voor de helft, en voor de wederhelft zich sterk makende voor zijn broeder, het bedoelde perceel.

ocr page 225

207

Wat beteekent nu dat «zich sterk maken?quot;

A. staat er voor in dat B. den gedanen verkoop voor zooveel zijn aandeel of helft betreft, zal bekrachtigen.

Natuurlijk is het niet zeker dat dit werkelijk geschieden zal en dus moeten wij weten, wat ingeval van weigering kan gebeuren.

Door zich voor zijn broeder te verbinden heeft A. zich tevens tot schadevergoeding verbonden, voor het geval de broeder weigert om den gedanen verkoop te bekrachtigen.

Dit geval kan zich nog op eene andere wijze voordoen.

A. kan, zich sterk makende voor zijn broeder B., ten behoeve van dien broeder een huis koopen van C. Weigert nu later B. den gedanen koop te bekrachtigen, dan is de verbintenis vervallen, maar A. kan door C. als er termen voor zijn tot schadevergoeding worden aangesproken.

Bij het sluiten eener overeenkomst heeft men verder het recht om daarbij van de wederpartij iets te bedingen ten behoeve van eenen derde.

A. b.v. heeft aan B. gedurende geruimen tijd steeds vergund om op marktdagen zijne waren uit te stallen op de stoep van het door A. bewoonde huis. Nu verhuurt A. dat huis aan C., doch bedingt daarbij dat deze aan B., nog gedurende een zekeren tijd kosteloos hetzelfde voorrecht moet toestaan.

Wat is het gevolg van dit beding?

Uit de gesloten overeenkomst ontleent B. het recht om te verklaren, dat hij van het te zijnen behoeve gemaakte beding gebruik zal maken, en wanneer dat geschiedt, dan is C. aan hem verbonden en moet hem de bedoelde vergunning geven. Zoolang echter B zich niet verklaard heeft, kunnen A. en C. te zamen nog op de zaak terugkomen en hun overeenkomst veranderen, zoodat B. ei geen voordeel van kan hebben.

Hoe ver eene overeenkomst zicli uitstrekt.

De overeenkomst wordt in het algemeen geacht gesloten te zijn door partijen, niet alleen ten behoeve of ten laste van zich zeiven, maar ook van hunne erfgenamen of rechtverkrijgenden.

Wanneer A. aan B. een huis verkoopt en B. sterft vóór dat de levering heeft plaats gehad, dan moeten zijne erfgenamen den

ocr page 226

2o8

koop nakomen en zijn van hun kant bevoegd om de levering te eischen.

Heeft iemand zich tot borg gesteld, dan zijn, ingeval van wanbetaling van den schuldenaar, bij zijn overlijden zijne erfgenamen verbonden.

Rechtverkrijgenden zijn personen die later, doch op andere wijze dan door erfrecht, den eigendom eener zaak verkrijgen. Zoo geldt eene erfdienstbaarheid ook voor hen die het heerschende of lijdende erf door koop of ruil verkrijgen.

De regel, dat men niet alleen voor zich zelf, maar ook voor zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden contracteert, gaat natuurlijk van zelf niet op, wanneer de overeenkomst uitdrukkelijk het tegen deel bepaalt. Hij geldt echter ook niet, wanneer dit uit den aard der overeenkomst volgt.

Wanneer b.v. A. aan B., die zaagmolenaar is, het recht geeft om voor zekere som per jaar, boomen te leggen in een aan A. behoorend water, dan geschiedt dit blijkbaar uit aanmerking van den persoon van B.; noch de erfgenamen van B., noch zijne rechtverkrijgenden kunnen rechten aan dit contract ontleenen.

Wanneer iemand een persoon in zijnen dienst neemt, tot het verrichten van arbeid, dan zijn beiden geheel persoonlijk aan elkander verbonden en de tusschen hen gesloten verbintenissen gaan niet op de erfgenamen over.

Er zijn gevallen, waarin de wet zelf een contract als persoonlijk beschouwt. Wanneer bv. eene maat- of vennootschap gesloten is, dan eindigt die door den dood van een der vennooten en wanneer men aan iemand last gegeven heeft om eene zaak te verrichten, en deze dien last heeft aangenomen, dan eindigt dit contract zoowel door den dood van den lasthebber als door dien van den lastgever.

De vereischten voor het wettig bestaan eener overeenkomst.

De overeenkomst, die aan partijen tot wet verstrekt, moet, om zonder gebreken te zijn en dus voor eene volledige uitvoering vatbaar te wezen, aan zekere kenmerken of vereischten voldoen.

Als zoodanig worden door de wet opgenoemd:

ocr page 227

209

l. de vrije toestemming der partijen ;

3. hunne bekwaamheid ;

3. het contracteeren over een bepaald onderwerp ;

4. het bestaan van eene geoorloofde oorzaak der verbintenissen.

Vrije toestemming.

Het spreekt van zelf, dat, wanneer eene overeenkomst gesloten wordt, de partijen daartoe hunne toestemming hebben gegeven.

De mogelijkheid bestaat evenwel dat het geen vrije toestemming is. Zij kan in dwaling gegeven zijn, door geweld zijn afgeperst of door bedrog verkregen.

k Gevolgen van dwaling.

Ofschoon in het algemeen eene overeenkomst nietig is, wanneer zij niet aan de wettelijke vereischten voldoet, is dit toch niet altoos het geval, wanneer er dwaling heeft plaats gehad.

A. koopt eene partij koren van den koopman Jansen. Hij meende dat het de koopman Jansen uit B. was ; maar het was de koopman van denzelfden naam uit C. Is deze overeenkomst nietig ? Volstrekt niet, daar het den kooper te doen was om koren te koopen.

Dwaling is geene oorzaak van nietigheid, wanneer zij alleen plaats had omtrent den persoon met wien men voornemens is te handelen; tenzij de overeenkomst voornamelijk uit aanmerking van dezen persoon mocht zijn aangegaan.

Wanneer er twee broeders zijn in zekere plaats, die zich beiden als koetsier en huisknecht verhuren, A en B , en een heer neemt A. in dienst, meenende dat hij de persoon was die bij zekeren X. heeft gediend en zeer bekwaam is, terwijl het later blijkt dat hij den anderen, zeer onbedreven broeder in dienst genomen heeft, dan is dat contract nietig, want om dien bepaalden persoon was het den heer te doen.

Verder maakt dwaling eene overeenkomst nietig, wanneer men gedwaald heeft in de zelfstandigheid der zaak, dat wil zeggen, wanneer men gecontracteerd heeft over eene andere zaak dan men dacht.

H

ocr page 228

2IO

Men koopt b.v. eene partij wijn, meenende dat het St. Estèphe is, maar het blijkt Medoc te zijn. Deze koop kan niet vernietigd worden. Er is maar een soortverschil.

Anders zou het zijn, wanneer men b.v. jenever in plaats van brandewijn kocht.

Bedrog.

In de boven vermelde gevallen, waarin van eene vernietiging der overeenkomst sprake zou kunnen zijn, heeft het den schijn, alsof een van de partijen de andere bedrogen heeft. Dit behoeft evenwel niet het geval te zijn

Gesteld dat men alleen in de soort dwaalde en, zooals boven is gezegd. Medoc kocht in plaats van St. Estèphe.

Wanneer dit nu een gevolg was van bedrog, door den verkooper gepleegd, dan zal er wel degelijk grond tot vernietiging van den koop zijn.

Dwaling heeft gewoonlijk slechts aan de zijde van ééne der partijen, b.v. in geval van koop. aan die van den kooper plaats.

Maar al heeft de verkooper geweten wat er plaats had, daarom heeft hij de wederpartij nog niet bedrogen. Bedrog levert althans slechts dan een grond op tot vernietiging der overeenkomst, wanneer er kumlgrepen gebezigd zijn van dien aard dat het klaarblijkelijk is, dat de andere partij zonder die kunstgrepen de overeenkomst niet zou hebben aangegaan.

Om het bedrog aan te toonen, moeten er in ieder geval bepaalde feiten bewezen worden: b.v. dat iemand, die zijn dienst kwam aanbieden, zich uitgaf voor een ander persoon dan hij is; dat men eene partij waren, die men wenschte te verkoopen, zekere valsche kenteekenen gaf, om den kooper in den waan te brengen, dat aard of qualiteit anders of beter was, dan in werkelijkheid het geval is.

Geweld.

Geweld doet zich natuurlijk minder voor dan dwaling of bedrog.

Wanneer iemand door geweld genoodzaakt is om eene overeenkomst aan te gaan, dan levert dit grond op tot vernietiging daarvan,

ocr page 229

211

onverschillig of dit geweld gepleegd is door de wederpartij, dan wel door een derde, die buiten de overeenkomst staat.

Geweld is dan in wettelijken zin aanwezig, wanneer het van zoodanigen aard is om op een redelijk mensch indruk te maken en wanneer het hem de vrees kan inboezemen dat hij zijn persoon of zijn vermogen aan een aanmerkelijk en dadelijk nadeel zou blootstellen. Bij de beoordeeling hiervan komt het vooral ook op geslacht, ouderdom en stand der personen aan.

De overeenkomst is zelfs dan nietig, wanneer het geweld gepleegd is jegens den echtgenoot of jegens bloedverwanten in de rechte linie van den handelenden persoon.

Is er alleen sprake van vrees, voortkomende uit eerbied jegens bloedverwanten in de opgaande linie, zonder bijkomend geweld, dan bestaat tot vernietiging der overeenkomst geen grond.

En al is die grond aanwezig, hij vervalt wanneer, na het ophouden van het geweld, de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend is goedgekeurd; stilzwijgend, b.v. door eenvoudig uit te voeren waartoe men zich verbonden had.

Bekwaamheid of bevoegdheid.

De wet noemt als onbekwaam tot het aangaan van verbintenissen op :

minderjarigen,

onder curateele gestelden, en

gehuwde vrouwen.

Hoewel minderjarigen geene verbintenissen kunnen aangaan, zijn zij bevoegd om een huwelijkscontract te sluiten, met bijstand van degenen wier toestemming tot het aangaan van het huwelijk noodig was.

De wet zegt dat de personen, welke onbekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan, tegen hunne verbintenissen kunnen opkomen.

Laat ons dit met een voorbeeld ophelderen. Een winkelier verkoopt verschillende zaken aan een minderjarigen persoon, op crediet. De betaling blijft uit, ook nadat de bedoelde persoon meerderjarig geworden is. Nu volgt eene dagvaarding van den

ocr page 230

212

leverancier; doch de schuldenaar beroept er zich op, dat hij, minderjarig zijnde, onbekwaam was om verbintenissen aan te gaan. De vordering wordt dientengevolge aan den leverancier ontzegd.

Ook hebben minderjarigen, meerderjarig geworden zijnde, of gedurende de minderjarigheid hunne wettelijke vertegenwoordigers, de bevoegdheid om van hun kant te procedeeren tot vernietiging der door de minderjarigen aangegane verbintenissen.

Op dit onderwerp komen wij echter nader terug.

■ De wederpartij kan zich op de onbekwaamheid niet beroepen.

Gesteld dat A., meerderjarig, aan B., minderjarig, een huis verkoopt. B., meerderjarig geworden zijnde, eischt levering. Nu moet A. leveren en kan er zich niet op beroepen dat B. destijds nog minderjarig was.

Ook zou de voogd, het contract goedkeurende, voor den minderjarige terstond levering kunnen eischen.

Op blz. 49 hebben wij over dit onderwerp reeds iets medegedeeld en daar gewezen op het geval dat eene vrouw handelt zonder machtiging van haren man.

Keurt de man de handeling goed, dan kan de wederpartij zich niet op de onbevoegdheid der vrouw beroepen. Alleen man en vrouw of hunne erfgenamen kunnen tot vernietiging der aangegane verbintenissen procedeeren, of, als zij gedagvaard worden, zich op de nietigheid der handeling beroepen.

Het oontracteeren over een bepaald onderwerp.

Daar alle overeenkomsten desnoods in rechten moeten kunnen worden ten uitvoer gebracht, spreekt het wel van zelf dat men om zoo te zeggen een hoüvast hebben moet. Er moet duidelijk blijken waarover gecontracteerd is, want anders kan men ook niet weten wat er te eischen valt.

Dat wil nu niet zeggen, dat de zaak, die het onderwerp der overeenkomst is, in alle bijzonderheden moet worden aangeduid; maar het moet toch vaststaan over welke zaak de overeenkomst

ocr page 231

213

loopt. Men drukt dit ook wel uit door te zeggen, dat de zaak moet worden aangeduid ten aanzien van het geslacht of de soort.

De verbintenis b.v. om eene zekere hoeveelheid vruchten te leveren is nietig; want er zijn allerlei soorten van vruchten.

De verbintenis tot levering van een zeker aantal stuks rundvee is daarentegen wel bestaanbaar. Men weet zeer goed wat daaronder verstaan wordt en de nadere bijzonderheden kunnen later worden vastgesteld.

Het is nu niet de vraag of dergelijke onbestemde contracten aanbeveling verdienen ; want dat doen zij natuurlijk niet. In ieder geval zijn zij bestaanbaar.

Verder is het geen bezwaar, dat de hoeveelheid der in de overeenkomst begrepen zaken onbepaald zij, onder voorwaarde evenwel, dat die hoeveelheid naderhand kunne worden vastgesteld. Dit laatste spreekt trouwens van zelf; want anders zou er van eene feitelijke uitvoering geen sprake kunnen zijn.

Bij aanbestedingen b.v. is het zeer veel gebruikelijk om de levering aan te nemen van zekere benoodigde zaken gedurende eenen bepaalden tijd, zonder dat aanvankelijk de hoeveelheid vastgesteld wordt.

Men kan ook een contract sluiten over eene toekomstige zaak, dat wil zeggen over eene zaak, die men nog niet in zijn macht heeft.

A. en B. kunnen b.v. overeenkomen dat A. aan B. een bepaald huis verhuren zal, wanneer hij dat huis op eene eerlang te houden publieke veiling mocht koopen. Nu beschikt men niet over de zaak zelf, maar verbindt zich alleen om dat in zekere omstandig heden te zullen doen.

Nu voegt de wet er bij dat men geen afstand kan doen van eene erfenis die nog niet opengevallen is, of daarover contracteeren. Hieruit volgt dat A. zich niet verbinden kan om de erfenis van B aan C. te verkoopen, wanneer hij de erfenis verkrijgt

Hij kan zich echter, in overeenstemming met het bovenstaande, wel verbinden, om een zeker huis te verkoopen, dat tot den boedel van B. behoort, wanneer hij daarvan later den eigendom mocht verkrijgen.

ocr page 232

214

Het bestaan van eene geoorloofde oorzaak der verbintenis.

Eene overeenkomst zonder oorzaak aangegaan is krachteloos, zegt de wet.

Dit doet echter niet veel tot de zaak, daar de partijen in de schriftelijke bewijzen der overeenkomst geene oorzaak behoeven op te geven.

Er worden echter geene contracten zonder bepaalde redenen gesloten. Die redenen mogen intusschen niet strijden met de wet of de goede zeden.

Wij hebben gezien dat de wet bepaalt dat iemand die een pand heeft of een hypotheekrecht, zich het pand of het verbonden goed niet mag toeeigenen, wanneer de schuldenaar niet aan zijne verplichting voldoet. Gesteld nu dat schuldenaar en schuldeischer eene overeenkomst fluiten, waarbij juist het tegendeel wordt bepaald, dan is dezelve toch krachteloos.

Wat eene handeling is die strijdt met de goede zeden, zegt de wet nergens en de beoordeeling daarvan zal steeds aan den rechter moeten worden overgelaten. Direct onzedelijk zou elke verbintenis zijn, strekkende om iets te doen of te geven, onder voorwaarde dat de tegenpartij iets verrichtte of naliet, wat door de wet verboden of geboden wordt.

De gevolgen der overeenkomsten.

Wij hebben reeds opgemerkt dat eene overeenkomst, op wettige wijze tot stand gekomen, de partijen tot wet verstrekt. Zij moeten dan ook te goeder trouw worden ten uitvoer ge'egd en wanneer eene der partijen daarin eenige verandering mocht wenschen te brengen, dan kan dit alleen met wederzijdsche toestemming van alle partijen; tenzij de wet zelve daartoe aanleiding mocht geven.

Bij de behandeling van het onderwerp der schenkingen zullen wij van dit laatste een voorbeeld aantreffen.

Wanneer overeenkomsten gesloten zijn, waaruit dus verbintenissen aan de eene zijde of aan weerszijden voortvloeien, dan komen er gewoonlijk nog andere verbintenissen bij, die uit kracht der wet ontstaan Bijna altijd zijn de partijen tot het een of het ander gehouden.

ocr page 233

215

De overeenkomsten verbinden dus niet alleen tot datgene wat er uitdrukkelijk bij bepaald is, maar ook tot al hetgeen door de wet en zelfs door de billijkheid of het gebruik wordt gevorderd. De billijkheid moet natuurlijk door den rechter beoordeeld worden, terwijl de vraag of er een algemeen geldend gebruik bestaat, meestal wel kan worden aangetoond.

Juist omdat de overeenkomsten aan partijen tot wet verstrekken, zijn ze ook alleen geldig voor de personen die er bij betrokken zijn, of er, zooals wij vroeger zagen, rechten uit kunnen ontleenen.

Personen, die er buiten staan, kunnen er, in het algemeen althans, niet door verbonden zijn en zelfs er niet door benadeeld worden ; dit laatste echter ook al weer tenzij die benadeeling niet opzettelijk geschiede maar op de wet zelf gegrond is

Immers, wanneer iemand, die aan verschillende personen geld schuldig is, aan een of meer dier personen op zijne vaste goederen op hun verzoek hypotheek geeft, tot zekerheid van de voldoening, dan hebben zij meer waarborg dan de andere en de gesloten overeenkomst kan aan die anderen tot nadeel verstrekken.

Met de pmdgeving van roerend goed kan zich hetzelfde geval voordoen.

Er zijn meer dei gelijke voorbeelden in de wet.

Evenwel is in die gevallen, zooals wij opmerkten, geen sprake van opzettelijke benadeeling van iemands belangen.

Een voorbeeld, dat van zoo iets wel degelijk sprake kan zijn, hebben wij vroeger ook al eens gegeven, namelijk dat van het onroerend goed, waarvan twee personen eigenaar zijn. ieder voor de onverdeelde helft Nu neemt A. geld op zijn helft, onder verband van hypotheek en daarna maken zij scheiding, waarbij het geheele perceel aan B. wordt toebedeeld. Nu is de hypotheek vervallen en de geldschieter heeft geen zekerheid.

Wanneer nu door zoodanige of door eene andere overeenkomst, de schuldeischers opzettelijk in hunne belangen worden benadeeld, dan hebben zij, al staan zij er geheel buiten, het recht om in eigen naam eene actie tot vernietiging in te stellen.

De crediteuren moeten daarbij echter het bewijs leveren dat, bij het verrichten van de handeling, zoowel de schuldenaar als

ocr page 234

2l6

degene met wien of ten behoeve van wien hij handelde, de wetenschap bezat dat daarvan benadeeling van de schuldeischers het gevolg zou zijn.

Ook door zijn goed weg te geven, te schenken, kan een schuldenaar zijne schuldeischers benadeelen. Voor de actie tot nietigverklaring komt het er dan niet op aan, of de begiftigde iets van den vermogenstoestand van den schenker wist. In dit geval zal de nietigverklaring dus gemakkelijker kunnen worden verkregen.

Regelen voor de uitlegging der overeenkomsten.

Zal het wel zijn. dan moet eene overeenkomst, evenmin als een testament, onvolledige, onduidelijke of dubbelzinnige bepalingen bevatten.

De regeering zorgt voor de aanstelling van openbare, rechtskundige ambtenaren, wier taak het in hoofdzaak is om de overeenkomsten. die tusschen partijen gesloten worden, in geschrift te brengen. Dit zijn de notarissen, wier hulp men echter in vele gevallen niet verplicht is in te roepen. Een natuurlijk gevolg is, dat duistere en dubbelzinnige bepalingen in gebrekkige door partijen zeiven of dnor onbevoegde personen opgemaakte schriftelijke bewijzen van gesloten overeenkomsten, menigvuldig voori omen

Geeft dit aanleiding tot geschil, dan moet de rechter eenige regelen in acht nemen, die de wet voor de uitlegging der overeenkomsten geeft.

Deze zal in de eerste plaats moeten letten op de bedoeling der partijen, moet altijd zóó uitleggen, dat het beding waarover geschil is eenige uitwerking heeft, den aard der overeenkomst steeds in het oog houden en vragen wat gebruikelijk is in het land of op de plaats, waar de overeenkomst is aangegaan.

In ieder geval staat het vast, dat bestendig gebruikelijke bedingen geacht worden stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, ofschoon daarbij niet uitgedrukt. Dit ziet op ahjemeene gebruiken, dus niet op het plaatselijk gebruik, dat bijna overal verschilt

Om een voorbeeld te noemen: die de kosten van een op te maken contract betaalt, kiest den notaris die de akte zal verlijden.

ocr page 235

217

OVER VERBINTENISSEN, DIE UIT WETSBEPALINGEN ONTSTAAN.

Het komt zeer dikwijls voor dat iemand, b v. door de eene of andere bediening aan te nemen, door eene zekere daad te verrichten, tot iets gehouden is, niet omdat hij zich daartoe uitdrukkelijk verbindt, maar omdat een bepaald wetsartikel hem voor dat geval verplichtingen oplegt.

Verscheidene voorbeelden daarvan hebben wij reeds ontmoet.

Wanneer eene weduwe met minderjarige kinderen hertrouwt, dan wordt haar man mede-voogd en dan is hij van zelf medeverbonden voor de voogdijverrichtingen, na het aangaan van het huwelijk.

Wanneer een voogd langer dan een jaar in gebreke blijft om de voorhanden gereede penningen van den minderjarige te beleggen, dan is hij daarvan rente verschuldigd.

Dergelijke renten zijn ook bij vertraging in de uitkeering van het saldo der voogdijrekening en in een aantal andere gevallen verschuldigd.

Een executeur die zijne benoeming eenmaal aangenomen heeft is verbonden om de waarneming zijner taak ten einde te brengen.

Nu kunnen zich hierbij nog twee bijzondere omstandigheden voordoen. Men kan uit de enkele kracht der wet verbonden zijn; maar men kan het ook wezen door de werking der wet in verband met eene daad die men heeft verricht.

Verbintenissen die alleen uit de wet voortvloeien.

Van deze gaven wij zoo even reeds eenige voorbeelden, die elders in ons werk voorkomen. Andere vinden wij in het burenrecht en trouwens overal elders in de wet verspreid Wij behoeven daarbij thans niet opzettelijk stil te staan.

ocr page 236

2l8

Verbintenissen die uit de wet voortvloeien door 's menschen toedoen.

Deze verbintenissen ontstaan wanneer iemand een bepaalde daad of een bepaald feit verricht, of iets bepaalds nalaat en de wet hem dan, op grond daarvan, tot iets gehouden verklaart.

Deze bepaalde daden of feiten worden in twee soorten onderscheiden, namelijk in rechtmatige en onrechtmatige daden.

Rechtmatige daden.

De meeste handelingen, door den mensch verricht, zijn in wet-telijken zin rechtmatig; dat wil zeggen, hij is er toe bevoegd, het is hem nergens verboden, het is geen strafbaar feit.

Er zijn echter slechts twee van die rechtmatige daden, waaraan door de wet bepaalde rechtsgevolgen zijn verbonden; het zijn:

1. het waarnemen van eens anders zaak zonder last, en

2. het ontvangen van iets wat niet verschuldigd is.

Zaakwaarneming.

In den regel wordt tot waarneming der zaken van eenen afwezige of iemand die zelf daarin verhinderd is, door hem last gegeven. Het kan echter ook anders zijn.

Gesteld b v. dat iemand huis en hof, wel gesloten en verzekerd, verlaat om zich op reis te begeven. Een noodlottig toeval evenwel, een brand of andere ramp, stelt alles aan de onbescheidenheid van anderen en den eigenaar aan inbraak en diefstal bloot. De aangrenzende bewoner treedt nu vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomt n, als waarnemer der belangen van den afwezige op en neemt de zorg voor diens bezittingen op zich.

Ziedaar nu de daad of het feit, waaraan de wet hare gevolgen verbindt

En welke ?

De buurman heeft zich stilzwijgend verbonden om de waarneming der zaken voort te zetten en te voltooien, tot da degene wiens belangen hij waarneemt in staat is om in die zaak zelf te voorzien. Hij moet zich belasten met al hetgeen tot die zaak behoort

ocr page 237

2ig

en onderwerpt zich aan de verplichtingen die hij zou hebben moeten nakomen, wanneer hij bij eene uitdrukkelijke lastgeving was gemachtigd geworden.

Verder is hij verplicht met zijn beheer voort te gaan, al ware het ook dat degene wiens belangen hij waarneemt mocht komen te overlijden vóór dat de zaak is ten einde gebracht, tot dat de erfgenamen het beheer op zich kunnen nemen.

Daarentegen is hij wiens belangen door een ander beh orlijk zijn aargenomen, gehouden om de verbintenissen, door den waarnemer in zijn naam aangegaan, na te komen en hem alle nuttige of noodzakelijke uitgaven te vergoeden

Tot het berekenen van loon is de waarnemer echter in geen geval gerechtigd.

Het ontvangen van onverschuldigde betaling

Wanneer iemand een schuld betaalt of de eene of andere verbintenis nakomt, dan ligt het vermoeden vonr de hand. dat hij er ook toe gehouden was

Evenwel bestaat de mogelijkheid van het tegendeel, en wanneer het bewijs hiervan kan geleverd worden, dan heeft hij die onverschuldigd betaalde eene actie tot terugvordering

Het ontvangen van eene onverschuldigde betaling is dus eene daad, waaraan de wet een rechtsgevolg verbindt, namelijk de verplichting tot teruggave.

Uitzondering ten opzichte van natuurlijke verbintenissen.

Natuurlijke verbintenissen zijn de zoodanige, waaraan de wet geen rechtsvordering verbindt. Men kan de nakoming er van niet in rechten vorderen. Er is dus geene verbintenis in den zin der wet, maar een zedelijke verplichting en die zich van die verplichting kwijt, doet het uit een natuurlijk gevoel van billijkheid. Daarom spreken wij van natuurlijke verbintenissen

Hier volgen eenige voorbeelden van eene natuurlijke verbintenis: Wanneer eene schuld is verjaard, kan men zich op die verjaring

ocr page 238

220

beroepen en is dus in wettelijken zin niet meer tot betaling gehouden.

Heeft men voor geleend geld geen renten bedongen, dan is deze volgens de wet ook niet verschuldigd.

Wanneer men van iemand door spel of weddenschap iets gewonnen heeft, dan is men volgens de wet in het algemeen niet tot betaling gehouden

Gesteld nu, dat men de niet bedongen rente toch vrijwillig betaalt of de speelschulden voldoet en later verneemt dat men er niet toe gehouden was. Kan men dan terug vorderen ?

Neen hij die deze onverschuldigde betaling ontving, is niet tot terugbetaling gehouden.

Onrechtmatige daden.

De burgerlijke gevolgen van het plegen eener onrechtmatige daad, worden door de wet tamelijk uitvoerig geregeld.

Bij elke onrechtmatige daad, bij iedere handeling dus waartoe men niet bevoegd was of die verboden of strafbaar is, is het de vraag, of deze aan iemand eenige schade heeft veroorzaakt.

Zoo ja, dan is hij die de daad pleegde, uit de enkele kracht der wet gehouden om die schade te vergoeden en heeft men deswege tegen hem eene rechtsvordering.

Hoe ver deze verantwoordelijkheid zich uitstrekt.

Men is verantwoordelijk niet alleen voor de schade die men door zijne daad, maar ook voor die welke men door zijne nalatigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt heeft. Bovendien is men niet alleen verantwoordelijk voor de schade welke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor welke men aansprakelijk is, of door zaken, b.v. dieren, welke men onder zijn opzicht heeft.

Meer bepaaldelijk is de vader, of bij diens afwezigheid de moeder, verantwoordelijk voor de schade welke veroorzaakt is door de minderjarige kinderen welke bij hen inwonen.

Gaan de kinderen naar school of naar de werkplaats, dan zijn de onderwijzers of werkmeesters verantwoordelijk voor de schade

ocr page 239

22 I

door hunne leerlingen en knechts veroorzaakt, gedurende den tijd dat zij ondei hun toezicht staan

Verder zijn de meesters (dat wil hier zeggen alle personen die dienstboden huren) en degenen die anderen aanstellen tot de waarneming hunner zaken, zooals kantoor- en winkelbedienden en verdere geëmploieerden en beambten, verantwoordelijk voor de schade door hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben.

De bovenbedoelde verantwoordelijkheid houdt evenwel op, wanneer de ouders, onderwijzers, werkgevers enz. kunnen bewijzen dat zij de daad voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten.

Wanneer dus een jongen, zonder opzicht van een der bedoelde personen uit de school komende, de eene of andere schade aanricht, b v. een spiegelruit inwerpt, dan heeft de eigenaar geen vordering tegen de ouders, maar alleen tegen den minderjarige zelf, hetgeen natuurlijk slechts dan voor hem van waarde is, wanneer die minderjarige toevallig eigen bezittingen heeft. In dit laatste geval kan tegen den vader, als beheerder der bezittingen eene actie worden ingesteld.

Eigenaars van dieren en gebouwen.

De wet zegt zeer duidelijk dat de eigenaar van een dier, of degene die zich van een dier bedient, een gehuurd paard b.v., zoolang het tot zijn gebruik verstrekt, aansprakelijk is voor de schade, door het dier veroorzaakt, hetzij hetzelve onder zijn toezicht en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt zij.

Verder is de eigenaar van een gebouw verantwoordelijk voor de schade door deszelfs geheele of gedeeltelijke instorting veroorzaakt, indien deze door verzuim van onderhoud, of door een gebrek in de bouwing of inrichting is teweeg gebracht.

Gevolgen van doodslag, kwetsing of verminking.

In geval van doodslag, al mocht die dan ook uit onvoorzichtigheid voortspruiten, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den doode, die door zijn arbeid onderhouden

ocr page 240

werden, eene vordering tot schadevergoeding, welke door den rechter bepaald wordt naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen en naar de omstandigheden.

Moedwillige of onvoorzichtige kwetsing of verminking van eenig deel des lichaams, geeft aan den gewonde het recht om behalve de vergoeding der kosten van herstel, ook die der schade, door de kwetsing of verminking veroorzaakt, te vorderen.

Voor de hoegrootheid der schadevergoeding geldt hier dezelfde regel en trouwens in alle gevallen waarin sprake is van schadevergoeding wegens een misdrijf tegen een persoon gepleegd.

Alleen de gevallen van doodslag, kwetsing of verminking worden door de wet meer uitdrukkelijk genoemd.

Zedelijke schade.

Niet alles is met geld goed te maken.

Zoo is het b.v. met de beleediging, die iemands eer kan be-nadeelen of hem zijn goeden naam ontnemen.

Trouwens, ook van stoffelijke schade kan in dit geval sprake zijn, en dan heeft de beleedigde partij eene tweeledige vordering.

Die vordering strekt vooreerst tot vergoeding van schade, en in de tweede plaats tot betering of herstel van het nadeel in eer en goeJen v.aam ge eden. Het recht tot die vordering gaat niet verloren noch door den dood van den beleediger, noch door dien van den beleedigde

Bij het vonnis kan dan worden verklaard dat de gepleegde daad beleedigend is en wanneer de beleedigde zulks vordert, kan bovendien worden bevolen, dat, op kosten van den veroordeelde, het vonnis openbaar worde aangeplakt, bij zoovele exemplaren en daar waar de rechter zulks zal bepalen.

Intusschen kan degene, die de daad pleegde, dit voorkomen door eene verklaring voor den rechter, dat de gepleegde daad hem leed doet, dat hij deswege verschooning vraagt en dat hij den beleedigde houdt voor een persoon van eer.

Welke waarde de wet hecht aan de vergoeding van zedelijke schade blijkt uit het feit dat de vordering daartoe — de tweeledige namelijk — ook toekomt aan echtgenooten, ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen, wegens beleediging hunnen echtge-

ocr page 241

223

nooten, kinderen, kleinkinderen, ouders of grootouders, na derzelver overlijden aangedaan.

De rechter kan evenwel eene vordering wegens beleediging niet toewijzen, wanneer het blijkt dat er geene bedoeling was om te beleedigen, maar in tegendeel noodzakelijke verdediging, rechtmatige aanklacht, verplichting om getuigenis der waarheid te geven, plichten van ambt, post, bediening of eenige wettige betrekking, of ook andere rechtmatige of geoorloofde inzichten, tot de daad welke anders beleedigend zou geweest zijn, billijken grcnd of aanleiding hebben gegeven.

Verder spreekt het wel vanzelf dat de burgerlijke vordering niet kan worden toegewezen, wanneer uit een strafvonnis de waarheid der gedane aantijging blijkt.

Alleen wanneer men, kennelijk met het eenige doel van belee diging, wanneer de waarheid der aantijging vast staat, iemand deswege met beleedigingen vervolgt, is men verplicht de daardoor te veroorzaken schade Ie vergoeden. Wanneer b.v. iemand wegens laster is veroordeeld en men hem overal openlijk met den naam van lasteraar toespreekt, waardoor hij ten slotte geldelijk nadeel lijdt, kan er aanleiding zijn tot eene vordering om dat nadeel te vergoeden.

Verjaring.

De vordering tot vergoeding van zedelijke schade verjaart, en gaat dus te niet door verloop van een jaar, te rekenen van den dag dat de daad gepleegd werd en aan den beleedigde bekend was of van den dag dat de daad aan den beleedigde ol aan hem die de vordering aanlegt later is bekend geworden.

ocr page 242

224

OVER HET TE NIET GAAN VAN VERBINTENISSEN.

Op een aantal wijzen kunnen verbintenissen welke uit overeenkomsten voortvloeien en ook die welke uit de wet voortkomen, een einde nemen.

Voor zoover dit eenige practische waarde kan hebben, zullen wij van al die verschillende wijzen, ieder achtereenvolgens, iets mede-deelen.

Verbintenissen dan kunnen teniet gaan :

1. door herroeping, hetzij dan met wederzijdsch goedvinden van de partijen of op grond van de wet door één van de partijen;

2. door betaling;

3. door aanbod van betaling en gerechtelijke bewaargeving;

4. door vernieuwing ;

5. door vergelijking ;

6. door vermenging;

7. door kwijtschelding;

8. door het vergaan van de zaak ;

Q. door nietigheid of vernietiging ;

10. door de werking van eene ontbindende voorwaarde ;

11. door verjaring.

Herroeping.

Boven hebben wij er reeds op gewezen, dat de overeenkomsten partijen tot wet verstrekken; dat zij dientengevolge alleen kunnen worden herroepen met wederzijdsch goedvinden; dat bijzondere bepalingen of afspraken tusschen sommige van de partijen voor de overige niet gelden.

Herroeping, slechts door ééne der partijen, is mogelijk, doch alleen wanneer de wet er aanleiding toe geeft. Bij de behandeling der schenkingen zullen wij daarvan een voorbeeld aantreffen.

ocr page 243

225

Betaling.

Het spreekt wel van zelf, dat eene verbintenis teniet gaat, wanneer die behoorlijk is nagekomen en uitgevoerd. Gemakshalve noemen wij dat betaling. Het leveren van een verkocht of verhuurd huis, het uitvoeren van een aangenomen werk, het volbrengen van een lastgeving die men op zich genomen had, dat alles is in den zin der wet betalen.

Over het kwijten van verbintenissen.

Het is volstrekt niet alleen de schuldenaar zelf, die zich van eene verbintenis kwijten kan.

De wet zegt dat ieder dit doen kan die er belang bij heeft.

Belang om te betalen kan b.v. hebben een borg, of een medeschuldenaar. Voorziende dat groote kosten gemaakt zullen worden, kan een borg of mede schuldenaar het raadzaam oordeelen om de schuld te voldoen. Hij heeft er belang bij om erger dingen te voorkomen en. door de betaling van de schuld, treedt hij in de rechten van den schuldeischer, of wordt, met andere woorden, in die rechten gesubrogeerd. Hij wordt zelf schuldeischer en kan het betaalde terugvorderen of daaromtrent met den schuldenaar eene regeling maken.

Of men dan ieders schulden betalen kan ?

In zeker opzicht kan men dat wel ; maar, heeft men er geen belang bij, dan kan men het niet doen met wettig gevolg.

Stel b.v. het volgende geval. A. heeft vele schulden. B., die zijn schuldeischer niet is, loert op zijne bezittingen. Wat doet hij nu ? Hij betaalt eenvoudig al zijne schulden, om hem zoo doende in zijne macht te krijgen.

Kan dit ? O ja, de schuldeischers zullen hoogstwaarschijnlijk de betaling gaarne aannemen. Maar, B. had er geen wezenlijk belang bij om te betalen, dat wil zeggen geen wettig belang, en daarom wordt hij toch niet in de rechten der schuldeischers gesubrogeerd en kan A. niets maken.

iS

ocr page 244

226

Het kwijten van verbintenissen om iets te doen.

Stel dat eene dienstbode hare diensten heeft verhuurd.

Kan zij nu op den bepaalden dag hare zuster in hare plaats stellen en moet de meesteres daarmede genoegen nemen ?

Neen, de meesteres heeft er belang bij dat de huurverbintenis door de dienstbode zelve worde nagekomen en een derde persoon kan dit dus tegen haar wil niet doen.

Hetzelfde geldt voor alle verbintenissen om iets te doen, van welken aard die ook zijn mogen.

Het is niet onverschillig aan wien men betaalt.

Het is van groot belang om te betalen aan den schuldeischer zelf, of aan zijn gemachtigde, of in het algemeen aan iemand die wettig bevoegd is te ontvangen, daar de betaling anders niet geldig is en men groot gevaar loopt om nog eens door den schuldeischer te worden aangesproken.

Deze heeft daar altijd recht toe, tenzij hij de betaling mocht hebben goedgekeurd of daardoor toch gebaat is geworden, b.v. wanneer de aan een verkeerd persoon geleverde zaak toch in zijn bezit is gekomen.

Om deze reden is de betaling aan een minderjarig persoon niet van waarde, tenzij de schuldenaar mocht kunnen bewijzen dat de betaling ten bate van den minderjarige heeft verstrekt. Deze kan b.v. eene hem komende schuld hebben ontvangen en het geld op eene bepaalde wijze belegd. Is dit aan te toonen dan kan de voogd den schuldenaar niet andermaal tot betaling aanspreken.

Heel gevaarlijk is het ook om te betalen in geval van inbeslagneming. B.v.: A. is aan B. geld schuldig. C. heeft van B. geld te vorderen en nu legt hij bij A. beslag op de gelden die deze van B. onder zich heeft. A kan nu geen wettige betaling meer aan zijn schuldeischer B. doen. ,

Wyze van betaling.

