ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

— 1

ocr page 4
ocr page 5

MM SZ m. 9/

(3roote Ikatecbiemue

met uitleg op iedere vraag- en antwoord uit de vraagboeken der Bisdommen Utrecht, 's-Bosch, Breda en Roermond,

MET «OEDKKITBING KX TOESTEMMINO VAK

Hnnue DoorlncMip Hoogwaaröiglieflen de AartsMssclioppeii van UtrecM Mgr. P. M. Snickers en Mgr. H. v. i Wetering alsmede Yan Hdr. Hoopaarflii Kapittel;

EN VAN

H, D. H. DE BISSCHOPPEN VAN 's-BOSCH, BREDA en ROERMOND.

alsook vax

Zijne Eminentie den Kardinaal-Aartsbisschop ïan McGhelcn

Au

HK WK It KT DOOK

H. VAN DER f^EIJDE,

h'. K. Priester en Pastoor.

y*1

Gfnf.

• t; -»t.W

- L. ('. G. MALMBERCt. Nijmegen.

1898.

ocr page 6

'

;

■

:

• ^

1

. .

'

A l

s .

IvV...: j

1

jfc

ocr page 7

fiaii ^et

oorluchftg Hpiscopaa

VAN

NEDERLAND.

ocr page 8
ocr page 9

VOORREDE.

---asS—M—lt;iSs--

Ziehier de oplossing der sociale kwestie: I)K. KATECHISMÜS. Vóór bijna Ut eeuwen had de leer, in den katechisinns vervat, de kracht om de wereld te hervormen : de ongelijkheid tusschen slaven eu vrijen weg te nemen, de beroeringen in de samenleving te doen ophouden ; orde en rust overal te doen heerschen : beschaving, kunsten en wetenschappen aan te brengen: alle menschen tot broeders te maken: is die kracht thans geweken van diezelfde goddelijke leer'? Waarom dan nu niet hetzelfde middel gebruikt, dat voor dezelfde kwalen zoo proefhoudend gebleken is ?

Wat baten allerlei soort vereenigingen eu vergaderingen zonder deu den katechismus ?

„Uit onwetendheid in de christelijke leer komen alle zouden en ongeregeldheden voort: integendeel: eene goede onderwijzing is de bron van „het tijdelijk en eeuwig geluk der menschen, van de rust der huisgezinnen, „van het welzijn van Kerk en Staat.quot; (Kardinaal Stekckx.)

Geen ander middel wijst Leo XIIl aan : op geen ander hebben de Bisschoppen hunne hoop gevestigd dan dit : dat de menschen de christelijke leer of den katechismus kennen, begrijpen en heoefenen.

Het is het uitdrukkelijk verlangen onzer liisschoppen, dat de katechismus te huis gelezen en herlezen worde, opdat ieder het vroeger van buiten geleerde voor oogen hebben, den uitleg en verklaring er van in het geheugen terugroepen zou ; opdat ieder christen zich rekenschap zou kunnen geven van zijn geloof: opdat het hem versterken en aanmoedigen zou om het in beoefening te brengen.

Dit verlangen onzer Hoogwaardige Bisschoppen en de daaraan ten grondslag liggende redenen deden wij dit eenvoudig VOlksioe/,: samenstellen, dat volgens mijn gedacht, een geheel is van onderrichtingen, vermaningen, aansporingen, waarschuwingen — eene uitgebreide uiteenzetting van den Katholieken godsdienst met al zijne praktijken van feest-

ocr page 10

en vastendagen, godsvruchtoefeningen enz. enz. ; — een lees-, hand-, huisboek waaraan, mijns bedunkens, groote behoefte bestaat.

Moge de Groote Katechismus den godsdienst in het huisgezin — en daarmee het godsdienstig huisgezin behouden of herstellen, dan heb ik gewerkt tot heil van Kerk en Staat en acht mij genoegzaam beloond.

De Samexsteller.

Woudrichem, November 1897'.

ocr page 11

EEKSTE LES.

Van de christelijke leer en den iiienscli.

(In dea Katechismus van do Bisdoimucn Utrecht, Breda. Roenuond

1c les.) (1)

V. s B. Welke is de allerzaligste leering onder alle leeringen der wereld ?

A. De ('hristelijke leer of do Katechismus (2), dat is: in vragen en antwoorden voorgesteld al hetgeen ('hristus geloerd heeft.

V. U. Welke kennis is don mensch het noodzakelijkst ?

A. De kennis van God. en van hetgeen Hij wil dat wij gelooven en doen moeten om zalig te worden.

V. Waarom wordt die leer de dllerzcdiyste genoemd ?

A. Omdat daarin geleerd wordt, wat een mensch moet kennen en doen, om zalig te worden, d. i. hot hoogste geluk na dit leven te bezitten.,

V. U. Waarom is de konnis van den katechismus voor ons het noodzakelijkste ?

A. lo. Omdat wij zonder die kennis niet kunnen zalig worden.

■2o. Omdat deze kennis den mensch waarlijk verlicht, adelt, hem in alle moeilijkheden troost, in de verschillende omstandigheden des levens wijze voorschriften geeft, vaste grondstellingen biedt en hoilzamon raad schenkt.

V. Waartoe dienen dan alle andere leoringen (hetgeen aangeleerd moet worden) en wetenschappen (kundigheden): b.v. lezen, schrijven, enz., bedrijf, vak, ambacht, betrekking, ambt, enz. ?

A. Deze zijn middelen om op aarde gelukkig te zijn en dienen tevens om in don hemel te komen.

Het waarachtig geluk op aarde is echter gelegen hierin, dat de mensch in vrede met God, met den evenmensch en zich zolven leeft; waartoe dit alles noch iets ter wereld op zich zeiven bekwaam is, verzekert Christus: „Wat baat het den mensch. als hij de geheelo „wereld wint, maar schade lijdt aan zijne ziel.quot; (Matt. XVI Ifi.)

(1) Deze eerste letters 's B, U, Br, R geven te kennen, dat de vragen en antwoorden, daarmede geteekcnd, genomen zijn uit den Katechismus van de Bisdommen Utrecht, Breda en Bnertnond.

Van KntecMnnmit zijn afgeleid de woorden; Katechist, onderwijzer, — Kate-chumeen. leerling in den godsdienst.

(2) Het woord Katcchimnm wordt meestal gebruikt voor liet hoekje, waarin de godsdienstleer staat: — ook wel. voor het omlenrijs daarin ; — alsnog, voor den tijd waarop, en de plants waar dit onderwijs gegeven wordt.

ocr page 12

8

V. 's B. Wat is de Christelijke leering1 of de katechismus ?

A. Het. kort begrip van hetgeen Christus ons geleerd heeft, en alle nienschen moeten weten en doen om zalig te worden.

V. Staat in den katechismus alles wat — en zooals Christus geleerd heeft ?

A. Wèl bevat de katechismus alles wat Christus geleerd heeft, doch slechts in het kort: daarom wordt gezegd: een kort begrip : in 't kort samengevat.

V. Wat is : den katechismus komen ?

A. Den katechismus kennen, dat is: le. De vragen of antwoorden van buiten kennen. 2e. Die begrijpen. :ie. Daarnaar leven, die in beoefening brengen.

V. Wie moeten den katechismus kennen ?

A. Allo nienschen: kinderen, volwassenen, maar vooral ouders.

V. Is het zonde den Katechismus niet te kennen V

A. Ja; want zij die den Katechismus niet kennen zijn schuldig aan onwetendheid in het hoogst noodzakelijke: het geloof, de geboden en de genademiddelen.

V. Waartoe zijn de ouders verplicht ?

A. Zij ziju verplicht te zorgen, dat hunne kinderen en andere huisgonooten. die onwetend zijn, het onderricht in den Katechismus bijwonen. Zij moeten genoegzaam onderwezen zijn, om zelve hunne kinderen te onderrichten en door belangstelling, d. i. door beloonen of straffen het onderwijs in don katechismus steunen en bevorderen.

,.lndien iemand.quot; zegt de Apostel Paulus in zijn Eersten Brief aan Timotheus V. s, „geene zorg heeft voor do zijnon, vooral voor „zijne huisgenooten heeft hij hot geloof verloochend, en is erger dan „een ongeloovige.quot;

V. Wat moot ons aansporen om den katechismus goed te loeren ?

A. , Men moet 1° het katechismus6oe/t^e aanzien „sis het boek.... „waarin de wet des Hoeren vervat is, ons door onze overheid voorgesteld.quot;' (1)

ae. Het geven (2) en bijwmen (2) van het onderwijs in den katechismus moet men beschouwen als „een hoog heilig werkquot; (3).

:5e. Men moet daarbij den grootsten eerbied, aandacht en vlijt aan den dag leggen.

4e. Men stelle zich voor, dat Jesus Christus zelf zijne wet en geboden voorhoudt, uitlegt en verklaart, gelijk eertijds aan de Joden.

5C. Men moet vóór en na het onderricht bidden, om het geleerde te verstaan, te onthouden en na te komen.

1

Zóó sprak de H. Tiieresia tot hare kloosterzusters.

ocr page 13

9

V. 's B. Wie heeft die leer het eerst op de wereld gebracht ?

A. Christus zelf.

V. U. Waaruit kunnen wij den goeden God kennen ?

A. Wij kunnen den goeden God kennen : 1e. door het licht onzer rede uit Zijne werken, en 2e. uit hetgeen Hij zelf door Zijne gezanten heeft laten verkondigen.

V. U. Door wien heeft do goede God ons alles geleerd, wat wij gelooven en doen moeten om zalig te worden ?

A. De goede God heeft ons dat alles geleerd door Zijn eigen Zoon. onzen goddelijken Zaligmaker Jezus Christus.

V. TT. Hoe noemen wij de leer. welke Jezus Christus den men-schen heeft medegedeeld ?

A. Die leer noemen wij: de Christelijle leer.

V. Wie. wanneer, op welke wijze, hoelanr/. waar en aan wie heeft geleerd wat in den Katechismus staat ?

A. God de Zoon, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid daalde van den hemel neer en kwam op aarde, niet alleen om ons te verlossen, maar ook om ons den weg naar den hemel te leeren. Christus zeide dan ook van Zich Zeiven: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven.quot; Na dertig jaren op aarde bij Maria en Jozef stil geleefd te hebben, predikte Hij gedurende drie jaren in het joodsche land, terwijl hij zijne leer cïoor vele wonderen bevestigde.

V. quot;s B. 1 )oor wie heeft Christus zijne leer in de wereld doen verspreiden ?

A. Door de Apostelen (afgezanten) en-hunne opvolgers in de H. Kerk.

V. ü. Waaruit weten wij hetgeen God wil. dat wij doen en gelooven moeten, om zalig te worden ?

A. God is zoo goed geweest, van ons dit door zijne gezanten te leeren.

V. U. Wie zijn de gezanten Gods?

A. Gezanten Gods zijn die personen, tot wie God op verschillende wijze heeft gesproken, opdat zij dit wederom aan anderen zouden bekend maken.

IJ. (2e lex.) - - V. Op welke wijze is de leer van Christus tot ons gekomen?

A. Christus heeft daartoe eene Kerk gesticht, welke Hij met Zijn goddelijk gezag bekleed heeft, om ons op eene onfeilbare wijze Zijne leer te verkondigen.

V. U. Wie waren de personen in de Kerk die Jezus met het leerambt belastte ?

A. De Apostelen, aan wier hoofd Jezus den H. Petrus aanstelde, en hunne wettige opvolgers. /

I V. Welken godsdienst beleed het volk. aan hetwelk Christus zelf leerde?

ocr page 14

10

A. Den joodschcn godsdienst.

V. Welken godsdienst hadden alle andere volken, dus ook onze vooronders ?

A. Den heidenschen godsdienst: ..alle volken aanbaden alles ,.als God. behalve den eenen waren God.quot; (H. August.)

V. Wie. en hoevele waren de Apostelen ?

A. Zij waren twaalf in getal; arme. onwetende mannen, visschers van beroep. Deze nu werden door Christus uitgekozen en onderwezen, om, nadat Hij zelf ten hemel geklommen was, diezelfde leer aan alle volken te gaan verkondigen. Hiertoe gaf Christus hun het bevel,

toen Hij tot hen zeide; „gaat en leert alle volken.....en leert

„hun onderhouden wat ik u bevolen heb.quot;

V. Noem de 12 Apostelen.

A. Petrus, de eerste, en door Christus tot hoofd der geheele Kerk en der andere Apostelen aangesteld met de woorden: „weid „mijne schapenquot;; — Joannes, de meest beminde leerling des Heeren; — Andreas, broeder van Petrus; Jacobus, de meerdere, broeder van Joannes; — Thomas-, — Jacobus, de mindere-, — Philippus; — Bartholomeus-. — Mattheus; - Simm; — Judas Taddeus, gewoonlijk alleen Taddeus genaamd en Judas Iscarioth, de verrader des Heeren. In de plaats van Judas Iscarioth werd gekozen Mathias, terwijl Paulus, de Apostel bijzonder der Heidenen, door Christus zelf werd geroepen tot het Apostelschap.

V. Hoe worden de opvolgers der Apostelen genoemd!

A. De opvolger van Petras, wordt Paus d. i. Papa. Vader genoemd. De opvolgers of de plaatsbekleeders der andere Apostelen noemt men Bisschoppen.

V. Kent ge eenige opvolgers dor Apostelen, die aan onze hei-densche voorouders in Nederland het geloof hebben verkondigd?

A. Ja; de H.H. Bisschoppen Willebrordus, Bonifacius, Amandus, Servatius, enz.

V. rs B. Hoe kan men de christelijke leering of den Kate-chismus verdoelen?

A. In vijf voorname deelen, waarvan het eerste handelt over het Geloof; het tweede over de Hoop; het derde over de Liefde; het vierde over de H. Sacramenten; het vijfde over de christelijke rechtvaardigheid.

V. Waarom deze verdeeling?

A. Deze verdeeling is zeer natuurlijk. Door het Geloof God kennende als almachtig, wijs, goed, rechtvaardig, enz. heeft de mensch alle reden tot Hoop op hulp en belooning in het onderhouden van Gods geboden, waardoor hij zijne Liefde toont. Hiertoe is echter de mensch uit eigen kracht niet in staat. De H. Sacramenten zijn daartoe de hulpmiddelen, even als om tot de christelijke recht-vaardif/heid te geraken.

ocr page 15

11

V. ?s B. Wat is de mensch? (1)

A. Een redelijk schepsel Gods, bestaande uit cone onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam. „Uwe handen hebben mij ..iremaakt. en mij geheel rondom de gestalte gegeven, f Job. X. 8.)

V. R. W aarom wordt de mensch een schepsel Gods genoemd?

A. Omdat hij van God geschapen is.

V. R. \V aarom wordt de mensch een redelijk schepsel genoemd ?

A. Omdat hij met rede of verstand begaafd is.

V. Waardoor onderscheidt zich de mensch boven dieren ?

A. Hierdoor, dat de mensch verstand heeft, waardoor hij de waarheid van de valschheid, het goed van het kwaad kan onderscheiden. en een vrijen wil. waardoor hij uit zich zelven naar goedvinden tot eene handeling kan besluiten. Wegens zijn vrijen wil is de mensch meester van zijn doen en laten en daarvoor verantwoordelijk.

V, Waarin verschilt de mensch van de Engelen?

A. Hierin dat de Engelen geen lichaam hebben.

V. quot;s B. Welk is het waardigste deel van den mensch ?

A. De ziel.

V. 's B. Waarom is de ziel het waardigste deel van den mensch ?

A. Omdat de ziel onsterfelijk is en naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen.... „laat ons den mensch maken naar ons beeld „en gelijkenis.quot; (Boek der Schepping 1. 26.)

V. Waarin gelijkt onze ziel op God ?

A. Hierin: 1°. (iod is een geest, de oneindige wijsheid en liefde; de ziel is oen geest, bekwaam om God te kennen en te beminnen.

2°. God is eeuwig; do ziel onsterfelijk.

3°. Gelijk God één is in wezen, drievuldig in Personen: zóó heeft de ééne ziel drie vermogens: verstand, wil en geheugen.

V. Gelijken de ander3 schepselen ook op God?

A. Ja; alle schepselen hebben eenige gelijkenis op God: de onbewerktuigde schepselen doordat ze zijn: de bewerktuigde (dieren) zijn en voelen: de mensch door zijn verstand en wil; de Engelen die f/eest zijn.

Y. Wat volgt hieruit, dat de ziel naar Gods beeld is geschapen ?

A. 1°. Hieruit volgt van zelf, dat de ziel het lichaam in waardigheid overtreft.

2°. Dat de mensch niet naar de begeerten des lichaams moet luisteren: maar gehoor geven aan het verstand (de ziel).

:50. Dat de ééne ziel. welke de mensch bezit, volmaakter wordt en aangenamer aan God. hoe meer zij. van zouden vrij gehouden, toeneemt in genaden en deugden. gt;

4°. Wat doet men voor het behoud en welvaren des lichaams? doet minstens evenveel voor de ziel!

(I) U. 9e les.

ocr page 16

„Gij hebt hemquot; (den mensch) „een weinig minder gemaakt dan „de Engelen: met heerlijkheid en eer hem gekroond.quot; (Psalm VUL 6.)

V. 's B. Tot wat einde {waarvoor) is de mensch geschapen ?

A. Om in dit leven God te dienen, en Hem hierna eeuwig te aanschouwen.

Y. Moeten alle menschen op dezelfde wijze God dienen?

A. Neen, maar ieder volgens den roep en staat, waarin hij door God geplaatst is. Hoe dan; ouders, kinderen, dienstboden, rijken, armen, geleerden, enz. ?

V. In welken leeftijd moet men zich toeleggen, God te dienen V

A. In de jeugd; want God heeft groot welbehagen in de eerstelingen, welke de mensch aan God schenkt. Ook zal de mensch niet lichtelijk afwijken van den weg der deugd, dien hij in zijne jeugd heeft ingeslagen.zegt de H. Schrift.

V. Wat zal het lot zijn van hen die God dienen, en van die zulks'niet willen?

A. Die God dienen, zullen eeuwig gelukki»- zijn; maar zij die God niet willen dienen zullen verworpen worden.

V. Kan, en mag men God dienen zooals men zelf verkiest?

A. Neen; God zelf heeft bekend gemaakt, hoe Hij wil gediend worden; eerst aan Adam, vervolgens aan Mozes en de Profeten, en ten laatste heeft Hij gesproken door Zijnen Zoon, Jesus Christus, die de Katholieke Kerk heeft gesticht.

V. Hoe behoort ieder mensch dagelijks God te dienen?

A. Door aandachtig en eerbiedig het moryengehed te bidden, waardoor wij al onze handelingen doen strekken om God te verheerlijken.

V. 's B. Wat wordt van den mensch vereischt, om tot dat einde te komen ?

A. Dat hij God kenne. God beminne en Gods geboden tot hot einde zijns levens getrouwelijk onderhouden.

V. Wat moet de mensch doen, om hier op aarde zeker gelukkig te zijn, en bij zijn dood in den hemel te komen?

A. Daartoe moet hij 1°. eene degelijke kennis van God en goddelijke zaken hebben: 2°. Een grooten afschrik van de zonde; 3°. Alle middelen, vooral het gebed gebruiken, om te volharden. Immers; „die volhard zal hebben tot het einde, zal zalig zijn.quot;'

(Matt. X. 22.)

ocr page 17

13

TWEEDE LES.

Tan den Christenmemch en het Kruisteéken.

(U 64e les, — Br. 2e les, — R. 2e les, § 2.)

V. 's B. Wat is een clmstenmensch ?

A. Een leerling van Jezus Christus, die, gedoopt zijnde de zalige wet van Christus gelooft en belijdt in de ware Kerk.

V. R. Zijn alle menschen christene menschen ?

A. Neen.

V. R. Waardoor wordt men christenmensch ?

A. Door het Doopsel.

V. R. Zijn al degenen die gedoopt zijn ware christenen ?

A. Neen, omdat niet al degenen, die gedoopt zijn, do ware leer van Christus gelooven en belijden.

\. Vanwaar komt de naam Christen, en wie worden aldus genoemd ?

A. Die naam komt van Christus en komt toe aan de leerlingen of volgelingen van Christus.

^. Zijn de leerlingen van Christus altijd Christenen genoemd ?

A. Neen; de eerste leerlingen werden genoemd Nazareeërs en Galileeërs; vervolgens kregen zij den naam van r/eloovir/en en broeders.

Eenigen tijd na de Hemelvaart des Hoeren werden zij te Antiochie voor 'teerst christenen geheeten. Zóó wordt verhaald in de Handelingen der Apostelen XI, Hoofdstuk.

\' Zijn alle boven gegeven vereischten noodzakelijk om christen te zijn ?

A. Neen; voor die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn. is het voldoende dat zij gedoopt zijn: volwassenen moeten daarenboven „de zalige wet van Christus gelooven en belijden in „de ware kerk. „Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal ziin, zal „zalig worden.quot; (Marc. XVI, 16.)

V. Wat is gelooven en belijden ?

A. Dat is: de door God geopenbaarde waarheden inwendig'door zijn verstand aannemen om Gods waarachtigheid, en die nooit verloochenen, maar ze met woord en daad vrijmoedig belijden (er voor uitkomen), wanneer de omstandigheden dit vorderen.

\. Aan wie komt dus de naam van Christenen niet toe?

A. Aan hen die het H. Doopsel achterwege laten, alsook aan hen die in geenen deele behooren tot de kerk van Christus, welke de Eoomsch Katholieke Kerk is.

V. rsB. Wat is de plicht van een christenmensch?

A. Dat hij de geboden van God onderhoude, en zijn leven schikke naar de leering van Christus.

ocr page 18

14

V. Is hij een volmaakt christen, die de geboden van God nakomt ?

A. Xeen; om een volmaakt leerling van Christus te zijn moet men ook de goede werken doen, die door Christus zijn aangeraden en aangeprezen.

Y. 's B. Wat is het teeken van een christenmensch ?

A. Het teeken van het H. Kruis.

V. Wat is het inwendig teeken van den christen?

A. De liefde: ,.hieraan,quot; zegt Christus, „zal men erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, dat gij elkander liefhebt.quot; (Joann. XIII, 35.)

V. Welke beteekenis heeft het woord Kruis?

A. le. Het teeken of de vorm van een kruis. 2e. Het Kruisbeeld. ;se. Lijden, smart, verdriet, moeilijkheid, enz. wordt ook wel een kruis genoemd.

V. 's B. Wat zegt gij, als gij het teeken van het H. Kruis maakt ?

A. In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

V. Hoe maakt men het teeken van het H. Kruis ?

A. Men kan een kruis maken op twee manieren:

le. De geheele hand trekken van het voorhoofd tot de harst, van de linker- naar de rechterzijde. 1

2e. Eene andere manier om het Kruis te maken, alleen bij de Evangeliën in de Mis gebruikelijk, bestaat hierin, dat men met den duim een kruisje maakt op f voorhoofd, j mond en f horst. Daardoor geeft men te kennen, dat men het in de Evangeliën gehoorde wil aannemen met het verstand, belijden met den mond, volbrengen met het hart.

V. 's B. Welke mysteriën (waarheden, die niet kunnen begrepen worden) belijden wij in het maken van het H. Kruis ?

A. Twee groote mysteriën van ons ( ieloof, te weten : het mysterie der H. Drievuldigheid, en der Verlossing van den mensch uit do slavernij des duivels.

A. R. Drie groote mysteriën van ons geloof; eerstens, het mysterie der H. Drievuldigheid; tweedens, de Menschwording van God den Zoon; en derdens, de Verlossing van het menschdom uit de slavernij des duivels.

V. ü. Waartoe vooral strekt het maken van het Kruisteeken?

A. Tot belijdenis der H. Drievuldigheid, en van onze verlossing door den Kruisdood van Jezus Christus; en tot opoffering van onze gebeden en werken aan God..

V. R. Hoe beteekenen wij door het maken van het H. Kruis de Menschwording van God den Zoon ?

A. Als wij de hand neertrekken van het voorhoofd tot de borst beteekenen wij, dat Gods Zoon van den hemel neergedaald en mensch geworden is.

ocr page 19

V. R. Hoe beteekcnen wij door het maken van het H. Kruis de Verlossiny van het menschdom uit de slavernij des duivels ?

A. Als wij de hand overbrengen van de linkerschouder tot den rechter, beteekenen wij dat ('Imstus ons door Ziju kruis heeft overgebracht van den staat van vervloeking tot den staat van zegening. (1)

V. R. Hoe drukken wij het mysterie der H. Drievuldigheid uit bij het maken van liet H. Kruis ?

A. Als wij zeggen : in den naam en niet in de namen, belijden wij één God; en als wij daarbij voegen, des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. belijden wij drie verscheidene Personen in de ééne Godheid.

V. quot;s B. Van wien hebben wij het teeken van het H. Kruis'?

A. Van onze voorouders tot de Apostelen toe, ja van Christus zeiven, die door Zijn kruis de wereld verlost heeft.

V. U. Was het Ivruisteeken altijd in de Kerk gebruikelijk?

A. Ja, de eerste christenen maakten het vóór en na het gebed, de nachtrust, het eten, den arbeid, bij gevaren, enz.

Nota. De H .H, Vaders verhalen, dat Christus bij zijne hemelvaart de Apostelen zegende door het- kruisteeken over hen te maken. (2) Zeker is het van de Apostelen afkomstig, zooals blijkt uit de overlevering, die vermeldt dat het Kruisteeken de belijdenis van het christendom was. (3)

V. 's B. Wanneer behooren wij het teeken van het H. Kruis te maken.

A. Als wij opstaan, eten en slapen gaan, en vóór alle onze werken, maar bijzonder als wij eenige kwelling of bekoring hebben.

V. 's B. Wat voordeel doen zij met het maken van het H. Kruis V

A. 1°. Het Kruis dient tot eene openbare belijdenis van ons (ieloof; 2°. het is een kort gebed tot Cod; 3°. het jaagt van ons den duivel met al zijn bedrijf.

V. Verklaar, hoe het Kruisteeken een kort gebed is bij opstaan, eten, enz.

A. De woorden in den main beteekenen : ter eere, ter aanroeping, tot toewijding.

1°. Het begin en het einde van den dag en alle werken dragen wij daardoor aan God op, evenzeer als eten, drinken, uitspanning, waarvoor wij tevens Hem danken.

2°. In de bekoring, verleiding des duivels roept men Cods hulp

(1) Rechter- en linkerzijde hcbhen deze beteekenis naar de woorden van Christus, dat Hij in den oordeelsdag de zaligen aan zijne rechterzijde, de verdoemden aan zijne linkerzijde zal plaatsen.

(2) H. Hieronymns in C, (ifi Isaiac.

(3) Tertullianns, Basilius.

ocr page 20

l(i

in. Bovendien vreest de duivel niets zoo zeer als het Kruis, waardoor hij eenmaal overwonnen is.

8°. Eveneens bidt het kruisteeken af verlossing- van — of ten minste geduld en onderwerping: in het lijden (kwelling).

V. U. Br. Met welke gevoelens moet men het kruisteeken maken ?

A. U. Met eerbied en vertrouwen, omdat Jezus door het Kruis de wereld verlost en den duivel overwonnen heeft.

Br. Met eerbied voor (ïods oneindig-e majesteit en met vertrouwen op de verdiensten van Christus.

V. Zijn er nog- meer voordeelen verbonden aan het maken van het H. Kruis ?

A. Ja; als men op behoorlijke wijze het kruis maakt, kan men iederen keer 50 dagen aflaat verdienen; en 100 dagen als men daarbij geivijd water gebruikt, gelijk dit betaamt gedaan te worden V morgens en 's avonds en bij het in- en uitgaan der kerk.

V. U. Toont de Kerk een groote waarde en kracht aan het maken van het kruisteeken toe te kennen ?

A, Ja; zij schrijft het voor bij kerkelijke gebeden, zegeningen, bezweringen, het toedienen der Sacramenten, enz.

V. In de H. Mis, bij het toedienen der H. Sacramenten, bij wijdingen en zegeningen wordt herhaaldelijk het Kruisteeken gemaakt ; wat beteekent dat ?

A. Dit beduidt, dat de genade der H. Sacramenten enz. wordt medegedeeld; of de zegen Gods over personen en zaken wordt afgesmeekt door de verdiensten van Jezus' Kruisdood.

V. Mag men zich schamen, het Kruis te maken ?

A. Voorzeker neen, evenmin als een soldaat over zijn kleed, of een dienaar des konings over zijne betrekking: want het kruisteeken is zoo ook de liverei. de standaard van ('hristus. Bovendien (iod heeft de schande van het Kruis tot eer gemaakt. Het Kruis prijkt immers als een eereteeken op alle kerken en Godgewijde gebouwen; neemt daarbinnen, evenals bij alle godsdienstoefeningen de eerste plaats in; — vorsten dragen het als sieraad op hunne kroon en hechten het als de grootste belooning op de borst hunner dapperen. Zóó moet het Kruis ook het schoonste sieraad in een huis zijn; in de kamers een eereplaats innemen, om daardoor getuigenis af te leggen van ons geloof, en om ons zeiven, de onzen, onze bezittingen te plaatsen onder de hoede van het Kruis. Zonder Kruis komen niet zelden kruizen !

Zoo handelden dan ook de eerste christenen. Keizer Juliaan de Afvallige verweet hun : „gij houdt het Kruis in eere. gij plaatst het in „de portalen uwer huizen, en teekent daarmede uwe voorhoofden.quot; De ,.H. Cyrillus antwoordde daarop : ,.Het is een der voornaamste plichten ..van den christen, het Kruis in eere te houden, daarmede zijn voor-,.hoofd te teekenen, het in zijn huis te plaatsen.quot; (Cvr. 1. VI in Jul.)

ocr page 21

17

DERDE LES.

Van het geloof.

(U. 2e en 26e les; — Br.. R. 3e les.)

V. 'sB. Wat is het geloof?

A. Eene deugd en gave Gods en een licht, waardoor do mensch vastelijk gelooft al wat God geopenbaard heeft, en de H. Kerk voorhoudt te gelooven.

V. R. Hoevele goddelijke deugden zijn er?

A. Drie.

V. R. Hoe worden die genoemd?

A. Het geloof, de hoop en de liefde.

V. U. Wat is gelooven?

A. Iets niet zekerheid aannemen, op het getuigenis van een ander.

V. U. Wat wil zeggen: aan God gelooven?

A. Aan God gelooven wil zeggen, met zekerheid aannemen, wat God ons heeft bekend gemaakt, omdat God het gezegd heeft.

V. TJ. W at is de goddelijke deugd des Geloofs ?

A. Eene deugd door God ons ingestort, welke ons bekwaam en genegen maakt, alles wat God geopenbaard heeft, vastelijk als waarheid aan te nemen, omdat God het gezegd heeft, R. en de H. Kerk het voorstelt te gelooven, hetzij hot geschreven is of niet.

V. U. W anneer verrichten wij eene acte van de deugd des geloofs?

A. Wij verrichten eene acte van geloof, zoo dikwijls wij door een gedachte, door een woord, of werk te kennen geven, dat wij om God gelooven, hetgeen God geopenbaard heeft.

V. Waarvan moeten wij zeker zijn, opdat ons geloof redelijk zij ?

A. Wij moeten hiervan zeker zijn, dat God. die niet kan liegen noch bedriegen, gesproken, en deze of die waarheid geopenbaard heeft.

V. Waarom wordt het geloof eene deugd genoemd ?

A. Omdat het geloof niet enkel daarin bestaat, dat men een voorbijgaande akte van geloof verwekt; neen. het geloof moet ook in de ziel verblijven als eene voortdurende genegenheid of bereidwilligheid om te gelooven.

V. Wat goeds doet de mensch door te gelooven.

A. Dit goeds, dat hij zijn vorstand aan Gods waarachtigheid onderwerpt.

V. 'sB. Waarom wordt het geloof genoemd een gave Gods?

A. Omdat het ons van God gegeven wordt, zonder onze verdiensten en wij het uit ons zeiven niet kunnen hebben.

2

ocr page 22

18

V. Wanneer krijgen wij de gave des geloof»?

A. In liet Doopsel: Dan toch wordt de ziel niet alleen gezuiverd van zonden, maar ook tot een tempel van den H. Geest gewijd, en daarom versierd met alle Godgevallige deugden, waarvan de eerste het geloof is.

V Waaruit blijkt dat liet geloof een gave Gods is?

A. üit de H. Schriftuur: „Uit genade zijt sdj zalig geworden „door het geloof, en dat niet uit uquot; (d. i. niet uit eigen kracht of inspanning, niet om uwe verdiensten) „want het is gave Godsquot;, zegt de H. Panlus. En dezelfde Apostel bevestigt : „met het hart „gelooft men ter rechtvaardiging.quot; (Kom. X. 10.) Christus zélf verzekert; „niemand kan tot Mij komen'' (in Mij gelooven) „zoo het „hem niet door mijn Vader gegeven is, indien de Vader hem ..niet trekt.quot; (Joann. VI. 44. 46.)

V. Wat volgt hieruit?

A. 1°. Dat men niet kan gelooven als men wil, ofschoon goede wil, bereidwilligheid noodig is om te gelooven wat God gezegd heeft.

■2°. Dat men niet enkel door redeneering tot het geloof kan komen.

3°. Dat wij God moeten bidden voor de bckeering der onge-loovigen, en niet minder om zelf' het geloof te bewaren.

4°. „Wijl den geloovigen nooit de mogelijkheid van te twijfelen, „den ongeloovigen daarentegen nooit de beweegredenen om te „gelooven ontbreken, is het billijk dat het geloof van den een be-„loond, het ongeloof van den ander gestraft wordt.quot;' (H. Augustinns.)

V. 's B. Waarom wordt het Geloof genoemd een licht ?

A. Omdat het ons verstand verlicht, om de waarheden des Geloofs te kennen en te gelooven, — Br. — en omdat die waarheden zelve een helder licht zijn op . onzen weg naar de eeuwigheid.

V. Hoe is het Geloof een licht?

1°. Het geloof verlicht en helpt het verstand, om te erkennen, dat de waarheden, die ons te gelooven worden voorgesteld, door God geopenbaarde waarheden zijn. dat zij geloofwaardig zijn en geloofd moeten worden.

2°. Het geloof verlicht en helpt ons verstand, om de geopenbaarde waarheden vast en onwankelbaar aan te nemen op gezag van God.

V. Kunnen het Geloof en het verstand van den mensch niet met elkander in strijd of in tegenspraak komen ?

A. Neen, 1°. want God is de Gever van beiden.

■2°. Het verstand onderzoeke. de beweegredenen, waarom hét gelooft.

3°. Er zijn wel waarheden, welke boren het begrip van den

ocr page 23

19

mcnscli gaan; iii'aar daarom zijn zo niet teyvn het verstand in-druischend.

Zóó zijn er in de liatuiir vele dingen, welke boven óns verstand gaan ; hoe veel te meer bij ( Jod!

„Want zij erkennen slechts ten deele (hier op aarde), en slechts ..door een spiegel; raadselachtig zien wij thans onzen God, daarom ..is er niets zoo redelijk als te gelooven tot de dag komt. dat wij .,Heni znllen aanschouwen van aanschijn tot aanschijn.quot; (Vgl. H. Paulns 1 Corinth. XIII, 9—12.)

V. 's H. Wat moeten wij gelooven ?

A. Al wat God geopenbaard heeft, en de H. Kerk voorhoudt te gelooven. .

V. R. Wanneer wordt God gezegd, iets te openbaren ?

A. Als God de eene of andere waarheid op bovennatuurlijke wijze aan de menschen bekend maakt

V. U. Waardoor weten wij wat God geopenbaard heeft V

A. Door dc H. Kerk, die onfeilbaar is.

V. Is het niet genoeg, dat God iets geopenbaard heeft, opdat \vij het gelooven ?

A. Voorzeker is zulks genoeg, doch do Kerk is hot middel, waardoor wij zeker weten dat, •— en wat God geopenbaard heeft. Daarom zeido de H. Aügustinus: „ik zou de Evangeliën niet ge-„looven. indien mij daartoe niet bewoog het gezag der Katholieke ..Kerk';

V. Moéten wij ook gelooven, wat God aan bijzondere personen hoeft geopenbaard, b.v. aan de H.H. Brigitta, Gertrudis, Mechtildis?

A. Dat behoeven wij niet te gelooven met goddelijk geloof; omdat de Kérk hot ons niet voorhoudt te gelooven.

Als echter die openbaringen door de Kerk zijn goedgekeurd, betaamt hot. ze te gelooven.

V. Door wie. en hoe hoeft God aan de menschen geopenbaard, d. i. bovennatuurlijke waarheden bekend gemaakt.

A. „Meermalen,quot; antwoordt de H. Pauius, „en op velerlei wijzenquot; (hoorhaar, aan Adam. Noë, Abraham; — aan de Profeten: Mozes, Samuel. David enz; — door imvendige rerlkhtiny, zooals aan Èlias, Joremias, enz.) „hooft God eertijds tot de vaderen gesproken ; ton „laatste hoeft Hij in deze dagen tot ons gesproken door Zijnen Zoon.quot;

V. 'sB. Hoe moeten wij dat gelooven?

A. Vastolijk.

V. 's B. Wat beteekent dat; vastolijk gelooven ?

A. Zóó gelooven. dat men niet aan ééne waarheid van hot Geloof in het minstó twijfelt.

V. Wat wordt hierdoor uitgesloten ?

A. (fissen, mcénen. twijfelen.

ocr page 24

20

V. 's B. Waarom moeten wij de waarheden des Geloofs vastelijk gelooven ?

A. Omdat God de eeuwige waarheid is, die dezelve geopenbaard heeft.

V. Mag men zijn verstand niet gebruiken in het gelooven ?

A. Men moet het verstand gebruiken, om te weten of en icat God geopenbaard heeft.

V. 's B. Waardoor weten wij met zekerheid hetgeen we moeten gelooven ?

A. Door de leering der H. Kerk, die niet kan falen (mis hebben) in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven.

V. Is het zonde, niet te gelooven wat de Kerk ons voorhoudt te gelooven?

Ja, eene groote zonde, want Christus zegt omtrent de Kerk:

„die u hoort, hoort Mij..... Indien iemand de Kerk niet hoort, houd

„hemquot; (hij staat gelijk met) „voor een heiden en tollenaar. Verder „die u versmaadt, versmaadt Mij, en die Mij versmaadt versmaadt „Hem die Mij gezonden heeft.quot; (1)

V. 's B. Waarom kan de Kerk niet falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven ?

A. Omdat zij volgens de beloften van Christus altijd bestuurd wordt door den H. Geest, die de Geest der waarheid is.

V. U. (26e les). Op welke wijze is de leer van Christus tot ons gekomen ?

A. Christus heeft daartoe eene Kerk gesticht, welke Hij met Zijn goddelijk gezag bekleed heeft, om ons op onfeilbare wijze Zijne leer te verkondigen.

V. ü. Wie waren de personen in de Kerk, die Jesus met het leeraarsambt belastte ?

A. De Apostelen, aan wier hoofd Jesus den H. Petrus aanstelde, en hunne wettige opvolgers.

V. IJ. Wie maken voortdurend de leerende Kerk uit?

A. De wettige opvolgers der Apostelen, namelijk de Paus en de met den Paus vereenigde Bisschoppen.

V. Waarom kunnen wij zeker zijn dat de leerende Kerk ons de ware leer van Jezus verkondigt?

A. Omdat zij door den bijstand des H. Geestes in geloofs- en zedeleer niet kan dwalen.

V. U. Heeft Christus de onfeilbaarheid der Kerk beloofd ?

A. Ja; Christus heeft die onfeilbaarheid beloofd, toen Hij den Apostelen verzekerde, dat de H. Geest bij hen zoude blijven in eeuwigheid en hun alle waarheid zoude leeren. (Joann. XIV.)

V. Welke beloften heeft Christus daaromtrent gegeven en aan wie ?

(1) Luc. X. 6.

ocr page 25

21

A. Christus beloofde; „Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u „een anderen Helper geven, om in eeuwigheid hij u te hlijven, den „Geest der waarheid. De H. Geest, Dien de Vader in mijnen naam „zal zenden, die zal u alles leeren, en u alles indachtig- maken, „wat ik u geleerd heb. (1)

Uit de woorden : om in eeuwigheid hij u te hlijven, blijkt duidelijk dat Christus deze beloften niet alleen aan de Apostelen deed, want deze zouden sterven; dus ook aan hunne opvolgers; de Pausen, en de Bisschoppen in vereeniging met den Paus,

V. U. Was het noodig, dat Christus die gave van onfeilbaarheid aan Zijne Kerk verleende ?

A. Ja; Christus heeft gezegd: die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden, (Marc. XVI, 16) en zonder eene onfeilbare Kerk kunnen wij niet met zekerheid weten, wat wij moeten gelooven.

V. ü. Leeren wij hieruit met zekerheid, dat de Kerk niet kan dwalen ?

A. Zeer zeker; indien de Kerk konde dwalen, moest de H. Geest eerst de Kerk verlaten en haar niet meer de waarheid leeren, gelijk Christus beloofd heeft.

V. U. Wat moeten wij doen als in geloofszaken twijfel ontstaat ?

A. Wij moeten ons aan de uitspraak der Kerk onderwerpen.

V. IJ. Gelooven wij aan God of aan de menschen, als wij ons aan de uitspraak der Kerk onderwerpen ?

A. Dan gelooven wij aan God, omdat de H. Geest door de leerende Kerk tot ons spreekt, en ons de waarheid leert,

V. 's B. Wien verstaat gij door de H. Kerk, die ons voorhoudt hetgeen we moeten gelooven ?

A. Den Paus van Eome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus.

V. Welke punten des Geloofs zijn ons het laatst door eene plechtige, onfeilbare uitspraak der Kerk voorgehouden om te gelooven ?

A. Deze twee punten des Geloofs:

1°. De H. Maagd Maria is om wille der verdiensten van Jesus Christus door een eenig en bijzonder voorrecht voor de vlek der erfzonde behoed, daarvan vrij bewaard.

Deze waarheid, door God geopenbaard, werd den 8 Dec. 1854 door de onfeilbare uitspraak van Paus Pius IX, ah geopenbaard afgekondigd en als een punt van ons Geloof voorgesteld.

2°. In 1870 heeft de Algemeene Kerkvergadering van het Vaticaan, onder denzelfden Paus te Rome gehouden, verklaard, dat het door God geopenbaard is en gevolgelijk door alle geloovigen moet geloofd worden, dat do Roomsche Paus onfeilbaar is, wanneer hij in de

(1) Joann. XIV. 15, 26.

ocr page 26

uitoefening van zijn. ambt als Herder en Leeraar aller volkeren, uit de volheid van zijn Apostolisch gezag beslist, dat eenige leering over geloot of zeden door geheel de Kerk moet worden .aangenomen.

V. Van waar weet ik, welke waarheid de levende Kerk mij als door (iod geopenbaard, voorstelt?

, A. lp. Op plechtige en 'buitengewone wijze, wanneer de Paus ex cathedra d. i. . als Hoofd der Katholieke Kerk; — of wel de Paus en Bisschoppen in eenc algemeene Kerkvergadering verklaren, dat deze of gene waarheden door God zijn geopenbaard en door ieder moeten geloofd worden.

2° Op gewone wijze onderwijzen de Paus en de Bisschoppen door de Builen. Brieven, Mandementen, welke zij tot de geloovigen richten. Ook door den katechismus, welken zij voorschrijven.

De onderwijzingen, welke in preken, conferentiën, boeken, enz. door de Pastoors en priesters gegeven worden, hebben slechts gezag voor zoover zij door den Paus of Bisschop zijn aangesteld, en voor zoover het daarin geleerde overeenkom ' met de leer van Paus en Bisschop..

V. :sB. Wordt buiten de Katholieke Kerk ook het waar Geloof gevonden ? • -

A. Neen daar vindt men geen goddelijk (ieloof. maar alleen een menschelijk goeddunken.

V. Waarom heeft alleen de Katholieke Kerk het ware Geloof ?

A. 1°, Omdat het Katholiek geloof door Christus zelf geleerd is.

2°. Omdat dit Geloof van Christus' tijd af door de Apostelen en hunne opvolgers aan de Heidenen en ongeloovigen gepredikt is.

3°. Omdat hetgeen de Katholieke Kerk leert door tallooze martelaren met hun bloed en leven, door God zelf met onloochenbare wonderen bevestigd is.

V. Waarom noemt gij het geloof der Katholieken een goddelijl: geloof?

A. Omdat God. d. i. Gods waarachtigheid de reden is tuaarom zij gelooven. Zij gelooven immers wat God en omdat God het geopenbaard heeft, i)ie de eeuwige Waarheid is, niet kan liegen noch bedrogen worden.

V. Hoe moet het Geloof zijn, om goddelijk te zijn ?

A. Het geloof moet zijn: 1°. algemeen, zoodat men alles gelooft., wat God geopenbaard heeft en de Katholieke Kerk ons te gelooven voorstelt; — 2°. vast, zonder eenigzins te twijfelen; — 3°. levendig. zoodat men volgons het Geloof leeft; — 4°. xtandvastig. hvvQKl, alles te doen, te laten, te lijden om wille van het Geloof.

V. Wat is dan een menschelijk goeddunken ?

A. Het is eene denkwijze of zienswijze, die niet steunt op Gods

ocr page 27

syetuigonis, maar alleen op bewijsredenen van liet nienschelijk verstand : m. a. w. andersdenkenden gelooven tvaf zij goedvinden en omdat zij liet goedkeuren.

..Die van liet Evangelie gelooft wat gij wilt en niet gelooft wat „gij niet wilt. gelooft meer aan u zeiven dan aan het Evangelie,.quot; (1)

V. quot;s 11 Kan er niet meer dan één waar (Jeloof zijn?

A. Geenszins; want gelijk er maar één (lod is, die de waarheden des Geloofs heeft geopenbaard, en ééne H. Kerk. die ze ons voorhoudt, zoo kan er maar één waar Geloof zijn.

V. Geef uitleg van dit antwoord.

A. De waarheid is slechts mi. God kan niets openbaren dan waarheid; en de Kerk. omdat zij volgens de beloften van Christus onfeilbaar is, kan niet anders voorhouden dan de waarheid, door God. de eeuwige waarheid, aan haar bekend gemaakt.

„Eén Geloof, één Doopsel, één God en Vader van allen.quot; (H. Paulus aan de Ephes. IV. 6.)

V. Wat volgt hieruit?

A. Hieruit volgt, dat door den éénen waarachtigen God geen twee of meer gelooven kunnen ingesteld zijn. die leerstukken loeren welke met elkander in strijd zijn. Want God moest dan die leer-stukkoai geopenbaard hebben, en derhalve zou Hij iets onwaars geleerd of de eene of andere bedrogen hebben, omdat slechts één waar kan zijn.

V. 's B. Kan een ieder in zijn geloof niet zalig worden ?

A. Neen; zonder het ééne ware Geloof is de zaligheid niet mogelijk.

V. Welke godsdienst hoeft het ware, door Christus geleerde geloof ?

A. Dit geloof heeft de Katholieke Kerk alleen, daar deze van Christus en de Apostelen afstamt. Alle andere Kerken (Protestantsche) zijn meer eeuwen na de Apostelen eerst ontstaan, en wél door Katholieken, die tegen de Katholieke Kerk opstonden.

^ ■ Heeft de Katholieke Kerk de ware geloofsleer, welke zij van Christus en de Apostelen heeft ontvangen, zuiver bewaard?

A. Ja, zooals blijkt uit de vergelijking van het Evangelie met hetgeen de Katholieke Kerk thans nog leert. Dit wordt het meest hierdoor bevestigd, dat de r/clQofdeer der Katholieke Kerk altijd eene en dezelfde, overeenstemmend en onveranderlijk was en is. De leer nu, door andere Kerkgenootschappen onderwezen, werd en wordt veranderd, aangenomen en verworpen : kan dus onmogelijk van Christus en de Apostelen afkomen.

V TJ. Moet men tot die ééne ware Kerk behooren, om zalig te worden ?

(1gt; H. August. Epist. 16.

ocr page 28

24

A. Ja, buiten die ééne ware Kerk is geene zaligheid.

V. Waarom kan niemand zalig worden zonder dat ééne ware Geloof?

A. Omdat hij daardoor weigert aan God te gelooven en gevol-gelijk grootelijks zondigt.

V. U. Wie znllen dus niet zalig worden, omdat rdj geene leden dier Kerk zijn ?

A. Zij die niet door het H. Doopsel tot loden dier Kerk zija aangenomen.

V. 's B. Zullen de ketters om hunne dwaling dan zeker verloren gaan?

A. Ja, als zij in hunne dwaling grootelijks schuldig zijn en daarin volharden.

V. TT. Zijn allen ketters, die do leer der Kerk niet aannemen?

A. Neon, zij zijn ketters, die met hunne schuld halstarrig de leer der Kerk verwerpen.

V. Wie zijn ketters ?

^ A. Ketters zijn zij, die wel door het H. Doopsel ledematen dei-Kerk geworden zijn, maar hare leer met hardnekkigheid verwerpen.

V. Mogen wij alle Protestanten of andersdenkenden ketters noemen ?

A. Xeen; want vele Protestanten dwalen ter goeder trouw.

V. U. Hoe zal het hun gaan, die met hunne schuld buiten den schoot der ware Kerk zijn ?

A. Deze zullen, wanneer zij buiten den schoot der Kerk sterven, verloren gaan.

V. ü. Hoe zal het hun gaan, die onschuldig en ter goeder trouw dwalen ?

A. Deze zullen alleen om hunne dwaling, die onschuldig is, niet verloren gaan.

V. Wordt voor dezulken niets meer gevorderd ?

A. Om zalig te worden, is het voor hen, evenals voor federen mensch noodzakelijk, dat zij 1°. gedoopt zijn; 2°. de punten uit noodzakelijkheid des middels kennen en gelooven; 3°. geene doodzonde bedrijven, óf, als zij die bedreven hebben, een volmaakt berouw gevoelen over hunne zonden.

V. Mogen wij andersdenkenden veroordeelen of haten ?

A. Volstrekt niet mogen wij de personen veroordeelen of haten, maar wél de ketterij of dwaling, waarin zij leven. Daarom strijdt het zeer tegen de christelijke liefde, te zeggen of ook slechts te denken, dat deze of gene persoon verdoemd is of verloren zal gaan.

V. Wat zijn wij uit christelijke liefde verplicht aan andersdenkenden ?

A. Wij moeten hen in hunne tijdelijke noodwendigheden met alle oprechtheid bijstaan; hun alle burgerlijke beleefdheden bewijzen ;

ocr page 29

zooveel we kunnen tot hunne bekeering' bijbrengen door een voor-beeldigen levenswandel en bijzonder door bet gebed.

V. 's B. Waardoor verliest men het Geloof ?

A. Door eenige waarheid van het Geloof te verwerpen (niet aannemen) of daaraan vrijwillig te twijfelen.

V. Verliest men het Geloof geheel als men slechts één punt van het Geloof niet aanneemt, of daaraan vrijwillig twijfelt?

A. Ja, dan is het geloof aan alle andere punten geen goddelijk Geloof; want men gelooft niet meer omdat God het zegt: anders toclt zou men het eene zoowel als het andere, dat God geopenbaard heeft, aannemen.

V. TJ. Is het reeds groote zonde, aan ééne waarheid des geloofs te twijfelen ?

A. Ja, want dan betwijfelen wij Gods waarachtigheid en de onfeilbaarheid der Kerk.

V. Wat brengt den mensch tot afval van het Geloof?

A. 1°. Hoogmoed en verwaandheid.

2°. Het lezen van boeken, tijdschriften, dagbladen, die het Geloof bestrijden, of die redeneeringen, berichten, enz. bevatten, die met het Geloof in strijd zijn, of den eerbied voor het Geloof verzwakken en benemen.

:3e. De voortdurende omgang met menschen die deu godsdienst vijandig gezind zijn of dien bespotten, of die ook slechts onverschillig zijn voor geloofszaken.

4°. Onwetendheid in geloofszaken.

5®. Het verzuim van het gebed, van de godsdienstige oefeningen en plichten.

6e. Het bezoeken van ongodsdienstige en gemengde scholen van hooger, middelbaar en lager onderwijs.

7°. Wereldgezindheid en een zondig, vooral onzedelijk leven.

8°. Huwelijken met andersdenkenden.

V. Kan men het Geloof terug krijgen ?

A. Ja; als iemand tot den staat van gratie is terugkeerd door een volmaakt berouw; ook door hef waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht worden de goddelijke deugden opnieuw ingestort

V. R. en Br. Is het Geloof alleen genoeg om zalig te worden ?

A. Neen, het moet vergezeld gaan van goede werken, want volgens de H. Schrift is het Geloof zonder de werken een dood geloof.

V. TJ. Wanneer is het Geloof levendig, wanneer is het dood iu ons ?

A. Het Geloof is levendig in ons, wanneer wij volgens het Geloof leven; het is dood in ons, wanneer wij niet volgens het Geloof leven.

Y. TJ. Zijn wij soms verplicht ons geloof openlijk voor de menschen te belijden (er voor uit te komen) ?

A. Ja, b. v. wanneer de eer van God of het heil des naasten dit vorderen.

ocr page 30

2()

gt;5 :!-

U. 26* les. 8® Vr. § 3. - Br.. R. H® los. i; H.

V. 's B. Js het ook noodzakelijk, dat wij eonis'e waarheden of stukken des Geluofs weten?

A. Ja. wij moeten eenlge waarheden des Geloofs .weten uit noodzakelijkheid des middels, en eeniire stukken des geloofs uit noodzakelijkheid des Gebods.

V. Moeten alle christenen alk waarheden toeten en //ehoven *

A. Alle christenen moeten alle waarheden, die door (lod geopenbaard en als zoodanig door de Kerk zijn voorgesteld, rjelooven.; doch het is niet noodzakelijk, dat zij van alle geloofswaarheden een min of meer volledig begrip hebben.

V. Is het niet genoeg dat men in het algemeen alles gelooft. wat (iod en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven?

A. Neen. maar als men het irebruik van het verstand lie,eft. moet men althans eenif/e waarheden weten. .

V. 's B. Wat wil het zeggen, dat men eenige waarheden des (Jeloofs nioet weten uit noodzakelijkheid des middels?

A. Dit wil zeggen, dat men niet kan zalis»' worden, als men. tot de jaren van verstand gekomen, die niet weet.

V s B. Welke waarheden moet men weten uit noodzakelijkheid des middels?

A. Deze vier: 1°. dat er één (iod is; 2a. dat er drie onderscheidene Goddelijke Personen zijn, de Vader, de Zoon en de H. Heest; :50. dat God de Zoon voor ons is Mensch geworden en ge-storven: 4quot;. dat God is looner van hét goed en straffer van het kwaad.

V. Wat beteekent noodzal-elijkheid des middels:'

A. Dat wil zeggen: noodzakelijk middel: deze vier zaken kennen en gelooven is volstrekt noodzakelijk om iu den hemel te komen: en als men die niet kent, is het onmogelijk zalig te worden, al is het ook dat men daaraan, geen schuld heeft, of zelfs niet de gelegenheid heeft gehad, die te leeren. Zóó kan men b.v. niet in eene stad komen, als men den weg niet weet: of in een huis. als men de ééne deur van dat huis niet kan vinden.

V. Moet men die vier waarheden zóó kunnen opzeijgen

A. Dit is niet noodig; maar men moet die waarheden iveten. en ieder naar zijn vermogen er een goed beprip van hebben.

V. 's B. Wat wil het. zeggen, dat men eenige stukken des Geloofs moet weten uit noodzakelijkheid des Gebods?

A. Dit wil zeggen,, dat men op zware zonde verplicht is, deze te weten als men kan.

V. quot;s B. Welke stukken des Geloofs moet men weten uit noodzakelijkheid des gebods?

A. Het Onze Vader, de twaalf artikelen des Geloofs, de tien

ocr page 31

27

geboden Gods, de vijf geboden der H. Kerk, de H.H. Sacramenten, bijzonder die men moet ontvangen en ieder de plichten van zijnen staat.

V. Wie moeten deze zaken weten?

A. Zij die tot de jaren van verstand gekomen zijn. en ze kunnen leeren.

V. Waarom gaat liij verloren, die dat (het ..Onze Vaderquot;, enz.) althans niet in hoofdzaak weet ?

A. Omdat het een streng gebod is, dat men den inhoud daarvan moet kennen; en men een groote zonde doet. als men die niet wil leeren. Om deze doodzonde zal men evenzeer als voor iedere andere doodzonde verloren gaan.

V. Wie zondigen daardoor (dat ze het Onze Vader enz. niet kennen)?

A. le. De kinderen die niet willen leeren.

2e. De ouders of oversten die het hunnen kinderen moeten leeren of laten leeren in school en Katechismns: die hunne kinderen niet daarheen zenden en zoo de schuld zijn, dat de kinderen den inhoud, van het Onze Vader enz. niet kennen.

V. rs B. Welk is het kort begrip van hetgeen men moet ge-1 ooven ?

A. Het Symbolum des Geloofs. van de Apostelen gemaakt en in twaalf artikelen verdeeld.

V. Wat beteekent het woord Symhóluni ?

Dit beteekent : erkennincy.iteeken. dewijl degenen die het gebruiken allen hetzelfde Geloof belijden.

V. Wie heeft die twaalf artikelen of deelen samengesteld ?

Vele H.H. Vaders zeggen uitdrukkelijk, dat de Apostelen deze hebben opgesteld vóór zij van elkander gescheiden zijn om in verschillende werelddeelen en landen het Evangelie te prediken.

V. Hoe kan men het Symbolum verdeelen ?

A. In drie deelen, waarvan het eerste handelt over God den Vader en de Schepping; het tweede deel over God den Zoon en onze verlossing: het derde deel over den H. Geest en onze heiligmaking.

V. Is het genoeg, dat de Christenen het Symbolum kennen ,y

Neen. zij moeten ook weten, wat zij moeten doen. om zalig te worden, en de middelen kennen, om in den hemel te komen. Do tien geboden Gods. de vijf geboden der H. Kerk, alsmede de plichten van zijn staat onderhouden : zie daar wat ieder te doen heeft: — en de middelen om dit te doen zijn voornamelijk het gebed en de H.H. Sacramenten.

V. Wat bedoelt gij. dat ieder de jilichten van zijn staat moet weten ?

A. Dat ieder, behalve de algemeene verplichtingen door God en

ocr page 32

28

de Kerk opgelegd, ook nog moet weten wat hij in de omstandigheid, in den toestand waarin hij leeft en door God geplaatst is, te doen heeft of te laten.

V. Noem eenige staten of standen?

le. De geestelijke, huwelijke, en ongehuwde of maagdelijke staat.

2®. Ouders en oversten.

3®. Kinderen en onderdanen.

4®. Rijken en armen.

V. 's B. Zeg de twaalf artikelen des Geloofs.

A. 1. Ik geloof in God den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde.

2. En (ik geloof) in Jesus Christus, Zijnen eenigen Zoon, onzen Heer;

3. (Ik geloof dat) Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria;

4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven;

5. Die is nedergedaald ter helle, ten derden dage verrezen van de dooden;

6. Die is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig;

7. Van daar (den hemel) zal Hij komen oordeelen de levenden en dooden.

8. Ik geloof in den H. Geest;

9. De Heilige, Katholieke Kerk, Gemeenschap der Heiligen;

10. Vergiffenis der zonden ;

11. Verrijzenis des Vleesches;

12. Het eeuwig leven. Amen.

VIERDE LES.

Van de H. Schriftuur en de Overlevering.

(TI. 2® les. — Br. en R. 4® les.)

V. 's B. Waaruit heeft de H. Kerk alles wat zij ons voorhoudt te gelooven ?

A. Uit de goddelijke Openbaring, die vervat is in de H. Schriftuur en de Overlevering.

ocr page 33

29

V. U. (Ie les). Hoe worden de leeringen genoemd, dio God ons door Zijne gezanten heeft bekend gemaakt?

A. Die leeringen worden genoemd : de goddelijke Openbaringen.

V. Op welke wijze is die Openbaring of bekendmaking tot ons gekomen ?

A. Die Openbaring is tot ons gekomen deels schriftelijk: door de H. Schrift of den Bijbel; deels mondelings door de traditie of overlevering.

V. TI. Waarin is do leer van Christus vervat?

A. Die leer is geheel vervat in de overlevering, en is ook groo-tendeels opgeschreven in een boek. hetwelk men H. Schrift of Bijbel noemt.

V. rs B. Wat verstaat gij door de H. Schriftuur of den Bijbel ?

A. De boeken zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, die door ingeving en onder den bijzonderen bijstand van quot;Jen H. Geest geschreven zijn.

V. U. Wat is de Bijbel?

A. Een boek, door gezanten Gods onder ingeving van den H. Geest geschreven.

V. Uit welke twee voorname deelen bestaat de Bijbel?

A. Uit het Oude en Nieuwe Testament.

V. U. Door wie zijn de boeken des Ouden Testaments geschreven ?

A. Door gezanten Gods, die vóór de komst van Christus leefden.

V. U. Door wie is het Nieuwe Testament geschreven?

A. Door Apostelen, en leerlingen van Apostelen, die Evangelisten genoemd worden.

V. Welke namen geeft men nog meer aan de Schrift ?

A. Het wordt ook wel genoemd H. Schriftuur, Bijbel d. i. Boek der boeken, Woord Gods, H. Bladen, H. Boeken.

V. Wat bevat het Oud Testament?

A. Het Oud Testament bevat in 45 Boeken de goddelijke openbaringen, welke vóór Christus' tijd gedaan, door heilige mannen onder leiding van den H. Geest zijn opgeschreven.

V. Welk is de inhoud van het Nieuw Testament?

A. Het Nieuw Testament bevat in 27 Boeken een gedeelte der Openbaringen, welke Christus of de H. Geest aan de Apostelen gedaan hebben.

V. WTat beteekent: door ingeving, en onder bij zonderen bijstand van den H. Geest geschreven zijn ?

A. Dit wil zeggen, dat de H. Geest mannen verlicht, bewogen, opgewekt en voortdurend geleid heeft, om te schrijven dat alles en dat alleen wat de H. Geest wilde geschreven hebben ; — en dat de H. Geest hen bijzonder heeft bijgestaan in het schrijven, zoodat zij niet konden dwalen.

ocr page 34

:iO

V. Noem eenige dier hiaimen van het Oud Testament, en de boeken door hen geschreven.

A. Mozes schreef onder anderen de Vijf boeken die gewoonlijk de vijf boeken van Mozes genoemd worden; — Samuel, het Boek der Rechters; David, het Boek der Psalmen; — Salomon, dat der Spreuken ; — Isaias, Jeremias de profetiën, naar hen genoemd.

V. Noem eenige mannen van het Nieuwe Testament, en Welke boeken hebben zij geschreven'?

A. De vier Evangelisten. Matthcus. Lucas, Marcus en Joannes hebben de Evangeliën geschreven; Petrus, Paulus, Jacobus, Joannes, Judas bijgenaamd Thaddous, Brhre.v, welke zoovele Boehen der H. Schrift zijn.

V. Wat bevatten de Evangeliën ?

A. Het woord Evangelie beteekent: hlijdc. tijding n.1. die van Christus' komst op aarde. Het bevat hoofdzakelijk de Ontvangenis, Geboorte, het lieven, de prediking, wonderen, lijden, sterven en de verrijzenis van onzen Heer Jesus Christus.

V. 's B. Waaruit weten wij. welke boeken deel uitmaken van de H. Schriftuur?

A. Uit de leering der H. Kerk, die dezelve als zoodanig aanneemt en aan ons voorstelt.

V. TJ. Waardoor alleen kunnen wij met zekerheid weten, welke waarheden in do Overlevering en den Bijbel vervat zijn ?

A. Wij kunnen dit alleen met zekerheid weten door de onfeilbare Kerk van Christus.

V. Waaruit weten de Katholieken, dat hun Bijbel de echte is, en welke Boeken er toe behooren ?

A. Uit het getuigenis van de Katholieke Kerk, die deze van do Apostelen en Evangelisten ontvangen en zuiver bewaard heeft.

V. Hoe bewijst gij. dat de Katholieke Kerk die altijd onver-valscht bewaard heeft?

A. Christus heeft aan de ware Kerk den H. Geest toegezegd, die haar bijblijven en alle waarheid leoren zoude. Zeker kan zij dus in deze zoo gewichtige zaak niet dwalen of gedwaald hebben.

V. 's B. Waaruit weet de H. Kerk. welke Boeken de H. Schriftuur zijn?

A. Dit weet zij uit de goddelijke Overleveringen.

V. Waarom kunnen wij alleen door de Katholieke Kerk onfeilbaar weten, wat God geopenbaard heeft?

A. 1°. Ómdat wij zonder de Katholieke Kerk de goddelijke Openbaring, d. i. den Bijhei en de goddelijke Overlevering niet zouden bezitten en

2°. omdat wij zonder de Kerk den waren zin van Bijbel en Overlevering niet zouden kennen.

V. 's B. Zijn de kettersche bijbels ook de H. Schriftuur ?

ocr page 35

A. Geenszms. dewijl zij op vole plaatsen voriiiinkt eh vervalsclit zijn'.

V. Van wie zijn de bijbels dor ketters (Protestanten, enz.) afkomstijr ?

A. Die bijbels hebben zij van de Katholieke Kerk; doch zij hebben die venninli, d. i. er iets afgedaan wat er bij behoorde en vérvalscJd. d.i. zij hebben die veranderd oï er bij gedaan, wat er niet in stond.

V. Hoe hebben zij den Bijbel vermin/, t en vervahrht Y

Zij hebben geheele Boelen verworpen, soms ook slechts eeniiji' tcldxten (spreuken), of ook woorden uitgelaten, bijgevoegd, enz.

V. 's lgt;. Is het aan ieder geoorloofd de H. Schriftuur te lezen?

A. Neen; het is verboden, die zonder verlof der geestelijke Overheid in eene der levende talen te lezen.

V. Is liet noodzakelijh' ter zaligheid den Bijbel te lezen'r1

A. Neen. Dit blijkt hieruit, dat Christus ons niet den Bijbel gegeven, maar dat Hij gepredikt heeft. De Bijbel, n.1. het Nieuwe Testament, is eerst vele jaren na den dood van ('hristus geschreven. Zij. die niet kunnen lezen zouden verstoken zijn van een noodzakelijk middel om in den hemel te komen. enz.

V. Wat heeït de Kerkelijke Overheid bepaald omtrent het lezen der H. Schrift of den Bijbel?

A. 1°. Niemand mag Bijbels lezen ot in zijn bezit hebben, / welke van ketters afkomstig zijn.

Niemand mag een Bijbel lezen, die niet kerkelijk is goedgekeurd.

;S0. Men mag hebben en lezen die Bijbels, welke door den H. Stoel zijn goedgekeurd : alsook die welke voorzien zijn van aanteekeningen, uit de schriften der H. Vaders of andere Katholieke geleerden genomen, als die aanteekeningen door den Bisschop zijn goedgekeurd.

4°. 1 )an nog is het raadzaam, eerst zijnen pastoor of biechtvader verlof te vragen.

V. 's B. Is de H. Schriftuur geheel klaar (dnldelijk), zoodat ieder dezelve goed kan verstaan ?

A. Neen, zij is o]) vele plaatsen zeer duister (moeilijk), en daarom is het voor ongeleerde menschen gevaarlijk die te lezen.

V. Waarom staat de Kerk het lezen van den Bijbel niet toe dan onder de noodige waarborgen ?

A. 1°. Omdat de Bijbel zeer moeielijk is te verstaan. 2°. Omdat in het algemeen de menschen niet geleerd genoeg daartoe zijn. 3°. Omdat door het lozen van den Bijbel zoovele ketterijen zijn ontstaan. 4quot;. Opdat de Katholieken geene vervalschte Bijbels in handen zouden krijgen. 5°. Om te bestrijden, wat de Protestanten leer en, dat ieder den Bijbel moet lezen.

V. Zij die de H. Schrift niet lezen, worden zij dan niet beroofd van iets dat noodig of nuttig is V

ocr page 36

32

A. Neen; want het geloof komt niet van het lezen, maar van het hoor en van Gods Woord ; daarom zond Christus zijne leerlingen om te prediken. Wat in den Bijbel staat, wordt aangehaald en verklaard in de preken, onderrichtingen, den katechismus en andere geestelijke boeken.

V. Wat kan men nuttig lezen in plaats van de H. Schriftuur?

A. De geschiedenis van het Oud en Nieuw Testament, alsook de Levens der Heiligen, „die een door hunnen wandel aanschouwelijk „gemaakt Evangelie zijn.quot; (H. Franc, van Sales.)

V. 's B. Moeten wij ook iets gelooven, wat in de H. Schriftuur niet geschreven staat?

A. Ja, de goddelijke Overleveringen.

V. 's B. Wat zijn goddelijke Overleveringen ?

A. Geopenbaarde waarheden, welke de Apostelen uit den mond van Christus zeiven of door ingeving van den H. Geest ontvangen en geleerd hebben, en die als van hand tot hand tot ons gekomen zijn.

A. ü. De overlevering is de leer, door Christus mondelings aan de Apostelen bekend gemaakt (Br. doch niet opgeteekend in de H. Schrift) en van de tijden der Apostelen of voortdurend in de H. Kerk onderwezen.

V. Hebben dan de Apostelen niet alles opgeschreven wat Jezus gedaan en geleerd heeft?

A. Neen. Dit bevestigt de Evangelist Joannes; „Jezus heeft „nog vele andere teekenen voor de oogen Zijner leerlingen gedaan, „welke niet in dit boek zijn opgeschreven.quot; Op eene andereplaats schrijft dezelfde : „er zijn nog vele andere dingen, die Jesus gedaan „heeft, welke, indien ze ieder afzonderlijk beschreven werden, ik „acht, dat de wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten.quot;

V. Is ook niet alles beschreven, wat de Apostelen geleerd hebben ?

A. Neen, want de H. Paulus schrijft; „hetgeen gij van mij „geleerd hebt onder vele getuigen, doe dat over aan getrouwe men-„schen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren.quot; (1) En de H. Joannes schrijft: „ik had u nog veel te schrijven, „doch heb het niet willen doen door papier en inkt, want ik hoop bij „u te komen en u mondelings te spreken.quot; (2) Én de H. Paulus vermaant: „staat vast, en houdt u aan de overleveringen, die gij geleerd „hebt hetzij door ons woord hetzij door onzen brief,quot; (3) enz. enz.

V. Noem eenige door God geopenbaarde waarheden, welke wij alleen uit de Overlevering kennen.

A. Dat er zeven H.H. Sacramenten zijn; dat men de kinderen kan en moet doopen; dat in Christus twee naturen zijn, enz. enz.

V. Waaruit hadden de Apostelen die leeringen ?

(1) Timoth. II. 2. (2) II. Joann. v. 12. (3) II. Thess. II. 14.

ocr page 37

33

A. 1°. Uit den mond van Christns zelve; 2°. door ingeving van den H. Geest.

V. Waaruit weten wij niet zekerheid, wat de Overlevering leert ?

*A. Uit de leer der onfeilbare Kerk en ook uit den Bijbel, die leert: ..houdt de overleveringen,quot; II Thess. II. 15; —„hetgeengij ..ooi: geleerd en ontvangen, fjelword en in mij gezien hebt, doe dit,quot; Philipp. IV. 9 ; - „ik loof u. broeders, dat gij mijne voorschriften „onderhoudt, gelijk ik u die heb overgeleverd.quot; (I. Corinth. XI. 2.)

V. Waarin zijn de leeringen der Overlevering vervat ?

A. Deze zijn hoofdzakelijk vervat in de Handelingen van den H. Stoel, in de besluiten der Kerkvergaderingen, in de schriften der H. Vaders en de gebruiken en plechtigheden der Kerk, welke van den tijd der Apostelen altijd bestaan hebben.

V. Is er eenig verschil tusschen de waarheden, welke wij uit de H. Schrift en die welke wij uit de goddelijke Overlevering kennen ?

A. Xeen; want beiden zijn van goddelijken oorsprong. Daarom spreekt de Kerkvergadering van Trente den banvloek uit tegen hem, die de Boeken der H. Schrift niet voor goddelijke aanneemt of de goddelijke Overleveringen wetens en willens veracht.

VIJFDE LES. Van God.

(TJ. 4e les; — Br. en R. 5e les.)

V. quot;s B. Welk is het eerste artikel van het Synibolum des Geloofs?

A. Ik geloof in God. den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde.

V. E. Hoe weten wij dat er een God is ?

A. Dit leert ons de rede (het verstand) en het Geloof.

V. R. Waaruit leert ons de rede, dat er een God is ?

A. Uit de schepsels, want waar schepsels zijn moet ook een Schepper zijn.

V. R. Hoe leert ons het Geloof, dat er een God is.

A. Dit leert ons duidelijk de geheele goddelijke openbaring.

V. Waardoor heeft God Zich aan de menschen op natuurlijke wijze geopenbaard ?

A. God is voor alle menschen te kennen: 10. uit de schepping en het bestuur der wereld; 2°. door de stem van het geweten, dat

3

ocr page 38

34

vermaant den onzichtbaren Rechter van het kwaad te vreezen, en op den Belooner van het goed te hopen.

V. Wie kennen God door het verstand?

A. Alle raenschen, die het gebruik van hun verstand bebben.

V. Is het genoeg, God te kennen door het verstand ?

A. Neen, want men kan niet zalig worden als men Hem ook niet door het Geloof kent.

V. Zijn er ook menschen, die icezenlijk rjehoven dat er geen God is ?

A. Neen; maar wèl zijn er menschen die zeggen dat er geen God is, en leven alsof er geen God ware.

V. 's B. Is er meer dan één God ?

A. Neen, er is maar één God.

V. R. Kan er meer dan één ware God zijn '?

A. Neen, dat is niet mogelijk.

V. R. Waarom is dat niet mogelijk?

A. Omdat geene twee oneindig volmaakte wezens tegelijk bestaan kunnen.

V. Noem eenige namen, waarmede God wordt aangeduid.

A. God wordt ook wel genoemd: Onze lieve Hoer, de Almachtige, de Allerhoogste, het Opperwezen, in de H. Schrift voornamelijk Jehova, de Heer der Heerscharen, de Voorzienigheid.

V. 's B. Wat is God ?

God is een ongeschapen geest, de Schepper, Heer en Bestierder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid cn ons opperste goed.

V. U., Br. Wat is God ?

A. God is een oneindig volmaakte Geest, de Schepper, Heer en Bestuurder van hemel en aarde (R de bron onzer zaligheid) en ons opperste goed, (TT. van wien alle goed voorkomt).

V. IJ. Waarom noemt gij God oneindig volmaakt?

A. Omdat God alleen alle goede eigenschappen in den hoogsten graad bezit, en alle goed van Hem voortkomt.

A. R. Omdat aan Zijn goddelijk Wezen niets ontbreekt, en Hij in zich zeiven alles zóó volmaakt bezit, dat er geen volmaakter wezen kan uitgedacht worden.

V. TI. Noem eenige volmaaktheden van God.

A. God is eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, almachtig, heilig, goed, rechtvaardig, barmhartig, onveranderlijk, enz.

V. TI. Wat zijn wij aan den oneindig volmaakten God vooral verschuldigd ?

A. Dat wij Hem als het opperste goed boven alles beminnen en jegens Hem eerbied en gehoorzaamheid betoonen.

V. 'sB. Waarom wordt God genoemd ongeschapen?

A. Omdat God niet geschapen, maar van zich zeiven van allo eeuwigheid is.

ocr page 39

35

V. R. Kunnen wij God ook zien?

A. Neen, wij kunnen God niet zien, omdat Hij een geest is.

V. 's B. Waarom wordt God genoemd een geest ?

A Omdat God geen lichaam heeft.

A. TT. Omdat God is een onstoffelijk wezen met verstand en wil.

V. Waarom wordt God genoemd een ongeschapen Geest?

A. God wordt aldus genoemd, om Hem te onderscheiden van de Engelen en de zielen der menschen, die ook geesten, doch geschapen zijn.

V. Als God een Geest is, waarom spreekt men dan van Gods armen, oogen, hand, enz. ?

A. Om ons begrijpelijk te maken de werkingen van Gód: b.v. door den ann wordt te kennen gegeven Zijne macht; door de oogen Zijne alziendheid en alwetendheid; de hand Gods beteekent: Zijne leiding, bestiering.

V. TJ. Waarom noemt gij God eeuwig?

A. Omdat God geen begin gehad heeft, en ook geen einde zal hebben.

V. TJ. Waarom noemt gij God onveranderlijk?

A. Wij noemen God onveranderlijk, omdat God altijd dezeltdc blijft en nooit verandert.

V. 's B. Waarom wordt God genoemd Schepper ?

A. Omdat God alles geschapen of uit het niet voortgebracht heeft.

A- U. Wij noemen God almachtig, omdat Hij alles kan. wat Hij wil.

A. God kan alles, en Hij heeft slechts te willen om het te volbrengen.

Y. 's B. Waarom wordt God genoemd Heer ?

A. Omdat aan God alles toebehoort.

V. Behooren dan de goederen dor aarde niet aan de menschen ?

A. Neen, want de menschen hebben huiine bezittingen slechts om ze te gébruiken tot eer van God en tot zaligheid hunner ziel. Bovendien moeten zij aan God strenge rekenschap geven van het gebruik, dat zij tijdens hun leven er van gemaakt hebben.

V. 's B. Waarom wordt God genoemd Bestierder van hemel en aarde ?

A. Omdat God alles beschikt en bestiert, zoodat er zonder den wil of de toelating van God niets geschiedt.

A. Br. en R. Omdat God alles met vrijheid en goedheid beschikt en leidt tot het doel, waarvoor Hij de wereld geschapen heeft

V. TJ. Wat wil zeggen: God is oneindig wijs?

A. God is oneindig wijs, wil zeggen, dat God alles op de beste wijze weet in te richten, om het doel, wat Hij wil, te bereiken.

ocr page 40

36

V. Wat volgt hieruit dat God Heer en Bestierder is van hemel en aarde.

A. Hieruit volgt 1°. dat Engelen en menschen, en ook alle redelooze schepselen aan de wetten van God onderworpen, en verplicht zijn die na te komen. 2°. Dat de wetten, die de redelooze schepselen besturen, van God voortkomen en van Hem afhangen. 3°. Dat die wetten door God kunnen tegenhouden of veranderd worden, zooals ze feitelijk tegengehouden, veranderd, enz. worden, wanneer, zooals wij het uitdrukken, een wonder of mirakel gebeurt.

V. Wat geschiedt met den wil van God.

A. Alles, behalve de zonde. \

V. Ongelukken, rampen, tegenspoed, ziekte; gebeuren of overkomen ons die omdat God dat ivil ?

A. Ja; God Iaat die aan orave menschcn overkomen ter he-proeving; en aan slechte tot straf en tot verbetering.

V. Wat verstaat men door de goddelijke Voorzienigheid ?

A. De gedurige zorg die God draagt voor Zijne schepselen, en de nauwkeurigheid, waarmede Hij alles bestiert en schikt volgens de inzichten Zijner Wijsheid.

V. 's B. Waarom wordt God genoemd de fontein onzer zaligheid ?

A. Omdat alles wat ons ter zaligheid dienstig of noodig is, van God moet komen.

V. U. Waarom noemt gij God oneindig goed.

A. Wij noemen God oneindig goed. omdat God vol liefde is, en uit liefde alle goed aan ons geeft.

V. TJ. Op wien moeten wij dus altijd geheel ons vertrouwen stellen ?

A. Op den Almachtigen en oneindig goeden God, die ons alle goed kan geven en gaarne wil geven.

V. TJ. Waarom noemt gij God barmhartig?

A. Wij noemen God barmhartig, omdat God den zondaars, die zich oprecht bekeeren, gaarne vergeeft en hen weder in Zijne vriendschap aanneemt.

V. U. W aartoe moet die barmhartigheid van God ons aansporen ?

A. Om, wanneer wij het ongeluk gehad hebben eene zonde te bedrijven, terstond aan God vergeving te vragen.

V. Wat is ter zaligheid noodig ?

A. Om in den hemel te komen is voor iedereen noodzakelijk het Doopsel, het Geloof, het onderricht in de vier punten uit noodzakelijkheid des middels, enz.

V. Noem eenige dingen, die dienstig zijn.

A. Nuttig, om zekerder in den hemel te komen is de godsvrucht tot O. L. Vrouw, de genegenheid tot het dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten, enz.

ocr page 41

37

V. 's H. Waarom wordt God genoemd ons Opperste goed ?

A. Omdat wij in het bezit van God alleen waarlijk gelukkiiv kunnen zijn.

V. Kunnen wij buiten God ook niet oprecht gelukkig zijn ?

A. Neen, omdat alles wat wij bezitten kunnen, geen zuiver onvermengd geluk is, niet alles bevat en niet eeuwig duurt.

V. Hoe kunnen wij op aarde God bezitten en waarlijk gelukkig zijn?

A. Wij bezitten God en zijn waarlijk gelukkig, als wij de liefde Gods bewaren, d. i. in staat van genade leven.

V. 's B. Waar is God ?

A. In den hemel, op aarde en op alle plaatsen.

V. Hoe kan Oiod op alle plaatsen zijn ?

A. Door zijn goddelijk Wezen en goddelijke macht.

V. Op welke wijze is God in den hemel ?

A. In zijne luisterrijke heerlijkheid, om de gelukzaligen te be-loonen.

V. Hoe is God op aarde?

A. Door zijue almacht, waarmede hij alles bestiert en onderhoudt.

V. Hebben wij noodig dat God ons onderhoudt?

A. Ja, want gelijk wij zonder Zijne schepping niet zouden zijn, zóó zouden alle schepselen weer in het niet zinken, als God ze niet bewaarde.

V. Hoe is God in de hel ?

A. Door zijne rechtvaardigheid, die de verdoemden straft.

V. 's B. Weet God wat wij in het geheim doen ?

A. God weet en ziet alles, ook het binnenste van ons hart.

V. TJ. Wat wil zeggen: God is alwetend.

A. God is alwetend, wil zeggen, dat God alles met zekerheid weet, hetgeen gebeurd is, wat nog gebeurt, wat gebeuren zal en zelfs onze geheimste gedachten.

V. Wat wordt bedoeld door; ..het Mnnenste van ons hart?quot;

A. Dit beteekent, dat God de geheimste verlangens en de ver-borgenste gedachten kent.

V. TI. Is het heilzaam, gedurig aan Gods rechtvaardigheid en alomtegenwoordigheid te denken?

A. Ja, omdat dit zoozeer in staat is, om ons eene heilzame vrees voor de zonde in te boezemen en van de zonde terug te houden.

V. Wat zult gij doen, als gij eenige genegenheid tot zonde in u voelt?

A. Dan zal ik mij te binnen brengen, dat God overal is en alles ziet en weet; dat God oneindig heilig is, het kwaad haat en straft.

V. Br. en E. Kunnen wij God ook zien?

ocr page 42

38

A. In dit leven kunnen wij God niet zien, omdat Hij een geest is, maar in den hemel zullen wij Hem zien, gelijk Hij is.

V. Hoe wordt de alwetendheid van God zinnebeeldig voorgesteld ? A. Door een oog in een driehoek, welke figuur men een alziend oog noemt.

ZESDE LES.

Van de H Drievuldigheid.

(U., Br. en R. 6e les.)

V. ü. Waarom zeggen wij; ik geloof in God „den Vaderquot; ?

A. Omdat in God meer personen zijn, van welke de eerste persoon Vader genoemd wordt.

V. U. Hoeveel personen zijn er dan in God?

A. Er zijn drie personen in God: de Vader, de Zoon en de H. Geest.

V. U. Zijn alle drie waarachtig God ?

A. Ja, de Vader is waarachtig God, de Zoon is waarachtig God, de H. Geest is waarachtig God.

V. Br. Kunnen wij dat begrijpen ?

A. Neen; dat is een bovennatuurlijk geheim of mysterie ?

V. Br. Hoe wordt dat bovennatuurlijk geheim of mysterie genoemd ?

A. Het mysterie der H. Drievuldigheid.

V. R. Wat is een mysterie of geheim?

A. Een mysterie is eene van God geopenbaarde waarheid, die ons verstand te boven gaat.

V. R. Welk is het verhevenste mysterie van ons geloot ?

A. Het mysterie der allerheiligste Drievuldigheid.

V. 's B. Wat is de H. Drievuldigheid ?

A. God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest, drie onderscheidene Personen en maar één God.

V. Wat geeft het woord: Drievuldigheid te kennen.

A. Drievuldigheid, waarvoor ook wel Drieeënheid wordt gebruikt zegt: drie in een opzicht, n.1. van persoonlijkheid en één onder een ander opzicht n.1. van wezen of natuur: der Godheid.

Zóó is ook onze ziel één geest en toch drievoudig in vermogens: geheugen, verstand en wil.

ocr page 43

39

V. 's B. Hoo kunnen drie onderscheidene Personen maar één God zijn?

A. Omdat zij alle drie maar één en hetzelfde goddelijk Wezen of dezelfde natuur hebben.

V. Is het te verwonderen, dat het mysterie der H. Drievuldigheid voor ons onbegrijpelijk is ?

A. Xeen; het natuurlijk verstand zegt ons duidelijk, dat onder alle geheimon. het wezen, de natuur van den oneindigen God voor ons het onbegrijpelijkst moet zijn.

V. 's B. Wie is de eerste Persoon van de H. Drievuldigheid ?

A. God de Vader.

V. quot;s B. Waarom is God de Vader do eerste Persoon van de H. Drievuldigheid ?

A. Omdat Hij het beginsel en de oorsprong is van de twee andere (Goddelijke Personen.

V. 's B. Is God de Vader ouder of meerder dan God de Zoon of God de H. Geest?

A. Neen, want gelijk de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk Wezen hebben ; zoo zijn zij alle drie even oud of eeuwig, even wijs en even machtig.

V. Hoe is God de Vader niet ouder dan God de Zoon of God de H. Geest, terwijl Hij het beginsel en de oorsprong van hen beiden is?

A. Omdat zij van eeuwigheid van Hem voortkomen : Zoo b.v. waar vuur is, heeft men ook licht en warmte, en toch zien wij niet dat het vuur eer aanwezig is dan het licht of de warmte.

V. 's B. Waarom wordt God de Vader meer genoemd almachtig dan God de Zoon of God de H. Geest?

A. Xiet omdat Hij machtiger is, maar omdat Hem de macht bijzonder wordt toegeschreven, gelijk de Wijsheid aan den Zoon en de Heiligheid aan den H. Geest.

V. Waarom wordt nu de almacht aan God den Vader toegeschreven?

A. Omdat God de Vader door voorthrenying (van de twee andere Personen en van al wat bestaat) Zijne almacht geuit heeft.

V. Wat schrijven we aan God den Zoon bijzonder toe ?

A. De wijsheid, om te belijden, dat Hij van God den Vader door de kennis is voortgebracht.

V. Waarom schrijven we aan den H. Geest de Heiligheid bijzonder toe?

A. Daar God de H. Geest van den A'adcr en den Zoon als de onderlinge liefde uitgaat, worden Hem voornamelijk de werken dei-liefde toegeschreven, en bijzonder de heiligmaking.

V. Welke werken worden aan ieder der drie goddelijke Personen afzonderlijk toegeschreven ?

ocr page 44

40

A. Men zegt van God den Vader alleen, dat hij alles geschapen heeft, omdat scheppen het werk der almacht is.

Van God den Zoon zegt men, dat Hij den mensch verlost heeft, omdat in de Verlossing bijzonder de wijsheid of het verstand uitschijnt.

De werken, waarin Gods liefde bijzonder zich vertoont, zooals de vergeving der zonden, het uitdeelen der genaden, onze heiligmaking worden aan den H. Geest toegeschreven.

V. Heeft dan God de Vader alleen ons geschapen. God de Zoon alleen ons verlost, is het de H. Geest alleen, die ons heilig maakt ?

A. Neen, alle Drie: Vader, Zoon cn H. Geest hebben ons geschapen en verlost cn maken ons heilig.

V. U. Is er dan geen onderscheid tusschen Vader, Zoon en H. Geest?

A. In hun wezen (natuur) is geen onderscheid, maar wel in de Personen, zoodat de Vader niet de Zoon, de Zoon niet de Vader, en de H. Geest niet de Vader of Zoon is.

V. ?s B. Waarin zijn de drie Goddelijke Personen van elkander onderscheiden ?

A. Hierin, dat de eene Persoon van den anderen voorkomt.

V. U. Hierin, dat de Vader van alle eeuwigheid bestaat en door niemand is voortgebracht; dat de Zoon van alle eeuwigheid uit den Vader geboren is, en de H. Geest van alle eeuwigheid uit den Vader en den Zoon voortkomt.

V. 's B. Van wien komt God de Vader voort ?

A. God de Vader komt niet voort, maar is van zich zeiven.

V. 's B. Van wien komt God de Zoon voort ?

A. Van God den Vader alleen.

V. 's B. Van wien komt God de H. Geest voort ?

A. Van God den Vader en van God don Zoon te zamen.

V. Hoe wordt de H. Drievuldigheid afgebeeld ?

A. God de Vader wordt voorgesteld als een oud man. omdat Hij zich aldus aan den profeet Daniel vertoond heeft, en om Zijne almacht en eeuwigheid af te beelden. God de Zoon, als oen jongen man, omdat Hij ook mensch is. De H. Geest wordt afgebeeld door eene duif of door vurige vlammen, omdat Hij Zich aldus vertoonde bij den doop van Christus, en boven de Apostelen op den Pinksterdag.

V. Is de leer der allerheiligste Drievuldigheid voor ons van belang ?

A. Ja, want op deze leer van de drie Personen rust de geheele geloofs- en zedeleer.

V. Toon dit eenigzins nader aan.

A. Dit is de korte inhoud der geopenbaarde geloofsleer : God de Vader vordert eene voldoening, geevenredigd aan de beleediging

ocr page 45

41

Zijner Majesteit aangedaan, alvorens Hij het schuldig mensehdom in genade aanneemt.

God de Zoon brengt die voldoening door het vrij willig Zoenoffer van Zichzelven op het kruis.

Do H. Geest deelt ons de vruchten mede van die voldoening in de H. Kerk door de heiligmakende kracht Zijner genade.

V. In welke nauwe betrekking staan wij als christenen tot de H. Drievuldigheid ?

A. Wij zijn kinderen van God den Vader en erfgenamen van Zijn Rijk; broeders en ledematen van Jesus Christus; tempels van den H. Geest.

V. Wat heeft de H. Kerk gedaan, om het Mysterie der H. Drievuldigheid te eeren ?

A. 1®. Een feestdag te Harer ingesteld, H. Drievuldigheids-Zondag genaamd, die gevierd wordt den lequot; Zondag na Pinksteren.

2e. Al de Zondagen des jaars zijn aan do H. Drievuldigheid toegewijd.

:3e. Van de tijden der Apostelen is in de Kerk het kmisteelcen in gebruik even als de gewoonte, om bij het maken daarvan de Namen der drie goddelijke Personen te noemen.

4e. De lofzang „Te Deum laudamusquot;, U, o God, loven wij, die aan den H. Ambrosias en Augustinus wordt toegeschreven, heeft, do Kerk aangenomen, om daarmede plechtig de H. Drievuldigheid te loven, te prijzen en te danken.

5e. Om de oneer, die in de I8e eeuw dor H. Drievuldigheid bijzonder is aangedaan,'te herstellen, heeft Paus Clemens Xlil in 1759 bevolen, dat ten eeuwigen dage des Zondags in de H. Mis de „prefatiequot;, een lof- en jubelzang ter eere der H. Drievuldigheid, zou gezongen worden.

6e. De H. Kerk verleent 100 dagen aflaat zoo dikwijls men eerbiedig zegt; Glorie zij den Vader, den Zoon en den H. Geest, des morgens, des middags en des avonds, om de H. Drievuldigheid te danken voor de voorrechten aan de H. Maagd geschonken; alsook een vollen aflaat op de gewone voorwaarden als men dit gedurende eene maand dagelijks gedaan heeft.

7e. Verschillende gebeden zijn met aflaten verrijkt, of goedge-gekeurd. o. a. de Litanie ter eere der H. Drievuldigheid.

ocr page 46

42

ZEVENDE LES.

Van de Schepping en de Engelen.

(U. 7e en 8e les ; — Br. 7e les; — E. 6e les.)

V. 'sB. Waarom wordt God genoemd almachtig ?

A. Omdat Hij door Zijnen wil alles kan maken en te niet doen (vernietigen).

V. Waarom is God alleen almachtig ?

A. Omdat Hij alleen 1®. alle dingen; quot;2®. kan maken en vernietigen ; 3e. enkel door het te willen.

V. Kan God ook zondigen?

A. Neen, want de zonde is een gebrek, hetwelk strijdt togen Zijne oneindige volmaaktheid.

V. W aardoor heeft God Zijne almacht het meest getoond ? (laten zien dat Hij almachtig is ?)

A. Door het scheppen of van niet maken van hemel en aarde en al wat er is (alle zichtbare en onzichtbare dingen, die buiten God bestaan.)

V. E. ü. Wat beteekent het woord scheppen?

A. Scheppen beteekent: iets voortbrengen uit niets. V. U. Waardoor heeft God alles geschapen ?

A. God heeft alles geschapen door Zijnen almachtigen wil. V. Hebben God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest gelijkelijk de wereld geschapen?

A. Ja; want dewijl de Goddelijke Personen één God zijn, hebben zij dezelfde macht, wijsheid, goedheid en wil; en derhalve zijn de werken naar buiten, d. i. buiten het goddelijk Wezen, zooals het scheppen, gemeen aan de drie Goddelijke Personen.

V. Wat was er voor dat God hemel en aarde geschapen had ? A. Er was niemand en niets dan God alleen.

V. In hoeveel tijd heeft God alles geschapen?

A. De H. Schrift zegt: in zes dagen. Wij weten echter niet juist wat door die zes dagen moet verstaan worden!

V. Wat heeft God op ieder dier zes dagen geschapen ? A. 1 God schiep de vormelooze aard ; God sprak: 't licht zij !

[en 't was,

2 God schiep den dampkring, schei' de wolken van den plas.

3 God schei' de zee van 't land. schiep planten met haar zaad,

4 God schiep de zon. de maan, de sterren zonder maat.

5 God schiep de visschen en de vooglen zonder tal,

6 God schiep het dierenrijk; den mensch het laatst van al. '

V. Hoe lang is het geleden, dat hemel en aarde geschapen zijn ? A. Bijna 6000 jaren.

ocr page 47

43

V. Wat betcekent dit: „God ruste den zevenden dagquot; ?

A. Dat wil niet zeggen dat God vermoeid was, doch dat Hij ophield nieuwe soorten van schepselen voort te brengen.

V. Hoe moeten wij onze dankbaarheid aan God toonen voor de schepping ?

A. Door eveneens op den dag die aan God is toegewijd, en dag des Heeren genoemd wordt (den Zondag in plaats van den Zatnrdag) ons van werken te onthouden.

V. Wie heeft de schepping der wereld beschreven ?

A. De schepping heeft ons Mozes medegedeeld, die deze op ingeving en onder rlen bijzonderen bijstand van den H. Geest beschreven heeft in het eerste boek der H. Schriftuur, dat daarom genoemd wordt: Boek der Schepping.

Y. ü. Wat doet God, opdat de wereld in stand blijve en aan haar doel beantwoorde ?

A. God onderhoudt en regeert de wereld.

V. U. Wat wil zeggen: God onderhoudt de wereld ?

A. God onderhoudt de wereld wil zeggen: God maakt dat de wereld blijft bestaan.

V. TJ. Wat wil zeggen: God regeert de wereld?

A. God regeert de wereld wil zeggen: God zorgt voor alles en bestuurt alles, tot bereiking van het doel, waarom Hij de wereld geschapen heeft.

V. TJ. Hoe noemen wij die regeering en leiding Gods'?

A. Deze noemen wij de Goddelijke Voorzienigheid.

V. Zijn er in het geschapene niet vele onregelmatigheden, en vanwaar zijn deze?

A. Ja, doch vele gebreken of onregelmatigheden zijn slechts schijnbare; want 10. deze komen alleen voort uit de noodzakelijke beperktheid van onze geschapene natuur; 2°. enkele ongelukken ontstaan ten gevolge der natuunvetten, welke God ten beste van het heelal heeft vastgesteld; 3°. vele andere onheilen zijn natuurlijke gevolgen der erfzonde: 4°. God laat de tegenwoordige wereld als eene onvolmaakte bestaan, omdat Hij den mensch eerst in de toekomst cene volmaakte zaligheid heeft bereid.

V. Indien God voor alles zorgt, waarom bestaat er dan in de wereld zooveel leed ?

A. Daarom is er zooveel leed op aarde, opdat de zondaar zich hetere en opdat de brave menschen, daardoor nog meer gezuiverd, rijker aan verdiensten worden, en grooter loon in den hemel ontvangen.

V. Waarom gaat het slechte menschen dikwijls beter op aarde dan brave ?

A. 1°. Omdat God ook de slechten door weldaden tot zich wil trekken.

ocr page 48

44

2°. Omdat God ook het weinige goed, dat zij doen, wil beloonen.

3°. Omdat de volledige vergelding van goed en kwaad eerstin het andere leven zal geschieden. „Er bestaat geen grooter ongeluk dan het geluk van een zondaarquot;. H. Augustinus.

V. Wat behoort men te doen in druk en lijden ?

A. 1°. Verdraag alles geduldig; vermeet u niet over Gods beschikkingen te klagen of daartegen te morren, noch ook uwen vijanden met kwaad te vergelden.

2°. Kwel u niet met angst en bezorgdheid, stel uw vertrouwen op God ,.want Hij is voor u bezorgdquot;. (I Petr. V, 7.)

3°. Onderwerp u in allen ootmoed aan dcyi goddelijken wil, en „tracht dien niet naar den uwen te buigen, maar buig uwen wil naar den wil van God.quot; H. Augustinus.

4°. Dank God, dat Hij u hier slaat, om u in eeuwigheid te sparen.

5°. Vereenig uw lijden met het lijden van Jesus Christus.

6°. Bedenk, of gij niet zwaarder lijden, grootere straffen verdiend hebt voor uwe zonden.

V. 's B. Tot welk einde heeft God hemel en aarde geschapen ?

A. Tot Zijne eigene verheerlijking en het geluk zijner redelijke schepselen.

V. Wat beteekent: tot zijne eigene verheedijliincj ?

A. Dit beteekent dat God hemel en aarde geschapen heeft om daarin Zijne volmaaktheden ten toon te spreiden tot Zijne eigene eer en glorie; en dat Hij inzonderheid de Engelen en menschen bestemd heeft, om willens en wetens den Maker van al het geschapene te loven, te prijzen en te verheerlijken.

V. Wat leeren ons de woorden : tot geluk Zijner redelijke schepselen ?

A. Die woorden doen ons Gods goedheid jegens ons kennen; God heeft alles geschapen voor ons, opdat alles zou dienen tot ons nut, tot ons vermaak zelfs. AVij mogen de goederen dezer aarde dus gebruiken, nimmer die misbruiken; noch ook mogen wij ons daardoor laten aftrekken van God, maar door deze moeten wij tot God gebracht worden.

V. 'sB. Hoevelerlei redelijke schepselen heeft God geschapen?

A. Tweeërlei: Engelen en menschen.

V. R. Heeft God nog andere redelijke wezens geschapen behalve den mensch ?

A. Ja ; God heeft ook zuivere en onsterfelijke geesten geschapon, die wij Engelen noemen.

V. Wat zijn redelijke schepsels ?

A. Redelijke schepselen worden genoemd die welke verstand en vrijen wil hebben; alle andere zijn redelooze.

V. 's B. Waarvan en hoedanig heeft God de Engelen gemaakt ?

ocr page 49

45

A. God heeft de Engelen gemaakt van niet, en zeer gelukkig.

V. U. Hoe waren de Engelen, toen God hen schiep ?

A. Zij waren alle goede en gelukkige geesten, met de heerlijkste gaven, ook met vrijheid voorzien.

V. Koevele Engelen zijn er?

A. De Profeet Daniël zag, dat duizende duizendtallen God dienden, en tienduizendmaal honderdduizend vóór Hem stonden.

V. Waar heeft God hen geschapen ?

A. Zij zijn geschapen in den hemel.

V. Zijn alle Engelen even waardig en verheven ?

A. De Engelen zijn allen verheven en machtige geesten: toch onderscheidt de H. Schrift hen in negen klassen, horen genoemd, n.1. Engelen, Aartsengelen, Krachten, Machten, Overheden, Heerschappijen, Tronen, Cherubijnen en Serafijnen.

V. 's B. Hebben de Engelen een lichaam ?

A. Neen, zij zijn zuivere geesten geschapen.

V. Br. Wat zijn Engelen?

A. Engelen zijn zuivere geesten, die verstand en wil, maar geen lichaam hebben.

V. Wat zijn aartsengelen ?

A. Die Engelen, welke door God met eene gewichtige taak of zending belast zijn.

V. Welke Aartsengelen zijn ons uit de H. Schrift bekend ?

A. De Aartsengelen: le. Michael, die den Aartsengel Lucifer met zijn aanhang van booze engelen uit den hemel dreef. 2°. Eafaël, bekend uit de geschiedenis van Tobias. 3°. Gabriel, die aan Maria de boodschap bracht, dat zij Moeder Gods zou worden.

V. Hoe worden de Engelen afgebeeld, en waarom ?

A. le. Als schoone jongelingen in schoone kleederen, omdat zij meestal aldus verschenen zijn; maar ook om hunne volmaakte, verheerlijkte nstuur aan te duiden.

2e. Als kleine kinderen; om in de kinderlijke onschuld de vlek-kelooze heiligheid der Engelen af te beelden.

3e. Als kinderhoppen. Om aan te duiden, dat de Engelen geen lichaam hebben, worden ze voorgesteld door het edelste deel, met weglating van het overige, n.1. het hoofd, waarin, als in den spiegel der ziel, de geest van den mensch zich het duidelijkst uitspreekt.

4e. Altijd worden de Engelen voorgesteld met vleugels om te kennen te geven de snelheid en bereidvaardigheid, waarmede zij gehoorzamen.

V. Hebben de Engelen aanstonds na hunne schepping Gods aanschijn genoten ?

A. Neen ; zij hebben dit geluk moeten verdienen door te gehoorzamen en zich aan God te onderwerpen.

V. 's B. Zijn alle Engelen gelukkig gebleven ?

ocr page 50

46

A. Neen, de lioovaardigen cn ongehoorzamen zijn gedreven in den afgrond der liel.

A. U. en Br. Neen; eenige zijn aan God ongelioorzaam geworden en daarom in de hel gestort; andere zijn aan God gehoorzaam gebleven, en daarom voor eeuwig bij God in den hemel.

V. 's B. Hoe worden de hoovaardige en ongehoorzame Engelen genoemd ?

A. Duivels of booze geesten.

V. Waarom worden de duivels onder allerlei afschuwelijke gedaanten voorgesteld ?

A. Om hunne boosheid aan te duiden ; want zij zijn immers ook zuivere geesten, die geen lichaam hebben.

V. Waar zijn de duivels ?

A. Sommigen zijn in de hel, anderen op de wereld, doch overal lijden zij dezelfde pijnen.

V. U. en Br. Welk kwaad doen ons de duivels of booze geesten'?

A. Zij trachten ons tot zonde te brengen en van God en Zijnen dienst af te trekken.

V. TJ. W at moeten wij doen, om hunne aanvallen te wederstaan ?

A. Waken, bidden, op God vertrouwen, en met Gods hulp hun moedig weerstand bieden.

V. Wat moet ons troosten en bemoedigen in de bekoringen des duivels ?

A. In de bekoringen moeten wij bedenken :

]e. dat de duivel niet meer kan dan God toelaat;

'2°. dat God niet duldt, dat wij boven onze krachten gekweld worden;

3°. dat de duivel ons wel het kwaad kan inblazen, ons tot de zonde lokken; maar dat de zonde zelve van onzen wil afhangt;

4e. dat Jesus Christus zelf bekoord is;

5e. dat Hij ons altijd bijstaat, als wij Hem aanroepen;

6e. dat God ons vele beschermers gegeven heeft, die machtiger zijn dan de duivel: Zijne Moeder, de Engelbewaarder, onze Patroon.

V. Waarom bekoort ons de duivel ?

A. Uit haat tegen God en uit afgunst jegens ons, die bestemd zijn, om zijne plaats in den hemel in te nemen.

V. Hoe heeft God de trouw gebleven Engelen beloond ?

A. Hij heeft hun de eeuwige zaligheid gegeven, welke in het aanschouwen en het bezitten van God bestaat.

V. 'sB. Wat is de bediening der goede Engelen?

A. God te dienen en te loven, en den mensch behulpzaam te zijn.

V. Hoe zijn de goede Engelen jegens ons, menschen, gezind?

A. De goede Engelen hebben ons lief; daarom beschermen zij ons naar lichaam en ziel, bidden voor ons en vermanen ons ten goede.

ocr page 51

47

V. Waar zijn de goede Engelen ?

A. In den hemel en op aarde. Allen genieten echter gelijkelijk hetzelfde geluk van God te bezitten en Diens aanschijn te aanschouwen.

V. 's B. Zijn er eenige Engelen die ons bewaren ?

A. Ja, elke niensch heeft een Engelbewaarder, die hem van het begin tot het einde zijns levens bewaart.

V. U. Hoe noemen wij de Engelen, die meer bijzonder over den niensch waken?

A. Die Engelen noemen wij Engelbewaarders.

V. Hebben de Kerk, steden, parochies, enz. ook een Engelbewaarder ?

A. Ja, antwoorden vele H. Vaders. Zoo wordt bv. de H. Aartsengel Michael als Engelbewaarder der Kerk van Christus op aarde beschouwd, geëerd en aangeroepen o. a. in het gebed voor Paus en Kerk: ,.H. Aartsengel Michaël, verdedig ons in den strijd,quot; enz.

V. 's B. Wat hulp verleent ons de Engelbewaarder ?

A. 1°. Hij beschermt ons tegen de booze vijanden;

2°. Hij draagt onze gebeden aan God op;

:50. Hij staat onze ziel vooral in het uiterste bij.

V. U. en Br. Wat zijn wij aan de goede Engelen schuldig ?

A. Wij moeten hen godvruchtig eeren, hen voor hunne zorgen danken, en hunne ingevingen volgen: eerbied, dankbare liefde en vertrouwen.

V. Noem eenige oefeningen, gebeden, enz. ter eere der H.H. Engelen, door de Kerk ingesteld of goedgekeurd.

A. De Kerk heeft een feest ingesteld ter eere der H. Engelbewaarders, dat gedurende acht dagen gevierd wordt n.1. den eersten Zondag van September.

Feestdagen ook ter eere van den H. Michaël (29 Sept.), Eafaël (25 October), en Gabriël (18 Dec.).

De Litanie, Lofzangen en meer andere gebeden, goedgekeurd en met aflaten verrijkt, waaronder het volgend schietgebed, dat zeker nooit iemand 's morgens of 's avonds mag verzuimen :

Engel Gods, mijn Bewaarder, verlicht, bewaak, geleid en bestuur mij, die door Gods liefde aan uwe zorg ben toevertrouwd. Amen. (1)

(1) 100 dagen aflaat, zoo dikwijls men dit bidt.

Vollen afladt iedere maand, en ook ieder jaarfeest der H. Engclbewaarders, als men liet iederen dag gebeden heeft, benevens bieehte, eommuniceere en bidde tot intentie der H. Kerk. Vollen aflaat ook in het nnr des doods, als men het bij zijn leven dikwijls gebeden heeft.

ocr page 52

48

ACHTSTE LES.

Van de Schepping en den val van den mensch.

(U. 9e, 10e en lle les, — Bp. 8e les, — R. 2e les, § 2.)

V. Welk is het voornaamste schepsel op aarde ?

A. De mensch?,

V. Waaruit blijkt dat de mensch het voornaamste schepsel is ?

A, Dit blijkt wel hieruit 1°. dat God den mensch schiep op den laatsten (zesden) dag der schepping „omdat Hij hem de wereld wilde binnenvoeren als een koning in eene feestzaal, welke Hij eerst allerprachtigst ingericht en versierd had.quot; (H. Greg. v. Nizza.)

2°. Alvorens den mensch te scheppen gaat de drieeenige God als met zich zelf te rade: „laat ons den mensch maken.quot; Daardoor geeft God te kennen, dat het hier over het meesterstuk der Schepping gaat.

3°. Van den mensch alleen wordt gezegd: „God schiep den mensch naar Zijn evenbeeld, naar het beeld van God schiep hij Hem.quot;

4°. Alle schepselen worden bij den mensch gebracht ten teeken, dat hij er over kan heerschen en er gebruik van mag maken.