Geen schuldeischer kan genoodzaakt worden om iets anders te ontvangen dan hem werkelijk verschuldigd is.

ocr page 245

22?

Bij de betaling van geldsommen is men bovendien gehouden zich te regelen naar de bepalingen der muntwet.

Deze wet bepaalt onder meer het volgende:

Zilveren pasmunt, dat wil zeggen kwartjes, dubbeltjes, stuivertjes, behoeft men bij elke betaling tot geen hooger bedrag dan tien gulden aan te nemen.

De bronzen pasmunt, halve stuivers, centen en halve centen, behoeft men slechts tot een bedrag van een gulden aan te nemen.

Het overige zilvergeld en het goudgeld, benevens de muntbiljetten, zijn wettig betaalmiddel. Deze moet men dus tot elk bedrag aannemen.

Ander papieren geld, namelijk het papier van de Nederlandsche bank, is geen wettig betaalmiddel. Die het niet in voldoening eener schuld wil aannemen kan er ook niet toe verplicht worden.

Het verschuldigde moet verder in eens worden voldaan. Dat hebben wij reeds opgemerkt toen wij spraken over deelbare en ondeelbare verbintenissen.

Die dus duizend gulden te betalen heeft is niet gerechtigd om tienmaal honderd te betalen.

Hierop bestaat wel eene uitzondering, maar deze heeft betrekking op het handelsrecht. Wanneer namelijk een persoon, die een wisselschuld betalen moet, bereid is tot betaling van een gedeelte, moet de houder van den wissel die gedeeltelijke betaling aannemen.

De wet zegt dat de schuldenaar van eene bepaald aangeduide zaak bevrijd is, dat wil zeggen aan zijne verplichting voldaan heeft, door de afgifte van die zaak in den staat waarin dezelve zich ten tijde der levering bevond, mits de verminderingen, welke de zaak sedert het aangaan der verbintenis mocht ondergaan hebben, niet door zijn toedoen of verzuim of dat van personen voor welke hij verantwoordelijk is zijn veroorzaakt.

Het komt echter ook dikwijls voor dat eene zaak geleverd moet worden, die slechts bepaald is ten aanzien van de soort of het geslacht. B.v. twaalf stuks goede, tweejarige ossen. Nu is de schuldenaar of verkooper niet verplicht om van de beste soort te geven, evenmin als hij kan volstaan met beesten te leveren van de minste qualiteit. Hij moet middelsoort leveren.

ocr page 246

228

Plaats waar de betaling moet geschieden.

De plaats waar men eene verbintenis moet kwijten wordt in den regel door de overeenkomst bepaald.

Bij gebreke daarvan zegt de wet, dat de levering van bepaald aangeduide zaken moet geschieden ter plaatse waar zij zich bij het aangaan der verbintenis bevonden; in andere gevallen ter woonplaatse van dengene, aan wien de betaling of levering geschieden moet, wanneer deze niet van woonplaats veranderd is, en anders ter woonplaats van den schuldenaar.

Wij vermelden dit alleen om er op te wijzen dat bepaling van plaats van betaling of levering, door de onpractische wetsbepalingen, in ieder geval zeer gewenscht is.

Vermoeden dat reeds betaald is.

Dat betaling heeft plaats gehad moet in het algemeen door kwijting of andere bepaalde bewijsmiddelen worden aangetoond.

Wanneer echter zekere betaling in termijnen moet geschieden, zooals het geval is met renten, huur enz., en men kan driequitan-ties vertoonen, waaruit de betaling van drie achtereenvolgende termijnen blijkt, dan is er een vermoeden dat de vroegere ook betaald zijn en mocht de schuldeischer het tegendeel beweren, dan zal hij het moeten bewijzen, daar het onwaarschijnlijk is dat iemand drie termijnen aanneemt wanneer de vroegere niet betaald zijn.

Wanneer men betaalt bij langere termijnen dan een Jaar, gaat deze regel niet door; maar dit zal zich feitelijk wel niet voordoen.

Kosten.

Wanneer er kosten op de betaling vallen, b.v. die van een notariëele kwijting, dan komen die ten laste van den schuldenaar.

Men bedenke dat bij een wederkeerige overeenkomst, zooals koop of huur, twee schuldenaars zijn. Vandaar dat de kosten van betaling voor den kooper en die van de levering voor den ver kooper komen. Echter wordt veelal en in elk geval bij den verkoop van onroerend goed, bedongen dat alle kosten voor den kooper zijn.

ocr page 247

229

Betaling als er meer dan een schuld bestaat.

Gesteld dat A aan B verschiliende betalingen moet doen, dan heeft hij het recht om bij het doen eener betaling te verklaren tot voldoening van welke dier schulden hij de bedoelde som wil doen verstrekken.

In zulk een geval zal de kwijting natuurlijk vermelden voor welke schuld de betaling gedaan is. Indien dit echter niet mocht zijn geschied, wordt een vervallen schuld geacht eerder betaald te zijn dan een niet vervallene en wordt de schuldenaar geacht van de vervallen schulden, namelijk die opeischbaar waren, het eerst die te hebben willen betalen, waarbij hij het meeste belang had.

Wanneer alle schulden gelijk staan, dan wordt men geacht de oudste schuld het eerst te hebben willen voldoen.

Subrogatie.

Wij hebben reeds opgemerkt dat iemand, die wettig voor een ander betaalt, gesubrogeerd of gesteld wordt in de rechten van den schuldeischer tegen den schuldenaar.

Door dezen bijzonderen vorm van betaling blijft dus wel de schuld bestaan, maar tusschen den schuldenaar en den oorspronke-lijken schuldeischer heeft zij verder geene kracht meer, daar er een ander in zijne plaats is gesteld

Deze subrogatie kan bij overeenkomst worden daargesteld en vloeit ook dikwijls uit de bepalingen der wet zelve voort.

Subrogatie bij overeenkomst.

Dit gebeurt b.v. op deze wijze. A is aan B duizend gulden schuldig. A ontvangt de betaling van die duizend gulden van C en verklaart daarbij dat hij hem uitdrukkelijk in zijne rechten stelt. Deze handeling moet nu aan den schuldenaar worden beteekend, dat wil zeggen, gerechtelijk aangezegd; maar in de praktijk werkt de schuldenaar er toe mede, door het bewijs mede te teekenen en daarbij te verklaren dat hij de subrogatie voor aan hem beteekend houdt, waardoor hij gehouden is om zich tegenover den nieuwen schuldeischer van alle verplichtingen te kwijten, die hij tegenover den eersten had.

ocr page 248

230

Of wel op deze wijze. A neemt van C geld op om er de schuld aan B mee af te doen. In de schuldbekentenis wordt dit uitdrukkelijk vermeld en in de kwijting van B wordt verklaard dat de betaling met dat opgenomen geld gedaan is. In de praktijk doet men een en ander bij e'én enkel bewijs. De uitdrukkelijke verklaring dat C in de rechten van B gesteld wordt is nu niet noodig,

In dit laatste geval moet een notariëele akte worden opgemaakt, een vorm die trouwens toch verkieslijk is, omdat het voor de gel digheid der handeling, zooals partijen die bedoelen, nog al op de juiste bewoordingen aankomt.

Subrogatie uit kracht van de wet.

De wet noemt eenige gevallen op, waarin eene betaling ten gevolge heeft, en dat zonder bijzonder beding, dat een schuldeischer gesteld wordt in de rechten van den oorspronkelijken. De voornaamste zijn :

i A heeft een bevoorrechte schuld. B is ook schuldeischer van denzelfden schuldenaar, maar is niet bevoorrecht. Nu betaalt hij A en treedt daardoor in diens rechten.

Nu is B. in de plaats van A bevoorrecht schuldeischer geworden, want in elk geval waarin subrogatie plaats heeft, hetzij dan door overeenkomst of uit kracht der wet, gaat de verbintenis aan den nieuwen schuldeischer over met al wat er betrekking op heeft, dus ook met de privileges en de rechten van hypotheek.

3. Wanneer iemand een onroerend goed koopt, dat met hypotheek bezwaard is en hij lost den hypotheekhouder al, dan treedt hij daardoor in diens rechten.

3. Personen die met of voor anderen tot voldoening van een schuld gehouden zijn, treden door de betaling daarvan in de rechten van den schuldeischer.

Aanbod van betaling en consignatie of gerechtelijke bewaargeving.

Het gebeurt somtijds dat iemand gehouden is om eene geldsom te betalen of een zaak te leveren en hij daartoe ook wel gezind

ocr page 249

231

is, maar de schuldeischer tengevolge van het een of ander verschil weigert het aangebodene in ontvangst te nemen. De debiteur kan alsnu bij de betaling belang hebben, b.v. om van de verdere betaling van renten bevrijd te zijn of omdat hij de te leveren zaak niet langer of niet zonder kosten kan houden.

Nu kan er een gerechtelijk aanbod van betaling plaats hebben, door eenen notaris of een deurwaarder, welk aanbod, ingeval van weigering om te ontvangen, gevolgd door consignatie of gerechte lijke in bewaring stelling, de schuld doet te niet gaan, behoudens natuurlijk de rechten van den schuldeischer, indien hij kan aan-toonen dat te weinig is betaald of eene andere zaak dan de verschuldigde is aangeboden.

De gelden, die aangeboden en geweigerd zijn, worden gestort in de kas der gerechtelijke en vrijwillige consignatiën Deze is echter alleen voor het ontvangen van geldsommen ingericht.

Wat lichamelijke, roerende zaken betreft, zegt de wet dat zoodanige zaken, die geleverd moeten worden ter plaatse waar zij zich bevinden en dus op die plaats door den schuldeischer in ontvang moeten worden genomen, na aanmaning van den schuldeischer, bij rechterlijk vonnis kunnen worden geconsigneerd op een door den rechter aan te wijzen plaats.

Deze aanmaning geschiedt door eenen deurwaarder. Een bepaalde plaats voor deze bewaargeving, ook wel seque*tratie genaamd, is er niet. De rechter moet dus een lokaal aanwijzen, welks eigenaar daartoe bereid is, alwaar dan de goederen worden opgeslagen en voor rekening van den schuldeischer staan, behoudens natuurlijk diens rechten, wanneer de goederen niet aan de vereischten voldoen.

De gedane consignatie kan op vordering van Jen schuldenaar door den rechter van waarde verklaard worden, waardoor de schuldbevrijding volkomen en mede-schuldenaren of borgen onherroepelijk ontslagen zijn. Deze laatsten zijn ook ontslagen, wanneer de schuldeischer, nadat de consignatie aan hem gerechtelijk is aangezegd, een Jaar heeft laten voorbijgaan zonder de geldigheid daarvan te betwisten.

Vernieuwing van een schuld.

Door vernieuwing van schuld verstaat men een overeenkomst

ocr page 250

232

waardoor eene bestaande verbintenis te niet gedaan wordt, onder voorwaarde dat eene andere daarvoor in de plaats zal treden, terwijl, omgekeerd, deze laatste ontstaat onder voorwaarde dat de oude vernietigd wordt.

Zulk eene vernieuwing der schuld kan nooit uit de enkele kracht der wet plaats hebben.

Men kan op drieërlei wijze een schuld vernieuwen:

1. door een nieuwe verbintenis tusschen dezelfde personen tot stand te brengen,

2. door een nieuwen schuldeischer te stellen,

3. door het stellen van een nieuwen schuldenaar.

Het aangaan van een nieuwe verbintenis.

Gesteld dat A zich verbonden had om ten behoeve van B een woonhuis te bouwen, binnen zes maanden, voor de som van acht duizend gulden. Later komt B tot andere gedachten. Hij komt met A overeen, dat deze het bedoelde werk niet zal uitvoeren, maar in plaats daarvan voor B binnen tien maanden eene villa zal bouwen voor eene som van negen duizend gulden.

A is nu van de oude verbintenis ontslagen en tot de nieuwe gehouden en gesteld dat C zich voor de uitvoering van het eerste werk tot borg had gesteld en verbonden was om het werk in plaats van A te maken als deze niet zelf daartoe overging, dan zou deze borg van zijne verbintenis bevrijd zijn en tot niets gehouden wezen, wanneer hij zich niet andermaal tot borg stelde voor de tweede verbintenis.

Het stellen van een nieuwen schuldeischer.

A is aan B duizend gulden schuldig en kan die niet betalen, maar C wil hem helpen. Nu geschiedt dit op de volgende wijze. A, B en C maken eene akte op, waarbij verklaard wordt dat C als nieuwe schuldeischer gesteld wordt in de plaats van B, ten opzichte van wien A van zijne verbintenis ontslagen wordt

Dit lijkt eenigszins op de betaling met subrogatie, waarvan wij hierboven hebben gesproken; maar in werkelijkheid is het toch anders, omdat hier de eerste schuld vernietigd wordt en dus b.v.

ocr page 251

233

de gestelde hypotheek zou te niet gaan, wanneer zij niet uitdrukkelijk weer ten behoeve van den nieuwen schuldeischer gesteld werd. Ook privileges b.v. gaan door de schuldvernieuwing verloren.

Het stellen van een nieuwen schuldenaar.

A. heeft aangenomen aan B. op i Mei twaalf stuks melkkoeien te leveren. Hij ziet daar echter de moeilijkheid van in en vindt nu een ander, C, die de verbintenis wil uitvoeren. Nu wordt een contract aangegaan, waarbij B en C overeenkomen dat de levering door C geschieden zal, en dal A van zijn verbintenis zal zijn ontslagen.

In dit geval is het niet noodig dat A tot de overeenkomst medewerkt, maar als D zich tot borg had gesteld voor de levering van het vee ten behoeve van A, dan is hij het niet ten behoeve van C. Hij is ontslagen door de vernietiging der eerste verbintenis.

Delegatie.

In notariëele akten komt dikwijls iets voor in den geest van het volgende.

A heeft een met hypotheek bezwaard pand, ten behoeve van B, dat hij verkoopt aan C.

Bij de akte van verkoop verklaart C, de kooper, dat hij de hypotheek van B voor zijne rekening neemt en zich verbindt om hoofdsom en rente aan dezen te voldoen op den tijd en de wijze als bij de akte van schuldverbintenis met hypotheek tusschen A en B is bepaald.

Deze handeling noemen wij delegatie of overzetting Zij is eene onvolkomen schuldvernieuwing. Er wordt wel een nieuwe schuldenaar gesteld, maar de schuldeischer heeft niet verklaard, dat hij den oorspronkelijken schuldenaar van zijne verbintenis ontslaat. Eerst de toetreding van de schuldeischer tot het contract maakt den schuldvernieuwing volkomen.

Dat evenmin schuldvernieuwing ontstaat, wanneer een schuldenaar iemand aanwijst, die voor hem zal betalen of een schuldeischer iemand die voor hem zal ontvangen, is duidelijk genoeg.

ocr page 252

234

Compensatie of vergelijking van schuld.

Wanneer A aan B eene opeischbare schuld heeft wegens geleend geld van duizend gulden, en B is aan A verschuldigd wegens geleverde varkens vijfhonderd gulden, a contant verkocht, dan kan B niet vorderen dat hem duizend gulden wordt betaald. A brengt de vijfhonderd gulden in rekening, die hij van B te vorderen heeft en betaalt er dus slechts vijfhonderd

Dat noemt men compensatie of vergelijking. De wederzijdsche schulden worden vernietigd tot een gelijk bedrag. Het meerdere moet natuurlijk worden betaald

Het is gemakkelijk te begrijpen dat de schulden voor dadelijke vereffening en opeisching vatbaar moeten zijn. Wanneer B zijn vijfhonderd gulden eerst over zes maanden behoeft te betalen, kan hij beginnen met de geheele duizend gulden van A te vorderen.

Verbruikbare zaken van dezelfde soort kunnen ook in vergelijking worden gebracht; maar het is niet waarschijnlijk dat dit geval zich zal voordoen en dat b.v. A aan B Brazielkoffie moet leveren en B aan A wederkeerig eene andere partij Brazielkoffie.

Dat te leveren waren, waarvan de waarde vaststaat of vastgesteld kan worden, in vergelijking kunnen worden gebracht tegen geld, is beter verklaarbaar.

De wet zegt dat leveringen van granen en levensmiddelen (een vrij onbestemde uitdrukking) welke niet betwist worden en waarvan de waarde door prijscouranten bepaald is, in vergelijking kunnen worden gebracht tegen vereffende en opeischbare geldsommen. De kooper van het graan, die geld te vorderen heeft, betaalt nu b.v. zooveel minder.

Sclruldvermenging.

Vermenging en daardoor vernietiging van schuld kan plaats hebben in twee gevallen.

Ten eerste wanneer een schuldenaar gerechtigd wordt tot hetgeen hij zelf aan een ander schuldig is.

A is b.v. geld schuldig aan zijn oom B, onder borgtocht van

ocr page 253

235

C. A wordt de eenige erfgenaam van B; nu is de schuld te niet gegaan en de borg is ontslagen.

In de tweede plaats kan schuldvermenging voorkomen, wanneer een schuldeischer zelf verplicht wordt tot betaling van eene hem komende vordering, b v. wanneer A, een man, geld schuldig zijnde aan B, eene vrouw, met deze huwt in wettelijke algeheele gemeenschap. De gemeenschap heeft nu aan de gemeenschap eene schuld te betalen, die daardoor is te niet gegaan.

Kwijtschelding van schuld.

Dat kwijtschelding eene schuld of andere verbintenis doet eindigen is vrij duidelijk. Wanneer b.v. A van B een huis heeft gekocht en A verzoekt B hem daarvan weder te ontslaan, waarin B toestemt, dan is dit kwijtschelding van schuld, ofschoon men daaronder natuurlijk in de eerste plaats verstaat het kwijtschelden van eene geldschuld, iets wat gelijk staat met eene schenking.

Gesteld nu dat A aan B gold schuldig is. waarvan een onder-handsch bewijs bestaat en B heeft vrijwillig dat stuk aan A teruggegeven. Is nu de schuld kwijtgescholden ?

Ja, behoudens tegenbewijs door den schuldeischer, wordt nu aangenomen dat de schuld is kwijtgescholden.

Men lette op, dat hier uitsluitend sprake is van de teruggave van een onderhandsch bewijs. Wanneer van de schuld een bewijs bestaat door eenen notaris opgemaakt, dan geeft deze daarvan aan den schuldeischer een afschrift, bekend onder den naam van grosse.

De teruggave van die grosse, of liever de afgifte daarvan aan den schuldenaar bewijst op zichzelf niets, want het wezenlijke schuldbewijs berust onder den notaris en de kwijtschelding moet dus op eene andere wijze bewezen worden.

Wanneer voor de schuld een pand gegeven is, en de pandhouder de zaak teruggeeft, dan is hij wel zijn zekerheid kwijt, maar dit doet nog volstrekt niet de kwijtschelding der schuld vermoeden.

Het vergaan van eene verschuldigde zaak.

Eene zaak die vergaat kan natuurlijk niet geleverd worden of nog langer het voorwerp eener verbintenis zijn. Wanneer een

ocr page 254

236

verhuurd huis verbrandt, dan is de huurovereenkomst vervallen; wanneer een verkocht huis verbrandt, dan kan alleen de grond geleverd worden.

Wanneer er sprake is van eene overeenkomst tot eigendomsoverdracht, van een verkoop, b.v. en de zaak stond voor rekening van den schuldenaar, omdat hij in gebreke is gebleven om te leveren of de verkooper heeft voor onvoorziene toevallen ingestaan, dan zal het gebeurde aanleiding geven tot eene vordering tot schadevergoeding.

Eene te leveren zaak kan ook verloren of ontvreemd worden en eene onroerende zaak kan zoogenaamd buiten den handel geraken, namelijk wanneer de Staat het perceel ten algemeenen nutte onteigent. Dit staat met vergaan feitelijk gelijk.

Nietigheid of vernietiging van verbintenissen.

Verbintenissen, aangegaan door minderjarigen of onder curateele gestelde personen, zijn door de enkele kracht de wet nietig en de vernietiging daarvan wordt door den rechter uitgesproken, op hunne vordering wanneer zij meerderjarig zijn geworden, of andere op vordering van ouders, voogden of curators.

Het is echter niet noodig deze vordering in te stellen, omdat de nakoming der verbintenis, door de tegenpartij geëischt, altoos kan worden geweigerd, met een beroep op de onbekwaamheid of onbevoegdheid.

Handelingen van minderjarigen en gehuwde vrouwen staan natuurlijk alleen in zooverre aan vernietiging bloot, als deze personen hunne bevoegdheid hebben overschreden.

De regel is, dat zij, die onbekwaam zijnde, eene verbintenis hebben aangegaan, tot nakoming door de wederpartij worden aangesproken, en daarop antwoorden met een beroep op de onbevoegdheid, tengevolge waarvan de eisch wordt ontzegd.

Uitzondering op den regel.

De wet zegt dat de bovenstaande regel niet toepasselijk is op verbintenissen welke voortvloeien uit een begaan misdrijf, of uit eene daad, welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.

ocr page 255

237

Op deze verbintenissen, welke uit de wet tengevolge van eene daad van den mensch voortvloeien, hebben wij boven de aandacht gevestigd. Het zou onbillijk zijn, wanneer men niet gehouden was, tot vergoeding van het kwaad, gedurende de minderjarigheid of de curateele aangericht.

Indien er dus sprake is van schadevergoeding wegens eene onrechtmatige daad, kan hij die de schade leed den wettelijken vertegenwoordiger van den minderjarige als zoodanig aanspreken, of den dader zelf, wanneer deze meerderjarig geworden is.

Zich beroepen op zijn onbekwaamheid, wanneer hij in rechten wordt aangesproken, kan de onbekwame altijd, hetzij dan dat zijne wettelijke vertegenwoordigers of in later tijd hijzelf wordt aangesproken.

Wanneer echter iemand die, onbekwaam zijnde, eene verbintenis heeft aangegaan, zelfstandig geworden zijnde, tot nietigverklaring der verbintenis procedeeren wil, dan is hij aan een termijn gebonden. De rechtsvordering moet namelijk worden ingesteld, binnen vijf jaren na den dag der meerderjarigwording, de opheffing van de curateele, of de ontbinding van het huwelijk der vrouw die gehandeld heeft zonder bijstand van haar man.

Vroeger hebben wij gezien, dat verbintenissen nietig zijn, wanneer de toestemming een gevolg was van geweld, dwaling of bedrog, en wat de wet onder die uitdrukkingen verstaat.

Die op dezen grond tot nietig-verklaring eener verbintenis procedeeren wil, is gehouden aan een termijn van vijf jaren na den dag waarop het gepleegde geweld heeft opgehouden of de dwaling of het bedrog is ontdekt

Intusschen gaat de rechtsvordering tot nietigverklaring verloren door de uitdrukkelijke of stilzwijgende bekrachtiging der verbintenis na den dag der meerderjarigheid, de opheffing der curateele, de ontbinding van het huwelijk der vrouw, het ophouden van het geweld of de ontdekking van de dwaling of het bedrog. Het gebrek, dat aan de verbintenis kleefde, wordt door zulk een bekrachtiging volkomen hersteld.

ocr page 256

238

De werking der ontbindende voorwaarde en de verjaring.

Over de ontbindende voorwaarde hebben wij reeds het een en ander medegedeeld, terwijl over de verjaring wordt gesproken aan het einde van dit werk. omdat, zooals wij vroeger reeds opmerkten, de verjaring ook een middel van eigendomsverkrijging is en de wet dit onderwerp daarom afzonderlijk op eene andere plaats behandelt.

DE OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP.

Wij zijn nu genaderd tot de beschouwing van de bijzondere regelen, die de wet heeft voorgeschreven voor de verbintenissen die uit de in het dagelijksch leven meest voorkomende overeenkomsten voortvloeien.

De tot nog toe behandelde regelen zijn slechts van algemeenen aard, en gelden dus alleen voor zoover zij niet voor een bijzonder geval zijn gewijzigd of aangevuld of voor zoover daarvan geene afwijkingen bestaan.

De voorschriften welke wij thans gaan beschouwen zijn met uitvoerigheid in de wet opgenomen, om moeilijkheden en geschillen te voorkomen, wanneer, voor zoover dit is toegelaten, geene schriftelijke bewijzen van de overeenkomsten bestaan, Ten deele ook om partijen in de gelegenheid te stellen zich eenvoudig aan de wet te houden, zonder verplicht te zijn, tot in de minste bijzonderheden de voorwaarden en gevolgen hunner contracten te bepalen.

Willen de partijen dit laatste doen en in meerdere of mindere mate van de wettelijke voorschriften afwijken, dan staat hun dit bijna altijd vrij.

Er zijn slechts weinige voorschriften van openbare orde, dat wil zeggen van dien aard, dat ze niet bij de overeenkomst buiten werking kunnen worden gesteld.

Het contract, dat onbetwist het meest voorkomt en zich in allerlei vormen en gedaanten vertoont, is ongetwijfeld het koopcontract.

ocr page 257

239

Wat een koopcontract is.

De overeenkomst van koop en verkoop is dan aanwezig, wanneer iemand zich verbindt aan een ander eene zaak in eigendom over te dragen tegen eenen prijs, dien de ander zich verbindt daarvoor te zullen betalen.

Over het begrip van prijs.

Men verkoopt in den regel voor geld.

Toch komt het vaak voor, dat de kooper, behalve het betalen van den koopprijs, verplicht is tot het op zich nemen van zekere lasten. B.v. hij neemt voor zijne rekening de grondlasten over het geheele loopende jaar. De kooper betaalt dus in werkelijkheid meer dan hij aan den verkooper afdraagt Of, een ander voorbeeld, A verkoopt aan B zijn onroerend goed voor een in geld bepaalden prijs en bovendien onder voorwaarde, dat de kooper den verkooper levenslang te zijnen huize zal moeten laten inwonen en aldaar voorzien van kost, inwoning en verdere algeheele verpleging. Deze voorwaarde stelt een last daar, die den in geld uitgedrukten prijs verhoogt. De werkelijke piijs bestaat in de geldsom en het kapitaal door den opgelegden last vertegenwoordigd.

Van daar dan ook dat de rechten, die aan den Staat voor de overdracht moeten worden betaald, over prijs en lasten te zamen worden berekend.

Vorm der overeenkomst van koop en verkoop.

In het algemeen is voor de overeenkomst van koop en verkoop geen bepaalde vorm voorgeschreven.

Een schriftelijk bewijs van het gesloten contract is daarom alleen dan noodig, wanneer de eene of andere formaliteit is voorgeschreven.

Daar bij overdracht van onroerende zaken overschrijving ten kantore van hypotheken noodzakelijk is, is ook een schriftelijk bewijs onvermijdelijk.

Datzelfde geldt voor de schepen en vaartuigen, welke grooter zijn dan tien last, daar ook in dit geval overschrijving in de openbare registers is voorgeschreven.

ocr page 258

240

Ook roerende, onlichamelijke zaken, waaronder hoofdzakelijk gerekend worden schuldvorderingen die op naam staan, worden geleverd door eene akte van overdracht of cessie.

Het is in die gevallen niet noodig gebruik te maken van de tusschenkomst van een notaris. Zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt is evenwel die tusschenkomst bijna altijd gewenscht, omdat gebreken in de akte of verkeerde behandeling daarvan steeds aan allerlei moeilijkheden in het vervolg blootstelt.

Wanneer er eene koopovereenkomst bestaat.

Bij het aangaan van eene koopovereenkomst is het, ook wanneer daarvan later eene akte moet worden opgemaakt, altijd voorzichtig dat partijen een voorloopig bewijs opmaken, om later ontkenning van de eene of andere zijde te voorkomen.

Niet altijd is dit evenwel mogelijk en, vooral bij overdracht van roerende lichamelijke zaken, die geen akte vereischt, is het teekenen van zulke bewijzen niet gebruikelijk.

De vraag is dus, wat moet hij, die beweert met een ander een koopovereenkomst te hebben aangegaan, bewijzen.

Hij moet bewijzen dat partijen het eens waren over de zaak die geleverd zou worden en over den prijs, die daarvoor zou worden betaald.

Over bijzaken behoeft men niet terstond een vaste afspraak te maken, b.v. tijd van levering en betaling, aanvaarding, keuze van notaris, wanneer dit niet aan den kooper wordt overgelaten, enz. Veel beter is het natuurlijk om terstond alles te regelen, maar op verschil omtrent deze bijzaken, kan de koop zelf niet meer afstuiten, wanneer zaak en prijs eenmaal vaststonden.

Gevolg van het wettig bestaan der overeenkomst.

Zooals we reeds vroeger hebben opgemerkt gaat de eigendom van het verkochte goed niet over tengevolge van de bloote koopovereenkomst, maar tengevolge van de latere of gelijktijdige levering.

Door de overeenkomst verkrijgt de kooper eene acte tot leve-

ocr page 259

241

ring, m. a. w. hij kan den kooper daartoe in rechten noodzaken.

Op hoedanige wijze die levering in verschillende gevallen plaats heeft, is door ons vroeger reeds in alle bijzonderheden medegedeeld.

Voor wiens rekening de verkochte zaak staat.

Ook hiervan hebben wij vroeger reeds het een en ander medegedeeld, met betrekking tot de verbintenissen om iets te geven of te leveren in het algemeen.

Moet de levering eerst later plaats hebben, dan staat de zaak, natuurlijk wanneer het een bepaald aangeduide zaak betreft, voor rekening van den kooper.

Een bepaald aangeduide zaak is b.v. ook het grasgewas van zeker perceel weiland, de kersen zich in eenen boomgaard bevindende, enz. De wet noemt dit een verkoop bij den hoop gedaan.

Zijn de goederen daarentegen bij het gewicht, het getal of de maat verkocht, dan blijven zij voor rekening van den verkooper, totdat het wegen, tellen of meten is geschied.

Een niet bepaald aangeduide zaak kan natuurlijk niet voor rekening van den kooper staan.

Gesteld dat een paardenhandelaar zich verbindt om op i Mei een span zwarte koetspaarden te leveren, dan is het wel mogelijk dat hij bij het aangaan van den koop reeds een dergelijk span bezit; maar indien deze dieren door ziekte worden aangetast en sterven, moet hij op den bepaalden tijd toch eenzelfde span leveren.

Bij verkoop op proef of op monster wordt verondersteld dat de verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat de te leveren zaken overeenkomen met het vertoonde monster of van de vastgestelde soort of hoedanigheid zijn. De zaken blijven dus voor rekening van den verkooper. De kooper is niet gehouden ze te accepteeren, wanneer door hem eene afwijking wordt ontdekt en de verkooper moet desnoods bewijzen, dat hij aan zijn verplichting had voldaan.

De godspenning.

De godspenning of de handgift, bij de koopovereenkomst trouwens weinig gebruikelijk, wordt door den kooper gegeven als een be wij ï dat de overeenkomst gesloten is.

16

ocr page 260

242

Het teruggeven van de handgift kan niet worden aangewend als een middel om de overeenkomst weder te vernietigen.

Is de koop nietig om een wettige reden, dan zal hij die de handgift ontving dezelve moeten teruggeven.

Prijsbepaling.

Het is natuurlijk regel dat partijen den prijs bij het sluiten der overeenkomst bepalen. Een volstrekt vereischte is dit evenwel niet. Het is voldoende dat overeenstemming bestaat omtrent de zaak en verder gecontracteerd wordt dat de prijsbepaling door een bepaald aangewezen persoon zal worden gedaan.

Wanneer deze persoon verslag van zijn bevinding uitbrengt, dan zijn partijen aan zijn uitspraak gehouden en is de overeenkomst van dat oogenblik af volkomen. Verklaart de bedoelde persoon de opdracht niet aan te nemen of na onderzoek niet tot een goede schatting in staat te zijn, dan vervalt de geheele verbintenis

Kosten van de akte.

De kosten van den koop worden door den kooper, die der levering door den verkooper betaald.

Vooral bij verkoop van onroerend goed is het gebruikelijk om alle kosten ten laste van den kooper te brengen.

Onbevoegdheid tot het aangaan van een koopovereenkomst.

In het belang eener onpartijdige en eerlijke behandeling van zaken, heeft de wet verschillende personen in bijzondere omstandigheden onbevoegd verklaard om een koopovereenkomst te sluiten.

De meeste van die gevallen zijn voor dit overzicht van geen practisch belang.

Gesteld b.v. dat A door B gemachtigd wordt om zijne roerende goederen te gelde te maken en zijne zaken te liquideeren. Nu mag A die zaken niet zelf koopen, noch direct, noch door tusschen-komende personen, dan alleen, wanneer de verkooping geschiedt

ocr page 261

243

in het openbaar. Bij openbare verkooping, die in den regel ten overstaan van een bevoegden ambtenaar geschiedt, is meer waarborg dat de lasthebber-kooper zich zelf niet ten koste van den eigenaar zal verrijken.

Zoo mag ook een openbaar ambtenaar geen zaken koopen, die door hem of door zijn tusschenkomst worden verkocht.

Verplichtingen van den verkooper.

Voor den verkooper is het van het grootste belang om duidelijk uit te drukken onder welke voorwaarden en bepalingen hij zijn eigendom verkoopt.

Alle duistere en dubbelzinnige bepalingen (dit ziet natuurlijk vooral op schriftelijko bewijzen) worden te zijnen nadeele uitgelegd.

Behalve de verplichtingen, die uit den aard van het contract en uit de voorwaarden ervan te zijnen laste voortvloeien, heeft hij twee hoofdverplichtingen, namelijk om de verkochte zaak te leveren en die te vrijwaren.

Levering.

Over levering, en vooral over de wijze waarop levering, naar mate -van' den aard van het goed, moet plaats hebben, hebben wij reeds het noodige medegedeeld bij de behandeling der wijzen van eigendoms verkrijging.

Door de levering gaat het verkochte goed in de macht en het bezit van den kooper over of wordt hij althans in staat gesteld om zich aelf in het bezit te stellen.

Bij gebreke van andere bepalingen daaromtrent moet de verkooper (dit ziet natuurlijk op roerend goed) leveren ter plaatse waar het verkochte goed zich op het oogenblik van den verkoop bevindt. Veroorzaakt die levering kosten, zooals van wegen, tellen of meten, dan komen die ten laste van den verkooper, maar de kosten van weghaling komen ten laste van den kooper.

Daar de gebruiken van den handel hiervan geheel afwijken, hebben deze bepalingen weinig practisch nut.

Als de koopprijs niet betaald wordt houdt de verplichting tot

ocr page 262

244

levering op, maar, zooals bekend is, wordt in de praktijk de betaling slechts na de levering of gelijktijdig daarmede gevorderd ; tenminste voor zooveel roerend goed betreft.

Dat, wanneer eene der partijen aan hare verplichting niet voldoet, de andere tot vernietiging kan procedeeren, behoudens de bevoegdheid van den rechter om nog een termijn te gunnen, om alsnog de verbintenis na te komen, hebben wij bij eene vroegere gelegenheid reeds opgemerkt.

Op welke wijze geleverd, moet worden.

v

Het verkochte moet geleverd worden in den staat waarin het zich op het oogenblik van den verkoop bevond. Van dien dag af zijn alle vruchten voor den kooper; maar in de acten van overdracht van onroerend goed wordt gewoonlijk bepaald van welken dag af de baten en lasten van het gekochte voor den kooper komen.

Al wat eigenaardig tot de zaak behoort en tot bestendig gebruik ervan bestemd is, moet stilzwijgend geacht worden onder den koop te zijn begrepen.

^ Bezit de verkooper van een onroerend goed of van een schip bewijzen van eigendom of zoogenaamde titels van aankomst, dan moet hij die den kooper ter hand stellen.

Verkoop van. onroerend goed.

In den regel geschiedt verkoop van onroerend goed voor een vaste som.

Het komt echter ook wel voor, dat de prijs per maat bepaald wordt, b.v. bouwgrond voor f2.50 per centiare.

Gesteld nu dat A aan B verkoopt een perceel grond, volgens opgave groot hondferd centiaren, a f2.50 per centiare. Nu moet A de opgegeven honderd centiaren leveren; doch wanneer het blijkt dat er slechts negentig zijn en het is onmogelijk de ontbrekende tien er op de eene of andere wijze bij te voegen, dan moet de kooper met eene evenredige vermindering van den prijs genoegen nemen.

Mocht er meer grond wezen dan men aanvankelijk dacht, dan is het de vraag hoeveel ? De kooper heeft namelijk, wanneer

ocr page 263

245

het verschil een twintigste of meer is, de bevoegdheid om van den koop af te zien. Doet hij dit niet of bedraagt het verschil minder dan een twintigste, dan moet hij het meerdere aan den kooper betalen

Wanneer de verkoop niet bij de maat heeft plaats gehad, dan maakt het in het algemeen geen onderscheid of de opgegeven of veronderstelde maat al of niet uitkomt: het verkochte moet geleverd en de bepaalde prijs betaald worden Alleen wanneer het verschil een twintigste of meer bedraagt, hetzij dan meer of minder, is er grond om het meerdere bij te passen of het mindere te korten, doch de kooper, die wellicht den verhoogden koopprijs niet betalen kan, heeft ook de bevoegdheid om van den koop af te zien.

Bij openbare verkooping van onroerend goed is het gebruikelijk te bedingen, dat verschil in maat aan geene der partijen eenige vordering tegen de andere geeft.

Vrijwaren.

De wet zegt, dat de verkooper de verkochte zaak moet vrijwaren. Dat wil zeggen, hij moet er voor instaan, dat de kooper geen schade lijdt door uitwinningen die het goed mocht ondergaan en door het bestaan van niet opgegeven lasten en van verborgen gebreken.

Uitwinning.

De verkooper kan eene zaak verkocht hebben, waarop een ander reeds een verkregen recht had en dat daarom door den waren eigenaar wordt opgevorderd of dat, tengevolge van bestaande schulden, aan gerechtelijken verkoop bloot staat Het goed wordt dan zooals men dat noemt, onder den kooper uitgewonnen, kan dus aan hem niet geleverd worden of wordt hem na de levering weder ontnomen.

De verkooper, die den kooper het rustig en vreedzaam bezit moest waarborgen, is nu natuurlijk tot schadeloosstelling gehouden, ook dan wanneer bij den verkoop geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt is.

ocr page 264

246

li asten.

De verkooper moet den kooper ook vrijwaren voor de lasten, die andere personen op het goed mochten hebben en die bij het aangaan van den koop niet opgegeven zijn ; zooals b.v. een recht van gebruik, een grondrente of een tiendrecht.

Verborgen gebreken.

De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens verborgen gebreken, die het goed ongeschikt maken voor het gebruik waartoe de kooper het bestemt of die het gebruik zoodanig belemmeren, dat de kooper den koop niet zou gesloten hebben, wanneer hij van die gebreken onderricht ware geweest, of althans niet voor denzelfden prijs.

Uitsluiting der vrijwaring.

Men kan bedingen dat de verkooper tot geen vrijwaring zal gehouden zijn.

Niettegenstaande dit blijft de verkooper aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit een door hem zelf verrichte daad. Hij zelf kan het perceel met lasten bezwaard of de executie veroorzaakt hebben. In geval van uitwinning moet hij dus den koopprijs teruggeven, tenzij de kooper de overeenkomst mocht hebben aangegaan, wetende dat de zaak voor uitwinning vatbaar was of uitdrukkelijk had verklaard dat hij voor zijn rekening nam alle nadeelen, die, uit welke oorzaak ook, betrekkelijk de gekochte zaak mochten worden geleden.

Wanneer de verkooper bedongen heeft, dat hij tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn, is hij niet verantwoordelijk voor de verborgen gebreken, waarvan hij zelf onkundig is geweest. Voor de overige blijft hij natuurlijk aansprakelijk.

Alleen voor de zichtbare gebreken die de kooper zelf had kunnen ontdekken, is de verkooper nimmer verantwoordelijk.

ocr page 265

247

Gevolgen van de verplichting tot vrijwaring.

Wanneer in de koopacte in het algemeen is bepaald, dat de ver-kooper verkoopt met belofte van vrijwaring, of wanneer daaromtrent in het geheel geene bepaling gemaakt is, heeft ingeval van uitwinning, de kooper recht op teruggaaf van den koopprijs. De verkooper moet hem ook de kosten vergoeden van de aangewende rechtsmiddelen de kosten op den koop en de levering gevallen, en zoo er termen toe zijn, de geleden schade.

Het niet opgeven van lasten geeft aanleiding tot vergoeding van schade, maar wanneer het verkochte goed blijkt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden, zonder dat die aan den kooper zijn bekend gemaakt of deze daarvan kennis kon dragen, en die erfdienstbaarheden van zoo groot belang zijn, dat de kooper den koop vermoedelijk niet zou hebben gesloten, wanneer hij er kennis van gedragen had, dan kan hij de vernietiging van den koop vorderen.

Zijn er verborgen gebreken, van den aard als hierboven is vermeld, dan heeft de kooper de keus om het goed terug te geven en den koopprijs terug te vorderen, of de teruggaaf te eischen van een deel van de koopsom, volgens beslissing van den rechter, na verhoor van deskundigen. Bovendien is de verkooper die de gebreken gekend heeft, tot schadevergoeding gehouden.

Heeft de verkooper de gebreken van het goed niet gekend, dan kan hij volstaan met de teruggave van den koopprijs, alleen met de door den kooper betaalde overdrachtskosten.

Verplichtingen van koopers.

Het spreekt wel van zelf dat de hoofdverplichting van een kooper in het betalen van den koopprijs bestaat en wel op den tijd en ter plaatse alwaar zulks bedongen is.

Ingeval van verkoop van onroerend goed, is het gebruikelijk dat de levering eerst na de betaling geschiedt. Bij publieken verkoop van onroerend goed wordt dit zelfs meestal bedongen. De betaling heeft meestal plaats bij het verlijden van de koopacte, die daarna ten hypotheekkantore wordt overgeschreven, waardoor, zooals wij vroeger gezien hebben, de levering bewerkstelligd wordt.

ocr page 266

248

Bij verkoop van roerend goed wordt meestal bij de levering of op een bepaalden tijd daarna betaald.

Is er bij het aangaan van den koop daaromtrent niets bepaald dan moet de kooper betalen gelijktijdig bij en ter plaatse waar de levering geschiedt.

Vernietiging van den koop ten gevolge van wanbetaling.

Zooals wij bij eenc vroegere gelegenheid reeds hebben opgemerkt, is koop en verkoop eane wederkeerige overeenkomst en is daarom ieder der partijen, wanneer de andere aan hare verplichting niet voldoet, bevoegd om tot ontbinding te procedeeren; doch staat het den rechter vrij, ten minste wanneer het recht om ontbinding te eischen niet uitdrukkelijk bij de overeenkomst is bedongen, aan de in gebreke zijnde partij een termijn van hoogstens eene maand te gunnen, om zich alsnog van hare verplichting te kwijten.

In elk geval moet de ontbinding worden gevraagd. De overeenkomst vervalt niet van zelf.

Uitzondering op dezen laatsten regel.

Ingeval van verkoop van koopwaren en andere roerende lichamelijke zaken, zooals meubelen, huisraad, eetwaren enz , kan de verkooper den koop als vernietigd beschouwen, zonder aanmaning of rechterlijke tusschenkomst, zoodta de tijd is verloopen tot afhaling van het verkochte bepaald

Men lette wel op dat deze bepaling slechts geldt voor het geval dat de goederen door of vanwege den kooper op de plaats van levering moeten worden afgehaald. De verkooper, die er het grootste belang bij hebben kan om zijne koopwaren af te zetten, heeft het recht ze onmiddellijk aan een ander over te doen.

Hecht van wederinkoop.

Het recht van wederinkoop wordt bij ons een enkele maal bij verkoop van onroerend goed bedongen, doch komt, vooral in de groote steden, veelvuldig voor ten aanzien van roerende goederen;

ocr page 267

249

echter niet in den particulieren handel. De zoogenaamde huizen van koop met recht van wederinkoop, die echter feitelijk vermomde beleenbanken zijn, belasten zich met het inkoopen van alle waren, met bevoegdheid van den verkooper om het goed gedurende zekeren tijd terug te koopen.

Alleen met betrekking tot onroerend goed heeft het beding van wederinkoop wezenlijke waarde voor de praktijk, omdat de loop van roerend goed, dat telkens van de eene hand in de andere kan overgaan, niet met zekerheid is na te gaan.

Het recht van wederinkoop mag voor geen langeien tijd dan voor vijf jaren bedongen worden.

Binnen dien tijd moet de kooper, die van het beding wenscht gebruik te maken, zijn vordering instellen. Verzuimt hij dit, dan blijft de kooper onherroepelijk eigenaar.

Strekking van het recht.

De verkooper van een onroerend goed, die zich het vermogen om het goed weder in te koopen heeft voorbehouden, kan tegenover eenen tweeden kooper zijn recht doen gelden, al ware bij de overeenkomst hiervan geene melding gemaakt.

De wet spreekt alleen van den kooper van een onroerend goed; de verkooper van een roerend goed stelt dus in den kooper een persoonlijk vertrouwen, wanneer hij recht van wederinkoop bedingt, want wordt het door dezen weer overgedaan, dan is het recht niet voor uitvoering vatbaar.

De verkooper die van zijn recht gebruik maakt, is niet alleen verplicht den geheelen oorspronkelijken koopprijs terug te geven, maar ook wat de kooper voor overdrachtskosten heeft betaald, de noodzakelijke kosten van reparatie, en die waardoor het verkochte goed in waarde is vermeerderd.

In de praktijk wordt in de oorspronkelijke koopacte bedongen dat, wanneer gebruik wordt gemaakt van het recht van wederinkoop, wegens vermeerdering van waarde nimmer meer dan eene bepaalde som zal behoeven te worden betaald.

ocr page 268

Huurovereenkomsten die de kooper wegens het onroerend goed had aangegaan, blijven in stand. De kooper kan het goed ook met hypotheek bezwaren en er andere lasten, b.v. erfdienstbaarheden, op vestigen ; maar natuurlijk slechts voorwaardelijk, daar hij niet weet of hij eigenaar blijven zal. Bij terugkeer van het goed vervallen die lasten dan ook vanzelf en komt het weder vrij aan den oorspronkelijken verkooper.

Verkoop van schuldvorderingen en dergelijke rechten.

Een vordering kan natuurlijk ook worden verkocht. Onder dien koop zijn dan van zelf begrepen de borgtochten, die voor de schuld gesteld zijn, de voorrechten, waarop de schuldeischer aanspraak heeft en de hypotheken die tot zekerheid der voldoening zijn gesteld.

Al is ook geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt, moet de kooper er voor instaan, dat de schuld werkelijk bestond ten tijde van de levering.

Zonder uitdrukkelijk beding is hij echter niet aansprakelijk voor de gegoedheid van den schuldenaar. Bij eenvoudige belofte van vrijwaring strekt deze in elk geval slechts toi aansprakelijkheid voor tegenwoordige gegoedheid en volstrekt niet voor hetgeen in het vervolg mocht plaats hebben.

Verkoop van eene erfenis.

Die eene erfenis verkoopt kan het op tweeërlei wijze doen.

Hij kan stuk voor stuk opgeven waarin die erfenis bestaat, en dan zijn de gewone bepalingen omtrent de vrijwaring toepasselijk, want dan verkoopt hij eigenlijk die zaken zelf.

Hij kan ook alleen verkoopen zijn recht als erfgenaam, op den boedel van den erflater, en dan moet hij er voor instaan dat hij werkelijk erfgenaam is

ocr page 269

251

OVER RUILING.

Over ruiling wordt in de burgerlijke wet zeer weinig gevonden. Dit is gemakkelijk te verklaren, omdat dit contract feitelijk niet anders voorkomt, dan wanneer twee grondeigenaars, b v. tot betere afronding van de grenzen hunner bezittingen een perceel grond of een oppervlakte water tegen een ander, even groot, of wel grooter of kleiner perceel verruilen.

Hier wordt dus, en dit is het onderscheid met verkoop, eene zaak in plaats van eene andere gegeven. De zaak is tevens prijs.

Echter komt het wel voor, dat een van de partijen iets aan de andere moet toegeven, wegens de ongelijke waarde der perceelen.

De regelen voor de overeenkomst van koop en verkoop, b v. die omtrent de vrijwaring, zijn ook op de ruiling van toepassing.

DE OVEREENKOMST VAN VERHUUR EN HUUR.

Deze overeenkomst is dan aanwezig, wanneer men niet eene zaak aan een ander in eigendom afstaat, maar alleen het genot daarvan tijdelijk overdraagt of wel aan iemand afstaat het genot van arbeidskrachten.

Vandaar dat er twee soorten van huurcontracten afzonderlijk door de wet worden geregeld, en wel :

de huur van goederen, en de huur van diensten, werk en nijverheid.

Huur van goederen.

Huur van goederen is das eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om de andere het genot eener zaak te doen hebben, gedurende een bepaalden tijd en tegen een bepaalden prijs, dien de laatstgenoemde aanneemt te betalen.

ocr page 270

252

Men kan zoowel roerende als onroerende goederen huren, doch alleen de huur van onroerende goederen, huizen en landerijen, komt veelvuldig voor.

Regelen welke zoowel bij de verhuring van landerijen als bij die van huizen gelden.

Het spreekt wel van zelf, dat de verhuurder, na het contract gesloten te hebben, ook verplicht is het verhuurde te leveren.

Heeft de levering plaats gehad, dan moet hij verder het goed onderhouden in zoodanigen staat, dat het dienen kan tot het gebruik waartoe het bestemd is.

Verder moet hij den huurder het rustig bezit van het goed doen hebben, zoolang de huur duurt.

Wat rustig bezit is.

De bedoeling is, dat de verhuurder er voor zal instaan, dat de huurder het genot van het goed niet zal verliezen, b v. door gerechtelijken verkoop voor schulden of door opvordering van eigendom.

Wel zou het wenschelijk wezen, dat de verhuurder ook moest instaan voor de gevolgen van daden van bewoners van aan hem behoorende aangrenzende perceelen, waardoor de huurder niet rustig kan wonen of zijn beroep uitoefenen.

Wanneer b.v. de eigenaar van twee aangrenzende huizen, eerst het eene verhuurt aan A en vervolgens het andere aan B, die muzieklessen daarin geeft, en het blijkt nu dat de scheidingsmuur zoo dun is, en de inrichting der gebouwen zoodanig, dat de klank der muziek van B de studie van A onmogelijk maakt, dan heeft A op grond hiervan geene rechtsvordering tot ontbinding tegen den verhuurder.

Vergaan van de verhuurde zaak.

Wanneer het verhuurde goed door eenig toeval vergaat, b.v. een huis door brand vernield wordt, is de huur vanzelf vervallen.

tt

ocr page 271

253

Wanneer het gehuurde slechts ten deele vergaat, zooals hier dikwijls het geval zal wezen, heeft de huurder de keus om vermindering van de huur of vernietiging van de huurovereenkomst te vorderen.

Daar het gebeurde een gevolg is van een toeval, heeft hij geen recht op schadeloosstelling.

Veranderingen en reparatiën gedurende den huurtijd.

De gedaante en inrichting van het verhuurde moeten gedurende den huurtijd onveranderd blijven.

Evenwel kunnen dringende reparation noodig zijn, welke niet kunnen worden uitgesteld.

Is dit het geval, dan moet de huurder die reparaties toelaten, welke ongemakken hem daardoor ook mochten worden veroorzaakt en al werd hij zelfs tijdelijk van een gedeelte van het ver,huurde goed verstoken.

Intusschen, mochten die reparatiën langer dan veertig dagen duren, dan wordt de huurprijs verminderd, naar evenredigheid van den tijd en van het gedeelte van het verhuurde goed, waarvan de huurder verstoken is.

En wanneer de reparatiën van dien aard zijn dat, hetgeen den huurder en zijn gezin ter bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar wordt, dan is er grond om vernietiging van het contract te eischen

Verstoring van het genot van den huurder.

De verhuurder behoeft den huurder niet te waarborgen tegen belemmeringen in het genot van den huurder, door daden van anderen.

Dit ziet op bepaalde feiten, welke anderen plegen, op welken grond dan ook, of ook wel zonder grond, zonder dat zij beweren rechten op het verhuurde goed te hebben.

De verhuurder kan dergelijke daden niet voorkomen. De huurder heeft echter het recht om de plegers der feitelijkheden uit eigen hoofde, dat wil zeggen, direct op zijn eigen naam, te vervolgen De daad is werkelijk gepleegd tegen hem, b.v. door zijn erf tot

ocr page 272

254

zeker doel in bezit te nemen, een raam dicht te spijkeren, een uitgang of doorvaart te verhinderen, enz.

Wanneer zij, die den huurder in zijn genot belemmeren, dit doen op grond dat zij op het goed zelf recht hebben, dan kan er, wanneer ten gevolge dezer stoornis de huurder een gedeelte van het gehuurde mocht missen, grond zijn tot het vorderen eener evenredige vermindering van huurpenningen.

Onder v erhuring.

De algemeene regel is, dat een huurder, indien hem het vermogen daartoe niet is toegestaan, het goed niet aan een ander in huur mag afstaan, noch zijn geheele recht aan een ander overdragen en alzoo den verhuurder een anderen huurder bezorgen.

De wet stelt hierop als straf vernietiging van de huurovereenkomst benevens schadevergoeding, zonder dat de verhuurder de wederverhuring behoeft gestand te doen.

Uitzondering op den algemeenen regel.

Wanneer het gehuurde in een huis of andere woning bestaat, die de huurder zelf bewoont, mag hij een gedeelte daarvan, onder zijne verantwoordelijkheid aan een ander onderverhuren, wanneer het tegendeel niet uitdrukkelijk bij het huurcontract is overeengekomen.

Hoofdverplichtingen van huurders.

Als hoofdverplichtingen van een huurder noemt de wet op, dat hij het gehuurde als een goed huisvader moet gebruiken, volgens de bestemming, die er bij de huurovereenkomst aan gegeven is of die naar gelang van omstandigheden verondersteld wordt; en verder dat hij den huurprijs op de bepaalde termijnen betaalt.

De uitdrukking »als een goed huisvaderquot;, komt op meer plaatsen in de wet voor en heeft geen bepaalde beteekenis. Een als woonhuis verhuurd perceel zou niet als pakhuis mogen worden gebruikt; doch gesteld dat zonder schriftelijk contract een huis verhuurd

ocr page 273

255

wordt aan iemand die het beroep van slijter uitoefent, dan zal de verhuurder zich niet kunnen beklagen, wanneer het huis als slijterij gebruikt wordt, indien overigens geene veranderingen aan het inwendige van het gebouw worden aangebracht.

Wanneer de huurder het gehuurde tot een ander doel bezigt dan waartoe het bestemd is, of tot zoodanig gebruik waardoor aan den verhuurder nadeel kan worden toegebracht, b.v. door een pakhuis te zwaar te belasten, kan de verhuurder, indien de omstandigheden dit wettigen, de huur doen vernietigen.

Aansprakelijkheid van den huurder.

Wanneer tusschen den verhuurder en den huurder eene beschrijving van het goed is opgemaakt, is de laatstgemelde gehouden het goed weder op te leveren in den staat, waarin hij het volgens de beschrijving heeft aanvaard, met uitzondering van hetgeen door ouderdom of onvermijdelijke toevallen vergaan of in waarde verminderd is.

Eene dergelijke nauwkeurige en omstandige beschrijving wordt echter hoogst zelden in huurcontracten gevonden. Jn de meeste vindt men zelfs eene verklaring van den huurder, dat hij het gehuurde wel kent en daarvan geen nadere beschrijving begeert; en verder dat hij het gehuurde in een goeden staat heeft aanvaard. Bij gebreke van deze laatste verklaring is er toch een vermoeden dat de huurder het gehuurde in een goeden staat aanvaard heeft, zoodat hij het dan ook in dien staat moet teruggeven.

In verband met het bovenstaande is de huurder aansprakelijk voor alle schade, die door zijne schuld gedurende den huurtijd aan het goed wordt toegebracht. Het bewijs, dat de schade buiten zijne schuld is toegebracht, mag hij natuurlijk leveren.

Alleen in geval van brand is het anders. Wordt daardoor aan het gehuurde goed schade toegebracht, dan wordt verondersteld dat de huurder er geen schuld aan heeft en de verhuurder, die het tegendeel beweert, moet zulks bewijzen.

De verantwoordelijkheid van den verhuurder voor schade, strekt zich uit tot zijne huisgenooten en tot degenen aan wie hij het gehuurde in onderverhuring heeft afgestaan of de huur heeft over-

ocr page 274

256

gedaan. Hij blijft de aansprakelijke persoon zoolang hij werkelijk huurder is en alleen wanneer, met medewerking van den verhum-der dus, een nieuwe huurder in zijne plaats is gesteld, houdt de verantwoordelijkheid op.

Recht van den huurder op wat hij zelf aan het gehuurde heeft gedaan.

De huurder mag bij ontruiming van het gehuurde goed afbreken en tot zich nemen al hetgeen hij daaraan op zijn kosten heeft doen maken.

Dit afbreken en wegnemen moet echter geschieden zonder beschadiging' van het goed.

Is dit laatste niet mogelijk dan zal de huurder van dit recht geen gebruik kunnen maken en, wanneer hij het door hem aangebrachte toch weghaalt, door den verhuurder tot schadevergoeding kunnen worden aangesproken.

Geschillen over het bestaan van de huur zelf en over den huurprijs.

De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat een huur, die zonder schriftelijk bewijs gesloten en nog niet aangevangen is, door eene dei' partijen wordt ontkend.

Getuigenbewijs baat in zulk een geval niets, ook niet het geven van een handgift of godspenning, wat trouwens bij de huur van goederen niet gebruikelijk is.

Aan hem, die verklaart niet te hebben gehuurd of verhuurd, kan alleen door de tegenpartij het afleggen van een eed worden opgelegd. Het al of niet afleggen van den eed beslist de zaak.

Gesteld dat de huur wel aangevangen is, maar dat er nog geen betaling van huurpenningen heeft plaats gehad en er geschil over den prijs ontstaat, dan moet de verhuurder geloofd worden, wanneer hij verklaart dat de huur is aangegaan voor den door hem opgegeven prijs, mits die verklaring door hem met eede worde bevestigd.

De huurder kan dit echter voorkomen door den huurprijs door deskundigen te laten begrooten.

ocr page 275

257

Daar de wet hierover verder geheel zwijgt, zal, ingeval partijen niet tot eenstemmigheid kunnen geraken, het getal dezer deskundigen door den rechter bepaald en zij zeiven ook door hem moeten worden benoemd.

Einde en voortzetting van de huur en opzegging.

Wanneer een huur mondeling voor een bepaalden tijd is aangegaan, houdt zij toch bij het einde van dien tijd niet op, wanneer er geene opzegging door de eene partij aan de andere is geschied.

Die opzegging moet geschieden op zoodanigen tijd als het plaatselijk gebruik medebrengt.

Wanneer de bedoelde opzegging heeft plaats gehad en de huurder toch in het bezit gebleven is, kan hij zich daarop niet beroepen om te beweren dat hij opnieuw ingehuurd heeft.

Bij eene schriftelijk aangegane huur is het anders. Wanneer de tijd om is en de huurder is in het bezit gebleven en gelaten, dan is door dat feit werkelijk eene nieuwe huurverbintenis ontstaan.

De gevolgen van deze nieuwe huur worden geregeld door de voorschriften der wet, die op mondelinge huur betrekking hebben, dat wil zeggen, er moet, om de nieuwe huur te doen eindigen, eene opzegging geschieden volgens plaatselijk gebruik.

Mocht voor de huur borg gesteld zijn, dan is de borg door de verlenging der huur ontslagen, daar hij zich slechts tot het einde van den bij schriftelijk contract bepaalden termijn had verbonden.

Gevolgen van overlijden en verkoop.

Wij hebben vroeger opgemerkt dat men in het algemeen steeds verondersteld wordt te hebben gecontracteerd voor zichzelf en voor zijne erfgenamen of andere rechtverkrijgenden. Zoo is het ook bij verhuur van goederen. Deze gaat niet te niet door den dood van eene der partijen en indien dit wenschelijk geacht wordt, zooals dikwijls het geval is, moet het uitdrukkelijk bij het contract worden bepaald.

Ook door verkoop van het gehuurde gaat eene gesloten huurovereenkomst niet te niet, wanneer dit niet uitdrukkelijk is bepaald.

17

ocr page 276

258

Een kooper, die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij de huurovereenkomst voorbehouden, om ingeval van verkoop den huurder tot ontruiming van het gehuurde te noodzaken, is verplicht den huurder zoodanigen tijd te voren te waarschuwen, als het plaatselijk gebruik omtrent het opzeggen van huur medebrengt.

Bij huur van landerijen moet in dat geval de waarschuwing ten minste een jaar aan de ontruiming voorafgaan.

Door te verklaren dat hij het verhuurde goed zelf wil betrekken, kan de verhuurder, zonder dat dit overeengekomen is, aan het contract geen einde maken, en mocht het wel zoo bepaald wezen, dan moet hij in elk geval volgens plaatselijk gebruik en wat landerijen betreft minstens een jaar te voren waarschuwen.

Vorm van het eontraet.

Uit het boven medegedeelde blijkt dat de wet zoowel mondelinge als schriftelijke huurcontracten toelaat en, wat de schriftelijke betreft, geene bepaalde vormen voorschrijft.

Behalve bij verhuring op zeer korten tijd is mondelinge huur echter af te raden, omdat er dan allicht bijzondere voorwaarden en bepalingen zijn te maken.

Zijn die voorwaarden en bepalingen eenigszins van beteekenis, dan is het zelfs gewenscht de tusschenkomst van eenen notaris in te roepen.

In elk geval is het niet gewenscht om voor schriftelijke huurcontracten gedrukte modellen te gebruiken, die daarvoor verkrijgbaar zijn gesteld, daar deze meestal hoogst gebrekkig zijn ingericht en bovendien in elk bijzonder geval dient te worden overwogen welke regelen daarvoor zullen gelden.

Bijzondere regelen voor de verhuring van huizen en huisraad.

Of de huurder van een huis verplicht is om het te betrekken en te bewonen is eene vraag die in verschillenden zin is beslist; maar de vraag is niet van groot belang, omdat de huurder, tot waarborg voor den verhuurder, in ieder geval verplicht is om het

ocr page 277

259

van genoegzaam huisraad tot stoffeering te voorzien, opdat de verhuurder het voorrecht dat de wet hem geeft niet feitelijk ver-lieze.

De huurder die aan dit voorschrift niet voldoet kan tot ontruiming van het huis worden genoodzaakt, tenzij hij zekerheid mocht willen stellen voor de voldoening der huurpenningen.

Aansprakelijkheid van den onderhuurder of tweeden huurder.

Wanneer de huurder het huis of de woning voor een deel aan een ander in onderverhuring heeft afgestaan of de huur aan een ander overdeed, op zoodanige wijze echter dat hij zelf huurder blijft, dan is de onder- of tweede huurder ook tegenover den eigenaar verbonden.

Vroeger hebben wij reeds opgemerkt, dat het voorrecht van den verhuurder, op de goederen die zich bevinden in het in onderverhuring afgestane gedeelte, beperkt is tot het bedrag der huurpenningen, die de onderhuurder schuldig is en dat de verhuurder op de goederen van den onderhuurder geen verhaal heeft, wanneer deze bewijst zijne huurpenningen op tijd te hebben betaald.

Een onderhuurder of tweede huurder is dan ook tegenover den eigenaar i.iet verder gebonden dan ten beloope van hetgeen hij aan den huurder schuldig is op het oogenblik dat er beslag gelegd wordt.

Hij kan zich echter niet beroepen op aan den huurder gedane vooruitbetaling, wanneer deze niet bedongen is. want anders zouden huurder en onderhuurder door onderlinge afspraak den eigenaar kunnen bedriegen

Onderhoud en reparation.

Geringe en dagelijksche reparatien zijn voor rekening van den huurder.

Als zoodanig worden beschouwd: reparatien aan winkelkasten, .de sluiting der luiken of blinden, de binnensloten, de vensterglazen zoo binnen- als buitenshuis en. indien zulke gebruiken bestaan, wat door het plaatselijk gebruik er verder onder gerekend wordt.

ocr page 278

200

Deze geringe en dagelijksche reparatiën komen echter, even als andere, voor rekening van den verhuurder, wanneer zij noodzakelijk zijn geworden door den vervallen toestand van het gebouw of door overmacht, b.v. wanneer een ander bij ongeluk of opzettelijk schade aanricht.

Voor den huurder komt het schoonhouden der schoorsteenen.

Voor rekening van den verhuurder is daarentegen het schoonhouden van putten, regenbakken en privaten.

Tijd van verhuring bij gebreke van uitdrukkely beding.

Hiervoor geeft de wet de volgende regels :

de huur van meubelen, om een geheel huis, eene geheele woning, een winkel of eenig ander vertrek daarmede te stoffeeren, wordt gehouden voor zoolang te zijn aangegaan als de huizen, woningen, winkels of vertrekken volgens plaatselijk gebruik doorgaans verhuurd worden ;

de huur van gestoffeerde kamers wordt gehouden voor een jaar te zijn aangegaan wanneer die is gesloten voor eene zekere som in het jaar, — bij de maand wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som in de maand, — bij den dag wanneer de huur is gesloten voor eene som per dag.

Wanneer niet blijkt dat de huur is aangegaan voor een zekere som per jaar, per maand of per dag, wordt zij geacht te zijn gesloten voor den tijd dien het plaatselijk gebruik medebrengt.

Bijzondere regelen voor de huur van landerijen.

Het is zeer wel mogelijk dat bij verhuring van landerijen, waarbij dikwijls het kadaster niet geraadpleegd wordt, eene kleinere of grootere uitgestrektheid wordt aangegeven dan zij werkelijk hebben.

Tot eene ontbinding der huurovereenkomst geeft dit geene aanleiding, maar wel tot vermeerdering of vermindering van den huurprijs, volgens dezelfde regelen die daarvoor bij koop en verkoop gelden en die wij hier dus niet behoeven te herhalen (zie blz. 244).

ocr page 279

201

Wanneer de huurder de landerijen niet van de tot beweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen voorziet; wanneer hij met de beweiding of bebouwing ophoudt of daaromtrent niet als een goed huisvader handelt dat wil zeggen, die zaken verwaarloost of misbruikt; verder wanneer hij het gehuurde goed tot een ander gebruik bezigt dan waartoe het bestemd is of de gemaakte voorwaarden niet nakomt, zoodat er schade voor den verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om te procedeeren tot vernietiging van de huur, met schadevergoeding.

Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in de daartoe bestemde bergplaatsen te bergen.

Zij zijn verplicht aan den verhuurder kennis te geven van alle handelingen die anderen zich ten opzichte van de verhuurde goederen veroorloven.

Korting wegens verlies van den oogst.

De pachter kan eene vermindering der huurpenningen vorderen, wanneer bij eene huur voor verscheidene jaren, de geheele of halve oogst van een jaar door onvermijdelijke toevallen verloren gaat, tenzij hij door den ruimen oogst van vorige jaren reeds mocht zijn schadeloos gesteld.

De begrooting van hetgeen de huurder korten kan geschiedt bij het einde van de huur; dan wordt het genot van al de jaren tegen elkander in vergelijking gebracht; maar de rechter kan den huurder machtigen om voorloopig, naar mate van het geleden verlies, een gedeelte der huurpenningen in te houden.

Mocht de huur slechts voor e'e'n jaar zijn aangegaan en de oogst voor het geheel of de helft of meer verloren zijn, dan is de huurder ontheven van de betaling van den geheelen prijs of van een evenredig deel daarvan, naarmate van het verlies. Bedraagt het verlies minder dan de helft, dan heeft hij op vermindering geen aanspraak.

De huurder kan echter geene korting vorderen, wanneer het verlies der vruchten geleden is nadat ze reeds van den grond waren afgescheiden.

Het gebeurt echter somtijds dat de huurpenningen gedeeltelijk

ocr page 280

202

in den vorm van vruchten worden betaald, en dan moet de verhuurder zijn aandeel in het verlies dragen, door minder vruchten te ontvangen, wanneer de huurder tenminste niet nalatig is geweest, om den eigenaar zijn aandeel in den oogst te leveren.

Wanneer de oorzaak der schade bij het aangaan der huur reeds bestond en bekend was, heeft de huurder ook geene aanspraak op korting

Natuurlijk kan de huurder bij het contract voor onvoorziene toevallen aansprakelijk worden gesteld; dit geldt echter niet voor buitengewone toevallen, zooals verwoestingen van den oorlog of overstroomingen, tenzij de huurder ook deze uitdrukkelijk voor zijne rekening mocht hebben genomen.

Tijd van verhuring bij gebreke van uitdrukkelijk beding.

In dat geval wordt de huur gerekend te zijn aangegaan voor zoodanigen tijd als de huurder noodig heeft tot het inzamelen der vruchten van het verhuurde erf.

De huur van een weide, boomgaard, en van andere gronden waarvan de vruchten binnen den loop van een jaar geheel worden ingezameld, wordt daarom gerekend voor een jaar te zijn aangegaan.

De huur van bouwlanden, die bij afwisselende zaaibeurten bebouwd worden, wordt gerekend te zijn aangegaan voor zoovele jaren als er beurten van dien aard zijn.

Is de huur schriftelijk aangegaan en blijft na afloop daarvan de huurder in het bezit, waarin hij door den verhuurder gelaten wordt, dan ontstaat er een nieuwe huur, waarop de bovengemelde regelen toepasselijk zijn.

Verhouding tussehen opvolgende huurders.

De huurder wiens huur eindigt en zijn opvolger, zijn verplicht elkander over en weder te gerieven, in al hetgzen vereischt wordt om het verlaten en betrekken van het goed gemakkelijk te maken, zoowel wat betreft de bebouwing voor het volgende jaar, als het inoogsten der nog te veld staande vruchten als anderszins, alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik.

ocr page 281

263

Verder moet de huurder bij zijn vertrek het stroo en de mest van het afgeloopen jaar achterlalen, wanneer hij die zaken bij den aanvang der huur ontvangen heeft.

Mocht dit laatste niet het geval wezen, dan kan de eigenaar ze volgens eene te maken begrooting overnemen

Van hooi is bij deze bepaling geen sprake, zoodat het noodzakelijk i; bij het opmaken der huurcontracten daarin te voorzien.

OVER HUUR VAN WERK EN DIENSTEN.

Huur van dienstboden en werklieden.

Die het genot van zijn werkkrachten aan een ander verhuurt of zich in eens anders dienst begeeft, kan dit alleen voor een tijd doen. dat wil zeggen voor een zeker aantal maanden of weken of tot wederopzeggens toe. Is nu de overeenkomst geheel zonder tijdsbepaling gesloten, dan zal zij moeten geacht worden te zijn aangegaan tot wederopzeggens toe en zal dus door ieder der partijen steeds kunnen worden verbroken.

Ook kan men zijn diensten slechts voor een bepaalde onderneming verhuren. B.v iemand verbindt zich een heer als dienaar te vergezellen op diens voorgenomen tocht door Afrika; dat is een wettig contract; maar indien hij zich had verbonden om hem als bediende te volgen op alle reizen en ondernemingen, die de heer mocht uitvoeren, dan zou dit contract, als een wettigen grondslag missende, door den rechter kunnen worden vernietigd, om op een bekwamen tijd te eindigen. Ditzelfde zou het geval wezen wanneer eene dienstbode zich voor het geheele leven verhuurd had.

De wet spreekt alleen van dienstboden en werklieden. Er zijn zeer vele personen, die wel is waar zich begeven in dienst van een ander, maar toch niet onder deze benaming vallen, zooals kantoor- en winkelbedienden, reizigers, huishoudsters en dergelijken.

ocr page 282

264

Op deze personen zijn de bijzondere bepalingen der wet, die op dienstboden en werklieden betrekking hebben dan ook niet toepasselijk, en de geschillen, die zich mochten voordoen tusschen hen en degenen in wier dienst zij getreden zijn, zullen dus, naar gelang van omstandigheden, naar de gewone regelen van het recht moeten worden beslist.

Verhouding tusschen den meester en zijne dienstboden of werklieden.

Wanneer er tusschen de partijen geschil ontstaat over een der volgende punten:

1. hoegrootheid van het loon,

2. betaling van het loon over het verschenen jaar,

3. betaling op rekening van het loopend jaar, en

4. tijd waarvoor de huur is aangegaan, dan wordt de meester op zijne verklaring geloofd. Alleen heeft de dienstbode het recht om te vorderen dat de meester zijne verklaring onder eede bevestigt.

Dienstboden en werklieden, die voor eenen bepaalden tijd zijn gehuurd, zooals in den regel het geval is, mogen vóór het einde van dien tijd den dienst niet anders dan om geldige redenen, natuurlijk desnoods door den rechter te beoordeelen, verlaten, op straffe van verbeurte van het verdiende loon.

Op dezelfde wijze mogen zij vóór het einde van den bepaalden tijd, zonder bewijs van zoodanige geldige redenen niet uit den dienst worden weggezonden.

Dit is echter een wassen neus, daar de meester niet verplicht is om een reden op te geven, indien hij zich van zijn personeel ontslaan wil Hij heeft namelijk de bevoegdheid om zijne dienstboden en werklieden ten allen tijde zonder opgaaf van redenen weg te zenden, mits betalende, behalve het verschenen loon, tnt schadeloosstelling zes weken loon, te rekenen van den dag waarop zij uit den dienst zijn weggezonden.

ocr page 283

265

Aanneming van werk.

De aanneming van werk wordt meestal geregeld door bijzondere overeenkomsten welke tusschen den aanbesteder en den aannemer worden gesloten.

De daarop betrekking hebbende wetsbepalingen hebben dus weinig praktisch nut en alleen waar een contract ontbreekt, hetgeen meestal slechts bij de aannemingen van minder belang het geval is

De aanneming doet zich in tweeerlei vorm voor. Soms levert de werkman alleen zijn arbeid of nijverheid; meestal efchter levert hij ook de stof, die hij dus aan den aanbesteder verkoopt.

Wanneer in het laatste geval het werk vergaat alvorens het geleverd is, komt het verlies voor rekening van den aannemer, tenzij de aanbesteder nalatig mocht geweest zijn om het te ontvangen.

Levert de werkman of aannemer alleen zijn arbeid, dan is hij in het bedoelde geval alleen aansprakelijk voor de gevo'gen van zijn eigen schuld.

Vergaat het werk zonder dat iemand schuld heeft of nalatig is, dan heeft de werkman geene aanspraak op arbeidsloon, tenzij de zaak mocht zijn vergaan door een gebrek in de door den aanbesteder of werkgever geleverde stof.

Wanneer een gebouw, voor eenen bepaalden prijs aangenomen en gemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling, en zelfs uithoofde van de ongeschiktheid van den grond, dien de bouwmeesters en aannemers hadden behooren te onderzoeken, zijn deze daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk.

Al is het werk reeds aangevangen, kan de aanbesteder het toch nog afzeggen, mits hij den aannemer volkomen schadeloos stelle voor de door hem gemaakte kosten, den gedanen arbeid en de winstderving.

Alle huur van werk houdt op door den dood van den werkman, bouwmeester of aannemer.

De eigenaar is evenwel gehouden om aan de erfgenamen, naar evenredigheid van den bij de overeenkomst bedongen prijs, de waarde te betalen van het gedane werk en die der in gereedheid

ocr page 284

206

gebrachte bouwstoffen, althans wanneer dat werk of die bouwstoffen hem tot eenig nut kunnen verstrekken.

Door den dood van den eigenaar houdt de huur van werk niet op, daar het den werkman wel hetzelfde zal zijn, voor wien hij bouwt of ander werk verricht.

Dit contract wordt niet, zooals de huur van dienstboden, uit aanmerking van een bepaald persoon gesloten.

De aannemers zijn verantwoordelijk voor de daden van hen die zij in het werk stellen.

Wanneer metselaars, timmerlieden of andere ambachtslieden zelf onmiddellijk en voor eenen bepaalden prijs de uitvoering van een werk op zich nemen, worden zij door de wet als aannemers beschouwd en zijn de gewone bepalingen dus op hen toepasselijk.

Veelal echter worden zij door den aannemer in het werk gesteld, en hebben zij met den aanbesteder in het algemeen niets te maken. Tegen hem hebben zij, wat de betaling van loon of leverantie betreft slechts eene vordering ten beloope van hetgeen hij op den dag dat die vordering in rechten wordt vervolgd, aan den aannemer schuldig is

OVER RECHT VAN BEKLEMMING.

In het noorden van ons land, met name in de provincie Groningen, is een zakelijk recht bekend, beklemrecht geheeten, dat door de wet evenwel niet opzettelijk wordt geregeld, maar geregeerd wordt door de oude lands of stadsrechten of door het plaatselijk gebruik of het gewoonterecht

Aard van het beklemrecht.

In oude tijden bestond het beklemrecht vermoedelijk hierin, dat een stuk grond in huur of gebruik werd afgestaan, met bevoegd-

ocr page 285

207

heid van den gebruiker om er gebouwen op te stellen. Later is dit veranderd en zooals het beklemrecht zich thans voordoet is het een recht om voo: tdurend en erfelijk den grond te gebruiken en te bebouwen. De gebruiker heet meier. Hij betaalt bij den aanvang van het contract eene bepaalde som en verder nog een huurprijs per jaar en zekere buitengewone uitkeeringen, b.v. bij overgang door verkoop of erfrecht en bij huwelijk.

Ook moet de meier de lasten betalen.

De eigenaar en zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden, zijn evenals bij vruchtgebruik slechts bloote eigenaren en deze bloote eigendom gaat eerst in vollen eivendom over, wanneer het beklemrecht eindigt, doordat de meiet zonder wettelijke erfgenamen sterft of eenig ander voorval plaats heeft, dat volgens de bestaande bepalingen aan het contract een einde maakt.