V. 's B. Wie zijn de eerste menschen geweest ?

A. Adam en Eva.

V. Op welke wijze schiep God de eerste menschen ?

A. In het Boek der Schepping wordt dit aldus verhaald: „God „de Heer vormde den mensch uit het slijk der aarde en blies in „zijn aangezicht den adem des levens, en alzoo werd de mensch „een levend wezen. En God de Heer sprak; het is niet goed, dat „de mensch alleen zij: laat Ons hem eene hulpe maken, hem gelijk. „Daarom zond de Heer God een diepen slaap aan Adam, en toen „hij ingeslapen was, nam Hij eene zijner ribben en vulde die plaats „met vleesch aan. En God de Heer bouwde de rib, welke Hij van „Adam genomen had tot eene vrouw en voerde haar tot Adam.quot; (I. H. Gen.)

V. 's B. ' Waarvan heeft God den mensch gemaakt ?

A. God heeft het lichaam van Adam gemaakt van aarde en de ziel daarin gestort, maar het lichaam van Eva van eene rib, genomen uit Adam.

V. Welk groot geheim is er volgens den H. Paulus in de schepping van Eva opgesloten ?

A. Adam, uit wien in den slaap eene rib werd genomen, waaruit Eva, zijne vrouw, gevormd werd, is een beeld van Jesus Christus, aan Wien in zijn doodslaap op het kruis de zijde werd geopend, waaruit de Kerk, Zijne vlekkelooze Bruid, is voortgekomen.

V. Welke beteekenis hebben de namen Adam en Eva?

ocr page 53

49

A. Het woord Adam wil zeggen; man van aarde (gemaakt); het woord Eva: moeder der levenden.

V. Wie worden bedoeld door de namen: nieuwe Adam, niemce Eva ?

A. Door die namen worden aangeduid Christus en de H. Maagd Maria.

(Waarin Adam en Eva, dus de mensch, het evenbeeld zijn van God, zie bladz. 48.)

V. u. w aar plaatste God do eerste menschen ?

A. In het aardsche Paradijs, een aangenamen en schoonen lusthof.

V. 's B. In welken staat waren Adam en Eva eer zij zondigden ?

A. In den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid.

V. U. In welken staat schiep God de eerste menschen ?

A. In een staat van onschuld en heiligheid, van geluk en onsterfelijkheid.

V. 's B. Waarin bestond de oorspronkelijke rechtvaardigheid ?

A. In de heiligmakende genade en eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam.

V. TT. Hoedanig was in dien staat hun verstand en vrije wil ?

A. Hun verstand kon gemakkelijk God en Zijn heiligen Wil kennen, en hun vrije wil was tot het goede geneigd.

V. Welke bijzondere voorrechten bezaten de eerste menschen ?

A. Behalve een onsterfelijke ziel, verstand en vrijen wil bezaten zij ook 1°. de heiligmakende genade d. i. de liefde en vriendschap van God; 2°. een verstand met groote kennis begaafd; 3°. een onbedorven wil, door geene kwade lusten bekoord; 4°. de mensch zou bewaard blijven voor ziekten, rampen, smarten ook voor den dood. „God heeft den mensch onsterfelijk geschapen.quot; (Wijsheid II. 23.)

V. Heeft God deze gaven aan den eersten mensch enkel voor zijn persoon geschonken ?

A. Neen, maar Hij had ze hem gegeven als stamvader van het menschelijk geslacht, die dus op al zijne nakomelingen zouden zijn overgegaan.

V. Behoefden de eerste menschen niet te werken ?

A. Jawel; want gelijk de vogel tot vliegen, zoo is de mensch geschapen om te werken. Uitdrukkelijk vermeldt de H. Schrift, dat God Adam in het Paradijs plaatste, om dien te hebouwen; doch die verplichte arbeid was niet zwaar.

V. Als Adam niet gezondigd had, zou hij en zouden wij dan niet gestorven zijn ?

A. Neen; hij zou zonder te sterven opgenomen zijn ten hemel.

V. Waardoor zou de mensch zijn blijven leven ?

A. Door te eten van den hoorn des levens, welke daartoe door God in het midden van het paradijs geplant Avas, om den mensch in het leven te bewaren.

ocr page 54

V. Waarvan is deze boom ecne afbeelding?

A. Van bet H. Sacrament des Altaars, dat immers ook bet middelpunt der Katholieke Kerk is, en dient om den menscb het leven der ziel. d. i. de liefde Gods te doen behouden.

V. U. Wat moesten zij doen, om in dien gelukkigen staat te blijven en eeuwig gelukkig te worden ?

A. Zij moesten aan God gehoorzaam zijn, en Hem getrouwelijk dienen.

V. u. w aardoor heeft God hunne gehoorzaamheid willen beproeven ?

A. Door hun een gebod te geven, dat zij van de vrucht eens booms, die midden in. het paradijs stond, niet zouden eten.

V. Waarom heeft God dat aan# Adam verboden ?

A. Dit beeft God verboden, opdat Adam zijne gehoorzaamheid en onderworpenheid aan Hem zou tooneu; en opdat hij gelegenheid tot verdiensten zou hebben.

V. 's B. Zijn Adam en Eva in den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid gebleven ?

A. Neen, zij zijn in de slavernij des duivels gevallen.

V. Wat verstaat gij door de slavernij des duivels ?

A. De ellende naar ziel en lichaam gedurende het leven, zoodat de menscb zich niet uit zijn val kon opheffen, noch aan de bekoring des duivels wederstaan uit eigen kracht.

V. 's B. Hoe zijn zij in de slavernij des duivels gevallen ?

A. Door het eten van de vrucht, welke God bun verboden had.

V. Welke was die vrucht ?

A. De vrucht van den hoorn der kennis van r/oed en lauaad; dat wil zeggen : de menscb zou bij oudervinding leeren kennen het onderscheid tusschen het goed, waarvan Mi zich afgewend, en het kwaad, dat hij vrijwillig gekozen had.

V. U. Zijn Adam en Eva aan God gehoorzaam gebleven ?

A. Neen; zij hebben van de verboden vrucht gegeten.

V. U. Hoe zijn zij tot die ongehoorzaamheid gekomen ?

A. De duivel in de gedaante eener slang verleidde Eva, en Eva verleidde Adam.

V. U. Was die ongehoorzaamheid van Adam en Eva groote zonde ?

A. Het was cene groote zonde, omdat zij den duivel meer geloofden dan God, en zich door den duivel tot hoovaardigheid lieten verleiden.

V. Welke zonden bedreven Adam en Eva door van de verboden vrucht te eten ?

A. Nieuwsgierigheid, ongeregelde zucht naar kennis, hoovaardigheid, ongehoorzaamheid, ondankbaarheid.

V. U. Welke straffen heeft die zonde hun naar ziel en lichaam berokkend ?

ocr page 55

51

A. Naar de ziel verloren zij do genade Gods en het recht op den hemel; naar het lichaam werden zij aan lijden en dood onderworpen.

V, U. Hoedanig was hun verstand en hun vrije wil na de zonde ?

A. Hun verstand was verduisterd, en hun vrije wil verzwakt en tot het kwaad geneigd.

V. 's B. Heeft Adam maar alleen gezondigd met van die vrucht te eten ?

A. Xeen, alle menschen hebben in Adam gezondigd, en zijn in de slavernij des duivels gevallen.

V. IJ. Heeft Adam alleen zich zeiven door de zonde ongelukkig gemaakt ?

A. Xeen. hij heeft door de zonde al zijne nakomelingen in het ongeluk medegesleept.

V. Hoe hebben alle menschen in Adam knnnen zondigen ?

A. Omdat niet alleen de persoon van Adam, maar ook zijne natuur getroffen werd door de berooving der oorspronkelijke rechtvaardigheid. Wij dus, die van Adam afstammen, doelen in Zijne natuur; en worden met eene aan God vijandige natuur geboren. De staat van zonde wordt ons niet slechts aangerekend, maar is ons persoonlijk eigen.

V. TJ. Hebben Adams nakomelingen die zonde ook met de daad bedreven?

A. Zij hebben die zonde niet met de daad bedreven, doch overgeërfd, en moeten de straffen van die zonde dragen.

V. U. Welke zijn de straffen, die Adams nakomelingen moeten dragen ?

A. Dat zij geboren worden in de slavernij des duivels, beroofd van Gods genade en het recht op den hemel, en ook aan lijden en dood onderworpen.

V. U. Heeft de zonde ook hun verstand en hun vrijen wil benadeeld ?

V. Ja, hun verstand is verduisterd en hun vrije wil verzwakt.

V. 's B. Hoe wordt die zonde genoemd, waardoor alle menschen in Adam gezondigd hebben ?

A. Erfzonde.

V. 's B. Waarom wordt die zonde genoemd erfzonde.

A. Omdat alle menschen die van Adam erven.

Y. R. Hoedanig komen de menschen ter wereld tengevolge dier erfzonde ?

A. Als kinderen van Gods gramschap, daar hunne ziel dood is voor God.

V. Hoe weten wij, dat alle menschen met de zonde behebt ter wereld komen ?

A. Dit weten wij 1°. uit de H. Schrift ; „door één nienschisde

ocr page 56

52

„zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en alzoo is op alle menschcn de dood overgegaan, omdat allen gezondigd hebben.quot; (Rom. V, 12.) Wij zijn van nature kinderen der gramschap. (Eph. 11, 3.)

2°. Uit de leer en de gebruiken der Kerk. De Kerkvaders van alle, ook de eerste eeuwen des Christendoms leeren dit. en daarom heeft de Kerk de pasgeboren kinderen gedoopt en over hen bezweringen gedaan, wat niet noodig zou zijn geweest indien deze niet van de macht der duisternis en van den vorst des doods moesten bevrijd worden.

3°. Zelfs de heidenen kenden onvolkomen dit bederf als een gevolg van de zonde deels uit de algemeen verbreide overlevering, deels uit de ellende van het menschdom.

V. Is Adam na zijne zonde van God verlaten ?

A. Neen, God gaf hem de genade van boetvaardigheid en beloofde hem een Verlosser.

V. 's B. Is er niemand van de erfzonde bevrijd gebleven ?

A. Ja, het is een punt van ons geloof, dat de H. Maagd Maria door de verdiensten van Christus daarvan is bewaard gebleven.

V. TJ. Zijn alle menschen zonder uitzondering met de erfzonde bevlekt ?

A Alle menschen zijn daarmede bevlekt, behalve onze Verlosser Jesus Christus en Zijne Moeder de H. Maagd Maria.

V. Waardoor wordt dit voorrecht van Maria, hare Onbevlekte Ontvangenis, vooral vereerd ?

A. Door den feestdag der Onbevlekte Ontvangenis, welke jaarlijks den 8 December gedurende acht dagen gevierd, en van eene Novene of negendaagsche oefening voorafgegaan wordt.

Door dagelijks „een Wees gegroetquot; 's morgens en 's avonds ter eere der zuiverheid van Maria alsook het volgende gebed te bidden: „O mijne Meesteres, o mijne Moeder, ik draag mij geheel aan U „op, en om U te toonen, dat ik U ben toegedaan, wijd ik U heden „toe mijne oogen. mijne ooren, mijn mond, mijn hart. geheel mij „zeiven. Dewijl ik aldus, o mijne goede Moeder, de Uwe ben, „bewaar mij, verdedig mij als uw goed en uw eigendom.quot; Door dikwijls de schietgebeden te herhalen: „Gezegend zij de heilige en „onbevlekte Ontvangenis der gelukzalige Maagd Maria, Moeder van „God.quot; (1) „In uwe Ontvangenis, o H. Maagd, zijt Gij onbevlekt ge-„weest; bid voor ons den Vader, Wiens Zoon Jesus Gij van den „H. Geest ontvangen en gebaard hebt.quot; (2)

V. Wanneer is dit geloofspunt uitgesproken ?

(1) 300 dagen aflaat, zoo dikwijls men een dezer niet een rouwmoedig hart bidt. Pius VI, 21 Nov. 1793.

(2) 100 dagen aflaat.

ocr page 57

53

A. Den 8e December 1854 werd het door 1'aus Pius IX uitgesproken (door de H. Kerk voorgehouden), dat deze waarheid door God geopenbaard is.

V. Wanneer had God reeds geopenbaard, dat Maria onbevlekt zou zijn.

A. In het aardsch paradijs; als God aan Adam den Verlosser beloofde, voorspelde Hij ook Diens onbevlekte Moeder doordat Hij tot den duivel sprak: ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw..... en zij zal u den kop verpletteren.quot;

V. 'sB. Is de mcnsch nog in den staat, waarin Adam hem gebracht heeft, of in de slavernij des duivels'?

A. Xeen, Christus heeft hem daaruit verlost.

V. Br. Wie is op aarde gekomen, om den mensrh uit de slavernij des duivels te verlossen ?

A. Jesus Christus.

V. ü. Hoe zoude het nu na de zonde van Adam in eeuwigheid met de menschen gaan, indien God hen niet hielp?

A. Indien God den mensch niet ter hulp kwam, zou niet één mensch in den hemel komen.

V. TJ. Heeft God ook hulp en redding beloofd?

A. Ja, God beloofde een redder, die de menschen van de zonde verlossen en hen helpen zou, om wederom den hemel te verdienen.

V. II. Wanneer gaf God die belofte ?

A. God gaf die belofte terstond, nadat Adam en Eva gezondigd hadden; naderhand heeft Hij die belofte dikwijls vernieuwd.

V. TJ. Werd die belofte spoedig vervuld ?

A. Xeen. eerst omstreeks 4000 jaren daarna.

V. TJ. Moesten dan alle menschen, die vóór de komst des Verlossers stierven, eeuwig van den hemel beroofd blijven ?

A. TJ. Neen, zij konden om de verdiensten van den beloofden Verlosser, met Gods hulp den hemel verdienen.

V. U. Bleven de eerste nakomelingen van Adam en Eva voortaan aan God getrouw?

A. Neen, al spoedig maakten zich eenigen aan groote zonden schuldig, en later gaven zich bijna allen aan de zonde over.

V. U. Met welke verschrikkelijke straf heeft God die zondige menschen gekastijd ?

A. God liet door den zondvloed alle menschen omkomen, behalve den godvreezenden Noë en diens huisgezin.

V. TJ. Bleven de menschen na den zondvloed aan God getrouw ?

A. Neen, zij vielen van God af, en r-aakten zich aan afgoderij schuldig.

V. TJ. Was er niet één volk, dat de kennis van den waren God bleef behouden ?

A. Ja, God had zich de Joden of Israëlieten tot een bijzonder

ocr page 58

54

volk bestemd, hetwelk de kennis van den waren God moest bewaren.

V. Gaf God ook aan de Heidenen middelen en genade tot heil hunner zielen ?

A. Ja, Hij maakte zich niet alleen aan de Joden, maar aan alle menschen bekend, en vermaande hen op velerlei wijze tot boetvaardigheid en bekeering:

1°. Door de stem des gewetens en door inwendige inspraken.

2°. Door weldaden in de orde der natuur.

3quot;. Door straffen: zondvloed, Sodoma, Egypte.

4°. Door buitengewone mannen, als Job, Melchisedech, Balaam, Jonas, Daniël.

5°. Door de Israëlieten, die God met hunne heilige Boeken onder de Heidenen verstrooide.

6°. Door Engelen, droomen, wonderbare verschijningen of voorvallen : Balaam, Balthasar, Cornelius.

V. Wie waren de stamvaders van dat uitverkoren volk?

A. De stamvaders waren Abraham, Isaac en Jacob.

V. U. Had God aan de Joden geleerd, hoe zij Hem moesten dienen?

A. Ja, God had hun daartoe door Mozes eene bijzondere wetgeving geschonken.

V. U. Moest de beloofde Verlosser uit het Joodsche volk voortkomen ?

A. Ja, God had dit uitdrukkelijk door de Oud vaders en Profeten beloofd.

V. Is de komst van den Verlosser dikwijls voorzegd ?

A. Ja, de Profeten hebben langen tijd te voren alle bijzonderheden van zijne geboorte, van zijn leven, lijden, sterven en verrijzenis voorzegd.

V. Wie waren de Profeten?

A. Profeten waren heilige, door God opgewekte mannen, om do Joden te vermanen of te bestraffen, die de toekomst voorspelden en hunne zending door wonderen bekrachtigden.

V. Noem eenige.

A. Isaïas, Jeremias, Ezechiël, Daniël, die groote Profeten genoemd worden. Osee, Malachias, Sophonias, Jonas, Habacuc behooren tot de twaalf kleine Profeten.

V. Wie is die Verlosser ?

A. Christus, ook Messias genoemd, welk woord, evenals Christus beteekent: gezalfde.

V. Waardoor is bewezen, dat Christus de beloofde Messias was ?

A. Bijzonder wordt dit hierdoor bewezen, dat alles volbracht is, wat de Profeten van den Verlosser voorzegd hebben, en omdat Jesus zelf heeft verklaard, dat Hij de Messias is. welke verklaring-Hij door vele wonderen, maar het krachtigst door Zijne Verrijzenis heeft bewezen.

ocr page 59

NEGENDE LES.

Van de Mensclitvordincj van God den Zoon.

(TJ. 12e, 13®, 14e cn löe les. — Br. 9e les. — B,. 7e les.)

V. quot;sB. Welk is het tweede artikel van liet Symbolmu des Geloot's ?

A. En (ik geloof) in Jesus Christus. Zijnen eenigen Zoon onzen Heer.

V. R. Wat beteekenen; Jesus en Christus?

A. Jesus beteekent Verlosser, en Christus gezalfde.

In de oude Wet werden drie personen gezalfd: koningen, priesters en profeten; Christus nu is Koning van hemel en aarde; Hoogepriester cn Profeet bij uitnemendheid.

V. Waarom moeten wij zoo grooten eerbied hebben voor don naam Jesus ?

A. 1°. Om de heteekenis van dien naam welke is; Heiland, Ver-lossor, Zaligmaker.

2°. Om de heiligheid 'van dien naam, waarom hij ook altijd genoemd wordt: de heilige Naam. Deze naam werd immers door God zelf gegeven.

•'i0. Om do liracJd van dien Naam, waardoor wonderen geschieden, waarvoor de duivelen beven, enz.

4°. Om de zoetheid van dien naam; daarom ook wel de Zoete Naam geheeten: „honig in den mond, een aangename klank voor het oor, jubel in het hart.quot; (H. Bern.)

V. Hoe kunnen wij dien H. Naam eeren ?

A. 1°. Door den feestdag van den H. Naam te vieren, welke de Kerk heeft ingesteld, en viert den 2en Zondag na Driekoningen, ofschoon bij de Besnijdenis (1 .Jan.) die naam aan het kind gegeven Was. Dien dag viert de Kerk ook den feestdag van het Geestelijk Verhond, dat is ingesteld om de godslasteringen tegen te gaan en te bidden voor hen, die er zich aan schuldig maken.

2°. Door dikwijls de Litanie van den H. Naam te bidden, welke de Kerk met aflaten heeft verrijkt. (1)

3°. Door den H. Naam Jesus in de bekoring en vooral aan te roepen en dien altijd met eerbied (door het hoofd te buigen) uit te spreken.

V. quot;s B. Wie is Jesus Christus?

A. God de Zoon, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid, mensch geworden.

V. Waarom wordt gezegd: Zijn ('■énigen Zoon; zijn niet alle menschen Gods kinderen?

(1) 300 dagen aflaat eons per dag.

ocr page 60

56

A. Dit wordt gezegd, omdat God de Vader slechts één Zoon heeft van natuur, door eeuwige geboorte ; want wij zijn aangenomen kinderen door genade.

V. U. Wat heeft Gods Zoon gedaan, om onze Verlosser te worden ?

A. Gods Zoon is voor ons mensch geworden.

V. U. en R. Wat wil zeggen: Hij is monsch geworden ?

A. Dit wil zeggen: Hij heeft de menschelijke natuur, dat is, een menschelijk lichaam en eene menschelijke ziel aangenomen.

V. R. Is God de Vader en God do H. Geest ook voor ons mensch geworden ?

A. Neen, God de Zoon alleen.

V. 's B. Is Jesus Christus God of mensch ?

A. Hij is God en mensch te zamen.

V. Waf was de Zoon Gods eer Hij mensch werd?

A. Hij was God van eeuwigheid.

V. 's B. Hoeveel naturen zijn er dus in Christus ?

A. In Christus zijn twee naturen: de goddelijke natuur en do menschelijke natuur.

V. TJ. en E,. Is Gods Zoon. toen Hij mensch werd ook God gebleven ?

A. Ja, en daarom is Hij God en mensch tegelijk; waarachtig God en waarachtig mensch.

V. Hoe zijn de goddelijke en menschelijke natuur vereenigd ?

A. Die beide naturen zijn elk in haar soort volkomen en in de haar eigene werkingen onafhankelijk. Zij bestaan in Christus onderscheiden en onvermengd, en toch onafscheidelijk vereenigd in den éénen Persoon van den Zoon Gods.

V. Zijn er in Christus ook- twee van elkander onderscheiden willen ?

A. Ja, er bestaat in Jesus Christus een goddelijke en een menschelijke wil, welke laatste echter aan den goddelijken volkomen onderworpen is.

Hieruit begrijpen we Jesus' doodsangst in den hof en zijn gebed: niet mijn wil, maar uw wil geschiedde.

V. Mogen we het lichaam, de menschelijke natuur of een gedeelte daarvan b.v. het Hart van Christus aanbidden ?

A. Ja, „want wij aanbidden dit lichaam of gedeelte des lichaams ..niet afgezonderd van het eeuwig Woord ; evenmin scheiden wij ,.het Woord van het vleesch, wanneer wij het willen aanbidden.quot; (H. Athan.)

V. 's B. En hoeveel Personen zijn er in Christus ?

A. In Christus is slechts één Persoon, te weten : de Goddelijke Persoon, R. die de menschelijke natuur heeft aangenomen.

V. U. Zijn er ook twee personen in Christus ?

A. Neen, Jesus is slechts één Persoon, en wel een Goddelijk

ocr page 61

57

Persoon; do bcido naturen zijn in één Persoon onafscheidbaar ver-eenigd.

V. Waaruit blijkt, dat in Christus slechts één persoon is ?

A. Uit de leering der H. Kerk, gegrond op de H. Schrift, volgens welke het onder anderen dezelfde Zoon des menschen is, die als God in den hemel woont, uit den hemel is gedaald en als mensch weder ten hemel is geklommen.

V. 's B. Hoe is God de Zoon mensch geworden ?

A. Hij heeft door eene bijzondere werking van den H. Geest de menschelijke natuur aangenomen in den maagdolijken schoof van Maria.

V. Er. Is Jesus Christus ook van eeuwigheid mensch?

A. Neen, Jesus is mensch van don tijd. dat Hij de menschelijke natuur heeft aangenomen.

V. U. Hoe is Gods Zoon mensch geworden?

A. Hij is ontvangen van den H. Geest en geboren uit de quot;Maagd Maria.

V. ;s B. In welk artikel van het Symbolimi des Geloofs belijden wij dit?

A. In het derde artikel, dat luidt: Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria.

V. U. Van wien heeft de H. Maagd Maria haren Goddelijken Zoon ontvangen?

A. Zij hoeft haren Zoon ontvangen van den H. Geest.

,.Zie, sprak de Engel Gabriël tot Maria, gij znlt in uwen schoot „ontvangen en eenen Zoon baren, en Zijnen Naam zult gij Jesus „heeten.... De H. Geest zal over IJ komen, en do kracht des Aller-,.hoogsten zal u overschaduwen: daarom zal ook het Heilige, dat „uit u zal geboren worden. Gods Zoon genoemd worden.quot;

V. Wanneer vieren wij de gedachtenis van deze werking van den H. Geest ?

A. 1°. Jaarlijks op don 25 Maart, den feestdag van de Boodschap des Engels aan Maria.

2°. In de gulden Mis, welke op Quatertemper-Woensdag in den Advent wordt opgedragen.

3°. Ook dagelijks worden wij er driemaal aan herinnerd, door het gebruik 's morgens, 's middags en 's avonds bij het luiden der klok den „Engel des Heerenquot;' te bidden.

4quot;. De Priester knielt in elke Mis onder het St. Jans- of laatste Evangelie, alsook onder het Credo bij de woorden: Et Verhum Cara factum est: en het Woord is vleesch jeiuorclen, om de Menschwording van Christus te gedenken, te eeren.

V. U. Wie was dus de Moeder van Gods Zoon, uit wie Hij als mensch geboren werd?

A. De heilige, onbevlekte Maagd Maria.

ocr page 62

58

V. U. Is clan clc H. Maagd Maria waarlijk de Moeder Gods?

A. Zij is waarlijk de Moeder Gods, omdat zij Jesus ('liristus, die God on mensch te zamen is, heeft ter wereld gebracht.

V. U. Is de H. Maagd altijd maagd gebleven? .

A. Ja, dit wordt uitdrukkelijk door de Kerk geleerd.

V. Heeft Jesus Christus ook een vader ?

A. Jesus Christus heeft als God een vader, do A geene moedor; en zoo heeft Hij als mensch wol eene moeder, doch geen vader.

V. 's li Is do H. Jozef de Vader van Christus geweest ?

A. Hij is de natuurlijke vader van Christus niet geweest, maar alleen zijn voedstervader of bewaarder.

V. Waarom moeten wij den H. Jozef eeren ?

A. Omdat God zelf van hom zegt, „dat hij een rechtvaardigequot; was, en omdat Jesus aan hom onderdanic/ was, en hij de groote oer werd waardig gekeurd, de bewaarder en verzorger van Jesus on de man van Maria te zijn, tot welke ovorgroote waardigheid hij om zijne schitterende deugden verkozen was.

V. In welke deugden heeft de H. Jozef bijzonder uitgemunt ?

A. In geloof aan de ondoorgrondelijke geheimen der Monsch-wording; — in liefde tot hot goddelijk Kind en Diens onbevlekte Moeder; — in zuiverheid, als Hij Maria's toestand aanzag, en dacht haar te verlaten ; — in gehoorzaamheid bij zijne vlucht naar — en zijn terugkeer uit Egypte ; — in geduld bij droefheid en vervolging; — in ootmoedige tevredenheid met zijn nedorigon staat,

V. Wat heeft de H. Kerk gedaan ter eere van don H. Jozef?

A. 1. In 1870 riep Paus Pius don H. Jozef uit tot Beschermer, Patroon der Katholieke Kerk, welk feest dor Bescherming van den H. Jozef gevierd wordt den 3en Zondag na Paschen.

2. Den feestdag van den H. Jozef, den 19 Maart, verhief Paus Leo XIII tot een der grootste feesten (Ie klas).

3. Zij die de maand Maart, aan den H. Jozef toegewijd, vieren, kunnen vele aflaten verdienen, gelijk er ook verbonden zijn aan de godsvruchtoofoningen ter eere van den H. Jozef: b.v. ter eere zijner zeven smarten en zeven vreugden, enz.

V. Voor wie is de H. Jozef een voornaam beschermer ?

A. Voor alle staten en standen; meer bijzonder echter voor de armen en do werMieden : voor de getrouwden tot het getrouw beleven van den huwelijken staat; — voor allen tot verkrijging van een zaligen dood.

V. 's B. Waar is Christus geboren ?

A. In eenen stal te Bethlehem.

V. Waar ligt Bethlehem ?

A. Bethlehem is een klein stadje van Judea, oeno provincie van Palestina of het Heilig Land, in Klein-Azië.

V. Woonden Maria en Jozef te Bethlehem ?

ocr page 63

59

A. Neen, zij woonden to Xazaretb, eon stadje in de provincie Galilea.

V. Waarvoor kwamen zij dan naar Bethlehem ?

A. Zij ging'en naar Bethlehem, waar hunne voorouders van daan waren, om zich te laten opschrijven, zooals door den Romeinschen Keizer Augustus was bevolen. Om dit bevel te volbrengen moesten alle Joden derwaarts, wier voorouders daar geboren waren, en zoo was het stadje overvol, toen Maria en Jozef daar kwamen, en konden zij geen plaats krijgen in eene herberg; weshalve zij zich huiten de stad begaven, om daar in een stal den nacht door te brengen.

V. Wanneer is ('hristus daar geboren ?

A. Den 25 December, ongeveer te middernacht.

V. 's B. Wanneer houden wij de gedachtenis der Geboorte van Christus?

A. Met Kerstmis.

V. Wat beteekem Kerstmis'?

A. Kerst is een woord afgeleid van Christ; Mis wordt er bijgevoegd, omdat immers daardoor de geboorte van Christus herdacht en gevierd wordt.

V. Welke voorrechten zijn aan dezen dag verbonden ?

A. 1quot;. Dien dag, op een Vrijdag vallend, is het geoorloofd vleesch te eten.

2quot;. Dien dag mogen alle priestors driemaal het H. Misoffer opdragen.

V. Welke beteekenis wordt aan deze drie Missen gegeven ?

A. Door de eerste of Nachtmis herdenken we Jesus' geboorte als inenscJi te Bethlehem.

Door de ticeede of Herdersinis Zijne komst in onze harten door zijne liefde.

In de derde of Hoogmis de eeuwige rjéboorte van Jesus Christus als God uit Zijn hemelschen Vader.

V. U. Hoe lieeft God de geboorte van Zijn monschgoworden Zoon door de Engelen aangekondigd en verheerlijkt ?

A. Eene groote menigte Engelen daalden van den hemel af en zongen het schoone loflied: Eere zij God in den hooge, en vrede op aarde den menschen van goeden wil. (Gloria in excelcis Deo, et in terra pax hominibus bonae voluntatis.)

V. u. w ie waren de gelukkige menschen, die 'teerst het goddelijk Kind in den stal kwamen aanbidden ?

A. De vrome en eenvoudige herders, die van een Engel gehoord hadden, dat de Verlosser der wereld geboren was.

V. Ü. Maakte God de geboorte van den Zaligmaker ook buiten het Joodsche land bekend?

A. Ja, God maakte ze door de verschijning van eene buiten-

ocr page 64

60

gewone ster, bekend aan de drie Koning-en of Wijzen uit het Oosten.

V. U. Wat deden de drie Koningen, toen zij de ster zagen ?

A. Zij gingen terstond het Kind opzoeken, eerst te Jerusalem en vervolgens te Bethlehem, waar zij het Kind vonden.

V. U. Hoe bewezen de drie Koningen den Zaligmaker hunne vereering ?

A. Zij vielen voor Hem neder, aanbaden Hem en gaven Hem groote geschenken.

V. Welke geschenken gaven zij aan Jesns, en wat beteekenen deze ?

A. Zij offerden goud aan Jesus als Koning; tvierooh als God: mijrrhe als mensch.

V. U. Wanneer wordt de gedachtenis gevierd van de aanbidding der drie Koningen ?

A. Op den feestdag der Verschijning des Heeren, of Driekoningen-dag. (6 Januari.)

V. Wat zijn wij vooral op dien dag verplicht te doen?

A. Dan vooral moeten wij God bedanken voor het Geloof, dat Hij, gelijk hier aan de heidensche Koningen, zoo ook aan onze heidensche voorouders geschonken heeft.

V. Hoe kunnen wij aan God dankbaar zijn voor de gave des Geloofs ?

A. Door, zooveel in ons is, mede te werken dat ook de onge-loovigen God kennen.

V. Welk genootschap dient daartoe ?

A. Het genootschnp der H. Kindsheid, dat ten doel heeft de kinderen der Heidenen en ongeloovigen te doopen, op te voeden en tot brave Christenen te vormen.

V. Wie kunnen daarvan lid zijn, en wat wordt daartoe vereischt ?

A. Alle kinderen, ook de moeders voor de kinderen. Het is noodig dat zij dagelijks bidden of voor hen gebeden wordt één „Wees gegroetquot; en het schietgebed: H. Maagd Maria, hid voor on* en voor de arme ongeloomge kindertjesquot; : alsmede dat alle maanden 21/1. cent geofferd wordt.

V. Is de H. Kindsheid ook nuttig en voordeelig voor onze kinderen ?

A. Ja, om van God de genade des Doopsels, eene onschuldige jeugd en eene waardige le H. Communie te verkrijgen. Daarenboven leeren de kinderen van jongs af barmhartig zijn, hun geloof waardeeren, sparen, enz.

V. Wat hebben de Drie Koningen daarna gedaan?

A. Op vermaning van een Engel zijn zij langs een anderen weg naar hun land teruggekeerd, hebben heilig geleefd en zijn heilig gestorven. Zij worden daarom als Heiligen in de Katholieke Kerk vereerd.

ocr page 65

61

V. U. Wat deed de Joodsche koning Herodes, toen hij vernam dat de Zaligmaker geboren was ?

A. Hij wilde Jesus dooden, en liet te Bethlehem en in de omstreken alle kinderen ombrengen, die twee jaren en daaronder oud waren.

V. Worden deze kinderen als martelaarsquot; geëerd ?

A. Ja, de Kerk viert hun feest den 28 December, want ,.zij hebben Christus niet door te spreken maar door te sterven beleden.quot; (Kerk. Off.)

V. IJ. Hoe kwam het, dat Jesus ook niet omgebracht werd?

A. Jozef Avas op waarschuwing van een Engel met het Kind en Zijne Moeder naar Egypte gevlucht.

V. TJ. Wanneer hadden Simeon en Anna het geluk van Jesus als den Zaligmaker te erkennen?

A. Toen Jesus, veertig dagen na Zijne geboorte, door Maria in den tempel aan God werd opgedragen.

V. TT. Op welken feestdag wordt ons die opoffering van Jesus in den tempel herinnerd ?

A. Op den feestdag van Marie-Zuivering of Lichtmis. (2 Febr.)

V. Welke plechtigheden herinneren ons aan Maria's Zuivering en do opdracht van Jesus ?

A. I9. De processie met kaarsen, welke op Lichtmis gehouden wordt, brengt ons den tocht van Maria en Jozef met Jesus te binnen.

2°. De Icerkganr) der vrouwen herinnert ons aan Jesus' opdracht en Maria's Zuivering.

V. Waartoe worden de kaarsen gewijd?

A. Om door de gebeden der Kerk van ongelukken'bij stormen en onweders, als wanneer ze gebruikt worden, bevrijd te blijven. Ook is de brandende kaars, welke aan doopelingen en stervenden in de hand wordt gegeven, het zinnebeeld van het fjeloof, dat ze ontvangen en waarmede zij de eeuwigheid ingaan.

V. TJ. en Br. Waar woonde Jesus, nadat Hij uit Egypte was teruggekeerd.

A. Hij woonde te Nazareth, in de nederige woning van Jozef en Maria.

V. U. en Br. Van welke deugden gaf ons Jesus in zijne jeugdige jaren het treffendst voorbeeld ?

A. Van gehoorzaamheid, godsvrucht en alle deugden, welke Hem bij God en de menschen zoo welbehagelijk maakten.

V. Bestaat het huisje van Nazareth nog?

A. Ja, dit zelfde armoedig huisje bestaat nog te Loreto in Italië, waar het in 1295 door de Engelen werd neergezet en thans, met kostbaar marmer bekleed, het sieraad is der grootsche kathedraal, waarin het bewaard wordt.

ocr page 66

62

V. W at wordt in het Evangelie verhaald van Jesus, toen Hij twaalf jaren oud was ?

A. Dat Hij met Maria en Jozef naar den tempel te Jerusalem ging. Verloren, werd Hij teruggevonden zittende te midden dei-leeraars. die verwonderd waren over Zijne wijsheid en antwoorden.

V. Waarom is uit de H. Schrift niets meer bekend ?

A. Daardoor wil God te kennen geven, dat een kind niets anders te doen heeft dan. en de hoogste volmaaktheid bereikt, als het onderdanig is aan zijne ouders.

V. Hoelang moet een kind onderdanig zijn aan zijne ouders?

A. Volgens het voorbeeld van Jesus zoolang als het onder het ouderlijk dak verblijft. Jesus was immers dertig jaren oud, toen Hij zijn openbaar leven begon.

V. Wat moeten de ouders leeren van dit heilig huisgezin : Jesus, Maria en Jozef?

A. Godsdienstigheid, liefde jegens elkander, tevredenheid, huiselijkheid, zorg voor de opvoeding der kinderen. (Zie verder de 38® les.)

V. Wordt op deze deugden ook bijzonder gewezen door de H. Kerk?

A. Ja, door de instelling van de Algemeene H. Familie : en dooide viering van een jaarlijkschen feestdag ter eere der H. Familie den 3en Zondag na Driekoningen (:580 les).

V: Br. Hoelang heeft Jesus op aarde geleefd ?

A. Drie en dertig jaren.

V. TJ. en Br. Wat deed Jesus, toen Hij dertig jaren oud was?

A. Toen begon Hij Zijn openbaar leven, en liet Hij Zich doopen in de Jomaan door den H. Joannes; — vaste veertig dagen en nachten in de woestijn, en trad daarna als goddelijk leeraar der menschen op.

V. Wie was Joannes de Dooper?

A. De Zoon van Zacharias en Elisabeth, die een zeer streng leven leidde, de komst van Christus aankondigde, — waarom hij diens Voorlooper genoemd woidt — boetvaardigheid deed en predikte, en hen, die boetvaardigheid wilden doen, tot bewijs daarvan doopte.

V. Br. Wat geschiedde er bij het Doopsel van Christus ?

A.' De H, Ceest. onder de gedaante eener duif, daalde over Hem neder en Zijn hemelsche Vader getuigde van Hem: ,.Deze is mijn beminde Zoon, in-Wien Ik mijn welbehagen heb.quot;

V. Br. Wat deed Jesus, nadat Hij in den Jordaan gedoopt was?

A. Hij ging naar de woestijn, vastte er veertig dagen en nachten en liet toe, dat de duivel Hem bekoorde. -

V. Br. Waarom liet Jesus die bekoring toe ?

A. Om ons te leeren, hoe wij de bekoring moeten overwinnen.

V. Br. Wat deed Jesus, na do woestijn verlaten te hebben ?

ocr page 67

63

A. Hij koos zich twaalf Apostelen en doorreisde niet hen het land van Jndea overal leerende en weldoende.

V. u. w aaroni koos Jesus, toen Hij als leeraar optrad. Zich twaalf leerlingen of Apostelen'?

A. Opdat zij als getuigen van Jesus' leer en werken zouden verkondigen, wat zij van Hem gehoord en gezien hadden, en zouden doen wat Hij hun bevolen had.

V. U. Leerde Jesus slechts op enkele plaatsen en in het geheim ?

A. Xeen, Hij reisde met Zijne Apostelen het land rond, om overal openlijk Zijne leer te verkondigen.

V. Br. Wat leerde' Jesus van Zichzelven ?

A. Dat Hij waarlijk God is en van den Vader was gezonden.

V. U. en Br. Waardoor overtuigde Jesus de menschen van de waarheid Zijner leer ?

A. Jesus toonde duidelijk de waarheid van Zijne leering door Zijn heiligen levenswandel en vele mirakelen; — door groote en ontegensprekelijke wonderen, die Hij allerwege en in liet bijzijn van vele menschen verrichtte.

V. U. en Br. Noem eenige wonderen van Jesus.

A. Jesus veranderde water in wijn op de bruiloft te Cana: voedde duizende menschen met weinige brooden; stilde zee en stormen, genas met een enkel woord tallooze zieken, genas blinden, dooven en zieken, dreef de duivelen uit en wekte de dooden tot het leven op.

V. Br. Welk is het grootst mirakel, dat Jesus gedaan heeft?

A. Daf Hij zelf. gelijk Hij voorspeld had, den derden dag van de dooden verrezen is.

V. U. Geloofden in Jesus allen, die Zijne leer hoorden en Zijne wonderen zagen?

A. Velen geloofden in Hem, maar ook velen, vooral onder de Joodsche priesters waren Jesus vijandig en vervolgden Hem.

V. u. w aarom waren de priesters en Pharizeeën zoozeer tegen Jesus verbitterd ?

A. Omdat Hij openlijk hunne boosheid en schijnheiligheid bestrafte, en omdat velen van het volk Jesus aanhingen.

A'. U. «Kon en wilde Jesus de vervolgingen Zijner vijanden niet ontgaan ?

A. Zoker konde Hij die ontgaan, maar Hij wilde niet, omdat Hij uit gehoorzaamheid jegens Zijn hemelschen Vader, en uit liefde tot de menschen lijden en sterven wilde.

V. 's B. Waarom wordt Christus meer genoemd onze Heer dan God de Vader?

A. Omdat Hij ons en alle menschen niet alleen gelijk God de Vader heeft geschapen, maar ook, als wij verloren waren, door Zijn bloed heeft gekocht en verlost.

V. u. w aarom noemen wij Jesus Christus onsen Heer?

ocr page 68

64

A. Omdat Jesus God is, aan Wien alle niensdien toebehooren; en omdat Hij ons door Zijn blood van de slavernij des duivels heeft vrijgekocht.

V. Zijn wij dan aan Christus dubbele dankbaarheid schuldig?

A. Ja, wij moeten Hem dubbel dankbaar zijn even als een kind aan zijn vader, dat niet alleen het leven van zijn vader ontvangen, maar dat daarenboven nog door hem gered is van den dood.

TIENDE LES.

Van het lijden van Christus en de verlossinrj.

§ 1-

U. 16e les. - Br. 9e les § 2. — R. 3° les.

V. 's B. Waarom is God de Zoon mensch geworden ?

A, Om ons door Zijn voorbeeld en Zijne leer den weg naar den hemel te toonen, en om ons uit de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen.

V. Is Jesus alleen mensch geworden om ons te verlossen ?

A. Neen, maar ook om ons te leeren, wat we moeten doen, om in den hemel te komen.

V. Hoe heeft Hij dat geleerd?

A. Door Zijn voorbeeld d. i. door ons voor te doen wat Hij leerde.

V. Geef daarvan eenige voorbeelden.

A. Jesus leerde: „Zalig de armen!quot; en Hij zelf bezat geen steen om Zijn hoofd ter ruste te leggen. Jesus leerde hidden en Hij zelf bracht de nachten door in het gebed. Jesus werd behoord, om ons te leeren hoe wij ons daarin gedragen moeten qui te overwinnen : „waken en biddenquot; had Hij ons geleerd. „Leert van mij,quot; sprak Jesus. „dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte benquot;: en „gelijk een lam, dat ter slachtbank geleid wordt, zoo deed Hij Zijn mond niet openquot; bij alle vervolging, beleediging en smart. Liefde tot de vijanden had Jesus gepredikt: Hij zelf bad aan het kruis voor zijne kruisigers : behandelde Judas met de grootste liefde, enz.

V. Welk is het mysterie der verlossing?

A. Dit mysterie is, dat Jesus Christus voor den mensch leed en stierf.

V. 's B. Kon de mensch zich zelf niet verlossen ?

ocr page 69

65

A. Neen, want de menscli kon voor de zonde niet voldoen.

V. 's B. Waarom kon de mensch voor de zonde niet voldoen ?

A. Omdat de zonde van eene oneindige boosheid is; en daarom moest de Persoon, die daarvoor voldoen en ons verlossen zou, ook van oneindige waardigheid zijn.

V. Hoe groot was de schuld der zonde ?

A. Oneindig, want de beleediging, God door de zonde aangedaan, was oneindig.

V. Waarom was het noodig, dat de Persoon, die deze schuld kon en wilde afdoen. God was en mensch beiden?

A. Die persoon moest mensch zijn, omdat de mensch God be-leedigd had; alsook om te kunnen lijden en sterven. Hij moest ook God zijn, omdat anders die afdoening geene oneindige waarde had, en dus niet opwoog tegen de oneindige schuld door de oneindige beleediging van God beloopeu.

V. Voor welke zonde heeft Christus voldaan'?

A. Niet alleen voor de erfzonde, maar ook voor de zonden en misdaden, welke de menschen van het begin der wereld tot heden begaan hebben en tot het einde der wereld bedrijven zullen. (Eom.Kat.)

V. R. Had de Zoon Gods dan niet kunnen lijden en sterven,

zonder mensch te worden ?

A. Neen, want Christus heeft alleen kunnen lijden en sterven in Zijne menschelijke natuur, en niet in Zijne goddelijke natuur.

V. 's B. Was Christus verplicht ons te verlossen ?

A. Neen, Hij hoeft dit gedaan uit liefde tot den mensch.

„Zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eenigen „Zoon gegeven heeft.quot; (Joann. III, 16.) „Hij heeft mij bemind en „(daarom) zich zeiven voor mij overgeleverd.quot; '

V. Heeft Jesus vrijwillig geleden ?

A. Ja, want „Hij is opgeofferd, omdat Hij zelf het wilde,quot; (Isaias LUI, 7.) want, zegt Hij zelf: „niemand neemt het (leven) van mij,

„maar ik leg het af van mij zeiven : en ik hel) macht het af te leggen, „en ik heb macht, het wederom te nemen,quot; (Joan. X, 18.) maar „niemand heeft grootere liefde, dan dat hij zijn leven geeft voor „zijne vrienden.quot; En Jesus voor ons. Zijne vijanden !

V. 's B. Waardoor heeft Christus ons verlost ?

A. Door Zijn lijden en dood.

V. U. Had Jesus van zijn lijden ook iets vooruit gezegd?

A. Hij had voorspeld, wie Hem verraden en hoe Hij na vele mishandelingen een bitteren dood sterven zou.

V. 's B. Wat heeft Christus geleden ?

A. Zijn geheele leven lang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam; doch op den dag van zijn lijden zoo groote pijnen en smarten, dat nooit eenig mensch zoodanige verdragen heeft.

V. Waarom verkoos Jesus een armoedig leven ?

5

ocr page 70

66

A. 1°. Om van het begin Zijns levens voor ons te lijden honger, dorst, hitte, koude, arbeid, vermoeienis, ongemakken en bezwaren, vernedering en verachting tot ons heil.

2°. Om ons te leeren, dat wij do aardsehe goederen niet ongeregeld beminnen en zoeken moeten.

V. Welk verdriet leed Jesüs?

A. Voornamelijk dit verdriet, dat vooral de Priesters, Schriftgeleerden en Pharizeën Hem als den Messias konden, maar niet wilden erkennen; dat de Joden Hem ondankbaar waren, en een Zijner Apostelen een dief was, een verrader zijn zou.

V. Br. Waar heeft Christus Zijn laatste bitter lijden begonnen ?

A. In den hof van Olijven.

V. Wat leed Christus hier?

A. Een bloedigen doodstrijd, zoodat Zijn zweet werd als druppelen bloeds, die de aarde bevochtigden.

V. Waardoor leed Hij ?

A. 1°. Het naderend lijden stond Hem in alle bijzonderheden voor den geest, waarvoor Hij als mensch terugschrikte. 2°. Hij zag Zich beladen met alle zonden der wereld. 3°. Hij zag dat Zijn lijden en dood voor velen vruchteloos zouden zijn. 4°. Hij leed door de onverschilligheid Zijner Apostelen, die, niettegenstaande Zijne herhaalde aanmaning, gerust sliepen.

V. TT. Door wien en wanneer werd Jesus verraden?

A. Jesus werd verraden door Zijn eigen leerling Judas, toen Hij na het laatste avondmaal in den hof van Gethsemani (Olijven) gebeden had.

V. U. en Br. Wat heeft Christus geleden van de Joden ?

A. Hij is door hen gevangen, voor de rechtbank gesleept, gelasterd, geslagen, ter dood veroordeeld, schandelijk geslagen en bespot en aan Pilatus den rechter overgeleverd.

V. Waar hebben de Joden Christus het eerst gebracht?

A. Zij hebben Hom geleid en gesleurd van den Olijfhof binnen Jerusalem eerst bij Annas, den schoonvader van Caiphas, en daarna bij Caiphas zeiven, die alsdan hoogepriester der Joden was.

Y. Wat heeft Jesus hier onderstaan ?

A. 1°. Hij werd valschelijk beschuldigd. 2°. Hij ontving een geweldigen kaakslag. 3°. Val van Petrus.

V. Welke zonde bedreef Petrus?

A. Uit vrees verklaarde hij tot driemalen onder eed, dat hij geen leerling van Jesus was, ja Hem niet kende.

V. Waar is Christus van Caiphas naar toe gevoerd?

A. Naar Pilatus, den Eomeinschen landvoogd. Deze onderzocht, maar bevond Hem onschuldig; doch om zich van de zaak af te maken, zond hij Hem naar Herodes Antipas, vorst van Galilea, die alsdan te Jerusalem was.

ocr page 71

67

V. Wat heeft Christus bij Herodes verdragen ?

A. Christus gewaardigde zich niet op alle vragen, welke men Hem deed te antwoorden; waarom Herodes en zijn hof Hem bespotten, zinneloos verklaarden en Hem een wit spotkleed deden aantrekken.

V. Br. Wat heeft Christus geleden bij Pilatus?

A. Hij is daar valschelijk door de Joden beschuldigd, wreedelijk gegeeseld en met doornen gekroond, en onrechtvaardig veroordeeld om gekruisigd te wordon.

V. 's B. Welken dood is Christus gestorven ?

A. Den dood des kruises.

V. Waarom was deze dood schandelijk?

A. Omdat slaven alleen daartoe mochten veroordeeld worden.

V. TJ. en Br. Waar werd Jesus gekruisigd?

A. Op den berg van Calvarië, in de nabijheid van Jerusalem.

V. R Hoe is Christus gekruisigd ?

A. Nadat Christus Zijn kruis gedragen had, is Hij met handen en voeten daaraan genageld, en er drie uren levend aan blijven hangen.

V. U. Hoe lang leefde Hij aan het kruis?

A. Van 's middags 12 tot 3 uur; toen riep Hij tot God: Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest; Hij neigde nu Zijn hoofd en stierf.

V. Hoevele en welke woorden heeft Christus aan het kruis gesproken ?

A. Zevenmalen opende Hij den mond, en 1°. bad voor Zijne kruisigers: „Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; 2°. Hij antwoordde den goeden moordenaar op diens bede: • ,.heden zult gij met Mij zijn in het paradijs.quot; 3°. Hij gaf aan Zijne Moeder den H. Joannes tot Zoon: „Vrouw, ziedaar uw Zoonquot;; — en aan Joannes Maria tot Moeder: „Zoon, ziedaar uwe Moeder.quot; 4°. Hij beklaagde Zich als mensch over Zijne verlatenheid: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; 5°. Hij gaf Zijn dorst te kennen: ,.Ik heb dorst.quot; 6°. Hij verklaarde, dat het werk der Verlossing volbracht was: ,.het is volbrachtquot;, en 7°. beval dan Zijne ziel in Gods handen : „in Uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;

V. E. Hoe is Christus gestorven ?

A. Nadat Hij alles volbracht had, is Zijne ziel van Zijn lichaam gescheiden; zóó nochtans, dat de Godheid mot Zijne ziel en met Zijn lichaam is vereenigd gebleven.

V. Wat gebeurde toen Jesus den geest had gegeven?

A. De Joden verzochten Pilatus, om aan de gekruisigden do beenderen te breken, opdat zij gedurende den Sabbath niet aan het kruis zouden blijven hangen, maar begraven worden. Toen de soldaat, die daarmede belast was, bij Jesus kwam en zag, dat Hij

ocr page 72

68

reeds gestorven was, doorstak hij Diens zijde met eene lans, en uit het Hart vloeide water en bloed.

V. U. Hoe heeft Jesus dat bittere lijden en sterven verduurd?

A. Met de volste onderwerping aan Gods heiligen wil, met liefde en een onbeschrijfelijk geduld.

V. Welke wonderen geschiedden bij den dood van Christus ?

A. Van omtrent den middag bedekte dikke duisternis de aarde ; de zon verduisterde; het voorhangsel in den tempel scheurde open van boven tot beneden; de aarde beefde; de steenrotsen berstten ; de graven gingen open en de doodeu stonden op.

V. TL, Br. en E,. Is het lichaam van Jesus aan het kruis blijven hangen ?

A. Neen, vrome mannen (Nicodemus en Jozef van Arimathea) hebben tegen den avond het lichaam van het kruis afgenomen en in een nieuw steenen graf gelegd.

V. Waarom wilde Christus begraven worden ?

A. Opdat Zijn dood onloochenbaar zou zijn, en Zijne verrijzenis des te heerlijker.

V. 's B. In welk artikel van het Symbolum des Geloofs belijden wij het lijden en den dood van Christus ?

A. In het vierde artikel dat luidt: Die (Christus) geleden heeft onder (tijdens de regeering van) Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven.

V. 's B. Volgens welke natuur heeft Christus geleden en is Hij gestorven ?

A. Volgens Zijne menschelijke natuur, want volgens Zijne goddelijke natuur was Christus onlijdelijk en onsterfelijk.

V. Hoe is dan waar, dat God voor ons geleden heeft en gestorven is?

A. Dit blijft waar, omdat Hij, die leed en stierf. God was, en Zich van de menschelijke natuur als van een werktuig bediende, om te kunnen lijden en sterven.

§ 2.

V. 'sB. Was het voor onze verlossing ook noodig dat Christus zooveel leed en zulken dood stierf?

A. Neen, Hij had ons met veel minder lijden kunnen verlossen, maar Hij heeft daardoor ons Zijne overgroote liefde willen toonen, en voorbeelden van vele deugden willen geven.

V. R. Waarom heeft Christus willen lijden en sterven?

A. Om in onze plaats aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen voor onze zonden.

V. R. Was het dan noodig dat Christus zooveel leed, om ons uit de zonde te verlossen?

A. Neen; ook het geringste lijden van Christus, als zijnde van

ocr page 73

69

oneindige waarde, zou op zich zelf voldoende geweest zijn, om ons te verlossen.

V. Waarom wilde Christus dan zooveel lijden?

A. Opdat wij des te beter de grootheid Zijnor lietde zouden erkennen, alsmede de groote boosheid en strafwaardigheid der zonde; en opdat wij geduldig zouden zijn, als wij iets te lijden hebben

V. Welke voorbeelden van deugden heeft Jesus ons in endoor zijn lijden en sterven gegeven?

A. Zeer vele: onder andere betoonde Hij godsvrucht en onderwerping in en door het gebed; liefde jegens Judas; zachtmoedigheid bij alle beleedigingen; ootmoed bij alle vernederingen; medelijden en harmliartif/lieid jegens Petrus, Veronica, de weenende vrouwen; eerbied voor het gezag van Caiphas, Pilatus; gehoorzaamheid zelfs aan Zijne beulen ; vergevingsgezindheid en ijver voor het heil der zielen aan het kruis, enz., liefde, jegens alle menschen toen Hij na den dood Zijn hart deed openen.

V. 's B. Voor wie is Christus gestorven ?

A. Voor alle menschen.

V. U. Voor wie heeft Jesus geleden en den kruisdood ondergaan ?

A. Voor alle menschen. om allen te verlossen en zalig te maken.

quot;Hij heeft Zich zeiven ter verlossing voor allen gegeven.quot; (I Tim. 11. 6); — ,.En Christus is voor allen gestorven.quot; (II Cor. V. 15); — „Hij (God de Vader) heeft Zijnen eenigen Zoon niet gespaard, maar „Hem voor ons allen gegeven; hoe zou Hij met Hom ons niet alles „geschonken hebben?quot; (Rom. VIH. 32.)

V. Wat hoeft Jesus Christus door Zijn lijden en sterven voor ons verdiend?

A. Jesus Christus heeft ons verlost 1°. van de zonde; 2°. van de slavernij des duivels: 3°. van de eeuwige verdoemenis; Christus heeft ons 4°. met God verzoend; 5°. voor ons den hemel geopend, en 6°. overvloedige genaden verdiend, waardoor wij heilig kunnen leven en zalig worden.

V. 's B. Zullen dan alle menschen zalig worden ?

A. Neen, omdat niet alle menschen aan de verdiensten van het lijden en den dood van Christus deelachtig worden.

V. Wat is : aan de verdiensten van Christus deelachtig worden ?

A. Deelachtig worden, dat is : wij moeten aandeel zien te krijgen aan de verdiensten van Christus. Gelijk een schat geld niets baat aan een arme, als hem er niets van wordt gegeven; of gelijk geneesmiddelen nutteloos zijn voor een zieke, als ze niet door hem genuttigd worden; zoo zou het ons ook niet helpen, dat Christus zooveel geleden en door Zijn lijden zooveel heeft verdiend, als die verdiensten op ons niet werden toegepast.

V. 's B. Waardoor kan de mensch aan de verdiensten van Christus deelachtig worden ?

ocr page 74

70

A. Door hot ware Geloof, door het waardig gebruik der H.H. Sacramenten, door goede werken, vooral van boetvaardigheid.

V. Wat moeten wij doen om aandeel te krijgen in de genaden en de eeuwige zaligheid, welke Jesus Christus voor ons verdiend heeft.

A. Wij moeten daartoe met Jesus vereenigd zijn en blijven. Die vereeniging nu begint met het geloof in Jesus en Zijne leer, dat we ontvangen in het Doopsel. Dat geloof moet echter levendig zijn, moet getoond worden door het naleven van Gods geboden, door goede werken (bidden, vasten, aalmoezen geven); en opdat het geloof levendig zij, is noodig dat het onderhouden, gevoed en gesterkt worde door de genademiddelen, de H.H. Sacramenten.

V. Waarom worden afzonderlijk en bijzonder de werken van boetvaardigheid genoemd ?

A. Omdat de werken van boete, versterving, lijden ons het meest gelijkvormig maken aan Christus, die immers Zijn geheele leven boete, versterving gepleegd heeft.

V. Wie worden dus deelachtig aan de verdiensten van Christus ?

A. 1°. Zij, die het Geloof in Christus door het Doopsel ontvangen hebben. 2°. Zij die het gebruik der rede hebben en het Doopsel niet ontvangen, of daarna in doodzonde gevallen zijn, moeten de beletselen tegen de heiligmakende gratie wegnemen en met behulp der dadelijke gratie zich tot het ontvangen der heiligmakende gratie voorbereiden. De noodzakelijke voorwaarde, of de voorbereidende handelingen daartoe zijn geloof, hoop, liefde, boetvaardigheid enz.; vervolgens het ontvangen der H.H. Sacramenten.

V. 's B. Waarom is het noodig, dat wij nog lijden en boetvaardigheid doen, aangezien (terwijl) Christus voor ons heeft voldaan?

A. Omdat het de wil van God is, dat wij door ons lijden en onze boetvaardigheid aan de verdiensten van Christus deelachtig worden ?

V. Waaruit blijkt deze wil van God?

A. Uit de H. Schrift, waar Christus zelf vordert: „indien gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden.quot; (Matt. XIX. 17). De H. Paulus leert dat „Christus de eeuwige zaligheid geworden is voor allen, die Hem gehoorzaam zijnquot; (Hebr. V. 9.) en daarom zegt hij: „ik verheug mij in het lijden en vul aan in mijn vleesch, wat aan „het lijden van Christus voor Zijn lichaam, dat de Kerk is, ontbreekt.quot; (Col. I. 24.)

V. Waarom kan niet waar zijn hetgeen andersdenkenden leeren: dat het genoeg is in Christus' lijden en dood te gelooven ?

A. 1°. Omdat God uitdrukkelijk vordert, dat wij o. a. God en den evenaasten beminnen, enz. 2°. De hemel is niet alleen de prijs van Jesus' bloed, maar ook de belooning voor die wettig gestreden hebben: „alleen hij die wertig gestreden heeft zal gekroond worden.quot; (II Tim. II. 5.) 3°. Indien gelooven genoeg ware, zouden ook dieven,

ocr page 75

71

I

overspelers, gierigaards, moordenaars enz. zalig worden, die toch allen van den hemel znllen uitgesloten zijn. (Gal. V.)

V. 's B. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis van het lijden en den dood van Christus.

A. In de goede week bijzonder op Goeden Vrijdag.

A. Br. lederen dag onder de H. Mis, doch bijzonder op goeden Vrijdag.

V. Waardoor houdt de H. Kerk altijd de gedachtenis aan ('hristus' lijden en dood levendig?

A. 1°. Door dagelijks het H. MisoiFer op te dragen, en aldus allen aan de vruchten van het Verlossingswerk te doen deelnomen. 2°. Door den plicht, welken zij ieder oplegt, om minstens des Zondags de H. Mis bij te wonen. 3°. Door de plechtigheden, de heilige gewaden en voorwerpen bij de H. Mis in gebruik, die allen ons het lijden en sterven van Christus voorstellen. 4°. Iedere Vrijdag, bijzonder de le Vrijdag ATan elke maand is aan het Lijden gewijd. 5°. Verschillende gebeden en litanieën en godsvruchtoefeningen o.a. ter eere der 5 H. Wonden zijn door de Kerk goedgekeurd, aanbevolen en met aflaten begiftigd.

V. Welke is van deze wel de meest geschikte en nuttigste en aan God aangenaamste oefening?

A. De oefening van den Kruisweg.

V. Hoe is deze ontstaan ?

A. Naar het voorbeeld der H. Maagd en H. Apostelen, die zeker menigmaal den weg bezochten, welke Jesus geheiligd had, gingen vele christenen ter bedevaart naar Jerusalem, om die heilige plaatsen te bezoeken. Toen zidks door den inval der Saracenen niet meer ging, gaven de Pausen verlof, dat men die heilige plaatsen en gebeurtenissen afbeelden en die op wegen of in de kerken plaatsen mocht. Zij die dan deze, ten getale van 14, bezochten, konden dezelfde aflaten verdienen als die den weg te Jerusalem aflegden.

V. Wat is er noodig, om die aflaten te verdienen ?

A. Wanneer iemand in het hijzonder de oefening van den Kruisweg doet, moet bij daarbij, om de aflaten te verdienen, naar Zijne bevatting het lijden van Jesus Christus overwegen en van de eene statie naar de andere gaan, in zoover de menigte der menschen of de ruimte der kerk zulks toelaat. Dat men biechte en communicere wordt niet vereischt, doch men moet in staat van gratie zijn.

V. Kunnen ook zieken en anderen, die onmogelijk de staties van den Kruisweg kunnen bezoeken, die aflaten verdienen ?

A. Zij kunnen die aflaten verdienen, indien zij een kruisbeeld, tot dat doel bijzonder gewijd, in de hand houden en alsdan godvruchtig en met een rouwmoedig hart bidden 14 Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij den Vader, enz.; eti op het einde ~) Onze Vader

ocr page 76

Wees geeroet en Glerie zij den Vader, enz., ter eere der Vijf H. Wonden met nog één Onze Vader, Weesgegroet en Glorie zij den Vader voor den Paus: te zarnen tivintigmadl.

ELFDE LES.

Van de Verrijzenis en Hemelvaart van Christus.

(U., 17e en 18® les; — Br. 11® en 12® les; — R. 6® les.)

V. 's B. Welk is het vijfde artikel van liet Symbolum des Goloofs '?

A. Die (Christus) is nedergedaald ter helle, den derden dag verrezen van de dooden.

V. Wanneer is Christus ter helle neergedaald'?

A. Op hetzelfde oogenblik dat Hij gestorven was aan het kruis ; zooals blijkt uit I. Petr. III. 18, 19, waar de H. Petrus zegt: „Christus werd wel gedood naar het vleesch, maar in het leven herroepen naar den geest, in welken Hij ook naar de geesten kwam, die in de gevangenis waren, en hun predikte.

V. 's B. Wat heeft Christus na Zijnen dood gedaan ?

A. Zijne ziel, met de Godheid vereenigd, is nedergedaald ter helle.

V. Br. Is de Godheid van Christus altijd met Zijne zie en Zijn lichaam vereenigd gebleven?

A. Ja, de Godheid van Christus is altijd met Zijne ziel en met Zijn lichaam vereenigd gebleven.

V. 's B. Wat verstaat gij door de hel, tot welke ziel van Christus is nedergedaald ?

A, Eene onderaardsche plaats, het voorgeborchte der hel genaamd, waar zich de zielen bevonden der rechtvaardige afgestorvenen, die niets meer te boeten hadden R. en den tijd moesten afwachten, waarop Christus door zijn dood den hemel openen zou.

V. Welke plaatsen worden hel genoemd ?

A. Do hel in den eigenlijken zin wordt aenoemd die plaats, waar de duivels en verdoemden eeuwig gestraft worden. In oneigen-lijken zia wordt het Vagevuur ook wel hel geheeten, evenals deze plaats, waar Christus na Zijn dood neerdaalde.

V. Wie waren daar?

A. Allen, van Adam's tijd af, die in Gods liefde gestorven waren en niets meer te boeten hadden: of sints dat zij hunne kleinere zonden en de straffen voor de zonden uitgeboet hadden.

ocr page 77

V. 'sB. Waarom is Christus tor helle nedergedaald?

A. Om de zielen der H. Oudvaders cn anderen, die in Gods liefde gestorven waren, te troosten en te verlossen, Ü. en haar aan te kondigen dat zij weldra in den hemel zouden worden opgenomen.

V. Noem eenige Oudvaders, die er zich konden bevinden.

A. Adam en Eva, Xoë, Abraham, Isaac, Jacob, Mozes, Aaron, Samuel, David, do Profeten, Joachim en Anna, de H. Jozef, enz.

V. TT. Waarom waren die zielen nog niet in den hemel ?

A. Omdat de hemel door de zonde gesloten was, en Christus, die ons in alles moest voorgaan, den hemel moest openen.

V. Zijn die zielen aanstonds naar den hemel gegaan ?

A. Xeen, want Christus moest eerst door Zijne Hemelvaart den hemel openen.

V. 's B. Wanneer is Christus verrezen ?

A. Op don derden dag na Zijnen dood, dat is, des Zondags 's morgens.

V. U. Had Josus ook vooruit gezegd, wat op den derden dag van Zijnen dood met Hom zou plaats hebben ?

A. Jesus had vooruit gezegd, dat Hij op den derden dag levend uit het graf zou opstaan.

V. TI. Hoe werd die voorspelling vervuld ?

A. O]) den vroegen morgen van den derden dag voreenigde zich de ziel van Josus mot Zijn lichaam, en verrees Hij, door eigen kracht, heerlijk uit het graf.

V. Wat gebeurde aanstonds na do Verrijzenis?

A. Do aarde beefde, een Engel daalde uit den hemel, wentelde den steen van hot graf en zette zich daarop neder, de soldaten, die het graf bewaakten, violen van schrik ter aarde, en vluchtten dan naar de stad.

Y. TJ. Moesten do vijanden van Josus die verrijzenis niet erkennen ?

A. Ja, zij hadden hot graf verzegeld en wachters bij het graf geplaatst, en deze wachters zagen met verbazing en schrik de heerlijke verrijzenis van Josus.

V. U. Hoe werd het aan do Apostelen en de andere leerlingen bekend, dat de Zaligmaker waarlijk verrozen was?

A. Eenige vrouwen, die het graf bezochten, hoorden het van een Engel, en boodschapten het aan de Apostelen: later verscheen Josus meermalen aan Zijne leerlingen.

V. Aan wie heeft Christus zich vertoond op den dag Zijnor Verrijzenis ?

A, Het gevoelen van allo H.H. Vaders is, dat Hij Zich het eerst aan Maria vertoond hoeft. In de H. Schrift worden vermeld Zijne verschijningen aan Maria Magdalena en do andore vrouwen, aan Simon Petrus, aap de leerlingen op weg naar Emmatts en aan de

ocr page 78

74

vergaderde leerlingen, bij welke Thomas toen niet aanwezig was.

V. If. Wat deed Jesus nog meer, om Zijne leerlingen van de waarheid Zijner Verrijzenis te overtuigen?

A. Hij liet Zich door hen aanraken, toonde hun Zijne wonden, onderwees hen, at met hen gelijk te voren.

V. quot;s B. Waarom heeft Christus de vijf Wonden in Zijn verheerlijkt lichaam behouden?

A. Om daarmede Zijn verrijzenis te bevestigen en ze aan alle menschen in het oordeel en aan de zaligen in den hemel te toonen.

V. Hoedanig was dan het lichaam van Jesus na Zijne verrijzenis ?

A. Licht, fijn, helder als de zon, snelbewegend als de gedachte, alles doordringend als de geest, onlijdelijk, onsterfelijk.

V. Hoe bevestigde Christus Zijne verrijzenis door de vijf Avonden Zijner handen, voeten en zijde ?

A. De Apostelen konden daaraan zien, dat Hij dezelfde was, die aan het kruis gehangen had en gestorven was; Tot dat doel liet Hij ze zien, en betasten door Thomas.

V. Waren er meer Apostelen, die niet zoo aanstonds aan Jesus verrijzenis geloofden ?

A. Ja; toen hun de eerste boodschap gebracht werd, „schenen ..die woorden hun eene dwaasheid, en zij geloofden haar (de vrouwen) ..niet.quot; (Luc. XXIV. II.) En van Petrus schrijft de H. Joannes X. 9, dat hij de Schrift niet verstond „dat Jesus uit do dooden moest opstaanquot;; en Thomas bleef ook na het getuigenis van alle Apostelen ongeloovig, totdat hij zelf gezien en gevoeld had.

V. Zullen ook wij en alle menschen eenmaal de vijf Wonden aanschouwen ? gt;

A. Ja, in den laatsten dag des oordeels: de zaligen zullen in de vijf Wonden als de werktuigen zien, waar aanzij hunne zaligheid te danken hebben; den verdoemden zullen ze dienen tot grootere beschaming en wroeging, daar ook zij door de verdiensten dier H. Wonden hadden kunnen zalig worden, indien ze gewild hadden.

V. 's B. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der Verrijzenis van Christus?

A. Met het Hoogtijd van Paschen.

V. Welk is het zinnebeeld van den verrezen Christus?

A. De verrezen Christus wordt voorgesteld door de paaschliaars, welke daags voor Paschen plechtig gewijd en onder alle H. Diensten gedurende den Paaschtijd aangestoken wordt. In de paaschkaars zijn vijf wierookkorrels gestoken ter gedachtenis aan de vijf wonden van Christus en aan de reukwerken, waarmede de H. Vrouwen Zijn lichaam balsemden bij Zijne begrafenis.

V. Waarom wordt de Paaschdag zoo luisterrijk gevierd ?

A. Omdat de verrijzenis van Christus 1°. de grondslag is van ons Geloof: „God heeft Hem opgewekt, en Hem heerlijkheid ge-

ocr page 79

/

/ O

schonken,quot; leert de H. Petras, (I. Petr. I. 21) „opdat uw geloof en „uwe hoop op God berusten.quot; ,.Is Christus niet verrezen,quot; zegt de H. Paulus, „dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof.quot; 2°. Omdat Christus verrijzenis ons ten waarborg is, dat ook wij zullen verrijzen. (I Cor. XV, 12). 3°. Opdat „gelijk Christus is opgestaan uit de dooden, zoo ook wij in de nieuwheid des levens wandelenquot; (een nieuw, beter leven beginnen). „Christus eens gestorven, sterft niet meerquot;; — zóóook eenmaal met Paschen uit do zonden opgestaan, niet meer hervallen in de zonden!

V. Wat heeft de Kerk voorgeschreven, opdat allen uit de zonden zouden opstaan.

A. Dat alle christenen waardig de H. Communie zouden ontvangen en zich door den veertigdaagschen Vaste daartoe voorbereiden. (Zie 29e les.)

V. 's B. Welk is het zesde artikel van het Symbolum des Geloofs ?

A. Die (Christus) is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig.

V. U. Hoe lang bleef Jesus tot onderwijzing en bevestiging Zijner leerlingen na Zijne verrijzenis nog op aarde ?

A. Jesus bleef nog veertig dagen op aarde, om Zijne leerlingen te onderwijzen en te bevestigen.

V. 's B. Wanneer is Christus ten hemel geklommen ?

A. Veertig dagen na Zijne Verrijzenis.

V. 's B. Wat heeft Christus gedaan gedurende de veertig dagen dat Hij nog op aarde gebleven is ?

A. Hij verscheen aan Zijne Apostelen, en sprak met hen over het rijk Gods.

V. R. Heeft Christus na Zijne Verrijzenis Zich ook levend vertoond ?

A. Ja. Christus heeft Zich na Zijne Verrijzenis meermalen aan Zijne leerlingen vertoond, en hun vele bewijzen gegeven, dat Hij nog leefde.

V. Welke verschijningen worden in de H. Schrift verhaald ?

A. 1°. Acht dagen na Zijne verrijzenis verscheen Christus aan alle Apostelen, bij wie nu ook Thomas was. 2°. Bij het meer van Tiberias verscheen Hij aan Petrus, Thomas, Jacobus, Nathaniel en nog twee andere leerlingen, bij welke gelegenheid de wonderbare vischvangst plaats had en Petrus tot Hoofd der Kerk word aangesteld. (Zie 14e les.) 3°. In Galilea verscheen Jesus op een berg aan de elf leerlingen en werd door meer dan 500 broeders gezien. 4°. Aan den Apostel Jacobus. 5°. Op den dag der hemelvaart aan de Apostelen te Jerusalem, terwijl zij aan tafol zaten.

V. Wat is het rijk Gods. waarover Christus Zijne Apostelen sprak ?

A. Het rijk Gods, waarover Jesus de Apostelen onderhield is de Kerk. (Hand. I, 3.) Hierover stolde Hij een plaatsbekleeder.

ocr page 80

Joan. XXI, 15; stelde eenige Sacramenten in, en onderrichtte hen in alles wat nuttig en noodig was om Zijne Kerk te bestieren.

V. U. Wat deed Hij den veertigsten dag na Zijne Verrijzenis?

A. Hij nam afscheid van Zijne leerlingen, zegende hen, en voer van den Olijfberg voor hunne oogen ten hemel.

V. Waar is Christus ten hemel gegaan ?

A. Op den berg van Olijven, dezelfde plaats, waar Hij Zijn lijden begonnen had, om ons te leeren, dat kruisen en lijden de weg zijn naar den hemel.

V. Wie waren bij de Hemelvaart tegenwoordig?

A. Alle Apostelen en meer dan 500 leerlingen.

V. Is Jesus maar alleen ten hemel gegaan ?

A. Neen, tallooze zielen, door Hem uit het voorgeborchte dei-hel verlost, stegen nu met Hem ten hemel.

V. 's B. Hoe is Christus ten hemel geklommen ?

A. Zonder iemands hulp, door Zijne eigene macht.

V. Wat geschiedde bij Zijne Hemelvaart?

A. Toen Jesus uit het gezicht der Apostelen verdwenen was, en zij Hem nog nastaarden, daalden twee Engelen van den hemel, die hun toespraken; Mannen van Galilea, wat staat gij daar te zien ? Dezelfde Jesus, die gij hebt zien ten hemel varen, zal zoo wederkeeren.

V. Wie zijn nog meer met ziel en lichaam ten hemel gegaan ?

A. De Aartsvader Henoch en de profeet Elias, doch deze zijn opcjenomen ten hemel, gelijk ook de H. Maagd Maria, wier lichaam door Engelen werd opgevoerd. Daarom spreekt men ook van Hare ten-hemel-^p/eiimi// ■ en niet van hemeltmW.

V. Waarom is Christus ten hemel geklommen?

A. Jesus is ten hemel geklommen 1°. om, als mensch, de heerlijkheid te genieten, welke Hij door Zijn lijden en dood verdiend had. 2°. Om onze Middelaar en Voorspreker te zijn bij Zijnen he-melschen Vader. 3°. Om aan Zijne Apostelen den beloofden H. Geest te zenden. 4°. Om ons in den hemel eene plaats te bereiden.

V. 's B. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der Hemelvaart van Christus ?

A. Veertig dagen na Paschen, op onzes Heeren Hemelvaartsdag.

V. R. Waar is Christus nu?

A. Christus zit aan de rechterhand des Vaders.

V. 's B. Wat beteekenen deze woorden: Hij zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig?

A. Dat Christus (als mensch) in de opperste rust en in de hoogste eer is bij God den Vader.

A. U. en R. Dat Christus, ook als mensch, deel heeft in de macht en de heerlijkheid van God den Vader.

V. Welke plechtigheid herinnert ons aan Jesus' hemelvaart ?

ocr page 81

77

• A. Op den Hemelvaartsdag wordt na het Evangelie der Mis, waarin de hemelvaart verhaald is, de Paaschkaars, die gedurende den paaschtijd den Verrezen Christus voorstelde, uitgedoofd.

V. Wat moeten wij uit de Hemelvaart des Heeren leeren?

A. „Als wij met Jesus lijden, zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot; (Rom. VIII. 17.) „Wordt derhalve niet bevreesd „en laat den moed niet zinken, maar ziet op tot Jesus. Die voor „de vreugde Hem voorgesteld, het kruis verdragen en de schande „veracht heeft, en gezeten is aan de rechterhand van Gods troon.quot; (Hebr. VI, 13 en XII, 2, 3.)

TWAALFDE LES. Van het laatste oordeel.

(TT. 18e les; ■— Br. 12® les, 6e vr.; — R. 10e les, 3e vr.)

V. 's B. Wolk is het zevende artikel van het Symbolum des Geloofs ?

A. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en de dooden.

V. R. Zal Christus nog op deze wereld terugkeeren?

A. Ja, op het einde der wereld, om te komen oordeelen levenden en dooden.

V. U. Wat leeren ons die woorden (van het 7e artikel) ?

A. Dat Jesus eens uit den hemel zal wederkomen om alle men-schen, die ooit geleefd te hebben, te oordeelen.

V. TJ. Wat wil zeggen, dat Jesus de menschen zal oordeelen ?

A. Dat alle gedachten, woorden en werken der menschen, waarvoor zij loon of straf verdiend hebben, zullen openbaar worden, en Jesus daarover het oordeel van belooning of straf zal uitspreken.

V. 's B. Wanneer zal Christus komen oordeelen ?

A. Op het einde der wereld, doch de dag is onbekend.

V. TJ. Wordt de mensch niet eerder geoordeeld, dan op den jongsten (laatsten) dag?

A. Ja; de ziel van ieder mensch wordt reeds terstond geoordeeld zoodra de mensch gestorven is.

V. Wanneer zal de dag van het algemeen oordeel zijn?

A. „Dien dag en dat uur weet niemand, ook niet de Engelen „des hemels,quot; antwoordt Christus zelf;

V, 's B. Welke teekenen zullen het oordeel voorafgaan ?

A. 1°. Eene geweldige vervolging, die de Antichrist verwekken

ocr page 82

78

zal; 2°. verscheidene vreeselijke plagen; 3°. een vuur dat alles zal verslinden.

V. Hoedanig- zal de Antichrist zijn ?

A. 1°. De Antichrist (welk woord beduidt: vijand van Christus hij uitnemendheid) zal, zeggen de H.H. Vaders, een Jood zijn uit den stam van Dan. (Gen. XLIX, 17.) 2°. Hij zal de Godheid van Christus loochenen, Diens leer en Sacramenten verwerpen, zich zeiven voor den Messias uitgeven en zich als God doen aanbidden. (Joan. 11, 22 ; Daniël XI, 36; II Thess. II, 4.) 3°. Hij zal door de medewerking des duivels vele valsche wonderen doen, daardoor velen in dwaling brengen, en de geloovigen tot afval dwingen door wreede vervolging en den marteldood.

V. Wie zullen tegen den Antichrist optreden?

A. Henoch en Elias zullen in die dagen getuigenis voor Jesus en Diens leer afleggen, vooral aan de Joden prediken en hen be-keeren.

V. Noem eenige der „verscheidene vreeselijke plagenquot;.

A. Oorlog, pest, hongersnood, aardbeving, groote ellende, welke algemeen over de geheele wereld zullen heerschen. „De zon zal verduisterd wordenquot;, zegt Christus, (Lnc. XXI, 26.) „en de maan „haar licht niet meer geven ; de sterren zullen van den hemel vallen „en de krachten der hemelen beroerd worden.... de menschen zullen „bezwijken van schrik en verwachting der dingen, die de gansche „wereld zullen overkomen.quot;

V. Waardoor is de wereld eenmaal vergaan, en waardoor zal zij vóór den oordeelsdag vernietigd worden ?

A. Eens is de wereld vergaan door het water van den Zondvloed, waaruit echter Xoë, zijn huisgezin en vele schepselen gered werden; vóór den laatsten dag zal alles door het vuur vernietigd worden.

V. 's B. Hoe zal Christus ten oordeel komen ?

A. In Zijn menschelijk lichaam, zichtbaar en met groote heerlijkheid.

V. Waarom zal Christus in Zijn menschelijk lichaam komen oordeelen ?

A. Omdat Hij ook als mensch zal oordeelen; „en Hij (de Vader, zegt Christus) heeft Hem (den Zoon) macht gegeven, om te oor-„deelen, omdat Hij een Zoon des menschen (mensch) is.quot;

V. Hoe beschrijft Christus Zelf' Zijne komst?

A. „En alsdan (na het vergaan der wereld) zal het teeken (het ,.H. Kruis) van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen; „en dan zullen alle geslachten der aarde weenen; en zij zullen den „Zoon des menschen zien, komende op de wrolken des hemels, met „groote macht en heerlijkheid.

V. 's B. Wie zal Christus komen oordeelen ?

ocr page 83

79

A. Alle menschcn. die ooit geleefd hebben.

,.Alle volken zullen voor hem verzameld worden.quot; (Matt. XXV. 32.) „Wij allen zullen staan voor den rechterstoel van Christus, opdat „ieder ontvange, naar hetgeen Hij in zijn lichaam gedaan heeft, „hetzij goed of kwaad. (II Oor. V, 10.)

V. Waar zullen deze menschen geoordeeld worden?

A. In het dal van Josaphat, dat gelegen is tusschen de stad Jerusalem en den berg van Olijven.

V. Hoe zullen daar allen te zamen kunnen komen?

A. „De Engelen zal Hij zenden, zegt Christus, met eene bazuin „en groot geschal; en zij zullen Zijne uitverkorenen bijeen vergaderen „van de vier winden, van de uiterste eindpalen der hemelen tot „aan de uiterste eindpalen.quot; (Matt. XXIV, 31.)

V. 's B. Wie zijn de levenden, die Christus zal komen oordeelen?

A. Degenen, die omtrent dien tijd zullen leven.

V. Zullen dan niet alle menschen sterven ?

A. Hoogstwaarschijnlijk zullen alle menschen sterven vóór den oordeelsdag. Door de levenden moeten dus verstaan worden zij, die het einde der wereld nog in leven zal vinden. Terecht is dat woord levenden in het Symbolum opgenomen, om aan te duiden, dat alle menschen zonder uitzondering zullen geoordeeld worden.

V. 'sB. Zullen de dooden tot den laatst en dag zonder oordeel zijn?

A. Neen; ieder mensch wordt terstond na zijnen dood in het bijzonder geoordeeld, doch op den laatsten dag zullen de lichamen en de zielen te zamen in de tegenwoordigheid van alle menschcn geoordeeld worden.

„God zal een ieder op den dag des doods vergelden naar zijne „handelingen.quot; (Sap. XI 28.)

V. Hoe zal het bijzonder oordeel plaats hebben?

A. Dit oordeel, bijzonder genoemd, zal plaats hebben: 1° aanstonds na den dood, 2° voor de ziel alleen, 3° door God alleen.

V. Wat moet men dus doen als een mensch sterft?

A. Als men tegenwoordig is bij het sterven van een mensch, moet men voor hem de gebeden der stervenden bidden; en zoodra hij gestorven is Gods barmhartigheid afsmeeken voor hem, die op datzelfde oogenblik geoordeeld wordt.

V. Ontvangt de gestorvene op datzelfde oogenblik eeuwigen loon of straf naar verdienste?

A. Ja ; wanneer de ziel van het lichaam scheidt, ziet zij aanstonds door eene bovennatuurlijke verlichting al het goed en kwaad dat zij heeft gedaan, kent den loon of de straf, die zij heeft verdiend, hoort haar vonnis uitspreken en gevoelt het terzelfder tijd uitvoeren, en is diensvolgens geplaatst in den hemel, de hel of het vagevuur.

V. Waarom zal er dan nog een algemeen oordeel plaats hebben

ocr page 84

. : '. ■■■;' ^- ■ •■• ;

.{

80

A. 1°. Opdat Gods reclitvaardigheid en wijsheid uitschijnen; 2°. Opdat Jesus voor de geheele wereld verheerlijkt worde. 3°. Opdat de braven de verdiende eer en de goddeloozen de verdiende schande ontvangen. 4°. Opdat ziel en lichaam beide beloond of gestraft worden.

V. 'sB. Welk vonnis zal Christus in het oordeel uitspreken?

A. Hij zal de goede menschen met groote liefde tot Zich roepen en hun den hemel geven ; maar de boozen zal Hij met groote gramschap van Zich in de eeuwige verdoemenis jagen.

V. Wat zal aan dit vonnis voorafgaan?

A. 1°. „De Engelen zullen uitgaan en de boozen afscheiden uit ..het midden der rechtvaardigen.quot; (Matt. XIII, 49.) „En alle volken ..zullen voor Hem vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander „scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En „de schapen zal Hij stellen aan Zijne rechterhand, maar de bokken aan Zijne linkerhand.quot; (Matt. XXV, 32, 33.) 2°. Dan zullen openbaar gemaakt worden alle van God ontvangen weldaden; alle goede en kwade werken. (I Cor. IV, 5.) 3°. Van deze gaven en werken zal allerstrengste rekenschap moeten worden geven. 4°. En daarnaar het vonnis worden uitgesproken.

V. Welke woorden zal Christus den zaligen en verdoemden toevoegen ?

A. Tot de zaligen zal Hij zeggen: „komt, gezegenden mijns „Vaders, bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is.quot; (Matt. XXV. 34.) Den verdoemden zal Christus toevoegen: „gaat van Mij, gij vervloekten, in het eeuwig vuur, „hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.quot; (Matt. XXV, 41.)

„En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn,quot; laat Christus er op volgen, „maar de rechtvaardigen in het eeuwig leven.quot; (X 46.)

V. Welke middelen zijn er om gerust den oordeelsdag af te wachten ?

A. „Onderzoek u zeiven vóór den tijd van het oordeel,quot; n.1. iederen avond door het onderzoek van geweten, besloten door een hartelijk berouw, alsook en vooral bij het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht ..en gii zult genade voor Gods aanschijn vinden.quot; (Eccli XVIII, 19, 20.)

„Daarom waakt,quot; vermaant Christus, (Luc. XXI, 36.) „en bidt „ten allen tijde, dat gij waardig moogt gekend worden alle deze „dingen, die toekomende zijn, te ontvlieden en voor den Zoon des „menschen te staan.quot;

X

ocr page 85

81

DERTIENDE LES.

Tan den Heiligen Geest.

(U. 19C los; — Br. 13e les; — R. 11® los.)

V. 's B. Welk is hot achtste artikel van het symboluni des geloofs ?

A. Ik geloof in don H. Geest.

V. 's B. Wat gelooft gij van den H. Geest ?

A. Dat Hij waarlijk God is en de derde Persoon van de H. Drievuldigheid.

V. Bewijs, dat de H. Geest God is.

A. Dit blijkt duidelijk uit do H. Schrift, die den H. Geest God noemt: „Waarom heeft Satan uw hart bekoord, om den H. Geest „te beliegenquot;.... sprak de H. Botrus tot Ananias, ..lt;nj hebt niet mon-„schen belogen, maar God.quot; (Hand. V, 3. 4.) „Weet gij niet, dat „uwe lichamen tempels zijn van den H. Geest, die in u is?.....verheerlijkt en draagt God in uw lichaam.quot; (I Cor. VI. 19. 20.)

V. Waaruit blijkt, dat de H. Geest oen andere Persoon is, dan de Vader en de Zoon ?

A. Wederom uit de H. Schrift, waar Hij tegelijk met den Vader en den Zoon als God, doch afzonderlijk genoemd wordt: „Driezijn „er die getuigenis geven; de Vader, het Woord en H. Geest, en „deze drie zijn één.quot; (I Joann. V. 7.) „Ik zal den Vader biddenquot;, zegt Christus aan Zijne Apostelen, „en Hij zal u oen anderen Vertrooster geven, opdat Hij mot u blijve, do Geest dor waarheid.quot; (Joann. XIV. 16.) En Christus zond zijne Apostelen om te doopen „in den naam dos Vaders en des Zoons en des H. Geest.quot; (Matt. XXVIII, 19.)

V. quot;s 11 Is de H. Geest minder dan de andore twee Personen?

A. Geenszins; maar Hij is van één Wezen of ééne natuur mot God den Vader en God den Zoon, on even eeuwig, wijs, machtig, enz.

V. R. Is de H. Geest gelijk aan de andere twee Personen ?

A. Ja. Hij is even wijs, machtig en eeuwig als God de Vader en God do Zoon.

V. Kan God de H. Geest minder zijn dan de andere twee Personen ?

A. Neen, want dan zou Hij niet oneindig volmaakt en bijgevolg geen God zijn.

V. 's B. Wat oer moeten wij aan God den H. Geest bewijzen ?

A. Do goddelijke en de opperste eer.

V. Waarom mogen en moeten wij aan den H. Geest goddelijke eer bewijzen ?

6

ocr page 86

82

A. Omdat de H. Geest niet een mensch of een Engel, maar waarlijk God is.

V. quot;s B. Hoe heeft zich de H. Geest vertoond?

Hij heeft zich vertoond bij den doop van Christus in de gedaante eener duif, en op Pinksterdag in de gedaante van vurige tongen.

(Zie de 6e en 9e les omtrent den doop van Christus).

V. Waarom verscheen de H. Geest bij den doop van Christus in de gedaante eener duif?

A. Om te beteekenen de zachtzinnigheid, eenvoudigheid en zuiverheid van Jesus.

V. U. Wat beloofde Jesus aan Zijne Apostelen om hen bekwaam te maken. Zijne leer zuiver te verkondigen?

A. Hij beloofde hun Zijn voortdurenden bijstand, en dat zijden H. Geest zouden ontvangen, die hun alles zoude ingeven, wat Jesus hun gezegd had.

V. Had Christus de komst van den H. Geest voorzegd?

A. Ja; meermalen troostte Hij daarmede Zijne Apostelen; „maar „als de Geest der waarheid zal gekomen zijn, zal Hij U alle „waarheid leeren.quot; „Blijft dan in de stad, vermaande Hij hen vóór Zijne hemelvaart, „totdat gij mot kracht van boven zult bekleed zijn.quot; (Luc. XXIV. 49; Joan. XVI. 13.)

V. Wat deden de Apostelen, om aan deze vermaning van Christus te voldoen?

A. Zij keerden van den Olijfberg naar Jerusalem terug, sloten zich daar in de opperzaal op en „waren daar allen eendrachtig „volhardende in het gebed met de vrouwen, en met Maria, Jesusquot; „Moeder, en met Zijne broeders.quot; (Hand. I, 12, 13.)

V. Welke gebeurtenis had in die dagen plaats ?

A. Op voorstel van den H. Petrus werd in plaats van Judas een andere Apostel gekozen, en het lot wees den H. Mathias aan.

V. Welk feest vierden de Joden ?

A. Het feest van Pinksteren, welk woord vijftigste dag beteekent, n.1. den vijftigsten dag, nadat de Joden uit Egypte waren vertrokken, en waarop de afkondiging der Joodsche wet door Mozes had plaats gehad op den berg Sinaï.

V. TJ. Wanneer zond Jesus aan Zijne Apostelen denH.Geest?

A. Tien dagen na Zijne Hemelvaart, op hot H. Pinksterfeest.

V. Hoe geschiedde de nederdaling van den H. Geest.

A. „En als de dagen van Pinksteren vervuld werden, waren „zij allen in dezelfde plaats bijoen. En er ontstond plotseling een „gebruisch van den hemel, als van oen opkomenden geweldigen wind, „en vervulde het geheele huis waar zij zaten. En er verschenen „hun verdeelde tongen, als van vuur, zich nedorzottondo op ieder „van henquot;. (Hand. II. 1. 2.)

ocr page 87

83

V. Waarom is de H. Geest over de Apostelen neergedaald in de gedaante van vurige tongen ?

A. Om te beteekenen het vuur der goddelijke liefde, dat Hij in hunne harten kwam ontsteken, en de gave der talen, die Hij hun mededeelde.

V. Welke beteekenis hebben de omstandigheden, die de komst des H. Geest vergezelden?

A. Het gehruisch was het zinnebeeld van de stem des Evangelies, die overal zou gehoord worden. Het geweldig opkomen van den wind duidt aan de snelle en onweerstaanbare werking van den H. Geest. Het vuur beteekende de verlichting des verstands, de verwarming of de vlam der liefde in den wil, en de zuivering van zonden. De tongen duiden aan het ambt en de zending van het geloof te prediken, en al de gaven, vooral die der talen, welke de H. Geest aan de Apostelen schonk.

V. Welke uitwerking bracht de H. Geest in de Apostelen teweeg'?

A. „En allen werden vervuld met den H. Geest en begonnen in „verschillende talen te spreken, naar dat quot;de H. Geest hun gaf uit „te spreken.quot; (Hand. II, 4.)

De H. Petrus predikte aan de Joden Christus als den Messias, die van de dooden was opgestaan. Het volk was eerst verwonderd, „werd bewogen van hart als het dit hoorde, en vroeg aan Petrus „en de overige Apostelen : Wat zullen wij doen, mannen, broeders ?quot; (Hand. II, 37.)

V. Waar is de H. Geest?

A. Als God is Hij overal, maar als uitdeeler van genaden is Hij voornamelijk in de H. Kerk en in de harten der rechtvaardigen.

V. Hebben alleen de Apostelen den H. Geest ontvangen?

A. Neen; ook alle andere die in de zaal tegenwoordig waren, en toen de Kerk van Christus uitmaakten ; dus de cjeheele christelijke Kerk.

V. Welke genaden deelt de H. Geest aan de Kerk mede?

A. 1°. De H. Geest leert de Kerk d. i. a) de Herders der Kerk, opdat zij de zuivere leer van Christus zouden bewaren; — b) ook het volk, opdat diezelfde leer trouw in de harten der geloovigen bewaard blijve. 2°. De H. Geest bestuurt de Kerk. 3°. De H. Geest heiligt de Kerk.

V. 'sA. Welk is het voornaamste werk van den H. Geest?

A. Dat Hij de ledematen der ware Kerk van Christus door de mededecling Zijner gratiën heilig maakt.

V. Waarom wordt gezegd: het voornaamste werk van den H. Geest ?

A. Omdat er nog andere werken van den H. Geest zijn n.1.1°. de H. Kerk bestieren en haar deelachtig maken aan elkanders goede werken; 2°. hun de vergeving der zonden verleenen; 3°. in hunne

ocr page 88

84

lichamen wonen en ze tot eene heerlijke verrijzenis bereiden; 4°. hun het eeuwig loven bezorgen.

V. R. Waardoor bewerkt de H. Geest de heiliging onzer zielen ?

A. Doordien Hij de bovennatuurlijke genaden, vooral door middel van de H. Sacramenten in onze zielen uitstort.

V. Wordt de H. Geest nu nog gezonden ?

A. Ja, op eene onzichtbare wijze door de H. Sacramenten bijzonder het Vormsel en Priesterschap, en zoo dikwijls Hij met Zijne heiligmakende genade in onze zielen komt. Nog komt Hij dikwijls tot ons, om ons te helpen, op te wekken, te sterken en te troosten; waarom Hij ook de Trooster wordt genoemd. (Zie de 30® les).

V. Welke gratiën deelt de H. Geest nog meer uit ?

Zijne zeven gaven en tivaalf vruchten en bovennatuurlijke deugden. (Zie deze bij de 31e les.)

V. Wat werkt de H. Geest uit in de ziel van den rechtvaardige ?

A. Hij reinigt en heiligt de ziel door de heiligmakende genade; verlicht, troost en sterkt haar. Hij spoort haar aan ten goede, houdt ze terug van het kwaadmaakt ze ijverig tot den dienst van God, geduldig in kruis en lijden en vervult ze met de goddelijke liefde.

V. Hoelang blijft de H. Geest met Zijne liefde en genade in den mensch?

A. Zoolang tot Hij door de doodzonde uit het hart van don mensch verdreven wordt.

V. Welke zonden beletten het meest de werking van den H. Geest?

A. De zonden van hoovaardigheid, onkuischheid en liefdeloosheid.

V. Noem eenige godsvruchtoefeningen tot den H. Geest.

A. 1°. Zich voor te bereiden tot het Pinksterfeest door de Novene, waaraan de Kerk aflaten heeft verleend. 2°. Den jaardag der neder-daling van den H. Geest vieren in denzelfden geest waarin de Kerk dien viert gedurende acht dagen (octaaf). 3°. Dikwijls de zeven gaven en twaalf vruchten van den H. Geest afbidden, bijzonder bij het ontvangen der H. Sacramenten. 4°. Daartoe, en ook opdat de H. Geest met Zijne genade en liefde bij ons blijve, en ons voor zonden beware bidden de Litanie van den H. Geest; de lofzangen: „Veni Creator Spiritusquot;: „Kom, Schepper H. Geestquot; of ,.Veni Santé Spiritusquot; : „Kom H. Geest,quot; waaraan vele aflaten verbonden zijn. (1)

V. 'sB. Waarom wordt onze heiligmaking aan den H. Geest bijzonder toegeschreven ?

A. Omdat Hij de liefde is van den Vader en den Zoon, en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt.

(1) Voor heiden: 100 dagen aflaat zoo dikwijls men dit bidt, alsook bidt ter intentie van den Paus; — 300 dagen op Pinksterdag en onder de octaaf; — vollen aflaat eens in de maand, als men liet eene maand gedaan heeft, op de gewone voorwaarden.

ocr page 89

85

V. Hoe komt deze heiligmaking' op eene bijzondere wijze uit Gods liefde voort ? i. ■

A. Omdat wij uit onze natnur of uit onze werken geen recht daartoe hebben, en zij dus onder alle opzichten eene ware gave is.

VEERTIENDE LES.

Van de Karl;.

§ 1-

(U. 20®, 21e en 23e les, — Br. 14e les, — R. 12e les.)

V. 's B. Welk is het negende artikel van het Symbolum des Geloofs ?

(Ik geloof) de Heilige, Katholieke Kerk, gemeenscha]) der Heiligen.

V. 's B. Wat is de H. Kerk in het algemeen'?

A. De vereeniging van alle geloovigen en zaligen onder Christus hun Opperhoofd.

V. Welke beteekenis heeft het Woord Kerk?

A. Kerk beteekent vereeniging; ook de plaats, waar men zich vereenigt tot één doel.

V. In welke beteekenissen wordt het woord Kerh gewoonlijk gebruikt ?

A. le. Voor het huis van God, waar de menschen samenkomen, zich vereenigen in hetzelfde geloof, dezelfde leer, in frehoorzaamheid aan hetzelfde hoofd, en het gebruik derzelfde H. Sacramenten en andere genademiddelen. 2e. Het wordt gebruikt om de leerende Kerk uit te drukken, d. i. Paus en Bisschoppen, die, samen vereenigd, ons leeren wat we gelooven en doen moeten. 3e. De Kerk wordt genoemd : alle ■ EoomscJi-Katholiéken te samen die allen één zijn in geloof, leer, gehoorzaamheid, gebruik der H. Sacramenten, enz.

V. Wie zijn de zaligen, in dit antwoord bedoeld?

A. Als zaligen worden hier genoemd de zielen, die reeds in den hemel zijn, alsook die nog in het vagevuur vertoeven, omdat deze zeker zalig zullen worden, wat van ons, menschen, zoolang \ve op aarde zijn, niet kan gezegd worden.

V. R. Behooren de geloovigen op aarde alleen tot de Kerk van Christus ?

A. Neen,, tot de Kerk van Christus behooren ook nog de zielen in het Vagevuur en de zaligen in den hemel.

V. 's B. Hoeveel deelen zijn er van de H. Kerk ?

ocr page 90

86

A. Drie; de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het Vagevuur en de zegepralende Kerk in den Hemel.

V. U. Waar zijn de zielen van hen, die in Gods genade gestorven zijn ?

A. Deze zijn in het vagevuur of in den hemel.

V. U. Hoe noemt men de leden der Kerk op aarde ?

A. Deze noemt men de strijdende. Kerk.

V. ü. Waarom wordt die zoo genoemd?

A. Omdat wij hier moeten strijden tegen den duivel, de wereld en het vleesch.

V. ü. Hoe noemt men de leden der Kerk in het racjevuur ?

A. Deze noemt men de lijdende Kerk.

V. U. Waarom wordt die zoo genoemd ?

A. Omdat die zielen daar nog moeten lijden voor hunne zonden.

V. U. Hoe noemt men de leden der Kerk in den hemel?

A. Die noemt men de zegevierende Kerk.

V. ü. Waarom wordt die zoo genoemd ?

A. Omdat de zielen, daar bevrijd van alle vijanden en alle lijden, zegevieren in eeuwigheid.

V. Wie behooren dus tot „de H. Kerk in het algemeenquot; ?

A. Alle zaligen in den hemel, alle zielen in het vagevuur en alle geloovigen op aarde te zamen, vereenigd, maken uit de Kerk in het algemeen.

V. 'sB. Wie is het Hoofd der H. Kerk?

A. Het algemeen, opperste en onzichtbaar Hoofd der H. Kerk is Christus; maar het zichtbaar Hoofd der H. Kerk op aarde is de Paus van Eome. „Hij is het Hoofd van het lichaam der Kerkquot; (Coloss. 1.18.); God de Vader heeft Hem gesteld als Opperhoofd over de geheele Kerk, die Zijn lichaam isquot;. (Eph. I. 22.)

V. Waarom zegt gij, dat Christus nog het Opperhoofd der Kerk is ?

A. Omdat Christus de Kerk heeft gesticht, en haar nog bestuurt door Zijne dienaren, die in Zijnen Naam en op Zijn last het leer-priester- en herdersambt in Zijne Kerk waarnemen.

V. 'sB. Waarom noemt gij Christus het onzichtbaar Hoofd der H. Kerk?

A. Omdat Hij sedert Zijne Hemelvaart, op aarde niet meer zichtbaar is.

V. Is Christus ook het zichtbaar Hoofd der Kerk geweest?

A. Ja, zoolang Hij op aarde is gebleven, dus tot aan Zijne hemelvaart; toen eerst heeft Hij iemand in Zijne plaats (stedehouder) aangesteld.

V. 'sB. Wat is de H. Kerk op aarde'?

A. De vereeniging van alle geloovige christenen, die onder de gehoorzaamheid van den Paus van Eome de ware leer van Christus belijden.

ocr page 91

87

V. R. Wat heeft Christus hier op aarde gesticht, om het werk onzer Verlossing voort te zetten en te voltrekken ?

A. De H. Kerk.

V. U. Heeft Jesus eene Kerk op aarde gesticht ?

A. Ja; Hij heeft gewild, dat allen, die in Hem geloofden, door hetzelfde geloof vereenigd, èéne kudde onder één Opperherder, één rijk onder één Opperhoofd zouden uitmaken.

V. U. Waardoor wordt men tot ledemaat dor Kerk aangenomen'?

A. Door het H. Doopsel.

V. U. Wat deden de Apostelen, nadat zij den H. Geest ontvangen hadden ?

A. Zij gingen mot moed Jesus' leer aan alle volken verkondigen, en namen hen. die aan Jesus geloofden, tot leden der Kerk aan.

V. U. Hoe zorgden de Apostelen voor de bediening en bestiering van hen, die zij allerwege tot Jesus bekeerden'?

A. Zij stichtten op verschillende plaatsen gemeenten, aan wier hoofd zij geschikte mannen als herders aanstelden.

V. U. Waren die gemeenten met elkander verbonden ?

A. Ja. zij maakten slechts ééne groote gemeente uit, omdat zij onder één opperhoofd stonden en hetzelfde geloof hadden.

V. U. Wat is dus de H. Kerk op aarde door Jesus gesticht?

A. Alle gemeenten, alle geloovigen te zamen, die onder hun wettig opperhoofd den Paus van Eome, de ware leer van Jesus belijden.

V. Hoe zijn die leden met elkander verbonden ?

A. Door den inwendigen en onzichtbaren band der liefde; alsook door de uitwendige en zichtbare vereeniging in het yeloof, dat zij allen door woord en daad en door uitwendigen godsdienst belijden; — in het gehruilc derzelfde uitwendige genademiddelen of Sacramenten, in (jehoorsaamlieid aan hetzelfde Opperhoofd, den plaatsbe-kleeder van Christus en aan hunne wettige Bisschoppen, de opvolgers der Apostelen.

V. Heeft de Kerk die inrichting van de Apostelen af?

A. De Kerk heeft deze inrichting van Christus, haren Stichter, die immers zelf getuigde „dat Hij Koning was, dat Hij een rijk kwam stichten.quot; Dit rijk moest eene blijvende, doelmatige inrichting hebben. „De Apostelen verzekeren ons, dat alles, wat door hen is „ingevoerd, niet uit eigen willekeur, maar op last van Christus den ..volken is overgeleverd.quot; (Tertull.)

V. u. w ie zijn door Christus tot leeraars der Kerk aangesteld ?

A. De H. Apostelen en hunne wettige opvolgers.

V. U. Met welke woorden gaf Jesus aan Zijne Apostelen het bevel en de macht om Zijne leer te prediken en Zijne Kerk uitte breiden ?

A. „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zóó zend ik u. — Gaat

ocr page 92

88

„en onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders, „en des Zoons, en des H. Geestquot;.

V. Welke macht heeft Christus aan de Apostelen gegeven ?

A. De macht om te prediken gaf Hij hun, en daarmede het ambt van leeraar. Ook stelde Hij hen aan tot priesters, om het Doopsel en andere genademiddelen toe te dienen; tot herders, om de geloo-vigen te besturen: „leert hen onderhouden hetgeen ik u bevolen hebquot;.

V. Heeft Christus deze drievoudige macht aan de Apostelen uitsluitend verleend?

A. Neen, maar ook aan hunne opvolgers, want Christus had beloofd, dat Hij met hen zou zijn tot aan het einde der eeuwen. De Apostelen echter waren sterfelijke menschen. Hen alleen kon de Zaligmaker dus niet bedoelen; derhalve ook hunne opvolgers.

V. U. Wie maken dus voortdurend de leerende Kerk uit?

A. De wettige opvolgers der Apostelen, n.1. de Paus, en de met den Paus vereenigde Bisschoppen.

V. u. w ie is en blijft altijd het onzichtbaar Opperhoofd der H. Kerk ?

A. Christus, die de Kerk gesticht heeft, is en blijft altijd het onzichtbaar Opperhoofd.

V. u. w 'ien heeft Christus in Zijne plaats tot zichtbaar Opperhoofd der H. Kerk aangesteld?

A. Christus heeft den H. Petrus, als Zijn plaatsbekleeder, tot zichtbaar Opperhoofd der H. Kerk aangesteld.

V. Moest de Kerk een zichtbaar Opperhoofd hebben ?

A. Ja ; want de Kerk is eene zichtbare gemeente, eene zichtbare maatschappij, die dus gelijk iedere vereeniging of samenleving van menschen een zichtbaar hoofd moest hebben.

V. U. Door welke woorden heeft Je sus die aanstelling (tot Hoofd der Kerk) beloofd ?

A. Door de woorden: „Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal

„ik mijne Kerk bouwenquot;.....En n zal ik de sleutels des hemelrijks

gevenquot;. (Matt. XVI.)

V. U. Waai ■om noemt Jesus den H. Petrus de steenrots waarop Hij Zijne Kerk zou bouwen ?

A. Omdat op Petrus als het Opperhoofd de geheele Kerk moet steunen en vereenigd blijven, evenals een gebouw op zijne fondamenten.

V. U. Wat beteekent het geven der sleutels?

A. Dat hij, aan wien de sleutels eener stad, en zooook van een rijk gegeven worden, daarin de opperste macht heeft.

V. u. w anneer heeft Jesus den H. Petrus tot Opperhoofd dei-Kerk aangesteld ?

A. Toen Hij tot Petrus zeide : iceid mijne lammeren, weid mijne schapen. (Joan. XXI.)

ocr page 93

89

V. U. Wat bedoelde Jesus met die woorden?

A. Dat Petrus als Opperherder alle lammeren en schapen, dat is, de gansche kudde of de geheele Kerk van Christus moest leiden en besturen.

V. Welke feiten bevestigen, dat Petrus door Christus tot Hoofd der Kerk is aangesteld ?

A. Aanstonds na Christus' hemelvaart doet Petrus zich op als de eerste onder de Apostelen, als de voorzitter hunner vergadering, als de Opperbestuurder der Kerk. (Hand der Apost.) Petrus is steeds als opperhoofd door de Apostelen en door de Kerk van alle eeuwen erkend. „Niemand twijfelt, ja alle eeuwen is 't bekend,quot; zoo werd reeds in 431 op de Kerkvergadering van Ephese gezegd, ,.dat do ,.H. Petrus, de prins en het opperhoofd der Apostelen, de zuil dos ..geloofs en de grondsteen der Katholieke Kerk, die nu en altijd „in zijne opvolgers leeft en beslist, de sleutelen van het rijk der „hemelen ontvangen heeft.quot;

V. U. Heeft Jesus gewild, dat de Kerk na den dood van Petrus altijd een zichtbaar Opperhoofd zoude hebben?

A. Zeker heeft Jesus dit gewild; want de Kerk moet tot het einde der wereld zóó voortduren, gelijk zij door Jesus is gesticht.

V. U. Wie is sedert den dood van Petrus het zichtbaar Opperhoofd der Kerk?

A. De Bisschop van Pome, of de Paus is het Opperhoofd, de Opperherder der Kerk.

V. Is het noodig dat er een Opperhoofd zij ?

A. Ja, le. om de geloovigen te onderwijzen, te bestieren; 2e. om de eenheid in geloof te bewaren; 3e. om voorkomende twijfelingen of geschillen op te lossen en te beslissen.