Recht van den meier.

De meier heeft de bevoegdheid om het beklemrecht met hypotheek te bezwaren, daar het door de wet als eene onroerende zaak wordt beschouwd, die dus ook door verkoop of schenking aan anderen kan overgaan.

Erfelijkheid.

Het voornaamste kenmerk van het beklemrecht is de erfelijkheid. Het recht kan zoowel in de opgaande en zijdlinie als in de rechte linie overgaan ; maar het eindigt wanneer geene door de wet geroepen erfgenamen bij het overlijden van den meier aanwezig zijn.

DE OVEREENKOMST VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.

De woorden maatschap en vennootschap zijn eigenlijk twee be namingen voor dezelfde zaak.

De maat- of vennootschap is dan aanwezig, wanneer twee of

ocr page 286

268

meer personen iets in gemeenschap brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.

Dit zegt de wet, maar men begrijpt gemakkelijk dat, door iets in gemeenschap te brengen, moeilijk voordeel kan ontstaan, wanneer met dien gezamenlijken inleg niet iets gedaan wordt.

De bedoeling is dan ook, dat het bijeengebrachte, meestal fonds genaamd, tot het een of ander wordt aangewend, op zoodanige wijze dat er voordeel mee behaald kan worden. Dat voordeel wordt dan door de leden der maatschap, vennooten genaamd, onderling gedeeld.

Voorbeeld van een contract van maatschap.

A en B leggen ieder duizend gulden in. Met die tweeduizend gulden worden door hen effecten gekocht en weder verkocht, met de bedoeling om op die wijze winst te maken en het voordeel onderling te deelen. Het contract waarbij dit overeengekomen wordt bevat bijzonderheden omtrent den tijd dat de maatschap duren zal, de verdeeling der werkzaamheden, enz.

Deze maatschap noemen wij eene burgerlijke maatschap, omdat de vennooten van het koopen en verkoopen van effecten geen handelszaak maken, en deze maatschap wordt in het burgerlijk wetboek geregeld.

Wanneer A en B nu overeenkwamen om voor anderen effecten te koopen en te verkoopen, dus als commissionairs in effecten optraden, en daartoe het geld bijeenbrachten, met dezelfde bedoeling, dan zouden wij deze maatschap meer bepaald eene vennootschap of handelsvennootschap noemen.

De handelsvennootschappen zijn onder bijzondere benamingen bekend, namelijk de vennootschap onder firma, de vennootschap bij wijze van geldschieting en de naamlooze vennootschap. Zij worden in het wetboek van koophandel geregeld.

De bepalingen van het burgerlijk wetboek omtrent de maatschap zijn overigens in het algemeen ook op de handelsvennootschappen betrekkelijk.

Wat wij hier verder mededeelen heeft echter meer in het bij-

ocr page 287

269

zonder op de burgerlijke maatschap betrekking. Wij kunnen daarbij kort zijn, omdat deze overeenkomst in de praktijk niet veelvuldig voorkomt.

Gevolg van tiet in gemeenscliap brengen van h.et fonds.

In den regel wordt door de vennooten geld ingebracht.

Dit kan echter ook anders zijn. Zoo zouden b.v. A en B, die eene burgerlijke maatschap tot aan- en verkoop van effecten aan gaan, bij den aanvang ervan reeds eenige effecten kunnen bezitten en die, ieder van zijn kant, in, gemeenschap brengen.

Met die zaken gaat het nu als in de huwelijksgemeenschap. Zij worden het gemeenjchappelijk eigendom der vennooten. leder van hen bezit er een onverdeeld gedeelte van en wanneer later de maatschap eindigt of ontbonden wordt, dan worden de tot het fonds behoorende zaken naar de wijze eener boedelscheiding verdeeld.

Verdeeling van winst en verlies.

De eene vennoot brengt somtijds meer in als de ander. Ook de verdeeling der winsten of het dragen der verliezen behoeft niet altijd voor gelijke deelen te geschieden.

De vennooten kunnen daaromtrent overeenkomen wat zij willen. Zij kunnen ook bepalen dat een of meer der vennooten niet zullen bijdragen in mogelijke verliezen.

Nietig is evenwel de bepaling, dat alle voordeelen door een of meer der vennooten zullen worden genoten.

Vorm van het contract.

Er is geen bepaalde vorm voor het contract voorgeschreven, maar het is in ieder geval gewenscht van de hulp van eenen notaris gebruik te maken, daar de samenstelling van een contract van maatschap veel omzichtigheid vereischt.

Indien onroerend goed wordt ingebracht, dan is in ieder geval een schriftelijk bewijs noodig, daar in dat geval overschrijving aan het hypotheekkantoor moet plaats hebben.

ocr page 288

27 O

Beheer van de maatschap.

Gewoonlijk wordt een der vennooten met het beheer der maatschap belast. In dat geval kan hij, zelfs tegen den wil der overige vennooten, alle daden van beheer verrichten, mits daarin te goeder trouw te werk gaande.

Gedurende het bestaan der vennootschap kan deze last om te beheeren niet worden herroepen, tenzij hij later bij afzonderlijke volmacht mocht gegeven zijn

Wanneer geene bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer gemaakt zijn, worden de vennooten geacht elkander over en weder de macht te hebben verleend om daden van beheer te verrichten.

Wanneer een der vennooten een nieuwen vennoot in de maatschap wil doen treden, heeft hij daartoe de toestemming der overigen noodig.

Aansprakelijkheid der vennooten tegenover personen met wie zij gehandeld hebben.

Wanneer tegenover derde personen door de vennooten verbintenissen zijn aangegaan, dan is ieder van hen voor zijn deel aansprakelijk.

De vennooten zijn voor die verbintenissen met hun eigen vermogen verbonden en kunnen door den schuldeischer, met wien zij gehandeld hebben, worden aangesproken, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg.

Het spreekt wel vanzelf dat, wanneer een der vennooten op die wijze meer betaalt dan volgens het contract voor zijne rekening komt, hij tegen de anderen zijn recht van verhaal heelt.

Om de geheele maatschap te kunnen verbinden heeft intusschen een vennoot van de overigen eene bepaalde lastgeving noodig.

Hierboven hebben wij reeds opgemerkt dat, wat het gewoon beheer of de administratie betreft, bij gebreke van bijzondere bepalingen de vennooten geacht worden elkander daartoe over en weder de macht te hebben verleend Ook het verkoopen van roerend goed wordt door de wet tot het beheer gerekend.

ocr page 289

2/1

Hinde van de maatscliap.

Behalve met onderlinge toestemming en door het verloop van den tijd voor welken zij is aangegaan, neemt de maatschap een einde door den enkelen wil van slechts één der vennooten.

Dit beteekent natuurlijk niet dat ieder vennoot elk oogenblik de maatschap kan doen eindigen, maar wanneer de maatschap voor onbepaalden tijd of tot wederopzeggens toe is aangegaan, is dit wèl mogelijk

Door die opzegging eindigt de geheele maatschap, en dit is dus een geval waarin eene overeenkomst zonder wederzijdsche toestemming der partijen kan worden herroepen.

De overige vennooten hebben natuurlijk de bevoegdheid om dadelijk te zamen eene nieuwe maatschap op te richten.

Is de maatschap voor eenen bepaalden tijd aangegaan, dan kan hare ontbinding vóór den afloop van dien tijd niet anders gevorderd worden, dan om wettige redenen, b.v, omdat een ander vennoot niet aan zijne verplichtingen voldoet, of aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken behoorlijk waar te nemen.

Verder neemt de maatschap ook een einde wanneer een der vennooten overlijdt, onder curateele wordt gesteld of failleert.

Ofschoon het contract voor geen bepaalden tijd gesloten is en ieder der vennooten dus steeds eene opzegging kan doen, moet de opzegging evenwel te goeder trouw gedaan worden en mag niet ontijdig geschieden.

Er wordt aangenomen dat de opzegging niet te goeder trouw heeft plaats gehad, wanneer een vennoot dit gedaan heeft, met de bedoeling om zich alleen een voordeel toe te eigenen, dat de vennooten zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te genieten.

Ontijdig zou de opzegging b.v. zijn wanneer geld tot eene bepaalde onderneming was aangewend, zoodat het noodzakelijk was, in het belang der maatschap, om met de ontbinding tot na den afloop dier zaak te wachten.

ocr page 290

272

VEREENIGINGEN VAN PERSONEN ALS ZEDELIJKE LICHAMEN.

De maatschap is eene vereeniging van personen, die optreden met het bepaalde doel om voor zich zeiven winst of voordeel te behalen.

Er zijn echter vereenigingen van personen, en haar aantal is zelfs zeer groot, die tot het een of ander doel samenwerken, zonder daarbij het behalen van winst of voordeel te beoogen of op den voorgrond te zetten.

Het doel dezer vereenigingen is niet van stoffelijken, maar van onstoffelijken, of zooals men het noemt van zedelijken aard. Vandaar de benaming zedelijke lichamen.

Voorbeelden van zedelijke lichamen.

Zedelijke lichamen zijn die talrijke vereenigingen tot nut en vermaak, tot lichaamsoefening, tot bevordering van kunst, kennis, beschaving en godsdienst, welke tegenwoordig alom worden aangetroffen. B v. eene societeit, eene schermvereeniging, een tooneel-gezelschap, een bond van onderwijzers, een zendingsgenootschap, enz. enz.

Wettelijke bepalingen omtrent de zedelijke lichamen.

Het recht om vereenigingen op te richten en vergaderingen te houden was vóór de grondwetsherziening van 1848 zeer beperkt, maar toen werd dit recht uitdrukkelijk erkend, onder bepaling dat er eene bijzondere wet moest worden gemaakt, waarbij het nader werd geregeld, want de bestaande bepalingen van het burgerlijk wetboek waren daartoe geheel onvoldoende.

De bedoelde wet op het recht van vereeniging en vergadering is dan ook in 1855 tot stand gekomen en van dien tijd af waren op de zedelijke lichamen zoowel de bepalingen van deze wet als die van het burgerlijk wetboek van toepassing.

ocr page 291

273

Rechtspersoonlijkheid.

Rechtspersoonlijkheid bestaat daarin, dat een vereeniging van personen tegenover de buitenwereld optreedt, alsof zij een enkel persoon vormde.

Vereenigingen van personen als zedelijke lichamen kunnen zoodanige rechtspersoonlijkheid bekomen. Daardoor zijn zij evenals particuliere personen bevoegd tot het aangaan van burgerlijke handelingen. Het lichaam, door het bestuur vertegenwoordigd, kan b.v. koopen en verkoopen, tegen anderen in rechten optreden enz.

Men begrijpt dat dit voor de vereeniging van groot gewicht is, want wanneer tot elke rechtshandeling alle leden persoonlijk of bij volmacht moeten medewerken, is dit eene zeer omslachtige wijze van handelen en bovendien zal het doel er in vele gevallen niet door bereikt worden

Gesteld b.v. dat eene sociëteit een eigen gebouw wil koopen en dat er twintig leden zijn; dan zal het gebouw het eigendom worden van de twintig leden, ieder voor een onverdeeld gedeelte en bij overlijden of uittreden van een lid blijft de eigendom aan hem of zijne erfgenamen.

Heeft de vereeniging rechtspersoonlijkheid, dan koopt zij. Zij heeft een eigen vermogen en het aangekochte valt daarin. Het vermogen der leden heeft daarmede niets te maken. Intreden of uittreden van leden heeft er geen invloed op, want de eigendom blijft bij de vereeniging.

Wijze waarop.de rechtspersoonlijkheid wordt verkregen.

De rechtspersoonlijkheid wordt verkregen door erkenning vanwege de regeering.

Wanneer eene vereeniging voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren wordt aangegaan, is er voor de erkenning eene wet noodig; dat wil zeggen dat de medewerking van de beide kamers der Staten-Generaal wordt vereischt.

Deze weg is vrij omslachtig. Vandaar dat de gewoonte meebrengt om vereenigingen op te richten voor 29 jaar en 11 maanden,

18

ocr page 292

274

dus minder dan dertig jaren, omdat dan voor de erkenning een koninklijk besluit voldoende is.

De erkenning bestaat hierin, dat de statuten of bepalingen der vereeniging, welke haar doel, hare grondslagen, haar werkkring en hare overige regelen moeten bevatten, en daartoe aan den minister van justitie met een verzoekschrift worden opgezonden, door de regeering worden goedgekeurd, terwijl gelijke goedkeuring voor verandering of vernieuwing der statuten wordt vereischt.

Vertegenwoordiging van het zedelijk lichaam.

Bij alle burgerlijke handelingen treedt het bestuur voor het lichaam op, voorzoover daaromtrent niet anders bij de statuten is bepaald.

Het bestuur verbindt de vereeniging tegenover derden of verbindt die derden aan de vereeniging, treedt in rechten tegen anderen op of verdedigt zich op een ingestelde rechtsvordering, enz.

Het spreekt wel van zelf dat het bestuur tot een en ander op de algemeene vergadering zal gemachtigd worden; daar in geen enkele vereeniging aan het bestuur de macht gegeven is om naar willekeur op te treden.

De handelingen waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden de vereeniging slechts wanneer zij haar ten goede zijn gekomen, of wanneer die handelingen naderhand zijn bekrachtigd.

Verantwoordelijkheid van het bestuur.

Voor zoover daaromtrent bij de statuten of reglementen niets anders is bepaald, zijn de bestuurders verplicht om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk lichaam, rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid in rechten kan optreden.

Stemrecht.

; Bij gebreke van bepalingen daaromtrent, heeft elk lid van een zedelijk lichaam recht om zijne stem uit te brengen en worden alle besluiten bij meerderheid van stemmen genomen.

ocr page 293

275

Aansprakelijkheid.

Zooals wij reeds opmerkten is het doel der erkenning als zedelijk lichaam,, dat de vereeniging als zoodanig zelfstandig als een particulier persoon zal kunnen optreden en dat zij een eigen vermogen zal hebben.

De leden zijn dan ook niet persoonlijk voor de verbintenissen aansprakelijk.

Die met een zedelijk lichaam handelt moet weten, dat wat hij te vorderen mocht hebben, alleen verhaalbaar is op de goederen van de vereeniging.

Duur van het lidmaatschap van een zedelijk lichaam.

Hoewel ook anders kan worden bepaald is het lidmaatschap van geheel persoonlijken aard en eindigt dus met den dood. De erfgenamen hebben op niets aanspraak.

Ontbinding der vereeniging.

De als rechtspersoon erkende vereenigingen worden ontbonden door den dood of het uittreden van alle leden.

Het geval kan zich natuurlijk voordoen, dat er maar één lid meer is overgebleven. Ook dan houdt de vereeniging op te bestaan.

Natuurlijk kan de vereeniging ook bij besluit van de algemeene vergadering -een einde nemen.

Liquidatie.

De overblijvende leden of het laatst overblijvende lid is verplicht de schulden der vereeniging te voldoen voor zoover de baten kunnen strekken.

Is er een voordeelig saido dan is het ook natuurlijk hun eigendom, of mogen zij het zich in ieder geval toeëigenen.

Wat de betaling der schulden betreft moeten zij vooraf de schuld-eischers oproepen en rekening en verantwoording aan hen doen, even als dit is voorgeschreven met betrekking tot erfgenamen, die een boedel onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard.

ocr page 294

276

Bij gebreke van voldoening aan deze verplichtingen zijn zij persoonlijk, en wel ieder voor het geheel, aansprakelijk voor de schulden; eene verbintenis die natuurlijk op hunne erfgenamen overgaat.

Afwijking van de goedgekeurde statuten.

Zoodanige afwijking kan er aanleiding toe geven dat het Openbaar Ministerie, dat wil zeggen de Officier van Justitie bij de rechtbank, de vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid als rechtspersoon aan de rechtbank vraagt.

Er wordt dan door de rechtbank een curator benoemd, die de zaken der vereeniging liquideert, de goederen verkoopt, de schulden betaalt, en het batig saldo uitkeert aan degenen die op het oogen ■ blik der vervallen-verklaring lid waren of hunne erfgenamen.

Niet erkende vereenigingen.

Wij hebben boven reeds opgemerkt dat niet als rechtspersoon erkende vereenigingen eenvoudig verzamelingen van op zich zelf staande personen zijn.

De overeenkomsten, die door zulk een gezelschap gesloten worden en de goederen die tengevolge daarvan door hetzelve worden verkregen, worden beschouwd als gesloten en verkregen te zijn door hen die de overeenkomst aangingen en de goederen aanvaardden.

In ieder geval zijn alleen zij die met derden gehandeld hebben daardoor persoonlijk verbonden. Onderling staan de leden natuurlijk tot elkander zooals in de reglementen is bepaald.

OVER STICHTINGEN.

De stichtingen hebben deze overeenkomst met de zedelijke lichamen, dat zij lichamen zijn die tot een niet stoffelijk of zedelijk doel zijn ingesteld.

ocr page 295

Eene stichting is dan aanwezig, wanneer door een persoon, of door eene vereeniging van personen, zekere goederen worden afgezonderd en bestemd tot een blijvend doel van zedelijken aard.

Dit is de reden waarom men de stichting, ter onderscheiding van de vereenigingen van personen, ook wel vereeniging van goederen noemt.

Deze goederen, ook wel het fonds der stichting genaamd, hebben dus de bestemming om steeds tot hetzelfde doel te worden aangewend en nimmer te worden vervreemd. Men noemt dit ook wel zoo, dat zij buiten den handel geraken of in de doode hand komen.

De stichting is van zelf een rechtspersoonlijk lichaam, daar de goederen gesteld worden onder een geregeld bestuur, dat ze beheert en de instelling bij alle handelingen vertegenwoordigt, alsof zij in werkelijkheid een persoon ware.

Het komt echter dikwijls voor, dat zekere bezittingen of kapitalen tot een voortdurende nuttige bestemming zijn afgezonderd, doch op zoodanige wijze dat zij het eigendom zijn van de eene of andere b.v. weldadige instelling. In zoodanig geval is er natuurlijk van eene wezenlijke stichting geen sprake, ofschoon in de wandeling die naam aan dergelijke instelling meestal gegeven wordt.

Hoe eene stichting wordt opgericht.

Dit kan geschieden zoowel tijdens het leven van den stichter als na diens dood krachtens zijne uiterste wilsbeschikking In ieder geval moeten, om het beoogde doel te bereiken, bepaalde goederen of fondsen worden aangewezen, duidelijk de bestemming uitgedrukt die de stichter er aan wenscht te geven en gezorgd voor een bestuur, dat in staat en bereid is de taak op zich te nemen en bevoegd om andere personen als opvolgers aan te wijzen.

ocr page 296

278

DE OVEREENKOMST VAN SCHENKING.

Oppervlakkig schijnt het zonderling, dat eene schenking eene overeenkomst zou zijn, daar het geven van iets een eenzijdige handeling is.

Dit is echter slechts schijn, daar immers de begiftigde persoon niet verplicht is om het hem toegedachte aan te nemen. Ook hier is dus een aanbod en eene aanneming daarvan, en eerst dan is de schenking werkelijk aanwezig en heeft de begiftigde recht om te vorderen wat hem aangeboden is Zoolang hij niet aangenomen heeft kan het aanbod steeds worden teruggenomen.

Op een bijzonder soort van schenkingen, namelijk de giften ter zake des huwelijks, hebben wij vroeger reeds de aandacht gevestigd.

Kenmerken van eene schenking.

Deze bestaan hierin dat de schenker iets geeft:

1°. bij zijn leven,

2°. om niet,

30. onherroepelijk.

Geven bij het leven staat tegenover geven na den dood.

Bij testament kan iemand aan een ander het geheel of een gedeelte zijner nalatenschap schenken, onder de benaming van erfstelling of legaat. Dan komt er geen aanneming te pas, om de gift kracht te doen hebben. Zij heeft die vanzelf door het enkele feit van den dood, behoudens de bevoegdheid van een erfgenaam of legataris, om het erfdeel te verwerpen of van het legaat af te zien.

Dat de schenker om niet geeft, beteekent dat er geen voordeel tegenover bedongen wordt. Bij deze overeenkomst, die daarom niet wederkeerig is, is slechts eene der partijen verbonden om iets te geven.

De onherroepelijkheid der schenking is een noodzakelijk gevolg hiervan, dat door de aanneming de begiftigde het recht op de zaak verkrijgt.

ocr page 297

279

Bij testamentaire beschikkingen, die door den dood worden bekrachtigd is hel anders, en kan de testamentmaker tot aan zijn dood toe, de gemaakte beschikking weder veranderen of geheel herroepen.

Wat men schenken mag.

Natuurlijk alle onroerende en roerende zaken en geldsommen en ook het vruchtgebruik van goederen of gelden.

Maar ofschoon, in het algemeen overeenkomsten kunnen loopen over zaken die men nog niet bezit of zoogenaamde toekomstige zaken, is het hier anders.

Alleen tegenwoordige goederen kunnen bij wege van schenking gegeven worden ; dat wil zeggen, bepaald aangeduide goederen, die men reeds in zijn bezit heeft

Zooals wij vroeger zagen maakt de gift ter zake des huwelijks hierop eene uitzondering, daar die ook betrekking kan hebben op de nalatenschap van den gever

Bijzondere bedingen, die een schenker maken mag.

Ofschoon de schenking door hare aanneming eene onherroepelijke handeling is geworden, kan de schenker zekere bijzondere bedingen, maken die in het vervolg van tijd op het gegevene invloed hebben.

Wel mag hij zich niet voorbehouden om later over een bepaald voorwerp, in de schenking begrepen, te beschikken en maakt zulk een beding de schenking van dat voorwerp nietig ; maar hij mag zich toch voorbehouden om over eene bepaaUe geldsom uit het geschonkene later te beschikken.

Overlijdt hij, zonder over die som te hebben beschikt, dan behoort zij onherroepelijk aan den begiftigde.

Die bepaalde geldsom is eigenlijk een deel van de waarde dei-goederen, waarvan de schenker zich de terugneming voorbehoudt met het oog op de mogelijkheid dat hij er later eene andere bestemming aan zal willen geven of er zelf gebrek aan hebben.

Verder is het den schenker geoorloofd zich zelf het vruchtgebruik van de geschonken zaken voor te behouden, of dat vruchtgebruik

ocr page 298

28o

te bedingen ten behoeve van een derden persoon, zoodat de begiftigde voorloopig alleen den blooten eigendom verkrijgt.

Die derde persoon is dan ook begiftigd en hij kan van het te zijnen behoeve bedongene gebruik maken, zoodra hij zich daaromtrent verklaart.

Recht van terugkeer.

Het spreekt wel vanzelf dat eene schenking altijd gedaan wordt met de bedoeling om een bepaald persoon te bevoordeelen of te begunstigen. Dat de goederen later, nog bij zijn leven, aan vreemden overgaan, zal de schenker vermoedelijk niet gaarne zien.

Vandaar dat de schenker bevoegd is om te bepalen dat de gegeven goederen tot hem zullen terugkeeren, wanneer, hetzij de begiftigde alleen, of deze en zijne afstammelingen, vóór den schenker overleden zijn.

Ten behoeve van een derden persoon mag hij zulk een beding evenwel niet maken.

Wie eene schenking mogen doen.

Natuurlijk zijn dit alleen die personen welke in het algemeen bevoegd zijn om zich te verbinden.

Vandaar dat een minderjarige alleen ter zake des huwelijks een gift mag doen aan den aanstaanden echtgenoot.

Zoodra het huwelijk voltrokken is mogen echtgenooten elkander geen schenkingen meer doen. Daarvoor pleiten verschillende redenen die wij hier niet behoeven uiteen te zetten

De bedoeling van de wet is, dat niet, gedurende het huwelijk, goederen, aan een der echtgenooten toebehoorende, op die wijze aan den anderen zullen overgaan. De echtgenooten kunnen of te voren bij het huwelijkscontract voor elkander zorgen, öf elkander bevoordeelen bij testament.

Het is echter niet de bedoeling, dat de echtgenooten elkander nimmer iets zouden mogen geven. De wet zegt dat het bedoelde verbod niet toepasselijk is op geschenken van roerende lichamelijke voorwerpen, waarvan de waarde niet bovenmatig is in aanmerking van de gegoedheid van den schenker.

ocr page 299

281

Tegen zoodanige overmatige gilt, indien die te bewijzen ware, zouden de erfgenamen van den schenker in later tijd kunnen opkomen.

Wie uit eene schenking voordeel kunnen genieten.

Alle personen kunnen dit en, evenals met betrekking tot het erfrecht, kunnen wij ook hier opmerken, dat zelfs het ongeboren kind uit eene schenking voordeel zou kunnen trekken, hoewel dit zeker zelden zal voorkomen

Schenkingen worden dikwijls gedaan aan openbare of godsdienstige gestichten. Deze hebben echter tot aanneming der gift de goedkeuring der hooge regeering noodig.

Onder openbare of goisdienstige gestichten verstaat men hier de kerkgenootschappen en kerkelijke instellingen, de armbesturen en andere instellingen van weldadigen aard, die op openbaar gezag, b.v. door de gemeente, zijn opgericht of onderhouden worden.

Vorm der schenkingen.

De schenking wordt door de wet als eene zeer gewichtige handeling beschouwd. Er moet een schriftelijk bewijs van opgemaakt worden en wel bij akte voor eenen notaris verleden, zoodat hij die eene schenking wenscht te doen, verstandig handelt door zich van stonde aan tot eenen notaris te wenden.

Eene schenking bij onderhandsche akte gedaan is nietig, zoodat hare uitvoering niet zou kunnen worden geeischt.

Zooals wij reeds opmerkten is de schenking eerst dan volledig en verbindend, wanneer zij door den begiftigde is aangenomen. Tot zoolang kan het aanbod worden ingetrokken

De aanneming moet in uitdrukkelijke bewoordingen geschieden, hetzij door den begiftigde zeiven, hetzij door een lasthebber, die daartoe bij notariëele akte moet gemachtigd zijn.

Het gebruik brengt mede, dat de schenking en de aanneming daarvan bij eene en dezelfde akte geschieden.

De aanneming behoett echter niet dadelijk maar kan later bij afzonderlijke notariëele akte plaats hebben, mits dit geschiede gedurende het leven van den schenker ; anders zijn de erfgenamen van den schenker niet gehouden tot uitkeering.

ocr page 300

282

Uitzondering op den bovenstaanden regel.

De zoogenaamde giften van hand tot hand, dat wil zeggen die van roerende lichamelijke voorwerpen oi van schuldvorderingen aan toonder (gewone effecten, die niet op naam staan) vereischen geen schriftelijk bewijs. Zij zijn van kracht door de enkele over-gifte of terhandstelling, even als men die zaken levert in geval van koop of ruiling.

Herroeping en teniet gaan van schenkingen.

De schenking maakt eene uitzondering op den regel, dat overeenkomsten slechts met wederzijdsche toestemming der partijen kunnen worden vernietigd.

Er zijn gevallen waarin de schenker, uit een oogpunt van billijkheid, het vermogen moet hebben om het gedane weder ongedaan te maken.

Drie redenen kunnen daartoe aanleiding geven, die echter tot twee oorzaken gerekend worden

De eerste oorzaak is :

Niet-vervulling der opgelegde voorwaarden.

De schenker die in het geheel niets had behoeven te geven, heeft recht om te vorderen dat de voorwaarden, die hij den begiftigde oplegde, getrouw worden nagekomen. Gesteld b.v. dat hij het vruchtgebruik van het geschonkene ten behoeve van een ander bedongen had op zoodanige wijze, dat de begiftigde de goederen in beheer had en de vruchten moest uitkeeren, en dat deze weigerde dit te doen, althans daarin nalatig was; dan kan de schenker zijne schenking herroepen en deze dientengevolge worden te niet gedaan, dat wil zeggen de begiftigde desnoods veroordeeld om het gegevene weder aan den schenker af te staan.

Een tweede grond van herroeping is:

Ondankbaarheid van den begiftigde,

die zich in tweëerlei vorm openbaren kan. en wel door :

i. zich schuldig of medeplichtig te maken aan een aanslag op

ocr page 301

283

het leven van den schenker of aan een ander misdrijf jegens denzelven;

2. te weigeren aan den schenker, wanneer deze tot armoede is vervallen, levensonderhoud te verschaften.

Verschillende gevolgen.

Bij niet vervulling der voorwaarden kunnen zich twee gevallen voordoen.

De schenker heeft de gift nog niet geleverd, omdat vooraf cene voorwaarde moet worden vervuld, en dan blijft hij eigenaar en kan het geschonkene niet van hem geeischt worden.

Is de gift wel geleverd, dan wordt het geschonkene terug geeischt en keert dan tot den schenker terug, vrij van alle lasten en hypotheken waarmede de begiftigde het reeds mocht hebben bezwaard, want deze was nog niet onherroepelijk eigenaar geworden.

Ook is de begiftigde verplicht om terug te geven de vruchten en inkomsten die hij sedert zijne nalatigheid genoten heeft

Heeft de begiftigde het goed reeds aan derden overgedragen, ook dat werkt niet tegen den schenker, die tegen de derde personen evenzeer zijne rechten kan uitoefenen.

Ingeval van ondankbaarheid was de begiftigde toch reeds werkelijk eigenaar, want hem was geen voorwaarde ter vervulling opgelegd; de lasten en hypotheken waarmede hij het goed heeft bezwaard blijven dan ook van kracht, voor zoover zij vroeger bestonden dan op den dag, waarop de eisch tot vernietiging in de openbare registers is ingeschreven

Deze eisch moet worden ingesteld binnen het jaar, nadat het feit waarop hij gegrond is heeft plaats gehad.

Wordt hij toegewezen dan moet het goed worden teruggegeven met de vruchten en inkomsten sedert den dag der rechtsvordering, of als de zaak aan anderen is overgegaan, hare waarde op het tijdstip der rechtsvordering, met de vruchten en inkomsten sedert dat oogenblik.

Voor de lasten en hypotheken waarmede het goed bezwaard is, moet de schenker bovendien schadeloos worden gesteld.

ocr page 302

284

DE OVEREENKOMST VAN BEWAARGEVING.

De overeenkomst van bewaargeving wordt gesloten wanneer iemand, niet in staat tijdelijk de zorg voor zijne goederen te behartigen, die zorg aa 1 een ander opdraagt.

Deze laatste persoon, de bewaarnemer geheeten, neemt dan het goed in zijn bezit of onder zijn opzicht, onder verplichting om het na verloop van den bepaalden tijd of wanneer de bewaargever het terug verlangt, weder aan hem terug te geven.

Soorten van bewaargeving.

Men onderscheidt de bewaargeving in twee soorten, namelijk de eigenlijke bewaargeving en de sequestratrie, dat wil zeggen de bewaargeving van eene zaak waarover geschil is.

Eigenlijke bewaargeving.

Deze loopt alleen over roerende zaken.

Toch komt het in de praktijk niet zelden voor dat onroerend goed in bewaring gegeven wordt, b.v. in geval van vertrek naar het buitenland of andere tijdelijke afwezigheid. Veelal wordt dan een persoon als huisbewaarder aangesteld, die het tijdelijk door den eigenaar verlaten huis bewaart, daarin verblijf houdt en er de noodige zorg aan besteedt.

Tusschen de eigenaars en huisbewaarders bestaat natuurlijk ook eene overeenkomst, die echter door de wet als lastgeving wordt beschouwd.

Vrijwillige bewaargeving.

Zooals wij weten is voor de bestaanbaarheid van alle overeenkomsten de vrije toestemming der partijen een vereischte. Het spreekt dus ook wel vanzelf dat de bewaargeving berust op de wederkeerige toestemming van bewaargever en bewaarnemer.

ocr page 303

285

Zooals we hierna zullen zien zijn er evenwel gevallen waarin de toestemming van den bewaargever meer verondersteld dan feitelijk aanwezig was en er toch een wettig contract bestaat, dat men bewaargeving uit noodzaak noemt.

Hoe men het bestaan der overeenkomst bewijst.

De mogelijkheid bestaat dat eene zaak van iemand opgevorderd wordt, bewerende dat die aan hem in bewaring gegeven is, en dit van de andere zijde ontkend wordt.

Is er in zoodanig geval geen volledig schriftelijk bewijs, of geen aanvankelijk schriftelijk bewijs, dal door andere middelen kan worden aangevuld, terwijl geen getuigenbewijs kan baten omdat de waarde te hoog is (meer dan drie honderd gulden), dan wordt hij die als bewaarnemer aangesproken wordt, geloofd op zijne bloote verklaring, tenzij door de eene partij aan de andere den eed mocht worden opgelegd, om de beslissing der zaak daarvan te doen afhangen.

Bewaargeving uit noodzaak.

Dit is de zo ;danige, welke men door eenig toeval gedwongen wordt te doen. Men denke aan de gevallen van brand, instorting van gebouwen, plotselinge overstrooming, enz. Dikwijls is men dan zedelijk verplicht zijn goed aan een ander over te laten,

noe deze bewezen wordt.

Het is zoo goed als zeker dat men in dergelijke gevallen geen schriftelijk bewijs van de overeenkomst kan opmaken.

Trouwens, ware hiervoor tijd en gelegenheid, dan zou er eigenlijk van eene vrijwillige bewaargeving sprake wezen.

Vandaar dat bewaargeving uit noodzaak altijd door getuigen kan worden bewezen, daar er ongetwijfeld steeds personen bij de ramp aanwezig zullen geweest zijn, die kunnen verklaren dat men de goederen aan een ander heeft moeten overlaten

ocr page 304

286

Plichten van bewaarnemers.

De bewaarnemer is verplicht omtrent de bewaring der aan hem toevertrouwde zaak, dezelfde zorg aan te wenden, die hij omtrent de bewaring zijner eigene zaken aanwendt.

In vier gevallen weegt deze plicht zwaarder en is de bewaarnemer gehouden om voor de zaken behoorlijk zorg te dragen, al zou hij ook zijne eigene verwaarloozen :

1. wanneer hij zich tot de bewaring heeft aangeboden, hetgeen bij bewaargeving uit noodzaak nog al eens zal voorkomen ;

2. wanneer hij eenig loon voor de bewaarneming had bedongen;

3. wanneer de bewaargeving alleen in het belang van den bewaarnemer is geschied; (zoo zou b.v. iemand die tijdelijk van huis gaat, in dien tusschentijd zijne schilderstukken in bewaring kunnen geven aan een schilder op diens verzoek, omdat deze er gaarne studies naar wilde maken.)

4. wanneer uitdrukkelijk bedongen is, dat de bewaarnemer voor alle soort van verzuim aansprakelijk zal wezen.

Echter is de bewaarnemer in geen geval aansprakelijk voor onvermijdelijke toevallen, tenzij hij in de teruggaaf nalatig is. Van dat oogenblik af staan de zaken geheel voor zijne rekening, tenzij hij mocht bewijzen dat het toeval, dat de zaken heeft doen te niet gaan, ook zou zijn voorgevallen, wanneer zij weder in het bezit van den bewaargever waren geweest

Aansprakelijkheid van herbergiers en logementhouders.

Deze zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor de goederen, welke de reizigers, die bij hen hun intrek nemen, medebrengen. Die reizigers zijn wel verplicht hun het goed toe te vertrouwen en worden derhalve als bewaarnemers uit noodzaak aangemerkt, zoodat het getuigenbewijs tegen hen altijd is toegelaten.

Zij zijn verantwoordelijk wegens diefstal of beschadiging van de goederen der reizigers, hetzij de diefstal begaan of de schade veroorzaakt zij door de dienstboden of andere bedienden der herberg, hetzij door een ander persoon.

Deze regel ondergaat eene uitzondering voor het geval van ge-

ocr page 305

287

welddadige diefstallen, dus b.v. diefstal door middel van inbraak of inklimming, benevens die welke begaan is door personen welke de reiziger zelf bij zich toegelaten heeft.

Wat den bewaarnemer verboden is.

De bewaarnemer is aangesteld om te bewaren en mag zich dus niet van de zaken tot zijn persoonlijk gebruik of ten gebruike van een ander bedienen. Daartoe is een uitdrukkelijk verlof noodig, welk verlof echter somtijds stilzwijgend wordt geacht te zijn gegeven. Het spreekt b.v. wel van zelf, dat, wanneer men iemand zijne boekverzameling in bewaring geeft, de bewaargever de bedoeling niet kan hebben, dat de bewaarnemer in geen enkel boek zal mogen lezen.

Mocht hij die bedoeling wel hebben, dan moet hij de boeken inpakken en wegsluiten, want de bewaarnemer mag niet onderzoeken waarin de zaken bestaan die hem in bewaring zijn gegeven, wanneer die hem in een gesloten kist of onder een verzegelden omslag zijn toevertrouwd.

Teruggaaf van het goed.

Daar de bewaarnemer, zooals van zelf spreekt, dezelfde zaak die hij ontvangen heeft ook moet teruggeven, moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden teruggegeven.

Echter behoeft de toevertrouwde zaak slechts te worden teruggegeven in den staat waarin zij zich bij de teruggave bevindt, in dien zin dat de verminderingen die buiten zijne schuld hebben plaats gehad, niet voor zijne rekening komen.

Is het goed den bewaarnemer door overmacht ontnomen, is b.v. een stuk vee onteigend en afgemaakt tegen schadeloosstelling,'dan moet de schadeloosstelling in plaats van het in bewaring gegevene worden uitgekeerd.

Verplichting van de erfgenamen.

Sterft de bewaarnemer en weten de erfgenamen niet dat zekere zich in den boedel bevindende zaak in bewaring was gegeven, zoo-

ocr page 306

288

dat die met de andei-e goederen des boedels is verkocht, dan zijn zij alleen tot teruggaaf van den koopprijs gehouden

Vruchten en renten.

Levert de in bewaring gegeven zaak vruchten of renten op, dan is de bewaarnemer natuurlijk gehouden tot teruggaaf.

Indien hem geldsommen ter bewaring zijn toevertrouwd, dan is hij daarv.an geen rente verschuldigd, omdat hij er zich niet van heeft mogen bedienen Hij is die rente alle:n verschuldigd van den dag af dat hij, daartoe aangemaand, nalatig is gebleven in de teruggaaf.

Tijd van teruggaaf.

Ook dan, wanneer bij de overeenkomst een bepaalde tijd mocht zijn vastgesteld, is de bewaarnemer gehouden om de zaak terug te geven, zoodra dit van hem verlangd wordt.

Omgekeerd kan de bewaarnemer, die wettige redenen mocht hebben om zich van de hem toevertrouwde zaken te ontdoen, dezelve ook vóór het bepaalde tijdstip aan den bewaargever teruggeven. Het kan hem, door verandering van omstandigheden, onmogelijk zijn, zich langer met de zorg te belasten.

Verplichting van den bewaargever.

De bewaargever is verplicht om te vergoeden alle onkosten die de bewaarnemer mocht gemaakt hebben tot behoud van het in bewaring gestelde en hem schadeloos te stellen voor alle schade, die de bewaring hem mocht hebben veroorzaakt, zooals b.v. bij bewaring van dieren het geval zou kunnen zijn.