V. 's B. Wat is de Paus van Rome ?

A. De stedehouder (plaatsvervanger) van Christus zeiven op aarde, en do wettige opvolger van den H. Petrus, op wien Christus Zijn Kerk gebouwd heeft.

V. Waarom wordt het zichtbaar Hoofd dor H. Kerk Paus, dat is. Vader genoemd?

A. Omdat hij de geestelijke Vader is van alle leden der H. Kerk.

V. Is de H. Petrus altijd te Eome geweest ?

A. Neen; eerst heeft hij eenige jaren te Antiochië gewoond, vervolgens zijn zetel overgebracht naar Rome, waar hij tot aan zijn dood gebleven is. (De H. Kerk herdenkt deze gebeurtenis den 18 Januari.)

V. Hoe en wanneer is de H. Petrus gestorven ?

A. Onder de regeering van keizer Nero, in het jaar 67 is de de H. Petrus gevangen genomen en ter dood gebracht aan het kruis. Uit nederigheid verzocht Petrus met het hoofd naar beneden gekruisigd te worden, hetgeen hem werd toegestaan. Daarom wordt

ocr page 94

90

Petrus voorgesteld met een omgekeerd kruis bij zich. Op denzelfden dag- werd ook de Apostel Paulus ter dood gebracht door het zwaard. Hun beider marteldood viert de H. Kerk den 29 Juni, voorafgegaan door een vigilie- of vastendag.

V. U. Waarom is de Paus het Opperhoofd der geheele Kerk?

A. Omdat hij de wettige opvolger is van Petrus, die als eerste Opperhoofd der Kerk te Rome heeft gezeteld en gestorven is.

V. Hoevele opvolgers heeft Petrus thans gehad?

A. Paus Leo XIÏI (Dien God nog lang spare!) is de 258® opvolger van den H. Petrus, daartoe den 20 Februari 1878 in plaats van Pius IX gekozen, die den 8 Februari van hetzelfde jaar in geur van heiligheid gestorven is.

V. Wat zijn wij aan den Paus schuldig ?

A. Liefde jegens onzen geestelijken Vader; eerbied en gehoorzaamheid gelijk aan Christus zeiven met Wiens gezag en macht de Paus bekleed is; — behulpzaamheid in den hulpbehoevenden toestand, waarin de Paus thans verkeert.

V. Waardoor kunnen en moeten de Katholieken den Paus helpen ?

1°. Door het gebed; 2°. door de aalmoes van den St. Pieterspenning, die (alle maanden één cent) eerder eene helasthiy is, welke alle Katholieken, die hunne le H. Communie gedaan hebben, verplicht zijn o]) te brengen aan hunnen Vader, den Paus. (1)

V. Wat zijn de Kardinalen ?

A. De Kardinalen zijn de medehelpers en raadsmannen van den Paus in het bestuur der Kerk. Zij zijn het ook. die bij den dood des Pausen een opvolger kiezen.

V. Hoevele Kardinalen zijn er ?

A. In navolging van het getal raadslieden van den Hoogepriester in het Oude Testament, zijn er 70 Kardinalen.

V. U. HeDben de andere Apostelen ook opvolgers?

A. Ja, de Bisschoppen, die op behoorlijke wijze als Bisschoppen gewijd zijn, en met den Paus in gemeenschap staan.

V. 's B. Wat zijn de Bisschoppen der H. Kerk.

A. De Bisschoppen zijn de prinsen (eersten) der H. Kerk, en bekleeden de plaatsen der Apostelen.

V. Welke macht hebben de Bisschoppen ?

A. Volgens de goddelijke instelling zijn do Bisschoppen, vereenigd met den Paus en aan hem onderworpen, geroepen om deel te nemen aan het bestuur der Kerk. Zij zijn bekleed met een gezag, dat hun eigen is, en zij dragen in volle waarheid den naam van overheden uit eigen hoofde, in betrekking tot de hun toevertrouwde geloovigen, mits zij vereenigd blijven met, en onderworpen aan den Paus.

(1) Bovendien zijn aan deze aalmoes vele aflaten verbonden, welke te zien zijn op het insrhrijvingsbriefje in de broederschap van den St. Pieterspenning.

ocr page 95

91

V. Op welke wijze besturen de Bisschoppen de Kerk ?

A. Zij besturen de Kerk op deze wijze; 1°. dat ieder Bisschop het deel der Kerk (Bisdom) bestuurt, dat hem door den Paus is aangewezen; 2°. dat zij soms met den Paus vergaderen, beraadslagen, beslissingen en maatregelen nemen over — en voor het algemeen welzijn der Kerk (Zie over Kerkvergaderingen 3 les :3e §.)

V. Door wie worden de Bisschoppen aangesteld ?

A. Door den Paus, of door hem of hen, die en in zoover zij daartoe van den Paus de macht ontvangen hebben.

V. Hoevele en welke Bisschoppon zijn er in Nederland?

A. Hot Koningrijk Nederland maakt ééne Kerkprovincie uit, bestaande uit één aartsbisdom (Utrecht) en vier bisdommen : 's Bosch, Breda, Haarlem en Roermond.

V. Wie zijn de raadslieden der Bisschoppen?

A. De Kanon/ken, die quot;gezamenlijk het Kapittel genoemd worden.

V. Door wie oefenen de Bisschoppen hun ambt van priester, leeraar en herder in hun Bisdom uit?

A. Door de priesters, welke zij tot dat doel in de afzonderlijke gemeenten (parochies) zenden.

V. 's B. Wat zijn de Pastoors en Priesters in de H. Kerk ?

A. De Pastoors en Priesters zijn de ondergeschikte medehelpers der Bisschoppen vooral in het verkondigen van Gods Woord, en het toedienen der H.H. Sacramenten.

V. Doen de Bisschoppen zelve dit niet ?

A. Ja : Zij dienen de H. Sacramenten toe, bijzonder het Vormsel en het Priesterschap. Zij verkondigen Gods woord, d. i. zij prediken en onderwijzen de geloovigen bij gelegenheid van het toedienen des Vormsels; alsook meermalen in het jaar, wanneer in de kerk een Brief of Bulle wordt voorgelezen, hetgeen is eene preek of onderwijzing, door den Bisschop gegeven.

V. Wat moet den geloovigen aansporen, om de Bisschoppen en ook de door hen gezondene priesters te eerbiedigen en te gehoorzamen ?

A. Zij moeten steeds voor oogen houden, dat deze allen zijn „gezanten des Heeren, dienaren van Christus, uitdeelers van Gods „heilige geheimen.quot; Aldus noemt hen de H. Paulus. (I. Cor. IV, 1.)

„Wee dengenen, die de geestelijkheid verachten en scheuringen, „misbruiken invoeren ! Zij gaan den weg van Caïn, en gaan ten

„gronde in het oproer van Core---- Zij zijn dwaalsterren, wie het

„donker der eeuwige duisternissen voorbehouden isquot;. (Jud. XI. 15.)

V. Hoe wordt in de H. Kerk de goede orde bewaard?

A. Hierdoor, dat zij die geen priester zijn aan de Priesters, de Priesters aan de Bisschoppen, de Bisschoppen aan den Paus gaarne en vrijwillig gehoorzamen.

ocr page 96

92

§ 2.

(U. 22« les; — Br. 14e les § 2 ; — R. 12e les § 2.)

V. E/. Heeft Christus meer clan ééne ware Kerk gesticht ?

A. Neen, Christus heeft maar ééne ware Kerk gesticht: ,.één Heer, één geloof en één doop.quot; (Eph. IV 5.)

V. Br. Welke is de door Christus gestichte Kerk?

A. De Eoomsch-Katholieke Kerk.

V. R. Moeten alle raenschen tot de ware Kerk van Christus behooren, om te kunnen zalig worden ?

A. Ja, want voor al degenen, die door hunne schuld buiten de ware Kerk van Christus sterven, is de zalisjheid onmogelijk.

V. u. w ie zullen dus niet zalig worden, omdat zij geene leden dier Kerk zijn'?

A. Zij. die niet door het H. Doopsel tot leden dier Kerk zijn aangenomen.

V. Zullen allen zalig worden, die door het Doopsel lid der E. K. Kerk geworden zijn?

A. Neen; bijvoorbeeld niet zij, die schuldig schismatiek zijn, dat is, die de ware leer van Christus belijden, maar niet willen staan onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome. Evenmin zij, die schuldig dwalen.

V. Wie dwalen schuldig ?

A. Die het ware geloof niet omhelzen, wetende dat zij dwalen; alsook die twijfel gevoelen in hunne dwaling, en niet onderzoeken.

V. Zijn zij, die onschuldig en ter goeder trouw dwalen, ook ledematen der ware Kerk?

A. Ja, zij zijn wel niet uitwendig met de Kerk vereenigd, maar toch in hun hart ware ledematen.

V. Kan men de ééne door Christus gestichte Kerk gemakkelijk onderscheiden ?

A. Ja, want Christus heeft eene zichtbare Kerk met eigenaardige kenteekenen gesticht, zoodat zij gemakkelijk te vinden is.

V. Hoe is de Kerk zichtbaar?

A. De Kerk is voor iedereen te zien en te vinden le. in de hoofden en ledematen, waaruit zij bestaat. Eveneens is zij kenbaar 2e. in de verkondiging en de belijdenis harer leer, hetgeen immers openlijk geschiedt. 3e. De Kerk is zichtbaar in het offer en in de uitdeeling der H. Sacramenten.

V. 's B. Waaruit blijkt, dat de Roomsch-Katholieke Kerk do ware Kerk van Christus is ?

A. Hieruit, dat zij alleen de kenteekenen heeft, welke de Kerk van Christus hebben moet.

V. Hoedanig moeten die kenteekenen zijn ?

A. le. Die kenteekenen moeten uit den aard der Kerk voort-

ocr page 97

93

vloeien, zoodat zij onafscheidelijk zijn van de Kerk ; — 2e. Zij moeten aan de Kerk zoodanig eigen zijn, dat geene andere instelling zich er op beroepen kan; — 3e. zij moeten meer kennelijk zijn dan de Kerk zelve; anders toch zon het kenteeken niet tot erkenning dei-Kerk kunnen strekken.

V. 's B. Welke zijn die kenteekenen ?

A. Onder anderen deze vier; le. dat zij één is ; 2e. dat zij heilig is: 3e. dat zij katholiek is en 4e. dat zij apostoliek is.

V. R Heeft Christus aan Zijne Kerk nog niet een ander toeken gegeven, waaraan men duidelijk kan zien, welke Kerk door Hem gesticht is'?

A. Ja, want Chistus heeft Zijne Kerk gesticht op Petrus; waar dus Petrus is of Zijn wettige opvolger, daar is de Kerk van Christus.

V. Waaruit weten of kennen wij. dat deze de kenteekenen der ware Kerk van Christus zijn ?

A. Uit het Symbolum der Apostelen ; uit de Geloofsbelijdenis, in de Algemeene Kerkvergadering van Nicea opgesteld; ten deele ook uit de H. Schriftuur.

De éénheid: „Ik bid U, Vader, dat zij alleen één zijn, gelijk Gij, „Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn.quot; (Joan. XVII, 20,21.)

Heilig: Christus heeft Zich voor de Kerk overgeleverd, om Haar

te heiligen..... opdat Zijne Kerk zou zijn zonder vlek of rimpel of

iets dergelijks, maar heilig en onbevlekt.quot; (Eph. V. 25. 2(i.)

Katholiek dat is algemeen: „gaat en leert alle volken,quot; Het Evangelie dos rijks moet gepredikt worden in geheel de wereld, allen „volken tot getuigenis.quot; (Matt. XXIV, 14.)

Apostoliek: van de Apostelen afkomstig, want aan hen heeft Hij Zijnen H. Geest beloofd, en aan hunne opvolgers, „gebouwd op den grondslag dor Apostelen.quot; (Eph. II. 20.)

V. ?s B. Waarin is de eenheid der H. Kerk gelogen ?

A. Dat zij onder één hoofd staat en in alle stukken des Goloofs ééne on dezelfde leer volgt.

V. Is dit bij andersdenkenden ook hot geval ?

A. Neen, omtrent alle punten van hot geloof zijn zij verdoold; en ook de punten door de hervormers te gelooven voorgesteld, zijn herhaaldelijk veranderd.

V. Hebben zij ook één Hoofd ?

A. Neen, want ieder is zijn eigen hoofd of Paus die volstrekt geen hoogor gezag behoeft te erkennen. Vandaar dat er bij hen zoovele godsdiensten als hoofden zijn.

V. 's B. Waarin bestaat hot kenteeken, dat do Kerk heilig is ?

A. Dat hare leer en instellingen heilig zijn, doch voornamelijk dat zij Heiligen voortbrengt, en wonderen en gaven bezit, waardoor hare heiligheid ton allen tijde bevestigd wordt.

A. U. Omdat haar Hoofd Christus, hare leer en hare geboden heilig

ocr page 98

94

zijn; en omdat zij door do Sacramenten de geloovigen heiligquot; maakt.

A. R. le. dat haar Stichter en hare leer heilig zijn; 28. dat in haar alleen te vinden is het gebruik der H. Sacramenten, die ons heilig maken ; 3e. dat zij alleen door alle eeuwen heen overvloedige vruchten van zaligheid heeft voortgebracht.

V. Waarom wordt de leer der Kerk gezegd heilig te zijn.

A. Omdat in hetgeen zij leert niets onheiligs is, dewijl dit van Christus voortkomt; en omdat alles wat zij leert strekt, om de menschen heilig te maken.

V. Strijdt het niet tegen de heiligheid der Kerk dat er vele slechte katholieken zijn?

A. Neen, want hunne goddeloosheid komt niet voort uit do leer der Kerk, maar hieruit dat zij van die leer afgedwaald zijn.

V. Is ook de leer van andersdenkenden niet heilig?

A. Xcen. want hunne stichters waren geene heiligen ; bovendien hetgeen deze geleerd hebben dient niet om de menschen heilig te maken, veeleer het tegendeel.

V. Geef hiervan eenige voorbeelden.

A. Volgens de leer der hervormers bezit de raensch geen vrijen wil en kan onmogelijk zijne booze neigingen bedwingen of de geboden Gods onderhouden; — verder leeren zij, dat goede werken niet noodig zijn; — dat God een gedeelte der menschen zonder hunne schuld voor do eeuwige verdoemenis, en anderen voor de eeuwige zaligheid bestemd heeft. Welke huiveringwekkende leer, indien de menschen daarnaar leefden!

V. Zijn er nochtans niet brave menschen onder de andersgezinden ?

A. Ja, maar zij zijn zulks omdat zij niet volgens de leer hunner kerk leven.

Nota. Men onderscheide wel rechtschapenheid en burgerlijke deugd, die niet in den godsdienst gegrondvest zijn. (Zie de 42« les.)

V. Welke instellingen der H. Kerk kent ge ?

A. De kerkelijke vaste; het bijwonen der godsdientoefeningen op bepaalde dagen; de kloosterorden of de opvolging der Evangelische raden ; de godsvruchtoefeningen tot Jesus Christus, tot O. L. Vrouw en de Heiligen; de rozenkrans, broederschappen, bedevaarten, processies, feestdagen, enz. enz., welke alle strekken om de geloovigen van de zonde af te houden en tot de deugd, ja de tót hoogste volmaaktheid te brengen.

V. Hebben andersdenkenden ook dergelijke instellingen ?

A. Neen; zij hebben zelfs de door Christus gegeven genademiddelen, de H. Sacramenten en het H. Misoffer verworpen.

V. Waren er in deze niet ooit misbruiken?

A. Ja, er zijn in de instellingen der Kerk misbruiken geweest, doch deze zijn nimmer door de Kerk gebillijkt of goedgekeurd. Integendeel, de Kerk heeft die altijd verfoeid en trachten uit te

ocr page 99

95

roeien, ilamp;bruik overigens is het slecht gebruik van iets, dat op zich zélf goed is.

V. Hoe zijn de Heiligen een bewijs, dat de Kerk heilig is ?

A. Omdat zij daardoor Heiligen geworden zijn, dat zij de leer, de geboden, de raadgevingen der Kerk stipt en nauwkeurig hebben opgevolgd en Hare genademiddelen hebben gebruikt.

V. Waardoor heeft God de heiligheid der Katholieke Kerk bevestigd ?

A. Door de gaven van talen te spreken enz.,; van wonderen te doen, waardoor God, door Wien de wonderen geschieden, de waarheid der Katholieke Kerk bevestigt.

V. Vindt men in andere kerkgenootschappen ook wonderen ?

A. Neen, want daardoor zou God getuigenis der onwaarheid geven, hetgeen onmogelijk is.

V. ?s B. Waarom wordt de Kerk katholiek of algemeen genoemd ?

A. Omdat zij alle geloovigen bevat, die van Christus' tijd geweest zijn, en omdat zij verspreid is onder alle volken en in alle landen der wereld; — Br. en altijd onveranderd in haar bestuur en in hare geloofsleer is.

V. Zijn de andersgezinden ook niet over de geheele wereld verspreid ?

A. Neen, althans niet dezelfde. In de verschillende landen, ja zelfs in hetzelfde land vindt men verschillende soorten, leden van verschillende kerkgenootschappen. Maar overal, in alle landen dei-wereld vindt men dezelfde katholieken, gelijk men die ten allen tijde vond; die allen in de Kerk erkenden en nog erkennen dezelfde leer, hetzelfde priester- en herdersambt.

V. 'sE. Waarom wordt de Kerk apostoliek (van de Apostelen afkomstig) genoemd ?

A. Omdat de herders der Kerk door eene onafgebrokene opvolging met de Apostelen verbonden zijn en omdat de Kerk altijd dezelfde leer verkondigd heeft, welke de Apostelen verkondigd hebben.

A. Br. en R. Omdat zij door de Apostelen gevestigd is, de leer der Apostelen belijdt, en door de wettige opvolgers der Apostelen zonder onderbreking nog altoos bestierd wordt.

V. Is de Katholieke Kerk alleen apostoliek ?

A. Ja, want op alle andere kerken passen de woorden van den H. Hilarius: „gij zijt te laat gekomen, te laat zijt gij ontstaan.quot; Zij zijn immers, de jongste eerst 1500 jaren na Christus gekomen en wél door zich van de Katholieke Kerk los te rukken. Onmogelijk kunnen dus de zoogenaamde herders dier kerken tot de Apostelen opklimmen; maar zij zijn „zonen zonder vaders, leerlingen zonder „leermeesters, herders zonder kudde.quot; (H. Optatus.) Gelijk Tertulliaan ten zijnen tijde, zoo kan men alle andere kerkgenootschappen uit-

ocr page 100

96

dagen; „laat zien den oorsprong uwer kerken, de orde en opvolging „uwer bisschoppen tot aan de Apostelen of tot die Apostolische ..mannen, die tot het einde van hun leven in de gemeenschap der „Apostelen volhard hebben, want daardoor bewijzen de apostolieke „kerken, dat zij dien naam verdienen.quot;

V. Wat dan te zeggen van hunne leeraars ?

A. Zij zijn niet gezonden, noch door Christus noch door de wettige opvolgers der Apostelen ; noch door God op buitengewone wijze geroepen, waarvan wonderen en teekenen of hunne opvallende heiligheid hét bewijs zouden zijn. Zij kunnen dus vergeleken worden bij die profeten, van wie de Heer tot Jeremias sprak: „Ik heb „hen niet gezonden, en hun niets geboden, en niet tot hen ge-„sproken.quot; (Jerem. XIV, 14.)

V. Wat vo:gt er uit, dat geene andere Kerk de kenteekenen der ware Kerk van Christus heeft?

A. Dat de Roomsch-Katholieke Kerk alleen de door Christus gestichte Kerk is.

V. Welke verplichtingen hebben de katholieken hierdoor, dat zij tot de Kerk van Christus geroepen zijn en behooren ?

A. Jegens God: daiMaarheid, daar zij zonder hun toedoen, zonder het verdiend te hebben in de ware Kerk geboren en opgevoed zijn. Jegens andersdenkenden: den plicht van een godsdienstig leven en van een goed voorbeeld; boven alles den plicht van liefde, waardoor zij zich niet boven hen verheffen, veel minder nog hen bespotten of veroordeelen, maar voor hen hidden moeten, opdat de Heer der Kerk hunne harten treffe en hen tot den waren schaapstal brenge, en zoo bewaarheid worde, wat de Zaligmaker van Zijn hemelschen Vader afbad : „dat het één schaapstal en één Herder worde.quot; (Zie ook de 3e les, 2e §.)

VIJFTIENDE LE8.

Van de Gemeenschap der Heiligen.

(U. 23e en 60e les; — Br. 15e en 16e les; — R. 5e les.)

V. 's B. Wat verstaat gij door de gemeenschap der Heiligen ? A. De gemeenschap van geestelijke goederen tusschen de ledematen der H. Kerk onderling (onder elkander) en met Christus hun Opperhoofd.

ocr page 101

V. R. Wat verstaat men dus door Heiligen, wanneer wij zeggen: gemeenschap der Heiligen ?

A. Door Heiligen worden hier verstaan: de Zaligen in den hemel, de zielen in het Vagevuur en de geloovigen op aarde, die allen tot heiligheid geroepen zijn.

V. R. Wat wil zeggen : gemeenschap, wanneer we zeggen : gemeenschap der Heiligen?

A. Dat deze drie maar één geestelijk lichaam uitmaken, waarvan Christus het Hoofd is. en dat ieder lid deel heeft aan de geestelijke goederen, die aan de geheele Kerk toebehooren.

Y. quot;Verklaar dat woord gemeenschap nader.

A. Gelijk kinderen in het huis hunner ouders samenwerken en daar ook samen doen in elkanders winsten met hunne ouders, zoo hebben de Heiligen In den hemel, de zielen des vagevuurs en de leden der H. Iverk op aarde deel in elkanders gebeden en goede werken, en in die van Christus, hun aller Opperhoofd.

V. Ü. Waarom bestaat er oene geestelijke gemeenschap tusschen de leden der strijdende, lijdende en zegevierende Kerk ?

A. Omdat zij allen leden zijn van één lichaam (de Kerk in 't algemeen) waarvan Christus het Opperhoofd is.

V. Br. Welke gemeenschap hebben wij op aarde met Christus ons Opperhoofd?

A. Dat Hij ons bestuurt door Zijn Stedehouder, den Paus van Rome, en ons overvloedige genaden ter zaligheid aanbiedt, bijzonder in de H. Communie.

V. Is de gemeenschap met Jesus Christus, of de band, die ons met Hem verbindt, voor allen dezelfde?

A. Neen; de band, die ons met Hem en met de leden der H. Kerk in heilige liefde vereenigt, is des te nauwer, naarmate de heiligmakende genade van Jesus Christus ons overvloediger toevloeit. Om nu die heiligmakende genade te verkrijgen of te vermeerderen dienen vooral do H. Sacramenten.

V. 'sB. Welke gemeenschap hebben bijzonder do ledematen der H. Kerk op aarde met elkander?

A. Dat zij deelachtig worden aan 'alle Sacrificiën (Missen), openbare gebeden en goede werken, die in de H. Kerk geschieden.

A. U. Dat zij. die in staat van genade zijn, deel hebben aan de H. Misoffers, gebeden en goede werken, die in de H. Kerk verricht worden; en dat de zondaars daardoor worden geholpen tot hunne bekeering.

V. Wat zijn openbare gebeden ?

A. Die gebeden, welke door de bedienaars der H. Kerk kraehteas hun ambt en in naam der H. Kerk geschieden/ _ .

TT 0 - - • '

V. rsoem eenige.

A. Die gebeden welke bij het toedienen djër H. SacraméhTën

v

n

V

ocr page 102

98

gebruikt worden, alsook bij begrafenissen, lof. Vespers, de getijden der priesters en kloosterlingen.

V. Als iemand de H. Communie of eenig ander sacrament ontvangt, de H. Mis opdraagt of bijwoont, vast, bidt, aalmoezen geeft, deelen anderen ook daarin ?

A. Ja, allen die in den hemel en in bet vagevuur zijn, alsook alle leden der Kerk op aarde hebben daarin hun aandeel.

V. Deelen de leden der Kerk op aarde gelijkelijk daarin: alleen evenveel ?

A. Neen, want dat deel wordt afgemeten naar de mate van hun geloof en liefde.

V. Kunnen we dus voor een anderen mensch den hemel verdienen, of voor zijne zonden en straffen voldoen ?

A. Neen, want ieder zal „naar het goed of kwaad, dat hij in „zijn lichaam gedaan heeft, ontvangen.quot; (II. Cor. V, 10). De een kan echter voor den ander vele en buitengewone genaden van God verkrijgen, gelijk do H. Schrift vermeldt van Laban (Gen. XXX, 27), van Putiphar (Gen. XXXIX, 5), Salomon enz.

V. 's B. Wie zijn buiten de gemeenschap der H. Kerk op aarde ?

A. De Heidenen, Turken, Joden, Ketters, Scheurmakers, en die in den Kerkdijken ban zijn.

V. Waarom hebben zij geen deel aan de goede werken, gebeden enz. ? ,

A. Omdat zij óf niet tot de Kerk behooren (de Heidenen, Turken en Joden) óf, de overigen, van de Kerk zijn afgescheurd.

V. Hebben zij die in staat van doodzonde zijn nog deel aan do gebeden enz.?

A. Zij, die in doodzonde zijn, hebben als afgestorvene ledematen de meeste geestelijke goederen verloren, maar zij hebben krachtens hunne vereeniging met de Kerk, vele middelen en genaden tot bekeering.

V. Wat zijn Heidenen ?

A. De ongeloovigen, die nooit gedoopt zijn, en de afgodendienaars.

V. Wat zijn Turken'?

A. De Turken of Mahomedanen erkennen éénen God; doch in plaats van Christus, dien zij verwerpen, gelooven zij in Mahomed, een valschen profeet.

V. Wat zijn Joden ?

A. Joden gelooven in den éénen waren God, doch verwerpen Christus als den Zoon Gods. Zij onderhouden de wet van Mozes en verwachten nog steeds den Messias.

V. Br. Wie zijn Ketters ?

A. Ketters zijn zij, die wel door het H. Doopsel ledematen der H. Kerk geworden zijn, maar hare leer met hardneklngheid verwerpen.

ocr page 103

99

V. Br. Wie zijn Scheurmakers?

A. Scheurmakers zijn de gedoopten; die wel de leer der H. Kerk belijden, maar gehoorzaamheid weigeren aan haai- Opperhoofd, den Paus van Kome.

V. 's B. Wat is de Kerkelijke Ban of excommunicatie ?

A. Eene geestelijke straf der H. Kerk, waardoor de schuldige om zijne misdaad en hardnekkigheid van de gemeenschap der H. Kerk wordt uitgesloten.

V. Waarvoor wordt iemand buiten de Kerk gebannen ?

A. Om eene groote misdaad, waarin hij halstarrig, koppig blijft.

V. Noem eenige misdaden, waarvoor de bedrijver met den Ban gestraft wordt?

A. Geestelijke personen mishandelen; een duel aangaan of daarbij getuige zijn, enz.

V. Wie heeft de macht, om met den ban te straffen?

A. De Paus en de Bisschoppen, aan wie Christus de macht gegeven heeft om te binden en te ontbinden, en aan wie Hij geboden heeft dengene, die de Kerk niet hoort, te behandelen als een heiden of tollenaar.

V. Mag men voor hen die in don Ban zijn ook bidden?

A. Wèl mag ieder afzonderlijk voor hen bidden, maar niet mogen voor hen openbare gebeden gedaan worden als: de kerkelijke be-gravenis, enz.

V. Waardoor kan men van den ban ontslagen en weer opgenomen worden in de Kerk ?

A. Door de absolutie van den Paus of den Bisschop, die den banvloek heeft uitgesproken ; of door hem, die daartoe gemachtigd is.

V. Welke andere straf wordt door de Oversten der H. Kerk wel eens toegepast ?

A. Hot weigeren der kerkelijke begrafenis.

V. Waarin bestaat deze straf?

A. Hierin dat geene kerkelijke dienst voor de gestraften in het openbaar mag geschieden, en hunne lichamen niet in gewijden grond mogen begraven worden.

V. Wie worden daarmede gestraft?

A. O. a. zij, die in 't openbaar in zonden geleefd hebben en gestorven zijn, als ook zij die hun Paaschplicht verzuimen.

V. 's B. Welke gemeenschap hebben wij met de zielen in het Vagevuur?

A. Dat zij door onze gebeden en goede werken geholpen worden.

A. ü. Dat wij door gebeden, goede werken, H. Misoffers en het toevoegen van aflaten die zielen kunnen helpen.

V. U. Wat lezen wij in de H. Schrift van het bidden voor do overledenen ?

ocr page 104

100

A. Dat hot eene zalige gedachte is voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zonden bevrijd worden.

V. Waaruit blijkt nog meer, dat wij de zielen in het Vagevuur helpen kunnen?

A. 1°. Uit de gedurige leer en overlevering der H. Kerk, die duidelijk in de boeken der H. Vaders van de eerste en alle eeuwen is uitgedrukt, alsook uit de handelingen der martelaren. 2°. Uit de gebruiken der H. Kerk, en hare wijze van bidden: dagelijks in do H. Mis wordt voor de overledenen gebeden, en alle openbare gebeden besloten met: „dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid rusten in vrede.quot; Jaarlijks viert de Kerk op plechtige wijze de gedachtenis der overledenen. 3°. De Kerkvergaderingen van Lyon Florence en Trente loeren uitdrukkelijk, dat aan de zielen ter vermindering haror straffen de gebeden. Misoffers, goede werken enz. dor geloovigen helpen. (Zie 18e les.)

V. 'sB. Welke gemeenschap hebben wij in dit loven met de Heiligen in den hemel ?

A. Dat wij geholpen worden door hunne geboden en ook door hunne voldoeningen, die zij in dit leven volbracht hebben.

A. TJ. Dat wij de Heiligen kunnen aanroep en en vereeren on dat zij ons door hunne gebeden en verdiensten kunnen helpen.

V. Wat zijn de overvloedige voldoeningen der Heiligen ?

A. Hetgeen zij te veel (meer) gedaan hebben dan noodig was, om hunne eigene zonden of straffen der zonden uit te boeten.

V. Geef daarvan eenige voorbeelden.

A. De H. Maagd heeft een leven geleid als van eene martelares en had voor hare eigene zonden niet te voldoen. Do Martelaren, zoovele Heiligen, die onschuldig leefden en toch hun geheele leven strenge boetvaardigheid pleegden, b.v. Lucia, Barbara, Aloysius, Franciscus, Alphonsus enz.

Boven allen heeft Christus oneindig moor gedaan en geledon dan noodig was, om den mensch te verlossen. Iedere daad of handeling van Christus had. immers oneindige waarde.

V. Is nu verloren of nutteloos wat Christus geloden heeft moer dan noodig was; of wat do Heiligen meer gedaan hebben dan noodig was, om zelve in den hemel te komen ?

A. Neen; deze oneindige verdiensten van Christus, en deze overvloedige voldoeningen der Heiligen komen ton bate van de geloovigen.

V. 'sB. Waardoor worden de overvloedige voldoeningen dor Heiligen ons toegevoegd (medegedeeld)?

A. Door de aflaten.

V. 'sB. Wat zijn aflaten?

A. Kwijtschelding van tijdelijke straffen, welke wij voor onze reeds vergevono zonden moeten ondergaan.

ocr page 105

101

A. TJ. R. Een aflaat is eene kwijtschelding van tijdelijke straiten, die wij nog zouden moeten ondergaan voor de zonden, welke ons reeds vergeven zijn.

V. U. Worden ons bij de vergeving van zonden alle straffen der zonden kwijtgescholden ?

A. Neen, dikwijls blijven er voor de vergevene zonden tijdelijke straffen over, welke wij hier of in het vagevuur moeten afboeten.

V. Waaruit bewijst ge dit ?

A. Uit de H. Schrift, die verhaalt, dat God aan Adam, Mozes, David hunne zonden vergeven, maar hun tijdelijke straffen opgelegd heeft.

V. TT. Worden door de aflaten ook de zonden zelve vergeven?

A. Neen, alleen de overgeblevene straffen der vergevene zonden.

V. Wat wordt dus beduid door de woorden vergeving van zonden, die soms gebruikt worden ?

A. Vergiffenis van de tijdelijke straffen der zonden.

V. Wat moest dus eerst vergeven zijn ?

A. De zonde; minstens de doodzonde, want men moet in staat van gratie zijn, om den aflaat te kunnen verdienen voor zich zelven.

V. Wat is dus altijd noodig om een aflaat te kunnen verdienen?

A. Berouw over de zonden, waarvoor men nog de tijdelijke straffen te goed heeft, en waarvan men door den aflaat versriffenis of kwijtschelding wil verkrijgen.

V U. Hoevelerlei is de aflaat ?

A. Tweëerlei: volle aflaat en gedeeltelijke aflaat.

V. TJ. Wat is het onderscheid tusschen beide soorten ?

A. Door een vollen aflaat kan men geheele kwijtschelding, en door den anderen slechts gedeeltelijke kwijtschelding van de over-aebleven straffen verkrijgen.

V. Noem eenige gedeeltelijke aflaten ?

A. Aflaten van 40 dagen, 300 dagen, één jaar, 7 jaren, een of meer lt;iuadragencn, d. i. zevenmaal 40 dagen.

V. Wat beteekent dit?

A. Door een aflaat van 40, 300 dagen, één of meer jaren te verdienen, doet men evenveel tijdelijke straffen af, als dat men 40, 300 dagen enz. de strenge boetvaardigheid deed, welke in de eerste tijden des Christendoms werd opgelegd.

V. 's B. Wie geeft de aflaten ?

A. De Paus van Eome, de Bisschoppen en sommige andere Oversten der H. Kerk door de goddelijke macht, die zij over de schatten der H. Kerk ontvangen hebben.

V. TJ. Heeft de Kerk de macht, om die overgeblevene straffen te vergeven?

A. Ja; Christus heeft zonder beperking aan Petrus gezegd:

ocr page 106

102

„alles, wat gij ontbonden zult hebben op aarde, zal ook ontbonden „zijn in den hemel.quot; (Matt. XVI.)

V. Kunnen de Bisschoppen ook aflaten d. i. vergiffenis van tijdelijke straffen verleenen ?

A, Ja, doch slechts van veertig dagen, en bij eene kerkwijding van 100 dagen.

V. Wie zijn die andere Oversten der H. Kerk ?

A. Kardinalen, Prelaten, Abten, die echter niet meer aflaten kunnen geven, dan hun de macht daartoe door den Paus geschonken is.

V. Hoe scheldt de Kerk ons de verschuldigde straffen der zonde kwijt ?

A. Zij scheldt ons die kwijt, doordat zij aan de goddelijke rechtvaardigheid voor ons voldoening geett uit hetgeen Christus meer gedaan en geleden hoeft om ons te verlossen, en de Heiligen meer geboet hebben dan voor hunne eigene zonden en straffen noodig was. Deze te zamen maken uit den schat der H. Kerk.

V. 'sB. Waaruit bestaan die schatten der H. Kerk?

A. Uit de oneindige verdiensten en voldoeningen van Christus en de overvloedige voldoeningen der Heiligen.

V. Waarom is bij do Heiligen geen spraak van hunne overvloedige verdiensten ?

A. Omdat zij zelve deze behoefden om zalig te worden.

V. 's B. Wat moeten wij doen om de aflaten te verdienen ?

A. Alles wat de Paus, de Bisschoppen en andere Oversten der H. Kerk daartoe vereischen.

A. TJ. Dat men in staat van genade zij en alles nauwkeurig volbrenge, wat tot het verdienen van den aflaat is voorgeschreven.

V. Wat wordt nog meer gevorderd om de aflaten te verdienen ?

A. De meening, den wil van die te verdienen.

V. Welk is het gemakkelijkst en zekerst middel om alle aflaten te verdienen ?

A. Dewijl men niet alle aflaten kent, en aan vele werken aflaten verbonden zijn, moet men 's morgens de meening maken om alle aflaten te verdienen, waaraan men deelachtig kan worden.

V. Noem eenige werken, waardoor aflaten te verdienen zijn.

A. Het maken van het kruisteeken met wijwater; — hetbidden van de Engel des Heeren; — van de Litanie van O. L. Vrouw van Loreto; — het uitspreken van schietgebeden, b.v.; „Mijn Jesus, barmhartigheid,quot; „Jesus, mijn God, U bemin ik boven alquot;; - hot aanroepen der HH. Namen Jesus, Maria, Jozef; enz. enz.

V. Hoe moet men deze en dergelijke werken doen, om de aflaten die daaraan gegeven zijn, te verdienen ?

A. Nauwkeurig, stipt moet men die goede werken doen; juist datgene, wat is voorgeschreven, en zoo als het is voorgeschreven

ocr page 107

103

V. Kan men dan niet den aflaat verdienen, als men onwetend cn onschuldig iets niet doet, wat gevorderd is.

A. Neen, dan verdient men den aflaat niet, omdat men niet gedaan heeft wat, of zooals het is voorgeschreven.

V. Kan men de aflaten ook voor anderen verdienen ?

A. Men kan voor levenden volstrekt geene aflaten verdienen; wèl somtijds voor overledenen, voor de zielen in het vagevuur.

V. Kan men niet alle aflaten toepassen aan de zielen in het Vagevuur?

A. Neen, alleen die aflaten kunnen aan de zielen worden toegevoegd, waarvan de Paus verklaard heeft dat zij op die zielen kunnen toegepast worden.

V. üp welke wijze worden de aflaten op de zielen in het vagevuur toegepast'?

A. Bij wijze van voorlede, dat wil zeggen: de Kerk biedt aan Grod de verdiensten en voldoeningen van Christus en der Heiligen als losprijs voor de geloovige zielen, in het vast vertrouwen dat Hij die zal aannemen en de zielen verlossen.

V. 's B. Wat wordt er gewoonlijk vereiseht, om een vollen aflaat te verdienen?

A. Dat men waardiglijk biechte en communiceere en dat men bidde tot de intentie der H. Kerk.

V. Zijn er ook volle aflaten, welke men kan verdienen zonder te biechten en te communie te gaan?

A. Ja, onder anderen : de oefening van den H. Kruisweg, waaraan verscheidene volle aflaten verbonden zijn.

V. Wanneer moet men biechten, om den vollen aflaat te verdienen ?

A. lfl. Gewoonlijk op den dag, dat de aflaat te verdienen is, of daags te voren. 2°. Zij. die gewoon zijn alle weken te biechten, kunnen alle volle aflaten verdienen, die in de week voorkomen, mits zij telkens te communie gaan en bidden tot intentie der H. Kerk.

V. Waar moet men biechten en communiceeren ?

A. Indien zulks niet afzonderlijk bepaald is, kan men biechten en tot de H. Tafel naderen waar men wil.

V. Welke is die intentie of het inzicht, het doel waartoe de Kerk (de Paus) laat bidden ?

A. De Paus wil dat men bidde voor 1°. de verheffing en bloei der Katholieke Kerk; 2°. voor de uitroeiing der ketterijen, en 3°. voor den vrede en eendracht der christenvorsten.

V. Hoeveel moet men daartoe bidden, om den vollen aflaat te kunnen verdienen ?

A. Daartoe is niets bepaald. Men voldoet door vijf ,.Onze Vaderquot; en „Wees gegroet'' te bidden, of ook eenig ander gebed, litanie enz. daarmee gelijkstaande.

V. Waar moet men dit bidden ?

ocr page 108

104

A. In de Kerk of op de plaats, waar de aflaat te verdienen is.

V. Wat is de aflaat van een jubilé ?

A. Een volle aflaat met eenige andere geestelijke voorrechten.

V. Wanneer wordt deze aflaat gegeven ?

A. De Pausen plachten eertijds den vollen aflaat te geven alle 100 of 50 jaren. Xu wordt deze aflaat gegeven allo 25 jaren, ook wel als een nieuwe Paus gekozen is, en soms om gewichtige reden meermalen.

V. Wat wordt gevorderd, om dezen aflaat te verdienen ?

A. Dat men stipt volbrenge wat do Paus heeft voorgeschreven.

V. Wat wordt dikwijls voorgeschreven?

A. 1°. Bidden, dat gewoonlijk bestaat in meer kerken of ééne kerk meermalen te bezoeken; — 2°. vasten, d. i. zwartdag houden een of meer dagen; — 3°. aalmoezen geven, ieder naar zijn vermogen ; — 4°.. biechten en te communie gaan.

V. Zijn de aflaten noodzakelijk om zalig te worden?

A. Neen, het geloof leert ons dat ze heilzaam zijn.

V. Welk nut leveren de aflaten op ?

A. 1°. Zij delgen de tijdelijke stratfen der zonde. 2°. Zij sporen ons aan iot ware boetvaardigheid en verbetering des levens, zonder welke ze niet verdiend kunnen worden. 3°. Zij bevorderen het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten.

ZESTIENDE LES.

Van de vergiffenis der zonden en de verrijzenis des vleesdies.

(TI. 24e les; — Br. 12® en 17e les; — E. 14e les.)

V. 's B. Welk is het tiende artikel van het Symbolum des Geloofs ?

A. Vergiffenis der zonden.

V. 'sB. Wat belijden wij door dit artikel?

A. Dat er in de H. Kerk vergiffenis te bekomen is van alle zonden, hoe groot en zwaar die ook zijn.

A. U. Dat in de Katholieke Kerk door de verdienste van Jesus vergiffenis der zonde is te verkrijgen.

V. Welke Kerk wordt hier bedoeld ?

A. De door Christus gestichte Kerk op aarde. Want die vrijwillig buiten deze Kerk zijn kunnen geene vergiffenis van zonden krijgen. En aan de zielen in den hemel of in hot vagevuur zijn geene zonden meer te vergeven.

ocr page 109

105

V. Waarom wordt gezegd, dat de zondvn tegen den H Geest zeer zelden vergeven worden ?

A. Omdat bij dengene, die deze zonden bedrijft, gewoonlijk de vereisclite gesteltenis ontbreekt, om vergiffenis te krijgen. (Zie 14e les.)

V. Waaruit blijkt, dat alle zonden kunnen vergeven worden'?

A. Dit blijkt uit de woorden, waarmede Christus onbepaalde macht tot vergeving van alle zonden aan de Apostelen en hunne opvolgers hoeft gegeven: „ivier zonden gij zult vergeven, enz.

V. 's B. Yan wien heeft de H. Kerk de macht om de zonden te vergeven ?

A. Van Christus zelf.

V. Waaruit bewijst gij dat Christus zoo groote macht aan de Kerk geschonken heeft ?

A. Hieruit, dat Christus niets uitgezonderd heeft toen Hij aan de Apostelen zeide: ..al wat gij ontbonden zult hebben op aarde „zal ontbonden zijn in den hemel.quot; „wier zonden gij zult vergeven „dien zijn zij vergeven.quot;

V. Duurt die macht in de Kerk voort?

A. Ja, want Christus heeft eene Kerk gesticht, welke moet voortduren tot aan het einde der wereld.

V. Hoe kunnen de priesters de zonden vergeven?

A. Zij vergeven die in naam van God en krachtens de macht, welke zij van Christus bij hunne wijding ontvangen hebben; (gelijk b. v. een koning een ander belast om in zijnen naam aan een veroordeelde genade te schenken.)

V. Waardoor worden dan de zonden vergeven ?

A. Door de oneindige verdiensten van Jesus Christus „in Wien „wij verlossing hebben door Zijn bloed, vergeving der zonde naar ' „de schatten Zijner genade.quot; Eph. I, 7.) (Zie verder de 35e les.)

V. Hoevelerlei soorten van zonden zijn er ?

A. Drie soorten; de erfzonde, de doodzonde, de dagelijksche zonde. (Zie 40® les.)

V. 's B. Door wat middel wordt ons de erfzonde vergeven ?

A. Door het Doopsel. (Zie 31° les.)

V. 's B. Door wat middel worden ons de dagelijksche zonden vergeven ?

A. Door berouw, maar bijzonder door de Biecht

A. Br. en R. Door de Biecht, alsook door gebeden en goede werken, welke wij verrichten met een rouwmoedig hart over onze zonden.

V. Hoedanig moet dit berouw zijn ?

A. Dit berouw moet bovennatuurlijk zijn, om eene bovennatuurlijke door het geloof gekende beweegreden.

V. 's B. Door wat middel worden ons de doodzonden vergeven ?

ocr page 110

106

A. Na het Doopsel door do priestelijko macht in de Biecht en ook door een volmaakt berouw.

V. Waarom zegt gij; na het Doopsel ?

A. Omdat de zonden, welke men persoonlijk vóór het Doopsel gedaan heeft, tegelijk mot de erfzonde vergeven worden.

V. quot;Welk berouw moet men hebben, om door de Biecht vergeving van doodzonden te krijgen.

A. Men moet minstens een onvolmaakt berouw hebben.

V. Wat is er meer noodig dan een volmaakt berouw, om daardoor vergeving te krijgen ?

A. Dat volmaakt berouw moet vergezeld zijn van den wil om te biechten. (Zie verder 35e les 2e §.)

V. 's B. Wat is te zeggen : Verrijzenis des vleesch ?

A. Dat de doode lichamen der menschen door Gods almacht uit de aarde weder zullen opstaan en verrijzen.

V. U. Dat de lichamen der afgestorvenen op den laatsten dag wederom met do zielen zullen vereenigd worden.

V. U. Waar zullen de lichamen dan blijven ?

A. Zij zullen, met de zielen vereenigd, of voor eeuwig gelukkig of voor eeuwig ongelukkig worden.

V. Waarom zegt men niet: verrijzenis des menschen ?

A. Omdat slechts de lichamen verrijzen, d. i. van den dood opstaan, daar immers de zielen niet gestorven zijn.

V. Hoe kunnen de lichamen verrijzen, die vóórlang vergaan zijn, verbrand, verscheurd, opgegeten enz?

A. Door Gods almacht, voor Wien het even gemakkelijk is deze op te wekken als te scheppen.

V. Hoe zal die verrijzenis gebeuren?

A. „God zal Zijne Engelen zenden met eene bazuin. (Matt. XXIV, 31.) De bazuin zal klinken en de dooden zullen onbeder-..felijk verrijzen,quot; (I Cor. XV, 52) en dit zal geschieden „in een „oogenblik, een oogwenkquot; (52).

V. Waarom zullen de lichamen verrijzen ?

A. „Opdat een ieder ontvange naar hetgeen hij in zijn lichaam ..gedaan heeft, hetzij goed of kwaad.quot; (II Cor. V, 10.)

V. Zullen wij verrijzen in hetzelfde lichaam, dat wij thans hebben?

A. Ja. „dit bederfelijk lichaam moet do onbederfelijkheid aan-„doen.quot; (I Cor. XV, 52.) „Ik zal wederom bekleed worden met „mijn vel, en in mijn vleesch zal ik mijnen God zien; ja, ik zelf, „en geen ander zal Hem zien, en mijne oogen zullen Hem aan-„schouwen.quot; (Job. XIX, 26, 27.)

V. 's B. In welke gesteltenis zullen de lichamen verrijzen ?

A. Ieder in zijn natuurlijk en volmaakt Avezen, nochtans verschillend in hoedanigheid.

V. Welk is het natuurlijk wezen van een mensch ?

ocr page 111

107

A. Datgene, wat liij van natuurswege moet hebben: twee handen, voeten, enz.

V. Wat beteekent, dat het wezen van den mensch vólmaald zal zijn?

A. Dat het lichaam van ieder niet jong of oud zal zijn. maar dien vorm, die grootte zal hebben, welke het volgens zijnen aard in het tijdstip van volwassenheid moet hebben.

V. 's B. Hoedanig zullen de lichamen der zaligen verrijzen ?

A. Geheel klaar, schoon, blinkend, licht, fijn en onlijdelijk.

V. Zullen de lichamen van alle zaligen gelijk zijn ?

A. Neen, de lichamen der eenen zullen schooner zijn dan die van anderen, naarmate zij meer of minder tot den dienst van God gebruikt zijn.. „De eene ster verschilt van de andere in helderheid, ..zoo is het ook met de verrijzenis derdooden.quot; (I. Cor. XV, 41, 42.1

V. Waarin bestaan die gaven of eigenschappen der verrezene lichamen ?

A. Geheel Maar, schoon, Hinkend, d. i. de lichamen zullen met den grootsten glans versierd, met luister en schoonheid bekleed, in-en uitwendig met het helderst en schitterendst licht omgeven zijn.

Licht en fijn. Zij zullen leven, alsof zij enkel geesten waren, zonder eten, drinken, slapen en andere behoeften, die ons lichaam nu met de dieren gemeen heeft. Zij zullen zich zonder moeite of arbeid van de eene plaats naar de andere kunnen bewegen, andere stoffelijke voorwerpen kunnen doordringen. Het lichaam der zaligen zal in één woord, een volmaakt werktuig zijn voor de ziel: het zal alles kunnen uitvoeren, wat de ziel wil, hetgeen het nu niet kan. omdat het lichaam dierlijk is, aan allerlei behoeften onderworpen, door allerlei beletselen weerhouden.

Onlijdelijk, dat is : vrij van alle gebreken, bederf, lijden, den dood; vrij ook van alle behoeften en beletselen, als honger, koude, enz.

V. 'sB. Hoedanig zullen de lichamen der verdoemden verrijzen?

A. Duister, vuil. zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden.

V. Wat geven deze woorden te kennen ?

A. Dat de lichamen der verdoemden er zullen uitzien zwart, akelig, log, leelijk, geheel gesteld om eeuwig, zonder ophouden of tusschenpoozen te branden zonder te verbranden. (42e les.)

V. Wanneer zal die Verrijzenis van alle menschon geschieden?

A. Op den laatsten dag des oordeels. (Zie 12e les.)

V. Waartoe moet deze waarheid van de verrijzenis des vleesch ons aansporen ?

A. Hiertoe, dat wij ons lichaam ten dienste van God gebruiken, en geduld en tevredenheid oefenen, wanneer het iets te lijtien heeft, dewijl het op zijn tijd ook zal beloond worden. „Geeft dus uwe „ledematen, om de rechtvaardigheid te dienen ter heiligmakingquot; (Rom. VI, 19) „dat wij met Hem (Christus) lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden.quot; (Eom. VIII, 17.)

ocr page 112

108

ZEVEVTIENDE LES.

Van het eeuwig leven.

(U. 24e les; — Br. 17e les, § 2; — R. 15e les.)

V. 'sB. Welk is het twaalfde artikel van het Symbolum des Geloofs ?

A. Het eeuwig leven. (Ik geloof.)

V. Waarom wordt dit artikel het laatst gesteld?

A. Omdat het eeuwig leven ons einde is, waartoe wij geschapen zijn, en dit het loon zal zijn van ons leven.

V. 's B. Wat belijden wij door dit artikel ?

A. Dat er na dit leven nog een ander leven is, dat eeuwig zal duren.

V. Wat wordt hier verstaan door: eeuwig leven ?

A. 1°. In het algemeen het altijddurend voortleven van de ziel en het lichaam. 2°. In 't bijzonder echter het gelukkig voortleven van de zaligen.

„Vrijgemaakt van de zonde, en aan God dienstbaar gemaakt, „hebt ge uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde ervan is het „eeuwige leven.quot; (Rom. VI, 22.)

V. Geef eenig bewijs, dat goeden en kwaden eeuwig zullen leven ?

A. In dit leven blijft menigmaal de deugd onbekend en onbeloond, de zonde ongestraft, terwijl de zondaar geluk en voorspoed geniet. Hoe zouden wij God dan rechtvaardig kunnen noemen, als er niet een ander leven van rechtvaardige vergelding ware ?

V. 's B. Waarheen gaan de zielen der overledenen ?

A. Naar eene van deze drie plaatsen, te weten : naar den hemel, naar de hel of naar het vagevuur.

V. ü. Waar blijft de ziel van den mensch, terstond na den dood?

A. Zij komt eerst voor het bijzonder oordeel.

V. ü. Waar zal zij na het bijzonder oordeel blijven?

A. Of in den hemel, óf in de hel, óf in het vagevuur.

V. 'sB. Welke zielen gaan naar den hemel?

A. De zielen dergenen die in de liefde Gods sterven en niets meer te boeten of te zuiveren hebben.

V. AVelke zielen zijn dus van den hemel uitgesloten?

A. Zij, die in vijandschap met God, in staat van doodzonde gestorven zijn, zijn voor eeuwig; — zij die nog dagelijksche zonden uit te boeten of tijdelijke straffen der doodzonde of dagelijksche te voldoen hebben, zijn voor een tijd van den hemel beroofd.

V. Welke zielen gaan bijvoorbeeld recht naar den hemel?

A. 1°. De zielen der kinderen die gedoopt zijn, en onder de

ocr page 113

109

jaren van verstand sterven. 2°. Anderen, die onmiddelijk sterven, na een vollen aflaat verdiend te hebben.

V. 's B. Hoelang- zal de zaligheid des hemels duren ?

A. Eeuwig ?

V. R. Hoedanig zal het geluk der rechtvaardigen zijn in den hemel ?

A. Zij zullen God zelven aanschouwen en beminnen, en, in het gezelschap der Engelen en Heiligen, met eeuwigdurende vreugde verzadigd worden. (Zie verder 42e les over den hemel.)

V. Wat verstaat gij door het vagevuur?

A. Eene plaats, in welke de zielen der overledene rechtvaardigen door het vuur en andere straffen van hunne schulden gezuiverd worden.

V. Hoe bewijst gij dat ei- een Vagevuur bestaat?

A. 1°. Uit de H. Schrift, waar de H. Geest zegt, ..dat het eene ..heilige en heilzame gedachte is, voor de overledenen te bidden, „opdat zij van hunne zonden ontslagen worden.quot; (II Machab. XII. 46.) Christus spreekt van „zonden, welke noch in dit, noch in het „ander leven kunnen vergeven wordenquot; (Matt. XII, 32); dus er zijn zonden, welke na den dood nog vergeven worden. De H. Paulus leert, dat zij die minder volmaakt uit dit leven scheiden, welzalig zullen zijn, doch „als door het vuur,quot; d. i. gezuiverd, gelouterd. (I Corinth. III. 15.) 2°. „Niets wat besmet is zal den hemel bin-„nengaanquot; en „gij zult daar (den hemel) niet binnentreden tot gij „den laatsten penning betaald hebtquot;. Deze woorden van God worden toegepast op het vagevuur (veeg- of zuiveringsvuur). En met ons verstand begrijpen we, dat zij die in doodzonde sterven, eeuwig verloren zijn, maar ook, dat die zielen, welke niet geheel zuiver zijn, noch den hemel kunnen binnengaan, noch om kléinere tekortkomingen de hel verdienen: dus moet er een vagevuur, eene zuive-rint'splaats zijn.

V. Wat lijden de zielen in het vagevuur ?

A. le. De zielen in het vagevuur zijn beroofd van het geluk, God te aanschouwen. 2e. Zij lijden door het vuur en andere pijnen.

V. Waardoor lijden de zielen het meest?

A. Hierdoor, dat zij Gods aanschijn niet aanschouwen, waarin het geluk des hemels bestaat. Dit is haar grootst lijden, om dat die zielen beseffen, van welk oneindig geluk zij door eigen schuld, voor eene beuzeling zich beroofd hebben.

V. Lijden alle evenveel ?

A. Alle zijn beroofd van Gods aanschijn te genieten. Overigens lijdt iedere ziel meer of minder naarmate zij aan Gods rechtvaardigheid schuldig is.

V. U. Zal na het laatste oordeel het vagevuur nog blijven bestaan.

A. Neen; dan zullen alleen de hemel en de hel overblijven.

ocr page 114

110

V. Welke zijn het .,rmir en de andere straffen'quot; waardoor do zielen gezuiverd worden?

A. Het is een waarachtig en stoffelijk vuur, leeren de H. Vaders. Door het vuur schijnen hier tevens de andere straffen aangeduid te worden.

V. 's B. Welke zielen gaan naar het Vagevuur ?

A. De zielen dergenen, die wel in de liefde Gods sterven, maar nog niet geheel voldaan hebben voor hunne zonden.

A. U. De zielen van hen. die wel in staat van genade sterven, maar óf voor dagelijksche zonden, óf voor de vergevene doodzonden nog niet voldaan hebben.

V. Waarvoor lijden de zielen in het Vagevuur?

A. Voor hunne zonden, dat is, voor de tijdelijke straffen, welke zij voor hunne vergevene dood- en dagelijksche zonden nog schuldig zijn.

V. Hoe kunnen wij aan de straffen des Vagevuurs ontkomen ?

A. Door gedurende ons leven te voldoen voor de tijdelijke straffen der zonden.

V. Hoe kunnen wij die voldoen?

A. Door in ons leven boetvaardigheid te doen;, lastige en onaangename dingen, veel meer nog tegenspoed, wederwaardigheden, ziekte, lijden tot boeting aan te nemen en te verdragen, en vooral door het verdienen der aflaten.

V. 's B. Hoelang blijven de zielen in hot Vagevuur?

A. Totdat zij door haar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben, of door do hulp van anderen verlost worden.

V. Kunnen de zielen in het Vagevuur zich zeiven zuiveren ?

A. Neen, zij kunnen niets meer verdienen, en dus zich zeiven niet zuiveren; maar zij moeten gezuiverd worden door zooveel te lijden als Gods rechtvaardigheid vordert, dewijl er goene barmhartigheid meer is na den dood.

V. Moeten alle zielen in het Vagevuur blijven totdat zij zelve genoeg geleden hebben?

A. Neen, zij kunnen ook geholpen, haar lijdon verlicht en verkort worden door de levenden, zooals duidelijk blijkt uit do boven aangehaalde woorden der H. Schrift: „hot is eene heilige en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne „zonden ontslagen worden.quot; (II. Mach. XII, 46).

V. 'sB. Door welk middel kunnen do zielen uit hot Vagevuur verlost of hare pijnon verkort worden ?

A. Door de geboden en goede werken der levenden, en bijzonder door de H. Offerande der Mis en het toevoegen van aflaten.

V. Hoe kunnen do levenden door hunne gebeden en goede werken de zielen des Vagevuurs helpen ?

A. Daardoor kunnen wij die zielen helpen, dat wij de voldoe-

ocr page 115

I

111

ningen, die er in besloten zijn, aan God voor haar opdragen, en aldus aan God vragen en ook zooveel mogelijk verdienen, dat Hij die zielen verlosse of haar lijden verkorte.

Y. Waarom zijn de H. Offerande der Mis en de allaten de krachtigste middelen om de zielen te helpen ?

A. 1°. Omdat de H. Mis uit hare natuur het grootst en waardigst werk is van den godsdienst, en ook omdat in de H. Mis Christus Zich zelf opdraagt aan Zijn hemelschen Vader, en door Hem altijd verhoord wordt. 2quot;. Wat da aflaten betreft: omdat do oneindige voldoeningen van Christus en der Heiligen zeker zijn en volmaakter dan onze gebeden of goede werken. (Zie verder dc 15® les.)

V. Is het plicht, de zielen des Vagevuurs te helpen ?

A. Ja, want zij zijn onze naaste bloed-, aanverwanten, kennissen, enz., verkeeren in den grootsten nood. en kunnen niet zich zeiven helpen.

V. Is het ons voordeelig, de zielen des Vagevuurs te helpen ?

A. Ja; want God zal dit grootst werk van barmhartigheid rijkelijk beloonen, en de zielen die wij verlossen, zullen bij God voor ons ten beste spreken.

V. Wat loert ons het gezegde over het Vagevuur ?

A. 1°. Dat God rechtvaardig is, en niets ongestraft laat. 2°. Hoe groot kwaad de dagelijksche zonde is, dewijl God ze zoo zwaar straft. 3°. Dat het dwaas is, dc moeilijkheden van dit leven niet met geduld te onderstaan, terwijl we daardoor voor onze schulden voldoen en aan het vagevuur ontkomen kunnen. 4°. Erger nog, als wij verzuimen de aflaten te verdienen, waardoor we zelf voldoen en anderen helpen kunnen op de eenvoudigste en gemakkelijkste wijze. 5°. Verbeelden we ons van de zielen in het Vagevuur dikwijls tehooren: Wat gij nu zijt, was ik voor dezen,

Wat ik nu ben, zult gij haast wezen!

V. 's B. Wat is de hel ?

A. Eene onderaardsche plaats van onbegrijpelijke pijnen en smarten, welke God bereid heeft om de duivels en verdoemden eeuwig te straffen.

V. Hoe wordt de hel nog meer genoemd ?

A. Christus noemt de hel ,,eene plaats van pijn,quot; „de eeuwige pijnenquot;, „de uiterste duisternisquot;, „een vuuroven, waar geween en geknars der tanden zal zijn.quot; (Matt. XII, 50 ; Marc. IX, 44.)

V. R. Wat lijden de verdoemden in de hel ?

A. Zij betreuren daar eeuwig het verlies van God, worden gekweld door het vuur, en lijden met de duivels de smarten der hel.

V. Br. en R. Kunnen de verdoemden ook uit de hel verlost worden ?

A. Neen, uit de hel kan niemand verlost worden. (Zie over de straffen der hel de 45e les.)

ocr page 116

112

V. 's B. Waarheen gaan de zielen dergenen, die in staat van doodzonde sterven'?

A. Naar de hel.

V. Br. en R. Welke zielen gaan naar de hol ?

A. De zielen van hen die in doodzonde sterven.

V. Zijn allen, die in de hei komen, door eigen schuld verdoemd ?

A. Ja, want God geeft overvloedige genaden, opdat allen zalig hunnen worden. Dat zij niet werkelijk zalig worden, maar verloren gaan komt, omdat zij van die, overvloedige genaden geen gebruik maken.

V. Hoevele doodzonde moeten wij gedaan hebben om naar de hel te gaan?

A. Eéne doodzonde is genoeg.

V. Wat volgt daaruit ?

A. 1°. Dat de doodzonde van ontzettend groote boosheid moet zijn, dewijl God, rechtvaardig zijnde, niet zwaarder straft dan verdiend is. 2°. Dat het roekeloos is, in staat van doodzonde te zijn, en nog meer daarin voort te leven, dewijl men alle oogenblikken kan sterven, en daarmee neerstorten in de hel.

V. Waarom sluiten we de „Twaalf Artikelenquot; met het woordje Amen.

A. Om te betuigen, dat wij alles, wat in het Symbolum vervat is, vast gelooven: Ook drukken wij daardoor onze hoop uit, het eeuwig leven te verkrijgen. Het woordje Amen beteekent immers: het zij, het geschiedde zoo; ,.het eeuwig levenquot;' dat hoop ik.

Tweede Deel.

ACHTTIENDE LES.

' Van de Hoop en het Gebed.

(U. 27e en 64e les; — Br. 18e les; — R. 16® les.) V. Wat is hopen?

A. Iets hopen is : naar iets verlangen en de overtuiging hebben, dat men het zal krijgen.

V. Hoevelerlei is de hoop ?

A. Tweederlei: menschelijke, d. i. hoop, vertrouwen, verwachting op mensdien. en goddelijke hoop, vertrouwen op God.

ocr page 117

1J3

V. 's B. A\'at is de Hoop ?

A. Eeno deugd en eene gave Gods. waardoor wij met een vast vertrouwen van God verwachten de eeuwige zaligheid en alles wat ons daartoe helpen kan.

A. U. Eene deugd, door God ons ingestort, welke ons bekwaam en genegen maakt, de eeuwige zaligheid en hetgeen daartoe noodig is met een vast vertrouwen van God te verwachten, omdat God zulks beloofd heeft.

V. Waaruit komt de Hoop voort ?

A. Uit het Geloof, dat ons Gods almacht, wijsheid, goedheid, enz. leert, en ons van zelfs daarop doet hopen.

V. Waarom wordt de Hoop genoemd eene deugd ?

A. Omdat de Hoop niet iets voorbijgaands is. maar eeno voortdurende genegenheid, om goed te doen.

V. Welk goed doen wij door te hopen'?

A. 1°. Gods almacht, goedheid en getrouwheid in Zijne beloften erkennen en vereeren. 2°. Van God verzoeken en verwachten de eeuwige zaligheid en alle middelen daartoe noodig.

V. 's B. Waarom wordt de Hoop genoemd eene gave Gods ?

A. Omdat zij ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten, en wij ze uit ons zeiven niet kunnen hebben.

V. Wanneer wordt ons de deugd van Hoop gegeven ?

A. De bovennatuurlijke deuud der Hoop wordt ons ingestort in het Doopsel.

V. Is het genoeg om in den hemel te komen, dat men deze deugd in het Doopsel gekregen heeft?

A. Neen, zulks is niet genoeg voor den mensch die tot de jaren van verstand gekomen is, maar hij moet zich in het hopen oefenen.

V. U. Wanneer verrichten wij eene acte (oefening) van de deugd van Hoop ?

A. Wij verrichten eene acte van Hoop, zoo dikwijls wij door eene gedachte, een woord of' werk onze hoop op den hemel, en de middelen daartoe noodig, te kennen geven.

V. Wanneer moet men de hoop oefenen, d. i. zijne hoop verlevendigen of opwekken ?

A. 1°. Als men tot de jaren van verstand gekomen is. 2°. In bekoringen tot wanhoop en vermetel vertrouwen. 3°. In zware beproevingen. vervolgingen, ziekten, tegenspoed, enz. 4°. Als men verplicht is, zulke deugden te oefenen, waarmede de Hoop innig verbonden is, b. v. berouw. 5°. Op het einde des levens.

V. 's B. Hoe wordt de Hoop verloren ?

A. Door wanhoop en vermetel vertrouwen.

A. Wat is wanhopen ?

V. Wanhopen is mistrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid

ocr page 118

114

vrijwillig do verwachting- der zaligheid of der middelen van zaligheid verwerpen.

V. Is wanhoop groote zonde?

A. Ja. eene groote zonde, omdat daardoor Gods almacht, goedheid of getrouwheid ontkend wordt. Bovendien is wanhoop de oorzaak van vele andere zonden gelijk we zien in Cain en Judas.

V. Wanneer maakt men zich schuldig aan vermetel vertrouwen?

A. 1®. Als men uit de groote barmhartigheid van God aanleiding neemt om te zondigen, of in zonde te blijven. 2e. Als men zich' roekeloos blootstelt aan het gevaar van het loven der ziel te verliezen, in de hoop dat God door een wonder enz. hot verhoeden of afwenden zal.

V. 's B. Wat moeten wij van God hopen ?

• A. De eeuwige zaligheid en alle middelen, die daartoe noodig zijn.

V. R. W aarin bestaat het eeuwig leven?

A. In God eeuwig te aanschouwen, te beminnen en te bezitten in den hemel.

V. R. Wat hopen wij van God als wij zeggen: En alles wat ons daartoe helpen kan ?

A. Voornamelijk Gods «quot;-enade en do vergiffenis dor zonden.

V. Er. en R. Van wien moeten wij dat hopen?

A. Van God, die het ons beloofd heeft dooi- do verdiensten van Jesus Christus.

V. U. Zijn wij geheel zeker, dat wij den hemel zullen verkrijgen.

A. Neon, wij zijn wol zeker, dat God ons de noodigo genade wil geven; maar wij zijn niet zeker, dat wij tot het einde toe niet die genade trouw zullen meewerken.

V. 'sB. Hoe moeten wij dit (do eeuwige zaligheid enz) van God hopen?

A. Met een vast vertrouwen.

V. Br. Wat beteekent: hopen met een vast vertrouwen ?

A. Dit beteekent: dat wij ons verzekerd moeten houden, dat God ons het eeuwig leven zal schenken, als wij van onzen kant de noodigo middelen gebruiken.

V. U. Hoe moeten wij voor don hemel werken?

A. Met een onwrikbaar vertrouwen op God, maar mot eene rechtmatige vrees voor ons zeiven.

V. Moeten wij dan ook vreezen ?

A. Wij mogen niet vroezen, dat van Gods wege ons iets zal ontbreken, maar wij moeten vroezen van onzen kant en daarom: „bewerkt in vreeze en boven uwe zaligheidquot; (Phipp. II. 12.) „want „de mensch weet niet, of hij haat of liefde waardig isquot; (EccLIX. 1.) daaarom : ..die staat, zie toe, dat hij niet vallo'1 (I Corinth. X. 12.)

V. U. W 'anneer is de hoop levendig in ons ?

ocr page 119

115

A. Wanneer zij ons beweegt, óm alles te doen wat God van ons verwacht, om ons den hemel te schenken.

V. TJ. Wanneer is de hoop dood in ons ?

A. Als zij ons niet beweegt alles te doen, wat noodig is, om van God den hemel te verkrijgen.

V. 's B. Waarom moeten wij met een vast vertrouwen op God hopen?

A. Omdat God is oneindig goed tot ons, almachtig, en getrouw in Zijne beloften.

V. TI. Omdat God het beloofd heeit, die almachtig is en het ons geven kan: die goed is, en het ons geven wil; die getrouw is in zijne beloften.

V. Aan wie heeft God het eeuwig leven beloofd?

A. Aan alle menschen, en daarom is Christus voor alle menschen gestorven.

V. ( ieeft God aan alle menschen genoegzame middelen om zalig te worden ?

A. Ja, want God geeft aan ieder overvloedig; Hij wil niet dat iemand verloren ga, maar dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen.

V. 's B. Welke middelen zijn er om te verkrijgen hetgeen wij hopen ?

A. Een godvruchtig leven, goede werken en bijzonder het gebed.

V. Waarin bestaat een godvruchtig leven?

A. Een godvruchtig leven bestaat hierin, dat men uit ware liefde tot God ijverig zijne christelijke plichten volbrenge, en volgens zijnen staat goede werken doe.

V. Waarom worden dan niet allo menschen zalig?

A. Omdat zij niet medewerken met de hulp, welke God hun geeft om braaf te loven ; omdat zij verzuimen goede werken te doen en vooral omdat, zij het gebed verwaarloozen.

V. Br. en E. Is het gebed noodzakelijk voor alle menschen ?

A. Ja, het gebed is noodzakelijk voor alle menschen, die liet gebruik der rede hebben, die tot de jaren van verstand gekomen zijn.

A. U. Ja, zonder gebed kunnen wij God niet dienen en onze zaligheid niet bewerken.

V. TJ. Wat is dus te vreezen voor hen, die het gebed verwaarloozen ?

A. Dat zij, van God verlaten, in zonde vallen en voor eeuwig ongelukkig worden.

V. U. Heeft God ons beloofd, dat wij door het gebed genade en andere gunsten zullen verkrijgen van Hem ?

A. Ja, Jesus heeft uitdrukkelijk gezegd: „bidt, en gij zult verkrijgenquot;; en: ,.al wat gij den Yader in Mijnen naam zult vragen, zal „Hij u geven.quot;

V. 's B. Wat is het gebed ?

ocr page 120

116

A. Eene samenspraak niet God, waardoor wij de begeerten en gevoelens van ons hart aan God te kennen geven.

V. Wat zijn do begeerten en gevoelens van ons hart ?

A. De begeerten zijn al datgene wat wij verlangen, wenschen van God te verkrijgen, als : deugden, gezondheid, èn goeden uitslag in zaken, enz. De gevoelens van ons hart is datgene wat wij voor God en jegens God gevoelen, als: geloof, liefde, vertrouwen, berouw, onderwerping, enz.

V. Waarom moeten wij de gevoelens en begeerten van ons hart aan God te kennen geven ?

A. 1°. Omdat God wil dat wij bidden. 2°. Om onze afhankelijkheid van God te toonen, 3°. om te erkennen dat wij Gods hulp noodig hebben.

V. Hoevelerlei is het gebed ?

A. Men onderscheidt het gebed in het imuendig gebed, dat alleen met het hart — en in uitwendig gebed, dat met hart en mond beiden geschiedt.

V. Wat verstaat men nog door inwendig gebed of meditatie ?

A. Eene meditatie doen of mediteeren is, de waarheden van den godsdienst overdenken, om die grondig te leeren kennen, te beminnen en er zijn leven naar in te richten.

V. Hoe moet men eene meditatie beginnen ?

A. Men moet zich eerst een godsdienstig feit of eenige waarheid levendig voorstellen, dan God bidden, opdat Hij het verstand verlichtte, om de les daarin gelegen goed te begrijpen, en het hart bewege om daarnaar te leven.

V. U. Zullen wij dan alles verkrijgen waarom wij bidden ?

A. Ja, als het ons voordoelig is en wij op de rechte wijze bidden.

V. 's B. Wat is de reden, dat velen bidden en niet verkrijgen ?

A. Omdat zij niet bidden gelijk het behoort of dingen begeeren, die hun schadelijk of min voordeelig zijn.

V. Waaraan ligt het, als men niet krijgt hetgeen men vraagt?

A. Dit ligt aan ons zeiven: als men niet bidt gelijk het behoort. (10e vraag). Hot kan ook liggen aan de zaak. die men vraagt: als deze schadelijk, nadeelig voor ons is. Het zou immers niet goed van God zijn, als Hij ons dat gaf. (lle vraag.)

V. 'sB. Hoe moet men bidden?

A. Met grooten eerbied, aandacht en volharding.

V. Wat is bidden met eerbied en aandacht ?

A. Bidden met eerbied en aandacht is zich inwendig en uitwendig (door eene gepaste houding) voor God vernederen. Zijne gedachten vestigen op Hem, tot Wien men spreekt, alsook op hetgeen men tot God zegt.

V. Welk is de meest passende houding onder het gebed ?

A. De meest passende houding is zeker die, waarin Jesus zelf

ocr page 121

117

bad, en die de Apostelen reeds navolgden: op de knieën, met neergeslagen oog-en en gevouwen handen.

V. Is het gebed goed als men met verstrooidheid bidt'?

A. Het gebed is goed als de verstrooidheid niet vrijwillig is, doch niet goed als de verstrooidheid wél vrijwillig is.

V. Wat is bidden met volharding ?

A. Bidden met volharding is hlijvm bidden, aanhouden te bidden totdat men verhoord wordt.

V. 's B. Mag men alle dingen op dezelfde wijze begeeren in het gebed ?

A. Neen, want geestelijke dingen mag men onvoorwaardelijk begeeren, maar tijdelijke dingen voor zoover zij dienstig zijn ter zaligheid.

V. Wat wordt verstaan door geestelijke dingen ?

A. Zaken, die de ziel en de zaligheid aangaan, b.v. deugden, genaden, H. Sacramenten, die dus altijd dienstig, nuttig of noodig zijn om in den hemel te komen (ter zaligheid).

V. Wat verstaat men door tijdelijke dingen ?

A. Dingen, die bijzonder het lichaam, het tijdelijk leven aangaan, b.v. gezondheid, lang leven, geld, goed, goeden uitslag- in eene onderneming.

V. Zijn deze niet altijd goed voor de ziel ?

A. Neen, deze kunnen voor de ziel nadeelig zijn en daarom, als men hierom bidt. moot men er altijd bijvoegen; als het zalig is, d. i. als die tijdelijke dingen helpen om zekerder in den hemel te komen of ten minste daartoe geen beletsel zijn.

V. Is men verplicht te bidden ?

A. Ja, als men tot do jaren van verstand gekomen is.

V. 's B. Wanneer behoort men te bidden ?

A. 's Morgens als men opstaat, 's avonds als men slapen gaat, vóór en na het eten, bijzonder als men in de kerk is of eenige bekoring of moeielijkheid heeft.

V. Br. Voor wie moet men bidden ?

A. Voor alle menschen op aarde en de zielen in het vagevuur.

V. E. Welke plaatsen zijn het meest geschikt om God te bidden ?

A. Men kan God overal bidden, maar de kerken zijn daarvoor meer geschikt dan andere plaatsen.

V. fi. Waarom zijn de kerken meer geschikt dan andere plaatsen'?

A. 1°. Omdat Christus daar zelf tegenwoordig is in het H. Sacrament ; 2°. omdat zij door den Bisschop gewijd zijn tot huizen van gebed; 3°. omdat daar altijd meer menschen bijeen zijn: en daar is, zegt Christus, Hij in hun midden.

V. Wat volgt hieruit?

A. 1°. Dat het niet even goed is, thuis of in de kerk te bidden, als men de godsdienstoefeningen daar kan bijwonen. 2°. Hoe

ocr page 122

118

goed het is, dat in de huisgezinnen morgen- en avondgebed, rozenhoedje, oefeningen eener Noveen enz. gezamentlijk gebeden worden.

V. Zijn er gevallen, waarin men meer dan anders verplicht is te bidden ?

A. Ja, vooral in de bekoringen, maar ook bij tegenspoed, bij het verkiezen van een levensstaat, bij het ondernemen eener gewichtige zaak, in het uur des doods.

V. Hoe kan men het woord van Christus vervullen, dat „men „altijd moet bidden en nooit ophoudenquot; ?

A. Men bidt altijd, als men alles doet ter eere Gods.

V. Welk middel is er, om alles ter eere Gods te doen, en zóó altijd te bidden?

A. Door het aandachtig en eerbiedig verrichten van het morgenen avondgebed, hoe kort dit ook zij, alsnog: door te bidden vóór en na het eten.

V. Hoe kan men het nuttigst en gemakkelijkst door den dag-bidden ? ■

A. Door nu en dan een schietgebed Iq verrichten, dat zijn: korte verzuchtingen, gezegden, uitdrukkingen van geloof, liefde, berouw, enz. tot God.

Te nuttiger zijn die, omdat daaraan zeer vele aflaten verbonden zijn.

V. Noem de meest gebruikelijke?

A. Geloofd zij Jesus Christus ! in eeuwigheid, amen : — geloofd zij Jesus in het H. Sacrament; — Allerheiligst Hart van Jesus, ontferm u onzer; — dat het Hart van Jesus overal bemind zij! — Jesus, Maria, Jozef! —- Zoet Hart van Maria, wees mijne toevlucht ! enz.

Eenvoudige, gemakkelijke, voordeelige cn krachtige middelen, om „altijd te biddenquot; en om ons van Gods bijstand te verzekeren.

V. Welk nut levert het gebod op?

A. 1°. Het gebod vereenigt met God. a0. Het maakt den mensch hemelsgezind. 3°. Het gebed sterkt tegen het kwaad. 4°. Het geeft kracht en lust tot het goede. 5°. Het geeft troost en opbeuring in droefheid en lijden. 6°. Het gebod verwerft hulp in den nood en de genade der volharding tot het einde.

„Weest dan waakzaam in het gebedquot;, vermaant de H. Petrus; en Paulus zegt: „bidt zonder ophoudenquot;, want „die bidt wordt zalig, die „niet bidt gaat verlorenquot;, (H. Alph. de Lig.)

ocr page 123

119

NEGENTIENDE LES.

Van het gebed de* Heeren.

(TI. (dó6 les; — Br. 19e les; —gt; R. 17° les.)

V. !s B. \\'olk is het waardigste en beste gebed'?

A. Het gebed des Heeren of liet Onze Vader.

V. Wat volgt hieruit ?

A. Hieruit volgt van zelf. dat men het „Onze Vaderquot; eerder en beter dan eenig ander gebed moet kennen, hoogachten en gebruiken.

V. Moeten alle menschon het „Onze Vaderquot; kennen ? - A. Ja. en wèl uit noodzakelijkheid des gebods, zoodat hij. die tot de jaren van verstand gekomen, althans den inhoud niet weet, zware zonde bedrijft.

V. 's li Waarom is het „Onze Vader' het waardigste en beste gebed?

A. Omdat het van Christus den Oppersten Leermeester gemaakt is en alles bevat wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben. V. Verklaar dit nader.

A. Gods Zoon heeft dit verzoekschrift opgesteld, Die immers quot;t best weet, wat en hoe aan den Vader te vragen.

V. 's B. Zeg het Onze Vader ?

A. Onze Vader, die in de hemelen zijt;

1 Geheiligd zij uw uaam;

'1 ()ns toekome uw rijk;

3 Uw wil geschiedde op aarde als in den hemel;

4 Geef ons heden ons dagelijks brood;

5 En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen

| schuldenaren;

(5 En leid ons niet in bekoring;

7 Maar verlos ons van den kwade. Amen.

V. Bf. Waarom noemen wij God: onzen Vader.

A. Om ons te herinneren, dat God Vader is van alle menschen, en dat wij allen als broeders elkander moeten beminnen en voor elkander moeten bidden.

V. Br. Uit hoeveel vragen bestaat het Ouze Vader ;1 A. Uit zeven vragen en eene voorrede.

V. Br. Zeg die voorrede.

A. Onze Vader, die in de hemelen zijt.

V. Is er onderscheid tusschen deze zeven vragen ?

A. Ja, de drie eerste hebben voornamelijk betrekking op God; de vier laatsten op ons eigen zeiven.

V. 's B. Waarom noemen wij God onzen Vader ?

A. Omdat Hij ons 1°. geschapen, 2°. van den eeuwigen dood

ocr page 124

120

verlost. 3°. door hot Doopsel tot Zijne kinderen aangenomen, en 4°. voor ons de heiiiolsclie erfenis bereid heeft.

V. U. Waarom leert ons Jezus, God te begroeten: Onze Vader, die in de hemelen zijt?

A. Om ons vertrouwen op te wekken op Hem, die ons aller Vader is, en omdat God vooral in den hemel woout, en wij daarheen onze gedachten moeten verheffen.

V. Wat moet het woord Vader ih ons uitwerken?

A. Gevoelens van liefde, eerbied en vertrouwen waarmede wij tot God bidden.

V. quot;s 11 Waarom zegt gij: die in de hemelen zijt?

A. Omdat God, ofschoon Hij alle plaatsen met zijne tegenwoordigheid vervult, nochtans in den hemel Zich zeiven in Zijne heerlijkheid aan de Heiligen vertoont.

A. Br. Om onzen geest af te trekken van het aardsche en te verheffen ten hemel, waar God Zich zeiven en Zijne glorie openbaart aan de Engelen en Heiligen.

V. 's B. Wat verzoeken wij aan God, als wij verzoeken: geheiligd zij uw Naam?

A. Dat God van ons en alle menschen moge gekend, gediend en geërd worden.

A. U. en Bf. Dat de Naam van God, dat is. God zelf door allo menschen moge geheiligd of geëerd (gekend, bemind en gediend) worden.

V. R. Wat wordt hier verstaan door den Naam Gods ?

A. God zelf en al Zijne eigenschappen, als Zijne almogendheid, liefde, goedheid, enz.

V. Waarom is deze de eerste bede ?

A. 1°. Omdat rechtgeaarde kinderen het eerst eu het meest bedacht moeten zijn op al hetgeen hunnen Vader (God) tot eer kan strekken. 2°. Omdat wij geschapen zijn, om God te kennen, te dienen enz.

V. Wat wordt gevraagd door: geheiligd^

A. 1°. Dat de naam van God door alle menschen Tmlifj gehouden worde, en bijgevolg vloeken, meineed en godslastering ophouden. 2°. Dat God in Zijne werken en schepselen worde verlieerUjld. 3°. Dat ieder mensch God hartelijk liefhebbe, door woord en werk Hem gehoorzame. 4°. Dat ook de Heidenen en ongeloovigen God zouden kennen.

V. Welke middelen zijn er, waardoor wij medewerken dat ook de Heidenen en ongeloovigen God zouden kennen ?

A. Door lid te worden van de twee Broederschappen: tot „Voortplanting des Geloofsquot; en „de H. Kindsheid.quot;

V. Waartoe dienen deze Broederschappen ?

A. Om het geloof aan de Heidensche volken te brengen en hen

ocr page 125

121

ook God te doen kennen. Daartoe worden Missionarissen, Liefdezusters en Broeders-Geloofsonderwijzers uitgezonden, scholen, gasten weeshuizen opgericht. Bovendien worden slaven- en door het Genootschap der H. Kindsheid bijzonder kinderen vrijgekocht, gedoopt, in het Geloof onderwezen, christelijk opgevoed, tot christelijke huisgezinnen enz. gevormd.

V; Wat kunnen wij daaraan toebrengen ?

A. Door ons gehed en aalmoes kan ieder mensch in dit grootsch liefdewerk missionaris of mede-apostel zijn.

Y. Wat is noodig om lid dier Broederschappen te zijn ?

A. Voor de Broederschap van de ,.Voortplanting des Geloofsquot;, ook wel „Franciscns Xaveriusquot; genoemd, is noodig, dat men zich doe inschrijven, dagelijks één „Onze Vaderquot; en „Wees Gegroetquot; bidde met het schietgebed: ,.H. Franciscns Xaverius, bid voor onsquot;, en iedere week 2L/o cent of maandelijks 10 centen offert. In het Genootschap der H. Kindsheid kunnen alle kinderen ingeschreven worden. Dagelijlcs moeten zij dan (of iemand voor hen) één „Wees Gegroetquot; bidden met het schietgebed; ,.H. Maagd Maria, bid voor „ons en voor de arme ongeloovige kindertjesquot;, en alle maanden 21/2 cent offeren.

V. Welke voordeden zijn er aan verbonden voor de leden?

A. 1°. Vele geheele en gedeeltelijke aflaten. 2°. Jaarlijks worden den 3en Mei (Feest van Kruisvinding) en den 3en December (feestdag van den H. Franciscns Xaverius) H. Missen opgedragen voor de levende en overledene leden van het Genootschcq) tot Voortplanting des Geloofs.

Behalve de H. Mis en de aflaten aan de Kindsheid verbonden, dient dit Genootschap nog: 1°. opdat geen kind zonder doopsel sterve; 2e. opdat de kinderen godsdienstig opgroeien; 3e. om hen het Geloof te doen waardeeren en hoogachten; 4e. om in hen den geest van liefde en medelijden voor de armen te kweeken; 5e. om hen spaarzaam te maken; (5e. boven alles om door dit liefdewerk hun te doen verkrijgen de genade eener waardige en vruchtbare eerste H. Communie.

V. 'sB. Wat verzoeken wij als wij zeggen: Ons toekome uw Rijk?

A. Dat God hier op aarde door Zijne liefde in onze harten heersche, en dat wij na onzen dood deelachtig mogen worden aan Zijn hemelsch Rijk.

A. Br. en R. Ten le. dat het Rijk Gods, de Kerk, zich meer en meer uitbreide op aarde; ten 2®. dat het rijk van Gods genade en liefde in aller harten gevestigd worde; ten 3e. dat allen na dit leven mogen komen in het Rijk der hemelen.

V. ?s B. Wat vragen wij, zeggende: Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel?

A. Daardoor vragen wij aan God de gratie, om ons in alles aan

ocr page 126

122

Zijnen heiligen Wil te onderwerpen, en dien te volbrengen gelijk de Engelen in den hemel doen.

A. ü. en R. Wij vragen, dat gelijk in den hemel de Engelen Gods wil volmaaktelijk volbrengen, zoo ook op aarde de menschen dit mogen doen.

V. Kan de mensch Gods wil volbrengen?

A. Zeker kan de mensch Gods wil. d. i. Diens geboden, onderhouden, doch niet zoo volmaakt: en daarom vragen wij in deze bede Gods gratie, d. i. Gods hulp daartoe.

V. Wat vragen wij in deze woorden nog meer?

A. Daardoor vragen wij nog, tevreden te zijn met- en onderworpen aan Gods wil wat Hij ook over ons beschikke, daar immers zonder Zijnen wil of toelating niets geschiedt dan tot ons welzijn.

V. Mag men dan geene droefheid fjevoelen over het leed, dat ons overkomt?

A. Ja. men mag wel spijt of droefheid daarover gevoelen, gelijk ook Christus zelf op hot zien van zijn lijden bedroefd was tot den dood ; maar met Hem moeten wij volmondig zeggen : niet mijn. maar uw wil geschiede, o God!

V. 'sB. Wat is het dagelijksch brood, dat wij van God verzoeken ?

A. Alles wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.

V. Wat hebben we zooal naar lichaam en ziel noodig?

A. le. Naar het lichaam : gezondheid, kost, kleederen en do middelen om deze te verkrijgen; werk, betrekking, klandizie, geluk in den handel of eene onderneming, enz. 2e. Naar de ziel: de H. Sacramenten, bijzonder het H. Sacrament des altaars; het woord Gods, de genaden, inspraken, enz.

V. Waarom vragen wij slechts voor heden ?

A. Wij moeten iederen dag opnieuw vragen, en zoo ons niet te zeer bekommeren voor de toekomst, maar „alle bekommeringen „werpen op God, dewijl Hij voor ons bezorgd is.quot;' (I Petr. V, 7.)

V. Waarom leert Christus ons slechts hrood te vragen?

A. Christus leert ons door dat woord, met het noodzakelijke tevreden te zijn, en niet te verlangen naar rijkdom en overvloed.

V. Is het genoeg, het tijdelijke onderhoud van God te vragen ?

A. Neen, wij moeten ook werken, ondernemen, uitzien naar mid-pelen, om het dagelijksch brood te verdienen: in één woord: do mensch moet op God vertrouwen en van Hem afbidden, wat hij noodig heeft, alsof zijn werk niets kon helpen: en teven* ■werken. alsof er geen God was, die het hem geven moet.

V. 's 13. Wat verzoeken wij aan God, zeggende: Vergeef ons onze schuldon, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren ?

A. Dat God ons onze zonden en straffen vergovo, gelijk wij vergeving schenken aan hen, die iets tegen ons misdaan hebben.

ocr page 127

123

A. R. Wij vragen, dat God ons onze zonden moge vergeven, gelijk ook wij bereid zijn vergiffenis te schenken aan degenen, die ons beleedigd hebben.

V. Wie zijn onze schuldenaren?

A. Onze schuldenaren zijn de mensehen die ons beleedigd of ongelijk aangedaan liebhen.

V. Wat beteekenen deze woorden : yelijk wij vergeven ?

A. Door deze woorden geven wij te kennen, dat ook wij vergeven aan allen die iets tegen ons misdaan hebben. Die woorden drukken ook uit de voorwaarden, waarop wij van God vergeving vragen en hopen te verkrijgen.

V. Is het noodzakelijk, dat wij aan andere menschen vergeven ?

A. Ja, want Christus heeft gezegd: „indien srij den menschen hunne misslagen vergeeft, zal uw hemelsche Vader ook u uwe zonden vergeven, maar indien gij den menschen niet vergeeft, zal uw hemelsche Vader ook u uwe zonden niet vergeven.quot; (Matt. VI, 14.) En Marc. XI, 25 leert Christus; ..als inj staat om te bidden, vergeeft als gij iets tegen iemand hebt, opdat uw Vader, die in den hemel is, ook u uwe zonden vergeve.

V. 's B. Wat verzoeken wij als wij zeggen: En leid ons niet in bekoringen ?

A. Dat God de bekoringen van duivel, wereld en vleesch van ons afwere, of ons de gratie geve om ze te overwinnen.

A. R. en Br. Daardoor vragen wij om niet bekoord te worden door duivel, wereld en vleesch; of, als lt;vc bekoord worden, dat God door Zijne genade lielpe om de bekoring te overwinnen.

V. Brengt God zelf ons in bekoring?

A. Neen, maar God laat die soms toe. le. om ons nederig te doen blijven; 2e. om onze getrouwheid te beproeven; 3°. om onze ongetrouwheid in het waken en bidden te bestraffen ; 4°. om onzen ijver in de deugd en onze verdiensten te vermeerderen.

V. Wanneer zijn wij in lelcoriny?

A. Als wij aangezocht, aangezet, gelokt worden tot zonde.

V. Wie bekoort den mensch, zet hem aan of geeft hem aanleiding om zonde te doen ?

A. le. De duivel, ..die rondloopt als een brullende leeuw, zoekend ,.wien hij zal verslinden.quot; (I. Petr. V, 8.) 2e. De wereld, dat zijn: slechte menschen, kameraden; het slecht voorbeeld van dezen; hunne grondstellingen of begrippen over eer, vrijheid, vermaak. Verder: weelde, pracht boven zijn staat en stand, de uithuizigheid, genotzucht; die allen, do een meer. de ander minder leiden tot zonde. 3e. Het vleesch, d. i. onze eigen bedorven natuur, onze geneigdheid, lust tot zinnelijkheid, toorn, wraakzucht, hoogmoed, nijd, ijverzucht, liefdeloosheid.

V. Zijn de bekoringen zonde?

ocr page 128

124

A. Neen. de bekoring is g-eene zonde; maar het is zonde, als wij ons onnoodig aan bekoring blootstellen ot vrijwillig ons in bekoringen ophouden ot' er in toestemmen.

V. Wat moeten wij doen, om niet in de bekoring toe te stemmen ?

A. Christus zelf leert ons: „waakt en bidt, opdat gij niet in „bekoring vallet, wantquot;, voegt Hij er bij, „de geest is wel gewillig, „maar het vleesch is zwak.quot; (Matt. XXVI, 41.)

V. Kan de mensch uit eigen kracht do bekoringen wederstaan ?

A. Neen : God laat niet toe, dat de mensch boven zijne krachten beproefd wordt, maar de mensch heeft, toch de hulp der goddelijke genade noodig, zonder welke hij wel de eene of andere, maar niet alle bekoringen kan overwinnen.

V. Wat moet hij doen, die door de bekoring in zonde is gevallen ?

A. Zich voor God vernederen, zich opwekken tot een volmaakt berouw, zoo spoedig mogelijk gaan biechten en zorgvuldiger op zich zeiven letten, opdat niet de eene zonde er meer doe bedrijven.

V. 'sB. Van wat kwaad begeeren wij verlost te worden, als wij bidden; Maar verlos ons van den kwade ?

A. Van alle kwaad, dat ons naar ziel en lichaam kan hinderen, of ons tijdelijk of eeuwig geluk beletten.

V. U. Wat vragen wij eindelijk in de zevende bede ?

A; Dat God ons verlosse van den duivel, van do zonde en van alles wat kwaad voor ons kan zijn.

V. Bidden wij hier niet om hetzelfde, als in de twee voorgaande vragen ?

A. Neen ; in de vijfde vraag van het Ome Vader hebben wij verzocht ontslagen te worden van de schulden der zonde en in de zesde om verlost te worden van de helwring tot zonde; in deze zevende vragen wij bevrijd te blijven van de straffen der zonde.

V. Wat kan den mensch naar de ziel hinderen en zijn een u iy geluk beletten ?

A. De zonden, het vagevuur, de hel.

V. Wat kan den mensch naar het lichaam hinderen en zijn tijdelijk geluk beletten ?

A. Ziekte, tegenspoed, verdriet en lijden.

V. U. en Br. Wat beteekent het woordje: „Amen.quot;

A. Het beteekent: „dat het geschiede !quot; Dat woordje drukt onzen wensch uit, dat alles mogen geschieden wat wij gevraagd hebben. Heer, hoe zal ik tot U spreken.

Neergeknield voor uwen troon ?

„Onze Vaderquot; zal ik smeeken;

Zóó, zóó leerde :t- God de Zoon.

ocr page 129

125

TWINTIGSTE LES.

Van de fjrodenis des Engels.

(U. 66e les; — Br. 23e les § 2 ; — R. 12e en 19« les.)

V. U. Welk gebed voegt men doorgaans bij liet „OnzeVaderquot;?

A. Het „Wees Gegroetquot;, of de groetenis des Engels.

V. Waarom heet dit gebed aldus ?

A. Dit gebed beeft dien naam naar de eerste, en ook naar de volgende woorden, waarmede de Aartsengel Gabriël Maria begroette.

Het wordt ook wel het Ave genoemd, naar het latijn, waarin Wees fjefjroet wil zeggen : Ave.

V. 's B. Waarom voegen wij gewoonlijk de Engelsche groetenis of het „Wees gegroetquot; bij het Gebed des Heeren ?

A. Om door de H. Maagd onze gebeden aan God op te dragen.

V. Waarom dragen wij ons gebed door Maria op ?

A. ..Laten wij immer do allerheiligste Moeder des Heeren en „onbevlekte Maagd Maria als onze Voorspreekster aanroepen bij „den goeden God, opdat Hij zijn oor des te liever tot ons gebed „neige en onze wenschen vervulle. Zij is toch onze allerzoetste „Moeder, Middelares en Voorspreekster, onze vaste hoop en ons „grootst vertrouwen; met hare voorspraak bij God is niets te ver-gelijken in kracht en voortreffelijkheidquot;. (Pius IX, Qui plurihus)

V. 'sB. Zeg het „Wees gegroetquot;.

A. Wees geroet, Maria, vol van gratie; de Heer is niet n, gezegend zijt gij boven alle vrouwen; en gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen.

V. Wat bevat het Wees gegroet?

A. Het Wees gegroet bevat le. een Zo/gebed: „Wees gegroetquot; tot; „lichaams Jesusquot;; — pn 2e. een smeekgebed: ..Heilige Mariaquot; tot: „dood. Amenquot;.

V. 's B. Wie heeft het „Wees gegroetquot; gemaakt ?

A. De Engel Gabriël, die van God tot Maria was gezonden, heeft het eerste deel uitgesproken; Elizabeth, de nicht van Maria, het tweede deel; en onzè moeder de H. Kerk heeft er het derde deel bijgevoegd.

V. U. en R. Hoe luiden de woorden van den Engel Gabriël?

A. Wees gegroet, (gij zijt) vol van genade: de Heer is met u, gij zijt gezegend boven alle vrouwen.

V. U. en R. Hoe luiden de woorden van Elisabeth ?

A. En gezegend is de vrncht uws lichaams.

V. U. en R. Hoe luiden de woorden, welke de H. Kerk erbij-voegd heeft ?

ocr page 130

126

A. De woorden Mariaquot; en ,.Jesusquot;, eu de bede: H. -Maria, Moeder Gods, bid voor ons zondaars, nu en in het uur onzes doods. Amen.

V. Waarom zegt gij van de H. Maagd, dat zij is vol van gratie en gezegend boven alle vrouwen ?

A. Omdat zij overvloediger gratie van God heeft ontvangen dan eenig ander schepsel, en omdat zij onder alle vrouwen uitverkoren is, om de Moeder Gods te zijn.

Y. R. Waarom noemt gij Onze Lieve Vrouw: „vol van genade ?quot;

A. Omdat Onze Lieve Vrouw de volheid der genade van God heeft ontvangen en zij die genaden nooit door eenige zonden verloren, maar steeds door hare deugden vermeerderd heeft.

V. R. W at bevat onder anderen de volheid van genade, door God aan Maria geschonken ?

A. Dat God door eene heel bijzondere genade Maria bewaard heeft van de erfzonde, en ook van de geringste dagelijksche zonde.

V. Br. Waarom groette de Engel Gabriël de H. Maagd met deze woorden : „Wees gegroet. Gij vol van genade, de Heer is met Uquot; ?

A. Omdat de Heer Haar de volheid der genade had geschonken en alzoo door Zijne bijzondere gunst met Haar was.

V. R. Wat wil zoggen: „de Heer is met Uquot; ?

A. Dat God de Heer, door de uitstekende gunsten, die Hij aan 'Maria bewezen heeft, meer met Haar is dan met andere menschen.

V. R. Waarom zeggen wij tot Maria: „gezegend zijt Gij boven alle vrouwenquot; ?

A. Ten eerste: omdat zij onder alle vrouwen is uitgekozen om de Moeder te zijn van den eeuwigen Zoon des Vaders; ten tweede; omdat Zij, hoewel Moeder geworden, toch altijd Maagd gebleven is.

V. R. Waarom voegen wij daarbij: „en gezegend is de vrucht uws lichaamsquot; ?

A. Om aan te toonen, dat wij om wille van den Zoon de Moeder zalig prijzen.

V. Br. Waarom sprak Elisabeth tot Haar: „gezegend zijt Gij boven alle vrouwen en gezegend is de vrucht uws licliaamsquot;''?

A. Omdat Maria, Moeder en Maagd te zamen, Jesus, den Verlosser der wereld in haren schoot ontvangen had.

V. Is het derde deel van het AVees gegroet: „Heilige Mariaquot;, enz., altijd in de Kerk gebruikt?

A. Neen, de H. Paus Pius V heeft dit ingevoerd, en het gebruik daarvan goedgekeurd.

V. Waarom heeft de Kerk dit smeekgebed aan het „Wees gegroetquot; toegevoegd ?

A. Zij heeft dit er bijgevoegd le. opda't wij voortdurend zouden belijden, dat Maria Moeder Gods is; 2e. opdat wij A*oor alle om-

ocr page 131

standigheden, maar vooral voor con zalig sterfuur dikwijls den bijstand van Maria zouden inroepen.

V. 's B. Waarom wordt Maria genoemd Moeder Gods ?

A. Omdat zij is de Moeder van Jesus, die God is.

Y. Wat volgt hieruit'?

A. „Daar Maria de Moeder Gods isquot;, zegt do H. Bornardus, „ontbreekt het haar noch aan de macht, noch aan den wil'om ons „te helpen.

V. br. Waarom moeten wij de H. Maagd bijzonder vereeren ?

A. Omdat zij de Moeder Gods en de Koningin des hemels is, alsook onze Moeder.

V. Waarom is Maria onze Moeder?

A. le. Omdat Maria de Moeder is van Hem, die ons Zijne „broedersquot; noemde en Die door den H. Panlns genoemd wordt: „de Eerstgeborene onder vele broedersquot;. 2e. Omdat Maria Hem ontvangen en gebaard heeft, door Wien wij het leven der genade gekregen hebben. 3e. Omdat Jesus, aan het kruis hangende. Haar tot Moeder aan ons gegeven heeft. 4e. Omdat Maria, onder het kruis staande, haren Eengeboren Zoon den Allerhoogste opofferende, ons in groote smarten gebaard heeft. (Eupertus.)

V. R. Waar is Maria nu ?

A. Zij is met ziel en lichaam in den hemel boven alle schepselen verheven.

V. R. Mogen wij Maria, even als God, eeren en aanbidden ?

A. Neen; wij mogen aan Maria geene goddelijke eer bewijzen, omdat zij maar een schepsel is.

V. R. Mog en wij Maria meer vereeren dan de andere Heiligen ?

A. Ja, omdat Maria, als Moeder Gods, boven alle Engelen en Heiligen in waardigheid verheven is en zij door hare voorspraak alles bij God vermag.

V. U. Mogen wij met een groot vertrouwen de voorspraak van Maria verzoeken ?

A. Ja: hare voorspraak is veelvermogend bij God, en zij heeft eene groote liefde tot ons.

V. 's B. Wat hulp en bijstand kunnen wij van de H. Maagd verwachten ?

A. Zij helpt ons in dit leven met alles wat ons voordeelig is; zij vertroost de zieken in hun uiterste en helpt ons tot de eeuwige zaligheid.

V. R. Hoe helpt ons de H. Maagd ?

A. De H. Maagd helpt ons, door hare verdiensten en gebeden aan God voor ons op te dragen.

V. R. Hoe kunnen wij de voorspraak en bescherming der H. Maagd voor ons het best verkrijgen ?

ocr page 132

128

A. Door dikwijls Maria aan te roepon : door hare deugden na te volgen en goede werken te barer eer te verrichten.

V. 's B. Hoe kunnen wij onze gebeden aan Onze Lieve Vrouw het aangenaamste maken ?

A. Door bij onze gebeden goede werken te voegen, en allermeest door Hare deugden na te volgen.

V. U. Wanneer mogen wij vertrouwen, dat Maria ons door hare voorspraak zal helpen ?

A. Wanneer wij niet slechts met vertrouwen Haar aanroepen, maar ook hare deugden trachten na te volgen.

V. Welke deugden der H. Maagd worden ons bijzonder ter navolging voorgesteld ?

A. Deze; Hare zuiverheid, ootmoedigheid, geloof, godsvrucht, gehoorzaamheid, armoede, geduld, liefde, barmhartigheid en voorzichtigheid.

V. Bp. Hoe zult gij Haar uwen eerbied en uwe kinderlijke liefde betuigen ?

A. Ten le. door hare feestdagen godvruchtig te vieren; ton 2e. door haar kleed of het scapulier te dragen; ten 3e. door dikwijls tot Haar te bidden, vooral in de bekoringen en andere gevaren.

V. Noem nog eenige goede werken ter eere van Maria.

A. le. Vasten, bijzonder op de Zaturdagen en daags voor hare feestdagen. (1) 2e. Lid worden van een of meer Broederschappen, die ter eere van Maria door de Kerk zijn ingesteld of goedgekeurd. 3e. Aalmoezen geven. 4e. Bedevaarten ondernemen. 5e. Het vieren barer feestdagen, door op die dagen de H.H. Sacramenten der Biecht en Communie te ontvangen. 6®. Het vieren der maanden Mei en October, bijzonder aan de H. Maagd toegewijd.

V. Welk voordeel verschaffen de Broederschappen?

A. le. De goede voorbeelden, die men, de regelen onderhoudend, elkander geeft. 2e. De gebeden, die men voor elkanders behoeften stort. 3e. I )e ijver voor het gebed en andere godsvruchtoefeningen, die daardoor wordt aangevuurd.

V. Noem eenige Broederschappen of Vereenigingen van Onze Lieve Vrouw.

A. le. De Congregaties van Onze Lieve Vrouw, voor jongelingen en jonge dochters. 2e. Het Broederschap van het Scapulier. 3e. Dat van den Levenden Eozenkrans.

V. Wat moet men in acht nemen omtrent het dragen van het Scapulier van O. L. V. van den berg Garmel ?

A. le. Het scapulier moet van wollen stof zijn. 2e. Een daartoe gemachtigd priester moet het voor ons eens gewijd en opgelegd hebben. (Is het eerste versleten, dan kan men een ander nemen zonder

(1) Waaraan telkens een aflaat van 7 jaren en 7 maal 40 dagen verbonden is.

ocr page 133

129

nieuwe wijding). 3e. Men moet het dragen aan linten over de schouders, voortdurend, bij dag en nacht.

V. Welke verplichting legt de Levende Rozenkrans op ?

A. Deze, dat men in vereeniging met 15 personen dagelijksch een gedeelte (tientje) van den Rozenkrans bidt en daarbij het Geheim overweegt, dat aan ieder ten deele is gevallen.

V. Wat zijn bedevaarten ?

A. Bedevaarten zijn vrijwillig ondernomen reizen naar het een of ander oord. om daar God en Zijne Heiligen, bijzonder de H. Maagd te vereeren en hare voorspraak in te roepen.

V. Zijn de bedevaarten nieuwe godsvruchtoefeningen ?

A. Neen, want zij zijn alreeds beschreven in het Oud-Testament; Abraham, Jacob, Mozes; in het Xieuw-Testamcnt: Jesus zelf met Zijne ouders opgaande naar Jerusalem; de H. Vrouwen naar Jesus' graf; Paulus; de eerste christenen ondernanun bedevaarten naar de heilige plaatsen, bijzonder naar do graven der Martelaren.

V. Waartoe dienen de bedevaarten ?

A. le. Wij toonen daardoor God en Zijne Heiligen hoog te achten. 2°. Om genaden en weldaden van God te verkrijgen. 3°. Om te voldoen voor de zonden. 4°. Om door het aanschouwen der plaatsen, waar God of Zijne Heiligen bijzonder geëerd worden, en door het goed voorbeeld der pelgrims zich op te wekken tot godsvrucht en een christelijk leven.

V. Kan God, de H. Maagd, enz. niet op alle plaatsen geëerd worden ?

A. Voorzeker, doch door do wonderen, welke God op de voorspraak van Maria of andere Heiligen wrocht, blijkt, dat Hij die plaats heeft uitgekozen, gelijk eertijds den tabernakel, den tempel, enz.

V. In welke gesteltenis moet men dus eene bedevaart ondernemen?

A. Men moet eene bedevaart doen 1°. in den geest van ware godsvrucht en boetvaardigheid. 2°. Alles vermijden Avat met de ingetogenheid, veel meer wat met de zedigheid in strijd is. 3°. Geene andere, dringender plichten mogen er om verzuimd worden.

V. 's B. Noem eenige voorname gebeden, die wij tot Onze Lieve Vrouw stieren.

A. Het „Wees gegroet'quot;, de Litanie van O. L. V. van Lorette, den Rozenkrans, enz.

V. Geef nog eenige andere godsvruchtoefeningen tot Maria aan.

A. 1quot;. Het bidden van de Èm/el des Heeren (9e les). 2e. De drie Wees gegroeten ter eere der zuiverheid van Maria. (1) 3°. Het houden eener novene vóór Maria's feestdagen.

(1) Pius IX schonk 100 dagen aflaat aan die 's morgens en 's avonds één Wees gegroet met hot gebedje: „O mijne Meesteresquot; bidden. (5 Aug. 1851.)

9

ocr page 134

130

V. Wat is de Litanie van Lorette (Loreto)?

A. Een reeks schoone en zinrijke benamingen, meestal van de Apostelen afkomstig, waarmede wij Maria loven, prijzen, bidden.

Deze litanie wordt genaamd van Lorette, omdat zij daar, een stadje in Italië, iederen Zaterdag plechtig gezongen wordt in de kerk, die gebouwd is om de kleine woning, welke Jesus, Maria en Jozef te Nazareth bewoond hebben. (1)

Y. Wat is de Rozenkrans ?

A. De Rozenkrans is eene wijze van bidden, waarbij men vijftien tientallen van don a-roet des Engels, het gebed des Heeren er tnsschen voegende, bidt; terwijl men tevens bij elk der tientallen zich een geheim onzer Verlossing in het geheugen roept,- en dat godvruchtig overweegt. (Brev. Rom.)