De bewaarnemer heeft het recht van retentie, dat wil zeggen hij kan de zaken onder zich houden, tot die onkosten en schadeloosstelling hem betaald zijn.

Sequeatratie.

Zooals wij reeds opmerkten is sequestratie de bewaargeving eener zaak waarover geschil is, in handen van eenen derden persoon.

ocr page 307

289

die zich verbindt tot afgifte aan den rechthebbende, wanneer het geschil beslist is.

Dit kan op tweëerlei wijze geschieden :

1. bij overeenkomst;

2. op rechterlijk bevel.

Sequestratie bij overeenkomst.

Bij dit contract stellen b. v. twee personen, die elk op een zaak aanspraak maken, zoolang het geschil niet beslist is, die zaak onder bewaring van een persoon, die verklaart zich daarmede te zullen belasten. Kunnen zij het omtrent de benoeming van dien persoon niet eens worden, dan kan dezelve aan den rechter worden gevraagd.

Sequestratie op rechterlijk bevel.

Bij deze sequestratie, waartoe de wet zelf somtijds aanleiding geeft, doen zich gevallen voor, waarin eigenlijk niet van een geschil sprake is, ofschoon dit in den regel wel het geval is.

Ingeval van verklaring van vermoedelijk overlijden, wanneer tot voorloopige verdeeling van den boedel wordt overgegaan, mogen de vaste goederen niet worden verkocht, maar worden, wanneer ze niet kunnen worden verdeeld, onder sequestratie gesteld en de inkomsten daarvan uitgekeerd zooals bij de verdeeling is overeengekomen.

Wanneer bij het openvallen eener nalatenschap geschil ontstaat wie er toe bevoegd is, kan de rechter bevelen dat de goederen in bewaring zullen worden gesteld.

Indien, ingeval van beneficiaire aanvaarding, door de beneficiaire erfgenamen op vordering der schuldeischers geene zekerheid wordt gesteld, worden de goederen te gelde gemaakt en de opbrengst in handen gesteld van een door den rechter te benoemen persoon.

Bijzondere kenmerken en bepalingen.

Sequestratie heeft, in tegenstelling van de eigenlijke bewaargeving, zoowel roerende als onroerende zaken ten onderwerp.

19

ocr page 308

290

De bewaarnemer kan, zonder beding van het tegendeel, geen loon rekenen. De zoogenaamde sequester daarentegen kan op een billijk loon aanspraak maken.

Deze sequester kan niet van de bewaring der zaak worden ontslagen vóór dat het geschil uitgemaakt is, tenzij alle belanghebbende partijen daarin mochten toestemmen of hij het bestaan van een wettige reden mocht kunnen bewijzen, waarom hij zich niet langer met de zaak belasten kan.

Benoeming en verplichtingen van den sequester.

De rechter draagt de sequestratie op aan den persoon, die daartoe met onderling goedvinden door partijen wordt aangewezen. Kunnen zij het daaromtrent niet eens worden, dan geschiedt de aanwijzing door hem. In beide gevallen is de sequester tot de verplichtingen van bewaarnemers gehouden en moet hij jaarlijks aan de rechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, eene beknopte rekening van zijn beheer afleggen, met vertooning of aanwijzing der aan hem toevertrouwde goederen.

DE OVEREENKOMST VAN BRUIKLEENING.

De bruikleening heeft deze overeenkomst met de bewaargeving, dat ook eene zaak aan een ander wordt ter hand gesteld; evenwel, met de bepaalde bedoeling, zooals trouwens de naam ook aanduidt, dat de bruikleener zich van de zaak zal kunnen bedienen.

De overeenkomst wordt dus gesloten met het oog op een bepaald persoon; om dien gemak of nut te bezorgen. Zij moet dan ook stellig om niet worden aangegaan. Bruikleening tegen betaling zou huur zijn.

Na gemaakt gebruik, wanneer de zaak tot een bepaald doel is

ocr page 309

29

geleend, of anders na verloop van den bepaalden tijd, moet het geleende worden terug gegeven, hetzij aan den uitleener of aan zijne erfgenamen, voor wie de overeenkomst ook verbindend is.

Ook de erfgenamen van den leener kunnen het genot van de zaak hebben, indien bij zijn overlijden de tijd niet verstreken is, wanneer tenminste niet bepaaldelijk met het oog op den persoon des leeners de zaak aan dezen in gebruik is afgestaan ; maar, zoo als wij opmerkten, dit laatste zal wel steeds of tenminste bijna altijd het geval zijn.

Verplichtingen van leeners.

De leener is gehouden goed zorg te dragen voor bewaring en behoud van het goed.

Het is hem gegeven om te gebruiken, maar hij mag er geen ander gebruik van maken dan de aard der zaak medebrengt of bij de overeenkomst is bepaald.

En wanneer hij het geleende goed tot een ander doel gebruikt of het langer gebruikt dan hij behoorde te doen, is hij aansprakelijk voor het verlies van het goed, ook wanneer dit door een bloot toeval mocht geschieden.

Mocht de geleende zaak bij het ter leen geven gewaardeerd zijn, dan komt het verlies er van, al mocht dit door een toeval ontstaan zijn, ten laste van den leener, daar dit dan blijkbaar de bedoeling der partijen geweest is.

In den regel doet het gebruiken van eenig voorwerp hetzelve in waarde verminderen. Is dus die waardevermindering niet door zijne schuld ontstaan, dan is zij voor rekening van den eigenaar.

Verplichtingen van den uitleener.

Deze kan de zaak terugvorderen na verloop van den bepaalden tijd of anders nadat zij heeft gediend tot het gebruik waartoe zij bestemd was.

Maar ook wanneer hij ze vóór dien tijd om dringende en onverwacht opkomende redenen zelf mocht noodig hebben, kan de rechter, naar gelang van omstandigheden, den gebruiker noodzaken, het geleende aan den uitleener terug te geven.

ocr page 310

292

Hij is verplicht aan den leener te vergoeden de door dezen gemaakte buitengewone noodzakelijke onkosten tot behoud der zaak, welke zoo dringend waren dat hij er den uitleener te voren geen kennis van kon geven.

OVER VERBRUIKLEENING.

Men noemt verbruikleening het ter leen geven eener verbruik-bare zaak, van eene zaak die bestemd is om verbruikt te worden en dus teniet te gaan of in andere zaken te worden omgezet, zooals het geval is met grondstoffen voor de fabrieken, met eet- en drinkwaren enz.

Het spreekt wel vanzelf dat wanneer A aan B, die daaraan als bakker behoefte heeft, eene partij meel leent, dat meel door B verbruikt wordt en niet meer kan worden teruggegeven.

Vandaar dan ook dat B alleen verplicht is evenveel terug te geven als hij ontvangen heeft, van dezelfde soort en dezelfde hoedanigheid.

De verbruikleening is eene overeenkomst die eigendomsovergang ten gevolge heeft. Het vermogen om de geleende zaak te verbruiken, maakt den leener eigenaar.

Dit heeft tengevolge dat, wanneer de zaak, na geleverd te zijn, bij den leener vergaat, het verlies voor zijne rekening komt.

Geldleening.

Ook het leenen van geld stelt een verbruikleening daar, in zooverre als het geld wordt gebruikt, terwijl wel de waarde, maar toch ander geld, namelijk andere muntstukken of ander papier wordt teruggegeven.

Wie b. v. drie honderd gulden leent moet dezelfde som teruggeven en wel in zoodanige muntspeciën als tijdens de voldoening gangbaar zijn.

ocr page 311

293

Gesteld echter dat geen muntspeciën, maar staven goud of zilver, of ook wel andere waren zijn ter leen gegeven, dan moet de schuldenaar, al is de waarde ook vermeerderd of verminderd, altijd eene gelijke hoeveelheid en hoedanigheid teruggeven

Verplichtingen van hem die eene zaak in vertaruikleening geeft.

Hij kan die niet terugeischen vóór het verstrijken van den be paalden termijn.

Mocht geene tijdsbepaling gemaakt zijn, dan is terugvordering natuurlijk altijd mogelijk, doch kan de rechter, naar gelang van omstandigheden aan den leener eenig uitstel toestaan.

Bij leening van geld wordt somtijds overeengekomen, dat de leener het kapitaal zal moeten teruggeven, wanneer hij er toe in staat is. In dat geval is verschil tusschen crediteur en debiteur natuurlijk zeer wel mogelijk en moet de rechter, naar gelang van omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen.

Verplichtingen van den leener

Zooals reeds gezegd is moet de leener, die eigenaar van de geleende zaak is geworden, alleen gelijke hoeveelheid en hoedanigheid teruggeven.

De mogelijkheid kan zich echter voordoen, dat hij ook daartoe niet in staat is, b, v. omdat gelijke hoedanigheid niet te verkrijgen is, en dan kan hij volstaan met de voldoening der waarde.

Leenen op rente.

De wet staat toe voor leening van geld of van andere verbruik-bare zaken rente te bedingen.

Feitelijk komt rentebetaling alleen bij geldleening voor.

Wanneer rente verschuldigd is.

Rente is dan alleen verschuldigd, wanneer zij uitdrukkelijk bedongen is, behalve in de gevallen waarin zij tengevolge van een wetsbepaling moet worden voldaan.

ocr page 312

294

Betaling van niet bedongen rente.

Wanneer renten zijn betaald zonder dat zij bedongen waren, heeft men zooals wij vroeger opgemerkt hebben, voldaan aan eene zoogenaamde natuurlijke verbintenis en daarom kan het onverschuldigd betaalde niet worden teruggevorderd, dan alleen wanneer men meer heeft betaald dan de wettelijke renten. Dan kan het meerdere worden teruggevorderd of in mindering van de hoofdsom verstrekken.

Wettelijke renten.

In den loop van ons werk hebben wij verschillende gevallen opgenoemd, waarin renten verschuldigd zijn uit de enkele kracht der wet, b. v. door een voogd van niet belegde gelden van den minderjarige of van het niet uitgekeerde saldo van rekening.

De wettelijke rente is bepaald op vijf percent in burgerlijke zaken en zes percent in handelszaken.

Bij overeenkomst bedongen renten.

De rente mag zoo hoog worden gesteld als partijen goedvinden. Een zoogenaamde woekerwet bestaat tegenwoordig niet.

Hoe groot de rente van eene geldleening is, moet schriftelijk worden bepaald.

Is dit niet geschied, dan neemt men eenvoudig aan dat de wet. lelijke renten verschuldigd zijn en men kan niet het bewijs leveren, b. v. door getuigen, dat er hoogere rente zou bedongen zijn.

Quitantie voor de hoofdsom zonder quitantie voor de renten.

Wanneer de schuldeischer een bewijs heeft afgegeven, dat de hoofdsom betaald is, zonder van de renten te gewagen, wordt vermoed dat ook de renten voldaan zijn en de schuldeischer, het tegendeel bewerende, moet het ook bewijzen.

ocr page 313

295

Gewoonlijk wordt bij afdoening eener geldleening het onder-handsche bewijs of de grosse der hypotheek den schuldenaar ter hand gesteld. De schuldeischer schrijft daarop: „voldaan voor kapitaal en rentenquot; en stelt daaronder zijne handteekening.

Wanneer nu alleen het woord voldaanquot; gebezigd ware, zouden toch ook de renten vermoed worden te zijn voldaan.

DE OVEREENKOMST VAN ALTIJD DURENDE RENTEN.

De altijd durende renten worden ook wel gevestigde renten genaamd.

Zij spruiten voort uit eene overeenkomst waarbij een kapitaal wordt geleend tegen beding van rente, onder bepaling dat het kapitaal nooit zal kunnen worden teruggevorderd.

Deze overeenkomst doet zich weinig voor en vertoont zich dan gewoonlijk in dezen vorm. Iemand die zijn eigene zaken niet meer kan waarnemen, noch zijn goederen beheeren, wenscht zich van een vast inkomen te verzekeren, dat hem van alle zorg en administratie ontheft. Hij verkoopt daarom aan iemand zijn goed voor eenen bepaalden prijs, dien de kooper schuldig blijft, onder belofte daarvan eene vastgestelde rente te zullen betalen en onder voorwaarde dat de verkooper het kapitaal niet zal kunnen terugeischen.

Beteekenis van het woord „altijddurendquot;.

Uit het woord «altijddurendquot; volgt volstrekt niet. dat de rente ten eeuwigen dage zal worden betaald.

De schuldeischer mag het kapitaal niet terugvorderen, zijne erfgenamen evenmin

De schuldenaar heeft echter wel de bevoegdheid om bet kapi-

ocr page 314

296

taal af te lossen. Het tegenovergestelde zou hem geheel de handen binden.

Intusschen is het de bepaalde bedoeling van den schuldeischer, dat hem het kapitaal niet of althans niet te spoedig zal worden teruggegeven. Daarom kan bij overeenkomst worden bedongen, dat deze aflossing niet dan na verloop van tien jaren zal mogen geschieden. Voor dien tijd is de schuldeischer dan ten minste zeker van de belegging.

Ook kunnen parrijen overeenkomen dat het kapitaal niet anders zal mogen worden afgelost, dan na eene voorafgaande waarschuwing op een termijn, die hoogstens op een jaar mag worden gesteld.

Zekerheid voor de voldoening der renten.

De eigenaar die zijn vast goed verkoopt met vestiging van een altijd durende rente, bedingt tot zekerheid der voldoening daarvan gewoonlijk hypotheek op het verkochte.

Hij kan ook hypotheek bedingen voor de terugbetaling van het kapitaal; want, zooals wij hieronder zullen zien, zijn er toch ook gevallen, waarin het kapitaal door den schuldeischer kan worden opgezegd.

Andere vorm van altijddurende renten.

Het onroerend goed kan ook worden verkocht, eenvoudig onder beding dat de kooper den verkooper eene altoosdurende rente zal moeten betalen, laat ons zeggen van duizend gulden 's jaars.

Wanneer nu tengevolge van aflossing of opzegging het kapitaal wordt afgedaan, dan moet de schuldenaar het twintigvoud van de rente betalen, dus in dit geval twintig duizend gulden.

Opzegging van het kapitaal door den schuldeischer.

In de volgende gevallen kan de schuldenaar eener altoosdurende rente tot aflossing genoodzaakt worden:

1. wanneer hij niets betaald heeft op de gedurende twee achtereenvolgende jaren verschuldigde renten;

2. wanneer hij verzuimt aan den geldschieter de bij de overeenkomst beloofde zekerheid te stellen.

ocr page 315

297

De zekerheid wordt gewoonlijk dadelijk bij de overeenkomst gesteld, maar de schuldenaar zou zich hebben kunnen verbinden om zekerheid te geven wanneer hij later in hel bezit van onroe rend goed mocht komen, voor het geval namelijk de rente niet uit een verkoop voortspruit, maar uit afstand van kapitaal.

In de beide gevallen kan de schuldenaar nog gebruik maken van een termijn van twintig dagen na de gerechtelijke aanmaning, om alsnog aan zijne verplichting te voldoen.

OVER KANSOVEREENKOMSTEN.

Bij de meeste overeenkomsten weet men te voren welke hare gevolgen zullen of althans kunnen zijn. Zoo voor eene der partijen daaruit voordeel kan ontstaan en voor de ander nadeel, dan weet men te voren welke daarvan de oorzaken kunnen zijn en nimmer verkeert men daaromtrent in het onzekere. Bij de kansovereenkomsten is het, zooals het woord reeds aanduidt, juist andersom. Terwijl de gevolgen der meeste contracten van dien aard zijn, dat de voor- en nadeelen voor alle contractanten ongeveer tegen eikander opwegen, is hel daar regel, dat de eene partij wint, de andere verliest, maar wie er winnen of verliezen zal en soms ook tot welk beloop, dit hangt af van het al of niet voorvallen van eene onzekere gebeurtenis.

Door de wet worden de volgende kansovereenkomsten opgenoemd en geregeld:

De overeenkomst van verzekering 01 assurantie ;

die van bodemerij;

die van lijfrente;

spel en weddingschap.

De contracten van assurantie en bodemerij behooren tot het gebied van het handelsrecht en worden dus niet in het burgerlijk wetboek geregeld.

ocr page 316

298

DE OVEREENKOMST VAN LIJFRENTE.

Bij de gevestigde of altijddurende renten is het zeker dat de uitleener. zoolang het kapitaal niet worJt opgezegd of afgelost, zijne vastgestelde renten zal ontvangen, dat die renten anders altijd blijven doorloopen, en dat bij aflossing of opeisching het vastgestelde kapitaal of het twintigvoud der renten zullen worden betaald. Er is dus niets onzekers en gesteld al dat er voor eene der partijen van voordeel of nadeel sprake kan zijn, dan hangt dit toch niet van eene onzekere gebeurtenis af en loopt men dus geene kans.

Bij de lijfrente is het anders, zooals wij door een voorbeeld zullen aantoonen.

A wordt oud en geraakt tot werken buiten staat. Hij verkoopt zijne zaak aan B voor eene matige som, doch, bovendien onder voorwaarde dat B hem levenslang te zijnen huize zal verschaffen kost, inwoning en verdere algeheele verpleging.

Die verpleging is de rente van een kapitaal dat de kooper niet behoeft te betalen, en daar deze rente afhangt van het leven van A en op zijn lijf gevestigd is, noemen wij die olijfrentequot;.

Het staat vast dat A voordeel en B nadeel, of B voordeel en A nadeel van dit contract zal hebben, en daarom is hier sprake van een kanscontract

De uitslag wordt bepaald door eene onzekere gebeurtenis, namelijk het overlijden van A, eigenlijk het tijdstip waarop dat overlijden voorvalt, want het overlijden zelf is zeker.

Sterft A zeer spoedig, dan heeft B voordeel van de zaak, want de lijfrente houdt dadelijk op. Leeft A daarentegen lang, dan moet B zeer lang de lijfrente betalen en de overeenkomst strekt dus te zijnen nadeele.

Ander voorbeeld van eene lijfrente.

Lijfrente kan ook bij eene akte van schenking of bij testament worden gevestigd.

Gesteld dat A dus aan B legateert eene rente van honderd gulden

ocr page 317

299

's jaars gedurende zijn geheele leven, dan is het maar de vraag of B al of niet spoedig sterft. Zoo ja, dan hebben de erfgenamen voordeel bij de zaak, zoo neen, dan is de zaak hun tot schade. Natuurlijk is hier geen sprake van een overeenkomst en dus ook niet van een kansovereenkomst.

Verschillende wijzen waarop de overeenkomst van lijfrente kan worden gevestigd.

Het betalen van de lijfrente, hangt altijd af van het leven van een zeker persoon In den regel houdt de rente op bij den dood van den genieter; zij kan echter ook eindigen bij den dood van hem die de rente vestigde en zelfs bij den dood van een derden persoon, die natuurlijk bepaald moet zijn aangewezen.

Ook komt het wel voor, dat de rente gevestigd is op het lijf van meer dan één persoon. Zoo wordt somtijds bij uitersten wil een jaargeld of andere geregelde uitkeering besproken aan A en na zijn overlijden aan B., enz.

Vernietiging en wanbetaling van de lijfrente.

Wanneer eene lijfrente is gevestigd anders dan bij wijze van schenking, wordt gewoonlijk voor de geregelde voldoening het stellen van zekerheid geëischt en wanneer dit niet terstond is geschied en de rentplichtige later in gebreke blijft, geeft dit aanleiding tot vernietiging van het contract. Hetgeen voor de lijfrente gegeven of afgestaan is moet dan natuurlijk worden teruggegeven, en wel met de achterstallige renten tot den dag der aflossing toe.

Wanbetaling van de rente geeft echter den rentheffer geen recht om het kapitaal of de afgestane zaak terug te vorderen. Hij heeft alleen het recht om den schuldenaar in rechten te vervolgen en zekerheid voor de te vervallen renten te eischen, om voor het vervolg gewaarborgd te zijn.

Beslag op eene lijfrente.

Wanneer de lijfrente om niet gevestigd wordt, dat wil zeggen bij wijze van milddadigheid en dus bij schenking of testament,

ocr page 318

3°°

laat de wet uitdrukkelijk toe te bepalen, dat dezelve niet voor schuld zal kunnen worden in beslag genomen. De rente wordt als het ware geacht tot levensonderhoud te zijn geschonken.

SPEL EN WEDDINGSCHAP.

Bij het spel en de weddingschap wordt in zooverre ook eene overeenkomst gesloten, als beide partijen zich verbinden om, wanneer zij verliezen, aan de andere of winnende partij iets te zullen geven of betalen.

Zooals wij vroeger reeds hebben medegedeeld ontstaan echter uit deze overeenkomst slechts natuurlijke verbintenissen.

De kans bestaat bij deze overeenkomst in het onzekere met betrekking tot de zijde waaraan de overwinning zal ten deel vallen. Het is wel zeker dat iemand winnen zal, maar het is onzeker wie.

Doch hoe de zaak ook uitvalle, er kan hoogstens sprake wezen van eene eereschuld, en de winnende partij kan geene rechtsvordering tegen de verliezende aanleggen tot betaling.

Nu is het in den regel gemakkelijk genoeg om het voorschrift der wet te ontduiken, door b.v. den verliezer eene schuldbekentenis wegens geleend geld te laten teekenen. Evenwel, indien de schuldenaar kan bewijzen dat de zaak zich aldus had toegedragen, zou hij toch tevergeefs tot betaling worden aangesproken, daar de wet deze nieuwe overeenkomst voor ongeldig verklaart.

Mocht de speelschuld vrijwillig betaald zijn, dan kan, dit merkten wij vroeger reeds op, geene terugbetaling meer worden geëischt, tenzij die betaling door oneerlijke middelen, bedrog, list of oplichting mocht verkregen zijn.

Uitzondering op den regel dat speelschuld niet kan worden gevorderd.

Spelen die geschikt zijn tot lichaamsoefening, zooals schermen, wedloopen en dergelijke kunnen met wettig gevolg om geld plaats hebben.

ocr page 319

3° I

Men vergete niet dat het burgerlijk wetboek reeds meer dan zestig jaren bestaat en het aantal spelen sinds dien tijd zeer is toegenomen. De rechter zal dus in een voorkomend geval moeten uitmaken welke spelen als geschikt tot lichaamsoefening moeten worden beschouwd.

Bovendien kan de rechter den eisch ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som bovenmatig toeschijnt.

DE OVEREENKOMST VAN LASTGEVING.

Lastgeving, meestal volmacht of machtiging genaamd, is eene overeenkomst, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft, en deze aanneemt, om eene zaak voor den lastgever, in deszelfs naam, te verrichten.

Deze overeenkomst doet zich dagelijks in velerlei vormen en gedaanten voor. De vrachtrijder die voor ons in eene andere plaats commissies verricht, is onze lasthebber; zelfs een jongen die even om een boodschap gezonden wordt, is lasthebber.

In dezen zin hebben de lastgevingen echter weinig rechtsgevolg, omdat zij ten onderwerp hebben handelingen die onmiddellijk worden verricht, zoodat de overeenkomst ook weer dadelijk een einde neemt.

Veelal echter is dit anders en neemt de lasthebber eene meer gewichtige taak op zich, meer of minder van blijvenden aard, zoodat er tusschen hem en den lastgever en tusschen hem en derde personen wezenlijke rechtsbetrekkingen ontstaan, die door de wet tamelijk uitvoerig worden geregeld.

Hoe een last kan worden gegeven.

Het kan somtijds noodzakelijk wezen, om te bewijzen dat er werkelijk eene overeenkomst van lastgeving gesloten was, b.v.

ocr page 320

302

wanneer de lasthebber het bedongen loon eischt en de lastgever het bestaan van het contract tegenspreekt.

Wanneer het bewezen is, dat de last werkelijk gegeven was, dan is de uitvoering daarvan, zonder dat de lasthebber zich over de aanneming verklaarde, voldoende om te bewijzen dat de overeenkomst is tot stand gekomen. Hij kan niet bewijzen dat de last niet is aangenomen en zich dus niet op dien grond onttrekken aan verplichtingen, b.v. om de schade te vergoeden, die hij den lastgever door zijne handelingen berokkend heeft.

In vele gevallen moet de overeenkomst schriftelijk worden opgemaakt, soms zelfs bij notariëele akte; dat laatste is b v. noodig als men last geeft om een onecht kind te erkennen, om onroerend goed hypothecair te verbinden of om een gedane schenking aan te nemen.

Wanneer dusdanige notariëele akte niet uitdrukkelijk is voorgeschreven is een onderhandsch geschrift voldoende, al ware het slechts in den vorm van een brief vervat. Zelfs is mondelinge lastgeving toegelaten.

De aanneming van den last kan op dezelfde wijze geschieden als hij gegeven wordt.

Het geven van mondelinge lastgevingen is evenwel af te raden, omdat het bewijs der overeenkomst dan moeilijk te leveren is, maar vooral ook omdat derde personen, met wien de lasthebber wil handelen, hem in den regel zullen verzoeken het bewijs over te leggen, dat hij werkelijk lasthebber is.

Loon.

Wanneer een lasthebber voor de door hem te verrichten werkzaamheden loon genieten wil, dan moet dit uitdrukkelijk worden bedongen; anders is hij tot geen loon gerechtigd.

Uitgestrektheid van de lastgeving.

De wet onderscheidt de lastgevingen in bijzondere en algemeene.

Zij kunnen worden gegeven voor een enkel bijzonder geval of tot waarneming van al de zaken., van den lastgever.

ocr page 321

Algemeene volmacht.

De algemeene volmacht wordt meestal gegeven bij vertrek naar het buitenland.

Men kan dan aan iemand in het algemeen last geven om alle zijne zaken en bezittingen te beheeren en te besturen, al zijne be langen waar te nemen en hem in alle rechtshandelingen te vertegenwoordigen.

Het gebruik brengt evenwel mede om in die algemeene volmachten alle bijzondere gevallen die zich kunnen voordoen uitdrukkelijk te vermelden. De reden hiervan is dat er verschillende gevallen zijn, waarin de wet eene bijzondere volmacht vereischt.

Wanneer de volmacht in algemeene bewoordingen vervat is, dan strekt zij zich in ieder geval slechts uit tot daden van beheer of administratie, dat wil zeggen, de lasthebber is niet bevoegd tot daden, die alleen een eigenaar kan verrichten, b.v. het verkoopen van goederen, het bezwaren daarvan met hypotheken, enz.

Deze daden van eigendom moeten dus in de algemeene volmacht, zal zij werkelijk algemeen en voor alle gevallen bruikbaar zijn, uitdrukkelijk worden genoemd.

Wie lasthebber mag wezen.

Ook gehuwde vrouwen en minderjarigen kunnen tot lasthebber worden gekozen.

De lastgever moet natuurlijk weten wat hij doet. Heeft hij van den lasthebber iets te vorderen, dan loopt hij gevaar dat zijn verhaal hem ontgaat, wanneer de minderjarige zich op zijn staat beroept of de gehuwde vrouw zonder bijstand van haren man heeft gehandeld.

Zooals wij later zullen zien, eindigt de volmacht, aan een ongehuwde vrouw gegeven, door haar later huwelijk.

G-evolgen der lastgeving.

De lasthebber is een tusschenpersoon, die wel zelfstandig handelt maar op naam van zijn lastgever en dezen dus aan derden, personen

ocr page 322

304

verbindt. Dit heeft tengevolge, dat de lastgever dengene met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft, onmiddellijk tot nakoming van aangegane verbintenissen kan aanspreken, en omgekeerd.

Verplichtingen van lasthebbers.

lt;

De lasthebber moet zich aan zijn volmacht houden en mag die niet te buiten gaan.

Hij is gehouden, den last. zoolang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren en is aansprakelijk voor de schade die zou kunnen ontstaan door het niet volbrengen van wat hij op zich genomen heeft.

Zoowel voor verzuim als voor kwaad opzet is hij verantwoordelijk, vooral wanneer hij loon geniet.

De lasthebber is de wettelijke renten verschuldigd van geld dat hij tot zijn eigen gebruik heeft aangewend en, van den dag af dat hij in verzuim gesteld is, ook van de sommen die hij bij slot van rekening moet uitkeeren.

Substitutie.

Een lasthebber is in het algemeen niet bevoegd een ander in zijne plaats te stellen, zonder dat het vermogen om een zoogenaam-den gesubstitueerde aan te stellen, hem bij de volmacht gegeven is.

Alleen kan hij anderen in zijne plaats het beheer opdragen van goederen buiten'slands gelegen, wanneer het tegendeel niet uitdrukkelijk is bepaald.

Wanneer hem de macht van substitutie niet is verleend of wanneer dit wel geschied is, maar de gestelde persoon door onvermogen zijn verplichtingen niet kan nakomen of voor zijn taak onbekwaam blijkt te zijn, is de lasthebber voor de handelingen zijner gesubstitueerden verantwoordelijk.

In ieder geval kan de lastgever den persoon, dien de gevolmachtigde in zijne plaats stelde, onmiddellijk aanspreken tot verhaal van hetgeen deze ter zake van zijne handelingen mocht verschuldigd zijn.

ocr page 323

30S

Verpliclitingen van lastgevers.

De verbintenissen die de gevolmachtigde overeenkomstig de hem verleende macht aangaat, moet de lastgever nakomen.

Hij moet hem teruggeven de voorschotten en onkosten, die hij wettig gedaan en gemaakt heeft en hem het bedongen loon voldoen.

Gesteld dat de lasthebber tot een bepaalde onderneming was aangesteld, die aan kansen onderhevig is, dan kan de lastgever, wanneer aan den lasthebber geen verzuim te wijten is, zich aan die teruggave en betaling niet onttrekken, wanneer de zaak mislukt is.

Verder moet de lastgever zijn gemachtigde schadeloos stellen wegens de verliezen welke deze persoonlijk door de uitvoering van den last mocht geleden hebben, wanneer die niet een gevolg zijn van eigen onvoorzichtigheid.

Heeft de lasthebber voorschotten moeten doen, dan zijn hem daarvan de wettelijke renten verschuldigd sedert den dag dat zij gedaan zijn.

De lasthebber heeft het recht van retentie en kan dus, hetgeen hij van den lastgever onder zich heeft terughouden, tot hem alles betaald is wat hem ter zake van den volvoerden last mocht verschuldigd zijn.

Einde van de lastgeving. Herroeping.

In den regel wordt eene volmacht of lastgeving tot waarneming van zaken gegeven voor onbepaalden tijd. De lastgever is evenwel ten allen tijde tot herroeping bevoegd en kan zelfs den lasthebber noodzaken tot teruggaaf van het schriftelijk bewijs, dat deze van de overeenkomst in handen mocht hebben.

De wet bedoelt hiermede natuurlijk dat dit in rechten kan worden gevorderd, want feitelijk tot teruggaaf noodzaken kan men den lasthebber nooit.

Het veiligst is de herroeping te doen bij deurwaardersexploit.

Intusschen brengt de aanstelling van een nieuwen lasthebber tot het verrichten van dezelfde zaak, vanzelf de herroeping van den eersten mede, te rekenen van den dag waarop die aanstelling

20

ocr page 324

3O6

aan den laatstgemelde is kenbaar gemaakt Ook hier is alleen gerechtelijke aanzegging afdoende.

De herroeping der volmacht wordt feitelijk alleen aan den lasthebber kenbaar gemaakt. Tegenover derde personen die, van de herroeping onkundig, nog met den lasthebber mochten hebben gehandeld en daardoor iets mochten te vorderen hebben, kan men zich natuurlijk op de intrekking der volmacht niet beroepen, be houdens de verantwoordelijkheid van den gewezen lasthebber.

Opzegging.

Ook de lasthebber kan van zijn kant opzeggen, mits tijdig, niet b.v. midden in de werkzaamheden voor eene bepaalde handeling vereischt, waardoor die noodzakelijk wordt benadeeld.

Wanneer de opzegging, door hare ontijdigheid of om welke andere reden ook, maar in ieder geval door de schuld van den gemachtigde, aan den lastgever tot schade verstrekt, moet deze des wege schadeloos worden gesteld.

Gevolgen van overlijden.

Lastgever en gevolmachtigde zijn zoo persoonlijk aan elkander verbonden, dat de dood van een hunner den last doet eindigen.

Mocht de lasthebber van den dood den lastgevers onkundig zijn of van het bestaan van eenige andere oorzaak die den last doet eindigen, dan is hetgeen hij in die onwetendheid verricht heeft van waarde.

Wanneer daarentegen de gevolmachtigde overlijdt dan moeten de erfgenamen, die van den last kennis droegen, den lastgever het overlijden berichten en inmiddels zorg dragen voor hetgeen de omstandigheden in het belang van den lastgever mochten vereischen.

Huwelijk

Wanneer de last is gegeven of aangenomen door eene vrouw en de lastgeefster of de gevolmachtigde sluit een huwelijk, dan heeft dit van zelf tengevolge dat de overeenkomst van lastgeving een

ocr page 325

307

einde neemt, daar de vrouw, onder de macht van den man komende, niet meer zelfstandig kan handelen.

DE OVEREENKOMST VAN BORGTOCHT.

Borgtocht, gewoonlijk alleen met betrekking tot geldelijke aangelegenheden beschouwd, is echter in het algemeen eene overeenkomst waarbij iemand zich ten behoeve van een schuldeischer verbindt, om de verbintenis van den schuldenaar na te komen, indien deze er niet zelf aan voldoet.

De borg stelt persoonlijke zekerheid. Hij waarborgt den schuldeischer dat de verbintenis zal worden nagekomen en is voor de gevolgen der niet-nakoming met zijn eigen vermogen aansprakelijk.

Voor welke verbintenissen men zich borg kan stellen.

Dit is mogelijk voor alle verbintenissen, waarvan de nakoming in rechten kan worden gevorderd.

De borgtocht voor een verjaarde schuld of voor een speelschuld b.v. is nietig.

Van kracht daarentegen is de borgtocht voor een verbintenisi aangegaan door een minderjarige, een onder curateele gestelde of eene gehuwde vrouw zonder machtiging van haren man, omdat het gebrek, dat de verbintenis aankleeft, hier gelegen is in den persoon van hem, die de verbintenis aanging en de borg van deze omstandigheid kennis had kunnen dragen.

Wanneer dus b. v. de minderjarige zich op zijn minderjarigheid beroept, dan kan de borg toch worden aangesproken.

Eigenaardigheden van deze overeenkomst.

Men kan zich borg stellen, niet alleen zonder daartoe door den schuldenaar te zijn aangezocht, maar zelfs buiten zijn weten.

ocr page 326

3O8

Verder kan men ook borg blijven voor een reeds gestelden borg.

Hoe ver de borgtocht zich uitstrekt.

Een borg verbindt zich voor zichzelf en voor zijne erfgenamen, zoo niet het tegendeel bedongen is.

Verbintenis om borgen te zullen stellen.

Het komt somtijds voor dat iemand zich verbonden heeft om een borg te stellen, zonder daartoe dadelijk te behoeven over te gaan.

Komt het dan later op de borgstelling aan, dan stelt de wet de volgende regelen;

De schuldenaar moet een persoon aanbieden die bekwaam is om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de verbintenis te kunnen voldoen en binnen het koninkrijk woonachtig is.

De gegoedheid van een borg wordt alleen beoordeeld naar zijne onroerende goederen of inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld, tenzij de schuld eene geringe som mocht bedragen.

Zooals wij vroeger hebben opgemerkt, is men in sommige gevallen uit kracht der wet verplicht om zekerheid te stellen en wanneer men dan borgen wil verschaffen, zijn mede de bovenstaande regelen toepasselijk.

Men denke b.v. aan de vermoedelijke erfgenamen, die den boedel in bezit kunnen nemen tegen het stellen van zekerheid, aan een vruchtgebruiker, die zekerheid moet stellen voor de weder oplevering der goederen, enz.

Gevolgen van den borgtocht tusschen schuldeischer en borg

De verhouding tusschen schuldeischer en borg is in het algemeen deze dat de borg niet behoeft te betalen voor dat de schuldenaar werkelijk in gebreke is en in rechten vervolgd tot executie van zijn goed.

ocr page 327

309

Uitzonderingen op dezen regel.

De wet noemt echter eenige gevallen op, waarin de regel niet doorgaat en bij eenvoudige wanbetaling van den schuldenaar de borg onmiddellijk kan worden aangesproken.

Dit zijn de volgende;

i wanneer- de borg van het voorrecht van uitwinning afstand heeft gedaan. Deze afstand wordt dan ook bijna zonder uitzondering in de akten van borgtocht gevonden;

2. wanneer hij zich hoofdelijk met den schuldenaar, dat wil zeggen als mede-schuldenaar verbonden heeft; dit is dan ook geen eigenlijk gezegde borgtocht;

3. wanneer de schuldenaar zich beroepen kan op bekwaamheid of onbevoegdheid, zooals minderjarigen, onder curateele gestelden en getrouwde vrouwen die den bijstand van den man missen;

4. wanneer de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard.

Vooraf gaande uitwinning van den schuldenaar.

Behalve in de opgenoemde gevallen, behoeft, zooals wij boven opmerkten, de borg niet te betalen voordat getracht is, door uitwinning van des schuldenaars goederen, dat wil zeggen door beslag en verkoop, het verschuldigde te verhalen.

De schuldeischer kan evenwel beginnen met den borg aan te spreken, en wanneer deze dan van het hem toegekende recht gebruik wil maken, en verlangt dat de schuldenaar eerst worde aangesproken, moet hij zulks op de eerste sommatie vorderen en wel onder aanwijzing van de voor executie vatbare goederen van den schuldenaar en onder voorschot van de kosten om tot de uitwinning te geraken.

Wanneer de schuldeischer dan verzuimt om gerechtelijke maatregelen tegen den schuldenaar te nemen en deze daarna onvermogend wordt, dan is de schuldeischer er zelf verantwoordelijk voor.

Borgtocht door verscheidene personen.

Wanneer verscheidene personen zich tot borg hebben gesteld

ocr page 328

3io

voor denzeltden schuldenaar en terzake van dezelfde schuld, dan is ieder van hen voor de geheele schuld verbonden; dat wil zeggen, ieder kan voor het geheel worden aangesproken, tenminste wanneer de borgen, zooals de regel is en in alle akten van borgtocht voorkomt, afstand hebben gedaan van het zoogenaamde voorrecht van schuldsplitsing

Hebben zij dit niet gedaan, dan kan ieder op de eerste gerechtelijke aanmaning vorderen dat de schuldeischer de vordering ver-deele en iederen deugdelijk verbonden borg voor zijn deel aan spreke.

Zijn er dan sommige borgen onvermogend, dan is de borg die de schuldsplitsing heeft gevorderd naar evenredigheid van zijn aandeel gehouden om voor de on vermogenden te voldoen. Voor een later ontstaan onvermogen geldt dit evenwel niet; en wanneer de schuldeischer zelf, vrijwillig, de schuld verdeelt en eiken borg voor zijn aandeel aanspreekt, moet hij zelf de gevolgen van een mogelijk onvermogen dragen.

Verhouding tussohen den schuldenaar en den borg.