V. Wat soort gebed is de Rozenkrans ?

A. Het is niet alleen een iHomZgebed, maar ook imvendig gebed; d. i. men moet zich niet bepalen bij het bidden der „Wees gegroef's 1 maar men moet vooral de mysteriën overwegen. En dit is noodig, om de meeste aflaten te verdienen. Toch is het gebed zonder overweging der mysteriën ook goed, en men kan zelfs eenirje aflaten verdienen.

V. Mag men den Rozenkrans verdoelen?

A. Ja, doorgaans verdeelt men don Rozenkrans in drie dèelen, elk van vijf tientjes, die Rozenhoedjes genoemd worden.

V. Waarom wordt dit gebed Eozenkrans of Rozenhoedje genoemd ?

A. Omdat het bestaat nit het ,.0nze Vaderquot; en Wees gegroetquot;, gebeden, die aan God en Maria aangenaam zijn, alsof Hun een krans of hoedje van welriekende rozen werd aangeboden.

V. Wie heeft dit Rozenkransgebed ingesteld ?

A. De H. Maagd zelve heeft deze wijze van bidden in 1208 aan den H. Dominicus geleerd, als een middel, om de toenmalige ketterij der Albigenzen te bestrijden en te overwinnen. De Kerk hoeft deze wijze van bidden niet slechts goedgekeurd, maar met vele aflaten begiftigd.

V. Wat is als de voorbereiding tot het bidden van den Rozenkrans of van het Rozenhoedje ?

A. Het bidden van de Twaalf artikelenquot; van het „Onze Vaderquot; en de drie „Wees gegroef's met deze drie begroetingen;

1 Ik groet U, Dochter van God den Vader.

2 Ik groet U, Moeder van God den Zoon.

3 Ik groet U, Bruid van God den H. Geest.

V. Hoe worden de 15 mysteriën (geloofsgeheimen) van den Rozenkrans verdeeld ?

(1) 300 dagen aflaat, zoo dikwijls men deze litanie bidt.

ocr page 135

131

A. In vijf blijde, vijf droeve en vijf glorierijke ot heerlijke geheimen.

De vijf hlijde zijn;

le. De Boodschai) van den Engel aan Maria, of: de Menscli-wording van Christus.

2e. Het bezoek van Maria aan Elizabeth.

3e. De Geboorte van (quot;hristas te Bethlehem.

4e. De opdracht van Christus in den tempel.

5e. De wedervinding van Christus in den tempel.

De vijf droeve:

le. De doodstrijd van Christus in don hof van Olijven.

2e. De geeseling.

3e. De kroning met doornen.

4e. De kruisdraging.

5e. De kruisiging en dood van Jesus.

De vijf glorierijke:

1°. De verrijzenis.

2e. De hemelvaart.

:ie. De nederdaling van den H. Geest.

4e. De opneming van Maria ten hemel.

5e. De kroning van Maria in den hemel.

V. Waarom bedient men zich bij het bidden van den Rozenkrans van kralen, bolletjes, enz. ?

A. 1°. In deze kralen, bolletjes, enz. is geen de minste kracht gelegen. 2°. Zij dienen alleen om orde en getal aan te geven bij het bidden. 3°. Die getallen hebben bovendien eene geestelijke beteekenis.

V. Welke is die beteekenis?

A. 1°. Men bidt 150 maal het „Wees gegroetquot; volgens de 150 psalmen van David. 2°. Men heeft die in 15 tientjes verdeeld, om daardoor en daartussehen de 15 grootste geheimen van het Geloof te eeren en te overwegen.

V. Mishaagt het niet aan God, zoo dikwijls hetzelfde gebed te herhalen ?

A. Neen: 1°. want ook b.v. in den 135e psalm wordt 27 maal herhaald: ,.Zijne barmhartigheid duurt eeuwigquot;. 2°. De Engelen herhalen onophoudelijk: „Heilig, heilig, heilig!quot; 3°. Christus heeft ons geleerd te volharden in het roepen, in het kloppen, totdat wij verkrijgen.

V. Waarom wordt hot kralen-snoer, dat wij gebruiken bij het bidden, ook wel Pater Noster genoemd ?

A. Omdat het gemaakt is in navolging van de bidsnoeren, dooide kluizenaars gebruikt, waaraan zij een zeker getal Onze Vaders (Pater Noster) baden.

V. Wat moet ons aansporen het Eozenhoedje of de Rozenkrans gaarne te bidden ?

A. 1°. Omdat dit gebed is samengesteld uit de schoonste ge-

ocr page 136

132

beden: het „Onze Vaderquot;, liet „Wees gegroetquot; en het hooglied dei-Kerk tor eere der H. Drievuldigheid: „Eer zij den Vader, den Zoon en den H. Geest, enz. 2°. Men kan daardoor vele aflaten verdienen. (1) 3°. Leerzaam is het overwegen der geheimen, en daardoor het gebed afwisselend. 4°. Ieder, ook de ongeleerdste kan hot bidden. 5°. Altijd, ook des nachts en bij het werk kan men het Bozenhoedje bidden; evenzeer bij ziekte als in gezonde dagen.

V. Wat zijn novenen ?

A. Novenen, gelijk het woord zelve reeds te kennen geeft, (Novem == negen) zijn eene oefening van dezelfde fjeheden gedurende negen achtereenvolgende dagen.

V. Waartoe dienen deze ?

A. Om zich tot een feestdag voor te bereiden, en om zekerder eenige gunst van God te verkrijgen.

V. Welke zijn de meest gebruikelijke en door de Kerk goedgekeurde novenen, die ook met aflaten verrijkt zijn ?

A. Die novenen (9-daagsche oefeningen), welke aan de volgende feestdagen van Maria, enz. voorafgaan: Onbevlekte Ontvangenis (8 Dec.) - Lichtmis (2 Februari) - O. L. Vrouw-Boodschap (26 Maart) — de Hemelvaart (15 Aug.) en de Geboorte (8 Sept.) van Maria.

De aflaten hieraan verbonden zijn:

1°. 300 dagen op iederen dag der noveen. 2°. Vollen aflaat op den feestdag of onder de Octaaf (acht dagen daarna) mits men biechte, communiceere, enz.

V. Van waar het gebruik, de Meimaand aan Maria toe te wijden ?

A. Dit gebruik werd het eerst door den H. Bhilippus Nerius (f 1595) voor de Bomeinsche jeugd ingevoerd.

Twee eeuwen daarna werd deze godsvruchtoefening (1780) dooide Paters Lalomia en Muzzarelli bekend gemaakt en verspreid. Paus Pius VII verleende den 21 Maart 1815 300 dagen aflaat op eiken dag, en een vollen aflaat op de gewone voorwaarden aan hen, die gedurende deze maand de H. Maagd door gebeden en goede werken vereerden.

V. Welke is de geschiedenis van de Octobermaand ?

A. Deze maand is aan Onze Lieve Vrouw van den Allerheiiigsten Bozenkrans toegewijd door Z. H. Paus Leo XIII.

(1) Z. H. Pius IX schonk den 12 Mei 1851 de volgende aflaten: i

1°. Als men met anderen gezamenlijk het rozenhoedje bidt, iederen keer 10 jaren en 10 maal 40 dagen. 2°. Vollen aflaat mits biechten, communicoeren, eene Kerk bezoeken en daar bidden volgens de meening van Z. H.; den laatsten Zondag van iedere maand, als men wekelijks minstens driemaal het rozenhoedje gebeden heeft. 3°. Om deze aflaten te verdienen moet de rozenkrans gewijd zijn door een priester der Predikheerenorde of door een ander priester, daartoe gevolmachtigd — en men moet onder het bidden de geheimen overwegen.

ocr page 137

133

V. Vanwaar dit?

A. Omdat moermalon de hulp van Maria in deze maand door het bidden van den Rozenkrans ondervonden was. 1°. Do H. Paus Pius V had in 1571 aan de geheele wereld het bidden van den Rozenkrans voorgeschreven ter afwering van de vervolgingen dei-Turken, en juist op den Rozenkrans-Zondag had de overwinning der Christenen op de Turken bij Lepanto plaats. l20. Evenzoo werden op het gebed van den Rozenkrans de Turken andermaal verslagen in 1775^

V. Mot welk doel heeft Paus Leo XIII hot bidden van den « Rozenkrans gedurende iedere Octobermaand gelast?

A. 1°. Opdat de vervolging, dor Kerk door slechte christenen on vooral door do vrijmetselarij aangedaan, ophoude. 2°. Tor be-teugeling van ongeloof, onverschilligheid en zedeloosheid. 3°. Opdat de geloovigon door het overwegen der geheimen van den Rozenkrans hun geloof zouden verlevendigen en zich voor bederf en dwaling hoeden. 3°. Opdat zij door die overweging aangespoord zouden worden tot liefde en dankbaarheid jegens God, en tot navolging van do voorbeelden door Chi-istus en do H. Maagd gegeven. 4e. Opdat zij door het herhalen van hot „Onze Vaderquot; en „Wees gegroetquot; kracht en sterkte zouden krijgen, om een alleszins christelijk leven te beginnen of te leiden.

V. Welke gunsten zijn aan het bidden van den Rozenkrans gedurende de maand October verbonden ?

A. le. Zeven jaren en zevenmaal veertig dagen (quadragenen) aflaat zoo dikwijls men in de Kerk te zamen vóór het H. Sacrament, of wettig verhinderd, thuis het Rozenhoedje bidt tor intentie van den Paus. 2e. Vollen aflaat als men dit minstens tienmaal gedaan heeft op dezelfde voorwaarden. 3e. Vollen aflaat ook op Rozenkrans-Zondag of oen dag onder hot Octaaf, eveneens op de gewone voorwaarden van biechten en communiceeren, en deze: dat men in eene kerk eenigon tijd bidde tot intentie van den Paus.

„Alle geslachten zullen Mij zalig prijzen.quot; (Luc. I, 48.) „Die Mij vindt, zal het leven vinden.quot; (Prov. VIII, 35). „De godsvrucht tot Maria is een toeken van voorbestemming tot eone zalige eeuwigheid.quot; (H. \lph. M. de Liguori.)

ocr page 138

134

Derde Deel.

EEN EN TWINTIGSTE LES.

Van de Liefde.

(TJ. 28e, 31e en 44e les; — Br. en R. 16® les.)

V. E. Welke is de voornaamste en waardigste der deugden?

A. De Liefde. ^

V. R. Waarom is de Liefde de voornaamste onder alle deugden ?

A. Omdat, zonder de Liefde, nocli het Geloof noch de Hoop ons helpen kunnen ter zaligheid.

V. Waarom is de liefde het voornaamste?

A. Omdat Jesus zelf het als zoodanig aan de menschen heeft voorgesteld: „Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel nwe ziel en uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten. Dit its het eerde en grootste yebod. Het tweede, hieraan gelijk: gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. (Marc. XIII, 30; Matt. XXII, 37, 40.) De H. Paulus verzekert: „indien ik alle geloof had, zoodat ik bergen kon verzetten, maaide liefde niet, dan ben ik niets. (I Cor. XIII, 2.) En de H. Joannes: (I Joïs. III, 14.) die niet bemint blijft in don dood.

V. 'sB. Wat is de Liefde?

A.' Eene deugd en gave Gods, door welke wij God boven al beminnen en onzen evennaaste gelijk ons zeiven. Br. Om God.

A. TJ. Eene deugd, door God ons ingestort, welke ons bekwaam en genegen maakt, God boven alles om Hem zeiven, en onzen naasten gelijk ons zeiven om God te beminnen.

V. Wat is God beminnen?

A. God beminnen is Hem van harte genegen zijn, zich verheugen over Zijne oneindige volmaaktheden; wenschen, dat Hij om Zijne oneindige goedheid door allen gekend, bemind en verheerlijkt worde; — is, zich geheel aan Hem als aan het hoogste goed toewijden. God beminnen is, op bovennatuurlijke wijze met God vereenigd worden.

V. 's B. Waarom wordt de Liefde genoemd eene gave Gods ?

A. Omdat de Liefde ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten, en wij ze uit ons zeiven, niet kunnen hebben.

V. Waaruit blijkt dat de Liefde eene gave Gods is ?

A. Omdat zij eene door God ingestorte deugd is, zoodat ,.de mensch blijft in „God en God in hemquot; (I Joann. IV, 16); waartoe de mensch uit eigen kracht onmogelijk kan geraken. Ten andere getuigt de H. Paulus (Rom. V, 5.) uitdrukkelijk, dat ,.de liefde Gods

ocr page 139

135

„is uitgestort in onze harten door den H. Geest, die ons is mede-gedeeldquot;, n.1. het eerst in het Doopsel.

V. Br. Wie moeten wij beminnen?

A. God en onzen naaste.

V. Br. Hoe moeten wij God beminnen?

A. Wij moeten God beminnen boven alles.

V. 's B. Wat is God beminnen bovenal ?

A. Hem zóó beminnen, dat wij liever alles, zelfs het leven willen verliezen dan God met ééne doodzonde te vergrammen.

V. Hoe moet onze liefde tot God gesteld zijn ?

A. De liefde tot God moet le. iovennatnürlijlc zijn. Wij moeten door middel der genade God beminnen niet slechts als oorzaak der natuur en als uitdeeler der natuurlijke goederen, maar ook als oorzaak der genade en uitdeeler der bovennatuurlijke goederen. Zoo immers stelt het geloof ons God als voorwerp onzer liefde voor. 2e. De liefde tot God moet hoven allen gaan, dat is: men moet aan God het hoogste goed wenschen en Hem het hoogst schatten. 3e. De liefde tot God moet krachtclailifj zijn door te doen hetgeen God aangenaam is, door Zijne geboden te volbrengen.

,.Hierin bestaat de liefde tot God, dat wij Zijne geboden onderhouden.'' (I Joannes V, 3.) En Christus zelf zegt: „Die mijne ge-„boden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij bemint. (Joan.XIV,21.)

V. Verklaar nader dat hovenal.

A. Bovenal of meer dan allen en alles God beminnen is, vast besloten zijn, den voortdurenden wil hebben van liever alles te derven, alles te verliezen, alles te lijden, van alles, zelfs van het leven beroofd te worden dan eene enkele doodzonde te bedrijven.

V. Wie hebben aldus God boven alles bemind ?

A. Abraham, toen hij zijn eenigen zoon liever wilde opofferen dan aan God ongehoorzaam zijn. De Martelaren, die hun leven gaven lieve]1 dan God te vergrammen. Onze Voorouders, die ten tijde dei-vervolging hunne goederen, hunne vrijheid, hun leven gaven liever dan te zondigen, of van het geloof af te vallen.

V. 's B. Waarom moeten wij God bovenal beminnen ?

A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is, Br. en alle eer en liefde waardig.

A. U. Om God-zelven, die in Zich zeiven het volmaakste goed is, en die ook oneindig soed is jegens ons.

A. R. Ten le. omdat God oneindig goed en beminnenswaardig is; ten 2e. omdat God ons ontelbare weldaden bewezen heeft.

V. Wanneer is onze liefde tot God volmaakt, wanneer is zij onvolmaakt ?

A. Onze liefde is volmaakt als wij God boven alles beminnen, omdat Hij in Zich het hoogste, beminnenswaardigste goed is.

Zulke liefde vindt hare uitdrukking in het bekende gebed van

ocr page 140

136

den H. Franciscus-Xaverius; „Ik bemin U, o God, niet opdat Grij „mij zoudt zalig maken, maar enkel omdat Gij God zijt.

Onze liefde is onvolmaakt wanneer wij God slechts beminnen omdat Hij ons hoogste goed, oneindig goed tot ons is.

V. Welke liefde drukken wij uit als wij de akte van liefde bidden ?

A. Dan geven wij uitdrukking aan dc volmaakte liefde tot God door te zeggen; ,.ik bemin u bovenal, omdat Gij zijt het opperste goed in U zeiven.

V. Wanneer moet men de liefde in zich opwekken ?

A. le. Als men tot de jaren van verstand gekomen is. 2e. In de bekoringen of gelegenheden tot zonde. 3e. Bij het ontvangen der H. Sacramenten, bijzonder der H. Communie — en dor Biecht tot een waar berouw.

V. IJ. Wanneer verrichten wij eene akte van liefde ?

A. Wij verrichten eene akte van liefde, zoo dikwijls wij door woord of werk onze liefde aan God te kennen geven.

V. Br. en R. Hoe moeten wij onzen naaste beminnen ?

A. Gelijk ons zeiven.

V. Wat heeft God hieromtrent bevolen ?

A. „Dit gebod hebben wij van God dat hij die God bemint, ook „zijn broeder (e.venmensch) moet beminnen.quot; (IJoan. IV, 21.) „Indien „iemand zegt: ik bemin God, en hij haat zijnen broeder, die is een „leugenaar.quot; (I Joan. V, 20.) „Want, verzekert Jesus, dit gebod, „het tweede, is gelijk aan het eerste, n.1. God te beminnen.

V. Mag de christen ook zich zelven beminnen ?

A. Ja; want „in de woorden: gij zult den naaste liefhebben „gelijk u zelven is ook het gebod der liefde tot zich zelven opge-,, sloten.quot; (H. August.)

V. Wat staat tegenover de christelijke liefde tot zich zelven?

A. Tegenover de christelijke liefde staat de eigenliefde of zelfliefde.

V. Waarin bestaat deze?

A. De eigenliefde bestaat le dat de mensch do voorkeur geeft aan zijn eigen eer en wil boven de eer en den wil van God. 2e dat de mensch meer bezorgd is voor het tijdelijke en voor het lichaam dan voor zijne ziel en zijne geestelijke belangen. 3e dat de mensch zijn eigen voordeel en welzijn zoekt tot nadeel zijner medemenschen.

V. 's B. Wat is onzen evennaaste beminnen gelijk ons zelven ?

A. Hem zóó beminnen, dat wij geen kwaad doen of willen hetgeen wij zelf niet willen leiden, en hem het goed gunnen en zoeken te bewijzen, dat wij ons zelven wenschen.

V. Moeten wij van alle menschen evenveel houden ?

A. le Wij mogen aan volstrekt niemand kwaad wenschen of doen. 2e Wij mogen en moeten hen meer beminnen dan anderen, die ons op eenige wijze, in bloed- en aanverwantschap, of door banden van

ocr page 141

137

vriendschap, dienstbaarheid, buurtschap, of door andere, ook burgerlijke betrekkingen het naaste zijn: dus ouders, broeders, zusters, familie, overheden, geloofsgenooten, medeburgers, vrienden, brave menschen boven slechten, enz. enz

V. Hoedanig- moet onze naastenliefde wezen ?

A. De liefde tot den naaste moet le oprecht zijn, niet in schijn; „niet door woorden en met de tong-, maar door daad en in waarheid,quot; leert do H. Joannes. (I. Joan. Ill, 18.) 2e De naastenliefde moet onbaatzuchtig zijn: wij moeten den evenmensch beminnen niet om van hem of van andere menschen lof of loon te krijjren, maar om God. 3° Die liefde moet allen omvatten, vriend en vijand gelijkelijk, zonder iemand uit te sluiten.

V. 's B. Om welke reden moeten wij onzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven ?

A. Om God, Br. dat is: uit liefde tot God, Wiens kind en beeltenis de mensch is.

E. Uit liefde tot God, naar Wiens beeld onze naaste geschapen is.

V. Noem nog meer redenen, waarom wij den evenmensch moeten liefhebben ?

A. Om God; dat is ook: omdat God ons een uitdrukkelijk gebod gegeven heeft: „dit is mijn gebod, dat gij elkander lief-„hebtquot;. (Joann. XV. 12.) Omdat Christus zelf daarvan het voorbeeld gegeven heeft, Die alle menschen door Zijn Bloed verlost en tot de zaligheid geroepen heeft.

V. 's B. Wie zijn onze evennaasten?

A. Alle redelijke schepselen, die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie (in den hemel kunnen komen.)

V. Wie zijn deze?

A. Alle Engelen, Heiligen, Zaligen, Zielen in het Vagevuur en menschen.

TI. Is het genoeg, dat wij onze vijanden geen kwaad willen?

A. Neen, wij moeten hen beminnen, en als het noodig is, naar ons vermogen bijstaan.

Y. Waarom moeten wij ook onze vijanden beminnen?

A. Wij moeten onze vijanden liefhebben, omdat le. Christus zulks geboden heeft: „maar Ik zeg u; bemint uwe vijandenquot;. 2e Omdat Hij daarvan het voorbeeld heeft gegeven, vooral toen Hij voor Zijne vijanden bad aan het Kruis. 3® Wijl God ook Zijne zon doet opgaan over boozen en rechtvaardigen zonder onderscheid. 4° Omdat wij ook willen en bidden, dat door God ons vergeven worde, gelijk wij vergeven aan hen, die tegen ons misdaan hebben.

V. Wat moet een christen doen, als hij iemand beleedigd heeft ?

A. Hij moet het aangedane leed herstellen persoonlijk of door bemiddeling van anderen. Hij moet den beleedigde door dienst-

ocr page 142

138

betoon, door voorkomeiKlheid en liefdevol gedrag- voor zich trachten te winnen.

V. Wat moet de christen doen, die door een ander bcleedigd is?

Hij moet van harte vergeven en mag geen kwaad met kwaad vergelden. Het betaamt als christenmensch, den beleediger te gemoet te komen, hem den weg tot verzoening gemakkelijk te maken; de eischen tot toenadering niet te hoog te stellen, de aangeboden hand niet af te wijzen, hem de burgerlijke beleefdheid niet te weigeren.

V. Waarin bestaat de christelijke vriendschap ?

A. Hierin, dat twee of moer personen elkander op bijzondere wijze beminnen om God, en elkanders geestelijk en tijdelijk welzijn behartigen.

V. u. w aardoor geven wij vooral onze liefde tot den naaste te kennen ?

A. Door het beoefenen van de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid. (Zie de 44e les.)

V. Wat leert ons Christus aan onze vijanden te doen?

A. (Zie 27e les. 4e Vraag.)

V. Hoe wordt de Liefde verkregen ?

A. De mensch krijgt de goddelijke deugd dor Liefde, evenzeer als die des Geloofs en der Hoop het eerst in- en door het Doopsel,

V. 's B. Waardoor wordt de Liefde verloren?

A. Door de doodzonde.

V. Waarom wordt de liefde verloren door de doodzonde?

A. Omdat hij, die eene doodzonde bedrijft. God niet bovenal bemint, maar Hem achter iets anders stelt, achter geld, genot, enz., wat hij door de zonde hoopt te genieten.

V. Waarom worden het Geloof en de Hoop ook niet door iedere doodzonde weggenomen ?

A. Omdat niet iedere zonde zich keert tegen God als zijnde de opperste Waarheid, noch als zijnde het hoogste Goed, dat ons gelukkig móet maken.

V. Welke zonden strijden dan tegen het Geloof en de Hoop?

A. Tegen het Geloof strijden: vrijwillige twijfel- en verwerping-van ook slechts één punt des Geloofs. Tegen de Hoop: wanhoop en vermetel vertrouwen.

V. Verliezen wij door deze zonden ook de Liefde ?

A. Voorzeker verliezen wij daardoor de Liefde, omdat zij doodzonden zijn.

V. 's B. Waardoor wordt de liefde vermeerderd ?

A. Door ieder goed werk. dat in staat van gratie en ter eere Gods gedaan wordt.

V. Wat is : vermeerdering der Liefde ?

A. Vermeerdering der Liefde beduidt: vermeerdering van de deugd

ocr page 143

139

der Liefde, welke als de kostbaarste gave van den H. Geest in onze zielen woont en haar aan God welgevallig- maakt.

V. Waardoor wordt de Liefde verminderd?

A. Door de dagelijksche zonde wordt de kracht, de vurigheid der liefde verzwakt, zoodat de uitingen, de oefeningen van liefde minder worden, verflauwen.

\r. Br. Wat moet men doen om in de liefde Gods te blijven?

A. Gods geboden onderhouden.

V. Hoe toonen we met daden, • dat we God beminnen ?

A. Dat toonen we, als wij Gods (10) geboden onderhouden, dat is; als we doen wat daarin //eboden. en als we laten wat door deze rtrboden wordt.

V. U. Waardoor' weten wij, wat God door ons wil gedaan en vermeden hebben ?

A. 1 )it weten wij door de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk.

V. U. Wat verstaat gij door de tien geboden Gods ?

A. De tien geboden, welke op twee steenen tafelen waren geschreven en welke God door Zijnen gezant Mozes aan de Israëlieten heeft gegeven.

V. 's H. Welk is het kort begrip van hetgeen wij moeten doen, om de Liefde te behouden en te vermeerderen ?

A. De wet Gods, in tien geboden verdeeld.

V. 's B. Wie heeft de tien geboden gegeven ?

A. God zelf heeft die van het begin der wereld in de harten der menschen gegrift; daarna heeft Hij die geschreven op twee steenen tafelen, aan Mozes gegeven, en Christus heeft die vernieuwd in het Nieuwe Testament.

V. Wat is : in de harten gegrift ?

A. Dit wil zeggen : God heeft onze ziel zoodanig geschapen, dat zij uit zich zelve de Tien Geboden kan kennen.

V. Waar, wanneer en hoe heeft God Zijne geboden aan Mozes gegeven ?

A. God heeft de tien geboden aan Mozes, en door hem aan de Joden gegeven den vijftigsten dag na hunnen uittocht uit Egypte. Gedurende 40 dagen en nachten had Mozes zich door gebed en vasten moeten voorbereiden, om de Wet te ontvangen. Ook het Joodsche volk was door vasten en reinigen voorbereid en wachtte, rondom den berg Sinaï gelegerd, de komst van Mozes af. Deze berg had een schrikwekkend aanzien: de bliksem flikkerde, de donder 'rolde, bazuinen weerklonken, vuurvlammen en rookwolken omhulden diens top, toen God de Heer aan Mozes Zijne Wet gaf.

V. Wat wil zeggen, dat Christus de 10 geboden vernieuwd heeft?

A. Dit wil zeggen, dat Christus ze gezuiverd heeft van de verkeerde en valsche uitleggingen, welke de Schriftgeleerden

ocr page 144

140

en Pharizae.ën er aan gaven. Ook beteekent dit, dat Christus ze bekrachtigd heeft door betere beloften en straffen, en dat Hij do onderhouding er van gemakkelijk heeft gemaakt door Zijne (/enaden.

V. U. Zijn die geboden voor ons Christenen nog verplichtend?

A. Ja, de geboden zijn voor ieder mensch verplichtend, en bovendien heeft Jesus gezegd: „wilt gij tot het leven ingaan, onder-„houdt de geboden.quot;

V. Moeten alle menschen deze geboden onderhouden ?

A. Ja; want God beveelt zulks: ,.Gij hebt bevolen, uwe geboden ,.stiptelijk te onderhouden,quot; (Ps. 118. v. 4.) en Christus zegt:,.wilt ,.gij tot het leven ingaan, onderhoudt dan de geboden.quot; (Matt. XIX. 17.)

V. Moeten alle menschen de 10 geboden kennen?

A. Ja; en wél op doodzonde is ieder mensch verplicht uit noodzakelijkheid des gebods, om de Tien Geboden, althans in hoofdzaak te kennen.

V. Kunnen alle menschen de 10 geboden onderhouden'?

A. Ja, alle menschen kunnen dat, want Christus verzekert: ..mijn juk is zoet en mijn last is lichtquot; (Matt. XI. 30) en de H. Joannes zegt: ,.Zijne geboden zijn niet zwaarquot; (I. Joan. V. 3.) Desgelijks leert ook de Kerkvergadering van Trente. (VI Zitting, Hoofdst. XL): „God gebiedt niets wat onmogelijk is; maar met te „gebieden vermaant Hij ons, te doen hetgeen wij kunnen, en te vragen hetgeen wij niet hunnen, en Hij helpt ons opdat wij het zouden kunnen.

V. Wat moet men doen, om de geboden Gods gemakkelijk te onderhouden ?

A. Men moet zich van de vroegste jeugd gewoon maken die te onderhouden: en daartoe dikwijls Gods gratie (hulp) vragen.

U. 44° les.

V. Kan men zonder Gods hulp uit eigen krachten alleen de geboden onderhouden en zalig worden ?

A. Neen; dit kan men niet zonder eene bovennatnurlijke gave en hul]) van God.

V. Is de vrije wil om het goede te doen een natuurlijke of bovennatuurlijke gave en hulp van God?

A. Dit is enkel een natuurlijke gave en hulp.

V. Hoe noemt men de bovennatuurlijke gaven en hulp, welke God ons tot onze zaligheid geeft?

A. Die bovennatuurlijke gave eu hulp neemt men : genade Gods.,

V. Ontvangt de mensch genade om zijn eigen verdiensten ?

A. Neen; hij ontvangt die niet om zijne verdiensten, maar om de verdiensten van Christus.

V. Als Gods genade noodig is, om de geboden te onderhouden en zalig te worden, ontvangt dan ieder de daartoe noodige genade?

ocr page 145

141

A. Ieder mensch ontvangt de daartoe noodige genade, omdat God wil, dat allo menschen zalig worden en Christus voor de zaligheid van allen gestorven is.

V. Moet de mensch het aan God, of aan zich zeiven toeschrijven, als liij niet braaf leeft en niet zalig wordt ?

A. Aan God moet de monsch dit niet toeschrijven; want Hij weigert aan niemand de noodige genade, maar aan zich zelven, dewijl hij aan de genade niet beantwoordt.

V. 's B. Zeg de tien geboden.

A. 1. Ik ben de Heer uw God. Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.

2. Gij zult den Naam van den Heer uw God niet ijdel gebruiken.

3. Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag heiligt.

4. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.

5. Gij zult niet doodslaan.

6. Gij zult geen overspel doen.

7. Gij zult niet stelen.

8. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.

9. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

10. Gij zult zijn huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijn dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort.

V. Geef een gemakkelijker wijze van de 10 geboden op te zeggen ?

A. 1. Eén God alleen zult gij aanbidden;

2. Gebruik 'niet ijdel Zijnen Naam ;

3. Vier heilig ook den dag des Heeren;

4. Eer vader, moeder, bei te zaam;

5. Wacht u. dat gij geen doodslag doet;

6. Doe geen onkuischheid in uw leven ;

7. Wees eerlijk, steel geen anders goed;

8. Gij zult geen valsch getuig'nis geven;

9. Begeer niet iemands echtgenoot;

10. Noch iemands goed, quot;t zij klein of groot.

V. Hoe kan men de 10 geboden verdeelen ?

A. In twee deelen: de drie eerste houden den mensch zijne plichten jegens God voor; de zeven anderen die jegens zich zelven en den naaste.

V. TT. Wordt in die geboden slechts gehandeld over zonden, die wij moeten vermijden ?

A. Neen; er worden ook deugden voorgeschreven, welke wij moeten beoefenen.

ocr page 146

142

V. IJ. Zijn de woorden: „Ik ben de Heer uw Godquot; alreeds een gebod ?

A. Neen. deze woorden plaatste God vóór de geboden, om ons te herinneren, wie de geboden geeft, en wat ons bewegen moet die geboden te onderhonden.

V. U. Wat moet ons bewegen de geboden te onderhouden?

A. Ten le onderwerping en gehoorzaamheid aan onzen Heer, onzen oppersten Meester; ten 2e dankbaarheid en liefde aan God, onzen Schepper en Vader; ten :3e de hoop op belooning en de vrees voor de eeuwige straffen.

TWEE EX TW INTIGSTE LES. Van het eerste gebod.

(U. 32® les; — Br. 22e les; — R. 21° les.)

V. 's B. Hoe luidt het eerste gebod ?

A. Ik ben de Heer uw God. Gij znlt geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij znlt u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.

V. 's B. Wat gebiedt het eerste gebod ?

A. Eenen God. alleen te erkennen, te aanbidden, en te dienen Br. als den Opperheer van hemel en aarde en de eenige bron van alle goed.

V. U. Over welken plicht handelt het eerste gebod?

A. Over de aanbidding en vereering, die wij zoowel inwendig als uitwendig aan God verschuldigd zijn.

V. IJ. Waarin bestaat de aanbidding, welke wij God schuldig zijn?

A. Dat wij God als den Opperheer erkennen en eeren, van Hem alleen al het goede afsmeeken en Hem voor Zijne weldaden danken

V. R. Hoe zullen wij God voornamelijk aanbidden?

A. Door ons aan Zijne opperheerschappij ganschelijk te onderwerpen, en Hem alle inwendige en uitwendige eer te betoenen.

V. U. Welk onderscheid is er tusschen de in- en uitwendige vereering van God?

A. De inwendige vereering is die, welke wij in ons hart aan God bewijzen; - de uitwendige, welke wij door onze uiterlijke handelingen aan God betoonen.

V. Welke aanbidding zijn wij aan God schuldig; de inwendige of de uitwendige ?

ocr page 147

143

A. Wij zijn beiden aan God schuldig, omdat ziel en lichaam aan God behooren en Hem moeten huldigen; omdat de uitwendige aanbidding opwekt tot inwendige; omdat de uitwendige vereering van God tot algemeene stichting, tot bevestiging van het geloof en verbreiding van den godsdienst nuttig en noodzakelijk is; omdat Christus ons beiden door woord en voorbeeld geleerd heeft.

V. U. Waarvoor moet men zorgen bij allo uitwendige oefeningen van godsdienst ?

V. Dat het uitwendige met eene inwendige godsvrucht gepaard ga.

V. Br. Hoe kunnen wij God erkennen, aanbidden en dienen als den Opperheer van hemel en aarde en do eenige bron van alle goed ?

A. Door ons verstand en onzen wil, ja geheel ons wezen aan Zijne Opperheerschappij te onderwerpen door oefeningen van geloof, hoop en liefde.

V. 's B. Welke deugden worden vooral vereischt ojn God behoorlijk te eeren en te dienen ?

A. De goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde en de deugd van godsdienstigheid.

V. Hoe vereeren wij God door te gelooven. te hopen, te beminnen?

A. Wij vereeren God door het Geloof, doordat wij Zijne waarachtigheid erkennen en ons verstand aan Zijn onfeilbaar gezag onderwerpen. Wij hopen op God om Zijne almacht, goedheid en trouw in Zijne beloften. Door liefde vereeren wij God, omdat wij, beminnende, God boven allen en alles stellen, en ons geheel aan Hem overgeven. Geloof, Hoop en Liefde houden den mensch onmiddelijk met God bezig; m. a. w. God is het voorwerp en de hewèegrèden van 's men-schen Geloof. Hoop, Liefde.

V. Wat is de deugd van godsdienstigheid?

A. De godsdienstigheid is een zedelijke deugd, waardoor wij God den dienst bewijzen, welke Hem toekomt, en waardoor wijde grootheid van God en onze afhankelijkheid onmiddelijk te kennen geven.

V. Noem eenige uitsluitend godsdienstige werken ?

A. Bidden, het bijwonen en opdragen der H. Mis, het vieren van de Zon- en heiligendagen, eed of beloften doen, enz.

V. R. Hoe kunnen wij gemakkelijk de deugden van Geloof, Hoop en Liefde beoefenen ?

A. Door dikwijls akten van geloof, hoop en liefde te verwekken.

V. U. Is men verplicht somtijds een akte van geloof, hoop en liefde te verwekken?

A. Ja, men is verplicht meermalen in zijn leven een akte van geloof, hoop, maar vooral van liefde te verwekken.

V. 's B. Wanneer behoort men een akte van geloof, hoop en liefde te verwekken ?

A. Ten le als men tot de jaren van verstand gekomen is; —

ocr page 148

144

ten 2e bij het ontvangen der H.H. Sacramenten; — ten 3e in sommige bekoringen tegen die deugden; ten 4e als men in gevaar is van sterven; — christelijke menschen doen het gewoonlijk alle dagen.

V. Wat is geloof, hoop, liefde verwekken ?

A. Verwekken d. i. opzeggen rvat, waarom, hoe, wien men gelooft, hoopt, bemint; en daardoor het Geloof, de Hoop, de Liefde verlevendigen.

V. Is het noodig, om zijn geloof, hoop, liefde levendig te doen zijn, dat men de bekende akten of oefeningen opzegt ?

A. Neen; men kan dit ook doen door handelingen of gebeden, vooral schietgebeden.

V. Waarom moeten de kinderen en de stervenden bijzonder de akten van geloof, hoop, liefde bidden.

Omdat hot betaamt dat bij het begin en bij het einde des levens de mensch de grootste hulde van zijn Geloof, Hoop en Liefde aan God beAvijze.

V. U. Wanneer moet men dit vooral niet verzuimen ?

A. Als men tegen eenc dier deugden hevig bekoord wordt, als men de H. Sacramenten zal ontvangen, en als men in stervensgevaar is.

V. Hoe kunnen wij gemakkelijk en verdienstelijk God eeren als onzen Oppersten Heer?

A. Met dagelijks, in ons morgengebed ons zelven en al de werken van den dag aan God op te dragen.

V. ü. Wanneer verwekken gewoonlijk vrome christenen die akten ?

A. Zij zijn gewoon ze dagelijks te verwekken bij hunne morgen-of avondgebeden. (1)

V. U. Waardoor zondigt men tegen den plicht van aanbidding, aan God verschuldigd ?

A. Door oneerbiedigheid in de Kerk, of bij Godsdienstoefeningen; door nalatigheid in het gebed, b. v. 's morgens en 's avonds; door afgoderij, enz.

V. 's B. Welke zonden geschieden tegen het eerste gebod?

A. Afgoderij, bijgeloovigheid, heiligschennis, en de zonden tegen het geloof, de hoop en de liefde tot God.

V. R. Noem eenige zonden, die geschieden tegen het eerste gebod?

A. Afgoderij, bijgeloovigheid, tooverij, ketterij en alle andere ongeloovigheid, heiligschennis, wanhoop en haat tegen God, Bp. en afkeer tegen God of godsdienst.

(1) Telken male dat men de akten rouwmoedig bidt, verdient men 7 maal 40 dagen (qtiadragenen) aflaat.

Iedere maand een vollen .aflaat, als men het dagelijks gedaan heeft; alsook een vollen aflaat in het doodsuur; beiden op de gewone voorwaarden van biechten enz.

ocr page 149

145

V. U. Wanneer bedrijft men dc afschuwelijke zonde van afgoderij ?

A. Als men do in- of uitwendige vereering-, slechts aan God verschuldigd, aan een schepsel bewijst.

V. R. Wat is afgoderij ?

A. Het geven van goddelijke eer aan beelden en andere dingen die voor God gehouden worden, ofschoon zij maar schepselen zijn.

V. 's B. Wanneer maakt men zich schuldig aan bijgeloof of superstitie ?

A. Als men, om iets te weten of te bewerken, woorden of zaken gebruikt, welke daartoe geene kracht hebben noch uit eigene natuur, noch van God, noch uit instelling der H. Kerk.

V. Hoevelerlei bijgeloof wordt hier onderscheiden ?

A. Tweederlei: le om iets te weten: hetwelk genoemd wordt waarzeggen; •2e om iets te bewerken of toovenarij; en beide zijn groote zonden.

V. Waarom zijn waarzeggerij en toovenarij groote zonden?

A. Omdat in deze de tusschenkomst des duivels plaats heeft, daar die woorden, teekenen enz. geene kracht hebben.

V. Zijn het altijd ware toovenaars en waarzeggers, die zich voor dusdanigen uitgeven ?

A. Neen ; het zijn doorgaans bedriegers, die eenvoudige menschen zoeken te misleiden.

V. R. Mag men wel bij toovenaars of waarzeggers te rade gaan ?

A. Geenszins, want dat ware van God afwijken en den duivel aanhangen, wiens hul]) zij inroepen.

V. Is hot groote zonde, kaartleggers of waarzeggers of planeettrekkers te raadplegen ? t

A. Dit is groote zonde, als men zulke lieden raadpleegt, die beweren met de geestenwereld in verbinding te staan, omdat men dan er lichtelijk geloof aan schenkt, of ergernis aan anderen geeft.

V. Welke middelen mag men gebruiken om iets te weten ofte bewerken ?

A. Die middelen, welke natuurlijk, of door God met kracht begiftigd of van de H. Kerk ingesteld zijn.

V. Noem eenige middelen, welke kracht hebben uit de natuur en van God.

A. Kruiden, planten en andere zaken, welke tot medicijnen ge maakt worden, hebben kracht om de zieken te genezen van nature. De uitwendige teekenen der Sacramenten; water uit wonderbare bronnen, de overblijfsels der Heiligen hebben die kracht uit God.

V. 's B. Is het gebruik van gewijde kaarsen, palm, paternosters, scapulieren, medailles, enz ook bijgeloovigheid ?

A. Geenszins, omdat die voorwerpen kracht hebben uit de gebeden en zegeningen der H. Kerk.

10

ocr page 150

146

A. TJ. Een behoorlijk gebruik is geene bijgeloovigheid, omdat die voorwerpen, enz.

A. Br. Geenszins, mits wij daaraan geene meerdere kracht toekennen dan die zij hebben uit de gebeden of de instelling der H. Kerk.

V. Kan men ook in gebeden en godsvruehtoefeningen bijgeloovigheid bedrijven ?

A. Ja; le als men God of Zijne Heiligen vereert op eene wijze, welke met de leer of het gebruik der Kerk strijdig is; 2e. als men die gebeden enz. doet niet met vertrouwen op God, maar als men vermetel vertrouwt op-, en meent aan het gebed enz. eene onfeilbare kracht te geven door het onderhouden van onbeduidende, doellooze omstandigheden van tijd, plaats, getal enz.

V. Wat kracht heeft het rjeuuijd water ?

A. Bij de wijding des waters (Zondags vóór de Hoogmis) vraagt de Kerk in de gebeden, welke zij over het water uitspreekt, dat allen, die dat water met een geloovig hart gebruiken „bevrijd „zouden blijven van iederen aanval van den onzuiveren geest.... en ,.dat de H. Geest altijd bij hen blijve.... en dat allo huizen en „plaatsen, waar dit water gesproeid wordt, vrij blijven van alle „onreinheid en schade.quot;

V. Wanneer bijzonder moet men gewijd water gebruiken?

A. le Men behoort gewijd water te gebruiken bij het maken van het kruisteeken 's morgens en 's avonds (1) 2C Bij het in- en uitgaan van de Kerk. 3e Bij storm en onweder, en om have en goed daarmee te besproeien ter afwering van schade. 4e Heilzaam is het, zfcken alsook de lijken van overledenen met wijwater te besproeien.

V. Waarom neemt men wijwater als men in de kerk komt?

A. Om zijne ziel tot het gebed te bereiden; — om bevrijd te blijven van alle bekoringen en verstrooiingen.

V. U. Hoe zondigt men tegen de deugd des geloofs?

A. Ten le door ongeloof en ketterij, 2e door vrijwilligen twijfel aan het geloof, 3e door bijgeloof, 4e door omgang met ongodsdienstige menschen, het lezen van boeken, die voor het geloof gevaarlijk zijn, enz.

Y. R. Hoe zondigen de ketters tegen het eerste gebod ?

A. Met niet te gelooven hetgeen God ons door de H. Kerk voorstelt te gelooven, loochenen zij Gods onfeilbare Waarheid.

V. R. Wat moeten wij ten opzichte van ketters en andere on-geloovigen vermijden ?

A. Wij moeten de gemeenschap met hen vermijden in kerkelijke of geestelijke zaken.

V. Is het verboden aan hunne begrafenis deel te nemen ?

(1) 100 dagen aflaat.

ocr page 151

147

A. Neen, den lijkstoet volden of vergezellen is niet verboden, dewijl dit slechts eenc burgerlijke beleefdheid is, aan den persoon des overledenen, der familie enz. bewezen.

V. TJ. Hoe zondigt men tegen de goddelijke deugd der hoop ?

A. Ten le door wanhoop aan Gods barmhartigheid; 2e door een vermetel vertrouwen op God.

V. U. Hoe zondigt men tegen de goddelijke deugd der liefde ?

A. Door iedere zonde in het algemeen, maar bijzonder door afgekeerdheid van, en haat tegen God.

V. 's B. Wat is heiligschennis ?

A. Het mishandelen of onteeren van Gode toegewijde personen, zaken of plaatsen.

A. TJ. Heiligschennis is eene ontheiliging van de sacramenten, en van plaatsen, personen en zaken, die bijzonder aan God zijn toegewijd.

V. Hoevelerlei is de heiligschennis?

A. Drieerlei; men kan schenden heilige 1°. personen (d. i. die aan God zijn toegewijd) zooals: priesters, kloosterlingen enz.; 2amp;. zalcen; als: de H. Sacramenten, heilige vaten: kelk, ciborie; kleederen; misgewaden; 3°. xiïmtsen: kerken, kapellen, kerkhof, sommige kloosters, enz.

V. Is het zonde, prentjes, beelden, rozenkrans, of andere voorwerpen die versleten of onooglijk zijn, te verscheuren, verbrijzelen enz ?

A. Neen. als er geene slechte meening bij aanwezig is en de handeling in zich zelve niets onteerends heeft.

V. U. Wanneer bedrijft men simonie (geestelijke woeker)?

A. Wanneer men geestelijke zaken, ambten, enz., zoover die geestelijk zijn, b.v. voor geld koopt of verkoopt.

V. Mag men rozenkransen, medailles en andere voorwerpen ver-koopen, als deze rjeivijd zijn ?

A. Neen. zelfs niet als er geen hoogere prijs voor bedongen of gegeven wordt omdat zij gewijd zijn. Het is ook streng verboden, gewijde voorwerpen te kooi) ^ stellen.

V. Mag men aan iemand geld geven onder beding van voor hem te bidden, do H. Mis op te dragen, enz. ?

A. Ja, omdat dit niet de prijs is voor het gebed of de geestelijke handeling, welke van den priester enz. gevraagd wordt; doch die ondersteuning wordt gegeven en aangenomen hij gelegenheid dat b.v. de H. Mis voor iemand opgedragen, aan iemand de H. Sacramenten toegediend worden; eene ondersteuning, welke de geloovigen overigens aan de priesters verschuldigd zijn naar de vermaning van den H. Paulus (I. Cor. IX, 13, 14.): „Weet gij niet, „dat zij die in het heiligdom werken, ook van het heiligdom eten, „en dat zij, die het altaar bedienen, ook van het altaar hun deel „ontvangen ? Zoo ook heeft de Heer het verordend, dat zij die het „Evangelie prediken, ook van het Evangelie moeten levenquot;.

ocr page 152

148

DRIE EN TWINTIGSTE LES.

Van de vereering en aanroeping der Heiligen, en van de Beelden

en Relikwieën.

(TI. 34e les; — Br. 23® les; — R. 22® les.)

V. 's B. Wat leert ons de H. Kerk wegens de vereering en aanroeping der Heiligen ?

A. Dat het goed en nuttig is de Heiligen te eeren en aan te roepen.

V. Wie moeten wij noodzakelijk eeren en aanroepen om zalig te worden?

A. 1®. Om zalig te worden is het noodzakelijk, dat wij Jesus Christus aanroepen, dewijl wij door Zijne verdiensten in den hemel moeten komen. 2®. Hot is niet noodzakelijk, doch nuttig en voor-deelig dat wij de Heiligen eeren en aanroepen. 3® De Kerk zelve wendt zich in de meeste harer gebeden rechtstreeks tot God zeiven; „O God,quot; enz.; „Almachtige, eeuwige God,quot; enz. en besluit al hare gebeden: door Jesus Christus, onzen Heer.

V. Waarom is het goed, de Heiligen te vereeren en aan te roepen ?

1® Omdat wij edele, deugdzame menschen in hen vereeren, en zij door God met vele genaden begaafd in dit leven, die tot hunne eigene heiligheid en tot welzijn van hunne medemenschen aangewend hebben, en nu door God met eer en heerlijkheid gekroond zijn in den hemel, wijl zij hier op aarde Zijne vrienden en dienaren waren. 2,É. Omdat wij in de Heiligen God eeren, die zelf de vereering en aanroeping van Heiligen in de H. Schrift vermeldt, prijst, goedkeurt. Dit blijkt uit de geschiedenis van Abraham en Job, Josue, Elias, Elizeëus. 3® Omdat de vereering der Heiligen in de H. Schrift nergens verboden en van de vroegste tijden gebruikelijk is geweest in de Kerk: de eerste christenen vereerden al reeds degenen, die voor het geloof den marteldood gestorven waren.

V. Bewijs, dat het nuttig is, de Heiligen te vereeren en aan te roepen.

A. 1® De Heiligen zijn op bijzondere wijze met Christus vereenigd en beminnen ons in Hem. 2® Zij zelve zijn zwakke menschen geweest en kennen dus onze zwakheid, bedorvenheid, gevaren, nooden en behoeften. 3® Wij zelve zijn zondige menschen, die dus niet zoo zeker en in allen deele zullen verhoord worden door God, als Zijne vrienden en dienaren. Zoo ook vragen wij immers de tusschenkomst of voorspraak van aanzienlijke en verdienstelijke personen, wanneer wij van den Koning of andere Overheden iets willen bekomen. 4quot; Omdat God zelf getoond heeft, hoe aangenaam

ocr page 153

149

Hem de voorspraak Zijner vrienden en dienaren is. Op de voorbede van Abraham zou Sodoma gespaard zijn. God verwees de vrienden van Job tot dezen H. Man, opdat hij voor hen bidden en zij vergeving krijgen zouden; Mozes bad dikwijls voor het volk, en:om „wille van Zijn dienaar Mozes, spaarde God het volk.quot; Koevele voorbeelden meldt de H. Schrift van het aanroepen van nog levende, alsook van afgestorvene personen; Jeremias, de Martelaren, enz.!

V. 's B. Strijdt het niet tegen het eerste gebod, dat wij de Heiligen eeren en aanroepen?

A. Neen, omdat wij de Heiligen niet eeren of aanroepen als goden, maar als vrienden en dienaars van God, die met ons en voor ons God bidden.

V. U. Strijdt dit niet met de vereering, welke wij aan God schuldig zijn ?

A. Neen ; want le wij aanbidden alleen God als onzen Opperheer en vereeren de Heiligen slechts als dienaren en vrienden Gods. 2e Van God alleen verwachten wij alle hulp, en de Heiligen roepen wij aan, dat zij voor ons mogen bidden.

V. Br. en R. Welk onderscheid is er dan tusschen het gebed dat wij tot God, en het gebed dat wij tot Zijne Heiligen spreken ?

A. Dat wij God aanbidden als den Opperheer en de bron (Gever) van alle goed ; doch de Heiligen roepen wij aan als onze vrienden en voorsprekers, die bij God met ons en voor ons bidden.

V. Is Jesus Christus dan niet onze èénige Middelaar en Voorspreker bij God ?

A. Jesus Christus is de eenige Middelaar door Zich zolven, door Zijne eigene verdiensten; Hij nadert den Vader door Zich zeiven, om voor ons te bidden. De Heiligen nu naderen God door Christus, en bidden voor ons in Zijnen Naam en in vertrouwen op Zijne verdiensten. Het is dus geen teeken van mistrouwen in Christus, als wij ook de Heiligen aanroepen; veeleer een teeken van mistrouwen in ons zeiven.

V. Bewijzen wij aan God en do heiligen dezelfde eer?

A. le Neen, aan God bewijzen wij goddelijke eer (latria); aan de Heiligen; vereering (dulia); aan de H. Maagd; hooger vereering (hyperdulia.) 2e De uitwendige vereering, als: knielen, wierooken, buigen, kan dezelfde zijn, daar dit afhangt van do meening, Avaar-mede die vereering aan God of Zijne Heiligen gebracht wordt. 3e Dit is ook het geval met het gebed, dat wij tot God of de Heiligen richten. De Kerk echter leert ons, daarin onderscheid te maken, waar Zij zelve in hare gebeden tot God zegt: „geef onsquot;, „ontferm u onzerquot;, „wij bidden U, verhoor onsquot;, enz., maar tot de Heiligen roept: „bid voor onsquot;, verkrijg onsquot;, enz.

V. Wat beteekent, dat men kerken, altaren ter eere der Heiligen opricht; het H. Misoffer opdraagt; b.v. kerk van den H. Petrus;

ocr page 154

150

altaar van den H. Jozef; de Mis van Onze Lieve Vrouw, enz. ?

A. Kerken en altaren worden alleen voor God gesticht, en het H. Misoifer alleen aan Hem opgedragen. Het beteekent, dat men die heeft opgericht om God te danken voor de genaden, aan die Heiligen, wier naam kerk of altaar draagt, bijzonder bewezen. Ook beteekent het, dat men die Heiligen in die kerk, aan dat altaar, in die Mis bijzonder eert en aanroept, om door hunne voorspraak van God geholpen te worden.

V. Waarom roepen wij sommige Heiligen aan in bijzondere nooden behoeften; b.v. do H. Rochus, Antonius, Donatus tegen onweer, bij verlorene zaken, in besmettelijke ziekten, enz ?

A. Dit doen wij. omdat wij bij ondervinding weten, dat God ons door verschillende Heiligen in verschillende nooden helpt; omdat God die Heiligen, soms reeds bij hun leven op die wijze of in die zaken heeft verheerlijkt.

V. ü. en Er. Hoe weten de Heiligen, die toch niet alwetend zijn, dat wij hen eeren on aanroepen ?

A. Dat weten zij door God, en zien het klaar in het Goddelijk Wezen.

V. Waaruit blijkt dat de Heiligen weten dat en waarom wij hen aanroepen ?

A. le Uit de H. Schrift, waar de Engel Raphael tot Tobias zeide: „als gij met tranen badt.... heb ik uw gebed aan den Heer „opgedragenquot;. (Tob. XIT, 12.) Christus zegt, dat de Engelen zich verblijden over één zondaar, die boetvaardigheid doet. (Luc. XV, 7.) 2e De dagelijksche ondervinding, dat tallooze gebeden verhoord worden en soms schitterende wonderen plaats hebben toonen, dat de Heiligen weten dat wij hen aanroepen en dat zij voor ons bidden.

V. 's B. Wie behooren wij onder de Heiligen vóór alle anderen te vereeren en aan te roepen ?

A. De Heilige, Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria.

V. Waarom ?

A. 1e Omdat Zij de Moeder van God is en daarom alle Engelen en Heiligen in genade en heiligheid overtreft. 2e Omdat Zij door Hare voorspraak bij God het meest vermag.

V. Noem eenige Heiligen, die wij bijzonder moeten vereeren.

A. De Heiligen, wier naam wij zelve dragen; aan wie onze Kerk is toegewijd; den Beschermer der Kerk, den H. Jozef, tevens patroon van do christelijke huisgezinnen en voor het kiezen van een zaligen levensstaat; de H. Barbara, voorspreekster voor een goeden dood, enz.

V. Waardoor vereeren wij de Heiligen het meest, en verwerven wij het zekerst hunne voorspraak?

A. Door hunne deugden na te volgen. Lees daarom de levens

ocr page 155

151

der Heiligen; niets aangenamer en nuttiger te lezén.

V. 's B. Zondigen do katholieken niet tegen het eerste gebod met het maken van beelden ?

A. A. Neen. want zij maken de beelden slechts om God of Zijne Heiligen te vereeren.

A. U. Neen, er staat wol; „gij zult geene gesneden beelden makenquot;, maar dit moet men verstaan: „om die te aanbiddenquot;, gelijk de Heidenen deden.

A. Br. Neen, want God heeft alleen verboden, beelden te maken, om ze als goden te aanbidden, zooals de Heidenen doen.

A. R. Neen, want wij maken de beelden niet om ze te aanbidden, en kennen hun ook geene inwendige kracht toe.

V. Is het goed, de beelden van God of van Heiligen te hebben en te eeren ?

A. le Ja, dit is zeker zoo loffelijk als do beelden (portretten) zijner ouders, oversten, vrienden te bezitten en in eere te houden. 2e God zelf deed twee Cberubijnen maken en die op de ark des Verbonds plaatsen; beval aan Mozes eene koperen slang te vervaardigen die do Joden moesten aanzien, waardoor zij van de beten der vurige slangen genezen werden: :!e Van de oudste tijden zijn dé beelden in de Kerk gebruikt. 4e Bestond al het verbod voor de Joden van geene beelden te maken uit vreeze van afgoderij, waartoe zij zoozeer genegen waren: dat gevaar nocli dat aebod, bestaan in de Nieuwe Wet.

V. Past het, godsdienstige beelden in huis te hebben ?

A. Het betaamt, dat in een christelijk huisgezin minstens een kruisbeeld aanwezig zij en de voornaamste plaats in kamer of zaal inneme. Beelden der H.H. Harten van Jesus en Maria, van den H. Jozef en anderen dienden de kamers, zeker de slaapkamers te sieren.

Geen kruis in 'thuis.

Brengt kruis u thuis!

V. Br. en R. Welk voordeel doen ons de beelden ?

A. Ten le De beelden stellen ons het leven, lijden van Christus, des Zaligmakers, of der Heiligen voor oogen ; ten zij sporen ons aan. wekken ons op, om Hem te beminnen, hunne deugden en voorbeelden na te volgen ; ten 3e zij helpen ons om aandachtig te bidden.

V. U. Is het nuttig voor een beeld te bidden ?

A. Ja, want dan kunnen wij ons gemakkelijker en levendiger degenen voorstellen, tot wie wij ons gebed richten.

V. Waarom worden sommige beelden wonderdadig of miraculeus genoemd ?.

A. Men noemt die beelden miraculeus, niet alsof zij wonderen deden, maar omdat door geloofwaardige getuigschriften of door mondelinge overlevering bekend is, dat daar .wonderbare teekenen,

ocr page 156

152

genezingon, enz. hebben'plaats gehad, b.v. een Kruisbeeld te üden; het beeldje van O. L. Vrouw te 's Bosch, in 't Zand bij Roermond, te Handel, Kevelaar, enz.

V. 'sB. Is het kwaad de beelden te versieren, daarvoor licht te ontsteken of te bidden ?

A. Xeen, want deze eer geschiedt niet aan de beelden, maar aan God of Zijne Heiligen, die wij ons voorstellen bij het eeren der beelden.

V. U. Is het geen bijgeloof, beelden te vereeren, te versieren, daarvoor licht te branden, enz ?

A. Neen; wij doen dit niet om het beeld-zelf, maar om onze achting te betoonen jegens hen, die door die beelden worden voorgesteld.

V. Is het aangenaam aan God, dat wij de beelden eeren?

A. Ja; want de beelden worden geëerd om de Heiligen, wier beelden het zijn; — de Heiligen om God, en aldus wordt God om, en in Zijne Heiligen geëerd.

V. 's B. Wat zijn Relikwieën of Overblijfsels'?

A. Beenderen, kleederen of andere voorwerpen, welke do Zaligmaker en do Heiligen hebben achtergelaten of' door hunne aanraking geheiligd.

V. R Waarom vereeren wij de Relikwieën der Heiligen ?

A. Ten le Omdat zij kostbare panden zijn, ons door goede vrienden achtergelaten; ten 2e, omdat die lichamen tempels zijn geweest van den H. Geest; ten 3e omdat zij eens verheerlijkt zullen worden bij God.

V. U. Mag men de Relikwieën ook in eere houden?

A. Zeker; want God zelf heeft door de Relikwieën vele wonderen willen verrichten; zooals door de beenderen van Elizëus, door de zweetdoeken van den H. Paulus, enz.

V. 's B Wat leert ons de H. Kerk wegens de Relikwieën ?

A. Dat het goed en nuttig is, de Relikwieën der Heiligen te vereeren ?

V. Is het redelijk en billijk de Relikwieën te vereeren ?

A. 1°. Ja; want het is eene zaak, die op zich zelve goed. en nergens door God verboden is. 2°. In de H. Schrift komen vele voorbeelden voor van eer en gunstbetoon, door God zelf aan de overblijfselen van heiligen bewezen : o. a. van Mozes, Jozef, Eliseus, Petrus, Paulus enz. 3°. De vereering der relikwieën is altijd in de Kerk gebruikelijk geweest. 4°. Vereert men zoo ook niet de stoffelijke overblijfsels van groote mannen, die zich jegens het vaderland, de kunst, enz. hebben verdienstelijk gemaakt ?

V. Noem eenige voorname Relikwieën van Christus, de H. Maagd en andere Heiligen?

A. 1°. Van Christus: een eedeelte der Kribbe van Bethlehem,

ocr page 157

153

het Kruis, de doornen, nagels, de doek van Veronica, de tafel van het laatste Avondmaal, het H. Graf, de Grot enz., het Huisje van Nazareth. 2°. Kleederen. 3°. De gedeelten van, of zelfs geheele lichamen van Heiligen, tot op onze dagen gaaf en ongeschonden bewaard o. a. van de H. Catharina van Henen, van den H. Paus Pius V, van den H. Crispinus van Viterbo, Joannes van het Kruis; de tong van den H. Joannes Nepomuceuus, martelaar van het geheim der Biecht, van den H. Antonius van Padua; het hart der H. Theresia, enz.

Kostbaar is in de oogen des Heeren de dood Zijner Heiligen. (Ps. CXY.) De Heer bewaart al hunne beenderen. (Ps. XXX11I.)

VIER EN TWINTIGSTE LES.

Van het Tweede Geltod.

(U. 35® les; — Br. 24° les; — R. 23e les.)

V. 's B. Hoe luidt het tweede gebod ?

A. Gij zult den Naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken.

V. 's B. Wat gebiedt het tweede gebod ?

A. Den Naam van God hoog te achten en dien altijd met eerbied te gebruiken.

V. U. Welke plicht wordt ons door die woorden opgelegd?

A. Dat wij van ontzag voor Gods H. Naam moeten doordrongen zijn, en dien altijd met eerbied moeten gebruiken.

V. Wat wordt hier verstaan door den Naam Gods?

A. Hierdoor wordt verstaan God, Zijne eigenschappen of hoedanigheden, b.v. God, Jesus Christus, Gods barmhartigheid enz.

V. Hoe eert men den Naam des Heeren ?

A. 1°. Door het vieren van den feestdag, welke de H. Kerk ter eere van den H Naam Jesus heeft ingesteld en bepaald op den 2en Zondag na Driekoningen. 2°. Door het bidden der Litanie van den H. Naam, welke de Kerk onder hare openbare gebeden opgenomen en met vele aflaten verrijkt heeft. 3°. Door dien Naam met oprecht geloof en liefde uit te spreken of aan te roepen. 4°. Door bij het eerbiedig uitspreken van dien Naam het hoofd te buigen of te ontblooten.

V. 's B. Wat verbiedt het tweede gebod ?

A. Alle oneer, die den Goddelijken Naam wordt aangedaan, vooral door godslastering, zondig zweren en breken van beloften.

ocr page 158

134

V. U. Hoe zondigen wij tegen dit gebod?

A. 1°. Door het ijdel aanroepen of uitspreken van den Naam van God of Jesus, maar vooral 2°. door godslasteren, 3°. zondig zweren, 4°. vloeken, en 5°. het breken van geloften.

V. Wat is, den Naam van God ijdel gebruiken ?

A. IJdel of lichtvaardig den Naam van God, Jesus, enz. gebruiken is, dien zonder oorzaak, in toorn, uit gewoonte, in het dagelijks gesprek mengen.

V. Is zulks groote zonde ?

A. Op zich zelve is zulks geene groote zonde; doch lichtelijk geeft men daardoor ergernis, maakt men zich een kwade gewoonte en komt tot godslastering.

V. 's B. Wat is godslastering ?

A. Een onteerend spreken van God, Zijne Heiligen of van heilige zaken.

V. U. Wanneer maakt men zich aan godslastering schuldig?

A. Als men met woorden van verwensching, van verachting, van bespotting spreekt tegen of over God. Zijne Heiligen of heilige zaken.

V. Br. en R. O]) wat wijze vooral geschiedt de godslastering?

A. Als men aan God, aan Zijne Heiligen of heilige zaken iets toeschrijft, dat tegen hunne eer is; als men iets van hen ontleent, dat hun toekomt, alsook spotsgewijze van hen of van heilige zaken spreekt.

V. U. en Er. Wat is vloeken?

A. Vloeken is zichzelven of anderen Verwenschen met onteering van Gods Naam.

V. 's B. Is godslastering groote zonde ?

A. Ja, eene zeer groote zonde,' die door God hier op aarde dikwijls gestraft wordt.

V' Br. Zijn de godslastering en het vloeken groote zonden?

A. Ja, de godslastering en het vloeken zijn, als zij vrijwillig geschieden, dikwijls groote zonden, die niet zelden zichtbaar gestraft worden.

V. Is het kwaad, als men alleen uit gewoonte God lastert of vloekt ?

A. Ja, en die gewoonte is doodzonde, zoolang als men ze niet afbreekt.

V. Hoe die gewoonte tegen te gaan?

A. 1°. Door 's morgens en 's avonds het voornemen te maken van alle godslasteringen en zelfs alle bastaardvloeken te vermijden. 2°. Door zijn spijt er over te betuigen wanneer onverwacht, uit gewoonte, een vloek ontsnapt. 3°. Door zijn drift of oploopendheid tegen te gaan, en te dien einde zich eenige boete op te leggen, gelijk ook bij het gebruiken van bastaardvloeken.

„Een godslasteraar is slechter dan een verdoemde-in de hel;

ocr page 159

155

„deze lastert God, wijl hij door Hem gestraft wordt; gene echter, „terwijl God hem goed doet.quot; (H. Alph. de Lig.)

V. Welke middelen zijn er, om de godslastering uit te roeien, en de oneer, aan God aangedaan te herstellen.

A. 1°. De Kerk heeft daartoe ingesteld het Broederschap tot uitroeiing der godslasteringen enzquot;. Zij, die lid hiervan zijn, maken .het voornemen a) zich zorgvuldig van godslasteringen enz. te onthouden. nooit er op eenige wijze deel aan te nemen; — h) ouders of oversten: het bij hunne kinderen, dienstboden enz. te beletten : — c) dagelijks één „Onze Vaderquot; en „Wees gegroetquot; voor de be-kcering der godslasteraars enz. te bidden, alsook cl) 5 „Onze Vadersquot; en „Wees gegroetquot; met het „Glorie zij den Vaderquot;, die Zondags na of in de Hoogmis of in het Lof gebeden worden. (1) '2°. Het 40 urengebed, alsook ieder Lof geven eene schoone gelegenheid om eerherstel voor de godslastering aan God te bieden. 3quot;. .Men late uit het huis alle ongeloovige couranten, tijdschriften en boeken daar deze zeer vele godslasteringen tegen God, de Heiligen, de Kerk, de H.H. Sacramenten bevatten.

V. quot;s B. Wat is eed doen of zweren ?

A. (Het is) God, of iets Avat God bijzonder aangaat tot getuige nemen van hetgeen men zegt.

A. U. Het is God, of iets wat God bijzonder aangaat tot getuige roepen dat hetgeen men zegt waarheid is, of dat men zijne belofte zal houden.

V. Noem eenige dingen ..die God bijzonder aangaanquot; ?

A. De Hemel, Jesus' Bloed, de H.H. Sacramenten, het Kruis, de Kerk, het Evangelie.

V. Waartoe dient de eed ?

A. Om in gewichtige zaken de waarheid te bevestigen, allen twijfel weg te nemen of eenig geschil te beeindigen.

V. Welke woorden worden hier te lande gebruikt bij plechtige eedsaflegging ?

A. 1°. „Zoo waarlijk helpe mij God almachtigquot;, welke woorden uitgesproken worden onder het opsteken der twee voorste vingers van de rechterhand. 2°. De hand op het Evangelieboek leggend, is ook gebruikelijk : „Zoo waar helpe mij God en deze H. Evangeliën.quot;

V. 's B. Is eed doen altijd zonde ?

A. Neen, het is zelfs goed als de eed gedaan wordt met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid, doch het is zonde als er eene van deze voorwaarden ontbreekt.

A. U. Op zich zelf is het geene zonde, maar zelfs iets goeds, omdat men Gods waarachtigheid, rechtvaardigheid en heiligheid daardoor belijdt.

(1) lederen Zondac: 300 dagen aflaat.

ocr page 160

156

V. U. Wanneer is eed doen zonde?

A. Als men zweert 1°. zonder oordeel, of zonder wettige reden; 2°. zonder waarheid, dat is: valsch of in twijfel; 3°. zonder rechtvaardigheid, namelijk als men iets wat kwaad is met een eed belnoft.

V. 's B. Wie zweren zonder goed oordeel ?

A. Die zonder wettige reden of lichtvaardig zv/eren.

V. R. Wie zweert met goed oordeel?

A. Die niet zweert dan uit noodzakelijkheid of om goede reden, b.v. als de eed door de Overheid is opgelegd: bij successie, het aanstellen van voogden, het aanvaarden van sommige ambten, het afleggen van getuigenis in zaken: geschillen, misdaden, enz.

V. 's B. Wie zweren zonder rechtvaardigheid ?

A. Die iets met eed beloven, dat kwaad of verboden is; en deze eed mag niet gehouden worden.

V: U. Is de eed, waarmede men iets kwaad heeft beloofd verplichtend ?

A. Neen, zulk een eed mag in geen geval gehouden worden.

V. Wat is er dus van den eed, welke onkatholieken bij hunne belijdenis; of ook vrijmetselaars en andoren bij hun opnemen in hunne vereeniging, broederschap enz. afgelegd hebben ?

A. Die eeden mogen niet gehouden worden, omdat zij gedaan zijn omtrent iets kwaads, n.1. van te blijven in ketterij, geheim genootschap, enz.

V. 's B. Wie zondigen tegen de waarheid van den eed ?

A. Die een valschen eed doen, of de verplichtingen van hunnen eed niet nakomen.

A. Br. en R. 1°. Die iets, wat zij weten valsch te zijn of waaraan zij twijfelen, als waar bevestigen; 2°. die niet voornemens zijn datgene wat zij onder eed beloven, te volbrengen.

V. Br. Is do valsche eed altijd groote zonde?

A. Ja, de valsche eed is groote zonde, als hij vrijwillig geschiedt.

V. Waarom is de valsche eed zulke groote zonde?

A. Omdat men God de grootste oneer aandoet door Hem tot getuigen der leugen te nemen; of Hem aan te roepen tot hetgeen men niet voornemeBS is te doen.

Y. Br. Is het goed aan God te Zijner eer of ter eere Zijner Heiligen iets te beloven ?

A. Ja, als de belofte geschiedt met rijp beraad en het beloofde God welgevallig is: R. en men het kan en wil volbrengen.

V. Waarom is de belofte aan God zoo aangenaam ?

A. Omdat de belofte is 1°. eene daad van Godsvereering; — 2°. een uitstekend offer van 's menschen wil en vrijheid; — 3°. een vrijwillig offer, waardoor 4°. 's menschen wil in het goede bevestigd en aan God bijzonder welgevallig wordt.

V. U. Wanneer doet men eene gelofte?

ocr page 161

157

\

A. Wannecr men niet vrijen wil en genoegzame kennis aan God iets belooft, wat aan God welgevallig is.

V. Wat wordt vereischt tot eene belofte ?

A. le Dat men de belofte vrijwillig doe met inzicht van zich in geweten te verbinden. 2e Dat het in onze macht zij. de belofte te volbrengen. 3° Dat hetgeen men belooft niet alleen goed zij, maar heter dan het nalaten daarvan.

V. U. Is het plicht, de gelofte te houden ?

A. Zeker is dit plicht, indien geene wettige reden ons daarvan geheel of gedeeltelijk vrijspreken.

V. 's B. Wat is breken van beloften ?

A. (Zonder wettige reden.) Niet volbrengen hetgeen men met genoegzame kennis en vrijen wil aan God of Zijne Heiligen beloofd heeft.

V. 's B. Wat vereischt gewoonlijk de voorzichtigheid bij het doen van beloften ?

A. Dat men daarover eerst zijnen biechtvader raadplege.

V. Wie kunnen belofte doen ?

A. Zij die tot de jaren van verstand gekomen, zich zeiven meester zijn in hetgeen zij beloven.

V. Wanneer houdt de verplichting der belofte op ?

A. 1°. Als het onmogelijk wordt zo te vervullen; 2°. als de verplichting door de Kerkelijke Overheid wordt weggenomen om werkelijke, billijke en voldoende redenen of 3°. in eene andere verplichting veranderd wordt.

V. R. Doet men eene belofte, als men alleen het voornemen maakt, eenig goed werk te verrichten ?

A. Neen, want om eene belofte te doen moet men zich vrijwillig tegenover God willen verbinden.

V. Hoe mag men dus eed doen ?

A. Als men gewiekte redenen heeft mag men God tot getuige nemen van hetgeen goed en waar is.

V. Hoe mag men beloften doen ?

A. Als men op raad van zijn biechtvader wetens en willens belooft aan God wat beter is te doen dan niet te doen.

V. Is eed doen geoorloofd ?

A. Ja, want God zelf wordt in de H. Schrift aangehaald als zwerende bij Zich zelf: de Patriarchen en Profeten hebben gezworen. De Profeet Jeremias wijst de voorwaarden aan, die noodzakelijk zijn opdat de eed goed zij. Paulns enz. Jesus keurt slechts af lichtzinnig te zweren.

V. Is het geoorloofd beloften te doen ?

A. God zelf zegt in de H. Schrift: „Stel niet uit de belofte, die gij aan God gedaan hebt, te vervullen. Zij die beloften gedaan hadden worden geprezen: Jacob, Anna, de moeder van Samuël, enz.

ocr page 162

158

VIJF EX TWINTIGSTE LES.

Van het derde gehod.

(U. 36e les; • - Br. 25e les; — R. 24e lés § 1.)

V. ?s B. Hoe luidt het derde gebod ?

A. Wees gedachtig-, dat gij den Sabbatdag heiligt.

V. Waarom luidt dit gebod : Wees gedachtig, enz.

A. Omdat alreeds de natuurwet voorschrijft, dat de niensch God ntwendig moet vereeren en dus ook eenigen tijd tot die vereering moet gebruiken. God zelf bepaalde, welke tijd daartoe gebruikt moest worden : in de Oude Wet de Zaturdag.

V. U. Waarom den Zondag en niet, gelijk er staat, den sabbat-of Zaturdag ?

A. De Apostelen hebben den Zondag in de plaats gesteld, omdat op Zondag Christus verrezen en do H. Geest over de Apostelen is nedergedaald.

V. Hebben de eerste christenen den Zaturdag of don Zondag gevierd ?

A. Zij vierden den Zondag, verhalen de Handelingen der Apostelen XX 7 : „als wij vergaderd waren op den eersten dag der week, tot het breken des broodsquot;. En de H. Paulus berispt de ge-loovigen van Colosse over het vieren der Sabbat- en andere feestdagen der Joden. (Col. IT, 16.).

V. 's B. AVat gebiedt het derde gebod ?

A. Den Zondag, die aan God is toegewijd, behoorlijk te vieren.

A. U. Dat wij den Zondag, die vooral aan den dienst van God is toegewijd, en de dag des Hoeren genoemd wordt, behoorlijk moeten vieren.

A. R. Den Zondag te heiligen door werken van godsdienstigheid.

V. R. Waarom' wordt de Zondag ook genoemd: „dag des Heorenquot;?

A. Omdat God do Heer wil dat, van de zeven dagen der week, de Zondag bijzonderlijk aan Hem worde toegewijd.

V. 's B. Zijn wij verplicht nog andere dagen behalve den Zondag te vieren'?

A. Ja, volgens het eerste der Kerkelijke geboden ook nog de feestdagen, die van de H. Kerk zijn ingesteld.

Nota. Omtrent de feest- of heilige dagen zie de :29'' les.

V. 's B. Wat wordt er vereischt om de Zon- en feestdagen behoorlijk te vieren?

A. Dat wij ons onthouden van alle werken, welke op die dagen verboden zijn, en ons begeven tot godsdienstigheid.

V. U. Welke zijn de twee groote plichten, welke wij tot viering van den Zondag moeten vervullen ?

ocr page 163

A. Wij moeten le de H. Mis bijwonen, en -2'' ons van slafelijke werken onthouden.

V. 'sB. Welke werken zijn op de Zon-en feestdagen verbonden ?

A. Alle slaafsclie werken en ambacliten. koo]gt;ban(lel en processen, ten ware de nood het anders vereischte.

V. U. Wat verstaat men door slafelijke werken?

A. Zoodanige werken, waardoor men gewoonlijk zijn levensonderhoud verdient.

V. Verklaar dit nader.

A. Slaatsche werken zijn in het algemeen die werken, waarbij de Irachten des lichaams meer in aanmerking genomen worden dan die des geesten, en die uit hunnen aard meer het lirhuinelijl, dan het geestelijk welzijn van den mensch ten doel hebben.

V. Welke Iwophandél is op Zon- en feestdagen verboden ?

A. Alle koopen en verkoopen, bijzonder puhlieken handel, b.v. op markten, verkoopingen. erf- en boedelhuizen, verpachtingen, enz.

V. Waarom zijn processen evenzeer verboden op de Zondagen als koophandel, ambachten, enz. ?

A. Omdat alle dergelijke werkzaaamheden den geest van den dienst en de vereering van God aftrekken en de stille viering van de Zon- en feestdagen aanmerkelijk storen.

V. U. en Br. Hoe zondigt men door slafelijke werken?

A. Wanneer men slafelijke werken verricht, zonder daartoe genoegzame reden te hebben en daaraan geruimen tijd besteedt.

V. U. Wanneer is dat werken zonder genoegzame reden doodzonde ?

A. Ten lc als het werken zoolang duurt dat hot eene groote zaak wordt; 2e als men door het werken groote ergernis heeft.

V. Zondigen alleen zij, die op de Zon- en feestdagen zwaren arbeid verrichten ?

A. Neen, maar ook zij zondigen zwaar die van hunne onder-hoorigen dergelijke werken zonder noodzakelijkheid vorderen of hun zulks opleggen.

V. Wat te zeggen van dienstboden, arbeiders, enz., die, en als zij door hunne werkgevers gedwongen worden te werken zonder noodzakelijkheid met bedreiging van ontslag en daaruit voorvloeiende broodeloosheid, enz. ?

A. In dat geval mogen zij werken, doch zij zijn tevens verplicht zoodra mogelijk andere meesters te zoeken.

V. Is het op de Zon- en feestdagen nooit geoorloofd te werken ?

A. Ja, ,.als de nood het vereischtquot;, d. i. als er degelijke reden toe is.

V. Om welke reden mag men op Zon- en feestdagen werken?

A. 1° Als men daartoe dispensatie heeft, d. i. als men in een bijzonder geval door het wettig gezag ontheven is van de wet, die

ocr page 164

160

het werken op Zon- en feestdagen verbiedt. Die bevoegde macht is de Paus, de Bisschop voor zijn bisdom, de Pastoor namens den Bisschop voor zijne parochie. 2C Men mag; werken als, en hetgeen noodig is a) tot het onderhoud van menschen en dieren, b.v. spijzen bereiden, eenigen huisarbeid verrichten; h) tot den dienst van God, als : het luiden der klokken ; c) tot het welzijn van den naaste: verpleging van zieken, het begraven van dooden, enz. 3° In dringende en onvoorziene noodzakelijkheid, b.v. brand, overstrooming en in het algemeen om groote schade te ontgaan. 4° Ook het algemeen, aan de geestelijke Overheid bekend gebruik verontschuldigt sommigen slafelijken arbeid, als die der koks, koetsiers, dergenen die bij feestelijke gelegenheden eenig werk verrichten voor illuminaties, vuurwerk, enz.

V. U. en Br. Is het strijdig met de Zondag-viering, dat men eenige uitspanning- neemt?

A. Neen; dit is niet verboden; doch men moet zich wachten voor luidruchtige, losbandige en vooral voor gevaarlijke vermaken en bijeenkomsten.

V, Waardoor worden de zon- en feestdagen het meest ontheiligd ?

A. Door de zonde: waardoor de zondagen ^owcZedagen, de dagen des Heeren dagen des duivels, de dagen des gebeds dagen der zonde worden, omdat do HitKpan?iinlt;!'en in uitsparingen verkeerd worden.

V. 's B. Wat zijn wij verplicht te doen op de zon- en feestdagen?

A. Ten minste Mis te hooren; doch het betaamt, dat wij ook de preek, de christelijke leering en andere kerkelijke diensten bijwonen.

V. Waarom die verplichting van Mis-hooren?

A. Omdat het H. Offer der Mis het middelpunt van het godsdienstig leven, de voortreffelijkste aanbidding en Godsvereering en tevens het Gode welgevalligst werk is.

V U. Behoort men, om den Zondag te heiligen, meer te doen dan het volbrengen van die beide groote plichten. (Van Mis te hooren en zich te onthouden van slafelijke werken.) ?

A. Men behoort ook de predikatie, den katechisnms en andere godsdienstoefening-en bij te wonen, en thuis eenige godsdienstigheid aan den dag te leggen.

V. Hoe dienden do zon- en feestdagen doorgebracht te worden?

A. In gebed en goede werken. le In gebed: door, behalve de H. Mis bij te wonen, ook de H. Sacramenten der Biecht en Communie te ontvangen; de Vespers of het Lof bij te wonen of, in plaats daarvan, de Kruiswegoefening of een bezoek bij het Allerh. Sacrament te verrichten. 2° Leden van Broederschappen, Congregaties of H. Familie behooren die vergaderingen bij te wonen. Hét gebed gedurende alle oefeningen moet altijd ton doel hebben a) zich van zonden of fouten te zuiveren b) zich tot meer en stiptere

ocr page 165

161

plichtsbetrachting op te wekken, c) de kracht daartoe, en den zegen van God over zich zDlven, de zijnen en zijne belangen en zaken af te bidden. 3° In huisgezinnen, die waarlijk christelijk willen zijn, dient het aloude gebruik behouden of ingevoerd, van Zondags eene gemeenschappelijke lezing te houden uit een geestelijk leesboek of wel uit de zoo leerzame en aangename Levens der Heiligen. 4e De ouders moeten aan hunne kinderen en dienstboden het verblijf in huis aangenaam maken; opdat allen samen te huis uitspanning kunnen genieten, zij niet naar andere vermaken verlangen, en opdat aldus vele zonden voorkomen worden. 5e De zon-en feestdagen zijn vooral geëigend om werken van barmhartigheid en godsvrucht te beoefenen, waartoe men op de werkdagen den tijd of de gelegenheid mist; als; zieken, armen bezoeken.

V. Wie ziju verplicht op Zon- en feestdagen Mis te hooren?

A. Zij die tot de jaren van verstand gekomen zijn, en door geene ziekte of andere gewichtige redenen belet worden.

V. 'sB. Wanneer zondigt men tegen de verplichting van Mis-hooren ?

A. Ten le Als men zonder wettige reden de H. Mis geheel of gedeeltelijk verzuimt; ten 2quot; als men de H. Mis niet bijwoont gelijk het behoort.

Nota. (Hoe men behoort Mis te hooren? zie ;iUe les.)

V. Wanneer verzuimt men de Mis geheel of gedeeltelijk ?

A. Als men niet toelegt om op tijd in de kerk te zijn, maar door eigen schuld te laat komt, is wel degelijk verzuim aanwezig. Dit verzuim kan groote zonde zijn om 1° het groot gedeelte der Mis, waarin men niet is tegenwoordig geweest, b.v. als men aan de Offerande komt, of ook 2° om het rjewicMiy deel der H. Mis, dat men slecht, oneerbiedig enz. heeft bijgewoond b.v. de Consecratie.

V. Wat moet ons afschrikken van de ontheiliging der Zon- en feestdagen ?

A. 1° De zware straffen, welke God bedreigt en voltrekt, zooals dc H. Schrift en de geschiedenis aller eeuwen getuigen, aan hen, die de dagen des Heeren niet vieren. Bij Ezechiël zegt de Heer: „Zwaar ontheiligden zij mijnen Sabbath; daarom sprak Ik, dat Ik „mijn toorn over hen uitstortten zou, om hen te verdelgen.quot;

„Herinnert uquot;, vermanen de Bisschoppen van Nederland, „dat, „gelijk de zegen des hemels beloofd is aan hen die de feestdagen „vieren, evenzoo de goddelijke wraak is weggelegd voor hen die „ze onteeren.quot; 2° Is het niet eene onverantwoordelijke lichtzinnigheid, dat wij zes dagen voor het lichaam zouden zorgen, en niet één enkelen dag wijden aan de belangen onzer onsterfelijke ziel? 3e De viering van den Zondag is eene openbare belijdenis van ons geloof;

11

ocr page 166

162

de schending- daarvan is eene versmading, een soort van afval van den godsdienst en strekt tot ergernis der medechristenen. 4° De ondervinding leert, dat daar, waar de Zon- en feestdagen ontheiligd worden, geloof en zeden vervallen, armoede en ellende toenemen, opstand en verwarring heerschen.

„Indien de Heer het huis niet bouwtquot; (het werk niet zegent) „werken de arbeiders te vergeefsquot; (baat alle werken en zwoegen niets), wordt terecht toegepast op het ontheiligen der zondagen.

ZES EN' TWINTIGSTE LES.

Van het vierde gehod.

(U. 37° les; — Br. 26e los ; — R. 24c les § 2.)

V. 's B. Hoe luidt het vierde gebod ?

A. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.

V. Waardoor onderscheidt zich dit gebod van alle andere dei-tien geboden ?

A. Hierdoor, dat aan de vervulling van dit gebod ook tijdelijke voorspoed wordt toegezegd.

V. 'sB. Wie verstaan wij in het vierde gebod door vader en moeder ?

A. Onze ouders en alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.

A. Br. Onze ouders en al degenen, die op eenige wijze hun plaats vervangen, alsook alle geestelijke en wereldlijke overheid.

V. U. Worden onder vader en moeder alleen onze ouders verstaan?

A. Néén, ook allen die op eenige wijze do plaats van ouders bekleeden, als leeraars, meesters en verder alle geestelijke en wereldlijke overheid.

V. Wie worden verstaan door ouders?

A. Behalve vader en moeder, aan wie wij het loven danken, zijn onder het woord ouders begrepen : grootouders, schoon- en stiefouders, voogden, meesters, onderwijzers en opvoeders, omdat deze de plaats der ouders innemen.

V. Noem eenige geestelijke en wereldlijke overheid ?

A. 1° Geestelijke: de Paus, Bisschop, Pastoor; onderwijzers, opvoeders, die geestelijken of kloosterlingen zijn. 2° Wereldlijke: de Koningin, hare Commissarissen in de provinciën, burgemeesters der. gemeenten, oversten in het leger, enz.

ocr page 167

163

V. 's B. Wat zijn wij volgens hot vierde gebod aan vader en moeder verschuldigd ?

A. Liefde, eerbied, gehoorzaamheid en behulpzaamheid.

V. Zijn alleen de eigenlijk gezegde kinderen dit verschuldigd?

A. Neen, gelijk onder vader en moeder ook andere personen verstaan worden, zoo besluit het woord kinderen ook in zich: allen die, hoe ook, in onderdanigheid gesteld zijn, als: kinderen, kleinen stiefkinderen. Eveneens: dienstboden, leerlingen, kweekelingen,ge-loovigen, parochianen, onderdanen van staat en gemeente, soldaten, enz.

V. Wat zijn de dienstboden aan hunne heeren en vrouwen verschuldigd ?

A. De H. Schrift beschrijft hun plicht als volgt: „Gij, knechtenquot; (en dienstmeiden) ,.zijt onderdanig in allen eerbied aan de heeren, „niet alleen aan de goede en zachtmoedige, maar ook aan eigen-„zinnige.quot; (I. Petr. II, 18.) „Vermaan de knechtenquot;, schrijft de H. Paulus aan Titus II, 19, „dat zij hunnen heeren onderdanig, „in alles welgevallig zijn, niet tegenspreken, niet ontvreemden, „maar zich volkomen trouw toonenquot;. Deze plichten, vooral van gehoorzaandieid moeten zij vervullen, leert verder dezelfde Apostel; „in den eenvoud des harten als aan Christus.quot; (Ephes. VI, 5.)

V. Hoe zondigen daartegen de dienstboden?

A. Zij zondigen tegen hunne heeren en vrouwen 1° door ongehoorzaamheid, norschheid, knorrige en vijandelijke handelwijze; 2e door traagheid, nalatigheid, verkwisting, trouweloosheid; 3° door de geheimen des huizes te vertellen, door kwaadspreken of lasteren; 4e door de kinderen des huizes tot kwaad te verleiden, hen in het kwaad behulpzaam te zijn, of het aan de ouders te verzwijgen.

V. Welke plichten hebben wij jegens de geestelijke overheid?

A. Wij zijn verplicht 1° hen als Gods plaatsbekleeders en als onze geestelijke vaders te eeren en lief te hebben; 2° gehoorzaam te zijn aan hunne wetten, verordeningen en wenschen voor het heil der zielen; 3e voor hen te bidden; 4C volgens bevel en stand te zorgen voor hun onderhoud, en hun de medewerking in hun zegenrijken werkkring te verleenen, waartoe men bij machte is.

V. Welke zijn onze plichten jegens de wereldlijke of burgerlijke overheid ?

A. Aan do Koningin, de hoogste machthebster, die Haar gezag aan God ontleent (bij de gratie Gods) zijn wij liefde, eerbied en gehoorzaamheid schuldig.

Aan de wetten van den Staat gehoorzaamheid, om de diensten te vervullen, de lasten te betalen, welke iederen burger voor het algemeen welzijn in billijke verhouding worden opgelegd.

V. Wie bezondigen zich tegen de geestelijke of wereldlijke overheid?

A. 1° Zij, die de overheid niet eerbiedigen door daad of

ocr page 168

164

woord; — 2e die do overheidspersonen haten, hatelijk maken, bespotten, verachten of lasteren; 3° hun de verschuldigde bijdrage tot hun onderhoud of belasting weigeren; 4° die zich tegen hunne wettige verordeningen verzetten; 5° die eenig oproer, verraad of samenzwering tegen Vorst of vaderland plegen.

V. U. Waarin bestaat de eer, welke men aan ouders en overheden verschuldigd is ?

A. Hierin; dat men aan de ouders en de overheden bewijzen moet 1. eerbied, 2. liefde, 3. gehoorzaamheid.

V. 'sB. Wie zondigen tegen de liefde, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die hunne ouders baton, bedroeven of hun kwaad wenschen.

A. U. Ten 1° Als zij hunnen ouders geene oprechte liefde toedragen en hen door hun gedrag bedroeven, 2° hunne gebreken niet gediüdig verdragen, 3° hen in nood niet met liefde bijstaan, en 4° niet voor hen bidden.

Br. Zij, die hunnen ouders of oversten kwaad doen of toewen-schen; doch bijzonder die kinderen, die hunne ouders door hun slecht gedrag bedroeven.

V. 'sB. Wie zondigen tegen den eerbied, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die hunne ouders minachten, spijtig toespreken, of kwaad van hen zeggen.

V. U. Hoe zondigen de kinderen tegen den eerbied, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Ten 1. wanneer zij inwendig ouders versmaden; 2. wan

neer zij uiterlijk hunne ouders met oneerbiedigheid behandelen; 3. wanneer zij tot minachting of tot oneer van hunne ouders spreken.

V. 's B. Wie zondigen tegen de gehoorzaamheid, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die de wettige geboden hunner ouders niet of slecht volbrengen.

U. 1. Als zij hunnen ouders in het geheel niet, of slechts ten halve en met weerzin gehoorzamen; 2. niet naar hunne vermaningen luisteren, en 3. zich tegen de stratfen verzetten.

V. Wat is ware gehoorzaamheid?

A. Ware, oprechte en verdienstelijke gehoorzaamheid bestaat in : lc alles te doen en te laten wat, en omdat vader en moeder of andere oversten het zeggen; 2° in het voorkomen hunner wenschen; 3° in hunnen raad en vermaningen bereidwillig aan te nemen en met liefde op te volgen.

V. Waarin zijn de kinderen en alle ondergeschikten verplicht hunnen ouders of overheden te gehoorzamen?

A. In de ivettiye geboden, d. i. hetgeen ouders of oversten rechtmatig gebieden omtrent le tiet huishouden, de werkzaamheden, de

ocr page 169

165

opvoeding. Evenzeer echter wat betreft 2C hot zedelijke en de godsdienstplichten.

V. Wanneer zondigen kinderen, dienstboden .enz. rjrootelijJcs tegen de gehoorzaamheid ?

A. 1° Als zij onophoudelijk ongehoorzaam zijn en aldus zich een gewoonte daarvan maken. 2e Als zij uit minachting voor hunne ouders niet willen gehoorzamen. 3° Als zij in gewichtige zaken, vooral in het zedelijke of godsdienstige zich niet willen onderwerpen.

V. 's B. Moet men ook aan zijne ouders gehoorzamen, als zij ons iets gebieden dat kwaad is?

A. Neen. dan mag men hun niet gehoorzamen.

V. Bedrijft hij zonde, die zijnen ouders of overheden gehoorzaamt, als zij iets zondigs gebieden ?

A. Ja, omdat God, de opperste Wetgever beveelt alle zonden te mijden. Bovendien vervalt de reden, waarom men aan ouders enz. moet gehoorzamen: n.1. omdat zij Gods plaats innemen; daar zij dan niet in naam of op gezag van God, maar eerder des duivels handelen.

V. Zijn de kinderen verplicht, hunnen ouders te gehoorzamen in het kiezen van een levensstaat'?

A. Neen, want die keuze is het aangeboren en onvervreemdbaar recht dor kinderen. Zij hebben dus slechts den roep van God te volgen. Nochtans moeten zij daarin hunne ouders raadplegen, op wie de plicht rust, zich niet onredelijk daartegen te verzetten.

V. 's B. Wie zondigen togen de behulpzaamheid, welke men aan zijne ouders moet bewijzen ?

A. Zij die hen in hunnen lichamelijken of geestelijken nood niet bijstaan, als zij zulks kunnen.

V. Wat legt deze verplichting aan de kinderen op ?

A. De kinderen moeten zorgen voor hot lichamelijk of tijdelijk welzijn hunner ouders, d. i. voor hen den kost verdienen; als ze oud of ziekelijk zijn hen oppassen, bezoeken, van het noodzakelijke voorzien. Eveneens moeten zij voor hunne ouders bidden, vooral als zij slecht of ongodsdienstig zijn; gelijk ook na hun dood; bij ziekte zorgen, dat zij bijtijds do H.H. Sacramenten ontvangen; dat zij na hun dood eene eerlijke begrafenis krijgen; dat hunne uiterste wilsbeschikkingen uitgevoerd worden, enz.

V. 's B. Waarom moeten wij onze ouders zoozeer eeren en beminnen ?

A. Omdat ons alle goed, naast God, van hen komt, en zij ons in Gods plaats besturen.

V. Noem eenige weldaden, welke wij van God door onze ouders ontvangen hebben ?

A. Het leven, de eerste verzorging, het Doopsel on daarmede het Geloof, eene christelijke opvoeding, kost en kleederen, onderwijs

ocr page 170

166

in het noodzakelijke en nuttige, den staat of stand, welke wij in de maatschappij innemen; het fortuin in geld, goederen of naam dat wij bezitten, enz.

V. Welke is reden en de bron van alle kinderplichten ?

A. De verheven waardigheid der ouders tegenover hunne kinderen, Gods plaatsbekleeders te zijn. Alle ouderschap in den hemel en op aarde, leert de H. Paulus, komt uit God voort.

V. 'sB. Wat heeft God beloofd aan de kinderen, die hunne ouders eeren?

A. Hier een lang en gelukkig leven, en hierna het eeuwig leven.

In het Oud Verbond V. Mos. V, 16, belooft God uitdrukkelijk : „eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op „aarde en het u welga.quot; De H. Paulus haalt diezelfde belofte aan: „eer uwen vader en uwe moeder. Dit is het eerste gebod met de „belofte: dat het u wel ga en gij lang moogt leven op aarde.quot; (Ephes. VI, 2, 3.) Op vele plaatsen der H. Schrift belooft God zijn zegen aan hen die hunne ouders eeren : „Gelijk hij die schatten

„vergadert is hij, die zijne moeder eertquot;..... „Wie zijn vader eert

„zal lang levenquot;..... „Eert uwen vader, opdat zijn zegen over u kome

„en zijn zegen tot aan het einde dure. De zegen des vaders bouwt „den kinderen huizen, de vloek der moeder echter werpt ze omver.quot; (Sirach III, 5 -17.) Voorbeelden van betrachting hunner kinderlijke plichten doet de H. Schrift in menigte aan de hand: Isaac, Jacob, Jozef, Euth, Tobias; en boven al dat van Zijn goddelijken Zoon, „die hun onderdanig was.quot; Do geschiedenis van alle eeuwen en de dagelijksche ondervinding bevestigen Gods beloften. De overtuiging daarvan ligt in het volksspreekwoord : „hij of zij heeft het aan zijne „of hare ouders verdiend.quot;

Vloek, smaad en schande daarentegen op ben, die het vierde gebod niet naleven. „Vervloekt zij, wie zijn vader en zijne moeder „niet eert; en al het volk zal zeggen: „Amenquot; d. i.: zoo geschiede „het, hij zij vervloekt.quot; (V. Moz. XVII, 16.) Zoo spreekt ook nog het volk in het bekende: „hij heeft het aan zijne ouders verdiend.quot; Aan schrikwekkende voorbeelden ontbreekt het niet in de H. Schrift: herinner u de geschiedenis van Cham, Ophni en Phineës, Absalon, enz. — God had bevolen, dat ontaarde kinderen met den dood moesten gestraft worden: hoe rechtvaardig zal Hij zelf ze met den eeuwigen dood, de eeuwige verdoemenis straffen!

Aanhang omtrent de plichten der overheden.

V. Welke plichten hebben de ouders jegens hunne kinderen?

A. Op de ouders rust jegens hunne kinderen een tweevoudigen plicht; te zorgen voor de ziel en voor het lichaam hunner kinderen.

V. Geef eenige plichten, welke de ouders hebben nopens de ziel hunner kirtderen?

ocr page 171

167

A. De ouders moeten hunne kinderen le als gaven Gods innig liefhebben; 2e hun het Doopsel en het Geloof zonder uitstel verschaffen ; 3° hun reeds vroegtijdig spreken van God, Maria, den Engelbewaarder, hemel, hel, enz.; 4e hun eenige oefeningen van godsvrucht alreeds in de eerste jeugd leeren; 5° hunne ongeregelde driften tegengaan; 6° hen gewennen aan vaardige en stipte gehoorzaamheid ter wille Gods; 7e hen ijverig de christelijke leering en ander, zoo mogelijk, katholiek onderwijs doen bijwonen; 8e over hen waken, met wie, en in welke huizen zij verkeeren; 9° hen vermanen en voorgaan mot een goed voorbeeld; 10e hen bestraffen.

V. Zijn de ouders verplicht hunne kinderen te straffen ?

A. Ja, God gebiedt hun dit uitdrukkelijk; ,.onthoudt het kind „de straf niet; slaat gij het met de roede, het zal daarvan niet „sterven, en gij zult zijne ziel van de hel redden.quot; (8pr. XXII, 13,14.) 'tls zelfs een teeken van liefde,quot; zegt God: „die zijn zoon lief-„heeft, tuchtigt hemquot;. (Spreuken XIII, 24.) De Apostel Paulus waarschuwt echter voor overdrevenheid in het straffen; „gij, ouders, „verbittert uwe kinderen nietquot; (door overdreven qf onbillijke straf), „opdat zij niet moedeloos worden.quot; (Coloss. III, üi.)

V. Hoe moeten de ouders hunne kinderen straffen?

A. Zij moeten de kinderen slechts straffen 1° als vermaningen of berispingen niet helpen; 2° de straf moet in evenredigheid zijn met den misslag; 3° nooit in gramschap opgelegd worden, noch vergezeld zijn van leclijke woorden of verwenschingen; 4e de straf moet rechtvaardig zijn en strekken tot verbetering van het kind.

V. Wat zijn de ouders aan de kinderen naar het lichaam verschuldigd ?

A. le Het leven; 2° de eerste verzorging; 3e kost en kleederen, totdat zij zelve in staat zijn die te verdienen; 4° onderwijs; 5° het aanleeren van eenig ambacht of bedrijf.

V. Welke plichten hebben de heeren en vrouwen jegens hunne dienstboden ?

A. Zij moeten hen 1° zacht en liefdevol behandelen; 2e hun het verdiende loon en het noodige voedsel geven; 3C geen over-matigen arbeid van hen vorderen, of hun dien opleggen ; 4C hun den tijd geven, om voor zich zelve het noodzakelijke te doen; 5e over hen waken, hen van alle slechte gelegenheden verwijderd houden; 6e hun door woord en voorbeeld tot de vervulling hunner christelijke plichten en tot alle goed aansporen.

V. Wat zijn de overheden aan hunne onderdanen schuldig?

A. De overheden, zoowel burgerlijke als geestelijke zijn door God aangesteld tot welzijn hunner onderdanen; daarom moeten zij le hun welzijn naar vermogen bevorderen; 2° hun ambt met wijsheid en onomkoopbare rechtvaardigheid waarnemen; 3° het kwaad straffen ; 4e allen door een christelijken levenswandel voorgaan.

ocr page 172

168

,.Als iemand voor de zijnen, en bijzonder voor de hnisgenooten „geene zorg draagt, dan heeft hij het geloof verloochend en is erger „dan een ongeloovige.quot; (I. Tim. V, 8.)

ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.

Van het vijfde, zesde en negende gebod.

(U. 38e, 39% 42° les; — Br. 27° en 28° les; — R. 25e les.)

V. 's B. Hoe luidt het vijfde gebod ?

A. Gij zult niet doodslaan ?

V. U. Over welken plicht handelt hot vijfde gebod?

A. Over de zorg, die wij voor het lichaam en de ziel van ons zeiven en van anderen moeten hebben.

V. U. Waarom wil God, dat wij voor ons lichaam en loven zullen zorgen ?

A. Omdat wij het lichaam en het leven als een kostbaar geschenk, en tot een heilzaam doel van God hebben ontvangen.

V. U. Welk is de groote zorg, die Avij voor onze ziel moeten hebben ?

A. Dat wij door een deugdzaam leven onze ziel voor eeuwig gelukkig maken.

V. U. Hoe moeten wij zorgen voor het lichaam van onzen naaste ?

A. Door onzen naaste in lichamelijken nood, in ziekte, in levensgevaar naar ons vermogen bij te staan.

V. U. Hoe moeten wij zorgen voor de ziel van onzen naaste?

A. Door onzen naaste naar ons best vermogen van het kwaad af te houden, en hem door woord en voorbeeld tot het goede aan te sporen.

V. U. Hoe zondigen wij tegen do zorg voor onze ziel?

A. Niet slechts door iedere zonde en door traagheid in het goede; waar ook door ons in het gevaar en de gelegenheid van. zonde te stellen.

V. 's B. Wat verbiedt het vijfde gebod ?

A. Zich zeiven of andere menschen, zonder wettige macht en reden te doodon, te kwetsen of merkelijk te hinderen. Br. en R. Of daartoe raad of hulp te verleenen.

V. U. Wanneer zondigen wij tegen de zorg voor ons lichaam?

A. Als wij ons het leven benemen, ons roekeloos in levensge-

ocr page 173

169

vaar stellen, of door onmatigheid, toorn, enz. onze gezondheid benadeelen.

V. U. Hoe zondigen wij tegen de zorg voor het lichaam onzes naaste?

A. 1® Door hem in nood niet bij te staan; 2e Zijn lichaam en gezondheid te benadeelen, b.v. door slaan, verwonden, enz ; S15 door hem onrechtvaardig te dooden.

V. Kan men ooit wettige macht of reden hebben om zich zeiven te dooden?

A. Neen; en de zelfmoordenaar zondigt tegen God. den Heer van leven en dood; tegen zijne ziel, die hij in het eenwig verderf stort; tegen de maatschappij en tegen zijn gezin of familie die hij van een lid berooft.

V. Welke misdadige handeling is gelijk aan zelfmoord ?

A. Het tweegevecht of duël, d. i. een strijd op leven en dood, die tusschen twee personen is overeengekomen, waardoor de vechtenden zich aan het zeker gevaar blootstellen van gedood te worden.

V. Welke zonden bedrijven deze nog meer?

A. Zulke strijders vergrijpen zich 1° aan het goddelijk gezag, door een dubbelen moord te bedrijven of althans te willen bedrijven ; 2e tegen de natuurwet; 3C tegen de kerkelijke en burgerlijke wetten, welke het tweegevecht als moord, als strijdende tegen de beschaving, als een ongeschikt en barbaarsch middel tot redding of herstel van eer veroordeel en.

V. Waarmede straft de Kerk hen, die zelfmoord plegen of een tweegevecht aangaan.

A. 1° Zij. die vrijwillig en met volle verstand zich van het leven berooven krijgen geene kerkelijke begrafenis. 2° Zij die een tweegevecht aangaan, er toe uitdagen, het aannemen of op eenige wijze er aan medewerken beloopen de straf der excommunicatie of groote ban en der altijddurende eerloosheid. En aan de zulken wordt eveneens de kerkelijke begravenis geweigerd.

V. Wie heeft de wettige macht, om een ander te dooden?

A. Alleen God. en aan wien Hij de macht gegeven heeft, de overheid in den staat, de rechters. „Niet vergeefsquot;, zegt de H. Panlus Eom. XIII, 4, „draagt zij het zwaard, want zij is de dienares van „God, wreekster, om te straffen wie kwaad doet.quot;

V. Welke zijn de wettige reden, om een ander te dooden ?

A. 1° Men mag een ander dooden ter verdediging van het vaderland in een rechtvaardigen oorlog. 2° Alsook ter zelfverdediging, als geen ander middel overblijft, om den aanrander te weren. 3e Ook is het geoorloofd zich zelf te kwetsen of te verminken, wanneer dit het eenig middel is, om het loven te behouden.

V. TI. Kan men ook door onmatigheid doodzonde doen ?

A.. Ja; b.v. door zijne gezondheid merkelijk te benadeelen;door vrijwillige dronkenschap, enz.

ocr page 174

170

V. Hoc kan men nog meer misdoen tegen het vijfde gebod?

A. le Als men zich roekeloos of zonder noodzakelijkheid in gevaar stelt van het leven of gezonde ledematen te verliezen b.v. klimmen, springen, enz. 2° Oorzaak stellen, waardoor een ander het leven of de gezondheid kan verliezen; b.v. kleine kinderen bij zich te bed nemen. 3C Die nit gierigheid of eigenzinnigheid geen geneesheer willen gebruiken of diens voorschriften niet willen opvolgen. 4C Zij die door onmatigheid, vooral dronkenschap en onkuischheid hunne gezondheid ondermijnen en hun leven verkorten. 5° Door anderen te slaan, stooten. mishandelen enz.

V. Br. en R. Is het grooter kwaad, geestelijke personen te slaan of te kwetsen dan wereldlijke ?

A. Ja; die dat doen bedrijven grooter kwaad en vallen bovendien in den ban der kerk.

V. U. Strijdt het ook tegen het vijfde gebod, zich zeiven of andoren kwaad te willen of toe te wenschen ?

A. quot;Ja; want wat men met do daad niet mag doen, mag men ook niet willen of toewenschen.

V. Is het kwaad, zich zeiven den dood toe te wenschen ?

A. Ja, als zulks voortkomt uit gebrek aan geduld en overgeving aan Gods wil, of uit wanhoop.

V. 's B. Zondigen wij tegen het vijfde gebod slechts dan als wij met de daad iemand hinderen ?

A. Neen; maar ook als wij iemand vervloeken, hem kwaad wenschen, en gramschap, haat of nijd in het hart toedragen.

V. Welk verschil is er tusschen iemand vervloeken en hem kwaad te wenschen ?

A. 1° Vervloeken is, aan iemand onder aanroeping van God of den duivel, de eeuwige verdoemenis toewenschen. 2e Den even-mensch eenig ander kwaad te gunnen, zonder daarbij God of den duivel in te roepen, is; kwaad wenschen.

V. Wat is gramschap?

A. De ongeregelde begeerte om wraak te nemen: „Mij is de wraak, zegt de Heer; Ik zal het vergeldenquot;. (Eom. XII, 19.) Zie verder de 41e les.

V. U. Wanneer maakt men zich aan wraakzucht schuldig?

A. Als men den wil heeft, om het gepleegde of vermeende onrecht, ons aangedaan, met kwaad te vergelden.

V. U. Waarin bestaat de zonde van haat?

A. Dat men van zijn naaste afkeer gevoelt, en hem kwaad gunt, of zich verblijdt over het kwaad, dat hem treft.

V. Hoe moet hij biechten, die tegen iemand haat gedragen heeft ?

A. 1° Hij moet zeggen, of het een persoon was, dien hij bijzonder moest beminnen: b.v. ouders, familie; 2° hoe lang die haat geduurd hoeft, of onderbroken is geweest; 3® of die haat geene

ocr page 175

171

gevolgen heeft gehad, als laster enz.; 4C of hij dien haat geheel heeft afgelegd.

V. U. Hoe zondigen wij tegen de ziel des naaste?

A. Door hem van het goed af te trekken of tot het kwaad aanleiding te geven; dat is: door de zonde van ergernis.

V. Br. en R. Misdoen ook zij tegen het vijfde gebod, die hunnen naaste ergernis geven ?

A. Ja ; want niet ergernis te geven kwetsen of dooden zij de ziel van den evenmensch.

V. Br. Wanneer geeft men ergernis ?

A. Als men iemand door woorden, werken of slechte levenswijze van het goede aftrekt of aanzet tot zonde.

A. R. Als men door woorden, werken of verzuimehissen, die min goed zijn, oorzaak is dat anderen zondigen, of daartoe aanleiding geeft.

V. Wat moet ons afschrikken ergernis te geven ?

A. 1° De gedachte dat de ergernisgever een handlanger des duivels is. die dooi1 verleiding tot zonde de zielen vermoordt welke Jesus Christus met zijn bloed heeft vrijgekocht. 2C De vreeselijke gevolgen der verleiding, daar de bedorvenen wederom anderen bederven en aldus de zonde al meer en verder wordt voortgeplant. 3C De vloek, welke Jesus Christus hierover heeft uitgesproken: „wee der wereld om de verergernissenquot; ; en den mensch „door wien „de erarernis komt.quot; (Matt. XVIII. 6. 7.)

V. Br. en R. Wat moet men doen als men den naaste naar lichaam of ziel benadeeld heeft ?

A. Men moet niet alleen de bedreven zonde beweenen en biechten, maar ook het veroorzaakte kwaad zooveel mogelijk trachten te herstellen.

V. 's B. Wat leert ons Christus aan onze vijanden te doen ?■

A. Hij leert ons alle ongelijk te vergeven, voor onze vijanden te bidden en het kwaad met goed te vergelden.

V. Hoe heeft Christus dit geleerd ?

A. Hij heeft dit geleerd 1° door zijn woord (Matt. V. 43-48.) „Ik zeg u. hebt uwe vijanden lief, doet wél aan die u haten, en „bidt voor die u vervolgen en belasteren, opdat gij kinderen moogt „zijn van uwen Vader, die in den hemel is. Want indien gij lief „hebt, die u beminnen, welk loon zult gij hebbenquot; ? 2° Door zijn voorbeeld. Gedurende geheel zijn sterfelijk leven is Jesus vervolgd, gelasterd, gehoond; terwijl Hij de zieken dierzelfde Joden genas, allerlei kwalen heelde, de dooden opwekte: „al weldoende rondging.quot; Als de Joden Hem eindelijk den onrechtvaardigsten, schandelijksten en smartelijksten dood deden sterven, luidde Zijne eerste bede aan het kruis voor zijne kruisigers: „Vader, vergeef het hun, „want zij weten niet wat zij doenquot;. (Luc. XXIII, 34.)

ocr page 176

172

V. 's B. Hoo luidt het zesde gebod ?

A. Gij zult geen overspel doen.

V. U. W aarover handelt het zesde gebod?

A. Over de deugd van kuischheid, en over de zonde van on-kuischheid.

V. IJ. Kunnen wij slechts uitwendig ot ook wel inwendig tegen de deugd van kuischheid zondigen.

A. Wij kunnen zoowel in- als uitwendig onkuische zonden doen.

V. 's B. Wat verbiedt het zesde gebod ?

A. Br. Overspel en alle andere uitwendige zonden van onkuisch-heid door woorden of werken, en het gebruik van onoerbare boeken gezangen en beelden.

A. R. Overspel en alle onkuischheid; alle oneerbare blikken en aanrakingen; oneerbare woorden en gezangen; alsook het gebruik van onzuivere boeken en afbeeldingen.

V. TJ. Hoo bedrijft men uitwendig zonde van onkuischheid.

A. 1® door onkuische woorden te spreken of liedjes te zingen; 2° door onkuische dingen te zien of boeken te lozen; 3e door onkuische woorden of liedjes met vermaak aan te hooren ; 4e door onkuische werken.

V. u. w aaraan bemerkt men gewoonlijk wat onkuisch is ?

A. Aan het gevoel van schaamte, door God ieder monsch gegeven.

V. 's B. Hoe luidt het negende gebod ?

A. Gij zult nws naasten huisvrouw niet begeeren.

V. quot;s B. Wat verbiedt het negende gebod ?

Alle inwendige zonden van onkuischheid door vrijwillige gedachten of begeerten.

V. U. Wat heeft God ons door die woorden willen zeggen?

A. Dat wij geene gedachte of begeerte van onzuiverheid mogen-hebben, maar die kloekmoedig moeten bestrijden en verwerpen.

V. U. Hoe bedrijft men inwendig zonden van onkuischheid?

A. Ten 1° door gedachten, als men vrijwillig aan onkuische dingen denkt; ten 2e door begeerte, als men vrijwillig begeert onkuische dingen te weten, te doen of aan zich toe te laten; ten 3e door voornemens, als men het voornemen heeft onkuischheid te doen.

V. R. Wie zondigen tegen het negende gebod ?

A. Die den wil hebben van onkuischheid te doen, en die willens en wetens behagen scheppen in onkuische gedachten.

V. U. W anneer zondigt men door onkuische gedachten en begeerten ?

A. Ten lquot; als men verzuimt die te verwerpen; ten 2° als men er behagen in schept; ten 3e als men in de begeerte toestemt.

V. U. en Br. Wat moet men doen, als men twijfelt of iets onkuisch is ?

ocr page 177

A. Dan mag men daarin niet voortgaan, maar spoedig zijne ouders of biechtvader raadplegen.

V. Br. en R. Wat moet men doen, als men tot onzuiverheid bekoord wordt ?

A. R. Men moet dadelijk die onzuivere gedachten verwerpen en zijnen toevlucht nemen tot het gebed.

A. Br. Dan moet men aanstonds aan iets anders denken, en met vertrouwen de zoete namen van Jesus en Maria aanroepen.

V. Br. en R. Hoe moet hij. die eenige onzuiverheid bedreven heeft, dat biechten ?

A. Hij moet met eerbare woorden verklaren, hoe dikwijls en op wat wijze hij gezondigd heeft.

V. R. Waarom moet men zich voor onkuischheid bijzonder wachten ?

A. Omdat igt;'eene zonde schandelijker is in zich zelve en verschrikkelijker in hare gevolgen.

V. Waarom is die zonde zoo schandelijk ?

A. 1° Omdat zij den mensch zijn hoogste geluk doet zoeken in hetzelfde, waarin het redelooze dier dat stelt. Vandaar den naam : onreine, dierlijke lusten of zonden. 2° Door deze zonde misvormt de mensch in zich het natuurlijke, wischt hij uit en verdelgt hij het bovennatuurlijke beeld van God. 3° Hij onteert zijn lichaam, „den tempel van den H. Geest.quot;

V, Noem eenige gevolgen dezer zonde.

A. 1° Zij berooft den mensch van de onschuld d. i. van de onbevlektheid van lichaam en ziel. 2° De onkuischheid maakt don mensch ongevoelig, onverschillig voor alle goede en edele indrukken, voor godsdienst en godsvrucht; dooft niet zelden het licht des geloofs: ,.zij wenden hunne oogen af om den hemel niet meer te „zien. en aan liet rechtvaardig oordeel niet te denken.quot; (Daniël XIII, 9). 3e Deze zonde voert den mensch tot vele andere zonden en misdaden : ontelbare zonden van ongehoorzaamheid en verzet tegen ouders en oversten ; kwaadaardigheid, wreedheid, heiligschennissen, ergernis, godslasteringen en verwenschingen, het breken der plech-tigste eeden en beloften, moord, wanhoop, zelfmoord. 4° De onzuiverheid stort den mensch in ellende, onteering en schande, en eindelijk in do eeuwige verdoemenis. „Wie voor de oogen des „Scheppers zonde doet, moot in de handen des geneesheers vallenquot; (Sir. XXXVIII, 15), en „ wie zich bij wellustelingen aansluit, wordt „een booswicht; bederf en wormen worden zijn loonquot;. (Sir. XIX, 3.) „Wie een overspeler is,quot; zegt do H. Geest, „zamelt oneer en schande, „on zijne schande wordt nimmer uitgewischt.quot; (Sir. VI, 32, 33.) „Het deel der ontuchtigen zal zijn in den pool, die mot vuur on „zwavel brandt.quot; (Openb. XXI, 8.)

V. 's B. Wat gebieden het zesde on negende gebod ?

ocr page 178

174

A. Do dcug'd van zuiverheid met zorg- te bewaren.

V. U. Waarin moeten wij de deugd van kuischheid oefenen?

A. Wij moeten in kleeding, in gesprekken, in blikken, in spelen, in al ons doen en laten do zedigheid en kuischheid beoefenen.

V. U. Moeten wij ons bijzonder op de deugd van kuischheid toelegg'en ?

A. Ja, omdat de kuischheid eene der schoonste en kostbaarste deugden is.

V. Geef eenig- gedacht van de groote wprde der zuiverheid.

A. le God koos zich eene Maagd tot Moeder, den kuischen Jozef tot Voedstervader, don zuiveren Joannes tot Voorlooper, en zijn meest geliefde leerling was do engelachtige Joannes. 2e God zelf zegt daarvan in de H. Schrift (Wijsheid IV, 1.) „O hoe schoon is „een kuisch geslacht! Onsterfelijk is zijn aandenken, bij God en „de monschon is het in eere.quot; 3e Do Heidenen kondon, en ook de ongeloovige en bedorven nienschen kunnen hunne achting en eerbied niet ontzeggen of onthouden aan de onbevlekte kuischheid. 4® „De zuiverheid maakt van gebrekkige monschen Engelenquot; (H. Ambrosius.) „De kuischo monsch onderscheidt zich wel van den Engel; doch „niet ton aanzien der deugd, maar enkel wat de zaligheid aangaat; „de reinheid des Engels is zaliger, de kuischheid van don monsch „heldhaftiger.quot; (H. Bernardus.)

V. U. Wat moeten wij doen, om die deugd te verkrijgen en te behouden ?

A. Wij moeten vlijtig aanwendon wat daarvoor dienstig, en alles zorgvuldig vermijden wat voor die deugd gevaarlijk kan zijn.

V. 'sB. Welke middelen zijn er. om do onkuischhoid to vermijden on de zuiverheid te bewaren ?

A. Ten le zich van overdaad onthouden; ten 2® het gezelschap van ongelijke en losbandige personon schuwen; ten 3® Gods tegenwoordigheid gedenken; ten 4e do godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw; ten 5° het dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten.

A. U. Dat wij ons steeds herinneren, dat God ons altijd en overal ziet; dat wij dagelijks vurig om die deugd verzoeken, en ton dien einde de voorspraak van de H. Moeder Gods en van onzen Engelbewaarder verzoeken.

A. Br. en R. Ten le zich onthouden van lediggang en overdaad; ton 2° alle gevaarlijke gelegenheden vermijden; ten 3e zijne zintuigen en vooral de oogon steeds bewaken; ten 4e dikwijls te biechten gaan en den raad van don biechtvader volgen; ten 5« de naarstige beoefening van ootmoed, verstorving dos vloesch en verloochening van zich zeiven.

V. TJ. Wat moeten wij vooral als gevaarlijk voor die deugd vermijden ?

1° Nieuwsgierigheid in het zien on hooren van onkuische dingen;

ocr page 179

175

2e ómg-ang niet slechte kinderen; 3° onbetamelijk spelen; 4° luiheid, lediggang: en onmatigheid in eten en drinken.

,.Ik ken niets beminnelijker; en geene aangenamere verschijning „dan de jongeling van 18, 20 jaren, die kuisch isquot;.

Aldus een der grootste ongeloovigen onzer eeuw.

ACHT EN TWINTIGSTE LES.

Van het zevende, achtste en tiende rjebod.

(ü. 40e les; — Br. 29° les; — R. 26° los.)

V. 's B. Hoe luidt het zevende gebod ?

A. Gij zult niet stelen.

V. U. Tegen welke deugd strijdt de zonde van stelen ?

A. Tegen de deugd van rechtvaardigheid.

V. TJ. Waarin bestaat de deugd van rechtvaardigheid ?

A. In den ernstigen en standvastigen wil, om aan ieder te geven waarop hij recht heeft.

V. 's B. Wat verbiedt het zevende gebod ?

A. Alle zonden, waardoor wij onzen naaste op eene onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen benadeelen.

A. R. Alle onrechtvaardigheid en ongelijk, waardoor wij onzen naaste benadeelen in zijn tijdelijke goederen.

V. TJ. Hoe kan men in het algemeen den naaste in zijne tijdelijke goederen benadeelen ?

A. Ten le door aan zijne goederen schade te berokkenen; 2e door hem iets te ontnemen; 3C door hem iets te onthouden.

V. F. Wanneer zondigt men door aan des naasten goed schade te berokkenen ?

A. 1° Als men die schade veroorzaakt door schuldige onvoorzichtigheid of nalatigheid; 2° als die onrechtvaardige beschadiging of vernieling opzettelijk wordt aangedaan.

V. U. Kan men ook zondigen door benadeeling van zijn eigen goed ?

A. Ja; b.v. door moedwillige verwaarloozing of vernieling, 2e door ongeoorloofde verkwisting van zijne goederen.

V. U. Hoe zondigt men door iemand onrechtvaardig iets te ontnemen ?

A. lc Door diefstal, roof en daartoe onrechtvaardig mede te werken; 2e door bedrog, namelijk, door zich op eene bedriegelijke

ocr page 180

176

wijze geld of goed van een ander toe te eigenen, waarop men geen recht heeft.

V. U. Hoe zondigt men, door aan een ander iets onrechtvaardig te onthouden ?

A. le Door zijne schulden in het geheel niet. of niet op zijn tijd te betalen ; 2e door het gevondene niet aan den rechten eigenaar te brengen; 3e door den diefstal, het bedrog en de schuldig veroorzaakte schade niet te vergoeden.

V. 's B. Hoe luidt hot tiende gebod ?

A. Gij zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijn dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort.

V. 's B. Wat verbiedt het tiende gebod ?

A. Do begeerte tot stelen, en om onzen naaste op eene andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te benadeelen.

V. Welk verschil is er tusschen het zevende en tiende gebod?

A. le Het zevende gebod verbiedt de uitwendige,- het tiende gebod de inwendige zonden van onrechtvaardigheid. 2e Het zevende gebod verplicht tot herstel of restitutie: niet echter het tiende gebod.

V. u. w at wordt verstaan onder begeerten naar de goederen van onzen naaste ?

A. Hieronder worden verstaan gedachten en begeerten, om de goederen van onzen naaste op eene ongeoorloofde wijze te verkrijgen.

V. U. Mogen wij dan niet wenschen, dat deze of gene zaak ons nioge toebehooren ?

A. Dit is niet verboden ; maar wij mogen ze niet aan onzen naaste misgunnen en geenc gedachten of begeerten hebben, om ze o}) eene ongeoorloofde wijze te verkrijgen.

V. TJ. Kunnen verlangens en begeerten naar tijdelijke goederen ook zondig zijn ?

A. Ja, wanneer zij voortkomen uit ontevredenheid met hetgeen wij van God ontvangen hebben; en wanneer wij ongeregeld naar het bezit van aardsche goederen verlangen.

V. U. Waarom verbiedt God ook zondige gedachten en begeerten ?

A. Omdat de zonde eigenlijk door den wil bedreven wordt.

V. 's B. Noem eenige zonden van onrechtvaardigheid.

A. Iemands goed stelen; gestolen goed koopen of bewaren, den arbeidsman zijn loon ontbonden; (Br. en R. woeker drijven) in processen of koopmanschappen (R. en contracten) bedrog ofvalsch-heid plegen.

V. O]) welke wijzen nog meer kan men aan diefstal medeplichtig zijn ?

A. Door raad te geven, hulp te verleenen, of ook te bevelen; het meest echter door holen, zooals het spreekwoord te kennen geeft; „waren er geen helers, — er waren ook geen stelersquot;.

ocr page 181

177

V. Hoe kan men zich aan onreditvaardiglicid jegens werklieden schuldig maken ?

A. Men zondigt tegen de rechtvaardigheid, als men den werkman 1° zijn loon niet geeft, of 2° hem op zijn loon laat wachten; 3° als men van zijn nood misbruik maakt om hem minder voor zijn arbeid te betalen dan billijk is en algemeen gegeven wordt.

V. Wie maken zich schuldig aan woeker?

A. In het algemeen bedrijven zij woeker, die van de onwetendheid of den nood des naasten misbruik maken tot hun eigen voordeel of winst. B.v. zij die ongeoorloofde renten van hun geld eischen ; die koopwaren, levensmiddelen enz. opkoopeu om den prijs bovenmate te doen verhoogen, enz.

V. Hoe geschiedt vooral onrechtvaardigheid bij koophandel, contracten of overeenkomsten ?

A. le. Door valsche maten, gewichten, geld of slechte koopwaren ; 2e door te veel voor zijne waren te vragen; 3° door te dagdieven; 4e door, des gevraagd, de verborgen gebreken niet te openbaren; 5e door zijn woord niet te houden, vooral in mondelinge overeenkomsten, als verhuren van dienstboden; 6e door de beschikkingen van overledenen tot godsdienstige doeleinden niet uit te voeren, ook al zouden die volgens het burgerlijk recht niet wettig zijn.

V. Welke onrechtvaardigheden kunnen bij processen gepleegd worden ?

A. Liefdeloos en onrechtvaardig is het, onnoodig een proces aan te gaan; getuigen of rechters om te koopen; valsche kwitanties of andere stukken te maken of te gebruiken; een proces langer dan noodig is, te rekken, enz.

V. U. Waarop moet men letton om te weten of een diefstal, eene beschadiging enz. groote of kleine zonde is ?

A. Ten le op de grootheid der benadeeling, b.v. centen, guldens, enz.; ten 2e op den persoon, aan wien zij is aangedaan, b.v. arm of rijk; ten 3° op de schuld of den zondigen wil, dien men daarbij gehad heeft.

V. Wanneer is hot stelep van kleine dingen groote zonde ?

A. Als men herhaaldelijk kleinigheden ontvreemdt met het voornemen van tot eene groote som te geraken, of als men in korten tijd daartoe geraakt is.

V. Bedrijven kinderen zonden tegen de rechtvaardigheid, als zij hunne ouders bestelen ?

A. Ongetwijfeld, en niet zelden groote zonden: „Die zijnen „vader of moeder iets ontsteelt en zegt: het is geene zonde, hij is „gelijk aan een moordenaar.quot; (Spreuken XXXVIII, 24.)

V. Is het diefstal, als dienstboden iets wegnemen of weggeven tegen den wil hunner oversten ?

12

ocr page 182

178

A. Ja, wanneer zij zulks herhaaldelijk doen of iets aanmerkelijks nemen of geven.

V. R. Is het zonde/geestelijke dingen te koopen of te verkoopen ?

A. Ja, als men daarvoor eenig tijdelijk goed geeft of eischt, voor zooveel die dingen geestelijk zijn, en deze zonde heet Simonie. (Zie 22° les.)

Y. U. Wanneer moet men de gepleegde onrechtvaardige hena-deeling herstellen?

A. Zoo haast men kan, en indien men niet kan, moet men daartoe den ernstigen wil hebben.

V. 's B. Hoe luidt het achtste gebod ?

A. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.

V. TJ. Welke plicht wordt ons in het achtste gebod opgelegd?

A. Dat wij steeds waarheid spreken, en voor de eer en den goeden naam van ons zeiven en anderen zorgen.

V. TJ. Waarom moet men voor de eer en den goeden naam van andoren zorg hebben ?

A. Omdat zij meer waarde hebben dan geld en goed.

V. TJ. Hoe kan men voor den goeden naam van anderen zorgen ?

A. Door het kwaad niet lichtvaardig te gelooven; den goeden naam des naasten te verdedigen, en het kwaadspreken, zooveel men kan, te beletten.

V. Wat verbiedt voornamelijk het achtste gebod?

A. Valsche getuigenis, (Br. bijzonder vóór het gerecht,) leugentaal, kwaad spreken, lasteren, van iemand lichtvaardig kwaad vermoeden of oordeelen.

A. R. Alle ongelijk, onzen naasten door woorden aangedaan, hetzij vóór of buiten het gerecht.

V. ü. Waardoor zondigt men tegen het achtste gebod ?

A. Door liegen, eerafsnijding, laster en door iedere zondige benadeeling van de eer en den goeden naam van ons zeiven of anderen.

V. Br. en R. Hoe misdoet men tegen het achtste gebod vóór het gerecht ?

A. Ten lc als men, door den rechter ondervraagd zijnde, de waarheid verzwijgt; ten 2e zoo dikwijls men eene valsche getuigenis aflegt, de valschheid voorstaat en bevestigt.

V. R. Hoe misdoet men meestal tegen het achtste gebod buiten het gerecht ?

A. Als men iemands eer ontneemt door lastertaal of kwaadsprekendheid ; of van iemand zonder goede redenen kwaad vermoedt of oordeelt.

V. U. Wanneer liegt men?

A. Als men iets zegt, wat men meent onwaar te zijn, om een ander in dwaling te brengen.

V. Br. en R. Is leugentaal zonde?

ocr page 183

179

A. Ja, en ook doodzonde, als de leugen geschiedt met groote schade of hinder van den naaste.

V. Is het niet geoorloofd te liegen uit scherts, uit nood of om bestwil ?

A. Neen, leugentaal is altijd zonde : ,.de rechtvaardige hoeft een „afschuw van leugentaalquot;. (Spreuken XIII, 5.)

Y. U. Wat is eerafsnijding of kwaadspreken ?

A. Eerafsnijding is, zonder wettige redenen het kwaad of de gebreken van een ander bekend maken.

V. Br. Wie zondigt door kwaadsproken?

A. Die, zonder wettige reden, het verborgen kwaad of de geheime gebreken van iemand aan een ander bekend maakt.

V. U. Wanneer mag men die bekend maken?

A. Als het gevorderd wordt 1° om den naaste te verbeteren; en 2° om anderen voor schade te bewaren.

V. U. Aan wien mag men in die gevallen het kwaad bekend maken ?

A. Alleen aan hen, die het weten moet, om den kwaaddoener te verbeteren of de schade af te weren.

V. Is men soms verplicht het kwaad bekend te maken?

A. Ja, b.v. de zonden der kinderen moet men aan de ouders mededeelcn, of die van leerlingen, dienstboden aan hunne oversten, opdat deze de zonden straffen en beletten.

V. Op hoeveel manieren geschiedt het kwaadspreken of de achterklap ?

A. Op acht manieren; le met kwaad te zeggen, dat valsch is; 2° met kwaad, dat waar is, te vergrooten; 3° niet kwaad, dat onbekend is, bekend te maken; 4° met iets, dat niet kwaad is, in kwaad te verkeeren; 5e met iemands goede hoedanigheden te loochenen; 6° met die te verkleinen; 7e niet die te verzwijgen; 8° met die flauwelijk te prijzen.

V. U. en Br. Wat is lasteren?

A. Lasteren is. van iemand iets kwaads vertellen, dat niet bestaat, waaraan hij niet schuldig is, of het bestaande kwaad te vergrooten.

V. Br. Is laster of kwaadspreken altijd eene groote zonde?

A. Neen ; de zonde is grooter, naarmate de naaste er meer door benadeeld wordt in zijnen goeden naam of tijdelijke goederen.

V. Zondigt men ook met kwaad te spreken of te lasteren van personen, die overleden zijn?

A. Ja, want de dooden behouden recht op hunne eer en goeden naam.

V. U. Zondigt men ook met kwaadspreken en lasteren aan te hooren ?

ocr page 184

180

A. Ja. als men daarin behagen neemt; bet niet verhindert als men kan en moet; of bet op eenige wijze bevordert.

V. U. Hoe zondigt men inwendig tegen de eer des naasten?

A. Ton 1° door vermoedens, wanneer men zonder genoegzame redenen een ander van kwaad verdacht houdt; ten 2e door oordeelvellingen, wanneer men ongegrond iemand van kwaad beticht.

V. U. Waartoe is hij verplicht, die een ander in zijne eer beeft benadeeld ?

A. Hij is verplicht, le dit op de best mogelijke wijze te herstellen, b.v. door vergeving te vragen, zijn woord te herroepen, enz.; 2° do andere nadeelen, door de eerroovirg ontstaan, te vergoeden.

V. quot;s B. Wat moet bij doen, die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer of tijdelijke goederen heeft benadeeld ?

A. Hij is verplicht die schade, zoodra en zoo goed hij kan, te herstellen.

V. Wie en waartoe verplicht de plicht van restitutie of herstel, vergoeding geven ?

A. De plicht van restitutie vordert: 1° van don lasteraar, dat hij den laster berroepe; 2° van den kwaadspreker, dat bij van hem, van wien bij kwaadgesproken beeft, bet goede doe uitkomen; 3e van beiden, dat zij de tijdelijke schade vergoeden, die zij hebben veroorzaakt; 4° van den dief, bedrieger, benadeelaar, dat zij den eigenaar, den bedrogene of benadeelde volledig schadeloos stellen.

V. Waartoe is men verplicht, als men niet kan herstellen of vergoeden ?

A. Dan is men verplicht tot den ernstigen wil, tot bet vast voornemen om alle middelen aan te wenden, ten einde het aangedaan onrecht te herstellen.

V. 's B. Aan wien moet die herstelling geschieden ?

A. Aan hem, die de schade geleden beeft, of aan zijne rechtverkrijgenden.

V. Aan wien moet men restitutie doen, als de benadeelde of zijne rechtverkrijgenden (erfgenamen) onbekend zijn?

A. Als men iets te kwader trouw bezit, dan moet men restitutie doen aan do kerk of den arme, volgens het oordeel van den biechtvader: want nooit mag iemand voordeel genieten van zijne bedrevene onrechtvaardigheid.

V. Mogen wij restitutie eischen, als iemand ons in onze eer of tijdelijke s'oederen heeft benadeeld?

A. Ja; doch wij moeten tevreden zijn met hetgeen redelijk is, ons wachten van wraak te nemen; het ongelijk van harte vergeven en ons met den naaste verzoenen.

V. Wat gebiedt het zevende gebod?

A. Het gebiedt 1® „elk het zijne te gevenquot;. „Wee hem, die „ophoopt wat niet van hem is.quot; — „Wee hem, die uit gierigheid

ocr page 185

181

„onrechtvaardig' goed verzamelt voor zijn huis.quot; (Habacuc II, 6, 9.) „Wat baat het den mensch, als hij de geheele wereld wint maar „schade lijdt aan zijne ziel ?quot; „Onrechtvaardig goed gedijt niet.quot; „Aan Gods zegen is alles gelegen !quot; 2e. Weldadig te ziju jegens den naaste. „De misdaad, van datgene wat men in overvloed bezit, „den behoeftigen niet mede te deelen. is even groot als de misdaad, „aan den bezitter het zijne te ontnemen.quot; H. Ambrosius.

V. Wat gebiedt het achtste gebod ?

A. Het gebiedt 1° altijd de waarheid te spreken. „Spreek op „geenerlei wijze tegen het woord der waarheid, en schaam u, als „gij bij vergissing hebt gelogen.quot; (Sir. IV, 30.) 2e. Voor de eer en goeden naam des naasten te zorgen. „Draag zorg voor een goeden „naam, want hij zal langer duren dan duizend kostbare, groote „schatten.quot; (Sir. XLI, 15.) 3e. De tong in bedwang te houden. „AVie zijn mond bewaart, bewaart zijne ziel; wie echter onbedacht-„zaam in woorden is, hem zal het kwalijk gaan.quot; (Spreuken XIII, 3.)

NEGEN EN TWINTIGSTE LES.

Van de geboden der Kerk.

(U. 43e les; — Br. 30e les; — R. 27e les.)

V. U. Heeft de H. Kerk de macht om ons geboden te geven?

A. Ja, Christus zelf heeft aan de H. Kerk het bevel en de macht gegeven, om de geloovigen te besturen en te regeeren.

V. U. Moeten wij dus aan de Kerk gehoorzamen'?

A. Voorzeker, als de Kerk van God de macht heeft om de geloovigen te regeeren, dan zijn wij verplicht aan haar te gehoorzamen.

V. R. Wie heeft de geboden der H. Kerk gegeven?

A. De Kerkelijke Overheid, die ook den Sabbatdag heeft veranderd in den Zondag.

V. 's B. Zijn wij verplicht, de geboden der H. Kerk te onderhouden ?

A. Ja, zoowel als de goddelijke geboden, omdat zij ons gegeven zijn door degenen, die ons in Gods plaats besturen.

V. 's B. Hoeveel geboden der H. Kerk zijn er ?

A. Voornamelijk vijf.

V. Zijn er dan nog meer geboden der H. Kerk?

A. Ja, er zijn nog vele andere geboden, die een bepaalden staat of klas van geloovigen aangaan, of die slechts in bijzondere om-

ocr page 186

182

standighedcn verplichten b.v. nuchter te zijn, als men de H. Communie ontvangt. Deze vijf zijn echter algemeene geboden, die de christenen van eiken levensstaat aangaan en verplichten.

V. 'sB. Zeg de vijf geboden der H. Kerk.

A. 1 De geboden Heiligdagen zult gij vieren;

2 Dan ook Mishooren met goede manieren;

3 Geen geboden vastendagen zult gij breken;

4 Gij zult ten minste eens 'sjaars aan den priester uwe

[biecht spreken;

5 En nutten omtrent Paschen het lichaam des Heeren.

V. Hoe verplichten ons de geboden der H. Kerk?

A. Zij verplichten ons streng, dat is: op doodzonde.

V. 's B. Wat wordt in het eerste gebod verstaan door Heiligdagen ?

A. De feestdagen, die wij als Zondagen moeten vieren.

V. ü. Welke dagen worden verstaan onder de heiligedagen, welke wij moeten vieren ?

A. Ten le de heilige dagen, welke wij als Zondagen moeten vieren; 2e de Kerkdagen, waarop wij alleen Mis moeten hooren.

V. Welke zijn de Kerkdagen?

A. Zij zijn die dagen, waarop men mag werken. Zij komen voor in de Bisdommen Utrecht en Haarlem n.1.: Maria-Lichtmis (2 Februari) ; Maria-Geboorte (8 September); Onbevlekte Ontvangenis (8 December); en voor Haarlem alleen: H. Willibrordus (7 November).

V. Br. Wat gebiedt het eerste gebod ?

A. Dat wij de feestdagen, welke de H. Kerk ter eere van onzen Heer en Zijne Heiligen ingesteld heeft, op gelijke wijze als den Zondag moeten vieren.

V. R. Waarom zijn de feestdagen des Heeren ingesteld ?

A. Om de Heiligen te vereeren, hunne voorspraak bij God af te smeeken, en ons tot navolging hunner deugden op te wekken.

V. R. Hoe moeten wij de geboden feestdagen vieren ?

A. Wij moeten de geboden feesttdagen vieren als den Zondag.

V. R. Zijn wij ook verplicht tot het vieren der afgezette feestdagen ?

A. Neen, maar de H. Kerk verlangt, dat wij de afgezette feestdagen blijven vieren evenals voorheen. (1)

V. Br. Wat gebiedt het tweede gebod ?

A. Dat alle Christenen, die gekomen zijn tot de jaren van verstand, en niet om wettige redenen ontslagen zijn, op de Zondagen en geboden feestdagen, de H. Mis aandachtig en eerbiedig moeten bijwonen.

(1) Afgezette heiligdagen komen alleen in het Bisdom Roermond voor. Daar worden bijna alle Heiligedagen Zondags na het feest gevierd, behalve Kerstmis, 's Heeren Hemelvaart. Maria Hemelvaart, Allerheiligen.

ocr page 187

183

V. R. Wie zijn verplicht Mis te liooren op de Zondagen en geboden feestdagen ?

A. Alle geloovigen, die tot de jaren van verstand gekomen, en daarvan door ziekte of andere goede redenen niet ontslagen zijn.

V. 's B. Wat is Mishooren niet goede manieren ?

A. Mishooren met eerbied en aandacht, R. en godsvrucht.

V. R. Wie hoort de H. Mis zonder eerbiedigheid ?

A. Die met anderen spreekt, lacht, rondziet, of eene onbetamelijke houding aanneemt.

V. R. Wie hoort de H. Mis zonder aandacht?

A. Die zijnen geest vrijwillig met allerlei vreemde gedachten bezighoudt.

V. R. Wie hoort de H. Mis zonder godsvrucht?

A. Die zijn hart niet eenigszi'ns tot God verheft.

V. R. Is het genoeg op Zon- en feestdagen een gedeelte der H. Mis te hooren?

A. Neen, wij zijn verplicht eene geheele Mis te hooren, en mogen vooral geen merkelijk deel achterlaten.

V. Hoe zal men nuttig on voordeelig Mis hooren ?

A. Als men te voren eene bijzondere meening maakt. d. i. zich voorstelt de H. Mis bij te wonen, om deze of gene gunst van God te verkrijgen. 2e Als men onder de Mis acht geeft op hetgeen de priester doet; waartoe het dienstig is de gebeden der Mis met den priester mede te bidden. 3e Het is echter voldoende, als men andere gebeden onder de Mis bidt, of ook zich met godsdienstige gedachten bezighoudt.

(Over de iTierincj der Zun- en feestdagen, zie de ,?öe les.)

V. Bp. Wat gebiedt het derde gebod?

A. Geen geboden vastendagen zult gij breken.

V. U. Wat wordt in het derde gebod onder vastendagen verstaan?

A. Ten le de onthoudingsdagen, waarop het gebruik van vleesch-spijzen verboden is ; ten 2e de vastendagen, waarop vleesch en soms nog andere spijzen verboden zijn, en men slechts eenmaal daags een vollen maaltijd mag nemen.

V. R. Wat verstaat men door eenvoudige abstinentie- of onthoudingsdagen ?

A. Zulke dagen, waarop alleen het derven of onthouden van vleesch en vet is voorgeschreven.

V. Br. en R. Wat is vasten ?

A. Vasten is, zich onthouden van verboden spijzen en slechts eenmaal daags een vollen maaltijd nemen.

V. Welke spijzen zijn behalve vleesch, enz., soms ook verboden?

ocr page 188

184

A. Op Goeden Vrijdag zijn in alle Bisdommen verboden eieren, zuivel, melk, room, boter en kaas.

V. Mag men dan slechts eenmaal daags eten?

A. Men mag eenmaal daags, omtrent den middag een vollen maaltijd nemen, doch 's avonds ook eene kleine hartversterking of collatie. Indien er reden toe is, mag men ook de orde omkeeren, en eerst quot;s avonds den maaltijd nemen.

V. Br. en R. Or welke dagen moeten wij vasten?

A. Op al de dagen, die door de H. Kerk zijn voorgeschreven, namelijk de veertigdaagsche vaste, (de veertig dagen vóór Paschen); op de quatertemperdagen, en nog andere, zekere vigiliedagen door het jaar.

V. 's B. Wat wordt in het derde gebod onder vastendagen begrepen ?

A. Ten le de Vrijdagen en Zaturdagen, (1) waarop het gebruik van vleeschspijzen verboden is; ten 2e de vastendagen, waarop vleesch en soms nog andere spijzen verboden zijn, en men maar eenmaal daags een vollen maaltijd mag nemen; ten 3e St. Marcus en de Kruisdagen, (2) waarop men den geheelen dag vleesch moet derven (niet mag eten) en vasten tot den middag.

V. 's B. Wie zijn verplicht, zich op bepaalde dagen van vleesch en andere verboden spijzen te onthouden ?

A. (U. Ieder christen) die tot de jaren van verstand gekomen en door geene wettige reden hiervan verschoond (ontslagen) is.

V. 'sB. Wie zijn verplicht volkomen te vasten?

A. (U. en Br. Ieder christen.) Zij, die hun 21° jaar voleind hebben, en niet door ziekte, zwaren arbeid, of andere wettige reden hiervan verschoond zijn.

V. U. Hoe moet men de veertigdaagsche vaste houden?

A. Volgens de voorschriften, bekend gemaakt door den Bisschop der plaats, waar wij ons bevinden.

V. Wat zijn quatertemperdagen ?

A. Vastendagen, welke de H. Kerk gesteld heeft op eenen Woensdag, Vrijdag en Zaturdag van elk der vier jaargetijden (quatuor tempora): lente, zomer, herfst en winter.

V. Waarom zijn de quatertemperdagen ingesteld?

A. Om de vier jaargetijden te heiligen, daarover Göds zegen te

(1) H.H. D.D. H.H. de Aartsbisschop fin de Bisschoppen van Nederland plegen in den Zaturdag te dispenseeren, krachtens volmacht, hun door Z. H. den Paus verleend.

(2) Eveneens plegen zij te dispenseeren in de Kruisdagen, (Maandag. Dinsdag en Woensdag vóór 's Hoeren Hemelvaart), krachtens eenzelfde volmacht: zoodat het dus feitelijk geoorloofd is op die dagen vleesch te eten, behalve op die Zaturdagen, welke tevens vastendag zijn: b.v. Zaturdag in den grooten Vaste, der quatertemperdagen, enz.

ocr page 189

185

bekomen, en goede priesters te verkrijgen, die gewoonlijk op de quatertemperdagen gewijd worden.

V. Waarom heeft de H.Kerk den veertigdaagschenVaste ingesteld?

4. Om ons het voorbeeld van Christus te doen navolgen, die ook 40 dagen gevast heeft, en om ons voor te bereiden tot het Paaschfeest.

V. 's B. Wat voordeel geeft het vasten ?

A. Het bedwingt onze kwade driften, verzoent de goddelijke gramschap en voldoet voor onze zonden.

V. Waarom gebiedt de Kerk het vasten ?

A. le Omdat het vasten aan God welgevallig is, want God zelf heeft het vasten meermalen bevolen, en om het vasten genade en barmhartigheid bewezen. „Bekeert u tot Mij van ganscher harte „met vasten, weenen en klagen.quot; (Joël II, 12.) „Het gebed met „vasten en aalmoezen is beter dan schatten van goud op te leggen.quot; (Tobias XII, 8.) — Bovendien Jesus Christus zelf, de Apostelen en de Heiligen van het Oud- en Nieuw Verbond hebben gevast: Mozes, David, Elias, Esther, Judith, geheel Israël: Paulus, enz. 2e Omdat het vasten ons nuttig is, want wij geven daardoor aan God genoegdoening voor de bedrevene zonden. „Zoo wij ons zeiven rechten „(bestraffen) zullen wij door God niet gerecht (gestraft) worden.quot; (I. Corinth. XI, 31.) Dit blijkt ook uit de geschiedenis dor stad Ninive, die op de prediking van Jonas vaste, en „over wie God „zich erbarmde en de bedreigde straf niet uitvoerde.quot; (Jonas Hl, 10.) Door het vasten krijgen wij heerschappij over onze zinnelijkheid en worden bewaard voor hervallen in de zonde. „Het vleesch strijdt tegen den geest, en de geest tegen het vleesch.quot; (Gal. V, 17.) „Als „gij,quot; zegt de H. Augustinus, „een al te moedig paard bezat, dat „u gemakkelijk zou kunnen neerwerpen, zoudt gij het dan niet van „zijn voedsel onthouden, om het door honger te beteugelen ? Waarom „zoudt gij ook niet uw oproerig lichaam door vasten bedwingen? „Wie aan zijn lichaam geen geoorloofd genot ontzegt, zal het weldra „iets ongeoorloofds toestaan.quot;

„Het vasten doodt de zonde, verheft de gemoederen, verleent „deugd en hemelloon,quot; zingt de Kerk in de Praefatie der Mis gedurende den Vaste. „Daarom, vermaant de H. Joannes Chrysostomus. „vast, wijl gij gezondigd hebt; vast, om niet te zondigen;vast,ten „einde te ontvangen: vast, opdat voortdurend bij u blijve hetgeen „gij ontvangen hebt.quot;

V. Wie zijn niet gehouden aan de Vastewet, d. i. wie mogen meermalen daags eten ?

A. Van de naleving der Vastewet zijn ontslagen le grijsaards en zij, die nog geen 21 jaren oud zijn. 2e Armen, die zelden of nooit een voldoenden maaltijd krijgen. 3® Zieken, herstellenden, moeders en vrouwen, die zelve hunne kinderen voedeu. 4e Allen,

ocr page 190

180

die zwaren arbeid verrichten, gelijk ook de meeste ambachtslieden. 5e Zij, die om genoegzame reden dispensatie of ontheffing hebben van den Bisschop. 6e Zij, echter die van de ééne verplichting, b.v. éénen maaltijd, ontheven zijn. mogen daarom zich niet ontslagen achten van eene andere verplichting, b.v. vleesch derven.

V. Wat behooren zij te doen, die niet behoeven te vasten ?

\. „Die niet vasten kan.quot; zegt de H. Caesarins van Arles, „behoort meer aalmoezen te geven, om de zonden, die hij door het „vasten niet kan herstellen, door aalmoezen af te koopen.quot;

V. 'sB. Wanneer begint de verplichting van eens 's iaars te biechten ?

A. Als men tot de jaren van verstand gekomen is.

V. R. Waarom zegt het vierde gebod der H. Kerk: gij zult ten minste eens 's jaars uwe biecht spreken ?

A. Omdat de H. Kerk verlangt, dat men meermalen in het jaar biechte. (Zie de 3de les.)

V. :s B. Wat wordt in het vijfde gebod der H. Kerk bevolen ?

A. Dat zij, die tot de jaren van onderscheiding gekomen en genoegzaam onderwezen zijn, ten minste eens's jaars, in den Paasch-tijd, waardig de H. Communie moeten ontvangen in hunne eigene parochiekerk.

V. R. Wanneer begint het houden der Paaschcommunie ons te verplichten ?

A. Als men tot dien leeftijd gekomen is, dat men een passend onderscheid weet te maken tusschen het aardsche brood en het Brood der Engelen.

V. Is het zonde tot de le H. Communie niet bekwaam of niet waardig zijn. als men oud genoeg is?

A. Ja, als men zelf daarvan schuld is, d. i. als men de christelijke leering verzuimt, of niet wil leeren of zich niet wil beteren van zonden en kwade gewoonten, waardoor men onbekwaam of onwaardig is, tot de H. Communie toegelaten te worden. Eveneens zondigen ouders, voogden en andere oversten der kinderen, die hiervan schuld zijn.

V. ü. Wanneer moet men, volgens het vijfde gebod der H. Kerk, het Lichaam des Heeren nuttigen ?

A. Ten minste ééns in het jaar, gedurende den Paaschtijd.

V. Br. Hoelang duurt die Paaschtijd ?

A. Van Palmzondag tot Beloken Paschen, d. i. van den laatsten Zondag vóór Paschen tot den eersten Zondag na Paschen, die beide Zondagen niedegerekend.

Aldus in de Bisdommen Breda, Utrecht, Haarlem, Roermond.

In het Bisdom van 's Bosch duurt de Paaschtijd eene week langer, van Passie-Zondag (14 dagen vóór Paschen) tot Beloken Paschen.

ocr page 191

187

V. Br. en R. Waar moet men cle H. Paasclicomnmnic ontvangen ?

A. Ieder in zijne parochiekerk.

V. Wat moeten zij doen, die door ziekte of anderszins belet zijn de H. Communie te ontvangen gedurende den Paasclitijd of in hunne eigene parochiekerk ?

A. Zij moeten aan hunnen pastoor gedurende den Paasclitijd uitstel of ook verlof vragen om elders of te huis de H. Communie te mogen ontvangen.

V. E. Wat moet hij doen. die eene onwaardige Paaschcommunie gedaan heeft ?

A. Hij moet, zoo haast het kan geschieden, eene goede biecht spreken, en door eene waardige Communie aan hot gebod der H. Kerk voldoen.

V. Bf. Is het raadzaam, meer dan eens in het jaar. te biechten en te communiceeren ?

A. Ja, en dat verlangt ook vurig onze Moeder de H. Kerk.

V. Welke straf bedreigt de H. Kerk tegen hen, die in den Paaschtijd de H. Communie niet ontvangen ?

A. Zij bedreigt dezulken met berooving der kerkelijke begravenis.

V. Waarom heeft de H. Kerk den Paaschtijd aangewezen als don tijd, waarop ieder geloovige de H. Communie moet ontvangen ?

A. le Omdat Jesus omtrent dien tijd het H. Sacrament des Altaars heeft ingesteld; 2e omdat Hij in dien tijd gestorven en verrezen is, opdat wij zoo ook aan de zonde sterven en voor Hem leven 3e „omdat de Paaschcommunie eene zekere belijdenis bevat van „vereeniging met de Kerk; en daar de band dier vereeniging ken-„baar wordt door do onderwerping aan de wettige oversten, is het „een zeer doelmatig gebod, dat ieder met Paschen de H. Communie, „als aan eene familietafel, uit de hand van zijn eigen pastoor „ontvange.quot;

Van de genade.

(U. 44® en 45e les; — Br. 31e les; — R. 29e les.)

V. TJ. en Br. Kan men zonder Gods hulp uit eigen krachten alleen de geboden onderhouden en zalig worden?

A. Xeen, dit kan men niet zonder eene bovennatuurlijke gave en hulp van God.

V. R. Is ons de bovennatuurlijke bijstand der genade noodzakelijk ?

A. Ja, de bijstand der genade is ons noodzakelijk, zoodat wij zonder haar niets vermogen ter zaligheid.

ocr page 192

188

V. U. Is de vrije wil om het goede te doen eene natuurlijke of Ibovennatunrlijke genade of hulp van God?

V. Dit is enkel eene natuurlijke gave en hulp.

A. U. Hoe noemt men de bovennatuurlijke gave en hulp. welke God ons tot onze • zaligheid geeft ?

A. Die bovennatuurlijke gave en hulp noemt men; genade Gods.

V. U. Ontvangt de mensch genade om zijn eigen verdiensten?

A. Nee», hij ontvangt die niet om zijn eigen verdiensten, maar om de verdiensten van Christus.

V. U. Wat is dus genade Gods?

A. Eene bovennatuurlijke gave en hulp, door God aan den mensch tot zijne zaligheid verleend, om de verdiensten van ('hristus.

V. R. Verleent God aan alle menschen Zijne genade?

A. Ja, God verleent aan alle menschen genoegzame genade om zalig te worden.

V. U. Als Gods genade noodig is, om de geboden te onderhouden en zalig te worden, ontvangt dan ieder de daartoe noodige genade ?

A. Ieder mensch ontvangt de daartoe noodige genade, omdat God wil, dat alle menschen zullen zalig worden en Christus voorde zaligheid van allen gestorven is.

V. R. Wat moet de mensch van zijnen kant doen om door de genade zalig te worden ?

A. Hij mag aan de genade niet weerstaan, maar moet getrouw met haar medewerken.

V. U. Moet men het aan God of aan den mensch zeiven toeschrijven, als hij niet braaf leeft en niet zalig wordt ?

A. Aan God moet men dit niet toeschrijven, want Hij weigert aan niemand de noodige genade, maar aan den mensch zeiven, die aan de genade niet beantwoordt.

V. ü. Welke soorten van genade kan men vooral onderscheiden ?

A. Deze twee: de heiligmakende genade, en de werkende of dadelijke genade.

V. Br. Hoevelerlei is de genade ?

A. Tweeërlei: de heiligmakende of blijvende genade, en de dadelijke of voorbijgaande genade.

V. U. Wat is de heiligmakende genade?

A. Eene bovennatuurlijke gave, van God der ziel ingestort, die haar bijblijft, en waardoor zij schoon en aangenaam is aan God, en van Hem bemind wordt.

A. Br. Eene onverdiende gave, waardoor God een bovennatuurlijk leven aan de ziel schenkt, en haar schoon en aangenaam in zijne oogen en erfgename des hemels maakt.

A. R. De heiligmakende genade is eene onverdiende en bovennatuurlijke gave, door God ons ingestort, waardoor wij van zondaars

ocr page 193

189

rcclitvaardigon worden, kinderen Gods en erfgenamen des Hemels.

V. U. Is de heiligmakende genade een groote schat ?

A. Zij is de grootste schat, dien de mensch op aarde kan bezitten.

V. Wat is de heiligmakende genade ?

A. Zij is eene bovennatuurlijke hoedanigheid, die zetelt in het wezen der ziel; zij is niet voorbijgaande; maar, van God uitgaande, doordringt zij de ziel, kleeft haar aan en is voor haar een levensbeginsel, waardoor zij een hemelschen luister ontvangt.

V. Waarom is de heiligmakende genade zoo groote schat?

A. Omdat de ziel door de heiligmakende genade deelgenoote wordt der goddelijke natuur. Gelijk, zeggen de H. Basilius en Thomas, een gloeiend ijzer deelt in den aard van het vuur; of gelijk een druppel water in een beker wijn gestort, de kleur, den reuk en den smaak van den wijn aanneemt, evenzoo innig wordt onze ziel door de heiligmakende genade met God verbonden, en krijgt zij deel aan Zijne volmaaktheid.

V. U. Wat bewerkt de heiligmakende genade in ons?

A. Zij doet ons dierbare kinderen Gods en erfgenamen des hemels zijn, en maakt ons bekwaam, om verdienstelijke werken voor den hemel te verrichten.

V. U. Hoelang blijft de heiligmakende genade in ons ?

A. Zoolang wij zuiver zijn van doodzonde.

V. Br. en R. Kan men de heiligmakende genade ook verliezen ?

A. Ja, men verliest de heiligmakende genade, zoodra men doodzonde doet, al ware het slechts ééne enkele.

V. Kan de heiligmakende gratie ook verminderen ?

A. De heiligmakende genade kan niet in haar wezen verminderen, doch wèl in hare werkingen verzwakt, in haren wasdom verminderd, en aldus het verlies van haar langzamerhand worden voorbereid.

V. Kan de heiligmakende genade vermeerderen ?

A. Ja, zij is voor vermeerdering vatbaar. Zij is in alle gerecht-vaardigden niet dezelfde, noch ook in denzelfden mensch ten allen tijde dezelfde.

V. R. Door welke middelen kunnen wij Gods genade verkrijgen of vermeerderen ?

A. Door het gebod en de goede werken, maar vooral door de H.H. Sacramenten.

V. U. Wat is de werkende of dadelijke genade ?

A. Een dadelijke hulp van God, waardoor ons verstand wordt verlicht, en onze ziel wordt aangespoord en geholpen, om iets goeds -te doen of iets kwaads te laten.

A. Bp. Eene bovennatuurlijke hulp, die God den mensch verleent om de zonde te vluchten en de deugd te oefenen.

V. R. Waarin bestaat de dadelijke genade of genade van bijstand ?

ocr page 194

190

A. De dadelijke genade bestaat hierin, dat God ons verstand verlicht en ons hart beweegt, om het goede te doen en het kwade te vermijden.

V. Br. Voor wie is de dadelijke genade noodig?

A. De dadelijke genade is noodig voor alle menschen: voor de zondaars, om zich te bekeeren. en voor de rechtvaardigen, om verdienstelijke werken voor don hemel te doen, en om in de liefde Gods te volharden.

V. U. Worden wij door die genade gedwongen, om het goede te doen en het kwade te laten ?

A. Neen; wij worden verlicht, aangespoord en geholpen, maar niet gedwongen.

V. U. Wat hebben wij van God te verwachten, wanneer wij ijverig met de genade medewerken?

. A. Dat God ons meer en meer genade zal schenken.

V. U. Wat hebben wij te verwachten, wanneer wij niet medewerken ?

A. Dat wij minder genade van God zullen ontvangen en eenmaal eene strenge verantwoordiging over onze nalatigheid znllen moeten afleggen.

V. Bf. Welke middelen moeten wij gebruiken ter verkrijging der genade ?

A. De H.H. Sacramenten en het gebed.

V. Br. en R. Aan wien hebben wij de genade te danken?

A. Aan de barmhartigheid van God en (om) de verdiensten van Jesus Christus.

Bidden wij dus gedurig met Koning David: „Geef mij verstand, „en ik zal uwe geboden overdenken en overwegen in mijn hart.quot; „Neig mijn hart naar uwe voorschriftenquot;, d. i. geef mij genade, opdat ik nwe geboden kenne en ze onderhoude. (Ps. CXVUI, 34, 36.)

Tierde Deel.

DERTIGSTE LES.

Van de H.H. Sacramenten.

§ 1-

(TJ. 47e les; — Br. 31e les § 2; — R. 29® les § 2.)

V. TJ. Door welke twee middielen kunnen wij vooral genade verkrijgen ?

A. Door deze twee middelen; de H. Sacramenten en het gebed.

ocr page 195

191

V. Hoc verkrijgen wij Gods genade door de Sacramenten en door het gebed?

A. Door de Sacramenten wordt de genade medegedeeld; door het gebed wordt die afgesmeekt.

V. 's B. Wat is een Sacrament?

A. Een uitwendig teeken door Christus ingesteld, beteekenende eene bijzondere gratie, die ons door hetzelve gegeven wordt, ü. en R. waardoor eene bijzondere genade aangeduid en gegeven wordt.

V. TT. Wat is een uitwendig teeken ?

A. Iets wat men niet zijne zintuigen, b.v. gezicht, gehoor, enz. kan waarnemen en waardoor eene andere zaak wordt aangeduid.

V. Uit hoevele zaken bestaat het uitwendig teeken bij de H. Sacramenten ?

A. Uit twee zaken: le uit de ntof. d. i. uit de zaak of handeling, welke onder de zintuigen valt, b.v. het water, de afwassching bij het Doopsel; het H. chrisma, de zalving en handoplegging bij het Vormsel, enz., en 2° uit den vorm, d. i. de voorgeschrevene woorden, door welke de op zich zelve onverschillige handeling een Sacrament wordt: ik doop u, enz.

Y. Wordt er behalve deze twee zaken, stof en vorm, nog iets meer gevorderd, waardoor het Sacrament wordt voltrokken ?

A. Ja, ook nog de bedienaar, d.i. degene, die het Sacrament met de vcreischte meening toedient.

V. IJ. Waarom wilde Jesus, dat een Sacrament een uitwendig teeken zoude zijn?

A. Opdat het uitwendig teeken zoude voorstellen de inwendige genade, welke door een Sacrament verleend wordt.

V. ü. Wat moet b.v. in het Doopsel de afwassching met water beteekenen ?

A. Die uitwendige afwassching moet beteekenen de inwendige zuivering der ziel van alle zonden.

V. U. Welke kracht is er aan bet uitwendig teeken verbonden ?

A. Er is aan verbonden de kracht om genade mede te deelen.

V. ü. Heeft Christus niet reeds door Zijn lijden en dood alle genaden voor ons verworven ?

A. Christus heeft wel alle genaden voor ons verdiend, maar die genaden worden ons vooral meegedeeld door de Sacramenten.

V. Waarom heeft Christus zichtbare teekenen ingesteld, om ons Zijne genade mede te deelen ?

A. le Opdat wij een zichtbaar onderpand der onzichtbare genade zouden hebben. 2e Opdat wij door de deelneming aan dezelfde zichtbare genademiddelen onze gemeenschap niet de ééne Kerk van Christus zouden doen zien.

ocr page 196

V. 'sB. Hoeveel Sacramenten zijn er?

A. Zeven.

V. 's B. Zeg de zeven Sacramenten.

A. Het Doopsel, het Vormsel, liet H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.

V. Hoe heeft Christus door de zeven Sacramenten in alle geestelijke behoeften van den mensch voorzien?

A. De mensch wordt naar de ziel herhoren door het Doopsel, versterkt door het Vormsel, gevoed door het H. Sacrament des Altaars, genezen door de Biecht; gezuiverd van de overblijfselen der zonde door het H. Oliesel. Het huwelijk en het Priesterschap voorzien in de behoeften der Kerk; — door het Huwelijk wordt de Kerk bevolkt; door het Priesterschap ontvangt zij haar Lestunr.

V. 's B. Waaruit weten wij. dat er zeven Sacramenten zijn, niet meer en niet minder?

A. Uit de gedurige leer en overlevering der H. Kerk.

V. Welke bewijzen heeft de Overlevering aangaande de Sacramenten.

A. le De boeken der hoogste oudheid bevatten de leer omtrent zeven Sacramenten, welke leer niet anders dan van do Apostelen afkomstig kan zijn. 2° De ketterijen uit de eerste eeuwen behielden de leer omtrent zeven Sacramenten. 3e Do Oosterscho Kerk, die zich van do katholieke Kerk heeft afgescheiden, heeft altijd, gelijk nog heden ten dage, zeven Sacramenten geleerd. 4e Tot aan de zestiende eeuw werd nimmer de waarheid, dat er zeven Sacramenten zijn, geloochend. 5e Aan de andersdenkenden dus de taak om te bewijzen, dat deze leer van latere dagteekening is dan van Christus. Hiertoe is de Katholieke Kerk niet verplicht, daar zij al 1500 jaren dit geleerd had en nooit weersproken was.

V. Bevat de H. Schriftuur niets omtrent de zeven Sacramenten?

A. In de H. Schrift worden de sporen van alle H. Sacramenten aangetroffen : b.v. de H. Sacramenten des Altaars, des Priesterschaps en der Biecht, enz. (Dit zed hij ieder Sacrament worden aangewezen.)

V. 's B. Wie heeft de Sacramenten ingesteld ?

A. Christus zelf.

V. Wanneer heeft Christus de Sacramenten ingesteld?

A. Eenige vóór Zijn dood; anderen na Zijne Verrijzenis; allen vóór Zijne Hemelvaart.

V. Waaruit blijkt, dat Christus alleen in staat was de H. Sacramenten in te stellen ?

A. Omdat niemand als God alleen bovennatuurlijke genade kan verbinden aan natuurlijke teekens.

V. 's B. Tot welk einde heeft Christus de Sacramenten ingesteld ?

A. Tot heiligmaking en zaligheid der menschen.

ocr page 197

193

V. Hoe dienen de Sacramenten om de menschen heilig- onzalig te maken ?

A. Door hun te bezorgen de vergiffenis der zonden en de gratiën om goed te leven.

V. 'sB. Wat gratiën worden ons gegeven door de Sacramenten?

A. De heiligmakende gratie of de vermeerdering der heiligma-kende gratie, en bijzondere dadelijke gratiën, (Br. om het einde, dat aan ieder Sacrament eigen is, te bereiken.)

V. R. Welke g'enaden geven de Sacramenten aan do ziel, als zij waardig ontvangen worden ?

A. Ten le de Sacramenten geven of vermeerderen de heiligmakende genade; 2e zij geven ook nog bijzondere genaden volgens den aard en de bestemming van ieder Sacrament.

V. Aan wien geven de Sacramenten de heiligmakende genade ?

A. Aan hen, die ze nog niet hebben, b.v. het Doopsel geeft die aan hem, die besmet is met de erfzonde.

V. Bij wie wordt de heiligmakende genade door de Sacramenten vermeerderd ?

A. Bij hen, die ze alreeds hehben, b.v. de Communie bij iemand, die in staat van heiligmakende gratie of in de liefde Gods reeds is.

V. 's B. Wat is de heiligmakende genade ?

A. Eene bovennatuurlijke gaaf, van God ingestort, waardoor onze ziel schoon en aan God aangenaam is en van God bemind wordt.

V. Wat doet de heiligmakende genade in de ziel van den mensch?

A. De heiligmakende genade doordringt de ziel gelijk de zonnestralen het kristal of edelgesteente; zij schenkt aan de ziel eene blijvende schoonheid, een adel, een sieraad, waardoor zij aan God behaagt.

V. Wat werkt de vermeerdering der heiligmakende gratie in de ziel uit ?

A. De ziel, welke de heiligmakende gratie al bezit, die dus schoon en aangenaam is aan God en door Hem wordt bemind: wordt, doordat zij een ander Sacrament ontvangt of wel een goed werk verricht enz. (zie hoven) nog schooner; hare adel, hare glans wordt verhoogd doordat hare heiligheid toeneemt; en aldus wordt zij aan-genamer aan God, meer door God bemind dan te voren: d.i. vóór zij dat ander Sacrament ontving, dat goed werk verrichte, enz.

V. 'sB. Wat zijn de bijzondere dadelijke gratiën, welke de Sacramenten geven?

A. Bovennatuurlijke hulpmidden, welke ons ter gelegener tijd door God gegeven worden, om het einde van elk Sacrament te bereiken.

V. Hoe worden de bijzondere dadelijke gratiën ook genoemd ?

A. Zij worden ook wel werkende en voorlnjgaande genaden genoemd, omdat zij een goddelijke invloed zijn, die als in het voor-hijgaan, ter gelegener tijd, als wij ze noodig hebben, werken;

] 3

ocr page 198

194

terwijl dc heiligmakende gratie eeno hoedanigheid is, welke in de ziel hlijft, zoolang men geene doodzonde doet.

V. Wat werken de bijzondere dadelijke gratiën uit? A. De dadelijke genade verlicht ons verstand, werkt op onzen wil, geeft daarna eene bovennatuurlijke aansporing, om de waarheid, door de genade gekend, vast te gelooven; om het erkende goed bepaald te willen en met kracht te volbrengen, en het erkende kwaad te vermijden.

V. Wanneer krijgen wij die bijzondere dadelijke gratiën ? A. le Op het oogenblik dat men een Sacrament ontvangt krijgt men recht, aanspraal: op die bijzonderlijke dadelijke gratiën; doch 2e die verlichting van het verstand, die beweging van den wil ten goede of van het kwaad werkt eerst ter geler/ener tijd.

V. Wanneer is dat: ter gelegener tijd ?

A. Dat is: als wij die hulp noodig hebben; als er iets goeds te doen, iets kwaads te laten is.

V. Wat is: het einde van ieder Sacrament ?

A. Door het einde wordt verstaan het doel, waarom het Sacrament is ingesteld. Dit doel nu is bij elk Sacrament verschillend. Het Doopsel b.v. is niet' daartoe alleen ingesteld, om de erfzonde te vergeven, maar ook om de onschuld des doopsels te bewaren. Een pas geboren en gedoopt kind kan niet zondigen vóórdat het tot de jaren van verstand gekomen is. Vóór dien tijd heeft het dus de bijzondere dadelijke gratie van het Doopsel niet noodig. Doch als het goed van kwaad kan onderscheiden, dan is de gelegene tijd daar, waarop het de bijzondere dadelijke gratie noodig heeft, en waarop - deze dan ook werkt.

V. 's B. Waaruit hebben de Sacramenten de kracht om ons die gratiën mede te doelen ?

A. Uit de verdiensten en instelling van Christus.

V. U. Hoe kunnen de Sacramenten eene zoo groote kracht bezitten ?

A. Omdat Christus daaraan door de instelling die kracht heeft gegeven.

V. IJ. Ontleent dus een Sacrament zijne kracht niet van dengene, die een Sacrament ontvangt of bedient ?

A. Neen; de kracht ligt, door de instelling van Christus, in het Sacrament zelf.

V. Bp. en R. Wordt de kracht der H. Sacramenten ergens door belet ?

A. Ja, door de onbekwaamheid alsook door de onwaardigheid dergenen, die ze ontvangen.

V. 's B. Krijgen alle menschen, die de Sacramenten ontvangen, deze gratiën? (de heiligmakende en bijzondere dadelijke gratiën.)

ocr page 199

195

A. Neeii, niet zij, die do Sacramenten zonder do veroischto ge-steltonis ontvangen ?

V. Wanneer is een Sacrament ongeldig, d. i. niet bestaande?

A. 1° Als hij, die het ontvangt, niet de meening, den wil heeft, of onbekwaam is het Sacrament te ontvangen. 2e Als hij, die hot toedient de meening of de macht niet hoeft, om het toe te dienen. 3® Als hij. die eenig ander Sacrament wil ontvangen, niet gedoopt is. 4e Als er aan de stof of aan den vorm iets ontbreekt dat tot het ivezen behoort: b.v. als iemand met wijn in plaats van water doopte ; of eenige woorden van den vorm wegliet, b.v. zeide; in den naam des Vaders, enz., zonder er bij te voegen: „ik doop uquot;.

V. Br. en R. Zondigt hij, die een Sacrament onwaardig ontvangt?

A. Ja. hij die vrijwillig een Sacrament onwaardig ontvangt, maakt zich schuldig aan eene groote zonde van heiligschennis.

V. 's B. Is het groot kwaad de Sacramenten zonder de vereischte gesteltenis ontvangen ?

A. Ja, het is eene groote zonde van heiligschennis.

V. Wat beteekent: vereischte gesteltenis ?

A. Dit is: de gesteltenis, de toestand, waarin de mensch moet zijn, om het Sacrament te hunnen en te mogen ontvangen, b.v. zuiver, van doodzonde en nuchter van 's nachts 12 ure, als men te Communie gaat; in staat van gratie en gevaarlijk ziek voor het H. Oliesel, enz.

V. A\ aarom is het zoo groote zonde, een Sacrament zonder die gesteltenis te ontvangen?

A. Omdat men willens en wetens eene heilige zaak, die door God is ingesteld om ons heilig en zalig te maken, onteert.

HET HEILIGE VOOR HEILIGEN!

§ 2.

(ïï. 48e les; — Br. 31e les § 3; — B,. 29e les § 3.)

V. 's B. Hoe worden de Sacramenten verdeeld ?

A. In Sacramenten der levenden en Sacramenten der dooden

A. Br. Ten 1® in Sacramenten van de levenden en in Sacramenten van de dooden; ten 2e in Sacramenten, die men maar eens mag ontvangen, en in Sacramenten, die men meer dan eens mag ontvangen ; 3® in Sacramenten van noodzakelijkheid en in Sacramenten van vrije keuze.

V. 's B. Welke zijn de Sacramenten der dooden ?

A. Het Doopsel en de Biecht.

ocr page 200

196

' V. 's B. Welke zijn de Sacramenten der levenden ?

A. Het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.

V. Welke zijn de Sacramenten uit noodzakelijkheid ?

A. Het zijn die Sacramenten, welke men verplicht is te ontvangen, n.1. het Doopsel, het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht en het H. Oliesel.

V. Welke zijn de Sacramenten van vrije keuzo?

A. Het Priesterschap en het Huwelijk; omdat ieder de vrijheid heeft die Sacramenten te ontvangen of niet te ontvangen, volgens dat hij oordeelt daartoe God geroepen te zijn.

V. 'sB. Waarom worden het Doopsel en de Biecht genoemd Sacramenten der dooden ?

A. Omdat zij vooral zijn ingesteld, om aan hen, die geestelijk dood of in doodzonde zijn, de heiligmakende gratie mede te deelen.

V. Wie worden hier verstaan door dooden '!

A. De levende menschen wier ziel in staat van doodzonde is, die geestelijk dood zijn, die het geestelijk of bovennatuurlijk leven der ziel niet hebben.

V. Wat werken die twee Sacramenten uit?

A. Zij maken de zielen, die in staat van doodzonde zijn, weer levend, geven haar de heiligmakeRde gratie ?

V. Zijn het Doopsel en de Biecht daartoe alleen ingesteld ?

A. De Katechismus zegt, dat zij vooral zijn ingesteld, dus niet alleen, omdat iemand, die het Doopsel van begeerte reeds ontvangen heeft, de heiligmakende gratie reeds bezit, en bij denzulko slechts het merkteeken wordt ingedrukt. Zoo ook wordt bij hem, die alleen dagelijksche zonden te biechten heeft, die dus de heiligmakende genade bezit, deze niet gegeven, maar vermeerderd.

V. 's B. In welken staat mag men dus deze Sacramenten ontvangen ?

A Men mag die ontvangen in staat van doodzonde ?

V. Moet men die ontvangen in staat van doodzonde ?

A. Neen, want hij die in staat van gratie is, mag en moet soms het H. Sacrament der Biecht ontvangen.

V. 'sB. Waarom worden de vijf andere genoemd Sacramenten der levenden?

A. Omdat zij zijn ingesteld, om in hen, die het geestelijk leven der ziel of de heiligmakende gratie bezitten, deze gratie te vermeerderen. Br. Omdat zij mogen ontvangen worden alleen door hen, die reeds het bovennatuurlijk leven of de heiligmakende genade bezitten.

V. Waartoe dienen dan deze vijf Sacramenten ?

A. Om het geestelijk leven der ziel te versterken.

V. 's B. In welken staat moet men dus deze Sacramenten ontvangen ?

ocr page 201

197

A. Men moet die ontvangen in staat van gratie.

V. U. Aan welke zonde maakt hij zich schuldig, die een Sacrament vrijwillig in doodzonde ontvangt ?

A. Hij maakt zich schuldig aan de zonde van heiligschennis.

V. 's B. Wanneer is men in staat van gratie ?

A. Als men zuiver is van doodzonde.

V. Wanneer is men in staat van doodzonde ?

A. Als men nog niet gedoopt is, of, als men zich bewust is eene doodzonde bedreven en daarvan nog geene vergiffenis gekregen te hebben door de Biecht, als men die kan ontvangen.

V. 's B. Mogen allo Sacramenten meermalen ontvangen worden?

A. Neen, het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap mogen en kunnen slechts eenmaal ontvangen worden.

V. U.. Br. en R. Welke Sacramenten kan en mag men maar eens in zijn leven ontvangen ?

A. Het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap.

V. Waarom mogen en kunnen die slechts eenmaal ontvangen worden ?

A. Omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prenten.

V. Wat is dat merkteeken?

A. Het is een geestelijk onderscheidingsteeken, dat aan dengene wien het is ingedrukt, eene verhevene wijding en waardigheid schenkt, welke verschillend is naar de Sacramenten, die het indrukken.

V. Welke onvernietigbare hoedanigheid, wijding, waardigheid wordt ons door die drie Sacramenten gegeven?

A. le In dit leven worden wij door het Doopsel eerstbeginnende leerlingen van Jesus Christus en ledematen van de H. Kerk. 2e Wij worden door het H. Vormsel strijders, soldaten van Jesus Christus en der H. Kerk, om het geloof standvastig te belijden, waartoe strijd noodig is. 3e Het Priesterschap maakt hen, die het ontvangen tot uitdeelers van Gods H. Geheimen en tot dienaren van Christus.

V. 's B. Waartoe zal dat merkteeken in het andere leven dienen?

A. Aan de gelukzaligen tot meerdere eer en glorie, en aan de verdoemden tot grootere straf en schande.

V. Welke Sacramenten mag men meermalen ontvangen ?

A. Het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel en het Huwelijk.

V. 's B. Waartoe dienen de ceremoniën, met welke de Sacramenten worden toegediend?

A. Om de Sacramenten met grooteren eerbied toe te dienen, en derzelver kracht beter voor oogen te stellen.

V. Wat wil zeggen : Ceremoniën?

A. Ceremoniën wil zeggen: plechtigheden, uiterlijk vertoon, de luister, welke niet tot de bestanddeelen der Sacramenten behooren,

ocr page 202

198

doch bij het toodioncn der Sacramenten gebruikt worden, om de aandacht en den eerbied er voor te verhoogen.

V. Wie hoeft deze ingesteld?

A. De H. Kerk heeft die onder den bijstand des H Geest ten allen tijde verordend en naar gelang van tijd. plaats, omstandigheden gewijzigd. Men mag die plechtigheden dus niet afkeuren, verachten of ze nalaten.

V. Doen die plechtigheden iets af aan de geldiylieid der Sacramenten ?

A. Die plechtigheden mogen alleen wegens dringende noodzakelijkheid achtergelaten worden; de Sacramenten zijn desniettemin geldig toegediend en ontvangen.

V. Waartoe dienen dan die plechtigheden ?

A. Deze dienen, om ons eene levendige, zinnebeeldige voorstelling te geven van hetgeen de H. Kerk over het geheimvolle wezen en de werking der H. Sacramenten leert, en wat zij door deze hoopt te verwerven, alsmede van hetgeen de Sacramenten tot het voorwerp van do liefde en het verlangen der geloovigen maakt.

„De Kerk wordt in de H. Schrift begroet als ,.een ontzagwekkend „leger, ten strijde geordend : ontzagwekkend heet zij om hare kracht, j.die zij put uit het Sacrament des Vormsels; — een leger, omdat „zij één is door het H. Sacrament des Altaars; — ten strijde geor-,.dend wegens het Sacrament des Priesterschaps. De doorl rukt som-„migen uit dit leger weg; het Huwelijk vult deze plaats aanf; „som-migen vallen; de Biecht beurt hen op; — nieuwe strijders „treden in zijne gelederen door het Doopsel; — anderen gaan de „verdiende kroon ontvangen, en worden er toe voorbereid door het ,.H. Oliesel.'''' (Prov. Conc.)

„Wat zal ik den Heer wedergeven voor al hetgeen Hij mij ge-„geven heeft?quot; (Ps. CXV, 3.)

,.De Heer regeert mij, en niets zal mij ontbreken; Hij heeft mij „naar eene vruchtbare weide en naar het water der verkwikking „gevoei'd; Hij heeft mijne ziel bekeerd en mij op den weg der „gerechtigheid geleid; Hij heeft mij aan Zijne tafel doen aanzitten, „mijn hoofd met olie gezalfd, en hoe heerlijk is Zijn beker! (Ps. XXII.)

ocr page 203

199

EEN EX DEETIGSTE LES. Van het Doopsel

(U. 49e les; — Br. 32e les; — R. 3()e les.)

V. R. Welk is het eerste en noodzakelijkste Sacrament?

A. Het Doopsel.

V. 's B. Wat is het Doopsel ?

A. Het eerste en noodzakelijkste Sacrament, in hetwelk door de uitwendige afwassching en aanroeping der H. Drievuldigheid de mensch gezuiverd wordt van alle zonden en schulden.

A. U. Een Sacrament, door Christus ingesteld, hetwelk dooide afwassching met water en de aanroeping der H. Drievuldigheid den mensch zuivert van de erfzonde en alle andere zonden, en tot een kind maakt van God.

V. U. Hoe kunnen wij weten, dat het Doopse] een waar Sacrament is ?

A. Omdat het alle drie hestanddeelen bezit, welke tot een Sacrament vereischt worden.

, V. U. Wat is het uitwendige toeken in het Doopsel ?

A. De afwassching met water en het uitspreken der woorden: Ik doop n in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

V. Welk bevel gaf Jesus aangaande het Doopsel aan de Apostelen ?

A. „Gaat, leert alle volken, en doopt hen in den naam dos ,. Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.quot; (Matt. XXVH.)

^ • AN anneer heeft Christus het Sacrament des Doopsels ingesteld ?

A. Volgens de meening der H. Vaders en Godgeleerden, alsmede van den Romeinschen Katechismus, heeft Hij het Sacrament ingesteld, toen Hij zelf door Joannes in den Jordaan gedoopt werd.

\. A\ aarom staat het Doopsel op do eerste plaats onder do Sacramenten ?

A. Omdat het Doopsel het eerste en noodzakelijkste Sacrament is

V. 's B. Waarom wordt het Doopsel genoemd hot eerste Sacrament?

A. Omdat het Doopsel de deur en de ingang is tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten.

A. R. Omdat men door het Doopsel lid wordt van de H. Kerk, en men vóór dien tijd geen ander Sacrament geldilt;r kan ontvangen.

A. Br. en R. Omdat men vóór het Doopsel geen ander Sacrament geldig kan ontvangen.

V. 's B. Waarom is het Doopsel hot noodzakelijkste Sacrament ?

A. Omdat men zonder Doopsel niet kan zalig worden.

A. U. Omdat niemand zonder Doopsel kan zalig worden, want

ocr page 204

200

die niet gedoopt zal zijn, zal niet zalig worden: „Voorwaar, voor-„waar ik zeg u: zoo iemand niet herboren wordt uit water en den „H. Geest, hij kan het Rijk Gods niet ingaan.quot; (Joan. Ill, 5.)

V. 's B. Waarom kan men zonder Doopsel niet zalig worden ?

A. Omdat men besmet is met de erfzonde, die alleen door het Doopsel vergeven wordt; (R. die door het Doopsel moet vergeven worden).

V. U. Wat leert de Kerk van het lot der kinderen, die zonder Doopsel sterven ?

A. Dat zij van den hemel zullen uitgesloten blijven; maar niet, dat zij ter helle gedoemd zijn.

„Doch het leven, zegt de H. Augustinus, is voor hen eene wel-„daad en het is hun beter te zijn dan niet te zijn.quot;

V. Wat is dus de grootste plicht der ouders bij de geboorte hunner kinderen ?

A. 1quot; Te zorgen, dat hun kind, als het in levensgevaar verkeert, zoo spoedig mogelijk gedoopt worde. 2e En, als het gezond is, het Doopsel in de kerk niet uitgesteld worde.

V. U. Kan het Doopsel met water door iets anders vervangen worden ?

A. Ja, het kan vervangen worden door het Doopsel der begeerte en des bloeds.

V. 's B. Hoevelerlei Doopsels moet men echter onderscheiden ?

A. Drieërlei: het Doopsel des waters of het Sacrament des Doopsels; het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte.

V. 's B. Zijn het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte ook Sacramenten ?

A. Geenszins, maar voor niet gedoopten zijn het middelen om vergiffenis te krijgen van de (Br. erfzonde en andere) zonden, als zij niet in de gelegenheid zijn van het H. Sacrament des Doopsels te ontvangen.

V. Wordt men door het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte ook lid der H. Kerk ?

A. Ja, men wordt gerekend daartoe te behooren.

V. Kunnen dezulken ook andere Sacramenten ontvangen ?

A. Neen; daartoe maakt alleen het Doopsel des waters, d. i. het Sacrament des Doopsels, bekwaam.

V. 's B. Waarin bestaat het Doopsel des bloeds ?

A. Hierin: dat iemand, die niet gedoopt is, voor het Geloof in Christus den marteldood sterft, (Br. en zoo in zijn eigen bloed als gedoopt wordt.)

A. R. Het verduren van den marteldood om Christus' wil.

A. U. Hierin ; dat iemand, die niet gedoopt is, in Jesus gelooft, en voor dat geloof den martelaarsdood sterft.

V. 's B. Wanneer ontvangt iemand het Doopsel van begeerte ?

ocr page 205

201

A. Als hij een volmaakt berouw heeft over zijue zonden met den wil van g-edoopt te worden.

A. U. Als iemand uit liefde tot God berouw heeft over zijne zonden en wenscht gedoopt te worden, zonder daartoe gelegenheid te hebben.

V. Waarop steunt deze leer ?

A. Op de woorden van Christus; „Wie zijn leven zal verloren „hebben om Mijnentwil, zal het vindenquot;, (Matt. X, 39.) en : ..Als „iemand Mij liefheeft, zal hij Mijne woorden onderhouden, en Mijn „Vader zal hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen en Ons „verblijf bij hem nemen.quot; (Joan. XIV. 23.) „Ieder, die bemint, is „uit God geboren.quot; (I Joan. IV. 7.)

V. Waarom worden de Onnoozele Kinderen als Heiligen vereerd ? (28 December.)

A. Omdat zij uit haat tegen Christus door Herodes gedood zijn.

V. 's B. Wie is de bedienaar van het H. Sacrament des Doopsels ?

A. Do gewone bedienaar is do priester, maar in tijd van nood mag en moet eenieder doopen ?

A. U. De pastoor en zijne medehelpers, doch in tijd van nood mag ieder doopen.

V. Wanneer is er nood?

A. Als men met reden vreest, dat iemand zou sterven zonder gedoopt te zijn.

V. 's B. Waarmede moet men doopen ?

A. Met waarachtig en natuurlijk water (Br. en R. als: putwater, regenwater, bronwater, zeewater, enz.)

V. Moet men niet wijwater gebruiken om te doopen ?

A. le Xeen; zij die in tijd van nood doopen doen het best. als zij gewoon, zuiver water gebruiken; daar het wijwater dikwijls niet zuiver is of troebel wordt door lang staan, enz.

2e Wanneer de priester plechtig doopt moet hij het water gebruiken, dat daartoe op Paasch- en Pinkster-Zaturdag gewijd is.

V. Hoeveel water moet men bij hot doopen gebruiken?

A. Zooveel water, dat men kan zeggen te hebben gewasschen: zóóveel, dat het rmter vloeit.

V. 'sB. Welke woorden moet men sproken bij het doopen ?gt;

A. Deze woorden: (Br. zonder welke het Doopsel ongeldig is) ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.

V. Welke van deze woorden zijn noodzakelijk, opdat het Doopsel zeker goed zij ?

A. Alle deze woorden zijn noodzakelijk, zoodat het Doopsel niet goed zou zijn, als men er ook slechts één enkel afliet.

V. 's B. Hoe moet men dus doopen ?

A. Dezelfde persoon moet de woorden spreken en te gelijkertijd

ocr page 206

202

het water doen vloeien op het hoofd van den doopeling, als zulks kan. en anders op een ander lidmaat.

V. Wat moet men eerst doen: het water doen vloeien, of: de woorden spreken?

A. Hij die icascht moet self en tegelijk zeggen: Ik doop n in den Naam des Vaders, en des Zoons en dos H. Geestes.

V. Br. en R. Wat moet men doen, als men de afwassching- niet kan doen op het hoofd' van den doopeling?

A. Dan moet men do afwassching- doen op het voornaamste deel des lichaams, dat men bereiken kan.

V. U. Hoe moet men in tijd van nood doopen?

A. le Men hebbe de meening om te doen wat Christus heeft ingesteld; 2e men giete wijwater of anders natuurlijk water op het hoofd van het kind, en spreke te gelijker tijd: Ik doop u iu den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

V. Is het voor ieder plicht, goed te weten, hoe hij moot doopen ?

A. Ja, omdat ieder kan geroepen worden om te doopen, en daarvan de eeuwige zaligheid eener ziel afhangt.

V. 's B. Wat verkrijgt men door het Doopsel ?

A. 1« Vergiffenis van de erfzonde en van alle voorgaande zonden, en ook van de straffen, die men door de zonde verdiend heeft; (Br. 2e de heiligmakonde genade of het bovennatuurlijk leven dei-ziel met nog vele andere geestelijke voorrechten.)

V. Welke genade deelt ons het Doopsel vooral mede?

A. Ten le het vergeeft de erfzonde; de zonden welke vóór het Doopsel begaan zijn en de straffen der zonden; 2e het maakt ons tot ledematen der Kerk en tot geliefde kinderen Gods.

A. R. Ten eerste, vergiffenis der erfzonde, en van alle zonden, die men vóór hot Doopsel mocht bedreven hebben; ten tweede, kwijtschelding van do straffen; ten derde, bijzondere genaden, om christelijk loven.

V. Op wie hebben die voorgaande zonden betrekking ?

A. Alleen op hen die, volwassen zijnde, gedoopt worden, daar kinderen vóór hun Doopsel geene dadelijke zonden kunnen l)edrijven.

V. Wat wordt er vereischt, als men tot do jaren van verstand gekomen is, om geldig gedoopt te worden ?

A. le Dat men den oprechten wil hebbe gedoopt te worden; 2J dat men de noodzakelijke waarheden des geloofs kenne; 3e een berouw hebbe over zijne persoonlijke dadelijke zonden.

V. Waarom laat men hen, die zullen gedoopt worden, dan biechten ?

A. Als zij biechten vóór het H. Doopsel, dient zulks om den toestand hunner ziel te loeren kennen, en hen daarnaar te onderrichten ; doch zij ontvangen niet het H. Sacrament der Biecht. Na het Doopsel, wanneer zij eertijds door onkatholieken gedoopt waren.

ocr page 207

203

ontvangen zij het H. Sacrament der Biecht, tot meerdere zekerheid, dat ook hunne dadelijke zonden zouden vergeven zijn. Deze worden meestal gedoopt op de voorwaarde; indien gij niet gedoopt zijt, dan doop ik u in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.

V. Wanneer moet men aldus onder voorwaarde doopen'?

A. Als men twijfelt of iemand gedoopt is; als men twijfelt of iemand geldig gedoopt is; als men twijfelt of iemand leeft.

V. Br. Hoe dikwijls mag men gedoopt worden?

A. Niet meer dan eens in het leven om het onuitwischbaar merkteeken, dat het Doopsel in de ziel prent.

V. Wat krijgen we dus door het Doopsel?

A. le Vergiffenis der erfzonde (en voorgaande zonden). 2e Vergiffenis dor straffen. 3e De heiligmakende gratie. 4e Het kindschap Gods, Wiens erfgenamen wij tevens worden. 5e De goddelijke deugden van Geloof, Hoop en Liefde. 6fi Het merkteeken in de ziel. 7® Recht, aanspraak op bijzondere genaden tot een christelijk leven en ter vermijding van het kwaad. 8e Het lidmaatschap der H. Kerk.

V. 's B. Waaraan hebt gij door den mond van poter en meter verzaakt, toen gij gedoopt werd ?

A. Aan den duivel, aan al zijne werken en aan al zijne ijdelheden.

V. Br. en R. Wat beloven wij in het Doopsel?

A. Ten le de katholieke leer te zullen gelooven en belijden; ten 2'' den duivel te verzaken met al zijne werken en ijdelheden 3e braaf en christelijk te zullen leven.

V. Br. en R. Hoe hebben wij die beloften afgelegd?

, A. Wij hebben die beloften afgelegd door den mond van peter en meter.

V. Hoe verbinden deze beloften?

A. Deze beloften verbinden den doopeling streng ze te houden; zoodat zijne zonde in zijn soort zwaarder is dan van een ongeloovige.

V. Is het goed die beloften te vernieuwen ?

A. Ja; 1°. de geestelijke Overheid doet ze den doopelingen plechtig vernieuwen bij gelegenheid hunner eerste H. Communie. 2°. Het is loffelijk, die jaarlijks op den verjaardag van het Doopsel te vernieuwen. 3°. Een krachtig middel om aan die beloften getrouw te blijven is wél, ze te vernieuwen telkenmale dat men de H.H. Sacramenten der Biecht en Communie ontvangt.

V. Hoe kan men dit gemakkelijk doen?

A. Door na de H. Communie te zeggen: ik verzaak den duivel, — zijne werken: de zonde; — zijne ijdelheden: de aanleidingen en gevaren tot zonde. Ik geloof in God den Vader, enz. Daarna vraagt men Jesus' zegen en genadehulp over die goede voornemens, om ze te kunnen nakomen.

V. quot;s B. Wat is de plicht van Peter en Meter ?

A. Te zorgen, dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed, en zijne doopbeloften nakome.

ocr page 208

204

V. U Waartoe dienen Peter en Meter bij het Doopsel ?

A. Zij moeten zorgen, dat hunne peetkinderen in de Katholieke Kerk worden opgevoed, en zich later christelijk gedragen.

A. Br. en R. Zij moeten zorgen, dat hun petekind onderwezen worde in de katholieke leer, en zijne doopbeloften nakomc; als de ouders die plichten zouden verwaarloozen.

V. Wat valt er omtrent peter en meter of doop-vader of doop-moeder op te merken ?

A. 1°. Zij alleen mogen peter en meter zijn, die als goede en onderwezen katholieken bekend staan. 2°. Bij het Doopsel mogen slechts één peter en éène meter aangenomen worden; wél mogen meer personen als getuigen bij het Doopsel aanwezig zijn. 3°. Peter en meter moeten, als zij zelve niet aanwezig zijn, onderricht zijn over — en toestemming gegeven hebben tot het peter- en meter-schap. 4U. Peter en meter moeten wel doordrongen zijn van hunne verplichting, om in plaats van — en zelfs tegen de ouders op te treden, wanneer deze hun plicht zouden verwaarloozen. Zij moeten dan doen wat ze kunnen, opdat hun petekind zijne doopbeloften nakome, d. i. dat het de Katechismus, zoo mogelijk de katholieke school bezoeke; niet in diensten of betrekkingen kome, die voor geloof of zeden gevaarlijk zijn; dat het daaruit verwijderd worde; geen omgang hebbe niet slechte personen, enz. 5U. Een huwelijksbeletsel ontstaat tusschen peter en meter met het kind en met de ouders van het kind; niet echter tusschen peter en meter.

V. Als in tijd van nood gedoopt wordt door een ander dan een priester, moet dan ook een peter of meter gebruikt worden?

A. Neen, dan mag geene enkele plechtigheid daarbij geschieden.

V. Wat dient dan gedaan, als het kind goed gedoopt is, en in leven blijft?

A. Dan moeten alle plechtigheden in de kerk voltrokken worden.

V. Wat beteekenen de plechtigheden, die bij het Doopsel gebruikt worden?

A. De plechtigheden, welke het Doopsel 1°. voorafgaan, wijzen op de hooge beteekenis en de uitwerking van dit Sacrament, en 2°. dienen om den doopeling onmiddelijk voor te bereiden op het ontvangen van het Doopsel. 3°. De plechtigheden, welke op het Doopsel volgen, strekken, om den gedoopte do ontvangene genaden en op zich genomene verplichtingen aanschouwelijk voor te stellen en de herinneringen daaraan diep en duurzaam in zijn geest te prenten. (1)

„Wij leven, doch niet wij, maar Christus leeft in ons.quot;

„Zoo gij tot het leven wilt ingaan, onderhoudt de geboden.quot;

(1) Zie De H.H. Sacramenten, waarin de plechtigheden van alle Sacramenten verklaard, alle vereischten en benoodigdheden aangegeven en toegelicht worden. Stokvis amp; Zoon, 's Bosch. Prijs 25 cents.

ocr page 209

205

TWEE EN DERTIGSTE LES.

Van het Vormsel.

(U. 50e les; — Br. 33° les; — R. 31e les.)

V. 's B. Wat is het Vormsel ?

A. Een Sacrament, dat door den Bisscliop wordt toegediend aan degenen, die gedoopt zijn, in hetwelk door de handoplegging, do zalving en heilige woorden, gratie en sterkte wordt gegeven, om het geloof standvastig te belijden.

A. U. Een Sacrament, door Christus ingesteld, hetwelk door de oplegging der handen, de zalving en het gebed des Bisschops, den mensch genade mededeelt, om het geloot standvastig te belijden.

A. R. Een Sacrament, door hetwelk diegenen, die gedoopt zijn, van den H. Geest gesterkt worden om het Geloof standvastig te belijden.

V. U. Wat is het uitwendig teeken van het Sacrament des Vormsels ?

A. De zalving met chrisma en de oplegging der handen, en het gebed des Bisschops.

V. R. Hoe wordt het Vormsel toegediend?

A. De Bisschop dient het Vormsel toe door handoplegging on zalving met Chrisma onder het uitspreken van heilige woorden.

V. U. Hoe weten wij, dat Christus dit Sacrament heeft ingesteld?

A. 1°. De Apostelen hebben dit Sacrament bediend, gelijk wij dit van Petrus en Joannes lozen (Handel VIII), en dit konden zij niet, zoo Jesus hot niet had ingesteld. 2°. De Kerk leert het uitdrukkelijk.

V. Wat verhaalt de H. Schrift omtrent het H. Vormsel?

A. Dat Christus meermalen aan do geloovigen don H. Geest beloofd heeft, en dat de Apostelen door het H. Vormsel den H. Geest hebben medegedeold. In de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII lezen wij : „Als do Apostelen, die in Jerusalem waren, hoorden, „dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus „en Joannes. Zij, daar gekomen zijnde, baden voor hen, dat zij don „H. Geest mochten ontvangen, want Hij was over nog goon van „hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in den Naam van „den Heer Jesus. Toen legden zij hun do handen op, en zij ont-„vingen den H. Geest.quot; — Van de leerlingen te Ephese verhalen dezelfde „Handelingenquot; (hoofdstuk XIX) „dat zij gedoopt werden „in den Naam van den Heer Jesus, en als Paulus hun de handen „oplegde, kwam de H. Geest op hen.quot; Wat de Apostelen gedaan hadden, deden na hen de Bisschoppen. Dit deed den H. Cyprianus schrijven: „die gedoopt is, moet ook gezalfd worden met chrisma.quot; En de Kerkvergaderingen van Elvira (305) en Laodicea schrijven

ocr page 210

206

voor: ,.dat de gedoopten tot den Bisschop moeten gebracht worden ,.en het chrisma der Kerk ontvangenquot;.

Steeds was dan ook de toediening van het H. Vormsel in zwang, zoowel in de Oostersche als Westersche Kerk. en de afgescheurde en kettersche Kerken van het Oosten hebben het H. Vormsel behouden.

V. quot;Wie is de bedienaar van hot H. Vormsel?

A. 1°. De gewone bedienaar is de Bisschop. 2°. Krachtens bijzondere machtiging van den Paus kan ook een priester dit Sacrament toedienen, zooals in Missielanden nog geschiedt en ten tijde van vervolging enz. ook hier te lande gebeurde.

V. R. Waaruit bestaat hot gewijd chrisma {zalve bij uitnemendheid), waarmede de Bisschop het voorhoofd van den vormeling zalft ?

A. Uit olijfolie met balsem vermengd, door den Bisschop op quot;Witten Donderdag gewijd.

V. quot;Welke heilige woorden spreekt de Bisschop?

A. X. {de vaam) Ik teekon u met. het teeken des kruises en vorm u met het Chrisma der zaligheid in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

V. R. Waartoe dient de lichte kaakslag, dien de Bisschop ons bij het Vormsel geeft ?

A. Om ons te herinneren, dat wij moeten bereid zijn voor Christus en het Geloof alle vervolgingen te verdragen.

V. R. Is het Vormsel ook noodzakelijk ter zaligheid?

A. Het Vormsel is niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid; doch het is zonde, het Vormsel niet te ontvangen uit nalatigheid en onverschilligheid.

V. 's B. Wanneer moet men het Vormsel ontvangen ?

A. Als men tot de jaren gekomen is, door de geestelijke Overheid bepaald, en men daartoe de gelegenheid heeft.

V. Moet men tot de jaren van verstand gekomen zijn om het H. Vormsel te kunnen en mogen ontvangen?

A. Xeen, en daarom werd het vroeger, en ook nu nog in Missie-landen soms aanstonds na het Doopsel toegediend.

V. Welke jaren zijn hier te lande door de geestelijke Overheid bepaald ?

A. In ons land dienen de Bisschoppen gewoonlijk het H. Vormsel toe aan degenen, die do eerste H. Communie gedaan hebben, en zij geven daartoe gelegenheid om de vier of vijf jaren.

V. U. Is het Vormsel volstrekt noodig om zalig te worden?

A. Xeen; ook zonder dit Sacrament te hebben ontvangen kan men in den hemel komen.

V. U. Kan men zonder zonde het Vormsel verwaarloozen ?

A. Xeen, hij die dit Sacrament vrijwillig verwaarloost, maakt zich aan eene groote zonde schuldig.

ocr page 211

207

V. 's B. Wat wordt er vereischt, om het Vormsel waardig- te ontvangen ?

A. Dat men gedoopt zij (R. behoorlijk onderwezen) en zuiver van doodzonde.

V. U. In welken staat moet men het H. Sacrament'des Vormsels ontvangen, als men zich niet aan heiligschennis wil schuldig- maken ?

A. Men moet het ontvangen in staat van genade.

V. U. en R. Hoe dikwijls mag men gevormd wordefi ?

A. Maar eenmaal in het leven, omdat het Vormsel een geestelijk merkteeken in do ziel prent.

V. Wat volgt hieruit?

A. Hieruit volgt 1°. dat hij, die het Vormsel in staat van doodzonde heeft ontvangen, dit Sacrament niet nog eens kan of mag ontvangen, en dus zijne heiligschennis slechts kan herstellen door eene goede biecht. 2°. Dat men zich met de grootste zorg tot het ontvangen van dit Sacrament moet voorbereiden, en wel toezien van de genade des H. Geestes niet te verliezen door de zonde.

V. Hoe zal men zich het best tot het H. Vormsel voorbereiden ?

A. Door, gehoorzaam aan het voorschrift des Bisschops, 1°. gedurende de bepaalde drie weken do onderwijzingen bij te wonen; 2°. dien tijd in meerdere ingetogenheid, godsvrucht en vooral gebed door te brengen, naar het voorbeeld der Apostelen, die „volhardden „in het gebed met Maria, de Moeder van Jesusquot; en zich opgesloten hielden in de zaal te Jerusalem, totdat zij den H. Geest ontvangen hadden.

V. 's B. Wat gratie verkrijgen wij door het Vormsel ?

A. Do vermeerdering der heiligmakende gratie, en bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te belijden.

A. U. Ten 1° vermeerdering der heiligmakende gratie; 2° ontvangen wij de genade des H. Geestes, om het geloof standvastig te belijden.

V. Waarom geeft dit Sacrament do vermeerdering der heiligmakende gratie?

A. Omdat het een Sacrament der levenden is, en men dus de heiligmakende gratie d. i. de liefde en vriendschap van God reeds te voren moet bezitten.

V. Men welke genade sterkt de H. Geest ons in het Vormsel?

A. Met de genade om het geloof standvastig te belijden.

V. Wat is dit: het cjeloof standvastig belijden ?

A. Dat is 1°. volgens de wetten en voorschriften van den godsdienst leven; 2° openlijk er voor uitkomen, katholiek te zijn, en zich niet schamen zijne plichten te volbrengen ; 3°. de bekoringen tegen het geloof te overwinnen ; 4°. terugzetting, nadeel, vervolging gaarne voor het geloof te ondergaan.

V. Hebben wij deze verplichtingen niet vóórdat wij gevormd zijn ?

ocr page 212

208

A. Ja, in het Doopsel hebben wij deze verplichtingen op ons genomen ; maar in het Vormsel worden wij op eene bijzondere wijze tot het volbrengen daarvan gesterkt.

V. Welke gaven en deugden, welke wij alreeds in het Doopsel ontvangen hebben, wordendoor het Vormsel vermeerderd en versterJd?

A. 1°. De goddelijke en zedelijke deugden. 2°. De gaven van den H. Geest.

V. 's B. Welke zijn de gaven van den H. Geest, welke men in het Vormsel ontvangt?

A. Deze zeven: wijsheid, verstand, raad, sterkte, godsvrucht, wetenschap en de vreeze des Heeren.

Wijsheid, die het menschelijk verstand verlicht, om de bovennatuurlijke waarheden te kennen. Verstand, dat aan de ziel bekwaamheid geeft, om door te dringen in de bovennatuurlijke zaken, dat eenigszins den sluier der geloofswaarheden oplicht en het verstand er inniger en vaster aan doet hechten. Baad, om ons verstand te richten tot de keuze der juiste middelen. Sterkte, om alle moeielijkheden te aanvaarden voor de eer van God of het heil der zielen. Godsvrucht doet gaarne het oor leenen aan de ingevingen van den H. Geest. Wetenschap, die den weg ter zaligheid doet kennen en de gevaren vermijden om in den hemel te komen. Vreeze des Heeren: meer van Hem te mishagen, dan door Hem gestraft te worden. (1)

V. U. Wanneer moeten de vormelingen in de kerk zijn ?

A. Vóór dat de Bisschop zijne beide handen over de vormelingen uitstrekt.

V. Bestaat hierin het wezen van het H. Sacrament des Vormsels?

A. Neen; het Vormsel bestaat in de gelijktijdige zalving en handoplegging, welke de Bisschop aan iederen vormeling afzonderlijk voltrekt onder het uitspreken der heilige woorden.

V. U. Wanneer mogen de vormelingen de kerk verlaten?

A. Nadat de Bisschop hun den laatsten zegen gegeven heeft.

V. 'sB. Waarom geeft men ons in het Doopsel en Vormsel namen van Heiligen?

A. Opdat wij de deugden dier Heiligen zouden navolgen en door hen beschermd en geholpen worden.

V. Hoe zullen wij die Beschermheiligen het best eeren ?

A. 1°. Door te trachten hunne levens te kennen. 2°. Door dagelijks Hen aan te roepen in het morgen en avondgebed: H. N.........,

bid voor ons. 3°. Door de eene of andere bijzondere deugd ons ter navolging voor te stellen. 4°. Door jaarlijks hun feestdag te vieren, dien dag de H. Sacramenten te ontvangen.

„De gedoopte wordt door den Priester op den schedel, door den

(1) De H.H. Sacramenten, bl. 46, waar men ook alle gebeden en de beteckenis der plechtigheden van het Vormsel kan vinden.

ocr page 213

209

..Bisschop op het voorhoofd gezalfd. De eerste zalving- duidt aan „dat de H. Geest op het hoofd van den doopeling is neergedaald, „om hem tot woonplaats Gods te wijden; de tweede bcteekent. dat „de zevenvoudige gaven des H. Geestes met alle volheid van heiligheid, „wetenschap en sterkte over den vormeling komen.quot; Rabanus Maurus.

DRIE EN DERTIGSTE LES.

Van het H. Sacrament des Altaars.

§ 1-

(TJ. 51° les; — Br. 34° les; — R. 32° les.)

V. 's B. • Welk is het waardigste der zeven H.H. Sacramenten ?

A. Het H. Sacrament des Altaars.

V. Waarom wordt dit genoemd: „Sacrament des Altaarsquot; ?

A. Omdat dit Sacrament op het altaar voltrokken en bewaard wordt.

V. Hoe wordt dit Sacrament nog genoemd ?

A. Het wordt genoemd : het AllerheUigste, omdat Jcsus. de allerheiligste Persoon er tegenwoordig is; — of ook: „Eucharistiequot;, welk woord beteekent: goede, genadenvólle gave, n.1. van den Gever aller genaden zeiven. Dit woord heeft ook de beteekenis van dankzegging, omdat wij door dit Sacrament, dat is dus, door Christus zeiven, aan God behoorlijken dank brengen voor alle genaden en weldaden.

V. Br. Waarom is het H. Sacrament des Altaars het waardigste ?

A. Omdat Christus zelf daar tegenwoordig is.

V. Welk verschil is er tusschen het H. Sacrament des Altaars en de andere Sacramenten ?

A. 1°. Het H. Sacrament des Altaars bestaat in een teek en.'dat 1'lijft en gratie iverld, ook al wordt het niet ontvangen ; — de andere Sacramenten zijn uitwendige teekenen en werken gratie uit slechts dan als zij ontvangen worden. 2°. In dit Sacrament ontvangt men Christus, den Gever der genaden; in de andere Sacramenten de genaden van Christus. 3°. Het H. Altaar-Sacrament is ingesteld als zielespijs en heeft voedende kracht, ook al wordt Het niet genuttigd ; — niet aldus een der overige Sacramenten.

V. 's B. Wat is het H. Sacrament des Altaars ?

A. Een Sacrament (TJ. en R. door Christus in,rest.eld), in hetwelk

14

ocr page 214

210

onder de gedaanten van brood en wijn Christus zelf (TT. en R. werkelijk) tegenwoordig is.

V. Hoe is Christus in dit Sacrament tegenwoordig ?

A. Met Zijne Godheid en nienschheid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is

V. U. Hoe is Christus daar tegenwoordig, levend of niet levend, geheel of gedeeltelijk?

A. Christus is er (Br. onder de gedaanten van brood en wijn), geheel en levend tegenwoordig, met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met Godheid en menschheid, gelijk Hij (Br. onsterfelijk en) verheerlijkt leeft in den hemel.

V. Wat wil zeggen: „gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is ?quot;

A. Dit wil zeggen, dat Christus onder de gedaanten van brood en wijn waarlijk, werkelijk en zelfstandig tegenwoordig is met Zijn verheerlijkt lichaam en verheerlijkte ziel. Waarlijk, d. i. niet zinnebeeldig. Zoo b.v. was het paaschlam der Joden een zinnebeeld, eene figuur Van Christus. 'Werkelijk, niet een afbeelding, gelijk een kruisbeeld eene afbeelding van den Zaligmaker is. Zelfstandig, niet enkel met Zijne kracht, maar met geheel Zijne persoonlijkheid.

V. 's B. Wanneer komt Christus in dit H. Sacrament tegenwoordig?

A. In het H. Sacrificie der Mis, als de priester de woorden der H. Consecratie (Br. over het brood en den wijn) spreekt.

V. R. Waardoor wordt Christus tegenwoordig gesteld in het H. Sacrament ?

A. Door de woorden van de Consecratie, die de priester spreekt, worden het brood en de wijn veranderd in het Lichaam, en Bloed van Christus.

V. TI. en Bp. Wat wil het zeggen; Christus is er tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn ?

A. Br. Dit wil zeggen, dat er in het Sacrament geen brood of wijn meer is, maar alleen de schijn of uitwendige vorm van brood en wijn.

A. U. Brood en wijn zijn veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus; en van brood en wijn is slechts de gedaante, d. i. kleur, smaak overgebleven.

V. 'sB. Is er in dit Sacrament geen brood of wijn aanwezig?

A. Geenszins, maar slechts de gedaante of schijn van brood en wijn.

V. R. Wat verstaat men door gedaanten van brood en wijn?

A. Alles wat men van brood en wijn uitwendig ziet, ruikt, smaakt of voelt.

V. 's B. Is onder iedere gedaante Christus geheel tegenwoordig ?

A. Ja, onder iedere gedaante.

A. R. Ja, Christus is geheel tegenwoordig onder de gedaante van brood, en ook geheel tegenwoordig onder de gedaante van wijn, gelijk Hij ook geheel, onverdeeld in den hemel is.

ocr page 215

211

V. Br. Waarom is Christus g-eliecl tegenwoordig onder iedere gedaante ?

A. Omdat Christus nu onlijdelijk en onsterfelijk is, en Zijn lichaam en Zijn Bloed niet kan gescheiden worden.

■V. Als de gedaanten van brood of wijn (Br. en R. de H. Hostie gebroken) verdeeld wordt, onder welk deel is Christus dan tegenwoordig ?

A. Dan is Christus onder elk deel geheel (Br. en onverdeeld) tegenwoordig.

V. Wat volgt hieruit ?

A. 1°. Dat men het Lichaam en Bloed van Christus ontvangt, als soms de H. Hostie verdeeld wordt, zooals wel eens gebeurt, wanneer er meer mcnschen te Communie gaan dan er H. Hostiën voorhanden zijn. 2°. Dat de priester bij de nutting de grootste zorg heeft, om alle deeltjes te verzamelen, welke soms na de Consecratie van de H. Hostie zouden afgevallen zijn, omdat ook onder het kleinste deeltje Christus geheel, onverdeeld tegenwoordig is. 3°. Dat het onnoodig is onder beide gedaanten het H. Sacrament te ontvangen.

V. Hoe is het mogelijk, dat brood en wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus ?

A. Door de Almacht van God. Yan niets schiep God de wereld; van aarde maakte Hij Adam; water veranderde Hij in wijn; hoe zou Hij niet bij machte zijn, brood en wijn te veranderen in Zijn Lichaam en Bloed ?

V. Hoe kan de oneindige God tegenwoordig zijn onder zoo kleine gedaante?

A. Hij kan dit, omdat Hij almachtig is, evenzeer als Hij te Bethlehem tegenwoordig was onder de gedaante van een klein kind.

V. U., Br. en R. Hoelang blijft Christus in het H. Sacrament tegenwoordig ?

A. Zoolang de gedaanten van brood en wijn blijven bestaan.

V. Waarom is Christus niet m«er tegenwoordig, als de gedaanten van brood en wijn vergaan of verteerd zijn?

A. Omdat er dan geen uitwendig teeken, en bijgevolg ook niet meer het H. Sacrament is.

V. Waarom heeft Christus het H. Sacrament des Altaars ingesteld onder de gedaante van brood en wijn?

A. 1quot;. Om ons te leeren, dat Hij in het H. Sacrament het voedsel onzer zielen wil zijn, gelijk brood en wijn de spijs zijn voor het lichaam. (1) 2°. Om daaronder den glans Zijner goddelijke Majesteit

(1) Biood en ook wijn zijn in zuidelijke landen, waar de wijn in overvloed groeit, het gewone voedsel, zelfs van arme menschen. De hosties zijn brood, van tarwemeel en water gebakken, ongedeesemd, gelijk' Christus brood gebruikte in het laatste Avondmaal, aï had dat wellicht een anderen vorm.

ocr page 216

212

te vcrberg-en. die ons zou beletten tot Hém te naderen en Hem te ontvangen.

V. 'sB. Welke eer zijn wij aan het H. Sacrament des Altaars schuldig- ?

A. Dezelfde eer, die wij aan Christus moeten bewijzen, te weten : de goddelijke eer en aanbidding.

V. Hoe bewijst men goddelijke eer en aanbidding aan Jesus in het H. Sacrament?

A. Men bewijst goddelijke eer en aanbidding als men 1quot;. de kerk voorbijgaand of die binnentredend, of daar verwijlend hef H. Sacrament begroet door het hoofd te ontblooten of te zeggen: Geloofd en gedankt zij ten allen tijde het Allerheiligste en goddelijk Sacrament des Altaars. (1) 2°. Door steeds in eerbiedige houding in de kerk te zijn, en zooveel mogelijk bij te wonen de H. Mis, het Lof of de Vespers, processie, 40 urengebed, (2) den zegen met het H. Sacrament, enz. 3°. Als men, voor zooveel het in zijne macht is, bijdraagt tot versiering van kerk, altaar, tabernakel of andere meubelen, gereide of sieraden, welke voor of bij het H. Sacrament gebruikt worden. 4°. Door meermalen een bezoek te brengen aan het H. Sacrament, bijzonder op Witten Donderdag, 40 urengebed, enz., en het naar zieken te begeleiden of hierbij zijne hulp te verleenen. 5°. Door de feestdagen, ter eere van het H. Sacrament ingesteld. Witten Donderdag en H. Sacramentsdag (3) te vieren. 6°. Door op die dagen vooral, maar ook meermalen, minstens alle maanden of op alle Feestdagen, de H. Communie te ontvangen.