Zooals wel van zelf spreekt heeft een borg die betaald heeft zijn verhaal op den schuldenaar. Hij is, wij merkten dit vroeger reeds op, nu gesubrogeerd in de rechten van den oorspronkelijken schuldeischer en zelf schuldeischer geworden.

Het doet niets tot de zaak of de borgtocht al of niet met mede weten van den schuldenaar gesteld is.

Hij heeft de door hem betaalde hoofdsom te vorderen met de renten en de gemaakte kosten, wanneer hij tenminste den schuldenaar tijdig van de tegen hem gerichte vervolging kennis heeft gegeven.

Zoo er gronden toe zijn. kan de rechter hem zelfs schadevergoeding toeleggen.

Er zijn gevallen waarin de borg, zelfs vóór dat hij betaald heeft, den schuldenaar kan aanspreken om door hem voor mogelijke schade te worden gevrijwaard of van zijn verbintenis ontheven te worden, b. v. door het stellen van een nieuwen borg; maar dit heeft natuurlijk niet veel practische waarde, daar het de vraag is of de schuldeischer met een nieuwen borg genoegen neemt.

ocr page 329

3ii

Een paar rechten van borgen.

Wanneer borg gesteld is voor een schuld, welker betaling de schuldenaar kan ontgaan door zich te beroepen op zekere omstandigheid, waarop de vordering afstuit, dan kan de borg zich evengoed als de schuldenaar op die omstandigheid beroepen.

Immers, wanneer de schuld verbintenis b. v. door vermenging of compensatie, of op eenige andere wijze te niet gegaan is, dan is de borgtocht daardoor vanzelf vervallen.

Op onbevoegdheid of onbekwaamheid van den schuldenaar kan hij zich, zooals wij boven reeds opmerken, nimmer beroepen.

Wanneer een schuld op een bepaalden tijd moet worden voldaan en de schuldeischer uitstel verleent, is de borg daardoor niet ontslagen. Hij kan echter dan zelf den schuldenaar vervolgen om hem tot betaling te noodzaken of hem ontslag van zijn borgtocht te verschaffen. Van veel practische waarde zal dit voorschrift evenwel niet wezen, daar de schuldenaar natuurlijk uitstel kreeg omdat hij niet kon betalen en omdat het ontslag van borgtocht niet van den schuldenaar alleen afhangt.

DE OVEREENKOMST VAN DADING-.

De dading, ook wel transactie genaamd, is het middel om een einde te maken aan een aanhangig rechtsgeding of het voeren van een proces te voorkomen.

De twistende partijen sluiten dan een overeenkomst, waarbij een of meer hunner iets geven of beloven, tengevolge waarvan het proces gestaakt of het geschil als bijgelegd wordt beschouwd.

ocr page 330

312

Vorm van de dading.

Deze overeenkomst is slechts van waarde, wanneer er een schriftelijk bewijs van opgemaakt is. Anders is het bestaan ervan niet aan te toonen, en daar zij van groot gewicht en dikwijls van in-gewikkelden aard is, is het steeds zeer gewenscht eene notariëele akte te doen verlijden.

Dading wegens de gevolgen van een misdrijf.

De wet zegt dat men over de burgerlijke belangen, die uit eenig misdrijf ontstaan, eene dading kan treffen, doch deze dading geenszins de vervolging van het openbaar ministerie belet.

Om dit goed te begrijpen herinnere men zich wat wij mededeelden over de verbintenissen die uit kracht der wet ontstaan ten gevolge van eene onrechtmatige daad. Wij deelden daar mede dat ingeval van doodslag de overblijvende echtgenoot enz., die door den overledene plegen te worden onderhouden, eene rechtsvordering tegen den dader hebben tot schadevergoeding, te waardeeren naar den stand en het fortuin der partijen en naar de omstandigheden.

Nu kunnen partijen eene dading treffen, waarbij overeengekomen wordt de burgerlijke rechtsvordering te laten vervallen, doch de dader zich verbindt tot levenslange uitkeering van een aanzienlijk jaargeld.

Doch dit kan niet beletten dat de dader terzake van zijn misdrijf wordt vervolgd en gestraft.

Er zijn echter een aantal gevallen, waarin strafvervolging alleen kan plaats hebben op klacht van de beleedigde partij,en in die gevallen kan dus de dading een middel wezen om aan alle vervolging te ontkomen.

Kracht der dading.

De dading heeft tusschen de partijen, die tot dezelve toetraden, kracht van een eindvonnis; dat wil zeggen men kan er op geenerlei wijze tegen opkomen, noch onder voorwendsel dat men in het

ocr page 331

313

rechtspunt gedwaald heeft, noch op grond dat men er door zou zijn benadeeld.

Natuurlijk blijft ook hier de vrije toestemming van alle partijen een eerste vereischte en kan plaats gehad hebbend bedrog of geweld wel degelijk tot vernietiging aanleiding geven.

ocr page 332

314

OVER BEWIJS.

Met het vorenstaande hebben wij het eigenlijke vermogensrecht behandeld, zoowel als het personenrecht.

Het laatste gedeelte van het burgerlijk wetboek, en wel het vierde boek, een kleine afdeeling, bevat de behandeling van een paar zeer gewichtige onderwerpen, die men moeilijk in de voorafgaande boeken kon rangschikken. Zij betreffen de leer van het bewijs en die der verjaring.

Het bewijs is een onderwerp dat zoowel op het personen- als op het zakenrecht betrekking heeft en de verjaring is daarom in het vierde boek behandeld, wijl de verjaring, behalve een middel om eigendom te verkrijgen, en in zooverre behoort dit onderwerp in het zakenrecht, ook een middel is om van verplichtingen of verbintenissen bevrijd te worden. Daarom was het gewenscht dit punt in zijn geheel en afzonderlijk te behandelen.

Het vierde boek is wel zeer klein, maar de onderwerpen die er in behandeld worden en vooral de leer van het bewijs, is van het hoogste gewicht.

De leer van het bewijs.

In verschillende omstandigheden en door allerlei oorzaken kan de menschen rechten bezitten. Wij zagen dat die rechten soms uit overeenkomsten voortvloeien, waaruit verbintenissen ontstaan, dan weer uit wetsbepalingen die hetzelfde gevolg hebben.

In den regel worden die verbintenissen vrijwillig nagekomen of gekweten. In vele gevallen echter is de verbonden partij weigerachtig of nalatig, of wordt het bestaan zelf van een verbintenis ontkend.

De wet geeft intusschen ieder de gelegenheid om, wanneer hij meent iets van een persoon te vorderen te hebben, dezen daartoe voor den rechter te dagvaarden om hem tot nakoming te doen veroordeelen; maar dan spreekt het vanzelf dat hij moet aantoonen dat zijn vordering rechtmatig is en het spreekt evenzeer vanzelf

ocr page 333

315

dat de wet de wijze waarop hij zijn recht meent te kunnen aan-toonen, onmogelijk aan hem kan overlaten.

Hij moet bewijzen, dat wil zeggen, den rechter aannemelijk maken of zelfs duidelijk aantoonen, de waarheid van het door hem beweerde, en dit geschiedt volgens vastgestelde regelen en op bepaalde manieren, door de middelen die de wet toelaat.

Het zijn vooral deze middelen, die wij in het vierde boek van het burgerlijk wetboek behandeld vinden.

Bewijs in het algemeen.

Het algemeen beginsel der wet is, dat hij die beweert eenig recht te hebben, het moet bewijzen. Het is niet de tegenpartij, die bewijzen moet dat het recht niet bestaat.

Beroept iemand zich tot staving van zijn beweerd recht op eeni feit, eenige daadzaak, dan moet hij op dezelfde wijze het bestaan van dat feit aantoonen.

Beroept de tegenpartij zich tot tegenspraak van het beweerde recht van haar kant ook op een feit, dan moet deze eveneens het bestaan van dat feit bewijzen.

Dat bewijs geschiedt door de volgende middelen:

1. schriftelijk bewijs,

2. bewijs door getuigen,

3. vermoedens,

4. bekentenis,

5. eed.

Over schriftelijk bewijs.

Schriftelijk bewijs is natuurlijk het beste bewijsmiddel. Het is niet altijd afdoende, maar zoo het niet alles beslist, dan levert het toch veelal een zoogenaamd begin van bewijs op.

In ieder geval kan het nimmer genoeg worden ontraden om tegen de moeite van eenige regelen schrift, door eene handteeke-ning bekrachtigd, op te zien.

Zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt is het bovendien aan te raden, al schrijft de wet dat ook niet uitdrukkelijk voor, zich zooveel mogelijk de hulp van eenen notaris te verzekeren,

ocr page 334

3i6

waarvan de kosten meestal niet bezwarend zijn, in aanmerking genomen de groote waarde van de bewijzen, door dezen openbaren ambtenaar opgemaakt.

Schriftelijk bewijs geschiedt dan door:

i authentieke akten,

2. onderhandsche geschriften.

Authentieke akten.

Authentieke akten zijn die welke opgemaakt zijn door tusschen-komst van een openbaar ambtenaar, dat wil zeggen door deskundigs personen, die daartoe door het openbaar gezag zijn aangesteld.

Er zijn verschillende openbare ambtenaren, maar tot het verlijden van authentieke akten in het algemeen zijn de notarissen bevoegd, en wanneer van authentieke akten gesproken wordt, dan worden daarmede in dit geval bepaaldelijk notariëele akten bedoeld.

Dat de waarde eener notariëele akte groot is, wordt bewezen door de bepaling der wet, die zegt dat eene authentieke akte tus-schen partijen en derzelver erfgenamen of rechtverkrijgenden, volledig bewijs oplevert van hetgeen daarin vermeld staat.

Onderhandsche geschriften.

Onderhandsche geschriften zijn die welke zonder tusschenkomst van eenen openbaren ambtenaar worden opgemaakt.

Wanneer partijen hunne overeenkomsten niet zelf in geschrift brengen, maar dat een ander opdragen, is het natuurlijk niet onverschillig wie deze persoon is. Een ontwikkeld persoon, met eenige rechtskennis toegerust, zal den wil der belanghebbenden beter in bewoordingen brengen dan iemand, die onwetend is Toch vergete men niet dat de akte altijd een onderhandsch geschrift blijft. Het verschil met de authentieke akte zullen wij hierna doen uitkomen.

Als voorbeelden of soorten van onderhandsche geschriften noemt de wet op: onderhands geteekende akten, brieven, registers en huiselijke papieren.

ocr page 335

Onderhands geteekende akten.

Dit zijn geschriften, die voor partijen bepaaldelijk zijn opgemaakt om tot bewijs van de eene of andere handeling te strekken; b.v. een koopcontract, een schuldbekentenis, enz.

Zij moet door partijen geteekend zijn, dat wil zeggen dat zij er eigenhandig hunne gewone naamteekening onder moeten stellen.

Het stellen van een kruisje of merk, al wordt het stellen daarvan door de naamteekening van twee andere personen of zoogenaamde getuigen bevestigd, kan niet als een onderteekening gelden.

Wanneer slechts een van de partijen, die een overeenkomst gesloten hebben, zich tot iets verbindt en de overeenkomst dus niet wederkeerig is, kan het voldoende geacht worden wanneer het onderhandsch bewijs slechts door dien eenen persoon is onderteekend. Ingeval van geldleening b v. wordt meestal alleen door den schuldenaar een bewijs, de schuldbekentenis, geteekend. Hierna zullen wij echter zien, dat het een verschil maakt, of de schuldbekentenis alleen door hem of ook door den geldschieter onderteekend wordt.

Verschil tussehen authentieke en onderhandsehe geschriften.

Terwijl de authentieke akte een volledig bewijs oplevert van hetgeen daarin vermeld staat, is dit met de onderhandsehe akte op zich zelf niet het geval.

Het onderhands geteekende stuk staat dan alleen met de authentieke akte in bewijskracht gelijk, wanneer het erkend is door dengenen, tegen wien men zich daarop beroept of op wettige wijze voor erkend wordt gehouden.

Erkenning of ontkenning van handteekening.

Wanneer men iemand in rechten vervolgt, b.v. om hem tot betaling eener schuld te noodzaken, of wanneer men zich tegen eene ingestelde vordering verdedigt en zich daartoe beroept op een onderhandsch geschrift, b v. eene schuldbekentenis of eene kwijting, dan is hij tegen wien men zich op dit stuk beroept, verplicht stellig

ocr page 336

3iS

te verklaren of het schrift of de daaronder geplaatste handteekening al of niet van hem afkomstig is.

Verplichting van een erfgenaam.

Wanneer de onderteekenaar van het stuk overleden is en dientengevolge de erfgenamen worden aangesproken, dan kunnen deze volstaan met de eenvoudige verklaring, dat zij het stuk niet erkennen als door den overledene te zijn geschreven of geteekend.

Gevolg der ontkenning van handteekening.

De ontkenning van schrift of handteekening door dengenen tegen wien men zich op een onderhandsch stuk beroept, levert . natuurlijk een groot gevaar op, want nu moet hij die van het stuk wil gebruik maken, de echtheid van schrift of handteekening gaan bewijzen.

Schriftonderzoek.

Wanneer ontkenning van schrift of handteekening heeft plaats gehad of de erfgenamen niet erkennen dat het schrift of de handteekening van den overledene afkomstig is, dan beveelt de rechter dat de echtheid gerechtelijk onderzocht worde, namelijk wanneer dit door den belanghebbende gevorderd wordt.

Er heeft dan een onderzoek door schriftkundigen plaats en van den uitslag daarvan hangt het af of de rechter de vordering toe-of afwijst.

Vormen door de wet vereischt voor de eenzijdige, onderhandsche schuldbekentenis.

Wanneer een schuldbekentenis geteekend wordt door geldschieter en schuldenaar beiden, dan is het onverschillig wie het stuk schrijft en is het voldoende wanneer beiden daaronder eenvoudig hunne handteekening stellen.

Is echter de schuldbekentenis eenzijdig, dat wil zeggen alleen door den schuldenaar geteekend, dan moet het stuk geheel door

ocr page 337

3'9

hem zelf geschreven worden, of, is het door een ander geschreven, dan moet hij, boven of onder zijne handteekening voluit eene goedkeuring schrijven van de in het si uk vermelde som, b. v. „goed voor duizend gulden.quot; Verdere bijvoegingen worden door de wet niet véreischt en zijn onnoodig.

De gewoonte, door sommigen gevolgd, om ook door de borgen eene dergelijke goedkeuring te laten schrijven, berust ook niet op de wet, zoodat deze formaliteit overtollig is.

Gevolg van verzuim van het bovenstaande.

In geval van verzuim van de bedoelde formaliteiten, kan het onderhandsche stuk nooit als een volledig bewijs gelden, wanneer de schuld ontkend wordt. Men zij dus hiermede voorzichtig, want er moeten dan nog andere bewijzen worden geleverd en dit is dikwijls zeer bezwarend.

Gevolg van abuizen bij de goedkeuring.

Wanneer de som, die in het stuk zelf vermeld is, verschilt van die welke in de goedkeuring uitgedrukt staat, dan wordt de verbintenis gerekend voor de minste som te zijn aangegaan, zelts al ware de geheele akte met de goedkeuring door den schuldenaar zelf geschreven.

Kan de schuldenaar het bewijs leveren dat niet de minste maar de hoogste der uitgedrukte sommen verschuldigd is, dan staat het hem vrij.

Een en ander ten bewijze dat deze stukken met groote omzichtigheid moeten worden behandeld.

Brieven.

Onder de onderhandsche geschriften noemt de wet ook brieven op, zonder evenwel bepaaldelijk te verlangen, dat die geteekend zijn; doch een ongeteekende brief kan moeilijk als zoodanig worden aangemerkt. Een brief zal vooral dan als bewijsmiddel kunnen dienen, wanneer hij bepaaldelijk geschreven is met het doel om tot bewijs van het een of ander te strekken; wanneer hij b.v.

ocr page 338

320

melding maakt van eene ontvangen betaling. Wanneer de betaling dan later tegengesproken wordt, dan kan de brief natuurlijk worden overgelegd en hangt het er van af, of de schrijver zijn schrift en handteekening ontkent of erkent Daar een brief bijna zonder uitzondering door den afzender zelf wordt geschreven en geteekend, zal in dit geval het schriftonderzoek meestal niet moeilijk vallen.

Begisters en huiselijke papieren.

Registers zijn boeken waarin geregeld aanteekeningen worden gehouden; onder huiselijke papieren kan men verstaan, losse aanteekeningen, dagboeken, enz.

Vrijwel ten overvloede zegt de wet dat deze stukken geen bewijs opleveren ten voordeele van hem die ze geschreven heeft. Het is duidelijk genoeg, want anders zou iemand in zijn eigen boeken kunnen vermelden dat hij zekere betaling had gedaan, geheel in strijd met de waarheid. Deze registers en huiselijke papieren kunnen echter wel een bewijs tegen hem opleveren, en wel hoofdzakelijk in alle gevallen waarin die stukken melding maken van eene ontvangen betaling.

De rechter kan er dan zoodanig acht op slaan als hij vermeent te behooren. Hij kan het stuk b. v. aannemen als een begin van bewijs, dat door andere middelen moet worden aangevuld, zooals door getuigen.

Om van registers en huiselijke papieren als bewijsmiddel gebruik te kunnen maken is het natuurlijk noodig, dat men die in zijn bezit heeft, en daar zij meestal in het bezit blijven van hem die ze gebruikt of van zijne erfgenamen, zal van dit bewijsmiddel wel zelden gebruik kunnen worden gemaakt.

Koopmansbo eken.

Ook koopmansboeken moeten onder de registers gerangschikt worden, maar de bepalingen daaromtrent zijn eenigszins anders.

Het koopmansboek kan nooit bewijzen dat er een schuld bestaat; anders zou de koopman natuurlijk alles in zijn boek kunnen schrijven wat hij wil.

ocr page 339

321

Doch wanneer het bestaan van schuld erkend wordt, dan kan de koopman met zijn boek bewijzen hoeveel en van welke quali-teit hij aan den schuldenaar geleverd heeft, om daardoor tot eene vaststelling van het verschuldigde bedrag te geraken.

De koopman moet dan echter van elders, dat wil zeggen buiten zijn boek om, b. v. door getuigen, bewijzen dat hij gewoon was aan den schuldenaar dergelijke leverantiën op crediet te doen. Voorts moet het boek richtig gehouden wezen, dat wil zeggen ingericht overeenkomstig de in het wetboek van koophandel vastgestelde regelen.

Eindelijk moet de koopman, indien dat van hem gevorderd wordt, de echtheid van zijn vordering onder eede bevestigen.

Is de koopman overleden, dan moeten zijne erfgenamen onder eede verklaren dat de schuld bestaat en onvoldaan is. Deze verklaring treedt dan in de plaats van den eed.

Wiet richtig gehouden koopmansboeken.

Wanneer het koopmansboek niet volgens de wet is ingericht, kan het toch bewijs opleveren tegen den koopman. Het boek staat dus voor dat geval gelijk met andere registers en huiselijke papieren.

Inrichting van koopmansboeken.

Ofschoon dit meer tot het gebied van het handelsrecht behoort, volgt hier, met het oog op het bovenstaande, hetgeen de wet ten aanzien van het houden van koopmansboeken voorschrijft.

leder koopman is verplicht een dagboek te houden, waarin hij dagelijks, in regelmatige volgorde, zonder openlatingen, tusschen-voegingen of kantteekeningen, alle aangegane verbintenissen, gedane leveringen en alle ontvangsten en uitgaven boekt.

Verder moet hij die boeken aanhouden, welke bepaaldelijk in zijn handel of bedrijf gebruikelijk zijn, benevens een copie brie-venboek.

Alleen omtrent het dagboek is voorgeschreven hoe het gehouden moet worden. Is geen dagboek gehouden, dan kunnen de andere boeken ook geen bewijs opleveren.

22

ocr page 340

Aanteekeningen op titels.

Het komt dikwijls voor dat bij betaling eener schuld in gedeelten, dit door den schuldeischer op zijn bewijs of titel wordt aan-geteekend. Wanneer dan de schuldenaar geen bewijs van betaling kan vertoonen, kan zulk een aanteekening tot bewijs strekken, natuurlijk wanneer de titel door den schuldeischer om de eene of andere reden mocht worden overgelegd.

In het algemeen zegt de wet hieromtrent dat aanteekeningen, door een schuldeischer gesteld op een titel die altijd in zijn bezit is gebleven, geloof verdienen, al zijn zij noch onderteekend, noch gedagteekend, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding van den schuldenaar, en dat ditzelfde geldt omtrent aanteekeningen die de schuldeischer op het dubbel van een titel of op een kwijting gesteld heeft, wanneer dat dubbel of die kwijting in het bezit van den schuldenaar is.

Gemeenschappelijke titels.

Het gebeurt dikwijls dat er van een gemeenschappelijk bezit maar één bewijs of titel bestaat.

leder van de gemeenschappelijke eigenaren kan dan vorderen dat die titel op eene plaats in bewaring wordt gesteld, dat wil zeggen niet bij een van de eigenaars, maar bij een derden persoon, b.v. eenen notaris. Verder kan ieder van hen daarvan te zijnen koste een afschrift of uittreksel laten maken.

HET BEWIJS DOOR GETUIGEN.

Hoe gewenscht het opmaken van schriftelijke bewijzen ook is, het is niet altijd mogelijk zich die te verschaffen, ook kunnen zij verloren gaan, en zijn er personen, die noch kunnen schrijven, noch hunne handteekening stellen.

ocr page 341

Vandaar dat ook de verklaring van personen, die zekere feiten of daadzaken hebben waargenomen, van groot gewicht kan wezen en het getuigenbewijs veelvuldig wordt aangewend.

Wanneer bewijs door getuigen wordt toegelaten.

De algemeene regel is, dat getuigenbewijs steeds wordt toegelaten, wanneer het niet in een bepaald geval door de wet is uitgesloten. In den loop van ons werk hebben wij herhaaldelijk op gevallen gewezen, waarin voor eene handeling of overeenkomst een schriftelijk bewijs, soms zelfs eene notariëeie akte gevorderd wordt.

Zoo vereischt de schenking in het algemeen een notariëeie akte en de dading alleen een schriftelijk bewijs.

Ook van bepaalde uitsluiting van getuigen zijn voorbeelden, zooals bij de mondelinge huur die betwist wordt, en verder in de gevallen die wij zoo aanstonds zullen noemen.

Uitsluiting van getuigenbewijs.

Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten, om het bestaan aan te toonen van eenige handeling of overeenkomst, die een verbintenis, of schuldbevrijding bevat, wanneer het onderwerp van die verbintenis of kwijting de som of waarde van drie honderd gulden te boven gaat.

Die dus een vordering van vier honderd gulden heeft, die ontkend wordt, kan het bestaan ervan niet door getuigen bewijzen.

Is er eene schriftelijke akte aanwezig, doch wordt beweerd dat er feitelijk meer of minder schuld bestaat, dan daarin is uitgedrukt, of dat er mondeling iets anders is afgesproken dan in het stuk is gezegd, dan kan dit nimmer door getuigen bewezen worden, al mocht het verschil ook loopen over eene som of waarde van drie honderd gulden.

Wanneer behalve de hoofdsom eener schuld ook renten gevorderd worden, zoodat hoofdsom en renten te zamen meer dan drie honderd gulden bedragen, ook dan is het getuigenbewijs uitgesloten.

Wanneer iemand een eisch gedaan heeft, de som van driehonderd gulden te boven gaande, dan kan hij, bemerkende dat die vordering niet bewezen kan worden, zijn eisch nietiverminderen tot

ocr page 342

324

beneden die som, om althans dat bedrag door het bijbrengen van getuigen te redden. Het staat hem natuurlijk vrij zijn vordering te verminderen, maar het getuigenbewijs is en blijft uitgesloten.

Het bewijs door getuigen wordt evenmin toegelaten in een geding, waarin minder dan drie honderd gulden geëischt wordt, wanneer die gevorderde som het overschot of een gedeelte uitmaakt eener grootere schuld, waarvan geen schriftelijk bewijs bestaat.

Begin van bewijs bij geschrift.

Altijd is getuigenbewijs toegelaten, als er een begin van schriftelijk bewijs is.

Zulk een begin van schriftelijk bewijs vloeit voort uit een geschreven stuk, afkomstig van dengenen tegen wien de vordering gedaan wordt of wien hij vertegenwoordigt, en dat de daadzaak waarop men zich beroept wel waarschijnlijk maakt, doch niet volledig aantoont.

Zoo zagen wij dat, wanneer eene door den schuldenaar alleen geteekende schuldbekentenis niet door hem is geschreven of althans daar onder niet door hem eene goedkeuring van de verschuldigde som is gesteld, het stuk bij tegenspraak alleen een begin van bewijs kan opleveren, dat dus zoo mogelijk door getuigen tot volledigheid kan worden gebracht.

Nog meer gevallen waarin steeds getuigenbewijs toegelaten is.

Getuigenbewijs is ook toegelaten in alle gevallen waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.

De wet zelf geeft hiervan de volgende voorbeelden:

i. Verbintenissen die uit kracht der wet tengevolge van 's men-schen toedoen ontstaan.

Stel b.v. dat iemand uit kwaadwilligheid eens anders goed vernielt, waardoor hem eene actie tot schadevergoeding kan worden aangedaan. Nu spreekt het wel van zelf, dat deze man geen bewijs zal teekenen dat hij de daad verricht heeft. Gesteld nu dat de

ocr page 343

325

schade duizend gulden beloopt, dan is toch getuigenbewijs toegelaten.

2. Bewaargevingen uit noodzaak en de zoodanige die gedaan zijn door reizigers in de herberg waar zij hun intrek hebben genomen.

3. Verbintenissen die aangegaan zijn bij onvoorziene toevallen.

4. Wanneer de titel die tot schriftelijk bewijs dienen moet, door eene toevallige, onvoorziene en door overmacht teweeg gebrachte gebeurtenis, is verloren geraakt.

■Voorschriften voor het getuigenbewijs.

De regel geldt: één getuige, geen getuige; dat wil zeggen, de verklaring van een enkelen getuige, zonder eenig ander.middel van bewijs, verdient geen geloof.

Mocht er b.v. reeds een begin van bewijs bij geschrift aanwezig zijn, dan zouden niet noodwendig de verklaringen van twee getuigen vereischt worden.

Het is verder volstrekt geen vereischte dat alle getuigen volmaakt hetzelfde kunnen verklaren. De wet zegt uitdrukkelijk dat wanneer de afzonderlijke en op zichzelf staande getuigenissen van verscheidene personen, omtrent verschillende feiten, door haren samenhang en verbandstrekken tot staving eener bepaalde daadzaak, het aan het oordeel van den rechter wordt ovei gelaten om die afzonderlijke getuigenissen zoodanige kracht toe te kennen, als de omstandigheden dit mochten vereischen.

Echter moet iedere getuigenis met redenen van wetenschap bekleed zijn : bijzondere meeningen of gissingen, bij redeneering opgemaakt, worden niet als getuigenissen beschouwd.

Verder moet men, bij de keuze van getuigen, wanneer men in die keuze niet beperkt is, zeer omzichtig te werk gaan, want bij de beoordeeling der waarde van eene getuigenis geeft de rechter bijzonder acht, onder anderen op de beweegredenen, die de getuigen kunnen gehad hebben voor de voorstelling die zij aan de zaak geven, op hun levenswijs, hun zeden en hun stand, en op alles wat op hunne meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zou kunnen hebben.

ocr page 344

326

Verplichting om te getuigen.

Hiertoe zijn alle personen verplicht die er toe bekwaam zijn.

Er zijn echter personen die zich in bepaalde omstandigheden kunnen verschoonen, met andere woorden, aan den rechter verzoeken om niet te worden gehoord, en wel:

1. die aan eene der partijen in de zijdlinie bestaan in den tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap;

2. die den echtgenoot van eene der partijen bestaan in de rechte linie onbeperkt en de zijdlinie tot den tweeden graad;

3. die uithootde van hnn stand, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn. Natuurlijk kunnen zij zich alleen verschoonen omtrent die zaken, waarvan de wetenschap hun juist wegens hun stand, beroep of betrekking is toevertrouwd.

Onbekwamen.

Als onbekwaam om getuigen te zijn, weiden beschouwd, de bloeden aanverwanten van eene der partijen in de rechte linie en de echtgenoot, zelfs de gewezen echtgenoot ingeval er echtscheiding heeft plaats gehad. Deze personen mogen dus niet door den rechter worden gehoord.

Wijze van eedsaflegging.

De wijze van eedsaflegging is dezelfde als die welke door ons reeds op blz. 77 is vermeld. De getuigen beloven dat zij de ge-heele waarheid zullen zeggen en bekrachtigen die verklaring met een eed op de daar medegedeelde manier.

Ouderdom en toestand.

Zij die den vollen ouderdom van vijftien jaren niet hebben bereikt mogen niet als getuigen worden toegelaten. Het staat evenwel den rechter vrij om hen die den vereischten leeftijd niet bezitten, zonder eedsaflegging te hooren, alleen bij wijze van toelichting.

ocr page 345

Die wegens krankzinnigheid onder curateele zijn gesteld, zijn eveneens van het geven van getuigenis uitgesloten.

Personen die wegens verkwisting en op eigen verzoek wegens zwakheid van geestvermogens onder curateele staan kunnen wel worden gehoord.

Wraking van getuigen.

Sommigen personen, ofschoon geenszins onbekwaam om te getuigen, kunnen echter in zekere omstandigheden worden gewraakt, dat wil zeggen, de partij tegen wien de getuige wordt ingebracht, kan aan den rechter verzoeken dat deze niet zal worden gehoord, omdat zijne onpartijdigheid of onaf hankelijkheid niet vast staat.

Gewraakt kunnen worden:

1. die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van een der partijen tot en met den vierden graad ;

2. de aanverwant van den echtgenoot van een der partijen, in de rechte linie onbeperkt en in de zijdlinie tot en met den vierden graad;

3. de vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstboden of bedienden van eene der partijen, of hij die een' dadelijk of zijde-lingsch belang bij het geding heeft;

4. die wegens meineed of eenige andere in het wetboek van strafrecht opgenoemde misdrijven is veroordeeld.

Uitzondering op den regel dat bloed- en aanverwanten enz. onbevoegd zijn of gewraakt kunnen worden.

De bedoelde bloed- en aanverwanten, dienstboden en bedienden, zijn bevoegd om te getuigen en kunnen ook niet worden gewraakt, in procedures betreffende den burgerlijken staat, b. v. wanneer een geding gevoerd wordt over de wettigheid van een kind, de afstamming van een onecht kind, het bestaan van een huwelijk enz. Dit zijn familiezaken, waarmede de bedoelde personen allicht het best bekend zullen zijn, zoodat hunne getuigenis juist van zeer groote waarde kan zijn.

ocr page 346

328

OVER VERMOEDENS.

Het gebeurt somtijds dat het bestaan van een zeker feit, dat niet anders te bewijzen is, wordt aangenomen op grond van het stellig bestaan van een ander feit.

Uit de stellige waarheid van het eene feit wordt dan de waarheid van het andere afgeleid, bij wijze van gevolgtrekking.

Zulk eene gevolgtrekking wordt somtijds door de wet zelf gemaakt. Er is dan een zoogenaamd wettelijk vermoeden aanwezig, dat, behoudens in sommige gevallen de mogelijkheid van tegenbewijs, als volledig bewijs geldt.

Zoo zagen wij bij het burenrecht dat als het bovenste van een scheidsmuur naar den eenen kant opstaande en loodrecht met zijn voetstuk is en aan den anderen kant schuins afloopt, er een vermoeden is, dat die scheidsmuur niet gemeen is.

Ook de rechter kan in een geding soms zulk eene gevolgtrekking maken, waardoor de zaak bewezen wordt De rechter kan dit alleen doen wanneer de zaak ook vatbaar zou zijn geweest voor ge-tuigenbewijs, of wanneer op grond van kwade trouw of bedrog tegen eene handeling wordt opgekomen.

BEKENTENIS.

Bekentenis doet aan eene strafzaak denken, doch is ook wel degelijk een bewijs in burgerlijke zaken.

Zij bestaat in de mondelinge verklaring, dat een beweerd feit waar is, waaruit blijkt dat de eisch van de tegenpartij of hare bewering gegrond is. De zaak is daarmede beslist.

Volledige bewijskracht wordt echter alleen toegekend aan een

ocr page 347

329

bekentenis, die tijdens de procedure door of namens eene der partijen wordt afgelegd.

Ook aan eene mondelinge verklaring die bij eene andere gelegenheid is afgelegd, kan wel kracht worden toegekend, wanneer de eene partij tegen de andere zich op een zoodanige bekentenis beroept, maar dit kan alleen wanneer de zaak ook vatbaar zou zijn voor getuigenbewijs.

DE GERECHTELIJKE EED.

Wij spreken van een gerechtelijken eed, omdat hier bedoeld wordt de eed waardoor een rechtsgeding wordt beslist. Deze eed is van tweeërlei aard: de wet onderscheidt ;

1. die welke door de eene partij aan de andere wordt opgedragen om de beslissing der zaak daarvan te doen afhangen, en

2. die door den rechter aan een der partijen wordt opgelegd.

De beslissende eed.

Gesteld dat A vordert van B de betaling eener aan hem verschuldigde som van duizend gulden. B. erkent dat die schuld wel bestaan heeft doch door betaling is te niet gegaan, b.v. dat hij die reeds aan den vader van den eischer heeft betaald. Er kan echter geen bewijsmiddel worden aangeboden, dat de wet in deze toelaat. Schriftelijk bewijs is er niet en voor getuigen is de zaak niet vatbaar.

Nu legt A aan B den eed op, dat hij de schuld aan den vader van A betaald heeft.

Deze eed kan alleen worden opgedragen omtrent eene daadzaak welke, zooals in het door ons genoemde voorbeeld, persoonlijk zou zijn verricht door hem aan wiens beslissing de zaak wordt overgelaten.

Hij aan wien de eed is opgedragen en die weigert denzelven af

ocr page 348

33°

te leggen of terug te wijzen, dat wil zeggen, denzelfden eed aan de tegenpartij op te dragen, of ook hij die den eed weigert af te leggen, wanneer die aan hem is teruggewezen, moet de zaak verliezen.

In het door ons gegeven voorbeeld kwam de terugwijzing van den eed niet te pas, maar wel indien er sprake is van een weder-zijdsche daad. b.v. wanneer er geschil is over het bestaan van een koopcontract. Hij die beweert gekocht te hebben kan den ander den eed opleggen, dat hij niet verkocht heeft; doch deze kan dien eed terugwijzen en den ander den eed opleggen dat hij wel gekocht heeft.

Wanneer eenmaal de eed is afgelegd, wordt de wederpartij niet toegelaten tot de bewering dat de eed valsch was. Wanneer in het door ons bedoelde geval A gezworen had dat hij niet aan B had verkocht, dan was de burgerlijke zaak daarmede geëindigd. Het openbaar ministerie kan A dan wegens meineed vervolgen, maar al wordt A deswege tot straf veroordeeld, aan de zaak van den koop kan dit niets meer veranderen.

Eed door den rechter opgelegd.

De rechter kan zelf aan een der partijen het doen van een eed opleggen, wanneer hem geen ander middel overblijft om de zaak tot een beslissing te brengen Dit geschiedt dan wanneer er wel eenig, maar geen afdoend bewijs geleverd is, b.v. een begin van schriftelijk bewijs. Het reeds geleverde doch onvoldoende bewijs wordt dan door dien eed aangevuld en wordt de eed niet afgelegd, dan is het evengoed alsof er niets bewezen wordt.

Hij aan wien door den rechter een eed wordt opgelegd, heeft eenvoudig te kiezen of hij al of niet daaraan wil voldoen, In geen geval is hij bevoegd om te vorderen dat de wederpartij den eed zal afleggen.

Afleggen van den eed.

De regel is dat de eed persoonlijk moet worden afgelegd, in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de wederpartij.

Alleen om gewichtige redenen kan de rechter iemand toestaan

ocr page 349

33i

een eed af te leggen door een gevolmachtigde, die daartoe bij notariëele akte moet worden benoemd, waarin de af te leggen eed nauwkeurig en omstandig omschreven is.

OVER VERJARING.

Reeds meermalen hebben wij opgemerkt dat de verjaring eene rechtsinstelling van tweeledige strekking is.

Men kan door verjaring, dat wil zeggen door het verloop van een zekeren bepaalden tijd, en onder de voorwaarden bij de wet genoemd:

1. iets verkrijgen;

2. van eene verbintenis bevrijd worden.

Afstand van verjaring.

Het is verboden om zich vooraf te verbinden het middel Van verjaring niet te zullen inroepen als de wet het toelaat. Zulk een verbintenis zou toch nietig zijn. Maar is eenmaal de tijd verstreken en heelt men de bevoegdheid om zich op een verjaring te beroepen, dan kan men natuurlijk van dat recht evengoed afstand doen als van alle andere.

Deze alstand behoeft niet eens uitdrukkelijk te geschieden. Als de schuld verjaard is behoeft men ze niet meer te betalen, maar als men er nu toch rente van gaat betalen, dan is dit een bewijs dat men vrijwillig aan de verbintenis wil voldoen.

Verjaring als middel om iets te verkrijgen.

Reeds bij de bespreking der wetsbepalingen omtrent bezit en eigendom, hebben wij doen uitkomen, dat wanneer men een zaak in zijn macht heeft en krachtens een wettigen titel als eigenaar

ocr page 350

behoudt, men tengevolge van een gebrek in dien titel, b.v. wanneer die afkomstig is van iemand die zelf geen eigenaar was, slechts bezitter is, zoodat de ware eigenaar altijd kan komen om de zaak op te vorderen.

Wanneer dat bezit nu te goeder trouw is, met andere woorden, wanneer het gebrek in den titel hem niet bekend was, verkrijgt de bezitter den wezenlijken eigendom, door verjaring, na verloop van twintig jaren.

Wordt de zaak dan van hem opgevorderd, dan vertoont hij zijn titel en beroept hij zich op de verjaring.

Heeft het bezit dertig jaar geduurd, dan behoeft hij zijn titel zelfs niet te vertoonen.

Intusschen is het niet noodig, dat men zelf gedurende twintig of dertig jaren het bezit gehad heeft. Dat van de vorige bezitters, van wien men de zaak op wettige wijze verkregen heeft, telt ook mede.

Ingeval van bezit eener zaak wordt de goede trouw steeds verondersteld. Te kwader trouw is men eerst dan, wanneer die kwade trouw bij rechterlijk vonnis is aangenomen en dan kan men den eigendom der bezeten zaak nimmer door verjaring verkrijgen.

Verjaring als middel om van eene verplichting bevrijd te worden.

Vorderingen welke men tegen iemand zou kunnen instellen, tot nakoming eener verbintenis, verjaren door dertig jaren.

De persoon tegen wien men de vordering mocht willen instellen kan zich dan op de verjaring beroepen, waarna de eisch moet worden afgewezen.