V. 'sB. Wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld?

A. In het laatste Avondmaal,, op den avond vóór zijn lijden.

V. Br. en R. Hoe heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?

A. Hij heeft het brood genomen, dit gezegend en aan Zijne Apostelen gegeven, zeggende: „Neemt en eet, dit is mijn lichaamquot;. Intusschen heeft Hij den kelk met wijn genomen, dien gezegend en aan Zijne Apostelen gegeven, zeggende: „Drinkt allen hieruit, dit is Mijn bloedquot;. Nog voegde Hij er bij: „Doet dit ter Mijner gedachtenis.quot;

V. Br. Wat geschiedde met het brood en wijn toen Christus zeide : „Dit is Mijn lichaam; — dit is Mijn bloedquot;?

A. Toen werd door Zijne goddelijke macht het brood veranderd in Zijn lichaam eii de wijn in Zijn bloed.

(1) 100 dagen aflaat, eens per dag. Pius VI, 24 Mei 1776.

(2) Vollen aflaat op de gewone vooiwaarden van biechten, commiiniceeren, iiet H. Sacrament bezoeken en daar bidden tot intentie der H. Kerk. Tien jaren en 10 maal 40 dagen aflaat, zoo dikwijls men het H. Sacrament met een rouwmoedig hart en den wil'van te biechten- in die dagen bezoekt.

(3) Ingesteld door Paus Urbanus VI, ten jare 1264. 200 dagen aflaat, die na gecommuniceerd te hebben, het H. Sacrament vergezellen in de processie, welke op dien dag gehouden wordt en bidden voor den vrede der Kerk, enz.

ocr page 217

213

V. Br. Waarom voegde Christus er dezo woorden bij. „Doet dit ter Mijner gedachtenisquot; ?

A. Om daardoor aan Zijne Apostelen en aan hunne opvolgers . in het Priesterschap de macht te geven, om het H. Misoffer op te dragen en brood en wijn te veranderen in Zijn lichaam en Bloed.

V. U. Werd ook toen aan de Apostelen en aan hunne opvolgers de macht gegeven om brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus te veranderen?

A. Ja; Jesus gaf hun de macht om datgene te doen. wat Hij zelf gedaan had: „Doet dit ter Mijner gedachtenis.quot;

V. Wanneer oefenen de priesters die macht uit ?

A. In het H. Offer der Mis.

V. Is dan het H. Sacrament des Altaars alleen Sacrament ?

A. Neen, het is Sacrament en offer tevens.

V. Br. Wat is er vóór de Consecratie op liet altaar ?

A. Brood en wijn.

V. Br. Wat is er na de Consecratie op het altaar ?

A. Het lichaam en bloed van Christus, Christus zelf.

V. Br. Blijft er na de Consecratie nog brood en wijn over?

A. Neen; want door de woorden der Consecratie is het brood veranderd in het lichaam, en de wijn in het bloed van Christus.

V. U. Had Jesus, vóór Hij het H. Sacrament instelde, daarvan reeds gesproken en daaromtrent eenige belofte gedaan?

A. Ja, na het wonder der broodvermenigvuldiging had Hij gezegd: „Ik ben het levend brood, dat uit den hemel gedaald is. Mijn vleesch „is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank.quot;

V. Welke woorden voegde Christus hier nog bij ?

A. Deze: „Het brood, dat ik zal geven, is Mijn vleesch voor „het leven der Avereld.quot;

V. Hoe verstonden de Joden deze woorden?

A. Zij namen die letterlijk op en meenden, dat Jesus sprak van Zijn vleesch en bloed, hetgeen zij zouden moeten eten en drinken. Daarom morden zij en zeiden: „dit gezegde is te hard, wie kan „het hooren. Hoe kan Deze ons Zijn vleesch te eten geven ?

V. Hadden de Joden dit niet verkeerd opgevat ?

A. Neen; want Jesus bevestigde hunne opvatting, zeggende: „ Voorwaar, voorwaar Ik zeg u : indien gij het vleesch van den Zoon „des menschen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, zult gij het leven „in u niet hebben. Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, heeft „het eeuwig leven; en Ik zal hem ten jongsten dage opwekken. „Want Mijn vleesch is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk „drank. Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt blijft in Mij en „Ik in hem.quot;

V. Wat gebeurde hierop ?

A. Velen gingen ongeloovig weg. De Apostelen alleen bleven

ocr page 218

214

bij Jcsus. Toen vroeg Hij hun: „Wilt ook gij heengaan ?quot; waardoor Hij te kennen gaf, dat zij Zijne leerlingen niet konden zijn, als zij dit geloofspunt niet aannamen, dat Hij waarlijk, wezenlijk en zelfstandig onder de gedaanten van brood en wijn aanwezig is. Uit naam van allen antwoordde Petrus: „Heer, tot wien zullen wij „gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot;

V. Waarom gelooven wij dus, dat Jesas Christus in het H. Sacrament tegenwoordig is met Godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel leeft?

A. „Omdat Hij de woorden des eeuwigen levens heeftquot;, d. i. omdat Hij het gezegd heeft: „dit is Mijn lichaam; dit is Mijn „bloed.quot; En wie kan of zal dan twijfelen?

V. 's B. Tot wat einde heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?

A. Ten le tot gedachtenis aan Zijne liefde ën heilig lijden; (Br. om in het H. Sacrament des Altaars altijd en overal onder ons tegenwoordig te zijn); ten 2° tot eene waarachtige spijs onzer ziel; ten 3e tot een geduriar (voortdurend) Sacrificie der Nieuwe Wet.

V. Hoe is het H. Sacrament des Altaars eene gedachtenis van de liefde en het lijden van Christus?

A. 1°. Omdat in dit Sacrament Zijne liefde tot ons op bijzondere wijze uitschijnt, dewijl Hij zoo goed is, dat Hij ons Zijn eigen vleesch en bloed tot spijs en drank schenkt. 2°. Omdat het ons herinnert aan den vóóravond van Jesus' lijden, waarop Hij dit Sacrament instelde.

V. 's B. Wanneer behooren wij dus vooral de liefde en het lijden van Jesus te overdenken ?

A. Ten 1° als wij Jesus in het H. Sacrament des Altaars aanbidden ; ten 2e als wij het H. Sacrament in de H. Communie ontvangen ; ten 3e als wij het H. Misoffer bijwonen.

V. Wanneer moeten wij bij het H. Sacrament bijzonder de ffedachtmis houden van Jesus' liefde en lijden?

A. 1°. Als het H. Sacrament in het tabernakel rust, en men een bezoek bij het H. Sacrament brengt. 2°. In Lof of Vespers. 3°. Wanneer het in monstrans of Ciborie (kelk) ter aanbidding is uitgesteld bij het 40 urengebed, op Witten Donderdag of andere dagen.

V. Welke oefening is aan God het aangenaamste onder de opgenoemde godsdienstoefeningen ?

A. Het overwegen van de liefde, het lijden en den dood van Christus door het bidden van den Eozenkrans met de Droevige Geheimen, of der Litaniën van het H. Sacrament (Donderdag), van het Lijden (Vrijdag). De „Gebeden onder het Lof' bevatten gewoonlijk dergelijke overwegingen en gebeden.

„Komt tot Mij allen, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; (Matt. XI, 28.) „Geloof mij, zegt de H. Alphonsus de

ocr page 219

215

Ligorio, „geloof mij: alles is dwaasheid: feesten, schouwburgen, „bijeenkomsten, alle genoegens der wereld zijn vol bitterheid en „droomen. Ik weet het uit eigene, al te smartelijke ondervinding. „Daarentegen kan ik u verzekeren, dat Christus aan eene ziel, „welke met eenige aandacht voor het allerheiligste Sacrament ver-„wijlt, meer troost schenkt dan de geheele wereld met al hare „feesten en vermakelijkheden ooit aanbieden kan.quot;

§ 2.

Van de H. Communie.

(TJ. 54° les; -- Br. S-l0 les, § 3; — R. 32® les, § 2.)

V. Wat beteekcnt het woord ; Communie ?

A. Communie beteekent: deelnemen aan het offer van het lichaam en bloed van Christus. Daardoor wordt eene innige vereeniging der deelnemers onderling en vooral met Christus voltrokken.

V. 's B. Wanneer is het H. Sacrament des Altaars eene waarachtige spijs onzer ziel ?

A. Als wij het waardig in do H. Communie ontvangen.

V. U. Wat wil zeggen: de H. Communie ontvangen of commu-niceeren ? /

A. Dit wil zeggen: ontvangen of nuttigen het lichaam en bloed van Christus.

V. 's B. Als men de H. Communie ontvangt, wat ontvangt men dan ?

A. Het waarachtig lichaam en bloed van Christus, — Christus zeiven.

V. R. Moet men dit H. Sacrament onder beide gedaanten van brood en wijn ontvangen ?

A. Neen, want men ontvangt Christus geheel en al, ook onder ééne gedaante.

V. Indien men onder ééne gedaante zooveel ontvangt als onder twee gedaanten, waarom heeft Christus dan het H. Sacrament onder twee gedaanten ingesteld ?

A. Omdat Christus het H. Sacrament tegelijk als H. Misoffer heeft ingesteld, en tot het H. Misoffer volgens de instelling van Christus beide gedaanten noodig zijn.

V. Waarom zijn tot het H. Misoffer beide gedaanten noodig?

A. Omdat het H. Misoffer het Kruisoffer moet voorstellen.

ocr page 220

216

V. Waarom wil de H. Kerk, dat wij de H. Communie alleen onder de gedaante van brood ontvangen ?

A. 1°. Uit eerbied voor bet H. Bloed; 2°. om het ontvangen der H. Communie voor allen gemakkelijk te maken; 3°. om tegenover dwaalleeraren te verklaren, dat Christus onder iedere gedaante geheel tegenwoordig is.

V. 's B. Wat wordt er vereischt, om waardig te communiceeren ?

A. Ten le dat men (U. in staat van genade, dat is) zuiver zij van doodzonde; ten 2° dat men (U. in den gewonen regel)nuchtor zij van des nachts 12 ure; ten 3e R. dat men vast geloove, dat Christus zelf in bet H. Sacrament tegenwoordig is.

V. Ontvangt ook bij Christus, die in staat van doodzonde te Communie gaat?

A. Ja. maar tot zijne eigene verdoemenis, dewijl bij eene groote doodzonde van heiligschennis begaat.

V. R. W at moet men dan doen, als men in staat van doodzonde is?

A. Men moet dan, alvorens te communiceeren, eene goede biecht spreken.

V. Wat behelst bet tweede vereischte van nuchter te zijn?

A. Nuchter zijn om de H. Communie te ontvangen behelst, dat men van den eersten klokslag van twaalf ure af niets, hoe weinig ook, van buiten den mond. bij wijze van spijs of drank, vrijwillig of onvrijwillig doorhale.

V. Is men ontnuchterd, als men iets onverteerbaars doorslikt, b.v. een draad, een haar; of ook wel, als men een regendruppel, eenig overblijfsel van tusschen de tanden, of bloed ran binnen den mond doorhaalde ?

A. Neen. want dit alles is niet van huiten den mond, noch bij wijze van spijs of drank genomen.

V. 's B. Mag men ooit Communiceeren zonder dat men nuchter is ?

A. Ja, als men in gevaar is van sterven (R. gevaarlijk ziek is).

V. Hoe wordt het H. Sacrament genoemd, als het aan gevaarlijk-zieken gebracht wordt?

A. Men noemt het dan de H. Teerspijze. Deze mag den zieke gegeven worden eerder dan bet H. Oliesel; en zoo lang de gevaarlijke toestand duurt, behoeft zulke zieke niet nuchter te zijn, wanneer bij ook meermalen de H. Communie ontvangt.

V. Waarvoor dient men te zorgen, als aan iemand te huis de H. Communie gebracht wordt ?

A. De grootst mogelijke eerbied moet daarbij betracht worden, en daarom huis, kamer en bed- zindelijk zijn. Eene tafel moet geplaatst worden zóó, dat de zieke die zien kan, en gedeld zijn niet een zuiver tuitten doek. Daarop een kruisbeeld tusschen twee brandende ït-mkaarsen, alsook wijwater met een palmtakje en een weinig gewoon water, waarin de priester zijne vingers zuivert en dat daarna

ocr page 221

217

daarna door den zieke kan uitgedronken worden. Nog behoort men den zieke een witten doek op de handen te leggen, als hij ,.Ons Heerquot; ontvangt. Alle werkzaamheden dienen gestaakt, en alle aanwezigen geknield te zijn, tot de plechtigheid is afgeloopen. (Zie de H.H. Sacramenten.)

V. 's B. Wat verkrijgen wij door de H. Communie ?

, A. Ten le De vermeerdering der heiligmakende genade ; ten 2® bijzondere kracht en gratie om de deugd (het goede) te beoefenen en de zonde te vluchten; U. ten 3fi vereeniging met Christus; ten 4e het onderpand eener heerlijke verrijzenis.

V. U. quot;Welke genaden schenkt eene waardige Communie?

A. Ten 1° Zij veroenigt ons innig met Christus en vermeerdert de heiligmakende genade; ten 2e zij zuivert ons van dagelijksche zonden; ten 3e zij geeft ons vele bijzondere genaden om de deugd te beoefenen en ons voor zonde te bewaren.

V. Ontvangt men die bijzondere dadelijke gratiën aanstonds bij het ontvangen der H. Communie ?

A. Men ontvangt wel aanstonds het recht, aanspraak op die bijzondere dadelijke gratiën, doch men krijgt die genaden zelve, als ze noodig zijn, d. i. als er iets goeds te doen, iets kwaads te laten is.

V. 's B. Ontvangen deze gratiën ook zij, die in staat van doodzonde te Communie gaan ?

A. Neen, zij bedrijven integendeel eene groote doodzonde van heiligschennis.

V. U. Welke doodzonde bedrijft hij, die vrijwillig in staat van doodzonde communiceert ?

A. Hij begaat eene verschrikkelijke heiligschennis; „hij eet en drinkt zich zelven het oordeelquot;, hij maakt „zich schuldig aan het „lichaam en bloed des Hoeren.quot; (I. Cor. XI.)

V. Welke zijn veelal de gevolgen der onwaardige Communie reeds in dit leven ?

A. Verblinding en verstoktheid des harten; somtijds ook een plotselinge dood en andere tijdelijke straffen. „Daaromquot;, (om de heiligschennende Communiën) vermeldt reeds de H. Paulus I Cor. IX, „daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken, en sterven velen.quot;

V. U. Heeft Christus nadrukkelijk bepaald, dat Zijn vleesch en bloed door den mensch moet genuttigd worden ?

A. Ja, Hij heeft gezegd: „Tenzij gij het vleesch van den Zoon „des menschen eet en Zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet „hebben.quot; (Joan. VI, 54.)

V.. Is het dan een goddelijk gebod, dat wij de H. Communie moeten ontvangen ?

A. Ja, en ook een kerkelijk gebod ; want de Kerk heeft bepaald den tijd, wanneer wij moeten communiceèren ? (Zie de 29e les.)

ocr page 222

218

V. 's B. Wanneer is men verplicht, de H. Communie te ontvangen?

A. Ten le Volgens het gebod der H. Kerk ten minste eens 'sjaars omtrent Paschen; ten 2® als men in gevaar is van sterven; doch godvreezende christenen doen het geAvoonlijk alle maanden of op de hooge feestdagen.

V. Waarom is men in stervensgevaar op doodzonde verplicht de H. Communnie te ontvangen ?

A. Omdat hij, die dit verzuimt, zich aan groote ergernis en aan groote nalatigheid in de zorg voor zijne eeuwige zaligheid zou schuldig maken.

V. Waarom gaan godsdienstige menschen dikwijler te Communie ?

A. „Vraagt u de wereld,quot; aldus de H. Franciscus van Sales, „waarom gij zoo dikwijls te Communie gaat, antwoord dan, dat het „is om te leeren God te beminnen, om u te zuiveren van uwe „onvolmaaktheden, om u te bevrijden van uwe ellenden, om troost „in uwe moeielijkheden en kracht tegen uwe zwakheden te zoeken.... „Antwoord, dat zij die vele, en zij die weinig bezigheden hebben, „dikwijls moeten communiceeren; de laatsten omdat zij er den tijd „toe hebben, de eersten omdat zij vaker krachtig voedsel voor „hunne ziel noodig hebben. Antwoord eindelijk, dat gij dikwijls te „Communie gaat, om te leeren het goed te doen, want men doet „gewoonlijk datgene niet goed, waarin men zich zeiven niet oefent.quot;

V. Wat te zeggen van hen, die zelden de H. Communie ontvangen ?

A. 1°. Aan hen, bij wie dit uit gebrek aan geloof of uit onvoorschilligheid voortkomt, is de vraag gewettigd; of Jesus, die Zich zeiven in de H. Communie geeft, hun eene weldaad bewijst; of misschien zij het zijn, die één twee — maal in het jaar aan Jesus een dienst bewijzen ?! 2°. Op hen, die om welke andere redenen of voorwendsels de H. Communie verzuimen, maar wier leven overigens onberispelijk is, passen de woorden van den H. Paulus (I. Cor. XI, 22): „wat zal ik zeggen ? Prijs ik u ? Hierin prijs ik „u niet.quot;

V. Voor wie is het 't meest noodzakelijk, dikwijls de H. Communie te ontvangen?

A. Voor de jeugd. Want de H. Communie verzwakt de begeerlijkheid. Hevig moge het vuur der hartstochten in de aderen woelen, eene bedorven wereld moge steeds nieuwe gelegenheden tot zonden uitdenken en aanbieden; — wanneer een jongeling of een jonge dochter, zich zelve mistrouwend en naar vermogen vluchtend, dikwijls waardig tot de H. Sacramenten nadert: geen nood ! vrees niet voor gevaren, van welke zijde en hoe hevig zo u mogen bedreigen: „duizend, velen uwer medestrijdersquot; (kameraden, kennissen) „zullen „vallen aan uwe linkerzijde; en tienduizendquot; (zeervelen) „aanuwe „rechterzijde, maar u kan de vijand niet deren.quot; (H. Bern.)

ocr page 223

219

V. Wat heeft de Kerkelijke Overheid voorgeschreven, of prijst zij ten zeerste aan.

A. De Kerkelijke Overheid heeft daarom voorgeschreven, dat de kinderen, die hunne eerste H. Communie gedaan hebben, gedurende minstens twee jaren den Katechismus bijwonen en maandelijks de H. Sacramenten der Biecht en Communie ontvangen moeten. En het is haar wensch dat ook die van het dorde en vierde jaar daartoe opgeroepen, en aldus aan het christelijk gebruik gewend worden, van alle maanden te Communie te gaan.

V. U. Wat wordt er vereischt, om niet slechts waardig, maar ook met vrucht te communiceeren ?

A. Dat men zich beijvere, zijne ziel van dagelijksche zonden te zuiveren, en dat men gevoelens van geloof, hoop en liefde in zich opwekke.

V. Wat is communiceeren met veel vrucht?

A. Dat is; in grootere mate ontvangen de vermeerdering der heiligmakende genade, de liefde Gods; meer lust en kracht ten goede krijgen, om van de dagelijksche zonde gezuiverd en voor doodzonde bewaard te blijven; al meer onze booze neigingen verzwakken, enz. Dit alles hangt af van de voorbereiding tot, en de dankzegging na de H. Communie; gelijk ook of men meer of minder bijzondere genaden, zegeningen voor zich zelf en anderen verkrijgt.

V. 's B. Hoelang behoort men vóór en na de H. Communie zich met geestelijke oefeningen bezig te houden ?

A. Ten minste een kwartier uurs.

V. Met welke oefeningen zal men zich het best tot de H. Communie bereiden?

A. Ten 1° Met een vurig verlangen naar de H. Communie op te wekken; ten 2° Met de gevoelens van geloof, hoop, liefde, berouw en ootmoedigheid in zich te verlevendigen.

A. Br. en R. Door oefeningen van geloof en aanbidding; van ootmoedigheid en berouw; van hoop, liefde en vurig verlangen.

V. Hoe kan men het gemakkelijkst die gevoelens in zich opwekken?

A. Door in een kerkboek de „Gebeden vóór en na de H. Communiequot; langzaam, aandachtig en eerbiedig te lezen, daar deze niets anders bevatten dan gevoelens van geloof, hoop, enz.

V. Hoe moet men te Communie gaan ?

A. Ten 1° Als de priester de H. Hostie toont, klopt men driemaal op de borst zeggende: „Heer, ik ben niet waardig, dat Gij „onder mijn dak komt, doch spreek slechts één woord, en mijne „ziel zal gezond worden.quot; 2° Men begeeft zich naar de Communiebank de handen gevouwen, de oogen neergeslagen, het hart tot God opgeheven. 3e Op de Communiebank gezeten, steekt men de handen opengespreid onder het Communiekleed, houdt het hoofd recht, de

ocr page 224

220

oogen neergeslagen, de mond tamelijk geopend, de tong tot op de onderste lip uitgestoken. 4e Als de priester ,.Ons Heerquot; op de tong legt, zegt men hem na : „Het Lichaam onzes Heeren Jesus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.quot; 5e Eerbiedig opgestaan, de handen gevouwen, knielt men en begeeft zich naar zijne plaats. 6e Daar teruggekeerd bedekt men, om alle verstrooiing te vermijden, het gelaat met de handen, houdt zich eenvoudig en hartelijk met Jesus bezig om Hem te loven, te danken, te vragen voor zich zeiven. voor anderen, tijdelijke zoowel als geestelijke dingen.

V. Br. en R. Mag men na de H. Communie dadelijk de kerk verlaten ?

A. Neen. men behoort minstens een kwartier uurs godvruchtig te bidden.

quot; V. 's B. Met welke oefeningen zal men den tijd na de H. Communie het beste doorbrengen?

A. Ten le Met Jesus te loven en te danken, en ten 2C met Hem gratie te verzoeken, in het bijzonder die gratie, welke men het nneste noodig heeft.

V. Wélke zijn die gratiën, welke men het meest noodig heeft, en hoe die te vragen ?

V Vraag met kinderlijk vertrouwen en in eenvoudigheid des harten, wat u ter zaligheid, voor uwe ziel dienstig of noodig is. Vraag de overwinning over dezen of genen hartstocht. Vraag deze of gene deugd. Vrees niet tot bijzonderheden af te dalen. Evenmin, tijdelijke zaken te vragen voor u zeiven, uwe zaken, belangen, ondernemingen, huisgenooten, familieleden, vrienden, voor allen, die u dierbaar zijn. Vergeet nimmer de overledenen, ongeloovigen en zondaren, de Kerk, Paus, Bisschop en andere overheden.

V. IJ. Hoe behooren wij den Communiedag door te brengen ?

A. Wij moeten dikwerf mot dankbaarheid aan de H. Communie denken, en ons voor te groote verstrooiing en luidruchtige vermaken in acht nemen.

V. Welk is een krachtig middel, om de vruchten der H. Communie blijvend te doen zijn'?

A. Daartoe werkt krachtig het vernieuwen der Doopbeloften en de Opdracht aan Onze Lieve Vrouw ; al was het slechts door de herinnering aan den grooten, onvergetelijken dag der eerste H. Communie.

„Mijne broeders, laat u niet in dwaling brengen door de woorden „en het voorbeeld van lauwe christenen, die slechts zelden de „H. Communie ontvangen; weest niet ondankbaar en zonder hart „voor Jesus, die niets vuriger verlangt, dan dat wij Hem dikwijls „in onze harten ontvangen; zijt steeds hongerig naar dit goddelijk „Manna; uwe eenigste smart, de eenigste oorzaak uwer droefheid „zij, deze geestelijke spijs te ontberen.quot; (H. Jban. Chrysost.)

ocr page 225

221

VIER EN DERTIGSTE LES.

Van het H. Sacrificie der Mis.

(U. 25® les; - - Br. 34° les. § 4; — R. 33« les.)

V. R. Wat is con Sacrificie of Offer?

A. Eene zichtbare gave, die door een Priester aan God wordt opgedragen, om daardoor Zijne Opperheerschappij en onze onderwerping aan Hem te betuigen.

V. U. Wanneer wordt aan God een eigenlijk otter opgedragen ?

A. Als een wettig bedienaar aan God aanbiedt eene zichtbare gave, welke op eenige wijze wordt vernietigd.

V. Hoe noemt men de zichtbare gave, die aan God geofferd wordt ?

A. Deze wordt genoemd: offerande.

V. Waarom is het Sacrificie het beste middel om God te eeren ?

A. Omdat door do vernietiging of verandering dor offerande botookend wordt, dat God alles kan te niet doen on alzoo wordt op do (beste wijze Zijne opperste heerschappij erkend

V. U. Waartoe dienen de offers, die men aan God opdraagt ?

A. Om God als Opperheer te veroeron. Hem voor Zijne weldaden te danken; van Hom vergeving of andere weldaden af te smeeken.

V. Hooft men roods vóór Christus offers aan God opgedragen ?

A. Ja, van het begin der wereld af, en in het Oude Verbond had God dit bepaaldelijk voorgeschreven.

A. Br. Zijn er altijd offers aan God opgedragen ?

A. Ja, zoowol vóór en onder do Oude Wet als in do Nieuwe Wet.

V. Br. Welk is de Oude Wet?

A. Do Wet, die God door Mozos aan het Joodsche volk hoeft gegeven, en die moest duren tot de komst van Christus.

V. Br. Wolke offers worden toen opgedragen ?

A. Ossen, schapen en andere dieren, alsook vruchten der aarde.

V. U. Wat was van do offers dos Ouden Verbonds voorspeld ?

A. Dat zij zouden vervangen worden door één nieuw onbevlekt offer, dat altijd on op alle plaatsen aan God zou worden opgedragen. (Malach I, 11.)

V. U. Waarom zouden die offers des Ouden Verbonds worden afgeschaft ?

A. Omdat zij voorteek enen (voorafbeeldingen) waren van het onbevlekte offer dos Nieuwen Verbonds. (Hobr. X.)

V. \Velke noemt gij do Nieuwe Wet?

A. De Wet, die Josus Christus zelf na Zijne Monschwording heeft gegeven, en die duren moet tot hot einde dor wereld.

ocr page 226

222

V. U. cn Br. Welk is dat onbevlekte offer des Nieuwen Vorboncls ?

A. Jesus Christus zelf is het Offer der Nieuwe Wet.

V. Dat Offer is Jesus zelf, die Zich eens aan het kruis heeft opgeofferd, en die nog voordurend onder de gedaanten van brood en wijn dat Kruis-offer weder tegenwoordig stelt.

V Waarom moest na don dood van Jesus het offer blijven bestaan ?

A. 1®. Opdat de christelijke godsdienst volmaakt zou zijn: geen godsdienst zonder offer, als zijnde dit de uitdrukking dor godsver-eering. „Daarom,quot; zeide de H. Augustinus, „zouden de duivels van „hunne vereerders (de Heidenen) nooit offers verlangd hebben, als „zij niet geweten hadden, dat die den waren God alleen behoorden „gebracht te worden.quot; 2°. Omdat de offers der Oude Wet slechts schaduwen, afbeeldsels waren, die in het Offer der Nieuwe Wet voltooid, vervuld moesten worden. 3°. Omdat God dit Offer der Nieuwe Wet had voorspeld en beloofd. (I Moz. XIV, — Ps. CIX, 4; Malach. I, 10, 11; Hebr. VIII, 3.)

V. 'sB. Hoevelerlei is het Sacrificie der Nieuwe Wet?

A. Tweeërlei: het bloedig Sacrificie des Kruises, en het onbloedig Sacrificie der Mis.

V. R. Welk is het offer van het Nieuw Verbond ?

A. Het offer van het Nieuw Verbond is Christus zelf, die Zich aan Zijn hemelschen Vader door Zijn dood op het kruis voor ons heeft opgeofferd, en nog dagelijks blijft opofferen in het H. Sacrificie der Mis.

V. Br. Wanneer offert Jesus Zich Zeiven?

A. Eenmaal heeft Hij Zich op eene bloedige wijze opgeofferd aan het Kruis, en nog dagelijksch offert Hij Zich op eene onbloedige wijze onder de H. Mis door de bediening van den priester.

V. 's B. Wat is het bloedig Sacrificie des Kruises ?

A. Datgene hetwelk Christus op den berg van Calvarie heeft opgedragen, stortende Zijn bloed en stervende voor alle menschen.

V. Waarom offerde Zich Christus op aan het kruis ?

A. Om te voldoen voor onze zonden en genaden voor ons te verdienen,

V. U. Waarom wil Jesus het Kruis-offer voortdurend weder tegenwoordig stellen ?

A. Tot gedachtenis van Zijn lijden en sterven of van het kruisoffer, en om de verdiensten van dat kruisoffer op ons toe te passen.

V. U. Hoe noemen wij dat offer, waarin Jesus onder de gedaante van brood en wijn zich voortdurend opoffert?

A. Dit noemen wij het offer der Mis.

V. Waarom noemen wij dit Offer de Mis?

A. Het woord Mis is ontleend aan missio: wegzending n.1. der geloofsleerlingen, die niet tegenwoordig mochten zijn bij hpt eigenlijke Offer. Deze naam werd voor het opdragen van het Offer behouden, opdat den oningewijden, vooral den Heidenen niets bekend zou worden van hetgeen verborgen moest blijven.

ocr page 227

223

V. 's B. Wat is liet Sacrificie der Mis ?

A. Hot onbloedig- Sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk hot lichaam en bloed van Christus, onder de gedaante van brood en wijn aan God den Vader (Br. door de bediening- van den priester) wordt opgeofferd.

V. R. Is het Offer der EL Mis dan hetzelfde als het offer des kruises ?

A. Ja, het is een en hetzelfde offer, want Christus is in beide offeraar en offerande.

V. U. Welk onderscheid is er tusschen het Kruis-offer en het offer der Mis ?

A. Het is eigenlijk hetzelfde offer, maar het Kruis-offer was een bloedig, en de Mis is een onbloedig offer.

V. R. Is de wijze van offeren in beide ook dezelfde ?

A. Neen, aan het kruis heeft Christus Zich zichtbaar en op bloedige wijze opgeofferd, doch in de H. Mis doet Hij dit op eene onbloedige wijze, en onder de gedaanten van brood en wijn.

V. Van hoe groote waarde is het H. Sacrificie der Mis ?

A. Het is van oneindige waarde, omdat Christus, die Zich zelf er in opoffert, van oneindige waardigheid is.

V. 'sB. Hoe komt Christus in do Mis tegenwoordig?

A. Door de woorden van de H. Consecratie, die de priester spreekt, worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus.

V. Hoe geschiedt in de Consecratie de vernietiging of verandering, die noodig is tot een Sacrificie ?

A. Ten le, ofschoon Christus onder ieder der beide gedaanten geheel en onverdeeld tegenwoordig is, wordt toch uit kracht van de woorden der Consecratie het brood veranderd onmiddelijk in het lichaam van Christus, en de wijn onmiddellijk in Zijn bloed; en zoo wordt de dood van Christus, bij welken het bloed van het lichaam gescheiden werd, op de treffendste wijze afgebeeld en in zekere mate hernieuwd. 2e Het verheerlijkt en levend lichaam van Christus wordt onder de gedaante van brood en wijn gesteld alsof het dood ware, ontdaan van de-verrichtingen Zijner H. Menschheid, en gebracht tot den toestand van spijs en drank.

V. U. Wanneer heeft Jesus het H. Misoffer ingesteld ?

A. In het laatste Avondmaal; toen offerde Hij Zijn lichaam en bloed op, en beval Zijnen Apostelen hetzelfde te doen.

V. 's B. Wie heeft do eerste Mis gedaan ?

A. Christus Zelf in het laatste Avondmaal, en na Hem de H. Apostelen.

V. Met welke woorden stelde Christus het Misoffer in?

A. Met dezelfde woorden als het H. Sacrament des Altaars:

ocr page 228

224

want Hij veranderde brood en wijn in Zijn lichaam en bloed, gaf dat aan de Apostelen en deelde hun het bevel mede: doet dit ter Mijner gedachtenis.

V. Waardoor bewijzen wij, dat het H. Misoffer door de Apostelen en sedert dien tijd altijd is opgedragen ?

A. 1°. Uit de woorden van den H. Paulns aan de Hebreeuwen, XIII, 10; „Wij Christenen hebben een offeraltaar, waarvan zij die ,.den tabernakel dienen, niet mogen eten.quot; En aan de Corinthiërs, X, 20, 21. „Gij kunt den kelk des Heeren niet drinken en tevens „dien des duivels (der afgoden); gij kunt geen deelgenoot wezen „èn van do tafel des Heeren èn van de tafelen der duivelen.quot; 2°. Uit de getuigenissen der H. Vaders van de eerste christen-eeuwen : Clemens van Rome, Ignatius Martelaar, Justinus, Irenaeus, Origines, Tertuliaan, Cyprianus, Hyppolitus. „Uagelijksquot;, schrijft de H. Hyp-politus in het begin van 200, „wordt het kostbaar en onbevlekte „lichaam en bloed van onzen Hoer Jesus Christus op de geheimvolle „en goddelijke tafel gewijd en geofferd tot eene herinnering aan „dien eeuwig gedenkwaardigen eersten disch van het geheimvol, „goddelijk Avondmaal.quot; 3°. Uit de besluiten van vele kerkvergaderingen: van Xicea, gehouden in 325, van Laodicea, Ancyra en anderen van dezelfde eeuw. 4°. Uit de verzameling van kerkelijke gebeden en plechtigheden, welke in de geheele Kerk waren voorgeschreven en nog gebruikt worden bij de viering van het Misoffer. 5°. Uit de altaren, opschriften, schilderingen, en andere monumenten, welke uit do eerste tijden van hot christendom afkomstig zijn, en op de viering van het Misoffer wijzen.

V. 's B. Wie offert aan God het H. Sacrificie der Mis op ?

A. Christus Zelf is de voornaamste Offeraar, doch de priester is Zijn dienaar in het offeren.

V. R. Is het dan de priester niet, die de H. Mis opdraagt?

A. Ja, zeker, doch hij doet dit als dienaar en plaatsvervanger van Christus.

V. U. Wie is de wettige bedienaar van het Misoffer?

A. De priester, die in den persoon van Christus offert.

V. Wie dragen in oneir/elijlxn zin do H. Mis op door don priester ?

A. 1° De geheele H. Kerk, d. i. alle geloovigen. 2e Zij die zich in den geest met Christus en den priester vervoegen, b.v. die verhinderd zijn, en thuis zich in den geest met Christus vereenigen. 3° Zij allen, die de Mis bijwonen. 4° Deze die den priester in het opdragen der Mis helpen, zooals misdienaars, zangers, enz.

V. Aan wien offert de priester de H. Mis op ?

A. Alleen aan God, want de H. Mis is een offer, en een offer kan alleen aan God worden opgedragen.

V. Wordt de H. Mis opgeofferd aan de Heiligen?

A. Neen; de Mis wordt aan God opgedragen ter gedachtenis

ocr page 229

225

dor Heiligen, om hen te oeron en hunne voorspraak in te roepen, God in hen te loven, te danken, enz.

V. 's B. Welke zijn de voornaamste deelen dor H. Mis ?

A. Deze drie: de Ofterande van brood en wijn, de Consecratie en de Nutting.

V. 's B. Wanneer geschiedt de Offerande van brood en wijn ?

A. Na het Evangelie, als de priester den Kelk ontdekt heeft (U. en brood en wijn aan God opdraagt.)

V. Wat is eigenlijk de offerande?

A. De opoffering, d. i. de zegening, wijding van hot brood, dat de priester op den Kelk mee naar het altaar gebracht heeft, en van den wijn, dien hij aan het altaar, vermengd met een weinig water, in den kelk gegoten heeft.

V. Wat volgt er uit, dat de Offerande van brood en wijn een der voornaamste deelen van de H. Mis is?

A. Dat men niet zonder zonde dit gedeelte der H. Mis mag verzuimen; en zij, die na de Offerande in de kerk komen, voldoen niet aan de verplichting van op Zon- en feestdagen Mis tehooren.

V. IJ. Hoe moeten wij bij die opoffering met den priester bidden ?

A. Dat God met welgevallen het heilig offer moge aannemen, opdat het ons en allen christenen, zoowel den overledenen als den levenden tot heil moge verstrekken.

V. 's B. Wanneer geschiedt de Consecratie ?

A. In het midden van de Mis, even vóór dat do H. Hostie en do Kelk (R. door den priester ter aanbidding) worden opgeheven.

A. TJ. In het midden der Mis, als de priester, door de woorden te spreken, welke Jesus Zelf gesproken heeft, het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus verandert.

V. U. Wat moeten wij doen onder de Consecratie ?

A. In diepen eerbied neergeknield, moeten wij Jesus aanbidden, die daar waarachtig tegenwoordig is, en Zich Zeiven voor ons aan God opoffert.

V. 'sB. Wanneer geschiedt de Nutting?

A. Op het einde der Mis als de priester het lichaam en bloed van Christus nuttigt.

V. TJ. Hoe moeten wij de Nutting bijwonen?

A. Met een levendig geloof en berouw over onze zonden moeten wij verlangen en bidden, dat ook wij Jesus op eene geestelijke wijze mogen ontvangen.

V. Wat is de geestelijke Communie ?

A. De geestelijke Communie bestaat in een vurig verlangen, om Jesus in den geest met een hart vol liefde te ontvangen, als hadde men Hem nu werkelijk ontvangen.

V. 'sB. Hoe moet men de H. Mis bijwonen?

A. Met grooten eerbied en aandacht, en het betaamt, dat men

15

ocr page 230

226

geknield blijve van de (Br. Consecratie) Sanctus tot na de Nutting.

V. Welke middelen zijn er, om de H. Mis met eerbied en godsvrucht bij te wonen ?

A. le Men moet zich wèl doordringen van de hoogheilige handeling, welke daar plaats heeft: het offer des Kruizes wordt op onbloedige wijze vernieuwd. Daarom 2° zich daarin onderrichten, daarover boeken ot tijdschriften lezen, en zóó het geloof levendig houden. 3° De beteekenis van de plechtigheden kennen, waarmede de H. Mis wordt opgedragen, die allen wijzen op de opoffering van Christus aan Zijn hemelschen Vader. 4e Den priester volgen gedurende de Mis. 5e Eene behoorlijke plaats in de kerk innemen.

V. Waarom moet men geknield blijven van de Sanctus tot na de Nutting?

A. Omdat aan de Sanctus (die door driemaal bellen wordt aangekondigd) do voorbereiding tot de Consecratie begint, en men dus stoornis en oneerbiedigheid zou veroorzaken, als allen hij de Consecratie eerst zich op de knieën zetten. Van de Consecratie af tot na de Nutting (die door driemaal schellen bij de -woorden: Domine non sum dignus : Heer ik ben niet waardig, enz. wordt aangegeven) behoort men geknield te blijven uit eerbied en in aanbidding van Jesus Christus, die dan op het altaar tegenwoordig is.

V. Br. Op welke dagen is men verplicht, de H. Mis te hooren ?

A. Op de Zondasen en de gebodene feestdagen.

V. Br. W anneer begint de verplichting van de H. Mis te hooren ?

A. Gewoonlijk als men zeven jaren oud is.

V. 's B. Wat kunnen wij door het H. Sacrificie der Mis verkrijgen ?

A. (Br. Genade tot) Vergiffenis van onze zonden en al wat wij van God begoeren, voor ons zeiven, voor anderen en ook voor do zielen in het vagevuur.

A. U. Veelvuldige genaden en gunsten voor ons zeiven, voor anderen en ook voor de zielen in het vagevuur.

V. Hoe verkrijgen wij door de H. Mis vergiffenis van zonden?

A. Omdat God, door het Offer verzoend zijnde ons de gratie verleend van boetvaardigheid te doen, en alzoo onze zonden vergeeft.

V. Wie ontvangt de vruchten der H. Mis (d. i. alle geestelijke voordooien, genaden en zegeningen, ook tijdelijke gaven, die God ons ter wille daarvan geeft)?

A. le De algemeene vruchten komen aan de geheele Kerk, lovende en overledene leden der Kerk. 2® De bijzmdere aan den priester, die de Mis opdraagt; aan den persoon, voor wien hij ze opdraagt en aan allen die aandachtig er bij tegenwoordig zijn.

V. R. Tot wat einde wordt het H. Sacrificie der Mis opdragen?

A. Ten le Tot erkenning van Gods opperste majesteit en heerschappij ; ten 2e tot dankzegging voor de ontvangene weldaden; ten 3° tot vergiffenis onzer zonden en voldoening voor de verdiende

ocr page 231

227

stratfen; ten 4e om nieuwe genaden en weldaden voor ons en voor anderen van God te verkrijgen.

V. Waartoe dienen de Ceremoniën (plechtigheden) die in do Mis gebruikt worden ?

A. Tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus en (Br. en R. om onze harten te stemmen tot godsvrucht en eerbied.)

V. Vanwaar komen al die plechtigheden der Mis ?

A. Deze waren alreeds bij de Apostelen in gebruik en zijn door de H. Kerk in den loop der tijden bijgevoegd, veranderd, enz. Niemand dan de H. Kerk kan of mag hieraan iets veranderen, bijvoegen of achterlaten.

V. Waarom heeft de H. Kerk door de plechtigheden der Mis het lijden cn den dood van Christus willen afbeelden ?

A. Om dos te beter te voldoen aan het bevel van Christus, die gewild heeft, dat hot H. Sacrament des Altaars eene gedachtenis zou zijn van Zijn lijden en dood. (1)

V. Waarom wordt de H. Mis in het latijn gelezen?

A. le Omdat dit de taal was van Rome, van waar het Geloof tot ons kwam. 2° Daar de H. Mis geene onderrichting is, maar een Offer, verhoogt het den eerbied. 3° Omdat de latijnscho taal niet aan verandering onderhevig is. 4e Dewijl door de ééne taal ook de eenheid in den godsdienst bevorderd wordt, en de éénheid van onze Moeder de H. Kerk beter wordt voorgesteld, die als eene moeder tot hare kinderen slechts ééne taal spreekt.

V. Waarom heeft de Kerk voor den priester eene bijzondere kleeding voorgeschreven, als hij de Mis opdraagt ?

A. le Opdat wij ons zouden herinneren, dat de priester aanpiet altaar niet in zijn persoon handelt, maar de plaatsbekleeder is van Jesus Christus, en een heilig, goddelijk offer opdraagt.

2e In navolging der Oude Wet, als wanneer ook de kleeding des Hoogepriesters, der Priesters en Levieten door God was voorgeschreven.

„Wat mij betreft, ik geloof, dat indien het H. Misoffer niet „bestond, de wereld reeds voorlang te gronde zou zijn gegaan, „dewijl zij het gewicht der vele zonden niet langer zou hebben „kunnen dragen.quot; (H. Leonardus a Porto Mauritio.)

„Als de priester het H. Sacrificie der Mis opdraagt, eert hij God, „verheugt de Engelen, sticht de Kerk, helpt de levenden, schenkt „rust aan de overledenen en maakt zich zeiven aan allo genaden „deelachtig.quot; (Thomas a Kempis.)

(1) Zie de verklaring: der plechtigheden, en van gewaden der Mis in het Kerkelijk Mis- en Lofboekje. bl. 54, 67, enz.

ocr page 232

228

VIJF EN DERTIGSTE LES.

Van de Biecht.

§ 1-

(U. 55e les; — Br. 35° les § 1 ; — R. 34e les § 1.)

V. Heeft Christus in Zijne H. Kerk een bijzonder middel ingesteld, om aan de geloovigen vergiffenis hunner zonden te bezorgen ?

A. Ja, Hij heeft daartoe ingesteld het H. Sacrament der Biecht.

V. 's B. Wat is do Biecht ?

A. Een Sacrament, in hetwelk door de priesterlijke macht de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn. vergeven worden (TJ. aan hen. die ze rouwmoedig belijden.)

V. R. Wie heeft het Sacrament der Biecht ingesteld?

A. Christus Zelf.

V. 's B. Wanneer heeft Christus het H. Sacrament der Biecht ingesteld ?

A. Op den dag Zijner Verrijzenis (ü., Br. en R. toen Hij zeide tot Zijne Apostelen: „Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij verbeven zult, hun worden zij vergeven, en wier zonden gij zult „houden, hun zijn zij gehouden.quot; (Joan. XX, 23.)

V. Welke macht hebben de Apostelen door die woorden ontvangen ?

A. De macht om de zonden te vergeven en te houden.

V. Is die macht aan de Apostelen alleen gegeven ?

A. Neen, maar ook aan alle hunne opvolgers in het priesterschap, d. i. aan alle priesters.

V. Wanneer gebruiken de priesters die macht ?

A. Als zij de H. Absolutie geven of weigeren.

V. Mogen de priesters de H. Absolutie geven of weigeren aan wien en wanneer zij willen ?

A. Neen, zij zijn rechters, zij moeten dus eerst de belijdenis der zonden aanhooren; over ieders gesteltenis oordeelen.

V. Waardoor bewijzen wij, dat Christus de Biecht of de belijdenis der zonden heeft voorgeschreven?

A. Dit blijkt le uit de woorden van Christus, volgens welke de priester moet oordeelen, of hij al dan niet de H. Absolutie kan en mag geven. 2e Uit het eenstemmig getuigenis der Kerkvaders van alle eeuwen, o. a. Cyprianus, Ambrosius, Augustinus. Vóór deze reeds Tertullianus, Origines, enz., die molding maken van het toen bestaand algemeen gebruik van de zonden te biechten. 3e De H. Lucas verhaalt in do Handelingen der Apostelen, „dat véle „geloovigen tot hem (Paulus) kwamen en beleden en zeiden wat

ocr page 233

229

„zij gedaan hadden.quot; De H. Treneus, leerling der Apostelen deelt mede, hoe eonige vrouwen, die misleid waren, ook de begeerten van hare harten beleden. 4e Uit het feit, dat sommige Ketters de Biecht behouden hebben. 5e Uit de volstrekte onmogelijkheid, om de Biecht door menschen in te voeren.

V. Br. Tot welk einde heeft Christus het Sacrament der Biecht ingesteld ?

A. Tot vergiffenis van alle zonden, die na het Doopsel bedreven zijn.

V. R. Waardoor worden de zonden vergeven in het Sacrament der Biecht?

A. Door de Absolutie, die de priester ons geeft in Christus' naam.

V. Welk is dus het uitwendig teeken van de Biecht '?

A. De rouwmoedige belijdenis van den biechteling en de absolutie van den priester; ik ontsla u van uwe zonden in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geest. Amen.

V. 's B. Wat verkrijgen wij door de Biecht ?

A. Ten le Vergiffenis der zonden ; ten 2° minstens kwijtschelding der eeuwige straffen (R. en van een deel der tijdelijke straffen); ten 3e bijzondere dadelijke gratiën, om niet meer in de zonde te vallen.

A. U. en Br. le Vergeving van zonden en straffen, ten minste van de eeuwige straffen ; 2e heiligmakende genade of vermeerdering daarvan; 3e eene bijzondere hulp om de zonde te ontvluchten (dadelijke genaden tegen het hervallen in de zonde.)

V. Noem eenige andere voordeden van het H. Sacrament der Biecht.

A. le Zijne zonden belijden is eene daad van zelfkennis, van ootmoed en berouw, alleszins geschikt om Gods genade en barmhartigheid te verwerven. 2e Het is een voortreffelijk middel tot verbetering des levens en tot voortgang in het goede. 3quot; De Biecht strekt tot welzijn van ieder en allen, in huisgezin en maatschappij.

Dit laatste wordt zelfs door andersdenkenden en ongeloovigen erkend, b.v. Leibnitz, Fits William, Voltaire, Eousseau, enz.

V. ü. Waartoe moeten die voordeelen der Biecht ons aansporen ?

A. Dat wij van dit Sacrament een ijverig gebruik maken, en ons best doen om het altijd waardig te ontvangen.

V. 's B. Wanneer is men verplicht te biechten ?

A. Ten 1° volgens het gebod der H. Kerk ten minste eens 's jaars; ten 2° als men in gevaar is van sterven; ten 3° als men in doodzonde gevallen is mag men niet lang uitstellen, en god-vreezende christenen doen het gewoonlijk alle maanden of op hooge feestdagen.

V. Is biechten dan een kerkelijk gebod ?

ocr page 234

230

A. Neen het is eon goddelijk gebod, doch de Kerk heeft er slechts de tijdsbepaling (alle jaren) bijgevoegd.

V. Waarom moet men in gevaar van sterven biechten?

A. Omdat de Biecht het gewone en zekere middel is om zalig te worden.

V. Waarom mag men de Biecht niet lang uitstellen als men in doodzonde gevallen is ?

A. le Omdat men niet in vijandschap met God mag blijven. 2C Omdat men zich blootstelt, onverwachts in zonde te sterven.

V. Wat volgt hieruit?

A. Dat zij. die zich van doodzonde bewust zijn, welke nog niet door de Biecht vergeven zijn, krachtens goddelijk gebod verplicht zijn te biechten, als zij de Biecht in langen tijd of nimmer meer kunnen ontvangen: zooals zij die eene groote zeereis maken; soldaten, die ten oorlog trekken; zij, die eene gevaarlijke operatie moeten ondergaan, enz.

V. Br. Is het ook raadzaam dikwijls te biechten ?

A. Ja, het is raadzaam iedere maand of op de hooge Feestdagen te biechten, zooals godvreezende christenen doen; doch het is bijzonder raadzaam zijne biecht niet te lang uit te stellen, als men in doodzonde gevallen is.

V. R. Kunnen alle zonden in do Biecht vergeven worden?

A. Ja, alle zonden, die men na het Doopsel begaan heeft, kunnen door de Biecht vergeven worden.

V. Waarom zegt gij ; „die na het Doopsel bedreven zijnquot; ?

A. Omdat de zonden, welke volwassenen bedreven hebben voor dat zij gedoopt zijn, door het Doopsel vergeven worden.

V. R. Hoe dikwijls kan men in de Biecht vergiffenis van zijne zonden krijgen ?

A. Zoo dikwijls als men met een oprecht berouw zijne zonden behoorlijk biecht.

V. U. Kan ieder, hoedanig hij ook gesteld zij. van den priester vergeving zijner zonden in de Biecht verkrijgen ?

A. Neen, alleen hij kan vergeving krijgen, die voldoet aan hetgeen tot de Biecht vereischt wordt.

V. 's B. Hoeveel doelen worden tot do Biecht vereischt van den kant des biechtelings ?

A. Drie: het berouw, de belijdenis en do voldoening.

A. U. Hij moet le berouw over zijne zonden hebben; 2® zijne zonden belijden; 3e bereid zijn de schuldige voldoening te volbrengen.

V. 's B. Welk is het noodzakelijkste deel van de Biecht ?

A. Het borouAV.

V. 's B. Waarom is hot berouw het noodzakelijkste ?

A. Omdat zonder berouw nooit (Br. dadelijke) zonden kunnen vergeven worden.

ocr page 235

231

V. Is het mogelijk, dat men vergiffenis van zonde krijgt zonder ze gebiecht of de voldoening1 er voor volbracht te hebben?

A. Ja, als men onmogelijk kan biechten of de penitentie volbrengen : b.v. als men niet kan spreken, of dadelijk na de Absolutie sterft, buiten kennis geraakt, enz.

V. Waarom kunnen zonder berouw nooit dadelijke zonden vergeven worden?

A. Omdat God, dien men door de zonde beleedigt, vastgesteld heeft, nooit eenige zonde te vergeven, zonder dat men ze verfoeit, en ze aldus zedelijkerwijze ongedaan maakt.

V. Wat wordt van den kant des biechtvaders vereischt tot de Biecht ?

A. le Dat hij de H. Absolutie geve aan die personen, over welke hij rechtsmacht bezit, over wie hij gesteld is, en wèl van die zonden, welker vergiffenis om hare groote boosheid niet door den Paus of Bisschop aan zich zeiven is voorbehouden. 2° Dat hij de H. Absolutie geve, terwijl do biechteling aanwezig is.

Nota. De biechteling moet dus niet uit den biechtstoel gaan vóór de priester de woorden der H. Absolutie geëindigd heeft.

„Talm niet om tot den Heer terug te keeren, en stol niet van „dag tot dag uit, want 'sHeeren wraak zal plotseling komen.quot; (Eccl. V, 8, 9.) „God, die den boetvaardige vergiffenis belooft, „belooft den zondaar den dag van morgen niet.quot; (H. Gregorius.)

Van het Berouw.

(U. 56e les; — Br. § 2 ; — R. § 2.)

V. U. Moet men zich bijzonder beijveren om berouw te verwekken ?

A. Ja ; zonder het berouw kan ons noch de belijdenis der zonden, noch de absolutie van den priester iets helpen.

V. R. Is het berouw noodzakelijk?

A. Ja, zoo noodzakelijk, dat wij zonder berouw geene vergiffenis van onze zonden kunnen verkrijgen.

V. 'sB. Wat is het berouw?

A. Eene droefheid des harten en eene verfoeiing van do bedrevene zonden, door dewelke men God vergramd heeft, met het vaste voornemen van niet meer te zondigen.

ocr page 236

232

V. Br. Uit hoeveel doelen bestaat dus het berouw?

A. Uit twee doelen: le uit eene droefheid des harten en eene verfoeiing' van de bedrevene zonden, omdat men God door dezelve beleedigd heeft; 2e uit een vast voornomen van niet meer te zondigen.

V. Wordt tot het berouw vereischt eene zinnelijke en gevoelige droefheid ?

A. Neen, eene gevoelige droefheid is niet noodig, en is alleen zelfs niet voldoende. Het moet een leedwezen zijn, zetelend in den wil, die het kwaad verfoeit, d. i. het ongedaan zou willen maken.

V. Br. Hoedanig moot die droefheid zijn over de beleediging God aangedaan ?

A. De droefheid moet zijn : inwendig, boven alles groot, algemeen en bovennatuurlijk.

A. R. Het berouw moet zijn : bovennatuurlijk, oprecht, bovenal en algemeen.

V. Br. Wanneer is het berouw inwendig en boven alles groot (R. oprecht) ?

A. Het berouw is inwendig en boven alles groot, als men in zijn hart de zonde als het grootste kwaad (R. meer dan elkander kwaad) verfoeit.

A. R. Als men zijne zonden niet alleen met den mond, maar ook met het hart verfoeit.

V. 's B. Is het tot een waar berouw genoeg, met den mond te zeggen, dat men zijne zonde betreurt en verfoeit ?

A. Neen, het berouw moet uit het hart voortkomen.

A. U. Neen, het berouw moet hartelijk, oprecht gemeend zijn, en wel zoodanig, dat men geen onheil meer betreurt en wil vluchten dan de zonde.

V. Heeft men dus berouw, als men de akte of oefening van berouw hielt?

A. Ja, als die woorden ook de gesteltenis van den wil uitdrukken ; — neen, als men die woorden slechts opzegt.

V. Waarom moet men oprecht bedroefd zijn in het hart ?

A. Omdat het hart zich door de zonde van God verwijderd heeft, en dit door leedwezen en boetvaardigheid tot Hem moet wederkeeren.

V. R. quot;Wanneer is het berouw bovennatuurlijk?

A. Als men zijne zonden verfoeit, niet bloot om eenig. tijdelijk nadeel, maar uit eene beweegreden, die het geloof ons leert, bij voorbeeld, dat men God vergramd of do hel verdiend heeft.

A. Br. Het berouw is bovennatuurlijk, als het voortkomt uit de genade en eene bovennatuurlijke beweegreden, b.v. omdat wij God beleedigd hebben; Zijne genade en vriendschap hebben verloren; de straffen der hel of des vagevuurs hebben verdiend.

ocr page 237

233

V. 's B. Kan men volstaan met een natuurlijk berouw, b.v. omdat men voor zijne zonden van zijne ouders gestraft is (U. om tijdelijk nadeel, schande, enz.) ?

A. Neen; men moet bedroefd zijn om eene beweegreden, die door het geloof gekend wordt, b.v. omdat men door zijne zonden God vergramd heeft. (U. TJit liefde tot God, vrees voor de straffen Gods, enz.)

V. R. Wanneer is hot berouw algemeen?

A.. Als men ton minste al de doodzonden verfoeit, waaraan men plichtig is.

V. ü. Is het berouw goed, als men wel over eenige maar niet over alle bedrevene doodzonden bedroefd is?

A. Neen; het berouw moet zijn algemeen, d. i. over alle bedreven doodzonden.

V. 's B. Over welke zonden moet men berouw hebben ?

A. Ten minste over alle doodzonden, waaraan men plichtig is.

V. U. Waarom over alle bedreven doodzonden?

A. Omdat de beweegredenen, om dewelke men over de ééne doodzonde berouw moet hebben, ook bestaan voor de andere.

V. Waarom wordt gezegd: „ten minde over alle doodzondenquot; ?

A. Omdat men ook over de dagelijksche zonden berouw moet hebben, om er vergiffenis van te krijgen, en. omdat berouw over do dagelijksche zonden noodzakelijk is, als men alleen deze en geene doodzonden bedreven hoeft.

V. U. Welk voornemen moet met de droefheid over de zonde gepaard gaan?

A. Het ernstige en vaste voornemen van zich te verbeteren, elke doodzonde en de naaste gelegenheid daartoe te vermijden, en de noodige middelen tot beterschap aan te wenden.

V. R. Is het voornemen van niet meer te zondigen ook tot een goed berouw noodzakelijk?

A. Ja, want zonder hot vaste voornemen van niet meer te zondigen is het berouw onmogelijk.

V. Waarom is het berouw onmogelijk zonder dit vaste voornemen ?

A. Omdat hij, die de zonde niet wil laten, toont dat hij ze bemint.

V. 's B. Hoedanig moet het voornemen zijn van niet meer te zondigen ?

A. Zoo vast en sterk, dat men ook bereid is die middelen te gebruiken, welke noodig zijn om de zonde te schuwen.

V. Br. en R. Welk is een der noodzakelijkste middelen?

A. Het vluchten der naaste gelegenheid tot zonde.

V. R. Wat verstaat gij door do naaste gelegenheid der zonde ?

A. Personen, plaatsen en zaken, die gevaarlijk zijn, en waardoor men waarschijnlijk tot zonde zal verleid worden.

ocr page 238

234

V. R. Wat moet men doen, indien het soms onmogelijk is de gelegenheid tot zonde te vermijden ?

A. Dan moet men ten minste zorgvuldig de middelen aanwenden, door den biechtvader voorgeschreven om niet in zonde te vallen.

V. R. Wanneer is het berouw algemeen ?

A. Als men ten minste alle doodzonden verfoeit, waaraan men plichtig is.

V. 's B. Welke zonden moet men voornemen te schuwen ?

A. Ten minste alle doodzonden.

V. 's B. Voor hoelang moet men voornemen die te schuwen ?

A. Voor altijd, (d. i. voor den geheelen duur des levens.)

V. Moet men ook berouw hebben over iedere zonde in het bijzonder ?

A. Xeen, het is genoog een berouw te hebben over al zijne zonden in het algemeen.

V. U. Waarop moet men bij het maken van het voornemen bedacht zijn, als men slechts kleine zonden biecht ?

A. Dat men ten minste één soort dier zonden wil verbeteren, of daarvan het getal verminderen.

V. Waarom moet men dan een berouw verwekken over al de dagelijksche zonden, die van dezelfde soort zijn?

A. Omdat zij van dezelfde boosheid zijn, en omdat men de eene niet oprecht kan haten en verfooien zonder de andere.

V. Welk is het beste teeken, dat men een goed berouw hoeft gehad ?

A. Dat men God door geene vrijwillige zonde meer vergramt.

V. Wat is dikwijls een teeken, dat men geen goed berouw heeft gehad?

A. Dat men in dezelfde zonde lichtelijk en meermalen hervalt, of de naaste gelegenheden niet vlucht.

V. Wat is te vreezen bij hen, die aanstonds in groote zonden hervallen ?

A. Dat zij het met hun berouw en goed voornemen niet oprecht gemeend hebben.

V. 's B. Kan men een berouw uit zich zeiven hebben ?

A. Xeen, het berouw is een gave Gods.

V. Br. Wat moeten wij doen, om een goed berouw te verkrijgen ?

A. Wij moeten God er vurig om bidden.

V. 'sB. Hoevelerlei is het (R. bovennatuurlijk) berouw?

A. Tweederlei: het volmaakt berouw en het onvolmaakt berouw.

V. U. Is er nog onderscheid tusschen het berouw, dat uit liefde tot God en dat, wat uit vrees voor de straffen Gods voortkomt?

A. Ja, het eerste is een volmaakt, het tweede een onvolmaakt berouw.

V. 's B. Wat is het volmaakt berouw ?

ocr page 239

235

A. Dat voortkomt uit liefde tot God als hot Opperste Goed in Zich zeiven.

V. U. en R. Wanneer heeft men een volmaakt berouw ?

A. Als men zijne zonden verfoeit en zich beteren wil uit volmaakte liefde tot God, het Opperste Goed.

V. R. AVanneer is onze liefde volmaakt'?

A. Onze liefde is volmaakt, als wij God boven alles beminnen om Hem zeiven, dat is, omdat God oneindig volmaakt, oneindig goed, oneindig barmhartig is.

V. Geef voorbeelden van een volmaakt berouw.

A. De H. Maria Magdalena had een volmaakt berouw, toen zij zich weenende aan Jesus' voeten nederwierp. Jesus zelf getuigde dit; „vele zonden worden haar vergeven, omdat zij veel bemind heeft.quot; Zoo ook had de H. Petrus een volmaakt berouw, toen door een oogslag des Zaligmakers een zoo levendig berouw in zijn hart ontstond dat „hij uitging en bitter weendequot;.

V. 's B. Wat is het onvolmaakt berouw ?

A. Dat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden.

V. U. en R. Wanneer heeft men een onvolmaakt berouw?

A. Men heeft een onvolmaakt berouw als men zijne zonden met het voornemen zich te beteren verfoeit, alleen uit onvolmaakte liefde tot God, of om de afschuwelijkheid der zonde, of uit vrees voor de hel en de goddelijke straffen.

A. Als de goedheid en beminnelijkheid van God niet de genoegzame reden van ons berouw is, maar als nog andere bovennatuurlijke beweegreden in ons het berouw voortbrengen.

V. 's B. Noem eenige van die bovennatuurlijke beweegredenen.

A. Het verlangen naar den hemel, — de vrees der straffen, die de zonde bij God verdienen.

V. Is in het onvolmaakt berouw geene liefde tot God aanwezig ?

A. Ja, in hem, die uit deze beweegreden de zonde haat en verfoeit is altijd eenige onvolmaakte liefde tot den goeden God.

V. R. Wanneer is onze liefde tot God onvolmaakt ?

A. Onze liefde is onvolmaakt als wij God slechts beminnen om het goede, dat wij van Hem hopen te verkrijgen.

V. U., Br. en R. Welk berouw is er nooclig in de Biecht?

A. In de Biecht is een onvolmaakt berouw genoeg; doch een volmaakt berouw is het beste.

V. Wanneer moeten het berouw en voornemen aanwezig zijn ?

A. Deze moeten te voren verwekt zijn, en werkelijk bestaan op het oogenblik dat men de H. Absolutie ontvangt.

V. U. Wat verkrijgen wij van God door een volmaakt berouw ?

A. Door een volmaakt berouw verkrijgen wij dadelijk van God vergiffenis der zonde, ook zonder de Biecht.

ocr page 240

236

V. 's B. Wat kracht heeft hot volmaakt berouw meer dan het onvolmaakt berouw ?

A. Dat het volmaakt berouw de zonden vergeeft zonder de Biecht, en het onvolmaakt berouw met de Biecht.

V. 's B. Als men in gevaar is van sterven en niet kan biechten, kan men dan vergiffenis krijgen van zijne doodzonden ?

A. Ja, door een volmaakt berouw met den wil van te biechten.

V. U. Waartoe is men dan verplicht als men, in stervensgevaar verkeerende, in doodzonde is ?

A. Men is verplicht een volmaakt berouw te verwekken.

V. U. Wanneer is het bovendien heilzaam dit berouw te verwekken ?

A. Het is heilzaam dit dikwerf in zijn leven te doen, maar vooral dan, als men in doodzonde gevallen is.

V. Wat is daaromtrent op te merken ?

A. Als men steeds de akte of oefening van liefde vooral 's avonds aandachtig, eerbiedig en langzaam bidt, zal men zich gewoon maken een volmaakt berouw te verwekken ; aldus steeds bereid zijn de H. Sacramenten der stervenden te ontvangen, ja zelfs om zonder deze uit het loven te verscheiden.

V. 's B. Moet men de doodzonden, die door een volmaakt berouw vergeven zijn, nog biechten ?

A. Ja, als men zulks kan, (Br. want Christus wil, dat alle doodzonden, die na het Doopsel gedaan zijn, gebiecht worden, als men kan.)

Boetvaardigheid zonder berouw is even krachteloos en nietig als het Doopsel zonder water of het Vormsel zonder chrisma.

„Een boetvaardig en vermorzeld hart zult Gij, o God, niet ver-,. smaden.quot; (Ps. 50.)

§ 3.

Van de Belijdenis en de Voldoening.

(U. 58® les; — Br. § 3 ; — R. § 3.)

V. 's B. Wat is de Belijdenis ?

A. Eonc droevige bekentenis van zijne zonden aan den Biechtvader, om er de absolutie (kwijtschelding) van te ontvangen.

V. U. Wat moet men doen, na zijn geweten onderzocht en berouw over de zonde verwekt te hebben ?

ocr page 241

237

A. Zijne zonde oprecht en duidelijk den priester belijden, zonder iets te verzwijgen of te verdraaien van hetgeen men verplicht is te Inechten.

V. Heeft Christus het gebod gegeven, van alle doodzonden aan den priester te biechten?

A. Ja, door de woorden ; „wier zonden gij zult vergeven.....wier

„zonden gij zult houdenquot;, enz. stelde Hij de Apostelen en hunne opvolgers in hot priesterschap tot rechters, die moesten oordeelen of zij al dan niet de zonden konden vergeven. Hoe kunnen zij echter oordeelen, zonder de zonden te kennen; en hoe ze kennen, zonder dat ze hun gebiecht, beleden, bekend gemaakt worden ?

V. 'sB. Welke zonden moet men biechten?

A. Alle doodzonden, aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft.

A. U. Alle doodzonden, sedert de laatste goede Biecht bedreven, en ook die welke men vroeger zeker of waarschijnlijk heeft vergeten te biechten.

V. 's B. Moot men de dagelijksche zonden ook biechten ?

A. Dit is niet noodzakelijk, maar zeer voordeelig.

V. Waarom is dit niet noodzakelijk?

A. Omdat deze ook door andere middelen kunnen vergeven worden, en omdat .men vergiffenis kan krijgen van doodzonden, zonder dat men die van dagelijksche krijgt, dewijl de dagelijksche zonde de liefde Gods niet wegneemt.

V. Welke voordeelen zijn verbonden aan het biechten van dagelijksche zonden ?

A. le Door de Biecht krijgt men gemakkelijker en zekerder vergiffenis van de dagelijksche zonden. 2e De Biechtvader krijgt eene betere kennis van den toestand onzer ziel, waardoor hij in staat is om ons te vermanen, te waarschuwen, daar 3e het dikwijls moeilijk is doodzonde van dagelijksche te onderkennen. 4e Als men de dagelijksche zonden biecht, blijft men zeker bevrijd van ongerustheid en twijfel.

V. U. Wat moet bij het biechten van doodzonden noodzakelijk beleden worden ?

A. Ten le de soort, 2e het getal, en 3e de noodige omstandigheden.

V. 's B. Hoe moet men zijne zonden biechten ?

A. Met getal en omstandigheden.

V. 's B. Wat is biechten met getal ?

A. Zeggen, hoe dikwijls men de zonden van dezelfde soort gedaan heeft of meent gedaan te hebben.

V. U. Moet men bepaald zeggen, hoevele doodzonden van iedere soort men bedreven heeft?

A. Ja, men moet het juiste getal, en als men dit niet zeker

ocr page 242

238

weet, hot naaste getal zeggen, b.v. vier, vijfmaal ongeveer, of eens, tweemaal, iederen dag, iedere week, enz.

V. U. en Br. Hoe moet men biechten, als men zich het juiste getal niet herinnert?

A. Men zegt dan het naaste getal, en men voegt er bij: min of meer.

V. 's B. Welke omstandigheden moet men bij de zonden voegen ?

A. Die omstandigheden, welke de zonden (Br. en R. de boosheid en do soort der zonden) merkelijk veranderen.

V. Hoeveel soort van omstandigheden zijn er ?

A. Drie soorten: 1® die de zonde vermeerderen; 2e haar verminderen; 3e van soort veranderen.

V. Geef hiervan een voorbeeld.

A. Iemand steelt eene groote som, of iets van weinig waarde: omstandigheden, die de zonde van diefstal vermeerdert, vermindert; steelt hij van eene kerk, enz. komt er eene omstandigheid bij, welke de diefstal doet zijn een heiligschennende.

Iemand slaat zijns gelijke, zijne ouders, een geestelijke, enz.

V. Welke omstandigheden behoeven niet bij de zonde gevoegd te worden?

A. Die, welke aan de zonde niets veranderen, op het soort, het getal en de grootte der zonde geen merkbaren invloed uitoefenen.

V. Wanneer biecht men voldoende de omstandigheden ?

A. Als men de zonde biecht, gelijk ze aan God bekend zijn, eu gemoedelijk antwoordt op de vragen, welke de biechtvader doet.

V. Hoe moet dus do biecht zijn?

A. De biecht moet zijn volkomen, oprecht en duidelijk.

V. Wanneer voldoet de belijdenis aan deze vereischten?

A. Als men zich beschuldigt gelijk men voor God zich schuldig kent, zonder iets te verzwijgen, te verdraaien, te verschoonen of te verontschuldigen.

V. Wanneer is de biecht duidelijk?

A. De biecht is duidelijk, als men zóó zijne zonden belijdt, dat de biechtvader alles kan verstaan en den toestand der ziel kan kennen. Men spreke dus niet te snel en niet te zacht; — men gebruike geene algemeene en onbepaalde uitdrukkingen; — men hale niet onordelijk alles doorheen.

V. U. Hoe is die biecht, waarin men opzettelijk eene doodzonde verzwijgt, bedekt, of het getal der doodzonden vermindert?

A. Die biecht, en ook de volgende biechten, waarin men die zonde blijft verzwijgen, zijn onwaardig en heiligschennend.

V. Mag men in de biecht vrijwillig eene dagelijksche zonde verzwijgen ?

A. Ja, want men is niet verplicht dagelijksche zonde te biechten.

ocr page 243

239

V. 's B. Is het groot kwaad vrijwillig, b.v. uit schaamte, eeno doodzonde in de Biecht te verzwijgen?

A. Ja, het is eene groote doodzonde van heiligschennis, en men krijgt geene vergiffenis van de zonden, die men gebiecht heeft.

V. Op hoeveel manieren kan het achterlaten eener doodzonde vrijwillig zijn ?

A. Op twee manieren: le als men ze willens en wetens verzwijgt; 2e als men daarvan vrijwillig oorzaak is, doordat men zijn geweten niet naarstig onderzoekt.

V. 's B. Wat moot hij doen, die eene doodzonde vrijwillig verzwegen heeft'?

A. Hij moet le de zonden biechten, welke hij verzwegen heeft; 2e de heiligschennissen belijden, waaraan hij schuldig mocht zijn; (Br. en R. zeggen, hoe dikwijls hij intusschen onwaardig gebiecht, gecommuniceerd, of nog andere Sacramenten ontvangen heeft); 3e zich op nieuw beschuldigen van alle doodzonden, welke nog niet in eene goede Biecht beleden zijn.

V. U. Hoe moet men zich aanklagen, wanneer men door eene goede biecht die slechte biecht of biechten wil herstellen ?

A. Men moet le zeggen, dat men deze of gene zonde verzwegen heeft; 2e alle doodzonden belijden, sedert de laatste goede biecht bedreven.

V. Waarom krijgt men geene vergiffenis van de zonde, die men verzwijgt, terwijl men wèl vergeving krijgt van de vergetene zonde ?

A. le Als men de zonde verzwijgt, maakt men het Sacrament der biecht ongeldig, doordat de belijdenis schuldig onvolledig is, terwijl het ook aan berouw over de verzwegene zonden zal ontbreken. 2e Als men eene zonde onschuldig vergeet, is de belijdenis onvolledig, doch niet door eigen schuld, terwijl die vergetene zonde toch begrepen is in het berouw, dat men over alle doodzonden heeft, en ook in de belijdenis, daar men zich van alle doodzonden wil beschuldigen.

V. 'sB. Is de biecht goed, waarin men onschuldig eene doodzonde vergeet?

A. Ja, zulke biecht is goed, en men krijgt ook vergiffenis van de zonde, die men onschuldig vergeten heeft.

V. U. Wanneer is dit vergeten onvrijwillig?

A. Als men, na genoegzaam onderzoek des gewetens, de zonden niet indachtig is geworden, of ook onschuldig vergeet ze te zeggen in de biecht.

V. 'sB. Moet men die vergetene doodzonden nog biechten, als men ze later indachtig wordt?

A. Ja, want Christus wil, dat alle doodzonden, die na het Doopsel gedaan zijn, eens gebiecht worden.

ocr page 244

240

V. Br. en R. Wanneer behoort men de vergetene doodzonde te biechten ?

A. In de eerstvolgende biecht; doch indien het gevoegelijk kan, is het raadzaam ze te biechten vóór de Communie.

V. Br. en R. Wat zal men doen als men eenigen twijfel heeft aangaande het biechten zijner zonden ?

A. Dan zal men den biechtvader om raad vragen.

V. In welke gevallen moet men vooral den biechtvader raadplegen ?

A. le Als men twijfelt of iets doodzonde zij; in welk geval men zich in gevaar zou stellen eene doodzonde achter te houden. 2e Als men twijfelt of men eene doodzonde bedreven hebbe of niet.

V. Br. en R. Als men alleen dagelijksche zonden te biechten heeft, moet men daarover ook berouw hebben?

A. Ja, men moet berouw hebben over alle dagelijksche zonden, waarvan men de absolutie begeert te ontvangen.

A. R. Ja, ten minste over eene, en over allen van dezelfde soort.

V. quot;s B. Waarop moet men bijzonder acht geven, als men alleen dagelijksche zonden te biechten heeft?

A. Dat men niet zonder oprecht berouw en voornemen het H. Sacrament der Biecht mag ontvangen, en daarom is het raadzaam, alsdan over eene reeds vergevene doodzonde zijn berouw te vernieuwen, en die er bij te voegen.

V. U. Wat moet men doen om de absolutie te ontvangen, als men sedert de laatste biecht geene doodzonde heeft bedreven ?

A. Men moet vóór de biecht berouw verwekken over zonden van het vroeger leven, en die op nieuw belijden.

V. Br. en R. Mag men ook zonden, die men vroeger reeds goed gebiecht heeft, nog eens biechten ?

A. Ja, en het is raadzaam dit te doen, als men maar dagelijksche fouten te biechten heeft, waarover men vreest geen genoegzaam berouw te hebben.

V. Br. en R. Moet men dan over de reeds gebiechte zonden ook nog berouw hebben ?

A. Ja, want het berouw is tot de biecht noodzakelijk.

V. U. Moet men in deze gevallen die vorige zonden met getal en omstandigheden belijden ?

A. Neen, men kan zich dan in het algemeen van ééne zonde of van de soort van zonden beschuldigen.

V. U. Hoe kan men die vroegere zonde bij de biecht aansluiten ?

A. Door te zeggen: ik klaag mij in deze biecht aan van deze of gene zonde van mijn vroeger leven.

V. Br. en R. Wat is eene generale (algemeene) biecht?

A. Eene biecht, waarin men alle vorige biechten of eenige daarvan herhaalt.

ocr page 245

241

V. Br. en R. Wanneer is eene generale biecht noodzakelijk?

A. Als de vorige biechten ongeldig zijn uit gebrek aan oprechtheid, goed berouw, vast voornemen, of genoegzaam onderzoek des gewetens.

V. Br. en R. Wanneer is eene generale biecht nuttig?

A. le Bij de 1° H. Communie; 2e bij het aanvaarden van een levensstaat; 3° als men gevaarlijk ziek is en de biechtvader hot raadzaam oordeelt.

V. Mag men eene generale biecht doen, als men wil ?

A. Neen; maar als men meent daartoe reden te hebben, moet men die redenen aan den biechtvader te kennen geven en zijnen raad involgen.

V. U. Wat wordt in de derde plaats van den kant des zondaars tot de biecht vereischt?

A. Dat hij bereid zij, de schuldige voldoening te volbrengen.

V. U. Waarom moet men daartoe bereid zijn?

A. Omdat men, zonder daartoe bereid te zijn, geen waar berouw kan hebben over zijne zonden.

V. 's B. Wat is men nog verplicht te doen, als men de absolutie ontvangen heeft?

A. Men moet de penitentie of voldoening volbrengen, welke de biechtvader heeft opgelegd?

V. 's B. Waartoe dient de penitentie ?

Ten le Om eenigzins te voldoen voor de tijdelijke straffen dei-zonden ; ten 2° als een hulpmiddel tegen het hervallen in de zonden.

V. U. Worden ons bij de vergeving der zonden altijd alle straffen der zonden kwijtgescholden ?

A. Neen ; dikwijls blijven er voor de vergevene zonden tijdelijke straffen over, welke wij hier of in het vagevuur moeten afboeten.

V. Moeten wij slechts de boete volbrengen, welke de biechtvader heeft opgelegd ?

A. Neen, want deze boete staat niet in evenredigheid tot de bedreven zonden; en daarom moeten wij trachten ook door andere vrijwillige boetplegingen aan de goddelijke Rechtvaardigheid voldoening te geven, b.v. door geduld in tegenspoed en lijden, door goede werken, vasten, aalmoezen geven, door de H. Mis bij te wonen, te laten opdragen, door het verdienen van aflaten. (Zie de 15e les.)

V. U. Waarin bestaat de voldoening, welke de priester oplegt ?

A. In eenig werk van boete of penitentie tot straf voor de zonde en ter verbetering des zondaars.

V, Br. en R. Is het ook zonde, de penitentie achter te laten ?

A. Ja, het is zonde, als men zijne penitentie vrijwillig achterlaat, (U als men ze met zijne schuld verzuimt te volbrengen.)

16

ocr page 246

242

V. R. Is de biecht ook geldig als men de penitentie niet volquot; bracht heeft?

A. Ja, de biecht is geldig, als men bij het biechten den goeden wil had, de penitentie te volbrengen.

V. Wat moet men doen, als de biechtvader eene penitentie oplegt, welke men niet of zeer moeielijk kan volbrengen ?

A. Men moet dat aan den biechtvader zeggen, hem eene andere penitentie vragen.

V. 's B. Wanneer moet men zijne penitentie volbrengen ?

A. Op den bepaalden tijd; en als er geen tijd bepaald is zoodra mogelijk, (U. mag men zulks niet te lang uitstellen.)

V. U. en Br. Wat moet men doen, als men de opgelegde penitentie niet verstaan of vergeten heeft ?

A. Dan zegt men dat aan den biechtvader; en men moet hem eene nieuwe vragen.

V. U. Kunnen wij voor onze zonden ook tot andere voldoeningen verplicht zijn ?

A. Wij kunnen daartoe verplicht zijn. b.v. om sommige ver-zuimenissen goed te maken; om diefsstal, kwaadspreken, ergernis te herstellen, enz. enz.

V. U. Hoe moet men zich ten opzichte der voorschriften en raadgevingen van den biechtvader gedragen ?

A. Men moet die bereidwillig aannemen en getrouw opvolgen.

V. U. Wat moet men oordeelen van hen, die de raadgevingen en voorschriften des biechtvaders weinig achten?

A. Dat zij het met hunne verbetering niet oprecht en ernstig meenen.

„Als gij wilt, dat God u niet straffe, straf dan u zeiven.quot;

(H. Augustinus.)

„Geloof mij: God zal in die mate u sparen, naarmate gij zonder „te sparen jegens u zeiven handelt.quot; (Tertullianus.)

§ 4.

Van de 'manier van biechten.

(U. 56e les; — Br. § 4; — R. § 3.)

V. 'sB. Wat behoort men te onderhouden als men te biechten gaat? Ten le Men moet God bedanken, dat Hij ons in de zonde niet heeft laten stervenquot;; ten 2e den H. Geest om gi-atie bidden (Bp. dat

ocr page 247

243

Hij ons helpe, om onze zonden te kennen en rouwmoedig- te belijden.) ; ten 3e zijn geweten onderzoeken; ten 4e de akten van geloof, hoop en liefde en vooral van berouw verwekken; ten 5e zijne zonden biechten; ten 6° de penitentie volbrengen.

V. Waarvoor nog meer moeten wij God danken?

A. Dat Hij ons niet in meer en grootere zonden heeft laten vallen, want de eene zonde brengt gewoonlijk tot meer of grooter val.

V. 's B. Welke gratie moeten wij den H. Geest verzoeken ?

A. De gratie om de zonden te kennen, er een oprecht berouw over te hebben; en ze goed te biechten.

V. Waarom moeten wij deze gratie van God vragen ?

A. Omdat de mensch bij het onderzoek zijner fouten zoo lichtelijk misleid wordt door zijne driften; omdat onze bedorven natuur hare moeilijkheden aan de belijdenis in den weg stelt, on omdat het berouw eene bovennatuurlijke gave is.

V. U. Wat moet men doen om zijne zonden tc kennen ?

A. Na den H. Geest vurig te hebben aangeroepen, onderzoekt men zijn geweten.

V. Wat is: zijn geweten onderzoeken?

A. Nadenken, om de zonden, die men bedreven heeft, met getal en omstandigheden indachtig te worden.

V. Wat is zijn geweten naarstig onderzoeken ?

A. Dat is: over de zonden, het getal en de omstandigheden met zooveel zorg en naarstigheid nadenken, als men besteedt en aanwendt bij alle andere belangrijke zaken.

V. Kan men eene slechte biecht doen, als men zijn geweten niet goed onderzocht heeft?

A. Ja, als men door achteloosheid en zorgeloosheid grootelijks schuld is dat men eene doodzonde achterlaat, of zich in het gevaar stelt die achter te laten.

V. TT. Waarop dient men bij dit onderzoek het eerst te letten ?

A. Wanneer men het laatst heeft gebiecht, of die biecht goed is geweest, en men de penitentie heeft volbracht.

V. TT. Waarop kan men acht geven, om zich de zonden gemakkelijk in het geheugen te brengen?

A. Op de plaatsen en personen waar, en met wie men verkeerd heett.

V. 'sB. Hoe onderzoekt men het best zijn geweten?

V. Als men met zorg nadenkt, welke en hoevele zonden men bedreven heeft tegen de geboden Gods. tegen de geboden der H. Kerk, en tegen de plichten van zijnen staat; alsmede op welke plaatsen men geweest is of met welke personen men verkeerd (omgegaan) heeft. (Br. en R. en op wat wijze men in dit alles gezondigd heeft door gedachten, woorden, werken of verzuimenissen.

V. Moet ieder bij elke biecht al deze punten nagaan?

ocr page 248

244

A. 1® Voor hen. die dikwijls te biechten gaan is zulks raadzaam • 2e Voor hen die slechts zelden (twee- driemalen in het jaar) biechten, zal het dikwijls noodzakelijk zijn, dat zij allo geboden van God, enz. zorgvuldig nagaan.

V. Welk eenvoudig en zeker middel is er om zijn geweten te onderzoeken ?

A. Als men dit eiken avond doet, al is het ook kort. Dit zal tevens een middel zijn, om zich van zonden of fouten te beteren.

V. TI. Wat doet men na zijn geweten onderzocht te hebben?

A. Men verwekt berouw over zijne zonden.

V. 's B. Hoe zal men zich Gods gratie het best tot berouw opwekken ?

A. Door na te denken; ten le dat men door de zonden Br. en R. het recht op den hemel verloren en de hel verdiend heeft; ten 2e dat Jesus, om de zonden te boeten, de vreeselijkste pijnen en den smartelijksten dood heeft ondergaan; ten 3e dat men dooide zonde God, het opperste goed (Br. en R. Gods vaderlijke goedheid oi) zoo ondankbare wijze) heeft belcedigd.

V. Hoe is dan het berouw eene gave Gods, als wij ons zelven daartoe kunnen opwekken?

A. De overdenking van bovenstaande en andere punten kunnen ons leiden tot berouw, doch dit is het berouw niet. Het berouw zelven moeten wij van God krijgen door het gebed.

V. Is het noodzakelijk de akten van geloof, hoop, liefde en berouw te verwekken, te bidden voor de biecht ?

A. Neen, doch wèl moeten wij de gevoelens hebben, welke daarin zijn uitgedrukt.

V. Hoe deze gevoelens zich eigen te maken, gelijk ook die, welke ons moeten bezielen na de Biecht ?

A. Door eerbiedig, aandachtig en langzaam te bidden de „Ge-„beden voor- en na de Biechtquot;, die in elk kerkboek te vinden zijn, en welke die gevoelens bevatten.

V. 's B. Wat doet men het eerst in den biechtstoel ?

A. (R. Men maakt het teeken van het E. Kruis) vraagt den zegen, zeggende: „Vader, gelief mij den zegen te gevenquot;; en daarna zegt men de voorbiecht.

V. 's B. Zeg de voorbiecht

A. Ik belijd mijne schuld voor God almachtig, voor de H. Maagd Maria, voor alle Heiligen, en u, vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken; het is mijne schuld, mijne

allergrootste schuld, mijne laatste biecht is geweest..... (b.v. voor

acht, veertien dagen: één, twee maanden, enz.)

V. 's B. Hoe zult gij u van uwe zonden beschuldigen ?

A. Met nederigheid en oprechtheid, beginnende met de grootste zonden, uit vrees, van dezelve te vergeten of uit schaamte te verzwijgen.

ocr page 249

245

V. Is de biecht goed, als men de grootste zonden niet het eerst biecht ?

A. Zeker is de biecht goed, als de doodzonden maar beleden worden, hetzij het eerst of het laatst. Het is een raad, niet een gebod, dat de Katechismus hier geeft.

V. Op welke list des duivels moet men voorbereid zijn, als men te biechten gaat ?

A. Gelijk de duivel bij den mensch de schaamte vermindert of beneemt, als hij dezen tot zonde wil brengen, zoo tracht hij hem overdreven schaamte in te boezemen, als de zonde gebiecht moet worden.

V. 's B. Wat moet gij denken pm alle schaamte te overwinnen'?

A, Ten le Dat de Biecht een eeuwig geheim is ; ten 2° dat de Biechtvader de plaats bekleedt van Jesus Christus, die vol liefde is jegens de zondaars; ten 3e dat het beter is zijne zonden in het geheim te belijden, dan in eeuwigheid er over beschaamd te moeten zijn.

V. Kan of mag een priester iets omtrent de Biecht openbaren ?

A. Neen, zelfs niet om zijn eigen leven of om eene ziel, of ook om de geheele maatschappij voor ondergang te behoeden zou de priester iets kunnen of mogen bekend maken.

V. Is ooit iets uit de Biecht bekend geworden ?

A. Neen, ook niet door afvallige of krankzinnige priesters.

Nota. Duidelijk blijkt hieruit dat God waakt over het geheim der Biecht.

V. Wie is als martelaar voor het geheim der Biecht gestorven ?

A. De H. Joannes Xepomucenus. Deze groote Heilige, kanonik en prediker, was biechtvader van keizerin Joanna, echtgenoote van keizer Wenceslaus. Deze ijverzuchtige en achterdochtige vorst wilde dat Joannes hem de biechten zijner vrouw mededeelde. Geene bedreigingen of beloften vermochten iets op den Heilige, evenmin als gevangenisstraf en pijnigingen, welke de keizer hem deed ondergaan. Eindelijk deed Wenceslaus den Heilige, aan handen en voeten gebonden, in de rivier de Moldau werpen. Zijn roemrijke marteldood had plaats den 12 Mei 1383 en, behalve door vele wonderen, heeft God den H. Joannes vooral hierdoor verheerlijkt, dat tot heden diens tong gaaf en onbedorven bleef.

In Russisch-Polen word een priester tot levenslangen dwangarbeid veroordeeld, omdat men hem verdacht een man te hebben doodgeschoten. De ware dader maakte zich bekend en beleed verder, aanstonds na de misdaad zijne biecht te hebben gesproken bij dien priester, opdat deze er niets van zou kunnen mededeelen. Toen echter de ware schuldige ontdekt werd, was de priester reeds overleden.

In 1896 werd in Amerika een priester uit de gevangenis ont-

ocr page 250

246

slagen, die beschuldigd was van diefstal eener som gelds. Deze som was hem echter door een stervende toevertrouwd onder het geheim der hiecht, om daarmede eene door dien stervende gepleegde onrechtvaardigheid te herstellen. Liever dan het geheim te verraden, dat hem slechts als een biechtgeheim was toevertrouwd, wilde hij twee jaren in de gevangenis verblijven onder verdenking van diefstal.

V. Noem eenige voorbeelden van liefde en barmhartigheid, welke Jesus jegens zondaars heeft aan den dag gelegd.

A. Jesus betuigde meermalen in even zoovele woorden en in gelijkenissen; „ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om „zondaars te roepenquot;. (Matt. IX, 11.) „Er zal in den hemel meer „vreugde zijn over één zondaar die boetvaardigheid doet dan over „negen en negentig rechtvaardigenquot;.... De gelijkenis van het verloren schaap en het verloren geldstuk heeft geene andere strekking. Maria Magdalena, Petrus zijn de levendige getuigen van de waarheid, dat God wil, „dat de zondaar leve en zich bekeerequot;.

V. Wanneer zou de biechtvader reden hebben van ontevreden te zijn, te kijven ?

A. Alleen dan, wanneer hij bemerkt, dat men zijne zonden niet oprecht biecht. Dan toch zou men eene slechte biecht doen, en men zou toonen, geen vertrouwen te stellen in den biechtvader.

V. Moet men altijd zijne zonden biechten, belijden aan den biechtvader, om er vergiffenis van te krijgen ?

A. Ja, als men ze kan biechten. Zoo blijft er dus niets over, om vergiffenis te krijgen, dan dat men zijne zonden zegge aan den biechtvader, die er niets van kan of zal mededeelen, wiens ambt het is, de zonden te aanhooren, en den zondaar liefderijk vergeving te schenken; — of wel in het laatste oordeel diezelfde zonden te hooren bekend maken aan alle menschen, en er eeuwig voor verdoemd te worden.

V. Is men vrij om te biechten bij welken biechtvader men wil ?

A. Ja, het staat iedereen vrij te biechten waar, en bij welken biechtvader men wil. Het is zelfs raadzaam, vooral wanneer men bevreesd of beschaamd is, een anderen als den gewonen biechtvader te nemen.

V. Als men bij toeval iets gehoord heeft uit de biecht van een ander, mag men daarover spreken of aan anderen vertellen ?

A. Neen, men is ten strengste verplicht te zwijgen.

V. 's B. Mag men in de Biecht ook een ander beschuldigen ?

A. Neen, want de biecht is slechts eene beschuldiging van zich zeiven.

V. 's B. Mag men in de biecht den persoon noemen met welke men gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is ?

ocr page 251

247

A. Neen, men moet slechts die hoedanigheden zeggen, welke do zonde merkelijk veranderen.

V. Geef daarvan een voorbeeld.

A. Men mag niet zeggen : ik heb bij A. gestolen; maar wel: ik heb bij een arm mensch gestolen; niet: ik heb B. geslagen; maar wel: ik heb een geestelijke geslagen ; niet: ik heb met C. tegen het 6e gebod gezondigd; wèl echter: ik heb met een getrouwde persoon of met familie gezondigd, enz.

V. Moet men zijn eigen naam aan den biechtyader bekend maken ?

A. Neen, de biechtvader mag en zal dien niet vragen.

V. 's B. Wat moet men doen, na al zijne zonden gebiecht te hebben ? (R. Hoe sluit men de biecht?)

A. De nabiecht zeggen.

A. Br. Men zegt de nabiecht, en luistert aandachtig naar de vermaningen van den Biechtvader en naar de penitentie, welke hij oplegt.

V. 's B. Zeg de nabiecht.

A. Van deze en al mijne zonden, die ik niet indachtig ben belijd ik mijne schuld; ik bid God om vergitfenis door de verdiensten van Christus, en U, vader, om eene zalige penitentie en absolutie, indien ik het waardig ben.

A. R. Deze en alle mijne zonden, bekend of onbekend zijn mij van harte leed, omdat ik God, dien ik bovenal bemin daardoor vergramd heb; ik beschuldig mij ervan en vraag de heilige absolutie en eene zalige penitentie.

V. R. Is men verplicht de vóór of nabiecht te zeggen?

A. Men is niet verplicht de vóór- of nabiecht te zeggen, doch het is zeer raadzaam.

V. Wat beteekent het woord: absolutie?

A. Dit woord beteekent: ontbinding of vergiffenis, vrijspraak.

V. Br. Mag de priester altijd de absolutie geven?

A. Xeen, er zijn gevallen, waarin de priester verplicht is die te weigeren, omdat men naar zijn oordeel de Absolutie onwaardig is.

V. Br. Noem eens eenige van die gevallen?

A. 1° Als de biechteling geen berouw heeft over zijne zonden; 2° de naaste gelegenheden van zonde niet wil vluchten; 3e de schade, aan zijn naaste toegebracht, niet wil herstellen; 4C haat of afgekeerdheid niet wil afleggen ; 5e de punten niet kent, die men moet weten uit noodzakelijkheid des middels.

V. Hoe moet men zich gedragen, als de biechtvader oordeelt, dat men de absolutie niet waardig is ?

A. Dan moet men zich aan zijn oordeel nederig onderwerpen, Br. en terugkeeren op den tijd, dien hij gesteld heeft.

V. Mag de biechtvader naar willekeur de H. Absolutie geven, uitstellen of weigeren ?

ocr page 252

248

if

lit Jl

A. Xeen, hij is verplicht zijn oordeel te vormen naar de voorschriften der H. Kerk, die in naam van Christus verklaard heeft, aan welke zondaars de H. Absolutie niet mag gegeven worden.

V. 's B. Mag de biechtvader de Absolutie geven aan iemand, die naar zijn oordeel de Absolutie niet waardig is ?

A. Xeen, hij zou dan zelf groote zonde doen.

V. Indien de biechtvader aan zoo iemand toch de H. Absolutie gaf, zouden diens zonden dan vergeven zijn ?

A. Neen, omdat hij de gesteltenis mist. welke noodzakelijk is, om vergiffenis te krijgen, n.1. berouw, belijdenis of voldoening.

V. 'sB. Wat zult gij doen, als de biechtvader, na u vermaand te hebben, de H. Absolutie geeft?

A. Dan zal ik nogmaals een akte van berouw verwekken.

V. Is dit noodzakelijk?

A. Neen, doch 't is raadzaam het akte van berouw aandachtig en langzaam op te zoggen, om daardoor ware gevoelens van oprecht berouw op te wekken op het oogenblik zelf, dat men de H. Absolutie dat is, het H. Sacrament der Biecht ontvangt. Overigens kan men op dat oogenblik toch wel waar berouw helhen. al zegt men het akte van berouw niet op; gelijk ook hot akte van berouw opzeggen nog geen berouw is. (Zie 7° vraag.)

V. Welke vermaningen geeft de biechtvader ?

A. Vermaningen om u tot berouw op te wekken, om u raad te geven, om u een bepaalde levensregel voor te schrijven, enz.

V. U. Hoe moet men zich ten opzichte der voorschriften en raadgevingen van den biechtvader gedragen ?

A. Men moet die bereidwillig aannemen en trouw opvolgen.

V. U. Wat moet men oordeelen van hen, die de raadgevingen en voorschriften dos biechtvaders weinig achten ?

A. Dat zij het met hunne verbetering niet oprecht en ernstig meenen.

V. 's B. Wat behoort men te doen zoodra men uit den biechtstoel komt ?

A. Men moet God loven en bedanken, dat Hij ons genadiglijk de zonden vergeven heeft, en de goede voornemens vernieuwen van nooit meer te zondigen.

V. Welke eenvoudige middelen kunnen ons helpen tot deze twee zaken ?

A. lc Aandachtig en eerbiedig bidden de gebeden na de Biecht. 2® Dadelijk beginnen, die goede voornemens uit te voeren. 3e Zich iederen avond daaromtrent onderzoeken en iederen morgen zich voornemen, getrouwer in.de uitvoering te zijn.

„Waar geene verbetering is,daarwasgeenebootvaardigheid.quot;(Tertul.) „Als wij dood zijn aan de zonde, hoc zullen we dan nog in zonde

! 'l;V

lis

■Ml ül

5

J I

!»r|

Mil 1 I 1

I

i

I

:

111 iiï

i Mf

fill

en wil niet meer zondigen!quot;

„leven ?quot; (Eom. VI, 2.) „Ga heen,

v'-

ocr page 253

249

ZES EX DERTIGSTE LES.

Van het H. Oliesel.

(TJ. 62° les; — Br. en R. 3(5e les.)

V. Welk Sacrament heeft Christus voor de zieken alleen ingesteld?

A. Het H. Oliesel.

V. 's B. Wat is het H. Oliesel ?

A. Een sacrament, in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des priesters de zieken in hunne ziekte en uitersten nood verlicht en geholpen worden.

A. U. Een Sacrament, door Christus ingesteld, hetwelk door de zalving en het gebed des priesters aan de zieken, die in stervensgevaar zijn, genade en sterkte mededeelt. (R. tot heil van ziel en lichaam.)

V. Vanwaar weten wij, dat Christus het H. Oliesel heeft ingesteld?

A. Dit weten wij uit de H. Schrift en uit de bestendige leer der Kerk.

V. U. Hoe luiden de woorden der H. Schrift, in welke van het H. Oliesel wordt gesproken ?

V. Is er iemand onder u ziek, zoo roepe hij de Priesters dei-Kerk, opdat deze voor hem bidden, hem zalvende met den olie in lt;len naam des Heeren; en het gebed des geloofs zal den zieke behouden ; en de Heer zal hem verlichten; en zoo hij in zonden is, zullen deise hem vergeven worden (Jac. V, 14. 15.)

V. Wat heeft de Kerk steeds geleerd omtrent het H. Oliesel?

A. De Kerkvergadering van Trente leert, dat het H. Oliesel een Sacrament is, door Christus ingesteld, dat de H. Jacobus ons heeft doen kennen. Deze leer steunt op de van hand tot hand ontvangen apostolische overlevering, en wordt bevestigd door de schriften der H. Vaders, door de bepalingen en beslissingen van vroegere Kerkvergaderingen, door de oude rituelen (boeken), waarin de plechtigheden voorgeschreven zijn waarmede, en de wijze waarop de H. Sacramenten (waaronder ook dit voorkomt) moeten toegediend worden.

V. Welk is het uitwendig teeken van het H. Oliesel ?

A. De zichtbare zalving met H. Olie en deze hoorbare woorden des priesters : door deze heilige zalving en Zijne allergo.eder-tierenste barmhartigheid vergeve de Heer u al wat gij misdaan hebt door het gezicht, het gehoor, enz.

V. Welke olie wordt tot het toedienen van dit Sacrament gebruikt ?

A. Olijfolie, die daartoe op Witten Donderdag door den Bisschop gewijd is.

V. Welke lichaamsdeelen worden gezalfd?

ocr page 254

250

A. Dc oog-en, ooren, neus, mond, handen en voeten.

V. Waarom worden deze gezalfd?

A. Omdat deze de zetel zijn van de vijf zintuigen : van het gezicht, het gehoor, den reuk, den smaak en de spraak; van het gevoel en gaan ; waarmede de zonden zijn, of kunnen zijn bedreven.

V. Wat beteekent die uitwendige zalving?

A. Die uitwendige zalving beteekent de inwendige zalving van den H. Geest, de geheimvolle mededeeling der genade, die, gelijk de olie het lichaam geneest en versterkt, de ziel van don zieke van hare gebreken bevrijdt en tot den laatsten gevaarlijken strijd de noodige kracht mededeelt.

V. Waarom wordt dit Sacrament ook wel genoemd het laatste Oliesel of het Sacrament der stervenden ?

A. Omdat dit Sacrament de laatste van alle zalvingen is, welke Christus aan Zijne Kerk bevolen heeft te doen: de eerste in het Doopsel, vervolgens in het Vormsel, enz.

V. 's B. Aan welke zieken moet het H. Oliesel worden toegediend ?

A. Aan de zieken, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, en in gevaar zijn van sterven (Br. en R. en gevaarlijk ziek zijn).

A. U. De zieken, die in gevaar zijn van sterven en het gebruik hunner rede gehad hebben.

V. Wie mogen en kunnen niet het H. Oliesel ontvangen ?

A. 1° Gezonde menschen kunnen noch mogen dit Sacrament ontvangen, al verkeeren zij ook in gevaar van sterven, zooals soldaten bij een veldslag, matrozen of reizigers ter zee, zij die eene operatie zullen ondergaan. 2° Evenmin kunnen het H. Oliesel ontvangen kinderen onder de jaren van verstand. 3° Zinneloozen, die het gebruik van het verstand nooit gehad hebben. 4e Zieken, die aan lichte ongesteldheid lijden.

V. Br. Wanneer moet de priester bij den zieke geroepen worden?

A. Zoodra de ziekte gevaarlijk wordt; en nooit mag men het uiterste gevaar afwachten.

V. IJ. Mag men tot het uiterste gevaar wachten, alvorens het H. Oliesel te ontvangen ?

A. Neen, want dan stelt men zich in gevaar, van zonder het H. Oliesel te sterven of ten minste van al deszelfs vruchten niet te ontvangen.

V. Moet het gevaar van sterven dadelijk en dreigend zijn ?

A. Neen; het is genoeg, dat naar het oordeel van deskundige of van verstandige personen de ziekte of de toestand van den zieke levensgevaarlijk is.

V. Op wie rust de verplichting te zorgen, dat aan een zieke het H. Oliesel worde toegediend?

A. Deze plicht rust behalve op de geestelijken, op de genees-heeren, overheden, huisgenooten, ziekenoppassers.

ocr page 255

251

V. U. Is het H. Oliesel tot de zaligheid noodzakelijk ?

A. Xeen, maar men zal het niet zonder zonde verwaarloozen.

V. 's B. Hoe dikwijls mag men het H. Oliesel ontvangen ?

A. Maar ééns in dezelfde ziekte; doch indien het doodsgevaar geheel geweken was en later terugkeerde, zou het andermaal moeten toegediend worden.

V. Kan en mag het H. Oliesel meer dan eens worden toegediend aan iemand, die aan de dezelfde ziekte lijdende is en blijft?

A. Ja; wanneer de ziekte tijdelijk verbetert en verergert, zonder dat zij weggenomen is, kan zich het geval voordoen, dat het H. Oliesel mag worden herhaald.

A. R. Als de zieke betert en later weer in nieuw gevaar van sterven komt, dan kan het (H. Oliesel) hem andermaal worden toegediend.

V. 's B. In wolken staat moet men het H. Oliesel ontvangen ?

A. In staat van (U. de heiligmakende) gratie, (Br. wijl het een Sacrament van de levenden is.)

V. Wat dient gewoonlijk het H. Oliesel vooraf te gaan ?

A. Het is een algemeen gebruik der Kerk, den zieke eerst de H. Sacramenten der Biecht en Communie toe te dienen.

V. U. Als men het dan onwetend in doodzonde ontvangt?

A. Dan kan men met een onvolmaakt berouw, aan de uitwerkselen van het H. Oliesel deelachtig worden.

V. U. Met welke gevoelens moet men het H. Oliesel ontvangen ?

A. Met gevoelens van berouw, van vertrouwen en van overgeving aan Gods H. Wil.

A. Br. Met gevoelens van geloof, hoop en liefde, doch bijzonder van berouw over zijne zonden, en niet geheele overgeving aan Gods H. Wil.

V. 's B. Wat bijzonder voordeel geeft het H. Oliesel ?

A. Ten le het verlicht de zieken; ten 2e het vermindert de bekoringen ; ten 3e het vergeeft de dagelijksche zonden ; ten 4e het neemt de doodzonden weg, die men alsdan niet in staat is te biechten; ten 5e het helpt de zieken tot de gezondheid, als het hun zalig is.

V. R. Welke zijn de voornaamste uitwerksels van het H. Oliesel?

A. Ten le het vergeeft de dagelijksche zonden en ook de doodzonden, als de zieke niet meer kan biechten; ten 2° het sterkt in lijden en bekoringen, bijzonder in den doodstrijd; ten 3e het helpt de zieken tot de gezondheid, als het hun zalig is.

V. U. Wat schenkt ons het H. Oliesel naar de ziel?

A. Ten le Het vermeerdert de heiligmakende-, en schenkt eene bijzondere genade tot versterking tegen de bekoringen. 2e Het vergeeft de dagelijksche en vergeten doodzonden, en neemt de overblijfselen en straffen der zonden wTeg.

ocr page 256

252

V. Wat is noodzakelijk, om aldus door het H. Oliesol vergeving-van zonden te krijgen?

A. Daartoe is ten minste een onvolmaakt berouw noodig, want zonder berouw kunnen nooit zonden vergeven worden.

Nota. Van hoe groot belang is het dus, dikwijls een berouw te verwekken, opdat dit met het H. Oliesel vereenigd ons de vergiffenis dei zonden schenke, als men soms, door een ongeluk, beroerte, enz. getroffen, niet meer zou kunnen biechten.

V. Welke verlichting wordt aan den zieke door het H. Oliesel gegeven ?

A. Het H. Oliesol verlicht en versterkt de ziel van den zieke, daar zij in hem oen groot vertrouwen op do goddelijke barmhartigheid opwekt, waardoor hij met moed vervuld, de bezwaren en ongemakken der ziekte lichter draagt en de bekoringen dos duivels gomakkolijker weerstaat.

V. TT. Wat geeft ons het H. Oliesol naar het lichaam ?

A Het geeft ons verlichting in de ziekte, on ook do gezondheid, als het ons zalig is.

V. Werkt hot H. Oliesel zeker de gezondheid uit?

A. Neen; slechts dan, „als het tot heil der ziel voordeolig is.quot;

V. Wat hierbij op te merken ?

A. lc Zelfs andersdenkende geneesheeren getuigen, dat kalmte en overgoving (door dit Sacrament vorkregen) de ziekte dragelijker maken, en bemerken dat de natuurlijke geneesmiddelen beter helpen, de ziektestof soms verplaatsen en ovormoosteren. 2e Men moet dus niet wachten het door God ingestelde geneesmiddel te gebruiken, totdat geene genezing moor mogelijk is dan door een wonder, hetgeen God zeker niet wrochten zal voor hem, die verzuimt of uitstelt Zijnon wil te volbrengen. 3e De dood zal volgen, niet omdat de zieke het H. Oliesel ontvangen, maar omdat hij het misschien te laat ontvangen heeft.

V. Br. Waarvoor behooren de huisgenooton te zorgen als aan een zieke do laatste H.H. Sacramenten worden toegediend?

A. Dat or nabij het ziekbed eene tafel zij met kruisbeeld, brandende waskaars en wijwater, alsook eenigo watten on een glas water; doch men zorge vooral, dat do zieke en het vertrek behoorlijk gereinigd zijn.

V. Br. Wat is de generale absolutie, die door den priester gegeven wordt afen de zieken, die in gevaar zijn van sterven?

A. Eone algemeene kwijtschelding der tijdelijke straffen, die men nog schuldig is te lijden voor de reeds vergevene zonden.

V. Welke kracht is aan dien zogen verbonden?

A. Aan den apostolischen zegen in hot uur des doods is oen volle aflaat verbonden voor het stervensuur.

ocr page 257

253

V. Br. Wat wordt vereisclit, om dien vollen aflaat of die algemeeno kwijtschelding te verdienen?

A. Dat men le in gevaar zij van sterven; 2e zoo het mogelijk is, gebiecht en gecommuniceerd hebbbe; 3e met een oprecht leedwezen over zijne zonden en eene vurige liefde tot God den zoeten naam Jesus met den mond of ten minste met het hart aanroepe; 4e met volle overgeving aan Gods heiligen Wil den dood aanneme tot voldoening zijner zonden.

V. 's B. Wat behoort men te doen, als men het H. Oliesel ontvangen heeft ?

A. Ten le God te bedanken; ton 2e zich geheel aan den god-delijken Wil te onderwerpen; ten 3e zich met godvruchtige oefeningen bezig te houden; ten 4e zich te wachten van wereldsche bekommernissen en vooral van zonde,

V. Waarvoor hebben ziekenverplegers of huisgenooten te zorgen ?

A. 1°. Dat zij dagelijks de akten van geloof, hoop, liefde, berouw en andere gebeden ten aanhoore van den zieke langzaam en duidelijk bidden. 2° Dat zij dikwijls den zieke de H. Namen van Jesus, Maria, Jozef luide toespreken, opdat deze daardoor, als lid van eenig broederschap, een vollen aflaat verdienen. 3° Dat zij den zieke meermalen het kruisbeeld doen kussen, en zijne oogen berouwen betrouwvol doen vestigen op den Gekruiste. 4° Dat zij voor- en met den zieke meermalen de beschernung en voorspraak inroepen van den H. Jozef, den Patroon, en van de H. Barbara de Patrones voor een zaligen dood. 5° Dat, voor zoover het in hunne macht is, de zieke meermalen de H. Absolutie en daarmede kracht en gratie ontvange, om tot het einde aan God getrouw te blijven.