De termijn van dertig jaren geldt echter niet in een aantal bepaalde gevallen, waarin de wet kortere termijnen stelt.

Voorbeelden:

De vordering tot vergoeding wegens geleden verlies tengevolge van het verbreken van eene trouwbelofte, verjaart met achttien maanden na de eerste huwelijksafkondiging.

De vordering die een minderjarige tegen zijn voogd heeft, verjaart met tien jaren na den dag der meerderjarigwording.

ocr page 351

333

Die tot invordering- van verschuldigde tiend verjaart met een jaar en wegens verschuldigde grondrente met vijf jaar.

De volgende vorderingen verjaren door verloop van een jaar : die van meesters en onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen die zij bij de maand of voor korter tijd geven;

die van herbergiers en hotelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost;

die van arbeiders en handwerkslieden, wegens hun loon.

De volgende vorderingen verjaren door verloop van twee jaar : die van artsen, heelmeesters en apothekers, wegens hunne bezoeken, heelkundige diensten en geneesmiddelen ;

die van deurwaarders, wegens hun loon voor het beteekenen van akten, en het ten uitvoer brengen van de hun opgedragen werkzaamheden ;

die der kostschoolhouders, wegens het kost- en schoolgeld voor derzelver leerlingen en van andere meesters voor het loon van hun onderwijs;

die der dienstboden, wegens de betaling van hun loon.

De vordering der advocaten tot betaling hunner verdiensten, die der procureurs tot betaling van hunne voorschotten en loon, verjaren door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag dat het geding is uitgewezen of partijen een schikking hebben getroffen of de volmacht op de procureurs is ingetrokken.

Ten aanzien van onafgedane zaken kunnen zij geene voldoening vorderen van voorschotten en verdiensten die meer dan tien jaren mochten ten achteren zijn.

De vordering der notarissen tot betaling hunner voorschotten en loon verjaart door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de akten verleden zijn.

Door verloop van vijf jaren verjaren de volgende vorderingen: die van timmerlieden, metselaars en andere werkbazen tot betaling hunner leverantiën en loonen;

die van kooplieden voor de koopwaren, geleverd aan niet-koop-lieden of aan kooplieden die een anderen tak van handel drijven.

ocr page 352

334

Uit hetgeen hierboven vermeld is omtrent de verkorte verjaringstermijnen wegens de vorderingen van meesters, herbergiers, arbeiders, artsen, deurwaarders, kostschoolhouders, dienstboden, advocaten, procureurs, notarissen, werkbazen en kooplieden, zou men opmaken dat al deze personen een vrij groot gevaar loepen, wanneer hunne rekeningen of vorderingen niet geregeld worden betaald.

Dit is echter niet zoo. Wanneer de schuldenaar zich tegenover een dezer personen op verjaring beroept, kan altijd nog van hem de eed gevorderd worden dat de schuld op eene wettige wijze is te niet gegaan. Kan die eed niet worden afgelegd, dan baat het beroep op de verjaring niet.

De eed kan ook worden opgelegd aan de weduwe en aan de erfgenamen, of aan den voogd der laatstgemelden, wanneer zij minderjarig zijn. Deze kunnen volstaan met eenvoudig onder cede te verklaren dat zij niet weten dat de schuld bestaat.

Door verloop van vijf jaren verjaren verder:

de interesten van altijd durende renten en van lijfrenten, de betalii g van jaargelden tot onderhoud,

de huurprijzen van huizen cn landerijen,

de renten van geleende geldsommen,

en in het algemeen al wat bij het jaar of bij kortere vastge stelde termijnen betaalbaar is.

Bezit van roerende lichamelijke zaken.

Het bezit van deze zaken geldt als volkomen titel.

In het algemeen is hij die ze op een wettige wijze verkreeg, al verkreeg hij ze niet van dengene die de bevoegdheid had om er over te beschikken, ontheven van de verplichting tot teruggaaf.

Alleen kan degene, die iets verloren heeft, of aan wien iets ontstolen is. gedurende drie jaren, te rekenen van den dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaats gehad, het verlorene of ge-stolene als zijn eigendom terugvorderen van dengenen in wiens handen hij hetzelve vindt, behoudens het verhaal van laatstgemel-den persoon op dengene van wien hij het bezit bekomen heeft.

(Zie hieromtrent meer in bijzonderheden wat wij vroeger mededeelden over bezit en eigendom).

ocr page 353

AANHANGSEL.

ocr page 354
ocr page 355

AANHANGSEL.

In ons overzicht van het burgerlijk recht hebben wij dat recht getracht op practische wijze te schetsen zóó als het is en de wetten luiden.

Van eene bespreking der wet, eene aanduiding van hare onvolledigheden en gebreken, hebben wij ons nagenoeg geheel onthouden.

Dat vooral het zoogenaamde personenrecht grootendeels verouderd is en met de nieuwere maatschappelijke denkbeelden en instellingen in strijd, dit is vrij algemeen bekend. Het is dan ook zeer goed te begrijpen dat wetten, welke reeds in het begin dezer eeuw ontworpen en meer dan zestig jaren in werking zijn, niet meer aan de volksbehoefte kunnen voldoen.

Er zijn dan ook verscheidene wijzigingen voorbereid, waarvan een paar der meest belangrijke wellicht een volgend jaar of althans vrij spoedig in werking zullen treden. De veranderingen, die daardoor in het eerste boek van het burgerlijk wetboek gebracht zullen worden, zijn van groote beteekenis, maar konden in ons werk zelf natuurlijk nog niet worden opgenomen.

Om die reden laten wij hier eene uitvoerige schets van die ontwerpen volgen.

Het eerste heeft ten doel, de bepalingen te wijzigen en aan te vullen omtrent de vaderlijke macht en de voogdij en eenige andere welke met deze onderwerpen samenhangen.

Het tweede beoogt hetzelfde ten aanzien der bestaande bepalingen die betrekking hebben op de erkenning en wettiging van onechte kinderen en wat daarmede samenhangt, en van eenige andere, betreffende het vaderschap en de afstamming van wettige kinderen.

23

ocr page 356

VERANDERINGEN IN DE BEPALINGEN OMTRENT DE VADERLIJKE MACHT EN DE VOOGDIJ EN EENIGE DAARMEDE SAMENHANGENDE ONDERWERPEN.

Huwelijkstoestemming

Het gebeurt vaak dat minderjarige kindei en, die huwelijkstoestemming aan hunne ouders vragen, op het bezwaar stuiten, dat deze het onderling niet eens zijn.

Op de meening der moeder, indien aan haar de toestemming slechts gevraagd wordt en de vader daarvan door zijne verklaring doet blijken, wordt in het geheel niet gelet.

Het is echter niet gewenscht om in deze zaak den vader alleen het ouderlijk gezag te doen uitoefenen Daarom wordt in het ontwerp bepaald dat, indien bij verschil van gevoelen, een van beiden weigert de toestemming te geven, ot indien een van beiden zich niet verklaart, de kantonrechter beslist op verzoek van den anderen der ouders, na verhoor of oproeping van den eerstgemelde en van de bloedverwanten of aangehuwden.

Hoofddoel van het ontwerp is. in verschillende gevallen het gezag van de ouders over hunne minderjarige kinderen, in het belang van laatstfjemelden, op anderen te doen overgaan.

Met betrekking tot het aangaan van een huwelijk houdt dat gezag evenwel niet geheel op, en daarom bepaalt het ontwerp dat, behalve de toestemming van beide ouders of van den langst levende hunner, minderjarige echte kinderen, indien een ander dan de vader of de moeder de voogdij over hen uitoelent. nog de toestemming noodig hebben van den voogd of. wanneer het betreft een huwelijk met hem zelf of met een zijner bloedverwanten in de rechte linie, van den toezienden voogd.

ocr page 357

339

De grootouders zullen, wanneer dit geval zich voordoet, niet hun toestemmiog moeten geven in de bekende volgorde, (zie pag. 36).

Ook in dit geval worden man en vrouw, dat wil zeggen de beide grootouders van iederen kant, meer op ééne lijn gesteld en wordt bepaald dat, indien de vader en de moeder beiden overleden zijn of beiden of een van beiden zich in de onmogelijkheid bevinden om hun wil te verklaren, ieder overledene of verhinderde door zijne ouders (de grootouders) vervangen wordt.

Ook in de laatst bedoelde gevallen, geeft verschil van gevoelen, tengevolge waarvan iemand zich niet verklaart of weigert, aanleiding tot rechterlijke tusschenkomst.

Ten aanzien van onechte kinderen, die onder voogdij staan van de ouders, die ze erkend hebben, doch die volgens het ontwerp eveneens onder de voogdij van andere personen kunnen worden gesteld, zijn voor dat geval bepalingen van ongeveer gelijke strekking opgenomen.

Gevolgen van het ouderlijk gezag.

Ook volgens het ontwerp wordt in het algemeen bepaald dat de ouders verplicht zijn hunne minderjarige kinderen op te voeden en te onderhouden.

Echter wordt uitdrukkelijk beslist, dat bij verlies van gezag over het kind, zij toch verplicht blijven om tot de kosten van onderhoud en opvoeding naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen.

Vastzetting van een kind.

Wat hierop thans betrekking heeft en door ons is medegedeeld op blz. 68 en 6g, is door een verbeterd stelsel vervangen.

Ieder der ouders die het ouderlijk gezag uitoefent heeft het recht om te verzoeken dat de rechtbank op zijne kosten, na verhoor of behoorlijke oproeping van den anderen der ouders, indien deze het ouderlijk gezag niet heeft verloren, het kind voor een bepaalden tijd doet opnemen in een Rijksinrichting, die bepaaldelijk voor dit doel zal worden aangewezen.

Er is hier dus geen sprake meer van eene eigenlijke vastzetting, maar van opneming in een opvoedingsgesticht, en wanneer

ocr page 358

34°

de vader overleden en de moeder hertrouwd is, kan door hair het verzoek toch worden gedaan.

Vruchtgenot van de goederen van kinderen.

Het vruchtgenot, dat aan den vader of de moeder toegekend wordt van de goederen die aan hunne minderjarige kinderen toe-behooren, vindt zijn grond in de nauwe betrekking tusschen ouders en kinderen en in de moeite en zorgen, die met opvoeding en onderhoud gepaard gaan.

Volgens het ontwerp wordt het vruchtgenot toegekend aan den vader of de moeder, die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent. Hieruit zou moeten volgen, dat het vruchtgenot ook verloren wordt, wanneer degene die het heeft, van de ouderlijke macht op zijn verzoek wordt ontheven. Dit is echter niet zoo. Voor dit geval wordt eene uitzondering gemaakt, want het zou niet billijk zijn, wanneer de ouders geldelijk nadeel leden, indien zij in het belang hunner kinderen vrijwillig van het ouderlijk gezag of voogdij afstand deden.

Volgens de tegenwoordige wet kan in alle gevallen, waarin het vruchtgenot ophoudt of verloren wordt, aan de ouders uit de inkomsten der kinderen door den rechter eene jaarlijksche toelaag worden gegeven tot aan de meerderjarigheid

Onder de nieuwe regeling zal voor zulk eene toelaag echter alleen voldoende grond zijn indien het vruchtgenot door den leeftijd van twintig jaren ophoudt, of verzuimd is bij overlijden van den eerst-stervende intijds een inventaris op te maken.

Ontheffing van en ontzetting uit het ouderlijk gezag.

De noodzakelijkheid der voorgestelde veranderingen is daarvan een gevolg, dat onder de tegenwoordige wet niet voldoende wordt gewaakt tegen verkeerde leiding en verwaarloozing der opvoeding van minderjarigen. Langen tijd is men van meening geweest, dat dit uitsluitend eene zaak was van het ouderlijk gezag en dit behoort dan ook geëerbiedigd te worden; doch wanneer, zooals vaak geschiedt, kinderverwaarloozing een ernstig karakter aanneemt, dan

ocr page 359

34i

is daarbij het Staatsbelang betrokken, omdat door zoodanige ver-waarloozing misdrijven worden bevorderd, zooals de ondervinding dagelijks leert De ouders hebben niet alleen het recht om over de opvoeding te beschikken, doch daarbij ook plichten te vervullen en de wet moet voor de nakoming daarvan waken.

Het meer en meer voorkomen van strafbare feiten bij kinderen en de toenemende baldadigheid en losbandigheid worden wel door politie en justitie tegengegaan en zoo er aanleiding toe is gestraft, maar beter is het, zoo mogelijk het kwaad te voorkomen, en de pogingen, daartoe aangewend door bijzondere persontn en ver-eenigingen welke zich het lot van verwaarloosde kinderen aantrekken, worden door de gebrekkige bepalingen der wet tegengewerkt.

De ontzetting uit het ouderlijk gezag is in ons burgerlijk recht geheel onbekend.

Zulk eene ontzetting kan alleen worden uitgesproken door den strafrechter, meestal tijdelijk, namelijk wanneer de ouders zich aan zekere strafbare feiten hebben schuldig gemaakt en deswege veroordeeld zijn De ontzetting is dan eene bijkomende straf

Dit is geheel onvoldoende; want wanneer het ouderlijk gezag misbruikt wordt, b v. om de kinderen af te richten tot bedelarij of diefstal, of het kind verwaarloosd of bedorven wordt, dan gebeurt dit gewoonlijk op zoodanige wijze, dat men buiten het bereik van de strafwet blijft.

De regeling die daarom thans door de regeering wordt voorgedragen kent niet alleen eene ontzetting van het ouderlijk gezag maar ook eene ontheffing daarvan.

Ook waar geen plichtverzuim of verwaarloozing aan de oude s kan worden ten laste gelegd, kar. het kind aan verderfelijke invloeden zijn blootgesteld of de noodige leiding en verzorging missen. Maar de regeering vond het niet raadzaam de ontzetting uit de ouderlijke macht ook voor te stellen wegens vermeende onmacht of onkunde der ouders bij de uitoefening van hun taak.

Zijn echter de ouders zelf overtuigd dat hun gezag in het belang der kinderen voor eene andere leiding moet plaats maken, dan verandert de zaak en kan er aanleiding bestaan om hen te ontheffen van eene taak die hun te zwaar valt

ocr page 360

342

De volgende regeling wordt daarom voorgesteld :

Ontheffing van het ouderlijk gezag, hetzij over alle, hetzij over een of meer kinderen, kan aan dengene der ouders die het ouderlijk gezag uitoefent, op zijn verzoek worden verleend op grond dit hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang der kinderen zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzet.

De regeering verwacht dat degene die het ouderlijk gezag uitoefent, van het middel der ontheffing niet zeiden gebruik zal maken, hetzij om zijn plaats in te ruimen aan den anderen echtgenoot, hetzij om het kind toe te vertrouwen aan welwillende particulieren of vereenigingen.

Het verzoek mag echter niet lichtvaardig worden gedaan, zoodat eene schriftelijke bereidverklaring moet worden o\ ergele^d. hetzij van den anderen echtgenoot om het ouderlijk gezag uit te oefenen, hetzij van een bevoegd ingezetene of eene vereeniging, om de voogdij op zich te nemen. Van hem die het verzoek om ontheffing tot den rechter richt of van belangstellende bloedverwanten mag worden gevorderd, dat zij zich de moeite zullen getroosten om naar ge schikte personen om te zien. Bovendien zullen vereenigingen, die zich met de taak der opvoeding van verwaarloosde kinderen belasten, zich tot de ongeschikte en ongelukkige ouders wenden en aldus tol het verzoek om ontheffing aanleiding geven.

Wanneer de rechtbank het in het belang der kinderen noodzakelijk oordeelt, kan ieder der ouders op verzoek van den anderen, van een der bloedverwanten of aangehuwden der kinderen tot en met den vierden graad, van den voogdijraad (dit is eene nieuwe instelling, waarvan wij hierna spreken), of op de vordering van het openbaar ministerie (de officier van justitie bij de rechtb aik) van het ouderlijk gezag over een of meer kinderen worden ontzet.

Die ontzetting kan op de volgende gronden worden uitgesproken :

1. misbruik van het ouderlijk gezag of venvaarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen;

2. slecht levensgedrag;

3 veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen aan sommige misdrijven of het plegen daarvan.

ocr page 361

343

Voorloopige voorzieningen in geval van ontzetting.

Het zal de rechtbank vrijstaan om wanneer daartoe dringende redenen mochten bestaan, gedurende het onderzoek de uitoefening der ouderlijke macht te schorsen en aan een door haar aan te wijzen persoon, of aan den voogdijraad zoodanige bevoegdheden ten aanzien van den persoon en de goederen der kinderen toe te kennen, als zij dienstig zal achten.

Herstelling in het ouderlijk gezag.

Die van het ouderlijk gezag is ontheven of ontzet, kan daarin weder door de rechtbank worden hersteld, wanneer het blijkt dat de aanleidende oorzaak is weggenomen en het belang der kinderen zich niet tegen dat herstel verzet.

Bijzondere voorzorgen in het belang van verwaarloosde kinderen.

Het ontwerp bepaalt dat de officier van justitie, op grond van feiten die tot ontzetting uit de ouderlijke macht aanleiding kunnen geven, minderjarige kinderen voorloopig kan onttrekken aan hem die het ouderlijk gr zag uitoefent en toevertrouwen aan den zorg van den voogdijraad, tot dat in de zaak beslissend zal zijn voorzien.

Bijdrage in de kosten van onderhoud en opvoeding.

Ontzetting of ontheffing van de ouderlijke macht zal geenszins ontheffen van de verplichting om naar vermogen in de kosten van onderhoud en opvoeding bij te dragen.

Er moet eene uitkeering aan den voogdijraad worden gedaan, waarvan het bedrag en de tijd van uitkeering door den kantonrechter worden bepaald.

Verplichtingen van werkgevers of andere personen, van wien hij die de uitkeering moet doen,

loon of ander inkomen geniet.

Wanneer eene ontzetting of ontheffing van het ouderlijk gezag is uitgesproken, wordt hiervan kennis gegeven aan hem die met

ocr page 362

3

het ouderlijk gezag of de voogdij is belast, alsmede aan den voogdijraad.

Dit geschiedt zoo mogelijk onder opgaaf van hem van wien de ontzette of ontheven persoon, loon of ander inkomen geniet.

Nu kan de voogdijraad, bij niet geregelde voldoening van de vastgestelde uitkeering, daarvan aan den werkgever of wie het ook zij mededeeling doen. De kennisgeving moet door hem voor gezien geteekend en aan den voogdijraad teruggezonden worden. Anders wordt Ce kennisgeving bij deurwaardersexploit nog eens gedaan.

Hierdoor is de bedoelde persoon verplicht om, zoolang de voogdijraad dat mocht verlangen, aan denzelven de weekloonen te betalen of andere bepalingen te doen, die door hem verschuldigd zijn aan dengene die tot de uitkeering verplicht is.

Toezicht over kinderen wier ouders van hun gezag zijn ontzet of ontheven.

De kinderen die niet meer onder de ouderlijke macht staan, zullen niet van Staatswege worden opgevoed

De regeering meent dat de taak der ouders door naastenliefde en burgerzin behoort te worden overgenomen en vertrouwt dat hierop veilig kan gerekend worden.

Talrijk zijn de klachten over de gebrekkige wetgeving, die oorzaak is van het mislukken der pogingen, van verschillende zijden ondernomen, om ten behoeve van minderjarigen helpend tusschen-beide te treden.

Daarom acht de regeering het dringend noodig om het gezag van vereenigingen, stichtingen en instellingen van weldadigheid, die zich verzorging van hulpbehoevende minderjarigen ten doel stellen, op deugdelijken grondslag te vestigen.

De voogdijraad,

In de hoofdplaats van ieder arrondissement zal een voogdijraad wezen, aan welken verschillende bemoeienissen worden of kunnen worden opgedragen, maar die bijzonder belast zal wezen met de zorg voor minderjarigen, die voorloopig aan het toezicht der ouders worden onttrokken. De aan dezen voogdijraad opgedragen zorg

ocr page 363

345

eindigt, zoodra de rechter in de ouderlijke macht of de voogdij heeft voorzien of beslist wordt dat er geene voorziening noodig is.

De kosten, die de raad ten behoeve van de minderjarigen maakt, worden door den Staat vergoed.

Later zal, bij bijzonder voorschrift, de samenstelling van den voogdijraad worden geregeld, alsmede de wijze waarop deze zijn werkkring vervult en door het gemeentebestuur wordt bijgestaan.

Vr ouwenvo ogdij

Het beginsel van de tegenwoordige wet. waarbij alle vrouwen van de voogdij zijn uitgesloten behalve de moeder, is niet behouden.

Naar de meening der regeering is er geen reden om een zoo belangrijk en in menig opzicht zoo passend arbeidsveld aan de vrouw te onthouden.

Behalve de benoeming door den rechter of door een der ouders, wanneer deze daartoe bevoegd is, heeft de getrouwde vrouw den bijstand of de machtiging van haren echtgenoot noodig om de voogdij uit te oefenen.

Treedt een man met eene vrouw in het huwelijk die reeds voogdes is, dan wordt uit het feit der huwelijksvoltrekking afgeleid dat hij daarmede genoegen neemt.

De echtgenoot wordt geen medevoogd, omdat daardoor de vrijheid der voogdes over vreemde kinderen allicht te veel zou worden aan banden gelegd en feitelijk misschien de man voogd zou wezen in plaats van de benoemde vrouw

Familieraden.

In het tegenwoordig artikel van het burgerlijk wetboek, waarin de vereischten voor den familieraad, die in het belang van minderjarigen in verschillende gevallen wordt gehoord, zijn opgenoemd, is het woord «manspersonenquot; weggelaten.

Dientengevolge is volgens het ontwerp de gelegenheid geopend om ook vrouwelijke aanverwanten te hooren. Voor hare uitsluiting bestaat geen goede grond en nu de vrouw volgens het ont * erp in menig opzicht met den man wordt gelijk gesteld, en in het bijzon-

ocr page 364

346

der de onbevoegdheid tot de voogdij vervalt, was er alle aanleiding om ook in deze het onderscheid te doen wegvallen.

Aanbieding van staat in geval van hertrouwen.

Volgens de tegenwoordige wet moet de vader of de moeder, die een nieuw huwelijk sluit, vóór het aangaan daarvan aan den toe-zienden voogd een staat der goederen van het kind aanbieden.

Gebeurt dit niet dan wordt de voogdij verloren, zonder dat gelegenheid wordt gegeven om het verzuim te herstellen en daardoor het verlies der voogdij te voorkomen. Dit is eene onnoodige hardheid en een voorschrift dat niet altijd in het belang der kinderen is.

Het nieuw voorgestelde artikel zegt dat de var1,er-voogd of de moeder-voogdes, wanneer de toeziende voogd dit verlangt, voor of na het aangaan van het huwelijk aan hem moet aanbieden een behoorlijken staat, waaruit het vermogen van den minderjarige blijkt.

Bij niet voldoening binnen veertien dagen aan dat verlangen, zal de toeziende voogd zich tot den kantonrechter kunnen wenden, met verzoek om den voogd niet in de voogdij te bevestigen of hem te ontslaan.

Benoeming van een voogd door de ouders.

Het recht der ouders om een voogd over hunne na te laten kinderen te benoemen wordt volgens het ontwerp uitgebreid

Volgens de tegenwoordige regeling heeft alleen de langstlevende der ouders het recht om zijn opvolger in de voogdij aan te wijzer.

De reden hiervan is. dat volgens de tegenwoordige wet de ouderlijke macht alleen bij den dood van een der ouders ophoudt en dan de langstlevende de voogdij uitoefent.

Volgens het ontwerp zal echter niet alleen door echtscheiding of door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, maar ook door ontzetting of ontheffing een der ouders de voogdij kunnen verkrijgen bij het leven van den ander.

Daarom is nu bepaald dat ieder der ouders die het ouderlijk gezag over een of meer zijner kinderen uitoefent, het recht heeft een voogd over die kinderen te benoemen.

ocr page 365

347

Indien echter na den dood van dezen ouder-voogd, de redenen die tol verlies van het gezag van den langstlevende aanleiding gaven, hebben opgehouden, moet herstel mogelijk blijven en in dat geval het recht van den doode wijken voor dat van den levende.

Daarom heeft, zoowel bij herstel in de voogdij als in het geval van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, de rechter de bevoegdheid om den vader of de moeder in de plaats te stellen van den testamentairen voogd.

Voogdij van vereenigingen, stichtingen of instellingen van ■weldadigheid.

In alle gevallen waarin de kantonrechter of de rechtbank een voogd te benoemen heeft, kan de voogdij worden opgedragen aan eene in het Rijk gevestigde, rechtspersoonlijkheid bezittende, ver-eeniging, stichting of instelling van weldadigheid, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven. Deze lichamen kunnen zich echter van de voogdij verschoonen. Van deze opdracht wordt kennis gegeven aan het gemeentebestuur en aan den officier van justitie.

Verder moet het bestuur der vereeniging of stichting mededee-ling doen van de opneming van minderjarigen in woningen of gestichten, aan het gemeentebestuur en den officier van justitie, welke die woningen of gestichten geregeld bezoeken.

Ook in deze gevallen zal er een toeziende voogd worden benoemd, welke in de gelegenheid wordt gesteld om aan deze bezoeken deel te nemen.

Ook onder de tegenwoordige wet worden zeer vele kinderen in gestichten van weldadigheid opgenomen. De minderjarigen blijven, zoolang zij in het gesticht vertoeven, onder de voogdij der regenten. Vereenigingen of stichtingen, die niet bepaaldelijk een gesticht te hunner beschikking hebben, zijn echter van de voogdij uitgesloten Verder kan hij die het ouderlijk gezag heeft, of de voogd, geheel naar willekeur aan de bemoeiing der regenten een einde maken.

De mogelijkheid tot ontzetting en ontheffing van het ouderlijk

ocr page 366

348

gezag opent tot betere verzorging der verwaarloosde jeugd den weg. Maar dan moet er een beter gezag voor in de plaats komen eu moeten de vereenigingen en stichtingen zelfstandig kunnen optreden. Zij moeten de macht hebben om over de richting der opvoeding te beslissen cn daartoe schijnt het beste middel, ze met particulieren gelijk te stellen en met de voogdij te belasten.

Tegen misbruiken waaraan de bedoelde vereenigingen of stichtingen zich zouden kunnen schuldig maken, wordt door de con-tróle van gemeentebestuur, openbaar ministerie en toeziende voogd gewaakt. Het moet natuurlijk erkend worden, dat in een stichting of gesticht misbruiken gemakkelijker verborgen kunnen blijven dan elders.

Vereenigingen enz. kunnen door de ouders niet tot voogd worden benoemd.

In het onderzoek door de rechters en het oordeel van bloed verwanten enz. is een waarborg gelegen voor de geschiktheid der vereeniging of stichting, die zich met de verzorging van minderjarigen belast, om de voogdij uit te oefenen.

Aan de ouders, voor zooveel zij het recht hebben om een voogd over de door hen na te laten kinderen te benoemen, komt niet het recht toe om eene vereeniging ot stichting met de voogdij te belasten, daar het aan de ouders niet kan worden toevertrouwd om de geschiktheid eener vereeniging geheel te beoordeelen.

Weigering der vrouw om eene opgedragen voogdij te aanvaarden.

Ofschoon het als vaststaande mag worden aangenomen, dat vele vrouwen zeer geschikt zijn tot de uitoefening der voogdij, meende de regeering toch dat zij niet moeten worden verplicht om iedere voogdij die haar wcrdt opgedragen te aanvaarden. Hare eigenaardige werkzaamheden en haar gemis aan ervaring kunnen afdoende redenen zijn om haar vrij te stellen van de beslommerin gen en de verantwoordelijkheid, aan de voogdij verbonden.

De vrouw zal daarom vrijheid hebben om eene opgedragen voogdij te weigeren ; maar zij mag haar besluit niet onbepaald

ocr page 367

349

uitstellen; tot het verzoek om ontslag zijn bepaalde termijnen gesteld.

De echtgenoot van de vrouw, die weigert toestemming tot aanvaarding te geven, kan, even als de vrouw zelve, aan hare voogdij een einde maken.

Op de toeziende voogdij is dit eveneens toepasselijk.

Uitsluiting van en ontzetting uit de voogdij of toeziende voogdij.

De bepalingen van het ontwerp welke op deze onderwerpen betrekking hebben, staan natuurlijk met de overige wijzigingen in verband.

Hierbij is ook aangenomen dat eene vereeniging, stichting of instelling van weldadigheid ook van de voogdij kan worden ontzet, en wel hoofdzakelijk:

1. wanneer het bestuur in de waarneming der voogdij onbekwaamheid aan den dag legt, van de bevoegdheid misbruik maakt of de verplichting verwaarloost om voor het onderhoud en de opvoeding der minderjarigen zorg te dragen;

2. wanneer de vereeniging enz. uit eene andere voogdij is ontzet;

3. wanneer zij in staat van faillissement verkeert.

Verlaten kinderen

Behalve op grond van feiten, die tot ontzetting uit de ouderlijke macht aanleiding kunnen geven, waarop wij boven reeds wezen, kan de officier van justitie ook kinderen aan de zorg van den voogdijraad toevertrouwen, omdat zij noch onder ouderlijk gezag noch onder voogdij staan, of omdat zij verlaren of zonder toezicht zij 11.

Ook deze zorg is voorloopig en houdt door voorziening in de voogdij op.

Ontheffing van de voogdij over kinderen.

Een voogd zal op eigen schriftelijk verzoek, door de rechtbank, ten aanzien van een of meer der onder zijn gezag gestelde minderjarigen, van de voogdij kunnen worden ontheven.

ocr page 368

35°

Daartoe is echter noodig dat een tot de voogdij bevoegd ingezetene of het bestuur van eene vereeniging, stichting of instelling van weldadigheid zich schriftelijk bereid verklaart die voogdij over te nemen, en dat de rechtbank, wanneer de voogdij door een der ouders wordt uitgeoefend, den verzoeker ongeschikt ol niet in staat oordeelt, voor hun onderhoud of hunne opvoeding naar behooren zorg te dragen.

Herstel in de voogdij.

De vader of de moeder die van de voogdij over eigen kinderen is ontheven of ontzet, kan od eigen verzoek daarin worden hersteld, wanneer de rechtbank oordeelt dat de aanleidende oorzaak heeft opgehouden te bestaan.

Herstel in de voogdij over andere dan eigen kinderen wordt evenwel niet toegelaten. Het belang der minderjarigen wordt door herhaalde verwisselingen niet bevorderd en er is geene aanleiding om aan te nemen dat de oude voogden geschikter zullen wezen dan die in hun plaats zijn gekomen.

Kinderen van dezelfde ouders, die verschillende voogden hebben.

Onder het tegenwoordige stelsel doet zich dat niet voor, maar ten gevolge van ontzetting of ontheffing uit de ouderlijke macht, indien deze wordt aangenomen, zal het zeer wel mogelijk zijn.

Indien de bedoelde kinderen dan goederen in gemeenschap be zitten, over welke nu de voogd krachtens de wet het beheer verkrijgt, zouden daardoor moeilijkheden kunnen ontstaan.

Daarom bepaalt het ontwerp dat de rechter in dat geval één der voogden of een ander persoon kan aanwijzen, om onder de de noodige waarborgen het bewind over de goederen waar te nemen, totdat er scheiding en verdeeling heeft plaats gehad.

Curateele.

Volgens het bestaande recht is de man van rechtswege curator over zijne onder curateele gestelde vrouw en kan deze tot curatrice over den man in hetzelfde geval worden benoemd.

ocr page 369

Een nieuw artikel bepaalt dat, tenzij gewichtige redenen er toe leiden een ander tot curator te benoemen, de eene echtgenoot tot curator over den anderen echtgenoot wordt benoemd, zonder dat de vrouw, voor het op zich nemen der curateele over haren man, eenigen naderen bijstand of machtiging behoeft.

Getuigenbewij s in gevallen van ontheffing of ontzetting.

In den regel zullen ten aanzien der feiten die tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht en de voogdij aanleiding kunnen geven, bioed- en aanverwanten en dienstboden of bedienden de eenige getuigen zijn.

Daarom zullen de bedoelde personen in gedingen tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht en de voogdij, noch onbekwaam zijn, noch gewraakt kunnen worden, zooals dit thans reeds is voorgeschreven ten aanzien van processen omtrent den burgerlijken staat der personen.

Meerderj arigheid.

Oorspronkelijk was in het ontwerp geen vervroegde meerderjarigheidstermijn aangenomen.

Waarschijnlijk echter zal bij nadere wijziging worden voorgesteld, de meerderjarigheid op 21 jarigen leeftijd te bepalen.

ocr page 370

VERANDERINGEN IN DE BEPALINGEN OMTRENT ERKENNING EN WETTIGING VAN NATUURLIJKE KINDEREN, HET VADERSCHAP EN DE AFSTAMMING VAN WETTIGE KINDEREN EN EENIGE DAARMEDE SAMENHANGENDE ONDERWERPEN.

Het hoofddoel van dit ontwerp is om te gemoet te komen aan de bezwaren tegen de bepaling der tegenwoordige wet, die een onecht kind verbiedt te onderzoeken van welken vader het afstamt.

Bij de behandeling van het personenrecht hebben wij doen uitkomen, dat onechte kinderen zeer worden achtergesteld bij die welke uit eene wettige huwelijksverbintenis zijn geboren ; daarom zullen de nieuwe bepalingen strekken om het onecht kind zooveel mogelijk recht te verschaffen, door de ouders als natuurlijke verzorgers aan te wijzen en dezen de verantwoordelijkheid voor hunne daden te doen dragen.

Volgens de bestaande wet ontstaan door het enkele feit der geboorte, geen burgerlijke betrekkingen tusschen het kind en de ouders. Het onwettige kind heeft noch vader, noch moeder. De ouders hebben dus geene verplichtingen; zij hebben voor het kind niet te zorgen en behoeven er zich in het geheel niet om te' bekreunen. Eerst door bepaalde erkenning worden betrekkingen tusschen de ouders en het kind geboren. Zoo er geene erkenning door den vader plaats heeft, blijft het kind vaderloos.

Het zoogenaamde onderzoek naar het moederschap, is wel toegelaten; dat wil zeggen, wanneer de moeder het kind waaraan zij toch het leven schonk niet erkent, dan kan er steeds eene rechterlijke verklaring getracht worden te bekomen dat het kind van een bepaalde vrouw afstamt; dit is de zoogenaamde gedwongen erkenning.

Nu komt het zelden voor, dat de moeder zich geheel aan de

ocr page 371

353

zorg voor haar kind onttrekt, zoodat feitelijk het onechte kind alleen zijn vader mist. Maar juist hij is het best in staat om voor het onderhoud zorg te dragen, zoodat hij voor zijn daad aansprakelijk behoort te worden gesteld, om zooveel mogelijk de treurige gevolgen weg te nemen, die tegenwoordig uit de vele onechte geboorten voortvloeien.

Vandaar dat het de bedoeling is, om niet langer de vrijwillige ot gedwongene erkenning, maar de afstamming zelf als grondslag aan te nemen voor het ontstaan van betrekkingen tusschen de ouders en de kinderen.

De rechten die het onechte kind door de afstamming verkrijgt zullen daarom toch niet dezelfde als die van echte kinderen zijn.

Uit de afstamming zal alleen de verplichting tot onderhoud en opvoeding voortvloeien; meerdere rechten, zooals het erfrecht en het recht om den geslachtsnaam te voeren, zullen aan de erkenning verbonden blijven; echter ten aanzien van de moeder met dien verstande, dat zij geacht wordt het door haar geboren kind te hebben erkend.

Vaderschap van een onecht kind.

Volgens het ontwerp zal hij, die met de moeder van het onechte kind gemeenschap heeft gehad, na den drie honderd en eersten en vóór den honderd negen en zeventigsten dag vóór de geboorte, worden vermoed de vader van het kind te zijn, behoudens tegenbewijs.

Uitzondering op den regel.

Dit vermoeden zal niet worden aangenomen, wanneer de gemeenschap met verschillende persoden blijkt of de moeder zoowel voor als na den bedoelden termijn een ontuchtig leven heelt geleid.

Bewijzen van gemeenschap.

Het bewijs der gemeenschap met do moeder van het onechte kind binnen den bedoelden termijn, kan uit verschillende feiten en omstandigheden voortvloeien.

In de eerste plaats echter zullen de volgende omstandigheden als bewijs in aanmerking komen :

2

ocr page 372

354

1. dat de man het kind als zijn kind heeft aangegeven bij den ambtenaar van den burgerlijken stand; hij kan daarop dus niet meer terugkomen;

2. dat hij het kind als zijn kind heeft behandeld;

3. dat hij in brieven of andere geschriften heeft verklaard de vader van het kind te zijn;

4 dat hij binnen den bovengemelden termijn met de moeder heeft geleefd als man en vrouw ;

5. dat hij binnen dien termijn de moeder als bijzit heelt onderhouden ;

6. dat hij gedurende dien geheelen termijn met de moeder als verloofde op zeer vertrouwelijken voet heeft omgegaan.

Als verloofden zullen worden aangemerkt zij, die met het kennelijk doel om te zamen een huwelijk aan te gaan, zich daartoe tegenover elkander hebben verbonden.

Zorg van de ouders voor het kind.

Zijn de ouders van een kind niet gehuwd dan ontbreekt in den regel de samenleving. Van gezamenlijke zorg voor onderhoud en opvoeding is dan ook meestal geen sprake. Een der ouders kan daarom slechts worden belast met de zorg voor het kind, terwijl de verplichting van den anderen zich moet bepalen tot het verschaffen van zijn deel van de vereischte middelen.

Aangezien de natuur de moeder voor de opvoeding aanwijst, verkrijgt zij de voogdij over het kind, zelfs wanneer de vader het erkend heeft.

Wordt nu het kind door de moeder persoonlijk verzorgd en opgevoed, dan blijft hare verplichting daartoe bepaald. Mocht het kind echter onder de voogdij van een ander staan, die het noodig vindt om het aan vreemde leiding toe te vertrouwen, dan kan de moeder zich niet aan alle verdere aansprakelijkheid jegens het niet meer door haar opgevoede kind onttrekken.

In dat geval zal de moeder tot eene geldelijke bijdrage verplicht zijn.

In het algemeen zijn de verplichtingen van den vader daartoe beperkt, dat hij moet bijdragen tot de kosten van onderhoud en opvoeding.

ocr page 373

355

Mocht echter de verzorging en opleiding van het kind door hem persoonlijk geschieden, dan neemt deze de plaats in van de geldelijke bijdrage.

Hoegrootheid van de geldelijke bijdrage.

Het belang en de behoefte van het kind worden beoordeeld naar den stand der moeder in verband met het inkomen van den vader.

Is het kind echter door den vader erkend, dan zal het anders wezen. Het kind draagt dan zijn naam en behoort tot zijn geslacht. Gevolg daarvan is dat bij het onderhoud en de opvoeding, ofschoon in gewone omstandigheden door de moeder geleid, niet meer de stand der moeder maar die van den vader van overwegenden invloed is.