V. Mag men, in stervensgevaar zijnde, geene zorg of beschikking hebben over zijne tijdelijke zaken ?

A. Voorzeker mag men zulks, ja het is niet zelden plicht zijne tijdelijke zaken te regelen, doch men doe dit dan bijtijds (liefst vóór het ontvangen der laatste H.H Sacramenten) en vergete daarbij niet de belangen van zijne ziel te behartigen door aalmoezen en intèntiën te verordenen.

V. Welke middelen kunnen ons van een zaligen dood verzekeren?

A. 1° Voortdurend zijne uitersten voor den geest hebben. 2° Dagelijks door de voorspraak van den H. Jozef en de H. Barbara bidden om een zaligen dood. 3° Op tijd, d. i. alle maanden of op de hooge feestdagen tot de H. Sacramenten naderen, opdat God ons niet rechtmatig beroove van de Biecht en Communie, waarvan wij in ons leven weinig of geen gebruik gemaakt hebben. 4° De godsvrucht tot de geloovige zielen in het vagevuur. 5° Des avonds nimmer te bed gaan, zonder eerst een akte van berouw gebeden te hebben. H0 lederen dag zoo beleven als ware hij de laatste van ons leven.

Zóó het leven, zóó de dood!

ocr page 258

254

ZEVEN EX DERTIGSTE LES.

Van het Priesterschap.

(U. 62e les; — Br. 37e les; — R. 35e les.)

V. Bestaat in de Kerk een zichthaar priesterschap ?

A. Ja, zooals wel hieruit blijkt, dat nooit en nergens eene godsdienstige maatschappij bestond zonder priesters d. i. zonder personen wier taak het was, den eeredienst der Godheid te regelen en nit te voeren, en die dus personen moesten zijn, daartoe uitgekozen en der Godheid toegewijd.

Onder de natuurwet waren de aartsvaders tevens priesters, onder de wet van Mozes wees God Zijne priesters aan in Aaron en diens nakomelingen. Geen heidensch volk werd in de oudheid of ooit ontdekt, dat niet zijne priesters had.

En zou de volmaakte godsdienst alleen het voorrecht missen, de godsdienstige handelingen door daartoe bepaalde en gewijde personen verricht te zien ?

Ten allen tijde, van Christus en de Apostelen af tot heden toe zien wij in de geheele over den aardbodem verspreidde Kerk een eigen priesterdom, scherp onderscheiden van de overige geloovigen, van de leeken.

V. 's B. Wat is het Priesterschap ?

A. Een .Sacrament (U. door Christus ingesteld) door hetwelk de bedienaars der H. Kerk macht en gratie ontvangen, om hun ambt (bediening) behoorlijk te bedienen (waar te nemen).

V. Br. Aan wie heeft Christus het priesterschap het eerst medegedeeld ?

A. Aan de Apostelen.

V. Wanneer heeft Christus het priesterschap ingesteld?

A. In het laatste Avondmaal, als Hij tot de Apostelen zeide: doet dit ter mijner gedachtenis.

V. Welk is het uitwendig teeken van het priesterschap ?

A. Het uitwendig teeken van dit Sacrament bestaat in de handoplegging en de woorden van den Bisschop met de overgave der H. Vaten, enz.,

V. Wat geeft het Sacrament des priesterschaps V

A. 1® Macht. (Zie 3e Vraag.) 2e Gratie: vermeerdering der heiligmakende gratie en bijzondere dadelijke gratie om hun ambt, hunne bediening, verschillend voor de verschillende bedienaren, geldig en heilig uit te oefenen. 3e Een eeuwigdurend merkteeken in de ziel.

V. ¥. Leert ons de H. Paulus niet duidelijk, dat het priesterschap genade mededeelt ?

A. Ja, hij vermaant zijn leerling Timotheus, dat hij de genade,

ocr page 259

255

door de oplegging der handen verkregen, niet zoude verwaarloozen. En (II Tim. I, 6;) ,.Ik vermaan u, dat gij de genadegave Gods weder opwekt, welke in u is door de oplegging mijner handen.quot;

V. R. Zijn alle bedienaars der H. Kerk even hoog in rang verheven ?

A. Neen, er zijn zeven trappen of rangen, waarvan het Subdiako-naat. Diaconaat, en het Priesterschap de hoogste zijn.

V. 's B. Wat, (TT. welke plechtige handelingen en welke orden) moeten het priesterschap voorafgaan ?

A. De kruinschering of tonsuur, de vier kleinere orden en de orden van subdiaken en diaken.

Y. AVat is de tonsuur of kruinschering ?

A. De kruinschering is eene plechtigheid, waardoor men in den geestelijken staat wordt opgenomen en tot de andere wijdingen voorbereid.

V. AVelke zijn de vier kleinere orden?

A. le Deurbewaarder der Kerk. — 2e Lezer van de H. Schrift, der Epistelen, Evangeliën, Brieven van Paus, Bisschop. — 3e Bezweerder des duivels. — 4° Bedienaar des Altaars.

V. Worden deze kleinere orden nog toegediend, en hoe worden ze uitgeoefend?

A. Deze kleinere orden worden toegediend aan hen, (Jie priester zullen worden, en worden dan ook door hen uitgeoefend in de Seminariën of kloosters, behalve de orde van duivelbezweerder.

Gewoonlijk wordt het lezen van Epistel, enz. door de priesters zelve verricht vóór de preek of onderrichting.

Voor deurbewaarder en misdienaar worden leeken genomen: koster en misdienaar.

V. Wat is de taak van subdiakens en diakens ?

A. le Beiden hebben de verplichting van in eeuwige zuiverheid te leven, en dagelijks de kerkelijke getijden (brevier) te bidden. 2e Beiden werken meer van nabij mede tot het opdragen der H. Mis. 3® De subdiaken moet in plechtige Missen (met drie Heeren) den Epistel zingen, wijn schenken, den kelk reinigen, enz. 4e De diaken mag het Evangelie en Ite Missa est of Benedicamus zingen, de H. Vaten, waarin het Allerheiligste rust, aanraken, — krachtens zijn ambt, met bijzonder verlof, de H. Communie uitdeelen, het Doopsel toedienen.

V. 's B. Welke macht voornamelijk hebben de priesters meer dan de andere bedienaars der H. Kerk?

A. De macht om in Christus' naam de zonden te vergeven, en door hun woord het brood en den wijn te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus.

V. Wie zijn die andere bedienaars der H. Kerk.

ocr page 260

256

A. De bovengenoenido deurbewaarders, lezers, duivelbezweerders, misdienaars, subdiakens en diakens.

V. U. Welke macht ontvangt men door het priesterschap?

A. De macht om de H. Mis op te offeren, onderscheidene Sacramenten te bedienen, Gods woord te verkondigen en don kerkdijken zegen over personen en zaken uit te spreken.

V. Wanneer heeft Christus deze macht aan de Apostelen en hunne opvolgers in het priesterschap geschonken?

A. 1° De macht om de zonden te vergeven heeft Jesus hun gegeven op den dag Zijner verrijzenis, toen Hij over hen blies en sprak: Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij vergeeft, dien zijn zij vergeven ; wier zonden gij houdt, dien zijn zij gehouden. (Zie 35e les.) 2e De macht, om het brood en den wijn te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus heeft Hij hun geschonken in het laatste Avondmaal door de woorden ; doet dit ter Mijner gedachtenis. (Zie 33e en 34e les.)

V. 's H. Wat zijn de geloovigen aan de priesters verschuldigd ?

A. Grooten eerbied en vertrouwen.

A. U. Zij zijn aan de priesters als dienaren van Jesus Christus en der Kerk, hoogachting en eerbied verschuldigd.

A. Bf. Liefde en eerbied, zoo om hunne priesterlijke waardigheid, als om hiyane zortgt;' voor de zaligheid onzer zielen.

V. Wat zegt God zelf in de H. Schrift van de priesters ?

A. Al reeds in de Oude Wet staat van de Joodsche priesters geschreven : de God van Israël heeft u van het volk afgezonderd en aan Zich verbonden, opdat gij den eeredienst van den tabernakel zoudt vervullen en Hem dienen. (Num. XVI, 9.) God zegt door den profeet Zacharias (II, 8): die u raakt, raakt den appel van mijn oog. — „Baak dus niet aan Mijne gezalfden.quot; (I Kron. XVI, 22.)

In het Nieuwe Verbond noemt Christus de priesters niet meer Zijne dienaren, maar Zijne vrienden; — verzekert, dat wie hen hoort, naar Hem luistert, en wie hen versmaadt. Hem zeiven versmaadt ; — dat niet zij spreken, maar de H. Geest door hen spreekt.

Op het voetspoor dezer woorden van den Goddelijken Meester noemt de Apostel Baulus den priester: „gezant in Christus' plaats, „het licht der wereld, het zout der aardequot;, — en eischt hij, dat men hen beschouwe „als dienaar van Christus en uitdeeler van Gods geheimenquot;; — verzekert, dat de priesters, die in overheid gesteld zijn, dubbele eer waardig zijn, vooral als zij door woord en leer werken.

V. Wat hieromtrent aan te merken ?

A. 1° Wie den priester eert, eert God, eert Jesus Christus, Wiens plaatsbekleeder en getrouw evenbeeld hij is. 2e De priester is mensch, en ontdekt gij in hem menschelijke zwakheden en gebreken, dan moogt gij hem nog niet achting en gehoorzaamheid

ocr page 261

257

weigeren. 3e Wacht u wel, de fouten van dezen of genen priester te bespieden, die te vergrooten of die aan alle priesters ten laste te leggen. Niet zelden immers zijn de fouten van anderen, vooral van dergelijke mensclien, die dit doen, veel grooter. Niet zelden gebeurt dit door hen, om hun eigen misdadig leven te vergoelijken. 4e Doe steeds naar het woord des priesters, en het zal u welgaan. 5e Geen zegen kan daar zijn, waar aan den oogappel des Heeren geraakt, d. i. waar verzet gepleegd wordt tegen den priester. 6e Bedenk wie en hoedanig de persoon des priesters zij, dat bij steeds is en blijft de plaatsbekleeder van den heiligen envlek-keloozen Hoogepriester, de gezalfde des Heeren, de uitdeeler der heilige geheimen, de verkondiger van Gods wil en wet, de geneesheer uwer ziel, het kanaal, waardoor de volheid van hemelsche genade en zegening u toevloeit. 7° Vermijd en schuw personen, tijdschriften, boeken, couranten, die tegen de priesters gekant zijn.

V. 'sB. Behooren wij God ook om goede priesters te bidden?

A. Ja (U. wij moeten daarvoor God dikwijls en vurig bidden), bijzonder op de quatertemperdagen, waarop gewoonlijk de priesters gewijd worden.

V. Waarom moeten wij God om goede priesters bidden ?

A. 1° Omdat Christus dit ons geleerd heeft: bidt den Heer van den oogst, dat Hij arbeiders in Zijnen wijngaard zende. -2® Omdat de Kerk de quatertemperdagen (drie bid- en vastendagen in elk jaargetijde) voornamelijk daartoe heeft ingesteld. De namen dei-wijdelingen worden in de kerk hunner parochie afgelezen, opdat hunne medeburgers nederige gebeden ten hemel zouden zonden, teneinde God waardige werklieden in Zijn wijngaard zende. 3° Geen grooter ramp of smart kan over een land of volk komen dan een slechte priester, dewijl geloof en zeden met den priester staan of vallen, zooals de geschiedenis van sommige plaatsen in ons land leert, die veelal door een slechten priester het geloof verloren hebben.

V. Op welke dagen wordt gewoonlijk het priesterschap toegediend?

A. lc In de Bisdommen van 's Bosch, Breda en Haarlem gewoonlijk quatertemperzaturdag in den zomer. 2e In het Aartsbisdom Utrecht den 15 Augustus. 3e In het bisdom Eoermond op quatertemperzaturdag van de lente (Paschen).

V. Br. en R. Mag een ieder de H. Wijdingen (het H. Priesterschap) ontvangen ?

A. Neen, alleen zij. die daartoe van God geroepen zijn, den noodigen ouderdom en de gevorderde bekwaamheid en de noodige vereischten hebben.

V. Waaruit blijkt dit?

A. Uit de H. Schrift, waar Christus zegt: niet gij hebt mij, maar ik heb u gekozen.

17

ocr page 262

258

Niemand, vermaant de H. Paulus, neemt zelf de (priesterlijke) waardigheid, maar die door God geroepen is als Aaron.

Toen een Apostel moest gekozen worden in plaats van Judas, baden de Apostelen: Heer, Gij die aller harten kent, duid aan wien Gij hebt uitverkoren.

Daarom mogen alleen diegene, leert de Eoomsche Katechismus, zulk moeilijk ambt op zich nemen, die in staat zijn door heiligheid van leven, door geleerdheid, geloof en schranderheid het behoorlijk te bekleeden.

V. Welke teekenen zijn er, dat iemand tot hot priesterschap geroepen is?

A. Als teekenen kunnen gelden een deugdzaam loven en geschiktheid ; — de zuivere, standvastige en krachtige neiging, welke iemand tot het priesterschap gevoelt.

V. Welke middelen zijn er om zeker te zijn van zijne roeping tot het priesterschap'?

A. le Veel bidden om de verlichting van den H. Geest. 2e Een braaf, godsdienstig en zuiver leven van zijne vroegste jeugd. 3e Den raad inwinnen van zijn biechtvader.

V. Wat hebben de ouders in deze zaak te doen of te laten ?

A. le Het is goddeloos, indien de ouders hunne kinderen om tijdelijke oogmerken van stand, eer of voordeel aanraden of aanzetten priester te worden. 2e Eveneens is het gewetenloos, de kinderen, die roeping tot het priesterschap toonen op onrechtmatige wijze daarvan terug te houden. 3quot; Altijd is het onverstandig, de kinderen tot het priesterschap aan te zetten, of bovenmatige ingenomenheid daarmede te betuigen, omdat daarbij meestal tijdelijke inzichten in het spel zijn, en menschelijk opzicht, zwakte van karakter, dwaze liefde tot de ouders, enz. een noodlottigen invloed kunnen uitoefenen.

V. R. Wie kan het priesterschap toedienen ?

A. Alleen de Bisschop, die in zijne bisschopswijding daartoe de macht ontvangen heeft.

V. Br. Welke macht hebben de Bisschoppen boven de priesters ?

A. De macht om met, en onder den Paus de Kerk te besturen; alsook de macht om het Vormsel en het Priesterschap toe te dienen.

De H. Geest heeft de Bisschoppen gesteld, om Gods Kerk te besturen. Hand. der Ap, XX, 28.

„Ik zal de priesters vreezen, beminnen en eeren als mijne gebieders. Ik wil in hen de fouten niet zien, wijl ik in hen den „Zoon Gods beschouw, en zij mijne overheid zijn.quot;

(Vermaning van den H. Franciscus van Assisië aan zijne ordebroeders.)

ocr page 263

259

ACHT EN DERTIGSTE LES. Van het Huwelijk.

(U. les; - Br. 38e les; — R. 36e les.)

V. Welk middel heeft God gegeven, om Zijn werk der Scheppingen der Kerk, die door den dood voortdurend leden verliezen, voort te zetten?

A. Daartoe dient het Huwelijk.

V. Br. Wie heeft het Huwelijk ingesteld ?

A. God Zelf heeft het Huwelijk ingesteld in het aardsch paradijs, en Christus heeft het in Zijne Kerk tot Sacrament verheven.

V. Was het huwelijk een Sacrament in de Oude Wet?

A. Neen, dit was slechts eene natuurlijke verbindtenis, waardoor man en vrouw zich verplichten, geheel hun leven te zamen in liefde en onkreukbare trouw als echtelieden door te brengen.

V. Verhaal de instelling van het Huwelijk in het aardsch paradijs.

A. Toen God aan den eersten mensch Adam de eerste vrouw Eva tot gezellin gaf, zegende God beiden en sprak: „wast en ver-„menigvuldigt u en vervult de aardequot;.

Adam erkende de éénheid (één man en ééne vrouw) alsook de onontbindbaarheid van het huwelijk toen hij op goddelijke ingeving zeide: Dit is nu gebeente uit mijn gebeente en vleesch van mijn

vleesch..... daarom zal de man vader en moeder verlaten en zijne

vrouw aanhangen, en zij zullen twee zijn in één vleesch. (Gen. I, 28 en XVIII, 19.)

V. Bestaat deze natuurlijke verbintenis nog?

A. Ja, deze natuurlijke verbindtenis is het, welke door Christus tot een Sacrament is verheven; zoodat onder christenen geen huwelijk gesloten kan worden, zonder dat tevens een Sacrament ontvangen wordt.

V. Wat is dan het huwelijk van ongedoopten ?

A. Dit huwelijk is slechts eene natuurlijke verbindtenis, dewijl zij, niet gedoopt zijnde, geen Sacrament kunnen ontvangen.

Voor christenen (gedoopten) is echter de verbindtenis des huwelijks van het Sacrament, en het Sacrament van de verbindtenis onafscheidbaar.

V. U. Waardoor weten wij, dat het Huwelijk een Sacrament is ?

A. Door do algemeene en altijd voortdurende leer der Kerk.

V. Waarop steunt die leer der Kerk?

A. le O]) de H. Schrift, waar de H. Paulus het Huwelijk noemt: „een groot Sacramentquot;, (Eph. V, 23, 25.) de afbeelding van de vereeniging van Christus met Zijne Kerk. Het doel van die ver-eeniging was, „de Kerk te heiligen en te reinigen, opdat zij zuiver „en onbevlekt zij.quot; De Apostel besluit: „Dit Sacrament is groot,

ocr page 264

260

ik zeg in Christus en in de Kerkquot;, dat is: het huwelijk is een groot geheim, een zichtbaar en genadégevend teeken, omdat het ons voorstelt het onverbreekbaar liefdeverbond tnsschen Christus en Zijne Bruid, de Kerk. 2e Uit de Overlevering. De H. Vaders noemen eenparig het huwelijk een Sacrament, ó. a.: Tertullianus, Ambrosius, Epiphanius, Cyrillus, Augustinus, enz. Dit getuigenis der H. Vaders wordt bevestigd door de ketters; Xestorianen, Entychianen, Jacobiten, enz., die het huwelijk toch nog als een Sacrament beschouwen. 3e Het Huwelijk heeft al de vereischten tot een Sacrament.

V. Wat is bet Huwelijk?

A. Een Sacrament, (door Christus ingesteld), waardoor man en vrouw wettig verbonden worden en gratie ontvangen, om de plichten van den huwelijken staat naar behooren te vervullen.

V. Welk is het uitwendig teeken van het Huwelijk ?

A. Het uitwendig teeken van dit Sacrament zijn de woorden of teekenen, waardoor man en vrouw elkander tot wettige echtgenooten nemen.

V. Heeft Christus dit Sacrament ingesteld?

A. Ja, Hij heeft het huwelijk tot een Sacrament verheven, zooals blijkt uit het boven gezegde, maar vooral hieruit, dat God alleen aan uitwendige teekenen genaden kan verbinden.

V. Br. Welke genaden deelt het Sacrament des Huwelijks aan de echtgenooten mede ?

A. Ten le de vermeerdering der heiligmakende genade, en ten 2e bijzondere genaden om in liefde en eendracht saam te leven, en om hunne kinderen in de vreeze Gods op te voeden.

V. 's B. In welken staat moet het Sacrament des Huwelijks ontvangen worden?

A. In staat van (heiligmakende) genade, Br. omdat hot Huwelijk een Sacrament van de levenden is.

V. 's B. Welke bijzondere gratiën geeft het H. Sacrament des Huwelijks ?

A. Ten 1® Om kinderen tot Gods eer te verkrijgen en op te voeden; ten 2e om in liefde en vrede te leven; ten 3quot; om de verdere lasten en plichten van den huwelijken staat naar behooren te dragen.

V. R. Welke zijn de voornaamste plichten van den huwelijken staat?

A. le De gehuwden moeten met elkander in trouw en eendracht leven; ten 2e zij moeten hunne kinderen gemeenschappelijk opvoeden in deugd en godsvrucht; ten 3e de man moet zijne vrouw verzorgen en beschermen, cn deze moet aan haar man in alles wat recht is onderworpen zijn.

Omtrent deze tivee vragen zie Aanhangsel hl. 269.

ocr page 265

261

V. Ontvangen deze gratiën ook zij, die in staat van doodzonde het H. Sacrament des Huwelijks ontvangen'?

A. Neen zij bedrijven heiligschennis.

De bijzondere dadelijke gratiën echter even als de heiligma-kende genade kunnen zij terug ontvangen door eene goede Biecht.

V. 's B. Mag het huwelijk van eenieder en met eenieder worden aangegaan?

A. Neen, want niet van degenen, noch met degenen die beloften van zuiverheid gedaan hebben; noch van, noch met zekere geestelijke personen, noch met onkatholieken, noch met degenen, aan welke men vermaagschapt is, of ten aanzien van welke men door eenig ander huwelijksbeletsel is verhinderd.

V. Wat noemt men een huwelijksbeletsel?

A. Hetgeen een huwelijk öf ongeoorloofd, of ongeldig maakt.

V. Br. Hoevelerlei huwelijksbeletselen zijn er?

A. Tweeërlei: beletselen, die het huwelijk ongeldig, en beletselen die het huwelijk ongeoorloofd maken.

V. Wat beteekent dit: ongeldig en ongeoorloofd?

A. Dit beteekent, dat hij die met een beletsel van de eerste soort een huwelijk aangaat, eene zonde van heiligschennis bedrijft en: men is niet getrouwd: het huwelijk bestaat niet. Een huwelijk aangaande met een beletsel van de tweede soort, bedrijft men ook heiligschennis, doch het huwelijk bestaat, is geldig: man en vrouw zijn wettelijk verbonden.

V. R. Zijn er ook beletsels, die het huwelijk ongeldig maken?

A. Ja, bv. bloed- en aanverwantschap, geestelijke maagschap en andere.

V. Br. Welke zijn de voornaamste beletselen, die het huwelijk ongeldig maken ?

A. Bloed- en aanverwantschap, tot den graad door de H. Kerk bepaald; alsook geestelijke verwantschap, die bij het Doopsel en het Vormsel ontstaat.

V. U. Welke verwantschap maakt het huwelijk ongeldig?

A Bloed- en aanverwantschap (door aanhuwelijking) tot en met den vierden graad; en geestelijke verwantschap, welke uit het Doopsel en het Vormsel ontstaat.

V. R. Wat volgt uit het beletsel van bloedverwantschap?

A. Bloedverwantschap maakt het huwelijk ongeoorloofd en nietig tusschen alle bloedverwanten tot en met den vierden graad.

V. R. Wat volgt uit het beletsel van aanverwantschap?

A. Aanverwantschap maakt het huwelijk ongeoorloofd en nietig tusschen den man en de ötoerfverwanten zijner overledene vrouw — en tusschen de vrouw en de bloedverwanten van haar overleden man tot in den vierden graad.

V. R. Wat volgt uit het beletsel van geestelijke maagschap, (familieschap)?

ocr page 266

262

A. Geestelijke maagschap maakt het huwelijk ongeoorloofd en nietig tusschen peter of meter en dengenen, die gedoopt of gevormd is en zijne ouders; doch niet tusschen peter en meter.

V. Met wien wordt hij geestelijker wijze familie, die peter of meter is in het Doopsel of Vormsel ?

A. Alleen met den gedoopte of gevormde, en met diens ouders ?

V. Geef eenig gedacht van de vier graden, waarin iemand bloedverwant is van een ander persoon.

A. Zusters en broeders stelt de eerste graad daar.

Hunne kinderen (eigen- en volle neven en nichten) de tweede graad.

De derde graad maken de kinderen van deze uit.

In den vierden graad zijn familie de kinderen van deze laatste.

De gemakkelijkste berekening voor den vierden graad is misschien deze:

Petrus en Anna wenschen te trouwen. Wanneer nu hunne grootvaders of grootmoeders eigen neven of nichten waren, dan bestaan zij elkander in den vierden graad: en mogen noch kunnen trouwen.

Ie graad.

1. Jacobus en Maria (zuster en broeder) 1. Joannes en Henrica.

;?e graad.

2. Hun zoon Cornells (neef en nicht) 2. Hunne dochter Helena.

3e graad.

3. Dezer dochter Joanna (achterneef en nicht) 3. Dezer zoon Wilhelmus.

4e graad,.

4. De zoon van deze. Petrus (achter-achterneef en nicht) 4. De dochter

van dezen Anna.

V. U. Kan een gedoopte trouwen met een ongedoopte ?

A. Neen, tusschen dezen is het huwelijk ongeldig.

V. R. Mag men ook met Joden en ongedoopten een huwelijk aangaan ?

A. Neen zulk een huwelijk is voor een christen ongeoorloofd en ongeldig.

V. Welke zijn de voornaamste beletselen, die het huwelijk ongeoorloofd maken ?

A. le Het verschil van godsdienst tusschen katholieke en niet-katholieke christenen; 2e de verboden tijd.

V. U., Br. en R. Waarom verbiedt de Kerk de huwelijks-plechtigheid in den Advent en in den Vaste ?

A. Omdat het tijden zijn van boetvaardigheid en van bijzondere godsdienstigheid, waarbij geen huwelijks-plechtigheden passen.

V. Br. Welk is het voornaamste beletsel, dat het huwelijk ongeoorloofd maakt?

A. Het verschil van godsdienst tusschen katholieke en niet-katholieke christenen.

ocr page 267

26:5

Ar. U. Waarom worden huwelijken niet onkatholiek en zoo streng door de Kerk verboden en veroordeeld ?

A. Omdat daaruit dikwerf twist, onmin, onverschilligheid in den godsdienst, ja soms geloofsverzaking ontstaan.

V. R. Is het ook verboden met Protestanten te huwen?

A. De Kerk heeft ten allen tijde zulke gemengde huwelijken verboden en verafschuwd, en laat ze slechts met tegenzin, na verkregen dispensatie, onder zekere voorwaarden toe.

V. Wat is dispensatie?

A. Dispensatie is opheffing van de wet voor oen of meer personen. Wanneer dus te dezer zake dispensatie gegeven wordt, wordt de wet, waarbij het gememrd huwelijk verboden is om gewichtige redenen, opgeheven, en het aan dien persoon veroorloofd zulk huwelijk aan te gaan.

V. Op welke voorwaarden geeft de Kerk dispensatie in-, of verlof tot een gemengd huwelijk ?

A. De voorwaarden tot een gemengd huwelijk, welke de Kerk stelt aan beiden, die zulk huwelijk willen aangaan, en welke beide moeten aannemen en onderteekenen in tegenwoordigheid van den Pastoor en twee getuigen zijn de volgende: le dat de Katholiek ongehinderd zijn godsdienst kan waarnemen ; 2e dat hij zich beijvere den niet-katholiek langs den weg der overtuiging (door woord, voorbeeld en gebed) tot de Kerk terug te brengen; 3e dat alle kinderen in den katholieken godsdienst worden gedoopt en opgevoed.

V Kan het nooit geoorloofd zijn, een gemengd huwelijk aan te gaan, als niet eerst voor de katholieke opvoeding der kinderen gezorgd is ?

A. Neen, want die zulk huwelijk aangaat bedrijft eene groote zonde tegen do Kerk en tegen de eigen kinderen.

Indien een katholiek toestemt, dat zijne kinderen in een ander geloof opgevoed worden, toont hij daardoor, de Katholieke Kerk niet te beschouwen als de eenirj nare, en dus ook geen geloof te hechten aan hare leer, Sacramenten, enz. — Hij bezondigt zich grootelijks aan zijne kinderen, wijl hij schuld en oorzaak is, dat deze oj) jeugdigen leeftijd reeds den weg der dwaling betreden, en daarop tot hun eeuwig verderf voortgaan.

V. Aan wie de voornaamste schuld van de gemengde huwelijken ?

A. Gewoonlijk zijn de ouders daarvan de schuld, doordat zij hunne kinderen met onkatholieken laten omgaan, verkeeren zonder het te beletten; doordat zij soms dergelijke huwelijken aanraden, of ook slechts er hunne toestemming toe geven, in welk laatste geval de ouders even, dat is, grootelijks schuldig zijn voor God aan de ellenden en jammeren, welke zulke huwelijken gewoonlijk vergezellen of volgen.

ocr page 268

É64

V. Wat te zeggen, als iemand zulk gemengd huwelijk aangaat zonder dispensatie te vragen ?

V. le Zulk huwelijk is in ons land geldig. 2e De katholieke persoon mag niet tot de H. Sacramenten naderen, totdat hij 3® eene verklaring geeft, zijne zonde te betreuren, zooveel in hem is voor de katholieke opvoeding der kinderen nog te zullen zorgen, en de gegeven ergernis te herstellen.

Y. Hoe moet een gemengd huwelijk worden gesloten, als daartoe dispensatie gevraagd en verkregen is ?

A. Dan kan het huwelijk buiten de Kerk, zonder huwelijkszegen en zonder eenige kerkelijke plechtigheid in tegenwoordigheid van den Pastoor en twee getuigen worden gesloten.

V. Welke vermaning richten de Bisschoppen omtrent de gemengde huwelijken tot alle geloovigen ?

A. Deze vergadering (van Bisschoppen) bidt en smeekt en bezweert de katholieke ouders, dat zij, om de zorg die op hen drukt voor de zaligheid hunner kinderen, alles inspannen, om hun kroost van

een gemengd huwelijk af te houden..... Het is uw plicht het kwaad

te voorkomen en bijzonder te waken, dat uwe zoons en vooral uwe dochters zoowel in- als buiten het ouderlijk huis, geene gelegenheid vinden, om op gemeenzamen voet om te gaan met dezulken, met wie het huwelijk een gruwel is.

V. U. Mag men met iemand trouwen, als men met een ander trouwbelofte heeft, welke men verplicht is te houden ?

A. Neen; dan zou het huwelijk wel geldig, maar ongeoorloofd zijn.

V. R. Wat moet hij doen, tegen wiens huwelijk een of ander beletsel bestaat ?

A. Hij moet het zijn pastoor bekend maken, ten einde, zoo mogelijk, de noodige dispensatie te krijgen.

V. Zijn ook andere menschen verplicht, de beletselen aan den pastoor bekend te maken, die hen bekend zijn van een paar. dat gaat trouwen ?

A. Ja, en daarom doet de Kerk het huwelijk gedurende drie zon- of feestdagen afkondigen ; opdat de beletselen, die er soms bestaan, zouden bekend worden.

V. Waar moet die huwelijksafkondiging of „roepquot; geschieden ?

A. In de parochiekerk van bruidegom en bruid beiden, en ook daar, waar zij een van beiden, het laatste half jaar gewoond hebben.

V. R. Waarop moeten zij, die een huwelijk willen aangaan, bijzonder bedacht zijn?

A. Dat zij niet lichtzinnig, zonder de toestemming hunner ouders eene verkeering beginnen, en dat zij vrij moeten zijn van alle huwelijksbeletselen.

V. Is het huwelijk ongeldig, als de ouders geene toestemming geven tot het huwelijk hunner kinderen ?

ocr page 269

265

A. Noen, zulk huwelijk is geldig'.

V. Wanneer maakt dit weigeren der toestemming het huwelijk ongeoorloofd ?

A. Als de ouders degelijke redenen hebben, om hunne toestemming te weigeren, b.v. bij al te groot verschil van stand; bij ziekelijkheid of gebrekkelijkheid; als vooruitzicht bestaat op een ongelukkig of slecht huwelijk; met slechte of goddelooze personen, om te jeugdigen leeftijd, enz.

V. Welke verplichting rust hierin op do kinderen ?

A. le Zij moeten hunne kennismaking of verkoeling allereerst aan hunne ouders bekend maken, en hunnen raad inwinnen. 2e Den raad der ouders volgen, wanneer deze billijk on redelijk is.

V. U. In wier tegenwoordigheid moeten katltolieh-en hot huwelijk, opdat het wettig zij, voltrekken ?

V. 's B. Voor wien moet het huwelijk worden aangegaan ?

A. Hot moot geschieden voor den eigen pastoor, of voor een priester, door den pastoor gemachtigd, en voor twee getuigen.

V. Wat wordt hier verstaan door don eigen pastoor?

A. Hierdoor wordt verstaan op de eerste plaats do pastoor der bruid, en na dezen do pastoor van don bruidegom.

V. Kan dan niet elk priester trouwen?

A. Xeen, zooals gezegd, alleen de pastoor van bruid of bruidegom; doch deze pastoor kan aan een ander priester verlof en macht geven, om het huwelijk in te zogenen.

V. Hoe wordt hot huwelijk voltrokken voor den pastoor en twee getuigen ?

A. le Bruidegom en bruid verklaren voor den pastoor en twee getuigen, dat zij elkander ten huwelijk willen nemen, en geven daarop elkander do rechterhand; — 2e do pastoor maakt over hen het kruisteekon, zeggende: ik verbind u in hot huwelijk in don naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestos; - 3e wijdt hij den huwolijksring en smeekt Gods zogen over de gehuwden af.

V. Waarin bestaat die zogen ?

A. Deze zegen bestaat in het H. Misoffer, waarbij bijzondere gebeden worden gestort om don zegen des Allerhoogston over de nieuwe gade af te smeeken. (1)

V. R. Wat doen dan de katholieke bruid en bruidegom in ons land voor den ambtenaar van den burgerlijken stand (meestal den burgemeester) ?

A. Zij loggen daar slechts eono verklaring af, waardoor zij zich de voordoelen, bij de burgerlijke wet bepaald, verzekeren voor het huwelijk, hetwelk eigenlijk alleen voor den pastoor gesloten wordt.

V. Is dit dan geene huwelijksvorbindtonis ?.

(1) Zie de verklaring dezer plechtigheden in; de H. Sacramenten. Stokvis, 's-Bosch,

ocr page 270

266

A. Neen; voor Icathólieken zijn do verklaringen en vormen, die door de wet zijn voorgeschreven, yeen huwelijk.

V. Hot huwelijk van katholieken niet onkatholieken, of van onkatholieken onder elkander, is dit dan een geldig huwelijk?

A. Ja, dit is in vele streken hier te lande een geldig huwelijk, niet omdat zij voor een ambtenaar zoogenaamd getrouwd zijn, doch krachtens hunne natuurlijke, rechterlijke en sacranenteele overeenkomst.

V. Wat valt hierbij op te merken ?

A. Zij alleen die trouwen, behoeven voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen; niet de ouders, doch dan is eeno akte noodig, houdende toestemming der ouders; — noch ook zijn getuigen noodig, daar deze gewoonlijk genoeg aanwezig zijn. 2e De Kerk verlangt, dat de godsdienstige gebeurtenis van het huwelijk dat is, de plechtige voltrekking van het Huwelijk voor God en Zijne Kerk. en de inzegening daarvan door den pastoor, met al den luister van de H. Mis en der H. Communie, en ook met de tegenwoordigheid der wederzijdsche familie, door bruiloft en bruiloftsgewaad enz. gevierd en opgeluisterd worde. 3quot; Uit achting voor den persoon dei-burgerlijke overheid voegt het, in passende kleedij zich ten raad-huize te begeven.

V. 's B. Kan het huwelijk (Br. van christenen ooit) ontbonden worden ?

A. Neen; (Br. het huwelijk van christenen kan nooit ontbonden worden) dan door den dood. (U. wat God gebonden heeft, zal de mensch niet ontbinden. (Matt. XIX, 6.)

V. Kunnen man en vrouw niet gescheiden worden door don burgerlijken rechter ?

A. le Neen, het huwelijk kan evenmin door een rechter verbroken, als gesloten worden. 2e Ook na eene dergelijke ..echtscheidingquot; blijft de huwelijksband bestaan, en 3e hij of zij, die daarna een huwelijk met een ander persoon zou aangaan, bedrijft en leeft in overspel.

„Dat de vrouw niet van den man schelde, en zoo zij gescheiden „is, ongehuwd blijve, of met haren man zich verzoene; en de man „verlate zijne vrouw niet. Want een ieder, die zijne vrouw verlaat „en eene andere huwt, doet overspel.quot; — Zóó leert het de goddelijke Wetgever. (I Cor. VII, 10, 11, en Luc. XVI: 18.)

V. Mogen de gehuwden zich zelVen ontslaan van den plicht, samen te wonen.

A. Noen, dergelijke scheiding van tafel en bed is slechts dan geoorloofd, als de Kerkelijke overheid die toestaat.

V. 'sB. Welk is de beste weg tot een gelukkig huwelijk?

A. Een braaf en zuiver leven van zijne jeugd af; — eene eerbare verkeering, met toestemming zijner ouders begonnen; — het gebed en het dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten.

ocr page 271

267

V. Hoe komt het, dat sommige huwelijken ongelukkig zijn ?

A. le Omdat men zich niet op eene christelijke Avijze tot het huwelijk voorbereidt; 2e omdat men lichtzinnig is in de keuze; 3e omdat men de plichten niet volbrengt, die het Evangelie aan gehuwden voorschrijft.

V. Wanneer is de keuze lichtzinnig?

A. 13e keuze van den huwelijken staat en eveneens van een man of vrouw is lichtzinnig le als men niet boven alles door het gebed God om verlichting bidt, door Wien eene verstandige vrouw (man) gegeven wordt aan den jongeling (jongedochter) voor zijne (hare) goede werken.

Zoo was Sara door God aan den jongen Tobias toebedncht, en daarom kon zij geen anderen (man) hebben. Zoo bad Eliëzer tot God opdat hij de vrouw zou vinden, welke Hij voor Isaiic bestemd had. 2e De keuze is lichtzinnig, als men niet acht geeft op den raad van brave ouders, biechtvader of andere oudere en onder-vindingrijke menschen. „Die huiten weten zijner ouders, vermanen onze Bisschoppen, of in strijd met hun rechtmatigen wil over een toekomstig huwelijk onderhandelen zou, moet een ongelukkigen uitslag verwachten. Wat slecht begint, slaagt zelden goed, en de hemelsche Vader schenkt Zijn zegen niet aan een huwelijk, waaraan de zegen des aardschen vaders (ouders) ontbreekt.quot; 3® Men handelt lichtzinnig, als de reden, waarom men het huwelijk aanvaardt, of waarom men zijne keuze vestigt op dezen of genen persoon, niet zuiver, geene christelijke redenen zijn:quot; als men minder let op godsdienst en deugd dan op geld, schoonheid en andere tijdelijke zaken. 4® Als men zich verbindt met personen, met welke men voorziet, niet gelukkig en chistelijk het huwelijk te kunnen beleven. 5® Als de gewichtige tijd der verkeering niet beschouwd en beleefd wordt als een tijd van voorbereiding tot het H. Sacrament, en tot den staat des huwelijks.

V. Hoe moet de tijd van verkeering, dat is : van voorbereiding doorgebracht worden ?

A. 1® De verkeering moet niet te vroeg begonnen worden, niet lang duren, niet eenzaam plaats hebben, eerbaar zijn, in eer en deugd geschieden. 2,■ En opdat de verkeering aldus zij, moeten de ouders waken; de jongelieden alle gelegenheden vermijden, bidden en de H. Sacramenten meer dan anders ontvangen.

V. Welke naaste voorbereiding wordt vóór het huwelijk gevorderd?

A. 1® De bruidegom zorgt dat de bescheiden (papieren), door de burgerlijke wet vereischt, in orde komen. 2® Bruidegom en bruid melden zich aan bij hun pastoor, die hen ondervraagt: a) of zij geene verplichting aan anderen hebben; b) of hunne ouders in het huwelijk toestemmen; c) of er eenige verwantschap tusschen hen bestaat; d) of zij genoegzaam in den godsdienst onderwezen zijn.

ocr page 272

268

3e Zij bereiden zich tot de biecht, welke acht dagen vóór de hu-wélijksvóltrékking moet plaats hebben. 4e Als bruid en bruidegom van verschillende parochies zijn, moeten zij zorgen, dat de pastoor der hruid tijdig het bewijs hebbe, dat de huwelijksafkondiging ook in de andere parochie geschied is. 5e Bruidegom en bruid komen in den regel nog even bij den biechtvader, alvorens het H. Sacrament des huwelijks te ontvangen.

Nota. Vóór dat het huwelijk ingezegend wordt, moet de bruidegom aan den pastoor overleggen het bewijs, dat de burgerlijke formaliteiten vervuld zijn.

V. Waarom dient aanstonds na de huwelijksinzegening het H. Misoffer opgedragen te worden ?

A. Omdat het huwelijk beteekent de innige vereeniging van Christus met Zijne Kerk, welke plaats had bij Zijne bloedige Offerande op het kruis. Daarom wil de Kerk, dat de nieuwgehuwden het Misoffer bijwonen, door de H. Communie deel er in nemen, als het al niet voor hen opgedragen wordt. (1)

V. Hoe moeten getrouwden den dag van hun huwelijk doorbrengen?

A. Zij moeten dien doorbrengen in de vreeze des Heeren, en zich wel wachten van door onbehoorlijke bruiloftsfeesten aan hunne familie en vrienden gelegenheid te geven tot onmatigheid en andere zonden.

V. Hoe kunnen de gehuwden zich verzekeren, dat hun huisgezin zal zijn die gelukkige, aangename kring, waarin man en vrouw en kinderen zich gaarne, ja het liefst bevinden ?

A. Als in hun huisgezin godsdienst en deugd heerschen. En deze zullen heerschen en daarmede liefde, vrede en welvaart, als zij zich het Huisgezin van Nazareth tot voorbeeld nemen, door lid te worden van het Broederschap der Algemeene H. Familie.

V. quot;Wat is daartoe noodig?

A. Dat de gehuwden zich en hun huisgezin toewijden aan de H. Familie, dagelijks die toewijding vernieuwen voor een beeld, plaat of prent der H. Familie, en hun naam opgeven aan den pastoor hunner parochie.

V. Welk is het doel en nut dier Broederschap ?

A. 1quot; Het doel is: de H. Familie te vereeren — haren zegen over het huisgezin af te trekken — Haar na te volgen. 2° Het nut, dat het huisgezin bidde, en tevens het voorbeeld van Jesus, Maria en Jozef voor oogen hebbe: namelijk, hoe ouders en oversten te zorgen hebben voor hunne kinderen en onderdanen; — echtgenooten elkander moeten liefhebben, eerbiedigen, verdragen; — kinderen en ondergeschikten hunne ouders en oversten moeten hoogachten.

(1) Zie de gebeden en plechtigheden der huwelijksmis in: het Kerkelijk Mis-en Lof boekje en in: de HH. Sacramenten.

ocr page 273

269

beminnen en gehoorzamen ; — Imisgenooten, lioe zij voorkomendheid moeten oefenen jegens elkander, en elkanders geluk bevorderen. (1)

Aanhang over de plichten der Ouders.

V. Welke zijn de plichten van man en vrouw jegens elkander?

A. 1° De gehuwden moeten in éèndracht, liefde en trouw, toe-gevelijkheid en geduld met elkander leven, totdat de dood hen scheidt. 2° Zij moeten elkander door een godsdienstig en deugdzaam leven stichten.

V. Welke zijn de voornaamste plichten van den man?

A. Dat hij zijne vrouw behandele als de hulpe en gezellin zijns levens, voor haar onderhoud zorge, haar zachtmoedig bejegene, haar „als zijn eigen lichaam beminne.quot;

V. Welke zijn de voornaamste plichten der vrouw ?

A. De vrouw moet haren man met achting en eerbied behandelen; hem in alles wat goed en eerbaar is, onderdanig zijn; haren man liefhebben, het huishouden bestieren, het huis verzorgen en zich zelve onberispelijk gedragen. (Tob. X. 3.)

V. Welk is de grootste last en de zwaarste plicht der ouders?

A. De opvoeding hunner kinderen naar lichaam en ziel. I. De lichamelijke opvoeding bestaat in de zorg, en voorzichtigheid en waakzaamheid vóór- en bij de geboorte hunner kinderen; alsmede in het verschaffen aan de kinderen van het noodige voedsel en kleeding volgens hun stand, en het doen aanleeren van gepaste wetenschappen of kundigheden, opdat de kinderen in staat zijn, later voor zich zeiven te zorgen. II. Grooter is de last en moeilijker de taak, welke de ouders hebben, om hunne kinderen naar den geest op te voeden. 1° Zoodra het kind spreken kan, moeten de ouders het leeren, de namen van Jezus, Maria en Jozef aan te roepen ; het 's morgens en 's avonds laten bidden ; en, als er meer kinderen zijn, ieder op zijne beurt luid op laten voorbidden 2° Bij de eerste verstandelijke ontwikkeling moet het kind ingeprent worden: d) belangstelling in den godsdienst. Om die op te wekken moeten de ouders al vroegtijdig de kinderen meê naar de kerk nemen, hun zelf den katechismus leeren, hen daarvoor beloonen of straffen, met hoogachting van de priesters spreken, opdat de kinderen in dezen vertrouwen stellen, en in den biechtstoel openhartig zijn. h) gehoorzaamheid; c) waarheidsliefde; d) liefde tot elkander; e) orde. 3° De ouders moeten hunne kinderen straffen voor overtredingen en ondeugden, doch niet voor onvoorzichtigheden. Die bestraffing moet nimmer in drift, uit wraakneming geschieden, maar steeds uit liefde. Ook moet de straf trapsgewijze opklimmen; zich

(1) Mgr. v. d. Ven in zijn Brief van 25 Maart 1893, tot aanbeveling en oprichting der Algemeene H. Familie.

ocr page 274

bedroefd tooncn, vermanen, onthouden van spel of belooning, lichamelijke straffen, enz. Bij bestraffing moeten vader en moeder altijd ééne lijn trekken. 4° De ouders zijn aan hunne kinderen verplicht te geven onderwijs, en wel godsdienstig onderwijs, zoodat het niet in hunne keuze ligt, maar hun zware plicht is de kinderen te zenden naar eene katholieke school, als zij kunnen. 5° De ouders moeten over hunne kinderen waken: waar zij zich bevinden, met wie ze omgaan; hoe zij zich in kerk, school, werkplaats enz. gedragen. Eveneens moeten zij scherp toezien, bij wie hunne kinderen leeren, werken of dienen enz., want ,.zij zullen eenmaal rekenschap geven van ,.hunne zielenquot;; daar de kinderen panden zijn, welke God aan de ouders heeft toevertrouwd, en welke Hij van hunne handen zal afvorderen.

Tijfde Deel.

Van de Christelijke Becldvaardiglmd.

NEGEN EN DERTIGSTE LES. Van de zonde.

(IJ. 29e les; — Br. 39® les; — R. 37® les.)

V. Welke samenhang bestaat er van dit vijfde deel met de overige vier deelen van den Katechismus ? ,

A. De vier vorige deelen hebben ons geleerd, wat wij moeten weten en doen, om volgens de leering van Christus in den dienst van God te kunnen treden.

Het eerste deel over het Geloof heeft ons God leeren kennen, zooals Hij door Christus' openbaring kenbaar is. — Het tweede heeft voorgesteld, ivat en hoe wij van God moeten hopen. — Het derde heeft verklaard, hoe wij God moeten beminnen, en wat wij daartoe verplicht zijn te doen. — Het vierde heeft ons de middelen aangewezen, die ons de hoedanigheden en de krachten verschaffen, welke wij noodig hebben, om aan God te kunnen behagen, en Hem te dienen, gelijk Hij het wil.

In dit vijf de deel wordt ons voorgehouden, wat in den dienst van God te doen, wat te laten is, en hoe deze dienst een einde neemt.

ocr page 275

271

V. 's B. Is liet ware geloof alléén genoeg om in den hemel te komen ?

A. Neen, men moet ook de christelijke rechtvaardigheid onderhonden ; — Br. men moet ook naar de waarheden van het geloof leven.

V. Bestaat de christelijke rechtvaardigheid in het geloof alleen, zooals de Protestanten leeren ?

A. Neen; want Christus heeft geleerd: als gij tot hot leven wilt ingaan, onderhoud dan de geboden. (Matt. XIX, 16.) En Matt. Ill, 15 had Hij gezegd: het behoort, dat wij alle gerechtigheden (wetten) volbrengen; en vermaande (Matt. V, 48): weest dan volmaakt gelijk ivw Hemelsche Vader volmaakt is; - bedreigde; indien uwe rechtvaardigheid niet groot er is dan die der Schriftgeleerden en Pharizeeën (die toch ook geloofden) zult gij het Rijk der Hemelen niet ingaan; en beloofde den Hemel aan hen, die daden zouden gedaan hebben; b.v. een glas water gegeven in Zijnen naam, die de armen gevoed, gekleed enz. zouden hebben.

V. 's B. Hoeveel deelen heeft de Christelijke Rechtvaardigheid ?

A. Twee deelen, te weten : het kwaad laten en het goed doen, of: de zonde vluchten en de deugd oefenen.

V. Waarin bestaat de Christelijke Rechtvaardigheid ?

A. De Christelijke Rechtvaardigheid bestaat hierin dat de mensch God dient, gelijk het behoort, of dat hij in de oogen van God is, gelijk God het vordert — hierin, dat de mensch bereid is te handelen en handelt volgens het recht, de wet en den wil van God.

V. Wie zijn aldus rechtvaardig genoemd door God Zeiven?

A. Noë, van wien de H. Schrift zegt: Noë was een rechtvaardig en volmaakt man. Ook ,.de H. Jozef, haar man was rechtvaardigquot;. (Gen. VI, 9. — Matt. I, 19.)

V. Is het niet genoeg om in den hemel te komen, dat men geen hivaad doet ?

A. Neen; om in den hemel te komen moet men het kwaad laten en ook het goed doen, beveelt God zelf: „wijk af van het kwaad, „en doe het goedequot;. (Ps. XXXVI, 27.) In Zijne gelijkenis van den rijken vrek doet Christus duidelijk uitkomen, dat deze verdoemd was omdat hij niet het goed deed waartoe hij verplicht was. En de H. Paulus leert, dat de genade van God onzen Zaligmaker verschenen is aan alle menschen, leerende dat wij, verzakende de goddeloosheid en de wereMsche begeerlijkheden, zedig, rechtvaardig en godvruchtig leven in de wereld. (Tit. II, 11. 12.)

V. Wat o]) te merken omtrent menschen, die zeggen: ik doe geen kwaad ?

A. Zulke menschen doen gewoonlijk niet meer dan hoogst noodzakelijk is: b.v. wonen des Zondags ééne Mis bij, naderen eens 's jaars of zeer zelden tot de H. Sacramenten, geven geene of slechts

ocr page 276

272

geringe aalmoezen, terwijl zij door liun fortuin en stand tot grootere verplicht zijn, enz.

Zulke menschen hebben allo reden om zeer bevreesd te zijn voor de zaligheid hunner ziel, kunnen verwachten „uitgehouwen en in het vuur geworpen te wordenquot;.

V. Wat is zonde ?

A. Eene (Br. en R. vrijwillige) overtreding van de Wet Gods.

V. Is het alleen zonde, als uien de wet van God overtreedt?

A. Neen, maar ook is het zonde, als men ongehoorzaam is aan de geboden van de door God gestelde wettige oversten, b.v. de Kerk, de burgerlijke overheid, ouders, meesters, enz.

V. 's B. Hoevelerlei is de zonde ?

A. Tweeërlei: erfzonde en dadelijke zonden.

V. U. Wat is vooral het onderscheid tusschon erfzonde en dadelijke zonde?

A. Dat de erfzonde niet door eigen daad bedreven maar overgeërfd wordt; en de dadelijke zonde door eigen daad, dat is: door eigen wil bedreven wordt.

V. 's B. Wat is erfzonde ?

A. De zonde, welke alle menschen van onzen eersten vader Adam erven.

V. Welke zonden erven Mrij van Adam ?

A. Zijne zonden van ongehoorzaamheid. (Zie de 8e los.)

V. 's B. Wat kwaad doet ons de erfzonde ?

A. Zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid, en maakt ons onbekwaam, om de glorie des hemels te genieten.

V. Waaruit bestond de oorspronkelijke rechtvaardigheid?

A. 1°. In de heiligmakende genade met het geloof, de hoop, de liefde en andere gaven van den H. Geest, die er mede verbonden zijn; 2quot;. de gaaf van wetenschap met vrijstelling van onwetendheid en dwaling; 3°. do gaaf van onschuld met vrijstelling van de kwade begeerlijkheid des vleesches, strijdig met den geest, en 4°. de gaaf van onsterfelijkheid, met vrijstelling van ziekten, smarten en andere ellenden dezes levens.

V. Waarom zijn wij onbekwaam, om de glorie des hemels te genieten ?

A. Omdat Adam de zonde, die de dood der ziel is, is ons heeft overgeplant: zoolang die vlek niet weggenomen is door het Doopsel, blijft de hemel voor ons gesloten.

ocr page 277

•gt;73

VEERTIGSTE LES.

Van de dadelijke zoruh'.

(U. 29° los; - Br. 39° les. g 2; - R. 37° los.)

V. 'sB. Wat is eone daclolijko zonde?

A. Eene zonde, die wij door eigen daad of eigen wil bedrijven.

V. Waardoor wordt eigenlijk de zonde bedreven?

A. De zonde wordt bedreven door den wil van iets te doen, dat strijdt tegen de wet en den wil van God. Zoodra deze wil er is, is er ook zonde, en zonder dezen wil kan er geene zonde zijn.

V. Wanneer is er die wil ?

A. Als men zich inwendig stelt tciron de wet en den wil van God, liotzij men dan den wil liebbe het kwaad te doen, hetzij men enkel behagen neme in het kwaad.

V. Bestaat de zonde in den wil alleen ?

A. De inwendige zonde bestaat in den uil alleen, maar niet de uitwendige.

V. Welke noemt men mYwendige zonden ?

A. De zonden, die met den wil en met de daad bedreven worden.

V. Hangt die uitwendige daad van don wil af?

A. Ja, en wél op twee wijzen : rechtstreelis, als ik iets opzettelijk doe of beoog; — in oorzaal,-, als ik voorzie, dat mijn doen of laten, waarvoor ik geene billijke reden heb, de oorzaal- zal zijn van de zonde, die ik of een ander bedrijven zal, ofschoon ik opzettelijk do bedoeling niet heb die zonde te bedrijven of te doen bedrijven.

V. 's B. Op hoeveel manieren 'geschiedt de dadelijke zonde ?

A. Op vijf manieren: door woorden, werken, gedachten, begeerten en verzuimonis.

V. Welke zijn van deze de 'inwendige. Avelke de nvïwendige zonden ?

A. De zonden 1°. door woorden en werken gepleegd, zijn uit-wendige; die door 2°. gedachten en begeerten bedreven worden, zijn inwendige zonden.

V. Wanneer zondigt men door kwade gedachten ?

A. Als men vrijwillig daartoe gelegenheid geeft, daarin behagen neemt, of die niet verdrijft.

V. Hoe zondigt men door vorzuimenis ?

A. Men zondigt door verzuim, als men schuldig iets niet doet, waartoe men verplicht is, b.v. Mis hooron op Zon- of feestdagen; Paschen houden.

V. Geef een voorbeeld, dat iemand met den wil en niet met de daad zondigt.

A. Iemand neemt vrijwillig het besluit, dat jaar geen Paschen

18

ocr page 278

^74

te houden. — La ter tot betere gevoelens gekomen houdt hij toch Paschen.

V. Wanneer zondigde hij met wil en daad?

A. Als bij ook werkelijk geen Paschen hield.

V. U. Kan men ook ontwetend zondigen?

A. Ja, men kan onwetend zondigen, als men namelijk met eene schuldiye onwetendheid een gebod overtreed;.

V. Wanneer is die onwetendheid schuldig?

A. Als men het gebod had moeten en kunnen weten.

V. U. Kan iets, wat geoorloofd is, zonde worden doordat men tegen zijn geweten handelt ?

A. Ja, als men het geoorloofde voor zonde houdt, en het evenwel tegen zijn geweten doet.

V. Zondigt iemand, die redelijk twijfelt of hetgeen hij doet zonde is ?

A. Ja, want hij wil die daad verrichten al ware zij zonde; en aldus wil hij tegen de wet en den wil van God handelen.

V. Wat moet men doen in twijfel ?

A. 10. Met twijfel mag men nooit handelen: eer men iets doet of laat, moet men eerst den twijfel door gegronde redenen afleggen en de overtuiging hebben, dat men, door dit te doen of te laten, geene zonde doet. 2°. Als de twijfel gegrond, is moet men eerst goed onderzoeken of andere wijze menschen raadplegen. 3°. Is de twijfel ongegrond, niet redelijk, dan moet men de verplichting, waaraan men twijfelt, of ze niet meer bestaat, nakomen ; — en indien men zonder goede reden twijfelt, of eene nieuwe verplichting ontstaan is, behoeft men op dien twijfel geen acht te geven. 4°. Zij die nauwgezet van geweten zijn (scrupuleuzen), hebben eenvoudig den raad van hunnen biechtvader te volgen en hem blindelings te gehoorzamen.

V. 's B. Hoevelerlei is de dadelijke zonde ?

A. Tweederlei: doodzonde en dagelijksche zonde.

V. U. en Br. Zijn alle zonden even groot?

A. Neen ; eenige zijn groote, welke men doodzonden, andere zijn kleine, welke men dagelijksche zonden noemt.

V. u. w aarom noemt men de groote zonde doodzonde?

A. Omdat door die zonde de ziel haar bovennatuurlijk leven, dat is. de heiligmakende genade verliest, en zich den eeuwigen dood of der verdoemenis schuldig maakt

V. Waarom wordt eene kleinere zonde genoemd dagelijlische zonde?

A. Omdat wij ons in onze zwakheid soms dagelijks aan kleinere zonden schuldig maken.

V. Zijn doodzonde en dagelijksche zonden beiden dadelijke zonden ?

A. Ja, want beiden, doodzonden en dagelijksche zonden geschieden immers door eigen daad. en eigen uil.

V. 's B. Wat is doodzonde ?

ocr page 279

275

A. Eenc zonde, zoo strijdende tegen de wet Gods. dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, die het leven onzer ziel is.

A. R. Eene zonde, die grootelijks strijdt tegen Gods heiligen wil.

V. Wat wordt hier verstaan door de rjocldelijke liefde, die dooide doodzonde wordt verloren ?

A. Door goddelijke liefde wordt verstaan de staat ran vriendschap met God of: de hciligmakende gratie.

V. Hoe is deze goddelijke liefde het leven onzer ziel ?

A. Onze ziel heeft een natuurlijk en een hovennatnurlijlc leven. Het natuurlijk leven bestaat in de natuur der ziel, en openbaart zich door verstand en wil. Het bovennatuurlijk leven bestaat in een bijgevoegd goddelijk leven, dat de kracht geeft, om verdienstelijke werken voor den hemel voort te brengen. Dit leven nu komt voort uit den staat van vriendschap met God, d. i. heiligmakende genade.

V. 's B. Wanneer is eene zonde doodzonde ?

A. Als zij gedaan wordt met genoegzame kennis en genoegzaam vrijen wil, en grootelijks strijdt tegen de eer van God of het welzijn van onzen naaste.

V. u w anneer bedrijft men eene doodzonde ?

A. Men doet eene doodzonde, als men een gebod Gods of der H. Kerk in eene groote zaak met genoegzame kennis en vrijen wil overtreedt.

V. R. Wat wordt er vereischt voor eene doodzonde?

A. Ten 1° dat die zonde grootelijks strijde tegen Gods eer, tegen het welzijn des evennaasten, of tegen de plichten jegens ons zeiven; — ten 2e dat men de boosheid dier zonde genoegzaam kenne; — ten 3° dat men zondige met geheel vrijen wil.

V. Zijn alle deze drie dingen gevorderd, opdat eene zonde doodzonde zij ?

A. Ja, alle drie, zoodat, als een dezer drie ontbreekt, de zonde yeene doodzomla, maar dagelijksche zonde is.

V. Wanneer strijdt eene zonde grootelijks tegen de eer van God, of het welzijn van den naasten, of tegen de plichten jegens ons zeiven ?

A. 1u. Als de zonde zich rechtstreeks tegen God aankant, zooals godslastering, meineed, ketterij, ongeloof, ontheiliging van de Zonen feestdagen enz., of andere zwaarwichtige wetten overtreedt. 2°. Als do zonde den naaste of ons zeiven merkelijk benadeelt in het leven of wat er toe behoort, in eer, fortuin, tijdelijk goed, door b.v. diefstal, lasteren, kwaadspreken, dronkenschap, onkuischheid, enz.

V. Wat is: „met genoegzame kennisquot; of wetens ?

A. Eene zonde wordt bedreven met genoegzame kennis en voorbedachtzaamheid, als men op het oogenblik, dat men de wet Gods overtreedt, weet, er erg in heeft, dat men iets ongeoorloofds, iets kwaads doet. b.v. een kind spreekt een vloek uit, zonder te weten

ocr page 280

276

dat die woorden eene godslastering zijn ; dat kind zou geen eigenlijk gezegde zonde bedreven hebben.

V. Kan men ook door onbedachtzaamheid zondigen ?

A. Ja, als men er erg in Mn en moet hebben, dat deze of die daad zondig is.

V. Welke onbedachtzaamheid verontschuldigt iemand zeker niet van zonde'?

A. De onbedachtzaamheid, welke uit drift, \\\t cjewoonte of andere schuldige oorzaken voortkomt, b.v. iemand vloekt in drift, uit gewoonte, enz.

V. Wat is met genoegzaam vrijen wil of uillens? .

A. Dat is: volle toestemming van den wil, al zou ook de wil zich eenigzins daartegen verzetten en slechts uit menschelijk opzicht, uit winstzucht, of om andere reden ten volle toestemmen.

V. Is eene zonde slechts dan doodzonde, als men de meening of intentie hoeft God te beleedigen ?

A. Neen; doch de daad die men iveet dat tegen God, tegen het welzijn van zich zeiven of van den naasten yrootelijls strijdt, en die men toch willens doet, is doodzonde.

V. Welke middelen heeft God den mensch gegeven, om het goed en kwaad te kennen?

A. God heeft daartoe den mensch gegeven lquot;. het verstand. Daarmede begrijpt hij. dat hij volgens Gods wil en wet moet handelen ; beoordeelt hij. of deze of gene handeling volgens dien wil is ; terwijl het hem vermaant, prijst of laakt, naarmate hij al of niet gehoorzaamt. 2°. het geweten, dat is de stem in zijn binnenste, die door den mensch bij al zijne zedelijke handelingen moet gevolgd worden.

V. Kan eene daad, die op zich zelve geene groote zonde is, ook groote zonde worden ?

A. Ja, door bijkomende omstandigheden; 1°. door de bedoeling, welke men daarbij heeft, b.v. iemand steelt eenige centen om door vele dergelijke kleine diefstallen tot eene groote som te komen. 2°. Als men den wil heeft kwaad te doen, onverschillig er voor, of het dood- of dagelijksche zonde is. 3°. Als men door eene geringe zaak te doen groote ergernis zou geven. 4°. Als de geringe overtreding van een gebod aanleiding wordt tot naaste gelegenheid van groote zonden. 5°. Als eene geringe overtreding bedreven wordt uit verachting voor dengenen, die het gebod of verbod gegeven heeft, en zóó dat het gezag zelve veracht wordt. 6°. Als ouders of oversten iets geboden of verboden hebben, om zeer gewichtige redenen, en dit bekend is aan de onderdanen, dan zou ongehoorzaamheid aan dat gebod of verbod op zich zelve slechts dagelijksche zonde kunnen zijn, doch het wordt nu doodzonde om de gewichtige redenen, b.v.

ocr page 281

217

liet verbod aan kinderen en dienstboden, om niet dozen of genen om te gaan. te verkeeren, enz.

V. Bestaat niet een algemeenen regel, wat doodzonde, wat dage-lijksche zonde is, of waar en wanneer iets ophoudt doodzonde te zijn?

A. Neen, zegt de H. Augustinus, hierover zijn wij in het duister, opdat wij des te onvermoeider alle zonden zonden vermijden.

V. 'sB. Wat verliezen wij door de doodzonde?

A. Ten 1° De goddelijke liefde; ten 2quot; de verdiensten van onze goede werken; ten 3e do homelsehe glorie.

V. Waarin bestaat do goddelijke liefde ?

A. Do goddelijke liefde is do innige vereeniging van God met do ziel. Gelijk een vriend in het huis zijn vriends, zóó, zegt God zelf, neemt Hij introk in de ziel, maakt haar tot Zijn geheiligden tempel, en vindt er Zijn vermaak in te zijn met de kinderen dor monschen. Deze liefde, deze vriendschap verliest do mensch als hij oeno doodzonde bedrijft.

V. Waarom verliest hij ook de verdienste zijnor goede werken ?

A. Omdat hij door de liefde en vriendschap van God te verliezen ook verloren hooft hot kindschap Gods. Alleen hij, die door de heilig-makonde gratie kind van God is, heeft recht op bolooning in eeuwigheid. Alle zijne gerechtigheden (goede werken) welke iemand in staat van doodzonde doet, zullen niet meer in herinnering komen.

V. Herleven die goede werken?

A. Ja, als do doodzonde vergeven, en do mensch in de liefde Gods is toruggekeord, herloven do goede werken, welke hij in staat van zonde heeft verricht, dat is ; zijn wederom loon voor de eeuwigheid waardig.

V. Wat valt hieruit te besluiten ?

A. Indien iemand in doodzonde is, moot hij niet nalaten to bidden, goede werken te doen, want zo blijven bewaard; hij kan daardoor zijne bekooring, en don loon in eeuwigheid krijgen.

V. Hoe verliezen wij door de doodzonde hot recht op den hemel ?

A. 1° Do hemel is do erfenis van Gods aangenomen kinderen; en wij zijn Gods aangenomen kinderen door de heiligmakendo gratie; bijgevolg verliezen al degenen, die beroofd zijn van de heiligmakendo gratie, allo recht op den hemel. 2e De hemel is hot loon der getrouwe dienaars van God; hot is dus onmogelijk, dat zij, die Gods wet grootelijks overtreden, dezen loon zouden ontvangen. 3C De heiligmakendo gratie is het zaad, de homelsehe glorie do vrucht; waar geen zaad is, daar kunnen ook geone vruchten zijn.

V. 's B. Waartoe brengt ons de doodzonde ?

A. Tot eene schandelijke slavernij dos duivels en de eeuwige straffen der hol.

V. Hoe wordt iemand, die eene doodzonde doet, slaaf?

A. Doordat God. die don mensch vrijgekocht heeft, hem aan de

ocr page 282

278

aangematigde heerschappij des duivels overlaat, waaraan hij zich niet door eigen kracht kan onttrekken. Die zonde floet, hangt den duivel aan en is, gedurende dit leven in beperkte mate diens slaaf, totdat hij het geheel wordt bij den dood.

V. Waarom wordt die slavernij genoemd schandelijk?

A. Zij wordt schandelijk genoemd ter oorzakc van den verheven stand, waaruit de zonde ons doet vallen, en van het verachtelijk lot tot hetwelk zij ons brengt. Wat is verhevener clan kind en erfgenaam van God te zijn; wat ellendiger dan den duivel tot heer te hebben'?!

V. 's B. Hoeveel doodzonden moeten wij gedaan hebben om naaide hel te gaan?

A. Eene doodzonde is genoeg.

V. Waaruit blijkt, dat eene doodzonde genoeg is, 0111 eeuwig ongelukkig te zijn ?

A. Uit het voorbeeld der hoovaardige en ongehoorzame Engelen, die om ééne zonde oogenblikkelijk door God gestraft werden met de hel.

V. Welk is dus het grootste kwaad van de wereld ?

A. De doodzonde.

V. Kunnen wij wol de groote boosheid der doodzonde begrijpen ?

A. Neen, omdat wij niet kunnen begrijpen, hoe groot en goed God is, die door de doodzonde wordt beleedigd.

V. Waarin is de beleediging gelegen, welke door eene doodzonde God wordt aangedaan ?

A. Hierin, dat hij die zondigt God stelt achter iets tijdelijks of vergankelijks: achter geld, als hij steelt; achter een lust. als hij zonde van onkuischheid bedrijft, enz. 2° Daarom is de boosheid dei-zonde zoo groot, omdat hij die zondigt, de zwartste ondankbaarheid en trouweloosheid bedrijft jegens God, zijn Vader, Meester, Verlosser, aan Wien hij trouw beloofd heeft bij zijn doopsel.

V. Waaruit kunnen wij best begrijpen, hoe groot kwaad de zonde is?

A. le Hieruit, dat God rechtvaardig is, en niet meer straft dan verdiend wordt. 2e God straft ééne zonde met de eeuwige verdoemenis. 3e Zóó strafte Hij de afgevallen Engelen. 4e De aarde is met ellende, ziekten, dood vervuld door ééne zonde van Adam. 5® Jesus Christus, Gods Zoon moest mensch worden, heeft geleden, is den smartelijksten dood gestorven, om de zonde uit te wisschen, de beleediging te herstellen, welke God door de zonde was aangedaan. 6e Hoe hooger de beleedigde persoon staat, en hoe geringelde beleediger des te grooter de beleediging. 7® Schuldig is hij die zijn gelijke beleedigdt; schuldiger is hij die een voornaam persoon, zijn vorst beleedigdt; maar hoe groot is dan de beleediging, door den nietigen mensch, den oneindigen God aangedaan ?

ocr page 283

279

V. Is de cenc doodzonde .^rooter dan de andere ?

A. Ja, en de grootste zonden zijn wel: haat tegen God, de zonden tegen den H. Geest, meineed, godslastering enz. die rechtstreeks God aanranden. Zoo zeide Christus tot Hiatus: die Mij aan u overgeleverd heeft, heeft cjrootere zonde bedreven.

V. Waardoor kunnen wij na het Doopsel vergeving van doodzonde krijgen ?

A. Door de Biecht en door een volmaakt berouw.

V. Moeten wij ons alleen voor de doodzonden wachten ?

A. Neen, wij moeten ons ook voor de kleinste zonde wachten, als zijnde iedere zonde het grootste kwaad en de snoodste belee-diging jegens God.

V. Waarom worden zij dan kleine zonden genaamd ?

A. De dagolijksche zonde wordt klein genoemd in rergélijlting met de doodzonde; niet, alsof zij op zich zelve klein ware.

V. Geef eenig gedacht van de boosheid der dagelijksche zonde ?

A. Gelijk de doodzonde eene verachting is van Gods wet, zoo is de dagelijksche zonde eene «miachting daarvan ; — Hij die doodzonde bedrijft staat vermetel tegen God, stelt het schepsel boven den Schepper; doch die dagelijksche zonde bedrijft, is toch oproerig, wederspannig tegen God, al is het ook in eene minder gewichtige zaak; hij acht de vriendschap van God niet zoo hoog, dat hij er het genot, dat de dagelijksche zonde hem verschaft, om missen wil; hij bekreunt zich weinig om Gods toenemende liefde en tevredenheid.

Is dit alles niet eene beleediging van God, een krenken van Diens eer, eene groote ondankbaarheid!

V. 's B. Wat is dagelijksche zonde ?

A. Eene zonde, zoo strijdende tegen de wet Gods, dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt.

A. R. Eene zonde, die niet grootelijks strijdt tegen Gods heiligen wil.

V. Waaruit blijkt, dat er ook dagelijksche of kleinere zonden zijn?

A. 1® Het verstand leert ons, dat er kleinere en groptere be-leedigingen zijn onder de menschen, waardoor de vriendschap verbroken of verminderd wordt. Zoo zijn er ook kleinere en grootere beleedigingen van God d. i. zonden. 2C De H. Schrift vergelijkt eenige zonden bij een splinter (kleine zaak) andere bij een balk: — zegt, dat eenige zonden de hel verdienen, anderen niet; — dat men ook van een ijdel woord rekenschap zal moeten geven; maar-dat zij die diefstal, onkuischheid en dergelijke bedrijven, het Eijk Gods niet zullen bezitten.

V. R. Berooft de dagelijksche zonde ook van de heiligmakeude genade ?

ocr page 284

A. Neen; de dajrelijksclie zonde berooft onze ziel niet van de heiligmakeude genade.

V. Waarom neemt de dagelijksche zonde de goddelijke liefde niet weg'?

A. Omdat de dagelijksche zonde wel tegen den goddelijken wil strijdt, doch niet geheel daarvan afwijkt.

V. 's B. Wanneer is eene zonde dagelijksche zonde ?

A. Als zij zonder genoegzame kennis, of zonder genoegzamen vrijen wil gedaan wordt, of als de zaak klein is.

V. U. Wanneer bedrijft men eene dagelijksche zonde ?

A. Wanneer men een gebod van God in eene kleine zaak, of ook wel in eene groote zaak, maar niet met genoegzame kennis of vrijen wil overtreedt.

A. U. Als men Gods wet in geringe punten overtreedt, of ook als men zondigt zonder genoegzame kennis of zonder geheel vrijen wil.

Y. Zijn deze drie voorwaarden allen vereischt, opdat eene zonde dagelijksche zonde zij ?

A. Neen; 1° wanneer de zaak klein is op zich zelve en in hare omstandigheden, dan is het dagelijksche zonde, al wordt ze ook mot volkomen kennis en vrijen wil gedaan, b.v. iemand steelt eenitre centen. 2° Het is dagelijksche zonde, al is de zaak groot, b.v. godslastering, maar waarvan hij. die ze bedrijft, geene kennis heeft, b.v. een kind weet niet. dat die woorden welke het spreekt, godslastering zijn. 3° Dagelijksche zonde ook is het, als de wil ontbreekt: als geene volledige instemming in het kwaad gegeven wordt, b.v. half slapend in onkuische gedachten toestemmen kan slechts dagelijksche zonde zijn, dewijl vrije wil en ook genoegzame kennis ontbreken.

V. Waarom moeten wij dus de dagelijksche zonden zoozeer vermijden en vluchten.

A. Om de beleediging welke wij God er door aandoen, en om liet kwaad, dat zij ons berokkenen.

V. 's B. Wat kwaad doen ons de dagelijksche zonden ?

A. Ten 1° Zij doen ons in de liefde (en genade Gods).ver-tiauwen; ten 2° zij maken ons gereed tot meerderen val; (U. is oorzaak, dat wij lichter in groote zonden vallen); ten 3° zij verbinden ons tot tijdelijke straffen.

V. Hoe doet de dagelijksche zonde ons in de liefde Gods verflauwen ?

A. Doordat de liefde van God tot ons afneemt, gelijk de vriendschap van den oenen vriend voor den ander, als de een den ander in kleinigheden misdoet, weinig oplettendheid betoont, enz.---Maaide dagelijksche zonde doet ook ons minder liefde tot God gevoelen, ons meer aan het tijdelijke en zinnelijke hechten, van God afwijken.

V. Vermindert dan de heiligmakende gratie door de dagelijksche zonde ?

ocr page 285

281

A. Noen, de liefde en vriondschap van God blijven; anders toch moest liij, die vele dauelijksche zonde bedreef, langzamerhand de liefde van God verliezen; -- doch dezulke krijgt minder dadelijke gratiën, of deze zijn minder krachtig.

V. Hoe brengen de dagelijksche zonden ons tot het vallen in meer, en in grootere zonden?

A. 1° Doordat de dadelijke gratiën of de hulp en steun van God minder worden, of niet meer zoo krachtig zijn. 2e Doordat wij ons meer hechten aan het aardsche en zinnelijke, en de begeerlijkheid tot het kwaad meer in ons toeneemt. 3° Doordat men de groote zonden langzamerhand niet meer zooveel telt. 4° Doordat men niet zelden meent dagelijksche zonden te bedrijven, waar doodzonden reeds in het spel zijn. 5° Doordat men langzamerhand den geest van godsvrucht verliest en daarmede den smaak voor het gebed, de H. Sacramenten, enz.

Het gaat met de dagelijksche zonde als met eene lichte ongesteldheid. Verzuimt men die, dan wordt men ook meer vatbaar voor ziekten ; en als deze verwaarloosd wordt, voert eene weinig beduidende ongesteldheid tot het graf.

V. Welke zijn de tijdelijke straffen, waarmede God de dagelijksche zonden straft ?

A. P Het zijn de tegenspoed, rampen, ziekten enz., welke in den tijd van dit leven ons treffen. 2e De straffen des Yagevuurs, welke eveneens slechts een tijd, niet eeuwig, duren.

V. Zijn die tijdelijke straffen zwaar ?

A. Ja, zij zijn zeer zwaar. Zoo lezen wij in de H. Schrift, dat Mozes om eene kleine zonde van mistrouwen moest sterven, zonder het beloofde land binnen gegaan te zijn. Zoo werden de vrouw van Lot. om eene geringe ongehoorzaamheid — Oza om eene geringe oneerbiedigheid jegens de Ark des Verbonds met den dood gestraft.

V. Zijn alle dagelijksche zonden even groot ?

A. Neen, de eene is grooter dan do andere.

V. Hoe kunnen wij de dagelijksche zonden in ons uitroeien?

A. 1° Door nooit vrijwillig, dat is met voorbedachtzaamheid te doen, wat op dagelijksche zonde verboden is. 2e Door bij de Biecht ons zeiven toe te leggen op berouw en voornemen over die dagelijksche zonden, welke men het meest en gemakkelijkst bedrijft. 3° Door zich zeiven te oefenen en geweld aan te doen in die deugd, waartegen men gewoonlijk zondigt. 4e Wij moeten niet willen, alle fouten in ééns te verbeteren, waartoe wij onmachtig zijn; maar volgens de vermaning van Thomas a Kempis, zou het al veel zijn als wij elk jaar ééne fout in ons verbeterden. 5e Wij moeten steeds indachtig zijn het kwaad, dat de dagelijksche zonde over ons brengt, en steeds in den geest houden de vermaning van den H. Geest: die het kleine versmaadt, gaat allengskens ten gronde; — en van

ocr page 286

282

Christus: die getrouw is in het kleine, is ook in het grootere getrouw; m die in het kleinere onrechtvaardig is, is ook in het grootere onrecht-vaardicj. (Eccli XIX. 1. - Luc. XVI, 10.)

EEN EN VEERTIGSTE LES.

Van de verschillende soorten van (dadelijke) zonde.

(U. :i0e les; — Br. 39° los § 3 ; — R. 38c les.)

V. Hoe komen alle deze soorten van zonden niet elkander overeen ?

A. Alle deze zonden en soorten van zonden zijn hierin gelijk, dat zij alle lc dadelijke zonden zijn d. i. daden, handelingen, waardoor Gods wet wordt overtreden. 2e Alle zijn beleedigingen van God 3e Alle ook slepen, naar gelang zij minder of meer groot zijn, bittere gevolgen of straffen na zich.

V. Waarom worden de zonden in deze verschillende soorten van vreemde-, hoofdzonden, enz. onderscheiden?

A. Zij worden aldus onderscheiden, omdat le sommige zonden (de vreemde) niet persoonlijk door ons bedreven, maar ons toch aangerekend worden, als hadden wij zelf ze bedreven. 2C Sommige (hoofdzonde) zijn de oorzaak van andere zonden. 3° Anderen wederom zijn bijzonder boosaardig en afschuwelijk, (wraakroepende zonden en die tegen den H. Geest)

V. Zijn deze zonden dood- of dagelijksche zonden ?

A. Zij zijn doodzonden, als zij bedreven worden met genoegzame kennis, niet vrijen wil en de zaak grootelijks strijdt tegen de eer van God of het welzijn van den evennaaste.

Indien één dezer ontbreekt, zijn de hoofd- en andere soorten van zonden dagelijksche zonden.

V. U. Kan men zich ook voor God schuldig maken aan zonden, die door anderen bedreven worden?

A. Ja, als men door iets te zoggen, te doen of te laten, oorzaak wordt van de zonde van anderen, of daarin deelt.

V. U. Hoe noemen wij de zonden, welke ons worden toegerekend, omdat wij daarvan oorzaak zijn of daarin hebben deelgenomen ?

A. Deze zonden noemen wij vreemde zonden.

V. Waarom worden deze genoemd vreemde?

A. Zij worden vreemde zonden geheoten. omdat deze zonden ons vreemd zijn in zoover, dat een ander die bedrijft. Zij zijn ons echter niet vreemd, omdat, on voor zoover wij er deel in hebben. „Maak „u niet aan vreemde zonden schuldig.quot; (I Tim. V. 22.)

ocr page 287

283

V. 'sB. Wat zijn vreemde zonden?

A. Zonden, die wel door anderen bedreven, maar ons mede aangerekend worden, omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben.

V. Wanneer is men schuldig aan de zonden, die andere mcn-schen bedrijven?

A. Men is daaraan schuldig, als men aan die zonden van anderen inderdaad geholpen, of daaroj) invloed uitgeoefend heeft.

V. Hoe kan men aan de zonden van andere menschen medehelpen ?

A. 1° Door medeAverlcing, d. i. door deel te nemen aan de uit-voerinrj eener zondige daad, waartoe een ander mensch reeds besloten is. 2® Door ergernis, die hierin bestaat, dat men op schuldige wijze een ander aanleiding geeft tot zonde, welke aanleiding zoodani-gen invloed op diens wil uitoefent, dat zij hem tot zonde doet besluiten. 3° Door een ander tot zonde te bewegen, te verleiden te bekoren. 4° Door de zonde van een ander niet te beletten, als men daartoe verplicht is ; b. v. ouders ten opzichte hunner kinderen, rechters, enz.

V. Is het wel billijk en redelijk, dat de zonden van anderen ons aangerekend worden, omdat wij eenigszins daaraan meegeholpen hebben?

A. Ja, zoo eischt het de rede. Als wij iemand helpen in het overtreden van Gods wil en wet, zijn wij werkelijk de oorzaak van de zonden door anderen bedreven, en maken ons even als die anderen aan die zonden plichtig,

V. Zijn de vreemde zonden doodzonden ?

A. Zij zijn doodzonde of dagelijksche zonden, naar gelang de zouden van anderen, waarin men invloed heeft, meer of minder strijden tegen de eer van God of het welzijn des naasten, en naar gelang men daarin meer of minder invloed heeft.

V. :s R Hoe geschieden de vreemde zonden ?

A. Door aanraden, beschermen, prijzen, mededeelen, behagen nemen, niet straffen, niet beletten, niet overdragen.

le Aanraden, raad geven, of opstoken, aanmoedigen tot b.v. on-kuischheid, gevaarlijke gezelschappen, tot het zenden der kinderen naar godsdienstlooze scholen, tot het lezen van slechte boeken of couranten enz.

2e Beschermen, d. i. verdedigen, vóórspreken, voeden in het kwaad, b.v. een vader beschermt het kind tegen de rechtvaardige straf zijner moeder of omgekeerd; afgezonderde verblijfplaats verleenen, aan jongelieden van beider geslacht; het huis afstaan voor gevaarlijke dans- of andere partijen, vertooningen ; slechte couranten of tijdschriften steunen door er op in te teekenen, ze te koopen. er advertenties in te plaatsen, enz.

3e Gebieden, dat is uitdrukkelijk bevelen, of door zijn gezag, door

ocr page 288

284

gebaren, teekens dwingen iets zondigs te doen; b.v. op zon- en feestdagen laten werken zonder noodzakelijkheid; door zijne ondergeschikten slechte waren voor goede doen verkoopen, slechte maat of gewicht doen gebruiken ; ouders, die hunne kinderen laten liegen, stelen, enz.

4e Prijzen, de zonde van anderen goedkeuren, toejuichen of de deugdzame menschen bespotten; b.v. met onkuische gesprekken lachen; kinderen of dienstboden bestuiten om hunne weerspannigheid ; slechte couranten, instellingen, enz. verheffen, enz.

5e Mededeelen bestaat in het bedrijven van eenige onrechtvaardigheid en in het part of aandeel krijgen van het gestolene; b.v. iemand helpen stelen; het gestolene met hem deelen, enz.

He Behagen nemen geschiedt, als men, in overheid gesteld, slechte dingen goedkeurt, toelaat dat onzedelijke tooneelstukken opgevoerd, of voorstellingen gehouden worden; ■ • als ouders de pronkzucht hunner kinderen of dienstboden toelaten ; als men slechte of verdachte menschen in zijn huis toelaat; als kiezer zijne stem uitbrengt op slechte menschen, enz.

7e Niet straffen betreft ook voornamelijk ouders en overheden, die uit wekelijkheid, partijdigheid het kwaad niet straffen, waartoe zij bevoegd en verplicht zijn.

8e Niet beletten dat is : nalatig zijn in het gebruiken van zijne macht en zijn gezag, om te beletten dat gezondigd worde; b.v. ouders, die hunne kinderen niet beletten, dat deze zonder vooruitzicht op een huwelijk, of wel eenzaam verkeeren; huisvaders of bazen, die in hunne herberg, werkwinkel enz. godslasteringen, ontuchtige gesprekken niet verbieden, enz.

9e Niet overdragen is schuldig zwijgen de zonden van anderen, welke ergernis of kwade gevolgen hebben; niet bekend maken aan de oversten die ze kunnen en moeten bestraffen, beletten: b.v. kinderen van een huisgezin, school of inrichting, die de onzedelijkheid van dezen of genen niet bekend maken aan ouders, meesters; aan den pastoor niet bekend maken het huwelijksbeletsel, dat tusschen hen bestaat, die zich in het huwelijk zullen begeven; — bedriegerijen of plichtverzuim niet bekend maken, als men daartoe wegens zijn ambt, betrekking of eenige verbindtenis verplicht is.

V. 's B. Welke zonden noemt men hoofdzonden ?

A. Die zonden, welke gelijk oorsprong en beginsel zijn van vele andere zonden.

A. U. De zonden, welke de bron en de oorzaak zijn van andere zonden.

A. Br. Die zonden, welke de hoofdbronnen zijn, waaruit andere zonden voortvloeien.

V. Zijn de hoofdzonden doodzonden?

A. 13e hoofdzonden zijn le doodzonden als zij grootelijks strijden

ocr page 289

285

tegen de eer van God of het welzijn van don naaste; en bedreven worden met genoegzame kennis en vrijen wil. 2c Zij zijn dagelijksche zonden als één dezer voorwaarden ontbreekt. Zóó zijn er immers kleine hoovaardigheid. gierigheid, gulzigheid enz.

V. Zijn de hoofdzonden ook de grootste zonden ?

A. Jseen ; zij worden niet genoemd hoofdzonden omdat zij de grootste zijn. want er zijn zonden, die op zich zelve zwaarder en afschuwelijker zijn: zooals godslastering, doodslag; doch zij heeten hoofdzonden, omdat uit deze andere zonden voortkomen.

V. 's B. Hoevele hoofdzonden zijn er ?

A. Zeven: hoovaardigheid, gierigheid, onkuischheid, nijdigheid, gulzigheid, gramschap en traagheid.

V. Waarom wordt de hoovaardigheid het eerst genoemd ?

A. Omdat God zelf van de hoovaardigheid zegt, dat „zij het begin van alle zonden isalsook, omdat deze de eerste zonde was welke door de Engelen en door den mensch bedreven werd.

V. Hoe zondigt men dooi' hooi aardigheid?

A. Men zondigt door hoovaardigheid als men: 1° aan God de verschuldigde eer niet geeft; dat is: als men aan zich zeiven of aan eigen verdiensten toeschrijft wat men is of heeft.

V. Wie bedreven en bedrijven dit soort hoovaardij?

A. Hieraan maakten de hoovaardige Engelen zich schuldig; zij wilden aan God gelijk zijn. — Ook Eva stemde hierin toe, als de duivel haar voorspiegelde, dat zij gelijk goden zou zijn.quot;

Deze is de hoovaardigheid der zoogenaamde en ingebeelde geleerden en mannen der ongeloovige wetenschap, die meenen en willen alles begrijpen en verklaren zonder God of geloof. Daardoor komen zij tot volslagen ongeloof, godloochening, zelfvergoding. Vandaar hunne minachting van allen godsdienst, verachting van de geboden Gods en der Kerk; haat tegen God; verzuim van godsdienstplichten en van het gebed; ongeduld in tegenspoed, niet zelden zelfmoord.

V. Hoe nog meer zondigt men door hoovaardigheid ?

A. Men zondigt door hoovaardigheid, als men: 2° zich zeiven te hoog schat; zich inbeeldt, bekwaamheden, hoedanigheden te bezitten welke men niet heeft; of als men die welke men bezit, vergroot, overdrijft, daarin behagen neemt, die doet uitkomen, er op snoeft, enz.

V. Welke zonden komen uit dit soort hoovaardigheid voort?

A. Hieruit komen bijna ontelbare zonden voort: ijdelheid, pralerij overmatige weelde en aanstellerij in levenswijze, kleederdracht, huishouden, meubels enz; eerzucht, veinzerij en huichelarij enz.

V. Geef nog een derde soort van hoovaardigheid.

A. 3e Het derde soort trots, bestaat in den evennaaste te versmaden, te minachten, te vernederen, laag op hem neer te zien enz. om wille van fortuin, afkomst, bekwaamheden, begaafdheden

ocr page 290

286

van lichaam of ziel, welke men heeft of meent te hebben boven den evenmensch.

V. Welke zonden komen hieruit voort?

A. Hieruit komen voort: eigenzinnigheid, eigenwijsheid, en vervolgens ongezeggelijkheid, ongehoorzaamheid en weerspannigheid jegens ouders of oversten; — heersch- en eerzucht, koelheid en barschheld, opvliegendheid jegens hen, die in onderdanigheid gesteld zijn; — twist en tweedracht, krenking, beleediging, afgunst en wreedheid ten opzichte van andere menschen; enz.

V. Is iemand hoovaardig, die deftig leeft, niet met iedereen omgaat, die wil geeerbiedigd, geëerd, gehoorzaamd worden volgens zijn staat, stand, betrekking, enz ?

A. Neen ; dit is geene hoovaardigheid, doch een rechtmatig besef en gevoel van wezenlijke eigenwaarde; dit is een plichtmatig waar-deeren en ophouden van eigen verkregen staat, stand, waardigheid.

V. Welke is het beste middel tegen de hoovaardigheid'?

A. Het beste middel om niet hoovaardig of trotsch, te worden of te zijn is de beoefening van de ooimoedigheid, weike hierin bestaat, dat men zich zeiven en al het zijne niet acht of veracht, omdat men zich zeiven kent. Niemand die eigen zwakheid, geringheid, of die de nietigheid en vergankelijkheid van al het aardsche inziet, kan of zal trotsch zijn.

V. Wat zegt God in de H. Schriftuur over de hoovaardigheid of over de hoovaardigen ?

A. De H. Geest brandmerkt de hoovaardigheid als ,.de aanvang „van alle zondenquot; en noemt den hoovaardige „een gruwel voor den „Heer.quot; God weerstaat den hoovaardige, dreigt hem met vloek te beladen en in het verderf te storten, hem te onteeren en ten gronde te richten, ja zelfs diens aandenken uit te wisschen. En dit alles omdat aan God alleen alle eer en glorie toekomt. Bovendien: „wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt (van God)? En: „als gij het (van Hem) ontvangen hebt, wat beroemt gij u dan, „alsof gij het niet ontvangen hebt ?quot; „Hij dus, die wil roemen, roeme „niet 0]) zich zeiven, maar op den Heerquot; (van Wien Hij alles ontvangen heeft.)

V. Wat is gierigheid ?

A. Gierigheid bestaat in de ongeregelde en overmatige begeerte om de goederen der aarde te hebben, niet voor zooveel zij den mensch nuttig en dienstig kunnen zijn, om volgens zijn staat te leven, maar alleen om ze te hehhen en zijn genot er in te zoeken, en zijn hart er aan te hechten.

V. Is het kwaad, te werken om rijk te wórden ?

A. Het is geen kwaad, te werken om rijk te worden, als men daarbij maat houdt, dat is, als geene hoogere belangen van ziel of lichaam gewaagd of verloren worden. Het streven naar rijkdom.

ocr page 291

287

of althans naar verdiensten is zelfs lofwaardig en soms plicht in ouders, volwassene kinderen, om hun staat, stand in de maatschappij te behouden of te verbeteren. Dit streven en werken is volgens de gezonde rede, als het niet onmatig of bovenmate geschiedt, en is dus geoorloofd.

V. Kunnen arme menschen ook gierig zijn ?

A. Ja, vooral doordat, en als zij yeiiecht zijn aan het weinige wat zij bezitten.

V. Welke zonden komen uit de riieriglieid voort ?

A. De gierigheid verleidt tot overdreven zorg voor het tijdelijke; tot overmatige droefheid, ongeduld en morren tegen God over hot verlies van geld of goed; tot ongevoeligheid en onverschilligheid voor godsdienstige en geestelijke zaken; tot hardvochtigheid voor armen en ongelukkigen; tot twist en tweedracht in familiën, trouweloosheid, onrechtvaardigheid, omkooperij, meineed, roof, moord.

V. Welke middelen zijn er tegen de gierigheid?

A. Om de gierigheid te bestrijden is het beste middel dat men de milddadigheid beoefent, en bedenkt, dat de tijdelijke goederen ons slechts gegeven zijn om zo te gebruiken, niet om ze ongebruikt te laten; — dat wij bij den dood alles moeten achterlaten; — dat wij van geld en goed de strengste rekenschap zullen te geven Lebben.

V. Wat zegt de H. Schriftuur over de gierigheid en gierigaards ?

A. „God zelf noemt de gierigheid „de wortel van alle kwaadquot;, omdat de tijdelijke goederen het middel zijn om allerlei kwaad uit te voeren.

Xiets is boozer, verzekert de H. Geest, dan een geldzuchtig mensch, niets is snooder dan vrekheid, want zulk mensch heeft zelfs zijne ziel te koop. „Gij kunt God niet dienen en den rijkdom (mammon), leert Jesus. Daarom ; „die rijk willen worden, vallen in de bekoring „en strikken des duivels en in vele nuttelooze en schadelijke begeerten, welke de menschen in het ongeluk en in het verderf „storten.quot; Aldus de H. Paulus. „Verzamelt u schatten in den hemel,quot; vermaant de Zaligmaker, „waar noch de roest, noch de mot ze „verteren, en waar de dieven ze niet opgraven kunnen. Want waar „uw schat is, daar is ook uw hart.quot;

V. Wat is onkuischlieid ?

A. Onkuischlieid is de ongeregelde begeerte naar vleeschelijke lusten. (Zie hierorer de 37e les.)

V. Wat zijn de gevolgen van onkuischlieid ?

A. De onkuischheid wordt gemakkelijk gewoonte, de gewoonte eene tweede natuur.

De onkuischheid vervreemdt van God: de onkuische laat weldra het gebed na, luistert niet naar de inspraken van zijn geweten, noch naar vermaningen of bedreigingen, welke in biechtstoel of in predikaties tot hem gericht zijn. Hij die aan deze zonde zich overgeeft

ocr page 292

288

SM'1'quot;W-i' -«1

IH

lil

!■

iiii

HH

lilt Ipi ■ ffifi'

mt:

I Ifii

k :l»'- mt 'i til?

.li-

1 ■

iiii

m

i.:

1' i

i

lil

ISj

wordt langzamerhand ongovoeliir, onverschillig voor God en godsdienst. ziel en zaligheid; verliest alle edele gevoelens, geraakt tot verblindheid en versteendheid, tot heiligschennende biechten en Communiën, tot twijfel, ongeloof, goddeloosheid, haat tegen God, Onboetvaardigheid, wanhoop, zelfmoord. Niet zelden zijn besluiteloosheid, onstandvastigheid van karakter, stompzinnigheid, waanzin, ondermijning van gezondheid en leven de natuurlijke gevolgen of stratfen dezer zonde.

En wie kan tellen de tallooze andere zonden welke de onkuischc bedrijft om zijne lusten in te volgen? B.v. ergernis, verzuim van beroepsplichten, valsche beloften en eedeu, verwoesting van huiselijk geluk, vijandschappen, enz.

V. Wat zegt God van deze zonde en van hen die ze bedrijven ?

A. „Geen onkuische..... zal deel hebben in hot rijk van Christus

„en van God.quot; (Eph. V, 5.) „Dit is snood, en eene allergrootste-„boosheid. Het is een vuur dat ten verderve vernielt, en alle kiemen „doet vergaan.!' (Job. XXXI. 11. 12.) God had spijt, den mensch geschapen te hebben, omdat hij zich aan deze zonde overgaf, en strafte die met -den zondvloed. De H. Pan lus verbiedt zelfs deze zonde te noemen, vermaant de christenen, dat toch geen slecht woord uit hun mond zou komen, (Eph. IV, 29) want dat slechte gesprekken de goede zeden bederven. (I Cor. XV, 33.) „Hun deel zal zijn in den brandenden pool van solfer en vuur.quot; (Openb. XXI, 8.)

De middelen tegen deze ondeugd en tot helioud der deugd van kuise]i-heid, zie de 27e les.

V. Hoe maakt men zich schuldig aan nijd ?

A. Als men bedroefd, ontevreden is over het gclnk of den voorspoed van den naaste, alsof dit eigen geluk verminderde, belemmerde, verhinderde.

V. Is nijd, jalouzie hetzelfde als naijver?

A. Xeen ; naijver is de geregelde zucht om even bekwaam, geleerd, deugdzaam enz. te worden als de naaste ; of hem zelfs te overtreffen.

V. Welke zonden komen uit nijd voort?

A. Afgekeerdheid, haat, kwaadspreken, laster en andere onrechtvaardigheden ; behagen nemen in het ongeluk des naaste, begeerte om hem te bonadeclon, enz.

V. Wat zegt do H. Schrift van den nijd en de nijdigen?

A. „Door den nijd des duivels is de dood in de wereld gekomen: „die hom toebehooren (de nijdigen) volgen hem na.quot; (Wijsheid II, 24, 25.) „Die over een anders val verheugd is zal niet ongestraft „blijven.quot; (Spreuken XVH, 5.) „Worden wij niet begeorig naar ijdelen „roem en laten wij elkander niet benijdenquot; (Gal. V.), „want door „eigen boosheid zullen wij verteerd wordenquot;. (Wijsh. V, 13.)

V. Welke middelen kunnen ons voor nijd behoeden of daarvan genezen ?

A. Het beste middel is nederigheid, daar de oorzaak van nijd

ocr page 293

289

hoovaardigiicid is. Andere middelen zijn : liefde, voorkomendheid, behulpzaamheid jegens den naaste, bidden voor het welzijn des naaste, enz.

V. Hoe zondigt men door gulzigheid ?

A. Men zondigt door gulzigheid, als men onmatig is in eten of drinken; of eene ongeregelde begeerte heeft naar sjiijs en drank.

V. Is het zonde, gaarne te eten of behagen te nemen in lekker eten en drinken ?

A. Ja. zulks is zondig als men eet en drinkt meer of meermalen dan voor het onderhoud des lichaams noodig is; als men eet en drinkt alleen om de zinnelijkheid te streelen, daarin voldoening te zoeken, want dan leeft men om te eten. hetgeen den mensch ont-eert; dan maakt men, volgens de uitdrukking van den H. Paulus. „een God van zijn binkquot;, bezwaart dus zijne ziel, dooft den geest uit, krenkt de gezondheid, verkort het leven vooral door dit soort gulzigheid, meer bekend als dronkenschap.

V. Wat is dronkenschap?

A. Dronkenschap is overdaad in het gebruik van sterken drank, zóó dat men het gebruik van zijn verstand verliest.

V. Is dronkenschap slechts dan groote zonde, als men zijn verstand verliest?

A. Neen, maar ook als men zich gewoon maakt groote hoeveelheden sterken drank te gebruiken; waardoor men zich ongeschikt maakt voor zijne beroepsplichten, die verzuimt, zijne goederen verkwist, zijne naastbestaanden tot armoede brengt, gezondheid en leven ondermijnt, verkort.

V. Welke zonde brengt de gulzigheid voort?

A. De gulzigheid voert tot snoepslust, leugentaal, onrechtvaardigheden, vooral bij kinderen; tot ontucht, liederlijke gesprekken, gezangen : tot luiheid, verkwisting, overtreding van de vaste-dagen enz. De dronkenschap leidt tot deze zonden en als van zelf tot godslastering, twist, mishandelingen, moord, enz. Nooit zal ik ire-looven, zegt de H. Hieronymus, dat een dronkaard kuisch kan zijn!

V. Waarin is de boosheid der dronkenschap gelegen ?

A. Behalve om de opgenoemde gevolgen is de dronkenschap op zich zeiven zoo groot kwaad, omdat de mensch zich zonder reden en geweldadig van het gebruik des verstands berooft; daardoor het beeld van God gelijk maakt aan de redelooze dieren.

V. Berooft men zich ook niet van het verstand door den slaap, door verdoovende middelen b.v. bij het ondergaan eener operatie?

A. Neen ; want le de slaap is eene noodwendigheid, door den Schepper in de natuur gelegd; en het is geene berooving, doch enkel een stilstand van ziels- en lichaamsverrichtingen. 2e Het gebruik van verdoovende middelen is bij operaties slechts een middel om het leven te behouden, gelijk een arm of ander lidmaat tot

19

ocr page 294

290

hetzelfde doel wordt opgeofferd. Deze verdoe vent Ie middelen worden dus niet gebruikt uit ongeregelde begeerte, gelijk in dronkenschap het geval is. oe Zij die deze verdoovende en opwekkende middelen, als morphine, cocaïne enz. uit genot en ivelhist gebruiken, bedrijven een zelfde zonde als dronkaards.

V. Wat zegt de H. Geest van de gulzigheid en dronkenschap ?

A. „Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult honger lijdenquot;: (Luc. VI. 25.) Christus dreigt en vermaant: „wacht u. dat uwe harten wellicht niet bezwaard worden door brasserijen en dronken-scha])quot; (Luc. XXI. 34). „Dronkenschappen en braspartijen.... die zich hieraan schuldig maken zullen het rijk Gods niet verwervenquot; (Gal. V. 21). Wee u, die machtigen zijt in het drinken, eu dapperen in het mengen van drankquot; (Isaias V, 22). Over wien komt ellende ? en over wiens vader komt ellende ? Wie heeft twist ? Wie valt in de groeve? Wie heeft wonden zonder oorzaak? Wie droeve oogen? Zijn zij het niet, die bij den wijn verwijlen en er zich op toeleggen om bekers te ledigen? ( Spieuken XX1I1, 29. ;{o). „Een drankzuch-„tig werkman zal niet rijk wordenquot; (Eccli XIX. 1). Wegens de gul-„zigheid zijn velen gestorven; die matig is, verlengt zijn leven.quot;

V. Welke middelen zijn er tegen de dronkenschap ?

A. le Het beste, en voor hen die aan drank verslaafd zijn, het eenigste middel is; geheel-onthouding van alle sterke dranken. Om dezulke daartoe te brengen is zeer aan te raden lid te worden van het Kruisverhond. 2e Ook als rooi ■behoed middel is het lidmaatschap dier vereeniging door Paus en Bisschoppen, bijzonder die van Nederland zeer aangeprezen. 3® Zonder lid te zijn kunnen en moeten, ieder in zijn kring, vooral echter ouders en oversten waken tegen het gébruik van sterken drank, dezen nimmer in hunne huizen of werkplaatsen doen gebruiken door kinderen of minderjarigen; bij gelegenheden zelve het voorbeeld van matigheid geven, streng tegen het eerste misbruik optreden, hen die misbruik maken uit hunne huizen verwijderen, niet dulden dat hunne kinderen of ondergeschikten omgang met dezulken hebben. En dit alles verplicht ouders en oversten op zonde ; niet zelden, ja meestal op zware zonde. 4° Vasten, zich versterven is het middel tegen alle soort van gulzigheid. bijzonder tegen de zucht naar drank. Eu hoe nuttig, voordeelig. verdienstvol, plichtmatig is deze vaste, van zich ten tijde van den grooten Vaste, Advent en andere vastendagen, te onthouden van sterken drank, waar men misschien tot onthouding van eten niet bekwaam of verplicht is! 5e Voeg hierbij het gebed en het gebruik der H. Sacramenten, om kracht en moed te verkrijgen ten einde zich te versterven. (ie De kinderen alreeds moeten van hunne vroegste jeugd geleerd en gewend worden aan versterving, door hen niet te laten snoepen of ten minste door hun op de rasfedagen, vooral in Advent en den grooten Vaste lekkernijen te onthouden.

ocr page 295

291

V. Wanneer zondigt men door grmmchap. (driftigheid) ?

A. Als men zich op eene ongeregelde manier ontstelt over hetgeen mishaagt, en daarover wraak wil nemen.

• V. Ts gramschap (driftig of kwaad worden) altijd zonde ?

A. Neen ; er bestaat ook eene geregelde en rechtvaardige gramschap. die voorkomt uit liefde tot God of tot den naaste, te weten, indien men de gramschap ais middel gebruikt om het kwaad te beletten, dat met zachtheid niet kan belet worden b.v. de Verlosser joeg in gramschap de koopers en verkoopers uit den tempel. Zoo zal ook een ouder zijn kind met geweld dwingen tot het volbren-gens van diens plicht, zonder dat zulke ouder ::ich aan gramschap schuldig maakt. Men begrijpt van zelfs, dat ook ouders hierin de maat niet te buiten mogen gaan.

V. Welke zonden sleept de gramschap na zich ?

A. De gramschap heeft gewoonlijk een nasleep van allerlei zouden. vooral tegen de naastenliefde; als: schelden, verwenschingen, ergernis, haat, vijandschap, twist, vechtpartijen, verwondingen, doodslag, godslastering enz.

V. Geef eenige gedachten over de gramschap uit de H. Schrift?

A. Al wie op zijn broeder vergramd wordt is strafbaar voor het gerecht. (Matt. V, 22.) Leert van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. (Matt. XI, 29.) Wordt toornig, doch zondigt niet. (Spreuken XII, 16.) Naijver en toorn verkorten 's menschen dagen. (Eccli XXX. 26.) Ik bon ontroerd, doch heb niet gesproken, (Ps. 76. 5.) ik ben ontsteld als mensch, doch heb gezwegen als christen, verklaart de H. Hieronymus. Die lichtelijk kwaad wordt, is ook lichter geneigd tot zondigen. (Spreuken XXIX, 22.)

V. Hoe kan men de gramschap overwinnen ?

A. Door zich te oefenen in geduld en lijdzaamheid. Men moet alles niet zoo euvel opnemen wat anderen miszeggen of misdoen. Meestal handelen anderen uit onwetendheid, onbedachtzaamheid, gebrek aan opvoeding, natuurlijke lichaamsgesteldheid, enz. En als men bedenkt wat men zelf jegens anderen misdoet, en dat men gaarne verontschuldigd wordt, is er alle reden, om ook den even-mensch te verontschuldigen. Gebed om geduld, en herhaald berouw over ongeduld zullen spoedig de opvliegendheid fnuiken: waartoe ook krachtig zal medewerken, als men altijd het voorbeeld van den lijdenden Christus voor oogen, en Diens woorden in den geest heeft: leer van Mij, dat Ih zachtmoedig en ootmoedig van Hart hen.

V. Wat wordt verstaan door traagheid'?

A. Door traagheid of lauwheid wordt hier verstaan, het involgen van den natuurlijken afkeer van moeite en inspanning in hetgeen God en de zaligheid zijner ziel aangaat.

V. Welke zijn de gevolgen dezer zonde ?

A. De lauwheid brengt tot verzuim van morgen- en avondgebed

ocr page 296

292

en andere gewone godsvruchtocfcningen, als : liet bijwonen der H. Ms, het ontvangen der H. Sacramenten. Het goede, dat de trage of lauwe doet, verricht hij slordig of met bijbedoelingen; hij is nalatig om te beantwoorden aan de inspraken der genade; wordt wrevelig tegen hen, die hem tot ijver opwekken; zoekt afleiding in verstrooiing, niet zelden in zinnelijkheden ; wordt moedeloos, geraakt tot wanhoop, of — en soms beiden — tot vermetel vertrouwen.

De lauwe of trage acht de dagelijksche zonden niet, tracht de grove te vermijden, vervalt tot groote, ziet door eigenliefde en eigenzinnigheid niet in, dat hij tot groote zonden vervallen is, dat hij veel goeds verzuimt, en geraakt tot onboetvaardigheid.

V. Wat zegt God in de H. Schrift van de tragen of lauwen?

A. O, dat gij koud (in doodzonde) of warm (in staat van gratie) waart. Maar omdat gij lauw zijt, en noch koud noch warm (omdat gij meent rechtvaardig te zijn) zal ik u uit mijnen mond spuwen (zal ik u mijne bijzondere bescherming onttrekken en toelaten, dat gij door den duivel en uwe hartstochten met voeten getreden wordt, gelijk hot speeksel, dat men wegwerpt). „Gij zegt: ik ben rijk, ik heb overvloed en behoef niets (ik doe nog veel goeds), en gij weet niet, dat gij ellendig en jammervol zijt en arm en blind en naakt.quot; (Openbaring III. 17.) Werpt den onnutten knecht in de uiterste duisternissen. (Matt. XXVI, 30.) Die in het kleine getrouw is, zal het ook in hot groote zijn, en die in geringe zaken niet deugt, zal ook in groote niet deugen. (Luc. XVI, 10.) Die het kleine niet telt, zal langzamerhand vervallen (tot groote zonden). (Eccli XIX, 1.)

V. Wat is het beste middel tegen de traagheid'?

A. De godsvrucht, die ons opwekt om alle onze christelijke oefeningen en plichten gaarne, met ijver en stipt te volbrengen.

V. Worden deze hoofdzonden alleen en altijd genomen als dadelijke zonden (die wij inderdaad bedrijven) ?

A. Neen, men moet ze niet altijd en alleen beschouwen als dadelijke zonden, maar ook als öndeugden, als slechte genegenheden der ziel, welke leiden tot het bedrijven dier zonden.

V. Wat noemt men de hoofddrift'?

A. De hoofddrift of heerschende neiging is die tak der drievoudige begeerlijkheid, welke het weligst gegroeid is, dat is, die kwade geneigdheid, welke den mensch tot eene bepaalde soort van zonden aanzet en alle andere driften overheerscht of ze als werktuigen gebruikt, om die lievelingszonden te bedrijven.

V. Hoe kan men deze ontdekken?

A. De beste en zekerste middelen zijn: voortdurende oplettendheid op inwendige opwellingen, op woorden en handelingen; het dagelijks onderzoek van geweten, het gebed en het raadplegen van den biechtvader; en onder diens leiding het onvermoeid bestrijden daarvan, daar deze strijd dikwijls langdurig en hardnekkig is.

ocr page 297

293

V. quot;s B. Welke zonden noemt men zonden tegen den H. Geest?

A. Zonden die slechts uit boosheid geschieden, en bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid en daarom zeer zelden vergeven worden.

V. Strijden dan niet alle zonden togen den H. Geest?

A. le Ja, alle zonden strijden gelijkelijk tegen den Vader, den Zoon en den H. Geest, dewijl Zij alle drie ééne en dezelfde goddelijke natuur hebben, oneindig heilig zijn en de zonde haten. 2e Maar aan de drie Goddelijke Personen worden bijzondere eigenschappen of hoedanigheden toegeschreven : do macht aan den Vader; de wijsheid aan den Zoon; de heiligheid of onze heiligmaking of de goddelijke barmhartigheid aan don H. Geest. Omdat nu deze zonden hierin bestaan, dat zij de genaden en ndddelen verwerpen, welke de H. Geest ter bekeering geeft, worden zij terecht genoemd; zonden togen den H. Geest.

V. Geschieden alle andere zonden ook niet en altijd uit boosheid ?

A. Neen; vele zonden geschieden uit schuldige onwetendheid, andere uit zwakheid, b.v. door hevigen hartstocht, in gelegenheden, gevaren; doch dozo zonden tegen den H. Geest worden onkel uit boosheid bedreven, zonder dat daarbij hartstocht enz. in 't spel komt.

V. Waarom wordt gezegd dat deze zonden zeer zelden vergeven worden, terwijl toch vergeving te bekomen is van alle zonden, hoe groot en zwaar die ook zijn ?

A. Dit wordt gezegd, omdat tot vergiffenis der zonden minstens noodzakelijk is berouw. Het berouw nu is oene gave Gods. Zij die deze zonden tegen den H. Geest bedrijven, verachten, verstoeten de genademiddelen. Zoolang zij dus daarin voortgaan kunnen zij bij gebrek aan berouw, enz. geene vergiffenis krijgen, even als een zieke niet kan genezen die het eenigst voor hem geschikte geneesmiddel niet wil innemen. Waneeer zij dus deze zonden nalaten, hetgeen veel moeielijker is dan andere zonden te laten, kunnen zij vergeving ook van deze zonden krijgen.

V. 's B. Wat zijn de zonden tegen den H. Geest?

A. Deze zes: 1°. aan Gods genade wanhopen ; 2°. vermetel, dat is, zonder deugd op Gods barmhartigheid vertrouwen; 3°. eene wolbekende waarheid des geloofs bestrijden ; 4°. de deugd en genade-gunsten zijns naasten benijden; 5°. hardnekkig zijn in de boosheid; lt;gt;0. verachten het berouw of de boetvaardigheid.

1°. Aan Gods genade wanhopen, dat is, niet verwachten, noch willen vragen de eeuwige zaligheid, de gratie van wél te leven, welke God beloofd heeft. (Cain, Judas.)

2°. Vermetel, dat is, zonder deugd op Gods barmhartigheid vertrouwen : zonder de doodzonde te willen laten of Gods geboden te vol-, brengen.

3°. Eene welbekende waarheid des Geloofs, die men als zoodanig

ocr page 298

294

kont. bestrijden, uit boosheid aanvallen, lasteren, vei valschen, loochenen. gelijk de Joden deden, die weigerden Jesus te erkennen als den Messias, ofschoon zij door Diens wonderen er van overtuigd waren.

4°. De deugd en cjenadegunsten zijns masten benijden: boos. kwaad zijn, omdat andere nienschen goed, braaf zijn ; — door ergernis trachten bij hen de zoude ingang te doen vindon, omdat zo zonde is; zich verheugen over de vorderingen van het kwaad; aan allerlei sokten en dwalingen vrijheid en bescherming vorleenen en aan de Katholieke Kerk alle vrijheid en hare heiligste rechten misgunnen en miskennen. Cain benijdde Abel, omdat (rod grooter behagen in diens offor had dan in hot zijne.

5°. Hardnekkig zijn in de boosheid: met opzet niet willen Iiooren naar inspraken, preken, vermaningen van Kerk, ouders, vrienden; verachten troifonde voorvallen of straffen van schielijke dood. rampen, welke als zoovele vermaningen tot boete zijn. Dusdanige waren Pharaö tegen Mozes; de Jodon, die Stephanus steonigden.

6°, Verachten het berouw of de boetvaardigheid doen zij. die ook het voornemen maken, of zelfs een verbond aangaan van in zonden to leven en te sterven.

V. Welke bohartenswaardige vermaningen on waarschuwingen geeft God in do H. Schrift omtrent deze zonden ?

A. 1°. De Zoon dos monschon is gekomen, om to zoeken on zalig te maken wat verloren was. (Luc. XIX, 10.) ik bon niet gekomen om do rechtvaardigen, maar om de zondaars te roepen. (Matt. IX, 13.) Ik wil don dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekcere en leve. (Ezech. XXX.) Hoe groot (oneindig) is des Heoren barmhartigheid! en hoezeer is Hij tot verzoening geneigd voor hen, die zich tot Hom bekeeren (willen)!

2°. Zog niet: do barmhartigheid des Hoeren is groot. Hij zal de

menigte mijner zonden vergeven...... Toef niet. u tot don Heer te

bekeeren, en stel het niet uit van den oenen dag tot den anderen, want plotseling komt Zijne gramschap on ten tijde der vergelding zal Hij u vernietigen. (Sir. Y, 6, 9.)

3°. „O gij vol van arglist on van alle bedrog, kind des duivels, vijand van alle gerechtigheid! gij houdt niet op de rechte wogen dos Hoeren to verkeoren,quot; voegde de H. Paul us den toovenaar Elymas toe, die hem en Barnabas weerstond in de bokeering der Heidenen. (Hand. XIII, 10.)

4°. Die zich verheugt over het verderf van een ander, zal niet ongestraft blijven. (Spreuken XVII, 5.) Wee don mensch, door wien do ergernis komt (gegeven wordt). (Matt. XVIII, 17.)

5°. Toef niet, u tot den Hoer te bekeeren, en stel niet uit van dag tot dag. Zeg niet: ik heb gezondigd, en wat kwaads is mij overkomen ? (Eccli V, 8.) Aan een versteend hart zal het ten laatste

ocr page 299

slecht gaan. (Eccli III, 27.) In uwe zonden zult gij sterven. (Joan. VIII.)

(J0. Als de goddelooze tot de diepte van zonde gekomen is. veracht hij. (Spreuken XVIII. 3.) Over den man, die de vermaning hardnekkig veracht, komt plotseling verderf, en er zal voor hem nimmer hulp zijn. (Spr. XIX. 1.) Heden, als gij Zijne stem hoort, versteent uwe harten niet. (Ps. 9-4. 8.) Dan (in het uiterste) zullen zij mij aanroepen, en ik zal hen niet verhooren. (Spr. I, 28.)

V. 's 11 Waarom worden sommige zonden genoemd turaakroepende quot; zonden ?

A. Omdat zij door hare grootc boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld afroepen.

V. Worden deze zonden Telkens en altijd gestraft als zij bedreven worden ? ■

A. Neen; maar zij zijn zulke afschuwelijke zonden tegen de natuurlijke en zedelijke orde, dat God als gedwongen wordt op zichtbare wijze ze te straffen, ter instandhouding van de maatschappij, en om de menschen af te schrikken van het bedrijven dezer zonden.

V. 's B. Welke zijn de wraakroepende zonden?

A. Deze vier: le vrijwillü/e doodsla;/ d. i. zonder macht of reden, met voorbedachten rade iemand dooden. gelijk geschiedt in liet duel of tweegevecht; gelijk ('aïn deed, waarvan de H. Schrift zegt; do stem van het bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde. Daarom zult gij vervloekt zijn op de aarde..... onrustig en voortvluchtig zult dj zijn op aarde (Schepp. IV. 10-12.)

2e OnhiKchlieid tegen de natuur, waaraan de inwoners van Sodonia zich schuldig maakten. Zij werden gestraft niet den ondergang hunner stad. „Want wij zullen deze plaats verdelgen, omdat haar geroep zeer hoog gestegen is voor den Heer, die ons gezonden heeft om ze te verdelgen.quot; (Schepp. XIX. 13.) Onan bedreef eene zelfde zonde, en werd door God gedood, omdat hij een vervloekelijke daad had bedreven. (Schepp. XXXVIII, 10.) Zoo schreien ook zij om wraak, die door den H. Paulns aangeduid worden als: „door God overgelaten aan de begeerlijkheid hunner harten, die hunne lichamen in zich zelve onteeren. (Rom. 1. 24.)

3e VerdriiMing van armen, weduwen en weezen. Aan deze zonde maken zicli schuldig: a. die aan deze hulpelooze of hulpbehoevende menschen ontnemen, wat ze nog hebben; hen in hunne rechten I,reuken; h. voogden, die de goederen van weezen voor zich zelf gebruiken of slecht beheéren; r. woekeraars, die van hun nood gebruik maken, om zich zelf te verrijken; d. schuldeischers, die hun den weg afsnijden, om iets te verdienen : e. die de zulken verleiden tot onzedelijkheden, tot ongodsdienstigheid, hot bezoeken van slechte scholen, enz.

4e Het achterhouden van het Joon der werklieden, bestaat in a. de werklieden niet te betalen voor het door hen verrichte werk ; h. niet

ocr page 300

296

op verplichten tijd te betalen; c. hun werkloon zonder reden bekorten.

Tegen deze beide laatste zonden vaart Gort vreeselijk uit in het Boek des Uitgangs XXT1. 22-24 : „De weduwe en wees zult gij niet benadeelen. Als irij hun onrecht aandoet, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep hooren. en mijn toorn zal verontwaardigd worden en Ik zal u door hot zwaard verdelgen, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen zullen weezen wordenquot;. En; (Sir. XXXV. 18): rollen de tranen der weduwe niet over hare wangen en roepen zij geen wraak tegen hein, die ze doet vloeien?

Zie, het loon der arbeiders, die uwe akkers gemaaid hebben, dat door u is achtergehouden, schreeuwt, en hun geschreeuw is tot de ooren van den Heer der Heerscharen opgeklommen. (Jac. V, 4.)

„Gij zult hot loon van uwen bohoeftigen en armen broeder..... niet

weigeren..... opdat Hij tegen u niet roepe tot den Heer.quot; (Deut.

XXIV, 14, 15.) „Als iemand eenig werk voor u verricht heeft, geef hem aanstonds wat hij verdiend heeft, en laat het loon van den huurling niet onder u blijven.quot; (Tobias IV, 15.)

Wacht u, dat uij nooit in zonden toestemt en de geboden van den Hoer onzen God overtreedt. (Tob. IV, 6.) Die zonden en ongerechtigheden bedrijven zijn de vijanden hunner ziel. (Tob. XII, 10.)

Dit (zij) alle vrucht, dat de zonde ophoude. (Isaias XXV, 9.)

TWEE EX VEERTIGSTE LES.

Van de deugden.

(U. 25® les; — Br. 40e les § 1; — R. 39« les § 1.)

V. IJ. Is het ter zaligheid genoeg, te gelooven hetgeen God geopenbaard heeft?

A. Neen; het is niet genoeg te gelooven wat God geopenbaard heeft; wij moeten ook doen ai hetgeen God Van ons hebben wil.

V. Is het genoeg dat wij de zonde laten?

A. Neen, wij moeten het kwaad laten en het goed doen ; de zonde vluchten en de deugd beoefenen.

V. U. Hoe wordt de voortdurende wil en de genegenheid om altijd Gods wil te volbrengen, genoemd ?

A. De voortdurende wil en de geneyenheid om altijd Gods wil te volbrengen wordt deugd genoemd.

V. 's B. Wat is eene deusrd ?

ocr page 301

297

A. Eene genegenheid der ziel, door welke de mensch uèl doet.

V. Wat is ondeugd?

A. Eene voortdurende geneigdheid om kwaad te doen.

V. Is iedere deugd eene christelijke deugd ?

A. Neen; er zijn ook natuurlijke deugden. Als de wil en geneigdheid van den mensch gericht is op het goede omdat het met zijne redelijke natuur overeenkomt, doch niet om bovennatuurlijke redenen of bedoeling, dan is die wil of genegenheid eene natuurlijke deugd. Deze deugden zijn den ongeloovigen eigen, aan wier goede hoedanigheden en neigingen eigenlijk meer den naam van rechtschapenheid toekomt.

Want christelijke deugd is slechts die geneigdheid ten goede, welke uit de gratie voortkomt, enz., welke gericht is op het bovennatuurlijk doel, alles te doen wat God beveelt, om Hem aangenaam te zijn, den hemel te verdienen.

V. U. Hoe toonen wij het best, dat wij deugd bezitten ?

A. Dit toonen wij het best door daden, dat is door oefeningen of akten (handelingen) van deugd.

V. U. Is er onderscheid tusschen deugd, en oefeningen of akten van deugd ?

A. Ja, deugd is de voortdurende wil en de genegenheid ten goede ; oefeningen of akten van deugd zijn slechts voorbijgaande goede of deugdzame werken.

V. U. Wat heeft hij, b.v, die den voortdurenden wil heeft en de genegenheid, om zijnen naaste zoo te beminnen als God het hebben wil ?

A Hij bezit de deugd van naastenliefde.

V. TJ. Wat doet hij, die om Gods wil te volbrengen, een arme ondersteunt ?

A. Hij verricht eene daad öf akte van naastenliefde.

V. TI. Kan men de deugd in meerdere deugden onderscheiden?

A. Ja; want hetgeen God geboden en aanbevolen heeft is zeer onderscheiden, als: gehoorzaamheid, kuischheid, enz.

V. 'sB. Hoevelerlei deugden zijn er?

A. Tweeërlei: goddelijke en zedelijke deugden.

V. ;s B. Welke zijn de goddelijke deugden ?

A. Deze drie: geloof, hoop en liefde.

V. quot;s B. Waarom worden deze deugden genoemd goddelijke deugden ?

A. Omdat zij van God worden ingestort en ons onmiddellijk met God bezig houden; Br. omdat hetgeen wij moeten gelooven, hopen, beminnen voornamelijk God zelf is of eene Zijner volmaaktheden.

V. ;sB. Wanneer worden de goddelijke deugden den mensch voor het eerst ingestort ?

A. In het Doopsel.

ocr page 302

298

V. Van waar heeft do iiiensch de zedelijke deugden ?

A. Ook de zedelijke deugden worden den menseh door God ingestort.

V. Waarom worden dan ook deze niet genoemd goddelijke deugden ?

A. De goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde 1°. hebben God tot voortverp en tot beweegreden: wij gelooven God. omdat Hij de oneindige waarheid is; wij hopen op God om Zijne barmhartigheid en getrouwheid; wij beminnen God, als zijnde de volstrekte goedheid. Do zedelijke deugden echter hebben niet rechtstreeks God tot voorwerp of he weeg reden, maar de betrekking, dietusschen God en de schepselen, of tusschen de schepselen onderling bestaat; b.v. ik gehoorzaam door de tusschenpersonen van ouders of oversten aan God; ik stool niet, doordat ik aan andere mensdien. ieder het zijne geef of laat. 2°. Geloof, hoop en liefde kunnen en kondon nimmer anders verkregen worden dan door instorting, dan door eono gave van God. — Zedelijke deugden echter kunnen in de natuurlijke orde ook verworven worden ; alle hovennatuurlijlce zedelijke deugden echter zijn ingestort, of zij zijn geeno bovennatuurlijke deugden, doch aangeboren of aangeworven genegenheden, waardoor do menseh iets natuurlijk-goed doet: natuurlijlce deugden.

V. Hoe zijn geloof, hoop en liefde in kinderen, die pas geboren en gedoopt zijn ?

A. Deze goddelijke deugden zijn in hen geeno daden van gelooven, hopen, beminnen, maar do geneigdheid, de bijblijvende geschiktheid tot gelooven, hopen, beminnen.

V. Kunnen wij de goddelijke en zedelijke deugden verliezen ?

A. De eerste instorting dor goddelijke on zedelijke deugden zijn als de stoet der hoiligmakendo gratie. Als nu de hoiligmakendo gratie verloren wordt door eene doodzonde tegen 1°. het geloof, dan verliest men ook de andere goddelijke en zedelijke deugden. 2°. Eono doodzonde tegen de hoop vernietigt het geloof niet, doch wel de liefde. 3°. Andere doodzonden benemen wel de liefde en do zedelijke deugden, doch niot het geloof en de hoop.

V. Kan men de goddelijke en zedelijke deugden terugkrijgen ?

A. Ja; als hij die ze door de zonde verloren heeft, de heilig-makéndo gratie terugkrijgt door een volmaakt berouw ot door het waardig ontvangen der Biecht, worden hem de goddelijke en zedelijke deugden opnieuw ingestort.

V. Blijven den menseh ook nog na den dood deugden bij?

A. Na den dood blijft aan do zaligen slechts de liefde over, daar hun geloof opgelost is in het aanschouwen, hunne hoop in het bezitten van God. Bij de verdoemden kan natuurlijk geen sprake zijn van deugden.

V. 's B. Welke is de eerste der goddelijke deugden ?

A. Het geloof.

ocr page 303

299

V. 's B. Waarom wordt hot geloof genoemd de eerste der goddelijke deugden.

A. Omdat het geloof de wortel en de grondslag is van alle andere deugden.

V. Wat beteekent dit: wortel en (jrondslag van alle andere deugden?

A. Wat de wortel is voor eene plant of boom. n.1. het middel om staande te blijven, bloemen en vruchten voort te brengen; — wat de grondslag is voor een huis of gebouw, namelijk de steun, waarop alle andere deelen (muren, dak) van het gebouw rusten; — dat is het geloof voor alle andere deugden. Zóó hopen wij op God, beminnen Hem, omdat, en als wij in Hem gelooven. Zoo ook kunnen de weegreden om bovennatuurlijke deugd te oefenen, om de geboden te onderhouden, de bekoringen te overwinnen, godsdienstig te zijn. enz. niet anders dan aan het geloof ontleend wordon.

Door de yoddelijl-e deugden aanvaarden wij den dienst van God en blijven er in; door de zedelijke deugden volbrengen wij dien dienst. Om immers in don dienst van een meester (God) te treden, moet men hem als meester kennen en erkennen (gelooven), op hem betrouwen (hopen) en hem willen dienen (beminnen).

Om dien meester wél te dienen, moet men dan alle vermogens gebruiken: verstand, om te zoeken, wat er te doen staat; u-il, om uit te voeren hetgeen wij weten dat gedaan moet worden.

V. Wat volgt hieruit, dat hot geloof do wortel en de grondslag van alle deugden is?

A. le Wij moeten ons zeiven versterken on oefenen in hot go-loof. want des te grootor zullen ook hoop on liefde on alle andere deugden in ons zijn. 2° Bidden is het verbindingsmiddel mot God. om standvastig te blijven in hot geloof, en om volgons het geloof te loven. 3C Het geloof voeden door een godsdienstig onderwijs in de jeugd op katholieke scholen, en een voortdurend onderwijs in don godsdienst, hierin bestaande, dat men gaarne en mot ijver de onderrichtingen in preken, conferentiën, enz. aanhoort, zich zolven onderricht door het lezen van godsdienstige tijdschriften of boeken, bijzonder den katechismus. 4C De godsdienstplichten en het verwekken der akten van geloof, hoop en liefde niet uit gewoonte doch volgens gewoonte stipt, nauwkeurig met aandacht en ijver dagelijks verrichten. 5° Wij kunnen zoo gemakkelijk uit het geloof leren in tal van dagelijks Voorkomende omstandigheden en gelegenheden ; en daarin ons geloof oefenen en versterken; bij hot intreden in eene kerk, bij het hooren luiden van de „Engel des Hoeren,quot; bij het aanschouwen van een kruisbeeld of andere godsdienstige voorstelling. 6e Zij, die in het geloof verflauwen, er onverschillig voor worden, er van afvallen; als al geen hartstocht in het spel is - onderzoeken zich eens. of zij de grondregels van hot christelijk geloof wel kennen.

(Zie het gezegde hij de Se les.)

ocr page 304

300

V. 's B. Welke is voornaamste der goddelijke deugden ?

A. De liefde; want zonder de liefde kan noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere deugd ons ter zaligheid helpen.

V. Waarom is de liefde de voornaamste?

A. De liefde is hetzelfde als de heiligmakende gTatie, dat is, de liefde en vriendschap van God. Zonder deze liefde is de mensch niet gerechtvaardigd, zijn geloof en hoop dood. en alle andere deugden slechts natuurlijke.

V. Kunnen wij zeker zijn, de liefde of heiligmakende gTatie te bezitten.

A. Neen; wij zijn nimmer zeker „of wij haat of liefde waardig zijnquot;.

V. Uit welke teekens of aanwijzingen mogen wij toch verhopen, de liefde te hebben?

A. Hieraan kunnen wij wel eenigszins weten, of wij de heiligmakende gratie bezitten 1° dat wij dikwijls en gaarne aan God denken, van Hem hooren, over Hem spreken: „waar uw schat is, daar is ook uw hart,quot; zegt Jesus (Matt. VI, 21.) 2e dat men Diens geboden onderhoudt. Die Mijne geboden onderhoudt bemint Mij. (.Joan. XIV, 21.) 3® dat men de Kerk en hare dienaars eert (Luc. X. 16), die U hoort, hoort Mij. 4C dat men oprechte en werkdadige liefde jegens den evennaaste gevoelt: God is liefde, en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. Die zegt, dat hij God bemint, is een leugenaar als hij zijn broeder haat. (I Joan. IV, 16. 20.) Die niet bemint, blijft in den dood; die zijn broeder haat is een moordenaar. (I Joan. Ill, 15.)

(Zie het gezegde over de liefde, :Jle les.)

V. U. Hoe worden de andere deugden genoemd, die ons niet onmiddellijk met God bezighouden ?

A. Die worden zedelijke deugden genoemd.

V. 's B. Waarom Avorden de andere deugden genoemd zedelijke deugden ?

A. Omdat zij de zeden der menschen volgens het Evangelie en de rede ten goede regelen.

V. AVat verstaat gij door de zaden der menschen ?

A. Door de zeden der menschen wordt verstaan hunne levenswijze, hunne manier van handelen met en onder elkander en ten opzichte der samenleving.

V. Waarnaar moet deze levens-, handelwijze geregeld zijn?

A. Deze moet geregeld zijn, naar — dat wil zeggen, deze moet overeenkomen met het Evangelie, de leer van Christus en met de rede, d. i. het gezond verstand.

V. Welk is de beste en zekerste regel?

A. De beste en zekerste is het Evangelie of de christelijke leer; dewijl dit niet tegen het verstand kan zijn, en omdat de tweede

ocr page 305

'301

regel: liet verstand, niet altijd onbeneveld of onbevooroordeeld is.

V. Wat volgt hieruit?

A. Hieruit volgt, lc hoe noodnakelijk het is. de christelijke leer of den Katechismus goed tö kennen, te verstaan en te begrijpen. 2e dat wij allereerst moeten luisteren en doen naar hetgeen de leerende Kerk, en in hunne plaats, de pastoors en priesters voorhouden te doen of te laten.

V. 's B. Welke zijn onder de zedelijke de kardinale of hoofddeugden ?

A. Deze vier: de voorzichtigheid, de rechtvaardigheid, de sterkte en de matigheid.

V. Waarom worden deze deugden kardinale genoemd ?

A. Zij worden aldus genoemd naar het latijnsche woord; Carclo. dat hengsel of scharnier beteekent; omdat zoo ook alle zedelijke deugden met eene der kardinale samenhangen. Zij worden ook hoofd-deugden genoemd, omdat alle andere zedelijke deugden tot één dezer kunnen teruggebracht worden.

V. Wat is, waarin bestaat de voorzichtigheid ?

A. De voorzichtigheid is, volgens de H.H. Augustinus en Basilius, de kennis van hetgeen goed of kwaad, te verlangen of te vermijden. te doen of te laten is.

De voorzichtigheid bestaat dus daarin, dat men tot het goede het doel en de middelen kent, en die, na rijp beraad, op doelmatige wijze weet aan te wenden.

Deze deugd wordt door den H. Bernardus genoemd de aanvoerd-ster en bestuurster der overige deugden ; — en van deze deugd sprak de Zaligmaker, toen Hij zijnen Apostelen leerde: weest eenvoudig als de duif en voorzichtig als de slang.

„Neem de voorzichtighed weg,quot; zeide de H. Bernardus, „en de „deugd is geene deugd meerquot; b.v. ijver voor God en Godsdienst wordt dweeperij zonder voorzichtigheid; mildadigheid is deugd; doch zich en anderen blootstellen aan gebrek is niet voorzichtig, enz.

„Maakt u echter niet gelijkvormig aan de wereld, vermaant de H. Paulus (Rom. XII, 2.) daar de kinderen der wereld of wereldsgezinde menschen voorzichtiger zijn in hunne tijdelijke aangelegenheden, dan de kinderen des lichts bij hunne veel grooter belangen der ziel, „maar beproeft wat de wil Gods, wat goed, behagelijk, „volmaakt isquot;.

Y. Waarin bestaat de rechtvaardigheid?

A. Hierin, dat men steeds bereid is, aan ieder het zijne te geven, of te doen: „geeft aan allen het verschuldigde: schatting, „aan wien gij schatting, tol aan wien gij tol; vrees, aan wien gij „vrees; eer, aan wien gij eer schuldig zijt.quot; (Eom. XHI, 7. 8.)

V. Welke voorname deugd komt voort uit deze kardinale of hoofddeugd ?

ocr page 306

302 t

A. Dc deugd vau gedsdiensti^eid. Deze heeft niet God tot voorwerp of beweesjreden, want dan ware zij eene goddelijke deugd, doch de rechtvaardigheid, die eischt, dat wij aan God dc eer geven, welke Hem toekomt, en deze is de éeredienst.

V. Wat is de stei'Me?

A. De sterkte is de voortdurende geneigdheid, om zich steeds van alle christelijke plichten te kwijten, al is het ook ten koste van strijd, moeiten, opofferingen, vervolgingen, zelfs van het leven.

V. Welke deugden vergezellen de sterkte.

A. De sterkte is vergezeld van 1° geduld, kalmte en gelatenheid in het verdragen van al wat den mensch tegenstaat; 2® groot- of edelmoedigheid, welke niets te moeielijk acht om het kwaad te laten en het goed te doen 3e de volharding in het goede tot den dood.

V. Hoe wordt de grootste daad der sterkte genoemd ?

A. De grootste daad der sterkte is de volharding in het qoede ten koste van het leven en wordt genoemd: martelie, martelaarschap, bloedgetuigenis.

V. Welke zijn de uitwerksels van het martelaarschap?

A. De martelaar krijgt 1° vergiffenis van alle zonden, der erfzonde, als hij nog niet' gedoopt is; 2° vergeving van alle straffen der zonden; 3e de martelkroon, dat is eene bijzondere vergelding in den hemel.

V. Waarin bestaat de matigheid ?

A. De matigheid bestaat in de genegenheid der zfel. waardoor wij de zinnelijke lusten, vooral van smaak en gevoel, bedwingen. De matigheid doet dep mensch de tijdelijke goederen en lusten gebruiken; verbiedt, die te misbruiken of die te genieten, dat is, om het genot alleen te gebruiken.

V. Welke voorname deugden spruiten voort uit de matigheid'?

A. Onthouding en matigheid in eten en drinken, versterving, zuiverheid, eerbaarheid, zachtmoedigheid, liefde tot bezigheid, zedigheid in kleeding en opschik, ootmoedigheid, gehoorzaamheid.

Daartoe is de genade van God onzen Zaligmaker verschenen, opdat wij alle goddeloosheid en wereldsche lusten afleggen, en zedig, rechtvaardig en godvreezend in deze wereld leven zouden. (Tit. II, 12.)

V. Kunnen wij de deugden in ons vermeerderen?

A. Ja, met de hulp van Gods gratie moeten wij trachten vorderingen te maken in de deugd.

V. Br. Mag het voor den christen genoeg zijn, de grootere zonde te vermijden ?

A. Neen; de christen moet streven naar eene volmaakte liefde tot God, door iedere vrijwillige zonde te vluchten en de deugd volmaakt te beoefenen.

V. R. Waarin bestaat de christelijke volmaaktheid?

ocr page 307

303

A. De christelijke voiuiaaktheid bestaat hierin, dat wij God boven alles, en alles om God beminnen.

V. Br. en R. Behoort ook eenieder in zijn staat naar de christelijke volmaaktheid te streven: is dat plicht voor ieder christen ?

A. Ja zeker, le want Christus heeft tot allen gezegd: u-eest volmaakt, gelijk uw hemehche Vader volmaakt is. 2e Omdat wij God nit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, en uit alle krachten moeten beminnen. 3e. Omdat wij des te gelukkiger in den hemel zullen zijn, naarmate wij op aarde heiliger geleefd hebben. 4e Omdat wij lichtelijk in zware zonden vallen, als wij ons niet steeds beijveren om toe te nemen in deugd.

V. R. Wat moet men doen om tot de christelijke volmaaktheid te geraken ?

A. Men moet met ijver en standvastigheid de middelen gebruiken, die Christus daartoe gegeven heeft.

V. R. Hoevelerlei zijn die middelen ?

A. Tweeërlei; gewone en buitengewone.

V. R. Welke zijn vooral de gewone middelen, om tot de volmaaktheid te geraken ?

A. Ten le gaarne bidden en Gods woord aanhooren of overwegen ; ten ae dikwijls en godvruchtig de H. Sacramenten ontvangen ; ten 3e zijne driften en verkeerde neigingen bestrijden; ten 4e zijne gewone bezigheden zoo volmaakt mogelijk verrichten, en aan God opdragen.

V. Br. Welk is een der groote beletselen om te komen tot eene volmaakte liefde tot God of de christelijke volmaaktheid ?

A. De geest der wereld, die als dwaasheid beschouwt wat Christus ons in de ,.Acht Zalighedenquot; heeft aangeprezen.

V. R. Waardoor wekt Christus ons op tot het beoefenen der acht Zaligheden ?

A. Door de beloften der hemelsche belooning, in de acht Zaligheden uitgesproken.

V. Br. en R. Zeg de acht Zaligheden.

A. le Zalig zijn de armen van geest (gewillig en geduldig liehoeftiffen; rijken, die niet gehecht zijn aan geld en goed), want hun is het rijk der hemelen.

2e Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten (geen beminnelijker, meer geacht en invloedrijker mensch dan de zachtmoedige).

3e Zalig zijn zij die treuren (volgens de meening van wereld-gezinde menschen), want zij zullen vertroost worden.

4e Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid (ijverig naar volmaaktheid streven), want zij zullen verzadigd worden.

5e Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.

ocr page 308

304

6e Zalig- zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.

7e Zalig zijn de vreedzamen (verzoeninssg-ezinden), want zij zullen kinderen Gods genoemd wrordon.

8® Zalig zijn zij die vervolging lijden om de gereclitigheid. want hun behoort het rijk der hemelen.

V. Welke orde is er in deze acht Zaligheden ?

A. le De drie eerste stelt Christus tegenover de valsche meening. welke de wereld heeft omtrent hot ware geluk. De wereld meent dat hot ware geluk bestaat in rijkdom, macht en wellust. Christus leert dat de geest van armoede, zachtmoedigheid en boetvaardigheid of versterving den mensch Waarlijk gelukkig maakt. 2e Do vijf laatsten bevatten de voorwaarden, voreischt om wèl en heilig te leven.

V. E. Wat noemt men buitengewone middelen om tot de volmaaktheid te geraken?

V. De middelen, welke ter bereiking van de christelijke volmaaktheid wel niet noodzakelijk, maar toch zeer nuttig zijn, en door Christus in het H. Evangelie worden aangeraden.

V. E. Welke zijn deze buitengewone middelen ?

A. De evangelische raden.

V. TI. en Br. Wat zijn evangelische raden ?

A. Zedelijke deugden, door Christus aanbevolen, tot welke niemand verplicht is. dan die zich er toe verbonden heeft (door beloften).

V. Er. en E. Welke zijn de drie evangelische raden?

A. Vrijwillige armoede, eeuwige zuiverheid, volkomen gehoorzaamheid.

V. Hoe zijn deze werken de volmaakste, welke de mensch kan doen?

A. Omdat deze van den mensch alles wegnemen wat hem kan beletten op God te denken of met Zijn dienst bezig te zijn. n.1. 1® begeerte naar. en de zorg om tijdelijke goederen te verkrijgen, te bewaren, te bestieren; 2® de zinnelijke lusten met al de beslommeringen van den huwelijken staat; 3® de ongestadigheid van den menschelijken wil, waardoor hij vaak het kwade boven het goede verkiest of het min goede boven het betere.

Hierom ook zijn de evangelische radon de volmaaktste werken, omdat daardoor de mensch aan God schenkt al wat hij is en bezit: 1® do tijdelijke goederen; 2® de zinnelijke lusten van het lichaam; 3® het genot der ziel, hetwelk bestaat in het besef van eigen voortreffelijkheid.

V. Br. on E. Is hot goed, door geloften zich tot de evangelische raden te verbinden?

A. Ja, als het geschiedt met rijp overleg en volle vrijheid.

V. Is men verplicht de evangelische raden te onderhouden, als men die beloofd heeft?

A. Ja, en wèl op zware zonde.

V. Wie zijn volgens hunne belofte daartoe verplicht?

ocr page 309

H05

A. le Kloosterlingen van beider geslacht, die zich met vrijen wil daartoe verbonden hel)l)en; 2° personen, in de wereld levende, die een of meer dezer zelfde beloften hebben afgelegd; 3C tot het beleven van eeuwige zitiverlwid zijn ook verplicht zij die den priesterlijken staat omhelzen, en wel bij het ontvangen van het snb-fliakonaat.

„Wie Mij Avil navolgen, verloochene zich zeiyen, en neme zijn „kruis dagelijks op en volge Mij.quot; (Luc. IX, 23.)

„Wie zijn kruis niet draagt, en Mij niet navolgt, kan Mijn leerling ..niet zijn.quot; (Luc. XIV, 27.)

DEIE EN VEERTIGSTE LES.

Van de goede werken.

(U. 4(5® les; — Br. 4()c les § 1; - R. 39® les § 2.)

V. Welk is het tweede deel der christelijke rechtvaardigheid ?

A. Het tweede deel is: het goede doen; de deugd beoefenen. „Wijk af van het kwaad, en doe het goede.quot; (Ps. XXXVI, 27.)

V 'sB. Is men verplicht goede werken te doen?

A. Ja; wij moeten daardoor onzen roep tot den hemel verzekeren.

A. Br. Ja; wij moeten daardoor den hemel verdienen.

V, Welke goede werken zijn hier bedoeld ?

A. Alle woorden, werken, gedachten, begeerten die overeenkomen met de wet en den wil van God. Bijgevolg Ie al Avat men doet om de wet te onderhouden; al de niet gebodene of vrije werken, die uit hunne natuur dienen om God te eeren, zooals vasten, bidden, aalmoezen geven, haten hetgeen door de geboden is voorgeschreven; 3® al de werken, die uit hunne natuur onverschillig zijn, zooals eten, slapen, uitspanning nemen, de dagelijksche bezigheden, mits zij gedaan worden om God te vereeren en Zijnen wil te volbrengen.

V. U. Heeft God aan allen bevolen goede werken te doen?

A. Ja, God heeft bevolen, dat wij door goede werken onze zaligheid zouden verzekeren en schatten voor den hemel verdienen.

V. Welk verschil is er tusschen natuurlijk- en ?w(*Hnatuurlijk-goede werken ?

A. De natuurlijk-goede werken worden gedaan op voorlichting-van het verstand; de bovennatuurlijk-goede werken op voorlichting van het geloof. De eerste komen voort uit 's menschen natuurlijke kracht, de laatste daarenboven uit. eene nieuwe hoogere kracht;

20

ocr page 310

306

do eerste dienen tot een vergankelijk, de laatste tot oen onvergankelijk doel.

V. Is goede werken doen noodzakelijk om in den hemel te komen ?

A. Ja. althans voor hen, die het gebruik van hot verstand hebben. Doet waardige vruchten van boetvaardigheid, vermaant de H. Joannes de Dooper. Werp den onnutten knecht in de uiterste duisternis, waar geween en geknars der tanden zal zijn. (Matt.XXV,30.) Want het geloof, als het geen werken heeft, is in zich zeiven dood. (Jac. II, 17.) Niet ieder, die tot Mij roept: Heer, Heer, zal ingaan in het rijk der hemelen, doch die den wil doet van mijn Vader, die in den hemel is. (Matt. VII, 20.) Ieder zal zijn eigen loon naaiwerken ontvangen. (I Cor. III, 8.) Hij zal aan eenieder volgens zijne werken vergelden. (Rom. II, (i.) Hetgeen de mensch gezaaid heeft, zal hij ook oogsten. (Gal. VI, 8.) Koep de arbeiders en geef hun

het loon. (Matt. XX, 8.) Komt gezegenden Mijns Vaders..... wantik

had honger en gij hebt Mij gespijsd. (Matt. XXX, 34.) Die rechtvaardig is, worde nog rechtvaardiger, en die heilig is, heilige zich meer. (Openb. XXII, 11.)

V. Kan men verloren gaan, als en omdat men goene goede werken doet?

A. Ja; want alle boom. die geeno goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. (Matt. VII, 19.) En Christus zal als reden hunner veroordeeling aan de verdoemden aangeven, dat zij geene goede werken hebben verricht: Gaat van

Mij.....want Ik had honger en gij hebt Mij niet gespijsd. (Matt.XXV,41.)

Daarenboven, er zijn goede werken, welke wij niet kunnen verzuimen. zonder ons plichtig te maken aan dadelijke zonden, b.v. Mis hooren op een Zondag.

V. 's B. Moeten alle menschen dezelfde goede werken doen ?

A. Neen, maar ieder moet die doen volgens zijnen roep en staat.

„Doet uw best, opdat gij door goede werken uwen roep en uwe ..uitverkiezing verzekert.quot;' (II Petr. I. 10.) „Wilt gij ingaan tot het „leven, onderhoud de geboden.quot; (Matt. XIX, 17.)

V. Noem eenige roepen ot daten.

A. De roe]) tot den geestelijken of huwelijken staat, aldus; priesters, kloosterlingen, gehuwde, ongehuwde personen; ouders, oversten, kinderen, onderdanen, armen, rijken, enz., zijn zoovele staten of standen, die niet allen dezelfde goede werken kunnen of mogen doen: een geestelijk persoon b.v. is verplicht meer te bidden dan een gehuwde; een rijke moet meer aalmoezen geven; een dienstbode mag den tijd niet doorbrengen met bidden, als het tijd van werken is, enz.

V. U. Welke goede werken worden ons bijzonder aanbevolen ?

A. Verschillende oefeningen van deugd, waaronder vooral bidden, vasten en aalmoezen geven.

ocr page 311

;}07

V. 's B. AVelke zijn de voornaamste goede werken ?

A. Deze drie. Avaaronder alle goede werken begrepen zijn, te weten: hielden, vasten, en aalmoezen geven.

V. 'sB. Wat wordt verstaan door bidden? (18® les.)

A. Alle werken van godsdienstigheid.

V. Noem eenige werken van godsdienstigheid of hidden ?

V. Onder bidden wordt in ruimen zin begrepen alle werkzame liefde tot God: d. i. het bidden van morgen- en avondgebed en rozenhoedje — de overweging, bijzonder de kruisweg, het dage-lijksch onderzoek van geweten, het ontvangen der H. Sacramenten, het heiligen van zon- en feestdagen, bedevaarten doen, het bijwonen der H. Mis, van onderrichtingen, godsdienstige boeken lezen, — eed afleggen, enz. enz.

V. 's B. Wat wordt verstaan door vasten ?

A. Alle versterving van zich zeiven.

V. Wat verstaat gij door versterving?

A. Versterving is elke beteugeling of intooming der begeerlijkheid, hetzij deze geoorloofd is of niet.

V. Hoevelerlei is de versterving?

A. Hoofdzakelijk tweeërlei: uitwendige of lichamelijke versterving, en inwendige of geestelijke versterving.

V. Geef eenige voorbeelden van uit- en van -mwendige versterving,

le Versterving van het lichaam in het algemeen, b.v. aan de gemakzucht des lichaams niet toegeven in houding, zitten, liggen, opstaan, enz.

Versterving van de vijf zintuigen; door deze niet toe te geven in hetgeen zij gaarne zien, hooren, smaken of spreken, ruiken, gevoelen; en deze te laten zien, hooren, enz, wat aan de zintuigen minder aangenaam is. 2e Inwendige versterving wordt beoefend door het bedwingen van- of niet toegeven aan natuurlijke neigingen, b.v. omdat men iets gaarne of ongaarne doet; — doorzijn eigen wil niet te volgen, maar liever dien van anderen, vooral als zulks plicht is. zooals ten overstaan zijner ouders, oversten enz.; — door zijne eigenliefde tegen te gaan, b.v. niet van zich zeiven te spreken of gaarne te hooren, enz.

V. U. Hoe weten wij, dat het vasten een goed en aan God welgevallig werk is ?

A. Dit weten wij uit het woord en het voorbeeld van Jesus en der Apostelen en uit de onfeilbare leer der H. Kerk. (Zie de 29e les.)

V. 's B. Wat wordt verstaan door aalmoezen geven ?

A. Alle werken van liefde en barmhartigheid jegens den naaste. (Zie de 44° les.)

V. 'sB. Hoe moeten wij onze goede werken verrichten, om daardoor den hemel te verdienen ?

A. In staat van gratie en ter eere Gods.

ocr page 312

308

V. U. Wat wordt cr toe vereiseht, opdat do goede werken verdienstelijk zijn voor den hemel?

A. Dat men in staat van genade zij, en met behulp dor werkende of dadelijke genade zijne werken om God verrichte.

V. Wanneer is men in staat van gratie?

A. Als men zuiver is van doodzonde.

V. U. Wat is de werkende ot dadelijke gratie ?

A. Eene dadelijke hulp van God, waardoor ons verstand wordt verlicht en onze wil wordt aangespoord en geholpen, om iets yoods te doen of iets kwaads te laten.

V. U. Wat verdienen wij door onze verdienstelijke werken?

A. Wij verdienen daardoor vermeerdering der heiligmakendo gratie, den hemel en vermeerdering der hemelsche glorie.

V. R. Wat voordeel geven ons do goede werken, die wij in staat van genade verrichten ?

A. Ton 1° zij verdienen ons de vermeerdering van de goddelijke genade en der hemelsche glorie; ten 2® zij verwerven de vergiffenis dor dagolijksche zonden; ten 3° zij voldoen voor de straffen, die wij door de zonden verdiend hebben.

V. U. Kunnen de zondaars ook goede en verdienstelijke werken doen ?

A. Goede werken kunnen zij wél doen, maar geene goede werken, welke verdienstelijk zijn voor den hemel.

V. U. Waarom kunnen zij voor den hemel geene verdienstelijke werken doen ?

A. Omdat, zoolang zij door de doodzonde de hel verdienen, zij niets kunnen verdienen voor den hemel.

V. quot;s B. Zijn dan de goede werken, die de zondaar in staat van doodzonde doet, vruchteloos?

A. Xeen; maar met de hulp der goddelijke gratie zijn zij voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering te komen.

V, Wat kan de zondaar dan verdienen ?

A. 10 In den eigenlijken zin kan iemand, die in staat van doodzonde is niets verdienen. 2° In oneigelijken zin kan hij verdienen meerdere dadelijke gratiën en ook de gratie van te bekeeren.

V. Moet iemand, die in doodzonde is, dan maar nalaten goede werken te doen, te bidden, te vasten, aalmoezen te geven ?

A. Neen; hij heeft die zelfs meer noodig dan anderen, omdat door deze de goddelijke barmhartigheid moet verteederen, om hem berouw, voornemen, in een woord dat alles te geven, wat ver-eischt wordt om te bekeeren, uit de zonde op te staan, zijn leven te verbeteren. .

V. 'sB. Is het noodig, dat men bij elk goed werk denkt, dat men het ter eere Gods doet?

ocr page 313

309

A. Neon: het is voldoende, dat, men des morgens eene goede meening maakt en die van tijd tot tijd vernieuwt.

V. U. Wat wil zeggen: zijne werken om God verrichten ?

A. Dat men de meening, de bedoeling heeft om door zijne werken God te eeren.

V. Kan men loon verwachten voor goede werken, welke men zonder eenige bedoeling doet, of die men doet nit natuurlijke genegenheid tot dat werk, of om aan de menschen te behagen, of om eenig xijdelijk voordeel, gemak, uit vriendschap, enz. ?

A. Neen; want dan werkt men niet voor God, uit liefde tot God; en men kan dus van hem, voor wien men niet werkt, geen loon vorderen. De Zaligmaker voegde dan ook den Joden toe, dat Hij denzulken, die uit ijdelheid enz. goede werken deden, in het oordeel zou toevoegen „dat zij hnn loon reeds ontvangen haddonquot; n. 1. den lof. enz. der menschen.

V. Wat volgt hieruit ?

A. Dat hij. die des morgens geene goede meening maakt, dat is, die verzuimt zijne werken van den dag aan God op te dragen, veel en alles verliest voor den hemel; terwijl hij zoo gemakkelijk door zijne gewone dagelijksche bezigheden, moeielijkheden. die hij toch moet verrichten of ondervinden, den hemel kon verdienen, voor zijne zonden of straffen der zonden kon voldoen. 2° De goede werken. die men alleen doet om wille van de menschen, hebben (/een aanspraak op loon bij God. Die goede werken echter, welke vooral om God geschieden, maar waarbij wel eenige ijdele glorie of andere niet goede beweegredenen komen, hebben ook slechts ten deele verdiensten bij God. 3° Men moet zich dus niet laten onnuoedigen om goede werken te doen, al komt er iets menschelijks bij; men moet van den nood eene deugd maken, als men aan een lijden, tegenspoed of onaangenaamheid niet kan ontkomen: dan het heiligen, door het aan God op te dragen. 4e Hoe gemakkelijk en eenvoudig is het om in den hemel te komen of vele verdiensten bij zijn dood te hebben: men make 's morgens het kruisteeken on zegt b.v. ik draag U op al wat ik dezen dag te doen. te laten, te lijden heb. Des noods. zou het kruisteeken alleen reeds voldoende zijn, als men het maakt met die hedoeling: In den naam. dat is immors: ter eere des Vader en des Zoons en des H. Geest?

V. ?s B. Kan de m'ensch uit eigen kracht goede werken doen die hem ter zaligheid dienen?

A. Neen ; hij heeft daartoe de hulp der goddelijke gratie noodig, zonder welke hij niets goeds ter zaligheid kan verrichten.

V. Kan de mensch uit eigen kracht niets goeds doen ?

A. Ja; de mensch kan wel goede werken doen, die natuurlijk-goed zijn; doch niet kan hij uit eigen kracht een goed werk verrichten.

ocr page 314

310

(lat bovennatuurlijk-goed is, dat wil zeggen, waardoor hij den hemel verdient.

V. Waarom kan hij uit eigen kracht niets goeds doen. waardoor hij den hemel verdient?

A. Omdat, zegt Christus, gij zonder Mij niets (ter zaligheid) doen kunt. (Joan. XV, 5.) „Van ons zeiven, leert de H. Paulus, zijn wij „niet bekwaam om iets (ter zaligheid) te denken als uit ons zeiven. „maar onze bekwaamheid is uit Godquot;. (I Cor. XII. 3.) Bovendien, onze hemelsche bestemming ligt boven het bereik onzer natuurlijke vermogens. Indien onze goede werken kunnen dienen als middel tot die bestemming (den hemel), dan moeten onze vermogens en onze werken ook eene kracht krijgen, die in verhouding staat tot die bestemming. Met andere woorden natuurlijke dingen, gelijk goede werken op zich zelve zijn, kunnen cjeene hovennaümrlijke dingen uitwerken.

V. U. Aan wie geeft God de werkende of dadelijke gratie?

A. God geeft die aan alle menschen, zoowel zondaars als rechtvaardigen.

V. U. Waarom geeft God die genade aan de rechtvaardigen?

A. Opdat zij met behulp dier genade goede en voor den hemel verdienstelijke werken zouden verrichten.

V. U. Waai •om geeft God den zondaars werkende of dadelijke genaden ?

A. Opdat zij met behulp dier genade goede werken doen. welke hen helpen tot hunne bekeering.

V. U. Vanwaar hebben onze goede werken zoo groote verdiensten ?

A. Van de oneindige verdiensten van Christus, wiens levende ledematen wij zijn, als wij in staat van genade leven.

V. 's B. Waaruit hebben onze goede werken de kracht om daardoor den hemel te verdienen ?

A. Uit de verdiensten van Christus en de goddelijke beloften.

V. Wat heeft Christus in zake de goede werken voor ons verdiend?

A. Christus heeft door Zijn lijden en dood verdiend, dat wij bovennatuurlijke krachten bekomen, waardoor onze werken waardig worden een bovennatuurlijk loon te ontvangen. —I )ie bovennatuurlijke krachten zijn de heiligmakende gratie en de dadelijke gratiën, door welke wij aangenomene kinderen Gods zijn en als kinderen Gods kunnen werken.

V. Welke beloften heeft God gedaan omtrent de goede werken ?

A. God is getrouw, die het beloofd heeft. (Hebr. X, 23.) God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk en uwe liefde zou vergeten. (Hebr. VI, 10.) Ik zelf zal uw overgroot loon zijn. (Schepp. XV, 1.) Ieder zal zijn loon ontvangen volgens zijn arbeid. (I Cor. III, 8.) Zie, ik kom spoedig en mijn loon is bij mij, om een ieder te vergelden naar zijne werken. (Openb. XXII, 12.) Verheugt en verblijd

ocr page 315

311

u, want uw loon is groot in don hemel. (iJatt. V. 12.) Een enkel glas water, in Mijnen Naam gegeven, zal zijn loon niet missen. „En zijn wij kinderen; dan zijn wij ook erfgenamen Gods cn medeerfgenamen van Christus, indien wij met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Rom. VUT. 17.)

„Zalig de man. die de beproeving doorstaat; hij zal de kroon „des levens (het eeuwige leven) ontvangen, die God beloofd heeft „aan die Hem bemindquot;, en die liefde door hunne werken iretoond hebben. (Jac. 1, 12.)

VIER EN VEERTIGSTE LES.

Van de tverken van harmhartigheid.

(Br. 40c les § 3; — R. 39° les i; 2.)

V. Wat zijn werken van harmhartif/heid?

A. quot;Werken, waardoor wij andere menschen in hunnen nood helpen uit medelijden, mededongen: omdat wij zelf lijden door die andere menschen te zien lijden ; omdat wij hun lijden als het onze beschouwen.

V. 'sB. Wat zijn werken van christélijlce barmhartigheid?

A. Werken, waardoor wij onzen naaste in zijnen nood uit liefde Gods bijstaan.

V. 'sB. Waarom zegt gij: uit liefde Gods'!

A. Omdat de werken van harmhartigheid, die alleen uit menschelijk inzicht gedaan worden, geene werken van christelijke barmhartigheid zijn, en geene verdiensten voor don hemel hebben.

V. Welke werken verrichten dan zij, die uit medelijden, ijdel-hoid, rechtvaardigheid, vriendschap een arme of lijdende helpen, zonder dat zij in God gelooven of het om Godswil doen ?

A. Zij doen werken van harmhartigheid.

V. Wat maakt de werken van barmhartigheid tot werken van christelijke barmhartigheid ?

A. Als men ze verricht, omdat de arme of noodlijdende een kind is van God don Vader, door Jesus Christus vrijgekocht en Diens broeder, tempel ook van don H. Geest, gelijk men zelf is; als men hom helpt, omdat God het wil.

V. Waaruit blijkt die wil van God?

A. Uit do H. Schrift, waar God beveelt: Wees barmhartig, gelijk

ocr page 316

312

uw Vader barmhartig is. (Luc. VI, 36.) Bannhartigheid wil ik, geen (liever dan) offerande (Matt. XII. 7.); — de balmhartigen zalig ]»rijst: Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. Wend uwe oogen van den arme niet af, zegt God in het Boek der Wijsheid. IV, 1 : geef wat gij schuldig zijt, en antwoord

hem vriendelijk en zacht..... wees jegens weezen barmhartig als een

vader, en jegens hunne moeder als een echtgenoot (alsof gij haaiman waart). God had aan de Joden dit voorgeschreven: zoo gij het zaad oogst op uwen akker en een korenschoof vergeet of achterlaat. moogt gij niet omkeeren om ze te halen, maar gij moet ze door den vreemdeling (den arme) en de wees en do weduwe laten wegdragen, opdat de Heer, uw God, u zegene en alle werken uwer handen. (5° Boek Mozes XXIV, 19.)

V. quot;s B. Hoevelerlei werken van barmhartigheid moet men onderscheiden ?

A. Tweeërlei: geestelijke (als de ziel in nood is), lichamelijke (als het lichaam gebrek heeft).

V. 's B. Welke zijn de verhevenste ?

A. De geestelijke zijn zooveel verhevener als de ziel in waardigheid het lichaam overtreft.

V. Waarom worden hulpbehoevenden gewoonlijk eerder en beter geholpen als hun lichaam, dan als hunne ziel hulp behoeft ?

A. 1° Omdat de ondergang van eene onsterfelijke ziel onverschillig wordt aangezien, dewijl men de waarde der ziel niet beseft, en evenmin de waarde van de liefdewerken welke aan eene ziel bewezen worden. 2C Bij de beoefening der lichamelijke werken van barmhartigheid komen dikwijls en lichtelijk andere invloeden en beweegredenen in het spel, zoo deze al niet op den voorgrond treden, zooals: natuurlijk medelijden, de lof der menschen, enz., terwijl geestelijke werken van barmhartigheid bijna niet kunnen bewezen 1 worden, of zij moeten uit zuivere liefde tot God geschieden.

Zonderling! roept de H. Bernardus uit. er valt een lastdier, en men ijlt toe om het op te beuren; — eene ziel gaat ten gronde, en niemand Vraagt er naar.

V. In welken nood kan de ziel. maar kan ook het lichaam verkeeren ?

A. Men moer daarbij onderscheiden 1° uiterste nood: als de ziel zou verloren gaan, of de menscli het leven verliezen, wanneer geene hulp kwam. In dezen nood is ieder, die kan, op zware zonde verplicht hulp te brengen. 2° De ziel verkeert in gewonen nood, als een zondaar met de gewone middelen voor het heil zijner eigene ziel kan zorgen. Zoo ook verkeert het lichaam in garonen. nood, ais een arme in geen grooter nood is dan andere van zijn stand. 3C Groote nood is het midden tusschen uitersten en gewonen nood.

In beide laatste nooden is het de taak der liefde hulp te verschaffen.

ocr page 317

313

V. Hoevele a-ocstelijkc werken van baniiliartiirlieid zijn er?

A. Zeven: 1. de zondaars bestraften.

V. Hoe moet dat bestraffen of berispen plaats hebben?

A. Die berisping moet lt;gt;'eschiedon als de zonde des naasten zeker is en er vooruitzicht bestaat op verbetering', zonder dat hij. die berispt, bezwaar of schade bij ondervinden zal. Bovendien moot die berispingquot; toegediend worden uit ware liefde, niet in drift of toorn, met voorzichtigheid, gewoonlijk het best onder vier oog-en. niet op hee-terdaad, doch later.

2. De onwetenden leeren : n.1. de onwetenden in godsdienstzaken ; den Katechismus.

V. R. Wie is vooral verplicht do zondaars te berispen en de onwetenden te leeren ?

A. Allo ouders, meesters, oversten en die met zielzorg belast zijn.

V. Hoe moeten zondaars en onwetenden de berisping' of onderrichting' aannemen ?

A. Zij moeten die aannemen met, een ootmoedig, leerzaam en dankbaar hart. omdat hij die dit onaangenaam liefdewerk verricht, zulks doet tot hun welzijn.

3. Voor do zaligheid zijns naasten bidden.

V. E. Voor wie moeten wij bidden ?

A. Voor alle menschen. dio kunnen zalig' worden, hetzij zo nog leven of reeds overleden zijn.

V. Wanneer wordt bijzonder in het openbaar voor de zaligheid dos naasten geboden ?

A. Dos Zondags in do Hoogmis of ook in het Lof of do Vesper worden vijf Onze Vader en vijf Wees gegroet en Glorie, zij den Vader (jehi'den voor de hekeering van hen die zich srlmldig malcen aan zonden ran godslmtering, yerwensching en onltmsche gesprekken, alsmede tot volharding der rechtvaardigen. (1)

4. Den twijfelachtigen goeden raad geven; n.1. zij die niet weten wat te doen, om de zonde of de gelegenheid tot zonde te vermijden, om een levensstaat te kiezen, enz.

5. De bedroefden vertroosten, d. i. kloinmoodigen, moedeloozon, zwaar beproefden door ziekte, dood of andere rampen, opbeuren, moed inspreken, wijzen op Gods Voorzienigheid en Wijsheid, die uit liet kwade het goede weet te trekken, don mensch door de beproeving zuivert van zonden, of hem uit den staat van zonde trekt.

'i. Het ongelijk geduldig lijden.

7. Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven.

V. Hoe en hoe dikwijls moeten wij vergeven ?

A. Van ganscher harte en zoo dikwijls als togen ons misdreven is, leert Christus. Hiervan, of wij dit nakomen, hangt af, of we

(1) Verscheidene aflaten zijn hieraan verbonden.

ocr page 318

314

zelve vergiffenis hij Gort zullen krijgen van hetgeen wij tegen Hem misdreven hebben; Vergeef ons onze schulden gelijk (even van harte on even dikwijls) wij vergeven onze schuldenaren.

V. Hoevele lichamelijke werken van barmhartigheid zijn er?

A. Zeven : 1 de hongerigen spijzen: te eten geven.

2. De dorstigen laven : te drinken geven.

De naakten kleeden: van de noodige of ook behoorlijke klee-, ding b.v. voor den winter voorzien.

4. De vreemdelingen herbergen : dat zijn: arme vreemde reizigers, die voorzien zijn van aanbevelingen van Paus of Bisschoppen b.v.. huisvesting, begeleiding en andere benoortigdheden verschaffen.

JVota. Indien dergelijke arme reizigers, pelgrims geld verzamelen voor het een of ander liefdadig doel, mag men hun niets geven, als zij niet voorzien zijn van aanbevelingsbrieven, die door den Bisschop en door den pastoor der parochie zijn goedgekeurd

5. De zieken bezoeken, natuurlijk om hen te helpen, te troosten. Hieronder is ook begrepen het verleenen van hul]) aan arme blinden, doofstommen, idioten, krankzinnigen; hun hulp en geld verschaffen, opdat ze in de katholieke gestichten kunnen opgencmen, en aldus, zoo ze niet de gezondheid des lichaams terugkrijgen, dan ten minste hunne ziel voor bederf en verleiding bewaard worde. (1)

6. De gevangenen verlossen. Hoofdzakelijk worden hier bedoeld die om geloofswille in gevangenschap zuchten; doch dit werk van barmhartigheid omvat evenzeer hen, die ongelukkigerwijze iu slavernij of krijgsgevangenschap geraakt, alsook hen. die voor schulden in de gevangenis zijn; wel te verstaan; als zij hieraan geene schuld hebben. Voor de zulken de schulden betalen, opdat zij niet in de gevangenis komen of de vrijheid herkrijgen is in sommige omstandigheden een bij uitstek groot werk van barmhartigheid.

7. De dooden begraven.

V. Waarin bestaat dit werk van barmhartigheid ?

A. Dooden begraven is een werk van liefderijke barmhartigheid als men uit liefde Gods de dooden aflegt, hun eene kist en behoorlijke bogravenis bezorgt, hen naar kerk of kerkhof vergezelt, voor hunne ziel bidt.

Een uitstekend werk van barmhartigheid kan men hierdoor beoefenen ten tijde van besmettelijke ziekte, of oorlog, hetgeen men echter niet doen moet of mag zonder de noodige voorzorgsmaat-regelen te nemen.

V. Waarom worden de lichamen der christenen op gewijde aarde begraven ?

(1) Deze katholieke gestichten bestaan voor doofstommen te St. Michiels-Gestel : tooi- blinden te Grave; voor idioten te Osch, aJlen grootendeels door de mildadig-heid der gegoeden gesticht. Die arme ongclukkigen worden onderhouden uit de collecten, welke jaarlijks in den Vaste voor hen in de kerken gedaan worden.

ocr page 319

315

A. Omdat die plaatsen meer geschikt zijn om voor de overledenen te bidden, hen deelachtig te maken aan de H. Missen en aflaten ; terwijl de zegening, over het kerkhof voltrokken aan hunne ziel voordeelig is, en zij ook geholpen worden door de Heiligen, die in de kerk of parochie bijzonder vereerd worden. (i)

V. 's B. Is men in geweten verplicht aan arme menschen aalmoezen te geven?

A. Ja; voornamelijk als zij in uitersten of grooton nood zijn en wij hen helpen kunnen.

V. Doet men doodzonde, als men iemand in zijn uitersten of grooten nood niet helpt?

A. le Weigeren iemand in uitersten nood te helpen, als men hem kan bijstaan, is zeker rjroote zonde. Hiervan spreekt Christus in Zijn verhaal van den rijken vrek. die verdoemd werd, omdat hij had aangezien dat Lazarus den hongerdood stierf, zonder hem te helpen. Zóó zal ook de Verlosser als Rechter tot de verdoemden spreken, en de reden hunner eeuwige verwerping opgeven, dat zij Hem (d. i. den arme) niet hebben gespijsd, gekleed enz. 2° Zij die van hunnen overvloed den arme in diens grooten nood niet helpen willen, zijn moeielijk van groote zonde vrij te spreken.

V. Wanneer is de arme in grooten nood?

A. Men zegt dat er groote nood is bij den arme, als hij h.v. veel zou lijden in zijne gezondheid, in zware ziekten zou vallen; ook wanneer hij in eer en naam zou vermindereu of zijn goeden naam verliezen.

V. Welke goederen moeten wij gebruiken, om den arme in uitersten en in grooten nood te helpen ?

A. le In uitersten nood moeten wij die goederen gebruiken, welke wij niet noodig hebben om zelf in het leven te blijven. 2e Bij grooten nood van den evenmensch behoeft men alleen die goederen te gebruiken, welke niet volstrekt noodzakelijk ziju om zelf volgens zijn staat te leven. Dewijl hier sprake is van de wet der liefde, is men nooit verplicht buitengewone middelen te gebruiken.

V. Mag men bij het geven van aalmoezen geen voorliefde hebben voor dezen of genen arme ?

A. Voorzeker ja; want, behalve uitersten nood, mag en behoort men lij gelijken nood eerder te geven aan arme bloedverwanten, betrekkingen dan aan vreemden, aan geloofsgenooten dan aan andersdenkenden, aan braven boven hen, wier gedrag slecht is; ja. aan hen, die niet willen werken, behoeft men niet te geven.

V. Welke armen verdienen de voorkeur, het meeste medelijden en hulp ?

A. De schamele of huiszittende armen, die niet durven vragen (1) Begrafenisplechtigheileu, zie Kerk. Mis- en Lof boekje.

ocr page 320

316

of hunnen nooil bekend maken, vooral als dezulken van betere afkomst zijn. Eveneens: de tverheloozen. die zonder hunne schuld ireen werk hebben en gevolgelijk niets verdienen.

V. Welke aalmoes aan de armen te geven?

A. In het algemeen gesproken die almoes, welke den arme naar ziel en lichaam ten goede komt.

le Men trachte grooteren nood te voorkomen en de behoeftigen van openbare bedeeling. vooral van bedelarij af te houden. 2e Men doordringe den arme, poge bij hem levendig te houden het besef van eigenwaarde, fatsoen, waardigheid; ondersteune hem daarom zooveel mogelijk in het geheim en aan huis. 3e Men beijvere zich den arme tuerJc te geven, en daarmede de gelegenheid, om het noodige voor zich te verdienen' 4e Gelijk de nooit genoeg volprezen Vincentius-Vereeniging doet. zoo bevordore mon godsdienstigheid en zedelijkheid onder de armen, door hun katholiek onderwijs te verschaffen, het bezoeken van school en katechismus moedige men aan, alle ongeregeldheid trachte men te kennen en tegen te gaan door huisbezoek. 5° Men were streng alle openbare hedelarij bijzonder van kinderen, waardoor men deze tevens behoedt voor alle daaruit voortkomende of er aan verwante ondeugden. 6® Men wakkere liefde tot den arbeid aan bij de kinderen der armen, en late hen een vak of ambacht leeren. 7C Men verstrekkc niet gemakkelijk de aalmoes in geld; liever in voedsel, kleeding. dekking, verwarming. 8° Dit laatste ook daarom, omdat vele armen niet hennen, hun geld nuttig en voordeelig te besteden.

V. Hoe moeten wij de aalmoes geven ?

A. De aalmoes moet gegeven worden zooals Christus zelf het geleerd heeft; 1° ,.laat uwe rechterhand niet weten wat uwe linkerhand doet.quot; (Matt. VI, 2.) dit wil zeggen; zondei' vertoon of opspraak. 2° Bovendien moet zij gegeven worden van harte, dat is, zegt de H. Paulus: „eenieder ireve naar dat hij zich voorgenomen heeft in „zijn hart, niet uit droefheid (dat hij zelf minder hebben zal) noch „uit dwangquot; (omdat hij niet goed kan weigeren). 3e Hij helpt dubbel, zegt het spreekwoord, die spoedig helpt. 4e Maar hij helpt 't meest, die zijne aalmoes doet vergezeld gaan van een hartelijk, vriendelijk, troostend, bemoedigend, opbeurend woord, waardoor het lijden van den arme waarlijk gelenigd, verlicht wordt, en dat bijna nooit zal nalaten, althans eenigen goeden indruk te maken.

V. Moeten minder vermogende menschen ook aalmoezen geven ?

A. Ja, zegt de H. Schrift, tot allen: ..weest barmhartig naar „vermanen: hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, tracht „ook van dat weinige gaarne te geven.quot; (Tob IV, 1, 9.)

V. Welke zijn de plichten der armen ?

A. 1° De plicht van dankbaarheid jegens hunne weldoeners, welke zij moeten toonen door woord, beleefdheid, zelfs dan als hunne vraag

ocr page 321

:517

niet ingewilligd wordt; — door daad, door voor hen te bidden, die hen weldoen, „opdat, vermaant de H. Panlus, hunner (der rijken) tekortkoming aangevuld worde dooi' dezer (armen) gebod. 2° De armen zijn gehouden tot hescheidenheid jegens hen, die God in hoogeren stand geplaatst heeft. Als mensch en als christen hebben de armen hun stand, d. i. den stand, welken Gods Zoon hij voorliefde uitkoos, toen Hij op aarde kw^ni, en waardoor zij Gods lievelingen zijn, op te houden. Hun eigenhelany bovendien bevorderen zij door bescheiden te zijn, daar de bescheiden arme gemakkelijk eene geopende hand vindt, terwijl de indringer of brutale wordt afgewezen. 3° De armen moeten -rechtvaardig zijn; niet vragen als, en zoolang zij geen nood hebben. Wanneer nu de arme door rverhen in zijn onderhoud kan voorzien, is hij daartoe verplicht. De armen, die vragen en her nie tnoodig hebben, die giften en gaven als opstapelen, zijn moeielijk van onrechtvaardigheid vrij te spreken.

V. 's B. Wat moet ons bijzonder aansporen de werken van barmhartigheid te beoefenen?

A. Dat Christus in het oordeel zal zeggen, dat alles wat wij aan onzen naaste hebben gedaan aan Hem is gedaan; en alles wat wij onzen evennaasten hebben geweigerd, aan H em is geweigerd.

V. Wat nog meer moet ons daartoe aansporen ?

A. De zegen, welke God hier op aarde reeds aan de aalmoes verleent: le tijdelijken zegen: „Die den arme geeft, hem zal niets ontbreken ; doch die zich verwijdert van een bedelaar, zal gebrek lijden.quot; (Spreuken XII, 9.) „Zalig hij die den arme en behoeftige indachtig is ; op den dag des ongeluks zal de Heer hem redden.quot; (Ps. XL, 1.) „Eenigen deelen het hunne uit en worden rijker: anderen rooven wat hun niet toebehoort en zijn toch arm.quot; (Spreuken.) „Die rijkelijk zaait (aalmoezen geeft) zal rijkelijk oogsten.quot; (II. Cor. IX, 7.) 2'' Vergiffenis der zonden: de hoofdman Cornelius ontving de genade des geloofs, dewijl zijn gebed en zijne aalmoezen tot voor den troon van God waren gestegen. „Maak u los. zeide de profeet Daniël tot koning Xabuchodonosor, van uwe zonden door aalmoezen, en van uwe misdaden door barmhartigheid jegens den arme, dan zal God u wellicht uwe zonden vergeven.quot; (Dan. IV, 24.) „De aalmoes snijdt den wortel aller zonden af.quot; (H. Joës. Chrys.) 3e Maakt u vrienden door de onrechtvaardige (u tot zonde gevoei'd hebbende) rijkdommen, opdat, als gij te kort schiet, zij (de brave armen, die gij geholpen hebt) u in de eeuwige woningen ontvangen (door hun machtig gebed bij God voor u).quot; (Luc. XVI, 9.) „Ik heb nooit gehoord, dat iemand, die gaarne aalmoezen gaf, een slechten dood is gestorven.quot; (H. Hieronymus.) „De aalmoes is do prijs, waarvoor de hemel veil is.quot; (H. Leo.)

„Laten wij niet mot woord en tong, maar in daad en waarheid

ocr page 322

:J18

beminnen.quot; (I Joan. III. 18.) „Ik gebied u, dat gij uwe hand opent voor uwen behoeftigen broeder.quot; (Dent. XV. 11.) IJ is de arme gelaten. on den wees zult gij tot helper zijn. (Ps. IX.) Die zijn ooi-sluit voor het geroep des armen, hij zal zelf niet verhoord worden als hij roepen zal. (Spr. XXI, 13.) Geeft, en u zal gegeven worden. (Luc. VI, 31.) Hetgeen gij aan den minsten der Mijnen gedaan hebt. hebt gij aan Mij gedaan. (Matt. XXV. 34.) De hand van den arme is de schatkist van Christus, want wat de arme ontvangt, neemt Christus aan. (H. Petrus Chrys.) Geeft daarom aan allen, vermaant de H. Angustinus. opdat hij, aan wien ge niets geeft, niet soms Christus zelf zij.

VIJF EN VEERTIGSTE LES.

Van de vier uitersten des mensdien.

(U. 24c les; — Br. 42° les; — R. 41e les.)

V. quot;s B. Wat is het beste middel, om in ons den haat der zonde en de liefde tot de deugd te verwekken ?

A. Een aandachtig overdenken der uitersten van don monsch.

V. Waarom is dat een zoo krachtig middel om de deugd te oefenen en de zonde to vermijden'?

A. Omdat dit ernstig nadenken over de uitersten, dat is, over hetgeen oen monsch het laatst zal overkomen, hom allerlovendigst indachtig doet zijn dat de dood oen einde maakt aan ons kort leven, en dat dan. na oen streng oordeel of onderzoek, ons de ijselijke straffen der hel wachten voor het kwaad; de onbegrijpelijke belooning des homels wacht voor het goed, dat wij gedaan hebben. „Gedenk „uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen,quot; zegt God Zelf. (Eccli VII, 4.)

V. 's B. Hoeveel uitersten van den mensch zijn er ?

A. Vier: do dood, het oordeel, de hel en de hemelscho glorie.

V. 'sB. Voor Avie zijn de vier uitersten?

A. De dood en het oordeel voor alle monschen; de hel voor die in doodzonde sterven, en de hemel voor die in staat van gratie sterven.

V. U. Hoe zullen de uitersten zijn voor do goddeloozen?

A. De goddeloozen zullen hebben een ramg^aligen dood, een verschrikkelijk oordeel, eene schandelijke verrijzenis on de eeuwige pijnen der hel.

ocr page 323

:ji9

V. U. Welke uitersten zullen den vromen te beurt vallen?

A. Een gelukkige dood. een verblijdend oordeel, eene heerlijke verrijzenis en de eeuwige vreugden des hemels.

V. Hoe moet men aan deze uitersten denken ?

A. Men moet daarop aandachtifj denken, dat wil zeggen; zich deze voorstellen gelijk een mensch die op sterven ligt, en die dus „tnsschen twee eeuwighedenquot; geplaatst is. Tusschen de gelukkige on rampzalige eeuwigheid is ieder mensch altijd en overal geplaatst, en daar een stervend mensch genegen is tot het goed. en men ook alle oogenblikken sterven kan, en dan, na geoordeeld te zijn niet kan ontkomen aan „een dier twee eeuwighedenquot;, zoo moet de voortdurende gedachte aan de uitersten heilzaam werken, afschrikken van het kwaad en aansporen tot het goed.

V. 'sB. Wat moeten wij van den dood gelooven ?

A. Dat alle menschen eenmaal zullen sterven, en dat de dood ons kan overkomen, als wij het minst er aan denken.

V. Waarom moeten alle menschen sterven ?

A. 1° Omdat alle menschen in Adam gezondigd hebben, want „door de zonde is de dood in de wereld gekomenquot; (Rom. V, 12) en „is het voor de menschen vastgesteld eens te stervenquot;. (Hebr. IX, a.5.) •2° God heeft alle menschen doen ondervinden, „hoe bitter en slecht ..het is. God, zijnen Heer verlaten te hebbenquot;. (Jerem. II, 19.) :{e God heeft ons door den dood de gelegenheid gelaten, om veel te verdienen, als wij het kostbaarst wat wij bezitten, het leven, Hem blijmoedig, althans met onderwerping opofferen.

V. Wat is de dood ?

A. De scheiding van ziel en lichaam.

V. Hoevelerlei dood kan men onderscheiden ?

A. Voornamelijk: een goede dood. d. i. in staat van gratie, en een slechte dood, in staat van doodzonde.

V. Waar, wanneer en hoe zal men sterven ?

A. Hierop passen de woorden van Christus: „U komt het niet toe, tijden of uren te weten, welke de Vader in Zijne macht gesteld heeft.quot; (Hand. I. 7.) „De Zoon des menschen zal komen op een uur, dat gij niet weet.quot; (Matt. XXIV, 42.) „Want gij weet noch dag noch uur.quot; (Matt. XXV, 13.) „De mensch weet zijn einde niet: maar gelijk de visschen gevangen worden met den angel en de vogels met den strik, zoo zullen de menschen verrast worden dooiden kwaden dag.quot; (Eccl IX. 12.)

V. Waarom heeft God dit alles voor den mensch verborgen ?

A. le Opdat de mensch zóó zou leven, dat hij altijd bereid is om te sterven ; daarom vermaant Christus : „weest bereidquot;, „waaktquot;, want gij weet dag noch uur. 2quot; Omdat het leven voor den mensch ondragelijk zou zijn, en de samenleving onbestaanbaar, indien de mensch dit wist.

ocr page 324

320

V. Wie sterven een gelukkigen dood ?

A. Gewoonlijk alleen zij die goed geleefd hebben : ..gelijk het leven, zóó de doodquot;; ..kostbaar is de dood der heiligen (braven) in „de oogen des Heerenquot;. (Ps. CXV, 15.)

V. Wie sterven gewoonlijk een slechten dood?

A. Zij die slecht geleefd hebben.

V. Is dan niet de plotselinge dood het meest te vreezen ?

A. Neen, niet de plotselinge dood is te vreezen. maar wel de dood die onvoorbereid is, want zij sterven nifet onverwacht, die de gedachte aan den dood altijd bij zich hebben en dus bereid zijn te sterven ?

V. Waarom denkt men zoo weinig aan den dood?

A. Dit is het gedrog des duivels, waardoor hij ons als in de meening tracht te brengen, dat wij niet zullen sterven, waarmede hij Eva bedroog.

De dood is voor eiken mensch het verschrikkelijkste van alle vreeselijke dingen. Doch voor hen die in zonden, of ook slechts wereldsch leven is het aandenken aan don dood hitter, als zijnde het einde hunner ongeregeldheden, het verdwijnen en de teleurstelling van alle droombeelden en beraamde plannen, het wreede scheiden van allen en alles wat hun lief of dierbaar is: het beinn van eene.... ? eeuwigheid !

V. 'sB. Wat zal ons in het uur dos doods het meest beangstigen?

A. De zonden en Gods rechtvaardig oordeel.

V. Wat staat ieder dus te doen ?

A. le Zich steeds voor alle zonden zorgvuldig te wachten; 2e ze altijd oprecht en met een waar berouw te biechten; 3e bij ziekten niet uitstellen het H. Sacrament der Biecht en evenmin de andere Sacramenten des Altaars en des H. Oliesels te ontvangen.

(Zie de 36e les.)

V. 's B. Wat zal ons in het uur des doods het meest vertroosten?

A. Gods barmhartigheid, de verdiensten van Christus en een goed geweten.

Leef nu en altijd zóó, als gij dan (in het sterfuur) zult wenschen gedaan te hebben; n. 1. dat gij dan reden hebt om op Gods barni-hartir/heid te hopen, doordat zijne oneindige verdiensten niet vruchteloos voor u zijn geweest, omdat gij uw geweten steeds zuiver bewaard, óf althans gezuiverd hebt door de vruchten dier verdiensten in het H. Misoffer, de H. Sacramenten, het gebed, de aflaten, goede werken, welke gij bijgewoond, ontvangen, verdiend, beoefend hebt.

V. Bf. Wat volgt terstond na den dood?

A. Terstond na den dood volgt het Ujzonder oordeel.

V. R. Wat moeten wij van het oordeel gelooven?

A. Ten le dat iedereen geoordeeld zal worden; ten 2® dat de rechter oneindig rechtvaardig en het vonnis onherroepelijk zal zijn;

ocr page 325

ten 3e dat hot goed zal beloond en het kwaad gestraft worden.

V. Welk verschil is er tnsschen het hijzonder en het algemeen oordeel ?

- A. le Het bijzonder oordeel zal plaats hebben aanstonds na den dood ; het algemeen op het einde der wereld. 2e In het bijzonder oordeel zal de ziel door God alleen: in het algemeen, lichaam en ziel in tegenwoordigheid van alle menschen geoordeeld en gevon-nisd worden.

V. R. Waarheen gaan de zielen der overledene christenen na het bijzonder oordeel ?

A. Naar eene van deze drie plaatsen: den hemel, de hel of het vasrevunr.

V. U. Zal na het laatste oordeel het vagevuur nog blijven bestaan?

A. Neen; dan zullen alleen de hemelen en do hel overblijven. (Zie de \-gt;e les.)

V. Br. Zal er behalve het bijzonder oordeel nog een ander oordeel zijn ? !

A. Ja. hot algemeen oordeel op het einde der wereld.

V. Br. Wie zal de rechter in het oordeel zijn ?

A. Josus Christus zelf zal do Hechter zijn.

V. Waarom zal Jesus Christus de Rechter zijn ?

A. le Omdat „do Vader allo oordeel aan zijnen Zoon heeft ..gegevenquot;, en Deze door Zijne Verrijzenis is gesteld ..tot Rechter ..over levenden on doodonquot;. (.loans. V, 22; Hand. N. 42). 2e Opdat alle menschen Hem, don God-^Iensch. hunne hulde zouden brengen.

V. 's B. Wat maakt het oordeel vroeselijk ?

A. Ten le dat een ieder daar zal moeten te voorschijn komen; ton 2e (Br. dat daar alles, ook de geheimste zonde aan alle Kn-golen en menschen zal geopenbaard worden) dat de Rechter onbeweeglijk zal zijn; en ten 3e hot vonnis onherroepelijk.

..Allen zullen wij ons moeten vertoonen voor don rechterstoel van Christus. (Rom. XIV. 11.) ..Zie op het einde in alle zaken, en hoe irij voor don strengen rechter staan zult, wien niets verborgen is; die door geschonken niet bevredigd wordt, die geene verontschuldigingen aanneemt, maar zal oordeelen volgens hetgeen recht is.quot; (Thomas a Kompis.) ..Daarom waakt en bidt ten allen tijde, opdat

gij waardig moogt gerekend worden...... te staan voor den Zoon des

menschen. (Luc. XXVI, 36.)

V. U. Welke zielen gaan naar de hel?

A. De zielen van hen, die in staat van ongenade of doodzonde sterven. „Die zonde doet is uit den duivel, want do duivel zondigt van den beginne.quot; (I Joan. HI, 8.); „hij heeft, zegt Christus, den duivel tot vader en doet volgens zijne lusten.quot; (Joan. VIII, 44.) „hij is slaaf van den duivel, wiens wil hij volbrengt. (HPetr. XI, 19.) Rechtvaardig is het dus. dat do zondaar dezelfde straf krijgt als

21

ocr page 326

de duivel: ,.liet eeuwig vuur, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is.quot; (Matth. XXV. 41.)

V. R. Wat is de liel?

A. Kcne plaats van onbegrijpelijke pijnen, waar de duivels en de verdoemden van God eeuwig gestraft worden.

V. Is er een hel ?

A. Ja, heeft, Christus, de Zoon Gods en de eeuwige waarheid gezegd: er is een hel; ,.eeno plaats van pijnen zegt Hij, „van eeuwige pijnen,quot; ,.de uiterste duisternis,quot; „een onuitbluschbaar vuuur,quot; „een vuuroven, waar geween en geknars der tanden zal zijn,quot; „een poel van vuur en zwavel. Ook eischt Gods rechtvaardigheid en heiligheid dat de straf eeuwig zij. Zonder eeuwige straf zou Gods zedewet geene genoegzame bekrachtiging hebben; noch zou het kwaad voldoende gestraft worden. Vandaar, dat ook de heidensche volken de overtuiging hadden, dat de zondaars in het andere leven eeuwig zouden gestraft worden.

V. quot;s B. Wat zullen de verdoemden in de hel lijden ?

A. Ten le De onbegrijpelijke zware berooving van het goddelijk aanschijn.

V. Waarom kunnen wij niet begrijpen, dat dit zoo vreeselijk lijden is: God niet te zien.

Dit kunnen wij niet begrijpen, omdat wij slechts eene beperkte kennis van — en liefde tot God hebben. Hoe grooter nu onze kennis van — en liefde tot God is, des te beter zullen we dan begrijpen, wat God is en ge volgelijk wat de verdoemden door deze pijn van schade, lijden, dat ze God niet zien. De hel zou geen hel meer zijn, als de verdoemden God konden zien.

V. Geef eenig gedacht van deze straf.

A. Stel u voor het kind eener arme moeder; ontneem dit aan zijne moeder; geef het al wat het gaarne heeft; het zal niet tevreden zijn voor dat het aan zijne moeder is teruggegeven: dan eerst zal het teekenen van vreugde geven.

Absolom, de zoon van Koning l)aA*id, was door zijn vader verbannen. Zoo ondragelijk was het hem. niet bij zijn vader te mogen komen, dat hij tot Davids veldheer Joab zeide: „Zorg er voor, dat ik 'sKonings aanschijn mag zien. Zoo nier, dat hij mij dan liever doe sterven.quot;

Gelijk het voor iemand, die blind geworden is. eene hevige smart is, niet te zien, zóó is het eene oneindig grootere smart voor de verdoemden het licht der glorie te missen, zoodat zij God niet zien, dien zij, ontdaan van het lichaam als het opperste Goed kennen.

Ten 2e de knaging van het geweten. Hun worm sterft niet, zegt Christus. (Marc. IX, 43.)

V. Hoe is dit lijden zoo groot?

A. De verdoemden zullen ten volle beseifen het oneindig geluk, dat in het aanschouwen van God gelegen is; dat dit geluk het hunne

ocr page 327

323

had moeten en kimnen zijn, dat zij lt;lit zoo gemakkelijk hadden kunnen verkrijgen, doch dat zij dit door eigen schuld verloren heb-ben. Aan niemand en niets kunnen de verdoemden hun rampzalig' lot wijten, noch aan ouders of verleiders of duivel, want zij waren vrij, om hot goed te doen; uit volkomen vrijen wil ook hebben zij het kwaad gedaan.

Ten 3° het derven, m issen van al hetgeen hen eenigszins zou hunnen troosten. Christus haalt hiervan een voorbeeld aan. als Hij in de parabel van den rijken vrek verhaalt, dat deze in de hel verzocht om één enkelen druppel water, „doch het werd hem geweigerd.quot;

Ten 4° Dm brand van het smartelijk en muiihluschhaar vuur.

Ten 5° hóvenal de ellendige eeuwigheid.

V. Is in de hel een eeuwig vuur?

A. In de hel zullen de verdoemden onophoudelijk, zonder tus-schenpoozing of verzachting gefolterd worden door een waarachtig en stoffelijk vuur, dat zal branden, zonder te verbranden, terwijl de slachtoffers in de afgrijselijkste duisternis zullen gehuld blijven. „Gaat van mij. vervloekten, in het eeuwige vuur,quot; zal Christus in het oordeel zeggen; en zij zullen ingaan in de eeuwige pijn. (Matt. XXV, 41. 4(i.) Het is beter, had Christus vroeger al geleerd, met één oog, ééne hand, enz. den hemel binnen te gaan, dan met twee oogen. handen en voeten „in het owuitbluschbaar vuur geworpen te worpen, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht. Ook waarschuwde Christus: „vrees alleen Hem, die ziel en lichaam kan verderven in de hel. En de H. Joannes schrijft: „dat de verdoemden in een vuur- en zwavelpoel gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.quot;' en dat de rook hunner pijniging opstijgen zal in alle eeuwigheid. (Openb. XX, 10.)

V. Hoe kan de doodzonde, die slechts één oogenblik duurt, eeuwige straffen verdienen ?

A. Omdat de doodzonde eene oneindige boosheid is, en omdat, de zondaar, die in doodzonde sterft ook eeuwig volhardt in de zonde, en bijgevolg verdient eeuwig gestraft te worden.

V. R. Zullen alle verdoemden dezelfde straf ondergaan ?

A. Neen; in de hel zal ieder naar de grootte zijner zonden gestraft worden.

Allen zullen de straf van schade gevoelen, beroofd zijn van Gods arnschijn. Doch de straf van gevoel zal verschillend zijn naar de soort en het getal der zonden, die do verdoemde bedreven heeft; „Geef haar even groote smart en kwelling, als zij zich verheerlijkt en in lusten geleefd heeft.quot; (Openb. XVHI, 7.) Waarin iemand heeft gezondigd, daarin zal hij ook gestraft worden. (Sap. XI, 16.) „Van een ieder wien veel gegeven is, zal veel worden gevorderd.quot; (Luc. XII, 48.)

V. Wat volgt hieruit ?

ocr page 328

324

A. Dat het een bedrog des duivels is. als men meent, dat het toch. niet meer helpen kan, dat uien toch (bij sterven) verdoemd is, als ien omdat men soms in ééne doodzonde is gevallen, 't Is niet hetzelfde, of men om ééne of meer doodzonden verloren gaat. Ten andere moet juist zulke jammerlijke val te meer doen hoeden voor meer zonden, om door goede werken zekerder en spoediger de genade van berouw en bekeering te verkrijgen.

V. R. Wat is de hemel ?

A. Ecne plaats, waar de gelukzaligen God eeuwig aanschouwen, en onuitsprekelijke vreugde genieten.

V. 's B. Wat is het grootste geluk der zaligen ?■

A. Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.

V. R. Kunnen wij de heerlijkheid der hemelsche vreugden begrijpen ?

A. .Neen, want de H. Schrift zegt,; geen oog heeft het gezien, geen oor gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben

Daarom zegt de H. Augustinus: het is gemakkelijker te zeggen wat in den hemel niet is. dan wat er is. Daar is geen dood, geen rouw, geene vermoeienis, geene zwakheid, geen honger, geen dorst, geene hitte, geene ziekte, geen gebrek, geene droefheid, geene treurigheid. Ziet, dat alles is daar niet. Wilt gij weten wat daar is ? Geen oog heeft het gezien, enz.

Thans zien wij God door een spiegel in een raadsel (het geloof), maar dan van aanschijn tot aanschijn (I Cor. XII. 13.) leert de H. Paulus; en de H Joannes (I. III. 2): „wij zullen Hem zien gelijk «Hij isquot;. „Wij zullen verzadigd worden met den overvloed van zijn ..huisquot;'. (Ps. XXXV, 19.) Wij zullen als het ware gelijk goden zijn, daar zij, die de aanschouwing van God genieten, schoon zij hun eigen wezen behouden, met eene wonderbare en bijna goddelijke gestalte worden bekleed, zoodat men hem eer voor goden dan voor menschen zou houden. (Roni. Kat.)

V. 'sB. Zullen alle zaligen in heerlijkheid en alle verdoemden in straf gelijk zijn?

A. Neen, maar ieder zal naar verdiensten verheerlijkt of gestraft worden.

„De Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders „met Zijne Engelen, en dan een ieder vergelden naar zijne werken.quot; (Matt. XVI, 26.) „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningenquot;, dat is, niet allen verdienen denzelfden loon. (Joan. XIV, 2.)

V. Zullen dan zij, die minder loon ontvangen, volmaakt gelukkig en tevreden zijn, evenals zij die meer loon ontvangen?

A. Ja, antwoordt de H. Augustinus. De H. Stad, de hemel zal ook dit groot geluk bevatten, dat hij, die in mindere glorie prijkt, hem niet benijden zal, die tot een grootere werd verheven.....Ieder

ocr page 329

3^5

zal dus daar zijne lt;gt;avc dusdanig bezitten, dat liij ook de gave zal bezitten, ireene «rootere te verlangen. Evenzoo zal b.v. een kind, dat een nieuw ])ak gekregen heeft, niet verlangen naar dat van een grooteren broeder, maar tevreden zijn met zijn eigen kleed, dat voor hem passend is.

V. Zullen sommige zaligen eene bijzondere vergelding genieten ?

A. Ja, en deze bijkomende gelukzaligheid bestaat in eene of andere voorbijgaande nieuwe vreugde of blijvende volmaaktheid, die den zalige nog buiten het geluk van God te aanschouwen te beurt valt.

V. Welke Heiligen zullen aldus beloond worden ?

A. De Apostelen, Martelaars, Leeraars en Maagden worden in de H. Schrift aangeduid als zullende eene bijzondere vergelding ontvangen: de Apostelen en Leeraars, omdat zij over den duivel, de Martelaars omdat zij over de wereld, de Maagden omdat zij over het vleesch hebben gezegevierd.

V. Kunnen wij iets bijdragen tot het geluk of de heerlijkheid der Heiligen in den hemel ?

A. Ja, wij kunnen hunne bijkomende gelukzaligheid verhoogen. Daartoe viert de Kerk do feestdagen der Heiligen; daartoe ook wordt op die dagen de H. Mis aan God opgedragen.

„Ik houd het er voor, dat het lijden van den tegenwoordigen ..tijd van geene beteekenis is bij de toekomende heerlijkheid, welke ,.in ons geopenbaard zal worden.quot; (Rom. VIII, 18.)

Tot ons allen is door God gezegd, hetgeen Mozes eertijds in Diens Naam tot het Joodsche volk zeide:

„Tot getuigen roep Ik heden hemel en aarde, dat Ik u leven en ..dood, zegen en vloek heb voorgesteld. Kiest dus het leven, opdat „gij leven moogt! Bemint den Heer uwen God, gehoorzaamt aan „Zijne stem, hecht u vast aan Hem, want Hij is uw leven' en de „vermeerdering uwer dagen ; en gij zult wonen in het land. hetwelk „de Heer gezworen heeft (aan u) te geven.quot;

„Het boek van deze wet wijke niet van uwen „mond, maar gij z uit daar in overdenken bij dag „en bij nacht, opdat gij onderhoudt en volbrengt „alles wat er in geschreven staat; dan zult gij „geluk hebben op uwen weg en dan zult gij gelukkig wandelen.quot; (Josue I, 8.)

De 'aarde zou gem tranendal, maar een paradijs zijn, ah van ieder kon gezegd worden, wat God van Josue zegt:

„Hij ver onachtzaamde van al de geboden zelfs „geen enkel woord, dat de Heer geboden had.quot; (Josue XI, 9.)

ocr page 330

326

INHOUD

VAN DEN'

GROOTE KATECHISMTJS.

Bl.vüz.

Voorrede.

EERSTE LES. Van dc cliristelijke leer en den mcnsch . . 5

TWEEDE LES. Van den christenmenscli en het Kruisteeken. 11

DERDE LES. Van hot Geloof......................''

VIERDE LES. Van de H. Schriftuur en do Overlevering. . 28

VIJFDE LES. Van God............................33

ZESDE LES. Van de H. Drievuldigheid................38

ZEVENDE LES. Van de Schepping en de Engelen.... 42

ACHTSTE LES. Van de Schepping en den val des raenschon. 48

NEGENDE LES. Van de Mensehwording van God den Zoon. 55

TIENDE LES. Van het lijdon van Christus en de Verlossing. 64

ELFDE LES. Van de Verrijzenis en Hemelvaart van Christus. 72

TWAALFDE LES. Van het laatste oordeel..............''

DERTIENDE LES. Van God don H. Geest..............81

VEERTIENDE LES. Van de Kerk....................«5

VIJFTIENDE LES. Van de gemeenschap der Heiligen . . 96 ZESTIENDE LES. Van de vergiffenis der zonden en do verrijzenis des vloesch...............

ZEVENTIENDE LES. Van hot eeuwig leven......1quot;»«

ACHTTIENDE LES. Van do Hoop en het gebed.....112

NEGENTIENDE LES. Van het Gebod des Hoeren . . . . 119

TWINTIGSTE LES. Van de grootenis dos Engels . . . . 125

EEN EN TWINTIGSTE LES. Van de Liefde......134

TWEE EN TWINTIGSTE-LES. Van het eerste gebod. . . 142 DRIE EN TWINTIGSTE LES. Van de vereering en aanroeping dor Heiligen, on van do beelden en relikwieën. . . 148

ocr page 331

:]-27

Bladz.

VIER llt;:x rrWINTIGSTE LES. Van het tweede gebod. . . 153

VIJF EN TWINTIGSTE LES. Van liet derde gebod . . . 158

ZES EN TWINTIGSTE LES. Van het vierde gebod . . . 162 ZEVEN EN TWINTIGSTE LES. Van het vijfde, zesde on

negende gebod................108

ACHT EN TWINTIGSTE LES. Van het zevende, achtsteen

tiende gebod.................175

NEGEN EN TWINTIGSTE LES. Van de geboden der H. Kerk. 181

DERTIGSTE LES. Van de H. H. Sacramenten.....l!JO

EEN EN DERTIGSTE LES. Van het Doopsel.....199

TWEE EN DERTIGSTE LES. Van het Vormsel.....205

DRIE EN DERTIGSTE LES. Van het H. Sacrament des Altaars. 209

VIER EN DERTIGSTE LES. Van het H. Sacrificie der Mis. 221

VIJF EN DERTIGSTE LES. Van de Biecht......228

ZES EN DERTIGSTE LES. Van het H. Oliesel.....249

ZEVEN EN DERTIGSTE LES. Van het Priesterschap . . 254

ACHT EN DERTIGSTE LES. Van het Huwelijk.....259

NEGEN EN DERTIGSTE LES. Van de zonde.....270

VEERTIGSTE LES. Van de dadelijke zonde......273

EEN EN VEERTIGSTE LES. Van de verschillende soorten

van zonde..................283

TWEE EN VEERTIGSTE LES. Van de Deugden .... 29« DRIE EN VEERTIGSTE LES. Van de goede werken . . . 305 VIER EN VEERTIGSTE LES. Van de werken van barmhartigheid ..................311

VIJF EN VEERTIGSTE LES. Van de vier uitersten des menschen..................318

ocr page 332

328

ALPHABETISCHE INHOUD

VAX DEN

GROOTE KATECHISMUS.

A.

Aanbidding 142.

Aalmoes 307. 315. Aanvenvantscliap 2()1. Aartsengelen 45.

Absolutie 228, 247.

Adam 48.

Aflaten 100.

Afgezanten 7.

Afgoderij 145.

Afval 25, 300. Allerzaligste leering 5. Almacht 39.

Altaar-Sacrament 50, 200. Alwetendheid 37. Alziendheid 37.

Akten 143.

Amandus H. 8.

Ambtenaar 265.

Amen 112.

Antonius 150. Andersdenkenden 24. Apostelen 7. 63. Apostolische zegen 252. Armen (plichten) 316. Ave 125.

Avondmaal 212, 223.

B.

Ban 99.

Barbara 150. Barmhartigheid 36, 311. Bedevaarten 129.

Beelden 101.

ocr page 333

Begrafenis 99. 140. 18«, .'SU Hekoering 310.

Bekoringen 123.

Belijden 15, 228. 23(). Beloken l'aschen 18().

Belofte 156, 304.

Berouw 231.

Iteschermheiligen gt;8. Beschenufeest quot;58.

Bestierder 36.

Bethlehem 58.

Blinden 314. Bloedverwantschap 261. Biechten 186, 228. 268. Biechteling 230.

Bijbel 29.

Bidden 307.

Bijgeloof 145.

Bisschop 8, 206.

Boek der Schepping 43. Bonifacius 8.

Boodschap des Engels 57. Boom des levens 49.

Boom dor kennis 50. Bovennatuurlijk 232.

Brood 210.

Bullen, brieven 21.

C.

('alvarie 67.

('ana (Bruiloft) 63. Ceremoniën 197, 227. Christelijke leer 6. Christenmensch 11. Christenen 11.

Chrisma 205.

Communie 60, 121, 215. ('ommuniedag 122. 220. Congregaties van O. L. V. 1 Consecratie 210, 223. Couranten 283.

]gt;.

Dadelijke genade 188. 193. Dadelijke zonde 272. Dagelijksche zonde 279. Dankzegging 220.

ocr page 334

Danshuizen ^8:5.

Deftigheid 286.

Deugd 296.

Deugden der H. Familie 62. Deugden van Jesns (ü).

Deugden van Maria 128.

Diaken 225.

Dienen (God) 10. 14:5. Dienstboden 163.

Dispensatie 263.

Dood 319.

Dooden (Sacramenten der) 195. Doodzonde 233, 275. Doofstommen 314.

Doopbeloften 203.

Doopsel 199.

Drieéénheid 38.

Drievuldigheid 12, 4(gt;.

Drie Koningen 60.

Dronkenschap 296.

E.

Keuwig leven 108.

Eed 155.

Kerbied 163.

Krfzonde 51, 272.

Egypte (Vlucht naai ) 61. Eigenliefde 136, 307.

Elias 76.

Elisabeth 62, 125.

Engelen 44.

Engelbewaarders 47.

Engel des Heeren (De) 57 129.

Ergernis 171.

Eva 48.

Evangelie 30, 301.

Evangelisten 30.

Evennaaste 137.

F.

Falen 20.

Familie (H.) 62, 268.

Franciscus Xaverius 120.

O.

Gabriël 45.

Gaven (v. d. H. Geest) 208.

ocr page 335

m i

(ialilecërs 11.

(.Tebcd 115.

Gezanten 210.

Geest (H ) 9.

Geestelijke Communie 225. Geheimen v. d. Rozenkrans 1:50. (iohoorzaamlieid 103.

(Gelegenheid (naaste)

Geloof 17.

Gemeenschap der Heiligen 97.

Gemengde huwelijken 20:?.

Genade 187.

(ienerale absolutie 252.

Generale biecht 240.

Uetal 237.

Getuigen 265.

Gewetensonderzoek 237, 243. Gierigheid 280.

Gloria in excelsis 59.

(Uoi'ie zij den Vader 41.

God 33.

Godsdienstigheid 143, 302. 307. Oi odslastering 154, 313. Goddelijke deugden 298. Godvruchtig leven 115. Goeddunken 22.

Goede Week, Vrijdag 71.

Goede werken 305.

Gramschap 170. 291.

Gulden Mis 57.

Gulzigheid 289.

11.

Haat 170, 208.

Handoplegging 205.

Heer 63.

Heidenen 54, 98.

Heiligen 97. 148.

Heiligedagen 182.

Heiligmakende genade 188. 193.

Heiligschennis 147. 195. 217.

Hel 111, 324.

Hemel 108. 324.

Hemelvaart 13. 76.

Henoch 76.

Herdersmis 59.

ocr page 336

332

Herocles 61. 67.

Hof van Olijven 66. Hoofdzonden 284.

Hoop 113.

Hoovaardiglieid 285.

Houding- (onder de gt;Iis) 1 KJ. Huisarmen 315.

Huisje van Nazareth 261. Huwelijk 259.

Huwelijksbeletselen 261. 284. I.

Idioten 314.

Intentie dor Kerk 103.

J.

Jesus Christus 55. 153.

Jeugd 218.

Joannes do Dooper 62. Joannes Nep. 245.

Joden 53, 98.

Jongelingen 45.

Jozef (H.) 58, 150.

Jozef van Arimathea 68. Jubilee 104.

Judas 66.

K.

Kaartleggers 145.

Katechismns 5.

Katholiek 11.

Kerk 7. 20.

Kerkgang 61.

Kerkdagen 182.

Kerstmis 59.

Ketters 24. 98.

Kiezers 284.

Kindsheid 60. 120. Kinderkoppen 45.

Koningin 163.

Koren der Engelen 45. Kruinschering 255.

Kruis. Kruisteeken 12. Kruisbeeld 151.

Kruisoffer 215.

ocr page 337

:533

Kruis verbond 290.

Kruisweg 71, 103.

Kuischhoid 174.

Kwaadspreken 179. 288. Kwatertempordagen 184. 257.

L.

Lasteren 179.

Latijn 227.

Lauwheid 291.

Levenden (Sacramenten der) 196.

Levende Rozenkrans 129.

Levens der Heiligen 151.

Lichtmis 61.

Liefde 134, 163.

Liegen 178.

Lot 214.

Loretto (Litanie van) 129.

Lucifer 45.

jri.

Maagschap 261.

Mannen (H.) 29.

Marteldood 200, 302, 325.

Maria 150.

Matigheid 302.

Meditatie 116.

Meening 309.

Meimaand 132.

Melchiscdech 54.

Mensch 9, 48.

Menschwording 55.

Merkteeken 197.

Messias 54.

Meter 203.

Michaël 45.

Miraculeus 151.

Mishooren 160. 183.

Misoffer 215, 222.

Moord 169, 287.

Morphine 290.

Morgengebed 309.

Mysterie 38.

ar.

Naam (H.) 55. 153.

Naastenliefde 137

ocr page 338

334

Nabiecht 247.

Nachtmis 59.

Natuur van Christus 5(i.

Nazareeërs 11.

Nazareth 59, 61.

Nicodemus (gt;8.

Nijd 288.

Noë 53.

Nood 312.

Noodzakelijkheid 26.

Novene 132.

Nuchter 216.

Nutting 225.

O.

Octobermaand 132.

Offer 221.

Offerande» 225.

Oliesel 249.

Olijfberg 76.

Olijfolie 249.

Omstandigheden 238.

Onbevlekte Ontvangenis 52. Onbedachtzaamheid 276.

Onderwijs 299.

Onfeilbaarheid 20.

Ongehoorzaamheid 50.

Ongeldige huwelijken 262. Onkuischheid 172.

Onnoozele kinderen 61, 201. Ontbindtenis 266.

Onwetenden leeren 313.

Onze Vader 119.

Oorspronkelijke rechtvaardigheid 49.

Openbaring 19. 28.

Operatie 289.

Openbare gebeden 97.

Ouders 162, 269.

Oudvaders 73.

Overheid 102, 162.

Overlevering 32.

P.

Paradijs 49.

Paaschkaars 74.

ocr page 339

335

Palestina 58.

Paschen 74. 77. 180. Pastoor 265.

Paus 8. 99.

Pater noster 130.

Patroon 58.

Persoon van Christus 57. Personen (aoddelijke) 38. Peter 203.

Petrus 1, «(j.

Pliarizeeën 63.

Pilatus 66. Planeettrekkers 145. Plechtigheden 197. Priesterwijding- 185. 257. Priesterschap 63. 254. Processie 61.

Processen 159. 177. Profeten 54.

Pronken 284.

Protestanten 31.

R.

Eafaël 45.

Rechtvaardiulieid 302. Kede 301.

Relikwieën 152.

Restitutie 180.

Rijk Gods 75. 121.

Roep 306.

Roomsch 11.

Rozenhoedje 13(i. Rozenkrans 130.

S.

Sabat 158.

Sacramenten 190.

Sacrificie 223.

Sanctus 226.

Scapulier 128.

Scheiding 266.

Schepper 42. Scheppingsdagen 42. Schepsel 44.

Scheurmakers 99.

ocr page 340

336

Schietgebed 118.

Schrift (H.) 28.

Schulden 123.

Servatius (H.) 8.

Simonie 147, 178.

Slaap 289.

Slang 50.

Slavernij 3, 50.

Staten, standen 28.

Sterkte 302.

Stelen 175.

Stervensgevaar 218. 230. 250. Straffen 3, 167.

Subdiaken 255.

Symbolnm 27.

T.

Te Deum 41.

Teerspijs 216.

Testament 29.

Thomas (H.) 74.

Tien geboden 139.

Tijdelijke straffen 101. Traditie 32.

Toovenarij 145.

Trouwbeloften 264.

Traagheid 291.

Turken 98. 133.

Twaalf artikelen 28. Tweegevecht 169.

IJ.

Uitersten 318.

Uitwendig teeken 191.

V.

Vagevuur 109.

Valsche getuigenis 178.

Vaste 62, 183.

Verboden huwelijken 263. Verdoovende middelen 289. Vereering 142.

Vergeven 313.

Vergiffenis 104.

Verkeeringen 284.

ocr page 341

337

Verlosser 53, 55.

Verlossing 64, 65.

Vermeerdering- der heiligmakende gratie 193.

Verrijzenis 73, 106.

Verschijningen 75.

Verstand 9, 49.

Versterving 307.

Vertrouwen 114.

Verwenschen 170.

Verzwijgen 239.

Verznimenis 273.

Vijanden 137, 171.

Vloeken 154.

Voldoen 65, 241.

Volharden 10.

Voogden 295.

Volmaaktheid 303.

Voorhiecht 244.

Voorbereiding 219, 267.

Voorgeborchte 72.

Voornemen 233.

Voorzichtigheid 301.

Voorzienigheid 43.

Vormsel 205.

Vreemdelingen 314.

Vreemde zonden 283.

Vreezen 114.

Vruchten der H. Mis 226.

We

Waarzeggers 145.

Wanhoop 114, 293.

Watten 252.

Wees gegroet 125.

Weezen 295.

Werken 159.

Werkeloozen 316,

Werklieden 296.

Wierookkorrels 74.

Wijwater 14, 146.

Wil (vrije) 49.

Willibrordus (H.) 8.

Woeker 176, 295.

Wonden (Vijf H.) 74.

Woord Gods 29.

Wraakroepende zonden 295.

ocr page 342

338

Va.

Zacharias 62.

Zaligmaker 55.

Zalf 20(5.

Zalvinu- 249.

Zaturdagsche \'asto 128. Zeden 301.

Zedelijke deugden 298.

Ziel 9.

Zielen des Vagevuurs 109. Zinnebeelden 40, 45.. Zondag 158.

Zonde 50, 270.

Zondvloed 53.

Zweren 155.

IMPRIMATUR.

Haar au. :34 ■lanuarii 18 OH.

L. T?ER( 'KVEXS.

Lihrar. Cens.

ocr page 343
ocr page 344

1

ocr page 345
ocr page 346