Wanneer over het bedrag der uitkeering verschil bestaat en deze dus door den rechter moet worden bepaald, houdt deze met de gemelde beginselen rekening.

Verplichting van de erfgenamen bij overlijden van den vader.

Bij overlijden van den vader van het onechte kind zullen zijne erfgenamen verplicht zijn om uit het beschikbare deel der nalatenschap aan het niet erkende kind voor den duur zijner minderjarigheid eene bijdrage te verzekeren, ten behoeve van zijn onderhoud en zijne opvoeding. Het bedrag der uitkeering wordt door den kantonrechter vastgesteld en geregeld naar de behoefte en het belang van het kind, in verband met den stand der moeder en het beschikbare deel der nalatenschap.

De erkende kinderen kunnen aanspraak maken op een evenredig deel der vaderlijke en moederlijke nalatenschap en zooals wij boven zagen zal de moeder geacht worden haar kind te hebben erkend. Na den doodi des vaders blijft echter het minderjarige en door hem niet erkende kind zonder steun van zijne zijde achter en zou ' dat kind zonder de voorgestelde bepaling geene vergoeding kunnen vinden voor het gemis der bijdrage, die gedurende het leven van den vader door dezen verschuldigd is.

ocr page 374

356

Verplichting van den vader tegenover de moeder.

De vadet is verplicht aan de moeder te vergoeden de kosten van bevalling, en van haar onderhoud geduiende de vier laatste weken voor en de eerste zes weken na de bevalling, alsmede alle door de moeder met het oog op de aanstaande geboorte van haar kind gemaakte noodzakelijke uitgaven.

De hier omschreven verplichting zal ook bestaan wanneer het kind dood geboren wordt en rust mede op de erfgenamen van den vader, wanneer deze vóór de bevalling overlijdt.

Deze bepaling, schijnbaar in het belang der moeder, is werkelijk in het belang van het kind en strekt om het te behoeden voor de gevolgen van gebrek, waaraan de moeder in geval van onechte bevalling dikwijls blootstaat.

Voorzorgen ten behoeve van moeder en kind.

Voorzorgsmaatregelen worden voorgesteld om moeder en kind werkelijk te helpen, wanneer het te vreezen is dat de vader in zijne verplichtingen zal te kort schieten. Een proces over de betaling na de bevalling ingesteld zou niet dadelijk baten.

Daarom kan de vader reeds vóór de geboorte van het kind op vordering van de moeder door den president der rechtbank worden veroordeeld tot betaling van de aan het kind verschuldigde betaling over de eerste drie maanden en van de kosten der bevalling en van het onderhoud de moeder gedurende de eerste zes weken na de bevalling.

Wordt in dat geval het vaderschap door den man ontkend, dan moet de moeder de aannemelijkheid van dat vaderschap aantoonen.

Vordering tot verklaring door den rechter dat men van een bepaald persoon afstamt.

In het algemeen kan een onecht kind er belang bij hebben, om in zekere omstandigheden te bewijzen dat hij van eene bepaalde vrouw of eenen bepaalden man afstamt.

De vordering daartoe kan worden ingesteld door het onechte kind en, na zijn overlijden, door ieder zijner afstammelingen.

ocr page 375

357

Erkenning van onechte kinderen.

Zooals wij boven reeds hebben opgemerkt wordt de moeder geacht haar onecht kind, alsmede het onecht kind, waarvan zij zwanger is, te hebben erkend.

Eene bepaalde verklaring voor die erkenning is dus geheel overbodig, zoodat het geval zich niet kan voordoen dat, zooals thans' tusschen moeder en kind volstrekt geene betrekkingen bestaan.

Een reeds geboren onecht kind, een onecht kind waarvan eene vrouw zwanger is en een onocht overleden kind, dat afstammelingen heeft nagelaten, kan door den vader worden erkend.

Door deze uitdrukkelijke of stilzwijgende erkenning, ontstaan dan burgerlijke betrekkingen tusschen het kind en den vader die het erkend heeft en tusschen het kind en de moeder uit wie het geboren is.

Geslachtsnaam.

Het is thans niet uitdrukkelijk beslist, en dus meer een gebruik, wat nu door het ontwerp wordt bepaald, dat een onecht kind den geslachtsnaam der moeder draagt, tenzij het door den vader mocht zijn erkend.

In dit laatste geval draagt het kind den geslachtsnaam des vaders'

Wijze van erkenning.

De erkenning door den vader zal op eene der volgende wijzen kunnen geschieden:

1. bij eene uitsluitend daartoe opgemaakte notaricele akte;

2. bij eene uitsluitend daartoe opgemaakte akte van den ambtenaar van den burgerlijken stand;

3. bij de geboorteakte van het kind;

4 bij de huwelijksakte der ouders;

5. bij de huwelijksakte van het kind;

6. door de geboorte van het kind ? an te geven, onder overlegging eener notariëele akte, waarbij de moeder daartoe hare toestemming verleent.

ocr page 376

358

Vereisehte leeftijd..

De erkenning zal wel door een ir.inderjarige kunnen geschieden, maar wanneer de minderjarige niet den leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, zal de erkenning nietig zijn, behalve wanneer zij geschiedt bij de voltrekking van een huwelijk, waartoe de koning dispensatie heeft verleend.

Geene erkenning zal echter door den vader mogen geschieden wanneer niet het kind minstens vijftien jaar jonger is dan de vader die het erkent; daar het anders wel van zelf spreekt dat de erkenning, als eene onware verklaring bevattende, niet het gevolg is van den vrijen wil of met een bepaald doel geschiedt.

V erbodsbepalingen.

Geene erkenning zal mogen geschieden door den vader, die van den 299sten tot den i8isten dag vóór de geboorte van het kind gehuwd was, zoolang dit huwelijk niet is ontbonden, tenzij de moeder van het in overspel verwekte kind is overleden.

Hierdoor wordt het bestaande verbod om kinderen te erkennen die in overspel zijn geboren, eenigszins in het belang van die kinderen beperkt.

Geene erkenning door den vader mag geschieden van een kind hetwelk geboren is uit de vereeniging van personen tusschen welke het huwelijk wegens te nauwe bloedverwantschap bepaald ver boden is.

Wanneer echter het huwelijk na verkregen dispensatie kan worden voltrokken, is aan de onwettige afstamming niet die schande verbonden en wekt de erkenning niet die ergernis op, als bij de erkenning van de eerstgemelde kinderen het geval zou zijn. Het belang van het kind gaat ook hier voor.

Zoolang de moeder van het onechte kind leeft zal zonder hare toestemming geene erkenning door den vader kunnen geschieden. Ook thans bestaat die bepaling reeds in de wet, maar er was niet gezegd op welke wijze de moeder de toestemming geven moet. Daarom is bepaald dat deze óf bij de akte van erkenning door den vader óf bij eene oorspronkelijke notariëele akte moet gegeven worden.

ocr page 377

359

Opdringing eener erkenning.

Aan een meerderjarig persoon mag men geene erkenning opdringen; zijn toestemming is daarvoor noodig.

Waar de vader gedurende de minderjarigheid van zijn kind daartoe niet overging en dat kind de rechten der erkenning zoolang gemist heeft, moet de wil van het kind, om ook thans buiten het familieverband te blijven, geërbiedigd worden.

De toestemming wordt gegeven bij de akte van erkenning zelve.

Wettiging van onechte kinderen.

Volgens het ontwerp zal de erkenning, zoowel vóór en bij, als na het huwelijk van de ouders, door den vader, van zelf aan het kind de rechten van wettig kind geven.

De omstandigheid dat het huwelijk aan de erkenning voorafgaat, zal dus niets aan de zaak afdoen.

Mocht het kind voor het huwelijk reeds overleden zijn, met achterlating van afstammelingen, dan heeft voor deze, ingeval van erkenning, het huwelijk dezelfde gevolgen alsof het overleden kind door dit huwelijk gewettigd ware.

Wanneer een onecht kind door zijn vader is erkend, doch door het overlijden van zijn vader of zijn moeder het huwelijk tusschen dezen onmogelijk is geworden, zal het kmd op verzoek van den langstlevende, en na diens overlijden op eigen vrrzoek, door het Hoofd van den Staat bij brieven van wettiging worden gewettigd.

En mocht ook het kind zijn overleden, dan kan het verzoek door ieder zijner afstammelingen worden gedaan.

Onderhoudsplicht.

Bij onechte geboorte wordt de plicht van onderhoud van meerderjarige kinderen wanneer deze tot armoede vervallen zijn, geacht alleen te bestaan ingeval van erkenning.

Daar de moeder steeds haar kind stilzwijgend erkend heeft is zij dus altijd tot alimentatie verplicht.

De vader zou dus ontslagen zijn van onderhoud van zijn hulpbehoevend kind na diens meerderjarigheid. Dit zou echter in strijd

ocr page 378

360

zijn met het doel van het wetsontwerp, waarbij de ouders als de natuurlijke verzorgers hunner kinderen worden aangewezen

Daarom is de verplichting opgenomen van den vader om het niet door hem erkend kind ook te onderhouden.

Deze verplichting is niet wederkeerig.

Levensonderhoud uit de nalatensch.ap van den vader.

Aan alle niet erkende onechte kinderen, en dus niet alleen zooals thans aan overspelige en dergelijke kinderen, wordt uit de nalatenschap van hun vader het noodige levensonderhoud toegekend, tenzij blijken mocht dat daarvoor geene noodzakelijkheid bestaat of de vader daaromtrent teeds bij zijn leven eene voorziening mocht hebben getroffen.

Huwelijkstoestemming

Een onecht kind dat door den vader erkend is, en volgens het nieuwe stelsel door de moeder vanzelf als erkend wordt beschouwd, zal daarom in geval van minderjarigheid geen huwelijk kunnen aangaan zonder toestemming van vader en moeder; behoudens verlof van den kantonrechter indien bij verschil van gevoelen, of de vader of de moeder weigert de toestemming te geven of indien een van beiden zich niet verklaart.

Hieruit moet vanzelf volgen dat een onecht kind, niet door den vader erkend, huwelijkstoestemming van de moeder behoeft, en dat, niet door den vader erkende kinderen die hun moeder hebben verloren of wier moeder niet in staat is haar wil te verklaren, benevens zij die na de erkenning beide ouders verloren of wier ouders na die erkenning buiten de mogelijkheid geraakten om hun wil te verklaren, toestemming van voogd en toezienden voogd noodig hebben.

Vruchtgenot

De moeder, of de vader die het onechte kind heeft erkend, zal het vruchtgenot hebben van de goederen van het kind over het-

ocr page 379

361

welk zij of hij de voogdij uitoefent, totdat het kind den leeftijd van twintig jaren heeft bereikt of eerder is gehuwd.

Zorg voor het ongeboren kind van een ongehuwde vrouw.

Wanneer eene ongehuwde vrouw, hetzij uit eigen beweging, hetzij daartoe opgeroepen door een harer bloedverwanten tot en met den derden graad, of door haren voogd, of door den kantonrechter, verklaart zwanger te zijn, zal een curator over het ongeboren kind worden benoemd, welke curator, als het kind levend ter wereld komt, van zelf toeziende voogd wordt.

Bevestiging in de voogdij

Wanneer iemand die uit kracht der wet de voogdij over een onecht kind uitoefent tot een huwelijk wil overgaan, moet er ook bevestiging in de voogdij door den kantonrechter plaats hebben.

Natuurlijk is dit niet noodig, wanneer door dat huwelijk het kind gewettigd wordt, omdat dan de voogdij van zelf vervalt.

Wordt de moeder in de voogdij over haar onecht kind bevestigd of opnieuw als voogdes aangesteld, dan wordt haar man van zelf mede-voogd en voor de verrichtingen der voogdij mede aan sprakelijk. ^

Voogdij.

Een onecht kind staat van rechtswege, dat wil zeggen zonder dat er eene aanstelling noodig is, onder voogdij zijner moeder, wanneer deze meerderjarig is. Kan de moeder de voogdij om de eene of andere reden niet uitoefenen, dan staat het kind onder voogdij van zijn meerderjarigen vader die het erkend heeft, tenzij ook deze door de eene of andere oorzaak verhinderd of uitgesloten is.

In de gevallen dat de voogdij der moeder om de eene of andere reden ophoudt, wordt deze van rechtswege opgedragen aan den vader die het kind erkende, wanneer deze er toe bevoegd en niet gehuwd is. Heeft geene erkenning door den vader plaats gehad.

ocr page 380

362

dan wordt de voogdij toch uitgeoefend door hem, die als vader tot het onderhoud en de opvoeding van het kind bijdraagt of die het- kind persoonlijk verzorgt en opleidt, ook indien hij bevoegd en ongehuwd is.

In andere gevallen wordt door den kantonrechter in de voogdij voorzien. Is de vader die het kind erkende of die tot zijn onderhoud bijdraagt gehuwd, zoodat hij niet van rechtwege de voogdij uitoefent, dan vkan hij op zijn verzoek toch tot voogd worden benoemd.

Voogdbenoeming door de ouders.

De vader die voogd is over zijn onecht door hem erkend kind en de moeder die voogdes is over haar onecht kind, hebben het recht om een voogd over dat kind te benoemen, voor het geval dat na zijn of haar overlijden de voogdij niet van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking aan den overblijvenden vader of de overblijvende moeder behoort.

Zij zullen zelfs verscheidene personen kunnen benoemen om elkander in geval van verhindering op te volgen.

Wanneer degene die de benoeming gedaan heeft bij zijn overlijden geen voogdij over het onechte kind bezit, is de benoeming nietig.

De benoeming van een voogd door den vader of de moeder, die in de voogdij is bevestigd of opnieuw over het onecht kind is benoemd, is dan alleen van waarde, wanneer dezelve door den kantonrechter is bekrachtigd.

Uit de laatstgemelde voorschriften blijkt dat het ontwerp verschillende bepalingen, die tot dusver alleen op echte kinderen van toepassing zijn, ook toepasselijk maakt op onechte kinderen, behoudens de noodige door de omstandigheden geboden wijzigingen

ocr page 381

ALPHABETISCH REGISTER

op tiet Werk.

ocr page 382
ocr page 383

ALPHABETISCH REGISTER

A.

Aangifte geboorte......

. 18

Aanhuwelijking ...■••

. 66

Aanneming van werk.....

. 265

Aanvaarding van erfenissen.

. i6olt;

. 160e

Afstamming van kinderen . . • .

62

Afwezigheid......

• 97

invloed op familiebetrekkingen

. 101

authentieke .....

. 3l6

onderhandsche ....

• 317. 316

Alimentatie.......

• 71

Ambtenaren van den burgerlijken stand .

• 17

ocr page 384

366 B.

Begraven............23

Bekentenis ......... 328

Beklemming.........266

aard van het recht......266

recht van den meier ..... 267

erfelijkheid.......267

Benefice van inventaris......160/

Betaling van schulden. . . . . . .168

Bevoorrechte schulden.......172

Bewaargeving...........284

soorten........284

eigenlijk gezegde......284

vrijwillige.......284

hoe men het bestaan der overeenkomst bewijst ........285

uit noodzaak ... ... 285 hoe deze bewezen wordt .... 285 plichten van bewaarnemers .... 286 aansprakelijkheid van herbergiers en logementhouders ......286

wat den bewaarnemer verboden is . . 287

teruggaaf van het goed.....287

verplichting van de erfgenamen . . . 287

vruchten en renten.....288

tijd van teruggaaf......288

verplichting van den bewaargever . . 288

sequestratie.......288

ocr page 385

367

Bewijs......

schriftelijk door getuigen.

begin van schriftelijk vermoedens bekentenis

eed..... Bewindvoerder over een afwezige over een erfdeel

Bezit.....

van een onroerende zaak te goeder en te kwader trouw van een roerende zaak . van den executeur. Bloedverwantschap Boedelscheiding ....

actie tot scheiding.

loop van de procedure .

vorm ervan .

taxatie .... waarde der goederen wijze van scheiding verkoop van roerend goec scheiden

Boedelverdeeling door bloedverwante ■ 1

linie ......

te kunnen

in de]op

vorm ervan .

voorwaarden voor de geldigheid

Borgtocht

voor welke verbintenissen men zich borg kan stellen.......

307

ocr page 386

368

eigenaardigheden der overeenkomst . , 307

hoever borgtocht zich uitstrekt . . . 308

verbintenis om borgen te zullen stellen . . 308

gevolgen tusschen schuldeischer en borg . 308

uitwinning van den schuldenaar . . 309

verhouding tusschen schuldenaar en borg . 310

rechten van borgen. . . . . .311

Bouwen op den grond van een ander . . . .116

met eens anders grondstoffen . . . . n6

Brieven..............„Ir.

......0*9

Bruikleening............

verplichtingen van leeners . . . .291

id. van den uitleener.....291

Burenrecht............

Burgerlijke rechten. Genot en verlies ervan . .11

wat burgerlijke rechten zijn . . . .11

wie ze mogen uitoefenen . . . . n

of het kan voorkomen dat iemand er geene

bezit 12

of iemand ze reeds voor zijne geboorte kan

bezitten..........

Burgerlijke Stand..........

ocr page 387

369

c.

Curateele.........91

wie er onder gesteld kunnen worden . . 91

van krankzinnigen......92

van verkwisters......92

op eigen verzoek......92

behandeling van de zaak.....92

gevolgen........93

invloed op vroegere daden .... 93

bewindvoerders.......94

zorg voor kinderen van een onder curateele gestelde. ....... 95

zorg voor verkwisters . . . . .96

einde.........96

Curator over een ongeboren kind.....75

een onder curateele gestelde . . . -95

toeziende . .......95

hoe lang men het moet blijven. ... 95 in een onbeheerde nalatenschap . . ■ 171

D.

Dading..........311

vorm .........3,2

wegens de gevolgen van een misdrijf . .312

kracht ervan ..............312

Dienstboden en werklieden......263

Domicilie........ • 27

25

ocr page 388

37°

E.

Echtgenooten. Verhouding tusschen hen ... 50

Echtscheiding........g0

Eed.............

beslissende ...

........

door den rechter opgelegd .... 330

Eedsaflegging........ 330) ^

Eigendom........110, 106

van onstoffelijke zaken....... j

hoever dit recht zich kan uitstrekken . .112

Eigendomsverkrijging........^

Erfdienstbaarheden.......128, 121

verschil met persoonlijke vergunningen . .129

onderscheiding..........

ontstaan . ..........

ie niet gaan.......^2

Erfpacht. . . ........ 2^

rechten en verplichtingen van den erfpachter. 135

wanbetaling der pacht.....

Erfgenamen, onwaardige ...... 14.8

van een onecht kind.....jjg

Erfopvolging . •..........

in het algemeen........

soorten...........

wettelijke. . ......

als er geen bloedverwanten zijn . . . 148 plaatsvervulling......

ocr page 389

37i

vertegenwoordiging van een levend persoon. 151 in de opgaande en zijdlinie . . . • I51 door wettige afstammelingen. . . ■ IS2 als er geen afstammelingen, broeders of zusters zijn.......I52

door broeders en zusters . • . .152 heele en halve broeders en zusters . • 1 S3 als er geen broeders en zusters en aan een kant geen bloedverwanten in de opgaande linie zijn . . . . . , -154 door bloedverwanten in dezelfde zijdlinie van

denzelfden graad......IS4

van onechte kinderen . . . . .155 krachtens testament . . . . .158 Erfrecht van echtgenooten . . . . . -147 verdeeling bij staken en hoofden . . .150 legitieme portie . . . . • .160 Erfstellingen over de hand . . . . . .160 c Executeurs ......... 160/

wie men benoemen kan .... i6of

recht van bezit ...... i6og

hun plichten en rechten. .... 1603

inventarisatie ....... ï6oh

afgifte van legaten, verkoop en boedelscheiding ....... i6oh

hun loon. ....... i6oh

ocr page 390

372

F.

Familieraden...... _ -73

c.

Geboorten.........17

gedurende een zeereis.....20

Gebruik en bewoning . . . . . . .146

Geldleening.........292

op rente........293

wanneer die verschuldigd is . . . . 293

niet bedongen rente. ..... 294

bij overeenkomst bedongen .... 294 quitantie voor de hoofdsom zonder id. voor

de rente.......294

Gemeenschap van goederen ... ... 50

beheer ervan ..............50

ontbinding . . . . , . .51

scheiding . 4 ...... 52

afstand ervan.......52

uitsluiting ervan......53

Gemeenschap van winst en verlies . . . *54

van vruchten en inkomsten . . . . SS

tusschen ouders en kinderen .... 86

ocr page 391

373

Geschiedenis van het wetboek.....In'-

Geslachtsnamen . . •• • ■ • • .18 Getuigen burgerlijke stand . . . • • '7

Getuigenbewijs........322

wanneer toegelaten......323

uitsluiting ervan..... 324! 323

voorschriften..........

verplichtigen om te getuigen .... 32ö

onbekwaamheid ...... 32^

wijze van eedsaflegging.....32^

ouderdom en toestand.....326

wraking ....•••• 327

uitzondering op den regel .... 327

Grondrenten en tienden, verschil.....JS6

afkoop....... • I37

H.

Handlichting.........

Handteekening. Erkenning en ontkenning ervan. 318, 317

Herbergiers en logementhouders . . • . 286, 177

Huiselijke papieren..........

Huisraad........ • . '05

Huwelijk............

wie het mogen sluiten.....31

....................32

ocr page 392

374

leeftijd........3-5

vereischten . ......33

bewijs nationale militie.....33

wie niet mogen trouwen ..... 34.

aangifte........37

afkondiging.......38

uitstel . . ......38

stuiting ........ 39

voltrekking ....... 41

in een bijzonder huis . . . .41

getuigen........42

met den handschoen.....42

kerkelijke plechtigheden ..... 42

in het buitenland ...... 43

bewijs van het bestaan ervan. ... 44

nietigheid. ......-44

meermalen met denzelfden persoon . . 47

gevolgen........47

tweede en volgende......56

nieuw. Verplichting bij het aangaan . . 76 Huwelijkscontracten ....... 53

Huwelijksgiften . . . . . . . -55

Huwelijksontbinding...... . 60

Huwelijkstoestemming . . . . . -35

van meerderjarige kinderen .... 36 natuurlijke kinderen ..... 37

Hypotheek.........182

onderscheid met pand . . . . .182 welke zaken men verbinden kan . . .182 uitgestrektheid van het recht . . . .183

ocr page 393

375

op een onverdeeld aandeel . . ■ 1 ^3

vorm........1 ^4-

kantoor van bewaring . • quot; • .184 voorwaardelijke en crediethypotheken . .185

eerste en tweede ......'86

feitelijke uitoefening van het recht . .186 verschil tusschen de eerste en volgende . . 187 hoever de voorrang zich uitstrekt . . .187

bijzondere bedingen......I87

doorhaling . . . • • • .188

vermindering...... .189

verband tusschen recht van hypotheek en

inschrijving.......189

blijvende aard ervan.....

te niet gaan ervan . . . . • .190 rangschikking . . . . ■ • . 191

I.

Inbreng..........'^5

door wie te doen . . . • • .166

wijze van inbreng......167

twijfelachtige gevallen ....

168

ocr page 394

376

K.

Kansovereenkomsten ....... 297

Koopmansboeken........320

niet richtig gehoudene . . . . .321

inrichting ervan......321

Krankzinnigen, zorg er voor......91

L.

Lastgeving.........301

hoe een last kan worden gegeven . . . 301

loon ......... 302

uitgestrektheid...... . 302

algemeene volmacht. . . . . 303

wie lasthebber mag wezen .... 303

gevolgen van lastgeving ..... 303

verplichtingen van lasthebbers . . . 304

subsistutie .... ... 304

verplichtingen van lastgevers .... 305

einde van de lastgeving, herroeping . . 305

opzegging........306

gevolgen van overlijden.....306

huwelijk . ........306

ocr page 395

377

Levering........

van lichamelijke roerende zaken . » schepen . . • • 1 » onlichamelijke roerende zaken » handelspapier .

» effecten . . . •

» onroerende zaken

Lijfrenten ...•••

verschillende wijzen waarop deze overeenkomst

kan worden gevestigd .

vernietiging en wanbetaling . . ■ • 299 beslag...........

M

Maatschap of vennootschap ..•••* quot;^7 voorbeeld van een contract . , . • gevolg van het in gemeenschap brengen van

het fonds 2^9

verdeeling van winst en verlies . • .269

vorm van het contract.....269

beheer van de maatschap . . • • 270 aansprakelijkheid der yennooten tegenover

personen met wie zij gehandeld hebben . 270

einde van de maatschap........

Meubelen............

117

118

119

119

120

120

121

298

299

ocr page 396

378

Minderjarigheid

wie minderjarig is .

wat een minderjarige zelfstandig kan doen . 80

Meerderjarigverklaring..........gg

gevolg ervan..........g^

18

19 IS

62 116

13

13

14

15

N.

Namen ....

verandering ervan Naturalisatie .

Natuurlijke kinderen Natrekking Nederlanders .

Nederlanderschap door geboorte door huwelijk .

verlies ervan .

176 176 316

O.

Onbeheerde nalatenschappen .

werkkring van den curator Onderhandsche geschriften .

72 72

ocr page 397

379

Onechte kinderen 62

erkenning en wettiging.....63

Ongeboren kinderen ..... .12

Onteigening.........111

Opstal . , . • ......'SS

recht van den opstalhouder . . . • 133 gebrek van tijdsbepaling. . . . 134

einde van het recht. . . . . • I3-l Ouders en kinderen ....... 62

Ouders 67

hun macht.......67

hun rechten en verplichtingen ... 68 hun macht over de goederen van het kind . 69

Overeenkomsten ........205

algemeene regels......206

strekking ........ 207

vereischten ....... 208

vrije toestemming......

gevolgen van dwaling.....209

bedrog........210

geweld . . . . • • • .210 bekwaamheid of bevoegdheid . . . .211 over een bepaald onderwerp . . . .212

geoorloofde oorzaak......214

gevolgen........214

uitlegging. . ......216

Overlijden.........21

van pas geboren kinderen . . . .22 aan boord van een zeeschip . . . .22

ocr page 398

380

p.

Pand . . . . . . . . . . 179 wat men verpanden kan . . . .180

bewijs ervan..........

wijze van verpanding.....180

uitoefening van het pandrecht . . .181 Planten en zaaien. . . . . . . .117

Privileges ........173, 172

verhouding met pand en hypotheek . .173 soorten ........ 174

op zekere bepaalde goederen . . .174

op den geheelen boedel.....177

bijzondere.......278

R.

Raadsman...........

Recht van beraad.......l()0j

Rechtspersoonlijkheid.......273

Registers............

Registers burgerlijke stand . . . . , .17

openbaarheid.......24

aanteekeningen.....-24

zorg er voor.........

ocr page 399

38i

geloofwaardigheid...... 2S

ontbreken en schending ervan . . 25

abuizen er in.......

Rente . ........293

wanneer verschuldigd . . ■ • 293

niet bedongen.......2 94

wettelijke...........

bij overeenkomst bedongen .... 294

altijddurende ........29S

wat dit beteekent......295

zekerheid.........29^

opzegging van kapitaal.....296

Roerend goed.........io5

het vinden ervan......II3

verkocht door iemand die geen eigenaar is . 114

verkocht door den vinder of den dief . . 114

Ruiling..........25I

s.

Schat. Het vinden ervan......115

Scheiding van goederen.......53

tafel en bed......59; ^

Schenking.........27^

kenmerken.......278

wat men schenken mag.....279

ocr page 400

382

bijzondere bedingen die een schenker maken

mag......

recht van terugkeer.

wie een schenking mogen doen wie er voordeel uit kunnen genieten

vorm.....

uitzondering ....

herroeping en tenietgaan van schenkingen niet-vervulling der opgelegde voorwaarden verschillende gevolgen Schriftonderzoek Schuld .

Schuldbekentenissen ■

vormen Sequestratie .

bij overeenkomst op rechterlijk bevel,

bijzondere kenmerken en bepalingen benoeming en verplichtingen van den sequester. Servituten, verschillende soorten .

Spel..........

uitzondering op den regel dat speelschuld niet kan worden gevorderd. ....

Stichtingen.....

oprichting.....

279

280

280

281 28i

282 282

282

283 318 172 318 318

288

289 289

289

290 122 300

300

276

277

319.

ocr page 401

383

T.

Terugvordering of retentie.....179, 113

Testamenten.........1 S7

vereischten om ze te kunnen maken . . 157 vereischten om krachtens een testament te

kunnen erven......158

bevoegdheid om bij testament te beschikken.

Hoever dit gaat . . . . . • 159

vormen...........1600

onderhandsche ...... 1600

olographische. ...... 160b

openbare...... . 160c

in den vreemde ...... 160c

geoorloofde beschikkingen .... i6od

beschikkingen die niet in den vorm van een

testament behoeven te worden gemaakt . i6od

herroeping ....... 160e

Tienden, soorten........137

afkoop . . . . . . . .138

Titels..........117

aanteekeningen daarop.....322

gemeenschappelijke.....322

Toeëigening.........115

Toeziende voogdij ... ... • 78

ocr page 402

384

V.

Vastzetting van minderjarigen . . . . .68

Vennootschap.........267

Verbintenissen . . . . . . . • 193

om iets te geven......194

niet nakoming...... -195

voor wiens rekening eene zaak staat die geleverd moet worden.....196

om iets te doen of te laten . . . .196 schadevergoeding bij niet nakoming . -197

intrest van intrest......199

om iets te doen, die geen aanleiding geven

tot een vordering tot schadevergoeding . 199 wa rvan de nakoming niet in rechten kan worden gevorderd . . . . -199

soorten........199

voorwaardelijke......199

ontbindende voorwaarde.....200

met tijdsbepaling......201

ter keuze...........202

solidaire of hoofdelijke.....202

deelbare en ondeelbare ..... 203

met een strafbepaling.....204

die uit de wet ontstaan . . . . .217 uit de wet door 'smenschen toedoen . .218 rechtmatige daden . . . . . .218 zaakwaarneming......218

ocr page 403

385

onverschuldigde betaling. . . . .219 natuurlijke » . . . . .219

onrechtmatige daden.....220

verantwoordelijkheid ..... 220 eigenaars van dieren en gebouwen. . .221 Gevolgen van doodslag, kwetsing of verminking 22 (

zedelijke schade ......222

verjaring........223

te niet gaan .......224

herroeping.......224

betaling........225

kwijting ....... 226, 225

aan vvien te betalen. • . . . . 226

wijze van betaling...... 226

plaats ........228

vermoeden dat reeds betaald is . . . 228

kosten........228

bestaan van meer dan een schuld . . . 229

subrogatie........229

aanbod van betaling en consignatie . . 230

schuldvernieuwing.....232, 231

delegatie . .....233

Verbruikleening........292

verplichting van hem die eene zaak in verbruikleening geeft. ..... 293 verplichtingen van den leener. . . . 293

compensatie....... 234

schuldvermenging......234

kwijtschelding.......235

vergaan der zaak...... 235

26

ocr page 404

386

nietigheid ........ 236

ontbindende voorwaarde ..... 238

verjaring ....... . 238

Vereenigingen (zie zedelijke lichamen) .... 272

Verhuisbiljetten ........ 29

Verhuring . . . . . . . . -251

van goederen . . . . . . • 2SI

algemeene regelen ...... 252

rustig bezit ....... 252

vergaan der zaak ...... 252

veranderingen en reparatiën . . . .253

verstoring van genot ..... 253

onderverhuring. ...... 254

verplichtingen van huurders . . . -254

aansprakelijkheid ...... 255

recht van den huurder op wat hij zelf aan

het gehuurde heeft gedaan .... 256

geschillen over huur en prijs .... 256

einde en voortzetting van de huur en opzegging........257

gevolgen van overlijden en verkoop . . 257

vorm van het contract ..... 258

bijzondere regelen voor de verhuring van huizen en huisraad ...... 258

aansprakelijkheid van den onderhuurder of

tweeden huuider ...... 259

onderhoud en reparatiën.....259

tijd van verhuring bij gebreke van uitdruk

kelijk beding ..... 261, 260 bijzondere regelen voor de huur van landerijen. 260

ocr page 405

387

korting wegens verlies van den oogst . .261 verhouding tusschen opvolgende huurders . 262 huur van werk en diensten .... 263 verhouding tusschen den meester en zijne

dienstboden of werklieden .... 264

Verjaring............331, 117

afstand ervan . . . . . . • 331 als middel om iets te verkrijgen . . -331 als middel om van een verplichting bevrijd

te worden.......332

Verkoop, actie er toe ....... 161

op bevel van de rechtbank . . . .161 weigering om een verkocht goed te leveren . 195 overeenkomst van verkoop en koop . . 238

begrip van prijs......239

vorm...........239

wanneer de overeenkomst bestaat . . . 240 gevolg ervan ....... 240

voor wiens rekening de zaak staat. . . 241 godspenning ....... 241

prijsbepaling.......242

kosten van de akte...... 242

onbevoegdheid om te verkoopen . . . 242 verplichtingen van verkoopers. • . . 243 levering ........ 243

wijze van levering ..... . 244

verkoop van onroerend goed .... 244

vrijwaring.......245

uitwinning ....... 245

lasten ........ 246

ocr page 406

388

verborgen gebreken uitsluiting van vrijwaring gevolgen van vrijwaring verplichtingen van koopers vernietiging na wanbetaling wederinkoop . van schuldvorderingen . van erfrecht .

Vermoedens.....

Verplichting tot onderhoud tusschen

verwanten. .... Vermoedelijk overlijden Verwerping van erfenissen . Vondelingen. .... Voogdij......

wie er onder staan algemeene regelen.

hypotheekstelling door den voogd soorten .......

der oud:rs over hun kinderen nieuw huwelijk van de moeder-voogdes mede-voogdij van den man .

over erkende onechte kinderen . van personen welke daartoe door de ouders

zijn benoemd.....

van personen door den rechter benoemd

eedsaflegging......

over onechte kinderen .... der regenten van gestichten.

toeziende......

246

246

247

247

248 248 250 250 328

71

98 160m 20

72 /2

73

73

74

74

75

75

76

76

76

77 77

77

78

bloed- en aan

ocr page 407

389

redenen om voor de betrekking te bedanken onbevoegdheid om ze uit te oefenen toezicht over den minderjarige bestuur over de bezittingen der minderjarigen verantwoordelijkheid . . • • eerste werkzaamheden .... verkoop van meubelelen en huisraad belegging van gelden . . . • gevolgen van verzuim .... wettelijke vormen bij sommige handelingen rekening en verantwoording .

inrichting van voogdijrekening en decharge Voornamen ...•••••

Vreemdelingen.....• •

Vruchten. . .......

Vruchtgebruik of genot van ouders

waarvan de ouders het niet hebben verlies ervan

Vruchtgebruik..........•

ten behoeve van meer dan een persoon.

rechten...... •

van zaken die in waarde verminderen . van hakhout en boomen.

persoonlijk genot van onroerende goederen inventarisatie . . ■ • zekerheidstelling bewindvoerders.

vruchtgebruikers en bloote eigenaren duur van het recht ....

79

79

80

80

81

81

82

83

84 84 S7 87 18 13

102 69

69

70

138

139

140 140

140

141

142

142

143

144

145 145

ocr page 408

39°

W.

Weddingschap........^oo

Werklieden .........26quot;

Wettige kinderen..........

Woonplaats, waar die is......27

verblijf in schepen enz......28

verandering.......28

gehuwde vrouwen......29

minderjarigen.......29

onder cnrateele gestelden .... 29

dienstboden . ......29

z.

Zaken . . . . . . . , . .102

soorten...........

onroerende.......I0^

roerende...........

onlichamelijke..........

onderscheiding tusschen roerende en onroerende zaken.......i0j

die aan niemand toebehooren. . . .106

ocr page 409

391

Zedelijke lichamen........272

voorbeelden ...•••• 272

wettelijke bepalingen..........272 ,

rechtspersoonlijkheid.....273

wijze waarop zij verkregen wordt . . . 273

vertegenwoordiging ...••* 274

verantwoordelijkheid van het bestuur . . 274

stemrecht........2/'4

aansprakelijkheid . . • • • 275

aard van het lidmaatschap . . ■ • 27S

ontbinding der vereeniging . . • • 275

liquidatie........275

afwijking van de statuten . . . • 276

niet erkende . ......2 7^

Zwagerschap ....... . • 66

ocr page 410
ocr page 411

ALPHABETISCH REGISTER

op het A-anliaiigsel.

ocr page 412
ocr page 413

ALPHABETISCH REGISTER

C.

Curateele..........35°

E.

Erkenning van onechte kinderen . . . ■ -357

wijze van erkenning......357

vereischte leeftijd......358

verbodsbepalingen......35^

opdringing.......359

F.

Familieraden.........345

ocr page 414

396

357

C.

Geslachtsnaam

H.

Hertrouwen. Aanbieding van staat .... 3^.6 Huwelijkstoestemming......360, 338

M.

Meerderjarigheid........251

343 353 353

O.

Onderhoud en opvoeding. Bijdrage in de kosten. Onechte kinderen. Vaderschap . . . . bewijzen van gemeenschap

ocr page 415

397

zorg van de ouders. . . . • -354

geldelijke bijdrage......355

verplichting der erfgenamen bij overlijden van

den vader.......355

verplichting van den vader tegenover de

moeder........35^

voorzorgen ten behoeve van moeder en kind. 356

erkenning........357

geslachtsnaam.......357

wettiging........359

onderhoudsplicht ...... 359

levensonderhoud uit de nalatenschap van den

vader........36°

huwelijkstoestemming.....360

vruchtgenot ... .... 360 zorg voor het ongeboren kind . . .361 bevestiging in de voogdij . . • .361 voogdij . . , ■ • • • • •

Ouderlijk gezag........339

ontheffing daarvan......34°

ontzetting er uit . . . . • • 34° voorloopige voorzieningen ingeval van ontzetting 343 herstel . . . • .... 343 getuigenbewijs . . . • • • • 35'

/

ocr page 416

398

T.

Toezicht over kinderen die niet onder het ouderlijk gezag staan............

V.

Vaderschap van een onecht kind.....-

Vastzetting van een kind.....

Verlaten kinderen.....

Verwaarloosde kinderen, voorzorgen in hun belang Voogdij. Voogdijraad .....

door vrouwen .....

benoeming door de ouders . . . 362, van vereenigingen, stichtingen of instellingen

van weldadigheid..... vereenigingen kunnen niet benoemd worden weigering der vrouw .... uitsluiting en ontzetting ....

ontheffing.......

herstel .....

verschillende voogden over kinderen van dezelfde ouders.

353 339 349

343

344

345

346

347

348

348

349

349

350

350

ocr page 417

399

over onechte kinderen . . . . •

bevestiging.......

Vruchtgenot van de goederen van kinderen. . 360, 340

w.

Werkgevers. Verplichtingen van dezelven . . -343 Wettiging van onechte kinderen.....359

ocr page 418
ocr page 419
ocr page 420
ocr page 421